# Jeremia (ירמיהו, Yirmeyahu) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Jeremia 1 _De roeping van Jeremia: een profeet voor de volken_ ### De woorden van Jeremia **1:1** De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, een van de priesters die in Anatot woonden, in het land Benjamin. Brontekst: דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בֶּן (ben) = zoon van | חִלְקִיָּ֑הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | מִן (min) = uit | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּעֲנָת֔וֹת (baanatot) = in Anatot | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land van | בִּנְיָמִֽן (binyamin) = Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: יִרְמְיָהוּ (Yirmeyahu), ‘Jeremia’: de betekenis van de naam is onzeker. Vaak wordt hij gelezen als ‘Yahweh verheft’. Voetnoot : עֲנָתוֹת (Anatot): een stad in het land van Benjamin, ten noordoosten van Jeruzalem. Het is een priesterstad (Joz. 21:18). Ook Abjatar kreeg er een akker (1 Kon. 2:26). Voetnoot : De tekst zegt niet of deze Hilkia de hogepriester Hilkia is (2 Kon. 22:4). Zie ook: Joz 21:18; 1 Kron 6:45; 1 Kon 2:26; 2 Kon 22:4; 2 Kron 36:21; Jer 11:21; Jer 32:7–9; Ezech 1:3 **1:2** Het woord van Yahweh kwam tot hem in de dagen van Josia, de zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering. Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הָיָ֤ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | בִּימֵ֛י (bimei) = in de dagen van | יֹאשִׁיָּ֥הוּ (yoshiyahu) = Josia | בֶן (ben) = zoon van | אָמ֖וֹן (amon) = Amon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | בִּשְׁלֹשׁ (bishlosh) = in drie | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | לְמָלְכֽוֹ (lemalekho) = van zijn regering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Josia regeerde 31 jaar (2 Kon. 22:1). Het dertiende jaar van zijn regering is ongeveer 627 voor Christus; zo wordt het gewoonlijk gerekend. Zie ook: 1 Kon 13:20; 2 Kon 22:1; Jona 1:1; Hos 1:1; Mi 1:1; Jer 1:4 **1:3** Het kwam ook in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, tot het einde van het elfde jaar van Zedekia, de zoon van Josia, koning van Juda, tot de ballingschap van Jeruzalem in de vijfde maand. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בִּימֵ֨י (bimei) = in de dagen van | יְהוֹיָקִ֤ים (yehoyaqim) = Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֨הוּ֙ (yoshiyahu) = Josia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | עַד (ad) = tot | תֹּם֙ (tom) = het einde van | עַשְׁתֵּ֣י (ashtei) = elf | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לְצִדְקִיָּ֥הוּ (letsidqiyahu) = van Zedekia | בֶן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֖הוּ (yoshiyahu) = Josia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | עַד (ad) = tot | גְּל֥וֹת (gelot) = de ballingschap van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | בַּחֹ֥דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַחֲמִישִֽׁי (hachamishi) = de vijfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het onderwerp van dit vers is het woord van Yahweh uit vers 2: Jeremia profeteert van Josia tot de ondergang van Jeruzalem. Tussen Josia en Zedekia regeerden ook Joachaz en Jojachin; die worden hier niet genoemd. Jojakim en Zedekia zijn de koningen tijdens het grootste deel van de profetieën. Voetnoot : De ballingschap van Jeruzalem in de vijfde maand is de ondergang van de stad (2 Kon. 25:8). Zie ook: 2 Kon 23:34; 2 Kon 25:8; 2 Kron 36:5–8; Jer 1:2; Jer 25:1–3; Jer 39:2; Zach 7:5 ### Yahweh roept Jeremia **1:4** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 1:2; Ezech 1:3; Ezech 3:16 **1:5** **„Voordat Ik je vormde in de moederschoot, kende Ik je. Voordat je uit de baarmoeder kwam, heiligde Ik je. Ik heb je tot profeet voor de volken gesteld.”** Brontekst: בְּטֶ֨רֶם (beterem) = voordat | אֶצָּרְךָ֤ (etsarekha) = Ik je vormde | בַבֶּ֨טֶן֙ (babeten) = in de moederschoot | יְדַעְתִּ֔יךָ (yedatikha) = Ik kende je | וּבְטֶ֛רֶם (uveterem) = en voordat | תֵּצֵ֥א (tetse) = je uitkwam | מֵרֶ֖חֶם (merechem) = uit de baarmoeder | הִקְדַּשְׁתִּ֑יךָ (hiqdashtikha) = Ik heiligde je | נָבִ֥יא (navi) = profeet | לַגּוֹיִ֖ם (lagoyim) = voor de volken | נְתַתִּֽיךָ (netatikha) = Ik heb je gesteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶצָּרְךָ (etsorkha), ‘Ik vormde je’: het werkwoord יָצַר (yatsar) is het werkwoord van de pottenbakker en van Gen. 2:7. Yahweh vormt de profeet al voor zijn geboorte. Voetnoot : יְדַעְתִּיךָ (yedatikha), ‘Ik kende je’: het werkwoord יָדַע (yada) is hier ‘persoonlijk kennen, uitkiezen’. Voetnoot : הִקְדַּשְׁתִּיךָ (hiqdashtikha), ‘Ik heiligde je’: Ik heb je apart gezet voor Mijn dienst. Zie ook: Gen 2:7; Ps 71:5–6; Ps 139:16; Jes 49:1; Gal 1:15–16; Rom 8:29 ### Ik ben maar een jongen **1:6** Toen zei ik: „Ach, Heer Yahweh! Zie, ik weet niet te spreken, want ik ben een jongen.” Brontekst: וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en ik zei | אֲהָהּ֙ (ahah) = ach | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | לֹא (lo) = niet | יָדַ֖עְתִּי (yadati) = ik weet | דַּבֵּ֑ר (daber) = te spreken | כִּי (ki) = want | נַ֖עַר (naar) = jongen | אָנֹֽכִי (anokhi) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’. Als aanspreking en naam van Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’. Voetnoot : נַעַר (na’ar), ‘jongen’: iemand die nog jong is, nog niet volwassen. Een leeftijd wordt niet genoemd. Voetnoot : לֹא יָדַעְתִּי דַּבֵּר (lo yadati daber), ‘ik weet niet te spreken’: ik ken de kunst van het spreken niet, ik ben geen spreker. Zo zegt Mozes het ook (Exod. 4:10). Zie ook: Ex 4:1; Ex 4:10–16; Ex 6:12; 1 Kon 3:7–9; Jer 32:17 **1:7** Maar Yahweh zei tot mij: **„Zeg niet: ‘Ik ben een jongen.’ Want naar iedereen naar wie Ik je zend, zul je gaan. En alles wat Ik je gebied, zul je spreken.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | אַל (al) = niet | תֹּאמַ֖ר (tomar) = zeg | נַ֣עַר (naar) = jongen | אָנֹ֑כִי (anokhi) = ik | כִּ֠י (ki) = want | עַֽל (al) = naar | כָּל (kal) = allen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | אֶֽשְׁלָחֲךָ֙ (eshlachakha) = Ik je zend | תֵּלֵ֔ךְ (telekh) = zul je gaan | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | אֲצַוְּךָ֖ (atsavekha) = Ik je gebied | תְּדַבֵּֽר (tedaber) = zul je spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 22:20; 2 Kron 18:13; Ezech 3:17–21; Ezech 3:27; Mar 16:15–16 **1:8** **Wees niet bang voor hen, want Ik ben met je om je te bevrijden, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּירָ֖א (tira) = wees bang | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = voor hen | כִּֽי (ki) = want | אִתְּךָ֥ (itekha) = met je | אֲנִ֛י (ani) = ik ben | לְהַצִּלֶ֖ךָ (lehatsilekha) = om je te bevrijden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten. Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt, ook als een profeet het brengt. Wij zetten de formule in rood wanneer ze midden in Zijn woorden staat. Voor de volgende vermeldingen verwijzen wij naar dit vers. Voetnoot : לְהַצִּלֶךָ (lehatsilekha), ‘om je te bevrijden’: het werkwoord נָצַל (natsal) in de Hifil, ‘bevrijden’; zo ook in vers 19. Zie ook: Deut 31:6; Joz 1:5; Joz 1:9; Jes 51:7; Jer 1:19; Luc 12:4–5 ### Yahweh legt Zijn woorden in zijn mond **1:9** Toen stak Yahweh Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En Yahweh zei tot mij: **„Zie, Ik heb Mijn woorden in je mond gelegd.** Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en stak uit | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יָד֔וֹ (yado) = Zijn hand | וַיַּגַּ֖ע (vayaga) = en raakte aan | עַל (al) = op | פִּ֑י (pi) = mijn mond | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gelegd | דְבָרַ֖י (devaray) = Mijn woorden | בְּפִֽיךָ (befikha) = in je mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh raakt de mond van de profeet aan, zoals een van de Serafs in Jes. 6:6–7 de mond van Jesaja aanraakt. De woorden die Jeremia zal spreken zijn Yahweh’s woorden (vergelijk Deut. 18:18). Zie ook: Ex 4:11–12; Deut 18:18; Jes 6:6–7; Jes 50:4; Jes 51:16; Luc 12:12; Luc 21:15 **1:10** **Kijk, vandaag heb Ik je aangesteld over de volken en over de koninkrijken: om uit te rukken en af te breken, te vernietigen en neer te halen, te bouwen en te planten.”** Brontekst: רְאֵ֞ה (ree) = kijk | הִפְקַדְתִּ֣יךָ (hifqadtikha) = Ik heb je aangesteld | הַיּ֣וֹם (hayom) = vandaag | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | עַל (al) = over | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | וְעַל (veal) = en over | הַמַּמְלָכ֔וֹת (hamamlakhot) = de koninkrijken | לִנְת֥וֹשׁ (lintosh) = om uit te rukken | וְלִנְת֖וֹץ (velintots) = en af te breken | וּלְהַאֲבִ֣יד (ulehaavid) = en te vernietigen | וְלַהֲר֑וֹס (velaharos) = en neer te halen | לִבְנ֖וֹת (livnot) = om te bouwen | וְלִנְטֽוֹעַ (velintoa) = en te planten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִפְקַדְתִּיךָ (hifqadtikha), ‘Ik heb je aangesteld’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘zorgen voor, toezicht geven, een taak toevertrouwen’. Voetnoot : De zes werkwoorden gaan om en om: eerst vier die verwoesten (uitrukken, afbreken, vernietigen, neerhalen), dan twee die opbouwen (bouwen, planten). Zij komen terug in Jer. 18:7–9, 24:6 en 31:28. Zie ook: Jes 44:26–28; Jer 18:7–9; Jer 24:6; Jer 31:4–5; Jer 31:28; 2 Kor 10:4–5 ### Een tak van een amandelboom **1:11** Het woord van Yahweh kwam tot mij: **„Wat zie je, Jeremia?”** Ik zei: „Ik zie een tak van een amandelboom.” Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֣י (elay) = tot mij | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מָה (ma) = wat | אַתָּ֥ה (ata) = jij | רֹאֶ֖ה (roe) = ziende | יִרְמְיָ֑הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | מַקֵּ֥ל (maqel) = tak van | שָׁקֵ֖ד (shaqed) = amandelboom | אֲנִ֥י (ani) = ik | רֹאֶֽה (roe) = ziende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַקֵּל (makkel), ‘tak’: een staf of twijg, hier van een amandelboom. שָׁקֵד (shaqed), ‘amandelboom’: de eerste boom die bloeit, aan het eind van de winter. Voetnoot : In vers 12 volgt een woordspeling: Yahweh is שֹׁקֵד (shoqed), ‘wakend’, over Zijn woord. De amandelboom (shaqed) is de ‘wakende’ boom, die vroeg wakker is. Zie ook: Amos 7:8; Amos 8:2; Jer 1:12; Jer 24:3; Zach 4:2; Zach 5:2 **1:12** Toen zei Yahweh tot mij: **„Je hebt goed gezien, want Ik waak over Mijn woord om het uit te voeren.”** Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | הֵיטַ֣בְתָּ (heitavta) = je hebt goed gedaan | לִרְא֑וֹת (lirot) = te zien | כִּֽי (ki) = want | שֹׁקֵ֥ד (shoqed) = wakend | אֲנִ֛י (ani) = Ik | עַל (al) = over | דְּבָרִ֖י (devari) = Mijn woord | לַעֲשֹׂתֽוֹ (laasoto) = om het uit te voeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁקֵד (shoqed), ‘wakend’: zie de woordspeling in vers 11. Yahweh is waakzaam en haast Zich om Zijn woord uit te voeren. Zie ook: Deut 5:28; Jer 1:11; Ezech 12:22–23; Ezech 12:25; Ezech 12:28; Luc 10:28 ### Een kokende pot **1:13** Het woord van Yahweh kwam voor de tweede keer tot mij: **„Wat zie je?”** Ik zei: „Ik zie een kokende pot. De voorkant ervan wijst van het noorden af.” Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | שֵׁנִ֣ית (shenit) = tweede keer | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מָ֥ה (ma) = wat | אַתָּ֖ה (ata) = jij | רֹאֶ֑ה (roe) = ziende | וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en ik zei | סִ֤יר (sir) = pot | נָפ֨וּחַ֙ (nafuach) = aangeblazen | אֲנִ֣י (ani) = ik | רֹאֶ֔ה (roe) = ziende | וּפָנָ֖יו (ufanav) = en zijn voorkant | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = van het gezicht van | צָפֽוֹנָה (tsafona) = noordwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סִיר נָפוּחַ (sir nafuach), ‘een kokende pot’: letterlijk ‘een aangeblazen pot’. Het vuur onder de pot wordt aangeblazen, zodat de inhoud kookt. Voetnoot : וּפָנָיו מִפְּנֵי צָפוֹנָה (ufanav mipnei tsafonah), ‘en zijn voorkant wijst van het noorden af’: letterlijk ‘en zijn gezicht is van het gezicht van het noorden’. De pot staat schuin, met de opening naar het zuiden. Het onheil stroomt dan uit het noorden naar het land. Sommige lezers begrijpen het ook als ‘de voorkant komt uit het noorden’. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Gen 41:32; Ezech 11:3; Ezech 11:7; Ezech 24:3–14; Zach 4:2 **1:14** Yahweh zei tot mij: **„Vanuit het noorden zal het onheil losbarsten over alle inwoners van het land.** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | מִצָּפוֹן֙ (mitsafon) = vanuit het noorden | תִּפָּתַ֣ח (tipatach) = zal geopend worden | הָרָעָ֔ה (haraa) = het onheil | עַ֥ל (al) = over | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = inwoners van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּפָּתַח (tippatach), ‘zal geopend worden’: de pot wordt geopend en de inhoud stroomt over het land. Wij vertalen ‘zal losbarsten’. Voetnoot : הָרָעָה (ha-ra’ah), ‘het onheil’: het woord רָעָה (ra’ah) betekent ‘kwaad’ of ‘onheil’. Waar het een ramp is die Yahweh brengt, vertalen wij ‘onheil’; waar het het kwaad is dat mensen doen (vers 16), ‘kwaad’. Zie ook: Jes 41:25; Jer 1:16; Jer 4:6; Jer 6:1; Jer 10:22; Jer 46:20 **1:15** **Want zie, Ik roep alle families van de koninkrijken in het noorden, godsspraak van Yahweh. Zij zullen komen. Ieder zal zijn troon zetten bij de ingang van de poorten van Jeruzalem, rondom tegen heel haar muur en tegen alle steden van Juda.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij | קֹרֵ֗א (qore) = roepende | לְכָֽל (lekhal) = alle | מִשְׁפְּח֛וֹת (mishpechot) = families van | מַמְלְכ֥וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | צָפ֖וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּבָ֡אוּ (uvau) = en zij zullen komen | וְֽנָתְנוּ֩ (venatenu) = en zij zullen zetten | אִ֨ישׁ (ish) = ieder | כִּסְא֜וֹ (kiso) = zijn troon | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | שַׁעֲרֵ֣י (shaarei) = poorten van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְעַ֤ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = heel | חוֹמֹתֶ֨יהָ֙ (chomoteiha) = haar muren | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | וְעַ֖ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֥י (arei) = steden van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: De koninkrijken van het noorden zijn de volken die over Juda zullen komen. Het noorden is de richting waaruit de legers van Assyrië en later Babel Israël binnenvielen (Jer. 4:6 en 6:22). Hier worden geen namen genoemd. Voetnoot : De koningen zetten hun tronen bij de poorten van Jeruzalem. In de poort werd recht gesproken: zij zullen daar vonnis uitspreken over de stad. Zie ook: Jer 4:6; Jer 4:16; Jer 6:22; Jer 9:10; Jer 10:25; Jer 25:9; Jer 43:10 **1:16** **Ik zal Mijn vonnissen over hen uitspreken om al hun kwaad. Zij hebben Mij verlaten, zij hebben wierook gebrand voor andere goden en zij hebben zich neergebogen voor het werk van hun handen.** Brontekst: וְדִבַּרְתִּ֤י (vedibarti) = en Ik zal uitspreken | מִשְׁפָּטַי֙ (mishpatay) = Mijn vonnissen | אוֹתָ֔ם (otam) = met hen | עַ֖ל (al) = over | כָּל (kal) = al | רָעָתָ֑ם (raatam) = hun kwaad | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲזָב֗וּנִי (azavuni) = zij hebben Mij verlaten | וַֽיְקַטְּרוּ֙ (vayqateru) = en zij hebben wierook gebrand | לֵאלֹהִ֣ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וַיִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לְמַעֲשֵׂ֥י (lemaasei) = voor het werk van | יְדֵיהֶֽם (yedeihem) = hun handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבַּרְתִּי מִשְׁפָּטַי (vedibarti mishpatai), ‘Ik zal Mijn vonnissen uitspreken’: letterlijk ‘Ik zal Mijn rechtsuitspraken spreken’. Het gaat om een rechtszaak: Yahweh spreekt het oordeel uit over wie Hem verlaten heeft. Voetnoot : De zonde heeft drie delen: Yahweh verlaten, wierook branden voor andere goden en buigen voor het werk van de eigen handen. Zie ook: Deut 28:20; Jes 2:8; Jer 7:9; Jer 19:4; Hand 7:41 ### Gord je lendenen **1:17** **Maar jij, gord je lendenen. Sta op en spreek tot hen alles wat Ik je gebied. Wees niet ontzet voor hen, anders ontzet Ik jou voor hen.** Brontekst: וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | תֶּאְזֹ֣ר (tezor) = gord | מָתְנֶ֔יךָ (mateneikha) = je lendenen | וְקַמְתָּ֙ (veqamta) = en sta op | וְדִבַּרְתָּ֣ (vedibarta) = en spreek | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | אֲצַוֶּ֑ךָּ (atsaveka) = Ik je gebied | אַל (al) = niet | תֵּחַת֙ (techat) = wees ontzet | מִפְּנֵיהֶ֔ם (mipeneihem) = voor hen | פֶּֽן (pen) = anders | אֲחִתְּךָ֖ (achitekha) = Ik ontzet jou | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּחַת (techat), ‘ontzet zijn’ en אֲחִתְּךָ (achittekha), ‘Ik ontzet je’: hetzelfde werkwoord חָתַת (chatat), ‘ontzet, geschrokken zijn’. Als Jeremia voor de mensen schrikt, zal Yahweh hem voor hen doen schrikken. Wees dus niet bang. Zie ook: 1 Kon 18:46; Jer 1:7–8; Ezech 3:14–18; Luc 12:35; 1 Petr 1:13 **1:18** **En Ik, zie, Ik heb je vandaag gemaakt tot een versterkte stad, tot een ijzeren zuil en tot koperen muren tegen heel het land. Tegen de koningen van Juda, haar oversten, haar priesters en het volk van het land.** Brontekst: וַאֲנִ֞י (vaani) = en Ik | הִנֵּ֧ה (hine) = zie | נְתַתִּ֣יךָ (netatikha) = Ik heb je gemaakt | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | לְעִ֨יר (leir) = tot een stad | מִבְצָ֜ר (mivtsar) = versterkte | וּלְעַמּ֥וּד (uleamud) = en tot een zuil van | בַּרְזֶ֛ל (barzel) = ijzer | וּלְחֹמ֥וֹת (ulechomot) = en tot muren van | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = koper | עַל (al) = tegen | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | לְמַלְכֵ֤י (lemalkhei) = tegen de koningen van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | לְשָׂרֶ֔יהָ (lesareiha) = haar oversten | לְכֹהֲנֶ֖יהָ (lekhohaneiha) = haar priesters | וּלְעַ֥ם (uleam) = en het volk van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִיר מִבְצָר (ir mivtsar), ‘een versterkte stad’, עַמּוּד בַּרְזֶל (amud barzel), ‘een ijzeren zuil’, en חוֹמוֹת נְחֹשֶׁת (chomot nechoshet), ‘koperen muren’: Jeremia wordt onbreekbaar, zoals Jeruzalem zelf, maar nu als één man. De drie beelden volgen elkaar op. Vergelijk Jer. 15:20. Voetnoot : Vier groepen staan tegenover hem: de koningen, de oversten, de priesters en het volk van het land. Zie ook: Jes 50:7; Mi 3:8–9; Jer 6:27; Jer 15:20; Ezech 3:8–9 **1:19** **Zij zullen tegen je strijden, maar zij zullen je niet overmeesteren, want Ik ben met je, godsspraak van Yahweh, om je te bevrijden.”** Brontekst: וְנִלְחֲמ֥וּ (venilchamu) = en zij zullen strijden | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tegen je | וְלֹא (velo) = en niet | י֣וּכְלוּ (yukhelu) = zij zullen overmeesteren | לָ֑ךְ (lakh) = je | כִּֽי (ki) = want | אִתְּךָ֥ (itekha) = met je | אֲנִ֛י (ani) = Ik | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהַצִּילֶֽךָ (lehatsilekha) = om je te bevrijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:9; Ps 129:2; Jer 1:8; Jer 20:11; Jer 29:25–32 ## Jeremia 2 _Yahweh klaagt Zijn volk aan: de bron verlaten en putten uitgehakt_ ### De trouw van je jeugd **2:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 1:11; Jer 7:1; Jer 23:28; Ezech 7:1; Heb 1:1 **2:2** **„Ga en roep in de oren van Jeruzalem: ‘Zo zegt Yahweh: Ik denk aan de trouw van je jeugd, de liefde van je bruidstijd. Je ging achter Mij aan in de woestijn, in een land waar niet gezaaid werd.** Brontekst: הָלֹ֡ךְ (halokh) = ga | וְקָֽרָאתָ֩ (veqarata) = en roep | בְאָזְנֵ֨י (beazenei) = in de oren van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | זָכַ֤רְתִּי (zakharti) = Ik denk aan | לָךְ֙ (lakh) = voor jou | חֶ֣סֶד (chesed) = de trouw van | נְעוּרַ֔יִךְ (neurayikh) = je jeugd | אַהֲבַ֖ת (ahavat) = de liefde van | כְּלוּלֹתָ֑יִךְ (kelulotayikh) = je bruidstijd | לֶכְתֵּ֤ךְ (lekhtekh) = toen je ging | אַחֲרַי֙ (acharay) = achter Mij | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in een land | לֹ֥א (lo) = niet | זְרוּעָֽה (zerua) = gezaaid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: de verbondstrouw van een bruid in haar jonge jaren. Yahweh herinnert Zich hoe Israël Hem volgde. Voetnoot : כְּלוּלֹתָיִךְ (kelulot), ‘bruidstijd’: de tijd van verloving en bruid-zijn. Israël was in de woestijn als een bruid die haar bruidegom volgt. Voetnoot : Het bevel ‘Ga en roep’ en de aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ zijn Yahweh’s woorden aan Jeremia. Ze staan daarom rood, met de boodschap als aanhaling erin. Vers 4 is de oproep van de profeet zelf. Zie ook: Hos 2:17; Jer 2:4; Jer 7:2; Jer 11:6; Ezech 16:8; Ezech 16:60 **2:3** **Israël was heilig voor Yahweh, het eerste van Zijn opbrengst. Allen die van hem aten, werden schuldig. Onheil kwam over hen, godsspraak van Yahweh.’”** Brontekst: קֹ֤דֶשׁ (qodesh) = heilig | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | רֵאשִׁ֖ית (reshit) = het eerste van | תְּבוּאָתֹ֑ה (tevuato) = Zijn opbrengst | כָּל (kal) = allen | אֹכְלָ֣יו (okhelav) = die hem eten | יֶאְשָׁ֔מוּ (yeshamu) = worden schuldig | רָעָ֛ה (raa) = onheil | תָּבֹ֥א (tavo) = komt | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵאשִׁית תְּבוּאָתֹה (reshit tevu’atoh), ‘het eerste van Zijn opbrengst’: de eerstelingen, het eerste deel van de oogst, dat aan Yahweh toebehoort (Deut. 18:4). Zij zijn heilig: wie ervan eet zonder recht, wordt schuldig (Lev. 22:10). Zo was Israël voor Yahweh. Wie Israël ‘opat’, lag onder dezelfde schuld. Voetnoot : נְאֻם־יְהוָה (ne’um Yahweh): zie Jer. 1:8. Zie ook: Lev 22:10; Deut 7:6; Deut 18:4; Jes 41:11; Jer 1:8; Jak 1:18; Rom 11:16; Openb 14:4 ### Wat hebben jullie vaders bij Mij gevonden? **2:4** Hoor het woord van Yahweh, huis van Jakob en alle families van het huis van Israël. Brontekst: שִׁמְע֥וּ (shimu) = hoort | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וְכָֽל (vekhal) = en alle | מִשְׁפְּח֖וֹת (mishpechot) = families van | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mi 6:1; Jer 19:3; Jer 31:1; Jer 33:24; Jer 44:24–26 **2:5** Zo zegt Yahweh: **„Welk onrecht hebben jullie vaders bij Mij gevonden, dat zij ver van Mij zijn gegaan? Zij liepen achter de damp aan en werden zelf damp.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | מַה (ma) = wat | מָּצְא֨וּ (matseu) = hebben gevonden | אֲבוֹתֵיכֶ֥ם (avoteikhem) = jullie vaders | בִּי֙ (bi) = bij Mij | עָ֔וֶל (avel) = onrecht | כִּ֥י (ki) = dat | רָחֲק֖וּ (rachaqu) = zij zijn ver weg gegaan | מֵעָלָ֑י (mealay) = van Mij | וַיֵּֽלְכ֛וּ (vayelekhu) = en zij liepen | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | הַהֶ֖בֶל (hahevel) = de damp | וַיֶּהְבָּֽלוּ (vayehbalu) = en werden damp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָוֶל (aval), ‘onrecht’: oneerlijkheid, een fout in iemand. Yahweh vraagt wat Hij fout deed dat Zijn volk wegging. Voetnoot : הַהֶבֶל (hahevel), ‘de damp’: wat verdwijnt en niet vast te grijpen is, de afgoden. Dezelfde zin als in 2 Kon. 17:15: ‘zij liepen achter de damp aan en werden zelf damp’. Wie nietigheid volgt, wordt zelf nietig. Zie ook: Ps 115:8; 2 Kon 17:15; Jona 2:9; Jer 10:14–15; Rom 1:21 **2:6** **Zij zeiden niet: ‘Waar is Yahweh, die ons uit het land Egypte heeft laten optrekken? Die ons door de woestijn heeft geleid, door een land van steppe en kuilen? Door een land van droogte en diepe schaduw, een land waar niemand doorheen trok en waar geen mens woonde?’** Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | אָמְר֔וּ (ameru) = zij zeiden | אַיֵּ֣ה (aye) = waar | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַמַּעֲלֶ֥ה (hamaale) = die deed optrekken | אֹתָ֖נוּ (otanu) = ons | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | הַמּוֹלִ֨יךְ (hamolikh) = die deed gaan | אֹתָ֜נוּ (otanu) = ons | בַּמִּדְבָּ֗ר (bamidbar) = in de woestijn | בְּאֶ֨רֶץ (beerets) = in een land van | עֲרָבָ֤ה (arava) = steppe | וְשׁוּחָה֙ (veshucha) = en kuilen | בְּאֶ֨רֶץ֙ (beerets) = in een land van | צִיָּ֣ה (tsiya) = droogte | וְצַלְמָ֔וֶת (vetsalmavet) = en diepe schaduw | בְּאֶ֗רֶץ (beerets) = in een land | לֹֽא (lo) = niet | עָ֤בַר (avar) = trok door | בָּהּ֙ (bah) = daarin | אִ֔ישׁ (ish) = man | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָשַׁ֥ב (yashav) = woonde | אָדָ֖ם (adam) = mens | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וְצַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’: ook te lezen als ‘schaduw van de dood’. Zo ook Ps. 23:4. Voetnoot : עֲרָבָה וְשׁוּחָה (aravah veshuchah), ‘steppe en kuilen’: een dorre vlakte vol kuilen. Zo beschrijft Yahweh de weg door de woestijn die Hij Israël liet gaan. Zij vergaten Hem die hen leidde. Zie ook: Job 35:10; Deut 8:14–16; Deut 32:10; Ps 23:4; Hos 13:4; Jes 63:11–13 **2:7** **Ik bracht jullie in een land van boomgaarden, om zijn vruchten en zijn goede dingen te eten. Maar jullie kwamen en maakten Mijn land onrein. Van Mijn erfdeel maakten jullie een gruwel.** Brontekst: וָאָבִ֤יא (vaavi) = en Ik bracht | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | הַכַּרְמֶ֔ל (hakarmel) = de boomgaarden | לֶאֱכֹ֥ל (leekhol) = om te eten | פִּרְיָ֖הּ (piryah) = zijn vrucht | וְטוּבָ֑הּ (vetuvah) = en zijn goede | וַתָּבֹ֨אוּ֙ (vatavou) = en jullie kwamen | וַתְּטַמְּא֣וּ (vatetameu) = en jullie maakten onrein | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצִ֔י (artsi) = Mijn land | וְנַחֲלָתִ֥י (venachalati) = en Mijn erfdeel | שַׂמְתֶּ֖ם (samtem) = jullie maakten | לְתוֹעֵבָֽה (letoeva) = tot een gruwel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶרֶץ הַכַּרְמֶל (erets hakarmel), ‘een land van boomgaarden’: karmel is hier een gewoon woord voor vruchtbaar tuinland, geen plaatsnaam. Vergelijk Jes. 29:17 en 32:15. Voetnoot : וְנַחֲלָתִי (nachalati), ‘Mijn erfdeel’: het land is het bezit dat Yahweh aan Zijn volk gaf; Hij noemt het Zijn eigen land. Zie ook: Num 13:27; Deut 8:7–9; Jes 29:17; Jes 32:15; Jer 3:1; Jer 16:18; Ezech 36:17 **2:8** **De priesters zeiden niet: ‘Waar is Yahweh?’ Wie de wet hanteerden, kenden Mij niet. De herders kwamen tegen Mij in opstand. De profeten profeteerden door de Baäl en liepen achter dingen aan die niet baten.** Brontekst: הַכֹּהֲנִ֗ים (hakohanim) = de priesters | לֹ֤א (lo) = niet | אָֽמְרוּ֙ (ameru) = zeiden | אַיֵּ֣ה (aye) = waar | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְתֹפְשֵׂ֤י (vetofesei) = en de hanteerders van | הַתּוֹרָה֙ (hatora) = de wet | לֹ֣א (lo) = niet | יְדָע֔וּנִי (yedauni) = kenden Mij | וְהָרֹעִ֖ים (veharoim) = en de herders | פָּ֣שְׁעוּ (pasheu) = zijn in opstand gekomen | בִ֑י (bi) = tegen Mij | וְהַנְּבִיאִים֙ (vehaneviim) = en de profeten | נִבְּא֣וּ (nibeu) = profeteerden | בַבַּ֔עַל (babaal) = door de Baäl | וְאַחֲרֵ֥י (veacharei) = en achter | לֹֽא (lo) = niet | יוֹעִ֖לוּ (yoilu) = zij baten | הָלָֽכוּ (halakhu) = zij liepen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְתֹפְשֵׂי הַתּוֹרָה (tofsei hatorah), ‘wie de wet hanteerden’: wie de wet vasthouden en onderwijzen, de schriftgeleerden en priesters. Voetnoot : וְהָרֹעִים (hare’im), ‘de herders’: zo heten de leiders van het volk, de koningen en oversten. Zie ook Jer. 10:21. Voetnoot : בַבַּעַל (babaal), ‘door de Baäl’: de Kanaänitische god. Het lidwoord staat in het Hebreeuws bij de naam; wij vertalen ‘de Baäl’. Zie ook: Hos 4:6; Jer 5:31; Jer 10:21; Hab 2:18; Rom 2:17–24 ### Yahweh voert een rechtszaak **2:9** **Daarom voer Ik nog een rechtszaak tegen jullie, godsspraak van Yahweh. Ook tegen de zonen van jullie zonen voer Ik een rechtszaak.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | עֹ֛ד (od) = nog | אָרִ֥יב (ariv) = Ik voer een rechtszaak | אִתְּכֶ֖ם (itekhem) = tegen jullie | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en tegen | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | בְנֵיכֶ֖ם (beneikhem) = jullie zonen | אָרִֽיב (ariv) = Ik voer een rechtszaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָרִיב (arib), ‘Ik voer een rechtszaak’: het werkwoord רִיב (riv) is het werkwoord van een rechtszaak. Yahweh klaagt Zijn volk aan, zoals in Hos. 4:1 en Micha 6:2. Ook de volgende generaties vallen eronder. Zie ook: Ex 20:5; Lev 20:5; Hos 4:1; Mi 6:2; Jer 2:35; Ezech 20:35–36 **2:10** **Want steek over naar de kustlanden van Kittim en kijk. Stuur naar Kedar en let goed op. Kijk of er zoiets is gebeurd.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | עִבְר֞וּ (ivru) = steekt over | אִיֵּ֤י (iyei) = de kustlanden van | כִתִּיִּים֙ (kitiyim) = Kittim | וּרְא֔וּ (ureu) = en kijkt | וְקֵדָ֛ר (veqedar) = en naar Kedar | שִׁלְח֥וּ (shilchu) = stuurt | וְהִֽתְבּוֹנְנ֖וּ (vehitbonenu) = en let goed op | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וּרְא֕וּ (ureu) = en kijkt | הֵ֥ן (hen) = of | הָיְתָ֖ה (hayeta) = is geschied | כָּזֹֽאת (kazot) = zoals dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kittim: Kittim is waarschijnlijk Cyprus, of de kusten van de Middellandse Zee in het algemeen. Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië. De precieze ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: אִיֵּי כִתִּיִּים (iyyei kittiyyim), ‘de kustlanden van Kittim’: Kittim ligt in het westen, waarschijnlijk Cyprus. Kedar ligt in het oosten, in de woestijn van Arabië. Beide windstreken worden genoemd: kijk overal. Zie ook Jes. 23:12. Zie ook: Ps 120:5; Jes 21:16; Jes 23:12; Jer 18:13–14; Dan 11:30; 1 Kor 5:1 **2:11** **Heeft ooit een volk goden geruild, terwijl het geen goden zijn? Maar Mijn volk heeft zijn heerlijkheid geruild voor wat niet baat.** Brontekst: הַהֵימִ֥יר (haheimir) = heeft geruild | גּוֹי֙ (goy) = een volk | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = goden | וְהֵ֖מָּה (vehema) = terwijl zij | לֹ֣א (lo) = niet | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = goden | וְעַמִּ֛י (veami) = en Mijn volk | הֵמִ֥יר (hemir) = heeft geruild | כְּבוֹד֖וֹ (kevodo) = zijn heerlijkheid | בְּל֥וֹא (belo) = voor wat niet | יוֹעִֽיל (yoil) = baat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּבוֹדוֹ (kevodo), ‘zijn heerlijkheid’: kavod betekent ‘gewicht, heerlijkheid’. Hier is het waarschijnlijk Yahweh Zelf, de Heerlijkheid van Israël, die zij verruild hebben voor goden die niets betekenen. Vergelijk Ps. 106:20. Voetnoot : Sommige oude vertalingen lezen ‘Mijn heerlijkheid’ voor ‘zijn heerlijkheid’. Wij volgen de Hebreeuwse tekst. Zie ook: Ps 106:20; Jes 37:19; Mi 4:5; Jer 16:20; Rom 1:23 **2:12** **Wees verbijsterd hierover, hemel. Huiver en wees geheel verwoest, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: שֹׁ֥מּוּ (shomu) = wees verbijsterd | שָׁמַ֖יִם (shamayim) = hemelen | עַל (al) = over | זֹ֑את (zot) = dit | וְשַׂעֲר֛וּ (vesaaru) = en huiver | חָרְב֥וּ (charevu) = wees verwoest | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:1; Jes 1:2; Mi 6:2; Jer 6:19; Jer 22:29 ### De bron verlaten **2:13** **Want twee kwaden heeft Mijn volk gedaan: Mij hebben zij verlaten, de bron van levend water. Zij hebben voor zichzelf waterputten uitgehakt, gebroken waterputten die het water niet kunnen vasthouden.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | שְׁתַּ֥יִם (shetayim) = twee | רָע֖וֹת (raot) = kwaden | עָשָׂ֣ה (asa) = heeft gedaan | עַמִּ֑י (ami) = Mijn volk | אֹתִ֨י (oti) = Mij | עָזְב֜וּ (azevu) = zij hebben verlaten | מְק֣וֹר (meqor) = bron van | מַ֣יִם (mayim) = water | חַיִּ֗ים (chayim) = levend | לַחְצֹ֤ב (lachtsov) = om uit te hakken | לָהֶם֙ (lahem) = voor zichzelf | בֹּאר֔וֹת (borot) = putten | בֹּארֹת֙ (borot) = putten | נִשְׁבָּרִ֔ים (nishbarim) = gebroken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יָכִ֖לוּ (yakhilu) = kunnen vasthouden | הַמָּֽיִם (hamayim) = het water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְקוֹר מַיִם חַיִּים (meqor mayim chayyim), ‘bron van levend water’: levend water is stromend water uit een bron, vers en schoon. Een put (bor) is slechts een opvangplaats voor regenwater. Het beeld: Israël verliet de bron voor kapotte regenbakken. Voetnoot : בֹּארוֹת בֹּארֹת (bo’rot bo’rot): het woord staat twee keer achter elkaar, waarschijnlijk per ongeluk. Wij vertalen het één keer als ‘waterputten’. Zie ook: Ps 36:10; Jer 17:13; Joh 4:14; Joh 7:37; Openb 21:6 ### Israël, een buit **2:14** **Is Israël een knecht, of een in huis geboren knecht? Waarom is hij tot buit geworden?** Brontekst: הַעֶ֨בֶד֙ (haeved) = de knecht | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אִם (im) = of | יְלִ֥יד (yelid) = geborene van | בַּ֖יִת (bayit) = huis | ה֑וּא (hu) = hij | מַדּ֖וּעַ (madua) = waarom | הָיָ֥ה (haya) = is hij geworden | לָבַֽז (lavaz) = tot buit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְלִיד בַּיִת (yelid bayit), ‘een in huis geboren knecht’: een knecht die in het huis van zijn heer werd geboren (Gen. 14:14; 17:12). Zo iemand blijft in het huis. Waarom is Israël dan een buit geworden voor anderen? Israël is geen knecht die geroofd mag worden; het is Yahweh’s eigen volk. Zie ook: Gen 14:14; Gen 15:3; Gen 17:12; Ex 4:22; Pred 2:7; Jes 50:1 **2:15** **Jonge leeuwen hebben tegen hem gebruld; zij hebben hun stem laten horen. Zij hebben zijn land tot een woestenij gemaakt. Zijn steden zijn in brand gestoken, zonder bewoner.** Brontekst: עָלָיו֙ (alav) = tegen hem | יִשְׁאֲג֣וּ (yishagu) = brulden | כְפִרִ֔ים (kefirim) = jonge leeuwen | נָתְנ֖וּ (natenu) = zij lieten horen | קוֹלָ֑ם (qolam) = hun stem | וַיָּשִׁ֤יתוּ (vayashitu) = en zij maakten | אַרְצוֹ֙ (artso) = zijn land | לְשַׁמָּ֔ה (leshama) = tot een woestenij | עָרָ֥יו (arav) = zijn steden | נִצְּת֖וּ (nitsetu) = zijn in brand gestoken | מִבְּלִ֥י (mibeli) = zonder | יֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְפִרִים (kefirim), ‘jonge leeuwen’: de legers van de vijand, vergeleken met brullende leeuwen. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat נצתה (nitsetah), ‘is in brand gestoken’ (enkelvoud, vrouwelijk); de overlevering leest נִצְּתוּ (nitsetsu), ‘zijn in brand gestoken’ (meervoud). Wij volgen de lezing. Zie ook: Jes 1:7; Jes 5:29; Jer 4:7; Jer 9:10; Jer 50:17 **2:16** **Ook de zonen van Nof en Tachpanches weiden je kruin af.** Brontekst: גַּם (gam) = ook | בְּנֵי (benei) = zonen van | נֹ֖ף (nof) = Nof | וְתַחְפַּנְחֵ֑ס (vetachpanches) = en Tachpanches | יִרְע֖וּךְ (yirukh) = weiden af | קָדְקֹֽד (qadeqod) = je kruin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nof (Memfis): Memfis (Mof) was een oude hoofdstad van Egypte, bij Mit Rahina, ten zuiden van het huidige Caïro, aan de Nijl. Zie Tachpanches (Tell Defenneh): Tachpanches (Tafnes, Daphne) was een grensvesting in het oostelijke Nijldelta, bij het huidige Tell Defenneh, waar Judese vluchtelingen zich vestigden. Voetnoot Uitleg: נֹף (Nof), ‘Nof’: dat is Memfis, de oude hoofdstad van Egypte. וְתַחְפַּנְחֵס (Tachpanches) is een grensstad in het oosten van de Nijldelta. Beide steden staan voor Egypte. Voetnoot : יִרְעוּךְ קָדְקֹד (yir’ukha qodqod), ‘weiden je kruin af’: het werkwoord kan ‘weiden, afgrazen’ betekenen, maar ook ‘verbrijzelen’ (van רָעַע, ra’a). De betekenis is niet helemaal zeker. In beide gevallen wordt Juda door Egypte kaal gemaakt of gebroken. Zie ook: Deut 33:20; Jes 19:13; Jer 43:7–9; Jer 44:1; Jer 46:14 **2:17** **Heb je dit niet over jezelf gebracht, doordat je Yahweh, je Elohim, hebt verlaten, in de tijd dat Hij je leidde op de weg?** Brontekst: הֲלוֹא (halo) = niet | זֹ֖את (zot) = dit | תַּעֲשֶׂה (taase) = doe je | לָּ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | עָזְבֵךְ֙ (azevekh) = jouw verlaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהַ֔יִךְ (elohayikh) = je Elohim | בְּעֵ֖ת (beet) = in de tijd dat | מוֹלִיכֵ֥ךְ (molikhekh) = Hij je leidde | בַּדָּֽרֶךְ (badarekh) = op de weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De rede wijst terug op de beelden van vers 13: wie de bron verlaat, brengt dorst over zichzelf. De ‘weg’ is de weg die Yahweh Israël leidde, door de woestijn naar het land. Zie ook: Deut 28:15–68; Deut 32:10; Jer 2:13; Jer 2:19; Jer 4:18 **2:18** **En nu, wat heb je te zoeken op de weg naar Egypte, om het water van de Sihor te drinken? En wat heb je te zoeken op de weg naar Assyrië, om het water van de rivier te drinken?** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | מַה (ma) = wat | לָּךְ֙ (lakh) = voor jou | לְדֶ֣רֶךְ (lederekh) = op de weg naar | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לִשְׁתּ֖וֹת (lishtot) = om te drinken | מֵ֣י (mei) = water van | שִׁח֑וֹר (shichor) = de Sihor | וּמַה (uma) = en wat | לָּךְ֙ (lakh) = voor jou | לְדֶ֣רֶךְ (lederekh) = op de weg naar | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | לִשְׁתּ֖וֹת (lishtot) = om te drinken | מֵ֥י (mei) = water van | נָהָֽר (nahar) = de rivier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Sihor (Nijl; ligging onzeker): Sihor is een naam van de Nijl of van een arm van de Nijl in Egypte (Jozua 13:3). De precieze betekenis is niet zeker. Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: שִׁחוֹר (shichor), ‘de Sihor’: een naam voor de Nijl of een arm van de Nijl (Joz. 13:3). ‘De rivier’ (hanahar) is de Eufraat. Israël zoekt hulp bij Egypte en Assyrië in plaats van bij Yahweh. Zie ook: Joz 13:3; 2 Kon 16:7–9; Hos 7:11; Jes 31:1; Jer 2:36 **2:19** **Je eigen kwaad zal je tuchtigen en je afvalligheden zullen je terechtwijzen. Weet en zie: kwaad en bitter is het dat je Yahweh, je Elohim, verlaat. Ontzag voor Mij is niet bij je, godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten.** Brontekst: תְּיַסְּרֵ֣ךְ (teyaserekh) = zal je tuchtigen | רָעָתֵ֗ךְ (raatekh) = je kwaad | וּמְשֻֽׁבוֹתַ֨יִךְ֙ (umeshuvotayikh) = en je afvalligheden | תּוֹכִחֻ֔ךְ (tokhichukh) = zullen je terechtwijzen | וּדְעִ֤י (udei) = en weet | וּרְאִי֙ (urei) = en zie | כִּי (ki) = dat | רַ֣ע (ra) = kwaad | וָמָ֔ר (vamar) = en bitter | עָזְבֵ֖ךְ (azevekh) = je verlaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֑יִךְ (elohayikh) = je Elohim | וְלֹ֤א (velo) = en niet | פַחְדָּתִי֙ (pachdati) = Mijn ontzag | אֵלַ֔יִךְ (elayikh) = bij jou | נְאֻם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (Adonai Yahweh Tsevaot), ‘Heer Yahweh van de legermachten’: voor ‘Heer Yahweh’ zie Jer. 1:6. צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’. Zie ook Ps. 24:10. Voetnoot : וּמְשֻׁבוֹתַיִךְ (umeshuvotayikh), ‘je afvalligheden’: meshuvah is het wegkeren van Yahweh. Het is een afleiding van het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, maar hier gaat het om het terugwijken. Voetnoot : פַחְדָּתִי (pachdati), ‘Mijn ontzag’: de vrees voor Yahweh. Wie Hem verlaat, heeft die vrees niet meer. Zie ook: Ps 24:10; Ps 36:2; Hos 11:7; Jes 3:9; Jer 1:6; Jer 2:17; Jer 4:18 ### Een edele wijnstok, ontaard **2:20** **Want van oudsher heb Ik je juk gebroken en je banden verscheurd. Maar jij zei: ‘Ik zal niet overtreden.’ Want op elke hoge heuvel en onder elke groene boom leg jij je neer als een hoer.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מֵעוֹלָ֞ם (meolam) = van oudsher | שָׁבַ֣רְתִּי (shavarti) = Ik heb gebroken | עֻלֵּ֗ךְ (ulekh) = je juk | נִתַּ֨קְתִּי֙ (nitaqti) = Ik heb verscheurd | מוֹסְרֹתַ֔יִךְ (moserotayikh) = je banden | וַתֹּאמְרִ֖י (vatomri) = en je zei | לֹ֣א (lo) = niet | אֶעֱב֑וֹר (eevor) = ik zal overtreden | כִּ֣י (ki) = want | עַֽל (al) = op | כָּל (kal) = elke | גִּבְעָ֞ה (giva) = heuvel | גְּבֹהָ֗ה (gevoha) = hoge | וְתַ֨חַת֙ (vetachat) = en onder | כָּל (kal) = elke | עֵ֣ץ (ets) = boom | רַעֲנָ֔ן (raanan) = groen | אַ֖תְּ (at) = jij | צֹעָ֥ה (tsoa) = leg je neer | זֹנָֽה (zona) = hoer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֻלֵּךְ (alekh), ‘je juk’ en מוֹסְרֹתַיִךְ (moserotayikh), ‘je banden’: Yahweh had Israël bevrijd van het juk van Egypte (Lev. 26:13). Daarna verbrak Israël zijn banden met Hem zelf. Voetnoot : צֹעָה זֹנָה (tsoah zonah), ‘leg je neer als een hoer’: het werkwoord צָעָה (tsa’ah) betekent ‘zich buigen, zich neerleggen’. Op de hoge plaatsen en onder de groene bomen werd Baäl vereerd. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is אעבד (e’evod), ‘ik zal dienen’; de te lezen vorm (qere) is אֶעֱבוֹר (e’evor), ‘ik zal overtreden’. Wij volgen de qere. Het ketiv past bij het beeld van het juk: ‘Ik zal niet dienen’. Zie ook: Lev 26:13; Deut 12:2; Jes 1:21; Jer 17:2; Jer 30:8 **2:21** **Ik had je geplant als een edele wijnstok, helemaal van zaad van waarheid. Hoe ben je dan voor Mij veranderd in de ontaarde ranken van een vreemde wijnstok?** Brontekst: וְאָֽנֹכִי֙ (veanokhi) = en Ik | נְטַעְתִּ֣יךְ (netatikh) = Ik had je geplant | שֹׂרֵ֔ק (soreq) = edele wijnstok | כֻּלֹּ֖ה (kulo) = geheel | זֶ֣רַע (zera) = zaad van | אֱמֶ֑ת (emet) = waarheid | וְאֵיךְ֙ (veeikh) = en hoe | נֶהְפַּ֣כְתְּ (nehpakht) = ben je veranderd | לִ֔י (li) = voor Mij | סוּרֵ֖י (surei) = ontaarde ranken van | הַגֶּ֥פֶן (hagefen) = de wijnstok | נָכְרִיָּֽה (nakheriya) = vreemde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׂרֵק (sorek), ‘edele wijnstok’: een wijnstok met donkerrode druiven, de beste soort. Vergelijk Jes. 5:2. Voetnoot : זֶרַע אֱמֶת (zera emet), ‘zaad van waarheid’: echt, betrouwbaar zaad, zonder onzuiverheid. Voetnoot : סוּרֵי (sur), ‘ontaarde ranken’: ranken van een wijnstok die niet meer goed zijn. De betekenis is niet helemaal zeker. De vreemde wijnstok is de afvalligheid van Israël zelf. Zie ook: Ex 15:17; Ps 44:3; Ps 80:9; Jes 5:2; Jes 5:4; Joh 15:1 **2:22** **Al zou je je wassen met soda en veel zeep voor jezelf nemen, je schuld blijft als een vlek voor Mij, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אִם (im) = al | תְּכַבְּסִי֙ (tekhabesi) = je wast jezelf | בַּנֶּ֔תֶר (baneter) = met soda | וְתַרְבִּי (vetarbi) = en je neemt veel | לָ֖ךְ (lakh) = voor jezelf | בֹּרִ֑ית (borit) = zeep | נִכְתָּ֤ם (nikhtam) = is een vlek | עֲוֺנֵךְ֙ (avonekh) = je schuld | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor Mij | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּנֶּתֶר (neter), ‘soda’: een mineraal zout, gebruikt als zeepmiddel (vergelijk Spr. 25:20). בֹּרִית (borit), ‘zeep’: dit woord komt ook voor in Mal. 3:2. Voetnoot : נִכְתָּם (nikhtam), ‘is een vlek’: dit werkwoord komt alleen hier voor. Het betekent waarschijnlijk ‘gevlekt, gemerkt’. De schuld laat zich niet wegwassen. Voetnoot : De naam ‘Heer Yahweh’ (Adonai Yahweh): zie Jer. 1:6. Zie ook: Job 14:17; Ps 130:3; Spr 25:20; Hos 13:12; Jer 1:6; Jer 16:17; Jer 17:1; Mal 3:2 ### „Ik ben niet onrein geworden” **2:23** **Hoe kun je zeggen: ‘Ik ben niet onrein geworden, ik ben de Baäls niet nagelopen’? Kijk naar je weg in het dal. Erken wat je gedaan hebt, jij snelle jonge kameelmerrie, die kris kras rondrent op haar wegen.** Brontekst: אֵ֣יךְ (eikh) = hoe | תֹּאמְרִ֞י (tomri) = zeg je | לֹ֣א (lo) = niet | נִטְמֵ֗אתִי (nitmeti) = ben ik onrein geworden | אַחֲרֵ֤י (acharei) = achter | הַבְּעָלִים֙ (habealim) = de Baäls | לֹ֣א (lo) = niet | הָלַ֔כְתִּי (halakhti) = ben ik gegaan | רְאִ֤י (rei) = kijk | דַרְכֵּךְ֙ (darkekh) = je weg | בַּגַּ֔יְא (bagay) = in het dal | דְּעִ֖י (dei) = weet | מֶ֣ה (me) = wat | עָשִׂ֑ית (asit) = je hebt gedaan | בִּכְרָ֥ה (bikhra) = jonge kameelmerrie | קַלָּ֖ה (qala) = snelle | מְשָׂרֶ֥כֶת (mesarekhet) = die kris kras loopt | דְּרָכֶֽיהָ (derakheiha) = haar wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּגַּיְא (bagay), ‘in het dal’: waarschijnlijk het dal van Ben-Hinnom bij Jeruzalem, waar afgoden werden vereerd (vergelijk Jer. 7:31); de tekst noemt geen naam. Het werkwoord ‘onrein worden’ (טָמֵא, tame) staat in het Hebreeuws ook voor afgodendienst. Voetnoot : בִּכְרָה קַלָּה (bikrah qallah), ‘snelle jonge kameelmerrie’: een jong dier in de bronsttijd, dat onrustig kris kras loopt en geen richting houdt. Zie ook: Spr 30:12; Jer 2:33–35; Jer 7:31; Jer 9:13; Est 8:16 **2:24** **Een wilde ezelin, gewend aan de woestijn, snuift in de begeerte van haar ziel de wind op, in haar brunst. Wie kan haar tegenhouden? Allen die haar zoeken, hoeven zich niet te vermoeien. In haar maand zullen ze haar vinden.** Brontekst: פֶּ֣רֶה (pere) = wilde ezelin | לִמֻּ֣ד (limud) = gewend aan | מִדְבָּ֗ר (midbar) = de woestijn | בְּאַוַּ֤ת (beavat) = in de begeerte van | נַפְשָׁהּ֙ (nafshah) = haar ziel | שָׁאֲפָ֣ה (shaafa) = snuift | ר֔וּחַ (ruach) = wind | תַּאֲנָתָ֖הּ (taanatah) = in haar brunst | מִ֣י (mi) = wie | יְשִׁיבֶ֑נָּה (yeshivena) = kan haar tegenhouden | כָּל (kal) = allen | מְבַקְשֶׁ֨יהָ֙ (mevaqsheiha) = die haar zoeken | לֹ֣א (lo) = niet | יִיעָ֔פוּ (yiafu) = hoeven zich te vermoeien | בְּחָדְשָׁ֖הּ (bechadeshah) = in haar maand | יִמְצָאֽוּנְהָ (yimtsauneha) = zullen ze haar vinden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּרֶה (pereh), ‘wilde ezelin’: zie ook Job 39:5. תַּאֲנָתָהּ (ta’anatah), ‘haar brunst’: een woord dat alleen hier voorkomt; de betekenis is niet helemaal zeker. Waarschijnlijk is het ‘haar paartijd’. Voetnoot : De wilde ezelin is een beeld van Israël: onbedwingbaar in haar begeerte. Wie haar zoekt, hoeft zich niet te vermoeien. In haar maand loopt zij hem vanzelf tegemoet. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is נפשו (nafsho), ‘zijn ziel’; de te lezen vorm (qere) is נַפְשָׁהּ (nafshah), ‘haar ziel’. Wij volgen de qere. Zie ook: Job 11:12; Job 39:5–8; Hos 5:15; Jer 2:27; Jer 14:6 **2:25** **Houd je voet terug van blootsvoets lopen en je keel van dorst. Maar jij zei: ‘Het is hopeloos! Nee, want ik heb vreemden liefgehad, en achter hen aan zal ik gaan.’** Brontekst: מִנְעִ֤י (mini) = houd terug | רַגְלֵךְ֙ (raglekh) = je voet | מִיָּחֵ֔ף (miyachef) = van blootsvoets lopen | וּגְרוֹנֵ֖ךְ (ugeronekh) = en je keel | מִצִּמְאָ֑ה (mitsima) = van dorst | וַתֹּאמְרִ֣י (vatomri) = maar je zei | נוֹאָ֔שׁ (noash) = hopeloos | ל֕וֹא (lo) = nee | כִּֽי (ki) = want | אָהַ֥בְתִּי (ahavti) = ik heb liefgehad | זָרִ֖ים (zarim) = vreemden | וְאַחֲרֵיהֶ֥ם (veachareihem) = en achter hen | אֵלֵֽךְ (elekh) = zal ik gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De eerste helft is een waarschuwing: wie rondloopt zonder schoenen en zonder water raakt uitgeput. Het beeld staat voor het najagen van vreemde goden. Het volk antwoordt: נוֹאָשׁ לוֹא (no’ash lo), ‘het is hopeloos, nee’. Het is te laat om terug te keren, zeggen zij. Dezelfde woorden staan in Jer. 18:12. Zie ook: Deut 32:16; Jer 3:13; Jer 13:22; Jer 18:12; Rom 8:24 ### Beschaamd als een dief **2:26** **Zoals een dief zich schaamt als hij wordt betrapt, zo staat het huis van Israël beschaamd: zij, hun koningen, hun oversten, hun priesters en hun profeten.** Brontekst: כְּבֹ֤שֶׁת (kevoshet) = zoals de schaamte van | גַּנָּב֙ (ganav) = een dief | כִּ֣י (ki) = als | יִמָּצֵ֔א (yimatse) = hij wordt gevonden | כֵּ֥ן (ken) = zo | הֹבִ֖ישׁוּ (hovishu) = zijn beschaamd | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הֵ֤מָּה (hema) = zij | מַלְכֵיהֶם֙ (malkheihem) = hun koningen | שָֽׂרֵיהֶ֔ם (sareihem) = hun oversten | וְכֹהֲנֵיהֶ֖ם (vekhohaneihem) = en hun priesters | וּנְבִיאֵיהֶֽם (unevieihem) = en hun profeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 3:24–25; Jer 32:32; Dan 9:6–8; Ezra 9:7; Neh 9:32–34 **2:27** **Zij zeggen tegen het hout: ‘Jij bent mijn vader’, en tegen de steen: ‘Jij hebt ons gebaard.’ Want zij hebben Mij de rug toegekeerd en niet het gezicht. Maar in de tijd van hun onheil zeggen zij: ‘Sta op en red ons.’** Brontekst: אֹמְרִ֨ים (omerim) = zeggend | לָעֵ֜ץ (laets) = tegen het hout | אָ֣בִי (avi) = mijn vader | אַ֗תָּה (ata) = jij | וְלָאֶ֨בֶן֙ (velaeven) = en tegen de steen | אַ֣תְּ (at) = jij | יְלִדְתָּ֔נוּ (yelidtanu) = je hebt ons gebaard | כִּֽי (ki) = want | פָנ֥וּ (panu) = zij keerden | אֵלַ֛י (elay) = naar Mij | עֹ֖רֶף (oref) = nek | וְלֹ֣א (velo) = en niet | פָנִ֑ים (panim) = gezicht | וּבְעֵ֤ת (uveet) = en in de tijd van | רָֽעָתָם֙ (raatam) = hun onheil | יֹֽאמְר֔וּ (yomru) = zij zeggen | ק֖וּמָה (quma) = sta op | וְהוֹשִׁיעֵֽנוּ (vehoshienu) = en red ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵץ (ets), ‘hout’, en אֶבֶן (even), ‘steen’: houten en stenen afgodsbeelden. Het hout is mannelijk (‘vader’), de steen vrouwelijk (‘gebaard’). Zij noemen de beelden hun ouders, terwijl Yahweh hen schiep. Voetnoot : עֹרֶף (oref), ‘nek’: wie de nek toekeert, draait zich om. Wij vertalen ‘de rug toekeren’. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat ילדתני (yelidtini), ‘je hebt mij gebaard’; de overlevering leest יְלִדְתָּנוּ (yelidtanu), ‘je hebt ons gebaard’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Hos 5:15; Hos 7:14; Jes 26:16; Jes 46:6–8; Ezech 23:35 **2:28** **Waar zijn dan je goden, die je voor jezelf gemaakt hebt? Laat hen opstaan, als zij je kunnen redden in de tijd van je onheil. Want zoveel als je steden zijn, zoveel zijn je goden geweest, Juda.** Brontekst: וְאַיֵּ֤ה (veaye) = en waar | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je goden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשִׂ֣יתָ (asita) = je hebt gemaakt | לָּ֔ךְ (lakh) = voor jou | יָק֕וּמוּ (yaqumu) = laten zij opstaan | אִם (im) = als | יוֹשִׁיע֖וּךָ (yoshiukha) = zij je zullen redden | בְּעֵ֣ת (beet) = in de tijd van | רָעָתֶ֑ךָ (raatekha) = je onheil | כִּ֚י (ki) = want | מִסְפַּ֣ר (mispar) = het aantal van | עָרֶ֔יךָ (areikha) = je steden | הָי֥וּ (hayu) = zijn geweest | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je goden | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst herhaalt de spot van vers 27: in de nood zeggen zij tegen Yahweh ‘sta op en red ons’, maar Yahweh zegt: laat jullie zelfgemaakte goden opstaan. Het aantal van de goden is zo groot als het aantal steden. Zie ook Jer. 11:13. Zie ook: Deut 32:37; Re 10:14; Jes 45:20; Jes 46:7; Jer 2:27; Jer 11:13 ### Waarom een rechtszaak tegen Mij? **2:29** **Waarom voeren jullie een rechtszaak tegen Mij? Jullie allen zijn tegen Mij in opstand gekomen, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: לָ֥מָּה (lama) = waarom | תָרִ֖יבוּ (tarivu) = voeren jullie een rechtszaak | אֵלָ֑י (elay) = tegen Mij | כֻּלְּכֶ֛ם (kulekhem) = jullie allen | פְּשַׁעְתֶּ֥ם (peshatem) = zijn in opstand gekomen | בִּ֖י (bi) = tegen Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 2:23; Jer 3:2; Jer 5:1; Jer 6:13; Dan 9:11 **2:30** **Tevergeefs heb Ik jullie zonen geslagen. Zij namen geen tucht aan. Jullie zwaard heeft jullie profeten verslonden als een verwoestende leeuw.** Brontekst: לַשָּׁוְא֙ (lashave) = tevergeefs | הִכֵּ֣יתִי (hikeiti) = Ik sloeg | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיכֶ֔ם (beneikhem) = jullie zonen | מוּסָ֖ר (musar) = tucht | לֹ֣א (lo) = niet | לָקָ֑חוּ (laqachu) = zij namen aan | אָכְלָ֧ה (akhela) = heeft verslonden | חַרְבְּכֶ֛ם (charbekhem) = jullie zwaard | נְבִֽיאֵיכֶ֖ם (nevieikhem) = jullie profeten | כְּאַרְיֵ֥ה (kearye) = als een leeuw | מַשְׁחִֽית (mashchit) = verderver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 5:3; Jer 26:20–24; Neh 9:26; Hand 7:52; 1 Tess 2:15 **2:31** **Jullie, generatie, let op het woord van Yahweh! Ben Ik een woestijn geweest voor Israël, of een land van diepe duisternis? Waarom zegt Mijn volk: ‘Wij zwerven vrij rond, wij komen niet meer naar U’?** Brontekst: הַדּ֗וֹר (hador) = de generatie | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | רְא֣וּ (reu) = ziet | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֲמִדְבָּ֤ר (hamidbar) = een woestijn | הָיִ֨יתִי֙ (hayiti) = ben Ik geweest | לְיִשְׂרָאֵ֔ל (leyisrael) = voor Israël | אִ֛ם (im) = of | אֶ֥רֶץ (erets) = een land van | מַאְפֵּ֖לְיָ֑ה (mapeleya) = diepe duisternis | מַדּ֜וּעַ (madua) = waarom | אָמְר֤וּ (ameru) = zeggen | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | רַ֔דְנוּ (radnu) = wij zwerven vrij rond | לֽוֹא (lo) = niet | נָב֥וֹא (navo) = wij komen | ע֖וֹד (od) = meer | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = naar U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַאְפֵּלְיָה (ma’afelyah), ‘diepe duisternis’: een samenstelling van de woorden ‘duisternis’ en ‘Jah’, die de diepste duisternis uitdrukt. Voetnoot : רַדְנוּ (radnu), ‘wij zwerven vrij rond’: het werkwoord רוּד (rud) betekent ‘rondzwerven’. Zij noemen zich vrij: zij hebben Yahweh niet meer nodig. Zie ook: Deut 32:15; 2 Sam 12:7–9; 2 Kron 31:10; Amos 1:1; Mi 6:9 **2:32** **Vergeet een maagd haar sieraad, een bruid haar sjerpen? Maar Mijn volk heeft Mij vergeten, dagen zonder tal.** Brontekst: הֲתִשְׁכַּ֤ח (hatishkach) = vergeet | בְּתוּלָה֙ (betula) = een maagd | עֶדְיָ֔הּ (edyah) = haar sieraad | כַּלָּ֖ה (kala) = een bruid | קִשֻּׁרֶ֑יהָ (qishureiha) = haar sjerpen | וְעַמִּ֣י (veami) = maar Mijn volk | שְׁכֵח֔וּנִי (shekhechuni) = hebben Mij vergeten | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | אֵ֥ין (ein) = niet | מִסְפָּֽר (mispar) = tal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 106:21; Jes 17:10; Jer 2:11; Jer 3:21; Jer 13:25 ### Bloed aan je slippen **2:33** **Wat richt je je weg goed in om liefde te zoeken! Daarom heb je zelfs de slechte vrouwen je wegen geleerd.** Brontekst: מַה (ma) = wat | תֵּיטִ֥בִי (teitivi) = maak je goed | דַּרְכֵּ֖ךְ (darkekh) = je weg | לְבַקֵּ֣שׁ (levaqesh) = om te zoeken | אַהֲבָ֑ה (ahava) = liefde | לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | גַּ֣ם (gam) = ook | אֶת (et) = (obj.) | הָרָע֔וֹת (haraot) = de slechte vrouwen | לִמַּ֖דְתְּ (limadt) = je hebt geleerd | אֶת (et) = (obj.) | דְּרָכָֽיִךְ (derakhayikh) = je wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרָעוֹת (hara’ot), ‘de slechte vrouwen’: letterlijk ‘de kwade’ (vrouwelijk meervoud). Het kan ook ‘de kwade dingen’ betekenen. Wij nemen ‘de slechte vrouwen’: zelfs zij kunnen van jou leren. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is למדתי (limmadti), ‘ik heb geleerd’; de te lezen vorm (qere) is לִמַּדְתְּ (limmadt), ‘je hebt geleerd’. Wij volgen de qere. Zie ook: Jes 57:7–10; Jer 2:23; Jer 2:36; Jer 3:1–2; Ezech 16:47 **2:34** **Ook aan je slippen is het bloed gevonden van de levens van onschuldige armen. Niet bij een inbraak heb Ik hen gevonden, maar bij dit alles.** Brontekst: גַּ֤ם (gam) = ook | בִּכְנָפַ֨יִךְ֙ (bikhnafayikh) = aan je slippen | נִמְצְא֔וּ (nimtseu) = zijn gevonden | דַּ֛ם (dam) = bloed van | נַפְשׁ֥וֹת (nafshot) = levens van | אֶבְיוֹנִ֖ים (evyonim) = armen | נְקִיִּ֑ים (neqiyim) = onschuldigen | לֹֽא (lo) = niet | בַמַּחְתֶּ֥רֶת (bamachteret) = bij inbraak | מְצָאתִ֖ים (metsatim) = heb Ik hen gevonden | כִּ֥י (ki) = maar | עַל (al) = op | כָּל (kal) = al | אֵֽלֶּה (ele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּמַּחְתֶּרֶת (bamachteret), ‘bij een inbraak’: wie een dief bij een inbraak doodslaat, is daar volgens Exod. 22:1 niet bloedschuldig aan. Deze armen waren geen inbrekers; hun bloed is dus onschuldig vergoten. Voetnoot : מְצָאתִים (metsatim), ‘Ik heb hen gevonden’: de slotzin (‘maar bij dit alles’) is kort en moeilijk. Mogelijk betekent hij ‘ondanks dit alles’. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Ex 22:1; 2 Kon 21:16; 2 Kon 24:4; Jer 6:15; Jer 19:4 ### „Ik ben onschuldig” **2:35** **Maar je zei: ‘Ik ben onschuldig. Zijn toorn is zeker van mij afgekeerd.’ Zie, Ik treed met je in het gericht, omdat je zegt: ‘Ik heb niet gezondigd.’** Brontekst: וַתֹּֽאמְרִי֙ (vatomri) = en je zei | כִּ֣י (ki) = maar | נִקֵּ֔יתִי (niqeiti) = ben onschuldig | אַ֛ךְ (akh) = zeker | שָׁ֥ב (shav) = is afgekeerd | אַפּ֖וֹ (apo) = Zijn toorn | מִמֶּ֑נִּי (mimeni) = van mij | הִנְנִי֙ (hinni) = zie Mij | נִשְׁפָּ֣ט (nishpat) = Ik ga in het gericht | אוֹתָ֔ךְ (otakh) = met jou | עַל (al) = omdat | אָמְרֵ֖ךְ (amerekh) = je zegt | לֹ֥א (lo) = niet | חָטָֽאתִי (chatati) = heb ik gezondigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁפָּט (nishpat), ‘Ik treed in het gericht’: Yahweh brengt de zaak voor de rechter. Hij zelf is rechter en partij. Voetnoot : אַפּוֹ (apo), ‘Zijn toorn’: het volk spreekt hier over Yahweh in de derde persoon. Zie ook: Job 33:9; Spr 28:13; Jes 58:3; Jer 2:29; 1 Joh 1:8–10 **2:36** **Hoe lichtvaardig ben je, dat je zo van weg verandert! Ook voor Egypte zul je beschaamd staan, zoals je voor Assyrië beschaamd stond.** Brontekst: מַה (ma) = wat | תֵּזְלִ֥י (tezeli) = ben je lichtzinnig | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | לְשַׁנּ֣וֹת (leshanot) = om te veranderen | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכֵּ֑ךְ (darkekh) = je weg | גַּ֤ם (gam) = ook | מִמִּצְרַ֨יִם֙ (mimitsrayim) = voor Egypte | תֵּב֔וֹשִׁי (tevoshi) = zul je beschaamd staan | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | בֹּ֖שְׁתְּ (bosht) = je beschaamd stond | מֵאַשּֽׁוּר (meashur) = voor Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: תֵּזְלִי (tezli), ‘ben je lichtzinnig’: het werkwoord זָלַל (zalal) betekent ‘licht zijn, gering zijn’. Israël verandert van weg zonder nadenken, nu eens naar Egypte, dan weer naar Assyrië. Zie ook: 2 Kron 28:16; 2 Kron 28:20–21; Hos 5:13; Hos 12:2; Jer 31:22 **2:37** **Ook van daar zul je weggaan, met je handen op je hoofd. Want Yahweh heeft verworpen waarop je vertrouwt, en je zult er geen succes mee hebben.** Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | מֵאֵ֥ת (meet) = van | זֶה֙ (ze) = deze | תֵּֽצְאִ֔י (tetsei) = zul je uitgaan | וְיָדַ֖יִךְ (veyadayikh) = en je handen | עַל (al) = op | רֹאשֵׁ֑ךְ (roshekh) = hoofd | כִּֽי (ki) = want | מָאַ֤ס (maas) = heeft verworpen | יְהֹוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּמִבְטַחַ֔יִךְ (bemivtachayikh) = je vertrouwen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַצְלִ֖יחִי (tatslichi) = zul je slagen | לָהֶֽם (lahem) = daarmee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Handen op het hoofd zijn een gebaar van rouw en schaamte (2 Sam. 13:19). Egypte zal Juda net zo teleurstellen als Assyrië (vers 36). Zie ook: Num 14:41; 2 Sam 13:19; Jer 2:36; Jer 17:5; Jer 37:7–10; Ezech 17:15–20 ## Jeremia 3 _Afvallig Israël en ontrouw Juda: keer terug naar Yahweh_ ### Een vrouw die niet terug mag komen **3:1** **Men zegt: ‘Als een man zijn vrouw wegstuurt, en zij bij hem weggaat en van een andere man wordt, zal hij dan nog naar haar terugkeren? Zou dat land niet zwaar ontwijd worden?’ Maar jij hebt gehoereerd met vele minnaars. En toch: keer terug naar Mij, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: לֵאמֹ֡ר (lemor) = men zegt | הֵ֣ן (hen) = zie | יְשַׁלַּ֣ח (yeshalach) = stuurt weg | אִ֣ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = (obj.) | אִשְׁתּוֹ֩ (ishto) = zijn vrouw | וְהָלְכָ֨ה (vehalekha) = en zij gaat | מֵאִתּ֜וֹ (meito) = van hem weg | וְהָיְתָ֣ה (vehayeta) = en wordt | לְאִישׁ (leish) = van een man | אַחֵ֗ר (acher) = andere | הֲיָשׁ֤וּב (hayashuv) = keert hij terug | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = naar haar | ע֔וֹד (od) = nog | הֲל֛וֹא (halo) = niet | חָנ֥וֹף (chanof) = zwaar ontwijd | תֶּחֱנַ֖ף (techenaf) = zou worden ontwijd | הָאָ֣רֶץ (haarets) = dat land | הַהִ֑יא (hahi) = dat | וְאַ֗תְּ (veat) = en jij | זָנִית֙ (zanit) = hebt gehoereerd | רֵעִ֣ים (reim) = vrienden | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | וְשׁ֥וֹב (veshov) = en keer terug | אֵלַ֖י (elay) = naar Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהֹוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵאמֹר (leemor), ‘zeggend’: het woord staat zonder onderwerp aan het begin. Wij lezen het als een gezegde: ‘Men zegt’. Wat volgt is het voorbeeld van een man en zijn vrouw. Het sluit aan op de wet van Deut. 24:1–4: een man mag zijn vrouw, die hij heeft weggestuurd en die van een ander is geworden, niet weer nemen. Voetnoot : De rede van Yahweh loopt door vanaf Jer. 2:5. Hier staat de aanhaling van het gezegde tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : רֵעִים (re’im), ‘vrienden’: het woord betekent letterlijk ‘vrienden, metgezellen’. In dit verband zijn het minnaars (vergelijk Hos. 3:1). Wij vertalen ‘minnaars’. Voetnoot : וְשׁוֹב אֵלַי (veshov elai), ‘en keer terug naar Mij’: het Hebreeuws heeft hier een gebiedende vorm. Het is een uitnodiging na de aanklacht. Sommige lezers begrijpen de zin als vraag: ‘en zou je terugkeren naar Mij?’. Wij volgen de gebiedende vorm. Zie ook: Deut 24:1–4; Hos 3:1; Hos 14:2–5; Jer 2:5; Jer 4:1; Ezech 16:26; Ezech 16:28–29 **3:2** **Sla je ogen op naar de kale heuvels en kijk: waar ben je niet beslapen? Aan de wegen zat je voor hen, zoals een Arabier in de woestijn. Zo ontwijdde je het land met je hoererij en met je slechtheid.** Brontekst: שְׂאִֽי (sei) = sla op | עֵינַ֨יִךְ (einayikh) = je ogen | עַל (al) = naar | שְׁפָיִ֜ם (shefayim) = kale heuvels | וּרְאִ֗י (urei) = en kijk | אֵיפֹה֙ (eifo) = waar | לֹ֣א (lo) = niet | שֻׁכַּ֔בְתְּ (shukavt) = ben je beslapen | עַל (al) = aan | דְּרָכִים֙ (derakhim) = de wegen | יָשַׁ֣בְתְּ (yashavt) = zat je | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | כַּעֲרָבִ֖י (kaaravi) = als een Arabier | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | וַתַּחֲנִ֣יפִי (vatachanifi) = en je ontwijdde | אֶ֔רֶץ (erets) = het land | בִּזְנוּתַ֖יִךְ (biznutayikh) = met je hoererij | וּבְרָעָתֵֽךְ (uveraatekh) = en met je slechtheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁפָיִם (shefayim), ‘kale heuvels’: heuvels zonder bomen, waar afgodsdienst bedreven werd. Zie ook Jer. 3:21. Voetnoot : כַּעֲרָבִי בַּמִּדְבָּר (ka’aravi bamidbar), ‘zoals een Arabier in de woestijn’: een bewoner van de woestijn die op de loer ligt voor voorbijgangers. Zo zat Israël langs de wegen op de loer naar minnaars. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat שגלת (shugalt), een grof woord voor ‘beslapen worden’. De overlevering leest שֻׁכַּבְתְּ (shukkavt), ‘ben je beslapen’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Gen 38:14; Jer 2:7; Jer 2:20; Jer 3:21; Ezech 8:4–6; Ezech 16:24–25 **3:3** **De regenbuien werden tegengehouden en de late regen bleef uit. Maar je had het voorhoofd van een hoer. Je weigerde je te schamen.** Brontekst: וַיִּמָּנְע֣וּ (vayimaneu) = en werden tegengehouden | רְבִבִ֔ים (revivim) = regenbuien | וּמַלְק֖וֹשׁ (umalqosh) = en late regen | ל֣וֹא (lo) = niet | הָיָ֑ה (haya) = was | וּמֵ֨צַח (umetsach) = en voorhoofd van | אִשָּׁ֤ה (isha) = een vrouw | זוֹנָה֙ (zona) = hoer | הָ֣יָה (haya) = was | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | מֵאַ֖נְתְּ (meant) = je weigerde | הִכָּלֵֽם (hikalem) = je te schamen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְבִבִים (revivim), ‘regenbuien’, en מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘late regen’: de regen van het najaar en die van het voorjaar. Zij waren onmisbaar voor de oogst (Deut. 11:14). Wanneer ze uitblijven, is dat een straf van Yahweh (Deut. 11:17). Voetnoot : וּמֵצַח אִשָּׁה זוֹנָה (umetsach ishah zonah), ‘het voorhoofd van een hoer’: iemand zonder schaamte. Zie ook: Lev 26:19; Deut 11:14; Deut 11:17; Jes 5:6; Jer 5:24; Jer 14:4; Jer 14:22 **3:4** **Heb je niet zojuist tegen Mij geroepen: ‘Mijn vader! U bent de vertrouweling van mijn jeugd.** Brontekst: הֲל֣וֹא (halo) = niet | מֵעַ֔תָּה (meata) = nu | קָרָ֥את (qarat) = riep je | לִ֖י (li) = tot Mij | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | אַלּ֥וּף (aluf) = vertrouweling van | נְעֻרַ֖י (neuray) = mijn jeugd | אָֽתָּה (ata) = U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַלּוּף (alluf), ‘vertrouweling’: iemand die dichtbij staat, vriend en leidsman. In Spr. 2:17 staat dezelfde vorm van de man van haar jeugd. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat קראתי (qarati), ‘ik riep’; de overlevering leest קָרָאת (qara’t), ‘je riep’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Spr 2:17; Jer 2:2; Jer 3:19; Jer 31:9; Jer 31:18–20 **3:5** **Houdt Hij Zijn toorn voor eeuwig vast? Bewaart Hij die voor altijd?’ Zie, zo heb je gesproken. Maar je hebt het kwaad gedaan, zoveel je kon.”** Brontekst: הֲיִנְטֹ֣ר (hayintor) = zal Hij toorn houden | לְעוֹלָ֔ם (leolam) = voor eeuwig | אִם (im) = of | יִשְׁמֹ֖ר (yishmor) = bewaart Hij | לָנֶ֑צַח (lanetsach) = voor altijd | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | דִבַּ֛רְתְּ (dibart) = je hebt gesproken | וַתַּעֲשִׂ֥י (vataasi) = en je deed | הָרָע֖וֹת (haraot) = de kwade dingen | וַתּוּכָֽל (vatukhal) = en je kon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲיִנְטֹר (hayintor), ‘houdt Hij vast?’: het werkwoord נָטַר (natar) betekent ‘bewaren’, hier ‘bewaren in toorn’. Het voorwerp ‘toorn’ staat er niet; wij vullen het aan, zoals in Ps. 103:9. De zin is een klacht die het volk aan Yahweh stelt. Voetnoot : הָרָעוֹת (hara’ot), ‘het kwaad’: de kwade daden. Wij vertalen ‘het kwaad gedaan, zoveel je kon’: je hebt zo veel kwaad gedaan als je kon. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat דברתי (dibbarti), ‘ik sprak’; de overlevering leest דִבַּרְתְּ (dibbart), ‘je sprak’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ps 103:9; Jes 57:16; Mi 2:1; Mi 7:3; Jer 3:12; Ezech 22:6 ### Twee zusters: Israël en Juda **3:6** Yahweh zei tot mij in de dagen van koning Josia: **„Heb je gezien wat afvallig Israël heeft gedaan? Zij ging naar elke hoge berg en onder elke groene boom, en daar hoereerde zij.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | בִּימֵי֙ (bimei) = in de dagen van | יֹאשִׁיָּ֣הוּ (yoshiyahu) = Josia | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | הֲֽרָאִ֔יתָ (haraita) = heb je gezien | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָשְׂתָ֖ה (aseta) = deed | מְשֻׁבָ֣ה (meshuva) = afvallig | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הֹלְכָ֨ה (holekha) = ging | הִ֜יא (hi) = zij | עַל (al) = naar | כָּל (kal) = elke | הַ֣ר (har) = berg | גָּבֹ֗הַּ (gavoha) = hoge | וְאֶל (veel) = en naar | תַּ֛חַת (tachat) = onder | כָּל (kal) = elke | עֵ֥ץ (ets) = boom | רַעֲנָ֖ן (raanan) = groen | וַתִּזְנִי (vatizni) = en hoereerde | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשֻׁבָה יִשְׂרָאֵל (meshuvah Yisra’el), ‘afvallig Israël’: מְשֻׁבָה (meshuvah) komt van שׁוּב (shuv), ‘zich afkeren’. Het woord is verwant met שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, en speelt met het ‘terugkeren’ van de volgende verzen. Hier is het Noordrijk Israël, dat in 722 voor Christus door Assyrië werd weggevoerd (2 Kon. 17). Voetnoot : De rede loopt in de dagen van Josia (Jer. 1:2). Josia’s hervorming staat in 2 Kon. 23. Zie ook: Jer 1:2; Jer 3:8; Jer 17:2; Ezech 16:24–25; Ezech 20:28; Ezech 23:11 **3:7** **Ik zei: ‘Nadat zij dit alles gedaan heeft, zal zij naar Mij terugkeren.’ Maar zij keerde niet terug. En haar ontrouwe zuster Juda zag het.** Brontekst: וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en Ik zei | אַחֲרֵ֨י (acharei) = nadat | עֲשׂוֹתָ֧הּ (asotah) = zij dit deed | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֵ֛לֶּה (ele) = dit | אֵלַ֥י (elay) = naar Mij | תָּשׁ֖וּב (tashuv) = keert zij terug | וְלֹא (velo) = maar niet | שָׁ֑בָה (shava) = keerde zij terug | וַתֵּ֛רֶא (vatere) = en zag het | בָּגוֹדָ֥ה (bagoda) = haar ontrouwe | אֲחוֹתָ֖הּ (achotah) = zuster | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּגוֹדָה (bogedah), ‘de ontrouwe’: van het werkwoord בָּגַד (bagad), ‘ontrouw zijn, verraad plegen’. Zo wordt Juda genoemd tegenover het ‘afvallige’ Israël. De zuster ziet wat er met Israël gebeurt, maar leert er niets van. Zie ook: Hos 6:1–4; Hos 14:2; Jer 3:8–11; Ezech 16:46; Ezech 23:2–4 **3:8** **Ik zag dat Ik, om al het overspel dat afvallig Israël had gepleegd, haar had weggezonden en haar de scheidingsbrief had gegeven. Maar haar ontrouwe zuster Juda werd niet bang. Ook zij ging heen en hoereerde.** Brontekst: וָאֵ֗רֶא (vaere) = en Ik zag | כִּ֤י (ki) = dat | עַל (al) = om | כָּל (kal) = alles | אֹדוֹת֙ (odot) = het feit | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | נִֽאֲפָה֙ (niafa) = zij overspel pleegde | מְשֻׁבָ֣ה (meshuva) = afvallig | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שִׁלַּחְתִּ֕יהָ (shilachtiha) = Ik had haar weggezonden | וָאֶתֵּ֛ן (vaeten) = en Ik gaf | אֶת (et) = (obj.) | סֵ֥פֶר (sefer) = brief van | כְּרִיתֻתֶ֖יהָ (kerituteiha) = haar scheiding | אֵלֶ֑יהָ (eleiha) = aan haar | וְלֹ֨א (velo) = maar niet | יָֽרְאָ֜ה (yarea) = werd bang | בֹּֽגֵדָ֤ה (bogeda) = ontrouwe | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | אֲחוֹתָ֔הּ (achotah) = haar zuster | וַתֵּ֖לֶךְ (vatelekh) = en zij ging | וַתִּ֥זֶן (vatizen) = en hoereerde | גַּם (gam) = ook | הִֽיא (hi) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר כְּרִיתֻת (sefer keritut), ‘scheidingsbrief’: de brief waarmee een man zijn vrouw wegstuurt (Deut. 24:1). Yahweh heeft Noordrijk Israël weggezonden, zoals een man zijn vrouw. Juda zag het, en deed hetzelfde. Voetnoot : יָרְאָה (yare’ah), ‘werd bang’: het werkwoord יָרֵא (yare) betekent ‘vrezen, ontzag hebben’. Juda had geen ontzag. Zie ook: Deut 24:1; 2 Kon 18:9–11; Hos 2:4–5; Hos 4:15–17; Jes 50:1 **3:9** **Door de lichtvaardigheid van haar hoererij ontwijdde zij het land. Zij pleegde overspel met steen en hout.** Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het was | מִקֹּ֣ל (miqol) = door de lichtvaardigheid van | זְנוּתָ֔הּ (zenutah) = haar hoererij | וַתֶּחֱנַ֖ף (vatechenaf) = en zij ontwijdde | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַתִּנְאַ֥ף (vatinaf) = en zij pleegde overspel | אֶת (et) = (obj.) | הָאֶ֖בֶן (haeven) = de steen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעֵֽץ (haets) = het hout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקֹּל זְנוּתָהּ (miqqol zenutah), ‘door de lichtvaardigheid van haar hoererij’: het woord קֹל (qol) betekent ‘stem, geluid’. Het kan ook ‘lichtheid’ (קַל, qal) zijn. Wij nemen ‘lichtvaardigheid’. Een andere mogelijkheid is ‘door het geluid van haar hoererij’. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : הָאֶבֶן (ha’even), ‘de steen’, en הָעֵץ (ha’ets), ‘het hout’: stenen en houten afgodsbeelden, zoals in Jer. 2:27. Zie ook: Jes 57:6; Jer 2:7; Jer 2:27; Jer 3:2; Jer 10:8 **3:10** **En ondanks dit alles is haar ontrouwe zuster Juda niet met heel haar hart naar Mij teruggekeerd, maar met leugen, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | בְּכָל (bekhal) = in al | זֹ֗את (zot) = dit | לֹא (lo) = niet | שָׁ֨בָה (shava) = keerde terug | אֵלַ֜י (elay) = naar Mij | בָּגוֹדָ֧ה (bagoda) = ontrouwe | אֲחוֹתָ֛הּ (achotah) = haar zuster | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | בְּכָל (bekhal) = met heel | לִבָּ֑הּ (libah) = haar hart | כִּ֥י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | בְּשֶׁ֖קֶר (besheqer) = met leugen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 66:3; Ps 78:36–37; 2 Kron 34:33–35:18; Hos 7:14; Jer 12:2 ### Afvallig Israël is rechtvaardiger **3:11** Yahweh zei tot mij: **„Afvallig Israël heeft zich rechtvaardiger getoond dan het ontrouwe Juda.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | צִדְּקָ֥ה (tsideqa) = heeft rechtvaardig getoond | נַפְשָׁ֖הּ (nafshah) = zichzelf | מְשֻׁבָ֣ה (meshuva) = afvallig | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מִבֹּגֵדָ֖ה (mibogeda) = meer dan de ontrouwe | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִדְּקָה נַפְשָׁהּ (tsidqah nafshah), ‘heeft zich rechtvaardiger getoond’: het werkwoord צָדַק (tsadaq) betekent ‘rechtvaardig zijn’. Hier is het in een vorm die ‘rechtvaardig doen lijken’ betekent. Het Noordrijk was slecht, maar Juda, dat het zag en toch hoerde, is erger. Zie ook: Hos 4:16; Hos 11:7; Ezech 16:47; Ezech 16:51–52; Ezech 23:11 ### Keer terug, afvallige kinderen **3:12** **Ga en roep deze woorden naar het noorden en zeg: ‘Keer terug, afvallig Israël, godsspraak van Yahweh. Ik zal Mijn gezicht niet tegen jullie laten vallen, want Ik ben trouw, godsspraak van Yahweh. Ik zal Mijn toorn niet voor eeuwig bewaren.** Brontekst: הָלֹ֡ךְ (halokh) = ga | וְקָֽרָאתָ֩ (veqarata) = en roep | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֨ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֜לֶּה (haele) = deze | צָפ֗וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | וְ֠אָמַרְתָּ (veamarta) = en zeg | שׁ֣וּבָה (shuva) = keer terug | מְשֻׁבָ֤ה (meshuva) = afvallig | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לֽוֹא (lo) = niet | אַפִּ֥יל (apil) = Ik laat vallen | פָּנַ֖י (panay) = Mijn gezicht | בָּכֶ֑ם (bakhem) = tegen jullie | כִּֽי (ki) = want | חָסִ֤יד (chasid) = trouw | אֲנִי֙ (ani) = Ik | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | אֶטּ֖וֹר (etor) = Ik bewaar | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘woorden naar het noorden’ gaan naar het noorden: het land waarheen Israël was weggevoerd, Assyrië. De profeet roept zijn boodschap daar. Voetnoot : אַפִּיל פָּנַי בָּכֶם (lo afil panai bakhem), ‘Ik zal Mijn gezicht niet tegen jullie laten vallen’: Yahweh zal niet boos kijken. Het beeld is een gezicht dat betrekt. Voetnoot : חָסִיד (chasid), ‘trouw’: verwant met חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Het woord beschrijft iemand die aan zijn verbond vasthoudt. Zie ook: Deut 4:29–31; Ps 86:15; Hos 14:2–4; Jer 3:22; Ezech 33:11 **3:13** **Erken alleen je schuld: je bent tegen Yahweh, je Elohim, in opstand gekomen. Je hebt je wegen verspreid naar vreemden, onder elke groene boom, en naar Mijn stem hebben jullie niet geluisterd, godsspraak van Yahweh.’** Brontekst: אַ֚ךְ (akh) = alleen | דְּעִ֣י (dei) = erken | עֲוֺנֵ֔ךְ (avonekh) = je schuld | כִּ֛י (ki) = dat | בַּיהוָ֥ה (baYahweh) = tegen Yahweh | אֱלֹהַ֖יִךְ (elohayikh) = je Elohim | פָּשָׁ֑עַתְּ (pashaat) = je bent in opstand gekomen | וַתְּפַזְּרִ֨י (vatefazeri) = en je hebt verspreid | אֶת (et) = (obj.) | דְּרָכַ֜יִךְ (derakhayikh) = je wegen | לַזָּרִ֗ים (lazarim) = naar vreemden | תַּ֚חַת (tachat) = onder | כָּל (kal) = elke | עֵ֣ץ (ets) = boom | רַעֲנָ֔ן (raanan) = groen | וּבְקוֹלִ֥י (uveqoli) = en naar Mijn stem | לֹא (lo) = niet | שְׁמַעְתֶּ֖ם (shematem) = jullie hebben geluisterd | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהֹוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּשָׁעַתְּ (pasha’t), ‘je bent in opstand gekomen’: zie Jes. 1:2. Voetnoot : וַתְּפַזְּרִי (vatefazzeri), ‘je hebt verspreid’: Israël verspreidde zijn wegen naar vreemden, dat wil zeggen naar vreemde goden en volken. Zie ook: Deut 12:2; Deut 30:1–3; Jes 1:2; Jer 2:25; Jer 3:6; Jer 3:25 ### Herders naar Mijn hart **3:14** **Keer terug, afvallige kinderen, godsspraak van Yahweh, want Ik ben jullie echtgenoot geworden. Ik zal jullie nemen, één uit een stad en twee uit een familie, en Ik zal jullie naar Sion brengen.** Brontekst: שׁ֣וּבוּ (shuvu) = keer terug | בָנִ֤ים (banim) = kinderen | שׁוֹבָבִים֙ (shovavim) = afvallige | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | בָּעַ֣לְתִּי (baalti) = ben echtgenoot geworden | בָכֶ֑ם (bakhem) = over jullie | וְלָקַחְתִּ֨י (velaqachti) = en Ik zal nemen | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | אֶחָ֣ד (echad) = één | מֵעִ֗יר (meir) = uit een stad | וּשְׁנַ֨יִם֙ (ushenayim) = en twee | מִמִּשְׁפָּחָ֔ה (mimishpacha) = uit een familie | וְהֵבֵאתִ֥י (veheveti) = en Ik zal brengen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | צִיּֽוֹן (tsiyon) = naar Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בָּעַלְתִּי (ba’alti), ‘Ik ben echtgenoot geworden’: het werkwoord בָּעַל (ba’al) betekent ‘heer zijn over, huwen’. Er is een woordspeling met Baäl, de god van de afgoderij: Yahweh is de echte ‘heer’ van Zijn volk. Voetnoot : אֶחָד מֵעִיר (echad me’ir), ‘één uit een stad’: Yahweh brengt een klein aantal terug. Het getal is klein, maar het is een terugkeer. Zie ook: Hos 2:21–22; Jes 54:5; Jer 2:19; Jer 31:8–10; Jer 31:32 **3:15** **Ik zal jullie herders geven naar Mijn hart. Zij zullen jullie weiden met kennis en inzicht.** Brontekst: וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | לָכֶ֛ם (lakhem) = aan jullie | רֹעִ֖ים (roim) = herders | כְּלִבִּ֑י (kelibi) = naar Mijn hart | וְרָע֥וּ (verau) = en zij zullen weiden | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | דֵּעָ֥ה (dea) = met kennis | וְהַשְׂכֵּֽיל (vehaskeil) = en inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹעִים (ro’im), ‘herders’: leiders van het volk (vergelijk Jer. 2:8). ‘Naar Mijn hart’ betekent: zoals Yahweh het wil, trouw aan Hem. Zie ook: Jer 2:8; Jer 23:4; Ezech 34:23; Joh 21:15–17; Hand 20:28; Ef 4:11–12 **3:16** **Het zal gebeuren dat jullie talrijk worden en vruchtbaar zijn in het land, in die dagen, godsspraak van Yahweh. Dan zal men niet meer zeggen: ‘De ark van het verbond van Yahweh.’ Zij zal niet in het hart opkomen. Men zal er niet aan denken, er niet naar omzien en haar niet meer maken.** Brontekst: וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּ֣י (ki) = wanneer | תִרְבּוּ֩ (tirbu) = jullie talrijk worden | וּפְרִיתֶ֨ם (uferitem) = en vruchtbaar zijn | בָּאָ֜רֶץ (baarets) = in het land | בַּיָּמִ֤ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֨מָּה֙ (hahema) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לֹא (lo) = niet | יֹ֣אמְרוּ (yomru) = men zal zeggen | ע֗וֹד (od) = meer | אֲרוֹן֙ (aron) = ark van | בְּרִית (berit) = verbond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יַעֲלֶ֖ה (yaale) = zal opkomen | עַל (al) = in | לֵ֑ב (lev) = hart | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יִזְכְּרוּ (yizkeru) = zullen zij zich herinneren | בוֹ֙ (bo) = haar | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִפְקֹ֔דוּ (yifqodu) = zullen zij naar haar omzien | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יֵעָשֶׂ֖ה (yease) = zal gemaakt worden | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה (aron berit Yahweh), ‘de ark van het verbond van Yahweh’: de kist in het heiligdom (Num. 10:33). In de nieuwe tijd is hij niet meer nodig, omdat heel Jeruzalem de troon van Yahweh zal zijn (vers 17). Voetnoot : יִפְקֹדוּ (yifqodu), ‘zij zullen naar haar omzien’: het werkwoord פָּקַד (paqad) kan ook ‘missen’ of ‘bezoeken’ betekenen. De ark zal niet gemist worden. Zie ook: Num 10:33; Amos 9:14–15; Hos 2:1–2; Jes 65:17; Jer 3:17; Ezech 37:26; Zach 8:4–5 **3:17** **In die tijd zal men Jeruzalem ‘de troon van Yahweh’ noemen. Alle volken zullen zich daar verzamelen, naar de naam van Yahweh, naar Jeruzalem. Zij zullen niet meer de hardnekkigheid van hun boze hart volgen.** Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֗יא (hahi) = die | יִקְרְא֤וּ (yiqreu) = zullen zij noemen | לִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (lirushalaim) = Jeruzalem | כִּסֵּ֣א (kise) = troon van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנִקְוּ֨וּ (veniquu) = en zullen zich verzamelen | אֵלֶ֧יהָ (eleiha) = naar haar | כָֽל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֛ם (hagoyim) = volken | לְשֵׁ֥ם (leshem) = voor de naam van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִירוּשָׁלִָ֑ם (lirushalaim) = naar Jeruzalem | וְלֹא (velo) = en niet | יֵלְכ֣וּ (yelekhu) = zullen zij gaan | ע֔וֹד (od) = meer | אַחֲרֵ֕י (acharei) = achter | שְׁרִר֖וּת (sherirut) = de hardnekkigheid van | לִבָּ֥ם (libam) = hun hart | הָרָֽע (hara) = het kwade Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כִּסֵּא יְהוָה (kisse Yahweh), ‘de troon van Yahweh’: de ark gold als de voetbank of troon van Yahweh (1 Kron. 28:2). Straks is de hele stad Zijn troon. Voetnoot : שְׁרִרוּת (sherirut), ‘hardnekkigheid’: koppigheid van het hart, zoals in Deut. 29:18. Zie ook: Deut 29:18; 1 Kron 28:2; Mi 4:1–5; Jer 11:8; Jer 17:12; Ezech 43:7; Zach 2:15 **3:18** **In die dagen zal het huis van Juda zich voegen bij het huis van Israël. Samen zullen zij uit het land van het noorden komen, naar het land dat Ik jullie vaders als erfdeel heb gegeven.** Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔מָּה (hahema) = die | יֵלְכ֥וּ (yelekhu) = zullen gaan | בֵית (beit) = huis van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | עַל (al) = naar | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְיָבֹ֤אוּ (veyavou) = en zullen komen | יַחְדָּו֙ (yachdav) = samen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | צָפ֔וֹן (tsafon) = noorden | עַל (al) = naar | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הִנְחַ֖לְתִּי (hinchalti) = Ik gaf als erfdeel | אֶת (et) = (obj.) | אֲבוֹתֵיכֶֽם (avoteikhem) = jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Juda en Israël, de gescheiden rijken, keren samen terug uit het noorden. Het noorden is de richting van de ballingschap (vers 12). Zie ook: Amos 9:15; Hos 2:2; Jer 3:12; Jer 23:8; Jer 31:8; Jer 50:4 ### Je zult Mij „mijn vader” noemen **3:19** **Ik zei: ‘Hoe zou Ik je onder de kinderen plaatsen en je een begeerlijk land geven, het schitterendste erfdeel van de volken?’ En Ik zei: ‘Je zult Mij „mijn vader” noemen en je zult je niet van achter Mij afkeren.’** Brontekst: וְאָנֹכִ֣י (veanokhi) = en Ik | אָמַ֗רְתִּי (amarti) = Ik zei | אֵ֚יךְ (eikh) = hoe | אֲשִׁיתֵ֣ךְ (ashitekh) = zou Ik je plaatsen | בַּבָּנִ֔ים (babanim) = onder de kinderen | וְאֶתֶּן (veeten) = en Ik zou geven | לָךְ֙ (lakh) = aan jou | אֶ֣רֶץ (erets) = een land | חֶמְדָּ֔ה (chemda) = begeerlijk | נַחֲלַ֥ת (nachalat) = erfdeel van | צְבִ֖י (tsevi) = pracht van | צִבְא֣וֹת (tsivot) = de scharen van | גּוֹיִ֑ם (goyim) = volken | וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en Ik zei | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | תִּקְרְאִי (tiqrei) = zul je noemen | לִ֔י (li) = Mij | וּמֵאַחֲרַ֖י (umeacharay) = en van achter Mij | לֹ֥א (lo) = niet | תָשֽׁוּבִי (tashuvi) = zul je afkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְבִי צִבְאוֹת גּוֹיִם (nachalat tsevi tsiv’ot goyim), ‘het schitterendste erfdeel van de volken’: צְבִי (tsevi) betekent ‘pracht, sieraad’ (ook ‘gazelle’). De tweede vorm (tsiv’ot) is onzeker. Wij begrijpen de zin als ‘het mooiste van alle volken’. Voetnoot : אָבִי (avi), ‘mijn vader’: Israël zal Yahweh zo noemen. Vergelijk Jer. 3:4. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staan תקראו (tiqre’u) en תשובו (tashuvu), ‘jullie zullen noemen’ en ‘jullie zullen afkeren’ (meervoud); de overlevering leest תִּקְרְאִי (tiqre’i) en תָשׁוּבִי (tashuvi), ‘je zult noemen’ en ‘je zult afkeren’ (enkelvoud, vrouwelijk). Wij volgen de lezing. Zie ook: Jes 63:16; Jer 3:4; Jer 31:9; Rom 8:15–17; 1 Joh 3:1–3 **3:20** **Maar zoals een vrouw ontrouw is aan haar vriend, zo zijn jullie ontrouw geweest aan Mij, huis van Israël, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: אָכֵ֛ן (akhen) = maar | בָּגְדָ֥ה (bageda) = is ontrouw | אִשָּׁ֖ה (isha) = een vrouw | מֵרֵעָ֑הּ (mereah) = aan haar vriend | כֵּ֣ן (ken) = zo | בְּגַדְתֶּ֥ם (begadtem) = zijn jullie ontrouw geweest | בִּ֛י (bi) = aan Mij | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵרֵעָהּ (mere’ah), ‘aan haar vriend’: de man met wie zij verbonden was. Het is een woord voor gezel of echtgenoot. Zie ook Jer. 3:1. Zie ook: Jes 48:8; Jer 3:1–2; Jer 5:11; Ezech 16:15–52; Mal 2:11 ### Een stem op de kale heuvels **3:21** Een stem wordt gehoord op de kale heuvels: het wenen en de smeekbeden van de kinderen van Israël. Want zij hebben hun weg verdraaid. Zij zijn Yahweh, hun Elohim, vergeten. Brontekst: ק֚וֹל (qol) = stem | עַל (al) = op | שְׁפָיִ֣ים (shefayim) = kale heuvels | נִשְׁמָ֔ע (nishma) = wordt gehoord | בְּכִ֥י (bekhi) = wenen van | תַחֲנוּנֵ֖י (tachanunei) = smeekbeden van | בְּנֵ֣י (benei) = kinderen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּ֤י (ki) = want | הֶעֱוּוּ֙ (heeuu) = zij hebben verdraaid | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכָּ֔ם (darkam) = hun weg | שָׁכְח֖וּ (shakhechu) = zij zijn vergeten | אֶת (et) = (obj.) | יְהֹוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De profeet hoort een stem van wenen op de kale heuvels. Daar waar het volk eerst afgoden diende, huilen nu de kinderen van Israël. Het wenen is het begin van de terugkeer. Zie ook: Jes 15:2; Jer 2:32; Jer 3:2; Jer 31:9; 2 Kor 7:10 ### Wij komen naar U toe **3:22** **„Keer terug, afvallige kinderen. Ik zal jullie afvalligheden genezen.”** „Zie, wij komen naar U toe, want U bent Yahweh, onze Elohim. Brontekst: שׁ֚וּבוּ (shuvu) = keer terug | בָּנִ֣ים (banim) = kinderen | שׁוֹבָבִ֔ים (shovavim) = afvallige | אֶרְפָּ֖ה (erpa) = Ik zal genezen | מְשׁוּבֹֽתֵיכֶ֑ם (meshuvoteikhem) = jullie afvalligheden | הִנְנוּ֙ (hinnu) = zie ons | אָתָ֣נוּ (atanu) = wij komen | לָ֔ךְ (lakh) = naar U | כִּ֥י (ki) = want | אַתָּ֖ה (ata) = U | יְהֹוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De eerste helft van het vers is Yahweh’s uitnodiging (rood). De tweede helft is het antwoord van het volk (zwart): zij komen terug, in de woorden van een gebed. Zie ook: Hos 6:1–2; Hos 14:2; Hos 14:5; Jer 30:17; Zach 13:9 **3:23** Waarlijk, de heuvels zijn bedrog, het rumoer van de bergen. Waarlijk, in Yahweh, onze Elohim, is de redding van Israël. Brontekst: אָכֵ֥ן (akhen) = waarlijk | לַשֶּׁ֛קֶר (lasheqer) = bedrog | מִגְּבָע֖וֹת (migevaot) = van de heuvels | הָמ֣וֹן (hamon) = rumoer van | הָרִ֑ים (harim) = de bergen | אָכֵן֙ (akhen) = waarlijk | בַּיהֹוָ֣ה (baYahweh) = in Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | תְּשׁוּעַ֖ת (teshuat) = redding van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָמוֹן הָרִים (hamon harim), ‘het rumoer van de bergen’: het lawaai van de feesten op de bergen waar afgoden werden vereerd. Dat blijkt bedrog. Alleen in Yahweh is redding (תְּשׁוּעָה, teshuah, ‘redding’). Zie ook: Ps 3:9; Ps 121:1–2; Hos 1:7; Jes 12:2; Joh 4:22 **3:24** De schande heeft de opbrengst van onze vaders verslonden, vanaf onze jeugd: hun kleinvee en hun runderen, hun zonen en hun dochters. Brontekst: וְהַבֹּ֗שֶׁת (vehaboshet) = en de schande | אָֽכְלָ֛ה (akhela) = heeft verslonden | אֶת (et) = (obj.) | יְגִ֥יעַ (yegia) = de opbrengst van | אֲבוֹתֵ֖ינוּ (avoteinu) = onze vaders | מִנְּעוּרֵ֑ינוּ (mineureinu) = van onze jeugd | אֶת (et) = (obj.) | צֹאנָם֙ (tsonam) = hun kleinvee | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּקָרָ֔ם (beqaram) = runderen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶ֖ם (beneihem) = hun zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנוֹתֵיהֶֽם (benoteihem) = hun dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבֹּשֶׁת (habosheth), ‘de schande’: een woord dat soms in plaats van de naam van de Baäl wordt gezegd. Zo heet Esbaäl (1 Kron. 8:33) in 2 Sam. 2:8 ook Is-Bosjet. De afgod heeft de opbrengst van de vaders opgegeten, met het vee, de zonen en de dochters (vergelijk Jer. 11:13). Voetnoot : יְגִיעַ (yegia), ‘opbrengst’: het resultaat van hard werken. Zie ook: 2 Sam 2:8; 1 Kron 8:33; Hos 2:10; Hos 9:10; Hos 10:6; Jer 11:13; Ezech 16:61; Ezech 16:63 **3:25** Laten wij liggen in onze schande en laat onze smaad ons bedekken. Want tegen Yahweh, onze Elohim, hebben wij gezondigd, wij en onze vaders, vanaf onze jeugd tot op deze dag. Wij hebben niet geluisterd naar de stem van Yahweh, onze Elohim.” Brontekst: נִשְׁכְּבָ֣ה (nishkeva) = laten wij liggen | בְּבָשְׁתֵּ֗נוּ (bevashtenu) = in onze schande | וּֽתְכַסֵּנוּ֮ (utekhasenu) = en laat bedekken ons | כְּלִמָּתֵנוּ֒ (kelimatenu) = onze smaad | כִּי֩ (ki) = want | לַיהוָ֨ה (laYahweh) = tegen Yahweh | אֱלֹהֵ֜ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | חָטָ֗אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | אֲנַ֨חְנוּ֙ (anachnu) = wij | וַאֲבוֹתֵ֔ינוּ (vaavoteinu) = en onze vaders | מִנְּעוּרֵ֖ינוּ (mineureinu) = van onze jeugd | וְעַד (vead) = en tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שָׁמַ֔עְנוּ (shamanu) = wij hebben geluisterd | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהֹוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gebed is een schuldbelijdenis voor drie generaties: wij en onze vaders, van onze jeugd tot nu. Er is geen woord van uitvlucht. Zie ook: Spr 5:13; Jer 2:26; Jer 22:21; Klaagl 5:16; Ezech 7:18 ## Jeremia 4 _Als je terugkeert, Israël: de vijand komt uit het noorden_ ### Als je terugkeert, Israël **4:1** **„Als je terugkeert, Israël, godsspraak van Yahweh, mag je naar Mij terugkeren. En als je je gruwelbeelden van voor Mij wegdoet, hoef je niet te dwalen.** Brontekst: אִם (im) = als | תָּשׁ֨וּב (tashuv) = je keert terug | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֖י (elay) = naar Mij | תָּשׁ֑וּב (tashuv) = zul je terugkeren | וְאִם (veim) = en als | תָּסִ֧יר (tasir) = je verwijdert | שִׁקּוּצֶ֛יךָ (shiqutseikha) = je gruwelbeelden | מִפָּנַ֖י (mipanay) = van voor Mij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תָנֽוּד (tanud) = zul je dwalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁקּוּצֶיךָ (shiqqutsekha), ‘je gruwelbeelden’: het woord שִׁקּוּץ (shiqquts) staat voor een afschuwelijk afgodsbeeld of afgodsdienst. Het is verwant aan het woord voor wat onrein is. Voetnoot : תָנוּד (tanud), ‘zul je dwalen’: het werkwoord נוּד (nud) betekent ‘zwerven, rondzwerven’. Wie zich bekeert, hoeft niet meer te zwerven. Voetnoot : De rede loopt door vanuit Jer. 3. Yahweh antwoordt het gebed van Jer. 3:22–25. Zie ook: Joël 2:12; Jer 3:1; Jer 3:12; Jer 3:22; Ezech 43:9 **4:2** **Dan zul je zweren: ‘Zo waar Yahweh leeft’, in waarheid, in recht en in gerechtigheid. Dan zullen volken zich in Hem zegenen en zich in Hem beroemen.”** Brontekst: וְנִשְׁבַּ֨עְתָּ֙ (venishbata) = en je zult zweren | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בֶּאֱמֶ֖ת (beemet) = in waarheid | בְּמִשְׁפָּ֣ט (bemishpat) = in recht | וּבִצְדָקָ֑ה (uvitsdaqa) = en in gerechtigheid | וְהִתְבָּ֥רְכוּ (vehitbarekhu) = en zij zullen zich zegenen | ב֛וֹ (bo) = in Hem | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | וּב֥וֹ (uvo) = en in Hem | יִתְהַלָּֽלוּ (yithalalu) = zullen zij zich beroemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: de vaste vorm van een eed. Waar het volk eerst zwoer bij afgoden, zal het in waarheid zweren bij Yahweh. Voetnoot : וְהִתְבָּרְכוּ (vehitbarkhu), ‘zij zullen zich zegenen’: de volken zeggen dan: ‘Zo gezegend als Israël’. Zie ook Gen. 12:3 en 22:18. Zie ook: Gen 12:3; Gen 22:18; Jes 65:16; Jer 9:23; 1 Kor 1:31; 2 Kor 10:17 ### Ploeg braakland en laat je besnijden **4:3** Want zo zegt Yahweh tegen de man van Juda en tegen Jeruzalem: **„Ploeg voor jullie braakland en zaai niet tussen de doornen.** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהֹוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לְאִ֤ישׁ (leish) = tegen de man van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וְלִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (velirushalaim) = en tegen Jeruzalem | נִ֥ירוּ (niru) = ploegt | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | נִ֑יר (nir) = braakland | וְאַֽל (veal) = en niet | תִּזְרְע֖וּ (tizreu) = zaait | אֶל (el) = tussen | קוֹצִֽים (qotsim) = doornen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נִיר (nir), ‘braakland’: akker die nog niet is bewerkt of die lang braak heeft gelegen. Wie zaait tussen de doornen oogst niets. Zo is het ook met het hart: eerst moet de grond worden omgewoeld. Voetnoot : קוֹצִים (qotsim), ‘doornen’: zoals Jes. 33:12. Voetnoot : De aanhef ‘Want zo zegt Yahweh’ is van de profeet en staat zwart. De woorden die erop volgen zijn van Yahweh en staan rood. Zie ook: Hos 10:12; Jes 33:12; Mar 4:18–19; Luc 8:7; Luc 8:14; Gal 6:7–8 **4:4** **Laat je besnijden voor Yahweh en verwijder de voorhuid van jullie hart, mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Anders gaat Mijn grimmigheid uit als vuur en brandt zij, en niemand kan blussen, vanwege het kwaad van jullie daden.”** Brontekst: הִמֹּ֣לוּ (himolu) = laat jullie besnijden | לַיהֹוָ֗ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְהָסִ֨רוּ֙ (vehasiru) = en verwijdert | עָרְל֣וֹת (arelot) = voorhuiden van | לְבַבְכֶ֔ם (levavkhem) = jullie hart | אִ֥ישׁ (ish) = mannen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵ֣י (veyoshevei) = en inwoners van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | פֶּן (pen) = anders | תֵּצֵ֨א (tetse) = gaat uit | כָאֵ֜שׁ (kaesh) = als vuur | חֲמָתִ֗י (chamati) = Mijn grimmigheid | וּבָעֲרָה֙ (uvaara) = en brandt | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | מְכַבֶּ֔ה (mekhabe) = een blusser | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | רֹ֥עַ (roa) = het kwaad van | מַעַלְלֵיכֶֽם (maalleikhem) = jullie daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הִמֹּלוּ (himmolu), ‘laat je besnijden’: de besnijdenis van het lichaam (Gen. 17:10) moet worden aangevuld met besnijdenis van het hart, zoals in Deut. 10:16. Wij vertalen letterlijk ‘verwijder de voorhuid van jullie hart’. Zie ook Lev. 26:41. Voetnoot : חֲמָתִי (chamati), ‘Mijn grimmigheid’: zoals in Jes. 63:3. Zie ook: Gen 17:10; Lev 26:41; Deut 10:16; Deut 30:6; Jes 63:3; Jer 9:25; Rom 2:28–29; Kol 2:11 ### Blaas de ramshoorn in het land **4:5** Maak het bekend in Juda en laat het horen in Jeruzalem. Zeg: ‘Blaas de ramshoorn in het land!’ Roep luid en zeg: ‘Verzamel jullie, en laten wij naar de versterkte steden gaan.’ Brontekst: הַגִּ֣ידוּ (hagidu) = maakt bekend | בִֽיהוּדָ֗ה (bihuda) = in Juda | וּבִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (uvirushalaim) = en in Jeruzalem | הַשְׁמִ֔יעוּ (hashmiu) = laat horen | וְאִמְר֕וּ (veimru) = en zegt | תִּקְע֥וּ (tiqu) = blaast | שׁוֹפָ֖ר (shofar) = ramshoorn | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | קִרְא֤וּ (qiru) = roept | מַלְאוּ֙ (malu) = luid | וְאִמְר֔וּ (veimru) = en zegt | הֵאָסְפ֥וּ (heasefu) = verzamelt jullie | וְנָב֖וֹאָה (venavoa) = en laten wij gaan | אֶל (el) = naar | עָרֵ֥י (arei) = steden van | הַמִּבְצָֽר (hamivtsar) = de versterkte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die als signaal wordt geblazen, hier als alarm voor oorlog. Zie ook vers 19 en 21. Voetnoot : מַלְאוּ (male’u), ‘luid’: het werkwoord מָלֵא (male) betekent ‘vol zijn’. Roepen ‘met volle stem’ is luid roepen. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat ותקעו (utqe’u), ‘en blaas’; de overlevering leest תִּקְעוּ (tiqe’u), ‘blaas’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Joz 10:20; Hos 8:1; Jer 4:19; Jer 4:21; Jer 6:1; Jer 8:14; Ezech 33:2–6 **4:6** Hef een banier op naar Sion. Zoek een toevlucht en blijf niet staan. **„Want onheil breng Ik uit het noorden, en een grote ondergang.”** Brontekst: שְׂאוּ (seu) = heft op | נֵ֣ס (nes) = banier | צִיּ֔וֹנָה (tsiyona) = naar Sion | הָעִ֖יזוּ (haizu) = zoekt toevlucht | אַֽל (al) = niet | תַּעֲמֹ֑דוּ (taamodu) = blijft staan | כִּ֣י (ki) = want | רָעָ֗ה (raa) = onheil | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | מֵבִ֥יא (mevi) = breng | מִצָּפ֖וֹן (mitsafon) = uit het noorden | וְשֶׁ֥בֶר (veshever) = en ondergang | גָּדֽוֹל (gadol) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נֵס (nes), ‘banier’: een teken, op een stok opgericht, dat zichtbaar is van ver. Het roept de mensen op naar een veilige plaats. Voetnoot : שֶׁבֶר (sheber), ‘ondergang’: letterlijk ‘breuk, verbrijzeling’. Het is een kernwoord in Jeremia, dat ook in vers 20 twee keer staat. Voetnoot : מִצָּפוֹן (mitsafon), ‘uit het noorden’: zie Jer. 1:13–15. Welk land het is, wordt hier nog niet gezegd. Zie ook: Jer 1:13–15; Jer 4:20; Jer 4:21; Jer 50:2; Jer 51:12; Jer 51:27 **4:7** Een leeuw is opgekomen uit zijn struikgewas. Een verwoester van volken is opgebroken. Hij is uitgegaan van zijn plaats om je land tot een woestenij te maken. Je steden worden verwoest, zonder bewoner. Brontekst: עָלָ֤ה (ala) = is opgekomen | אַרְיֵה֙ (arye) = leeuw | מִֽסֻּבְּכ֔וֹ (misubekho) = uit zijn struikgewas | וּמַשְׁחִ֣ית (umashchit) = en verwoester van | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | נָסַ֖ע (nasa) = is opgebroken | יָצָ֣א (yatsa) = is uitgegaan | מִמְּקֹמ֑וֹ (mimeqomo) = van zijn plaats | לָשׂ֤וּם (lasum) = om te maken | אַרְצֵךְ֙ (artsekh) = je land | לְשַׁמָּ֔ה (leshama) = tot een woestenij | עָרַ֥יִךְ (arayikh) = je steden | תִּצֶּ֖ינָה (titseina) = zullen verwoest worden | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | יוֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַרְיֵה (aryeh), ‘leeuw’: beeld van een vijandelijke koning of leger. Een naam wordt niet genoemd. Voetnoot : וּמַשְׁחִית גּוֹיִם (umashchit goyim), ‘een verwoester van volken’: iemand die volken ten onder brengt. Hij is opgebroken (נָסַע, nasa), zoals een legerkamp wordt opgebroken om op te trekken. Zie ook: Jes 1:7; Jes 6:11; Jer 2:15; Jer 5:6; Ezech 26:7–10 **4:8** Gord je daarom rouwkleden om, rouw en jammer. Want de gloed van de toorn van Yahweh is niet van ons afgekeerd. Brontekst: עַל (al) = over | זֹ֛את (zot) = dit | חִגְר֥וּ (chigru) = omgordt | שַׂקִּ֖ים (saqim) = rouwkleden | סִפְד֣וּ (sifdu) = rouwt | וְהֵילִ֑ילוּ (veheililu) = en jammert | כִּ֥י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | שָׁ֛ב (shav) = is afgekeerd | חֲר֥וֹן (charon) = gloed van | אַף (af) = toorn van | יְהֹוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = van ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 5:25; Jes 10:4; Jes 22:12; Jes 32:11; Jer 6:26 ### Op die dag **4:9** **„Het zal gebeuren op die dag, godsspraak van Yahweh: het hart van de koning zal vergaan en het hart van de oversten. De priesters zullen ontzet zijn en de profeten zullen verstomd staan.”** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | בַיּוֹם (bayom) = op dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יֹאבַ֥ד (yovad) = zal vergaan | לֵב (lev) = hart van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְלֵ֣ב (velev) = en hart van | הַשָּׂרִ֑ים (hasarim) = de oversten | וְנָשַׁ֨מּוּ֙ (venashamu) = en zullen ontzet zijn | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | וְהַנְּבִיאִ֖ים (vehaneviim) = en de profeten | יִתְמָֽהוּ (yitmahu) = zullen verstomd staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֹאבַד לֵב (yoved lev), ‘het hart zal vergaan’: het hart verliest zijn moed. De leiders staan versteld; hun woorden zijn waardeloos geworden. De priesters en profeten, die vrede beloofden (vers 10), staan verstomd. Zie ook: Ps 102:5; Jes 22:3–5; Jes 29:9–10; Jer 4:10; Jer 52:7; Ezech 13:9–16 ### „Ach, Heer Yahweh” **4:10** Toen zei ik: „Ach, Heer Yahweh! U hebt dit volk en Jeruzalem werkelijk bedrogen, door te zeggen: ‘Vrede zal er voor jullie zijn’, terwijl het zwaard tot aan de ziel reikt.” Brontekst: וָאֹמַ֞ר (vaomar) = en ik zei | אֲהָ֣הּ (ahah) = ach | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אָכֵן֩ (akhen) = werkelijk | הַשֵּׁ֨א (hashe) = zeker | הִשֵּׁ֜אתָ (hisheta) = U hebt bedrogen | לָעָ֤ם (laam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | וְלִירוּשָׁלִַ֣ם (velirushalaim) = en Jeruzalem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = door te zeggen | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | וְנָגְעָ֥ה (venagea) = terwijl het reikt | חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard | עַד (ad) = tot | הַנָּֽפֶשׁ (hanafesh) = de ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הַשֵּׁא הִשֵּׁאתָ (hasse hishsheta), ‘U hebt zeker bedrogen’: het werkwoord נָשָׁא (nasha) betekent ‘misleiden, bedriegen’. Jeremia klaagt dat Yahweh hen laat misleiden, doordat de profeten ‘vrede’ beloven. Zie ook Jer. 6:14 en 14:13. De betekenis van de zin is niet helemaal zeker. Sommige oude vertalingen lezen een lijdende vorm: ‘dit volk is werkelijk bedrogen’. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier het leven zelf; het zwaard reikt tot het leven van mensen. Voetnoot : De naam ‘Heer Yahweh’ (Adonai Yahweh): zie Jer. 1:6. Zie ook: Ex 9:14; Jes 37:35; Jer 1:6; Jer 5:12; Jer 6:14; Jer 14:13–14; 2 Tess 2:9–12 ### Een gloeiende wind **4:11** In die tijd zal tegen dit volk en tegen Jeruzalem gezegd worden: ‘Een gloeiende wind van de kale heuvels in de woestijn, op weg naar de Dochter van mijn volk. Niet om te wannen en niet om te zuiveren.’ Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֗יא (hahi) = die | יֵאָמֵ֤ר (yeamer) = zal gezegd worden | לָֽעָם (laam) = aan het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | וְלִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (velirushalaim) = en aan Jeruzalem | ר֣וּחַ (ruach) = wind | צַ֤ח (tsach) = gloeiende | שְׁפָיִים֙ (shefayim) = kale heuvels | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = weg naar | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּ֑י (ami) = mijn volk | ל֥וֹא (lo) = niet | לִזְר֖וֹת (lizrot) = om te wannen | וְל֥וֹא (velo) = en niet | לְהָבַֽר (lehavar) = om te zuiveren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: רוּחַ צַח (ruach tsach), ‘gloeiende wind’: een hete woestijnwind. Deze wind is niet bedoeld om te wannen (om het kaf van het graan te scheiden) of te zuiveren: hij komt als een oordeel. Voetnoot : בַּת־עַמִּי (bat ammi), ‘Dochter van mijn volk’: Jeremia noemt Juda zo; vergelijk Jes. 22:4. Het is de profeet die hier spreekt. Zie ook: Hos 13:15; Jes 22:4; Jes 41:16; Jer 8:23; Ezech 17:10 **4:12** **„Een wind, krachtiger dan dat, komt voor Mij. Nu spreek ook Ik vonnissen uit over hen.”** Brontekst: ר֧וּחַ (ruach) = wind | מָלֵ֛א (male) = vol | מֵאֵ֖לֶּה (meele) = meer dan deze | יָ֣בוֹא (yavo) = zal komen | לִ֑י (li) = voor Mij | עַתָּ֕ה (ata) = nu | גַּם (gam) = ook | אֲנִ֛י (ani) = Ik | אֲדַבֵּ֥ר (adaber) = zal uitspreken | מִשְׁפָּטִ֖ים (mishpatim) = vonnissen | אוֹתָֽם (otam) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ מָלֵא מֵאֵלֶּה (ruach male me’elleh), ‘een wind, krachtiger dan dat’: letterlijk ‘een wind, vol van deze’. De wind uit vers 11 is te zwak voor wat Yahweh brengt; er komt een sterkere. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘vonnissen’: zoals Jer. 1:16. Zie ook: Jer 1:16; Jer 4:11; Ezech 5:8; Ezech 6:11–13; Ezech 7:8–9 ### Wee ons, want wij zijn verwoest **4:13** Zie, als wolken trekt hij op en zijn wagens zijn als een storm. Zijn paarden zijn sneller dan arenden. Wee ons, want wij zijn verwoest! Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | כַּעֲנָנִ֣ים (kaananim) = als wolken | יַעֲלֶ֗ה (yaale) = trekt hij op | וְכַסּוּפָה֙ (vekhasufa) = en als de storm | מַרְכְּבוֹתָ֔יו (markevotav) = zijn wagens | קַלּ֥וּ (qalu) = zijn sneller | מִנְּשָׁרִ֖ים (minesharim) = dan arenden | סוּסָ֑יו (susav) = zijn paarden | א֥וֹי (oy) = wee | לָ֖נוּ (lanu) = ons | כִּ֥י (ki) = want | שֻׁדָּֽדְנוּ (shudadenu) = zijn wij verwoest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשָׁרִים (nesharim), ‘arenden’: de vogel die snel aanvalt (Deut. 28:49). Het beeld: de vijand komt razendsnel. Zie ook: Deut 28:49; Jes 5:28; Jes 19:1; Jes 66:15; Hab 1:8; Klaagl 4:19 **4:14** Was het kwaad uit je hart, Jeruzalem, opdat je gered wordt. Hoelang nog blijven je gedachten van onrecht in je binnenste overnachten? Brontekst: כַּבְּסִ֨י (kabesi) = was | מֵרָעָ֤ה (meraa) = van kwaad | לִבֵּךְ֙ (libekh) = je hart | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | תִּוָּשֵׁ֑עִי (tivashei) = je gered wordt | עַד (ad) = tot | מָתַ֛י (matay) = wanneer | תָּלִ֥ין (talin) = zullen overnachten | בְּקִרְבֵּ֖ךְ (beqirbekh) = in je binnenste | מַחְשְׁב֥וֹת (machshevot) = gedachten van | אוֹנֵֽךְ (onekh) = je onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: תִּוָּשֵׁעִי (tivvashe’i), ‘opdat je gered wordt’: van het werkwoord יָשַׁע (yasha), ‘redden’. Redding hangt af van bekering. Voetnoot : אוֹנֵךְ (onekh), ‘je onrecht’: het woord אָוֶן (aven) betekent ‘onrecht, onheil’. Zie ook: Jes 55:7; Luc 11:39; Hand 8:22; Jak 4:8; Rom 1:21 **4:15** Want een stem verkondigt vanuit Dan en laat onheil horen vanuit het bergland van Efraïm. Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | ק֥וֹל (qol) = een stem | מַגִּ֖יד (magid) = die verkondigt | מִדָּ֑ן (midan) = uit Dan | וּמַשְׁמִ֥יעַ (umashmia) = en die laat horen | אָ֖וֶן (aven) = onheil | מֵהַ֥ר (mehar) = van het gebergte van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan). Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Voetnoot Uitleg: דָּן (Dan) ligt aan de noordgrens van het land, en het bergland van Efraïm ligt iets zuidelijker. Het onheil nadert dus vanuit het noorden, stap voor stap naar Jeruzalem. Voetnoot : אָוֶן (aven), ‘onheil’: hetzelfde woord als in vers 14; het is zowel ‘onrecht’ als de ellende die er volgt. Zie ook: Joz 17:15; Re 18:29; Re 20:1; Jer 4:14; Jer 6:1; Jer 8:16 **4:16** Maak het bekend aan de volken. Zie, laat het horen over Jeruzalem: belegeraars komen uit een ver land. Zij laten hun stem horen tegen de steden van Juda. Brontekst: הַזְכִּ֣ירוּ (hazkiru) = herinnert | לַגּוֹיִ֗ם (lagoyim) = de volken | הִנֵּה֙ (hine) = zie | הַשְׁמִ֣יעוּ (hashmiu) = laat horen | עַל (al) = over | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | נֹצְרִ֥ים (notserim) = belegeraars | בָּאִ֖ים (baim) = komen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | הַמֶּרְחָ֑ק (hamerchaq) = het verre | וַֽיִּתְּנ֛וּ (vayitenu) = en laten horen | עַל (al) = tegen | עָרֵ֥י (arei) = steden van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | קוֹלָֽם (qolam) = hun stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: נֹצְרִים (notsrim), ‘belegeraars’: letterlijk ‘bewakers’. Zij omsingelen en bewaken een stad zodat niemand kan ontsnappen. Zie ook: Jes 39:3; Jer 5:6; Jer 5:15; Jer 39:1; Ezech 21:27 **4:17** Als bewakers van een veld zijn zij rondom tegen haar, **„want tegen Mij is zij weerspannig geweest, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: כְּשֹׁמְרֵ֣י (keshomerei) = zoals bewakers van | שָׂדַ֔י (saday) = een veld | הָי֥וּ (hayu) = zijn zij | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = tegen haar | מִסָּבִ֑יב (misaviv) = rondom | כִּי (ki) = want | אֹתִ֥י (oti) = tegen Mij | מָרָ֖תָה (marata) = is zij weerspannig geweest | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De eerste helft van het vers is van de profeet. Vanaf ‘want tegen Mij’ spreekt Yahweh zelf; die woorden staan rood. Het beeld: de belegeraars staan rondom Jeruzalem als veldwachters rond een akker. Zie ook: 2 Kon 25:1–4; Jes 1:8; Jer 5:23; Jer 6:2–3; Klaagl 1:8 **4:18** Jouw weg en jouw daden hebben je dit aangedaan. Dit is je kwaad: het is bitter, want het raakt tot aan je hart. Brontekst: דַּרְכֵּךְ֙ (darkekh) = je weg | וּמַ֣עֲלָלַ֔יִךְ (umaalalayikh) = en je daden | עָשׂ֥וֹ (aso) = hebben gedaan | אֵ֖לֶּה (ele) = deze dingen | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | זֹ֤את (zot) = dit | רָעָתֵךְ֙ (raatekh) = je kwaad | כִּ֣י (ki) = want | מָ֔ר (mar) = bitter | כִּ֥י (ki) = want | נָגַ֖ע (naga) = het raakt | עַד (ad) = tot | לִבֵּֽךְ (libekh) = je hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 107:17; Spr 1:31; Jer 2:17; Jer 2:19; Jer 6:19 ### Mijn ingewanden **4:19** Mijn ingewanden, mijn ingewanden! Ik kronkel van pijn. De wanden van mijn hart! Mijn hart bonst in mij. Ik kan niet zwijgen, want je hebt het geluid van de ramshoorn gehoord, mijn ziel, het alarm van de oorlog. Brontekst: מֵעַ֣י (meay) = mijn ingewanden | מֵעַ֨י (meay) = mijn ingewanden | אוֹחִ֜ילָה (ochila) = ik kronkel van pijn | קִיר֥וֹת (qirot) = wanden van | לִבִּ֛י (libi) = mijn hart | הֹֽמֶה (home) = bonst | לִּ֥י (li) = in mij | לִבִּ֖י (libi) = mijn hart | לֹ֣א (lo) = niet | אַחֲרִ֑ישׁ (acharish) = ik kan zwijgen | כִּ֣י (ki) = want | ק֤וֹל (qol) = geluid van | שׁוֹפָר֙ (shofar) = ramshoorn | שָׁמַ֣עַתְּ (shamaat) = je hebt gehoord | נַפְשִׁ֔י (nafshi) = mijn ziel | תְּרוּעַ֖ת (teruat) = alarm van | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵעַי (me’ai), ‘mijn ingewanden’: het diepste van het lichaam. De profeet voelt de ramp lichamelijk. Hij kan niet zwijgen (vergelijk Jer. 20:9). Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat שמעתי (shamati), ‘ik heb gehoord’; de overlevering leest שָׁמַעַתְּ (shama’t), ‘je hebt gehoord’, gericht tot ‘mijn ziel’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Jes 16:11; Jes 21:3; Jes 22:4; Jer 8:23; Jer 20:9; Hab 3:16 **4:20** Ondergang op ondergang wordt uitgeroepen, want heel het land is verwoest. Plotseling zijn mijn tenten verwoest, in een oogwenk mijn tentkleden. Brontekst: שֶׁ֤בֶר (shever) = ondergang | עַל (al) = op | שֶׁ֨בֶר֙ (shever) = ondergang | נִקְרָ֔א (niqra) = wordt uitgeroepen | כִּ֥י (ki) = want | שֻׁדְּדָ֖ה (shudeda) = is verwoest | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | פִּתְאֹם֙ (pitom) = plotseling | שֻׁדְּד֣וּ (shudedu) = zijn verwoest | אֹהָלַ֔י (ohalay) = mijn tenten | רֶ֖גַע (rega) = in een oogwenk | יְרִיעֹתָֽי (yeriotay) = mijn tentkleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁבֶר עַל־שֶׁבֶר (sheber al sheber), ‘ondergang op ondergang’: de ene ramp volgt de andere. Zie ook vers 6. Voetnoot : אֹהָלַי (ohalai), ‘mijn tenten’ en יְרִיעֹתָי (yeri’otai), ‘mijn tentkleden’: de tent is hier het beeld van het land en de bewoning. Zie ook Jer. 10:20. Zie ook: Ps 42:8; Joël 1:15; Jer 4:6; Jer 10:20; Ezech 7:25–26; Mat 10:28; 2 Tess 1:9 **4:21** Hoelang moet ik de banier zien en het geluid van de ramshoorn horen? Brontekst: עַד (ad) = tot | מָתַ֖י (matay) = wanneer | אֶרְאֶה (ere) = zal ik zien | נֵּ֑ס (nes) = banier | אֶשְׁמְעָ֖ה (eshmea) = zal ik horen | ק֥וֹל (qol) = geluid van | שׁוֹפָֽר (shofar) = ramshoorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 36:3; 2 Kron 36:6–7; 2 Kron 36:10; 2 Kron 36:17; Jer 6:1 ### Mijn volk is dwaas **4:22** **„Want Mijn volk is dwaas. Mij kennen zij niet. Het zijn dwaze kinderen en zij zijn niet verstandig. Wijs zijn zij om kwaad te doen, maar om goed te doen weten zij niet.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אֱוִ֣יל (evil) = dwaas | עַמִּ֗י (ami) = Mijn volk | אוֹתִי֙ (oti) = Mij | לֹ֣א (lo) = niet | יָדָ֔עוּ (yadau) = kennen zij | בָּנִ֤ים (banim) = kinderen | סְכָלִים֙ (sekhalim) = dwaze | הֵ֔מָּה (hema) = zij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נְבוֹנִ֖ים (nevonim) = verstandige | הֵ֑מָּה (hema) = zij | חֲכָמִ֥ים (chakhamim) = wijzen | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | לְהָרַ֔ע (lehara) = om kwaad te doen | וּלְהֵיטִ֖יב (uleheitiv) = en om goed te doen | לֹ֥א (lo) = niet | יָדָֽעוּ (yadau) = weten zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱוִיל (evil), ‘dwaas’: iemand die niet naar wijsheid luistert. Het is het woord uit Spr. 1:7. Voetnoot : Het gaat om een tegenstelling: zij zijn wijs in kwaad doen, maar niet in goed doen. Zie ook: Spr 1:7; Hos 4:6; Jer 5:21; 1 Kor 14:20; Rom 3:11; Rom 16:19 ### Ik zag de aarde: woest en leeg **4:23** Ik zag de aarde, en zie: woest en leeg. Ik keek naar de hemel, en daar was geen licht. Brontekst: רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = ik zag | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | תֹ֖הוּ (tohu) = woest | וָבֹ֑הוּ (vavohu) = en leeg | וְאֶל (veel) = en naar | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | אוֹרָֽם (oram) = hun licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹהוּ וָבֹהוּ (tohu vavohu), ‘woest en leeg’: dezelfde twee woorden als in Gen. 1:2. Het visioen laat zien hoe de schepping teruggaat naar haar begin: aarde, bergen, mensen, vogels en steden verdwijnen. Het is een beeld van de ondergang van het land. Voetnoot : אוֹרָם (oram), ‘hun licht’: het licht van de hemelen (meervoud). Het is er niet meer; vergelijk Gen. 1:3. Zie ook: Gen 1:2; Gen 1:3; Joël 4:15–16; Jes 13:10; Mat 24:29; Mar 13:24–25 **4:24** Ik zag de bergen, en zie: ze beefden, en alle heuvels schommelden. Brontekst: רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = ik zag | הֶֽהָרִ֔ים (heharim) = de bergen | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | רֹעֲשִׁ֑ים (roashim) = beefden | וְכָל (vekhal) = en alle | הַגְּבָע֖וֹת (hagevaot) = de heuvels | הִתְקַלְקָֽלוּ (hitqalqalu) = schommelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְקַלְקָלוּ (hitqalqalu), ‘schommelden’: het werkwoord betekent ‘heen en weer gaan’. De heuvels wankelen. Zie ook: Ps 18:8; Jes 5:25; Nah 1:5–6; Jer 10:10; Ezech 38:20 **4:25** Ik zag, en zie: er was geen mens, en alle vogels van de hemel waren gevlucht. Brontekst: רָאִ֕יתִי (raiti) = ik zag | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | אֵ֣ין (ein) = niet is | הָאָדָ֑ם (haadam) = de mens | וְכָל (vekhal) = en alle | ע֥וֹף (of) = vogel van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | נָדָֽדוּ (nadadu) = zijn gevlucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 4:3; Sef 1:2–3; Jer 9:9; Jer 12:4 **4:26** Ik zag, en zie: het vruchtbare land was een woestijn. Al zijn steden waren neergehaald, voor het aangezicht van Yahweh en van Zijn brandende toorn. Brontekst: רָאִ֕יתִי (raiti) = ik zag | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | הַכַּרְמֶ֖ל (hakarmel) = het vruchtbare land | הַמִּדְבָּ֑ר (hamidbar) = woestijn | וְכָל (vekhal) = en alle | עָרָ֗יו (arav) = zijn steden | נִתְּצוּ֙ (nitetsu) = zijn neergehaald | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | חֲר֥וֹן (charon) = gloed van | אַפּֽוֹ (apo) = Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכַּרְמֶל (hakarmel), ‘het vruchtbare land’: zoals in Jer. 2:7; het is geen plaatsnaam. Het vruchtbare land is een woestijn geworden. Zie ook: Deut 29:22–27; Ps 76:8; Ps 107:34; Mi 3:12; Jer 2:7; Jer 12:4 ### Geen volledige vernietiging **4:27** Want zo zegt Yahweh: **„Een woestenij zal heel het land worden. Maar een volledige vernietiging zal Ik niet maken.”** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹה֙ (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁמָמָ֥ה (shemama) = woestenij | תִהְיֶ֖ה (tihye) = zal worden | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְכָלָ֖ה (vekhala) = en volledige vernietiging | לֹ֥א (lo) = niet | אֶעֱשֶֽׂה (eese) = zal Ik maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְכָלָה (vekhalah), ‘een volledige vernietiging’: ‘een einde’. Hier staat een belofte: het land wordt een woestenij, maar Yahweh maakt er geen einde aan. Zo ook in Jer. 5:10 en 5:18. Zie ook: Jer 5:10; Jer 5:18; Jer 30:11; Jer 46:28; Rom 9:27–29 **4:28** Daarom rouwt het land en worden de hemelen boven donker, **„omdat Ik gesproken heb, Ik heb het besloten. Ik heb Mij niet laten rouwen en Ik keer er niet van terug.”** Brontekst: עַל (al) = over | זֹאת֙ (zot) = dit | תֶּאֱבַ֣ל (teeval) = rouwt | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְקָדְר֥וּ (veqaderu) = en worden donker | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemelen | מִמָּ֑עַל (mimaal) = van boven | עַ֤ל (al) = omdat | כִּי (ki) = dat | דִבַּ֨רְתִּי֙ (dibarti) = Ik heb gesproken | זַמֹּ֔תִי (zamoti) = Ik heb besloten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נִחַ֖מְתִּי (nichamti) = Ik heb Mij laten rouwen | וְלֹא (velo) = en niet | אָשׁ֥וּב (ashuv) = keer Ik terug | מִמֶּֽנָּה (mimena) = ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִחַמְתִּי (nichamti), ‘Ik heb Mij laten rouwen’: het werkwoord נָחַם (nacham) in de lijdende vorm. Het kan ook ‘spijt hebben’ betekenen. Hier zegt Yahweh dat Hij Zich niet zal laten ompraten. Voetnoot : זַמֹּתִי (zamoti), ‘Ik heb het besloten’: het werkwoord זָמַם (zamam) betekent ‘van plan zijn, overleggen’. De zin ‘Ik heb gesproken, Ik heb het besloten’ staat rood: het zijn de woorden van Yahweh Zelf. De eerste helft van het vers is van de profeet. Zie ook: Num 23:19; Joël 3:3–4; Hos 4:3; Jes 50:3; Jer 12:4 ### De stad is verlaten **4:29** Bij het geluid van ruiter en boogschutter vlucht heel de stad. Zij gaan het struikgewas in en klimmen op de rotsen. Heel de stad is verlaten: niemand woont erin. Brontekst: מִקּ֨וֹל (miqol) = van het geluid van | פָּרָ֜שׁ (parash) = ruiter | וְרֹ֣מֵה (verome) = en schutter van | קֶ֗שֶׁת (qeshet) = boog | בֹּרַ֨חַת֙ (borachat) = vlucht | כָּל (kal) = heel | הָעִ֔יר (hair) = de stad | בָּ֚אוּ (bau) = zijn gegaan | בֶּעָבִ֔ים (beavim) = in het struikgewas | וּבַכֵּפִ֖ים (uvakefim) = en in de rotsen | עָל֑וּ (alu) = zijn geklommen | כָּל (kal) = heel | הָעִ֣יר (hair) = de stad | עֲזוּבָ֔ה (azuva) = verlaten | וְאֵין (veein) = en niet is | יוֹשֵׁ֥ב (yoshev) = bewoner | בָּהֵ֖ן (bahen) = daarin | אִֽישׁ (ish) = man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּעָבִים (ba’avim), ‘in het struikgewas’: het woord עָב (av) betekent ‘dichte wolk’ en hier ‘dicht struikgewas’. De bewoners vluchten naar plaatsen waar ze zich kunnen verbergen. Voetnoot : רֹמֵה קֶשֶׁת (romeh qeshet), ‘boogschutter’: iemand die de boog spant. Zie ook: 2 Kon 25:4–7; Amos 9:1; Jes 2:19–21; Jer 4:7; Luc 23:30 **4:30** En jij, verwoeste, wat doe je? Al kleed je je in scharlaken, al sier je je met gouden sieraden, al scheur je je ogen open met kohl: tevergeefs maak je je mooi. De minnaars verachten je. Zij zoeken je leven. Brontekst: וְאַ֨תְּ (veat) = en jij | שָׁד֜וּד (shadud) = verwoeste | מַֽה (ma) = wat | תַּעֲשִׂ֗י (taasi) = doe je | כִּֽי (ki) = dat | תִלְבְּשִׁ֨י (tilbeshi) = je kleedt | שָׁנִ֜י (shani) = scharlaken | כִּי (ki) = dat | תַעְדִּ֣י (tadi) = je siert | עֲדִי (adi) = sieraad van | זָהָ֗ב (zahav) = goud | כִּֽי (ki) = dat | תִקְרְעִ֤י (tiqrei) = je openscheurt | בַפּוּךְ֙ (bapukh) = met kohl | עֵינַ֔יִךְ (einayikh) = je ogen | לַשָּׁ֖וְא (lashave) = tevergeefs | תִּתְיַפִּ֑י (tityapi) = maak je je mooi | מָאֲסוּ (maasu) = verachten | בָ֥ךְ (bakh) = jou | עֹגְבִ֖ים (ogevim) = minnaars | נַפְשֵׁ֥ךְ (nafshekh) = je leven | יְבַקֵּֽשׁוּ (yevaqeshu) = zoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פּוּךְ (pukh), ‘kohl’: een zwarte oogverf, vergelijk 2 Kon. 9:30. De ogen worden groter gemaakt voor de schoonheid. De ‘verwoeste’ stad maakt zich mooi voor haar minnaars. Zij zullen haar echter verachten; zij zoeken haar leven. Voetnoot : עֹגְבִים (agavim), ‘minnaars’: zij zijn de volken met wie Juda verbonden is. Zie ook: 2 Kon 9:30; Jes 10:3; Klaagl 1:2; Klaagl 1:19; Ezech 16:36–41 ### De stem van de Dochter Sion **4:31** Want ik hoorde een stem als van een vrouw die ziek is, een benauwdheid als van een vrouw die haar eerste kind baart. Het is de stem van de Dochter Sion: zij snakt naar adem en spreidt haar handen uit. ‘Wee mij, want mijn ziel bezwijkt voor de moordenaars.’ Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | ק֨וֹל (qol) = stem | כְּחוֹלָ֜ה (kechola) = als van een zieke | שָׁמַ֗עְתִּי (shamati) = ik hoorde | צָרָה֙ (tsara) = benauwdheid | כְּמַבְכִּירָ֔ה (kemavkira) = als van een die voor het eerst baart | ק֧וֹל (qol) = stem van | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֛וֹן (tsiyon) = Sion | תִּתְיַפֵּ֖חַ (tityapeach) = zij snakt naar adem | תְּפָרֵ֣שׂ (tefares) = zij spreidt uit | כַּפֶּ֑יהָ (kapeiha) = haar handen | אֽוֹי (oy) = wee | נָ֣א (na) = toch | לִ֔י (li) = mij | כִּֽי (ki) = want | עָיְפָ֥ה (ayefa) = bezwijkt | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn ziel | לְהֹרְגִֽים (lehoregim) = voor de moordenaars Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כְּמַבְכִּירָה (kemavkhirah), ‘als een vrouw die haar eerste kind baart’: de eerste bevalling is het zwaarst. Het beeld: de Dochter Sion kreunt van pijn. Voetnoot : בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem en haar inwoners als een jonge vrouw voorgesteld; zie ook Jes. 1:8. Zie ook: Jes 1:8; Jes 1:15; Jer 13:21; Jer 30:6; Jer 48:41; Klaagl 1:17 ## Jeremia 5 _Is er in Jeruzalem één mens die recht doet? Een volk uit de verte komt_ ### Is er één mens die recht doet? **5:1** **„Zwerf rond door de straten van Jeruzalem, kijk toch en let op. Zoek op haar pleinen of jullie een man vinden, of er iemand is die recht doet, die trouw zoekt. Dan zal Ik haar vergeven.** Brontekst: שׁוֹטְט֞וּ (shotetu) = zwerft rond | בְּחוּצ֣וֹת (bechutsot) = door de straten van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וּרְאוּ (ureu) = en kijkt | נָ֤א (na) = toch | וּדְעוּ֙ (udeu) = en let op | וּבַקְשׁ֣וּ (uvaqshu) = en zoekt | בִרְחוֹבוֹתֶ֔יהָ (birchovoteiha) = op haar pleinen | אִם (im) = of | תִּמְצְא֣וּ (timtseu) = jullie vinden | אִ֔ישׁ (ish) = een man | אִם (im) = of | יֵ֛שׁ (yesh) = er is | עֹשֶׂ֥ה (ose) = iemand die doet | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | מְבַקֵּ֣שׁ (mevaqesh) = iemand die zoekt | אֱמוּנָ֑ה (emuna) = trouw | וְאֶסְלַ֖ח (veeslach) = dan zal Ik vergeven | לָֽהּ (lah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֱמוּנָה (emunah), ‘trouw’: wat vast en betrouwbaar is. Wie ‘trouw zoekt’, is trouw aan Yahweh en aan zijn naaste. Wij vertalen emunah in dit boek met ‘trouw’ (zo ook Jer. 7:28 en 9:2). Het woord chesed, dat ook ‘trouw’ is, is een ander woord. Voetnoot : Yahweh zoekt één mens in Jeruzalem die recht doet. Zo zou Hij de stad vergeven. Vergelijk Abraham die onderhandelt over Sodom (Gen. 18:23–32). Voetnoot : De rede loopt door vanaf Jer. 4:27 (met onderbrekingen); de aanhaling hier begint opnieuw. Zie ook: Gen 18:23–32; 2 Kron 16:9; Jes 59:4; Jes 59:14–15; Jer 4:27; Jer 7:28; Jer 9:2; Ezech 22:30 **5:2** **En ook als zij zeggen: ‘Zo waar Yahweh leeft’, toch zweren zij vals.”** Brontekst: וְאִ֥ם (veim) = en als | חַי (chay) = levend is | יְהֹוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יֹאמֵ֑רוּ (yomeru) = zij zeggen | לָכֵ֥ן (lakhen) = toch | לַשֶּׁ֖קֶר (lasheqer) = tot leugen | יִשָּׁבֵֽעוּ (yishaveu) = zweren zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: de eedformule, zoals in Jer. 4:2. Zij gebruiken de naam van Yahweh, maar zweren vals. Zie ook: Lev 19:12; Hos 4:1–2; Jer 4:2; Jer 7:9; Tit 1:16 ### Zij weigerden terug te keren **5:3** Yahweh, zijn Uw ogen niet gericht op trouw? U hebt hen geslagen, maar zij voelden geen pijn. U hebt hen vernietigd, maar zij weigerden tucht aan te nemen. Zij maakten hun gezicht harder dan een rots. Zij weigerden terug te keren. Brontekst: יְהֹוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עֵינֶיךָ֮ (eineikha) = Uw ogen | הֲל֣וֹא (halo) = niet | לֶאֱמוּנָה֒ (leemuna) = naar trouw | הִכִּ֤יתָה (hikita) = U hebt geslagen | אֹתָם֙ (otam) = hen | וְֽלֹא (velo) = en niet | חָ֔לוּ (chalu) = zij werden ziek | כִּלִּיתָ֕ם (kilitam) = U hebt hen vernietigd | מֵאֲנ֖וּ (meanu) = zij weigerden | קַ֣חַת (qachat) = te nemen | מוּסָ֑ר (musar) = tucht | חִזְּק֤וּ (chizequ) = zij maakten hard | פְנֵיהֶם֙ (peneihem) = hun gezichten | מִסֶּ֔לַע (misela) = meer dan een rots | מֵאֲנ֖וּ (meanu) = zij weigerden | לָשֽׁוּב (lashuv) = terug te keren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt de profeet tot Yahweh. Daarom staat het zwart, met ‘U/Uw’. Voetnoot : חָלוּ (chalu), ‘zij voelden geen pijn’: letterlijk ‘zij werden niet ziek’. Het werkwoord kan ook ‘kronkelen, beven’ betekenen. Het volk bleef ongevoelig onder de slagen; zie ook Jes. 1:5. Voetnoot : קַחַת מוּסָר (qachat musar), ‘tucht aan te nemen’: zie ook Jer. 2:30. Zie ook: 2 Kron 16:9; Jes 1:5; Jes 9:12; Sef 3:7; Jer 2:30; Jer 7:28 **5:4** Ik zei: „Het zijn maar armen. Zij handelen dwaas, want zij kennen de weg van Yahweh niet, het recht van hun Elohim. Brontekst: וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | אָמַ֔רְתִּי (amarti) = ik zei | אַךְ (akh) = alleen | דַּלִּ֖ים (dalim) = armen | הֵ֑ם (hem) = zij | נוֹאֲל֕וּ (noalu) = zij zijn dwaas geweest | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יָדְעוּ֙ (yadeu) = zij kennen | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִשְׁפַּ֖ט (mishpat) = recht van | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּלִּים (dallim), ‘armen’: gewone mensen zonder macht. De profeet denkt dat alleen zij dwaas zijn, omdat zij de weg niet kennen. Daarom gaat hij naar de groten (vers 5). Voetnoot : דֶּרֶךְ יְהוָה (derekh Yahweh), ‘de weg van Yahweh’: de manier van leven die Yahweh wil. ‘Het recht van hun Elohim’ (mishpat Elohehem) is dezelfde zaak, zoals in Jer. 8:7. Zie ook: Hos 4:6; Jes 28:9–13; Jer 5:5; Jer 7:8; Jer 8:7; Mat 11:5 **5:5** Ik zal naar de groten gaan en met hen spreken, want zij kennen de weg van Yahweh, het recht van hun Elohim.” Maar zij hebben samen het juk gebroken en de banden verscheurd. Brontekst: אֵֽלֲכָה (elakha) = ik zal gaan | לִּ֤י (li) = voor mij | אֶל (el) = naar | הַגְּדֹלִים֙ (hagedolim) = de groten | וַאֲדַבְּרָ֣ה (vaadabera) = en ik zal spreken | אוֹתָ֔ם (otam) = met hen | כִּ֣י (ki) = want | הֵ֗מָּה (hema) = zij | יָדְעוּ֙ (yadeu) = kennen | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִשְׁפַּ֖ט (mishpat) = recht van | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | אַ֣ךְ (akh) = maar | הֵ֤מָּה (hema) = zij | יַחְדָּו֙ (yachdav) = samen | שָׁ֣בְרוּ (shaveru) = hebben gebroken | עֹ֔ל (ol) = het juk | נִתְּק֖וּ (nitequ) = hebben verscheurd | מוֹסֵרֽוֹת (moserot) = banden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De aanhaling van Jeremia’s gedachte loopt tot ‘hun Elohim’. Daarna volgt de uitkomst: ook de groten hebben het juk gebroken (zie Jer. 2:20). Zie ook: Ps 2:2–3; Jer 2:20; Mat 19:23–26; Luc 19:14; Jak 2:5–7 ### Leeuw, wolf en luipaard **5:6** Daarom slaat een leeuw uit het woud hen neer, een wolf van de steppen verwoest hen. Een luipaard waakt bij hun steden: ieder die daaruit gaat, wordt verscheurd. Want hun overtredingen zijn talrijk, hun afvalligheden zijn groot. Brontekst: עַל (al) = over | כֵּן֩ (ken) = zo | הִכָּ֨ם (hikam) = slaat hen neer | אַרְיֵ֜ה (arye) = leeuw | מִיַּ֗עַר (miyaar) = uit het woud | זְאֵ֤ב (zeev) = wolf van | עֲרָבוֹת֙ (aravot) = steppen | יְשָׁדְדֵ֔ם (yeshadedem) = verwoest hen | נָמֵ֤ר (namer) = luipaard | שֹׁקֵד֙ (shoqed) = waakt | עַל (al) = over | עָ֣רֵיהֶ֔ם (areihem) = hun steden | כָּל (kal) = ieder | הַיּוֹצֵ֥א (hayotse) = die uitgaat | מֵהֵ֖נָּה (mehena) = daaruit | יִטָּרֵ֑ף (yitaref) = wordt verscheurd | כִּ֤י (ki) = want | רַבּוּ֙ (rabu) = zijn talrijk | פִּשְׁעֵיהֶ֔ם (pisheihem) = hun overtredingen | עָצְמ֖וּ (atsemu) = zijn groot | מְשׁוּבוֹתֵיהֶֽם (meshuvoteihem) = hun afvalligheden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Leeuw, wolf en luipaard zijn beelden van de vijand die van alle kanten aanvalt. Voetnoot : שֹׁקֵד (shoqed), ‘waakt’: hetzelfde woord als in Jer. 1:11–12, waar Yahweh over Zijn woord ‘waakt’. Nu waakt een luipaard bij hun steden. Zie ook: Jes 59:12; Sef 3:3; Jer 1:11–12; Jer 4:7; Hab 1:8; Ezech 22:27 ### Waarom zou Ik je vergeven? **5:7** **„Waarom zou Ik je dit vergeven? Je zonen hebben Mij verlaten en zweren bij wat geen god is. Ik heb hen verzadigd, maar zij pleegden overspel en kwamen in drommen samen in het huis van de hoer.** Brontekst: אֵ֤י (ei) = waar | לָזֹאת֙ (lazot) = hiervoor | אֶֽסְלַֽח (eslach) = zal Ik vergeven | לָ֔ךְ (lakh) = jou | בָּנַ֣יִךְ (banayikh) = je zonen | עֲזָב֔וּנִי (azavuni) = hebben Mij verlaten | וַיִּשָּׁבְע֖וּ (vayishaveu) = en zij zweren | בְּלֹ֣א (belo) = bij niet | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = goden | וָאַשְׂבִּ֤עַ (vaasbia) = en Ik verzadigde | אוֹתָם֙ (otam) = hen | וַיִּנְאָ֔פוּ (vayinafu) = en zij pleegden overspel | וּבֵ֥ית (uveit) = en huis van | זוֹנָ֖ה (zona) = hoer | יִתְגֹּדָֽדוּ (yitgodadu) = verzamelen zij zich in drommen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלֹא אֱלֹהִים (belo elohim), ‘bij wat geen god is’: de nietige goden. Wij schrijven hier ‘god’ met kleine letter, omdat het niet om Elohim gaat. Voetnoot : יִתְגֹּדָדוּ (yitgodadu), ‘kwamen in drommen samen’: het werkwoord kan ook betekenen ‘zich insnijden’ (zoals bij de dienaren van Baäl in 1 Kon. 18:28). De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Deut 32:21; Joz 23:7; 1 Kon 18:28; Sef 1:5; Jer 2:11; Gal 4:8 **5:8** **Goed gevoede, vurige paarden zijn zij geworden: ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.** Brontekst: סוּסִ֥ים (susim) = paarden | מְיֻזָּנִ֖ים (meyuzanim) = goed gevoed | מַשְׁכִּ֣ים (mashkim) = vurig | הָי֑וּ (hayu) = zijn geworden | אִ֛ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = naar | אֵ֥שֶׁת (eshet) = de vrouw van | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | יִצְהָֽלוּ (yitshalu) = hinniken zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְיֻזָּנִים (meyuzzanim), ‘goed gevoed’, en מַשְׁכִּים (mashkim), ‘vurig’: beide woorden zijn onzeker. Het beeld is dat van hengsten in hun kracht, die hinniken naar een merrie. Zie ook: Gen 39:9; Deut 5:18; 2 Sam 11:2–4; Jer 13:27; Ezech 22:11 **5:9** **Zal Ik hierover niet straffen, godsspraak van Yahweh? En zal Mijn ziel zich niet wreken op zo’n volk?** Brontekst: הַֽעַל (haal) = is het over | אֵ֥לֶּה (ele) = deze dingen | לוֹא (lo) = niet | אֶפְקֹ֖ד (efqod) = zal Ik straffen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהֹוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאִם֙ (veim) = en als | בְּג֣וֹי (begoy) = op een volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | כָּזֶ֔ה (kaze) = zoals dit | לֹ֥א (lo) = niet | תִתְנַקֵּ֖ם (titnaqem) = zal zich wreken | נַפְשִֽׁי (nafshi) = Mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 1:24; Jer 5:29; Jer 9:8; Jer 23:2; Jer 44:22 ### Ontrouw aan Yahweh **5:10** **Trek op door haar wijngaardrijen en richt verwoesting aan, maar maak geen einde. Verwijder haar ranken, want zij zijn niet van Yahweh.** Brontekst: עֲל֤וּ (alu) = trekt op | בְשָׁרוֹתֶ֨יהָ֙ (besharoteiha) = door haar wijngaardrijen | וְשַׁחֵ֔תוּ (veshachetu) = en verwoest | וְכָלָ֖ה (vekhala) = maar vernietiging | אַֽל (al) = niet | תַּעֲשׂ֑וּ (taasu) = maakt | הָסִ֨ירוּ֙ (hasiru) = verwijdert | נְטִ֣ישׁוֹתֶ֔יהָ (netishoteiha) = haar ranken | כִּ֛י (ki) = want | ל֥וֹא (lo) = niet | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = van Yahweh | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁרוֹת (sharot), ‘wijngaardrijen’: een zeldzaam woord. Het kan ook ‘muren’ of ‘terrassen’ betekenen. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : כָּלָה (kalah), ‘einde’: zie Jer. 4:27. Yahweh geeft de vijand de opdracht te verwoesten, maar geen einde te maken. Voetnoot : נְטִישׁוֹתֶיהָ (netishoteha), ‘haar ranken’: het volk is een wijnstok; zie Jer. 2:21. Wat niet van Yahweh is, wordt weggesneden. Zie ook: Amos 9:8; Hos 1:9; Jer 2:21; Jer 4:27; Jer 39:8; Ezech 12:16 **5:11** **Want volkomen ontrouw zijn zij aan Mij geweest, het huis van Israël en het huis van Juda, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | בָג֨וֹד (bagod) = volkomen | בָּגְד֜וּ (bagedu) = zij zijn ontrouw geweest | בִּ֗י (bi) = aan Mij | בֵּ֧ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | וּבֵ֥ית (uveit) = en huis van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 5:7; Hos 6:7; Jes 48:8; Jer 3:6–11; Jer 3:20 **5:12** **Zij hebben Yahweh verloochend en gezegd: ‘Hij is het niet. Onheil zal ons niet overkomen en zwaard en honger zullen wij niet zien.** Brontekst: כִּֽחֲשׁוּ֙ (kichashu) = zij hebben verloochend | בַּיהוָ֔ה (baYahweh) = Yahweh | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | לֹא (lo) = niet | ה֑וּא (hu) = Hij | וְלֹא (velo) = en niet | תָב֤וֹא (tavo) = zal komen | עָלֵ֨ינוּ֙ (aleinu) = over ons | רָעָ֔ה (raa) = onheil | וְחֶ֥רֶב (vecherev) = en zwaard | וְרָעָ֖ב (veraav) = en honger | ל֥וֹא (lo) = niet | נִרְאֶֽה (nire) = zullen wij zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא־הוּא (lo hu), ‘Hij is het niet’: letterlijk ‘niet Hij’. De zin kan betekenen: ‘Hij is het niet die dit doet’, of ‘Hij doet niets’. Het volk ontkent dat Yahweh ingrijpt. Zie ook: Deut 29:18; 1 Sam 6:9; Ps 10:6; 2 Kron 36:16; Jer 5:31 **5:13** **De profeten worden tot wind en het woord is niet in hen. Zo zal het hun vergaan.’”** Brontekst: וְהַנְּבִיאִים֙ (vehaneviim) = en de profeten | יִֽהְי֣וּ (yihyu) = zullen worden | לְר֔וּחַ (leruach) = tot wind | וְהַדִּבֵּ֖ר (vehadiber) = en het woord | אֵ֣ין (ein) = niet is | בָּהֶ֑ם (bahem) = in hen | כֹּ֥ה (ko) = zo | יֵעָשֶׂ֖ה (yease) = zal gedaan worden | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin ‘De profeten worden tot wind’ is waarschijnlijk wat het volk zegt over de profeten die onheil aankondigen. Wij houden het binnen de aanhaling die in vers 12 begint. Een andere mogelijkheid is dat Yahweh zelf over de profeten van het volk spreekt. Zie ook: Job 8:2; Hos 9:7; Jer 5:12; Jer 14:13; Jer 14:15; Jer 20:8–11 ### Mijn woorden worden vuur **5:14** Daarom, zo zegt Yahweh, Elohim van de legermachten: **„Omdat jullie dit woord spreken, zie, Ik maak Mijn woorden in je mond tot vuur, en dit volk tot hout. Het zal hen verteren.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | יַ֚עַן (yaan) = omdat | דַּבֶּרְכֶ֔ם (daberkhem) = jullie spreken | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij | נֹתֵן֩ (noten) = Ik maak | דְּבָרַ֨י (devaray) = Mijn woorden | בְּפִ֜יךָ (befikha) = in je mond | לְאֵ֗שׁ (leesh) = tot vuur | וְהָעָ֥ם (vehaam) = en het volk | הַזֶּ֛ה (haze) = dit | עֵצִ֖ים (etsim) = hout | וַאֲכָלָֽתַם (vaakhalatam) = en het zal hen verteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵי צְבָאוֹת (Elohe Tsevaot), ‘Elohim van de legermachten’: wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’, zoals in Jer. 2:19. Voetnoot : Het woord van Yahweh in de mond van de profeet wordt vuur (vergelijk Jer. 23:29). Het volk wordt hout dat verteerd wordt. Zie ook: Hos 6:5; Jer 1:9; Jer 2:19; Jer 23:29; Zach 1:6; Openb 11:5–6 ### Een volk uit de verte **5:15** **Zie, Ik breng een volk over jullie uit de verte, huis van Israël, godsspraak van Yahweh. Het is een sterk volk, een volk van oudsher. Het is een volk wiens taal je niet kent, en je verstaat niet wat het zegt.** Brontekst: הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij | מֵבִיא֩ (mevi) = Ik breng | עֲלֵיכֶ֨ם (aleikhem) = over jullie | גּ֧וֹי (goy) = een volk | מִמֶּרְחָ֛ק (mimerchaq) = uit de verte | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהֹוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | גּ֣וֹי (goy) = een volk | אֵיתָ֣ן (eitan) = sterk | ה֗וּא (hu) = het is | גּ֤וֹי (goy) = een volk | מֵעוֹלָם֙ (meolam) = van oudsher | ה֔וּא (hu) = het is | גּ֚וֹי (goy) = een volk | לֹא (lo) = niet | תֵדַ֣ע (teda) = je kent | לְשֹׁנ֔וֹ (leshono) = zijn taal | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִשְׁמַ֖ע (tishma) = je verstaat | מַה (ma) = wat | יְדַבֵּֽר (yedaber) = het zegt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹי אֵיתָן (goy eitan), ‘een sterk volk’: het woord אֵיתָן (eitan) betekent ‘blijvend, krachtig’. Het is een oud volk, dat al lang bestaat. De taal is vreemd; zie ook Deut. 28:49. Voetnoot : Het volk wordt niet genoemd (in Jer. 4:6 en 6:22 ook niet). Wij identificeren het hier niet. Zie ook: Deut 28:49; Jes 5:26; Jes 28:11; Jes 33:19; Jer 4:6; Jer 4:16; Jer 6:22 **5:16** **Zijn pijlkoker is als een open graf. Zij allen zijn krijgers.** Brontekst: אַשְׁפָּת֖וֹ (ashpato) = zijn pijlkoker | כְּקֶ֣בֶר (keqever) = als een graf | פָּת֑וּחַ (patuach) = open | כֻּלָּ֖ם (kulam) = zij allen | גִּבּוֹרִֽים (giborim) = krijgers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 5:10; Jes 5:28; Rom 3:13 **5:17** **Zij zullen je oogst en je brood opeten. Zij zullen je zonen en je dochters opeten. Zij zullen je kleinvee en je runderen opeten. Zij zullen je wijnstok en je vijgenboom opeten. Met het zwaard zullen zij je versterkte steden verwoesten, waarop je vertrouwt.** Brontekst: וְאָכַ֨ל (veakhal) = en het zal opeten | קְצִֽירְךָ֜ (qetsirekha) = je oogst | וְלַחְמֶ֗ךָ (velachmekha) = en je brood | יֹאכְלוּ֙ (yokhlu) = zullen opeten | בָּנֶ֣יךָ (baneikha) = je zonen | וּבְנוֹתֶ֔יךָ (uvenoteikha) = en je dochters | יֹאכַ֤ל (yokhal) = zal opeten | צֹאנְךָ֙ (tsonkha) = je kleinvee | וּבְקָרֶ֔ךָ (uveqarekha) = en je runderen | יֹאכַ֥ל (yokhal) = zal opeten | גַּפְנְךָ֖ (gafnekha) = je wijnstok | וּתְאֵנָתֶ֑ךָ (uteenatekha) = en je vijgenboom | יְרֹשֵׁ֞שׁ (yeroshesh) = zal verwoesten | עָרֵ֣י (arei) = steden van | מִבְצָרֶ֗יךָ (mivtsareikha) = je vestingen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | אַתָּ֛ה (ata) = jij | בּוֹטֵ֥חַ (boteach) = vertrouwt | בָּהֵ֖נָּה (bahena) = in hen | בֶּחָֽרֶב (becharev) = met het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De werkwoorden wisselen in het Hebreeuws tussen enkelvoud en meervoud; wij vertalen overal ‘zij zullen’. Het gaat om dezelfde vijand. Voetnoot : De zin somt de bronnen van leven op: oogst, brood, zonen, dochters, vee, wijnstok en vijgenboom. Alles wordt opgegeten. Zie ook: Lev 26:16; Deut 28:33; Re 6:3–4; Hos 8:14; Sef 3:6 **5:18** **Maar ook in die dagen, godsspraak van Yahweh, zal Ik jullie niet volledig vernietigen.** Brontekst: וְגַ֛ם (vegam) = en ook | בַּיָּמִ֥ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֖מָּה (hahema) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהֹוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹֽא (lo) = niet | אֶעֱשֶׂ֥ה (eese) = zal Ik maken | אִתְּכֶ֖ם (itekhem) = met jullie | כָּלָֽה (kala) = vernietiging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְגַם בַּיָּמִים הָהֵמָּה (vegam bayamim hahemmah), ‘maar ook in die dagen’: ondanks het oordeel blijft er een rest. Zie ook Jer. 4:27. Zie ook: Jer 4:27; Jer 5:10; Ezech 9:8; Ezech 11:13; Rom 11:1–5 **5:19** **Het zal gebeuren, wanneer jullie zeggen: ‘Waarom heeft Yahweh, onze Elohim, ons dit alles gedaan?’ Dan moet je tegen hen zeggen: ‘Zoals jullie Mij hebben verlaten en in jullie land vreemde goden hebben gediend, zo zullen jullie vreemden dienen in een land dat niet van jullie is.’** Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כִּ֣י (ki) = wanneer | תֹאמְר֔וּ (tomru) = jullie zeggen | תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | מֶ֗ה (me) = wat | עָשָׂ֨ה (asa) = heeft gedaan | יְהֹוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֛ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לָ֖נוּ (lanu) = aan ons | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֵ֑לֶּה (ele) = deze dingen | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = dan zul je zeggen | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | עֲזַבְתֶּ֤ם (azavtem) = jullie hebben verlaten | אוֹתִי֙ (oti) = Mij | וַתַּעַבְד֞וּ (vataavdu) = en jullie hebben gediend | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = goden van | נֵכָר֙ (nekhar) = vreemden | בְּאַרְצְכֶ֔ם (beartsekhem) = in jullie land | כֵּ֚ן (ken) = zo | תַּעַבְד֣וּ (taavdu) = zullen jullie dienen | זָרִ֔ים (zarim) = vreemden | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in een land | לֹ֥א (lo) = niet | לָכֶֽם (lakhem) = van jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחַת מֶה (tachat meh), ‘waarom’: letterlijk ‘in plaats van wat’. Het antwoord van Yahweh toont het verband tussen het verlaten en het dienen: wie in eigen land vreemde goden dient, zal in een vreemd land vreemden dienen. Zie ook: Deut 28:47–48; 1 Kon 9:8–9; Jer 13:22; Jer 16:13; Jer 22:8–9 ### Hoor, dwaas volk **5:20** **Maak dit bekend in het huis van Jakob en laat het horen in Juda, met deze woorden:** Brontekst: הַגִּ֥ידוּ (hagidu) = maakt bekend | זֹ֖את (zot) = dit | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וְהַשְׁמִיע֥וּהָ (vehashmiuha) = en laat het horen | בִיהוּדָ֖ה (bihuda) = in Juda | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:21** **Hoor toch dit, dwaas volk zonder verstand: zij hebben ogen, maar zien niet; zij hebben oren, maar horen niet.** Brontekst: שִׁמְעוּ (shimu) = hoort | נָ֣א (na) = toch | זֹ֔את (zot) = dit | עַ֥ם (am) = volk | סָכָ֖ל (sakhal) = dwaas | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | לֵ֑ב (lev) = hart | עֵינַ֤יִם (einayim) = ogen | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִרְא֔וּ (yiru) = zij zien | אָזְנַ֥יִם (azenayim) = oren | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִשְׁמָֽעוּ (yishmau) = zij horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 6:9–10; Ezech 12:2; Joh 12:40; Hand 28:26; Rom 11:8 ### De zee kent haar grens **5:22** **Vrezen jullie Mij niet, godsspraak van Yahweh? Beven jullie niet voor Mijn aangezicht? Ik heb zand als grens gesteld voor de zee, een bepaling voor eeuwig, die zij niet overschrijdt. Hoe zij ook schudt, zij kan niets doen. Haar golven bruisen, maar zij overschrijden haar niet.** Brontekst: הַאוֹתִ֨י (haoti) = Mij? | לֹא (lo) = niet | תִירָ֜אוּ (tirau) = vrezen jullie | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהֹוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אִ֤ם (im) = of | מִפָּנַי֙ (mipanay) = voor Mijn aangezicht | לֹ֣א (lo) = niet | תָחִ֔ילוּ (tachilu) = beven jullie | אֲשֶׁר (asher) = die | שַׂ֤מְתִּי (samti) = Ik heb gesteld | חוֹל֙ (chol) = zand | גְּב֣וּל (gevul) = grens | לַיָּ֔ם (layam) = voor de zee | חָק (chaq) = bepaling | עוֹלָ֖ם (olam) = voor eeuwig | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעַבְרֶ֑נְהוּ (yaavrenhu) = zal zij hem overschrijden | וַיִּֽתְגָּעֲשׁוּ֙ (vayitgaashu) = en zij schudden | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יוּכָ֔לוּ (yukhalu) = zullen zij kunnen | וְהָמ֥וּ (vehamu) = en bruisen | גַלָּ֖יו (galav) = haar golven | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יַעַבְרֻֽנְהוּ (yaavrunhu) = zullen zij hem overschrijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוֹל (chol), ‘zand’: Yahweh heeft de zee een grens gegeven, zoals in Job 38:8–11 en Ps. 104:9. De machtige zee houdt zich aan Zijn bevel. Het volk niet. Voetnoot : חָק עוֹלָם (choq olam), ‘een bepaling voor eeuwig’: een vaste wet, nooit te veranderen. Zie ook: Job 26:10; Job 38:8–11; Job 38:10–11; Ps 104:9; Ps 119:120; Spr 8:29 **5:23** **Maar dit volk heeft een koppig en opstandig hart. Zij zijn afgeweken en weggegaan.** Brontekst: וְלָעָ֤ם (velaam) = en voor het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | הָיָ֔ה (haya) = is geweest | לֵ֖ב (lev) = hart | סוֹרֵ֣ר (sorer) = koppig | וּמוֹרֶ֑ה (umore) = en opstandig | סָ֖רוּ (saru) = zijn afgeweken | וַיֵּלֵֽכוּ (vayelekhu) = en zijn weggegaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוֹרֵר וּמוֹרֶה (sorer umoreh), ‘koppig en opstandig’: dezelfde twee woorden als in Deut. 21:18, voor de opstandige zoon. Zie ook: Deut 21:18; Ps 95:10; Hos 11:7; Jer 6:28; Heb 3:12 **5:24** **Zij zeiden niet in hun hart: ‘Laten wij toch Yahweh, onze Elohim, vrezen. Hij geeft de regen, de vroege regen en de late regen op zijn tijd. Hij bewaart voor ons de weken, de vastgestelde tijden van de oogst.’** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | אָמְר֣וּ (ameru) = zij zeiden | בִלְבָבָ֗ם (bilvavam) = in hun hart | נִ֤ירָא (nira) = laten wij vrezen | נָא֙ (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הַנֹּתֵ֗ן (hanoten) = die geeft | גֶּ֛שֶׁם (geshem) = regen | יוֹרֶ֥ה (yore) = vroege regen | וּמַלְק֖וֹשׁ (umalqosh) = en late regen | בְּעִתּ֑וֹ (beito) = op zijn tijd | שְׁבֻע֛וֹת (shevuot) = weken van | חֻקּ֥וֹת (chuqot) = bepalingen van | קָצִ֖יר (qatsir) = oogst | יִשְׁמָר (yishmar) = bewaart | לָֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹרֶה (yoreh), ‘vroege regen’, en מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘late regen’: de regen van het najaar en van het voorjaar, zoals in Deut. 11:14. Zie ook Jer. 3:3. Voetnoot : שְׁבֻעוֹת חֻקּוֹת קָצִיר (shavuot chuqqot qatsir), ‘de weken, de vastgestelde tijden van de oogst’: de zeven weken tussen het begin van de graanoogst en het Wekenfeest (Lev. 23:15–16). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is ירה (met een voorvoegsel, ‘en vroege regen’); de te lezen vorm (qere) is יוֹרֶה (yoreh), ‘de vroege regen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Gen 8:22; Lev 23:15–16; Deut 11:14; Ps 147:8; Joël 2:23; Jer 3:3; Jer 14:22; Mat 5:45 **5:25** **Jullie schuld heeft dit afgebogen en jullie zonden hebben het goede van jullie weggehouden.** Brontekst: עֲוֺנוֹתֵיכֶ֖ם (avonoteikhem) = jullie schulden | הִטּוּ (hitu) = hebben afgebogen | אֵ֑לֶּה (ele) = deze dingen | וְחַטֹּ֣אותֵיכֶ֔ם (vechatovteikhem) = en jullie zonden | מָנְע֥וּ (maneu) = hebben tegengehouden | הַטּ֖וֹב (hatov) = het goede | מִכֶּֽם (mikem) = van jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִטּוּ אֵלֶּה (hittu elleh), ‘hebben dit afgebogen’: de schuld heeft de goede dingen van de regen en de oogst afgebogen, weggeleid van het volk. Zie ook: Deut 28:23–24; Ps 107:17; Ps 107:34; Jes 59:2; Jer 2:17–19 ### Goddelozen onder Mijn volk **5:26** **Want onder Mijn volk zijn goddelozen gevonden. Zij loeren, zoals vogelvangers zich bukken. Zij zetten een verderfelijke val; mensen vangen zij.** Brontekst: כִּי (ki) = want | נִמְצְא֥וּ (nimtseu) = zijn gevonden | בְעַמִּ֖י (beami) = onder Mijn volk | רְשָׁעִ֑ים (reshaim) = goddelozen | יָשׁוּר֙ (yashur) = hij loert | כְּשַׁ֣ךְ (keshakh) = als het bukken van | יְקוּשִׁ֔ים (yequshim) = vogelvangers | הִצִּ֥יבוּ (hitsivu) = zij zetten | מַשְׁחִ֖ית (mashchit) = verderf | אֲנָשִׁ֥ים (anashim) = mensen | יִלְכֹּֽדוּ (yilkodu) = vangen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָשׁוּר כְּשַׁךְ יְקוּשִׁים (yashur keshakh yequshim), ‘zij loeren, zoals vogelvangers zich bukken’: de betekenis van de zin is onzeker. Het beeld is dat van vogelvangers die zich bukken om een val te zetten. Zie ook: Ps 10:9–10; Ps 64:6; Spr 1:11; Jer 18:22; Ezech 22:2–12 **5:27** **Als een kooi vol vogels, zo zijn hun huizen vol bedrog. Daarom zijn zij groot en rijk geworden.** Brontekst: כִּכְלוּב֙ (kikhluv) = als een kooi | מָ֣לֵא (male) = vol | ע֔וֹף (of) = vogels | כֵּ֥ן (ken) = zo | בָּתֵּיהֶ֖ם (bateihem) = hun huizen | מְלֵאִ֣ים (meleim) = vol | מִרְמָ֑ה (mirma) = bedrog | עַל (al) = over | כֵּ֥ן (ken) = zo | גָּדְל֖וּ (gadelu) = zijn zij groot geworden | וַֽיַּעֲשִֽׁירוּ (vayaashiru) = en rijk geworden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Amos 8:4–6; Hos 12:8–9; Mi 1:12; Jer 9:5; Openb 18:2 **5:28** **Zij zijn vet en glanzend. Zij gaan zelfs ver in kwade zaken. Zij pleiten de zaak niet, de zaak van de wees, en toch hebben zij voorspoed. De armen doen zij geen recht.** Brontekst: שָׁמְנ֣וּ (shamenu) = zij zijn vet | עָשְׁת֗וּ (ashetu) = zij glanzen | גַּ֚ם (gam) = ook | עָֽבְר֣וּ (averu) = zij gaan te buiten | דִבְרֵי (divrei) = woorden van | רָ֔ע (ra) = kwaad | דִּ֣ין (din) = de zaak | לֹא (lo) = niet | דָ֔נוּ (danu) = zij pleiten | דִּ֥ין (din) = de zaak van | יָת֖וֹם (yatom) = de wees | וְיַצְלִ֑יחוּ (veyatslichu) = maar zij hebben voorspoed | וּמִשְׁפַּ֥ט (umishpat) = en het recht van | אֶבְיוֹנִ֖ים (evyonim) = de armen | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁפָֽטוּ (shafatu) = zij brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָשְׁתוּ (ashetu), ‘zij zijn glanzend’: het werkwoord is zeldzaam; het betekent waarschijnlijk ‘glanzen van gezondheid’. Het volk is vet en gezond, terwijl de armen geen recht krijgen. Voetnoot : דִבְרֵי רָע (divrei ra), ‘kwade zaken’: letterlijk ‘woorden van kwaad’. Voetnoot : דִּין (din), ‘rechtszaak’: de zaak van de wees wordt niet behandeld. De rijken verdedigen hem niet, en hij krijgt geen recht (vergelijk Jes. 1:17). Zie ook: Deut 32:15; Ps 73:12; Jes 1:17; Jes 1:23; Jer 7:6; Zach 7:10 **5:29** **Zal Ik hierover niet straffen, godsspraak van Yahweh? En zal Mijn ziel zich niet wreken op zo’n volk?”** Brontekst: הַֽעַל (haal) = is het over | אֵ֥לֶּה (ele) = deze dingen | לֹֽא (lo) = niet | אֶפְקֹ֖ד (efqod) = zal Ik straffen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהֹוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אִ֚ם (im) = en als | בְּג֣וֹי (begoy) = op een volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | כָּזֶ֔ה (kaze) = zoals dit | לֹ֥א (lo) = niet | תִתְנַקֵּ֖ם (titnaqem) = zal zich wreken | נַפְשִֽׁי (nafshi) = Mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 5:9; Jer 9:8; Mal 3:5; Jak 5:4 ### Een ontzettende zaak **5:30** Iets ontzettends en afschuwelijks is gebeurd in het land: Brontekst: שַׁמָּה֙ (shama) = verwoesting | וְשַׁ֣עֲרוּרָ֔ה (veshaarura) = en afschuwelijkheid | נִהְיְתָ֖ה (nihyeta) = is gebeurd | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁמָּה (shammah), ‘ontzetting’, en שַׁעֲרוּרָה (sha’arurah), ‘afschuwelijkheid’: twee woorden voor iets wat de mens met afgrijzen vervult. Het tweede woord staat ook in Jer. 23:14 (‘iets gruwelijks’). Voetnoot : Vanaf hier spreekt de profeet weer zelf; ‘mijn volk’ is de taal van Jeremia (vergelijk Jer. 4:11). Zie ook: Hos 6:10; Jes 1:2; Jer 2:12; Jer 4:11; Jer 23:14 **5:31** de profeten profeteren vals, de priesters heersen op hun aanwijzing, en mijn volk heeft het zo graag. Maar wat zullen jullie doen aan het einde ervan? Brontekst: הַנְּבִיאִ֞ים (haneviim) = de profeten | נִבְּא֣וּ (nibeu) = profeteren | בַשֶּׁ֗קֶר (basheqer) = met leugen | וְהַכֹּהֲנִים֙ (vehakohanim) = en de priesters | יִרְדּ֣וּ (yirdu) = heersen | עַל (al) = op | יְדֵיהֶ֔ם (yedeihem) = hun handen | וְעַמִּ֖י (veami) = en mijn volk | אָ֣הֲבוּ (ahavu) = hebben liefgehad | כֵ֑ן (ken) = zo | וּמַֽה (uma) = en wat | תַּעֲשׂ֖וּ (taasu) = zullen jullie doen | לְאַחֲרִיתָֽהּ (leacharitah) = bij het einde ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְדּוּ עַל־יְדֵיהֶם (yirdu al yedeihem), ‘heersen op hun aanwijzing’: letterlijk ‘heersen op hun handen’. De priesters heersen met de steun van de valse profeten, of op hun aanwijzing. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : לְאַחֲרִיתָהּ (le’acharitah), ‘aan het einde ervan’: wat zullen jullie doen als het gaat om de uitkomst? Het is de vraag van de profeet aan het volk. Zie ook: Mi 2:11; Jer 14:14; Ezech 13:6; 2 Tess 2:9–11; 2 Tim 4:3–4 ## Jeremia 6 _Het leger uit het noorden en het verworpen zilver_ ### Vlucht uit Jeruzalem **6:1** Zoek veiligheid, zonen van Benjamin, weg uit het midden van Jeruzalem! Blaas in Tekoa de ramshoorn en steek boven Bet-Hakkerem een vuursein op! Want onheil kijkt neer uit het noorden, een grote ondergang. Brontekst: הָעִ֣זוּ (haizu) = breng in veiligheid | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | בִניָמִ֗ן (binyamin) = Benjamin | מִקֶּ֨רֶב֙ (miqerev) = uit het midden van | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וּבִתְק֨וֹעַ֙ (uvitqoa) = en in Tekoa | תִּקְע֣וּ (tiqu) = blaas | שׁוֹפָ֔ר (shofar) = ramshoorn | וְעַל (veal) = en over | בֵּ֥ית (beit) = huis van | הַכֶּ֖רֶם (hakerem) = de wijngaard | שְׂא֣וּ (seu) = heft op | מַשְׂאֵ֑ת (maset) = vuursein | כִּ֥י (ki) = want | רָעָ֛ה (raa) = onheil | נִשְׁקְפָ֥ה (nishqefa) = kijkt neer | מִצָּפ֖וֹן (mitsafon) = uit het noorden | וְשֶׁ֥בֶר (veshever) = en ondergang | גָּדֽוֹל (gadol) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda. Zie Bet-Hakkerem (Ramat Rachel?; ligging onzeker): Bet-Hakkerem (‘huis van de wijngaard’) lag op een hoogte tussen Jeruzalem en Tekoa, waarschijnlijk bij Ramat Rachel. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: הָעִזוּ (ha’izu), ‘zoek veiligheid’: een bevel om zich in veiligheid te brengen. Voetnoot : Er is een woordspeling: וּבִתְקוֹעַ (uvitqoa), ‘in Tekoa’, en תִּקְעוּ (tiq’u), ‘blaas’, klinken bijna gelijk. Tekoa ligt zuidelijk van Jeruzalem; de profeet Amos kwam er vandaan (Amos 1:1). Voetnoot : בֵּית הַכֶּרֶם (beit hakkarem), ‘Bet-Hakkerem’: letterlijk ‘huis van de wijngaard’, een plaats bij Jeruzalem. De ligging is niet zeker. Voetnoot : מַשְׂאֵת (massa’et), ‘vuursein’: een vuur of rook die op een hoogte wordt opgestoken als waarschuwing. Het is een ander woord dan מַשָּׂא (massa), ‘last’ (zie Jer. 23:33). Voetnoot : נִשְׁקְפָה (nishqefah), ‘kijkt neer’: het onheil buigt zich vanuit het noorden over het land heen. Zie Jer. 1:14–15. Voetnoot : Jeruzalem lag op de grens van Benjamin en Juda; de ‘zonen van Benjamin’ zijn dus de naaste buren van de stad. Zie ook: Joz 18:21–28; 2 Sam 14:2; 2 Kron 11:6; Amos 1:1; Jer 1:14–15; Jer 6:22; Jer 23:33; Neh 3:14 **6:2** **„De bekoorlijke en verwende, Dochter Sion, Ik vernietig haar.”** Brontekst: הַנָּוָה֙ (hanava) = de bekoorlijke | וְהַמְּעֻנָּגָ֔ה (vehameunaga) = en de verwende | דָּמִ֖יתִי (damiti) = Ik vernietig | בַּת (bat) = dochter van | צִיּֽוֹן (tsiyon) = Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: דָּמִיתִי (dammiti), ‘Ik vernietig’: het Hebreeuws kan van het werkwoord דָּמָה (damah), ‘tot zwijgen brengen, vernietigen’, komen, maar ook van een ander werkwoord met dezelfde letters, ‘vergelijken’. Dan zou de zin zijn: ‘Ik vergelijk de Dochter Sion met een bekoorlijke en verwende weide.’ De betekenis is niet zeker. Voetnoot : הַנָּוָה (hannavah), ‘de bekoorlijke’: ook ‘de weide’. Voetnoot : De vorm ‘Ik’ wijst op Yahweh; daarom staat dit vers rood, midden in de woorden van de profeet. Zie ook: Jes 1:8; Jes 3:16–17; Jer 4:31; Klaagl 2:1; Klaagl 2:13 **6:3** Herders komen naar haar toe met hun kuddes. Zij slaan tenten tegen haar op, rondom. Zij laten hun vee grazen, ieder op zijn eigen plek. Brontekst: אֵלֶ֛יהָ (eleiha) = naar haar toe | יָבֹ֥אוּ (yavou) = komen | רֹעִ֖ים (roim) = herders | וְעֶדְרֵיהֶ֑ם (veedreihem) = en hun kuddes | תָּקְע֨וּ (taqeu) = slaan op | עָלֶ֤יהָ (aleiha) = tegen haar | אֹהָלִים֙ (ohalim) = tenten | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | רָע֖וּ (rau) = laten grazen | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | יָדֽוֹ (yado) = zijn plek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Herders met hun kuddes zijn het beeld van een leger dat zich rondom de stad legert. Iedere herder laat zijn vee weiden op ‘zijn hand’, dat is zijn eigen deel (אֶת יָדוֹ, et yado). Zie ook: 2 Kon 25:1–4; Nah 3:18; Jer 4:16–17; Jer 39:1–3; Luc 19:43 **6:4** „Heilig de oorlog tegen haar! Sta op, laten wij optrekken op het heetst van de dag! Wee ons, want de dag loopt ten einde, want de schaduwen van de avond worden langer. Brontekst: קַדְּשׁ֤וּ (qadeshu) = heiligt | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = tegen haar | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | ק֖וּמוּ (qumu) = staat op | וְנַעֲלֶ֣ה (venaale) = en laten wij optrekken | בַֽצָּהֳרָ֑יִם (batsahorayim) = op de middag | א֥וֹי (oy) = wee | לָ֨נוּ֙ (lanu) = ons | כִּי (ki) = want | פָנָ֣ה (pana) = helt over | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | כִּ֥י (ki) = want | יִנָּט֖וּ (yinatu) = worden uitgerekt | צִלְלֵי (tsillei) = schaduwen van | עָֽרֶב (arev) = avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַדְּשׁוּ (qaddeshu), ‘heilig’: het werkwoord קָדַשׁ (qadash) betekent hier ‘de oorlog toewijden, voorbereiden’. Een oorlog begon met een heilige handeling; vergelijk Joël 4:9. Het is de stem van de vijand. Voetnoot : בַצָּהֳרָיִם (batsohorayim), ‘op het heetst van de dag’: letterlijk ‘in de middag’, de tijd waarop men gewoonlijk rust. Voetnoot : De aanhalingstekens lopen door tot het einde van vers 5. Zie ook: Joël 4:9; Jes 5:26–30; Sef 2:4; Jer 6:5; Jer 8:20; Jer 15:8 **6:5** Sta op, laten wij in de nacht optrekken en haar paleizen verwoesten.” Brontekst: ק֚וּמוּ (qumu) = staat op | וְנַעֲלֶ֣ה (venaale) = en laten wij optrekken | בַלָּ֔יְלָה (balayela) = bij nacht | וְנַשְׁחִ֖יתָה (venashchita) = en laten wij verwoesten | אַרְמְנוֹתֶֽיהָ (armenoteiha) = haar paleizen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk in het noorden wil de aanval in de nacht voortzetten omdat de dag voorbij is. אַרְמְנוֹתֶיהָ (armenoteha), ‘haar paleizen’: versterkte gebouwen binnen de stad. Zie ook: Ps 48:4; 2 Kron 36:19; Hos 8:14; Jes 32:14; Jer 52:13 ### Kap bomen om tegen Jeruzalem **6:6** Want zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Kap bomen om en werp een wal op tegen Jeruzalem. Zij is de stad die gestraft moet worden. Zij is helemaal onderdrukking in haar midden.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | כִּרְת֣וּ (kirtu) = kapt om | עֵצָ֔ה (etsa) = bomen | וְשִׁפְכ֥וּ (veshifkhu) = en werpt op | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | סֹלְלָ֑ה (solela) = een wal | הִ֚יא (hi) = zij | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הָפְקַ֔ד (hafeqad) = die gestraft moet worden | כֻּלָּ֖הּ (kulah) = helemaal | עֹ֥שֶׁק (osheq) = onderdrukking | בְּקִרְבָּֽהּ (beqirbah) = in haar midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Voetnoot : עֵצָה (etsah), ‘bomen’: hier hout, van עֵץ (ets). Het woord lijkt op עֵצָה (etsah), ‘raad’, maar de zin gaat over het kappen van bomen voor een belegering (vergelijk Deut. 20:19–20). Voetnoot : סֹלְלָה (solelah), ‘wal’: een aarden helling die tegen de muur wordt opgeworpen. Voetnoot : הָפְקַד (hofqad), ‘gestraft moet worden’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’, hier met een slecht gevolg: Yahweh komt met straf. Zie ook: Deut 20:19–20; Jer 2:19; Jer 32:24 **6:7** **Zoals een put haar water vers houdt, zo houdt zij haar kwaad vers. Geweld en verwoesting worden in haar gehoord. Voor Mijn aangezicht zijn voortdurend ziekte en wonden.** Brontekst: כְּהָקִ֥יר (kehaqir) = zoals houdt vers | בַּ֨יִר֙ (bayir) = een put | מֵימֶ֔יהָ (meimeiha) = haar water | כֵּ֖ן (ken) = zo | הֵקֵ֣רָה (heqera) = houdt vers | רָעָתָ֑הּ (raatah) = haar kwaad | חָמָ֣ס (chamas) = geweld | וָ֠שֹׁד (vashod) = en verwoesting | יִשָּׁ֨מַע (yishama) = wordt gehoord | בָּ֧הּ (bah) = in haar | עַל (al) = voor | פָּנַ֛י (panay) = Mijn aangezicht | תָּמִ֖יד (tamid) = voortdurend | חֳלִ֥י (choli) = ziekte | וּמַכָּֽה (umaka) = en wond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een put houdt het water ‘vers’ doordat het steeds opwelt. Zo blijft Jeruzalem steeds nieuw kwaad voortbrengen. Voetnoot : חָמָס וָשֹׁד (chamas vashod), ‘geweld en verwoesting’: de twee woorden staan vaker samen. Voetnoot : פָּנַי (panai), ‘Mijn aangezicht’: Yahweh ziet voortdurend de wonden van de stad. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is בור (bor), ‘put’; de overlevering (qere) leest בַּיִר (bayir), een zeldzame vorm met dezelfde betekenis. Wij volgen de lezing. Zie ook: Jes 57:20; Jer 20:8; Ezech 7:11; Ezech 7:23; Jak 3:10–12 **6:8** **Laat je terechtwijzen, Jeruzalem, anders maakt Mijn ziel zich van je los. Anders maak Ik je tot een woestenij, een land waar niemand woont.”** Brontekst: הִוָּסְרִי֙ (hivaseri) = laat je terechtwijzen | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | פֶּן (pen) = anders | תֵּקַ֥ע (teqa) = maakt zich los | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = Mijn ziel | מִמֵּ֑ךְ (mimekh) = van je | פֶּן (pen) = anders | אֲשִׂימֵ֣ךְ (asimekh) = Ik maak je | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = woestenij | אֶ֖רֶץ (erets) = land | ל֥וֹא (lo) = niet | נוֹשָֽׁבָה (noshava) = bewoond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הִוָּסְרִי (hivvaseri), ‘laat je terechtwijzen’: het werkwoord יָסַר (yasar) betekent ‘onderwijzen, terechtwijzen, tuchtigen’. Het volk moet zich laten corrigeren. Voetnoot : תֵּקַע (teqa), ‘maakt zich los’: het werkwoord יָקַע (yaqa) beschrijft iets dat uit het gewricht wordt gerukt, hier een innerlijke afkeer. נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: zoals Jes. 1:14. Zie ook: Ps 50:17; Hos 9:12; Jes 1:14; Sef 3:7; Jer 17:23; Ezech 23:18 **6:9** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Zij zullen de overgeblevenen van Israël grondig nalezen, zoals een wijnstok wordt nagelezen. Laat je hand terugkeren als een druivenplukker over de ranken.”** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהֹוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עוֹלֵ֛ל (olel) = grondig | יְעוֹלְל֥וּ (yeolelu) = zullen nalezen | כַגֶּ֖פֶן (kagefen) = als de wijnstok | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = de overgeblevenen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הָשֵׁב֙ (hashev) = laat terugkeren | יָדְךָ֔ (yadekha) = je hand | כְּבוֹצֵ֖ר (kevotser) = als een druivenplukker | עַל (al) = over | סַלְסִלּֽוֹת (salsilot) = de ranken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוֹלֵל יְעוֹלְלוּ (olel ye’olelu), ‘grondig zullen nalezen’: het werkwoord עוֹלֵל (olel) betekent ‘nalezen’, de laatste druiven plukken. De herhaling in het Hebreeuws geeft nadruk: er blijft niets over. Voetnoot : שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: wat na de ramp overblijft; de vijand leest ook die nog na. Voetnoot : סַלְסִלּוֹת (salsillot), ‘de ranken’: een zeldzaam woord, dat ook ‘manden’ kan betekenen. De betekenis is niet zeker. Zie ook: Jer 16:16; Jer 49:9; Jer 52:28–30; Ob 1:5–6; Openb 14:18 ### Een onbesneden oor **6:10** Tot wie moet ik spreken en wie moet ik waarschuwen, zodat zij het horen? Zie, hun oor is onbesneden en zij kunnen niet luisteren. Zie, het woord van Yahweh is voor hen tot smaad geworden. Zij hebben er geen behagen in. Brontekst: עַל (al) = tot | מִ֨י (mi) = wie | אֲדַבְּרָ֤ה (adabera) = zal ik spreken | וְאָעִ֨ידָה֙ (veaida) = en zal ik waarschuwen | וְיִשְׁמָ֔עוּ (veyishmau) = zodat zij horen | הִנֵּה֙ (hine) = zie | עֲרֵלָ֣ה (arela) = onbesneden | אָזְנָ֔ם (azenam) = hun oor | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יוּכְל֖וּ (yukhelu) = zij kunnen | לְהַקְשִׁ֑יב (lehaqshiv) = luisteren | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הָיָ֥ה (haya) = is geworden | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | לְחֶרְפָּ֖ה (lecherpa) = tot smaad | לֹ֥א (lo) = niet | יַחְפְּצוּ (yachpetsu) = zij hebben behagen | בֽוֹ (bo) = in het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲרֵלָה אָזְנָם (arelah oznam), ‘hun oor is onbesneden’: een oor dat niet open is voor het woord, zoals een onbesneden hart (Lev. 26:41, Deut. 10:16) of onbesneden lippen (Exod. 6:12). Voetnoot : לְחֶרְפָּה (lecherpah), ‘tot smaad’: Het woord van Yahweh wordt bespot. Voetnoot : Dit vers is een woord van de profeet; vers 11 vervolgt. Zie ook: Ex 6:12; Lev 26:41; Deut 10:16; Jer 6:11; Jer 7:26; Joh 7:7; Hand 7:51; Heb 11:7 **6:11** Van de woede van Yahweh ben ik vol. Ik ben het moe haar in te houden. **„Giet haar uit over het kind op straat en over de kring van jongemannen, allen samen. Want man en vrouw worden samen gevangen, de oude met wie hoogbejaard is.** Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en met | חֲמַ֨ת (chamat) = woede van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | מָלֵ֨אתִי֙ (maleti) = ik ben vol | נִלְאֵ֣יתִי (nileiti) = ik ben moe | הָכִ֔יל (hakhil) = om in te houden | שְׁפֹ֤ךְ (shefokh) = giet uit | עַל (al) = over | עוֹלָל֙ (olal) = kind | בַּח֔וּץ (bachuts) = op straat | וְעַ֛ל (veal) = en over | ס֥וֹד (sod) = kring van | בַּחוּרִ֖ים (bachurim) = jongemannen | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | כִּֽי (ki) = want | גַם (gam) = ook | אִ֤ישׁ (ish) = man | עִם (im) = met | אִשָּׁה֙ (isha) = vrouw | יִלָּכֵ֔דוּ (yilakhedu) = zullen gevangen worden | זָקֵ֖ן (zaqen) = oude | עִם (im) = met | מְלֵ֥א (mele) = vol van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲמַת יְהוָה (chamat Yahweh), ‘de woede van Yahweh’: de profeet is vol van het gevoel van Yahweh. Het werkwoord כּוּל (kul) in הָכִיל (hakhil) betekent ‘bevatten, inhouden’. Voetnoot : Vanaf ‘Giet haar uit’ spreekt Yahweh weer; Hij antwoordt de profeet. Voetnoot : סוֹד (sod), ‘kring’: een kring van vertrouwelijke gesprekspartners, hier jonge mannen die bijeen zijn. Voetnoot : מְלֵא יָמִים (melei yamim), ‘vol van dagen’: heel oud. Zie ook: Job 32:18–19; Mi 3:8; Jer 9:20; Jer 20:9; Ezech 3:14 **6:12** **Hun huizen gaan over naar anderen, akkers en vrouwen samen. Want Ik strek Mijn hand uit over de bewoners van het land, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וְנָסַ֤בּוּ (venasabu) = en gaan over | בָֽתֵּיהֶם֙ (bateihem) = hun huizen | לַאֲחֵרִ֔ים (laacherim) = aan anderen | שָׂד֥וֹת (sadot) = akkers | וְנָשִׁ֖ים (venashim) = en vrouwen | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | כִּֽי (ki) = want | אַטֶּ֧ה (ate) = Ik strek uit | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֛י (yadi) = Mijn hand | עַל (al) = over | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Voetnoot : אַטֶּה (atteh), ‘Ik strek uit’: Yahweh strekt Zijn hand uit tot straf, zoals in Jes. 5:25. Zie ook: Deut 28:39–43; Jes 5:25; Jer 1:8; Jer 8:10; Klaagl 2:4–5; Klaagl 5:3 ### Vrede, vrede, maar er is geen vrede **6:13** **Want van de kleinste tot de grootste is ieder van hen uit op winst. Van profeet tot priester pleegt ieder bedrog.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מִקְּטַנָּם֙ (miqetanam) = van hun kleinste | וְעַד (vead) = en tot | גְּדוֹלָ֔ם (gedolam) = hun grootste | כֻּלּ֖וֹ (kulo) = ieder van hen | בּוֹצֵ֣עַ (botsea) = uit op | בָּ֑צַע (batsa) = winst | וּמִנָּבִיא֙ (uminavi) = en van profeet | וְעַד (vead) = en tot | כֹּהֵ֔ן (kohen) = priester | כֻּלּ֖וֹ (kulo) = ieder van hen | עֹ֥שֶׂה (ose) = pleegt | שָּֽׁקֶר (shaqer) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jer. 6:13–15 komt bijna woordelijk terug in Jer. 8:10–12. Waar het Hebreeuws gelijk is, zijn de Nederlandse woorden gelijk; Voetnoot : בּוֹצֵעַ בָּצַע (botsea batsa), ‘uit op winst’: letterlijk ‘afsnijdend winst’, onrechtmatige winst behalend. Voetnoot : שָּׁקֶר (sheqer), ‘bedrog’: ook ‘leugen’. Het woord staat in dit boek voor het bedrog en de valse woorden van de leiders. Zie ook: Mi 3:2–3; Mi 3:11; Jer 8:10; Jer 22:17; Jer 23:11 **6:14** **Zij genezen de breuk van Mijn volk lichtvaardig. Zij zeggen: ‘Vrede, vrede!’ Maar er is geen vrede.** Brontekst: וַֽיְרַפְּא֞וּ (vayrapeu) = en zij genezen | אֶת (et) = (obj.) | שֶׁ֤בֶר (shever) = breuk van | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | עַל (al) = op | נְקַלָּ֔ה (neqala) = lichtvaardige wijze | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggend | שָׁל֣וֹם (shalom) = vrede | שָׁל֑וֹם (shalom) = vrede | וְאֵ֖ין (veein) = en niet is er | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁבֶר (shever), ‘breuk’: een gebroken lichaam of land; zie ook Jes. 1:6. Het woord volgt het beeld van een wond die slechts oppervlakkig wordt verbonden. Voetnoot : עַל נְקַלָּה (al neqallah), ‘lichtvaardig’: letterlijk ‘op het lichte’. De profeten en priesters nemen de ramp niet serieus. Voetnoot : שָׁלוֹם שָׁלוֹם (shalom shalom), ‘vrede, vrede’: het Hebreeuws herhaalt het woord. De leiders beloven vrede terwijl de vijand nadert. Zie ook: Jes 1:6; Jer 4:10; Jer 14:13; Jer 23:17; Klaagl 2:14; Ezech 13:10 **6:15** **Schamen zij zich, omdat zij gruwel hebben gedaan? Zij schamen zich helemaal niet. Zij weten niet eens wat vernedering is. Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen. In de tijd dat Ik hen straf, zullen zij struikelen, zegt Yahweh.”** Brontekst: הֹבִ֕ישׁוּ (hovishu) = schamen zij zich | כִּ֥י (ki) = want | תוֹעֵבָ֖ה (toeva) = gruwel | עָשׂ֑וּ (asu) = zij deden | גַּם (gam) = ook | בּ֣וֹשׁ (bosh) = schaamte | לֹֽא (lo) = niet | יֵב֗וֹשׁוּ (yevoshu) = zij schamen zich | גַּם (gam) = ook | הַכְלִים֙ (hakhlim) = vernedering | לֹ֣א (lo) = niet | יָדָ֔עוּ (yadau) = zij weten | לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | יִפְּל֧וּ (yipelu) = zullen vallen | בַנֹּפְלִ֛ים (banofelim) = onder de vallenden | בְּעֵת (beet) = in de tijd | פְּקַדְתִּ֥ים (peqadtim) = Ik straf hen | יִכָּשְׁל֖וּ (yikashelu) = zullen struikelen | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכְלִים (hakhlim), ‘vernedering’: het werkwoord כָּלַם (kalam) betekent ‘vernederd, beschaamd zijn’. Voetnoot : פְּקַדְתִּים (peqadtim), ‘Ik straf hen’: letterlijk ‘Ik bezoek hen’; zie vers 6. Voetnoot : Dit vers is bijna gelijk aan Jer. 8:12. Daar staat ‘in de tijd van hun straf’ tegenover hier ‘in de tijd dat Ik hen straf’. Zie ook: Sef 3:5; Jer 3:3; Jer 6:6; Jer 8:12; Mat 15:14; Fil 3:19 ### De oeroude paden **6:16** Zo zegt Yahweh: **„Ga staan bij de wegen en kijk. Vraag naar de oeroude paden: waar is de weg van het goede? Loop daarop en vind rust voor jullie ziel. Maar zij zeiden: ‘Wij zullen niet gaan.’** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | עִמְדוּ֩ (imdu) = ga staan | עַל (al) = bij | דְּרָכִ֨ים (derakhim) = wegen | וּרְא֜וּ (ureu) = en kijk | וְשַׁאֲל֣וּ (veshaalu) = en vraag | לִנְתִב֣וֹת (lintivot) = naar paden van | עוֹלָ֗ם (olam) = oudsher | אֵי (ei) = waar | זֶ֨ה (ze) = is dit | דֶ֤רֶךְ (derekh) = weg van | הַטּוֹב֙ (hatov) = het goede | וּלְכוּ (ulekhu) = en loop | בָ֔הּ (bah) = daarop | וּמִצְא֥וּ (umitsu) = en vind | מַרְגּ֖וֹעַ (margoa) = rust | לְנַפְשְׁכֶ֑ם (lenafshekhem) = voor jullie ziel | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | לֹ֥א (lo) = niet | נֵלֵֽךְ (nelekh) = wij zullen gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִנְתִבוֹת עוֹלָם (netivot olam), ‘de oeroude paden’: paden van oudsher, de weg van de vaders. Het woord עוֹלָם (olam) betekent ‘lang geleden’, ‘oud’ en, waar het de toekomst betreft, ‘voor eeuwig’. Voetnoot : מַרְגּוֹעַ (marg’oa), ‘rust’: een zeldzaam woord voor rustplaats. Voetnoot : De woorden ‘Wij zullen niet gaan’ zijn het antwoord van het volk; ze staan binnen de rode woorden van Yahweh. Zie ook: Deut 32:7; Jes 30:21; Jer 7:23; Jer 18:15; Mat 11:28–29 **6:17** **Ik heb wachters over jullie aangesteld: ‘Let op het geluid van de ramshoorn.’ Maar zij zeiden: ‘Wij letten er niet op.’** Brontekst: וַהֲקִמֹתִ֤י (vahaqimoti) = en Ik heb aangesteld | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = over jullie | צֹפִ֔ים (tsofim) = wachters | הַקְשִׁ֖יבוּ (haqshivu) = let op | לְק֣וֹל (leqol) = het geluid van | שׁוֹפָ֑ר (shofar) = de ramshoorn | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | לֹ֥א (lo) = niet | נַקְשִֽׁיב (naqshiv) = wij letten op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹפִים (tsofim), ‘wachters’: de profeten als wachters op de muur; vergelijk Ezech. 3:17 en 33:2. Voetnoot : לְקוֹל שׁוֹפָר (leqol shofar), ‘het geluid van de ramshoorn’: het alarm bij gevaar. Zie ook vers 1. Zie ook: Jes 21:11; Jes 58:1; Jer 6:1; Jer 25:4; Hab 2:1; Ezech 3:17; Ezech 33:2; Zach 7:11 **6:18** **Hoor dan, volken, en weet, gemeenschap, wat er onder hen is.** Brontekst: לָכֵ֖ן (lakhen) = daarom | שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoort | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וּדְעִ֥י (udei) = en weet | עֵדָ֖ה (eda) = gemeenschap | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | בָּֽם (bam) = in hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵדָה (edah), ‘gemeenschap’: het woord betekent hier een vergadering. De betekenis van de zin is niet zeker. Sommigen lezen ‘weet, getuigen’ of ‘weet, gemeenschap, wat hen overkomt’. Zie ook: Deut 29:23–27; Jes 5:3; Mi 6:5; Jer 4:10; Jer 31:10 **6:19** **Hoor, aarde! Zie, Ik breng onheil over dit volk, de vrucht van hun plannen. Want op Mijn woorden hebben zij niet gelet, en Mijn wet hebben zij verworpen.** Brontekst: שִׁמְעִ֣י (shimi) = hoor | הָאָ֔רֶץ (haarets) = aarde | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָנֹכִ֜י (anokhi) = Ik | מֵבִ֥יא (mevi) = breng | רָעָ֛ה (raa) = onheil | אֶל (el) = naar | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | פְּרִ֣י (peri) = vrucht van | מַחְשְׁבוֹתָ֑ם (machshevotam) = hun plannen | כִּ֤י (ki) = want | עַל (al) = op | דְּבָרַי֙ (devaray) = Mijn woorden | לֹ֣א (lo) = niet | הִקְשִׁ֔יבוּ (hiqshivu) = zij letten op | וְתוֹרָתִ֖י (vetorati) = en Mijn wet | וַיִּמְאֲסוּ (vayimasu) = en zij verwierpen | בָֽהּ (bah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּרִי מַחְשְׁבוֹתָם (peri machshevotam), ‘de vrucht van hun plannen’: het onheil is de uitkomst van wat zij zelf bedacht hebben. Voetnoot : וְתוֹרָתִי (vetorati), ‘Mijn wet’: תּוֹרָה (torah) betekent ook ‘onderwijs’. Zie ook: Jes 1:2; Jer 8:9; Jer 17:10; Joh 12:48; Hand 8:22 ### Offers zonder trouw **6:20** **Wat moet Ik met wierook die uit Sjeba komt en met goede kalmoes uit een ver land? Jullie brandoffers zijn niet tot Mijn welbehagen en jullie slachtoffers zijn Mij niet aangenaam.”** Brontekst: לָמָּה (lama) = waartoe | זֶּ֨ה (ze) = dit | לִ֤י (li) = voor Mij | לְבוֹנָה֙ (levona) = wierook | מִשְּׁבָ֣א (misheva) = uit Sjeba | תָב֔וֹא (tavo) = komt | וְקָנֶ֥ה (veqane) = en kalmoes | הַטּ֖וֹב (hatov) = het goede | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מֶרְחָ֑ק (merchaq) = ver | עֹלֽוֹתֵיכֶם֙ (oloteikhem) = jullie brandoffers | לֹ֣א (lo) = niet | לְרָצ֔וֹן (leratson) = tot welbehagen | וְזִבְחֵיכֶ֖ם (vezivcheikhem) = en jullie slachtoffers | לֹא (lo) = niet | עָ֥רְבוּ (arevu) = zijn aangenaam | לִֽי (li) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁבָא (Sjeba): een rijk in het zuiden van het Arabisch schiereiland, bekend om zijn wierook; zie 1 Kon. 10:1 en Jes. 60:6. Voetnoot : וְקָנֶה הַטּוֹב (qaneh hatov), ‘goede kalmoes’: een welriekend riet; zie Exod. 30:23. Voetnoot : De offers zijn op zich niet fout, maar ze komen niet voort uit gehoorzaamheid; vergelijk Jes. 1:11–17. Zie ook: Ex 30:23; Ps 40:7; 1 Kon 10:1; Amos 5:21–22; Jes 1:11; Jes 60:6; Mi 6:6–8; Jer 7:21–23 **6:21** Daarom, zo zegt Yahweh: **„Zie, Ik leg dit volk struikelblokken voor. Vaders en zonen zullen erover struikelen, samen. De buurman en zijn vriend zullen omkomen.”** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | נֹתֵ֛ן (noten) = ik geef | אֶל (el) = aan | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | מִכְשֹׁלִ֑ים (mikhsholim) = struikelblokken | וְכָ֣שְׁלוּ (vekhashelu) = en zullen struikelen | בָ֠ם (bam) = over hen | אָב֨וֹת (avot) = vaders | וּבָנִ֥ים (uvanim) = en zonen | יַחְדָּ֛ו (yachdav) = samen | שָׁכֵ֥ן (shakhen) = de buurman | וְרֵע֖וֹ (vereo) = en zijn vriend | וְאָבָֽדוּ (veavadu) = en zullen omkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִכְשֹׁלִים (mikhshelim), ‘struikelblokken’: dingen waarover men valt. Yahweh zelf legt ze voor het volk neer. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is יאבדו (yovedu), ‘zij zullen omkomen’; de overlevering (qere) leest וְאָבָדוּ (ve’avadu), ‘en zij zullen omkomen’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Jes 8:14; Jes 9:13–16; Jer 13:16; Jer 15:2–9; Ezech 3:20 ### Een volk uit het noorden **6:22** Zo zegt Yahweh: **„Zie, een volk komt uit het land in het noorden. Een groot volk wordt opgewekt uit de uithoeken van de aarde.** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | עַ֥ם (am) = een volk | בָּ֖א (ba) = komt | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | צָפ֑וֹן (tsafon) = noorden | וְג֣וֹי (vegoy) = en een volk | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | יֵע֖וֹר (yeor) = wordt opgewekt | מִיַּרְכְּתֵי (miyarketei) = van de uithoeken van | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָפוֹן (tsafon), ‘noorden’: de richting vanwaar het onheil komt. Zie Jer. 1:14–15; ook Jer. 4:6. Het volk wordt niet bij naam genoemd. Voetnoot : יֵעוֹר (ye’or), ‘wordt opgewekt’: van het werkwoord עוּר (ur), ‘wakker worden’; Yahweh wekt het volk. Voetnoot : Deze verzen komen bijna woordelijk terug in Jer. 50:41–43. Zie ook: Jer 1:14–15; Jer 4:6; Jer 5:15; Jer 6:1; Jer 10:22; Jer 25:9; Jer 50:41–43 **6:23** **Boog en werpspies grijpen zij vast. Wreed zijn zij en zij ontfermen zich niet. Hun stem bruist als de zee, en zij rijden op paarden, opgesteld als één man voor de strijd, tegen jou, Dochter Sion.”** Brontekst: קֶ֣שֶׁת (qeshet) = boog | וְכִיד֞וֹן (vekhidon) = en werpspies | יַחֲזִ֗יקוּ (yachaziqu) = grijpen vast | אַכְזָרִ֥י (akhzari) = wreed | הוּא֙ (hu) = hij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְרַחֵ֔מוּ (yerachemu) = zij ontfermen zich | קוֹלָם֙ (qolam) = hun stem | כַּיָּ֣ם (kayam) = als de zee | יֶהֱמֶ֔ה (yeheme) = bruist | וְעַל (veal) = en op | סוּסִ֖ים (susim) = paarden | יִרְכָּ֑בוּ (yirkavu) = rijden zij | עָר֗וּךְ (arukh) = opgesteld | כְּאִישׁ֙ (keish) = als een man | לַמִּלְחָמָ֔ה (lamilchama) = voor de oorlog | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = tegen jou | בַּת (bat) = dochter van | צִיּֽוֹן (tsiyon) = Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וְכִידוֹן (kidon), ‘werpspies’: een kort wapen om te werpen. De betekenis is niet helemaal zeker; sommige vertalingen kiezen ‘lans’ of ‘zwaard’. Voetnoot : אַכְזָרִי (akhzari), ‘wreed’: ze hebben geen medelijden; zie ook Jer. 50:42. Voetnoot : יְרַחֵמוּ (yerachamu), ‘zij ontfermen zich’: het werkwoord רָחַם (racham); zo ook de naam לֹא רֻחָמָה (Lo-Ruchama), ‘Niet-ontferming’ in Hos. 1:6. Zie ook: Hos 1:6; Jes 5:26–30; Jes 13:18; Jer 5:16; Jer 30:14; Jer 50:42 **6:24** Wij hebben het bericht over hen gehoord. Onze handen zijn slap geworden. Benauwdheid heeft ons gegrepen, weeën als van een barende vrouw. Brontekst: שָׁמַ֥עְנוּ (shamanu) = wij hebben gehoord | אֶת (et) = (obj.) | שָׁמְע֖וֹ (shameo) = het bericht over hem | רָפ֣וּ (rafu) = zijn slap geworden | יָדֵ֑ינוּ (yadeinu) = onze handen | צָרָה֙ (tsara) = benauwdheid | הֶחֱזִיקַ֔תְנוּ (hecheziqatnu) = heeft ons gegrepen | חִ֖יל (chil) = weeën | כַּיּוֹלֵדָֽה (kayoleda) = als een barende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt het volk, of de profeet namens het volk. Het gaat om de schrik die zich van de hoofdstad meester maakt. Zie ook Jer. 50:43. Voetnoot : חִיל (chil), ‘weeën’: de pijn van een barende vrouw is het beeld van plotselinge, niet te ontlopen angst (zoals Jes. 13:8). Zie ook: Jes 13:8; Jes 21:3; Jer 4:19–21; Jer 4:31; Jer 49:24; Jer 50:43 **6:25** Ga niet uit naar het veld en loop niet op de weg, want het zwaard van de vijand is er: schrik rondom. Brontekst: אַל (al) = niet | תֵּֽצְאוּ֙ (tetseu) = ga uit | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = naar het veld | וּבַדֶּ֖רֶךְ (uvaderekh) = en op de weg | אַל (al) = niet | תֵּלֵ֑כוּ (telekhu) = loop | כִּ֚י (ki) = want | חֶ֣רֶב (cherev) = zwaard van | לְאֹיֵ֔ב (leoyev) = de vijand | מָג֖וֹר (magor) = schrik | מִסָּבִֽיב (misaviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bevel staat in het meervoud: de hele bevolking wordt gewaarschuwd. Voetnoot : מָגוֹר מִסָּבִיב (magor missaviv), ‘schrik rondom’: een uitdrukking die Jeremia vaak gebruikt (Jer. 20:3, 20:10, 46:5, 49:29); zie ook Ps. 31:14. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is תצאי (tetsei) en תלכי (telekhi), enkelvoud; de overlevering (qere) leest meervoud: תֵּצְאוּ en תֵּלֵכוּ. Wij volgen de lezing. Zie ook: Job 18:11; Ps 31:14; Jer 14:18; Jer 20:3; Jer 20:10; Jer 46:5; Jer 49:29 **6:26** Dochter van mijn volk, gord een zak om en rol je in de as. Rouw als om een enige zoon, houd een bittere klaagzang, want plotseling komt de verwoester over ons. Brontekst: בַּת (bat) = dochter van | עַמִּ֤י (ami) = mijn volk | חִגְרִי (chigri) = gord om | שָׂק֙ (saq) = zak | וְהִתְפַּלְּשִׁ֣י (vehitpaleshi) = en rol je | בָאֵ֔פֶר (baefer) = in de as | אֵ֤בֶל (evel) = rouw om | יָחִיד֙ (yachid) = enige | עֲשִׂ֣י (asi) = maak | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | מִסְפַּ֖ד (mispad) = klaagzang | תַּמְרוּרִ֑ים (tamrurim) = bitterheden | כִּ֣י (ki) = want | פִתְאֹ֔ם (pitom) = plotseling | יָבֹ֥א (yavo) = komt | הַשֹּׁדֵ֖ד (hashoded) = de verwoester | עָלֵֽינוּ (aleinu) = over ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּת עַמִּי (bat ammi), ‘Dochter van mijn volk’: het volk wordt aangesproken als een dochter; zoals Jes. 22:4. Het is de profeet die spreekt. Voetnoot : שָׂק (saq), ‘zak’: een grof rouwkleed, op het blote lichaam gedragen; zie Jes. 3:24. בָאֵפֶר (ba’efer), ‘in de as’: het gebaar van rouw. Voetnoot : אֵבֶל יָחִיד (evel yachid), ‘rouw als om een enige zoon’: de diepste rouw, om een kind dat de enige erfgenaam was; vergelijk Amos 8:10. Voetnoot : הַשֹּׁדֵד (hashoded), ‘de verwoester’: de vijand die plotseling komt. Zie ook: Amos 8:10; Jes 3:24; Jes 22:4; Jer 4:8; Jer 12:12; Jer 15:8; Zach 12:10 ### De toetser en het verworpen zilver **6:27** **„Een toetser heb Ik je gegeven onder Mijn volk, een vesting, om hun weg te leren kennen en te toetsen.”** Brontekst: בָּח֛וֹן (bachon) = toetser | נְתַתִּ֥יךָ (netatikha) = Ik heb je gegeven | בְעַמִּ֖י (beami) = onder Mijn volk | מִבְצָ֑ר (mivtsar) = vesting | וְתֵדַ֕ע (veteda) = en je zult leren kennen | וּבָחַנְתָּ֖ (uvachanta) = en je zult toetsen | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכָּֽם (darkam) = hun weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּחוֹן (bachon), ‘toetser’: iemand die metaal toetst om te zien of het zuiver is. Jeremia moet het volk op dezelfde manier toetsen; de beelden gaan door tot en met vers 30. Voetnoot : מִבְצָר (mivtsar), ‘vesting’: het woord is hier onzeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij houden ‘een vesting’ als tweede beeld naast de toetser. Voetnoot : Dit vers staat rood: Yahweh spreekt in de eerste persoon tot Jeremia. Zie ook: Jer 1:18; Jer 6:30; Jer 9:6; Jer 15:20; Ezech 3:8–10; Ezech 20:4 **6:28** Zij allen zijn weerspannige opstandelingen, ronddwalend als roddelaars. Koper en ijzer zijn zij. Zij allen handelen verderfelijk. Brontekst: כֻּלָּם֙ (kulam) = zij allen | סָרֵ֣י (sarei) = weerspannig van | סֽוֹרְרִ֔ים (sorerim) = opstandigen | הֹלְכֵ֥י (holekhei) = wandelaars van | רָכִ֖יל (rakhil) = laster | נְחֹ֣שֶׁת (nechoshet) = koper | וּבַרְזֶ֑ל (uvarzel) = en ijzer | כֻּלָּ֥ם (kulam) = zij allen | מַשְׁחִיתִ֖ים (mashchitim) = verderven | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָרֵי סוֹרְרִים (sarei sorerim), ‘weerspannige opstandelingen’: dezelfde stam sur/sarar, ‘afwijken, koppig zijn’. Voetnoot : הֹלְכֵי רָכִיל (holkhei rakhil), ‘ronddwalend als roddelaars’: wie rondgaat met laster; zie Lev. 19:16. Voetnoot : נְחֹשֶׁת וּבַרְזֶל (nechoshet uvarzel), ‘koper en ijzer’: onedele metalen, hard, maar zonder waarde als zilver; het beeld loopt door in vers 29–30. Voetnoot : Of de verzen 28–30 woorden van de profeet zijn of nog van Yahweh, is niet zeker. Wij kiezen zwart: de profeet beschrijft wat hij na het toetsen vindt. Zie ook: Lev 19:16; Ps 50:20; Jer 5:23; Jer 6:29–30; Jer 9:3; Jer 18:18; Ezech 22:18–22 **6:29** De blaasbalg snuift, het lood wordt door het vuur verteerd. Tevergeefs heeft de smelter gesmolten, want de slechten zijn niet losgemaakt. Brontekst: נָחַ֣ר (nachar) = brandt | מַפֻּ֔חַ (mapuach) = blaasbalg | מֵאֵ֖שׁ (meesh) = door het vuur | תַּ֣ם (tam) = is verteerd | עֹפָ֑רֶת (ofaret) = lood | לַשָּׁוְא֙ (lashave) = tevergeefs | צָרַ֣ף (tsaraf) = smelt | צָר֔וֹף (tsarof) = smelter | וְרָעִ֖ים (veraim) = en slechten | לֹ֥א (lo) = niet | נִתָּֽקוּ (nitaqu) = zijn losgemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws is hier moeilijk. Het beeld is een smeltoven: de blaasbalg blaast het vuur aan, maar het lood dat bij het smelten van zilver helpt, wordt verteerd en het zilver wordt niet gezuiverd. De slechten kunnen niet worden afgescheiden. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is מאשתם (me’ashtam), als één woord; de overlevering (qere) leest מֵאֵשׁ תַּם (me’esh tam), in twee woorden. Wij volgen de lezing. Zie ook: Spr 17:3; Jes 49:4; Ezech 24:13; Zach 13:9; Mal 3:2–3 **6:30** Verworpen zilver noemt men hen, want Yahweh heeft hen verworpen. Brontekst: כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | נִמְאָ֔ס (nimas) = verworpen | קָרְא֖וּ (qareu) = noemen zij | לָהֶ֑ם (lahem) = hen | כִּֽי (ki) = want | מָאַ֥ס (maas) = heeft verworpen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בָּהֶֽם (bahem) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִמְאָס (nim’as), ‘verworpen’: het werkwoord מָאַס (ma’as) staat ook in vers 19 voor wat het volk met de wet deed. Nu verwerpt Yahweh het volk. Voetnoot : Dit vers is de afsluiting van het gedeelte; het gaat over Yahweh in de derde persoon en staat zwart. Zie ook: Ps 119:119; Hos 9:17; Jes 1:22; Jes 1:25; Jer 6:19; Rom 11:1 ## Jeremia 7 _De toespraak in de poort van het huis van Yahweh_ ### De toespraak in de tempelpoort **7:1** Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam: Brontekst: הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֣ה (haya) = kwam | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֥ת (meet) = van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met dit vers begint een nieuw woord van Yahweh. De toespraak in de poort (verzen 2–15) is de bekende tempeltoespraak; vergelijk Jer. 26:1–6. Zie ook: Jer 26:1–6 **7:2** **„Ga staan in de poort van het huis van Yahweh en roep daar dit woord uit. Zeg: ‘Hoor het woord van Yahweh, heel Juda, jullie die door deze poorten binnenkomen om je neer te buigen voor Yahweh.** Brontekst: עֲמֹ֗ד (amod) = ga staan | בְּשַׁ֨עַר֙ (beshaar) = in de poort van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְקָרָ֣אתָ (veqarata) = en roep | שָּׁ֔ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וְאָמַרְתָּ֞ (veamarta) = en zeg | שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoort | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | הַבָּאִים֙ (habaim) = die binnenkomen | בַּשְּׁעָרִ֣ים (bashearim) = door de poorten | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֖ת (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּשַׁעַר בֵּית יְהוָה (besha’ar beit Yahweh), ‘in de poort van het huis van Yahweh’: de ingang van het heiligdom, waar het volk binnenging en waar een toespraak door veel mensen gehoord kon worden. Voetnoot : לְהִשְׁתַּחֲוֺת (lehishtachavot), ‘om zich neer te buigen’: het werkwoord שָׁחָה (shachah) in de wederkerende vorm, ‘zich voorover buigen’ bij de eredienst. Voetnoot : Dit vers is een opdracht van Yahweh aan Jeremia en staat daarom rood. Wat Jeremia uit moet roepen (‘Hoor het woord van Yahweh …’), staat binnen enkele aanhalingstekens. Zie ook: Amos 7:16; Jes 1:10; Jer 26:2; Ezech 2:4–5; Openb 3:22 **7:3** **Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Maak jullie wegen en jullie daden goed, dan laat Ik jullie op deze plaats wonen.