# Jasher (ספר הישר, Sefer haYashar) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Jasher 1 _Adam, Eva en Kaïn_ ### Dit is het boek van de geschiedenis van Adam, die Elohim op de aarde schiep, op de dag dat Yahweh Elohim aarde en hemel maakte. **1:1** Elohim zei: **„Laten Wij de mens maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.”** En Elohim schiep de mens naar Zijn beeld. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אלהים (Elohim) = Elohim | נעשה (na'aseh) = laten Wij maken | אדם (adam) = een mens | בצלמנו (betsalmenu) = naar Ons beeld | כדמותנו (kidmutenu) = naar Onze gelijkenis | ויברא (vayivra) = en Hij schiep | אלהים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדם (ha'adam) = de mens | בצלמו (betsalmo) = naar Zijn beeld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: נעשה אדם בצלמנו כדמותנו (na’aseh adam betsalmenu kidmutenu), ‘laten Wij de mens maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis’, zijn dezelfde woorden als in Gen. 1:26. Voetnoot : De Hebreeuwse druk schrijft de Naam meestal met twee jod’s, een afkorting van Yahweh. In de woord-voor-woordweergave staat de volledige Naam. Zie ook: Gen 1:26; Gen 1:27 **1:2** Yahweh Elohim vormde de mens uit stof van de grond en blies in zijn neus de adem van het leven. Zo werd de mens een levend wezen dat kan spreken. Brontekst: וייצר (vayyitser) = en Hij vormde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלהים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדם (ha'adam) = de mens | עפר (afar) = stof | מן (min) = uit | האדמה (ha'adamah) = de grond | ויפח (vayyafach) = en Hij blies | באפיו (be'appav) = in zijn neus | נשמת (nishmat) = adem van | חיים (chayyim) = leven | ויהי (vayehi) = en hij werd | האדם (ha'adam) = de mens | לנפש (lenefesh) = tot een wezen | חיה (chayyah) = levend | מדבר (medabber) = sprekend Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: לנפש חיה מדבר (lenefesh chayyah medabber), ‘tot een levend wezen, sprekend’: bij Gen. 2:7 voegt deze tekst מדבר (medabber), ‘sprekend’, toe. Zie ook: Gen 2:7 **1:3** Yahweh zei: **„Het is niet goed dat de mens alleen is. Ik zal een hulp voor hem maken, tegenover hem.”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en Hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לא (lo) = niet | טוב (tov) = goed | היות (heyot) = zijn | האדם (ha'adam) = de mens | לבדו (levaddo) = alleen | אעשה (e'eseh) = Ik zal maken | לו (lo) = voor hem | עזר (ezer) = een hulp | כנגדו (keneggdo) = tegenover hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 2:18 **1:4** Yahweh liet een diepe slaap op de mens vallen en hij sliep. Hij nam één van zijn ribben weg, bouwde er vlees op, maakte haar tot een vrouw en bracht haar bij de mens. Adam werd wakker uit zijn slaap, en zie: een vrouw stond tegenover hem. Brontekst: ויפל (vayyappel) = en Hij liet vallen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | תרדמה (tardemah) = diepe slaap | על (al) = op | האדם (ha'adam) = de mens | ויישן (vayyishan) = en hij sliep | ויסר (vayyaser) = en Hij nam weg | צלע (tsela) = rib | אחת (achat) = één | מצלעותיו (mitsal'otav) = van zijn ribben | ויבן (vayiven) = en Hij bouwde | עליה (aleha) = erop | בשר (basar) = vlees | ויעש (vayya'as) = en Hij maakte | אותה (otah) = haar | לאשה (le'ishah) = tot een vrouw | ויביאה (vayeviehah) = en Hij bracht haar | אל (el) = naar | האדם (ha'adam) = de mens | ויקץ (vayyakets) = en hij werd wakker | אדם (adam) = Adam | משנתו (mishnato) = uit zijn slaap | והנה (vehinneh) = en zie | אשה (ishah) = een vrouw | עומדת (omedet) = stond | לנגדו (lenegdo) = tegenover hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 2:22 **1:5** Hij zei: „Dit is been van mijn gebeente. Zij zal vrouw heten, want uit de man is zij genomen.” Adam noemde haar Eva, want zij was de moeder van al wat leeft. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | זה (ze) = dit | עצם (etsem) = been | מעצמי (me'atsmi) = van mijn gebeente | היא (hi) = zij | ולה (uleh) = en aan haar | יקרא (yikkare) = zal genoemd worden | אשה (ishah) = vrouw | כי (ki) = want | מאיש (me'ish) = uit een man | לוקחה (lukkechah) = is genomen | זאת (zot) = deze | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | האדם (ha'adam) = Adam | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמה (shemah) = haar naam | חוה (Chavvah) = Eva | כי (ki) = want | היא (hi) = zij | היתה (hayetah) = zij was | אם (em) = moeder van | כל (kol) = al | חי (chai) = wat leeft Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:6** Elohim zegende hen en noemde hen Adam, op de dag dat Hij hen schiep. Yahweh Elohim zei: **„Wees vruchtbaar en word talrijk op de aarde en vul de aarde.”** Brontekst: ויברך (vayevarekh) = en Hij zegende | אותם (otam) = hen | אלהים (Elohim) = Elohim | ויקרא (vayikra) = en Hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמם (shemam) = hun naam | אדם (adam) = Adam | ביום (beyom) = op de dag | הבראם (hibbare'am) = hun geschapen worden | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלהים (Elohim) = Elohim | פרו (peru) = wees vruchtbaar | ורבו (urvu) = en word talrijk | בארץ (ba'arets) = op de aarde | ומלאו (umil'u) = en vul | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:7** Yahweh Elohim nam Adam en zijn vrouw en liet hen rusten in de tuin van Eden, om hem te bewerken en te bewaren. Hij gebood hun en zei: **„Van elke boom van de tuin mogen jullie eten. Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mogen jullie niet eten, want op de dag dat jullie ervan eten, zullen jullie zeker sterven.”** Brontekst: ויקח (vayikkach) = en Hij nam | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלהים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדם (ha'adam) = Adam | ואשתו (ve'ishto) = en zijn vrouw | ויניחם (vayyanichem) = en Hij liet hen rusten | בגן (began) = in de tuin van | עדן (Eden) = Eden | לעבדה (le'ovdah) = om haar te bewerken | ולשמרה (ulshomrah) = en haar te bewaren | ויצום (vayetsavvem) = en Hij gebood hun | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | מכל (mikkol) = van elke | עץ (ets) = boom | הגן (hagan) = van de tuin | אכול (akhol) = eten | תאכלו (tokhelu) = jullie mogen eten | ומעץ (umē'ets) = en van de boom | הדעת (hadda'at) = van de kennis | טוב (tov) = goed | ורע (vara) = en kwaad | לא (lo) = niet | תאכלו (tokhelu) = jullie mogen eten | ממנו (mimmennu) = ervan | כי (ki) = want | ביום (beyom) = op de dag | אכלכם (akhalkhem) = dat jullie eten | ממנו (mimmennu) = ervan | מות (mot) = sterven | תמות (tamutu) = jullie zullen sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Eden: zie Gen. 2:8 en 2:10–14. Zie ook: Gen 2:8; Gen 2:10 **1:8** Toen Elohim hen gezegend en geboden had, steeg Hij van hen op. Adam en zijn vrouw bleven in de tuin wonen, zoals Yahweh hun geboden had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | ברכם (berakhem) = Hij hen zegende | אלהים (Elohim) = Elohim | וכאשר (vekha'asher) = en toen | צום (tsivvam) = Hij hun gebood | ויעל (vayya'al) = en hij steeg op | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | האדם (ha'adam) = Adam | ואשתו (ve'ishto) = en zijn vrouw | בתוך (betokh) = midden in | הגן (hagan) = van de tuin | כמצות (kemitsvat) = volgens het gebod van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | צוה (tsivvah) = Hij had geboden | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:9** De slang, die Elohim met hen op de aarde had geschapen, kwam naar hen toe. Hij kwam naar hen toe om hen te verleiden het gebod van Elohim te overtreden dat Hij hun had gegeven. Brontekst: ויבא (vayavo) = en hij kwam | אליהם (aleihem) = tot hen | הנחש (hannachash) = de slang | אשר (asher) = die | ברא (bara) = schiep | אלהים (Elohim) = Elohim | אתם (ittam) = met hen | בארץ (ba'arets) = op de aarde | ויבא (vayavo) = en hij kwam | אליהם (aleihem) = tot hen | להדיחם (lehaddichem) = om hen te verleiden | לעבור (la'avor) = te overtreden | על (al) = op | מצות (mitsvat) = gebod van | אלהים (Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | צום (tsivvam) = Hij hun gebood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 3:1 **1:10** De slang verleidde de vrouw om van de boom van de kennis te eten, en de vrouw luisterde naar de stem van de slang. Zij overtrad het woord van Yahweh, nam van de boom van de kennis van goed en kwaad, at ervan, nam ervan en gaf ook aan haar man, en hij at. Brontekst: ויסת (vayyaset) = en hij zette aan | הנחש (hannachash) = de slang | ויפתה (vayefatteh) = en hij verleidde | את (et) = (lijdend voorwerp) | האשה (ha'ishah) = de vrouw | לאכול (le'ekhol) = om te eten | את (et) = (lijdend voorwerp) | עץ (ets) = boom | הדעת (hadda'at) = van de kennis | ותשמע (vattishma) = en zij luisterde | האשה (ha'ishah) = de vrouw | בקול (bekol) = naar de stem van | הנחש (hannachash) = de slang | ותעבור (vatta'avor) = en zij overtrad | את (et) = (lijdend voorwerp) | פי (pi) = het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ותקח (vattikkach) = en zij nam | מעץ (me'ets) = van de boom | הדעת (hadda'at) = van de kennis | טוב (tov) = goed | ורע (vara) = en kwaad | ותאכל (vattokhal) = en zij at | ותקח (vattikkach) = en zij nam | ממנו (mimmennu) = ervan | ותתן (vattitten) = en zij gaf | גם (gam) = ook | לאישה (le'ishah) = aan haar man | ממנו (mimmennu) = ervan | ויאכל (vayyokhal) = en hij at Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 3:6 **1:11** Adam en zijn vrouw overtraden het gebod van Elohim dat Hij hun had gegeven. Elohim wist het, Zijn toorn laaide tegen hen op en Hij vervloekte hen. Brontekst: ויעברו (vaya'avru) = en zij overtraden | האדם (ha'adam) = Adam | ואשתו (ve'ishto) = en zijn vrouw | על (al) = op | מצות (mitsvat) = gebod van | האלהים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | צום (tsivvam) = Hij hun gebood | וידע (vayyeda) = en Hij wist | אלהים (Elohim) = Elohim | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפו (appo) = Zijn toorn | בהם (bahem) = tegen hen | ויקללם (vayekallelem) = en Hij vervloekte hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:12** Yahweh Elohim verdreef hen die dag uit de tuin van Eden, om de grond te bewerken waaruit zij genomen waren. Zij gingen vandaar weg en gingen wonen ten oosten van de tuin van Eden. Adam had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij beviel van twee zonen en drie dochters. Brontekst: ויגרשם (vayegarshem) = en Hij verdreef hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלהים (Elohim) = Elohim | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | מגן (miggan) = uit de tuin van | עדן (Eden) = Eden | לעבוד (la'avod) = om te bewerken | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדמה (ha'adamah) = de grond | אשר (asher) = die | לוקחו (lukkechu) = zij genomen waren | משם (misham) = vandaar | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וישכנו (vayishkenu) = en zij gingen wonen | מקדם (miqqedem) = ten oosten | לגן (legan) = van de tuin van | עדן (Eden) = Eden | וידע (vayyeda) = en hij had gemeenschap met | אדם (adam) = Adam | את (et) = (lijdend voorwerp) | חוה (Chavvah) = Eva | אשתו (ishto) = zijn vrouw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | שני (shenei) = twee | בנים (banim) = zonen | ושלש (ushlosh) = en drie | בנות (banot) = dochters Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Ten oosten van de tuin van Eden: zie Gen. 3:24. Zie ook: Gen 3:24; Gen 4:1 ### Kaïn en Abel **1:13** De eerstgeborene noemde zij Kaïn, want zij zei: „Ik heb een man gekregen van Yahweh.” De tweede noemde zij Abel, want zij zei: „In ijdelheid zijn wij op de aarde gekomen, en in ijdelheid zullen wij daaruit weggenomen worden.” Brontekst: ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = naam | הבכור (habbekhor) = de eerstgeborene | קין (Qayin) = Kaïn | לאמר (lemor) = om te zeggen | קניתי (qaniti) = ik heb gekregen | איש (ish) = een man | מעם (me'im) = van bij | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שם (shem) = naam | השני (hasheni) = de tweede | קרא (qara) = noemde zij | הבל (Hevel) = Abel | כי (ki) = want | אמרה (amerah) = zei zij | בהבל (behevel) = in ijdelheid | באנו (ba'nu) = wij zijn gekomen | בארץ (ba'arets) = op de aarde | ובהבל (uvhevel) = en in ijdelheid | נוקח (nukkach) = zullen wij genomen worden | ממנו (mimmennu) = daaruit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: קניתי איש מעם יהוה (qaniti ish me’im Yahweh), ‘ik heb een man gekregen van Yahweh’: Gen. 4:1 heeft hier את־יהוה (et-Yahweh), ‘met behulp van Yahweh’. הבל (hevel) is ‘ijdelheid, adem’; Gen. 4:2 legt de naam Abel niet uit. Zie ook: Gen 4:1; Gen 4:2 **1:14** De jongens groeiden op en hun vader gaf hun een stuk grond in het land. Kaïn werd een bewerker van de grond en Abel een herder van kleinvee. Brontekst: ויגדלו (vayigdelu) = en zij groeiden op | הנערים (hanne'arim) = de jongens | ויתן (vayitten) = en gaf | להם (lahem) = aan hen | אביהם (avihem) = hun vader | אחוזה (achuzzah) = een stuk grond | בארץ (ba'arets) = in het land | ויהי (vayehi) = en hij werd | קין (Qayin) = Kaïn | עובד (oved) = bewerker van | אדמה (adamah) = grond | והבל (vehevel) = en Abel | רועה (ro'eh) = herder van | צאן (tson) = kleinvee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: אחוזה (achuzzah) is ‘bezit, een stuk grond dat je in bezit hebt’ (Gen. 17:8). Zie ook: Gen 17:8 **1:15** Na verloop van dagen en jaren brachten de jongens een offergave aan Yahweh. Kaïn bracht van de vrucht van de grond en Abel bracht van de eerstgeborenen van zijn kleinvee, van hun vet. Yahweh keek vriendelijk naar Abel en naar zijn offergave, en er kwam een vuur van Yahweh uit de hemel dat die verteerde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = aan het einde van | ימים (yamim) = dagen | ושנים (ushanim) = en jaren | ויקרבו (vayyaqrivu) = en zij brachten | הנערים (hanne'arim) = de jongens | קרבן (qorban) = een offer | מנחה (minchah) = gave | ליהוה (laYahweh) = aan Yahweh | ויבא (vayavo) = en hij bracht | קין (Qayin) = Kaïn | מפרי (miperi) = van de vrucht van | האדמה (ha'adamah) = de grond | והבל (vehevel) = en Abel | הביא (hevi) = bracht | מבכורות (mibbekhorot) = van de eerstgeborenen van | צאנו (tsono) = zijn kleinvee | ומחלביהן (umechelveihen) = en van hun vet | ויפן (vayyifen) = en Hij keerde Zich toe | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישע (vayyisha) = en Hij zag gunstig aan | אל (el) = naar | הבל (Hevel) = Abel | ואל (ve'el) = en naar | מנחתו (minchato) = zijn gave | ותרד (vattered) = en kwam neer | אש (esh) = vuur | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מן (min) = uit | השמים (hashamayim) = de hemel | ותאכלנה (vattokhalennah) = en verteerde haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ותאכלנה (vattokhalennah), ‘en het verteerde haar’: het vuur uit de hemel dat het offer verteert, wordt in Gen. 4:4 niet genoemd. Zie Lev. 9:24 en 1 Kon. 18:38. Zie ook: Gen 4:4; Lev 9:24; 1 Kon 18:38 **1:16** Maar naar Kaïn en naar zijn offergave keek Yahweh niet om en Hij zag die niet vriendelijk aan, want hij had van het slechtste van de vrucht van de grond voor Yahweh gebracht. Kaïn werd jaloers op zijn broer Abel vanwege dit, en hij zocht een voorwendsel om hem te doden. Brontekst: ואל (ve'el) = en naar | קין (Qayin) = Kaïn | ואל (ve'el) = en naar | מנחתו (minchato) = zijn gave | לא (lo) = niet | פנה (panah) = keerde Hij Zich toe | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ולא (velo) = en niet | שעה (sha'ah) = zag Hij gunstig aan | אליה (eleha) = naar haar | כי (ki) = want | הקריב (hiqriv) = hij had gebracht | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מרוע (mero'a) = van het slechtste van | פרי (peri) = vrucht van | האדמה (ha'adamah) = de grond | ויקנא (vayeqanne) = en hij werd jaloers | קין (Qayin) = Kaïn | בהבל (behevel) = op Abel | אחיו (achiv) = zijn broer | על (al) = vanwege | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויבקש (vayevaqqesh) = en hij zocht | למצוא (limtso) = te vinden | אליו (elav) = tegen hem | דבר (davar) = een reden | עלילה (alilah) = voorwendsel | להמיתו (lehamito) = om hem te doden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 4:5 ### Het gesprek in het veld **1:17** Enige tijd later gingen Kaïn en zijn broer Abel op een dag het veld in om hun werk te doen. Zij waren beiden in het veld: Kaïn ploegde zijn grond en Abel hoedde zijn kleinvee. Het kleinvee liep over de plek die Kaïn in het land geploegd had, en dit maakte Kaïn zeer kwaad. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מימים (miyyamim) = na enige tijd | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | קין (Qayin) = Kaïn | והבל (vehevel) = en Abel | אחיו (achiv) = zijn broer | בשדה (bassadeh) = in het veld | ביום (beyom) = op de dag | לעשות (la'asot) = om te doen | מלאכתם (melakhtam) = hun werk | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | שניהם (shenehem) = beiden | בשדה (bassadeh) = in het veld | ויהי (vayehi) = en hij was | קין (Qayin) = Kaïn | עובר (over) = trok voort | וחורש (vechoresh) = en ploegend | אדמתו (admato) = zijn grond | והבל (vehevel) = en Abel | רועה (ro'eh) = herder van | צאנו (tsono) = zijn kleinvee | ויעבור (vaya'avor) = en het trok over | הצאן (hatson) = het kleinvee | על (al) = over | מקום (maqom) = plek | החרישה (hacharishah) = van het ploegen | אשר (asher) = die | חרש (charash) = hij geploegd had | קין (Qayin) = Kaïn | בארץ (ba'arets) = in het land | ויחר (vayyichar) = en het laaide op | לקין (leqayin) = bij Kaïn | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = vanwege | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 4:8 **1:18** Kaïn ging in zijn woede naar zijn broer Abel toe en zei tegen hem: „Wat hebben jij en ik met elkaar te maken, dat jij bent gekomen om met je kleinvee in heel mijn land te wonen en te weiden?” Brontekst: ויגש (vayyigash) = en hij naderde | קין (Qayin) = Kaïn | אל (el) = tot | הבל (Hevel) = Abel | אחיו (achiv) = zijn broer | בחמתו (bechemato) = in zijn woede | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | מה (mah) = wat | לי (li) = voor mij | ולך (ulekha) = en voor jou | כי (ki) = dat | באת (ba'ta) = jij bent gekomen | אתה (attah) = jij | וצאנך (vetso'nkha) = en je kleinvee | לגור (lagur) = om te verblijven | ולרעות (ulre'ot) = en te weiden | בכל (bekhol) = in heel | ארצי (artsi) = mijn land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:19** Ook Abel antwoordde zijn broer Kaïn en zei tegen hem: „Wat hebben jij en ik met elkaar te maken, dat jij de opbrengst van mijn kleinvee eet en je kleedt met hun wol? Brontekst: ויען (vaya'an) = en hij antwoordde | גם (gam) = ook | הבל (Hevel) = Abel | את (et) = (lijdend voorwerp) | קין (Qayin) = Kaïn | אחיו (achiv) = zijn broer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | מה (mah) = wat | לי (li) = voor mij | ולך (ulekha) = en voor jou | אשר (asher) = dat | תאכל (tokhal) = jij eet | את (et) = (lijdend voorwerp) | פרי (peri) = vrucht van | צאני (tsoni) = mijn kleinvee | ולובש (velovesh) = en je kleedt je | את (et) = (lijdend voorwerp) | צמרם (tsimram) = hun wol Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:20** Leg nu de wol van mij af die je hebt aangetrokken, en betaal mij hun opbrengst en hun vlees terug dat je hebt gegeten. Als je dat doet, ga ik ook uit jouw land weg, zoals je hebt gezegd, of ik vlieg door de lucht, als ik dat kan.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הסר (hasser) = leg af | מעליך (me'alekha) = van je af | את (et) = (lijdend voorwerp) | צמרי (tsimri) = mijn wol | אשר (asher) = die | לבשת (lavashta) = je hebt aangetrokken | ושלם (veshillem) = en betaal | את (et) = (lijdend voorwerp) | פרים (parim) = hun opbrengst | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בשרם (besaram) = hun vlees | אשר (asher) = die | אכלת (akhalta) = je hebt gegeten | ויהי (vayehi) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = wanneer | תעשה (ta'aseh) = je doet | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | גם (gam) = ook | אנכי (anokhi) = ik | אצא (etse) = ga ik weg | מארצך (me'artsekha) = uit jouw land | כאשר (ka'asher) = zoals | אמרת (amarta) = je hebt gezegd | או (o) = of | אעוף (a'uf) = ik vlieg | בשמים (bashamayim) = in de hemel | אם (em) = indien | אוכל (ukhal) = ik kan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het woord פרים (parim) komt in deze tekst niet nog een keer voor. In vers 19 staat פרי (peri), ‘opbrengst’; hier is ook ‘opbrengst’ gelezen, met ‘hun’. **1:21** Kaïn zei tegen zijn broer Abel: „Als ik jou vandaag doodde, wie zou dan jouw bloed van mij opeisen?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | קין (Qayin) = Kaïn | אל (el) = tot | הבל (Hevel) = Abel | אחיו (achiv) = zijn broer | הלא (halo) = immers | אם (em) = als | הרגתי (haragti) = ik doodde | אותך (otekha) = jou | היום (hayyom) = vandaag | מי (mi) = wie | יבקש (yevaqqesh) = zal opeisen | דמך (damekha) = jouw bloed | ממני (mimmenni) = van mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:22** Abel antwoordde Kaïn: „Elohim, die ons op de aarde gemaakt heeft, Hij zal mijn zaak wreken en mijn bloed van je opeisen als je mij doodt. Want Yahweh is de Rechter, Hij is de Scheidsrechter, en Hij vergeldt ieder mens het kwaad naar zijn kwaad, en de goddeloze naar zijn goddeloosheid die hij op aarde doet. Brontekst: ויען (vaya'an) = en hij antwoordde | הבל (Hevel) = Abel | את (et) = (lijdend voorwerp) | קין (Qayin) = Kaïn | לאמר (lemor) = om te zeggen | הלא (halo) = immers | האלהים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gemaakt | אותנו (otanu) = ons | בארץ (ba'arets) = op de aarde | הוא (hu) = Hij | ינקום (yiqqom) = zal wreken | את (et) = (lijdend voorwerp) | נקמתי (niqmati) = mijn wraak | והוא (vehu) = en Hij | יבקש (yevaqqesh) = zal opeisen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דמי (dami) = mijn bloed | מאתך (me'ittekha) = van jou | אם (em) = als | תמיתני (temiteni) = je mij doodt | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הוא (hu) = Hij | השופט (hashofet) = de Rechter | הוא (hu) = Hij | הדיין (haddayyan) = de Scheidsrechter | והוא (vehu) = en Hij | המשיב (hammeshiv) = die vergeldt | לאיש (le'ish) = aan ieder mens | רעה (ra'ah) = kwaad | מרעתו (mera'ato) = naar zijn kwaad | ולרשע (velarasha) = en aan de goddeloze | כרשעתו (kerish'ato) = naar zijn goddeloosheid | אשר (asher) = die | יעשה (ya'aseh) = hij doet | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:23** En nu, als je mij werkelijk doodt, Elohim kent toch je verborgen plannen en zal je oordelen over het kwaad dat je vandaag gezegd hebt mij aan te doen.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אם (em) = als | המת (hamet) = werkelijk doden | תמיתני (temiteni) = je mij doodt | בזק (bezeq) = (onzeker woord) | הלא (halo) = immers | אלהים (Elohim) = Elohim | יודע (yode'a) = kent | מסתריך (mistarekha) = je verborgen plannen | וישפוט (veyishpot) = en Hij zal oordelen | אותך (otekha) = jou | על (al) = over | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | דברת (dibbarta) = je hebt gesproken | לעשות (la'asot) = om te doen | לי (li) = voor mij | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het woord בזק (bezeq) is niet vertaald. In Ezechiël 1:14 betekent הבזק (habbazaq) ‘de bliksemflits’; de Engelse vertaling van Noah (1840) heeft hier ‘hier’. Zie ook: Ezech 1:14 **1:24** Toen Kaïn alle woorden hoorde die zijn broer Abel gesproken had, laaide Kaïns toorn tegen zijn broer Abel op, omdat hij deze woorden had gesproken. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | קין (Qayin) = Kaïn | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = al | דברי (divrei) = woorden van | הבל (Hevel) = Abel | אחיו (achiv) = zijn broer | אשר (asher) = die | דבר (davar) = sprak | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אף (af) = toorn van | קין (Qayin) = Kaïn | על (al) = op | הבל (Hevel) = Abel | אחיו (achiv) = zijn broer | בדבר (bedabber) = omdat hij sprak | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = het woord | הזה (hazzeh) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:25** Haastig stond Kaïn op, nam het ijzer van zijn ploeg en sloeg daarmee plotseling zijn broer en doodde hem. Kaïn vergoot het bloed van zijn broer Abel op de grond, en het bloed van Abel stroomde over de aarde voor het kleinvee. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | קין (Qayin) = Kaïn | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | ברזל (barzel) = ijzer | כלי (keli) = werktuig van | המחרשה (hammacharesha) = de ploeg | אשר (asher) = die | לו (lo) = voor hem | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | בה (bah) = daarmee | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broer | פתאום (pit'om) = plotseling | וימיתהו (vayemitehu) = en hij doodde hem | וישפוך (vayishpokh) = en hij vergoot | קין (Qayin) = Kaïn | את (et) = (lijdend voorwerp) | דמי (dami) = bloed van | הבל (Hevel) = Abel | אחיו (achiv) = zijn broer | ארצה (artsah) = naar de grond | וירץ (vayyarots) = en stroomde | דם (dam) = bloed van | הבל (Hevel) = Abel | לפני (lifnei) = voor | הצאן (hatson) = het kleinvee | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:26** Daarna kreeg Kaïn spijt dat hij zijn broer had gedood. Hij was zeer bedroefd, huilde om hem en het bleef hem zeer dwarszitten. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | וינחם (vayyinnachem) = en hij kreeg spijt | קין (Qayin) = Kaïn | על (al) = over | אשר (asher) = dat | המית (hemit) = hij had gedood | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broer | ויתעצב (vayit'atsev) = en hij werd bedroefd | מאד (me'od) = zeer | ויבכה (vayevke) = en hij weende | עליו (alav) = om hem | ויחר (vayyichar) = en het ontstak | לו (lo) = bij hem | מאד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:27** Kaïn stond op, groef een kuil in het veld, legde het lichaam van zijn broer erin en bracht de aarde erover terug. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | קין (Qayin) = Kaïn | ויחפור (vayachpor) = en hij groef | חפירה (chafirah) = een kuil | בשדה (bassadeh) = in het veld | ויתן (vayitten) = en hij legde | בה (bah) = erin | את (et) = (lijdend voorwerp) | גויית (geviyyat) = lichaam van | אחיו (achiv) = zijn broer | וישב (vayyashev) = en hij bracht terug | העפר (ha'afar) = het stof | עליו (alav) = om hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Yahweh en Kaïn **1:28** Yahweh wist wat Kaïn zijn broer had aangedaan. Yahweh verscheen aan Kaïn en zei tegen hem: **„Waar is Abel, je broer, die bij je was?”** Brontekst: וידע (vayyeda) = en Hij wist | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gemaakt | קין (Qayin) = Kaïn | לאחיו (le'achiv) = aan zijn broer | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | קין (Qayin) = Kaïn | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אי (ei) = waar | הבל (Hevel) = Abel | אחיך (achikha) = je broer | אשר (asher) = die | אתך (ittekha) = bij je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 4:10 **1:29** Kaïn ontkende en zei: „Ik weet het niet. Ben ik soms de hoeder van mijn broer?” Yahweh zei tegen hem: **„Wat heb je gedaan? De stem van het bloed van je broer schreeuwt naar Mij vanuit de grond waar je hem hebt gedood.** Brontekst: ויכחש (vayekhachesh) = en hij ontkende | קין (Qayin) = Kaïn | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לא (lo) = niet | ידעתי (yada'ti) = ik weet | השומר (hashomer) = de hoeder van | אחי (echi) = mijn broer | אנכי (anokhi) = ik | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מה (mah) = wat | עשית (asita) = je hebt gedaan | קול (qol) = stem van | דמי (dami) = bloed van | אחיך (achikha) = je broer | צועקים (tso'aqim) = schreeuwen | אלי (elai) = tot Mij | מן (min) = uit | האדמה (ha'adamah) = de grond | אשר (asher) = die | הרגת (haragta) = je hebt gedood | אותו (oto) = hem | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: דמי אחיך (demei achikha), ‘het bloed van je broer’, heeft een meervoud van bloed: zie Gen. 4:10. Zie ook: Gen 4:10 **1:30** **Want je hebt je broer gedood, Mij ontkend en in je hart bedacht: ‘Ik heb je niet gezien en ik weet niets van al je daden die je doet.’