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הֵיטִ֥יבוּ (heitivu) = maakt goed | דַרְכֵיכֶ֖ם (darkheikhem) = jullie wegen | וּמַֽעַלְלֵיכֶ֑ם (umaalleikhem) = en jullie daden | וַאֲשַׁכְּנָ֣ה (vaashakena) = en Ik laat wonen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | בַּמָּק֥וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Voetnoot : הֵיטִיבוּ (heitivu), ‘maak goed’: het werkwoord יָטַב (yatav) betekent ‘goed zijn’; in deze vorm ‘goed maken’. Voetnoot : וַאֲשַׁכְּנָה (va’ashakkenah), ‘dan laat Ik wonen’: het werkwoord שָׁכַן (shakan) betekent ‘wonen’. Zo gelezen is de belofte: Yahweh laat het volk op deze plaats wonen. Sommige oude vertalingen lezen anders: ‘dan zal Ik met jullie wonen op deze plaats’. Zie ook: Spr 28:13; Jes 1:16–19; Jes 55:7; Jer 2:19; Jer 18:11; Jer 26:13 ### Vertrouw niet op leugenachtige woorden **7:4** **Vertrouw niet op woorden van leugen die zeggen: „De tempel van Yahweh, de tempel van Yahweh, de tempel van Yahweh is het!”** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּבְטְח֣וּ (tivtechu) = vertrouwt | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | אֶל (el) = op | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | הַשֶּׁ֖קֶר (hasheqer) = de leugen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | הֵיכַ֤ל (heikhal) = tempel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הֵיכַ֣ל (heikhal) = tempel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֵיכַ֥ל (heikhal) = tempel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי הַשֶּׁקֶר (divrei hasheqer), ‘woorden van leugen’: de slagzin ‘De tempel van Yahweh …’ stelt het volk gerust: zolang het heiligdom er staat, zijn zij veilig. De drievoudige herhaling zorgt voor nadruk, zoals ‘heilig, heilig, heilig’ in Jes. 6:3. Voetnoot : הֵמָּה (hemmah), ‘het’: letterlijk ‘zij’, een meervoud. Het wijst naar de gebouwen van het heiligdom. Zie ook: Jes 6:3; Mi 3:11; Sef 3:11; Jer 29:31; Ezech 13:19; Mat 3:9–10 **7:5** **Want als jullie jullie wegen en daden werkelijk goed maken, als jullie echt recht doen tussen een man en zijn naaste,** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אִם (im) = als | הֵיטֵיב֙ (heiteiv) = goed te maken | תֵּיטִ֔יבוּ (teitivu) = jullie zullen goed maken | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכֵיכֶ֖ם (darkheikhem) = jullie wegen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַֽעַלְלֵיכֶ֑ם (maalleikhem) = jullie daden | אִם (im) = als | עָשׂ֤וֹ (aso) = zeker te doen | תַֽעֲשׂוּ֙ (taasu) = jullie zullen doen | מִשְׁפָּ֔ט (mishpat) = recht | בֵּ֥ין (bein) = tussen | אִ֖ישׁ (ish) = man | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | רֵעֵֽהוּ (reehu) = zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵיטֵיב תֵּיטִיבוּ (heitev teitivu), ‘werkelijk goed maken’: het Hebreeuws zet hetzelfde werkwoord twee keer, voor nadruk. Zo ook עָשׂוֹ תַעֲשׂוּ (aso ta’asu), ‘echt doen’. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: het eerlijk oplossen van een zaak tussen twee mensen. Zie ook: 1 Kon 6:12–13; Jes 1:19; Jer 4:1–2; Jer 7:3; Ezech 18:17 **7:6** **als jullie de vreemdeling, de wees en de weduwe niet onderdrukken, op deze plaats geen onschuldig bloed vergieten en niet achter andere goden aan lopen, tot eigen onheil,** Brontekst: גֵּ֣ר (ger) = vreemdeling | יָת֤וֹם (yatom) = wees | וְאַלְמָנָה֙ (vealmana) = en weduwe | לֹ֣א (lo) = niet | תַֽעֲשֹׁ֔קוּ (taashoqu) = jullie zullen onderdrukken | וְדָ֣ם (vedam) = en bloed | נָקִ֔י (naqi) = onschuldig | אַֽל (al) = niet | תִּשְׁפְּכ֖וּ (tishpekhu) = jullie zullen vergieten | בַּמָּק֣וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְאַחֲרֵ֨י (veacharei) = en achter | אֱלֹהִ֧ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֛ים (acherim) = andere | לֹ֥א (lo) = niet | תֵלְכ֖וּ (telekhu) = jullie zullen lopen | לְרַ֥ע (lera) = tot kwaad | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vreemdeling, de wees en de weduwe zijn de mensen zonder beschermer (Exod. 22:21–23). Voetnoot : וְדָם נָקִי (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: bloed van wie niets misdaan heeft. Hier gaat het ook om de kinderen die geofferd worden (vers 31). Voetnoot : לְרַע לָכֶם (lera lakhem), ‘tot eigen onheil’: letterlijk ‘tot onheil voor jullie’. Zie ook: Ex 22:20–23; Ex 22:21–23; Deut 8:19; Deut 11:28; Jer 7:31; Jer 13:10; Zach 7:9–12 **7:7** **dan laat Ik jullie op deze plaats wonen, in het land dat Ik aan jullie vaders gegeven heb, van eeuwigheid tot eeuwigheid.** Brontekst: וְשִׁכַּנְתִּ֤י (veshikanti) = en Ik zal laten wonen | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | בַּמָּק֣וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | בָּאָ֕רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik gaf | לַאֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם (laavoteikhem) = aan jullie vaders | לְמִן (lemin) = van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | וְעַד (vead) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְמִן עוֹלָם וְעַד עוֹלָם (lemin olam ve’ad olam), ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’: letterlijk ‘van olam tot olam’. Het land is hun voor altijd beloofd, mits zij Yahweh gehoorzamen. Voetnoot : De verzen 5 tot en met 7 vormen één lange zin in het Hebreeuws, met twee delen: ‘als jullie … dan laat Ik jullie wonen’. Zie ook: Deut 4:40; 2 Kron 33:8; Jer 3:18; Jer 18:7–8; Jer 25:5 **7:8** **Zie, jullie vertrouwen op woorden van leugen die niet baten.** Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | בֹּטְחִ֣ים (botechim) = vertrouwend | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | עַל (al) = op | דִּבְרֵ֖י (divrei) = woorden van | הַשָּׁ֑קֶר (hashaqer) = de leugen | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = om niet | הוֹעִֽיל (hoil) = te baten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבִלְתִּי הוֹעִיל (levilti hoil), ‘die niet baten’: het werkwoord יָעַל (ya’al) betekent ‘nut hebben’. De woorden van vers 4 zijn dus waardeloos. Zie ook: Jes 28:15; Jer 4:10; Jer 5:31; Jer 7:4; Jer 14:13–14 ### Een rovershol **7:9** **Jullie stelen, moorden, plegen echtbreuk, zweren vals, branden wierook voor de Baäl en lopen achter andere goden aan die jullie niet kennen.** Brontekst: הֲגָנֹ֤ב (haganov) = is het stelen | רָצֹ֨חַ֙ (ratsoach) = moorden | וְֽנָאֹ֔ף (venaof) = en echtbreken | וְהִשָּׁבֵ֥עַ (vehishavea) = en zweren | לַשֶּׁ֖קֶר (lasheqer) = op leugen | וְקַטֵּ֣ר (veqater) = en wierook branden | לַבָּ֑עַל (labaal) = voor de Baäl | וְהָלֹ֗ךְ (vehalokh) = en lopen | אַחֲרֵ֛י (acharei) = achter | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יְדַעְתֶּֽם (yedatem) = jullie kennen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De werkwoorden volgen de geboden: stelen, moorden, echtbreken, vals getuigen en andere goden (Exod. 20:3, 20:13–16). Het Hebreeuws heeft hier een reeks onbepaalde werkwoorden met een vraagwoord: ‘Stelen, moorden …?’ Wij vertalen het als een verwijt. Voetnoot : לַבָּעַל (labaal), ‘voor de Baäl’: met het lidwoord, de god Baäl; zie Hos. 2:10. Zie ook: Ex 20:3; Ex 20:13; Hos 2:10; Jer 7:6; Jer 11:13; Jer 11:17; Jak 4:1–4 **7:10** **Dan komen jullie en gaan voor Mijn aangezicht staan in dit huis, waarover Mijn naam is uitgeroepen. Jullie zeggen: „Wij zijn bevrijd”, om al deze gruwelen te blijven doen.** Brontekst: וּבָאתֶ֞ם (uvatem) = en jullie komen | וַעֲמַדְתֶּ֣ם (vaamadtem) = en jullie staan | לְפָנַ֗י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | בַּבַּ֤יִת (babayit) = in het huis | הַזֶּה֙ (haze) = dit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarover | נִקְרָא (niqra) = is uitgeroepen | שְׁמִ֣י (shemi) = Mijn naam | עָלָ֔יו (alav) = erover | וַאֲמַרְתֶּ֖ם (vaamartem) = en jullie zeggen | נִצַּ֑לְנוּ (nitsalnu) = wij zijn bevrijd | לְמַ֣עַן (lemaan) = om | עֲשׂ֔וֹת (asot) = te doen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַתּוֹעֵב֖וֹת (hatoevot) = de gruwelen | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִקְרָא שְׁמִי עָלָיו (niqra shemi alav), ‘waarover Mijn naam is uitgeroepen’: het huis draagt Yahweh’s naam en is dus van Hem. Zo ook in vers 11, 14 en 30. Voetnoot : נִצַּלְנוּ (nitsalnu), ‘wij zijn bevrijd’: het werkwoord נָצַל (natsal) in de lijdende vorm. Het volk denkt dat de tempel hen beschermt. De zin ‘om al deze gruwelen te doen’ is moeilijk; wij begrijpen hem als: ‘wij zijn bevrijd, zodat wij al deze gruwelen kunnen blijven doen’. Zie ook: Jer 7:11; Jer 7:14; Jer 7:30; Jer 32:34; Jer 34:15; Ezech 23:37; Ezech 23:39 **7:11** **Is dit huis, waarover Mijn naam is uitgeroepen, in jullie ogen een rovershol geworden? Ook Ik, zie, Ik heb het gezien, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: הַמְעָרַ֣ת (hamarat) = is een hol van | פָּרִצִ֗ים (paritsim) = rovers | הָיָ֨ה (haya) = geworden | הַבַּ֧יִת (habayit) = het huis | הַזֶּ֛ה (haze) = dit | אֲשֶׁר (asher) = waarover | נִקְרָֽא (niqra) = is uitgeroepen | שְׁמִ֥י (shemi) = Mijn naam | עָלָ֖יו (alav) = erover | בְּעֵינֵיכֶ֑ם (beeineikhem) = in jullie ogen | גַּ֧ם (gam) = ook | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | רָאִ֖יתִי (raiti) = Ik heb gezien | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְעָרַת פָּרִצִים (me’arat paritsim), ‘rovershol’: een schuilplaats van roofbenden, waar zij zich verbergen na hun misdaden. Zie ook Matt. 21:13. Voetnoot : רָאִיתִי (ra’iti), ‘Ik heb gezien’: Yahweh heeft gezien wat er in Zijn huis gebeurt; het is niet verborgen. Zie ook: 2 Kron 6:33; Jes 56:7; Mat 21:13; Mar 11:17; Luc 19:45–46 ### Denk aan Silo **7:12** **Ga toch naar Mijn plaats in Silo, waar Ik in het begin Mijn naam liet wonen. Zie wat Ik ermee gedaan heb vanwege het kwaad van Mijn volk Israël.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לְכוּ (lekhu) = ga | נָ֗א (na) = toch | אֶל (el) = naar | מְקוֹמִי֙ (meqomi) = Mijn plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּשִׁיל֔וֹ (beshilo) = in Silo | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | שִׁכַּ֧נְתִּֽי (shikanti) = Ik liet wonen | שְׁמִ֛י (shemi) = Mijn naam | שָׁ֖ם (sham) = daar | בָּרִֽאשׁוֹנָ֑ה (barishona) = in het begin | וּרְאוּ֙ (ureu) = en zie | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשִׂ֣יתִי (asiti) = Ik deed | ל֔וֹ (lo) = eraan | מִפְּנֵ֕י (mipenei) = vanwege | רָעַ֖ת (raat) = kwaad van | עַמִּ֥י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: שִׁלוֹ (Silo): de plaats waar de tabernakel en de ark stonden in de tijd van Eli (1 Sam. 1–4). Daar werd Israël verslagen en werd de ark genomen (1 Sam. 4:10–11); zie ook Ps. 78:60. Wat er verder met Silo gebeurde, wordt in Samuël niet beschreven. Hier is Silo een waarschuwend voorbeeld: Yahweh liet ook Zijn eigen woonplaats vallen. Voetnoot : בָּרִאשׁוֹנָה (bari’shonah), ‘in het begin’: eerst, vroeger. Zie ook: Joz 18:1; Re 18:31; 1 Sam 4:10–11; Ps 78:60–64; Jer 26:6 **7:13** **En nu, omdat jullie al deze werken hebben gedaan, godsspraak van Yahweh: Ik sprak telkens weer tot jullie, maar jullie luisterden niet. Ik riep jullie, maar jullie antwoordden niet.** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | יַ֧עַן (yaan) = omdat | עֲשׂוֹתְכֶ֛ם (asotekhem) = jullie doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַמַּֽעֲשִׂ֥ים (hamaasim) = de werken | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וָאֲדַבֵּ֨ר (vaadaber) = en Ik sprak | אֲלֵיכֶ֜ם (aleikhem) = tot jullie | הַשְׁכֵּ֤ם (hashkem) = telkens weer | וְדַבֵּר֙ (vedaber) = en sprak | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | שְׁמַעְתֶּ֔ם (shematem) = jullie luisterden | וָאֶקְרָ֥א (vaeqra) = en Ik riep | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | עֲנִיתֶֽם (anitem) = jullie antwoordden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׁכֵּם וְדַבֵּר (hashkem vedaber), ‘telkens weer sprekend’: letterlijk ‘vroeg opstaand en sprekend’; Yahweh spreekt met grote ijver. Zo ook in vers 25 en Jer. 11:7. Zie ook: Spr 1:24; 2 Kron 36:15–16; Jes 65:12; Jer 7:25; Jer 11:7; Zach 7:13 **7:14** **Dan zal Ik met het huis, waarover Mijn naam is uitgeroepen en waarop jullie vertrouwen, doen zoals Ik met Silo gedaan heb. Zo ook met de plaats die Ik aan jullie en aan jullie vaders gegeven heb.** Brontekst: וְעָשִׂ֜יתִי (veasiti) = en Ik zal doen | לַבַּ֣יִת (labayit) = met het huis | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | נִֽקְרָא (niqra) = is uitgeroepen | שְׁמִ֣י (shemi) = Mijn naam | עָלָ֗יו (alav) = erover | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarop | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | בֹּטְחִ֣ים (botechim) = vertrouwend | בּ֔וֹ (bo) = erop | וְלַ֨מָּק֔וֹם (velamaqom) = en met de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik gaf | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | וְלַאֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם (velaavoteikhem) = en aan jullie vaders | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = Ik deed | לְשִׁלֽוֹ (leshilo) = met Silo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het huis (de tempel) en de plaats (Jeruzalem en het land) krijgen dezelfde behandeling als Silo. Wat hen veilig leek te maken, redt hen niet. In het Hebreeuws is dit één zin; wij splitsen hem en herhalen daarbij het werkwoord niet: ‘zo ook met de plaats’. Zie ook: Deut 28:52; Ps 78:60; 2 Kon 25:9; Jer 7:4; Jer 7:10 **7:15** **Ik zal jullie van Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al jullie broers heb weggeworpen, heel het zaad van Efraïm.’** Brontekst: וְהִשְׁלַכְתִּ֥י (vehishlakhti) = en Ik zal werpen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מֵעַ֣ל (meal) = van op | פָּנָ֑י (panay) = Mijn aangezicht | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | הִשְׁלַ֨כְתִּי֙ (hishlakhti) = Ik wierp | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֲחֵיכֶ֔ם (acheikhem) = jullie broers | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | זֶ֥רַע (zera) = zaad van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶרַע אֶפְרָיִם (zera Efrayim), ‘het zaad van Efraïm’: het noordelijke rijk Israël, dat door Assyrië werd weggevoerd (2 Kon. 17:6). Het wordt hier ‘jullie broers’ genoemd. Voetnoot : Met dit vers eindigt de boodschap die Jeremia in de poort moet uitroepen. Zie ook: 2 Kon 17:6; 2 Kon 17:23; Hos 9:16–17; Hos 14:1; Jer 15:1; Jer 52:3 ### Bid niet voor dit volk **7:16** **Jij nu, bid niet voor dit volk. Hef voor hen geen roep en geen gebed aan en dring niet bij Mij aan. Want Ik luister niet naar je.** Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en jij | אַל (al) = niet | תִּתְפַּלֵּ֣ל (titpalel) = bid | בְּעַד (bead) = voor | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | וְאַל (veal) = en niet | תִּשָּׂ֧א (tisa) = verhef | בַעֲדָ֛ם (baadam) = voor hen | רִנָּ֥ה (rina) = roep | וּתְפִלָּ֖ה (utefila) = en gebed | וְאַל (veal) = en niet | תִּפְגַּע (tifga) = dring aan | בִּ֑י (bi) = bij Mij | כִּי (ki) = want | אֵינֶ֥נִּי (eineni) = niet ben Ik | שֹׁמֵ֖עַ (shomea) = luisterend | אֹתָֽךְ (otakh) = naar jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is bijna gelijk aan Jer. 11:14. Yahweh verbiedt Jeremia te bidden voor het volk. Voetnoot : רִנָּה (rinnah), ‘roep’: een luide roep, soms van vreugde, hier van nood. Voetnoot : תִּפְגַּע בִּי (tifga bi), ‘dring niet bij Mij aan’: letterlijk ‘raak Mij niet aan’; het werkwoord פָּגַע (paga) wordt gebruikt voor tussenkomen en aandringen. Zie ook: Jes 1:15; Jer 11:14; Jer 14:11–12; Jer 15:1; Ezech 14:14–20 **7:17** **Zie je niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem?** Brontekst: הַֽאֵינְךָ֣ (haeinekha) = ziet gij niet | רֹאֶ֔ה (roe) = ziende | מָ֛ה (ma) = wat | הֵ֥מָּה (hema) = zij | עֹשִׂ֖ים (osim) = doen | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וּבְחֻצ֖וֹת (uvechutsot) = en op de straten van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Jer 6:27; Ezech 8:6–18; Ezech 14:23 ### De koningin van de hemel **7:18** **De kinderen rapen hout. De vaders steken het vuur aan. De vrouwen kneden deeg, om koeken te maken voor de koningin van de hemel. Zij gieten plengoffers uit voor andere goden, om Mij tot toorn te prikkelen.** Brontekst: הַבָּנִ֞ים (habanim) = de zonen | מְלַקְּטִ֣ים (melaqetim) = rapen bijeen | עֵצִ֗ים (etsim) = hout | וְהָֽאָבוֹת֙ (vehaavot) = en de vaders | מְבַעֲרִ֣ים (mevaarim) = steken aan | אֶת (et) = (obj.) | הָאֵ֔שׁ (haesh) = het vuur | וְהַנָּשִׁ֖ים (vehanashim) = en de vrouwen | לָשׁ֣וֹת (lashot) = kneden | בָּצֵ֑ק (batseq) = deeg | לַעֲשׂ֨וֹת (laasot) = om te maken | כַּוָּנִ֜ים (kavanim) = koeken | לִמְלֶ֣כֶת (limlekhet) = voor de koningin van | הַשָּׁמַ֗יִם (hashamayim) = de hemel | וְהַסֵּ֤ךְ (vehasekh) = en om uit te gieten | נְסָכִים֙ (nesakhim) = plengoffers | לֵאלֹהִ֣ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | לְמַ֖עַן (lemaan) = om | הַכְעִסֵֽנִי (hakhiseni) = Mij tot toorn te prikkelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּוָּנִים (kavvanim), ‘koeken’: een zeldzaam woord, ook in Jer. 44:19. Het gaat waarschijnlijk om offerbrood, mogelijk in een bijzondere vorm. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : לִמְלֶכֶת הַשָּׁמַיִם (limleket hashamayim), ‘voor de koningin van de hemel’: een godin die in de tekst niet bij naam wordt genoemd. Ze wordt vaak verbonden met de Mesopotamische Isjtar; dat is niet zeker. Zie ook Jer. 44:17–19. Voetnoot : De hele familie doet mee: kinderen, vaders en vrouwen. Voetnoot : הַכְעִסֵנִי (hakh’iseni), ‘om Mij tot toorn te prikkelen’: zoals 2 Kon. 21:6. Zie ook: 1 Kon 14:9; 1 Kon 16:2; 2 Kon 21:6; Jer 19:13; Jer 44:17–19; Jer 44:19; 1 Kor 10:22 **7:19** **Prikkelen zij Mij tot toorn, godsspraak van Yahweh? Is het niet henzelf, tot schaamte van hun eigen gezicht?”** Brontekst: הַאֹתִ֛י (haoti) = is het Mij | הֵ֥ם (hem) = zij | מַכְעִסִ֖ים (makhisim) = prikkelen tot toorn | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הֲל֣וֹא (halo) = is het niet | אֹתָ֔ם (otam) = henzelf | לְמַ֖עַן (lemaan) = om | בֹּ֥שֶׁת (boshet) = schaamte van | פְּנֵיהֶֽם (peneihem) = hun gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh stelt een vraag waarop het antwoord ‘nee’ is: zij schaden vooral zichzelf. Hiermee eindigt de eerste toespraak (verzen 2–19). Zie ook: Job 35:6; Jer 9:18; Ezech 8:17–18; Dan 9:7–8; 1 Kor 10:22 **7:20** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Mijn toorn en Mijn woede worden uitgegoten over deze plaats, over mens en dier, over de bomen van het veld en de vrucht van de grond. Het zal branden en niet worden gedoofd.”** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אַפִּ֤י (api) = Mijn toorn | וַֽחֲמָתִי֙ (vachamati) = en Mijn woede | נִתֶּ֨כֶת֙ (nitekhet) = wordt uitgegoten | אֶל (el) = over | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | עַל (al) = over | הָֽאָדָם֙ (haadam) = de mens | וְעַל (veal) = en over | הַבְּהֵמָ֔ה (habehema) = het dier | וְעַל (veal) = en over | עֵ֥ץ (ets) = boom van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | וְעַל (veal) = en over | פְּרִ֣י (peri) = vrucht van | הָֽאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | וּבָעֲרָ֖ה (uvaara) = en zal branden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִכְבֶּֽה (tikhbe) = wordt gedoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jer. 1:6. Voetnoot : נִתֶּכֶת (nittekhet), ‘wordt uitgegoten’: van נָתַךְ (natak), een beeld van gesmolten metaal of van een stortregen. Voetnoot : De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart; de rede erna is rood. Zie ook: Jes 42:25; Nah 1:6; Jer 1:6; Jer 17:27; Jer 42:18; Klaagl 2:3–5 ### Gehoorzaamheid, geen offers **7:21** Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Voeg jullie brandoffers toe aan jullie slachtoffers en eet vlees.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עֹלוֹתֵיכֶ֛ם (oloteikhem) = jullie brandoffers | סְפ֥וּ (sefu) = voeg toe | עַל (al) = aan | זִבְחֵיכֶ֖ם (zivcheikhem) = jullie slachtoffers | וְאִכְל֥וּ (veikhlu) = en eet | בָשָֽׂר (basar) = vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹלוֹתֵיכֶם סְפוּ עַל זִבְחֵיכֶם (oloteikhem sefu al zivcheikhem), ‘voeg jullie brandoffers toe aan jullie slachtoffers’: een spottende opdracht. Een brandoffer werd helemaal verbrand (Lev. 1), van een slachtoffer at men zelf (Lev. 7). Yahweh zegt: eet het maar allemaal zelf, Hij wil ze niet. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Zie ook: Amos 5:21–23; Hos 8:13; Jes 1:11–15; Jer 2:19; Jer 6:20 **7:22** **Want Ik sprak niet tot jullie vaders en gebood hun niets over brandoffer en slachtoffer, op de dag dat Ik hen uit Egypte deed uittrekken.** Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | דִבַּ֤רְתִּי (dibarti) = Ik sprak | אֶת (et) = met | אֲבֽוֹתֵיכֶם֙ (avoteikhem) = jullie vaders | וְלֹ֣א (velo) = en niet | צִוִּיתִ֔ים (tsivitim) = Ik gebood hen | בְּי֛וֹם (beyom) = op de dag | הוֹצִיאִ֥י (hotsii) = Mijn uitleiden | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | עַל (al) = over | דִּבְרֵ֥י (divrei) = zaken van | עוֹלָ֖ה (ola) = brandoffer | וָזָֽבַח (vazavach) = en slachtoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Yahweh zegt niet dat de offerwetten (Lev. 1–7) niet bestonden. Het Hebreeuws zegt ‘over zaken van brandoffer en slachtoffer’. Hij wil in de eerste plaats gehoorzaamheid (vers 23); vergelijk Hos. 6:6 en 1 Sam. 15:22. Zie ook: 1 Sam 15:22; Ps 50:8–17; Ps 51:18–19; Hos 6:6; Jer 7:23; Mat 9:13 **7:23** **Maar dit woord heb Ik hun geboden: ‘Luister naar Mijn stem, dan zal Ik jullie Elohim zijn en zullen jullie Mijn volk zijn. Loop op heel de weg die Ik jullie gebied, zodat het goed met jullie gaat.’** Brontekst: כִּ֣י (ki) = maar | אִֽם (im) = als | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַ֠זֶּה (haze) = dit | צִוִּ֨יתִי (tsiviti) = Ik gebood | אוֹתָ֤ם (otam) = hen | לֵאמֹר֙ (lemor) = zeggend | שִׁמְע֣וּ (shimu) = luistert | בְקוֹלִ֔י (beqoli) = naar Mijn stem | וְהָיִ֤יתִי (vehayiti) = en Ik zal zijn | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לֵֽאלֹהִ֔ים (lElohim) = tot Elohim | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | תִּֽהְיוּ (tihyu) = zullen zijn | לִ֣י (li) = voor Mij | לְעָ֑ם (leam) = tot volk | וַהֲלַכְתֶּ֗ם (vahalakhtem) = en loopt | בְּכָל (bekhal) = op heel | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אֲצַוֶּ֣ה (atsave) = Ik gebied | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | יִיטַ֥ב (yitav) = goed gaat | לָכֶֽם (lakhem) = het voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de verbondsformule: ‘Ik zal jullie Elohim zijn en jullie zullen Mijn volk zijn’ (Lev. 26:12; zie ook Jer. 11:4). Gehoorzaamheid komt eerst. Zie ook: Ex 15:26; Ex 19:5–6; Lev 26:12; Deut 5:33; Jer 11:4; Jer 42:6; Heb 5:9 **7:24** **Maar zij luisterden niet en neigden hun oor niet. Zij liepen in eigen raadgevingen, in de hardnekkigheid van hun boze hart, en gingen achteruit en niet vooruit.** Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | שָֽׁמְעוּ֙ (shameu) = zij luisterden | וְלֹֽא (velo) = en niet | הִטּ֣וּ (hitu) = zij neigden | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנָ֔ם (azenam) = hun oor | וַיֵּֽלְכוּ֙ (vayelekhu) = en zij liepen | בְּמֹ֣עֵצ֔וֹת (bemoetsot) = in raadgevingen | בִּשְׁרִר֖וּת (bishrirut) = in hardnekkigheid van | לִבָּ֣ם (libam) = hun hart | הָרָ֑ע (hara) = het boze | וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en zij werden | לְאָח֖וֹר (leachor) = achteruit | וְלֹ֥א (velo) = en niet | לְפָנִֽים (lefanim) = vooruit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמֹעֵצוֹת (bemo’etsot), ‘in raadgevingen’: het eigen overleg van het hart, in plaats van de raad van Yahweh. Voetnoot : בִּשְׁרִרוּת לִבָּם (bishrirut libbam), ‘in de hardnekkigheid van hun hart’: zoals Jer. 11:8. Voetnoot : לְאָחוֹר וְלֹא לְפָנִים (le’achor velo lefanim), ‘achteruit en niet vooruit’: terug in plaats van verder. Zie ook: Deut 29:18; Ps 81:12–13; Jer 7:26; Jer 8:5; Jer 11:8; Jer 32:33 **7:25** **Vanaf de dag dat jullie vaders uit Egypte zijn uitgetrokken tot op deze dag heb Ik al Mijn knechten, de profeten, naar jullie gezonden. Dag na dag, telkens weer.** Brontekst: לְמִן (lemin) = vanaf | הַיּ֗וֹם (hayom) = de dag | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יָצְא֤וּ (yatseu) = zij uittrokken | אֲבֽוֹתֵיכֶם֙ (avoteikhem) = jullie vaders | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וָאֶשְׁלַ֤ח (vaeshlach) = en Ik zond | אֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = naar jullie | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עֲבָדַ֣י (avaday) = Mijn knechten | הַנְּבִיאִ֔ים (haneviim) = de profeten | י֖וֹם (yom) = dag | הַשְׁכֵּ֥ם (hashkem) = telkens weer | וְשָׁלֹֽחַ (veshaloach) = en zendend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: עֲבָדַי הַנְּבִיאִים (avadai hannevi’im), ‘Mijn knechten, de profeten’: zo noemt Yahweh de profeten ook in 2 Kon. 17:13 en 17:23, waar hetzelfde Hebreeuws met ‘dienaren’ is vertaald. Voetnoot : הַשְׁכֵּם וְשָׁלֹחַ (hashkem veshalo’ach), ‘telkens weer’: letterlijk ‘vroeg opstaand en zendend’; zie vers 13. Zie ook: 2 Kon 17:13; 2 Kon 17:23; 2 Kron 36:15; Jer 7:13; Jer 25:4; Neh 9:26; Luc 20:10–12 **7:26** **Maar zij luisterden niet naar Mij en neigden hun oor niet. Zij verhardden hun nek en deden erger dan hun vaders.** Brontekst: וְל֤וֹא (velo) = en niet | שָׁמְעוּ֙ (shameu) = zij luisterden | אֵלַ֔י (elay) = naar Mij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הִטּ֖וּ (hitu) = zij neigden | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנָ֑ם (azenam) = hun oor | וַיַּקְשׁוּ֙ (vayaqshu) = en zij verhardden | אֶת (et) = (obj.) | עָרְפָּ֔ם (arpam) = hun nek | הֵרֵ֖עוּ (hereu) = zij deden erger | מֵאֲבוֹתָֽם (meavotam) = dan hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּקְשׁוּ אֶת עָרְפָּם (vayaqshu et orpam), ‘zij verhardden hun nek’: een ‘stijve nek’ is het beeld van koppigheid (Exod. 32:9; Deut. 10:16). Zie ook: Ex 32:9; Deut 10:16; 2 Kron 30:8; Jer 16:12; Jer 17:23; Jer 19:15; Mat 23:32 **7:27** **Je zult al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen niet naar je luisteren. Je zult hen roepen, maar zij zullen je niet antwoorden.** Brontekst: וְדִבַּרְתָּ֤ (vedibarta) = en je zult spreken | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | יִשְׁמְע֖וּ (yishmeu) = zij zullen luisteren | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = naar jou | וְקָרָ֥אתָ (veqarata) = en je zult roepen | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | יַעֲנֽוּכָה (yaanukha) = zij zullen je antwoorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 50:2; Jes 65:12; Jer 1:7; Jer 26:2; Zach 7:13 **7:28** **Zeg tot hen: ‘Dit is het volk dat niet geluisterd heeft naar de stem van Yahweh, zijn Elohim, en geen tucht heeft aangenomen. De trouw is verloren gegaan en uit hun mond verdwenen.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | זֶ֤ה (ze) = dit | הַגּוֹי֙ (hagoy) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֽוֹא (lo) = niet | שָׁמְע֗וּ (shameu) = heeft geluisterd | בְּקוֹל֙ (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָ֔יו (elohav) = zijn Elohim | וְלֹ֥א (velo) = en niet | לָקְח֖וּ (laqechu) = heeft aangenomen | מוּסָ֑ר (musar) = tucht | אָֽבְדָה֙ (aveda) = is verloren | הָֽאֱמוּנָ֔ה (haemuna) = de trouw | וְנִכְרְתָ֖ה (venikhreta) = en is afgesneden | מִפִּיהֶֽם (mipihem) = uit hun mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘tucht’: onderwijs en correctie. Voetnoot : הָאֱמוּנָה (ha’emunah), ‘de trouw’: betrouwbaarheid in de omgang met elkaar en met Yahweh. Het is een ander woord dan חֶסֶד (chesed), dat wij ook met ‘trouw’ vertalen. Voetnoot : De verzen 28 en 29 vormen samen het woord dat Jeremia tot het volk moet zeggen. Zie ook: Spr 1:7; Jes 1:4–5; Jes 59:14–15; Sef 3:2; Jer 32:33 ### Knip je haar af **7:29** **Knip je haarlok af en werp hem weg. Hef een klaagzang aan op de kale heuvels, want Yahweh heeft het geslacht van Zijn grimmigheid verworpen en verlaten.’** Brontekst: גָּזִּ֤י (gazi) = knip af | נִזְרֵךְ֙ (nizrekh) = je haarlok | וְֽהַשְׁלִ֔יכִי (vehashlikhi) = en werp weg | וּשְׂאִ֥י (usei) = en hef aan | עַל (al) = op | שְׁפָיִ֖ם (shefayim) = kale heuvels | קִינָ֑ה (qina) = klaagzang | כִּ֚י (ki) = want | מָאַ֣ס (maas) = heeft verworpen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּטֹּ֖שׁ (vayitosh) = en heeft verlaten | אֶת (et) = (obj.) | דּ֥וֹר (dor) = het geslacht van | עֶבְרָתֽוֹ (evrato) = Zijn grimmigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּזִּי (gozzi), ‘knip af’: de vorm is vrouwelijk enkelvoud; Jeruzalem wordt aangesproken (zoals Jer. 4:30). Voetnoot : נִזְרֵךְ (nizrekh), ‘je haarlok’: letterlijk ‘je wijding’, het lange haar van een nazireeër (Num. 6:5, 6:18). Het afknippen is een teken van rouw. Voetnoot : שְׁפָיִם (shefayim), ‘kale heuvels’: heuvels zonder bomen, waar afgodsdienst bedreven werd (zoals Jer. 3:2). Voetnoot : דּוֹר עֶבְרָתוֹ (dor evrato), ‘het geslacht van Zijn grimmigheid’: de generatie waarop Yahweh’s grimmigheid rust. Zie ook: Job 1:20; Num 6:5; Num 6:18; Mi 1:16; Jer 3:2; Jer 4:30; Jer 6:30; Jer 16:6; Hand 2:40 **7:30** **Want de zonen van Juda hebben gedaan wat kwaad is in Mijn ogen, godsspraak van Yahweh. Zij hebben hun gruwelbeelden gezet in het huis waarover Mijn naam is uitgeroepen, om het onrein te maken.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עָשׂ֨וּ (asu) = hebben gedaan | בְנֵי (benei) = zonen van | יְהוּדָ֥ה (yehuda) = Juda | הָרַ֛ע (hara) = het kwade | בְּעֵינַ֖י (beeinay) = in Mijn ogen | נְאֻום (neuvm) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | שָׂ֣מוּ (samu) = zij hebben gezet | שִׁקּֽוּצֵיהֶ֗ם (shiqutseihem) = hun gruwelbeelden | בַּבַּ֛יִת (babayit) = in het huis | אֲשֶׁר (asher) = waarover | נִקְרָא (niqra) = is uitgeroepen | שְׁמִ֥י (shemi) = Mijn naam | עָלָ֖יו (alav) = erover | לְטַמְּאֽוֹ (letameo) = om het onrein te maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁקּוּצֵיהֶם (shiqqutseihem), ‘hun gruwelbeelden’: שִׁקּוּץ (shiqquts) is iets wat Yahweh afschuwelijk vindt, vaak een afgod. Ze staan in de tempel zelf; vergelijk 2 Kon. 21:4–7. Zie ook: 2 Kon 21:4–7; 2 Kon 21:7; 2 Kron 33:4–5; Jer 32:34; Ezech 7:20; Dan 9:27 ### Tofet en het Dal van de Slachting **7:31** **Zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, dat in het dal van Ben-Hinnom ligt, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden. Dat heb Ik niet geboden en het is niet in Mijn hart opgekomen.** Brontekst: וּבָנ֞וּ (uvanu) = en zij hebben gebouwd | בָּמ֣וֹת (bamot) = hoogten van | הַתֹּ֗פֶת (hatofet) = Tofet | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | בְּגֵ֣יא (begei) = in het dal van | בֶן (ben) = zoon van | הִנֹּ֔ם (hinom) = Hinnom | לִשְׂרֹ֛ף (lisrof) = om te verbranden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶ֥ם (beneihem) = hun zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֹתֵיהֶ֖ם (benoteihem) = hun dochters | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | אֲשֶׁר֙ (asher) = wat | לֹ֣א (lo) = niet | צִוִּ֔יתִי (tsiviti) = Ik gebood | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָלְתָ֖ה (aleta) = is opgekomen | עַל (al) = in | לִבִּֽי (libi) = Mijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Voetnoot Uitleg: תֹּפֶת (Tofet): een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem; zie 2 Kon. 23:10 en Jes. 30:33. De betekenis van de naam is onzeker. Voetnoot : בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen. Voetnoot : Het verbranden van kinderen is verboden (Lev. 18:21; Deut. 12:31); het stond ook in 2 Kon. 16:3 en 21:6. Yahweh zegt dat Hij het nooit geboden heeft en dat het niet in Zijn hart opkwam. Vergelijk Jer. 19:5 en 32:35. Zie ook: Lev 18:21; Deut 12:31; 2 Kon 16:3; 2 Kon 17:17; 2 Kon 21:6; 2 Kon 23:10; Jes 30:33; Jer 19:5–6; Jer 32:35 **7:32** **Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh. Dan zal men niet meer zeggen ‘de Tofet’ en ‘het dal van Ben-Hinnom’, maar ‘het Dal van de Slachting’. Men zal in Tofet begraven, omdat er geen plaats meer is.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | הִנֵּֽה (hine) = zie | יָמִ֤ים (yamim) = dagen | בָּאִים֙ (baim) = komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹא (velo) = en niet | יֵאָמֵ֨ר (yeamer) = zal gezegd worden | ע֤וֹד (od) = meer | הַתֹּ֨פֶת֙ (hatofet) = de Tofet | וְגֵ֣יא (vegei) = en dal van | בֶן (ben) = zoon van | הִנֹּ֔ם (hinom) = Hinnom | כִּ֖י (ki) = maar | אִם (im) = als | גֵּ֣יא (gei) = dal van | הַהֲרֵגָ֑ה (haharega) = de slachting | וְקָבְר֥וּ (veqaveru) = en zij zullen begraven | בְתֹ֖פֶת (betofet) = in Tofet | מֵאֵ֥ין (meein) = omdat niet is | מָקֽוֹם (maqom) = plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Voetnoot Uitleg: De naam van de plaats verandert: ‘de Tofet’ en ‘het dal van Ben-Hinnom’ worden ‘het Dal van de Slachting’ (גֵּיא הַהֲרֵגָה, gei haharegah). Het dal wordt een massagraf. Men moet in Tofet begraven omdat elders geen plaats is. Zie ook: Lev 26:30; 2 Kon 23:10; Jer 19:6; Jer 19:11; Jer 19:13 **7:33** **Het lijk van dit volk zal tot voedsel zijn voor de vogels van de hemel en voor de dieren van de aarde. Niemand zal ze wegjagen.** Brontekst: וְֽהָ֨יְתָ֜ה (vehayeta) = en zal zijn | נִבְלַ֨ת (nivlat) = lijk van | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | לְמַֽאֲכָ֔ל (lemaakhal) = tot voedsel | לְע֥וֹף (leof) = voor de vogels van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְבֶהֱמַ֣ת (ulevehemat) = en voor het dier van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְאֵ֖ין (veein) = en niet is er | מַחֲרִֽיד (macharid) = wie wegjaagt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een lijk zonder graf dat door vogels en dieren wordt opgegeten, is de ergste vloek van het verbond; zie Deut. 28:26. מַחֲרִיד (macharid), ‘wie wegjaagt’: niemand zal ze weg kunnen schrikken. Zie ook: Deut 28:26; Jer 12:9; Jer 16:4; Jer 19:7; Openb 19:17–18 **7:34** **Ik zal uit de steden van Juda en van de straten van Jeruzalem het geluid van vreugde en het geluid van blijdschap laten ophouden, het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid. Want het land zal een ruïne worden.** Brontekst: וְהִשְׁבַּתִּ֣י (vehishbati) = en Ik doe ophouden | מֵעָרֵ֣י (mearei) = uit de steden van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וּמֵֽחֻצוֹת֙ (umechutsot) = en van de straten van | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | ק֤וֹל (qol) = geluid van | שָׂשׂוֹן֙ (sason) = vreugde | וְק֣וֹל (veqol) = en geluid van | שִׂמְחָ֔ה (simcha) = blijdschap | ק֥וֹל (qol) = geluid van | חָתָ֖ן (chatan) = bruidegom | וְק֣וֹל (veqol) = en geluid van | כַּלָּ֑ה (kala) = bruid | כִּ֥י (ki) = want | לְחָרְבָּ֖ה (lecharba) = tot ruïne | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Bijna dezelfde woorden staan in Jer. 16:9 en 25:10. Het Hebreeuws heeft hier één lange zin; wij beginnen ‘Want het land zal een ruïne worden’ als nieuwe zin. Vreugde en bruiloft verdwijnen uit de steden; het land wordt een ruïne (לְחָרְבָּה, lecharbah). Voetnoot : Hier eindigt de toespraak niet: ze loopt door in Jer. 8:1–3. Zie ook: Hos 2:13; Jes 24:7–8; Jer 8:1–3; Jer 16:9; Jer 25:10; Ezech 26:13; Openb 18:23 ## Jeremia 8 _Afvalligheid, vals recht en de klacht om de breuk van het volk_ ### De graven worden geopend **8:1** **In die tijd, godsspraak van Yahweh, zal men de beenderen van de koningen van Juda uit hun graven halen, en de beenderen van zijn oversten, de beenderen van de priesters, de beenderen van de profeten en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem.** Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֣יא (hahi) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | יוֹצִ֣יאוּ (yotsiu) = zullen uithalen | אֶת (et) = (obj.) | עַצְמ֣וֹת (atsmot) = beenderen van | מַלְכֵֽי (malkhei) = koningen van | יְהוּדָ֣ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַצְמוֹת (atsmot) = beenderen van | שָׂרָיו֩ (sarav) = zijn oversten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַצְמ֨וֹת (atsmot) = beenderen van | הַכֹּהֲנִ֜ים (hakohanim) = de priesters | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | עַצְמ֣וֹת (atsmot) = beenderen van | הַנְּבִיאִ֗ים (haneviim) = de profeten | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | עַצְמ֥וֹת (atsmot) = beenderen van | יוֹשְׁבֵֽי (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִָ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מִקִּבְרֵיהֶֽם (miqivreihem) = uit hun graven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers zet de toespraak van Jer. 7:21–34 voort. Het openbreken van graven en het uitspreiden van de beenderen is een diepe schande: wie niet begraven wordt, vindt geen rust (vergelijk Jer. 7:33 en Deut. 28:26). Zie ook: Deut 28:26; 1 Kon 13:2; Amos 2:1; Jer 7:21–34; Jer 7:32–34; Jer 7:33; Ezech 6:5; Ezech 37:1 **8:2** **Men zal ze uitspreiden voor de zon, de maan en heel het leger van de hemel, die zij liefhadden, die zij dienden, achter wie zij aan liepen, die zij raadpleegden en voor wie zij zich neerbogen. Ze worden niet verzameld en niet begraven. Ze zullen als mest zijn op de grond.** Brontekst: וּשְׁטָחוּם֩ (ushetachum) = en zij zullen uitspreiden hen | לַשֶּׁ֨מֶשׁ (lashemesh) = voor de zon | וְלַיָּרֵ֜חַ (velayareach) = en voor de maan | וּלְכֹ֣ל (ulekhol) = en voor heel | צְבָ֣א (tseva) = leger van | הַשָּׁמַ֗יִם (hashamayim) = de hemel | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אֲהֵב֜וּם (ahevum) = zij liefhadden hen | וַאֲשֶׁ֤ר (vaasher) = en die | עֲבָדוּם֙ (avadum) = zij dienden hen | וַֽאֲשֶׁר֙ (vaasher) = en die | הָלְכ֣וּ (halekhu) = zij liepen | אַֽחֲרֵיהֶ֔ם (achareihem) = achter hen | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en die | דְּרָשׁ֔וּם (derashum) = zij raadpleegden hen | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en die | הִֽשְׁתַּחֲו֖וּ (hishtachavu) = zij bogen zich neer | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | לֹ֤א (lo) = niet | יֵאָֽסְפוּ֙ (yeasefu) = zullen verzameld worden | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִקָּבֵ֔רוּ (yiqaveru) = zullen begraven worden | לְדֹ֛מֶן (ledomen) = tot mest | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | יִֽהְיֽוּ (yihyu) = zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּלְכֹל צְבָא הַשָּׁמַיִם (ulekhol tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de sterren, aanbeden als goden. Zie ook 2 Kon. 21:3 en 21:5. Voetnoot : לְדֹמֶן (domen), ‘mest’: de lijken liggen verspreid als mest op het land. Voetnoot : De vijf werkwoorden (liefhebben, dienen, achterna lopen, raadplegen, zich neerbuigen) beschrijven de hele eredienst van de sterrengoden. Zie ook: Deut 4:19; 2 Kon 21:3; 2 Kon 21:5; 2 Kon 23:5; Sef 1:5; Jer 9:21; Hand 7:42 **8:3** **Dan wordt de dood verkozen boven het leven door al de overgeblevenen van deze boze familie, op alle plaatsen waar de overgeblevenen zijn. Ik heb hen daarheen verdreven, godsspraak van Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: וְנִבְחַ֥ר (venivchar) = en zal gekozen worden | מָ֨וֶת֙ (mavet) = dood | מֵֽחַיִּ֔ים (mechayim) = boven leven | לְכֹ֗ל (lekhol) = door al | הַשְּׁאֵרִית֙ (hasheerit) = de overgeblevenen | הַנִּשְׁאָרִ֔ים (hanisharim) = die overblijven | מִן (min) = van | הַמִּשְׁפָּחָ֥ה (hamishpacha) = de familie | הָֽרָעָ֖ה (haraa) = de boze | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | בְּכָל (bekhal) = op alle | הַמְּקֹמ֤וֹת (hameqomot) = de plaatsen | הַנִּשְׁאָרִים֙ (hanisharim) = die overblijven | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarheen | הִדַּחְתִּ֣ים (hidachtim) = Ik heb hen verdreven | שָׁ֔ם (sham) = daar | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּשְׁפָּחָה (mishpachah), ‘familie’: hier het hele overgebleven volk. De overgeblevenen (she’erit) in de ballingschap kiezen liever de dood dan het leven. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier één zin; wij splitsen ‘waarheen Ik hen verdreven heb’ af als ‘Ik heb hen daarheen verdreven’. Voetnoot : Hiermee eindigt de toespraak die in Jer. 7:21 begon. Zie ook: Job 7:15–16; Jer 2:19; Jer 7:21; Jer 23:3; Jer 23:8; Jer 29:14; Openb 9:6 ### Vallen en niet opstaan **8:4** **„Zeg tot hen: ‘Zo zegt Yahweh: Als mensen vallen, staan zij dan niet weer op? Als iemand zich afkeert, keert hij dan niet terug?** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֲיִפְּל֖וּ (hayipelu) = vallen zij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָק֑וּמוּ (yaqumu) = staan zij op | אִם (im) = of | יָשׁ֖וּב (yashuv) = keert hij terug | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָשֽׁוּב (yashuv) = keert hij terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een nieuwe toespraak begint. Het werkwoord שׁוּב (shuv) betekent zowel ‘zich afkeren’ als ‘terugkeren’; het Hebreeuws speelt daarmee in de verzen 4–6. In vers 4 staat het twee keer: יָשׁוּב (yashuv) en יָשׁוּב (yashuv). Zie ook: Spr 24:16; Hos 6:1; Jes 55:7; Mi 7:8; Jer 3:1 **8:5** **Waarom heeft dit volk, Jeruzalem, zich afgekeerd in blijvende afvalligheid? Zij houden vast aan bedrog. Zij weigeren terug te keren.** Brontekst: מַדּ֨וּעַ (madua) = waarom | שׁוֹבְבָ֜ה (shoveva) = heeft zich afgekeerd | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֛ה (haze) = dit | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מְשֻׁבָ֣ה (meshuva) = afvalligheid | נִצַּ֑חַת (nitsachat) = blijvend | הֶחֱזִ֨יקוּ֙ (hecheziqu) = zij houden vast | בַּתַּרְמִ֔ית (batarmit) = aan bedrog | מֵאֲנ֖וּ (meanu) = zij weigeren | לָשֽׁוּב (lashuv) = terug te keren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שׁוֹבְבָה (shovevah), ‘heeft zich afgekeerd’ en מְשֻׁבָה (meshuvah), ‘afvalligheid’: beide van het werkwoord שׁוּב (shuv), dat ook ‘terugkeren’ betekent. Het volk heeft zich van Yahweh afgekeerd en keert niet terug. Voetnoot : בַּתַּרְמִית (batarmit), ‘aan bedrog’: het woord תַּרְמִית (tarmit) betekent ‘bedrog, misleiding’. Zie ook: Hos 11:7; Jer 5:3; Jer 9:5; Zach 7:11; Joh 5:40 **8:6** **Ik heb opgelet en geluisterd: zij spreken niet juist. Niemand heeft berouw over zijn kwaad en zegt: „Wat heb ik gedaan?” Ieder keert terug naar zijn eigen loop, als een paard dat de strijd in stormt.** Brontekst: הִקְשַׁ֤בְתִּי (hiqshavti) = ik heb opgelet | וָֽאֶשְׁמָע֙ (vaeshma) = en ik heb gehoord | לוֹא (lo) = niet | כֵ֣ן (ken) = juist | יְדַבֵּ֔רוּ (yedaberu) = zij spreken | אֵ֣ין (ein) = niet is er | אִ֗ישׁ (ish) = man | נִחָם֙ (nicham) = die berouw heeft | עַל (al) = over | רָ֣עָת֔וֹ (raato) = zijn kwaad | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggend | מֶ֣ה (me) = wat | עָשִׂ֑יתִי (asiti) = ik heb gedaan | כֻּלֹּ֗ה (kulo) = ieder | שָׁ֚ב (shav) = keert terug | בִּמְר֣וּצָתָ֔ם (bimrutsatam) = in hun loop | כְּס֥וּס (kesus) = als een paard | שׁוֹטֵ֖ף (shotef) = stormend | בַּמִּלְחָמָֽה (bamilchama) = in de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִחָם (nicham), ‘heeft berouw’: het werkwoord נָחַם (nacham) in de lijdende vorm. Bij een mens is dat ‘berouw hebben’; van Yahweh zeggen wij ‘Zich laten rouwen’. Voetnoot : בִּמְרוּצָתָם (bimrutsatam), ‘in hun loop’: de baan, de koers. Ieder gaat zijn eigen weg, als een paard dat het slagveld in stormt. Zie ook: Ps 14:2; Jes 30:18; Ezech 18:28; Luc 15:17–19; 2 Petr 3:9 ### De ooievaar kent haar tijden **8:7** **Zelfs de ooievaar in de hemel kent haar vaste tijden. De tortelduif, de zwaluw en de kraanvogel houden de tijd van hun komst in acht. Maar Mijn volk kent het recht van Yahweh niet.** Brontekst: גַּם (gam) = zelfs | חֲסִידָ֣ה (chasida) = ooievaar | בַשָּׁמַ֗יִם (bashamayim) = in de hemel | יָֽדְעָה֙ (yadea) = kent | מֽוֹעֲדֶ֔יהָ (moadeiha) = haar vaste tijden | וְתֹ֤ר (vetor) = en tortelduif | וְסִיס֙ (vesis) = en zwaluw | וְעָג֔וּר (veagur) = en kraanvogel | שָׁמְר֖וּ (shameru) = houden in acht | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֣ת (et) = tijd van | בֹּאָ֑נָה (boana) = hun komst | וְעַמִּ֕י (veami) = en Mijn volk | לֹ֣א (lo) = niet | יָֽדְע֔וּ (yadeu) = kennen zij | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִשְׁפַּ֥ט (mishpat) = recht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vier vogels die op vaste tijden trekken. חֲסִידָה (chasidah), ‘ooievaar’, zoals Lev. 11:19; וְתֹר (tor), ‘tortelduif’ (zoals Hoogl. 2:12); וְסִיס (sis), ‘zwaluw’ (of gierzwaluw); וְעָגוּר (agur), ‘kraanvogel’ (zoals Jes. 38:14). De vogelnamen zijn niet allemaal zeker. Voetnoot : מוֹעֲדֶיהָ (mo’adeiha), ‘haar vaste tijden’: hetzelfde woord als voor de feesttijden van Yahweh, de ‘afgesproken tijden’. Voetnoot : מִשְׁפַּט (mishpat), ‘recht’: de orde die Yahweh gegeven heeft. De vogels volgen die orde; het volk niet. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is וסוס (vesus), ‘en paard’; de overlevering (qere) leest וְסִיס (vesis), ‘en zwaluw’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Lev 11:19; Hoogl 2:12; Spr 6:6–8; Jes 1:3; Jes 5:12; Jes 38:14; Jer 5:4–5 **8:8** **Hoe kunnen jullie zeggen: „Wij zijn wijs, en de wet van Yahweh is bij ons”? Maar zie, tot leugen heeft de leugenpen van de schrijvers haar gemaakt.** Brontekst: אֵיכָ֤ה (eikha) = hoe | תֹֽאמְרוּ֙ (tomru) = zeggen jullie | חֲכָמִ֣ים (chakhamim) = wijzen | אֲנַ֔חְנוּ (anachnu) = wij | וְתוֹרַ֥ת (vetorat) = en wet van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אִתָּ֑נוּ (itanu) = met ons | אָכֵן֙ (akhen) = echter | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | לַשֶּׁ֣קֶר (lasheqer) = tot leugen | עָשָׂ֔ה (asa) = heeft gemaakt | עֵ֖ט (et) = pen van | שֶׁ֥קֶר (sheqer) = leugen | סֹפְרִֽים (soferim) = schrijvers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְתוֹרַת יְהוָה (vetorat Yahweh), ‘de wet van Yahweh’: תּוֹרָה (torah) is wet en onderwijs. Het volk beroept zich op de wet. Voetnoot : Het Hebreeuws van het tweede deel is kort en moeilijk: letterlijk ‘tot leugen heeft gemaakt de pen van leugen, de schrijvers’. Wij begrijpen het zo: de schrijvers hebben met hun pen de wet tot leugen gemaakt. Zie ook: Job 5:12–13; Jes 10:1–2; Mat 15:6; Joh 9:41; 1 Kor 3:18–20 **8:9** **De wijzen worden beschaamd, ontzet en gevangen. Zie, het woord van Yahweh hebben zij verworpen. Welke wijsheid hebben zij dan?** Brontekst: הֹבִ֣ישׁוּ (hovishu) = zijn beschaamd | חֲכָמִ֔ים (chakhamim) = wijzen | חַ֖תּוּ (chatu) = zijn ontzet | וַיִּלָּכֵ֑דוּ (vayilakhedu) = en zijn gevangen | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | בִדְבַר (bidvar) = het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מָאָ֔סוּ (maasu) = zij hebben verworpen | וְחָכְמַֽת (vechakhemat) = en wijsheid van | מֶ֖ה (me) = wat | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘wijzen’ zijn de leraren die het volk adviseren. Wie het woord van Yahweh verwerpt, heeft geen wijsheid. Zie ook: Job 5:12; Deut 4:6; Ps 19:8; Ps 119:98–100; Jer 6:15 ### Vrede, vrede, maar er is geen vrede **8:10** **Daarom geef Ik hun vrouwen aan anderen, hun akkers aan nieuwe bezitters. Want van de kleinste tot de grootste is ieder van hen uit op winst. Van profeet tot priester pleegt ieder bedrog.** Brontekst: לָכֵן֩ (lakhen) = daarom | אֶתֵּ֨ן (eten) = Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | נְשֵׁיהֶ֜ם (nesheihem) = hun vrouwen | לַאֲחֵרִ֗ים (laacherim) = aan anderen | שְׂדֽוֹתֵיהֶם֙ (sedoteihem) = hun akkers | לְי֣וֹרְשִׁ֔ים (leyoreshim) = aan bezitters | כִּ֤י (ki) = want | מִקָּטֹן֙ (miqaton) = van kleinste | וְעַד (vead) = en tot | גָּד֔וֹל (gadol) = grootste | כֻּלֹּ֖ה (kulo) = ieder van hen | בֹּצֵ֣עַ (botsea) = uit op | בָּ֑צַע (batsa) = winst | מִנָּבִיא֙ (minavi) = van profeet | וְעַד (vead) = en tot | כֹּהֵ֔ן (kohen) = priester | כֻּלֹּ֖ה (kulo) = ieder van hen | עֹ֥שֶׂה (ose) = pleegt | שָּֽׁקֶר (shaqer) = bedrog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers en de verzen 11 en 12 komen bijna woordelijk overeen met Jer. 6:12–15. Hier begint het met ‘Daarom geef Ik hun vrouwen aan anderen’; in Jer. 6:12 staat ‘Hun huizen gaan over naar anderen’. Vanaf ‘Want van de kleinste tot de grootste’ is het vers gelijk aan Jer. 6:13. Zie ook: Sef 1:13; Jer 6:12–13; Jer 6:13; Jer 23:11–17; Ezech 33:31; Tit 1:11 **8:11** **Zij genezen de breuk van de Dochter van Mijn volk lichtvaardig. Zij zeggen: „Vrede, vrede!” Maar er is geen vrede.** Brontekst: וַיְרַפּ֞וּ (vayrapu) = en zij genezen | אֶת (et) = (obj.) | שֶׁ֤בֶר (shever) = breuk van | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | עַל (al) = op | נְקַלָּ֔ה (neqala) = lichtvaardige wijze | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggend | שָׁל֣וֹם (shalom) = vrede | שָׁל֑וֹם (shalom) = vrede | וְאֵ֖ין (veein) = en niet is er | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In Jer. 6:14 staat ‘de breuk van Mijn volk’; hier staat ‘de breuk van de Dochter van Mijn volk’ (בַּת עַמִּי, bat ammi). Voor de rest is het vers gelijk. Zie ook: 1 Kon 22:6; 1 Kon 22:13; Jer 6:14; Klaagl 2:14; Ezech 13:10–16 **8:12** **Schamen zij zich, omdat zij gruwel hebben gedaan? Zij schamen zich helemaal niet. Zij weten niet eens wat vernedering is. Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen. In de tijd van hun straf zullen zij struikelen, zegt Yahweh.** Brontekst: הֹבִ֕שׁוּ (hovishu) = zijn zij beschaamd | כִּ֥י (ki) = want | תוֹעֵבָ֖ה (toeva) = gruwel | עָשׂ֑וּ (asu) = zij deden | גַּם (gam) = ook | בּ֣וֹשׁ (bosh) = schamen zich | לֹֽא (lo) = niet | יֵבֹ֗שׁוּ (yevoshu) = zij schamen zich | וְהִכָּלֵם֙ (vehikalem) = en vernederd worden | לֹ֣א (lo) = niet | יָדָ֔עוּ (yadau) = zij weten | לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | יִפְּל֣וּ (yipelu) = zullen vallen | בַנֹּפְלִ֗ים (banofelim) = onder de vallenden | בְּעֵ֧ת (beet) = in de tijd van | פְּקֻדָּתָ֛ם (pequdatam) = hun straf | יִכָּשְׁל֖וּ (yikashelu) = zullen struikelen | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is bijna gelijk aan Jer. 6:15. Verschillen: ‘Schamen zij zich’ (hier הֹבִשׁוּ, hovashu, in Jer. 6:15 hovishu), ‘vernederd worden’ (וְהִכָּלֵם, vehikkalem, in Jer. 6:15 hakhlim) en ‘In de tijd van hun straf’ (בְּעֵת פְּקֻדָּתָם, be’et peqquddatam, in Jer. 6:15 ‘In de tijd dat Ik hen straf’). Het slot is gelijk: ‘zegt Yahweh’. Zie ook: Deut 32:35; Ps 52:9; Jes 3:9; Jer 3:3; Jer 6:15 **8:13** **Ik wil hen volledig wegnemen, godsspraak van Yahweh. Er zijn geen druiven aan de wijnstok en geen vijgen aan de vijgenboom. Het blad is verwelkt. Wat Ik hun gegeven heb, gaat van hen weg.’”** Brontekst: אָסֹ֥ף (asof) = wegnemen | אֲסִיפֵ֖ם (asifem) = Ik zal hen wegnemen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהֹוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֵין֩ (ein) = niet is er | עֲנָבִ֨ים (anavim) = druiven | בַּגֶּ֜פֶן (bagefen) = aan de wijnstok | וְאֵ֧ין (veein) = en niet is er | תְּאֵנִ֣ים (teenim) = vijgen | בַּתְּאֵנָ֗ה (bateena) = aan de vijgenboom | וְהֶֽעָלֶה֙ (veheale) = en het blad | נָבֵ֔ל (navel) = is verwelkt | וָאֶתֵּ֥ן (vaeten) = en Ik gaf | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | יַעַבְרֽוּם (yaavrum) = zij gaan weg van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws is hier moeilijk. אָסֹף אֲסִיפֵם (asof asifem), ‘Ik wil hen volledig wegnemen’: het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘bijeenbrengen’ en ook ‘wegnemen’; de herhaling geeft nadruk. Zo ook Sef. 1:2. Voetnoot : Het slot, וָאֶתֵּן לָהֶם יַעַבְרוּם (va’etten lahem ya’avrum), ‘Wat Ik hun gegeven heb, gaat van hen weg’, is letterlijk ‘en Ik gaf hun, zij gaan over hen heen’; de betekenis is niet zeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : Hier eindigt de toespraak van Yahweh die in vers 4 begon. Zie ook: Ps 1:3–4; Joël 1:7; Jer 8:4; Jer 17:8; Hag 2:17; Mat 21:19 ### Waarom blijven wij zitten? **8:14** Waarom blijven wij zitten? Verzamel jullie, laten wij naar de versterkte steden gaan en daar zwijgen. Want Yahweh, onze Elohim, heeft ons doen zwijgen en ons gifwater te drinken gegeven, omdat wij tegen Yahweh gezondigd hebben. Brontekst: עַל (al) = op | מָה֙ (ma) = wat | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | יֹֽשְׁבִ֔ים (yoshevim) = zitten | הֵֽאָסְפ֗וּ (heasefu) = verzamelt jullie | וְנָב֛וֹא (venavo) = en laten wij gaan | אֶל (el) = naar | עָרֵ֥י (arei) = steden van | הַמִּבְצָ֖ר (hamivtsar) = de vesting | וְנִדְּמָה (venidema) = en laten wij zwijgen | שָּׁ֑ם (sham) = daar | כִּי֩ (ki) = want | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הֲדִמָּ֨נוּ֙ (hadimanu) = heeft ons doen zwijgen | וַיַּשְׁקֵ֣נוּ (vayashqenu) = en heeft ons te drinken gegeven | מֵי (mei) = water van | רֹ֔אשׁ (rosh) = gif | כִּ֥י (ki) = want | חָטָ֖אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | לַיהוָֽה (laYahweh) = tegen Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt het volk, of de profeet namens het volk. De woorden staan zwart. Voetnoot : מֵי רֹאשׁ (mei rosh), ‘gifwater’: letterlijk ‘water van gif’; zie Deut. 29:17 en Jer. 9:14. הֲדִמָּנוּ (hadimmanu), ‘heeft ons doen zwijgen’: het werkwoord דָּמַם (damam) betekent ‘stil worden’ en ook ‘te gronde gaan’. Voetnoot : הַמִּבְצָר (hammivtsar), ‘de vesting’: de versterkte steden van Juda. Zie ook: Deut 29:17; Ps 69:22; Jer 9:14; Jer 23:15; Jer 35:11; Klaagl 3:19 **8:15** Wij hoopten op vrede, maar er is niets goeds. Wij hoopten op een tijd van genezing, maar zie: schrik. Brontekst: קַוֵּ֥ה (qave) = hopen | לְשָׁל֖וֹם (leshalom) = op vrede | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is er | ט֑וֹב (tov) = goed | לְעֵ֥ת (leet) = op tijd van | מַרְפֵּ֖ה (marpe) = genezing | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | בְעָתָֽה (beata) = schrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers komt bijna woordelijk terug in Jer. 14:19. Men had hoop op vrede en genezing, maar in plaats daarvan komt schrik. Zie ook: Mi 1:12; Jer 4:10; Jer 8:11; Jer 14:19; 1 Tess 5:3 **8:16** Vanuit Dan is het snuiven van zijn paarden gehoord. Van het geluid van het hinniken van zijn sterke paarden beeft heel het land. Zij komen en verslinden het land en wat het vult, de stad en haar inwoners. Brontekst: מִדָּ֤ן (midan) = vanuit Dan | נִשְׁמַע֙ (nishma) = is gehoord | נַחְרַ֣ת (nachrat) = snuiven van | סוּסָ֗יו (susav) = zijn paarden | מִקּוֹל֙ (miqol) = van het geluid van | מִצְהֲל֣וֹת (mitshalot) = hinniken van | אַבִּירָ֔יו (abirav) = zijn sterken | רָעֲשָׁ֖ה (raasha) = beeft | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיָּב֗וֹאוּ (vayavou) = en zij komen | וַיֹּֽאכְלוּ֙ (vayokhlu) = en zij verslinden | אֶ֣רֶץ (erets) = land | וּמְלוֹאָ֔הּ (umeloah) = en wat het vult | עִ֖יר (ir) = stad | וְיֹ֥שְׁבֵי (veyoshevei) = en inwoners van | בָֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan). Voetnoot Uitleg: Dan is de noordelijkste stad van het land. Wie uit het noorden komt, komt eerst langs Dan. Voetnoot : אַבִּירָיו (abbirav), ‘zijn sterke paarden’: het woord betekent ‘sterken’; hier de hengsten. Zie ook: Re 5:22; Re 18:29; Jer 4:15–16; 1 Kor 10:26; 1 Kor 10:28 ### Slangen waartegen geen bezwering helpt **8:17** **„Want zie, Ik zend slangen onder jullie, giftige slangen waartegen geen bezwering helpt. Zij zullen jullie bijten, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | מְשַׁלֵּ֜חַ (meshaleach) = zendend | בָּכֶ֗ם (bakhem) = onder jullie | נְחָשִׁים֙ (nechashim) = slangen | צִפְעֹנִ֔ים (tsifonim) = giftige slangen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אֵין (ein) = niet is er | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לָ֑חַשׁ (lachash) = bezwering | וְנִשְּׁכ֥וּ (venishekhu) = en zij zullen bijten | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְחָשִׁים צִפְעֹנִים (nechashim tsif’onim), ‘slangen, giftige slangen’: נָחָשׁ (nachash) is de gewone slang, צִפְעֹנִי (tsif’oni) een giftige slang, zoals in Jes. 11:8. Voetnoot : לָחַשׁ (lachash), ‘bezwering’: de fluisterende spreuk van een slangenbezweerder; vergelijk Ps. 58:5–6. Zie ook: Num 21:6; Deut 32:24; Ps 58:5–6; Pred 10:11; Jes 11:8; Jes 14:29 ### Mijn hart is ziek **8:18** Mijn vreugde is weg, verdriet is over mij. Mijn hart is ziek in mij. Brontekst: מַבְלִ֥יגִיתִ֖י (mavligiti) = mijn vreugde | עֲלֵ֣י (alei) = over | יָג֑וֹן (yagon) = verdriet | עָלַ֖י (alay) = op mij | לִבִּ֥י (libi) = mijn hart | דַוָּֽי (davay) = ziek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַבְלִיגִיתִי (mavligiti), ‘mijn vreugde’: een zeldzaam woord, ongeveer ‘mijn opbeuring’. Het Hebreeuws van dit vers is onzeker; wij kiezen een korte weergave. Voetnoot : Wie spreekt, is de profeet, die zich met het lijden van zijn volk verbindt. Zie ook: Job 7:13–14; Jes 22:4; Jer 6:24; Klaagl 1:16–17; Klaagl 5:17 **8:19** Zie, het geschreeuw van de Dochter van mijn volk uit een ver land: „Is Yahweh niet in Sion? Is haar Koning niet in haar?” **„Waarom hebben zij Mij tot toorn geprikkeld met hun gesneden beelden, met vreemde nietigheden?”** Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | ק֞וֹל (qol) = geluid van | שַֽׁוְעַ֣ת (shavat) = geschreeuw van | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּ֗י (ami) = mijn volk | מֵאֶ֨רֶץ֙ (meerets) = uit het land van | מַרְחַקִּ֔ים (marchaqim) = verre | הַֽיהוָה֙ (haYahweh) = is Yahweh | אֵ֣ין (ein) = niet | בְּצִיּ֔וֹן (betsiyon) = in Sion | אִם (im) = of | מַלְכָּ֖הּ (malkah) = haar koning | אֵ֣ין (ein) = niet | בָּ֑הּ (bah) = in haar | מַדּ֗וּעַ (madua) = waarom | הִכְעִס֛וּנִי (hikhisuni) = hebben Mij tot toorn geprikkeld | בִּפְסִלֵיהֶ֖ם (bifsileihem) = met hun gesneden beelden | בְּהַבְלֵ֥י (behavlei) = met nietigheden van | נֵכָֽר (nekhar) = vreemde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De profeet hoort het geschreeuw van het volk uit een ver land, de ballingschap. Het volk vraagt: ‘Is Yahweh niet in Sion?’ Daarop antwoordt Yahweh: ‘Waarom hebben zij Mij geprikkeld met hun gesneden beelden?’ Zijn woorden staan rood. Voetnoot : בְּהַבְלֵי נֵכָר (havlei nekhar), ‘vreemde nietigheden’: הֶבֶל (hevel) is eigenlijk ‘damp, adem’, hier de nietigheid van de goden van andere volken. De afgoden vormen de reden van de ramp. Voetnoot : Het woord ‘Koning’ heeft een hoofdletter: de vraag gaat over Yahweh Zelf als Koning van Sion. Zie ook: Jes 13:5; Jes 33:22; Jes 39:3; Jer 4:16–17; Openb 2:1 **8:20** „De oogst is voorbij, de zomer is ten einde en wij zijn niet gered.” Brontekst: עָבַ֥ר (avar) = voorbij gegaan | קָצִ֖יר (qatsir) = oogst | כָּ֣לָה (kala) = ten einde | קָ֑יִץ (qayits) = zomer | וַאֲנַ֖חְנוּ (vaanachnu) = en wij | ל֥וֹא (lo) = niet | נוֹשָֽׁעְנוּ (noshaenu) = zijn gered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een spreekwoord van het volk: de oogst en de zomer zijn voorbij en er is geen redding gekomen. Het werkwoord נוֹשָׁעְנוּ (nosha’nu), ‘zijn gered’, is van יָשַׁע (yasha), ‘redden’. Zie ook: Spr 10:5; Mat 25:1–12; Luc 13:25; Luc 19:44; Heb 3:7–15 **8:21** Om de breuk van de Dochter van mijn volk ben ik gebroken. Ik loop in het zwart, verbijstering heeft mij gegrepen. Brontekst: עַל (al) = over | שֶׁ֥בֶר (shever) = breuk van | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּ֖י (ami) = mijn volk | הָשְׁבָּ֑רְתִּי (hashbarti) = ik ben gebroken | קָדַ֕רְתִּי (qadarti) = ik rouw | שַׁמָּ֖ה (shama) = ontzetting | הֶחֱזִקָֽתְנִי (hecheziqateni) = heeft mij gegrepen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָשְׁבָּרְתִּי (hushbarti), ‘ik ben gebroken’: van dezelfde stam als שֶׁבֶר (shever), ‘breuk’. Het lijden van het volk breekt ook de profeet. Voetnoot : קָדַרְתִּי (qadarti), ‘ik loop in het zwart’: ik rouw; het werkwoord betekent ‘donker zijn, in donkere kleding rouwen’. Zie ook: Ps 137:3–6; Hoogl 1:5–6; Joël 2:6; Nah 2:11; Jer 14:17 ### Is er geen balsem in Gilead? **8:22** Is er geen balsem in Gilead? Is er daar geen heler? Waarom is de genezing van de Dochter van mijn volk dan niet gekomen? Brontekst: הַצֳרִי֙ (hatsori) = is de balsem | אֵ֣ין (ein) = niet | בְּגִלְעָ֔ד (begilad) = in Gilead | אִם (im) = of | רֹפֵ֖א (rofe) = heler | אֵ֣ין (ein) = niet | שָׁ֑ם (sham) = daar | כִּ֗י (ki) = want | מַדּ֨וּעַ֙ (madua) = waarom | לֹ֣א (lo) = niet | עָֽלְתָ֔ה (aleta) = is opgekomen | אֲרֻכַ֖ת (arukhat) = genezing van | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּֽי (ami) = mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: הַצֳרִי (hatsori), ‘de balsem’: een geneeskrachtige hars uit Gilead, het bergland ten oosten van de Jordaan (Gen. 37:25). אֲרֻכַת (arukhat), ‘genezing’: eigenlijk ‘nieuw vlees, herstel’ van een wond. Voetnoot : Het is een retorische vraag: er is hulp en er zijn helers, maar het volk wordt niet genezen. Zie ook: Gen 37:25; Jer 30:12–17; Jer 46:11; Jer 51:8; Luc 8:43 **8:23** Wie geeft aan mijn hoofd water en aan mijn ogen een bron van tranen? Dan zou ik dag en nacht huilen om de gesneuvelden van de Dochter van mijn volk. Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יִתֵּ֤ן (yiten) = zal geven | רֹאשִׁי֙ (roshi) = mijn hoofd | מַ֔יִם (mayim) = water | וְעֵינִ֖י (veeini) = en mijn oog | מְק֣וֹר (meqor) = bron van | דִּמְעָ֑ה (dima) = traan | וְאֶבְכֶּה֙ (veevke) = en ik zou huilen | יוֹמָ֣ם (yomam) = overdag | וָלַ֔יְלָה (valayla) = en 's nachts | אֵ֖ת (et) = (obj.) | חַֽלְלֵ֥י (challei) = gesneuvelden van | בַת (bat) = dochter van | עַמִּֽי (ami) = mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De telling van de verzen verschilt: Hebr. 8:23 is NL 9:1. Hebr. 9:1–25 is NL 9:2–26. De hoofdstukindeling van het Hebreeuws volgt de Masoretische tekst. Voetnoot : חַלְלֵי בַת עַמִּי (challei bat ammi), ‘de gesneuvelden van de Dochter van mijn volk’: het woord חָלָל (chalal) betekent ‘doorboorde, gesneuvelde’. Zie ook: Jes 22:4; Jer 6:26; Jer 8:21–22; Jer 13:17; Klaagl 2:11; Heb 8:23; Heb 9:1–25 ## Jeremia 9 _Verraad, klaagzang en het kennen van Yahweh_ ### Een nachtverblijf in de woestijn **9:1** Wie geeft mij in de woestijn een nachtverblijf voor reizigers? Dan zou ik mijn volk verlaten en bij hen vandaan gaan, want zij zijn allemaal overspelers, een bijeenkomst van trouwelozen. Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יִתְּנֵ֣נִי (yiteneni) = zal geven mij | בַמִּדְבָּ֗ר (bamidbar) = in de woestijn | מְלוֹן֙ (melon) = verblijf van | אֹֽרְחִ֔ים (orechim) = reizigers | וְאֶֽעֶזְבָה֙ (veeezva) = en ik zal verlaten | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | וְאֵלְכָ֖ה (veelekha) = en ik zal gaan | מֵֽאִתָּ֑ם (meitam) = van bij hen | כִּ֤י (ki) = want | כֻלָּם֙ (kulam) = zij allen | מְנָ֣אֲפִ֔ים (menaafim) = overspelers | עֲצֶ֖רֶת (atseret) = bijeenkomst van | בֹּגְדִֽים (bogedim) = trouwelozen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De telling van de verzen verschilt: Hebr. 9:1–25 is NL 9:2–26. Het Nederlandse hoofdstuk 9 begint dus een vers eerder, in Hebr. 8:23. Voetnoot : מְלוֹן אֹרְחִים (melon orechim), ‘nachtverblijf voor reizigers’: een eenvoudige herberg voor karavanen. De profeet wil liever in de woestijn zijn dan bij zijn volk. Voetnoot : מְנָאֲפִים (menaafim), ‘overspelers’: ook in overdrachtelijke zin, ontrouw aan Yahweh (zoals Hos. 4:2 en 7:4). Voetnoot : Dit vers is een woord van de profeet en staat zwart. Zie ook: Hos 4:2; Hos 7:4; Jer 5:7–8; Jer 12:6; Jer 23:10; Heb 8:23; Heb 9:1–25 ### Hun tong is een boog **9:2** **„Zij spannen hun tong als hun boog, tot leugen. Niet voor de trouw zijn zij machtig geworden in het land. Want van kwaad gaan zij naar kwaad en Mij kennen zij niet, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וַֽיַּדְרְכ֤וּ (vayadrekhu) = en zij spannen | אֶת (et) = (obj.) | לְשׁוֹנָם֙ (leshonam) = hun tong | קַשְׁתָּ֣ם (qashtam) = hun boog | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = leugen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | לֶאֱמוּנָ֖ה (leemuna) = voor trouw | גָּבְר֣וּ (gaveru) = zijn machtig geworden | בָאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | כִּי֩ (ki) = want | מֵרָעָ֨ה (meraa) = van kwaad | אֶל (el) = naar | רָעָ֧ה (raa) = kwaad | יָצָ֛אוּ (yatsau) = zij gaan uit | וְאֹתִ֥י (veoti) = en Mij | לֹֽא (lo) = niet | יָדָ֖עוּ (yadau) = zij kennen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְשׁוֹנָם קַשְׁתָּם (leshonam qashtam), ‘hun tong als hun boog’: de tong is het wapen, de leugen de pijl (zie vers 7). Voetnoot : וְלֹא לֶאֱמוּנָה גָּבְרוּ (velo le’emunah gavru), ‘niet voor de trouw zijn zij machtig geworden’: אֱמוּנָה (emunah) is betrouwbaarheid; wij vertalen het met ‘trouw’ (zie Jer. 5:1). Zij gebruiken hun macht niet voor trouw, maar voor leugen. Voetnoot : וְאֹתִי לֹא יָדָעוּ (oti lo yada’u), ‘Mij kennen zij niet’: de ‘kennis van Elohim’ ontbreekt, zoals Hos. 4:1. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Met deze formule spreekt Yahweh zelf; daarom staan de verzen 2–5 rood. Zie ook: Re 2:10; Hos 4:1; Jes 59:13–15; Jer 1:8; Jer 4:22; Jer 5:1; Jer 9:7; Rom 3:13 **9:3** **Ieder moet zich hoeden voor zijn naaste en op geen enkele broer vertrouwen. Want iedere broer bedriegt zonder ophouden, en iedere naaste gaat rond met roddel.** Brontekst: אִ֤ישׁ (ish) = man | מֵרֵעֵ֨הוּ֙ (mereehu) = van zijn naaste | הִשָּׁמֵ֔רוּ (hishameru) = hoedt u | וְעַל (veal) = en op | כָּל (kal) = iedere | אָ֖ח (ach) = broer | אַל (al) = niet | תִּבְטָ֑חוּ (tivtachu) = vertrouwt | כִּ֤י (ki) = want | כָל (kal) = iedere | אָח֙ (ach) = broer | עָק֣וֹב (aqov) = bedriegt | יַעְקֹ֔ב (yaqov) = bedriegt hij | וְכָל (vekhal) = en iedere | רֵ֖עַ (rea) = naaste | רָכִ֥יל (rakhil) = roddel | יַהֲלֹֽךְ (yahalokh) = gaat rond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָקוֹב יַעְקֹב (aqov ya’aqov), ‘bedriegt zonder ophouden’: letterlijk ‘bedriegt, bedriegt’; het werkwoord עָקַב (aqav) is verwant met de naam Jakob (Ya’aqov). Zoals Jakob zijn broer bij de hiel greep (Hos. 12:4), zo bedriegt iedere broer. Voetnoot : רָכִיל (rakhil), ‘roddel’: wie rondgaat met kwaadspreken; vergelijk Lev. 19:16. Zie ook: Lev 19:16; Ps 12:3–4; Spr 25:18; Spr 26:24–25; Hos 12:4; Mi 7:5–6 **9:4** **Ieder misleidt zijn naaste en zij spreken geen waarheid. Zij hebben hun tong geleerd leugen te spreken. Zij putten zich uit om verkeerd te doen.** Brontekst: וְאִ֤ישׁ (veish) = en man | בְּרֵעֵ֨הוּ֙ (bereehu) = zijn naaste | יְהָתֵ֔לּוּ (yehatelu) = misleiden zij | וֶאֱמֶ֖ת (veemet) = en waarheid | לֹ֣א (lo) = niet | יְדַבֵּ֑רוּ (yedaberu) = zij spreken | לִמְּד֧וּ (limedu) = zij hebben geleerd | לְשׁוֹנָ֛ם (leshonam) = hun tong | דַּבֶּר (daber) = spreken | שֶׁ֖קֶר (sheqer) = leugen | הַעֲוֵ֥ה (haave) = verkeerd handelen | נִלְאֽוּ (nilu) = zij putten zich uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהָתֵלּוּ (yehatellu), ‘misleiden’: van הָתַל (hatal), ‘bespotten, bedriegen’. Voetnoot : הַעֲוֵה נִלְאוּ (he’evah nil’u), ‘zij putten zich uit om verkeerd te doen’: het Hebreeuws is kort; letterlijk ‘verdraaid doen: zij worden moe’. Zie ook: Job 15:5; Jes 57:10; Jes 59:13–15; Mi 6:12; Hab 2:13 **9:5** **Je woning is midden in bedrog. Door bedrog weigeren zij Mij te kennen, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: שִׁבְתְּךָ֖ (shivtekha) = je woning | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | מִרְמָ֑ה (mirma) = bedrog | בְּמִרְמָ֛ה (bemirma) = in bedrog | מֵאֲנ֥וּ (meanu) = zij weigeren | דַֽעַת (daat) = kennen | אוֹתִ֖י (oti) = Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁבְתְּךָ (shivtekha), ‘je woning’: het woord staat in het enkelvoud; Yahweh spreekt tot Jeremia, die midden in het bedrog woont. Voetnoot : דַעַת (da’at), ‘kennen’: de eigenlijke kennis van Yahweh, die ontbreekt. Zie ook: Spr 1:24; Hos 4:6; Jer 13:10; Joh 3:19–20; Rom 1:28 ### Yahweh smelt en toetst **9:6** Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Zie, Ik smelt hen en toets hen. Want wat moet Ik anders doen vanwege de Dochter van Mijn volk?** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | צוֹרְפָ֖ם (tsorefam) = smeltend hen | וּבְחַנְתִּ֑ים (uvechantim) = en Ik zal toetsen hen | כִּֽי (ki) = want | אֵ֣יךְ (eikh) = hoe | אֶעֱשֶׂ֔ה (eese) = zal Ik doen | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּֽי (ami) = Mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צוֹרְפָם (tsorefam), ‘Ik smelt hen’: het beeld van een smelter, zoals in Jer. 6:27–30 en Jes. 1:25. Yahweh brengt het volk in de smeltoven. De vraag ‘Wat moet Ik anders doen?’ laat zien dat Hij geen andere uitweg ziet. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Zie ook: Jes 1:25; Jes 48:10; Jer 2:19; Jer 6:27; Zach 13:9; Mal 3:3 **9:7** **Een geslepen pijl is hun tong, zij spreekt bedrog. Met zijn mond spreekt men vrede met zijn naaste, maar in zijn binnenste legt men een hinderlaag.** Brontekst: חֵ֥ץ (chets) = pijl | שָׁח֛וּט (shachut) = geslepen | לְשׁוֹנָ֖ם (leshonam) = hun tong | מִרְמָ֣ה (mirma) = bedrog | דִבֵּ֑ר (diber) = spreekt | בְּפִ֗יו (befiv) = met zijn mond | שָׁל֤וֹם (shalom) = vrede | אֶת (et) = met | רֵעֵ֨הוּ֙ (reehu) = zijn naaste | יְדַבֵּ֔ר (yedaber) = hij spreekt | וּבְקִרְבּ֖וֹ (uveqirbo) = en in zijn binnenste | יָשִׂ֥ים (yasim) = hij legt | אָרְבּֽוֹ (arbo) = zijn hinderlaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵץ (chets), ‘pijl’; שָׁחוּט (shachut), ‘geslepen’: gescherpt of gehamerd. Voetnoot : יָשִׂים אָרְבּוֹ (yasim orbo), ‘legt zijn hinderlaag’: letterlijk ‘zet zijn hinderlaag’. Zij spreken vriendelijk, maar bedoelen iets anders. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is שוחט (shochet), ‘dodend’; de overlevering (qere) leest שָׁחוּט (shachut), ‘geslepen’. Wij volgen de lezing. Zie ook: 2 Sam 3:27; Ps 28:3; Ps 64:4–5; Ps 120:3; Spr 26:24–26 **9:8** **Zal Ik hen hierover niet straffen, godsspraak van Yahweh? Zal Mijn ziel zich niet wreken op zo’n volk?”** Brontekst: הַעַל (haal) = zou voor | אֵ֥לֶּה (ele) = deze | לֹֽא (lo) = niet | אֶפְקָד (efqad) = Ik straf | בָּ֖ם (bam) = hen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אִ֚ם (im) = of | בְּג֣וֹי (begoy) = op volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | כָּזֶ֔ה (kaze) = zoals dit | לֹ֥א (lo) = niet | תִתְנַקֵּ֖ם (titnaqem) = wreekt zich | נַפְשִֽׁי (nafshi) = Mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze vraag staat bijna woordelijk in Jer. 5:9 en 5:29; hier staat erbij ‘hen’ (בָּם, bam). תִתְנַקֵּם נַפְשִׁי (titnaqqem nafshi), ‘Mijn ziel wreekt zich’: Yahweh zelf; het werkwoord נָקַם (naqam) is ‘wraak nemen’. Voetnoot : Hier eindigt de toespraak van Yahweh die in vers 2 begon. Zie ook: Jes 1:24; Jer 5:9; Jer 5:29; Jer 9:2 ### Een klaagzang over de bergen **9:9** Over de bergen hef ik geween en weeklacht aan, en over de weiden van de woestijn een klaaglied. Want zij zijn verbrand, zodat niemand erdoor trekt. Men hoort het geluid van het vee niet meer. Van de vogels van de hemel tot het vee zijn ze gevlucht en weggegaan. Brontekst: עַל (al) = over | הֶ֨הָרִ֜ים (heharim) = de bergen | אֶשָּׂ֧א (esa) = ik hef aan | בְכִ֣י (bekhi) = geween | וָנֶ֗הִי (vanehi) = en weeklacht | וְעַל (veal) = en over | נְא֤וֹת (neot) = weiden van | מִדְבָּר֙ (midbar) = woestijn | קִינָ֔ה (qina) = klaaglied | כִּ֤י (ki) = want | נִצְּתוּ֙ (nitsetu) = zijn verbrand | מִבְּלִי (mibeli) = zonder | אִ֣ישׁ (ish) = man | עֹבֵ֔ר (over) = die doortrekt | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = zij hebben gehoord | ק֣וֹל (qol) = geluid van | מִקְנֶ֑ה (miqne) = vee | מֵע֤וֹף (meof) = vanaf vogel van | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | וְעַד (vead) = en tot | בְּהֵמָ֔ה (behema) = dier | נָדְד֖וּ (nadedu) = zijn gevlucht | הָלָֽכוּ (halakhu) = zijn gegaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet uitdrukkelijk wie spreekt. Wij kiezen de profeet en dus zwart. Het werkwoord נִצְּתוּ (nitsetu), ‘zijn verbrand’, kan ook ‘zijn verwoest’ betekenen. Voetnoot : Het vee en de vogels vluchten: het land is leeg, zonder geluid. Zie ook: Hos 4:3; Jer 7:29; Jer 12:4; Jer 12:10; Ezech 33:28 **9:10** **„Ik maak Jeruzalem tot steenhopen, tot een woonplaats van jakhalzen. De steden van Juda maak Ik tot een woestenij, zonder bewoner.”** Brontekst: וְנָתַתִּ֧י (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֛ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לְגַלִּ֖ים (legalim) = tot steenhopen | מְע֣וֹן (meon) = woonplaats van | תַּנִּ֑ים (tanim) = jakhalzen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עָרֵ֧י (arei) = steden van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | אֶתֵּ֥ן (eten) = Ik zal maken | שְׁמָמָ֖ה (shemama) = woestenij | מִבְּלִ֖י (mibeli) = zonder | יוֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: לְגַלִּים (gallim), ‘steenhopen’: puin van ingestorte gebouwen. מְעוֹן תַּנִּים (me’on tannim), ‘woonplaats van jakhalzen’: de jakhalzen wonen in de ruïnes, zoals Jes. 34:13. Zie ook Jer. 10:22. Voetnoot : Yahweh spreekt in de eerste persoon: de verzen staan rood. Zie ook: Jes 13:22; Jes 25:2; Jes 34:13; Jer 10:22; Jer 51:37 ### Waarom is het land verloren gegaan? **9:11** Wie is de wijze man die dit begrijpt? Tot wie heeft de mond van Yahweh gesproken, zodat hij het verkondigt? Waarom is het land verloren gegaan en als een woestijn verbrand, zodat niemand erdoor trekt? Brontekst: מִֽי (mi) = wie | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | הֶֽחָכָם֙ (hechakham) = de wijze | וְיָבֵ֣ן (veyaven) = en hij begrijpt | אֶת (et) = (obj.) | זֹ֔את (zot) = dit | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en die | דִּבֶּ֧ר (diber) = heeft gesproken | פִּֽי (pi) = mond van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | וְיַגִּדָ֑הּ (veyagidah) = en hij verkondigt het | עַל (al) = over | מָה֙ (ma) = wat | אָבְדָ֣ה (aveda) = is verloren gegaan | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | נִצְּתָ֥ה (nitseta) = is verbrand | כַמִּדְבָּ֖ר (kamidbar) = als een woestijn | מִבְּלִ֖י (mibeli) = zonder | עֹבֵֽר (over) = doortrekkende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vraag naar de wijze man laat zien dat iedereen de ramp moet kunnen uitleggen. Het antwoord komt in vers 12–13: het volk heeft de wet van Yahweh verlaten. Zie ook: Deut 32:29; Ps 107:34; Ps 107:43; Hos 14:10; Jer 9:12–13; Jer 22:8–9 **9:12** Yahweh zei: **„Omdat zij Mijn wet verlaten hebben, die Ik hun voorgelegd heb, en niet naar Mijn stem hebben geluisterd en daarin niet hebben gewandeld,** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = om | עָזְבָם֙ (azevam) = hun verlaten | אֶת (et) = (obj.) | תּ֣וֹרָתִ֔י (torati) = Mijn wet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik gaf | לִפְנֵיהֶ֑ם (lifneihem) = voor hen | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁמְע֥וּ (shameu) = zij luisterden | בְקוֹלִ֖י (beqoli) = naar Mijn stem | וְלֹא (velo) = en niet | הָ֥לְכוּ (halekhu) = zij liepen | בָֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָתִי (torati), ‘Mijn wet’: תּוֹרָה (torah), ook ‘onderwijs’. Voetnoot : Het woord ‘Yahweh zei’ staat zwart (de verteller); wat Hij zegt staat rood. Zie ook: Deut 31:16–17; 2 Kron 7:19; Sef 3:1–6; Jer 22:9; Ezra 9:10 **9:13** **maar zij zijn achter de hardnekkigheid van hun hart aan gelopen en achter de Baäls aan, die hun vaders hun geleerd hebben.”** Brontekst: וַיֵּ֣לְכ֔וּ (vayelekhu) = en zij liepen | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | שְׁרִר֣וּת (sherirut) = hardnekkigheid van | לִבָּ֑ם (libam) = hun hart | וְאַחֲרֵי֙ (veacharei) = en achter | הַבְּעָלִ֔ים (habealim) = de Baäls | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לִמְּד֖וּם (limedum) = hebben hen geleerd | אֲבוֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁרִרוּת לִבָּם (sherirut libbam), ‘de hardnekkigheid van hun hart’: zoals Jer. 7:24. Voetnoot : הַבְּעָלִים (habbe’alim), ‘de Baäls’: met het lidwoord, in het meervoud: de plaatselijke Baäls, de goden van de verschillende plaatsen. Zie ook: Jer 3:17; Jer 7:24; Gal 1:14; Rom 1:21–24; 1 Petr 1:18 **9:14** Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Zie, Ik geef dit volk alsem te eten en laat hen gifwater drinken.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֧י (hinni) = zie Mij | מַאֲכִילָ֛ם (maakhilam) = die laat eten hen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | לַֽעֲנָ֑ה (laana) = alsem | וְהִשְׁקִיתִ֖ים (vehishqitim) = en Ik laat drinken hen | מֵי (mei) = water van | רֹֽאשׁ (rosh) = gif Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַעֲנָה (la’anah), ‘alsem’ en מֵי רֹאשׁ (mei rosh), ‘water van gif’: bittere, giftige planten; zie Deut. 29:17 en Jer. 8:14. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Zie ook: Deut 29:17; Ps 80:6; Jes 2:17; Jer 2:19; Jer 8:14; Jer 23:15; Klaagl 3:15 **9:15** **Ik verstrooi hen onder de volken die zij niet gekend hebben, zij niet en hun vaders niet. Ik zend het zwaard achter hen aan, totdat Ik hen heb uitgeroeid.”** Brontekst: וַהֲפִֽצוֹתִים֙ (vahafitsotim) = en Ik zal verstrooien hen | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | יָֽדְע֔וּ (yadeu) = zij kenden | הֵ֖מָּה (hema) = zij | וַֽאֲבוֹתָ֑ם (vaavotam) = en hun vaders | וְשִׁלַּחְתִּ֤י (veshilachti) = en Ik zal zenden | אַֽחֲרֵיהֶם֙ (achareihem) = achter hen | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֔רֶב (hacherev) = het zwaard | עַ֥ד (ad) = tot | כַּלּוֹתִ֖י (kaloti) = Ik heb uitgeroeid | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַהֲפִצוֹתִים (vahafitsotim), ‘Ik verstrooi hen’: de verbondsvloek van Lev. 26:33; zie ook Deut. 28:64. Voetnoot : כַּלּוֹתִי (kallotti), ‘Ik heb uitgeroeid’: het werkwoord כָּלָה (kalah) betekent ‘ten einde brengen’. Zie ook: Lev 26:33; Deut 28:64; Jer 44:27; Ezech 5:2; Ezech 5:12 ### Roep de klaagvrouwen **9:16** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Let op en roep de klaagvrouwen, dat zij komen. Zend naar de wijze vrouwen, dat zij komen.”** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הִתְבּֽוֹנְנ֛וּ (hitbonenu) = let op | וְקִרְא֥וּ (veqiru) = en roep | לַמְקוֹנְנ֖וֹת (lamqonenot) = de klaagvrouwen | וּתְבוֹאֶ֑ינָה (utevoeina) = en laten zij komen | וְאֶל (veel) = en tot | הַחֲכָמ֥וֹת (hachakhamot) = de wijze vrouwen | שִׁלְח֖וּ (shilchu) = stuur | וְתָבֽוֹאנָה (vetavona) = en laten zij komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַמְקוֹנְנוֹת (lamqonenot), ‘de klaagvrouwen’: vrouwen die als beroep klaagliederen aanhieven, bij begrafenissen; vergelijk 2 Kron. 35:25. De ‘wijze vrouwen’ zijn dezelfde kundige vrouwen. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Zie ook: Job 3:8; Pred 12:5; 2 Kron 35:25; Amos 5:16–17; Jer 2:19; Mat 9:23 **9:17** Laten zij zich haasten en een klaaglied over ons aanheffen, zodat onze ogen van tranen neerstromen en onze oogleden van water overvloeien. Brontekst: וּתְמַהֵ֕רְנָה (utemaherena) = en laten zij zich haasten | וְתִשֶּׂ֥נָה (vetisena) = en laten zij opheffen | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = over ons | נֶ֑הִי (nehi) = klaaglied | וְתֵרַ֤דְנָה (veteradna) = en laten neerdalen | עֵינֵ֨ינוּ֙ (eineinu) = onze ogen | דִּמְעָ֔ה (dima) = traan | וְעַפְעַפֵּ֖ינוּ (veafapeinu) = en onze oogleden | יִזְּלוּ (yizelu) = vloeien | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt de profeet, die de woorden van de klaagvrouwen aanhaalt. ‘Over ons’ en ‘onze ogen’ laten zien dat hij zich bij zijn volk rekent. Zie ook: Jes 22:4; Jer 8:23; Jer 9:19; Jer 14:17; Klaagl 2:11 **9:18** Want een klaagstem wordt gehoord uit Sion: „Hoe zijn wij verwoest! Wij zijn zeer beschaamd, want wij hebben het land verlaten, want zij hebben onze woningen neergeworpen.” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | ק֥וֹל (qol) = geluid van | נְהִ֛י (nehi) = klaagzang | נִשְׁמַ֥ע (nishma) = wordt gehoord | מִצִּיּ֖וֹן (mitsiyon) = uit Sion | אֵ֣יךְ (eikh) = hoe | שֻׁדָּ֑דְנוּ (shudadenu) = zijn wij verwoest | בֹּ֤שְׁנֽוּ (boshenu) = wij zijn beschaamd | מְאֹד֙ (meod) = zeer | כִּֽי (ki) = want | עָזַ֣בְנוּ (azavnu) = wij hebben verlaten | אָ֔רֶץ (arets) = land | כִּ֥י (ki) = want | הִשְׁלִ֖יכוּ (hishlikhu) = zij hebben neergeworpen | מִשְׁכְּנוֹתֵֽינוּ (mishkenoteinu) = onze woningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֵיךְ (eikh), ‘hoe’: het woord waarmee een klaagzang begint, zoals Klaagl. 1:1. Voetnoot : שֻׁדָּדְנוּ (shuddadnu), ‘wij zijn verwoest’: van שָׁדַד (shadad), ‘plunderen, verwoesten’. Zie ook: Lev 18:25; Deut 28:29; Jer 2:14; Jer 4:13; Klaagl 1:1; Ezech 7:16–18 **9:19** Hoor dan, vrouwen, het woord van Yahweh, en laat jullie oor het woord van Zijn mond opnemen. Leer jullie dochters een weeklacht, en elke vrouw haar buurvrouw een klaaglied. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | שְׁמַ֤עְנָה (shemana) = hoort | נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְתִקַּ֥ח (vetiqach) = en laat opnemen | אָזְנְכֶ֖ם (azenekhem) = jullie oor | דְּבַר (devar) = woord van | פִּ֑יו (piv) = Zijn mond | וְלַמֵּ֤דְנָה (velamedena) = en leert | בְנֽוֹתֵיכֶם֙ (benoteikhem) = jullie dochters | נֶ֔הִי (nehi) = weeklacht | וְאִשָּׁ֥ה (veisha) = en vrouw | רְעוּתָ֖הּ (reutah) = haar buurvrouw | קִינָֽה (qina) = klaaglied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּיו (piv), ‘Zijn mond’: de vrouwen worden opgeroepen te luisteren naar het woord van Yahweh en dat door te geven in klaagliederen, zoals een les. Voetnoot : נֶהִי (nehi), ‘weeklacht’ en קִינָה (qinah), ‘klaaglied’: twee woorden voor de klaagzang. Zie ook: Job 22:22; Jes 3:16; Jes 32:9–13; Jer 9:16–17; Luc 23:27–30 **9:20** Want de dood is door onze vensters opgeklommen en in onze paleizen binnengekomen, om het kind buiten te vernietigen, de jongemannen van de pleinen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עָ֤לָה (ala) = is opgeklommen | מָ֨וֶת֙ (mavet) = dood | בְּחַלּוֹנֵ֔ינוּ (bechaloneinu) = in onze vensters | בָּ֖א (ba) = is binnengekomen | בְּאַרְמְנוֹתֵ֑ינוּ (bearmenoteinu) = in onze paleizen | לְהַכְרִ֤ית (lehakhrit) = om uit te roeien | עוֹלָל֙ (olal) = kind | מִח֔וּץ (michuts) = van buiten | בַּחוּרִ֖ים (bachurim) = jongemannen | מֵרְחֹבֽוֹת (merechovot) = van de pleinen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De dood wordt voorgesteld als een indringer die door het raam het huis binnenkomt. מֵרְחֹבוֹת (merechovot), ‘van de pleinen’: de open ruimten in de stad, waar de mensen samenkomen. Zie ook: 2 Kron 36:17; Jer 6:11; Jer 15:7; Ezech 9:5–6; Ezech 21:19–20 ### Lijken als mest **9:21** **„Spreek: ‘Zo luidt de godsspraak van Yahweh: Het lijk van de mensen zal vallen als mest op het open veld, als een korenschoof achter de maaier. Niemand zal ze verzamelen.’”** Brontekst: דַּבֵּ֗ר (daber) = spreek | כֹּ֚ה (ko) = zo | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנָֽפְלָה֙ (venafela) = en zal vallen | נִבְלַ֣ת (nivlat) = lijk van | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mens | כְּדֹ֖מֶן (kedomen) = als mest | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het oppervlak van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | וּכְעָמִ֛יר (ukheamir) = en als korenschoof | מֵאַחֲרֵ֥י (meacharei) = achter | הַקֹּצֵ֖ר (haqotser) = de maaier | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is er | מְאַסֵּֽף (measef) = wie verzamelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּבֵּר (dabber), ‘spreek’: een bevel aan de profeet. De woorden van de godsspraak staan binnen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : כְּדֹמֶן (kedomen), ‘als mest’: zoals in Jer. 8:2. וּכְעָמִיר (ka’amir), ‘als een korenschoof’: wat de maaier laat liggen en niemand bijeenbindt. Zie ook: Ps 83:11; Jes 5:25; Jer 8:2; Jer 16:4; Jer 25:33 ### Beroem je op het kennen van Yahweh **9:22** Zo zegt Yahweh: **„De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid. De held moet zich niet beroemen op zijn kracht. De rijke moet zich niet beroemen op zijn rijkdom.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַל (al) = niet | יִתְהַלֵּ֤ל (yithalel) = beroem zich | חָכָם֙ (chakham) = wijze | בְּחָכְמָת֔וֹ (bechakhemato) = op zijn wijsheid | וְאַל (veal) = en niet | יִתְהַלֵּ֥ל (yithalel) = beroem zich | הַגִּבּ֖וֹר (hagibor) = de held | בִּגְבֽוּרָת֑וֹ (bigvurato) = op zijn kracht | אַל (al) = niet | יִתְהַלֵּ֥ל (yithalel) = beroem zich | עָשִׁ֖יר (ashir) = rijke | בְּעָשְׁרֽוֹ (beashero) = op zijn rijkdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Drie dingen waar mensen trots op zijn: wijsheid, kracht en rijkdom. Zie ook: Pred 9:11; Jes 5:21; 1 Kor 1:27–29; 1 Kor 3:18–20; Rom 1:22 **9:23** **Maar wie zich wil beroemen, moet zich hierin beroemen: dat hij inzicht heeft en Mij kent: dat Ik Yahweh ben. Ik doe trouw, recht en gerechtigheid op aarde. Want daarin heb Ik behagen, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = als | בְּזֹ֞את (bezot) = in dit | יִתְהַלֵּ֣ל (yithalel) = beroemt zich | הַמִּתְהַלֵּ֗ל (hamithalel) = de die zich beroemt | הַשְׂכֵּל֮ (haskel) = inzicht hebben | וְיָדֹ֣עַ (veyadoa) = en kennen | אוֹתִי֒ (oti) = Mij | כִּ֚י (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עֹ֥שֶׂה (ose) = doe | חֶ֛סֶד (chesed) = trouw | מִשְׁפָּ֥ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֖ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = op aarde | כִּֽי (ki) = want | בְאֵ֥לֶּה (beele) = in deze | חָפַ֖צְתִּי (chafatsti) = Ik heb behagen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staan de drie kernwoorden van Yahweh’s eigen handelen: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’, en וּצְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’. Zie ook Hos. 6:6 en Micha 6:8 (‘recht te doen, trouw lief te hebben’). Wie zich mag beroemen, beroemt zich op het kennen van Yahweh, niet op eigen bezit. Voetnoot : הַשְׂכֵּל וְיָדֹעַ (haskel veyado’a), ‘inzicht hebben en Mij kennen’: twee werkwoorden die samen horen. Voetnoot : Zie ook 1 Kor. 1:31. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier één lange zin; wij splitsen ‘die trouw, recht en gerechtigheid doet’ af als ‘Ik doe trouw, recht en gerechtigheid’. Zie ook: Hos 6:6; Mi 6:8; Mi 7:18; Gal 6:14; 1 Kor 1:31; 2 Kor 10:17 ### Besneden en toch onbesneden **9:24** **Zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik iedere besnedene straf die toch onbesneden is:** Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | בָּאִ֖ים (baim) = komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּפָ֣קַדְתִּ֔י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | מ֖וּל (mul) = besnedene | בְּעָרְלָֽה (bearela) = in onbesnedenheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּל בְּעָרְלָה (mul be’orlah), ‘besnedene die toch onbesneden is’: letterlijk ‘besneden in onbesnedenheid’. Het gaat om volken en mensen die uiterlijk besneden zijn, maar geen besnijdenis van het hart hebben. Zie ook: Ezech 28:10; Ezech 32:19–32; Gal 5:2–6; Rom 2:8–9; Rom 2:25–26 **9:25** **Egypte, Juda, Edom, de zonen van Ammon, Moab en alle mensen die de rand van hun haar afknippen, die in de woestijn wonen. Want alle volken zijn onbesneden, en heel het huis van Israël is onbesneden van hart.”** Brontekst: עַל (al) = over | מִצְרַ֣יִם (mitsrayim) = Egypte | וְעַל (veal) = en over | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וְעַל (veal) = en over | אֱד֞וֹם (edom) = Edom | וְעַל (veal) = en over | בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | עַמּוֹן֙ (amon) = Ammon | וְעַל (veal) = en over | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וְעַל֙ (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | קְצוּצֵ֣י (qetsutsei) = afgeknipten van | פֵאָ֔ה (pea) = rand | הַיֹּשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = de wonenden | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | כִּ֤י (ki) = want | כָל (kal) = alle | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | עֲרֵלִ֔ים (arelim) = onbesneden | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עַרְלֵי (arlei) = onbesneden van | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: קְצוּצֵי פֵאָה (qetsutsei pe’ah), ‘die de rand van hun haar afknippen’: een gebruik van enkele woestijnstammen, zie Jer. 25:23 en 49:32; Israël mocht de rand van het haar niet afknippen (Lev. 19:27). Voetnoot : Juda staat in de lijst naast de volken: ook Juda is onbesneden van hart. Voetnoot : עַרְלֵי לֵב (arlei lev), ‘onbesneden van hart’: zoals Lev. 26:41 en Deut. 10:16 (‘Besnijd de voorhuid van jullie hart’). Voetnoot : Hiermee eindigt de toespraak van Yahweh die in vers 22 begon. Zie ook: Lev 19:27; Lev 26:41; Deut 10:16; Jes 19:24–25; Jer 4:4; Jer 9:22; Jer 25:23; Jer 49:32; Ezech 44:7; Rom 2:28–29 ## Jeremia 10 _Yahweh en de nietige goden van de volken_ ### Leer de weg van de volken niet **10:1** Hoor het woord dat Yahweh over jullie gesproken heeft, huis van Israël. Brontekst: שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoort | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | דִּבֶּ֧ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = over jullie | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is een oproep van de profeet; Yahweh wordt in de derde persoon genoemd. Het staat daarom zwart. Zie ook: Amos 7:16; Hos 4:1; Jer 13:15–17; Jer 42:15; 1 Tess 2:13 **10:2** Zo zegt Yahweh: **„Leer de weg van de volken niet, en wees niet ontzet door de tekenen van de hemel, want de volken zijn daardoor ontzet.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | דֶּ֤רֶךְ (derekh) = weg van | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אַל (al) = niet | תִּלְמָ֔דוּ (tilmadu) = leert | וּמֵאֹת֥וֹת (umeotot) = en van tekenen van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | אַל (al) = niet | תֵּחָ֑תּוּ (techatu) = wees ontzet | כִּֽי (ki) = want | יֵחַ֥תּוּ (yechatu) = zijn ontzet | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | מֵהֵֽמָּה (mehema) = door hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמֵאֹתוֹת הַשָּׁמַיִם (me’otot hashamayim), ‘de tekenen van de hemel’: tekenen aan de sterrenhemel waaruit volken de toekomst probeerden te lezen. Yahweh heeft de hemellichten aan de volken toegewezen (Deut. 4:19), maar zij zijn geen reden tot angst. Voetnoot : תֵּחָתּוּ (techattu), ‘wees ontzet’ en יֵחַתּוּ (yechattu), ‘zijn ontzet’: hetzelfde werkwoord חָתַת (chatat), ‘ontzet, geschrokken zijn’, als in Jer. 1:17. Voetnoot : Na de formule ‘Zo zegt Yahweh’ staat het volgende rood, tot en met vers 5. Zie ook: Lev 18:3; Lev 20:23; Deut 4:19; Deut 12:30–31; Jer 1:17; Jer 10:5; Ezech 20:32; Luc 21:25–28 **10:3** **Want de voorschriften van de volken zijn een nietigheid. Het is hout dat iemand uit het bos gekapt heeft, het werk van de handen van een ambachtsman met de bijl.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | חֻקּ֥וֹת (chuqot) = voorschriften van | הָֽעַמִּ֖ים (haamim) = de volken | הֶ֣בֶל (hevel) = nietigheid | ה֑וּא (hu) = het | כִּֽי (ki) = want | עֵץ֙ (ets) = hout | מִיַּ֣עַר (miyaar) = uit het bos | כְּרָת֔וֹ (kerato) = heeft gekapt het | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | יְדֵ֥י (yedei) = handen van | חָרָ֖שׁ (charash) = ambachtsman | בַּֽמַּעֲצָֽד (bamaatsad) = met de bijl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻקּוֹת הָעַמִּים (chuqqot ha’ammim), ‘de voorschriften van de volken’: de gebruiken van de volken, ook hun eredienst. הֶבֶל (hevel), ‘een nietigheid’: letterlijk ‘damp, adem’, wat niets betekent. Voetnoot : Vers 3 tot en met 5 beschrijven hoe een afgod wordt gemaakt: hout uit het bos, door een ambachtsman bewerkt. Zie ook Jes. 44:12–17, 40:19–20 en 46:6–7. Voetnoot : בַּמַּעֲצָד (bamma’atsad), ‘met de bijl’: zeldzaam woord, zoals Jes. 44:12. Zie ook: Lev 18:30; Jes 40:19; Jes 44:9–20; Jes 44:12–17; Jer 10:8; Rom 1:21; 1 Petr 1:18 **10:4** **Met zilver en goud maakt men het mooi. Met spijkers en hamers maakt men het vast, zodat het niet wankelt.** Brontekst: בְּכֶ֥סֶף (bekhesef) = met zilver | וּבְזָהָ֖ב (uvezahav) = en met goud | יְיַפֵּ֑הוּ (yeyapehu) = maakt men het mooi | בְּמַסְמְר֧וֹת (bemasmerot) = met spijkers | וּבְמַקָּב֛וֹת (uvemaqavot) = en met hamers | יְחַזְּק֖וּם (yechazequm) = maakt men ze vast | וְל֥וֹא (velo) = en niet | יָפִֽיק (yafiq) = wankelt het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָפִיק (yafiq), ‘wankelt’: het werkwoord פּוּק (puk) komt zelden voor; het beeld is vastgespijkerd, zodat het niet omvalt. Een god die vastgespijkerd moet worden, kan zichzelf niet houden. Zie ook: Ps 115:4; Ps 135:15; Jes 40:19–20; Jes 41:6–7; Jes 46:7 **10:5** **Zij zijn als een palmboom van gedreven werk en zij spreken niet. Men moet ze dragen, want zij lopen niet. Wees niet bang voor hen, want zij doen geen kwaad, en goed doen zij ook niet.”** Brontekst: כְּתֹ֨מֶר (ketomer) = als een palm | מִקְשָׁ֥ה (miqsha) = gedreven werk | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְדַבֵּ֔רוּ (yedaberu) = zij spreken | נָשׂ֥וֹא (naso) = gedragen worden | יִנָּשׂ֖וּא (yinasu) = zij worden gedragen | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | יִצְעָ֑דוּ (yitsadu) = zij lopen | אַל (al) = niet | תִּֽירְא֤וּ (tireu) = wees bang | מֵהֶם֙ (mehem) = van hen | כִּי (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | יָרֵ֔עוּ (yareu) = zij doen kwaad | וְגַם (vegam) = en ook | הֵיטֵ֖יב (heiteiv) = goed doen | אֵ֥ין (ein) = niet is | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּתֹמֶר מִקְשָׁה (ketomer miqshah), ‘een palmboom van gedreven werk’: het Hebreeuws is hier onzeker. Het woord תֹּמֶר (tomer) is ‘palm’ of ‘palmpilaar’, מִקְשָׁה (miqshah) ‘gedreven werk’ (gehamerd metaal). Een andere mogelijkheid is ‘een vogelverschrikker in een komkommerveld’. Voetnoot : Vergelijk Ps. 115:4–7 en 135:15–17: ze hebben een mond maar spreken niet. Voetnoot : Hier eindigt het rood van Yahweh’s woorden. Zie ook: Ps 115:4–7; Ps 115:5–8; Ps 135:15; Jes 41:23–24; Jes 46:7; Hab 2:19; 1 Kor 12:2 ### Niemand is als U **10:6** Niemand is als U, Yahweh. U bent groot en Uw naam is groot in kracht. Brontekst: מֵאֵ֥ין (meein) = van niets | כָּמ֖וֹךָ (kamokha) = zoals U | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | גָּד֥וֹל (gadol) = groot | אַתָּ֛ה (ata) = U | וְגָד֥וֹל (vegadol) = en groot | שִׁמְךָ֖ (shimkha) = Uw naam | בִּגְבוּרָֽה (bigvura) = in kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt de profeet tot Yahweh: ‘U’ en ‘Uw’ met hoofdletter. Vergelijk Exod. 15:11 en Ps. 86:8. Zie ook: Ex 15:11; Deut 33:26; Ps 48:2; Ps 86:8; Ps 96:4; Jes 12:6 **10:7** Wie zou U niet vrezen, Koning van de volken? Want het komt U toe. Want onder alle wijzen van de volken en in heel hun koninkrijk is niemand zoals U. Brontekst: מִ֣י (mi) = wie | לֹ֤א (lo) = niet | יִֽרָאֲךָ֙ (yiraakha) = zal U vrezen | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | כִּ֥י (ki) = want | לְךָ֖ (lekha) = aan U | יָאָ֑תָה (yaata) = past | כִּ֣י (ki) = want | בְכָל (bekhal) = onder alle | חַכְמֵ֧י (chakhmei) = wijzen van | הַגּוֹיִ֛ם (hagoyim) = de volken | וּבְכָל (uvekhal) = en in heel | מַלְכוּתָ֖ם (malkhutam) = hun koninkrijk | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | כָּמֽוֹךָ (kamokha) = zoals U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָאָתָה (ya’ah), ‘het komt U toe’: het werkwoord אָתָה (atah) ‘komen’ is hier ‘passen, betamen’. Alle eer komt Yahweh toe, de Koning van de volken. Zie ook: Ps 22:29; Ps 89:7; Jer 5:22; 1 Kor 1:19–20; Openb 15:4 **10:8** Zij zijn allemaal tegelijk dom en dwaas. Het onderricht van de nietigheden: het is hout. Brontekst: וּבְאַחַ֖ת (uveachat) = en tegelijk | יִבְעֲר֣וּ (yivaru) = zijn dom | וְיִכְסָ֑לוּ (veyikhsalu) = en zijn dwaas | מוּסַ֥ר (musar) = onderricht van | הֲבָלִ֖ים (havalim) = nietigheden | עֵ֥ץ (ets) = hout | הֽוּא (hu) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּבְאַחַת (uve’achat), ‘tegelijk’: het Hebreeuws bedoelt ‘allemaal in één keer, tot de laatste’. Voetnoot : וְיִכְסָלוּ (yikhsalu), ‘zijn dwaas’: het werkwoord כָּסַל (kasal). De betekenis van het slot, מוּסַר הֲבָלִים עֵץ הוּא (musar havalim ets hu), ‘het onderricht van de nietigheden: het is hout’, is moeilijk. Het kan ook worden begrepen als: ‘wie wordt onderricht door nietigheden, krijgt hout’. Zie ook: Ps 115:8; Jer 10:14; Hab 2:18; Zach 10:2; Rom 1:21–22 **10:9** Gehamerd zilver wordt uit Tarsis aangevoerd en goud uit Ufaz, het werk van een ambachtsman en van de handen van een smelter. Blauwpurper en roodpurper is hun kleding. Het is allemaal het werk van wijzen. Brontekst: כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | מְרֻקָּ֞ע (meruqa) = gehamerd | מִתַּרְשִׁ֣ישׁ (mitarshish) = uit Tarsis | יוּבָ֗א (yuva) = wordt gebracht | וְזָהָב֙ (vezahav) = en goud | מֵֽאוּפָ֔ז (meufaz) = uit Ufaz | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | חָרָ֖שׁ (charash) = ambachtsman | וִידֵ֣י (videi) = en handen van | צוֹרֵ֑ף (tsoref) = smelter | תְּכֵ֤לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָן֙ (veargaman) = en roodpurper | לְבוּשָׁ֔ם (levusham) = hun kleding | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | חֲכָמִ֖ים (chakhamim) = wijzen | כֻּלָּֽם (kulam) = allemaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Voetnoot Uitleg: מִתַּרְשִׁישׁ (mitarshish), ‘uit Tarsis’: een verre bestemming van schepen, in het westen (zie 1 Kon. 10:22). Ligging onzeker. Voetnoot : מֵאוּפָז (me’ufaz), ‘uit Ufaz’: een plaats waar goud vandaan komt. De ligging is niet bekend. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : תְּכֵלֶת וְאַרְגָּמָן (tekhelet ve’argaman), ‘blauwpurper en roodpurper’: dure kleurstoffen, ook bij de tabernakel gebruikt (Exod. 26:1). Voetnoot : Het beeld is dus met zilver en goud bedekt en gekleed in dure stoffen, maar het leeft niet. Zie ook: Ex 26:1; Ps 115:4; 1 Kon 10:22; Jes 40:19; Ezech 27:12; Dan 10:5 ### Yahweh is de levende Elohim **10:10** Maar Yahweh is een Elohim van waarheid. Hij is de levende Elohim en een Koning voor eeuwig. Van Zijn gramschap beeft de aarde en de volken kunnen Zijn verontwaardiging niet verdragen. Brontekst: וַֽיהוָ֤ה (vaYahweh) = en Yahweh | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֱמֶ֔ת (emet) = waarheid | הֽוּא (hu) = Hij | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | חַיִּ֖ים (chayim) = levend | וּמֶ֣לֶךְ (umelekh) = en koning van | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | מִקִּצְפּוֹ֙ (miqitspo) = van Zijn gramschap | תִּרְעַ֣שׁ (tirash) = beeft | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָכִ֥לוּ (yakhilu) = kunnen verdragen | גוֹיִ֖ם (goyim) = volken | זַעְמֽוֹ (zamo) = Zijn verontwaardiging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיהוָה אֱלֹהִים אֱמֶת הוּא (vYahweh Elohim emet hu), ‘Maar Yahweh is een Elohim van waarheid’: het tegenovergestelde van de nietigheden. אֱמֶת (emet) is ‘waarheid’; het staat tegenover het bedrog van de beelden (vers 14). Voetnoot : אֱלֹהִים חַיִּים (Elohim chayyim), ‘de levende Elohim’: het beeld heeft geen adem (vers 14). Voetnoot : וּמֶלֶךְ עוֹלָם (melekh olam), ‘Koning voor eeuwig’: olam is hier ‘eeuwigheid’. Voetnoot : מִקִּצְפּוֹ (qetsef), ‘gramschap’, en זַעְמוֹ (za’am), ‘verontwaardiging’: twee woorden voor Yahweh’s toorn. Zie ook: Deut 32:4; Ps 42:3; Ps 76:8; Jes 57:15; Nah 1:6; Jer 10:14 ### Een Aramees vers **10:11** Zo moeten jullie tot hen zeggen: „De goden die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben: deze zullen van de aarde en van onder de hemel verdwijnen.” Brontekst: כִּדְנָה֙ (kidna) = zo | תֵּאמְר֣וּן (temrun) = jullie zullen zeggen | לְה֔וֹם (lehom) = tot hen | אֱלָ֣הַיָּ֔א (elahaya) = de goden | דִּֽי (di) = die | שְׁמַיָּ֥א (shemaya) = de hemel | וְאַרְקָ֖א (vearqa) = en de aarde | לָ֣א (la) = niet | עֲבַ֑דוּ (avadu) = hebben gemaakt | יֵאבַ֧דוּ (yevadu) = zullen omkomen | מֵֽאַרְעָ֛א (meara) = van de aarde | וּמִן (umin) = en van | תְּח֥וֹת (techot) = onder | שְׁמַיָּ֖א (shemaya) = de hemel | אֵֽלֶּה (ele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier tot en met dit vers is de brontekst Aramees (de taal van de volken, niet het Hebreeuws). Het Hebreeuws hervat in vers 12. Het woord voor ‘aarde’ staat in twee Aramese vormen: וְאַרְקָא (ve’arqa) en מֵאַרְעָא (me’ar’a). דִּי (di), ‘die’, en אֱלָהַיָּא (elahayya), ‘de goden’ zijn Aramese woorden. Voetnoot : Dit vers is een woord dat aan de volken gezegd moet worden, in hun eigen taal. Het staat zwart; het begint met ‘Zo moeten jullie zeggen’ (כִּדְנָה תֵּאמְרוּן, kidnah te’merun). Zie ook: Ps 96:5; Jes 2:18; Sef 2:11; Jer 10:12; Jer 51:18; Klaagl 3:66 ### Hij maakte de aarde door Zijn kracht **10:12** Hij is de Maker van de aarde door Zijn kracht, de Grondvester van de wereld door Zijn wijsheid. Door Zijn inzicht heeft Hij de hemel uitgespannen. Brontekst: עֹשֵׂ֥ה (ose) = maker van | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = aarde | בְּכֹח֔וֹ (bekhocho) = door Zijn kracht | מֵכִ֥ין (mekhin) = grondvester van | תֵּבֵ֖ל (tevel) = wereld | בְּחָכְמָת֑וֹ (bechakhemato) = door Zijn wijsheid | וּבִתְבוּנָת֖וֹ (uvitvunato) = en door Zijn inzicht | נָטָ֥ה (nata) = heeft uitgespannen | שָׁמָֽיִם (shamayim) = hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier hervat het Hebreeuws. De verzen 12–16 komen bijna woordelijk terug in Jer. 51:15–19; waar het Hebreeuws gelijk is, zijn de Nederlandse woorden gelijk. Voetnoot : עֹשֵׂה (oseh), ‘de Maker’; מֵכִין (mekhin), ‘de Grondvester’; נָטָה (natah), ‘heeft uitgespannen’: drie werkwoorden van de schepping. Voetnoot : Dit lied van lof staat zwart: Yahweh wordt in de derde persoon genoemd. Zie ook: Gen 1:1; Job 9:8; Spr 3:19; Jes 40:22; Jer 51:15–19; Joh 1:3 **10:13** Als Hij Zijn stem laat klinken, is er een gedruis van water in de hemel. Hij laat wolken opstijgen van het einde van de aarde. Hij maakt bliksemflitsen voor de regen. Hij brengt de wind uit Zijn voorraadkamers. Brontekst: לְק֨וֹל (leqol) = bij het geluid | תִּתּ֜וֹ (tito) = Zijn geven | הֲמ֥וֹן (hamon) = gedruis van | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | בַּשָּׁמַ֔יִם (bashamayim) = in de hemel | וַיַּעֲלֶ֥ה (vayaale) = en Hij doet opstijgen | נְשִׂאִ֖ים (nesiim) = wolken | מִקְצֵ֣ה (miqtse) = van het einde van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | בְּרָקִ֤ים (beraqim) = bliksemflitsen | לַמָּטָר֙ (lamatar) = voor de regen | עָשָׂ֔ה (asa) = heeft gemaakt | וַיּ֥וֹצֵא (vayotse) = en Hij brengt uit | ר֖וּחַ (ruach) = wind | מֵאֹצְרֹתָֽיו (meotserotav) = uit Zijn voorraadkamers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is gelijk aan Ps. 135:7, behalve het begin, לְקוֹל תִּתּוֹ הֲמוֹן מַיִם בַּשָּׁמַיִם (leqol titto hamon mayim bashamayim), ‘Als Hij Zijn stem laat klinken, is er een gedruis van water in de hemel’: de donder. Zie ook: Job 38:22; Job 38:34–35; Ps 18:14; Ps 135:7; 1 Kon 18:41 **10:14** Ieder mens is dom geworden, zonder kennis. Iedere smelter is beschaamd door het beeld, want zijn gegoten beeld is leugen en er is geen adem in hen. Brontekst: נִבְעַ֤ר (nivar) = is dom geworden | כָּל (kal) = ieder | אָדָם֙ (adam) = mens | מִדַּ֔עַת (midaat) = zonder kennis | הֹבִ֥ישׁ (hovish) = is beschaamd | כָּל (kal) = ieder | צוֹרֵ֖ף (tsoref) = smelter | מִפָּ֑סֶל (mipasel) = door het beeld | כִּ֛י (ki) = want | שֶׁ֥קֶר (sheqer) = leugen | נִסְכּ֖וֹ (nisko) = zijn gegoten beeld | וְלֹא (velo) = en niet | ר֥וּחַ (ruach) = adem | בָּֽם (bam) = in hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִבְעַר (niv’ar), ‘is dom geworden’: het werkwoord בָּעַר (ba’ar), ‘dom, onverstandig zijn’. Het woord staat ook in vers 8 (יִבְעֲרוּ, yiv’aru) en in vers 21. Voetnoot : נִסְכּוֹ (nisko), ‘zijn gegoten beeld’: het woord kan ook ‘plengoffer’ betekenen; hier is het het gegoten beeld van de smelter. Voetnoot : וְלֹא רוּחַ בָּם (velo ruach bam), ‘er is geen adem in hen’: zoals Ps. 135:17. Zie ook: Ps 115:4–8; Ps 135:16–18; Ps 135:17; Jes 44:18–20; Jes 46:7–8; Jer 10:8; Jer 10:21; Hab 2:18–19 **10:15** Zij zijn een nietigheid, een werk van bespotting. In de tijd van hun straf zullen zij omkomen. Brontekst: הֶ֣בֶל (hevel) = nietigheid | הֵ֔מָּה (hema) = zij | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | תַּעְתֻּעִ֑ים (tatuim) = bespotting | בְּעֵ֥ת (beet) = in de tijd van | פְּקֻדָּתָ֖ם (pequdatam) = hun straf | יֹאבֵֽדוּ (yovedu) = zullen omkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּעְתֻּעִים (ta’tu’im), ‘bespotting’: een zeldzaam woord, ook in Jer. 51:18. De betekenis is niet zeker; ook ‘dwaling’ of ‘gedoe’. Dit vers is gelijk aan Jer. 51:18. Voetnoot : פְּקֻדָּתָם (peqquddatam), ‘hun straf’: letterlijk ‘hun bezoeking’, zoals Jer. 8:12. Zie ook: Jona 2:9; Jes 41:24; Jer 8:12; Jer 14:22; Jer 51:18 ### Het deel van Jakob **10:16** Het deel van Jakob is niet zoals deze, want Hij is de Vormer van alles, en Israël is de stam van Zijn erfdeel. Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | כְאֵ֜לֶּה (keele) = zoals deze | חֵ֣לֶק (cheleq) = deel van | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | כִּֽי (ki) = want | יוֹצֵ֤ר (yotser) = vormer van | הַכֹּל֙ (hakol) = alles | ה֔וּא (hu) = Hij | וְיִ֨שְׂרָאֵ֔ל (veyisrael) = en Israël | שֵׁ֖בֶט (shevet) = stam van | נַֽחֲלָת֑וֹ (nachalato) = Zijn erfdeel | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמֽוֹ (shemo) = Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵלֶק יַעֲקֹב (chelek Ya’aqov), ‘het deel van Jakob’: Yahweh is het erfdeel van Zijn volk, zoals Ps. 16:5. Dat staat tegenover de beelden: hun ‘deel’ is niets. Voetnoot : יוֹצֵר (yotser), ‘de Vormer’: het werkwoord יָצַר (yatsar) is het werkwoord van de pottenbakker; zie Jer. 1:5. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Zie ook: Deut 32:9; Ps 16:5; Ps 74:2; Ps 119:57; Jer 1:5; Jer 2:19; Jer 31:35; Jer 32:18 ### Pak je bundel in **10:17** Raap je bundel uit het land bijeen, jij die in het beleg zit. Brontekst: אִסְפִּ֥י (ispi) = raap bijeen | מֵאֶ֖רֶץ (meerets) = uit het land | כִּנְעָתֵ֑ךְ (kinatekh) = je bundel | יֹשֶׁ֖בֶת (yoshevet) = wonend | בַּמָּצֽוֹר (bamatsor) = in het beleg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּנְעָתֵךְ (kin’atekh), ‘je bundel’: een zeldzaam woord, ongeveer ‘wat je meedraagt’; hier de bagage van wie uit de stad moet. Voetnoot : יֹשֶׁבֶת (yoshevet), ‘jij die zit’: vrouwelijk, de stad of het volk als vrouw (zie Jer. 6:2). Zie ook: Mi 2:10; Jer 6:1; Jer 6:2; Jer 21:13; Ezech 12:3–12; Mat 24:15 **10:18** Want zo zegt Yahweh: **„Zie, Ik slinger de bewoners van het land deze keer weg en Ik breng hen in nood, opdat zij het ondervinden.”** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כֹה֙ (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | קוֹלֵ֛עַ (qolea) = slingerend | אֶת (et) = (obj.) | יוֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | בַּפַּ֣עַם (bapaam) = in dit | הַזֹּ֑את (hazot) = keer | וַהֲצֵר֥וֹתִי (vahatseroti) = en Ik breng in nood | לָהֶ֖ם (lahem) = hen | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | יִמְצָֽאוּ (yimtsau) = zij vinden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹלֵעַ (qole’a), ‘slinger weg’: het werkwoord קָלַע (qala) is ‘slingeren’, zoals met een slinger een steen. De bewoners worden uit hun land geslingerd. Voetnoot : יִמְצָאוּ (yimtsa’u), ‘zij vinden’: het Hebreeuws heeft geen voorwerp; wij begrijpen ‘het’ als de nood: zij zullen het ondervinden. Zie ook: Deut 28:63–64; 1 Sam 25:29; Jer 15:1–2; Jer 23:20; Zach 1:6 ### Wee mij vanwege mijn breuk **10:19** Wee mij vanwege mijn breuk! Mijn wond is ernstig. Ik zei: „Dit is slechts mijn ziekte, ik moet haar dragen.” Brontekst: א֥וֹי (oy) = wee | לִי֙ (li) = mij | עַל (al) = over | שִׁבְרִ֔י (shivri) = mijn breuk | נַחְלָ֖ה (nachla) = ernstig is | מַכָּתִ֑י (makati) = mijn wond | וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | אָמַ֔רְתִּי (amarti) = zei | אַ֛ךְ (akh) = slechts | זֶ֥ה (ze) = dit | חֳלִ֖י (choli) = mijn ziekte | וְאֶשָּׂאֶֽנּוּ (veesaenu) = en ik zal haar dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Jeruzalem of het volk, vertegenwoordigd door de profeet. Het beeld is een gewond lichaam (‘breuk’, ‘wond’, ‘ziekte’), zoals in Jer. 8:21–22. Voetnoot : וָאֲנִי אָמַרְתִּי אַךְ זֶה חֳלִי (va’ani amarti akh zeh choli), ‘Ik zei: Dit is slechts mijn ziekte’: de spreker neemt zijn wond eerst licht en denkt aan een gewone ziekte; vergelijk de lichtvaardigheid in Jer. 6:14. Zie ook: Mi 7:9; Jer 4:31; Jer 6:14; Jer 8:21–22; Jer 14:17; Klaagl 3:18–21; Klaagl 3:39–40 **10:20** Mijn tent is verwoest en al mijn tentkoorden zijn losgerukt. Mijn zonen zijn van mij weggegaan en zijn er niet meer. Er is niemand meer die mijn tent opspant en mijn tentdoeken opricht. Brontekst: אָהֳלִ֣י (aholi) = mijn tent | שֻׁדָּ֔ד (shudad) = is verwoest | וְכָל (vekhal) = en alle | מֵיתָרַ֖י (meitaray) = mijn koorden | נִתָּ֑קוּ (nitaqu) = zijn losgerukt | בָּנַ֤י (banay) = mijn zonen | יְצָאֻ֨נִי֙ (yetsauni) = zijn van mij weggegaan | וְאֵינָ֔ם (veeinam) = en zij zijn er niet | אֵין (ein) = niet is er | נֹטֶ֥ה (note) = wie uitspant | עוֹד֙ (od) = meer | אָהֳלִ֔י (aholi) = mijn tent | וּמֵקִ֖ים (umeqim) = en wie opricht | יְרִיעוֹתָֽי (yeriotay) = mijn tentdoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De stad of het volk wordt voorgesteld als een nomadische tent. De tentkoorden zijn losgerukt, de kinderen zijn weg, en niemand zet de tent weer op. Zie ook Jes. 33:20 en 54:2. Zie ook: Jes 33:20; Jes 49:20–22; Jes 51:16; Jes 54:2; Jer 4:20; Jer 31:15 **10:21** Want de herders zijn dom geworden en Yahweh hebben zij niet gezocht. Daarom hebben zij niet verstandig gehandeld en is heel hun kudde verstrooid. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | נִבְעֲרוּ֙ (nivaru) = zijn dom geworden | הָֽרֹעִ֔ים (haroim) = de herders | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | דָרָ֑שׁוּ (darashu) = zij hebben gezocht | עַל (al) = om | כֵּן֙ (ken) = zo | לֹ֣א (lo) = niet | הִשְׂכִּ֔ילוּ (hiskilu) = zij hebben verstandig gehandeld | וְכָל (vekhal) = en heel | מַרְעִיתָ֖ם (maritam) = hun kudde | נָפֽוֹצָה (nafotsa) = is verstrooid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֹעִים (haro’im), ‘de herders’: de leiders van het volk. Zie ook Jer. 2:8 en 23:1. Voetnoot : דָרָשׁוּ (darashu), ‘zij hebben gezocht’: het werkwoord דָּרַשׁ (darash) is ‘raadplegen, zoeken’. Voetnoot : הִשְׂכִּילוּ (hiskilu), ‘verstandig handelen’: het werkwoord שָׂכַל (sakal) betekent ook ‘succes hebben’. Zie ook: Jes 56:10–12; Jer 2:8; Jer 12:10; Jer 23:1–2; Ezech 22:25–30; Ezech 34:2–10 **10:22** Een geluid van een bericht! Zie, het komt, en een groot gerommel uit het land in het noorden. Het komt om de steden van Juda tot een woestenij te maken, een woonplaats van jakhalzen. Brontekst: ק֤וֹל (qol) = geluid van | שְׁמוּעָה֙ (shemua) = bericht | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | בָאָ֔ה (baa) = het komt | וְרַ֥עַשׁ (veraash) = en gerommel | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | צָפ֑וֹן (tsafon) = noorden | לָשׂ֞וּם (lasum) = om te maken | אֶת (et) = (obj.) | עָרֵ֧י (arei) = steden van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | שְׁמָמָ֖ה (shemama) = woestenij | מְע֥וֹן (meon) = woonplaats van | תַּנִּֽים (tanim) = jakhalzen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: מֵאֶרֶץ צָפוֹן (me’erets tsafon), ‘uit het land in het noorden’: de richting van het onheil, zoals Jer. 1:14 en 6:22. Het gerommel is het geluid van het leger. Voetnoot : מְעוֹן תַּנִּים (me’on tannim), ‘woonplaats van jakhalzen’: zoals Jer. 9:10. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier één lange zin; wij splitsen hem en herhalen daarbij ‘het komt’. Zie ook: Jer 1:14; Jer 1:15; Jer 4:6; Jer 6:22; Jer 9:10; Hab 1:6–9; Mal 1:3 ### Ik weet, Yahweh **10:23** Ik weet, Yahweh, dat de weg van de mens niet van hemzelf is. Het is niet aan de man die gaat om zijn stap te richten. Brontekst: יָדַ֣עְתִּי (yadati) = ik weet | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֛י (ki) = dat | לֹ֥א (lo) = niet | לָאָדָ֖ם (laadam) = aan de mens | דַּרְכּ֑וֹ (darko) = zijn weg | לֹֽא (lo) = niet | לְאִ֣ישׁ (leish) = aan een man | הֹלֵ֔ךְ (holekh) = gaande | וְהָכִ֖ין (vehakhin) = en richten | אֶֽת (et) = (obj.) | צַעֲדֽוֹ (tsaado) = zijn stap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier is het een gebed van de profeet. Het Hebreeuws is kort: ‘niet aan de mens zijn weg, niet aan een man gaande om zijn stap te richten’. Wij begrijpen het zo: de mens heeft zijn weg niet in eigen hand. Vergelijk Spr. 16:9 en 20:24. Zie ook: Ps 17:5; Ps 37:23; Ps 119:116–117; Spr 16:1; Spr 16:9; Spr 20:24 **10:24** Tuchtig mij, Yahweh, maar naar recht, niet in Uw toorn, anders maakt U mij gering. Brontekst: יַסְּרֵ֥נִי (yasereni) = tuchtig mij | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אַךְ (akh) = maar | בְּמִשְׁפָּ֑ט (bemishpat) = naar recht | אַל (al) = niet | בְּאַפְּךָ֖ (beapekha) = in Uw toorn | פֶּן (pen) = anders | תַּמְעִטֵֽנִי (tamiteni) = U maakt mij gering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַסְּרֵנִי (yasreni), ‘tuchtig mij’: het werkwoord יָסַר (yasar) als in Jer. 6:8. De profeet vraagt om rechtvaardige tuchtiging, niet om toorn. Voetnoot : תַּמְעִטֵנִי (tam’iteni), ‘anders maakt U mij gering’: het werkwoord מָעַט (ma’at) betekent ‘klein worden, verminderen’. Zie ook: Job 6:18; Ps 6:2; Ps 38:2; Jes 40:23; Jer 6:8; Jer 30:11 **10:25** Stort Uw woede uit over de volken die U niet kennen en over de families die Uw naam niet hebben aangeroepen. Want zij hebben Jakob verslonden. Ja, zij hebben hem verslonden en vernietigd, en zijn woonplaats hebben zij verwoest. Brontekst: שְׁפֹ֣ךְ (shefokh) = stort uit | חֲמָתְךָ֗ (chamatekha) = Uw woede | עַל (al) = over | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יְדָע֔וּךָ (yedaukha) = kennen U | וְעַל֙ (veal) = en over | מִשְׁפָּח֔וֹת (mishpachot) = families | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּשִׁמְךָ֖ (beshimkha) = Uw naam | לֹ֣א (lo) = niet | קָרָ֑אוּ (qarau) = hebben aangeroepen | כִּֽי (ki) = want | אָכְל֣וּ (akhelu) = zij hebben verslonden | אֶֽת (et) = (obj.) | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | וַאֲכָלֻ֨הוּ֙ (vaakhaluhu) = en zij hebben hem verslonden | וַיְכַלֻּ֔הוּ (vaykhaluhu) = en zij hebben hem vernietigd | וְאֶת (veet) = en (obj.) | נָוֵ֖הוּ (navehu) = zijn woonplaats | הֵשַֽׁמּוּ (heshamu) = hebben verwoest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers komt bijna woordelijk overeen met Ps. 79:6–7. Verschillen: hier staat ‘families’ (מִשְׁפָּחוֹת, mishpachot) waar Ps. 79:6 ‘koninkrijken’ heeft, en de laatste woorden zijn hier uitgebreid met ‘hem vernietigd’ (וַיְכַלֻּהוּ, vayekhalluhu). Voetnoot : ‘Jakob’ is het volk. Voetnoot : De volken die Yahweh niet kennen, worden bij het oordeel betrokken. Zie ook: Job 18:21; Ps 14:4; Ps 79:6–7; Jer 8:16; Jer 50:17 ## Jeremia 11 _Het verbond verbroken: Yahweh kondigt onheil aan, ook over de mannen van Anatot_ ### De woorden van het verbond **11:1** Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam: Brontekst: הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֣ה (haya) = kwam | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֥ת (meet) = van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:2** **„Luister naar de woorden van dit verbond. Spreek tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem.** Brontekst: שִׁמְע֕וּ (shimu) = luistert | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֖י (divrei) = woorden van | הַבְּרִ֣ית (haberit) = het verbond | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | וְדִבַּרְתָּם֙ (vedibartam) = en spreekt | אֶל (el) = tot | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְעַל (veal) = en tot | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּאת (divrei haberit hazot), ‘de woorden van dit verbond’: het verbond dat Yahweh bij de uittocht uit Egypte met Israël sloot (vers 4). Vergelijk Deut. 28:69 (NL 29:1). Zie ook: Ex 19:5; Deut 28:69; 2 Kon 23:2–3; 2 Kron 29:10; 2 Kron 34:31; Jer 11:4; Jer 11:6 **11:3** **Zeg tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: Vervloekt is de man die niet luistert naar de woorden van dit verbond.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אָר֣וּר (arur) = vervloekt | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁמַ֔ע (yishma) = luistert | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֖י (divrei) = woorden van | הַבְּרִ֥ית (haberit) = het verbond | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָרוּר (arur), ‘vervloekt’: het woord waarmee wie het verbond overtreedt wordt getroffen, zoals in Deut. 27:26. Zie ook: Deut 27:26; Deut 28:15–68; Deut 29:18–19; Gal 3:10–13 **11:4** **Ik heb het jullie vaders geboden op de dag dat Ik hen uit het land Egypte liet uittrekken, uit de ijzeren smeltoven. Ik zei: Luister naar Mijn stem en voer ze uit, volgens alles wat Ik jullie gebied. Dan zullen jullie Mijn volk zijn, en Ik zal jullie Elohim zijn.** Brontekst: אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | צִוִּ֣יתִי (tsiviti) = Ik heb geboden | אֶת (et) = (obj.) | אֲבֽוֹתֵיכֶ֡ם (avoteikhem) = jullie vaders | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag | הוֹצִיאִֽי (hotsii) = Ik liet uitgaan | אוֹתָ֣ם (otam) = hen | מֵאֶֽרֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַיִם֩ (mitsrayim) = Egypte | מִכּ֨וּר (mikur) = uit de smeltoven van | הַבַּרְזֶ֜ל (habarzel) = het ijzer | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | שִׁמְע֤וּ (shimu) = luistert | בְקוֹלִי֙ (beqoli) = naar Mijn stem | וַעֲשִׂיתֶ֣ם (vaasitem) = en voert uit | אוֹתָ֔ם (otam) = ze | כְּכֹ֥ל (kekhol) = volgens alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אֲצַוֶּ֖ה (atsave) = Ik gebied | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וִהְיִ֤יתֶם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | לִי֙ (li) = voor Mij | לְעָ֔ם (leam) = tot een volk | וְאָ֣נֹכִ֔י (veanokhi) = en Ik | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מִכּוּר הַבַּרְזֶל (mikkur habarzel), ‘uit de ijzeren smeltoven’: een oven waarin ijzer wordt gesmolten. Egypte wordt zo genoemd als de plaats van zware dwang. Zie ook Deut. 4:20 en 1 Kon. 8:51. Voetnoot : וִהְיִיתֶם לִי לְעָם (vihyitem li le’am), ‘dan zullen jullie Mijn volk zijn’: de verbondsformule. Zie ook Exod. 6:7 en Lev. 26:12. Zie ook: Ex 6:7; Lev 26:12; Deut 4:20; 1 Kon 8:51; Jer 7:22–23; Zach 8:8; 2 Kor 6:16 **11:5** **Zo houd Ik de eed in stand die Ik jullie vaders gezworen heb: hun een land te geven. Het overvloeit van melk en honing, zoals het vandaag is.’”** Ik antwoordde en zei: „Amen, Yahweh.” Brontekst: לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | הָקִ֨ים (haqim) = Ik in stand houd | אֶת (et) = (obj.) | הַשְּׁבוּעָ֜ה (hashevua) = de eed | אֲשֶׁר (asher) = die | נִשְׁבַּ֣עְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | לַאֲבֽוֹתֵיכֶ֗ם (laavoteikhem) = aan jullie vaders | לָתֵ֤ת (latet) = te geven | לָהֶם֙ (lahem) = hun | אֶ֣רֶץ (erets) = een land | זָבַ֥ת (zavat) = vloeiend van | חָלָ֛ב (chalav) = melk | וּדְבַ֖שׁ (udevash) = en honing | כַּיּ֣וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וָאַ֥עַן (vaaan) = en ik antwoordde | וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en zei | אָמֵ֥ן (amen) = amen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָמֵן (amen), ‘amen’: ‘zo is het’. Jeremia stemt in met de eed en met de vloek van vers 3. Zie ook Deut. 27:15–26. Voetnoot : Het land dat ‘overvloeit van melk en honing’ is de belofte aan de vaders; zie Exod. 3:8. Zie ook: Gen 26:3–5; Ex 3:8–17; Deut 7:12–13; Deut 27:15–26; Ps 105:9–11; Jer 11:3; Jer 28:6 **11:6** Yahweh zei tegen mij: **„Roep al deze woorden uit in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem. Zeg: ‘Luister naar de woorden van dit verbond en voer ze uit.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | קְרָ֨א (qera) = roep uit | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֤ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּבְחֻצ֥וֹת (uvechutsot) = en op de straten van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | שִׁמְע֗וּ (shimu) = luistert | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵי֙ (divrei) = woorden van | הַבְּרִ֣ית (haberit) = het verbond | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en voert uit | אוֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Jer 3:12; Jer 19:2; Joh 13:17; Jak 1:22; Rom 2:13 **11:7** **Want Ik heb jullie vaders ernstig gewaarschuwd. Dat deed Ik vanaf de dag dat Ik hen uit het land Egypte liet optrekken tot op deze dag. Telkens weer waarschuwde Ik hen: Luister naar Mijn stem.** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | הָעֵ֨ד (haed) = ernstig waarschuwend | הַעִדֹ֜תִי (haidoti) = Ik heb gewaarschuwd | בַּאֲבֽוֹתֵיכֶ֗ם (baavoteikhem) = jullie vaders | בְּיוֹם֩ (beyom) = op de dag | הַעֲלוֹתִ֨י (haaloti) = Ik liet optrekken | אוֹתָ֜ם (otam) = hen | מֵאֶ֤רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | וְעַד (vead) = en tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | הַשְׁכֵּ֥ם (hashkem) = vroeg opstaand | וְהָעֵ֖ד (vehaed) = en waarschuwend | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | שִׁמְע֖וּ (shimu) = luistert | בְּקוֹלִֽי (beqoli) = naar Mijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 15:26; Ex 23:21–22; 1 Sam 8:9; 2 Kron 36:15; Ef 4:17 **11:8** **Maar zij luisterden niet en zij neigden hun oor niet. Ieder liep in de hardnekkigheid van zijn boze hart. Toen bracht Ik over hen alle woorden van dit verbond. Ik had hun geboden ze te doen, maar zij hebben ze niet gedaan.’”** Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = maar niet | שָֽׁמְעוּ֙ (shameu) = zij hoorden | וְלֹֽא (velo) = en niet | הִטּ֣וּ (hitu) = zij neigden | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנָ֔ם (azenam) = hun oor | וַיֵּ֣לְכ֔וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אִ֕ישׁ (ish) = ieder | בִּשְׁרִיר֖וּת (bishrirut) = in de hardnekkigheid van | לִבָּ֣ם (libam) = hun hart | הָרָ֑ע (hara) = het boze | וָאָבִ֨יא (vaavi) = en Ik bracht | עֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = over hen | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֧י (divrei) = woorden van | הַבְּרִית (haberit) = het verbond | הַזֹּ֛את (hazot) = dit | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוִּ֥יתִי (tsiviti) = Ik had geboden | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = te doen | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | עָשֽׂוּ (asu) = zij deden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּשְׁרִירוּת (bisherirut), ‘in de hardnekkigheid van’: stugheid, eigenzinnig vasthouden aan het eigen pad. Zie ook Deut. 29:18 en Ps. 81:13. Zie ook: Deut 29:18; Ps 81:13; Jer 3:17; Jer 7:24; Jer 7:26; Jer 35:15; Ezech 20:8 ### De verbondsbreuk van Juda **11:9** Yahweh zei tegen mij: **„Er is een samenzwering gevonden onder de mannen van Juda en onder de inwoners van Jeruzalem.** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֑י (elay) = tegen mij | נִֽמְצָא (nimtsa) = is gevonden | קֶ֨שֶׁר֙ (qesher) = samenzwering | בְּאִ֣ישׁ (beish) = onder de man van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּבְיֹשְׁבֵ֖י (uveyoshevei) = en onder de inwoners van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: een afspraak van velen om samen in opstand te komen. Het woord wordt ook gebruikt voor een staatsgreep, zoals in 2 Kon. 11:14. Hier is het de gezamenlijke afkeer van het verbond. Zie ook: 2 Kon 11:14; Hos 6:9; Mi 3:11; Jer 5:31; Jer 6:13; Mat 26:15 **11:10** **Zij zijn teruggekeerd naar de schuld van hun vroegere vaders, die weigerden naar Mijn woorden te luisteren. Zij zijn andere goden achternagelopen om hen te dienen. Het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond verbroken, dat Ik met hun vaders gesloten had.”** Brontekst: שָׁ֩בוּ֩ (shavu) = zij zijn teruggekeerd | עַל (al) = tot | עֲוֺנֹ֨ת (avonot) = schuld van | אֲבוֹתָ֜ם (avotam) = hun vaders | הָרִֽאשֹׁנִ֗ים (harishonim) = de vroegere | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | מֵֽאֲנוּ֙ (meanu) = weigerden | לִשְׁמ֣וֹעַ (lishmoa) = te horen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרַ֔י (devaray) = Mijn woorden | וְהֵ֣מָּה (vehema) = en zij | הָלְכ֗וּ (halekhu) = zijn gegaan | אַחֲרֵ֛י (acharei) = achter | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | לְעָבְדָ֑ם (leavedam) = om hen te dienen | הֵפֵ֤רוּ (heferu) = zij hebben verbroken | בֵֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וּבֵ֣ית (uveit) = en huis van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֕י (beriti) = Mijn verbond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | כָּרַ֖תִּי (karati) = Ik sloot | אֶת (et) = met | אֲבוֹתָֽם (avotam) = hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Het huis van Israël en het huis van Juda’: het hele verbondsvolk, zowel het noordelijke als het zuidelijke deel. Het volk heeft het verbond verbroken (הֵפֵרוּ, hefeiru), zoals in Gen. 17:14. Zie ook: Gen 17:14; Deut 31:16; Re 2:12–13; Re 2:19; Ps 78:8–10; Ezech 16:59 **11:11** Daarom, zo zegt Yahweh: **„Zie, Ik breng onheil over hen waaraan zij niet kunnen ontkomen. Zij zullen tot Mij roepen, maar Ik zal niet naar hen luisteren.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | מֵבִ֤יא (mevi) = breng | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = over hen | רָעָ֔ה (raa) = onheil | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waaruit | לֹֽא (lo) = niet | יוּכְל֖וּ (yukhelu) = zij kunnen | לָצֵ֣את (latset) = uitgaan | מִמֶּ֑נָּה (mimena) = daaruit | וְזָעֲק֣וּ (vezaaqu) = en zij zullen roepen | אֵלַ֔י (elay) = tot Mij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֶשְׁמַ֖ע (eshma) = zal Ik horen | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 1:28; Jes 1:15; Mi 3:4; Ezech 8:18; Zach 7:13 **11:12** **De steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem zullen gaan en roepen tot de goden voor wie zij wierook branden. Maar die zullen hen beslist niet redden in de tijd van hun onheil.** Brontekst: וְהָֽלְכ֞וּ (vehalekhu) = en zij zullen gaan | עָרֵ֣י (arei) = steden van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵי֙ (veyoshevei) = en inwoners van | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְזָֽעֲקוּ֙ (vezaaqu) = en zij zullen roepen | אֶל (el) = tot | הָ֣אֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de goden | אֲשֶׁ֛ר (asher) = aan wie | הֵ֥ם (hem) = zij | מְקַטְּרִ֖ים (meqaterim) = wierook branden | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וְהוֹשֵׁ֛עַ (vehoshea) = en redden | לֹֽא (lo) = niet | יוֹשִׁ֥יעוּ (yoshiu) = zij zullen redden | לָהֶ֖ם (lahem) = hen | בְּעֵ֥ת (beet) = in de tijd van | רָעָתָֽם (raatam) = hun onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Deut 32:37; Re 10:14; 2 Kron 28:22; Jes 45:20; Jer 2:28 **11:13** **Want zoveel als je steden zijn, zoveel zijn je goden geworden, Juda. En zoveel als de straten van Jeruzalem zijn, zoveel altaren hebben jullie opgericht voor de schande: altaren om wierook te branden voor de Baäl.** Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | מִסְפַּ֣ר (mispar) = het aantal van | עָרֶ֔יךָ (areikha) = je steden | הָי֥וּ (hayu) = zijn geweest | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je goden | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וּמִסְפַּ֞ר (umispar) = en het aantal van | חֻצ֣וֹת (chutsot) = straten van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | שַׂמְתֶּ֤ם (samtem) = jullie hebben gezet | מִזְבְּחוֹת֙ (mizbechot) = altaren | לַבֹּ֔שֶׁת (laboshet) = voor de schande | מִזְבְּח֖וֹת (mizbechot) = altaren | לְקַטֵּ֥ר (leqater) = om wierook te branden | לַבָּֽעַל (labaal) = voor de Baäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לַבֹּשֶׁת (laboshet), ‘voor de schande’: boshet is ‘schande’ en is een spotnaam voor Baäl, de afgod. Zie ook Hos. 9:10. Wij vertalen ‘de Baäl’ omdat het Hebreeuws het lidwoord heeft. De naam Jerubbesjet in 2 Sam. 11:21 bevat hetzelfde woord. Zie ook: Deut 32:16–17; 2 Sam 11:21; 2 Kon 23:13; Hos 9:10; Jer 2:28; Jer 3:24; Jer 7:9 ### Bid niet voor dit volk **11:14** **Jij nu, bid niet voor dit volk. Hef voor hen geen roep en geen gebed aan. Want Ik luister niet wanneer zij vanwege hun onheil tot Mij roepen.** Brontekst: וְאַתָּ֗ה (veata) = en jij | אַל (al) = niet | תִּתְפַּלֵּל֙ (titpalel) = bid | בְּעַד (bead) = voor | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְאַל (veal) = en niet | תִּשָּׂ֥א (tisa) = hef aan | בַעֲדָ֖ם (baadam) = voor hen | רִנָּ֣ה (rina) = roep | וּתְפִלָּ֑ה (utefila) = en gebed | כִּ֣י (ki) = want | אֵינֶ֣נִּי (eineni) = Ik ben niet | שֹׁמֵ֗עַ (shomea) = horend | בְּעֵ֛ת (beet) = ten tijde van | קָרְאָ֥ם (qaream) = hun roepen | אֵלַ֖י (elay) = tot Mij | בְּעַ֥ד (bead) = vanwege | רָעָתָֽם (raatam) = hun onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִנָּה (rinnah), ‘roep’: een luide kreet, hier een smeekroep. Yahweh verbiedt Jeremia te bidden voor het volk, zoals ook in Jer. 7:16. Zie ook: Ex 32:10; Jer 7:16; Jer 11:11; Jer 14:11; 1 Joh 5:16 **11:15** **Wat heeft Mijn geliefde in Mijn huis te zoeken, nu zij zoveel snode plannen uitvoert? Zal heilig vlees het onheil van je afwenden? Want als je kwaad doet, dan juich je.** Brontekst: מֶ֣ה (me) = wat | לִֽידִידִ֞י (lididi) = voor Mijn geliefde | בְּבֵיתִ֗י (beveiti) = in Mijn huis | עֲשׂוֹתָ֤הּ (asotah) = haar doen | הַֽמְזִמָּ֨תָה֙ (hamzimata) = de snode plannen | הָֽרַבִּ֔ים (harabim) = de velen | וּבְשַׂר (uvesar) = en vlees van | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | יַעַבְר֣וּ (yaavru) = zullen voorbijgaan | מֵֽעָלָ֑יִךְ (mealayikh) = van je | כִּ֥י (ki) = want | רָעָתֵ֖כִי (raatekhi) = je kwaad | אָ֥ז (az) = dan | תַּעֲלֹֽזִי (taalozi) = jubel jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִידִידִי (lididi), ‘voor Mijn geliefde’: het volk, dat Yahweh dierbaar was. Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk en de betekenis onzeker. Voetnoot : הַמְזִמָּתָה (hammezimmah), ‘de snode plannen’: een woord dat zowel ‘plan’ als ‘snood plan’ kan betekenen. Voetnoot : Wij vertalen וּבְשַׂר קֹדֶשׁ (uvesar qodesh) als ‘heilig vlees’: het vlees van geheiligde offers. Het kan niet het onheil afwenden. Voetnoot : Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders. Zie ook: Spr 2:14; Jer 2:2; Jer 7:8–11; Jak 4:16; Tit 1:15 **11:16** **Yahweh heeft je genoemd: ‘Groene olijfboom, mooi van vrucht en van vorm.’ Met het geluid van een groot gedruis heeft Hij vuur in haar aangestoken, en haar takken zijn gebroken.** Brontekst: זַ֤יִת (zayit) = olijfboom | רַֽעֲנָן֙ (raanan) = groene | יְפֵ֣ה (yefe) = mooi van | פְרִי (peri) = vrucht | תֹ֔אַר (toar) = vorm | קָרָ֥א (qara) = noemde | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁמֵ֑ךְ (shemekh) = je naam | לְק֣וֹל (leqol) = bij het geluid van | הֲמוּלָּ֣ה (hamula) = gedruis | גְדֹלָ֗ה (gedola) = groot | הִצִּ֥ית (hitsit) = Hij heeft aangestoken | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = in haar | וְרָע֖וּ (verau) = en zij zijn gebroken | דָּלִיּוֹתָֽיו (daliyotav) = zijn takken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זַיִת (zayit), ‘olijfboom’: een beeld voor Israël, vergelijk Hos. 14:7. Yahweh had het volk een mooi beeld gegeven, maar het wordt verbrand. Voetnoot : וְרָעוּ (vera’u), ‘en zij zijn gebroken’: het werkwoord betekent hier ‘gebroken worden’. Het Hebreeuws wisselt hier tussen ‘haar’ (de boom) en ‘zijn takken’; wij houden dat zo. Zie ook: Ps 52:10; Ps 80:17; Ps 83:3; Hos 14:7; Jes 27:11; Rom 11:17–24 **11:17** **Yahweh van de legermachten, die je geplant heeft, heeft onheil over je uitgesproken. Het komt door het kwaad van het huis van Israël en het huis van Juda. Zij hebben het zichzelf aangedaan om Mij tot toorn te prikkelen, door wierook te branden voor de Baäl.”** Brontekst: וַיהוָ֤ה (vaYahweh) = en Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | הַנּוֹטֵ֣עַ (hanotea) = die plant | אוֹתָ֔ךְ (otakh) = jou | דִּבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = over je | רָעָ֑ה (raa) = onheil | בִּ֠גְלַל (biglal) = vanwege | רָעַ֨ת (raat) = het kwaad van | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | וּבֵ֣ית (uveit) = en huis van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עָשׂ֥וּ (asu) = zij deden | לָהֶ֛ם (lahem) = voor zichzelf | לְהַכְעִסֵ֖נִי (lehakhiseni) = om Mij tot toorn te prikkelen | לְקַטֵּ֥ר (leqater) = door wierook te branden | לַבָּֽעַל (labaal) = voor de Baäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19 voor de uitleg bij deze naam. Zie ook: Ps 80:9; Jes 5:2; Jer 2:19; Jer 2:21; Jer 12:2; Jer 19:15 ### De aanslag op Jeremia **11:18** Yahweh heeft het mij laten weten, en ik wist het. Toen liet U mij hun daden zien. Brontekst: וַֽיהוָ֥ה (vaYahweh) = en Yahweh | הֽוֹדִיעַ֖נִי (hodiani) = heeft laten weten aan mij | וָֽאֵדָ֑עָה (vaedaa) = en ik wist | אָ֖ז (az) = toen | הִרְאִיתַ֥נִי (hiritani) = U liet mij zien | מַעַלְלֵיהֶֽם (maalleihem) = hun daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt Jeremia zelf, tot en met vers 20. Hij vertelt hoe Yahweh hem het plan van zijn belagers liet zien. In vers 18 gaat hij over van ‘Yahweh’ (derde persoon) naar ‘U’. Zie ook: 1 Sam 23:11–12; 2 Kon 6:9–10; Jer 11:19; Jer 11:20; Ezech 8:6–18; Rom 3:7 **11:19** Maar ik was als een tam lam dat naar de slachting wordt geleid. Ik wist niet dat zij plannen tegen mij bedachten: ‘Laten wij de boom met zijn vrucht verderven. Laten wij hem afsnijden uit het land van de levenden, zodat zijn naam niet meer wordt herdacht.’ Brontekst: וַאֲנִ֕י (vaani) = en ik | כְּכֶ֥בֶשׂ (kekheves) = als een lam | אַלּ֖וּף (aluf) = tam | יוּבַ֣ל (yuval) = dat geleid wordt | לִטְב֑וֹחַ (litvoach) = ter slachting | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָדַ֜עְתִּי (yadati) = wist ik | כִּֽי (ki) = dat | עָלַ֣י (alay) = tegen mij | חָשְׁב֣וּ (chashevu) = zij bedachten | מַחֲשָׁב֗וֹת (machashavot) = plannen | נַשְׁחִ֨יתָה (nashchita) = laten wij verderven | עֵ֤ץ (ets) = de boom | בְּלַחְמוֹ֙ (belachmo) = met zijn vrucht | וְנִכְרְתֶ֨נּוּ֙ (venikhretenu) = en laten wij hem afsnijden | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | חַיִּ֔ים (chayim) = de levenden | וּשְׁמ֖וֹ (ushemo) = en zijn naam | לֹֽא (lo) = niet | יִזָּכֵ֥ר (yizakher) = zal worden herdacht | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַלּוּף (alluf), ‘tam’: een dier dat bij mensen gewend is en daarom niets vermoedt. Voetnoot : בְּלַחְמוֹ (belachmo), ‘met zijn vrucht’: letterlijk ‘in zijn brood’, dus ‘met zijn voedsel’. Een andere mogelijke weergave is ‘in zijn sap’; de betekenis is onzeker. Voetnoot : ‘Het land van de levenden’: de plaats van de levende mensen, in tegenstelling tot Sjeol; zie Jes. 38:11 en Ps. 27:13. Zie ook: Job 28:13; Ps 27:13; Ps 83:5; Jes 38:11; Jes 53:7–8; Jer 18:18; Jer 20:10 **11:20** Yahweh van de legermachten, Rechter van gerechtigheid, die nieren en hart toetst: laat mij Uw wraak op hen zien. Want aan U heb ik mijn rechtszaak voorgelegd. Brontekst: וַֽיהוָ֤ה (vaYahweh) = en Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | שֹׁפֵ֣ט (shofet) = Rechter | צֶ֔דֶק (tsedeq) = van gerechtigheid | בֹּחֵ֥ן (bochen) = die toetst | כְּלָי֖וֹת (kelayot) = nieren | וָלֵ֑ב (valev) = en hart | אֶרְאֶ֤ה (ere) = laat mij zien | נִקְמָֽתְךָ֙ (niqmatekha) = Uw wraak | מֵהֶ֔ם (mehem) = op hen | כִּ֥י (ki) = want | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = aan U | גִּלִּ֥יתִי (giliti) = heb ik voorgelegd | אֶת (et) = (obj.) | רִיבִֽי (rivi) = mijn rechtszaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלָיוֹת וָלֵב (kelayot valev), ‘nieren en hart’: de nieren zijn de plaats van het innerlijk, het hart die van het denken. Yahweh toetst beide; zie ook Ps. 7:10 en Jer. 17:10. Voetnoot : גִּלִּיתִי (gilliti), ‘heb ik voorgelegd’: letterlijk ‘heb ik onthuld’. Jeremia legt zijn zaak open voor Yahweh en laat de uitkomst aan Hem. Bijna dezelfde woorden staan in Jer. 20:12. Zie ook: 1 Sam 16:7; Ps 7:10; Jer 17:10; Jer 20:12; Openb 2:23 ### Yahweh straft de mannen van Anatot **11:21** Daarom, zo zegt Yahweh over de mannen van Anatot die je naar het leven staan en zeggen: ‘Profeteer niet in de naam van Yahweh, anders sterf je door onze hand.’ Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | עֲנָת֔וֹת (anatot) = Anatot | הַֽמְבַקְשִׁ֥ים (hamvaqshim) = die zoeken | אֶֽת (et) = (obj.) | נַפְשְׁךָ֖ (nafshekha) = je leven | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לֹ֤א (lo) = niet | תִנָּבֵא֙ (tinave) = profeteer | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = anders | תָמ֖וּת (tamut) = sterf je | בְּיָדֵֽנוּ (beyadenu) = door onze hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: אַנְשֵׁי עֲנָתוֹת (anshei Anatot), ‘de mannen van Anatot’: Anatot is het dorp van Jeremia, ten noordoosten van Jeruzalem (Jer. 1:1). Zijn eigen dorpsgenoten willen hem doden. Zie ook: Amos 2:12; Jes 30:10; Jer 1:1; Jer 12:5–6; Jer 20:10; Luc 13:33–34 **11:22** Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Zie, Ik ga hen straffen. De jonge mannen zullen sterven door het zwaard. Hun zonen en hun dochters zullen sterven door honger.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Ik | פֹקֵ֖ד (poqed) = straf | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = hen | הַבַּֽחוּרִים֙ (habachurim) = de jonge mannen | יָמֻ֣תוּ (yamutu) = zullen sterven | בַחֶ֔רֶב (bacherev) = door het zwaard | בְּנֵיהֶם֙ (beneihem) = hun zonen | וּבְנ֣וֹתֵיהֶ֔ם (uvenoteihem) = en hun dochters | יָמֻ֖תוּ (yamutu) = zullen sterven | בָּרָעָֽב (baraav) = door honger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 36:17; Jer 9:20; Jer 18:21; Klaagl 2:21; 1 Tess 2:15–16 **11:23** **Er zullen voor hen geen overgeblevenen zijn. Want Ik breng onheil over de mannen van Anatot, in het jaar van hun straf.”** Brontekst: וּשְׁאֵרִ֕ית (usheerit) = en een restant | לֹ֥א (lo) = niet | תִֽהְיֶ֖ה (tihye) = zal zijn | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | כִּֽי (ki) = want | אָבִ֥יא (avi) = Ik breng | רָעָ֛ה (raa) = onheil | אֶל (el) = over | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | עֲנָת֖וֹת (anatot) = Anatot | שְׁנַ֥ת (shenat) = jaar van | פְּקֻדָּתָֽם (pequdatam) = hun straf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: שְׁנַת פְּקֻדָּתָם (shenat pequddatam), ‘het jaar van hun straf’: de stam פקד (pqd) betekent ‘bezoeken’; hier is het een bezoek van Yahweh om te straffen. Zie ook: Hos 9:7; Mi 7:4; Jer 23:12; Jer 50:27; Luc 19:44 ## Jeremia 12 _Jeremia's vraag over de goddelozen, Yahweh's antwoord en Zijn klacht over Zijn erfdeel_ ### Waarom gaat het de goddelozen goed? **12:1** U bent rechtvaardig, Yahweh, wanneer ik een rechtszaak tegen U voer. Toch wil ik met U over het recht spreken. Waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig? Waarom leven alle trouwbrekers zorgeloos? Brontekst: צַדִּ֤יק (tsadiq) = rechtvaardig | אַתָּה֙ (ata) = U bent | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = wanneer | אָרִ֖יב (ariv) = ik een rechtszaak voer | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = tegen U | אַ֤ךְ (akh) = toch | מִשְׁפָּטִים֙ (mishpatim) = rechtszaken | אֲדַבֵּ֣ר (adaber) = zal ik spreken | אוֹתָ֔ךְ (otakh) = met U | מַדּ֗וּעַ (madua) = waarom | דֶּ֤רֶךְ (derekh) = weg van | רְשָׁעִים֙ (reshaim) = goddelozen | צָלֵ֔חָה (tsalecha) = is voorspoedig | שָׁל֖וּ (shalu) = zijn zorgeloos | כָּל (kal) = alle | בֹּ֥גְדֵי (bogedei) = trouwbrekers | בָֽגֶד (baged) = trouwbreuk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָרִיב (ariv), ‘ik voer een rechtszaak’: de stam ריב (riv) betekent ‘een rechtszaak voeren, twisten’. Jeremia erkent dat Yahweh rechtvaardig is, maar legt Hem een vraag voor. Voetnoot : מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtszaken’: kwesties van recht. Dezelfde vraag staat in Job 21:7 en Hab. 1:13. Voetnoot : בֹּגְדֵי בָגֶד (bogedei voged), ‘trouwbrekers’: letterlijk ‘wie trouweloos handelen met trouweloosheid’. Het woord geeft nadruk. Zie ook: Job 21:7; Ps 37:1; Ps 37:35; Ps 73:3–28; Ps 92:8; Hab 1:13; Mal 3:15 **12:2** U hebt hen geplant, en zij hebben ook wortel geschoten. Zij groeien en brengen zelfs vrucht voort. U bent dichtbij in hun mond, maar ver van hun nieren. Brontekst: נְטַעְתָּם֙ (netatam) = U hebt hen geplant | גַּם (gam) = ook | שֹׁרָ֔שׁוּ (shorashu) = zij hebben wortel geschoten | יֵלְכ֖וּ (yelekhu) = zij gaan voort | גַּם (gam) = ook | עָ֣שׂוּ (asu) = zij maken | פֶ֑רִי (peri) = vrucht | קָר֤וֹב (qarov) = dichtbij | אַתָּה֙ (ata) = U | בְּפִיהֶ֔ם (befihem) = in hun mond | וְרָח֖וֹק (verachoq) = en ver | מִכִּלְיוֹתֵיהֶֽם (mikilyoteihem) = van hun nieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִכִּלְיוֹתֵיהֶם (mikkilyoteihem), ‘van hun nieren’: de nieren zijn de plaats van het innerlijk. Zie Jer. 11:20. Zij spreken vroom, maar hun hart is ver van Yahweh. Zie ook: Jes 29:13; Jer 11:17; Jer 11:20; Ezech 33:31; Mat 15:8; Tit 1:16 **12:3** Maar U, Yahweh, kent mij. U ziet mij, en U toetst hoe mijn hart bij U is. Sleep hen weg als schapen voor de slacht. Zet hen apart voor de dag van het doden. Brontekst: וְאַתָּ֤ה (veata) = maar U | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יְדַעְתָּ֔נִי (yedatani) = kent mij | תִּרְאֵ֕נִי (tireni) = U ziet mij | וּבָחַנְתָּ֥ (uvachanta) = en U toetst | לִבִּ֖י (libi) = mijn hart | אִתָּ֑ךְ (itakh) = bij U | הַתִּקֵם֙ (hatiqem) = sleep hen weg | כְּצֹ֣אן (ketson) = als schapen | לְטִבְחָ֔ה (letivcha) = voor de slacht | וְהַקְדִּשֵׁ֖ם (vehaqdishem) = en zet hen apart | לְי֥וֹם (leyom) = voor de dag van | הֲרֵגָֽה (harega) = het doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 17:3; Ps 139:1–4; 2 Kon 20:3; Jer 17:18; Jak 5:5 **12:4** Hoelang nog treurt het land en verdort het gras van heel het veld? Vanwege het kwaad van wie erin wonen zijn de dieren en de vogels weggevaagd. Want zij zeggen: „Hij zal ons einde niet zien.” Brontekst: עַד (ad) = tot | מָתַי֙ (matay) = wanneer | תֶּאֱבַ֣ל (teeval) = treurt | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְעֵ֥שֶׂב (veesev) = en gras van | כָּל (kal) = heel | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | יִיבָ֑שׁ (yivash) = verdort | מֵרָעַ֣ת (meraat) = vanwege het kwaad van | יֹֽשְׁבֵי (yoshevei) = de bewoners van | בָ֗הּ (bah) = het | סָפְתָ֤ה (safeta) = zijn weggevaagd | בְהֵמוֹת֙ (behemot) = dieren | וָע֔וֹף (vaof) = en vogels | כִּ֣י (ki) = want | אָמְר֔וּ (ameru) = zij zeggen | לֹ֥א (lo) = niet | יִרְאֶ֖ה (yire) = zal zien | אֶת (et) = (obj.) | אַחֲרִיתֵֽנוּ (acharitenu) = ons einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie is ‘Hij’ in ‘Hij zal ons einde niet zien’? Het kan Yahweh zijn (dan: Hij let niet op wat er met ons gebeurt) of Jeremia (dan: hij zal zien wat er met ons gebeurt). Wij schrijven ‘Hij’ met een hoofdletter. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier ‘onze wegen’ in plaats van ‘ons einde’. Zie ook: Ps 107:34; Hos 4:3; Jer 4:25; Jer 7:20; Jer 9:9 ### Yahweh antwoordt Jeremia **12:5** **„Als je met voetgangers hebt gerend en zij hebben je uitgeput, hoe kun je dan wedijveren met paarden? Je voelt je veilig in een land van vrede, maar hoe zul je het doen in het struikgewas van de Jordaan?** Brontekst: כִּ֣י (ki) = als | אֶת (et) = met | רַגְלִ֥ים (raglim) = voetgangers | רַ֨צְתָּה֙ (ratsta) = je hebt gerend | וַיַּלְא֔וּךָ (vayalukha) = en zij hebben je uitgeput | וְאֵ֥יךְ (veeikh) = en hoe | תְּתַֽחֲרֶ֖ה (tetachare) = kun je wedijveren | אֶת (et) = met | הַסּוּסִ֑ים (hasusim) = de paarden | וּבְאֶ֤רֶץ (uveerets) = en in een land van | שָׁלוֹם֙ (shalom) = vrede | אַתָּ֣ה (ata) = jij | בוֹטֵ֔חַ (boteach) = ben vertrouwend | וְאֵ֥יךְ (veeikh) = en hoe | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = zul je doen | בִּגְא֥וֹן (bigon) = in het struikgewas van | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: בִּגְאוֹן הַיַּרְדֵּן (ge’on haYarden), ‘het struikgewas van de Jordaan’: het woord בִּגְאוֹן betekent ‘trots’ en wordt hier gebruikt voor de dichte begroeiing langs de rivier, waar leeuwen zich schuilhielden. Zie ook Jer. 49:19 en Zach. 11:3. Voetnoot : Yahweh antwoordt Jeremia met een vraag: wie nu al uitgeput raakt, hoe houdt hij het later vol? Zie ook: Ps 69:2–3; Spr 24:10; Jer 49:19; Zach 11:3; 1 Petr 4:12; Heb 12:3–4 **12:6** **Want ook je broers en het huis van je vader, ook zij hebben je verraden. Ook zij roepen luid achter je aan. Vertrouw hen niet, ook al spreken zij vriendelijke woorden tegen je.** Brontekst: כִּ֧י (ki) = want | גַם (gam) = ook | אַחֶ֣יךָ (acheikha) = je broers | וּבֵית (uveit) = en huis van | אָבִ֗יךָ (avikha) = je vader | גַּם (gam) = ook | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | בָּ֣גְדוּ (bagedu) = hebben verraden | בָ֔ךְ (bakh) = jou | גַּם (gam) = ook | הֵ֛מָּה (hema) = zij | קָרְא֥וּ (qareu) = hebben geroepen | אַחֲרֶ֖יךָ (achareikha) = achter je | מָלֵ֑א (male) = vol | אַל (al) = niet | תַּאֲמֵ֣ן (taamen) = vertrouw | בָּ֔ם (bam) = hen | כִּֽי (ki) = want | יְדַבְּר֥וּ (yedaberu) = zij spreken | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tegen je | טוֹבֽוֹת (tovot) = goede dingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 37:4–11; Ps 12:3; Spr 26:25; Mi 7:5–6; Jer 9:3 ### Yahweh klaagt over Zijn erfdeel **12:7** **Ik heb Mijn huis verlaten. Ik heb Mijn erfdeel prijsgegeven. Het liefste van Mijn ziel heb Ik in de hand van haar vijanden gegeven.** Brontekst: עָזַ֨בְתִּי֙ (azavti) = Ik heb verlaten | אֶת (et) = (obj.) | בֵּיתִ֔י (beiti) = Mijn huis | נָטַ֖שְׁתִּי (natashti) = Ik heb prijsgegeven | אֶת (et) = (obj.) | נַחֲלָתִ֑י (nachalati) = Mijn erfdeel | נָתַ֛תִּי (natati) = Ik heb gegeven | אֶת (et) = (obj.) | יְדִד֥וּת (yedidut) = het liefste van | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = Mijn ziel | בְּכַ֥ף (bekhaf) = in de hand van | אֹיְבֶֽיהָ (oyeveiha) = haar vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְדִדוּת נַפְשִׁי (yedidut nafshi), ‘het liefste van Mijn ziel’: het volk, dat Yahweh dierbaar was. Vergelijk ‘Mijn geliefde’ in Jer. 11:15. Zie ook: Ps 78:59–60; Hos 9:15; Jes 2:6; Jer 11:15; Klaagl 2:1–22 **12:8** **Mijn erfdeel is voor Mij geworden als een leeuw in het woud. Zij heeft haar stem tegen Mij verheven. Daarom haat Ik haar.** Brontekst: הָיְתָה (hayeta) = is geworden | לִּ֥י (li) = voor Mij | נַחֲלָתִ֖י (nachalati) = Mijn erfdeel | כְּאַרְיֵ֣ה (kearye) = als een leeuw | בַיָּ֑עַר (bayaar) = in het woud | נָתְנָ֥ה (natena) = zij heeft gegeven | עָלַ֛י (alay) = tegen Mij | בְּקוֹלָ֖הּ (beqolah) = haar stem | עַל (al) = daarom | כֵּ֥ן (ken) = zo | שְׂנֵאתִֽיהָ (senetiha) = heb Ik haar gehaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Amos 6:8; Hos 9:15; Jer 2:15; Jer 51:38; Zach 11:8 **12:9** **Is Mijn erfdeel voor Mij een gevlekte roofvogel? Zijn er roofvogels rondom haar? Ga, verzamel alle dieren van het veld. Laat hen komen om te eten.** Brontekst: הַעַ֨יִט (haayit) = is een roofvogel | צָב֤וּעַ (tsavua) = gevlekt | נַחֲלָתִי֙ (nachalati) = Mijn erfdeel | לִ֔י (li) = voor Mij | הַעַ֖יִט (haayit) = zijn roofvogels | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = haar | לְכ֗וּ (lekhu) = ga | אִסְפ֛וּ (isfu) = verzamelt | כָּל (kal) = alle | חַיַּ֥ת (chayat) = dieren van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | הֵתָ֥יוּ (hetayu) = komt | לְאָכְלָֽה (leakhela) = om te eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַעַיִט צָבוּעַ (ha’ayit tsavua), ‘een gevlekte roofvogel’: het woord צָבוּעַ komt alleen hier voor. Het betekent waarschijnlijk ‘gekleurd, gevlekt’. Het beeld is mogelijk dat andere vogels een afwijkende roofvogel aanvallen. Zie ook: 2 Kon 24:2; Jes 56:9; Jer 7:33; Ezech 23:22–25; Openb 19:17–18 **12:10** **Vele herders hebben Mijn wijngaard verwoest. Zij hebben Mijn akker vertrapt. Zij hebben Mijn lieflijke akker veranderd in een verlaten woestijn.** Brontekst: רֹעִ֤ים (roim) = herders | רַבִּים֙ (rabim) = vele | שִֽׁחֲת֣וּ (shichatu) = hebben verwoest | כַרְמִ֔י (karmi) = Mijn wijngaard | בֹּסְס֖וּ (bosesu) = zij hebben vertrapt | אֶת (et) = (obj.) | חֶלְקָתִ֑י (chelqati) = Mijn akker | נָֽתְנ֛וּ (natenu) = zij hebben gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | חֶלְקַ֥ת (chelqat) = akker van | חֶמְדָּתִ֖י (chemdati) = Mijn lieflijke | לְמִדְבַּ֥ר (lemidbar) = tot een woestijn | שְׁמָמָֽה (shemama) = verlaten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹעִים (ro’im), ‘herders’: een beeld voor leiders en bestuurders. Hier zijn het degenen die het land verwoesten. Zie ook: Ps 80:9–17; Jes 5:1–7; Jes 63:18; Jer 6:3; Jer 23:1 **12:11** **Men heeft het tot een woestenij gemaakt. Het treurt voor Mij, verwoest. Heel het land is verwoest, want niemand neemt het ter harte.”** Brontekst: שָׂמָהּ֙ (samah) = men heeft gemaakt | לִשְׁמָמָ֔ה (lishmama) = tot woestenij | אָבְלָ֥ה (avela) = zij treurt | עָלַ֖י (alay) = voor Mij | שְׁמֵמָ֑ה (shemema) = verwoest | נָשַׁ֨מָּה֙ (nashama) = is verwoest | כָּל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | כִּ֛י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = er is niet | אִ֖ישׁ (ish) = man | שָׂ֥ם (sam) = die zet | עַל (al) = op | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 42:25; Jes 57:1; Jer 14:2; Jer 23:10; Zach 7:5 ### Het zwaard van Yahweh **12:12** Over alle kale heuvels in de woestijn zijn verwoesters gekomen. Want het zwaard van Yahweh verslindt van het ene einde van het land tot het andere einde van het land. Er is geen vrede voor enig vlees. Brontekst: עַֽל (al) = over | כָּל (kal) = alle | שְׁפָיִ֣ם (shefayim) = kale heuvels | בַּמִּדְבָּ֗ר (bamidbar) = in de woestijn | בָּ֚אוּ (bau) = zijn gekomen | שֹֽׁדְדִ֔ים (shodedim) = verwoesters | כִּ֣י (ki) = want | חֶ֤רֶב (cherev) = zwaard | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = van Yahweh | אֹֽכְלָ֔ה (okhela) = verslindt | מִקְצֵה (miqtse) = van het einde van | אֶ֖רֶץ (erets) = land | וְעַד (vead) = en tot | קְצֵ֣ה (qetse) = het einde van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | אֵ֥ין (ein) = er is geen | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | לְכָל (lekhal) = voor alle | בָּשָֽׂר (basar) = vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf vers 12 spreekt de profeet: Yahweh wordt in de derde persoon genoemd (‘het zwaard van Yahweh’). Daarom staan vers 12 en 13 zwart. Voetnoot : בָּשָׂר (basar), ‘vlees’: een woord voor alle levende wezens. ‘Er is geen vrede voor enig vlees’ betekent dat niemand ontkomt. Voetnoot : שְׁפָיִם (shefayim), ‘kale heuvels’: heuvels zonder begroeiing, vaak plaatsen van afgodsdienst; zie ook Jer. 3:2. Zie ook: Amos 9:4; Jes 34:6; Jer 3:2; Jer 12:13; Jer 47:6; Ezech 14:17; Mat 24:21–22 **12:13** Zij hebben tarwe gezaaid en doornen geoogst. Zij hebben zich afgemat, maar het heeft hun niets opgeleverd. Zij zullen zich schamen voor jullie opbrengsten, vanwege de brandende toorn van Yahweh. Brontekst: זָרְע֤וּ (zareu) = zij hebben gezaaid | חִטִּים֙ (chitim) = tarwe | וְקֹצִ֣ים (veqotsim) = en doornen | קָצָ֔רוּ (qatsaru) = zij hebben geoogst | נֶחְל֖וּ (nechlu) = zij hebben zich uitgeput | לֹ֣א (lo) = niet | יוֹעִ֑לוּ (yoilu) = zal baten | וּבֹ֨שׁוּ֙ (uvoshu) = en zij zullen zich schamen | מִתְּבוּאֹ֣תֵיכֶ֔ם (mitevuoteikhem) = voor jullie opbrengsten | מֵחֲר֖וֹן (mecharon) = vanwege de gloed van | אַף (af) = toorn van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws gaat hier over van ‘zij’ naar ‘jullie’: מִתְּבוּאֹתֵיכֶם (mitevu’atekhem), ‘voor jullie opbrengsten’. Wij houden dat zo. Zie ook: Lev 26:16; Deut 28:38; Jes 55:2; Mi 6:15; Hag 1:6 ### Over de boze buren **12:14** Zo zegt Yahweh: **„Over al Mijn boze buren, die het erfdeel aantasten dat Ik Mijn volk Israël heb laten erven: zie, Ik ruk hen weg van hun grond. Ook het huis van Juda ruk Ik uit hun midden weg.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | כָּל (kal) = al | שְׁכֵנַי֙ (shekhenay) = Mijn buren | הָֽרָעִ֔ים (haraim) = de boze | הַנֹּֽגְעִים֙ (hanogeim) = die aantasten | בַּֽנַּחֲלָ֔ה (banachala) = het erfdeel | אֲשֶׁר (asher) = dat | הִנְחַ֥לְתִּי (hinchalti) = Ik heb laten erven | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Ik | נֹֽתְשָׁם֙ (notesham) = ruk hen uit | מֵעַ֣ל (meal) = van op | אַדְמָתָ֔ם (admatam) = hun grond | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | אֶתּ֥וֹשׁ (etosh) = ruk Ik uit | מִתּוֹכָֽם (mitokham) = uit hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁכֵנַי הָרָעִים (shekhenay hara’im), ‘Mijn boze buren’: de omringende volken die Juda aantasten. Welke volken bedoeld zijn, noemt de tekst niet. Voetnoot : De aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn rood, ook ‘over al Mijn boze buren’. Zie ook: Sef 2:8–10; Jer 3:18; Jer 49:7; Zach 2:12; Zach 10:6–12 **12:15** **Maar het zal gebeuren: nadat Ik hen heb uitgerukt, zal Ik Mij weer over hen ontfermen. Ik zal hen terugbrengen, ieder naar zijn erfdeel en ieder naar zijn land.** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = nadat | נָתְשִׁ֣י (nateshi) = Ik heb uitgerukt | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | אָשׁ֖וּב (ashuv) = zal Ik terugkeren | וְרִֽחַמְתִּ֑ים (verichamtim) = en Ik zal Mij over hen ontfermen | וַהֲשִׁבֹתִ֛ים (vahashivotim) = en Ik zal hen terugbrengen | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְנַחֲלָת֖וֹ (lenachalato) = naar zijn erfdeel | וְאִ֥ישׁ (veish) = en ieder | לְאַרְצֽוֹ (leartso) = naar zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְרִחַמְתִּים (verachamtim), ‘en Ik zal Mij over hen ontfermen’: de stam רחם (racham) hoort bij ‘schoot, baarmoeder’ (rechem) en betekent ‘zich ontfermen’. Ook de volken die Yahweh uitrukt, krijgen een toekomst. Zie ook: Deut 30:3; Amos 9:14; Jer 48:47; Jer 49:6; Jer 49:39 **12:16** **Het zal gebeuren: als zij echt de wegen van Mijn volk leren en bij Mijn naam zweren, ‘Zo waar Yahweh leeft’, zoals zij Mijn volk hebben geleerd te zweren bij de Baäl, dan zullen zij midden in Mijn volk opgebouwd worden.** Brontekst: וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = als | לָמֹ֣ד (lamod) = leren | יִלְמְדוּ֩ (yilmedu) = zij zullen leren | אֶת (et) = (obj.) | דַּֽרְכֵ֨י (darkhei) = wegen van | עַמִּ֜י (ami) = Mijn volk | לְהִשָּׁבֵ֤עַ (lehishavea) = te zweren | בִּשְׁמִי֙ (bishmi) = bij Mijn naam | חַי (chay) = leeft | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | לִמְּדוּ֙ (limedu) = zij leerden | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | לְהִשָּׁבֵ֖עַ (lehishavea) = te zweren | בַּבָּ֑עַל (babaal) = bij de Baäl | וְנִבְנ֖וּ (venivnu) = dan zullen zij gebouwd worden | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | עַמִּֽי (ami) = Mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּבָּעַל (baBa’al), ‘bij de Baäl’: het Hebreeuws heeft het lidwoord. Zie Jer. 11:13. Voetnoot : Chai Yahweh, ‘zo waar Yahweh leeft’, is een vaste eedformule; zie bijvoorbeeld Richt. 8:19. Zie ook: Joz 23:7; Re 8:19; Sef 1:5; Jer 3:17; Jer 4:2; Jer 11:13; Zach 2:15 **12:17** **Maar als zij niet luisteren, dan ruk Ik dat volk beslist uit en vernietig het. Godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְאִ֖ם (veim) = maar als | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁמָ֑עוּ (yishmau) = zij luisteren | וְנָ֨תַשְׁתִּ֜י (venatashti) = dan ruk Ik uit | אֶת (et) = (obj.) | הַגּ֥וֹי (hagoy) = het volk | הַה֛וּא (hahu) = dat | נָת֥וֹשׁ (natosh) = uitrukkend | וְאַבֵּ֖ד (veabed) = en vernietigend | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8 voor de uitleg bij deze formule. Zij staat aan het eind van Yahweh’s woorden en is daarom rood. Zie ook: Ps 2:8–12; Jes 60:12; Jer 1:8; Jer 31:28; Dan 11:4; 1 Petr 2:6–8 ## Jeremia 13 _De linnen gordel, de kruiken vol wijn en de oproep aan de koning en de koningin-moeder_ ### De linnen gordel **13:1** Zo zegt Yahweh tegen mij: **„Ga, koop een linnen gordel voor jezelf en leg hem om je heupen. Maar breng hem niet in water.”** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | הָל֞וֹךְ (halokh) = ga | וְקָנִ֤יתָ (veqanita) = en koop | לְּךָ֙ (lekha) = voor jezelf | אֵז֣וֹר (ezor) = gordel van | פִּשְׁתִּ֔ים (pishtim) = linnen | וְשַׂמְתּ֖וֹ (vesamto) = en leg hem | עַל (al) = op | מָתְנֶ֑יךָ (mateneikha) = je heupen | וּבַמַּ֖יִם (uvamayim) = en in water | לֹ֥א (lo) = niet | תְבִאֵֽהוּ (teviehu) = breng hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵזוֹר (ezor), ‘gordel’: een lendendoek van linnen, die direct op het lichaam werd gedragen. Voetnoot : Dit is een tekenhandeling: Jeremia moet iets doen waardoor het volk iets begrijpt. Vergelijk Jer. 19:1–2 en 27:2. Zie ook: Jer 13:11; Jer 19:1; Jer 27:2; Ezech 4:1–5; Heb 1:1 **13:2** Ik kocht de gordel, naar het woord van Yahweh, en legde hem om mijn heupen. Brontekst: וָאֶקְנֶ֥ה (vaeqne) = en ik kocht | אֶת (et) = (obj.) | הָאֵז֖וֹר (haezor) = de gordel | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = naar het woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וָאָשִׂ֖ם (vaasim) = en ik legde | עַל (al) = op | מָתְנָֽי (matenay) = mijn heupen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 3:5; Hos 1:2–3; Jes 20:2; Ezech 2:8; Joh 15:14 **13:3** Het woord van Yahweh kwam voor de tweede keer tot mij: Brontekst: וַיְהִ֧י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | שֵׁנִ֥ית (shenit) = voor de tweede keer | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 13:8 **13:4** **„Neem de gordel die je gekocht hebt, die om je heupen zit. Sta op, ga naar de Eufraat en verberg hem daar in een spleet van de rots.”** Brontekst: קַ֧ח (qach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | הָאֵז֛וֹר (haezor) = de gordel | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | קָנִ֖יתָ (qanita) = je gekocht hebt | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = op | מָתְנֶ֑יךָ (mateneikha) = je heupen | וְקוּם֙ (vequm) = en sta op | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | פְּרָ֔תָה (perata) = naar de Eufraat | וְטָמְנֵ֥הוּ (vetamenehu) = en verberg hem | שָׁ֖ם (sham) = daar | בִּנְקִ֥יק (binqiq) = in een spleet van | הַסָּֽלַע (hasala) = de rots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Voetnoot Uitleg: פְּרָתָה (Peratah), ‘naar de Eufraat’: het Hebreeuwse woord Perat is de gewone naam van de Eufraat. Dat is een zeer lange reis vanuit Juda, en Jeremia moet haar tweemaal maken (vers 4 en 6). Voetnoot : Sommigen denken aan een plaats dichter bij Anatot, Para (Joz. 18:23), bij het Wadi Farah. De tekst zegt het niet. Wij vertalen ‘Eufraat’. Zie ook: Joz 18:23; Ps 137:1; Mi 4:10; Jer 13:6; Jer 51:63–64 **13:5** Ik ging en verborg hem bij de Eufraat, zoals Yahweh mij had geboden. Brontekst: וָאֵלֵ֕ךְ (vaelekh) = en ik ging | וָאֶטְמְנֵ֖הוּ (vaetmenehu) = en ik verborg hem | בִּפְרָ֑ת (bifrat) = bij de Eufraat | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = had geboden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אוֹתִֽי (oti) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Zie ook: Ex 39:42–43; Ex 40:16; Mat 22:2–6; Hand 26:19–20; Heb 11:8 **13:6** Na vele dagen zei Yahweh tegen mij: **„Sta op, ga naar de Eufraat. Haal daar de gordel vandaan, die Ik je geboden had daar te verbergen.”** Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | מִקֵּ֖ץ (miqets) = na het einde van | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | ק֚וּם (qum) = sta op | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | פְּרָ֔תָה (perata) = naar de Eufraat | וְקַ֤ח (veqach) = en haal | מִשָּׁם֙ (misham) = vandaar | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֵז֔וֹר (haezor) = de gordel | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוִּיתִ֖יךָ (tsivitikha) = Ik je had geboden | לְטָמְנוֹ (letameno) = hem te verbergen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. **13:7** Ik ging naar de Eufraat, ik groef en ik haalde de gordel weg van de plaats waar ik hem verborgen had. En zie: de gordel was bedorven. Hij was nergens meer goed voor. Brontekst: וָאֵלֵ֣ךְ (vaelekh) = en ik ging | פְּרָ֔תָה (perata) = naar de Eufraat | וָאֶחְפֹּ֗ר (vaechpor) = en ik groef | וָֽאֶקַּח֙ (vaeqach) = en ik nam | אֶת (et) = (obj.) | הָ֣אֵז֔וֹר (haezor) = de gordel | מִן (min) = van | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | טְמַנְתִּ֣יו (temantiv) = ik hem had verborgen | שָׁ֑מָּה (shama) = daar | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | נִשְׁחַ֣ת (nishchat) = was bedorven | הָאֵז֔וֹר (haezor) = de gordel | לֹ֥א (lo) = niet | יִצְלַ֖ח (yitslach) = was hij nuttig | לַכֹּֽל (lakol) = voor iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Voetnoot Uitleg: נִשְׁחַת (nishchat), ‘was bedorven’: hetzelfde werkwoord als ‘verderven’ in vers 9 (אַשְׁחִית, ashchit). Wat met de gordel gebeurde, gebeurt met de trots van Juda. Zie ook: Jes 64:5; Jer 13:9; Jer 13:10; Zach 3:3–4; Luc 14:34–35; Rom 3:12 ### De betekenis van de gordel **13:8** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **13:9** Zo zegt Yahweh: **„Zo zal Ik de trots van Juda verderven, en de grote trots van Jeruzalem.** Brontekst: כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כָּ֠כָה (kakha) = zo | אַשְׁחִ֞ית (ashchit) = zal Ik verderven | אֶת (et) = (obj.) | גְּא֧וֹן (geon) = trots van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גְּא֥וֹן (geon) = trots van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הָרָֽב (harav) = de grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: גְּאוֹן (ge’on), ‘trots’: hoogmoed, maar ook statigheid. Hier is het de hoogmoed van het volk, dat zich op zijn eigen kracht verlaat. Voetnoot : De aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn rood. Zie ook: Lev 26:19; Spr 16:18; Jes 2:10–17; Sef 3:11; Jer 13:15–17 **13:10** **Dit slechte volk weigert naar Mijn woorden te luisteren. Het gaat in de hardnekkigheid van zijn hart en loopt andere goden achterna, om hen te dienen en zich voor hen neer te buigen. Het zal worden als deze gordel, die nergens goed voor is.** Brontekst: הָעָם֩ (haam) = het volk | הַזֶּ֨ה (haze) = dit | הָרָ֜ע (hara) = het slechte | הַֽמֵּאֲנִ֣ים (hameanim) = dat weigert | לִשְׁמ֣וֹעַ (lishmoa) = te horen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרַ֗י (devaray) = Mijn woorden | הַהֹֽלְכִים֙ (haholekhim) = dat gaat | בִּשְׁרִר֣וּת (bishrirut) = in de hardnekkigheid van | לִבָּ֔ם (libam) = hun hart | וַיֵּלְכ֗וּ (vayelekhu) = en gaat | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | לְעָבְדָ֖ם (leavedam) = om hen te dienen | וּלְהִשְׁתַּחֲוֺ֣ת (ulehishtachavot) = en zich neer te buigen | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וִיהִי֙ (vihi) = en het zal worden | כָּאֵז֣וֹר (kaezor) = als de gordel | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יִצְלַ֖ח (yitslach) = nuttig is | לַכֹּֽל (lakol) = voor iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 14:11; 2 Kron 36:15–16; Jer 9:13; Jer 13:7; Jer 16:12 **13:11** **Want zoals een gordel zich vastklemt aan de heupen van een man, zo heb Ik het hele huis van Israël en het hele huis van Juda aan Mij vastgemaakt, godsspraak van Yahweh. Zij moesten Mij zijn tot een volk, tot een naam, tot een lof en tot een sieraad. Maar zij hebben niet geluisterd.** Brontekst: כִּ֡י (ki) = want | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals | יִדְבַּ֨ק (yidbaq) = zich vastklemt | הָאֵז֜וֹר (haezor) = de gordel | אֶל (el) = aan | מָתְנֵי (matenei) = heupen van | אִ֗ישׁ (ish) = een man | כֵּ֣ן (ken) = zo | הִדְבַּ֣קְתִּי (hidbaqti) = heb Ik vastgemaakt | אֵ֠לַי (elay) = aan Mij | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | בֵּ֨ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | בֵּ֤ית (beit) = huis van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לִֽהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לִי֙ (li) = voor Mij | לְעָ֔ם (leam) = tot een volk | וּלְשֵׁ֥ם (uleshem) = en tot een naam | וְלִתְהִלָּ֖ה (velithila) = en tot een lof | וּלְתִפְאָ֑רֶת (uletifaret) = en tot een sieraad | וְלֹ֖א (velo) = maar niet | שָׁמֵֽעוּ (shameu) = hebben zij gehoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. De formule staat midden in Yahweh’s woorden en is daarom rood. Voetnoot : Volk, naam, lof en sieraad: dit was Yahweh’s doel met Israël. Vergelijk Deut. 26:19. Zie ook: Ex 19:5–6; Deut 26:19; Ps 81:12; Ps 147:20; Jes 43:21; Jer 1:8; Jer 33:9 ### De kruiken vol wijn **13:12** **Zeg dit woord tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: Elke kruik wordt met wijn gevuld.’ Dan zullen zij tegen je zeggen: ‘Weten wij dan niet dat elke kruik met wijn gevuld wordt?’** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֨ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tegen hen | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כָּל (kal) = elke | נֵ֖בֶל (nevel) = kruik | יִמָּ֣לֵא (yimale) = wordt gevuld | יָ֑יִן (yayin) = met wijn | וְאָמְר֣וּ (veameru) = en zij zullen zeggen | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tegen je | הֲיָדֹ֨עַ֙ (hayadoa) = weten wij | לֹ֣א (lo) = niet | נֵדַ֔ע (neda) = wij weten | כִּ֥י (ki) = dat | כָל (kal) = elke | נֵ֖בֶל (nevel) = kruik | יִמָּ֥לֵא (yimale) = wordt gevuld | יָֽיִן (yayin) = met wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵבֶל (nevel), ‘kruik’: een aarden vat voor wijn. Het woord kan ook een leren wijnzak betekenen. Het volk antwoordt als vanzelfsprekend: een kruik is er om gevuld te worden. Zie ook: Ezech 24:19 **13:13** **Zeg dan tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh: Zie, Ik vul alle inwoners van dit land met dronkenschap: de koningen die op de troon van David zitten, de priesters, de profeten en alle inwoners van Jeruzalem.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֨ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tegen hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Ik | מְמַלֵּ֣א (memale) = vul | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | הָאָ֪רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֟את (hazot) = dit | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּלָכִ֣ים (hamelakhim) = de koningen | הַיֹּשְׁבִים֩ (hayoshevim) = die zitten | לְדָוִ֨ד (ledavid) = voor David | עַל (al) = op | כִּסְא֜וֹ (kiso) = zijn troon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנְּבִיאִ֗ים (haneviim) = de profeten | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִָ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | שִׁכָּרֽוֹן (shikaron) = met dronkenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שִׁכָּרוֹן (shikkaron), ‘dronkenschap’: het beeld van Yahweh’s oordeel, dat men als wijn moet drinken. Zie ook Jer. 25:15–16. Voetnoot : De koningen ‘op de troon van David’: de koningen van Juda uit het huis van David. Zie ook: Ps 60:5; Ps 75:9; Jes 49:26; Jes 51:17; Jes 63:6; Jer 25:15–16 **13:14** **Ik zal hen stukslaan, de een tegen de ander, vaders en zonen samen, godsspraak van Yahweh. Ik zal niet sparen, geen medelijden hebben en Mij niet ontfermen, zodat Ik hen niet zou verderven.’”** Brontekst: וְנִפַּצְתִּים֩ (venipatstim) = en Ik zal hen stukslaan | אִ֨ישׁ (ish) = een man | אֶל (el) = tegen | אָחִ֜יו (achiv) = zijn broer | וְהָאָב֧וֹת (vehaavot) = en de vaders | וְהַבָּנִ֛ים (vehabanim) = en de zonen | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹֽא (lo) = niet | אֶחְמ֧וֹל (echmol) = zal Ik sparen | וְלֹֽא (velo) = en niet | אָח֛וּס (achus) = zal Ik medelijden hebben | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֲרַחֵ֖ם (arachem) = zal Ik Mij ontfermen | מֵהַשְׁחִיתָֽם (mehashchitam) = zodat Ik hen niet verderf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶחְמוֹל (echmol), ‘zal Ik sparen’, אָחוּס (achus), ‘zal Ik medelijden hebben’, en אֲרַחֵם (arachem), ‘zal Ik Mij ontfermen’: drie werkwoorden voor hetzelfde. Yahweh zal nu niet meer terughouden. Zie ook: Deut 29:19; Ps 2:9; Jes 9:19–20; Jer 19:9–11; Jer 21:7 ### Luister en wees niet hoogmoedig **13:15** Luister en let op. Wees niet hoogmoedig, want Yahweh heeft gesproken. Brontekst: שִׁמְע֥וּ (shimu) = luistert | וְהַאֲזִ֖ינוּ (vehaazinu) = en let op | אַל (al) = niet | תִּגְבָּ֑הוּ (tigbahu) = wees hoogmoedig | כִּ֥י (ki) = want | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֵּֽר (diber) = heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 28:14–22; Jes 42:23; Jer 26:15; Jak 4:10; Openb 2:29 **13:16** Geef Yahweh, jullie Elohim, eer, voordat Hij duisternis brengt en voordat jullie voeten struikelen op de bergen in de schemering. Jullie wachten op licht, maar Hij maakt er diepe schaduw van en brengt donkere wolken. Brontekst: תְּנוּ֩ (tenu) = geeft | לַיהוָ֨ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֤ם (eloheikhem) = jullie Elohim | כָּבוֹד֙ (kavod) = eer | בְּטֶ֣רֶם (beterem) = voordat | יַחְשִׁ֔ךְ (yachshikh) = Hij duisternis brengt | וּבְטֶ֛רֶם (uveterem) = en voordat | יִֽתְנַגְּפ֥וּ (yitnagefu) = struikelen | רַגְלֵיכֶ֖ם (ragleikhem) = jullie voeten | עַל (al) = op | הָ֣רֵי (harei) = bergen van | נָ֑שֶׁף (nashef) = schemering | וְקִוִּיתֶ֤ם (veqivitem) = en jullie wachten | לְאוֹר֙ (leor) = op licht | וְשָׂמָ֣הּ (vesamah) = en Hij maakt het | לְצַלְמָ֔וֶת (letsalmavet) = tot diepe schaduw | וְשִׁ֖ית (veshit) = en Hij zet | לַעֲרָפֶֽל (laarafel) = tot donkere wolken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשֶׁף (nashef), ‘schemering’: de tijd van de avond- of ochtendschemer, als het moeilijk is de weg te zien. Voetnoot : לְצַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’: letterlijk misschien ‘schaduw van de dood’. Zie ook Ps. 23:4. Voetnoot : לַעֲרָפֶל (arafel), ‘donkere wolken’: dikke duisternis. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat ישית (yashit); de overlevering leest וְשִׁית (veshit), ‘en Hij zet’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Joz 7:19; Ps 23:4; Spr 4:19; Jes 8:22; Jes 59:9; Jes 60:2 **13:17** Maar als jullie het niet horen, zal mijn ziel in het verborgene huilen vanwege de hoogmoed. Mijn oog zal heftig tranen en tranen laten neerstromen, want de kudde van Yahweh is gevankelijk weggevoerd. Brontekst: וְאִם֙ (veim) = en als | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׁמָע֔וּהָ (tishmauha) = jullie het horen | בְּמִסְתָּרִ֥ים (bemistarim) = in het verborgene | תִּבְכֶּֽה (tivke) = zal huilen | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn ziel | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | גֵוָ֑ה (geva) = hoogmoed | וְדָמֹ֨עַ (vedamoa) = en heftig | תִּדְמַ֜ע (tidma) = zal tranen | וְתֵרַ֤ד (veterad) = en zal neerdalen | עֵינִי֙ (eini) = mijn oog | דִּמְעָ֔ה (dima) = tranen | כִּ֥י (ki) = want | נִשְׁבָּ֖ה (nishba) = is gevankelijk weggevoerd | עֵ֥דֶר (eder) = de kudde van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵדֶר יְהוָה (eder Yahweh), ‘de kudde van Yahweh’: het volk als zijn kudde. Vers 20 spreekt weer over ‘de kudde’. Zie ook: Ps 80:2; Jer 8:23; Jer 13:20; Jer 14:17; Mal 2:2; Luc 19:41–42 ### Woord voor de koning en de koningin-moeder **13:18** **„Zeg tegen de koning en de koningin-moeder: ‘Ga laag zitten, want de kroon van jullie pracht is van jullie hoofden gevallen.** Brontekst: אֱמֹ֥ר (emor) = zeg | לַמֶּ֛לֶךְ (lamelekh) = tegen de koning | וְלַגְּבִירָ֖ה (velagevira) = en tegen de koningin-moeder | הַשְׁפִּ֣ילוּ (hashpilu) = ga laag | שֵׁ֑בוּ (shevu) = zit | כִּ֤י (ki) = want | יָרַד֙ (yarad) = is neergevallen | מַרְאֲשׁ֣וֹתֵיכֶ֔ם (marashoteikhem) = van jullie hoofden | עֲטֶ֖רֶת (ateret) = kroon van | תִּֽפְאַרְתְּכֶֽם (tifartekhem) = jullie pracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְלַגְּבִירָה (gevirah), ‘koningin-moeder’: de moeder van de koning, die aan het hof een eigen plaats had. Het woord wordt vaak verbonden met Jojachin en zijn moeder (2 Kon. 24:12,15), maar de tekst noemt geen namen. Voetnoot : De toespraak van vers 18 en 19 is Yahweh’s opdracht aan Jeremia en staat daarom rood. Vers 15–17 zijn de woorden van Jeremia zelf. Zie ook: 2 Kon 24:12; 2 Kon 24:15; 2 Kron 33:12; 2 Kron 33:19; Jer 13:15–17; Jer 13:19; Jer 22:26 **13:19** **De steden van de Negev zijn afgesloten en niemand opent ze. Heel Juda is weggevoerd, volledig weggevoerd.’** Brontekst: עָרֵ֥י (arei) = steden van | הַנֶּ֛גֶב (hanegev) = de Negev | סֻגְּר֖וּ (sugeru) = zijn afgesloten | וְאֵ֣ין (veein) = en er is niemand | פֹּתֵ֑חַ (poteach) = die opent | הָגְלָ֧ת (hagelat) = is weggevoerd | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | כֻּלָּ֖הּ (kulah) = geheel | הָגְלָ֥ת (hagelat) = is weggevoerd | שְׁלוֹמִֽים (shelomim) = volledig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: הַנֶּגֶב (hannegev), ‘de Negev’: het droge zuiden van Juda. De steden daar zijn afgesloten, dus niemand kan er nog in of uit. Zie ook: Deut 28:52; 2 Kon 25:21; Jer 39:9; Jer 52:27; Jer 52:30 ### Jeruzalem beschaamd **13:20** **Sla jullie ogen op en zie wie er uit het noorden komen. Waar is de kudde die aan je gegeven is, je prachtige schapen?** Brontekst: שְׂא֤וּ (seu) = slaat op | עֵֽינֵיכֶם֙ (eineikhem) = jullie ogen | וּרְא֔וּ (ureu) = en ziet | הַבָּאִ֖ים (habaim) = die komen | מִצָּפ֑וֹן (mitsafon) = uit het noorden | אַיֵּ֗ה (aye) = waar is | הָעֵ֨דֶר֙ (haeder) = de kudde | נִתַּן (nitan) = die is gegeven | לָ֔ךְ (lakh) = aan je | צֹ֖אן (tson) = schapen van | תִּפְאַרְתֵּֽךְ (tifartekh) = je pracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het ‘noorden’: vanuit het noorden komt het leger van Babel; zie Jer. 1:14–15. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staan שאי (se’i) en וראי (ur’i), vrouwelijk enkelvoud; de overlevering leest שְׂאוּ (se’u) en וּרְאוּ (ur’u), meervoud. Wij volgen de lezing. Zie ook: Jer 1:14; Jer 6:22; Jer 10:22; Jer 23:2; Hab 1:6 **13:21** **Wat zul je zeggen wanneer Hij hen tot hoofd over je aanstelt, hen die jij zelf als vertrouwelingen aan je hebt gewend? Zullen geen weeën je grijpen, als een vrouw die baart?** Brontekst: מַה (ma) = wat | תֹּֽאמְרִי֙ (tomri) = zul je zeggen | כִּֽי (ki) = wanneer | יִפְקֹ֣ד (yifqod) = Hij aanstelt | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = over je | וְ֠אַתְּ (veat) = en jij | לִמַּ֨דְתְּ (limadt) = hebt gewend | אֹתָ֥ם (otam) = hen | עָלַ֛יִךְ (alayikh) = aan je | אַלֻּפִ֖ים (alufim) = als vertrouwelingen | לְרֹ֑אשׁ (lerosh) = tot hoofd | הֲל֤וֹא (halo) = niet | חֲבָלִים֙ (chavalim) = weeën | יֹאחֱז֔וּךְ (yochezukh) = grijpen je | כְּמ֖וֹ (kemo) = als | אֵ֥שֶׁת (eshet) = een vrouw van | לֵדָֽה (leda) = het baren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk. אַלֻּפִים (alluphim) betekent ‘vertrouwelingen’ of ‘aanvoerders’. De tekst noemt niet wie bedoeld wordt: mensen die Jeruzalem zelf als vrienden heeft aangetrokken, krijgen nu macht over haar. Voetnoot : חֲבָלִים יֹאחֱזוּךְ (chavalim yochazukh), ‘weeën grijpen je’: een beeld van plotselinge, onontkoombare pijn. Zie ook: Jes 13:8; Jes 39:2–4; Jer 4:31; Jer 5:31; Jer 38:22 **13:22** **En als je in je hart zegt: ‘Waarom overkomt mij dit?’ Door de grootte van je schuld zijn je slippen opgetild en zijn je hielen geweld aangedaan.** Brontekst: וְכִ֤י (vekhi) = en als | תֹאמְרִי֙ (tomri) = je zegt | בִּלְבָבֵ֔ךְ (bilvavekh) = in je hart | מַדּ֖וּעַ (madua) = waarom | קְרָאֻ֣נִי (qerauni) = zijn overkomen mij | אֵ֑לֶּה (ele) = deze dingen | בְּרֹ֧ב (berov) = vanwege de grootte van | עֲוֺנֵ֛ךְ (avonekh) = je schuld | נִגְל֥וּ (niglu) = zijn opgetild | שׁוּלַ֖יִךְ (shulayikh) = je slippen | נֶחְמְס֥וּ (nechmesu) = is geweld aangedaan | עֲקֵבָֽיִךְ (aqevayikh) = aan je hielen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 7:17; Nah 3:5; Jer 5:19; Jer 13:26; Jer 16:10–11 **13:23** **Kan een Kushiet zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken? Dan zouden ook jullie goed kunnen doen, jullie die gewend zijn kwaad te doen.** Brontekst: הֲיַהֲפֹ֤ךְ (hayahafokh) = kan veranderen | כּוּשִׁי֙ (kushi) = een Kushiet | עוֹר֔וֹ (oro) = zijn huid | וְנָמֵ֖ר (venamer) = en een luipaard | חֲבַרְבֻּרֹתָ֑יו (chavarburotav) = zijn vlekken | גַּם (gam) = ook | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | תּוּכְל֣וּ (tukhelu) = kunnen | לְהֵיטִ֔יב (leheitiv) = goed te doen | לִמֻּדֵ֖י (limudei) = die gewend zijn | הָרֵֽעַ (harea) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כּוּשִׁי (Kushi), ‘Kushiet’: iemand uit Kush, het land ten zuiden van Egypte. De vraag is bedoeld als onmogelijk: zo min als een mens zijn huid kan veranderen, kan Juda ineens goed doen. Voetnoot : חֲבַרְבֻּרֹתָיו (chavarburotav), ‘zijn vlekken’: dit woord komt alleen hier voor. Zie ook: Jer 2:22; Jer 2:30; Jer 9:4; Jer 17:9; Mat 19:24–28 **13:24** **Ik zal hen verstrooien als stoppels die wegwaaien door de woestijnwind.** Brontekst: וַאֲפִיצֵ֖ם (vaafitsem) = en Ik zal hen verstrooien | כְּקַשׁ (keqash) = als stoppels | עוֹבֵ֑ר (over) = die voorbijgaan | לְר֖וּחַ (leruach) = voor de wind | מִדְבָּֽר (midbar) = van de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:33; Ps 1:4; Hos 13:3; Ezech 5:2; Ezech 5:12 **13:25** **Dit is je lot, het deel dat Ik je heb toegemeten, godsspraak van Yahweh, omdat je Mij vergeten bent en op de leugen vertrouwt.** Brontekst: זֶ֣ה (ze) = dit | גוֹרָלֵ֧ךְ (goralekh) = je lot | מְנָת (menat) = deel van | מִדַּ֛יִךְ (midayikh) = wat is afgemeten voor je | מֵֽאִתִּ֖י (meiti) = van Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר֙ (asher) = omdat | שָׁכַ֣חַתְּ (shakhachat) = je hebt vergeten | אוֹתִ֔י (oti) = Mij | וַֽתִּבְטְחִ֖י (vativtechi) = en je vertrouwt | בַּשָּֽׁקֶר (bashaqer) = op de leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גוֹרָלֵךְ (goralekh), ‘je lot’: het deel dat men krijgt toegewezen, zoals bij het werpen van het lot. Zie ook: Job 20:29; Ps 9:18; Ps 11:6; Jer 2:32; Mat 24:51 **13:26** **Ook Ik zelf heb je slippen over je gezicht omhoog getrokken, en je schande is gezien.** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֛י (ani) = Ik | חָשַׂ֥פְתִּי (chasafti) = heb ontbloot | שׁוּלַ֖יִךְ (shulayikh) = je slippen | עַל (al) = over | פָּנָ֑יִךְ (panayikh) = je gezicht | וְנִרְאָ֖ה (venira) = en gezien is | קְלוֹנֵֽךְ (qelonekh) = je schande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּלַיִךְ (shulayikh), ‘je slippen’: de zomen van het gewaad. Wie ze optilt, maakt iemand openlijk te schande. Zie ook: Hos 2:12; Jer 13:22; Klaagl 1:8; Ezech 16:37; Ezech 23:29 **13:27** **Je overspel en je gehinnik, je schaamteloze hoererij: op de heuvels, in het veld, heb Ik je gruwelbeelden gezien. Wee je, Jeruzalem! Je wordt niet rein. Hoelang nog?”** Brontekst: נִֽאֻפַ֤יִךְ (niufayikh) = je overspel | וּמִצְהֲלוֹתַ֨יִךְ֙ (umitshalotayikh) = en je gehinnik | זִמַּ֣ת (zimat) = schaamteloosheid van | זְנוּתֵ֔ךְ (zenutekh) = je hoererij | עַל (al) = op | גְּבָעוֹת֙ (gevaot) = heuvels | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | רָאִ֖יתִי (raiti) = Ik heb gezien | שִׁקּוּצָ֑יִךְ (shiqutsayikh) = je gruwelbeelden | א֥וֹי (oy) = wee | לָךְ֙ (lakh) = jou | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לֹ֣א (lo) = niet | תִטְהֲרִ֔י (tithari) = word je rein | אַחֲרֵ֥י (acharei) = na | מָתַ֖י (matay) = hoelang | עֹֽד (od) = nog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וּמִצְהֲלוֹתַיִךְ (mitsh’alotayikh), ‘je gehinnik’: het hinniken van hengsten, een beeld voor geslachtelijke begeerte; vergelijk Jer. 5:8. Voetnoot : שִׁקּוּצָיִךְ (shiqqutsayikh), ‘je gruwelbeelden’: afgodsbeelden, wat Yahweh afschuwelijk vindt. Zie ook: Hos 4:2; Hos 8:5; Jes 65:7; Jer 5:8; Ezech 6:13; Ezech 24:13 ## Jeremia 14 _De droogte, het gebed van het volk en Yahweh's antwoord over de valse profeten_ ### De droogte **14:1** Het woord van Yahweh dat tot Jeremia kwam over de droogte. Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הָיָ֤ה (haya) = was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | עַל (al) = over | דִּבְרֵ֖י (divrei) = de zaken van | הַבַּצָּרֽוֹת (habatsarot) = de droogtes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבַּצָּרוֹת (batsarot), ‘droogtes’: een woord in het meervoud, dat langdurige droogte aanduidt. Het woord דִּבְרֵי (divrei) betekent ‘woorden’ of ‘zaken’. Dit vers opent het gedeelte over de droogte. Zie ook: Jer 17:8 **14:2** Juda treurt en zijn poorten kwijnen weg. Zij zitten in rouw op de grond. Het gejammer van Jeruzalem stijgt op. Brontekst: אָבְלָ֣ה (avela) = treurt | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּשְׁעָרֶ֥יהָ (usheareiha) = en haar poorten | אֻמְלְל֖וּ (umlelu) = kwijnen weg | קָדְר֣וּ (qaderu) = zijn in rouw | לָאָ֑רֶץ (laarets) = op de grond | וְצִוְחַ֥ת (vetsivchat) = en het gejammer van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | עָלָֽתָה (alata) = stijgt op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וְצִוְחַת (tsevachat), ‘gejammer’: een luide kreet van wanhoop. De poorten zijn de plaats van recht en handel; dat zij ‘kwijnen’ betekent dat het leven in de stad stilvalt. Zie ook: 1 Sam 5:12; Jes 3:26; Jer 8:21; Klaagl 4:8–9; Zach 7:13 **14:3** Hun edelen sturen hun jongeren naar het water. Zij komen bij de putten, maar vinden geen water. Zij keren terug met lege vaten. Beschaamd en vernederd bedekken zij hun hoofd. Brontekst: וְאַדִּ֣רֵיהֶ֔ם (veadireihem) = en hun edelen | שָׁלְח֥וּ (shalechu) = sturen | צְעִירֵיהֶ֖ם (tseireihem) = hun jongeren | לַמָּ֑יִם (lamayim) = naar water | בָּ֣אוּ (bau) = zij komen | עַל (al) = bij | גֵּבִ֞ים (gevim) = putten | לֹא (lo) = niet | מָ֣צְאוּ (matseu) = vinden zij | מַ֗יִם (mayim) = water | שָׁ֤בוּ (shavu) = zij keren terug | כְלֵיהֶם֙ (keleihem) = hun vaten | רֵיקָ֔ם (reiqam) = leeg | בֹּ֥שׁוּ (boshu) = zij zijn beschaamd | וְהָכְלְמ֖וּ (vehakhelemu) = en vernederd | וְחָפ֥וּ (vechafu) = en bedekken | רֹאשָֽׁם (rosham) = hun hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּבִים (gevim), ‘putten’: kuilen of regenbakken waarin regenwater werd opgevangen. Zie ook: 2 Sam 15:30; Ps 40:15; 2 Kon 18:31; Amos 4:8; Jer 2:13 **14:4** Vanwege de grond, die gebarsten is omdat er geen regen in het land was, zijn de landbouwers beschaamd. Zij bedekken hun hoofd. Brontekst: בַּעֲב֤וּר (baavur) = vanwege | הָאֲדָמָה֙ (haadama) = de grond | חַ֔תָּה (chata) = is gebarsten | כִּ֛י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | הָיָ֥ה (haya) = was | גֶ֖שֶׁם (geshem) = regen | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | בֹּ֥שׁוּ (boshu) = zijn beschaamd | אִכָּרִ֖ים (ikarim) = landbouwers | חָפ֥וּ (chafu) = zij bedekken | רֹאשָֽׁם (rosham) = hun hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַתָּה (chattah), ‘is gebarsten’: het werkwoord betekent letterlijk ‘is ontzet, is gebroken’. Droge aarde barst open. Wij vertalen ‘gebarsten’. Zie ook: Deut 29:22; Joël 1:11; Joël 1:17; Joël 1:19–20; Jer 3:3 **14:5** Zelfs de hinde in het veld werpt haar jong en laat het achter, want er is geen gras. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | גַם (gam) = zelfs | אַיֶּ֨לֶת֙ (ayelet) = de hinde | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | יָלְדָ֖ה (yaleda) = werpt | וְעָז֑וֹב (veazov) = en verlaat het | כִּ֥י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | הָיָ֖ה (haya) = was | דֶּֽשֶׁא (deshe) = gras Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 39:1–4; Ps 29:9; Jes 15:6 **14:6** De wilde ezels staan op de kale heuvels en snuiven de wind op als jakhalzen. Hun ogen kwijnen weg, want er is geen groen. Brontekst: וּפְרָאִים֙ (uferaim) = en wilde ezels | עָמְד֣וּ (amedu) = staan | עַל (al) = op | שְׁפָיִ֔ם (shefayim) = kale heuvels | שָׁאֲפ֥וּ (shaafu) = snuiven | ר֖וּחַ (ruach) = wind | כַּתַּנִּ֑ים (katanim) = als jakhalzen | כָּל֥וּ (kalu) = kwijnen weg | עֵינֵיהֶ֖ם (eineihem) = hun ogen | כִּי (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = er is geen | עֵֽשֶׂב (esev) = groen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּתַּנִּים (tannim), ‘jakhalzen’: wilde honden die in de woestijn leven. Het woord kan ook andere woestijndieren aanduiden. Voetnoot : שְׁפָיִם (shefayim), ‘kale heuvels’: zoals in Jer. 3:2 en 12:12. Zie ook: Job 39:5–6; Joël 1:18; Jer 2:24; Jer 3:2; Jer 12:12; Klaagl 4:17; Klaagl 5:17 ### Het gebed van het volk **14:7** Als onze schuld tegen ons getuigt, Yahweh, handel dan omwille van Uw naam. Want onze afvalligheden zijn talrijk. Tegen U hebben wij gezondigd. Brontekst: אִם (im) = als | עֲוֺנֵ֨ינוּ֙ (avoneinu) = onze schuld | עָ֣נוּ (anu) = getuigen | בָ֔נוּ (banu) = tegen ons | יְהוָ֕ה (Yahweh) = Yahweh | עֲשֵׂ֖ה (ase) = handel | לְמַ֣עַן (lemaan) = omwille van | שְׁמֶ֑ךָ (shemekha) = Uw naam | כִּֽי (ki) = want | רַבּ֥וּ (rabu) = zijn talrijk | מְשׁוּבֹתֵ֖ינוּ (meshuvoteinu) = onze afvalligheden | לְךָ֥ (lekha) = tegen U | חָטָֽאנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשׁוּבֹתֵינוּ (meshuvoteinu), ‘onze afvalligheden’: letterlijk ‘ons terugwijken’, het zich afkeren van Yahweh. Zie ook Jer. 2:19. Voetnoot : עָנוּ בָנוּ (anu vanu), ‘getuigen tegen ons’: het woord heeft de betekenis van een getuigenis voor de rechter. Zie ook: Ps 25:11; Hos 5:5; Jes 59:12; Jer 2:19; Jer 5:6; Jer 14:20–21 **14:8** Hoop van Israël, zijn Redder in de tijd van nood! Waarom bent U als een vreemdeling in het land, als een reiziger die zich keert om te overnachten? Brontekst: מִקְוֵה֙ (miqve) = hoop van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מֽוֹשִׁיע֖וֹ (moshio) = zijn Redder | בְּעֵ֣ת (beet) = in de tijd van | צָרָ֑ה (tsara) = nood | לָ֤מָּה (lama) = waarom | תִֽהְיֶה֙ (tihye) = bent U | כְּגֵ֣ר (keger) = als een vreemdeling | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | וּכְאֹרֵ֖חַ (ukheoreach) = en als een reiziger | נָטָ֥ה (nata) = die zich keert | לָלֽוּן (lalun) = om te overnachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְוֵה יִשְׂרָאֵל (miqveh Yisra’el), ‘Hoop van Israël’: een naam voor Yahweh. Zie ook Jer. 17:13. Voetnoot : מוֹשִׁיעוֹ (moshi’o), ‘zijn Redder’: de stam ישע (yasha) betekent ‘redden’. Zie ook: Ps 50:15; Joël 4:16; Jes 43:3; Jer 17:13; Jer 50:7 **14:9** Waarom bent U als een verbijsterde man, als een held die niet kan redden? En U bent in ons midden, Yahweh, en Uw naam is over ons uitgeroepen. Laat ons niet achter. Brontekst: לָ֤מָּה (lama) = waarom | תִֽהְיֶה֙ (tihye) = bent U | כְּאִ֣ישׁ (keish) = als een man | נִדְהָ֔ם (nidham) = verbijsterd | כְּגִבּ֖וֹר (kegibor) = als een held | לֹא (lo) = niet | יוּכַ֣ל (yukhal) = kan | לְהוֹשִׁ֑יעַ (lehoshia) = redden | וְאַתָּ֧ה (veata) = en U | בְקִרְבֵּ֣נוּ (beqirbenu) = in ons midden | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְשִׁמְךָ֛ (veshimkha) = en Uw naam | עָלֵ֥ינוּ (aleinu) = over ons | נִקְרָ֖א (niqra) = is uitgeroepen | אַל (al) = niet | תַּנִּחֵֽנוּ (tanichenu) = laat ons achter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדְהָם (nidham), ‘verbijsterd’: dit woord komt alleen hier voor. Het betekent ‘iemand die door schrik verstijfd is’. Voetnoot : ‘Uw naam is over ons uitgeroepen’: wij horen bij U. Zie ook Deut. 28:10. Zie ook: Num 11:23; Deut 28:10; Ps 46:6; Jes 59:1; Jes 63:19; Jer 15:16 ### Yahweh wijst het gebed af **14:10** Zo zegt Yahweh tegen dit volk: „Zo graag zwierven zij rond. Zij hielden hun voeten niet in. En Yahweh heeft geen behagen in hen. Nu gedenkt Hij hun schuld en straft Hij hun zonden.” Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לָעָ֣ם (laam) = tegen het volk | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | כֵּ֤ן (ken) = zo | אָֽהֲבוּ֙ (ahavu) = zij hielden ervan | לָנ֔וּעַ (lanua) = te zwerven | רַגְלֵיהֶ֖ם (ragleihem) = hun voeten | לֹ֣א (lo) = niet | חָשָׂ֑כוּ (chasakhu) = hielden zij in | וַיהוָה֙ (vaYahweh) = en Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | רָצָ֔ם (ratsam) = heeft behagen in hen | עַתָּה֙ (ata) = nu | יִזְכֹּ֣ר (yizkor) = gedenkt Hij | עֲוֺנָ֔ם (avonam) = hun schuld | וְיִפְקֹ֖ד (veyifqod) = en straft Hij | חַטֹּאתָֽם (chatotam) = hun zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers staat zwart: Yahweh wordt er in de derde persoon genoemd (‘En Yahweh heeft geen behagen in hen’). Voetnoot : אָהֲבוּ לָנוּעַ (ahavu lanua), ‘zij hielden ervan te zwerven’: ze zochten andere goden en bondgenoten in plaats van Yahweh. Zie ook: Ps 119:101; Amos 5:22; Hos 8:13; Hos 9:9; Jer 6:20 **14:11** Yahweh zei tegen mij: **„Bid niet voor het welzijn van dit volk.** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֑י (elay) = tegen mij | אַל (al) = niet | תִּתְפַּלֵּ֛ל (titpalel) = bid | בְּעַד (bead) = voor | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | לְטוֹבָֽה (letova) = voor het goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Jer. 11:14, waar Yahweh Jeremia ook verbiedt voor het volk te bidden. Zie ook: Ex 32:10; Ex 32:32–34; Jer 7:16; Jer 11:14; Jer 15:1 **14:12** **Wanneer zij vasten, luister Ik niet naar hun roep. Wanneer zij brandoffer en graanoffer brengen, heb Ik geen behagen in hen. Want Ik maak een einde aan hen, met het zwaard, met honger en met pest.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = wanneer | יָצֻ֗מוּ (yatsumu) = zij vasten | אֵינֶ֤נִּי (eineni) = Ik ben niet | שֹׁמֵ֨עַ֙ (shomea) = horend | אֶל (el) = naar | רִנָּתָ֔ם (rinatam) = hun roep | וְכִ֧י (vekhi) = en wanneer | יַעֲל֛וּ (yaalu) = zij brengen op | עֹלָ֥ה (ola) = brandoffer | וּמִנְחָ֖ה (umincha) = en graanoffer | אֵינֶ֣נִּי (eineni) = Ik ben niet | רֹצָ֑ם (rotsam) = behagend in hen | כִּ֗י (ki) = want | בַּחֶ֨רֶב֙ (bacherev) = met het zwaard | וּבָרָעָ֣ב (uvaraav) = en met honger | וּבַדֶּ֔בֶר (uvadever) = en met pest | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | מְכַלֶּ֥ה (mekhale) = maak een einde aan | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּבַדֶּבֶר (dever), ‘pest’: een dodelijke ziekte die zich snel verspreidt. Zwaard, honger en pest worden in Jeremia vaak samen genoemd. Voetnoot : רִנָּתָם (rinnatam), ‘hun roep’: zie Jer. 11:14. Zie ook: Spr 1:28; Mi 3:4; Jer 11:11; Jer 11:14; Ezech 8:18; Zach 7:13 ### De valse profeten **14:13** Ik zei: „Ach, Heer Yahweh! Zie, de profeten zeggen tegen hen: ‘Jullie zullen geen zwaard zien en er zal geen honger voor jullie zijn. Want Ik geef jullie ware vrede op deze plaats.’” Brontekst: וָאֹמַ֞ר (vaomar) = en ik zei | אֲהָ֣הּ (ahah) = ach | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | הַנְּבִאִ֜ים (haneviim) = de profeten | אֹמְרִ֤ים (omerim) = zeggen | לָהֶם֙ (lahem) = tegen hen | לֹֽא (lo) = niet | תִרְא֣וּ (tiru) = zullen jullie zien | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וְרָעָ֖ב (veraav) = en honger | לֹֽא (lo) = niet | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | כִּֽי (ki) = want | שְׁל֤וֹם (shelom) = vrede van | אֱמֶת֙ (emet) = waarheid | אֶתֵּ֣ן (eten) = zal Ik geven | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | בַּמָּק֖וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲהָהּ אֲדֹנָי יְהוִה (ahah Adonai Yahweh), ‘Ach, Heer Yahweh’: ahah is een kreet van schrik of pijn. Zie Jer. 1:6 voor de uitleg bij ‘Heer Yahweh’. Voetnoot : De profeten spreken alsof Yahweh het zegt; daarom staat ‘Ik’ met een hoofdletter. Voetnoot : אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: hier ‘ware, blijvende’ vrede. Zie ook: Mi 3:11; Jer 1:6; Jer 4:10; Jer 6:14; Jer 23:17; 2 Petr 2:1 **14:14** Yahweh zei tegen mij: **„Leugen profeteren de profeten in Mijn naam. Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hen niets geboden en Ik heb niet tot hen gesproken. Een leugenachtig visioen, waarzeggerij, een nietigheid en het bedrog van hun eigen hart: dat profeteren zij jullie.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | שֶׁ֚קֶר (sheqer) = leugen | הַנְּבִאִים֙ (haneviim) = de profeten | נִבְּאִ֣ים (nibeim) = profeteren | בִּשְׁמִ֔י (bishmi) = in Mijn naam | לֹ֤א (lo) = niet | שְׁלַחְתִּים֙ (shelachtim) = heb Ik hen gezonden | וְלֹ֣א (velo) = en niet | צִוִּיתִ֔ים (tsivitim) = heb Ik hen geboden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | דִבַּ֖רְתִּי (dibarti) = heb Ik gesproken | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = tot hen | חֲז֨וֹן (chazon) = visioen van | שֶׁ֜קֶר (sheqer) = leugen | וְקֶ֤סֶם (veqesem) = en waarzeggerij | וֶֽאֱלִיל֙ (veelil) = en nietigheid | וְתַרְמִ֣ית (vetarmit) = en bedrog van | לִבָּ֔ם (libam) = hun hart | הֵ֖מָּה (hema) = zij | מִֽתְנַבְּאִ֥ים (mitnabeim) = profeteren | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וֶאֱלִיל (ve’elil), ‘en een nietigheid’: het woord betekent ‘nietig, waardeloos’. Elders staat het in het meervoud voor de nietige goden (elilim). Hier is het waarschijnlijk iets nietigs. Voetnoot : וְקֶסֶם (qesem), ‘waarzeggerij’: het raadplegen van tekens; zie Deut. 18:10. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat ואלול (ve’elul); de overlevering leest וֶאֱלִיל (ve’elil), ‘en een nietigheid’. In de geschreven tekst staat ותרמות (vetarmut); de overlevering leest וְתַרְמִית (vetarmit), ‘en bedrog’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Deut 18:10; Jes 30:10–11; Jer 29:8–9; Klaagl 2:14; Ezech 12:24; Ezech 13:6–7 **14:15** Daarom, zo zegt Yahweh: **„Over de profeten die in Mijn naam profeteren, terwijl Ik hen niet gezonden heb. Zij zeggen: ‘Zwaard en honger zullen er niet zijn in dit land.’ Door zwaard en honger zullen die profeten omkomen.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עַֽל (al) = over | הַנְּבִאִ֞ים (haneviim) = de profeten | הַנִּבְּאִ֣ים (hanibeim) = die profeteren | בִּשְׁמִי֮ (bishmi) = in Mijn naam | וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | לֹֽא (lo) = niet | שְׁלַחְתִּים֒ (shelachtim) = heb hen gezonden | וְהֵ֨מָּה֙ (vehema) = en zij | אֹֽמְרִ֔ים (omerim) = zeggen | חֶ֣רֶב (cherev) = zwaard | וְרָעָ֔ב (veraav) = en honger | לֹ֥א (lo) = niet | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | בַּחֶ֤רֶב (bacherev) = door zwaard | וּבָֽרָעָב֙ (uvaraav) = en door honger | יִתַּ֔מּוּ (yitamu) = zullen omkomen | הַנְּבִאִ֖ים (haneviim) = de profeten | הָהֵֽמָּה (hahema) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De aanhef ‘Daarom, zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn rood. Zie ook: Jer 5:12–13; Jer 6:15; Ezech 14:10; 2 Petr 2:1–3; 2 Petr 2:14–17 **14:16** **En het volk aan wie zij profeteren, zal in de straten van Jeruzalem liggen, neergeworpen door de honger en het zwaard. Er is niemand die hen begraaft, hen, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters. Zo stort Ik hun eigen kwaad over hen uit.”** Brontekst: וְהָעָ֣ם (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁר (asher) = aan wie | הֵ֣מָּה (hema) = zij | נִבְּאִ֣ים (nibeim) = profeteren | לָהֶ֡ם (lahem) = hun | יִֽהְי֣וּ (yihyu) = zullen zijn | מֻשְׁלָכִים֩ (mushlakhim) = neergeworpen | בְּחֻצ֨וֹת (bechutsot) = in de straten van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | הָרָעָ֣ב (haraav) = de honger | וְהַחֶ֗רֶב (vehacherev) = en het zwaard | וְאֵ֤ין (veein) = en er is niemand | מְקַבֵּר֙ (meqaber) = die begraaft | לָהֵ֔מָּה (lahema) = hen | הֵ֣מָּה (hema) = zij | נְשֵׁיהֶ֔ם (nesheihem) = hun vrouwen | וּבְנֵיהֶ֖ם (uveneihem) = en hun zonen | וּבְנֹֽתֵיהֶ֑ם (uvenoteihem) = en hun dochters | וְשָׁפַכְתִּ֥י (veshafakhti) = en Ik stort uit | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | אֶת (et) = (obj.) | רָעָתָֽם (raatam) = hun kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Ps 79:2–3; Spr 1:31; Jer 7:33; Jer 15:2–3; Jer 18:21 ### Jeremia's klaagzang **14:17** **„Zeg dit woord tegen hen:”** „Mijn ogen stromen over van tranen, nacht en dag, en zij houden niet op. Want de maagd, de Dochter van mijn volk, is gebroken met een grote breuk, met een zeer pijnlijke slag. Brontekst: וְאָמַרְתָּ֤ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tegen hen | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | תֵּרַ֨דְנָה (teradna) = laat stromen | עֵינַ֥י (einay) = mijn ogen | דִּמְעָ֛ה (dima) = tranen | לַ֥יְלָה (layla) = nacht | וְיוֹמָ֖ם (veyomam) = en dag | וְאַל (veal) = en niet | תִּדְמֶ֑ינָה (tidmeina) = laten zij ophouden | כִּי֩ (ki) = want | שֶׁ֨בֶר (shever) = breuk | גָּד֜וֹל (gadol) = grote | נִשְׁבְּרָ֗ה (nishbera) = is gebroken | בְּתוּלַת֙ (betulat) = de maagd | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | מַכָּ֖ה (maka) = slag | נַחְלָ֥ה (nachla) = pijnlijke | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De opdracht ‘Zeg dit woord tegen hen’ is van Yahweh en staat rood. Wat Jeremia daarna zegt, staat zwart. Het Hebreeuws zegt niet duidelijk of Yahweh of Jeremia hier schreit; vergelijk Jer. 8:23 (Hebreeuwse telling). Voetnoot : בְּתוּלַת בַּת עַמִּי (betulat bat ammi), ‘de maagd, de Dochter van mijn volk’: het volk als een jonge vrouw. ‘Dochter’ is hier een vaste naam, zoals ‘Dochter Sion’. Zie ook: Jer 8:21; Jer 8:23; Jer 13:17; Klaagl 1:15–16; Klaagl 2:13 **14:18** Als ik het veld in ga, zie: doden door het zwaard. En als ik de stad binnenkom, zie: de ziekten van de honger. Ook profeet en priester trekken rond in een land dat zij niet kennen.” Brontekst: אִם (im) = als | יָצָ֣אתִי (yatsati) = ik uitga | הַשָּׂדֶ֗ה (hasade) = naar het veld | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | חַלְלֵי (challei) = doorboorden van | חֶ֔רֶב (cherev) = het zwaard | וְאִם֙ (veim) = en als | בָּ֣אתִי (bati) = ik binnenkom | הָעִ֔יר (hair) = in de stad | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | תַּחֲלוּאֵ֣י (tachaluei) = ziekten van | רָעָ֑ב (raav) = honger | כִּֽי (ki) = want | גַם (gam) = zowel | נָבִ֧יא (navi) = profeet | גַם (gam) = als | כֹּהֵ֛ן (kohen) = priester | סָחֲר֥וּ (sacharu) = trekken rond | אֶל (el) = naar | אֶ֖רֶץ (erets) = een land | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָדָֽעוּ (yadau) = weten zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָחֲרוּ (sachru), ‘trekken rond’: het werkwoord betekent ‘rondtrekken’, ook ‘handeldrijven’. De betekenis is onzeker. Profeet en priester dwalen in een land dat zij niet kennen. Zie ook: Deut 28:36; Jer 8:10; Jer 52:6–7; Klaagl 1:20; Ezech 7:15 ### Het gebed om redding **14:19** Hebt U Juda helemaal verworpen? Walgt Uw ziel van Sion? Waarom hebt U ons geslagen, zodat er voor ons geen genezing is? Wij hoopten op vrede, maar er is niets goeds. Wij hoopten op een tijd van genezing, maar zie: schrik. Brontekst: הֲמָאֹ֨ס (hamaos) = volledig verworpen | מָאַ֜סְתָּ (maasta) = hebt U verworpen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אִם (im) = of | בְּצִיּוֹן֙ (betsiyon) = Sion | גָּעֲלָ֣ה (gaala) = walgt | נַפְשֶׁ֔ךָ (nafshekha) = Uw ziel | מַדּ֨וּעַ֙ (madua) = waarom | הִכִּיתָ֔נוּ (hikitanu) = hebt U ons geslagen | וְאֵ֥ין (veein) = en er is niet | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | מַרְפֵּ֑א (marpe) = genezing | קַוֵּ֤ה (qave) = wij hopen | לְשָׁלוֹם֙ (leshalom) = op vrede | וְאֵ֣ין (veein) = en er is niets | ט֔וֹב (tov) = goeds | וּלְעֵ֥ת (uleet) = en op een tijd van | מַרְפֵּ֖א (marpe) = genezing | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | בְעָתָֽה (beata) = schrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: גָּעֲלָה (ga’alah), ‘walgt’: een sterk woord voor afkeer. Zie ook Lev. 26:11. Voetnoot : בְעָתָה (be’atah), ‘schrik’: plotselinge ontzetting. Zie ook: Lev 26:11; Jer 6:30; Jer 8:15; Jer 30:13; Klaagl 5:22; 1 Tess 5:3 **14:20** Wij erkennen onze goddeloosheid, Yahweh, de schuld van onze vaders. Want wij hebben tegen U gezondigd. Brontekst: יָדַ֧עְנוּ (yadanu) = wij erkennen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | רִשְׁעֵ֖נוּ (rishenu) = onze goddeloosheid | עֲוֺ֣ן (avon) = schuld van | אֲבוֹתֵ֑ינוּ (avoteinu) = onze vaders | כִּ֥י (ki) = want | חָטָ֖אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | לָֽךְ (lakh) = tegen U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:40–42; Ps 32:5; Jer 3:25; Luc 15:18–21; 1 Joh 1:7–9 **14:21** Versmaad ons niet, omwille van Uw naam. Onteer de troon van Uw heerlijkheid niet. Denk eraan en verbreek Uw verbond met ons niet. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּנְאַץ֙ (tinats) = versmaad ons | לְמַ֣עַן (lemaan) = omwille van | שִׁמְךָ֔ (shimkha) = Uw naam | אַל (al) = niet | תְּנַבֵּ֖ל (tenabel) = onteer | כִּסֵּ֣א (kise) = de troon van | כְבוֹדֶ֑ךָ (kevodekha) = Uw heerlijkheid | זְכֹ֕ר (zekhor) = denk eraan | אַל (al) = niet | תָּפֵ֥ר (tafer) = verbreek | בְּרִֽיתְךָ֖ (beritekha) = Uw verbond | אִתָּֽנוּ (itanu) = met ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּסֵּא כְבוֹדֶךָ (kisse khevodekha), ‘de troon van Uw heerlijkheid’: Jeruzalem of de tempel; zie Jer. 17:12. Zie ook: Ps 89:40–41; Ps 106:45; Jer 3:17; Jer 14:7; Jer 17:12; Dan 9:15–19 **14:22** Zijn er onder de nietigheden van de volken regenbrengers? Of geven de hemelen zelf regenbuien? Bent U het niet, Yahweh, onze Elohim? Wij hopen op U, want U hebt dit alles gemaakt. Brontekst: הֲיֵ֨שׁ (hayesh) = is er | בְּהַבְלֵ֤י (behavlei) = onder de nietigheden van | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | מַגְשִׁמִ֔ים (magshimim) = die regen geven | וְאִם (veim) = of | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemelen | יִתְּנ֣וּ (yitenu) = geven | רְבִבִ֑ים (revivim) = regenbuien | הֲלֹ֨א (halo) = niet | אַתָּה (ata) = U | ה֜וּא (hu) = bent het | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | וּ֨נְקַוֶּה (uneqave) = en wij hopen | לָּ֔ךְ (lakh) = op U | כִּֽי (ki) = want | אַתָּ֥ה (ata) = U | עָשִׂ֖יתָ (asita) = hebt gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֵֽלֶּה (ele) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּהַבְלֵי (havlei), ‘de nietigheden van’: het woord בְּהַבְלֵי komt van הֶבֶל (hevel), ‘ademtocht, nietigheid’. Het zijn de goden van de volken. Voetnoot : רְבִבִים (revivim), ‘regenbuien’: zoals in Deut. 32:2. Zie ook: Deut 32:2; Deut 32:21; Ps 135:7; Joël 2:23; Jes 30:23; Jer 5:24 ## Jeremia 15 _Zelfs Mozes en Samuël zouden niet helpen; Jeremia's klacht en Yahweh's antwoord_ ### Zelfs Mozes en Samuël helpen niet **15:1** Yahweh zei tegen mij: **„Al zouden Mozes en Samuël voor Mij staan, Mijn ziel zou zich niet tot dit volk keren. Stuur hen weg van Mijn aangezicht, laat hen gaan.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | אִם (im) = al | יַעֲמֹ֨ד (yaamod) = zouden staan | מֹשֶׁ֤ה (moshe) = Mozes | וּשְׁמוּאֵל֙ (ushemuel) = en Samuël | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor Mij | אֵ֥ין (ein) = niet | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = Mijn ziel | אֶל (el) = naar | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | שַׁלַּ֥ח (shalach) = stuur weg | מֵֽעַל (meal) = van | פָּנַ֖י (panay) = Mijn aangezicht | וְיֵצֵֽאוּ (veyetseu) = en laat hen gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Mozes en Samuël staan hier als de grote voorbidders van Israël. Zie Exod. 32:11–14, Num. 14:13–20, 1 Sam. 7:9 en 1 Sam. 12:23. Zelfs hun voorbede zou nu niet helpen. Voetnoot : נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: het woord נֶפֶשׁ (nefesh) betekent hier Yahweh’s eigen wil en hart. Wij vertalen ‘ziel’. Zie ook: Ex 32:11–14; Num 14:13–20; 1 Sam 7:9; 1 Sam 12:23; Ps 106:23; Jer 11:14; Jer 14:11; Ezech 14:14; Ezech 14:20–21 **15:2** **Wanneer zij tegen je zeggen: ‘Waarheen zullen wij gaan?’ Zeg dan tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh: Wie voor de dood bestemd is, gaat naar de dood. Wie voor het zwaard bestemd is, naar het zwaard. Wie voor de honger, naar de honger. Wie voor de gevangenschap, naar de gevangenschap.’** Brontekst: וְהָיָ֛ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יֹאמְר֥וּ (yomru) = zij zeggen | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tegen je | אָ֣נָה (ana) = waarheen | נֵצֵ֑א (netse) = zullen wij gaan | וְאָמַרְתָּ֨ (veamarta) = dan zul je zeggen | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tegen hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wie | לַמָּ֤וֶת (lamavet) = voor de dood | לַמָּ֨וֶת֙ (lamavet) = naar de dood | וַאֲשֶׁ֤ר (vaasher) = en wie | לַחֶ֨רֶב֙ (lacherev) = voor het zwaard | לַחֶ֔רֶב (lacherev) = naar het zwaard | וַאֲשֶׁ֤ר (vaasher) = en wie | לָֽרָעָב֙ (laraav) = voor de honger | לָֽרָעָ֔ב (laraav) = naar de honger | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wie | לַשְּׁבִ֖י (lashevi) = voor de gevangenschap | לַשֶּֽׁבִי (lashevi) = naar de gevangenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vier uitdrukkingen noemen vier lotgevallen: dood (door ziekte of pest), zwaard, honger en gevangenschap. Wie voor één van die vier bestemd is, ontkomt er niet aan. Zie ook: Jer 43:11; Ezech 5:2; Zach 11:9; Openb 6:3–8; Openb 13:10 **15:3** **Ik zal vier soorten over hen aanstellen, godsspraak van Yahweh: het zwaard om te doden en de honden om weg te slepen. En ook de vogels van de hemel en de dieren van de aarde, om te eten en te vernietigen.** Brontekst: וּפָקַדְתִּ֨י (ufaqadti) = en Ik zal aanstellen | עֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = over hen | אַרְבַּ֤ע (arba) = vier | מִשְׁפָּחוֹת֙ (mishpachot) = soorten | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֣רֶב (hacherev) = het zwaard | לַֽהֲרֹ֔ג (laharog) = om te doden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכְּלָבִ֖ים (hakelavim) = de honden | לִסְחֹ֑ב (lischov) = om te slepen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | ע֧וֹף (of) = vogels van | הַשָּׁמַ֛יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֶּהֱמַ֥ת (behemat) = dieren van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | לֶאֱכֹ֥ל (leekhol) = om te eten | וּלְהַשְׁחִֽית (ulehashchit) = en te vernietigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּפָקַדְתִּי (ufaqadti), ‘Ik zal aanstellen’: de stam פקד (pqd) betekent ‘bezoeken, aanstellen, straffen’. Hier stelt Yahweh vier ‘soorten’ aan om het oordeel uit te voeren. Voetnoot : מִשְׁפָּחוֹת (mishpachot), ‘soorten’: letterlijk ‘families, geslachten’. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Zie ook: Lev 26:16; Lev 26:22; Deut 28:26; Jer 1:8; Ezech 14:21; Openb 6:8 **15:4** **Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken van de aarde. Dat is vanwege Manasse, de zoon van Hizkia, de koning van Juda, om wat hij in Jeruzalem heeft gedaan.** Brontekst: וּנְתַתִּ֣ים (unetatim) = en Ik zal hen maken | לְזַֽעֲוָ֔ה (lezaava) = tot een schrikbeeld | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | בִּ֠גְלַל (biglal) = vanwege | מְנַשֶּׁ֤ה (menashe) = Manasse | בֶן (ben) = zoon van | יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙ (yechizqiyahu) = Hizkia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | עַ֥ל (al) = om | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = hij deed | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לְזַעֲוָה (leza’avah), ‘tot een schrikbeeld’: iets waarvoor men huivert; zo ook in Deut. 28:25. Voetnoot : Manasse was de koning van Juda die de afgodendienst in Jeruzalem op grote schaal invoerde (2 Kon. 21:1–16; 24:3). Zie ook: Deut 28:25; 2 Kon 21:1–16; 2 Kon 21:11–13; 2 Kon 21:16–17; 2 Kon 23:26–27; 2 Kon 24:3–4; Jer 24:9 **15:5** **Want wie zal medelijden met je hebben, Jeruzalem? Wie zal je beklagen? Wie komt bij je langs om naar je welzijn te vragen?** Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | מִֽי (mi) = wie | יַחְמֹ֤ל (yachmol) = zal medelijden hebben | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = met je | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וּמִ֖י (umi) = en wie | יָנ֣וּד (yanud) = zal beklagen | לָ֑ךְ (lakh) = je | וּמִ֣י (umi) = en wie | יָס֔וּר (yasur) = komt langs | לִשְׁאֹ֥ל (lishol) = om te vragen | לְשָׁלֹ֖ם (leshalom) = naar vrede | לָֽךְ (lakh) = voor je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לְשָׁלֹם (leshalom), ‘naar vrede’: ‘vragen naar de vrede van iemand’ is een gewone groet: vragen hoe het met iemand gaat. Wij vertalen ‘naar je welzijn’. Voetnoot : יָנוּד (yanud), ‘beklagen’: het werkwoord betekent letterlijk ‘schudden, knikken’, het gebaar van deelneming. Zie ook: Ps 69:21; Jes 51:19; Nah 3:7; Jer 16:5; Jer 21:7 **15:6** **Jij hebt Mij verlaten, godsspraak van Yahweh. Je gaat achteruit. Daarom strek Ik Mijn hand uit tegen je en verderf Ik je. Ik ben moe geworden Mij te laten rouwen.** Brontekst: אַ֣תְּ (at) = jij | נָטַ֥שְׁתְּ (natasht) = hebt verlaten | אֹתִ֛י (oti) = Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אָח֣וֹר (achor) = achterwaarts | תֵּלֵ֑כִי (telekhi) = ga je | וָאַ֨ט (vaat) = en Ik strek uit | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֤י (yadi) = Mijn hand | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = tegen je | וָֽאַשְׁחִיתֵ֔ךְ (vaashchitekh) = en Ik verderf je | נִלְאֵ֖יתִי (nileiti) = Ik ben moe geworden | הִנָּחֵֽם (hinachem) = Mij te laten rouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִלְאֵיתִי הִנָּחֵם (nil’eiti hinnachem), ‘Ik ben moe geworden Mij te laten rouwen’: de stam נחם (nacham) betekent als Yahweh Zich bedenkt ‘Zich laten rouwen’; zie Gen. 6:6. Vaak heeft Yahweh het oordeel uitgesteld; nu is Hij daar moe van. Zie ook: Gen 6:6; Hos 11:7; Jes 1:4; Sef 1:4; Jer 7:24; Zach 7:11 **15:7** **Ik wan hen met een wan in de poorten van het land. Ik heb hen kinderloos gemaakt. Ik heb Mijn volk vernietigd. Van hun wegen zijn zij niet teruggekeerd.** Brontekst: וָאֶזְרֵ֥ם (vaezrem) = en Ik wan hen | בְּמִזְרֶ֖ה (bemizre) = met een wan | בְּשַׁעֲרֵ֣י (beshaarei) = in de poorten van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | שִׁכַּ֤לְתִּי (shikalti) = Ik heb kinderloos gemaakt | אִבַּ֨דְתִּי֙ (ibadti) = Ik heb vernietigd | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | מִדַּרְכֵיהֶ֖ם (midarkheihem) = van hun wegen | לוֹא (lo) = niet | שָֽׁבוּ (shavu) = zijn zij teruggekeerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמִזְרֶה (mizreh), ‘wan’: een soort riek of schop waarmee graan in de wind wordt geworpen om het kaf te scheiden. Hier is het een beeld voor het uit elkaar drijven van het volk. Zie ook: Jes 9:12; Jes 41:16; Jer 5:3; Jer 51:2; Mat 3:12 **15:8** **Zijn weduwen zijn Mij talrijker geworden dan het zand van de zeeën. Over de moeder van de jonge man heb Ik een verwoester gebracht, op de middag. Plotseling heb Ik angst en schrik over haar laten vallen.** Brontekst: עָֽצְמוּ (atsemu) = zijn talrijk geworden | לִ֤י (li) = voor Mij | אַלְמְנֹתָו֙ (almenotav) = zijn weduwen | מֵח֣וֹל (mechol) = meer dan het zand van | יַמִּ֔ים (yamim) = de zeeën | הֵבֵ֨אתִי (heveti) = Ik heb gebracht | לָהֶ֥ם (lahem) = over hen | עַל (al) = over | אֵ֛ם (em) = de moeder van | בָּח֖וּר (bachur) = de jonge man | שֹׁדֵ֣ד (shoded) = een verwoester | בַּֽצָּהֳרָ֑יִם (batsahorayim) = op de middag | הִפַּ֤לְתִּי (hipalti) = Ik heb laten vallen | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = over haar | פִּתְאֹ֔ם (pitom) = plotseling | עִ֖יר (ir) = angst | וּבֶהָלֽוֹת (uvehalot) = en schrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִיר (ir), ‘angst’: dit woord komt alleen hier voor en de betekenis is onzeker. Het kan ‘opwinding, angst’ betekenen, of ook ‘stad’. Voetnoot : בָּחוּר (bachur), ‘jonge man’: ‘de moeder van de jonge man’ staat voor elke moeder wier zoon in de strijd valt. De tekst noemt geen naam. Zie ook: Jes 3:25–4:1; Jer 4:16; Jer 5:6; Jer 6:4–5; Luc 21:35 **15:9** **Zij die zeven kinderen baarde, kwijnt weg. Haar ziel is uitgeblazen. Haar zon is ondergegaan terwijl het nog dag was. Zij is beschaamd en vernederd. De overgeblevenen van hen geef Ik aan het zwaard, voor het aangezicht van hun vijanden, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: אֻמְלְלָ֞ה (umlela) = zij kwijnt weg | יֹלֶ֣דֶת (yoledet) = die baarde | הַשִּׁבְעָ֗ה (hashiva) = de zeven | נָפְחָ֥ה (nafecha) = is uitgeblazen | נַפְשָׁ֛הּ (nafshah) = haar ziel | בָּ֥א (ba) = is ondergegaan | שִׁמְשָׁ֛הּ (shimshah) = haar zon | בְּעֹ֥ד (beod) = terwijl nog | יוֹמָ֖ם (yomam) = dag | בּ֣וֹשָׁה (bosha) = zij is beschaamd | וְחָפֵ֑רָה (vechafera) = en vernederd | וּשְׁאֵֽרִיתָ֗ם (usheeritam) = en hun overgeblevenen | לַחֶ֧רֶב (lacherev) = aan het zwaard | אֶתֵּ֛ן (eten) = zal Ik geven | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֹיְבֵיהֶ֖ם (oyeveihem) = hun vijanden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zeven’ is het getal van volheid: een moeder met zeven kinderen was gezegend; vergelijk 1 Sam. 2:5. Haar ‘zon’ gaat onder terwijl het nog dag is: zij verliest haar kinderen voor de tijd. Zie ook: 1 Sam 2:5; Amos 8:9–10; Jes 47:9; Klaagl 1:1; Klaagl 4:10 ### Jeremia's klacht **15:10** Wee mij, mijn moeder, dat u mij hebt gebaard, een man van twist en strijd voor heel het land. Ik heb niemand iets uitgeleend, en niemand heeft aan mij iets uitgeleend. Toch vervloekt ieder van hen mij. Brontekst: אֽוֹי (oy) = wee | לִ֣י (li) = mij | אִמִּ֔י (imi) = mijn moeder | כִּ֣י (ki) = dat | יְלִדְתִּ֗נִי (yelidtini) = u mij hebt gebaard | אִ֥ישׁ (ish) = een man van | רִ֛יב (riv) = twist | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man van | מָד֖וֹן (madon) = strijd | לְכָל (lekhal) = voor heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | לֹֽא (lo) = niet | נָשִׁ֥יתִי (nashiti) = heb ik uitgeleend | וְלֹא (velo) = en niet | נָֽשׁוּ (nashu) = hebben zij uitgeleend | בִ֖י (bi) = aan mij | כֻּלֹּ֥ה (kulo) = ieder van hen | מְקַלְלַֽונִי (meqallavni) = vervloekt mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt Jeremia. Vergelijk zijn klacht in Jer. 20:14–18 en Job 3:3. Voetnoot : אִישׁ רִיב וְאִישׁ מָדוֹן (ish riv ve’ish madon), ‘een man van twist en strijd’: iemand om wie altijd ruzie is. Jeremia lijdt onder zijn opdracht. Voetnoot : נָשִׁיתִי (nashiti), ‘heb ik uitgeleend’: uitlenen en lenen leidt vaak tot ruzie. Jeremia zegt: er is geen schuld waarom men mij haat. Zie ook: Job 3:3; Ps 120:5–6; Jer 20:14–18; Mat 10:21–23; Luc 6:22; Hand 16:20–22; Hand 17:6–8 ### Yahweh antwoordt **15:11** Yahweh zei: **„Zeker, Ik zal je ten goede sterken. Zeker, Ik zal de vijand bij je laten smeken, in de tijd van onheil en in de tijd van nood.** Brontekst: אָמַ֣ר (amar) = zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = zeker | לֹ֥א (lo) = niet | שֵֽׁרִיתִ֖יךָ (sheritikha) = Ik zal je sterken | לְט֑וֹב (letov) = ten goede | אִם (im) = zeker | ל֣וֹא (lo) = niet | הִפְגַּ֣עְתִּֽי (hifgati) = zal Ik laten smeken | בְךָ֗ (bekha) = bij je | בְּעֵ֥ת (beet) = in de tijd van | רָעָ֛ה (raa) = onheil | וּבְעֵ֥ת (uveet) = en in de tijd van | צָרָ֖ה (tsara) = nood | אֶת (et) = (obj.) | הָאֹיֵֽב (haoyev) = de vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van de verzen 11–14 is moeilijk en de betekenis is onzeker. Voetnoot : שֵׁרִיתִיךָ (sheritikha), ‘Ik zal je sterken’: het werkwoord is onzeker; het kan ook ‘Ik zal je vrijmaken’ betekenen. Voetnoot : הִפְגַּעְתִּי בְךָ (hifga’ti vekha), ‘Ik zal laten smeken bij je’: letterlijk ‘Ik zal laten tussenkomen’. De vijand zal Jeremia zelf om hulp vragen. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat שרותך (sherotekha); de overlevering leest שֵׁרִיתִיךָ (sheritikha). Wij volgen de lezing. Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders. Zie ook: Ps 37:3–11; Ps 106:46; Spr 16:7; Pred 8:12; Jer 29:11–14 **15:12** **Kan men ijzer breken, het ijzer uit het noorden, en koper?** Brontekst: הֲיָרֹ֨עַ (hayaroa) = kan men breken | בַּרְזֶ֧ל (barzel) = ijzer | בַּרְזֶ֛ל (barzel) = ijzer | מִצָּפ֖וֹן (mitsafon) = uit het noorden | וּנְחֹֽשֶׁת (unechoshet) = en koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het is onzeker wat het beeld bedoelt: het ‘ijzer uit het noorden’ kan verwijzen naar de macht van het leger uit het noorden (Jer. 1:14), of naar de kracht die Jeremia krijgt (vers 20). Zie ook: Job 40:9; Jes 45:9; Jer 1:14; Jer 15:20; Jer 21:4–5; Jer 28:14; Hab 1:5–10 **15:13** **Je bezit en je schatten geef Ik prijs als buit, zonder betaling. Dat is vanwege al je zonden, in al je gebieden.** Brontekst: חֵילְךָ֧ (cheilekha) = je bezit | וְאוֹצְרוֹתֶ֛יךָ (veotseroteikha) = en je schatten | לָבַ֥ז (lavaz) = tot buit | אֶתֵּ֖ן (eten) = zal Ik geven | לֹ֣א (lo) = niet | בִמְחִ֑יר (bimchir) = voor een prijs | וּבְכָל (uvekhal) = en vanwege alle | חַטֹּאותֶ֖יךָ (chatovteikha) = je zonden | וּבְכָל (uvekhal) = en in alle | גְּבוּלֶֽיךָ (gevuleikha) = je gebieden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 13 en 14 komen bijna woordelijk terug in Jer. 17:3–4. Zie ook: Ps 44:13; Jes 52:3; Jes 52:5; Jer 15:14; Jer 17:3; Jer 20:5 **15:14** **Ik zal je vijanden laten doortrekken naar een land dat je niet kent. Want in Mijn toorn is een vuur ontstoken, dat tegen jullie brandt.”** Brontekst: וְהַֽעֲבַרְתִּי֙ (vehaavarti) = en Ik zal laten doortrekken | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֣יְבֶ֔יךָ (oyeveikha) = je vijanden | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = naar een land | לֹ֣א (lo) = niet | יָדָ֑עְתָּ (yadata) = ken je | כִּֽי (ki) = want | אֵ֛שׁ (esh) = een vuur | קָדְחָ֥ה (qadecha) = is ontstoken | בְאַפִּ֖י (beapi) = in Mijn toorn | עֲלֵיכֶ֥ם (aleikhem) = tegen jullie | תּוּקָֽד (tuqad) = zal branden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהַעֲבַרְתִּי (veha’avarti), ‘Ik zal laten doortrekken’: in Jer. 17:4 staat een woord dat ‘Ik zal je laten dienen’ betekent. Voetnoot Lezing: Wij volgen de Hebreeuwse tekst zoals hij er staat. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Deut 28:36; Deut 32:22; Ps 21:10; Jer 16:13; Jer 17:4 ### Jeremia bidt **15:15** U weet het, Yahweh. Denk aan mij en bezoek mij, en neem voor mij wraak op mijn vervolgers. Neem mij niet weg, terwijl U zo langzaam bent tot toorn. Weet dat ik om U smaad draag. Brontekst: אַתָּ֧ה (ata) = U | יָדַ֣עְתָּ (yadata) = weet het | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | זָכְרֵ֤נִי (zakhereni) = denk aan mij | וּפָקְדֵ֨נִי֙ (ufaqedeni) = en bezoek mij | וְהִנָּ֤קֶם (vehinaqem) = en wreek | לִי֙ (li) = voor mij | מֵרֹ֣דְפַ֔י (merodefay) = op mijn vervolgers | אַל (al) = niet | לְאֶ֥רֶךְ (leerekh) = in de langzaamheid van | אַפְּךָ֖ (apekha) = Uw toorn | תִּקָּחֵ֑נִי (tiqacheni) = neem mij weg | דַּ֕ע (da) = weet | שְׂאֵתִ֥י (seeti) = ik draag | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = om U | חֶרְפָּֽה (cherpa) = smaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְאֶרֶךְ אַפְּךָ (le’erekh appekha), ‘in de langzaamheid van Uw toorn’: zie Exod. 34:6, ‘langzaam tot toorn’. Jeremia vreest dat Yahweh’s geduld met de vijanden hem het leven kost. Voetnoot : מֵרֹדְפַי (mereddefay), ‘op mijn vervolgers’: wie Jeremia achtervolgt. Zie ook: Ex 34:6; Ps 69:8–10; Jer 12:3; Jer 20:12; Neh 13:22; Luc 21:17 **15:16** Uw woorden werden gevonden en ik at ze op. Uw woord werd voor mij tot vreugde en tot blijdschap van mijn hart, want Uw naam is over mij uitgeroepen, Yahweh, Elohim van de legermachten. Brontekst: נִמְצְא֤וּ (nimtseu) = werden gevonden | דְבָרֶ֨יךָ֙ (devareikha) = Uw woorden | וָאֹ֣כְלֵ֔ם (vaokhelem) = en ik at ze | וַיְהִ֤י (vayhi) = en werd | דְבָֽרְךָ֙ (devarekha) = Uw woord | לִ֔י (li) = voor mij | לְשָׂשׂ֖וֹן (lesason) = tot vreugde | וּלְשִׂמְחַ֣ת (ulesimchat) = en tot blijdschap van | לְבָבִ֑י (levavi) = mijn hart | כִּֽי (ki) = want | נִקְרָ֤א (niqra) = is uitgeroepen | שִׁמְךָ֙ (shimkha) = Uw naam | עָלַ֔י (alay) = over mij | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Ik at ze op’: de woorden van Yahweh werden voor Jeremia levensonderhoud. Vergelijk Ezech. 3:1–3. Voetnoot : ‘Uw naam is over mij uitgeroepen’: ik hoor bij U. Zie ook Jer. 14:9. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat דבריך (devarekha), ‘Uw woorden’; de overlevering leest דְּבָרְךָ (devarkha), ‘Uw woord’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Job 23:12; Ps 19:11; Ps 119:101–103; Jer 14:9; Ezech 3:1–3; Openb 10:9–10 **15:17** Ik zat niet in de kring van de lachers en was niet vrolijk. Vanwege Uw hand zat ik alleen, want U hebt mij met toorn gevuld. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יָשַׁ֥בְתִּי (yashavti) = zat ik | בְסוֹד (besod) = in de kring van | מְשַׂחֲקִ֖ים (mesachaqim) = lachers | וָֽאֶעְלֹ֑ז (vaeloz) = en was ik vrolijk | מִפְּנֵ֤י (mipenei) = vanwege | יָֽדְךָ֙ (yadekha) = Uw hand | בָּדָ֣ד (badad) = alleen | יָשַׁ֔בְתִּי (yashavti) = zat ik | כִּֽי (ki) = want | זַ֖עַם (zaam) = toorn | מִלֵּאתָֽנִי (miletani) = U hebt mij gevuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְסוֹד (besod), ‘in de kring van’: een besloten kring of gezelschap. Voetnoot : Jeremia houdt zich afzijdig van het feestvieren, omdat hij Yahweh’s toorn draagt. Zie ook: Ps 1:1; Ps 26:4–5; Jer 6:11; Klaagl 3:28; Ezech 3:24–25 **15:18** Waarom is mijn pijn blijvend en mijn wond ongeneeslijk? Zij weigert zich te laten genezen. Zult U voor mij werkelijk zijn als een bedrieglijke beek, als water dat niet betrouwbaar is? Brontekst: לָ֣מָּה (lama) = waarom | הָיָ֤ה (haya) = is geworden | כְאֵבִי֙ (keevi) = mijn pijn | נֶ֔צַח (netsach) = blijvend | וּמַכָּתִ֖י (umakati) = en mijn wond | אֲנוּשָׁ֑ה֙ (anusha) = ongeneeslijk | מֵֽאֲנָה֙ (meana) = weigert | הֵֽרָפֵ֔א (herafe) = te genezen | הָי֨וֹ (hayo) = zeker | תִֽהְיֶ֥ה (tihye) = zult U zijn | לִי֙ (li) = voor mij | כְּמ֣וֹ (kemo) = als | אַכְזָ֔ב (akhzav) = een bedrieglijke beek | מַ֖יִם (mayim) = water | לֹ֥א (lo) = niet | נֶאֱמָֽנוּ (neemanu) = betrouwbaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַכְזָב (akhzav), ‘bedrieglijke beek’: een beek die in de regentijd stroomt, maar in de zomer droogvalt. Jeremia verwijt Yahweh dat Hij onbetrouwbaar lijkt. Zie ook Job 6:15. Zie ook: Job 6:15; Job 34:6; Mi 1:9; Jer 14:19; Jer 20:7; Jer 30:15 ### Yahweh roept Jeremia terug **15:19** Daarom, zo zegt Yahweh: **„Als je terugkeert, laat Ik je terugkeren. Voor Mijn aangezicht zul je staan. Als je het kostbare uit het waardeloze naar voren brengt, zul je zijn als Mijn mond. Zij zullen naar jou terugkeren, maar jij zult niet naar hen terugkeren.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | תָּשׁ֤וּב (tashuv) = je terugkeert | וַאֲשִֽׁיבְךָ֙ (vaashivekha) = dan laat Ik je terugkeren | לְפָנַ֣י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | תַּֽעֲמֹ֔ד (taamod) = zul je staan | וְאִם (veim) = en als | תּוֹצִ֥יא (totsi) = je naar voren brengt | יָקָ֛ר (yaqar) = het kostbare | מִזּוֹלֵ֖ל (mizolel) = uit het waardeloze | כְּפִ֣י (kefi) = als Mijn mond | תִֽהְיֶ֑ה (tihye) = zul je zijn | יָשֻׁ֤בוּ (yashuvu) = zullen terugkeren | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar jou | וְאַתָּ֖ה (veata) = maar jij | לֹֽא (lo) = niet | תָשׁ֥וּב (tashuv) = zult terugkeren | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint Yahweh’s antwoord op Jeremia’s klacht; de aanhef staat zwart. Voetnoot : כְּפִי (kefi), ‘als Mijn mond’: Jeremia zal Yahweh’s woord spreken. Vergelijk Exod. 4:16. Zie ook: Ex 4:16; Lev 10:10; Ezech 22:26; Ezech 44:23; Zach 3:7; Luc 21:15 **15:20** **Ik maak je voor dit volk tot een versterkte, koperen muur. Zij zullen tegen je strijden, maar je niet overmeesteren. Want Ik ben met je om je te redden en je te bevrijden, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וּנְתַתִּ֜יךָ (unetatikha) = en Ik maak je | לָעָ֣ם (laam) = voor het volk | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | לְחוֹמַ֤ת (lechomat) = tot een muur van | נְחֹ֨שֶׁת֙ (nechoshet) = koper | בְּצוּרָ֔ה (betsura) = versterkte | וְנִלְחֲמ֥וּ (venilchamu) = en zij zullen strijden | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tegen je | וְלֹא (velo) = maar niet | י֣וּכְלוּ (yukhelu) = zullen zij kunnen | לָ֑ךְ (lakh) = jou | כִּֽי (ki) = want | אִתְּךָ֥ (itekha) = met je | אֲנִ֛י (ani) = Ik | לְהוֹשִֽׁיעֲךָ֥ (lehoshiakha) = om je te redden | וּלְהַצִּילֶ֖ךָ (ulehatsilekha) = en je te bevrijden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘versterkte, koperen muur’ komt ook voor in Jer. 1:18–19. Yahweh’s belofte ‘Ik ben met je om je te redden’ klinkt ook daar. Zie ook: Ps 46:8; Ps 124:1–3; Jes 8:9–10; Jer 1:18–19; Ezech 3:9 **15:21** **Ik zal je bevrijden uit de hand van de boosdoeners en je vrijkopen uit de greep van de geweldenaars.”** Brontekst: וְהִצַּלְתִּ֖יךָ (vehitsaltikha) = en Ik zal je bevrijden | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | רָעִ֑ים (raim) = boosdoeners | וּפְדִתִ֖יךָ (ufeditikha) = en Ik zal je vrijkopen | מִכַּ֥ף (mikaf) = uit de greep van | עָרִצִֽים (aritsim) = geweldenaars Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּפְדִתִיךָ (ufeditikha), ‘Ik zal je vrijkopen’: het werkwoord פדה (pada) betekent ‘vrijkopen’, zoals iemand uit slavernij wordt vrijgekocht. Zie ook: Gen 48:16; Jes 49:24–25; Jes 54:17; Jer 50:34; 2 Kor 1:10 ## Jeremia 16 _Jeremia mag niet trouwen en niet rouwen; verbanning en terugkeer; vissers en jagers_ ### Een leven als teken: geen vrouw, geen rouwhuis **16:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 1:2; Jer 1:4; Jer 2:1 **16:2** **„Neem geen vrouw voor jezelf. Je zult geen zonen en dochters hebben op deze plaats.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תִקַּ֥ח (tiqach) = je zult nemen | לְךָ֖ (lekha) = voor jezelf | אִשָּׁ֑ה (isha) = een vrouw | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְי֤וּ (yihyu) = zullen zijn | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | בָּנִ֣ים (banim) = zonen | וּבָנ֔וֹת (uvanot) = en dochters | בַּמָּק֖וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jeremia moet leven als een teken. Hij mag niet trouwen en krijgt geen kinderen. Vers 3–4 zeggen waarom: de kinderen van dit land zullen omkomen. Zie ook: Gen 19:14; Jer 16:3–4; Mat 24:19; Luc 21:23; Luc 23:29; 1 Kor 7:26–27 **16:3** **Want zo zegt Yahweh over de zonen en de dochters die op deze plaats geboren worden, over hun moeders die hen baren en over hun vaders die hen verwekken in dit land:** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | הַבָּנִים֙ (habanim) = de zonen | וְעַל (veal) = en over | הַבָּנ֔וֹת (habanot) = de dochters | הַיִּלּוֹדִ֖ים (hayilodim) = die geboren worden | בַּמָּק֣וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְעַֽל (veal) = en over | אִמֹּתָ֞ם (imotam) = hun moeders | הַיֹּלְד֣וֹת (hayoledot) = die baren | אוֹתָ֗ם (otam) = hen | וְעַל (veal) = en over | אֲבוֹתָ֛ם (avotam) = hun vaders | הַמּוֹלִדִ֥ים (hamolidim) = die verwekken | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | בָּאָ֥רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 6:21; Jer 16:5; Jer 16:9 **16:4** **Aan dodelijke ziekten zullen zij sterven. Zij worden niet beweend en niet begraven. Zij zullen mest zijn op de grond. Door het zwaard en door honger komen zij om. Hun lijk wordt voedsel voor de vogels van de hemel en voor de dieren van het land.** Brontekst: מְמוֹתֵ֨י (memotei) = aan de dood van | תַחֲלֻאִ֜ים (tachaluim) = ziekten | יָמֻ֗תוּ (yamutu) = zullen zij sterven | לֹ֤א (lo) = niet | יִסָּֽפְדוּ֙ (yisafedu) = zullen zij beweend worden | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִקָּבֵ֔רוּ (yiqaveru) = zullen zij begraven worden | לְדֹ֛מֶן (ledomen) = tot mest | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | יִֽהְי֑וּ (yihyu) = zullen zij zijn | וּבַחֶ֤רֶב (uvacherev) = en door het zwaard | וּבָֽרָעָב֙ (uvaraav) = en door honger | יִכְל֔וּ (yikhlu) = zullen zij omkomen | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zal worden | נִבְלָתָם֙ (nivlatam) = hun lijk | לְמַאֲכָ֔ל (lemaakhal) = tot voedsel | לְע֥וֹף (leof) = voor de vogels van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְבֶהֱמַ֥ת (ulevehemat) = en voor de dieren van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחֲלֻאִים (tachalu’im), ‘ziekten’: het woord komt ook voor in Deut. 29:21. Het gaat om ziekten die doden. Voetnoot : לְדֹמֶן (ledomen), ‘tot mest’: de lijken blijven onbegraven liggen en worden mest voor de grond, zoals bij Izebel (2 Kon. 9:37). Voetnoot : לְעוֹף הַשָּׁמַיִם (le’of hashamayim), ‘voor de vogels van de hemel’: onbegraven lijken zijn voedsel voor dieren. Zie ook Deut. 28:26. Zie ook: Deut 28:26; Deut 29:21; Ps 83:11; 2 Kon 9:37; Sef 1:17; Jer 9:21; Jer 25:33; Jer 34:20 **16:5** **Want zo zegt Yahweh: Ga geen rouwhuis binnen. Ga niet heen om te rouwen en toon hun geen medeleven. Want Ik heb Mijn vrede van dit volk weggenomen, godsspraak van Yahweh, de trouw en de ontferming.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַל (al) = niet | תָּבוֹא֙ (tavo) = ga binnen | בֵּ֣ית (beit) = huis van | מַרְזֵ֔חַ (marzeach) = rouwmaal | וְאַל (veal) = en niet | תֵּלֵ֣ךְ (telekh) = ga heen | לִסְפּ֔וֹד (lispod) = om te rouwen | וְאַל (veal) = en niet | תָּנֹ֖ד (tanod) = toon medeleven | לָהֶ֑ם (lahem) = met hen | כִּֽי (ki) = want | אָסַ֨פְתִּי (asafti) = Ik heb weggenomen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁלוֹמִ֜י (shelomi) = Mijn vrede | מֵאֵ֨ת (meet) = van | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֖סֶד (hachesed) = de trouw | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָֽרַחֲמִֽים (harachamim) = de ontferming Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 2–18 zijn één toespraak van Yahweh aan Jeremia. De formule ‘Want zo zegt Yahweh’ in vers 3, 5 en 9 staat daarbinnen en is daarom rood. Voetnoot : בֵּית מַרְזֵחַ (beit marzeach), ‘rouwhuis’ of ‘rouwmaal’: een bijeenkomst met eten en drinken. Hier is het een bijeenkomst bij een overlijden. Het woord staat ook in Amos 6:7, daar als ‘feestgelag’. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. De formule staat midden in Zijn woorden en is daarom rood. Voetnoot : שְׁלוֹמִי (shelomi), ‘Mijn vrede’, הַחֶסֶד (hachesed), ‘de trouw’, en הָרַחֲמִים (harachamim), ‘de ontferming’: drie vormen van het goede dat Yahweh aan Zijn volk gaf. Hij neemt ze nu weg. Zie ook: Deut 31:17; Amos 6:7; Jes 27:11; Jer 1:8; Jer 15:1–4; Jer 16:2–18; Jer 16:3; Jer 16:6–7; Jer 16:9; Ezech 24:16–23 **16:6** **Groten en kleinen zullen in dit land sterven. Zij worden niet begraven en niemand beweent hen. Niemand zal zich voor hen sneden toebrengen of zich kaalscheren.** Brontekst: וּמֵ֨תוּ (umetu) = en zullen sterven | גְדֹלִ֧ים (gedolim) = groten | וּקְטַנִּ֛ים (uqetanim) = en kleinen | בָּאָ֥רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | לֹ֣א (lo) = niet | יִקָּבֵ֑רוּ (yiqaveru) = zullen zij begraven worden | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִסְפְּד֣וּ (yispedu) = zal men beweent | לָהֶ֔ם (lahem) = hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִתְגֹּדַ֔ד (yitgodad) = zal zich sneden toebrengen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִקָּרֵ֖חַ (yiqareach) = zal zich kaalscheren | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִתְגֹּדַד (yitgodad), ‘zich sneden toebrengen’, en יִקָּרֵחַ (yiqqareach), ‘zich kaalscheren’: gebruiken bij rouw. Voor Israël zijn ze verboden (Deut. 14:1). Hier is er niemand meer die rouwt. Zie ook: Lev 19:28; Deut 14:1; Jes 22:12; Jer 41:5; Jer 47:5 **16:7** **Niemand breekt brood voor hen in hun rouw, om iemand te troosten over een dode. Niemand geeft hun de beker van de troost te drinken, om zijn vader en om zijn moeder.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יִפְרְס֥וּ (yifresu) = zal men breken | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | עַל (al) = in | אֵ֖בֶל (evel) = rouw | לְנַחֲמ֣וֹ (lenachamo) = om te troosten | עַל (al) = over | מֵ֑ת (met) = een dode | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַשְׁק֤וּ (yashqu) = zal men te drinken geven | אוֹתָם֙ (otam) = hen | כּ֣וֹס (kos) = beker van | תַּנְחוּמִ֔ים (tanchumim) = troost | עַל (al) = om | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | וְעַל (veal) = en om | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִפְרְסוּ (yifresu), ‘zij breken’: het woord ‘brood’ staat er niet. Bedoeld is het breken van brood voor wie rouwt, zoals in Jes. 58:7. Wij vullen ‘brood’ aan. Voetnoot : Het Hebreeuws wisselt tussen meervoud (‘voor hen’) en enkelvoud (‘om hem te troosten’, ‘zijn vader’). Bedoeld is ieder die rouwt. Voetnoot : כּוֹס תַּנְחוּמִים (kos tanchumim), ‘beker van de troost’: wijn die men aan rouwenden gaf. Zie ook: Job 42:11; Deut 26:14; Spr 31:6–7; Hos 9:4; Jes 58:7; Ezech 24:17 **16:8** **Ook een huis van feestmaal ga je niet binnen om bij hen te zitten, om te eten en te drinken.** Brontekst: וּבֵית (uveit) = en huis van | מִשְׁתֶּ֥ה (mishte) = feestmaal | לֹא (lo) = niet | תָב֖וֹא (tavo) = je zult binnengaan | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om te zitten | אוֹתָ֑ם (otam) = met hen | לֶאֱכֹ֖ל (leekhol) = om te eten | וְלִשְׁתּֽוֹת (velishtot) = en om te drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית מִשְׁתֶּה (beit mishteh), ‘huis van feestmaal’: zoals in Pred. 7:2. Jeremia mag ook niet naar een feest. Zo wordt zijn leven een teken van het einde van vreugde en rouw. Zie ook: Pred 7:2–4; Amos 6:4–6; Jes 22:12–14; Jer 15:17; Luc 17:27–29 **16:9** **Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Zie, Ik laat voor jullie ogen en in jullie dagen op deze plaats het geluid van vreugde en het geluid van blijdschap ophouden, het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid.** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֜ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | מַשְׁבִּ֜ית (mashbit) = laat ophouden | מִן (min) = van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | לְעֵינֵיכֶ֖ם (leeineikhem) = voor jullie ogen | וּבִֽימֵיכֶ֑ם (uvimeikhem) = en in jullie dagen | ק֤וֹל (qol) = geluid van | שָׂשׂוֹן֙ (sason) = vreugde | וְק֣וֹל (veqol) = en geluid van | שִׂמְחָ֔ה (simcha) = blijdschap | ק֥וֹל (qol) = geluid van | חָתָ֖ן (chatan) = bruidegom | וְק֥וֹל (veqol) = en geluid van | כַּלָּֽה (kala) = bruid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Voetnoot : קוֹל שָׂשׂוֹן וְקוֹל שִׂמְחָה קוֹל חָתָן וְקוֹל כַּלָּה (qol sason veqol simchah qol chatan veqol kallah), ‘het geluid van vreugde en het geluid van blijdschap, het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid’: een vaste uitdrukking. Ze komt ook voor in Jer. 7:34, 25:10 en 33:11. Zie ook: Hos 2:13; Jes 24:7–12; Jer 2:19; Jer 7:34; Jer 25:10; Jer 33:11; Ezech 26:13 ### Waarom dit alles? **16:10** **Wanneer je dit volk al deze woorden vertelt, zullen zij tegen je zeggen: ‘Waarom heeft Yahweh al dit grote onheil over ons gesproken? Wat is onze schuld, en wat is onze zonde die wij tegen Yahweh, onze Elohim, hebben begaan?’** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּ֤י (ki) = wanneer | תַגִּיד֙ (tagid) = je vertelt | לָעָ֣ם (laam) = aan het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וְאָמְר֣וּ (veameru) = en zij zullen zeggen | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = tegen je | עַל (al) = om | מֶה֩ (me) = wat | דִבֶּ֨ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | עָלֵ֨ינוּ֙ (aleinu) = over ons | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֤ה (haraa) = het onheil | הַגְּדוֹלָה֙ (hagedola) = het grote | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וּמֶ֤ה (ume) = en wat is | עֲוֺנֵ֨נוּ֙ (avonenu) = onze schuld | וּמֶ֣ה (ume) = en wat is | חַטָּאתֵ֔נוּ (chatatenu) = onze zonde | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חָטָ֖אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | לַֽיהוָ֥ה (laYahweh) = tegen Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲוֺנֵנוּ (avonenu), ‘onze schuld’, en חַטָּאתֵנוּ (chatta’tenu), ‘onze zonde’: het volk vraagt waarom dit alles hun overkomt. Het volk ziet geen schuld bij zichzelf. Zie ook: Deut 29:23–24; 1 Kon 9:8–9; Hos 12:9; Jer 5:19; Jer 13:22 **16:11** **Dan zeg je tegen hen: ‘Omdat jullie vaders Mij hebben verlaten, godsspraak van Yahweh. Zij zijn achter andere goden aan gegaan, hebben hen gediend en zich voor hen neergebogen. Mij hebben zij verlaten, en Mijn wet hebben zij niet bewaard.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tegen hen | עַל֩ (al) = omdat | אֲשֶׁר (asher) = die | עָזְב֨וּ (azevu) = hebben verlaten | אֲבוֹתֵיכֶ֤ם (avoteikhem) = jullie vaders | אוֹתִי֙ (oti) = Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּלְכ֗וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וַיַּעַבְד֖וּם (vayaavdum) = en dienden hen | וַיִּשְׁתַּחֲו֣וּ (vayishtachavu) = en bogen zich neer | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וְאֹתִ֣י (veoti) = en Mij | עָזָ֔בוּ (azavu) = hebben zij verlaten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תּוֹרָתִ֖י (torati) = Mijn wet | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁמָֽרוּ (shamaru) = hebben zij bewaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 106:35–41; Jer 8:2; Jer 22:9; Neh 9:26–29; 1 Petr 4:3 **16:12** **Jullie hebben het nog erger gedaan dan jullie vaders. Zie, ieder van jullie loopt achter de hardnekkigheid van zijn boze hart aan, zodat jullie niet naar Mij luisteren.** Brontekst: וְאַתֶּ֛ם (veatem) = en jullie | הֲרֵעֹתֶ֥ם (hareotem) = hebben het kwaad vergroot | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = in het doen | מֵאֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם (meavoteikhem) = meer dan jullie vaders | וְהִנְּכֶ֣ם (vehinekhem) = en zie jullie | הֹלְכִ֗ים (holekhim) = lopend | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | שְׁרִר֣וּת (sherirut) = de hardnekkigheid van | לִבּֽוֹ (libo) = zijn hart | הָרָ֔ע (hara) = het boze | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = zodat niet | שְׁמֹ֥עַ (shemoa) = luisteren | אֵלָֽי (elay) = naar Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 2:19; Pred 9:3; Jer 7:26; Jer 9:13; Jer 13:10 **16:13** **Daarom zal Ik jullie uit dit land slingeren, naar een land dat jullie niet kennen, jullie niet en jullie vaders niet. Daar zullen jullie dag en nacht andere goden dienen, want Ik zal jullie geen gunst geven.’** Brontekst: וְהֵטַלְתִּ֣י (vehetalti) = en Ik zal slingeren | אֶתְכֶ֗ם (etkhem) = jullie | מֵעַל֙ (meal) = van op | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | עַל (al) = naar | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | לֹ֣א (lo) = niet | יְדַעְתֶּ֔ם (yedatem) = jullie kennen | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | וַאֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם (vaavoteikhem) = en jullie vaders | וַעֲבַדְתֶּם (vaavadtem) = en jullie zullen dienen | שָׁ֞ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִים֙ (acherim) = andere | יוֹמָ֣ם (yomam) = overdag | וָלַ֔יְלָה (valayla) = en 's nachts | אֲשֶׁ֛ר (asher) = want | לֹֽא (lo) = niet | אֶתֵּ֥ן (eten) = Ik zal geven | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | חֲנִינָֽה (chanina) = gunst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהֵטַלְתִּי (vehetalti), ‘en Ik zal slingeren’: zoals men een voorwerp wegwerpt, bijvoorbeeld een speer (1 Sam. 18:11). Voetnoot : חֲנִינָה (chaninah), ‘gunst’: dit woord komt maar hier voor. Het is verwant met חֵן (chen), ‘gunst’. Zie ook: Deut 4:26–28; Deut 28:36; 1 Sam 18:11; 2 Kron 7:20; Jer 15:14; Jer 17:4 ### Terugkeer uit het noorden **16:14** **Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh. Dan zal men niet meer zeggen: ‘Zo waar Yahweh leeft, die de zonen van Israël uit het land Egypte heeft laten optrekken.’** Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | הִנֵּֽה (hine) = zie | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | בָּאִ֖ים (baim) = komend | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֵאָמֵ֥ר (yeamer) = zal men zeggen | עוֹד֙ (od) = nog | חַי (chay) = zo waar leeft | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | הֶעֱלָ֛ה (heela) = heeft laten optrekken | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een vaste eedformule. Het begin van vers 14–15 staat ook in Jer. 23:7–8. Voetnoot : De bevrijding uit Egypte was voor Israël de grootste daad van Yahweh. Een nieuwe terugkeer zal die in de eed vervangen. Zie ook: Ex 20:2; Deut 15:15; Hos 3:4–5; Mi 6:4; Jer 23:7–8 **16:15** **Maar men zal zeggen: ‘Zo waar Yahweh leeft, die de zonen van Israël heeft laten optrekken uit het land in het noorden en uit alle landen waarheen Hij hen verdreven had.’ Want Ik zal hen terugbrengen naar hun grond, die Ik aan hun vaders heb gegeven.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = indien | חַי (chay) = zo waar leeft | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֶעֱלָ֜ה (heela) = heeft laten optrekken | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | צָפ֔וֹן (tsafon) = het noorden | וּמִכֹּל֙ (umikol) = en uit alle | הָֽאֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarheen | הִדִּיחָ֖ם (hidicham) = Hij had hen verdreven | שָׁ֑מָּה (shama) = daarheen | וַהֲשִֽׁבֹתִים֙ (vahashivotim) = en Ik zal hen terugbrengen | עַל (al) = naar | אַדְמָתָ֔ם (admatam) = hun grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לַאֲבוֹתָֽם (laavotam) = aan hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶרֶץ צָפוֹן (erets tsafon), ‘het land in het noorden’: het gebied waar de ballingen heen werden gebracht. In Jeremia komen de vijanden uit het noorden. Vers 13 zegt: ‘een land dat jullie niet kennen’. Voetnoot : הִדִּיחָם (hiddichem), ‘Hij had hen verdreven’: het werkwoord נָדַח (nadach) betekent ‘verjagen, wegdrijven’. Zie ook: Jes 11:11–16; Jer 3:18; Jer 16:13; Jer 24:6; Jer 32:37; Ezech 39:28 ### Vissers en jagers **16:16** **Zie, Ik zend vele vissers, godsspraak van Yahweh, en zij zullen hen vangen. Daarna zend Ik vele jagers, en zij zullen hen opjagen van elke berg en van elke heuvel en uit de spleten van de rotsen.** Brontekst: הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | שֹׁלֵ֜חַ (sholeach) = zendend | לְדַיָּגִ֥ים (ledayagim) = naar vissers | רַבִּ֛ים (rabim) = vele | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְדִיג֑וּם (vedigum) = en zij zullen hen vangen | וְאַֽחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֗ן (ken) = zo | אֶשְׁלַח֙ (eshlach) = Ik zal zenden | לְרַבִּ֣ים (lerabim) = naar jagers | צַיָּדִ֔ים (tsayadim) = vele | וְצָד֞וּם (vetsadum) = en zij zullen hen opjagen | מֵעַ֤ל (meal) = van | כָּל (kal) = elke | הַר֙ (har) = berg | וּמֵעַ֣ל (umeal) = en van | כָּל (kal) = elke | גִּבְעָ֔ה (giva) = heuvel | וּמִנְּקִיקֵ֖י (umineqiqei) = en uit de spleten van | הַסְּלָעִֽים (haselaim) = de rotsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּיָּגִים (dayyagim), ‘vissers’, en צַיָּדִים (tsayyadim), ‘jagers’: beelden voor mensen die het volk opsporen en vangen. Het Hebreeuws zegt niet wie het zijn. Vers 17–18 laten zien dat het om oordeel gaat. Zie ook: 1 Sam 26:20; Amos 4:2; Mi 7:2; Jer 16:17–18; Hab 1:14–15; Openb 6:15–17 **16:17** **Want Mijn ogen zien al hun wegen. Zij zijn niet voor Mij verborgen, en hun schuld is niet verborgen voor Mijn ogen.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | עֵינַי֙ (einay) = Mijn ogen | עַל (al) = op | כָּל (kal) = al | דַּרְכֵיהֶ֔ם (darkheihem) = hun wegen | לֹ֥א (lo) = niet | נִסְתְּר֖וּ (nisteru) = zijn verborgen | מִלְּפָנָ֑י (milefanay) = voor Mijn aangezicht | וְלֹֽא (velo) = en niet | נִצְפַּ֥ן (nitspan) = is verborgen | עֲוֺנָ֖ם (avonam) = hun schuld | מִנֶּ֥גֶד (mineged) = tegenover | עֵינָֽי (einay) = Mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִסְתְּרוּ (nistru), ‘zijn verborgen’: niets is voor Yahweh verborgen. Zie ook: Job 34:21–22; Ps 90:8; Spr 5:21; Spr 15:3; Jer 23:24 **16:18** **Eerst zal Ik hun schuld en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land hebben ontheiligd. Met het lijk van hun gruwelbeelden en met hun afschuwelijke dingen hebben zij Mijn erfdeel gevuld.”** Brontekst: וְשִׁלַּמְתִּ֣י (veshilamti) = en Ik zal vergelden | רִֽאשׁוֹנָ֗ה (rishona) = eerst | מִשְׁנֵ֤ה (mishne) = het dubbele van | עֲוֺנָם֙ (avonam) = hun schuld | וְחַטָּאתָ֔ם (vechatatam) = en hun zonde | עַ֖ל (al) = omdat | חַלְּלָ֣ם (chalelam) = zij ontheiligen | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצִ֑י (artsi) = Mijn land | בְּנִבְלַ֤ת (benivlat) = met het lijk van | שִׁקּֽוּצֵיהֶם֙ (shiqutseihem) = hun gruwelbeelden | וְתוֹעֲב֣וֹתֵיהֶ֔ם (vetoavoteihem) = en hun afschuwelijke dingen | מָלְא֖וּ (maleu) = hebben zij gevuld | אֶת (et) = (obj.) | נַחֲלָתִֽי (nachalati) = Mijn erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁנֶה (mishneh), ‘het dubbele’: ‘dubbel vergelden’. Het kan ook ‘volledig’ betekenen. Zie ook Job 42:10. Voetnoot : שִׁקּוּצֵיהֶם (shiqqutseihem), ‘gruwelbeelden’, en תּוֹעֲבוֹת (to’evot), ‘afschuwelijke dingen’: twee woorden voor afgoden en wat bij hun dienst hoort. Voetnoot : נִבְלַת (nivlat), ‘lijk’: het beeld van een levenloos dier. De afgoden zijn dood. Zij hebben het land onrein gemaakt. Zie ook: Job 42:10; Num 35:33–34; Jes 40:2; Jer 2:7; Jer 17:18; Openb 18:6 ### Yahweh, mijn kracht en mijn schuilplaats **16:19** Yahweh, mijn kracht en mijn sterkte en mijn schuilplaats op de dag van nood! Tot U zullen volken komen van de einden van de aarde. Zij zullen zeggen: ‘Onze vaders hebben niets geërfd dan leugen, damp, en niets daarin dat nut heeft.’ Brontekst: יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | עֻזִּ֧י (uzi) = mijn kracht | וּמָעֻזִּ֛י (umauzi) = en mijn sterkte | וּמְנוּסִ֖י (umenusi) = en mijn schuilplaats | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | צָרָ֑ה (tsara) = nood | אֵלֶ֗יךָ (eleikha) = tot U | גּוֹיִ֤ם (goyim) = volken | יָבֹ֨אוּ֙ (yavou) = zullen komen | מֵֽאַפְסֵי (meafsei) = van de einden van | אָ֔רֶץ (arets) = de aarde | וְיֹאמְר֗וּ (veyomru) = en zij zullen zeggen | אַךְ (akh) = alleen | שֶׁ֨קֶר֙ (sheqer) = leugen | נָחֲל֣וּ (nachalu) = hebben geërfd | אֲבוֹתֵ֔ינוּ (avoteinu) = onze vaders | הֶ֖בֶל (hevel) = damp | וְאֵֽין (veein) = en niet is | בָּ֥ם (bam) = in hen | מוֹעִֽיל (moil) = nut Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Jeremia tot Yahweh. Deze verzen staan zwart. Voetnoot : עֻזִּי (uzzi), ‘mijn kracht’, מָעֻזִּי (ma’uzzi), ‘mijn sterkte’, en מָנוֹסִי (manosi), ‘mijn schuilplaats’: drie woorden voor veiligheid bij Yahweh. Voetnoot : הֶבֶל (hevel), ‘damp’: hetzelfde woord als in Pred. 1:2. De afgoden zijn niets dan damp. Zie ook: Ps 91:1–2; Pred 1:2; Jes 2:2–3; Jes 25:4; Nah 1:7; Jer 17:17 **16:20** Kan een mens zich goden maken? Dat zijn toch geen goden! Brontekst: הֲיַעֲשֶׂה (hayaase) = kan maken | לּ֥וֹ (lo) = voor zichzelf | אָדָ֖ם (adam) = een mens | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = goden | וְהֵ֖מָּה (vehema) = terwijl zij | לֹ֥א (lo) = niet zijn | אֱלֹהִֽים (Elohim) = goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים (elohim), ‘goden’: hier staat het woord in het meervoud voor beelden die een mens maakt. Vergelijk Hos. 8:6. Zie ook: Ps 115:4–8; Ps 135:14–18; Hos 8:6; Jes 37:19; Jer 2:11; Gal 4:8 ### Zij zullen Mijn naam kennen **16:21** **„Daarom, zie, Ik laat hen kennen. Ditmaal laat Ik hen Mijn hand en Mijn kracht kennen. Dan zullen zij weten dat Mijn naam Yahweh is.”** Brontekst: לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Ik | מֽוֹדִיעָ֔ם (modiam) = laat hen kennen | בַּפַּ֣עַם (bapaam) = in de keer | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | אוֹדִיעֵ֥ם (odiem) = Ik laat hen kennen | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֖י (yadi) = Mijn hand | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גְּבֽוּרָתִ֑י (gevurati) = Mijn kracht | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | שְׁמִ֥י (shemi) = Mijn naam | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּפַּעַם הַזֹּאת (bappa’am hazzot), ‘ditmaal’: nu zal Yahweh Zich laten kennen. Voetnoot : יָדִי וּגְבוּרָתִי (yadi ugevurati), ‘Mijn hand en Mijn kracht’: Zijn macht in het oordeel. Voetnoot : שְׁמִי יְהוָה (shemi Yahweh), ‘Mijn naam is Yahweh’: zie ook Exod. 6:3. Zie ook: Ex 6:3; Ps 9:17; Ps 83:19; Amos 5:8; Jes 43:3; Jer 33:2 ## Jeremia 17 _De zonde van Juda, de twee mannen, het hart, Jeremia's gebed en de sabbat_ ### De zonde van Juda is gegrift **17:1** **„De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren stift, met een punt van diamant. Ze is gegrift op de tafel van hun hart en op de hoorns van jullie altaren.** Brontekst: חַטַּ֣את (chatat) = de zonde van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | כְּתוּבָ֛ה (ketuva) = is geschreven | בְּעֵ֥ט (beet) = met een stift van | בַּרְזֶ֖ל (barzel) = ijzer | בְּצִפֹּ֣רֶן (betsiporen) = met een punt van | שָׁמִ֑יר (shamir) = diamant | חֲרוּשָׁה֙ (charusha) = gegrift | עַל (al) = op | ל֣וּחַ (luach) = de tafel van | לִבָּ֔ם (libam) = hun hart | וּלְקַרְנ֖וֹת (uleqarnot) = en op de hoorns van | מִזְבְּחוֹתֵיכֶֽם (mizbechoteikhem) = jullie altaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵט בַּרְזֶל (et barzel), ‘ijzeren stift’: een schrijfstift van ijzer waarmee men in steen of metaal graveert, zoals in Job 19:24. Voetnoot : צִפֹּרֶן שָׁמִיר (tsipporen shamir), ‘punt van diamant’: שָׁמִיר (shamir) is een zeer harde steen. De betekenis ‘diamant’ is niet zeker. Voetnoot : קַרְנוֹת (qarnot), ‘hoorns’: de uitsteeksels op de hoeken van het altaar (Exod. 27:2). Op die hoorns werd bloed gesmeerd; hier staat de zonde erop gegrift. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie hier spreekt. De woorden ‘Mijn toorn’ in vers 4 laten zien dat Yahweh spreekt. Daarom staan vers 1–4 rood. Zie ook: Job 19:23–24; Job 19:24; Ex 27:2; Lev 4:25; Spr 3:3; Spr 7:3; Jer 17:4; 2 Kor 3:3 **17:2** **Hun zonen denken aan hun altaren en hun heilige palen, bij een groene boom, op de hoge heuvels.** Brontekst: כִּזְכֹּ֤ר (kizkor) = als gedenken van | בְּנֵיהֶם֙ (beneihem) = hun zonen | מִזְבְּחוֹתָ֔ם (mizbechotam) = hun altaren | וַאֲשֵׁרֵיהֶ֖ם (vaashereihem) = en hun heilige palen | עַל (al) = bij | עֵ֣ץ (ets) = een boom | רַֽעֲנָ֑ן (raanan) = groene | עַ֖ל (al) = op | גְּבָע֥וֹת (gevaot) = heuvels | הַגְּבֹהֽוֹת (hagevohot) = de hoge Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּזְכֹּר בְּנֵיהֶם (kizkor beneihem), ‘zij denken aan’: letterlijk ‘als het gedenken van hun zonen’. Het Hebreeuws is kort. Wij lezen: hun zonen denken aan de altaren en de heilige palen. Het kan ook zijn: ‘zoals zij aan hun zonen denken, zo denken zij aan hun altaren’. Voetnoot : אֲשֵׁרֵיהֶם (asheireihem), ‘hun heilige palen’: de heilige paal (asherah) stond naast het altaar. Voetnoot : עֵץ רַעֲנָן (ets ra’anan), ‘groene boom’: onder zulke bomen werd afgodsdienst bedreven (Deut. 12:2). Zie ook: Deut 12:2; Re 3:7; 2 Kron 24:18; 2 Kron 33:3; Jes 1:29; Jer 2:20 **17:3** **Mijn berg in het veld! Jouw bezit en al je schatten geef Ik prijs als buit, jouw hoogten vanwege de zonde in heel je gebied.** Brontekst: הֲרָרִי֙ (harari) = mijn berg | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | חֵילְךָ֥ (cheilekha) = je bezit | כָל (kal) = al | אוֹצְרוֹתֶ֖יךָ (otseroteikha) = je schatten | לָבַ֣ז (lavaz) = tot buit | אֶתֵּ֑ן (eten) = Ik zal geven | בָּמֹתֶ֕יךָ (bamoteikha) = je hoogten | בְּחַטָּ֖את (bechatat) = om de zonde | בְּכָל (bekhal) = in heel | גְּבוּלֶֽיךָ (gevuleikha) = je gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲרָרִי (harari), ‘mijn berg’: het Hebreeuws is kort en moeilijk. Wie of wat bedoeld wordt, zegt de tekst niet. Het kan om de berg van Yahweh gaan, die ‘in het veld’ ligt, dat wil zeggen: open voor de vijand. Voetnoot : בָּמֹתֶיךָ (bamotekha), ‘jouw hoogten’: de offerplaatsen op de heuvels (2 Kon. 21:3). Zie ook: 2 Kon 21:3; 2 Kon 24:13; Jes 39:4–6; Jer 15:13; Jer 26:18; Klaagl 1:10 **17:4** **Door jezelf zul je je erfdeel moeten loslaten, dat Ik je gegeven heb. Ik laat je je vijanden dienen in een land dat je niet kent. Want een vuur hebben jullie aangestoken in Mijn toorn. Voor eeuwig zal het branden.** Brontekst: וְשָׁמַטְתָּ֗ה (veshamatta) = en je zult loslaten | וּבְךָ֙ (uvekha) = en in jou | מִנַּחֲלָֽתְךָ֙ (minachalatekha) = van je erfdeel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נָתַ֣תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | וְהַעֲבַדְתִּ֨יךָ֙ (vehaavadtikha) = en Ik zal je laten dienen | אֶת (et) = (obj.) | אֹ֣יְבֶ֔יךָ (oyeveikha) = je vijanden | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יָדָ֑עְתָּ (yadata) = je kent | כִּֽי (ki) = want | אֵ֛שׁ (esh) = een vuur | קְדַחְתֶּ֥ם (qedachtem) = jullie hebben aangestoken | בְּאַפִּ֖י (beapi) = in Mijn toorn | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֥ם (olam) = eeuwigheid | תּוּקָֽד (tuqad) = zal branden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְשָׁמַטְתָּ וּבְךָ (veshamatta uvekha), ‘door jezelf zul je loslaten’: het werkwoord שָׁמַט (shamat) betekent ‘loslaten, laten vallen’, zoals het loslaten van schulden in het zevende jaar (Deut. 15:2). ‘In jou’ wil zeggen: door je eigen schuld. Voetnoot : עַד־עוֹלָם (ad olam), ‘voor eeuwig’: het vuur van Yahweh’s toorn dooft niet. Zie ook: Deut 15:2; Jes 5:25; Jer 7:20; Jer 15:14; Klaagl 5:2; Mar 9:43–49 ### Vervloekt en gezegend **17:5** **Zo zegt Yahweh: Vervloekt is de man die op een mens vertrouwt, vlees tot zijn arm maakt en wiens hart van Yahweh afwijkt.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אָר֤וּר (arur) = vervloekt | הַגֶּ֨בֶר֙ (hagever) = de man | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִבְטַ֣ח (yivtach) = vertrouwt | בָּֽאָדָ֔ם (baadam) = op een mens | וְשָׂ֥ם (vesam) = en maakt | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | זְרֹע֑וֹ (zeroo) = tot zijn arm | וּמִן (umin) = en van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יָס֥וּר (yasur) = wijkt af | לִבּֽוֹ (libo) = zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 1–10 vormen één toespraak van Yahweh. ‘Zo zegt Yahweh’ staat hierin midden in Zijn woorden en is daarom rood. Voetnoot : בָּשָׂר זְרֹעוֹ (basar zero’o), ‘vlees tot zijn arm’: de arm staat voor kracht. Wie op een mens vertrouwt, maakt vlees tot zijn kracht. Voetnoot : Vers 5–8 lijken sterk op Ps. 1. De tegenstelling is dezelfde: vervloekt wie op een mens vertrouwt, gezegend wie op Yahweh vertrouwt. Zie ook: Ps 118:8–9; Ps 146:3–4; 2 Kron 32:8; Jes 2:22; Jes 31:1–9; Jer 17:1–10 **17:6** **Hij zal zijn als een struik in de steppe. Hij ziet het goede niet komen. Hij woont op dorre plaatsen in de woestijn, in een zoutland dat onbewoond blijft.** Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en hij zal zijn | כְּעַרְעָ֣ר (kearar) = als een struik | בָּֽעֲרָבָ֔ה (baarava) = in de steppe | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִרְאֶ֖ה (yire) = zal hij zien | כִּי (ki) = wanneer | יָב֣וֹא (yavo) = komt | ט֑וֹב (tov) = het goede | וְשָׁכַ֤ן (veshakhan) = en hij woont | חֲרֵרִים֙ (charerim) = op dorre plaatsen | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מְלֵחָ֖ה (melecha) = zout | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תֵשֵֽׁב (teshev) = wordt bewoond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַרְעָר (ar’ar), ‘struik’: een struik die in dor land groeit. De soort is onzeker. Voetnoot : עֲרָבָה (aravah), ‘steppe’: de droge vlakte. Het woord is ook de naam van de Araba, het dal ten zuiden van de Dode Zee. Voetnoot : חֲרֵרִים (chararim), ‘dorre plaatsen’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij een werkwoord dat ‘verbranden’ betekent. Voetnoot : אֶרֶץ מְלֵחָה (erets melechah), ‘zoutland’: grond waarop niets groeit (zie Deut. 29:22 en Ps. 107:34). Zie ook: Job 15:30–34; Job 20:17; Job 39:6; Deut 29:22; Ps 1:4; Ps 107:34 **17:7** **Gezegend is de man die op Yahweh vertrouwt, en wiens vertrouwen Yahweh is.** Brontekst: בָּר֣וּךְ (barukh) = gezegend | הַגֶּ֔בֶר (hagever) = de man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִבְטַ֖ח (yivtach) = vertrouwt | בַּֽיהוָ֑ה (baYahweh) = op Yahweh | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִבְטַחֽוֹ (mivtacho) = zijn vertrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 34:9; Ps 40:5; Ps 125:1; Jes 26:3–4; Jes 30:18 **17:8** **Hij zal zijn als een boom, geplant aan het water, die zijn wortels uitstrekt naar de stroom. Hij ziet de hitte niet komen, en zijn blad blijft groen. In een jaar van droogte maakt hij zich geen zorgen, en hij houdt niet op vrucht te dragen.** Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en hij zal zijn | כְּעֵ֣ץ (keets) = als een boom | שָׁת֣וּל (shatul) = geplant | עַל (al) = aan | מַ֗יִם (mayim) = water | וְעַל (veal) = en aan | יוּבַל֙ (yuval) = een stroom | יְשַׁלַּ֣ח (yeshalach) = hij strekt uit | שָֽׁרָשָׁ֔יו (sharashav) = zijn wortels | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יִרְאֶה֙ (yire) = zal hij zien | כִּֽי (ki) = wanneer | יָבֹ֣א (yavo) = komt | חֹ֔ם (chom) = hitte | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | עָלֵ֖הוּ (alehu) = zijn blad | רַֽעֲנָ֑ן (raanan) = groen | וּבִשְׁנַ֤ת (uvishnat) = en in het jaar van | בַּצֹּ֨רֶת֙ (batsoret) = droogte | לֹ֣א (lo) = niet | יִדְאָ֔ג (yidag) = maakt hij zich zorgen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָמִ֖ישׁ (yamish) = houdt hij op | מֵעֲשׂ֥וֹת (measot) = met het maken van | פֶּֽרִי (peri) = vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוּבַל (yuval), ‘stroom’: een waterloop, zoals in Jes. 30:25. Het beeld van de boom aan het water staat ook in Ps. 1:3. Voetnoot : בַּצֹּרֶת (batstsoret), ‘in droogte’: een jaar zonder regen. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) יִרְאֶה (yireh), ‘hij ziet’, zoals in vers 6. De geschreven tekst (ketiv) heeft יִרָא (yira), ‘hij vreest’: ‘hij vreest niet als de hitte komt’. Zie ook: Ps 1:3; Ps 92:11–16; Jes 30:25; Jes 58:11; Jer 17:6; Ezech 31:4–10; Ezech 47:12 ### Het hart **17:9** **Bedrieglijk is het hart, meer dan alles, en ongeneeslijk is het. Wie kan het kennen?** Brontekst: עָקֹ֥ב (aqov) = bedrieglijk | הַלֵּ֛ב (halev) = het hart | מִכֹּ֖ל (mikol) = boven alles | וְאָנֻ֣שׁ (veanush) = en ongeneeslijk | ה֑וּא (hu) = het | מִ֖י (mi) = wie | יֵדָעֶֽנּוּ (yedaenu) = kent het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָקֹב (aqov), ‘bedrieglijk’: het woord kan ook ‘kronkelig’ betekenen. Het hart is niet te vertrouwen. Voetnoot : אָנֻשׁ (anush), ‘ongeneeslijk’: letterlijk ‘ziek zonder genezing’. Zie ook: Spr 28:26; Pred 9:3; Mat 15:19; Mar 7:21–22; Heb 3:12 **17:10** **Ik, Yahweh, doorzoek het hart en toets de nieren, om ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn daden.”** Brontekst: אֲנִ֧י (ani) = Ik | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | חֹקֵ֥ר (choqer) = doorzoek | לֵ֖ב (lev) = het hart | בֹּחֵ֣ן (bochen) = toets | כְּלָי֑וֹת (kelayot) = nieren | וְלָתֵ֤ת (velatet) = en om te geven | לְאִישׁ֙ (leish) = aan ieder | כִּדְרָכָ֔יו (kidrakhav) = naar zijn wegen | כִּפְרִ֖י (kifri) = naar de vrucht van | מַעֲלָלָֽיו (maalalav) = zijn daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלָיוֹת (kelayot), ‘nieren’: voor Israël de plaats van het diepste gevoel en geweten. ‘Hart en nieren’ staat ook in Ps. 7:10. Voetnoot : כִּפְרִי מַעֲלָלָיו (kifri ma’alalav), ‘naar de vrucht van zijn daden’: ieder krijgt wat zijn daden opleveren. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) כִּדְרָכָיו (kidrakhav), ‘naar zijn wegen’. De geschreven tekst (ketiv) heeft het enkelvoud: ‘naar zijn weg’. Zie ook: 1 Sam 16:7; Ps 7:10; Jer 11:20; Rom 8:27; Heb 4:12–13; Openb 2:23 **17:11** Een patrijs broedt wat hij niet heeft gebaard. Zo is wie rijkdom maakt, maar niet met recht. In de helft van zijn dagen verlaat die rijkdom hem, en aan zijn einde is hij een dwaas. Brontekst: קֹרֵ֤א (qore) = patrijs | דָגַר֙ (dagar) = broedt | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָלָ֔ד (yalad) = heeft gebaard | עֹ֥שֶׂה (ose) = maakt | עֹ֖שֶׁר (osher) = rijkdom | וְלֹ֣א (velo) = en niet | בְמִשְׁפָּ֑ט (bemishpat) = met recht | בַּחֲצִ֤י (bachatsi) = in de helft van | יָמָיו֙ (yamav) = zijn dagen | יַעַזְבֶ֔נּוּ (yaazvenu) = zal het hem verlaten | וּבְאַחֲרִית֖וֹ (uveacharito) = en aan zijn einde | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal hij zijn | נָבָֽל (naval) = dwaas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹרֵא (qore), ‘patrijs’: een vogel die in de bergen leeft. Het beeld is onzeker. Er zijn twee verklaringen: de vogel broedt eieren uit die niet van hem zijn, of hij verzamelt eieren die hij niet gelegd heeft. Wij laten het Hebreeuws kort. Voetnoot : דָּגַר (dagar), ‘broeden’: het werkwoord komt alleen hier voor. Voetnoot : Vers 11 is geen duidelijk woord van Yahweh in de eerste persoon. Daarom staat het zwart, als spreuk van de profeet. Zie ook: Spr 21:6; Spr 28:8; Spr 28:20; Jer 22:13; Jer 22:17 ### Yahweh, de hoop van Israël **17:12** Een troon van heerlijkheid, verheven van het begin af: de plaats van ons heiligdom. Brontekst: כִּסֵּ֣א (kise) = troon van | כָב֔וֹד (kavod) = heerlijkheid | מָר֖וֹם (marom) = verheven | מֵֽרִאשׁ֑וֹן (merishon) = van het begin af | מְק֖וֹם (meqom) = plaats van | מִקְדָּשֵֽׁנוּ (miqdashenu) = ons heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 12–13 zijn een lofzang van de profeet. כִּסֵּא כָבוֹד (kisse kavod), ‘troon van heerlijkheid’: de tempel of de plaats waar Yahweh troont. Het heiligdom is verheven ‘van het begin af’. Zie ook: Ps 96:6; Jer 3:17; Jer 14:21; Ezech 1:26; Ezech 43:7 **17:13** Yahweh, hoop van Israël! Allen die U verlaten, worden beschaamd. Wie van mij afwijken, worden in de aarde geschreven, want zij hebben Yahweh verlaten, de bron van levend water. Brontekst: מִקְוֵ֤ה (miqve) = hoop van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = allen | עֹזְבֶ֖יךָ (ozeveikha) = die U verlaten | יֵבֹ֑שׁוּ (yevoshu) = zullen beschaamd worden | וְסוּרַי֙ (vesuray) = en die van mij afwijken | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in de aarde | יִכָּתֵ֔בוּ (yikatevu) = zullen worden geschreven | כִּ֥י (ki) = want | עָזְב֛וּ (azevu) = zij hebben verlaten | מְק֥וֹר (meqor) = bron van | מַֽיִם (mayim) = water | חַיִּ֖ים (chayim) = levend | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְוֵה (miqveh), ‘hoop’: het woord kan ook ‘verzameling water’ betekenen (Gen. 1:10). Daarom past het bij het slot: Yahweh is de bron van levend water. Voetnoot : וְסוּרַי (vesurai), ‘en wie van mij afwijken’: waarschijnlijk de tegenstanders van de profeet (vers 15). Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Voetnoot : יִכָּתֵבוּ בָּאָרֶץ (yikkatevu ba’arets), ‘zij worden in de aarde geschreven’: wat in de aarde staat, wordt uitgewist. Hun naam blijft niet. Voetnoot : מְקוֹר מַיִם חַיִּים (meqor mayim chayyim), ‘bron van levend water’: zoals in Jer. 2:13. Zie ook: Gen 1:10; Jer 2:13; Jer 17:15; Joh 4:10; Joh 4:14; Joh 7:37–38; Openb 7:17; Openb 22:1 ### Genees mij, Yahweh **17:14** Genees mij, Yahweh, dan word ik genezen. Red mij, dan word ik gered. Want U bent mijn lofprijs. Brontekst: רְפָאֵ֤נִי (refaeni) = genees mij | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְאֵ֣רָפֵ֔א (veerafe) = dan word ik genezen | הוֹשִׁיעֵ֖נִי (hoshieni) = red mij | וְאִוָּשֵׁ֑עָה (veivashea) = dan word ik gered | כִּ֥י (ki) = want | תְהִלָּתִ֖י (tehilati) = mijn lofprijs | אָֽתָּה (ata) = U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְפָאֵנִי (refa’eni), ‘genees mij’, en הוֹשִׁיעֵנִי (hoshi’eni), ‘red mij’: Jeremia bidt om genezing en redding. Het werkwoord רָפָא (rafa) betekent ‘genezen’, יָשַׁע (yasha) ‘redden’. Voetnoot : תְּהִלָּתִי (tehillati), ‘mijn lofprijs’: Yahweh is degene die Jeremia prijst. Zie ook: Deut 32:39; Ps 6:3; Ps 6:5; Ps 106:47; Luc 4:18 **17:15** Zie, zij zeggen tot mij: ‘Waar is het woord van Yahweh? Laat het toch komen!’ Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | הֵ֕מָּה (hema) = zij | אֹמְרִ֖ים (omerim) = zeggen | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | אַיֵּ֥ה (aye) = waar | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יָ֥בוֹא (yavo) = laat komen | נָֽא (na) = toch Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jeremia’s tegenstanders spotten: waar blijft het woord dat hij aankondigt? Een profeet is pas echt als zijn woord uitkomt (Deut. 18:21–22). Zie ook: Deut 18:21–22; Amos 5:18; Jes 5:19; Jer 20:7–8; Ezech 12:22; Ezech 12:27–28 **17:16** Maar ik heb mij niet onttrokken aan het herder zijn, achter U aan. De dag van het ongeluk heb ik niet begeerd. U weet het: wat van mijn lippen kwam, was voor Uw aangezicht. Brontekst: וַאֲנִ֞י (vaani) = maar ik | לֹא (lo) = niet | אַ֣צְתִּי (atsti) = heb mij onttrokken | מֵרֹעֶ֣ה (meroe) = uit het herder zijn | אַחֲרֶ֗יךָ (achareikha) = achter U | וְי֥וֹם (veyom) = en de dag van | אָנ֛וּשׁ (anush) = ongeluk | לֹ֥א (lo) = niet | הִתְאַוֵּ֖יתִי (hitaveiti) = heb ik begeerd | אַתָּ֣ה (ata) = U | יָדָ֑עְתָּ (yadata) = weet het | מוֹצָ֣א (motsa) = wat uitging van | שְׂפָתַ֔י (sefatay) = mijn lippen | נֹ֥כַח (nokhach) = voor | פָּנֶ֖יךָ (paneikha) = Uw aangezicht | הָיָֽה (haya) = was Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵרֹעֶה (mero’eh), ‘uit het herder zijn’: letterlijk ‘van een herder’. De betekenis is onzeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Het kan ook ‘van het kwaad’ zijn. Voetnoot : אֲחֲרֶיךָ (acharekha), ‘achter U aan’: Jeremia volgt Yahweh en voert Zijn woorden uit. Voetnoot : יוֹם אָנוּשׁ (yom anush), ‘de dag van het ongeluk’: zie vers 9, waar hetzelfde woord ‘ongeneeslijk’ betekent. Zie ook: Jer 4:19–20; Jer 17:9; Hand 20:20; Hand 20:27; Jak 1:19; 2 Kor 1:12 **17:17** Wees voor mij geen schrik. U bent mijn toevlucht op de dag van onheil. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּֽהְיֵה (tihye) = wees | לִ֖י (li) = voor mij | לִמְחִתָּ֑ה (limchita) = tot schrik | מַֽחֲסִי (machasi) = mijn toevlucht | אַ֖תָּה (ata) = U | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | רָעָֽה (raa) = onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְחִתָּה (mechittah), ‘schrik’: de profeet vraagt dat Yahweh geen bron van schrik voor hem wordt. Voetnoot : מַחְסִי (machsi), ‘mijn toevlucht’: zoals in Ps. 91:9. Zie ook: Job 31:23; Ps 59:17; Ps 88:16–17; Ps 91:9; Nah 1:7; Jer 16:19 **17:18** Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden. Laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden. Breng de dag van onheil over hen en verbrijzel hen met dubbele verbrijzeling. Brontekst: יֵבֹ֤שׁוּ (yevoshu) = laat beschaamd worden | רֹדְפַי֙ (rodefay) = mijn vervolgers | וְאַל (veal) = en niet | אֵבֹ֣שָׁה (evosha) = laat beschaamd worden | אָ֔נִי (ani) = ik | יֵחַ֣תּוּ (yechatu) = laat verschrikt worden | הֵ֔מָּה (hema) = zij | וְאַל (veal) = en niet | אֵחַ֖תָּה (echata) = laat verschrikt worden | אָ֑נִי (ani) = ik | הָבִ֤יא (havi) = breng | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = over hen | י֣וֹם (yom) = dag van | רָעָ֔ה (raa) = onheil | וּמִשְׁנֶ֥ה (umishne) = en dubbele | שִׁבָּר֖וֹן (shibaron) = verbrijzeling | שָׁבְרֵֽם (shaverem) = verbrijzel hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁנֶה שִׁבָּרוֹן (mishneh shibbaron), ‘dubbele verbrijzeling’: zie Jer. 16:18 voor het woord מִשְׁנֶה (mishneh), ‘het dubbele’. Jeremia bidt dat zijn vervolgers het oordeel krijgen dat hij heeft aangekondigd. Wij laten het gebed zoals het er staat. Zie ook: Ps 25:2–3; Ps 35:4; Ps 40:15; Ps 83:18–19; Jer 11:20; Jer 16:18 ### De sabbat en de poorten van Jeruzalem **17:19** Zo zegt Yahweh tot mij: **„Ga heen en ga staan in de poort van de zonen van het volk, waardoor de koningen van Juda in- en uitgaan. Ga ook staan in alle poorten van Jeruzalem.** Brontekst: כֹּה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | הָלֹ֤ךְ (halokh) = ga | וְעָֽמַדְתָּ֙ (veamadta) = en ga staan | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = in de poort van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֨ר (asher) = door welke | יָבֹ֤אוּ (yavou) = binnenkomen | בוֹ֙ (bo) = erdoor | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַאֲשֶׁ֖ר (vaasher) = en door welke | יֵ֣צְאוּ (yetseu) = zij uitgaan | ב֑וֹ (bo) = erdoor | וּבְכֹ֖ל (uvekhol) = en in alle | שַׁעֲרֵ֥י (shaarei) = poorten van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שַׁעַר בְּנֵי הָעָם (sha’ar benei ha’am), ‘poort van de zonen van het volk’: de plaats van deze poort is niet bekend. Zie ook: Jer 7:2; Jer 19:2; Jer 26:2; Jer 36:6; Hand 5:20 **17:20** **Zeg tegen hen: ‘Hoor het woord van Yahweh, koningen van Juda, heel Juda en alle inwoners van Jeruzalem die door deze poorten binnenkomen.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲ֠לֵיהֶם (aleihem) = tegen hen | שִׁמְע֨וּ (shimu) = hoort | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | מַלְכֵ֤י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וְכָל (vekhal) = en heel | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הַבָּאִ֖ים (habaim) = die binnenkomen | בַּשְּׁעָרִ֥ים (bashearim) = door de poorten | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De opdracht geldt voor de koningen en voor heel Juda. Vers 19–27 zijn één toespraak die Jeremia moet houden. Het ‘Zo zegt Yahweh’ in vers 21 staat midden in de toespraak en is daarom rood. Zie ook: Ps 49:2–3; Jer 17:19–27; Jer 17:21; Jer 19:3; Jer 22:2; Ezech 2:7; Openb 2:29 **17:21** **Zo zegt Yahweh: Pas op voor jullie leven. Draag geen last op de sabbatdag en breng niets binnen door de poorten van Jeruzalem.** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִשָּׁמְר֖וּ (hishameru) = hoedt | בְּנַפְשֽׁוֹתֵיכֶ֑ם (benafshoteikhem) = voor jullie levens | וְאַל (veal) = en niet | תִּשְׂא֤וּ (tisu) = draagt | מַשָּׂא֙ (masa) = een last | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | וַהֲבֵאתֶ֖ם (vahavetem) = en brengt in | בְּשַׁעֲרֵ֥י (beshaarei) = door de poorten van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: iets wat men draagt, een vracht. Het woord komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’. Hetzelfde woord is in Jer. 23:33–40 de ‘last’ van een profetisch woord; zie de Uitleg bij Jer. 23:33. Hier gaat het om wat men op de sabbatdag draagt. Voetnoot : בְּנַפְשׁוֹתֵיכֶם (benafshoteikhem), ‘voor jullie leven’: letterlijk ‘voor jullie zielen’. Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) staat voor het leven of de persoon. Zie ook: Num 15:32–36; Deut 4:15; Deut 4:23; Jer 23:33–40; Neh 13:15–21; Joh 5:9–12 **17:22** **Breng ook geen last uit jullie huizen op de sabbatdag en doe geen enkel werk. Heilig de sabbatdag, zoals Ik jullie vaders geboden heb.** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | תוֹצִ֨יאוּ (totsiu) = brengt uit | מַשָּׂ֤א (masa) = een last | מִבָּֽתֵּיכֶם֙ (mibateikhem) = uit jullie huizen | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | וְכָל (vekhal) = en alle | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | לֹ֣א (lo) = niet | תַֽעֲשׂ֑וּ (taasu) = doet | וְקִדַּשְׁתֶּם֙ (veqidashtem) = en jullie zullen heiligen | אֶת (et) = (obj.) | י֣וֹם (yom) = de dag van | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוִּ֖יתִי (tsiviti) = Ik heb geboden | אֶת (et) = (obj.) | אֲבוֹתֵיכֶֽם (avoteikhem) = jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De sabbatdag werd al aan de vaders geboden: zie Exod. 20:8–10 en Deut. 5:12. Zie ook: Ex 20:8–10; Ex 31:13–17; Deut 5:12; Jes 56:2–6; Jes 58:13; Ezech 20:12 **17:23** **Maar zij hebben niet geluisterd en hun oor niet geneigd. Zij hebben hun nek verhard, om niet te horen en om geen tucht te aanvaarden.** Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | שָֽׁמְע֔וּ (shameu) = hebben zij geluisterd | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הִטּ֖וּ (hitu) = hebben zij geneigd | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנָ֑ם (azenam) = hun oor | וַיַּקְשׁוּ֙ (vayaqshu) = en zij maakten hard | אֶת (et) = (obj.) | עָרְפָּ֔ם (arpam) = hun nek | לְבִלְתִּ֣י (levilti) = om niet | שְׁמ֔וֹעַ (shemoa) = te horen | וּלְבִלְתִּ֖י (ulevilti) = en om niet | קַ֥חַת (qachat) = te aanvaarden | מוּסָֽר (musar) = tucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִטּוּ אֶת־אָזְנָם (hittu et oznam), ‘zij hebben hun oor niet geneigd’: zij wilden niet luisteren. וַיַּקְשׁוּ אֶת־עָרְפָּם (vayyaqshu et orpam), ‘zij hebben hun nek verhard’: zij waren koppig. Hetzelfde beeld staat in Jer. 7:26. Voetnoot : מוּסָר (musar), ‘tucht’: onderricht en correctie. Zie ook: Spr 29:1; Jer 7:24–26; Jer 7:26; Jer 11:10; Jer 19:15; Hand 7:51 **17:24** **Maar als jullie goed naar Mij luisteren, godsspraak van Yahweh, en op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad brengen, de sabbatdag heiligen en daarop geen enkel werk doen,** Brontekst: וְ֠הָיָה (vehaya) = en het zal zijn | אִם (im) = indien | שָׁמֹ֨עַ (shamoa) = goed luisteren | תִּשְׁמְע֤וּן (tishmeun) = jullie luisteren | אֵלַי֙ (elay) = naar Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְבִלְתִּ֣י (levilti) = door niet | הָבִ֣יא (havi) = te brengen | מַשָּׂ֗א (masa) = een last | בְּשַׁעֲרֵ֛י (beshaarei) = door de poorten van | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּ֑ת (hashabat) = de sabbat | וּלְקַדֵּשׁ֙ (uleqadesh) = en te heiligen | אֶת (et) = (obj.) | י֣וֹם (yom) = de dag van | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = door niet | עֲשֽׂוֹת (asot) = te doen | בּ֖וֹ (bo) = daarop | כָּל (kal) = enig | מְלָאכָֽה (melakha) = werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Voetnoot : שָׁמֹעַ תִּשְׁמְעוּן (shamoa tishme’un), ‘goed luisteren’: letterlijk ‘luisterend zullen jullie luisteren’. Het gaat om echt luisteren. Zie ook: Ex 15:26; Deut 11:13; Jes 21:7; Jer 1:8; Jer 17:21–22; 2 Petr 1:5–10 **17:25** **dan zullen er koningen en oversten door de poorten van deze stad binnenkomen. Zij zitten op de troon van David, rijden in wagens en op paarden, zij en hun oversten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Deze stad zal voor eeuwig bewoond worden.** Brontekst: וּבָ֣אוּ (uvau) = en zullen binnenkomen | בְשַׁעֲרֵ֣י (beshaarei) = door de poorten van | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֡את (hazot) = deze | מְלָכִ֣ים (melakhim) = koningen | וְשָׂרִ֡ים (vesarim) = en oversten | יֹשְׁבִים֩ (yoshevim) = zittend | עַל (al) = op | כִּסֵּ֨א (kise) = de troon van | דָוִ֜ד (david) = David | רֹכְבִ֣ים (rokhevim) = rijdend | בָּרֶ֣כֶב (barekhev) = in wagens | וּבַסּוּסִ֗ים (uvasusim) = en op paarden | הֵ֚מָּה (hema) = zij | וְשָׂ֣רֵיהֶ֔ם (vesareihem) = en hun oversten | אִ֥ישׁ (ish) = de mannen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵ֣י (veyoshevei) = en de inwoners van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְיָשְׁבָ֥ה (veyasheva) = en zal bewoond worden | הָֽעִיר (hair) = de stad | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Wie de sabbat heiligt, krijgt een stad met koningen op de troon van David. Zie 2 Sam. 7:16. De belofte geldt ‘voor eeuwig’ (לְעוֹלָם, le’olam), maar hangt hier af van het luisteren. Zie ook: 2 Sam 7:16; Jes 9:6; Jer 22:4; Jer 33:17; Jer 33:21; Heb 12:22 **17:26** **Zij zullen komen uit de steden van Juda, uit de omgeving van Jeruzalem, uit het land van Benjamin, uit de Sefela, uit het bergland en uit de Negev. Zij brengen brandoffer, slachtoffer, graanoffer en wierook, en zij brengen dankoffer naar het huis van Yahweh.** Brontekst: וּבָ֣אוּ (uvau) = en zij zullen komen | מֵעָרֵֽי (mearei) = uit de steden van | יְ֠הוּדָה (yehuda) = Juda | וּמִסְּבִיב֨וֹת (umisevivot) = en uit de omgeving van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וּמֵאֶ֣רֶץ (umeerets) = en uit het land van | בִּנְיָמִ֗ן (binyamin) = Benjamin | וּמִן (umin) = en uit | הַשְּׁפֵלָ֤ה (hashefela) = de Sefela | וּמִן (umin) = en uit | הָהָר֙ (hahar) = het bergland | וּמִן (umin) = en uit | הַנֶּ֔גֶב (hanegev) = de Negev | מְבִאִ֛ים (meviim) = brengend | עוֹלָ֥ה (ola) = brandoffer | וְזֶ֖בַח (vezevach) = en slachtoffer | וּמִנְחָ֣ה (umincha) = en graanoffer | וּלְבוֹנָ֑ה (ulevona) = en wierook | וּמְבִאֵ֥י (umeviei) = en brengend | תוֹדָ֖ה (toda) = dankoffer | בֵּ֥ית (beit) = naar het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda. Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: הַשְּׁפֵלָה (hashefelah), ‘de Sefela’: het heuvelland ten westen van Juda. הָהָר (hahar), ‘het bergland’: het bergland van Juda. הַנֶּגֶב (hannegev), ‘de Negev’: het zuiden. Zo noemt de tekst alle streken rond Jeruzalem. Voetnoot : תּוֹדָה (todah), ‘dankoffer’: zoals in Lev. 7:12. Zie ook: Lev 7:12; Ps 107:22; Ps 116:17; Jer 32:44; Jer 33:13; Zach 7:7 **17:27** **Maar als jullie niet naar Mij luisteren om de sabbatdag te heiligen, geen last te dragen en niet door de poorten van Jeruzalem binnen te komen op de sabbatdag, dan steek Ik een vuur aan in haar poorten. Het zal de paleizen van Jeruzalem verteren en niet worden gedoofd.’”** Brontekst: וְאִם (veim) = en indien | לֹ֨א (lo) = niet | תִשְׁמְע֜וּ (tishmeu) = jullie luisteren | אֵלַ֗י (elay) = naar Mij | לְקַדֵּשׁ֙ (leqadesh) = om te heiligen | אֶת (et) = (obj.) | י֣וֹם (yom) = de dag van | הַשַּׁבָּ֔ת (hashabat) = de sabbat | וּלְבִלְתִּ֣י (ulevilti) = en om niet | שְׂאֵ֣ת (seet) = te dragen | מַשָּׂ֗א (masa) = een last | וּבֹ֛א (uvo) = en binnen te komen | בְּשַׁעֲרֵ֥י (beshaarei) = door de poorten van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּ֑ת (hashabat) = de sabbat | וְהִצַּ֧תִּי (vehitsati) = dan zal Ik aansteken | אֵ֣שׁ (esh) = een vuur | בִּשְׁעָרֶ֗יהָ (bishareiha) = in haar poorten | וְאָֽכְלָ֛ה (veakhela) = en het zal verteren | אַרְמְנ֥וֹת (armenot) = paleizen van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִכְבֶּֽה (tikhbe) = zal worden gedoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וְהִצַּתִּי־אֵשׁ (vehitsatti esh), ‘dan steek Ik een vuur aan’: het vuur verteert de poorten en de paleizen. Het oordeel is hetzelfde als in 2 Kon. 25:9. Voetnoot : אַרְמְנוֹת (armenot), ‘paleizen’: de burchten en grote huizen van de stad. Voetnoot : לֹא תִכְבֶּה (lo tikhbeh), ‘niet worden gedoofd’: niemand kan het vuur blussen. Zie ook: 2 Kon 25:9; Amos 1:14; Amos 2:4–5; Jer 7:20; Jer 21:14 ## Jeremia 18 _De pottenbakker en de klei; een plan tegen Jeremia en zijn gebed_ ### Bij de pottenbakker **18:1** Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam: Brontekst: הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֣ה (haya) = was | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֥ת (meet) = van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:2** **„Sta op en daal af naar het huis van de pottenbakker. Daar zal Ik je Mijn woorden laten horen.”** Brontekst: ק֥וּם (qum) = sta op | וְיָרַדְתָּ֖ (veyaradta) = en daal af | בֵּ֣ית (beit) = naar het huis van | הַיּוֹצֵ֑ר (hayotser) = de pottenbakker | וְשָׁ֖מָּה (veshama) = en daar | אַשְׁמִֽיעֲךָ֥ (ashmiakha) = Ik zal je laten horen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרָֽי (devaray) = Mijn woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹצֵר (yotser), ‘pottenbakker’: letterlijk ‘vormer’. Het woord hoort bij het werkwoord יָצַר (yatsar), ‘vormen’, dat ook staat in Gen. 2:7. Zie ook Jes. 64:7: ‘U bent onze Vormer’. Zie ook: Gen 2:7; Jes 64:7; Jer 13:1; Jer 19:1–2; Jer 23:22; Hand 9:6; Heb 1:1 **18:3** Ik daalde af naar het huis van de pottenbakker, en zie, hij was aan het werk op de draaischijf. Brontekst: וָאֵרֵ֖ד (vaered) = en ik daalde af | בֵּ֣ית (beit) = naar het huis van | הַיּוֹצֵ֑ר (hayotser) = de pottenbakker | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | ה֛וּא (hu) = hij | עֹשֶׂ֥ה (ose) = was bezig met | מְלָאכָ֖ה (melakha) = werk | עַל (al) = op | הָאָבְנָֽיִם (haavenayim) = de twee stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאָבְנָיִם (ha’ovnayim), ‘de twee stenen’: de draaischijf van de pottenbakker bestond uit twee ronde stenen. Wij zeggen ‘draaischijf’. Zie ook: Jona 1:3; Joh 15:14; Hand 26:19 **18:4** Het vat dat hij van klei maakte, werd bedorven in de hand van de pottenbakker. Toen maakte hij er opnieuw een ander vat van, zoals de pottenbakker het goed vond om te maken. Brontekst: וְנִשְׁחַ֣ת (venishchat) = en werd bedorven | הַכְּלִ֗י (hakeli) = het vat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | ה֥וּא (hu) = hij | עֹשֶׂ֛ה (ose) = maakte | בַּחֹ֖מֶר (bachomer) = van klei | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | הַיּוֹצֵ֑ר (hayotser) = de pottenbakker | וְשָׁ֗ב (veshav) = en hij keerde terug | וַֽיַּעֲשֵׂ֨הוּ֙ (vayaasehu) = en maakte het | כְּלִ֣י (keli) = een vat | אַחֵ֔ר (acher) = ander | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | יָשַׁ֛ר (yashar) = goed was | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | הַיּוֹצֵ֖ר (hayotser) = de pottenbakker | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = om te maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁחַת (nishchat), ‘werd bedorven’: het vat mislukte. De klei bleef in zijn hand. Hij maakte er opnieuw een ander vat van, zoals hij goed vond. Zie ook: Jes 45:9; Jer 18:6; Rom 9:20–23 **18:5** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֽוֹר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:6** **„Kan Ik met jullie niet doen zoals deze pottenbakker, huis van Israël? Godsspraak van Yahweh. Zie, zoals klei in de hand van de pottenbakker, zo zijn jullie in Mijn hand, huis van Israël.** Brontekst: הֲכַיּוֹצֵ֨ר (hakhayotser) = is het zoals de pottenbakker | הַזֶּ֜ה (haze) = deze | לֹא (lo) = niet | אוּכַ֨ל (ukhal) = kan Ik | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = doen | לָכֶ֛ם (lakhem) = met jullie | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | כַחֹ֨מֶר֙ (kachomer) = als klei | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | הַיּוֹצֵ֔ר (hayotser) = de pottenbakker | כֵּן (ken) = zo | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | בְּיָדִ֖י (beyadi) = in Mijn hand | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲכַיּוֹצֵר הַזֶּה (hakayyotser hazzeh), ‘zoals deze pottenbakker’: Yahweh vraagt of Hij niet met Israël kan doen wat deze pottenbakker met de klei deed. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. De formule staat midden in Zijn woorden en is daarom rood. Zie ook: Jes 45:9; Jes 64:7; Jer 1:8; Jer 18:4; Mat 20:15; Rom 9:20–21 ### Het ene ogenblik, het andere ogenblik **18:7** **Het ene ogenblik kan Ik over een volk en over een koninkrijk spreken om het uit te rukken, af te breken en te vernietigen.** Brontekst: רֶ֣גַע (rega) = een ogenblik | אֲדַבֵּ֔ר (adaber) = spreek Ik | עַל (al) = over | גּ֖וֹי (goy) = een volk | וְעַל (veal) = en over | מַמְלָכָ֑ה (mamlakha) = een koninkrijk | לִנְת֥וֹשׁ (lintosh) = om uit te rukken | וְלִנְת֖וֹץ (velintots) = en af te breken | וּֽלְהַאֲבִֽיד (ulehaavid) = en te vernietigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִנְתוֹשׁ וְלִנְתוֹץ וּלְהַאֲבִיד (lintosh velintots uleha’avid), ‘uit te rukken, af te breken en te vernietigen’: dezelfde woorden staan in Jer. 1:10. Vers 7–10 laten zien dat Yahweh’s woord over een volk afhangt van hoe dat volk antwoordt. Zie ook: Amos 9:8; Jer 1:10; Jer 12:14–17; Jer 25:9–14; Jer 45:4 **18:8** **Maar als dat volk zich afkeert van zijn kwaad, waarover Ik gesproken heb, dan laat Ik Mij het onheil rouwen dat Ik van plan was hem aan te doen.** Brontekst: וְשָׁב֙ (veshav) = en keert terug | הַגּ֣וֹי (hagoy) = het volk | הַה֔וּא (hahu) = dat | מֵרָ֣עָת֔וֹ (meraato) = van zijn kwaad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarover | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | עָלָ֑יו (alav) = tegen het | וְנִֽחַמְתִּי֙ (venichamti) = en Ik laat Mij rouwen | עַל (al) = over | הָ֣רָעָ֔ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | חָשַׁ֖בְתִּי (chashavti) = Ik had gepland | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = te doen | לֽוֹ (lo) = aan het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִחַמְתִּי (venichamti), ‘dan laat Ik Mij rouwen’: het werkwoord נִחַם (nicham) betekent bij Yahweh ‘Zich laten rouwen’. Hij laat het aangekondigde onheil achterwege. Zie ook Jona 3:10 en Joël 2:13. Zie ook: Joël 2:13; Jona 3:9–10; Jona 3:10; Hos 11:8; Jer 26:3; Jer 26:13; Ezech 18:21 **18:9** **Het andere ogenblik kan Ik over een volk en over een koninkrijk spreken om het te bouwen en te planten.** Brontekst: וְרֶ֣גַע (verega) = en een ogenblik | אֲדַבֵּ֔ר (adaber) = spreek Ik | עַל (al) = over | גּ֖וֹי (goy) = een volk | וְעַל (veal) = en over | מַמְלָכָ֑ה (mamlakha) = een koninkrijk | לִבְנֹ֖ת (livnot) = om te bouwen | וְלִנְטֹֽעַ (velintoa) = en te planten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Amos 9:11–15; Jer 1:10; Jer 11:17; Jer 30:18; Jer 31:28 **18:10** **Maar als het doet wat kwaad is in Mijn ogen, door niet naar Mijn stem te luisteren, dan laat Ik Mij het goede rouwen dat Ik had gezegd hem te doen.** Brontekst: וְעָשָׂ֤ה (veasa) = en het doet | הָרַע֙ (hara) = het kwaad | בְּעֵינַ֔י (beeinay) = in Mijn ogen | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = door niet | שְׁמֹ֣עַ (shemoa) = te luisteren | בְּקוֹלִ֑י (beqoli) = naar Mijn stem | וְנִֽחַמְתִּי֙ (venichamti) = en Ik laat Mij rouwen | עַל (al) = over | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = het goede | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אָמַ֖רְתִּי (amarti) = Ik had gezegd | לְהֵיטִ֥יב (leheitiv) = om goed te doen | אוֹתֽוֹ (oto) = aan het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ook het goede kan Yahweh intrekken, als een volk Zijn stem niet hoort. Het ‘goede’ is wat Hij had beloofd. Zie ook: 1 Sam 2:30; 1 Sam 13:13; Ps 125:5; Ezech 18:24; Ezech 33:18 ### Keer terug van je boze weg **18:11** **Zeg nu tegen de mannen van Juda en tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Zo zegt Yahweh: Zie, Ik vorm onheil tegen jullie en bedenk een plan tegen jullie. Keer toch terug, ieder van zijn boze weg, en maak jullie wegen en jullie daden goed.’** Brontekst: וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | אֱמָר (emar) = zeg | נָ֣א (na) = toch | אֶל (el) = tegen | אִישׁ (ish) = de man van | יְהוּדָה֩ (yehuda) = Juda | וְעַל (veal) = en tegen | יוֹשְׁבֵ֨י (yoshevei) = de inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָנֹכִ֜י (anokhi) = Ik | יוֹצֵ֤ר (yotser) = vorm | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = tegen jullie | רָעָ֔ה (raa) = onheil | וְחֹשֵׁ֥ב (vechoshev) = en bedenk | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = tegen jullie | מַֽחֲשָׁבָ֑ה (machashava) = een plan | שׁ֣וּבוּ (shuvu) = keert terug | נָ֗א (na) = toch | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | מִדַּרְכּ֣וֹ (midarko) = van zijn weg | הָֽרָעָ֔ה (haraa) = de boze | וְהֵיטִ֥יבוּ (veheitivu) = en maakt goed | דַרְכֵיכֶ֖ם (darkheikhem) = jullie wegen | וּמַעַלְלֵיכֶֽם (umaalleikhem) = en jullie daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יוֹצֵר (yotser), ‘Ik vorm’: dit is hetzelfde woord als ‘pottenbakker’ in vers 2–6, nu als werkwoord. Yahweh ‘vormt’ onheil zoals de pottenbakker klei vormt. Voetnoot : מַחֲשָׁבָה (machashavah), ‘plan’: hetzelfde woord als in vers 12 en 18, waar het volk en de tegenstanders hun eigen plannen maken. Zie ook: 2 Kon 17:13; Jes 1:16–19; Jes 55:6–7; Jer 7:3; Jer 18:2–6; Jer 18:12; Jer 18:18; Jer 35:15 **18:12** **Maar zij zeggen: ‘Het is hopeloos! Wij gaan achter onze eigen plannen aan, en ieder van ons doet wat zijn boze hart in zijn hardnekkigheid wil.’** Brontekst: וְאָמְר֖וּ (veameru) = en zij zeggen | נוֹאָ֑שׁ (noash) = het is hopeloos | כִּֽי (ki) = want | אַחֲרֵ֤י (acharei) = achter | מַחְשְׁבוֹתֵ֨ינוּ֙ (machshevoteinu) = onze plannen | נֵלֵ֔ךְ (nelekh) = wij zullen gaan | וְאִ֛ישׁ (veish) = en ieder | שְׁרִר֥וּת (sherirut) = de hardnekkigheid van | לִבּֽוֹ (libo) = zijn hart | הָרָ֖ע (hara) = het boze | נַעֲשֶֽׂה (naase) = wij zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נוֹאָשׁ (no’ash), ‘het is hopeloos’: het volk wijst de oproep tot terugkeer af. שְׁרִרוּת (sherirut), ‘hardnekkigheid’: zoals in Jer. 13:10 en 16:12. Zie ook: Deut 29:18; Jes 57:10; Jer 2:25; Jer 7:24; Jer 13:10; Jer 16:12 ### Vraag het aan de volken **18:13** **Daarom, zo zegt Yahweh: Vraag toch onder de volken: wie heeft zoiets gehoord? Iets verschrikkelijks heeft de maagd Israël gedaan.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שַֽׁאֲלוּ (shaalu) = vraagt | נָא֙ (na) = toch | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | מִ֥י (mi) = wie | שָׁמַ֖ע (shama) = heeft gehoord | כָּאֵ֑לֶּה (kaele) = zoals deze dingen | שַֽׁעֲרֻרִת֙ (shaarurit) = iets verschrikkelijks | עָשְׂתָ֣ה (aseta) = heeft gedaan | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | בְּתוּלַ֖ת (betulat) = de maagd | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּתוּלַת יִשְׂרָאֵל (betulat Yisra’el), ‘maagd Israël’: een beeld voor het volk, zoals in Amos 5:2. Voetnoot : שַׁעֲרֻרִת (sha’arurit), ‘iets verschrikkelijks’: verwant met het woord שַׁעֲרוּרָה (sha’arurah) in Jer. 5:30 en 23:14. Zie ook: Amos 5:2; Hos 6:10; Jes 66:8; Jer 2:10–13; Jer 5:30; Jer 23:14 **18:14** **Verlaat de sneeuw van de Libanon de rots in het veld? Of worden de vreemde wateren, koud en stromend, uitgerukt?** Brontekst: הֲיַעֲזֹ֥ב (hayaazov) = laat de sneeuw verlaten | מִצּ֛וּר (mitsur) = de rots | שָׂדַ֖י (saday) = van het veld | שֶׁ֣לֶג (sheleg) = sneeuw van | לְבָנ֑וֹן (levanon) = de Libanon | אִם (im) = of | יִנָּתְשׁ֗וּ (yinateshu) = worden uitgerukt | מַ֛יִם (mayim) = wateren | זָרִ֥ים (zarim) = vreemde | קָרִ֖ים (qarim) = koude | נוֹזְלִֽים (nozelim) = stromende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij houden het kort. Het beeld is: de natuur blijft vast, het volk niet. Voetnoot : שָׂדַי (sadai), ‘veld’: de rots in het open veld. Voetnoot : זָרִים (zarim), ‘vreemd’: water dat van elders komt, zoals bergwater. Zie ook: Joh 6:68 **18:15** **Maar Mijn volk is Mij vergeten. Voor het niets laten zij offerrook opgaan. Zo laat men hen struikelen op hun wegen, de paden van eeuwen, zodat zij op zijpaden lopen, op een weg die niet is aangelegd.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | שְׁכֵחֻ֥נִי (shekhechuni) = Mijn volk is Mij vergeten | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | לַשָּׁ֣וְא (lashave) = voor het niets | יְקַטֵּ֑רוּ (yeqateru) = zij laten offerrook opgaan | וַיַּכְשִׁל֤וּם (vayakhshilum) = en men laat hen struikelen | בְּדַרְכֵיהֶם֙ (bedarkheihem) = op hun wegen | שְׁבִילֵ֣י (shevilei) = paden van | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwen | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te lopen | נְתִיב֔וֹת (netivot) = op zijpaden | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = een weg | לֹ֥א (lo) = niet | סְלוּלָֽה (selula) = aangelegde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְקַטֵּרוּ (yeqatteru), ‘zij laten offerrook opgaan’: offers en wierook voor afgoden. Dat is ‘voor het niets’. Voetnoot : שְׁבִילֵי עוֹלָם (shevilei olam), ‘paden van eeuwen’: de oude, beproefde wegen. Voetnoot : סְלוּלָה (selulah), ‘aangelegd’: een gebaande en opgehoogde weg, zoals in Jes. 57:14. Zie ook: Hos 11:2; Jes 57:14; Jer 2:13; Jer 2:32; Jer 6:16 **18:16** **Zo wordt hun land een verwoesting, voor eeuwig een voorwerp van gesis. Ieder die erlangs gaat, staat verbijsterd en schudt zijn hoofd.** Brontekst: לָשׂ֥וּם (lasum) = om te maken | אַרְצָ֛ם (artsam) = hun land | לְשַׁמָּ֖ה (leshama) = tot een verwoesting | שְׁרִיק֣וֹת (sheriqot) = gesis van | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | כֹּ֚ל (kol) = ieder | עוֹבֵ֣ר (over) = die voorbijgaat | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = erlangs | יִשֹּׁ֖ם (yishom) = staat verbijsterd | וְיָנִ֥יד (veyanid) = en schudt | בְּרֹאשֽׁוֹ (berosho) = zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁרִיקוֹת (shrikot), ‘gesis’: spot door te sissen. Wie langskomt, schrikt en schudt het hoofd. Zie ook: Ps 22:8; Jer 19:8; Jer 25:9; Ezech 33:28–29; Mat 27:39 **18:17** **Als met een oostenwind verstrooi Ik hen voor de vijand uit. Mijn rug en niet Mijn gezicht laat Ik hen zien op de dag van hun ondergang.”** Brontekst: כְּרֽוּחַ (keruach) = als een wind van | קָדִ֥ים (qadim) = het oosten | אֲפִיצֵ֖ם (afitsem) = Ik zal hen verstrooien | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | אוֹיֵ֑ב (oyev) = de vijand | עֹ֧רֶף (oref) = de rug | וְלֹֽא (velo) = en niet | פָנִ֛ים (panim) = het gezicht | אֶרְאֵ֖ם (erem) = Ik zal hen laten zien | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | אֵידָֽם (eidam) = hun ondergang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ קָדִים (ruach qadim), ‘oostenwind’: een hete wind uit de woestijn die alles doet verdorren (Hos. 13:15). Voetnoot : עֹרֶף (oref), ‘rug’: letterlijk ‘nek’. Yahweh keert hun de rug toe en laat hun Zijn gezicht niet zien. Zie ook: Job 27:21; Ps 48:8; Hos 13:15; Jer 2:27; Jer 13:24 ### Een plan tegen Jeremia **18:18** Zij zeiden: ‘Kom, laten wij plannen tegen Jeremia bedenken. De wet gaat niet verloren bij de priester, raad niet bij de wijze en het woord niet bij de profeet. Kom, laten wij hem met de tong slaan, en laten wij geen acht slaan op al zijn woorden.’ Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en zij zeiden | לְכ֨וּ (lekhu) = komt | וְנַחְשְׁבָ֣ה (venachsheva) = en laten wij bedenken | עַֽל (al) = tegen | יִרְמְיָהוּ֮ (yirmeyahu) = Jeremia | מַחֲשָׁבוֹת֒ (machashavot) = plannen | כִּי֩ (ki) = want | לֹא (lo) = niet | תֹאבַ֨ד (tovad) = gaat verloren | תּוֹרָ֜ה (tora) = wet | מִכֹּהֵ֗ן (mikohen) = van een priester | וְעֵצָה֙ (veetsa) = en raad | מֵֽחָכָ֔ם (mechakham) = van een wijze | וְדָבָ֖ר (vedavar) = en woord | מִנָּבִ֑יא (minavi) = van een profeet | לְכוּ֙ (lekhu) = komt | וְנַכֵּ֣הוּ (venakehu) = en laten wij hem slaan | בַלָּשׁ֔וֹן (balashon) = met de tong | וְאַל (veal) = en niet | נַקְשִׁ֖יבָה (naqshiva) = laten wij letten | אֶל (el) = op | כָּל (kal) = al | דְּבָרָֽיו (devarav) = zijn woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreken Jeremia’s tegenstanders. Zij menen dat het onderwijs, de raad en het woord altijd bij hun eigen leiders blijven. Daarom kunnen zij Jeremia gerust aanpakken. Voetnoot : נַכֵּהוּ בַלָּשׁוֹן (nakkehu balashon), ‘laten wij hem met de tong slaan’: met woorden, bijvoorbeeld met beschuldigingen. Het kan ook betekenen: ‘laten wij hem op zijn woord pakken’. Zie ook: Ps 52:4; Jer 11:19; Jer 13:13–14; Jer 18:11; Mal 2:7 ### Jeremia's gebed **18:19** Let op mij, Yahweh, en luister naar de stem van mijn tegenstanders. Brontekst: הַקְשִׁ֥יבָה (haqshiva) = let op | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֑י (elay) = mij | וּשְׁמַ֖ע (ushema) = en luister | לְק֥וֹל (leqol) = naar de stem van | יְרִיבָֽי (yerivay) = mijn tegenstanders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier bidt Jeremia tot Yahweh. De verzen 19–23 staan zwart. Voetnoot : יְרִיבָי (yeribai), ‘mijn tegenstanders’: wie met hem een rechtszaak voert. Het hoort bij רִיב (riv), ‘rechtszaak’. Zie ook: Ps 55:17–18; Ps 109:28; Mi 7:8; Jer 20:12; Neh 6:9 **18:20** Wordt goed met kwaad vergolden? Want zij hebben een kuil voor mij gegraven. Denk eraan dat ik voor Uw aangezicht stond om goed over hen te spreken, om Uw woede van hen af te wenden. Brontekst: הַיְשֻׁלַּ֤ם (hayshulam) = wordt vergolden | תַּֽחַת (tachat) = in plaats van | טוֹבָה֙ (tova) = goed | רָעָ֔ה (raa) = kwaad | כִּֽי (ki) = want | כָר֥וּ (karu) = zij hebben gegraven | שׁוּחָ֖ה (shucha) = een kuil | לְנַפְשִׁ֑י (lenafshi) = voor mij | זְכֹ֣ר (zekhor) = denk eraan | עָמְדִ֣י (amedi) = mijn staan | לְפָנֶ֗יךָ (lefaneikha) = voor U | לְדַבֵּ֤ר (ledaber) = om te spreken | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = over hen | טוֹבָ֔ה (tova) = goed | לְהָשִׁ֥יב (lehashiv) = om af te wenden | אֶת (et) = (obj.) | חֲמָתְךָ֖ (chamatekha) = Uw woede | מֵהֶֽם (mehem) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּחָה (shuchah), ‘kuil’: een valkuil voor wild, hier voor Jeremia. Voetnoot : Jeremia herinnert Yahweh eraan dat hij voor hen is opgekomen. Hij heeft goed over hen gesproken. Zie ook: 1 Sam 24:18–20; Ps 35:7; Ps 35:12; Ps 57:7; Ps 106:23 **18:21** Geef daarom hun zonen aan de honger prijs en lever hen uit aan de macht van het zwaard. Laat hun vrouwen kinderloos en weduwen worden. Laat hun mannen gedood worden door de dood, hun jonge mannen geslagen door het zwaard in de strijd. Brontekst: לָכֵן֩ (lakhen) = daarom | תֵּ֨ן (ten) = geef | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶ֜ם (beneihem) = hun zonen | לָרָעָ֗ב (laraav) = aan de honger | וְהַגִּרֵם֮ (vehagirem) = en lever hen uit | עַל (al) = aan | יְדֵי (yedei) = de macht van | חֶרֶב֒ (cherev) = het zwaard | וְתִֽהְיֶ֨נָה (vetihyena) = en laten worden | נְשֵׁיהֶ֤ם (nesheihem) = hun vrouwen | שַׁכֻּלוֹת֙ (shakulot) = kinderloos | וְאַלְמָנ֔וֹת (vealmanot) = en weduwen | וְאַ֨נְשֵׁיהֶ֔ם (veansheihem) = en hun mannen | יִֽהְי֖וּ (yihyu) = laten zijn | הֲרֻ֣גֵי (harugei) = gedood door | מָ֑וֶת (mavet) = de dood | בַּח֣וּרֵיהֶ֔ם (bachureihem) = hun jonge mannen | מֻכֵּי (mukei) = geslagen door | חֶ֖רֶב (cherev) = het zwaard | בַּמִּלְחָמָֽה (bamilchama) = in de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit gebed is hard. Wij laten het zoals het er staat. Jeremia vraagt dat Yahweh de oordelen laat komen die de profeet zelf heeft aangekondigd. Voetnoot : הֲרֻגֵי מָוֶת (harugei mavet), ‘gedood door de dood’: de dood treft hen direct. De uitdrukking is kort en het Hebreeuws zegt niet hoe. Zie ook: Ex 22:23; Deut 32:25; Ps 109:9–20; Jer 15:8; Jer 16:3–4 **18:22** Laat een noodkreet uit hun huizen gehoord worden, wanneer U plotseling een bende over hen brengt. Want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten. Brontekst: תִּשָּׁמַ֤ע (tishama) = laat gehoord worden | זְעָקָה֙ (zeaqa) = een noodkreet | מִבָּ֣תֵּיהֶ֔ם (mibateihem) = uit hun huizen | כִּֽי (ki) = want | תָבִ֧יא (tavi) = U brengt | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = over hen | גְּד֖וּד (gedud) = een bende | פִּתְאֹ֑ם (pitom) = plotseling | כִּֽי (ki) = want | כָר֤וּ (karu) = zij hebben gegraven | שׁוּחָה֙ (shucha) = een kuil | לְלָכְדֵ֔נִי (lelakhedeni) = om mij te vangen | וּפַחִ֖ים (ufachim) = en strikken | טָמְנ֥וּ (tamenu) = zij hebben verborgen | לְרַגְלָֽי (leraglay) = voor mijn voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זְעָקָה (zeaqah), ‘noodkreet’; גְּדוּד (gedud), ‘bende’: een groep rovers of krijgers. Zie ook: Ps 140:6; Sef 1:10–11; Sef 1:16; Jer 6:26; Jer 25:34–36 **18:23** Maar U, Yahweh, U kent al hun raad tegen mij om mij te doden. Doe geen verzoening over hun schuld en wis hun zonde niet uit voor Uw aangezicht. Laat hen struikelend voor U zijn. Handel tegen hen in de tijd van Uw toorn. Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en U | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | יָדַ֜עְתָּ (yadata) = U kent | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | עֲצָתָ֤ם (atsatam) = hun raad | עָלַי֙ (alay) = tegen mij | לַמָּ֔וֶת (lamavet) = om te doden | אַל (al) = niet | תְּכַפֵּר֙ (tekhaper) = doe verzoening | עַל (al) = over | עֲוֺנָ֔ם (avonam) = hun schuld | וְחַטָּאתָ֖ם (vechatatam) = en hun zonde | מִלְּפָנֶ֣יךָ (milefaneikha) = van voor Uw aangezicht | אַל (al) = niet | תֶּ֑מְחִי (temchi) = wis uit | וְיִהְי֤וּ (veyihyu) = en laten zijn | מֻכְשָׁלִים֙ (mukhshalim) = struikelend | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor U | בְּעֵ֥ת (beet) = in de tijd van | אַפְּךָ֖ (apekha) = Uw toorn | עֲשֵׂ֥ה (ase) = handel | בָהֶֽם (bahem) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּכַפֵּר (tekapper), ‘doe verzoening’: het werkwoord כִּפֶּר (kipper) betekent ‘verzoenen, bedekken’. Jeremia vraagt dat Yahweh hun schuld niet bedekt. Voetnoot : עֵצָה (etsah), ‘raad’: het plan van mensen. Zo heet het in dit boek, anders dan het ‘besluit’ van Yahweh. Zie ook: Ps 35:4; Ps 69:23–29; Ps 109:14–15; Jes 2:9; Neh 3:36–37 ## Jeremia 19 _De aarden kruik in het dal van Ben-Hinnom en de boodschap in de voorhof_ ### De kruik van de pottenbakker **19:1** Zo zegt Yahweh: **„Ga heen en koop een aarden kruik van een pottenbakker. Neem enkele oudsten van het volk en enkele oudsten van de priesters mee.** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הָל֛וֹךְ (halokh) = ga | וְקָנִ֥יתָ (veqanita) = en koop | בַקְבֻּ֖ק (baqbuq) = een kruik van | יוֹצֵ֣ר (yotser) = een pottenbakker | חָ֑רֶשׂ (chares) = aarden | וּמִזִּקְנֵ֣י (umiziqnei) = en van de oudsten van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וּמִזִּקְנֵ֖י (umiziqnei) = en van de oudsten van | הַכֹּהֲנִֽים (hakohanim) = de priesters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּקְבֻּק (baqbuq), ‘kruik’: een aarden fles met een smalle hals. Het woord lijkt op het werkwoord בָּקַק (baqaq), ‘leegmaken’, in vers 7. Voetnoot : חָרֶשׂ (cheres), ‘aarden’: gebakken klei. Het is een andere kruik dan de klei van hoofdstuk 18: de kruik is al gebakken en kan niet meer gevormd worden. Voetnoot : Het werkwoord ‘neem mee’ staat niet bij de oudsten: het Hebreeuws zegt alleen ‘en van de oudsten van het volk en van de oudsten van de priesters’. Wij vullen ‘neem mee’ aan. Voetnoot : Vers 1–13 zijn één toespraak van Yahweh aan Jeremia. De formule ‘Zo zegt Yahweh’ in vers 1 staat zwart; in vers 3 en 11 staat ze midden in Zijn woorden en is daarom rood. Zie ook: Num 11:16; Jes 30:14; Jer 18:2–4; Jer 19:3; Jer 19:7; Jer 19:11; Klaagl 4:2; Ezech 8:11–12 **19:2** **Ga uit naar het dal van Ben-Hinnom, bij de ingang van de Potscherfpoort. Roep daar de woorden uit die Ik tot je zal spreken.** Brontekst: וְיָצָ֨אתָ֙ (veyatsata) = en ga uit | אֶל (el) = naar | גֵּ֣יא (gei) = het dal van | בֶן (ben) = Ben | הִנֹּ֔ם (hinom) = Hinnom | אֲשֶׁ֕ר (asher) = dat | פֶּ֖תַח (petach) = bij de ingang van | שַׁ֣עַר (shaar) = de poort van | הַֽחַרְסִ֑ית (hacharsit) = de Potscherf | וְקָרָ֣אתָ (veqarata) = en roep | שָּׁ֔ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁר (asher) = die | אֲדַבֵּ֥ר (adaber) = Ik zal spreken | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = tot je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Zie Potscherfpoort (ligging onzeker): De Potscherfpoort lag aan de zuidkant van Jeruzalem, bij de uitgang naar het dal van Ben-Hinnom. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: גֵּיא בֶן־הִנֹּם (gei ven-Hinnom), ‘dal van Ben-Hinnom’: het dal ten zuiden en westen van Jeruzalem (Joz. 15:8). Hier werden kinderen geofferd (2 Kon. 23:10). Voetnoot : שַׁעַר הַחַרְסִית (sha’ar hacharsit), ‘Potscherfpoort’: een stadspoort. De naam komt van חֶרֶס (cheres), ‘scherf’. De plaats is niet precies bekend. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) הַחַרְסִית (hacharsit), ‘de Potscherf’. De geschreven tekst (ketiv) heeft een meervoudsvorm, ‘de scherven’, met dezelfde betekenis. Zie ook: Joz 15:8; 2 Kon 23:10; 2 Kron 33:6; Jer 7:31–32; Jer 32:35 ### Onheil over deze plaats **19:3** **Zeg: ‘Hoor het woord van Yahweh, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Zie, Ik breng onheil over deze plaats. Van ieder die het hoort, zullen beide oren tuiten.** Brontekst: וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en je zult zeggen | שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoort | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵ֖י (veyoshevei) = en inwoners van | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֩ (amar) = zegt | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | מֵבִ֤יא (mevi) = breng | רָעָה֙ (raa) = kwaad | עַל (al) = over | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarvan | כָּל (kal) = ieder | שֹׁמְעָ֖הּ (shomeah) = die het hoort | תִּצַּ֥לְנָה (titsalna) = zullen tuiten | אָזְנָֽיו (azenav) = zijn oren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Voetnoot : תִּצַּלְנָה אָזְנָיו (titsallenah oznav), ‘zijn oren zullen tuiten’: zoals in 1 Sam. 3:11 en 2 Kon. 21:12. Het nieuws is zo erg dat het schrikken doet. Zie ook: 1 Sam 3:11; 2 Kon 21:12–13; Jes 28:19; Jer 2:19; Jer 6:19; Jer 17:20 **19:4** **Zij hebben Mij verlaten en deze plaats vreemd gemaakt. Zij hebben daar offerrook laten opgaan voor andere goden, die zij niet kenden, zij, hun vaders en de koningen van Juda. Zij hebben deze plaats gevuld met het bloed van onschuldigen.** Brontekst: יַ֣עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֲזָבֻ֗נִי (azavuni) = zij hebben Mij verlaten | וַֽיְנַכְּר֞וּ (vaynakeru) = en zij hebben vreemd gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּק֤וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּה֙ (haze) = deze | וַיְקַטְּרוּ (vayqateru) = en zij hebben offerrook laten opgaan | בוֹ֙ (bo) = daarin | לֵאלֹהִ֣ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יְדָע֛וּם (yedaum) = zij kenden | הֵ֥מָּה (hema) = zij | וַאֲבֽוֹתֵיהֶ֖ם (vaavoteihem) = en hun vaders | וּמַלְכֵ֣י (umalkhei) = en de koningen van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וּמָֽלְא֛וּ (umaleu) = en zij hebben gevuld | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | דַּ֥ם (dam) = met bloed van | נְקִיִּֽם (neqiyim) = onschuldigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְנַכְּרוּ (vaynakkeru), ‘zij hebben vreemd gemaakt’: zij hebben van deze plaats iets vreemds voor Yahweh gemaakt. Het kan ook ‘miskend’ betekenen. Voetnoot : דַּם נְקִיִּם (dam nekiyyim), ‘bloed van onschuldigen’: de kinderen uit vers 5. Zie ook 2 Kon. 21:16. Zie ook: Deut 28:20; 2 Kon 21:16; Jes 65:11; Jer 2:34; Jer 7:9; Jer 19:5 **19:5** **Zij hebben de hoogten van de Baäl gebouwd om hun zonen met vuur te verbranden als brandoffers voor de Baäl. Dat heb Ik niet geboden en niet gesproken, en het is niet in Mijn hart opgekomen.** Brontekst: וּבָנ֞וּ (uvanu) = en zij hebben gebouwd | אֶת (et) = (obj.) | בָּמ֣וֹת (bamot) = de hoogten van | הַבַּ֗עַל (habaal) = de Baäl | לִשְׂרֹ֧ף (lisrof) = om te verbranden | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶ֛ם (beneihem) = hun zonen | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = met vuur | עֹל֣וֹת (olot) = brandoffers | לַבָּ֑עַל (labaal) = voor de Baäl | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | צִוִּ֨יתִי֙ (tsiviti) = Ik heb geboden | וְלֹ֣א (velo) = en niet | דִבַּ֔רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָלְתָ֖ה (aleta) = is opgekomen | עַל (al) = in | לִבִּֽי (libi) = Mijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת הַבַּעַל (bamot haBaal), ‘hoogten van de Baäl’: offerplaatsen voor de Baäl. Kinderen werden op zulke plaatsen verbrand (2 Kon. 21:6). Voetnoot : אֲשֶׁר לֹא־צִוִּיתִי וְלֹא דִבַּרְתִּי וְלֹא עָלְתָה עַל־לִבִּי (asher lo tsivviti velo dibbarti velo alta al libbi), ‘dat heb Ik niet geboden en niet gesproken, en het is niet in Mijn hart opgekomen’: Yahweh wijst het kinderoffer scherp af. Bijna dezelfde woorden staan in Jer. 7:31 en 32:35. Zie ook: Lev 18:21; Deut 12:31; Ps 106:37–38; 2 Kon 21:6; Jer 7:31–32; Jer 32:35 **19:6** **Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh. Dan zal deze plaats niet meer Tofet heten, of dal van Ben-Hinnom, maar Dal van de Slachting.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | הִנֵּֽה (hine) = zie | יָמִ֤ים (yamim) = dagen | בָּאִים֙ (baim) = komend | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹא (velo) = en niet | יִקָּרֵא֩ (yiqare) = zal worden genoemd | לַמָּק֨וֹם (lamaqom) = de plaats | הַזֶּ֥ה (haze) = deze | ע֛וֹד (od) = nog | הַתֹּ֖פֶת (hatofet) = Tofet | וְגֵ֣יא (vegei) = en dal van | בֶן (ben) = Ben | הִנֹּ֑ם (hinom) = Hinnom | כִּ֖י (ki) = maar | אִם (im) = indien | גֵּ֥יא (gei) = dal van | הַהֲרֵגָֽה (haharega) = de Slachting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Voetnoot Uitleg: תֹּפֶת (tofet), ‘Tofet’: de plaats in het dal van Ben-Hinnom waar kinderen werden geofferd. De betekenis van de naam is onzeker. Voetnoot : גֵּיא הַהֲרֵגָה (gei haharegah), ‘Dal van de Slachting’: zoals in Jer. 7:32. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. De formule staat midden in Zijn woorden en is daarom rood. Zie ook: Joz 15:8; Jes 30:33; Jer 1:8; Jer 7:32–33; Jer 19:2; Jer 19:11 **19:7** **Ik zal de raad van Juda en Jeruzalem leegmaken op deze plaats. Ik zal hen door het zwaard laten vallen voor hun vijanden en door de hand van wie hun leven zoeken. Hun lijken zal Ik tot voedsel geven aan de vogels van de hemel en aan de dieren van het land.** Brontekst: וּ֠בַקֹּתִי (uvaqoti) = en Ik zal leegmaken | אֶת (et) = (obj.) | עֲצַ֨ת (atsat) = de raad van | יְהוּדָ֤ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (virushalaim) = en Jeruzalem | בַּמָּק֣וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וְהִפַּלְתִּ֤ים (vehipaltim) = en Ik zal hen laten vallen | בַּחֶ֨רֶב֙ (bacherev) = door het zwaard | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | אֹֽיְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | וּבְיַ֖ד (uveyad) = en door de hand van | מְבַקְשֵׁ֣י (mevaqshei) = wie zoeken | נַפְשָׁ֑ם (nafsham) = hun leven | וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | נִבְלָתָם֙ (nivlatam) = hun lijken | לְמַֽאֲכָ֔ל (lemaakhal) = tot voedsel | לְע֥וֹף (leof) = aan de vogels van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְבֶהֱמַ֥ת (ulevehemat) = en aan de dieren van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וּבַקֹּתִי (uvaqqoti), ‘Ik zal leegmaken’: het werkwoord בָּקַק (baqaq) betekent ‘leegmaken, uitgieten’. Het klinkt als בַּקְבֻּק (baqbuq), ‘kruik’, uit vers 1. Zoals de kruik wordt leeggegoten en gebroken, zo maakt Yahweh de raad van Juda leeg. Voetnoot : עֲצַת (atsat), ‘raad’: het plan van mensen. Zie ook: Lev 26:17; Deut 28:25–26; Ps 33:10–11; Jer 15:2; Jer 16:4; Jer 19:1 **19:8** **Ik zal deze stad tot een verwoesting maken en tot een voorwerp van gesis. Ieder die erlangs gaat, staat verbijsterd en sist om al haar plagen.** Brontekst: וְשַׂמְתִּי֙ (vesamti) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | לְשַׁמָּ֖ה (leshama) = tot een verwoesting | וְלִשְׁרֵקָ֑ה (velishreqa) = en tot gesis | כֹּ֚ל (kol) = ieder | עֹבֵ֣ר (over) = die voorbijgaat | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = erlangs | יִשֹּׁ֥ם (yishom) = staat verbijsterd | וְיִשְׁרֹ֖ק (veyishroq) = en sist | עַל (al) = om | כָּל (kal) = al | מַכֹּתֶֽהָ (makoteha) = haar plagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִשֹּׁם (yishom), ‘staat verbijsterd’: zoals in Jer. 18:16. מַכֹּתֶהָ (makkoteha), ‘haar plagen’: de slagen die haar treffen. Zie ook: 1 Kon 9:8; Jer 18:16; Jer 25:18; Jer 49:13; Jer 50:13 **19:9** **Ik zal hen het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters laten eten. Ieder zal het vlees van zijn naaste eten, in de belegering en in de benauwdheid waarmee hun vijanden en wie hun leven zoeken hen benauwen.’** Brontekst: וְהַֽאֲכַלְתִּ֞ים (vehaakhaltim) = en Ik zal hen laten eten | אֶת (et) = (obj.) | בְּשַׂ֣ר (besar) = het vlees van | בְּנֵיהֶ֗ם (beneihem) = hun zonen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | בְּשַׂ֣ר (besar) = het vlees van | בְּנֹתֵיהֶ֔ם (benoteihem) = hun dochters | וְאִ֥ישׁ (veish) = en ieder | בְּשַׂר (besar) = het vlees van | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | יֹאכֵ֑לוּ (yokhelu) = zal eten | בְּמָצוֹר֙ (bematsor) = in de belegering | וּבְמָצ֔וֹק (uvematsoq) = en in de benauwdheid | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarmee | יָצִ֧יקוּ (yatsiqu) = zullen benauwen | לָהֶ֛ם (lahem) = hen | אֹיְבֵיהֶ֖ם (oyeveihem) = hun vijanden | וּמְבַקְשֵׁ֥י (umevaqshei) = en wie zoeken | נַפְשָֽׁם (nafsham) = hun leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמָצוֹר וּבְמָצוֹק (bematsor uvematsoq), ‘in de belegering en in de benauwdheid’: zoals in Deut. 28:53. Daar staat ook het eten van de eigen kinderen. Zie ook: Lev 26:29; Deut 28:53–57; Jes 9:19; Klaagl 4:10; Ezech 5:10 ### Breek de kruik **19:10** **Breek dan de kruik voor de ogen van de mannen die met je meegaan.** Brontekst: וְשָׁבַרְתָּ֖ (veshavarta) = en je zult breken | הַבַּקְבֻּ֑ק (habaqbuq) = de kruik | לְעֵינֵי֙ (leeinei) = voor de ogen van | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | הַהֹלְכִ֖ים (haholekhim) = die gaan | אוֹתָֽךְ (otakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De kruik wordt gebroken voor de ogen van de oudsten die met Jeremia meegingen (vers 1). Zie ook: Jer 19:1; Jer 48:12; Jer 51:63–64 **19:11** **En zeg tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad breken, zoals men het vat van de pottenbakker breekt, dat niet meer hersteld kan worden. Men zal in Tofet begraven, omdat er geen plaats meer is om te begraven.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֨ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tegen hen | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | כָּ֣כָה (kakha) = zo | אֶשְׁבֹּ֞ר (eshbor) = Ik zal breken | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | יִשְׁבֹּר֙ (yishbor) = breekt men | אֶת (et) = (obj.) | כְּלִ֣י (keli) = het vat van | הַיּוֹצֵ֔ר (hayotser) = de pottenbakker | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יוּכַ֥ל (yukhal) = kan | לְהֵרָפֵ֖ה (leherafe) = hersteld worden | ע֑וֹד (od) = meer | וּבְתֹ֣פֶת (uvetofet) = en in Tofet | יִקְבְּר֔וּ (yiqberu) = zal men begraven | מֵאֵ֥ין (meein) = omdat er niet is | מָק֖וֹם (maqom) = plaats | לִקְבּֽוֹר (liqbor) = om te begraven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: כְּלִי הַיּוֹצֵר (kli hayyotser), ‘het vat van de pottenbakker’: anders dan de klei in hoofdstuk 18 is dit vat gebakken. Het kan niet meer hersteld worden. Voetnoot : בְּתֹפֶת יִקְבְּרוּ (betofet yiqberu), ‘men zal in Tofet begraven’: er zijn zoveel doden dat Tofet vol raakt. Zie ook: Ps 2:9; Jes 30:14; Jer 13:14; Klaagl 4:2; Openb 2:27 **19:12** **Zo zal Ik doen met deze plaats, godsspraak van Yahweh, en met haar inwoners: deze stad maak Ik tot een Tofet.** Brontekst: כֵּֽן (ken) = zo | אֶעֱשֶׂ֞ה (eese) = Ik zal doen | לַמָּק֥וֹם (lamaqom) = met de plaats | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וּלְיֽוֹשְׁבָ֑יו (uleyoshevav) = en met haar inwoners | וְלָתֵ֛ת (velatet) = en om te maken | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | כְּתֹֽפֶת (ketofet) = als Tofet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: כְּתֹפֶת (ketofet), ‘als Tofet’: de stad wordt een plaats van de doden, zoals Tofet. Zie ook: Jer 10:13; Jer 11:5 **19:13** **De huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen onrein zijn, zoals de plaats Tofet. Dat geldt voor alle huizen waarop zij voor het hele leger van de hemel offerrook hebben laten opgaan en plengoffers hebben uitgegoten voor andere goden.’”** Brontekst: וְהָי֞וּ (vehayu) = en zullen zijn | בָּתֵּ֣י (batei) = de huizen van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וּבָתֵּי֙ (uvatei) = en de huizen van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | כִּמְק֥וֹם (kimqom) = als de plaats van | הַתֹּ֖פֶת (hatofet) = Tofet | הַטְּמֵאִ֑ים (hatemeim) = de onreinen | לְכֹ֣ל (lekhol) = alle | הַבָּתִּ֗ים (habatim) = de huizen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarop | קִטְּר֜וּ (qiteru) = zij hebben offerrook laten opgaan | עַל (al) = op | גַּגֹּֽתֵיהֶם֙ (gagoteihem) = hun daken | לְכֹל֙ (lekhol) = voor het hele | צְבָ֣א (tseva) = leger van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְהַסֵּ֥ךְ (vehasekh) = en om uit te gieten | נְסָכִ֖ים (nesakhim) = plengoffers | לֵאלֹהִ֥ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִֽים (acherim) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘leger van de hemel’: de sterren. Op de daken liet men voor hen offerrook opgaan, zoals in Sef. 1:5. Voetnoot : נְסָכִים (nesakhim), ‘plengoffers’: wijn die men over het altaar of voor een afgod uitgiet. Zie ook: Deut 4:19; 2 Kon 23:12; Sef 1:5; Jer 7:18; Jer 32:29 ### In de voorhof van het huis van Yahweh **19:14** Jeremia kwam terug van Tofet, waar Yahweh hem heen had gestuurd om te profeteren. Hij ging staan in de voorhof van het huis van Yahweh en zei tegen heel het volk: Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵֽהַתֹּ֔פֶת (mehatofet) = van Tofet | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarheen | שְׁלָח֧וֹ (shelacho) = had hem gestuurd | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | שָׁ֖ם (sham) = daarheen | לְהִנָּבֵ֑א (lehinave) = om te profeteren | וַֽיַּעֲמֹד֙ (vayaamod) = en ging staan | בַּחֲצַ֣ר (bachatsar) = in de voorhof van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tegen | כָּל (kal) = heel | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: חֲצַר בֵּית־יְהוָה (chatsar beit-Yahweh), ‘voorhof van het huis van Yahweh’: het open gedeelte bij de tempel, waar het volk kwam. Zie ook: 2 Kron 20:5; Jer 17:19; Jer 19:2–3; Jer 26:2; Hand 5:20 **19:15** Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Zie, Ik breng over deze stad en over al haar steden al het onheil waarover Ik tegen haar gesproken heb. Want zij hebben hun nek verhard, om Mijn woorden niet te horen.”** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | מֵבִ֜יא (mevi) = breng | אֶל (el) = over | הָעִ֤יר (hair) = de stad | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | וְעַל (veal) = en over | כָּל (kal) = al | עָרֶ֔יהָ (areiha) = haar steden | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָ֣רָעָ֔ה (haraa) = het kwaad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = tegen haar | כִּ֤י (ki) = want | הִקְשׁוּ֙ (hiqshu) = zij hebben verhard | אֶת (et) = (obj.) | עָרְפָּ֔ם (arpam) = hun nek | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = om niet | שְׁמ֥וֹעַ (shemoa) = te horen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרָֽי (devaray) = Mijn woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een tweede boodschap, nu in de voorhof van de tempel. Het verhaal gaat door in hoofdstuk 20. Zie ook: Jer 7:26; Jer 17:23; Neh 9:17; Neh 9:29; Hand 7:51–52 ## Jeremia 20 _Pashchur slaat Jeremia; Jeremia's laatste klacht en zijn vloek over de dag van zijn geboorte_ ### Pashchur slaat Jeremia **20:1** Pashchur, de zoon van Immer, de priester, die hoofdopziener was in het huis van Yahweh, hoorde Jeremia deze woorden profeteren. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en hoorde | פַּשְׁחוּר֙ (pashchur) = Pashchur | בֶּן (ben) = zoon van | אִמֵּ֣ר (imer) = Immer | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְהֽוּא (vehu) = en hij | פָקִ֥יד (paqid) = opziener | נָגִ֖יד (nagid) = leider | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | נִבָּ֖א (niba) = profeteren | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּשְׁחוּר (Pashchur), ‘Pashchur’: een priester, de zoon van אִמֵּר (Immer). Immer is een priestergeslacht (1 Kron. 24:14). Voetnoot : פָּקִיד נָגִיד (pakid nagid), ‘hoofdopziener’: letterlijk ‘opziener, leider’. Een hoge functie in het huis van Yahweh. Het woord נָגִיד (nagid), ‘leider’, staat ook in 2 Kron. 31:13 voor de leider van het huis van Elohim. Zie ook: 1 Kron 24:14; 2 Kon 25:18; 2 Kron 31:13; Ezra 2:37–38; Neh 7:40–41; Hand 5:24 **20:2** Pashchur sloeg de profeet Jeremia en zette hem in het blok bij de bovenste poort van Benjamin, in het huis van Yahweh. Brontekst: וַיַּכֶּ֣ה (vayake) = en sloeg | פַשְׁח֔וּר (pashchur) = Pashchur | אֵ֖ת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֣הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en zette | אֹת֜וֹ (oto) = hem | עַל (al) = in | הַמַּהְפֶּ֗כֶת (hamahpekhet) = het blok | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | בְּשַׁ֤עַר (beshaar) = bij de poort van | בִּנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | הָֽעֶלְי֔וֹן (haelyon) = de bovenste | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Poort van Benjamin (ligging onzeker): De Poort van Benjamin was een stadspoort aan de noordkant van Jeruzalem, op de weg naar het land Benjamin. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: הַמַּהְפֶּכֶת (hammahpeket), ‘het blok’: een blok of kluisters waarin een gevangene in een pijnlijke houding werd vastgezet. Het woord hoort bij een werkwoord dat ‘omdraaien’ betekent. Zie ook 2 Kron. 16:10, ‘het huis van de blokken’. Voetnoot : שַׁעַר בִּנְיָמִן הָעֶלְיוֹן (sha’ar Binyamin ha’elyon), ‘de bovenste poort van Benjamin’: een poort bij het huis van Yahweh. De plaats is niet precies bekend. Zie ook: 2 Kron 16:10; 2 Kron 24:21; Jer 1:19; Jer 37:13; Zach 14:10 **20:3** De volgende dag haalde Pashchur Jeremia uit het blok. Jeremia zei tegen hem: „Yahweh heeft je niet Pashchur genoemd, maar Magor-Missabib. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַיֹּצֵ֥א (vayotse) = en bracht uit | פַשְׁח֛וּר (pashchur) = Pashchur | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מִן (min) = uit | הַמַּהְפָּ֑כֶת (hamahpakhet) = het blok | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לֹ֤א (lo) = niet | פַשְׁחוּר֙ (pashchur) = Pashchur | קָרָ֤א (qara) = heeft genoemd | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | שְׁמֶ֔ךָ (shemekha) = jouw naam | כִּ֖י (ki) = maar | אִם (im) = indien | מָג֥וֹר (magor) = Magor | מִסָּבִֽיב (misaviv) = Missabib Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָגוֹר מִסָּבִיב (magor missaviv), ‘Magor-Missabib’: de naam betekent ‘schrik rondom’. Pashchur krijgt een nieuwe naam. Dezelfde woorden staan in Ps. 31:14 en Jer. 6:25. In vers 10 gebruiken Jeremia’s vijanden ze weer. Zie ook: Ps 31:14; Jer 6:25; Jer 20:10; Jer 46:5; Klaagl 2:22 **20:4** Want zo zegt Yahweh: **‘Zie, Ik maak je tot een schrik, voor jezelf en voor al wie je liefhebben. Zij zullen door het zwaard van hun vijanden vallen, terwijl jouw ogen het zien. Heel Juda zal Ik in de hand van de koning van Babel geven. Hij zal hen naar Babel wegvoeren en hen met het zwaard neerslaan.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִי֩ (hinni) = zie Ik | נֹתֶנְךָ֨ (notenkha) = maak je | לְמָג֜וֹר (lemagor) = tot een schrik | לְךָ֣ (lekha) = voor jezelf | וּלְכָל (ulekhal) = en voor alle | אֹהֲבֶ֗יךָ (ohaveikha) = die je liefhebben | וְנָֽפְל֛וּ (venafelu) = en zullen vallen | בְּחֶ֥רֶב (becherev) = door het zwaard van | אֹיְבֵיהֶ֖ם (oyeveihem) = hun vijanden | וְעֵינֶ֣יךָ (veeineikha) = en jouw ogen | רֹא֑וֹת (root) = zien | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֶתֵּן֙ (eten) = Ik zal geven | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְהִגְלָ֥ם (vehiglam) = en hij zal hen wegvoeren | בָּבֶ֖לָה (bavela) = naar Babel | וְהִכָּ֥ם (vehikam) = en hij zal hen slaan | בֶּחָֽרֶב (becharev) = met het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Vanaf hier brengt Jeremia de woorden van Yahweh aan Pashchur. Zij staan rood, in enkele aanhalingstekens binnen Jeremia’s toespraak. Voetnoot : לְמָגוֹר (lemagor), ‘tot een schrik’: hetzelfde woord als in de nieuwe naam. Voetnoot : אֹהֲבֶיךָ (ohavekha), ‘die je liefhebben’: wie op Pashchur vertrouwt, zijn vrienden en aanhangers. Zie ook: Jer 21:4–10; Jer 25:9; Jer 29:21; Jer 32:27–31; Jer 39:6–7 **20:5** **Alle rijkdom van deze stad zal Ik geven, al haar bezit en al haar kostbaarheden. Alle schatten van de koningen van Juda zal Ik in de hand van hun vijanden geven. Zij zullen ze plunderen, ze nemen en ze naar Babel brengen.** Brontekst: וְנָתַתִּ֗י (venatati) = en Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | חֹ֨סֶן֙ (chosen) = de rijkdom van | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | יְגִיעָ֖הּ (yegiah) = haar bezit | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | יְקָרָ֑הּ (yeqarah) = haar kostbaarheden | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | אוֹצְר֜וֹת (otserot) = de schatten van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֶתֵּן֙ (eten) = Ik zal geven | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | אֹֽיְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | וּבְזָזוּם֙ (uvezazum) = en zij zullen ze plunderen | וּלְקָח֔וּם (uleqachum) = en nemen | וֶהֱבִיא֖וּם (vehevium) = en brengen ze | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: חֹסֶן (choson), ‘rijkdom’, יְגִיעַ (yegia), ‘bezit’ (letterlijk: wat men met moeite verwerft), יְקָר (yeqar), ‘kostbaarheden’, en אוֹצְרוֹת (otserot), ‘schatten’: vier woorden voor wat Jeruzalem bezit. Alles gaat naar Babel. Zie ook: 2 Kon 24:12–16; 2 Kron 36:10; Jer 15:13; Jer 17:3; Ezech 22:25 **20:6** **Maar jij, Pashchur, en alle bewoners van je huis, jullie gaan in gevangenschap. Je komt in Babel, daar sterf je en daar word je begraven, jij en al wie je liefhebben, aan wie je leugens hebt geprofeteerd.’**” Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | פַשְׁח֗וּר (pashchur) = Pashchur | וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | בֵיתֶ֔ךָ (beitekha) = je huis | תֵּלְכ֖וּ (telekhu) = zullen gaan | בַּשֶּׁ֑בִי (bashevi) = in gevangenschap | וּבָבֶ֣ל (uvavel) = en naar Babel | תָּב֗וֹא (tavo) = zul je komen | וְשָׁ֤ם (vesham) = en daar | תָּמוּת֙ (tamut) = zul je sterven | וְשָׁ֣ם (vesham) = en daar | תִּקָּבֵ֔ר (tiqaver) = zul je begraven worden | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en alle | אֹ֣הֲבֶ֔יךָ (ohaveikha) = die je liefhebben | אֲשֶׁר (asher) = aan wie | נִבֵּ֥אתָ (nibeta) = je hebt geprofeteerd | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | בַּשָּֽׁקֶר (bashaqer) = met leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Pashchur, die de profeet sloeg, gaat zelf in ballingschap. בַּשֶּׁקֶר (bashsheker), ‘met leugens’: Jeremia beschuldigt Pashchur ervan dat hij mensen met valse woorden gerust heeft gesteld. Zie ook: Jer 8:10–11; Jer 14:14–15; Jer 20:4; Klaagl 2:14; Ezech 22:28 ### U hebt mij overgehaald **20:7** U hebt mij overgehaald, Yahweh, en ik liet mij overhalen. U was sterker dan ik en hebt gewonnen. Ik ben de hele dag een voorwerp van spot geworden; ieder spot met mij. Brontekst: פִּתִּיתַ֤נִי (pititani) = U hebt mij overgehaald | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וָֽאֶפָּ֔ת (vaepat) = en ik liet mij overhalen | חֲזַקְתַּ֖נִי (chazaqtani) = U was sterker dan ik | וַתּוּכָ֑ל (vatukhal) = en U hebt gewonnen | הָיִ֤יתִי (hayiti) = ik ben geworden | לִשְׂחוֹק֙ (lischoq) = tot een voorwerp van spot | כָּל (kal) = heel | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | כֻּלֹּ֖ה (kulo) = helemaal | לֹעֵ֥ג (loeg) = spotter | לִֽי (li) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Jeremia tot Yahweh. Dit is de laatste van zijn klachten, na Jer. 11:18–23, 12:1–6, 15:10–21, 17:14–18 en 18:19–23. Voetnoot : פִּתִּיתַנִי (pittitani), ‘U hebt mij overgehaald’: het werkwoord פָּתָה (patah) betekent ‘overhalen, verleiden’, soms ook ‘misleiden’. Het staat ook in 1 Kon. 22:20–22 en Exod. 22:15. Het is een scherp woord. Wij laten het zoals het er staat: Jeremia zegt dat Yahweh sterker was en hem tot profeet maakte. Voetnoot : חֲזַקְתַּנִי וַתּוּכָל (chazaqtani vattukhal), ‘U was sterker dan ik en hebt gewonnen’: hij kon zich niet verzetten. Zie ook: Ex 22:15; Ps 22:7–8; 1 Kon 22:20–22; Hos 9:7; Jer 11:18–23; Jer 12:1; Jer 20:9; Klaagl 3:14; Ezech 3:14 **20:8** Want zo vaak als ik spreek, schreeuw ik het uit; ik roep: ‘Geweld en verwoesting!’ Want het woord van Yahweh is mij de hele dag tot smaad en tot spot geworden. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מִדֵּ֤י (midei) = zo vaak als | אֲדַבֵּר֙ (adaber) = ik spreek | אֶזְעָ֔ק (ezaq) = ik schreeuw | חָמָ֥ס (chamas) = geweld | וָשֹׁ֖ד (vashod) = en verwoesting | אֶקְרָ֑א (eqra) = ik roep | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֨ה (haya) = is geworden | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | לִ֛י (li) = voor mij | לְחֶרְפָּ֥ה (lecherpa) = tot smaad | וּלְקֶ֖לֶס (uleqeles) = en tot spot | כָּל (kal) = heel | הַיּֽוֹם (hayom) = de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָמָס וָשֹׁד (chamas vashod), ‘geweld en verwoesting’: wat Jeremia steeds moet aankondigen. Zijn boodschap brengt hem smaad (חֶרְפָּה, cherpah) en spot (קֶלֶס, qeles). Zie ook: 2 Kron 36:16; Jer 4:19–22; Jer 5:1; Jer 6:10; Jer 18:16–17 **20:9** Ik zei: ‘Ik wil Hem niet meer noemen en niet meer in Zijn naam spreken.’ Maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, opgesloten in mijn beenderen. Ik werd moe van het inhouden en ik kon het niet. Brontekst: וְאָמַרְתִּ֣י (veamarti) = en ik zei | לֹֽא (lo) = niet | אֶזְכְּרֶ֗נּוּ (ezkerenu) = zal ik Hem noemen | וְלֹֽא (velo) = en niet | אֲדַבֵּ֥ר (adaber) = zal ik spreken | עוֹד֙ (od) = meer | בִּשְׁמ֔וֹ (bishmo) = in Zijn naam | וְהָיָ֤ה (vehaya) = maar het werd | בְלִבִּי֙ (belibi) = in mijn hart | כְּאֵ֣שׁ (keesh) = als een vuur | בֹּעֶ֔רֶת (boeret) = brandend | עָצֻ֖ר (atsur) = opgesloten | בְּעַצְמֹתָ֑י (beatsmotay) = in mijn beenderen | וְנִלְאֵ֥יתִי (venileiti) = en ik werd moe | כַּֽלְכֵ֖ל (kalkhel) = van het inhouden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אוּכָֽל (ukhal) = kon ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּאֵשׁ בֹּעֶרֶת (ke’esh bo’eret), ‘als een brandend vuur’: het woord van Yahweh brandt in hem. Vergelijk Jer. 23:29: ‘Is Mijn woord niet als vuur?’ Voetnoot : כַּלְכֵל (kalkel), ‘inhouden’: het werkwoord betekent ook ‘bevatten, dragen’. Jeremia kan het woord niet meer binnenhouden. Zie ook: Job 32:18–20; Ps 39:4; Jer 23:29; Hand 4:20; Hand 17:16; 1 Kor 9:16–17 **20:10** Want ik heb het gefluister van velen gehoord: ‘Schrik rondom! Geef hem aan, wij zullen hem aangeven!’ Al mijn vrienden letten op mijn val: ‘Misschien laat hij zich overhalen, dan winnen wij het van hem en nemen wij wraak op hem.’ Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | שָׁמַ֜עְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | דִּבַּ֣ת (dibat) = het gefluister van | רַבִּים֮ (rabim) = velen | מָג֣וֹר (magor) = schrik | מִסָּבִיב֒ (misaviv) = rondom | הַגִּ֨ידוּ֙ (hagidu) = geef aan | וְנַגִּידֶ֔נּוּ (venagidenu) = en wij zullen hem aangeven | כֹּ֚ל (kol) = alle | אֱנ֣וֹשׁ (enosh) = mensen van | שְׁלוֹמִ֔י (shelomi) = mijn vrede | שֹׁמְרֵ֖י (shomerei) = die letten op | צַלְעִ֑י (tsali) = mijn val | אוּלַ֤י (ulay) = misschien | יְפֻתֶּה֙ (yefute) = laat hij zich overhalen | וְנ֣וּכְלָה (venukhela) = en wij zullen winnen | ל֔וֹ (lo) = van hem | וְנִקְחָ֥ה (veniqcha) = en wij zullen nemen | נִקְמָתֵ֖נוּ (niqmatenu) = onze wraak | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דִּבַּת רַבִּים (dibbat rabbim), ‘het gefluister van velen’: lasterpraatjes. Voetnoot : כֹּל אֱנוֹשׁ שְׁלוֹמִי (kol enosh shelomi), ‘al mijn vrienden’: letterlijk ‘elke man van mijn vrede’. Voetnoot : צַלְעִי (tsal’i), ‘mijn val’: letterlijk ‘mijn hinken’ of ‘mijn zijde’. Zij wachten tot hij struikelt. Voetnoot : יְפֻתֶּה (yefutteh), ‘laat hij zich overhalen’: hetzelfde werkwoord als in vers 7. Zij hopen dat hij zich laat misleiden. Zie ook: Ps 31:14; Ps 41:10; Jes 29:21; Jer 6:25; Jer 18:18; Jer 20:7 ### Yahweh is met mij als een geduchte held **20:11** Maar Yahweh is met mij als een geduchte held. Daarom zullen mijn vervolgers struikelen en niet winnen. Zij zullen zeer beschaamd zijn, want zij hebben geen inzicht gehad: een schande voor eeuwig, die niet vergeten wordt. Brontekst: וַֽיהוָ֤ה (vaYahweh) = maar Yahweh | אוֹתִי֙ (oti) = met mij | כְּגִבּ֣וֹר (kegibor) = als een held | עָרִ֔יץ (arits) = geduchte | עַל (al) = daarom | כֵּ֛ן (ken) = daarvoor | רֹדְפַ֥י (rodefay) = mijn vervolgers | יִכָּשְׁל֖וּ (yikashelu) = zullen struikelen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יֻכָ֑לוּ (yukhalu) = zullen winnen | בֹּ֤שׁוּ (boshu) = zij zijn beschaamd | מְאֹד֙ (meod) = zeer | כִּֽי (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | הִשְׂכִּ֔ילוּ (hiskilu) = hebben zij inzicht gehad | כְּלִמַּ֥ת (kelimat) = schande van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | לֹ֥א (lo) = niet | תִשָּׁכֵֽחַ (tishakheach) = zal worden vergeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹר עָרִיץ (gibbor aritz), ‘geduchte held’: een held die ontzag wekt. Voetnoot : כְּלִמַּת עוֹלָם (kelimmat olam), ‘een schande voor eeuwig’: zij worden beschaamd zonder einde. Zie ook: Jes 41:10; Jer 1:8; Jer 1:19; Jer 15:20; Jer 17:18 **20:12** Maar Yahweh van de legermachten, U toetst de rechtvaardige, U ziet nieren en hart. Laat mij Uw wraak op hen zien, want aan U heb ik mijn rechtszaak voorgelegd. Brontekst: וַיהוָ֤ה (vaYahweh) = en Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | בֹּחֵ֣ן (bochen) = die toetst | צַדִּ֔יק (tsadiq) = een rechtvaardige | רֹאֶ֥ה (roe) = die ziet | כְלָי֖וֹת (kelayot) = nieren | וָלֵ֑ב (valev) = en hart | אֶרְאֶ֤ה (ere) = laat mij zien | נִקְמָֽתְךָ֙ (niqmatekha) = Uw wraak | מֵהֶ֔ם (mehem) = op hen | כִּ֥י (ki) = want | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = aan U | גִּלִּ֥יתִי (giliti) = heb ik voorgelegd | אֶת (et) = (obj.) | רִיבִֽי (rivi) = mijn rechtszaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Dit vers is bijna gelijk aan Jer. 11:20. Voetnoot : כְלָיוֹת (kelayot), ‘nieren’: zie Jer. 17:10. Voetnoot : גִּלִּיתִי (gillti), ‘ik heb voorgelegd’: letterlijk ‘ik heb onthuld’. Jeremia legt zijn zaak in Yahweh’s hand. Zie ook: Ps 54:9; Ps 59:11; Ps 62:9; Jer 2:19; Jer 11:20; Jer 17:10 **20:13** Zing voor Yahweh, prijs Yahweh! Want Hij heeft het leven van de arme bevrijd uit de hand van kwaaddoeners. Brontekst: שִׁ֚ירוּ (shiru) = zingt | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | הַֽלְל֖וּ (hallu) = prijst | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | הִצִּ֛יל (hitsil) = Hij heeft bevrijd | אֶת (et) = (obj.) | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = het leven van | אֶבְי֖וֹן (evyon) = een arme | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | מְרֵעִֽים (mereim) = kwaaddoeners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Plotseling een lofzang. Het Hebreeuws zegt niet wat de aanleiding is. Vers 14–18 volgen zonder overgang. Voetnoot : הִצִּיל (hitsil), ‘bevrijden’: het leven van de arme is gered uit de hand van kwaaddoeners. Zie ook: Ps 34:7; Ps 35:9–11; Ps 69:34; Ps 72:4; Jes 25:4; Jer 20:14–18 ### Vervloekt de dag van mijn geboorte **20:14** Vervloekt is de dag waarop ik geboren ben. De dag waarop mijn moeder mij baarde: laat die niet gezegend zijn. Brontekst: אָר֣וּר (arur) = vervloekt | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarop | יֻלַּ֖דְתִּי (yuladti) = ik werd geboren | בּ֑וֹ (bo) = daarop | י֛וֹם (yom) = de dag | אֲשֶׁר (asher) = waarop | יְלָדַ֥תְנִי (yeladatni) = baarde mij | אִמִּ֖י (imi) = mijn moeder | אַל (al) = niet | יְהִ֥י (yehi) = laat zijn | בָרֽוּךְ (barukh) = gezegend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 14–18 lijken op de vloek van Job over zijn geboortedag (Job 3:1–10). Het Hebreeuws is hier even hard. Wij laten het zoals het er staat. Zie ook: Job 3:1–10; Job 3:3–16; Jer 15:10 **20:15** Vervloekt is de man die mijn vader het goede nieuws bracht: ‘Een zoon is je geboren, een jongen!’ en hem zeer verblijdde. Brontekst: אָר֣וּר (arur) = vervloekt | הָאִ֗ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | בִּשַּׂ֤ר (bisar) = bracht het goede nieuws | אֶת (et) = (obj.) | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יֻֽלַּד (yulad) = is geboren | לְךָ֖ (lekha) = aan je | בֵּ֣ן (ben) = een zoon | זָכָ֑ר (zakhar) = een jongen | שַׂמֵּ֖חַ (sameach) = zeer verblijdend | שִׂמֳּחָֽהוּ (simochahu) = hij verblijdde hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּשַּׂר (bisar), ‘het goede nieuws brengen’: de man bracht de blijde boodschap van een zoon. Zie ook: Gen 21:5–6; Jer 1:5; Luc 1:14 **20:16** Laat die man zijn als de steden die Yahweh heeft omgekeerd zonder Zich te laten rouwen. Laat hij 's ochtends een noodkreet horen en 's middags een alarmkreet. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en laat zijn | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַה֔וּא (hahu) = die | כֶּֽעָרִ֛ים (kearim) = als de steden | אֲשֶׁר (asher) = die | הָפַ֥ךְ (hafakh) = heeft omgekeerd | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נִחָ֑ם (nicham) = Zich liet rouwen | וְשָׁמַ֤ע (veshama) = en laat horen | זְעָקָה֙ (zeaqa) = een noodkreet | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = 's ochtends | וּתְרוּעָ֖ה (uterua) = en een alarmkreet | בְּעֵ֥ת (beet) = op het uur van | צָהֳרָֽיִם (tsahorayim) = de middag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֶּעָרִים אֲשֶׁר־הָפַךְ יְהוָה (ke’arim asher-hafakh Yahweh), ‘als de steden die Yahweh heeft omgekeerd’: Sodom en Gomorra (Gen. 19:25). וְלֹא נִחָם (velo nicham), ‘zonder Zich te laten rouwen’. Voetnoot : תְּרוּעָה (teru’ah), ‘alarmkreet’: een luid geschreeuw bij oorlog. Zie ook: Gen 19:25; Deut 29:22; Sef 2:9; Jer 18:22; Jer 48:3–4; Jud 1:7 **20:17** Dit, omdat hij mij niet in de moederschoot heeft gedood. Dan was mijn moeder mijn graf geworden en haar schoot voor eeuwig zwanger. Brontekst: אֲשֶׁ֥ר (asher) = omdat | לֹא (lo) = niet | מוֹתְתַ֖נִי (motetani) = hij mij doodde | מֵרָ֑חֶם (merachem) = uit de moederschoot | וַתְּהִי (vatehi) = zodat zou zijn | לִ֤י (li) = voor mij | אִמִּי֙ (imi) = mijn moeder | קִבְרִ֔י (qivri) = mijn graf | וְרַחְמָ֖הֿ (verachma) = en haar schoot | הֲרַ֥ת (harat) = zwanger | עוֹלָֽם (olam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֶׁר (asher), ‘omdat’: het verbindt dit vers met de vloek over de man in vers 15–16. Voetnoot : רַחְמָהּ (rachmah), ‘haar schoot’: Jeremia wenst dat zijn moeder voor altijd zwanger was gebleven van hem. Zie ook: Job 3:10–11; Job 3:16; Job 10:18–19; Pred 6:3; Jer 20:15–16 **20:18** Waarom toch ben ik uit de moederschoot gekomen, om moeite en verdriet te zien, en om mijn dagen in schaamte te laten eindigen? Brontekst: לָ֤מָּה (lama) = waarom | זֶּה֙ (ze) = toch | מֵרֶ֣חֶם (merechem) = uit de moederschoot | יָצָ֔אתִי (yatsati) = ben ik gekomen | לִרְא֥וֹת (lirot) = om te zien | עָמָ֖ל (amal) = moeite | וְיָג֑וֹן (veyagon) = en verdriet | וַיִּכְל֥וּ (vayikhlu) = en eindigen | בְּבֹ֖שֶׁת (bevoshet) = in schaamte | יָמָֽי (yamay) = mijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָמָל (amal), ‘moeite’, en יָגוֹן (yagon), ‘verdriet’: twee woorden voor zijn leven als profeet. Het hoofdstuk eindigt zonder antwoord van Yahweh. Zie ook: Job 3:20; Job 14:1; Ps 69:20; Klaagl 3:1; 1 Petr 4:14–16 ## Jeremia 21 _Zedekia vraagt raad; de weg van het leven en de weg van de dood_ ### Zedekia stuurt naar Jeremia **21:1** Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam, toen koning Zedekia Pashchur, de zoon van Malkia, en Sefanja, de zoon van Maäseja, de priester, naar hem stuurde met de woorden: Brontekst: הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | הָיָ֥ה (haya) = kwam | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בִּשְׁלֹ֨חַ (bishloach) = toen stuurde | אֵלָ֜יו (elav) = naar hem | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | צִדְקִיָּ֗הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | אֶת (et) = (obj.) | פַּשְׁחוּר֙ (pashchur) = Pashchur | בֶּן (ben) = zoon van | מַלְכִּיָּ֔ה (malkiya) = Malkia | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צְפַנְיָ֧ה (tsefanya) = Sefanja | בֶן (ben) = zoon van | מַעֲשֵׂיָ֛ה (maaseya) = Maäseja | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּשְׁחוּר (Pashchur), ‘Pashchur’: de zoon van Malkia. Hij is een andere man dan Pashchur, de zoon van Immer, in Jer. 20:1. Hij komt weer voor in Jer. 38:1. Voetnoot : צְפַנְיָה (Tsefanyah), ‘Sefanja’: de priester, de zoon van Maäseja. Hij wordt ook genoemd in Jer. 29:25 en 37:3 en is waarschijnlijk dezelfde man als de tweede priester van 2 Kon. 25:18. Voetnoot : Het verzoek van koning Zedekia valt in de tijd van het beleg van Jeruzalem door Nebukadnezar (2 Kon. 25:1). Zie ook: 2 Kon 24:17–18; 2 Kon 25:1; 2 Kon 25:18; Jer 20:1; Jer 29:25; Jer 37:3; Jer 38:1; Jer 52:24 **21:2** „Raadpleeg toch Yahweh voor ons, want Nebukadnezar, de koning van Babel, voert oorlog tegen ons. Misschien doet Yahweh met ons zoals bij al Zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt.” Brontekst: דְּרָשׁ (derash) = raadpleeg | נָ֤א (na) = toch | בַעֲדֵ֨נוּ֙ (baadenu) = voor ons | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֛י (ki) = want | נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | נִלְחָ֣ם (nilcham) = voert oorlog | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = tegen ons | אוּלַי֩ (ulay) = misschien | יַעֲשֶׂ֨ה (yaase) = zal doen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אוֹתָ֨נוּ֙ (otanu) = met ons | כְּכָל (kekhal) = zoals al | נִפְלְאֹתָ֔יו (nifleotav) = Zijn wonderen | וְיַעֲלֶ֖ה (veyaale) = en hij zal optrekken | מֵעָלֵֽינוּ (mealeinu) = van ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נבוכדראצר (Nevuchadretsar), ‘Nebukadnezar’: zo schrijft het boek Jeremia de naam van de koning van Babel. Wij gebruiken dezelfde vorm als in 2 Kon. 24–25. Voetnoot : דרשׁ (derosh), ‘raadpleeg’: het werkwoord voor het vragen van een antwoord aan Yahweh, meestal door een profeet. Voetnoot : נפלאתיו (nifleotav), ‘Zijn wonderen’: de grote daden van Yahweh, zoals de redding bij de Schelfzee (Exod. 14) en de redding van Jeruzalem in de tijd van Hizkia (2 Kon. 19:35). Zie ook: 1 Sam 28:15; 2 Kon 19:35; Jer 37:3; Jer 37:7; Jer 42:4–6; Ezech 20:1–3 ### Het antwoord aan Zedekia **21:3** Jeremia zei tegen hen: „Zo moeten jullie tegen Zedekia zeggen: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = tegen hen | כֹּ֥ה (ko) = zo | תֹאמְרֻ֖ן (tomrun) = moeten jullie zeggen | אֶל (el) = tot | צִדְקִיָּֽהוּ (tsidqiyahu) = Zedekia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:4** Zo zegt Yahweh, Elohim van Israël: **‘Zie, Ik ga de oorlogswapens omkeren die in jullie handen zijn. Daarmee strijden jullie tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die jullie buiten de muur belegeren. Ik zal ze verzamelen in het midden van deze stad.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij | מֵסֵב֮ (mesev) = Ik keer om | אֶת (et) = (obj.) | כְּלֵ֣י (kelei) = wapens van | הַמִּלְחָמָה֮ (hamilchama) = de oorlog | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּיֶדְכֶם֒ (beyedkhem) = in jullie hand | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarmee | אַתֶּ֜ם (atem) = jullie | נִלְחָמִ֣ים (nilchamim) = strijdend | בָּ֗ם (bam) = tegen hen | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | הַצָּרִ֣ים (hatsarim) = die belegeren | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = jullie | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַֽחוֹמָ֑ה (lachoma) = de muur | וְאָסַפְתִּ֣י (veasafti) = en Ik zal verzamelen | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | אֶל (el) = naar | תּ֖וֹךְ (tokh) = het midden van | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: הכשׂדים (haKasdim), ‘de Chaldeeën’: de bewoners van Babel en het leger van de koning van Babel. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt hier dat Yahweh de wapens ‘omkeert’: hun eigen wapens werken tegen hen. Zie ook: Jes 5:5; Jes 13:4; Jer 32:5; Jer 33:5; Jer 37:8–10 **21:5** **Ik zelf zal tegen jullie strijden met een uitgestrekte hand en een sterke arm, in toorn, in woede en in grote verbolgenheid.** Brontekst: וְנִלְחַמְתִּ֤י (venilchamti) = en Ik zal strijden | אֲנִי֙ (ani) = Ik zelf | אִתְּכֶ֔ם (itekhem) = tegen jullie | בְּיָ֥ד (beyad) = met een hand | נְטוּיָ֖ה (netuya) = uitgestrekte | וּבִזְר֣וֹעַ (uvizroa) = en met een arm | חֲזָקָ֑ה (chazaqa) = sterke | וּבְאַ֥ף (uveaf) = en in toorn | וּבְחֵמָ֖ה (uvechema) = en in woede | וּבְקֶ֥צֶף (uveqetsef) = en in verbolgenheid | גָּדֽוֹל (gadol) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ביד נטויה ובזרוע חזקה (beyad netuyah uvizroa chazaqah), ‘met een uitgestrekte hand en een sterke arm’: dezelfde woorden als bij de uittocht uit Egypte (Deut. 4:34; 26:8). Toen streed Yahweh voor Israël. Nu strijdt Hij tegen Israël. Voetnoot : אַף (af), ‘toorn’; חֵמָה (chemah), ‘woede’; קֶצֶף (qetsef), ‘verbolgenheid’: drie woorden voor Yahweh’s heftige boosheid. Zie ook: Ex 6:6; Deut 4:34; Deut 26:8; Jes 5:25; Jes 9:16; Jes 63:10; Jer 32:17 **21:6** **Ik zal de bewoners van deze stad slaan, mens en dier. Zij zullen sterven aan een grote pest.** Brontekst: וְהִכֵּיתִ֗י (vehikeiti) = en Ik zal slaan | אֶת (et) = (obj.) | יֽוֹשְׁבֵי֙ (yoshevei) = bewoners van | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mens | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבְּהֵמָ֑ה (habehema) = het dier | בְּדֶ֥בֶר (bedever) = aan pest | גָּד֖וֹל (gadol) = grote | יָמֻֽתוּ (yamutu) = zij zullen sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 4:3; Jes 6:11; Sef 1:3; Ezech 14:13; Ezech 14:19 **21:7** **En daarna, godsspraak van Yahweh, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn dienaren en het volk overleveren. Dat geldt ook voor allen die in deze stad zijn overgebleven na de pest, het zwaard en de honger. Ik lever hen over in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel. Ik lever hen over in de hand van hun vijanden en in de hand van wie hun leven zoeken. Hij zal hen slaan met de scherpte van het zwaard. Hij zal hen niet sparen, niet ontzien en zich niet over hen ontfermen.’** Brontekst: וְאַחֲרֵי (veacharei) = en na | כֵ֣ן (ken) = dit | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | אֶתֵּ֣ן (eten) = Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | צִדְקִיָּ֣הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֣ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲבָדָ֣יו (avadav) = zijn dienaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעָ֡ם (haam) = het volk | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנִּשְׁאָרִים֩ (hanisharim) = de overgeblevenen | בָּעִ֨יר (bair) = in de stad | הַזֹּ֜את (hazot) = deze | מִן (min) = na | הַדֶּ֣בֶר (hadever) = de pest | מִן (min) = na | הַחֶ֣רֶב (hacherev) = het zwaard | וּמִן (umin) = en na | הָרָעָ֗ב (haraav) = de honger | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וּבְיַד֙ (uveyad) = en in de hand van | אֹֽיְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | וּבְיַ֖ד (uveyad) = en in de hand van | מְבַקְשֵׁ֣י (mevaqshei) = zoekers van | נַפְשָׁ֑ם (nafsham) = hun leven | וְהִכָּ֣ם (vehikam) = en hij zal hen slaan | לְפִי (lefi) = met de scherpte van | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | לֹֽא (lo) = niet | יָח֣וּס (yachus) = zal hij sparen | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = hen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יַחְמֹ֖ל (yachmol) = zal hij ontzien | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְרַחֵֽם (yerachem) = zal hij zich ontfermen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נאם יהוה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten. Zie de Uitleg bij Jer. 1:8. Midden in de rode woorden staat ze ook rood. Voetnoot : מבקשׁי נפשׁם (mevaqshe nafsham), ‘wie hun leven zoeken’: wie hen willen doden. Voetnoot : לפי חרב (lefi cherev), ‘met de scherpte van het zwaard’: letterlijk ‘naar de mond van het zwaard’. Voetnoot : חוּס (chus), ‘sparen’, חָמַל (chamal), ‘ontzien’ en רִחֵם (richem), ‘zich ontfermen’: drie werkwoorden voor medelijden. De eerste twee staan samen in Deut. 13:9 en Ezech. 9:10. Zie ook: Deut 13:9; 2 Kon 25:5–7; Jer 1:8; Jer 37:17; Hab 1:6–10; Ezech 7:9; Ezech 9:10; Ezech 17:20–21 ### De weg van het leven en de weg van de dood **21:8** En tegen dit volk moet je zeggen: Zo zegt Yahweh: **‘Zie, Ik leg jullie de weg van het leven voor en de weg van de dood.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | תֹּאמַ֔ר (tomar) = moet je zeggen | כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Mij | נֹתֵן֙ (noten) = geef | לִפְנֵיכֶ֔ם (lifneikhem) = voor jullie | אֶת (et) = (obj.) | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = weg van | הַחַיִּ֖ים (hachayim) = het leven | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = weg van | הַמָּֽוֶת (hamavet) = de dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דרך החיים (derekh hachayyim), ‘de weg van het leven’, en דרך המות (derekh hammavet), ‘de weg van de dood’: Yahweh legt twee wegen voor, zoals in Deut. 30:15 en 30:19. In vers 9 wordt duidelijk wat de twee wegen zijn. Voetnoot : Het Hebreeuws gebruikt hier ‘je’ in het enkelvoud: ‘tegen dit volk moet je zeggen’. Het is Jeremia zelf die het volk toespreekt. De woorden van Yahweh staan rood, de aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ zwart. Zie ook: Deut 11:26; Deut 30:15; Deut 30:19; Jes 1:19–20; Jer 21:9 **21:9** **Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, de honger en de pest. Maar wie naar buiten gaat en overloopt naar de Chaldeeën die jullie belegeren, zal leven. Zijn leven zal hem tot buit zijn.** Brontekst: הַיֹּשֵׁב֙ (hayoshev) = wie blijft | בָּעִ֣יר (bair) = in de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | יָמ֕וּת (yamut) = zal sterven | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = door het zwaard | וּבָרָעָ֣ב (uvaraav) = en door de honger | וּבַדָּ֑בֶר (uvadaver) = en door de pest | וְהַיּוֹצֵא֩ (vehayotse) = en wie naar buiten gaat | וְנָפַ֨ל (venafal) = en overloopt | עַל (al) = naar | הַכַּשְׂדִּ֜ים (hakasdim) = de Chaldeeën | הַצָּרִ֤ים (hatsarim) = die belegeren | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = jullie | וְחָיָ֔ה (vechaya) = en hij zal leven | וְהָֽיְתָה (vehayeta) = en zal zijn | לּ֥וֹ (lo) = hem | נַפְשׁ֖וֹ (nafsho) = zijn leven | לְשָׁלָֽל (leshalal) = tot buit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: והיוצא ונפל על הכשׂדים (hayotse venafal al haKasdim), ‘wie naar buiten gaat en overloopt naar de Chaldeeën’: wie zich overgeeft. Dezelfde raad geeft Jeremia in Jer. 38:2 en 38:17. Voetnoot : לו נפשׁו לשׁלל (lo nafsho leshalal), ‘zijn leven zal hem tot buit zijn’: hij houdt alleen zijn leven over, zoals iemand die uit een gevecht met alleen een buit weggaat. Zie ook Jer. 38:2, 39:18 en 45:5. Zie ook: Jer 14:12; Jer 38:2; Jer 38:17–23; Jer 39:18; Jer 45:5 **21:10** **Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gericht, ten kwade en niet ten goede, godsspraak van Yahweh. Zij wordt overgeleverd in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.’** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | שַׂ֣מְתִּי (samti) = Ik heb gericht | פָ֠נַי (panay) = Mijn aangezicht | בָּעִ֨יר (bair) = tegen de stad | הַזֹּ֧את (hazot) = deze | לְרָעָ֛ה (leraa) = ten kwade | וְלֹ֥א (velo) = en niet | לְטוֹבָ֖ה (letova) = ten goede | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = in de hand van | מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | תִּנָּתֵ֔ן (tinaten) = zal zij worden gegeven | וּשְׂרָפָ֖הּ (userafah) = en hij zal haar verbranden | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: שׂמתי פני (samti fanai), ‘Ik heb Mijn aangezicht gericht’: Yahweh richt Zijn blik op de stad, tot straf. Het tegenovergestelde is de zegen van Num. 6:25–26. Zie ook: Num 6:25–26; Amos 9:4; Jer 44:11; Jer 44:27; Jer 52:13; Ezech 15:7 ### Aan het huis van de koning van Juda **21:11** En tot het huis van de koning van Juda: Hoor het woord van Yahweh. Brontekst: וּלְבֵית֙ (uleveit) = en tot het huis van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | שִׁמְע֖וּ (shimu) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mi 3:1; Jer 13:18; Jer 17:20 **21:12** Huis van David, zo zegt Yahweh: **‘Spreek elke morgen recht en bevrijd de beroofde uit de hand van de onderdrukker. Anders breekt Mijn woede uit als een vuur en brandt het zonder dat iemand het blust, vanwege het kwaad van jullie daden.** Brontekst: בֵּ֣ית (beit) = huis van | דָּוִ֗ד (david) = David | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | דִּ֤ינוּ (dinu) = spreek recht | לַבֹּ֨קֶר֙ (laboqer) = elke morgen | מִשְׁפָּ֔ט (mishpat) = recht | וְהַצִּ֥ילוּ (vehatsilu) = en bevrijd | גָז֖וּל (gazul) = beroofde | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | עוֹשֵׁ֑ק (osheq) = onderdrukker | פֶּן (pen) = anders | תֵּצֵ֨א (tetse) = breekt uit | כָאֵ֜שׁ (kaesh) = als vuur | חֲמָתִ֗י (chamati) = Mijn woede | וּבָעֲרָה֙ (uvaara) = en brandt | וְאֵ֣ין (veein) = zonder | מְכַבֶּ֔ה (mekhabe) = blusser | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | רֹ֥עַ (roa) = het kwaad van | מַעַלְלֵיכֶֽם (maalleikhem) = jullie daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דינו לבקר משׁפט (dinu labboqer mishpat), ‘spreek elke morgen recht’: de morgen was in Israël de tijd van de rechtspraak (2 Sam. 15:2; Ps. 101:8). Voetnoot : והצילו גזול מיד עושׁק (vehatsilu gazul miyyad oshéq), ‘bevrijd de beroofde uit de hand van de onderdrukker’: dezelfde woorden staan in Jer. 22:3. Voetnoot : חֵמָה (chemah), ‘woede’. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) מַעַלְלֵיכֶם (ma’allekhem), ‘jullie daden’. De geschreven tekst (ketiv) heeft מעלליהם (ma’alleihem), ‘hun daden’. Zie ook: 2 Sam 15:2; Ps 101:8; Spr 31:8–9; Jes 1:17; Jes 1:31; Jer 4:4; Jer 22:3; Zach 7:9–11 **21:13** **Zie, Ik ben tegen je, bewoonster van het dal, rots op het vlakke land, godsspraak van Yahweh. Tegen jullie die zeggen: „Wie zal tegen ons afdalen? En wie zal onze woningen binnengaan?”** Brontekst: הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | אֵלַ֜יִךְ (elayikh) = tegen je | יֹשֶׁ֧בֶת (yoshevet) = bewoonster van | הָעֵ֛מֶק (haemeq) = het dal | צ֥וּר (tsur) = rots van | הַמִּישֹׁ֖ר (hamishor) = het vlakke land | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הָאֹֽמְרִים֙ (haomerim) = die zeggen | מִֽי (mi) = wie | יֵחַ֣ת (yechat) = zal afdalen | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = tegen ons | וּמִ֥י (umi) = en wie | יָב֖וֹא (yavo) = zal binnengaan | בִּמְעוֹנוֹתֵֽינוּ (bimonoteinu) = in onze woningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ישׁבת העמק צור המישׁר (yoshevet ha’emeq tsur hammishor), ‘bewoonster van het dal, rots op het vlakke land’: een beeld voor Jeruzalem, de stad op de berg. Zij voelt zich zo veilig als een rots, ver boven het dal. Wie precies bedoeld is, is niet helemaal zeker. Voetnoot : מי יחת עלינו ומי יבוא במעונותינו (mi yechat aleinu umi yavo bemo’onoteinu), ‘Wie zal tegen ons afdalen? En wie zal onze woningen binnengaan?’: de zelfverzekerde woorden van de bewoners. Het werkwoord nachat betekent ‘afdalen’. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen ‘wie jaagt ons schrik aan’. Wij volgen de gewone betekenis ‘afdalen’. Zie ook: Ps 125:2; Jer 50:31; Klaagl 4:12; Ob 1:3–4; Ezech 13:8 **21:14** **Ik zal jullie straffen naar de vrucht van jullie daden, godsspraak van Yahweh. Ik steek een vuur aan in haar woud, dat alles om haar heen verteert.’**” Brontekst: וּפָקַדְתִּ֧י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = over jullie | כִּפְרִ֥י (kifri) = de vrucht van | מַעַלְלֵיכֶ֖ם (maalleikhem) = jullie daden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהִצַּ֤תִּי (vehitsati) = en Ik zal aansteken | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | בְּיַעְרָ֔הּ (beyarah) = in haar woud | וְאָכְלָ֖ה (veakhela) = en het zal verteren | כָּל (kal) = alles | סְבִיבֶֽיהָ (seviveiha) = om haar heen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ופקדתי עליכם כפרי מעלליכם (ufaqadti aleikhem kifri ma’alleikhem), ‘Ik zal jullie straffen naar de vrucht van jullie daden’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent hier ‘bezoeken’ met als gevolg straf. Zie ook Jer. 23:2. Voetnoot : ביערה (be’ye’arah), ‘in haar woud’: de stad is een woud, door de vele huizen van cederhout (vergelijk Jer. 22:14–15 en 22:23). Zie ook: Spr 1:31; 2 Kron 36:19; Jes 3:10–11; Jer 17:10; Jer 22:14–15; Jer 22:23; Jer 23:2; Jer 32:19 ## Jeremia 22 _Woorden over de koningen van Juda: Sjallum, Jojakim en Jojachin_ ### Doe recht, anders wordt dit huis een ruïne **22:1** Zo zegt Yahweh: **„Ga naar beneden, naar het huis van de koning van Juda, en spreek daar dit woord.** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | רֵ֖ד (red) = ga naar beneden | בֵּֽית (beit) = huis van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְדִבַּרְתָּ֣ (vedibarta) = en spreek | שָׁ֔ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית מֶלֶךְ יְהוּדָה (beit melekh Yehudah), ‘het huis van de koning van Juda’: het koninklijk paleis in Jeruzalem. Jeremia moet er heen om de koning rechtstreeks aan te spreken. Voetnoot : De aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart. Wat Yahweh daarna zegt tot Jeremia en wat Jeremia in Zijn naam aan de koning moet zeggen, staat rood. Ook de formule ‘Zo zegt Yahweh’ in vers 3 en 6 staat rood, omdat ze midden in Zijn woorden staat. Zie ook: 2 Sam 24:11–12; 2 Kron 25:15–16; 2 Kron 33:10; Hos 5:1; Jer 22:3; Jer 22:6; Jer 34:2 **22:2** **Zeg: Hoor het woord van Yahweh, koning van Juda, die op de troon van David zit. Hoor het, jij, je dienaren en je volk, die door deze poorten binnenkomen.** Brontekst: וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en zeg | שְׁמַ֣ע (shema) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | הַיֹּשֵׁ֖ב (hayoshev) = die zit | עַל (al) = op | כִּסֵּ֣א (kise) = troon van | דָוִ֑ד (david) = David | אַתָּ֤ה (ata) = jij | וַעֲבָדֶ֨יךָ֙ (vaavadeikha) = en je dienaren | וְעַמְּךָ֔ (veamekha) = en je volk | הַבָּאִ֖ים (habaim) = die binnenkomen | בַּשְּׁעָרִ֥ים (bashearim) = door poorten | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 1:10; Jes 9:6; Jer 19:3; Jer 22:4; Luc 1:32 **22:3** **Zo zegt Yahweh: Doe recht en gerechtigheid. Bevrijd de beroofde uit de hand van de onderdrukker. Onderdruk de vreemdeling, de wees en de weduwe niet. Doe geen geweld. Vergiet geen onschuldig bloed op deze plaats.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עֲשׂ֤וּ (asu) = doe | מִשְׁפָּט֙ (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֔ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | וְהַצִּ֥ילוּ (vehatsilu) = en bevrijd | גָז֖וּל (gazul) = beroofde | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | עָשׁ֑וֹק (ashoq) = onderdrukker | וְגֵר֩ (veger) = en de vreemdeling | יָת֨וֹם (yatom) = wees | וְאַלְמָנָ֤ה (vealmana) = en weduwe | אַל (al) = niet | תֹּנוּ֙ (tonu) = onderdruk | אַל (al) = niet | תַּחְמֹ֔סוּ (tachmosu) = doe geweld | וְדָ֣ם (vedam) = en bloed | נָקִ֔י (naqi) = onschuldig | אַֽל (al) = niet | תִּשְׁפְּכ֖וּ (tishpekhu) = vergiet | בַּמָּק֥וֹם (bamaqom) = op plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וגר יתום ואלמנה (vegér yatom ve’almanah), ‘de vreemdeling, de wees en de weduwe’: de drie groepen mensen zonder beschermer. Hun recht staat centraal in Deut. 24:17–21. Voetnoot : ודם נקי (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: het bloed van mensen die niet schuldig zijn aan een misdaad. Zie Deut. 19:10 en Jer. 7:6. Zie ook: Deut 19:10; Deut 24:17–21; Mi 6:8; Jer 7:6; Jer 21:12; Jer 22:17; Ezech 22:7; Jak 1:27 **22:4** **Want als jullie dit woord werkelijk doen, dan zullen koningen die voor David op zijn troon zitten, door de poorten van dit huis binnenkomen. Zij rijden in wagens en op paarden: hij, zijn dienaren en zijn volk.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אִם (im) = als | עָשׂוֹ֙ (aso) = doen | תַּֽעֲשׂ֔וּ (taasu) = zullen jullie doen | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וּבָ֣אוּ (uvau) = dan zullen binnenkomen | בְשַׁעֲרֵ֣י (beshaarei) = door de poorten van | הַבַּ֣יִת (habayit) = het huis | הַזֶּ֡ה (haze) = dit | מְלָכִים֩ (melakhim) = koningen | יֹשְׁבִ֨ים (yoshevim) = die zitten | לְדָוִ֜ד (ledavid) = voor David | עַל (al) = op | כִּסְא֗וֹ (kiso) = zijn troon | רֹֽכְבִים֙ (rokhevim) = rijdend | בָּרֶ֣כֶב (barekhev) = in wagens | וּבַסּוּסִ֔ים (uvasusim) = en op paarden | ה֥וּא (hu) = hij | וַעֲבָדָ֖יו (vaavadav) = en zijn dienaren | וְעַמּֽוֹ (veamo) = en zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לדוד על כסאו (leDavid al kis’o), ‘voor David op zijn troon’: koningen uit het huis van David, die zijn troon bezetten. Dit is de belofte van 2 Sam. 7:16 als het volk gehoorzaamt. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וַעֲבָדָיו (va’avadav), ‘en zijn dienaren’. De geschreven tekst (ketiv) heeft het enkelvoud, ‘en zijn dienaar’. Zie ook: 2 Sam 7:16; Jer 17:25 **22:5** **Maar als jullie niet luisteren naar deze woorden, dan zweer Ik bij Mijzelf, godsspraak van Yahweh, dat dit huis een ruïne zal worden.** Brontekst: וְאִם֙ (veim) = en als | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׁמְע֔וּ (tishmeu) = luisteren jullie | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | בִּ֤י (bi) = bij Mijzelf | נִשְׁבַּ֨עְתִּי֙ (nishbati) = heb Ik gezworen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּי (ki) = dat | לְחָרְבָּ֥ה (lecharba) = tot ruïne | יִֽהְיֶ֖ה (yihye) = zal worden | הַבַּ֥יִת (habayit) = het huis | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נאם יהוה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Jer. 1:8. Voetnoot : בי נשׁבעתי (bi nishba’ti), ‘bij Mijzelf heb Ik gezworen’: zoals in Gen. 22:16. Yahweh zweert bij Zichzelf, omdat niets groters is om bij te zweren. Voetnoot : חָרְבָּה (chorbah), ‘ruïne’: een verwoeste en verlaten plaats. Zie ook: Gen 22:16; Deut 32:40–42; Amos 6:8; Jer 1:8; Jer 17:27; Heb 6:13 **22:6** **Want zo zegt Yahweh over het huis van de koning van Juda: Gilead ben je voor Mij, de top van de Libanon. Toch zal Ik je zeker tot een woestijn maken, tot steden zonder bewoners.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | בֵּית֙ (beit) = huis van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | גִּלְעָ֥ד (gilad) = Gilead | אַתָּ֛ה (ata) = jij | לִ֖י (li) = voor Mij | רֹ֣אשׁ (rosh) = top van | הַלְּבָנ֑וֹן (halevanon) = de Libanon | אִם (im) = zeker | לֹ֤א (lo) = niet | אֲשִֽׁיתְךָ֙ (ashitekha) = zal Ik je maken | מִדְבָּ֔ר (midbar) = tot woestijn | עָרִ֖ים (arim) = steden | לֹ֥א (lo) = niet | נוֹשָֽׁבוּ (noshavu) = bewoond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גלעד אתה לי ראשׁ הלבנון (Gil’ad attah li rosh haLevanon), ‘Gilead ben je voor Mij, de top van de Libanon’: Gilead en de Libanon zijn bergachtige, bosrijke streken. Het paleis is voor Yahweh even kostbaar en indrukwekkend. In 1 Kon. 7:2 heet een deel van Salomo’s paleis ‘het Libanonwoud-huis’. Voetnoot : אם לא (im lo), ‘als niet’: een eedformule. Wij vertalen ‘zeker’. Zie ook: Ps 107:34; 1 Kon 7:2; Jes 6:11; Jes 27:10; Mi 3:12; Jer 9:10 **22:7** **Ik wijd verwoesters tegen je in, ieder met zijn wapens. Zij hakken de beste van je cederen om en laten ze in het vuur vallen.** Brontekst: וְקִדַּשְׁתִּ֥י (veqidashti) = en Ik zal wijden | עָלֶ֛יךָ (aleikha) = tegen je | מַשְׁחִתִ֖ים (mashchitim) = verwoesters | אִ֣ישׁ (ish) = man | וְכֵלָ֑יו (vekhelav) = en zijn wapens | וְכָֽרְתוּ֙ (vekharetu) = en zij zullen omhakken | מִבְחַ֣ר (mivchar) = het beste van | אֲרָזֶ֔יךָ (arazeikha) = je cederen | וְהִפִּ֖ילוּ (vehipilu) = en zij zullen laten vallen | עַל (al) = in | הָאֵֽשׁ (haesh) = het vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וקדשׁתי (veqiddashti), ‘Ik zal wijden’: het werkwoord קָדַשׁ (qadash) betekent ‘heiligen, apart zetten’. Wie een oorlog begon, wijdde de strijd aan zijn god en zette krijgers apart (zie Jer. 6:4 en Jer. 51:27–28). Hier zondert Yahweh Zelf de verwoesters af. Voetnoot : מבחר ארזיך (mivchar arazeikha), ‘het beste van je cederen’: de mooiste balken van het paleis, in het Libanonhout gebouwd. Zie ook: Jes 10:33–34; Jes 13:3–5; Jes 37:24; Jer 4:6–7; Jer 6:4; Jer 51:27–28; Ezech 9:1–7 **22:8** **Veel volken zullen langs deze stad trekken. Zij zullen tegen elkaar zeggen: ‘Waarom heeft Yahweh zo gehandeld met deze grote stad?’** Brontekst: וְעָֽבְרוּ֙ (veaveru) = en zullen trekken | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | עַ֖ל (al) = langs | הָעִ֣יר (hair) = stad | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | וְאָֽמְרוּ֙ (veameru) = en zij zullen zeggen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = tegen | רֵעֵ֔הוּ (reehu) = zijn naaste | עַל (al) = om | מֶ֨ה (me) = wat | עָשָׂ֤ה (asa) = heeft gedaan | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כָּ֔כָה (kakha) = zo | לָעִ֥יר (lair) = met de stad | הַגְּדוֹלָ֖ה (hagedola) = grote | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk de vraag en het antwoord in Deut. 29:23–25 en in 1 Kon. 9:8–9. Voorbijgangers uit vele volken zien de verwoeste stad. Zij begrijpen waarom het gebeurd is. Zie ook: Deut 29:22–25; Deut 29:23–25; 1 Kon 9:8–9; 2 Kron 7:20–22; Klaagl 2:15–17; Dan 9:7 **22:9** **Dan zullen ze zeggen: ‘Omdat zij het verbond van Yahweh, hun Elohim, hebben verlaten. Zij bogen zich neer voor andere goden en dienden hen.’”** Brontekst: וְאָ֣מְר֔וּ (veameru) = en zij zullen zeggen | עַ֚ל (al) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָֽזְב֔וּ (azevu) = zij hebben verlaten | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִ֥ית (berit) = verbond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | וַיִּֽשְׁתַּחֲו֛וּ (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לֵאלֹהִ֥ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | וַיַּעַבְדֽוּם (vayaavdum) = en dienden hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 22:17; 2 Kron 34:25; Jer 2:17–19; Jer 40:2–3; Jer 50:7 ### Over Sjallum **22:10** Huil niet om de dode en rouw niet om hem. Huil, huil om wie weggaat, want hij zal niet meer terugkeren. Hij zal het land van zijn geboorte niet meer zien. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּבְכּ֣וּ (tivku) = huil | לְמֵ֔ת (lemet) = om de dode | וְאַל (veal) = en niet | תָּנֻ֖דוּ (tanudu) = rouw | ל֑וֹ (lo) = om hem | בְּכ֤וּ (bekhu) = huil | בָכוֹ֙ (bakho) = huil | לַֽהֹלֵ֔ךְ (laholekh) = om wie weggaat | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יָשׁוּב֙ (yashuv) = zal hij terugkeren | ע֔וֹד (od) = meer | וְרָאָ֖ה (veraa) = en zien | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מוֹלַדְתּֽוֹ (moladto) = zijn geboorte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואל תנדו לו (ve’al tanudu lo), ‘en rouw niet om hem’: het werkwoord נוּד (nud) betekent ‘het hoofd schudden’ of ‘medeleven tonen’. Voetnoot : De man die weggaat, wordt in vers 11 genoemd. Voetnoot : Dit vers is een oproep zonder aanhef van Yahweh. Wij nemen het als woorden van de profeet en zetten het zwart. De woorden van Yahweh in vers 11–12 staan rood. Zie ook: Pred 4:2; 2 Kon 22:20; Jes 57:1; Jer 22:11; Klaagl 4:9 **22:11** Want zo zegt Yahweh over Sjallum, de zoon van Josia, de koning van Juda. Hij werd koning in plaats van zijn vader Josia en is uit deze plaats weggegaan: **„Hij zal daar niet meer terugkeren.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָֽמַר (amar) = zegt | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | שַׁלֻּ֨ם (shalum) = Sjallum | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֜הוּ (yoshiyahu) = Josia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | הַמֹּלֵךְ֙ (hamolekh) = die koning werd | תַּ֚חַת (tachat) = in plaats van | יֹאשִׁיָּ֣הוּ (yoshiyahu) = Josia | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָצָ֖א (yatsa) = is weggegaan | מִן (min) = uit | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | לֹֽא (lo) = niet | יָשׁ֥וּב (yashuv) = zal hij terugkeren | שָׁ֖ם (sham) = daar | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁלם (Shallum), ‘Sjallum’: de naam van Josia’s zoon die na hem koning werd. Dit is dezelfde man als Joachaz in 2 Kon. 23:30–34. Hij regeerde drie maanden en Farao Necho voerde hem naar Egypte. In 1 Kron. 3:15 staat hij ook als Sallum. Voetnoot : מֵהַמָּקוֹם הַזֶּה (min hammaqom hazzeh), ‘uit deze plaats’: uit Jeruzalem. Zie ook: 1 Kron 3:15; 2 Kon 23:30–34; 2 Kon 23:31; 2 Kon 23:34; 2 Kron 34:22; 2 Kron 36:1–4 **22:12** **Want op de plaats waarheen zij hem in ballingschap hebben gevoerd, zal hij sterven. Dit land zal hij niet meer zien.”** Brontekst: כִּ֗י (ki) = want | בִּמְק֛וֹם (bimqom) = op plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | הִגְל֥וּ (higlu) = zij hebben in ballingschap gevoerd | אֹת֖וֹ (oto) = hem | שָׁ֣ם (sham) = daar | יָמ֑וּת (yamut) = zal hij sterven | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | לֹֽא (lo) = niet | יִרְאֶ֥ה (yire) = zal hij zien | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 23:34; Jer 22:18 ### Over Jojakim **22:13** **„Wee wie zijn huis bouwt zonder gerechtigheid en zijn bovenzalen zonder recht, die zijn naaste voor niets laat werken en hem zijn loon niet geeft,** Brontekst: ה֣וֹי (hoy) = wee | בֹּנֶ֤ה (bone) = wie bouwt | בֵיתוֹ֙ (beito) = zijn huis | בְּֽלֹא (belo) = zonder | צֶ֔דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | וַעֲלִיּוֹתָ֖יו (vaaliyotav) = en zijn bovenzalen | בְּלֹ֣א (belo) = zonder | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | בְּרֵעֵ֨הוּ֙ (bereehu) = zijn naaste | יַעֲבֹ֣ד (yaavod) = laat werken | חִנָּ֔ם (chinam) = voor niets | וּפֹעֲל֖וֹ (ufoalo) = en zijn loon | לֹ֥א (lo) = niet | יִתֶּן (yiten) = geeft | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוי (hoy), ‘wee’: de roep van een klaagzang of een bedreiging. Voetnoot : ועליותיו (aliyyotav), ‘zijn bovenzalen’: kamers op de verdieping van het paleis. Voetnoot : Het loon van een arbeider moet nog dezelfde dag betaald worden (Lev. 19:13; Deut. 24:14–15). Voetnoot : Vanaf hier tot vers 17 gaat het over Jojakim; zijn naam komt pas in vers 18. Wij laten de verzen rood, omdat Yahweh in vers 16 spreekt (‘Mij kennen’) en het stuk eindigt met ‘godsspraak van Yahweh’. Zie ook: Lev 19:13; Deut 24:14–15; Mi 3:10; Jer 22:16; Jer 22:17; Jer 22:18; Mal 3:5; Jak 5:4 **22:14** **die zegt: ‘Ik bouw mij een huis van grote maten, met ruime bovenzalen.’ Hij breekt ramen voor zich open, betimmert het met cederhout en verft het rood.** Brontekst: הָאֹמֵ֗ר (haomer) = die zegt | אֶבְנֶה (evne) = ik zal bouwen | לִּי֙ (li) = voor mij | בֵּ֣ית (beit) = huis | מִדּ֔וֹת (midot) = van grote maten | וַעֲלִיּ֖וֹת (vaaliyot) = en bovenzalen | מְרֻוָּחִ֑ים (meruvachim) = ruime | וְקָ֤רַֽע (veqara) = en hij breekt open | לוֹ֙ (lo) = voor zich | חַלּוֹנָ֔י (chalonay) = ramen | וְסָפ֣וּן (vesafun) = en betimmerd | בָּאָ֔רֶז (baarez) = met ceder | וּמָשׁ֖וֹחַ (umashoach) = en geverfd | בַּשָּׁשַֽׁר (bashashar) = met rode verf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בית מדות (bayit middot), ‘huis van grote maten’: een groot huis. Voetnoot : בשׁשׁר (bashashar), ‘met rode verf’: שָׁשַׁר (shashar) is een rode kleurstof, waarschijnlijk rode oker of menie. Zie ook Ezech. 23:14, waar hetzelfde woord voor ‘rode verf’ staat. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : In vers 18 blijkt dat het om Jojakim gaat. Zie ook: 2 Sam 7:2; Jes 5:8–9; Jes 9:8; Jer 22:18; Ezech 23:14; Hag 1:4; Mal 1:4 **22:15** **Ben je koning omdat je met cederhout wedijvert? Je vader at en dronk toch ook? Hij deed recht en gerechtigheid. Toen ging het hem goed.** Brontekst: הֲתִֽמְלֹ֔ךְ (hatimlokh) = ben jij koning | כִּ֥י (ki) = omdat | אַתָּ֖ה (ata) = jij | מְתַחֲרֶ֣ה (metachare) = wedijvert | בָאָ֑רֶז (baarez) = met ceder | אָבִ֜יךָ (avikha) = je vader | הֲל֧וֹא (halo) = niet | אָכַ֣ל (akhal) = at | וְשָׁתָ֗ה (veshata) = en dronk | וְעָשָׂ֤ה (veasa) = en deed | מִשְׁפָּט֙ (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֔ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | אָ֖ז (az) = toen | ט֥וֹב (tov) = goed | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מתחרה (mitchareh), ‘je wedijvert’: het werkwoord kan ook ‘je jaagt na’ of ‘je strijdt’ betekenen. Koningschap bestaat uit recht doen, niet uit meer cederhout dan de ander hebben. Voetnoot : Josia, de vader van Jojakim, deed recht (2 Kon. 22:2; 23:25). Hij at en dronk gewoon en het ging hem goed. Zie ook: Spr 25:5; Spr 29:4; Pred 10:17; 2 Kon 22:2; 2 Kon 23:25; Jes 3:10 **22:16** **Hij sprak recht voor de ellendige en de arme. Toen ging het goed. Is dat niet Mij kennen? Godsspraak van Yahweh.** Brontekst: דָּ֛ן (dan) = hij sprak | דִּין (din) = recht voor | עָנִ֥י (ani) = de ellendige | וְאֶבְי֖וֹן (veevyon) = en de arme | אָ֣ז (az) = toen | ט֑וֹב (tov) = goed | הֲלוֹא (halo) = niet | הִ֛יא (hi) = dat | הַדַּ֥עַת (hadaat) = het kennen | אֹתִ֖י (oti) = van Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: היא הדעת אתי (hi hadda’at oti), ‘dat is Mij kennen’: wie het recht van de ellendige en de arme verdedigt, kent Yahweh. Kennis van Yahweh is hier een daad, geen weten. Voetnoot : עָנִי (ani), ‘de ellendige’, en אֶבְיוֹן (evyon), ‘de arme’. Zie ook: Ps 72:12–13; Jes 1:17; Jer 9:23; Tit 1:16; 1 Joh 2:3–4 **22:17** **Maar je ogen en je hart zijn nergens op gericht dan op je winst. Zij zijn gericht op het vergieten van onschuldig bloed, op onderdrukking en op geweld, om dat te doen.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = maar | אֵ֤ין (ein) = geen | עֵינֶ֨יךָ֙ (eineikha) = je ogen | וְלִבְּךָ֔ (velibekha) = en je hart | כִּ֖י (ki) = dan | אִם (im) = (behalve) | עַל (al) = op | בִּצְעֶ֑ךָ (bitsekha) = je winst | וְעַ֤ל (veal) = en op | דַּֽם (dam) = bloed | הַנָּקִי֙ (hanaqi) = onschuldig | לִשְׁפּ֔וֹךְ (lishpokh) = om te vergieten | וְעַל (veal) = en op | הָעֹ֥שֶׁק (haosheq) = de onderdrukking | וְעַל (veal) = en op | הַמְּרוּצָ֖ה (hamerutsa) = het geweld | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = om te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: המרוצה (hammeritsah), ‘geweld’: van het werkwoord רוּץ (ruts), ‘rennen’. Het woord komt alleen hier voor. Het betekent waarschijnlijk ‘gewelddadig optreden’. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : בֶּצַע (betsa), ‘winst’: gewin dat met oneerlijkheid wordt verkregen. Zie ook: Ps 10:3; 2 Kon 24:4; Jer 22:3; Ezech 19:6; 2 Petr 2:14 **22:18** Daarom, zo zegt Yahweh over Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: **„Men zal niet om hem rouwen: ‘Ach, mijn broer!’ en ‘Ach, zuster!’ Men zal niet om hem rouwen: ‘Ach, heer!’ en ‘Ach, zijn majesteit!’** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | יְהוֹיָקִ֤ים (yehoyaqim) = Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֨הוּ֙ (yoshiyahu) = Josia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | לֹא (lo) = niet | יִסְפְּד֣וּ (yispedu) = zal men rouwen | ל֔וֹ (lo) = om hem | ה֥וֹי (hoy) = ach | אָחִ֖י (achi) = mijn broer | וְה֣וֹי (vehoy) = en ach | אָח֑וֹת (achot) = zuster | לֹא (lo) = niet | יִסְפְּד֣וּ (yispedu) = zal men rouwen | ל֔וֹ (lo) = om hem | ה֥וֹי (hoy) = ach | אָד֖וֹן (adon) = heer | וְה֥וֹי (vehoy) = en ach | הֹדֹֽה (hodo) = zijn majesteit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוי (hoy), ‘ach’: hetzelfde woord als ‘wee’ in vers 13, hier als kreet van rouw. Voetnoot : הדה (hadah), ‘zijn majesteit’: het woord is verwant aan הוֹד (hod), ‘glans, majesteit’. De klaagroepen voor een koning waren bekend; Jojakim krijgt ze niet. Zie ook: 2 Sam 1:26; 1 Kon 13:30; Jer 16:4; Jer 16:6; Jer 22:10; Jer 22:13 **22:19** **Hij zal begraven worden zoals een ezel wordt begraven: weggesleept en weggeworpen, buiten de poorten van Jeruzalem.”** Brontekst: קְבוּרַ֥ת (qevurat) = begrafenis van | חֲמ֖וֹר (chamor) = ezel | יִקָּבֵ֑ר (yiqaver) = zal hij worden begraven | סָח֣וֹב (sachov) = weggesleept | וְהַשְׁלֵ֔ךְ (vehashlekh) = en weggeworpen | מֵהָ֖לְאָה (mehalea) = buiten | לְשַׁעֲרֵ֥י (leshaarei) = de poorten van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: קבורת חמור יקבר (qevurat chamor yiqqaver), ‘Hij zal begraven worden zoals een ezel wordt begraven’: hij krijgt geen begrafenis, het lijk wordt buiten de stad gesleept en weggegooid. Zie ook Jer. 36:30. In 2 Kon. 24:6 staat alleen dat Jojakim ‘bij zijn vaderen ging liggen’. Wij laten de tekst staan en trekken geen conclusies. Zie ook: 1 Kon 14:10; 1 Kon 21:23–24; 2 Kon 9:35; 2 Kon 24:6; Jer 36:6; Jer 36:30 ### Jeruzalem kermt **22:20** **„Klim op de Libanon en schreeuw. Laat in Basan je stem horen. Schreeuw vanaf de Abarim, want al je minnaars zijn gebroken.** Brontekst: עֲלִ֤י (ali) = klim op | הַלְּבָנוֹן֙ (halevanon) = de Libanon | וּֽצְעָ֔קִי (utseaqi) = en schreeuw | וּבַבָּשָׁ֖ן (uvabashan) = en in Basan | תְּנִ֣י (teni) = geef | קוֹלֵ֑ךְ (qolekh) = je stem | וְצַֽעֲקִי֙ (vetsaaqi) = en schreeuw | מֵֽעֲבָרִ֔ים (meavarim) = vanaf de Abarim | כִּ֥י (ki) = want | נִשְׁבְּר֖וּ (nishberu) = zijn gebroken | כָּל (kal) = al | מְאַהֲבָֽיִךְ (meahavayikh) = je minnaars Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië. Voetnoot Uitleg: De Libanon, Basan en de Abarim liggen ten noorden en ten oosten van het land. Vanaf de hoogten ziet Jeruzalem haar bondgenoten (‘minnaars’) vernietigd worden. De Abarim zijn het bergland ten oosten van de Jordaan (Num. 27:12). Voetnoot : Het Hebreeuws spreekt een vrouw aan (Jeruzalem). Wij zetten vers 20–23 rood, omdat Yahweh in vers 21 in de eerste persoon spreekt. Zie ook: Num 27:12; Jer 2:36–3:1; Jer 22:21; Jer 25:17–27; Klaagl 1:2; Ezech 23:22 **22:21** **Ik sprak tot je toen je zorgeloos was. Je zei: ‘Ik zal niet luisteren.’ Zo was je weg van jongs af aan, want je hebt niet naar Mijn stem geluisterd.** Brontekst: דִּבַּ֤רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | אֵלַ֨יִךְ֙ (elayikh) = tot je | בְּשַׁלְוֺתַ֔יִךְ (beshalvotayikh) = in je zorgeloosheid | אָמַ֖רְתְּ (amart) = je zei | לֹ֣א (lo) = niet | אֶשְׁמָ֑ע (eshma) = zal Ik luisteren | זֶ֤ה (ze) = dit | דַרְכֵּךְ֙ (darkekh) = je weg | מִנְּעוּרַ֔יִךְ (mineurayikh) = van jongs af | כִּ֥י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | שָׁמַ֖עַתְּ (shamaat) = heb je geluisterd | בְּקוֹלִֽי (beqoli) = naar Mijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בשׁלותיך (beshalvotaikh), ‘in je zorgeloosheid’: toen het je goed ging en je je veilig voelde. Zie ook: Jes 48:8; Jer 3:25; Jer 7:22–28; Jer 32:30; Ezech 23:3–39 **22:22** **Al je herders zal de wind weiden, en je minnaars gaan in gevangenschap. Dan zul je beschaamd zijn en vernederd om al je kwaad.** Brontekst: כָּל (kal) = al | רֹעַ֨יִךְ֙ (roayikh) = je herders | תִּרְעֶה (tire) = zal weiden | ר֔וּחַ (ruach) = wind | וּֽמְאַהֲבַ֖יִךְ (umeahavayikh) = en je minnaars | בַּשְּׁבִ֣י (bashevi) = in gevangenschap | יֵלֵ֑כוּ (yelekhu) = zullen gaan | כִּ֣י (ki) = want | אָ֤ז (az) = dan | תֵּבֹ֨שִׁי֙ (tevoshi) = zul je beschaamd zijn | וְנִכְלַ֔מְתְּ (venikhlamt) = en vernederd | מִכֹּ֖ל (mikol) = om al | רָעָתֵֽךְ (raatekh) = je kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רעיך (re’ayikh), ‘je herders’: een woordspeling. De medeklinkers kunnen ook ‘je vrienden’ (de bondgenoten) betekenen. De wind ‘weidt’ de herders: wat zij te bieden hebben, verdwijnt als wind. Wij vertalen ‘je herders’. Zie ook: Hos 13:15; Jer 5:30–31; Jer 10:21; Ezech 34:2–10; Zach 11:17 **22:23** **Jij die op de Libanon woont, die nestelt in de cederen. Hoe zul je kreunen wanneer de weeën je overkomen, pijn als van een barende vrouw.”** Brontekst: יֹשַׁבְתְּ֙ (yoshavt) = jij die woont | בַּלְּבָנ֔וֹן (balevanon) = op de Libanon | מְקֻנַּ֖נְתְּ (mequnant) = die nestelt | בָּֽאֲרָזִ֑ים (baarazim) = in de cederen | מַה (ma) = hoe | נֵּחַנְתְּ֙ (nechant) = zul je kreunen | בְּבֹא (bevo) = wanneer komen | לָ֣ךְ (lakh) = over je | חֲבָלִ֔ים (chavalim) = weeën | חִ֖יל (chil) = pijn | כַּיֹּלֵדָֽה (kayoleda) = als van een barende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נחנת (nechant), ‘zul je kreunen’: de betekenis is niet helemaal zeker. Het werkwoord kan ook ‘hoe zul je beklaagd worden’ betekenen. Voetnoot : מְקֻנַּנְתְּ (mequnnant), ‘die nestelt’: in de cederen van het paleis als vogels in hun nest. Zie ook: Amos 9:2; Jer 4:30–31; Jer 6:24; Jer 22:6; Jer 48:28 ### Over Jojachin **22:24** **„Zo waar Ik leef, godsspraak van Yahweh. Ook al was Jojachin, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring aan Mijn rechterhand, toch zou Ik je daar vandaan rukken.** Brontekst: חַי (chay) = levend | אָנִי֮ (ani) = ben Ik | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | כִּ֣י (ki) = ook | אִם (im) = al | יִהְיֶ֞ה (yihye) = was | כָּנְיָ֤הוּ (kaneyahu) = Jojachin | בֶן (ben) = zoon van | יְהֽוֹיָקִים֙ (yehoyaqim) = Jojakim | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | חוֹתָ֖ם (chotam) = zegelring | עַל (al) = aan | יַ֣ד (yad) = hand | יְמִינִ֑י (yemini) = Mijn rechter | כִּ֥י (ki) = toch | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | אֶתְּקֶֽנְךָּ (eteqenka) = zou Ik je rukken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כניהו (Konyahu), ‘Jojachin’: in de Hebreeuwse tekst staat hier de korte vorm Konjahu. Het is dezelfde koning als Jojachin in 2 Kon. 24:6. In Jer. 24:1 heet hij יְכָנְיָהוּ (Yekhonyahu), in Jer. 52:31 יְהוֹיָכִין (Yehoyakhin). Wij schrijven overal ‘Jojachin’. Hij was drie maanden koning en werd in 597 voor Christus naar Babel gevoerd (2 Kon. 24:8–15). Voetnoot : חותם (chotam), ‘zegelring’: een ring waarmee een koning zijn brieven verzegelde. Het is het teken van het gezag van de koning. Zie ook Hagg. 2:23. Voetnoot : חי אני (chay ani), ‘zo waar Ik leef’: Yahweh zweert bij Zijn eigen leven. Zie Num. 14:21 en Jes. 49:18. Zie ook: Num 14:21; 1 Kron 3:16; Hoogl 8:6; 2 Kon 24:6–8; 2 Kon 24:8–15; Jes 49:18; Jer 24:1; Jer 37:1; Jer 52:31; Hag 2:23 **22:25** **Ik lever je over in de hand van wie je leven zoeken en in de hand van hen voor wie je bang bent. Ik lever je over in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en in de hand van de Chaldeeën.** Brontekst: וּנְתַתִּ֗יךָ (unetatikha) = en Ik zal je geven | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | מְבַקְשֵׁ֣י (mevaqshei) = zoekers van | נַפְשֶׁ֔ךָ (nafshekha) = je leven | וּבְיַ֛ד (uveyad) = en in de hand van | אֲשֶׁר (asher) = die | אַתָּ֥ה (ata) = jij | יָג֖וֹר (yagor) = bang bent | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = voor hen | וּבְיַ֛ד (uveyad) = en in de hand van | נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וּבְיַ֥ד (uveyad) = en in de hand van | הַכַּשְׂדִּֽים (hakasdim) = de Chaldeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Nebukadnezar voerde Jojachin in 597 voor Christus naar Babel (2 Kon. 24:12–15). Zie ook: 2 Kon 24:12–15; 2 Kon 24:15–16; Jer 21:7; Jer 22:28; Jer 34:20–21; Jer 38:16 **22:26** **Ik werp jou en je moeder, die je gebaard heeft, naar een ander land, waar jullie niet geboren zijn. Daar zullen jullie sterven.** Brontekst: וְהֵֽטַלְתִּ֣י (vehetalti) = en Ik zal werpen | אֹתְךָ֗ (otekha) = jou | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | אִמְּךָ֙ (imekha) = je moeder | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יְלָדַ֔תְךָ (yeladatkha) = je gebaard heeft | עַ֚ל (al) = naar | הָאָ֣רֶץ (haarets) = een land | אַחֶ֔רֶת (acheret) = ander | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | לֹֽא (lo) = niet | יֻלַּדְתֶּ֖ם (yuladtem) = jullie geboren zijn | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְשָׁ֖ם (vesham) = en daar | תָּמֽוּתוּ (tamutu) = zullen jullie sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De moeder is de koningin-moeder Nechusjta (2 Kon. 24:8, 24:12, 24:15; Jer. 13:18; 29:2). Zij werd met haar zoon weggevoerd. Zie ook: 2 Kon 24:8; 2 Kon 24:12; 2 Kon 24:15; Jes 22:17; Jer 13:18; Jer 15:2–4; Jer 29:2; Ezech 19:9–14 **22:27** **En naar het land waarnaar zij zo verlangen terug te keren: daarheen zullen zij niet terugkeren.”** Brontekst: וְעַל (veal) = en naar | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = waarnaar | הֵ֛ם (hem) = zij | מְנַשְּׂאִ֥ים (menaseim) = verlangen | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשָׁ֖ם (nafsham) = hun ziel | לָשׁ֣וּב (lashuv) = om terug te keren | שָׁ֑ם (sham) = daar | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לֹ֥א (lo) = niet | יָשֽׁוּבוּ (yashuvu) = zullen zij terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מנשׂאים את נפשׁם (menassim et nafsham), ‘waarnaar zij verlangen’: letterlijk ‘zij tillen hun ziel op’. Zie ook: Ps 86:4; 2 Kon 25:27–30; Jer 22:11; Jer 44:14; Jer 52:31–34 **22:28** Is deze man Jojachin een veracht, stukgeslagen vat? Of een voorwerp waaraan niemand behagen heeft? Waarom zijn hij en zijn nageslacht weggeworpen, neergeworpen in een land dat zij niet kennen? Brontekst: הַעֶ֨צֶב (haetsev) = is een vat | נִבְזֶ֜ה (nivze) = veracht | נָפ֗וּץ (nafuts) = stukgeslagen | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | הַזֶּה֙ (haze) = deze | כָּנְיָ֔הוּ (kaneyahu) = Jojachin | אִ֨ם (im) = of | כְּלִ֔י (keli) = voorwerp | אֵ֥ין (ein) = geen | חֵ֖פֶץ (chefets) = behagen | בּ֑וֹ (bo) = in hem | מַדּ֤וּעַ (madua) = waarom | הֽוּטֲלוּ֙ (hutalu) = zijn zij weggeworpen | ה֣וּא (hu) = hij | וְזַרְע֔וֹ (vezaro) = en zijn nageslacht | וְהֻ֨שְׁלְכ֔וּ (vehushlekhu) = en neergeworpen | עַל (al) = in | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יָדָֽעוּ (yadau) = zij kennen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: העצב (ha’etsev), ‘is een vat’: het woord עֶצֶב (etsev) komt weinig voor. Het is waarschijnlijk een aarden voorwerp, een pot of beeld. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : נפוץ (nafuts), ‘stukgeslagen’: een vat dat stukgeslagen is, is waardeloos. Zie ook: 1 Kron 3:17–24; Ps 31:13; Hos 8:8; Jer 22:30; Jer 48:38 ### Land, land, land **22:29** Land, land, land, hoor het woord van Yahweh! Brontekst: אֶ֥רֶץ (erets) = land | אֶ֖רֶץ (erets) = land | אָ֑רֶץ (arets) = land | שִׁמְעִ֖י (shimi) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ארץ ארץ ארץ (erets erets erets), ‘land, land, land’: de drievoudige herhaling (vergelijk Jes. 6:3) benadrukt de oproep. De profeet roept het hele land op. Dit vers is een uitroep van de profeet en staat zwart. Zie ook: Deut 32:1; Jes 1:1–2; Jes 6:3; Mi 1:2; Mi 6:1–2; Jer 6:19 **22:30** Zo zegt Yahweh: **„Schrijf deze man op als kinderloos, een man die in zijn dagen niet zal slagen. Want niemand van zijn nageslacht zal slagen: niemand die op de troon van David zit en nog over Juda heerst.”** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כִּתְב֞וּ (kitvu) = schrijf op | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | הַזֶּה֙ (haze) = deze | עֲרִירִ֔י (ariri) = kinderloos | גֶּ֖בֶר (gever) = man | לֹא (lo) = niet | יִצְלַ֣ח (yitslach) = zal slagen | בְּיָמָ֑יו (beyamav) = in zijn dagen | כִּי֩ (ki) = want | לֹ֨א (lo) = niet | יִצְלַ֜ח (yitslach) = zal slagen | מִזַּרְע֗וֹ (mizaro) = van zijn nageslacht | אִ֚ישׁ (ish) = niemand | יֹשֵׁב֙ (yoshev) = die zit | עַל (al) = op | כִּסֵּ֣א (kise) = troon van | דָוִ֔ד (david) = David | וּמֹשֵׁ֥ל (umoshel) = en heerst | ע֖וֹד (od) = nog | בִּיהוּדָֽה (bihuda) = over Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ערירי (ariri), ‘kinderloos’: Jojachin had volgens 1 Kron. 3:17–18 zonen. Hier betekent het dat niemand van hen koning van Juda zal worden. Voetnoot : De woorden van Yahweh vanaf ‘Schrijf deze man op’ staan rood. Zie ook: 1 Kron 3:17–18; Ps 94:20; Jer 10:21; Jer 36:30; Mat 1:11–16; Luc 1:32–33 ## Jeremia 23 _Herders, de spruit van David en de valse profeten; de last van Yahweh_ ### Wee de herders **23:1** **„Wee de herders die de kudde van Mijn weide laten omkomen en verstrooien, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: ה֣וֹי (hoy) = wee | רֹעִ֗ים (roim) = herders | מְאַבְּדִ֧ים (meabedim) = die laten omkomen | וּמְפִצִ֛ים (umefitsim) = en die verstrooien | אֶת (et) = (obj.) | צֹ֥אן (tson) = kudde van | מַרְעִיתִ֖י (mariti) = Mijn weide | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נאם יהוה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Jer. 1:8. Voetnoot : רֹעִים (ro’im), ‘herders’: in het Oude Nabije Oosten een beeld voor koningen en leiders. Zie ook Jer. 2:8 en 10:21. Voetnoot : מַרְעִיתִי (mar’iti), ‘Mijn weide’: het land en het volk waarvoor Yahweh zorgt. Zie Ps. 100:3. Zie ook: Ps 100:3; Jer 1:8; Jer 2:8; Jer 10:21; Ezech 13:3; Ezech 34:2–10; Zach 11:15–17; Mat 9:36 **23:2** Daarom, zo zegt Yahweh, Elohim van Israël, over de herders die Mijn volk weiden: **„Jullie hebben Mijn kudde verstrooid en verdreven. Jullie hebben niet naar hen omgezien. Zie, Ik zal jullie straffen voor het kwaad van jullie daden, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: לָ֠כֵן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | עַֽל (al) = over | הָרֹעִים֮ (haroim) = de herders | הָרֹעִ֣ים (haroim) = die weiden | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּי֒ (ami) = Mijn volk | אַתֶּ֞ם (atem) = jullie | הֲפִצֹתֶ֤ם (hafitsotem) = hebben verstrooid | אֶת (et) = (obj.) | צֹאנִי֙ (tsoni) = Mijn kudde | וַתַּדִּח֔וּם (vatadichum) = en jullie hebben hen verdreven | וְלֹ֥א (velo) = en niet | פְקַדְתֶּ֖ם (peqadtem) = zijn jullie omgezien | אֹתָ֑ם (otam) = naar hen | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | פֹקֵ֧ד (poqed) = straf | עֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = over jullie | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֥עַ (roa) = het kwaad van | מַעַלְלֵיכֶ֖ם (maalleikhem) = jullie daden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פקדתם (peqadtem), ‘jullie hebben omgezien’, en פקד (poqed), ‘Ik straf’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘kijken naar, zorgen voor’ en ook ‘ter verantwoording roepen, straffen’. Hier staat het twee keer vlak achter elkaar. De herders hebben niet naar de kudde omgezien. Nu ziet Yahweh naar hen om, tot straf. Zie ook Jer. 21:14. Zie ook: Ex 32:34; Mi 7:4; Jer 5:9; Jer 21:12; Jer 21:14; Jer 23:34 **23:3** **Ik zelf zal de overgeblevenen van Mijn kudde verzamelen uit alle landen waarheen Ik hen heb verdreven. Ik breng hen terug naar hun weide, en zij zullen vruchtbaar zijn en talrijk worden.** Brontekst: וַאֲנִ֗י (vaani) = en Ik zelf | אֲקַבֵּץ֙ (aqabets) = zal verzamelen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = de overgeblevenen van | צֹאנִ֔י (tsoni) = Mijn kudde | מִכֹּל֙ (mikol) = uit alle | הָאֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = landen | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | הִדַּ֥חְתִּי (hidachti) = heb Ik verdreven | אֹתָ֖ם (otam) = hen | שָׁ֑ם (sham) = daar | וַהֲשִׁבֹתִ֥י (vahashivoti) = en Ik zal terugbrengen | אֶתְהֶ֛ן (ethen) = hen | עַל (al) = naar | נְוֵהֶ֖ן (nevehen) = hun weide | וּפָר֥וּ (ufaru) = en zij zullen vruchtbaar zijn | וְרָבֽוּ (veravu) = en talrijk worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁארית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: wie van de kudde overblijft. Voetnoot : נוהן (nevehen), ‘hun weide’: de plaats waar de kudde graast en rust. Zie ook: Amos 9:14–15; Jes 43:5–6; Jer 29:14; Jer 30:3; Jer 32:37 **23:4** **Ik stel herders over hen aan die hen weiden. Zij zullen niet meer bang zijn, niet schrikken en niet gemist worden, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וַהֲקִמֹתִ֧י (vahaqimoti) = en Ik zal aanstellen | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = over hen | רֹעִ֖ים (roim) = herders | וְרָע֑וּם (veraum) = en zij zullen hen weiden | וְלֹא (velo) = en niet | יִֽירְא֨וּ (yireu) = zullen zij vrezen | ע֧וֹד (od) = meer | וְלֹא (velo) = en niet | יֵחַ֛תּוּ (yechatu) = zullen zij schrikken | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִפָּקֵ֖דוּ (yipaqedu) = zullen zij gemist worden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יפקדו (yippaqedu), ‘zij zullen gemist worden’: ook dit is het werkwoord פָּקַד (paqad). Hier betekent het dat niemand van de kudde zoek is. Zie ook: Mi 5:1; Mi 5:3–4; Jer 3:14–15; Hand 20:28–29; 1 Petr 1:5 ### Een rechtvaardige spruit voor David **23:5** **„Zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, en Ik zal voor David een rechtvaardige spruit doen opstaan. Hij zal als koning regeren, wijs handelen en recht en gerechtigheid doen in het land.** Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | יָמִ֤ים (yamim) = dagen | בָּאִים֙ (baim) = komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַהֲקִמֹתִ֥י (vahaqimoti) = en Ik zal doen opstaan | לְדָוִ֖ד (ledavid) = voor David | צֶ֣מַח (tsemach) = spruit | צַדִּ֑יק (tsadiq) = rechtvaardige | וּמָ֤לַךְ (umalakh) = en koning | מֶ֨לֶךְ֙ (melekh) = zal als koning regeren | וְהִשְׂכִּ֔יל (vehiskil) = en wijs handelen | וְעָשָׂ֛ה (veasa) = en doen | מִשְׁפָּ֥ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֖ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צמח צדיק (tsemach tsaddiq), ‘rechtvaardige spruit’: tsemach is wat uit de grond opschiet, een scheut. Het woord staat in Jes. 4:2 voor de ‘spruit van Yahweh’ en in Jer. 33:15 voor dezelfde belofte. Het is een koninklijke titel voor de nakomeling van David. Voetnoot : ומלך מלך (umelekh melekh), ‘Hij zal als koning regeren’: het werkwoord wordt herhaald om de nadruk. Voetnoot : והשׂכיל (vehiskil), ‘wijs handelen’: het werkwoord שָׂכַל (sakhal) betekent ‘inzicht hebben’ en ‘slagen’. Beide klinken mee. Voetnoot : De belofte van Jer. 23:5–6 staat ook in Jer. 33:15–16. Zie ook: Jes 4:2; Jes 9:6; Jes 52:13; Jer 33:15; Zach 6:12–13; Luc 1:32–33 **23:6** **In zijn dagen zal Juda gered worden en zal Israël veilig wonen. Dit is de naam waarmee men hem zal noemen: Yahweh onze gerechtigheid.** Brontekst: בְּיָמָיו֙ (beyamav) = in zijn dagen | תִּוָּשַׁ֣ע (tivasha) = zal gered worden | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | יִשְׁכֹּ֣ן (yishkon) = zal wonen | לָבֶ֑טַח (lavetach) = veilig | וְזֶה (veze) = en dit | שְּׁמ֥וֹ (shemo) = zijn naam | אֲֽשֶׁר (asher) = waarmee | יִקְרְא֖וֹ (yiqreo) = men hem zal noemen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צִדְקֵֽנוּ (tsidqenu) = onze gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יהוה צדקנו (Yahweh tsidqenu), ‘Yahweh onze gerechtigheid’: de naam waarmee men de spruit zal noemen. Dat doet denken aan de naam van koning Zedekia, צִדְקִיָּהוּ (Tsidqiyahu), ‘Yahweh is mijn gerechtigheid’. Zie ook Jer. 33:16. Voetnoot : תושׁע (toshaa), ‘zal gered worden’: het werkwoord יָשַׁע (yasha) is dat van ‘redden’. Zie ook: Jes 54:17; Jer 33:16; Mat 1:21–23; 1 Kor 1:30; Fil 3:9 **23:7** **Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat men niet meer zal zeggen: ‘Zo waar Yahweh leeft, die de zonen van Israël uit het land Egypte heeft laten optrekken’,** Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | הִנֵּֽה (hine) = zie | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | בָּאִ֖ים (baim) = komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹא (velo) = en niet | יֹ֤אמְרוּ (yomru) = zal men zeggen | עוֹד֙ (od) = meer | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | הֶעֱלָ֛ה (heela) = heeft laten optrekken | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit vers en het volgende staan bijna woordelijk ook in Jer. 16:14–15. De uittocht uit Egypte (Exod. 14) blijft belangrijk, maar de terugkeer uit alle landen zal nog groter zijn. Voetnoot : חי יהוה (chay Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eedformule. Zie ook: Jes 43:18–19; Jer 16:14–15; Jer 23:3; Jer 31:31–34 **23:8** **maar: ‘Zo waar Yahweh leeft, die het nageslacht van het huis van Israël heeft laten optrekken en heeft laten komen uit het land in het noorden en uit alle landen waarheen Ik hen had verdreven.’ Dan zullen zij wonen op hun eigen grond.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = (maar) | חַי (chay) = levend is | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֶעֱלָה֩ (heela) = heeft laten optrekken | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en die | הֵבִ֜יא (hevi) = heeft laten komen | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֨רַע (zera) = nageslacht van | בֵּ֤ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | צָפ֔וֹנָה (tsafona) = in het noorden | וּמִכֹּל֙ (umikol) = en uit alle | הָֽאֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = landen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarheen | הִדַּחְתִּ֖ים (hidachtim) = heb Ik hen verdreven | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְיָשְׁב֖וּ (veyashevu) = en zij zullen wonen | עַל (al) = op | אַדְמָתָֽם (admatam) = hun grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צפונה (tsafonah), ‘van het noorden’: bedoeld is Babel, dat voor Juda in het noorden ligt (Jer. 1:14). Voetnoot : הדחתים (hiddachtim), ‘Ik had hen verdreven’: Yahweh spreekt hier in de eerste persoon, midden in de woorden die de mensen later zullen uitspreken. Zie ook: Amos 9:14–15; Jes 43:5–6; Jer 1:14; Ezech 34:13; Ezech 36:24; Ezech 39:28 ### Over de profeten **23:9** Over de profeten: mijn hart is gebroken in mij, al mijn beenderen beven. Ik ben als een dronken man, als een man die door wijn overmand is, vanwege Yahweh en vanwege Zijn heilige woorden. Brontekst: לַנְּבִאִ֞ים (laneviim) = over de profeten | נִשְׁבַּ֧ר (nishbar) = is gebroken | לִבִּ֣י (libi) = mijn hart | בְקִרְבִּ֗י (beqirbi) = binnen in mij | רָֽחֲפוּ֙ (rachafu) = beven | כָּל (kal) = al | עַצְמוֹתַ֔י (atsmotay) = mijn beenderen | הָיִ֨יתִי֙ (hayiti) = ik ben geworden | כְּאִ֣ישׁ (keish) = als een man | שִׁכּ֔וֹר (shikor) = dronken | וּכְגֶ֖בֶר (ukhegever) = en als een man | עֲבָ֣רוֹ (avaro) = heeft overmand | יָ֑יִן (yayin) = wijn | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּמִפְּנֵ֖י (umipenei) = en vanwege | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | קָדְשֽׁוֹ (qadesho) = Zijn heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לנבאים (lannevi’im), ‘over de profeten’: dit is de aanhef van een nieuw deel (23:9–40). De profeet Jeremia spreekt hier zelf. Zijn woorden staan zwart. Voetnoot : דברי קדשׁו (divrei qodsho), ‘Zijn heilige woorden’: de woorden van Yahweh, die Hij heilig noemt. Voetnoot : רחפו (rachafu), ‘beven’: van het werkwoord רָחַף (rachaf), ‘beven, trillen’. Hetzelfde woord staat voor het ‘zweven’ van de Geest van Elohim in Gen. 1:2. Zie ook: Gen 1:2; Ps 60:5; Jes 51:21; Hab 3:16; Klaagl 3:15; Dan 8:27 **23:10** Want het land is vol overspelers. Vanwege de vloek treurt het land, de weiden in de woestijn verdorren. Hun weg is kwaad en hun kracht is niet juist. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מְנָֽאֲפִים֙ (menaafim) = overspelers | מָלְאָ֣ה (malea) = vol is | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | כִּֽי (ki) = want | מִפְּנֵ֤י (mipenei) = vanwege | אָלָה֙ (ala) = de vloek | אָבְלָ֣ה (avela) = treurt | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | יָבְשׁ֖וּ (yaveshu) = zijn verdord | נְא֣וֹת (neot) = weiden van | מִדְבָּ֑ר (midbar) = de woestijn | וַתְּהִ֤י (vatehi) = en is geworden | מְרֽוּצָתָם֙ (merutsatam) = hun weg | רָעָ֔ה (raa) = kwaad | וּגְבוּרָתָ֖ם (ugevuratam) = en hun kracht | לֹא (lo) = niet | כֵֽן (ken) = juist Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מנאפים (menafim), ‘overspelers’: letterlijk, en tegelijk in beeldspraak voor afgodendienst (Jer. 3:8–9; 9:1, NL 9:2). Voetnoot : אלה (alah), ‘vloek’: het kan ook ‘eed’ betekenen. Dan zijn het de valse eden die het land doen treuren. Voetnoot : מרוצתם (merutsatam), ‘hun weg’: letterlijk ‘hun lopen’ of ‘hun loop’. Zie ook: Ps 107:34; Hos 4:2–3; Jer 3:8–9; Jer 5:7–8; Jer 9:1; Jer 9:9 ### Profeet en priester zijn goddeloos **23:11** **„Want zowel profeet als priester zijn goddeloos. Zelfs in Mijn huis heb Ik hun kwaad gevonden, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | גַם (gam) = zowel | נָבִ֥יא (navi) = profeet | גַם (gam) = als | כֹּהֵ֖ן (kohen) = priester | חָנֵ֑פוּ (chanefu) = zijn goddeloos | גַּם (gam) = zelfs | בְּבֵיתִ֛י (beveiti) = in Mijn huis | מָצָ֥אתִי (matsati) = heb Ik gevonden | רָעָתָ֖ם (raatam) = hun kwaad | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חנפו (chanefu), ‘zijn goddeloos’: van חָנֵף (chanef), ‘goddeloos, ontheiligd’. Het woord keert terug in vers 15 (chanufah, ‘goddeloosheid’). Zie ook: Sef 3:4; Jer 6:13; Jer 23:15; Jer 32:34; Ezech 23:39; Mat 21:12–13 **23:12** **Daarom wordt hun weg voor hen als gladde plaatsen in het donker. Zij worden weggedreven en vallen erin. Want Ik breng onheil over hen in het jaar van hun straf, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: לָכֵן֩ (lakhen) = daarom | יִֽהְיֶ֨ה (yihye) = zal worden | דַרְכָּ֜ם (darkam) = hun weg | לָהֶ֗ם (lahem) = voor hen | כַּחֲלַקְלַקּוֹת֙ (kachalaqlaqot) = als gladde plaatsen | בָּֽאֲפֵלָ֔ה (baafela) = in het donker | יִדַּ֖חוּ (yidachu) = zullen zij worden weggedreven | וְנָ֣פְלוּ (venafelu) = en vallen | בָ֑הּ (bah) = erin | כִּֽי (ki) = want | אָבִ֨יא (avi) = zal Ik brengen | עֲלֵיהֶ֥ם (aleihem) = over hen | רָעָ֛ה (raa) = kwaad | שְׁנַ֥ת (shenat) = jaar van | פְּקֻדָּתָ֖ם (pequdatam) = hun straf | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כחלקלקות (kachalaqlaqqot), ‘als gladde plaatsen’: glibberige paden in het donker, waar men uitglijdt en valt. Voetnoot : פקדתם (pequddatam), ‘hun straf’: een zelfstandig naamwoord bij het werkwoord פָּקַד (paqad); zie vers 2. Zie ook: Ps 35:6; Spr 4:19; Jer 11:23; Jer 13:16; Jer 23:2; Jer 48:44 **23:13** **Bij de profeten van Samaria heb Ik iets ongepasts gezien: zij profeteerden bij de Baäl en brachten Mijn volk Israël op een dwaalspoor.** Brontekst: וּבִנְבִיאֵ֥י (uvinviei) = en bij de profeten van | שֹׁמְר֖וֹן (shomeron) = Samaria | רָאִ֣יתִי (raiti) = heb Ik gezien | תִפְלָ֑ה (tifla) = iets ongepasts | הִנַּבְּא֣וּ (hinabeu) = zij profeteerden | בַבַּ֔עַל (babaal) = bij de Baäl | וַיַּתְע֥וּ (vayatu) = en zij brachten op een dwaalspoor | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: תפלה (tifla), ‘iets ongepasts’: iets smakeloos, dat niet hoort. Hetzelfde woord staat voor ‘ongepast’ in Job 1:22. Voetnoot : בבעל (babba’al), ‘bij de Baäl’: het Hebreeuws heeft het lidwoord, dus ‘de Baäl’. Het voorzetsel kan ook ‘door’ of ‘in naam van’ betekenen. Voetnoot : Samaria is de hoofdstad van het koninkrijk Israël in het noorden. Het werd in 722 voor Christus door Assyrië veroverd. Zie ook: Job 1:22; 1 Kon 18:18–21; 2 Kron 33:9; Hos 9:7–8; Jes 9:15; Jer 2:8 **23:14** **Bij de profeten van Jeruzalem heb Ik iets gruwelijks gezien: overspel plegen en wandelen in de leugen. Zij versterken de handen van kwaaddoeners, zodat niemand zich van zijn kwaad bekeert. Zij zijn allemaal voor Mij als Sodom geworden, en haar bewoners als Gomorra.”** Brontekst: וּבִנְבִאֵ֨י (uvinviei) = en bij de profeten van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushalaim) = Jeruzalem | רָאִ֣יתִי (raiti) = heb Ik gezien | שַׁעֲרוּרָ֗ה (shaarura) = iets gruwelijks | נָא֞וֹף (naof) = overspel plegen | וְהָלֹ֤ךְ (vehalokh) = en gaan | בַּשֶּׁ֨קֶר֙ (basheqer) = in leugen | וְחִזְּקוּ֙ (vechizequ) = en zij versterken | יְדֵ֣י (yedei) = handen van | מְרֵעִ֔ים (mereim) = kwaaddoeners | לְבִ֨לְתִּי (levilti) = zodat niet | שָׁ֔בוּ (shavu) = zij zich bekeren | אִ֖ישׁ (ish) = iemand | מֵרָֽעָת֑וֹ (meraato) = van zijn kwaad | הָֽיוּ (hayu) = zij zijn geworden | לִ֤י (li) = voor Mij | כֻלָּם֙ (kulam) = allemaal | כִּסְדֹ֔ם (kisdom) = als Sodom | וְיֹשְׁבֶ֖יהָ (veyosheveiha) = en haar bewoners | כַּעֲמֹרָֽה (kaamora) = als Gomorra Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שׁערורה (sha’arurah), ‘iets gruwelijks’: een afschuwelijke zaak. Het woord staat ook in Jer. 5:30, 18:13 en Hos. 6:10. Voetnoot : נאוף והלך בשׁקר (no’of vehalokh basheqer), ‘overspel plegen en wandelen in de leugen’: leugen en ontrouw gaan samen. Voetnoot : כסדם (kisdom), ‘als Sodom’: Sodom en Gomorra zijn het beeld van een volk dat zo kwaad is geworden dat het verdwijnt (Gen. 19; zie ook Jes. 1:9–10). Zie ook: Deut 32:32; Hos 6:10; Jes 1:9–10; Jer 5:30; Jer 18:13; Jer 23:32; Jer 29:23; Ezech 22:25 **23:15** Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten over de profeten: **„Zie, Ik geef hun alsem te eten en geef hun gifwater te drinken. Want van de profeten van Jeruzalem is goddeloosheid uitgegaan naar het hele land.”** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | עַל (al) = over | הַנְּבִאִ֔ים (haneviim) = de profeten | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | מַאֲכִ֤יל (maakhil) = geef te eten | אוֹתָם֙ (otam) = hun | לַֽעֲנָ֔ה (laana) = alsem | וְהִשְׁקִתִ֖ים (vehishqitim) = en Ik geef te drinken hun | מֵי (mei) = water van | רֹ֑אשׁ (rosh) = gif | כִּ֗י (ki) = want | מֵאֵת֙ (meet) = van | נְבִיאֵ֣י (neviei) = profeten van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | יָצְאָ֥ה (yatsea) = is uitgegaan | חֲנֻפָּ֖ה (chanupa) = goddeloosheid | לְכָל (lekhal) = naar heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יהוה צבאות (Yahweh Tsevaot): zie de Uitleg bij Jer. 2:19. Voetnoot : לענה (la’anah), ‘alsem’: een zeer bittere plant. Voetnoot : מי ראשׁ (mei rosh), ‘gifwater’ (letterlijk ‘water van gif’): rosh is een giftig, bitter plantaardig middel; het kan ook ‘bitter water’ betekenen. Zie ook Jer. 8:14 en 9:14 (NL 9:15). Voetnoot : De woorden van Yahweh over de profeten vanaf ‘Zie’ staan rood. De aanhef ‘Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten over de profeten’ staat zwart. Zie ook: Ps 69:22; Jer 2:19; Jer 8:14; Jer 9:14; Klaagl 3:5; Klaagl 3:15 ### Luister niet naar de profeten **23:16** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Luister niet naar de woorden van de profeten die voor jullie profeteren. Zij vullen jullie met damp. Zij spreken het visioen van hun eigen hart, niet wat uit de mond van Yahweh komt.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אַֽל (al) = niet | תִּשְׁמְע֞וּ (tishmeu) = luister | עַל (al) = naar | דִּבְרֵ֤י (divrei) = woorden van | הַנְּבִאִים֙ (haneviim) = de profeten | הַנִּבְּאִ֣ים (hanibeim) = die profeteren | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | מַהְבִּלִ֥ים (mahbilim) = zij maken tot damp | הֵ֖מָּה (hema) = zij | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | חֲז֤וֹן (chazon) = visioen van | לִבָּם֙ (libam) = hun hart | יְדַבֵּ֔רוּ (yedaberu) = spreken zij | לֹ֖א (lo) = niet | מִפִּ֥י (mipi) = uit de mond van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מהבלים (mahbilim), ‘zij maken tot damp’: het werkwoord is verwant aan הֶבֶל (hevel), ‘damp’, het woord van Pred. 1:2. De profeten vullen het volk met iets dat niets is. Wij gebruiken ‘damp’ zoals in Prediker. Voetnoot : חזון לבם (chazon libbam), ‘het visioen van hun hart’: een visioen dat uit henzelf komt, niet van Yahweh. Zie ook: Pred 1:2; Jer 14:14; Jer 27:9–10; Ezech 13:6; Gal 1:8–9; 2 Kor 11:13–15 **23:17** **Zij zeggen steeds tegen wie Mij verachten: ‘Yahweh heeft gesproken: er zal vrede voor jullie zijn.’ En tegen ieder die gaat in de hardnekkigheid van zijn hart zeggen zij: ‘Er zal geen onheil over jullie komen.’** Brontekst: אֹמְרִ֤ים (omerim) = zij zeggen | אָמוֹר֙ (amor) = steeds | לִֽמְנַאֲצַ֔י (limnaatsay) = tegen wie Mij verachten | דִּבֶּ֣ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | וְ֠כֹל (vekhol) = en tegen ieder | הֹלֵ֞ךְ (holekh) = die gaat | בִּשְׁרִר֤וּת (bishrirut) = in de hardheid van | לִבּוֹ֙ (libo) = zijn hart | אָֽמְר֔וּ (ameru) = zeggen zij | לֹֽא (lo) = niet | תָב֥וֹא (tavo) = zal komen | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = over jullie | רָעָֽה (raa) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בשׁררות (bisherirut), ‘in de hardnekkigheid van’: de eigenwijsheid en koppigheid van het hart. Zie ook Jer. 3:17 en 7:24. Voetnoot : למנאצי (limna’atsai), ‘tegen wie Mij verachten’: de profeten brengen de vredesboodschap bij wie Yahweh minacht. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen ‘wie het woord van Yahweh verachten’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Deut 29:18; Amos 9:10; Mi 3:11; Jer 3:17; Jer 7:24; Jer 9:13; Jer 13:10 **23:18** **Want wie heeft er gestaan in de vertrouwelijke raad van Yahweh, zodat hij Zijn woord ziet en hoort? Wie heeft op Zijn woord gelet en geluisterd?** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מִ֤י (mi) = wie | עָמַד֙ (amad) = heeft gestaan | בְּס֣וֹד (besod) = in de vertrouwelijke raad van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְיֵ֖רֶא (veyere) = zodat hij ziet | וְיִשְׁמַ֣ע (veyishma) = en hoort | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָר֑וֹ (devaro) = Zijn woord | מִֽי (mi) = wie | הִקְשִׁ֥יב (hiqshiv) = heeft opgelet | דְּבָר֖וֹ (devaro) = Zijn woord | וַיִּשְׁמָֽע (vayishma) = en geluisterd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בסוד (besod), ‘in de vertrouwelijke raad van’: סוֹד (sod) is de kring van wie het vertrouwen van Yahweh hebben, zoals de hemelse raad in Ps. 89:8 en de vertrouwelijke raad in Ps. 25:14. Een echte profeet heeft er gestaan en Yahweh gehoord (zie Jer. 23:22). Dit is een andere zaak dan het ‘besluit’ (עֵצָה, etsah) van Yahweh. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) דְּבָרוֹ (devaro), ‘Zijn woord’. De geschreven tekst (ketiv) heeft דברי (devari), ‘Mijn woord’. Zie ook: Ps 25:14; Ps 89:8; Amos 3:7; Jes 40:13–14; Jer 23:22; Joh 15:15; 1 Kor 2:16 **23:19** **Zie, de stormwind van Yahweh, Zijn woede, is uitgegaan. Een wervelende storm draait neer op het hoofd van de goddelozen.** Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | סַעֲרַ֣ת (saarat) = stormwind van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | חֵמָה֙ (chema) = Zijn woede | יָֽצְאָ֔ה (yatsea) = is uitgegaan | וְסַ֖עַר (vesaar) = en een storm | מִתְחוֹלֵ֑ל (mitcholel) = wervelende | עַ֛ל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = hoofd van | רְשָׁעִ֖ים (reshaim) = goddelozen | יָחֽוּל (yachul) = zal neerdraaien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit en het volgende vers staan bijna woordelijk ook in Jer. 30:23–24. Voetnoot : וסער מתחולל (vesa’ar mitcholel), ‘een wervelende storm’: een storm die ronddraait. Hij draait neer op het hoofd van de goddelozen. In Jer. 30:23 staat bijna dezelfde zin met een ander woord voor ‘wervelende’. Zie ook: Spr 10:25; Amos 1:14; Jes 21:1; Jer 25:32; Jer 30:23 **23:20** **De toorn van Yahweh keert niet terug, totdat Hij de plannen van Zijn hart heeft uitgevoerd en laten opstaan. In de laatste dagen zullen jullie dit goed begrijpen.** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | יָשׁוּב֙ (yashuv) = zal terugkeren | אַף (af) = toorn van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = totdat | עֲשֹׂת֥וֹ (asoto) = Hij heeft uitgevoerd | וְעַד (vead) = en totdat | הֲקִימ֖וֹ (haqimo) = Hij heeft laten opstaan | מְזִמּ֣וֹת (mezimot) = plannen van | לִבּ֑וֹ (libo) = Zijn hart | בְּאַֽחֲרִית֙ (beacharit) = in het einde van | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | תִּתְבּ֥וֹנְנוּ (titbonenu) = zullen jullie begrijpen | בָ֖הּ (bah) = het | בִּינָֽה (bina) = inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מזמות לבו (mezimmot libbo), ‘de plannen van Zijn hart’: wat Yahweh bedacht heeft en zal uitvoeren. Dit vers lijkt sterk op Jer. 30:24; het Hebreeuws verschilt daar in twee woorden: daar staat ‘de brandende toorn’ en het woord ‘inzicht’ ontbreekt. Voetnoot : תתבוננו בה בינה (titbonenu bah binah), ‘zullen jullie dit goed begrijpen’: het werkwoord בִּין (bin) wordt herhaald door het zelfstandig naamwoord בִּינָה (binah): ‘inzicht’. Zie ook: Gen 49:1; Spr 21:30; Jes 14:24; Jes 55:11; Jer 30:24 ### Yahweh heeft hen niet gezonden **23:21** **Ik heb de profeten niet gezonden, maar zij zijn gerend. Ik heb niet tot hen gesproken, maar zij hebben geprofeteerd.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | שָׁלַ֥חְתִּי (shalachti) = heb Ik gezonden | אֶת (et) = (obj.) | הַנְּבִאִ֖ים (haneviim) = de profeten | וְהֵ֣ם (vehem) = maar zij | רָ֑צוּ (ratsu) = zijn gerend | לֹא (lo) = niet | דִבַּ֥רְתִּי (dibarti) = heb Ik gesproken | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | וְהֵ֥ם (vehem) = maar zij | נִבָּֽאוּ (nibau) = hebben geprofeteerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רצו (ratsu), ‘zij zijn gerend’: de profeten haastten zich uit eigen beweging. Zie ook: Jer 14:14; Jer 23:32; Jer 27:15; Jer 28:15; Jer 29:9 **23:22** **Maar als zij in Mijn vertrouwelijke raad hadden gestaan, dan hadden zij Mijn woorden aan Mijn volk laten horen. Zij hadden hen teruggebracht van hun boze weg en van het kwaad van hun daden.** Brontekst: וְאִֽם (veim) = en als | עָמְד֖וּ (amedu) = zij hadden gestaan | בְּסוֹדִ֑י (besodi) = in Mijn vertrouwelijke raad | וְיַשְׁמִ֤עוּ (veyashmiu) = dan hadden zij laten horen | דְבָרַי֙ (devaray) = Mijn woorden | אֶת (et) = aan | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | וִֽישִׁבוּם֙ (vishivum) = en hadden zij hen teruggebracht | מִדַּרְכָּ֣ם (midarkam) = van hun weg | הָרָ֔ע (hara) = de boze | וּמֵרֹ֖עַ (umeroa) = en van het kwaad van | מַֽעַלְלֵיהֶֽם (maalleihem) = hun daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie vers 18. Wie echt in de raad van Yahweh stond, brengt het volk terug van zijn kwade weg. Zie ook: Jer 23:18; Jer 25:5; Ezech 13:22; Zach 1:4; Hand 20:27 **23:23** **Ben Ik een Elohim van dichtbij, godsspraak van Yahweh, en niet een Elohim van veraf?** Brontekst: הַאֱלֹהֵ֧י (haelohei) = ben Ik een Elohim | מִקָּרֹ֛ב (miqarov) = van dichtbij | אָ֖נִי (ani) = Ik | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֱלֹהֵ֖י (elohei) = een Elohim | מֵרָחֹֽק (merachoq) = van veraf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: האלהי מקרב (ha’elohé miqqarov), ‘een Elohim van dichtbij’: Yahweh is dichtbij en ver weg. Er is geen plaats waar Hij het niet ziet. Vergelijk Ps. 139:7–12 en 1 Kon. 8:27. Zie ook: Ps 113:5; Ps 139:1–10; Ps 139:7–12; 1 Kon 8:27; 1 Kon 20:23; Jona 1:3–4; Ezech 20:32–35 **23:24** **Kan iemand zich verbergen op verborgen plaatsen, zodat Ik hem niet zie? Godsspraak van Yahweh. Vul Ik niet de hemel en de aarde? Godsspraak van Yahweh.** Brontekst: אִם (im) = of | יִסָּתֵ֨ר (yisater) = kan zich verbergen | אִ֧ישׁ (ish) = iemand | בַּמִּסְתָּרִ֛ים (bamistarim) = op verborgen plaatsen | וַאֲנִ֥י (vaani) = en Ik | לֹֽא (lo) = niet | אֶרְאֶ֖נּוּ (erenu) = zie hem | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הֲל֨וֹא (halo) = niet | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֧יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָ֛רֶץ (haarets) = de aarde | אֲנִ֥י (ani) = Ik | מָלֵ֖א (male) = vul | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 90:8; Ps 139:7; Spr 15:3; Amos 9:2–3; Jes 29:15 ### Dromen en het woord van Yahweh **23:25** **Ik heb gehoord wat de profeten zeggen, die in Mijn naam leugen profeteren: ‘Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.’** Brontekst: שָׁמַ֗עְתִּי (shamati) = heb gehoord | אֵ֤ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | אָֽמְרוּ֙ (ameru) = zeggen | הַנְּבִאִ֔ים (haneviim) = de profeten | הַֽנִּבְּאִ֥ים (hanibeim) = die profeteren | בִּשְׁמִ֛י (bishmi) = in Mijn naam | שֶׁ֖קֶר (sheqer) = leugen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | חָלַ֖מְתִּי (chalamti) = ik heb gedroomd | חָלָֽמְתִּי (chalamti) = ik heb gedroomd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חלמתי (chalamti), ‘ik heb gedroomd’: een droom kon een bericht van Yahweh zijn (Num. 12:6), maar de valse profeten gebruikten hun eigen dromen met het gezag van Yahweh. Zie ook: Num 12:6; Joël 3:1; Jer 8:6; Jer 23:28; Jer 23:32; Jer 29:8 **23:26** **Hoe lang nog? Leeft dit in het hart van de profeten die leugen profeteren, de profeten van het bedrog van hun eigen hart,** Brontekst: עַד (ad) = tot | מָתַ֗י (matay) = wanneer | הֲיֵ֛שׁ (hayesh) = is er | בְּלֵ֥ב (belev) = in het hart van | הַנְּבִאִ֖ים (haneviim) = de profeten | נִבְּאֵ֣י (nibeei) = die profeteren | הַשָּׁ֑קֶר (hashaqer) = de leugen | וּנְבִיאֵ֖י (uneviei) = en profeten van | תַּרְמִ֥ת (tarmit) = het bedrog van | לִבָּֽם (libam) = hun hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תרמת (tarmit), ‘het bedrog’: wat uit hun eigen hart komt, is bedrog. Zie ook: Jer 14:14; 2 Tess 2:9–11; 1 Tim 4:1–2; 2 Tim 4:3; 2 Petr 2:13–16 **23:27** **die van plan zijn Mijn volk Mijn naam te laten vergeten door hun dromen, die zij aan elkaar vertellen, zoals hun vaders Mijn naam vergaten om de Baäl?** Brontekst: הַחֹשְׁבִ֗ים (hachoshevim) = die plannen | לְהַשְׁכִּ֤יחַ (lehashkiach) = om te laten vergeten | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | שְׁמִ֔י (shemi) = Mijn naam | בַּחֲל֣וֹמֹתָ֔ם (bachalomotam) = door hun dromen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יְסַפְּר֖וּ (yesaperu) = zij vertellen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | לְרֵעֵ֑הוּ (lereehu) = aan zijn naaste | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | שָׁכְח֧וּ (shakhechu) = vergaten | אֲבוֹתָ֛ם (avotam) = hun vaders | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | בַּבָּֽעַל (babaal) = om de Baäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De profeten willen het volk Yahweh’s naam laten vergeten. Dat gebeurde ook bij de vaders, die de naam van Yahweh vergaten om de Baäl (zie Richt. 3:7). Zie ook: Re 3:7; Re 8:33–34; Re 10:6; Jer 29:8; Hand 13:8 **23:28** **De profeet die een droom heeft, moet die droom vertellen. En wie Mijn woord heeft, moet Mijn woord in waarheid spreken. Wat heeft het stro met het koren te maken? Godsspraak van Yahweh.** Brontekst: הַנָּבִ֞יא (hanavi) = de profeet | אֲשֶׁר (asher) = die | אִתּ֤וֹ (ito) = bij hem | חֲלוֹם֙ (chalom) = een droom | יְסַפֵּ֣ר (yesaper) = moet vertellen | חֲל֔וֹם (chalom) = droom | וַאֲשֶׁ֤ר (vaasher) = en wie | דְּבָרִי֙ (devari) = Mijn woord | אִתּ֔וֹ (ito) = bij hem | יְדַבֵּ֥ר (yedaber) = moet spreken | דְּבָרִ֖י (devari) = Mijn woord | אֱמֶ֑ת (emet) = in waarheid | מַה (ma) = wat | לַתֶּ֥בֶן (lateven) = heeft het stro | אֶת (et) = met | הַבָּ֖ר (habar) = het koren | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לתבן (hatevan), ‘het stro’, en הבר (habbar), ‘het koren’: het gedorste graan. Een droom is stro, Yahweh’s woord is koren: het woord dat voedt. Zie ook: Spr 14:5; Mat 24:45; Luc 12:42; 2 Kor 2:17; 1 Tim 1:12 **23:29** **Is Mijn woord niet zo: als een vuur, godsspraak van Yahweh, en als een hamer die een rots verbrijzelt?** Brontekst: הֲל֨וֹא (halo) = is niet | כֹ֧ה (ko) = zo | דְבָרִ֛י (devari) = Mijn woord | כָּאֵ֖שׁ (kaesh) = als vuur | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּכְפַטִּ֖ישׁ (ukhefatish) = en als een hamer | יְפֹ֥צֵֽץ (yefotsets) = die verbrijzelt | סָֽלַע (sala) = rots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het woord van Yahweh is een vuur en een hamer. Vergelijk Jer. 20:9. Zie ook: Jer 5:14; Jer 20:9; Luc 24:32; 2 Kor 10:4–5; Heb 4:12 ### Yahweh is tegen de profeten **23:30** **Daarom, zie, Ik ben tegen de profeten, godsspraak van Yahweh, die Mijn woorden van elkaar stelen.** Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | עַל (al) = tegen | הַנְּבִאִ֖ים (haneviim) = de profeten | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מְגַנְּבֵ֣י (meganevei) = die stelen | דְבָרַ֔י (devaray) = Mijn woorden | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | מֵאֵ֥ת (meet) = van | רֵעֵֽהוּ (reehu) = zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 18:20; Ps 34:17; Jer 14:14–15; Ezech 13:8; Ezech 13:20 **23:31** **Zie, Ik ben tegen de profeten, godsspraak van Yahweh, die hun tong nemen en een ‘godsspraak’ uitspreken.** Brontekst: הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | עַל (al) = tegen | הַנְּבִיאִ֖ם (haneviim) = de profeten | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הַלֹּקְחִ֣ים (haloqechim) = die nemen | לְשׁוֹנָ֔ם (leshonam) = hun tong | וַֽיִּנְאֲמ֖וּ (vayinamu) = en een godsspraak uitspreken | נְאֻֽם (neum) = godsspraak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וינאמו נאם (vayyin’amu ne’um), ‘en een godsspraak uitspreken’: het werkwoord נָאַם (na’am) is afgeleid van het zelfstandig naamwoord נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’, de formule voor de woorden van Yahweh. Wat hier staat, is bijna een woordspeling: de profeten ‘godsspreken’ met hun eigen tong. Wij zetten ‘godsspraak’ tussen aanhalingstekens. Zie ook: 2 Kron 18:5; 2 Kron 18:10–12; Jes 30:10; Mi 2:11; Jer 23:17 **23:32** **Zie, Ik ben tegen de profeten van leugendromen, godsspraak van Yahweh. Zij vertellen die dromen en brengen Mijn volk op een dwaalspoor met hun leugens en hun roekeloosheid. Ik heb hen niet gezonden en hun niets bevolen. Zij zijn dit volk helemaal niet tot nut, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: הִ֠נְנִי (hinni) = zie Mij | עַֽל (al) = tegen | נִבְּאֵ֞י (nibeei) = profeten van | חֲלֹמ֥וֹת (chalomot) = dromen van | שֶׁ֨קֶר֙ (sheqer) = leugen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיְסַפְּרוּם֙ (vaysaperum) = en die ze vertellen | וַיַּתְע֣וּ (vayatu) = en brengen op een dwaalspoor | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | בְּשִׁקְרֵיהֶ֖ם (beshiqreihem) = met hun leugens | וּבְפַחֲזוּתָ֑ם (uvefachazutam) = en hun roekeloosheid | וְאָנֹכִ֨י (veanokhi) = terwijl Ik | לֹֽא (lo) = niet | שְׁלַחְתִּ֜ים (shelachtim) = heb gezonden hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | צִוִּיתִ֗ים (tsivitim) = heb bevolen hen | וְהוֹעֵ֛יל (vehoeil) = en nut | לֹֽא (lo) = niet | יוֹעִ֥ילוּ (yoilu) = zullen zij nuttig zijn | לָֽעָם (laam) = aan het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ובפחזותם (uvfachazutam), ‘hun roekeloosheid’: van פַּחַז (pachaz), ‘overmoedig, ongecontroleerd’. Zie ook: Sef 3:4; Jer 7:8; Klaagl 2:14; Ezech 13:7–18; Zach 13:2–3 ### De last van Yahweh **23:33** **„En wanneer dit volk, of een profeet, of een priester je vraagt: ‘Wat is de last van Yahweh?’, zeg dan tegen hen: ‘Welke last? Ik zal jullie afwerpen, godsspraak van Yahweh.’** Brontekst: וְכִי (vekhi) = en wanneer | יִשְׁאָלְךָ֩ (yishalekha) = vraagt je | הָעָ֨ם (haam) = het volk | הַזֶּ֜ה (haze) = dit | אֽוֹ (o) = of | הַנָּבִ֤יא (hanavi) = een profeet | אֽוֹ (o) = of | כֹהֵן֙ (kohen) = een priester | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | מַה (ma) = wat | מַשָּׂ֖א (masa) = last van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאָמַרְתָּ֤ (veamarta) = dan zul je zeggen | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | אֶת (et) = (obj.) | מַה (ma) = welke | מַשָּׂ֔א (masa) = last | וְנָטַשְׁתִּ֥י (venatashti) = en Ik zal afwerpen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: משׂא (massa), ‘last’: van het werkwoord נָשָׂא (nasa), ‘dragen, optillen’. Een massa is een vracht die gedragen wordt. Het woord is ook de gewone naam voor een zwaar profetisch woord, een ‘last’ (zie bijvoorbeeld Jes. 13:1). Wij houden in dit hoofdstuk steeds het ene woord ‘last’. Het hele stuk (vers 33–40) speelt met die twee betekenissen: het volk, de profeet en de priester vragen naar de ‘last van Yahweh’, maar Yahweh zegt dat zij zelf voor Hem een last zijn, die Hij afwerpt. In Jer. 17:21–27 betekent hetzelfde woord gewoon ‘draaglast’: wat men op de sabbat draagt. Voetnoot : מה משׂא (et mah massa), ‘Welke last?’: de Masoretische tekst heeft hier letterlijk ‘[object] wat? last’. Voetnoot : ונטשׁתי (venatashti), ‘en Ik zal afwerpen’: het werkwoord נָטַשׁ (natash) betekent ‘achterlaten, loslaten, wegwerpen’. Wij kiezen ‘afwerpen’, omdat men een last afwerpt. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen ‘jullie zijn de last’ (attem hammassa, met een andere klinker). Dat past goed bij de woordspeling, maar wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Deut 32:19–20; Hos 9:12; Jes 13:1; Nah 1:1; Jer 17:21–27; Mal 1:1 **23:34** **En de profeet, de priester en het volk die zeggen: ‘De last van Yahweh’, die man en zijn huis zal Ik straffen.** Brontekst: וְהַנָּבִ֤יא (vehanavi) = en de profeet | וְהַכֹּהֵן֙ (vehakohen) = en de priester | וְהָעָ֔ם (vehaam) = en het volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יֹאמַ֖ר (yomar) = zegt | מַשָּׂ֣א (masa) = last van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּפָקַדְתִּ֛י (ufaqadti) = dan zal Ik straffen | עַל (al) = over | הָאִ֥ישׁ (haish) = de man | הַה֖וּא (hahu) = die | וְעַל (veal) = en over | בֵּיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ופקדתי (ufaqadti), ‘dan zal Ik straffen’: het werkwoord פָּקַד (paqad); zie vers 2. Allen die de uitdrukking ‘de last van Yahweh’ misbruiken, worden gestraft, ook hun huis. Zie ook: Jer 23:2; Klaagl 2:14; Zach 13:3 **23:35** **Zo moeten jullie zeggen, ieder tegen zijn naaste en ieder tegen zijn broer: ‘Wat heeft Yahweh geantwoord?’ en ‘Wat heeft Yahweh gesproken?’** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | תֹאמְר֛וּ (tomru) = zullen jullie zeggen | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | עַל (al) = tegen | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | וְאִ֣ישׁ (veish) = en ieder | אֶל (el) = tegen | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | מֶה (me) = wat | עָנָ֣ה (ana) = heeft geantwoord | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּמַה (uma) = en wat | דִּבֶּ֖ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh stelt voor wat men wel mag zeggen: een vraag naar wat Yahweh antwoordt en gesproken heeft. Zo blijft de nadruk liggen op het woord zelf, niet op een ‘last’. Zie ook: Jer 31:34; Jer 33:3; Jer 42:4; Heb 8:11 **23:36** **Maar de last van Yahweh moeten jullie niet meer noemen. Want voor ieder wordt zijn eigen woord de last. Jullie hebben de woorden van de levende Elohim verdraaid, van Yahweh van de legermachten, onze Elohim.** Brontekst: וּמַשָּׂ֥א (umasa) = en last van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | תִזְכְּרוּ (tizkeru) = zullen jullie noemen | ע֑וֹד (od) = meer | כִּ֣י (ki) = want | הַמַּשָּׂ֗א (hamasa) = de last | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | לְאִ֣ישׁ (leish) = voor ieder | דְּבָר֔וֹ (devaro) = zijn woord | וַהֲפַכְתֶּ֗ם (vahafakhtem) = en jullie hebben verdraaid | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵי֙ (divrei) = woorden van | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = Elohim | חַיִּ֔ים (chayim) = levende | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ומשׂא יהוה (umassa Yahweh), ‘en de last van Yahweh’: de uitdrukking mag niet meer klinken. Voetnoot : כי המשׂא יהיה לאישׁ דברו (ki hammassa yihyeh le’ish devaro), ‘Want voor ieder wordt zijn eigen woord de last’: wat een mens zijn ‘last van Yahweh’ noemt, is in werkelijkheid zijn eigen woord. Dat woord wordt dan zijn eigen last: hij moet het dragen. Voetnoot : אלהים חיים (Elohim chayyim), ‘levende Elohim’: zie Deut. 5:26 en Jer. 10:10. Zie ook: Deut 5:26; Ps 120:3; 2 Kon 19:4; Jes 3:8; Jer 10:10; 2 Petr 3:16 **23:37** **Zo moet je tegen de profeet zeggen: ‘Wat heeft Yahweh je geantwoord?’ en ‘Wat heeft Yahweh gesproken?’** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | תֹאמַ֖ר (tomar) = zul je zeggen | אֶל (el) = tot | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | מֶה (me) = wat | עָנָ֣ךְ (anakh) = heeft geantwoord je | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּמַה (uma) = en wat | דִּבֶּ֖ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **23:38** **Maar als jullie zeggen: ‘De last van Yahweh’, daarom, zo zegt Yahweh: Omdat jullie dit woord zeggen, ‘De last van Yahweh’, terwijl Ik naar jullie heb gestuurd met de woorden: ‘Jullie mogen niet zeggen: de last van Yahweh’,** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | מַשָּׂ֣א (masa) = last van | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | תֹּאמֵרוּ֒ (tomeru) = zeggen jullie | לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֧עַן (yaan) = omdat | אֲמָרְכֶ֛ם (amarekhem) = jullie zeggen | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | מַשָּׂ֣א (masa) = last van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וָאֶשְׁלַ֤ח (vaeshlach) = terwijl Ik heb gestuurd | אֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = naar jullie | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאמְר֖וּ (tomru) = mogen jullie zeggen | מַשָּׂ֥א (masa) = last van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De formule ‘daarom, zo zegt Yahweh’ staat midden in Zijn woorden en is daarom rood. Zie ook: 2 Kron 11:13–14 **23:39** **daarom, zie, Ik zal jullie volledig vergeten. Ik zal jullie afwerpen, jullie en de stad die Ik aan jullie en aan jullie vaders heb gegeven, weg van Mijn aangezicht.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | הִנְנִ֔י (hinni) = zie Mij | וְנָשִׁ֥יתִי (venashiti) = en Ik zal vergeten | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | נָשֹׁ֑א (nasho) = volledig | וְנָטַשְׁתִּ֣י (venatashti) = en Ik zal afwerpen | אֶתְכֶ֗ם (etkhem) = jullie | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעִיר֙ (hair) = de stad | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | נָתַ֧תִּי (natati) = heb Ik gegeven | לָכֶ֛ם (lakhem) = aan jullie | וְלַאֲבוֹתֵיכֶ֖ם (velaavoteikhem) = en aan jullie vaders | מֵעַ֥ל (meal) = weg van | פָּנָֽי (panay) = Mijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ונשׁיתי אתכם נשׁא (venashiti etkhem nasho), ‘Ik zal jullie volledig vergeten’: de Masoretische tekst heeft hier het werkwoord נָשָׁה (nashah), ‘vergeten’. De vorm נָשֹׁא (nasho) erachter lijkt op het werkwoord נָשָׂא (nasa), ‘optillen, dragen’. Zo klinkt ook hier massa mee. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen ‘Ik zal jullie optillen’ (van nasa). Dat past bij de ‘last’: Hij tilt hen op en werpt ze weg. Wij volgen de Masoretische tekst: ‘vergeten’. Zie ook: Ps 51:13; Hos 5:14; Jer 23:33; Ezech 8:18; Ezech 34:11 **23:40** **Ik leg een smaad voor eeuwig op jullie en een schande voor eeuwig, die niet vergeten zal worden.”** Brontekst: וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal leggen | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = op jullie | חֶרְפַּ֣ת (cherpat) = smaad van | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | וּכְלִמּ֣וּת (ukhelimut) = en schande van | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwigheid | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לֹ֥א (lo) = niet | תִשָּׁכֵֽחַ (tishakheach) = vergeten zal worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חרפת עולם (cherpat olam), ‘een smaad voor eeuwig’, en וכלמות עולם (uchlimmut olam), ‘een schande voor eeuwig’: het woord עוֹלָם (olam) is ‘voor eeuwig’. Zie ook: Deut 28:37; Jer 20:11; Jer 42:18; Jer 44:8–12; Ezech 5:14–15 ## Jeremia 24 _Twee manden vijgen: de goede en de slechte_ ### Twee manden met vijgen **24:1** Yahweh liet mij zien: twee manden met vijgen, neergezet voor de tempel van Yahweh. Dat was nadat Nebukadnezar, de koning van Babel, Jojachin, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, de oversten van Juda, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem had weggevoerd en naar Babel had gebracht. Brontekst: הִרְאַנִי֮ (hirani) = liet mij zien | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וְהִנֵּ֗ה (vehine) = en zie | שְׁנֵי֙ (shenei) = twee | דּוּדָאֵ֣י (dudaei) = manden met | תְאֵנִ֔ים (teenim) = vijgen | מוּעָדִ֕ים (muadim) = neergezet | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | הֵיכַ֣ל (heikhal) = tempel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אַחֲרֵ֣י (acharei) = nadat | הַגְל֣וֹת (haglot) = had weggevoerd | נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֡ל (bavel) = Babel | אֶת (et) = (obj.) | יְכָנְיָ֣הוּ (yekhaneyahu) = Jojachin | בֶן (ben) = zoon van | יְהוֹיָקִ֣ים (yehoyaqim) = Jojakim | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֩ (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שָׂרֵ֨י (sarei) = oversten van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הֶחָרָ֤שׁ (hecharash) = de ambachtslieden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּסְגֵּר֙ (hamasger) = de smeden | מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (mirushalaim) = uit Jeruzalem | וַיְבִאֵ֖ם (vayviem) = en had hen gebracht | בָּבֶֽל (bavel) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יכניהו (Yekhonyahu), ‘Jojachin’: de Hebreeuwse tekst heeft hier de vorm Jechonja. Het is dezelfde koning als Konyahu in Jer. 22:24 en Jojachin in 2 Kon. 24:6. Wij schrijven overal ‘Jojachin’. Hij werd in 597 voor Christus samen met de oversten, de ambachtslieden en de smeden naar Babel gevoerd (2 Kon. 24:10–16). Voetnoot : דודאי (dudei), ‘manden met’: manden, ook wel kruiken of potten. Het zijn hier manden voor fruit. Voetnoot : החרשׁ (hecharash), ‘de ambachtslieden’, en המסגר (hammasger), ‘de smeden’: zoals in 2 Kon. 24:14 en 24:16. Voetnoot : Het visioen valt dus na de eerste wegvoering (597 voor Christus) en voor de val van Jeruzalem (587 voor Christus). Jeremia ziet de manden ‘voor de tempel van Yahweh’. De data komen uit het geheugen en zijn niet gecontroleerd. Zie ook: Deut 26:2–4; 2 Kon 24:6; 2 Kon 24:10–16; 2 Kon 24:12–16; 2 Kon 24:14; 2 Kon 24:16; 2 Kron 36:10; Amos 7:1; Jer 22:24; Jer 29:2 **24:2** De ene mand had zeer goede vijgen, zoals vijgen die als eersten rijp zijn. De andere mand had zeer slechte vijgen, die niet te eten waren vanwege hun slechtheid. Brontekst: הַדּ֣וּד (hadud) = de mand | אֶחָ֗ד (echad) = ene | תְּאֵנִים֙ (teenim) = vijgen | טֹב֣וֹת (tovot) = goede | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | כִּתְאֵנֵ֖י (kitenei) = zoals de vijgen van | הַבַּכֻּר֑וֹת (habakurot) = de eerste rijpheid | וְהַדּ֣וּד (vehadud) = en de mand | אֶחָ֗ד (echad) = andere | תְּאֵנִים֙ (teenim) = vijgen | רָע֣וֹת (raot) = slechte | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | תֵֽאָכַ֖לְנָה (teakhalna) = kunnen gegeten worden | מֵרֹֽעַ (meroa) = vanwege slechtheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כתאני הבכרות (keteene habbekhorot), ‘zoals de vijgen van de eerste rijpheid’: vroege vijgen, die als eersten rijp zijn en als een lekkernij gelden. Zie ook Hos. 9:10 en Jes. 28:4. Zie ook: Hos 9:10; Jes 5:4; Jes 5:7; Jes 28:4; Mi 7:1; Jer 29:17 ### Wat zie je, Jeremia? **24:3** Yahweh zei tegen mij: **„Wat zie je, Jeremia?”** Ik zei: „Vijgen. De goede vijgen zijn zeer goed, en de slechte zijn zeer slecht, zo slecht dat ze niet te eten zijn.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | מָֽה (ma) = wat | אַתָּ֤ה (ata) = jij | רֹאֶה֙ (roe) = ziet | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | תְּאֵנִ֑ים (teenim) = vijgen | הַתְּאֵנִ֤ים (hateenim) = de vijgen | הַטֹּבוֹת֙ (hatovot) = de goede | טֹב֣וֹת (tovot) = goed | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וְהָֽרָעוֹת֙ (veharaot) = en de slechte | רָע֣וֹת (raot) = slecht | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | תֵאָכַ֖לְנָה (teakhalna) = kunnen gegeten worden | מֵרֹֽעַ (meroa) = vanwege slechtheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh vraagt, Jeremia antwoordt. De vraag ‘Wat zie je, Jeremia?’ staat rood. Het antwoord van de profeet staat zwart. Vergelijk Jer. 1:11 en 1:13 en Amos 7:8. Zie ook: Amos 7:8; Amos 8:2; Jer 1:11–14; Jer 1:13; Zach 4:2; Zach 5:5–11; Mat 25:32–33 ### De goede vijgen: de ballingen van Juda **24:4** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:5** Zo zegt Yahweh, Elohim van Israël: **„Zoals deze goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda ten goede aanzien. Ik heb hen van deze plaats naar het land van de Chaldeeën weggestuurd.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כַּתְּאֵנִ֥ים (kateenim) = zoals de vijgen | הַטֹּב֖וֹת (hatovot) = goede | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | כֵּֽן (ken) = zo | אַכִּ֞יר (akir) = zal Ik aanzien | אֶת (et) = (obj.) | גָּל֣וּת (galut) = ballingen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | שִׁלַּ֜חְתִּי (shilachti) = heb Ik weggestuurd | מִן (min) = uit | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | אֶ֥רֶץ (erets) = naar het land van | כַּשְׂדִּ֖ים (kasdim) = de Chaldeeën | לְטוֹבָֽה (letova) = ten goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אכיר (akkir), ‘Ik zal aanzien’: het werkwoord נָכַר (nakar) betekent ‘erkennen, opmerken’. Yahweh kent hen en let op hen, ten goede. Voetnoot : De goede vijgen zijn de ballingen die in 597 voor Christus naar Babel gingen. Zie ook Jer. 29:1–14. Zie ook: Ps 94:12–14; Nah 1:7; Jer 29:1–14; Zach 13:9; Mat 25:12; Openb 3:19 **24:6** **Ik richt Mijn ogen ten goede op hen. Ik breng hen terug naar dit land. Ik bouw hen op en breek hen niet af. Ik plant hen en ruk hen niet uit.** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֨י (vesamti) = en Ik zal richten | עֵינִ֤י (eini) = Mijn ogen | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = op hen | לְטוֹבָ֔ה (letova) = ten goede | וַהֲשִׁבֹתִ֖ים (vahashivotim) = en Ik zal hen terugbrengen | עַל (al) = naar | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | וּבְנִיתִים֙ (uvenitim) = en Ik zal hen bouwen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶהֱרֹ֔ס (eheros) = zal Ik afbreken | וּנְטַעְתִּ֖ים (unetatim) = en Ik zal hen planten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֶתּֽוֹשׁ (etosh) = zal Ik uitrukken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De werkwoorden ‘bouwen’, ‘afbreken’, ‘planten’ en ‘uitrukken’ staan ook in Jer. 1:10 en 31:28. Hier zijn ze naast elkaar gezet: de ballingen worden niet uitgerukt, maar geplant. Zie ook: Jer 1:10; Jer 12:15; Jer 29:10; Jer 31:28; Jer 32:41; Jer 33:7; Jer 42:10 **24:7** **Ik geef hun een hart om Mij te kennen, dat Ik Yahweh ben. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Elohim zijn, want zij zullen met heel hun hart tot Mij terugkeren.** Brontekst: וְנָתַתִּי֩ (venatati) = en Ik zal geven | לָהֶ֨ם (lahem) = hun | לֵ֜ב (lev) = hart | לָדַ֣עַת (ladaat) = om te kennen | אֹתִ֗י (oti) = Mij | כִּ֚י (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָיוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לִ֣י (li) = voor Mij | לְעָ֔ם (leam) = tot volk | וְאָ֣נֹכִ֔י (veanokhi) = en Ik | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = zal zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לֵאלֹהִ֑ים (lElohim) = tot Elohim | כִּֽי (ki) = want | יָשֻׁ֥בוּ (yashuvu) = zullen zij terugkeren | אֵלַ֖י (elay) = tot Mij | בְּכָל (bekhal) = met heel | לִבָּֽם (libam) = hun hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ונתתי להם לב לדעת (venatati lahem lev lada’at oti), ‘Ik geef hun een hart om Mij te kennen’: zie ook Jer. 31:33 en Ezech. 36:26. Voetnoot : והיו לי לעם ואנכי אהיה להם לאלהים (vehayu li le’am va’anokhi ehyeh lahem le’elohim), ‘zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Elohim zijn’: de verbondsformule van Exod. 6:7 en Lev. 26:12. Zie ook: Ex 6:7; Lev 26:12; Jer 30:22; Jer 31:33; Ezech 11:19–20; Ezech 36:24–28; Ezech 36:26; Ezech 37:23; Heb 8:10 ### De slechte vijgen: Zedekia en wie achterbleven **24:8** **En zoals de slechte vijgen, die niet te eten zijn vanwege hun slechtheid, want zo zegt Yahweh: Zo geef Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn oversten, de overgeblevenen van Jeruzalem die in dit land zijn overgebleven en wie in het land Egypte wonen.** Brontekst: וְכַתְּאֵנִים֙ (vekhateenim) = en zoals de vijgen | הָֽרָע֔וֹת (haraot) = slechte | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | תֵאָכַ֖לְנָה (teakhalna) = kunnen gegeten worden | מֵרֹ֑עַ (meroa) = vanwege slechtheid | כִּי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כֵּ֣ן (ken) = zo | אֶ֠תֵּן (eten) = zal Ik geven | אֶת (et) = (obj.) | צִדְקִיָּ֨הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֤ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שָׂרָיו֙ (sarav) = zijn oversten | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = de overgeblevenen van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הַנִּשְׁאָרִים֙ (hanisharim) = die overgebleven zijn | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וְהַיֹּשְׁבִ֖ים (vehayoshevim) = en die wonen | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De slechte vijgen zijn Zedekia, zijn oversten, wie in Jeruzalem overbleven en wie naar Egypte gingen. Zie ook Jer. 42–44. Voetnoot : De woorden ‘want zo zegt Yahweh’ staan midden in Zijn woorden en zijn daarom rood. Zie ook: Jer 24:2; Jer 29:16–18; Jer 37:17; Jer 39:2–9; Jer 43:1–44:1 **24:9** **Ik maak hen tot een schrikbeeld, tot onheil voor alle koninkrijken van de aarde. Ik maak hen tot smaad, tot spreekwoord, tot bijtend woord en tot vloek, op alle plaatsen waarheen Ik hen verdrijf.** Brontekst: וּנְתַתִּים֙ (unetatim) = en Ik zal hen maken | לְזַעֲוָ֣ה (lezaava) = tot schrikbeeld | לְרָעָ֔ה (leraa) = tot kwaad | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | לְחֶרְפָּ֤ה (lecherpa) = tot smaad | וּלְמָשָׁל֙ (ulemashal) = en tot spreekwoord | לִשְׁנִינָ֣ה (lishnina) = tot bijtend woord | וְלִקְלָלָ֔ה (veliqlala) = en tot vloek | בְּכָל (bekhal) = op alle | הַמְּקֹמ֖וֹת (hameqomot) = plaatsen | אֲשֶֽׁר (asher) = waarheen | אַדִּיחֵ֥ם (adichem) = verdrijf Ik hen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לזעוה (lezava’ah), ‘tot schrikbeeld’: zie Deut. 28:25. Voetnoot : לשׁנינה (leshininah), ‘tot bijtend woord’: een woord dat steekt, zoals in Deut. 28:37. Zie ook: Deut 28:25; Deut 28:37; 1 Kon 9:7; Jer 15:4; Jer 29:18; Jer 34:17 **24:10** **Ik stuur het zwaard, de honger en de pest onder hen, totdat zij verdwenen zijn van de grond die Ik aan hen en aan hun vaders heb gegeven.”** Brontekst: וְשִׁלַּ֣חְתִּי (veshilachti) = en Ik zal sturen | בָ֔ם (bam) = onder hen | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֖רֶב (hacherev) = het zwaard | אֶת (et) = (obj.) | הָרָעָ֣ב (haraav) = de honger | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַדָּ֑בֶר (hadaver) = de pest | עַד (ad) = totdat | תֻּמָּם֙ (tumam) = zij verdwenen zijn | מֵעַ֣ל (meal) = van op | הָאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥תִּי (natati) = heb Ik gegeven | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | וְלַאֲבוֹתֵיהֶֽם (velaavoteihem) = en aan hun vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het zwaard, de honger en de pest: de drie plagen van Jer. 21:9. Hier worden ze over wie in Jeruzalem bleef en in Egypte woonde uitgesproken. Zie ook: Jes 51:19; Jer 19:7; Jer 21:9; Ezech 5:12–17; Ezech 14:12–21; Ezech 33:27 ## Jeremia 25 _Drieëntwintig jaar niet geluisterd; zeventig jaar Babel; de beker van Yahweh's woede_ ### Het woord over heel het volk van Juda **25:1** Het woord dat tot Jeremia kwam over heel het volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. Dat is het eerste jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel. Brontekst: הַדָּבָ֞ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | הָיָ֤ה (haya) = kwam | עַֽל (al) = tot | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | עַ֣ם (am) = het volk van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | בַּשָּׁנָה֙ (bashana) = in het jaar | הָֽרְבִעִ֔ית (hareviit) = vierde | לִיהוֹיָקִ֥ים (lihoyaqim) = van Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֖הוּ (yoshiyahu) = Josia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | הִ֗יא (hi) = dat | הַשָּׁנָה֙ (hashana) = het jaar | הָרִ֣אשֹׁנִ֔ית (harishonit) = eerste | לִנְבֽוּכַדְרֶאצַּ֖ר (linvukhadretsar) = van Nebukadnezar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בשׁנה הרבעית (bashanah harvi’it), ‘in het vierde jaar’: het vierde jaar van Jojakim valt in 605 voor Christus, het jaar waarin Nebukadnezar de Egyptenaren bij Karkemis versloeg (Jer. 46:2). Zijn ‘eerste jaar’ als koning wordt hier hetzelfde jaar genoemd. De jaartallen komen uit het geheugen en zijn niet gecontroleerd. Voetnoot : Dit hoofdstuk is een samenvatting van wat Jeremia in de voorgaande hoofdstukken heeft gezegd. Zie ook: 2 Kon 24:1–2; Jer 36:1; Jer 46:2; Dan 1:1 **25:2** Dat sprak de profeet Jeremia tegen heel het volk van Juda en tegen alle bewoners van Jeruzalem: Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | דִּבֶּ֜ר (diber) = sprak | יִרְמְיָ֤הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִיא֙ (hanavi) = de profeet | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | עַ֣ם (am) = het volk van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְאֶ֛ל (veel) = en tegen | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Ps 49:2–3; Jer 18:11; Jer 26:2; Jer 35:13; Mar 7:14–15 ### Drieëntwintig jaar niet geluisterd **25:3** „Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag is het woord van Yahweh tot mij gekomen. Dat zijn 23 jaar. Ik heb telkens weer tot jullie gesproken, maar jullie hebben niet geluisterd. Brontekst: מִן (min) = van | שְׁלֹ֣שׁ (shelosh) = drie | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֡ה (shana) = jaar | לְיֹאשִׁיָּ֣הוּ (leyoshiyahu) = van Josia | בֶן (ben) = zoon van | אָמוֹן֩ (amon) = Amon | מֶ֨לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | וְעַ֣ד (vead) = en tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | זֶ֚ה (ze) = dit | שָׁלֹ֤שׁ (shalosh) = drie | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | הָיָ֥ה (haya) = is geweest | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וָאֲדַבֵּ֧ר (vaadaber) = en ik heb gesproken | אֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = tot jullie | אַשְׁכֵּ֥ים (ashkeim) = telkens weer | וְדַבֵּ֖ר (vedaber) = en gesproken | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | שְׁמַעְתֶּֽם (shematem) = hebben jullie geluisterd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het dertiende jaar van Josia is het jaar van Jeremia’s roeping (Jer. 1:2). Van daar tot het vierde jaar van Jojakim is 23 jaar. Voetnoot : אשׁכים ודבר (ashkem vedabber), ‘telkens weer’: letterlijk ‘vroeg opstaan en spreken’. Het is een vaste uitdrukking in Jeremia (7:13; 11:7; 25:3–4; 26:5; 29:19; 32:33; 35:14–15; 44:4) voor wie keer op keer en met inzet spreekt. Zie ook: Jer 1:2; Jer 7:13; Jer 11:7; Jer 26:5; Jer 29:19 **25:4** Yahweh heeft telkens weer al Zijn knechten, de profeten, naar jullie gestuurd, maar jullie hebben niet geluisterd en jullie oor niet geneigd om te horen. Brontekst: וְשָׁלַח֩ (veshalach) = en Hij zond | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֲלֵיכֶ֜ם (aleikhem) = naar jullie | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עֲבָדָ֧יו (avadav) = Zijn knechten | הַנְּבִאִ֛ים (haneviim) = de profeten | הַשְׁכֵּ֥ם (hashkem) = telkens weer | וְשָׁלֹ֖חַ (veshaloach) = en zenden | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֑ם (shematem) = hebben jullie geluisterd | וְלֹֽא (velo) = en niet | הִטִּיתֶ֥ם (hititem) = hebben jullie geneigd | אֶֽת (et) = (obj.) | אָזְנְכֶ֖ם (azenekhem) = jullie oor | לִשְׁמֹֽעַ (lishmoa) = om te horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עבדיו הנבאים (avadav hanevi’im), ‘Zijn knechten, de profeten’: zo noemt Yahweh de profeten ook in Jer. 7:25, 26:5, 29:19, 35:15 en 44:4. Wij gebruiken ‘knecht’ met kleine letter. Zie ook: Jer 7:25; Jer 25:3; Jer 26:5; Jer 29:19; Jer 35:15; Jer 36:31; Jer 44:4–5; Zach 7:11–12 **25:5** Zij zeiden: ‘Keer toch terug, ieder van zijn boze weg en van het kwaad van jullie daden. Woon op de grond die Yahweh aan jullie en aan jullie vaders heeft gegeven, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Brontekst: לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | שֽׁוּבוּ (shuvu) = keer terug | נָ֞א (na) = toch | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | מִדַּרְכּ֤וֹ (midarko) = van zijn weg | הָֽרָעָה֙ (haraa) = de boze | וּמֵרֹ֣עַ (umeroa) = en van het kwaad van | מַעַלְלֵיכֶ֔ם (maalleikhem) = jullie daden | וּשְׁבוּ֙ (ushevu) = en woon | עַל (al) = op | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | נָתַ֧ן (natan) = heeft gegeven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | וְלַאֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם (velaavoteikhem) = en aan jullie vaders | לְמִן (lemin) = van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | וְעַד (vead) = en tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de samenvatting van wat de profeten steeds zeiden: terugkeren en op de grond blijven wonen. Zie ook Jer. 18:11, 35:15 en 2 Kon. 17:13. Voetnoot : למן עולם ועד עולם (lemin olam ve’ad olam), ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’: zoals in Ps. 90:2. De tekst bedoelt: voor altijd. Zie ook: Gen 17:8; Ps 90:2; 2 Kon 17:13; Jes 55:6–7; Jer 7:7; Jer 17:25; Jer 18:11; Jer 35:15 **25:6** Loop niet achter andere goden aan om hen te dienen en jullie voor hen neer te buigen. Prikkel Mij niet tot toorn met het werk van jullie handen, dan breng Ik jullie geen onheil.’ Brontekst: וְאַל (veal) = en niet | תֵּלְכ֗וּ (telekhu) = loop | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = achter | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | לְעָבְדָ֖ם (leavedam) = om hen te dienen | וּלְהִשְׁתַּחֲוֺ֣ת (ulehishtachavot) = en om neer te buigen | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וְלֹֽא (velo) = en niet | תַכְעִ֤יסוּ (takhisu) = prikkel tot toorn | אוֹתִי֙ (oti) = Mij | בְּמַעֲשֵׂ֣ה (bemaase) = met het werk van | יְדֵיכֶ֔ם (yedeikhem) = jullie handen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אָרַ֖ע (ara) = zal Ik onheil brengen | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תכעיסו אותי (taki’su oti), ‘prikkel Mij tot toorn’: zoals in 1 Kon. 14:9 en 2 Kon. 17:17. Zie ook: Deut 6:14; Deut 8:19; 1 Kon 14:9; 2 Kon 17:17; 2 Kon 17:35; Jer 7:6; Jer 35:15 **25:7** **‘Maar jullie hebben niet naar Mij geluisterd, godsspraak van Yahweh. Zo hebben jullie Mij tot toorn geprikkeld met het werk van jullie handen, tot jullie eigen onheil.’** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֥ם (shematem) = hebben jullie geluisterd | אֵלַ֖י (elay) = naar Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לְמַ֧עַן (lemaan) = zodat | הַכְעִיסֵ֛נִי (hakhiseni) = om Mij tot toorn te prikkelen | בְּמַעֲשֵׂ֥ה (bemaase) = met het werk van | יְדֵיכֶ֖ם (yedeikhem) = jullie handen | לְרַ֥ע (lera) = tot onheil | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נאם יהוה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Jer. 1:8. Zie ook: Deut 32:21; Spr 8:36; 2 Kon 17:17; 2 Kon 21:15; Jer 1:8; Jer 7:18–19 ### Daarom: Nebukadnezar, Mijn knecht **25:8** Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten: **‘Omdat jullie Mijn woorden niet hebben gehoord,** Brontekst: לָכֵ֕ן (lakhen) = daarom | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | יַ֕עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | שְׁמַעְתֶּ֖ם (shematem) = hebben jullie gehoord | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרָֽי (devaray) = Mijn woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יהוה צבאות (Yahweh Tsevaot): zie de Uitleg bij Jer. 2:19. Zie ook: Jer 2:19 **25:9** **zie, Ik zend en neem alle families van het noorden, godsspraak van Yahweh, en Ik zend naar Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht. Ik breng hen over dit land, over zijn bewoners en over al deze volken rondom. Ik wijd hen aan de ban en maak hen tot een verwoesting, een gesis en eeuwige ruïnes.** Brontekst: הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij | שֹׁלֵ֡חַ (sholeach) = zendend | וְלָקַחְתִּי֩ (velaqachti) = en Ik zal nemen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מִשְׁפְּח֨וֹת (mishpechot) = families van | צָפ֜וֹן (tsafon) = het noorden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶל (veel) = en naar | נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֣ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֮ (bavel) = Babel | עַבְדִּי֒ (avdi) = Mijn knecht | וַהֲבִ֨אֹתִ֜ים (vahaviotim) = en Ik zal hen brengen | עַל (al) = over | הָאָ֤רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּאת֙ (hazot) = dit | וְעַל (veal) = en over | יֹ֣שְׁבֶ֔יהָ (yosheveiha) = zijn bewoners | וְעַ֛ל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = volken | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְהַ֣חֲרַמְתִּ֔ים (vehacharamtim) = en Ik zal hen aan de ban wijden | וְשַׂמְתִּים֙ (vesamtim) = en Ik zal hen maken | לְשַׁמָּ֣ה (leshama) = tot verwoesting | וְלִשְׁרֵקָ֔ה (velishreqa) = en tot gesis | וּלְחָרְב֖וֹת (ulecharevot) = en tot ruïnes van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: משׁפחות צפון (mishpechot tsafon), ‘families van het noorden’: de volken van het noorden die Yahweh oproept. Zie Jer. 1:15. Voetnoot : עבדי (avdi), ‘Mijn knecht’: Yahweh noemt Nebukadnezar ‘Mijn knecht’, omdat hij Zijn oordeel uitvoert. Zie ook Jer. 27:6 en 43:10. Voetnoot : ואל (ve’el), ‘en naar’: het Hebreeuws zegt ‘en naar Nebukadnezar’. Wij vullen aan: ‘en Ik zend naar’. Voetnoot : הֶחֱרִים (hecherim), ‘aan de ban wijden’: aan de ban wijden betekent geheel aan Yahweh wijden, in dit geval ter vernietiging (zie Deut. 7:2). Voetnoot : שְׁרֵקָה (sherekah), ‘gesis’: men sist of fluit van schrik. Zie ook Jer. 19:8 en 51:37. Zie ook: Deut 7:2; Jes 13:3; Jer 1:15; Jer 18:16; Jer 19:8; Jer 27:6; Jer 43:10; Jer 51:37; Hab 1:6–10; Ezech 29:18–20 **25:10** **Ik laat bij hen het geluid van vreugde en het geluid van blijdschap verdwijnen, het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid, het geluid van de molenstenen en het licht van de lamp.** Brontekst: וְהַאֲבַדְתִּ֣י (vehaavadti) = en Ik zal laten verdwijnen | מֵהֶ֗ם (mehem) = uit hen | ק֤וֹל (qol) = geluid van | שָׂשׂוֹן֙ (sason) = vreugde | וְק֣וֹל (veqol) = en geluid van | שִׂמְחָ֔ה (simcha) = blijdschap | ק֥וֹל (qol) = geluid van | חָתָ֖ן (chatan) = bruidegom | וְק֣וֹל (veqol) = en geluid van | כַּלָּ֑ה (kala) = bruid | ק֥וֹל (qol) = geluid van | רֵחַ֖יִם (rechayim) = molenstenen | וְא֥וֹר (veor) = en licht van | נֵֽר (ner) = lamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vreugde en blijdschap, bruidegom en bruid, molenstenen en lamp: het gewone dagelijkse leven valt stil. Vergelijk Jer. 7:34, 16:9 en 33:11. Zie ook: Jer 7:34; Jer 16:9; Jer 33:10–11; Jer 33:11; Ezech 26:13; Openb 18:22–23 ### Zeventig jaar **25:11** **Heel dit land zal een ruïne en een verwoesting worden. Deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen.** Brontekst: וְהָֽיְתָה֙ (vehayeta) = en zal zijn | כָּל (kal) = heel | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | לְחָרְבָּ֖ה (lecharba) = tot ruïne | לְשַׁמָּ֑ה (leshama) = tot verwoesting | וְעָ֨בְד֜וּ (veavedu) = en zullen dienen | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֛לֶּה (haele) = deze | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: שׁבעים שׁנה (shiv’im shanah), ‘zeventig jaar’: zie ook Jer. 29:10 en 2 Kron. 36:21. Zeventig jaar is de tijd van de macht van Babel. Zie ook Dan. 9:2. Zie ook: 2 Kron 36:21–22; Jer 25:12; Jer 29:10; Dan 9:2; Zach 1:12; Zach 7:5 **25:12** **Maar als de zeventig jaar vervuld zijn, zal Ik de koning van Babel en dat volk straffen voor hun schuld, godsspraak van Yahweh. Ook het land van de Chaldeeën zal Ik straffen. Ik maak het tot eeuwige verwoestingen.** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | כִמְלֹ֣אות (kimlovt) = wanneer vol zijn | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | שָׁנָ֡ה (shana) = jaar | אֶפְקֹ֣ד (efqod) = zal Ik straffen | עַל (al) = over | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֩ (bavel) = Babel | וְעַל (veal) = en over | הַגּ֨וֹי (hagoy) = dat volk | הַה֧וּא (hahu) = dat | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺנָ֖ם (avonam) = hun schuld | וְעַל (veal) = en over | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | כַּשְׂדִּ֑ים (kasdim) = de Chaldeeën | וְשַׂמְתִּ֥י (vesamti) = en Ik zal maken | אֹת֖וֹ (oto) = het | לְשִֽׁמְמ֥וֹת (leshimmot) = tot verwoestingen van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אפקד (efqod), ‘Ik zal straffen’: het werkwoord פָּקַד (paqad); zie Jer. 23:2. Na de zeventig jaar wordt ook Babel gestraft. De val van Babel staat in Jer. 50–51. Zie ook: Jes 13:19; Jer 23:2; Jer 29:10; Jer 50:1–46; Jer 51:62–64; Dan 9:2 **25:13** **Ik breng over dat land al Mijn woorden die Ik erover gesproken heb. Dat is alles wat in dit boek geschreven staat, wat Jeremia over alle volken heeft geprofeteerd.** Brontekst: וְהֵֽבֵאתִי֙ (veheveti) = en Ik zal brengen | עַל (al) = over | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַהִ֔יא (hahi) = dat | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | דְּבָרַ֖י (devaray) = Mijn woorden | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבַּ֣רְתִּי (dibarti) = heb Ik gesproken | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = erover | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַכָּתוּב֙ (hakatuv) = wat geschreven staat | בַּסֵּ֣פֶר (basefer) = in het boek | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִבָּ֥א (niba) = heeft geprofeteerd | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הכתוב בספר הזה (hakkatuv bassefer hazzeh), ‘alles wat in dit boek geschreven staat’: de rol met woorden over de volken (Jer. 36:2). Wat Jeremia over de volken heeft geprofeteerd, staat in Jer. 46–51. Zie ook: Jer 1:5; Jer 1:10; Jer 36:2; Dan 5:28; Dan 6:1; Openb 10:11 **25:14** **Want ook hen maken veel volken en grote koningen tot knechten. Ik vergeld hun naar hun daden en naar het werk van hun handen.’**” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | עָֽבְדוּ (avedu) = hebben tot knecht gemaakt | בָ֤ם (bam) = hen | גַּם (gam) = ook | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | וּמְלָכִ֖ים (umelakhim) = en koningen | גְּדוֹלִ֑ים (gedolim) = grote | וְשִׁלַּמְתִּ֥י (veshilamti) = en Ik zal vergelden | לָהֶ֛ם (lahem) = hun | כְּפָעֳלָ֖ם (kefaolam) = naar hun daad | וּכְמַעֲשֵׂ֥ה (ukhemaase) = en naar het werk van | יְדֵיהֶֽם (yedeihem) = hun handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עבדו (avedu), ‘zij hebben tot knecht gemaakt’: ook de volken en koningen van Babel worden onderworpen door anderen. Dit vers is in Jer. 27:7 vergelijkbaar. Zie ook: Jes 45:1–3; Jer 27:7; Jer 50:9; Jer 50:41; Jer 51:6 ### De beker met de wijn van Mijn woede **25:15** Want zo zegt Yahweh, Elohim van Israël, tot mij: **„Neem uit Mijn hand deze beker, de wijn van woede, en laat alle volken eruit drinken naar wie Ik jou stuur.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹה֩ (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | קַ֠ח (qach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | כּ֨וֹס (kos) = beker van | הַיַּ֧יִן (hayayin) = de wijn | הַחֵמָ֛ה (hachema) = de woede | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | מִיָּדִ֑י (miyadi) = uit Mijn hand | וְהִשְׁקִיתָ֤ה (vehishqita) = en laat drinken | אֹתוֹ֙ (oto) = het | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = volken | אֲשֶׁ֧ר (asher) = naar wie | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | שֹׁלֵ֥חַ (sholeach) = zend | אוֹתְךָ֖ (otekha) = jou | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כוס היין החמה הזאת (kos hayayin hachemah hazzot), ‘deze beker, de wijn van woede’: een beeld voor het oordeel van Yahweh (zie ook Ps. 75:9 en Jes. 51:17 en 51:22). Wie ervan drinkt, wankelt en valt. Zie ook: Job 21:20; Ps 75:9; Jes 51:17; Jes 51:22; Jer 51:7; Openb 14:10 **25:16** **Zij zullen drinken, wankelen en razend worden vanwege het zwaard dat Ik tussen hen zend.”** Brontekst: וְשָׁת֕וּ (veshatu) = en zij zullen drinken | וְהִֽתְגֹּֽעֲשׁ֖וּ (vehitgoashu) = en wankelen | וְהִתְהֹלָ֑לוּ (vehitholalu) = en razend worden | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | הַחֶ֔רֶב (hacherev) = het zwaard | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | אָנֹכִ֥י (anokhi) = Ik | שֹׁלֵ֖חַ (sholeach) = zend | בֵּינֹתָֽם (beinotam) = tussen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: והתגעשׁו (vehitga’ashu), ‘wankelen’: schudden zoals bij een aardbeving. והתהללו (vehithollelu), ‘razend worden’: de zin verliezen. Zie ook: Nah 3:11; Jer 51:7; Jer 51:39; Klaagl 4:21; Ezech 23:32–34 **25:17** Ik nam de beker uit de hand van Yahweh en liet alle volken drinken naar wie Yahweh mij had gestuurd: Brontekst: וָאֶקַּ֥ח (vaeqach) = en ik nam | אֶת (et) = (obj.) | הַכּ֖וֹס (hakos) = de beker | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וָֽאַשְׁקֶה֙ (vaashqe) = en ik liet drinken | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = volken | אֲשֶׁר (asher) = naar wie | שְׁלָחַ֥נִי (shelachani) = zond mij | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de verzen 17–26 vertelt Jeremia in de ik-vorm hoe hij de beker aan de volken gaf. Wij laten open of het een visioen of een symbolische handeling was. Zie ook: Jer 1:10; Jer 25:28; Jer 27:3; Jer 46:1–28; Ezech 43:3 **25:18** Jeruzalem en de steden van Juda, haar koningen en haar oversten, om hen tot een ruïne, een verwoesting, een gesis en een vloek te maken, zoals het vandaag is; Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushalaim) = Jeruzalem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עָרֵ֣י (arei) = steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מְלָכֶ֖יהָ (melakheiha) = haar koningen | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֶ֑יהָ (sareiha) = haar oversten | לָתֵ֨ת (latet) = om te maken | אֹתָ֜ם (otam) = hen | לְחָרְבָּ֧ה (lecharba) = tot ruïne | לְשַׁמָּ֛ה (leshama) = tot verwoesting | לִשְׁרֵקָ֥ה (lishreqa) = tot gesis | וְלִקְלָלָ֖ה (veliqlala) = en tot vloek | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: Jeruzalem en Juda staan als eerste in de lijst. Zij zijn ook aan de beurt (vers 29). Voetnoot : לִשְׁרֵקָה (lisherekah), ‘tot gesis’: zie vers 9. Zie ook: Ps 60:5; Jer 24:9; Jer 25:9; Jer 25:29; Jer 44:22; Neh 9:36; 1 Petr 4:17 **25:19** Farao, de koning van Egypte, zijn dienaren, zijn oversten en heel zijn volk; Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | פַּרְעֹ֧ה (paro) = Farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲבָדָ֥יו (avadav) = zijn dienaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שָׂרָ֖יו (sarav) = zijn oversten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | עַמּֽוֹ (amo) = zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Nah 3:8–10; Jer 43:9–11; Jer 46:2; Jer 46:13–26; Ezech 29:1–21 **25:20** het hele gemengde volk; alle koningen van het land Uz; alle koningen van het land van de Filistijnen: Askelon, Gaza, Ekron en de overgeblevenen van Asdod; Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = het hele | הָעֶ֔רֶב (haerev) = gemengde volk | וְאֵ֕ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֖י (malkhei) = koningen van | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | הָע֑וּץ (hauts) = Uz | וְאֵ֗ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵי֙ (malkhei) = koningen van | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַשְׁקְל֤וֹן (ashqelon) = Askelon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַזָּה֙ (aza) = Gaza | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֶקְר֔וֹן (eqron) = Ekron | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שְׁאֵרִ֥ית (sheerit) = de overgeblevenen van | אַשְׁדּֽוֹד (ashdod) = Asdod Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza. Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land. Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte. Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo. Voetnoot Uitleg: הערב (ha’erev), ‘het gemengde volk’: het Hebreeuws woord ערב (erev) betekent ‘mengeling’ en wordt voor een gemengde bevolking van vreemdelingen gebruikt (Exod. 12:38). De betekenis is niet helemaal zeker. In vers 24 staat naast ערב (Arav), ‘Arabië’, ook weer ערב (erev), ‘het gemengde volk’. Beide woorden hebben dezelfde medeklinkers. Voetnoot : העוץ (ha’uts), ‘Uz’: een land, wellicht ten oosten of ten zuidoosten van Israël (Job 1:1; Klaagl. 4:21). Voetnoot : Askelon, Gaza, Ekron en Asdod zijn vier van de vijf Filistijnse steden; Gat ontbreekt. Wat van Asdod ‘overgebleven’ is, wijst op eerdere verwoesting. Zie ook: Job 1:1; Ex 12:38; Jes 20:1; Jer 25:24; Jer 50:37; Klaagl 4:21; Ezech 30:5 **25:21** Edom, Moab en de zonen van Ammon; Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | אֱד֥וֹם (edom) = Edom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie ook: Ps 137:7; Jer 9:25; Jer 48:1–49:22; Ob 1:1–16; Ob 1:18 **25:22** alle koningen van Tyrus, alle koningen van Sidon en de koningen van het kustland aan de overkant van de zee; Brontekst: וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵי (malkhei) = koningen van | צֹ֔ר (tsor) = Tyrus | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | צִיד֑וֹן (tsidon) = Sidon | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הָאִ֔י (hai) = het kustland | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בְּעֵ֥בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: האי (ha’i), ‘het kustland’: letterlijk ‘het eiland’ of ‘de kust’. Bedoeld zijn de gebieden aan de overkant van de Middellandse Zee. Zie ook: Jer 27:3; Jer 31:10; Jer 47:4; Jer 49:23–27; Zach 9:1–4 **25:23** Dedan, Tema, Buz en allen die de hoeken van hun haar afknippen; Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | דְּדָ֤ן (dedan) = Dedan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תֵּימָא֙ (teima) = Tema | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בּ֔וּז (buz) = Buz | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | קְצוּצֵ֥י (qetsutsei) = die afknippen | פֵאָֽה (pea) = de hoeken van het haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute. Zie Tema: Tema (nu Tayma) is een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, op de karavaanroute. Zie Buz: Buz lag in het noorden van Arabië, bij Dedan en Tema (Jeremia 25:23); de ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: Dedan en Tema liggen in het noorden van Arabië (Jes. 21:13–14). Buz is een Arabisch gebied; de ligging is niet zeker (Job 32:2). Voetnoot : קצוצי פאה (qetsutsei fe’ah), ‘die de hoeken van hun haar afknippen’: een gewoonte die de wet voor Israël verbiedt (Lev. 19:27). Zie ook Jer. 9:25 en 49:32. Zie ook: Gen 22:21; Job 6:19; Job 32:2; Lev 19:27; Jes 21:13–14; Jer 9:25; Jer 49:8; Jer 49:32 **25:24** alle koningen van Arabië en alle koningen van het gemengde volk dat in de woestijn woont; Brontekst: וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | עֲרָ֑ב (arav) = Arabië | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הָעֶ֔רֶב (haerev) = het gemengde volk | הַשֹּׁכְנִ֖ים (hashokhenim) = die wonen | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Arabië (ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël. De grenzen zijn niet scherp te trekken. Zie ook: 2 Kron 9:14; Jes 21:13; Jer 25:20; Jer 50:37; Ezech 30:5 **25:25** alle koningen van Zimri, alle koningen van Elam en alle koningen van Medië; Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | זִמְרִ֗י (zimri) = Zimri | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | עֵילָ֔ם (eilam) = Elam | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | מָדָֽי (maday) = Medië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: זמרי (Zimri), ‘Zimri’: een volk of land waarvan de ligging niet bekend is. Het staat tussen Arabië en Elam. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Elam ligt ten oosten van Babel en Medië ten oosten van Assyrië, in het huidige Iran. Zie ook: Gen 10:22; Jes 11:11; Jes 13:17; Jer 49:34–39; Jer 51:28 **25:26** alle koningen van het noorden, dichtbij en veraf, de een na de ander, en alle koninkrijken van de aarde die op het oppervlak van de grond zijn. En de koning van Sjesjak zal na hen drinken. Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | הַצָּפ֗וֹן (hatsafon) = het noorden | הַקְּרֹבִ֤ים (haqerovim) = de dichtbije | וְהָֽרְחֹקִים֙ (veharechoqim) = en de verre | אִ֣ישׁ (ish) = de een | אֶל (el) = na | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַמַּמְלְכ֣וֹת (hamamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | וּמֶ֥לֶךְ (umelekh) = en de koning van | שֵׁשַׁ֖ךְ (sheshakh) = Sjesjak | יִשְׁתֶּ֥ה (yishte) = zal drinken | אַחֲרֵיהֶֽם (achareihem) = na hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁשׁך (Sheshakh), ‘Sjesjak’: een verhulde naam voor Babel. In een eenvoudige geheimschrift waarbij de eerste letter van het alfabet wordt omgewisseld met de laatste, de tweede met de voorlaatste enzovoort, wordt בבל (Bavel) tot ששך (Sheshakh). Zie ook Jer. 51:41. Dat Babel als laatste drinkt, wordt hier met die verhulde naam gezegd. Dit is uit het geheugen en niet gecontroleerd. Zie ook: Jes 47:1–15; Jer 25:9; Jer 51:41; Ezech 32:30; Openb 18:1–24 ### Drink en val **25:27** **„En je moet tegen hen zeggen: Zo zegt Yahweh van de legermachten, Elohim van Israël: Drink, word dronken, braak en val. Jullie zullen niet meer opstaan vanwege het zwaard dat Ik tussen jullie zend.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֡ם (aleihem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֩ (amar) = zegt | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | שְׁת֤וּ (shetu) = drink | וְשִׁכְרוּ֙ (veshikhru) = en word dronken | וּקְי֔וּ (uqeyu) = en braak | וְנִפְל֖וּ (veniflu) = en val | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תָק֑וּמוּ (taqumu) = sta op | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | הַחֶ֔רֶב (hacherev) = het zwaard | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | אָנֹכִ֥י (anokhi) = Ik | שֹׁלֵ֖חַ (sholeach) = zend | בֵּינֵיכֶֽם (beineikhem) = tussen jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁתו ושׁכרו וקיו ונפלו (shetu ushkheru veqi’u venifelu), ‘drink, word dronken, braak en val’: de volgorde van een dronken man. Het werkwoord קוא (qo) is ‘braken’ (Jes. 19:14). Zie ook: Jes 19:14; Jes 51:21; Jer 25:16; Hab 2:16; Klaagl 4:21; Ezech 21:9–10 **25:28** **En wanneer zij weigeren de beker uit je hand te nemen om te drinken, zeg dan tegen hen: Zo zegt Yahweh van de legermachten: Drinken moeten jullie!** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּ֧י (ki) = wanneer | יְמָאֲנ֛וּ (yemaanu) = zij weigeren | לָקַֽחַת (laqachat) = om te nemen | הַכּ֥וֹס (hakos) = de beker | מִיָּדְךָ֖ (miyadekha) = uit je hand | לִשְׁתּ֑וֹת (lishtot) = om te drinken | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שָׁת֥וֹ (shato) = drinken | תִשְׁתּֽוּ (tishtu) = zullen jullie drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁתו תשׁתו (shetu tishtu), ‘drinken moeten jullie’: het werkwoord wordt herhaald om de nadruk. Niemand mag de beker weigeren. Zie ook: Job 34:33; Jer 49:12; Dan 4:32; Hand 4:28; Ef 1:11 **25:29** **Want zie, in de stad waarover Mijn naam is uitgeroepen, begin Ik onheil te brengen. En zouden jullie volkomen ongestraft blijven? Jullie blijven niet ongestraft, want Ik roep een zwaard op tegen alle bewoners van de aarde, godsspraak van Yahweh van de legermachten.** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | בָעִ֜יר (bair) = in de stad | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | נִֽקְרָא (niqra) = is uitgeroepen | שְׁמִ֣י (shemi) = Mijn naam | עָלֶ֗יהָ (aleiha) = over haar | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | מֵחֵ֣ל (mechel) = begin | לְהָרַ֔ע (lehara) = onheil te brengen | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | הִנָּקֵ֣ה (hinaqe) = volkomen ongestraft | תִנָּק֑וּ (tinaqu) = zullen jullie blijven | לֹ֣א (lo) = niet | תִנָּק֔וּ (tinaqu) = zullen jullie ongestraft blijven | כִּ֣י (ki) = want | חֶ֗רֶב (cherev) = een zwaard | אֲנִ֤י (ani) = Ik | קֹרֵא֙ (qore) = roep op | עַל (al) = tegen | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בעיר אשׁר נקרא שׁמי עליה (ba’ir asher niqra shemi aleha), ‘in de stad waarover Mijn naam is uitgeroepen’: Jeruzalem. Wat over de stad bekend is, bepaalt wat ervan wordt verwacht (zie ook Dan. 9:18–19). Zie ook: Spr 11:31; 1 Kon 8:43; Ezech 9:6; Ezech 38:21; Dan 9:18–19; 1 Petr 4:17 ### Yahweh brult uit de hoogte **25:30** **En jij moet al deze woorden tegen hen profeteren en tegen hen zeggen: Yahweh brult uit de hoogte. Uit Zijn heilige woning laat Hij Zijn stem klinken. Luid brult Hij tegen Zijn weide. Een juichkreet als van druiventreders laat Hij horen tegen alle bewoners van de aarde.** Brontekst: וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | תִּנָּבֵ֣א (tinave) = zult profeteren | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tegen hen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tegen hen | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | מִמָּר֤וֹם (mimarom) = uit de hoogte | יִשְׁאָג֙ (yishag) = brult | וּמִמְּע֤וֹן (umimeon) = en uit de woning van | קָדְשׁוֹ֙ (qadesho) = Zijn heiligheid | יִתֵּ֣ן (yiten) = laat klinken | קוֹל֔וֹ (qolo) = Zijn stem | שָׁאֹ֤ג (shaog) = luid brullen | יִשְׁאַג֙ (yishag) = zal Hij brullen | עַל (al) = tegen | נָוֵ֔הוּ (navehu) = Zijn weide | הֵידָד֙ (heidad) = juichkreet | כְּדֹרְכִ֣ים (kedorekhim) = als van druiventreders | יַֽעֲנֶ֔ה (yaane) = laat Hij horen | אֶ֥ל (el) = tegen | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = bewoners van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יהוה ממרום ישׁאג (Yahweh mimmarom yish’ag), ‘Yahweh brult uit de hoogte’: een beeld van een leeuw (Jer. 25:38; Amos 1:2; Joël 4:16). Voetnoot : הידד כדרכים (heidad kadorekhim), ‘een juichkreet als van druiventreders’: de kreet van wie het sap uit de druiven treedt. Hier wordt het oordeel de oogst. Zie ook Jer. 48:33. Voetnoot : Vanaf dit vers is het een lied over Yahweh in de derde persoon. Wij laten de rode kleur doorlopen tot vers 33, omdat Yahweh Zelf hier de woorden aan Jeremia geeft en vers 31 eindigt met ‘godsspraak van Yahweh’. Zie ook: Ps 78:65; Joël 4:16; Amos 1:2; Jes 16:9; Jes 42:13; Jer 25:31; Jer 25:33; Jer 25:38; Jer 48:33 **25:31** **Een dreunend geluid komt tot het einde van de aarde, want Yahweh heeft een rechtszaak met de volken. Hij houdt gericht over alle vlees. De goddelozen geeft Hij aan het zwaard, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: בָּ֤א (ba) = komt | שָׁאוֹן֙ (shaon) = dreunend geluid | עַד (ad) = tot | קְצֵ֣ה (qetse) = einde van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | כִּ֣י (ki) = want | רִ֤יב (riv) = rechtszaak | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = met de volken | נִשְׁפָּ֥ט (nishpat) = houdt gericht | ה֖וּא (hu) = Hij | לְכָל (lekhal) = over alle | בָּשָׂ֑ר (basar) = vlees | הָרְשָׁעִ֛ים (hareshaim) = de goddelozen | נְתָנָ֥ם (netanam) = geeft Hij hen | לַחֶ֖רֶב (lacherev) = aan het zwaard | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ריב ליהוה (riv laYahweh), ‘Yahweh heeft een rechtszaak’: zoals in Hos. 4:1 en Micha 6:2. Hier zijn alle volken de partij tegen wie Yahweh de rechtszaak voert. Voetnoot : נשׁפט (nishpat), ‘houdt gericht’: letterlijk ‘wordt geoordeeld’, met Hem als rechter. Zie ook: Joël 4:2; Hos 4:1; Jes 66:16; Mi 6:2; Ezech 20:35–36 **25:32** **Zo zegt Yahweh van de legermachten: Zie, onheil gaat uit van volk naar volk, en een grote storm wordt opgewekt uit de uithoeken van de aarde.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | רָעָ֛ה (raa) = onheil | יֹצֵ֖את (yotset) = gaat uit | מִגּ֣וֹי (migoy) = van volk | אֶל (el) = naar | גּ֑וֹי (goy) = volk | וְסַ֣עַר (vesaar) = en een storm | גָּד֔וֹל (gadol) = grote | יֵע֖וֹר (yeor) = wordt opgewekt | מִיַּרְכְּתֵי (miyarketei) = uit de uithoeken van | אָֽרֶץ (arets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 15:6; Jes 30:30; Jes 34:2; Jer 23:19; Jer 30:23 **25:33** **Op die dag zullen de gesneuvelden van Yahweh liggen van het ene einde van de aarde tot het andere einde. Men zal niet om hen rouwen, hen niet verzamelen en hen niet begraven. Ze zullen als mest zijn op de oppervlakte van de grond.”** Brontekst: וְהָי֞וּ (vehayu) = en zullen zijn | חַֽלְלֵ֤י (challei) = gesneuvelden van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op dag | הַה֔וּא (hahu) = die | מִקְצֵ֥ה (miqtse) = van het einde van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וְעַד (vead) = en tot | קְצֵ֣ה (qetse) = einde van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | לֹ֣א (lo) = niet | יִסָּפְד֗וּ (yisafedu) = zal men rouwen | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יֵאָֽסְפוּ֙ (yeasefu) = zal men verzamelen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִקָּבֵ֔רוּ (yiqaveru) = zal men begraven | לְדֹ֛מֶן (ledomen) = tot mest | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | יִֽהְיֽוּ (yihyu) = zullen zij zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חללי יהוה (challei Yahweh), ‘de gesneuvelden van Yahweh’: wie door Yahweh’s oordeel gedood is. Voetnoot : דֹּמֶן (domen), ‘mest’: zie ook Jer. 8:2 en 9:21. Zie ook: Ps 79:3; Jes 5:25; Jes 66:16; Jer 8:2; Jer 9:21; Jer 16:4–7 ### Jammer, herders **25:34** Jammer, herders, en schreeuw. Rol jullie in het stof, leiders van de kudde. Want de dagen van jullie slachting zijn vol, en jullie verstrooiing. Jullie zullen vallen als een kostbaar vat. Brontekst: הֵילִ֨ילוּ (heililu) = jammer | הָרֹעִ֜ים (haroim) = herders | וְזַעֲק֗וּ (vezaaqu) = en schreeuw | וְהִֽתְפַּלְּשׁוּ֙ (vehitpaleshu) = en rol jullie | אַדִּירֵ֣י (adirei) = leiders van | הַצֹּ֔אן (hatson) = de kudde | כִּֽי (ki) = want | מָלְא֥וּ (maleu) = zijn vol | יְמֵיכֶ֖ם (yemeikhem) = jullie dagen | לִטְב֑וֹחַ (litvoach) = om te slachten | וּתְפוֹצ֣וֹתִיכֶ֔ם (utefotsotikhem) = en jullie verstrooiing | וּנְפַלְתֶּ֖ם (unefaltem) = en jullie zullen vallen | כִּכְלִ֥י (kikhli) = als een vat | חֶמְדָּֽה (chemda) = kostbaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers staan de woorden zwart. Het is een klaagzang van de profeet over de herders. Wie hier precies spreekt, Yahweh of de profeet, is niet duidelijk. Wij kiezen de profeet. Voetnoot : ככלי חמדה (kikhli chemdah), ‘als een kostbaar vat’: wie valt, valt als een kostbaar vat dat breekt. Vergelijk Jer. 22:28. Voetnoot : ותפוצותיכם (utfotsotekhem), ‘en jullie verstrooiing’: de betekenis is niet helemaal zeker; sommige oude vertalingen lezen ‘jullie verbrijzeling’. Zie ook: Amos 5:11; Jes 33:1; Jer 6:26; Jer 22:28; Jer 27:7 **25:35** Voor de herders is er geen toevlucht meer en voor de leiders van de kudde geen ontkomen. Brontekst: וְאָבַ֥ד (veavad) = en is verloren | מָנ֖וֹס (manos) = vlucht | מִן (min) = voor | הָֽרֹעִ֑ים (haroim) = de herders | וּפְלֵיטָ֖ה (ufeleita) = en ontkomen | מֵאַדִּירֵ֥י (meadirei) = voor de leiders van | הַצֹּֽאן (hatson) = de kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 11:20; Amos 2:14; Jer 38:23; Jer 52:8–11; Openb 19:19–21 **25:36** Hoor het geschreeuw van de herders en het gejammer van de leiders van de kudde, want Yahweh verwoest hun weide. Brontekst: ק֚וֹל (qol) = stem van | צַעֲקַ֣ת (tsaaqat) = geschreeuw van | הָֽרֹעִ֔ים (haroim) = de herders | וִֽילְלַ֖ת (vilelat) = en gejammer van | אַדִּירֵ֣י (adirei) = leiders van | הַצֹּ֑אן (hatson) = de kudde | כִּֽי (ki) = want | שֹׁדֵ֥ד (shoded) = verwoest | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מַרְעִיתָֽם (maritam) = hun weide Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מרעיתם (mar’itam), ‘hun weide’: de herders hadden de kudde moeten weiden; nu verwoest Yahweh de weide zelf. Zie ook: Jer 4:8; Jer 25:34 **25:37** De vredige weiden worden stil gemaakt vanwege de gloed van de toorn van Yahweh. Brontekst: וְנָדַ֖מּוּ (venadamu) = en zijn stil gemaakt | נְא֣וֹת (neot) = weiden van | הַשָּׁל֑וֹם (hashalom) = de vrede | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | חֲר֥וֹן (charon) = gloed van | אַף (af) = toorn van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נאות השׁלום (ne’ot hashalom), ‘de vredige weiden’: weiden waar rust en vrede heersten. Zie ook: Jes 27:10–11; Jes 32:14 **25:38** Hij heeft Zijn schuilplaats verlaten als een jonge leeuw. Want hun land is een verwoesting geworden vanwege de gloed van de onderdrukker en vanwege de gloed van Zijn toorn. Brontekst: עָזַ֥ב (azav) = Hij heeft verlaten | כַּכְּפִ֖יר (kakefir) = als een jonge leeuw | סֻכּ֑וֹ (suko) = Zijn schuilplaats | כִּֽי (ki) = want | הָיְתָ֤ה (hayeta) = is geworden | אַרְצָם֙ (artsam) = hun land | לְשַׁמָּ֔ה (leshama) = tot verwoesting | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = vanwege | חֲר֣וֹן (charon) = gloed van | הַיּוֹנָ֔ה (hayona) = de onderdrukker | וּמִפְּנֵ֖י (umipenei) = en vanwege | חֲר֥וֹן (charon) = gloed van | אַפּֽוֹ (apo) = Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ככפיר סכו (kakkefir suko), ‘als een jonge leeuw Zijn schuilplaats’: Yahweh verlaat Zijn schuilplaats als een leeuw, om te roven. Zie vers 30. Voetnoot : חרון היונה (charon hayyonah), ‘de gloed van de onderdrukker’: de betekenis is niet helemaal zeker. Het woord kan van het werkwoord יָנָה (yanah), ‘onderdrukken’, komen. Zo staat het ook in Jer. 46:16 en 50:16 (‘het zwaard van de onderdrukker’). Het woord kan ook ‘duif’ betekenen. Zie ook: Hos 5:14; Hos 13:7–8; Jer 4:7; Jer 5:6; Jer 25:30; Jer 46:16; Jer 50:16; Jer 50:44 ## Jeremia 26 _Jeremia in het huis van Yahweh_ ### Het woord in de voorhof **26:1** In het begin van de regering van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van Yahweh: Brontekst: בְּרֵאשִׁ֗ית (bereshith) = in het begin van | מַמְלְכ֛וּת (mamlekhut) = de regering van | יְהוֹיָקִ֥ים (yehoyaqim) = Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֖הוּ (yoshiyahu) = Josia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | הָיָה֙ (haya) = kwam | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | מֵאֵ֥ת (meet) = van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרֵאשִׁית מַמְלְכוּת (bereshit mamlekhut), ‘in het begin van de regering’: de eerste tijd van Jojakim. Over Jojakim zie 2 Kon. 23:34–24:7. Voetnoot : Deze toespraak in de tempel hoort bij Jer. 7:1–15; daar staat dezelfde dreiging met Silo. Zie ook: 2 Kon 23:34–36; 2 Kron 36:4–5; Jer 1:3; Jer 7:1–15; Jer 27:1; Jer 35:1 **26:2** Zo zegt Yahweh: **„Ga in de voorhof van het huis van Yahweh staan. Spreek tot alle steden van Juda die komen om zich neer te buigen in het huis van Yahweh. Zeg hun alle woorden die Ik je heb geboden te zeggen. Laat geen woord weg.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עֲמֹד֮ (amod) = sta | בַּחֲצַ֣ר (bachatsar) = in de voorhof van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וְדִבַּרְתָּ֞ (vedibarta) = en spreek | עַל (al) = tot | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | הַבָּאִים֙ (habaim) = die komen | לְהִשְׁתַּחֲוֺ֣ת (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוִּיתִ֖יךָ (tsivitikha) = Ik je heb geboden | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = om te spreken | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = tot hen | אַל (al) = niet | תִּגְרַ֖ע (tigra) = laat weg | דָּבָֽר (davar) = woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: חֲצַר בֵּית יְהוָה (chatser bet Yahweh), ‘voorhof van het huis van Yahweh’: het open terrein rond het tempelgebouw, waar het volk samenkwam. Voetnoot : אַל תִּגְרַע דָּבָר (al tigra davar), ‘laat geen woord weg’: Jeremia moet niets zachter maken. Vergelijk Deut. 4:2. Zie ook: Deut 4:2; Jer 1:17; Jer 19:14; Mat 28:20; Hand 20:27 **26:3** **Misschien luisteren zij en keert ieder terug van zijn kwade weg. Dan laat Ik Mij het onheil rouwen dat Ik van plan ben hun te doen vanwege het kwaad van hun daden.** Brontekst: אוּלַ֣י (ulay) = misschien | יִשְׁמְע֔וּ (yishmeu) = zij zullen luisteren | וְיָשֻׁ֕בוּ (veyashuvu) = en zij keren terug | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | מִדַּרְכּ֣וֹ (midarko) = van zijn weg | הָרָעָ֑ה (haraa) = de kwade | וְנִחַמְתִּ֣י (venichamti) = en Ik laat Mij rouwen | אֶל (el) = over | הָרָעָ֗ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אָנֹכִ֤י (anokhi) = Ik | חֹשֵׁב֙ (choshev) = van plan ben | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | לָהֶ֔ם (lahem) = aan hen | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | רֹ֥עַ (roa) = het kwaad van | מַעַלְלֵיהֶֽם (maalleihem) = hun daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִחַמְתִּי (venichamti), ‘dan laat Ik Mij rouwen’: Yahweh kan van besluit veranderen als het volk terugkeert. Zie ook vers 13 en 19, Jona 3:10 en Joël 2:13. Voetnoot : הָרָעָה (hara’ah), ‘het onheil’: de ramp die Yahweh aankondigt. רֹעַ (ro’a), ‘het kwaad’ van hun daden: hun eigen slechtheid. Het zijn twee vormen van hetzelfde Hebreeuwse woord, met twee betekenissen. Zie ook: Joël 2:13; Jona 3:10; Jona 4:2; Jes 1:16–19; Jer 18:7–10; Jer 26:13; Jer 26:19; Jer 36:3; Ezech 18:27–30 **26:4** **Zeg tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh: Als jullie niet naar Mij luisteren en niet leven volgens Mijn wet, die Ik jullie heb voorgelegd,** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | לֹ֤א (lo) = niet | תִשְׁמְעוּ֙ (tishmeu) = jullie luisteren | אֵלַ֔י (elay) = naar Mij | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = om te leven | בְּת֣וֹרָתִ֔י (betorati) = volgens Mijn wet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לִפְנֵיכֶֽם (lifneikhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָתִי (torati), ‘Mijn wet’: torah betekent ‘onderricht’ of ‘wet’. Hier gaat het om wat Yahweh Zijn volk heeft voorgelegd om naar te leven. Voetnoot : Hier begint een boodschap binnen de boodschap: Yahweh draagt Jeremia op wat hij ‘in Zijn naam’ moet zeggen. Zie ook: Deut 11:32; 1 Kon 9:6; Jes 1:20; Jes 42:23–25; Jer 44:10 **26:5** **en als jullie niet luisteren naar de woorden van Mijn knechten, de profeten. Ik stuur hen telkens weer naar jullie toe, maar jullie hebben niet geluisterd.** Brontekst: לִשְׁמֹ֗עַ (lishmoa) = om te luisteren | עַל (al) = naar | דִּבְרֵ֨י (divrei) = de woorden van | עֲבָדַ֣י (avaday) = Mijn knechten | הַנְּבִאִ֔ים (haneviim) = de profeten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | שֹׁלֵ֣חַ (sholeach) = zend | אֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = naar jullie | וְהַשְׁכֵּ֥ם (vehashkem) = en telkens weer | וְשָׁלֹ֖חַ (veshaloach) = en zenden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּֽם (shematem) = jullie hebben geluisterd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהַשְׁכֵּם וְשָׁלֹחַ (vehashkem veshalo’ach), letterlijk ‘vroeg opstaan en zenden’: een vaste uitdrukking voor ‘telkens weer, met ijver’. Zie ook Jer. 7:25, 29:19 en 35:15. Voetnoot : עֲבָדַי (avadai), ‘Mijn knechten’: eved met kleine letter, want hier is het geen titel. Zie ook: 2 Kon 9:7; Jer 7:13; Jer 7:25; Jer 11:7; Jer 25:3–4; Jer 29:19; Jer 35:15; Ezra 9:11 **26:6** **Dan maak Ik dit huis als Silo, en deze stad maak Ik tot een vloek voor alle volken van de aarde.’”** Brontekst: וְנָתַתִּ֛י (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֥יִת (habayit) = het huis | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | כְּשִׁלֹ֑ה (keshilo) = als Silo | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעִ֤יר (hair) = de stad | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | אֶתֵּ֣ן (eten) = Ik zal maken | לִקְלָלָ֔ה (liqlala) = tot een vloek | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | גּוֹיֵ֥י (goyei) = volken van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁלֹה (Shiloh), ‘Silo’: de plaats waar vroeger het heiligdom stond (Joz. 18:1; 1 Sam. 1:3). Voor Jeremia is Silo een waarschuwing: ook een plaats van Yahweh kan verlaten worden. Zie ook Jer. 7:12–14. Voetnoot : לִקְלָלָה (liqlalah), ‘tot een vloek’: een plaats die andere volken als voorbeeld van vloek noemen. Zie ook: Joz 18:1; 1 Sam 1:3; Ps 78:60–64; 2 Kon 22:19; Jes 65:15; Jer 7:12–14; Jer 24:9; Jer 25:18 ### Jeremia wordt gegrepen **26:7** De priesters, de profeten en heel het volk hoorden Jeremia deze woorden spreken in het huis van Yahweh. Brontekst: וַֽיִּשְׁמְע֛וּ (vayishmeu) = en hoorden | הַכֹּהֲנִ֥ים (hakohanim) = de priesters | וְהַנְּבִאִ֖ים (vehaneviim) = en de profeten | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֑ם (haam) = het volk | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מְדַבֵּ֛ר (medaber) = sprekend | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mi 3:11; Sef 3:4; Jer 5:31; Ezech 22:25–26; Hand 5:17 **26:8** Jeremia sprak alles uit wat Yahweh hem had geboden tegen heel het volk te zeggen. Toen hij daarmee klaar was, grepen de priesters, de profeten en heel het volk hem vast. Zij zeiden: „Je zult zeker sterven! Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כְּכַלּ֣וֹת (kekhalot) = toen klaar was met | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לְדַבֵּר֙ (ledaber) = om te spreken | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֣ה (tsiva) = gebood | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְדַבֵּ֖ר (ledaber) = om te spreken | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיִּתְפְּשׂ֨וּ (vayitpesu) = en grepen | אֹת֜וֹ (oto) = hem | הַכֹּהֲנִ֧ים (hakohanim) = de priesters | וְהַנְּבִאִ֛ים (vehaneviim) = en de profeten | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֥ם (haam) = het volk | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | מ֥וֹת (mot) = dood | תָּמֽוּת (tamut) = je zult sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹת תָּמוּת (mot tamut), ‘je zult zeker sterven’: het werkwoord wordt herhaald, dus nadrukkelijk. Zo staat de straf in Gen. 2:17. Zie ook: Gen 2:17; 2 Kron 36:16; Klaagl 4:13–14; Mat 21:35–39; Mat 26:3–4; Mat 26:59–66 **26:9** Waarom profeteer je in de naam van Yahweh: ‘Dit huis zal worden als Silo en deze stad zal verwoest zijn, zonder bewoner’?” Heel het volk verzamelde zich rond Jeremia in het huis van Yahweh. Brontekst: מַדּוּעַ֩ (madua) = waarom | נִבֵּ֨יתָ (nibeita) = profeteer je | בְשֵׁם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | כְּשִׁלוֹ֙ (keshilo) = als Silo | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = zal worden | הַבַּ֣יִת (habayit) = het huis | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְהָעִ֥יר (vehair) = en de stad | הַזֹּ֛את (hazot) = deze | תֶּחֱרַ֖ב (techerav) = zal verwoest zijn | מֵאֵ֣ין (meein) = zonder | יוֹשֵׁ֑ב (yoshev) = bewoner | וַיִּקָּהֵ֧ל (vayiqahel) = en verzamelde zich | כָּל (kal) = heel | הָעָ֛ם (haam) = het volk | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֶּחֱרַב (techerav), ‘zal verwoest zijn’: van het werkwoord ‘droog en leeg worden’, dus ‘een ruïne worden’. Zie ook vers 18. Zie ook: Amos 5:10; Jer 26:18; Mat 21:23; Joh 8:59; Hand 4:17–19; Hand 21:30 ### De oversten houden gericht **26:10** De oversten van Juda hoorden deze woorden. Zij gingen op van het paleis van de koning naar het huis van Yahweh. Daar gingen zij zitten bij de ingang van de Nieuwe Poort van Yahweh. Brontekst: וַֽיִּשְׁמְע֣וּ (vayishmeu) = en hoorden | שָׂרֵ֣י (sarei) = de oversten van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en zij gingen op | מִבֵּית (mibeit) = van het huis van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | בֵּ֣ית (beit) = naar het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּֽשְׁב֛וּ (vayeshevu) = en zij gingen zitten | בְּפֶ֥תַח (befetach) = bij de ingang van | שַֽׁעַר (shaar) = de poort van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֶחָדָֽשׁ (hechadash) = de nieuwe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית הַמֶּלֶךְ (bet hamelek), ‘het huis van de koning’: het paleis. Voetnoot : שַׁעַר יְהוָה הֶחָדָשׁ (sha’ar Yahweh hechadash), ‘de Nieuwe Poort van Yahweh’: een poort bij het tempelcomplex. Wij laten open welke poort dit was; zie ook Jer. 36:10. Zie ook: Jer 36:10; Jer 36:25; Jer 37:14–16; Jer 38:4–6; Ezech 22:27 **26:11** De priesters en de profeten zeiden tegen de oversten en tegen heel het volk: „Deze man verdient een doodvonnis. Want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals jullie zelf met eigen oren hebben gehoord.” Brontekst: וַיֹּ֨אמְר֜וּ (vayomru) = en zeiden | הַכֹּהֲנִ֤ים (hakohanim) = de priesters | וְהַנְּבִאִים֙ (vehaneviim) = en de profeten | אֶל (el) = tot | הַשָּׂרִ֔ים (hasarim) = de oversten | וְאֶל (veel) = en tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מִשְׁפַּט (mishpat) = een vonnis van | מָ֨וֶת֙ (mavet) = dood | לָאִ֣ישׁ (laish) = voor de man | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | כִּ֤י (ki) = want | נִבָּא֙ (niba) = hij heeft geprofeteerd | אֶל (el) = tegen | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | שְׁמַעְתֶּ֖ם (shematem) = jullie hebben gehoord | בְּאָזְנֵיכֶֽם (beazeneikhem) = met jullie oren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפַּט מָוֶת (mishpat mavet), letterlijk ‘een vonnis van de dood’. Mishpat betekent ‘recht’; hier is het de uitspraak van de rechter. Het gaat om een doodvonnis, zoals in vers 16. Zie ook: Deut 18:20; Jer 18:23; Jer 26:16; Jer 38:4; Mat 26:66; Hand 6:11–14 ### De verdediging van Jeremia **26:12** Jeremia zei tegen alle oversten en tegen heel het volk: „Yahweh heeft mij gestuurd om tegen dit huis en tegen deze stad alle woorden te profeteren die jullie hebben gehoord. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = alle | הַשָּׂרִ֔ים (hasarim) = de oversten | וְאֶל (veel) = en tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁלָחַ֗נִי (shelachani) = heeft mij gestuurd | לְהִנָּבֵ֞א (lehinave) = om te profeteren | אֶל (el) = tegen | הַבַּ֤יִת (habayit) = het huis | הַזֶּה֙ (haze) = dit | וְאֶל (veel) = en tegen | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שְׁמַעְתֶּֽם (shematem) = jullie hebben gehoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלָחַנִי (shelachani), ‘heeft mij gestuurd’: Jeremia noemt zich een door Yahweh gestuurde profeet. Over profeten die Yahweh niet heeft gestuurd, zie 28:15 en 29:31. Zie ook: Jer 1:17–18; Jer 26:2; Jer 26:15; Hand 4:19; Hand 5:29 **26:13** Maak nu jullie wegen en jullie daden goed en luister naar de stem van Yahweh, jullie Elohim. Dan laat Yahweh Zich het onheil rouwen dat Hij over jullie heeft gesproken. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הֵיטִ֤יבוּ (heitivu) = maak goed | דַרְכֵיכֶם֙ (darkheikhem) = jullie wegen | וּמַ֣עַלְלֵיכֶ֔ם (umaalleikhem) = en jullie daden | וְשִׁמְע֕וּ (veshimu) = en luister | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְיִנָּחֵ֣ם (veyinachem) = en laat Zich rouwen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | הָ֣רָעָ֔ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבֶּ֖ר (diber) = Hij heeft gesproken | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = over jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיִנָּחֵם (veyinnachem), ‘dan laat Hij Zich rouwen’: zie de Uitleg bij vers 3. Yahweh kondigt een ramp aan om het volk te laten terugkeren. Zie ook: Jona 3:9; Jona 4:2; Jes 1:19; Jer 7:3–7; Jer 26:3 **26:14** Ik zelf ben in jullie hand. Doe met mij wat goed en recht is in jullie ogen. Brontekst: וַאֲנִ֖י (vaani) = en ik | הִנְנִ֣י (hinni) = zie mij hier | בְיֶדְכֶ֑ם (beyedkhem) = in jullie hand | עֲשׂוּ (asu) = doe | לִ֛י (li) = met mij | כַּטּ֥וֹב (katov) = zoals goed | וְכַיָּשָׁ֖ר (vekhayashar) = en zoals recht | בְּעֵינֵיכֶֽם (beeineikhem) = in jullie ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 9:25; 2 Sam 15:26; Jer 38:5; Dan 3:16 **26:15** Maar weet dit goed: als jullie mij ter dood brengen, leggen jullie onschuldig bloed op jezelf, op deze stad en op haar bewoners. Want in waarheid heeft Yahweh mij naar jullie gestuurd om al deze woorden in jullie oren te spreken.” Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = maar | יָדֹ֣עַ (yadoa) = weet | תֵּדְע֗וּ (tedeu) = jullie zullen weten | כִּ֣י (ki) = dat | אִם (im) = als | מְמִתִ֣ים (memitim) = jullie ter dood brengen | אַתֶּם֮ (atem) = jullie | אֹתִי֒ (oti) = mij | כִּי (ki) = dat | דָ֣ם (dam) = bloed | נָקִ֗י (naqi) = onschuldig | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | נֹתְנִ֣ים (notenim) = leggen | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = op jullie | וְאֶל (veel) = en op | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | וְאֶל (veel) = en op | יֹשְׁבֶ֑יהָ (yosheveiha) = haar bewoners | כִּ֣י (ki) = want | בֶאֱמֶ֗ת (beemet) = in waarheid | שְׁלָחַ֤נִי (shelachani) = heeft mij gestuurd | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = naar jullie | לְדַבֵּר֙ (ledaber) = om te spreken | בְּאָזְנֵיכֶ֔ם (beazeneikhem) = in jullie oren | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָם נָקִי (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: bloed van iemand die de dood niet verdient. Zie Deut. 19:10. Voetnoot : בֶאֱמֶת (be’emet), ‘in waarheid’: wat Jeremia zegt is geen eigen woord; Yahweh heeft hem gestuurd. Zie ook: Num 35:33; Deut 19:10; Spr 6:17; Jer 22:3; Hand 7:60; Openb 16:6 ### Het besluit van de oversten **26:16** De oversten en heel het volk zeiden tegen de priesters en tegen de profeten: „Deze man verdient geen doodvonnis. Want hij heeft in de naam van Yahweh, onze Elohim, tot ons gesproken.” Brontekst: וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | הַשָּׂרִים֙ (hasarim) = de oversten | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֶל (el) = tot | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | וְאֶל (veel) = en tot | הַנְּבִיאִ֑ים (haneviim) = de profeten | אֵין (ein) = er is niet | לָאִ֤ישׁ (laish) = voor de man | הַזֶּה֙ (haze) = deze | מִשְׁפַּט (mishpat) = een vonnis van | מָ֔וֶת (mavet) = dood | כִּ֗י (ki) = want | בְּשֵׁ֛ם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | דִּבֶּ֥ר (diber) = hij heeft gesproken | אֵלֵֽינוּ (eleinu) = tot ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 27:23–24; Hand 5:34–39; Hand 23:9; Hand 23:29; Hand 25:25 ### Het voorbeeld van Micha **26:17** Enkele mannen uit de oudsten van het land stonden op. Zij zeiden tegen heel de vergadering van het volk: Brontekst: וַיָּקֻ֣מוּ (vayaqumu) = en stonden op | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | מִזִּקְנֵ֖י (miziqnei) = van de oudsten van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zeiden | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | קְהַ֥ל (qehal) = de vergadering van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִקְנֵי הָאָרֶץ (ziqne ha’arets), ‘oudsten van het land’: aanzienlijke mannen van het land, geen ambtsdragers van de stad. Zie ook: Mi 1:1; Hand 5:34 **26:18** „Micha de Moreshiet profeteerde in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Hij zei tegen heel het volk van Juda: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Sion wordt als een akker omgeploegd. Jeruzalem wordt een hoop puin en de berg van het Huis een bosrijke hoogte.’ Brontekst: מִיכָה֙ (mikha) = Micha | הַמּ֣וֹרַשְׁתִּ֔י (hamorashti) = de Moreshiet | הָיָ֣ה (haya) = was | נִבָּ֔א (niba) = profeterend | בִּימֵ֖י (bimei) = in de dagen van | חִזְקִיָּ֣הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | עַם֩ (am) = het volk van | יְהוּדָ֨ה (yehuda) = Juda | לֵאמֹ֜ר (lemor) = zeggende | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | צִיּ֞וֹן (tsiyon) = Sion | שָׂדֶ֤ה (sade) = een akker | תֵֽחָרֵשׁ֙ (techaresh) = wordt omgeploegd | וִירוּשָׁלַ֨יִם֙ (virushalayim) = en Jeruzalem | עִיִּ֣ים (iyim) = puinhopen | תִּֽהְיֶ֔ה (tihye) = wordt | וְהַ֥ר (vehar) = en de berg van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het Huis | לְבָמ֥וֹת (levamot) = tot hoogten van | יָֽעַר (yaar) = bos Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moreshet-Gat (Tel Goded?; ligging onzeker): Moreshet-Gat, de woonplaats van Micha, lag in het laagland van Juda, waarschijnlijk bij Tel Goded. Dit is niet helemaal zeker. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Micha de Moreshiet: zie Micha 1:1. De geschreven tekst heeft de langere naamsvorm מיכיה (Mikayah, ‘wie is als Yahweh?’). Het citaat komt bijna woordelijk overeen met Micha 3:12. De inleiding ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat daar niet; zij komt hier van de oudsten. Wij houden de woorden gelijk aan Micha 3:12. Voetnoot : In de tijd van Hizkia: 2 Kon. 18:1–8. Voetnoot : Yahweh van de legermachten: zie de Uitleg bij Jer. 2:19. Zie ook: 2 Kon 18:1–8; Mi 1:1; Mi 3:12–4:1; Jer 2:19; Jer 17:3; Zach 8:3; Neh 3:34 **26:19** Hebben Hizkia, de koning van Juda, en heel Juda hem ter dood gebracht? Heeft hij Yahweh niet gevreesd en Yahweh gunstig gestemd? Toen liet Yahweh Zich het onheil rouwen dat Hij over hen had gesproken. Maar wij zijn bezig een groot onheil over onszelf te brengen.” Brontekst: הֶהָמֵ֣ת (hehamet) = hebben zij werkelijk gedood | הֱ֠מִתֻהוּ (hemituhu) = hebben zij hem ter dood gebracht | חִזְקִיָּ֨הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | וְכָל (vekhal) = en heel | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | הֲלֹא֮ (halo) = niet | יָרֵ֣א (yare) = heeft hij gevreesd | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וַיְחַל֙ (vaychal) = en stemde gunstig | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵ֣י (penei) = het gelaat van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּנָּ֣חֶם (vayinachem) = en liet Zich rouwen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | הָרָעָ֖ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֣ר (diber) = Hij had gesproken | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = over hen | וַאֲנַ֗חְנוּ (vaanachnu) = en wij | עֹשִׂ֛ים (osim) = doen | רָעָ֥ה (raa) = onheil | גְדוֹלָ֖ה (gedola) = groot | עַל (al) = tegen | נַפְשׁוֹתֵֽינוּ (nafshoteinu) = onszelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְחַל אֶת פְּנֵי יְהוָה (vaychal et penei Yahweh), letterlijk ‘hij maakte het gezicht van Yahweh zacht’: hij smeekte Yahweh om genade. Wij vertalen ‘gunstig stemmen’. Voetnoot : נַפְשׁוֹתֵינוּ (nafshotenu), letterlijk ‘onze zielen’: nefesh is hier ‘onszelf’. Als zij Jeremia doden, brengen zij onheil over zichzelf. Zie ook: Ex 32:14; 2 Sam 24:16; 2 Kron 29:6–11; Jes 37:15–20; Hand 5:39 ### Het lot van Uria **26:20** Er was ook een man die in de naam van Yahweh profeteerde: Uria, de zoon van Sjemaja, uit Kirjat-Jearim. Hij profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, geheel naar de woorden van Jeremia. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אִ֗ישׁ (ish) = een man | הָיָ֤ה (haya) = was | מִתְנַבֵּא֙ (mitnabe) = profeterend | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֽוּרִיָּ֨הוּ֙ (uriyahu) = Uria | בֶּֽן (ben) = zoon van | שְׁמַעְיָ֔הוּ (shemayahu) = Sjemaja | מִקִּרְיַ֖ת (miqiryat) = uit Kirjat | הַיְּעָרִ֑ים (hayearim) = Jearim | וַיִּנָּבֵ֞א (vayinave) = en hij profeteerde | עַל (al) = tegen | הָעִ֤יר (hair) = de stad | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | וְעַל (veal) = en tegen | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | כְּכֹ֖ל (kekhol) = overeenkomstig alle | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | יִרְמְיָֽהוּ (yirmeyahu) = Jeremia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Over Uria, de zoon van Sjemaja, weten wij alleen wat hier staat. Kirjat-Jearim lag ten westen van Jeruzalem (Joz. 9:17; 1 Sam. 7:1). Zie ook: Joz 9:17; Joz 15:60; Joz 18:14; 1 Sam 6:21; 1 Sam 7:1; 1 Sam 7:2 **26:21** Koning Jojakim, al zijn helden en alle oversten hoorden zijn woorden. De koning zocht een manier om hem te doden. Uria hoorde het en werd bang. Hij vluchtte en kwam in Egypte. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hoorde | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning | יְ֠הוֹיָקִים (yehoyaqim) = Jojakim | וְכָל (vekhal) = en al | גִּבּוֹרָ֤יו (giborav) = zijn helden | וְכָל (vekhal) = en alle | הַשָּׂרִים֙ (hasarim) = de oversten | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרָ֔יו (devarav) = zijn woorden | וַיְבַקֵּ֥שׁ (vayvaqesh) = en zocht | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | הֲמִית֑וֹ (hamito) = hem te doden | וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en hoorde | אוּרִיָּ֨הוּ֙ (uriyahu) = Uria | וַיִּרָ֔א (vayira) = en werd bang | וַיִּבְרַ֖ח (vayivrach) = en vluchtte | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en kwam | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: גִּבּוֹרָיו (gibborav), ‘zijn helden’: de krijgers en bevelhebbers van de koning. Uria vlucht naar Egypte; Jojakim was door Farao Necho koning gemaakt (2 Kon. 23:34). Zie ook: Ps 119:109; 2 Kon 23:34; 2 Kron 16:10; Jer 36:26; Mat 10:23; Mat 14:5 **26:22** Koning Jojakim stuurde mannen naar Egypte: Elnatan, de zoon van Achbor, en mannen met hem. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֞ח (vayishlach) = en stuurde | הַמֶּ֧לֶךְ (hamelekh) = de koning | יְהוֹיָקִ֛ים (yehoyaqim) = Jojakim | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mannen | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = naar Egypte | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֶלְנָתָ֧ן (elnatan) = Elnatan | בֶּן (ben) = zoon van | עַכְבּ֛וֹר (akhbor) = Achbor | וַאֲנָשִׁ֥ים (vaanashim) = en mannen | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | אֶל (el) = naar | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Elnatan, de zoon van Achbor, is ook een van de oversten in 36:12. Een Elnatan is de vader van Nechusjta, de moeder van Jojachin (2 Kon. 24:8). Achbor komt voor in 2 Kon. 22:12. Wij laten open of het dezelfde man is. Zie ook: Ps 12:9; 2 Kon 22:12; 2 Kon 22:14; 2 Kon 24:8; Jer 36:12; Jer 36:25 **26:23** Zij haalden Uria uit Egypte en brachten hem bij koning Jojakim. Die doodde hem met het zwaard en wierp zijn lijk in de graven van de gewone mensen. Brontekst: וַיּוֹצִ֨יאוּ (vayotsiu) = en zij haalden naar buiten | אֶת (et) = (obj.) | אוּרִיָּ֜הוּ (uriyahu) = Uria | מִמִּצְרַ֗יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַיְבִאֻ֨הוּ֙ (vayviuhu) = en brachten hem | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | יְהוֹיָקִ֔ים (yehoyaqim) = Jojakim | וַיַּכֵּ֖הוּ (vayakehu) = en hij sloeg hem | בֶּחָ֑רֶב (becharev) = met het zwaard | וַיַּשְׁלֵךְ֙ (vayashlekh) = en hij wierp | אֶת (et) = (obj.) | נִבְלָת֔וֹ (nivlato) = zijn lijk | אֶל (el) = naar | קִבְרֵ֖י (qivrei) = de graven van | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: קִבְרֵי בְּנֵי הָעָם (qivre bene ha’am), ‘graven van de zonen van het volk’: een gewone begraafplaats voor gewone mensen. Vergelijk 2 Kon. 23:6. Zie ook: 2 Kon 23:6; Jer 2:30; Jer 26:15; Hand 12:1–3; 1 Tess 2:15; Openb 11:7 ### Achikam beschermt Jeremia **26:24** Maar de hand van Achikam, de zoon van Safan, was met Jeremia. Zo werd hij niet in de hand van het volk gegeven om hem te doden. Brontekst: אַ֗ךְ (akh) = maar | יַ֚ד (yad) = de hand van | אֲחִיקָ֣ם (achiqam) = Achikam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁפָ֔ן (shafan) = Safan | הָיְתָ֖ה (hayeta) = was | אֶֽת (et) = met | יִרְמְיָ֑הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לְבִלְתִּ֛י (levilti) = opdat niet | תֵּת (tet) = gegeven werd | אֹת֥וֹ (oto) = hem | בְיַד (beyad) = in de hand van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לַהֲמִיתֽוֹ (lahamito) = om hem te doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Achikam, de zoon van Safan: zie 2 Kon. 22:12. Zijn zoon Gedalja wordt later over het achtergebleven volk aangesteld (2 Kon. 25:22). Zijn bescherming redt Jeremia hier. Zie ook: 1 Kon 18:4; 2 Kon 22:12–14; 2 Kon 25:22; Jer 1:18–19; Jer 39:14; Jer 40:5–7 ## Jeremia 27 _Het juk van de koning van Babel_ ### Banden en jukken **27:1** In het begin van de regering van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord tot Jeremia van Yahweh: Brontekst: בְּרֵאשִׁ֗ית (bereshith) = in het begin van | מַמְלֶ֛כֶת (mamlekhet) = de regering van | יְהוֹיָקִ֥ם (yehoyaqim) = Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאושִׁיָּ֖הוּ (yovshiyahu) = Josia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | הָיָ֞ה (haya) = kwam | הַדָּבָ֤ר (hadavar) = het woord | הַזֶּה֙ (haze) = dit | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔ה (yirmeya) = Jeremia | מֵאֵ֥ת (meet) = van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרֵאשִׁית מַמְלֶכֶת (bereshit mamlekhet), ‘in het begin van de regering’: zie ook 26:1. Voetnoot : De naam ‘Jojakim’ staat hier in de Masoretische tekst. Uit vers 3, 12 en 20 en uit 28:1 blijkt dat de gebeurtenissen onder Zedekia plaatsvonden (2 Kon. 24:17–18). Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen in vers 1 een andere naam of laten de naam weg. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Kon 24:17–18; 2 Kron 36:11; Jer 27:3; Jer 27:12; Jer 27:19–20; Jer 27:20; Jer 28:1 **27:2** Zo zegt Yahweh tegen mij: **„Maak voor jezelf banden en jukken en leg ze op je nek.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | עֲשֵׂ֣ה (ase) = maak | לְךָ֔ (lekha) = voor jezelf | מוֹסֵר֖וֹת (moserot) = banden | וּמֹט֑וֹת (umotot) = en jukken | וּנְתַתָּ֖ם (unetatam) = en leg ze | עַל (al) = op | צַוָּארֶֽךָ (tsavarekha) = je nek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹסֵרוֹת (moserot), ‘banden’: riemen of touwen waarmee een juk wordt vastgebonden. מֹטוֹת (motot), ‘jukken’: de houten stangen van een juk. Jeremia draagt deze voorwerpen als teken (zie 28:10). Zie ook: Amos 7:1; Jer 13:1–11; Jer 18:2–10; Jer 28:10–14; Ezech 4:1–5 **27:3** **Stuur ze naar de koning van Edom, de koning van Moab, de koning van de Ammonieten, de koning van Tyrus en de koning van Sidon. Stuur ze door de boden die naar Jeruzalem komen, naar Zedekia, de koning van Juda.** Brontekst: וְשִׁלַּחְתָּם֩ (veshilachtam) = en stuur ze | אֶל (el) = naar | מֶ֨לֶךְ (melekh) = de koning van | אֱד֜וֹם (edom) = Edom | וְאֶל (veel) = en naar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | מוֹאָ֗ב (moav) = Moab | וְאֶל (veel) = en naar | מֶ֨לֶךְ֙ (melekh) = de koning van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | וְאֶל (veel) = en naar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | צֹ֖ר (tsor) = Tyrus | וְאֶל (veel) = en naar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | צִיד֑וֹן (tsidon) = Sidon | בְּיַ֤ד (beyad) = door de hand van | מַלְאָכִים֙ (malakhim) = boden | הַבָּאִ֣ים (habaim) = die komen | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = naar Jeruzalem | אֶל (el) = naar | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De boden van de vijf buurkoningen komen naar Jeruzalem, naar Zedekia. De tekst zegt niet waarom zij komen. Voetnoot : בְּנֵי עַמּוֹן (bene Ammon), letterlijk ‘de zonen van Ammon’: de Ammonieten. Zie ook: 2 Kron 36:13; Amos 1:9–2:3; Jer 25:19–26; Ezech 25:1–17; Ezech 29:18 **27:4** **Geef hun opdracht voor hun heren: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Zo moeten jullie tegen jullie heren zeggen:** Brontekst: וְצִוִּיתָ֣ (vetsivita) = en geef opdracht | אֹתָ֔ם (otam) = hun | אֶל (el) = over | אֲדֹֽנֵיהֶ֖ם (adoneihem) = hun heren | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כֹּ֥ה (ko) = zo | תֹֽאמְר֖וּ (tomru) = moeten jullie zeggen | אֶל (el) = tegen | אֲדֹֽנֵיכֶֽם (adoneikhem) = jullie heren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een boodschap binnen een boodschap. Yahweh draagt Jeremia op wat de boden aan hun heren moeten zeggen. Voetnoot : Yahweh van de legermachten: zie de Uitleg bij Jer. 2:19. Zie ook: Ex 5:1; Jer 2:19; Jer 10:10; Jer 10:16; Jer 25:27; Jer 51:19 **27:5** **Ik heb de aarde gemaakt, de mensen en de dieren die op de aarde zijn, door Mijn grote kracht en door Mijn uitgestrekte arm. Ik geef haar aan wie goed is in Mijn ogen.** Brontekst: אָנֹכִ֞י (anokhi) = Ik | עָשִׂ֣יתִי (asiti) = heb gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | אֶת (et) = (obj.) | הָאָדָ֤ם (haadam) = de mens | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבְּהֵמָה֙ (habehema) = het dier | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | בְּכֹחִי֙ (bekhochi) = met Mijn kracht | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | וּבִזְרוֹעִ֖י (uvizroi) = en met Mijn arm | הַנְּטוּיָ֑ה (hanetuya) = de uitgestrekte | וּנְתַתִּ֕יהָ (unetatiha) = en Ik geef haar | לַאֲשֶׁ֖ר (laasher) = aan wie | יָשַׁ֥ר (yashar) = goed is | בְּעֵינָֽי (beeinay) = in Mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכֹחִי הַגָּדוֹל וּבִזְרוֹעִי הַנְּטוּיָה (bechochi haggadol uvizroi hanetuyah), ‘door Mijn grote kracht en door Mijn uitgestrekte arm’: een uitdrukking uit de uittocht uit Egypte (Deut. 4:34; 5:15). Hier gaat het om de schepping. Zie ook: Deut 4:34; Deut 5:15; Ps 115:15–16; Jer 32:17; Jer 51:15; Dan 4:14; Heb 1:10–11 **27:6** **Nu heb Ik al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht. Ook de dieren van het veld heb Ik hem gegeven om hem te dienen.** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | נָתַ֨תִּי֙ (natati) = heb gegeven | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָאֲרָצ֣וֹת (haaratsot) = de landen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | בְּיַ֛ד (beyad) = in de hand van | נְבוּכַדְנֶאצַּ֥ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | עַבְדִּ֑י (avdi) = Mijn knecht | וְגַם֙ (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | חַיַּ֣ת (chayat) = de dieren van | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | נָתַ֥תִּי (natati) = heb Ik gegeven | ל֖וֹ (lo) = aan hem | לְעָבְדֽוֹ (leavedo) = om hem te dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: Nebukadnezar heet zo omdat Yahweh hem gebruikt (zie ook 25:9 en 43:10). Eved staat hier met kleine letter, want het is geen titel. Voetnoot : נְבוּכַדְנֶאצַּר (Nevukhadnetsar), ‘Nebukadnezar’: in het Hebreeuws staat de naam in dit boek in verschillende spellingen (zie 28:11 en 29:21). Het is dezelfde koning. Wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’. Zie ook: Jer 25:9; Jer 28:14; Jer 43:10; Ezech 29:18–20; Dan 2:37–38 **27:7** **Alle volken zullen hem dienen, en zijn zoon, en de zoon van zijn zoon, totdat ook voor zijn eigen land de tijd komt. Dan zullen veel volken en grote koningen hem tot knecht maken.** Brontekst: וְעָבְד֤וּ (veavedu) = en zullen hem dienen | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | בֶּן (ben) = de zoon van | בְּנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | עַ֣ד (ad) = tot | בֹּא (bo) = komt | עֵ֤ת (et) = de tijd van | אַרְצוֹ֙ (artso) = zijn land | גַּם (gam) = ook | ה֔וּא (hu) = hij | וְעָ֤בְדוּ (veavedu) = en zullen hem tot knecht maken | בוֹ֙ (bo) = in hem | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | וּמְלָכִ֖ים (umelakhim) = en koningen | גְּדֹלִֽים (gedolim) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְעָבְדוּ בוֹ (ve’avdu vo), ‘en zij zullen hem tot knecht maken’: het werkwoord avad (‘dienen’) betekent hier ‘laten dienen’. Voetnoot : עֵת אַרְצוֹ (et artso), ‘de tijd van zijn land’: de tijd waarop Babel zelf ten val komt. Wij noemen geen namen voor ‘zijn zoon’ en ‘de zoon van zijn zoon’; de tekst noemt ze niet. Zie ook: Jes 14:4–6; Jer 52:31; Dan 5:25–6:1; Zach 2:12–13; Openb 13:5–10 **27:8** **Er zal een volk of koninkrijk zijn dat Nebukadnezar, de koning van Babel, niet wil dienen. Het brengt zijn nek niet onder het juk van de koning van Babel. Dat volk straf Ik met het zwaard, met honger en met pest, godsspraak van Yahweh. Dat doe Ik totdat Ik hen door zijn hand heb weggevaagd.** Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | הַגּ֜וֹי (hagoy) = het volk | וְהַמַּמְלָכָ֗ה (vehamamlakha) = en het koninkrijk | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יַעַבְד֤וּ (yaavdu) = zullen dienen | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | אֶת (et) = (obj.) | נְבוּכַדְנֶאצַּ֣ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יִתֵּן֙ (yiten) = zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | צַוָּאר֔וֹ (tsavaro) = zijn nek | בְּעֹ֖ל (beol) = onder het juk van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | בַּחֶרֶב֩ (bacherev) = met het zwaard | וּבָרָעָ֨ב (uvaraav) = en met honger | וּבַדֶּ֜בֶר (uvadever) = en met pest | אֶפְקֹ֨ד (efqod) = straf Ik | עַל (al) = over | הַגּ֤וֹי (hagoy) = het volk | הַהוּא֙ (hahu) = dat | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = totdat | תֻּמִּ֥י (tumi) = Ik heb weggevaagd | אֹתָ֖ם (otam) = hen | בְּיָדֽוֹ (beyado) = door zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Jer. 1:8. Voetnoot : חֶרֶב, רָעָב, דֶּבֶר (cherev, ra’av, dever), ‘zwaard, honger en pest’: drie rampen die in Jeremia vaak samen staan (zie 24:10 en 29:17). Voetnoot : תֻּמִּי (tammi), ‘Ik heb weggevaagd’: van het werkwoord tamam, ‘ten einde zijn, voltooid zijn’. Hier betekent het ‘een einde maken aan’. Zie ook: Jer 1:8; Jer 24:10; Jer 38:17–19; Jer 42:10–18; Ezech 14:21; Ezech 17:19–21 **27:9** **Jullie dan: luister niet naar jullie profeten, jullie waarzeggers, jullie dromen, jullie tekenduiders en jullie tovenaars, die tegen jullie zeggen:** ‘Jullie zullen de koning van Babel niet dienen.’ Brontekst: וְ֠אַתֶּם (veatem) = en jullie | אַל (al) = niet | תִּשְׁמְע֨וּ (tishmeu) = luister | אֶל (el) = naar | נְבִיאֵיכֶ֜ם (nevieikhem) = jullie profeten | וְאֶל (veel) = en naar | קֹֽסְמֵיכֶ֗ם (qosemeikhem) = jullie waarzeggers | וְאֶל֙ (veel) = en naar | חֲלֹמֹ֣תֵיכֶ֔ם (chalomoteikhem) = jullie dromen | וְאֶל (veel) = en naar | עֹֽנְנֵיכֶ֖ם (oneneikhem) = jullie tekenduiders | וְאֶל (veel) = en naar | כַּשָּׁפֵיכֶ֑ם (kashafeikhem) = jullie tovenaars | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵ֞ם (hem) = zij | אֹמְרִ֤ים (omerim) = zeggende | אֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = tot jullie | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֹ֥א (lo) = niet | תַעַבְד֖וּ (taavdu) = zullen jullie dienen | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: חֲלֹמֹתֵיכֶם (chalomotekhem), ‘jullie dromen’: het Hebreeuws noemt hier dromen in een rij van personen. Bedoeld zijn waarschijnlijk wie dromen vertellen en uitleggen. Zie ook 29:8. Voetnoot : עֹנְנֵיכֶם (onenekhem), ‘jullie tekenduiders’: wie tekenen uitlegt, bijvoorbeeld uit wolken. Zie ook Jes. 2:6. Voetnoot : קֹסְמֵיכֶם (qosmekhem), ‘jullie waarzeggers’: wie de toekomst zoekt te kennen. Zie ook: Jes 2:6; Jes 8:19; Jes 47:12–14; Jer 14:14; Jer 29:8; Mal 3:5 **27:10** **Want zij profeteren jullie een leugen. Daardoor worden jullie ver van jullie land gebracht. Ik verdrijf jullie en jullie komen om.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = een leugen | הֵ֖ם (hem) = zij | נִבְּאִ֣ים (nibeim) = profeterend | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | הַרְחִ֤יק (harchiq) = ver wegbrengt | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מֵעַ֣ל (meal) = van op | אַדְמַתְכֶ֔ם (admatkhem) = jullie land | וְהִדַּחְתִּ֥י (vehidachti) = en Ik verdrijf | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | וַאֲבַדְתֶּֽם (vaavadtem) = en jullie komen om Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְמַעַן (lema’an), ‘daardoor, met als gevolg’: het woord geeft het doel of het gevolg aan. Wie op de leugenprofeten vertrouwt, wordt uiteindelijk uit het land weggevoerd. Zie ook: Jer 23:25; Jer 27:14; Jer 32:31; Klaagl 2:14; Ezech 14:9–11 **27:11** **Maar het volk dat zijn nek onder het juk van de koning van Babel brengt en hem dient, dat laat Ik blijven op zijn eigen land, godsspraak van Yahweh. Het bewerkt het land en woont daarop.’”** Brontekst: וְהַגּ֗וֹי (vehagoy) = en het volk | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יָבִ֧יא (yavi) = zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | צַוָּאר֛וֹ (tsavaro) = zijn nek | בְּעֹ֥ל (beol) = onder het juk van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וַֽעֲבָד֑וֹ (vaavado) = en hem dient | וְהִנַּחְתִּ֤יו (vehinachtiv) = en Ik laat het blijven | עַל (al) = op | אַדְמָתוֹ֙ (admato) = zijn land | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽעֲבָדָ֖הּ (vaavadah) = en het bewerkt het | וְיָ֥שַׁב (veyashav) = en woont | בָּֽהּ (bah) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Jer 21:9; Jer 27:2; Jer 27:8; Jer 38:2; Jer 42:10–11 ### Tegen Zedekia **27:12** Ook tegen Zedekia, de koning van Juda, heb ik al deze woorden gesproken. Ik zei: „Breng jullie nek onder het juk van de koning van Babel. Dien hem en zijn volk, dan blijven jullie leven. Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | צִדְקִיָּ֤ה (tsidqiya) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | דִּבַּ֔רְתִּי (dibarti) = heb ik gesproken | כְּכָל (kekhal) = overeenkomstig alle | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הָבִ֨יאוּ (haviu) = breng | אֶת (et) = (obj.) | צַוְּארֵיכֶ֜ם (tsavereikhem) = jullie nek | בְּעֹ֣ל (beol) = onder het juk van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶ֗ל (bavel) = Babel | וְעִבְד֥וּ (veivdu) = en dient | אֹת֛וֹ (oto) = hem | וְעַמּ֖וֹ (veamo) = en zijn volk | וִֽחְיֽוּ (vichyu) = en blijft leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Hier begint wat Jeremia tegen Zedekia zegt. In vers 3 staat de naam als צִדְקִיָּהוּ (Tsidqiyahu), hier als צִדְקִיָּה (Tsidqiyah). Het is dezelfde koning. Zie ook: 2 Kron 36:11–13; Jer 27:3; Jer 27:8; Jer 28:1; Jer 38:17; Ezech 17:11–21 **27:13** Waarom zouden jullie sterven, jij en je volk, door het zwaard, door honger en door pest? Yahweh heeft dat gezegd over het volk dat de koning van Babel niet wil dienen. Brontekst: לָ֤מָּה (lama) = waarom | תָמ֨וּתוּ֙ (tamutu) = zouden jullie sterven | אַתָּ֣ה (ata) = jij | וְעַמֶּ֔ךָ (veamekha) = en je volk | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = door het zwaard | בָּרָעָ֣ב (baraav) = door honger | וּבַדָּ֑בֶר֙ (uvadaver) = en door pest | כַּֽאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֣ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | הַגּ֕וֹי (hagoy) = het volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יַעֲבֹ֖ד (yaavod) = dient | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Spr 8:36; Jer 27:8; Jer 38:2; Jer 38:20; Ezech 18:31 **27:14** Luister niet naar de woorden van de profeten die tegen jullie zeggen: ‘Jullie zullen de koning van Babel niet dienen.’ Want zij profeteren jullie een leugen. Brontekst: וְאַֽל (veal) = en niet | תִּשְׁמְע֞וּ (tishmeu) = luister | אֶל (el) = naar | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | הַנְּבִאִ֗ים (haneviim) = de profeten | הָאֹמְרִ֤ים (haomerim) = die zeggen | אֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = tot jullie | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֹ֥א (lo) = niet | תַעַבְד֖וּ (taavdu) = zullen jullie dienen | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | כִּ֣י (ki) = want | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = een leugen | הֵ֖ם (hem) = zij | נִבְּאִ֥ים (nibeim) = profeterend | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Jer 14:14; Jer 23:21; Jer 29:8–9; 2 Kor 11:13–15; 1 Joh 4:1 **27:15** **‘Want Ik heb hen niet gestuurd, godsspraak van Yahweh. Zij profeteren in Mijn naam een leugen. Zo verdrijf Ik jullie en komen jullie om, jullie en de profeten die voor jullie profeteren.’**” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | שְׁלַחְתִּים֙ (shelachtim) = Ik heb hen gestuurd | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהֵ֛ם (vehem) = en zij | נִבְּאִ֥ים (nibeim) = profeterend | בִּשְׁמִ֖י (bishmi) = in Mijn naam | לַשָּׁ֑קֶר (lashaqer) = een leugen | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | הַדִּיחִ֤י (hadichi) = Ik verdrijf | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | וַאֲבַדְתֶּ֔ם (vaavadtem) = en jullie komen om | אַתֶּ֕ם (atem) = jullie | וְהַנְּבִאִ֖ים (vehaneviim) = en de profeten | הַֽנִּבְּאִ֥ים (hanibeim) = die profeteren | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn Yahweh’s eigen woorden, door Jeremia aangehaald. Over profeten die Yahweh niet heeft gestuurd, zie ook 28:15 en 29:9. Zie ook: 2 Kron 25:16; Jer 6:13–15; Jer 14:15–16; Jer 27:10; Mat 24:24 ### Tegen de priesters en het volk **27:16** Ook tegen de priesters en tegen heel dit volk heb ik gesproken. Ik zei: „Zo zegt Yahweh: **Luister niet naar de woorden van jullie profeten. Zij profeteren voor jullie en zeggen:** ‘Zie, de voorwerpen van het huis van Yahweh worden nu spoedig uit Babel teruggebracht.’ **Want zij profeteren jullie een leugen.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | הַכֹּהֲנִים֩ (hakohanim) = de priesters | וְאֶל (veel) = en tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֨ם (haam) = het volk | הַזֶּ֜ה (haze) = dit | דִּבַּ֣רְתִּי (dibarti) = heb ik gesproken | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | כֹּה֮ (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | אַֽל (al) = niet | תִּשְׁמְע֞וּ (tishmeu) = luister | אֶל (el) = naar | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | נְבִֽיאֵיכֶ֗ם (nevieikhem) = jullie profeten | הַֽנִּבְּאִ֤ים (hanibeim) = die profeteren | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | כְלֵ֧י (kelei) = de voorwerpen van | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מוּשָׁבִ֥ים (mushavim) = worden teruggebracht | מִבָּבֶ֖לָה (mibavela) = uit Babel | עַתָּ֣ה (ata) = nu | מְהֵרָ֑ה (mehera) = spoedig | כִּ֣י (ki) = want | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = een leugen | הֵ֖מָּה (hema) = zij | נִבְּאִ֥ים (nibeim) = profeterend | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: כְלֵי בֵית יְהוָה (kele bet Yahweh), ‘de voorwerpen van het huis van Yahweh’: de vaten en het gerei uit de tempel. Een deel is al weggevoerd (2 Kon. 24:13); de rest volgt later (2 Kon. 25:13–17). Zie ook: 2 Kon 24:13; 2 Kon 25:13–17; Jer 27:10; Jer 27:14; Jer 28:3; Dan 1:2 **27:17** **Luister niet naar hen. Dien de koning van Babel en blijf leven. Waarom zou deze stad een ruïne worden?** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּשְׁמְע֣וּ (tishmeu) = luister | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = naar hen | עִבְד֥וּ (ivdu) = dient | אֶת (et) = (obj.) | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וִֽחְי֑וּ (vichyu) = en blijf leven | לָ֧מָּה (lama) = waarom | תִֽהְיֶ֛ה (tihye) = zou worden | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | חָרְבָּֽה (charba) = een ruïne Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Jer 7:34; Jer 27:11–13; Jer 38:17; Jer 38:23 **27:18** **Als zij profeten zijn en het woord van Yahweh bij hen is, laten zij dan bij Yahweh van de legermachten aandringen. Dan gaan de voorwerpen die zijn overgebleven in het huis van Yahweh, in het huis van de koning van Juda en in Jeruzalem, niet naar Babel.** Brontekst: וְאִם (veim) = en als | נְבִאִ֣ים (neviim) = profeten | הֵ֔ם (hem) = zij | וְאִם (veim) = en als | יֵ֥שׁ (yesh) = er is | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אִתָּ֑ם (itam) = bij hen | יִפְגְּעוּ (yifgeu) = laten zij aandringen | נָא֙ (na) = toch | בַּֽיהוָ֣ה (baYahweh) = bij Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לְבִלְתִּי (levilti) = opdat niet | בֹ֜אוּ (bou) = komen | הַכֵּלִ֣ים (hakelim) = de voorwerpen | הַנּוֹתָרִ֣ים (hanotarim) = die overgebleven zijn | בְּבֵית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וּבֵ֨ית (uveit) = en het huis van | מֶ֧לֶךְ (melekh) = de koning van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | וּבִירוּשָׁלִַ֖ם (uvirushalaim) = en in Jeruzalem | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: יִפְגְּעוּ נָא (yifge’u na), ‘laten zij toch aandringen’: het werkwoord paga betekent ‘ontmoeten, treffen’ en bij een gebed ‘aandringen bij’. Vergelijk 7:16. Zie ook: 1 Sam 7:8; 1 Sam 12:19; 1 Sam 12:23; 1 Kon 18:24; Jer 18:20 **27:19** Want zo zegt Yahweh van de legermachten over de pilaren, de zee, de onderstellen en de rest van de voorwerpen die in deze stad zijn overgebleven, Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֶל (el) = over | הָֽעַמֻּדִ֔ים (haamudim) = de pilaren | וְעַל (veal) = en over | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | וְעַל (veal) = en over | הַמְּכֹנ֑וֹת (hamekhonot) = de onderstellen | וְעַל֙ (veal) = en over | יֶ֣תֶר (yeter) = de rest van | הַכֵּלִ֔ים (hakelim) = de voorwerpen | הַנּוֹתָרִ֖ים (hanotarim) = die overgebleven zijn | בָּעִ֥יר (bair) = in de stad | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De pilaren, de onderstellen en de zee maakte Hiram voor Salomo (1 Kon. 7:15–39). De Chaldeeën braken ze later in stukken (2 Kon. 25:13). Zie ook: 1 Kon 7:15–22; 2 Kon 25:13; 2 Kon 25:17; 2 Kron 4:2–16; Jer 52:17–23 **27:20** die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet nam. Dat was toen hij Jojachin, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, uit Jeruzalem wegvoerde naar Babel, samen met alle edelen van Juda en Jeruzalem. Brontekst: אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | לְקָחָ֗ם (leqacham) = nam hen | נְבֽוּכַדְנֶאצַּר֙ (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | בַּ֠גְלוֹתוֹ (bagloto) = toen hij wegvoerde | אֶת (et) = (obj.) | יְכָונְיָ֨ה (yekhavnya) = Jojachin | בֶן (ben) = zoon van | יְהוֹיָקִ֧ים (yehoyaqim) = Jojakim | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | מִירֽוּשָׁלִַ֖ם (mirushalaim) = uit Jeruzalem | בָּבֶ֑לָה (bavela) = naar Babel | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | חֹרֵ֥י (chorei) = de edelen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָֽם (virushalaim) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְכָונְיָה (Yekhonyah), ‘Jechonja’: een andere vorm van de naam Jojachin. Wij schrijven overal ‘Jojachin’, zoals in 2 Kon. 24. Hij werd weggevoerd in 2 Kon. 24:10–16. Voetnoot : חֹרֵי (chore), ‘edelen’: de mannen van aanzien. Zie ook: 2 Kon 24:10–16; 2 Kon 24:14–16; 2 Kron 36:10; 2 Kron 36:18; Jer 22:28; Jer 24:1 **27:21** Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël, over de voorwerpen die zijn overgebleven in het huis van Yahweh, in het huis van de koning van Juda en in Jeruzalem: Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עַל (al) = over | הַכֵּלִ֗ים (hakelim) = de voorwerpen | הַנּֽוֹתָרִים֙ (hanotarim) = die overgebleven zijn | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּבֵ֥ית (uveit) = en het huis van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָֽם (virushalaim) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **27:22** **Naar Babel worden ze gebracht en daar blijven ze, tot de dag dat Ik naar hen omzie, godsspraak van Yahweh. Dan haal Ik ze op en breng Ik ze terug naar deze plaats.**” Brontekst: בָּבֶ֥לָה (bavela) = naar Babel | יוּבָ֖אוּ (yuvau) = zij worden gebracht | וְשָׁ֣מָּה (veshama) = en daar | יִֽהְי֑וּ (yihyu) = zij zullen zijn | עַ֠ד (ad) = tot | י֣וֹם (yom) = de dag van | פָּקְדִ֤י (paqedi) = Mijn omzien | אֹתָם֙ (otam) = naar hen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהַֽעֲלִיתִים֙ (vehaalitim) = en Ik haal ze op | וַהֲשִׁ֣יבֹתִ֔ים (vahashivotim) = en Ik breng ze terug | אֶל (el) = naar | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: פָּקְדִי (poqdi), ‘dat Ik naar hen omzie’: het werkwoord paqad betekent ‘bezoeken, naar iemand omzien’. Het kan straf betekenen, maar hier is het ten goede: Yahweh brengt de voorwerpen terug. Zie ook 29:10. Zie ook: Jer 25:11–12; Jer 29:10; Jer 32:5; Ezra 1:11; Ezra 7:19 ## Jeremia 28 _Jeremia en Chananja_ ### Chananja zegt: het juk is gebroken **28:1** Dat was in datzelfde jaar, in het begin van de regering van Zedekia, de koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand. Chananja, de zoon van Azzur, de profeet uit Gibeon, zei tegen mij in het huis van Yahweh. Dat deed hij voor de ogen van de priesters en van heel het volk: Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַּשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַהִ֗יא (hahi) = dat | בְּרֵאשִׁית֙ (bereshith) = in het begin van | מַמְלֶ֨כֶת֙ (mamlekhet) = de regering van | צִדְקִיָּ֣ה (tsidqiya) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | בַּשָּׁנָה֙ (bashana) = in het jaar | הָֽרְבִעִ֔ית (hareviit) = het vierde | בַּחֹ֖דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַחֲמִישִׁ֑י (hachamishi) = de vijfde | אָמַ֣ר (amar) = zei | אֵלַ֡י (elay) = tegen mij | חֲנַנְיָה֩ (chananya) = Chananja | בֶן (ben) = zoon van | עַזּ֨וּר (azur) = Azzur | הַנָּבִ֜יא (hanavi) = de profeet | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | מִגִּבְעוֹן֙ (migivon) = uit Gibeon | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְעֵינֵ֧י (leeinei) = voor de ogen van | הַכֹּהֲנִ֛ים (hakohanim) = de priesters | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: בְּרֵאשִׁית מַמְלֶכֶת צִדְקִיָּה (bereshit mamlekhet Tsidqiyah), ‘in het begin van de regering van Zedekia’. Zedekia regeerde elf jaar (2 Kon. 24:18). ‘Het vierde jaar’ is zijn vierde regeringsjaar. De gebeurtenis sluit aan bij hoofdstuk 27, waar Jeremia een juk draagt. Voetnoot : חֲנַנְיָה (Chananyah), ‘Chananja’: ‘Yahweh is genadig’. Gibeon: zie Joz. 18:25. Zie ook: Joz 9:3; Joz 18:25; 2 Kon 24:18; Jer 27:1; Jer 27:3; Jer 37:13; Zach 13:2–4 **28:2** „Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: ‘Ik heb het juk van de koning van Babel gebroken. Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֛וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | שָׁבַ֞רְתִּי (shavarti) = Ik heb gebroken | אֶת (et) = (obj.) | עֹ֖ל (ol) = het juk van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: שָׁבַרְתִּי (shavarti), ‘Ik heb gebroken’: de voltooide tijd. Een profeet spreekt zo over wat volgens hem zeker gebeurt. De woorden van Chananja staan zwart: Yahweh heeft hem niet gestuurd (vers 15). Wij zetten ze tussen aanhalingstekens, omdat Chananja zegt dat Yahweh het zegt. Voetnoot : Yahweh van de legermachten: zie de Uitleg bij Jer. 2:19. Zie ook: Mi 3:11; Jer 2:19; Jer 27:2–12; Jer 28:15; Ezech 13:5–16 **28:3** Binnen twee jaar breng Ik alle voorwerpen van het huis van Yahweh terug naar deze plaats. Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft ze uit deze plaats genomen en naar Babel gebracht. Brontekst: בְּע֣וֹד (beod) = binnen | שְׁנָתַ֣יִם (shenatayim) = twee jaar | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | אֲנִ֤י (ani) = Ik | מֵשִׁיב֙ (meshiv) = breng terug | אֶל (el) = naar | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֖י (kelei) = de voorwerpen van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | לָקַ֜ח (laqach) = nam | נְבוּכַדנֶאצַּ֤ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | מִן (min) = van | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וַיְבִיאֵ֖ם (vayviem) = en bracht hen | בָּבֶֽל (bavel) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בְּעוֹד שְׁנָתַיִם יָמִים (be’od shenatayim yamim), ‘binnen twee jaar’: letterlijk ‘nog twee jaar aan dagen’, dus twee volle jaren. Vergelijk 27:16–22. Zie ook: Gen 47:28; Ps 90:10; 2 Kon 24:13; 2 Kron 36:10; Dan 1:2 **28:4** Ook Jojachin, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en alle ballingen van Juda die naar Babel zijn gegaan, breng Ik terug naar deze plaats, godsspraak van Yahweh. Want Ik breek het juk van de koning van Babel.’” Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְכָנְיָ֣ה (yekhaneya) = Jojachin | בֶן (ben) = zoon van | יְהוֹיָקִ֣ים (yehoyaqim) = Jojakim | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְ֠הוּדָה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | גָּל֨וּת (galut) = de ballingen van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | הַבָּאִ֣ים (habaim) = die gekomen zijn | בָּבֶ֗לָה (bavela) = naar Babel | אֲנִ֥י (ani) = Ik | מֵשִׁ֛יב (meshiv) = breng terug | אֶל (el) = naar | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֣י (ki) = want | אֶשְׁבֹּ֔ר (eshbor) = Ik zal breken | אֶת (et) = (obj.) | עֹ֖ל (ol) = het juk van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: גּוֹלָה (golah), ‘ballingschap’: hier de ballingen zelf. יְכָנְיָה (Yekhanyah), ‘Jechonja’: een andere vorm van de naam Jojachin. Zie de Uitleg bij 27:20. Zie ook: 2 Kon 25:27–30; Jer 22:24; Jer 24:1; Jer 24:5; Jer 28:2 ### Het antwoord van Jeremia **28:5** Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Chananja. Dat gebeurde voor de ogen van de priesters en van heel het volk dat in het huis van Yahweh stond. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֣ה (yirmeya) = Jeremia | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = tot | חֲנַנְיָ֖ה (chananya) = Chananja | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | לְעֵינֵ֤י (leeinei) = voor de ogen van | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | וּלְעֵינֵ֣י (uleeinei) = en voor de ogen van | כָל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הָעֹמְדִ֖ים (haomedim) = die staan | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 7:2; Jer 19:14; Jer 26:2; Jer 28:1 **28:6** De profeet Jeremia zei: „Amen! Zo moge Yahweh doen. Moge Yahweh jouw woorden waarmaken die je hebt geprofeteerd. Moge Hij de voorwerpen van het huis van Yahweh en alle ballingen uit Babel naar deze plaats terugbrengen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֣ה (yirmeya) = Jeremia | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | אָמֵ֕ן (amen) = amen | כֵּ֖ן (ken) = zo | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = moge doen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | יָקֵ֤ם (yaqem) = moge laten opstaan | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרֶ֔יךָ (devareikha) = jouw woorden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נִבֵּ֗אתָ (nibeta) = je hebt geprofeteerd | לְהָשִׁ֞יב (lehashiv) = om terug te brengen | כְּלֵ֤י (kelei) = de voorwerpen van | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְכָל (vekhal) = en heel | הַגּוֹלָ֔ה (hagola) = de ballingschap | מִבָּבֶ֖ל (mibavel) = uit Babel | אֶל (el) = naar | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: אָמֵן (amen), ‘zo zij het’: Jeremia zegt dat hij het zou willen. Maar hij legt in vers 7–9 uit hoe een profeet wordt herkend. Voetnoot : יָקֵם (yaqem), ‘moge waarmaken’: letterlijk ‘moge doen opstaan’. Zie ook: Ps 41:14; 1 Kon 1:36; Jer 11:5; Jer 17:16; Jer 28:7–9; 1 Kor 14:16 **28:7** Maar luister toch naar dit woord dat ik in jouw oren spreek en in de oren van heel het volk: Brontekst: אַךְ (akh) = maar | שְׁמַֽע (shema) = luister | נָא֙ (na) = toch | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | דֹּבֵ֣ר (dover) = spreek | בְּאָזְנֶ֑יךָ (beazeneikha) = in jouw oren | וּבְאָזְנֵ֖י (uveazenei) = en in de oren van | כָּל (kal) = heel | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 22:28 **28:8** De profeten die er van oudsher vóór mij en vóór jou waren, profeteerden over veel landen en grote koninkrijken: over oorlog, onheil en pest. Brontekst: הַנְּבִיאִ֗ים (haneviim) = de profeten | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הָי֧וּ (hayu) = waren | לְפָנַ֛י (lefanay) = vóór mij | וּלְפָנֶ֖יךָ (ulefaneikha) = en vóór jou | מִן (min) = van | הָֽעוֹלָ֑ם (haolam) = oudsher | וַיִּנָּ֨בְא֜וּ (vayinaveu) = en zij profeteerden | אֶל (el) = tegen | אֲרָצ֤וֹת (aratsot) = landen | רַבּוֹת֙ (rabot) = vele | וְעַל (veal) = en tegen | מַמְלָכ֣וֹת (mamlakhot) = koninkrijken | גְּדֹל֔וֹת (gedolot) = grote | לְמִלְחָמָ֖ה (lemilchama) = over oorlog | וּלְרָעָ֥ה (uleraa) = en over onheil | וּלְדָֽבֶר (uledaver) = en over pest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָעָה (ra’ah), ‘onheil’: hier staat het woord naast oorlog en pest en het is een ramp die over een land komt. Waar mensen het doen, vertalen wij ra’ah als ‘kwaad’. Zie ook: Deut 4:26–27; 1 Kon 17:1; 1 Kon 22:8; Joël 4:1–11; Jes 6:9–12 **28:9** Een profeet die vrede profeteert, wordt pas erkend wanneer het woord van die profeet uitkomt. Dan blijkt dat Yahweh hem in waarheid heeft gestuurd.” Brontekst: הַנָּבִ֕יא (hanavi) = de profeet | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִנָּבֵ֖א (yinave) = profeteert | לְשָׁל֑וֹם (leshalom) = over vrede | בְּבֹא֙ (bevo) = wanneer komt | דְּבַ֣ר (devar) = het woord van | הַנָּבִ֗יא (hanavi) = de profeet | יִוָּדַע֙ (yivada) = wordt gekend | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | אֲשֶׁר (asher) = die | שְׁלָח֥וֹ (shelacho) = heeft gestuurd | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בֶּאֱמֶֽת (beemet) = in waarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de toets voor een profeet die vrede aankondigt: of zijn woord uitkomt. Vergelijk Deut. 18:21–22. Zie ook: Deut 18:21–22; Deut 18:22; Jer 6:14; Jer 8:11; Jer 14:13; Ezech 13:10–16 ### Chananja breekt het juk **28:10** Toen nam de profeet Chananja het juk van de nek van de profeet Jeremia en brak het. Brontekst: וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | חֲנַנְיָ֤ה (chananya) = Chananja | הַנָּבִיא֙ (hanavi) = de profeet | אֶת (et) = (obj.) | הַמּוֹטָ֔ה (hamota) = het jukhout | מֵעַ֕ל (meal) = van op | צַוַּ֖אר (tsavar) = de nek van | יִרְמְיָ֣ה (yirmeya) = Jeremia | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | וַֽיִּשְׁבְּרֵֽהוּ (vayishberehu) = en brak het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹטָה (motah), ‘jukstang’ of ‘juk’: de voorwerpen die Jeremia in 27:2 moest maken en dragen. Zie ook: 1 Kon 22:11; 1 Kon 22:24–25; Jer 27:2; Jer 28:2; Jer 28:4 **28:11** Chananja zei voor de ogen van heel het volk: „Zo zegt Yahweh: ‘Zo breek Ik, binnen twee jaar, het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, van de nek van alle volken.’” Toen ging de profeet Jeremia zijn weg. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | חֲנַנְיָה֩ (chananya) = Chananja | לְעֵינֵ֨י (leeinei) = voor de ogen van | כָל (kal) = heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | כֹּה֮ (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | כָּ֣כָה (kakha) = zo | אֶשְׁבֹּ֞ר (eshbor) = Ik zal breken | אֶת (et) = (obj.) | עֹ֣ל (ol) = het juk van | נְבֻֽכַדְנֶאצַּ֣ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֗ל (bavel) = Babel | בְּעוֹד֙ (beod) = binnen | שְׁנָתַ֣יִם (shenatayim) = twee jaar | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | מֵעַ֕ל (meal) = van op | צַוַּ֖אר (tsavar) = de nek van | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וַיֵּ֛לֶךְ (vayelekh) = en ging | יִרְמְיָ֥ה (yirmeya) = Jeremia | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | לְדַרְכּֽוֹ (ledarko) = op zijn weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Spr 14:7; 1 Kon 22:11–12; 2 Kron 18:22–23; Jer 14:14; Jer 29:9 ### IJzeren jukken **28:12** Nadat de profeet Chananja het juk van de nek van de profeet Jeremia had gebroken, kwam het woord van Yahweh tot Jeremia: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֑ה (yirmeya) = Jeremia | אַ֠חֲרֵי (acharei) = nadat | שְׁב֞וֹר (shevor) = het breken | חֲנַנְיָ֤ה (chananya) = van Chananja | הַנָּבִיא֙ (hanavi) = de profeet | אֶת (et) = (obj.) | הַמּוֹטָ֔ה (hamota) = het jukhout | מֵעַ֗ל (meal) = van op | צַוַּ֛אר (tsavar) = de nek van | יִרְמְיָ֥ה (yirmeya) = Jeremia | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 17:3; 2 Kon 20:4; Jer 1:2; Jer 29:30; Dan 9:2 **28:13** **„Ga en zeg tegen Chananja: ‘Zo zegt Yahweh: Houten jukken heb je gebroken. Maar je hebt er ijzeren jukken voor in de plaats gemaakt.** Brontekst: הָלוֹךְ֩ (halokh) = ga | וְאָמַרְתָּ֨ (veamarta) = en je zult zeggen | אֶל (el) = tot | חֲנַנְיָ֜ה (chananya) = Chananja | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מוֹטֹ֥ת (motot) = jukken van | עֵ֖ץ (ets) = hout | שָׁבָ֑רְתָּ (shavarta) = je hebt gebroken | וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en je hebt gemaakt | תַחְתֵּיהֶ֖ן (tachteihen) = in hun plaats | מֹט֥וֹת (motot) = jukken | בַּרְזֶֽל (barzel) = van ijzer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹטֹת עֵץ (motot ets), ‘houten jukken’: hout kan Chananja breken. בַּרְזֶל (barzel), ‘ijzer’: ijzer niet. Voetnoot : In deze boodschap staat de formule ‘Zo zegt Yahweh’ nog eens in vers 14. Zie ook: Ps 149:8; Jer 27:15; Jer 28:14; Klaagl 2:14 **28:14** **Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Een ijzeren juk heb Ik op de nek van al deze volken gelegd, zodat zij Nebukadnezar, de koning van Babel, dienen. Zij zullen hem dienen. Ook de dieren van het veld heb Ik hem gegeven.’”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹֽה (ko) = zo | אָמַר֩ (amar) = zegt | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | עֹ֣ל (ol) = een juk van | בַּרְזֶ֡ל (barzel) = ijzer | נָתַ֜תִּי (natati) = Ik heb gelegd | עַל (al) = op | צַוַּ֣אר (tsavar) = de nek van | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = de volken | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | לַעֲבֹ֛ד (laavod) = om te dienen | אֶת (et) = (obj.) | נְבֻכַדְנֶאצַּ֥ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וַעֲבָדֻ֑הוּ (vaavaduhu) = en zij zullen hem dienen | וְגַ֛ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | חַיַּ֥ת (chayat) = de dieren van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: עֹל בַּרְזֶל (ol barzel), ‘een ijzeren juk’: vergelijk Deut. 28:48. Voetnoot : De dieren van het veld: zie 27:6. Zie ook: Deut 4:20; Deut 28:48; Jes 14:4–6; Jer 27:6–7; Dan 2:38 ### Het einde van Chananja **28:15** De profeet Jeremia zei tegen de profeet Chananja: „Luister toch, Chananja. Yahweh heeft je niet gestuurd. Jij hebt dit volk laten vertrouwen op een leugen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֧ה (yirmeya) = Jeremia | הַנָּבִ֛יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = tot | חֲנַנְיָ֥ה (chananya) = Chananja | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | שְׁמַֽע (shema) = luister | נָ֣א (na) = toch | חֲנַנְיָ֑ה (chananya) = Chananja | לֹֽא (lo) = niet | שְׁלָחֲךָ֣ (shelachakha) = heeft je gestuurd | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְאַתָּ֗ה (veata) = en jij | הִבְטַ֛חְתָּ (hivtachta) = heb laten vertrouwen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | עַל (al) = op | שָֽׁקֶר (shaqer) = een leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא שְׁלָחֲךָ (lo shelachakha), ‘Hij heeft je niet gestuurd’: zie ook 26:12, 27:15 en 29:9. De tegenstelling tussen een gestuurde profeet en een ongestuurde loopt door het hele boek. Voetnoot : הִבְטַחְתָּ (hivtachta), ‘je hebt laten vertrouwen’: dezelfde vorm komt voor in 29:31. Zie ook: Jer 14:14–15; Jer 23:21; Jer 27:15; Ezech 13:2–3; Ezech 22:28 **28:16** Daarom, zo zegt Yahweh: **Zie, Ik stuur je weg van het aardoppervlak. Dit jaar sterf je, want je hebt tot opstand opgeroepen tegen Yahweh.**” Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִי֙ (hinni) = zie Mij hier | מְשַֽׁלֵּֽחֲךָ֔ (meshalechakha) = Ik stuur je weg | מֵעַ֖ל (meal) = van op | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | הָאֲדָמָ֑ה (haadama) = de aarde | הַשָּׁנָה֙ (hashana) = dit jaar | אַתָּ֣ה (ata) = jij | מֵ֔ת (met) = sterft | כִּֽי (ki) = want | סָרָ֥ה (sara) = afval | דִבַּ֖רְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken | אֶל (el) = tegen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשַׁלֵּחֲךָ (meshallechakha), ‘Ik stuur je weg’: het werkwoord shalach komt ook voor in vers 15 (‘gestuurd’). Chananja is niet gestuurd; nu stuurt Yahweh hem weg. Voetnoot : דִבַּרְתָּ סָרָה (dibbarta sarah), letterlijk ‘afwijking spreken’: oproepen tot opstand tegen Yahweh. Zo ook in Deut. 13:6. Zie ook: Gen 7:4; Ex 32:12; Deut 6:15; Deut 13:6; 1 Kon 13:34; Jer 28:15; Jer 29:32 **28:17** De profeet Chananja stierf in datzelfde jaar, in de zevende maand. Brontekst: וַיָּ֛מָת (vayamat) = en stierf | חֲנַנְיָ֥ה (chananya) = Chananja | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | בַּשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַהִ֑יא (hahi) = dat | בַּחֹ֖דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁבִיעִֽי (hashevii) = de zevende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 1 noemt de vijfde maand. Chananja sterft twee maanden later, in de zevende maand, zoals Jeremia zei. Zie ook: Jes 44:25–26; Jer 28:1; Zach 1:6 ## Jeremia 29 _De brief aan de ballingen in Babel_ ### De brief van Jeremia **29:1** Dit zijn de woorden van de brief die de profeet Jeremia vanuit Jeruzalem stuurde. Hij stuurde hem aan de overige oudsten van de ballingen, aan de priesters, aan de profeten en aan heel het volk. Nebukadnezar had hen uit Jeruzalem naar Babel weggevoerd. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit zijn | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | הַסֵּ֔פֶר (hasefer) = de brief | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁלַ֛ח (shalach) = stuurde | יִרְמְיָ֥ה (yirmeya) = Jeremia | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | מִירוּשָׁלִָ֑ם (mirushalaim) = uit Jeruzalem | אֶל (el) = naar | יֶ֜תֶר (yeter) = de overige | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = oudsten van | הַגּוֹלָ֗ה (hagola) = de ballingschap | וְאֶל (veel) = en naar | הַכֹּהֲנִ֤ים (hakohanim) = de priesters | וְאֶל (veel) = en naar | הַנְּבִיאִים֙ (haneviim) = de profeten | וְאֶל (veel) = en naar | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הֶגְלָ֧ה (hegla) = wegvoerde | נְבֽוּכַדְנֶאצַּ֛ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מִירוּשָׁלִַ֖ם (mirushalaim) = uit Jeruzalem | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: הַסֵּפֶר (hassefer), ‘de brief’: het woord betekent ‘geschreven stuk’, ook ‘boek’. Hier gaat het om een brief aan de ballingen. De brief loopt van vers 4 tot en met vers 23. De woorden van Jeremia staan zwart, die van Yahweh rood. Voetnoot : Nebukadnezar: zie de Uitleg bij 27:6. De eerste wegvoering staat in 2 Kon. 24:10–16. Zie ook: 2 Kon 24:10–16; Jer 29:4; Jer 29:23; Jer 29:25–29; Est 9:20; Hand 15:23; Heb 13:22; Openb 2:1–3 **29:2** Dat was nadat koning Jojachin, de koninginmoeder, de hofdienaren, de oversten van Juda en Jeruzalem, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem waren vertrokken. Brontekst: אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | צֵ֣את (tset) = het vertrekken van | יְכָנְיָֽה (yekhaneya) = Jojachin | הַ֠מֶּלֶךְ (hamelekh) = de koning | וְהַגְּבִירָ֨ה (vehagevira) = en de koninginmoeder | וְהַסָּרִיסִ֜ים (vehasarisim) = en de hofdienaren | שָׂרֵ֨י (sarei) = de oversten van | יְהוּדָ֧ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִַ֛ם (virushalaim) = en Jeruzalem | וְהֶחָרָ֥שׁ (vehecharash) = en de ambachtslieden | וְהַמַּסְגֵּ֖ר (vehamasger) = en de smeden | מִירוּשָׁלִָֽם (mirushalaim) = uit Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְכָנְיָה (Yekhanyah), ‘Jechonja’: een andere vorm van de naam Jojachin. Zie de Uitleg bij 27:20. Voetnoot : הַגְּבִירָה (haggevirah), ‘de koninginmoeder’: letterlijk ‘de gebiedster’ (zoals in 1 Kon. 15:13). Voetnoot : הֶחָרָשׁ (hecharash), ‘de ambachtslieden’, en הַמַּסְגֵּר (hamasger), ‘de smeden’: zoals in 2 Kon. 24:14 en 16. Zie ook: 1 Kon 15:13; 2 Kon 24:12–16; 2 Kon 24:14; 2 Kron 36:9–10; Jer 22:24–28; Jer 27:20; Dan 1:3–21 **29:3** De brief werd gebracht door Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Hilkia. Zedekia, de koning van Juda, stuurde hen naar Babel, naar Nebukadnezar, de koning van Babel. Er stond: Brontekst: בְּיַד֙ (beyad) = door de hand van | אֶלְעָשָׂ֣ה (elasa) = Elasa | בֶן (ben) = zoon van | שָׁפָ֔ן (shafan) = Safan | וּגְמַרְיָ֖ה (ugemarya) = en Gemarja | בֶּן (ben) = zoon van | חִלְקִיָּ֑ה (chilqiya) = Hilkia | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | שָׁלַ֜ח (shalach) = stuurde | צִדְקִיָּ֣ה (tsidqiya) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = naar | נְבוּכַדְנֶאצַּ֛ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | בָּבֶ֥לָה (bavela) = naar Babel | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: אֶלְעָשָׂה (Elasah) en גְּמַרְיָה (Gemaryah), ‘Gemarja’: twee afgezanten van Zedekia naar Babel. Safan was schrijver onder Josia (2 Kon. 22:3). Over Gemarja, de zoon van Hilkia, weten wij verder niets. Hij is een andere man dan Gemarja, de zoon van Safan (36:10). Wij laten open of zijn vader de Hilkia uit 2 Kon. 22 is. Zie ook: 1 Kron 5:39; 2 Kon 22:3; 2 Kon 22:8; 2 Kron 34:20; Jer 36:25; Jer 39:14 ### Bouw huizen en zoek de vrede van de stad **29:4** „Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël, tegen alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel heb weggevoerd: Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לְכָל (lekhal) = tegen alle | הַ֨גּוֹלָ֔ה (hagola) = de ballingschap | אֲשֶׁר (asher) = die | הִגְלֵ֥יתִי (higleiti) = Ik heb weggevoerd | מִירוּשָׁלִַ֖ם (mirushalaim) = uit Jeruzalem | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: הִגְלֵיתִי (higleti), ‘Ik heb weggevoerd’: Yahweh zegt dat Hij zelf de ballingen heeft weggevoerd, ook al deed Nebukadnezar het (vers 1). Voetnoot : Yahweh van de legermachten: zie de Uitleg bij Jer. 2:19. Zie ook: Amos 3:6; Jes 10:5–6; Jes 45:7; Jes 59:1–2; Jer 2:19; Jer 24:5; Jer 29:1 **29:5** **Bouw huizen en woon erin. Plant tuinen en eet hun vrucht.** Brontekst: בְּנ֥וּ (benu) = bouw | בָתִּ֖ים (batim) = huizen | וְשֵׁ֑בוּ (veshevu) = en woon | וְנִטְע֣וּ (venitu) = en plant | גַנּ֔וֹת (ganot) = tuinen | וְאִכְל֖וּ (veikhlu) = en eet | אֶת (et) = (obj.) | פִּרְיָֽן (piryan) = hun vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנוּ בָתִּים (benu vattim), ‘bouw huizen’: Yahweh zegt de ballingen dat zij zich in Babel moeten vestigen. Vergelijk 29:28: ‘Het duurt lang’. Zie ook: Jer 29:10; Jer 29:28; Ezech 28:26 **29:6** **Neem vrouwen en verwek zonen en dochters. Neem vrouwen voor jullie zonen en geef jullie dochters aan mannen, zodat zij zonen en dochters baren. Word daar talrijk en word niet minder.** Brontekst: קְח֣וּ (qechu) = neem | נָשִׁ֗ים (nashim) = vrouwen | וְהוֹלִידוּ֮ (veholidu) = en verwek | בָּנִ֣ים (banim) = zonen | וּבָנוֹת֒ (uvanot) = en dochters | וּקְח֨וּ (uqechu) = en neem | לִבְנֵיכֶ֜ם (livneikhem) = voor jullie zonen | נָשִׁ֗ים (nashim) = vrouwen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֽוֹתֵיכֶם֙ (benoteikhem) = jullie dochters | תְּנ֣וּ (tenu) = geef | לַֽאֲנָשִׁ֔ים (laanashim) = aan mannen | וְתֵלַ֖דְנָה (veteladna) = en laat baren | בָּנִ֣ים (banim) = zonen | וּבָנ֑וֹת (uvanot) = en dochters | וּרְבוּ (urevu) = en word talrijk | שָׁ֖ם (sham) = daar | וְאַל (veal) = en niet | תִּמְעָֽטוּ (timatu) = word minder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 21:21; Gen 24:51; Gen 28:1–4; Gen 29:19; Re 12:9 **29:7** **Zoek de vrede van de stad waarheen Ik jullie heb weggevoerd. Bid voor haar tot Yahweh. Want in haar vrede zal er vrede zijn voor jullie.** Brontekst: וְדִרְשׁ֞וּ (vedirshu) = en zoek | אֶת (et) = (obj.) | שְׁל֣וֹם (shelom) = de vrede van | הָעִ֗יר (hair) = de stad | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarheen | הִגְלֵ֤יתִי (higleiti) = Ik heb weggevoerd | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | וְהִתְפַּֽלְל֥וּ (vehitpallu) = en bid | בַעֲדָ֖הּ (baadah) = namens haar | אֶל (el) = tot | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֣י (ki) = want | בִשְׁלוֹמָ֔הּ (bishlomah) = in haar vrede | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: het woord betekent ook ‘welzijn’ en ‘veiligheid’. Wij vertalen shalom steeds met ‘vrede’. Voetnoot : דִּרְשׁוּ (dirshu), ‘zoek’: het werkwoord darash is ‘zoeken, navraag doen’. Hetzelfde werkwoord staat in vers 13, waar het volk Yahweh zoekt. Zie ook: Jer 29:13; Dan 4:24; Ezra 6:10; Ezra 7:23; 1 Tim 2:1–2; 1 Petr 2:13–17 ### Wacht niet op dromen **29:8** Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **Laat jullie profeten, die in jullie midden zijn, en jullie waarzeggers jullie niet misleiden. Luister niet naar jullie dromen, die jullie laten dromen.** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֜ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אַל (al) = niet | יַשִּׁ֧יאוּ (yashiu) = laat misleiden | לָכֶ֛ם (lakhem) = jullie | נְבִֽיאֵיכֶ֥ם (nevieikhem) = jullie profeten | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּקִרְבְּכֶ֖ם (beqirbekhem) = in jullie midden | וְקֹֽסְמֵיכֶ֑ם (veqosemeikhem) = en jullie waarzeggers | וְאַֽל (veal) = en niet | תִּשְׁמְעוּ֙ (tishmeu) = luister | אֶל (el) = naar | חֲלֹמֹ֣תֵיכֶ֔ם (chalomoteikhem) = jullie dromen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | מַחְלְמִֽים (machlemim) = laten dromen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחְלְמִים (machlemim), ‘die jullie laten dromen’: het werkwoord kan ook betekenen ‘die jullie zelf dromen’. De betekenis is onzeker. Voetnoot : קֹסְמֵיכֶם (qosmekhem), ‘jullie waarzeggers’: zie 27:9. Zie ook: Jer 5:31; 2 Tess 2:9–11; Ef 5:6; 2 Tim 3:13; Openb 13:14 **29:9** **Want zij profeteren jullie in Mijn naam een leugen. Ik heb hen niet gestuurd, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בְשֶׁ֔קֶר (besheqer) = in leugen | הֵ֛ם (hem) = zij | נִבְּאִ֥ים (nibeim) = profeterend | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | בִּשְׁמִ֑י (bishmi) = in Mijn naam | לֹ֥א (lo) = niet | שְׁלַחְתִּ֖ים (shelachtim) = Ik heb hen gestuurd | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Jer. 1:8. Voetnoot : לֹא שְׁלַחְתִּים (lo shelachtim), ‘Ik heb hen niet gestuurd’: zie 28:15. Zie ook: Jer 1:8; Jer 27:15; Jer 29:23; Jer 29:31 ### Zeventig jaar en een toekomst **29:10** Want zo zegt Yahweh: **Zodra voor Babel zeventig jaar vol zijn, zie Ik naar jullie om. Dan maak Ik Mijn goede woord over jullie waar: Ik breng jullie terug naar deze plaats.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כֹה֙ (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֠י (ki) = want | לְפִ֞י (lefi) = zodra | מְלֹ֧את (melot) = het vol zijn van | לְבָבֶ֛ל (levavel) = voor Babel | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | אֶפְקֹ֣ד (efqod) = zie Ik om | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = naar jullie | וַהֲקִמֹתִ֤י (vahaqimoti) = en Ik maak waar | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = over jullie | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרִ֣י (devari) = Mijn woord | הַטּ֔וֹב (hatov) = het goede | לְהָשִׁ֣יב (lehashiv) = om terug te brengen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: שִׁבְעִים שָׁנָה (shiv’im shanah), ‘zeventig jaar’: ook in 25:11–12 en 2 Kron. 36:21. Wij laten open of het getal letterlijk of als rond getal bedoeld is. Zie ook Dan. 9:2. Voetnoot : וַהֲקִמֹתִי (vahaqimoti), ‘Ik maak waar’: letterlijk ‘Ik laat opstaan’. Zo ook ‘waarmaken’ in 28:6. Zie ook: 2 Kron 36:21; Jer 24:6–7; Jer 25:12; Jer 32:42–44; Dan 9:2; Zach 7:5 **29:11** **Want Ik ken de plannen die Ik over jullie heb, godsspraak van Yahweh. Het zijn plannen van vrede en niet van onheil, om jullie een toekomst en hoop te geven.** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | אָנֹכִ֨י (anokhi) = Ik | יָדַ֜עְתִּי (yadati) = ken | אֶת (et) = (obj.) | הַמַּחֲשָׁבֹ֗ת (hamachashavot) = de plannen | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | חֹשֵׁ֥ב (choshev) = beraam | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = over jullie | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מַחְשְׁב֤וֹת (machshevot) = plannen van | שָׁלוֹם֙ (shalom) = vrede | וְלֹ֣א (velo) = en niet | לְרָעָ֔ה (leraa) = tot onheil | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | אַחֲרִ֥ית (acharit) = een toekomst | וְתִקְוָֽה (vetiqva) = en hoop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחֲרִית וְתִקְוָה (acharit vetiqvah), ‘een toekomst en hoop’: acharit betekent letterlijk ‘wat daarna komt, het einde’. Het kan ook ‘afloop’ betekenen. Voetnoot : רָעָה (ra’ah), ‘onheil’: tegenover shalom (‘vrede’). Zie ook: Job 23:13; Ps 33:11; Ps 40:6; Jes 55:8–12; Mi 4:12 **29:12** **Dan zullen jullie Mij aanroepen. Jullie zullen komen en tot Mij bidden, en Ik zal naar jullie luisteren.** Brontekst: וּקְרָאתֶ֤ם (uqeratem) = en jullie roepen | אֹתִי֙ (oti) = Mij | וַֽהֲלַכְתֶּ֔ם (vahalakhtem) = en jullie gaan | וְהִתְפַּלַּלְתֶּ֖ם (vehitpalaltem) = en jullie bidden | אֵלָ֑י (elay) = tot Mij | וְשָׁמַעְתִּ֖י (veshamati) = en Ik luister | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = naar jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 10:17; Ps 50:15; Ps 145:19; Jer 33:3; Mat 7:7–8 **29:13** **Jullie zullen Mij zoeken en vinden, wanneer jullie Mij zoeken met heel jullie hart.** Brontekst: וּבִקַּשְׁתֶּ֥ם (uviqashtem) = en jullie zoeken | אֹתִ֖י (oti) = Mij | וּמְצָאתֶ֑ם (umetsatem) = en jullie vinden | כִּ֥י (ki) = wanneer | תִדְרְשֻׁ֖נִי (tidreshuni) = jullie zoeken Mij | בְּכָל (bekhal) = met heel | לְבַבְכֶֽם (levavkhem) = jullie hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִדְרְשֻׁנִי בְּכָל לְבַבְכֶם (tidreshuni bekhol levavkhem), ‘jullie zoeken Mij met heel jullie hart’: vergelijk Deut. 4:29. Zie ook: Deut 4:29–31; Ps 119:2; Ps 119:10; Jer 24:7; Mat 7:7 **29:14** **Ik laat Mij door jullie vinden, godsspraak van Yahweh. Ik keer jullie lot en verzamel jullie uit alle volken en van alle plaatsen waarheen Ik jullie heb verdreven, godsspraak van Yahweh. Ik breng jullie terug naar de plaats vanwaar Ik jullie heb weggevoerd.** Brontekst: וְנִמְצֵ֣אתִי (venimtseti) = en Ik laat Mij vinden | לָכֶם֮ (lakhem) = door jullie | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וְשַׁבְתִּ֣י (veshavti) = en Ik keer | אֶת (et) = (obj.) | שְׁבוּתְכֶ֗ם (shevutekhem) = jullie lot | וְקִבַּצְתִּ֣י (veqibatsti) = en Ik verzamel | אֶ֠תְכֶם (etkhem) = jullie | מִֽכָּל (mikal) = uit alle | הַגּוֹיִ֞ם (hagoyim) = de volken | וּמִכָּל (umikal) = en uit alle | הַמְּקוֹמ֗וֹת (hameqomot) = de plaatsen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarheen | הִדַּ֧חְתִּי (hidachti) = Ik heb verdreven | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | שָׁ֖ם (sham) = daarheen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַהֲשִׁבֹתִ֣י (vahashivoti) = en Ik breng terug | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | הַ֨מָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = vanwaar | הִגְלֵ֥יתִי (higleiti) = Ik heb weggevoerd | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִשָּֽׁם (misham) = vandaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: ‘het lot keren’ is een vaste uitdrukking voor herstel. Het kan ook ‘de gevangenen terugbrengen’ betekenen. Wij vertalen ‘het lot keren’, zoals in Joël 4:1 en Ps. 126:1. Zie ook: 1 Kron 28:9; Ps 126:1; Joël 4:1; Mi 4:12; Jer 30:3; Ezech 36:1–38; Rom 10:20 ### Tegen wie in Jeruzalem zijn gebleven **29:15** Jullie hebben gezegd: ‘Yahweh heeft voor ons profeten laten opstaan in Babel.’ Brontekst: כִּ֖י (ki) = want | אֲמַרְתֶּ֑ם (amartem) = jullie hebben gezegd | הֵקִ֨ים (heqim) = heeft laten opstaan | לָ֧נוּ (lanu) = voor ons | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | נְבִאִ֖ים (neviim) = profeten | בָּבֶֽלָה (bavela) = in Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Vers 15 en 16 zijn in het Hebreeuws met ‘want’ aan elkaar gebonden: ‘want jullie hebben gezegd … want zo zegt Yahweh’. De zin is onvolledig. Wij maken er twee zinnen van. Zie ook: Jer 28:1–17; Jer 29:8–9; Jer 29:16; Ezech 1:1; Ezech 1:3 **29:16** Maar zo zegt Yahweh over de koning die op de troon van David zit en over heel het volk dat in deze stad woont, over jullie broers die niet met jullie in ballingschap zijn gegaan: Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הַיּוֹשֵׁב֙ (hayoshev) = die zit | אֶל (el) = op | כִּסֵּ֣א (kise) = de troon van | דָוִ֔ד (david) = David | וְאֶל (veel) = en over | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הַיּוֹשֵׁ֖ב (hayoshev) = dat woont | בָּעִ֣יר (bair) = in de stad | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | אֲחֵיכֶ֕ם (acheikhem) = jullie broers | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָצְא֥וּ (yatseu) = zijn uitgegaan | אִתְּכֶ֖ם (itekhem) = met jullie | בַּגּוֹלָֽה (bagola) = in de ballingschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲחֵיכֶם (acheikhem), ‘jullie broers’: de mensen die in Jeruzalem en Juda zijn gebleven. Zie ook: Jer 29:3; Jer 38:2–3; Jer 38:17–23; Ezech 6:1–9; Ezech 24:1–14 **29:17** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **Zie, Ik stuur het zwaard, de honger en de pest onder hen. Ik maak hen als afschuwelijke vijgen, die vanwege hun slechtheid niet te eten zijn.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הִנְנִי֙ (hinni) = zie Mij hier | מְשַׁלֵּ֣חַ (meshaleach) = Ik stuur | בָּ֔ם (bam) = onder hen | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֖רֶב (hacherev) = het zwaard | אֶת (et) = (obj.) | הָרָעָ֣ב (haraav) = de honger | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַדָּ֑בֶר (hadaver) = de pest | וְנָתַתִּ֣י (venatati) = en Ik maak | אוֹתָ֗ם (otam) = hen | כַּתְּאֵנִים֙ (kateenim) = als vijgen | הַשֹּׁ֣עָרִ֔ים (hashoarim) = de afschuwelijke | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | תֵאָכַ֖לְנָה (teakhalna) = gegeten kunnen worden | מֵרֹֽעַ (meroa) = vanwege kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשֹּׁעָרִים (hasho’arim), ‘afschuwelijke’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Het kan ‘afschuwelijk’, ‘walgelijk’ of ‘rot’ betekenen. In 24:2 en 24:8 staat een ander woord, ‘slechte vijgen’, met dezelfde bijzin: ‘die niet te eten zijn vanwege hun slechtheid’. Voetnoot : Zwaard, honger en pest: zie 27:8. Zie ook: Jer 24:8–10; Jer 29:18; Jer 43:11; Ezech 5:12–17; Luc 21:11 **29:18** **Ik zet hen achterna met het zwaard, met honger en met pest. Ik maak hen tot een voorwerp van schrik voor alle koninkrijken van de aarde, tot een vloek, tot verwoesting, tot spot en tot smaad. Dat zal zijn onder alle volken waarheen Ik hen heb verdreven.** Brontekst: וְרָֽדַפְתִּי֙ (veradafti) = en Ik zet achterna | אַֽחֲרֵיהֶ֔ם (achareihem) = hen | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = met het zwaard | בָּרָעָ֣ב (baraav) = met honger | וּבַדָּ֑בֶר (uvadaver) = en met pest | וּנְתַתִּ֨ים (unetatim) = en Ik maak hen | לְזַעֲוָ֜ה (lezaava) = tot een voorwerp van schrik | לְכֹ֣ל (lekhol) = voor alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | לְאָלָ֤ה (leala) = tot een vloek | וּלְשַׁמָּה֙ (uleshama) = en tot verwoesting | וְלִשְׁרֵקָ֣ה (velishreqa) = en tot spot | וּלְחֶרְפָּ֔ה (ulecherpa) = en tot smaad | בְּכָל (bekhal) = onder alle | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | הִדַּחְתִּ֥ים (hidachtim) = Ik heb hen verdreven | שָֽׁם (sham) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִשְׁרֵקָה (lishreqah), ‘tot spot’: letterlijk ‘tot gesis’. Mensen sissen van schrik of spot als zij kijken naar wat verwoest is. Zie ook: 2 Kron 29:8; Jer 15:4; Jer 24:9; Jer 34:17; Jer 42:18 **29:19** **Dat doe Ik omdat zij niet hebben geluisterd naar Mijn woorden, godsspraak van Yahweh. Ik stuurde Mijn knechten, de profeten, telkens weer naar hen toe, maar jullie hebben niet geluisterd, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: תַּ֛חַת (tachat) = omdat | אֲשֶֽׁר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | שָׁמְע֥וּ (shameu) = zij hebben geluisterd | אֶל (el) = naar | דְּבָרַ֖י (devaray) = Mijn woorden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | שָׁלַ֨חְתִּי (shalachti) = Ik heb gestuurd | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = naar hen | אֶת (et) = (obj.) | עֲבָדַ֤י (avaday) = Mijn knechten | הַנְּבִאִים֙ (haneviim) = de profeten | הַשְׁכֵּ֣ם (hashkem) = telkens weer | וְשָׁלֹ֔חַ (veshaloach) = en zenden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֖ם (shematem) = jullie hebben geluisterd | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׁכֵּם וְשָׁלֹחַ (hashkem veshalo’ach), ‘telkens weer sturen’: zie de Uitleg bij 26:5. Zie ook: Jer 6:19; Jer 7:13; Jer 7:24–26; Jer 26:5; Jer 34:17 ### Tegen Achab en Zedekia **29:20** **Luister dan naar het woord van Yahweh, jullie allen, de ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel heb gestuurd.** Brontekst: וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | שִׁמְע֣וּ (shimu) = luister | דְבַר (devar) = naar het woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = alle | הַ֨גּוֹלָ֔ה (hagola) = de ballingschap | אֲשֶׁר (asher) = die | שִׁלַּ֥חְתִּי (shilachti) = Ik heb gestuurd | מִירוּשָׁלִַ֖ם (mirushalaim) = uit Jeruzalem | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Mi 4:10; Jer 24:5; Ezech 3:11; Ezech 3:15 **29:21** Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël, over Achab, de zoon van Kolaja, en over Zedekia, de zoon van Maäseja: **Zij profeteren voor jullie in Mijn naam een leugen. Zie, Ik geef hen in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel. Hij slaat hen neer voor jullie ogen.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֩ (amar) = zegt | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = over | אַחְאָ֤ב (achav) = Achab | בֶּן (ben) = zoon van | קֽוֹלָיָה֙ (qolaya) = Kolaja | וְאֶל (veel) = en over | צִדְקִיָּ֣הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בֶן (ben) = zoon van | מַֽעֲשֵׂיָ֔ה (maaseya) = Maäseja | הַֽנִּבְּאִ֥ים (hanibeim) = die profeteren | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | בִּשְׁמִ֖י (bishmi) = in Mijn naam | שָׁ֑קֶר (shaqer) = een leugen | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij hier | נֹתֵ֣ן (noten) = Ik geef | אֹתָ֗ם (otam) = hen | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֣ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְהִכָּ֖ם (vehikam) = en hij slaat hen | לְעֵינֵיכֶֽם (leeineikhem) = voor jullie ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Achab, de zoon van Kolaja, en Zedekia, de zoon van Maäseja, zijn twee profeten in Babel. Wij weten verder niets van hen. Zij zijn niet de koningen met dezelfde namen. Voetnoot : נְבוּכַדְרֶאצַּר (Nevukhadre’tsar), ‘Nebukadrezar’: dezelfde koning. Zie de Uitleg bij 27:6. Zie ook: Jer 14:14–15; Jer 29:8–9; Klaagl 2:14 **29:22** **Van hen wordt een vloek genomen door alle ballingen van Juda die in Babel zijn. Zij zeggen:** ‘Moge Yahweh je maken als Zedekia en als Achab, die de koning van Babel in het vuur heeft geroosterd.’ Brontekst: וְלֻקַּ֤ח (veluqach) = en wordt genomen | מֵהֶם֙ (mehem) = van hen | קְלָלָ֔ה (qelala) = een vloek | לְכֹל֙ (lekhol) = door alle | גָּל֣וּת (galut) = ballingen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּבָבֶ֖ל (bevavel) = in Babel | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | יְשִֽׂמְךָ֤ (yesimkha) = moge maken | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כְּצִדְקִיָּ֣הוּ (ketsidqiyahu) = zoals Zedekia | וּכְאֶחָ֔ב (ukheechav) = en zoals Achab | אֲשֶׁר (asher) = die | קָלָ֥ם (qalam) = heeft geroosterd | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | בָּאֵֽשׁ (baesh) = in het vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: וְלֻקַּח מֵהֶם קְלָלָה (veluqqach mehem qelalah), ‘een vloek wordt van hen genomen’: hun namen worden gebruikt in een vloekformule. Voetnoot : קָלָם (qalam), ‘heeft geroosterd’: in vuur gebraden. De tekst zegt niet meer over hoe zij stierven. Zie ook: Gen 48:20; Jes 65:15; Dan 3:6; Dan 3:21; 1 Kor 16:22 **29:23** **Dit gebeurt omdat zij een schanddaad hebben gedaan in Israël. Zij hebben overspel gepleegd met de vrouwen van hun naasten. Zij hebben in Mijn naam een leugen gesproken die Ik hun niet had geboden. Ik ben het die het weet, en Ik ben getuige, godsspraak van Yahweh.**” Brontekst: יַ֡עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | עָשׂ֨וּ (asu) = zij deden | נְבָלָ֜ה (nevala) = schanddaad | בְּיִשְׂרָאֵ֗ל (beyisrael) = in Israël | וַיְנַֽאֲפוּ֙ (vaynaafu) = en zij pleegden overspel | אֶת (et) = met | נְשֵׁ֣י (neshei) = de vrouwen van | רֵֽעֵיהֶ֔ם (reeihem) = hun naasten | וַיְדַבְּר֨וּ (vaydaberu) = en zij spraken | דָבָ֤ר (davar) = een woord | בִּשְׁמִי֙ (bishmi) = in Mijn naam | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = leugen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | ל֣וֹא (lo) = niet | צִוִּיתִ֑ם (tsivitim) = Ik had geboden hen | וְאָנֹכִ֛י (veanokhi) = en Ik | הַיּוֹדֵ֥עַ (hayodea) = de wetende | וָעֵ֖ד (vaed) = en getuige | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבָלָה (nevalah), ‘schanddaad’: een dwaze en schandelijke daad. Voetnoot : וְאָנֹכִי הַיּוֹדֵעַ וָעֵד (ve’anokhi hayyodea va’ed), ‘Ik ben het die het weet, en getuige’: Yahweh weet het en kan als getuige optreden. Zie ook: Jer 23:14; Jer 29:8–9; Jer 29:21; Mal 3:5; Heb 4:13 ### Sjemaja de Nechelamiet **29:24** En tegen Sjemaja, de Nechelamiet, moet je zeggen: Brontekst: וְאֶל (veel) = en tot | שְׁמַעְיָ֥הוּ (shemayahu) = Sjemaja | הַנֶּחֱלָמִ֖י (hanechelami) = de Nechelamiet | תֹּאמַ֥ר (tomar) = moet je zeggen | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנֶּחֱלָמִי (hannechelami), ‘de Nechelamiet’: waarschijnlijk afkomstig van een plaats of familie Nechelam. Wij weten niets meer van hem. Voetnoot : Hier begint een nieuw stuk: Sjemaja’s eigen brief (vers 26–28), die Sefanja aan Jeremia voorleest (vers 29). Jeremia’s eigen brief aan de ballingen eindigt met vers 23. Zie ook: Jer 29:23; Jer 29:26–28; Jer 29:29; Jer 29:31–32 **29:25** Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **Omdat jij in je eigen naam brieven hebt gestuurd aan heel het volk in Jeruzalem, aan Sefanja, de zoon van Maäseja, de priester, en aan alle priesters:** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֛וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | יַ֡עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אַתָּה֩ (ata) = jij | שָׁלַ֨חְתָּ (shalachta) = hebt gestuurd | בְשִׁמְכָ֜ה (beshimkha) = in je eigen naam | סְפָרִ֗ים (sefarim) = brieven | אֶל (el) = naar | כָּל (kal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בִּירוּשָׁלִַ֔ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְאֶל (veel) = en naar | צְפַנְיָ֤ה (tsefanya) = Sefanja | בֶן (ben) = zoon van | מַֽעֲשֵׂיָה֙ (maaseya) = Maäseja | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְאֶ֥ל (veel) = en naar | כָּל (kal) = alle | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 2 Kon 19:14; 2 Kon 25:18–21; Jer 29:29; Jer 37:3; Jer 52:24 **29:26** „Yahweh heeft jou tot priester gemaakt in de plaats van Jojada, de priester. Er moeten opzichters zijn in het huis van Yahweh over elke man die waanzinnig is en zich als profeet gedraagt. Zet zo iemand in de blokken en in de halsboei. Brontekst: יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | נְתָנְךָ֣ (netanekha) = heeft jou gemaakt | כֹהֵ֗ן (kohen) = priester | תַּ֚חַת (tachat) = in de plaats van | יְהוֹיָדָ֣ע (yehoyada) = Jojada | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | לִֽהְי֤וֹת (lihyot) = om te zijn | פְּקִדִים֙ (peqidim) = opzichters | בֵּ֣ית (beit) = in het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְכָל (lekhal) = over elke | אִ֥ישׁ (ish) = man | מְשֻׁגָּ֖ע (meshuga) = die waanzinnig is | וּמִתְנַבֵּ֑א (umitnabe) = en zich als profeet gedraagt | וְנָתַתָּ֥ה (venatata) = en je zult zetten | אֹת֛וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = in | הַמַּהְפֶּ֖כֶת (hamahpekhet) = de blokken | וְאֶל (veel) = en in | הַצִּינֹֽק (hatsinoq) = de halsboei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוֹיָדָע (Yehoyada), ‘Jojada’: wij laten open wie deze priester is. Voetnoot : מַהְפֶּכֶת (mahpekhet), ‘blokken’: een werktuig waarin iemand in een gedraaide houding wordt vastgezet (zie 20:2). הַצִּינֹק (hatsinoq), ‘de halsboei’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker. Voetnoot : מְשֻׁגָּע (meshugga), ‘waanzinnig’: wie zich gek gedraagt. Sjemaja noemt Jeremia in feite zo. Zie ook: 2 Kon 9:11; Hos 9:7; Jer 20:1–2; Joh 10:20; Hand 26:24 **29:27** Waarom heb je Jeremia van Anatot, die voor jullie als profeet optreedt, dan niet terechtgewezen? Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | לָ֚מָּה (lama) = waarom | לֹ֣א (lo) = niet | גָעַ֔רְתָּ (gaarta) = heb je terechtgewezen | בְּיִרְמְיָ֖הוּ (beyirmeyahu) = Jeremia | הָֽעֲנְּתֹתִ֑י (haanetoti) = van Anatot | הַמִּתְנַבֵּ֖א (hamitnabe) = die profeteert | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: הָעֲנְּתֹתִי (ha’anetoti), ‘van Anatot’: Jeremia’s woonplaats (Jer. 1:1). Zie ook: Num 16:3; Amos 7:12–13; Jer 1:1; Jer 29:26; Joh 11:47–53; Hand 4:17–21 **29:28** Want daarom heeft hij naar ons in Babel gestuurd: ‘Het duurt lang. Bouw huizen en woon erin. Plant tuinen en eet hun vrucht.’” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | עַל (al) = op | כֵּ֞ן (ken) = zo | שָׁלַ֥ח (shalach) = hij heeft gestuurd | אֵלֵ֛ינוּ (eleinu) = naar ons | בָּבֶ֥ל (bavel) = in Babel | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | אֲרֻכָּ֣ה (aruka) = lang | הִ֑יא (hi) = het is | בְּנ֤וּ (benu) = bouw | בָתִּים֙ (batim) = huizen | וְשֵׁ֔בוּ (veshevu) = en woon | וְנִטְע֣וּ (venitu) = en plant | גַנּ֔וֹת (ganot) = tuinen | וְאִכְל֖וּ (veikhlu) = en eet | אֶת (et) = (obj.) | פְּרִיהֶֽן (perihen) = hun vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: אֲרֻכָּה הִיא (arukkah hi), letterlijk ‘lang is zij’: de ballingschap zal lang duren. Sjemaja citeert Jeremia’s brief (vers 5). Zie ook: Jer 29:1; Jer 29:5; Jer 29:10 **29:29** Sefanja, de priester, las deze brief voor in de oren van de profeet Jeremia. Brontekst: וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en las voor | צְפַנְיָ֥ה (tsefanya) = Sefanja | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | אֶת (et) = (obj.) | הַסֵּ֣פֶר (hasefer) = de brief | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | בְּאָזְנֵ֖י (beazenei) = in de oren van | יִרְמְיָ֥הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִֽיא (hanavi) = de profeet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 29:25 ### Het woord tegen Sjemaja **29:30** Toen kwam het woord van Yahweh tot Jeremia: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en kwam | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **29:31** **„Stuur een boodschap naar alle ballingen: ‘Zo zegt Yahweh over Sjemaja, de Nechelamiet: Omdat Sjemaja voor jullie heeft geprofeteerd, terwijl Ik hem niet heb gestuurd, en hij jullie heeft laten vertrouwen op een leugen,** Brontekst: שְׁלַ֤ח (shelach) = stuur | עַל (al) = naar | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹלָה֙ (hagola) = de ballingschap | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | שְׁמַעְיָ֖ה (shemaya) = Sjemaja | הַנֶּחֱלָמִ֑י (hanechelami) = de Nechelamiet | יַ֡עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | נִבָּ֨א (niba) = heeft geprofeteerd | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | שְׁמַעְיָ֗ה (shemaya) = Sjemaja | וַֽאֲנִי֙ (vaani) = en Ik | לֹ֣א (lo) = niet | שְׁלַחְתִּ֔יו (shelachtiv) = heb hem gestuurd | וַיַּבְטַ֥ח (vayavtach) = en hij liet vertrouwen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | עַל (al) = op | שָֽׁקֶר (shaqer) = een leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּבְטַח (vayyavtach), ‘en liet vertrouwen’: hetzelfde werkwoord als in 28:15. Sjemaja heeft de ballingen laten vertrouwen op wat Yahweh niet had gezegd. Zie ook: Jer 14:14–15; Jer 29:9; Jer 29:23–24; Ezech 13:8–16; Ezech 13:22–23 **29:32** **Daarom, zo zegt Yahweh: Zie, Ik ga Sjemaja, de Nechelamiet, en zijn nageslacht straffen. Er zal voor hem niemand zijn die onder dit volk woont. Hij zal het goede niet zien dat Ik Mijn volk ga doen, godsspraak van Yahweh. Want hij heeft tot opstand opgeroepen tegen Yahweh.’”** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij hier | פֹקֵ֜ד (poqed) = Ik ga straffen | עַל (al) = over | שְׁמַעְיָ֣ה (shemaya) = Sjemaja | הַנֶּחֱלָמִי֮ (hanechelami) = de Nechelamiet | וְעַל (veal) = en over | זַרְעוֹ֒ (zaro) = zijn nageslacht | לֹא (lo) = niet | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | ל֜וֹ (lo) = voor hem | אִ֣ישׁ (ish) = een man | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = die woont | בְּתוֹךְ (betokh) = te midden van | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִרְאֶ֥ה (yire) = zal hij zien | בַטּ֛וֹב (batov) = het goede | אֲשֶׁר (asher) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | עֹשֶֽׂה (ose) = doe | לְעַמִּ֖י (leami) = voor Mijn volk | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | סָרָ֥ה (sara) = afval | דִבֶּ֖ר (diber) = heeft gesproken | עַל (al) = tegen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא יִהְיֶה לוֹ אִישׁ יוֹשֵׁב בְּתוֹךְ הָעָם הַזֶּה (lo yihyeh lo ish yoshev betokh ha’am hazzeh), ‘er zal voor hem niemand zijn die onder dit volk woont’: hij krijgt geen nageslacht dat in het volk woont. Voetnoot : דִּבֶּר סָרָה (dibber sarah), ‘tot opstand oproepen’: zie de Uitleg bij 28:16. Zie ook: 1 Sam 2:30–34; 2 Kon 7:2; 2 Kon 7:19–20; Jer 17:6; Jer 28:16 ## Jeremia 30 _Yahweh keert het lot van Israël en Juda: het begin van het Boek van de troost_ **30:1** Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam: Brontekst: הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֣ה (haya) = kwam | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֥ת (meet) = van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 1:1–2; Jer 26:15 ### Schrijf de woorden in een boek **30:2** Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: **„Schrijf voor jezelf alle woorden die Ik tot je gesproken heb in een boek.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֧ר (amar) = zegt | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כְּתָב (ketav) = schrijf | לְךָ֗ (lekha) = voor jezelf | אֵ֧ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֛ים (hadevarim) = woorden | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבַּ֥רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot jou | אֶל (el) = in | סֵֽפֶר (sefer) = een boek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר (sefer), ‘boek’: in die tijd een rol. Yahweh laat Jeremia Zijn woorden opschrijven, zodat ze bewaard blijven. Zie ook Jer. 36:2. Voetnoot : De hoofdstukken 30 tot en met 33 heten vaak het Boek van de troost. Ze bevatten bijna alleen beloften van herstel. Zie ook: Jes 30:8; Jer 36:2; Jer 36:32; Jer 51:60–64; Hab 2:2–3; 2 Petr 1:21 **30:3** **Want zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik het lot van Mijn volk Israël en Juda keer, zegt Yahweh. Ik zal hen terugbrengen naar het land dat Ik aan hun vaderen gegeven heb. Zij zullen het in bezit nemen.”** Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | יָמִ֤ים (yamim) = dagen | בָּאִים֙ (baim) = komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְ֠שַׁבְתִּי (veshavti) = en Ik zal keren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁב֨וּת (shevut) = het lot van | עַמִּ֧י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | וִֽיהוּדָ֖ה (vihuda) = en Juda | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַהֲשִׁבֹתִ֗ים (vahashivotim) = en Ik zal hen terugbrengen | אֶל (el) = naar | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לַאֲבוֹתָ֖ם (laavotam) = aan hun vaderen | וִֽירֵשֽׁוּהָ (vireshuha) = en zij zullen het bezitten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Voetnoot : שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: in de uitdrukking שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut), ‘het lot keren’. Het werkwoord שׁוּב (shuv) betekent ‘terugkeren, keren’. De uitdrukking staat ook in Hos. 6:11, Joël 4:1 en Amos 9:14. Ze betekent: Yahweh brengt de omstandigheden van Zijn volk weer terug naar wat ze waren, en Hij brengt hen ook terug naar hun land. Dit gebeurt ook in vers 18. Zie ook: Joël 4:1; Amos 9:14; Hos 6:11; Jer 1:8; Jer 16:15; Jer 23:7–8; Jer 29:14; Jer 30:18; Ezech 20:42 **30:4** Dit zijn de woorden die Yahweh gesproken heeft tot Israël en tot Juda. Brontekst: וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit zijn | הַדְּבָרִ֗ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | דִּבֶּ֧ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְאֶל (veel) = en tot | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Een tijd van benauwdheid voor Jakob **30:5** Want zo zegt Yahweh: **„Een kreet van beving hebben wij gehoord: schrik, en geen vrede.** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹה֙ (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | ק֥וֹל (qol) = een kreet van | חֲרָדָ֖ה (charada) = beving | שָׁמָ֑עְנוּ (shamaenu) = wij hebben gehoord | פַּ֖חַד (pachad) = schrik | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹל חֲרָדָה (qol charadah), ‘een kreet van beving’: een geluid van angst en paniek. Wie hier ‘wij’ zegt, laat het Hebreeuws open: het zijn waarschijnlijk de mensen die de ramp horen aankomen, door Yahweh geciteerd. Zie ook: Amos 8:10; Jes 5:30; Sef 1:10–11; Jer 9:18; Luc 19:41–44 **30:6** **Vraag toch en kijk: baart een man? Waarom zie Ik elke man met zijn handen op zijn heupen als een barende vrouw, en zijn alle gezichten bleek geworden?** Brontekst: שַׁאֲלוּ (shaalu) = vraagt | נָ֣א (na) = toch | וּרְא֔וּ (ureu) = en kijkt | אִם (im) = of | יֹלֵ֖ד (yoled) = baart | זָכָ֑ר (zakhar) = een man | מַדּוּעַ֩ (madua) = waarom | רָאִ֨יתִי (raiti) = zie Ik | כָל (kal) = elke | גֶּ֜בֶר (gever) = man | יָדָ֤יו (yadav) = zijn handen | עַל (al) = op | חֲלָצָיו֙ (chalatsav) = zijn heupen | כַּיּ֣וֹלֵדָ֔ה (kayoleda) = als een barende | וְנֶהֶפְכ֥וּ (venehefkhu) = en zijn omgeslagen | כָל (kal) = alle | פָּנִ֖ים (panim) = gezichten | לְיֵרָקֽוֹן (leyeraqon) = tot bleekheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֹלֵד זָכָר (yoled zakhar), ‘baart een man’: een vraag waarop het antwoord ‘nee’ is. Mannen hebben hun handen op hun heupen zoals een vrouw die baart. Dat laat zien hoe groot de angst is. Voetnoot : יֵרָקוֹן (yeraqon), ‘bleekheid’: het woord wordt ook gebruikt voor de gele kleur van verdorrend graan en van schimmel. Zie ook: Joël 2:6; Jes 21:3; Nah 2:11; Jer 4:31; Jer 22:23 **30:7** **Wee! Want groot is die dag. Er is er geen zoals hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, maar daaruit zal hij gered worden.** Brontekst: ה֗וֹי (hoy) = wee | כִּ֥י (ki) = want | גָד֛וֹל (gadol) = groot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | מֵאַ֣יִן (meayin) = zonder | כָּמֹ֑הוּ (kamohu) = zoals hij | וְעֵֽת (veet) = en een tijd van | צָרָ֥ה (tsara) = benauwdheid | הִיא֙ (hi) = zij is | לְיַֽעֲקֹ֔ב (leyaaqov) = voor Jakob | וּמִמֶּ֖נָּה (umimena) = en uit haar | יִוָּשֵֽׁעַ (yivashea) = hij zal gered worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van schrik of aanklacht, zoals in Jes. 1:4. Voetnoot : צָרָה (tsarah), ‘benauwdheid’: letterlijk ‘beknelling’. Het is een tijd van nood voor Jakob, maar Hij zal Jakob eruit redden. Het werkwoord ‘redden’ (הוֹשִׁיעַ, hoshia) komt terug in vers 10 en 11. Zie ook: Joël 2:11; Jes 1:4; Jer 30:10; Jer 30:11; Dan 9:12; Dan 12:1; Zach 14:1–2; Mal 3:19 **30:8** **Het zal gebeuren op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten, dat Ik zijn juk van je hals zal breken en je banden zal verscheuren. Vreemden zullen hem niet meer laten dienen.** Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | בַיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | נְאֻ֣ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֶשְׁבֹּ֤ר (eshbor) = Ik zal breken | עֻלּוֹ֙ (ulo) = zijn juk | מֵעַ֣ל (meal) = van op | צַוָּארֶ֔ךָ (tsavarekha) = je hals | וּמוֹסְרוֹתֶ֖יךָ (umoseroteikha) = en je banden | אֲנַתֵּ֑ק (anateq) = Ik zal verscheuren | וְלֹא (velo) = en niet | יַעַבְדוּ (yaavdu) = zij zullen laten dienen | ב֥וֹ (bo) = hem | ע֖וֹד (od) = meer | זָרִֽים (zarim) = vreemden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot), ‘Yahweh van de legers’: zie Jer. 2:19. Voetnoot : עֻלּוֹ (ullo), ‘zijn juk’: het Hebreeuws wisselt hier tussen ‘jouw hals’ en ‘zijn juk’. Het juk is dat van de onderdrukker; de hals is die van het volk. Wij laten de wisseling staan. Voetnoot : לֹא יַעַבְדוּ בוֹ (lo ya’avdu vo), ‘zij zullen hem niet laten dienen’: letterlijk ‘zij zullen niet door hem werken’. Het werkwoord עָבַד (avad), ‘dienen’, wordt gebruikt voor het dwingen tot dienstbaarheid, zoals in Exod. 1:14. Zie ook: Ex 1:14; Jes 9:3; Nah 1:13; Jer 2:19; Jer 27:2; Jer 28:10; Ezech 34:27 **30:9** **Zij zullen Yahweh, hun Elohim, dienen en David, hun koning, die Ik voor hen zal laten opstaan.** Brontekst: וְעָ֣בְד֔וּ (veavedu) = en zij zullen dienen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | דָּוִ֣ד (david) = David | מַלְכָּ֔ם (malkam) = hun koning | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָקִ֖ים (aqim) = Ik zal laten opstaan | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּוִד מַלְכָּם (David malkam), ‘David, hun koning’: een koning uit het huis van David, die Yahweh zal laten opstaan. Vergelijk Hos. 3:5 en Jer. 23:5–6 en 33:15–16. Zie ook: Hos 3:5; Jes 55:3–5; Jer 23:5–6; Jer 33:15; Ezech 37:23–25; Luc 1:69; Hand 13:34 **30:10** **Jij dan, wees niet bang, Mijn knecht Jakob, godsspraak van Yahweh, en wees niet ontzet, Israël. Want zie, Ik red je uit de verte en je nageslacht uit het land van hun gevangenschap. Jakob zal terugkeren, rust hebben en onbezorgd zijn. Niemand zal hem doen schrikken.** Brontekst: וְאַתָּ֡ה (veata) = en jij | אַל (al) = niet | תִּירָא֩ (tira) = wees bang | עַבְדִּ֨י (avdi) = Mijn knecht | יַעֲקֹ֤ב (yaaqov) = Jakob | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהֹוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחַ֣ת (techat) = wees ontzet | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּ֠י (ki) = want | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Ik | מוֹשִֽׁיעֲךָ֙ (moshiakha) = ben die je redt | מֵֽרָח֔וֹק (merachoq) = uit de verte | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | זַרְעֲךָ֖ (zarakha) = je nageslacht | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | שִׁבְיָ֑ם (shivyam) = hun gevangenschap | וְשָׁ֧ב (veshav) = en zal terugkeren | יַעֲקֹ֛ב (yaaqov) = Jakob | וְשָׁקַ֥ט (veshaqat) = en zal rust hebben | וְשַׁאֲנַ֖ן (veshaanan) = en onbezorgd zijn | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מַחֲרִֽיד (macharid) = die doet schrikken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: een eretitel voor Jakob als volk. Vergelijk Jes. 41:8–9, 44:1–2 en 45:4. In vers 10–11 komt het ‘wees niet bang’ van Yahweh terug in Jes. 41:10 en 43:5. Voetnoot : מוֹשִׁיעֲךָ (moshi’akha), ‘die je redt’: het werkwoord הוֹשִׁיעַ (hoshia) betekent ‘redden’. Voetnoot : שִׁבְיָם (shivyam), ‘hun gevangenschap’: de ballingschap. Zie ook: Jes 35:9; Jes 41:8–9; Jes 41:10; Jes 43:5; Jes 44:1; Jes 44:2; Jer 29:14; Jer 46:27–28 **30:11** **Want Ik ben met je, godsspraak van Yahweh, om je te redden. Want Ik zal een volledig einde maken aan alle volken waarheen Ik je verspreid heb. Maar aan jou zal Ik geen volledig einde maken. Ik zal je tuchtigen naar recht, maar Ik zal je zeker niet ongestraft laten.”** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אִתְּךָ֥ (itekha) = met je | אֲנִ֛י (ani) = Ik | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהֽוֹשִׁיעֶ֑ךָ (lehoshiekha) = om je te redden | כִּי֩ (ki) = want | אֶעֱשֶׂ֨ה (eese) = Ik zal maken | כָלָ֜ה (kala) = een volledig einde | בְּכָֽל (bekhal) = onder alle | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = volken | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waarheen | הֲפִצוֹתִ֣יךָ (hafitsotikha) = Ik je heb verspreid | שָּׁ֗ם (sham) = daar | אַ֤ךְ (akh) = maar | אֹֽתְךָ֙ (otekha) = met jou | לֹֽא (lo) = niet | אֶעֱשֶׂ֣ה (eese) = Ik zal maken | כָלָ֔ה (kala) = een volledig einde | וְיִסַּרְתִּ֨יךָ֙ (veyisartikha) = en Ik zal je tuchtigen | לַמִּשְׁפָּ֔ט (lamishpat) = naar recht | וְנַקֵּ֖ה (venaqe) = en ongestraft | לֹ֥א (lo) = niet | אֲנַקֶּֽךָּ (anaqeka) = Ik zal je laten gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָלָה (khalah), ‘volledig einde’: een algehele vernietiging, zoals in Jer. 4:27 en 5:10. Voetnoot : וְיִסַּרְתִּיךָ לַמִּשְׁפָּט (veyissartikha lamishpat), ‘Ik zal je tuchtigen naar recht’: letterlijk ‘volgens het recht’, dus met de juiste maat, niet te weinig en niet te veel. Het woord מִשְׁפָּט (mishpat) is ‘recht’. Voetnoot : וְנַקֵּה לֹא אֲנַקֶּךָּ (venakkeh lo anakkekha), ‘ongestraft laten gaan zal Ik je niet’: het werkwoord wordt herhaald voor de nadruk, zoals in Exod. 34:7. Zie ook: Ex 34:7; Jes 8:10; Jer 1:8; Jer 1:19; Jer 4:27; Jer 5:10; Jer 10:24 ### Je wond is ongeneeslijk, toch zal Ik je genezen **30:12** Want zo zegt Yahweh: **„Je breuk is ongeneeslijk. Je slag is pijnlijk.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אָנ֣וּשׁ (anush) = ongeneeslijk | לְשִׁבְרֵ֑ךְ (leshivrekh) = is je breuk | נַחְלָ֖ה (nachla) = pijnlijk | מַכָּתֵֽךְ (makatekh) = je slag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 36:16; Jer 14:17; Jer 15:18; Jer 30:15; Ezech 37:11 **30:13** **Er is niemand die je zaak bepleit. Voor je wond is er geen verband. Er komt geen genezing voor jou op.** Brontekst: אֵֽין (ein) = niet is | דָּ֥ן (dan) = iemand die pleit | דִּינֵ֖ךְ (dinekh) = je zaak | לְמָז֑וֹר (lemazor) = voor een wond | רְפֻא֥וֹת (refuot) = genezingen | תְּעָלָ֖ה (teala) = komt op | אֵ֥ין (ein) = niet is | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָזוֹר (mazor), ‘verband’: het woord is onzeker. Het kan ook ‘wond’ of ‘zweer’ betekenen, zoals in Hos. 5:13. Voetnoot : דָּן דִּינֵךְ (dan dinekh), ‘die je zaak bepleit’: letterlijk ‘die je rechtszaak voert’. Zie ook Jer. 5:28 en 22:16. Voetnoot : תְּעָלָה (te’alah), ‘komt op’: letterlijk ‘groeit aan’, het beeld van nieuw vlees dat over een wond heen groeit. Zie ook: Hos 5:13; Jer 5:28; Jer 8:22; Jer 22:16; Jer 30:17; Jer 33:6; Jer 46:11; 1 Tim 2:5–6 **30:14** **Al je minnaars zijn je vergeten. Zij zoeken je niet. Want Ik heb je geslagen zoals een vijand slaat, met de tuchtiging van een wrede, om je grote schuld, omdat je zonden talrijk zijn.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | מְאַהֲבַ֣יִךְ (meahavayikh) = je minnaars | שְׁכֵח֔וּךְ (shekhechukh) = zijn je vergeten | אוֹתָ֖ךְ (otakh) = jou | לֹ֣א (lo) = niet | יִדְרֹ֑שׁוּ (yidroshu) = zij zoeken | כִּי֩ (ki) = want | מַכַּ֨ת (makat) = met de slag van | אוֹיֵ֤ב (oyev) = een vijand | הִכִּיתִיךְ֙ (hikitikh) = Ik heb je geslagen | מוּסַ֣ר (musar) = met de tuchtiging van | אַכְזָרִ֔י (akhzari) = een wrede | עַ֚ל (al) = om | רֹ֣ב (rov) = de grootte van | עֲוֺנֵ֔ךְ (avonekh) = je schuld | עָצְמ֖וּ (atsemu) = zijn talrijk | חַטֹּאתָֽיִךְ (chatotayikh) = je zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְאַהֲבַיִךְ (me’ahavayikh), ‘je minnaars’: de volken met wie Juda verbonden was; het beeld van een ontrouwe vrouw komt ook voor in Jer. 2:33 en 22:20–22. Voetnoot : מוּסַר אַכְזָרִי (musar akhzari), ‘tuchtiging van een wrede’: een harde, genadeloze tuchtiging. Zie ook: Job 30:21; Jer 2:33; Jer 5:6; Jer 22:20; Jer 30:15; Klaagl 1:2 **30:15** **Waarom schreeuw je om je breuk? Je pijn is ongeneeslijk. Om je grote schuld, omdat je zonden talrijk zijn, heb Ik je dit aangedaan.** Brontekst: מַה (ma) = waarom | תִּזְעַק֙ (tizaq) = schreeuw je | עַל (al) = om | שִׁבְרֵ֔ךְ (shivrekh) = je breuk | אָנ֖וּשׁ (anush) = ongeneeslijk | מַכְאֹבֵ֑ךְ (makhovekh) = is je pijn | עַ֣ל (al) = om | רֹ֣ב (rov) = de grootte van | עֲוֺנֵ֗ךְ (avonekh) = je schuld | עָֽצְמוּ֙ (atsemu) = zijn talrijk | חַטֹּאתַ֔יִךְ (chatotayikh) = je zonden | עָשִׂ֥יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 9:10–11; Jes 5:2; Mi 1:9; Jer 30:12; Jer 30:14 **30:16** **Daarom zullen allen die je verslinden, verslonden worden. Al je tegenstanders gaan allemaal in gevangenschap. Wie je plunderen, worden geplunderd. Allen die je beroven, geef Ik aan roof prijs.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כָּל (kal) = alle | אֹכְלַ֨יִךְ֙ (okhelayikh) = die je verslinden | יֵאָכֵ֔לוּ (yeakhelu) = zullen verslonden worden | וְכָל (vekhal) = en alle | צָרַ֥יִךְ (tsarayikh) = je tegenstanders | כֻּלָּ֖ם (kulam) = zij allen | בַּשְּׁבִ֣י (bashevi) = in gevangenschap | יֵלֵ֑כוּ (yelekhu) = zullen gaan | וְהָי֤וּ (vehayu) = en zullen zijn | שֹׁאסַ֨יִךְ֙ (shosayikh) = die je plunderen | לִמְשִׁסָּ֔ה (limshisa) = tot plundering | וְכָל (vekhal) = en alle | בֹּזְזַ֖יִךְ (bozezayikh) = die je beroven | אֶתֵּ֥ן (eten) = Ik zal geven | לָבַֽז (lavaz) = tot roof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden ‘verslinden’, ‘plunderen’ en ‘beroven’ keren zich nu om: wie het volk heeft opgegeten, wordt zelf opgegeten. Vergelijk Jer. 10:25 en 50:7. Zie ook: Ex 23:22; Jes 33:1; Jer 10:25; Jer 50:7; Zach 2:12; Openb 13:10 **30:17** **Want Ik zal je genezing laten opkomen en je van je slagen genezen, godsspraak van Yahweh. Want zij hebben je ‘de verdrevene’ genoemd: ‘Dat is Sion, niemand vraagt naar haar.’”** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | אַעֲלֶ֨ה (aale) = Ik zal laten opkomen | אֲרֻכָ֥ה (arukha) = genezing | לָ֛ךְ (lakh) = voor jou | וּמִמַּכּוֹתַ֥יִךְ (umimakotayikh) = en van je slagen | אֶרְפָּאֵ֖ךְ (erpaekh) = Ik zal je genezen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = omdat | נִדָּחָה֙ (nidacha) = een verdrevene | קָ֣רְאוּ (qareu) = zij hebben genoemd | לָ֔ךְ (lakh) = jou | צִיּ֣וֹן (tsiyon) = Sion | הִ֔יא (hi) = zij | דֹּרֵ֖שׁ (doresh) = iemand die zoekt | אֵ֥ין (ein) = niet is | לָֽהּ (lah) = naar haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֲרֻכָה (arukhah), ‘genezing’: letterlijk ‘nieuw vlees’, het herstel van de huid over een wond. Zie ook Jer. 8:22 en 33:6. Voetnoot : נִדָּחָה (niddachah), ‘verdrevene’: een vrouw die verdreven is. Het werkwoord נָדַח (nadach), ‘verdrijven’, staat ook in 29:14. Zij noemen Sion zo: ‘niemand vraagt naar haar’. De woorden tussen enkele aanhalingstekens zijn de woorden van de spotters. Zie ook: Ex 15:26; Ps 103:3; Ps 107:20; Jer 8:22; Jer 33:6; 1 Petr 2:24 ### Het lot van de tenten van Jakob wordt gekeerd **30:18** Zo zegt Yahweh: **„Zie, Ik keer het lot van de tenten van Jakob. Over zijn woningen ontferm Ik Mij. De stad zal herbouwd worden op haar eigen puinheuvel, en de burcht zal staan waar hij hoort.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִי (hinni) = zie Ik | שָׁב֙ (shav) = ben die keert | שְׁבוּת֙ (shevut) = het lot van | אָהֳלֵ֣י (aholei) = de tenten van | יַֽעֲק֔וֹב (yaaqov) = Jakob | וּמִשְׁכְּנֹתָ֖יו (umishkenotav) = en zijn woningen | אֲרַחֵ֑ם (arachem) = Ik zal Mij ontfermen | וְנִבְנְתָ֥ה (venivneta) = en zal herbouwd worden | עִיר֙ (ir) = stad | עַל (al) = op | תִּלָּ֔הּ (tilah) = haar puinheuvel | וְאַרְמ֖וֹן (vearmon) = en burcht | עַל (al) = op | מִשְׁפָּט֥וֹ (mishpato) = zijn plaats | יֵשֵֽׁב (yeshev) = zal staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut), ‘het lot keren’: zie vers 3. Voetnoot : תֵּל (tel), ‘puinheuvel’: de heuvel die ontstaat als een verwoeste stad telkens op de resten wordt herbouwd. Zie ook Joz. 11:13. Voetnoot : אַרְמוֹן (armon), ‘burcht’: zie 2 Kon. 15:25. ‘Op zijn plaats’ staat in het Hebreeuws letterlijk ‘volgens zijn recht’, מִשְׁפָּט (mishpat): zoals het hoort. Zie ook: Joz 11:13; Ps 102:14; 2 Kon 15:25; Jer 30:3; Jer 33:7; Jer 49:39; Hag 2:7–9 **30:19** **Uit hen gaan dankzegging en het geluid van mensen die lachen. Ik maak hen talrijk, en zij zullen niet minder worden. Ik geef hen eer, en zij zullen niet klein worden.** Brontekst: וְיָצָ֥א (veyatsa) = en zal uitgaan | מֵהֶ֛ם (mehem) = uit hen | תּוֹדָ֖ה (toda) = dankzegging | וְק֣וֹל (veqol) = en geluid van | מְשַׂחֲקִ֑ים (mesachaqim) = wie lachen | וְהִרְבִּתִים֙ (vehirbitim) = en Ik zal hen talrijk maken | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִמְעָ֔טוּ (yimatu) = zij zullen minder worden | וְהִכְבַּדְתִּ֖ים (vehikhbadtim) = en Ik zal hen eer geven | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִצְעָֽרוּ (yitsaru) = zij zullen klein worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹדָה (todah), ‘dankzegging’: het woord is verwant met het werkwoord ‘danken, loven’ en wordt ook gebruikt voor het dankoffer. Voetnoot : הִכְבַּדְתִּים (hikhbadtim), ‘Ik zal hen eer geven’: van כָּבֵד (kaved), ‘zwaar zijn’. Wie ‘gewicht’ heeft, heeft aanzien en eer. Zie ook: Jes 35:10; Jes 51:11; Jes 60:22; Jer 33:22; Ezech 36:37 **30:20** **Zijn zonen zullen zijn zoals vroeger. Zijn gemeenschap zal vaststaan voor Mijn aangezicht. Ik zal al zijn onderdrukkers straffen.** Brontekst: וְהָי֤וּ (vehayu) = en zullen zijn | בָנָיו֙ (banav) = zijn zonen | כְּקֶ֔דֶם (keqedem) = als vroeger | וַעֲדָת֖וֹ (vaadato) = en zijn gemeenschap | לְפָנַ֣י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | תִּכּ֑וֹן (tikon) = zal vaststaan | וּפָ֣קַדְתִּ֔י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עַ֖ל (al) = over | כָּל (kal) = alle | לֹחֲצָֽיו (lochatsav) = zijn onderdrukkers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵדָה (edah), ‘gemeenschap’: de samenkomst van heel het volk, zoals in de wetboeken. Voetnoot : לֹחֲצָיו (lochatsav), ‘zijn onderdrukkers’: wie hem klemmen en dwingen. Zie ook: Ps 102:29; Jes 51:22; Jer 2:3; Jer 32:39; Jer 50:33–34 **30:21** **Zijn machtige zal uit hemzelf zijn, en zijn heerser zal uit zijn midden voortkomen. Ik laat hem naderen, en hij zal tot Mij naderen. Want wie is hij die zijn hart tot onderpand geeft om tot Mij te naderen? Godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en zal zijn | אַדִּיר֜וֹ (adiro) = zijn machtige | מִמֶּ֗נּוּ (mimenu) = uit hem | וּמֹֽשְׁלוֹ֙ (umoshelo) = en zijn heerser | מִקִּרְבּ֣וֹ (miqirbo) = uit zijn midden | יֵצֵ֔א (yetse) = zal voortkomen | וְהִקְרַבְתִּ֖יו (vehiqravtiv) = en Ik zal hem laten naderen | וְנִגַּ֣שׁ (venigash) = en hij zal naderen | אֵלָ֑י (elay) = tot Mij | כִּי֩ (ki) = want | מִ֨י (mi) = wie | הוּא (hu) = hij | זֶ֜ה (ze) = deze | עָרַ֧ב (arav) = heeft tot onderpand gegeven | אֶת (et) = (obj.) | לִבּ֛וֹ (libo) = zijn hart | לָגֶ֥שֶׁת (lageshet) = om te naderen | אֵלַ֖י (elay) = tot Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַדִּירוֹ (addiro), ‘zijn machtige’: iemand uit zijn eigen volk, geen vreemdeling. Het gaat om een leider uit het volk zelf. Voetnoot : עָרַב אֶת לִבּוֹ (arav et libbo), ‘zijn hart tot onderpand geeft’: het werkwoord betekent ‘borg staan’, ‘verpanden’. Wie zou zijn hart durven inzetten om voor Yahweh te staan? Naderen tot Yahweh is gevaarlijk, zoals in Exod. 19:21–22 en Num. 16:5. Voetnoot : Het vers sluit af met נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’. Zie ook: Ex 19:21–22; Num 16:5; Ezech 34:23–24; Ezech 37:24; Mar 11:9–10; Hand 5:31 **30:22** **Jullie zullen Mijn volk zijn, en Ik zal jullie Elohim zijn.”** Brontekst: וִהְיִ֥יתֶם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | לִ֖י (li) = voor Mij | לְעָ֑ם (leam) = tot een volk | וְאָ֣נֹכִ֔י (veanokhi) = en Ik | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = Ik zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de verbondsformule: ‘jullie zullen Mijn volk zijn, en Ik zal jullie Elohim zijn’. Zie Lev. 26:12, Exod. 6:7 en Jer. 31:33. Zie ook: Ex 6:7; Lev 26:12; Jer 24:7; Jer 31:33; Ezech 36:28; Zach 13:9; Openb 21:3 ### De stormwind van Yahweh **30:23** Zie, de stormwind van Yahweh, Zijn woede, is uitgegaan. Een wervelende storm draait neer op het hoofd van de goddelozen. Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | סַעֲרַ֣ת (saarat) = de stormwind van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | חֵמָה֙ (chema) = woede | יָֽצְאָ֔ה (yatsea) = is uitgegaan | סַ֖עַר (saar) = een storm | מִתְגּוֹרֵ֑ר (mitgorer) = wervelend | עַ֛ל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = de kop van | רְשָׁעִ֖ים (reshaim) = goddelozen | יָחֽוּל (yachul) = zal neerdraaien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 23 en 24 staan bijna woordelijk ook in Jer. 23:19–20. Daar staan ze bij de woorden over de valse profeten. Hier sluiten ze het eerste hoofdstuk van het Boek van de troost af. Voetnoot : סַעֲרַת יְהוָה (sa’arat Yahweh), ‘de stormwind van Yahweh’: het beeld van Zijn toorn. Voetnoot : מִתְגּוֹרֵר (mitgorer), ‘wervelend’: de betekenis van het woord is onzeker. Het kan ook ‘zich vasthoudend’ of ‘neerstortend’ betekenen. Wij vertalen ‘wervelend’. Zie ook: Ps 58:10; Spr 1:27; Jer 23:19–20; Jer 25:32; Zach 9:14 **30:24** De brandende toorn van Yahweh keert niet terug, totdat Hij de plannen van Zijn hart heeft uitgevoerd en laten opstaan. In de laatste dagen zullen jullie dit goed begrijpen. Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | יָשׁ֗וּב (yashuv) = zal terugkeren | חֲרוֹן֙ (charon) = de brandende | אַף (af) = toorn van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = totdat | עֲשֹׂת֥וֹ (asoto) = Hij heeft uitgevoerd | וְעַד (vead) = en totdat | הֲקִימ֖וֹ (haqimo) = Hij heeft laten opstaan | מְזִמּ֣וֹת (mezimot) = de plannen van | לִבּ֑וֹ (libo) = Zijn hart | בְּאַחֲרִ֥ית (beacharit) = in het laatste van | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = de dagen | תִּתְבּ֥וֹנְנוּ (titbonenu) = jullie zullen begrijpen | בָֽהּ (bah) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲרוֹן אַף (charon af), ‘brandende toorn’: letterlijk ‘gloed van de neus’, het beeld van ontbrande woede. Voetnoot : מְזִמּוֹת לִבּוֹ (mezimmot libbo), ‘de plannen van Zijn hart’: wat Hij bedacht heeft. Yahweh voert Zijn plan helemaal uit. Voetnoot : בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de uiteindelijke tijd, zoals in Jes. 2:2. Zie ook: Hos 3:5; Jes 2:2; Mi 4:1; Jer 4:28; Jer 23:20; Ezech 38:16 ## Jeremia 31 _Troost en terugkeer: Efraïm, Rachel en het nieuwe verbond_ ### Yahweh blijft de Elohim van alle families van Israël **31:1** **„In die tijd, godsspraak van Yahweh, zal Ik de Elohim zijn van alle families van Israël. Zij zullen Mijn volk zijn.”** Brontekst: בָּעֵ֤ת (baet) = in de tijd | הַהִיא֙ (hahi) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽהְיֶה֙ (ehye) = Ik zal zijn | לֵֽאלֹהִ֔ים (lElohim) = tot Elohim | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | מִשְׁפְּח֣וֹת (mishpechot) = families van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהֵ֖מָּה (vehema) = en zij | יִֽהְיוּ (yihyu) = zullen zijn | לִ֥י (li) = voor Mij | לְעָֽם (leam) = tot een volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּחוֹת (mishpachot), ‘families’: de geslachten van heel Israël. Voetnoot : Dit is de verbondsformule: ‘Ik zal hun Elohim zijn, en zij zullen Mijn volk zijn’. Zie Lev. 26:12, Exod. 6:7 en Jer. 30:22. Ze komt terug in vers 33. Zie ook: Ex 6:7; Lev 26:12; Jes 41:10; Jer 30:22; Jer 30:24; Jer 31:33; Zach 13:9; Rom 11:26–29 **31:2** Zo zegt Yahweh: **„Het volk dat het zwaard overleefd heeft, vond gunst in de woestijn, toen Ik ging om Israël tot rust te brengen.”** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מָצָ֥א (matsa) = heeft gevonden | חֵן֙ (chen) = gunst | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | עַ֖ם (am) = het volk van | שְׂרִ֣ידֵי (seridei) = de overlevenden van | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | הָל֥וֹךְ (halokh) = gaande | לְהַרְגִּיע֖וֹ (lehargio) = om hem rust te geven | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַם שְׂרִידֵי חָרֶב (am seridei charev), ‘het volk dat het zwaard overleefd heeft’: letterlijk ‘het volk van de overlevenden van het zwaard’. De woestijn herinnert aan de tocht uit Egypte, waar het volk gunst vond (zie Exod. 33:12–17). Voetnoot : הָלוֹךְ לְהַרְגִּיעוֹ (halokh lehargio), ‘toen Ik ging om hem rust te geven’: het werkwoord ‘gaan’ staat in een vorm zonder persoon. Het kan ‘Ik ging’ betekenen (Yahweh), maar ook ‘Israël ging’. Wij vertalen ‘toen Ik ging’; vergelijk Exod. 33:14. Het slot ‘Israël’ is een toevoeging die het ‘hem’ verklaart. Zie ook: Ex 33:12–17; Ex 33:14; Num 10:33; Deut 1:33; Ps 95:11; Jes 63:7–14; Mat 11:28 ### Een liefde voor eeuwig **31:3** „Van ver is Yahweh aan mij verschenen.” **„Met een liefde voor eeuwig heb Ik je liefgehad. Daarom heb Ik je met trouw naar Mij toe getrokken.** Brontekst: מֵרָח֕וֹק (merachoq) = van ver | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נִרְאָ֣ה (nira) = is verschenen | לִ֑י (li) = aan mij | וְאַהֲבַ֤ת (veahavat) = en met een liefde van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | אֲהַבְתִּ֔יךְ (ahavtikh) = Ik heb je liefgehad | עַל (al) = om | כֵּ֖ן (ken) = dit | מְשַׁכְתִּ֥יךְ (meshakhtikh) = Ik heb je getrokken | חָֽסֶד (chased) = trouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie in de eerste helft van het vers spreekt: ‘Yahweh is aan mij verschenen’. Waarschijnlijk is het Israël (of de profeet namens het volk). In de tweede helft antwoordt Yahweh. Wij zetten de eerste helft zwart tussen aanhalingstekens en de tweede helft rood. Voetnoot : אַהֲבַת עוֹלָם (ahavat olam), ‘een liefde voor eeuwig’: עוֹלָם (olam) is ‘eeuwigheid’, onafzienbare tijd. Voetnoot : מְשַׁכְתִּיךְ חָסֶד (meshakhtikh chased), ‘Ik heb je met trouw naar Mij toe getrokken’: het werkwoord מָשַׁךְ (mashakh) betekent ‘trekken’. Het kan ook ‘Ik heb Mijn trouw voor je voortgezet’ betekenen, zoals in Ps. 36:11. Het woord חֶסֶד (chesed) is ‘trouw’, verbondstrouw. Zie ook: Deut 33:3; Ps 36:11; Ps 103:17; Hos 11:4; Jes 54:8–9; Ef 2:4–5 **31:4** **Opnieuw zal Ik je bouwen, en je zult gebouwd worden, maagd Israël. Opnieuw zul je je tamboerijnen als sieraad dragen en uittrekken in de dans van wie lachen.** Brontekst: ע֤וֹד (od) = nog | אֶבְנֵךְ֙ (evnekh) = Ik zal je bouwen | וְֽנִבְנֵ֔ית (venivneit) = en je zult gebouwd worden | בְּתוּלַ֖ת (betulat) = maagd | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | ע֚וֹד (od) = nog | תַּעְדִּ֣י (tadi) = je zult versieren | תֻפַּ֔יִךְ (tupayikh) = je tamboerijnen | וְיָצָ֖את (veyatsat) = en je zult uittrekken | בִּמְח֥וֹל (bimchol) = in de dans van | מְשַׂחֲקִֽים (mesachaqim) = wie lachen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּתוּלַת יִשְׂרָאֵל (betulat Yisra’el), ‘maagd Israël’: het volk als een jonge vrouw, zoals in Amos 5:2. Voetnoot : תֻּפַּיִךְ (tuppayikh), ‘je tamboerijnen’: תֹּף (tof) is de tamboerijn. מָחוֹל (machol) is de reidans, zoals in Exod. 15:20 en Ps. 30:12. Voetnoot : מְשַׂחֲקִים (mesachaqim), ‘wie lachen’: ook ‘spelen, feestvieren’. Zie Jer. 30:19. Zie ook: Ex 15:20; Ps 30:12; Amos 5:2; Jer 30:18–19; Jer 30:19; Jer 31:13; Jer 33:7; Openb 21:10–27 **31:5** **Opnieuw zul je wijngaarden planten op de bergen van Samaria. De planters zullen planten en de vruchten in gebruik nemen.** Brontekst: ע֚וֹד (od) = nog | תִּטְּעִ֣י (titei) = je zult planten | כְרָמִ֔ים (keramim) = wijngaarden | בְּהָרֵ֖י (beharei) = op de bergen van | שֹֽׁמְר֑וֹן (shomeron) = Samaria | נָטְע֥וּ (nateu) = zullen planten | נֹטְעִ֖ים (noteim) = de planters | וְחִלֵּֽלוּ (vechilelu) = en zullen in gebruik nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: חִלֵּלוּ (chilelu), ‘zij zullen in gebruik nemen’: de planters eten zelf de vruchten van wat zij geplant hebben. Het werkwoord is hetzelfde als in Deut. 20:6. Zie ook: Lev 19:23–25; Deut 20:6; Deut 28:30; Amos 9:14; Jes 65:21–22; Mi 4:4 **31:6** **Want er komt een dag dat wachters roepen op het gebergte van Efraïm: ‘Sta op, laten wij opgaan naar Sion, naar Yahweh, onze Elohim.’”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | יֶשׁ (yesh) = er is | י֔וֹם (yom) = een dag | קָרְא֥וּ (qareu) = hebben geroepen | נֹצְרִ֖ים (notserim) = wachters | בְּהַ֣ר (behar) = op het gebergte van | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | ק֚וּמוּ (qumu) = staat op | וְנַעֲלֶ֣ה (venaale) = en laten wij opgaan | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | אֶל (el) = naar | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נֹצְרִים (notsrim), ‘wachters’: mannen die de wacht houden. Efraïm staat hier voor de noordelijke stammen. Zij zullen niet meer naar Betel en Dan gaan (1 Kon. 12:28–29), maar naar Sion, de berg van Yahweh. Zie ook: 1 Kon 12:28–29; Jes 2:2–4; Jes 52:7–8; Mi 4:1–3; Jer 50:4–5; Jer 50:19 ### Juich: de overgeblevenen komen terug **31:7** Want zo zegt Yahweh: **„Jubel van vreugde voor Jakob en juich over het hoofd van de volken. Laat het horen, prijs en zeg: ‘Red, Yahweh, Uw volk, de overgeblevenen van Israël.’** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | רָנּ֤וּ (ranu) = jubelt | לְיַֽעֲקֹב֙ (leyaaqov) = voor Jakob | שִׂמְחָ֔ה (simcha) = met vreugde | וְצַהֲל֖וּ (vetsahalu) = en juicht | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = over het hoofd van | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | הַשְׁמִ֤יעוּ (hashmiu) = laat horen | הַֽלְלוּ֙ (hallu) = prijst | וְאִמְר֔וּ (veimru) = en zegt | הוֹשַׁ֤ע (hosha) = red | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶֽת (et) = (obj.) | עַמְּךָ֔ (amekha) = Uw volk | אֵ֖ת (et) = (obj.) | שְׁאֵרִ֥ית (sheerit) = de overgeblevenen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית יִשְׂרָאֵל (she’erit Yisra’el), ‘de overgeblevenen van Israël’: het deel dat is overgebleven. Voetnoot : בְּרֹאשׁ הַגּוֹיִם (berosh hagoyim), ‘over het hoofd van de volken’: Israël is het eerste onder de volken (vergelijk Amos 6:1). Het kan ook ‘aan het hoofd van de volken’ betekenen. Voetnoot : הוֹשַׁע (hoshia), ‘red’: de bede uit Ps. 118:25. De woorden tussen enkele aanhalingstekens zijn een gebed dat Yahweh zelf aan het volk in de mond legt. Zie ook: Ps 14:7; Ps 28:9; Ps 118:25; Amos 6:1; Jes 37:31; Jes 42:10–12; Jer 23:3 **31:8** **Zie, Ik breng hen uit het land in het noorden en verzamel hen uit de uithoeken van de aarde. Onder hen zijn blinden en kreupelen, zwangere en barende vrouwen samen. Een grote vergadering zal hierheen terugkeren.** Brontekst: הִנְנִי֩ (hinni) = zie Ik | מֵבִ֨יא (mevi) = ben die brengt | אוֹתָ֜ם (otam) = hen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | צָפ֗וֹן (tsafon) = het noorden | וְקִבַּצְתִּים֮ (veqibatstim) = en Ik zal hen verzamelen | מִיַּרְכְּתֵי (miyarketei) = uit de uithoeken van | אָרֶץ֒ (arets) = de aarde | בָּ֚ם (bam) = onder hen | עִוֵּ֣ר (iver) = blinde | וּפִסֵּ֔חַ (ufiseach) = en kreupele | הָרָ֥ה (hara) = zwangere | וְיֹלֶ֖דֶת (veyoledet) = en barende | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = tezamen | קָהָ֥ל (qahal) = een vergadering | גָּד֖וֹל (gadol) = grote | יָשׁ֥וּבוּ (yashuvu) = zij zullen terugkeren | הֵֽנָּה (hena) = hierheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶרֶץ צָפוֹן (erets tsafon), ‘het land in het noorden’: het noorden is de richting vanwaar de vijand kwam en waarheen het volk werd weggevoerd, zie Jer. 3:18. Voetnoot : Blinden, kreupelen en zwangere vrouwen worden niet achtergelaten. Niemand wordt vergeten. Zie ook: Jes 42:16; Mi 4:6; Jer 3:18; Jer 23:8; Ezech 34:16 **31:9** **Onder wenen komen zij, en onder smeekbeden leid Ik hen. Ik laat hen gaan naar waterbeken, op een rechte weg waarop zij niet zullen struikelen. Want Ik ben een vader voor Israël geworden, en Efraïm is Mijn eerstgeborene.** Brontekst: בִּבְכִ֣י (bivkhi) = onder wenen | יָבֹ֗אוּ (yavou) = zij zullen komen | וּֽבְתַחֲנוּנִים֮ (uvetachanunim) = en onder smeekbeden | אֽוֹבִילֵם֒ (ovilem) = Ik zal hen leiden | אֽוֹלִיכֵם֙ (olikhem) = Ik zal hen laten gaan | אֶל (el) = naar | נַ֣חֲלֵי (nachalei) = beken van | מַ֔יִם (mayim) = water | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op een weg | יָשָׁ֔ר (yashar) = rechte | לֹ֥א (lo) = niet | יִכָּשְׁל֖וּ (yikashelu) = zij zullen struikelen | בָּ֑הּ (bah) = daarop | כִּֽי (ki) = want | הָיִ֤יתִי (hayiti) = Ik ben geworden | לְיִשְׂרָאֵל֙ (leyisrael) = voor Israël | לְאָ֔ב (leav) = tot een vader | וְאֶפְרַ֖יִם (veefrayim) = en Efraïm | בְּכֹ֥רִי (bekhori) = Mijn eerstgeborene | הֽוּא (hu) = is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכֹרִי (bekhori), ‘Mijn eerstgeborene’: Israël heet in Exod. 4:22 ‘Mijn eerstgeborene’. Hier is Efraïm, het noordelijke rijk, de eerstgeborene. Voetnoot : נַחֲלֵי מַיִם (nachalei mayim), ‘waterbeken’: beken met water, de tegenstelling met de droge woestijn. Zie ook: Ex 4:22; Jer 3:4; Jer 31:20; Jer 50:4; Mat 5:4 **31:10** **Hoor het woord van Yahweh, volken, en maak het bekend op de eilanden in de verte. Zeg: ‘Wie Israël verstrooid heeft, zal hem verzamelen en hem hoeden als een herder zijn kudde.’** Brontekst: שִׁמְע֤וּ (shimu) = hoort | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | וְהַגִּ֥ידוּ (vehagidu) = en maakt bekend | בָאִיִּ֖ים (baiyim) = op de eilanden | מִמֶּרְחָ֑ק (mimerchaq) = in de verte | וְאִמְר֗וּ (veimru) = en zegt | מְזָרֵ֤ה (mezare) = die verstrooid heeft | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יְקַבְּצֶ֔נּוּ (yeqabetsenu) = zal hem verzamelen | וּשְׁמָר֖וֹ (ushemaro) = en zal hem hoeden | כְּרֹעֶ֥ה (keroe) = als een herder | עֶדְרֽוֹ (edro) = zijn kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: ook ‘kustlanden’, de verre landen aan de zee (zie Jes. 40:15). Voetnoot : מְזָרֵה (mezareh), ‘die verstrooid heeft’: Yahweh is degene die het volk verstrooide en het nu weer verzamelt. Voetnoot : De woorden van de volken die de boodschap horen en doorgeven, staan tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook: Deut 30:4; Jes 40:11; Jes 40:15; Jes 66:19; Ezech 34:12; Joh 11:52 **31:11** **Want Yahweh heeft Jakob vrijgekocht en hem verlost uit de hand van iemand die sterker is dan hij.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | פָדָ֥ה (pada) = heeft vrijgekocht | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽת (et) = (obj.) | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וּגְאָל֕וֹ (ugealo) = en heeft hem verlost | מִיַּ֖ד (miyad) = uit de hand van | חָזָ֥ק (chazaq) = een sterkere | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = dan hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’, en גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: Yahweh koopt Jakob vrij en haalt hem terug uit de macht van iemand die sterker is. Zie ook: Jes 44:23; Jes 48:20; Jes 49:24; Jer 15:21; Tit 2:14 **31:12** **Zij zullen komen en jubelen op de hoogte van Sion. Zij zullen stromen naar de goedheid van Yahweh, naar het koren, de most en de olie, en naar de jongen van het kleinvee en het rundvee. Hun ziel zal zijn als een goed bewaterde tuin, en zij zullen niet meer kwijnen.** Brontekst: וּבָאוּ֮ (uvau) = en zij zullen komen | וְרִנְּנ֣וּ (verinenu) = en zij zullen jubelen | בִמְרוֹם (bimrom) = op de hoogte van | צִיּוֹן֒ (tsiyon) = Sion | וְנָהֲר֞וּ (venaharu) = en zij zullen stromen | אֶל (el) = naar | ט֣וּב (tuv) = de goedheid van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = naar | דָּגָן֙ (dagan) = koren | וְעַל (veal) = en naar | תִּירֹ֣שׁ (tirosh) = most | וְעַל (veal) = en naar | יִצְהָ֔ר (yitshar) = olie | וְעַל (veal) = en naar | בְּנֵי (benei) = de jongen van | צֹ֖אן (tson) = kleinvee | וּבָקָ֑ר (uvaqar) = en rundvee | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zal zijn | נַפְשָׁם֙ (nafsham) = hun ziel | כְּגַ֣ן (kegan) = als een tuin | רָוֶ֔ה (rave) = doordrenkt | וְלֹא (velo) = en niet | יוֹסִ֥יפוּ (yosifu) = zij zullen voortgaan | לְדַאֲבָ֖ה (ledaava) = te kwijnen | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het innerlijk leven, de hele persoon. Het woord kan ook ‘leven’ of ‘mens’ betekenen. Voetnoot : דָּגָן (dagan), ‘koren’, תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’, en יִצְהָר (yitshar), ‘olie’: de drie vaste opbrengsten van het land, zoals in Deut. 7:13. Voetnoot : גַּן רָוֶה (gan raveh), ‘goed bewaterde tuin’: letterlijk ‘een doordrenkte tuin’. Zie ook Jes. 58:11. Voetnoot : דַּאֲבָה (da’avah), ‘kwijnen’: afnemen van kracht, uitgeput raken. Het werkwoord staat ook in vers 25. Zie ook: Deut 7:13; Joël 4:18; Jes 35:10; Jes 58:11; Jes 65:19; Jer 31:25; Joh 16:22 **31:13** **Dan zal de maagd zich verheugen in de dans, en jongemannen en oude mannen samen. Ik zal hun rouw veranderen in vreugde, hen troosten en hen verblijden na hun verdriet.** Brontekst: אָ֣ז (az) = dan | תִּשְׂמַ֤ח (tismach) = zal zich verheugen | בְּתוּלָה֙ (betula) = maagd | בְּמָח֔וֹל (bemachol) = in de dans | וּבַחֻרִ֥ים (uvachurim) = en jongemannen | וּזְקֵנִ֖ים (uzeqenim) = en oude mannen | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | וְהָפַכְתִּ֨י (vehafakhti) = en Ik zal veranderen | אֶבְלָ֤ם (evlam) = hun rouw | לְשָׂשׂוֹן֙ (lesason) = in vreugde | וְנִ֣חַמְתִּ֔ים (venichamtim) = en Ik zal hen troosten | וְשִׂמַּחְתִּ֖ים (vesimachtim) = en Ik zal hen verblijden | מִיגוֹנָֽם (migonam) = na hun verdriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 30:12; Jes 51:3; Jes 51:11; Jes 61:3; Est 9:22 **31:14** **Ik zal de ziel van de priesters verzadigen met vet. Mijn volk zal verzadigd worden met Mijn goedheid, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְרִוֵּיתִ֛י (veriveiti) = en Ik zal verzadigen | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = de ziel van | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | דָּ֑שֶׁן (dashen) = met vet | וְעַמִּ֛י (veami) = en Mijn volk | אֶת (et) = (obj.) | טוּבִ֥י (tuvi) = Mijn goedheid | יִשְׂבָּ֖עוּ (yisbau) = zal verzadigd worden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּשֶׁן (deshen), ‘vet’: ook ‘as van het vet’, zoals in vers 40. Hier gaat het om het beste vet, een beeld van overvloed. De priesters, die van de offers leven, worden verzadigd. Zie ook: Jer 31:25; Jer 31:40; Jer 33:9; Mat 5:6; 1 Petr 2:9; Openb 5:10 ### Rachel beweent haar kinderen **31:15** Zo zegt Yahweh: **„Een stem wordt gehoord in Rama, een weeklacht, bitter geween. Rachel beweent haar kinderen. Zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, want zij zijn er niet meer.”** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | ק֣וֹל (qol) = een stem | בְּרָמָ֤ה (berama) = in Rama | נִשְׁמָע֙ (nishma) = wordt gehoord | נְהִי֙ (nehi) = weeklacht van | בְּכִ֣י (bekhi) = geween | תַמְרוּרִ֔ים (tamrurim) = van bitterheid | רָחֵ֖ל (rachel) = Rachel | מְבַכָּ֣ה (mevaka) = die beweent | עַל (al) = over | בָּנֶ֑יהָ (baneiha) = haar kinderen | מֵאֲנָ֛ה (meana) = weigert | לְהִנָּחֵ֥ם (lehinachem) = zich te laten troosten | עַל (al) = over | בָּנֶ֖יהָ (baneiha) = haar kinderen | כִּ֥י (ki) = want | אֵינֶֽנּוּ (einenu) = niet is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Voetnoot Uitleg: רָמָה (Ramah), ‘Rama’: een plaats in het gebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem. Zie ook Jer. 40:1. Rachel is de moeder van Jozef (en dus van Efraïm en Manasse) en van Benjamin. Haar graf wordt in het gebied van Benjamin aangewezen (Gen. 35:19–20; 1 Sam. 10:2). Voetnoot : תַמְרוּרִים (tamrurim), ‘bitter geween’: van מַר (mar), ‘bitter’. Voetnoot : לְהִנָּחֵם (lehinnachem), ‘zich laten troosten’: het werkwoord נָחַם (nacham). Rachel weigert zich te laten troosten, zoals Jakob in Gen. 37:35. Voetnoot : כִּי אֵינֶנּוּ (ki enennu), ‘want zij zijn er niet meer’: het Hebreeuws heeft het enkelvoud ‘hij is er niet’, over ieder van de kinderen. Voetnoot : Zie ook Matt. 2:18. Zie ook: Gen 35:19; Gen 37:35; 1 Sam 10:2; Ps 77:3; Jer 40:1; Mat 2:16–18; Mat 2:18 **31:16** Zo zegt Yahweh: **„Houd je stem in van geween en je ogen van tranen. Want er is loon voor je werk, godsspraak van Yahweh. Zij zullen terugkeren uit het land van de vijand.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | מִנְעִ֤י (mini) = houd tegen | קוֹלֵךְ֙ (qolekh) = je stem | מִבֶּ֔כִי (mibekhi) = van geween | וְעֵינַ֖יִךְ (veeinayikh) = en je ogen | מִדִּמְעָ֑ה (midima) = van tranen | כִּי֩ (ki) = want | יֵ֨שׁ (yesh) = er is | שָׂכָ֤ר (sakhar) = loon | לִפְעֻלָּתֵךְ֙ (lifulatekh) = voor je werk | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְשָׁ֖בוּ (veshavu) = en zij zullen terugkeren | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | אוֹיֵֽב (oyev) = de vijand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּעֻלָּה (pe’ullah), ‘werk’: de moeite die Rachel voor haar kinderen deed. Yahweh zegt dat die moeite beloond wordt. Zie ook: Ruth 2:12; Jer 30:3; Jer 33:7; Heb 6:10; Heb 11:6 **31:17** **Er is hoop voor je toekomst, godsspraak van Yahweh. Je kinderen zullen terugkeren naar hun eigen gebied.** Brontekst: וְיֵשׁ (veyesh) = en er is | תִּקְוָ֥ה (tiqva) = hoop | לְאַחֲרִיתֵ֖ךְ (leacharitekh) = voor je toekomst | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְשָׁ֥בוּ (veshavu) = en zullen terugkeren | בָנִ֖ים (banim) = kinderen | לִגְבוּלָֽם (ligvulam) = naar hun gebied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 2:17; Hos 3:5; Jer 29:11–16; Klaagl 3:21; Klaagl 3:26 ### Efraïm keert terug **31:18** **Ik heb Efraïm duidelijk horen klagen: ‘U hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd, als een kalf dat niet getemd is. Doe mij terugkeren, dan keer ik terug, want U bent Yahweh, mijn Elohim.** Brontekst: שָׁמ֣וֹעַ (shamoa) = horen | שָׁמַ֗עְתִּי (shamati) = Ik heb gehoord | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | מִתְנוֹדֵ֔ד (mitnoded) = die klaagt | יִסַּרְתַּ֨נִי֙ (yisartani) = U hebt mij getuchtigd | וָֽאִוָּסֵ֔ר (vaivaser) = en ik ben getuchtigd | כְּעֵ֖גֶל (keegel) = als een kalf | לֹ֣א (lo) = niet | לֻמָּ֑ד (lumad) = getemd | הֲשִׁיבֵ֣נִי (hashiveni) = doe mij terugkeren | וְאָשׁ֔וּבָה (veashuva) = en ik zal terugkeren | כִּ֥י (ki) = want | אַתָּ֖ה (ata) = U | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶפְרַיִם (Efrayim), ‘Efraïm’: de naam van het Noordrijk Israël, zoals in Hosea. Voetnoot : מִתְנוֹדֵד (mitnoded), ‘klagen’: letterlijk ‘heen en weer bewegen’, de houding van iemand die rouwt. Voetnoot : עֵגֶל לֹא לֻמָּד (egel lo lummad), ‘een kalf dat niet getemd is’: letterlijk ‘niet geleerd’, een kalf dat nog niet aan het juk gewend is. Zie Hos. 10:11. Voetnoot : הֲשִׁיבֵנִי וְאָשׁוּבָה (hashivéni ve’ashuvah), ‘doe mij terugkeren, dan keer ik terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’. Vergelijk Klaagl. 5:21. Voetnoot : De woorden van Efraïm in de verzen 18–19 staan tussen enkele aanhalingstekens, binnen de rode woorden van Yahweh. Zie ook: Job 5:17; Ps 80:4; Hos 10:11; Jes 9:12; Jer 3:21–22; Jer 31:9; Klaagl 5:21 **31:19** **Want nadat ik teruggekeerd was, heb ik berouw gehad. Nadat ik tot inzicht gebracht was, heb ik mij op de heup geslagen. Ik schaamde mij, ja, ik was vernederd, want ik droeg de smaad van mijn jeugd.’** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אַחֲרֵ֤י (acharei) = na | שׁוּבִי֙ (shuvi) = mijn terugkeer | נִחַ֔מְתִּי (nichamti) = heb ik berouw gehad | וְאַֽחֲרֵי֙ (veacharei) = en na | הִוָּ֣דְעִ֔י (hivadei) = mijn tot inzicht gebracht worden | סָפַ֖קְתִּי (safaqti) = heb ik geslagen | עַל (al) = op | יָרֵ֑ךְ (yarekh) = heup | בֹּ֚שְׁתִּי (boshti) = ik schaamde mij | וְגַם (vegam) = en ook | נִכְלַ֔מְתִּי (nikhlamti) = ik was vernederd | כִּ֥י (ki) = want | נָשָׂ֖אתִי (nasati) = ik heb gedragen | חֶרְפַּ֥ת (cherpat) = de smaad van | נְעוּרָֽי (neuray) = mijn jeugd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִחַמְתִּי (nichamti), ‘ik heb berouw gehad’: het werkwoord נָחַם (nacham) in de Niphal. Bij mensen betekent het ‘berouw hebben, tot inkeer komen’. Bij Yahweh heeft het de betekenis ‘Zich laten rouwen’. Voetnoot : סָפַקְתִּי עַל יָרֵךְ (safaqti al yarekh), ‘ik heb mij op de heup geslagen’: een gebaar van verdriet en schaamte. Voetnoot : חֶרְפַּת נְעוּרַי (cherpat ne’uray), ‘de smaad van mijn jeugd’: de schande uit de jonge jaren van het volk. Zie ook: Deut 30:2; Jer 3:25; Ezech 21:17; Ezech 36:31; Luc 18:13 **31:20** **Is Efraïm Mij een kostbare zoon? Is hij een kind van vreugde? Want zo vaak Ik over hem spreek, denk Ik zeker nog aan hem. Daarom is Mijn binnenste in beroering om hem. Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: הֲבֵן֩ (haven) = is dan een zoon | יַקִּ֨יר (yaqir) = kostbaar | לִ֜י (li) = voor Mij | אֶפְרַ֗יִם (efrayim) = Efraïm | אִ֚ם (im) = of | יֶ֣לֶד (yeled) = een kind van | שַׁעֲשֻׁעִ֔ים (shaashuim) = vreugde | כִּֽי (ki) = want | מִדֵּ֤י (midei) = zo vaak als | דַבְּרִי֙ (daberi) = Ik spreek | בּ֔וֹ (bo) = over hem | זָכֹ֥ר (zakhor) = zeker gedenken | אֶזְכְּרֶ֖נּוּ (ezkerenu) = Ik zal hem gedenken | ע֑וֹד (od) = nog | עַל (al) = om | כֵּ֗ן (ken) = dit | הָמ֤וּ (hamu) = zijn in beroering | מֵעַי֙ (meay) = Mijn ingewanden | ל֔וֹ (lo) = om hem | רַחֵ֥ם (rachem) = zeker ontfermen | אֲֽרַחֲמֶ֖נּוּ (arachamenu) = Ik zal Mij ontfermen over hem | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּן יַקִּיר (ben yaqqir), ‘kostbare zoon’: het woord יַקִּיר (yaqqir) betekent ‘kostbaar, dierbaar’. שַׁעֲשֻׁעִים (sha’ashu’im), ‘vreugde’: een kind in wie men zich verheugt. Het is een vraag die ‘ja’ als antwoord heeft. Voetnoot : דַּבְּרִי בוֹ (dabberi vo), ‘Ik spreek over hem’: het kan ook ‘Ik spreek tegen hem’ betekenen, zoals in Num. 21:7. Wij vertalen ‘over hem’. Voetnoot : הָמוּ מֵעַי (hamu me’ay), ‘Mijn binnenste is in beroering’: letterlijk ‘Mijn ingewanden kreunen’, zoals in Jes. 16:11. Voetnoot : רַחֵם אֲרַחֲמֶנּוּ (racham arachamennu), ‘Ik zal Mij zeker over hem ontfermen’: het werkwoord wordt herhaald voor de nadruk. Het is verwant met רֶחֶם (rechem), ‘baarmoeder’. Zie ook: Num 21:7; Re 10:16; Ps 103:13; Jes 16:11; Jes 55:7; Jes 63:15; Mi 7:18–19 ### Keer terug, maagd Israël **31:21** **Zet markeringen voor jezelf neer. Plaats wegwijzers voor jezelf. Richt je hart op de gebaande weg, de weg die je gegaan bent. Keer terug, maagd Israël, keer terug naar deze steden van je.** Brontekst: הַצִּ֧יבִי (hatsivi) = stel op | לָ֣ךְ (lakh) = voor jezelf | צִיֻּנִ֗ים (tsiyunim) = markeringen | שִׂ֤מִי (simi) = plaats | לָךְ֙ (lakh) = voor jezelf | תַּמְרוּרִ֔ים (tamrurim) = wegwijzers | שִׁ֣תִי (shiti) = richt | לִבֵּ֔ךְ (libekh) = je hart | לַֽמְסִלָּ֖ה (lamsila) = op de gebaande weg | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg | הָלָ֑כְתְּ (halakht) = je bent gegaan | שׁ֚וּבִי (shuvi) = keer terug | בְּתוּלַ֣ת (betulat) = maagd | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שֻׁ֖בִי (shuvi) = keer terug | אֶל (el) = naar | עָרַ֥יִךְ (arayikh) = je steden | אֵֽלֶּה (ele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִיֻּנִים (tsiyyunim), ‘markeringen’, en תַּמְרוּרִים (tamrurim), ‘wegwijzers’: beide woorden zijn zeldzaam. Het eerste staat ook in 2 Kon. 23:17 (een gedenkteken). Het tweede lijkt op het woord voor ‘bitter’ in vers 15; de betekenis ‘wegwijzers’ is onzeker. Het zijn tekens langs de weg, zodat het volk de terugweg vindt. Voetnoot : לַמְסִלָּה (lamsillah), ‘de gebaande weg’: een aangelegde weg, zoals in Jes. 40:3. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) הָלָכְתְּ (halakht), ‘je bent gegaan’. De geschreven tekst (ketiv) heeft הלכתי (halakhti), een oudere vorm met dezelfde betekenis. Zie ook: 2 Kon 23:17; Jes 40:3; Jes 48:20; Jes 62:10; Jer 3:14; Jer 31:4; Jer 31:15; Jer 50:5 **31:22** **Hoe lang nog wend je je af, afvallige dochter? Want Yahweh heeft iets nieuws geschapen op de aarde: een vrouw omringt een man.”** Brontekst: עַד (ad) = tot | מָתַי֙ (matay) = wanneer | תִּתְחַמָּקִ֔ין (titchamaqin) = zul je je afwenden | הַבַּ֖ת (habat) = dochter | הַשּֽׁוֹבֵבָ֑ה (hashoveva) = afvallige | כִּֽי (ki) = want | בָרָ֨א (bara) = heeft geschapen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | חֲדָשָׁה֙ (chadasha) = iets nieuws | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = op de aarde | נְקֵבָ֖ה (neqeva) = een vrouw | תְּס֥וֹבֵֽב (tesovev) = zal omringen | גָּֽבֶר (gaver) = een man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּתְחַמָּקִין (tit-chammaqin), ‘wend je af’: het werkwoord חָמַק (chamaq) betekent ‘zich omkeren, zich afwenden’, zoals in Hoogl. 5:6. Voetnoot : הַבַּת הַשּׁוֹבֵבָה (habbat hashovevah), ‘afvallige dochter’: שׁוֹבֵב (shovev) is ‘afvallig, afkerig’, zoals in Jer. 3:14 en 3:22. Voetnoot : נְקֵבָה תְּסוֹבֵב גָּבֶר (neqevah tesovev gaver), ‘een vrouw omringt een man’: de betekenis van deze zin is onzeker. Het werkwoord סָבַב (savav) betekent ‘omringen’, ook ‘zich keren naar’. Wij laten de zin zoals hij er staat. Zie ook: Hoogl 5:6; Jer 3:14; Jer 3:22; Jer 7:24; Jer 49:4; Mat 1:21; Luc 1:34–35 ### Juda zal opnieuw bewoond worden **31:23** Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Nog zullen zij dit woord zeggen in het land Juda en in zijn steden, wanneer Ik hun lot keer: ‘Yahweh zegene je, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg.’** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | ע֣וֹד (od) = nog | יֹאמְר֞וּ (yomru) = zij zullen zeggen | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֗ה (haze) = dit | בְּאֶ֤רֶץ (beerets) = in het land | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּבְעָרָ֔יו (uvearav) = en in zijn steden | בְּשׁוּבִ֖י (beshuvi) = wanneer Ik keer | אֶת (et) = (obj.) | שְׁבוּתָ֑ם (shevutam) = hun lot | יְבָרֶכְךָ֧ (yevarekhkha) = zegene je | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | נְוֵה (neve) = woonplaats van | צֶ֖דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | הַ֥ר (har) = berg van | הַקֹּֽדֶשׁ (haqodesh) = de heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Voetnoot : נְוֵה צֶדֶק (neveh tsedeq), ‘woonplaats van gerechtigheid’: een eernaam voor Jeruzalem en de tempelberg. Zie ook Jer. 50:7. Voetnoot : הַר הַקֹּדֶשׁ (har haqodesh), ‘heilige berg’: de berg van het heiligdom, Sion. Voetnoot : בְּשׁוּבִי אֶת שְׁבוּתָם (beshuvi et shevutam), ‘wanneer Ik hun lot keer’: zie Jer. 30:3. Zie ook: Ps 87:1–3; Jes 1:26; Mi 4:1; Jer 2:19; Jer 30:3; Jer 50:7; Zach 8:3 **31:24** **Daarin zullen Juda en al zijn steden samen wonen: landbouwers en zij die met de kudde rondtrekken.** Brontekst: וְיָ֥שְׁבוּ (veyashevu) = en zullen wonen | בָ֛הּ (bah) = daarin | יְהוּדָ֥ה (yehuda) = Juda | וְכָל (vekhal) = en alle | עָרָ֖יו (arav) = zijn steden | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | אִכָּרִ֕ים (ikarim) = landbouwers | וְנָסְע֖וּ (venaseu) = en zij die trekken | בַּעֵֽדֶר (baeder) = met de kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 33:11–13; Ezech 36:10; Zach 2:8; Zach 8:4–8 **31:25** **Want de uitgeputte ziel verzadig Ik, en iedere kwijnende ziel vul Ik.”** Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | הִרְוֵ֖יתִי (hirveiti) = Ik heb verzadigd | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = de ziel | עֲיֵפָ֑ה (ayefa) = uitgeputte | וְכָל (vekhal) = en alle | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = ziel | דָּאֲבָ֖ה (daava) = kwijnende | מִלֵּֽאתִי (mileti) = Ik heb gevuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met dit vers sluit de rede van Yahweh die in vers 23 begon. Zie ook: Ps 107:9; Jer 31:14; Jer 31:23; Mat 5:6; Mat 11:28; Joh 4:14 **31:26** Hierop werd ik wakker en keek. Mijn slaap was aangenaam voor mij. Brontekst: עַל (al) = over | זֹ֖את (zot) = dit | הֱקִיצֹ֣תִי (heqitsoti) = ik ben wakker geworden | וָאֶרְאֶ֑ה (vaere) = en ik zag | וּשְׁנָתִ֖י (ushenati) = en mijn slaap | עָ֥רְבָה (areva) = was aangenaam | לִּֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt waarschijnlijk de profeet weer. Het Hebreeuws laat open of hij uit een gewone slaap of uit een visioen wakker wordt. Zijn slaap was ‘aangenaam’, zoals de woorden van troost die hij heeft gehoord. Zie ook: Ps 127:2; Zach 4:1–2 ### Yahweh bezaait en bouwt **31:27** **„Zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaai met zaad van mensen en zaad van vee.** Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | בָּאִ֖ים (baim) = komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְזָרַעְתִּ֗י (vezarati) = en Ik zal zaaien | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | זֶ֥רַע (zera) = met zaad van | אָדָ֖ם (adam) = mensen | וְזֶ֥רַע (vezera) = en met zaad van | בְּהֵמָֽה (behema) = vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְזָרַעְתִּי (vezara’ti), ‘Ik zal bezaaien’: Yahweh zaait mensen en vee over het land, zodat het volk en de kudden weer talrijk worden. Vergelijk Hos. 2:25. Zie ook: Hos 2:25; Jer 30:19; Ezech 36:9; Ezech 36:11; Zach 10:9 **31:28** **Ik heb over hen gewaakt om uit te rukken, af te breken, neer te halen, te vernietigen en onheil te brengen. Zo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | כַּאֲשֶׁ֧ר (kaasher) = zoals | שָׁקַ֣דְתִּי (shaqadti) = Ik heb gewaakt | עֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = over hen | לִנְת֧וֹשׁ (lintosh) = om uit te rukken | וְלִנְת֛וֹץ (velintots) = en af te breken | וְלַהֲרֹ֖ס (velaharos) = en neer te halen | וּלְהַאֲבִ֣יד (ulehaavid) = en te vernietigen | וּלְהָרֵ֑עַ (uleharea) = en onheil te brengen | כֵּ֣ן (ken) = zo | אֶשְׁקֹ֧ד (eshqod) = Ik zal waken | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = over hen | לִבְנ֥וֹת (livnot) = om te bouwen | וְלִנְט֖וֹעַ (velintoa) = en te planten | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁקַד (shaqad), ‘waken’: zie Jer. 1:12. Voetnoot : De werkwoorden ‘uitrukken, afbreken, neerhalen, vernietigen’ en ‘bouwen en planten’ staan ook in Jer. 1:10. Zie ook Jer. 18:7–9 en 24:6. Zie ook: Jer 1:10; Jer 1:12; Jer 18:7–9; Jer 24:6; Jer 44:27; Jer 45:4 **31:29** **In die dagen zullen zij niet meer zeggen: ‘De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden.’** Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | לֹא (lo) = niet | יֹאמְר֣וּ (yomru) = zij zullen zeggen | ע֔וֹד (od) = meer | אָב֖וֹת (avot) = vaders | אָ֣כְלוּ (akhelu) = hebben gegeten | בֹ֑סֶר (boser) = onrijpe druiven | וְשִׁנֵּ֥י (veshinei) = en de tanden van | בָנִ֖ים (banim) = kinderen | תִּקְהֶֽינָה (tiqheina) = zijn stomp geworden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּסֶר (boser), ‘onrijpe druiven’: zure druiven. Wie ze eet, krijgt stompe tanden. Het spreekwoord zegt: de kinderen dragen de gevolgen van wat de vaders hebben gedaan. Zie ook Ezech. 18:2. Voetnoot : תִּקְהֶינָה (tiqheynah), ‘zijn stomp geworden’: het werkwoord קָהָה (qahah) betekent ‘stomp worden, gevoelloos worden’. Zie ook: Jer 31:30; Klaagl 5:7; Ezech 18:2–3 **31:30** **Maar ieder zal sterven door zijn eigen schuld. Van ieder mens die onrijpe druiven eet, worden de tanden stomp.”** Brontekst: כִּ֛י (ki) = maar | אִם (im) = als | אִ֥ישׁ (ish) = ieder man | בַּעֲוֺנ֖וֹ (baavono) = in zijn schuld | יָמ֑וּת (yamut) = zal sterven | כָּל (kal) = alle | הָֽאָדָ֛ם (haadam) = mensen | הָאֹכֵ֥ל (haokhel) = die eten | הַבֹּ֖סֶר (haboser) = de onrijpe druiven | תִּקְהֶ֥ינָה (tiqheina) = zullen stomp worden | שִׁנָּֽיו (shinav) = zijn tanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ieder draagt de gevolgen van zijn eigen schuld. Vergelijk Deut. 24:16. Zie ook: Deut 24:16; Jes 3:11; Ezech 18:4; Ezech 18:20; Gal 6:5 ### Het nieuwe verbond **31:31** **„Zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond sluit.** Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | בָּאִ֖ים (baim) = komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְכָרַתִּ֗י (vekharati) = en Ik zal sluiten | אֶת (et) = met | בֵּ֧ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en met | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | בְּרִ֥ית (berit) = een verbond | חֲדָשָֽׁה (chadasha) = nieuw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית חֲדָשָׁה (berit chadashah), ‘nieuw verbond’: deze woorden staan in het Oude Testament alleen hier. Het verbond is nieuw: Yahweh schrijft Zijn wet op het hart (vers 33). Voetnoot : כָּרַת בְּרִית (karat berit), ‘een verbond sluiten’: letterlijk ‘een verbond snijden’, naar het doorsnijden van dieren bij een verbondssluiting (zie Gen. 15:10). Voetnoot : Zie ook Luc. 22:20, 1 Kor. 11:25 en Hebr. 8:8–12. Zie ook: Gen 15:10; Jer 31:33; Jer 32:40; Ezech 37:26; Luc 22:20; 1 Kor 11:25; 2 Kor 3:6; Heb 8:8–12; Heb 10:16–17 **31:32** **Niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb. Dat was op de dag dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden. Dat verbond van Mij hebben zij verbroken, hoewel Ik hun echtgenoot was, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | כַבְּרִ֗ית (kaberit) = zoals het verbond | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | כָּרַ֨תִּי֙ (karati) = Ik heb gesloten | אֶת (et) = met | אֲבוֹתָ֔ם (avotam) = hun vaderen | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag | הֶחֱזִיקִ֣י (hecheziqi) = dat Ik greep | בְיָדָ֔ם (beyadam) = hun hand | לְהוֹצִיאָ֖ם (lehotsiam) = om hen te laten uittrekken | מֵאֶ֖רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁר (asher) = dat | הֵ֜מָּה (hema) = zij | הֵפֵ֣רוּ (heferu) = hebben verbroken | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֗י (beriti) = Mijn verbond | וְאָנֹכִ֛י (veanokhi) = en Ik | בָּעַ֥לְתִּי (baalti) = was echtgenoot | בָ֖ם (bam) = over hen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בָּעַלְתִּי בָם (ba’alti vam), ‘Ik was hun echtgenoot’: het werkwoord בָּעַל (ba’al) betekent ‘heer zijn, in bezit hebben, trouwen met’. Het hangt samen met het zelfstandig naamwoord בַּעַל (ba’al), ‘heer, echtgenoot’. Wij kiezen ‘echtgenoot’ vanwege het beeld van het huwelijk, zoals in Jer. 3:14 en Hos. 2:18. Het kan ook ‘Ik was hun heer’ zijn. Voetnoot : בְּיוֹם הֶחֱזִיקִי בְיָדָם (beyom hechezikhi veyadam), ‘op de dag dat Ik hen bij de hand nam’: letterlijk ‘dat Ik hun hand vastgreep’. Zie ook Hos. 11:3. Voetnoot : Zie ook Hebr. 8:9. Zie ook: Ex 19:5; Ex 24:6–8; Deut 1:31; Deut 5:3; Hos 2:18; Hos 11:3; Jer 3:14; Joh 3:29; Heb 8:9 **31:33** **Maar dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluit na die dagen, godsspraak van Yahweh. Ik leg Mijn wet in hun binnenste, en op hun hart schrijf Ik haar. Ik zal hun Elohim zijn, en zij zullen Mijn volk zijn.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = maar | זֹ֣את (zot) = dit | הַבְּרִ֡ית (haberit) = het verbond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אֶכְרֹת֩ (ekhrot) = Ik zal sluiten | אֶת (et) = met | בֵּ֨ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אַחֲרֵ֨י (acharei) = na | הַיָּמִ֤ים (hayamim) = de dagen | הָהֵם֙ (hahem) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נָתַ֤תִּי (natati) = Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | תּֽוֹרָתִי֙ (torati) = Mijn wet | בְּקִרְבָּ֔ם (beqirbam) = in hun binnenste | וְעַל (veal) = en op | לִבָּ֖ם (libam) = hun hart | אֶכְתֲּבֶ֑נָּה (ekhtavena) = Ik zal haar schrijven | וְהָיִ֤יתִי (vehayiti) = en Ik zal zijn | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | לֵֽאלֹהִ֔ים (lElohim) = tot Elohim | וְהֵ֖מָּה (vehema) = en zij | יִֽהְיוּ (yihyu) = zullen zijn | לִ֥י (li) = voor Mij | לְעָֽם (leam) = tot een volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’. Voetnoot : בְּקִרְבָּם (beqirbam), ‘in hun binnenste’: het innerlijk van de mens. Het hart is de plaats van denken en willen. Vergelijk Deut. 6:6 en Spr. 3:3. Voetnoot : Het slot is de verbondsformule, zoals in vers 1 en Jer. 30:22. Zie ook: Deut 6:6; Spr 3:3; Jer 24:7; Jer 30:22; Jer 31:1; Ezech 11:19–20; 2 Kor 3:3; Heb 8:10; Heb 10:16 **31:34** **Zij zullen niet meer ieder zijn naaste en ieder zijn broer onderwijzen met de woorden: ‘Ken Yahweh.’ Want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste van hen tot de grootste van hen, godsspraak van Yahweh. Want Ik zal hun schuld vergeven, en aan hun zonde zal Ik niet meer denken.”** Brontekst: וְלֹ֧א (velo) = en niet | יְלַמְּד֣וּ (yelamedu) = zij zullen onderwijzen | ע֗וֹד (od) = meer | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֜הוּ (reehu) = zijn naaste | וְאִ֤ישׁ (veish) = en ieder | אֶת (et) = (obj.) | אָחִיו֙ (achiv) = zijn broer | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | דְּע֖וּ (deu) = kent | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | כוּלָּם֩ (kulam) = zij allen | יֵדְע֨וּ (yedeu) = zullen kennen | אוֹתִ֜י (oti) = Mij | לְמִקְטַנָּ֤ם (lemiqtanam) = van hun kleinste | וְעַד (vead) = en tot | גְּדוֹלָם֙ (gedolam) = hun grootste | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = want | אֶסְלַח֙ (eslach) = Ik zal vergeven | לַֽעֲוֺנָ֔ם (laavonam) = hun schuld | וּלְחַטָּאתָ֖ם (ulechatatam) = en hun zonde | לֹ֥א (lo) = niet | אֶזְכָּר (ezkar) = Ik zal gedenken | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּעוּ אֶת יְהוָה (de’u et Yahweh), ‘ken Yahweh’: het werkwoord יָדַע (yada) betekent kennen in persoonlijke omgang. Niemand hoeft een ander meer te leren wie Yahweh is. Voetnoot : אֶסְלַח (eslach), ‘Ik zal vergeven’: het werkwoord סָלַח (salach) wordt in de Bijbel alleen van Elohim gezegd. Zie Num. 14:19–20. Voetnoot : לֹא אֶזְכָּר עוֹד (lo ezkar od), ‘aan hun zonde zal Ik niet meer denken’: letterlijk ‘Ik zal niet meer gedenken’. Vergelijk Ps. 25:7. Zie ook: Num 14:19–20; Ps 25:7; Jes 43:25; Jes 54:13; Jer 33:8; Heb 8:12; 1 Joh 2:27 ### Zo vast als de ordeningen van de schepping **31:35** Zo zegt Yahweh, die de zon geeft als licht voor de dag en de ordeningen van maan en sterren als licht voor de nacht, die de zee in beroering brengt, zodat haar golven bruisen: Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | נֹתֵ֥ן (noten) = die geeft | שֶׁ֨מֶשׁ֙ (shemesh) = zon | לְא֣וֹר (leor) = als licht | יוֹמָ֔ם (yomam) = overdag | חֻקֹּ֛ת (chuqot) = ordeningen van | יָרֵ֥חַ (yareach) = maan | וְכוֹכָבִ֖ים (vekhokhavim) = en sterren | לְא֣וֹר (leor) = als licht | לָ֑יְלָה (layela) = 's nachts | רֹגַ֤ע (roga) = die in beroering brengt | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | וַיֶּהֱמ֣וּ (vayehemu) = zodat bruisen | גַלָּ֔יו (galav) = haar golven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמֽוֹ (shemo) = is Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻקֹּת (chuqqot), ‘ordeningen’: de vaste regels die Yahweh aan de schepping heeft gegeven. Zie Gen. 1:14–18, Ps. 148:6 en Jer. 33:25. Voetnoot : רֹגַע הַיָּם (roga hayyam), ‘die de zee in beroering brengt’: dezelfde woorden als in Jes. 51:15. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת שְׁמוֹ (Yahweh Tsevaot shemo), ‘Yahweh van de legermachten is Zijn naam’: een slotformule, zoals in Amos 5:27. Zij staat zwart, omdat de profeet over Yahweh in de derde persoon spreekt. Zie ook: Gen 1:14–18; Ps 136:7–9; Ps 148:6; Amos 5:27; Jes 51:15; Jer 10:16; Jer 33:25; Jer 50:34 **31:36** **„Als deze ordeningen van voor Mijn aangezicht wijken, godsspraak van Yahweh, dan zal ook het nageslacht van Israël ophouden een volk te zijn voor Mijn aangezicht, altijd.”** Brontekst: אִם (im) = als | יָמֻ֜שׁוּ (yamushu) = wijken | הַחֻקִּ֥ים (hachuqim) = de ordeningen | הָאֵ֛לֶּה (haele) = deze | מִלְּפָנַ֖י (milefanay) = van voor Mijn aangezicht | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | גַּם֩ (gam) = ook | זֶ֨רַע (zera) = het nageslacht van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | יִשְׁבְּת֗וּ (yishbetu) = zal ophouden | מִֽהְי֥וֹת (mihyot) = om te zijn | גּ֛וֹי (goy) = een volk | לְפָנַ֖י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zo zeker als de ordeningen van de schepping blijven bestaan, zo zeker blijft Israël een volk voor Yahweh. כָּל הַיָּמִים (kol hayamim), ‘al de dagen’: altijd. Zie ook: Ps 89:37–38; Ps 148:6; Jes 54:9–10; Jer 33:20–26; Jer 46:28 **31:37** Zo zegt Yahweh: **„Als de hemel boven gemeten kan worden en de fundamenten van de aarde beneden onderzocht kunnen worden, dan zal ook Ik het hele nageslacht van Israël verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | יִמַּ֤דּוּ (yimadu) = gemeten kunnen worden | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = hemel | מִלְמַ֔עְלָה (milmala) = van boven | וְיֵחָקְר֥וּ (veyechaqeru) = en onderzocht kunnen worden | מֽוֹסְדֵי (mosedei) = de fundamenten van | אֶ֖רֶץ (erets) = aarde | לְמָ֑טָּה (lemata) = beneden | גַּם (gam) = ook | אֲנִ֞י (ani) = Ik | אֶמְאַ֨ס (emas) = Ik zal verwerpen | בְּכָל (bekhal) = het hele | זֶ֧רַע (zera) = nageslacht van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | עַֽל (al) = om | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָשׂ֖וּ (asu) = zij hebben gedaan | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹסְדֵי אֶרֶץ (mosedei arets), ‘de fundamenten van de aarde’: zie Jes. 24:18. Zoals de hemel niet gemeten kan worden en de diepte van de aarde niet onderzocht, zo zal Yahweh Israël nooit verwerpen. Zie ook: Jes 24:18; Jes 40:12; Jer 33:22; Jer 33:24–26; Rom 11:1–5; Rom 11:26–29 ### De stad wordt heilig voor Yahweh **31:38** **„Zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat de stad voor Yahweh herbouwd wordt, van de toren van Chananel tot de Hoekpoort.** Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְנִבְנְתָ֤ה (venivneta) = en zal herbouwd worden | הָעִיר֙ (hair) = de stad | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | מִמִּגְדַּ֥ל (mimigdal) = vanaf de toren van | חֲנַנְאֵ֖ל (chananel) = Chananel | שַׁ֥עַר (shaar) = de poort van | הַפִּנָּֽה (hapina) = de hoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hoekpoort (ligging onzeker): De Hoekpoort was een poort in de muur van Jeruzalem, waarschijnlijk in het noordwesten. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: מִגְדַּל חֲנַנְאֵל (migdal Chanan’el), ‘toren van Chananel’: een toren in de noordelijke muur van Jeruzalem. Voetnoot : שַׁעַר הַפִּנָּה (sha’ar happinnah), ‘Hoekpoort’: een poort in de muur van Jeruzalem, zie 2 Kon. 14:13. Zie ook: 2 Kon 14:13; 2 Kron 26:9; Jer 30:18; Jer 31:27; Zach 14:10 **31:39** **Het meetsnoer zal verder uitgaan, recht ertegenover, tot de heuvel Gareb, en zich wenden naar Goa.** Brontekst: וְיָצָ֨א (veyatsa) = en zal uitgaan | ע֜וֹד (od) = nog | קָ֤ו (qav) = het snoer van | הַמִּדָּה֙ (hamida) = het meten | נֶגְדּ֔וֹ (negdo) = recht ertegenover | עַ֖ל (al) = naar | גִּבְעַ֣ת (givat) = de heuvel van | גָּרֵ֑ב (garev) = Gareb | וְנָסַ֖ב (venasav) = en zal zich wenden | גֹּעָֽתָה (goata) = naar Goa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבְעַת גָּרֵב (giv’at Gareb) en גֹּעָתָה (Go’atah), ‘de heuvel Gareb’ en ‘naar Goa’: de namen komen verder niet voor als plaatsnamen. De ligging is onzeker. Het meetsnoer loopt rond de stad. Zie ook: Ezech 40:8; Zach 2:5–6 **31:40** **Heel het dal van de lijken en de as en alle velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort in het oosten, zullen heilig zijn voor Yahweh. Het zal niet meer worden uitgerukt en niet meer worden afgebroken, voor eeuwig.”** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | הָעֵ֣מֶק (haemeq) = het dal | הַפְּגָרִ֣ים (hapegarim) = van de lijken | וְהַדֶּ֡שֶׁן (vehadeshen) = en van de as | וְכָֽל (vekhal) = en alle | הַשְּׁדֵמוֹת֩ (hashedemot) = de velden | עַד (ad) = tot | נַ֨חַל (nachal) = de beek | קִדְר֜וֹן (qidron) = Kidron | עַד (ad) = tot | פִּנַּ֨ת (pinat) = de hoek van | שַׁ֤עַר (shaar) = de poort | הַסּוּסִים֙ (hasusim) = van de paarden | מִזְרָ֔חָה (mizracha) = oostwaarts | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | לֹֽא (lo) = niet | יִנָּתֵ֧שׁ (yinatesh) = zal worden uitgerukt | וְֽלֹא (velo) = en niet | יֵהָרֵ֛ס (yehares) = zal worden afgebroken | ע֖וֹד (od) = meer | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dal van de lijken en de as (Hinnom): Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg. Zie Paardenpoort (ligging onzeker): De Paardenpoort was een poort van Jeruzalem bij het huis van de koning. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: הַפְּגָרִים (happegarim), ‘de lijken’: het dal van de lijken en de as is waarschijnlijk het Hinnom-dal, de plaats van de afgoderij waarover Jer. 7:31–32 en 19:5–6 spreken. De ligging is niet zeker. Het dal, dat nu een plaats van dood en afval is, wordt heilig. Voetnoot : דֶּשֶׁן (deshen), ‘as’: eigenlijk ‘as van het vet’, de as van de offers. Voetnoot : שְׁדֵמוֹת (shedemot), ‘velden’: de betekenis is niet helemaal zeker, zie 2 Kon. 23:4. Voetnoot : קֹדֶשׁ לַיהוָה (qodesh Yahweh), ‘heilig voor Yahweh’: dezelfde woorden als op de plaat van de hogepriester (Exod. 28:36). Voetnoot : לֹא יִנָּתֵשׁ וְלֹא יֵהָרֵס (lo yinnatesh velo yehares), ‘het zal niet meer worden uitgerukt en niet meer worden afgebroken’: de werkwoorden van vers 28. Wat Yahweh bouwt, wordt niet meer afgebroken. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) הַשְּׁדֵמוֹת (hashedemot). De geschreven tekst (ketiv) heeft een resh (ר) in plaats van een dalet (ד); de twee letters lijken op elkaar. De geschreven vorm geeft geen duidelijke betekenis; het gaat om hetzelfde veld. Zie ook: Ex 28:36; 2 Sam 15:23; 2 Kon 11:16; 2 Kon 23:4; 2 Kron 23:15; Joël 4:17; Jer 7:31–32; Jer 19:5; Jer 31:28; Joh 18:1 ## Jeremia 32 _De koop van de akker bij Anatot en de belofte van terugkeer_ ### Jeremia is opgesloten tijdens het beleg **32:1** Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam in het tiende jaar van Zedekia, de koning van Juda. Dat was het achttiende jaar van Nebukadnezar. Brontekst: הַדָּבָ֞ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | הָיָ֤ה (haya) = kwam | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בַּשָּׁנָה֙ (bashana) = in het jaar | הָעֲשִׂרִ֔ית (haasirit) = tiende | לְצִדְקִיָּ֖הוּ (letsidqiyahu) = van Zedekia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | הִ֧יא (hi) = dat | הַשָּׁנָ֛ה (hashana) = het jaar | שְׁמֹנֶֽה (shemone) = acht | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | לִנְבֽוּכַדְרֶאצַּֽר (linvukhadretsar) = van Nebukadnezar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het tiende jaar van Zedekia is het achttiende jaar van Nebukadnezar. Jeruzalem werd ingenomen in het elfde jaar van Zedekia (Jer. 39:2). Jeremia koopt dus een akker terwijl de stad belegerd wordt. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) בַּשָּׁנָה (bashanah), ‘in het jaar’. De geschreven tekst (ketiv) heeft בשנת (bishnat), ‘in het jaar van’, met dezelfde betekenis. Zie ook: 2 Kon 25:1–2; 2 Kron 36:11; Jer 25:1; Jer 39:1–2; Jer 39:2; Jer 52:4–5 **32:2** Het leger van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem. De profeet Jeremia zat opgesloten op de binnenplaats van de wacht, die bij het huis van de koning van Juda lag. Brontekst: וְאָ֗ז (veaz) = en toen | חֵ֚יל (cheil) = leger van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | צָרִ֖ים (tsarim) = belegerend | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְיִרְמְיָ֣הוּ (veyirmeyahu) = en Jeremia | הַנָּבִ֗יא (hanavi) = de profeet | הָיָ֤ה (haya) = was | כָלוּא֙ (kalu) = opgesloten | בַּחֲצַ֣ר (bachatsar) = op de binnenplaats van | הַמַּטָּרָ֔ה (hamatara) = de wacht | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בֵּֽית (beit) = in het huis van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֲצַר הַמַּטָּרָה (chatsar hammattarah), ‘binnenplaats van de wacht’: een ruimte in het paleis waar Jeremia onder bewaking werd gehouden. Hij zat niet in een kerker. Zie ook Jer. 37:21 en 38:6. Zie ook: Jer 32:8; Jer 33:1; Jer 37:21; Jer 38:6; Neh 3:25 **32:3** Zedekia, de koning van Juda, had hem opgesloten. Hij had gezegd: „Waarom profeteer jij en zeg je: ‘Zo zegt Yahweh: Zie, Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel. Hij zal haar innemen. Brontekst: אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | כְּלָא֔וֹ (kelao) = had hem opgesloten | צִדְקִיָּ֥הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | מַדּוּעַ֩ (madua) = waarom | אַתָּ֨ה (ata) = jij | נִבָּ֜א (niba) = profeteer je | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | נֹתֵ֜ן (noten) = ben die geeft | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֛את (hazot) = deze | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וּלְכָדָֽהּ (ulekhadah) = en hij zal haar innemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Zedekia citeert hier de woorden van Jeremia. Omdat een mens de woorden van Yahweh aanhaalt, staan ze zwart, tussen enkele aanhalingstekens (verzen 3–5). Zie ook: Jer 21:4–7; Jer 26:8–9; Jer 27:8; Jer 32:28–29; Jer 34:2–3 **32:4** Zedekia, de koning van Juda, zal niet ontkomen aan de hand van de Chaldeeën. Want hij zal zeker in de hand van de koning van Babel gegeven worden. Hij zal van mond tot mond met hem spreken, en zijn ogen zullen zijn ogen zien. Brontekst: וְצִדְקִיָּ֨הוּ֙ (vetsidqiyahu) = en Zedekia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | לֹ֥א (lo) = niet | יִמָּלֵ֖ט (yimalet) = zal ontkomen | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | הַכַּשְׂדִּ֑ים (hakasdim) = de Chaldeeën | כִּ֣י (ki) = want | הִנָּתֹ֤ן (hinaton) = zeker gegeven worden | יִנָּתֵן֙ (yinaten) = hij zal gegeven worden | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְדִבֶּר (vediber) = en hij zal spreken | פִּ֣יו (piv) = zijn mond | עִם (im) = met | פִּ֔יו (piv) = zijn mond | וְעֵינָ֖יו (veeinav) = en zijn ogen | אֶת (et) = (obj.) | עֵינָ֥יו (einav) = zijn ogen | תִּרְאֶֽינָה (tireina) = zullen zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: דִּבֶּר פִּיו עִם פִּיו (dibber piv im piv), ‘van mond tot mond spreken’: persoonlijk, van aangezicht tot aangezicht. Zie ook Jer. 34:3. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וְעֵינָיו (ve’einav), ‘en zijn ogen’. De geschreven tekst (ketiv) heeft het enkelvoud, ‘en zijn oog’. Zie ook: 2 Kon 25:4–7; Jer 34:3; Jer 37:17; Jer 38:18; Jer 38:23; Jer 39:4–7 **32:5** Hij zal Zedekia naar Babel brengen, en daar zal hij blijven tot Ik naar hem omzie, godsspraak van Yahweh. Als jullie tegen de Chaldeeën strijden, zullen jullie niet slagen.’” Brontekst: וּבָבֶ֞ל (uvavel) = en naar Babel | יוֹלִ֤ךְ (yolikh) = hij zal brengen | אֶת (et) = (obj.) | צִדְקִיָּ֨הוּ֙ (tsidqiyahu) = Zedekia | וְשָׁ֣ם (vesham) = en daar | יִֽהְיֶ֔ה (yihye) = hij zal zijn | עַד (ad) = tot | פָּקְדִ֥י (paqedi) = Ik naar omzie | אֹת֖וֹ (oto) = hem | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֧י (ki) = want | תִֽלָּחֲמ֛וּ (tilachamu) = jullie zullen strijden | אֶת (et) = (obj.) | הַכַּשְׂדִּ֖ים (hakasdim) = de Chaldeeën | לֹ֥א (lo) = niet | תַצְלִֽיחוּ (tatslichu) = jullie zullen slagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: פָּקְדִי (poqdi), ‘Ik naar hem omzie’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘zich bekommeren om, naar iemand omzien’. Het kan voor goed of voor kwaad zijn. Zie ook Jer. 27:22. Zie ook: Jer 21:4–5; Jer 27:22; Jer 33:5; Jer 39:7; Ezech 17:15 ### De akker van Chanamel **32:6** Jeremia zei: Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֑הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הָיָ֥ה (haya) = was | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier vertelt Jeremia zelf, tot en met vers 25. Het Hebreeuws zegt ‘Jeremia zei’. Wij laten de aanhalingstekens weg, omdat het verhaal doorloopt. Zie ook: Jer 32:25 **32:7** **„Zie, Chanamel, de zoon van Sjallum, je oom, komt naar je toe. Hij zegt: ‘Koop voor jezelf mijn akker bij Anatot. Want jij hebt het recht van lossing om te kopen.’”** Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | חֲנַמְאֵ֗ל (chanamel) = Chanamel | בֶּן (ben) = zoon van | שַׁלֻּם֙ (shalum) = Sjallum | דֹּֽדְךָ֔ (dodekha) = je oom | בָּ֥א (ba) = komt | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = naar je | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | קְנֵ֣ה (qene) = koop | לְךָ֗ (lekha) = voor jezelf | אֶת (et) = (obj.) | שָׂדִי֙ (sadi) = mijn akker | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּעֲנָת֔וֹת (baanatot) = bij Anatot | כִּ֥י (ki) = want | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | מִשְׁפַּ֥ט (mishpat) = het recht van | הַגְּאֻלָּ֖ה (hageula) = de lossing | לִקְנֽוֹת (liqnot) = om te kopen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: חֲנַמְאֵל (Chanam’el), ‘Chanamel’: de zoon van Jeremia’s oom, zie vers 8. Voetnoot : מִשְׁפַּט הַגְּאֻלָּה (mishpat hage’ullah), ‘het recht van lossing’: de naaste verwant had het recht, en ook de plicht, een verkocht stuk familiegrond terug te kopen, zodat het in de familie bleef. Zie Lev. 25:25–28 en Ruth 4:1–6. Het woord is verwant met גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’. Voetnoot : Anatot is de plaats waar Jeremia vandaan komt (Jer. 1:1). De woorden van Yahweh staan rood; Chanamels woorden daarin staan tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook: Lev 25:23; Lev 25:25; Ruth 4:1–6; Ruth 4:3–9; Jer 1:1; Jer 11:21; Jer 32:8 **32:8** Chanamel, de zoon van mijn oom, kwam naar mij toe op de binnenplaats van de wacht, zoals Yahweh gezegd had. Hij zei tot mij: „Koop toch mijn akker bij Anatot, in het land Benjamin. Want jij hebt het erfrecht en het recht van lossing. Koop hem voor jezelf.” Toen wist ik dat het het woord van Yahweh was. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | אֵ֠לַי (elay) = naar mij | חֲנַמְאֵ֨ל (chanamel) = Chanamel | בֶּן (ben) = zoon van | דֹּדִ֜י (dodi) = mijn oom | כִּדְבַ֣ר (kidvar) = volgens het woord van | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | חֲצַ֣ר (chatsar) = de binnenplaats van | הַמַּטָּרָה֒ (hamatara) = de wacht | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלַ֡י (elay) = tot mij | קְנֵ֣ה (qene) = koop | נָ֠א (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | שָׂדִ֨י (sadi) = mijn akker | אֲשֶׁר (asher) = die | בַּעֲנָת֜וֹת (baanatot) = bij Anatot | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | בִּנְיָמִ֗ין (binyamin) = Benjamin | כִּֽי (ki) = want | לְךָ֞ (lekha) = voor jou | מִשְׁפַּ֧ט (mishpat) = het recht van | הַיְרֻשָּׁ֛ה (hayrusha) = het erfrecht | וּלְךָ֥ (ulekha) = en voor jou | הַגְּאֻלָּ֖ה (hageula) = de lossing | קְנֵה (qene) = koop | לָ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | וָאֵדַ֕ע (vaeda) = en ik wist | כִּ֥י (ki) = dat | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: מִשְׁפַּט הַיְרֻשָּׁה (mishpat hayerushah), ‘het erfrecht’: het recht om het land te erven. Het hoort bij het recht van lossing (vers 7). Voetnoot : וָאֵדַע כִּי דְבַר יְהוָה הוּא (va’eda ki devar Yahweh hu), ‘toen wist ik dat het het woord van Yahweh was’: de komst van Chanamel bevestigt wat Yahweh in vers 7 had gezegd. Zie ook: 1 Sam 10:3–7; 1 Kon 22:25; Jer 32:2; Jer 32:7; Jer 33:1 **32:9** Ik kocht de akker van Chanamel, de zoon van mijn oom, bij Anatot. Ik woog het zilver voor hem af: 17 sikkel zilver. Brontekst: וָֽאֶקְנֶה֙ (vaeqne) = en ik kocht | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = de akker | מֵאֵ֛ת (meet) = van | חֲנַמְאֵ֥ל (chanamel) = Chanamel | בֶּן (ben) = zoon van | דֹּדִ֖י (dodi) = mijn oom | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּעֲנָת֑וֹת (baanatot) = bij Anatot | וָֽאֶשְׁקֲלָה (vaeshqala) = en ik woog af | לּוֹ֙ (lo) = voor hem | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֔סֶף (hakesef) = het zilver | שִׁבְעָ֥ה (shiva) = zeven | שְׁקָלִ֖ים (sheqalim) = sikkel | וַעֲשָׂרָ֥ה (vaasara) = en tien | הַכָּֽסֶף (hakasef) = het zilver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: שִׁבְעָה שְׁקָלִים וַעֲשָׂרָה (shiv’ah shqalim va’asarah), ‘zeven sikkel en tien’: 17 sikkel. Een sikkel is ongeveer 11,4 gram, dus 17 sikkel is ongeveer 194 gram zilver. Het zilver werd afgewogen. Zie ook: Gen 23:15–16; 1 Kon 20:39; Jes 55:2; Zach 11:12–13; Est 3:9 **32:10** Ik schreef het in de akte, verzegelde haar, riep getuigen aan en woog het zilver af op een weegschaal. Brontekst: וָאֶכְתֹּ֤ב (vaekhtov) = en ik schreef | בַּסֵּ֨פֶר֙ (basefer) = in de akte | וָֽאֶחְתֹּ֔ם (vaechtom) = en ik verzegelde | וָאָעֵ֖ד (vaaed) = en ik riep aan | עֵדִ֑ים (edim) = getuigen | וָאֶשְׁקֹ֥ל (vaeshqol) = en ik woog | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het zilver | בְּמֹאזְנָֽיִם (bemoznayim) = op een weegschaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר (sefer), ‘akte’: een geschreven document. De koopakte had twee exemplaren (vers 11). Voetnoot : מֹאזְנַיִם (moznayim), ‘weegschaal’: een balans waarop het zilver werd gewogen. Zie ook: Job 14:17; Deut 32:34; Jer 32:11; Jer 32:12; Jer 32:25; Jer 32:44 **32:11** Ik nam de koopakte, het verzegelde exemplaar met het gebod en de voorschriften, en het open exemplaar. Brontekst: וָאֶקַּ֖ח (vaeqach) = en ik nam | אֶת (et) = (obj.) | סֵ֣פֶר (sefer) = de akte van | הַמִּקְנָ֑ה (hamiqna) = de koop | אֶת (et) = (obj.) | הֶֽחָת֛וּם (hechatum) = het verzegelde | הַמִּצְוָ֥ה (hamitsva) = het gebod | וְהַחֻקִּ֖ים (vehachuqim) = en de voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַגָּלֽוּי (hagaluy) = het open exemplaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er waren twee exemplaren van de koopakte. Het verzegelde exemplaar bevatte ‘het gebod en de voorschriften’, de voorwaarden van de koop. Het open exemplaar kon worden ingezien. Zo kon de koop altijd worden bewezen. Zie ook: Luc 2:27; Hand 26:3; 1 Kor 11:16 **32:12** Ik gaf de koopakte aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, voor de ogen van Chanamel, mijn oom. Ik gaf haar ook voor de ogen van de getuigen die de koopakte hadden ondertekend en voor de ogen van alle Judeeërs die op de binnenplaats van de wacht zaten. Brontekst: וָאֶתֵּ֞ן (vaeten) = en ik gaf | אֶת (et) = (obj.) | הַסֵּ֣פֶר (hasefer) = de akte | הַמִּקְנָ֗ה (hamiqna) = de koop | אֶל (el) = aan | בָּר֣וּךְ (barukh) = Baruch | בֶּן (ben) = zoon van | נֵרִיָּה֮ (neriya) = Nerija | בֶּן (ben) = zoon van | מַחְסֵיָה֒ (machseya) = Machseja | לְעֵינֵי֙ (leeinei) = voor de ogen van | חֲנַמְאֵ֣ל (chanamel) = Chanamel | דֹּדִ֔י (dodi) = mijn oom | וּלְעֵינֵי֙ (uleeinei) = en voor de ogen van | הָֽעֵדִ֔ים (haedim) = de getuigen | הַכֹּתְבִ֖ים (hakotevim) = die schreven | בְּסֵ֣פֶר (besefer) = in de akte van | הַמִּקְנָ֑ה (hamiqna) = de koop | לְעֵינֵי֙ (leeinei) = voor de ogen van | כָּל (kal) = alle | הַיְּהוּדִ֔ים (hayehudim) = de Judeeërs | הַיֹּשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = die zaten | בַּחֲצַ֥ר (bachatsar) = op de binnenplaats van | הַמַּטָּרָֽה (hamatara) = de wacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּרוּךְ בֶּן נֵרִיָּה (Barukh ben Neriyyah), ‘Baruch, de zoon van Nerija’: de schrijver van Jeremia; zie Jer. 36:4. De naam מַחְסֵיָה (Machseyah), ‘Machseja’, betekent ‘Yahweh is een toevlucht’. Voetnoot : הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: de inwoners van Juda, zoals in 2 Kon. 25:25. Zie ook: 2 Kon 25:25; Jer 32:16; Jer 36:4–5; Jer 36:26; Jer 43:3–6; Jer 51:59 **32:13** Ik gaf Baruch voor hun ogen het bevel: Brontekst: וָֽאֲצַוֶּה֙ (vaatsave) = en ik gebood | אֶת (et) = (obj.) | בָּר֔וּךְ (barukh) = Baruch | לְעֵינֵיהֶ֖ם (leeineihem) = voor hun ogen | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **32:14** „Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **‘Neem deze akten, deze koopakte, zowel de verzegelde als deze open akte. Leg ze in een aarden vat, zodat ze vele dagen bewaard blijven.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֩ (amar) = zegt | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לָק֣וֹחַ (laqoach) = neem | אֶת (et) = (obj.) | הַסְּפָרִ֣ים (hasefarim) = de akten | הָאֵ֡לֶּה (haele) = deze | אֵ֣ת (et) = (obj.) | סֵפֶר֩ (sefer) = akte van | הַמִּקְנָ֨ה (hamiqna) = de koop | הַזֶּ֜ה (haze) = deze | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | הֶחָת֗וּם (hechatum) = het verzegelde | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | סֵ֤פֶר (sefer) = akte van | הַגָּלוּי֙ (hagaluy) = het open exemplaar | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וּנְתַתָּ֖ם (unetatam) = en leg ze | בִּכְלִי (bikhli) = in een vat | חָ֑רֶשׂ (chares) = van aarde | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | יַעַמְד֖וּ (yaamdu) = zij blijven staan | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | רַבִּֽים (rabim) = vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלִי חָרֶשׂ (keli charesh), ‘aarden vat’: een kruik van gebakken klei, waarin documenten lange tijd bewaard konden worden. Voetnoot : Jeremia geeft hier de woorden van Yahweh door aan Baruch. De woorden van Yahweh staan rood, binnen de woorden van Jeremia (tussen enkele aanhalingstekens). **32:15** **Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Nog zullen huizen, akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land.’”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | ע֣וֹד (od) = nog | יִקָּנ֥וּ (yiqanu) = zullen worden gekocht | בָתִּ֛ים (batim) = huizen | וְשָׂד֥וֹת (vesadot) = en akkers | וּכְרָמִ֖ים (ukheramim) = en wijngaarden | בָּאָ֥רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De koop is een teken: ondanks het beleg zal er in dit land weer gekocht worden. Zie ook: Amos 9:14–15; Jer 30:18; Jer 31:5; Jer 33:12–13; Zach 3:10 ### Het gebed van Jeremia **32:16** Nadat ik de koopakte aan Baruch, de zoon van Nerija, had gegeven, bad ik tot Yahweh: Brontekst: וָאֶתְפַּלֵּ֖ל (vaetpalel) = en ik bad | אֶל (el) = tot | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אַחֲרֵ֤י (acharei) = nadat | תִתִּי֙ (titi) = ik had gegeven | אֶת (et) = (obj.) | סֵ֣פֶר (sefer) = de akte van | הַמִּקְנָ֔ה (hamiqna) = de koop | אֶל (el) = aan | בָּר֥וּךְ (barukh) = Baruch | בֶּן (ben) = zoon van | נֵרִיָּ֖ה (neriya) = Nerija | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 32:9–12; 2 Sam 7:18–25; Jer 12:1; Ezech 36:35–37; Fil 4:6–7 **32:17** „Ach, Heer Yahweh! Zie, U hebt de hemel en de aarde gemaakt met Uw grote kracht en Uw uitgestrekte arm. Niets is te wonderlijk voor U. Brontekst: אֲהָהּ֮ (ahah) = ach | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אַתָּ֣ה (ata) = U | עָשִׂ֗יתָ (asita) = hebt gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | בְּכֹֽחֲךָ֙ (bekhochakha) = met Uw kracht | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | וּבִֽזְרֹעֲךָ֖ (uvizroakha) = en met Uw arm | הַנְּטוּיָ֑ה (hanetuya) = de uitgestrekte | לֹֽא (lo) = niet | יִפָּלֵ֥א (yipale) = is te wonderlijk | מִמְּךָ֖ (mimekha) = voor U | כָּל (kal) = enig | דָּבָֽר (davar) = ding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jer. 1:6. Voetnoot : לֹא יִפָּלֵא (lo yippale), ‘is niet te wonderlijk’: het werkwoord פָּלָא (pala) betekent ‘te wonderbaarlijk of te moeilijk zijn’, zoals in Gen. 18:14. Het staat opnieuw in vers 27. Zie ook: Gen 18:14; Job 42:2; Jer 1:6; Jer 32:27; Mat 19:26; Luc 1:37 **32:18** U bewijst trouw aan duizenden en vergeldt de schuld van de vaders in de schoot van hun kinderen na hen. U bent de grote, sterke El. Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Brontekst: עֹ֤שֶׂה (ose) = die doet | חֶ֨סֶד֙ (chesed) = trouw | לַֽאֲלָפִ֔ים (laalafim) = aan duizenden | וּמְשַׁלֵּם֙ (umeshalem) = en vergeldt | עֲוֺ֣ן (avon) = schuld van | אָב֔וֹת (avot) = vaders | אֶל (el) = in | חֵ֥יק (cheiq) = de schoot van | בְּנֵיהֶ֖ם (beneihem) = hun kinderen | אַחֲרֵיהֶ֑ם (achareihem) = na hen | הָאֵ֤ל (hael) = de El | הַגָּדוֹל֙ (hagadol) = de grote | הַגִּבּ֔וֹר (hagibor) = de sterke | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמֽוֹ (shemo) = is Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹשֶׂה חֶסֶד לָאֲלָפִים (oseh chesed laalafim), ‘U bewijst trouw aan duizenden’: dezelfde woorden als in Exod. 20:6 en Deut. 5:10. Zie ook Exod. 20:5. Voetnoot : הָאֵל הַגָּדֹל הַגִּבֹּר (ha’el hagadol haggibbor), ‘de grote, sterke El’: zie Deut. 10:17. Zie ook: Ex 20:5–6; Ex 20:6; Ex 34:7; Deut 5:9–10; Deut 5:10; Deut 7:9–10; Deut 10:17; Jer 10:16 **32:19** U bent groot in besluit en rijk aan daden. Uw ogen zijn geopend over alle wegen van de mensenkinderen, om ieder te geven naar zijn wegen en naar de vrucht van zijn daden. Brontekst: גְּדֹל֙ (gedol) = groot | הָֽעֵצָ֔ה (haetsa) = in besluit | וְרַ֖ב (verav) = en rijk | הָעֲלִֽילִיָּ֑ה (haaliliya) = aan daden | אֲשֶׁר (asher) = wiens | עֵינֶ֣יךָ (eineikha) = Uw ogen | פְקֻח֗וֹת (pequchot) = zijn geopend | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | דַּרְכֵי֙ (darkhei) = wegen van | בְּנֵ֣י (benei) = de kinderen van | אָדָ֔ם (adam) = mensen | לָתֵ֤ת (latet) = om te geven | לְאִישׁ֙ (leish) = aan ieder | כִּדְרָכָ֔יו (kidrakhav) = naar zijn wegen | וְכִפְרִ֖י (vekhifri) = en naar de vrucht van | מַעֲלָלָֽיו (maalalav) = zijn daden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵצָה (etsah), ‘besluit’: wat Yahweh heeft besloten. עֲלִילִיָּה (alilijjah), ‘daden’: een zeldzaam woord dat alleen hier voorkomt. Zie ook: Ps 62:13; Jes 28:29; Jer 16:17; Jer 17:10; Mat 16:27 **32:20** U hebt tekenen en wonderen gedaan in het land Egypte, tot op deze dag, zowel in Israël als onder de mensen. U hebt Uzelf een naam gemaakt, zoals op deze dag. Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = die | שַׂ֠מְתָּ (samta) = U hebt gesteld | אֹת֨וֹת (otot) = tekenen | וּמֹפְתִ֤ים (umofetim) = en wonderen | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | עַד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וּבְיִשְׂרָאֵ֖ל (uveyisrael) = en in Israël | וּבָֽאָדָ֑ם (uvaadam) = en onder mensen | וַתַּעֲשֶׂה (vataase) = en U maakte | לְּךָ֥ (lekha) = voor U | שֵׁ֖ם (shem) = een naam | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אֹתוֹת וּמֹפְתִים (otot umoftim), ‘tekenen en wonderen’: de plagen en wonderen bij de uittocht uit Egypte, zoals in Deut. 6:22. Zie ook: Ex 10:2; Deut 6:22; Ps 135:9; Dan 9:15; Neh 9:10; Hand 7:36 **32:21** U hebt Uw volk Israël uit het land Egypte geleid met tekenen en wonderen, met een sterke hand en een uitgestrekte arm, en met groot ontzag. Brontekst: וַתֹּצֵ֛א (vatotse) = en U voerde uit | אֶת (et) = (obj.) | עַמְּךָ֥ (amekha) = Uw volk | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּאֹת֣וֹת (beotot) = met tekenen | וּבְמוֹפְתִ֗ים (uvemofetim) = en met wonderen | וּבְיָ֤ד (uveyad) = en met een hand | חֲזָקָה֙ (chazaqa) = sterke | וּבְאֶזְר֣וֹעַ (uveezroa) = en met een arm | נְטוּיָ֔ה (netuya) = uitgestrekte | וּבְמוֹרָ֖א (uvemora) = en met ontzag | גָּדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וּבְמוֹרָא גָּדוֹל (uvmora gadol), ‘met groot ontzag’: het ontzag dat de daden van Yahweh wekten, zoals in Deut. 26:8. Zie ook: Ex 6:6; Ex 13:9; Deut 26:8; 1 Kron 17:21; Ps 105:43 **32:22** U hebt hun dit land gegeven, dat U hun vaderen gezworen had hun te geven, een land dat overvloeit van melk en honing. Brontekst: וַתִּתֵּ֤ן (vatiten) = en U gaf | לָהֶם֙ (lahem) = hun | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֥עְתָּ (nishbata) = U had gezworen | לַאֲבוֹתָ֖ם (laavotam) = aan hun vaderen | לָתֵ֣ת (latet) = om te geven | לָהֶ֑ם (lahem) = hun | אֶ֛רֶץ (erets) = een land | זָבַ֥ת (zavat) = dat overvloeit van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | וּדְבָֽשׁ (udevash) = en honing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:8; Ex 13:5; Deut 1:8; Ps 105:9–11; Jer 11:5 **32:23** Zij kwamen binnen en namen het in bezit, maar zij luisterden niet naar Uw stem en volgden Uw wet niet. Alles wat U hun geboden had te doen, hebben zij niet gedaan. Zo hebt U al dit onheil over hen laten komen. Brontekst: וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en zij kwamen | וַיִּֽרְשׁ֣וּ (vayirshu) = en namen in bezit | אֹתָ֗הּ (otah) = het | וְלֹֽא (velo) = en niet | שָׁמְע֤וּ (shameu) = zij luisterden | בְקוֹלֶ֨ךָ֙ (beqolekha) = naar Uw stem | וּבְתוֹרָתְךָ֣ (uvetoratekha) = en naar Uw wet | לֹא (lo) = niet | הָלָ֔כוּ (halakhu) = zij liepen | אֵת֩ (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | צִוִּ֧יתָה (tsivita) = U had geboden | לָהֶ֛ם (lahem) = hun | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | לֹ֣א (lo) = niet | עָשׂ֑וּ (asu) = zij deden | וַתַּקְרֵ֣א (vataqre) = en U liet overkomen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֖ה (haraa) = het onheil | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וּבְתוֹרָתְךָ (uvtoratekha), ‘en naar Uw wet’. De geschreven tekst (ketiv) heeft een andere spelling van hetzelfde woord, met dezelfde betekenis. Zie ook: Ps 44:3–4; Ps 78:54–55; Klaagl 1:18; Dan 9:10–14; Ezra 9:7 **32:24** Zie, de belegeringswallen zijn tot aan de stad gekomen om haar in te nemen. Door het zwaard, de honger en de pest is de stad gegeven in de hand van de Chaldeeën die haar bestrijden. Wat U gesproken hebt, is gebeurd, en zie, U ziet het. Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | הַסֹּלְל֗וֹת (hasolelot) = de belegeringswallen | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | הָעִיר֮ (hair) = de stad | לְלָכְדָהּ֒ (lelakhedah) = om haar in te nemen | וְהָעִ֣יר (vehair) = en de stad | נִתְּנָ֗ה (nitena) = is gegeven | בְּיַ֤ד (beyad) = in de hand van | הַכַּשְׂדִּים֙ (hakasdim) = de Chaldeeën | הַנִּלְחָמִ֣ים (hanilchamim) = die strijden | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = tegen haar | מִפְּנֵ֛י (mipenei) = vanwege | הַחֶ֥רֶב (hacherev) = het zwaard | וְהָרָעָ֖ב (veharaav) = en de honger | וְהַדָּ֑בֶר (vehadaver) = en de pest | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wat | דִּבַּ֛רְתָּ (dibarta) = U hebt gesproken | הָיָ֖ה (haya) = is gebeurd | וְהִנְּךָ֥ (vehinekha) = en zie U | רֹאֶֽה (roe) = ziet het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹלְלוֹת (solelot), ‘belegeringswallen’: opgeworpen hellingen van aarde langs de stadsmuur, waarlangs de aanvallers de muur konden bereiken. Voetnoot : דֶּבֶר (dever), ‘pest’: een dodelijke ziekte die zich snel verspreidt, zoals in Lev. 26:25. Zie ook: Lev 26:25; Deut 4:26; Joz 23:15–16; Jer 32:3; Jer 32:36; Jer 33:4 **32:25** En U hebt tot mij gezegd, Heer Yahweh: ‘Koop de akker voor jezelf voor zilver en roep getuigen aan.’ Terwijl de stad in de hand van de Chaldeeën is gegeven.” Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en U | אָמַ֤רְתָּ (amarta) = hebt gezegd | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | קְנֵֽה (qene) = koop | לְךָ֧ (lekha) = voor jezelf | הַשָּׂדֶ֛ה (hasade) = de akker | בַּכֶּ֖סֶף (bakesef) = voor zilver | וְהָעֵ֣ד (vehaed) = en roep aan | עֵדִ֑ים (edim) = getuigen | וְהָעִ֥יר (vehair) = en de stad | נִתְּנָ֖ה (nitena) = is gegeven | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | הַכַּשְׂדִּֽים (hakasdim) = de Chaldeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gebed eindigt zonder vraag, maar de spanning is duidelijk: Jeremia heeft land gekocht, terwijl de stad al in handen van de Chaldeeën is. Yahweh antwoordt in de verzen 26–44. Voetnoot : De woorden van Yahweh uit vers 7 worden hier aangehaald binnen het gebed van Jeremia. Zij staan daarom zwart, zoals alle woorden binnen een gebed. Zie ook: Ps 77:20; Ps 97:2; Jer 32:7; Jer 32:24; Joh 13:7; Rom 11:33–34 ### Is er iets te wonderlijk voor Yahweh? **32:26** Het woord van Yahweh kwam tot Jeremia: Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en kwam | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **32:27** **„Zie, Ik ben Yahweh, de Elohim van alle vlees. Is er iets te wonderlijk voor Mij?”** Brontekst: הִנֵּה֙ (hine) = zie | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖י (elohei) = Elohim van | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֑ר (basar) = vlees | הֲֽמִמֶּ֔נִּי (hamimeni) = is dan van Mij | יִפָּלֵ֖א (yipale) = te wonderlijk | כָּל (kal) = enig | דָּבָֽר (davar) = ding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּל בָּשָׂר (kol basar), ‘alle vlees’: alle levende wezens, de hele mensheid. Zie ook Num. 16:22 en 27:16. Voetnoot : Het is het antwoord op Jeremia’s woorden in vers 17: ‘Niets is te wonderlijk voor U.’ Zie ook: Num 16:22; Num 27:16; Ps 65:3; Jes 64:7; Jer 32:17; Mat 19:26; Joh 17:2 **32:28** Daarom, zo zegt Yahweh: **„Zie, Ik geef deze stad in de hand van de Chaldeeën en in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel. Hij zal haar innemen.** Brontekst: לָכֵ֕ן (lakhen) = daarom | כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Ik | נֹתֵן֩ (noten) = ben die geeft | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֨יר (hair) = de stad | הַזֹּ֜את (hazot) = deze | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | הַכַּשְׂדִּ֗ים (hakasdim) = de Chaldeeën | וּבְיַ֛ד (uveyad) = en in de hand van | נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֥ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וּלְכָדָֽהּ (ulekhadah) = en hij zal haar innemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Jer 19:7–12; Jer 20:5; Jer 32:3; Jer 32:24; Jer 32:36 **32:29** **De Chaldeeën die tegen deze stad strijden, zullen komen. Zij zullen deze stad in brand steken en haar verbranden. Ook de huizen waarop zij voor de Baäl wierook hebben gebrand en voor andere goden plengoffers hebben uitgegoten, zullen zij verbranden, om Mij tot toorn te prikkelen.** Brontekst: וּבָ֣אוּ (uvau) = en zullen komen | הַכַּשְׂדִּ֗ים (hakasdim) = de Chaldeeën | הַנִּלְחָמִים֙ (hanilchamim) = die strijden | עַל (al) = tegen | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | וְהִצִּ֜יתוּ (vehitsitu) = en zullen aansteken | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֛את (hazot) = deze | בָּאֵ֖שׁ (baesh) = met vuur | וּשְׂרָפ֑וּהָ (userafuha) = en zullen haar verbranden | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | הַבָּתִּ֡ים (habatim) = de huizen | אֲשֶׁר֩ (asher) = waar | קִטְּר֨וּ (qiteru) = zij wierook hebben gebrand | עַל (al) = op | גַּגּֽוֹתֵיהֶ֜ם (gagoteihem) = hun daken | לַבַּ֗עַל (labaal) = voor de Baäl | וְהִסִּ֤כוּ (vehisikhu) = en zij hebben uitgegoten | נְסָכִים֙ (nesakhim) = plengoffers | לֵאלֹהִ֣ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | הַכְעִסֵֽנִי (hakhiseni) = zij Mij tot toorn prikkelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבַּעַל (habba’al), ‘de Baäl’: met lidwoord, de heer, de god die in Kanaän werd vereerd. Voetnoot : קִטְּרוּ עַל גַּגּוֹתֵיהֶם (qitteru al gaggotehem), ‘zij hebben op hun daken wierook gebrand’: zie Jer. 19:13. Zie ook: 2 Kron 36:19; Jer 19:13; Jer 21:10; Jer 39:8; Jer 52:13 **32:30** **Want de zonen van Israël en de zonen van Juda doen alleen maar wat kwaad is in Mijn ogen, van hun jeugd af. De zonen van Israël prikkelen Mij alleen maar tot toorn met het werk van hun handen, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הָי֨וּ (hayu) = zij zijn geweest | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אַ֣ךְ (akh) = alleen maar | עֹשִׂ֥ים (osim) = die doen | הָרַ֛ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינַ֖י (beeinay) = in Mijn ogen | מִנְּעֻרֹֽתֵיהֶ֑ם (mineuroteihem) = van hun jeugd af | כִּ֣י (ki) = want | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אַ֣ךְ (akh) = alleen maar | מַכְעִסִ֥ים (makhisim) = die tot toorn prikkelen | אֹתִ֛י (oti) = Mij | בְּמַעֲשֵׂ֥ה (bemaase) = met het werk van | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 9:7–12; Jes 63:10; Jer 7:22–26; Jer 22:21; Jer 25:7 **32:31** **Want deze stad heeft Mijn toorn en Mijn woede opgewekt, vanaf de dag dat zij haar bouwden tot op deze dag, zodat Ik haar van Mijn aangezicht verwijder.** Brontekst: כִּ֧י (ki) = want | עַל (al) = over | אַפִּ֣י (api) = Mijn toorn | וְעַל (veal) = en over | חֲמָתִ֗י (chamati) = Mijn woede | הָ֤יְתָה (hayeta) = is geweest | לִּי֙ (li) = voor Mij | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | לְמִן (lemin) = van | הַיּוֹם֙ (hayom) = de dag | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בָּנ֣וּ (banu) = zij bouwden | אוֹתָ֔הּ (otah) = haar | וְעַ֖ד (vead) = en tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | לַהֲסִירָ֖הּ (lahasirah) = om haar te verwijderen | מֵעַ֥ל (meal) = van | פָּנָֽי (panay) = Mijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל אַפִּי וְעַל חֲמָתִי הָיְתָה לִּי (al appi ve’al chamati hayetah li), ‘heeft Mijn toorn en Mijn woede opgewekt’: letterlijk ‘is voor Mij over Mijn toorn en Mijn woede geweest’. De stad was voortdurend een aanleiding voor Zijn toorn. Zie ook: 2 Kon 23:27; Jer 5:9–11; Jer 6:6–7; Jer 27:10; Mat 23:37 **32:32** **Vanwege al het kwaad van de zonen van Israël en de zonen van Juda, dat zij gedaan hebben om Mij tot toorn te prikkelen. Zij, hun koningen, hun oversten, hun priesters en hun profeten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem.** Brontekst: עַל֩ (al) = over | כָּל (kal) = al | רָעַ֨ת (raat) = het kwaad van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | עָשׂוּ֙ (asu) = zij deden | לְהַכְעִסֵ֔נִי (lehakhiseni) = om Mij tot toorn te prikkelen | הֵ֤מָּה (hema) = zij | מַלְכֵיהֶם֙ (malkheihem) = hun koningen | שָֽׂרֵיהֶ֔ם (sareihem) = hun oversten | כֹּהֲנֵיהֶ֖ם (kohaneihem) = hun priesters | וּנְבִֽיאֵיהֶ֑ם (unevieihem) = en hun profeten | וְאִ֣ישׁ (veish) = en de mannen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְיֹשְׁבֵ֖י (veyoshevei) = en de inwoners van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Jes 1:4–6; Jes 1:23; Jer 2:26; Dan 9:8; Ezra 9:7 **32:33** **Zij hebben Mij de rug toegekeerd en niet het gezicht. Ik onderwees hen, vroeg en telkens weer, maar zij luisteren niet om tucht aan te nemen.** Brontekst: וַיִּפְנ֥וּ (vayifnu) = en zij keerden | אֵלַ֛י (elay) = naar Mij | עֹ֖רֶף (oref) = de nek | וְלֹ֣א (velo) = en niet | פָנִ֑ים (panim) = het gezicht | וְלַמֵּ֤ד (velamed) = en onderwijzen | אֹתָם֙ (otam) = hen | הַשְׁכֵּ֣ם (hashkem) = vroeg | וְלַמֵּ֔ד (velamed) = en onderwijzen | וְאֵינָ֥ם (veeinam) = en niet zijn zij | שֹׁמְעִ֖ים (shomeim) = luisterend | לָקַ֥חַת (laqachat) = om aan te nemen | מוּסָֽר (musar) = tucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׁכֵּם וְלַמֵּד (hashkem velammed), ‘vroeg en telkens weer’: letterlijk ‘vroeg opstaand en onderwijzend’. Zo wordt in Jeremia gezegd dat Yahweh onvermoeid Zijn woorden bracht. Zie ook Jer. 7:13 en 25:3. Voetnoot : מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht’. Zie ook: Jer 2:27; Jer 7:13; Jer 7:24; Jer 25:3; Jer 26:5; Ezech 8:16 **32:34** **Zij plaatsten hun gruwelbeelden in het huis waarover Mijn naam is uitgeroepen, om het te verontreinigen.** Brontekst: וַיָּשִׂ֣ימוּ (vayasimu) = en zij plaatsten | שִׁקּֽוּצֵיהֶ֗ם (shiqutseihem) = hun gruwelbeelden | בַּבַּ֛יִת (babayit) = in het huis | אֲשֶׁר (asher) = waarover | נִקְרָֽא (niqra) = is uitgeroepen | שְׁמִ֥י (shemi) = Mijn naam | עָלָ֖יו (alav) = daarover | לְטַמְּאֽוֹ (letameo) = om het te verontreinigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁקּוּצִים (shiqqutsim), ‘gruwelbeelden’: het woord שִׁקּוּץ (shiqquts) betekent ‘gruwel, afschuw’ en staat voor afgodsbeelden. Voetnoot : נִקְרָא שְׁמִי עָלָיו (niqra shemi alav), ‘waarover Mijn naam is uitgeroepen’: het huis behoort aan Yahweh toe. Het vers staat bijna woordelijk ook in Jer. 7:30. Zie ook: 2 Kon 21:4–7; 2 Kron 33:4–7; Jer 7:30; Jer 23:11; Ezech 8:5–16 **32:35** **Zij bouwden de hoogten van de Baäl in het dal van Ben-Hinnom, om hun zonen en hun dochters aan Molech te laten overgaan. Dat heb Ik hun niet geboden, en het is niet in Mijn hart opgekomen deze gruwel te doen, waardoor Juda tot zonde gebracht zou worden.”** Brontekst: וַיִּבְנוּ֩ (vayivnu) = en zij bouwden | אֶת (et) = (obj.) | בָּמ֨וֹת (bamot) = de hoogten van | הַבַּ֜עַל (habaal) = de Baäl | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּגֵ֣יא (begei) = in het dal van | בֶן (ben) = Ben | הִנֹּ֗ם (hinom) = Hinnom | לְ֠הַעֲבִיר (lehaavir) = om te laten overgaan | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶ֣ם (beneihem) = hun zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנוֹתֵיהֶם֮ (benoteihem) = hun dochters | לַמֹּלֶךְ֒ (lamolekh) = aan Molech | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | צִוִּיתִ֗ים (tsivitim) = Ik had hun geboden | וְלֹ֤א (velo) = en niet | עָֽלְתָה֙ (aleta) = is opgekomen | עַל (al) = in | לִבִּ֔י (libi) = Mijn hart | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te doen | הַתּוֹעֵבָ֣ה (hatoeva) = de gruwel | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | הַחֲטִ֥יא (hachati) = tot zonde brengen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem. Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin. Voetnoot Uitleg: לַמֹּלֶךְ (lammolekh), ‘aan Molech’: zie Lev. 18:21. De kinderoffers in het dal van Ben-Hinnom worden ook genoemd in Jer. 7:31 en 19:5. De woorden ‘het is niet in Mijn hart opgekomen’ staan ook in Jer. 7:31. Zie ook: Lev 18:21; Lev 20:2–5; 2 Kron 33:6; Jer 7:31; Jer 19:5–6 ### Toch zal Ik hen terugbrengen **32:36** Nu dan, daarom zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël, over deze stad waarvan jullie zeggen: ‘Zij is door het zwaard, de honger en de pest in de hand van de koning van Babel gegeven’: Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = over | הָעִ֨יר (hair) = de stad | הַזֹּ֜את (hazot) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarvan | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | אֹמְרִ֗ים (omerim) = zeggen | נִתְּנָה֙ (nitena) = is gegeven | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = door het zwaard | וּבָרָעָ֥ב (uvaraav) = en door de honger | וּבַדָּֽבֶר (uvadaver) = en door de pest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Het gaat om wat de mensen in de stad zeggen: de stad is door zwaard, honger en pest in de hand van Babel gegeven. Yahweh antwoordt dat Hij toch zal laten terugkeren (verzen 37–44). Zie ook: Hos 2:16; Jes 43:24–25; Jer 32:3; Jer 32:24; Jer 32:28 **32:37** **„Zie, Ik verzamel hen uit alle landen waarheen Ik hen verdreven heb in Mijn toorn, in Mijn woede en in grote gramschap. Ik breng hen terug naar deze plaats en laat hen veilig wonen.** Brontekst: הִנְנִ֤י (hinni) = zie Ik | מְקַבְּצָם֙ (meqabetsam) = ben die hen verzamelt | מִכָּל (mikal) = uit alle | הָ֣אֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarheen | הִדַּחְתִּ֥ים (hidachtim) = Ik hen heb verdreven | שָׁ֛ם (sham) = daar | בְּאַפִּ֥י (beapi) = in Mijn toorn | וּבַחֲמָתִ֖י (uvachamati) = en in Mijn woede | וּבְקֶ֣צֶף (uveqetsef) = en in gramschap | גָּד֑וֹל (gadol) = grote | וַהֲשִֽׁבֹתִים֙ (vahashivotim) = en Ik zal hen terugbrengen | אֶל (el) = naar | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וְהֹשַׁבְתִּ֖ים (vehoshavtim) = en Ik zal hen laten wonen | לָבֶֽטַח (lavetach) = in veiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Deut. 30:3–5 en Jer. 29:14. Zie ook: Deut 30:3–5; Ps 106:47; Jer 23:3; Jer 23:6; Jer 29:14; Ezech 11:17; Ezech 34:12–14 **32:38** **Zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun Elohim zijn.** Brontekst: וְהָ֥יוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לִ֖י (li) = voor Mij | לְעָ֑ם (leam) = tot een volk | וַאֲנִ֕י (vaani) = en Ik | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = Ik zal zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 144:15; Jer 24:7; Ezech 11:19–20; Heb 8:10; Openb 21:7 **32:39** **Ik geef hun één hart en één weg, zodat zij Mij altijd vrezen. Dat is goed voor hen en voor hun kinderen na hen.** Brontekst: וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal geven | לָהֶ֜ם (lahem) = hun | לֵ֤ב (lev) = hart | אֶחָד֙ (echad) = één | וְדֶ֣רֶךְ (vederekh) = en weg | אֶחָ֔ד (echad) = één | לְיִרְאָ֥ה (leyira) = om te vrezen | אוֹתִ֖י (oti) = Mij | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = de dagen | לְט֣וֹב (letov) = tot het goede | לָהֶ֔ם (lahem) = van hen | וְלִבְנֵיהֶ֖ם (velivneihem) = en van hun kinderen | אַחֲרֵיהֶֽם (achareihem) = na hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵב אֶחָד וְדֶרֶךְ אֶחָד (lev echad vederekh echad), ‘één hart en één weg’: een ongedeelde wil, gericht op Yahweh. Zie ook: Jer 32:40; Ezech 11:19–20; Ezech 37:25; Joh 17:21; Hand 4:32 **32:40** **Ik sluit met hen een verbond voor eeuwig: Ik zal Mij niet van hen afwenden, maar hun goed doen. Ik leg de vrees voor Mij in hun hart, zodat zij niet van Mij afwijken.** Brontekst: וְכָרַתִּ֤י (vekharati) = en Ik zal sluiten | לָהֶם֙ (lahem) = met hen | בְּרִ֣ית (berit) = een verbond | עוֹלָ֔ם (olam) = van eeuwigheid | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | אָשׁוּב֙ (ashuv) = Ik zal terugkeren | מֵאַ֣חֲרֵיהֶ֔ם (meachareihem) = van achter hen | לְהֵיטִיבִ֖י (leheitivi) = om goed te doen | אוֹתָ֑ם (otam) = aan hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יִרְאָתִי֙ (yirati) = Mijn vrees | אֶתֵּ֣ן (eten) = Ik zal geven | בִּלְבָבָ֔ם (bilvavam) = in hun hart | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = opdat niet | ס֥וּר (sur) = zij afwijken | מֵעָלָֽי (mealay) = van Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘verbond voor eeuwig’: zie ook Jer. 50:5. Het is hetzelfde verbond als het ‘nieuwe verbond’ van Jer. 31:31–34. Voetnoot : יִרְאָתִי (yir’ati), ‘de vrees voor Mij’: ontzag voor Yahweh. Zie ook: Jer 24:7; Jer 31:31–33; Jer 50:5; Ezech 36:26; Jak 1:17; Heb 6:13–18 **32:41** **Ik zal blij zijn over hen om hun goed te doen. Ik plant hen in dit land in waarheid, met heel Mijn hart en heel Mijn ziel.** Brontekst: וְשַׂשְׂתִּ֥י (vesasti) = en Ik zal blij zijn | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | לְהֵטִ֣יב (lehetiv) = om goed te doen | אוֹתָ֑ם (otam) = aan hen | וּנְטַעְתִּ֞ים (unetatim) = en Ik zal hen planten | בָּאָ֤רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּאת֙ (hazot) = dit | בֶּאֱמֶ֔ת (beemet) = in waarheid | בְּכָל (bekhal) = met heel | לִבִּ֖י (libi) = Mijn hart | וּבְכָל (uvekhal) = en met heel | נַפְשִֽׁי (nafshi) = Mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּאֱמֶת (be’emet), ‘in waarheid’: het woord אֱמֶת (emet) betekent ook ‘trouw, betrouwbaarheid’. Yahweh plant het volk zeker en stevig in dit land. Voetnoot : נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: Yahweh spreekt over Zichzelf, zoals in Jes. 1:14. Zie ook: Amos 9:15; Hos 2:21–22; Jes 1:14; Jes 62:5; Sef 3:17; Jer 24:6 ### Er zullen weer akkers gekocht worden **32:42** **Want zo zegt Yahweh: Ik heb over dit volk al dit grote onheil gebracht. Zo breng Ik over hen al het goede dat Ik over hen spreek.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כֹה֙ (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | הֵבֵ֨אתִי֙ (heveti) = Ik heb gebracht | אֶל (el) = over | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֥ה (haraa) = het onheil | הַגְּדוֹלָ֖ה (hagedola) = het grote | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | כֵּ֣ן (ken) = zo | אָנֹכִ֞י (anokhi) = Ik | מֵבִ֤יא (mevi) = ben die brengt | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = over hen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַטּוֹבָ֔ה (hatova) = het goede | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | דֹּבֵ֥ר (dover) = spreek | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 23:14–15; Jer 31:28; Jer 33:10–11; Zach 8:14–15; Mat 24:35 **32:43** **Er zullen akkers gekocht worden in dit land, waarvan jullie zeggen: ‘Het is een woestenij, zonder mens en dier. Het is in de hand van de Chaldeeën gegeven.’** Brontekst: וְנִקְנָ֥ה (veniqna) = en zal worden gekocht | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = de akker | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarvan | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | אֹמְרִ֗ים (omerim) = zeggen | שְׁמָמָ֥ה (shemama) = woestenij | הִיא֙ (hi) = het is | מֵאֵ֤ין (meein) = zonder | אָדָם֙ (adam) = mens | וּבְהֵמָ֔ה (uvehema) = en dier | נִתְּנָ֖ה (nitena) = is gegeven | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | הַכַּשְׂדִּֽים (hakasdim) = de Chaldeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 32:15; Jer 32:36; Jer 33:10; Ezech 37:11–14 **32:44** **Men zal akkers kopen voor zilver, het opschrijven in een akte, verzegelen en getuigen aanroepen. Dat gebeurt in het land Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem, in de steden van Juda, in de steden van het bergland, in de steden van de Sefela en in de steden van de Negev. Want Ik zal hun lot keren, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: שָׂד֞וֹת (sadot) = akkers | בַּכֶּ֣סֶף (bakesef) = voor zilver | יִקְנ֗וּ (yiqnu) = zij zullen kopen | וְכָת֨וֹב (vekhatov) = en opschrijven | בַּסֵּ֥פֶר (basefer) = in de akte | וְחָתוֹם֮ (vechatom) = en verzegelen | וְהָעֵ֣ד (vehaed) = en getuigen aanroepen | עֵדִים֒ (edim) = getuigen | בְּאֶ֨רֶץ (beerets) = in het land | בִּנְיָמִ֜ן (binyamin) = Benjamin | וּבִסְבִיבֵ֣י (uvisvivei) = en in de omgeving van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וּבְעָרֵ֤י (uvearei) = en in de steden van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּבְעָרֵ֣י (uvearei) = en in de steden van | הָהָ֔ר (hahar) = het bergland | וּבְעָרֵ֥י (uvearei) = en in de steden van | הַשְּׁפֵלָ֖ה (hashefela) = de Sefela | וּבְעָרֵ֣י (uvearei) = en in de steden van | הַנֶּ֑גֶב (hanegev) = de Negev | כִּֽי (ki) = want | אָשִׁ֥יב (ashiv) = Ik zal doen terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁבוּתָ֖ם (shevutam) = hun lot | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda. Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: שְׁבוּתָם (shevutam), ‘hun lot’: zie Jer. 30:3. Zie ook: Jer 17:26; Jer 30:3; Jer 32:10; Jer 33:7; Jer 33:11; Jer 33:26 ## Jeremia 33 _Genezing, herstel en het verbond met David en de Levieten_ ### Roep tot Mij **33:1** Het woord van Yahweh kwam voor de tweede keer tot Jeremia, terwijl hij nog opgesloten was op de binnenplaats van de wacht: Brontekst: וַיְהִ֧י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | שֵׁנִ֑ית (shenit) = voor de tweede keer | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | עוֹדֶ֣נּוּ (odenu) = nog | עָצ֔וּר (atsur) = opgesloten | בַּחֲצַ֥ר (bachatsar) = op de binnenplaats van | הַמַּטָּרָ֖ה (hamatara) = de wacht | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁנִית (shenit), ‘voor de tweede keer’: het eerste woord in deze gevangenschap staat in Jer. 32:6. Jeremia zit nog op de binnenplaats van de wacht (zie Jer. 32:2). Zie ook: Jer 32:2–3; Jer 32:6; Jer 32:8; Jer 37:21; Jer 38:28; 2 Tim 2:9 **33:2** Zo zegt Yahweh, die het maakt, Yahweh, die het vormt om het vast te stellen, Yahweh is Zijn naam: Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עֹשָׂ֑הּ (osah) = die het maakt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יוֹצֵ֥ר (yotser) = die het vormt | אוֹתָ֛הּ (otah) = het | לַהֲכִינָ֖הּ (lahakhinah) = om het vast te stellen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁמֽוֹ (shemo) = is Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet waar ‘het’ naar verwijst. Het kan gaan om de aarde, om de stad Jeruzalem of om wat Yahweh heeft besloten. Wij laten het open. De slotwoorden ‘Yahweh is Zijn naam’ staan zwart, omdat de profeet over Yahweh in de derde persoon spreekt. Zie ook: Ex 3:14–15; Ex 6:3; Ex 15:3; Jes 14:32; Jes 37:26 **33:3** **„Roep tot Mij, en Ik zal je antwoorden. Ik zal je grote en verborgen dingen vertellen, die je niet kent.”** Brontekst: קְרָ֥א (qera) = roep | אֵלַ֖י (elay) = tot Mij | וְאֶעֱנֶ֑ךָּ (veeeneka) = en Ik zal je antwoorden | וְאַגִּ֧ידָה (veagida) = en Ik zal je vertellen | לְּךָ֛ (lekha) = aan jou | גְּדֹל֥וֹת (gedolot) = grote dingen | וּבְצֻר֖וֹת (uvetsurot) = en verborgen dingen | לֹ֥א (lo) = niet | יְדַעְתָּֽם (yedatam) = je kent ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּדֹלוֹת וּבְצֻרוֹת (gedolot uvtsurot), ‘grote en verborgen dingen’: het woord בְּצֻרוֹת (betsurot) betekent ‘ommuurd, ontoegankelijk, verborgen’. Het gaat om dingen die niemand zelf kan weten. Vergelijk Jes. 48:6. Zie ook: Ps 91:15; Jes 48:6; Jes 65:24; Jer 29:12; Ef 3:20 ### De stad wordt verwoest **33:4** Want zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël, over de huizen van deze stad en over de huizen van de koningen van Juda, die worden afgebroken vanwege de belegeringswallen en het zwaard: Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַל (al) = over | בָּתֵּי֙ (batei) = de huizen van | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | וְעַל (veal) = en over | בָּתֵּ֖י (batei) = de huizen van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | הַנְּתֻצִ֕ים (hanetutsim) = die zijn afgebroken | אֶל (el) = voor | הַסֹּלְל֖וֹת (hasolelot) = de belegeringswallen | וְאֶל (veel) = en voor | הֶחָֽרֶב (hecharev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin van de verzen 4 en 5 is moeilijk. נְתֻצִים (netutsim), ‘worden afgebroken’: huizen worden afgebroken, waarschijnlijk om de stadsmuur te versterken tegen de belegeringswallen en het zwaard; vergelijk Jes. 22:10. De woorden van Yahweh beginnen in vers 5 en staan rood. Zie ook: Jes 22:10; Jer 32:24; Jer 33:5; Hab 1:10; Ezech 4:2; Ezech 21:27; Ezech 26:8 **33:5** **„Men komt om tegen de Chaldeeën te strijden en om ze te vullen met de lijken van de mensen die Ik geslagen heb in Mijn toorn en Mijn woede. Ik heb Mijn gezicht voor deze stad verborgen vanwege al hun kwaad.** Brontekst: בָּאִ֗ים (baim) = die komen | לְהִלָּחֵם֙ (lehilachem) = om te strijden | אֶת (et) = (obj.) | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | וּלְמַלְאָם֙ (ulemalam) = en om ze te vullen | אֶת (et) = (obj.) | פִּגְרֵ֣י (pigrei) = de lijken van | הָאָדָ֔ם (haadam) = de mensen | אֲשֶׁר (asher) = die | הִכֵּ֥יתִי (hikeiti) = Ik heb geslagen | בְאַפִּ֖י (beapi) = in Mijn toorn | וּבַחֲמָתִ֑י (uvachamati) = en in Mijn woede | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en omdat | הִסְתַּ֤רְתִּי (histarti) = Ik heb verborgen | פָנַי֙ (panay) = Mijn gezicht | מֵהָעִ֣יר (mehair) = van de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | עַ֖ל (al) = om | כָּל (kal) = al | רָעָתָֽם (raatam) = hun kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk. Het laat open wie komt om te strijden, de verdedigers of de vijand, en waar ‘ze’ naar verwijst. Waarschijnlijk zijn het de huizen, die met lijken worden gevuld. Voetnoot : הִסְתַּרְתִּי פָנַי (histarti panai), ‘Ik heb Mijn gezicht verborgen’: Yahweh keert Zich af, zoals in Deut. 31:17–18. Zie ook: Deut 31:17–18; Jes 8:17; Jes 64:6; Jer 21:4–7; Jer 21:10; Jer 32:5 ### Genezing en herstel **33:6** **Zie, Ik laat voor haar genezing en herstel opkomen. Ik zal hen genezen en hun een overvloed van vrede en waarheid onthullen.** Brontekst: הִנְנִ֧י (hinni) = zie Ik | מַעֲלֶה (maale) = ben die laat opkomen | לָּ֛הּ (lah) = voor haar | אֲרֻכָ֥ה (arukha) = genezing | וּמַרְפֵּ֖א (umarpe) = en herstel | וּרְפָאתִ֑ים (urefatim) = en Ik zal hen genezen | וְגִלֵּיתִ֣י (vegileiti) = en Ik zal onthullen | לָהֶ֔ם (lahem) = aan hen | עֲתֶ֥רֶת (ateret) = overvloed van | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | וֶאֱמֶֽת (veemet) = en waarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרֻכָה (arukhah), ‘genezing’: letterlijk ‘nieuw vlees’, zie Jer. 30:17. מַרְפֵּא (marpe), ‘herstel’: afgeleid van רָפָא (rafa), ‘genezen’. Voetnoot : עֲתֶרֶת (ateret), ‘overvloed’: een zeldzaam woord dat alleen hier voorkomt. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Ps 67:3; Hos 6:1; Jes 30:26; Jer 30:17; Joh 10:10; Tit 3:5–6 **33:7** **Ik keer het lot van Juda en het lot van Israël, en Ik bouw hen op zoals in het begin.** Brontekst: וַהֲשִֽׁבֹתִי֙ (vahashivoti) = en Ik zal doen terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁב֣וּת (shevut) = het lot van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | שְׁב֣וּת (shevut) = het lot van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּבְנִתִ֖ים (uvenitim) = en Ik zal hen bouwen | כְּבָרִֽאשֹׁנָֽה (kevarishona) = zoals in het begin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: zie Jer. 30:3. Zowel Juda als Israël worden hersteld. Zie ook: Amos 9:14–15; Jes 1:26; Jer 30:3; Jer 31:4; Jer 32:44 **33:8** **Ik reinig hen van al hun schuld waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben. Ik vergeef al hun schulden waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben en waarmee zij tegen Mij in opstand zijn gekomen.** Brontekst: וְטִ֣הַרְתִּ֔ים (vetihartim) = en Ik zal hen reinigen | מִכָּל (mikal) = van al | עֲוֺנָ֖ם (avonam) = hun schuld | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | חָֽטְאוּ (chateu) = zij hebben gezondigd | לִ֑י (li) = tegen Mij | וְסָלַחְתִּ֗י (vesalachti) = en Ik zal vergeven | לְכָל (lekhal) = al | עֲוֺנֽוֹתֵיהֶם֙ (avonoteihem) = hun schulden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | חָֽטְאוּ (chateu) = zij hebben gezondigd | לִ֔י (li) = tegen Mij | וַאֲשֶׁ֖ר (vaasher) = en waarmee | פָּ֥שְׁעוּ (pasheu) = zij in opstand zijn gekomen | בִֽי (bi) = tegen Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טִהַרְתִּים (tiharttim), ‘Ik reinig hen’: het werkwoord טָהַר (tahar) is ‘rein maken’, zoals in de wetten over rein en onrein (Lev. 14). סָלַח (salach), ‘vergeven’: zie Jer. 31:34. פָּשַׁע (pasha), ‘in opstand komen’: zie Jes. 1:2. Zie ook: Ps 51:4; Jes 1:2; Mi 7:18–19; Jer 31:34; Ezech 36:25; Zach 13:1; Openb 1:5 **33:9** **Zij zal voor Mij een naam van vreugde zijn, een lofzang en een sieraad voor alle volken van de aarde. De volken zullen al het goede horen dat Ik hun doe. Zij zullen schrikken en beven om al het goede en al de vrede die Ik haar geef.”** Brontekst: וְהָ֣יְתָה (vehayeta) = en zal zijn | לִּ֗י (li) = voor Mij | לְשֵׁ֤ם (leshem) = tot een naam van | שָׂשׂוֹן֙ (sason) = vreugde | לִתְהִלָּ֣ה (lithila) = tot lof | וּלְתִפְאֶ֔רֶת (uletiferet) = en tot sieraad | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | גּוֹיֵ֣י (goyei) = volken van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יִשְׁמְע֜וּ (yishmeu) = zullen horen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַטּוֹבָ֗ה (hatova) = het goede | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | עֹשֶׂ֣ה (ose) = doe | אֹתָ֔ם (otam) = hun | וּפָחֲד֣וּ (ufachadu) = en zij zullen schrikken | וְרָֽגְז֗וּ (veragezu) = en zij zullen beven | עַ֤ל (al) = over | כָּל (kal) = al | הַטּוֹבָה֙ (hatova) = het goede | וְעַ֣ל (veal) = en over | כָּל (kal) = al | הַשָּׁל֔וֹם (hashalom) = de vrede | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָֽנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | עֹ֥שֶׂה (ose) = doe | לָּֽהּ (lah) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁם שָׂשׂוֹן (shem sason), ‘een naam van vreugde’: een naam die vreugde wekt. תִּפְאֶרֶת (tif’eret), ‘sieraad’: iets waar men trots op is. Voetnoot : De stad (‘zij’, ‘haar’) is Jeruzalem. Het voornaamwoord is vrouwelijk. Zie ook: Ps 126:2–3; Jes 60:5; Jes 62:7; Sef 3:17–20; Jer 13:11 ### Weer het geluid van vreugde **33:10** Zo zegt Yahweh: **„Nog zal worden gehoord in deze plaats, waarvan jullie zeggen: ‘Het is verwoest, zonder mens en zonder dier’, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, die verlaten liggen, zonder mens, zonder bewoner en zonder dier:** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עוֹד֮ (od) = nog | יִשָּׁמַ֣ע (yishama) = zal gehoord worden | בַּמָּקוֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּה֒ (haze) = deze | אֲשֶׁר֙ (asher) = waarvan | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | אֹֽמְרִ֔ים (omerim) = zeggen | חָרֵ֣ב (charev) = verwoest | ה֔וּא (hu) = het is | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | אָדָ֖ם (adam) = mens | וּמֵאֵ֣ין (umeein) = en zonder | בְּהֵמָ֑ה (behema) = dier | בְּעָרֵ֤י (bearei) = in de steden van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּבְחֻצ֣וֹת (uvechutsot) = en op de straten van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הַֽנְשַׁמּ֗וֹת (hanshamot) = die verlaten liggen | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | אָדָ֛ם (adam) = mens | וּמֵאֵ֥ין (umeein) = en zonder | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = bewoner | וּמֵאֵ֥ין (umeein) = en zonder | בְּהֵמָֽה (behema) = dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חָרֵב (chareb), ‘verwoest’: de woorden van de mensen, die ook in Jer. 32:43 voorkomen. הַנְשַׁמּוֹת (hanshammot), ‘die verlaten liggen’: het werkwoord שָׁמֵם (shamem) betekent ‘woest en verlaten zijn’. Zie ook: Jer 32:36; Jer 32:43; Ezech 37:11 **33:11** **het geluid van vreugde en het geluid van blijdschap, het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid, het geluid van wie zeggen: ‘Dank Yahweh van de legermachten, want Yahweh is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig’, van wie dankzegging brengen naar het huis van Yahweh. Want Ik keer het lot van het land zoals in het begin, zegt Yahweh.”** Brontekst: ק֣וֹל (qol) = het geluid van | שָׂשׂ֞וֹן (sason) = vreugde | וְק֣וֹל (veqol) = en het geluid van | שִׂמְחָ֗ה (simcha) = blijdschap | ק֣וֹל (qol) = het geluid van | חָתָן֮ (chatan) = bruidegom | וְק֣וֹל (veqol) = en het geluid van | כַּלָּה֒ (kala) = bruid | ק֣וֹל (qol) = het geluid van | אֹמְרִ֡ים (omerim) = die zeggen | הוֹדוּ֩ (hodu) = dank | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | כִּֽי (ki) = want | ט֤וֹב (tov) = goed is | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | לְעוֹלָ֣ם (leolam) = voor eeuwig | חַסְדּ֔וֹ (chasdo) = Zijn trouw | מְבִאִ֥ים (meviim) = die brengen | תּוֹדָ֖ה (toda) = dankzegging | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | אָשִׁ֧יב (ashiv) = Ik zal doen terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁבוּת (shevut) = het lot van | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | כְּבָרִאשֹׁנָ֖ה (kevarishona) = zoals in het begin | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹדוּ אֶת יְהוָה צְבָאוֹת כִּי טוֹב יְהוָה כִּי לְעוֹלָם חַסְדּוֹ (hodu et Yahweh Tsevaot ki tov Yahweh ki le’olam chasdo), ‘Dank Yahweh van de legermachten, want Yahweh is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig’: een vast lofrefrein, zoals in Ps. 106:1, 118:1 en 136:1. Voetnoot : תּוֹדָה (todah), ‘dankzegging’: ook het woord voor het dankoffer (Lev. 7:12). Zie ook: Lev 7:12; 1 Kron 16:34; Ps 106:1; Ps 107:1; Ps 107:22; Ps 118:1; Ps 136:1; Heb 13:15 **33:12** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Nog zal er in deze plaats, die verwoest is, zonder mens en dier, en in al haar steden een woonplaats zijn van herders. Zij laten hun kudden rusten.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֒ (tsevaot) = van de legermachten | ע֞וֹד (od) = nog | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | בַּמָּק֣וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | הֶחָרֵ֛ב (hecharev) = die verwoest is | מֵֽאֵין (meein) = zonder | אָדָ֥ם (adam) = mens | וְעַד (vead) = en tot | בְּהֵמָ֖ה (behema) = dier | וּבְכָל (uvekhal) = en in al | עָרָ֑יו (arav) = zijn steden | נְוֵ֣ה (neve) = woonplaats van | רֹעִ֔ים (roim) = herders | מַרְבִּצִ֖ים (marbitsim) = die laten rusten | צֹֽאן (tson) = kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַרְבִּצִים (marbitsim), ‘die laten rusten’: de herders laten hun kudden neerliggen, een beeld van rust en veiligheid. Vergelijk Ps. 23:2. Zie ook: Ps 23:2; Jes 65:10; Sef 2:6–7; Jer 31:24; Jer 51:62; Ezech 34:12–15 **33:13** **In de steden van het bergland, in de steden van de Sefela, in de steden van de Negev, in het land Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de schapen weer voorbijgaan onder de handen van wie telt, zegt Yahweh.”** Brontekst: בְּעָרֵ֨י (bearei) = in de steden van | הָהָ֜ר (hahar) = het bergland | בְּעָרֵ֤י (bearei) = in de steden van | הַשְּׁפֵלָה֙ (hashefela) = de Sefela | וּבְעָרֵ֣י (uvearei) = en in de steden van | הַנֶּ֔גֶב (hanegev) = de Negev | וּבְאֶ֧רֶץ (uveerets) = en in het land van | בִּנְיָמִ֛ן (binyamin) = Benjamin | וּבִסְבִיבֵ֥י (uvisvivei) = en in de omgeving van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וּבְעָרֵ֣י (uvearei) = en in de steden van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | עֹ֣ד (od) = nog | תַּעֲבֹ֧רְנָה (taavorena) = zullen voorbijgaan | הַצֹּ֛אן (hatson) = de schapen | עַל (al) = onder | יְדֵ֥י (yedei) = de handen van | מוֹנֶ֖ה (mone) = wie telt | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda. Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: הָהָר (hahar), ‘het bergland’, הַשְּׁפֵלָה (hashefelah), ‘de Sefela’ en הַנֶּגֶב (hannegev), ‘de Negev’: de streken van Juda; zie ook Jer. 32:44. Voetnoot : מוֹנֶה (moneh), ‘wie telt’: de herder telt zijn schapen als ze onder zijn hand doorgaan. Vergelijk Lev. 27:32. Zie ook: Lev 27:32; Jer 17:26; Jer 32:44; Luc 15:4; Joh 10:3–4 ### De spruit van gerechtigheid **33:14** **„Zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik het goede woord waarmaak dat Ik tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb.** Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | בָּאִ֖ים (baim) = komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַהֲקִֽמֹתִי֙ (vahaqimoti) = en Ik zal waarmaken | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | הַטּ֔וֹב (hatov) = het goede | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבַּ֛רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | אֶל (el) = tot | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְעַל (veal) = en over | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲקִמֹתִי (haqimoti), ‘Ik zal waarmaken’: letterlijk ‘Ik zal laten opstaan’. הַדָּבָר הַטּוֹב (haddavar hattov), ‘het goede woord’: de belofte van heil; vergelijk Jer. 29:10. Zie ook: Gen 49:10; 1 Kron 17:13–14; Jer 23:5; Jer 29:10; Hag 2:6–9; 2 Kor 1:20 **33:15** **In die dagen en in die tijd laat Ik voor David een spruit van gerechtigheid uitspruiten. Hij zal recht en gerechtigheid doen in het land.** Brontekst: בַּיָּמִ֤ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵם֙ (hahem) = die | וּבָעֵ֣ת (uvaet) = en in de tijd | הַהִ֔יא (hahi) = die | אַצְמִ֥יחַ (atsmiach) = Ik zal laten uitspruiten | לְדָוִ֖ד (ledavid) = voor David | צֶ֣מַח (tsemach) = een spruit van | צְדָקָ֑ה (tsedaqa) = gerechtigheid | וְעָשָׂ֛ה (veasa) = en hij zal doen | מִשְׁפָּ֥ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֖ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֶמַח צְדָקָה (tsemach tsedaqah), ‘spruit van gerechtigheid’: een nakomeling van David die opkomt als een scheut uit een stronk. In Jer. 23:5 staat bijna hetzelfde, maar daar staat צֶמַח צַדִּיק (tsemach tsaddiq), ‘een rechtvaardige spruit’. Zie ook Jes. 4:2. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’, en צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’. Zie ook: Jes 4:2; Jes 11:1–5; Jes 53:2; Jer 23:5–6; Zach 3:8 **33:16** **In die dagen zal Juda gered worden en Jeruzalem zal veilig wonen. En dit is wat men haar noemt: Yahweh onze gerechtigheid.”** Brontekst: בַּיָּמִ֤ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵם֙ (hahem) = die | תִּוָּשַׁ֣ע (tivasha) = zal gered worden | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִַ֖ם (virushalaim) = en Jeruzalem | תִּשְׁכּ֣וֹן (tishkon) = zal wonen | לָבֶ֑טַח (lavetach) = in veiligheid | וְזֶ֥ה (veze) = en dit | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִקְרָא (yiqra) = zal genoemd worden | לָ֖הּ (lah) = haar | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צִדְקֵֽנוּ (tsidqenu) = onze gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְהוָה צִדְקֵנוּ (Yahweh tsidqenu), ‘Yahweh onze gerechtigheid’: in Jer. 23:6 is dit de naam van de koning, hier is het de naam van Jeruzalem. Het Hebreeuws zegt alleen ‘en dit is wat genoemd zal worden voor haar’. Wie haar zo noemt, staat er niet. Wij vertalen ‘men’. Voetnoot : תִּוָּשַׁע (tivvasha), ‘zal gered worden’: het werkwoord הוֹשִׁיעַ (hoshia), ‘redden’. Zie ook: Jes 45:17; Jer 23:6; 1 Kor 1:30; 2 Kor 5:21; Fil 3:9 ### David en de Levieten **33:17** Want zo zegt Yahweh: **„Het zal David niet ontbreken aan een man die op de troon van het huis van Israël zit.** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹֽא (lo) = niet | יִכָּרֵ֣ת (yikaret) = zal worden afgesneden | לְדָוִ֔ד (ledavid) = voor David | אִ֕ישׁ (ish) = een man | יֹשֵׁ֖ב (yoshev) = zittend | עַל (al) = op | כִּסֵּ֥א (kise) = de troon van | בֵֽית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא יִכָּרֵת לְדָוִד אִישׁ (lo yikkaret leDavid ish), ‘het zal David niet ontbreken aan een man’: letterlijk ‘er wordt voor David geen man afgesneden’. Vergelijk 1 Kon. 2:4 en 8:25. Zie ook: 1 Kron 17:11–14; Ps 89:30–38; 1 Kon 2:4; 1 Kon 8:25; Jes 9:6; Luc 1:32–33 **33:18** **En de priesters, de Levieten, zal het niet ontbreken aan een man voor Mijn aangezicht die brandoffers brengt, graanoffers in rook laat opgaan en slachtoffers bereidt, altijd.”** Brontekst: וְלַכֹּהֲנִים֙ (velakohanim) = en voor de priesters | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | לֹֽא (lo) = niet | יִכָּרֵ֥ת (yikaret) = zal worden afgesneden | אִ֖ישׁ (ish) = een man | מִלְּפָנָ֑י (milefanay) = van voor Mij | מַעֲלֶ֨ה (maale) = die opbrengt | עוֹלָ֜ה (ola) = brandoffer | וּמַקְטִ֥יר (umaqtir) = en die in rook laat opgaan | מִנְחָ֛ה (mincha) = graanoffer | וְעֹ֥שֶׂה (veose) = en die bereidt | זֶּ֖בַח (zevach) = slachtoffer | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviyyim), ‘de priesters, de Levieten’: priesters uit de stam Levi, zoals in Deut. 17:9. Voetnoot : עֹלָה (olah), ‘brandoffer’, מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’ en זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’. Zie ook: Deut 17:9; Jes 56:7; Rom 15:16; 1 Petr 2:9; Heb 13:15–16; Openb 1:6 ### Zo vast als dag en nacht **33:19** Het woord van Yahweh kwam tot Jeremia: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en kwam | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לֵאמֽוֹר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:20** Zo zegt Yahweh: **„Als jullie Mijn verbond met de dag kunnen verbreken en Mijn verbond met de nacht, zodat dag en nacht niet meer op hun tijd komen,** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | תָּפֵ֨רוּ֙ (taferu) = jullie verbreken | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֣י (beriti) = Mijn verbond | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = de nacht | וּלְבִלְתִּ֛י (ulevilti) = en zodat niet | הֱי֥וֹת (heyot) = zijn | יֽוֹמָם (yomam) = dag | וָלַ֖יְלָה (valayla) = en nacht | בְּעִתָּֽם (beitam) = op hun tijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִיתִי הַיּוֹם (beriti hayyom), ‘Mijn verbond met de dag’: de vaste orde van dag en nacht, die Yahweh heeft ingesteld (Gen. 8:22). Vergelijk Jer. 31:35–36. Zie ook: Gen 8:22; Ps 89:38; Ps 104:19–23; Jes 54:9–10; Jer 31:35–37 **33:21** **dan kan ook Mijn verbond met David, Mijn knecht, verbroken worden, zodat hij geen zoon meer heeft die als koning op zijn troon regeert. Ook Mijn verbond met de Levieten, de priesters, die Mij dienen, kan dan verbroken worden.** Brontekst: גַּם (gam) = ook | בְּרִיתִ֤י (beriti) = Mijn verbond | תֻפַר֙ (tufar) = kan verbroken worden | אֶת (et) = met | דָּוִ֣ד (david) = David | עַבְדִּ֔י (avdi) = Mijn knecht | מִהְיֽוֹת (mihyot) = zodat niet is | ל֥וֹ (lo) = voor hem | בֵ֖ן (ben) = een zoon | מֹלֵ֣ךְ (molekh) = die regeert | עַל (al) = op | כִּסְא֑וֹ (kiso) = zijn troon | וְאֶת (veet) = en met | הַלְוִיִּ֥ם (halviyim) = de Levieten | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | מְשָׁרְתָֽי (mesharetay) = die Mij dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: David heet vaker zo, bijvoorbeeld in 2 Sam. 7:5. Het verbond met David staat in 2 Sam. 7:12–16 en Ps. 89:4–5. Zie ook: 2 Sam 7:5; 2 Sam 7:12–16; 2 Sam 23:5; Ps 89:4–5; Ps 89:35; 2 Kron 7:18; 2 Kron 21:7; Luc 1:32–33 **33:22** **Het leger van de hemel kan niet geteld worden en het zand van de zee kan niet gemeten worden. Zo maak Ik het nageslacht van David, Mijn knecht, en de Levieten die Mij dienen, talrijk.”** Brontekst: אֲשֶׁ֤ר (asher) = zoals | לֹֽא (lo) = niet | יִסָּפֵר֙ (yisafer) = kan geteld worden | צְבָ֣א (tseva) = het leger van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִמַּ֖ד (yimad) = kan gemeten worden | ח֣וֹל (chol) = zand van | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | כֵּ֣ן (ken) = zo | אַרְבֶּ֗ה (arbe) = Ik zal talrijk maken | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֨רַע֙ (zera) = het nageslacht van | דָּוִ֣ד (david) = David | עַבְדִּ֔י (avdi) = Mijn knecht | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַלְוִיִּ֖ם (halviyim) = de Levieten | מְשָׁרְתֵ֥י (mesharetei) = die dienen | אֹתִֽי (oti) = Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de sterren. Vergelijk Gen. 22:17. Zie ook: Gen 15:5; Gen 22:17; Jes 66:21; Ezech 37:24–27; Heb 11:12 **33:23** Het woord van Yahweh kwam tot Jeremia: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en kwam | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het nageslacht van Jakob en David **33:24** **„Heb je niet gezien wat dit volk gezegd heeft: ‘De twee families die Yahweh uitgekozen had, heeft Hij verworpen’? Mijn volk verachten zij, alsof het in hun ogen geen volk meer is.”** Brontekst: הֲל֣וֹא (halo) = is het niet | רָאִ֗יתָ (raita) = je hebt gezien | מָֽה (ma) = wat | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | דִּבְּר֣וּ (diberu) = heeft gesproken | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | שְׁתֵּ֣י (shetei) = de twee van | הַמִּשְׁפָּח֗וֹת (hamishpachot) = de families | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | בָּחַ֧ר (bachar) = heeft gekozen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בָּהֶ֖ם (bahem) = in hen | וַיִּמְאָסֵ֑ם (vayimasem) = en Hij heeft hen verworpen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | יִנְאָצ֔וּן (yinatsun) = zij verachten | מִֽהְי֥וֹת (mihyot) = om te zijn | ע֖וֹד (od) = nog | גּ֥וֹי (goy) = een volk | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁתֵּי הַמִּשְׁפָּחוֹת (shetei hamishpachot), ‘de twee families’: het is onzeker wie bedoeld worden. Het kunnen Israël en Juda zijn, of het huis van David en de Levieten uit de verzen 17–22. Het Hebreeuws zegt alleen ‘de twee families’. Voetnoot : יִנְאָצוּן (yin’atsun), ‘zij verachten’: zie ook Jes. 1:4. Zie ook: Ps 44:14–15; Ps 83:5; Jes 1:4; Jer 33:21–22; Est 3:6–8; Neh 3:34–36 **33:25** Zo zegt Yahweh: **„Als Mijn verbond met de dag en de nacht niet bestaat en Ik de ordeningen van hemel en aarde niet heb vastgesteld,** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | לֹ֥א (lo) = niet | בְרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | יוֹמָ֣ם (yomam) = overdag | וָלָ֑יְלָה (valayela) = en 's nachts | חֻקּ֛וֹת (chuqot) = ordeningen van | שָׁמַ֥יִם (shamayim) = hemel | וָאָ֖רֶץ (vaarets) = en aarde | לֹא (lo) = niet | שָֽׂמְתִּי (samti) = Ik heb gesteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻקּוֹת שָׁמַיִם וָאָרֶץ (chuqqot shamayim va’arets), ‘de ordeningen van hemel en aarde’: dezelfde vaste regels als in Jer. 31:35–36. Zie ook: Gen 8:22; Ps 74:16–17; Ps 104:19; Jer 31:35–36; Jer 33:20 **33:26** **dan zal Ik ook het nageslacht van Jakob en van David, Mijn knecht, verwerpen en uit zijn nageslacht geen heersers nemen over het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Want Ik keer hun lot en Ik zal Mij over hen ontfermen.”** Brontekst: גַּם (gam) = ook | זֶ֣רַע (zera) = het nageslacht van | יַעֲקוֹב֩ (yaaqov) = Jakob | וְדָוִ֨ד (vedavid) = en David | עַבְדִּ֜י (avdi) = Mijn knecht | אֶמְאַ֗ס (emas) = Ik zal verwerpen | מִקַּ֤חַת (miqachat) = om te nemen | מִזַּרְעוֹ֙ (mizaro) = uit zijn nageslacht | מֹֽשְׁלִ֔ים (moshelim) = heersers | אֶל (el) = over | זֶ֥רַע (zera) = het nageslacht van | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | יִשְׂחָ֣ק (yischaq) = Isaak | וְיַעֲקֹ֑ב (veyaaqov) = en Jakob | כִּֽי (ki) = want | אָשִׁ֥יב (ashiv) = Ik zal doen terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁבוּתָ֖ם (shevutam) = hun lot | וְרִחַמְתִּֽים (verichamtim) = en Ik zal Mij over hen ontfermen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers sluit het Boek van de troost (hoofdstuk 30–33) af. Het eindigt met de belofte van ontferming: רִחַמְתִּים (richamtim), ‘Ik zal Mij over hen ontfermen’, zoals in Jer. 30:18 en 31:20. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) אָשִׁיב (ashiv), ‘Ik zal doen terugkeren’. De geschreven tekst (ketiv) heeft אשוב (ashuv), ‘Ik zal terugkeren’. In de uitdrukking ‘het lot keren’ komen beide vormen voor, zoals in Jer. 30:3. Zie ook: Hos 2:25; Jes 14:1; Jes 54:8; Jer 30:3; Jer 30:18; Jer 31:20; Jer 31:37 ## Jeremia 34 _Een woord voor Zedekia en de slaven die weer tot slaaf werden gemaakt_ ### Yahweh spreekt tot Zedekia **34:1** Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam, toen Nebukadnezar, de koning van Babel, en heel zijn leger streden tegen Jeruzalem en al haar steden. Ook alle koninkrijken van de aarde onder zijn heerschappij en alle volken streden mee: Brontekst: הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | הָיָ֥ה (haya) = kwam | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּנְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר (unevukhadretsar) = en Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֣ל (bavel) = Babel | וְכָל (vekhal) = en heel | חֵיל֡וֹ (cheilo) = zijn leger | וְכָל (vekhal) = en alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | אֶרֶץ֩ (erets) = de aarde | מֶמְשֶׁ֨לֶת (memshelet) = heerschappij van | יָד֜וֹ (yado) = zijn hand | וְכָל (vekhal) = en alle | הָעַמִּ֗ים (haamim) = de volken | נִלְחָמִ֧ים (nilchamim) = strijdend | עַל (al) = tegen | יְרוּשָׁלִַ֛ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְעַל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | עָרֶ֖יהָ (areiha) = haar steden | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נְבוּכַדְרֶאצַּר (Nevukhadretsar), ‘Nebukadnezar’: in Jeremia staat de naam meestal met een r (Nebukadrezar). Wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’, zoals in 2 Kon. 24–25. Voetnoot : נִלְחָמִים (nilchamim), ‘strijdend’: het woord staat in het meervoud. Niet alleen Nebukadnezar en zijn leger, maar ook alle koninkrijken en volken onder zijn macht strijden tegen Jeruzalem. Wij splitsen de zin en schrijven ‘streden mee’. De inhoud van het woord staat in vers 2. Zie ook: 2 Kon 25:1–9; Jer 1:15; Jer 32:2; Jer 34:2; Dan 2:37–38; Dan 3:31 **34:2** Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: **„Ga en zeg tegen Zedekia, de koning van Juda: ‘Zo zegt Yahweh. Zie, Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel. Hij zal haar met vuur verbranden.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הָלֹךְ֙ (halokh) = ga | וְאָ֣מַרְתָּ֔ (veamarta) = en zeg | אֶל (el) = tegen | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | נֹתֵ֜ן (noten) = Ik geef | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֤יר (hair) = de stad | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וּשְׂרָפָ֖הּ (userafah) = en hij zal haar verbranden | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Yahweh geeft Jeremia een boodschap voor de koning. De hele opdracht (‘Ga en zeg … Zo zegt Yahweh …’) is Yahweh’s eigen woord aan Jeremia en staat daarom rood, met de boodschap aan Zedekia tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : בָּאֵשׁ (ba’esh), ‘met vuur’: zo gebeurde het ook met de stad (vers 22 en 2 Kon. 25:9). Zie ook: 2 Kon 25:9; Jer 21:10; Jer 22:1–2; Jer 32:3; Jer 34:22; Jer 37:8–10 **34:3** **Jij zult niet aan zijn hand ontkomen. Je zult zeker gegrepen en in zijn hand gegeven worden. Je ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien. Hij zal van mond tot mond met je spreken. En je zult naar Babel komen.** Brontekst: וְאַתָּ֗ה (veata) = en jij | לֹ֚א (lo) = niet | תִמָּלֵט֙ (timalet) = zult ontkomen | מִיָּד֔וֹ (miyado) = aan zijn hand | כִּ֚י (ki) = want | תָּפֹ֣שׂ (tafos) = gegrepen | תִּתָּפֵ֔שׂ (titafes) = zul je worden gegrepen | וּבְיָד֖וֹ (uveyado) = en in zijn hand | תִּנָּתֵ֑ן (tinaten) = zul je worden gegeven | וְֽ֠עֵינֶיךָ (veeineikha) = en je ogen | אֶת (et) = (obj.) | עֵינֵ֨י (einei) = de ogen van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֜ל (bavel) = Babel | תִּרְאֶ֗ינָה (tireina) = zullen zien | וּפִ֛יהוּ (ufihu) = en zijn mond | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֥יךָ (pikha) = je mond | יְדַבֵּ֖ר (yedaber) = zal spreken | וּבָבֶ֥ל (uvavel) = en naar Babel | תָּבֽוֹא (tavo) = zul je komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: וּפִיהוּ אֶת־פִּיךָ יְדַבֵּר (ufihu et-pikha yedabber), ‘zijn mond zal met jouw mond spreken’: Zedekia zal de koning van Babel persoonlijk te woord staan. Zie 2 Kon. 25:6, waar Zedekia voor de koning van Babel wordt gebracht. Zie ook: 2 Kon 25:4–7; 2 Kon 25:6; Jer 21:7; Jer 32:4; Jer 34:21; Jer 39:4–7 **34:4** **Maar hoor het woord van Yahweh, Zedekia, koning van Juda. Zo zegt Yahweh over jou: Je zult niet door het zwaard sterven.** Brontekst: אַ֚ךְ (akh) = maar | שְׁמַ֣ע (shema) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = over jou | לֹ֥א (lo) = niet | תָמ֖וּת (tamut) = zul je sterven | בֶּחָֽרֶב (becharev) = door het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:5** **In vrede zul je sterven. Zoals men vuren ontstak voor je vaders, de vroegere koningen die vóór jou waren, zo zal men er voor jou ontsteken. Men zal om je rouwen met de klacht: ach, heer! Want Ik heb het gesproken, godsspraak van Yahweh.’”** Brontekst: בְּשָׁל֣וֹם (beshalom) = in vrede | תָּמ֗וּת (tamut) = zul je sterven | וּֽכְמִשְׂרְפ֣וֹת (ukhemisrefot) = en zoals de verbrandingen van | אֲ֠בוֹתֶיךָ (avoteikha) = je vaders | הַמְּלָכִ֨ים (hamelakhim) = de koningen | הָרִֽאשֹׁנִ֜ים (harishonim) = de vroegere | אֲשֶׁר (asher) = die | הָי֣וּ (hayu) = waren | לְפָנֶ֗יךָ (lefaneikha) = voor jou | כֵּ֚ן (ken) = zo | יִשְׂרְפוּ (yisrefu) = zal men verbranden | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | וְה֥וֹי (vehoy) = en wee | אָד֖וֹן (adon) = heer | יִסְפְּדוּ (yispedu) = zal men rouwen | לָ֑ךְ (lakh) = om jou | כִּֽי (ki) = want | דָבָ֥ר (davar) = woord | אֲנִֽי (ani) = Ik | דִבַּ֖רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּכְמִשְׂרְפוֹת (ukhemisrefot), ‘en zoals de verbrandingen’: bij de begrafenis van een koning werd ter ere van hem een vuur ontstoken, met specerijen. Zie 2 Kron. 16:14 en 21:19. Zedekia krijgt dus een eervolle begrafenis beloofd. Voetnoot : הוֹי אָדוֹן (hoy adon), ‘ach, heer’: de rouwklacht om een gestorven koning. Het is niet het woord ‘Adonai’ (Yahweh), maar ‘heer’ als aanspreking van de koning. Voetnoot : De belofte van een vreedzame dood staat naast vers 3, waar Zedekia gevangen wordt weggevoerd. Zie voor het einde van Zedekia 2 Kon. 25:7 en Jer. 52:11. Voetnoot : Het slot van de toespraak aan Zedekia eindigt hier met ‘godsspraak van Yahweh’. Voor die formule zie Jer. 1:8. Zie ook: 2 Kon 25:7; 2 Kron 16:14; 2 Kron 21:19–20; 2 Kron 34:28; Jer 1:8; Jer 22:18; Jer 34:3; Jer 52:11; Klaagl 4:20 **34:6** Jeremia, de profeet, sprak al deze woorden tot Zedekia, de koning van Juda, in Jeruzalem. Brontekst: וַיְדַבֵּר֙ (vaydaber) = en sprak | יִרְמְיָ֣הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = tot | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 1 Sam 3:18; 1 Sam 15:16–24; 1 Kon 21:19; Ezech 2:7; Mat 14:4 **34:7** Het leger van de koning van Babel streed toen tegen Jeruzalem en tegen alle steden van Juda die nog over waren: tegen Lachis en tegen Azeka. Want dit waren de versterkte steden die van de steden van Juda waren overgebleven. Brontekst: וְחֵ֣יל (vecheil) = en het leger van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֗ל (bavel) = Babel | נִלְחָמִים֙ (nilchamim) = strijdend | עַל (al) = tegen | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְעַ֛ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֥י (arei) = steden van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | הַנּֽוֹתָר֑וֹת (hanotarot) = die overgebleven waren | אֶל (el) = naar | לָכִישׁ֙ (lakhish) = Lachis | וְאֶל (veel) = en naar | עֲזֵקָ֔ה (azeqa) = Azeka | כִּ֣י (ki) = want | הֵ֗נָּה (hena) = zie | נִשְׁאֲר֛וּ (nisharu) = zij waren overgebleven | בְּעָרֵ֥י (bearei) = onder de steden van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | עָרֵ֥י (arei) = steden van | מִבְצָֽר (mivtsar) = versterking Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie Azeka: Azeka wordt gezocht bij Tel Zakariya, in de Sefela. Voetnoot Uitleg: Lachis (Tel Lakisj) en Azeka (Tel Zakariya) liggen in het laagland van Juda, ten zuidwesten van Jeruzalem. Zij zijn de laatste versterkte steden die nog standhouden. Een reeks brieven die in Lachis werd gevonden, hoort bij deze tijd. Zie ook: Joz 10:3; Joz 15:35; 2 Kon 18:13–14; 2 Kron 11:5–10; Jer 4:5 ### De slaven worden vrijgelaten en weer genomen **34:8** Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam, nadat koning Zedekia een verbond had gesloten met heel het volk in Jeruzalem om voor hen vrijlating uit te roepen: Brontekst: הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | הָיָ֥ה (haya) = kwam | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אַחֲרֵ֡י (acharei) = nadat | כְּרֹת֩ (kerot) = sloot | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | צִדְקִיָּ֜הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בְּרִ֗ית (berit) = een verbond | אֶת (et) = met | כָּל (kal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בִּירֽוּשָׁלִַ֔ם (birushalaim) = in Jeruzalem was | לִקְרֹ֥א (liqro) = om uit te roepen | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | דְּרֽוֹר (deror) = vrijlating Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: דְּרוֹר (deror), ‘vrijlating’: de uitroep waarmee slaven vrij worden verklaard. Hetzelfde woord staat in Lev. 25:10 voor het jubeljaar. Wij vertalen steeds ‘vrijlating’. Voetnoot : Het verbond werd gesloten toen Jeruzalem belegerd werd (vers 1 en 7). Vers 21 zegt dat het leger van Babel daarna even is weggetrokken. Zie ook Jer. 37:5. Zie ook: Lev 25:10; 2 Kon 11:17; 2 Kon 23:2–3; Jes 61:1; Jer 34:1; Jer 34:7; Jer 34:17; Jer 34:21; Jer 37:5 **34:9** Ieder moest zijn slaaf en zijn slavin, de Hebreeër en de Hebreeuwse, vrij laten gaan. Niemand mocht nog een Judeeër, zijn broeder, als slaaf laten werken. Brontekst: לְ֠שַׁלַּח (leshalach) = om te laten gaan | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | עַבְדּ֞וֹ (avdo) = zijn slaaf | וְאִ֧ישׁ (veish) = en ieder | אֶת (et) = (obj.) | שִׁפְחָת֛וֹ (shifchato) = zijn slavin | הָעִבְרִ֥י (haivri) = de Hebreeër | וְהָעִבְרִיָּ֖ה (vehaivriya) = en de Hebreeuwse | חָפְשִׁ֑ים (chafeshim) = vrij | לְבִלְתִּ֧י (levilti) = zodat niet | עֲבָד (avad) = zou werken | בָּ֛ם (bam) = door hen | בִּיהוּדִ֥י (bihudi) = een Judeeër | אָחִ֖יהוּ (achihu) = zijn broeder | אִֽישׁ (ish) = ieder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶבֶד (eved), ‘slaaf’: een man in dienst door schuld of armoede. De vrouw is een שִׁפְחָה (shifchah), ‘slavin’. Wij volgen Exod. 21:2 en Deut. 15:12. Voetnoot : בָּם (bam), ‘door hen’: het Hebreeuws zegt eigenlijk ‘door hen’ (meervoud), terwijl ‘een Judeeër’ een enkelvoud is. Wij vertalen naar de zin. Voetnoot : אָחִיהוּ (achihu), ‘zijn broeder’: een mede-Israëliet. Zie Lev. 25:39–46 en Deut. 15:12. Zie ook: Ex 3:18; Ex 21:2; Lev 25:39–46; Deut 15:12; 1 Sam 14:11; Jer 30:8; 2 Kor 11:22; Fil 3:5 **34:10** Alle oversten en heel het volk die het verbond waren ingegaan, luisterden. Ieder zou zijn slaaf en zijn slavin vrij laten gaan en hen niet meer als slaven laten werken. Zij luisterden en lieten hen gaan. Brontekst: וַיִּשְׁמְעוּ֩ (vayishmeu) = en zij luisterden | כָל (kal) = alle | הַשָּׂרִ֨ים (hasarim) = de oversten | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֜ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֣אוּ (bau) = waren gekomen | בַבְּרִ֗ית (baberit) = in het verbond | לְ֠שַׁלַּח (leshalach) = om te laten gaan | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | עַבְדּ֞וֹ (avdo) = zijn slaaf | וְאִ֤ישׁ (veish) = en ieder | אֶת (et) = (obj.) | שִׁפְחָתוֹ֙ (shifchato) = zijn slavin | חָפְשִׁ֔ים (chafeshim) = vrij | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = zodat niet | עֲבָד (avad) = zou werken | בָּ֖ם (bam) = door hen | ע֑וֹד (od) = nog | וַֽיִּשְׁמְע֖וּ (vayishmeu) = en zij luisterden | וַיְשַׁלֵּֽחוּ (vayshalechu) = en zij lieten gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 26:10; Jer 26:16; Jer 36:24–25; Jer 38:4; Mar 6:20 **34:11** Maar daarna keerden zij om en haalden de slaven en slavinnen terug die zij vrij hadden laten gaan. Zij onderwierpen hen weer als slaven en slavinnen. Brontekst: וַיָּשׁ֨וּבוּ֙ (vayashuvu) = en zij keerden om | אַחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֔ן (ken) = dit | וַיָּשִׁ֗בוּ (vayashivu) = en zij lieten terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | הָֽעֲבָדִים֙ (haavadim) = de slaven | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשְּׁפָח֔וֹת (hashefachot) = de slavinnen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שִׁלְּח֖וּ (shilechu) = zij hadden laten gaan | חָפְשִׁ֑ים (chafeshim) = vrij | וַֽיִּכְבְּשׁ֔וּם (vayikhbeshum) = en zij onderwierpen hen | לַעֲבָדִ֖ים (laavadim) = tot slaven | וְלִשְׁפָחֽוֹת (velishfachot) = en tot slavinnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 10:17–20; Spr 26:11; Pred 8:11; Mat 12:43–45; 2 Petr 2:20–22 ### Het woord van Yahweh over de gebroken belofte **34:12** Het woord van Yahweh kwam tot Jeremia. Het kwam van Yahweh: Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֥ת (meet) = van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Van Yahweh’ staat twee keer: ‘het woord van Yahweh … van Yahweh’. Wij laten beide staan. **34:13** Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: **„Ik heb een verbond gesloten met jullie vaders. Dat was op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, uit het slavenhuis. Ik zei:** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אָנֹכִ֗י (anokhi) = Ik | כָּרַ֤תִּֽי (karati) = heb gesloten | בְרִית֙ (berit) = verbond | אֶת (et) = met | אֲב֣וֹתֵיכֶ֔ם (avoteikhem) = jullie vaders | בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag | הוֹצִאִ֤י (hotsii) = van Mijn uitleiden | אוֹתָם֙ (otam) = hen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | עֲבָדִ֖ים (avadim) = slaven | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בֵּית עֲבָדִים (beit avadim), ‘slavenhuis’: Egypte. Zo ook Exod. 20:2 en Deut. 5:6. Voetnoot : כָּרַת בְּרִית (karat berit), ‘een verbond sluiten’: letterlijk ‘een verbond snijden’. Zie vers 18. Zie ook: Ex 20:2; Ex 24:3; Deut 5:6; Deut 5:27; Joz 24:17; Re 6:8; Jer 31:32; Jer 34:18 **34:14** **‘Na zeven jaar moeten jullie ieder zijn broeder, de Hebreeër die aan jou verkocht is, vrij laten gaan. Hij moet je zes jaar dienen. Dan moet je hem vrij van je laten gaan.’ Maar jullie vaders luisterden niet naar Mij. Zij neigden hun oor niet.** Brontekst: מִקֵּ֣ץ (miqets) = aan het einde van | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֡ים (shanim) = jaren | תְּֽשַׁלְּח֡וּ (teshalechu) = zullen jullie laten gaan | אִישׁ֩ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | אָחִ֨יו (achiv) = zijn broeder | הָעִבְרִ֜י (haivri) = de Hebreeër | אֲשֶֽׁר (asher) = die | יִמָּכֵ֣ר (yimakher) = verkocht wordt | לְךָ֗ (lekha) = aan jou | וַעֲבָֽדְךָ֙ (vaavadekha) = en hij dient je | שֵׁ֣שׁ (shesh) = zes | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | וְשִׁלַּחְתּ֥וֹ (veshilachto) = en je laat hem gaan | חָפְשִׁ֖י (chafeshi) = vrij | מֵֽעִמָּ֑ךְ (meimakh) = van je | וְלֹֽא (velo) = en niet | שָׁמְע֤וּ (shameu) = luisterden | אֲבֽוֹתֵיכֶם֙ (avoteikhem) = jullie vaders | אֵלַ֔י (elay) = naar Mij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הִטּ֖וּ (hitu) = neigden zij | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנָֽם (azenam) = hun oor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gebod over de Hebreeuwse slaaf: Exod. 21:2 (zes jaar dienen, in het zevende vrij) en Deut. 15:12. Hier staat ‘na zeven jaar’ (letterlijk ‘aan het einde van zeven jaar’). Voetnoot : Het Hebreeuws wisselt tussen meervoud (‘jullie laten gaan’) en enkelvoud (‘aan jou verkocht’, ‘hij dient je’). Wij laten dat wisselen staan. Voetnoot : הִטּוּ אֶת־אָזְנָם (hittu et-oznam), ‘zij neigden hun oor’: zij luisterden niet. Zie ook Jer. 7:24. Zie ook: Ex 21:2; Deut 15:12; 1 Sam 8:7–8; 1 Kon 9:22; 2 Kon 17:13–14; Amos 8:6; Jer 7:24 **34:15** **Vandaag waren jullie teruggekeerd en deden jullie wat recht is in Mijn ogen: ieder riep vrijlating uit voor zijn naaste. Jullie sloten een verbond voor Mijn aangezicht, in het huis waarover Mijn naam is uitgeroepen.** Brontekst: וַתָּשֻׁ֨בוּ (vatashuvu) = en jullie keerden terug | אַתֶּ֜ם (atem) = jullie | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | וַתַּעֲשׂ֤וּ (vataasu) = en jullie deden | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּשָׁר֙ (hayashar) = wat recht is | בְּעֵינַ֔י (beeinay) = in Mijn ogen | לִקְרֹ֥א (liqro) = om uit te roepen | דְר֖וֹר (deror) = vrijlating | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | לְרֵעֵ֑הוּ (lereehu) = aan zijn naaste | וַתִּכְרְת֤וּ (vatikhretu) = en jullie sloten | בְרִית֙ (berit) = een verbond | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | בַּבַּ֕יִת (babayit) = in het huis | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִקְרָ֥א (niqra) = is uitgeroepen | שְׁמִ֖י (shemi) = Mijn naam | עָלָֽיו (alav) = over het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּבַּיִת אֲשֶׁר־נִקְרָא שְׁמִי עָלָיו (babayit asher-niqra shemi alav), ‘in het huis waarover Mijn naam is uitgeroepen’: de tempel, waarin Yahweh’s naam woont. Zie 1 Kon. 8:43 en Jer. 7:10. Zie ook: 1 Kon 8:43; 2 Kon 14:3; 2 Kon 23:3; Jer 7:10–11; Jer 34:8; Neh 10:30 **34:16** **Maar jullie keerden weer om en ontheiligden Mijn naam. Ieder haalde zijn slaaf en zijn slavin terug, die jullie vrij hadden laten gaan, waarheen zij zelf wilden. Jullie onderwierpen hen om voor jullie slaven en slavinnen te zijn.”** Brontekst: וַתָּשֻׁ֨בוּ֙ (vatashuvu) = en jullie keerden om | וַתְּחַלְּל֣וּ (vatechalelu) = en jullie ontheiligden | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמִ֔י (shemi) = Mijn naam | וַתָּשִׁ֗בוּ (vatashivu) = en jullie lieten terugkeren | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | עַבְדּוֹ֙ (avdo) = zijn slaaf | וְאִ֣ישׁ (veish) = en ieder | אֶת (et) = (obj.) | שִׁפְחָת֔וֹ (shifchato) = zijn slavin | אֲשֶׁר (asher) = die | שִׁלַּחְתֶּ֥ם (shilachtem) = jullie hadden laten gaan | חָפְשִׁ֖ים (chafeshim) = vrij | לְנַפְשָׁ֑ם (lenafsham) = naar hun ziel | וַתִּכְבְּשׁ֣וּ (vatikhbeshu) = en jullie onderwierpen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | לִֽהְי֣וֹת (lihyot) = om te zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | לַעֲבָדִ֖ים (laavadim) = tot slaven | וְלִשְׁפָחֽוֹת (velishfachot) = en tot slavinnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְנַפְשָׁם (lenafsham), ‘naar hun ziel’: naar hun eigen verlangen, waarheen zij wilden. Zie ook Deut. 21:14. Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) staat voor het innerlijk, het zelf. Voetnoot : וַתְּחַלְּלוּ אֶת־שְׁמִי (vatchallelu et-shemi), ‘jullie ontheiligden Mijn naam’: het verbond was gesloten in het huis waarover Yahweh’s naam is uitgeroepen (vers 15). Wie het verbrak, ontheiligde Zijn naam. Zie ook: Ex 20:7; Lev 19:12; Deut 21:14; Jer 34:11; Jer 34:15; Ezech 3:20; Ezech 18:24 ### Vrijlating voor het zwaard, de pest en de honger **34:17** Daarom, zo zegt Yahweh: **„Jullie hebben niet naar Mij geluisterd om vrijlating uit te roepen, ieder voor zijn broeder en ieder voor zijn naaste. Zie, Ik roep voor jullie een vrijlating uit, godsspraak van Yahweh: voor het zwaard, voor de pest en voor de honger. Ik maak jullie tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken van de aarde.** Brontekst: לָכֵן֮ (lakhen) = daarom | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | לֹֽא (lo) = niet | שְׁמַעְתֶּ֣ם (shematem) = hebben geluisterd | אֵלַ֔י (elay) = naar Mij | לִקְרֹ֣א (liqro) = om uit te roepen | דְר֔וֹר (deror) = vrijlating | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְאָחִ֖יו (leachiv) = aan zijn broeder | וְאִ֣ישׁ (veish) = en ieder | לְרֵעֵ֑הוּ (lereehu) = aan zijn naaste | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij | קֹרֵא֩ (qore) = uitroepend | לָכֶ֨ם (lakhem) = voor jullie | דְּר֜וֹר (deror) = vrijlating | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = voor | הַחֶ֨רֶב֙ (hacherev) = het zwaard | אֶל (el) = voor | הַדֶּ֣בֶר (hadever) = de pest | וְאֶל (veel) = en voor | הָרָעָ֔ב (haraav) = de honger | וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal maken | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | לְזַעֲוָ֔ה (lezaava) = tot een schrikbeeld | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor alle | מַמְלְכ֥וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּרוֹר (deror), ‘vrijlating’: Yahweh gebruikt het woord van de slaven tegen hen. Zij hebben geen vrijlating uitgeroepen voor hun broeders; Hij roept nu een ‘vrijlating’ uit: vrij voor het zwaard, de pest en de honger. Het is een bittere woordspeling. Voetnoot : הַדֶּבֶר (hadever), ‘de pest’: een besmettelijke ziekte die vaak bij een beleg uitbreekt. Voetnoot : זַעֲוָה (za’avah), ‘schrikbeeld’: iets waar de volken van schrikken. Zie ook Deut. 28:25. Zie ook: Lev 26:34–35; Deut 28:25; Jer 29:18; Mat 7:2; Gal 6:7 **34:18** **Ik zal de mannen geven die Mijn verbond hebben overtreden. Zij hebben de woorden van het verbond niet nagekomen dat zij voor Mijn aangezicht sloten. Zij sneden het kalf in tweeën en gingen tussen zijn stukken door:** Brontekst: וְנָתַתִּ֣י (venatati) = en Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | הָעֹֽבְרִים֙ (haoverim) = die overtreden | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִתִ֔י (beriti) = Mijn verbond | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | הֵקִ֨ימוּ֙ (heqimu) = hebben nagekomen | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | הַבְּרִ֔ית (haberit) = het verbond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | כָּרְת֖וּ (karetu) = zij sloten | לְפָנָ֑י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | הָעֵ֨גֶל֙ (haegel) = het kalf | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | כָּרְת֣וּ (karetu) = zij sneden | לִשְׁנַ֔יִם (lishnayim) = in tweeën | וַיַּעַבְר֖וּ (vayaavru) = en zij gingen | בֵּ֥ין (bein) = tussen | בְּתָרָֽיו (betarav) = zijn stukken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het kalf werd in twee stukken gesneden. De partijen van het verbond gingen tussen de stukken door, als teken dat het hun zo mocht vergaan als zij hun woord braken. Vergelijk Gen. 15:9–10 en 17. Het Hebreeuws zegt ‘een verbond snijden’ (karat berit). Voetnoot : Het vers loopt door tot vers 20: ‘Ik zal de mannen … geven’. Vers 19 noemt wie het zijn en vers 20 zegt waaraan Hij hen geeft. Zie ook: Gen 15:9–10; Gen 15:10; Gen 15:17–18; Joz 23:16; Ps 50:1; Hos 6:7; Jer 34:19; Jer 34:20 **34:19** **de oversten van Juda en de oversten van Jeruzalem, de hofdienaren, de priesters en heel het volk van het land, die tussen de stukken van het kalf doorgingen.