** Brontekst: כי (ki) = want | הרגת (haragta) = je hebt gedood | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיך (achikha) = je broer | ותכחש (vattekhachesh) = en je ontkende | אלי (elai) = tot Mij | ותחשוב (vattachshov) = en je dacht | בלבבך (bilvavekha) = in je hart | לאמר (lemor) = om te zeggen | לא (lo) = niet | ראיתיך (re'itikha) = ik heb je gezien | ולא (velo) = en niet | אדע (eda) = ik weet | כל (kol) = al | מעשיך (ma'asekha) = je daden | אשר (asher) = die | תעשה (ta'aseh) = je doet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **1:31** **Je hebt dit gedaan en je broer zomaar gedood, omdat hij je rechtuit gezegd had wat waar was. En nu: vervloekt ben je, weg van de grond die haar mond heeft geopend om het bloed van je broer uit jouw hand te nemen en waarin je hem hebt begraven.** Brontekst: ותעשה (vatta'aseh) = en je deed | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ותמית (vattamet) = en je doodde | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיך (achikha) = je broer | חנם (chinnam) = zomaar | על (al) = op | אשר (asher) = die | דבר (davar) = sprak | אליך (elekha) = tegen je | נכונה (nekhonah) = naar waarheid | ועתה (ve'attah) = en nu | ארור (arur) = vervloekt | אתה (attah) = jij | מן (min) = uit | האדמה (ha'adamah) = de grond | אשר (asher) = die | פצתה (patsetah) = zij opende | את (et) = (lijdend voorwerp) | פיה (piha) = haar mond | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דמי (dami) = bloed van | אחיך (achikha) = je broer | מידך (miyyadekha) = uit jouw hand | ואשר (va'asher) = en waarin | קברת (qavarta) = je hebt begraven | אותו (oto) = hem | בה (bah) = daarin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: נכונה (nekhonah), ‘rechtuit, naar waarheid’: Abel had Kaïn gezegd wat waar was (vers 22–23). Zie ook: Gen 4:11; Gen 4:12 **1:32** **Als je haar bewerkt, zal zij je haar kracht niet meer geven zoals in het begin. Want doorns en distels zal de grond voor je laten groeien, en een onrustige zwerver zul je zijn op de aarde tot de dag van je dood.”** Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כי (ki) = wanneer | תעבוד (ta'avod) = je bewerkt | אותה (otah) = haar | לא (lo) = niet | תוסף (tosef) = zal zij toevoegen | תת (tet) = te geven | כחה (kochah) = haar kracht | לך (lekha) = aan jou | כאשר (ka'asher) = zoals | בתחלה (battechillah) = in het begin | כי (ki) = want | קוץ (qots) = doorn | ודרדר (vedardar) = en distel | תצמיח (tatsmiach) = zal doen groeien | לך (lekha) = aan jou | האדמה (ha'adamah) = de grond | ונע (vana) = en zwervend | ונד (vanad) = en dolend | תהיה (tihyeh) = je zult zijn | בארץ (ba'arets) = op de aarde | עד (ad) = tot | יום (yom) = dag van | מותך (motekha) = je dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: קוץ ודרדר (qots vedardar), ‘doorn en distel’, zijn dezelfde woorden als in Gen. 3:18. Zie ook: Gen 3:18 ### Kaïn trekt weg **1:33** In die tijd ging Kaïn weg uit de nabijheid van Yahweh, van de plaats waar hij was, en hij trok onrustig zwervend rond in het gebied ten oosten van Eden, hij en alles wat hij had. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | קין (Qayin) = Kaïn | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | מלפני (millifnei) = uit de nabijheid van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מן (min) = uit | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | היה (hayah) = hij was | שם (shem) = daar | וילך (vayelekh) = en hij ging | נע (na) = zwervend | ונודד (venoded) = en dolend | בארץ (ba'arets) = in het land | קדמת (qidmat) = ten oosten van | עדן (Eden) = Eden | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: קדמת עדן (qidmat Eden), ‘ten oosten van Eden’: zie Gen. 4:16. Zie ook: Gen 4:16 **1:34** Kaïn had in die dagen gemeenschap met zijn vrouw. Ze werd zwanger en beviel van een zoon. Hij noemde hem Henoch, want, zei hij: „In deze tijd begint Hij hem rust te geven en hem stil te maken op de aarde.” Brontekst: וידע (vayyeda) = en hij had gemeenschap met | קין (Qayin) = Kaïn | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשתו (ishto) = zijn vrouw | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לו (lo) = aan hem | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | חנוך (Chanokh) = Henoch | לאמר (lemor) = zeggende | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | החל (hechel) = begon Hij | להניחו (lehaniacho) = hem rust te geven | ולהשקיטו (ulehashqito) = en hem stil te maken | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 4:17 **1:35** Ook in die tijd begon Kaïn een nederzetting te bouwen. Hij bouwde de nederzetting en noemde haar Henoch, naar de naam van zijn zoon, want Yahweh had hem in die dagen rust gegeven op de aarde, en hij zwierf en dwaalde niet meer zoals in het begin. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | החיל (hechil) = begon | קין (Qayin) = Kaïn | לבנות (livnot) = te bouwen | עיר (ir) = nederzetting | ויבנה (vayiven) = en hij bouwde | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de nederzetting | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = naam | העיר (ha'ir) = de nederzetting | חנוך (Chanokh) = Henoch | כשם (keshem) = naar de naam van | בנו (beno) = zijn zoon | כי (ki) = want | הנח (henich) = Hij had rust gegeven | לו (lo) = aan hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בארץ (ba'arets) = op de aarde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ולא (velo) = en niet | נע (na) = zwervend | ולא (velo) = en niet | נד (nad) = dolend | כבתחלה (kabbetechillah) = zoals in het begin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: עיר (ir) is hier ‘nederzetting’, zoals in Gen. 4:17. Zie ook: Gen 4:17 **1:36** Henoch kreeg een zoon, Irad. Irad was de vader van Mechujaël, en Mechujaël de vader van Metusaël, en Metusaël de vader van Lemech. Brontekst: ויולד (vayyolid) = en werd geboren | לחנוך (lechanokh) = aan Henoch | את (et) = (lijdend voorwerp) | עירד (Irad) = Irad | ועירד (ve'Irad) = en Irad | ילד (yalad) = werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | מחויאל (Mechuya'el) = Mechujaël | ומחויאל (umChuya'el) = en Mechujaël | ילד (yalad) = werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | מתושאל (Metusha'el) = Metusaël | ומתושאל (umMetusha'el) = en Metusaël | ילד (yalad) = werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | למך (Lemekh) = Lemech Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het geslacht gaat in Gen. 4:18 verder tot Lemech. Zie ook: Gen 4:18 ## Jasher 2 _Seth en Enosh; Kenan; Lemech en Kaïn_ ### Seth en Enosh **2:1** Het was in het honderddertigste jaar van het leven van Adam op de aarde dat Adam opnieuw gemeenschap had met zijn vrouw Eva. Ze werd zwanger en beviel van een zoon, naar zijn gelijkenis, naar zijn beeld. Ze noemde hem Seth, want, zei ze: „Elohim heeft mij een andere nakomeling gegeven in plaats van Abel, omdat Kaïn hem gedood heeft.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het was | בשנת (bishnat) = in het jaar | שלשים (sheloshim) = dertig | שנה (shanah) = jaar | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אדם (adam) = Adam | בארץ (ba'arets) = op de aarde | וידע (vayyeda) = en hij had gemeenschap met | אדם (adam) = Adam | עוד (od) = opnieuw | את (et) = (lijdend voorwerp) | חוה (Chavvah) = Eva | אשתו (ishto) = zijn vrouw | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | בדמותו (bidmuto) = naar zijn gelijkenis | כצלמו (ketsalmo) = naar zijn beeld | ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | שת (Shet) = Seth | לאמר (lemor) = om te zeggen | כי (ki) = want | שת (Shet) = heeft gesteld | לי (li) = voor mij | אלהים (Elohim) = Elohim | זרע (zera) = nakomeling | אחר (acher) = een andere | תחת (tachat) = in plaats van | הבל (Hevel) = Abel | כי (ki) = want | הרגו (haragho) = heeft hem gedood | קין (Qayin) = Kaïn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: שת (Shet), ‘Seth’: de uitleg van de naam, ‘Elohim heeft mij een andere nakomeling gegeven in plaats van Abel’, staat ook in Gen. 4:25. Zie ook: Gen 4:25; Gen 5:3 **2:2** Seth leefde honderd en vijf jaar en kreeg een zoon. Seth noemde zijn zoon Enosh, want, zei hij: „In deze tijd zijn de mensen begonnen zich te vermenigvuldigen over het oppervlak van de grond en hun ziel en hun hart pijn te doen door te zondigen en tegen Elohim in opstand te komen.” Brontekst: ויחי (vayechi) = en hij leefde | שת (Shet) = Seth | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaren | ויולד (vayyolid) = en kreeg | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | שת (Shet) = Seth | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = naam | בנו (beno) = zijn zoon | אנוש (Enosh) = Enosh | לאמר (lemor) = om te zeggen | כעת (ke'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | החלו (hechellu) = begonnen | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | לרוב (larov) = zich te vermenigvuldigen | על (al) = over | פני (pnei) = aangezicht van | האדמה (ha'adamah) = de grond | ולהכאיב (ulehakh'iv) = en pijn te doen | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשם (nafsham) = hun ziel | ולבם (velibbam) = en hun hart | לפשוע (lifsho'a) = te zondigen | ולמרוד (ulmerod) = en in opstand te komen | באלהים (beElohim) = tegen Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 4:26 zegt bij Enosh dat toen werd begonnen de naam van Yahweh aan te roepen. Jasher geeft bij de naam Enosh een andere uitleg: de mensen begonnen toen te zondigen. Zie ook: Gen 4:26; Gen 5:6 ### De afval van de mensen **2:3** In de dagen van Enosh bleven de mensen verder in opstand komen en tegen Elohim zondigen, en zo vergrootten ze de gloed van Yahweh's toorn tegen de mensen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימי (bimei) = in de dagen van | אנוש (Enosh) = Enosh | ויוסיפו (vayosifu) = en zij bleven | עוד (od) = verder | בני (bnei) = kinderen van | אדם (adam) = mens | למרוד (limrod) = in opstand te komen | ולפשוע (ulifsho'a) = en te zondigen | באלהים (beElohim) = tegen Elohim | להוסיף (lehosif) = te vermeerderen | חרון (charon) = gloed van | אף (af) = toorn | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = tegen | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:4** De mensen gingen andere goden dienen en vergaten Yahweh, die hen op de aarde geschapen had. In die dagen maakten de mensen beelden van brons en ijzer, hout en steen, en ze bogen zich ervoor neer en dienden ze. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ויעבדו (vaya'avdu) = en zij dienden | אלוקים (Elohim) = goden | אחרים (acherim) = andere | וישכחו (vayishkechu) = en zij vergaten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | בראם (bera'am) = hen geschapen had | בארץ (ba'arets) = op de aarde | ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | צלמי (tsalmei) = beelden van | נחושת (nechoshet) = brons | וברזל (uvarzel) = en ijzer | עץ (ets) = hout | ואבן (va'even) = en steen | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | להם (lahem) = voor hen | ויעבדום (vaya'avdum) = en zij dienden ze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:5** Ieder mens maakte zich een god en boog zich ervoor neer. De mensen verlieten Yahweh, alle dagen van Enosh en zijn zonen. Yahweh's toorn laaide op vanwege hun daden en al hun gruwelen die ze op de aarde deden. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | כל (kol) = ieder | איש (ish) = man | אלוק (eloah) = een god | והשתחווה (vehishtachavah) = en hij boog zich neer | לו (lo) = voor hem | ויעזבו (vaya'azvu) = en zij verlieten | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | אנוש (Enosh) = Enosh | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אף (af) = toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = vanwege | מעשיהם (ma'asehem) = hun daden | ועל (ve'al) = en vanwege | כל (kol) = al | תועבותם (to'avotam) = hun gruwelen | אשר (asher) = die | עשו (asu) = zij deden | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:6** Yahweh liet de wateren van de rivier Gihon over hen heen komen. Hij vernietigde hen, maakte een einde aan hen en liet een derde deel van de aarde omkomen. Toch keerden de mensen niet terug van hun slechte weg, en hun hand bleef uitgestrekt om te doen wat slecht was in de ogen van Yahweh. Brontekst: ויצף (vayyatsef) = en Hij liet overstromen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עליהם (aleihem) = over hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מי (mi) = wateren van | נהר (nehar) = rivier | גיחון (Gichon) = Gihon | וישחיתם (vayashchitem) = en Hij vernietigde hen | ויכלה (vaykhal) = en Hij maakte een einde | ויאבד (vaya'avved) = en Hij liet omkomen | שליש (shelish) = een derde van | הארץ (ha'arets) = de aarde | ובכל (uvkhol) = en ondanks al | זאת (zot) = dit | לא (lo) = niet | שבו (shavu) = zij keerden terug | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | מדרכם (middarkham) = van hun weg | הרעה (hara'ah) = de slechte | ועוד (ve'od) = en nog steeds | ידם (yadam) = hun hand | נטויה (netuyah) = was uitgestrekt | לעשות (la'asot) = om te doen | הרע (hara) = wat slecht is | בעיני (be'einei) = in de ogen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: נהר גיחון (nehar Gichon), ‘de rivier Gihon’, is de tweede rivier van Eden (Gen. 2:13). Deze overstroming wordt in Genesis niet genoemd. Zie ook: Gen 2:13 **2:7** In die dagen was er in de grond geen zaad en geen oogst, en er was geen eten voor de mensen. Er was in die dagen een zeer grote honger. Brontekst: ובימים (uvayyamim) = en in de dagen | ההם (hahem) = die | אין (ein) = er was niet | זרע (zera) = zaad | ואין (veein) = en niet | קציר (qatsir) = oogst | באדמה (ba'adamah) = in de grond | ואין (veein) = en niet | אוכל (ukhal) = voedsel | לבני (livnei) = voor de kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ויהי (vayehi) = en er was | רעב (ra'av) = honger | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:8** Het zaad dat ze in die dagen in de grond zaaiden, werd doornen, distels en stekelstruiken. Dat kwam door de vervloeking van Elohim, waarmee Hij de grond vervloekt had, vanwege de zonde van Adam die hij voor Yahweh begaan had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het werd | הזרע (hazzera) = het zaad | אשר (asher) = die | הם (hem) = zij | זורעים (zor'im) = zaaiden | באדמה (ba'adamah) = in de grond | לקוצים (laqotsim) = tot doornen | ולדרדרים (uldardarim) = en distels | ולברקונים (ulvarqonim) = en stekelstruiken | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | מקללת (miqqilelat) = door de vervloeking van | אלוקים (Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | קילל (qillel) = Hij vervloekte | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדמה (ha'adamah) = de grond | מחטאת (mechatta't) = vanwege de zonde van | האדם (ha'adam) = Adam | אשר (asher) = die | חטא (chata) = hij zondigde | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ולברקונים (ulvarqonim), ‘en stekelstruiken’: een zeldzaam woord, dat in de Hebreeuwse Bijbel voorkomt als ברקנים (barqanim; Richt. 8:7, 8:16). Doornen en distels zijn ook de vloek in Gen. 3:18. Zie ook: Gen 3:18; Re 8:7; Re 8:16 **2:9** Toen de mensen steeds verder in opstand kwamen, zondigden en hun weg bedierven, werd ook de grond steeds meer bedorven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | הוסיפו (hosifu) = zij bleven | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | למרוד (limrod) = in opstand te komen | ולפשוע (ulifsho'a) = en te zondigen | באלוקים (be'Elohim) = tegen Elohim | ולהשחית (ulehashchit) = en te bederven | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכם (darkham) = hun weg | ותוסף (vattosef) = en werd steeds meer | גם (gam) = ook | האדמה (ha'adamah) = de grond | להשחיתו (lehashchito) = om bedorven te worden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Kenan **2:10** Enosh leefde negentig jaar en kreeg Kenan. Brontekst: ויחי (vayechi) = en hij leefde | אנוש (Enosh) = Enosh | תשעים (tish'im) = negentig | שנה (shanah) = jaar | ויולד (vayyolid) = en kreeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | קינן (Qenan) = Kenan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 5:9 **2:11** Kenan groeide op en toen hij veertig jaar oud was, werd hij wijs, kreeg hij kennis en inzicht in alle wijsheid. Hij werd koning over alle mensen en leidde de mensen met wijsheid en kennis, want Kenan was een zeer wijs man, verstandig in alle wijsheid, en met zijn wijsheid heerste hij ook over geesten en demonen. Brontekst: ויגדל (vayigdal) = en hij groeide op | קינן (Qenan) = Kenan | ויהי (vayehi) = en hij was | בן (ben) = zoon van | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar | ויחכם (vayechkam) = en hij werd wijs | וידע (vayyeda) = en hij kreeg kennis | וישכל (vayaskel) = en kreeg inzicht | בכל (bekhol) = in alle | חכמה (chokhmah) = wijsheid | וימלוך (vayemlokh) = en hij werd koning | על (al) = over | כל (kol) = al | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | וידרך (vayadrekh) = en hij leidde | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | בחכמה (bechokhmah) = met wijsheid | ובדעת (uvda'at) = en met kennis | כי (ki) = want | היה (hayah) = hij was | האיש (ha'ish) = de man | קינן (Qenan) = Kenan | חכם (chakham) = wijs | מאוד (me'od) = zeer | ומבין (umevin) = en verstandig | בכל (bekhol) = in alle | חכמה (chokhmah) = wijsheid | וימשול (vayimshol) = en hij heerste | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | גם (gam) = ook | ברוחות (beruchot) = over geesten | ובשדים (uveshedim) = en over demonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: שדים (shedim), ‘demonen’, komt in de Hebreeuwse Bijbel voor in Deut. 32:17 en Ps. 106:37. Zie ook: Deut 32:17; Ps 106:37 **2:12** Kenan wist door zijn wijsheid dat Elohim de mensen zou vernietigen vanwege hun zonde op de aarde, en dat Hij aan het einde van de dagen de wateren van de zondvloed over hen zou brengen. Brontekst: וידע (vayyeda) = en hij wist | קינן (Qenan) = Kenan | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | כי (ki) = dat | ישחית (yashchit) = zou vernietigen | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | על (al) = vanwege | חטאם (chet'am) = hun zonde | בארץ (ba'arets) = op de aarde | וכי (vekhi) = en dat | יביא (yavi) = Hij zou brengen | עליהם (aleihem) = over hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מי (mi) = wateren van | המבול (hammabbul) = de zondvloed | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:13** In die dagen schreef Kenan op stenen platen wat er zou gebeuren, en hij legde ze in zijn voorraadkamers. Brontekst: ויכתוב (vayikhtov) = en hij schreef | קינן (Qenan) = Kenan | את (et) = (lijdend voorwerp) | העתיד (ha'atid) = wat komen zou | להיות (lihyot) = gebeuren | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | על (al) = op | לוחות (luchot) = platen van | אבן (even) = steen | ויתנם (vayittenem) = en hij legde ze | באוצרותיו (be'otsrotav) = in zijn voorraadkamers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:14** Kenan was koning over de hele aarde en hij bracht sommigen van de mensen terug om Elohim te dienen. Brontekst: וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | קינן (Qenan) = Kenan | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | וישב (vayyashev) = en hij bracht terug | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | לעבוד (la'avod) = te dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: וישב (vayyashav) kan ‘en hij keerde terug’ zijn of, met een andere klinker, ‘en hij bracht terug’ (vayyashev). De vertaling volgt de tweede lezing, omdat Kenan als koning anderen tot Elohim terugbracht. **2:15** Toen Kenan zeventig jaar oud was, kreeg hij drie zonen en twee dochters. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het werd | בהיות (bihyot) = toen was | קינן (Qenan) = Kenan | בן (ben) = zoon van | שבעים (shiv'im) = zeventig | שנה (shanah) = jaar | ויולד (vayyolid) = en kreeg | שלושה (shelosha) = drie | בנים (banim) = zonen | ושתי (ushtei) = en twee | בנות (banot) = dochters Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 5:12 **2:16** Dit zijn de namen van de kinderen van Kenan: de eerstgeborene Mahalalël, de tweede Enan en de derde Mered. Hun zusters waren Ada en Zilla. Dit waren de vijf kinderen die Kenan geboren werden. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | בני (bnei) = kinderen van | קינן (Qenan) = Kenan | שם (shem) = naam van | הבכור (habbekhor) = de eerstgeborene | מהללאל (Mahalalel) = Mahalalël | ומשנהו (umishnehu) = en zijn tweede | עינן (Enan) = Enan | והשלישי (vehashlishi) = en de derde | מרד (Mered) = Mered | ואחיותיהם (va'achyotehem) = en hun zusters | עדה (Adah) = Ada | וצילה (vetsillah) = en Zilla | אלה (elleh) = dit zijn | בני (bnei) = kinderen van | קינן (Qenan) = Kenan | אשר (asher) = die | יולדו (yulledu) = geboren werden | לו (lo) = voor hem | בנים (banim) = zonen | חמישה (chamishah) = vijf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Mahalalël is in Gen. 5:12 de zoon van Kenan. Enan en Mered staan niet in Genesis. Zie ook: Gen 5:12 ### Lemech, Ada en Zilla **2:17** Lemech, de zoon van Metusaël, werd aangetrouwd aan Kenan en nam zijn twee dochters tot vrouw. Ada werd zwanger en beviel Lemech van een zoon, en ze noemde hem Jabal. Brontekst: ויתחנן (vayitchannen) = (verkeerd gespeld) | ויתחתן (vayitchatten) = en hij werd aangetrouwd | למך (Lemekh) = Lemech | בן (ben) = zoon van | מתושאל (Metusha'el) = Metusaël | את (et) = met | קינן (Qenan) = Kenan | ויקח (vayikkach) = en hij nam | לו (lo) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | שתי (shetei) = twee | בנותיו (benotav) = zijn dochters | לנשים (lenashim) = tot vrouwen | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ותלד (vatteled) = en zij beviel | עדה (Adah) = Ada | ללמך (leLemekh) = aan Lemech | בן (ben) = een zoon | ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | יבל (Yaval) = Jabal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De druk heeft ויתחנן (vayitchannen), met daarachter tussen haakjes de verbetering ויתחתן (vayitchatten), ‘hij werd aangetrouwd’. De verbetering is gevolgd. Ada en Zilla zijn de vrouwen van Lemech uit Gen. 4:19. Zie ook: Gen 4:19 **2:18** Ze werd opnieuw zwanger en beviel van een zoon, en ze noemde hem Jubal. Haar zuster Zilla was in die dagen onvruchtbaar; ze had geen kind. Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | עוד (od) = opnieuw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | יובל (Yuval) = Jubal | וצילה (vetsillah) = en Zilla | אחותה (achotah) = haar zuster | היתה (hayetah) = zij was | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אין (ein) = er was niet | לה (lah) = voor haar | ולד (valad) = een kind Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:19** Want in die dagen begonnen de mensen tegen Elohim te zondigen en Zijn gebod te overtreden, dat Hij aan Adam gegeven had: vruchtbaar te zijn en talrijk te worden op de aarde. Brontekst: כי (ki) = want | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | החלו (hechellu) = begonnen | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | לפשוע (lifsho'a) = te zondigen | באלוקים (be'Elohim) = tegen Elohim | ולעבור (ule'avor) = en te overtreden | על (al) = op | מצוותו (mitsvato) = Zijn gebod | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = Hij had geboden | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדם (ha'adam) = Adam | לפרות (lifrot) = vruchtbaar te zijn | ולרבות (ulrevot) = en talrijk te worden | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:20** Sommige mensen lieten een deel van hun vrouwen een drank drinken die onvruchtbaar maakte, zodat ze hun gestalte zouden behouden en hun schoonheid en uiterlijk niet zouden afnemen. Brontekst: וישקו (vayashqu) = en zij lieten drinken | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | את (et) = (lijdend voorwerp) | מקצת (miqtsat) = een deel van | נשיהם (nesheihem) = hun vrouwen | משקה (mashqeh) = drank | עקרות (aqarot) = van onvruchtbaarheid | למען (lema'an) = opdat | אשר (asher) = (dat) | יעמדו (ya'amdu) = zouden blijven | בתוארם (betoram) = in hun gestalte | ולא (velo) = en niet | יכחיש (yekhachesh) = zou afnemen | יופיין (yofyan) = hun schoonheid | ומראיהן (umar'eihen) = en hun uiterlijk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:21** Toen de mensen een deel van hun vrouwen lieten drinken, dronk Zilla ook met hen mee. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het werd | בהשקות (behashqot) = toen zij lieten drinken | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | את (et) = (lijdend voorwerp) | מקצת (miqtsat) = een deel van | נשיהם (nesheihem) = hun vrouwen | ותשתה (vattishte) = en zij dronk | גם (gam) = ook | צילה (Tsillah) = Zilla | עמהן (immahen) = met hen mee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:22** De vrouwen die kinderen baarden, waren in de ogen van hun mannen een gruwel, als levende weduwen, en aan de onvruchtbare vrouwen hechtten zij zich. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het werd | הנשים (hannashim) = de vrouwen | היולדות (hayyoledot) = die kinderen baarden | בעיני (be'einei) = in de ogen van | בעליהן (be'aleihen) = hun mannen | לתועבה (leto'evah) = een gruwel | כאלמנות (ke'almanot) = als weduwen | חיות (chayyot) = levende | והעקרות (veha'aqarot) = en de onvruchtbare vrouwen | ידבקו (yidbequ) = zij hechtten zich | בהן (bahen) = aan hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:23** Na vele dagen en jaren, toen Zilla oud was, opende Yahweh haar baarmoeder. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het werd | מקץ (miqqets) = na verloop van | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ושנים (ushanim) = en jaren | לעת (le'et) = tegen de tijd van | זקנת (ziqnat) = ouderdom van | צילה (Tsillah) = Zilla | ויפתח (vayiftach) = en Hij opende | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | רחמה (rachmah) = haar baarmoeder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:24** Ze werd zwanger en beviel van een zoon, en ze noemde hem Tubal-Kaïn en zei: „Nadat ik versleten was, heb ik hem gekregen van El Sjaddai.” Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | תובל קין (Tuval Qayin) = Tubal-Kaïn | לאמור (lemor) = om te zeggen | אחרי (acharei) = na | בלותי (bloti) = mijn verslijten | קניתיהו (qanitihu) = ik heb hem gekregen | מאל שדי (me'El Shaddai) = van El Sjaddai Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: מאל שדי (me’El Shaddai), ‘van El Sjaddai’: zie Gen. 17:1. Zie ook: Gen 17:1 **2:25** Ze werd opnieuw zwanger en beviel van een dochter, en ze noemde haar Naäma, want ze zei: „Nadat ik versleten was, is er genot en lieflijkheid voor mij gekomen.” Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | עוד (od) = opnieuw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בת (bat) = een dochter | ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמה (shemah) = haar naam | נעמה (Na'amah) = Naäma | כי (ki) = want | אמרה (amerah) = zei zij | אחרי (acharei) = na | בלותי (bloti) = mijn verslijten | היתה (hayetah) = was | לי (li) = voor mij | עדנה (ednah) = genot | ונועם (vano'am) = en lieflijkheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Lemech en Kaïn **2:26** Lemech was oud en hoogbejaard. Zijn ogen waren donker geworden en hij kon niet zien, en zijn zoon Tubal-Kaïn leidde hem. Op een dag ging Lemech het veld in, en zijn zoon Tubal-Kaïn was bij hem. Terwijl ze samen in het veld liepen, kwam Kaïn, de zoon van Adam, op hen af. Want Lemech was zeer oud en kon bijna niets zien, en zijn zoon Tubal-Kaïn was nog een heel klein jongetje. Brontekst: ולמך (veLemekh) = en Lemech | זקן (zaqen) = oud | בא (ba) = gekomen | בימים (bayyamim) = in dagen | ותכהין (vattikhhenah) = en werden donker | עיניו (einav) = zijn ogen | ולא (velo) = en niet | יכול (yakhol) = hij kon | לראות (lir'ot) = zien | ותובל קין (vetuval Qayin) = en Tubal-Kaïn | בנו (beno) = zijn zoon | רועה (ro'eh) = leidde | אותו (oto) = hem | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | היום (hayyom) = op een dag | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | למך (Lemekh) = Lemech | בשדה (bassadeh) = in het veld | ותובל קין (vetuval Qayin) = en Tubal-Kaïn | בנו (beno) = zijn zoon | עמו (immo) = bij hem | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הם (hem) = zij | הולכים (holekhim) = liepen | שניים (shenayim) = beiden | יחד (yachad) = samen | בשדה (bassadeh) = in het veld | וקין (veQayin) = en Kaïn | בן (ben) = zoon van | אדם (adam) = Adam | הולך (holekh) = liep | ובא (uva) = en kwam | בשדה (bassadeh) = in het veld | לקראתם (liqratam) = op hen af | כי (ki) = want | היה (hayah) = hij was | למך (Lemekh) = Lemech | זקן (zaqen) = oud | מאוד (me'od) = zeer | ולא (velo) = en niet | יוכל (yukhal) = hij kon | לראות (lir'ot) = zien | מאוד (me'od) = zeer | ותובל קין (vetuval Qayin) = en Tubal-Kaïn | בנו (beno) = zijn zoon | נער (na'ar) = jongen | קטן (qatan) = klein | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Genesis vertelt niet hoe Kaïn stierf. Dit verhaal verklaart Lemechs woorden in Gen. 4:23–24 (zie vers 35). Zie ook: Gen 4:23–24 **2:27** Tubal-Kaïn zei tegen zijn vader dat hij zijn boog moest spannen. Lemech spande de boog en trof Kaïn van ver met pijlen en doodde hem, want hij leek hun een wild dier. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | תובל קין (Tuval Qayin) = Tubal-Kaïn | אל (el) = tegen | אביו (aviv) = zijn vader | למשוך (limshokh) = te spannen | בקשתו (beqashto) = zijn boog | וימשוך (vayimshokh) = en hij spande | למך (Lemekh) = Lemech | את (et) = (lijdend voorwerp) | הקשת (haqeshet) = de boog | ויך (vayyakh) = en hij trof | את (et) = (lijdend voorwerp) | קין (Qayin) = Kaïn | בחצים (bachitsim) = met pijlen | מרחוק (merachoq) = van ver | וימיתהו (vayemitehu) = en hij doodde hem | כי (ki) = want | היה (hayah) = hij was | בעינם (be'enam) = in hun ogen | לחיה (lechayyah) = als een wild dier Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:28** De pijlen drongen in het lichaam van Kaïn, hoewel hij ver van hen af was, en hij viel op de grond en stierf. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij drongen | החצים (hachitsim) = de pijlen | בגויית (begaviyyat) = in het lichaam van | קין (Qayin) = Kaïn | והוא (vehu) = en hij | רחוק (rachoq) = ver | מפניהם (mippneihem) = van hen | ויפול (vayippol) = en hij viel | ארצה (artsah) = naar de grond | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:29** Yahweh vergold Kaïn zijn kwaad naar zijn boosheid, die hij zijn broer Abel had aangedaan, volgens het woord van Yahweh dat Hij tot hem gesproken had. Brontekst: וישלם (vayeshallem) = en Hij vergold | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לקין (leqayin) = Kaïn | רעה (ra'ah) = kwaad | כרעתו (kera'ato) = naar zijn boosheid | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gedaan | להבל (lehevel) = aan Abel | אחיו (achiv) = zijn broer | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | לו (lo) = tot hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:30** Toen Kaïn gestorven was, gingen Lemech en zijn zoon Tubal-Kaïn kijken naar het dier dat ze gedood hadden, en ze zagen: hun oude voorvader Kaïn lag dood op de grond. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het werd | כאשר (ka'asher) = toen | מת (met) = gestorven was | קין (Qayin) = Kaïn | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | למך (Lemekh) = Lemech | ותובל קין (vetuval Qayin) = en Tubal-Kaïn | בנו (beno) = zijn zoon | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | החיה (hachayyah) = het dier | אשר (asher) = die | הרגו (haragho) = zij hadden gedood | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | קין (Qayin) = Kaïn | זקנם (zeqenam) = hun oude voorvader | נופל (nofel) = neergevallen | ארצה (artsah) = naar de grond | מת (met) = dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:31** Lemech werd vreselijk kwaad toen hij dit deed. Hij sloeg zijn handen ineen, sloeg zijn zoon met zijn handpalmen en doodde hem. Brontekst: ויחר (vayyichar) = en het ontstak | ללמך (leLemekh) = bij Lemech | מאוד (me'od) = zeer | בעשותו (be'asoto) = toen hij deed | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | כף (kaf) = handpalm | על (al) = op | כף (kaf) = handpalm | ויספוק (vayispoq) = en hij sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנו (beno) = zijn zoon | בכפיו (bekhappav) = met zijn handen | וימיתהו (vayemitehu) = en hij doodde hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:32** De vrouwen van Lemech hoorden wat Lemech gedaan had, en ze probeerden hem te doden. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | נשי (neshei) = vrouwen van | למך (Lemekh) = Lemech | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gedaan | למך (Lemekh) = Lemech | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | להרגו (laharogo) = hem te doden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Lemech en zijn vrouwen **2:33** De vrouwen van Lemech gingen hem vanaf die dag haten, omdat hij Kaïn en Tubal-Kaïn gedood had. De vrouwen van Lemech scheidden zich van hem af en wilden in die dagen niet naar hem luisteren. Brontekst: וישנאו (vayisne'u) = en zij haatten | נשי (neshei) = vrouwen van | למך (Lemekh) = Lemech | אותו (oto) = hem | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | על (al) = omdat | אשר (asher) = dat | המית (hemit) = hij had gedood | את (et) = (lijdend voorwerp) | קין (Qayin) = Kaïn | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | תובל קין (Tuval Qayin) = Tubal-Kaïn | ויפרדו (vayyiparedu) = en zij scheidden zich af | נשי (neshei) = vrouwen van | למך (Lemekh) = Lemech | ממנו (mimmennu) = van hem | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אליו (elav) = naar hem | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:34** Lemech kwam bij zijn vrouwen en drong er bij hen op aan dat ze over deze zaak naar hem zouden luisteren. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | למך (Lemekh) = Lemech | אצל (etsel) = bij | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | ויפצר (vayiftsar) = en hij drong aan | בהם (bahem) = bij hen | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אליו (elav) = naar hem | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **2:35** Lemech zei tegen zijn vrouwen Ada en Zilla: „Luister naar mijn stem, vrouwen van Lemech, hoor wat ik zeg! Maar nu, zie, jullie hebben besloten en gezegd: ‘Een man heb ik gedood vanwege mijn wond, een jongen vanwege mijn striem, zonder dat er geweld was.’ Jullie weten toch dat ik oud en grijs ben geworden en dat mijn ogen zwaar zijn van ouderdom. Ik deed dit zonder het te weten.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | למך (Lemekh) = Lemech | לנשיו (lenashav) = tegen zijn vrouwen | עדה (Adah) = Ada | וצילה (vetsillah) = en Zilla | שמען (shema'an) = luister | קולי (qoli) = naar mijn stem | נשי (neshei) = vrouwen van | למך (Lemekh) = Lemech | האזינה (ha'azenah) = luister | אמרתי (imrati) = naar mijn woorden | אך (akh) = maar | עתה (attah) = nu | הנה (hinneh) = zie | לשבתם (lashvatam) = jullie hebben besloten (onzeker woord) | ואמרתם (va'amartem) = en jullie hebben gezegd | כי (ki) = dat | איש (ish) = een man | הרגתי (haragti) = ik doodde | לפצעי (lefitsi) = vanwege mijn wond | וילד (veyeled) = en een jongen | לחבורתי (lechaburati) = vanwege mijn striem | על (al) = terwijl er | לא (lo) = geen | חמס (chamas) = geweld was | הלא (halo) = immers | אתם (ittam) = jullie | ידעתם (yeda'tem) = jullie weten | כי (ki) = dat | אני (ani) = ik | זקנתי (zaqanti) = ik ben oud geworden | ושבתי (veshavti) = en grijs geworden | ועיני (ve'einai) = en mijn ogen | כבדו (kavedu) = zijn zwaar | מזוקן (mize'qen) = van ouderdom | ואעש (va'e'eseh) = en ik deed | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | בלא (bilo) = zonder | דעת (da'at) = te weten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het woord לשבתם (lashvatam) is onzeker. De Engelse vertaling van Noah (1840) heeft ‘jullie hebben bedacht’. Hier is ‘jullie hebben besloten’ gelezen. De woorden ‘een man heb ik gedood vanwege mijn wond, een jongen vanwege mijn striem’ zijn dezelfde als in Gen. 4:23. Zie ook: Gen 4:23 **2:36** De vrouwen van Lemech luisterden in deze zaak naar hem, en ze keerden terug naar hem, op raad van hun vader Adam. Maar ze kregen vanaf die dag geen kinderen meer van hem. Want ze wisten dat Yahweh's toorn in die dagen steeds groter werd tegen de mensen, om hen in de dagen van de zondvloed te vernietigen vanwege de boosheid van hun daden. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij luisterden | נשי (neshei) = vrouwen van | למך (Lemekh) = Lemech | אליו (elav) = naar hem | לדבר (laddavar) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | אליו (elav) = naar hem | בעצת (be'atsat) = op raad van | אדם (adam) = Adam | אביהם (avihem) = hun vader | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | ילדו (yaldu) = baarden | לו (lo) = voor hem | בנים (banim) = zonen | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | כי (ki) = want | ידעו (yade'u) = zij wisten | כי (ki) = dat | חרון (charon) = gloed van | אף (af) = toorn | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הולך (holekh) = liep | וגדל (vegadel) = en groeide | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | על (al) = tegen | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | להשחיתם (lehashchitam) = hen te vernietigen | בימי (bimei) = in de dagen van | המבול (hammabbul) = de zondvloed | על (al) = vanwege | רוע (ro'a) = boosheid van | מעשיהם (ma'asehem) = hun daden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Mahalalël en Jered **2:37** Mahalalël, de zoon van Kenan, leefde vijfenzestig jaar en kreeg Jered. Jered leefde honderd tweeënzestig jaar en kreeg Henoch. Brontekst: ומהללאל (umMahalalel) = en Mahalalël | בן (ben) = zoon van | קינן (Qenan) = Kenan | חי (chai) = leefde | שישים (shishim) = zestig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaren | וילד (veyeled) = en kreeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | ירד (Yered) = Jered | ויחי (vayechi) = en hij leefde | ירד (Yered) = Jered | שתיים (shetayim) = twee | ושישים (veshishim) = en zestig | שנה (shanah) = jaar | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | ויולד (vayyolid) = en kreeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | חנוך (Chanokh) = Henoch Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Jered en Henoch: zie Gen. 5:15–18. Zie ook: Gen 5:15–18 ## Jasher 3 _Henoch wordt koning; Adams dood; de hemelvaart_ ### Henoch wandelt met Elohim **3:1** Henoch leefde vijfenzestig jaar en kreeg Metuselach. Henoch wandelde met Elohim, nadat hij Metuselach had gekregen. Hij diende Yahweh, maar hij walgde van de slechte wegen van de mensen. Brontekst: ויחי (vayechi) = en hij leefde | חנוך (Chanokh) = Henoch | חמש (chamesh) = vijf | ושישים (veshishim) = en zestig | שנה (shanah) = jaar | ויולד (vayyolid) = en kreeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | ויתהלך (vayyithallekh) = en hij wandelde | חנוך (Chanokh) = Henoch | את (et) = met | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אחרי (acharei) = na | הולידו (holido) = zijn verwekken van | את (et) = (lijdend voorwerp) | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | ויעבוד (vaya'avod) = en hij diende | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וימאס (vayim'as) = en hij walgde | בדרכי (bedarkhei) = van de wegen van | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | הרעים (hara'im) = de slechte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:21–24 vertelt dat Henoch vijfenenzestig jaar leefde, Metuselach kreeg en met Elohim wandelde. Het ‘diende Yahweh’ en de afkeer van de wegen van de mensen staan niet in Genesis. Zie ook: Gen 5:21–24; Gen 5:24 **3:2** Henochs ziel hechtte zich aan onderricht, aan kennis en inzicht. Hij kende de wegen van Yahweh, en met zijn wijsheid scheidde hij zich af van de mensen. Vele dagen verborg hij zich voor hen. Brontekst: ותדבק (vattidbaq) = en zij hechtte zich | נפש (nefesh) = ziel van | חנוך (Chanokh) = Henoch | במוסר (bamusar) = aan onderricht | ובדעת (uvda'at) = en aan kennis | ובבינה (uvvinah) = en aan inzicht | וידע (vayyeda) = en hij kende | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכי (darkhei) = wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויפרד (vayyifred) = en hij scheidde af | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zijn ziel | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ויסתר (vayyaster) = en hij verborg | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zijn ziel | מהם (mehem) = voor hen | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:3** Na vele dagen en jaren gebeurde het dat hij Yahweh diende en voor Yahweh bad in zijn huis, in zijn kamer. Toen riep een boodschapper van Yahweh uit de hemel tot hem: „Henoch, Henoch!” En hij zei: „Hier ben ik.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ושנים (ushanim) = en jaren | בהיותו (bihyoto) = terwijl hij was | עובד (oved) = diende | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויהי (vayehi) = en hij was | הוא (hu) = hij | מתפלל (mitpallel) = biddend | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בבית (babbayit) = in het huis | ובחדר (uvacheder) = en in de kamer | ויקרא (vayikra) = en riep | אליו (elav) = tot hem | מלאך (mal'akh) = boodschapper van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מן (min) = uit | השמים (hashamayim) = de hemel | ויאמר (vayomer) = en hij zei | חנוך (Chanokh) = Henoch | חנוך (Chanokh) = Henoch | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הנני (hinneni) = hier ben ik Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: מלאך יהוה (mal’ach Yahweh), ‘een boodschapper van Yahweh’. De woorden van de boodschapper zijn niet rood gedrukt: het is geen directe spraak van Yahweh zelf. **3:4** De boodschapper zei tegen hem: „Sta op, ga weg uit je huis en van de plaats waar je je verborgen hield. Wees koning over alle mensen, zodat je hun de weg leert waarop ze moeten gaan en het werk dat ze moeten doen, om te wandelen in de wegen van Yahweh.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tot hem | קום (qum) = sta op | צא (tse) = ga uit | מביתך (mibbetekha) = uit je huis | וממקומך (umimmeqomekha) = en van je plaats | אשר (asher) = die | נחבאת (nechbe'ta) = je je verborgen hield | שמה (shemah) = daar | ומלכת (umlokhet) = en wees koning | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | למען (lema'an) = opdat | אשר (asher) = (dat) | תלמדם (telammedem) = je hun leert | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדרך (haderekh) = de weg | אשר (asher) = die | ילכו (yelkhu) = zij moeten gaan | בה (bah) = daarop | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | המעשה (hamma'aseh) = het werk | אשר (asher) = die | יעשו (ya'asu) = zij moeten doen | ללכת (lalekhet) = te wandelen | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ומלכת (umlokhet) kan ‘en wees koning’ zijn (van מלך, malach), of ‘en ga heen’ (van הלך, halach). De vertaling volgt de eerste lezing, omdat Henoch in vers 10 koning wordt. De Engelse vertaling van Noah (1840) heeft ‘verschijn’. ### Henoch koning **3:5** Henoch stond op en ging weg uit zijn huis, van zijn plaats en uit de kamer waar hij was, volgens het woord van Yahweh. Hij ging naar de mensen en leerde hun de weg van Yahweh. In die tijd verzamelde hij de mensen en maakte hun het onderricht van Yahweh bekend. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | חנוך (Chanokh) = Henoch | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | מביתו (mibbeto) = uit zijn huis | וממקומו (umimmeqomo) = en van zijn plaats | ומן (umin) = en uit | החדר (hacheder) = de kamer | אשר (asher) = die | היה (hayah) = hij was | שם (shem) = daar | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וילך (vayelekh) = en hij ging | את (et) = naar | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | וילמדם (vayelammedem) = en hij leerde hen | דרך (derekh) = weg van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאסוף (vayesof) = en hij verzamelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויודיעם (vayodi'em) = en maakte hun bekend | את (et) = (lijdend voorwerp) | מוסר (musar) = onderricht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:6** Hij gaf bevel, en men liet in alle plaatsen van de mensen uitroepen: „Wie wil de wegen van Yahweh kennen, en wie wil het goede werk kennen, laat die naar Henoch komen.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | ויעבירו (vaya'avirru) = en zij lieten voorbijgaan | קול (qol) = een stem | בכל (bekhol) = in alle | מקומות (meqomot) = plaatsen van | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | לאמור (lemor) = om te zeggen | מי (mi) = wie | האיש (ha'ish) = de man | אשר (asher) = die | יחפוץ (yachpots) = wil | לדעת (lada'at) = kennen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכי (darkhei) = wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הטוב (hattov) = het goede | יבוא (yavo) = laat hij komen | אל (el) = tot | חנוך (Chanokh) = Henoch Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:7** In die tijd verzamelden zich bij hem mensen uit alle volken, en iedereen die dit wilde, ging naar Henoch. Henoch heerste over de mensen naar het woord van Yahweh. Ze kwamen, bogen zich voor hem neer tot op de grond, en allen samen luisterden naar zijn woorden. Brontekst: ויתאספו (vayit'asfu) = en zij verzamelden zich | אליו (elav) = bij hem | מכל (mikkol) = uit alle | בני (bnei) = kinderen van | אדם (adam) = mens | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כל (kol) = ieder | אשר (asher) = die | יחפוץ (yachpots) = wil | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | חנוך (Chanokh) = Henoch | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | חנוך (Chanokh) = Henoch | על (al) = op | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | בדבר (bedabber) = naar het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | ארצה (artsah) = naar de grond | וישמע (vayishma) = en luisterde | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריו (devarav) = zijn woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:8** De Geest van Elohim was over Henoch. Hij leerde al zijn mensen de wijsheid van Elohim en Zijn wegen, en de mensen dienden Yahweh alle dagen van Henoch. Ze kwamen om zijn wijsheid te horen. Brontekst: ותהי (vatehi) = en er was | רוח (ruach) = Geest van | אלוקים (Elohim) = Elohim | אל (el) = over | חנוך (Chanokh) = Henoch | וילמד (vayelammed) = en hij leerde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אנשיו (anashav) = zijn mensen | חכמת (chokhmat) = wijsheid van | אלוקים (Elohim) = Elohim | ודרכיו (udrakhav) = en Zijn wegen | ויעבדו (vaya'avdu) = en zij dienden | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | חנוך (Chanokh) = Henoch | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | לשמוע (lishmo'a) = te horen | את (et) = (lijdend voorwerp) | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:9** Ook alle koningen van de mensen, de eersten en de laatsten, met hun vorsten en hun rechters, kwamen naar Henoch toen ze zijn wijsheid hoorden. Ze bogen zich voor hem neer met het gezicht tot op de grond, en ook zij vroegen Henoch om over hen te regeren. Hij stemde daarmee in. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | הראשונים (harishonim) = de eersten | והאחרונים (veha'acharonim) = en de laatsten | ושריהם (vesareihem) = en hun vorsten | ושופטיהם (veshoftehem) = en hun rechters | באו (ba'u) = kwamen | אל (el) = tot | חנוך (Chanokh) = Henoch | כשמעם (kishmam) = toen zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | אפיים (appayim) = met het gezicht | ארצה (artsah) = naar de grond | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij vroegen | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | את (et) = (lijdend voorwerp) | חנוך (Chanokh) = Henoch | אשר (asher) = (dat) | ימלוך (yimlokh) = hij zou regeren | עליהם (aleihem) = over hen | ויאבה (vaye'eveh) = en hij stemde toe | להם (lahem) = hun | לדבר (laddavar) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:10** Ze verzamelden zich allen, ongeveer honderddertig koningen en vorsten, en ze maakten Henoch koning over zich. Zij stonden allen onder zijn hand en onder zijn woorden. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כולם (kullam) = allen | כשלושים (keshloshim) = ongeveer dertig | ומאה (umeah) = en honderd | מלכים (melakhim) = koningen | ושרים (veSarim) = en vorsten | וימליכו (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | חנוך (Chanokh) = Henoch | עליהם (aleihem) = over hen | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כולם (kullam) = allen | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | ותחת (vetachat) = en onder | דבריו (devarav) = zijn woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De tekst heeft ‘ongeveer honderddertig koningen en vorsten’ (כמאה ושלשים, kime’ah ushlosim). **3:11** Henoch leerde hun wijsheid en kennis en de weg van Yahweh. Hij stichtte vrede tussen allen, en er was vrede op heel de aarde in de dagen van Henoch. Brontekst: וילמד (vayelammed) = en hij leerde | אותם (otam) = hen | חנוך (Chanokh) = Henoch | חוכמה (chokhmah) = wijsheid | ודעת (vada'at) = en kennis | ודרך (vederekh) = en de weg van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישם (vayasem) = en hij stelde | שלום (shalom) = vrede | בין (bein) = tussen | כולם (kullam) = allen | ויהי (vayehi) = en er was | שלום (shalom) = vrede | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | בימי (bimei) = in de dagen van | חנוך (Chanokh) = Henoch Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:12** Henoch regeerde over alle mensen tweehonderddrieënveertig jaar. Hij deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk, en hij leidde hen in de wegen van Yahweh. Brontekst: וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | חנוך (Chanokh) = Henoch | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | מאתיים (matayim) = tweehonderd | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | שנה (shanah) = jaar | ושלוש (veshalosh) = en drie | שנים (shanim) = jaren | ויהי (vayehi) = en hij was | עושה (oseh) = deed | משפט (mishpat) = recht | וצדקה (vetsedaqah) = en gerechtigheid | לכל (lekhol) = aan heel | עמו (immo) = zijn volk | וידריכם (vayadrikhem) = en hij leidde hen | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De nakomelingen van Henoch **3:13** Dit is de geschiedenis van Henoch: Metuselach, Elisjoea en Elimelech, drie zonen, en hun zusters Malka en Naäma. Metuselach leefde honderdzevenentachtig jaar en kreeg Lemech. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | תולדות (toledot) = geschiedenis van | חנוך (Chanokh) = Henoch | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | ואלישוע (ve'Elishua) = en Elisjoea | ואלימלך (ve'Elimelekh) = en Elimelech | בנים (banim) = zonen | שלושה (shelosha) = drie | ואחיותיהם (va'achyotehem) = en hun zusters | מלכה (Malkah) = Malka | ונעמה (veNa'amah) = en Naäma | ויחי (vayechi) = en hij leefde | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | שבע (sheva) = zeven | ושמונים (ushmonim) = en tachtig | שנה (shanah) = jaar | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | ויולד (vayyolid) = en kreeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | למך (Lemekh) = Lemech Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:25–26 noemt alleen Metuselach en Lemech. De namen Elisjoea en Elimelech en de zusters Malka en Naäma staan niet in Genesis. Zie ook: Gen 5:25–26 ### Adams dood **3:14** In het zesenvijftigste jaar van het leven van Lemech gebeurde het dat Adam stierf. Hij was negenhonderddertig jaar oud toen hij stierf. Seth en zijn zonen begroeven hem, met Henoch en Metuselach, zijn zoon, met grote eer, zoals de begrafenis van koningen, in de grot waarover Yahweh tot hen had gesproken. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | חמישים (chamishim) = vijftig | ושש (veshesh) = en zes | שנים (shanim) = jaren | לחיי (lechayyei) = van het leven van | למך (Lemekh) = Lemech | וימת (vayamot) = en hij stierf | אדם (adam) = Adam | בן (ben) = zoon van | תשע (tesha) = negen | מאות (me'ot) = honderd | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | היה (hayah) = hij was | במותו (bemoto) = bij zijn dood | ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | אותו (oto) = hem | שת (Shet) = Seth | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וחנוך (vaChanokh) = en Henoch | ומתושלח (uMetushelach) = en Metuselach | בנו (beno) = zijn zoon | בכבוד (bikhvod) = met eer | גדול (gadol) = grote | בקבורת (biqvurat) = zoals de begrafenis van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | במערה (bama'arah) = in de grot | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להם (lahem) = aan hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:5 zegt dat Adam negenhonderddertig jaar leefde. De begrafenis in de grot staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 5:5 **3:15** Alle mensen maakten daar grote rouwklacht en geween om Adam. Het is tot op deze dag een gebruik gebleven bij de mensen. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | מספד (misped) = rouwklacht | ובכי (uvekhi) = en geween | גדול (gadol) = grote | על (al) = om | אדם (adam) = Adam | על (al) = daarom | כן (ken) = (samen: daarom) | היתה (hayetah) = zij was | לחוק (lechoq) = tot een gebruik | בבני (bivnei) = bij de kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:16** Adam stierf omdat hij, en zijn zonen met hem, gegeten had van de boom van de kennis, zoals Yahweh tot hen had gesproken. Brontekst: וימת (vayamot) = en hij stierf | אדם (adam) = Adam | על (al) = omdat | אשר (asher) = (dat) | אכל (akhal) = hij at | מעץ (me'ets) = van de boom | הדעת (hadda'at) = van de kennis | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | אליהם (aleihem) = tot hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: עץ הדעת (ets hadda’at), ‘de boom van de kennis’: zie Gen. 2:17 en Gen. 3:6. Zie ook: Gen 2:17; Gen 3:6 ### Henoch verbergt zich **3:17** In het jaar van Adams dood, het tweehonderddrieënveertigste jaar van het koningschap van Henoch, legde Henoch het op zijn hart zich af te zonderen, zich van de mensen te scheiden en zich voor hen te verbergen, zoals hij eerst Yahweh had gediend. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het was | בשנת (bishnat) = in het jaar | מות (mot) = dood van | אדם (adam) = Adam | היא (hi) = dit was | שנת (shenat) = jaar van | מאתיים (matayim) = tweehonderd | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | שנה (shanah) = jaar | ושלוש (veshalosh) = en drie | שנים (shanim) = jaren | למלכות (lemalkhut) = van het koningschap van | חנוך (Chanokh) = Henoch | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | וישם (vayasem) = en hij legde | חנוך (Chanokh) = Henoch | על (al) = op | ליבו (libbo) = zijn hart | להיפרד (lehippared) = zich af te zonderen | ולהיבדל (ulehibbadel) = en zich te scheiden | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ולהיסתר (ulehissater) = en zich te verbergen | מהם (mehem) = voor hen | כבראשונה (kaRishonah) = zoals eerst | לעבוד (la'avod) = te dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:18** Henoch deed dat. Maar hij verborg zich niet voor hen al de dagen: drie dagen verborg hij zich voor de mensen en een dag liet hij zich aan hen zien. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | חנוך (Chanokh) = Henoch | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | הסתיר (histir) = hij verborg | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zijn ziel | מהם (mehem) = voor hen | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | ויסתר (vayyaster) = en hij verborg | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | ויגלה (vayegalleh) = en hij liet zich zien | להם (lahem) = aan hen | יום (yom) = dag | אחד (echad) = één Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:19** In alle drie de dagen bad hij in de kamer en loofde hij Yahweh, zijn Elohim. Op de dag dat hij naar zijn dienaren uitging om zich aan hen te tonen, leerde hij hun de weg van Yahweh en sprak hij tot hen over alles wat ze hem vroegen. Brontekst: ובכל (uvkhol) = en in alle | שלושת (sheloshet) = drie | הימים (hayyamim) = de dagen | אשר (asher) = die | הוא (hu) = hij | בחדר (bacheder) = in de kamer | מתפלל (mitpallel) = biddend | ומשבח (umshabbeach) = en lovend | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | וביום (uvayyom) = en op de dag | אשר (asher) = die | יצא (yatsa) = hij uitging | אל (el) = naar | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | להראות (lehar'ot) = zich te tonen | להם (lahem) = aan hen | לימד (limmed) = hij leerde | להם (lahem) = aan hen | דרך (derekh) = de weg van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | ישאלו (yish'alu) = zij hem vroegen | ממנו (mimmennu) = van hem | דובר (dubbar) = sprekend | אליהם (aleihem) = tot hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:20** Zo deed hij dit werk vele dagen en jaren. Daarna verborg hij zich weer zes dagen en liet zich op de zevende dag aan zijn volk zien, daarna één dag per maand en één dag per jaar. Zo ver kwam het dat alle koningen, alle vorsten en alle mensen zijn aangezicht zochten. Ze verlangden er allen naar het gezicht van Henoch te zien en zijn woorden te horen, maar ze konden het niet, want alle mensen vreesden Henoch met grote vrees. Ze waren bang hem te naderen vanwege het ontzag voor Elohim dat op zijn gezicht lag. Daarom kon niemand zijn gezicht zien, uit vrees gestraft te worden en te sterven. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | כמעשה (kemma'aseh) = zoals het werk | הזה (hazzeh) = dit | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ושנים (ushanim) = en jaren | וישב (vayyashev) = en hij keerde terug | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = (samen: daarna) | ויסתר (vayyaster) = en hij verborg | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zijn ziel | שישה (shishah) = zes | ימים (yamim) = dagen | ויגלה (vayegalleh) = en hij liet zich zien | לעמו (le'ammo) = aan zijn volk | יום (yom) = dag van | אחד (echad) = één | לשבעת (leshiv'at) = per zeven | ימים (yamim) = dagen | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = (samen: en daarna) | יום (yom) = dag | אחד (echad) = één | בחודש (bachodesh) = per maand | ויום (veyom) = en dag | אחד (echad) = één | בשנה (bashanah) = per jaar | עד (ad) = tot | אשר (asher) = (dat) | ביקשו (biqshu) = zochten | פניו (panav) = zijn aangezicht | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ויתאוו (vayit'avvu) = en zij verlangden | כולם (kullam) = allen | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | פני (pnei) = aangezicht van | חנוך (Chanokh) = Henoch | ולשמוע (ulishmo'a) = en te horen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריו (devarav) = zijn woorden | ולא (velo) = en niet | יכולו (yakholu) = zij konden | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | מחנוך (miChanokh) = Henoch | יראה (yir'ah) = vrees | גדולה (gedolah) = grote | ויראו (vayiru) = en zij waren bang | מגשת (miggeshet) = te naderen | אליו (elav) = tot hem | מיראת (miyyir'at) = vanwege het ontzag voor | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | על (al) = op | פניו (panav) = zijn aangezicht | על (al) = daarom | כן (ken) = (samen: daarom) | לא (lo) = niet | יוכל (yukhal) = kon | איש (ish) = iemand | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | פניו (panav) = zijn aangezicht | פן (pen) = opdat niet | יוסר (yussar) = hij gestraft zou worden | וימות (vayamut) = en zou sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: יוסר (yussar) kan ‘hij zou gestraft worden’ zijn, van יסר (yasar), of ‘hij zou weggenomen worden’. De vertaling volgt de eerste lezing, omdat het ontzag voor Elohim op Henochs gezicht ligt. **3:21** Alle koningen en alle vorsten beraadslaagden om alle mensen samen te brengen en naar Henoch, hun koning, te komen, om allen met hem te spreken op het moment dat hij naar hen uitging. Zo deden ze. Brontekst: ויתיעצו (vayityatsu) = en zij beraadslaagden | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | לאסוף (le'esof) = te verzamelen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | יחד (yachad) = samen | ולבוא (ulavo) = en te komen | אל (el) = naar | חנוך (Chanokh) = Henoch | מלכם (malkam) = hun koning | לדבר (laddavar) = te spreken | כולם (kullam) = allen | עמו (immo) = met hem | בעת (be'et) = in de tijd | אשר (asher) = die | יצא (yatsa) = hij uitging | אליהם (aleihem) = tot hen | ויעש (vayya'as) = en men deed | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:22** Op een dag gebeurde het dat Henoch naar hen toe ging. Ze verzamelden zich allen en kwamen bij hem samen, en Henoch sprak tot hen over al hun woorden. Hij leerde hun wijsheid en kennis en onderwees hen in de vreze van Yahweh. Alle mensen werden zeer onthutst, ze verbaasden zich over hem en over zijn wijsheid, en ze bogen zich allen voor hem neer tot op de grond en zeiden: „Leve de koning! Leve de koning!” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | היום (hayyom) = op een dag | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | חנוך (Chanokh) = Henoch | אליהם (aleihem) = tot hen | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כולם (kullam) = allen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | יחד (yachad) = samen | אליו (elav) = tot hem | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | להם (lahem) = aan hen | חנוך (Chanokh) = Henoch | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דבריהם (divreihem) = hun woorden | וילמד (vayelammed) = en hij leerde | להם (lahem) = aan hen | חכמה (chokhmah) = wijsheid | ודעת (vada'at) = en kennis | ויורם (vayorem) = en hij onderwees hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יראת (yirat) = vreze van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויתבהלו (vayitbahalu) = en zij werden onthutst | מאוד (me'od) = zeer | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ויתמהו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | ממנו (mimmennu) = over hem | על (al) = over | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לפניו (lefanav) = voor hem | כולם (kullam) = allen | ארצה (artsah) = naar de grond | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De boodschapper roept Henoch **3:23** Na enige tijd gebeurde het, terwijl alle koningen, alle vorsten en alle mensen met Henoch spraken en Henoch hun de wegen van Yahweh leerde, dat een boodschapper van Yahweh uit de hemel tot Henoch riep. Hij zei dat hij hem naar de hemel zou laten opstijgen om hem koning te maken over de zonen van Elohim in de hemel, zoals hij koning was over de mensen op de aarde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מימים (miyyamim) = na enige tijd | בהיות (bihyot) = terwijl het was | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | מדברים (medabberim) = spraken | עם (im) = met | חנוך (Chanokh) = Henoch | וחנוך (vaChanokh) = en Henoch | מלמד (melammed) = leerde | אותם (otam) = hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכי (darkhei) = wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויקרא (vayikra) = en riep | מלאך (mal'akh) = boodschapper van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | חנוך (Chanokh) = Henoch | מן (min) = uit | השמים (hashamayim) = de hemel | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויאמר (vayomer) = en hij zei | להעלותו (lehaalotto) = om hem te laten opstijgen | השמים (hashamayim) = de hemel | להמליכו (lehamlikho) = om hem tot koning te maken | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | בשמים (bashamayim) = in de hemel | כאשר (ka'asher) = zoals | מלך (malakh) = hij was koning | על (al) = over | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:24** Toen Henoch dit hoorde, gaf hij bevel, en ze verzamelden alle bewoners van de aarde bij hem. Hij leerde hun wijsheid en kennis en het onderricht van Yahweh, en hij zei tot hen: „Ik ben gevraagd naar de hemel op te stijgen. Ik weet niet op welke dag ik zal heengaan. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | חנוך (Chanokh) = Henoch | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | ויקבצו (vayiqbetsu) = en zij verzamelden | לו (lo) = bij hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = de aarde | וילמד (vayelammed) = en hij leerde | אותם (otam) = hen | חכמה (chokhmah) = wijsheid | ודעת (vada'at) = en kennis | ומוסר (umusar) = en onderricht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | נשאול (nish'ol) = gevraagd | נשאלתי (nish'alti) = ben ik gevraagd | לעלות (la'alot) = op te stijgen | השמים (hashamayim) = de hemel | לא (lo) = niet | ידעתי (yada'ti) = ik weet | יום (yom) = dag van | לכתי (lekhti) = van mijn heengaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:25** Nu zal ik jullie wijsheid en onderricht leren, om te doen op de aarde waar jullie zijn, voordat ik van jullie wegga.” En zo deed hij. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אלמד (elammed) = ik zal leren | אתכם (etkhem) = jullie | חכמה (chokhmah) = wijsheid | ומוסר (umusar) = en onderricht | לעשות (la'asot) = om te doen | בארץ (ba'arets) = op de aarde | אשר (asher) = waar | תהיו (tihyu) = jullie zijn | בה (bah) = daarin | טרם (terem) = voordat | אשר (asher) = (dat) | אלך (elekh) = ik wegga | מאיתכם (me'itkhem) = van jullie | ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:26** Hij leerde hun wijsheid, kennis en onderricht en hij wees hen terecht. Hij stelde hun wetten en rechtsregels vast om ze op de aarde uit te voeren, en hij sloot vrede met hen. Hij onderwees hen over het eeuwige leven en bleef enkele dagen bij hen. Hij leerde en onderwees hun al deze dingen. Brontekst: וילמד (vayelammed) = en hij leerde | אותם (otam) = hen | חכמה (chokhmah) = wijsheid | ודעת (vada'at) = en kennis | ומוסר (umusar) = en onderricht | ויוכיח (vayokhiach) = en hij berispte | אותם (otam) = hen | וישם (vayasem) = en hij stelde | להם (lahem) = aan hen | חוקים (chuqqim) = wetten | ומשפטים (umishpatim) = en rechtsregels | לעשותם (la'asotam) = om ze uit te voeren | בארץ (ba'arets) = op de aarde | וישם (vayasem) = en hij stelde | להם (lahem) = aan hen | שלום (shalom) = vrede | ויורה (vayoreh) = en hij onderwees | אותם (otam) = hen | חיי (chayyei) = leven | עולם (olam) = eeuwig | וישב (vayyashev) = en hij bleef | איתם (ittam) = bij hen | ימים (yamim) = dagen | אחדים (achadim) = enkele | וילמד (vayelammed) = en hij leerde | ויורה (vayoreh) = en hij onderwees | להם (lahem) = aan hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het paard uit de hemel **3:27** In die tijd gebeurde het dat de mensen bij Henoch zaten, terwijl Henoch tot hen sprak. Ze sloegen hun ogen op en zagen: er daalde een gedaante van een groot paard uit de hemel neer, en het paard ging over de wind van de aarde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ובני (uvnei) = en de kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | יושבים (yoshvim) = zaten | את (et) = bij | חנוך (Chanokh) = Henoch | וחנוך (vaChanokh) = en Henoch | מדבר (medabber) = sprekend | אליהם (aleihem) = tot hen | וישאו (vayis'u) = en zij sloegen op | עיניהם (eineihem) = hun ogen | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | דמות (demut) = gedaante van | סוס (sus) = paard | גדול (gadol) = grote | יורד (yored) = neerdaalde | מן (min) = uit | השמים (hashamayim) = de hemel | וילך (vayelekh) = en het ging | הסוס (hassus) = het paard | ברוח (beruach) = op de wind van | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De tekst heeft דמות סוס גדול (demut sus gadol), ‘de gedaante van een groot paard’. Een paard dat uit de hemel neerdaalt, staat niet in Genesis. **3:28** Ze vertelden Henoch wat ze gezien hadden, en Henoch zei tegen hen: „Dat paard dat op de aarde is neergedaald, is om mijnentwil gekomen. De tijd en de dag zijn gekomen waarop ik van jullie wegga, en ik zal jullie niet opnieuw verschijnen.” Brontekst: ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לחנוך (lechanokh) = Henoch | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | ראו (ra'u) = zij hadden gezien | ויאמר (vayomer) = en hij zei | להם (lahem) = aan hen | חנוך (Chanokh) = Henoch | בעבורי (ba'avuri) = om mijnentwil | הסוס (hassus) = het paard | ההוא (hahu) = die | יורד (yored) = neerdaalde | לארץ (la'arets) = naar de aarde | כי (ki) = want | הגיע (higgia) = is gekomen | העת (ha'et) = de tijd | והיום (vehayyom) = en de dag | אשר (asher) = waarop | אלך (elekh) = ik wegga | לי (li) = voor mij | מאיתכם (me'itkhem) = van jullie | ולא (velo) = en niet | אראה (er'eh) = zal ik verschijnen | עוד (od) = opnieuw | אליכם (aleikhem) = aan jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:29** Het paard daalde neer en bleef voor Henoch staan, terwijl alle mensen Henoch bij hem zagen. Brontekst: וירד (vayered) = en hij daalde neer | הסוס (hassus) = het paard | ההוא (hahu) = die | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויעמוד (vaya'amod) = en hij bleef staan | לפני (lifnei) = voor | חנוך (Chanokh) = Henoch | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | אשר (asher) = die | את (et) = met | חנוך (Chanokh) = Henoch | רואים (ro'im) = zagen | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:30** Henoch gaf opnieuw bevel, en ze lieten uitroepen: „Wie wil de wegen van Yahweh, zijn Elohim, kennen, laat die vandaag naar Henoch komen, voordat hij van ons wordt weggenomen.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | עוד (od) = opnieuw | חנוך (Chanokh) = Henoch | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויעבירו (vaya'avirru) = en zij lieten omroepen | קול (qol) = stem van | לאמור (lemor) = zeggende | מי (mi) = wie | האיש (ha'ish) = de man | אשר (asher) = die | יחפוץ (yachpots) = wil | לדעת (lada'at) = kennen | דרכי (darkhei) = wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | יבוא (yavo) = laat hij komen | ביום (beyom) = op de dag | הזה (hazzeh) = deze | אל (el) = naar | חנוך (Chanokh) = Henoch | טרם (terem) = voordat | הילקחו (hillaqcho) = hij weggenomen wordt | ממנו (mimmennu) = van ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:31** Alle mensen verzamelden zich en kwamen die dag naar Henoch. Ook alle koningen van de aarde, met hun vorsten en hun edelen, weken die dag niet van hem. Henoch leerde alle mensen wijsheid, kennis en het onderricht van Yahweh. Hij droeg hun op Yahweh nauwgezet te dienen en alle dagen van hun leven in Zijn wegen te wandelen, en hij stichtte opnieuw vrede tussen allen. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = naar | חנוך (Chanokh) = Henoch | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | ושריהם (vesareihem) = en hun vorsten | ורוזניהם (verozneihem) = en hun edelen | לא (lo) = niet | סרו (saru) = weken | מאיתו (me'ito) = van hem | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | וילמד (vayelammed) = en hij leerde | חנוך (Chanokh) = Henoch | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | חכמה (chokhmah) = wijsheid | ודעת (vada'at) = en kennis | ומוסר (umusar) = en onderricht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויצום (vayetsavvem) = en hij droeg hun op | מאוד (me'od) = zeer | לעבוד (la'avod) = te dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וללכת (velalekhet) = en te wandelen | בדרכיו (bidrakhav) = in Zijn wegen | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | חייהם (chayyehem) = hun leven | וישם (vayasem) = en hij stelde | שלום (shalom) = vrede | עוד (od) = opnieuw | בין (bein) = tussen | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De hemelvaart van Henoch **3:32** Daarna stond hij op, besteeg het paard en ging weg. Alle mensen gingen uit en volgden hem, ongeveer achthonderdduizend man, en ze gingen één dagreis met hem mee. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = (samen: daarna) | ויקום (vayaqom) = en hij stond op | וירכב (vayirkav) = en hij besteeg | על (al) = op | הסוס (hassus) = het paard | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אחריו (acharav) = achter hem | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | כשמונה (keshemonah) = ongeveer acht | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = man | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | איתו (ito) = met hem | מהלך (mehalakh) = dagreis | יום (yom) = dag van | אחד (echad) = één Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:33** Op de tweede dag zei hij tot hen: „Keer terug naar jullie tenten. Waarom zouden jullie meegaan? Jullie zouden kunnen sterven.” Een deel van hen keerde terug, maar de overigen gingen zes dagen met hem mee. Henoch zei elke dag tot hen: „Keer terug naar jullie tenten, anders sterven jullie.” Ze wilden niet luisteren en gingen met hem mee. Op de zesde dag sprak Henoch opnieuw tot hen: „Keer terug van mij naar jullie tenten, want morgen stijg ik op naar de hemel, en ieder van jullie die bij mij blijft, zal sterven.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השני (hasheni) = de tweede | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | שובו (shuvu) = keer terug | לכם (lakhem) = (voor jullie) | לאהליכם (le'oholeikhem) = naar jullie tenten | למה (lammah) = waarom | תלכו (telekhu) = zullen jullie gaan | פן (pen) = opdat niet | תמותו (tamutu) = jullie sterven | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | מהם (mehem) = van hen | מעליו (me'alav) = van hem weg | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | איתו (ito) = met hem | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | מהם (mehem) = van hen | מהלך (mehalakh) = dagreis | ששת (shesheth) = zes | ימים (yamim) = dagen | וחנוך (vaChanokh) = en Henoch | דובר (dubbar) = sprak | אליהם (aleihem) = tot hen | בכל (bekhol) = op elke | יום (yom) = dag | שוב (shuv) = keer terug | לאהליכם (le'oholeikhem) = naar jullie tenten | פן (pen) = opdat niet | תמותו (tamutu) = jullie sterven | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | איתו (ito) = met hem | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השישי (hashishi) = de zesde | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | עוד (od) = opnieuw | חנוך (Chanokh) = Henoch | אליהם (aleihem) = tot hen | לאמור (lemor) = zeggende | שובו (shuvu) = keer terug | לכם (lakhem) = naar jullie | לאהליכם (le'oholeikhem) = naar jullie tenten | מאיתי (me'iti) = van mij | כי (ki) = want | מחר (machar) = morgen | אעלה (e'eleh) = stijg ik op | לי (li) = voor mij | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | והיה (vehayah) = en het zal zijn | כל (kol) = ieder | הנשאר (hannish'ar) = die overblijft | מכם (mikkem) = van jullie | איתי (itti) = bij mij | ימות (yamut) = zal sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Aanvullend: Het slot van dit vers (‘Op de zesde dag sprak Henoch opnieuw tot hen…’) staat in de Hebreeuwse tekst van Livorno 1870, maar niet in de vertaling van Noah (1840). **3:34** Opnieuw keerden er van hen terug op de zesde dag, en er bleven nog mannen over die zich aan hem vastklampten en tegen hem zeiden: „Wij gaan met u naar de plaats waarheen u gaat. Zo waar Yahweh leeft: alleen de dood zal ons van u scheiden.” Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | עוד (od) = opnieuw | מהם (mehem) = van hen | ביום (beyom) = op de dag | השישי (hashishi) = de zesde | ויותרו (vayyivvateru) = en bleven over | עוד (od) = nog | אנשים (anashim) = mannen | וידבקו (vayidbequ) = en zij klampten zich vast | עמו (immo) = bij hem | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tot hem | עמך (immekha) = met u | נלך (nelekh) = gaan wij | אל (el) = naar | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | תלך (telekh) = u gaat | חי (chai) = zo waar leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = dat | המוות (hammavet) = de dood | יפריד (yafrid) = zal scheiden | בינינו (beineinu) = tussen ons | ובינך (uveinekha) = en tussen u Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:35** Toen ze bleven aandringen met hem te gaan, hield hij op met tot hen te spreken. Ze gingen achter hem aan en keerden niet naar huis terug. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כי (ki) = toen | מתאמצים (mit'ammetsim) = aandringend | הם (hem) = zij | ללכת (lalekhet) = te gaan | איתו (ito) = met hem | ויחדל (vayachdal) = en hij hield op | לדבר (laddavar) = te spreken | אליהם (aleihem) = tot hen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אחריו (acharav) = achter hem | ולא (velo) = en niet | שבו (shavu) = zij keerden terug | להם (lahem) = naar huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:36** Toen de koningen terugkeerden, lieten zij allen tellen, om het aantal te weten van de mannen die achter Henoch aan waren gegaan. Op de zevende dag steeg Henoch op in een storm naar de hemel, met paarden van vuur en wagens van vuur. Brontekst: והמלכים (vehammelakhim) = en de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | בשובם (beshuvam) = bij hun terugkeer | ויפקדו (vayifqedu) = en zij lieten tellen | כולם (kullam) = allen | לדעת (lada'at) = om te weten | את (et) = (lijdend voorwerp) | מספר (mispar) = aantal | האנשים (ha'anashim) = de mannen | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = zij gingen | אחרי (acharei) = achter | חנוך (Chanokh) = Henoch | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השביעי (hashevi'i) = de zevende | ויעל (vayya'al) = en hij steeg op | חנוך (Chanokh) = Henoch | בסערה (bis'arah) = in een storm | השמיימה (hashamayimah) = naar de hemel | בסוסי (besusei) = met paarden van | אש (esh) = vuur | ורכבי (urkhavei) = en wagens van | אש (esh) = vuur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: בסערה (bassa’arah), ‘in een storm’, met ‘paarden van vuur en wagens van vuur’: zie 2 Kon. 2:11, waar Elia zo wordt opgenomen. Gen. 5:24 zegt van Henoch: ‘hij was er niet meer, want Elohim nam hem weg’. Zie ook: Gen 5:24; 2 Kon 2:11 **3:37** Op de achtste dag stuurden alle koningen die bij Henoch waren geweest, mensen om het aantal te tellen van de mannen die bij Henoch waren achtergebleven, op de plaats vanwaar hij naar de hemel was opgestegen. Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = waren | עם (im) = met | חנוך (Chanokh) = Henoch | ביום (beyom) = op de dag | השמיני (hashemini) = de achtste | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מספר (mispar) = aantal | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | נשארו (nish'aru) = overgebleven waren | עם (im) = met | חנוך (Chanokh) = Henoch | במקום (bamaqom) = op de plaats | אשר (asher) = die | עלה (alah) = hij was opgestegen | משם (misham) = vandaar | השמיימה (hashamayimah) = naar de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **3:38** De boodschappers van al deze koningen gingen naar die plaats en vonden heel de aarde daar vol sneeuw, en op de sneeuw grote stenen van sneeuw. Ze zeiden tegen elkaar: „Kom, laten we deze sneeuw doorbreken en kijken of de mannen die bij Henoch waren achtergebleven niet gestorven zijn onder deze sneeuw.” Ze deden dat en zochten in heel die sneeuw. Ze vonden het aantal mannen dat bij Henoch was geweest, dood onder de sneeuw. Ze zochten Henoch, maar vonden hem niet, want hij was naar de hemel opgestegen. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | אל (el) = naar | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | מלאה (meleah) = vol | שלג (sheleg) = sneeuw | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | ועל (ve'al) = en over | השלג (hasheleg) = de sneeuw | אבנים (avanim) = stenen | גדולות (gedolot) = grote | מאבני (me'avnei) = van stenen van | שלג (sheleg) = sneeuw | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | לכו (lekhu) = kom | ונבקע (nivqa) = laten we doorbreken | את (et) = (lijdend voorwerp) | השלג (hasheleg) = de sneeuw | הזה (hazzeh) = deze | ונראה (venire'eh) = en laten we zien | פן (pen) = opdat niet | מתו (metu) = zijn gestorven | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | נשארו (nish'aru) = overgebleven waren | עם (im) = met | חנוך (Chanokh) = Henoch | תחת (tachat) = onder | השלג (hasheleg) = de sneeuw | הזה (hazzeh) = deze | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | בכל (bekhol) = in heel | השלג (hasheleg) = de sneeuw | ההוא (hahu) = die | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | מספר (mispar) = aantal | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = waren | עם (im) = met | חנוך (Chanokh) = Henoch | מתים (metim) = dood | תחת (tachat) = onder | השלג (hasheleg) = de sneeuw | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | את (et) = (lijdend voorwerp) | חנוך (Chanokh) = Henoch | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | כי (ki) = want | עלה (alah) = hij was opgestegen | השמיימה (hashamayimah) = naar de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:24 zegt dat Henoch er niet meer was, want Elohim nam hem weg. Zie ook: Gen 5:24 ## Jasher 4 _Metuselach; de geboorte van Noach; het verval_ ### Metuselach koning **4:1** Alle dagen van Henoch die hij op de aarde leefde, waren driehonderdvijfenzestig jaar. In het honderddertiende jaar van het leven van Lemech, de zoon van Metuselach, steeg Henoch op naar de hemel. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | חנוך (Chanokh) = Henoch | אשר (asher) = die | חי (chai) = leefde | בארץ (ba'arets) = op de aarde | שלוש (shalosh) = drie | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | וחמש (vechamesh) = en vijf | ושישים (veshishim) = en zestig | שנה (shanah) = jaar | בשנת (bishnat) = in het jaar | מאה (me'ah) = honderd | ושלוש (veshalosh) = en drie | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | למך (Lemekh) = Lemech | בן (ben) = zoon van | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | עלה (alah) = steeg op | חנוך (Chanokh) = Henoch | השמיימה (hashamayimah) = naar de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:23 zegt dat Henoch driehonderdvijfenzestig jaar werd, en Gen. 5:24 dat Elohim hem wegnam. Zie ook: Gen 5:23; Gen 5:24 **4:2** Toen Henoch naar de hemel opsteeg, stonden alle koningen van de aarde op. Ze namen Metuselach, zijn zoon, zalfden hem en maakten hem koning over zich, in de plaats van zijn vader. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעלות (be'alot) = bij het opstijgen van | חנוך (Chanokh) = Henoch | השמים (hashamayim) = naar de hemel | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | בנו (beno) = zijn zoon | וימשחו (vayimshechu) = en zij zalfden | אותו (oto) = hem | וימליכוהו (vayamlikhuhu) = en zij maakten hem koning | עליהם (aleihem) = over hen | תחת (tachat) = in plaats van | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Metuselach door de koningen werd gezalfd en koning gemaakt, staat niet in Genesis. **4:3** Metuselach deed wat recht was in de ogen van Yahweh, zoals zijn vader Henoch hem had geleerd. Ook hij leerde de mensen wijsheid, kennis en de vreze van Yahweh. Al zijn dagen week hij niet af van de goede weg, naar rechts of naar links. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | הישר (hayashar) = het rechte | בעיני (be'einei) = in de ogen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ככל (kekhol) = volgens alles | אשר (asher) = die | הורהו (horahu) = hij hem had geleerd | חנוך (Chanokh) = Henoch | אביו (aviv) = zijn vader | וילמד (vayelammed) = en hij leerde | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | חכמה (chokhmah) = wijsheid | ודעת (vada'at) = en kennis | ויראת (veyir'at) = en vreze van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כל (kol) = alle | ימיו (yamav) = zijn dagen | לא (lo) = niet | סר (sar) = week af | מן (min) = uit | הדרך (haderekh) = de weg | הטובה (hattovah) = de goede | ימין (yamin) = rechts | ושמאל (usmol) = en links Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De mensen keren zich af **4:4** Maar aan het einde van de dagen van Metuselach keerden de mensen zich af van Yahweh. Ze verdierven de aarde, ze roofden en pleegden geweld tegen elkaar. Brontekst: אך (akh) = maar | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | ימי (yemei) = dagen van | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | סרו (saru) = weken | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | מאחרי (me'acharei) = van achter | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישחיתו (vayashchitu) = en zij bedierven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויגזלו (vayigzelu) = en zij roofden | ויחמסו (vayachmosu) = en zij pleegden geweld | איש (ish) = ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | רעהו (re'ehu) = zijn naaste Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **4:5** Ze kwamen in opstand tegen Elohim, overtraden en verdierven hun weg. Ze wilden niet luisteren naar de stem van Metuselach en kwamen ook tegen hem in opstand. Brontekst: וימרדו (vayimredu) = en zij kwamen in opstand | באלוקים (be'Elohim) = tegen Elohim | ויפשעו (vayifshe'u) = en zij overtraden | וישחיתו (vayashchitu) = en zij bedierven | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכם (darkham) = hun weg | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | בקול (bekol) = naar de stem van | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | וימרדו (vayimredu) = en zij kwamen in opstand | בו (bo) = tegen hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **4:6** Yahweh werd zeer toornig op hen. Hij vernietigde in die dagen opnieuw het zaad: er was geen zaad en geen oogst in de grond. Brontekst: ויקצוף (vayiqtsof) = en Hij werd toornig | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מאוד (me'od) = zeer | עליהם (aleihem) = op hen | ויוסף (vayosef) = en Hij voegde toe | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישחית (vayashchit) = en Hij vernietigde | את (et) = (lijdend voorwerp) | הזרע (hazzera) = het zaad | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ואין (veein) = en niet | זרע (zera) = zaad | ואין (veein) = en niet | קציר (qatsir) = oogst | באדמה (ba'adamah) = in de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: אין זרע ואין קציר (en zera ve’en qatsir), ‘geen zaad en geen oogst’: dezelfde woorden als in Jasher 2:7. Zie ook: Jas 2:7 **4:7** Wanneer ze de grond bezaaiden met wat ze wilden eten om op de aarde in leven te blijven, groeiden er voor hen doornen en distels, die ze niet gezaaid hadden. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = wanneer | יזרעו (yizre'u) = zij zaaiden | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדמה (ha'adamah) = de grond | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | יאכלו (yokhelu) = zij zouden eten | למחייתם (lemichyatam) = tot hun levensonderhoud | בארץ (ba'arets) = op de aarde | ויצמחו (vayitsmechu) = en er groeiden | להם (lahem) = voor hen | קוצים (qotsim) = doornen | ודרדרים (udardarim) = en distels | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | זרעו (zar'u) = zij hadden gezaaid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: קוצים ודרדרים (qotsim udardarim), ‘doornen en distels’: zie Gen. 3:18 en Jasher 2:8. Zie ook: Gen 3:18; Jas 2:8 **4:8** Toch keerden de mensen in die dagen niet terug van hun slechte weg. Hun hand bleef uitgestrekt om te doen wat slecht was in de ogen van Yahweh. Brontekst: ובכל (uvkhol) = en ondanks al | זאת (zot) = dit | לא (lo) = niet | שבו (shavu) = zij keerden terug | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | מדרכם (middarkham) = van hun weg | הרעה (hara'ah) = het kwaad | ועוד (ve'od) = en nog steeds | ידם (yadam) = hun hand | נטויה (netuyah) = was uitgestrekt | לעשות (la'asot) = om te doen | הרע (hara) = wat slecht is | בעיני (be'einei) = in de ogen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **4:9** Ze tartten Yahweh met hun slechte wegen, en Yahweh werd zeer toornig. Hij had berouw dat Hij de mens gemaakt had, en Hij zei dat Hij hen zou vernietigen en van het oppervlak van de grond zou laten verdwijnen. Zo deed Hij hun. Brontekst: ויכעיסו (vayakh'isu) = en zij tartten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בדרכיהם (bidrekhehem) = met hun wegen | הרעים (hara'im) = de slechte | ויקצוף (vayiqtsof) = en Hij werd toornig | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מאוד (me'od) = zeer | וינחם (vayyinnachem) = en Hij kreeg spijt | כי (ki) = dat | עשה (asah) = Hij had gemaakt | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדם (ha'adam) = de mens | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | להשחיתם (lehashchitam) = hen te vernietigen | ולהאבידם (ulha'avidam) = en hen te doen omkomen | מעל (me'al) = van op | פני (pnei) = aangezicht van | האדמה (ha'adamah) = de grond | ויעש (vayya'as) = en Hij deed | להם (lahem) = hun | כן (ken) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: וינחם (vayyinnachem), ‘Hij had berouw’: zie Gen. 6:6. Voetnoot Lezing: ויעש להם כן (vaya’as lahem ken) is letterlijk ‘en Hij deed hun zo’. Wat Hij deed, staat er niet bij; de vertaling laat het zo. Zie ook: Gen 6:6 ### Seth sterft; Lemech en Ashmua **4:10** In die dagen, toen Lemech, de zoon van Metuselach, honderdachtenzestig jaar oud was, stierf Seth, de zoon van Adam. Alle dagen van Seth die hij leefde, waren negenhonderdtwaalf jaar, en hij stierf. Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בהיות (bihyot) = toen was | למך (Lemekh) = Lemech | בן (ben) = zoon van | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | בן (ben) = zoon van | שישים (shishim) = zestig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנים (shanim) = jaren | ומאה (umeah) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf | שת (Shet) = Seth | בן (ben) = zoon van | אדם (adam) = Adam | ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | שת (Shet) = Seth | אשר (asher) = die | חי (chai) = leefde | תשע (tesha) = negen | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושתיים (ushtayim) = en twee | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:8 zegt dat Seth negenhonderdtwaalf jaar werd. Zie ook: Gen 5:8 **4:11** Lemech was honderdeenentachtig jaar oud toen hij Ashmua tot vrouw nam, de dochter van Elisjoea, de zoon van Henoch, zijn oom. Ze werd zwanger van hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | למך (Lemekh) = Lemech | בן (ben) = zoon van | שמונים (shemonim) = tachtig | ואחת (ve'achat) = en een | שנים (shanim) = jaren | ומאה (umeah) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשמוע (Ashmu'a) = Ashmua | בת (bat) = dochter van | אלישוע (Elishua) = Elisjoea | בן (ben) = zoon van | חנוך (Chanokh) = Henoch | דודו (dodo) = zijn oom | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | לו (lo) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Genesis noemt de vrouw van Lemech niet. Jasher noemt haar אשמוע (Ashmua); Jubileeën 4:28 noemt haar Betenos. Zie ook: Gen 5:28; Gen 5:29; Jub 4:28 **4:12** In die tijd zaaiden de mensen de grond en vonden ze weinig voedsel in de grond. Maar de mensen keerden niet terug van hun slechte weg. Ze pleegden trouwbreuk en kwamen in opstand op de grond. Brontekst: ובעת (uva'et) = en in de tijd | ההיא (hahi) = die | זרעו (zar'u) = zij zaaiden | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדמה (ha'adamah) = de grond | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | אוכל (ukhal) = voedsel | מעט (me'at) = weinig | באדמה (ba'adamah) = in de grond | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | שבו (shavu) = zij keerden terug | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | מדרכם (middarkham) = van hun weg | הרעה (hara'ah) = het kwaad | וימעלו (vayim'alu) = en zij pleegden trouwbreuk | וימרדו (vayimredu) = en zij kwamen in opstand | באדמה (ba'adamah) = op de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De geboorte van Noach **4:13** De vrouw van Lemech werd zwanger en beviel van een zoon. Dat was in die tijd, bij de wending van het jaar. Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | אשת (eshet) = vrouw van | למך (Lemekh) = Lemech | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לו (lo) = voor hem | בן (ben) = een zoon | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | לתקופת (litqufat) = bij de wending van | השנה (hashanah) = het jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **4:14** Metuselach noemde hem Noach en zei: „De grond heeft rust gekregen en is stil geworden, vrij van verderf, in zijn dagen.” Brontekst: ויקרא (vayikra) = en hij noemde | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | נח (Noach) = Noach | לאמור (lemor) = zeggende | נחה (nachah) = rustte | האדמה (ha'adamah) = de grond | ושקטה (veshaqetah) = en was stil | מהשחית (mehashchit) = van het verderven | בימיו (bimav) = in zijn dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: נח (Noach) wordt hier uitgelegd met נחה (nachah), ‘rustte’. Gen. 5:29 laat Lemech de naam geven; hier geeft Metuselach hem. Zie ook: Gen 5:29 **4:15** Maar zijn vader Lemech noemde hem Menachem en zei: „Hij zal ons troosten in ons werk en in de pijnlijke moeite van onze handen, vanwege de grond die Yahweh vervloekt heeft.” Brontekst: ולמך (veLemekh) = en Lemech | אביו (aviv) = zijn vader | קרא (qara) = noemde | לו (lo) = voor hem | מנחם (Menachem) = Menachem | לאמור (lemor) = zeggende | זה (ze) = dit | ינחמנו (yenachamenu) = hij zal ons troosten | ממעשינו (mima'aseinu) = van ons werk | ומעצבון (umi'itsvon) = en van de pijnlijke moeite van | ידינו (yadeinu) = onze handen | מן (min) = uit | האדמה (ha'adamah) = de grond | אשר (asher) = die | אררה (ararah) = vervloekte | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De woorden van Lemech zijn bijna dezelfde als in Gen. 5:29 (זה ינחמנו, ze yenachamenu), maar de naam is hier מנחם (Menachem). In Genesis heet het kind Noach. Zie ook: Gen 5:29 **4:16** Het kind groeide op en werd gespeend. Hij ging in de wegen van zijn vader Metuselach en was onberispelijk en oprecht bij Yahweh. Brontekst: ויגדל (vayigdal) = en hij groeide op | הילד (hayeled) = het kind | ויגמל (vayiggamal) = en hij werd gespeend | וילך (vayelekh) = en hij ging | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | אביו (aviv) = zijn vader | ויהי (vayehi) = en hij was | תם (tam) = onberispelijk | וישר (veyashar) = en oprecht | עם (im) = met | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: תם (tam), ‘onberispelijk’: zie Gen. 6:9, waar Noach תמים (tamim) heet. Zie ook: Gen 6:5; Gen 6:9 ### Het verval van de mensen **4:17** Alle mensen, allen, weken in die dagen af van de wegen van Yahweh, toen ze zich vermenigvuldigden over het oppervlak van de grond, in zonen en dochters. Ze leerden elkaar hun slechte wegen en gingen steeds verder in hun overtreding tegen Yahweh. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | סרו (saru) = weken | מדרכי (middarkhei) = van de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כולם (kullam) = allen | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כאשר (ka'asher) = toen | רבו (ravu) = zij zich vermenigvuldigden | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | האדמה (ha'adamah) = de grond | בבנים (babbanim) = met zonen | ובבנות (uvvanot) = en dochters | וילמדו (vayilmedu) = en zij leerden | איש (ish) = ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכיהם (darkheihem) = hun wegen | הרעים (hara'im) = de slechte | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | הלוך (halokh) = steeds verder | ופשוע (vafashoa') = en overtredend | ביהוה (bYahweh) = tegen Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **4:18** Ieder maakte zich een eigen god. Ze roofden, pleegden geweld en onderdrukten elkaar, ieder zijn verwant. Ze verdierven de aarde, en de aarde werd vol geweld. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | להם (lahem) = voor zich | איש (ish) = ieder | אלוקו (elohav) = zijn god | ויגזלו (vayigzelu) = en zij roofden | ויחמסו (vayachmosu) = en zij pleegden geweld | ויעשקו (vaya'ashqu) = en zij onderdrukten | איש (ish) = ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | ואיש (ve'ish) = en ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | קרובו (qerovo) = zijn verwant | וישחיתו (vayashchitu) = en zij bedierven | הארץ (ha'arets) = de aarde | ותמלא (vattimmale) = en werd vol | הארץ (ha'arets) = de aarde | חמס (chamas) = geweld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ותמלא הארץ חמס (vattimmale ha’arets chamas), ‘de aarde werd vol geweld’: dezelfde woorden als in Gen. 6:11. Zie ook: Gen 6:11 **4:19** Hun rechters en hun beambten gingen naar alle dochters van de mensen en namen voor zichzelf met geweld vrouwen, van onder hun echtgenoten vandaan, uit allen die ze uitkozen. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | שופטיהם (shofetehem) = hun rechters | ושוטריהם (veshotrehem) = en hun beambten | אל (el) = naar | כל (kol) = alle | בנות (banot) = dochters | האדם (ha'adam) = de mens | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | להם (lahem) = voor zich | נשים (nashim) = vrouwen | בחזקה (bechazaqah) = met geweld | מתחת (mittachat) = van onder | בעליהן (be'aleihen) = hun mannen | מכל (mikkol) = uit alle | אשר (asher) = die | בחרו (bacharu) = zij hadden gekozen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 6:2 zegt van de zonen van Elohim dat zij vrouwen namen ‘uit allen die zij uitkozen’ (מכל אשר בחרו, mikkol asher bacharu): dezelfde woorden. Hier zijn het de rechters en beambten van de mensen. Zie ook: Gen 6:2; Gen 6:6 **4:20** Ook brachten de mensen in die dagen dieren uit het vee van de aarde, uit het wild van het veld en uit het gevogelte van de hemel bijeen. Ze leerden hen samen te gaan met wat niet van hun soort is, om Yahweh met deze daad te tarten. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מבהמת (mibbehemat) = van het vee van | הארץ (ha'arets) = de aarde | ומחית (umichayyat) = en van het wild van | השדה (hasadeh) = het veld | ומעוף (umei'of) = en van het gevogelte van | השמים (hashamayim) = de hemel | הביאו (hevi'u) = zij brachten bijeen | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וילמדום (vayelamdum) = en zij leerden hen | ללכת (lalekhet) = te wandelen | מין (min) = soort | לאשר (la'asher) = bij wat | איננו (enenu) = niet is | מינו (mino) = zijn soort | למען (lema'an) = opdat | הכעיס (hakh'is) = te tarten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בדבר (bedabber) = in deze zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Deze zin heeft geen lijdend voorwerp bij הביאו (hevi’u), ‘zij brachten’. ‘Bijeen’ is aangevuld. ללכת (lalekhet) is letterlijk ‘te gaan’. ### Het besluit van Yahweh **4:21** Elohim zag heel de aarde, en zie, ze was verdorven, want alle vlees had zijn weg op de aarde verdorven, alle mensen en al het vee. Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij zag | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | והנה (vehinneh) = en zie | נשחתה (nishchatah) = was bedorven | כי (ki) = want | השחית (hishchit) = had bedorven | כל (kol) = alle | בשר (basar) = vlees | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכו (darko) = zijn weg | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = de mens | וכל (vekhol) = en alle | הבהמה (habbehemah) = het vee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Bijna dezelfde woorden als Gen. 6:12: ‘want alle vlees had zijn weg op de aarde verdorven’. Zie ook: Gen 6:8; Gen 6:12 **4:22** Yahweh zei: **„Ik zal de mens die Ik geschapen heb van het oppervlak van de grond wegvegen, van de mens tot het gevogelte van de hemel, tot het vee en tot het wild dat in het veld is, want Ik heb er berouw van dat Ik hen gemaakt heb.”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en Hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אמחה (emcheh) = Ik zal wegwissen | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדם (ha'adam) = de mens | אשר (asher) = die | בראתי (barati) = Ik heb geschapen | מעל (me'al) = van op | פני (pnei) = aangezicht van | האדמה (ha'adamah) = de grond | מאדם (me'adam) = van mens | ועד (ve'ad) = en tot | עוף (of) = gevogelte van | השמים (hashamayim) = de hemel | ועד (ve'ad) = en tot | בהמה (behemah) = vee | ועד (ve'ad) = en tot | החיה (hachayyah) = het dier | אשר (asher) = die | בשדה (bassadeh) = in het veld | כי (ki) = want | ניחמתי (nichamti) = het spijt Mij | כי (ki) = dat | עשיתים (asitim) = Ik hen gemaakt heb Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 6:7. Hier staat de spraak van Yahweh in rood. Zie ook: Gen 6:7 **4:23** Iedereen die in de wegen van Yahweh wandelde, stierf in die dagen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כל (kol) = ieder | איש (ish) = man | אשר (asher) = die | הלך (halakh) = wandelde | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **4:24** Dat gebeurde voordat Yahweh het kwaad over de mensen bracht dat Hij gesproken had hun aan te doen. Want dit kwam van Yahweh over hen, om hun het kwaad niet te laten zien dat Yahweh over de mensen gesproken had. Brontekst: טרם (terem) = voordat | הביא (hevi) = bracht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = over | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | לעשות (la'asot) = om te doen | להם (lahem) = hun | כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היתה (hayetah) = zij was | זאת (zot) = deze | להם (lahem) = hun | לבלתי (levilti) = opdat niet | הראותם (har'otam) = hen te laten zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = over | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: לבלתי הראותם (levilti har’otam) is letterlijk ‘om hen niet te laten zien’. ### Noach vindt gunst **4:25** Noach vond gunst in de ogen van Yahweh. Yahweh koos hem, hem en zijn zonen, om uit hen zaad in leven te houden op heel het aardoppervlak. Brontekst: ונח (veNoach) = en Noach | מצא (matsa) = vond | חן (chen) = gunst | בעיני (be'einei) = in de ogen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויבחר (vayivchar) = en Hij koos | בו (bo) = hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | לחיות (lechayot) = in leven te houden | מהם (mehem) = uit hen | זרע (zera) = zaad | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: מצא חן בעיני יהוה (matsa chen be’einei Yahweh), ‘vond gunst in de ogen van Yahweh’: dezelfde woorden als in Gen. 6:8. Zie ook: Gen 6:8 ## Jasher 5 _Yahweh roept tot bekering; Noachs gezin; de ark; de leeuwin_ ### Het sterven van de vaderen **5:1** In het vierentachtigste jaar van het leven van Noach stierf Enosh, de zoon van Seth. Hij was negenhonderdvijf jaar oud toen hij stierf. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | שמונים (shemonim) = tachtig | וארבע (ve'arba) = en vier | שנים (shanim) = jaren | לחיי (lechayyei) = van het leven van | נח (Noach) = Noach | וימות (vayamut) = en hij stierf | אנוש (Enosh) = Enosh | בן (ben) = zoon van | שת (Shet) = Seth | בן (ben) = zoon van | תשע (tesha) = negen | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaren | היה (hayah) = hij was | במותו (bemoto) = bij zijn dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:11 zegt dat Enosh negenhonderdvijf jaar werd. De jaartelling ‘in het jaar van Noach’ staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 5:11 **5:2** In het honderdnegenenzeventigste jaar van het leven van Noach stierf Kenan, de zoon van Enosh. Alle dagen van Kenan waren negenhonderdtien jaar, en hij stierf. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = en in het jaar van | שבעים (shiv'im) = zeventig | ותשע (vetesha) = en negen | שנים (shanim) = jaren | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | נח (Noach) = Noach | מת (met) = stierf | קינן (Qenan) = Kenan | בן (ben) = zoon van | אנוש (Enosh) = Enosh | ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | קינן (Qenan) = Kenan | תשע (tesha) = negen | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ועשר (va'asar) = en tien | שנים (shanim) = jaren | וימות (vayamut) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:14 zegt dat Kenan negenhonderdtien jaar werd. Zie ook: Gen 5:14 **5:3** In het tweehonderdvierendertigste jaar van het leven van Noach stierf Mahalalël, de zoon van Kenan. De dagen van Mahalalël waren achthonderdvijfennegentig jaar, en hij stierf. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = en in het jaar van | ארבעה (arba'ah) = vier | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנים (shanim) = jaren | ומאתיים (umatayim) = en tweehonderd | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | נח (Noach) = Noach | מת (met) = stierf | מהללאל (Mahalalel) = Mahalalël | בן (ben) = zoon van | קינן (Qenan) = Kenan | ויהי (vayehi) = en waren | ימי (yemei) = dagen van | מהללאל (Mahalalel) = Mahalalël | שמונה (shemonah) = acht | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | וחמש (vechamesh) = en vijf | ותשעים (vetish'im) = en negentig | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:17 zegt dat Mahalalël achthonderdvijfennegentig jaar werd. Zie ook: Gen 5:17 **5:4** Jered, de zoon van Mahalalël, stierf in die dagen, in het driehonderdzesenzestigste jaar van het leven van Noach. Alle dagen van Jered waren negenhonderdtweeënzestig jaar, en hij stierf. Brontekst: וירד (vayered) = en Jered | בן (ben) = zoon van | מהללאל (Mahalalel) = Mahalalël | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar | שישים (shishim) = zestig | ושש (veshesh) = en zes | שנים (shanim) = jaren | ושלוש (veshalosh) = en drie | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | נח (Noach) = Noach | ויהי (vayehi) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | ירד (Yered) = Jered | תשע (tesha) = negen | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושתיים (ushtayim) = en twee | ושישים (veshishim) = en zestig | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:20 zegt dat Jered negenhonderdtweeënzestig jaar werd. Zie ook: Gen 5:20 **5:5** Ook alle mensen die Yahweh volledig waren gevolgd, stierven in die dagen, voordat ze het kwaad zagen dat Yahweh gesproken had te doen op heel de aarde. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = de mens | אשר (asher) = die | מלאו (mal'u) = zij volgden volledig | אחרי (acharei) = achter | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מתו (metu) = stierven | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | טרם (terem) = voordat | ראותם (re'otam) = hun zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לעשות (la'asot) = om te doen | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: מלאו אחרי יהוה (mal’u acharei Yahweh), ‘zij volgden Yahweh volledig’: dezelfde woorden zijn in Num. 14:24 gezegd van Kaleb. Zie ook: Num 14:24 **5:6** Na vele dagen en jaren, tot het vierhonderdtachtigste jaar van het leven van Noach, gebeurde het dat alle mensen die Yahweh volledig waren gevolgd, uit het midden van de mensen gestorven waren. In die dagen bleef alleen Metuselach over. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ושנים (ushanim) = en jaren | עד (ad) = tot | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | ושמונים (ushmonim) = en tachtig | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | נח (Noach) = Noach | כאשר (ka'asher) = toen | תמו (tammu) = waren geëindigd | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | אשר (asher) = die | מלאו (mal'u) = zij volgden volledig | אחרי (acharei) = na | יהוה (Yahweh) = Yahweh | למות (lamut) = te sterven | מקרב (miqqerev) = uit het midden van | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | וישאר (vayyisha'er) = en bleef over | אך (akh) = alleen | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Yahweh roept tot bekering **5:7** Yahweh zei tegen Noach en tegen Metuselach: **„Spreek en roep tot de mensen: ‘Zo zegt Yahweh: Keer terug van jullie slechte wegen en laat jullie daden achter. Dan zal Yahweh berouw hebben over het kwaad dat Hij gesproken heeft jullie aan te doen in het land, en het zal niet gebeuren.** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en Hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | נח (Noach) = Noach | אל (el) = tot | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | לאמור (lemor) = om te zeggen | דברו (dabberu) = spreek | וקיראו (veqir'u) = en roep | אל (el) = tot | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | לאמור (lemor) = om te zeggen | כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | יהוה (Yahweh) = Yahweh | שובו (shuvu) = keer terug | מדרכיכם (middarkhekhem) = van jullie wegen | הרעים (hara'im) = de slechte | ועזבו (ve'izvu) = en verlaat | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשיכם (ma'aseykhem) = jullie daden | וניחם (venicham) = en Hij zal berouw hebben | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = over | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij heeft gesproken | לעשות (la'asot) = om te doen | לכם (lakhem) = voor jullie | בארץ (ba'arets) = in het land | ולא (velo) = en niet | תהיה (tihyeh) = zal zijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De boodschap die Noach en Metuselach moeten uitroepen (‘Zo zegt Yahweh…’) zijn Yahweh’s eigen woorden. Daarom is de hele boodschap rood, ook binnen de enkele aanhalingstekens. **5:8** **Want zo zegt Yahweh: Zie, Ik geef jullie een termijn van honderdtwintig jaar. Als jullie je werkelijk tot Mij bekeren en jullie slechte wegen verlaten, dan zal ook Ik terugkeren van het kwaad dat Ik over jullie gesproken heb, en het zal niet gebeuren, zegt Yahweh.’”