** Brontekst: שָׂרֵ֨י (sarei) = de oversten van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | וְשָׂרֵ֣י (vesarei) = en de oversten van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הַסָּֽרִסִים֙ (hasarisim) = de hofdienaren | וְהַכֹּ֣הֲנִ֔ים (vehakohanim) = en de priesters | וְכֹ֖ל (vekhol) = en heel | עַ֣ם (am) = het volk van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | הָעֹ֣בְרִ֔ים (haoverim) = die doorgingen | בֵּ֖ין (bein) = tussen | בִּתְרֵ֥י (bitrei) = de stukken van | הָעֵֽגֶל (haegel) = het kalf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: een ambtenaar aan het hof. Zie 2 Kon. 24:12. Zie ook: 2 Kon 24:12; 2 Kon 24:15; Sef 3:3–4; Jer 29:2; Jer 34:10; Ezech 22:27–31 **34:20** **Ik zal hen geven in de hand van hun vijanden en in de hand van wie hun leven zoeken. Hun lijken zullen voedsel zijn voor de vogels van de hemel en voor de dieren van de aarde.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal geven | אוֹתָם֙ (otam) = hen | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | אֹֽיְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | וּבְיַ֖ד (uveyad) = en in de hand van | מְבַקְשֵׁ֣י (mevaqshei) = zoekers van | נַפְשָׁ֑ם (nafsham) = hun leven | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zal zijn | נִבְלָתָם֙ (nivlatam) = hun lijk | לְמַֽאֲכָ֔ל (lemaakhal) = tot voedsel | לְע֥וֹף (leof) = voor de vogel van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְבֶהֱמַ֥ת (ulevehemat) = en voor de dieren van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 16:4; Jer 7:33; Jer 11:21; Jer 16:4; Jer 19:7 **34:21** **Ook Zedekia, de koning van Juda, en zijn oversten zal Ik geven in de hand van hun vijanden en in de hand van wie hun leven zoeken. Ook in de hand van het leger van de koning van Babel, dat van jullie is weggetrokken.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | צִדְקִיָּ֨הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שָׂרָ֗יו (sarav) = zijn oversten | אֶתֵּן֙ (eten) = zal Ik geven | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | אֹֽיְבֵיהֶ֔ם (oyeveihem) = hun vijanden | וּבְיַ֖ד (uveyad) = en in de hand van | מְבַקְשֵׁ֣י (mevaqshei) = zoekers van | נַפְשָׁ֑ם (nafsham) = hun leven | וּבְיַד (uveyad) = en in de hand van | חֵ֚יל (cheil) = leger van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | הָעֹלִ֖ים (haolim) = die wegtrekken | מֵעֲלֵיכֶֽם (mealeikhem) = van jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: הָעֹלִים מֵעֲלֵיכֶם (ha’olim me’aleikhem), ‘dat van jullie is weggetrokken’: het leger van Babel was even van Jeruzalem weggetrokken. Zie Jer. 37:5. Yahweh zegt in vers 22 dat het zal terugkomen. Zie ook: Jer 34:22; Jer 37:5–11; Jer 39:6; Jer 52:10; Jer 52:24–27; Ezech 17:16 **34:22** **Zie, Ik geef bevel, godsspraak van Yahweh, en Ik breng hen terug naar deze stad. Zij zullen tegen haar strijden, haar innemen en haar met vuur verbranden. De steden van Juda maak Ik tot een woestenij, zonder bewoner.”** Brontekst: הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | מְצַוֶּ֜ה (metsave) = gebiedend | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַהֲשִׁ֨בֹתִ֜ים (vahashivotim) = en Ik zal hen terugbrengen | אֶל (el) = naar | הָעִ֤יר (hair) = de stad | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | וְנִלְחֲמ֣וּ (venilchamu) = en zij zullen strijden | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = tegen haar | וּלְכָד֖וּהָ (ulekhaduha) = en zij zullen haar innemen | וּשְׂרָפֻ֣הָ (userafuha) = en zij zullen haar verbranden | בָאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עָרֵ֧י (arei) = steden van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | אֶתֵּ֥ן (eten) = zal Ik geven | שְׁמָמָ֖ה (shemama) = tot een woestenij | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | יֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: ‘Ik breng hen terug’: ‘hen’ zijn de Babylonische troepen, die van Jeruzalem zijn weggetrokken (vers 21). Zie Jer. 37:7–8. Zie ook: Jer 9:10; Jer 33:10; Jer 34:21; Jer 37:7–8; Jer 39:1–2; Jer 39:8; Jer 52:7 ## Jeremia 35 _De Rechabieten die geen wijn drinken en Juda dat niet luistert_ ### Jeremia en de Rechabieten **35:1** Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: Brontekst: הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | הָיָ֥ה (haya) = kwam | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בִּימֵ֨י (bimei) = in de dagen van | יְהוֹיָקִ֧ים (yehoyaqim) = Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֛הוּ (yoshiyahu) = Josia | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jojakim, de zoon van Josia, regeerde elf jaar in Jeruzalem (2 Kon. 23:36). Dit hoofdstuk gaat dus terug in de tijd: het gebeurt vóór de dagen van Zedekia, waarover hoofdstuk 34 en 37–38 gaan. Zie ook: 2 Kon 23:35; 2 Kon 23:36; 2 Kon 24:1–6; Jer 1:3; Jer 25:1; Jer 36:29 **35:2** **„Ga naar het huis van de Rechabieten. Spreek met hen en breng hen naar het huis van Yahweh, naar een van de kamers. Geef hun wijn te drinken.”** Brontekst: הָלוֹךְ֮ (halokh) = ga | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָרֵכָבִים֒ (harekhavim) = de Rechabieten | וְדִבַּרְתָּ֣ (vedibarta) = en je zult spreken | אוֹתָ֔ם (otam) = met hen | וַהֲבִֽאוֹתָם֙ (vahaviotam) = en je zult hen brengen | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | אַחַ֖ת (achat) = een | הַלְּשָׁכ֑וֹת (haleshakhot) = van de kamers | וְהִשְׁקִיתָ֥ (vehishqita) = en je zult laten drinken | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | יָֽיִן (yayin) = wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֵכָבִים (harekhavim), ‘de Rechabieten’: de nakomelingen van Rechab. Zij leefden volgens het gebod van Jehonadab, de zoon van Rechab (2 Kon. 10:15–23; zie ook 1 Kron. 2:55). Voetnoot : לִשְׁכָּה (lishkah), ‘kamer’: een zaal of bijgebouw bij de tempel, gebruikt voor opslag en samenkomsten (1 Kron. 9:26; Neh. 13:4–5). Zie ook: 1 Kron 2:55; 1 Kron 9:26; 1 Kron 9:33; 1 Kron 23:28; 1 Kon 6:5–6; 2 Kon 10:15–23; Neh 13:4–5 **35:3** Ik nam Jaäzanja, de zoon van Jirmeja, de zoon van Chabatsinja, met zijn broers en al zijn zonen en heel het huis van de Rechabieten. Brontekst: וָאֶקַּ֞ח (vaeqach) = en ik nam | אֶת (et) = (obj.) | יַאֲזַנְיָ֤ה (yaazanya) = Jaäzanja | בֶֽן (ben) = zoon van | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jirmeja | בֶּן (ben) = zoon van | חֲבַצִּנְיָ֔ה (chavatsinya) = Chabatsinja | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | בָּנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הָרֵכָבִֽים (harekhavim) = de Rechabieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַאֲזַנְיָה (Ya’azanyah), ‘Jaäzanja’: een andere man dan Jaäzanja, de zoon van de Maächatiet (2 Kon. 25:23). De naam betekent ‘Yahweh hoort’. Voetnoot : חֲבַצִּנְיָה (Chavatsinyah), ‘Chabatsinja’: alleen hier. De spelling is onzeker; de naam is waarschijnlijk samengesteld met ‘Jah’. Zie ook: 2 Kon 25:23 **35:4** Ik bracht hen in het huis van Yahweh, in de kamer van de zonen van Chanan, de zoon van Jigdalja, de man van Elohim. Die kamer was naast de kamer van de oversten, boven de kamer van Maäseja, de zoon van Sjallum, de bewaker van de drempel. Brontekst: וָאָבִ֤א (vaavi) = en ik bracht | אֹתָם֙ (otam) = hen | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | לִשְׁכַּ֗ת (lishkat) = de kamer van | בְּנֵ֛י (benei) = de zonen van | חָנָ֥ן (chanan) = Chanan | בֶּן (ben) = zoon van | יִגְדַּלְיָ֖הוּ (yigdalyahu) = Jigdalja | אִ֣ישׁ (ish) = man van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | אֲשֶׁר (asher) = die | אֵ֨צֶל֙ (etsel) = naast | לִשְׁכַּ֣ת (lishkat) = de kamer van | הַשָּׂרִ֔ים (hasarim) = de oversten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מִמַּ֗עַל (mimaal) = boven | לְלִשְׁכַּ֛ת (lelishkat) = de kamer van | מַעֲשֵׂיָ֥הוּ (maaseyahu) = Maäseja | בֶן (ben) = zoon van | שַׁלֻּ֖ם (shalum) = Sjallum | שֹׁמֵ֥ר (shomer) = bewaker van | הַסַּֽף (hasaf) = de drempel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: een profeet (zo wordt Mozes genoemd in Deut. 33:1 en Elisa in 2 Kon. 4:9). De ‘zonen van Chanan’ zijn zijn leerlingen of volgelingen. Voetnoot : שֹׁמֵר הַסַּף (shomer hasaf), ‘bewaker van de drempel’: een hoge ambtenaar in de tempel (2 Kon. 25:18; Jer. 52:24). Wij gebruiken dezelfde vertaling als in 2 Kon. 25:18. Zie ook: Deut 33:1; 1 Kron 9:18–19; 2 Kon 1:11–13; 2 Kon 4:9; 2 Kon 12:10; 2 Kon 25:18; 2 Kron 8:14; Jer 52:24 **35:5** Ik zette kommen vol wijn en bekers voor de zonen van het huis van de Rechabieten neer. Ik zei tegen hen: „Drink wijn.” Brontekst: וָאֶתֵּ֞ן (vaeten) = en ik zette | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בֵית (beit) = het huis van | הָרֵכָבִ֗ים (harekhavim) = de Rechabieten | גְּבִעִ֛ים (geviim) = kommen | מְלֵאִ֥ים (meleim) = vol | יַ֖יִן (yayin) = wijn | וְכֹס֑וֹת (vekhosot) = en bekers | וָאֹמַ֥ר (vaomar) = en ik zei | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | שְׁתוּ (shetu) = drinkt | יָֽיִן (yayin) = wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּבִעִים (gevi’im), ‘kommen’: grote drinkvaten waaruit de wijn werd geschonken. כֹּסוֹת (kosot) zijn de ‘bekers’ waaruit men dronk. Voetnoot : Jeremia legt de wijn voor, zoals Yahweh hem heeft opgedragen (vers 2). Het is een proef: Juda kan zien hoe trouw de Rechabieten zijn aan het gebod van hun vader. Zie ook: Pred 9:7; Amos 2:12; Jer 35:2; 2 Kor 2:9 **35:6** Zij zeiden: „Wij drinken geen wijn. Want Jehonadab, de zoon van Rechab, onze vader, heeft ons geboden: ‘Jullie en jullie zonen mogen voor eeuwig geen wijn drinken. Brontekst: וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zij zeiden | לֹ֣א (lo) = niet | נִשְׁתֶּה (nishte) = wij drinken | יָּ֑יִן (yayin) = wijn | כִּי֩ (ki) = want | יוֹנָדָ֨ב (yonadav) = Jehonadab | בֶּן (ben) = zoon van | רֵכָ֜ב (rekhav) = Rechab | אָבִ֗ינוּ (avinu) = onze vader | צִוָּ֤ה (tsiva) = heeft geboden | עָלֵ֨ינוּ֙ (aleinu) = ons | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֹ֧א (lo) = niet | תִשְׁתּוּ (tishtu) = zullen jullie drinken | יַ֛יִן (yayin) = wijn | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | וּבְנֵיכֶ֖ם (uveneikhem) = en jullie zonen | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹנָדָב (Yonadav), ‘Jonadab’: een kortere vorm van יְהוֹנָדָב (Yehonadav), ‘Jehonadab’. Het is dezelfde man. Wij schrijven overal ‘Jehonadab’, zoals in 2 Kon. 10:15. Voetnoot : עַד עוֹלָם (ad olam), ‘voor eeuwig’: in alle toekomstige tijden. Zie ook: Re 13:7; Re 13:14; 1 Kron 2:55; 2 Kon 10:15; Luc 1:15 **35:7** Jullie mogen geen huis bouwen en geen zaad zaaien. Jullie mogen geen wijngaard planten en er ook geen hebben. Want jullie moeten al jullie dagen in tenten wonen, zodat jullie vele dagen leven op het oppervlak van de grond waar jullie als vreemdelingen verblijven.’ Brontekst: וּבַ֣יִת (uvayit) = en een huis | לֹֽא (lo) = niet | תִבְנ֗וּ (tivnu) = zullen jullie bouwen | וְזֶ֤רַע (vezera) = en zaad | לֹֽא (lo) = niet | תִזְרָ֨עוּ֙ (tizrau) = zullen jullie zaaien | וְכֶ֣רֶם (vekherem) = en een wijngaard | לֹֽא (lo) = niet | תִטָּ֔עוּ (titau) = zullen jullie planten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִֽהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֑ם (lakhem) = voor jullie | כִּ֠י (ki) = want | בָּאֳהָלִ֤ים (baohalim) = in tenten | תֵּֽשְׁבוּ֙ (teshevu) = zullen jullie wonen | כָּל (kal) = al | יְמֵיכֶ֔ם (yemeikhem) = jullie dagen | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | תִּֽחְי֜וּ (tichyu) = jullie leven | יָמִ֤ים (yamim) = dagen | רַבִּים֙ (rabim) = vele | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | אַתֶּ֖ם (atem) = jullie | גָּרִ֥ים (garim) = vreemdelingen zijn | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De drie geboden: geen wijn, geen vaste woning en geen landbouw (geen zaad en geen wijngaard). Zo bleven zij vreemdelingen, ‘gerim’ (גָּרִים), in het land. Het leven in tenten was hun teken van verbondenheid met hun vader. Voetnoot : עַל־פְּנֵי הָאֲדָמָה (al-penei ha’adamah), ‘op het oppervlak van de grond’: vergelijk Gen. 2:6. Zie ook: Gen 2:6; Gen 25:27; Ex 20:12; Lev 23:42–43; Jer 35:10; Ef 6:2–3 **35:8** Wij hebben geluisterd naar de stem van Jehonadab, de zoon van Rechab, onze vader, in alles wat hij ons heeft geboden. Wij drinken al onze dagen geen wijn: wij, onze vrouwen, onze zonen en onze dochters. Brontekst: וַנִּשְׁמַ֗ע (vanishma) = en wij hebben geluisterd | בְּק֨וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוֹנָדָ֤ב (yehonadav) = Jehonadab | בֶּן (ben) = zoon van | רֵכָב֙ (rekhav) = Rechab | אָבִ֔ינוּ (avinu) = onze vader | לְכֹ֖ל (lekhol) = in alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | צִוָּ֑נוּ (tsivanu) = hij ons gebood | לְבִלְתִּ֤י (levilti) = om niet | שְׁתֽוֹת (shetot) = te drinken | יַ֨יִן֙ (yayin) = wijn | כָּל (kal) = al | יָמֵ֔ינוּ (yameinu) = onze dagen | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | נָשֵׁ֔ינוּ (nasheinu) = onze vrouwen | בָּנֵ֖ינוּ (baneinu) = onze zonen | וּבְנֹתֵֽינוּ (uvenoteinu) = en onze dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 1:8–9; Spr 4:1–2; Spr 4:10; Spr 6:20; Kol 3:20 **35:9** Wij bouwen ook geen huizen om in te wonen. Wij hebben geen wijngaard, geen veld en geen zaad. Brontekst: וּלְבִלְתִּ֛י (ulevilti) = en om niet | בְּנ֥וֹת (benot) = te bouwen | בָּתִּ֖ים (batim) = huizen | לְשִׁבְתֵּ֑נוּ (leshivtenu) = om in te wonen | וְכֶ֧רֶם (vekherem) = en een wijngaard | וְשָׂדֶ֛ה (vesade) = en een veld | וָזֶ֖רַע (vazera) = en zaad | לֹ֥א (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = is | לָּֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft in vers 9 geen werkwoord bij ‘wijngaard, veld en zaad’; er staat ‘het is niet voor ons’. Wij vertalen ‘Wij hebben geen’. Zie ook: Num 16:14; Ps 37:16; 2 Kon 5:26; Jer 35:7; 1 Tim 6:6 **35:10** Wij wonen in tenten. Wij hebben geluisterd en gedaan wat Jehonadab, onze vader, ons heeft geboden. Brontekst: וַנֵּ֖שֶׁב (vaneshev) = en wij wonen | בָּֽאֳהָלִ֑ים (baohalim) = in tenten | וַנִּשְׁמַ֣ע (vanishma) = en wij hebben geluisterd | וַנַּ֔עַשׂ (vanaas) = en wij hebben gedaan | כְּכֹ֥ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֖נוּ (tsivanu) = gebood ons | יוֹנָדָ֥ב (yonadav) = Jehonadab | אָבִֽינוּ (avinu) = onze vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:11** Het gebeurde toen Nebukadnezar, de koning van Babel, het land binnentrok. Wij zeiden: ‘Kom, laten wij naar Jeruzalem gaan, weg van het leger van de Chaldeeën en van het leger van Aram.’ Zo wonen wij in Jeruzalem.” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het gebeurde | בַּעֲל֨וֹת (baalot) = toen optrok | נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֮ (bavel) = Babel | אֶל (el) = naar | הָאָרֶץ֒ (haarets) = het land | וַנֹּ֗אמֶר (vanomer) = en wij zeiden | בֹּ֚אוּ (bou) = komt | וְנָב֣וֹא (venavo) = en laten wij gaan | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = vanwege | חֵ֣יל (cheil) = het leger van | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | וּמִפְּנֵ֖י (umipenei) = en vanwege | חֵ֣יל (cheil) = het leger van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַנֵּ֖שֶׁב (vaneshev) = en wij wonen | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: De Rechabieten zijn voor het leger van Nebukadnezar naar Jeruzalem gevlucht. Daarom wonen zij nu in de stad, tegen hun gewoonte in. Het leger van Aram (Syrië) was bij het leger van Babel aangesloten (zie 2 Kon. 24:2). Voetnoot : הַכַּשְׂדִּים (hakasdim), ‘de Chaldeeën’: het volk dat Babel regeerde. Zie ook: 2 Kon 24:1–2; 2 Kon 24:2; Jer 4:5–7; Jer 8:14; Dan 1:1–2; Luc 21:20–21 ### Yahweh vergelijkt Juda met de Rechabieten **35:12** Toen kwam het woord van Yahweh tot Jeremia: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en kwam | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **35:13** Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Ga en zeg tegen de mannen van Juda en tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Willen jullie dan geen tucht aannemen om naar Mijn woorden te luisteren? Godsspraak van Yahweh.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הָלֹ֤ךְ (halokh) = ga | וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en zeg | לְאִ֣ישׁ (leish) = tegen de man van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּלְיֽוֹשְׁבֵ֖י (uleyoshevei) = en tegen de inwoners van | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הֲל֨וֹא (halo) = nietwaar | תִקְח֥וּ (tiqchu) = zullen jullie aannemen | מוּסָ֛ר (musar) = tucht | לִשְׁמֹ֥עַ (lishmoa) = om te luisteren | אֶל (el) = naar | דְּבָרַ֖י (devaray) = Mijn woorden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘tucht’: het woord betekent ook ‘onderricht’ en ‘vermaning’. Wij gebruiken ‘tucht’ zoals in Spr. 1:2. Voetnoot : De vraag ‘Willen jullie geen tucht aannemen?’ is een verwijt: de Rechabieten hebben het gedaan, Juda niet. Zie ook: Spr 1:2; Jes 28:9–12; Jes 42:23; Jer 5:3; Jer 6:8–10; Jer 32:33 **35:14** **De woorden van Jehonadab, de zoon van Rechab, zijn nagekomen. Hij gebood zijn zonen geen wijn te drinken, en tot op deze dag hebben zij niet gedronken. Want zij hebben geluisterd naar het gebod van hun vader. Maar Ik heb vroeg en telkens weer tot jullie gesproken, en jullie hebben niet naar Mij geluisterd.** Brontekst: הוּקַ֡ם (huqam) = is bevestigd | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | יְהוֹנָדָ֣ב (yehonadav) = Jehonadab | בֶּן (ben) = zoon van | רֵ֠כָב (rekhav) = Rechab | אֲשֶׁר (asher) = die | צִוָּ֨ה (tsiva) = hij gebood | אֶת (et) = (obj.) | בָּנָ֜יו (banav) = zijn zonen | לְבִלְתִּ֣י (levilti) = om niet | שְׁתֽוֹת (shetot) = te drinken | יַ֗יִן (yayin) = wijn | וְלֹ֤א (velo) = en niet | שָׁתוּ֙ (shatu) = hebben zij gedronken | עַד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | כִּ֣י (ki) = want | שָֽׁמְע֔וּ (shameu) = zij hebben geluisterd | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִצְוַ֣ת (mitsvat) = het gebod van | אֲבִיהֶ֑ם (avihem) = hun vader | וְאָ֨נֹכִ֜י (veanokhi) = en Ik | דִּבַּ֤רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | אֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = tot jullie | הַשְׁכֵּ֣ם (hashkem) = vroeg opstaand | וְדַבֵּ֔ר (vedaber) = en sprekend | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֖ם (shematem) = hebben jullie geluisterd | אֵלָֽי (elay) = naar Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׁכֵּם וְדַבֵּר (hashkem vedabber), ‘vroeg opstaand en sprekend’: een vaste uitdrukking in Jeremia voor Yahweh’s onophoudelijke, vroege waarschuwing. Zo ook in vers 15 (‘en zendend’). Wij vertalen ‘vroeg en telkens weer’. Voetnoot : הוּקַם (hukam), ‘is nagekomen’: letterlijk ‘is bevestigd, is opgericht’. Zie ook: Spr 1:20–33; Jer 7:13; Jer 7:24–26; Jer 11:7; Jer 25:3–4; Jer 35:15 **35:15** **Ik heb al Mijn knechten, de profeten, naar jullie gestuurd, vroeg en telkens weer. Ik zei: Keer toch terug, ieder van zijn kwade weg. Maak jullie daden goed. Loop niet achter andere goden aan om hen te dienen. Dan zullen jullie wonen op de grond die Ik aan jullie en aan jullie vaders heb gegeven. Maar jullie hebben je oor niet geneigd en niet naar Mij geluisterd.** Brontekst: וָאֶשְׁלַ֣ח (vaeshlach) = en Ik zond | אֲלֵיכֶ֣ם (aleikhem) = naar jullie | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עֲבָדַ֣י (avaday) = Mijn knechten | הַנְּבִאִ֣ים (haneviim) = de profeten | הַשְׁכֵּ֣ים (hashkeim) = vroeg opstaand | וְשָׁלֹ֣חַ (veshaloach) = en zendend | לֵאמֹ֡ר (lemor) = zeggende | שֻׁבוּ (shuvu) = keert terug | נָ֡א (na) = toch | אִישׁ֩ (ish) = ieder | מִדַּרְכּ֨וֹ (midarko) = van zijn weg | הָרָעָ֜ה (haraa) = de kwade | וְהֵיטִ֣יבוּ (veheitivu) = en maakt goed | מַֽעַלְלֵיכֶ֗ם (maalleikhem) = jullie daden | וְאַל (veal) = en niet | תֵּ֨לְכ֜וּ (telekhu) = gaat | אַחֲרֵ֨י (acharei) = achter | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִים֙ (acherim) = andere | לְעָבְדָ֔ם (leavedam) = om hen te dienen | וּשְׁבוּ֙ (ushevu) = en woont | אֶל (el) = op | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik gaf | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | וְלַאֲבֹֽתֵיכֶ֑ם (velaavoteikhem) = en aan jullie vaders | וְלֹ֤א (velo) = en niet | הִטִּיתֶם֙ (hititem) = neigden jullie | אֶֽת (et) = (obj.) | אָזְנְכֶ֔ם (azenekhem) = jullie oor | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֖ם (shematem) = luisterden jullie | אֵלָֽי (elay) = naar Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲבָדַי הַנְּבִאִים (avadai hanevi’im), ‘Mijn knechten, de profeten’: zo ook Jer. 7:25 en 25:4. Wij vertalen עֶבֶד (eved) bij Yahweh’s dienaren met ‘knecht’. Voetnoot : שֻׁבוּ (shuvu), ‘keer terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv) is het vaste woord van Jeremia voor ‘zich bekeren, terugkeren’. Voetnoot : אֱלֹהִים אֲחֵרִים (Elohim acherim), ‘andere goden’: de goden van de volken, die geen Elohim zijn. Zie ook: Hos 14:2–5; Jer 7:25; Jer 17:20–25; Jer 18:11; Jer 25:4; Jer 25:5–6; Ezech 18:30–32 **35:16** **Want de zonen van Jehonadab, de zoon van Rechab, hebben het gebod van hun vader nagekomen dat hij hun had gegeven. Maar dit volk heeft niet naar Mij geluisterd.’”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הֵקִ֗ימוּ (heqimu) = hebben bevestigd | בְּנֵי֙ (benei) = zonen van | יְהוֹנָדָ֣ב (yehonadav) = Jehonadab | בֶּן (ben) = zoon van | רֵכָ֔ב (rekhav) = Rechab | אֶת (et) = (obj.) | מִצְוַ֥ת (mitsvat) = het gebod van | אֲבִיהֶ֖ם (avihem) = hun vader | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | צִוָּ֑ם (tsivam) = hij gebood hen | וְהָעָ֣ם (vehaam) = en dit volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = heeft geluisterd | אֵלָֽי (elay) = naar Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 1:3; Jer 35:14; Mal 1:6; Luc 15:11–13; Luc 15:28–30 **35:17** Daarom, zo zegt Yahweh, de Elohim van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Zie, Ik breng over Juda en over alle inwoners van Jeruzalem al het onheil dat Ik over hen gesproken heb. Want Ik heb tot hen gesproken en zij hebben niet geluisterd. Ik heb hen geroepen en zij hebben niet geantwoord.”** Brontekst: לָ֠כֵן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֧י (hinni) = zie Mij | מֵבִ֣יא (mevi) = brengend | אֶל (el) = over | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וְאֶ֤ל (veel) = en over | כָּל (kal) = alle | יֽוֹשְׁבֵי֙ (yoshevei) = inwoners van | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָ֣רָעָ֔ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = over hen | יַ֣עַן (yaan) = omdat | דִּבַּ֤רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שָׁמֵ֔עוּ (shameu) = hebben zij geluisterd | וָאֶקְרָ֥א (vaeqra) = en Ik riep | לָהֶ֖ם (lahem) = hen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָנֽוּ (anu) = hebben zij geantwoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De ramp die Yahweh beloofd heeft, komt over Juda omdat het volk niet geluisterd heeft. Het is het tegenovergestelde van wat de Rechabieten deden (vers 14–16). Zie ook: Jes 65:12; Jes 66:4; Jer 7:13; Jer 35:14–16; Luc 13:34–35; Rom 10:21 ### Een belofte voor het huis van de Rechabieten **35:18** Tegen het huis van de Rechabieten zei Jeremia: Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Omdat jullie hebben geluisterd naar het gebod van Jehonadab, jullie vader, al zijn geboden hebben bewaard en hebben gedaan overeenkomstig alles wat hij jullie heeft geboden,** Brontekst: וּלְבֵ֨ית (uleveit) = en tegen het huis van | הָרֵכָבִ֜ים (harekhavim) = de Rechabieten | אָמַ֣ר (amar) = zei | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | יַ֚עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | שְׁמַעְתֶּ֔ם (shematem) = jullie hebben geluisterd | עַל (al) = naar | מִצְוַ֖ת (mitsvat) = het gebod van | יְהוֹנָדָ֣ב (yehonadav) = Jehonadab | אֲבִיכֶ֑ם (avikhem) = jullie vader | וַֽתִּשְׁמְרוּ֙ (vatishmeru) = en jullie hebben bewaard | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מִצְוֺתָ֔יו (mitsvotav) = zijn geboden | וַֽתַּעֲשׂ֔וּ (vataasu) = en jullie hebben gedaan | כְּכֹ֥ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֖ה (tsiva) = hij gebood | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:12; Deut 5:16; Ef 6:1–3 **35:19** **daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Aan Jehonadab, de zoon van Rechab, zal het nooit ontbreken aan een man die voor Mijn aangezicht staat, al de dagen.”** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לֹֽא (lo) = niet | יִכָּרֵ֨ת (yikaret) = zal worden afgesneden | אִ֜ישׁ (ish) = een man | לְיוֹנָדָ֧ב (leyonadav) = voor Jehonadab | בֶּן (ben) = zoon van | רֵכָ֛ב (rekhav) = Rechab | עֹמֵ֥ד (omed) = staand | לְפָנַ֖י (lefanay) = voor Mij | כָּל (kal) = al | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹמֵד לְפָנַי (omed lefanai), ‘staan voor Mijn aangezicht’: dienen voor Yahweh, zoals de Levieten en de priesters (Deut. 10:8; 17:12). De belofte is dat er altijd nakomelingen van Jehonadab zullen zijn die Hem dienen. Voetnoot : לְיוֹנָדָב (leYonadav), ‘voor Jonadab’: de korte vorm van de naam, als in vers 6. Zie ook: Deut 10:8; Deut 17:12; Ps 5:6; Jer 15:19; Jer 33:17–18; Jer 35:6; Luc 21:36; Jud 1:24 ## Jeremia 36 _De boekrol van Jeremia: voorgelezen, verbrand en opnieuw geschreven_ ### Yahweh draagt Jeremia op alles op te schrijven **36:1** In het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord tot Jeremia, van Yahweh: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het gebeurde | בַּשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הָרְבִיעִ֔ת (hareviit) = het vierde | לִיהוֹיָקִ֥ים (lihoyaqim) = van Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֖הוּ (yoshiyahu) = Josia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | הָיָ֞ה (haya) = kwam | הַדָּבָ֤ר (hadavar) = het woord | הַזֶּה֙ (haze) = dit | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֥ת (meet) = van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vierde jaar van Jojakim is ongeveer het jaar 605 voor Christus. Het hoofdstuk wordt in vers 9 voortgezet in het vijfde jaar van Jojakim. Jer. 25:1 noemt hetzelfde vierde jaar. Zie ook: 2 Kon 24:1–2; 2 Kron 36:5; Jer 25:1; Jer 35:1; Jer 36:9; Jer 45:1 **36:2** **„Neem een boekrol en schrijf daarop alle woorden die Ik tot je heb gesproken over Israël, over Juda en over alle volken. Schrijf ze vanaf de dag dat Ik tot je sprak, vanaf de dagen van Josia tot op deze dag.** Brontekst: קַח (qach) = neem | לְךָ֮ (lekha) = voor jou | מְגִלַּת (megilat) = een rol van | סֵפֶר֒ (sefer) = boek | וְכָתַבְתָּ֣ (vekhatavta) = en je zult schrijven | אֵלֶ֗יהָ (eleiha) = daarop | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֞ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבַּ֧רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = tot je | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | וְעַל (veal) = en over | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וְעַל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | מִיּ֞וֹם (miyom) = vanaf de dag | דִּבַּ֤רְתִּי (dibarti) = Ik sprak | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = tot je | מִימֵ֣י (mimei) = vanaf de dagen van | יֹאשִׁיָּ֔הוּ (yoshiyahu) = Josia | וְעַ֖ד (vead) = en tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְגִלַּת־סֵפֶר (megillat-sefer), ‘boekrol’: een rol, gemaakt van aan elkaar genaaide bladen leer of papyrus, waarop men schreef. Voetnoot : Het gaat om Yahweh’s woorden ‘vanaf de dagen van Josia’. Jeremia’s roeping begon in het dertiende jaar van Josia (Jer. 1:2). Zie ook: Ex 17:14; Jer 1:2; Jer 1:10; Jer 25:3; Jer 30:2; Jer 36:6 **36:3** **Misschien luistert het huis van Juda naar al het onheil dat Ik hun denk te doen, zodat ieder terugkeert van zijn kwade weg. Dan zal Ik hun schuld en hun zonde vergeven.”** Brontekst: אוּלַ֤י (ulay) = misschien | יִשְׁמְעוּ֙ (yishmeu) = zullen luisteren | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָ֣רָעָ֔ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | אָנֹכִ֥י (anokhi) = Ik | חֹשֵׁ֖ב (choshev) = denk | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = te doen | לָהֶ֑ם (lahem) = aan hen | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יָשׁ֗וּבוּ (yashuvu) = zij terugkeren | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | מִדַּרְכּ֣וֹ (midarko) = van zijn weg | הָרָעָ֔ה (haraa) = de kwade | וְסָלַחְתִּ֥י (vesalachti) = en Ik zal vergeven | לַעֲוֺנָ֖ם (laavonam) = hun schuld | וּלְחַטָּאתָֽם (ulechatatam) = en hun zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוּלַי (ulay), ‘misschien’: Yahweh’s doel is nog altijd dat Juda terugkeert. Vergelijk vers 7. Voetnoot : וְסָלַחְתִּי (vesalachti), ‘en Ik zal vergeven’: het werkwoord סָלַח (salach) wordt in de Hebreeuwse Bijbel alleen gebruikt voor Elohim als vergever. Vergelijk Num. 14:19–20. Voetnoot : עֲוֺן (avon), ‘schuld’, en חַטָּאת (chatta’t), ‘zonde’: twee woorden voor wat Juda heeft misdaan. Wij houden ‘schuld’ voor avon, zoals in Jes. 1:4. Zie ook: Num 14:19–20; Deut 30:2; Jes 1:4; Jer 18:8; Jer 26:3; Jer 36:7; Ezech 12:3; Hand 3:19 **36:4** Jeremia riep Baruch, de zoon van Nerija. Baruch schreef op een boekrol, uit de mond van Jeremia, alle woorden van Yahweh die Hij tot hem gesproken had. Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en riep | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶת (et) = (obj.) | בָּר֖וּךְ (barukh) = Baruch | בֶּן (ben) = zoon van | נֵֽרִיָּ֑ה (neriya) = Nerija | וַיִּכְתֹּ֨ב (vayikhtov) = en schreef | בָּר֜וּךְ (barukh) = Baruch | מִפִּ֣י (mipi) = uit de mond van | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | דִּבְרֵ֧י (divrei) = de woorden van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij sprak | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | עַל (al) = op | מְגִלַּת (megilat) = een rol van | סֵֽפֶר (sefer) = boek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 32:12; Jer 36:28; Jer 36:32; Jer 43:3; Ezech 2:9 ### Baruch moet de boekrol voorlezen **36:5** Jeremia gaf Baruch dit bevel: „Ik ben tegengehouden. Ik kan niet naar het huis van Yahweh gaan. Brontekst: וַיְצַוֶּ֣ה (vaytsave) = en gebood | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶת (et) = (obj.) | בָּר֖וּךְ (barukh) = Baruch | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אֲנִ֣י (ani) = ik | עָצ֔וּר (atsur) = ben tegengehouden | לֹ֣א (lo) = niet | אוּכַ֔ל (ukhal) = kan ik | לָב֖וֹא (lavo) = gaan | בֵּ֥ית (beit) = naar het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָצוּר (atsur), ‘tegengehouden’: letterlijk ‘vastgehouden, opgesloten’. De tekst zegt niet waarom Jeremia niet naar het huis van Yahweh kan gaan. In Jer. 33:1 en 39:15 gebruikt het boek hetzelfde woord voor Jeremia’s gevangenschap op de binnenplaats van de wacht. Wat hem hier belet, wordt niet gezegd. Wij vertalen niet verder dan het woord zegt. Zie ook: Jer 20:2; Jer 32:2; Jer 33:1; Jer 38:6; Jer 39:15; 2 Kor 11:23 **36:6** Ga dus zelf en lees uit de boekrol die je uit mijn mond hebt geschreven de woorden van Yahweh voor. Lees ze voor de oren van het volk in het huis van Yahweh, op een vastendag. Lees ze ook voor de oren van heel Juda, van allen die uit hun steden komen. Brontekst: וּבָאתָ֣ (uvata) = en ga | אַתָּ֡ה (ata) = jij | וְקָרָ֣אתָ (veqarata) = en lees | בַמְּגִלָּ֣ה (bamegila) = uit de rol | אֲשֶׁר (asher) = die | כָּתַֽבְתָּ (katavta) = je hebt geschreven | מִפִּי֩ (mipi) = uit mijn mond | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֨י (divrei) = de woorden van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בְּאָזְנֵ֥י (beazenei) = in de oren van | הָעָ֛ם (haam) = het volk | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | צ֑וֹם (tsom) = vasten | וְגַ֨ם (vegam) = en ook | בְּאָזְנֵ֧י (beazenei) = in de oren van | כָל (kal) = heel | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | הַבָּאִ֥ים (habaim) = die komen | מֵעָרֵיהֶ֖ם (meareihem) = uit hun steden | תִּקְרָאֵֽם (tiqraem) = zul je ze lezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹם צוֹם (yom tsom), ‘vastendag’: een dag waarop het volk niet at en zich voor Yahweh verootmoedigde. Zie Joël 1:14 en 2:15–16. Voetnoot : וְגַם בְּאָזְנֵי כָל־יְהוּדָה (vegam be’oznei khol-Yehudah), ‘ook voor de oren van heel Juda’: tijdens de vastendag kwamen mensen uit alle steden van Juda naar de tempel (vers 9). Zie ook: Lev 16:29–31; Joël 1:14; Joël 2:15; Jer 7:2; Jer 22:2; Jer 26:2; Jer 36:8–9; Jer 36:9 **36:7** Misschien komt hun smeekbede voor het aangezicht van Yahweh, zodat ieder terugkeert van zijn kwade weg. Want groot zijn de toorn en de grimmigheid die Yahweh over dit volk heeft uitgesproken.” Brontekst: אוּלַ֞י (ulay) = misschien | תִּפֹּ֤ל (tipol) = zal vallen | תְּחִנָּתָם֙ (techinatam) = hun smeekbede | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְיָשֻׁ֕בוּ (veyashuvu) = en zij zullen terugkeren | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | מִדַּרְכּ֣וֹ (midarko) = van zijn weg | הָרָעָ֑ה (haraa) = de kwade | כִּֽי (ki) = want | גָד֤וֹל (gadol) = groot is | הָאַף֙ (haaf) = de toorn | וְהַ֣חֵמָ֔ה (vehachema) = en de grimmigheid | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּפֹּל תְּחִנָּתָם (tippol techinnatam), ‘hun smeekbede zal vallen’: de smeekbede ‘valt neer’ voor het aangezicht van Yahweh. Het is een beeld van mensen die zich voor Hem neerwerpen en om genade vragen. Wij vertalen ‘komt’. Voetnoot : אַף (af), ‘toorn’, en חֵמָה (chemah), ‘grimmigheid’: twee woorden voor Yahweh’s woede. Zie ook: 2 Kon 22:17; Hos 5:15–6:1; Jer 21:5; Jer 36:3; Klaagl 4:11 **36:8** Baruch, de zoon van Nerija, deed alles wat Jeremia, de profeet, hem geboden had. Hij las de woorden van Yahweh uit het boek voor in het huis van Yahweh. Brontekst: וַיַּ֗עַשׂ (vayaas) = en deed | בָּרוּךְ֙ (barukh) = Baruch | בֶּן (ben) = zoon van | נֵ֣רִיָּ֔ה (neriya) = Nerija | כְּכֹ֥ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֖הוּ (tsivahu) = gebood hem | יִרְמְיָ֣הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | לִקְרֹ֥א (liqro) = om te lezen | בַסֵּ֛פֶר (basefer) = uit het boek | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהֹוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 1:17; Jer 36:4; Neh 8:3; Mat 16:24; Luc 4:16–30 ### Baruch leest voor in het huis van Yahweh **36:9** In het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, riepen zij een vasten uit voor het aangezicht van Yahweh. Dat deden heel het volk in Jeruzalem en heel het volk dat uit de steden van Juda naar Jeruzalem kwam. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | בַשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַ֠חֲמִשִׁית (hachamishit) = het vijfde | לִיהוֹיָקִ֨ים (lihoyaqim) = van Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֤הוּ (yoshiyahu) = Josia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַתְּשִׁעִ֔י (hateshii) = de negende | קָרְא֨וּ (qareu) = zij riepen uit | צ֜וֹם (tsom) = vasten | לִפְנֵ֧י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֗ם (haam) = het volk | הַבָּאִ֛ים (habaim) = dat kwam | מֵעָרֵ֥י (mearei) = uit de steden van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: De negende maand valt ongeveer in november-december. In vers 22 zit de koning in diezelfde maand in het winterhuis. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt dat ‘zij’ de vasten uitriepen, ‘voor het aangezicht van Yahweh’. De reden wordt niet genoemd. Zie ook: 2 Kron 20:3; Jona 3:5; Jer 36:1; Jer 36:22; Est 4:16 **36:10** Baruch las uit het boek de woorden van Jeremia voor in het huis van Yahweh, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver. Die lag in de bovenste voorhof, bij de ingang van de Nieuwe Poort van het huis van Yahweh. Hij las voor de oren van heel het volk. Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en las | בָר֥וּךְ (barukh) = Baruch | בַּסֵּ֛פֶר (basefer) = uit het boek | אֶת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בְּלִשְׁכַּ֡ת (belishkat) = in de kamer van | גְּמַרְיָהוּ֩ (gemaryahu) = Gemarja | בֶן (ben) = zoon van | שָׁפָ֨ן (shafan) = Safan | הַסֹּפֵ֜ר (hasofer) = de schrijver | בֶּחָצֵ֣ר (bechatser) = in de voorhof | הָעֶלְי֗וֹן (haelyon) = de bovenste | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | שַׁ֤עַר (shaar) = de poort van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הֶֽחָדָ֔שׁ (hechadash) = de nieuwe | בְּאָזְנֵ֖י (beazenei) = in de oren van | כָּל (kal) = heel | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, is een broer van Achikam, die Jeremia later beschermt (Jer. 26:24). Hun vader Safan was de schrijver van koning Josia (2 Kon. 22:3). Voetnoot : הֶחָצֵר הָעֶלְיוֹן (hechatser ha’elyon), ‘de bovenste voorhof’: een voorhof van het huis van Yahweh, hoger gelegen dan de andere. Voetnoot : שַׁעַר בֵּית־יְהוָה הֶחָדָשׁ (sha’ar beit-Yahweh hechadash), ‘de Nieuwe Poort van het huis van Yahweh’: zie ook Jer. 26:10. Zie ook: 2 Sam 8:17; 2 Kon 22:3; Jer 26:10; Jer 26:24; Jer 36:11; Jer 36:25; Jer 52:25 ### De oversten horen de woorden **36:11** Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, hoorde alle woorden van Yahweh uit het boek. Brontekst: וַ֠יִּשְׁמַ֗ע (vayishma) = en hoorde | מִכָ֨יְהוּ (mikhayehu) = Michaja | בֶן (ben) = zoon van | גְּמַרְיָ֧הוּ (gemaryahu) = Gemarja | בֶן (ben) = zoon van | שָׁפָ֛ן (shafan) = Safan | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מֵעַ֥ל (meal) = uit | הַסֵּֽפֶר (hasefer) = het boek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Michaja hoort de woorden vanuit de bovenste voorhof, waar de kamer van zijn vader Gemarja is (vers 10). Zie ook: 2 Kon 22:12–14; 2 Kon 25:22; 2 Kron 34:20; Jer 36:10 **36:12** Hij ging naar beneden, naar het huis van de koning, naar de kamer van de schrijver. Daar zaten alle oversten: Elisjama, de schrijver, Delaja, de zoon van Sjemaja, Elnatan, de zoon van Achbor, Gemarja, de zoon van Safan, Zedekia, de zoon van Chananja, en alle andere oversten. Brontekst: וַיֵּ֤רֶד (vayered) = en hij ging af | בֵּית (beit) = het huis van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | עַל (al) = naar | לִשְׁכַּ֣ת (lishkat) = de kamer van | הַסֹּפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | וְהִ֨נֵּה (vehine) = en zie | שָׁ֔ם (sham) = daar | כָּל (kal) = alle | הַשָּׂרִ֖ים (hasarim) = de oversten | יֽוֹשְׁבִ֑ים (yoshevim) = zittend | אֱלִישָׁמָ֣ע (elishama) = Elisjama | הַסֹּפֵ֡ר (hasofer) = de schrijver | וּדְלָיָ֣הוּ (udelayahu) = en Delaja | בֶן (ben) = zoon van | שְׁ֠מַעְיָהוּ (shemayahu) = Sjemaja | וְאֶלְנָתָ֨ן (veelnatan) = en Elnatan | בֶּן (ben) = zoon van | עַכְבּ֜וֹר (akhbor) = Achbor | וּגְמַרְיָ֧הוּ (ugemaryahu) = en Gemarja | בֶן (ben) = zoon van | שָׁפָ֛ן (shafan) = Safan | וְצִדְקִיָּ֥הוּ (vetsidqiyahu) = en Zedekia | בֶן (ben) = zoon van | חֲנַנְיָ֖הוּ (chananyahu) = Chananja | וְכָל (vekhal) = en alle | הַשָּׂרִֽים (hasarim) = de oversten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית הַמֶּלֶךְ (beit hammelekh), ‘het huis van de koning’: het koninklijk paleis. De kamer van de schrijver is de ruimte waar de hofschrijvers werkten. Voetnoot : Elnatan, de zoon van Achbor, is dezelfde man die Uria uit Egypte haalde (Jer. 26:22). Zijn vader Achbor was een hoge ambtenaar van Josia (2 Kon. 22:12). Zie ook: 2 Kon 22:12; Jer 26:22; Jer 28:1–17; Jer 36:25; Jer 41:1 **36:13** Michaja vertelde hun alle woorden die hij gehoord had toen Baruch uit het boek voorlas voor de oren van het volk. Brontekst: וַיַּגֵּ֤ד (vayaged) = en vertelde | לָהֶם֙ (lahem) = hun | מִכָ֔יְהוּ (mikhayehu) = Michaja | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׁמֵ֑עַ (shamea) = hij had gehoord | בִּקְרֹ֥א (biqro) = bij het lezen van | בָר֛וּךְ (barukh) = Baruch | בַּסֵּ֖פֶר (basefer) = uit het boek | בְּאָזְנֵ֥י (beazenei) = in de oren van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 22:10; 2 Kon 22:19; 2 Kron 34:16–18; 2 Kron 34:24; Jona 3:6 **36:14** Alle oversten stuurden Jehoedi, de zoon van Netanja, de zoon van Sjelemja, de zoon van Kushi, naar Baruch. Zij lieten zeggen: „Neem de boekrol waaruit je voor de oren van het volk hebt gelezen in je hand en kom.” Baruch, de zoon van Nerija, nam de boekrol in zijn hand en kwam bij hen. Brontekst: וַיִּשְׁלְח֨וּ (vayishlechu) = en zonden | כָל (kal) = alle | הַשָּׂרִ֜ים (hasarim) = de oversten | אֶל (el) = naar | בָּר֗וּךְ (barukh) = Baruch | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדִ֡י (yehudi) = Jehoedi | בֶּן (ben) = zoon van | נְ֠תַנְיָהוּ (netanyahu) = Netanja | בֶּן (ben) = zoon van | שֶׁלֶמְיָ֣הוּ (shelemyahu) = Sjelemja | בֶן (ben) = zoon van | כּוּשִׁי֮ (kushi) = Kushi | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | הַמְּגִלָּ֗ה (hamegila) = de rol | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | קָרָ֤אתָ (qarata) = je hebt gelezen | בָּהּ֙ (bah) = daaruit | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | קָחֶ֥נָּה (qachena) = neem haar | בְיָדְךָ֖ (beyadekha) = in je hand | וָלֵ֑ךְ (valekh) = en ga | וַ֠יִּקַּח (vayiqach) = en nam | בָּר֨וּךְ (barukh) = Baruch | בֶּן (ben) = zoon van | נֵרִיָּ֤הוּ (neriyahu) = Nerija | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּגִלָּה֙ (hamegila) = de rol | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en kwam | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוּדִי (Yehudi), ‘Jehoedi’: een eigennaam. Het woord betekent ook ‘Judeeër’. Wij schrijven de naam als ‘Jehoedi’ om hem van dat woord te onderscheiden. Voetnoot : כּוּשִׁי (Kushi), ‘Kushi’: een naam die ‘man uit Kush’ kan betekenen. Wij schrijven ‘Kushi’, zoals in Zef. 1:1. Voetnoot : De afstamming van Jehoedi wordt over drie generaties genoemd. Zie ook: 2 Kon 25:23; Sef 1:1; Jer 36:2; Jer 41:16; Mat 10:16 **36:15** Zij zeiden tegen hem: „Ga toch zitten en lees het ons voor.” Baruch las het hun voor. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | שֵׁ֣ב (shev) = ga zitten | נָ֔א (na) = toch | וּקְרָאֶ֖נָּה (uqeraena) = en lees haar voor | בְּאָזְנֵ֑ינוּ (beazeneinu) = in onze oren | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en las | בָר֖וּךְ (barukh) = Baruch | בְּאָזְנֵיהֶֽם (beazeneihem) = in hun oren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:16** Toen zij al deze woorden hoorden, schrokken zij en wendden zich tot elkaar. Zij zeiden tegen Baruch: „Wij moeten de koning zeker al deze woorden melden.” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het gebeurde | כְּשָׁמְעָם֙ (keshameam) = toen zij hoorden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | פָּחֲד֖וּ (pachadu) = zij schrokken | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = tot | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = zijn naaste | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zij zeiden | אֶל (el) = tot | בָּר֔וּךְ (barukh) = Baruch | הַגֵּ֤יד (hageid) = melden | נַגִּיד֙ (nagid) = moeten wij melden | לַמֶּ֔לֶךְ (lamelekh) = aan de koning | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּחֲדוּ אִישׁ אֶל־רֵעֵהוּ (pachadu ish el-re’ehu), ‘zij schrokken, ieder tot zijn naaste’: zij waren bang en keken naar elkaar. Wij vertalen ‘schrokken en wendden zich tot elkaar’. Voetnoot : הַגֵּד נַגִּיד (hagged naggid), ‘melden moeten wij melden’: een versterkte vorm; wij vertalen ‘zeker melden’. Zie ook: Amos 7:10–11; Jer 13:18; Jer 36:24; Jer 38:1–4; Hand 24:25–26 **36:17** Ook vroegen zij Baruch: „Vertel ons toch hoe je al deze woorden hebt geschreven. Uit zijn mond?” Brontekst: וְאֶ֨ת (veet) = en (obj.) | בָּר֔וּךְ (barukh) = Baruch | שָׁאֲל֖וּ (shaalu) = zij vroegen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הַגֶּד (haged) = vertel | נָ֣א (na) = toch | לָ֔נוּ (lanu) = ons | אֵ֗יךְ (eikh) = hoe | כָּתַ֛בְתָּ (katavta) = heb je geschreven | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | מִפִּֽיו (mipiv) = uit zijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִפִּיו (mippiv), ‘uit zijn mond’: het laatste woord van de vraag. Het Hebreeuws heeft geen vraagwoord. Wij nemen aan dat zij vragen of Jeremia het aan Baruch heeft voorgezegd. Baruch bevestigt dat in vers 18. Zie ook: Jer 36:18; Joh 9:10–11; Joh 9:15; Joh 9:26–27 **36:18** Baruch zei tegen hen: „Uit zijn mond riep hij mij al deze woorden toe, en ik schreef ze met inkt op de boekrol.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | בָּר֔וּךְ (barukh) = Baruch | מִפִּיו֙ (mipiv) = uit zijn mond | יִקְרָ֣א (yiqra) = riep hij | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וַאֲנִ֛י (vaani) = en ik | כֹּתֵ֥ב (kotev) = schrijvend | עַל (al) = op | הַסֵּ֖פֶר (hasefer) = het boek | בַּדְּיֽוֹ (badeyo) = met inkt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִקְרָא אֵלַי (yiqra elai), ‘hij riep tot mij’: het werkwoord קָרָא (qara) betekent ‘roepen’ en ‘voorlezen’. Jeremia sprak de woorden hardop uit. Wij vertalen ‘riep hij mij toe’. Voetnoot : בַּדְּיוֹ (baddeyo), ‘met inkt’: het woord דְּיוֹ (deyo) komt alleen hier voor. Zie ook: Spr 26:4–5; Jer 36:2; Jer 36:4; Jer 43:2–3 **36:19** De oversten zeiden tegen Baruch: „Ga, verberg je, jij en Jeremia. Laat niemand weten waar jullie zijn.” Brontekst: וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zeiden | הַשָּׂרִים֙ (hasarim) = de oversten | אֶל (el) = tot | בָּר֔וּךְ (barukh) = Baruch | לֵ֥ךְ (lekh) = ga | הִסָּתֵ֖ר (hisater) = verberg je | אַתָּ֣ה (ata) = jij | וְיִרְמְיָ֑הוּ (veyirmeyahu) = en Jeremia | וְאִ֥ישׁ (veish) = en iemand | אַל (al) = niet | יֵדַ֖ע (yeda) = laat weten | אֵיפֹ֥ה (eifo) = waar | אַתֶּֽם (atem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De oversten waarschuwen Baruch en Jeremia dat de koning boos zal worden. Het verbergen is een noodzaak: vergelijk vers 26, waar de koning hen laat zoeken. Zie ook: 1 Kon 17:3; 1 Kon 18:4; 1 Kon 18:10; Jer 26:20–24; Jer 36:26 ### De koning verbrandt de boekrol **36:20** Zij gingen naar de koning in de voorhof. De boekrol hadden zij in de kamer van Elisjama, de schrijver, achtergelaten. Zij vertelden de koning al deze woorden. Brontekst: וַיָּבֹ֤אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | חָצֵ֔רָה (chatsera) = de voorhof in | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּגִלָּ֣ה (hamegila) = de rol | הִפְקִ֔דוּ (hifqidu) = zij hadden toevertrouwd | בְּלִשְׁכַּ֖ת (belishkat) = in de kamer van | אֱלִישָׁמָ֣ע (elishama) = Elisjama | הַסֹּפֵ֑ר (hasofer) = de schrijver | וַיַּגִּ֨ידוּ֙ (vayagidu) = en zij vertelden | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִֽים (hadevarim) = de woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחָצֵרָה (hechatserah), ‘in de voorhof’: de binnenplaats van het paleis. De koning zit volgens vers 22 in het winterhuis, dat bij die voorhof hoort. Zie ook: Jer 36:12; Jer 36:21; Jer 36:22 **36:21** De koning stuurde Jehoedi om de boekrol te halen. Hij haalde haar uit de kamer van Elisjama, de schrijver. Jehoedi las haar voor aan de koning en aan alle oversten die bij de koning stonden. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en zond | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדִ֗י (yehudi) = Jehoedi | לָקַ֨חַת֙ (laqachat) = om te halen | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּגִלָּ֔ה (hamegila) = de rol | וַיִּ֨קָּחֶ֔הָ (vayiqacheha) = en hij haalde haar | מִלִּשְׁכַּ֖ת (milishkat) = uit de kamer van | אֱלִישָׁמָ֣ע (elishama) = Elisjama | הַסֹּפֵ֑ר (hasofer) = de schrijver | וַיִּקְרָאֶ֤הָ (vayiqraeha) = en las haar | יְהוּדִי֙ (yehudi) = Jehoedi | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וּבְאָזְנֵי֙ (uveazenei) = en in de oren van | כָּל (kal) = alle | הַשָּׂרִ֔ים (hasarim) = de oversten | הָעֹמְדִ֖ים (haomedim) = die stonden | מֵעַ֥ל (meal) = bij | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 22:10; 2 Kron 34:18; Jer 26:2; Jer 36:15; Ezech 2:4–5 **36:22** De koning zat in het winterhuis, in de negende maand. De vuurpot brandde voor hem. Brontekst: וְהַמֶּ֗לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | יוֹשֵׁב֙ (yoshev) = zittend | בֵּ֣ית (beit) = in het huis van | הַחֹ֔רֶף (hachoref) = de winter | בַּחֹ֖דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַתְּשִׁיעִ֑י (hateshii) = de negende | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָ֖ח (haach) = de vuurpot | לְפָנָ֥יו (lefanav) = voor hem | מְבֹעָֽרֶת (mevoaret) = brandend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית הַחֹרֶף (beit hachoref), ‘winterhuis’: waarschijnlijk een deel van het paleis dat de koning in de koude maanden gebruikte; vergelijk Amos 3:15. Voetnoot : הָאָח (ha’ach), ‘de vuurpot’: een open haard of koperen pan met gloeiende kolen. Zie ook: Amos 3:15; Jer 3:20; Jer 22:14–16; Jer 36:9 **36:23** Telkens als Jehoedi drie of vier kolommen had gelezen, sneed de koning ze af met het schrijversmes. Hij wierp ze in het vuur in de vuurpot. Zo ging het door tot de hele boekrol was verteerd door het vuur in de vuurpot. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | כִּקְר֣וֹא (kiqro) = bij het lezen van | יְהוּדִ֗י (yehudi) = Jehoedi | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | דְּלָתוֹת֮ (delatot) = kolommen | וְאַרְבָּעָה֒ (vearbaa) = en vier | יִֽקְרָעֶ֨הָ֙ (yiqraeha) = sneed hij haar af | בְּתַ֣עַר (betaar) = met het mes van | הַסֹּפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | וְהַשְׁלֵ֕ךְ (vehashlekh) = en wierp | אֶל (el) = in | הָאֵ֖שׁ (haesh) = het vuur | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אֶל (el) = in | הָאָ֑ח (haach) = de vuurpot | עַד (ad) = totdat | תֹּם֙ (tom) = was verteerd | כָּל (kal) = de hele | הַמְּגִלָּ֔ה (hamegila) = rol | עַל (al) = op | הָאֵ֖שׁ (haesh) = het vuur | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָאָֽח (haach) = de vuurpot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּלָתוֹת (delatot), ‘kolommen’: letterlijk ‘deuren’. Het woord noemt de bladzijden van een boekrol, die als deuren naast elkaar staan. Wij vertalen ‘kolommen’. Voetnoot : תַּעַר הַסֹּפֵר (ta’ar hassofer), ‘mes van de schrijver’: het mes waarmee een schrijver zijn rietpen sneed en bladen afsneed. Zie ook: Spr 13:13; Spr 19:21; Spr 21:30; 1 Kon 22:8; 1 Kon 22:27 **36:24** De koning en al zijn dienaren, die al deze woorden hoorden, schrokken niet en scheurden hun kleren niet. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | פָחֲד֔וּ (pachadu) = schrokken zij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | קָרְע֖וּ (qareu) = scheurden zij | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵיהֶ֑ם (bigdeihem) = hun kleren | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְכָל (vekhal) = en al | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | הַשֹּׁ֣מְעִ֔ים (hashomeim) = die hoorden | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het scheuren van de kleren was het teken van berouw en schrik. Koning Josia scheurde zijn kleren toen hij de woorden van de Torah hoorde (2 Kon. 22:11). Jojakim, zijn zoon, doet dat niet. Zie ook: Ps 36:2; Ps 64:6; 1 Kon 21:27; 2 Kon 22:11; Jona 3:6; Jer 36:16 **36:25** Ook Elnatan, Delaja en Gemarja pleitten bij de koning om de boekrol niet te verbranden. Maar hij luisterde niet naar hen. Brontekst: וְגַם֩ (vegam) = en ook | אֶלְנָתָ֨ן (elnatan) = Elnatan | וּדְלָיָ֤הוּ (udelayahu) = en Delaja | וּגְמַרְיָ֨הוּ֙ (ugemaryahu) = en Gemarja | הִפְגִּ֣עוּ (hifgiu) = pleitten | בַמֶּ֔לֶךְ (bamelekh) = bij de koning | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = om niet | שְׂרֹ֖ף (serof) = te verbranden | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּגִלָּ֑ה (hamegila) = de rol | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמַ֖ע (shama) = luisterde hij | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִפְגִּעוּ (hifgi’u), ‘pleitten’: het werkwoord פָּגַע (paga) in de vorm hifil betekent ‘aandringen, pleiten’. Zie ook Jes. 53:12. Zie ook: Gen 37:22; Gen 37:26–28; Jes 53:12; Jer 13:15–17; Jer 36:12; Hand 5:34–39 ### Yahweh verbergt Baruch en Jeremia **36:26** De koning gebood Jerachmeël, de zoon van de koning, Seraja, de zoon van Azriël, en Sjelemja, de zoon van Abdeël, om Baruch, de schrijver, en Jeremia, de profeet, te grijpen. Maar Yahweh verborg hen. Brontekst: וַיְצַוֶּ֣ה (vaytsave) = en gebood | הַ֠מֶּלֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | יְרַחְמְאֵ֨ל (yerachmeel) = Jerachmeël | בֶּן (ben) = zoon van | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׂרָיָ֣הוּ (serayahu) = Seraja | בֶן (ben) = zoon van | עַזְרִיאֵ֗ל (azriel) = Azriël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שֶֽׁלֶמְיָ֨הוּ֙ (shelemyahu) = Sjelemja | בֶּֽן (ben) = zoon van | עַבְדְּאֵ֔ל (avdeel) = Abdeël | לָקַ֨חַת֙ (laqachat) = om te grijpen | אֶת (et) = (obj.) | בָּר֣וּךְ (barukh) = Baruch | הַסֹּפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | יִרְמְיָ֣הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | וַיַּסְתִּרֵ֖ם (vayastirem) = maar verborg hen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְרַחְמְאֵל בֶּן־הַמֶּלֶךְ (Yerachme’el ben-hammelekh), ‘Jerachmeël, de zoon van de koning’: ‘zoon van de koning’ kan een titel zijn voor een hoge ambtenaar van de koninklijke familie. Wij vertalen het letterlijk. Voetnoot : וַיַּסְתִּרֵם יְהוָה (vayastirem Yahweh), ‘maar Yahweh verborg hen’: Yahweh beschermt Zijn profeet en zijn schrijver, zoals vers 19 al voorspelde. Zie ook: Ps 91:1; 1 Kon 17:3; 1 Kon 19:1–3; 1 Kon 19:10; 1 Kon 19:14; Jer 36:19 ### De boekrol wordt opnieuw geschreven **36:27** De koning verbrandde de boekrol met de woorden die Baruch uit de mond van Jeremia had geschreven. Daarna kwam het woord van Yahweh tot Jeremia: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֑הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אַחֲרֵ֣י (acharei) = nadat | שְׂרֹ֣ף (serof) = verbrandde | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּגִלָּה֙ (hamegila) = de rol | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | כָּתַ֥ב (katav) = schreef | בָּר֛וּךְ (barukh) = Baruch | מִפִּ֥י (mipi) = uit de mond van | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 36:4 **36:28** **„Neem nogmaals een andere boekrol en schrijf daarop al de vorige woorden die op de eerste boekrol stonden. Jojakim, de koning van Juda, heeft die verbrand.** Brontekst: שׁ֥וּב (shuv) = keer terug | קַח (qach) = neem | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | מְגִלָּ֣ה (megila) = een rol | אַחֶ֑רֶת (acheret) = andere | וּכְתֹ֣ב (ukhetov) = en schrijf | עָלֶ֗יהָ (aleiha) = daarop | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִים֙ (hadevarim) = de woorden | הָרִ֣אשֹׁנִ֔ים (harishonim) = de eerste | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָי֗וּ (hayu) = waren | עַל (al) = op | הַמְּגִלָּה֙ (hamegila) = de rol | הָרִ֣אשֹׁנָ֔ה (harishona) = de eerste | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׂרַ֖ף (saraf) = verbrandde | יְהוֹיָקִ֥ים (yehoyaqim) = Jojakim | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּב קַח־לְךָ (shuv qach-lekha), ‘neem nogmaals’: letterlijk ‘keer terug, neem voor jou’. Yahweh geeft opdracht het werk over te doen. Zie ook: Job 23:13; Jer 28:13–14; Jer 44:28; Zach 1:5–6; Mat 24:35 **36:29** **En over Jojakim, de koning van Juda, moet je zeggen: ‘Zo zegt Yahweh. Jij hebt deze boekrol verbrand en gezegd: Waarom heb je daarop geschreven dat de koning van Babel zeker zal komen, dit land zal verwoesten en mens en dier eruit zal verdrijven?** Brontekst: וְעַל (veal) = en over | יְהוֹיָקִ֤ים (yehoyaqim) = Jojakim | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | תֹּאמַ֔ר (tomar) = zul je zeggen | כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אַ֠תָּה (ata) = jij | שָׂרַ֜פְתָּ (sarafta) = hebt verbrand | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּגִלָּ֤ה (hamegila) = de rol | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | מַדּוּעַ֩ (madua) = waarom | כָּתַ֨בְתָּ (katavta) = heb je geschreven | עָלֶ֜יהָ (aleiha) = daarop | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | בֹּֽא (bo) = komen | יָב֤וֹא (yavo) = zal hij komen | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | וְהִשְׁחִית֙ (vehishchit) = en hij zal verwoesten | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וְהִשְׁבִּ֥ית (vehishbit) = en hij zal doen ophouden | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = uit haar | אָדָ֥ם (adam) = mens | וּבְהֵמָֽה (uvehema) = en dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: De koning van Babel zal komen en ‘mens en dier’ uit het land laten verdwijnen: het boek bevat dus een aankondiging van een verwoesting door Babel. Voetnoot : Het Hebreeuws zet de woorden van de koning in twee ‘zeggende’-zinnen. Wij schrijven ze zonder extra aanhalingstekens. Zie ook: Deut 29:18; Jes 29:21; Jes 30:10; Jer 26:9; Jer 32:3 **36:30** **Daarom, zo zegt Yahweh over Jojakim, de koning van Juda: Hij zal niemand hebben die op de troon van David zit. Zijn lijk zal worden weggeworpen, overdag in de hitte en ’s nachts in de vorst.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | יְהֽוֹיָקִים֙ (yehoyaqim) = Jojakim | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | לֹא (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לּ֥וֹ (lo) = voor hem | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = zittende | עַל (al) = op | כִּסֵּ֣א (kise) = de troon van | דָוִ֑ד (david) = David | וְנִבְלָתוֹ֙ (venivlato) = en zijn lijk | תִּֽהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | מֻשְׁלֶ֔כֶת (mushlekhet) = weggeworpen | לַחֹ֥רֶב (lachorev) = voor de hitte | בַּיּ֖וֹם (bayom) = overdag | וְלַקֶּ֥רַח (velaqerach) = en voor de vorst | בַּלָּֽיְלָה (balayela) = 's nachts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹרֶב (choreb), ‘hitte’, en קֶרַח (qerach), ‘vorst’: zijn lijk blijft onbegraven, zowel in de hete dag als in de koude nacht. Zie ook Jer. 22:19. Zie ook: Gen 31:40; 2 Kon 24:12–15; Jer 22:18–19; Jer 22:19; Jer 22:30 **36:31** **Ik zal hem, zijn nageslacht en zijn dienaren straffen voor hun schuld. Ik zal over hen, over de inwoners van Jeruzalem en over de mannen van Juda al het onheil brengen dat Ik over hen heb gesproken. Zij hebben niet geluisterd.’”** Brontekst: וּפָקַדְתִּ֨י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עָלָ֧יו (alav) = over hem | וְעַל (veal) = en over | זַרְע֛וֹ (zaro) = zijn nageslacht | וְעַל (veal) = en over | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺנָ֑ם (avonam) = hun schuld | וְהֵבֵאתִ֣י (veheveti) = en Ik zal brengen | עֲ֠לֵיהֶם (aleihem) = over hen | וְעַל (veal) = en over | יֹשְׁבֵ֨י (yoshevei) = de inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְאֶל (veel) = en tot | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֵ֧ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֛ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבַּ֥רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמֵֽעוּ (shameu) = hebben zij geluisterd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פָּקַדְתִּי עָלָיו (paqadti alav), ‘Ik zal hem straffen’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken, zich ermee bemoeien’. Met עַל (al) is het ‘straffen voor’, zoals in Exod. 20:5. Zie ook: Ex 20:5; Lev 26:14; Spr 29:1; Jer 19:15; Jer 23:34; Jer 35:17 **36:32** Jeremia nam een andere boekrol en gaf die aan Baruch, de zoon van Nerija, de schrijver. Baruch schreef daarop, uit de mond van Jeremia, alle woorden van het boek dat Jojakim, de koning van Juda, met vuur had verbrand. Er werden nog veel woorden aan toegevoegd, zoals deze. Brontekst: וְיִרְמְיָ֜הוּ (veyirmeyahu) = en Jeremia | לָקַ֣ח (laqach) = nam | מְגִלָּ֣ה (megila) = een rol | אַחֶ֗רֶת (acheret) = andere | וַֽיִּתְּנָהּ֮ (vayitenah) = en gaf haar | אֶל (el) = aan | בָּר֣וּךְ (barukh) = Baruch | בֶּן (ben) = zoon van | נֵרִיָּהוּ֮ (neriyahu) = Nerija | הַסֹּפֵר֒ (hasofer) = de schrijver | וַיִּכְתֹּ֤ב (vayikhtov) = en schreef | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = daarop | מִפִּ֣י (mipi) = uit de mond van | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | הַסֵּ֔פֶר (hasefer) = het boek | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | שָׂרַ֛ף (saraf) = verbrandde | יְהוֹיָקִ֥ים (yehoyaqim) = Jojakim | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | וְע֨וֹד (veod) = en nog | נוֹסַ֧ף (nosaf) = werd toegevoegd | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = aan hen | דְּבָרִ֥ים (devarim) = woorden | רַבִּ֖ים (rabim) = vele | כָּהֵֽמָּה (kahema) = zoals zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er werden ‘nog veel woorden zoals deze’ toegevoegd: de tweede boekrol was dus groter dan de eerste. Zie ook Jer. 45 voor Baruch. Zie ook: Ex 4:15–16; Lev 26:18; Jer 36:4; Jer 36:18; Dan 3:19 ## Jeremia 37 _Zedekia vraagt om gebed, maar Jeremia wordt opgesloten_ ### Zedekia luistert niet **37:1** Zedekia, de zoon van Josia, regeerde als koning in de plaats van Jojachin, de zoon van Jojakim. Nebukadnezar, de koning van Babel, had hem tot koning gemaakt in het land Juda. Brontekst: וַיִּ֨מְלָךְ (vayimlakh) = en regeerde als koning | מֶ֔לֶךְ (melekh) = koning | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בֶּן (ben) = zoon van | יֹֽאשִׁיָּ֑הוּ (yoshiyahu) = Josia | תַּ֗חַת (tachat) = in plaats van | כָּנְיָ֨הוּ֙ (kaneyahu) = Jojachin | בֶּן (ben) = zoon van | יְה֣וֹיָקִ֔ים (yehoyaqim) = Jojakim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הִמְלִ֛יךְ (himlikh) = maakte tot koning | נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: כָּנְיָהוּ (Konyahu), ‘Konjahu’: een korte vorm van de naam Jojachin; zie de Uitleg bij Jer. 22:24. Zedekia, vroeger Mattanja, kreeg zijn naam van de koning van Babel (2 Kon. 24:17). Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘die Nebukadnezar tot koning had gemaakt’. Wij nemen aan dat dit over Zedekia gaat. Zie ook: 2 Kon 24:12; 2 Kon 24:17; 2 Kron 36:9–10; Jer 22:24; Ezech 17:12–21 **37:2** Maar noch hij, noch zijn dienaren, noch het volk van het land luisterde naar de woorden van Yahweh. Hij had ze door de hand van Jeremia, de profeet, gesproken. Brontekst: וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמַ֛ע (shama) = luisterde | ה֥וּא (hu) = hij | וַעֲבָדָ֖יו (vaavadav) = en zijn dienaren | וְעַ֣ם (veam) = en het volk van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | אֶל (el) = naar | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | דִּבֶּ֔ר (diber) = Hij sprak | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | יִרְמְיָ֥הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִֽיא (hanavi) = de profeet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie ook 2 Kron. 36:12, waar staat dat Zedekia zich niet verootmoedigde voor Jeremia, de profeet, die sprak uit de mond van Yahweh. Zie ook: Lev 8:36; Spr 29:12; 2 Kon 24:19–20; 2 Kron 36:12–16; 1 Tess 4:8 **37:3** Koning Zedekia stuurde Jehuchal, de zoon van Sjelemja, en Sefanja, de zoon van Maäseja, de priester, naar Jeremia, de profeet. Zij zeiden: „Bid toch voor ons tot Yahweh, onze Elohim.” Brontekst: וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en zond | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | צִדְקִיָּ֜הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּכַ֣ל (yehukhal) = Jehuchal | בֶּן (ben) = zoon van | שֶֽׁלֶמְיָ֗ה (shelemya) = Sjelemja | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צְפַנְיָ֤הוּ (tsefanyahu) = Sefanja | בֶן (ben) = zoon van | מַֽעֲשֵׂיָה֙ (maaseya) = Maäseja | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | אֶל (el) = naar | יִרְמְיָ֥הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הִתְפַּלֶּל (hitpalel) = bid | נָ֣א (na) = toch | בַעֲדֵ֔נוּ (baadenu) = voor ons | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוּכַל (Yehukhal), ‘Jehuchal’: in Jer. 38:1 staat יוּכַל (Yukhal), ‘Jukal’. Waarschijnlijk is het dezelfde man; de naam heeft twee schrijfwijzen. Wij houden beide spellingen zoals ze staan. Voetnoot : צְפַנְיָהוּ בֶּן־מַעֲשֵׂיָה (Tsefanyahu ben-Ma’aseyah), ‘Sefanja, de zoon van Maäseja’: een priester die ook in Jer. 21:1 en 29:25–29 voorkomt. Voetnoot : הִתְפַּלֶּל־נָא (hitpallel-na), ‘bid toch’: de koning vraagt de profeet om voorbede. Vergelijk Jer. 21:2. Zie ook: Jer 2:27; Jer 21:1–2; Jer 21:2; Jer 29:25; Jer 38:1; Jer 42:2–4; Jer 42:20 **37:4** Jeremia ging nog in en uit onder het volk. Men had hem nog niet in de gevangenis gezet. Brontekst: וְיִרְמְיָ֕הוּ (veyirmeyahu) = en Jeremia | בָּ֥א (ba) = kwam | וְיֹצֵ֖א (veyotse) = en ging uit | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וְלֹֽא (velo) = en niet | נָתְנ֥וּ (natenu) = hadden zij gegeven | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַכְּלֽוּא (hakelu) = de gevangenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft הַכְּלִיא, het qere הַכְּלוּא. Beide betekenen ‘de gevangenis’ (letterlijk ‘het huis van opsluiting’). Wij volgen het qere. Zie ook: Jer 32:2–3; Jer 37:15 ### Het leger van de farao en het woord van Yahweh **37:5** Het leger van de farao was uit Egypte getrokken. Toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, het bericht over hen hoorden, trokken zij weg van Jeruzalem. Brontekst: וְחֵ֥יל (vecheil) = en het leger van | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | יָצָ֣א (yatsa) = was uitgetrokken | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַיִּשְׁמְע֨וּ (vayishmeu) = en hoorden | הַכַּשְׂדִּ֜ים (hakasdim) = de Chaldeeën | הַצָּרִ֤ים (hatsarim) = de belegerende | עַל (al) = over | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushalaim) = Jeruzalem | אֶת (et) = (obj.) | שִׁמְעָ֔ם (shimam) = het bericht over hen | וַיֵּ֣עָל֔וּ (vayealu) = en zij trokken weg | מֵעַ֖ל (meal) = van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ‘Het leger van de farao’: waarschijnlijk dat van farao Hofra (Jer. 44:30), die Juda te hulp kwam. De tekst noemt hier geen naam. Voetnoot : שִׁמְעָם (shim’am), ‘het bericht over hen’: de Chaldeeën hoorden dat het leger van Egypte kwam en trokken weg van Jeruzalem. Zie ook Jer. 34:21. Zie ook: 2 Kon 24:7; Jer 34:21; Jer 37:7; Jer 37:11; Jer 44:30; Ezech 17:15 **37:6** Het woord van Yahweh kwam tot Jeremia, de profeet: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en kwam | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יִרְמְיָ֥הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:7** Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: **„Zo moeten jullie zeggen tegen de koning van Juda. Hij heeft jullie naar Mij gestuurd om Mij te raadplegen: ‘Zie, het leger van de farao is jullie te hulp uitgetrokken. Het keert terug naar zijn land, Egypte.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כֹּ֤ה (ko) = zo | תֹֽאמְרוּ֙ (tomru) = zullen jullie zeggen | אֶל (el) = tot | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | הַשֹּׁלֵ֧חַ (hasholeach) = die zond | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | אֵלַ֖י (elay) = naar Mij | לְדָרְשֵׁ֑נִי (ledaresheni) = om Mij te raadplegen | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | חֵ֣יל (cheil) = het leger van | פַּרְעֹ֗ה (paro) = farao | הַיֹּצֵ֤א (hayotse) = dat uittrekt | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לְעֶזְרָ֔ה (leezra) = tot hulp | שָׁ֥ב (shav) = zal terugkeren | לְאַרְצ֖וֹ (leartso) = naar zijn land | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: לְדָרְשֵׁנִי (lidrishni), ‘om Mij te raadplegen’: het werkwoord דָּרַשׁ (darash) betekent ‘zoeken, raadplegen’. De koning vraagt Yahweh om raad via de profeet, zoals in vers 3. Voetnoot : עֶזְרָה (ezrah), ‘hulp’: de hulp van Egypte. Zie ook Jes. 30:1–5. Voetnoot : De boodschap loopt door tot en met vers 10. De hele opdracht is Yahweh’s woord en staat rood; de boodschap aan de koning staat tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook: 2 Kon 22:18; Jes 30:1–5; Jes 31:1–3; Jer 21:2; Jer 37:3; Jer 37:10; Klaagl 4:17; Ezech 17:17 **37:8** **De Chaldeeën zullen terugkomen. Zij zullen tegen deze stad strijden, haar innemen en haar met vuur verbranden.** Brontekst: וְשָׁ֨בוּ֙ (veshavu) = en zullen terugkeren | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | וְנִלְחֲמ֖וּ (venilchamu) = en zullen strijden | עַל (al) = tegen | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | וּלְכָדֻ֖הָ (ulekhaduha) = en zullen haar innemen | וּשְׂרָפֻ֥הָ (userafuha) = en zullen haar verbranden | בָאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 32:29; Jer 34:21–22; Jer 38:23; Jer 39:2–8 **37:9** **Zo zegt Yahweh: Misleid jullie zelf niet door te zeggen: De Chaldeeën gaan zeker van ons weg. Want zij gaan niet weg.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַל (al) = niet | תַּשִּׁ֤אוּ (tashiu) = misleid | נַפְשֹֽׁתֵיכֶם֙ (nafshoteikhem) = jullie zielen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הָלֹ֛ךְ (halokh) = gaan | יֵלְכ֥וּ (yelekhu) = zullen weggaan | מֵעָלֵ֖ינוּ (mealeinu) = van ons | הַכַּשְׂדִּ֑ים (hakasdim) = de Chaldeeën | כִּי (ki) = want | לֹ֖א (lo) = niet | יֵלֵֽכוּ (yelekhu) = zullen zij weggaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַל־תַּשְּׁאוּ נַפְשֹׁתֵיכֶם (al-tassu nafshotekhem), ‘misleid jullie zelf niet’: het werkwoord נָשָׁא (nasha) betekent ‘bedriegen’. Letterlijk staat er ‘jullie zielen’, dat wil zeggen ‘jullie zelf’. Zie ook: Jer 29:8; Ob 1:3; Jak 1:22; Gal 6:3; Gal 6:7 **37:10** **Want ook als jullie het hele leger van de Chaldeeën versloegen dat tegen jullie strijdt, en er alleen nog doorstoken mannen van hen overbleven, dan zou ieder in zijn tent opstaan en deze stad met vuur verbranden.’”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אִם (im) = als | הִכִּיתֶ֞ם (hikitem) = jullie versloegen | כָּל (kal) = heel | חֵ֤יל (cheil) = het leger van | כַּשְׂדִּים֙ (kasdim) = de Chaldeeën | הַנִּלְחָמִ֣ים (hanilchamim) = die strijden | אִתְּכֶ֔ם (itekhem) = met jullie | וְנִ֨שְׁאֲרוּ (venisharu) = en overbleven | בָ֔ם (bam) = onder hen | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mannen | מְדֻקָּרִ֑ים (meduqarim) = doorstoken | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | בְּאָהֳלוֹ֙ (beaholo) = in zijn tent | יָק֔וּמוּ (yaqumu) = zouden opstaan | וְשָֽׂרְפ֛וּ (vesarefu) = en verbranden | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְדֻקָּרִים (medukkarim), ‘doorstoken’: mannen met steekwonden. Het beeld is: zelfs als de Chaldeeën bijna allemaal verslagen waren en alleen gewonden over waren, zou Yahweh de stad toch aan hen overgeven. Zie ook: Lev 26:36–38; Joël 2:11; Jes 30:17; Jer 50:45; Jer 51:4 ### Jeremia wordt gegrepen bij de Poort van Benjamin **37:11** Het leger van de Chaldeeën trok zich terug van Jeruzalem, vanwege het leger van de farao. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het gebeurde | בְּהֵֽעָלוֹת֙ (behealot) = bij het optrekken van | חֵ֣יל (cheil) = het leger van | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | מֵעַ֖ל (meal) = van | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | חֵ֥יל (cheil) = het leger van | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Jer 37:5 **37:12** Toen ging Jeremia Jeruzalem uit om naar het land Benjamin te gaan, om daar zijn deel te ontvangen te midden van het volk. Brontekst: וַיֵּצֵ֤א (vayetse) = en ging uit | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (mirushalaim) = uit Jeruzalem | לָלֶ֖כֶת (lalekhet) = om te gaan | אֶ֣רֶץ (erets) = naar het land | בִּנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | לַחֲלִ֥ק (lachaliq) = om een deel te ontvangen | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לַחֲלִק מִשָּׁם בְּתוֹךְ הָעָם (lachaliq misham betokh ha’am): het werkwoord חָלַק (chalaq) betekent ‘verdelen, een deel ontvangen’, maar de zin is moeilijk. Wij vertalen ‘om daar zijn deel te ontvangen te midden van het volk’; Jeremia heeft familiegrond in Anatot, in het land Benjamin (Jer. 32:6–9). Andere lezers vertalen ‘om zich daar tussen het volk te onttrekken’. Het is niet zeker. Zie ook: Joz 21:17–18; 1 Kon 19:3; Jer 1:1; Jer 32:6–9; Jer 32:8–9; Mat 10:23 **37:13** Hij was bij de Poort van Benjamin. Daar was een wachtcommandant, die Jirijja heette, de zoon van Sjelemja, de zoon van Chananja. Hij greep Jeremia, de profeet, en zei: „Jij loopt over naar de Chaldeeën.” Brontekst: וַיְהִי (vayhi) = en het gebeurde | ה֞וּא (hu) = hij | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = bij de poort van | בִּנְיָמִ֗ן (binyamin) = Benjamin | וְשָׁם֙ (vesham) = en daar | בַּ֣עַל (baal) = heer van | פְּקִדֻ֔ת (peqidut) = de wacht | וּשְׁמוֹ֙ (ushemo) = en zijn naam | יִרְאִיָּ֔יה (yiriyay) = Jirijja | בֶּן (ben) = zoon van | שֶֽׁלֶמְיָ֖ה (shelemya) = Sjelemja | בֶּן (ben) = zoon van | חֲנַנְיָ֑ה (chananya) = Chananja | וַיִּתְפֹּ֞שׂ (vayitpos) = en greep | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֤הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִיא֙ (hanavi) = de profeet | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אֶל (el) = naar | הַכַּשְׂדִּ֖ים (hakasdim) = de Chaldeeën | אַתָּ֥ה (ata) = jij | נֹפֵֽל (nofel) = loopt over Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Poort van Benjamin (ligging onzeker): De Poort van Benjamin was een stadspoort aan de noordkant van Jeruzalem, op de weg naar het land Benjamin. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שַׁעַר בִּנְיָמִן (sha’ar Binyamin), ‘de Poort van Benjamin’: een poort in de noordelijke muur van Jeruzalem, waar de weg naar het land Benjamin begint. Zie ook Jer. 38:7. Voetnoot : בַּעַל פְּקִדֻת (ba’al pequdut), ‘wachtcommandant’: letterlijk ‘heer van de wacht’. Voetnoot : יִרְאִיָּיה (Yir’iyyah), ‘Jirijja’: de naam betekent ‘Yahweh ziet’. Voetnoot : נֹפֵל אַתָּה אֶל־הַכַּשְׂדִּים (nofel attah el-hakasdim), ‘jij valt naar de Chaldeeën’: ‘vallen naar’ betekent ‘overlopen’. Zie ook Jer. 38:19 en 2 Kon. 25:11, waar de ‘overlopers’ staan. Zie ook: 2 Kon 25:11; Jer 21:9; Jer 38:7; Jer 38:19; Zach 14:10; Hand 6:11; Hand 24:13 **37:14** Jeremia zei: „Dat is een leugen. Ik loop niet over naar de Chaldeeën.” Maar hij luisterde niet naar hem. Jirijja greep Jeremia en bracht hem bij de oversten. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֜הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | שֶׁ֗קֶר (sheqer) = leugen | אֵינֶ֤נִּי (eineni) = ik ben niet | נֹפֵל֙ (nofel) = overlopend | עַל (al) = naar | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמַ֖ע (shama) = luisterde hij | אֵלָ֑יו (elav) = naar hem | וַיִּתְפֹּ֤שׂ (vayitpos) = en greep | יִרְאִיָּיה֙ (yiriyay) = Jirijja | בְּיִרְמְיָ֔הוּ (beyirmeyahu) = Jeremia | וַיְבִאֵ֖הוּ (vayviehu) = en bracht hem | אֶל (el) = naar | הַשָּׂרִֽים (hasarim) = de oversten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 27:12; Ps 52:3–4; Jer 40:4–6; Mat 5:11–12; Luc 6:22–23 **37:15** De oversten werden woedend op Jeremia. Zij sloegen hem en zetten hem vast in het huis van de hechtenis, in het huis van Jonatan, de schrijver. Want dat huis hadden zij tot gevangenis gemaakt. Brontekst: וַיִּקְצְפ֧וּ (vayiqtsefu) = en werden woedend | הַשָּׂרִ֛ים (hasarim) = de oversten | עַֽל (al) = op | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | וְהִכּ֣וּ (vehiku) = en sloegen | אֹת֑וֹ (oto) = hem | וְנָתְנ֨וּ (venatenu) = en gaven | אוֹת֜וֹ (oto) = hem | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֵס֗וּר (haesur) = de hechtenis | בֵּ֚ית (beit) = het huis van | יְהוֹנָתָ֣ן (yehonatan) = Jonatan | הַסֹּפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | כִּֽי (ki) = want | אֹת֥וֹ (oto) = hem | עָשׂ֖וּ (asu) = hadden zij gemaakt | לְבֵ֥ית (leveit) = tot het huis van | הַכֶּֽלֶא (hakele) = de gevangenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית הָאֵסוּר (beit ha’esur), ‘huis van de hechtenis’: de plaats waar men iemand vasthield. Het was het huis van Jonatan, de schrijver, dat tot gevangenis was gemaakt. Voetnoot : בֵּית הַכֶּלֶא (beit hakkele), ‘huis van de gevangenis’: een andere schrijfwijze dan in vers 4 (הַכְּלוּא, hakkelu). De betekenis is gelijk. Zie ook: Gen 39:20; 2 Kron 16:10; Jer 37:4; Jer 38:26; Mat 21:35; Hand 5:18 ### Jeremia in het kuilhuis **37:16** Jeremia kwam in het kuilhuis, in de cellen, en bleef daar vele dagen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בָ֧א (ba) = was gekomen | יִרְמְיָ֛הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = naar | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַבּ֖וֹר (habor) = de put | וְאֶל (veel) = en naar | הַֽחֲנֻ֑יוֹת (hachanuyot) = de cellen | וַיֵּֽשֶׁב (vayeshev) = en bleef | שָׁ֥ם (sham) = daar | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | רַבִּֽים (rabim) = vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית הַבּוֹר (beit habor), ‘huis van de put’: waarschijnlijk een onderaardse ruimte, zoals een droge regenput of een kelder. Wij vertalen ‘kuilhuis’. הַחֲנֻיוֹת (hachanuyot), ‘de cellen’: het woord komt alleen hier voor. Het betekent waarschijnlijk ‘gewelfde cellen’ of ‘gewelven’. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : Het vers begint met כִּי (ki), ‘want’ of ‘toen’. Wij laten het weg en laten het vers volgen op vers 15. Zie ook: Gen 40:15; Jer 37:15; Jer 38:6; Jer 38:10–13; Klaagl 3:53; Klaagl 3:55 ### Zedekia ondervraagt Jeremia in het geheim **37:17** Koning Zedekia stuurde iemand en liet hem halen. De koning vroeg hem in het geheim in zijn huis: „Is er een woord van Yahweh?” Jeremia zei: „Ja.” En hij zei: „In de hand van de koning van Babel zult u worden gegeven.” Brontekst: וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en zond | הַמֶּ֨לֶךְ (hamelekh) = de koning | צִדְקִיָּ֜הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | וַיִּקָּחֵ֗הוּ (vayiqachehu) = en liet hem halen | וַיִּשְׁאָלֵ֨הוּ (vayishalehu) = en vroeg hem | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּבֵיתוֹ֙ (beveito) = in zijn huis | בַּסֵּ֔תֶר (baseter) = in het geheim | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | הֲיֵ֥שׁ (hayesh) = is er | דָּבָ֖ר (davar) = een woord | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | יֵ֔שׁ (yesh) = er is | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | תִּנָּתֵֽן (tinaten) = zult u gegeven worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בַּסֵּתֶר (bassether), ‘in het geheim’: de koning durft niet openlijk naar het woord van Yahweh te vragen. Het antwoord is hetzelfde als in Jer. 34:2–3. Voetnoot : Wij gebruiken ‘u’ voor Jeremia’s woorden tot de koning, een hoge persoon. Zie ook: 1 Kon 22:16; Jer 21:7; Jer 24:8; Jer 34:2–3; Jer 37:3; Jer 38:24–27 **37:18** Jeremia zei tegen koning Zedekia: „Wat heb ik misdaan tegen u, tegen uw dienaren en tegen dit volk, dat u mij naar het gevangenhuis hebt gebracht? Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = tegen | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | צִדְקִיָּ֑הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶה֩ (me) = wat | חָטָ֨אתִֽי (chatati) = heb ik misdaan | לְךָ֤ (lekha) = tegen u | וְלַעֲבָדֶ֨יךָ֙ (velaavadeikha) = en tegen uw dienaren | וְלָעָ֣ם (velaam) = en tegen het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | כִּֽי (ki) = dat | נְתַתֶּ֥ם (netatem) = hebben jullie gegeven | אוֹתִ֖י (oti) = mij | אֶל (el) = naar | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַכֶּֽלֶא (hakele) = de gevangenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְתַתֶּם (netattem), ‘jullie hebben gegeven’: het werkwoord staat in het meervoud, terwijl Jeremia de koning aanspreekt. Jeremia bedoelt de koning en de oversten (vers 15). Wij vertalen ‘dat u mij … hebt gebracht’. Zie ook: Jer 37:15; Dan 6:23; Joh 10:32; Hand 25:8; Hand 25:11; Hand 25:25 **37:19** En waar zijn uw profeten die voor u hebben geprofeteerd: ‘De koning van Babel zal niet tegen u en tegen dit land optrekken’? Brontekst: וְאַיֵּה֙ (veaye) = en waar zijn | נְבִ֣יאֵיכֶ֔ם (nevieikhem) = uw profeten | אֲשֶׁר (asher) = die | נִבְּא֥וּ (nibeu) = hebben geprofeteerd | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לֹֽא (lo) = niet | יָבֹ֤א (yavo) = zal komen | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = tegen jullie | וְעַ֖ל (veal) = en tegen | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft וְאַיּוֹ, het qere וְאַיֵּה. Beide betekenen ‘en waar is/zijn’. Wij volgen het qere. Voetnoot : De profeten van Juda die zeiden dat Babel niet zou komen, worden ook genoemd in Jer. 27:14–16 en 28. Zie ook: Jer 2:28; Jer 8:11; Jer 14:13–15; Jer 27:14–18; Jer 28:10–17 **37:20** Hoor nu toch, mijn heer de koning. Laat mijn smeekbede toch voor u komen. Breng mij niet terug naar het huis van Jonatan, de schrijver, anders sterf ik daar.” Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | שְֽׁמַֽע (shema) = hoor | נָ֖א (na) = toch | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | תִּפָּל (tipal) = laat vallen | נָ֤א (na) = toch | תְחִנָּתִי֙ (techinati) = mijn smeekbede | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor u | וְאַל (veal) = en niet | תְּשִׁבֵ֗נִי (teshiveni) = laat mij terugkeren | בֵּ֚ית (beit) = het huis van | יְהוֹנָתָ֣ן (yehonatan) = Jonatan | הַסֹּפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אָמ֖וּת (amut) = zal ik sterven | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּפָּל־נָא תְחִנָּתִי (tippol-na techinnati), ‘laat mijn smeekbede toch vallen’: dezelfde uitdrukking als in Jer. 36:7. Jeremia werpt zich als het ware voor de koning neer. Voetnoot : הַסֹּפֵר (hassofer), ‘de schrijver’: Jonatan was een schrijver; zijn huis was door de oversten tot gevangenis gemaakt (vers 15). Zie ook: Jer 26:15; Jer 36:7; Jer 37:15; Jer 38:6–9; Jer 38:26; Hand 25:10–11 **37:21** Koning Zedekia gaf bevel, en zij plaatsten Jeremia op de binnenplaats van de wacht. Elke dag werd hem een brood gegeven uit de straat van de bakkers, tot al het brood in de stad op was. Zo bleef Jeremia op de binnenplaats van de wacht. Brontekst: וַיְצַוֶּ֞ה (vaytsave) = en gebood | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | צִדְקִיָּ֗הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | וַיַּפְקִ֣דוּ (vayafqidu) = en zij plaatsten | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָהוּ֮ (yirmeyahu) = Jeremia | בַּחֲצַ֣ר (bachatsar) = in de voorhof van | הַמַּטָּרָה֒ (hamatara) = de wacht | וְנָתֹן֩ (venaton) = en er werd gegeven | ל֨וֹ (lo) = aan hem | כִכַּר (kikar) = een ronde | לֶ֤חֶם (lechem) = brood | לַיּוֹם֙ (layom) = voor de dag | מִח֣וּץ (michuts) = uit de straat van | הָאֹפִ֔ים (haofim) = de bakkers | עַד (ad) = totdat | תֹּ֥ם (tom) = was opgebruikt | כָּל (kal) = al | הַלֶּ֖חֶם (halechem) = het brood | מִן (min) = uit | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיֵּ֣שֶׁב (vayeshev) = en bleef | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בַּחֲצַ֖ר (bachatsar) = in de voorhof van | הַמַּטָּרָֽה (hamatara) = de wacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲצַר הַמַּטָּרָה (chatsar hammattarah), ‘binnenplaats van de wacht’: een ruimte bij het paleis waar Jeremia onder bewaking werd gehouden. Hij zat niet in een kerker. Vandaar werd Jeremia later in de put gegooid (Jer. 38:6). Voetnoot : חוּץ הָאֹפִים (chuts ha’ofim), ‘de straat van de bakkers’: een straat in Jeruzalem waar bakkers hun werkplaats hadden. Voetnoot : כִּכַּר לֶחֶם (kikkar lechem), ‘een brood’: letterlijk ‘een ronde van brood’, een plat rond brood. Voetnoot : עַד־תֹּם כָּל־הַלֶּחֶם (ad-tom kol-hallechem), ‘tot al het brood op was’: de hongersnood tijdens het beleg (2 Kon. 25:3). Zie ook: 2 Kon 25:3; Jer 32:2; Jer 38:6; Jer 38:9; Jer 38:13; Jer 38:28; Jer 52:6 ## Jeremia 38 _Jeremia in de put en gered door Ebed-Melech_ ### De oversten klagen Jeremia aan **38:1** Sjefatja, de zoon van Mattan, Gedalja, de zoon van Pashchur, Jukal, de zoon van Sjelemja, en Pashchur, de zoon van Malkia, hoorden de woorden die Jeremia tot heel het volk sprak: Brontekst: וַיִּשְׁמַ֞ע (vayishma) = en hoorde | שְׁפַטְיָ֣ה (shefatya) = Sjefatja | בֶן (ben) = zoon van | מַתָּ֗ן (matan) = Mattan | וּגְדַלְיָ֨הוּ֙ (ugedalyahu) = en Gedalja | בֶּן (ben) = zoon van | פַּשְׁח֔וּר (pashchur) = Pashchur | וְיוּכַל֙ (veyukhal) = en Jukal | בֶּן (ben) = zoon van | שֶׁ֣לֶמְיָ֔הוּ (shelemyahu) = Sjelemja | וּפַשְׁח֖וּר (ufashchur) = en Pashchur | בֶּן (ben) = zoon van | מַלְכִּיָּ֑ה (malkiya) = Malkia | אֶ֨ת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | יִרְמְיָ֛הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מְדַבֵּ֥ר (medaber) = sprekend | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּשְׁחוּר בֶּן־מַלְכִּיָּה (Pashchur ben-Malkiyah), ‘Pashchur, de zoon van Malkia’: dezelfde man die Zedekia eerder naar Jeremia stuurde (Jer. 21:1). Hij is een andere man dan Pashchur, de zoon van Immer (Jer. 20:1). Voetnoot : יוּכַל (Yukhal), ‘Jukal’: in Jer. 37:3 staat יְהוּכַל (Yehukhal), ‘Jehuchal’. Het gaat waarschijnlijk om dezelfde man. Voetnoot : De woorden van Jeremia tot ‘heel het volk’ staan in vers 2–3. Zie ook: Jer 20:1; Jer 21:1–10; Jer 37:3–4; Jer 38:2–3; Neh 11:12; Hand 4:6–10; Hand 5:28 **38:2** Zo zegt Yahweh: **„Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, de honger en de pest. Maar wie naar de Chaldeeën uitgaat, zal leven. Zijn leven zal hem tot buit zijn, en hij zal leven.”** Brontekst: כֹּה֮ (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | הַיֹּשֵׁב֙ (hayoshev) = wie blijft | בָּעִ֣יר (bair) = in de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | יָמ֕וּת (yamut) = zal sterven | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = door het zwaard | בָּרָעָ֣ב (baraav) = door de honger | וּבַדָּ֑בֶר (uvadaver) = en door de pest | וְהַיֹּצֵ֤א (vehayotse) = en wie uitgaat | אֶל (el) = naar | הַכַּשְׂדִּים֙ (hakasdim) = de Chaldeeën | וְחָיָ֔ה (vechaya) = zal leven | וְהָיְתָה (vehayeta) = en zal zijn | לּ֥וֹ (lo) = voor hem | נַפְשׁ֛וֹ (nafsho) = zijn ziel | לְשָׁלָ֖ל (leshalal) = tot buit | וָחָֽי (vachay) = en zal leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit woord is bijna gelijk aan Jer. 21:9. De uitdrukking ‘zijn leven zal hem tot buit zijn’ betekent: hij verliest alles, maar houdt zijn leven. Het Hebreeuwse woord נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, betekent hier ‘leven, het zelf’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft יִחְיֶה, het qere וְחָיָה. De betekenis is gelijk: ‘en hij zal leven’. Wij volgen het qere. Zie ook: Jer 21:9; Jer 34:17; Jer 39:18; Jer 42:17; Jer 45:5; Ezech 14:21 **38:3** Zo zegt Yahweh: **„Deze stad wordt zeker in de hand van het leger van de koning van Babel gegeven. Hij zal haar innemen.”** Brontekst: כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הִנָּתֹ֨ן (hinaton) = zeker | תִּנָּתֵ֜ן (tinaten) = zal worden gegeven | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֗את (hazot) = deze | בְּיַ֛ד (beyad) = in de hand van | חֵ֥יל (cheil) = het leger van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וּלְכָדָֽהּ (ulekhadah) = en hij zal haar innemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Jer 21:10; Jer 32:3–5 **38:4** De oversten zeiden tegen de koning: „Laat deze man toch ter dood brengen. Want zo maakt hij de handen slap van de krijgsmannen die in deze stad zijn overgebleven, en de handen van heel het volk. Hij doet dat door zulke woorden tot hen te spreken. Want deze man zoekt niet de vrede van dit volk, maar het onheil.” Brontekst: וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en zeiden | הַשָּׂרִ֜ים (hasarim) = de oversten | אֶל (el) = tot | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | י֣וּמַת (yumat) = laat worden gedood | נָא֮ (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַזֶּה֒ (haze) = deze | כִּֽי (ki) = want | עַל (al) = om | כֵּ֡ן (ken) = zo | הֽוּא (hu) = hij | מְרַפֵּ֡א (merape) = maakt slap | אֶת (et) = (obj.) | יְדֵי֩ (yedei) = de handen van | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = de mannen van | הַמִּלְחָמָ֜ה (hamilchama) = de oorlog | הַֽנִּשְׁאָרִ֣ים (hanisharim) = die overblijven | בָּעִ֣יר (bair) = in de stad | הַזֹּ֗את (hazot) = deze | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | יְדֵ֣י (yedei) = de handen van | כָל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = door te spreken | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | כַּדְּבָרִ֖ים (kadevarim) = zoals de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | כִּ֣י (ki) = want | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | אֵינֶ֨נּוּ (einenu) = niet | דֹרֵ֧שׁ (doresh) = zoekt | לְשָׁל֛וֹם (leshalom) = vrede | לָעָ֥ם (laam) = voor het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | כִּ֥י (ki) = maar | אִם (im) = wel | לְרָעָֽה (leraa) = het onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְרַפֵּא יְדֵי (merappe yedei), ‘maakt de handen slap’: het werkwoord רָפָה (rafah) betekent ‘slap maken, de moed ontnemen’. Het beeld is: de handen van de krijgsmannen worden te zwak om te vechten. Zie ook Ezra 4:4. Voetnoot : שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: de oversten zeggen dat Jeremia niet de vrede van het volk zoekt, maar het onheil (רָעָה, ra’ah). Dat is het tegenovergestelde van wat hij werkelijk wil. Zie ook: Amos 7:10; Jer 26:11; Jer 29:7; Ezra 4:4; Neh 6:9; Hand 16:20 **38:5** Koning Zedekia zei: „Zie, hij is in jullie hand. De koning is immers niet in staat iets tegen jullie te doen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | צִדְקִיָּ֔הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | הִנֵּה (hine) = zie | ה֖וּא (hu) = hij | בְּיֶדְכֶ֑ם (beyedkhem) = in jullie hand | כִּֽי (ki) = want | אֵ֣ין (ein) = niet is | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | יוּכַ֥ל (yukhal) = in staat | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | דָּבָֽר (davar) = iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zedekia zegt: ‘de koning is niet in staat iets tegen jullie te doen.’ Hij is zwak tegenover zijn oversten. Het Hebreeuws gebruikt ‘jullie’ voor de oversten. Zie ook: 1 Sam 29:9; 2 Sam 3:39; 2 Sam 19:23; Spr 29:25; Joh 19:12–16 ### Jeremia wordt in de put geworpen **38:6** Zij namen Jeremia en wierpen hem in de put van Malkia, de zoon van de koning, die op de binnenplaats van de wacht was. Zij lieten Jeremia met touwen af. In de put was geen water, alleen modder. Jeremia zonk weg in de modder. Brontekst: וַיִּקְח֣וּ (vayiqchu) = en zij namen | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | וַיַּשְׁלִ֨כוּ (vayashlikhu) = en wierpen | אֹת֜וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = in | הַבּ֣וֹר (habor) = de put | מַלְכִּיָּ֣הוּ (malkiyahu) = Malkia | בֶן (ben) = zoon van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בַּחֲצַ֣ר (bachatsar) = in de voorhof van | הַמַּטָּרָ֔ה (hamatara) = de wacht | וַיְשַׁלְּח֥וּ (vayshalechu) = en zij lieten af | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בַּחֲבָלִ֑ים (bachavalim) = met touwen | וּבַבּ֤וֹר (uvabor) = en in de put | אֵֽין (ein) = niet was | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = alleen | טִ֔יט (tit) = modder | וַיִּטְבַּ֥ע (vayitba) = en zonk weg | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בַּטִּֽיט (batit) = in de modder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בּוֹר (bor), ‘put’: een uitgegraven opslagplaats voor regenwater. Hier is hij leeg, op de modder na. Vergelijk Gen. 37:20, waar Jozef in een put wordt geworpen. Voetnoot : מַלְכִּיָּהוּ בֶן־הַמֶּלֶךְ (Malkiyahu ben-hammelekh), ‘Malkia, de zoon van de koning’: een koninklijke ambtenaar of een zoon van de koning. De put hoort bij de binnenplaats van de wacht (zie ook Jer. 37:21). Voetnoot : טִיט (tit), ‘modder’: Jeremia zinkt erin weg. Zie ook Ps. 40:3 en 69:3. Zie ook: Gen 37:20; Ps 40:3; Ps 69:3; Ps 69:15–16; Jer 37:16; Jer 37:21; Jer 38:22 ### Ebed-Melech de Kushiet bij de koning **38:7** Ebed-Melech, de Kushiet, een hofdienaar die in het huis van de koning was, hoorde dat zij Jeremia in de put hadden gezet. De koning zat toen in de Poort van Benjamin. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֡ע (vayishma) = en hoorde | עֶֽבֶד (eved) = Ebed | מֶ֨לֶךְ (melekh) = Melech | הַכּוּשִׁ֜י (hakushi) = de Kushiet | אִ֣ישׁ (ish) = man | סָרִ֗יס (saris) = hofdienaar | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | כִּֽי (ki) = dat | נָתְנ֥וּ (natenu) = zij hadden gezet | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = in | הַבּ֑וֹר (habor) = de put | וְהַמֶּ֥לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = zittend | בְּשַׁ֥עַר (beshaar) = in de poort van | בִּנְיָמִֽן (binyamin) = Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Poort van Benjamin (ligging onzeker): De Poort van Benjamin was een stadspoort aan de noordkant van Jeruzalem, op de weg naar het land Benjamin. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: עֶבֶד־מֶלֶךְ (Eved-Melekh), ‘Ebed-Melech’: de naam betekent ‘dienaar van de koning’. Voetnoot : הַכּוּשִׁי (hakKushi), ‘de Kushiet’: een man uit Kush, het land ten zuiden van Egypte. Zie ook Jer. 39:15–18, waar Yahweh hem een belofte doet. Voetnoot : סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: het woord kan ook ‘eunuch’ betekenen. Wij vertalen ‘hofdienaar’, zoals in 2 Kon. 25:19. Voetnoot : שַׁעַר בִּנְיָמִן (sha’ar Binyamin), ‘de Poort van Benjamin’: zie Jer. 37:13. De koning zit daar in de poort; een poort was ook de plaats waar men recht sprak. Zie ook: Deut 21:19; 2 Kon 25:19; Amos 5:10; Jer 29:2; Jer 37:13; Jer 39:15–18; Jer 39:16–18 **38:8** Ebed-Melech ging uit het huis van de koning en zei tegen de koning: Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging uit | עֶֽבֶד (eved) = Ebed | מֶ֖לֶךְ (melekh) = Melech | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | אֶל (el) = tot | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:9** „Mijn heer de koning, deze mannen hebben kwaad gedaan in alles wat zij met Jeremia, de profeet, hebben gedaan. Zij hebben hem in de put geworpen. Hij zal daar sterven van de honger, want er is geen brood meer in de stad.” Brontekst: אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | הֵרֵ֜עוּ (hereu) = hebben kwaad gedaan | הָאֲנָשִׁ֤ים (haanashim) = de mannen | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | עָשׂוּ֙ (asu) = zij hebben gedaan | לְיִרְמְיָ֣הוּ (leyirmeyahu) = aan Jeremia | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | הִשְׁלִ֖יכוּ (hishlikhu) = zij hebben geworpen | אֶל (el) = in | הַבּ֑וֹר (habor) = de put | וַיָּ֤מָת (vayamat) = en hij zal sterven | תַּחְתָּיו֙ (tachtav) = ter plaatse | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | הָֽרָעָ֔ב (haraav) = de honger | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niet is | הַלֶּ֛חֶם (halechem) = het brood | ע֖וֹד (od) = meer | בָּעִֽיר (bair) = in de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּמָת (vayyamot), ‘en hij zal sterven’: letterlijk ‘en hij is gestorven’, in een vorm die ook een wens of een gevolg kan zijn. Wij vertalen ‘hij zal sterven’. Voetnoot : תַּחְתָּיו (tachtav), ‘ter plaatse’: letterlijk ‘onder zich’; hij sterft daar waar hij is, in de put. Voetnoot : כִּי אֵין הַלֶּחֶם עוֹד בָּעִיר (ki ein hallechem od ba’ir), ‘want er is geen brood meer in de stad’: de hongersnood tijdens het beleg. In Jer. 37:21 kreeg Jeremia nog elke dag brood. Zie ook: Job 31:34; Spr 24:11–12; Spr 31:8–9; Jer 37:21–38:6; Jer 52:6 **38:10** De koning gaf Ebed-Melech, de Kushiet, bevel: „Neem dertig mannen van hier met je mee. Haal Jeremia, de profeet, uit de put, voordat hij sterft.” Brontekst: וַיְצַוֶּ֣ה (vaytsave) = en gebood | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֵ֛ת (et) = (obj.) | עֶֽבֶד (eved) = Ebed | מֶ֥לֶךְ (melekh) = Melech | הַכּוּשִׁ֖י (hakushi) = de Kushiet | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | קַ֣ח (qach) = neem | בְּיָדְךָ֤ (beyadekha) = in je hand | מִזֶּה֙ (mize) = vanhier | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | וְֽהַעֲלִ֜יתָ (vehaalita) = en haal omhoog | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֧הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֛יא (hanavi) = de profeet | מִן (min) = uit | הַבּ֖וֹר (habor) = de put | בְּטֶ֥רֶם (beterem) = voordat | יָמֽוּת (yamut) = hij sterft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלֹשִׁים אֲנָשִׁים (sheloshim anashim), ‘dertig mannen’: Ebed-Melech heeft hulp nodig om Jeremia uit de modder te trekken. Sommige oude vertalingen lezen een ander getal. Zie ook: Ps 75:11; Spr 21:1; Est 5:2; Est 8:7 **38:11** Ebed-Melech nam de mannen met zich mee en ging het huis van de koning binnen, naar een ruimte onder de voorraadkamer. Daar haalde hij versleten lappen en versleten vodden vandaan. Hij liet ze met touwen naar Jeremia in de put zakken. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | עֶֽבֶד (eved) = Ebed | מֶ֨לֶךְ (melekh) = Melech | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲנָשִׁ֜ים (haanashim) = de mannen | בְּיָד֗וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en kwam | בֵית (beit) = het huis van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֶל (el) = naar | תַּ֣חַת (tachat) = onder | הָאוֹצָ֔ר (haotsar) = de voorraadkamer | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | מִשָּׁם֙ (misham) = vandaar | בְּלוֹיֵ֣ (beloye) = versleten stukken van | סְחָב֔וֹת (sechavot) = lappen | וּבְלוֹיֵ֖ (uveloye) = en versleten stukken van | מְלָחִ֑ים (melachim) = vodden | וַיְשַׁלְּחֵ֧ם (vayshalechem) = en liet ze zakken | אֶֽל (el) = naar | יִרְמְיָ֛הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = in | הַבּ֖וֹר (habor) = de put | בַּחֲבָלִֽים (bachavalim) = met touwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאוֹצָר (ha’otsar), ‘de voorraadkamer’: een opslagplaats in het paleis voor kostbaarheden of voorraden. Voetnoot : בְּלוֹיֵ סְחָבוֹת וּבְלוֹיֵ מְלָחִים (beloyei sechavot uvloyei melachim), ‘versleten lappen en versleten vodden’: de woorden סְחָבוֹת (sechavot) en מְלָחִים (melachim) komen alleen in dit hoofdstuk voor. De betekenis ‘lappen, vodden’ volgt uit de samenhang. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft הַסְּחָבוֹת, met lidwoord, het qere סְחָבוֹת. De betekenis is gelijk. Wij volgen het qere. **38:12** Ebed-Melech, de Kushiet, zei tegen Jeremia: „Leg toch deze versleten lappen en vodden onder je oksels, onder de touwen.” Jeremia deed dat. Brontekst: וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en zei | עֶבֶד (eved) = Ebed | מֶ֨לֶךְ (melekh) = Melech | הַכּוּשִׁ֜י (hakushi) = de Kushiet | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | שִׂ֣ים (sim) = leg | נָ֠א (na) = toch | בְּלוֹאֵ֨י (beloei) = de versleten stukken van | הַסְּחָב֤וֹת (hasechavot) = de lappen | וְהַמְּלָחִים֙ (vehamelachim) = en de vodden | תַּ֚חַת (tachat) = onder | אַצִּל֣וֹת (atsilot) = de oksels van | יָדֶ֔יךָ (yadeikha) = je armen | מִתַּ֖חַת (mitachat) = onder | לַחֲבָלִ֑ים (lachavalim) = de touwen | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en deed | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַצִּלוֹת יָדֶיךָ (atsillot yadekha), ‘oksels’: letterlijk ‘gewrichten van je handen’. De lappen worden onder de oksels gelegd, zodat de touwen niet in zijn huid snijden. Zie ook: Rom 12:10; Rom 12:15; Ef 4:32 **38:13** Zij trokken Jeremia met de touwen omhoog en haalden hem uit de put. Jeremia bleef op de binnenplaats van de wacht. Brontekst: וַיִּמְשְׁכ֤וּ (vayimshekhu) = en zij trokken | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | בַּֽחֲבָלִ֔ים (bachavalim) = met touwen | וַיַּעֲל֥וּ (vayaalu) = en zij haalden omhoog | אֹת֖וֹ (oto) = hem | מִן (min) = uit | הַבּ֑וֹר (habor) = de put | וַיֵּ֣שֶׁב (vayeshev) = en bleef | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בַּחֲצַ֖ר (bachatsar) = in de voorhof van | הַמַּטָּרָֽה (hamatara) = de wacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jeremia is gered, maar nog niet vrij. Hij bleef op de binnenplaats van de wacht, zoals in Jer. 37:21. Zie ook: Jer 37:21; Jer 38:6; Hand 23:35; Hand 28:16; Hand 28:30 ### Zedekia ondervraagt Jeremia in het geheim **38:14** Koning Zedekia stuurde iemand en liet Jeremia, de profeet, bij zich komen, bij de derde ingang van het huis van Yahweh. De koning zei tegen Jeremia: „Ik vraag je iets. Verberg niets voor mij.” Brontekst: וַיִּשְׁלַ֞ח (vayishlach) = en zond | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | צִדְקִיָּ֗הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en liet halen | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֤הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִיא֙ (hanavi) = de profeet | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | אֶל (el) = naar | מָבוֹא֙ (mavo) = de ingang | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּבֵ֣ית (beveit) = bij het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | שֹׁאֵ֨ל (shoel) = vragend | אֲנִ֤י (ani) = ik | אֹֽתְךָ֙ (otekha) = aan u | דָּבָ֔ר (davar) = een zaak | אַל (al) = niet | תְּכַחֵ֥ד (tekhached) = verberg | מִמֶּ֖נִּי (mimeni) = voor mij | דָּבָֽר (davar) = iets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָבוֹא הַשְּׁלִישִׁי (mavo hashelishi), ‘de derde ingang’: een ingang bij het huis van Yahweh. Waar die lag, is niet bekend. Voetnoot : Het gesprek is in het geheim, net als in Jer. 37:17. Zie ook: 1 Sam 3:17–18; 1 Kon 22:16; Jer 21:1–2; Jer 37:17; Jer 42:2–5 **38:15** Jeremia zei tegen Zedekia: „Als ik het u zeg, zult u mij dan niet zeker doden? En als ik u raad geef, zult u niet naar mij luisteren.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = tot | צִדְקִיָּ֔הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | כִּ֚י (ki) = als | אַגִּ֣יד (agid) = ik het zeg | לְךָ֔ (lekha) = aan u | הֲל֖וֹא (halo) = nietwaar | הָמֵ֣ת (hamet) = doden | תְּמִיתֵ֑נִי (temiteni) = zult u mij doden | וְכִי֙ (vekhi) = en als | אִיעָ֣צְךָ֔ (iatsekha) = ik u raad geef | לֹ֥א (lo) = niet | תִשְׁמַ֖ע (tishma) = zult u luisteren | אֵלָֽי (elay) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jeremia noemt de koning ‘u’, een hoge persoon. De koning zegt in vers 14 ‘je’ tegen de profeet. Voetnoot : הֲלוֹא הָמֵת תְּמִיתֵנִי (halo hamet temitheni), ‘zult u mij niet zeker doden?’: Jeremia verwacht dat de koning zijn woorden niet zal aannemen. Zie ook: Jer 38:14; Luc 22:67–68 **38:16** Koning Zedekia zwoer in het geheim tegen Jeremia: „Zo waar Yahweh leeft, die ons dit leven heeft gegeven: ik zal je niet doden. Ik zal je ook niet overgeven in de hand van deze mannen die je het leven willen nemen.” Brontekst: וַיִּשָּׁבַ֞ע (vayishava) = en zwoer | הַמֶּ֧לֶךְ (hamelekh) = de koning | צִדְקִיָּ֛הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בַּסֵּ֣תֶר (baseter) = in het geheim | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | חַי (chay) = zo waar leeft | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | עָשָׂה (asa) = heeft gemaakt | לָ֨נוּ (lanu) = voor ons | אֶת (et) = (obj.) | הַנֶּ֤פֶשׁ (hanefesh) = de ziel | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | אִם (im) = indien | אֲמִיתֶ֔ךָ (amitekha) = ik u dood | וְאִם (veim) = en indien | אֶתֶּנְךָ֗ (etenkha) = ik u geef | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | הָאֲנָשִׁ֣ים (haanashim) = de mannen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מְבַקְשִׁ֖ים (mevaqshim) = zoeken | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = uw ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי־יְהוָה (chai-Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eedformule. De koning zweert bij Yahweh, die ‘ons dit leven (nefesh) heeft gegeven’. Voetnoot : אִם אֲמִיתֶךָ (im amitekha), ‘indien ik je dood’: de gebruikelijke vorm van een eed: ‘ik zal u niet doden’. Wij vertalen de gedachte. Zie ook: Jes 57:16; Jer 37:17; Jer 38:1–6; Zach 12:1; Joh 3:2 **38:17** Jeremia zei tegen Zedekia: Zo zegt Yahweh, Elohim van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Als je zeker uitgaat naar de oversten van de koning van Babel, dan zul je in leven blijven. Deze stad zal niet met vuur verbrand worden, en jij en je huis zullen in leven blijven.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֣הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = tot | צִדְקִיָּ֡הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָה֩ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = Elohim van | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אִם (im) = als | יָצֹ֨א (yatso) = uitgaan | תֵצֵ֜א (tetse) = zul je uitgaan | אֶל (el) = naar | שָׂרֵ֤י (sarei) = de oversten van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | וְחָיְתָ֣ה (vechayeta) = dan zal leven | נַפְשֶׁ֔ךָ (nafshekha) = je ziel | וְהָעִ֣יר (vehair) = en de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | לֹ֥א (lo) = niet | תִשָּׂרֵ֖ף (tisaref) = zal worden verbrand | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | וְחָיִ֖תָה (vechayita) = en zal leven | אַתָּ֥ה (ata) = jij | וּבֵיתֶֽךָ (uveitekha) = en je huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: יָצֹא תֵצֵא (yatso tetse), ‘zeker uitgaan’: ‘uitgaan naar de oversten van de koning van Babel’ betekent zich overgeven. Zie ook 2 Kon. 24:12, waar Jojachin dat deed. Voetnoot : De voorwaarde en de belofte staan hier: als Zedekia zich overgeeft, blijft hij in leven en wordt de stad gespaard. Zie ook: 2 Kon 24:12; Jer 21:8–10; Jer 27:12; Jer 27:17; Jer 38:2; Jer 39:3 **38:18** **Maar als je niet uitgaat naar de oversten van de koning van Babel, dan zal deze stad in de hand van de Chaldeeën worden gegeven. Zij zullen haar met vuur verbranden, en jij zult niet aan hun hand ontkomen.”** Brontekst: וְאִ֣ם (veim) = en als | לֹֽא (lo) = niet | תֵצֵ֗א (tetse) = je uitgaat | אֶל (el) = naar | שָׂרֵי֙ (sarei) = de oversten van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְנִתְּנָ֞ה (venitena) = dan zal worden gegeven | הָעִ֤יר (hair) = de stad | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | וּשְׂרָפ֖וּהָ (userafuha) = en zij zullen haar verbranden | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | לֹֽא (lo) = niet | תִמָּלֵ֥ט (timalet) = zult ontkomen | מִיָּדָֽם (miyadam) = aan hun hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: De tweede mogelijkheid: als Zedekia niet uitgaat, wordt de stad verbrand en komt hij zelf in de hand van de Chaldeeën. Vergelijk Jer. 34:2–3 en 2 Kon. 25:4–7. Zie ook: 2 Kon 25:4–10; Jer 24:8–10; Jer 32:3–5; Jer 34:2–3; Jer 37:8; Jer 38:3 **38:19** Koning Zedekia zei tegen Jeremia: „Ik ben bang voor de Judeeërs die naar de Chaldeeën zijn overgelopen. Straks geven zij mij in hun hand en mishandelen zij mij.” Brontekst: וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en zei | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֑הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֲנִ֧י (ani) = ik | דֹאֵ֣ג (doeg) = ben bang | אֶת (et) = (obj.) | הַיְּהוּדִ֗ים (hayehudim) = de Judeeërs | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נָֽפְלוּ֙ (nafelu) = zijn overgelopen | אֶל (el) = naar | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | פֶּֽן (pen) = opdat niet | יִתְּנ֥וּ (yitenu) = zij mij geven | אֹתִ֛י (oti) = mij | בְּיָדָ֖ם (beyadam) = in hun hand | וְהִתְעַלְּלוּ (vehitalelu) = en zij mishandelen | בִֽי (bi) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְעַלֵּל (hit’allel), ‘mishandelen’: het werkwoord betekent ‘iemand ruw behandelen, met hem spotten’. Zie ook 1 Sam. 31:4. Voetnoot : הַיְּהוּדִים אֲשֶׁר נָפְלוּ (hayehudim asher naflu), ‘de Judeeërs die zijn overgelopen’: Judeeërs die naar de Chaldeeën zijn overgegaan (Jer. 39:9; 2 Kon. 25:11). Zedekia is bang dat zij hem zullen bespotten. Zie ook: 1 Sam 31:4; 2 Kon 25:11; Jes 51:12–13; Jes 57:11; Jer 38:22; Jer 39:9; Joh 12:42; Joh 19:12–13 **38:20** Jeremia zei: „Zij zullen u niet overgeven. Luister toch naar de stem van Yahweh, in wat ik tot u zeg. Dan zal het goed met u gaan en zult u in leven blijven. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לֹ֣א (lo) = niet | יִתֵּ֑נוּ (yitenu) = zullen zij geven | שְֽׁמַֽע (shema) = luister | נָ֣א (na) = toch | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לַאֲשֶׁ֤ר (laasher) = in wat | אֲנִי֙ (ani) = ik | דֹּבֵ֣ר (dover) = spreek | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot u | וְיִ֥יטַב (veyitav) = en het zal goed gaan | לְךָ֖ (lekha) = met u | וּתְחִ֥י (utechi) = en zal leven | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = uw ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De rede van Jeremia tot de koning loopt door tot en met vers 23. Wat Yahweh hem heeft laten zien, brengt hij in zijn eigen woorden; wij zetten het zwart. Zie ook: 2 Kron 20:20; Jes 55:3; Jer 26:13; Jer 38:23; Dan 4:24; Hand 26:29 **38:21** Maar als u weigert uit te gaan, dan is dit het woord dat Yahweh mij heeft laten zien: Brontekst: וְאִם (veim) = en als | מָאֵ֥ן (maen) = weigerend | אַתָּ֖ה (ata) = u | לָצֵ֑את (latset) = om uit te gaan | זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הִרְאַ֖נִי (hirani) = liet mij zien | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִרְאַנִי יְהוָה (hir’ani Yahweh), ‘Yahweh heeft mij laten zien’: een visioen. Wat Jeremia ziet, staat in vers 22–23. Wij zetten dit zwart, omdat Jeremia het beschrijft; de woorden van de vrouwen staan tussen enkele aanhalingstekens. Zie ook: Job 23:13; Num 23:19–20; Jer 5:3; Jer 38:22–23; Ezech 2:4–5; Ezech 2:7 **38:22** Zie, alle vrouwen die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, worden uitgeleid naar de oversten van de koning van Babel. Zij zeggen: ‘Uw vrienden hebben u misleid en overmeesterd. Uw voeten zijn in de modder gezonken. Zij zijn teruggeweken.’ Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | כָל (kal) = alle | הַנָּשִׁ֗ים (hanashim) = de vrouwen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נִשְׁאֲרוּ֙ (nisharu) = zijn overgebleven | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | מוּצָא֕וֹת (mutsaot) = uitgeleid | אֶל (el) = naar | שָׂרֵ֖י (sarei) = de oversten van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | וְהֵ֣נָּה (vehena) = en zij | אֹמְר֗וֹת (omerot) = zeggend | הִסִּית֜וּךָ (hisitukha) = hebben u misleid | וְיָכְל֤וּ (veyakhelu) = en hebben overmeesterd | לְךָ֙ (lekha) = u | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | שְׁלֹמֶ֔ךָ (shelomekha) = uw vrede | הָטְבְּע֥וּ (hatbeu) = zijn gezonken | בַבֹּ֛ץ (babots) = in de modder | רַגְלֶ֖ךָ (raglekha) = uw voeten | נָסֹ֥גוּ (nasogu) = zij zijn teruggeweken | אָחֽוֹר (achor) = achterwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: אַנְשֵׁי שְׁלֹמֶךָ (anshei shelomekha), ‘de mannen van je vrede’: je vrienden, je bondgenoten. Zie ook Ps. 41:10 en Obad. 1:7. Voetnoot : בֹּץ (botz), ‘modder’: een ander woord dan טִיט (tit) in vers 6. Het beeld van voeten die in de modder wegzakken, past bij de put van Jeremia (vers 6). Zie ook: Ps 41:10; Ps 69:3; Jer 38:4–6; Jer 38:6; Jer 43:6; Klaagl 1:2; Klaagl 5:11; Ob 1:7 **38:23** Al uw vrouwen en uw zonen worden naar de Chaldeeën uitgeleid. U zelf zult niet aan hun hand ontkomen, want u wordt gegrepen door de hand van de koning van Babel. En deze stad zal met vuur worden verbrand.” Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | נָשֶׁ֣יךָ (nasheikha) = uw vrouwen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנֶ֗יךָ (baneikha) = uw zonen | מֽוֹצִאִים֙ (motsiim) = uitleidend | אֶל (el) = naar | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | וְאַתָּ֖ה (veata) = en u | לֹא (lo) = niet | תִמָּלֵ֣ט (timalet) = zult ontkomen | מִיָּדָ֑ם (miyadam) = aan hun hand | כִּ֣י (ki) = want | בְיַ֤ד (beyad) = door de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | תִּתָּפֵ֔שׂ (titafes) = zult gegrepen worden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | תִּשְׂרֹ֥ף (tisrof) = zal worden verbrand | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: 2 Kon 25:7; Jer 27:12–13; Jer 38:18; Jer 39:6; Jer 41:10 ### Het gesprek blijft geheim **38:24** Zedekia zei tegen Jeremia: „Laat niemand van deze woorden weten, dan zul je niet sterven. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | צִדְקִיָּ֜הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אִ֛ישׁ (ish) = niemand | אַל (al) = laat niet | יֵדַ֥ע (yeda) = weten | בַּדְּבָֽרִים (badevarim) = van de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תָמֽוּת (tamut) = zul je sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zedekia vraagt Jeremia het gesprek geheim te houden. **38:25** Als de oversten horen dat ik met je gesproken heb, en zij komen naar je toe en zeggen tegen je: ‘Vertel ons toch wat je tegen de koning hebt gezegd. Verberg het niet voor ons, dan doden wij je niet. Wat heeft de koning tegen je gezegd?’ Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en als | יִשְׁמְע֣וּ (yishmeu) = zullen horen | הַשָּׂרִים֮ (hasarim) = de oversten | כִּֽי (ki) = dat | דִבַּ֣רְתִּי (dibarti) = ik heb gesproken | אִתָּךְ֒ (itakh) = met je | וּבָ֣אוּ (uvau) = en zij komen | אֵלֶ֣יךָ (eleikha) = naar je | וְֽאָמְר֪וּ (veameru) = en zeggen | אֵלֶ֟יךָ (eleikha) = tegen je | הַגִּֽידָה (hagida) = vertel | נָּ֨א (na) = toch | לָ֜נוּ (lanu) = ons | מַה (ma) = wat | דִּבַּ֧רְתָּ (dibarta) = heb je gesproken | אֶל (el) = tot | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de koning | אַל (al) = niet | תְּכַחֵ֥ד (tekhached) = verberg | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = voor ons | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נְמִיתֶ֑ךָ (nemitekha) = zullen wij je doden | וּמַה (uma) = en wat | דִּבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot je | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin loopt door tot en met vers 26: ‘Als de oversten horen … dan moet je tegen hen zeggen’. Zie ook: Jer 38:4–6; Jer 38:26; Jer 38:27 **38:26** Dan moet je tegen hen zeggen: ‘Ik leg mijn smeekbede voor de koning neer, zodat hij mij niet terugbrengt naar het huis van Jonatan om daar te sterven.’” Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | מַפִּיל (mapil) = ik laat vallen | אֲנִ֥י (ani) = ik | תְחִנָּתִ֖י (techinati) = mijn smeekbede | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְבִלְתִּ֧י (levilti) = zodat niet | הֲשִׁיבֵ֛נִי (hashiveni) = hij mij laat terugkeren | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוֹנָתָ֖ן (yehonatan) = Jonatan | לָמ֥וּת (lamut) = om te sterven | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jeremia moet de oversten alleen zijn smeekbede melden. Dat is waar, want hij had de koning dat verzoek gedaan (Jer. 37:20). Zie ook: Jer 37:15; Jer 37:20; Jer 42:2; Est 4:8 **38:27** Alle oversten kwamen naar Jeremia en vroegen het hem. Hij vertelde hun precies wat de koning geboden had. Toen lieten zij hem met rust, want het gesprek was niet gehoord. Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ (vayavou) = en kwamen | כָל (kal) = alle | הַשָּׂרִ֤ים (hasarim) = de oversten | אֶֽל (el) = naar | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | וַיִּשְׁאֲל֣וּ (vayishalu) = en vroegen | אֹת֔וֹ (oto) = hem | וַיַּגֵּ֤ד (vayaged) = en hij vertelde | לָהֶם֙ (lahem) = hun | כְּכָל (kekhal) = overeenkomstig alle | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | צִוָּ֖ה (tsiva) = had geboden | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיַּחֲרִ֣שׁוּ (vayacharishu) = en zij zwegen | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = voor hem | כִּ֥י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | נִשְׁמַ֖ע (nishma) = was gehoord | הַדָּבָֽר (hadavar) = het gesprek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּחֲרִשׁוּ מִמֶּנּוּ (vayacharishu mimmennu), ‘en zij zwegen tegen hem’: het werkwoord חָרַשׁ (charash) betekent ‘zwijgen, zich stil houden’. Wij nemen aan: zij lieten hem met rust. Het is niet zeker. Voetnoot : כִּי לֹא נִשְׁמַע הַדָּבָר (ki lo nishma haddavar), ‘want het gesprek was niet gehoord’: niemand had het gesprek met de koning afgeluisterd. Zie ook: 1 Sam 10:15–16; 1 Sam 16:2–5; 2 Kon 6:19; Hand 23:6 **38:28** Jeremia bleef op de binnenplaats van de wacht tot de dag dat Jeruzalem werd ingenomen. Het gebeurde, toen Jeruzalem was ingenomen: Brontekst: וַיֵּ֤שֶׁב (vayeshev) = en bleef | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | בַּחֲצַ֣ר (bachatsar) = in de voorhof van | הַמַּטָּרָ֔ה (hamatara) = de wacht | עַד (ad) = tot | י֖וֹם (yom) = de dag | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִלְכְּדָ֣ה (nilkeda) = werd ingenomen | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְהָיָ֕ה (vehaya) = en het gebeurde | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = toen | נִלְכְּדָ֖ה (nilkeda) = werd ingenomen | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het laatste deel van het vers (‘Het gebeurde, toen Jeruzalem was ingenomen’) hoort in het Hebreeuws bij het verhaal in Jer. 39:3–14. Het vers 28 sluit het hoofdstuk af en leidt dat verhaal in. Zie ook: Ps 23:4; Jer 15:20–21; Jer 37:21; Jer 38:13; Jer 39:3–14; Jer 39:14 ## Jeremia 39 _De val van Jeruzalem en de belofte aan Ebed-Melech_ ### Het beleg en de val van Jeruzalem **39:1** In het negende jaar van koning Zedekia van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, met heel zijn leger naar Jeruzalem. Zij belegerden haar. Brontekst: בַּשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַ֠תְּשִׁעִית (hateshiit) = het negende | לְצִדְקִיָּ֨הוּ (letsidqiyahu) = van Zedekia | מֶלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָעֲשִׂרִ֗י (haasiri) = de tiende | בָּ֠א (ba) = kwam | נְבוּכַדְרֶאצַּ֨ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֤ל (bavel) = Babel | וְכָל (vekhal) = en heel | חֵילוֹ֙ (cheilo) = zijn leger | אֶל (el) = naar | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וַיָּצֻ֖רוּ (vayatsuru) = en zij belegerden | עָלֶֽיהָ (aleiha) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het negende jaar van Zedekia en de tiende maand: zo begon het beleg van Jeruzalem. Zie ook 2 Kon. 25:1 en Jer. 52:4. Daar staat ook de dag, de tiende van de maand. Voetnoot : De naam staat in het Hebreeuws als נְבוּכַדְרֶאצַּר (Nevukhadretsar); wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’, zoals in 2 Kon. 24–25. Voetnoot : וַיָּצֻרוּ (vayyatsuru), ‘en zij belegerden’: het werkwoord ‘omsingelen, insluiten’. Het beleg heeft in 2 Kon. 25:1 nog een kamp en een belegeringswal; die staan hier niet. Zie ook: 2 Kon 25:1–12; Jer 52:4–7; Ezech 24:1–2; Zach 8:19 **39:2** In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand, werd de stad opengebroken. Brontekst: בְּעַשְׁתֵּֽי (beashtei) = in elf | עֶשְׂרֵ֤ה (esre) = tien | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | לְצִדְקִיָּ֔הוּ (letsidqiyahu) = van Zedekia | בַּחֹ֥דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָרְבִיעִ֖י (harevii) = de vierde | בְּתִשְׁעָ֣ה (betisha) = op de negende | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָבְקְעָ֖ה (haveqea) = werd opengebroken | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het elfde jaar van Zedekia, de vierde maand, de negende dag: de dag waarop de stad werd opengebroken. Zie 2 Kon. 25:2–4 en Jer. 52:5–7. Voetnoot : הָבְקְעָה (havqe’ah), ‘werd opengebroken’: een lijdende vorm van het werkwoord ‘splijten, doorbreken’. Zo ook in 2 Kon. 25:4. Zie ook: 2 Kon 25:2–4; 2 Kon 25:3–4; 2 Kon 25:4; Mi 2:12–13; Sef 1:10; Jer 5:10; Jer 52:5–7; Jer 52:6–7 **39:3** Alle oversten van de koning van Babel kwamen en namen plaats in de middelste poort: Nergal-Sarezer, Samgar-Nebo, Sarsechim, de Rabsaris, Nergal-Sarezer, de Rabmag, en heel de rest van de oversten van de koning van Babel. Brontekst: וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en zij kwamen | כֹּ֚ל (kol) = alle | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וַיֵּשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en zij zaten | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = in de poort | הַתָּ֑וֶךְ (hatavekh) = de middelste | נֵרְגַ֣ל (neregal) = Nergal | שַׂר (sar) = Sar | אֶ֠צֶר (etser) = ezer | סַֽמְגַּר (samgar) = Samgar | נְב֞וּ (nevu) = Nebo | שַׂר (sar) = Sar | סְכִ֣ים (sekhim) = Sechim | רַב (rav) = Rab | סָרִ֗יס (saris) = Saris | נֵרְגַ֤ל (neregal) = Nergal | שַׂר (sar) = Sar | אֶ֨צֶר֙ (etser) = ezer | רַב (rav) = Rab | מָ֔ג (mag) = Mag | וְכָל (vekhal) = en heel | שְׁאֵרִ֔ית (sheerit) = de rest van | שָׂרֵ֖י (sarei) = oversten van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De middelste poort (שַׁעַר הַתָּוֶךְ, sha’ar hatavekh) was een poort van Jeruzalem. Haar ligging is niet bekend; mogelijk lag zij in het noorden van de stad. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: De namen zijn Babylonisch. Nergal-Sarezer, Samgar-Nebo en Sarsechim zijn uitspraken van namen die in het Hebreeuws niet helemaal zeker zijn. Wij laten ze zoals de tekst ze geeft. Er staan in het Hebreeuws twee keer ‘Nergal-Sarezer’: dat zijn mogelijk twee mannen, maar het kan ook één man zijn die twee keer genoemd wordt. In vers 13 staat ‘Nergal-Sarezer, de Rabmag’ opnieuw. Voetnoot : רַב סָרִיס (rav saris), ‘Rabsaris’, en רַב מָג (rav mag), ‘Rabmag’: titels van hoge ambtenaren. Het eerste is letterlijk ‘overste van de hovelingen’ (zoals 2 Kon. 18:17). De betekenis van ‘mag’ is niet zeker. Wij laten beide staan als namen. Zie ook: 2 Kon 17:30; 2 Kon 18:17; Jer 1:15; Jer 21:4; Jer 38:17; Jer 39:13 ### De vlucht en de straf van Zedekia **39:4** Toen Zedekia, de koning van Juda, en alle krijgsmannen hen zagen, vluchtten zij. Zij gingen ’s nachts de stad uit, langs de weg van de tuin van de koning, door de poort tussen de twee muren. Hij ging langs de weg van de Araba. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = toen | רָ֠אָם (raam) = zag hen | צִדְקִיָּ֨הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | וְכֹ֣ל (vekhol) = en alle | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָ֗ה (hamilchama) = de oorlog | וַֽ֠יִּבְרְחוּ (vayivrechu) = en zij vluchtten | וַיֵּצְא֨וּ (vayetseu) = en zij gingen uit | לַ֤יְלָה (layla) = ’s nachts | מִן (min) = uit | הָעִיר֙ (hair) = de stad | דֶּ֚רֶךְ (derekh) = weg van | גַּ֣ן (gan) = tuin van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | בְּשַׁ֖עַר (beshaar) = door de poort | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הַחֹמֹתָ֑יִם (hachomotayim) = de twee muren | וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = en hij ging uit | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = weg van | הָעֲרָבָֽה (haarava) = de Araba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Araba (הָעֲרָבָה, ha’aravah) is het diepe dal van de Jordaan en de Zoutzee. De tuin van de koning lag waarschijnlijk in het zuiden van de stad, bij de vijver van Siloam. De poort tussen de twee muren is niet met zekerheid aan te wijzen. Zie Tuin van de koning (ligging onzeker): De tuin van de koning lag in het zuiden van Jeruzalem, waarschijnlijk bij de vijver van Siloam. De precieze plaats is niet bekend. Zie Poort tussen de twee muren (ligging onzeker): De poort tussen de twee muren lag in de zuidelijke stadsmuur van Jeruzalem, bij de tuin van de koning. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: ‘Hen’ zijn de oversten van Babel uit vers 3. Het werkwoord ‘zag’ staat in het enkelvoud, ‘Zedekia zag hen’, met daarna ‘en alle krijgsmannen’. Wij vertalen met een meervoud. ‘Hij ging uit’ aan het slot is Zedekia zelf. Voetnoot : De woorden zijn bijna gelijk aan 2 Kon. 25:4. Daar staan de poort en de tuin in een andere volgorde en ontbreekt ‘toen zij hen zagen’. ‘De poort tussen de twee muren’ (הַחֹמֹתַיִם, hachomotayim) is dezelfde plaats. Zie ook: 2 Kon 25:4; 2 Kron 32:5; Amos 2:14; Jes 30:15–16; Jer 38:18–20; Jer 39:3; Jer 52:7–11 **39:5** Het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen. Zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Zij grepen hem en brachten hem naar Nebukadnezar, de koning van Babel, in Ribla, in het land Chamat. Daar sprak hij recht over hem uit. Brontekst: וַיִּרְדְּפ֨וּ (vayirdefu) = en zij achtervolgden | חֵיל (cheil) = leger van | כַּשְׂדִּ֜ים (kasdim) = Chaldeeën | אַחֲרֵיהֶ֗ם (achareihem) = achter hen | וַיַּשִּׂ֣גוּ (vayasigu) = en zij haalden in | אֶת (et) = (obj.) | צִדְקִיָּהוּ֮ (tsidqiyahu) = Zedekia | בְּעַֽרְב֣וֹת (bearvot) = op de vlakten van | יְרֵחוֹ֒ (yerecho) = Jericho | וַיִּקְח֣וּ (vayiqchu) = en zij grepen | אֹת֗וֹ (oto) = hem | וַֽ֠יַּעֲלֻהוּ (vayaaluhu) = en zij brachten hem omhoog | אֶל (el) = naar | נְבוּכַדְרֶאצַּ֧ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | רִבְלָ֖תָה (rivlata) = naar Ribla | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | חֲמָ֑ת (chamat) = Chamat | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | מִשְׁפָּטִֽים (mishpatim) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vlakten van Jericho (עַרְבוֹת יְרֵחוֹ, arvot Yerecho) liggen in het Jordaandal bij Jericho (Westelijke Jordaanoever). Ribla lag aan de Orontes in het huidige Syrië, ten zuidwesten van Homs. Het lag in het land Chamat. Zie ook 2 Kon. 25:6. Zie Vlakten van Jericho: De vlakten van Jericho zijn het lage land langs de Jordaan bij Jericho. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Dit vers is bijna gelijk aan 2 Kon. 25:5–6. In 2 Kon. 25:5 staat ‘de koning’ en ‘heel zijn leger was van hem weg verspreid’. Dat staat hier niet; hier staat ‘in het land Chamat’, wat in 2 Kon. 25:21 en Jer. 52:9 ook staat. Voetnoot : מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsuitspraken’: het woord staat in het meervoud. Wij vertalen zoals 2 Kon. 25:6: ‘recht uitspreken’. De aanklacht noemt de tekst niet; zie Ezech. 17:11–21. Zie ook: Joz 4:13; Joz 5:10; 2 Kon 23:33; 2 Kon 25:5–6; 2 Kon 25:6; 2 Kon 25:21; Jer 38:18; Jer 52:9; Jer 52:26–27; Ezech 17:11–21 **39:6** In Ribla slachtte de koning van Babel de zonen van Zedekia voor zijn ogen. Ook alle edelen van Juda slachtte de koning van Babel. Brontekst: וַיִּשְׁחַט֩ (vayishchat) = en hij slachtte | מֶ֨לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֜ל (bavel) = Babel | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֧י (benei) = zonen van | צִדְקִיָּ֛הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בְּרִבְלָ֖ה (berivla) = in Ribla | לְעֵינָ֑יו (leeinav) = voor zijn ogen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | חֹרֵ֣י (chorei) = edelen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | שָׁחַ֖ט (shachat) = slachtte | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh. Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: חֹרִים (chorim), ‘edelen’: mannen van een vrij en aanzienlijk geslacht. Het woord staat ook in 1 Kon. 21:8, 11. In Jer. 52:10 staat ‘alle oversten van Juda’. Zie ook: Deut 28:34; 1 Kon 21:8; 2 Kon 25:7; Jer 21:7; Jer 24:8–10; Jer 52:10 **39:7** De ogen van Zedekia maakte hij blind. Hij bond hem met koperen ketenen om hem naar Babel te brengen. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵינֵ֥י (einei) = ogen van | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | עִוֵּ֑ר (iver) = maakte hij blind | וַיַּאַסְרֵ֨הוּ֙ (vayaasrehu) = en hij bond hem | בַּֽנְחֻשְׁתַּ֔יִם (banchushtayim) = met koperen ketenen | לָבִ֥יא (lavi) = om te brengen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נְחֻשְׁתַּיִם (nechushtayim), ‘koperen ketenen’: letterlijk ‘dubbel koper’. De woorden zijn bijna gelijk aan 2 Kon. 25:7. Zie ook Ezech. 12:13, over een koning die Babel niet zal zien. Zie ook: Re 16:21; 2 Kon 25:7; Jer 32:4–5; Jer 52:11; Ezech 12:13 ### De stad wordt verwoest **39:8** Het huis van de koning en het huis van het volk verbrandden de Chaldeeën met vuur. De muren van Jeruzalem braken zij af. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = huis van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | שָׂרְפ֥וּ (sarefu) = verbrandden | הַכַּשְׂדִּ֖ים (hakasdim) = de Chaldeeën | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֹמ֥וֹת (chomot) = muren van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | נָתָֽצוּ (natatsu) = braken af Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בֵּית הָעָם (beit ha’am), ‘het huis van het volk’: waarschijnlijk de huizen van de gewone inwoners, tegenover ‘het huis van de koning’. De tempel staat hier niet bij. Zie 2 Kon. 25:9, waar ‘het huis van Yahweh’ en ‘alle huizen van Jeruzalem’ staan, en Jer. 52:13. Voetnoot : חֹמוֹת (chomot), ‘muren’: zie 2 Kon. 25:10. Zie ook: 2 Kon 25:9; 2 Kon 25:10; Mi 3:12; Jer 21:10; Jer 38:18; Jer 52:13–14; Neh 1:3 **39:9** Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde de rest van het volk weg dat in de stad was achtergebleven. Ook voerde hij de overlopers weg die naar hem waren overgelopen. Zo voerde hij de rest van het volk dat was achtergebleven naar Babel weg. Brontekst: וְאֵת֩ (veet) = en (obj.) | יֶ֨תֶר (yeter) = de rest van | הָעָ֜ם (haam) = het volk | הַנִּשְׁאָרִ֣ים (hanisharim) = de achterblijvers | בָּעִ֗יר (bair) = in de stad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנֹּֽפְלִים֙ (hanofelim) = de overlopers | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נָפְל֣וּ (nafelu) = liepen over | עָלָ֔יו (alav) = naar hem | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | יֶ֥תֶר (yeter) = de rest van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | הַנִּשְׁאָרִ֑ים (hanisharim) = de achterblijvers | הֶגְלָ֛ה (hegla) = voerde weg | נְבֽוּזַר (nevuzar) = Nebuzar | אֲדָ֥ן (adan) = Adan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֖ים (tabachim) = de lijfwacht | בָּבֶֽל (bavel) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נְבוּזַר אֲדָן (Nevuzar Adan), ‘Nebuzaradan’: hier in twee woorden geschreven, elders in één woord. Het is dezelfde man als in vers 10 en 13 en in 2 Kon. 25:8. Voetnoot : הַנֹּפְלִים (hannofelim), ‘de overlopers’: letterlijk ‘de gevallenen’, mensen die naar de koning van Babel waren overgelopen. Zie 2 Kon. 25:11. ‘Hem’ is de koning van Babel. Voetnoot : Het Hebreeuws noemt ‘de rest van het volk, de achterblijvers’ twee keer. Wij laten beide staan. Voetnoot : In 2 Kon. 25:11 staat aan het slot ‘de rest van de menigte’ in plaats van ‘de rest van het volk’. Zie ook: Gen 37:36; 2 Kon 25:8; 2 Kon 25:11; Jer 10:18; Jer 39:10; Jer 39:13; Jer 40:1; Jer 52:26 **39:10** Van het volk liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, de armen achter die niets hadden, in het land Juda. Op die dag gaf hij hun wijngaarden en akkers. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַדַּלִּ֗ים (hadalim) = de armen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | אֵין (ein) = niet | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | מְא֔וּמָה (meuma) = iets | הִשְׁאִ֛יר (hishir) = liet achter | נְבוּזַרְאֲדָ֥ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֖ים (tabachim) = de lijfwacht | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en hij gaf | לָהֶ֛ם (lahem) = aan hen | כְּרָמִ֥ים (keramim) = wijngaarden | וִֽיגֵבִ֖ים (vigevim) = en akkers | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: דַּלִּים (dallim), ‘armen’, en יְגֵבִים (yegevim), ‘akkers’: het tweede woord komt alleen hier voor. In 2 Kon. 25:12 staat een verwant woord, יֹגְבִים (yogvim), dat wij vertalen als ‘akkerbouwers’ (naast ‘wijngaardeniers’). De betekenis is niet helemaal zeker; wij nemen aan dat het om bouwland gaat. Zie ook: 2 Kon 25:12; Jer 40:7; Jer 52:16; Ezech 33:24 ### Jeremia wordt beschermd **39:11** Nebukadnezar, de koning van Babel, gaf over Jeremia bevel door middel van Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht. Hij zei: Brontekst: וַיְצַ֛ו (vaytsav) = en hij gaf bevel | נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | עַֽל (al) = over | יִרְמְיָ֑הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בְּיַ֛ד (beyad) = door de hand van | נְבוּזַרְאֲדָ֥ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֖ים (tabachim) = de lijfwacht | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Het bevel staat hier kort. Jer. 40:1–6 vertelt opnieuw hoe Jeremia door de bevelhebber van de lijfwacht wordt vrijgelaten. Zie ook: Job 5:19; Jer 15:11; Jer 15:21; Jer 37:2; Jer 40:1–6; Hand 24:23 **39:12** „Neem hem mee en houd je ogen op hem gericht. Doe hem niets kwaads aan. Maar doe met hem zoals hij tegen je zegt.” Brontekst: קָחֶ֗נּוּ (qachenu) = neem hem | וְעֵינֶ֨יךָ֙ (veeineikha) = en je ogen | שִׂ֣ים (sim) = leg | עָלָ֔יו (alav) = op hem | וְאַל (veal) = en niet | תַּ֥עַשׂ (taas) = doe | ל֖וֹ (lo) = hem | מְא֣וּמָה (meuma) = iets | רָּ֑ע (ra) = kwaads | כִּ֗י (ki) = maar | אם (em) = als | כַּֽאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | יְדַבֵּ֣ר (yedaber) = hij zal spreken | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot jou | כֵּ֖ן (ken) = zo | עֲשֵׂ֥ה (ase) = doe | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְעֵינֶיךָ שִׂים עָלָיו (ve’einekha sim alav), ‘en leg je ogen op hem’: een uitdrukking voor ‘zorg voor hem’ (zoals Gen. 44:21). Wij laten de uitdrukking staan. Zie ook Jer. 40:4. Zie ook: Gen 44:21; Ps 105:14–15; Spr 16:7; Spr 21:1; Jer 24:6; Jer 40:4 **39:13** Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, Nebusjazban, de Rabsaris, Nergal-Sarezer, de Rabmag, en alle hoge ambtenaren van de koning van Babel stuurden mensen. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֞ח (vayishlach) = en hij stuurde | נְבֽוּזַרְאֲדָ֣ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֗ים (tabachim) = de lijfwacht | וּנְבֽוּשַׁזְבָּן֙ (unevushazban) = en Nebusjazban | רַב (rav) = Rab | סָרִ֔יס (saris) = Saris | וְנֵרְגַ֥ל (veneregal) = en Nergal | שַׂר (sar) = Sar | אֶ֖צֶר (etser) = ezer | רַב (rav) = Rab | מָ֑ג (mag) = Mag | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | רַבֵּ֥י (rabei) = hoge ambtenaren van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier één werkwoord, ‘hij stuurde’, zonder voorwerp. Het vervolg in vers 14 heeft ‘zij stuurden’ en noemt wat er gebeurde. Wij nemen de gestuurde mensen als bedoeld. Voetnoot : נְבוּשַׁזְבָּן (Nevushazban), ‘Nebusjazban’: de naam is Babylonisch. Hij heet hier ook ‘Rabsaris’; zie vers 3. Voetnoot : רַבֵּי (rabbei), ‘hoge ambtenaren’: het zijn de ‘groten’ van de koning van Babel. Zie ook: Jer 39:3; Jer 39:9; Jer 39:14 **39:14** Zij zonden hen en lieten Jeremia halen van de binnenplaats van de wacht. Zij gaven hem aan Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, om hem naar het huis te brengen. Zo woonde hij te midden van het volk. Brontekst: וַיִּשְׁלְחוּ֩ (vayishlechu) = en zij stuurden | וַיִּקְח֨וּ (vayiqchu) = en zij namen | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֜הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵחֲצַ֣ר (mechatsar) = van de binnenplaats van | הַמַּטָּרָ֗ה (hamatara) = de wacht | וַיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en zij gaven | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | אֶל (el) = aan | גְּדַלְיָ֨הוּ֙ (gedalyahu) = Gedalja | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֣ם (achiqam) = Achikam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁפָ֔ן (shafan) = Safan | לְהוֹצִאֵ֖הוּ (lehotsiehu) = om hem te brengen | אֶל (el) = naar | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De binnenplaats van de wacht (חֲצַר הַמַּטָּרָה, chatsar hammattarah) lag volgens Jer. 32:2 in het huis van de koning van Juda. Zie ook Jer. 37:21 en 38:6. Voetnoot Uitleg: Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, wordt in 2 Kon. 25:22 door Nebukadnezar aangesteld. Zie ook Jer. 26:24 en 40:5. Voetnoot : Het huis: er staat ‘het huis’ zonder naam. Het is niet zeker van wie het huis was; wij laten het zo staan. Jer. 40:1–6 vertelt anders over de vrijlating van Jeremia: daar wordt hij vanuit Rama vrijgelaten. Wij laten beide verslagen naast elkaar staan. Zie ook: 2 Kon 22:12; 2 Kon 25:22–25; Jer 26:24; Jer 32:2; Jer 37:21; Jer 38:6; Jer 38:28; Jer 39:15; Jer 40:1–6; Jer 40:5 ### Een woord voor Ebed-Melech **39:15** Tot Jeremia was het woord van Yahweh gekomen toen hij opgesloten was op de binnenplaats van de wacht: Brontekst: וְאֶֽל (veel) = en tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הָיָ֣ה (haya) = was | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בִּֽהְיֹת֣וֹ (bihyoto) = toen hij was | עָצ֔וּר (atsur) = opgesloten | בַּחֲצַ֥ר (bachatsar) = op de binnenplaats van | הַמַּטָּרָ֖ה (hamatara) = de wacht | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit woord was al eerder tot Jeremia gekomen, in de tijd van het beleg (Jer. 38:7–13). Het Hebreeuws zegt alleen ‘tot Jeremia was het woord van Yahweh’. Omdat dit in de tijd van het beleg gebeurde, vertalen wij ‘was gekomen’. Zie ook: Jer 32:1–2; Jer 36:1–5; Jer 37:21; Jer 38:7–13; Jer 39:14; 2 Tim 2:9 **39:16** **„Ga en zeg tegen Ebed-Melech, de Kushiet: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Zie, Ik breng Mijn woorden over deze stad, ten kwade en niet ten goede. Op die dag zullen ze voor je ogen gebeuren.** Brontekst: הָל֣וֹךְ (halokh) = ga | וְאָמַרְתָּ֡ (veamarta) = en je zult zeggen | לְעֶבֶד (leeved) = tot Ebed | מֶ֨לֶךְ (melekh) = Melech | הַכּוּשִׁ֜י (hakushi) = de Kushiet | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הִנְנִי֩ (hinni) = zie Mij | מֵבִ֨יא (mevi) = brengend | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרַ֜י (devaray) = Mijn woorden | אֶל (el) = over | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֛את (hazot) = deze | לְרָעָ֖ה (leraa) = ten kwade | וְלֹ֣א (velo) = en niet | לְטוֹבָ֑ה (letova) = ten goede | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לְפָנֶ֖יךָ (lefaneikha) = voor je ogen | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶבֶד־מֶלֶךְ (Eved-Melekh), ‘Ebed-Melech’: letterlijk ‘dienaar van de koning’. Hij was een Kushiet, een man uit Kush (Nubië), een hoveling van koning Zedekia (Jer. 38:7). Hij had Jeremia uit de put gehaald. Voetnoot : De woorden van Yahweh aan Jeremia staan rood, ook de opdracht ‘Ga en zeg’. Daarbinnen staat de boodschap voor Ebed-Melech, in enkele aanhalingstekens. Voetnoot : הַכּוּשִׁי (hakushi), ‘de Kushiet’: iemand uit Kush. Voetnoot : לָרָעָה (lara’ah), ‘ten kwade’, en לְטוֹבָה (letovah), ‘ten goede’: zie Jer. 21:10 en 44:27. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is מבי (zonder aleph); het qere is מֵבִיא (mevi), ‘brengend’. De betekenis is gelijk; wij volgen het qere. Zie ook: 2 Kron 36:21; Jer 21:10; Jer 24:8–10; Jer 36:31; Jer 38:7; Jer 44:27; Dan 9:12; Zach 1:6 **39:17** **Op die dag bevrijd Ik je, godsspraak van Yahweh. Je wordt niet gegeven in de hand van de mannen voor wie jij bang bent.** Brontekst: וְהִצַּלְתִּ֥יךָ (vehitsaltikha) = en Ik zal je bevrijden | בַיּוֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תִנָּתֵן֙ (tinaten) = zul je worden gegeven | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁר (asher) = voor wie | אַתָּ֥ה (ata) = jij | יָג֖וֹר (yagor) = bang bent | מִפְּנֵיהֶֽם (mipeneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Voetnoot : וְהִצַּלְתִּיךָ (vehitsalticha), ‘en Ik zal je bevrijden’: wij vertalen het werkwoord נָצַל (natsal) in dit boek met ‘bevrijden’. Voetnoot : יָגוֹר (yagor), ‘bang zijn’: een zeldzamer woord voor ‘vrezen’, zoals in Deut. 28:60. Zie ook: Deut 28:60; 2 Sam 24:14; Ps 41:2–3; Ps 50:15; Ps 91:14–15; Jer 1:8; Jer 1:19 **39:18** **Want Ik laat je zeker ontkomen. Je valt niet door het zwaard. Je leven zal je tot buit zijn, omdat je op Mij hebt vertrouwd, godsspraak van Yahweh.’”** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מַלֵּט֙ (malet) = laten ontkomen | אֲמַלֶּטְךָ֔ (amaletkha) = Ik zal je laten ontkomen | וּבַחֶ֖רֶב (uvacherev) = en door het zwaard | לֹ֣א (lo) = niet | תִפֹּ֑ל (tipol) = zul je vallen | וְהָיְתָ֨ה (vehayeta) = en zal zijn | לְךָ֤ (lekha) = voor jou | נַפְשְׁךָ֙ (nafshekha) = je leven | לְשָׁלָ֔ל (leshalal) = tot buit | כִּֽי (ki) = want | בָטַ֥חְתָּ (batachta) = je hebt vertrouwd | בִּ֖י (bi) = op Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלֵּט אֲמַלֶּטְךָ (malet amallet’kha), ‘Ik zal je zeker laten ontkomen’: het werkwoord wordt herhaald voor nadruk. Voetnoot : וְהָיְתָה לְךָ נַפְשְׁךָ לְשָׁלָל (vehayetah lekha nafshekha leshalal), ‘je leven zal je tot buit zijn’: je ontkomt met alleen je leven, zoals iemand die uit een oorlog buit meeneemt. Zo ook in Jer. 21:9, 38:2 en 45:5. Voetnoot : בָּטַחְתָּ בִּי (batachta bi), ‘je hebt op Mij vertrouwd’: de reden voor de belofte. Zie Jer. 38:7–13 voor wat Ebed-Melech voor Jeremia deed. Zie ook: Ps 34:23; Ps 84:13; Jer 21:9; Jer 38:2; Jer 38:7–13; Jer 45:5; Ef 1:12 ## Jeremia 40 _Jeremia bij Gedalja in Mizpa_ ### Jeremia wordt vrijgelaten **40:1** Dit is het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam, nadat Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, hem uit Rama had laten gaan. Hij had hem meegenomen terwijl hij met boeien gebonden was, te midden van alle ballingen van Jeruzalem en Juda die naar Babel werden weggevoerd. Brontekst: הַדָּבָ֞ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | הָיָ֤ה (haya) = was | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אַחַ֣ר (achar) = nadat | שַׁלַּ֣ח (shalach) = hij had laten gaan | אֹת֗וֹ (oto) = hem | נְבוּזַרְאֲדָ֛ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֖ים (tabachim) = de lijfwacht | מִן (min) = uit | הָֽרָמָ֑ה (harama) = Rama | בְּקַחְתּ֣וֹ (beqachto) = toen hij nam | אֹת֗וֹ (oto) = hem | וְהֽוּא (vehu) = en hij | אָס֤וּר (asur) = was gebonden | בָּֽאזִקִּים֙ (baziqim) = met boeien | בְּת֨וֹךְ (betokh) = te midden van | כָּל (kal) = heel | גָּל֤וּת (galut) = de ballingen van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushalaim) = Jeruzalem | וִֽיהוּדָ֔ה (vihuda) = en Juda | הַמֻּגְלִ֖ים (hamuglim) = die werden weggevoerd | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Dit vers hoort bij 39:11–14, maar vertelt de vrijlating van Jeremia op een andere manier: hier is hij vastgebonden tussen de ballingen bij Rama en wordt hij daar door Nebuzaradan vrijgelaten. Wij laten beide verslagen naast elkaar staan. Voetnoot : שִׁלַּח (shillach), ‘laten gaan’: het werkwoord kan ‘wegsturen’ en ‘vrijlaten’ betekenen. Dat het ‘woord van Yahweh’ hier niet meteen volgt, is opvallend; in 42:7–22 volgt een woord van Yahweh. Voetnoot : אזקים (aziqqim), ‘boeien’: handboeien of ketenen. Zie ook: Joz 18:25; Jer 31:15; Hand 12:6–7; Hand 21:13; Ef 6:20 **40:2** De bevelhebber van de lijfwacht nam Jeremia en zei tegen hem: „Yahweh, jouw Elohim, heeft dit onheil over deze plaats uitgesproken. Brontekst: וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en hij nam | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֖ים (tabachim) = de lijfwacht | לְיִרְמְיָ֑הוּ (leyirmeyahu) = Jeremia | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֗יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | דִּבֶּר֙ (diber) = heeft gesproken | אֶת (et) = (obj.) | הָרָעָ֣ה (haraa) = het onheil | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | אֶל (el) = over | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Rama (הָרָמָה, harama) lag in het gebied van Benjamin, ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, bij het huidige er-Ram (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: Nebuzaradan, een Babylonische bevelhebber, spreekt hier over Yahweh, en wel als over ‘jouw Elohim’. Hij zegt dat het onheil door Yahweh is gesproken en gebracht. Zijn woorden staan zwart, omdat hij het zegt. Zie ook: Deut 29:23–27; 1 Kon 9:8–9; 2 Kron 7:20–22; Jer 22:8–9; Klaagl 2:15–17 **40:3** Yahweh heeft het laten komen. Hij heeft gedaan zoals Hij gesproken heeft. Want jullie hebben tegen Yahweh gezondigd en niet naar Zijn stem geluisterd. Zo is deze zaak jullie overkomen. Brontekst: וַיָּבֵ֥א (vayave) = en hij heeft laten komen | וַיַּ֛עַשׂ (vayaas) = en hij heeft gedaan | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | דִּבֵּ֑ר (diber) = Hij sprak | כִּֽי (ki) = want | חֲטָאתֶ֤ם (chatatem) = jullie hebben gezondigd | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = tegen Yahweh | וְלֹֽא (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֣ם (shematem) = jullie hebben geluisterd | בְּקוֹל֔וֹ (beqolo) = naar Zijn stem | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het is geweest | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is דבר zonder lidwoord, het qere is הַדָּבָר (hadavar), ‘de zaak’. Wij volgen het qere. Het Hebreeuwse davar betekent ‘woord’ en ‘zaak’. Hier gaat het om wat er gebeurd is. Zie ook: Jer 50:7; Dan 9:11–12; Neh 9:33; Rom 2:5; Rom 3:19 **40:4** Nu, zie, ik maak je vandaag los van de boeien aan je hand. Als het goed is in je ogen om met mij naar Babel te komen, kom dan. Dan houd ik mijn oog op je gericht. Maar als het slecht is in je ogen om met mij naar Babel te komen, laat het dan. Zie, heel het land ligt voor je. Ga erheen waar het goed en juist is in je ogen om te gaan.” Brontekst: וְעַתָּ֞ה (veata) = en nu | הִנֵּ֧ה (hine) = zie | פִתַּחְתִּ֣יךָ (pitachtikha) = ik maak je los | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | מִֽן (min) = van | הָאזִקִּים֮ (haziqim) = de boeien | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = aan | יָדֶךָ֒ (yadekha) = je hand | אִם (im) = als | ט֨וֹב (tov) = goed | בְּעֵינֶ֜יךָ (beeineikha) = in je ogen | לָב֧וֹא (lavo) = om te komen | אִתִּ֣י (iti) = met mij | בָבֶ֗ל (bavel) = naar Babel | בֹּ֚א (bo) = kom | וְאָשִׂ֤ים (veasim) = en ik zal richten | אֶת (et) = (obj.) | עֵינִי֙ (eini) = mijn oog | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = op jou | וְאִם (veim) = en als | רַ֧ע (ra) = slecht | בְּעֵינֶ֛יךָ (beeineikha) = in je ogen | לָבֽוֹא (lavo) = om te komen | אִתִּ֥י (iti) = met mij | בָבֶ֖ל (bavel) = naar Babel | חֲדָ֑ל (chadal) = houd op | רְאֵה֙ (ree) = zie | כָּל (kal) = heel | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je | אֶל (el) = naar | ט֨וֹב (tov) = het goede | וְאֶל (veel) = en naar | הַיָּשָׁ֧ר (hayashar) = het juiste | בְּעֵינֶ֛יךָ (beeineikha) = in je ogen | לָלֶ֥כֶת (lalekhet) = om te gaan | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | לֵֽךְ (lekh) = ga Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: פִּתַּחְתִּיךָ (pittachticha), ‘ik maak je los’: letterlijk ‘ik open je’. Voetnoot : טוֹב בְּעֵינֶיךָ (tov be’einekha), ‘goed in je ogen’: wat je goed vindt. Zo ook in vers 5. Voetnoot : וְאָשִׂים אֶת עֵינִי עָלֶיךָ (ve’asim et eini alekha), ‘en ik zal mijn oog op je richten’: zoals in Jer. 39:12, ‘ik zal voor je zorgen’. Zie ook: Gen 13:9; Gen 20:15; Jer 39:11–12; Jer 39:12; Jer 40:5 **40:5** Jeremia was nog niet teruggekeerd. Toen zei Nebuzaradan: „Keer terug naar Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan. De koning van Babel heeft hem over de steden van Juda aangesteld. Woon bij hem te midden van het volk. Of ga naar elke plaats waar het goed is in je ogen om te gaan.” Toen gaf de bevelhebber van de lijfwacht hem een toelage en een geschenk, en hij liet hem gaan. Brontekst: וְעוֹדֶ֣נּוּ (veodenu) = en nog | לֹֽא (lo) = niet | יָשׁ֗וּב (yashuv) = keerde hij terug | וְשֻׁ֡בָה (veshuva) = keer terug | אֶל (el) = naar | גְּדַלְיָ֣ה (gedalya) = Gedalja | בֶן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֣ם (achiqam) = Achikam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁפָ֡ן (shafan) = Safan | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | הִפְקִ֨יד (hifqid) = heeft aangesteld | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֜ל (bavel) = Babel | בְּעָרֵ֣י (bearei) = over de steden van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וְשֵׁ֤ב (veshev) = en woon | אִתּוֹ֙ (ito) = bij hem | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | א֠וֹ (o) = of | אֶל (el) = naar | כָּל (kal) = alles | הַיָּשָׁ֧ר (hayashar) = wat goed is | בְּעֵינֶ֛יךָ (beeineikha) = in je ogen | לָלֶ֖כֶת (lalekhet) = om te gaan | לֵ֑ךְ (lekh) = ga | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | ל֧וֹ (lo) = hem | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֛ים (tabachim) = de lijfwacht | אֲרֻחָ֥ה (arucha) = een toelage | וּמַשְׂאֵ֖ת (umaset) = en een geschenk | וַֽיְשַׁלְּחֵֽהוּ (vayshalechehu) = en hij liet hem gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van het eerste deel is moeilijk: ‘En nog was hij niet teruggekeerd. Keer terug …’. Het Hebreeuws noemt geen onderwerp bij ‘zei’. Wij nemen aan dat Nebuzaradan nog eens tot Jeremia spreekt voordat die weggaat, en schrijven daarom ‘Toen zei Nebuzaradan’. Voetnoot : אֲרֻחָה (aruchah), ‘toelage’: een vast deel aan voedsel (zoals 2 Kon. 25:30). Voetnoot : מַשְׂאֵת (mas’et), ‘geschenk’: iets dat gegeven wordt. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Kon 8:7–9; 2 Kon 25:30; Jer 15:11; Jer 39:14; Jer 41:2; Neh 1:11 **40:6** Jeremia kwam bij Gedalja, de zoon van Achikam, in Mizpa. Hij woonde bij hem te midden van het volk dat in het land was overgebleven. Brontekst: וַיָּבֹ֧א (vayavo) = en hij kwam | יִרְמְיָ֛הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = naar | גְּדַלְיָ֥ה (gedalya) = Gedalja | בֶן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֖ם (achiqam) = Achikam | הַמִּצְפָּ֑תָה (hamitspata) = naar Mizpa | וַיֵּ֤שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | אִתּוֹ֙ (ito) = bij hem | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הַנִּשְׁאָרִ֖ים (hanisharim) = de overgeblevenen | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mizpa lag in het gebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem. Vaak denkt men aan Tell en-Nasbeh (Westelijke Jordaanoever). Voetnoot Uitleg: Zie 2 Kon. 25:22–23, waar Gedalja ook door de koning van Babel wordt aangesteld. Zie ook: Joz 15:38; Re 20:1; Re 21:1; 1 Sam 7:5–6; 2 Kon 25:22–23; Jer 39:14 ### Gedalja wordt aangesteld **40:7** Alle legeroversten die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden dat de koning van Babel Gedalja, de zoon van Achikam, over het land had aangesteld. Ook hoorden zij dat hij hem mannen, vrouwen en kinderen had toevertrouwd, uit de armsten van het land, van hen die niet naar Babel waren weggevoerd. Brontekst: וַיִּשְׁמְעוּ֩ (vayishmeu) = en zij hoorden | כָל (kal) = alle | שָׂרֵ֨י (sarei) = oversten van | הַחֲיָלִ֜ים (hachayalim) = de troepen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּשָּׂדֶ֗ה (basade) = in het veld waren | הֵ֚מָּה (hema) = zij | וְאַנְשֵׁיהֶ֔ם (veansheihem) = en hun mannen | כִּֽי (ki) = dat | הִפְקִ֧יד (hifqid) = had aangesteld | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֥הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֖ם (achiqam) = Achikam | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = over het land | וְכִ֣י (vekhi) = en dat | הִפְקִ֣יד (hifqid) = hij had toevertrouwd | אִתּ֗וֹ (ito) = aan hem | אֲנָשִׁ֤ים (anashim) = mannen | וְנָשִׁים֙ (venashim) = en vrouwen | וָטָ֔ף (vataf) = en kinderen | וּמִדַּלַּ֣ת (umidalat) = en uit de armsten van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | מֵאֲשֶׁ֥ר (measher) = van hen die | לֹֽא (lo) = niet | הָגְל֖וּ (hagelu) = waren weggevoerd | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Zie 2 Kon. 25:22–23 voor dezelfde gebeurtenis. Hier staat er meer: de legeroversten waren ‘in het veld’ en Gedalja kreeg mannen, vrouwen en kinderen toevertrouwd. Voetnoot : הִפְקִיד (hifqid), ‘aanstellen, toevertrouwen’: het werkwoord kan een taak of mensen geven. Wij vertalen bij Gedalja zelf ‘aanstellen’ (zoals 2 Kon. 25:23) en bij de mensen ‘toevertrouwen’. Voetnoot : דַּלַּת הָאָרֶץ (dallat ha’arets), ‘de armsten van het land’: zoals in 2 Kon. 25:12 en Jer. 39:10. Zie ook: 2 Kon 25:4; 2 Kon 25:12; 2 Kon 25:22–26; 2 Kon 25:23; Jer 39:4; Jer 39:10; Ezech 45:16 **40:8** Zij kwamen naar Gedalja in Mizpa: Jisjmaël, de zoon van Netanja, Jochanan en Jonatan, de zonen van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet, de zonen van Efai de Netofatiet, en Jezanja, de zoon van de Maächatiet, zij en hun mannen. Brontekst: וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | גְּדַלְיָ֖ה (gedalya) = Gedalja | הַמִּצְפָּ֑תָה (hamitspata) = naar Mizpa | וְיִשְׁמָעֵ֣אל (veyishmael) = en Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֡הוּ (netanyahu) = Netanja | וְיוֹחָנָ֣ן (veyochanan) = en Jochanan | וְיוֹנָתָ֣ן (veyonatan) = en Jonatan | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | קָ֠רֵחַ (qareach) = Kareach | וּשְׂרָיָ֨ה (useraya) = en Seraja | בֶן (ben) = zoon van | תַּנְחֻ֜מֶת (tanchumet) = Tanchumet | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | עֵיפַ֣י (eifay) = Efai | הַנְּטֹפָתִ֗י (hanetofati) = de Netofatiet | וִֽיזַנְיָ֨הוּ֙ (vizanyahu) = en Jezanja | בֶּן (ben) = zoon van | הַמַּ֣עֲכָתִ֔י (hamaakhati) = de Maächatiet | הֵ֖מָּה (hema) = zij | וְאַנְשֵׁיהֶֽם (veansheihem) = en hun mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: De namen zijn bijna gelijk aan 2 Kon. 25:23, met enkele verschillen: hier staan ook Jonatan en de zonen van Efai, en de laatste man heet in het Hebreeuws Jezanja (יְזַנְיָהוּ), in 2 Kon. 25:23 Jaäzanja (יַאֲזַנְיָהוּ). Wij houden beide spellingen aan. Zie ook Jer. 42:1 (Jezanja, de zoon van Hosjaja). Voetnoot : יִשְׁמָעֵאל (Yishma’el), ‘Jisjmaël’: dezelfde letters als ‘Ismaël’; wij schrijven ‘Jisjmaël’ zoals in 2 Kon. 25:23. Voetnoot : הַנְּטֹפָתִי (hanetofati), ‘de Netofatiet’: iemand uit Netofa, bij Betlehem. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is עופי (Ofai); het qere is עֵיפַי (Efai). Wij volgen het qere. Zie ook: Deut 3:14; 2 Kon 25:23; Jer 40:6; Jer 42:1; Jer 43:2; Ezra 2:22 **40:9** Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, zwoer hun en hun mannen een eed. Hij zei: „Wees niet bang om de Chaldeeën te dienen. Blijf in het land en dien de koning van Babel. Dan zal het goed met jullie gaan. Brontekst: וַיִּשָּׁבַ֨ע (vayishava) = en hij zwoer | לָהֶ֜ם (lahem) = aan hen | גְּדַלְיָ֨הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֤ם (achiqam) = Achikam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁפָן֙ (shafan) = Safan | וּלְאַנְשֵׁיהֶ֣ם (uleansheihem) = en aan hun mannen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | אַל (al) = niet | תִּֽירְא֖וּ (tireu) = wees bang | מֵעֲב֣וֹד (meavod) = om te dienen | הַכַּשְׂדִּ֑ים (hakasdim) = de Chaldeeën | שְׁב֣וּ (shevu) = blijf | בָאָ֗רֶץ (baarets) = in het land | וְעִבְד֛וּ (veivdu) = en dien | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וְיִיטַ֥ב (veyitav) = en het zal goed zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Dit vers is bijna gelijk aan 2 Kon. 25:24, met één verschil. Daar staat ‘Wees niet bang voor de dienaren van de Chaldeeën’ (מֵעַבְדֵי, me’avdei). Hier staat מֵעֲבוֹד (me’avod), ‘om te dienen’: ‘Wees niet bang om de Chaldeeën te dienen’. Wij vertalen beide zoals ze staan. Voetnoot : Gedalja zwoer een eed. Zie ook 2 Kon. 25:24. Zie ook: 1 Sam 20:16–17; Ps 128:2; 2 Kon 25:24; Jer 27:11; Jer 38:17–20 **40:10** Ik zelf, zie, ik blijf in Mizpa om te staan voor de Chaldeeën die naar ons toe komen. Maar jullie: verzamel wijn, zomerfruit en olie. Doe het in jullie vaten en woon in jullie steden die jullie hebben ingenomen.” Brontekst: וַאֲנִ֗י (vaani) = en ik | הִנְנִ֤י (hinni) = zie mij | יֹשֵׁב֙ (yoshev) = blijvend | בַּמִּצְפָּ֔ה (bamitspa) = in Mizpa | לַֽעֲמֹד֙ (laamod) = om te staan | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָבֹ֖אוּ (yavou) = zullen komen | אֵלֵ֑ינוּ (eleinu) = naar ons | וְאַתֶּ֡ם (veatem) = en jullie | אִסְפוּ֩ (isfu) = verzamel | יַ֨יִן (yayin) = wijn | וְקַ֜יִץ (veqayits) = en zomerfruit | וְשֶׁ֗מֶן (veshemen) = en olie | וְשִׂ֨מוּ֙ (vesimu) = en doe het | בִּכְלֵיכֶ֔ם (bikhleikhem) = in jullie vaten | וּשְׁב֖וּ (ushevu) = en woon | בְּעָרֵיכֶ֥ם (beareikhem) = in jullie steden | אֲשֶׁר (asher) = die | תְּפַשְׂתֶּֽם (tefastem) = jullie hebben ingenomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: לַעֲמֹד לִפְנֵי (la’amod lifnei), ‘te staan voor’: Gedalja vertegenwoordigt het volk bij de Chaldeeën, de Babylonische ambtenaren. Voetnoot : קַיִץ (qayits), ‘zomerfruit’: zoals in Amos 8:1–2. Voetnoot : אֲשֶׁר תְּפַשְׂתֶּם (asher tefastem), ‘die jullie hebben ingenomen’: de steden waar zij zich hadden gevestigd. Zie ook: Deut 1:38; 2 Sam 16:1; Amos 8:1–2; Jer 35:19; Jer 40:12; Jer 48:32 **40:11** Ook alle Judeeërs die in Moab, bij de zonen van Ammon, in Edom en in alle landen waren, hoorden dat de koning van Babel aan Juda overgeblevenen had gelaten. Zij hoorden ook dat hij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, over hen had aangesteld. Brontekst: וְגַ֣ם (vegam) = en ook | כָּֽל (kal) = alle | הַיְּהוּדִ֡ים (hayehudim) = Judeeërs | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּמוֹאָ֣ב (bemoav) = in Moab | וּבִבְנֵֽי (uvivnei) = en bij de zonen van | עַמּ֨וֹן (amon) = Ammon | וּבֶאֱד֜וֹם (uveedom) = en in Edom | וַאֲשֶׁ֤ר (vaasher) = en die | בְּכָל (bekhal) = in alle | הָֽאֲרָצוֹת֙ (haaratsot) = landen | שָֽׁמְע֔וּ (shameu) = hoorden | כִּֽי (ki) = dat | נָתַ֧ן (natan) = had gegeven | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | שְׁאֵרִ֖ית (sheerit) = overgeblevenen | לִֽיהוּדָ֑ה (lihuda) = aan Juda | וְכִי֙ (vekhi) = en dat | הִפְקִ֣יד (hifqid) = hij had aangesteld | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֖הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֥ם (achiqam) = Achikam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁפָֽן (shafan) = Safan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: de rest die na de ondergang overbleef. Het woord staat nog in 40:15, 42:2, 42:15 en 44:12. Voetnoot : הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: mensen uit Juda, zoals in 2 Kon. 25:25. Zie ook: Num 25:1; 2 Kon 25:25; Jes 16:4; Ezech 5:3; Ezech 25:8; Ezech 35:15 **40:12** Alle Judeeërs keerden terug uit alle plaatsen waarheen zij verdreven waren. Zij kwamen in het land Juda, bij Gedalja in Mizpa. Zij verzamelden veel wijn en zomerfruit, zeer veel. Brontekst: וַיָּשֻׁ֣בוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | כָל (kal) = alle | הַיְּהוּדִ֗ים (hayehudim) = Judeeërs | מִכָּל (mikal) = uit alle | הַמְּקֹמוֹת֙ (hameqomot) = plaatsen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarheen | נִדְּחוּ (nidechu) = zij waren verdreven | שָׁ֔ם (sham) = daarheen | וַיָּבֹ֧אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶֽרֶץ (erets) = in het land van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = naar | גְּדַלְיָ֖הוּ (gedalyahu) = Gedalja | הַמִּצְפָּ֑תָה (hamitspata) = naar Mizpa | וַיַּאַסְפ֛וּ (vayaasfu) = en zij verzamelden | יַ֥יִן (yayin) = wijn | וָקַ֖יִץ (vaqayits) = en zomerfruit | הַרְבֵּ֥ה (harbe) = overvloedig | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: De Judeeërs die eerder uit het land waren gevlucht of verdreven, kwamen terug. De oogst van wijn en zomerfruit laat zien dat het land weer bewoond en bewerkt werd. Zie ook: Jer 43:5 ### De waarschuwing voor Gedalja **40:13** Jochanan, de zoon van Kareach, en alle legeroversten die in het veld waren, kwamen naar Gedalja in Mizpa. Brontekst: וְיֽוֹחָנָן֙ (veyochanan) = en Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֔חַ (qareach) = Kareach | וְכָל (vekhal) = en alle | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | הַחֲיָלִ֖ים (hachayalim) = de troepen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּשָּׂדֶ֑ה (basade) = in het veld waren | בָּ֥אוּ (bau) = kwamen | אֶל (el) = naar | גְּדַלְיָ֖הוּ (gedalyahu) = Gedalja | הַמִּצְפָּֽתָה (hamitspata) = naar Mizpa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Zie ook: Jer 40:8; Jer 42:1 **40:14** Zij zeiden tegen hem: „Weet je wel zeker dat Baälis, de koning van de zonen van Ammon, Jisjmaël, de zoon van Netanja, heeft gestuurd om je dood te slaan?” Maar Gedalja, de zoon van Achikam, geloofde hun niet. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | הֲיָדֹ֤עַ (hayadoa) = weet je wel | תֵּדַע֙ (teda) = je weet | כִּ֞י (ki) = dat | בַּעֲלִ֣יס (baalis) = Baälis | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | עַמּ֗וֹן (amon) = Ammon | שָׁלַח֙ (shalach) = heeft gestuurd | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׁמָעֵ֣אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֔ה (netanya) = Netanja | לְהַכֹּתְךָ֖ (lehakotekha) = om je te slaan | נָ֑פֶשׁ (nafesh) = het leven | וְלֹא (velo) = en niet | הֶאֱמִ֣ין (heemin) = geloofde | לָהֶ֔ם (lahem) = hen | גְּדַלְיָ֖הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיקָֽם (achiqam) = Achikam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: בַּעֲלִיס (Ba’alis), ‘Baälis’: de naam van de koning van de Ammonieten, verder niet bekend. Het is niet zeker waarom hij Gedalja wilde laten doden. Voetnoot : לְהַכֹּתְךָ נָפֶשׁ (lehakkotkha nafesh), ‘om je dood te slaan’: letterlijk ‘om je een ziel te slaan’, dat wil zeggen ‘om je het leven te nemen’. Zie ook: 1 Sam 11:1–3; 2 Sam 10:1–6; Spr 26:23–26; Jer 25:21; Jer 41:10 **40:15** Jochanan, de zoon van Kareach, zei in het geheim in Mizpa tegen Gedalja: „Laat mij toch gaan en Jisjmaël, de zoon van Netanja, doodslaan. Niemand zal het weten. Waarom zou hij je dood slaan? Dan wordt heel Juda dat zich bij je heeft verzameld, verspreid, en de overgeblevenen van Juda gaan verloren.” Brontekst: וְיוֹחָנָ֣ן (veyochanan) = en Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֡חַ (qareach) = Kareach | אָמַ֣ר (amar) = zei | אֶל (el) = tot | גְּדַלְיָהוּ֩ (gedalyahu) = Gedalja | בַסֵּ֨תֶר (baseter) = in het geheim | בַּמִּצְפָּ֜ה (bamitspa) = in Mizpa | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | אֵ֤לְכָה (elekha) = laat mij gaan | נָּא֙ (na) = toch | וְאַכֶּה֙ (veake) = en ik zal slaan | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׁמָעֵ֣אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֔ה (netanya) = Netanja | וְאִ֖ישׁ (veish) = en niemand | לֹ֣א (lo) = niet | יֵדָ֑ע (yeda) = zal het weten | לָ֧מָּה (lama) = waarom | יַכֶּ֣כָּה (yakeka) = zal hij je slaan | נֶּ֗פֶשׁ (nefesh) = het leven | וְנָפֹ֨צוּ֙ (venafotsu) = en zullen verspreid worden | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | הַנִּקְבָּצִ֣ים (haniqbatsim) = die verzameld zijn | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = bij je | וְאָבְדָ֖ה (veaveda) = en zal verloren gaan | שְׁאֵרִ֥ית (sheerit) = de overgeblevenen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: בַּסֵּתֶר (bassether), ‘in het geheim’: Jochanan wil Gedalja alleen spreken. Zie ook: Job 31:31; 1 Sam 26:8; 2 Sam 21:17; Jer 12:3–4; Joh 11:50 **40:16** Gedalja, de zoon van Achikam, zei tegen Jochanan, de zoon van Kareach: „Doe dit niet. Want wat je over Jisjmaël zegt, is leugen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | גְּדַלְיָ֤הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶן (ben) = zoon van | אֲחִיקָם֙ (achiqam) = Achikam | אֶל (el) = tot | יוֹחָנָ֣ן (yochanan) = Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֔חַ (qareach) = Kareach | אַֽל (al) = niet | תַּעֲשֵׂ֖ה (taase) = doe | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּֽי (ki) = want | שֶׁ֛קֶר (sheqer) = leugen | אַתָּ֥ה (ata) = jij | דֹבֵ֖ר (dover) = spreker | אֶל (el) = over | יִשְׁמָעֵֽאל (yishmael) = Jisjmaël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁקֶר (sheqer), ‘leugen’: Gedalja gelooft Jochanan niet. Dat wordt hem fataal (41:1–3). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is תעש (ta’as), het qere is תַּעֲשֵׂה (ta’aseh), ‘doe’. De betekenis is gelijk; wij volgen het qere. Zie ook: Jer 41:2; Mat 10:16–17; Rom 3:8 ## Jeremia 41 _De moord op Gedalja en de vlucht naar Egypte_ ### De moord op Gedalja **41:1** In de zevende maand kwam Jisjmaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisjama, uit het koninklijk nageslacht, naar Gedalja, de zoon van Achikam, in Mizpa. Hij kwam met de hoge ambtenaren van de koning en met tien man. Zij aten daar samen brood in Mizpa. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁבִיעִ֗י (hashevii) = de zevende | בָּ֣א (ba) = kwam | יִשְׁמָעֵ֣אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֣ה (netanya) = Netanja | בֶן (ben) = zoon van | אֱלִישָׁמָ֣ע (elishama) = Elisjama | מִזֶּ֣רַע (mizera) = uit het nageslacht van | הַ֠מְּלוּכָה (hamelukha) = het koningschap | וְרַבֵּ֨י (verabei) = en de hoge ambtenaren van | הַמֶּ֜לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַעֲשָׂרָ֨ה (vaasara) = en tien | אֲנָשִׁ֥ים (anashim) = mannen | אִתּ֛וֹ (ito) = met hem | אֶל (el) = naar | גְּדַלְיָ֥הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֖ם (achiqam) = Achikam | הַמִּצְפָּ֑תָה (hamitspata) = naar Mizpa | וַיֹּ֨אכְלוּ (vayokhlu) = en zij aten | שָׁ֥ם (sham) = daar | לֶ֛חֶם (lechem) = brood | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | בַּמִּצְפָּֽה (bamitspa) = in Mizpa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: Jisjmaël stamde ‘uit het koninklijk nageslacht’, dus uit het huis van David. Zie 2 Kon. 25:25, waar vrijwel dezelfde woorden staan. Hier staat erbij dat hij ook ‘de hoge ambtenaren van de koning’ bij zich had (zie Jer. 39:13) en dat zij samen brood aten. Voetnoot : Het jaar van deze zevende maand noemt de tekst niet. Een gezamenlijke maaltijd was een teken van vriendschap. Zie ook: 2 Sam 3:27; Ps 41:10; 2 Kon 25:25; Jer 39:13; Jer 40:6; Jer 40:8; Jer 40:14–16 **41:2** Jisjmaël, de zoon van Netanja, stond op met de tien man die bij hem waren. Zij sloegen Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, met het zwaard neer. Zo doodde hij hem die de koning van Babel over het land had aangesteld. Brontekst: וַיָּקָם֩ (vayaqam) = en hij stond op | יִשְׁמָעֵ֨אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֜ה (netanya) = Netanja | וַעֲשֶׂ֥רֶת (vaaseret) = en de tien | הָאֲנָשִׁ֣ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | הָי֣וּ (hayu) = waren | אִתּ֗וֹ (ito) = met hem | וַ֠יַּכּוּ (vayaku) = en zij sloegen | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֨הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֧ם (achiqam) = Achikam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁפָ֛ן (shafan) = Safan | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = met het zwaard | וַיָּ֣מֶת (vayamet) = en hij doodde | אֹת֑וֹ (oto) = hem | אֲשֶׁר (asher) = die | הִפְקִ֥יד (hifqid) = had aangesteld | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | בָּאָֽרֶץ (baarets) = over het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: וַיָּמֶת (vayyamet), ‘hij doodde’: een vorm van het werkwoord ‘sterven’ die ‘doen sterven’ betekent. In 2 Kon. 25:25 staat ‘en hij stierf’. Zie ook: 2 Sam 3:27; 2 Sam 20:9–10; Ps 41:10; 2 Kon 25:25; Jer 40:5 **41:3** Jisjmaël sloeg alle Judeeërs neer die bij hem waren, bij Gedalja in Mizpa, en de Chaldeeën die daar gevonden werden, de krijgsmannen. Brontekst: וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַיְּהוּדִ֗ים (hayehudim) = Judeeërs | אֲשֶׁר (asher) = die | הָי֨וּ (hayu) = waren | אִתּ֤וֹ (ito) = bij hem | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֨הוּ֙ (gedalyahu) = Gedalja | בַּמִּצְפָּ֔ה (bamitspa) = in Mizpa | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכַּשְׂדִּ֖ים (hakasdim) = de Chaldeeën | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נִמְצְאוּ (nimtseu) = gevonden werden | שָׁ֑ם (sham) = daar | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָ֔ה (hamilchama) = de oorlog | הִכָּ֖ה (hika) = sloeg neer | יִשְׁמָעֵֽאל (yishmael) = Jisjmaël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: Vergelijk 2 Kon. 25:25: ‘Ook de Judeeërs en de Chaldeeën die bij hem in Mizpa waren, sloegen zij neer.’ Hier staat bovendien dat de Chaldeeën ‘de krijgsmannen’ waren, waarschijnlijk soldaten van Babel die in Mizpa waren. Voetnoot : הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: zie 2 Kon. 25:25. Zie ook: Pred 9:18; 2 Kon 25:25; Jer 41:11–12; Klaagl 1:2 ### Mannen uit Sichem, Silo en Samaria **41:4** Op de tweede dag nadat hij Gedalja had gedood, wist nog niemand het. Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het was | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַשֵּׁנִ֖י (hasheni) = de tweede | לְהָמִ֣ית (lehamit) = na het doden van | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֑הוּ (gedalyahu) = Gedalja | וְאִ֖ישׁ (veish) = en niemand | לֹ֥א (lo) = niet | יָדָֽע (yada) = wist het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘Het was op de tweede dag na het doden van Gedalja, en niemand wist het.’ Wij maken er een zin van. Zie ook: 1 Sam 27:11; Ps 52:3–4 **41:5** Er kwamen mannen uit Sichem, uit Silo en uit Samaria: 80 man met afgeschoren baard, gescheurde kleren en sneden in hun lichaam. Zij hadden een graanoffer en wierook in hun hand om naar het huis van Yahweh te brengen. Brontekst: וַיָּבֹ֣אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֲ֠נָשִׁים (anashim) = mannen | מִשְּׁכֶ֞ם (mishekhem) = uit Sichem | מִשִּׁל֤וֹ (mishilo) = uit Silo | וּמִשֹּֽׁמְרוֹן֙ (umishomeron) = en uit Samaria | שְׁמֹנִ֣ים (shemonim) = tachtig | אִ֔ישׁ (ish) = man | מְגֻלְּחֵ֥י (megulechei) = met afgeschoren | זָקָ֛ן (zaqan) = baard | וּקְרֻעֵ֥י (uqeruei) = en met gescheurde | בְגָדִ֖ים (begadim) = kleren | וּמִתְגֹּֽדְדִ֑ים (umitgodedim) = en zich snijdend | וּמִנְחָ֤ה (umincha) = en een graanoffer | וּלְבוֹנָה֙ (ulevona) = en wierook | בְּיָדָ֔ם (beyadam) = in hun hand | לְהָבִ֖יא (lehavi) = om te brengen | בֵּ֥ית (beit) = naar het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sichem lag in het gebergte van Efraïm, bij het huidige Tell Balata, naast Nablus (Westelijke Jordaanoever). Silo lag bij Khirbet Seilun, ten noorden van Betel. Samaria was de hoofdstad van het noordelijke rijk, bij het huidige Sebastia (Westelijke Jordaanoever). Alle drie liggen in het gebied van het vroegere noordelijke rijk. Voetnoot Uitleg: Afgeschoren baarden, gescheurde kleren en sneden in het lichaam zijn tekenen van rouw. De mannen komen waarschijnlijk om te rouwen om het verwoeste huis van Yahweh. Het zichzelf snijden werd in de Wet verboden (Lev. 19:28; Deut. 14:1). Hier wordt het in de tekst alleen vermeld. Voetnoot : מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’, en לְבוֹנָה (levonah), ‘wierook’: offers die men naar het huis van Yahweh bracht, ook al lag het gebouw in puin. Zie ook: Lev 19:28; Deut 14:1; Joz 18:1; 1 Kon 12:1; 1 Kon 16:24; 2 Kon 25:9 **41:6** Jisjmaël, de zoon van Netanja, ging hen vanuit Mizpa tegemoet. Hij liep voortdurend en huilde. Toen hij hen ontmoette, zei hij tegen hen: „Kom naar Gedalja, de zoon van Achikam.” Brontekst: וַ֠יֵּצֵא (vayetse) = en hij ging uit | יִשְׁמָעֵ֨אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֤ה (netanya) = Netanja | לִקְרָאתָם֙ (liqratam) = hen tegemoet | מִן (min) = uit | הַמִּצְפָּ֔ה (hamitspa) = Mizpa | הֹלֵ֥ךְ (holekh) = voortgaand | הָלֹ֖ךְ (halokh) = voortgaand | וּבֹכֶ֑ה (uvokhe) = en wenend | וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כִּפְגֹ֣שׁ (kifgosh) = toen hij ontmoette | אֹתָ֔ם (otam) = hen | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | בֹּ֖אוּ (bou) = komt | אֶל (el) = naar | גְּדַלְיָ֥הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶן (ben) = zoon van | אֲחִיקָֽם (achiqam) = Achikam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: הֹלֵךְ הָלֹךְ וּבֹכֶה (holekh haloch uvokheh), ‘voortdurend gaand en wenend’: Jisjmaël loopt wenend de mannen tegemoet. Waarschijnlijk is dit een list. De tekst zegt het niet. Zie ook: 2 Sam 1:2–16; 2 Sam 3:16; Spr 26:23–26; Jer 50:4 **41:7** Toen zij midden in de stad kwamen, slachtte Jisjmaël, de zoon van Netanja, hen af. Hij wierp hen midden in de put, hij en de mannen die bij hem waren. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כְּבוֹאָ֖ם (kevoam) = toen zij kwamen | אֶל (el) = in | תּ֣וֹךְ (tokh) = het midden van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיִּשְׁחָטֵ֞ם (vayishchatem) = en hij slachtte hen af | יִשְׁמָעֵ֤אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָה֙ (netanya) = Netanja | אֶל (el) = in | תּ֣וֹךְ (tokh) = het midden van | הַבּ֔וֹר (habor) = de put | ה֖וּא (hu) = hij | וְהָאֲנָשִׁ֥ים (vehaanashim) = en de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּשְׁחָטֵם (vayyishchatem), ‘en hij slachtte hen af’: hetzelfde werkwoord als in 39:6 voor de zonen van Zedekia. Het Hebreeuws zegt ‘in het midden van de put’. Het woord ‘wierp’ voegen wij toe; vers 9 laat zien dat Jisjmaël de lijken in de put wierp. Voetnoot : הַבּוֹר (habor), ‘de put’: een waterput of regenput, vaak in de rots uitgehouwen. Zie ook: Ps 55:24; 2 Kon 15:25; Jes 59:7; Jer 41:9; Ezech 22:27; Rom 3:15 **41:8** Maar onder hen werden tien man gevonden. Zij zeiden tegen Jisjmaël: „Dood ons niet. Want wij hebben verborgen voorraden in het veld: tarwe, gerst, olie en honing.” Toen hield hij op en doodde hen niet te midden van hun broeders. Brontekst: וַעֲשָׂרָ֨ה (vaasara) = en tien | אֲנָשִׁ֜ים (anashim) = mannen | נִמְצְאוּ (nimtseu) = werden gevonden | בָ֗ם (bam) = onder hen | וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֶל (el) = tot | יִשְׁמָעֵאל֙ (yishmael) = Jisjmaël | אַל (al) = niet | תְּמִתֵ֔נוּ (temitenu) = dood ons | כִּֽי (ki) = want | יֶשׁ (yesh) = er is | לָ֤נוּ (lanu) = voor ons | מַטְמֹנִים֙ (matmonim) = verborgen voorraden | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | חִטִּ֥ים (chitim) = tarwe | וּשְׂעֹרִ֖ים (useorim) = en gerst | וְשֶׁ֣מֶן (veshemen) = en olie | וּדְבָ֑שׁ (udevash) = en honing | וַיֶּחְדַּ֕ל (vayechdal) = en hij hield op | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הֱמִיתָ֖ם (hemitam) = doodde hen | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | אֲחֵיהֶֽם (acheihem) = hun broeders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַטְמֹנִים (matmonim), ‘verborgen voorraden’: voorraden die in de grond of in holen verstopt zijn. Zo verbergen mensen hun bezit in oorlogstijd. Voetnoot : דְּבָשׁ (devash), ‘honing’: het kan bijenhoning zijn of een stroop van vruchten. Zie ook: Job 2:4; Spr 13:8; Jes 45:3; Mat 16:26; Fil 3:7–9 **41:9** Jisjmaël wierp alle lijken van de mannen die hij bij Gedalja had neergeslagen, in een put. Dat was de put die koning Asa had gemaakt vanwege Baësa, de koning van Israël. Jisjmaël, de zoon van Netanja, vulde hem met doden. Brontekst: וְהַבּ֗וֹר (vehabor) = en de put | אֲשֶׁר֩ (asher) = waarin | הִשְׁלִ֨יךְ (hishlikh) = hij wierp | שָׁ֤ם (sham) = daar | יִשְׁמָעֵאל֙ (yishmael) = Jisjmaël | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | פִּגְרֵ֣י (pigrei) = lijken van | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הִכָּה֙ (hika) = hij had neergeslagen | בְּיַד (beyad) = bij | גְּדַלְיָ֔הוּ (gedalyahu) = Gedalja | ה֗וּא (hu) = dat | אֲשֶׁ֤ר (asher) = is die | עָשָׂה֙ (asa) = had gemaakt | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָסָ֔א (asa) = Asa | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | בַּעְשָׁ֣א (basha) = Baësa | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֹת֗וֹ (oto) = hem | מִלֵּ֛א (mile) = vulde | יִשְׁמָעֵ֥אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֖הוּ (netanyahu) = Netanja | חֲלָלִֽים (chalalim) = met doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּיַד גְּדַלְיָהוּ (beyad Gedalyahu), ‘bij Gedalja’: letterlijk ‘door de hand van Gedalja’. Dat kan ‘naast hem’ of ‘samen met hem’ betekenen, of ‘met Gedalja’. Het Hebreeuws is hier niet duidelijk. Wij nemen aan dat het gaat om de mannen die tegelijk met Gedalja werden gedood. Voetnoot : Koning Asa van Juda maakte Mizpa sterk tegen Baësa, de koning van Israël (1 Kon. 15:16–22; 2 Kron. 16:1–6). De put hoorde bij die versterking. Voetnoot : חֲלָלִים (chalalim), ‘doden’: letterlijk ‘doorboorden’, mensen die door geweld zijn gestorven. Zie ook: Re 6:2; 1 Sam 13:6; 2 Sam 17:9; 1 Kon 15:16–22; 1 Kon 15:17–22; 2 Kron 16:1–10 ### Jisjmaël neemt gevangenen mee **41:10** Jisjmaël nam alle overgeblevenen van het volk gevangen die in Mizpa waren: de dochters van de koning en heel het volk dat in Mizpa was achtergebleven. Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, had hen aan Gedalja, de zoon van Achikam, toevertrouwd. Jisjmaël, de zoon van Netanja, nam hen gevangen en ging weg om over te steken naar de zonen van Ammon. Brontekst: וַיִּ֣שְׁבְּ (vayishb) = en hij nam gevangen | יִ֠שְׁמָעֵאל (yishmael) = Jisjmaël | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | שְׁאֵרִ֨ית (sheerit) = overgeblevenen van | הָעָ֜ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּמִּצְפָּ֗ה (bamitspa) = in Mizpa | אֶת (et) = (obj.) | בְּנ֤וֹת (benot) = dochters van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | הַנִּשְׁאָרִ֣ים (hanisharim) = de achterblijvers | בַּמִּצְפָּ֔ה (bamitspa) = in Mizpa | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הִפְקִ֗יד (hifqid) = had toevertrouwd | נְבֽוּזַרְאֲדָן֙ (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֔ים (tabachim) = de lijfwacht | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֖הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֑ם (achiqam) = Achikam | וַיִּשְׁבֵּם֙ (vayishbem) = en hij nam hen gevangen | יִשְׁמָעֵ֣אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֔ה (netanya) = Netanja | וַיֵּ֕לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | לַעֲבֹ֖ר (laavor) = om over te steken | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: zie 40:11. Voetnoot : De ‘dochters van de koning’ zijn waarschijnlijk dochters van Zedekia of andere prinsessen uit het koningshuis. Zie Jer. 43:6. Voetnoot : In het Hebreeuws staat ‘die Nebuzaradan toevertrouwde, Gedalja’, met het woord voor het lijdend voorwerp voor ‘Gedalja’. Wij nemen aan dat het volk aan Gedalja werd toevertrouwd (vergelijk 40:7). Voetnoot : לַעֲבֹר (la’avor), ‘overtrekken’: over de Jordaan naar het land van Ammon. Zie ook: Jer 40:7; Jer 40:11–12; Jer 40:14; Jer 43:6; Neh 2:10; Neh 2:19 ### Jochanan achtervolgt Jisjmaël **41:11** Jochanan, de zoon van Kareach, en alle legeroversten die bij hem waren, hoorden al het kwaad dat Jisjmaël, de zoon van Netanja, had gedaan. Brontekst: וַיִּשְׁמַע֙ (vayishma) = en hij hoorde | יוֹחָנָ֣ן (yochanan) = Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֔חַ (qareach) = Kareach | וְכָל (vekhal) = en alle | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | הַחֲיָלִ֖ים (hachayalim) = de troepen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָֽרָעָה֙ (haraa) = het kwaad | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשָׂ֔ה (asa) = had gedaan | יִשְׁמָעֵ֖אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָֽה (netanya) = Netanja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 40:7–8; Jer 40:13–16; Jer 41:7; Jer 42:1; Jer 42:3 **41:12** Zij namen alle mannen mee en gingen om te strijden tegen Jisjmaël, de zoon van Netanja. Zij vonden hem bij de grote wateren die bij Gibeon zijn. Brontekst: וַיִּקְחוּ֙ (vayiqchu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָ֣אֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = mannen | וַיֵּ֣לְכ֔וּ (vayelekhu) = en zij gingen | לְהִלָּחֵ֖ם (lehilachem) = om te strijden | עִם (im) = met | יִשְׁמָעֵ֣אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֑ה (netanya) = Netanja | וַיִּמְצְא֣וּ (vayimtseu) = en zij vonden | אֹת֔וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = bij | מַ֥יִם (mayim) = wateren | רַבִּ֖ים (rabim) = grote | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּגִבְעֽוֹן (begivon) = bij Gibeon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). De ‘grote wateren’ zijn waarschijnlijk de vijver van Gibeon (2 Sam. 2:13). Zie ook: Gen 14:14–16; 1 Sam 30:1–8; 1 Sam 30:18–20; 2 Sam 2:13 **41:13** Toen heel het volk dat bij Jisjmaël was, Jochanan, de zoon van Kareach, zag, en alle legeroversten die bij hem waren, verheugden zij zich. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כִּרְא֤וֹת (kirot) = toen zag | כָּל (kal) = heel | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אֶת (et) = bij | יִשְׁמָעֵ֔אל (yishmael) = Jisjmaël | אֶת (et) = (obj.) | יֽוֹחָנָן֙ (yochanan) = Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֔חַ (qareach) = Kareach | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | הַחֲיָלִ֖ים (hachayalim) = de troepen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | וַיִּשְׂמָֽחוּ (vayismachu) = en zij verheugden zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **41:14** Heel het volk dat Jisjmaël uit Mizpa gevangen had genomen, draaide zich om. Zij keerden terug en gingen naar Jochanan, de zoon van Kareach. Brontekst: וַיָּסֹ֨בּוּ֙ (vayasobu) = en zij draaiden zich om | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | שָׁבָ֥ה (shava) = gevangen had genomen | יִשְׁמָעֵ֖אל (yishmael) = Jisjmaël | מִן (min) = uit | הַמִּצְפָּ֑ה (hamitspa) = Mizpa | וַיָּשֻׁ֨בוּ֙ (vayashuvu) = en zij keerden terug | וַיֵּ֣לְכ֔וּ (vayelekhu) = en zij gingen | אֶל (el) = naar | יֽוֹחָנָ֖ן (yochanan) = Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵֽחַ (qareach) = Kareach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: שָׁבָה (shavah), ‘gevangen nemen’: hetzelfde werkwoord als in vers 10. Dit volk was door Jisjmaël gevangen genomen en wordt hier bevrijd. Zie ook: Jer 41:10 **41:15** Maar Jisjmaël, de zoon van Netanja, ontkwam met acht man aan Jochanan en ging naar de zonen van Ammon. Brontekst: וְיִשְׁמָעֵ֣אל (veyishmael) = en Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֗ה (netanya) = Netanja | נִמְלַט֙ (nimlat) = ontkwam | בִּשְׁמֹנָ֣ה (bishmona) = met acht | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor | יֽוֹחָנָ֑ן (yochanan) = Jochanan | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּֽוֹן (amon) = Ammon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: Jisjmaël ontkwam met acht van de tien man die bij hem waren (vers 2). De tekst zegt niet wat er met de twee anderen gebeurde. Zie ook: Job 21:30; 1 Sam 30:17; Spr 28:17; 1 Kon 20:20; Jer 41:2; Hand 28:4 ### Op weg naar Egypte **41:16** Jochanan, de zoon van Kareach, en alle legeroversten die bij hem waren, namen alle overgeblevenen van het volk mee. Die had hij teruggebracht van Jisjmaël, de zoon van Netanja, uit Mizpa, nadat die Gedalja, de zoon van Achikam, had neergeslagen. Het waren mannen, krijgsmannen, vrouwen, kinderen en hofdienaren, die hij uit Gibeon had teruggebracht. Brontekst: וַיִּקַּח֩ (vayiqach) = en nam | יוֹחָנָ֨ן (yochanan) = Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֜חַ (qareach) = Kareach | וְכָל (vekhal) = en alle | שָׂרֵ֧י (sarei) = oversten van | הַחֲיָלִ֣ים (hachayalim) = de troepen | אֲשֶׁר (asher) = die | אִתּ֗וֹ (ito) = met hem | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | שְׁאֵרִ֤ית (sheerit) = overgeblevenen van | הָעָם֙ (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֵ֠שִׁיב (heshiv) = hij had teruggebracht | מֵאֵ֨ת (meet) = van | יִשְׁמָעֵ֤אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָה֙ (netanya) = Netanja | מִן (min) = uit | הַמִּצְפָּ֔ה (hamitspa) = Mizpa | אַחַ֣ר (achar) = nadat | הִכָּ֔ה (hika) = hij had neergeslagen | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֖ה (gedalya) = Gedalja | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֑ם (achiqam) = Achikam | גְּבָרִ֞ים (gevarim) = mannen | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָ֗ה (hamilchama) = de oorlog | וְנָשִׁ֤ים (venashim) = en vrouwen | וְטַף֙ (vetaf) = en kinderen | וְסָ֣רִסִ֔ים (vesarisim) = en hofdienaren | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֵשִׁ֖יב (heshiv) = hij had teruggebracht | מִגִּבְעֽוֹן (migivon) = uit Gibeon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: גְּבָרִים אַנְשֵׁי הַמִּלְחָמָה (gevarim anshei hammilchamah), ‘mannen, krijgsmannen’: de twee woorden staan naast elkaar. Wij laten beide staan. Voetnoot : סָרִסִים (sarisim), ‘hofdienaren’: mannen aan het hof, zoals in 2 Kon. 25:19. Zie ook: 2 Kon 25:19; Jer 41:10; Jer 42:8; Jer 43:4–7 **41:17** Zij gingen weg en bleven in Geroet-Kimham, dat bij Betlehem ligt, om naar Egypte te gaan. Brontekst: וַיֵּלְכ֗וּ (vayelekhu) = en zij gingen | וַיֵּֽשְׁבוּ֙ (vayeshevu) = en zij bleven | בְּגֵר֣וּת (begerut) = in Geroet | כִּמְהָ֔ם (kimham) = Kimham | אֲשֶׁר (asher) = dat | אֵ֖צֶל (etsel) = bij | בֵּ֣ית (beit) = Bet | לָ֑חֶם (lachem) = Lechem | לָלֶ֖כֶת (lalekhet) = om te gaan | לָב֥וֹא (lavo) = om te komen | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = naar Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Geroet-Kimham (גֵּרוּת כִּמְהָם, Gerut Kimham) lag bij Betlehem, ten zuiden van Jeruzalem. De ligging is onzeker. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: גֵּרוּת (gerut), ‘verblijfplaats, herberg’. Kimham is waarschijnlijk de man die met David meeging (2 Sam. 19:38–41). Zijn naam wordt vaak met Barzillai verbonden. De plaats heette mogelijk naar hem. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is כמוהם (Kimoham); het qere is כִּמְהָם (Kimham). Het is dezelfde naam in een andere schrijfwijze. Wij volgen het qere. Zie ook: 2 Sam 19:38–39; Jes 30:2–3; Jer 42:14; Jer 42:19; Jer 43:7 **41:18** Zij deden dat vanwege de Chaldeeën. Want zij waren bang voor hen, omdat Jisjmaël, de zoon van Netanja, Gedalja, de zoon van Achikam, had neergeslagen. Hem had de koning van Babel over het land aangesteld. Brontekst: מִפְּנֵי֙ (mipenei) = vanwege | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | כִּ֥י (ki) = want | יָרְא֖וּ (yareu) = zij waren bang | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = voor hen | כִּֽי (ki) = omdat | הִכָּ֞ה (hika) = had neergeslagen | יִשְׁמָעֵ֣אל (yishmael) = Jisjmaël | בֶּן (ben) = zoon van | נְתַנְיָ֗ה (netanya) = Netanja | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֨הוּ֙ (gedalyahu) = Gedalja | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֔ם (achiqam) = Achikam | אֲשֶׁר (asher) = die | הִפְקִ֥יד (hifqid) = had aangesteld | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | בָּאָֽרֶץ (baarets) = over het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Vergelijk 2 Kon. 25:26: ‘Zij gingen naar Egypte, want zij waren bang voor de Chaldeeën.’ Hier staat de reden uitgebreider: de moord op Gedalja, die de koning van Babel had aangesteld, kon de Chaldeeën tot wraak brengen. Zie ook: 2 Kon 25:26; Jes 51:12–13; Jer 40:5; Jer 42:16; Jer 43:2–3; Luc 12:4–5 ## Jeremia 42 _Het volk vraagt Jeremia te bidden; Yahweh waarschuwt tegen Egypte_ ### Het volk vraagt Jeremia te bidden **42:1** Alle legeroversten, Jochanan, de zoon van Kareach, Jezanja, de zoon van Hosjaja, en heel het volk, van klein tot groot, kwamen dichterbij. Brontekst: וַֽיִּגְּשׁוּ֙ (vayigeshu) = en zij kwamen dichterbij | כָּל (kal) = alle | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | הַחֲיָלִ֔ים (hachayalim) = de troepen | וְיֽוֹחָנָן֙ (veyochanan) = en Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֔חַ (qareach) = Kareach | וִֽיזַנְיָ֖ה (vizanya) = en Jezanja | בֶּן (ben) = zoon van | הוֹשַֽׁעְיָ֑ה (hoshaya) = Hosjaja | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מִקָּטֹ֥ן (miqaton) = van klein | וְעַד (vead) = en tot | גָּדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jochanan was een van de legeroversten uit Mizpa (40:8, 13). Jezanja is waarschijnlijk dezelfde man als in 40:8, maar daar heet hij ‘zoon van de Maächatiet’. Hier heet hij ‘zoon van Hosjaja’. In 43:2 staat in plaats van Jezanja de naam Azarja, ook ‘zoon van Hosjaja’. Wij laten beide namen zoals ze staan. Zie ook: Jer 6:13; Jer 40:8; Jer 40:13; Jer 41:11; Jer 44:12 **42:2** Zij zeiden tegen de profeet Jeremia: „Laat onze smeekbede toch voor je aangezicht neerkomen. Bid voor ons tot Yahweh, jouw Elohim, voor al deze overgeblevenen. Want wij zijn maar met weinigen overgebleven van velen, zoals je ogen ons zien. Brontekst: וַיֹּאמְר֞וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֣הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֗יא (hanavi) = de profeet | תִּפָּל (tipal) = laat vallen | נָ֤א (na) = toch | תְחִנָּתֵ֨נוּ֙ (techinatenu) = onze smeekbede | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je aangezicht | וְהִתְפַּלֵּ֤ל (vehitpalel) = en bid | בַּעֲדֵ֨נוּ֙ (baadenu) = voor ons | אֶל (el) = tot | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | בְּעַ֖ד (bead) = voor | כָּל (kal) = heel | הַשְּׁאֵרִ֣ית (hasheerit) = de overgeblevenen | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | כִּֽי (ki) = want | נִשְׁאַ֤רְנוּ (nisharnu) = wij zijn overgebleven | מְעַט֙ (meat) = weinigen | מֵֽהַרְבֵּ֔ה (meharbe) = van velen | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = je ogen | רֹא֥וֹת (root) = zien | אֹתָֽנוּ (otanu) = ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּפָּל־נָא תְחִנָּתֵנוּ לְפָנֶיךָ (tippol-na techinnatenu lefanekha), ‘laat onze smeekbede toch voor je aangezicht neerkomen’: letterlijk ‘laat onze smeekbede vallen’. Het is een vaste uitdrukking voor een gebed dat men voorlegt. Zie ook Jer. 36:7 en 37:20. Voetnoot : Zij zeggen ‘Yahweh, jouw Elohim’. Pas in vers 6 zeggen zij ‘onze Elohim’. Voetnoot : הַשְּׁאֵרִית (hasse’erit), ‘de overgeblevenen’: zie 40:11. Zie ook: Lev 26:22; Jes 1:9; Jer 36:7; Jer 37:3; Jer 37:20; Jer 42:6; Hand 8:24 **42:3** Laat Yahweh, jouw Elohim, ons de weg bekendmaken waarop wij moeten gaan, en wat wij moeten doen.” Brontekst: וְיַגֶּד (veyaged) = en moge bekendmaken | לָ֨נוּ֙ (lanu) = aan ons | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | אֶת (et) = (obj.) | הַדֶּ֖רֶךְ (haderekh) = de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נֵֽלֶךְ (nelekh) = wij zullen gaan | בָּ֑הּ (bah) = daarop | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נַעֲשֶֽׂה (naase) = wij zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיַגֵּד (veyagged), ‘en laat Hij bekendmaken’: een wensvorm, geen bevel. Zie ook: Ps 86:11; Spr 3:6; Mi 4:2; Jer 6:16; Ezra 8:21 **42:4** De profeet Jeremia zei tegen hen: „Ik heb het gehoord. Zie, ik ga bidden tot Yahweh, jullie Elohim, zoals jullie gezegd hebben. Elk woord waarmee Yahweh jullie antwoordt, zal ik jullie vertellen. Ik zal niets voor jullie achterhouden.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tot hen | יִרְמְיָ֤הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִיא֙ (hanavi) = de profeet | שָׁמַ֔עְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | הִנְנִ֧י (hinni) = zie mij | מִתְפַּלֵּ֛ל (mitpalel) = biddend | אֶל (el) = tot | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֖ם (eloheikhem) = jullie Elohim | כְּדִבְרֵיכֶ֑ם (kedivreikhem) = volgens jullie woorden | וְֽהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | כָּֽל (kal) = elk | הַדָּבָר֩ (hadavar) = woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | יַעֲנֶ֨ה (yaane) = zal antwoorden | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | אַגִּ֣יד (agid) = ik zal vertellen | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | לֹֽא (lo) = niet | אֶמְנַ֥ע (emna) = ik zal achterhouden | מִכֶּ֖ם (mikem) = van jullie | דָּבָֽר (davar) = een woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַגִּיד לָכֶם (aggid lakhem), ‘ik zal jullie vertellen’, en לֹא אֶמְנַע (lo emna), ‘ik zal niets achterhouden’: Jeremia belooft het hele antwoord door te geven. Zie ook: Ex 8:25; 1 Sam 3:17–18; 1 Sam 12:23; Ps 40:11; Hand 20:20 **42:5** Zij zeiden tegen Jeremia: „Moge Yahweh een ware en betrouwbare getuige tegen ons zijn, als wij niet precies zo doen als het woord dat Yahweh, jouw Elohim, ons door jou stuurt. Brontekst: וְהֵ֨מָּה֙ (vehema) = en zij | אָמְר֣וּ (ameru) = zeiden | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | יְהִ֤י (yehi) = moge zijn | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּ֔נוּ (banu) = tegen ons | לְעֵ֖ד (leed) = een getuige van | אֱמֶ֣ת (emet) = waarheid | וְנֶאֱמָ֑ן (veneeman) = en betrouwbaar | אִם (im) = als | לֹ֡א (lo) = niet | כְּֽכָל (kekhal) = volgens al | הַ֠דָּבָר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יִֽשְׁלָחֲךָ֜ (yishlachakha) = zal sturen jou | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֛יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | אֵלֵ֖ינוּ (eleinu) = naar ons | כֵּ֥ן (ken) = zo | נַעֲשֶֽׂה (naase) = wij zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵד אֱמֶת וְנֶאֱמָן (ed emet veneeman), ‘een ware en betrouwbare getuige’: letterlijk ‘een getuige van waarheid en betrouwbaar’. Het is een eed: zij roepen Yahweh als getuige aan. Zie ook: Gen 31:50; Re 11:10; Mal 2:14; Mal 3:5; Openb 1:5 **42:6** Of het goed is of slecht: wij zullen luisteren naar de stem van Yahweh, onze Elohim, naar wie wij jou sturen. Zo gaat het ons goed. Want wij zullen luisteren naar de stem van Yahweh, onze Elohim.” Brontekst: אִם (im) = of | ט֣וֹב (tov) = goed | וְאִם (veim) = en of | רָ֔ע (ra) = slecht | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֗ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | אֲשֶׁ֨ר (asher) = naar wie | אֲנַ֜חְנוּ (anachnu) = wij | שֹׁלְחִ֥ים (sholechim) = sturen | אֹתְךָ֛ (otekha) = jou | אֵלָ֖יו (elav) = naar Hem | נִשְׁמָ֑ע (nishma) = zullen wij luisteren | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יִֽיטַב (yitav) = het goed gaat | לָ֔נוּ (lanu) = met ons | כִּ֣י (ki) = want | נִשְׁמַ֔ע (nishma) = wij zullen luisteren | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zij beloven te luisteren, of het antwoord nu goed of slecht is. Zie 43:1–4 voor wat zij daarna deden. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is אנו (anu), ‘wij’; het qere is אֲנַחְנוּ (anachnu), ‘wij’. De betekenis is gelijk; wij volgen het qere. Zie ook: Deut 5:29; Deut 5:33; Deut 6:2–3; Jer 7:23; Rom 8:7 ### Het antwoord van Yahweh **42:7** Na tien dagen kwam het woord van Yahweh tot Jeremia. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | מִקֵּ֖ץ (miqets) = na het einde van | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָֽהוּ (yirmeyahu) = Jeremia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het antwoord van Yahweh komt pas na tien dagen. Jeremia moest dus wachten. Zie ook: Ps 27:14; Jes 28:16; Hab 2:3 **42:8** Hij riep Jochanan, de zoon van Kareach, en alle legeroversten die bij hem waren, en heel het volk, van klein tot groot. Brontekst: וַיִּקְרָ֗א (vayiqra) = en hij riep | אֶל (el) = tot | יֽוֹחָנָן֙ (yochanan) = Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֔חַ (qareach) = Kareach | וְאֶ֛ל (veel) = en tot | כָּל (kal) = alle | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | הַחֲיָלִ֖ים (hachayalim) = de troepen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | וּלְכָ֨ל (ulekhal) = en tot heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | לְמִקָּטֹ֥ן (lemiqaton) = van klein | וְעַד (vead) = en tot | גָּדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 40:8; Jer 40:13; Jer 41:11–16; Jer 42:1; Jer 43:2–5 **42:9** Hij zei tegen hen: Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël, naar wie jullie mij hebben gestuurd om jullie smeekbede voor Zijn aangezicht neer te leggen: Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֨ר (asher) = naar wie | שְׁלַחְתֶּ֤ם (shelachtem) = jullie hebben gestuurd | אֹתִי֙ (oti) = mij | אֵלָ֔יו (elav) = naar Hem | לְהַפִּ֥יל (lehapil) = om neer te leggen | תְּחִנַּתְכֶ֖ם (techinatkhem) = jullie smeekbede | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor Zijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jeremia spreekt het volk toe: de aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart en de woorden van Yahweh zelf rood. Voetnoot : לְהַפִּיל תְּחִנַּתְכֶם לְפָנָיו (lehappil techinnatkhem lefanav), ‘om jullie smeekbede voor Zijn aangezicht neer te leggen’: zie vers 2. Zie ook: 2 Kon 19:4; 2 Kon 19:6; 2 Kon 19:20–37; 2 Kon 22:15–20; Jer 42:2 **42:10** **„Als jullie echt in dit land blijven wonen, zal Ik jullie bouwen en niet afbreken. Ik zal jullie planten en niet uitrukken. Want Ik heb Mij het kwaad laten rouwen dat Ik jullie heb aangedaan.** Brontekst: אִם (im) = als | שׁ֤וֹב (shov) = echt | תֵּֽשְׁבוּ֙ (teshevu) = jullie blijven wonen | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וּבָנִ֤יתִי (uvaniti) = en Ik zal bouwen | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶהֱרֹ֔ס (eheros) = Ik zal afbreken | וְנָטַעְתִּ֥י (venatati) = en Ik zal planten | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶתּ֑וֹשׁ (etosh) = Ik zal uitrukken | כִּ֤י (ki) = want | נִחַ֨מְתִּי֙ (nichamti) = Ik heb Mij laten rouwen | אֶל (el) = over | הָ֣רָעָ֔ה (haraa) = het kwaad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּבָנִיתִי … וְנָטַעְתִּי (uvanitti … venata’ti), ‘Ik zal jullie opbouwen … Ik zal jullie planten’, tegenover ‘afbreken’ en ‘uitrukken’: dezelfde werkwoorden als in Jer. 1:10, 24:6, 31:28 en 45:4. Voetnoot : נִחַמְתִּי (nichamti), ‘Ik heb Mij laten rouwen’: Yahweh laat Zich het kwaad rouwen. Zo ook in Jona 3:10 en Joël 2:13. Zie ook: Joël 2:13; Jona 3:10; Jer 1:10; Jer 24:6; Jer 31:28; Jer 33:7; Jer 45:4; Ezech 36:36 **42:11** **Wees niet bang voor de koning van Babel, voor wie jullie bang zijn. Wees niet bang voor hem, godsspraak van Yahweh. Want Ik ben met jullie, om jullie te redden en om jullie uit zijn hand te bevrijden.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּֽירְא֗וּ (tireu) = wees bang | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = voor | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | אֲשֶׁר (asher) = voor wie | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | יְרֵאִ֖ים (yereim) = bang zijn | מִפָּנָ֑יו (mipanav) = voor hem | אַל (al) = niet | תִּֽירְא֤וּ (tireu) = wees bang | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = voor hem | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | אִתְּכֶ֣ם (itekhem) = met jullie | אָ֔נִי (ani) = Ik | לְהוֹשִׁ֧יעַ (lehoshia) = om te redden | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | וּלְהַצִּ֥יל (ulehatsil) = en om te bevrijden | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִיָּדֽוֹ (miyado) = uit zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Voetnoot : לְהוֹשִׁיעַ (lehoshia), ‘redden’, en לְהַצִּיל (lehatsil), ‘bevrijden’: twee werkwoorden naast elkaar. Wij vertalen ze vast: hoshia is ‘redden’ en hitsil is ‘bevrijden’. Zie ook: 2 Kron 32:7–8; Jes 43:2; Jer 1:8; Jer 1:19; Rom 8:31 **42:12** **Ik zal jullie ontferming geven. Hij zal zich over jullie ontfermen en jullie terugbrengen naar jullie grond.”** Brontekst: וְאֶתֵּ֥ן (veeten) = en Ik zal geven | לָכֶ֛ם (lakhem) = aan jullie | רַחֲמִ֖ים (rachamim) = ontferming | וְרִחַ֣ם (vericham) = en hij zal zich ontfermen | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = over jullie | וְהֵשִׁ֥יב (veheshiv) = en hij zal terugbrengen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | אַדְמַתְכֶֽם (admatkhem) = jullie grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’: de ontferming die Yahweh geeft, en die de koning van Babel zal tonen. ‘Hij’ in ‘hij zal zich ontfermen’ is de koning van Babel (vers 11). Het Hebreeuws zegt niet duidelijk of ‘hij’ Yahweh of de koning is; wij volgen vers 11. Voetnoot : אַדְמַתְכֶם (admatkhem), ‘jullie grond’: het land Juda. Zie ook: Ps 106:45–46; Spr 16:7; Jer 42:11; Neh 1:11 ### Waarschuwing tegen Egypte **42:13** „En als jullie zeggen: ‘Wij blijven niet in dit land’, zodat jullie niet luisteren naar de stem van Yahweh, jullie Elohim, Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אֹמְרִ֣ים (omerim) = zeggend | אַתֶּ֔ם (atem) = jullie | לֹ֥א (lo) = niet | נֵשֵׁ֖ב (neshev) = wij zullen blijven wonen | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | לְבִלְתִּ֣י (levilti) = zodat niet | שְׁמֹ֔עַ (shemoa) = luisteren | בְּק֖וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 13–14 zijn Jeremia’s eigen woorden over wat het volk zou kunnen zeggen. Daarom staan ze zwart. Yahweh wordt hier in de derde persoon genoemd. Zie ook: Ex 5:2; Jer 42:10; Jer 44:16 **42:14** en zeggen: ‘Nee, want wij gaan naar het land Egypte. Daar zien wij geen oorlog, horen wij geen klank van de ramshoorn en hebben wij geen honger naar brood. Daar blijven wij wonen.’” Brontekst: לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | לֹ֚א (lo) = nee | כִּ֣י (ki) = maar | אֶ֤רֶץ (erets) = naar het land van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | נָב֔וֹא (navo) = zullen wij gaan | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | לֹֽא (lo) = niet | נִרְאֶה֙ (nire) = wij zullen zien | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | וְק֥וֹל (veqol) = en de klank van | שׁוֹפָ֖ר (shofar) = ramshoorn | לֹ֣א (lo) = niet | נִשְׁמָ֑ע (nishma) = wij zullen horen | וְלַלֶּ֥חֶם (velalechem) = en naar brood | לֹֽא (lo) = niet | נִרְעָ֖ב (nirav) = wij zullen hongeren | וְשָׁ֥ם (vesham) = en daar | נֵשֵֽׁב (neshev) = zullen wij blijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: het signaal van oorlog. Het volk wil in Egypte wonen waar geen oorlog en geen honger is. Zie ook: Ex 16:3; Num 11:4–5; Jer 4:19; Jer 4:21; Jer 41:17 **42:15** Hoor daarom nu het woord van Yahweh, overgeblevenen van Juda. Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Als jullie echt je gezicht richten om naar Egypte te komen en jullie gaan daar wonen,** Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | שִׁמְע֥וּ (shimu) = hoort | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = overgeblevenen van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֩ (amar) = zegt | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | אִם (im) = als | אַ֠תֶּם (atem) = jullie | שׂ֣וֹם (som) = stellen | תְּשִׂמ֤וּן (tesimun) = zullen jullie stellen | פְּנֵיכֶם֙ (peneikhem) = jullie gezicht | לָבֹ֣א (lavo) = om te komen | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = naar Egypte | וּבָאתֶ֖ם (uvatem) = en jullie komen | לָג֥וּר (lagur) = om te wonen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שׁוֹם תְּשִׂמוּן פְּנֵיכֶם (som tesimun penekhem), ‘jullie richten werkelijk je gezicht’: letterlijk ‘jullie zetten je gezicht’. Het werkwoord wordt herhaald voor nadruk. Voetnoot : שְׁאֵרִית יְהוּדָה (she’erit Yehudah), ‘overgeblevenen van Juda’: zie 40:11. Voetnoot : Vanaf hier, tot en met vers 18, spreekt Yahweh weer zelf: de zinnen staan rood. Zie ook: Gen 31:21; Deut 17:16; Jer 42:17; Jer 42:18; Jer 44:12–14; Luc 9:51 **42:16** **dan zal het zwaard waar jullie bang voor zijn, jullie daar inhalen in het land Egypte. De honger waarover jullie ongerust zijn, zal jullie daar in Egypte blijven achtervolgen. Daar zullen jullie sterven.** Brontekst: וְהָיְתָ֣ה (vehayeta) = en zal zijn | הַחֶ֗רֶב (hacherev) = het zwaard | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | יְרֵאִ֣ים (yereim) = bang zijn | מִמֶּ֔נָּה (mimena) = ervoor | שָׁ֛ם (sham) = daar | תַּשִּׂ֥יג (tasig) = zal inhalen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהָרָעָ֞ב (veharaav) = en de honger | אֲשֶׁר (asher) = waarover | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | דֹּאֲגִ֣ים (doagim) = ongerust zijn | מִמֶּ֗נּוּ (mimenu) = erover | שָׁ֣ם (sham) = daar | יִדְבַּ֧ק (yidbaq) = zal kleven | אַחֲרֵיכֶ֛ם (achareikhem) = achter jullie | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = in Egypte | וְשָׁ֥ם (vesham) = en daar | תָּמֻֽתוּ (tamutu) = zullen jullie sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: יִדְבַּק אַחֲרֵיכֶם (yidbaq acharekhem), ‘zal achter jullie aan kleven’: de honger blijft als een schaduw bij hen. Wij vertalen ‘blijven achtervolgen’. Zie ook: Deut 28:22; Amos 9:1–4; Jer 44:27; Ezech 11:8; Joh 11:48 **42:17** **Alle mannen die hun gezicht richten om naar Egypte te komen en daar te wonen, zullen sterven door het zwaard, door de honger en door de pest. Er zal voor hen geen overlevende of ontkomene zijn vanwege het onheil dat Ik over hen breng.”** Brontekst: וְיִֽהְי֣וּ (veyihyu) = en zij zullen zijn | כָל (kal) = alle | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׂ֨מוּ (samu) = hebben gericht | אֶת (et) = (obj.) | פְּנֵיהֶ֜ם (peneihem) = hun gezicht | לָב֤וֹא (lavo) = om te komen | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = naar Egypte | לָג֣וּר (lagur) = om te wonen | שָׁ֔ם (sham) = daar | יָמ֕וּתוּ (yamutu) = zij zullen sterven | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = door het zwaard | בָּרָעָ֣ב (baraav) = door de honger | וּבַדָּ֑בֶר (uvadaver) = en door de pest | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | שָׂרִ֣יד (sarid) = overlevende | וּפָלִ֔יט (ufalit) = en ontkomene | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = vanwege | הָֽרָעָ֔ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | מֵבִ֥יא (mevi) = breng | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שָׂרִיד (sarid), ‘overlevende’, en פָּלִיט (palit), ‘ontkomene’: twee woorden voor wie een ramp overleeft. Hetzelfde paar staat in 44:14. Voetnoot : דֶּבֶר (dever), ‘pest’: een ziekte die zich snel verspreidt. De drie rampen zwaard, honger en pest komen vaak samen voor (Jer. 14:12; 21:7, 9; 24:10; 27:8, 13). Zie ook: Jer 14:12; Jer 21:7; Jer 24:10; Jer 42:22; Jer 44:13–14; Jer 44:28 **42:18** Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Zoals Mijn toorn en Mijn woede zijn uitgegoten over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn woede over jullie worden uitgegoten wanneer jullie in Egypte komen. Jullie zullen worden tot een vervloeking, een ontzetting, een vloek en een smaad. Jullie zullen deze plaats niet meer zien.”** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֜ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֮ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵל֒ (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals | נִתַּ֨ךְ (nitakh) = is uitgegoten | אַפִּ֜י (api) = Mijn toorn | וַחֲמָתִ֗י (vachamati) = en Mijn woede | עַל (al) = over | יֹֽשְׁבֵי֙ (yoshevei) = de inwoners van | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | כֵּ֣ן (ken) = zo | תִּתַּ֤ךְ (titakh) = zal worden uitgegoten | חֲמָתִי֙ (chamati) = Mijn woede | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = over jullie | בְּבֹאֲכֶ֖ם (bevoakhem) = wanneer jullie komen | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = in Egypte | וִהְיִיתֶ֞ם (vihyitem) = en jullie zullen worden | לְאָלָ֤ה (leala) = tot een vervloeking | וּלְשַׁמָּה֙ (uleshama) = en tot ontzetting | וְלִקְלָלָ֣ה (veliqlala) = en tot een vloek | וּלְחֶרְפָּ֔ה (ulecherpa) = en tot smaad | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִרְא֣וּ (tiru) = zullen jullie zien | ע֔וֹד (od) = meer | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אָלָה (alah), ‘vervloeking’; שַׁמָּה (shammah), ‘ontzetting’; קְלָלָה (qelalah), ‘vloek’; חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad’: vier woorden voor een plaats of volk dat als voorbeeld van een vloek dient. Zie ook 44:12, 22 en 49:13. Voetnoot : אַפִּי וַחֲמָתִי (appi vachamati), ‘Mijn toorn en Mijn woede’: zoals in Jer. 7:20. Zie ook: Deut 29:20–21; Jer 7:20; Jer 18:16; Jer 29:18; Jer 39:1–9 ### Jeremia waarschuwt het volk **42:19** „Yahweh heeft over jullie gesproken, overgeblevenen van Juda: Ga niet naar Egypte. Weet zeker dat ik jullie vandaag heb gewaarschuwd. Brontekst: דִּבֶּ֨ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = over jullie | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = overgeblevenen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | אַל (al) = niet | תָּבֹ֖אוּ (tavou) = ga | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = naar Egypte | יָדֹ֨עַ֙ (yadoa) = weten | תֵּֽדְע֔וּ (tedeu) = jullie zullen weten | כִּי (ki) = dat | הַעִידֹ֥תִי (haidoti) = ik heb gewaarschuwd | בָכֶ֖ם (bakhem) = jullie | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Jeremia spreekt vanaf hier weer zelf. ‘Yahweh heeft over jullie gesproken’ is Yahweh in de derde persoon; daarom staat dit zwart. Ook het gebod ‘Ga niet naar Egypte’ staat zwart, omdat Jeremia het doorgeeft in zijn eigen woorden. Voetnoot : הַעִידֹתִי (ha’idoti), ‘ik heb gewaarschuwd’: letterlijk ‘ik heb getuigd’; het is een ernstige waarschuwing. Zie ook: Deut 17:16; Jes 30:1–7; Jes 31:1–3; Neh 9:26; Neh 9:29–30 **42:20** Want jullie hebben jezelf misleid. Jullie hebben mij immers naar Yahweh, jullie Elohim, gestuurd. Jullie zeiden: ‘Bid voor ons tot Yahweh, onze Elohim. Vertel ons alles wat Yahweh, onze Elohim, zal zeggen. Dan zullen wij het doen.’ Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הִתְעֵיתֶם֮ (hiteitem) = jullie hebben misleid | בְּנַפְשֽׁוֹתֵיכֶם֒ (benafshoteikhem) = jezelf | כִּֽי (ki) = want | אַתֶּ֞ם (atem) = jullie | שְׁלַחְתֶּ֣ם (shelachtem) = hebben gestuurd | אֹתִ֗י (oti) = mij | אֶל (el) = naar | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | הִתְפַּלֵּ֣ל (hitpalel) = bid | בַּעֲדֵ֔נוּ (baadenu) = voor ons | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וּכְכֹל֩ (ukhekhol) = en volgens alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יֹאמַ֜ר (yomar) = zal zeggen | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֛ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | כֵּ֥ן (ken) = zo | הַגֶּד (haged) = vertel | לָ֖נוּ (lanu) = ons | וְעָשִֽׂינוּ (veasinu) = en wij zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְעֵיתֶם בְּנַפְשׁוֹתֵיכֶם (hit’item benafshotekhem), ‘jullie hebben jezelf misleid’: letterlijk ‘jullie hebben jullie levens laten dwalen’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is התעתים (hit’etim), het qere is הִתְעֵיתֶם (hit’item), ‘jullie hebben misleid’. Beide vormen zijn van het werkwoord ‘dwalen, doen dwalen’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 65:4; Jer 17:10; Ezech 33:31; Mat 22:15–18; Mat 22:35 **42:21** Ik heb het jullie vandaag verteld. Maar jullie hebben niet geluisterd naar de stem van Yahweh, jullie Elohim, noch naar alles waarmee Hij mij naar jullie heeft gestuurd. Brontekst: וָאַגִּ֥ד (vaagid) = en ik heb verteld | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֗ם (shematem) = jullie hebben geluisterd | בְּקוֹל֙ (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | שְׁלָחַ֥נִי (shelachani) = Hij heeft gestuurd mij | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = naar jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 7:24–27; Ezech 2:7; Ezech 3:17; Zach 7:11–12; Hand 20:26–27 **42:22** Nu dan, weet zeker dat jullie zullen sterven door het zwaard, door de honger en door de pest, op de plaats waar jullie wilden komen om te wonen.” Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | יָדֹ֣עַ (yadoa) = weten | תֵּֽדְע֔וּ (tedeu) = jullie zullen weten | כִּ֗י (ki) = dat | בַּחֶ֛רֶב (bacherev) = door het zwaard | בָּרָעָ֥ב (baraav) = door de honger | וּבַדֶּ֖בֶר (uvadever) = en door de pest | תָּמ֑וּתוּ (tamutu) = jullie zullen sterven | בַּמָּקוֹם֙ (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | חֲפַצְתֶּ֔ם (chafatstem) = jullie wilden | לָב֖וֹא (lavo) = komen | לָג֥וּר (lagur) = om te wonen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 9:6; Jer 42:17; Jer 43:11; Ezech 5:3–4; Ezech 6:11 ## Jeremia 43 _Het volk trekt naar Egypte; Nebukadnezar in Tachpanches_ ### Het volk weigert te luisteren **43:1** Toen Jeremia klaar was met het spreken tot heel het volk, met alle woorden van Yahweh, hun Elohim, waarmee Yahweh, hun Elohim, hem naar hen had gestuurd, al deze woorden, Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כְּכַלּ֨וֹת (kekhalot) = toen was geëindigd | יִרְמְיָ֜הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = met spreken | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֗ם (haam) = het volk | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵי֙ (divrei) = woorden van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun Elohim | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waarmee | שְׁלָח֛וֹ (shelacho) = had gestuurd hem | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun Elohim | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = naar hen | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin loopt door in vers 2: ‘Toen Jeremia klaar was … zeiden Azarja en Jochanan …’. Jeremia had het hele antwoord van Yahweh doorgegeven (42:9–22). Zie ook: 1 Sam 8:10; Jer 26:8; Jer 42:22; Jer 43:2; Jer 51:63; Mat 28:20 **43:2** zeiden Azarja, de zoon van Hosjaja, Jochanan, de zoon van Kareach, en alle overmoedige mannen tegen Jeremia: „Je spreekt leugen. Yahweh, onze Elohim, heeft je niet gestuurd om te zeggen: ‘Jullie mogen niet naar Egypte komen om daar te wonen.’ Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | עֲזַרְיָ֤ה (azarya) = Azarja | בֶן (ben) = zoon van | הוֹשַֽׁעְיָה֙ (hoshaya) = Hosjaja | וְיוֹחָנָ֣ן (veyochanan) = en Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֔חַ (qareach) = Kareach | וְכָל (vekhal) = en alle | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | הַזֵּדִ֑ים (hazedim) = de overmoedigen | אֹמְרִ֣ים (omerim) = zeggend | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | שֶׁ֚קֶר (sheqer) = leugen | אַתָּ֣ה (ata) = jij | מְדַבֵּ֔ר (medaber) = spreker | לֹ֣א (lo) = niet | שְׁלָחֲךָ֞ (shelachakha) = heeft gestuurd jou | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | לֹֽא (lo) = niet | תָבֹ֥אוּ (tavou) = jullie zullen komen | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = naar Egypte | לָג֥וּר (lagur) = om te wonen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Azarja, de zoon van Hosjaja, staat hier voor Jezanja, de zoon van Hosjaja, uit 42:1. Het kan dezelfde man zijn met twee namen, of een andere man. Wij laten de namen staan zoals ze zijn. Voetnoot : הַזֵּדִים (hazzedim), ‘de overmoedige mannen’: mensen die zich trots en eigenzinnig verzetten. Het werkwoord ‘zei’ staat in het Hebreeuws in het enkelvoud, ‘en Azarja zei’, met daarna de anderen. Wij vertalen met een meervoud. Voetnoot : שֶׁקֶר אַתָּה מְדַבֵּר (sheqer attah medabber), ‘je spreekt leugen’: de beschuldiging dat Jeremia zijn eigen woorden doorgeeft. Vergelijk Jer. 28:15 en 29:31 voor het woord ‘leugen’ over een profeet. Zie ook: Spr 16:18–19; 2 Kron 36:13; Jes 7:9; Jer 28:15; Jer 29:31; Jer 40:8; Hab 2:4–5 **43:3** Maar Baruch, de zoon van Nerija, hitst je tegen ons op, om ons in de hand van de Chaldeeën te geven. Dan kunnen zij ons doden en ons naar Babel wegvoeren.” Brontekst: כִּ֗י (ki) = want | בָּרוּךְ֙ (barukh) = Baruch | בֶּן (ben) = zoon van | נֵ֣רִיָּ֔ה (neriya) = Nerija | מַסִּ֥ית (masit) = hitst op | אֹתְךָ֖ (otekha) = jou | בָּ֑נוּ (banu) = tegen ons | לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | תֵּ֨ת (tet) = om te geven | אֹתָ֤נוּ (otanu) = ons | בְיַֽד (beyad) = in de hand van | הַכַּשְׂדִּים֙ (hakasdim) = de Chaldeeën | לְהָמִ֣ית (lehamit) = om te doden | אֹתָ֔נוּ (otanu) = ons | וּלְהַגְל֥וֹת (ulehaglot) = en om weg te voeren | אֹתָ֖נוּ (otanu) = ons | בָּבֶֽל (bavel) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בָּרוּךְ בֶּן נֵרִיָּה (Barukh ben Neriyyah), ‘Baruch, de zoon van Nerija’: Jeremia’s schrijver. Zie Jer. 32:12, 36:4 en 45:1. Voetnoot : מַסִּית (massit), ‘hitst op’: het werkwoord betekent ‘ophitsen, aanzetten’. Zij beschuldigen Baruch ervan Jeremia tegen hen te gebruiken. Zie ook: Jer 32:12; Jer 36:4; Jer 36:10; Jer 36:26; Jer 43:6; Jer 45:1–3 **43:4** Jochanan, de zoon van Kareach, alle legeroversten en heel het volk luisterden niet naar de stem van Yahweh om in het land Juda te blijven. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | שָׁמַע֩ (shama) = luisterde | יוֹחָנָ֨ן (yochanan) = Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֜חַ (qareach) = Kareach | וְכָל (vekhal) = en alle | שָׂרֵ֧י (sarei) = oversten van | הַחֲיָלִ֛ים (hachayalim) = de troepen | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לָשֶׁ֖בֶת (lashevet) = om te blijven | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie ook: Ps 37:3; 2 Kron 25:16; Jer 42:5–6; Jer 42:10–13; Jer 44:5 ### De tocht naar Egypte **43:5** Jochanan, de zoon van Kareach, en alle legeroversten namen alle overgeblevenen van Juda mee. Zij waren teruggekeerd uit alle volken waarheen zij verdreven waren, om in het land Juda te wonen: Brontekst: וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | יוֹחָנָ֤ן (yochanan) = Jochanan | בֶּן (ben) = zoon van | קָרֵ֨חַ֙ (qareach) = Kareach | וְכָל (vekhal) = en alle | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | הַחֲיָלִ֔ים (hachayalim) = de troepen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = overgeblevenen van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁ֗בוּ (shavu) = waren teruggekeerd | מִכָּל (mikal) = uit alle | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarheen | נִדְּחוּ (nidechu) = zij waren verdreven | שָׁ֔ם (sham) = daarheen | לָג֖וּר (lagur) = om te wonen | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: zie 40:11. De overgeblevenen waren eerder teruggekeerd uit de landen waarheen zij verdreven waren (40:11–12). Voetnoot : הַגּוֹיִם (haggoyim), ‘de volken’: de landen waarheen zij waren gevlucht. Zie ook: 1 Sam 26:19; Jer 40:11–12; Jer 41:15–16 **43:6** de mannen, de vrouwen, de kinderen, de dochters van de koning en alle personen die Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, bij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, had laten blijven, en ook de profeet Jeremia en Baruch, de zoon van Nerija. Brontekst: אֶֽת (et) = (obj.) | הַ֠גְּבָרִים (hagevarim) = de mannen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנָּשִׁ֣ים (hanashim) = de vrouwen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַטַּף֮ (hataf) = de kinderen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | הַמֶּלֶךְ֒ (hamelekh) = de koning | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַנֶּ֗פֶשׁ (hanefesh) = personen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הִנִּ֨יחַ֙ (hiniach) = had laten blijven | נְבוּזַרְאֲדָ֣ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֔ים (tabachim) = de lijfwacht | אֶת (et) = (obj.) | גְּדַלְיָ֖הוּ (gedalyahu) = Gedalja | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיקָ֣ם (achiqam) = Achikam | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁפָ֑ן (shafan) = Safan | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | יִרְמְיָ֣הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּר֖וּךְ (barukh) = Baruch | בֶּן (ben) = zoon van | נֵרִיָּֽהוּ (neriyahu) = Nerija Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִנִּיחַ (hinniach), ‘had laten blijven’: zoals in 2 Kon. 25:22, waar de koning van Babel het volk liet blijven. Hier wordt Nebuzaradan genoemd die het volk aan Gedalja toevertrouwde (40:7, 41:10). Voetnoot : Jeremia en Baruch worden meegenomen. De tekst zegt niet of zij dat vrijwillig deden. Zie ook: Pred 9:1–2; 2 Kon 25:22; Jer 39:10; Jer 40:7; Jer 41:10; Klaagl 3:1 **43:7** Zij kwamen in het land Egypte, want zij luisterden niet naar de stem van Yahweh. Zij kwamen tot Tachpanches. Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | אֶ֣רֶץ (erets) = in het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּ֛י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = zij luisterden | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en zij kwamen | עַד (ad) = tot | תַּחְפַּנְחֵֽס (tachpanches) = Tachpanches Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tachpanches (תַּחְפַּנְחֵס, Tachpanches) lag in het oosten van de Nijldelta, bij het huidige Tell Defenne (Egypte). Het was een grensvesting van Egypte, ook bekend uit de Griekse bronnen als Dafne. Zie ook: Jes 30:4; Jer 2:16; Jer 44:1; Jer 46:14; Ezech 30:18 ### Stenen in Tachpanches **43:8** Het woord van Yahweh kwam tot Jeremia in Tachpanches: Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בְּתַחְפַּנְחֵ֖ס (betachpanches) = in Tachpanches | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tachpanches (Tell Defenneh): Tachpanches (Tafnes, Daphne) was een grensvesting in het oostelijke Nijldelta, bij het huidige Tell Defenneh, waar Judese vluchtelingen zich vestigden. Zie ook: Ps 139:7; Jer 2:16; 2 Tim 2:9 **43:9** **„Neem grote stenen in je hand. Verberg ze in de mortel, in het plaveisel bij de ingang van het huis van farao in Tachpanches, voor de ogen van Judese mannen.** Brontekst: קַ֣ח (qach) = neem | בְּיָדְךָ֞ (beyadekha) = in je hand | אֲבָנִ֣ים (avanim) = stenen | גְּדֹל֗וֹת (gedolot) = grote | וּטְמַנְתָּ֤ם (utemantam) = en verberg ze | בַּמֶּ֨לֶט֙ (bamelet) = in de mortel | בַּמַּלְבֵּ֔ן (bamalben) = in het plaveisel | אֲשֶׁ֛ר (asher) = dat | בְּפֶ֥תַח (befetach) = bij de ingang van | בֵּית (beit) = het huis van | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | בְּתַחְפַּנְחֵ֑ס (betachpanches) = in Tachpanches | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | אֲנָשִׁ֥ים (anashim) = mannen | יְהוּדִֽים (yehudim) = Judese Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tachpanches (Tell Defenneh): Tachpanches (Tafnes, Daphne) was een grensvesting in het oostelijke Nijldelta, bij het huidige Tell Defenneh, waar Judese vluchtelingen zich vestigden. Voetnoot Uitleg: בַּמֶּלֶט (bammelet), ‘in de mortel’, en בַּמַּלְבֵּן (bammalben), ‘in het plaveisel’: de betekenis van het tweede woord is niet zeker. Het kan baksteenwerk of een plaveisel van bakstenen zijn. Het woord komt ook voor in 2 Sam. 12:31 en Nah. 3:14. Voetnoot : בֵּית פַּרְעֹה (beit Par’oh), ‘het huis van farao’: het paleis van de koning van Egypte, hier in Tachpanches. Zie ook: 2 Sam 12:31; 1 Kon 11:29–31; Nah 3:14; Jer 18:2–12; Jer 19:1–15; Jer 51:63–64 **43:10** **Zeg tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Zie, Ik zend, en Ik zal Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht, nemen. Ik zal zijn troon boven deze stenen zetten die Ik heb verborgen. Hij zal zijn baldakijn over hen spannen.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֡ם (aleihem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֩ (amar) = zegt | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Mij | שֹׁלֵ֨חַ֙ (sholeach) = zendend | וְ֠לָקַחְתִּי (velaqachti) = en Ik zal nemen | אֶת (et) = (obj.) | נְבוּכַדְרֶאצַּ֤ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | עַבְדִּ֔י (avdi) = Mijn knecht | וְשַׂמְתִּ֣י (vesamti) = en Ik zal zetten | כִסְא֔וֹ (kiso) = zijn troon | מִמַּ֛עַל (mimaal) = van boven | לָאֲבָנִ֥ים (laavanim) = op de stenen | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | טָמָ֑נְתִּי (tamanti) = Ik heb verborgen | וְנָטָ֥ה (venata) = en hij zal spannen | אֶת (et) = (obj.) | שַׁפְרִיר֖וֹ (shafriro) = zijn baldakijn | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Vanaf hier tot en met vers 13 spreekt Yahweh in de eerste persoon; de woorden staan rood. De boodschap voor de Judese mannen staat binnen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : הִנְנִי שֹׁלֵחַ (hineni shole’ach), ‘Zie, Ik zend’: het Hebreeuws noemt geen voorwerp. Vergelijk Jer. 25:9: ‘Ik zend en neem alle families van het noorden … en Ik zend naar Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht’. Voetnoot : עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: Nebukadnezar wordt hier knecht van Yahweh genoemd, omdat hij Zijn plan uitvoert. Zie ook Jer. 25:9 en 27:6. Het woord is geen titel; daarom staat ‘knecht’ met kleine letter. Voetnoot : שַׁפְרִיר (shafrir), ‘baldakijn’: een woord dat alleen hier voorkomt. De betekenis is niet zeker; het kan een tent, een baldakijn of een schaduwdak zijn. Voetnoot : Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere spelling, שפרור (shaprur), zonder verschil in betekenis; wij volgen de voorgelezen vorm (qere). Zie ook: Ps 18:12; Ps 31:21; Jes 44:28–45:1; Jer 1:15; Jer 25:9; Jer 27:6; Jer 43:13; Ezech 29:18–20 **43:11** **Hij zal komen en het land Egypte slaan. Wie voor de dood bestemd is, gaat naar de dood. Wie voor gevangenschap bestemd is, gaat naar gevangenschap. En wie voor het zwaard bestemd is, gaat naar het zwaard.** Brontekst: וּבָ֕א (uva) = en hij zal komen | וְהִכָּ֖ה (vehika) = en hij zal slaan | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wie | לַמָּ֣וֶת (lamavet) = voor de dood | לַמָּ֗וֶת (lamavet) = naar de dood | וַאֲשֶׁ֤ר (vaasher) = en wie | לַשְּׁבִי֙ (lashevi) = voor gevangenschap | לַשֶּׁ֔בִי (lashevi) = naar gevangenschap | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wie | לַחֶ֖רֶב (lacherev) = voor het zwaard | לֶחָֽרֶב (lecharev) = naar het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Een vergelijkbare opsomming, met vier leden (dood, zwaard, honger, gevangenschap), staat in Jer. 15:2. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is ובאה (uva’ah), met een uitgang die op een vrouwelijke vorm lijkt; het qere is וּבָא (uva), ‘en hij zal komen’. Wij volgen het qere. Zie ook: Jes 19:1–25; Jer 15:2; Jer 25:19; Jer 44:13; Ezech 29:19–20 **43:12** **Ik steek vuur aan in de huizen van de goden van Egypte. Hij zal de huizen verbranden en de goden gevangen wegvoeren. Hij zal zich in het land Egypte hullen zoals een herder zich in zijn mantel hult. Dan zal hij vandaar in vrede vertrekken.** Brontekst: וְהִצַּ֣תִּי (vehitsati) = en Ik zal aansteken | אֵ֗שׁ (esh) = vuur | בְּבָתֵּי֙ (bevatei) = in de huizen van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de goden van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וּשְׂרָפָ֖ם (userafam) = en hij zal ze verbranden | וְשָׁבָ֑ם (veshavam) = en hij zal ze gevangen wegvoeren | וְעָטָה֩ (veata) = en hij zal zich hullen in | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֨רֶץ (erets) = het land van | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = Egypte | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | יַעְטֶ֤ה (yate) = zich hult | הָֽרֹעֶה֙ (haroe) = de herder | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְד֔וֹ (bigdo) = zijn mantel | וְיָצָ֥א (veyatsa) = en hij zal vertrekken | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | בְּשָׁלֽוֹם (beshalom) = in vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שְׂרָפָם (seraffam), ‘hij zal ze verbranden’, en שָׁבָם (shavam), ‘hij zal ze gevangen wegvoeren’: de goden van Egypte worden in brand gestoken of als buit weggevoerd. Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij zal ze verbranden en ze gevangen wegvoeren’. Wij nemen aan dat ‘ze’ de huizen en de goden zijn: de huizen worden verbrand en de goden worden weggevoerd. Voetnoot : וְעָטָה (ve’atah), ‘en hij zal zich hullen in’: zoals een herder zich in zijn mantel hult. Het beeld zegt dat Nebukadnezar het land zo gemakkelijk inneemt als een herder zijn mantel omslaat. Zie ook: Ps 109:18–19; Jes 19:1; Jes 49:18; Jer 48:7; Ezech 30:13 **43:13** **Hij zal de gewijde stenen van Bet-Semes in het land Egypte breken. De huizen van de goden van Egypte zal hij met vuur verbranden.’”** Brontekst: וְשִׁבַּ֗ר (veshibar) = en hij zal breken | אֶֽת (et) = (obj.) | מַצְּבוֹת֙ (matsevot) = de gewijde stenen van | בֵּ֣ית (beit) = Bet | שֶׁ֔מֶשׁ (shemesh) = Semes | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּתֵּ֥י (batei) = de huizen van | אֱלֹהֵֽי (elohei) = de goden van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | יִשְׂרֹ֥ף (yisrof) = zal hij verbranden | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Bet-Semes (בֵּית שֶׁמֶשׁ, Beit Shemesh), ‘huis van de zon’, in Egypte is Heliopolis, het noordoosten van het huidige Caïro (Egypte). Het heet in Gen. 41:45 On. Het is niet de stad Bet-Semes in Juda. Voetnoot Uitleg: מַצְּבוֹת (matstevot), ‘gewijde stenen’: stenen of zuilen voor de verering van een god. Zie ook: Gen 41:45; Jes 19:18 ## Jeremia 44 _Het woord aan de Judeeërs in Egypte en de koningin van de hemel_ ### Het woord aan de Judeeërs in Egypte **44:1** Het woord dat tot Jeremia kwam voor alle Judeeërs die in het land Egypte woonden, in Migdol, in Tachpanches, in Nof en in het land Patros: Brontekst: הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֣ה (haya) = was | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶ֚ל (el) = voor | כָּל (kal) = alle | הַיְּהוּדִ֔ים (hayehudim) = Judeeërs | הַיֹּשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = die woonden | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | הַיֹּשְׁבִ֤ים (hayoshevim) = die woonden | בְּמִגְדֹּל֙ (bemigdol) = in Migdol | וּבְתַחְפַּנְחֵ֣ס (uvetachpanches) = en in Tachpanches | וּבְנֹ֔ף (uvenof) = en in Nof | וּבְאֶ֥רֶץ (uveerets) = en in het land van | פַּתְר֖וֹס (patros) = Patros | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Migdol, Nof (Memfis) en Patros lagen in Egypte: Migdol in het noordoosten van de Nijldelta, Nof (Memfis) ten zuiden van het huidige Caïro en Patros in Opper-Egypte, het zuiden van het land. Tachpanches lag in het oosten van de Nijldelta (zie 43:7). Voetnoot Uitleg: הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: mensen uit Juda. De Judeeërs wonen nu in heel Egypte, van het noorden tot het zuiden. Voetnoot : Het hoofdstuk heeft drie delen: het woord van Yahweh (verzen 2–14), het antwoord van het volk (verzen 15–19) en Jeremia’s antwoord (verzen 20–30). Zie ook: Ex 14:2; Jes 11:11; Jes 19:13; Jer 46:14; Jer 46:19 **44:2** Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Jullie hebben zelf al het onheil gezien dat Ik over Jeruzalem en over alle steden van Juda heb gebracht. Zie, ze zijn vandaag een ruïne en niemand woont in hen.** Brontekst: כֹּה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | רְאִיתֶ֗ם (reitem) = hebben gezien | אֵ֤ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָֽרָעָה֙ (haraa) = het onheil | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | הֵבֵ֨אתִי֙ (heveti) = Ik heb gebracht | עַל (al) = over | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְעַ֖ל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֣י (arei) = steden van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְהִנָּ֤ם (vehinam) = en zie hen | חָרְבָּה֙ (charba) = een ruïne | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | בָּהֶ֖ם (bahem) = in hen | יוֹשֵֽׁב (yoshev) = woont Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: De woorden van Yahweh staan rood. De aanhef ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël’ staat zwart. Voetnoot : הָרָעָה (ha-ra’ah), ‘het onheil’: de ramp die Yahweh over Jeruzalem bracht. Waar mensen het doen (verzen 3, 5, 9 en 22), vertalen wij ‘kwaad’; zie Jer. 1:14. Voetnoot : חָרְבָּה (chorbah), ‘ruïne’: zo ook in verzen 6 en 22. Zie ook: Jes 6:11; Mi 3:12; Jer 1:14; Jer 4:7; Jer 9:10; Jer 34:22 **44:3** **Dat is vanwege hun kwaad, dat zij deden om Mij tot toorn te prikkelen. Zij gingen wierook branden en andere goden dienen, die zij niet kenden, zij, jullie en jullie vaders.** Brontekst: מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | רָעָתָ֗ם (raatam) = hun kwaad | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | עָשׂוּ֙ (asu) = zij deden | לְהַכְעִסֵ֔נִי (lehakhiseni) = om Mij tot toorn te prikkelen | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = door te gaan | לְקַטֵּ֔ר (leqater) = om wierook te branden | לַעֲבֹ֖ד (laavod) = om te dienen | לֵאלֹהִ֣ים (lElohim) = goden | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֹ֣א (lo) = niet | יְדָע֔וּם (yedaum) = zij kenden hen | הֵ֖מָּה (hema) = zij | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | וַאֲבֹתֵיכֶֽם (vaavoteikhem) = en jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהַכְעִסֵנִי (lehakh’iseni), ‘om Mij tot toorn te prikkelen’: zoals in 2 Kon. 17:17 en 2 Kon. 21:6. Voetnoot : לְקַטֵּר (leqatter), ‘wierook branden’: het werkwoord קטר (qatar) betekent ‘rook laten opgaan’. In dit boek vertalen wij het met ‘wierook branden’, zoals Jer. 1:16. Voetnoot : אֱלֹהִים אֲחֵרִים (elohim acherim), ‘andere goden’: goden van de volken. Het woord Elohim staat hier voor de goden van de volken. Zie ook: Deut 13:7; Deut 29:25; Deut 32:17; 2 Kon 17:17; 2 Kon 21:6; Jer 1:16; Jer 44:8; Dan 9:5 **44:4** **Ik stuurde telkens weer al Mijn knechten, de profeten, naar jullie toe, met de woorden: ‘Doe toch deze gruwel niet, die Ik haat.’** Brontekst: וָאֶשְׁלַ֤ח (vaeshlach) = en Ik zond | אֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = naar jullie | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | עֲבָדַ֣י (avaday) = Mijn knechten | הַנְּבִיאִ֔ים (haneviim) = de profeten | הַשְׁכֵּ֥ים (hashkeim) = vroeg opstaand | וְשָׁלֹ֖חַ (veshaloach) = en zendend | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אַל (al) = niet | נָ֣א (na) = toch | תַעֲשׂ֗וּ (taasu) = doe | אֵ֛ת (et) = (obj.) | דְּבַֽר (devar) = het ding van | הַתֹּעֵבָ֥ה (hatoeva) = de gruwel | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׂנֵֽאתִי (saneti) = Ik haat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׁכֵּים וְשָׁלֹחַ (hashkem veshaloach), ‘telkens weer’: letterlijk ‘vroeg opstaand en zendend’. Het is een vaste uitdrukking voor iets dat men met veel zorg en steeds opnieuw doet. Zie ook 2 Kron. 36:15 en Jer. 7:25. Voetnoot : עֲבָדַי (avadai), ‘Mijn knechten’: eved met kleine letter, want hier is het geen titel. Voetnoot : תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: alles wat Yahweh verafschuwt, zoals afgoderij. Zie ook: 2 Kron 36:15; Jer 7:13; Jer 7:25; Jer 26:5; Ezech 8:10; Zach 7:7 **44:5** **Maar zij luisterden niet. Zij neigden hun oor niet om zich van hun kwaad af te keren, zodat zij geen wierook meer zouden branden voor andere goden.** Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | שָֽׁמְעוּ֙ (shameu) = zij luisterden | וְלֹא (velo) = en niet | הִטּ֣וּ (hitu) = zij neigden | אֶת (et) = (obj.) | אָזְנָ֔ם (azenam) = hun oor | לָשׁ֖וּב (lashuv) = om terug te keren | מֵרָֽעָתָ֑ם (meraatam) = van hun kwaad | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = om niet | קַטֵּ֖ר (qater) = wierook te branden | לֵאלֹהִ֥ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִֽים (acherim) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 81:12–14; Jer 7:24; Jer 11:10; Jer 19:13; Jer 44:17–21 **44:6** **Toen werd Mijn woede en Mijn toorn uitgegoten. Zij brandde in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem. Zij werden een ruïne en een woestenij, zoals het vandaag is.”** Brontekst: וַתִּתַּ֤ךְ (vatitakh) = en werd uitgegoten | חֲמָתִי֙ (chamati) = Mijn woede | וְאַפִּ֔י (veapi) = en Mijn toorn | וַתִּבְעַר֙ (vativar) = en het brandde | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּבְחֻצ֖וֹת (uvechutsot) = en in de straten van | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וַתִּהְיֶ֛ינָה (vatihyeina) = en zij werden | לְחָרְבָּ֥ה (lecharba) = tot een ruïne | לִשְׁמָמָ֖ה (lishmama) = tot een woestenij | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֲמָתִי וְאַפִּי (chamati ve’appi), ‘Mijn woede en Mijn toorn’: zoals in 42:18 (daar in andere volgorde). Voetnoot : Het werkwoord ‘brandde’ staat in het vrouwelijk: ‘Zij brandde’, de woede. Het gaat om de verwoesting van Jeruzalem in 587 v.Chr. Zie ook: Jes 51:20; Jer 7:20; Jer 7:34; Jer 21:5; Jer 42:18 ### Waarom doen jullie jezelf dit aan? **44:7** Nu dan, zo zegt Yahweh, de Elohim van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Waarom doen jullie jezelf zo’n groot kwaad aan? Zo roeien jullie man en vrouw, kind en zuigeling uit het midden van Juda uit, en houden jullie geen overgeblevenen over.** Brontekst: וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָה֩ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = Elohim | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לָמָה֩ (lama) = waarom | אַתֶּ֨ם (atem) = jullie | עֹשִׂ֜ים (osim) = doen | רָעָ֤ה (raa) = kwaad | גְדוֹלָה֙ (gedola) = groot | אֶל (el) = tegen | נַפְשֹׁ֣תֵכֶ֔ם (nafshotekhem) = jullie levens | לְהַכְרִ֨ית (lehakhrit) = om uit te roeien | לָכֶ֧ם (lakhem) = voor jullie | אִישׁ (ish) = man | וְאִשָּׁ֛ה (veisha) = en vrouw | עוֹלֵ֥ל (olel) = kind | וְיוֹנֵ֖ק (veyoneq) = en zuigeling | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | לְבִלְתִּ֛י (levilti) = zodat niet | הוֹתִ֥יר (hotir) = overblijft | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | שְׁאֵרִֽית (sheerit) = overgeblevenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוֹלֵל (olel), ‘kind’, en יוֹנֵק (yoneq), ‘zuigeling’: een kind dat al speelt en een kind dat nog gezoogd wordt. Het zijn de zwaksten. Het paar staat ook in 1 Sam. 15:3. Voetnoot : לְהַכְרִית (lehakhrit), ‘uit te roeien’: letterlijk ‘af te snijden’. Voetnoot : שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: zie 40:11. Zie ook: Num 17:3; 1 Sam 15:3; Jer 7:19; Jer 51:22; Hab 2:10; Ezech 33:11 **44:8** **Jullie prikkelen Mij tot toorn met het werk van jullie handen. Jullie branden wierook voor andere goden in het land Egypte, waarheen jullie gekomen zijn om te wonen. Zo worden jullie uitgeroeid en worden jullie een vloek en een smaad onder alle volken van de aarde.** Brontekst: לְהַכְעִסֵ֨נִי֙ (lehakhiseni) = om Mij tot toorn te prikkelen | בְּמַעֲשֵׂ֣י (bemaasei) = met de werken van | יְדֵיכֶ֔ם (yedeikhem) = jullie handen | לְקַטֵּ֞ר (leqater) = door wierook te branden | לֵאלֹהִ֤ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִים֙ (acherim) = andere | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | בָּאִ֖ים (baim) = komen | לָג֣וּר (lagur) = om te wonen | שָׁ֑ם (sham) = daar | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | הַכְרִ֣ית (hakhrit) = uitgeroeid worden | לָכֶ֔ם (lakhem) = jullie | וּלְמַ֤עַן (ulemaan) = en opdat | הֱיֽוֹתְכֶם֙ (heyotekhem) = jullie zijn | לִקְלָלָ֣ה (liqlala) = tot een vloek | וּלְחֶרְפָּ֔ה (ulecherpa) = en tot smaad | בְּכֹ֖ל (bekhol) = onder alle | גּוֹיֵ֥י (goyei) = volken van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בְּמַעֲשֵׂי יְדֵיכֶם (bema’asei yedekhem), ‘met het werk van jullie handen’: afgodsbeelden, die mensen met hun handen maken. Zo ook Jer. 1:16 en 25:6–7. Zie ook: 2 Kron 7:20; Jer 1:16; Jer 25:6–7; Jer 42:18; Jer 44:3; 1 Kor 10:21–22 **44:9** **Zijn jullie het kwaad van jullie vaders vergeten? Het kwaad van de koningen van Juda en van zijn vrouwen, jullie eigen kwaad en het kwaad van jullie vrouwen, dat zij deden in het land Juda en in de straten van Jeruzalem?** Brontekst: הַֽשְׁכַחְתֶּם֩ (hashkhachtem) = zijn jullie vergeten | אֶת (et) = (obj.) | רָע֨וֹת (raot) = het kwaad van | אֲבוֹתֵיכֶ֜ם (avoteikhem) = jullie vaders | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רָע֣וֹת (raot) = het kwaad van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | רָע֣וֹת (raot) = het kwaad van | נָשָׁ֔יו (nashav) = zijn vrouwen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | רָעֹ֣תֵכֶ֔ם (raotekhem) = jullie kwaad | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | רָעֹ֣ת (raot) = het kwaad van | נְשֵׁיכֶ֑ם (nesheikhem) = jullie vrouwen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | עָשׂוּ֙ (asu) = zij deden | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּבְחֻצ֖וֹת (uvechutsot) = en in de straten van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: רָעוֹת (ra’ot), ‘het kwaad’: het meervoud van het woord ‘kwaad’; wij vertalen het in dit vers met ‘het kwaad’ voor alle vijf de keren dat het voorkomt. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier נָשָׁיו (nashav), ‘zijn vrouwen’: dat is van ‘de koning’ of van elke koning. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Jer 7:17–18; Jer 44:15–19; Jer 44:21; Dan 9:5–8; Ezra 9:7–15 **44:10** **Tot op deze dag zijn zij niet vernederd. Zij hebben niet gevreesd en zijn niet gegaan in Mijn wet en in Mijn voorschriften, die Ik jullie en jullie vaders heb voorgelegd.”** Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | דֻכְּא֔וּ (dukeu) = zijn zij vernederd | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָרְא֗וּ (yareu) = zij hebben gevreesd | וְלֹֽא (velo) = en niet | הָלְכ֤וּ (halekhu) = zij zijn gegaan | בְתֽוֹרָתִי֙ (betorati) = in Mijn wet | וּבְחֻקֹּתַ֔י (uvechuqotay) = en in Mijn voorschriften | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לִפְנֵיכֶ֖ם (lifneikhem) = voor jullie | וְלִפְנֵ֥י (velifnei) = en voor | אֲבוֹתֵיכֶֽם (avoteikhem) = jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֻכְּאוּ (dukke’u), ‘zijn vernederd’: letterlijk ‘zijn vermorzeld’. Het kan betekenen dat zij zich niet hebben vernederd of dat zij niet berouw hebben getoond. Voetnoot : יָרְאוּ (yare’u), ‘zij hebben gevreesd’: het voorwerp ‘Mij’ staat er niet bij. Het gaat om ontzag voor Yahweh. Voetnoot : תּוֹרָתִי (torati), ‘Mijn wet’, en חֻקֹּתַי (chuqqotai), ‘Mijn voorschriften’. Zie ook: Spr 28:14; 2 Kron 33:12; Jer 8:12; 1 Petr 5:6; Openb 15:4 ### Het oordeel over de overgeblevenen in Egypte **44:11** Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Zie, Ik richt Mijn aangezicht tegen jullie ten kwade, om heel Juda uit te roeien.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | שָׂ֥ם (sam) = richtend | פָּנַ֛י (panay) = Mijn aangezicht | בָּכֶ֖ם (bakhem) = tegen jullie | לְרָעָ֑ה (leraa) = ten kwade | וּלְהַכְרִ֖ית (ulehakhrit) = en om uit te roeien | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂם פָּנַי (sam panai), ‘Ik richt Mijn aangezicht’: Yahweh keert Zich tegen hen. Zo ook Lev. 17:10 en 20:3, 5. Zie ook: Lev 17:10; Lev 20:3; Lev 20:5–6; Ps 34:17; Amos 9:4; Jer 21:10 **44:12** **Ik zal de overgeblevenen van Juda nemen, die hun gezicht hebben gericht om naar het land Egypte te komen en daar te wonen. Zij zullen allen omkomen in het land Egypte. Zij zullen vallen door het zwaard. Door de honger zullen zij omkomen, van klein tot groot. Door het zwaard en door de honger zullen zij sterven. Zij zullen een vervloeking, een ontzetting, een vloek en een smaad worden.** Brontekst: וְלָקַחְתִּ֞י (velaqachti) = en Ik zal nemen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = overgeblevenen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׂ֨מוּ (samu) = hebben gericht | פְנֵיהֶ֜ם (peneihem) = hun gezicht | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | אֶֽרֶץ (erets) = naar het land van | מִצְרַיִם֮ (mitsrayim) = Egypte | לָג֣וּר (lagur) = om te wonen | שָׁם֒ (sham) = daar | וְתַ֨מּוּ (vetamu) = en zij zullen omkomen | כֹ֜ל (kol) = allen | בְּאֶ֧רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֣יִם (mitsrayim) = Egypte | יִפֹּ֗לוּ (yipolu) = zij zullen vallen | בַּחֶ֤רֶב (bacherev) = door het zwaard | בָּֽרָעָב֙ (baraav) = door de honger | יִתַּ֔מּוּ (yitamu) = zij zullen omkomen | מִקָּטֹן֙ (miqaton) = van klein | וְעַד (vead) = en tot | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | בַּחֶ֥רֶב (bacherev) = door het zwaard | וּבָרָעָ֖ב (uvaraav) = en door de honger | יָמֻ֑תוּ (yamutu) = zij zullen sterven | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en zij zullen worden | לְאָלָ֣ה (leala) = tot een vervloeking | לְשַׁמָּ֔ה (leshama) = tot ontzetting | וְלִקְלָלָ֖ה (veliqlala) = en tot een vloek | וּלְחֶרְפָּֽה (ulecherpa) = en tot smaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אָלָה (alah), ‘vervloeking’; שַׁמָּה (shammah), ‘ontzetting’; קְלָלָה (qelalah), ‘vloek’; חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad’: zie 42:18. Voetnoot : וְתַמּוּ (vetammu), ‘zij zullen omkomen’, en יִתַּמּוּ (yittammu): het werkwoord תמם (tamam) betekent ‘ten einde komen, opgebruikt worden’. Zie ook: Jes 65:15; Jer 29:18; Jer 29:22; Jer 42:15–18; Jer 42:22 **44:13** **Ik zal hen straffen die in het land Egypte wonen, zoals Ik Jeruzalem gestraft heb: met het zwaard, met de honger en met de pest.** Brontekst: וּפָקַדְתִּ֗י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עַ֤ל (al) = over | הַיּֽוֹשְׁבִים֙ (hayoshevim) = de inwoners | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = van het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | פָּקַ֖דְתִּי (paqadti) = Ik heb gestraft | עַל (al) = over | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | בַּחֶ֥רֶב (bacherev) = met het zwaard | בָּרָעָ֖ב (baraav) = met de honger | וּבַדָּֽבֶר (uvadaver) = en met de pest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וּפָקַדְתִּי (ufaqadti), ‘Ik zal straffen’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’, hier met straf als gevolg. Zo ook vers 29. Zie ook: Jer 11:22; Jer 21:9; Jer 42:18; Jer 43:11; Jer 44:27–28; Jer 44:29 **44:14** **Er zal geen ontkomene of overlevende zijn voor de overgeblevenen van Juda, die in het land Egypte zijn gekomen om daar te wonen. Zij verlangen ernaar terug te keren naar het land Juda, om daar weer te wonen. Maar zij zullen niet terugkeren, behalve enkele ontkomenen.”** Brontekst: וְלֹ֨א (velo) = en niet | יִהְיֶ֜ה (yihye) = zal zijn | פָּלִ֤יט (palit) = ontkomene | וְשָׂרִיד֙ (vesarid) = en overlevende | לִשְׁאֵרִ֣ית (lisherit) = voor de overgeblevenen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | הַבָּאִ֥ים (habaim) = die komen | לָגֽוּר (lagur) = om te wonen | שָׁ֖ם (sham) = daar | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְלָשׁ֣וּב (velashuv) = en om terug te keren | אֶ֣רֶץ (erets) = naar het land van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁר (asher) = waarnaar | הֵ֜מָּה (hema) = zij | מְנַשְּׂאִ֤ים (menaseim) = verlangen | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשָׁם֙ (nafsham) = hun ziel | לָשׁוּב֙ (lashuv) = om terug te keren | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om te wonen | שָׁ֔ם (sham) = daar | כִּ֥י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | יָשׁ֖וּבוּ (yashuvu) = zullen zij terugkeren | כִּ֥י (ki) = behalve | אִם (im) = als | פְּלֵטִֽים (peletim) = ontkomenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: פָּלִיט (palit), ‘ontkomene’, en שָׂרִיד (sarid), ‘overlevende’: zie 42:17, waar het paar in omgekeerde volgorde staat. Voetnoot : מְנַשְּׂאִים אֶת נַפְשָׁם (messe’im et nafsham), ‘zij verlangen’: letterlijk ‘zij tillen hun ziel op’. Zo ook Deut. 24:15 en Hos. 4:8. Voetnoot : פְּלֵטִים (peletim), ‘ontkomenen’: een kleine groep die ontsnapt. Zie ook: Deut 24:15; Hos 4:8; Jes 10:20; Jer 22:26–27; Jer 42:17; Jer 44:27–28; Rom 9:27 ### Het antwoord van het volk **44:15** Alle mannen die wisten dat hun vrouwen wierook brandden voor andere goden, alle vrouwen die daar stonden, een grote vergadering, en heel het volk dat in het land Egypte woonde, in Patros, antwoordden Jeremia: Brontekst: וַיַּעֲנ֣וּ (vayaanu) = en zij antwoordden | אֶֽת (et) = (obj.) | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | כָּל (kal) = alle | הָאֲנָשִׁ֤ים (haanashim) = mannen | הַיֹּֽדְעִים֙ (hayodeim) = die wisten | כִּֽי (ki) = dat | מְקַטְּר֤וֹת (meqaterot) = wierook brandden | נְשֵׁיהֶם֙ (nesheihem) = hun vrouwen | לֵאלֹהִ֣ים (lElohim) = voor goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וְכָל (vekhal) = en alle | הַנָּשִׁ֥ים (hanashim) = vrouwen | הָעֹמְד֖וֹת (haomedot) = die stonden | קָהָ֣ל (qahal) = vergadering | גָּד֑וֹל (gadol) = grote | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֛ם (haam) = het volk | הַיֹּשְׁבִ֥ים (hayoshevim) = dat woonde | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּפַתְר֥וֹס (befatros) = in Patros | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Patros (Opper-Egypte): Patros is Opper-Egypte, het zuiden van Egypte langs de Nijl, ten zuiden van de delta. De grenzen zijn niet scherp te trekken. Voetnoot Uitleg: קָהָל גָּדוֹל (qahal gadol), ‘een grote vergadering’: een grote menigte, hier de mannen en vrouwen bijeen. Voetnoot : De woorden van de mannen en de vrouwen staan zwart. Voetnoot : Patros ligt in Opper-Egypte (zie vers 1). Zie ook: Gen 19:4; Spr 11:21; Jer 5:1–5; Jer 44:1; Mat 7:13; 2 Petr 2:1–2 **44:16** „Wat het woord betreft dat je in de naam van Yahweh tot ons hebt gesproken: wij luisteren niet naar je. Brontekst: הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבַּ֥רְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken | אֵלֵ֖ינוּ (eleinu) = tot ons | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = in de naam van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֵינֶ֥נּוּ (einenu) = niet | שֹׁמְעִ֖ים (shomeim) = luisterend | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = naar jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:14–15; Ex 5:2; Ps 2:3; Jer 11:10; Luc 19:27 **44:17** Nee, wij zullen zeker alles doen wat uit onze mond is gekomen: wierook branden voor de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uitgieten. Dat hebben wij gedaan, wij en onze vaders, onze koningen en onze oversten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem. Toen werden wij verzadigd met brood, het ging ons goed en wij zagen geen onheil. Brontekst: כִּ֩י (ki) = want | עָשֹׂ֨ה (aso) = doen | נַעֲשֶׂ֜ה (naase) = wij zullen doen | אֶֽת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | יָצָ֣א (yatsa) = is uitgegaan | מִפִּ֗ינוּ (mipinu) = uit onze mond | לְקַטֵּ֞ר (leqater) = om wierook te branden | לִמְלֶ֣כֶת (limlekhet) = voor de koningin van | הַשָּׁמַיִם֮ (hashamayim) = de hemel | וְהַסֵּֽיךְ (vehaseikh) = en om uit te gieten | לָ֣הּ (lah) = voor haar | נְסָכִים֒ (nesakhim) = plengoffers | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֜ינוּ (asinu) = wij hebben gedaan | אֲנַ֤חְנוּ (anachnu) = wij | וַאֲבֹתֵ֨ינוּ֙ (vaavoteinu) = en onze vaders | מְלָכֵ֣ינוּ (melakheinu) = onze koningen | וְשָׂרֵ֔ינוּ (vesareinu) = en onze oversten | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וּבְחֻצ֖וֹת (uvechutsot) = en in de straten van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וַנִּֽשְׂבַּֽע (vanisba) = en wij werden verzadigd | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = met brood | וַנִּֽהְיֶ֣ה (vanihye) = en het ging ons | טוֹבִ֔ים (tovim) = goed | וְרָעָ֖ה (veraa) = en onheil | לֹ֥א (lo) = niet | רָאִֽינוּ (rainu) = wij zagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מְלֶכֶת הַשָּׁמַיִם (meleket hashamayim), ‘de koningin van de hemel’: een godin die de tekst niet bij naam noemt. Zij wordt vaak verbonden met een vruchtbaarheidsgodin van het Nabije Oosten; zeker is dat niet. Zie ook Jer. 7:18, waar koeken voor haar worden gemaakt. Voetnoot : נְסָכִים (nesakhim), ‘plengoffers’: drankoffers die men uitgoot. Voetnoot : הֶעֱשֹׂה נַעֲשֶׂה (aso na’aseh), ‘wij zullen zeker doen’: het werkwoord wordt herhaald voor nadruk. Voetnoot : וַנִּשְׂבַּע לֶחֶם (vannisba lechem), ‘en wij werden verzadigd met brood’: wij hadden genoeg te eten. Zie ook: Jer 7:18; Jer 44:21; Ezech 20:8; Neh 9:34; Fil 3:19 **44:18** Maar sinds wij zijn opgehouden wierook te branden voor de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uit te gieten, hebben wij aan alles gebrek gehad. Wij zijn omgekomen door het zwaard en door de honger. Brontekst: וּמִן (umin) = en sinds | אָ֡ז (az) = toen | חָדַ֜לְנוּ (chadalnu) = wij zijn opgehouden | לְקַטֵּ֨ר (leqater) = met wierook branden | לִמְלֶ֧כֶת (limlekhet) = voor de koningin van | הַשָּׁמַ֛יִם (hashamayim) = de hemel | וְהַסֵּֽךְ (vehasekh) = en met uitgieten | לָ֥הּ (lah) = voor haar | נְסָכִ֖ים (nesakhim) = plengoffers | חָסַ֣רְנוּ (chasarnu) = hebben wij gebrek gehad | כֹ֑ל (kol) = aan alles | וּבַחֶ֥רֶב (uvacherev) = en door het zwaard | וּבָרָעָ֖ב (uvaraav) = en door de honger | תָּֽמְנוּ (tamenu) = zijn wij omgekomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָסַרְנוּ כֹל (chasarnu kol), ‘wij hebben aan alles gebrek gehad’: letterlijk ‘wij misten alles’. Het volk schrijft de rampen toe aan het stoppen met de dienst aan de koningin van de hemel. De tekst stelt dit als hun mening. Zie ook: Job 21:14–15; Num 11:5–6; Ps 73:9–15; Jer 40:12; Mal 3:13–15 **44:19** En wanneer wij wierook branden voor de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uitgieten: is het zonder onze mannen dat wij voor haar koeken maken om haar af te beelden en plengoffers voor haar uitgieten?” Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | אֲנַ֤חְנוּ (anachnu) = wij | מְקַטְּרִים֙ (meqaterim) = wierook branden | לִמְלֶ֣כֶת (limlekhet) = voor de koningin van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְהַסֵּ֥ךְ (ulehasekh) = en uitgieten | לָ֖הּ (lah) = voor haar | נְסָכִ֑ים (nesakhim) = plengoffers | הֲמִֽבַּלְעֲדֵ֣י (hamibaladei) = is het zonder | אֲנָשֵׁ֗ינוּ (anasheinu) = onze mannen | עָשִׂ֨ינוּ (asinu) = dat wij maakten | לָ֤הּ (lah) = voor haar | כַּוָּנִים֙ (kavanim) = koeken | לְהַ֣עֲצִבָ֔ה (lehaatsiva) = om haar af te beelden | וְהַסֵּ֥ךְ (vehasekh) = en uitgieten | לָ֖הּ (lah) = voor haar | נְסָכִֽים (nesakhim) = plengoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Waarschijnlijk spreken hier de vrouwen: zij zeggen ‘onze mannen’. Het Hebreeuws geeft de sprekers niet apart aan; wij laten het bij het antwoord van het volk. Voetnoot : כַּוָּנִים (kavvanim), ‘koeken’: een offerbrood voor de godin. Het woord komt ook voor in Jer. 7:18. Voetnoot : לְהַעֲצִבָה (leha’atsivah), ‘om haar af te beelden’: het werkwoord kan ‘een beeld van haar maken’ betekenen, maar de vorm is moeilijk; het kan ook ‘haar te kwetsen’ zijn. Wij nemen het eerste aan. Voetnoot : הֲמִבַּלְעֲדֵי (hamibbal’adei), ‘is het zonder’: een retorische vraag; zonder dat hun mannen het weten of toestaan. Zie ook: Gen 3:6; Deut 7:3–4; 2 Kron 21:6; Jer 7:18; Jer 44:15 ### Jeremia antwoordt het volk **44:20** Jeremia zei tegen heel het volk, tegen de mannen en de vrouwen en tegen heel het volk dat hem dit antwoord had gegeven: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֑ם (haam) = het volk | עַל (al) = over | הַגְּבָרִ֤ים (hagevarim) = de mannen | וְעַל (veal) = en over | הַנָּשִׁים֙ (hanashim) = de vrouwen | וְעַל (veal) = en over | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הָעֹנִ֥ים (haonim) = dat antwoordde | אֹת֛וֹ (oto) = hem | דָּבָ֖ר (davar) = een antwoord | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **44:21** „Het wierookbranden dat jullie hebben gedaan in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, jullie, jullie vaders, jullie koningen, jullie oversten en het volk van het land: heeft Yahweh dat niet herdacht? Is het niet in Zijn hart opgekomen? Brontekst: הֲל֣וֹא (halo) = is het niet | אֶת (et) = (obj.) | הַקִּטֵּ֗ר (haqiter) = het wierookbranden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | קִטַּרְתֶּ֜ם (qitartem) = jullie hebben gebrand | בְּעָרֵ֤י (bearei) = in de steden van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וּבְחֻצ֣וֹת (uvechutsot) = en in de straten van | יְרוּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | אַתֶּ֧ם (atem) = jullie | וַאֲבֽוֹתֵיכֶ֛ם (vaavoteikhem) = en jullie vaders | מַלְכֵיכֶ֥ם (malkheikhem) = jullie koningen | וְשָׂרֵיכֶ֖ם (vesareikhem) = en jullie oversten | וְעַ֣ם (veam) = en het volk van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | אֹתָם֙ (otam) = het | זָכַ֣ר (zakhar) = heeft herdacht | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽתַּעֲלֶ֖ה (vataale) = en het kwam op | עַל (al) = in | לִבּֽוֹ (libo) = Zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Jeremia’s antwoord staat zwart; Yahweh wordt in de derde persoon genoemd. Voetnoot : זָכַר יְהוָה וַתַּעֲלֶה עַל לִבּוֹ (zakhar Yahweh vata’aleh al libbo), ‘Yahweh heeft het herdacht en het is in Zijn hart opgekomen’: zo ook Jer. 3:16 en 7:31. Zie ook: Jes 64:8; Jer 3:16; Jer 7:31; Jer 11:13; Jer 14:10; Jer 44:9; Jer 44:17 **44:22** Yahweh kon het niet langer verdragen, vanwege het kwaad van jullie daden en vanwege de gruwelen die jullie hebben gedaan. Zo is jullie land een ruïne, een ontzetting en een vloek geworden, zonder inwoner, zoals het vandaag is. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יוּכַל֩ (yukhal) = kon | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | ע֜וֹד (od) = langer | לָשֵׂ֗את (laset) = verdragen | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = vanwege | רֹ֣עַ (roa) = het kwaad van | מַעַלְלֵיכֶ֔ם (maalleikhem) = jullie daden | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = vanwege | הַתּוֹעֵבֹ֖ת (hatoevot) = de gruwelen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עֲשִׂיתֶ֑ם (asitem) = jullie hebben gedaan | וַתְּהִ֣י (vatehi) = en werd | אַ֠רְצְכֶם (artsekhem) = jullie land | לְחָרְבָּ֨ה (lecharba) = tot een ruïne | וּלְשַׁמָּ֧ה (uleshama) = en tot ontzetting | וְלִקְלָלָ֛ה (veliqlala) = en tot een vloek | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = inwoner | כְּהַיּ֥וֹם (kehayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא יוּכַל יְהוָה עוֹד לָשֵׂאת (lo yukhal Yahweh od laset), ‘Yahweh kon het niet langer verdragen’: letterlijk ‘dragen’. Het werkwoord נָשָׂא (nasa) betekent hier ‘verdragen’. Voetnoot : מַעַלְלֵיכֶם (ma’allelekhem), ‘jullie daden’: wat zij deden, in slechte zin. Zie ook: Jer 25:11; Jer 25:18; Jer 25:38; Jer 44:12; Mal 2:17 **44:23** Omdat jullie wierook hebben gebrand en tegen Yahweh hebben gezondigd, en niet naar de stem van Yahweh hebben geluisterd; omdat jullie niet in Zijn wet, Zijn voorschriften en Zijn getuigenissen zijn gegaan: daarom heeft dit onheil jullie getroffen, zoals het vandaag is.” Brontekst: מִפְּנֵי֩ (mipenei) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | קִטַּרְתֶּ֜ם (qitartem) = jullie hebben gebrand | וַאֲשֶׁ֧ר (vaasher) = en dat | חֲטָאתֶ֣ם (chatatem) = jullie hebben gezondigd | לַיהוָ֗ה (laYahweh) = tegen Yahweh | וְלֹ֤א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּם֙ (shematem) = jullie hebben geluisterd | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּבְתֹרָת֧וֹ (uvetorato) = en in Zijn wet | וּבְחֻקֹּתָ֛יו (uvechuqotav) = en in Zijn voorschriften | וּבְעֵדְוֺתָ֖יו (uveedevotav) = en in Zijn getuigenissen | לֹ֣א (lo) = niet | הֲלַכְתֶּ֑ם (halakhtem) = jullie zijn gegaan | עַל (al) = daarom | כֵּ֞ן (ken) = zo | קָרָ֥את (qarat) = heeft getroffen | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | הָרָעָ֥ה (haraa) = het onheil | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵדוֹת (edot), ‘getuigenissen’: de geboden die getuigen van het verbond. Het woord staat in de rij ‘wet, voorschriften, getuigenissen’ (zie Deut. 4:45; 6:17, 20). Voetnoot : קָרָאת (qara’t), ‘heeft getroffen’: het werkwoord קָרָה (qarah) betekent ‘overkomen, treffen’. Zie ook: Deut 4:45; Deut 6:17; Ps 119:150; 1 Kon 9:9; Jer 44:21; Dan 9:11–12; Neh 13:18 **44:24** Jeremia zei tegen heel het volk en tegen alle vrouwen: Hoor het woord van Yahweh, heel Juda dat in het land Egypte is. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִרְמְיָ֨הוּ֙ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = tot | כָּל (kal) = heel | הָעָ֔ם (haam) = het volk | וְאֶ֖ל (veel) = en tot | כָּל (kal) = alle | הַנָּשִׁ֑ים (hanashim) = vrouwen | שִׁמְעוּ֙ (shimu) = hoort | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָ֕ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Jer 42:15; Jer 43:7; Jer 44:15–16; Jer 44:26; Mat 11:15 ### De geloften aan de koningin van de hemel **44:25** Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Jullie en jullie vrouwen hebben met jullie mond gesproken en met jullie handen volbracht. Jullie zeiden: ‘Wij zullen zeker onze geloften nakomen. Die hebben wij gedaan om wierook te branden voor de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uit te gieten.’ Jullie zullen jullie geloften zeker bevestigen. Jullie zullen jullie geloften zeker uitvoeren.”** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֩ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | אַתֶּ֨ם (atem) = jullie | וּנְשֵׁיכֶ֜ם (unesheikhem) = en jullie vrouwen | וַתְּדַבֵּ֣רְנָה (vatedaberena) = hebben gesproken | בְּפִיכֶם֮ (befikhem) = met jullie mond | וּבִידֵיכֶ֣ם (uvideikhem) = en met jullie handen | מִלֵּאתֶ֣ם (miletem) = hebben volbracht | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggend | עָשֹׂ֨ה (aso) = doen | נַעֲשֶׂ֜ה (naase) = wij zullen doen | אֶת (et) = (obj.) | נְדָרֵ֗ינוּ (nedareinu) = onze geloften | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נָדַ֨רְנוּ֙ (nadarnu) = wij hebben gedaan | לְקַטֵּר֙ (leqater) = om wierook te branden | לִמְלֶ֣כֶת (limlekhet) = voor de koningin van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְהַסֵּ֥ךְ (ulehasekh) = en om uit te gieten | לָ֖הּ (lah) = voor haar | נְסָכִ֑ים (nesakhim) = plengoffers | הָקֵ֤ים (haqeim) = bevestigen | תָּקִ֨ימְנָה֙ (taqimena) = jullie zullen bevestigen | אֶת (et) = (obj.) | נִדְרֵיכֶ֔ם (nidreikhem) = jullie geloften | וְעָשֹׂ֥ה (veaso) = en uitvoeren | תַעֲשֶׂ֖ינָה (taaseina) = jullie zullen uitvoeren | אֶת (et) = (obj.) | נִדְרֵיכֶֽם (nidreikhem) = jullie geloften Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is Yahweh’s antwoord op de woorden van het volk in vers 17–19. De zin ‘Wij zullen zeker onze geloften nakomen’ is een citaat van wat zij zelf zeiden (vers 17). De slotzinnen kunnen een vaststelling of een ironische opdracht zijn. Wij vertalen ze als vaststelling. Voetnoot : אֶת נְדָרֵינוּ (et nedarenu), ‘onze geloften’: de beloften die zij aan de koningin van de hemel hadden gedaan. Zie ook: Job 34:22; Jer 44:15–19; Jer 44:17–19; Mat 14:9; Hand 23:12–15; Jak 1:14–15 **44:26** Daarom, hoor het woord van Yahweh, heel Juda dat in het land Egypte woont: **„Zie, Ik zweer bij Mijn grote naam, zegt Yahweh. Nooit meer zal Mijn naam worden genoemd in de mond van enige man van Juda, in heel het land Egypte. Niemand zal zeggen: ‘Zo waar Heer Yahweh leeft.’** Brontekst: לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoort | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = heel | יְהוּדָ֕ה (yehuda) = Juda | הַיֹּשְׁבִ֖ים (hayoshevim) = die wonen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | נִשְׁבַּ֜עְתִּי (nishbati) = ik heb gezworen | בִּשְׁמִ֤י (bishmi) = bij Mijn naam | הַגָּדוֹל֙ (hagadol) = de grote | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | יִהְיֶה֩ (yihye) = zal zijn | ע֨וֹד (od) = nog | שְׁמִ֜י (shemi) = Mijn naam | נִקְרָ֣א (niqra) = genoemd | בְּפִ֣י (befi) = in de mond van | כָּל (kal) = elke | אִ֣ישׁ (ish) = man van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אֹמֵ֛ר (omer) = zeggend | חַי (chay) = zo waar leeft | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Eed van Yahweh bij Zijn eigen naam. Zie ook Jer. 22:5 en 49:13. Voetnoot : אִם יִהְיֶה עוֹד (im yihyeh od), ‘nooit meer zal er’: een eedformule; het Hebreeuws zegt letterlijk ‘als er nog … zal zijn’. Het betekent een sterke ontkenning. Voetnoot : חַי אֲדֹנָי יְהוִה (chai Adonai Yahweh), ‘zo waar Heer Yahweh leeft’ (‘Heer Yahweh’: zie Jer. 1:6): een vaste eedformule. Zij zullen niet meer in de naam van Yahweh zweren. Zie ook: Gen 22:16; Ps 50:16; Jer 1:6; Jer 5:2; Jer 22:5; Jer 49:13; Ezech 20:39; Heb 6:13 **44:27** **Zie, Ik waak over hen ten kwade en niet ten goede. Alle mannen van Juda die in het land Egypte zijn, zullen omkomen door het zwaard en door de honger, tot zij een einde hebben.** Brontekst: הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | שֹׁקֵ֧ד (shoqed) = wakend | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = over hen | לְרָעָ֖ה (leraa) = ten kwade | וְלֹ֣א (velo) = en niet | לְטוֹבָ֑ה (letova) = ten goede | וְתַמּוּ֩ (vetamu) = en zij zullen omkomen | כָל (kal) = alle | אִ֨ישׁ (ish) = man van | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | בַּחֶ֥רֶב (bacherev) = door het zwaard | וּבָרָעָ֖ב (uvaraav) = en door de honger | עַד (ad) = tot | כְּלוֹתָֽם (kelotam) = hun einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שֹׁקֵד (shoqed), ‘waakt’: Yahweh waakt over hen om onheil te brengen. Hetzelfde werkwoord staat in Jer. 1:12 en 31:28 voor ‘waken’ over het woord om het uit te voeren. Zie ook: 2 Kon 21:14; Jer 1:10; Jer 1:12; Jer 21:10; Jer 31:28; Jer 44:12 **44:28** **Alleen enkele mannen, ontkomenen aan het zwaard, zullen uit het land Egypte terugkeren naar het land Juda, een klein aantal. Dan zullen alle overgeblevenen van Juda, die naar het land Egypte zijn gekomen om daar te wonen, weten wiens woord standhoudt: het Mijne of het hunne.** Brontekst: וּפְלִיטֵ֨י (ufelitei) = en ontkomenen van | חֶ֜רֶב (cherev) = het zwaard | יְשֻׁב֨וּן (yeshuvun) = zullen terugkeren | מִן (min) = uit | אֶ֧רֶץ (erets) = het land van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | אֶ֥רֶץ (erets) = naar het land van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | מְתֵ֣י (metei) = mannen van | מִסְפָּ֑ר (mispar) = aantal | וְֽיָדְע֞וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כָּל (kal) = alle | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = overgeblevenen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | הַבָּאִ֤ים (habaim) = die komen | לְאֶֽרֶץ (leerets) = naar het land van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | לָג֣וּר (lagur) = om te wonen | שָׁ֔ם (sham) = daar | דְּבַר (devar) = het woord van | מִ֥י (mi) = wie | יָק֖וּם (yaqum) = zal standhouden | מִמֶּ֥נִּי (mimeni) = van Mij | וּמֵהֶֽם (umehem) = en van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: מְתֵי מִסְפָּר (metei mispar), ‘mannen van aantal’: een klein aantal, zo weinig dat men ze kan tellen. Voetnoot : דְּבַר מִי יָקוּם (devar mi yaqum), ‘wiens woord zal standhouden’: Mijn woord of dat van de overgeblevenen die in Egypte zijn gaan wonen. Zie ook: Ps 33:11; Jes 10:19; Jes 27:12–13; Jer 44:14; Jer 44:25–26 **44:29** **Dit is voor jullie het teken, godsspraak van Yahweh, dat Ik jullie op deze plaats straf. Zodat jullie weten dat Mijn woorden over jullie ten kwade zeker standhouden.”** Brontekst: וְזֹאת (vezot) = en dit | לָכֶ֤ם (lakhem) = voor jullie | הָאוֹת֙ (haot) = het teken | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = dat | פֹקֵ֥ד (poqed) = straffend | אֲנִ֛י (ani) = Ik | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = over jullie | בַּמָּק֣וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | תֵּֽדְע֔וּ (tedeu) = jullie weten | כִּי֩ (ki) = dat | ק֨וֹם (qom) = standhouden | יָק֧וּמוּ (yaqumu) = zullen standhouden | דְבָרַ֛י (devaray) = Mijn woorden | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = over jullie | לְרָעָֽה (leraa) = ten kwade Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאוֹת (ha’ot), ‘het teken’: een teken dat de woorden van Yahweh uitkomen. Zie het teken in vers 30. Zie ook: Spr 19:21; Jes 40:8; Jer 44:30; Mat 24:15–16; Mat 24:32–34 ### Het teken: Farao Hofra **44:30** Zo zegt Yahweh: **„Zie, Ik geef farao Hofra, de koning van Egypte, in de hand van zijn vijanden en in de hand van wie zijn leven zoeken. Zo heb Ik ook Zedekia, de koning van Juda, gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, zijn vijand die zijn leven zocht.”** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij | נֹ֠תֵן (noten) = gevend | אֶת (et) = (obj.) | פַּרְעֹ֨ה (paro) = farao | חָפְרַ֤ע (chafera) = Hofra | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | אֹֽיְבָ֔יו (oyevav) = zijn vijanden | וּבְיַ֖ד (uveyad) = en in de hand van | מְבַקְשֵׁ֣י (mevaqshei) = hen die zoeken | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn leven | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | נָתַ֜תִּי (natati) = Ik heb gegeven | אֶת (et) = (obj.) | צִדְקִיָּ֣הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | בְּיַ֨ד (beyad) = in de hand van | נְבוּכַדְרֶאצַּ֧ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | אֹיְב֖וֹ (oyevo) = zijn vijand | וּמְבַקֵּ֥שׁ (umevaqesh) = en die zoekt | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: חָפְרַע (Chofra), ‘Hofra’: Farao Hofra (Grieks Apries) regeerde Egypte volgens de gangbare datering ongeveer van 589 tot 570 v.Chr. Zie ook Jer. 37:5, waar het leger van de farao wordt genoemd. Voetnoot : Hij wordt in de hand van zijn vijanden gegeven, zoals Zedekia in de hand van Nebukadnezar (Jer. 39:5–7). Zie ook: 2 Kon 25:4–7; Jer 34:21; Jer 37:5; Jer 39:5–7; Jer 43:9–13; Ezech 30:21 ## Jeremia 45 _Een woord van Yahweh voor Baruch_ ### Een woord voor Baruch **45:1** Het woord dat de profeet Jeremia tot Baruch, de zoon van Nerija, sprak, toen die deze woorden uit de mond van Jeremia op een boekrol schreef. Dat was in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: Brontekst: הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | דִּבֶּר֙ (diber) = sprak | יִרְמְיָ֣הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = tot | בָּר֖וּךְ (barukh) = Baruch | בֶּֽן (ben) = zoon van | נֵֽרִיָּ֑ה (neriya) = Nerija | בְּכָתְבוֹ֩ (bekhatevo) = toen hij schreef | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֨ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֤לֶּה (haele) = deze | עַל (al) = op | סֵ֨פֶר֙ (sefer) = een boekrol | מִפִּ֣י (mipi) = uit de mond van | יִרְמְיָ֔הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | בַּשָּׁנָה֙ (bashana) = in het jaar | הָֽרְבִעִ֔ית (hareviit) = het vierde | לִיהוֹיָקִ֧ים (lihoyaqim) = van Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֛הוּ (yoshiyahu) = Josia | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vierde jaar van Jojakim is het jaar van de boekrol (Jer. 36:1–4). Dit woord aan Baruch is dus ouder dan de val van Jeruzalem in de verhalen van de hoofdstukken 39–44. Het staat hier aan het einde van de verhalen over Jeremia en Baruch. Voetnoot : סֵפֶר (sefer), ‘boekrol’: een gerolde schrijfrol, zoals in Jer. 36. Voetnoot : בְּכָתְבוֹ (bekhotvo), ‘toen hij schreef’: de schrijver is Baruch, de woorden komen uit Jeremia’s mond (Jer. 36:4, 18, 32). Zie ook: Jer 32:12; Jer 36:1; Jer 36:4; Jer 36:26; Jer 36:32 **45:2** Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël, over jou, Baruch: Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = over jou | בָּרֽוּךְ (barukh) = Baruch Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden van Yahweh zelf staan rood. Het Hebreeuws zegt ‘over jou’; wat volgt is gericht aan Baruch. Zie ook: Mar 16:7; 2 Kor 1:4; 2 Kor 7:6; Heb 2:18; Heb 4:15 **45:3** **„Jij hebt gezegd: ‘Wee mij toch, want Yahweh heeft verdriet toegevoegd aan mijn pijn. Ik ben moe van mijn zuchten en rust heb ik niet gevonden.’** Brontekst: אָמַ֨רְתָּ֙ (amarta) = jij hebt gezegd | אֽוֹי (oy) = wee | נָ֣א (na) = toch | לִ֔י (li) = mij | כִּֽי (ki) = want | יָסַ֧ף (yasaf) = heeft toegevoegd | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | יָג֖וֹן (yagon) = verdriet | עַל (al) = aan | מַכְאֹבִ֑י (makhovi) = mijn pijn | יָגַ֨עְתִּי֙ (yagati) = ik ben moe | בְּאַנְחָתִ֔י (beanchati) = van mijn zuchten | וּמְנוּחָ֖ה (umenucha) = en rust | לֹ֥א (lo) = niet | מָצָֽאתִי (matsati) = heb ik gevonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit zijn de woorden die Baruch zei. Yahweh haalt ze aan. Zij staan binnen Yahweh’s eigen toespraak; daarom staat ook dit vers rood. Voetnoot : יָגוֹן (yagon), ‘verdriet’, מַכְאֹב (makh’ov), ‘pijn’ en אֲנָחָה (anachah), ‘zucht’: drie woorden voor zijn lijden. Zie ook Ps. 31:11 en Jes. 35:10. Zie ook: Job 16:11–13; Ps 31:11; Ps 42:8; Jes 35:10; Gal 6:9; 2 Kor 4:1; 2 Kor 4:16 **45:4** **Zo moet je tegen hem zeggen: ‘Zo zegt Yahweh: Zie, wat Ik heb gebouwd, breek Ik af. Wat Ik heb geplant, ruk Ik uit: heel dit land.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | תֹּאמַ֣ר (tomar) = moet je zeggen | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אֲשֶׁר (asher) = wat | בָּנִ֨יתִי֙ (baniti) = Ik heb gebouwd | אֲנִ֣י (ani) = Ik | הֹרֵ֔ס (hores) = breek af | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | נָטַ֖עְתִּי (natati) = Ik heb geplant | אֲנִ֣י (ani) = Ik | נֹתֵ֑שׁ (notesh) = ruk uit | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | הִֽיא (hi) = dat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt hier ‘Zo moet je tegen hem zeggen’. De tekst past de aanspreking aan: eerst wordt Baruch aangesproken (‘jij’), daarna spreekt Yahweh tot Jeremia over Baruch (‘tegen hem’). Wij laten de wisseling staan. Voetnoot : בָּנִיתִי … נָטַעְתִּי (baniti … nata’ti), ‘gebouwd … geplant’, en הָרֹס (haros), ‘afbreken’, en נָתוֹשׁ (natosh), ‘uitrukken’: dezelfde werkwoorden als in Jer. 1:10 en 42:10. Voetnoot : אֲנִי (ani), ‘Ik’: het voornaamwoord staat er nadrukkelijk bij, bij beide werkwoorden. Voetnoot : וְאֶת כָּל הָאָרֶץ הִיא (ve’et kol ha’arets hi), ‘heel dit land’: de woorden zijn moeilijk. Letterlijk staat er ‘en heel het land, het’. Wij nemen aan dat ‘heel het land’ de uitleg bij het uitrukken is. Zie ook: Jes 5:2–7; Jer 1:10; Jer 11:17; Jer 18:7–10; Jer 31:28; Jer 42:10 **45:5** **En jij, zoek je grote dingen voor jezelf? Zoek ze niet. Want zie, Ik breng onheil over alle vlees, godsspraak van Yahweh. Maar Ik geef je je leven tot buit, op alle plaatsen waar je naartoe gaat.’”** Brontekst: וְאַתָּ֛ה (veata) = en jij | תְּבַקֶּשׁ (tevaqesh) = zoek je | לְךָ֥ (lekha) = voor jezelf | גְדֹל֖וֹת (gedolot) = grote dingen | אַל (al) = niet | תְּבַקֵּ֑שׁ (tevaqesh) = zoek | כִּ֡י (ki) = want | הִנְנִי֩ (hinni) = zie Mij | מֵבִ֨יא (mevi) = brengend | רָעָ֤ה (raa) = onheil | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂר֙ (basar) = vlees | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal geven | לְךָ֤ (lekha) = aan jou | אֶֽת (et) = (obj.) | נַפְשְׁךָ֙ (nafshekha) = je leven | לְשָׁלָ֔ל (leshalal) = tot buit | עַ֥ל (al) = op | כָּל (kal) = alle | הַמְּקֹמ֖וֹת (hameqomot) = plaatsen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | תֵּֽלֶךְ (telekh) = je gaat | שָֽׁם (sham) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּדֹלוֹת (gedolot), ‘grote dingen’: aanzien, rijkdom of een hoge plaats. Yahweh zegt dat Baruch dat niet moet zoeken. Voetnoot : כָּל בָּשָׂר (kol basar), ‘alle vlees’: alle levende wezens, vooral alle mensen. Zo ook Gen. 6:12. Voetnoot : וְנָתַתִּי לְךָ אֶת נַפְשְׁךָ לְשָׁלָל (venatatti lekha et nafshekha leshalal), ‘Ik geef je je leven tot buit’: je ontkomt met alleen je leven. Zo ook Jer. 21:9, 38:2 en 39:18, de belofte aan Ebed-Melech. Zie ook: Gen 6:12; Jer 21:9; Jer 38:2; Jer 39:18; Mat 6:25–32; Rom 12:16; 1 Tim 6:6–9; Heb 13:5 ## Jeremia 46 _Over Egypte: de nederlaag bij Karkemis en de komst van Nebukadnezar_ ### Over Egypte **46:1** Het woord van Yahweh dat tot Jeremia, de profeet, kwam over de volken. Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הָיָ֧ה (haya) = was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יִרְמְיָ֥הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | עַל (al) = over | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jer. 46–51 bevatten de woorden van Yahweh over de volken. Dit hoofdstuk gaat over Egypte; Jer. 47 over de Filistijnen en Jer. 48 over Moab. Zie ook: Jer 1:10; Jer 4:7; Jer 25:15–38; Zach 2:12; Rom 3:29 **46:2** Over Egypte. Dit gaat over het leger van farao Necho, de koning van Egypte, dat aan de rivier de Eufraat bij Karkemis stond. Nebukadnezar, de koning van Babel, versloeg het in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. Brontekst: לְמִצְרַ֗יִם (lemitsrayim) = over Egypte | עַל (al) = over | חֵ֨יל (cheil) = het leger van | פַּרְעֹ֤ה (paro) = farao | נְכוֹ֙ (nekho) = Necho | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁר (asher) = dat | הָיָ֥ה (haya) = stond | עַל (al) = bij | נְהַר (nehar) = de rivier | פְּרָ֖ת (perat) = de Eufraat | בְּכַרְכְּמִ֑שׁ (bekharkemish) = bij Karkemis | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הִכָּ֗ה (hika) = versloeg | נְבֽוּכַדְרֶאצַּר֙ (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | בִּשְׁנַת֙ (bishnat) = in het jaar | הָֽרְבִיעִ֔ית (hareviit) = vierde | לִיהוֹיָקִ֥ים (lihoyaqim) = van Jojakim | בֶּן (ben) = zoon van | יֹאשִׁיָּ֖הוּ (yoshiyahu) = Josia | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Zie Karkemis (Jerablus): Karkemis lag aan de Eufraat, bij het huidige Jerablus, op de grens van Syrië en Turkije. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: פַּרְעֹה נְכֹה (Par’oh Nekoh), ‘farao Necho’: Necho II van Egypte; zie 2 Kon. 23:29 en 2 Kron. 35:20–24. De slag bij Karkemis werd in het vierde jaar van Jojakim geleverd. Dat is ongeveer 605 voor Chr. Voetnoot : כַּרְכְּמִישׁ (Karkemish), ‘Karkemis’: een stad aan de Eufraat, in het noorden van Syrië. Voetnoot : נְבוּכַדְרֶאצַּר (Nevukhadre’tsar): de Hebreeuwse spelling in Jeremia. Het is dezelfde koning als Nebukadnezar in 2 Kon. 24:1. Wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’. Zie ook: 2 Kon 23:29; 2 Kon 24:1; 2 Kron 35:20–24; Jes 10:9; Jer 25:1; Jer 25:19; Jer 46:14 ### Het leger van Egypte bij Karkemis **46:3** Maak het kleine en het grote schild gereed en rukt op voor de strijd. Brontekst: עִרְכ֤וּ (irkhu) = maak gereed | מָגֵן֙ (magen) = schild | וְצִנָּ֔ה (vetsina) = en groot schild | וּגְשׁ֖וּ (ugeshu) = en rukt op | לַמִּלְחָמָֽה (lamilchama) = voor de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָגֵן (magen), ‘het kleine schild’, en צִנָּה (tsinnah), ‘het grote schild’: het onderscheid tussen beide soorten is niet helemaal zeker. Zie ook: Joël 4:9; Jes 21:5; Nah 2:2; Nah 3:14; Jer 51:11–12 **46:4** Span de paarden in en stijg op, ruiters. Stel jullie op met de helmen. Poets de lansen. Trek de pantsers aan. Brontekst: אִסְר֣וּ (isru) = span in | הַסּוּסִ֗ים (hasusim) = de paarden | וַֽעֲלוּ֙ (vaalu) = en stijg op | הַפָּ֣רָשִׁ֔ים (haparashim) = de ruiters | וְהִֽתְיַצְּב֖וּ (vehityatsevu) = en stel jullie op | בְּכ֥וֹבָעִ֑ים (bekhovaim) = met de helmen | מִרְקוּ֙ (mirqu) = poets | הָֽרְמָחִ֔ים (haremachim) = de lansen | לִבְשׁ֖וּ (livshu) = trek aan | הַסִּרְיֹנֹֽת (hasiryonot) = de pantsers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כּוֹבַע (kova), ‘helm’, en סִרְיֹן (siryon), ‘pantser’: de betekenis van deze woorden is onzeker. Wij kiezen de gewone vertaling. Zie ook: 1 Sam 17:38; 2 Kron 26:14; Jer 51:3; Ezech 21:14–16; Ezech 21:33 **46:5** Waarom zie ik het? Zij zijn verschrikt en deinzen achteruit. Hun helden worden verslagen en vluchten halsoverkop, zonder om te kijken. Schrik rondom, **godsspraak van Yahweh.** Brontekst: מַדּ֣וּעַ (madua) = waarom | רָאִ֗יתִי (raiti) = heb ik gezien | הֵ֣מָּה (hema) = zij | חַתִּים֮ (chatim) = verschrikt | נְסֹגִ֣ים (nesogim) = wijkend | אָחוֹר֒ (achor) = achteruit | וְגִבּוֹרֵיהֶ֣ם (vegiboreihem) = en hun helden | יֻכַּ֔תּוּ (yukatu) = worden verslagen | וּמָנ֥וֹס (umanos) = en op de vlucht | נָ֖סוּ (nasu) = zij vluchten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | הִפְנ֑וּ (hifnu) = zij kijken om | מָג֥וֹר (magor) = schrik | מִסָּבִ֖יב (misaviv) = rondom | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָגוֹר מִסָּבִיב (magor missaviv), ‘schrik rondom’: een uitdrukking die in Jeremia vaker voorkomt, bijvoorbeeld in 6:25 en 49:29. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Hier is de beschrijving van de profeet; alleen de formule staat rood. Zie ook: Nah 2:9; Jer 1:8; Jer 6:25; Jer 20:10; Jer 46:21; Jer 49:29 **46:6** De snelle kan niet vluchten en de held kan niet ontkomen. In het noorden, aan de oever van de rivier de Eufraat, zijn zij gestruikeld en gevallen. Brontekst: אַל (al) = niet | יָנ֣וּס (yanus) = kan vluchten | הַקַּ֔ל (haqal) = de snelle | וְאַל (veal) = en niet | יִמָּלֵ֖ט (yimalet) = kan ontkomen | הַגִּבּ֑וֹר (hagibor) = de held | צָפ֨וֹנָה֙ (tsafona) = naar het noorden | עַל (al) = aan | יַ֣ד (yad) = de oever van | נְהַר (nehar) = de rivier | פְּרָ֔ת (perat) = de Eufraat | כָּשְׁל֖וּ (kashelu) = zijn gestruikeld | וְנָפָֽלוּ (venafalu) = en gevallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Voetnoot Uitleg: אַל (al): het Hebreeuws zegt letterlijk ‘laat de snelle niet vluchten’. De zin stelt vast dat er geen ontkomen is. Wij schrijven daarom ‘kan niet’. Voetnoot : Het noorden aan de Eufraat is de plaats van de slag bij Karkemis (vers 2). Zie ook: Ps 147:10–11; Amos 9:1–3; Jes 30:16–17; Jer 46:2; Jer 46:12; Dan 11:19 **46:7** Wie is dit die opstijgt als de Nijl, als rivieren waarvan de wateren woelen? Brontekst: מִי (mi) = wie | זֶ֖ה (ze) = is dit | כַּיְאֹ֣ר (kayor) = als de Nijl | יַֽעֲלֶ֑ה (yaale) = stijgt op | כַּנְּהָר֕וֹת (kaneharot) = als rivieren | יִֽתְגָּעֲשׁ֖וּ (yitgaashu) = woelen | מֵימָֽיו (meimav) = zijn wateren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: כַּיְאֹר (kaye’or), ‘als de Nijl’: ye’or is het Hebreeuwse woord voor de Nijl. De Nijl treedt elk jaar buiten zijn oevers; zo komt dit leger op. Zie ook: Amos 8:8; Jes 8:7–8; Jer 47:2; Dan 11:22; Openb 12:15 **46:8** Egypte stijgt op als de Nijl; als rivieren woelen de wateren. Hij zegt: „Ik zal opstijgen en het land bedekken. Ik zal de stad en haar bewoners vernietigen.” Brontekst: מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | כַּיְאֹ֣ר (kayor) = als de Nijl | יַֽעֲלֶ֔ה (yaale) = stijgt op | וְכַנְּהָר֖וֹת (vekhaneharot) = en als rivieren | יִתְגֹּ֣עֲשׁוּ (yitgoashu) = woelen | מָ֑יִם (mayim) = wateren | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zegt | אַֽעֲלֶה֙ (aale) = ik zal opstijgen | אֲכַסֶּה (akhase) = ik zal bedekken | אֶ֔רֶץ (erets) = het land | אֹבִ֥ידָה (ovida) = ik zal vernietigen | עִ֖יר (ir) = stad | וְיֹ֥שְׁבֵי (veyoshevei) = en haar bewoners | בָֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: De woorden tussen aanhalingstekens zijn de woorden van Egypte zelf. Ze staan zwart. Zie ook: Ex 15:9–10; Jes 10:13–16; Jes 37:24–26; Ezech 29:3; Ezech 32:2 **46:9** Stijg op, paarden, en raas, wagens. Laat de helden uittrekken: Kush en Put, die het schild vasthouden, en de Ludim, die de boog vasthouden en spannen. Brontekst: עֲל֤וּ (alu) = stijg op | הַסּוּסִים֙ (hasusim) = de paarden | וְהִתְהֹלְל֣וּ (vehitholelu) = en raas | הָרֶ֔כֶב (harekhev) = de wagens | וְיֵצְא֖וּ (veyetseu) = en laat uittrekken | הַגִּבּוֹרִ֑ים (hagiborim) = de helden | כּ֤וּשׁ (kush) = Kush | וּפוּט֙ (ufut) = en Put | תֹּפְשֵׂ֣י (tofesei) = die vasthouden | מָגֵ֔ן (magen) = schild | וְלוּדִ֕ים (veludim) = en de Ludim | תֹּפְשֵׂ֖י (tofesei) = die vasthouden | דֹּ֥רְכֵי (dorekhei) = spannen van | קָֽשֶׁת (qashet) = boog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: כּוּשׁ (Kush) lag ten zuiden van Egypte. פּוּט (Put) is een land of volk in Noordoost-Afrika; de ligging is onzeker. לוּדִים (Ludim), ‘de Ludim’: een volk uit de nakomelingen van Misraïm (Gen. 10:13). De ligging is onzeker. Voetnoot : De drie volken zijn huurlingen en bondgenoten van Egypte. Zie ook: Gen 10:6; Gen 10:13; Jes 66:19; Nah 3:9; Ezech 27:10; Hand 2:10 **46:10** Die dag is voor Heer Yahweh van de legermachten een dag van wraak, om Zich te wreken op Zijn tegenstanders. Het zwaard zal eten, verzadigd worden en zich laven aan hun bloed. Want Heer Yahweh van de legermachten heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier de Eufraat. Brontekst: וְֽהַיּ֨וֹם (vehayom) = en die dag | הַה֜וּא (hahu) = die | לַאדֹנָ֧י (ladonay) = voor Heer | יְהוִ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | י֤וֹם (yom) = dag van | נְקָמָה֙ (neqama) = wraak | לְהִנָּקֵ֣ם (lehinaqem) = om zich te wreken | מִצָּרָ֔יו (mitsarav) = op Zijn tegenstanders | וְאָכְלָ֥ה (veakhela) = en zal eten | חֶ֨רֶב֙ (cherev) = zwaard | וְשָׂ֣בְעָ֔ה (vesavea) = en zal verzadigd worden | וְרָוְתָ֖ה (veraveta) = en zal gelaafd worden | מִדָּמָ֑ם (midamam) = van hun bloed | כִּ֣י (ki) = want | זֶ֠בַח (zevach) = slachtoffer | לַאדֹנָ֨י (ladonay) = voor Heer | יְהוִ֧ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֛וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | צָפ֖וֹן (tsafon) = het noorden | אֶל (el) = aan | נְהַר (nehar) = de rivier | פְּרָֽת (perat) = de Eufraat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (Adonai Yahweh Tsevaot), ‘Heer Yahweh van de legermachten’: zie Jer. 1:6 en 2:19. Voetnoot : זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’: een offerslachting. Hier is het beeld dat Egypte het offer is van Yahweh; vergelijk Jes. 34:6. De woorden zijn van de profeet in de derde persoon, dus zwart. Zie ook: Deut 32:42; Joël 1:15; Jes 34:6; Sef 1:7–8; Jer 1:6; Jer 2:19; Jer 46:2; Jer 46:6 ### Geen genezing voor Dochter Egypte **46:11** Ga op naar Gilead en haal balsem, maagd, Dochter Egypte. Tevergeefs maak je de geneesmiddelen talrijk. Er komt geen genezing voor jou op. Brontekst: עֲלִ֤י (ali) = ga op | גִלְעָד֙ (gilad) = naar Gilead | וּקְחִ֣י (uqechi) = en haal | צֳרִ֔י (tsori) = balsem | בְּתוּלַ֖ת (betulat) = maagd | בַּת (bat) = dochter van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | לַשָּׁוְא֙ (lashave) = tevergeefs | הִרְבֵּ֣ית (hirbeit) = maak je talrijk | רְפֻא֔וֹת (refuot) = geneesmiddelen | תְּעָלָ֖ה (teala) = genezing | אֵ֥ין (ein) = er is niet | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: צֳרִי (tsori), ‘balsem’: een geneeskrachtige hars uit Gilead; zie Gen. 37:25. Het beeld is: er is geen middel tegen deze wond. Voetnoot : תַּעֲלֶה (ta’aleh), ‘komt op’: zie Jer. 30:13, waar dezelfde woorden staan. Voetnoot : בְּתוּלַת בַּת מִצְרַיִם (betulat bat Mitsrayim), ‘maagd, Dochter Egypte’: een beeld voor Egypte en zijn bevolking, zoals ‘Dochter Sion’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is הרביתי (hirbeti), met een extra jod; het voorgelezen woord (qere) is הִרְבֵּית (hirbeit), ‘je hebt talrijk gemaakt’. De geschreven vorm zou ook als ‘ik heb talrijk gemaakt’ gelezen kunnen worden. Wij volgen het qere. Zie ook: Gen 37:25; Jes 47:1; Mi 1:9; Nah 3:19; Jer 8:22; Jer 14:17; Jer 30:13 **46:12** De volken hebben je schande gehoord, en de aarde is vol van je geschreeuw. Want de ene held is over de andere gestruikeld; samen zijn zij beiden gevallen. Brontekst: שָׁמְע֤וּ (shameu) = hebben gehoord | גוֹיִם֙ (goyim) = volken | קְלוֹנֵ֔ךְ (qelonekh) = je schande | וְצִוְחָתֵ֖ךְ (vetsivchatekh) = en je geschreeuw | מָלְאָ֣ה (malea) = is vol | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | כִּֽי (ki) = want | גִבּ֤וֹר (gibor) = held | בְּגִבּוֹר֙ (begibor) = tegen held | כָּשָׁ֔לוּ (kashalu) = zijn gestruikeld | יַחְדָּ֖יו (yachdav) = samen | נָפְל֥וּ (nafelu) = zijn gevallen | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = beiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְלוֹנֵךְ (qelonekh), ‘je schande’: wat je onteert, je beschaamdheid. Zie ook: Jes 19:2; Nah 3:8–10; Jer 14:2; Jer 46:6; Jer 51:54 ### Nebukadnezar komt naar Egypte **46:13** Het woord dat Yahweh tot Jeremia, de profeet, sprak over de komst van Nebukadnezar, de koning van Babel, om het land Egypte te slaan. Brontekst: הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | דִּבֶּ֣ר (diber) = sprak | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | לָב֗וֹא (lavo) = over het komen van | נְבֽוּכַדְרֶאצַּר֙ (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | לְהַכּ֖וֹת (lehakot) = om te slaan | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit vers begint een tweede woord over Egypte. De komst van Nebukadnezar naar Egypte wordt ook genoemd in Ezech. 29:19. Zie ook: Jes 19:1–25; Jes 29:1–24; Jer 43:10–13; Jer 44:30; Ezech 29:19 **46:14** Maak het bekend in Egypte, laat het horen in Migdol, laat het horen in Nof en in Tachpanches. Zeg: „Stel je op en maak je gereed, want het zwaard heeft rondom je alles verteerd.” Brontekst: הַגִּ֤ידוּ (hagidu) = maak bekend | בְמִצְרַ֨יִם֙ (bemitsrayim) = in Egypte | וְהַשְׁמִ֣יעוּ (vehashmiu) = en laat horen | בְמִגְדּ֔וֹל (bemigdol) = in Migdol | וְהַשְׁמִ֥יעוּ (vehashmiu) = en laat horen | בְנֹ֖ף (benof) = in Nof | וּבְתַחְפַּנְחֵ֑ס (uvetachpanches) = en in Tachpanches | אִמְר֗וּ (imru) = zeg | הִתְיַצֵּב֙ (hityatsev) = stel je op | וְהָכֵ֣ן (vehakhen) = en maak gereed | לָ֔ךְ (lakh) = voor jezelf | כִּֽי (ki) = want | אָכְלָ֥ה (akhela) = heeft verteerd | חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard | סְבִיבֶֽיךָ (seviveikha) = rondom je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Migdol: Migdol (‘toren, fort’) was een grensfort in het oosten van de Nijldelta. De precieze plaats is niet bekend. Zie Nof (Memfis): Memfis (Mof) was een oude hoofdstad van Egypte, bij Mit Rahina, ten zuiden van het huidige Caïro, aan de Nijl. Zie Tachpanches (Tell Defenneh): Tachpanches (Tafnes, Daphne) was een grensvesting in het oostelijke Nijldelta, bij het huidige Tell Defenneh, waar Judese vluchtelingen zich vestigden. Voetnoot Uitleg: מִגְדֹּל (Migdol), נֹף (Nof) en תַּחְפַּנְחֵס (Tachpanches): steden in Egypte. Migdol was een grensfort in het oosten van de Nijldelta. Nof is Memfis (Jes. 19:13). Tachpanches lag ook in het oosten van de delta. Zie ook: Jes 1:20; Jes 19:13; Nah 2:14; Jer 2:30; Jer 44:1; Jer 46:10 **46:15** Waarom is je machtige weggespoeld? Hij hield geen stand, want Yahweh heeft hem neergestoten. Brontekst: מַדּ֖וּעַ (madua) = waarom | נִסְחַ֣ף (nischaf) = is weggespoeld | אַבִּירֶ֑יךָ (abireikha) = je machtige | לֹ֣א (lo) = niet | עָמַ֔ד (amad) = hield stand | כִּ֥י (ki) = want | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֲדָפֽוֹ (hadafo) = heeft hem neergestoten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַבִּירֶיךָ (abbirekha), ‘je machtige’: het woord is een meervoud, maar de werkwoorden zijn enkelvoud. Het kan ‘je sterken’ betekenen of één ‘machtige’. Het lijkt ook op het woord voor ‘stier’. De betekenis is onzeker. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen anders dan de Masoretische tekst. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 18:15; Ps 18:40; Ps 68:3; Jes 66:15–16; Jer 46:5 **46:16** Velen struikelden. Ook viel de een tegen de ander. Zij zeiden: „Sta op, laten wij terugkeren naar ons volk en naar het land van onze geboorte, weg van het zwaard van de verdrukker.” Brontekst: הִרְבָּ֖ה (hirba) = velen | כּוֹשֵׁ֑ל (koshel) = struikelden | גַּם (gam) = ook | נָפַ֞ל (nafal) = viel | אִ֣ישׁ (ish) = de een | אֶל (el) = tegen | רֵעֵ֗הוּ (reehu) = zijn naaste | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en zij zeiden | ק֣וּמָה (quma) = sta op | וְנָשֻׁ֣בָה (venashuva) = en laten wij terugkeren | אֶל (el) = naar | עַמֵּ֗נוּ (amenu) = ons volk | וְאֶל (veel) = en naar | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = het land van | מֽוֹלַדְתֵּ֔נוּ (moladtenu) = onze geboorte | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard van | הַיּוֹנָֽה (hayona) = de verdrukker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִרְבָּה כּוֹשֵׁל (hirbah koshel): letterlijk ‘hij heeft de struikelaar talrijk gemaakt’. Het onderwerp staat er niet bij. Wij schrijven: ‘Velen struikelden’. Voetnoot : הַיּוֹנָה (hayyonah), ‘de verdrukker’: van het werkwoord yanah, ‘onderdrukken’. Het woord kan ook als ‘de duif’ worden gelezen. De betekenis is onzeker. Zie ook: Lev 26:36–37; Jer 46:6; Jer 46:21; Jer 50:16; Jer 51:9 **46:17** Daar roepen zij: „Farao, de koning van Egypte, is slechts geraas. Hij heeft het bestemde ogenblik laten voorbijgaan.” Brontekst: קָרְא֖וּ (qareu) = zij roepen | שָׁ֑ם (sham) = daar | פַּרְעֹ֤ה (paro) = farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | שָׁא֔וֹן (shaon) = geraas | הֶעֱבִ֖יר (heevir) = hij heeft laten voorbijgaan | הַמּוֹעֵֽד (hamoed) = het bestemde ogenblik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שָׁאוֹן (sha’on), ‘geraas’: veel lawaai en weinig daden. Voetnoot : הֶעֱבִיר הַמּוֹעֵד (he’evir hammo’ed), ‘hij heeft het bestemde ogenblik laten voorbijgaan’: hij heeft zijn kans laten liggen. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Ex 15:9; 1 Kon 20:10; Jes 19:11–16; Jes 31:3; Ezech 29:3 ### Zo zeker als de Tabor en de Karmel **46:18** **„Zo waar Ik leef, godsspraak van de Koning,** Yahweh van de legermachten is Zijn naam. **Voorwaar, als de Tabor onder de bergen en als de Karmel aan de zee, zo zal hij komen.”** Brontekst: חַי (chay) = leef | אָ֨נִי֙ (ani) = ik | נְאֻם (neum) = godsspraak van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de Koning | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמ֑וֹ (shemo) = Zijn naam | כִּ֚י (ki) = voorwaar | כְּתָב֣וֹר (ketavor) = als de Tabor | בֶּֽהָרִ֔ים (beharim) = onder de bergen | וּכְכַרְמֶ֖ל (ukhekharmel) = en als de Karmel | בַּיָּ֥ם (bayam) = aan de zee | יָבֽוֹא (yavo) = zal hij komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh; zie Num. 14:21 en 14:28. Voetnoot : נְאֻם הַמֶּלֶךְ (ne’um hammelekh), ‘godsspraak van de Koning’: de Koning is Yahweh van de legermachten, zoals de rest van het vers zegt. ‘Yahweh van de legermachten is Zijn naam’ is een opmerking over Hem in de derde persoon en staat zwart (zoals in Amos 5:27 en Jer. 51:57). Voetnoot : De Tabor en de Karmel zijn bergen. Het beeld is: de vijand komt zo zeker en zo groot als deze bergen. Zie ook: Num 14:21; Num 14:28; Joz 19:22; Re 4:6; Ps 89:13; Amos 5:27; Jer 48:15; Jer 51:57; Mal 1:14 ### Pak je bagage voor de ballingschap **46:19** Maak je bagage voor de ballingschap klaar, jij die woont, Dochter Egypte. Want Nof wordt een woestenij. Het wordt in brand gestoken, zonder bewoner. Brontekst: כְּלֵ֤י (kelei) = bagage van | גוֹלָה֙ (gola) = ballingschap | עֲשִׂ֣י (asi) = maak | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | יוֹשֶׁ֖בֶת (yoshevet) = jij die woont | בַּת (bat) = Dochter | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּֽי (ki) = want | נֹף֙ (nof) = Nof | לְשַׁמָּ֣ה (leshama) = tot woestenij | תִֽהְיֶ֔ה (tihye) = zal worden | וְנִצְּתָ֖ה (venitseta) = en wordt in brand gestoken | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | יוֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Nof (Memfis): Memfis (Mof) was een oude hoofdstad van Egypte, bij Mit Rahina, ten zuiden van het huidige Caïro, aan de Nijl. Voetnoot Uitleg: כְּלִי גוֹלָה (kelei golah), ‘bagage voor de ballingschap’: letterlijk ‘vaten van ballingschap’. Voetnoot : נֹף (Nof): zie vers 14. Voetnoot : וְנִצְּתָה (venitstah), ‘het wordt in brand gestoken’: van het werkwoord tsatah, ‘in brand steken’. Zie ook: Jes 20:4; Sef 2:5; Jer 44:1; Jer 46:14; Jer 48:18; Ezech 30:13 **46:20** Egypte is een heel mooie jonge koe. Een steekvlieg uit het noorden komt, hij komt. Brontekst: עֶגְלָ֥ה (egla) = jonge koe | יְפֵֽה (yefe) = mooi | פִיָּ֖ה (piya) = (zeer) | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | קֶ֥רֶץ (qerets) = steekvlieg | מִצָּפ֖וֹן (mitsafon) = uit het noorden | בָּ֥א (ba) = komt | בָֽא (ba) = komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: קֶרֶץ (qerets), ‘steekvlieg’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Ook voorgesteld: ‘vernietiging’. Zie ook: Hos 10:11; Jer 1:14; Jer 46:6; Jer 46:10; Jer 47:2 **46:21** Ook haar huurlingen in haar midden zijn als gemeste kalveren. Want ook zij keren om en vluchten samen. Zij houden geen stand. Want de dag van hun ramp komt over hen, de tijd van hun straf. Brontekst: גַּם (gam) = ook | שְׂכִרֶ֤יהָ (sekhireiha) = haar huurlingen | בְקִרְבָּהּ֙ (beqirbah) = in haar midden | כְּעֶגְלֵ֣י (keeglei) = als kalveren van | מַרְבֵּ֔ק (marbeq) = de mesterij | כִּֽי (ki) = want | גַם (gam) = ook | הֵ֧מָּה (hema) = zij | הִפְנ֛וּ (hifnu) = keren om | נָ֥סוּ (nasu) = zij vluchten | יַחְדָּ֖יו (yachdav) = samen | לֹ֣א (lo) = niet | עָמָ֑דוּ (amadu) = houden stand | כִּ֣י (ki) = want | י֥וֹם (yom) = dag van | אֵידָ֛ם (eidam) = hun ramp | בָּ֥א (ba) = komt | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | עֵ֥ת (et) = tijd van | פְּקֻדָּתָֽם (pequdatam) = hun straf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵידָם (eidam), ‘hun ramp’: zie ook 48:16. Voetnoot : שְׂכִרֶיהָ (sekhireha), ‘haar huurlingen’: buitenlandse soldaten in dienst van Egypte. Voetnoot : פְּקֻדָּתָם (peqoddatam), ‘hun straf’: van het werkwoord paqad, ‘bezoeken’, hier ‘straffen’; zie vers 25. Zie ook: 2 Sam 10:6; 2 Kon 7:6; Amos 6:4; Jer 46:5; Jer 46:25; Ob 1:13 **46:22** Haar stem gaat als die van een slang, want zij trekken op met een leger. Met bijlen komen zij op haar af, als houthakkers. Brontekst: קוֹלָ֖הּ (qolah) = haar stem | כַּנָּחָ֣שׁ (kanachash) = als een slang | יֵלֵ֑ךְ (yelekh) = gaat | כִּֽי (ki) = want | בְחַ֣יִל (bechayil) = met een leger | יֵלֵ֔כוּ (yelekhu) = zij trekken | וּבְקַרְדֻּמּוֹת֙ (uveqardumot) = en met bijlen | בָּ֣אוּ (bau) = zij komen | לָ֔הּ (lah) = tegen haar | כְּחֹטְבֵ֖י (kechotevei) = als houthakkers van | עֵצִֽים (etsim) = hout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹלָהּ כַּנָּחָשׁ יֵלֵךְ (qolah kannachash yelekh), ‘haar stem gaat als die van een slang’: de betekenis is onzeker. Mogelijk gaat het om een zacht sissend geluid, waarmee Egypte wegglijdt als het leger komt. Zie ook: Jes 14:8; Jes 29:4; Jes 37:24; Jer 51:20–23; Zach 11:2 **46:23** Zij hakken haar woud om, **godsspraak van Yahweh,** want het is niet te doorzoeken. Want zij zijn talrijker dan sprinkhanen, er is geen getal aan hen. Brontekst: כָּרְת֤וּ (karetu) = zij hakken om | יַעְרָהּ֙ (yarah) = haar woud | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֖י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | יֵֽחָקֵ֑ר (yechaqer) = is te doorzoeken | כִּ֤י (ki) = want | רַבּוּ֙ (rabu) = zijn talrijk | מֵֽאַרְבֶּ֔ה (mearbe) = meer dan sprinkhanen | וְאֵ֥ין (veein) = en niet | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | מִסְפָּֽר (mispar) = getal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’: zo vertalen wij het woord overal; zie Joël 1:4. Voetnoot : יַעְרָהּ (ya’rah), ‘haar woud’: een beeld voor de talrijke inwoners van Egypte. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Zie ook: Re 6:5; Re 7:12; Joël 1:4; Joël 2:25; Jer 1:8; Ezech 21:2; Openb 9:2–10 **46:24** Dochter Egypte is beschaamd. Zij is gegeven in de hand van het volk van het noorden. Brontekst: הֹבִ֖ישָׁה (hovisha) = is beschaamd | בַּת (bat) = Dochter | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | נִתְּנָ֖ה (nitena) = is gegeven | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | עַם (am) = volk van | צָפֽוֹן (tsafon) = het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: עַם צָפוֹן (am tsafon), ‘het volk van het noorden’: Babel, dat vanuit het noorden Egypte binnentrekt. Zie ook: Ps 137:8; Jer 1:15; Jer 46:11; Jer 46:19–20; Ezech 29:1–21 **46:25** Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël, heeft gezegd: **„Zie, Ik ga Amon van No straffen, en farao, en Egypte met zijn goden en zijn koningen. Ook farao en wie op hem vertrouwen straf Ik.** Brontekst: אָמַר֩ (amar) = heeft gezegd | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֤י (hinni) = zie, Ik | פוֹקֵד֙ (poqed) = ga straffen | אֶל (el) = over | אָמ֣וֹן (amon) = Amon | מִנֹּ֔א (mino) = van No | וְעַל (veal) = en over | פַּרְעֹה֙ (paro) = farao | וְעַל (veal) = en over | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְעַל (veal) = en over | אֱלֹהֶ֖יהָ (eloheiha) = zijn goden | וְעַל (veal) = en over | מְלָכֶ֑יהָ (melakheiha) = zijn koningen | וְעַ֨ל (veal) = en over | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | וְעַ֥ל (veal) = en over | הַבֹּטְחִ֖ים (habotechim) = wie vertrouwen | בּֽוֹ (bo) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie No (Thebe): No (No-Amon) is Thebe, de oude hoofdstad van Opper-Egypte, bij het huidige Luxor, aan de Nijl. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אָמוֹן מִנֹּא (Amon mi-No), ‘Amon van No’: No is Thebe in Opper-Egypte en Amon was de god van die stad; zie Nah. 3:8 (‘No-Amon’). Voetnoot : פּוֹקֵד (poqed), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken’; vergelijk Jes. 10:12. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Zie ook: Ex 12:12; Jes 10:12; Jes 20:5–6; Jes 30:2–3; Nah 3:8; Sef 2:11; Jer 2:19; Jer 43:12–13 **46:26** **Ik lever hen over in de hand van wie hun leven zoeken, in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en in de hand van zijn dienaren. Daarna zal zij bewoond worden zoals in de dagen van vroeger, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וּנְתַתִּ֗ים (unetatim) = en Ik zal hen overleveren | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | מְבַקְשֵׁ֣י (mevaqshei) = wie zoeken | נַפְשָׁ֔ם (nafsham) = hun leven | וּבְיַ֛ד (uveyad) = en in de hand van | נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֥ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וּבְיַד (uveyad) = en in de hand van | עֲבָדָ֑יו (avadav) = zijn dienaren | וְאַחֲרֵי (veacharei) = en na | כֵ֛ן (ken) = dit | תִּשְׁכֹּ֥ן (tishkon) = zal zij bewoond worden | כִּֽימֵי (kimei) = zoals in de dagen van | קֶ֖דֶם (qedem) = vroeger | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: עֲבָדָיו (avadav), ‘zijn dienaren’: de hovelingen en bevelhebbers van Nebukadnezar. Wij schrijven ‘dienaren’ voor mensen van een koning en ‘knecht’ voor de knecht van Yahweh (vers 27). Voetnoot : Wat Yahweh na de val van Egypte belooft, is een herstel van het land ‘zoals in de dagen van vroeger’. Zie ook: Jer 44:30; Jer 46:27; Jer 48:47; Jer 49:39; Ezech 29:8–14; Ezech 32:11 ### Wees niet bang, Mijn knecht Jakob **46:27** **Jij dan, wees niet bang, Mijn knecht Jakob, en wees niet ontzet, Israël. Want zie, Ik red je uit de verte en je nageslacht uit het land van hun gevangenschap. Jakob zal terugkeren, rust hebben en onbezorgd zijn. Niemand zal hem doen schrikken.** Brontekst: וְ֠אַתָּה (veata) = en jij | אַל (al) = niet | תִּירָ֞א (tira) = wees bang | עַבְדִּ֤י (avdi) = Mijn knecht | יַֽעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | וְאַל (veal) = en niet | תֵּחַ֣ת (techat) = wees ontzet | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּ֠י (ki) = want | הִנְנִ֤י (hinni) = zie, Ik | מוֹשִֽׁעֲךָ֙ (moshiakha) = die je redt | מֵֽרָח֔וֹק (merachoq) = uit de verte | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | זַרְעֲךָ֖ (zarakha) = je nageslacht | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | שִׁבְיָ֑ם (shivyam) = hun gevangenschap | וְשָׁ֧ב (veshav) = en zal terugkeren | יַעֲק֛וֹב (yaaqov) = Jakob | וְשָׁקַ֥ט (veshaqat) = en zal rustig zijn | וְשַׁאֲנַ֖ן (veshaanan) = en onbezorgd | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מַחֲרִֽיד (macharid) = die doet schrikken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: Jakob, het volk. Dit vers en het volgende staan ook in Jer. 30:10–11; wij houden de woorden gelijk waar het Hebreeuws gelijk is. Hier ontbreekt in vers 27 de formule ‘godsspraak van Yahweh’, die in 30:10 wel staat. Voetnoot : מוֹשִׁיעֲךָ (moshi’akha), ‘die je redt’: van het werkwoord hoshia, ‘redden’. Voetnoot : אֶרֶץ שִׁבְיָם (erets shivyam), ‘het land van hun gevangenschap’. Zie ook: Jes 41:13–14; Jes 43:1; Jes 43:5; Jer 30:10–11; Jer 50:19 **46:28** **Jij, wees niet bang, Mijn knecht Jakob, godsspraak van Yahweh, want Ik ben met je. Want Ik zal een volledig einde maken aan alle volken waarheen Ik je verdreven heb. Maar aan jou zal Ik geen volledig einde maken. Ik zal je tuchtigen naar recht, maar Ik zal je zeker niet ongestraft laten.”** Brontekst: אַ֠תָּה (ata) = jij | אַל (al) = niet | תִּירָ֞א (tira) = wees bang | עַבְדִּ֤י (avdi) = Mijn knecht | יַֽעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | אִתְּךָ֖ (itekha) = met jou | אָ֑נִי (ani) = Ik | כִּי֩ (ki) = want | אֶעֱשֶׂ֨ה (eese) = Ik zal maken | כָלָ֜ה (kala) = een volledig einde | בְּכָֽל (bekhal) = onder alle | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waarheen | הִדַּחְתִּ֣יךָ (hidachtikha) = Ik je verdreven heb | שָׁ֗מָּה (shama) = daarheen | וְאֹֽתְךָ֙ (veotekha) = maar met jou | לֹא (lo) = niet | אֶעֱשֶׂ֣ה (eese) = Ik zal maken | כָלָ֔ה (kala) = een volledig einde | וְיִסַּרְתִּ֨יךָ֙ (veyisartikha) = en Ik zal je tuchtigen | לַמִּשְׁפָּ֔ט (lamishpat) = naar recht | וְנַקֵּ֖ה (venaqe) = en ongestraft | לֹ֥א (lo) = niet | אֲנַקֶּֽךָּ (anaqeka) = Ik laat je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers komt grotendeels overeen met Jer. 30:11. Daar staat ‘godsspraak van Yahweh’ na ‘Want Ik ben met je’ en ‘om je te redden’; hier staat de formule na ‘Mijn knecht Jakob’. Ook staat daar ‘verspreid’ waar hier ‘verdreven’ staat. Voetnoot : כָּלָה (kalah), ‘volledig einde’: een algehele vernietiging. Voetnoot : לַמִּשְׁפָּט (lammishpat), ‘naar recht’: het kan ook ‘met mate’ betekenen. Het gaat om een tuchtiging, geen vernietiging. Zie ook: Amos 9:8–9; Jer 10:24; Jer 30:11; 1 Kor 11:32; Openb 3:19 ## Jeremia 47 _Over de Filistijnen: het zwaard van Yahweh_ ### Over de Filistijnen **47:1** Het woord van Yahweh dat tot Jeremia, de profeet, kwam over de Filistijnen, voordat farao Gaza versloeg. Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הָיָ֧ה (haya) = was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יִרְמְיָ֥הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = tot | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = de Filistijnen | בְּטֶ֛רֶם (beterem) = voordat | יַכֶּ֥ה (yake) = versloeg | פַרְעֹ֖ה (paro) = farao | אֶת (et) = (obj.) | עַזָּֽה (aza) = Gaza Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk gaat over de Filistijnen. De tekst zegt niet welke farao bedoeld is en welke veldtocht. Het Hebreeuws noemt geen jaartal. Zie ook: Gen 10:19; Ex 25:15–17; 1 Kon 5:4; Jer 25:20; Zach 9:5–7 ### Wateren uit het noorden **47:2** Zo zegt Yahweh: **„Zie, wateren stijgen op uit het noorden en worden een overspoelende beek. Zij overspoelen het land en wat het vult, de stad en haar inwoners. De mensen schreeuwen en alle inwoners van het land jammeren.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּה (hine) = zie | מַ֜יִם (mayim) = wateren | עֹלִ֤ים (olim) = stijgen op | מִצָּפוֹן֙ (mitsafon) = uit het noorden | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en zullen worden | לְנַ֣חַל (lenachal) = tot een beek | שׁוֹטֵ֔ף (shotef) = overspoelend | וְיִשְׁטְפוּ֙ (veyishtefu) = en zij overspoelen | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | וּמְלוֹאָ֔הּ (umeloah) = en wat het vult | עִ֖יר (ir) = de stad | וְיֹ֣שְׁבֵי (veyoshevei) = en haar inwoners | בָ֑הּ (bah) = daarin | וְזָֽעֲקוּ֙ (vezaaqu) = en schreeuwen | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mensen | וְהֵילִ֕ל (veheilil) = en jammeren | כֹּ֖ל (kol) = alle | יוֹשֵׁ֥ב (yoshev) = inwoners van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘wateren uit het noorden’ zijn een beeld voor een leger uit het noorden (vergelijk Jer. 46:7–8 voor de Nijl). Het Hebreeuws zegt niet wie het is; Babel ligt voor de hand. Voetnoot : Na ‘Zo zegt Yahweh’ staat de rest van de toespraak (tot vers 5) rood, ook waar Yahweh in de derde persoon wordt genoemd. Zie ook: Jes 8:7–8; Jes 15:2–5; Jer 1:14; Jer 8:16; Jer 46:7–8; Jer 46:20; Jer 47:5 **47:3** **Bij het geluid van het stampen van de hoeven van zijn sterke paarden, bij het gedreun van zijn wagen en het geraas van zijn wielen: vaders kijken niet om naar hun zonen. Hun handen zijn slap.** Brontekst: מִקּ֗וֹל (miqol) = van het geluid van | שַֽׁעֲטַת֙ (shaatat) = stampen van | פַּרְס֣וֹת (parsot) = hoeven van | אַבִּירָ֔יו (abirav) = zijn sterke paarden | מֵרַ֣עַשׁ (meraash) = van het gedreun van | לְרִכְבּ֔וֹ (lerikhbo) = zijn wagen | הֲמ֖וֹן (hamon) = geraas van | גַּלְגִּלָּ֑יו (galgilav) = zijn wielen | לֹֽא (lo) = niet | הִפְנ֤וּ (hifnu) = kijken om | אָבוֹת֙ (avot) = vaders | אֶל (el) = naar | בָּנִ֔ים (banim) = zonen | מֵֽרִפְי֖וֹן (merifyon) = van slapheid van | יָדָֽיִם (yadayim) = handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַבִּירָיו (abbirav), ‘zijn sterke paarden’: het woord ‘abbir’ kan ‘sterk’ en ‘stier’ betekenen; hier staat het bij paarden. Voetnoot : מֵרִפְיוֹן יָדַיִם (merifyon yadayim), ‘van de slapheid van handen’: de vaders zijn zo bang dat ze hun kinderen niet kunnen helpen. Zie ook: Deut 28:54–55; Re 5:22; Nah 2:5; Nah 3:2–3; Jer 8:16 **47:4** **Dit is de dag die komt om alle Filistijnen te verwoesten en voor Tyrus en Sidon elke overgebleven helper uit te roeien. Want Yahweh verwoest de Filistijnen, de overgeblevenen van het eiland Kaftor.** Brontekst: עַל (al) = op | הַיּ֗וֹם (hayom) = de dag | הַבָּא֙ (haba) = die komt | לִשְׁד֣וֹד (lishdod) = om te verwoesten | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | לְהַכְרִ֤ית (lehakhrit) = om uit te roeien | לְצֹר֙ (letsor) = voor Tyrus | וּלְצִיד֔וֹן (uletsidon) = en voor Sidon | כֹּ֖ל (kol) = elke | שָׂרִ֣יד (sarid) = overgebleven | עֹזֵ֑ר (ozer) = helper | כִּֽי (ki) = want | שֹׁדֵ֤ד (shoded) = verwoest | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = de Filistijnen | שְׁאֵרִ֖ית (sheerit) = overgeblevenen van | אִ֥י (i) = het eiland | כַפְתּֽוֹר (kaftor) = Kaftor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Kaftor (Kreta?; ligging onzeker): Kaftor wordt meestal gezocht op Kreta of elders in de Egeïsche Zee. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שָׂרִיד עֹזֵר (sarid ozer), ‘overgebleven helper’: wie nog hulp kan brengen aan Tyrus en Sidon. Tyrus en Sidon waren de bondgenoten van de Filistijnen. Voetnoot : כַּפְתּוֹר (Kaftor): het land of eiland waar de Filistijnen vandaan kwamen (Amos 9:7). Het wordt vaak verbonden met Kreta; dat is niet zeker. Voetnoot : שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: zo vertalen wij het woord overal. Zie ook: Deut 2:23; Ps 37:13; Amos 9:7; Hos 9:7; Jes 20:6 **47:5** **Kaalheid is over Gaza gekomen. Askelon is vernietigd, de overgeblevenen van hun dal. Hoelang zul je jezelf insnijden?”** Brontekst: בָּ֤אָה (baa) = is gekomen | קָרְחָה֙ (qarecha) = kaalheid | אֶל (el) = naar | עַזָּ֔ה (aza) = Gaza | נִדְמְתָ֥ה (nidmeta) = is vernietigd | אַשְׁקְל֖וֹן (ashqelon) = Askelon | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = overgeblevenen van | עִמְקָ֑ם (imqam) = hun dal | עַד (ad) = tot | מָתַ֖י (matay) = wanneer | תִּתְגּוֹדָֽדִי (titgodadi) = zul je jezelf insnijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land. Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza. Voetnoot Uitleg: קָרְחָה (qorchah), ‘kaalheid’: een teken van rouw; zie Jes. 15:2. Voetnoot : נִדְמְתָה (nidmetah), ‘vernietigd’: hetzelfde werkwoord als in Jes. 15:1. Voetnoot : עֵמֶק (emeq), ‘dal’: de kustvlakte van de Filistijnen. Het Hebreeuws zegt ‘hun dal’. Voetnoot : תִּתְגֹּדָדִי (titgodadi), ‘zul je jezelf insnijden’: insnijdingen waren een rouwgebruik (zie Jer. 48:37). Zie ook: Jes 15:1; Jes 15:2; Mi 1:16; Sef 2:4–7; Jer 25:20; Jer 41:5; Jer 48:37 ### Ach, zwaard van Yahweh **47:6** Ach, zwaard van Yahweh, hoelang nog tot je rust vindt? Keer terug in je schede, houd je rustig en wees stil. Brontekst: ה֗וֹי (hoy) = ach | חֶ֚רֶב (cherev) = zwaard van | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = Yahweh | עַד (ad) = tot | אָ֖נָה (ana) = waar | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׁקֹ֑טִי (tishqoti) = vind je rust | הֵאָֽסְפִי֙ (heasefi) = keer terug | אַל (al) = naar | תַּעְרֵ֔ךְ (tarekh) = je schede | הֵרָגְעִ֖י (heragei) = houd je rustig | וָדֹֽמִּי (vadomi) = en wees stil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker is niet aangegeven. Wij lezen dit als de roep van de profeet of van het volk, en daarom staat dit vers zwart. Voetnoot : הוֹי (hoy), ‘ach’: een uitroep; vaak ‘wee’. Zie ook: Jer 4:21; Jer 12:12; Ezech 21:8–10; Ezech 21:35; Joh 18:11 **47:7** Hoe zou het rust vinden, terwijl Yahweh het bevel heeft gegeven? Tegen Askelon en tegen de kust van de zee heeft Hij het bestemd. Brontekst: אֵ֣יךְ (eikh) = hoe | תִּשְׁקֹ֔טִי (tishqoti) = zou je rust vinden | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | צִוָּה (tsiva) = heeft bevolen | לָ֑הּ (lah) = het | אֶֽל (el) = naar | אַשְׁקְל֛וֹן (ashqelon) = Askelon | וְאֶל (veel) = en naar | ח֥וֹף (chof) = kust van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | שָׁ֥ם (sham) = daar | יְעָדָֽהּ (yeadah) = heeft Hij het bestemd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza. Voetnoot Uitleg: Het antwoord op de vraag van vers 6 klinkt als een antwoord van de profeet; daarom staat ook dit vers zwart. Het zwaard heeft zijn opdracht van Yahweh en kan niet rusten. Voetnoot : חוֹף הַיָּם (chof hayyam), ‘de kust van de zee’: de kust van de Middellandse Zee. Zie ook: 1 Sam 15:3; Jes 10:6; Mi 6:9; Jer 47:6; Ezech 14:17; Ezech 25:16 ## Jeremia 48 _Over Moab: het oordeel over zijn steden, zijn hoogmoed en zijn rouw_ ### Over Moab **48:1** Over Moab. Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Wee over Nebo, want het is verwoest. Kirjatajim is beschaamd en ingenomen. De vesting is beschaamd en ontsteld.** Brontekst: לְמוֹאָ֡ב (lemoav) = over Moab | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֩ (amar) = zegt | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | ה֤וֹי (hoy) = wee | אֶל (el) = over | נְבוֹ֙ (nevo) = Nebo | כִּ֣י (ki) = want | שֻׁדָּ֔דָה (shudada) = is verwoest | הֹבִ֥ישָׁה (hovisha) = is beschaamd | נִלְכְּדָ֖ה (nilkeda) = is ingenomen | קִרְיָתָ֑יִם (qiryatayim) = Kirjatajim | הֹבִ֥ישָׁה (hovisha) = is beschaamd | הַמִּשְׂגָּ֖ב (hamisgav) = de vesting | וָחָֽתָּה (vachata) = en is ontsteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië. Zie Kirjatajim (ligging onzeker): Kirjatajim wordt gezocht bij Khirbet el-Qureiyat, in Moab. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk gaat over Moab. Het komt voor een groot deel overeen met Jes. 15–16. Waar het Hebreeuws gelijk is, gebruiken wij dezelfde Nederlandse woorden. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Voetnoot : נְבוֹ (Nevo), ‘Nebo’: een stad in Moab (Num. 32:3); zie Jes. 15:2. קִרְיָתַיִם (Qiryatayim), ‘Kirjatajim’: zie Joz. 13:19. Voetnoot : הַמִּשְׂגָּב (hammisgav), ‘de vesting’: letterlijk ‘de hoge, veilige plaats’. Het kan ook een plaatsnaam zijn. De betekenis is onzeker. Voetnoot : חַתָּה (chattah), ‘ontsteld’: het werkwoord kan ook ‘gebroken’ of ‘bang’ betekenen. Voetnoot : Na ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat de toespraak rood, ook waar Yahweh in de derde persoon wordt genoemd. Zwart zijn de verzen 29, 31–34 en 36–39, met rood alleen 33b en 38b. De verzen 30 en 35 zijn geheel rood. Zie ook: Num 32:3; Num 32:37–38; Joz 13:19; Amos 2:1–2; Jes 15:1–9; Jes 15:2; Jer 2:19; Jer 48:22–23 **48:2** **Er is geen lof meer voor Moab. In Chesbon hebben zij onheil tegen haar bedacht: ‘Kom, laten wij haar uitroeien als volk.’ Ook jij, Madmen, moet zwijgen. Het zwaard gaat achter je aan.** Brontekst: אֵ֣ין (ein) = er is niet | עוֹד֮ (od) = meer | תְּהִלַּ֣ת (tehilat) = lof van | מוֹאָב֒ (moav) = Moab | בְּחֶשְׁבּ֗וֹן (becheshbon) = in Chesbon | חָשְׁב֤וּ (chashevu) = hebben bedacht | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = tegen haar | רָעָ֔ה (raa) = kwaad | לְכ֖וּ (lekhu) = kom | וְנַכְרִיתֶ֣נָּה (venakhritena) = en laten wij haar uitroeien | מִגּ֑וֹי (migoy) = als volk | גַּם (gam) = ook | מַדְמֵ֣ן (madmen) = Madmen | תִּדֹּ֔מִּי (tidomi) = moet zwijgen | אַחֲרַ֖יִךְ (acharayikh) = achter je | תֵּ֥לֶךְ (telekh) = gaat | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Voetnoot Uitleg: תְּהִלַּת (tehillat), ‘lof’: de roem van Moab. Voetnoot : Er zijn twee woordspelingen: ‘Chesbon’ (חֶשְׁבּוֹן) en ‘zij hebben bedacht’ (חָשְׁבוּ, chashvu) klinken gelijk. ‘Madmen’ (מַדְמֵן) en ‘moet zwijgen’ (תִּדֹּמִּי, tiddommi) klinken ook gelijk. Voetnoot : מַדְמֵן (Madmen): een plaats in Moab; de ligging is onbekend. Het is waarschijnlijk niet dezelfde plaats als Madmena (Jes. 10:31). Zie ook: Num 21:25–30; Num 32:37; Jes 10:31; Jes 16:14; Jer 25:17; Jer 31:36 **48:3** **Een kreet klinkt uit Choronajim: verwoesting en grote ondergang.** Brontekst: ק֥וֹל (qol) = geluid van | צְעָקָ֖ה (tseaqa) = geschreeuw | מֵחֹֽרוֹנָ֑יִם (mechoronayim) = uit Choronajim | שֹׁ֖ד (shod) = verwoesting | וָשֶׁ֥בֶר (vashever) = en ondergang | גָּדֽוֹל (gadol) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Choronajim (Moab; ligging onzeker): Choronajim was een stad in het zuiden van Moab. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: שֹׁד וָשֶׁבֶר גָּדוֹל (shod vashever gadol), ‘verwoesting en grote ondergang’: voor ‘ondergang’ (sheber) zie Jes. 15:5. Zie ook: Jes 15:5; Jes 15:8; Jer 47:2; Jer 48:5; Jer 48:34 **48:4** **Moab is gebroken. Haar kleintjes laten een kreet horen.** Brontekst: נִשְׁבְּרָ֖ה (nishbera) = is gebroken | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | הִשְׁמִ֥יעוּ (hishmiu) = zij laten horen | זְּעָקָ֖ה (zeaqa) = kreet | צְעִירֶֽיהָ (tseireiha) = haar kleintjes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: צְעִירֶיהָ (tse’ireha), ‘haar kleintjes’: de jongsten of haar kleine steden. Het woord klinkt als Zoar (vers 34; Jes. 15:5). Wij volgen de gewone betekenis. Zie ook: Num 21:27–30; Ps 137:9; Jes 15:5; Jer 48:34; Est 8:11 **48:5** **Want de helling van Luchit gaan zij op onder tranen, steeds meer tranen. Want op de afdaling van Choronajim hebben de vijanden een noodkreet over de ondergang gehoord.** Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | מַעֲלֵ֣ה (maale) = helling van | הַלּוּחִ֔ית (haluchit) = de Luchit | בִּבְכִ֖י (bivkhi) = onder tranen | יַֽעֲלֶה (yaale) = gaat men op | בֶּ֑כִי (bekhi) = tranen | כִּ֚י (ki) = want | בְּמוֹרַ֣ד (bemorad) = op de afdaling van | חוֹרֹנַ֔יִם (choronayim) = Choronajim | צָרֵ֥י (tsarei) = vijanden | צַֽעֲקַת (tsaaqat) = noodkreet van | שֶׁ֖בֶר (shever) = ondergang | שָׁמֵֽעוּ (shameu) = hebben gehoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Choronajim (Moab; ligging onzeker): Choronajim was een stad in het zuiden van Moab. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt gedeeltelijk overeen met Jes. 15:5. Voor Luchit en Choronajim: zie Jes. 15:5. Voetnoot : בְּכִי יַעֲלֶה בְכִי (bekhi ya’aleh vekhi), ‘onder tranen, steeds meer tranen’: letterlijk ‘huilen gaat op huilen’. Voetnoot : צָרֵי (tsarei), ‘de vijanden’: het kan ook ‘de benauwden’ betekenen. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is הַלֻּחוֹת (halluchot), ‘de tafels’. Het voorgelezen woord (qere) is הַלּוּחִית (halluchit), ‘Luchit’. Wij volgen de qere, zoals in Jes. 15:5. Zie ook: Jes 15:5 **48:6** **Vlucht, red jullie leven en wees als een struik in de woestijn.** Brontekst: נֻ֖סוּ (nusu) = vlucht | מַלְּט֣וּ (maletu) = red | נַפְשְׁכֶ֑ם (nafshekhem) = jullie leven | וְתִֽהְיֶ֕ינָה (vetihyeina) = en wees | כַּעֲרוֹעֵ֖ר (kaaroer) = als een struik | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲרוֹעֵר (aro’er), ‘struik’: een struik in de woestijn. Het woord is zeldzaam en de betekenis is onzeker. Het klinkt als de naam van de stad Aroër (vers 19). Zie ook: Job 30:3–7; Spr 6:4–5; Jer 17:6; Jer 48:19; Jer 51:6; Luc 3:7 ### Moab wordt ingenomen **48:7** **Want omdat je vertrouwt op je werken en je schatten, word ook jij ingenomen. Kemosj trekt uit in ballingschap, zijn priesters en zijn oversten samen.** Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | יַ֣עַן (yaan) = omdat | בִּטְחֵ֤ךְ (bitchekh) = je vertrouwen | בְּמַעֲשַׂ֨יִךְ֙ (bemaasayikh) = op je werken | וּבְא֣וֹצְרוֹתַ֔יִךְ (uveotserotayikh) = en op je schatten | גַּם (gam) = ook | אַ֖תְּ (at) = jij | תִּלָּכֵ֑דִי (tilakhedi) = word ingenomen | וְיָצָ֤א (veyatsa) = en trekt uit | כְמוֹשׁ֙ (kemosh) = Kemosj | בַּגּוֹלָ֔ה (bagola) = in ballingschap | כֹּהֲנָ֥יו (kohanav) = zijn priesters | וְשָׂרָ֖יו (vesarav) = en zijn oversten | יַחְדָּֽיו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּמוֹשׁ (Kemosj): de god van Moab; zie 1 Kon. 11:7 en 2 Kon. 23:13. Zijn beeld gaat met de priesters en oversten mee in ballingschap. Voetnoot : בְּמַעֲשַׂיִךְ (bema’asayikh), ‘op je werken’: wat je zelf hebt gemaakt, je bouwwerken en je bezit. Voetnoot : De slotwoorden ‘zijn priesters en zijn oversten samen’ staan ook in Jer. 49:3; vergelijk Amos 1:15. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is כְּמִישׁ (Kemish); het voorgelezen woord (qere) is כְּמוֹשׁ (Kemosj). Wij volgen de qere. Zie ook: Num 21:29; Ps 52:9; 1 Kon 11:7; 2 Kon 23:13; Amos 1:15; Jer 9:22; Jer 48:13; Jer 49:3 **48:8** **De verwoester komt over elke stad; geen enkele stad ontkomt. Het dal gaat verloren en het plateau wordt vernietigd, zoals Yahweh gesproken heeft.** Brontekst: וְיָבֹ֨א (veyavo) = en komt | שֹׁדֵ֜ד (shoded) = verwoester | אֶל (el) = over | כָּל (kal) = elke | עִ֗יר (ir) = stad | וְעִיר֙ (veir) = en stad | לֹ֣א (lo) = niet | תִמָּלֵ֔ט (timalet) = ontkomt | וְאָבַ֥ד (veavad) = en gaat verloren | הָעֵ֖מֶק (haemeq) = het dal | וְנִשְׁמַ֣ד (venishmad) = en wordt vernietigd | הַמִּישֹׁ֑ר (hamishor) = het plateau | אֲשֶׁ֖ר (asher) = zoals | אָמַ֥ר (amar) = heeft gesproken | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעֵמֶק (ha’emeq), ‘het dal’, en הַמִּישֹׁר (hammishor), ‘het plateau’: het plateau is de hoogvlakte van Moab (Joz. 13:9). Het Hebreeuws zegt niet welk dal wordt bedoeld. Voetnoot : אָמַר יְהוָה (amar Yahweh), ‘zoals Yahweh gesproken heeft’: een verwijzing naar eerdere woorden van Yahweh; vergelijk Jes. 16:13. Zie ook: Joz 13:9; Jes 16:13; Jer 6:26; Jer 15:8; Jer 48:18; Jer 48:20–25; Ezech 25:9 **48:9** **Geef Moab vleugels, want het zal zeker wegvliegen. Zijn steden worden een verwoesting, zonder bewoner daarin.** Brontekst: תְּנוּ (tenu) = geef | צִ֣יץ (tsits) = vleugels | לְמוֹאָ֔ב (lemoav) = aan Moab | כִּ֥י (ki) = want | נָצֹ֖א (natso) = zeker | תֵּצֵ֑א (tetse) = zal wegvliegen | וְעָרֶ֨יהָ֙ (veareiha) = en haar steden | לְשַׁמָּ֣ה (leshama) = tot verwoesting | תִֽהְיֶ֔ינָה (tihyeina) = zullen worden | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = bewoner | בָּהֵֽן (bahen) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: צִיץ (tsits), ‘vleugels’: het woord betekent gewoonlijk ‘bloem’ of ‘schitterend sieraad’. Wij kiezen ‘vleugels’. De betekenis van dit vers is onzeker. Voetnoot : נָצֹא תֵּצֵא (natso tetse), ‘zal zeker wegvliegen’: de vorm van het werkwoord is onzeker. Zie ook: Ps 11:1; Ps 55:7; Jes 16:2; Sef 2:9; Jer 48:28 **48:10** **Vervloekt is wie het werk van Yahweh met nalatigheid doet. Vervloekt is wie zijn zwaard van bloed terughoudt.** Brontekst: אָר֗וּר (arur) = vervloekt | עֹשֶׂ֛ה (ose) = die doet | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = werk van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | רְמִיָּ֑ה (remiya) = nalatigheid | וְאָר֕וּר (vearur) = en vervloekt | מֹנֵ֥עַ (monea) = die terughoudt | חַרְבּ֖וֹ (charbo) = zijn zwaard | מִדָּֽם (midam) = van bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְמִיָּה (remiyyah), ‘nalatigheid’: het woord betekent ook ‘bedrog’. Wie het werk van Yahweh, het oordeel over Moab, met halve moeite uitvoert, is vervloekt. ‘Zijn zwaard van bloed terughouden’ betekent: niet doden. Zie ook: Num 31:14–18; Re 5:23; 1 Sam 15:3; 1 Sam 15:9; 1 Kon 20:42 ### Moab op zijn droesem **48:11** **Moab leefde zorgeloos van zijn jeugd af. Het lag stil op zijn droesem. Het is niet van vat tot vat geleegd en niet in ballingschap gegaan. Daarom is zijn smaak in hem gebleven en is zijn geur niet veranderd.** Brontekst: שַׁאֲנַ֨ן (shaanan) = zorgeloos | מוֹאָ֜ב (moav) = Moab | מִנְּעוּרָ֗יו (mineurav) = vanaf zijn jeugd | וְשֹׁקֵ֥ט (veshoqet) = en stil | הוּא֙ (hu) = hij | אֶל (el) = op | שְׁמָרָ֔יו (shemarav) = zijn droesem | וְלֹֽא (velo) = en niet | הוּרַ֤ק (huraq) = is geleegd | מִכְּלִי֙ (mikeli) = van vat | אֶל (el) = tot | כֶּ֔לִי (keli) = vat | וּבַגּוֹלָ֖ה (uvagola) = en in ballingschap | לֹ֣א (lo) = niet | הָלָ֑ךְ (halakh) = is gegaan | עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = (zo) | עָמַ֤ד (amad) = is gebleven | טַעְמוֹ֙ (tamo) = zijn smaak | בּ֔וֹ (bo) = in hem | וְרֵיח֖וֹ (vereicho) = en zijn geur | לֹ֥א (lo) = niet | נָמָֽר (namar) = is veranderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: שְׁמָרָיו (shemarav), ‘zijn droesem’: het bezinksel van wijn. Wijn die lang op de droesem ligt, behoudt zijn smaak en geur. Het beeld is een volk dat nooit is verstoord of weggevoerd. Zie ook: Nah 2:3; Sef 1:12; Jer 48:29; Ezech 16:49–50; Zach 1:15 **48:12** **Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik hem mensen stuur die vaten schuin houden. Zij zullen hem schuin houden, zijn vaten leegmaken en zijn kruiken stukslaan.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | הִנֵּ֖ה (hine) = zie | יָמִ֤ים (yamim) = dagen | בָּאִים֙ (baim) = komend | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְשִׁלַּחְתִּי (veshilachti) = en Ik zal sturen | ל֥וֹ (lo) = naar hem | צֹעִ֖ים (tsoim) = schuinhouders | וְצֵעֻ֑הוּ (vetseuhu) = en zij houden hem schuin | וְכֵלָ֣יו (vekhelav) = en zijn vaten | יָרִ֔יקוּ (yariqu) = maken zij leeg | וְנִבְלֵיהֶ֖ם (venivleihem) = en hun kruiken | יְנַפֵּֽצוּ (yenapetsu) = slaan zij stuk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹעִים (tso’im), ‘mensen die vaten schuin houden’: van het werkwoord tsa’ah, ‘schuin houden’. Het beeld is wijnschenkers die de vaten leegmaken. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Zie ook: Jes 30:14; Nah 2:3; Jer 1:8; Jer 19:10; Jer 48:38; Ezech 25:9–10 **48:13** **Moab zal beschaamd worden door Kemosj, zoals het huis van Israël beschaamd werd door Betel, hun vertrouwen.** Brontekst: וּבֹ֥שׁ (uvosh) = en zal beschaamd zijn | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | מִכְּמ֑וֹשׁ (mikemosh) = door Kemosj | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | בֹּ֨שׁוּ֙ (boshu) = zijn beschaamd | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִבֵּ֥ית (mibeit) = door het huis van | אֵ֖ל (el) = El | מִבְטֶחָֽם (mivtecham) = hun vertrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Betel: de plaats van het gouden kalf van Jerobeam (1 Kon. 12:29). Het huis van Israël vertrouwde daarop; het bracht geen redding. Zie ook: Re 11:24; 1 Kon 12:29; Hos 8:5–6; Jes 2:20; Jes 45:16; Jer 48:39 ### Hoe kunnen jullie zeggen: wij zijn helden? **48:14** **Hoe kunnen jullie zeggen: ‘Wij zijn helden en krachtige mannen voor de strijd’?** Brontekst: אֵ֚יךְ (eikh) = hoe | תֹּֽאמְר֔וּ (tomru) = kunnen jullie zeggen | גִּבּוֹרִ֖ים (giborim) = helden | אֲנָ֑חְנוּ (anachenu) = wij | וְאַנְשֵׁי (veanshei) = en mannen van | חַ֖יִל (chayil) = kracht | לַמִּלְחָמָֽה (lamilchama) = voor de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַנְשֵׁי חַיִל (anshe chayil), ‘krachtige mannen’: krijgslieden. Zie ook: Ps 33:16; Jes 10:13; Jes 10:16; Jes 16:6; Jer 9:22 **48:15** **Moab is verwoest; men is tegen zijn steden opgetrokken. De keur van zijn jonge mannen is afgedaald naar de slacht, godsspraak van de Koning.** Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Brontekst: שֻׁדַּ֤ד (shudad) = is verwoest | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | וְעָרֶ֣יהָ (veareiha) = en zijn steden | עָלָ֔ה (ala) = men trekt op | וּמִבְחַ֥ר (umivchar) = en de keur van | בַּֽחוּרָ֖יו (bachurav) = zijn jonge mannen | יָרְד֣וּ (yaredu) = zijn afgedaald | לַטָּ֑בַח (latavach) = naar de slacht | נְאֻ֨ם (neum) = godsspraak van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de Koning | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמֽוֹ (shemo) = Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: וְעָרֶיהָ עָלָה (ve’areha alah): letterlijk ‘en zijn steden – hij is opgegaan’. Het onderwerp staat er niet bij. Het kan betekenen dat de vijand tegen de steden optrekt, of dat de steden in rook opgaan. Wij kiezen het eerste. Voetnoot : נְאֻם הַמֶּלֶךְ (ne’um hammelekh), ‘godsspraak van de Koning’: zie 46:18. ‘Yahweh van de legermachten is Zijn naam’ staat zwart, zoals in 46:18. Zie ook: Jes 40:30–31; Jer 46:18; Jer 50:27; Jer 51:57; Mal 1:14 **48:16** **De ramp van Moab is nabij. Zijn onheil komt zeer snel.** Brontekst: קָר֥וֹב (qarov) = nabij | אֵיד (eid) = ramp van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | לָב֑וֹא (lavo) = om te komen | וְרָ֣עָת֔וֹ (veraato) = en zijn kwaad | מִהֲרָ֖ה (mihara) = haastig | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: אֵיד (eid), ‘ramp’: hetzelfde woord staat in 46:21. Voetnoot : רָעָה (ra’ah), ‘onheil’: zo vertalen wij het woord waar het om rampspoed gaat. Waar het om slechtheid gaat, schrijven wij ‘kwaad’. Zie ook: Deut 32:35; Jes 13:22; Ezech 12:23; Ezech 12:28; 2 Petr 2:3 **48:17** **Toon medeleven met hem, allen om hem heen, en allen die zijn naam kennen. Zeg: ‘Hoe is de sterke scepter gebroken, de staf van pracht!’** Brontekst: נֻ֤דוּ (nudu) = toon medeleven | לוֹ֙ (lo) = met hem | כָּל (kal) = alle | סְבִיבָ֔יו (sevivav) = rondom hem | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | יֹדְעֵ֣י (yodeei) = kenners van | שְׁמ֑וֹ (shemo) = zijn naam | אִמְר֗וּ (imru) = zeg | אֵיכָ֤ה (eikha) = hoe | נִשְׁבַּר֙ (nishbar) = is gebroken | מַטֵּה (mate) = scepter van | עֹ֔ז (oz) = kracht | מַקֵּ֖ל (maqel) = staf van | תִּפְאָרָֽה (tifara) = pracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֻדוּ (nudu), ‘toon medeleven’: van het werkwoord nud, ‘het hoofd schudden’ als teken van medeleven. Voetnoot : מַטֵּה־עֹז (matteh oz), ‘sterke scepter’, en מַקֵּל תִּפְאָרָה (maqqel tif’arah), ‘staf van pracht’: beelden van de macht van Moab. Zie ook: Jes 9:3; Jer 9:16–19; Jer 48:31–33; Ezech 19:11–14; Zach 11:10–14 **48:18** **Kom neer van je heerlijkheid en zit in dorst, jij die woont, Dochter Dibon. Want de verwoester van Moab is tegen je opgetrokken. Hij heeft je vestingen vernield.** Brontekst: רְדִ֤י (redi) = kom neer | מִכָּבוֹד֙ (mikavod) = van heerlijkheid | וּשְׁבִ֣י (ushevi) = en zit | בַצָּמָ֔א (batsama) = in dorst | יֹשֶׁ֖בֶת (yoshevet) = die woont | בַּת (bat) = Dochter | דִּיב֑וֹן (divon) = Dibon | כִּֽי (ki) = want | שֹׁדֵ֤ד (shoded) = verwoester van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | עָ֣לָה (ala) = is opgetrokken | בָ֔ךְ (bakh) = tegen je | שִׁחֵ֖ת (shichet) = heeft vernield | מִבְצָרָֽיִךְ (mivtsarayikh) = je vestingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dibon: Dibon (nu Dhiban) lag ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: בַּת דִּיבוֹן (bat Divon), ‘Dochter Dibon’: de stad Dibon en haar inwoners, zoals ‘Dochter Sion’. Voor Dibon zie Jes. 15:2. Zie ook: Num 21:30; Joz 13:17; Jes 15:2; Jes 47:1; Jer 48:22 **48:19** **Ga langs de weg staan en kijk uit, bewoonster van Aroër. Vraag de vluchtende man en de ontkomende vrouw: ‘Wat is er gebeurd?’** Brontekst: אֶל (el) = bij | דֶּ֛רֶךְ (derekh) = de weg | עִמְדִ֥י (imdi) = sta | וְצַפִּ֖י (vetsapi) = en kijk uit | יוֹשֶׁ֣בֶת (yoshevet) = bewoonster van | עֲרוֹעֵ֑ר (aroer) = Aroër | שַׁאֲלִי (shaali) = vraag | נָ֣ס (nas) = de vluchteling | וְנִמְלָ֔טָה (venimlata) = en de ontkomene | אִמְרִ֖י (imri) = zeg | מַה (ma) = wat | נִּֽהְיָֽתָה (nihyata) = is gebeurd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aroër: Aroër lag aan de rand van de Arnonkloof, bij het huidige Khirbet Arair in Jordanië. Voetnoot Uitleg: עֲרוֹעֵר (Aro’er), ‘Aroër’: een stad aan de Arnon (Deut. 2:36). Zie ook vers 6. Zie ook: Deut 2:36; 1 Sam 4:13–14; 1 Sam 4:16; 2 Sam 1:3–4; 2 Sam 24:5; Jer 48:6 **48:20** **Moab is beschaamd, want het is ontsteld. Jammert en schreeuwt. Maak bekend aan de Arnon dat Moab verwoest is.** Brontekst: הֹבִ֥ישׁ (hovish) = is beschaamd | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | כִּֽי (ki) = want | חַ֖תָּה (chata) = is ontsteld | הֵילִ֣ילוּ (heililu) = jammert | וּֽזְעָ֑קוּ (uzeaqu) = en schreeuwt | הַגִּ֣ידוּ (hagidu) = maak bekend | בְאַרְנ֔וֹן (bearnon) = bij de Arnon | כִּ֥י (ki) = want | שֻׁדַּ֖ד (shudad) = is verwoest | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Voetnoot Uitleg: אַרְנוֹן (Arnon): de rivier die de grens van Moab vormt (Num. 21:13). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is הֵילִילִי (heilili), ‘jammer’ (vrouwelijk enkelvoud); het voorgelezen woord (qere) is הֵילִילוּ (heililu), ‘jammert’ (meervoud). Ook וְזַעֲקִי (vezaaqi) is geschreven in het vrouwelijk enkelvoud en wordt voorgelezen als וּזְעָקוּ (uze’aqu), ‘en schreeuwt’. Wij volgen de qere. Zie ook: Num 21:13; Num 21:26–28; Deut 2:36; Joz 13:9; Jes 16:2; Jes 16:7–11 ### Het oordeel over de steden van Moab **48:21** **Het oordeel is gekomen over het land van het plateau, over Cholon, over Jahaz en over Mefaät,** Brontekst: וּמִשְׁפָּ֥ט (umishpat) = en oordeel | בָּ֖א (ba) = is gekomen | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | הַמִּישֹׁ֑ר (hamishor) = het plateau | אֶל (el) = naar | חֹל֥וֹן (cholon) = Cholon | וְאֶל (veel) = en naar | יַ֖הְצָה (yahtsa) = Jahaz | וְעַל (veal) = en over | מֵיפָֽעַת (meifaat) = Mefaät Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jahaz: Jahaz lag op het plateau ten noorden van de Arnon. De precieze plaats is niet zeker. Zie Mefaät: Mefaät wordt gezocht bij Umm er-Rasas, in Jordanië. Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט (mishpat), ‘oordeel’: hier het vonnis. Elders vertalen wij mishpat met ‘recht’. Voetnoot : חֹלוֹן (Cholon): een stad op het plateau van Moab. Het is niet dezelfde plaats als Cholon in Juda (Joz. 15:51). De ligging is onzeker. Voetnoot : יַהְצָה (Yahtsah), ‘Jahaz’: zie Jes. 15:4. Mefaät: zie Joz. 13:18. Zie ook: Num 21:23; Joz 13:18; Joz 15:51; Jes 15:4; Sef 2:9; Jer 48:8 **48:22** **over Dibon, over Nebo en over Bet-Diblatajim,** Brontekst: וְעַל (veal) = en over | דִּיב֣וֹן (divon) = Dibon | וְעַל (veal) = en over | נְב֔וֹ (nevo) = Nebo | וְעַל (veal) = en over | בֵּ֖ית (beit) = Bet | דִּבְלָתָֽיִם (divlatayim) = Diblatajim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dibon: Dibon (nu Dhiban) lag ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië. Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië. Voetnoot Uitleg: בֵּית דִּבְלָתַיִם (Bet Diblatayim), ‘Bet-Diblatajim’: waarschijnlijk dezelfde plaats als Almon-Diblatajim (Num. 33:46). De ligging is onzeker. Zie ook: Num 32:34; Num 33:46; Jer 48:1; Jer 48:18; Ezech 6:14 **48:23** **over Kirjatajim, over Bet-Gamul en over Bet-Meon,** Brontekst: וְעַ֧ל (veal) = en over | קִרְיָתַ֛יִם (qiryatayim) = Kirjatajim | וְעַל (veal) = en over | בֵּ֥ית (beit) = Bet | גָּמ֖וּל (gamul) = Gamul | וְעַל (veal) = en over | בֵּ֥ית (beit) = Bet | מְעֽוֹן (meon) = Meon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kirjatajim (ligging onzeker): Kirjatajim wordt gezocht bij Khirbet el-Qureiyat, in Moab. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: בֵּית גָּמוּל (Bet Gamul), ‘Bet-Gamul’: een stad in Moab; de ligging is onbekend. בֵּית מְעוֹן (Bet Me’on), ‘Bet-Meon’: waarschijnlijk dezelfde plaats als Bet-Baäl-Meon (Joz. 13:17). Zie ook: Gen 14:5; Num 32:38; Joz 13:17; Joz 13:19; Jer 48:1 **48:24** **over Kerijot, over Bozra en over alle steden van het land Moab, de verre en de nabije.** Brontekst: וְעַל (veal) = en over | קְרִיּ֖וֹת (qeriyot) = Kerijot | וְעַל (veal) = en over | בָּצְרָ֑ה (batsera) = Bozra | וְעַ֗ל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | עָרֵי֙ (arei) = steden van | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | הָרְחֹק֖וֹת (harechoqot) = de verre | וְהַקְּרֹבֽוֹת (vehaqerovot) = en de nabije Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kerijot (Moab; ligging onzeker): Kerijot was een stad in Moab. Voorgesteld zijn Khirbet el-Qureiyat en een plaats bij Dibon. De ligging is niet zeker. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: קְרִיּוֹת (Qeriyyot), ‘Kerijot’: een stad in Moab; zie Amos 2:2. Voetnoot : בָּצְרָה (Botsrah), ‘Bozra’: hier een stad in Moab. Het is niet dezelfde plaats als Bozra in Edom (Jes. 34:6). De ligging is onzeker. Zie ook: Deut 4:43; Joz 21:36; Amos 2:2; Jes 34:6; Sef 2:8–10; Jer 48:41 **48:25** **De hoorn van Moab is afgehouwen en zijn arm is gebroken, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: נִגְדְּעָה֙ (nigdea) = is afgehouwen | קֶ֣רֶן (qeren) = hoorn van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וּזְרֹע֖וֹ (uzeroo) = en zijn arm | נִשְׁבָּ֑רָה (nishbara) = is gebroken | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’, en זְרוֹעַ (zero’a), ‘arm’: beelden van de kracht van Moab. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Zie ook: Job 22:9; Ps 10:15; Ps 37:17; Ps 75:11; Jer 1:8; Zach 2:2–4 ### Moab heeft zich groot gemaakt **48:26** **Maak hem dronken, want hij heeft zich groot gemaakt tegen Yahweh. Moab zal in zijn braaksel ploeteren en ook zelf een voorwerp van spot worden.** Brontekst: הַשְׁכִּירֻ֕הוּ (hashkiruhu) = maak hem dronken | כִּ֥י (ki) = want | עַל (al) = tegen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הִגְדִּ֑יל (higdil) = heeft zich groot gemaakt | וְסָפַ֤ק (vesafaq) = en zal ploeteren | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | בְּקִיא֔וֹ (beqio) = in zijn braaksel | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal worden | לִשְׂחֹ֖ק (lischoq) = tot spot | גַּם (gam) = ook | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הַשְׁכִּירֻהוּ (hashkiruhu), ‘maak hem dronken’: het beeld is dat Moab de beker van Yahweh’s oordeel moet leegdrinken. Voetnoot : וְסָפַק (vesafaq), ‘en zal ploeteren’: het werkwoord betekent ‘slaan’ of ‘klappen’, hier met de handen of voeten in het braaksel. De betekenis is onzeker. Voetnoot : הִגְדִּיל (higdil), ‘heeft zich groot gemaakt’: hij heeft zich verheven tegen Yahweh; zie ook vers 42. Zie ook: Jes 19:14; Jes 29:9; Jer 48:42; Jer 51:7; Jer 51:39 **48:27** **Was Israël niet een voorwerp van spot voor jou? Werd hij soms onder dieven gevonden? Want zo vaak je over hem spreekt, schud je het hoofd.** Brontekst: וְאִ֣ם (veim) = en indien | ל֣וֹא (lo) = niet | הַשְּׂחֹ֗ק (hasechoq) = de spot | הָיָ֤ה (haya) = was | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אִם (im) = indien | בְּגַנָּבִ֖ים (beganavim) = onder dieven | נִמְצָ֑א (nimtsa) = werd gevonden | כִּֽי (ki) = want | מִדֵּ֧י (midei) = telkens | דְבָרֶ֥יךָ (devareikha) = je woorden | בּ֖וֹ (bo) = over hem | תִּתְנוֹדָֽד (titnodad) = schud je het hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּתְנוֹדָד (titnodad), ‘schud je het hoofd’: een gebaar van spot of van medelijden. Het werkwoord kan ook ‘rondzwerven’ betekenen. De betekenis is hier onzeker. Zie ook: Mi 7:8–10; Sef 2:8; Jer 2:26; Klaagl 2:15–17; Ezech 25:8 **48:28** **Verlaat de steden en woon op de rots, inwoners van Moab. Wees als een duif die nestelt aan de zijkanten van de opening van een kuil.”** Brontekst: עִזְב֤וּ (izvu) = verlaat | עָרִים֙ (arim) = steden | וְשִׁכְנ֣וּ (veshikhnu) = en woon | בַּסֶּ֔לַע (basela) = op de rots | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = inwoners van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | וִֽהְי֣וּ (vihyu) = en wees | כְיוֹנָ֔ה (keyona) = als een duif | תְּקַנֵּ֖ן (teqanen) = die nestelt | בְּעֶבְרֵ֥י (beevrei) = aan de zijkanten van | פִי (pi) = opening van | פָֽחַת (pachat) = kuil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: סֶלַע (sela), ‘rots’: hier een gewone rots, geen plaatsnaam. Voetnoot : פִּי־פַחַת (pi-pachat), ‘de opening van een kuil’: een diepe kloof of put. Zie ook: Re 6:2; Ps 55:7–8; Hoogl 2:14; Jes 2:19; Jer 48:9 ### De hoogmoed van Moab **48:29** Wij hebben de hoogmoed van Moab gehoord. Hij is zeer hoogmoedig: zijn hoogheid, zijn hoogmoed en zijn trots. Verheven is zijn hart. Brontekst: שָׁמַ֥עְנוּ (shamanu) = wij hebben gehoord | גְאוֹן (geon) = hoogmoed van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | גֵּאֶ֣ה (gee) = hoogmoedig | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | גָּבְה֧וֹ (gaveho) = zijn hoogheid | וּגְאוֹנ֛וֹ (ugeono) = en zijn hoogmoed | וְגַאֲוָת֖וֹ (vegaavato) = en zijn trots | וְרֻ֥ם (verum) = en verheven | לִבּֽוֹ (libo) = zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt grotendeels overeen met Jes. 16:6. Hier spreekt een groep (‘wij’); daarom staat het vers zwart, zoals Jes. 16:6. Voetnoot : גָּאוֹן (ga’on), ‘hoogmoed’, גַּאֲוָה (ga’avah), ‘trots’, en גָּבְהוֹ (govho), ‘zijn hoogheid’: drie woorden voor hoogmoed. Zie ook: Ps 138:6; Spr 8:13; Spr 30:13; Jes 2:11–12; Jes 16:6 **48:30** **„Ik ken zijn woede, godsspraak van Yahweh. Zijn grootspraak klopt niet. Zo hebben zij niet gehandeld.”** Brontekst: אֲנִ֤י (ani) = Ik | יָדַ֨עְתִּי֙ (yadati) = ken | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עֶבְרָת֖וֹ (evrato) = zijn woede | וְלֹא (velo) = en niet | כֵ֑ן (ken) = zo | בַּדָּ֖יו (badav) = zijn grootspraak | לֹא (lo) = niet | כֵ֥ן (ken) = zo | עָשֽׂוּ (asu) = hebben gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶבְרָה (evrah), ‘woede’: zie Jes. 16:6, waar het woord ook staat. Voetnoot : בַּדָּיו (baddav), ‘zijn grootspraak’: zie Jes. 16:6. Voetnoot : Hier spreekt Yahweh zelf; daarom staat dit vers rood. Zie ook: Ps 33:10; Spr 21:30; Jes 16:6; Jes 37:28–29; Jer 50:36 ### Rouw om de wijnstok van Sibma **48:31** Daarom jammer ik om Moab. Voor heel Moab roep ik het uit. Om de mannen van Kir-Cheres zucht men. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּן֙ (ken) = (zo) | עַל (al) = om | מוֹאָ֣ב (moav) = Moab | אֲיֵלִ֔יל (ayelil) = ik jammer | וּלְמוֹאָ֥ב (ulemoav) = en voor Moab | כֻּלֹּ֖ה (kulo) = geheel | אֶזְעָ֑ק (ezaq) = ik roep | אֶל (el) = om | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | קִֽיר (qir) = Kir | חֶ֖רֶשׂ (cheres) = Cheres | יֶהְגֶּֽה (yehge) = zucht men Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Kir-Cheres (Kir-Charaset, Kerak): Kir-Cheres is dezelfde stad als Kir-Charaset (Jesaja 16:7), meestal gelijkgesteld met Kerak, in Moab, ten oosten van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: De spreker is niet aangegeven. Wij lezen de profeet, zoals in Jes. 16:9 en 16:11; daarom staat het zwart. Voetnoot : קִיר חֶרֶשׂ (Qir Cheres), ‘Kir-Cheres’: zie Jes. 16:11. Voetnoot : יֶהְגֶּה (yehgeh), ‘zucht men’: het werkwoord kan ook ‘mompelen’ betekenen; zie Jes. 16:7. Zie ook: 2 Kon 3:25; Jes 15:5; Jes 16:7–11; Jes 16:9; Jes 16:11; Jer 48:36 **48:32** Meer dan het huilen van Jaëzer huil ik om jou, wijnstok van Sibma. Je scheuten trokken over de zee. Ze reikten tot de zee van Jaëzer. Over je zomerfruit en je wijnoogst is een verwoester gevallen. Brontekst: מִבְּכִ֨י (mibekhi) = meer dan het huilen van | יַעְזֵ֤ר (yazer) = Jaëzer | אֶבְכֶּה (evke) = ik huil | לָּךְ֙ (lakh) = om jou | הַגֶּ֣פֶן (hagefen) = wijnstok | שִׂבְמָ֔ה (sivma) = Sibma | נְטִֽישֹׁתַ֨יִךְ֙ (netishotayikh) = je scheuten | עָ֣בְרוּ (averu) = zij trokken over | יָ֔ם (yam) = zee | עַ֛ד (ad) = tot | יָ֥ם (yam) = zee van | יַעְזֵ֖ר (yazer) = Jaëzer | נָגָ֑עוּ (nagau) = zij reikten | עַל (al) = over | קֵיצֵ֥ךְ (qeitsekh) = je zomerfruit | וְעַל (veal) = en over | בְּצִירֵ֖ךְ (betsirekh) = je wijnoogst | שֹׁדֵ֥ד (shoded) = verwoester | נָפָֽל (nafal) = is gevallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jaëzer: Jaëzer lag ten noorden van Chesbon, vermoedelijk in het gebied tussen Amman en As-Salt. De precieze plaats is niet zeker. Zie Sibma (ligging onzeker): Sibma lag in Moab, vlak bij Chesbon. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt grotendeels overeen met Jes. 16:8–9. Voor Jaëzer en Sibma: zie Jes. 16:8. Voetnoot : מִבְּכִי (mibbekhi), ‘meer dan het huilen van’: de voorzetsel min kan ‘meer dan’ of ‘van’ betekenen. In Jes. 16:9 staat ‘met het huilen van’. Voetnoot : נְטִישׁוֹתַיִךְ (netishotayikh), ‘je scheuten’: zie Jes. 16:8. De ‘zee’ is waarschijnlijk de Zoutzee. Voetnoot : שֹׁדֵד (shoded), ‘een verwoester’: in Jes. 16:9 staat op die plaats ‘jubelkreet’ (hedad). Zie ook: Num 21:32; Num 32:1; Joz 13:19; Jes 16:8–9; Jes 16:9; Jer 40:10 **48:33** Vreugde en blijdschap worden weggenomen uit het boomgaardland en uit het land Moab. **„Ik heb de wijn uit de perskuipen doen ophouden.”** Niemand treedt de druiven meer met een jubelkreet. De jubelkreet is geen jubelkreet. Brontekst: וְנֶאֶסְפָ֨ה (veneesfa) = en wordt weggenomen | שִׂמְחָ֥ה (simcha) = vreugde | וָגִ֛יל (vagil) = en blijdschap | מִכַּרְמֶ֖ל (mikarmel) = uit het boomgaardland | וּמֵאֶ֣רֶץ (umeerets) = en uit het land van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | וְיַ֨יִן֙ (veyayin) = en wijn | מִיקָבִ֣ים (miqavim) = uit de perskuipen | הִשְׁבַּ֔תִּי (hishbati) = Ik heb doen ophouden | לֹֽא (lo) = niet | יִדְרֹ֣ךְ (yidrokh) = treedt men | הֵידָ֔ד (heidad) = jubelkreet | הֵידָ֖ד (heidad) = jubelkreet | לֹ֥א (lo) = niet | הֵידָֽד (heidad) = jubelkreet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt grotendeels overeen met Jes. 16:10. הַכַּרְמֶל (hakkarmel), ‘het boomgaardland’: zie Jes. 16:10. Voetnoot : Alleen ‘Ik heb de wijn uit de perskuipen doen ophouden’ staat rood, zoals ‘Ik heb de jubelkreet doen ophouden’ in Jes. 16:10. De rest van het vers is van de profeet. Voetnoot : הֵידָד (hedad), ‘jubelkreet’: zie Jes. 16:9. Zie ook: Joël 1:12–13; Jes 5:10; Jes 7:23; Jes 16:9; Jes 16:10; Hag 2:16; Openb 18:22–23 **48:34** Van het geschreeuw van Chesbon tot Elale en tot Jahaz laten zij hun stem horen, van Zoar tot Choronajim en Eglat-Sjelisja. Want ook de wateren van Nimrim worden woestenijen. Brontekst: מִזַּעֲקַ֨ת (mizaaqat) = van het geschreeuw van | חֶשְׁבּ֜וֹן (cheshbon) = Chesbon | עַד (ad) = tot | אֶלְעָלֵ֗ה (elale) = Elale | עַד (ad) = tot | יַ֨הַץ֙ (yahats) = Jahaz | נָתְנ֣וּ (natenu) = zij laten horen | קוֹלָ֔ם (qolam) = hun stem | מִצֹּ֨עַר֙ (mitsoar) = van Zoar | עַד (ad) = tot | חֹ֣רֹנַ֔יִם (choronayim) = Choronajim | עֶגְלַ֖ת (eglat) = Eglat | שְׁלִֽשִׁיָּ֑ה (shelishiya) = Sjelisja | כִּ֚י (ki) = want | גַּם (gam) = ook | מֵ֣י (mei) = wateren van | נִמְרִ֔ים (nimrim) = Nimrim | לִמְשַׁמּ֖וֹת (limshamot) = tot woestenijen | יִהְיֽוּ (yihyu) = zullen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Elale: Elale (nu El-Al) lag ten noorden van Chesbon, in het huidige Jordanië. Zie Jahaz: Jahaz lag op het plateau ten noorden van de Arnon. De precieze plaats is niet zeker. Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht. Zie Choronajim (Moab; ligging onzeker): Choronajim was een stad in het zuiden van Moab. De precieze plaats is niet bekend. Zie Nimrim (Wadi en-Numeira?; ligging onzeker): De wateren van Nimrim worden meestal gezocht bij het Wadi en-Numeira, ten zuidoosten van de Zoutzee. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt grotendeels overeen met Jes. 15:4–6. Voor Chesbon, Elale, Jahaz, Zoar, Choronajim, Eglat-Sjelisja en Nimrim: zie Jes. 15:4–6. Voetnoot : עֶגְלַת שְׁלִשִׁיָּה (eglat shelishiyyah), ‘Eglat-Sjelisja’: zie Jes. 15:5. Zie ook: Num 32:3; Deut 34:3; Jes 15:4–6; Jes 15:5; Jer 48:2–3; Jer 48:5 **48:35** **„Ik zal in Moab doen ophouden wie naar de hoogte opgaat en wie voor zijn goden offerrook laat opgaan, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְהִשְׁבַּתִּ֥י (vehishbati) = en Ik zal doen ophouden | לְמוֹאָ֖ב (lemoav) = in Moab | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מַעֲלֶ֣ה (maale) = wie opgaat | בָמָ֔ה (bama) = naar de hoogte | וּמַקְטִ֖יר (umaqtir) = en wie offerrook laat opgaan | לֵאלֹהָֽיו (lelohav) = voor zijn goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: מַעֲלֵה בָמָה (ma’aleh vamah), ‘wie naar de hoogte opgaat’: wie op een offerhoogte offert. ‘Hoogten’ (bamot) zijn plaatsen van afgodendienst. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh): zie Jer. 1:8. Zie ook: Num 28:14; Jes 15:2; Jes 16:12; Jer 1:8; Jer 11:13; Jer 48:7 ### Daarom bruist mijn hart om Moab **48:36** Daarom bruist mijn hart om Moab als fluiten, en mijn hart bruist om de mannen van Kir-Cheres als fluiten. Daarom is het overschot dat het heeft verworven, verloren. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֞ן (ken) = (zo) | לִבִּ֤י (libi) = mijn hart | לְמוֹאָב֙ (lemoav) = om Moab | כַּחֲלִלִ֣ים (kachalilim) = als fluiten | יֶהֱמֶ֔ה (yeheme) = bruist | וְלִבִּי֙ (velibi) = en mijn hart | אֶל (el) = om | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | קִֽיר (qir) = Kir | חֶ֔רֶשׂ (cheres) = Cheres | כַּחֲלִילִ֖ים (kachalilim) = als fluiten | יֶהֱמֶ֑ה (yeheme) = bruist | עַל (al) = daarom | כֵּ֛ן (ken) = (zo) | יִתְרַ֥ת (yitrat) = overschot van | עָשָׂ֖ה (asa) = wat het heeft verworven | אָבָֽדוּ (avadu) = is verloren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Kir-Cheres (Kir-Charaset, Kerak): Kir-Cheres is dezelfde stad als Kir-Charaset (Jesaja 16:7), meestal gelijkgesteld met Kerak, in Moab, ten oosten van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt grotendeels overeen met Jes. 16:11 en 15:7. יֶהֱמֶה (yehemeh), ‘bruist’: zie Jes. 16:11. In Jes. 16:11 staat ‘lier’ (kinnor), hier ‘fluiten’ (chalilim): beide klinken als een klaagtoon. Voetnoot : יִתְרַת עָשָׂה (yitrat asah), ‘het overschot dat het heeft verworven’: zie Jes. 15:7. Voetnoot : De spreker is niet aangegeven. Wij lezen de profeet; daarom staat dit vers zwart. Zie ook: Spr 11:4; Spr 13:22; Jes 15:5; Jes 15:7; Jes 16:11 **48:37** Want elk hoofd is kaal en elke baard is afgeschoren. Op alle handen zijn insnijdingen en om de heupen is een rouwkleed. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | כָל (kal) = elk | רֹאשׁ֙ (rosh) = hoofd | קָרְחָ֔ה (qarecha) = kaalheid | וְכָל (vekhal) = en elke | זָקָ֖ן (zaqan) = baard | גְּרֻעָ֑ה (gerua) = is afgeschoren | עַ֤ל (al) = op | כָּל (kal) = alle | יָדַ֨יִם֙ (yadayim) = handen | גְּדֻדֹ֔ת (gedudot) = insnijdingen | וְעַל (veal) = en op | מָתְנַ֖יִם (matenayim) = heupen | שָֽׂק (saq) = rouwkleed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers komt grotendeels overeen met Jes. 15:2–3. Kaal scheren, insnijdingen maken en een rouwkleed dragen zijn tekens van rouw; zie Jes. 15:2–3. Zie ook: Gen 37:34; Jes 15:2–3; Jer 16:6; Jer 41:5; Jer 47:5 **48:38** Op alle daken van Moab en op zijn pleinen is alles rouwklacht. **„Want Ik heb Moab gebroken als een vat waarin niemand behagen heeft, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: עַ֣ל (al) = op | כָּל (kal) = alle | גַּגּ֥וֹת (gagot) = daken van | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | וּבִרְחֹבֹתֶ֖יהָ (uvirchovoteiha) = en op zijn pleinen | כֻּלֹּ֣ה (kulo) = alles | מִסְפֵּ֑ד (misped) = rouwklacht | כִּֽי (ki) = want | שָׁבַ֣רְתִּי (shavarti) = Ik heb gebroken | אֶת (et) = (obj.) | מוֹאָ֗ב (moav) = Moab | כִּכְלִ֛י (kikhli) = als een vat | אֵֽין (ein) = geen | חֵ֥פֶץ (chefets) = behagen | בּ֖וֹ (bo) = in hem | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt grotendeels overeen met Jes. 15:3. Voetnoot : Vanaf ‘Want Ik heb Moab gebroken’ spreekt Yahweh zelf; daarom staat dit deel rood. Voetnoot : כִּכְלִי אֵין חֵפֶץ בּוֹ (kikhli ein chefets bo), ‘als een vat waarin niemand behagen heeft’: een weggegooid vat; zo ook Hos. 8:8. Zie ook: Hos 8:8; Jes 15:3; Jes 22:1; Jer 22:28; Jer 25:34 **48:39** Hoe is het ontsteld! Jammert! Hoe heeft Moab de rug gekeerd, beschaamd! Moab wordt een voorwerp van spot en schrik voor allen om hem heen. Brontekst: אֵ֥יךְ (eikh) = hoe | חַ֨תָּה֙ (chata) = is ontsteld | הֵילִ֔ילוּ (heililu) = jammert | אֵ֛יךְ (eikh) = hoe | הִפְנָה (hifna) = heeft gekeerd | עֹ֥רֶף (oref) = de rug | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | בּ֑וֹשׁ (bosh) = beschaamd | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en wordt | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | לִשְׂחֹ֥ק (lischoq) = tot spot | וְלִמְחִתָּ֖ה (velimchita) = en tot schrik | לְכָל (lekhal) = voor allen | סְבִיבָֽיו (sevivav) = rondom hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הִפְנָה עֹרֶף (hifnah oref), ‘heeft de rug gekeerd’: letterlijk ‘heeft de nek gekeerd’. Het is een beeld van vluchten of schaamte. Voetnoot : לִשְׂחֹק (lisechoq), ‘tot spot’: zie vers 26. Zie ook: Jes 20:4–6; Jer 48:26; Klaagl 2:1; Klaagl 4:1; Ezech 26:16–18; Openb 18:15–16 ### Als een arend over Moab **48:40** Want zo zegt Yahweh: **„Zie, als een arend duikt hij neer en hij spreidt zijn vleugels uit over Moab.** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹה֙ (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | כַנֶּ֖שֶׁר (kanesher) = als een arend | יִדְאֶ֑ה (yide) = duikt hij neer | וּפָרַ֥שׂ (ufaras) = en spreidt uit | כְּנָפָ֖יו (kenafav) = zijn vleugels | אֶל (el) = over | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’: het woord kan ook ‘gier’ betekenen. ‘Hij’ is de vijand; het Hebreeuws noemt hem niet. Vergelijk Jer. 49:22. Voetnoot : Vanaf hier spreekt Yahweh weer; daarom staat de rest van de toespraak rood, tot 47a. Zie ook: Deut 28:49; Hos 8:1; Jes 8:8; Jer 49:22; Ezech 17:3 **48:41** **De steden worden ingenomen en de bergvesten worden bezet. Op die dag zal het hart van de helden van Moab zijn als het hart van een vrouw in barensnood.** Brontekst: נִלְכְּדָה֙ (nilkeda) = wordt ingenomen | הַקְּרִיּ֔וֹת (haqeriyot) = de steden | וְהַמְּצָד֖וֹת (vehametsadot) = en de bergvesten | נִתְפָּ֑שָׂה (nitpasa) = worden bezet | וְֽ֠הָיָה (vehaya) = en wordt | לֵ֞ב (lev) = hart van | גִּבּוֹרֵ֤י (giborei) = helden van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op dag | הַה֔וּא (hahu) = die | כְּלֵ֖ב (kelev) = als hart van | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | מְצֵרָֽה (metsera) = in barensnood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הַקְּרִיּוֹת (haqqeriyyot), ‘de steden’: het kan ook de stad Kerijot zijn (vers 24). Voetnoot : מְצֵרָה (metserah), ‘in barensnood’: letterlijk ‘benauwd’. Dit vers komt grotendeels overeen met Jer. 49:22. Zie ook: Jes 13:8; Jes 21:3; Mi 4:9–10; Jer 30:6; Jer 48:24; Jer 49:22 **48:42** **Moab wordt vernietigd, het is geen volk meer, want het heeft zich groot gemaakt tegen Yahweh.** Brontekst: וְנִשְׁמַ֥ד (venishmad) = en wordt vernietigd | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | מֵעָ֑ם (meam) = van volk | כִּ֥י (ki) = want | עַל (al) = tegen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הִגְדִּֽיל (higdil) = heeft zich groot gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הִגְדִּיל (higdil), ‘heeft zich groot gemaakt’: zie vers 26. Zie ook: Jes 7:8; Jes 37:23; Jer 30:11; Jer 48:2; Jer 48:26–30 **48:43** **Schrik, kuil en strik zijn over je, bewoner van Moab, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: פַּ֥חַד (pachad) = schrik | וָפַ֖חַת (vafachat) = en kuil | וָפָ֑ח (vafach) = en strik | עָלֶ֛יךָ (aleikha) = over jou | יוֹשֵׁ֥ב (yoshev) = bewoner van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt grotendeels overeen met Jes. 24:17. Hier staat ‘bewoner van Moab’ waar Jes. 24:17 ‘bewoner van de aarde’ heeft. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh): zie Jer. 1:8. Zie ook: Deut 32:23–25; Ps 11:6; Jes 24:17–18; Jer 1:8; Klaagl 3:47 **48:44** **Wie vlucht voor de schrik, valt in de kuil. Wie uit de kuil omhoog komt, wordt gevangen in de strik. Want Ik breng over haar, over Moab, het jaar van hun straf, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: הניס (hnys) = wie vlucht | מִפְּנֵ֤י (mipenei) = voor | הַפַּ֨חַד֙ (hapachad) = de schrik | יִפֹּ֣ל (yipol) = valt | אֶל (el) = in | הַפַּ֔חַת (hapachat) = de kuil | וְהָֽעֹלֶה֙ (vehaole) = en wie omhoog komt | מִן (min) = uit | הַפַּ֔חַת (hapachat) = de kuil | יִלָּכֵ֖ד (yilakhed) = wordt gevangen | בַּפָּ֑ח (bapach) = in de strik | כִּֽי (ki) = want | אָבִ֨יא (avi) = Ik breng | אֵלֶ֧יהָ (eleiha) = over haar | אֶל (el) = over | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | שְׁנַ֥ת (shenat) = jaar van | פְּקֻדָּתָ֖ם (pequdatam) = hun straf | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt grotendeels overeen met Jes. 24:18. In Jes. 24:18 staat ‘voor het geluid van de schrik’; hier ‘voor de schrik’. Voetnoot : פְּקֻדָּתָם (peqoddatam), ‘hun straf’: zie 46:21. Zie ook: 1 Kon 19:17; Amos 5:19; Jes 24:18; Jer 11:23; Jer 46:21 **48:45** **In de schaduw van Chesbon blijven vluchtelingen zonder kracht staan. Want een vuur is uitgegaan uit Chesbon, een vlam uit het midden van Sichon. Het heeft de slapen van Moab verteerd, en de schedel van de zonen van het rumoer.** Brontekst: בְּצֵ֥ל (betsel) = in de schaduw van | חֶשְׁבּ֛וֹן (cheshbon) = Chesbon | עָמְד֖וּ (amedu) = blijven staan | מִכֹּ֣חַ (mikoach) = zonder kracht | נָסִ֑ים (nasim) = vluchtelingen | כִּֽי (ki) = want | אֵ֞שׁ (esh) = vuur | יָצָ֣א (yatsa) = is uitgegaan | מֵחֶשְׁבּ֗וֹן (mecheshbon) = uit Chesbon | וְלֶֽהָבָה֙ (velehava) = en een vlam | מִבֵּ֣ין (mibein) = uit het midden van | סִיח֔וֹן (sichon) = Sichon | וַתֹּ֨אכַל֙ (vatokhal) = en het heeft verteerd | פְּאַ֣ת (peat) = slapen van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וְקָדְקֹ֖ד (veqadeqod) = en de schedel van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | שָׁאֽוֹן (shaon) = rumoer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt gedeeltelijk overeen met Num. 21:28 en Num. 24:17. In Num. 21:28 staat ‘uit de stad van Sichon’; hier ‘uit het midden van Sichon’. In Num. 24:17 staat ‘de slapen van Moab en alle zonen van Set’. Voetnoot : בְּנֵי שָׁאוֹן (bene sha’on), ‘de zonen van het rumoer’: een beeld voor het strijdlustige Moab. De betekenis is onzeker. Zie ook: Num 21:21; Num 21:26; Num 21:28; Num 24:17; Amos 2:2 **48:46** **Wee je, Moab! Verloren is het volk van Kemosj. Want men heeft je zonen als gevangenen genomen, en je dochters als gevangenen.** Brontekst: אוֹי (oy) = wee | לְךָ֣ (lekha) = je | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | אָבַ֖ד (avad) = is verloren | עַם (am) = volk van | כְּמ֑וֹשׁ (kemosh) = Kemosj | כִּֽי (ki) = want | לֻקְּח֤וּ (luqechu) = hebben genomen | בָנֶ֨יךָ֙ (baneikha) = je zonen | בַּשֶּׁ֔בִי (bashevi) = als gevangenen | וּבְנֹתֶ֖יךָ (uvenoteikha) = en je dochters | בַּשִּׁבְיָֽה (bashivya) = als gevangenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt gedeeltelijk overeen met Num. 21:29. Hier staat ‘Verloren is het volk van Kemosj’ waar Num. 21:29 ‘Je bent verloren, volk van Kemosj’ heeft. Zie ook: Num 21:29; Re 11:24; 1 Kon 11:7; Jer 48:7; Jer 48:13 ### Het lot van Moab wordt gekeerd **48:47** **Maar Ik zal het lot van Moab keren in de laatste dagen, godsspraak van Yahweh.”** Tot hier het oordeel over Moab. Brontekst: וְשַׁבְתִּ֧י (veshavti) = en Ik zal keren | שְׁבוּת (shevut) = lot van | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | בְּאַחֲרִ֥ית (beacharit) = in de laatste | הַיָּמִ֖ים (hayamim) = dagen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = tot | הֵ֖נָּה (hena) = hier | מִשְׁפַּ֥ט (mishpat) = oordeel over | מוֹאָֽב (moav) = Moab Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut), ‘het lot keren’: zoals Hos. 6:11, Amos 9:14 en Joël 4:1. Het woord shevut kan ook ‘ballingschap’ betekenen. Voetnoot : אַחֲרִית הַיָּמִים (acharit hayamim), ‘de laatste dagen’: zoals Jes. 2:2. Voetnoot : עַד הֵנָּה מִשְׁפַּט מוֹאָב (ad hennah mishpat Mo’av), ‘Tot hier het oordeel over Moab’: dit is een opmerking van de schrijver aan het einde van het woord over Moab; daarom staat het zwart. Zie ook: Joël 4:1; Amos 9:14; Hos 3:5; Hos 6:11; Jes 2:2; Jes 18:7; Jer 46:26; Jer 49:6; Jer 49:39 ## Jeremia 49 _Oordeel over Ammon, Edom, Damascus, Kedar, Chasor en Elam_ ### Over Ammon **49:1** Over de zonen van Ammon. Zo zegt Yahweh: **„Heeft Israël geen zonen? Heeft het geen erfgenaam? Waarom heeft hun koning Gad in bezit genomen, en woont zijn volk in zijn steden?** Brontekst: לִבְנֵ֣י (livnei) = over de zonen van | עַמּ֗וֹן (amon) = Ammon | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֲבָנִ֥ים (havanim) = zijn er zonen | אֵין֙ (ein) = niet | לְיִשְׂרָאֵ֔ל (leyisrael) = voor Israël | אִם (im) = of | יוֹרֵ֖שׁ (yoresh) = een erfgenaam | אֵ֣ין (ein) = niet | ל֑וֹ (lo) = is er voor hem | מַדּ֗וּעַ (madua) = waarom | יָרַ֤שׁ (yarash) = heeft in bezit genomen | מַלְכָּם֙ (malkam) = hun koning | אֶת (et) = (obj.) | גָּ֔ד (gad) = Gad | וְעַמּ֖וֹ (veamo) = en zijn volk | בְּעָרָ֥יו (bearav) = in zijn steden | יָשָֽׁב (yashav) = woont Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: לִבְנֵי (livnei), ‘over de zonen van’: elk volkenoordeel in dit deel heeft zo’n opschrift. Hier volgt het oordeel over Ammon, het volk ten oosten van de Jordaan. Voetnoot : מַלְכָּם (malkam), ‘hun koning’: dezelfde letters kunnen ook ‘Milkom’ zijn, de god van de Ammonieten (1 Kon. 11:5). Zo leest men het vaak, omdat Gad en zijn volk in het vers genoemd worden. Wij lezen ‘hun koning’, zoals in Amos 1:15; dat is onzeker. Het woord staat ook in vers 3. Voetnoot : יָרַשׁ (yarash), ‘in bezit nemen’: dit werkwoord klinkt door in יוֹרֵשׁ (yoresh), ‘erfgenaam’, en in vers 2. Gad is de stam die ten oosten van de Jordaan, naast Ammon, woonde (Num. 32). Zie ook: Deut 23:4; 1 Kon 11:5; Amos 1:13–15; Amos 1:15; Sef 2:8–11; Jer 25:21; Jer 49:2; Jer 49:3; Ezech 25:2–10 **49:2** **Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik tegen Rabba van de zonen van Ammon oorlogsgeschreeuw laat horen. Zij wordt een woeste puinheuvel, en haar dochters worden met vuur in brand gestoken. Dan neemt Israël in bezit wie hem in bezit namen, zegt Yahweh.** Brontekst: לָכֵ֡ן (lakhen) = daarom | הִנֵּה֩ (hine) = zie | יָמִ֨ים (yamim) = dagen | בָּאִ֜ים (baim) = komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְ֠הִשְׁמַעְתִּי (vehishmati) = en Ik zal laten horen | אֶל (el) = tegen | רַבַּ֨ת (rabat) = Rabba van | בְּנֵי (benei) = zonen van | עַמּ֜וֹן (amon) = Ammon | תְּרוּעַ֣ת (teruat) = strijdgeschreeuw van | מִלְחָמָ֗ה (milchama) = oorlog | וְהָֽיְתָה֙ (vehayeta) = en zij zal worden | לְתֵ֣ל (letel) = tot een puinheuvel | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = van verwoesting | וּבְנֹתֶ֖יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | בָּאֵ֣שׁ (baesh) = met vuur | תִּצַּ֑תְנָה (titsatna) = zullen worden aangestoken | וְיָרַ֧שׁ (veyarash) = en zal in bezit nemen | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | יֹרְשָׁ֖יו (yoreshav) = zijn bezitters | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Voetnoot : לְתֵל שְׁמָמָה (tel shemamah), ‘woeste puinheuvel’: een tel is de heuvel die ontstaat uit de resten van een verwoeste stad. Voetnoot : וּבְנֹתֶיהָ (uvnoteha), ‘en haar dochters’: de omliggende plaatsen die bij de hoofdstad Rabba horen. Rabba is het huidige Amman (Amos 1:14). Voetnoot : וְיָרַשׁ יִשְׂרָאֵל אֶת יֹרְשָׁיו (veyarash Yisra’el et yorshav), ‘Dan neemt Israël in bezit wie hem in bezit namen’: het werkwoord yarash uit vers 1 keert terug. Wat Ammon nam, krijgt Israël terug. Zie ook: Deut 3:11; 2 Sam 11:1; Amos 1:14; Jer 1:8; Jer 4:19; Jer 49:1; Ezech 21:25 **49:3** **Jammer, Chesbon, want Ai is verwoest. Schreeuw, dochters van Rabba, gord zakken om, houd rouwklacht en zwerf rond langs de omheiningen. Want hun koning gaat in ballingschap, zijn priesters en zijn oversten samen.** Brontekst: הֵילִ֨ילִי (heilili) = jammer | חֶשְׁבּ֜וֹן (cheshbon) = Chesbon | כִּ֣י (ki) = want | שֻׁדְּדָה (shudeda) = is verwoest | עַ֗י (ay) = Ai | צְעַקְנָה֮ (tseaqna) = schreeuwt | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | רַבָּה֒ (raba) = Rabba | חֲגֹ֣רְנָה (chagorena) = gordt om | שַׂקִּ֔ים (saqim) = zakken | סְפֹ֕דְנָה (sefodena) = houdt rouwklacht | וְהִתְשׁוֹטַ֖טְנָה (vehitshotatna) = en zwerft rond | בַּגְּדֵר֑וֹת (bagederot) = langs de omheiningen | כִּ֤י (ki) = want | מַלְכָּם֙ (malkam) = hun koning | בַּגּוֹלָ֣ה (bagola) = in ballingschap | יֵלֵ֔ךְ (yelekh) = zal gaan | כֹּהֲנָ֥יו (kohanav) = zijn priesters | וְשָׂרָ֖יו (vesarav) = en zijn oversten | יַחְדָּֽיו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië. Voetnoot Uitleg: חֶשְׁבּוֹן (Cheshbon), ‘Chesbon’: een stad op de grens van Moab en Ammon; zie Num. 21:25–30 en Jer. 48:2. Voetnoot : עַי (Ay), ‘Ai’: een stad in Ammon. Ze is onbekend en moet niet verward worden met Ai bij Betel (Joz. 7–8). Voetnoot : בַּגְּדֵרוֹת (gederot), ‘omheiningen’: de muurtjes of omheiningen rond weiden en schaapskooien. De rouwenden rennen er heen en weer. Voetnoot : כֹּהֲנָיו (kohanav), ‘zijn priesters’: priesters horen bij een god. Dat is een reden waarom men in vers 1 en 3 vaak ‘Milkom’ leest voor ‘hun koning’. Zie ook: Num 21:25–30; 1 Kon 11:33; Jes 15:2; Jer 4:8; Jer 48:2; Jer 48:7; Jer 48:37; Jer 49:1 **49:4** **Wat roem je op de dalen? Je dal stroomt weg, afkerige dochter, die op haar schatten vertrouwt: ‘Wie komt er naar mij?’** Brontekst: מַה (ma) = wat | תִּתְהַֽלְלִי֙ (tithalli) = roem je | בָּֽעֲמָקִ֔ים (baamaqim) = op de dalen | זָ֣ב (zav) = stroomt | עִמְקֵ֔ךְ (imqekh) = je dal | הַבַּ֖ת (habat) = dochter | הַשּֽׁוֹבֵבָ֑ה (hashoveva) = afkerige | הַבֹּֽטְחָה֙ (habotecha) = die vertrouwt | בְּאֹ֣צְרֹתֶ֔יהָ (beotseroteiha) = op haar schatten | מִ֖י (mi) = wie | יָב֥וֹא (yavo) = zal komen | אֵלָֽי (elay) = naar mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָב (zav), ‘stroomt’: van het werkwoord zuv, ‘vloeien’. Of het gaat om een dal dat van water of vruchtbaarheid overstroomt, of dat de kracht wegvloeit, is onzeker. Voetnoot : הַבַּת הַשּׁוֹבֵבָה (habbat hashshovevah), ‘de afkerige dochter’: dezelfde aanspreking als voor Israël in Jer. 31:22. Voetnoot : De sprekende persoon verspringt van ‘je’ naar ‘haar’ en ‘mij’: de dochter praat zelf (‘Wie komt er naar mij?’). Zie ook: Ps 52:9; Jer 9:22; Jer 21:13; Jer 31:22; Jer 48:7; 1 Tim 6:17 **49:5** **Zie, Ik breng een schrik over je, godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten, van al wie rondom je is. Jullie worden verdreven, ieder recht voor zich uit, en niemand verzamelt de vluchtelingen.** Brontekst: הִנְנִי֩ (hinni) = zie Mij | מֵבִ֨יא (mevi) = die brengt | עָלַ֜יִךְ (alayikh) = over je | פַּ֗חַד (pachad) = schrik | נְאֻם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֧י (adonay) = Heer | יְהוִ֛ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | מִכָּל (mikal) = van alle | סְבִיבָ֑יִךְ (sevivayikh) = rondom je | וְנִדַּחְתֶּם֙ (venidachtem) = en jullie zullen verdreven worden | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | לְפָנָ֔יו (lefanav) = recht voor zich uit | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is er | מְקַבֵּ֖ץ (meqabets) = een verzamelaar | לַנֹּדֵֽד (lanoded) = van de vluchtelingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (ne’um Adonai Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten’: zie Jer. 2:19. Voetnoot : וְנִדַּחְתֶּם (venidachtem), ‘jullie worden verdreven’: de aanspreking verspringt van ‘je’ (enkelvoud) naar ‘jullie’ (meervoud). Voetnoot : מְקַבֵּץ לַנֹּדֵד (mekabbets lenodeid), ‘iemand die de vluchtelingen verzamelt’: er is niemand die de verstrooiden bijeenbrengt. Zie ook: Joz 2:9; Amos 4:3; Jer 2:19; Jer 46:5; Jer 49:29; Ob 1:12–14 **49:6** **Maar daarna keer Ik het lot van de zonen van Ammon, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְאַחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֗ן (ken) = dus | אָשִׁ֛יב (ashiv) = Ik zal keren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁב֥וּת (shevut) = het lot van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: אָשִׁיב אֶת שְׁבוּת (ashiv et shevut), ‘Ik keer het lot’: een vaste uitdrukking voor herstel. Het woord shevut kan ook ‘ballingschap’ of ‘gevangenen’ betekenen. Wij vertalen ‘het lot keren’, zoals in Ps. 126:1 en Amos 9:14. Zo gaat het ook met Moab (Jer. 48:47) en Elam (vers 39). Zie ook: Ps 126:1; Amos 9:14; Jes 19:18–23; Jer 46:26; Jer 48:47; Jer 49:39; Ezech 16:53 ### Over Edom **49:7** Over Edom. Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Is er geen wijsheid meer in Teman? Is de raad verloren gegaan bij de verstandigen? Is hun wijsheid bedorven?** Brontekst: לֶאֱד֗וֹם (leedom) = over Edom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הַאֵ֥ין (haein) = is er niet | ע֛וֹד (od) = nog | חָכְמָ֖ה (chakhema) = wijsheid | בְּתֵימָ֑ן (beteiman) = in Teman | אָבְדָ֤ה (aveda) = is verloren gegaan | עֵצָה֙ (etsa) = raad | מִבָּנִ֔ים (mibanim) = bij de verstandigen | נִסְרְחָ֖ה (nisrecha) = is bedorven | חָכְמָתָֽם (chakhematam) = hun wijsheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië). Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Voetnoot : לֶאֱדוֹם (le’Edom), ‘over Edom’: het land van Ezau, de broer van Jakob (Gen. 36). Vers 7–22 lopen voor een groot deel parallel met Obad. 1–9: bij elk vers van Obadja is dat aangegeven. Voetnoot : בְּתֵימָן (Teiman), ‘Teman’: een streek of stad in Edom (Amos 1:12). Ook Elifaz, een van de vrienden van Job, kwam uit Teman (Job 2:11). Voetnoot : מִבָּנִים (mibbanim), ‘bij de verstandigen’: letterlijk ‘van zonen’. Men leest het meestal als ‘van de inzichtigen’ (verwant met het werkwoord bin, ‘verstaan’). Dat is onzeker. Voetnoot : נִסְרְחָה (nisrechah), ‘bedorven’: een zeldzame vorm van het werkwoord sarach, dat ook ‘overhangen’ of ‘stinken’ kan betekenen. Zie ook: Gen 36:15; Job 2:11; Amos 1:11–12; Amos 1:12; Jer 2:19; Jer 25:21; Jer 49:20; Ezech 25:12–14 **49:8** **Vlucht, keer om, woon diep, bewoners van Dedan. Want de ondergang van Ezau breng Ik over hem, de tijd dat Ik hem straf.** Brontekst: נֻ֤סוּ (nusu) = vlucht | הָפְנוּ֙ (hafenu) = keer om | הֶעְמִ֣יקוּ (hemiqu) = woon diep | לָשֶׁ֔בֶת (lashevet) = om te wonen | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = bewoners van | דְּדָ֑ן (dedan) = Dedan | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥יד (eid) = de ondergang van | עֵשָׂ֛ו (esav) = Ezau | הֵבֵ֥אתִי (heveti) = breng Ik | עָלָ֖יו (alav) = over hem | עֵ֥ת (et) = de tijd | פְּקַדְתִּֽיו (peqadtiv) = dat Ik hem straf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute. Voetnoot Uitleg: דְּדָן (Dedan), ‘Dedan’: een stam en een plaats in het noorden van Arabië (Jes. 21:13). Hun ‘diep wonen’ is een oproep om diep weg te kruipen; zie vers 30. Voetnoot : אֵיד עֵשָׂו (eid Esav), ‘de ondergang van Ezau’: Ezau is hier de naam van het volk Edom. Hetzelfde woord eid staat in vers 32 voor de ondergang van Kedar. Voetnoot : עֵת פְּקַדְתִּיו (et pequddato), ‘de tijd dat Ik hem straf’: het werkwoord pakad betekent ‘bezoeken’, ‘straffen’ en ‘aanstellen’. Zie ook: Jes 21:13; Jer 25:23; Jer 46:21; Jer 49:30; Jer 49:32; Mat 24:15–18 **49:9** **Als wijnplukkers bij je komen, laten zij geen nalezing over. Als dieven ’s nachts komen, richten zij schade aan zoveel als hun genoeg is.** Brontekst: אִם (im) = als | בֹּֽצְרִים֙ (botserim) = wijnplukkers | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | לָ֔ךְ (lakh) = bij je | לֹ֥א (lo) = niet | יַשְׁאִ֖רוּ (yashiru) = laten zij over | עֽוֹלֵל֑וֹת (olelot) = nalezing | אִם (im) = als | גַּנָּבִ֥ים (ganavim) = dieven | בַּלַּ֖יְלָה (balayla) = ’s nachts | הִשְׁחִ֥יתוּ (hishchitu) = richten schade aan | דַיָּֽם (dayam) = wat genoeg is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּצְרִים (botsrim), ‘wijnplukkers’; עוֹלֵלוֹת (olelot), ‘nalezing’: de druiven die na de pluk aan de wijnstok blijven hangen (Lev. 19:10; Deut. 24:21). Bij Edom blijft niets over, zelfs niet de nalezing. Voetnoot : דַיָּם (dayyam), ‘wat hun genoeg is’: dieven nemen alleen zoveel als ze nodig hebben. Edom wordt erger geplunderd dan door dieven. Voetnoot : In Obad. 5 staat hetzelfde als twee vragen (‘laten zij dan geen nalezing over?’); hier staat het als stelling. Zie ook: Lev 19:10; Deut 24:21; Jes 17:6; Ob 1:5–6 **49:10** **Want Ik heb Ezau ontbloot. Ik heb zijn schuilplaatsen onthuld, en hij kan zich niet verbergen. Zijn nageslacht, zijn broers en zijn buren zijn verwoest, en hij is er niet meer.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אֲנִ֞י (ani) = Ik | חָשַׂ֣פְתִּי (chasafti) = heb ontbloot | אֶת (et) = (obj.) | עֵשָׂ֗ו (esav) = Ezau | גִּלֵּ֨יתִי֙ (gileiti) = heb onthuld | אֶת (et) = (obj.) | מִסְתָּרָ֔יו (mistarav) = zijn schuilplaatsen | וְנֶחְבָּ֖ה (venechba) = en zich verbergen | לֹ֣א (lo) = niet | יוּכָ֑ל (yukhal) = kan hij | שֻׁדַּ֥ד (shudad) = is verwoest | זַרְע֛וֹ (zaro) = zijn nageslacht | וְאֶחָ֥יו (veechav) = en zijn broers | וּשְׁכֵנָ֖יו (ushekhenav) = en zijn buren | וְאֵינֶֽנּוּ (veeinenu) = en hij is er niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָשַׂפְתִּי (chasafti), ‘Ik heb ontbloot’: Yahweh ontbloot Ezau, zodat zijn schuilplaatsen in de rotsen zichtbaar zijn. Vergelijk Obad. 6. Zie ook: Ps 37:35–36; Jes 17:14; Jer 23:24; Ob 1:9; Mal 1:3–4 **49:11** **Laat je wezen achter. Ik zal hen in leven houden. Je weduwen mogen op Mij vertrouwen.”** Brontekst: עָזְבָ֥ה (azeva) = laat achter | יְתֹמֶ֖יךָ (yetomeikha) = je wezen | אֲנִ֣י (ani) = Ik | אֲחַיֶּ֑ה (achaye) = zal in leven houden | וְאַלְמְנֹתֶ֖יךָ (vealmenoteikha) = en je weduwen | עָלַ֥י (alay) = op Mij | תִּבְטָֽחוּ (tivtachu) = mogen vertrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is een woord van genade midden in het oordeel. Yahweh zelf zorgt voor de wezen en weduwen van Edom (אֲנִי אֲחַיֶּה, ani achayyeh, ‘Ik zal in leven houden’). Zie ook Ps. 68:6 over Elohim als vader van wezen en rechter van weduwen. Zie ook: Ps 68:6; Spr 23:10–11; Hos 14:4; Jak 1:27; 1 Tim 5:5 **49:12** Want zo zegt Yahweh: **„Zie, zij die volgens het recht de beker niet hoefden te drinken, moeten hem zeker drinken. En jij, zou jij ongestraft blijven? Je blijft niet ongestraft, maar je zult zeker drinken.** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִ֠נֵּה (hine) = zie | אֲשֶׁר (asher) = zij die | אֵ֨ין (ein) = niet | מִשְׁפָּטָ֜ם (mishpatam) = hun recht | לִשְׁתּ֤וֹת (lishtot) = om te drinken | הַכּוֹס֙ (hakos) = de beker | שָׁת֣וֹ (shato) = zeker drinken | יִשְׁתּ֔וּ (yishtu) = zullen drinken | וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | ה֔וּא (hu) = jijzelf | נָקֹ֖ה (naqo) = zeker ongestraft | תִּנָּקֶ֑ה (tinaqe) = zul je blijven | לֹ֣א (lo) = niet | תִנָּקֶ֔ה (tinaqe) = zul je ongestraft blijven | כִּ֥י (ki) = maar | שָׁתֹ֖ה (shato) = zeker drinken | תִּשְׁתֶּֽה (tishte) = zul je drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכּוֹס (hakkos), ‘de beker’: het beeld van Yahweh’s oordeel, zie Jer. 25:15–29 (waar ook Edom de beker moet drinken) en Ps. 75:9. Voetnoot : אֲשֶׁר אֵין מִשְׁפָּטָם (asher ein mishpatam), ‘zij die volgens het recht niet’: letterlijk ‘zij wier recht het niet is’. Wie bedoeld wordt, laat het Hebreeuws open. Vaak denkt men aan Juda, dat de beker ook drinkt. Edom kan er dan zeker niet aan ontkomen. Voetnoot : נָקֹה תִּנָּקֶה (naqeh tinnaqeh), ‘ongestraft blijven’: het werkwoord naqah betekent ‘onschuldig zijn’ of ‘vrijuit gaan’. Zie ook: Ps 75:9; Jer 25:15–29; Jer 25:28–29; Jer 46:27; Klaagl 4:21–22; Ob 1:16; 1 Petr 4:17–18 **49:13** **Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, godsspraak van Yahweh, dat Bozra tot een verwoesting, een smaad, een ruïne en een vloek zal worden. En al haar steden worden eeuwige ruïnes.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בִ֤י (bi) = bij Mij | נִשְׁבַּ֨עְתִּי֙ (nishbati) = heb Ik gezworen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = dat | לְשַׁמָּ֧ה (leshama) = tot een verwoesting | לְחֶרְפָּ֛ה (lecherpa) = tot smaad | לְחֹ֥רֶב (lechorev) = tot een ruïne | וְלִקְלָלָ֖ה (veliqlala) = en tot een vloek | תִּֽהְיֶ֣ה (tihye) = zal worden | בָצְרָ֑ה (batsera) = Bozra | וְכָל (vekhal) = en al | עָרֶ֥יהָ (areiha) = haar steden | תִהְיֶ֖ינָה (tihyeina) = zullen worden | לְחָרְב֥וֹת (lecharevot) = tot ruïnes | עוֹלָֽם (olam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bozra: Bozra (Buseirah) lag in het zuiden van het huidige Jordanië, in het gebied van Edom. Voetnoot Uitleg: בִי נִשְׁבַּעְתִּי (bi nishba’ti), ‘bij Mijzelf heb Ik gezworen’: Yahweh zweert bij Zichzelf, omdat er niemand groter is om bij te zweren (Gen. 22:16; Jes. 45:23). Dezelfde eed staat in Jer. 22:5. Voetnoot : בָצְרָה (Botsrah), ‘Bozra’: de belangrijkste stad van Edom (Amos 1:12; Jes. 34:6). Voetnoot : לְשַׁמָּה (leshammah), ‘tot een verwoesting’: het woord shammah staat ook in vers 17 en 33. לְחֹרֶב (lacharev), ‘een ruïne’: een plaats die in puin ligt; in het meervoud לְחָרְבוֹת (lecharvot) ‘ruïnes’, zoals in Jer. 25:9. Zie ook: Gen 22:16; Gen 36:33; Amos 1:12; Jes 34:6; Jes 34:9–15; Jes 45:23; Jer 22:5; Jer 25:9; Jer 49:17; Jer 49:33 **49:14** Een bericht heb ik gehoord van Yahweh. Een bode is onder de volken gezonden: „Verzamel jullie, trek tegen haar op en sta op voor de strijd.” Brontekst: שְׁמוּעָ֤ה (shemua) = een bericht | שָׁמַ֨עְתִּי֙ (shamati) = heb ik gehoord | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְצִ֖יר (vetsir) = en een bode | בַּגּוֹיִ֣ם (bagoyim) = onder de volken | שָׁל֑וּחַ (shaluach) = is gezonden | הִֽתְקַבְּצוּ֙ (hitqabetsu) = verzamelt jullie | וּבֹ֣אוּ (uvou) = en komt | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = tegen haar | וְק֖וּמוּ (vequmu) = en staat op | לַמִּלְחָמָֽה (lamilchama) = voor de strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt de profeet: ‘heb ik gehoord’. Het vers staat daarom zwart. Het komt overeen met Obad. 1, waar het ‘wij’ is: ‘een bericht hebben wij gehoord’. Voetnoot : שְׁמוּעָה (shemu’ah), ‘bericht’: hier het bericht van Yahweh over Edom. וְצִיר (vetsir), ‘en een bode’: een afgezant onder de volken. In Jeremia is het שָׁלוּחַ (shaluach), ‘gezonden’, een deelwoord; in Obad. 1 een voltooide tijd. Zie ook: Jes 13:2–3; Jes 18:2–3; Jes 30:4; Jes 37:7; Jer 51:11 **49:15** **„Want zie, klein heb Ik je gemaakt onder de volken, veracht onder de mensen.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | קָטֹ֛ן (qaton) = klein | נְתַתִּ֖יךָ (netatikha) = heb Ik je gemaakt | בַּגּוֹיִ֑ם (bagoyim) = onder de volken | בָּז֖וּי (bazuy) = veracht | בָּאָדָֽם (baadam) = onder de mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh weer zelf. Dit vers komt vrijwel overeen met Obad. 2. קָטֹן (qatan), ‘klein’: Edom, dat zichzelf groot waande, is klein bij de volken. Zie ook: 1 Sam 2:30; Ps 53:6; Mi 7:10; Ob 1:2; Luc 1:51 **49:16** **De schrik die je inboezemt, heeft je misleid, de overmoed van je hart. Jij woont in de kloven van de rots en bezet de top van de heuvel. Al maak je je nest zo hoog als een arend, vandaar haal Ik je neer, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: תִּֽפְלַצְתְּךָ֞ (tiflatstekha) = de schrik die je inboezemt | הִשִּׁ֤יא (hishi) = heeft misleid | אֹתָךְ֙ (otakh) = je | זְד֣וֹן (zedon) = overmoed van | לִבֶּ֔ךָ (libekha) = je hart | שֹֽׁכְנִי֙ (shokheni) = die woont | בְּחַגְוֵ֣י (bechagvei) = in de kloven van | הַסֶּ֔לַע (hasela) = de rots | תֹּפְשִׂ֖י (tofesi) = die bezet houdt | מְר֣וֹם (merom) = de hoogte van | גִּבְעָ֑ה (giva) = een heuvel | כִּֽי (ki) = want | תַגְבִּ֤יהַ (tagbiha) = je maakt hoog | כַּנֶּ֨שֶׁר֙ (kanesher) = als een arend | קִנֶּ֔ךָ (qinekha) = je nest | מִשָּׁ֥ם (misham) = vandaar | אֽוֹרִידְךָ֖ (oridekha) = zal Ik je neerhalen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּפְלַצְתְּךָ (tiflatsetekha), ‘de schrik die je inboezemt’: een zeldzaam woord, afgeleid van palats, ‘beven’. Of het de schrik is die Edom verspreidt, of de schrik voor Edom, is onzeker. Voetnoot : בְּחַגְוֵי הַסֶּלַע (bechagvei hasela), ‘in de kloven van de rots’: Edom woonde hoog in een rotsgebied. Vergelijk Obad. 3. Sela, ‘rots’, is ook de naam van een stad in Edom (2 Kon. 14:7). Hier staat het met lidwoord en betekent het ‘de rots’. Voetnoot : כַּנֶּשֶׁר (kannesher), ‘als een arend’: vergelijk Obad. 4, waar het slot luidt ‘al zet je je nest tussen de sterren’. Zie ook: Job 39:27; Spr 16:18; 2 Kon 14:7; Amos 9:2; Jes 14:13–15; Jes 49:25 **49:17** **Edom wordt een verwoesting. Ieder die er langs gaat, staat verbijsterd en sist om al haar plagen.** Brontekst: וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en zal worden | אֱד֖וֹם (edom) = Edom | לְשַׁמָּ֑ה (leshama) = tot een verwoesting | כֹּ֚ל (kol) = ieder | עֹבֵ֣ר (over) = die voorbijkomt | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = erlangs | יִשֹּׁ֥ם (yishom) = staat verbijsterd | וְיִשְׁרֹ֖ק (veyishroq) = en sist | עַל (al) = om | כָּל (kal) = al | מַכּוֹתֶֽהָ (makoteha) = haar plagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: לְשַׁמָּה (leshammah), ‘een verwoesting’; יִשֹּׁם (yishom), ‘staat verbijsterd’: beide woorden komen van hetzelfde werkwoord shamem. Wie langs komt, schrikt van wat er van Edom over is. Voetnoot : וְיִשְׁרֹק (veyishrok), ‘en sist’: een teken van schrik en afschuw (zoals in Jer. 19:8 en 1 Kon. 9:8). Dezelfde zin staat in 50:13 over Babel. Zie ook: 1 Kon 9:8; Jer 19:8; Jer 49:13; Jer 50:13; Jer 51:37; Ezech 35:7 **49:18** **Zoals bij de omkering van Sodom en Gomorra en hun buursteden, zegt Yahweh, zal daar niemand wonen en geen mensenkind in haar verblijven.** Brontekst: כְּֽמַהְפֵּכַ֞ת (kemahpekhat) = zoals de omkering van | סְדֹ֧ם (sedom) = Sodom | וַעֲמֹרָ֛ה (vaamora) = en Gomorra | וּשְׁכֵנֶ֖יהָ (ushekheneiha) = en hun buursteden | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹֽא (lo) = niet | יֵשֵׁ֥ב (yeshev) = zal wonen | שָׁם֙ (sham) = daar | אִ֔ישׁ (ish) = man | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָג֥וּר (yagur) = zal verblijven | בָּ֖הּ (bah) = in haar | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָֽם (adam) = mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: כְּמַהְפֵּכַת סְדֹם (kemahpekhat Sedom), ‘zoals bij de omkering van Sodom’: de verwoesting van Sodom en Gomorra (Gen. 19:24–25; Deut. 29:22). Dezelfde zin staat in 50:40 over Babel, daar met ‘Elohim’ en ‘godsspraak’. Zie ook Jes. 13:19 en Amos 4:11. Voetnoot : וּשְׁכֵנֶיהָ (ushekhenehah), ‘en hun buursteden’: letterlijk ‘en haar buren’. Voetnoot : בֶּן אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: hier gewoon ‘een mens’. Zie ook: Gen 19:24–25; Deut 29:22; Amos 4:11; Jes 13:19; Sef 2:9; Jer 49:33; Jer 50:40 **49:19** **Zie, als een leeuw komt hij op uit het struikgewas van de Jordaan naar een duurzame weide. Want in een oogwenk jaag Ik hem van haar weg. En wie is de uitverkorene die Ik daarover aanstel? Want wie is als Ik, en wie daagt Mij? En wie is die herder die voor Mijn aangezicht standhoudt?”** Brontekst: הִ֠נֵּה (hine) = zie | כְּאַרְיֵ֞ה (kearye) = als een leeuw | יַעֲלֶ֨ה (yaale) = komt hij op | מִגְּא֣וֹן (migeon) = uit het struikgewas van | הַיַּרְדֵּן֮ (hayarden) = de Jordaan | אֶל (el) = naar | נְוֵ֣ה (neve) = weide van | אֵיתָן֒ (eitan) = duurzame | כִּֽי (ki) = want | אַרְגִּ֤יעָה (argia) = in een oogwenk | אֲרִיצֶ֨נּוּ (aritsenu) = zal Ik hem wegjagen | מֵֽעָלֶ֔יהָ (mealeiha) = van haar | וּמִ֥י (umi) = en wie | בָח֖וּר (bachur) = uitverkorene | אֵלֶ֣יהָ (eleiha) = daarover | אֶפְקֹ֑ד (efqod) = zal Ik aanstellen | כִּ֣י (ki) = want | מִ֤י (mi) = wie | כָמ֨וֹנִי֙ (kamoni) = is als Ik | וּמִ֣י (umi) = en wie | יֹעִידֶ֔נִּי (yoideni) = zal Mij dagen | וּמִי (umi) = en wie | זֶ֣ה (ze) = is deze | רֹעֶ֔ה (roe) = herder | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יַעֲמֹ֖ד (yaamod) = zal standhouden | לְפָנָֽי (lefanay) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: מִגְּאוֹן הַיַּרְדֵּן (mege’on haYarden), ‘uit het struikgewas van de Jordaan’: ge’on betekent letterlijk ‘trots’ of ‘pracht’. Hier is het de weelderige begroeiing langs de Jordaan, waar leeuwen zich verscholen (Jer. 12:5; Zach. 11:3). Voetnoot : נְוֵה אֵיתָן (naveh eitan), ‘duurzame weide’: eitan betekent ‘duurzaam’, ‘altijd aanwezig’ (zoals in Amos 5:24 ‘altijd stromende beek’). Voetnoot : Wie ‘de leeuw’ is, zegt het Hebreeuws niet. Sommigen denken aan de vijand, anderen aan Yahweh Zelf. Wij laten het open. Voetnoot : אֶפְקֹד (efqod), ‘Ik zal aanstellen’: hetzelfde werkwoord pakad als ‘straffen’ in vers 8. בָחוּר (bachur), ‘uitverkorene’: ook ‘jongeman’. יֹעִידֶנִּי (ya’ideni), ‘Mij dagen’: iemand ter verantwoording roepen. Voetnoot : Vers 19–21 staan bijna woordelijk in 50:44–46, daar tegen Babel. Zie ook: Job 9:19; Ex 15:11; Amos 5:24; Jer 12:5; Jer 30:21; Jer 49:8; Jer 50:44–46; Zach 11:3 **49:20** Daarom, hoor het besluit van Yahweh dat Hij tegen Edom heeft genomen, en Zijn plannen die Hij heeft bedacht tegen de inwoners van Teman. Voorwaar, de kleinsten van de kudde zullen hen wegslepen. Voorwaar, Hij zal hun weide met hen verwoesten. Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoort | עֲצַת (atsat) = het besluit van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | יָעַץ֙ (yaats) = Hij heeft genomen | אֶל (el) = tegen | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | וּמַ֨חְשְׁבוֹתָ֔יו (umachshevotav) = en Zijn plannen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חָשַׁ֖ב (chashav) = Hij heeft bedacht | אֶל (el) = tegen | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = de inwoners van | תֵימָ֑ן (teiman) = Teman | אִם (im) = voorwaar | לֹ֤א (lo) = (als niet) | יִסְחָבוּם֙ (yischavum) = zullen hen wegslepen | צְעִירֵ֣י (tseirei) = de kleinsten van | הַצֹּ֔אן (hatson) = de kudde | אִם (im) = voorwaar | לֹ֥א (lo) = (als niet) | יַשִּׁ֛ים (yashim) = zal Hij verwoesten | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | נְוֵהֶֽם (nevehem) = hun weide Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië). Voetnoot Uitleg: עֲצַת (atsat), ‘het besluit van’: etsah van Yahweh vertalen wij met ‘besluit’, van mensen met ‘raad’ (zie vers 30). Voetnoot : אִם לֹא (im lo), ‘voorwaar’: letterlijk ‘als niet’, de vaste vorm van een zekere bevestiging. Voetnoot : צְעִירֵי (tse’irei), ‘de kleinsten van’: de jongste en geringste dieren van de kudde. Het beeld van de weide uit vers 19 loopt door. Voetnoot : Dit vers staat bijna woordelijk in 50:45, daar tegen Babel (met ‘de weide’ in plaats van ‘hun weide’). Zie ook: Jer 49:7; Jer 49:17–18; Jer 49:19; Jer 49:30; Jer 50:45; Mal 1:3–4; Ef 1:11 **49:21** Van het geluid van hun val beeft de aarde. Een kreet: haar geluid wordt gehoord bij de Rietzee. Brontekst: מִקּ֣וֹל (miqol) = van het geluid van | נִפְלָ֔ם (niflam) = hun val | רָעֲשָׁ֖ה (raasha) = beeft | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | צְעָקָ֕ה (tseaqa) = een kreet | בְּיַם (beyam) = bij de zee | ס֖וּף (suf) = Riet | נִשְׁמַ֥ע (nishma) = wordt gehoord | קוֹלָֽהּ (qolah) = haar geluid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez. De precieze plaats van de doortocht is niet zeker. Voetnoot Uitleg: בְּיַם סוּף (beyam suf), ‘Rietzee’: dezelfde naam als in Exod. 13:18. De kreet is dus ver naar het zuiden te horen. Of de Golf van Akaba, aan de zuidkant van Edom, bedoeld is, is niet zeker. Zie ook: Ex 13:18; Jes 14:4–15; Jer 50:46; Ezech 21:21; Ezech 26:15–18; Ezech 32:10 **49:22** Zie, als een arend stijgt hij op en duikt neer, en hij spreidt zijn vleugels uit over Bozra. Op die dag zal het hart van de helden van Edom zijn als het hart van een vrouw in barensnood. Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | כַנֶּ֨שֶׁר֙ (kanesher) = als een arend | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = stijgt hij op | וְיִדְאֶ֔ה (veyide) = en duikt neer | וְיִפְרֹ֥שׂ (veyifros) = en spreidt uit | כְּנָפָ֖יו (kenafav) = zijn vleugels | עַל (al) = over | בָּצְרָ֑ה (batsera) = Bozra | וְֽ֠הָיָה (vehaya) = en zal zijn | לֵ֞ב (lev) = hart van | גִּבּוֹרֵ֤י (giborei) = helden van | אֱדוֹם֙ (edom) = Edom | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | כְּלֵ֖ב (kelev) = als het hart van | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | מְצֵרָֽה (metsera) = in barensnood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bozra: Bozra (Buseirah) lag in het zuiden van het huidige Jordanië, in het gebied van Edom. Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt vrijwel overeen met Jer. 48:40–41 over Moab. Voetnoot : בָּצְרָה (Botsrah), ‘Bozra’: zie vers 13. Voetnoot : כְּלֵב אִשָּׁה מְצֵרָה (keleiv ishah metserah), ‘als het hart van een vrouw in barensnood’: letterlijk ‘een vrouw in nood’ (van tsar, ‘benauwd’). De nood van het baren is bedoeld; zie ook vers 24 en 50:43. Zie ook: Deut 28:49; Hos 8:1; Jes 13:8; Jer 48:40–41; Jer 49:13; Jer 49:24 ### Over Damascus **49:23** Over Damascus. Chamat en Arpad zijn beschaamd, want zij hebben een slecht bericht gehoord. Zij zijn weggesmolten. Er is zorg bij de zee, zij kan niet tot rust komen. Brontekst: לְדַמֶּ֗שֶׂק (ledameseq) = over Damascus | בּ֤וֹשָֽׁה (bosha) = zijn beschaamd | חֲמָת֙ (chamat) = Chamat | וְאַרְפָּ֔ד (vearpad) = en Arpad | כִּי (ki) = want | שְׁמֻעָ֥ה (shemua) = een bericht | רָעָ֛ה (raa) = slecht | שָׁמְע֖וּ (shameu) = hebben zij gehoord | נָמֹ֑גוּ (namogu) = zijn weggesmolten | בַּיָּ֣ם (bayam) = bij de zee | דְּאָגָ֔ה (deaga) = zorg | הַשְׁקֵ֖ט (hashqet) = rust | לֹ֥א (lo) = niet | יוּכָֽל (yukhal) = kan zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Arpad (Tell Rifaat): Arpad wordt gezocht bij Tell Rifaat, ten noorden van Aleppo, in het noorden van Syrië. Voetnoot Uitleg: חֲמָת (Chamat), ‘Chamat’, en וְאַרְפָּד (Arpad): steden in het noorden van Syrië (Jes. 10:9; 2 Kon. 18:34). Als zelfs die vallen, is ook Damascus in gevaar. Voetnoot : בַּיָּם דְּאָגָה (bayyam de’agah), ‘bij de zee zorg’: onzeker. De zee kan de Middellandse Zee aan de kust zijn, of een beeld voor onrust zoals in Jes. 57:20. Zie ook: Gen 14:15; Gen 15:2; 2 Kon 18:34; Jes 10:9; Jes 57:20 **49:24** Damascus is slap geworden. Zij heeft zich omgekeerd om te vluchten, en siddering heeft haar gegrepen. Benauwdheid en weeën hebben haar gegrepen, als een barende vrouw. Brontekst: רָפְתָ֥ה (rafeta) = is slap geworden | דַמֶּ֛שֶׂק (dameseq) = Damascus | הִפְנְתָ֥ה (hifneta) = heeft zich omgekeerd | לָנ֖וּס (lanus) = om te vluchten | וְרֶ֣טֶט (veretet) = en siddering | הֶחֱזִ֑יקָה (hecheziqa) = heeft gegrepen | צָרָ֧ה (tsara) = benauwdheid | וַחֲבָלִ֛ים (vachavalim) = en weeën | אֲחָזַ֖תָּה (achazata) = hebben haar gegrepen | כַּיּוֹלֵדָֽה (kayoleda) = als een barende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: אֲחָזַתָּה (achazatah), ‘hebben haar gegrepen’: de benauwdheid en de weeën grijpen haar als een barende vrouw. Verwante woorden staan in Jer. 6:24 en 50:43. Voetnoot : וְרֶטֶט (verett), ‘siddering’: een zeldzaam woord. Zie ook: Jer 6:24; Jer 50:43 **49:25** Hoe is de stad van lof niet verlaten, de stad van mijn vreugde! Brontekst: אֵ֥יךְ (eikh) = hoe | לֹֽא (lo) = niet | עֻזְּבָ֖ה (uzeva) = is verlaten | עִ֣יר (ir) = stad van | תְּהִלָּ֑ת (tehilat) = lof | קִרְיַ֖ת (qiryat) = stad van | מְשׂוֹשִֽׂי (mesosi) = mijn vreugde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא (lo), ‘niet’: dit ‘niet’ is moeilijk. Sommigen lezen ‘hoe is de stad van lof verlaten!’. Anderen lezen het als een klacht: ‘waarom is zij niet verlaten, de stad van mijn vreugde?’, dat wil zeggen: waarom is zij niet gespaard? Wij laten het Hebreeuws staan. Voetnoot : מְשׂוֹשִׂי (mesosi), ‘mijn vreugde’: de profeet spreekt hier, vol medeleven. Zie ook: Jer 33:9; Jer 48:39; Jer 51:41; Dan 4:27; Openb 18:10 **49:26** **„Daarom zullen haar jongemannen vallen op haar pleinen, en alle krijgslieden zullen zwijgen op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten.** Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | יִפְּל֥וּ (yipelu) = zullen vallen | בַחוּרֶ֖יהָ (bachureiha) = haar jongemannen | בִּרְחֹבֹתֶ֑יהָ (birchovoteiha) = op haar pleinen | וְכָל (vekhal) = en alle | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָ֤ה (hamilchama) = de oorlog | יִדַּ֨מּוּ֙ (yidamu) = zullen zwijgen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers staat bijna woordelijk in 50:30 over Babel. Door de formule ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’ staat het vers rood. Zie ook: Amos 4:10; Jer 9:20; Jer 11:22; Jer 50:30; Klaagl 2:21 **49:27** **Ik zal vuur aansteken op de muur van Damascus. Het zal de paleizen van Ben-Hadad verteren.”** Brontekst: וְהִצַּ֥תִּי (vehitsati) = en Ik zal aansteken | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | בְּחוֹמַ֣ת (bechomat) = op de muur van | דַּמָּ֑שֶׂק (damaseq) = Damascus | וְאָכְלָ֖ה (veakhela) = en het zal verteren | אַרְמְנ֥וֹת (armenot) = paleizen van | בֶּן (ben) = Ben | הֲדָֽד (hadad) = Hadad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: בֶּן הֲדָד (Ben-Hadad), ‘Ben-Hadad’: de naam van meerdere koningen van Damascus (1 Kon. 15:18; 2 Kon. 13:3). Het slot van het vers is gelijk aan Amos 1:4 en de eerste zin aan Amos 1:14 (over Rabba). Zie ook: 1 Kon 15:18–20; 1 Kon 20:1–22; 2 Kon 13:3; 2 Kon 13:5; Amos 1:3–5; Amos 1:4; Amos 1:14 ### Over Kedar en Chasor **49:28** Over Kedar en over de koninkrijken van Chasor, die Nebukadnezar, de koning van Babel, versloeg. Zo zegt Yahweh: **„Sta op, trek op naar Kedar en plunder de zonen van het oosten.** Brontekst: לְקֵדָ֣ר (leqedar) = over Kedar | וּֽלְמַמְלְכ֣וֹת (ulemamlekhot) = en over de koninkrijken van | חָצ֗וֹר (chatsor) = Chasor | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הִכָּה֙ (hika) = versloeg | נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֣ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | ק֚וּמוּ (qumu) = sta op | עֲל֣וּ (alu) = trek op | אֶל (el) = naar | קֵדָ֔ר (qedar) = Kedar | וְשָׁדְד֖וּ (veshadedu) = en plunder | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵי (benei) = zonen van | קֶֽדֶם (qedem) = het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië. De precieze ligging is niet zeker. Zie Chasor (Arabië; ligging onzeker): De koninkrijken van Chasor (Jeremia 49:28-33) zijn de nomadische gebieden van de Arabische woestijn, bij Kedar. Dit is niet het Chasor in Galilea. De ligging is niet bekend. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: לְקֵדָר (leQedar), ‘over Kedar’: nomaden in de woestijn ten oosten van het land (Gen. 25:13; Jes. 21:16–17). Voetnoot : חָצוֹר (Chatsor), ‘Chasor’: hier een Arabische streek van tentkampen, niet de stad Chasor in het noorden van het land (Joz. 11:1). Het woord betekent ‘omheind erf’. Voetnoot : בְּנֵי קֶדֶם (bnei qedem), ‘zonen van het oosten’: bewoners van de woestijn ten oosten van Israël (Richt. 6:3; Job 1:3). Zie ook: Gen 25:13; Job 1:3; Joz 11:1; Re 6:3; Jes 11:14; Jes 21:16–17; Jer 49:14; Ezech 27:21 **49:29** **Hun tenten en hun kleinvee nemen zij weg, hun tentdoeken, al hun voorwerpen en hun kamelen voeren zij voor zich weg. En zij roepen over hen: ‘Schrik rondom!’** Brontekst: אָהֳלֵיהֶ֤ם (aholeihem) = hun tenten | וְצֹאנָם֙ (vetsonam) = en hun kleinvee | יִקָּ֔חוּ (yiqachu) = zullen zij nemen | יְרִיעוֹתֵיהֶ֧ם (yerioteihem) = hun tentdoeken | וְכָל (vekhal) = en al | כְּלֵיהֶ֛ם (keleihem) = hun voorwerpen | וּגְמַלֵּיהֶ֖ם (ugemaleihem) = en hun kamelen | יִשְׂא֣וּ (yisu) = zullen zij dragen | לָהֶ֑ם (lahem) = voor zich | וְקָרְא֧וּ (veqareu) = en zij roepen | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = over hen | מָג֖וֹר (magor) = schrik | מִסָּבִֽיב (misaviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְרִיעוֹתֵיהֶם (yeri’otehem), ‘hun tentdoeken’: de geweven doeken waarmee een tent wordt bedekt (Exod. 26:1). Voetnoot : מָגוֹר מִסָּבִיב (magor missaviv), ‘Schrik rondom’: een uitroep die Jeremia vaker gebruikt (Jer. 6:25; 20:3, 10; 46:5). Zie ook: Job 1:3; Ex 26:1; Ps 120:5; Jer 6:25; Jer 20:3; Jer 46:5; Hab 3:7 **49:30** **Vlucht, zwerf ver weg, woon diep, inwoners van Chasor, godsspraak van Yahweh. Want Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft tegen jullie raad gehouden en een plan tegen jullie bedacht.** Brontekst: נֻסוּ֩ (nusu) = vlucht | נֻּ֨דוּ (nudu) = zwerf | מְאֹ֜ד (meod) = ver weg | הֶעְמִ֧יקוּ (hemiqu) = woon diep | לָשֶׁ֛בֶת (lashevet) = om te wonen | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = inwoners van | חָצ֖וֹר (chatsor) = Chasor | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | יָעַ֨ץ (yaats) = heeft raad gehouden | עֲלֵיכֶ֜ם (aleikhem) = tegen jullie | נְבוּכַדְרֶאצַּ֤ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | עֵצָ֔ה (etsa) = raad | וְחָשַׁ֥ב (vechashav) = en heeft bedacht | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = tegen jullie | מַחֲשָׁבָֽה (machashava) = een plan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chasor (Arabië; ligging onzeker): De koninkrijken van Chasor (Jeremia 49:28-33) zijn de nomadische gebieden van de Arabische woestijn, bij Kedar. Dit is niet het Chasor in Galilea. De ligging is niet bekend. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: עֵצָה (etsah), ‘raad’: de etsah van een mens vertalen wij met ‘raad’, die van Yahweh met ‘besluit’ (vers 20). Nebukadnezar houdt raad tegen Chasor, terwijl Yahweh zijn besluit al genomen heeft. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) עֲלֵיכֶם (aleikhem), ‘tegen jullie’. De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘tegen hen’. Zie ook: Jes 10:7; Jer 25:9; Jer 25:24–25; Jer 27:6; Jer 49:20 **49:31** **Sta op, trek op tegen een rustig volk dat veilig woont, godsspraak van Yahweh. Het heeft geen deuren en geen grendel. Het woont alleen.** Brontekst: ק֣וּמוּ (qumu) = sta op | עֲל֗וּ (alu) = trek op | אֶל (el) = naar | גּ֥וֹי (goy) = een volk | שְׁלֵ֛יו (sheleiv) = rustig | יוֹשֵׁ֥ב (yoshev) = dat woont | לָבֶ֖טַח (lavetach) = in veiligheid | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹא (lo) = niet | דְלָתַ֧יִם (delatayim) = deuren | וְלֹֽא (velo) = en niet | בְרִ֛יחַ (beriach) = grendel | ל֖וֹ (lo) = voor hem | בָּדָ֥ד (badad) = alleen | יִשְׁכֹּֽנוּ (yishkonu) = wonen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹי שְׁלֵיו (goy shalev), ‘een rustig volk’: een volk dat zich niet bedreigd voelt. לֹא דְלָתַיִם וְלֹא בְרִיחַ לוֹ (lo delatayim velo veriach), ‘geen deuren en geen grendel’: nomaden zonder muren of poorten. Zie ook: Num 23:9; Deut 33:28; Jes 47:8; Mi 7:14; Ezech 38:11 **49:32** **Hun kamelen zullen buit worden en de menigte van hun vee een roof. Ik verstrooi hen naar alle windstreken, hen die de rand van hun haar afknippen. Van alle kanten breng Ik hun ondergang, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וְהָי֨וּ (vehayu) = en zullen zijn | גְמַלֵּיהֶ֜ם (gemaleihem) = hun kamelen | לָבַ֗ז (lavaz) = tot buit | וַהֲמ֤וֹן (vahamon) = en de menigte van | מִקְנֵיהֶם֙ (miqneihem) = hun vee | לְשָׁלָ֔ל (leshalal) = tot roof | וְזֵרִתִ֥ים (vezeritim) = en Ik zal hen verstrooien | לְכָל (lekhal) = naar alle | ר֖וּחַ (ruach) = wind | קְצוּצֵ֣י (qetsutsei) = die afknippen | פֵאָ֑ה (pea) = de rand | וּמִכָּל (umikal) = en van alle | עֲבָרָ֛יו (avarav) = zijden ervan | אָבִ֥יא (avi) = zal Ik brengen | אֶת (et) = (obj.) | אֵידָ֖ם (eidam) = hun ondergang | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְצוּצֵי פֵאָה (qetsutsei fe’ah), ‘die de rand van hun haar afknippen’: de rand van het haar bij de slapen. Sommige Arabische stammen deden dat. Voor Israël was het verboden (Lev. 19:27). Zie ook Jer. 9:25 (Hebr.) en 25:23. Voetnoot : אֵידָם (eidam), ‘hun ondergang’: zie vers 8. Zie ook: Lev 19:27; Jer 9:25; Jer 25:23; Jer 49:8; Jer 49:36; Ezech 5:10; Ezech 12:14–15 **49:33** **Chasor wordt een woonplaats van jakhalzen, een verwoesting voor eeuwig. Niemand zal daar wonen en geen mensenkind in haar verblijven.”** Brontekst: וְהָיְתָ֨ה (vehayeta) = en zal worden | חָצ֜וֹר (chatsor) = Chasor | לִמְע֥וֹן (limon) = tot een woonplaats van | תַּנִּ֛ים (tanim) = jakhalzen | שְׁמָמָ֖ה (shemama) = verwoesting | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | לֹֽא (lo) = niet | יֵשֵׁ֥ב (yeshev) = zal wonen | שָׁם֙ (sham) = daar | אִ֔ישׁ (ish) = man | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָג֥וּר (yagur) = zal verblijven | בָּ֖הּ (bah) = in haar | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָֽם (adam) = mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chasor (Arabië; ligging onzeker): De koninkrijken van Chasor (Jeremia 49:28-33) zijn de nomadische gebieden van de Arabische woestijn, bij Kedar. Dit is niet het Chasor in Galilea. De ligging is niet bekend. Voetnoot Uitleg: לִמְעוֹן תַּנִּים (me’on tannim), ‘woonplaats van jakhalzen’: een plaats die leeg en verlaten is. De slotzin is gelijk aan vers 18. Zie ook: Sef 2:9; Jer 9:10; Jer 10:22; Jer 49:18; Jer 51:37; Mal 1:3 ### Over Elam **49:34** Het woord van Yahweh dat tot Jeremia, de profeet, kwam over Elam, in het begin van het koningschap van Zedekia, de koning van Juda: Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הָיָ֧ה (haya) = was | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יִרְמְיָ֥הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = over | עֵילָ֑ם (eilam) = Elam | בְּרֵאשִׁ֗ית (bereshith) = in het begin van | מַלְכ֛וּת (malkhut) = het koningschap van | צִדְקִיָּ֥ה (tsidqiya) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לֵאמֹֽר (lemor) = luidend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: עֵילָם (Eilam), ‘Elam’: een land ten oosten van Babel, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot : בְּרֵאשִׁית מַלְכוּת צִדְקִיָּה (bereshit malkhut Tsidqiyyah), ‘in het begin van het koningschap van Zedekia’: Zedekia is de laatste koning van Juda (2 Kon. 24:17–25:7). Hier staat dus een datering bij het oordeel over Elam. Zie ook: Gen 10:22; Gen 14:1; 2 Kon 24:17–25:7; Jes 21:2; Jer 25:25; Dan 8:2 **49:35** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Zie, Ik breek de boog van Elam, het voornaamste van hun kracht.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | שֹׁבֵ֖ר (shover) = die breekt | אֶת (et) = (obj.) | קֶ֣שֶׁת (qeshet) = de boog van | עֵילָ֑ם (eilam) = Elam | רֵאשִׁ֖ית (reshit) = het voornaamste van | גְּבוּרָתָֽם (gevuratam) = hun kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: קֶשֶׁת עֵילָם (qeshet Eilam), ‘de boog van Elam’: de Elamieten stonden bekend als boogschutters (Jes. 22:6). Voetnoot : רֵאשִׁית גְּבוּרָתָם (reshit gevuratam), ‘het voornaamste van hun kracht’: hun boog is hun sterkste wapen. Zie ook: Ps 46:10; Jes 22:6; Jer 50:14; Jer 50:29; Jer 51:56 **49:36** **Ik breng over Elam de vier winden uit de vier uithoeken van de hemel. Ik verstrooi hen naar al die winden, en er zal geen volk zijn waarheen de verdrevenen van Elam niet komen.** Brontekst: וְהֵבֵאתִ֨י (veheveti) = en Ik zal brengen | אֶל (el) = over | עֵילָ֜ם (eilam) = Elam | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | רוּח֗וֹת (ruchot) = winden | מֵֽאַרְבַּע֙ (mearba) = uit de vier | קְצ֣וֹת (qetsot) = uithoeken van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְזֵ֣רִתִ֔ים (vezeritim) = en Ik zal hen verstrooien | לְכֹ֖ל (lekhol) = naar al | הָרֻח֣וֹת (haruchot) = de winden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | הַגּ֔וֹי (hagoy) = het volk | אֲשֶׁ֛ר (asher) = waarheen | לֹֽא (lo) = niet | יָב֥וֹא (yavo) = zullen komen | שָׁ֖ם (sham) = daar | נִדְּחֵ֥י (nidechei) = verdrevenen van | עֵילָֽם (eilam) = Elam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: אַרְבַּע רוּחוֹת (arba ruchot), ‘vier winden’: de vier windstreken. Elam wordt over de hele aarde verspreid. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) עֵילָם (Eilam), ‘Elam’. De geschreven tekst (ketiv) heeft עולם (olam), ‘eeuwigheid’, wat hier niet past. Zie ook: Jer 30:17; Jer 49:32; Ezech 5:10; Dan 8:8; Openb 7:1 **49:37** **Ik verschrik Elam voor het aangezicht van hun vijanden en voor het aangezicht van hen die hun leven zoeken. Ik breng onheil over hen, de gloed van Mijn toorn, godsspraak van Yahweh. Ik zend het zwaard achter hen aan, totdat Ik hen heb uitgeroeid.** Brontekst: וְהַחְתַּתִּ֣י (vehachtati) = en Ik zal verschrikken | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֠ילָם (eilam) = Elam | לִפְנֵ֨י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֹיְבֵיהֶ֜ם (oyeveihem) = hun vijanden | וְלִפְנֵ֣י (velifnei) = en voor het aangezicht van | מְבַקְשֵׁ֣י (mevaqshei) = wie zoeken | נַפְשָׁ֗ם (nafsham) = hun leven | וְהֵבֵאתִ֨י (veheveti) = en Ik zal brengen | עֲלֵיהֶ֧ם (aleihem) = over hen | רָעָ֛ה (raa) = onheil | אֶת (et) = (obj.) | חֲר֥וֹן (charon) = gloed van | אַפִּ֖י (api) = Mijn toorn | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְשִׁלַּחְתִּ֤י (veshilachti) = en Ik zal zenden | אַֽחֲרֵיהֶם֙ (achareihem) = achter hen aan | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֔רֶב (hacherev) = het zwaard | עַ֥ד (ad) = totdat | כַּלּוֹתִ֖י (kaloti) = Ik hen heb uitgeroeid | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: וְהַחְתַּתִּי (vehachtatti), ‘Ik verschrik’: het werkwoord chatat betekent ‘ontzet zijn’ of ‘verbijsterd zijn’; hier ‘ontzet maken’. Voetnoot : חֲרוֹן אַפִּי (charon api), ‘de gloed van Mijn toorn’: letterlijk ‘de gloed van Mijn neus’; zo wordt de toorn beschreven. Zie ook: Jer 9:15; Jer 34:20–21; Jer 48:2; Ezech 12:14; Ezech 32:23 **49:38** **Ik zet Mijn troon in Elam en roei daaruit koning en oversten uit, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֥י (vesamti) = en Ik zal zetten | כִסְאִ֖י (kisi) = Mijn troon | בְּעֵילָ֑ם (beeilam) = in Elam | וְהַאֲבַדְתִּ֥י (vehaavadti) = en Ik zal uitroeien | מִשָּׁ֛ם (misham) = daaruit | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning | וְשָׂרִ֖ים (vesarim) = en oversten | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: כִסְאִי (kis’i), ‘Mijn troon’: Yahweh stelt Zijn rechterstoel op in Elam en spreekt daar zelf recht. Zie ook: Jer 43:10; Dan 7:9–14 **49:39** **Maar het zal gebeuren in de laatste dagen: Ik keer het lot van Elam, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּאַחֲרִ֣ית (beacharit) = in de laatste | הַיָּמִ֗ים (hayamim) = dagen | אָשִׁ֛יב (ashiv) = Ik zal keren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁב֥וּת (shevut) = het lot van | עֵילָ֖ם (eilam) = Elam | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de toekomst die nog komt. Elam wordt hersteld, zoals Moab (Jer. 48:47) en Ammon (vers 6). Zie ook: Amos 9:14; Hos 3:5; Jer 48:47; Jer 49:6; Dan 2:28 ## Jeremia 50 _Oordeel over Babel en de terugkeer van Israël_ ### Over Babel **50:1** Het woord dat Yahweh sprak over Babel, over het land van de Chaldeeën, door de hand van Jeremia, de profeet. Brontekst: הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | דִּבֶּ֧ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | אֶל (el) = over | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | כַּשְׂדִּ֑ים (kasdim) = de Chaldeeën | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | יִרְמְיָ֥הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִֽיא (hanavi) = de profeet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Hoofdstuk 50 en 51 vormen samen één groot oordeel over Babel, het langste van alle volkenoordelen in dit boek. Voetnoot : כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘Chaldeeën’: het volk van Babel, hier ook als landnaam gebruikt. Zie ook: Ps 137:8–9; Jes 13:1–3; Jer 25:26–27; Jer 51:1–14; Openb 18:1–24 **50:2** Maak het bekend onder de volken en laat het horen. Hef een banier op, laat het horen en verberg het niet. Zeg: „Babel is ingenomen. Bel is beschaamd, Marduk is ontzet. Haar afgodsbeelden zijn beschaamd, haar afgoden zijn ontzet.” Brontekst: הַגִּ֨ידוּ (hagidu) = maakt bekend | בַגּוֹיִ֤ם (bagoyim) = onder de volken | וְהַשְׁמִ֨יעוּ֙ (vehashmiu) = en laat horen | וּֽשְׂאוּ (useu) = en heft op | נֵ֔ס (nes) = een banier | הַשְׁמִ֖יעוּ (hashmiu) = laat horen | אַל (al) = niet | תְּכַחֵ֑דוּ (tekhachedu) = verbergt | אִמְרוּ֩ (imru) = zegt | נִלְכְּדָ֨ה (nilkeda) = is ingenomen | בָבֶ֜ל (bavel) = Babel | הֹבִ֥ישׁ (hovish) = is beschaamd | בֵּל֙ (bel) = Bel | חַ֣ת (chat) = is ontzet | מְרֹדָ֔ךְ (merodakh) = Marduk | הֹבִ֣ישׁוּ (hovishu) = zijn beschaamd | עֲצַבֶּ֔יהָ (atsabeiha) = haar afgodsbeelden | חַ֖תּוּ (chatu) = zijn ontzet | גִּלּוּלֶֽיהָ (giluleiha) = haar afgoden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נֵס (nes), ‘banier’: een signaalvlag of paal op een berg, om volken of troepen te verzamelen (Jes. 13:2; 18:3). Voetnoot : בֵּל (Bel), ‘Bel’: ‘heer’, een titel van מְרֹדָךְ (Merodach, Marduk), de hoofdgod van Babel. Beide namen staan hier naast elkaar; zie ook Jes. 46:1. Voetnoot : עֲצַבֶּיהָ (atsabbeha), ‘haar afgodsbeelden’, en גִּלּוּלֶיהָ (gilluleha), ‘haar afgoden’: het tweede woord is afgeleid van een woord voor ‘mest’ en is een scheldwoord (Lev. 26:30). Zie ook: Lev 26:30; Jes 13:2; Jes 18:3; Jes 21:9; Jes 37:19; Jes 46:1; Jer 51:44; Jer 51:47 **50:3** Want een volk komt tegen haar op uit het noorden. Dat volk maakt haar land tot een verwoesting, en er zal niemand in wonen, van mens tot dier. Zij zijn gevlucht en weggegaan. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | עָלָה֩ (ala) = is opgekomen | עָלֶ֨יהָ (aleiha) = tegen haar | גּ֜וֹי (goy) = een volk | מִצָּפ֗וֹן (mitsafon) = uit het noorden | הֽוּא (hu) = dat | יָשִׁ֤ית (yashit) = zal maken | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָהּ֙ (artsah) = haar land | לְשַׁמָּ֔ה (leshama) = tot een verwoesting | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = bewoner | בָּ֑הּ (bah) = daarin | מֵאָדָ֥ם (meadam) = van mens | וְעַד (vead) = tot | בְּהֵמָ֖ה (behema) = dier | נָ֥דוּ (nadu) = zijn gevlucht | הָלָֽכוּ (halakhu) = zijn gegaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹי מִצָּפוֹן (goy mitsafon), ‘een volk uit het noorden’: het Hebreeuws noemt het volk niet bij naam. Het noorden is voor Israël de richting waaruit de vijand komt, zie Jer. 1:14 en 6:22. Voetnoot : נָדוּ הָלָכוּ (nadu halaku), ‘zij zijn gevlucht en weggegaan’: de bewoners en het vee vluchten uit het land. Zie ook: Sef 1:3; Jer 1:14; Jer 6:22; Jer 50:9; Jer 51:11; Jer 51:48; Jer 51:62 ### Israël keert terug **50:4** **„In die dagen en in die tijd, godsspraak van Yahweh, zullen de zonen van Israël komen, zij en de zonen van Juda samen. Al wenend gaan zij voort, en zij zoeken Yahweh, hun Elohim.** Brontekst: בַּיָּמִ֨ים (bayamim) = in dagen | הָהֵ֜מָּה (hahema) = die | וּבָעֵ֤ת (uvaet) = en in tijd | הַהִיא֙ (hahi) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יָבֹ֧אוּ (yavou) = zullen komen | בְנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | הֵ֥מָּה (hema) = zij | וּבְנֵֽי (uvenei) = en zonen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | הָל֤וֹךְ (halokh) = gaande | וּבָכוֹ֙ (uvakho) = en wenend | יֵלֵ֔כוּ (yelekhu) = zullen gaan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun Elohim | יְבַקֵּֽשׁוּ (yevaqeshu) = zullen zoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Voetnoot : Vanaf hier spreekt Yahweh zelf; Zijn toespraak loopt door tot en met vers 12. Daarom staan deze verzen rood. Voetnoot : בְנֵי יִשְׂרָאֵל הֵמָּה וּבְנֵי יְהוּדָה יַחְדָּו (bnei Yisra’el hemmah uvnei Yehudah yachdav), ‘de zonen van Israël, zij en de zonen van Juda samen’: het noordelijke en het zuidelijke rijk komen samen terug. Zie ook het nieuwe verbond in Jer. 31:31–34. Zie ook: Ps 105:4; Hos 2:2; Hos 3:5; Jes 11:12–13; Jer 1:8; Jer 31:31; Jer 50:12 **50:5** **Naar Sion vragen zij de weg, daarheen zijn hun gezichten gericht: ‘Kom, voeg jullie bij Yahweh in een verbond voor eeuwig dat niet vergeten wordt.’** Brontekst: צִיּ֣וֹן (tsiyon) = Sion | יִשְׁאָ֔לוּ (yishalu) = zullen vragen | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = naar de weg | הֵ֣נָּה (hena) = daarheen | פְנֵיהֶ֑ם (peneihem) = hun gezichten | בֹּ֚אוּ (bou) = komt | וְנִלְו֣וּ (venilvu) = en voegt jullie | אֶל (el) = bij | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּרִ֥ית (berit) = een verbond van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | לֹ֥א (lo) = niet | תִשָּׁכֵֽחַ (tishakheach) = zal vergeten worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘een verbond voor eeuwig’: zoals in Gen. 9:16 en Jes. 55:3. Voetnoot : הֵנָּה (hennah), ‘daarheen’: naar Sion toe. Voetnoot : בֹּאוּ וְנִלְווּ (bo’u venilvu), ‘Kom, voeg jullie bij’: het werkwoord lavah betekent ‘zich aansluiten’. Dit is het woord van het volk onder elkaar (aanhaling tussen enkele aanhalingstekens). Zie ook: Gen 9:16; Ps 84:8; Jes 35:8; Jes 55:3; Jer 6:16; Jer 32:40; Heb 8:6–10 **50:6** **Mijn volk was een kudde verloren schapen. Hun herders hebben hen laten dwalen en op de bergen afgewend. Van berg naar heuvel zijn zij gegaan, zij hebben hun rustplaats vergeten.** Brontekst: צֹ֤אן (tson) = een kudde van | אֹֽבְדוֹת֙ (ovedot) = verloren schapen | הָי֣וּ (hayu) = zijn geweest | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | רֹעֵיהֶ֣ם (roeihem) = hun herders | הִתְע֔וּם (hitum) = hebben laten dwalen | הָרִ֖ים (harim) = bergen | שֽׁוֹבְב֑וּם (shovevum) = hebben hen afgewend | מֵהַ֤ר (mehar) = van berg | אֶל (el) = naar | גִּבְעָה֙ (giva) = heuvel | הָלָ֔כוּ (halakhu) = zijn gegaan | שָׁכְח֖וּ (shakhechu) = zijn vergeten | רִבְצָֽם (rivtsam) = hun rustplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹאן אֹבְדוֹת (tson ovedot), ‘kudde verloren schapen’: schapen die dwalen en niet meer terugvinden. De herders zijn de leiders van het volk. Voetnoot : רִבְצָם (rivtsam), ‘hun rustplaats’: de plek waar de kudde neerligt. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) הָיוּ (hayu), ‘zij waren’, en שׁוֹבְבוּם (shovevum), ‘zij hebben hen afgewend’. De geschreven tekst (ketiv) heeft het werkwoord in het enkelvoud (hayah) en שובבים (shovevim), ‘afkerigen’. Zie ook: Jes 53:6; Jer 50:17; Ezech 34:14; Mat 9:36; Mat 10:6 **50:7** **Allen die hen vonden, hebben hen opgegeten. Hun tegenstanders zeiden: ‘Wij maken ons niet schuldig, omdat zij gezondigd hebben tegen Yahweh, de woonplaats van gerechtigheid, de hoop van hun vaderen, Yahweh.’** Brontekst: כָּל (kal) = allen | מוֹצְאֵיהֶ֣ם (motseeihem) = die hen vonden | אֲכָל֔וּם (akhalum) = hebben hen gegeten | וְצָרֵיהֶ֥ם (vetsareihem) = en hun tegenstanders | אָמְר֖וּ (ameru) = zeiden | לֹ֣א (lo) = niet | נֶאְשָׁ֑ם (nesham) = zullen wij schuldig zijn | תַּ֗חַת (tachat) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | חָטְא֤וּ (chateu) = zij hebben gezondigd | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = tegen Yahweh | נְוֵה (neve) = woonplaats van | צֶ֔דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | וּמִקְוֵ֥ה (umiqve) = en de hoop van | אֲבֽוֹתֵיהֶ֖ם (avoteihem) = hun vaderen | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְוֵה צֶדֶק (neveh tsedeq), ‘woonplaats van gerechtigheid’: in Jer. 31:23 is dit een eernaam voor Jeruzalem en de tempelberg. Hier wordt Yahweh zelf zo genoemd. Het woord naveh betekent ook ‘weide’, zoals in vers 19. Voetnoot : וּמִקְוֵה אֲבוֹתֵיהֶם (umiqveh avoteihem), ‘en de hoop van hun vaderen’: Yahweh wordt ook elders ‘de hoop van Israël’ genoemd (Jer. 14:8; 17:13). Voetnoot : De tegenstanders beroepen zich erop dat het volk zelf gezondigd heeft; zo rechtvaardigen zij hun geweld (vergelijk vers 11). Zie ook: Jer 2:3; Jer 14:8; Jer 17:13; Jer 31:23; Jer 40:2–3; Jer 50:11; Jer 50:19; Zach 11:5 ### Vlucht uit Babel **50:8** **Vlucht weg uit Babel en trek uit het land van de Chaldeeën. Wees als bokken voor de kudde uit.** Brontekst: נֻ֚דוּ (nudu) = zwerft weg | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וּמֵאֶ֥רֶץ (umeerets) = en uit het land van | כַּשְׂדִּ֖ים (kasdim) = de Chaldeeën | צֵ֑אוּ (tseu) = trekt uit | וִהְי֕וּ (vihyu) = en wees | כְּעַתּוּדִ֖ים (keatudim) = als bokken | לִפְנֵי (lifnei) = voor | צֹֽאן (tson) = de kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: כְּעַתּוּדִים (ke’attudim), ‘als bokken’: de bokken die de kudde voorgaan. Wie het eerst vertrekt, redt zich het eerst. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is יצאו (yetse’u), ‘zij trekken uit’; het voorgelezen woord (qere) is צְאוּ (tse’u), ‘trek uit’. Wij volgen de qere. Zie ook: Jes 48:20; Jer 51:6; Jer 51:45; 2 Kor 6:17; Openb 18:4 **50:9** **Want zie, Ik wek op en laat optrekken tegen Babel een verzameling van grote volken uit het land van het noorden. Zij stellen zich tegen haar op. Vandaar zal zij ingenomen worden. Zijn pijlen zijn als een bekwame held, die niet met lege handen terugkeert.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אָנֹכִ֡י (anokhi) = Ik | מֵעִיר֩ (meir) = die opwekt | וּמַעֲלֶ֨ה (umaale) = en die doet optrekken | עַל (al) = tegen | בָּבֶ֜ל (bavel) = Babel | קְהַל (qehal) = een verzameling van | גּוֹיִ֤ם (goyim) = volken | גְּדֹלִים֙ (gedolim) = grote | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | צָפ֔וֹן (tsafon) = het noorden | וְעָ֣רְכוּ (vearekhu) = en zij zullen zich opstellen | לָ֔הּ (lah) = tegen haar | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | תִּלָּכֵ֑ד (tilakhed) = zal zij ingenomen worden | חִצָּיו֙ (chitsav) = zijn pijlen | כְּגִבּ֣וֹר (kegibor) = als een held | מַשְׁכִּ֔יל (mashkil) = bekwaam | לֹ֥א (lo) = niet | יָשׁ֖וּב (yashuv) = keert hij terug | רֵיקָֽם (reiqam) = met lege handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: קְהַל גּוֹיִם (qehal goyim gedolim), ‘een verzameling van grote volken’: het is een bondgenootschap. Zij komen ‘uit het land van het noorden’ (zie vers 3 en 41). Voetnoot : חִצָּיו (chitsav), ‘zijn pijlen’: het Hebreeuws vergelijkt de pijlen met een held. ‘Hij keert niet terug’ kan over de held of de pijl gaan. Voetnoot Lezing: מַשְׁכִּיל (maskil), ‘bekwaam’: sommige oude vertalingen lezen hier anders, namelijk als iets wat ‘kinderloos maakt’ of ‘verwoest’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Sam 1:22; Jes 21:2; Jer 50:3; Jer 50:41; Jer 51:1–4; Jer 51:11; Ezra 1:1–2 **50:10** **Chaldea wordt buit. Allen die haar plunderen, worden verzadigd, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en zal worden | כַשְׂדִּ֖ים (kasdim) = Chaldea | לְשָׁלָ֑ל (leshalal) = tot buit | כָּל (kal) = allen | שֹׁלְלֶ֥יהָ (sholeleiha) = haar plunderaars | יִשְׂבָּ֖עוּ (yisbau) = zullen verzadigd worden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַשְׂדִּים (Kasdim), ‘Chaldea’: hier staat het volk in het vrouwelijk als landnaam (‘zij zal buit worden’). Zie ook: Jes 33:4; Jes 33:23; Jes 45:3; Jer 25:12; Jer 27:7 **50:11** **Want jullie zijn blij, want jullie jubelen, plunderaars van Mijn erfdeel. Want jullie springen rond als een dorsende vaars en brieden als hengsten.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | תִשְׂמְחוּ֙ (tismechu) = jullie zijn blij | כִּ֣י (ki) = want | תַֽעֲלְז֔וּ (taalzu) = jullie jubelen | שֹׁסֵ֖י (shosei) = plunderaars van | נַחֲלָתִ֑י (nachalati) = Mijn erfdeel | כִּ֤י (ki) = want | תָפ֨וּשׁוּ֙ (tafushu) = jullie springen rond | כְּעֶגְלָ֣ה (keegla) = als een vaars | דָשָׁ֔ה (dasha) = dorsende | וְתִצְהֲל֖וּ (vetitshalu) = en jullie brieden | כָּאֲבִּרִֽים (kaabirim) = als hengsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁסֵי נַחֲלָתִי (shosei nachalati), ‘plunderaars van Mijn erfdeel’: Israël is het erfdeel van Yahweh (Deut. 32:9; Jes. 19:25). Voetnoot : כְּעֶגְלָה דָשָׁה (eglah dashah), ‘dorsende vaars’: een jong rund dat over het graan stampt en vrij uit het koren mag eten; het beeld van uitgelaten, onbezorgde vreugde (Hos. 10:11). Voetnoot : כָּאֲבִּרִים (ke’abbirim), ‘als hengsten’: het woord betekent ‘sterke (dieren)’. Hier gaat het om paarden, want het werkwoord tsahal is ‘hinniken’. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere), met de vormen in het meervoud: תִשְׂמְחוּ (tismechu), תַעֲלְזוּ (ta’alzu), תָפוּשׁוּ (tafushu) en וְתִצְהֲלוּ (vetitshalu), ‘jullie zijn blij’, ‘jullie jubelen’, ‘jullie springen rond’ en ‘jullie brieden’. De geschreven tekst (ketiv) heeft het vrouwelijk enkelvoud (‘jij’). Zie ook: Deut 32:9; Ps 22:13; Ps 74:2–8; Spr 17:5; Hos 10:11; Jes 19:25; Jes 47:6; Ob 1:12 **50:12** **Jullie moeder is zeer beschaamd, wie jullie baarde is te schande gemaakt. Zie, de laatste van de volken: een woestijn, een dorre streek en een steppe.”** Brontekst: בּ֤וֹשָׁה (bosha) = beschaamd is | אִמְּכֶם֙ (imekhem) = jullie moeder | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | חָפְרָ֖ה (chafera) = te schande gemaakt is | יֽוֹלַדְתְּכֶ֑ם (yoladtekhem) = die jullie baarde | הִנֵּה֙ (hine) = zie | אַחֲרִ֣ית (acharit) = de laatste van | גּוֹיִ֔ם (goyim) = de volken | מִדְבָּ֖ר (midbar) = een woestijn | צִיָּ֥ה (tsiya) = dorre streek | וַעֲרָבָֽה (vaarava) = en steppe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחֲרִית גּוֹיִם (acharit goyim), ‘de laatste van de volken’: Babel, dat eens de eerste was, wordt de laatste. Het kan ook ‘het einde van de volken’ betekenen. Voetnoot : צִיָּה וַעֲרָבָה (tsiyyah va’aravah), ‘een dorre streek en een steppe’: de woestijnvlakte waar niets groeit. Zie ook: Jes 13:20–22; Jer 25:26; Jer 50:35–40; Jer 51:43; Jer 51:62–64 **50:13** Vanwege de toorn van Yahweh wordt zij niet bewoond, maar is zij helemaal een verwoesting. Ieder die langs Babel gaat, staat verbijsterd en sist om al haar plagen. Brontekst: מִקֶּ֤צֶף (miqetsef) = vanwege de toorn van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | תֵשֵׁ֔ב (teshev) = zal zij bewoond worden | וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en zal worden | שְׁמָמָ֖ה (shemama) = verwoesting | כֻּלָּ֑הּ (kulah) = geheel | כֹּ֚ל (kol) = ieder | עֹבֵ֣ר (over) = die voorbijkomt | עַל (al) = over | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | יִשֹּׁ֥ם (yishom) = staat verbijsterd | וְיִשְׁרֹ֖ק (veyishroq) = en sist | עַל (al) = om | כָּל (kal) = al | מַכּוֹתֶֽיהָ (makoteiha) = haar plagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: כֹּל עֹבֵר עַל בָּבֶל יִשֹּׁם וְיִשְׁרֹק עַל כָּל מַכּוֹתֶיהָ (kol over al Bavel yishom veyishrok al kol makkoteha), ‘ieder die langs Babel gaat, staat verbijsterd en sist om al haar plagen’: bijna dezelfde zin staat in Jer. 49:17 over Edom en in 19:8. Zie ook: Jes 14:4–17; Jer 18:16; Jer 49:17; Jer 51:37; Zach 1:15 ### Wraak op Babel **50:14** Stel jullie op rondom Babel, alle boogspanners. Schiet op haar, spaar geen pijl, want tegen Yahweh heeft zij gezondigd. Brontekst: עִרְכ֨וּ (irkhu) = stelt jullie op | עַל (al) = tegen | בָּבֶ֤ל (bavel) = Babel | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | כָּל (kal) = allen | דֹּ֣רְכֵי (dorekhei) = spanners van | קֶ֔שֶׁת (qeshet) = de boog | יְד֣וּ (yedu) = schiet | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = naar haar | אַֽל (al) = niet | תַּחְמְל֖וּ (tachmelu) = spaart | אֶל (el) = voor | חֵ֑ץ (chets) = een pijl | כִּ֥י (ki) = want | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = tegen Yahweh | חָטָֽאָה (chataa) = heeft zij gezondigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: דֹּרְכֵי קֶשֶׁת (dorekhei qeshet), ‘boogspanners’: letterlijk ‘wie de boog betreden’. Men zette de voet op de boog om hem te spannen. Zie ook: Jer 50:7; Jer 50:29; Jer 50:42; Hab 2:8; Hab 2:17 **50:15** Heft rondom een strijdkreet tegen haar aan. Zij heeft zich overgegeven. Haar steunpilaren zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken. Want dit is de wraak van Yahweh. Neem wraak op haar. Zoals zij gedaan heeft, doe haar. Brontekst: הָרִ֨יעוּ (hariu) = heft strijdkreet aan | עָלֶ֤יהָ (aleiha) = tegen haar | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | נָתְנָ֣ה (natena) = heeft gegeven | יָדָ֔הּ (yadah) = haar hand | נָֽפְלוּ֙ (nafelu) = zijn gevallen | אָשְׁיוֹתֶ֔יהָ (asheyoteiha) = haar steunpilaren | נֶהֶרְס֖וּ (nehersu) = zijn afgebroken | חֽוֹמוֹתֶ֑יהָ (chomoteiha) = haar muren | כִּי֩ (ki) = want | נִקְמַ֨ת (niqmat) = wraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | הִיא֙ (hi) = zij | הִנָּ֣קְמוּ (hinaqemu) = neemt wraak | בָ֔הּ (bah) = op haar | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשְׂתָ֖ה (aseta) = zij heeft gedaan | עֲשׂוּ (asu) = doet | לָֽהּ (lah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָתְנָה יָדָהּ (natenah yadah), ‘zij heeft haar hand gegeven’: een teken van overgave. Voetnoot : אָשְׁיוֹתֶיהָ (ashyoteha), ‘haar steunpilaren’: een zeldzaam woord; het zijn de pijlers of bolwerken van de stad. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : נִקְמַת יְהוָה (niqmat Yahweh), ‘de wraak van Yahweh’: ook in vers 28 en 51:6, 11. Het woord niqmah heeft hier de zin van rechtsherstel. Zie ook: 2 Kron 30:8; Jer 46:10; Jer 50:28; Jer 51:6; Jer 51:58; Openb 18:6 **50:16** Roei de zaaier uit Babel uit, en wie de sikkel hanteert in de tijd van de oogst. Voor het zwaard van de verdrukker keert ieder zich naar zijn volk, en ieder vlucht naar zijn land. Brontekst: כִּרְת֤וּ (kirtu) = roeit uit | זוֹרֵ֨עַ֙ (zorea) = zaaier | מִבָּבֶ֔ל (mibavel) = uit Babel | וְתֹפֵ֥שׂ (vetofes) = en wie vasthoudt | מַגָּ֖ל (magal) = sikkel | בְּעֵ֣ת (beet) = in de tijd van | קָצִ֑יר (qatsir) = oogst | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = vanwege | חֶ֣רֶב (cherev) = zwaard van | הַיּוֹנָ֔ה (hayona) = de onderdrukker | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = naar | עַמּוֹ֙ (amo) = zijn volk | יִפְנ֔וּ (yifnu) = zal zich keren | וְאִ֥ישׁ (veish) = en ieder | לְאַרְצ֖וֹ (leartso) = naar zijn land | יָנֻֽסוּ (yanusu) = zal vluchten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: חֶרֶב הַיּוֹנָה (cherev hayyonah), ‘het zwaard van de verdrukker’: yonah is hier het deelwoord van het werkwoord yanah, ‘verdrukken’. Hetzelfde woord yonah betekent ook ‘duif’. Zie ook 46:16 en 25:38. Voetnoot : Vreemdelingen in Babel keren terug naar hun eigen land, zoals de buitenlanders in Jes. 13:14. Zie ook: Joël 1:11; Amos 5:16; Jes 13:14; Jer 46:16; Jer 51:9 ### Een verspreid schaap **50:17** Israël is een verspreid schaap, leeuwen hebben het verjaagd. Eerst heeft de koning van Assyrië het opgegeten, en nu, als laatste, heeft Nebukadnezar, de koning van Babel, zijn botten afgeknaagd. Brontekst: שֶׂ֧ה (se) = een schaap | פְזוּרָ֛ה (pezura) = verspreid | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֲרָי֣וֹת (arayot) = leeuwen | הִדִּ֑יחוּ (hidichu) = hebben verjaagd | הָרִאשׁ֤וֹן (harishon) = de eerste | אֲכָלוֹ֙ (akhalo) = heeft het gegeten | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וְזֶ֤ה (veze) = en deze | הָאַחֲרוֹן֙ (haacharon) = laatste | עִצְּמ֔וֹ (itsemo) = heeft zijn botten afgeknaagd | נְבוּכַדְרֶאצַּ֖ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: עִצְּמוֹ (itsmo), ‘heeft zijn botten afgeknaagd’: het werkwoord is afgeleid van etsem, ‘bot’, en komt zelden voor. De betekenis is ‘de botten stukbreken’ of ‘afknagen’. Voetnoot : Assyrië verwoestte het noordelijke rijk (2 Kon. 17:6) en Babel Jeruzalem (2 Kon. 25:1–21). Daarom volgt vers 18. Zie ook: 2 Kon 17:6; 2 Kon 18:9–13; 2 Kon 25:1–21; Joël 4:2; Jer 2:15; Jer 50:6; Jer 50:18; Joh 10:10–12 ### Yahweh straft Babel en vergeeft Israël **50:18** Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„Zie, Ik straf de koning van Babel en zijn land. Ik straf hen zoals Ik de koning van Assyrië gestraft heb.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | פֹקֵ֛ד (poqed) = straffend | אֶל (el) = over | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וְאֶל (veel) = en over | אַרְצ֑וֹ (artso) = zijn land | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | פָּקַ֖דְתִּי (paqadti) = Ik heb gestraft | אֶל (el) = over | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Voetnoot : פֹקֵד (poked), ‘straffend’: hetzelfde werkwoord pakad als in Jer. 49:8. Dat Yahweh de koning van Assyrië al gestraft heeft, wordt vaak verbonden met de val van Nineve (Nah. 3). Zie ook: Jes 10:12; Jes 37:36–38; Nah 1:1–3; Sef 2:13–15; Jer 2:19; Jer 49:8; Ezech 31:3–17 **50:19** **Ik breng Israël terug naar zijn weide. Hij zal grazen op de Karmel en in Basan, en op het gebergte van Efraïm en in Gilead zal zijn ziel verzadigd worden.** Brontekst: וְשֹׁבַבְתִּ֤י (veshovavti) = en Ik zal terugbrengen | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | נָוֵ֔הוּ (navehu) = zijn weide | וְרָעָ֥ה (veraa) = en hij zal grazen | הַכַּרְמֶ֖ל (hakarmel) = de Karmel | וְהַבָּשָׁ֑ן (vehabashan) = en Basan | וּבְהַ֥ר (uvehar) = en op het gebergte van | אֶפְרַ֛יִם (efrayim) = Efraïm | וְהַגִּלְעָ֖ד (vehagilad) = en Gilead | תִּשְׂבַּ֥ע (tisba) = zal verzadigd worden | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Karmel: De Karmel is een bergrug aan de kust, bij het huidige Haifa. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: הַכַּרְמֶל וְהַבָּשָׁן וּבְהַר אֶפְרַיִם וְהַגִּלְעָד (haKarmel vehaBashan uvhar Efrayim vehaGil’ad), ‘de Karmel, Basan, het gebergte van Efraïm en Gilead’: de vruchtbare weidestreken van het oude noordelijke rijk en het gebied ten oosten van de Jordaan; zie Micha 7:14. Voetnoot : נָוֵהוּ (navehu), ‘zijn weide’: zie ook vers 7. Zie ook: Mi 7:14; Jer 23:3; Jer 24:6–7; Jer 30:10; Jer 30:18; Jer 31:8–10; Jer 50:7 **50:20** **In die dagen en in die tijd, godsspraak van Yahweh, zal men de schuld van Israël zoeken, maar zij is er niet. Men zal de zonden van Juda zoeken, maar zij zullen niet gevonden worden. Want Ik zal vergeven aan wie Ik laat overblijven.** Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in dagen | הָהֵם֩ (hahem) = die | וּבָעֵ֨ת (uvaet) = en in tijd | הַהִ֜יא (hahi) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יְבֻקַּ֞שׁ (yevuqash) = zal gezocht worden | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺ֤ן (avon) = de schuld van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְאֵינֶ֔נּוּ (veeinenu) = en hij is er niet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חַטֹּ֥את (chatot) = zonden van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִמָּצֶ֑אינָה (timatseyna) = zullen worden gevonden | כִּ֥י (ki) = want | אֶסְלַ֖ח (eslach) = Ik zal vergeven | לַאֲשֶׁ֥ר (laasher) = aan wie | אַשְׁאִֽיר (ashir) = Ik laat overblijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶסְלַח (eslach), ‘Ik zal vergeven’: dit werkwoord heeft in het Hebreeuws alleen Yahweh of Elohim als onderwerp. Voetnoot : אַשְׁאִיר (ash’ir), ‘Ik laat overblijven’: dezelfde woordstam als she’erit en she’ar, ‘de overgeblevenen’. Zie ook: Ps 103:12; Jes 1:9; Jes 43:25; Mi 7:19; Jer 31:34 ### Trek op tegen Merataim **50:21** **Trek op tegen het land Merataim, trek op tegen haar, en tegen de inwoners van Pekod. Verwoest en wijd aan de ban, hen achterna, godsspraak van Yahweh. Doe alles wat Ik je bevolen heb.”** Brontekst: עַל (al) = tegen | הָאָ֤רֶץ (haarets) = het land | מְרָתַ֨יִם֙ (meratayim) = Merataim | עֲלֵ֣ה (ale) = trek op | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = tegen haar | וְאֶל (veel) = en tegen | יוֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = inwoners van | פְּק֑וֹד (peqod) = Pekod | חֲרֹ֨ב (charov) = verwoest | וְהַחֲרֵ֤ם (vehacharem) = en wijd aan de ban | אַֽחֲרֵיהֶם֙ (achareihem) = hen achterna | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַעֲשֵׂ֕ה (vaase) = en doe | כְּכֹ֖ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | צִוִּיתִֽיךָ (tsivitikha) = Ik je heb bevolen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Merataim (zuidelijk Babylonië; ligging onzeker): Merataim (‘dubbele opstand’) is een spottende naam voor het land Marratu, het zuiden van Babylonië aan de Perzische Golf (Jeremia 50:21). Voetnoot Uitleg: מְרָתַיִם (Merataim), ‘Merataim’: een woordspeling. Het klinkt als ‘dubbele opstand’ (marah, ‘opstandig zijn’). Het kan verwijzen naar een streek in het zuiden van Babel, aan de Perzische Golf (Akkadisch Marratu); dat is onzeker. Voetnoot : פְּקוֹד (Pekod), ‘Pekod’: klinkt als pakad, ‘straffen’ (zie vers 18). Het was vermoedelijk een Aramese stam oostelijk van de Tigris; ook dat is onzeker. Voetnoot : חֲרֹב וְהַחֲרֵם (charov vehacharem), ‘verwoest en wijd aan de ban’: charov is een gebiedende wijs; vergelijk het woord ‘zwaard’ (cherev) in de verzen hierna. Cherem betekent ‘aan de ban wijden’: aan Yahweh toewijzen door te vernietigen (Deut. 20:17). Voetnoot : אַחֲרֵיהֶם (achareihem), ‘hen achterna’: letterlijk ‘achter hen’. Zie ook: Deut 20:17; 2 Kron 36:23; Jes 44:28; Jes 48:14; Jer 50:15; Jer 50:18; Ezech 23:23 **50:22** Er is oorlogsgeluid in het land, en een grote ondergang. Brontekst: ק֥וֹל (qol) = geluid van | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | וְשֶׁ֖בֶר (veshever) = en ondergang | גָּדֽוֹל (gadol) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְשֶׁבֶר גָּדוֹל (vasheber gadol), ‘en een grote ondergang’: sheber is letterlijk ‘breuk’. Zie ook: Jes 21:2–4; Jer 4:19–21; Jer 51:54–56 **50:23** Hoe is de hamer van heel de aarde afgehouwen en verbrijzeld! Hoe is Babel een verwoesting geworden onder de volken! Brontekst: אֵ֤יךְ (eikh) = hoe | נִגְדַּע֙ (nigda) = is afgehouwen | וַיִּשָּׁבֵ֔ר (vayishaver) = en is verbrijzeld | פַּטִּ֖ישׁ (patish) = hamer van | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | אֵ֣יךְ (eikh) = hoe | הָיְתָ֧ה (hayeta) = is geworden | לְשַׁמָּ֛ה (leshama) = tot een verwoesting | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | בַּגּוֹיִֽם (bagoyim) = onder de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: פַּטִּישׁ כָּל הָאָרֶץ (pattish kol ha’arets), ‘de hamer van heel de aarde’: Babel was Yahweh’s hamer tegen de volken (vergelijk de ‘moker’ in Jer. 51:20–23). Nu wordt die hamer zelf stukgeslagen. Zie ook: Jes 14:4–6; Jes 14:12–17; Jer 51:20–24; Openb 18:16 ### Babel in de strik **50:24** Ik heb een strik voor je gespannen, en ook ben je gevangen, Babel, en jij wist het niet. Je bent gevonden en ook gegrepen, want je hebt Yahweh uitgedaagd. Brontekst: יָקֹ֨שְׁתִּי (yaqoshti) = ik heb een strik gespannen | לָ֤ךְ (lakh) = voor je | וְגַם (vegam) = en ook | נִלְכַּדְתְּ֙ (nilkadt) = ben je gevangen | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְאַ֖תְּ (veat) = en jij | לֹ֣א (lo) = niet | יָדָ֑עַתְּ (yadaat) = wist het | נִמְצֵאת֙ (nimtset) = je bent gevonden | וְגַם (vegam) = en ook | נִתְפַּ֔שְׂתְּ (nitpast) = je bent gegrepen | כִּ֥י (ki) = want | בַֽיהוָ֖ה (baYahweh) = tegen Yahweh | הִתְגָּרִֽית (hitgarit) = heb je je gekeerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: יָקֹשְׁתִּי (yaqashti), ‘Ik heb een strik gespannen’: het Hebreeuws zegt niet wie spreekt. De rest van het vers spreekt over Yahweh in de derde persoon (‘tegen Yahweh’). Daarom staat het vers zwart, als woord van de profeet. Voetnoot : הִתְגָּרִית (hitgarit), ‘je hebt uitgedaagd’: het werkwoord garah betekent ‘strijd aangaan’, ‘prikkelen’. Zie ook: Job 9:4; Job 40:2; Job 40:9; Dan 5:30–6:1; 2 Tess 2:4 **50:25** Yahweh heeft Zijn schatkamer geopend en de wapens van Zijn gramschap tevoorschijn gebracht. Want dit is een werk van Heer Yahweh van de legermachten in het land van de Chaldeeën. Brontekst: פָּתַ֤ח (patach) = heeft geopend | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | א֣וֹצָר֔וֹ (otsaro) = Zijn schatkamer | וַיּוֹצֵ֖א (vayotse) = en heeft tevoorschijn gebracht | אֶת (et) = (obj.) | כְּלֵ֣י (kelei) = de wapens van | זַעְמ֑וֹ (zamo) = Zijn gramschap | כִּי (ki) = want | מְלָאכָ֣ה (melakha) = een werk | הִ֗יא (hi) = het is | לַֽאדֹנָ֧י (ladonay) = van de Heer | יְהוִ֛ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | כַּשְׂדִּֽים (kasdim) = de Chaldeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: לַאדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (la’Adonai Yahweh Tsevaot), ‘van Heer Yahweh van de legermachten’: zie Jer. 2:19. Voetnoot : אוֹצָרוֹ (otsaro), ‘Zijn schatkamer’: hier de voorraadkamer voor wapens. Voetnoot : כְּלֵי זַעְמוֹ (kelei za’mo), ‘de wapens van Zijn gramschap’: zoals in Jes. 13:5. Zie ook: Amos 3:6; Jes 13:5; Jer 2:19; Jer 50:15; Jer 51:20; Jer 51:25; Jer 51:55 **50:26** Kom tegen haar op van het uiterste einde. Open haar voorraadschuren. Stapel haar op als hopen en wijd haar aan de ban. Laat haar geen overgeblevenen hebben. Brontekst: בֹּֽאוּ (bou) = komt | לָ֤הּ (lah) = tegen haar | מִקֵּץ֙ (miqets) = van het uiterste einde | פִּתְח֣וּ (pitchu) = opent | מַאֲבֻסֶ֔יהָ (maavuseiha) = haar voorraadschuren | סָלּ֥וּהָ (saluha) = stapelt haar op | כְמוֹ (kemo) = als | עֲרֵמִ֖ים (aremim) = hopen | וְהַחֲרִימ֑וּהָ (vehacharimuha) = en wijdt haar aan de ban | אַל (al) = niet | תְּהִי (tehi) = laat zijn | לָ֖הּ (lah) = voor haar | שְׁאֵרִֽית (sheerit) = overgeblevenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקֵּץ (miqqets), ‘van het uiterste einde’: letterlijk ‘vanaf het einde’. Het kan ook ‘van alle kanten’ betekenen; dat is onzeker. Voetnoot : מַאֲבֻסֶיהָ (ma’abusseha), ‘haar voorraadschuren’, en עֲרֵמִים (aremim), ‘hopen’: Babel wordt geplunderd als een schuur en opgehoopt als graan. Voetnoot : וְהַחֲרִימוּהָ (vehacharimuha), ‘en wijd haar aan de ban’: zie vers 21. Zie ook: Jes 14:23; Jes 45:3; Jes 63:3–4; Jer 50:10; Jer 50:21; Jer 51:25–28 **50:27** Verwoest al haar stieren. Laat ze afdalen naar de slachting. Wee hen, want hun dag is gekomen, de tijd van hun straf. Brontekst: חִרְבוּ֙ (chirvu) = verwoest | כָּל (kal) = al | פָּרֶ֔יהָ (pareiha) = haar stieren | יֵרְד֖וּ (yeredu) = laat ze afdalen | לַטָּ֑בַח (latavach) = naar de slachting | ה֣וֹי (hoy) = wee | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | כִּֽי (ki) = want | בָ֥א (ba) = is gekomen | יוֹמָ֖ם (yomam) = hun dag | עֵ֥ת (et) = tijd van | פְּקֻדָּתָֽם (pequdatam) = hun straf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִרְבוּ (chirbu), ‘verwoest’: een gebiedende wijs van het werkwoord charav, ‘verwoesten’ of ‘uitdrogen’. Voetnoot : פָּרֶיהָ (pareha), ‘haar stieren’: een beeld voor haar leiders en krijgers (Ps. 22:13; Jes. 34:7). Zie ook: Ps 22:13; Ps 37:13; Jes 34:7; Jer 46:21; Jer 48:44 **50:28** Het geluid van vluchtelingen en ontkomenen uit het land Babel! Zij komen om in Sion de wraak van Yahweh, onze Elohim, te verkondigen, de wraak voor Zijn tempel. Brontekst: ק֥וֹל (qol) = geluid van | נָסִ֛ים (nasim) = vluchtelingen | וּפְלֵטִ֖ים (ufeletim) = en ontkomenen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | לְהַגִּ֣יד (lehagid) = om te verkondigen | בְּצִיּ֗וֹן (betsiyon) = in Sion | אֶת (et) = (obj.) | נִקְמַת֙ (niqmat) = de wraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | נִקְמַ֖ת (niqmat) = wraak voor | הֵיכָלֽוֹ (heikhalo) = Zijn tempel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord: ‘het geluid van vluchtelingen en ontkomenen uit het land Babel, om te verkondigen in Sion…’. Wij vullen ‘zij komen’ aan. Voetnoot : נִקְמַת הֵיכָלוֹ (niqmat heikhalo), ‘de wraak voor Zijn tempel’: Babel verwoestte de tempel (2 Kon. 25:9). Zie ook 51:11. Zie ook: Ps 149:6–9; 2 Kon 25:9; Jes 48:20; Jer 50:15; Klaagl 1:10; Dan 5:23 ### De overmoed van Babel **50:29** Roep velen op tegen Babel, allen die de boog spannen. Sla rondom een kamp tegen haar op. Laat niemand ontkomen. Betaal haar naar haar daad terug. Doe haar overeenkomstig alles wat zij gedaan heeft. Want zij heeft verwaand gehandeld tegen Yahweh, tegen de Heilige van Israël. Brontekst: הַשְׁמִ֣יעוּ (hashmiu) = laat horen | אֶל (el) = tegen | בָּבֶ֣ל (bavel) = Babel | רַ֠בִּים (rabim) = velen | כָּל (kal) = allen | דֹּ֨רְכֵי (dorekhei) = die spannen | קֶ֜שֶׁת (qeshet) = de boog | חֲנ֧וּ (chanu) = slaat een kamp op | עָלֶ֣יהָ (aleiha) = tegen haar | סָבִ֗יב (saviv) = rondom | אַל (al) = niet | יְהִי (yehi) = laat zijn | פְּלֵטָ֔ה (peleta) = ontkomene | שַׁלְּמוּ (shalemu) = betaalt terug | לָ֣הּ (lah) = haar | כְּפָעֳלָ֔הּ (kefaolah) = naar haar daad | כְּכֹ֛ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עָשְׂתָ֖ה (aseta) = zij heeft gedaan | עֲשׂוּ (asu) = doet | לָ֑הּ (lah) = haar | כִּ֧י (ki) = want | אֶל (el) = tegen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | זָ֖דָה (zada) = heeft zij verwaand gehandeld | אֶל (el) = tegen | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: כְּפָעֳלָהּ (kefa’olah), ‘naar haar daad’: wat Babel deed, wordt haar aangedaan, zoals in vers 15. Voetnoot : זָדָה (zadah), ‘verwaand gehandeld’: de wortel van zadon, ‘Overmoed’ (vers 31). Voetnoot : קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een titel die Jesaja vaak gebruikt. In Jeremia staat hij alleen hier en in 51:5. Zie ook: Ex 10:3; Jes 47:10; Jer 50:14–15; Jer 50:15; Jer 50:31; Jer 51:56; Openb 18:6 **50:30** **„Daarom zullen haar jongemannen vallen op haar pleinen, en al haar krijgslieden zullen zwijgen op die dag, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | יִפְּל֥וּ (yipelu) = zullen vallen | בַחוּרֶ֖יהָ (bachureiha) = haar jongemannen | בִּרְחֹבֹתֶ֑יהָ (birchovoteiha) = op haar pleinen | וְכָל (vekhal) = en alle | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = mannen van | מִלְחַמְתָּ֥הּ (milchamtah) = haar oorlog | יִדַּ֛מּוּ (yidamu) = zullen zwijgen | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers staat bijna woordelijk in 49:26, daar over Damascus. Zie ook: Jer 9:20; Jer 18:21; Jer 49:26; Jer 50:36; Jer 51:56–57 **50:31** **Zie, Ik ben tegen je, Overmoed, godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten. Want je dag is gekomen, de tijd dat Ik je straf.** Brontekst: הִנְנִ֤י (hinni) = zie Mij | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = tegen je | זָד֔וֹן (zadon) = Overmoed | נְאֻם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | כִּ֛י (ki) = want | בָּ֥א (ba) = is gekomen | יוֹמְךָ֖ (yomekha) = je dag | עֵ֥ת (et) = tijd van | פְּקַדְתִּֽיךָ (peqadtikha) = Ik straf je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָדוֹן (zadon), ‘Overmoed’: Babel wordt aangesproken met deze naam. Zie vers 29. Zie ook: Nah 2:14; Jer 21:13; Jer 50:29; Jak 4:6; 1 Petr 5:5 **50:32** **Overmoed zal struikelen en vallen, en niemand richt hem op. Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat al zijn omgeving verteert.”** Brontekst: וְכָשַׁ֤ל (vekhashal) = en zal struikelen | זָדוֹן֙ (zadon) = Overmoed | וְנָפַ֔ל (venafal) = en zal vallen | וְאֵ֥ין (veein) = en niet | ל֖וֹ (lo) = voor hem | מֵקִ֑ים (meqim) = iemand die opricht | וְהִצַּ֤תִּי (vehitsati) = en Ik zal aansteken | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | בְּעָרָ֔יו (bearav) = in zijn steden | וְאָכְלָ֖ה (veakhela) = en het zal verteren | כָּל (kal) = alles | סְבִיבֹתָֽיו (sevivotav) = rondom hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִצַּתִּי אֵשׁ בְּעָרָיו וְאָכְלָה כָּל סְבִיבֹתָיו (vehatsetti esh be’areiv va’achelah kol sevivav), ‘Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat al zijn omgeving verteert’: vergelijk Jer. 21:14. Zie ook: Amos 2:5; Jes 10:12–15; Jer 21:14; Jer 49:27; Openb 18:8 ### Hun Verlosser is sterk **50:33** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Onderdrukt zijn de zonen van Israël en de zonen van Juda samen. Allen die hen gevangen namen, houden hen vast. Zij weigeren hen te laten gaan.”** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עֲשׁוּקִ֛ים (ashuqim) = onderdrukt | בְּנֵי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | וּבְנֵי (uvenei) = en zonen van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | וְכָל (vekhal) = en allen | שֹֽׁבֵיהֶם֙ (shoveihem) = die hen gevangen namen | הֶחֱזִ֣יקוּ (hecheziqu) = houden vast | בָ֔ם (bam) = hen | מֵאֲנ֖וּ (meanu) = weigeren | שַׁלְּחָֽם (shalecham) = hen te laten gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲשׁוּקִים (ashuqim), ‘onderdrukt’: het volk wordt geweld aangedaan en vastgehouden, zoals Israël in Egypte. Zie ook: Ex 9:2–3; Jes 14:17; Jes 47:6; Jes 58:6; Jer 50:17–18 **50:34** Hun Verlosser is sterk, Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Hij zal hun rechtszaak zeker voeren, zodat Hij het land rust geeft en de inwoners van Babel doet beven. Brontekst: גֹּאֲלָ֣ם (goalam) = hun Verlosser | חָזָ֗ק (chazaq) = sterk | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמ֔וֹ (shemo) = Zijn naam | רִ֥יב (riv) = rechtszaak | יָרִ֖יב (yariv) = zal Hij zeker voeren | אֶת (et) = (obj.) | רִיבָ֑ם (rivam) = hun rechtszaak | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | הִרְגִּ֣יעַ (hirgia) = Hij rust geeft | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְהִרְגִּ֖יז (vehirgiz) = en doet beven | לְיֹשְׁבֵ֥י (leyoshevei) = de inwoners van | בָבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: גֹּאֲלָם (go’alam), ‘hun Verlosser’: de go’el is de naaste verwant die iemand loskoopt en zijn recht herstelt (Lev. 25:25; Jes. 41:14). Voetnoot : רִיב יָרִיב אֶת רִיבָם (riv yariv et rivam), ‘Hij zal hun rechtszaak zeker voeren’: Yahweh treedt op als advocaat van Zijn volk (Jes. 49:25). Voetnoot : הִרְגִּיעַ (hirgia), ‘rust geven’, en וְהִרְגִּיז (vehirgiz), ‘doen beven’: een woordspeling met twee klankverwante werkwoorden. Zie ook: Lev 25:25; Jes 41:14; Jes 47:4; Jes 49:25; Jes 54:5; Jer 15:21; Jer 51:36 ### Een zwaard over Babel **50:35** **„Een zwaard over de Chaldeeën, godsspraak van Yahweh, over de inwoners van Babel, over haar oversten en over haar wijzen.** Brontekst: חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard | עַל (al) = over | כַּשְׂדִּ֖ים (kasdim) = de Chaldeeën | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶל (veel) = en over | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | בָבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְאֶל (veel) = en over | שָׂרֶ֖יהָ (sareiha) = haar oversten | וְאֶל (veel) = en over | חֲכָמֶֽיהָ (chakhameiha) = haar wijzen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Dit vers begint een reeks van zes uitspraken (verzen 35–38): vijf beginnen met ‘een zwaard over’ en de zesde (vers 38) met ‘een droogte over’. De formule ‘godsspraak van Yahweh’ in dit vers laat de hele reeks rood staan. Voetnoot : חֶרֶב (cherev), ‘zwaard’: in vers 38 staat het woord חֹרֶב (choreb), ‘droogte’. Zie ook: Hos 11:6; Jer 47:6; Jer 50:38; Jer 51:57; Dan 5:7–8; Dan 5:30 **50:36** **Een zwaard over de leugenpraters, zodat zij dwaas worden. Een zwaard over haar helden, zodat zij ontzet zijn.** Brontekst: חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard | אֶל (el) = over | הַבַּדִּ֖ים (habadim) = de leugenpraters | וְנֹאָ֑לוּ (venoalu) = en zij zullen dwaas worden | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard | אֶל (el) = over | גִּבּוֹרֶ֖יהָ (giboreiha) = haar helden | וָחָֽתּוּ (vachatu) = en zij zullen ontzet zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבַּדִּים (habbaddim), ‘de leugenpraters’: hetzelfde woord als in Jes. 44:25. De betekenis (praters, waarzeggers) is niet zeker. Voetnoot : וְנֹאָלוּ (venoalu), ‘zodat zij dwaas worden’: van het werkwoord yaal, ‘dwaas zijn’. Zie ook: 2 Sam 17:14; Jes 43:14; Jes 44:25; Nah 3:13; Jer 49:22 **50:37** **Een zwaard over zijn paarden en zijn wagens en over heel de gemengde schare in haar midden, zodat zij tot vrouwen worden. Een zwaard over haar schatten, zodat zij geplunderd worden.** Brontekst: חֶ֜רֶב (cherev) = zwaard | אֶל (el) = over | סוּסָ֣יו (susav) = zijn paarden | וְאֶל (veel) = en over | רִכְבּ֗וֹ (rikhbo) = zijn wagens | וְאֶל (veel) = en over | כָּל (kal) = heel | הָעֶ֛רֶב (haerev) = de gemengde schare | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּתוֹכָ֖הּ (betokhah) = in haar midden is | וְהָי֣וּ (vehayu) = en zij zullen worden | לְנָשִׁ֑ים (lenashim) = tot vrouwen | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard | אֶל (el) = over | אוֹצְרֹתֶ֖יהָ (otseroteiha) = haar schatten | וּבֻזָּֽזוּ (uvuzazu) = en zij zullen geplunderd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּל הָעֶרֶב (kol ha’erev), ‘heel de gemengde schare’: de vreemden die bij een volk wonen en meetrekken (Exod. 12:38; Jer. 25:20). Voetnoot : וְהָיוּ לְנָשִׁים (vehayu lenashim), ‘zodat zij tot vrouwen worden’: de krijgers worden even zwak en weerloos als vrouwen. Zie ook Nah. 3:13. Zie ook: Ex 12:38; Nah 3:13; Jer 25:20; Jer 48:41; Jer 51:21; Jer 51:30 **50:38** **Een droogte over haar wateren, zodat zij opdrogen. Want het is een land van gesneden beelden, en door schrikbeelden razen zij.”** Brontekst: חֹ֥רֶב (chorev) = droogte | אֶל (el) = over | מֵימֶ֖יהָ (meimeiha) = haar wateren | וְיָבֵ֑שׁוּ (veyaveshu) = en zij zullen opdrogen | כִּ֣י (ki) = want | אֶ֤רֶץ (erets) = land van | פְּסִלִים֙ (pesilim) = gesneden beelden | הִ֔יא (hi) = het is | וּבָאֵימִ֖ים (uvaeimim) = en door schrikbeelden | יִתְהֹלָֽלוּ (yitholalu) = zullen zij razen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹרֶב (choreb), ‘droogte’: dezelfde medeklinkers als ‘zwaard’ (cherev) in de verzen hiervoor, maar met andere klinkers. Dat is een woordspeling. Voetnoot : פְּסִלִים (pesilim), ‘gesneden beelden’, en וּבָאֵימִים (ba’eimim), ‘door schrikbeelden’: het gaat om afgodsbeelden die schrik inboezemen. Voetnoot : יִתְהֹלָלוּ (yithollalu), ‘zij razen’: zoals in Jes. 44:25, waar Elohim waarzeggers ‘laat razen’. Zie ook: Jes 44:25; Jes 44:27; Jer 50:2; Jer 51:47; Jer 51:52; Openb 16:12 ### Babel wordt een verwoesting **50:39** Daarom zullen woestijndieren met hyena's daar wonen, en struisvogels zullen er wonen. Zij wordt voor altijd niet meer bewoond en van generatie op generatie niet bevolkt. Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | יֵשְׁב֤וּ (yeshevu) = zullen wonen | צִיִּים֙ (tsiyim) = woestijndieren | אֶת (et) = met | אִיִּ֔ים (iyim) = hyena's | וְיָ֥שְׁבוּ (veyashevu) = en zullen wonen | בָ֖הּ (bah) = daarin | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | יַֽעֲנָ֑ה (yaana) = struisvogel | וְלֹֽא (velo) = en niet | תֵשֵׁ֥ב (teshev) = zal bewoond worden | עוֹד֙ (od) = meer | לָנֶ֔צַח (lanetsach) = voor altijd | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִשְׁכּ֖וֹן (tishkon) = zal bevolkt worden | עַד (ad) = tot | דּ֥וֹר (dor) = generatie | וָדֽוֹר (vador) = en generatie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִיִּים (tsiyyim), ‘woestijndieren’, אִיִּים (iyyim), ‘hyena’s’, en בְּנוֹת יַעֲנָה (bnot ya’anah), ‘struisvogels’: dieren die in verlaten ruïnes wonen, zoals in Jes. 13:21–22. De dierennamen zijn onzeker. Voetnoot : De tweede zin is gelijk aan Jes. 13:20. Zie ook: Jes 13:20–22; Jes 13:21–22; Jer 25:12; Jer 51:26; Jer 51:43; Openb 18:2 **50:40** **„Zoals toen Elohim Sodom en Gomorra en hun buursteden omkeerde, godsspraak van Yahweh, zal daar niemand wonen en geen mensenkind in haar verblijven.”** Brontekst: כְּמַהְפֵּכַ֨ת (kemahpekhat) = zoals de omkering door | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | סְדֹ֧ם (sedom) = Sodom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲמֹרָ֛ה (amora) = Gomorra | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁכֵנֶ֖יהָ (shekheneiha) = haar buren | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹֽא (lo) = niet | יֵשֵׁ֥ב (yeshev) = zal wonen | שָׁם֙ (sham) = daar | אִ֔ישׁ (ish) = man | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָג֥וּר (yagur) = zal verblijven | בָּ֖הּ (bah) = in haar | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָֽם (adam) = mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers staat bijna woordelijk in Jer. 49:18 over Edom. Hier staat erbij: ‘Elohim’ als onderwerp van het omkeren en ‘godsspraak’ (49:18 ‘zegt’). Zie ook Jes. 13:19. Zie ook: Gen 19:24–25; Jes 13:19–20; Jer 49:18; Luc 17:28–30; 2 Petr 2:6; Jud 1:7 ### Een volk uit het noorden **50:41** Zie, een volk komt uit het noorden. Een groot volk en vele koningen worden opgewekt uit de uithoeken van de aarde. Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | עַ֥ם (am) = een volk | בָּ֖א (ba) = komt | מִצָּפ֑וֹן (mitsafon) = uit het noorden | וְג֤וֹי (vegoy) = en een volk | גָּדוֹל֙ (gadol) = groot | וּמְלָכִ֣ים (umelakhim) = en koningen | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | יֵעֹ֖רוּ (yeoru) = zullen worden gewekt | מִיַּרְכְּתֵי (miyarketei) = van de uithoeken van | אָֽרֶץ (arets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers en de verzen 42–43 komen vrijwel overeen met Jer. 6:22–24, daar over Sion (‘Dochter Sion’) en hier over Babel. Voetnoot : מִיַּרְכְּתֵי אָרֶץ (miyarketei arets), ‘uit de uithoeken van de aarde’: het verste gebied. Zie ook: Jes 13:2–5; Jer 6:22–23; Jer 50:9; Jer 51:11; Jer 51:27–28 **50:42** Boog en werpspies grijpen zij vast. Wreed zijn zij en zij ontfermen zich niet. Hun stem bruist als de zee en zij rijden op paarden, opgesteld als één man voor de strijd, tegen jou, Dochter van Babel. Brontekst: קֶ֣שֶׁת (qeshet) = boog | וְכִידֹ֞ן (vekhidon) = en werpspies | יַחֲזִ֗יקוּ (yachaziqu) = zij grijpen | אַכְזָרִ֥י (akhzari) = wreed | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij zijn | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְרַחֵ֔מוּ (yerachemu) = zullen zij zich ontfermen | קוֹלָם֙ (qolam) = hun stem | כַּיָּ֣ם (kayam) = als de zee | יֶהֱמֶ֔ה (yeheme) = bruist | וְעַל (veal) = en op | סוּסִ֖ים (susim) = paarden | יִרְכָּ֑בוּ (yirkavu) = rijden zij | עָר֗וּךְ (arukh) = opgesteld | כְּאִישׁ֙ (keish) = als een man | לַמִּלְחָמָ֔ה (lamilchama) = voor de strijd | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = tegen jou | בַּת (bat) = dochter van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Dit vers komt vrijwel overeen met Jer. 6:23, daar over Sion; het slot luidt hier ‘Dochter van Babel’. Voetnoot : וְכִידֹן (vekhidon), ‘werpspies’: een korte spies die men naar de vijand werpt (Joz. 8:18). Voetnoot : עָרוּךְ כְּאִישׁ לַמִּלְחָמָה (arukh ke’ish lamilchamah), ‘opgesteld als één man voor de strijd’: dicht gesloten rijen. Zie ook: Joz 8:18; Jes 5:30; Jes 13:17–18; Jes 47:6; Jer 6:23; Jer 8:16; Jer 47:3 **50:43** De koning van Babel heeft het bericht over hen gehoord. Zijn handen zijn slap geworden. Benauwdheid heeft hem gegrepen, weeën als van een barende vrouw. Brontekst: שָׁמַ֧ע (shama) = heeft gehoord | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | אֶת (et) = (obj.) | שִׁמְעָ֖ם (shimam) = het bericht over hen | וְרָפ֣וּ (verafu) = en zijn slap geworden | יָדָ֑יו (yadav) = zijn handen | צָרָה֙ (tsara) = nood | הֶחֱזִיקַ֔תְהוּ (hecheziqathu) = heeft hem gegrepen | חִ֖יל (chil) = weeën | כַּיּוֹלֵדָֽה (kayoleda) = als een barende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jer. 6:24. De woorden צָרָה הֶחֱזִיקַתְהוּ חִיל כַּיּוֹלֵדָה (tsarah hechezikathu chil keyyoledah), ‘nood heeft hem gegrepen, weeën als van een barende’, staan ook in Jer. 6:24, daar met ‘ons’ in plaats van ‘hem’. Een verwante zin staat in 49:24 over Damascus. Zie ook: Jes 13:6–8; Jes 21:3–4; Jer 6:24; Jer 49:22; Jer 49:24; Jer 51:31 ### Als een leeuw uit de Jordaan **50:44** **„Zie, als een leeuw komt hij op uit het struikgewas van de Jordaan naar een duurzame weide. Want in een oogwenk jaag Ik hen van haar weg. En wie is de uitverkorene die Ik daarover aanstel? Want wie is als Ik, en wie daagt Mij? En wie is die herder die voor Mijn aangezicht standhoudt?”** Brontekst: הִ֠נֵּה (hine) = zie | כְּאַרְיֵ֞ה (kearye) = als een leeuw | יַעֲלֶ֨ה (yaale) = komt hij op | מִגְּא֣וֹן (migeon) = uit het struikgewas van | הַיַּרְדֵּן֮ (hayarden) = de Jordaan | אֶל (el) = naar | נְוֵ֣ה (neve) = weide van | אֵיתָן֒ (eitan) = duurzame | כִּֽי (ki) = want | אַרְגִּ֤עָה (argia) = in een oogwenk | אֲרִיצֵם֙ (aritsem) = zal Ik hen wegjagen | מֵֽעָלֶ֔יהָ (mealeiha) = van haar | וּמִ֥י (umi) = en wie | בָח֖וּר (bachur) = uitverkorene | אֵלֶ֣יהָ (eleiha) = daarover | אֶפְקֹ֑ד (efqod) = zal Ik aanstellen | כִּ֣י (ki) = want | מִ֤י (mi) = wie | כָמ֨וֹנִי֙ (kamoni) = is als Ik | וּמִ֣י (umi) = en wie | יוֹעִדֶ֔נִּי (yoideni) = zal Mij dagen | וּמִֽי (umi) = en wie | זֶ֣ה (ze) = is deze | רֹעֶ֔ה (roe) = herder | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יַעֲמֹ֖ד (yaamod) = zal standhouden | לְפָנָֽי (lefanay) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: De verzen 44–46 zijn bijna woordelijk gelijk aan Jer. 49:19–21, daar over Edom. Verschillen: daar ‘Ik zal hem wegjagen’ (אריצנו, aritsennu) en hier ‘hen’; daar ‘Ik jaag in een oogwenk’ (ארגיעה) en hier een iets andere vorm (אַרְגִּעָה); en daar ‘Mij dagen’ (יעידני) tegenover hier יוֹעִדֶנִּי (yo’edeni). Zie ook: Ex 15:11; Ps 89:7; Jes 41:25; Jes 46:11; Jer 49:19–21 **50:45** Daarom, hoor het besluit van Yahweh dat Hij tegen Babel heeft genomen, en Zijn plannen die Hij heeft bedacht tegen het land van de Chaldeeën. Voorwaar, de kleinsten van de kudde zullen hen wegslepen. Voorwaar, Hij zal de weide met hen verwoesten. Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | שִׁמְע֣וּ (shimu) = hoort | עֲצַת (atsat) = het besluit van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | יָעַץ֙ (yaats) = Hij heeft genomen | אֶל (el) = tegen | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וּמַ֨חְשְׁבוֹתָ֔יו (umachshevotav) = en Zijn plannen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חָשַׁ֖ב (chashav) = Hij heeft bedacht | אֶל (el) = tegen | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | כַּשְׂדִּ֑ים (kasdim) = de Chaldeeën | אִם (im) = voorwaar | לֹ֤א (lo) = (als niet) | יִסְחָבוּם֙ (yischavum) = zullen hen wegslepen | צְעִירֵ֣י (tseirei) = de kleinsten van | הַצֹּ֔אן (hatson) = de kudde | אִם (im) = voorwaar | לֹ֥א (lo) = (als niet) | יַשִּׁ֛ים (yashim) = zal Hij verwoesten | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | נָוֶֽה (nave) = de weide Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Dit vers staat bijna woordelijk in 49:20, daar over Edom en Teman. Het verschil is ‘de weide’ (נָוֶה, naveh) tegenover daar ‘hun weide’ (navehem). Zie ook: Jes 14:24–27; Jes 46:10–11; Jer 49:20; Jer 51:10–11; Hand 4:28 **50:46** Bij het geluid van de inname van Babel beeft de aarde, en een kreet wordt gehoord onder de volken. Brontekst: מִקּוֹל֙ (miqol) = van het geluid van | נִתְפְּשָׂ֣ה (nitpesa) = is ingenomen | בָבֶ֔ל (bavel) = Babel | נִרְעֲשָׁ֖ה (nirasha) = beeft | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וּזְעָקָ֖ה (uzeaqa) = en een kreet | בַּגּוֹיִ֥ם (bagoyim) = onder de volken | נִשְׁמָֽע (nishma) = wordt gehoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נִתְפְּשָׂה בָבֶל (nitpesah Bavel), ‘Babel is ingenomen’: het werkwoord is hetzelfde als in vers 24 (‘gegrepen’). Het slot is vergelijkbaar met 49:21, daar met ‘Rietzee’. Zie ook: Jes 14:9–10; Jer 49:21; Jer 50:24; Ezech 26:18; Ezech 31:16; Openb 18:9–19 ## Jeremia 51 _Het oordeel over Babel en de boekrol in de Eufraat_ ### Een verwoestende wind tegen Babel **51:1** Zo zegt Yahweh: **„Zie, Ik wek tegen Babel en tegen de bewoners van Leb-Kamai een verwoestende wind op.** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִי֙ (hinni) = zie Ik | מֵעִ֣יר (meir) = die opwekt | עַל (al) = tegen | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְאֶל (veel) = en tegen | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = bewoners van | לֵ֣ב (lev) = Leb | קָמָ֑י (qamay) = Kamai | ר֖וּחַ (ruach) = wind | מַשְׁחִֽית (mashchit) = verwoestende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: לֵב קָמָי (lev qamai), ‘Leb-Kamai’: een verhulde naam voor ‘Chaldeeën’ (כשדים, kasdim). Als men de letters van het Hebreeuwse alfabet omkeert (de eerste letter voor de laatste, de tweede voor de voorlaatste enzovoort), wordt כשדים tot לב קמי. Zo’n omkering heet atbasj. Letterlijk betekent de naam waarschijnlijk ‘hart van hen die tegen Mij opstaan’. Voetnoot : רוּחַ מַשְׁחִית (ruach mashchit), ‘verwoestende wind’: ruach kan ook ‘geest’ betekenen. Voetnoot : De hoofdstukken 50 en 51 vormen samen het woord tegen Babel. Vergelijk Jes. 13:1–14:23, Jes. 21:1–10 en Jes. 47. Zie ook: Amos 3:6; Hos 13:15; Jes 13:1–14:23; Jes 21:1–10; Jer 4:11–12; Zach 2:12; Hand 9:4 **51:2** **Ik zal naar Babel vreemden zenden. Zij zullen haar wannen en haar land leegmaken. Want zij zullen rondom tegen haar zijn op de dag van onheil.** Brontekst: וְשִׁלַּחְתִּ֨י (veshilachti) = en Ik zal zenden | לְבָבֶ֤ל (levavel) = naar Babel | זָרִים֙ (zarim) = vreemden | וְזֵר֔וּהָ (vezeruha) = en zij zullen haar wannen | וִיבֹקְק֖וּ (vivoqequ) = en zij zullen leegmaken | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֑הּ (artsah) = haar land | כִּֽי (ki) = want | הָי֥וּ (hayu) = zij zullen zijn | עָלֶ֛יהָ (aleiha) = tegen haar | מִסָּבִ֖יב (misaviv) = rondom | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | רָעָֽה (raa) = onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws speelt met klanken: זָרִים (zarim), ‘vreemden’, en וְזֵרוּהָ (vezeruha), ‘en zij zullen haar wannen’. Wannen is het scheiden van graan en kaf, waarbij het kaf wegwaait. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : וִיבֹקְקוּ (yevoqequ), ‘zij zullen leegmaken’: het werkwoord klinkt als het leegschenken van een vat. Zie ook: Jes 41:16; Jer 15:7; Jer 50:29; Ezech 5:12; Mat 3:12 **51:3** **Laat de boogschutter zijn boog spannen tegen wie spant, en tegen wie zich in zijn pantser verheft. Spaar haar jonge mannen niet. Bant heel haar leger.** Brontekst: אֶֽל (el) = tegen | יִדְרֹ֤ךְ (yidrokh) = wie spant | ידרך (ydrkh) = (niet gelezen) | הַדֹּרֵךְ֙ (hadorekh) = de boogschutter | קַשְׁתּ֔וֹ (qashto) = zijn boog | וְאֶל (veel) = en tegen | יִתְעַ֖ל (yital) = wie zich verheft | בְּסִרְיֹנ֑וֹ (besiryono) = in zijn pantser | וְאַֽל (veal) = en niet | תַּחְמְלוּ֙ (tachmelu) = spaar | אֶל (el) = over | בַּ֣חֻרֶ֔יהָ (bachureiha) = haar jonge mannen | הַחֲרִ֖ימוּ (hacharimu) = wijd aan de ban | כָּל (kal) = heel | צְבָאָֽהּ (tsevaah) = haar leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is in het Hebreeuws moeilijk. Het eerste woord אֶל (el) betekent ‘tegen’; wij vertalen ‘laat de boogschutter zijn boog spannen tegen wie spant’. Het kan ook als ‘niet’ worden gelezen: ‘laat de boogschutter zijn boog niet spannen’. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : הַחֲרִימוּ (hacharimu), ‘bant’: wijd aan de ban, aan volledige verwoesting; zie Deut. 20:17. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft het woord ידרך (yidrokh), ‘hij spant’, twee keer; het gelezen woord (qere) leest het één keer. Wij volgen het qere. In de glosse staat het tweede woord als ‘niet gelezen’. Zie ook: Deut 20:17; Deut 32:25; Jer 9:20; Jer 46:4; Jer 50:14; Jer 50:21 **51:4** **Gesneuvelden zullen vallen in het land van de Chaldeeën, en doorstoken mannen in haar straten.”** Brontekst: וְנָפְל֥וּ (venafelu) = en zij zullen vallen | חֲלָלִ֖ים (chalalim) = gesneuvelden | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | כַּשְׂדִּ֑ים (kasdim) = de Chaldeeën | וּמְדֻקָּרִ֖ים (umeduqarim) = en doorstokenen | בְּחוּצוֹתֶֽיהָ (bechutsoteiha) = in haar straten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Zie ook: Jes 13:15; Jes 14:19; Jer 49:26; Jer 50:30; Jer 50:37 **51:5** Want Israël en Juda zijn door hun Elohim, door Yahweh van de legermachten, niet als weduwen achtergelaten. Want hun land is vol schuld tegenover de Heilige van Israël. Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | אַלְמָ֨ן (alman) = weduwe | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | וִֽיהוּדָה֙ (vihuda) = en Juda | מֵֽאֱלֹהָ֔יו (meelohav) = van zijn Elohim | מֵֽיְהוָ֖ה (meYahweh) = van Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | כִּ֤י (ki) = want | אַרְצָם֙ (artsam) = hun land | מָלְאָ֣ה (malea) = is vol | אָשָׁ֔ם (asham) = schuld | מִקְּד֖וֹשׁ (miqedosh) = tegenover de Heilige van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19. Voetnoot : מִקְּדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (miqqedosh Yisra’el), ‘tegenover de Heilige van Israël’: het voorzetsel מִן (min) betekent hier ‘ten aanzien van’, en kan ook ‘van’ zijn. ‘Hun land’ kan het land van Israël en Juda zijn, maar ook het land van de Chaldeeën. Wij laten ‘hun land’ staan. Zie ook: Hos 4:1; Sef 3:1–4; Jer 2:19; Zach 12:6; Zach 12:8; Rom 11:1–2 ### Vlucht uit Babel **51:6** Vlucht uit het midden van Babel en red ieder zijn leven. Word niet weggevaagd door haar schuld, want het is de tijd van wraak voor Yahweh. Hij betaalt haar een vergelding. Brontekst: נֻ֣סוּ (nusu) = vlucht | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | בָּבֶ֗ל (bavel) = Babel | וּמַלְּטוּ֙ (umaletu) = en red | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | נַפְשׁ֔וֹ (nafsho) = zijn leven | אַל (al) = niet | תִּדַּ֖מּוּ (tidamu) = word weggevaagd | בַּעֲוֺנָ֑הּ (baavonah) = in haar schuld | כִּי֩ (ki) = want | עֵ֨ת (et) = tijd van | נְקָמָ֥ה (neqama) = wraak | הִיא֙ (hi) = het is | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | גְּמ֕וּל (gemul) = vergelding | ה֥וּא (hu) = Hij | מְשַׁלֵּ֖ם (meshalem) = betaalt | לָֽהּ (lah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: תִּדַּמּוּ (tiddammu), ‘word weggevaagd’: het werkwoord betekent ‘tot zwijgen gebracht worden’ en dus ‘omkomen’. Voetnoot : גְּמוּל (gemul), ‘vergelding’: wat iemand verdiend heeft, goed of slecht. Zie ook: Num 16:26; Jer 25:14; Jer 50:8; Jer 50:15; Jer 50:28 **51:7** Babel was een gouden beker in de hand van Yahweh. Zij maakte heel de aarde dronken. De volken dronken van haar wijn. Daarom werden de volken razend. Brontekst: כּוֹס (kos) = beker van | זָהָ֤ב (zahav) = goud | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | בְּיַד (beyad) = in de hand van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מְשַׁכֶּ֖רֶת (meshakeret) = die dronken maakt | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | מִיֵּינָהּ֙ (miyeinah) = van haar wijn | שָׁת֣וּ (shatu) = dronken | גוֹיִ֔ם (goyim) = volken | עַל (al) = om | כֵּ֖ן (ken) = dit | יִתְהֹלְל֥וּ (yitholelu) = werden razend | גוֹיִֽם (goyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Babel als gouden beker in de hand van Yahweh: zie ook Jer. 25:15–17, waar de volken uit de beker van Yahweh’s grimmigheid drinken. Zie ook: Jer 25:15–17; Dan 2:32; Openb 14:8; Openb 17:2; Openb 17:4; Openb 18:3 **51:8** Plotseling is Babel gevallen en gebroken. Jammer over haar! Neem balsem voor haar pijn; misschien kan zij genezen worden. Brontekst: פִּתְאֹ֛ם (pitom) = plotseling | נָפְלָ֥ה (nafela) = is gevallen | בָבֶ֖ל (bavel) = Babel | וַתִּשָּׁבֵ֑ר (vatishaver) = en zij is gebroken | הֵילִ֣ילוּ (heililu) = jammer | עָלֶ֗יהָ (aleiha) = over haar | קְח֤וּ (qechu) = neem | צֳרִי֙ (tsori) = balsem | לְמַכְאוֹבָ֔הּ (lemakhovah) = voor haar pijn | אוּלַ֖י (ulay) = misschien | תֵּרָפֵֽא (terafe) = kan zij genezen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: צֳרִי (tsori), ‘balsem’: een geneeskrachtige hars. Zie Gen. 37:25, waar dezelfde balsem wordt vervoerd. Zie ook: Gen 37:25; Jes 21:9; Jer 46:11; Jer 50:2; Openb 14:8; Openb 18:2 **51:9** Wij hebben Babel genezen, maar zij is niet genezen. Laat haar achter, en laten wij ieder naar zijn eigen land gaan. Want haar vonnis reikt tot aan de hemel en is opgeheven tot de wolken. Brontekst: רִפִּ֣ינוּ (ripinu) = wij hebben genezen | אֶת (et) = (obj.) | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | נִרְפָּ֔תָה (nirpata) = is zij genezen | עִזְב֕וּהָ (izvuha) = laat haar achter | וְנֵלֵ֖ךְ (venelekh) = en laten wij gaan | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | לְאַרְצ֑וֹ (leartso) = naar zijn land | כִּֽי (ki) = want | נָגַ֤ע (naga) = reikt | אֶל (el) = tot | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | מִשְׁפָּטָ֔הּ (mishpatah) = haar vonnis | וְנִשָּׂ֖א (venisa) = en het is opgeheven | עַד (ad) = tot | שְׁחָקִֽים (shechaqim) = de wolken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Hier spreken waarschijnlijk de vreemdelingen die in Babel verbleven (‘ieder naar zijn eigen land’). Het Hebreeuws noemt niet wie spreekt. Voetnoot : מִשְׁפָּטָהּ (mishpatah), ‘haar vonnis’: het oordeel dat over haar uitgesproken is. Zie ook: Jes 13:14; Jer 46:16; Jer 50:16; Dan 4:17–19; Openb 18:5 **51:10** Yahweh heeft onze gerechtigheid tevoorschijn gebracht. Kom, laten wij in Sion het werk van Yahweh, onze Elohim, vertellen. Brontekst: הוֹצִ֥יא (hotsi) = heeft tevoorschijn gebracht | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | צִדְקֹתֵ֑ינוּ (tsidqoteinu) = onze gerechtigheid | בֹּ֚אוּ (bou) = kom | וּנְסַפְּרָ֣ה (unesapera) = en laten wij vertellen | בְצִיּ֔וֹן (betsiyon) = in Sion | אֶֽת (et) = (obj.) | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = het werk van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: צִדְקֹתֵינוּ (tsidqoteinu), ‘onze gerechtigheid’: een meervoud, letterlijk ‘onze gerechtigheden’. Yahweh heeft het recht van Zijn volk aan het licht gebracht. Zie ook: Ps 37:6; Jes 40:2; Jes 51:11; Jer 50:28; Openb 14:1–3 **51:11** Scherp de pijlen, neem de schilden op! Yahweh heeft de geest van de koningen van de Meden opgewekt. Want Zijn plan is tegen Babel gericht, om haar te verwoesten. Want het is de wraak van Yahweh, de wraak voor Zijn tempel. Brontekst: הָבֵ֣רוּ (haveru) = scherp | הַחִצִּים֮ (hachitsim) = de pijlen | מִלְא֣וּ (milu) = neem op | הַשְּׁלָטִים֒ (hashelatim) = de schilden | הֵעִ֣יר (heir) = heeft opgewekt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | ר֨וּחַ֙ (ruach) = geest van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | מָדַ֔י (maday) = de Meden | כִּֽי (ki) = want | עַל (al) = tegen | בָּבֶ֥ל (bavel) = Babel | מְזִמָּת֖וֹ (mezimato) = Zijn plan | לְהַשְׁחִיתָ֑הּ (lehashchitah) = om haar te verwoesten | כִּֽי (ki) = want | נִקְמַ֤ת (niqmat) = wraak van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הִ֔יא (hi) = het is | נִקְמַ֖ת (niqmat) = wraak voor | הֵיכָלֽוֹ (heikhalo) = Zijn tempel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: הָבֵרוּ (haberu), ‘scherp’: het werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; het kan ook ‘poets’ betekenen. Voetnoot : הַשְּׁלָטִים (hashelatim), ‘de schilden’: het woord kan ook ‘de kokers’ betekenen. מִלְאוּ (mil’u), ‘neem op’: letterlijk ‘vul’. Voetnoot : מָדַי (Maday), ‘de Meden’: zie ook Jes. 13:17. Voetnoot : הֵיכָלוֹ (heikhalo), ‘Zijn tempel’: de tempel in Jeruzalem die de Babyloniërs verwoestten (2 Kon. 25:9). Zie ook: 2 Kon 25:9; Jes 13:17; Jer 46:4; Jer 46:9; Jer 50:9; Jer 50:45; Hab 2:17–20 **51:12** Heft tegen de muren van Babel een banier op! Versterk de wacht, stel wachters op en maak de belagers gereed. Want Yahweh heeft zowel gepland als gedaan wat Hij tegen de bewoners van Babel gesproken heeft. Brontekst: אֶל (el) = tegen | חוֹמֹ֨ת (chomot) = muren van | בָּבֶ֜ל (bavel) = Babel | שְׂאוּ (seu) = heft op | נֵ֗ס (nes) = een banier | הַחֲזִ֨יקוּ֙ (hachaziqu) = versterk | הַמִּשְׁמָ֔ר (hamishmar) = de wacht | הָקִ֨ימוּ֙ (haqimu) = stel op | שֹֽׁמְרִ֔ים (shomerim) = wachters | הָכִ֖ינוּ (hakhinu) = maak gereed | הָאֹֽרְבִ֑ים (haorevim) = de belagers | כִּ֚י (ki) = want | גַּם (gam) = zowel | זָמַ֣ם (zamam) = heeft gepland | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | גַּם (gam) = als | עָשָׂ֕ה (asa) = heeft gedaan | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | דִּבֶּ֖ר (diber) = Hij heeft gesproken | אֶל (el) = tegen | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | בָבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Jes 13:2; Nah 2:2; Jer 51:11; Jer 51:27; Jer 51:29 **51:13** Jij die aan vele wateren woont, rijk aan schatten: je einde is gekomen, de maat van je winstbejag. Brontekst: שֹׁכַנְתְּ֙ (shokhant) = jij die woont | עַל (al) = aan | מַ֣יִם (mayim) = wateren | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | רַבַּ֖ת (rabat) = rijk aan | אֽוֹצָרֹ֑ת (otsarot) = schatten | בָּ֥א (ba) = is gekomen | קִצֵּ֖ךְ (qitsekh) = je einde | אַמַּ֥ת (amat) = de maat van | בִּצְעֵֽךְ (bitsekh) = je winstbejag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַמָּה (amah) is gewoonlijk een ‘el’, een lengtemaat. אַמַּת בִּצְעֵךְ (ammat bitsekh), ‘de maat van je winstbejag’: de maat is vol, het einde van je winst is bereikt. De betekenis is niet zeker. בֶּצַע (betsa) is winst die ten koste van anderen is behaald. Zie ook: Gen 6:13; Jes 45:3; Jer 51:36; Openb 17:1; Openb 17:15 **51:14** Yahweh van de legermachten heeft bij Zichzelf gezworen: **„Zeker, Ik zal je vullen met mensen als met vreters, en zij zullen een strijdkreet over je aanheffen.”** Brontekst: נִשְׁבַּ֛ע (nishba) = heeft gezworen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בְּנַפְשׁ֑וֹ (benafsho) = bij Zichzelf | כִּ֣י (ki) = zeker | אִם (im) = (eed) | מִלֵּאתִ֤יךְ (miletikh) = Ik zal je vullen | אָדָם֙ (adam) = met mensen | כַּיֶּ֔לֶק (kayeleq) = als met vreters | וְעָנ֥וּ (veanu) = en zij zullen aanheffen | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = over je | הֵידָֽד (heidad) = een strijdkreet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְנַפְשׁוֹ (benafsho), ‘bij Zichzelf’: letterlijk ‘bij Zijn ziel’. Zie ook Amos 6:8. Voetnoot : כַּיֶּלֶק (kayyaleq), ‘als met vreters’: yeleq is een van de sprinkhanen uit Joël 1:4 (‘vreter’); zie ook Nah. 3:15–16. Voetnoot : הֵידָד (heidad), ‘strijdkreet’: een luide kreet, zoals bij de druivenpers of in de strijd. Zie ook: Joël 1:4; Joël 2:25; Amos 6:8; Nah 3:15–16; Jer 49:13; Jer 50:15; Jer 51:27 ### Hij die de aarde gemaakt heeft **51:15** Hij is de Maker van de aarde door Zijn kracht, de Grondvester van de wereld door Zijn wijsheid. Door Zijn inzicht heeft Hij de hemel uitgespannen. Brontekst: עֹשֵׂ֥ה (ose) = maker van | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = aarde | בְּכֹח֔וֹ (bekhocho) = door Zijn kracht | מֵכִ֥ין (mekhin) = grondvester van | תֵּבֵ֖ל (tevel) = wereld | בְּחָכְמָת֑וֹ (bechakhemato) = door Zijn wijsheid | וּבִתְבוּנָת֖וֹ (uvitvunato) = en door Zijn inzicht | נָטָ֥ה (nata) = heeft uitgespannen | שָׁמָֽיִם (shamayim) = hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 15–19 staan ook in Jer. 10:12–16. De Hebreeuwse tekst is bijna gelijk; de Nederlandse tekst is gelijk aan Jer. 10, behalve in vers 19. De verschillen in het Hebreeuws: in vers 16 heeft Jer. 10:13 ויעלה (vaya’aleh) tegenover ויעל (vaya’al) hier, ‘de aarde’ met lidwoord (הארץ) tegenover ארץ hier, en ויוציא tegenover ויצא; in vers 17 heeft Jer. 10:14 צורף (tsoref, met een extra letter) tegenover צרף hier; in vers 19 heeft Jer. 10:16 יעקב (Ya’aqov) tegenover יעקוב hier, en ‘en Israël is de stam van Zijn erfdeel’ tegenover ‘en van de stam van Zijn erfdeel’. De betekenis is hetzelfde. Zie ook: Jer 10:12–16; Jer 10:13; Jer 10:14; Jer 10:16; Jer 32:17; Jer 51:16; Jer 51:17; Jer 51:19; Rom 1:20; Kol 1:16–17; Openb 4:11 **51:16** Als Hij Zijn stem laat klinken, is er een gedruis van water in de hemel. Hij laat wolken opstijgen van het einde van de aarde. Hij maakt bliksemflitsen voor de regen. Hij brengt de wind uit Zijn voorraadkamers. Brontekst: לְק֨וֹל (leqol) = bij het geluid | תִּתּ֜וֹ (tito) = Zijn geven | הֲמ֥וֹן (hamon) = gedruis van | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | בַּשָּׁמַ֔יִם (bashamayim) = in de hemel | וַיַּ֥עַל (vayaal) = en Hij doet opstijgen | נְשִׂאִ֖ים (nesiim) = wolken | מִקְצֵה (miqtse) = van het einde van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | בְּרָקִ֤ים (beraqim) = bliksemflitsen | לַמָּטָר֙ (lamatar) = voor de regen | עָשָׂ֔ה (asa) = heeft gemaakt | וַיֹּ֥צֵא (vayotse) = en Hij brengt uit | ר֖וּחַ (ruach) = wind | מֵאֹצְרֹתָֽיו (meotserotav) = uit Zijn voorraadkamers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְקוֹל תִּתּוֹ (leqol titto), ‘als Hij Zijn stem laat klinken’: letterlijk ‘bij het geven van Zijn stem’. נְשִׂאִים (nesi’im), ‘wolken’: letterlijk ‘wat opstijgt’. Zie ook Ps. 135:7. Zie ook: Ps 18:14; Ps 46:7; Ps 135:7; Jona 1:4; Jer 10:12–13 **51:17** Ieder mens is dom geworden, zonder kennis. Iedere smelter is beschaamd door het beeld, want zijn gegoten beeld is leugen en er is geen adem in hen. Brontekst: נִבְעַ֤ר (nivar) = is dom geworden | כָּל (kal) = ieder | אָדָם֙ (adam) = mens | מִדַּ֔עַת (midaat) = zonder kennis | הֹבִ֥ישׁ (hovish) = is beschaamd | כָּל (kal) = ieder | צֹרֵ֖ף (tsoref) = smelter | מִפָּ֑סֶל (mipasel) = door het beeld | כִּ֛י (ki) = want | שֶׁ֥קֶר (sheqer) = leugen | נִסְכּ֖וֹ (nisko) = zijn gegoten beeld | וְלֹא (velo) = en niet | ר֥וּחַ (ruach) = adem | בָּֽם (bam) = in hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶסֶךְ (nesekh), ‘gegoten beeld’: een beeld van gesmolten metaal. רוּחַ (ruach), ‘adem’: ook ‘geest’. Een beeld heeft geen adem: het leeft niet. Zie ook: Ps 14:2; Jes 44:18–20; Jer 10:14; Hab 2:18–19; Rom 1:20–23 **51:18** Zij zijn een nietigheid, een werk van bespotting. In de tijd van hun straf zullen zij omkomen. Brontekst: הֶ֣בֶל (hevel) = nietigheid | הֵ֔מָּה (hema) = zij | מַעֲשֵׂ֖ה (maase) = werk van | תַּעְתֻּעִ֑ים (tatuim) = bespotting | בְּעֵ֥ת (beet) = in de tijd van | פְּקֻדָּתָ֖ם (pequdatam) = hun straf | יֹאבֵֽדוּ (yovedu) = zullen zij omkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶבֶל (hevel), ‘nietigheid’: letterlijk ‘damp’, wat verdwijnt en niet vast te grijpen is, zoals in Pred. 1:2. Hier wordt het gezegd van de beelden. Voetnoot : תַּעְתֻּעִים (ta’tu’im), ‘bespotting’: het woord komt alleen hier en in Jer. 10:15 voor. De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook ‘misleiding’ zijn. Zie ook: Pred 1:2; Jes 46:1; Jer 10:8; Jer 10:15; Jer 18:15; Jer 50:2 **51:19** Het deel van Jakob is niet zoals deze, want Hij is de Vormer van alles, ook van de stam van Zijn erfdeel. Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | כְאֵ֜לֶּה (keele) = zoals deze | חֵ֣לֶק (cheleq) = deel van | יַעֲק֗וֹב (yaaqov) = Jakob | כִּֽי (ki) = want | יוֹצֵ֤ר (yotser) = vormer van | הַכֹּל֙ (hakol) = alles | ה֔וּא (hu) = Hij | וְשֵׁ֖בֶט (veshevet) = en van de stam van | נַחֲלָת֑וֹ (nachalato) = Zijn erfdeel | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמֽוֹ (shemo) = Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵלֶק יַעֲקוֹב (cheleq Ya’aqov), ‘het deel van Jakob’: Yahweh zelf is het deel van Zijn volk; vergelijk Ps. 16:5 en Ps. 73:26. Hier is het een naam voor Hem. Voetnoot : וְשֵׁבֶט נַחֲלָתוֹ (veshevet nachalato), ‘ook van de stam van Zijn erfdeel’: Jer. 10:16 heeft hier ‘en Israël is de stam van Zijn erfdeel’. Het woord ‘Israël’ staat hier niet. Zie ook: Ps 16:5; Ps 33:12; Ps 73:26; Jes 47:4; Jer 10:16; 1 Petr 2:9 ### Een moker in Yahweh’s hand **51:20** **„Een moker ben jij voor Mij, een oorlogswapen. Met jou verbrijzel Ik volken en met jou verwoest Ik koninkrijken.** Brontekst: מַפֵּץ (mapets) = een moker | אַתָּ֣ה (ata) = jij | לִ֔י (li) = voor Mij | כְּלֵ֖י (kelei) = wapens van | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | וְנִפַּצְתִּ֤י (venipatsti) = en Ik verbrijzel | בְךָ֙ (bekha) = met jou | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | וְהִשְׁחַתִּ֥י (vehishchati) = en Ik verwoest | בְךָ֖ (bekha) = met jou | מַמְלָכֽוֹת (mamlakhot) = koninkrijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַפֵּץ (mappets), ‘moker’: een zware knots om stukken te slaan. De tekst noemt niet wie met ‘jij’ wordt aangesproken. Sommigen denken aan Babel zelf, dat Yahweh eerder als werktuig gebruikte (vergelijk Jer. 50:23, ‘de hamer van heel de aarde’), anderen aan Kores of de Meden, weer anderen aan Israël. Wij laten het open. Zie ook: Jes 14:5–6; Jes 37:26; Jes 41:15–16; Mi 4:13; Jer 50:23; Zach 9:13–14 **51:21** **Met jou verbrijzel Ik het paard en zijn ruiter. Met jou verbrijzel Ik de wagen en zijn menner.** Brontekst: וְנִפַּצְתִּ֣י (venipatsti) = en Ik verbrijzel | בְךָ֔ (bekha) = met jou | ס֖וּס (sus) = paard | וְרֹֽכְב֑וֹ (verokhevo) = en zijn ruiter | וְנִפַּצְתִּ֣י (venipatsti) = en Ik verbrijzel | בְךָ֔ (bekha) = met jou | רֶ֖כֶב (rekhev) = wagen | וְרֹכְבֽוֹ (verokhevo) = en zijn menner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:1; Mi 5:9; Nah 2:14; Zach 10:5; Zach 12:4 **51:22** **Met jou verbrijzel Ik man en vrouw. Met jou verbrijzel Ik grijsaard en jongen. Met jou verbrijzel Ik jongeman en maagd.** Brontekst: וְנִפַּצְתִּ֤י (venipatsti) = en Ik verbrijzel | בְךָ֙ (bekha) = met jou | אִ֣ישׁ (ish) = man | וְאִשָּׁ֔ה (veisha) = en vrouw | וְנִפַּצְתִּ֥י (venipatsti) = en Ik verbrijzel | בְךָ֖ (bekha) = met jou | זָקֵ֣ן (zaqen) = grijsaard | וָנָ֑עַר (vanaar) = en jongen | וְנִפַּצְתִּ֣י (venipatsti) = en Ik verbrijzel | בְךָ֔ (bekha) = met jou | בָּח֖וּר (bachur) = jongeman | וּבְתוּלָֽה (uvetula) = en maagd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 15:3; 2 Kron 36:17; Jes 13:18; Klaagl 2:11; Ezech 9:6 **51:23** **Met jou verbrijzel Ik herder en kudde. Met jou verbrijzel Ik landbouwer en span runderen. Met jou verbrijzel Ik stadhouders en bestuurders.** Brontekst: וְנִפַּצְתִּ֤י (venipatsti) = en Ik verbrijzel | בְךָ֙ (bekha) = met jou | רֹעֶ֣ה (roe) = herder | וְעֶדְר֔וֹ (veedro) = en zijn kudde | וְנִפַּצְתִּ֥י (venipatsti) = en Ik verbrijzel | בְךָ֖ (bekha) = met jou | אִכָּ֣ר (ikar) = landbouwer | וְצִמְדּ֑וֹ (vetsimdo) = en zijn span | וְנִפַּצְתִּ֣י (venipatsti) = en Ik verbrijzel | בְךָ֔ (bekha) = met jou | פַּח֖וֹת (pachot) = stadhouders | וּסְגָנִֽים (useganim) = en bestuurders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֶמֶד (tsemed), ‘span’: twee runderen onder één juk. Voetnoot : פַּחוֹת (pachot), ‘stadhouders’, en סְגָנִים (seganim), ‘bestuurders’: zie 1 Kon. 20:24 en Jes. 41:25. Zie ook: 1 Kon 20:24; Jes 41:25; Jer 51:57 **51:24** **Ik zal Babel en alle bewoners van Chaldea vergelden voor al het kwaad dat zij Sion hebben aangedaan, voor jullie ogen, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וְשִׁלַּמְתִּ֨י (veshilamti) = en Ik zal vergelden | לְבָבֶ֜ל (levavel) = aan Babel | וּלְכֹ֣ל (ulekhol) = en aan alle | יוֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | כַשְׂדִּ֗ים (kasdim) = Chaldea | אֵ֧ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | רָעָתָ֛ם (raatam) = hun kwaad | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשׂ֥וּ (asu) = zij deden | בְצִיּ֖וֹן (betsiyon) = in Sion | לְעֵֽינֵיכֶ֑ם (leeineikhem) = voor jullie ogen | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Voetnoot : יֹשְׁבֵי כַשְׂדִּים (yoshvei Kasdim), ‘bewoners van Chaldea’: Chaldea is het land van de Chaldeeën, met Babel als hoofdstad. Zie ook: Ps 137:8–9; Jes 63:1–4; Jer 1:8; Jer 50:15; Jer 50:28–29; Openb 18:24 **51:25** **Zie, Ik ben tegen je, verwoestende berg, godsspraak van Yahweh, jij die heel de aarde verwoest. Ik strek Mijn hand over je uit, rol je van de rotsen af en maak je tot een verbrande berg.** Brontekst: הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | אֵלֶ֜יךָ (eleikha) = tegen je | הַ֤ר (har) = berg van | הַמַּשְׁחִית֙ (hamashchit) = de verwoester | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַמַּשְׁחִ֖ית (hamashchit) = die verwoest | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְנָטִ֨יתִי (venatiti) = en Ik zal uitstrekken | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֜י (yadi) = Mijn hand | עָלֶ֗יךָ (aleikha) = over je | וְגִלְגַּלְתִּ֨יךָ֙ (vegilgaltikha) = en Ik zal je afrollen | מִן (min) = van | הַסְּלָעִ֔ים (haselaim) = de rotsen | וּנְתַתִּ֖יךָ (unetatikha) = en Ik zal je maken | לְהַ֥ר (lehar) = tot een berg van | שְׂרֵפָֽה (serefa) = brand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַר הַמַּשְׁחִית (har hamashchit), ‘verwoestende berg’: Babel als een machtige berg die de aarde verwoest. Yahweh maakt hem tot הַר שְׂרֵפָה (har serefah), ‘een verbrande berg’. Sommigen denken aan een uitgebrande vulkaan; de tekst zegt het niet. Zie ook: Jer 50:31; Jer 51:53; Jer 51:58; Zach 4:7; Openb 8:8 **51:26** **Zij zullen van jou geen steen nemen als hoeksteen en geen steen als fundament. Want je zult voor eeuwig een woestenij zijn, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יִקְח֤וּ (yiqchu) = zij zullen nemen | מִמְּךָ֙ (mimekha) = van jou | אֶ֣בֶן (even) = steen | לְפִנָּ֔ה (lefina) = voor een hoek | וְאֶ֖בֶן (veeven) = en steen | לְמֽוֹסָד֑וֹת (lemosadot) = voor fundamenten | כִּֽי (ki) = want | שִׁמְמ֥וֹת (shimmot) = woestenijen | עוֹלָ֛ם (olam) = voor eeuwig | תִּֽהְיֶ֖ה (tihye) = je zult zijn | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een hoeksteen en een fundamentsteen van Babel worden niet hergebruikt: zo volledig is de verwoesting. Voetnoot : שִׁמְמוֹת עוֹלָם (shimmemot olam), ‘voor eeuwig een woestenij’: letterlijk ‘eeuwige woestenijen’ (meervoud). Zie ook: Jes 13:19–22; Jer 50:12–13; Jer 50:40–41; Jer 51:43; Openb 18:20–24 ### De volken worden tegen Babel opgeroepen **51:27** Heft een banier op in het land, blaas de ramshoorn onder de volken. Wijd volken tegen haar toe. Roep tegen haar de koninkrijken op: Ararat, Minni en Askenaz. Stel tegen haar een aanvoerder aan. Laat paarden optrekken als borstelige vreters. Brontekst: שְׂאוּ (seu) = heft op | נֵ֣ס (nes) = een banier | בָּאָ֗רֶץ (baarets) = in het land | תִּקְע֨וּ (tiqu) = blaas | שׁוֹפָ֤ר (shofar) = ramshoorn | בַּגּוֹיִם֙ (bagoyim) = onder de volken | קַדְּשׁ֤וּ (qadeshu) = wijd | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = tegen haar | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | הַשְׁמִ֧יעוּ (hashmiu) = laat horen | עָלֶ֛יהָ (aleiha) = tegen haar | מַמְלְכ֥וֹת (mamlekhot) = koninkrijken | אֲרָרַ֖ט (ararat) = Ararat | מִנִּ֣י (mini) = Minni | וְאַשְׁכְּנָ֑ז (veashkenaz) = en Askenaz | פִּקְד֤וּ (piqdu) = stel aan | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = tegen haar | טִפְסָ֔ר (tifsar) = een aanvoerder | הַֽעֲלוּ (haalu) = laat optrekken | ס֖וּס (sus) = paarden | כְּיֶ֥לֶק (keyeleq) = als vreters | סָמָֽר (samar) = borstelige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ararat: Ararat is Urartu, het bergland rond het Vanmeer in het oosten van het huidige Turkije. Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’. Voetnoot : אֲרָרַט (Ararat), מִנִּי (Minni) en אַשְׁכְּנָז (Ashkenaz) zijn koninkrijken ten noorden van Babel. Ararat is Urartu, het bergland rond het Vanmeer (Gen. 8:4). Askenaz staat in Gen. 10:3. De ligging van Minni is niet zeker. Voetnoot : קַדְּשׁוּ (qaddeshu), ‘wijd’: een oorlog werd met een heilige handeling begonnen. Voetnoot : טִפְסָר (tifsar), ‘aanvoerder’: een leenwoord voor een hoge ambtenaar of legeroverste; het staat ook in Nah. 3:17. Voetnoot : כְּיֶלֶק סָמָר (keyeleq samar), ‘als borstelige vreters’: samar betekent ‘borstelig’ of ‘ruw’. De betekenis is niet zeker. Zie ook: Gen 8:4; Gen 10:3; 1 Kron 1:6; Nah 3:17; Jer 25:14; Jer 50:2 **51:28** Wijd volken tegen haar toe: de koningen van de Meden, haar stadhouders en al haar bestuurders, en heel het land van zijn heerschappij. Brontekst: קַדְּשׁ֨וּ (qadeshu) = wijd | עָלֶ֤יהָ (aleiha) = tegen haar | גוֹיִם֙ (goyim) = volken | אֶת (et) = (obj.) | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | מָדַ֔י (maday) = de Meden | אֶת (et) = (obj.) | פַּחוֹתֶ֖יהָ (pachoteiha) = haar stadhouders | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | סְגָנֶ֑יהָ (seganeiha) = haar bestuurders | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מֶמְשַׁלְתּֽוֹ (memshalto) = zijn heerschappij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחוֹת (pachot), ‘stadhouders’, en סְגָנִים (seganim), ‘bestuurders’: zoals in vers 23. Voetnoot : מֶמְשַׁלְתּוֹ (memshalto), ‘zijn heerschappij’: het land waarover de koning van de Meden regeert. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Jes 13:17; Jer 25:25; Jer 51:11; Jer 51:23; Jer 51:27; Dan 5:28–30 **51:29** De aarde beeft en siddert, want de plannen van Yahweh tegen Babel staan vast: Hij maakt het land van Babel tot een verwoesting, zonder bewoner. Brontekst: וַתִּרְעַ֥שׁ (vatirash) = en zal beven | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וַתָּחֹ֑ל (vatachol) = en zal sidderen | כִּ֣י (ki) = want | קָ֤מָה (qama) = staat vast | עַל (al) = tegen | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | מַחְשְׁב֣וֹת (machshevot) = plannen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לָשׂ֞וּם (lasum) = om te maken | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֧רֶץ (erets) = land van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | לְשַׁמָּ֖ה (leshama) = tot een verwoesting | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | יוֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: מַחְשְׁבוֹת (machshevot), ‘plannen’: wat Yahweh heeft bedacht. Zie ook: Jer 8:16; Jer 10:10; Jer 50:45; Jer 51:11–12; Jer 51:43 **51:30** De helden van Babel hebben opgehouden te strijden; zij blijven in de burchten zitten. Hun kracht is opgedroogd en zij zijn vrouwen geworden. Men heeft haar woningen in brand gestoken. Haar grendels zijn gebroken. Brontekst: חָדְלוּ֩ (chadelu) = zij hebben opgehouden | גִבּוֹרֵ֨י (giborei) = helden van | בָבֶ֜ל (bavel) = Babel | לְהִלָּחֵ֗ם (lehilachem) = te strijden | יָֽשְׁבוּ֙ (yashevu) = zij blijven zitten | בַּמְּצָד֔וֹת (bametsadot) = in de burchten | נָשְׁתָ֥ה (nasheta) = is opgedroogd | גְבוּרָתָ֖ם (gevuratam) = hun kracht | הָי֣וּ (hayu) = zij zijn geworden | לְנָשִׁ֑ים (lenashim) = vrouwen | הִצִּ֥יתוּ (hitsitu) = men heeft in brand gestoken | מִשְׁכְּנֹתֶ֖יהָ (mishkenoteiha) = haar woningen | נִשְׁבְּר֥וּ (nishberu) = zijn gebroken | בְרִיחֶֽיהָ (bericheiha) = haar grendels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נָשְׁתָה (nashtah), ‘is opgedroogd’: het werkwoord betekent ‘droog worden’ en dus ‘uitgeput raken’. Dat de helden ‘vrouwen’ zijn geworden, is een beeld van zwakte; zie ook Nah. 3:13. Zie ook: Jes 13:7–8; Jes 19:16; Nah 3:13; Jer 50:36–37; Klaagl 2:9 **51:31** De ene loper rent de andere loper tegemoet, en de ene boodschapper de andere boodschapper. Zij komen om de koning van Babel te melden dat zijn stad tot in de uiterste hoek is ingenomen. Brontekst: רָ֤ץ (rats) = een loper | לִקְרַאת (liqrat) = tegemoet | רָץ֙ (rats) = een loper | יָר֔וּץ (yaruts) = rent | וּמַגִּ֖יד (umagid) = en een boodschapper | לִקְרַ֣את (liqrat) = tegemoet | מַגִּ֑יד (magid) = een boodschapper | לְהַגִּיד֙ (lehagid) = om te melden | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = aan de koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | כִּֽי (ki) = dat | נִלְכְּדָ֥ה (nilkeda) = is ingenomen | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | מִקָּצֶֽה (miqatse) = tot in de uiterste hoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: מִקָּצֶה (miqqatseh), ‘tot in de uiterste hoek’: letterlijk ‘van het einde’. Het kan ook ‘volledig’ betekenen, of ‘aan het uiteinde [van de stad]’. Zie ook: Job 9:25; 2 Sam 18:19–31; 2 Kron 30:6; Jer 50:43; Est 8:14 **51:32** De doorwaadbare plaatsen zijn bezet, de poelen hebben zij met vuur verbrand en de krijgsmannen zijn ontsteld. Brontekst: וְהַמַּעְבָּר֣וֹת (vehamabarot) = en de doorwaadbare plaatsen | נִתְפָּ֔שׂוּ (nitpasu) = zijn bezet | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֲגַמִּ֖ים (haagamim) = de poelen | שָׂרְפ֣וּ (sarefu) = zij hebben verbrand | בָאֵ֑שׁ (baesh) = met vuur | וְאַנְשֵׁ֥י (veanshei) = en de mannen van | הַמִּלְחָמָ֖ה (hamilchama) = de oorlog | נִבְהָֽלוּ (nivhalu) = zijn ontsteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעְבָּרוֹת (ma’barot), ‘doorwaadbare plaatsen’: plaatsen waar men de rivier kan oversteken; zie Joz. 2:7. אֲגַמִּים (agammim), ‘poelen’: waterplassen met riet, moerassen. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Joz 2:7; Jes 44:27; Jer 50:37–38; Jer 51:30 ### De oogsttijd van Babel **51:33** Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: **„De Dochter van Babel is als een dorsvloer in de tijd dat men haar vasttrapt. Nog even, en de tijd van de oogst komt voor haar.”** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֜ר (amar) = zegt | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בַּת (bat) = dochter van | בָּבֶ֕ל (bavel) = Babel | כְּגֹ֖רֶן (kegoren) = als een dorsvloer | עֵ֣ת (et) = tijd van | הִדְרִיכָ֑הּ (hidrikhah) = haar vasttrappen | ע֣וֹד (od) = nog | מְעַ֔ט (meat) = even | וּבָ֥אָה (uvaa) = en zal komen | עֵֽת (et) = tijd van | הַקָּצִ֖יר (haqatsir) = de oogst | לָֽהּ (lah) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: גֹּרֶן (goren), ‘dorsvloer’: een platgestampte plek waar graan wordt gedorst. הִדְרִיכָהּ (hidrikhah), ‘haar vasttrappen’: de dorsvloer werd met de voeten plat getrapt. Het beeld zegt dat het oordeel nabij is: eerst het dorsen, dan de oogst. Zie ook: Joël 4:13; Hos 6:11; Jes 21:10; Mi 4:13; Openb 14:15–20 ### Sion klaagt Nebukadnezar aan **51:34** Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten en in verwarring gebracht. Hij heeft mij neergezet als een leeg vat. Hij heeft mij ingeslikt als een draak. Hij heeft zijn buik gevuld met mijn lekkernijen. Hij heeft mij verdreven. Brontekst: אֲכָלַ֣נִי (akhalani) = heeft mij opgegeten | הֲמָמַ֗נִי (hamamani) = heeft mij in verwarring gebracht | נְבוּכַדְרֶאצַּר֮ (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֒ (bavel) = Babel | הִצִּיגַ֨נִי֙ (hitsigani) = heeft mij neergezet | כְּלִ֣י (keli) = als een vat | רִ֔יק (riq) = leeg | בְּלָעַ֨נִי֙ (belaani) = heeft mij ingeslikt | כַּתַּנִּ֔ין (katanin) = als een draak | מִלָּ֥א (mila) = heeft gevuld | כְרֵשׂ֖וֹ (kereso) = zijn buik | מֵֽעֲדָנָ֑י (meadanay) = met mijn lekkernijen | הֱדִיחָֽנִי (hedichani) = heeft mij verdreven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Sion (zie vers 35). תַּנִּין (tannin), ‘draak’: een groot zeemonster; zie Jes. 51:9. מַעֲדַנַּי (ma’adannai), ‘mijn lekkernijen’: wat kostbaar en heerlijk was in Jeruzalem. Voetnoot Lezing: Bij alle vijf de werkwoorden (‘heeft mij opgegeten’, ‘in verwarring gebracht’, ‘neergezet’, ‘ingeslikt’, ‘verdreven’) heeft het geschreven woord (ketiv) de uitgang ‘ons’ (-נו, -nu); het gelezen woord (qere) heeft ‘mij’ (-ני, -ni). Wij volgen het qere. Zie ook: Job 20:15; Jes 24:1–3; Jes 51:9; Jer 50:17; Jer 51:35; Jer 51:44; Mat 23:13 **51:35** Laat het geweld dat mij en mijn vlees is aangedaan, over Babel komen, zegt de inwoonster van Sion. Laat mijn bloed over de bewoners van Chaldea komen, zegt Jeruzalem. Brontekst: חֲמָסִ֤י (chamasi) = het geweld tegen mij | וּשְׁאֵרִי֙ (usheeri) = en mijn vlees | עַל (al) = over | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | תֹּאמַ֖ר (tomar) = zegt | יֹשֶׁ֣בֶת (yoshevet) = de inwoonster van | צִיּ֑וֹן (tsiyon) = Sion | וְדָמִי֙ (vedami) = en mijn bloed | אֶל (el) = over | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | כַשְׂדִּ֔ים (kasdim) = Chaldea | תֹּאמַ֖ר (tomar) = zegt | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִי (she’eri), ‘mijn vlees’: het woord שְׁאֵר (she’er) betekent ‘vlees’ of ‘bloedverwant’. Het is een ander woord dan שְׁאָר (she’ar), ‘de overgeblevenen’. Voetnoot : יֹשֶׁבֶת צִיּוֹן (yoshevet Tsiyyon), ‘de inwoonster van Sion’: Sion als een vrouw, zoals in ‘Dochter Sion’. Zie ook: Re 9:20; Ps 9:13; Jer 50:29; Openb 6:10; Openb 18:20 ### Yahweh voert de zaak van Sion **51:36** Daarom, zo zegt Yahweh: **„Zie, Ik voer jouw rechtszaak en neem wraak voor jou. Ik leg haar zee droog en laat haar bron opdrogen.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִי (hinni) = zie Ik | רָב֙ (rav) = die voert | אֶת (et) = (obj.) | רִיבֵ֔ךְ (rivekh) = jouw rechtszaak | וְנִקַּמְתִּ֖י (veniqamti) = en Ik zal wraak nemen | אֶת (et) = (obj.) | נִקְמָתֵ֑ךְ (niqmatekh) = voor jouw wraak | וְהַחֲרַבְתִּי֙ (vehacharavti) = en Ik zal droogleggen | אֶת (et) = (obj.) | יַמָּ֔הּ (yamah) = haar zee | וְהֹבַשְׁתִּ֖י (vehovashti) = en Ik zal laten opdrogen | אֶת (et) = (obj.) | מְקוֹרָֽהּ (meqorah) = haar bron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַמָּהּ (yammah), ‘haar zee’, en מְקוֹרָהּ (meqorah), ‘haar bron’: waarschijnlijk de wateren van Babel, zoals de Eufraat en de kanalen. Vergelijk vers 42, waar de zee over Babel opkomt. Zie ook: Ps 140:13; Jes 44:27; Jer 50:38; Jer 51:42; Rom 12:19; Heb 10:30–31 **51:37** **Babel wordt tot steenhopen, een woonplaats van jakhalzen, een verwoesting en een gesis, zonder bewoner.** Brontekst: וְהָיְתָה֩ (vehayeta) = en zal worden | בָבֶ֨ל (bavel) = Babel | לְגַלִּ֧ים (legalim) = tot steenhopen | מְעוֹן (meon) = woonplaats van | תַּנִּ֛ים (tanim) = jakhalzen | שַׁמָּ֥ה (shama) = tot verwoesting | וּשְׁרֵקָ֖ה (ushereqa) = en tot gesis | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | יוֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: גַּלִּים (gallim), ‘steenhopen’: hopen puin. תַּנִּים (tannim), ‘jakhalzen’: zoals in Jes. 34:13. שְׁרֵקָה (sheriqah), ‘gesis’: het fluiten of sissen van verbazing en spot. Zie ook: Jes 34:13; Jer 18:16; Jer 25:9; Jer 51:25–26; Openb 18:2; Openb 18:21–23 **51:38** **Samen brullen zij als jonge leeuwen. Zij grommen als welpen van leeuwen.** Brontekst: יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | כַּכְּפִרִ֣ים (kakefirim) = als jonge leeuwen | יִשְׁאָ֑גוּ (yishagu) = brullen zij | נָעֲר֖וּ (naaru) = zij grommen | כְּגוֹרֵ֥י (kegorei) = als welpen van | אֲרָיֽוֹת (arayot) = leeuwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:10–11; Jes 35:9; Nah 2:12–14; Jer 2:15; Zach 11:3 **51:39** **Terwijl zij verhit zijn, zet Ik hun drinkgelag klaar. Ik maak hen dronken, opdat zij uitgelaten worden en een slaap voor eeuwig slapen en niet meer wakker worden, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: בְּחֻמָּ֞ם (bechumam) = terwijl zij verhit zijn | אָשִׁ֣ית (ashit) = zal Ik zetten | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁתֵּיהֶ֗ם (mishteihem) = hun drinkgelagen | וְהִשְׁכַּרְתִּים֙ (vehishkartim) = en Ik zal hen dronken maken | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יַעֲלֹ֔זוּ (yaalozu) = zij uitgelaten worden | וְיָשְׁנ֥וּ (veyashenu) = en zij slapen | שְׁנַת (shenat) = slaap van | עוֹלָ֖ם (olam) = voor eeuwig | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָקִ֑יצוּ (yaqitsu) = worden zij wakker | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּחֻמָּם (bechummam), ‘terwijl zij verhit zijn’: het kan ook ‘in hun hitte’ betekenen, de hitte van de drank of van de strijd. מִשְׁתֵּיהֶם (mishteihem), ‘hun drinkgelagen’: hun maaltijden met drank. Zie ook: Jes 22:12–14; Nah 1:10; Nah 3:11; Jer 25:27; Jer 51:57 **51:40** **Ik laat hen afdalen als lammeren om geslacht te worden, als rammen samen met bokken.”** Brontekst: אֽוֹרִידֵ֖ם (oridem) = Ik laat hen afdalen | כְּכָרִ֣ים (kekharim) = als lammeren | לִטְב֑וֹחַ (litvoach) = om te slachten | כְּאֵילִ֖ים (keeilim) = als rammen | עִם (im) = met | עַתּוּדִֽים (atudim) = bokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:20; Ps 44:23; Jes 34:6; Jer 50:27; Ezech 39:18 **51:41** Hoe is Sjesjak ingenomen en de lof van heel de aarde gegrepen! Hoe is Babel een verwoesting geworden onder de volken! Brontekst: אֵ֚יךְ (eikh) = hoe | נִלְכְּדָ֣ה (nilkeda) = is ingenomen | שֵׁשַׁ֔ךְ (sheshakh) = Sjesjak | וַתִּתָּפֵ֖שׂ (vatitafes) = en is gegrepen | תְּהִלַּ֣ת (tehilat) = lof van | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | אֵ֣יךְ (eikh) = hoe | הָיְתָ֧ה (hayeta) = is geworden | לְשַׁמָּ֛ה (leshama) = tot verwoesting | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | בַּגּוֹיִֽם (bagoyim) = onder de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: שֵׁשַׁךְ (Sheshakh), ‘Sjesjak’: een verhulde naam voor Babel. Ook hier is het alfabet omgekeerd (atbasj), zoals bij ‘Leb-Kamai’ in vers 1: בבל (Babel) wordt ששך. De naam staat ook in Jer. 25:26. Zie ook: Jes 13:19; Jes 14:4; Jer 25:26; Jer 49:25; Jer 51:1; Dan 5:1–5 **51:42** De zee is over Babel opgekomen. Zij is bedekt door het gedruis van haar golven. Brontekst: עָלָ֥ה (ala) = is opgekomen | עַל (al) = over | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | בַּהֲמ֥וֹן (bahamon) = door het gedruis van | גַּלָּ֖יו (galav) = zijn golven | נִכְסָֽתָה (nikhsata) = is zij bedekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: ‘De zee’ is hier een beeld: een vloed van golven die over Babel komt. De tekst zegt niet of het de vijand is of een overstroming. Zie ook: Ps 18:5; Ps 42:8; Jes 8:7–8; Dan 9:26; Luc 21:25 **51:43** Haar steden zijn een verwoesting geworden, een dor land en een steppe, een land waar niemand woont en waar geen mensenkind doorheen trekt. Brontekst: הָי֤וּ (hayu) = zijn geworden | עָרֶ֨יהָ֙ (areiha) = haar steden | לְשַׁמָּ֔ה (leshama) = tot verwoesting | אֶ֖רֶץ (erets) = land van | צִיָּ֣ה (tsiya) = dorheid | וַעֲרָבָ֑ה (vaarava) = en steppe | אֶ֗רֶץ (erets) = land | לֹֽא (lo) = niet | יֵשֵׁ֤ב (yeshev) = woont | בָּהֵן֙ (bahen) = in hen | כָּל (kal) = enig | אִ֔ישׁ (ish) = man | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַעֲבֹ֥ר (yaavor) = trekt | בָּהֵ֖ן (bahen) = door hen | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָֽם (adam) = een mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: letterlijk ‘zoon van een mens’. Hier betekent het ‘een mens’: niemand. Zie ook: Jes 13:20; Jer 2:6; Jer 51:29; Jer 51:37; Ezech 29:10–11 **51:44** **„Ik zal Bel in Babel straffen en uit zijn mond halen wat hij heeft ingeslikt. Volken zullen niet meer naar hem toe stromen. Ook de muur van Babel is gevallen.** Brontekst: וּפָקַדְתִּ֨י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עַל (al) = over | בֵּ֜ל (bel) = Bel | בְּבָבֶ֗ל (bevavel) = in Babel | וְהֹצֵאתִ֤י (vehotseti) = en Ik zal doen uitgaan | אֶת (et) = (obj.) | בִּלְעוֹ֙ (bilo) = wat hij heeft ingeslikt | מִפִּ֔יו (mipiv) = uit zijn mond | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִנְהֲר֥וּ (yinharu) = zullen stromen | אֵלָ֛יו (elav) = naar hem | ע֖וֹד (od) = meer | גּוֹיִ֑ם (goyim) = volken | גַּם (gam) = ook | חוֹמַ֥ת (chomat) = muur van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | נָפָֽלָה (nafala) = is gevallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בֵּל (Bel), ‘Bel’: de naam van de Babylonische hoofdgod (Marduk). Zie Jes. 46:1. Voetnoot : בִּלְעוֹ (bil’o), ‘wat hij heeft ingeslikt’: wat Bel verslonden had. De tekst noemt niet wat; het kan de buit zijn. Voetnoot : יִנְהֲרוּ (yinharu), ‘zullen stromen’: zoals in Jes. 2:2. Zie ook: Jes 2:2; Jes 46:1; Jer 50:2; Jer 51:34; Jer 51:58; Dan 5:19 ### Ga uit haar midden, Mijn volk **51:45** **Ga uit haar midden, Mijn volk, en red ieder zijn leven voor de brandende toorn van Yahweh.** Brontekst: צְא֤וּ (tseu) = ga uit | מִתּוֹכָהּ֙ (mitokhah) = uit haar midden | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | וּמַלְּט֖וּ (umaletu) = en red | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zijn leven | מֵחֲר֖וֹן (mecharon) = voor de gloed van | אַף (af) = toorn van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de oproep aan Yahweh’s volk om Babel te verlaten, zoals in vers 6. Zie ook Jes. 48:20 en 52:11. Zie ook: Num 16:26; Jes 48:20; Jes 52:11; Jer 51:6; Hand 2:40; Openb 18:4 **51:46** **Laat jullie hart niet bezwijken en wees niet bang voor het gerucht dat in het land gehoord wordt. In het ene jaar komt het gerucht en daarna, in het andere jaar, weer een gerucht. Er is geweld in het land: heerser tegen heerser.** Brontekst: וּפֶן (ufen) = en opdat niet | יֵרַ֤ךְ (yerakh) = bezwijkt | לְבַבְכֶם֙ (levavkhem) = jullie hart | וְתִֽירְא֔וּ (vetireu) = en jullie bang worden | בַּשְּׁמוּעָ֖ה (bashemua) = voor het gerucht | הַנִּשְׁמַ֣עַת (hanishmaat) = dat gehoord wordt | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | וּבָ֧א (uva) = en zal komen | בַשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַשְּׁמוּעָ֗ה (hashemua) = het gerucht | וְאַחֲרָ֤יו (veacharav) = en daarna | בַּשָּׁנָה֙ (bashana) = in het jaar | הַשְּׁמוּעָ֔ה (hashemua) = het gerucht | וְחָמָ֣ס (vechamas) = en geweld | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | וּמֹשֵׁ֖ל (umoshel) = en heerser | עַל (al) = tegen | מֹשֵֽׁל (moshel) = heerser Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמֹשֵׁל עַל מֹשֵׁל (umoshel al moshel), ‘heerser tegen heerser’: heersers strijden tegen elkaar. Het gerucht komt jaar na jaar. Zie ook: 2 Kon 19:7; Jes 13:3–5; Jes 19:2; Jes 21:2–3; Mar 13:7–8 **51:47** **Daarom, zie, er komen dagen dat Ik de gesneden beelden van Babel zal straffen. Heel haar land zal beschaamd worden en al haar gesneuvelden zullen in haar midden vallen.** Brontekst: לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | בָּאִ֔ים (baim) = komen | וּפָקַדְתִּי֙ (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עַל (al) = over | פְּסִילֵ֣י (pesilei) = gesneden beelden van | בָבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְכָל (vekhal) = en heel | אַרְצָ֖הּ (artsah) = haar land | תֵּב֑וֹשׁ (tevosh) = zal beschaamd worden | וְכָל (vekhal) = en al | חֲלָלֶ֖יהָ (chalaleiha) = haar gesneuvelden | יִפְּל֥וּ (yipelu) = zullen vallen | בְתוֹכָֽהּ (betokhah) = in haar midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: פְּסִילֵי (pesilei), ‘gesneden beelden’: beelden van hout of steen. Het werkwoord פָּקַד (paqad), ‘straffen’, is hetzelfde als in vers 44. Zie ook: Jes 21:9; Jes 46:1–2; Jer 50:2; Jer 51:18; Jer 51:44; Jer 51:52 **51:48** **Hemel en aarde en alles wat daarin is, zullen over Babel juichen. Want uit het noorden komen de verwoesters tegen haar, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְרִנְּנ֤וּ (verinenu) = en zullen juichen | עַל (al) = over | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | שָׁמַ֣יִם (shamayim) = hemel | וָאָ֔רֶץ (vaarets) = en aarde | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בָּהֶ֑ם (bahem) = in hen | כִּ֧י (ki) = want | מִצָּפ֛וֹן (mitsafon) = uit het noorden | יָבוֹא (yavo) = zullen komen | לָ֥הּ (lah) = tegen haar | הַשּׁוֹדְדִ֖ים (hashodedim) = de verwoesters | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: מִצָּפוֹן (mitsafon), ‘uit het noorden’: de vijand komt uit het noorden of noordoosten; vergelijk vers 27–28, waar de koningen van de Meden worden opgeroepen. Zie ook: Jes 44:23; Jes 48:20; Jes 49:13; Jer 50:3; Jer 51:27–28; Openb 18:20 **51:49** Ook Babel moet vallen vanwege de gesneuvelden van Israël. Ook door Babel zijn de gesneuvelden van heel de aarde gevallen. Brontekst: גַּם (gam) = ook | בָּבֶ֕ל (bavel) = Babel | לִנְפֹּ֖ל (linpol) = moet vallen | חַֽלְלֵ֣י (challei) = gesneuvelden van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | גַּם (gam) = ook | לְבָבֶ֥ל (levavel) = door Babel | נָפְל֖וּ (nafelu) = zijn gevallen | חַֽלְלֵ֥י (challei) = gesneuvelden van | כָל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Het vers kan op twee manieren worden gelezen: ‘Ook Babel moet vallen vanwege de gesneuvelden van Israël’, of ‘Ook Babel moet vallen, gesneuvelden van Israël’ (als aanspreking). De tweede helft is ook moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Ps 137:8–9; Jer 50:29; Jer 50:33–34; Jer 51:10–11; Jer 51:24 **51:50** Jullie die aan het zwaard ontkomen zijn, ga! Blijf niet staan! Gedenk Yahweh van ver weg en laat Jeruzalem opkomen in jullie hart. Brontekst: פְּלֵטִ֣ים (peletim) = ontkomenen | מֵחֶ֔רֶב (mecherev) = aan het zwaard | הִלְכ֖וּ (hilkhu) = gaat | אַֽל (al) = niet | תַּעֲמֹ֑דוּ (taamodu) = blijf staan | זִכְר֤וּ (zikhru) = gedenk | מֵֽרָחוֹק֙ (merachoq) = van ver weg | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וִירֽוּשָׁלִַ֖ם (virushalaim) = en Jeruzalem | תַּעֲלֶ֥ה (taale) = laat opkomen | עַל (al) = in | לְבַבְכֶֽם (levavkhem) = jullie hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Ps 122:6; Jer 44:28; Jer 51:45; Dan 9:2–3; Openb 18:4 **51:51** Wij zijn beschaamd, want wij hebben smaad gehoord. Schande bedekt ons gezicht, want vreemden zijn gekomen over de heiligdommen van het huis van Yahweh. Brontekst: בֹּ֚שְׁנוּ (boshenu) = wij zijn beschaamd | כִּֽי (ki) = want | שָׁמַ֣עְנוּ (shamanu) = wij hebben gehoord | חֶרְפָּ֔ה (cherpa) = smaad | כִּסְּתָ֥ה (kiseta) = bedekt | כְלִמָּ֖ה (kelima) = schande | פָּנֵ֑ינוּ (paneinu) = ons gezicht | כִּ֚י (ki) = want | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | זָרִ֔ים (zarim) = vreemden | עַֽל (al) = over | מִקְדְּשֵׁ֖י (miqdeshei) = heiligdommen van | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְדְּשֵׁי (miqdeshei), ‘heiligdommen van’: een meervoud, de heilige plaatsen van het huis van Yahweh. Zie ook: Ps 44:14–17; Ps 74:3–7; Ps 79:4; Klaagl 1:10; Klaagl 2:15–17 **51:52** **„Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik haar gesneden beelden zal straffen. In heel haar land zal een gewonde kreunen.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | הִנֵּֽה (hine) = zie | יָמִ֤ים (yamim) = dagen | בָּאִים֙ (baim) = komen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּפָקַדְתִּ֖י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עַל (al) = over | פְּסִילֶ֑יהָ (pesileiha) = haar gesneden beelden | וּבְכָל (uvekhal) = en in heel | אַרְצָ֖הּ (artsah) = haar land | יֶאֱנֹ֥ק (yeenoq) = zal kreunen | חָלָֽל (chalal) = een gewonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 13:15–16; Jer 50:38; Jer 51:47; Ezech 30:24; Dan 5:30–6:1 **51:53** **Al zou Babel de hemel beklimmen en de hoogte van haar sterkte versterken: van Mij uit zullen verwoesters tegen haar komen, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: כִּֽי (ki) = al | תַעֲלֶ֤ה (taale) = zou opklimmen | בָבֶל֙ (bavel) = Babel | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = naar de hemel | וְכִ֥י (vekhi) = en al | תְבַצֵּ֖ר (tevatser) = zou zij versterken | מְר֣וֹם (merom) = de hoogte van | עֻזָּ֑הּ (uzah) = haar sterkte | מֵאִתִּ֗י (meiti) = van Mij | יָבֹ֧אוּ (yavou) = zullen komen | שֹׁדְדִ֛ים (shodedim) = verwoesters | לָ֖הּ (lah) = tegen haar | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: מְרוֹם עֻזָּהּ (merom uzzah), ‘de hoogte van haar sterkte’: een hoge, onneembare vesting. Tegen wat van Yahweh komt, helpt geen muur. Zie ook: Gen 11:4; Ps 139:8–10; Jer 49:16; Jer 51:25; Ob 1:3–4 ### Een noodkreet uit Babel **51:54** Het geluid van een noodkreet klinkt uit Babel, en van een grote verwoesting uit het land van de Chaldeeën. Brontekst: ק֥וֹל (qol) = geluid van | זְעָקָ֖ה (zeaqa) = een noodkreet | מִבָּבֶ֑ל (mibavel) = uit Babel | וְשֶׁ֥בֶר (veshever) = en breuk | גָּד֖וֹל (gadol) = grote | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | כַּשְׂדִּֽים (kasdim) = de Chaldeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Zie ook: Jes 13:6–9; Jer 48:3–5; Jer 50:22; Jer 50:43; Jer 50:46 **51:55** Want Yahweh verwoest Babel en doet de grote stem uit haar verdwijnen. Hun golven bruisen als vele wateren; het gedruis van hun stem klinkt. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | שֹׁדֵ֤ד (shoded) = verwoest | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְאִבַּ֥ד (veibad) = en Hij doet verdwijnen | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = uit haar | ק֣וֹל (qol) = stem | גָּד֑וֹל (gadol) = grote | וְהָמ֤וּ (vehamu) = en zij bruisen | גַלֵּיהֶם֙ (galeihem) = hun golven | כְּמַ֣יִם (kemayim) = als wateren | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | נִתַּ֥ן (nitan) = is gegeven | שְׁא֖וֹן (sheon) = gedruis van | קוֹלָֽם (qolam) = hun stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: גַלֵּיהֶם (galleihem), ‘hun golven’: de golven van de aanvallers, die als water bruisen. Zie ook: Jes 24:8–11; Jes 47:5; Jer 25:10; Jer 51:38–39; Openb 17:15 **51:56** Want een verwoester is over haar gekomen, over Babel. Haar helden zijn gevangen en hun bogen zijn gebroken. Want Yahweh is een El van vergeldingen; Hij betaalt ten volle terug. Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | בָ֨א (ba) = is gekomen | עָלֶ֤יהָ (aleiha) = over haar | עַל (al) = over | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | שׁוֹדֵ֔ד (shoded) = een verwoester | וְנִלְכְּדוּ֙ (venilkedu) = en zijn gevangen | גִּבּוֹרֶ֔יהָ (giboreiha) = haar helden | חִתְּתָ֖ה (chiteta) = zijn gebroken | קַשְּׁתוֹתָ֑ם (qashetotam) = hun bogen | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֧ל (el) = El van | גְּמֻל֛וֹת (gemulot) = vergeldingen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שַׁלֵּ֥ם (shalem) = ten volle | יְשַׁלֵּֽם (yeshalem) = betaalt Hij terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: אֵל גְּמֻלוֹת (El gemulot), ‘een El van vergeldingen’: een naam voor Yahweh die vergeldt wat verdiend is; zie ook Jes. 59:18. Zie ook: Ps 46:10; Ps 94:1–2; Jes 59:18; Jer 51:6; Jer 51:48; Hab 2:8 **51:57** **„Ik maak haar oversten en haar wijzen dronken, haar stadhouders, haar bestuurders en haar helden. Zij zullen een slaap voor eeuwig slapen en niet meer wakker worden, godsspraak van de Koning.”** Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Brontekst: וְ֠הִשְׁכַּרְתִּי (vehishkarti) = en Ik zal dronken maken | שָׂרֶ֨יהָ (sareiha) = haar oversten | וַחֲכָמֶ֜יהָ (vachakhameiha) = en haar wijzen | פַּחוֹתֶ֤יהָ (pachoteiha) = haar stadhouders | וּסְגָנֶ֨יהָ֙ (useganeiha) = en haar bestuurders | וְגִבּוֹרֶ֔יהָ (vegiboreiha) = en haar helden | וְיָשְׁנ֥וּ (veyashenu) = en zij zullen slapen | שְׁנַת (shenat) = slaap van | עוֹלָ֖ם (olam) = voor eeuwig | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָקִ֑יצוּ (yaqitsu) = worden zij wakker | נְאֻ֨ם (neum) = godsspraak van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de Koning | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמֽוֹ (shemo) = is Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם הַמֶּלֶךְ (ne’um hammelekh), ‘godsspraak van de Koning’: de Koning is hier Yahweh. De woorden ‘Yahweh van de legermachten is Zijn naam’ vormen de lofformule, zoals in vers 19. Zie ook: Ps 76:6–7; Jer 25:27; Jer 46:18; Jer 48:15; Jer 51:19; Jer 51:39 **51:58** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„De brede muren van Babel worden helemaal gesloopt, en haar hoge poorten worden met vuur in brand gestoken. Volken sloven zich af voor niets, natiën voor het vuur, en zij raken uitgeput.”** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | חֹ֠מוֹת (chomot) = muren van | בָּבֶ֤ל (bavel) = Babel | הָֽרְחָבָה֙ (harechava) = de brede | עַרְעֵ֣ר (arer) = geheel | תִּתְעַרְעָ֔ר (titarar) = worden afgebroken | וּשְׁעָרֶ֥יהָ (usheareiha) = en haar poorten | הַגְּבֹהִ֖ים (hagevohim) = de hoge | בָּאֵ֣שׁ (baesh) = met vuur | יִצַּ֑תּוּ (yitsatu) = worden in brand gestoken | וְיִֽגְע֨וּ (veyigu) = en zij sloven zich af | עַמִּ֧ים (amim) = volken | בְּדֵי (bedei) = voor | רִ֛יק (riq) = niets | וּלְאֻמִּ֥ים (uleumim) = en natiën | בְּדֵי (bedei) = voor | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | וְיָעֵֽפוּ (veyaefu) = en zij raken uitgeput Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: עַרְעֵר תִּתְעַרְעָר (ar’er tit’ar’ar), ‘geheel worden afgebroken’: het werkwoord is verdubbeld en betekent ‘helemaal met de grond gelijk gemaakt worden’. Voetnoot : De woorden over volken die zich afsloven voor niets staan, met een andere volgorde, ook in Hab. 2:13. Zie ook: Jes 45:1–2; Jer 50:15; Jer 51:44; Jer 51:64; Hab 2:13 ### De boekrol voor Babel **51:59** Dit is het woord dat de profeet Jeremia opdroeg aan Seraja, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja. Seraja ging met Zedekia, de koning van Juda, naar Babel, in het vierde jaar van zijn regering. Seraja was overste van de rustplaats. Brontekst: הַדָּבָ֞ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | צִוָּ֣ה (tsiva) = opdroeg | יִרְמְיָ֣הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | הַנָּבִ֗יא (hanavi) = de profeet | אֶת (et) = (obj.) | שְׂרָיָ֣ה (seraya) = Seraja | בֶן (ben) = zoon van | נֵרִיָּה֮ (neriya) = Nerija | בֶּן (ben) = zoon van | מַחְסֵיָה֒ (machseya) = Machseja | בְּלֶכְתּ֞וֹ (belekhto) = toen hij ging | אֶת (et) = met | צִדְקִיָּ֤הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | בָּבֶ֔ל (bavel) = naar Babel | בִּשְׁנַ֥ת (bishnat) = in het jaar | הָרְבִעִ֖ית (hareviit) = het vierde | לְמָלְכ֑וֹ (lemalekho) = van zijn regering | וּשְׂרָיָ֖ה (useraya) = en Seraja | שַׂ֥ר (sar) = overste van | מְנוּחָֽה (menucha) = de rustplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Baruch is ook ‘de zoon van Nerija, de zoon van Machseja’ (Jer. 32:12). Seraja was dus waarschijnlijk zijn broer. Voetnoot : שַׂר מְנוּחָה (sar menuchah), ‘overste van de rustplaats’: de betekenis is onzeker. Sommigen vertalen ‘kwartiermeester’, iemand die de rustplaatsen onderweg regelt; anderen ‘rustige vorst’. Voetnoot : בְּלֶכְתּוֹ אֶת (belekhto et), ‘toen hij ging met’: Seraja reisde met Zedekia naar Babel. De tekst zegt niet waarom. Zie ook: Jer 28:1; Jer 32:12; Jer 36:4; Jer 45:1; Jer 52:1 **51:60** Jeremia schreef in één boekrol al het onheil op dat over Babel zou komen, al deze woorden die tegen Babel geschreven zijn. Brontekst: וַיִּכְתֹּ֣ב (vayikhtov) = en schreef | יִרְמְיָ֗הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֵ֧ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הָרָעָ֛ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁר (asher) = dat | תָּב֥וֹא (tavo) = zou komen | אֶל (el) = over | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | אֶל (el) = in | סֵ֣פֶר (sefer) = een boekrol | אֶחָ֑ד (echad) = één | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | הַכְּתֻבִ֖ים (haketuvim) = die geschreven zijn | אֶל (el) = tegen | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: סֵפֶר (sefer), ‘boekrol’: een rol waarop geschreven werd. Zie ook: Jes 30:8; Jer 30:2–3; Jer 36:2–4; Jer 36:32; Hab 2:2–3 **51:61** Jeremia zei tegen Seraja: „Wanneer je in Babel komt, zie dan toe dat je al deze woorden voorleest. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | אֶל (el) = tegen | שְׂרָיָ֑ה (seraya) = Seraja | כְּבֹאֲךָ֣ (kevoakha) = wanneer je komt | בָבֶ֔ל (bavel) = in Babel | וְֽרָאִ֔יתָ (veraita) = dan zul je zien | וְֽקָרָ֔אתָ (veqarata) = en lees voor | אֵ֥ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Jer 29:1–2; Mat 24:1; Mar 13:1; 1 Tess 4:18; 1 Tess 5:27 **51:62** Zeg dan: ‘Yahweh, U hebt over deze plaats gesproken dat U haar zult uitroeien, zodat er niemand meer in woont, van mens tot dier. Want zij zal voor eeuwig een woestenij zijn.’ Brontekst: וְאָמַרְתָּ֗ (veamarta) = en zeg | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אַתָּ֨ה (ata) = U | דִבַּ֜רְתָּ (dibarta) = hebt gesproken | אֶל (el) = over | הַמָּק֤וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּה֙ (haze) = deze | לְהַכְרִית֔וֹ (lehakhrito) = om haar uit te roeien | לְבִלְתִּ֤י (levilti) = zodat niet | הֱיֽוֹת (heyot) = is | בּוֹ֙ (bo) = in haar | יוֹשֵׁ֔ב (yoshev) = een bewoner | לְמֵאָדָ֖ם (lemeadam) = van mens | וְעַד (vead) = en tot | בְּהֵמָ֑ה (behema) = dier | כִּֽי (ki) = want | שִׁמְמ֥וֹת (shimmot) = woestenijen | עוֹלָ֖ם (olam) = voor eeuwig | תִּֽהְיֶֽה (tihye) = zij zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 14:22–23; Jer 50:3; Jer 50:13; Ezech 35:9; Openb 18:20–23 **51:63** Wanneer je klaar bent met het voorlezen van deze boekrol, bind er dan een steen aan en werp haar midden in de Eufraat. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כְּכַלֹּ֣תְךָ֔ (kekhalotekha) = wanneer je klaar bent | לִקְרֹ֖א (liqro) = met voorlezen | אֶת (et) = (obj.) | הַסֵּ֣פֶר (hasefer) = de boekrol | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | תִּקְשֹׁ֤ר (tiqshor) = bind | עָלָיו֙ (alav) = eraan | אֶ֔בֶן (even) = een steen | וְהִשְׁלַכְתּ֖וֹ (vehishlakhto) = en werp haar | אֶל (el) = in | תּ֥וֹךְ (tokh) = het midden van | פְּרָֽת (perat) = de Eufraat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Voetnoot Uitleg: פְּרָת (Perat), ‘Eufraat’: de rivier die door Babel stroomt. Een steen laat de boekrol zinken, een beeld van het zinken van Babel (vers 64). Zie ook: Jer 19:10–11; Jer 51:64; Openb 18:21 **51:64** Zeg dan: ‘Zo zal Babel zinken en niet meer opstaan vanwege het onheil dat Ik over haar breng. Zij zullen uitgeput raken.’” Tot hier gaan de woorden van Jeremia. Brontekst: וְאָמַרְתָּ֗ (veamarta) = en zeg | כָּ֠כָה (kakha) = zo | תִּשְׁקַ֨ע (tishqa) = zal zinken | בָּבֶ֤ל (bavel) = Babel | וְלֹֽא (velo) = en niet | תָקוּם֙ (taqum) = zal opstaan | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | הָרָעָ֗ה (haraa) = het onheil | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | מֵבִ֥יא (mevi) = breng | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = over haar | וְיָעֵ֑פוּ (veyaefu) = en zij zullen uitgeput raken | עַד (ad) = tot | הֵ֖נָּה (hena) = hier | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | יִרְמְיָֽהוּ (yirmeyahu) = Jeremia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: De woorden ‘Zij zullen uitgeput raken’ (וְיָעֵפוּ, veyaefu) staan ook aan het slot van vers 58. Voetnoot : De woorden ‘het onheil dat Ik over haar breng’ zijn woorden van Yahweh binnen de opdracht van Jeremia aan Seraja; Seraja moet ze uitspreken. Voetnoot : ‘Tot hier gaan de woorden van Jeremia’ sluit de profetieën af. Hoofdstuk 52 is een aanhangsel dat, op enkele verzen na, ook in 2 Kon. 24:18–25:30 staat. Zie ook: Job 31:40; Ps 72:20; 2 Kon 24:18–25:30; Nah 1:8–9; Jer 51:58; Openb 18:21 ## Jeremia 52 _De val van Jeruzalem en de vrijlating van Jojachin_ ### Zedekia, de laatste koning van Juda **52:1** Zedekia was 21 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְאַחַ֤ת (veachat) = en een | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | צִדְקִיָּ֣הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בְמָלְכ֔וֹ (bemalekho) = bij zijn koning worden | וְאַחַ֤ת (veachat) = en een | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | מָלַ֖ךְ (malakh) = hij regeerde | בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | וְשֵׁ֣ם (veshem) = en naam van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | חֲמוּטַ֥ל (chamutal) = Chamutal | בַּֽת (bat) = dochter van | יִרְמְיָ֖הוּ (yirmeyahu) = Jeremia | מִלִּבְנָֽה (milivna) = uit Libna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela. Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Jeremia 52 is, met kleine verschillen, gelijk aan 2 Kon. 24:18–25:30. Alleen de verzen 28–30 staan niet in Koningen. Het vorige hoofdstuk eindigt met ‘Tot hier gaan de woorden van Jeremia’ (51:64). Dit hoofdstuk is dus een aanhangsel dat het boek afsluit. Voetnoot : De verzen 1–3 komen overeen met 2 Kon. 24:18–20; 2 Kron. 36:11–13 heeft het bericht korter. Chamutal was ook de moeder van Joachaz (2 Kon. 23:31). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft חמיטל (chamitel); het gelezen woord (qere) is חֲמוּטַל (chamutal). Wij volgen het qere. Zie ook: Joz 10:29; Joz 15:42; 2 Kon 8:22; 2 Kon 23:31; 2 Kon 24:18; 2 Kron 36:11 **52:2** Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, helemaal zoals Jojakim had gedaan. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij deed | הָרַ֖ע (hara) = het kwaad | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֹ֥ל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = deed | יְהוֹיָקִֽים (yehoyaqim) = Jojakim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 14:22; 2 Kon 24:19–20; Jer 26:21–23; Ezech 17:16–20; Ezech 21:30 **52:3** Want het gebeurde met Jeruzalem en Juda vanwege de toorn van Yahweh, totdat Hij hen van Zijn aangezicht wegwierp. Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | עַל (al) = vanwege | אַ֣ף (af) = toorn van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הָֽיְתָה֙ (hayeta) = het was | בִּירוּשָׁלִַ֣ם (birushalaim) = met Jeruzalem | וִֽיהוּדָ֔ה (vihuda) = en met Juda | עַד (ad) = totdat | הִשְׁלִיכ֥וֹ (hishlikho) = Hij wegwierp | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | מֵעַ֣ל (meal) = van | פָּנָ֑יו (panav) = Zijn aangezicht | וַיִּמְרֹ֥ד (vayimrod) = en hij kwam in opstand | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בְּמֶ֥לֶךְ (bemelekh) = tegen de koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van dit vers verschilt van 2 Kon. 24:20 alleen in spelling en in een voorzetsel (‘en Juda’ tegenover ‘en in Juda’). De betekenis is gelijk. Zie ook: 1 Kon 10:9; 2 Kon 24:20; 2 Kron 36:13; Jes 3:1; Jes 3:4–5; Jes 19:4 ### Het beleg van Jeruzalem **52:4** Het was in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand. Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam met heel zijn leger tegen Jeruzalem. Zij sloegen een kamp op tegen haar en bouwden een belegeringswal rondom haar. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | בַשָּׁנָ֨ה (bashana) = in het jaar | הַתְּשִׁעִ֜ית (hateshiit) = de negende | לְמָלְכ֗וֹ (lemalekho) = van zijn regering | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָעֲשִׂירִי֮ (haasiri) = de tiende | בֶּעָשׂ֣וֹר (beasor) = op de tiende | לַחֹדֶשׁ֒ (lachodesh) = van de maand | בָּ֠א (ba) = kwam | נְבוּכַדְרֶאצַּ֨ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֜ל (bavel) = Babel | ה֤וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | חֵילוֹ֙ (cheilo) = zijn leger | עַל (al) = tegen | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וַֽיַּחֲנ֖וּ (vayachanu) = en zij sloegen een kamp op | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = tegen haar | וַיִּבְנ֥וּ (vayivnu) = en zij bouwden | עָלֶ֛יהָ (aleiha) = tegen haar | דָּיֵ֖ק (dayeq) = belegeringswal | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נְבוּכַדְרֶאצַּר (Nevuchadre’tsar), ‘Nebukadnezar’: Jeremia schrijft de naam met een r. 2 Kon. 25:1 heeft נְבֻכַדְנֶאצַּר (Nevuchadne’tsar). Het is dezelfde koning; wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’. Voetnoot : דָּיֵק (dayeq), ‘belegeringswal’: zie 2 Kon. 25:1. Voetnoot : In 2 Kon. 25:1 staat de eerste werkwoordsvorm in het enkelvoud (‘hij sloeg een kamp op’). Hier staat het meervoud (‘zij sloegen een kamp op’). Zie ook: 2 Kon 25:1; Jer 32:24; Jer 39:1; Jer 52:7; Ezech 24:1–2; Zach 8:19 **52:5** De stad bleef onder belegering tot het elfde jaar van koning Zedekia. Brontekst: וַתָּבֹ֥א (vatavo) = en kwam | הָעִ֖יר (hair) = de stad | בַּמָּצ֑וֹר (bamatsor) = onder belegering | עַ֚ד (ad) = tot | עַשְׁתֵּ֣י (ashtei) = een | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = van de koning | צִדְקִיָּֽהוּ (tsidqiyahu) = Zedekia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **52:6** In de vierde maand, op de negende van de maand, werd de honger sterk in de stad. Er was geen brood voor het volk van het land. Brontekst: בַּחֹ֤דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָֽרְבִיעִי֙ (harevii) = de vierde | בְּתִשְׁעָ֣ה (betisha) = op de negende | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | וַיֶּחֱזַ֥ק (vayechezaq) = en werd sterk | הָרָעָ֖ב (haraav) = de honger | בָּעִ֑יר (bair) = in de stad | וְלֹא (velo) = en niet | הָיָ֥ה (haya) = was | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | לְעַ֥ם (leam) = voor het volk van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staat ‘de vierde maand’. In 2 Kon. 25:3 wordt de maand niet genoemd. Zie ook: 2 Kon 25:3; Jes 3:1; Jer 38:9; Jer 39:2; Klaagl 5:10 ### De vlucht en de straf van Zedekia **52:7** De stad werd opengebroken. Alle krijgsmannen vluchtten en gingen ’s nachts de stad uit. Zij namen de weg van de poort tussen de twee muren, bij de tuin van de koning. De Chaldeeën lagen rondom de stad. Zij gingen langs de weg van de Araba. Brontekst: וַתִּבָּקַ֣ע (vatibaqa) = en werd opengebroken | הָעִ֗יר (hair) = de stad | וְכָל (vekhal) = en alle | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָ֡ה (hamilchama) = de oorlog | יִבְרְחוּ֩ (yivrechu) = zij vluchtten | וַיֵּצְא֨וּ (vayetseu) = en zij gingen uit | מֵהָעִ֜יר (mehair) = uit de stad | לַ֗יְלָה (layla) = 's nachts | דֶּ֜רֶךְ (derekh) = weg van | שַׁ֤עַר (shaar) = poort | בֵּין (bein) = tussen | הַחֹמֹתַ֨יִם֙ (hachomotayim) = de twee muren | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עַל (al) = bij | גַּ֣ן (gan) = tuin van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְכַשְׂדִּ֥ים (vekhasdim) = en Chaldeeën | עַל (al) = bij | הָעִ֖יר (hair) = de stad | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en zij gingen | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = weg van | הָעֲרָבָֽה (haarava) = de Araba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Poort tussen de twee muren (ligging onzeker): De poort tussen de twee muren lag in de zuidelijke stadsmuur van Jeruzalem, bij de tuin van de koning. De precieze plaats is niet bekend. Zie Tuin van de koning (ligging onzeker): De tuin van de koning lag in het zuiden van Jeruzalem, waarschijnlijk bij de vijver van Siloam. De precieze plaats is niet bekend. Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: Hier staat dat ‘alle krijgsmannen vluchtten en de stad uitgingen’, en dat ‘zij’ (meervoud) langs de weg van de Araba gingen. In 2 Kon. 25:4 ontbreken de werkwoorden ‘vluchtten’ en ‘gingen uit’, en gaat ‘hij’ (de koning) langs die weg. Het is hetzelfde bericht: Zedekia en zijn krijgsmannen ontvluchten de stad. Zie ook: Lev 26:36; Joz 7:8–12; 2 Kon 25:4; Jer 39:4–7; Jer 51:32 **52:8** Het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning. Zij haalden Zedekia in op de vlakte van Jericho. Heel zijn leger was van hem weg verspreid. Brontekst: וַיִּרְדְּפ֤וּ (vayirdefu) = en zij achtervolgden | חֵיל (cheil) = leger van | כַּשְׂדִּים֙ (kasdim) = Chaldeeën | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיַּשִּׂ֥יגוּ (vayasigu) = en zij haalden in | אֶת (et) = (obj.) | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | בְּעַֽרְבֹ֣ת (bearvot) = op de vlakte van | יְרֵח֑וֹ (yerecho) = Jericho | וְכָל (vekhal) = en heel | חֵיל֔וֹ (cheilo) = zijn leger | נָפֹ֖צוּ (nafotsu) = zij werden verspreid | מֵעָלָֽיו (mealav) = van hem weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: בְּעַרְבֹת יְרֵחוֹ (arvat Yerecho), ‘de vlakte van Jericho’: 2 Kon. 25:5 heeft het meervoud, ‘de vlakten’. Hier wordt Zedekia bij naam genoemd; in Koningen staat alleen ‘hem’. Zie ook: 2 Kon 25:5; Jer 21:7; Jer 32:4; Jer 34:21; Jer 38:23; Ezech 17:20–21 **52:9** Zij grepen de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla, in het land Chamat. Daar sprak hij recht over hem uit. Brontekst: וַֽיִּתְפְּשׂוּ֙ (vayitpesu) = en zij grepen | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וַיַּעֲל֨וּ (vayaalu) = en zij brachten omhoog | אֹת֜וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = naar | מֶ֧לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | רִבְלָ֖תָה (rivlata) = naar Ribla | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | חֲמָ֑ת (chamat) = Chamat | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | מִשְׁפָּטִֽים (mishpatim) = rechtsuitspraken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh. Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Hier staat ‘in het land Chamat’ al bij Ribla; in 2 Kon. 25:6 komt dat pas in vers 21. Ribla lag in het land Chamat. Voetnoot : מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsuitspraken’: een meervoud, ‘hij sprak vonnissen met hem uit’. 2 Kon. 25:6 heeft het werkwoord in het meervoud (‘zij spraken recht’). Hier is het de koning van Babel zelf. Zie ook: Num 13:21; Joz 13:5; 2 Kon 25:6; Jer 39:5; Jer 52:21; Ezech 21:30–32 **52:10** De koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia voor zijn ogen. Ook alle oversten van Juda slachtte hij in Ribla. Brontekst: וַיִּשְׁחַ֧ט (vayishchat) = en hij slachtte | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | לְעֵינָ֑יו (leeinav) = voor zijn ogen | וְגַ֛ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | שָׁחַ֥ט (shachat) = hij slachtte | בְּרִבְלָֽתָה (berivlata) = in Ribla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh. Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier. Voetnoot Uitleg: De woorden ‘ook alle oversten van Juda slachtte hij in Ribla’ staan hier, maar niet in 2 Kon. 25:7. Het bericht over Zedekia gaat in vers 11 verder. Zie ook: Gen 21:16; Deut 28:34; 2 Kon 25:7; Jer 22:30; Jer 39:6–7; Jer 52:11 **52:11** De ogen van Zedekia maakte hij blind. Hij bond hem met koperen ketenen, en de koning van Babel bracht hem naar Babel. Hij zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵינֵ֥י (einei) = ogen van | צִדְקִיָּ֖הוּ (tsidqiyahu) = Zedekia | עִוֵּ֑ר (iver) = hij maakte blind | וַיַּאַסְרֵ֣הוּ (vayaasrehu) = en hij bond hem | בַֽנְחֻשְׁתַּ֗יִם (banchushtayim) = met koperen ketenen | וַיְבִאֵ֤הוּ (vayviehu) = en hij bracht hem | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | בָּבֶ֔לָה (bavela) = naar Babel | וַיִּתְּנֵ֥הוּ (vayitenehu) = en hij zette hem | בֵֽית (beit) = huis van | הַפְּקֻדֹּ֖ת (hapequdot) = de bewaking | עַד (ad) = tot | י֥וֹם (yom) = dag van | מוֹתֽוֹ (moto) = zijn dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בֵית הַפְּקֻדֹּת (beit happequdot), ‘de gevangenis’: letterlijk ‘huis van de bewakingen’. Het woord komt alleen hier voor. De slotwoorden ‘tot de dag van zijn dood’ staan niet in 2 Kon. 25:7. Zie ook: 2 Kon 25:7; Jer 34:3–5; Ezech 12:13 ### De verwoesting van de stad en de tempel **52:12** In de vijfde maand, op de tiende van de maand, kwam Nebuzaradan naar Jeruzalem. Hij was de bevelhebber van de lijfwacht en stond voor de koning van Babel. Dat was het negentiende jaar van koning Nebukadnezar, de koning van Babel. Brontekst: וּבַחֹ֤דֶשׁ (uvachodesh) = en in de maand | הַֽחֲמִישִׁי֙ (hachamishi) = de vijfde | בֶּעָשׂ֣וֹר (beasor) = op de tiende | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הִ֗יא (hi) = dat | שְׁנַת֙ (shenat) = jaar van | תְּשַֽׁע (tesha) = negen | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | לַמֶּ֖לֶךְ (lamelekh) = van de koning | נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | בָּ֗א (ba) = kwam | נְבֽוּזַרְאֲדָן֙ (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֔ים (tabachim) = de lijfwacht | עָמַ֛ד (amad) = hij stond | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Hier staat de tiende dag van de vijfde maand; 2 Kon. 25:8 heeft de zevende dag. Wij laten beide staan zoals ze er staan. Voetnoot : עָמַד לִפְנֵי (amad lifnei), ‘stond voor’: een uitdrukking voor ‘dienen’. In 2 Kon. 25:8 staat עֶבֶד (eved), ‘dienaar’. Voetnoot : רַב טַבָּחִים (rav tabbachim), ‘bevelhebber van de lijfwacht’: letterlijk ‘overste van de slachters’. Zie 2 Kon. 25:8 en Gen. 37:36. Zie ook: Gen 37:36; 2 Kon 24:12; 2 Kon 25:8; Jer 39:9; Jer 52:29; Zach 8:19 **52:13** Hij verbrandde het huis van Yahweh, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ook elk groot huis verbrandde hij met vuur. Brontekst: וַיִּשְׂרֹ֥ף (vayisrof) = en hij verbrandde | אֶת (et) = (obj.) | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַמֶּ֑לֶךְ (hamelekh) = de koning | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | בָּתֵּ֧י (batei) = huizen van | יְרוּשָׁלִַ֛ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = elk | בֵּ֥ית (beit) = huis | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = het grote | שָׂרַ֥ף (saraf) = hij verbrandde | בָּאֵֽשׁ (baesh) = met vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כָּל בֵּית הַגָּדוֹל (kol beit haggadol): letterlijk ‘elk huis, het grote’. 2 Kon. 25:9 heeft ‘elk groot huis’. Bedoeld zijn de huizen van de aanzienlijken. Wij vertalen ‘elk groot huis’. Zie ook: Ps 79:1; 2 Kon 25:9; 2 Kron 36:19; Amos 2:5; Amos 3:10–11; Mi 3:12 **52:14** Heel het leger van de Chaldeeën dat bij de bevelhebber van de lijfwacht was, brak alle muren van Jeruzalem rondom af. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | חֹמ֥וֹת (chomot) = muren van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | נָֽתְצוּ֙ (natetsu) = braken af | כָּל (kal) = heel | חֵ֣יל (cheil) = leger van | כַּשְׂדִּ֔ים (kasdim) = Chaldeeën | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | אֶת (et) = bij | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִֽים (tabachim) = de lijfwacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 2 Kon 25:10; Neh 1:3 **52:15** Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde een deel van de armsten van het volk weg. Hij voerde ook de rest van het volk weg dat in de stad was achtergebleven. Ook voerde hij de overlopers weg die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte. Brontekst: וּמִדַּלּ֨וֹת (umidalot) = en van de armsten van | הָעָ֜ם (haam) = het volk | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | יֶ֥תֶר (yeter) = de rest van | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַנִּשְׁאָרִ֣ים (hanisharim) = de achterblijvers | בָּעִ֗יר (bair) = in de stad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנֹּֽפְלִים֙ (hanofelim) = de overlopers | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נָֽפְלוּ֙ (nafelu) = liepen over | אֶל (el) = naar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | יֶ֣תֶר (yeter) = de rest van | הָֽאָמ֑וֹן (haamon) = de menigte | הֶגְלָ֕ה (hegla) = voerde weg | נְבוּזַרְאֲדָ֖ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִֽים (tabachim) = de lijfwacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: וּמִדַּלּוֹת (umiddallot), ‘een deel van de armsten’: deze woorden staan niet in 2 Kon. 25:11, en vers 16 zegt dat een deel van de armsten juist werd achtergelaten. Het Hebreeuws is hier moeilijk. Sommige oude vertalingen laten het begin van het vers weg. Voetnoot : הָאָמוֹן (ha’amon), ‘de menigte’: 2 Kon. 25:11 heeft הֶהָמוֹן (hehamon). De spelling hier is ongewoon; de betekenis lijkt gelijk. Het woord kan ook ‘ambachtslieden’ betekenen. Wij vertalen ‘de menigte’, zoals in Koningen. Zie ook: 2 Kon 25:11; Jer 15:1–2; Jer 52:16; Zach 14:2 **52:16** Van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, een deel achter, als wijngaardeniers en als akkerbouwers. Brontekst: וּמִדַּלּ֣וֹת (umidalot) = en van de armsten van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | הִשְׁאִ֕יר (hishir) = liet achter | נְבוּזַרְאֲדָ֖ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֑ים (tabachim) = de lijfwacht | לְכֹרְמִ֖ים (lekhoremim) = als wijngaardeniers | וּלְיֹגְבִֽים (uleyogevim) = en als akkerbouwers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier wordt Nebuzaradan bij naam genoemd; in 2 Kon. 25:12 staat alleen ‘de bevelhebber van de lijfwacht’. Zie ook 2 Kon. 25:12 voor ‘wijngaardeniers’ en ‘akkerbouwers’. Zie ook: 2 Kon 25:12; Jer 39:9–10; Jer 40:5–7; Ezech 33:24 ### De voorwerpen van de tempel **52:17** De Chaldeeën braken de koperen pilaren, die bij het huis van Yahweh stonden, in stukken. Ook de onderstellen en de koperen zee, die in het huis van Yahweh stond, braken zij in stukken. Zij namen al het koper daarvan mee naar Babel. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמּוּדֵ֨י (amudei) = pilaren van | הַנְּחֹ֜שֶׁת (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְבֵית (leveit) = van het huis van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּכֹנ֞וֹת (hamekhonot) = de onderstellen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יָ֧ם (yam) = zee van | הַנְּחֹ֛שֶׁת (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּבֵית (beveit) = in het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שִׁבְּר֣וּ (shiberu) = braken | כַשְׂדִּ֑ים (kasdim) = Chaldeeën | וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en zij namen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | נְחֻשְׁתָּ֖ם (nechushtam) = hun koper | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: De pilaren, de onderstellen en de zee maakte Hiram voor Salomo (1 Kon. 7:15–39). Zie ook: 1 Kon 7:15–39; 1 Kon 7:50; 2 Kron 4:12–15; 2 Kron 36:18; Jer 27:19–22; Jer 52:21–23 **52:18** Ook de potten, de scheppen, de snuitscharen, de sprengschalen, de schalen en alle koperen voorwerpen waarmee zij dienst deden, namen zij mee. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַ֠סִּרוֹת (hasirot) = de potten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיָּעִ֨ים (hayaim) = de scheppen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַֽמְזַמְּר֜וֹת (hamzamerot) = de snuitscharen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְרָקֹ֣ת (hamizraqot) = de sprengschalen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכַּפּ֗וֹת (hakapot) = de schalen | וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֧י (kelei) = voorwerpen van | הַנְּחֹ֛שֶׁת (hanechoshet) = het koper | אֲשֶׁר (asher) = die | יְשָׁרְת֥וּ (yesharetu) = zij deden dienst | בָהֶ֖ם (bahem) = daarmee | לָקָֽחוּ (laqachu) = zij namen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘sprengschalen’ (מִזְרָקוֹת, mizraqot) staan hier ook in deze reeks; in 2 Kon. 25:14 niet. Zie ook: Ex 25:29; Ex 27:3; Num 4:14; 1 Kon 7:40; 1 Kon 7:45; 2 Kon 25:14 **52:19** Ook de bekkens, de vuurpannen, de sprengschalen, de potten, de kandelaars, de schalen en de offerschalen nam de bevelhebber van de lijfwacht mee. Hij nam wat geheel van goud was en wat geheel van zilver was. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַ֠סִּפִּים (hasipim) = de bekkens | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמַּחְתּ֨וֹת (hamachtot) = de vuurpannen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּזְרָק֜וֹת (hamizraqot) = de sprengschalen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַסִּיר֣וֹת (hasirot) = de potten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּנֹר֗וֹת (hamenorot) = de kandelaars | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכַּפּוֹת֙ (hakapot) = de schalen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמְּנַקִי֔וֹת (hamenaqiot) = de offerschalen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | זָהָב֙ (zahav) = goud | זָהָ֔ב (zahav) = geheel | וַאֲשֶׁר (vaasher) = en die | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | כָּ֑סֶף (kasef) = geheel | לָקַ֖ח (laqach) = nam | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִֽים (tabachim) = de lijfwacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers noemt meer voorwerpen dan 2 Kon. 25:15: הַסִּפִּים (sippim), ‘bekkens’, סִירוֹת (sirot), ‘potten’, מְנֹרוֹת (menorot), ‘kandelaars’, כַּפּוֹת (kappot), ‘schalen’ en הַמְּנַקִיוֹת (menaqqiyyot), ‘offerschalen’. Vergelijk 1 Kon. 7:50. Voetnoot : De herhaling ‘goud, goud’ en ‘zilver, zilver’ betekent ‘geheel van goud’ en ‘geheel van zilver’. Zie ook: Ex 25:31–39; Lev 26:12; Num 17:11; 1 Kon 7:49–50; 1 Kon 7:50; 2 Kon 25:15; Openb 8:3–5 **52:20** De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen runderen onder de onderstellen had koning Salomo voor het huis van Yahweh gemaakt. Het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen. Brontekst: הָעַמּוּדִ֣ים (haamudim) = de pilaren | שְׁנַ֗יִם (shenayim) = twee | הַיָּ֤ם (hayam) = de zee | אֶחָד֙ (echad) = één | וְהַבָּקָ֞ר (vehabaqar) = en de runderen | שְׁנֵים (sheneim) = twee | עָשָׂ֤ר (asar) = tien | נְחֹ֨שֶׁת֙ (nechoshet) = koper | אֲשֶׁר (asher) = die | תַּ֣חַת (tachat) = onder | הַמְּכֹנ֔וֹת (hamekhonot) = de onderstellen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָׂ֛ה (asa) = maakte | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | שְׁלֹמֹ֖ה (shelomo) = Salomo | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹא (lo) = niet | הָיָ֣ה (haya) = was | מִשְׁקָ֔ל (mishqal) = gewicht | לִנְחֻשְׁתָּ֖ם (linchushtam) = voor hun koper | כָּל (kal) = alle | הַכֵּלִ֥ים (hakelim) = de voorwerpen | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staan de twaalf koperen runderen ‘onder de onderstellen’; in 1 Kon. 7:25 staan ze onder de zee. Wij laten de tekst staan zoals hij is. Voetnoot : Het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen: zo ook 2 Kon. 25:16 en 1 Kon. 7:47. Zie ook: 1 Kron 22:14; 1 Kon 7:25; 1 Kon 7:47; 2 Kon 25:16; 2 Kron 4:18 **52:21** Wat de pilaren betreft: de ene pilaar was 18 el hoog. Een draad van 12 el omspande hem. Zijn dikte was vier vingers, en hij was hol. Brontekst: וְהָעַמּוּדִ֗ים (vehaamudim) = en de pilaren | שְׁמֹנֶ֨ה (shemone) = acht | עֶשְׂרֵ֤ה (esre) = tien | אַמָּה֙ (ama) = el | קוֹמַת֙ (qomat) = hoogte van | הָעַמֻּ֣ד (haamud) = de pilaar | הָאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | וְח֛וּט (vechut) = en een draad van | שְׁתֵּים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | אַמָּ֖ה (ama) = el | יְסֻבֶּ֑נּוּ (yesubenu) = omspande hem | וְעָבְי֛וֹ (veaveyo) = en zijn dikte | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | אַצְבָּע֖וֹת (atsbaot) = vingers | נָבֽוּב (navuv) = hol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 21–23 beschrijven de pilaren uitvoeriger dan 2 Kon. 25:17. Vergelijk 1 Kon. 7:15–22. Een el is ongeveer 45 cm: 18 el is ongeveer 8 meter en 12 el ongeveer 5,4 meter. Voetnoot : חוּט (chut), ‘draad’: een meetsnoer dat om de pilaar werd gelegd. Zie ook: 1 Kon 7:15–21; 2 Kon 25:17; 2 Kron 3:15–17 **52:22** Een kapiteel van koper zat erop. Het ene kapiteel was 5 el hoog. Rondom het kapiteel zaten een netwerk en granaatappels. Alles was van koper. Zo was ook de tweede pilaar, met granaatappels. Brontekst: וְכֹתֶ֨רֶת (vekhoteret) = en kapiteel van | עָלָ֜יו (alav) = erop | נְחֹ֗שֶׁת (nechoshet) = koper | וְקוֹמַ֨ת (veqomat) = en hoogte van | הַכֹּתֶ֥רֶת (hakoteret) = het kapiteel | הָאַחַת֮ (haachat) = het ene | חָמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | אַמּוֹת֒ (amot) = el | וּשְׂבָכָ֨ה (usevakha) = en netwerk | וְרִמּוֹנִ֧ים (verimonim) = en granaatappels | עַֽל (al) = op | הַכּוֹתֶ֛רֶת (hakoteret) = het kapiteel | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | הַכֹּ֣ל (hakol) = alles | נְחֹ֑שֶׁת (nechoshet) = koper | וְכָאֵ֛לֶּה (vekhaele) = en zoals deze | לַֽעַמּ֥וּד (laamud) = voor de pilaar | הַשֵּׁנִ֖י (hasheni) = de tweede | וְרִמּוֹנִֽים (verimonim) = en granaatappels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het kapiteel is hier 5 el hoog, zoals in 1 Kon. 7:16. In 2 Kon. 25:17 is het 3 el. Wij laten beide getallen staan. Zie ook: Ex 28:14–22; Ex 28:25; 1 Kon 7:16; 2 Kon 25:17; 2 Kron 3:15; 2 Kron 4:12–13 **52:23** Er waren 96 granaatappels aan de zijkant. Alle granaatappels samen, rondom op het netwerk, waren er 100. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | הָֽרִמֹּנִ֔ים (harimonim) = de granaatappels | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | וְשִׁשָּׁ֖ה (veshisha) = en zes | ר֑וּחָה (rucha) = naar de zijkant | כָּל (kal) = alle | הָרִמּוֹנִ֥ים (harimonim) = de granaatappels | מֵאָ֛ה (mea) = honderd | עַל (al) = op | הַשְּׂבָכָ֖ה (hasevakha) = het netwerk | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחָה (ruchah), ‘aan de zijkant’: letterlijk ‘naar de wind toe’. Waarschijnlijk zijn de 96 granaatappels die aan de buitenkant te zien waren; in totaal waren er 100 rondom. In 1 Kon. 7:20 en 42 staan andere getallen (200 per rij en 400 in totaal). Wij laten de getallen staan. Zie ook: 1 Kon 7:20 ### De leiders worden naar Ribla gebracht **52:24** De bevelhebber van de lijfwacht nam Seraja gevangen, de hoofdpriester, en Sefanja, de tweede priester, en de drie bewakers van de drempel. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֗ים (tabachim) = de lijfwacht | אֶת (et) = (obj.) | שְׂרָיָה֙ (seraya) = Seraja | כֹּהֵ֣ן (kohen) = priester | הָרֹ֔אשׁ (harosh) = het hoofd | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צְפַנְיָ֖ה (tsefanya) = Sefanja | כֹּהֵ֣ן (kohen) = priester | הַמִּשְׁנֶ֑ה (hamishne) = de tweede | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁלֹ֖שֶׁת (sheloshet) = drie | שֹׁמְרֵ֥י (shomerei) = bewakers van | הַסַּֽף (hasaf) = de drempel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 5:40; 2 Kon 25:18; Jer 21:1; Jer 35:4; Jer 37:3 **52:25** Uit de stad nam hij een hofdienaar, die bevelhebber was over de krijgsmannen. Hij nam ook zeven mannen die het gezicht van de koning zagen en die in de stad gevonden werden. Hij nam ook de schrijver van de legeroverste, die het volk van het land voor het leger opriep. Ook nam hij 60 man van het volk van het land die midden in de stad gevonden werden. Brontekst: וּמִן (umin) = en uit | הָעִ֡יר (hair) = de stad | לָקַח֩ (laqach) = hij nam | סָרִ֨יס (saris) = hofdienaar | אֶחָ֜ד (echad) = één | אֲֽשֶׁר (asher) = die | הָיָ֥ה (haya) = was | פָקִ֣יד (paqid) = bevelhebber | עַל (al) = over | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | הַמִּלְחָמָ֗ה (hamilchama) = de oorlog | וְשִׁבְעָ֨ה (veshiva) = en zeven | אֲנָשִׁ֜ים (anashim) = mannen | מֵרֹאֵ֤י (meroei) = die zien | פְנֵי (penei) = het gezicht van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נִמְצְא֣וּ (nimtseu) = werden gevonden | בָעִ֔יר (bair) = in de stad | וְאֵ֗ת (veet) = en (obj.) | סֹפֵר֙ (sofer) = schrijver van | שַׂ֣ר (sar) = overste van | הַצָּבָ֔א (hatsava) = het leger | הַמַּצְבִּ֖א (hamatsbi) = die opriep | אֶת (et) = (obj.) | עַ֣ם (am) = het volk van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְשִׁשִּׁ֥ים (veshishim) = en zestig | אִישׁ֙ (ish) = man | מֵעַ֣ם (meam) = uit het volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | הַֽנִּמְצְאִ֖ים (hanimtseim) = die gevonden werden | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier staan ‘zeven mannen’ die het gezicht van de koning zagen; 2 Kon. 25:19 heeft ‘vijf’. Wij laten beide getallen staan. Voetnoot : סֹפֵר שַׂר הַצָּבָא (sofer sar hatsava), ‘de schrijver van de legeroverste’: zie de toelichting bij 2 Kon. 25:19, waar het Hebreeuws ook ‘de schrijver, de legeroverste’ toelaat. Voetnoot : ‘Midden in de stad’ (betokh ha’ir) staat hier tegenover ‘in de stad’ in 2 Kon. 25:19. Zie ook: 2 Kon 25:19; Est 1:14; Mat 18:10 **52:26** Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel, naar Ribla. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | נְבוּזַרְאֲדָ֖ן (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֑ים (tabachim) = de lijfwacht | וַיֹּ֧לֶךְ (vayolekh) = en hij leidde | אוֹתָ֛ם (otam) = hen | אֶל (el) = naar | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | רִבְלָֽתָה (rivlata) = naar Ribla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh. Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier. **52:27** De koning van Babel sloeg hen neer en doodde hen in Ribla, in het land Chamat. En Juda werd van zijn grond weggevoerd. Brontekst: וַיַּכֶּ֣ה (vayake) = en hij sloeg | אוֹתָם֩ (otam) = hen | מֶ֨לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֧ל (bavel) = Babel | וַיְמִתֵ֛ם (vaymitem) = en hij doodde hen | בְּרִבְלָ֖ה (berivla) = in Ribla | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | חֲמָ֑ת (chamat) = Chamat | וַיִּ֥גֶל (vayigel) = en werd weggevoerd | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | מֵעַ֥ל (meal) = van op | אַדְמָתֽוֹ (admato) = zijn grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh. Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Dit vers is gelijk aan 2 Kon. 25:21. ‘En Juda werd van zijn grond weggevoerd’ staat ook in 2 Kon. 17:23, over Israël. Het bericht dat in 2 Kon. 25:22–26 volgt (Gedalja en de moord op hem), staat in Jeremia in de hoofdstukken 40–41. Zie ook: 2 Kon 17:23; 2 Kon 25:21; 2 Kon 25:22–26; Jes 27:10; Mi 4:10; Jer 25:9–11; Ezech 8:11–18; Ezech 33:28 ### De getallen van de wegvoeringen **52:28** Dit is het volk dat Nebukadnezar wegvoerde: in het zevende jaar 3023 Judeeërs. Brontekst: זֶ֣ה (ze) = dit | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הֶגְלָ֖ה (hegla) = wegvoerde | נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֑ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | בִּשְׁנַת (bishnat) = in het jaar | שֶׁ֕בַע (sheva) = zeven | יְהוּדִ֕ים (yehudim) = Judeeërs | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 28–30 staan alleen in Jeremia. Ze noemen drie wegvoeringen met hun aantallen. 2 Kon. 24:12–16 en 25:11 beschrijven wegvoeringen uit dezelfde tijd, met andere jaren en andere getallen (2 Kon. 24:12 noemt het achtste jaar, 24:14 en 24:16 noemen 10.000 en 7000 + 1000). De jaren in de verzen 28–30 zijn jaren van Nebukadnezar. Wij laten de getallen staan. Voetnoot : יְהוּדִים (yehudim), ‘Judeeërs’: mensen uit Juda, zoals in 2 Kon. 25:25. Zie ook: 2 Kon 24:2–3; 2 Kon 24:12–16; 2 Kon 25:11; 2 Kon 25:25; 2 Kron 36:20; Dan 1:1–3 **52:29** In het achttiende jaar van Nebukadnezar werden uit Jeruzalem 832 personen weggevoerd. Brontekst: בִּשְׁנַ֛ת (bishnat) = in het jaar | שְׁמוֹנֶ֥ה (shemone) = acht | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | לִנְבֽוּכַדְרֶאצַּ֑ר (linvukhadretsar) = van Nebukadnezar | מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (mirushalaim) = uit Jeruzalem | נֶ֕פֶשׁ (nefesh) = personen | שְׁמֹנֶ֥ה (shemone) = acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘persoon’: letterlijk ‘ziel’, hier het getal van mensen, zoals in Gen. 46:26. Zie ook: Gen 12:5; Gen 46:26; Ex 1:5; 2 Kon 25:11; Jer 39:9; Jer 52:12 **52:30** In het drieëntwintigste jaar van Nebukadnezar voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, 745 Judeeërs weg. In totaal waren het 4600 personen. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | וְעֶשְׂרִים֮ (veesrim) = en twintig | לִנְבֽוּכַדְרֶאצַּר֒ (linvukhadretsar) = van Nebukadnezar | הֶגְלָ֗ה (hegla) = voerde weg | נְבֽוּזַרְאֲדָן֙ (nevuzaradan) = Nebuzaradan | רַב (rav) = bevelhebber van | טַבָּחִ֔ים (tabachim) = de lijfwacht | יְהוּדִ֕ים (yehudim) = Judeeërs | נֶ֕פֶשׁ (nefesh) = personen | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | וַחֲמִשָּׁ֑ה (vachamisha) = en vijf | כָּל (kal) = alle | נֶ֕פֶשׁ (nefesh) = personen | אַרְבַּ֥עַת (arbaat) = vier | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵאֽוֹת (meot) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De getallen van de verzen 28–30 samen: 3023 + 832 + 745 = 4600. Dat is het getal aan het slot van dit vers. Zie ook: Jer 6:9; Jer 52:15 ### Jojachin wordt vrijgelaten **52:31** Het was in het 37e jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda. In de twaalfde maand, op de 25e van de maand, verhief Evil-Merodach, de koning van Babel, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda. Dat was in het jaar waarin hij koning werd. Hij haalde hem uit de gevangenis. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | בִשְׁלֹשִׁ֨ים (bishloshim) = in dertig | וָשֶׁ֜בַע (vasheva) = en zeven | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | לְגָלוּת֙ (legalut) = van de ballingschap van | יְהוֹיָכִ֣ן (yehoyakhin) = Jojachin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | בִּשְׁנֵ֤ים (bishneim) = in twee | עָשָׂר֙ (asar) = tien | חֹ֔דֶשׁ (chodesh) = maand | בְּעֶשְׂרִ֥ים (beesrim) = op twintig | וַחֲמִשָּׁ֖ה (vachamisha) = en vijf | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | נָשָׂ֡א (nasa) = verhief | אֱוִ֣יל (evil) = Evil | מְרֹדַךְ֩ (merodakh) = Merodach | מֶ֨לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֜ל (bavel) = Babel | בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar van | מַלְכֻת֗וֹ (malkhuto) = zijn koning worden | אֶת (et) = (obj.) | רֹאשׁ֙ (rosh) = het hoofd van | יְהוֹיָכִ֣ין (yehoyakhin) = Jojachin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיֹּצֵ֥א (vayotse) = en hij haalde uit | אוֹת֖וֹ (oto) = hem | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | הַכְּלֽוּא (hakelu) = de gevangenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Hier staat de 25e dag van de twaalfde maand; 2 Kon. 25:27 heeft de 27e dag. Wij laten beide staan. Voetnoot : מִבֵּית הַכְּלוּא (mibbeit hakkelu), ‘uit de gevangenis’: letterlijk ‘uit het huis van de gevangenen’. Zie ook: Gen 40:13; Ps 3:4; Ps 27:6; Spr 21:1; 2 Kon 25:27–30 **52:32** Hij sprak vriendelijk met hem. Hij plaatste zijn troon boven de troon van de koningen die bij hem in Babel waren. Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | טֹב֑וֹת (tovot) = goede dingen | וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en hij plaatste | אֶת (et) = (obj.) | כִּסְא֔וֹ (kiso) = zijn troon | מִמַּ֗עַל (mimaal) = boven | לְכִסֵּ֧א (lekhise) = de troon van | הַמְּלָכִ֛ים (hamelakhim) = de koningen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | בְּבָבֶֽל (bevavel) = in Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: טֹבוֹת (tovot), ‘goede dingen’: vriendelijke woorden, zoals in 2 Kon. 25:28. Zie ook: Spr 12:25; 2 Kon 25:28; Jer 27:6–11; Dan 2:37; Dan 5:18–19 **52:33** Jojachin verwisselde zijn gevangeniskleren. Hij at voortdurend brood voor het aangezicht van de koning, alle dagen van zijn leven. Brontekst: וְשִׁנָּ֕ה (veshina) = en hij verwisselde | אֵ֖ת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֣י (bigdei) = kleren van | כִלְא֑וֹ (kilo) = zijn gevangenis | וְאָכַ֨ל (veakhal) = en hij at | לֶ֧חֶם (lechem) = brood | לְפָנָ֛יו (lefanav) = voor zijn aangezicht | תָּמִ֖יד (tamid) = voortdurend | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | חַיָּֽו (chayav) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat alleen ‘hij’. Wij schrijven ‘Jojachin’ voor de duidelijkheid. Ook ‘de koning’ bij ‘aangezicht’ is onze verduidelijking: er staat ‘voor zijn aangezicht’. Zie ook: Gen 41:14; Gen 41:42; 2 Sam 9:7; 2 Sam 9:13; 1 Kon 2:7 **52:34** Zijn toelage, een voortdurende toelage, werd hem door de koning van Babel gegeven: elke dag het deel van die dag. Dat duurde tot de dag van zijn dood, alle dagen van zijn leven. Brontekst: וַאֲרֻחָת֗וֹ (vaaruchato) = en zijn toelage | אֲרֻחַת֩ (aruchat) = toelage van | תָּמִ֨יד (tamid) = voortdurend | נִתְּנָה (nitena) = werd gegeven | לּ֜וֹ (lo) = aan hem | מֵאֵ֧ת (meet) = van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | דְּבַר (devar) = het deel van | י֥וֹם (yom) = de dag | בְּיוֹמ֖וֹ (beyomo) = op zijn dag | עַד (ad) = tot | י֣וֹם (yom) = dag van | מוֹת֑וֹ (moto) = zijn dood | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | חַיָּֽיו (chayav) = zijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: De woorden ‘tot de dag van zijn dood’ staan niet in 2 Kon. 25:30. Hiermee sluit het boek Jeremia af. Zie ook: 2 Sam 9:10; 2 Kon 25:30; Mat 6:11; Luc 11:3