** Brontekst: כי (ki) = want | כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הנני (hinneni) = zie, Ik | נותן (noten) = geef | לכם (lakhem) = aan jullie | מועד (mo'ed) = een termijn | עשרים (esrim) = twintig | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | אם (em) = als | שוב (shuv) = keer terug | תשובו (tashuvu) = jullie terugkeren | אליי (elai) = tot Mij | ועזבתם (ve'azavtem) = en jullie verlaten | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכיכם (darkheikhem) = jullie wegen | הרעים (hara'im) = de slechte | ושבתי (veshavti) = en Ik zal terugkeren | גם (gam) = ook | אני (ani) = Ik | מן (min) = uit | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | דברתי (dibbarti) = Ik heb gesproken | אליכם (aleikhem) = tot jullie | ולא (velo) = en niet | תקום (taqum) = zal gebeuren | אמר (amar) = zegt | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 6:3 noemt ook honderdtwintig jaar: ‘zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn’. Hier is het een termijn die Yahweh de mensen geeft om zich te bekeren. Zie ook: Gen 6:3 **5:9** Noach en Metuselach spraken alle woorden van Yahweh tot alle mensen, dag na dag, vroeg opstaand om te spreken, al die dagen. Brontekst: וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | נח (Noach) = Noach | ומתושלח (uMetushelach) = en Metuselach | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | יום (yom) = dag na | יום (yom) = dag | השכם (hashkem) = vroeg opstaand | ודבר (vedabber) = en sprekend | בכל (bekhol) = in heel | הימים (hayyamim) = de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:10** Maar alle mensen luisterden niet naar hen. Ze neigden hun oor niet naar hun woorden en verhardden hun nek. Brontekst: ולא (velo) = en niet | שמעו (shame'u) = zij luisterden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | אליהם (aleihem) = naar hen | ולא (velo) = en niet | הטו (hittu) = zij neigden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אוזנם (oznam) = hun oor | לדבריהם (ledivreihem) = naar hun woorden | ויקשו (vayaqshu) = en zij verhardden | את (et) = (lijdend voorwerp) | עורפם (orpam) = hun nek Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:11** Yahweh stelde hun een termijn van honderdtwintig jaar, met de woorden: als ze zich bekeren, zal Yahweh berouw hebben over het kwaad en de aarde niet vernietigen. Brontekst: וישם (vayasem) = en Hij stelde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מועד (mo'ed) = een termijn | להם (lahem) = hun | עשרים (esrim) = twintig | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | לאמור (lemor) = om te zeggen | אם (em) = als | שוב (shuv) = keer terug | ישובו (yashuvu) = zij zich bekeren | וניחם (venicham) = en Hij zal berouw hebben | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = op | הרעה (hara'ah) = het kwaad | לבלתי (levilti) = om niet | השחית (hishchit) = te vernietigen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 6:3 ### Noach en Naäma **5:12** Noach, de zoon van Lemech, hield op een vrouw te nemen om zonen te verwekken, want hij zei: „Zie, Yahweh gaat de mensen van de aarde vernietigen. Waarvoor zou ik zonen hebben?” Brontekst: ונח (veNoach) = en Noach | בן (ben) = zoon van | למך (Lemekh) = Lemech | חדל (chadal) = hield op | לקחת (laqachat) = om te nemen | אישה (ishah) = een vrouw | להוליד (lehoolid) = te verwekken | בנים (banim) = zonen | כי (ki) = want | אמר (amar) = zei | הנה (hinneh) = zie | יהוה (Yahweh) = Yahweh | משחית (mashchit) = vernietigt | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | מעל (me'al) = van op | הארץ (ha'arets) = de aarde | למה (lammah) = waarom | לי (li) = voor mij | בנים (banim) = zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:13** Noach was een rechtvaardig man, onberispelijk in zijn generaties, en Yahweh koos hem uit om uit zijn nageslacht zaad in leven te houden op heel het aardoppervlak. Brontekst: ונח (veNoach) = en Noach | איש (ish) = een man | צדיק (tsaddiq) = rechtvaardig | תמים (tamim) = onberispelijk | היה (hayah) = hij was | בדורותיו (bedorotav) = in zijn generaties | ויבחר (vayivchar) = en Hij koos | בו (bo) = hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לחיות (lechayot) = in leven te houden | מזרעו (mizar'o) = uit zijn nageslacht | זרע (zera) = nakomeling | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: איש צדיק תמים היה בדורותיו (ish tsaddiq tamim hayah bedorotav), ‘een rechtvaardig man, onberispelijk in zijn generaties’: dezelfde woorden als in Gen. 6:9. Zie ook: Gen 6:9 **5:14** Yahweh zei tegen Noach: **„Neem een vrouw voor jezelf en verwek zonen, want Ik heb gezien dat jij rechtvaardig bent voor Mijn aangezicht in deze generatie.** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en Hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לנח (leNoach) = tot Noach | קח (qach) = neem | לך (lekha) = aan jou | אישה (ishah) = een vrouw | והוליד (vehoolid) = en verwek | בנים (banim) = zonen | כי (ki) = want | אותך (otekha) = jou | ראיתי (ra'iti) = Ik heb gezien | צדיק (tsaddiq) = rechtvaardig | לפני (lifnei) = voor mijn aangezicht | בדור (bador) = in de generatie | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden als in Gen. 7:1: ‘want Ik heb gezien dat jij rechtvaardig bent voor Mijn aangezicht in deze generatie’. Zie ook: Gen 7:1 **5:15** **Jij en je zonen met je zullen leven te midden van de aarde.”** Brontekst: ואתה (ve'attah) = en jij | ובניך (uvanekha) = en je zonen | איתך (ittekha) = met je | תחיו (techyu) = jullie zullen leven | בקרב (beqerev) = te midden van | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:16** Noach ging, nam een vrouw en koos Naäma, de dochter van Henoch. Zij was vijfhonderdtachtig jaar oud. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | נח (Noach) = Noach | ויקח (vayikkach) = en hij nam | אישה (ishah) = een vrouw | ויבחר (vayivchar) = en hij koos | את (et) = (lijdend voorwerp) | נעמה (Na'amah) = Naäma | בת (bat) = dochter van | חנוך (Chanokh) = Henoch | והיא (vehi) = en zij | בת (bat) = dochter van | חמש (chamesh) = vijf | מאות (me'ot) = honderd | ושמונים (ushmonim) = en tachtig | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Genesis noemt de vrouw van Noach niet. Jasher noemt haar נעמה (Na’amah), de dochter van Henoch. In Jasher 3:13 heeft Henoch ook een dochter Naäma. Gen. 4:22 noemt een Naäma, de zuster van Tubal-Kaïn; Jubileeën 4:33 noemt Noachs vrouw Emzara. Zie ook: Gen 4:22; Gen 5:32; Jub 4:33; Jas 3:13 **5:17** Noach was vierhonderdachtennegentig jaar oud toen hij Naäma tot vrouw nam. Brontekst: ונח (veNoach) = en Noach | בן (ben) = zoon van | תשעים (tish'im) = negentig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנה (shanah) = jaar | וארבע (ve'arba) = en vier | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | בקחתו (beqachto) = bij zijn nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | נעמה (Na'amah) = Naäma | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 6:10 ### Jafeth en Sem **5:18** Naäma werd zwanger en beviel van een zoon. Hij noemde hem Jafeth, en zei: „Elohim heeft mij ruimte gegeven op de aarde.” Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | נעמה (Na'amah) = Naäma | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | יפת (Yefet) = Jafeth | לאמור (lemor) = zeggende | יפת (Yefet) = heeft ruimte gemaakt | אלוקים (Elohim) = Elohim | לי (li) = voor mij | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: יפת (yaft), ‘Hij geeft ruimte’, klinkt als de naam יפת (Yefet), Jafeth. Zie ook Gen. 9:27, waar hetzelfde werkwoord bij Jafeth staat. Zie ook: Gen 9:27 **5:19** Ze werd opnieuw zwanger en beviel van een zoon. Hij noemde hem Sem, en zei: „Elohim heeft mij een overblijfsel gesteld, om in leven te blijven te midden van de aarde.” Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | עוד (od) = opnieuw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | שם (shem) = Sem | לאמור (lemor) = zeggende | שמני (simmani) = hij heeft mij gesteld | אלוקים (Elohim) = Elohim | שארית (she'erit) = een overblijfsel | לחיות (lechayot) = om te leven | בקרב (beqerev) = te midden van | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: שמני (simmani), ‘Hij heeft mij gesteld’, klinkt als de naam שם (Shem), Sem. **5:20** Noach was vijfhonderdtwee jaar oud toen Naäma Sem baarde. Brontekst: ונח (veNoach) = en Noach | בן (ben) = zoon van | חמש (chamesh) = vijf | מאות (me'ot) = honderd | ושתיים (ushtayim) = en twee | שנה (shanah) = jaar | בלדת (biledet) = bij het baren van | נעמה (Na'amah) = Naäma | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = Sem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:32 zegt dat Noach vijfhonderd jaar oud was toen hij Sem, Cham en Jafeth kreeg. Gen. 11:10 zegt dat Sem twee jaar na de vloed honderd jaar oud was. Omdat Noach bij de vloed zeshonderd was, past dat bij een geboorte in zijn vijfhonderdtweede jaar. Zie ook: Gen 5:32; Gen 11:10 **5:21** De jongens groeiden op en wandelden in de wegen van Yahweh, in alles wat Metuselach en Noach, hun vader, hun geleerd hadden. Brontekst: ויגדלו (vayigdelu) = en zij groeiden op | הנערים (hanne'arim) = de jongens | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בכל (bekhol) = in alles | אשר (asher) = wat | לימדם (limmedam) = hij hen had geleerd | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | ונח (veNoach) = en Noach | אביהם (avihem) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Lemech sterft **5:22** Lemech, de vader van Noach, stierf in die dagen, omdat hij niet met heel zijn hart in de wegen van zijn vader wandelde. Hij stierf in het vijfhonderdvijfennegentigste jaar van het leven van Noach. Alle dagen van Lemech waren zevenhonderdzevenenzeventig jaar, en hij stierf. Brontekst: ולמך (veLemekh) = en Lemech | אבי (avi) = vader van | נח (Noach) = Noach | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כי (ki) = want | אך (akh) = zeker | לא (lo) = niet | הלך (halakh) = wandelde | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | אביו (aviv) = zijn vader | בכל (bekhol) = in heel | לבבו (levavo) = zijn hart | וימת (vayamot) = en hij stierf | בשנת (bishnat) = in het jaar | חמש (chamesh) = vijf | ותשעים (vetish'im) = en negentig | שנה (shanah) = jaar | וחמש (vechamesh) = en vijf | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | נח (Noach) = Noach | ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | למך (Lemekh) = Lemech | שבע (sheva) = zeven | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | שנה (shanah) = jaar | ושבע (veshev'a) = en zeven | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:30–31 zegt dat Lemech na de geboorte van Noach vijfhonderdvijfennegentig jaar leefde en in totaal zevenhonderdzevenenzeventig jaar. Dat de reden zijn dood was dat hij niet de wegen van zijn vader volgde, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 5:30–31 **5:23** Ook alle mensen die Yahweh kenden, stierven allen in dat jaar, voordat Yahweh het kwaad over de mensen bracht. Want Yahweh had er behagen in hen te laten sterven, zodat niemand die Yahweh kende zijn broer en zijn verwant zou zien in het kwaad dat Yahweh gesproken had te doen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | אשר (asher) = die | ידעו (yade'u) = zij kenden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מתו (metu) = stierven | כולם (kullam) = allen | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | טרם (terem) = voordat | הביא (hevi) = bracht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | על (al) = over | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | כי (ki) = want | חפץ (chafets) = had behagen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להמיתם (lehamitam) = hen te doen sterven | לבלתי (levilti) = opdat niet | ראות (re'ot) = zien | איש (ish) = iemand | אשר (asher) = die | ידע (yada) = kende | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broer | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | קרובו (qerovo) = zijn verwant | ברעה (bara'ah) = in het kwaad | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לעשות (la'asot) = om te doen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:24** In die tijd zei Yahweh tegen Noach en tegen Metuselach: **„Sta op en roep in de oren van alle mensen alle woorden die Ik in die dagen tot jullie gesproken heb.** Brontekst: בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | אמר (amar) = zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | נח (Noach) = Noach | ואל (ve'el) = en tot | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | לאמור (lemor) = zeggende | עמדו (imdu) = sta op | וקיראו (veqir'u) = en roep | באוזני (be'oznei) = in de oren van | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de woorden | אשר (asher) = die | דיברתי (dibbarti) = Ik heb gesproken | אליכם (aleikhem) = jullie | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:25** **Misschien keren de mensen terug van hun slechte daden. Dan zal Ik berouw hebben over het kwaad en zal Ik het niet brengen.”** Brontekst: אולי (ulai) = misschien | ישובו (yashuvu) = zij zich bekeren | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ממעשיהם (mima'aseihem) = van hun daden | הרעים (hara'im) = de slechte | ונחמתי (venichamti) = en Ik zal berouw hebben | על (al) = over | הרעה (hara'ah) = het kwaad | ולא (velo) = en niet | אביאנה (avi'enah) = Ik zal haar brengen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 6:13 **5:26** Noach en Metuselach stonden op en riepen in de oren van alle mensen alles wat Yahweh tot hen gesproken had. Maar de mensen luisterden niet en neigden hun oor niet naar al deze woorden. Brontekst: ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden op | נח (Noach) = Noach | ומתושלח (uMetushelach) = en Metuselach | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | באוזני (be'oznei) = in de oren van | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = de mens | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אליהם (aleihem) = tot hen | ולא (velo) = en niet | ישמעו (yishme'u) = zij luisterden | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = de mens | ולא (velo) = en niet | הטו (hittu) = zij neigden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אוזנם (oznam) = hun oor | את (et) = naar | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 6:14 ### De opdracht om de ark te maken **5:27** Daarna zei Yahweh tegen Noach: **„Het einde van alle vlees is voor Mij gekomen, vanwege hun slechte daden. Zie, Ik ga hen vernietigen, met de aarde.** Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = (samen: daarna) | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | נח (Noach) = Noach | קץ (qets) = het einde van | כל (kol) = alle | בשר (basar) = vlees | בא (ba) = is gekomen | לפניי (lefanai) = voor Mij | מפני (mippenei) = vanwege | רוע (ro'a) = boosheid van | מעלליהם (ma'alleihem) = hun daden | והנני (vehinneni) = en zie, Ik | משחיתם (mashchitam) = hen vernietig | את (et) = met | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Bijna dezelfde woorden als Gen. 6:13: ‘Het einde van alle vlees is voor Mij gekomen… Zie, Ik ga hen vernietigen, met de aarde.’ Zie ook: Gen 6:13; Gen 6:15 **5:28** **En jij: neem voor jezelf goferhout, ga naar een zekere, bepaalde plaats, maak voor jezelf een grote ark en zet haar op die plaats neer.** Brontekst: ואתה (ve'attah) = en jij | קח (qach) = neem | לך (lekha) = aan jou | עצי (atsei) = hout van | גופר (gofer) = gofer | והלכת (vehalakhta) = en ga | אל (el) = naar | מקום (maqom) = plek | פלוני (ploni) = zekere | אלמוני (almoni) = bepaalde | ועשית (ve'asita) = en maak | לך (lekha) = aan jou | תיבה (tevah) = ark | גדולה (gedolah) = grote | והעמדת (veha'amadta) = en zet neer | אותה (otah) = haar | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: עצי גופר (atsei gofer), ‘goferhout’: zie Gen. 6:14. פלוני אלמוני (ploni almoni) is een vaste uitdrukking voor ‘een bepaalde, ongenoemde plaats’. Zie ook: Gen 6:14; Gen 6:16 **5:29** **Zo moet je haar maken: driehonderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog.** Brontekst: וזה (vezeh) = en dit | אשר (asher) = wat | תעשה (ta'aseh) = je doet | אותה (otah) = haar | שלוש (shalosh) = drie | מאות (me'ot) = honderd | אמה (ammah) = el | אורכה (orkah) = haar lengte | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | אמה (ammah) = el | רוחבה (rochbah) = haar breedte | ושלושים (ushloshim) = en dertig | אמה (ammah) = el | קומתה (qomatah) = haar hoogte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dezelfde maten als in Gen. 6:15: driehonderd, vijftig en dertig el. Zie ook: Gen 6:15; Gen 6:17 **5:30** **Maak voor jezelf een opening in haar zijkant, en maak haar af tot op een el van boven. Bestrijk haar van binnen en van buiten met pek.** Brontekst: ועשית (ve'asita) = en maak | לך (lekha) = aan jou | פתח (petach) = een opening | בצידה (betsidah) = in haar zijde | ואל (ve'el) = en tot | אמה (ammah) = el | תכלנה (tekhallenah) = je haar voltooit | מלמעלה (milma'lah) = van boven | וכפרת (vekhafarta) = en bedek | אותה (otah) = haar | מבית (mibbayit) = van binnen | ומחוץ (umichuts) = en van buiten | בכופר (bakhofer) = met pek Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ואל אמה תכלנה מלמעלה (ve’el ammah tekhallenah milma’lah), ‘en maak haar af tot op een el van boven’: dezelfde woorden als in Gen. 6:16. ‘Van binnen en van buiten met pek’ staat ook in Gen. 6:14. Zie ook: Gen 6:14; Gen 6:16; Gen 6:19 **5:31** **En zie, Ik breng de vloed, water, over de aarde, om alle vlees onder de hemel te vernietigen. Alles wat op de aarde is, zal omkomen.** Brontekst: ואני (va'ani) = en Ik | הנני (hinneni) = zie, Ik | מביא (mevi) = breng | את (et) = (lijdend voorwerp) | המבול (hammabbul) = de zondvloed | מים (mayim) = water | על (al) = over | הארץ (ha'arets) = de aarde | לשחת (leshachet) = om te vernietigen | כל (kol) = alle | בשר (basar) = vlees | מתחת (mittachat) = van onder | השמים (hashamayim) = de hemel | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | בארץ (ba'arets) = op de aarde | יגוע (yigva) = zal omkomen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 6:17: ‘Alles wat op de aarde is, zal omkomen’ (יגוע, yigva). Zie ook: Gen 6:17; Gen 6:21 **5:32** **Jij zult binnengaan, jij en je zonen. Verzamel van al het levende twee en twee, mannelijk en vrouwelijk, en breng ze met je mee naar de ark, om zaad in leven te houden op de aarde.** Brontekst: ובאת (uva'ta) = en kom | אתה (attah) = jij | ובניך (uvanekha) = en je zonen | ואספתם (ve'asaftem) = en verzamel | מכל (mikkol) = van elke | החי (hachay) = het levende | שניים (shenayim) = twee | שניים (shenayim) = twee | זכר (zakhar) = mannelijk | ונקבה (unqevah) = en vrouwelijk | והבאתם (vahavetem) = en breng | איתכם (ittekhem) = met jullie | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de ark | לחיות (lechayot) = in leven te houden | מהם (mehem) = uit hen | זרע (zera) = zaad | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 6:18 **5:33** **Verzamel ook van al het voedsel dat gegeten wordt, voor al het levende, bij je in de ark. Het zal voor jou en voor hen tot voedsel zijn.** Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מכל (mikkol) = van elke | מאכל (ma'akhal) = voedsel | אשר (asher) = die | יאכל (ye'akhel) = gegeten wordt | לכל (lekhol) = aan heel | החי (hachay) = het levende | האסף (he'asef) = verzamel | אליך (elekha) = bij je | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de ark | והיה (vehayah) = en het zal zijn | לך (lekha) = aan jou | ולהם (velahem) = en voor hen | לאכלה (le'okhlah) = tot voedsel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden als in Gen. 6:21. Zie ook: Gen 6:21; Gen 6:22 **5:34** **Kies voor je zonen drie meisjes uit de dochters van de mensen, en zij zullen vrouwen voor je zonen worden.”** Brontekst: ובחרת (uvacharta) = en kies | לבניך (livanekha) = voor je zonen | שלוש (shalosh) = drie | נערות (na'arot) = meisjes | מבנות (mibbenot) = uit de dochters van | האדם (ha'adam) = de mens | והיו (vehayu) = en zij worden | לבניך (livanekha) = voor je zonen | לנשים (lenashim) = tot vrouwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De ark wordt gebouwd **5:35** Noach stond op en maakte de ark die Yahweh hem geboden had. Hij deed ermee alles wat Hij hem geboden had. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | נח (Noach) = Noach | ויעש (vayya'as) = en hij maakte | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de ark | אשר (asher) = die | ציוהו (tsivvahu) = Hij hem had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויעש (vayya'as) = en hij deed | בה (bah) = ermee | ככל (kekhol) = volgens alles | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = Hij had geboden | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 6:22: ‘Noach deed het. Alles wat Elohim hem geboden had, zo deed hij.’ Zie ook: Gen 6:18; Gen 6:22 **5:36** In het vijfhonderdvijfennegentigste jaar begon Noach de ark te maken, en in het zeshonderdste jaar voltooide hij de ark, in al haar onderdelen en volgens al haar voorschriften. Brontekst: בשנת (bishnat) = in het jaar | חמש (chamesh) = vijf | מאות (me'ot) = honderd | וחמש (vechamesh) = en vijf | ותשעים (vetish'im) = en negentig | שנה (shanah) = jaar | החל (hechel) = begon | נח (Noach) = Noach | לעשות (la'asot) = te maken | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de ark | ובשנת (uvishnat) = en in het jaar van | שש (shesh) = zes | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | כלה (killah) = hij voltooide | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de ark | לכל (lekhol) = in al | דבריה (devareiha) = haar onderdelen | ולכל (ulkhol) = en volgens al | משפטה (mishpatah) = haar voorschrift Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: In Genesis staat niet hoe lang het bouwen van de ark duurde. Hier is dat vijf jaar (zie vers 37). **5:37** Hij maakte de ark in vijf jaar, zoals Yahweh hem geboden had. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij maakte | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de ark | חמש (chamesh) = vijf | שנים (shanim) = jaren | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = Hij hem had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:38** Toen nam Noach de drie dochters van Eljakim, de zoon van Metuselach, voor zijn zonen tot vrouw, zoals Yahweh Noach geboden had. Brontekst: אז (az) = toen | לקח (laqach) = nam | נח (Noach) = Noach | את (et) = (lijdend voorwerp) | שלושת (sheloshet) = drie | בנות (banot) = dochters | אליקים (Elyaqim) = Eljakim | בן (ben) = zoon van | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | לבניו (livanav) = voor zijn zonen | לנשים (lenashim) = tot vrouwen | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = Hij had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | נח (Noach) = Noach Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 6:18 spreekt van ‘de vrouwen van je zonen’ zonder namen. Eljakim, de zoon van Metuselach, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 6:18 **5:39** In die tijd stierf Metuselach, de zoon van Henoch. Hij was negenhonderdnegenenzestig jaar oud toen hij stierf. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | וימת (vayamot) = en hij stierf | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | בן (ben) = zoon van | חנוך (Chanokh) = Henoch | בן (ben) = zoon van | תשע (tesha) = negen | ושישים (veshishim) = en zestig | שנה (shanah) = jaar | ותשע (vetesha) = en negen | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | במותו (bemoto) = bij zijn dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 5:27 zegt dat Metuselach negenhonderdnegenenzestig jaar werd. Zie ook: Gen 5:27 ### De dieren komen **5:40** In die tijd, na de dood van Metuselach, zei Yahweh tegen Noach: **„Ga de ark in, jij en heel je huis.** Brontekst: בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = dood van | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | נח (Noach) = Noach | בוא (bo) = ga binnen | אתה (attah) = jij | וכל (vekhol) = en heel | ביתך (beitekha) = je huis | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 7:1: ‘Ga de ark in, jij en heel je huis.’ Zie ook: Gen 7:1 **5:41** **Zie, Ik verzamel bij je al het vee van de aarde, het wild van het veld en het gevogelte van de hemel. Ze zullen allen komen en de ark omringen.** Brontekst: הנני (hinneni) = zie, Ik | מאסף (measef) = verzamel | אליך (elekha) = bij je | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בהמת (behemat) = vee van | הארץ (ha'arets) = de aarde | וחית (vechayat) = en wild van | השדה (hasadeh) = het veld | ועוף (ve'of) = en gevogelte van | השמים (hashamayim) = de hemel | ובאו (uva'u) = en zij zullen komen | כולם (kullam) = allen | וסבבו (vesavvu) = en zij zullen omringen | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:42** **Jij gaat naar buiten en zit onder de ingang van de ark. Alle wilde dieren, het vee en het gevogelte zullen zich verzamelen en tegenover je staan.** Brontekst: ויצאת (veyatsa'ta) = en ga uit | אתה (attah) = jij | וישבת (veyashavta) = en ga zitten | לך (lekha) = voor jezelf | תחת (tachat) = onder | פתח (petach) = ingang van | התיבה (hattevah) = de ark | וכל (vekhol) = en alle | החיות (hachayyot) = de wilde dieren | והבהמות (vehabbehemot) = en het vee | והעוף (vehaof) = en het gevogelte | יאספו (yeasefu) = zich verzamelen | כולם (kullam) = allen | ועמדו (ve'amdu) = en zij zullen staan | נגדך (negdekha) = tegenover je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:43** **Alles wat komt en voor je neerligt, dat neem je. Geef het in de hand van je zonen en laat hen het in de ark brengen. Maar alles wat tegenover je blijft staan, laat je achter.”** Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | יבוא (yavo) = komt | מהם (mehem) = voor hen | ורבץ (verabats) = en neerligt | לפניך (lefanekha) = voor je | אותו (oto) = hem | תיקח (tiqqach) = zul je nemen | ונתת (venatatta) = en geef | ביד (beyad) = in de hand van | בניך (banekha) = je zonen | והביאום (vehevi'um) = en laat hen brengen | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de ark | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | יעמדו (ya'amdu) = zullen staan | נגדך (negdekha) = tegenover je | תעזוב (ta'azov) = laat je achter Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:44** Yahweh deed dit de volgende dag. Heel veel vee, wilde dieren en vogels kwamen en omringden allen de ark. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en Hij deed | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ממחרת (mimmochorat) = de volgende dag | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בהמות (behemot) = vee | וחיות (vechayyot) = en wilde dieren | ועופות (ve'ofot) = en vogels | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | ויסובבו (vayasovvu) = en zij omringden | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:45** Noach ging naar buiten en ging onder de ingang zitten. Alles wat voor hem neerlag, van alle vlees, bracht hij naar zijn zonen in de ark, en alles wat tegenover hem bleef staan, liet hij achter op de aarde. Brontekst: ונח (veNoach) = en Noach | יצא (yatsa) = ging uit | וישב (vayyashev) = en hij ging zitten | לו (lo) = voor zich | תחת (tachat) = onder | הפתח (happetach) = de ingang | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כל (kol) = alle | הרובצים (harovetsim) = de neerliggenden | לפניו (lefanav) = voor hem | מכל (mikkol) = van elke | הבשר (habbasar) = het vlees | הביא (hevi) = bracht | אל (el) = naar | בניו (banav) = zijn zonen | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de ark | וכל (vekhol) = en alle | העומדים (ha'omdim) = de staande | נגדו (negdo) = tegenover hem | עזב (azav) = liet hij achter | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De leeuwin **5:46** Er kwam een leeuwin, met twee welpen bij zich, een mannetje en een vrouwtje. Ze kwamen en gingen alle drie voor Noach liggen. Brontekst: ותבוא (vattavo) = en kwam | לביאה (levi'ah) = een leeuwin | אחת (achat) = één | ושני (ushnei) = en twee | גוריה (gureiha) = haar welpen | עמה (immah) = met haar | זכר (zakhar) = mannetje | ונקבה (unqevah) = en vrouwtje | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | וירבצו (vayirbetsu) = en zij gingen liggen | נגד (neged) = tegenover | נח (Noach) = Noach | שלושתם (shloshtam) = alle drie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het verhaal van de leeuwin en haar welpen staat niet in Genesis. **5:47** De twee jongen van die leeuwin stonden op tegen haar, sloegen haar en joegen haar weg van hun plaats. Ze ging daar weg, en zij keerden terug naar hun plaats en gingen voor Noach op de grond liggen. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | שני (shenei) = twee | בני (bnei) = jongen van | הלביאה (halevi'ah) = de leeuwin | ההיא (hahi) = die | עליה (aleha) = tegen haar | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | אותה (otah) = haar | ויבריחוה (vayavrichuha) = en zij verjoegen haar | ממקומם (mimmeqomam) = van hun plaats | ותלך (vattelekh) = en zij ging | לה (lah) = heen | משם (misham) = vandaar | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | הם (hem) = zij | אל (el) = naar | מקומם (meqomam) = hun plaats | וירבצו (vayirbetsu) = en zij gingen liggen | לארץ (la'arets) = naar de grond | לפני (lifnei) = voor | נח (Noach) = Noach Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:48** De leeuwin vluchtte weg en bleef staan op de plaats van de leeuwen. Brontekst: והלביאה (vehalevi'ah) = en de leeuwin | ברחה (barechah) = vluchtte | לה (lah) = heen | ותעמוד (vata'amod) = en bleef staan | במקום (bamaqom) = op de plaats | האריות (ha'aryot) = de leeuwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:49** Noach zag dit gebeuren en verbaasde zich zeer. Hij stond op, nam de twee welpen van de leeuwin en bracht hen in de ark. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | נח (Noach) = Noach | את (et) = (lijdend voorwerp) | המעשה (hamma'aseh) = de daad | הזה (hazzeh) = deze | ויתמה (vayitmah) = en hij verbaasde zich | מאוד (me'od) = zeer | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | שני (shenei) = twee | גורי (gurei) = welpen van | הלביאה (halevi'ah) = de leeuwin | ויביאם (vayevi'em) = en hij bracht hen | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:50** Noach bracht in de ark van al het levende op de aarde. Er bleef niets over wat Noach niet bij zich in de ark bracht. Brontekst: ונח (veNoach) = en Noach | הביא (hevi) = bracht | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de ark | מכל (mikkol) = van elke | החי (hachay) = het levende | אשר (asher) = die | בארץ (ba'arets) = op de aarde | לא (lo) = niet | נשאר (nish'ar) = bleef over | דבר (davar) = iets | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | הביא (hevi) = bracht | נח (Noach) = Noach | עמו (immo) = bij hem | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **5:51** Twee en twee kwamen ze naar Noach in de ark. Van het reine vee en het reine gevogelte bracht hij er zeven en zeven mee, zoals Elohim hem geboden had. Brontekst: שניים (shenayim) = twee | שניים (shenayim) = twee | באו (ba'u) = kwamen | אל (el) = naar | נח (Noach) = Noach | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de ark | ומן (umin) = en uit | הבהמה (habbehemah) = het vee | הטהורה (hattehorah) = de reine | ומן (umin) = en uit | העוף (ha'of) = het gevogelte | הטהור (hattahor) = de reine | הביא (hevi) = bracht | שבעה (shiv'ah) = zeven | שבעה (shiv'ah) = zeven | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = Hij had geboden | אותה (otah) = haar | אלוקים (Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 7:2: van de reine dieren zeven en zeven. Voetnoot Lezing: ציוה אותה (tsivvah otah) is letterlijk ‘Hij gebood haar’, met een vrouwelijk voornaamwoord. Wie of wat ‘zij’ is, staat er niet bij. De vertaling leest ‘hem’, dus Noach. Zie ook: Gen 7:2 **5:52** Al het vee, de wilde dieren en het gevogelte waren nog allemaal op die plaats en omringden de ark van alle kanten. De regen was in die tijd nog niet gekomen, tot na zeven dagen. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | הבהמות (habbehemot) = het vee | והחיות (vehachayyot) = en de wilde dieren | והעוף (vehaof) = en het gevogelte | עודם (odam) = nog | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | כולם (kullam) = allen | ויסובבו (vayasovvu) = en zij omringden | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de ark | מפה (mippoh) = van deze kant | מפה (mippoh) = en van gene kant | והגשם (vehagashem) = en de regen | עודנו (odenu) = nog | לא (lo) = niet | היה (hayah) = hij was | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | עד (ad) = tot | שבעת (sheva) = zeven | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 7:4: ‘over nog zeven dagen’. Zie ook: Gen 7:4 ### De aarde beeft **5:53** Op die dag deed Yahweh heel de aarde beven. De zon werd donker en de fundamenten van de wereld trilden. Brontekst: ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | הרעיש (hir'ish) = deed beven | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | ותחשך (vattechshakh) = en werd donker | השמש (hashemesh) = de zon | וירגזו (vayirgezu) = en zij trilden | מוסדות (mosedot) = de fundamenten van | תבל (tevel) = de wereld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 6 _De vloed; Noachs gebed; het uitgaan uit de ark_ ### De aarde schudt **6:1** De hele aarde schudde. Er flitsten bliksems en er donderden donderslagen, en er klonk een machtig geluid over heel de aarde, zoals haar bewoners nog nooit hadden gekend. Yahweh deed dit om de mensen schrik aan te jagen, zodat ze terug zouden keren tot Yahweh en er geen kwaad meer zou zijn op de aarde. Brontekst: ותגעש (vattigash) = en zij schudde | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויברקו (vayivrequ) = en er flitsten | ברקים (beraqim) = bliksems | וירעמו (vayir'amu) = en er donderden | רעמים (re'amim) = donderslagen | ויגבר (vayigbar) = en werd sterk | קול (qol) = geluid van | עצום (atsum) = machtig | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | נודע (noda) = was bekend | ליושביה (leyoshveha) = aan haar bewoners | כמוהו (kamohu) = zoals dit | ויעש (vayya'as) = en Hij deed | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | למען (lema'an) = opdat | הבהיל (havhil) = schrik aan te jagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | לשוב (lashuv) = terug te keren | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לבלתי (levilti) = opdat niet | היות (heyot) = er zou zijn | רעה (ra'ah) = kwaad | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De aardbeving, de bliksems en de donder vóór de vloed staan niet in Genesis. Zie ook: Gen 7:1 **6:2** Toch keerden de mensen niet terug van hun weg. In die tijd voegden ze toe aan de gloed van Yahweh's toorn, en niemand nam dit alles ter harte. Brontekst: ובכל (uvkhol) = en ondanks al | זאת (zot) = dit | לא (lo) = niet | שבו (shavu) = zij keerden terug | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | מדרכם (middarkham) = van hun weg | ויוסיפו (vayosifu) = en zij voegden toe | על (al) = op | חרון (charon) = gloed van | אף (af) = toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | ולא (velo) = en niet | שתו (shatu) = zij richtten | איש (ish) = iemand | לבו (libbo) = zijn hart | לכל (lekhol) = op al | זאת (zot) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De vloed begint **6:3** Na zeven dagen, in het zeshonderdste jaar van het leven van Noach, kwam het water van de vloed over de aarde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לשבעת (leshiv'at) = na zeven | ימים (yamim) = dagen | בשנת (bishnat) = in het jaar | שש (shesh) = zes | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | נח (Noach) = Noach | ומי (umei) = en water van | המבול (hammabbul) = de zondvloed | היו (hayu) = waren | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:4** Alle bronnen van de watermassa braken open, de luiken van de hemel werden geopend, en de regen viel veertig dagen en veertig nachten op de aarde. Brontekst: ויבקעו (vayibaqe'u) = en zij braken open | כל (kol) = alle | מעיינות (ma'yenot) = bronnen van | תהום (tehom) = de watermassa | ויפתחו (vayipathu) = en zij werden geopend | ארובות (aruvvot) = luiken van | השמים (hashamayim) = de hemel | ויהי (vayehi) = en er was | הגשם (haggeshem) = de regen | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | ארבעים (arba'im) = veertig | יום (yom) = dag van | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | לילה (laylah) = nacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 7:11–12: de bronnen van de watermassa, de luiken van de hemel en de veertig dagen en nachten. Zie ook: Gen 7:11–12 **6:5** Noach ging de ark in, met zijn huis en al het levende dat bij hem was, vanwege het water van de vloed. Yahweh sloot de ark achter hen af. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij ging binnen | נח (Noach) = Noach | וביתו (uveito) = en zijn huis | וכל (vekhol) = en alle | החי (hachay) = het levende | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | אל (el) = tot | התיבה (hattevah) = de ark | מפני (mippenei) = vanwege | מי (mi) = water van | המבול (hammabbul) = de zondvloed | ויסגור (vayisgor) = en Hij sloot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעדם (ba'adam) = achter hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 7:16 zegt ook dat Yahweh achter Noach de ark sloot. Zie ook: Gen 7:16 ### De mensen bij de ark **6:6** Alle mensen die op de aarde waren overgebleven, werden benauwd vanwege de regen, want het water was zeer machtig geworden op de aarde. Het vee en de wilde dieren stonden nog rondom de ark. Brontekst: ויקוצו (vayaqutsu) = zij werden benauwd | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | בארץ (ba'arets) = op de aarde | מפני (mippenei) = vanwege | הגשם (haggeshem) = de regen | כי (ki) = want | המים (hammayim) = het water | גברו (gavru) = waren machtig geworden | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | והבהמות (vehabbehemot) = en het vee | והחיות (vehachayyot) = en de wilde dieren | עודם (odam) = nog | עומדים (omdim) = staande | סביבות (sevivot) = rondom | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:7** Alle mensen verzamelden zich, ongeveer zevenhonderdduizend mannen en vrouwen, en ze kwamen allen naar Noach bij de ark. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | יחד (yachad) = samen | כשבע (kheshev'a) = ongeveer zeven | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = man | ואישה (ve'ishah) = en vrouw | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | אל (el) = naar | נח (Noach) = Noach | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het verhaal van de mensen die bij de ark smeken om binnen te mogen, en van de dieren die hen verjagen, staat niet in Genesis. **6:8** Ze riepen allen tot Noach: „Open voor ons, dan komen wij met je mee de ark in. Waarom zouden wij sterven?” Brontekst: ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | כולם (kullam) = allen | אל (el) = tot | נח (Noach) = Noach | לאמור (lemor) = zeggende | פתח (petach) = open | לנו (lanu) = voor ons | ונבוא (venavo) = en laat ons komen | עמך (immekha) = met je | אל (el) = tot | התיבה (hattevah) = de ark | ולמה (velamah) = en waarom | נמות (namut) = zullen wij sterven | אנחנו (anachnu) = wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:9** Noach antwoordde hun met luide stem vanuit de ark. Hij zei tegen hen: „Zijn jullie niet allemaal in opstand gekomen tegen Yahweh? Jullie zeiden: ‘Hij is het niet.’ Daarom heeft Yahweh dit kwaad over jullie gebracht, om jullie uit te roeien en van het oppervlak van de grond te laten omkomen. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | נח (Noach) = Noach | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | בקול (bekol) = met stem | גדול (gadol) = grote | מן (min) = uit | התיבה (hattevah) = de ark | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | הלא (halo) = immers | אתם (ittam) = jullie | מרדתם (maradtem) = jullie zijn in opstand gekomen | כולכם (kulkhem) = jullie allen | ביהוה (bYahweh) = tegen Yahweh | ותאמרו (vatomru) = en jullie zeiden | לא (lo) = niet | הוא (hu) = Hij | ויבא (vayavo) = en Hij bracht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עליכם (aleikhem) = over jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | להכחיד (lehakhchid) = uit te roeien | ולהאביד (ulha'avid) = en te laten omkomen | אתכם (etkhem) = jullie | מעל (me'al) = van op | פני (pnei) = aangezicht van | האדמה (ha'adamah) = de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ותאמרו לא הוא (vatomru lo hu), letterlijk ‘en jullie zeiden: Hij niet’. Dezelfde woorden staan in Jer. 5:12. De vertaling houdt ze letterlijk. Zie ook: Gen 7:2; Gen 7:3; Jer 5:12 **6:10** Is dit niet het woord dat ik honderdtwintig jaar lang tot jullie gesproken heb, tot op deze dag? Jullie hebben niet geluisterd naar de stem van Yahweh, en nu willen jullie in leven blijven op de aarde?” Brontekst: הלא (halo) = immers | זה (ze) = dit | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | דיברתי (dibbarti) = ik heb gesproken | אליכם (aleikhem) = tot jullie | עשרים (esrim) = twintig | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | היום (hayyom) = de dag | הזה (hazzeh) = deze | ולא (velo) = en niet | שמעתם (shema'tem) = jullie hebben geluisterd | בקול (bekol) = naar de stem van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ועתה (ve'attah) = en nu | תחפצו (tachpetsu) = jullie willen | לחיות (lechayot) = te leven | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Honderdtwintig jaar: zie Jasher 5:8 en 5:11. Zie ook: Jas 5:8; Jas 5:11 **6:11** Ze zeiden allen tegen Noach: „Zie, wij hebben ons allen bekeerd tot Yahweh. Open maar voor ons, dan zullen we leven en niet sterven.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כולם (kullam) = allen | אל (el) = tot | נח (Noach) = Noach | הננו (hinnenu) = zie, wij | ושבנו (veshavnu) = en wij hebben ons bekeerd | כולנו (kulanu) = wij allen | עד (ad) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אך (akh) = maar | פתח (petach) = open | לנו (lanu) = voor ons | ונחיה (venichyeh) = en laat ons leven | ולא (velo) = en niet | נמות (namut) = zullen wij sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:12** Noach antwoordde hun: „Nu pas, nu jullie de nood van jullie ziel zien, keren jullie terug tot Yahweh! Waarom hebben jullie je niet bekeerd in die honderdtwintig jaar, die Yahweh jullie als termijn gesteld had? Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | נח (Noach) = Noach | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | הנה (hinneh) = zie | אך (akh) = pas | עתה (attah) = nu | בראותכם (bir'otkhem) = bij jullie zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | צרת (tsarat) = de nood van | נפשיכם (nafsheikhem) = jullie ziel | תשובו (tashuvu) = jullie terugkeren | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ולמה (velamah) = en waarom | לא (lo) = niet | שבתם (shavtem) = zijn jullie teruggekeerd | זה (ze) = deze | עשרים (esrim) = twintig | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | אשר (asher) = die | שם (shem) = stelde | אותם (otam) = hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לכם (lakhem) = voor jullie | למועד (lamo'ed) = als termijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:13** En nu komen jullie met dit woord tot mij, uit de nood van jullie ziel? Ook Yahweh zal niet naar jullie luisteren en jullie vandaag geen gehoor geven, en jullie zullen vandaag niet slagen met jullie woorden.” Brontekst: ותבואו (vatavo'u) = en jullie komen | עתה (attah) = nu | ותדברו (vetedabberu) = en jullie spreken | אליי (elai) = tot mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | מרעת (mera'at) = uit het kwaad van | נפשיכם (nafsheikhem) = jullie ziel | גם (gam) = ook | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לא (lo) = niet | ישמע (yishma) = Hij zal luisteren | אליכם (aleikhem) = naar jullie | ולא (velo) = en niet | יאזין (ya'azin) = Hij zal het oor lenen | לכם (lakhem) = naar jullie | ביום (beyom) = op de dag | הזה (hazzeh) = deze | ולא (velo) = en niet | תצליחו (tatslichu) = jullie zullen slagen | בדבריכם (bidvareikhem) = met jullie woorden | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:14** Alle mensen kwamen naderbij om de ark open te breken en erin te komen vanwege de regen, want ze konden de regen op zich niet verdragen. Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | לשבור (lishbor) = te breken | התיבה (hattevah) = de ark | לבוא (lavo) = binnen te gaan | בתוכה (betokhah) = in haar | מפני (mippenei) = vanwege | הגשם (haggeshem) = de regen | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | לסבול (lisbol) = te dragen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הגשם (haggeshem) = de regen | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De wilde dieren **6:15** Yahweh zond alle wilde dieren en al het vee dat rondom de ark stond, tegen hen. De wilde dieren overmeesterden hen, sloegen hen en joegen hen weg van de ark. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en Hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עליהם (aleihem) = tegen hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | החיות (hachayyot) = de wilde dieren | וכל (vekhol) = en alle | הבהמות (habbehemot) = het vee | אשר (asher) = die | עומדים (omdim) = staande | סביבות (sevivot) = rondom | התיבה (hattevah) = de ark | ויגברו (vayigberu) = en zij overmeesterden | עליהם (aleihem) = over hen | החיות (hachayyot) = de wilde dieren | ויכום (vayakkum) = en zij sloegen hen | ויבריחום (vayavrichum) = en zij verjoegen hen | מעל (me'al) = van op | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:16** De wilde dieren doodden velen van hen en joegen de anderen weg van die plaats. Ze gingen ieder hun eigen weg en verspreidden zich over heel de aarde. Brontekst: וימיתו (vayemitu) = en zij doodden | מהם (mehem) = van hen | החיות (hachayyot) = de wilde dieren | רבים (rabbim) = vele | ויבריחום (vayavrichum) = en zij verjoegen hen | מן (min) = uit | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | איש (ish) = ieder | לדרכו (ledarko) = naar zijn weg | ויפוצו (vayafutsu) = en zij verspreidden zich | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:17** De regen bleef op de aarde neerdalen, veertig dagen en veertig nachten, en het water werd zeer, zeer machtig op de aarde. Brontekst: והגשם (vehagashem) = en de regen | עודנו (odenu) = nog | יורד (yored) = neerdaalde | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | וירד (vayered) = en hij daalde neer | ארבעים (arba'im) = veertig | יום (yom) = dag van | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | לילה (laylah) = nacht | ויגברו (vayigberu) = en zij werden machtig | המים (hammayim) = het water | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het water stijgt **6:18** Al het vlees dat op de aarde was, stierf in het water, van de mens tot het vee, het wild, het kruipende gedierte en het gevogelte van de hemel. Alleen Noach bleef over, en wie bij hem in de ark was. Brontekst: וימותו (vayamutu) = en zij stierven | כל (kol) = alle | בשר (basar) = vlees | אשר (asher) = die | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | במים (bammayim) = in het water | מאדם (me'adam) = van mens | ועד (ve'ad) = en tot | בהמה (behemah) = vee | ועד (ve'ad) = en tot | חיה (chayyah) = wild dier | ועד (ve'ad) = en tot | רמש (remes) = kruipend dier | ועד (ve'ad) = en tot | עוף (of) = gevogelte van | השמים (hashamayim) = de hemel | וישאר (vayyisha'er) = en bleef over | אך (akh) = alleen | נח (Noach) = Noach | ואשר (va'asher) = en wie | איתו (ito) = met hem | בתיבה (battevah) = in de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 7:21–23. ‘Alleen Noach bleef over, en wie bij hem in de ark was’ zijn dezelfde woorden als Gen. 7:23. Zie ook: Gen 7:21–23; Gen 7:23 **6:19** Het water werd machtig en nam zeer toe op de aarde. Het tilde de ark op, en ze werd van de aarde opgetild. Brontekst: ויגברו (vayigberu) = en zij werden machtig | המים (hammayim) = het water | וירבו (vayirbu) = en zij namen toe | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | וישאו (vayis'u) = en zij tilden op | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de ark | ותרם (vattaram) = en zij werd opgetild | מעל (me'al) = van op | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:20** De ark ging over het water en werd heen en weer geworpen op het water, steeds verder, hierheen en daarheen. Alles wat erin leefde, werd heen en weer geworpen, zoals soep in een pot wordt omgeroerd. Brontekst: ותלך (vattelekh) = en zij ging | התיבה (hattevah) = de ark | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | המים (hammayim) = het water | ותיהפך (vattehafekh) = en zij werd heen en weer geworpen | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | המים (hammayim) = het water | הלוך (halokh) = gaande | והפוך (vahafokh) = en wentelend | הנה (hinneh) = hierheen | והנה (vehinneh) = en daarheen | ויתהפך (vayithapekh) = en werd heen en weer geworpen | כל (kol) = alle | החי (hachay) = het levende | אשר (asher) = die | בה (bah) = in haar | כהפוך (kehafokh) = zoals het omroeren van | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנזיד (hannazid) = de soep | בסיר (basir) = in de pot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dit beeld van de ark die heen en weer geworpen wordt, en van het levende dat erin wordt rondgeworpen als soep in een pot, staat niet in Genesis. **6:21** Er was grote nood voor alle levende wezens in de ark, en de ark dreigde te breken. Alles wat leefde in de ark raakte in paniek: de leeuwen brulden, de stieren loeiden en de wolven huilden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en er was | צער (tsa'ar) = nood | גדול (gadol) = grote | לכל (lekhol) = aan heel | היקום (hayyequm) = het levend wezen | אשר (asher) = die | בתיבה (battevah) = in de ark | והתיבה (vehattevah) = en de ark | חשבה (chashvah) = dacht | להישבר (lehishaver) = te breken | ויתבהל (vayitbahel) = en werd verschrikt | כל (kol) = alle | החי (hachay) = het levende | אשר (asher) = die | בתיבה (battevah) = in de ark | וינהמו (vayinhamu) = en zij brulden | האריות (ha'aryot) = de leeuwen | ויגעו (vayig'u) = en zij loeiden | השוורים (hashevarim) = de stieren | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij huilden | הזאבים (hazze'evim) = de wolven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:22** Alle levende wezens in de ark spraken en riepen in hun eigen taal, en hun stem werd gehoord tot ver. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | היקום (hayyequm) = het levend wezen | אשר (asher) = die | בתיבה (battevah) = in de ark | מדבר (medabber) = sprekend | וצועק (vetso'eq) = en roepend | בלשונו (bilshono) = in zijn taal | וישמע (vayishma) = en werd gehoord | קולם (qolam) = hun stem | למרחוק (lemerachoq) = tot ver Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **6:23** Ook Noach en zijn zonen riepen en huilden in hun nood. Ze waren zeer bang en kwamen tot aan de poorten van de dood. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | נח (Noach) = Noach | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | צועקים (tso'aqim) = schreeuwen | ובוכים (uvokhim) = en huilend | בצרתם (batsaratam) = in hun nood | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | יראה (yir'ah) = vrees | גדולה (gedolah) = grote | מאוד (me'od) = zeer | ויגיעו (vayagi'u) = en zij reikten | עד (ad) = tot | שערי (sha'arei) = de poorten van | מות (mot) = dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Noach bidt **6:24** Noach bad tot Yahweh en riep om deze zaak tot Yahweh. Hij zei: „Ach Yahweh, red ons, want wij hebben geen kracht om dit kwaad te dragen dat ons omringd heeft. Want de golven van het water hebben ons omgeven, de stromen van Belial hebben ons verschrikt, de strikken van de dood kwamen ons tegemoet. Brontekst: ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | נח (Noach) = Noach | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ליהוה (laYahweh) = aan Yahweh | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אנא (anna) = ach | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הושיעה (hoshi'ah) = red | לנו (lanu) = voor ons | כי (ki) = want | אין (ein) = er is niet | כח (koach) = kracht | בנו (beno) = in ons | לסבול (lisbol) = te dragen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = die | סבבתנו (sevavatnu) = ons heeft omringd | כי (ki) = want | אפפונו (afafunu) = hebben ons omgeven | משברי (mishberei) = de golven van | מים (mayim) = water | ונחלי (venachalei) = en de stromen van | בליעל (beliya'al) = Belial | בעתונו (bi'atunu) = hebben ons verschrikt | קדמו (qiddemu) = kwamen ons tegemoet | אותנו (otanu) = ons | מוקשי (moqshei) = de strikken van | מות (mot) = de dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: נחלי בליעל (nachalei beliya’al), ‘de stromen van Belial’, en ‘de strikken van de dood kwamen ons tegemoet’: dezelfde woorden staan in Ps. 18:5–6 en in 2 Sam. 22:5–6. Zie ook: 2 Sam 22:5–6; Ps 18:6–7 **6:25** Antwoord ons, Yahweh, antwoord ons! Bevrijd ons, keer U tot ons en wees ons genadig. Bevrijd ons en red ons.” Brontekst: עננו (anenu) = antwoord ons | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עננו (anenu) = antwoord ons | פדנו (fedenu) = bevrijd ons | פנה (panah) = keer U toe | אלינו (elenu) = tot ons | וחננו (vechonnenu) = en wees ons genadig | פדנו (fedenu) = bevrijd ons | והצילנו (vehatsilenu) = en red ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het water zakt **6:26** Yahweh hoorde de stem van Noach, en Yahweh dacht aan hem. Hij liet een wind over de aarde gaan, en het water zakte, en de ark kwam tot rust. Brontekst: וישמע (vayishma) = en Hij hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקול (bekol) = naar de stem van | נח (Noach) = Noach | ויזכרהו (vayizkerehu) = en Hij dacht aan hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויעבר (vaya'avor) = en hij liet gaan | רוח (ruach) = wind | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | הארץ (ha'arets) = de aarde | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | המים (hammayim) = het water | ותנח (vatanach) = en zij kwam tot rust | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 8:1: Elohim dacht aan Noach en liet een wind over de aarde gaan. Zie ook: Gen 8:1 **6:27** De bronnen van de watermassa en de luiken van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel werd tegengehouden. Brontekst: ויסכרו (vayissakheru) = en zij werden gesloten | מעיינות (ma'yenot) = bronnen van | התהום (hattehom) = de watermassa | וארובות (va'aruvvot) = en de luiken van | השמים (hashamayim) = de hemel | ויכלא (vayikkale) = en werd tegengehouden | הגשם (haggeshem) = de regen | מן (min) = uit | השמים (hashamayim) = de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden als Gen. 8:2. Zie ook: Gen 8:2 **6:28** Het water nam in die dagen steeds verder af, en de ark kwam tot rust op de bergen van Ararat. Brontekst: והמים (vehammayim) = en het water | היו (hayu) = zij waren | הלוך (halokh) = gaande | וחסור (vechasor) = en afnemend | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ותנח (vatanach) = en zij kwam tot rust | התיבה (hattevah) = de ark | בהרי (beharei) = op de bergen van | אררט (Ararat) = Ararat Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ararat: Ararat is Urartu, het bergland rond het Vanmeer in het oosten van het huidige Turkije. Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 8:3–4. Ararat: zie Gen. 8:4. Zie ook: Gen 8:3–4; Gen 8:4 **6:29** In die tijd opende Noach het raam van de ark. In die tijd riep Noach opnieuw tot Yahweh en zei: „Ach Yahweh, Elohim van heel de aarde, van de zeeën en van alles wat daarin is, breng mijn ziel uit de gevangenis, uit mijn kerker waarin U mij gezet hebt, want ik ben uitgeput van mijn zuchten.” Brontekst: ויפתח (vayiftach) = en hij opende | נח (Noach) = Noach | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלון (challon) = raam van | התיבה (hattevah) = de ark | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | ויקרא (vayikra) = en hij riep | נח (Noach) = Noach | עוד (od) = opnieuw | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אנא (anna) = ach | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | והימים (vehayyamim) = en de zeeën | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | בהם (bahem) = in hen | הוציאה (hotsi'ah) = breng uit | ממסגר (mimmasger) = uit de gevangenis | נפשי (nafshi) = mijn ziel | ממאסרי (mimma'asari) = uit mijn kerker | אשר (asher) = die | שמתני (samatni) = U mij gezet hebt | בו (bo) = daarin | כי (ki) = want | יגעתי (yaga'ti) = ik ben moe | באנחתי (be'anachati) = van mijn zuchten | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: יגעתי באנחתי (yaga’ti be’anachati), ‘ik ben uitgeput van mijn zuchten’: dezelfde woorden als in Ps. 6:7. אלוקי כל הארץ (elohei khol ha’arets), ‘Elohim van heel de aarde’: zie Jes. 54:5. Het raam van de ark: zie Gen. 8:6. Zie ook: Gen 8:6; Ps 6:8; Jes 54:5 ### Het uitgaan uit de ark **6:30** Yahweh hoorde de stem van Noach en zei tegen hem: **„Wanneer je een vol jaar hebt voltooid, dan zul je uitgaan.”** Brontekst: וישמע (vayishma) = en Hij hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקול (bekol) = naar de stem van | נח (Noach) = Noach | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | במלאתך (bimlot'kha) = wanneer jij vol hebt gemaakt | שנה (shanah) = jaar | תמימה (temimah) = een volle | אז (az) = toen | תצא (tetse) = zul je uitgaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dit gebed en dit antwoord staan niet in Genesis. Zie Gen. 8:15–16 voor het bevel om uit de ark te gaan. Zie ook: Gen 8:15–16 **6:31** Bij de wending van het jaar, toen het een vol jaar was dat Noach in de ark verbleef, waren de wateren van de aarde opgedroogd, en Noach nam het dek van de ark weg. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לתקופת (litqufat) = bij de wending van | השנה (hashanah) = het jaar | עד (ad) = tot | מלאת (melot) = het vol worden van | לנח (leNoach) = tot Noach | שנה (shanah) = jaar | תמימה (temimah) = een volle | לשבתו (leshivto) = voor zijn verblijf | בתיבה (battevah) = in de ark | חרבו (charvu) = waren droog | המים (hammayim) = het water | מעל (me'al) = van op | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויסר (vayyaser) = en hij nam weg | נח (Noach) = Noach | את (et) = (lijdend voorwerp) | מכסה (mikhseh) = dek van | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 8:13: ‘Noach verwijderde het dek van de ark’. Zie ook: Gen 8:13 **6:32** In die tijd, op de zevenentwintigste dag van de tweede maand, was de aarde droog. Maar Noach, zijn zonen en allen die bij hem waren, gingen niet uit de ark, totdat Yahweh tot hen sprak. Brontekst: בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | בשבעה (bishiv'ah) = op zeven | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | יום (yom) = dag van | לחודש (lachodesh) = van de maand | השני (hasheni) = de tweede | יבשה (yavshah) = werd droog | הארץ (ha'arets) = de aarde | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | נח (Noach) = Noach | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | מן (min) = uit | התיבה (hattevah) = de ark | עד (ad) = tot | אשר (asher) = dat | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | אליהם (aleihem) = tot hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 8:14: de zevenentwintigste dag van de tweede maand. Zie ook: Gen 8:14 **6:33** Op de dag dat Yahweh Elohim sprak om uit te gaan, gingen ze allen uit de ark. Ze gingen en keerden terug, ieder naar zijn weg en ieder naar zijn plaats. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | היום (hayyom) = op de dag | דבר (davar) = sprak | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | לצאת (latset) = uit te gaan | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כולם (kullam) = allen | מן (min) = uit | התיבה (hattevah) = de ark | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | איש (ish) = een man | לדרכו (ledarko) = naar zijn weg | ואיש (ve'ish) = en man | למקומו (limqomo) = naar zijn plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: דבר (dibber) kan ‘sprak’ zijn, of דבר (devar) ‘het woord van’. De vertaling leest ‘sprak’. Zie Gen. 8:15–16. Zie ook: Gen 8:15–16 **6:34** Noach en zijn zonen woonden in het land waarover Yahweh tot hen gesproken had, en ze dienden Yahweh al hun dagen. Brontekst: ונח (veNoach) = en Noach | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ישבו (yashvu) = zij woonden | בארץ (ba'arets) = in het land | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | אליהם (aleihem) = tot hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויעבדו (vaya'avdu) = en zij dienden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כל (kol) = alle | ימיהם (yemeihem) = hun dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Yahweh zegent Noach **6:35** Yahweh zegende Noach en zijn zonen toen ze de ark verlieten, en zei tot hen: **„Wees vruchtbaar en word talrijk, vul heel de aarde. Word machtig en wemel over heel de aarde, en word talrijk daarin.”** Brontekst: ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | ברך (berakh) = zegende | את (et) = (lijdend voorwerp) | נח (Noach) = Noach | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | בצאתם (betsetam) = bij hun uitgaan | מן (min) = uit | התיבה (hattevah) = de ark | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | פרו (peru) = wees vruchtbaar | ורבו (urvu) = en word talrijk | ומלאו (umil'u) = en vul | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | ועצמו (ve'itsmu) = en word machtig | ושרצו (vishrtsu) = en wemel | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | ורבו (urvu) = en word talrijk | בה (bah) = in haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 9:1. In Genesis zegent Elohim; hier is het Yahweh. Zie ook: Gen 9:1 ## Jasher 7 _De volkeren; Nimrod; de geboorte van Abram_ ### De zonen van Jafeth **7:1** Dit zijn de namen van de zonen van Noach: Jafeth, Cham en Sem. Na de vloed werden hun zonen geboren, want ze hadden vrouwen genomen vóór de vloed. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | בני (bnei) = kinderen van | נח (Noach) = Noach | יפת (Yefet) = Jafeth | חם (Cham) = Cham | ושם (veShem) = en Sem | ויולדו (vayyivvaldu) = en werden geboren | להם (lahem) = aan hen | בנים (banim) = zonen | אחר (acher) = na | המבול (hammabbul) = de zondvloed | כי (ki) = want | לקחו (laqchu) = zij hadden genomen | להם (lahem) = voor zich | נשים (nashim) = vrouwen | לפני (lifnei) = voor | המבול (hammabbul) = de zondvloed Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 10:1: ook daar worden de zonen na de vloed geboren. Dat ze hun vrouwen al vóór de vloed hadden genomen, past bij Gen. 7:7. Zie ook: Gen 7:7; Gen 10:1 **7:2** Dit zijn de zonen van Jafeth: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras, zeven zonen. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | בני (bnei) = kinderen van | יפת (Yefet) = Jafeth | גומר (Gomer) = Gomer | ומגוג (umMagog) = en Magog | ומדי (umMadai) = en Madai | ויון (veYavan) = en Javan | ותובל (vetuval) = en Tubal | ומשך (umMeshekh) = en Mesech | ותירס (veTiras) = en Tiras | בנים (banim) = zonen | שבעה (shiv'ah) = zeven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 10:2 **7:3** De zonen van Gomer waren Askenaz, Rifat en Togarma. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = kinderen van | גומר (Gomer) = Gomer | אשכנז (Ashkenaz) = Askenaz | וריפת (veRifat) = en Rifat | ותוגרמה (veTogarmah) = en Togarma Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:4** De zonen van Magog waren Elicharef en Lovev. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | מגוג (Magog) = Magog | אליחרף (Elicharef) = Elicharef | ולובב (veLovev) = en Lovev Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:5** De zonen van Madai waren Achon, Zila, Choni en Liti. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | מדי (Madai) = Madai | אחון (Achon) = Achon | זילא (Zila) = Zila | חוני (Choni) = Choni | ליטי (Liti) = Liti Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:6** De zonen van Javan waren Elisa, Tarsis, de Kittim en de Dodanim. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | יון (Yavan) = Javan | אלישה (Elishah) = Elisa | תרשיש (Tarshish) = Tarsis | כתים (Kittim) = de Kittim | דודנים (Dodanim) = de Dodanim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:7** De zonen van Tubal waren Aripi, Kesed en Taäri. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | תובל (Tuval) = Tubal | אריפי (Aripi) = Aripi | כשד (Kesed) = Kesed | תארי (Ta'ari) = Taäri Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:8** De zonen van Mesech waren Charon, Zadon en Sjivsjani. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | משך (Meshekh) = Mesech | חרון (charon) = Charon | זדון (Zadon) = Zadon | שיבשני (Shivshani) = Sjivsjani Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:9** De zonen van Tiras waren Benijov, Gira, Kizon, Lofrijon en Gilak. Dit zijn de zonen van Jafeth, volgens hun families. Hun aantal was in die dagen ongeveer vierhonderdzestig man. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | תירס (Tiras) = Tiras | בניוב (Benivv) = Benijov | גירא (Gira) = Gira | כיזון (Kizon) = Kizon | לופריון (Lofriyon) = Lofrijon | גילק (Gilaq) = Gilak | אלה (elleh) = dit zijn | הם (hem) = zij | בני (bnei) = kinderen van | יפת (Yefet) = Jafeth | למשפחותיהם (lemishpechotehem) = naar hun families | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | פקודיהם (pequdehem) = hun getelden | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כארבע (ke'arba) = ongeveer vier | מאות (me'ot) = honderd | ושישים (veshishim) = en zestig | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De zonen van Magog, Madai, Tubal, Mesech en Tiras (vers 4–9) staan niet in Genesis: Gen. 10:3–4 noemt alleen de zonen van Gomer en Javan. De aantallen mannen (hier ongeveer vierhonderdzestig) staan ook niet in Genesis. Zie ook: Gen 10:3–4 ### De zonen van Cham **7:10** Dit zijn de zonen van Cham: Kush, Misraïm, Put en Kanaän, vier zonen. De zonen van Kush waren Seba, Havila, Sabta, Raäma en Sabteka, en de zonen van Raäma waren Sjeba en Dedan. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | בני (bnei) = kinderen van | חם (Cham) = Cham | כוש (Kush) = Kush | ומצרים (umMitsrayim) = en Misraïm | פוט (Put) = Put | וכנען (vekhena'an) = en Kanaän | בנים (banim) = zonen | ארבעה (arba'ah) = vier | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = kinderen van | כוש (Kush) = Kush | סבא (Seva) = Seba | חבילה (Chavilah) = Havila | סבתה (Savtah) = Sabta | רעמא (Ra'ma) = Raäma | סבתכא (Savteka) = Sabteka | ובני (uvnei) = en de kinderen van | רעמה (Ra'mah) = Raäma | שבא (Sheva) = Sjeba | ודדן (veDedan) = en Dedan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 10:6–7 noemt dezelfde zonen van Cham en van Kush, en de zonen van Raäma, Sjeba en Dedan. Zie ook: Gen 10:6–7; Gen 10:7 **7:11** De zonen van Misraïm waren Lud, Onom, Lahav, Naftoeach, Patros, Kasloeach en Kaftor. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | מצרים (Mitsrayim) = Misraïm | לוד (Lud) = Lud | עונם (Onom) = Onom | להב (Lahav) = Lahav | נפתוח (Naftoach) = Naftoeach | פתרוס (Patros) = Patros | כסלוח (Kasloach) = Kasloeach | כפתור (Kaftor) = Kaftor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 10:13–14 noemt Lud, Anamim, Lehabim, Naftuchim, Patrusim, Kasluchim en Kaftorim als volken; hier staan de namen als zonen van Misraïm. Zie ook: Gen 10:13–14 **7:12** De zonen van Put waren Gevul, Chadan, Bena en Adan. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | פוט (Put) = Put | גבל (Gevul) = Gevul | חדן (Chadan) = Chadan | בנה (Benah) = Bena | עדן (Eden) = Adan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 10:6 noemt Put zonder zonen; hier heeft hij vier zonen. Zie ook: Gen 10:6 **7:13** De zonen van Kanaän waren Sidon, Het, Amori, Girgasji, Chivi, Arki, Sini, Arodi, Zemar en Chamat. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | צידון (Tsidon) = Sidon | חת (Chet) = Het | אמרי (Emori) = Amori | גרגשי (Girgashi) = Girgasji | חוי (Chivvi) = Chivi | ערקי (Arqi) = Arki | סיני (Sini) = Sini | ארודי (Arodi) = Arodi | צמר (Tsemar) = Zemar | חמת (Chamat) = Chamat Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Gen. 10:15–18 noemt dezelfde volken van Kanaän, met Sidon en Het als de eerste twee. Zie ook: Gen 10:15–18 **7:14** Dit zijn de zonen van Cham, volgens hun families. Hun aantal was in die dagen ongeveer zevenhonderddertig man. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | הם (hem) = zij | בני (bnei) = kinderen van | חם (Cham) = Cham | למשפחותיהם (lemishpechotehem) = naar hun families | ופקודיהם (ufequdehem) = en hun getelden | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כשבע (kheshev'a) = ongeveer zeven | מאות (me'ot) = honderd | ושלושים (ushloshim) = en dertig | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De zonen van Sem **7:15** Dit zijn de zonen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram, vijf zonen. De zonen van Elam waren Sjoesjan, Machol en Chermon. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | בני (bnei) = kinderen van | שם (shem) = Sem | עילם (Elam) = Elam | אשור (Ashur) = Assur | ארפכשד (Arpakhshad) = Arpachsad | ולוד (veLud) = en Lud | וארם (ve'Aram) = en Aram | בנים (banim) = zonen | חמישה (chamishah) = vijf | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = kinderen van | עילם (Elam) = Elam | שושן (Shushan) = Sjoesjan | מחול (Machol) = Machol | חרמון (Chermon) = Chermon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 10:22 **7:16** De zonen van Assur waren Miris en Mokil, en de zonen van Arpachsad waren Selach, Anar en Asjkol. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | אשור (Ashur) = Assur | מירס (Miras) = Miris | מוקיל (Moqil) = Mokil | ובני (uvnei) = en de kinderen van | ארפכשד (Arpakhshad) = Arpachsad | שלח (Shelach) = Selach | ענר (Aner) = Anar | אשכול (Eshkol) = Asjkol Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De zonen van Elam, Assur en Lud (vers 15–17) staan niet in Genesis; ook niet Anar en Asjkol bij Arpachsad (Gen. 10:24 noemt alleen Selach). Gen. 10:23 noemt de zonen van Aram: Us, Chul, Gether en Mas. Zie ook: Gen 10:23; Gen 10:24 **7:17** De zonen van Lud waren Petor en Azijon, en de zonen van Aram waren Us, Chul, Gether en Mas. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | לוד (Lud) = Lud | פתור (Petor) = Petor | עזיון (Aziyon) = Azijon | ובני (uvnei) = en de kinderen van | ארם (Aram) = Aram | עוץ ('uts) = Us | חול (Chul) = Chul | גתר (Geter) = Gether | מש (Mash) = Mas Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:18** Dit zijn de zonen van Sem, volgens hun families. Hun aantal was in die dagen ongeveer driehonderdzeventig man. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | הם (hem) = zij | בני (bnei) = kinderen van | שם (shem) = Sem | למשפחותם (lemishpechotam) = naar hun families | ומספרם (umispaream) = en hun aantal | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De geslachten van Sem **7:19** Dit is de geschiedenis van Sem: Sem werd de vader van Arpachsad, Arpachsad van Selach, en Selach van Eber. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | תולדות (toledot) = geschiedenis van | שם (shem) = Sem | שם (shem) = Sem | הוליד (holid) = werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארפכשד (Arpakhshad) = Arpachsad | וארפכשד (ve'Arpakhshad) = en Arpachsad | הוליד (holid) = werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | שלח (Shelach) = Selach | ושלח (veShelach) = en Selach | הוליד (holid) = werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבר (Ever) = Eber Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 10:24 en Gen. 11:10–15: Arpachsad, Selach en Eber. Zie ook: Gen 10:24; Gen 11:10–15 **7:20** Aan Eber werden twee zonen geboren. De naam van de ene was Peleg, want in zijn leven werd het leven van de mensen verdeeld, en aan het einde van zijn dagen werd de aarde verdeeld. De naam van de tweede noemde hij Joktan, met de woorden: „In zijn dagen is het leven van de mensen verminderd en verkleind.” Brontekst: ולעבר (veLe'ever) = en aan Eber | יולד (yivvaled) = werden geboren | שני (shenei) = twee | בנים (banim) = zonen | שם (shem) = naam | האחד (ha'echad) = de ene | פלג (Peleg) = Peleg | כי (ki) = want | בחייו (bechayav) = in zijn leven | נפלגו (niflegu) = werden verdeeld | חיי (chayyei) = leven | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ובאחרית (uve'acharit) = en aan het einde van | ימיו (yamav) = zijn dagen | הפלגה (hiflegah) = werd verdeeld | הארץ (ha'arets) = de aarde | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שם (shem) = naam | השני (hasheni) = de tweede | קרא (qara) = noemde | יקטן (Yoqtan) = Joktan | לאמור (lemor) = zeggende | המעטו (hum'atu) = werden verminderd | והקטנו (vehuqtanu) = en werden verkleind | חיי (chayyei) = leven | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | בימיו (bimav) = in zijn dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 10:25: ‘Aan Eber werden twee zonen geboren. De naam van de ene was Peleg, want in zijn dagen werd de aarde verdeeld.’ Hier gebeurt dat in twee stappen: in zijn leven werd het leven van de mensen verdeeld, en aan het einde van zijn dagen de aarde. De uitleg van de naam Joktan (יקטן, Yoqtan), ‘zijn verminderd en verkleind’ (המעטו והקטנו, hum’atu vehuqtanu), staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 10:25 **7:21** Dit zijn de zonen van Joktan: Almodad, Sjelef, Chazarmaveth, Jerach, Hadoram, Uzal, Dikla, Obal, Abimaël, Sjeba, Ofir, Havila en Jobab. Al deze zijn de zonen van Joktan. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | בני (bnei) = kinderen van | יקטן (Yoqtan) = Joktan | אלמודד (Almodad) = Almodad | שלף (Shelef) = Sjelef | חצר (Chatsar) = Chazar- | מות (mot) = maveth | ירח (Yerach) = Jerach | הדורם (Hadoram) = Hadoram | אוזל (Uzal) = Uzal | דקלה (Diqlah) = Dikla | עובל (Oval) = Obal | אבימאל (Avima'el) = Abimaël | שבא (Sheva) = Sjeba | אופיר (Ofir) = Ofir | חוילה (Chavilah) = Havila | יובב (Yovav) = Jobab | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = dit zijn | בני (bnei) = kinderen van | יקטן (Yoqtan) = Joktan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 10:26–29 noemt dezelfde dertien zonen van Joktan. חצר מות (Chatsar Mavet) is Chazarmaveth, een naam uit Gen. 10:26. Zie ook: Gen 10:26–29 **7:22** Peleg, zijn broer, werd de vader van Reü, Reü van Serug, Serug van Nachor, en Nachor van Terach. Terach leefde achtendertig jaar en werd de vader van Haran en Nachor. Brontekst: ופלג (uFeleg) = en Peleg | אחיו (achiv) = zijn broer | הוליד (holid) = werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | רעו (Re'u) = Reü | ורעו (veRe'u) = en Reü | הוליד (holid) = werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרוג (Serug) = Serug | ושרוג (veSerug) = en Serug | הוליד (holid) = werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | נחור (Nachor) = Nachor | ונחור (veNachor) = en Nachor | הוליד (holid) = werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | תרח (Terach) = Terach | ויחי (vayechi) = en hij leefde | תרח (Terach) = Terach | שלושים (sheloshim) = dertig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנה (shanah) = jaar | ויולד (vayyolid) = en werd vader van | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרן (Haran) = Haran | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נחור (Nachor) = Nachor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 11:18–26: Peleg, Reü, Serug, Nachor en Terach. Gen. 11:26 zegt dat Terach zeventig jaar was toen hij Abram, Nachor en Haran kreeg; hier worden Haran en Nachor geboren toen hij achtendertig was en Abram toen hij zeventig was (vers 51). Zie ook: Gen 11:18–26; Gen 11:26 ### De geboorte van Nimrod **7:23** Kush, de zoon van Cham, de zoon van Noach, nam in die dagen op zijn oude dag een vrouw. Ze beviel van een zoon, en ze noemden hem Nimrod, met de woorden: „In die tijd zijn de mensen opnieuw begonnen in opstand te komen en tegen Elohim te zondigen.” De jongen groeide op, en zijn vader had hem zeer lief, want hij was een zoon van zijn ouderdom. Brontekst: וכוש (veKush) = en Kush | בן (ben) = zoon van | חם (Cham) = Cham | בן (ben) = zoon van | נח (Noach) = Noach | לקח (laqach) = nam | אישה (ishah) = een vrouw | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | לעת (le'et) = tegen de tijd van | זקנתו (ziqnato) = zijn ouderdom | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | ויקראו (vayiqre'u) = en zij noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | לאמור (lemor) = zeggende | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | החלו (hechellu) = begonnen | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | למרוד (limrod) = in opstand te komen | ולפשוע (ulifsho'a) = en te zondigen | באלוקים (be'Elohim) = tegen Elohim | עוד (od) = opnieuw | ויגדל (vayigdal) = en hij groeide op | הילד (hayeled) = het kind | ואביו (ve'aviv) = en zijn vader | אהבו (ahavo) = had hem lief | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | בן (ben) = zoon van | זקונים (zequnim) = ouderdom | הוא (hu) = hij | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De naam נמרוד (Nimrod) wordt hier uitgelegd met למרוד (limrod), ‘in opstand te komen’. Zie Gen. 10:8. Zie ook: Gen 10:8 ### De kleren van Adam **7:24** Kush gaf hem de kleren van huid die Elohim voor Adam en zijn vrouw had gemaakt, toen ze de tuin verlieten. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = aan hem | כוש (Kush) = Kush | את (et) = (lijdend voorwerp) | כתנות (kuttenot) = kleren van | העור (ha'or) = de huid | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gemaakt | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | לאדם (le'Adam) = aan Adam | ולאישתו (ule'ishto) = en aan zijn vrouw | בצאתם (betsetam) = bij hun uitgaan | מן (min) = uit | הגן (hagan) = van de tuin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: כתנות עור (kuttenot or), ‘kleren van huid’: zie Gen. 3:21. Voetnoot Lezing: ויתן לו כוש (vayiten lo Kush), ‘en Kush gaf hem’: wie ‘hem’ is, staat er niet bij. Vers 29 zegt dat Kush de kleren aan Nimrod gaf. De Engelse vertaling van Noah (1840) heeft hier ‘werden gegeven aan Kush’. Zie ook: Gen 3:21 **7:25** Na de dood van Adam en zijn vrouw gaven ze de kleren aan Henoch, de zoon van Jered. Toen Henoch tot Elohim werd opgenomen, gaf hij ze aan Metuselach, zijn zoon. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = dood van | אדם (adam) = Adam | ואשתו (ve'ishto) = en zijn vrouw | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכתנות (hakkuttanot) = de kleren | לחנוך (lechanokh) = Henoch | בן (ben) = zoon van | ירד (Yered) = Jered | ובהלקח (uvehillaqach) = en bij het weggenomen worden van | חנוך (Chanokh) = Henoch | אל (el) = tot | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | ויתנם (vayittenem) = en hij gaf ze | אל (el) = aan | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:26** Bij de dood van Metuselach nam Noach ze en bracht ze mee de ark in, en ze waren bij hem tot ze uit de ark gingen. Brontekst: ובמות (uvemot) = en bij de dood van | מתושלח (Metushelach) = Metuselach | לקח (laqach) = nam | אותם (otam) = hen | נח (Noach) = Noach | ויביאם (vayevi'em) = en hij bracht hen | איתו (ito) = met hem | אל (el) = tot | התיבה (hattevah) = de ark | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | איתו (ito) = met hem | עד (ad) = tot | צאתם (tsetam) = hun uitgaan | מן (min) = uit | התיבה (hattevah) = de ark Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Noach de kleren van Metuselach erfde en in de ark meenam, staat niet in Genesis. **7:27** Bij hun uitgaan stal Cham die kleren van Noach, zijn vader. Hij nam ze en verborg ze voor zijn broers. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאתם (betsetam) = bij hun uitgaan | ויגנוב (vayignov) = en hij stal | חם (Cham) = Cham | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכתנות (hakkuttanot) = de kleren | ההם (hahem) = die | מנח (miNoach) = van Noach | אביו (aviv) = zijn vader | ויקחם (vayiqachem) = en hij nam hen | ויסתירם (vayastirem) = en hij verborg hen | מאחיו (me'achiv) = voor zijn broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Cham de kleren van Noach stal, staat niet in Genesis. **7:28** Toen Cham zijn eerstgeborene Kush verwekte, gaf hij hem de kleren in het geheim, en ze bleven vele dagen bij Kush. Brontekst: ובלדת (uveledet) = en bij het verwekken van | חם (Cham) = Cham | את (et) = (lijdend voorwerp) | כוש (Kush) = Kush | בכורו (bekhoro) = zijn eerstgeborene | נתן (natan) = hij gaf | לו (lo) = aan hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכתנות (hakkuttanot) = de kleren | בסתר (baseter) = in het geheim | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | עם (im) = met | כוש (Kush) = Kush | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:29** Ook hij verborg ze voor zijn zonen en zijn broers. Toen Kush Nimrod verwekte, gaf hij hem die kleren uit liefde voor hem. Nimrod groeide op, en toen hij twintig jaar oud was, trok hij die kleren aan. Brontekst: ויסתירם (vayastirem) = en hij verborg hen | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | מאת (me'et) = van | בניו (banav) = zijn zonen | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | ילד (yalad) = werd vader van | כוש (Kush) = Kush | את (et) = (lijdend voorwerp) | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = aan hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבגדים (habbegadim) = de kleren | ההם (hahem) = die | באהבתו (be'ahavato) = in zijn liefde voor | אותו (oto) = hem | ויגדל (vayigdal) = en hij groeide op | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ויהי (vayehi) = en hij was | בן (ben) = zoon van | עשרים (esrim) = twintig | שנה (shanah) = jaar | וילבש (vayilbash) = en hij trok aan | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבגדים (habbegadim) = de kleren | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Nimrod, de jager **7:30** Toen Nimrod de kleren aantrok, werd hij sterk, en Elohim gaf hem kracht en macht. Hij was een machtig jager op de aarde, hij was een machtig jager in het veld. Hij joeg op de wilde dieren, bouwde altaren en bracht de wilde dieren daarop als offer voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: ויתחזק (vayitchazzeq) = en hij werd sterk | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | כאשר (ka'asher) = zoals | לבש (lavash) = hij had aangetrokken | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבגדים (habbegadim) = de kleren | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = aan hem | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | כח (koach) = kracht | וגבורה (ugevurah) = en macht | ויהי (vayehi) = en hij werd | גיבור (gibbor) = machtig | ציד (tsayid) = jager | בארץ (ba'arets) = op de aarde | הוא (hu) = hij | היה (hayah) = hij was | גיבור (gibbor) = machtig | ציד (tsayid) = jager | בשדה (bassadeh) = in het veld | ויהי (vayehi) = en hij was | צודה (tsodeh) = jagend | את (et) = (lijdend voorwerp) | החיות (hachayyot) = de wilde dieren | ויבן (vayiven) = en hij bouwde | מזבחות (mizbechot) = altaren | ויקרב (vayaqrev) = en hij bracht als offer | עליהן (aleihen) = daarop | את (et) = (lijdend voorwerp) | החיות (hachayyot) = de wilde dieren | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: גיבור ציד (gibbor tsayid), ‘machtig jager’: zie Gen. 10:9. ‘Voor het aangezicht van Yahweh’ (לפני יהוה, lifnei Yahweh) staat hier bij het offeren; in Gen. 10:9 staat het bij het jagen. Zie ook: Gen 10:9 **7:31** Nimrod versterkte zich, stond op uit zijn broers en streed de oorlogen van zijn broers tegen al hun vijanden rondom. Brontekst: ויתחזק (vayitchazzeq) = en hij werd sterk | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | מאחיו (me'achiv) = uit zijn broers | וילחם (vayillachem) = en hij streed | מלחמות (milchamot) = de oorlogen van | אחיו (achiv) = zijn broers | מכל (mikkol) = van alle | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden | מסביב (missaviv) = rondom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:32** Yahweh gaf alle vijanden van zijn broers in zijn hand. Yahweh liet hem slagen van keer tot keer in al zijn oorlogen, en hij werd koning over het land. Brontekst: ויתן (vayitten) = en Hij gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אויבי (oyevei) = de vijanden van | אחיו (achiv) = zijn broers | בידו (beyado) = in zijn hand | ויצליחהו (vayatslichehu) = en hij liet hem slagen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כפעם (kefa'am) = van keer tot keer | בפעם (befa'am) = tot keer | בכל (bekhol) = in heel | מלחמותיו (milchamotav) = zijn oorlogen | וימלוך (vayemlokh) = en hij werd koning | בארץ (ba'arets) = over het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:33** Daarom werd het in die dagen een spreekwoord. Wanneer iemand zijn getrainde mannen ten strijde liet uittrekken, zeiden ze tegen hem: „Zoals Nimrod, die een machtig jager was op de aarde en slaagde in zijn oorlogen, die machtiger was dan zijn broers en hen redde uit de hand van hun vijanden, zo moge Yahweh ons vandaag sterken en redden.” Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = (samen: daarom) | היה (hayah) = het werd | למשל (lemashal) = tot een spreekwoord | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כאשר (ka'asher) = wanneer | יריק (yariq) = laat uittrekken | איש (ish) = iemand | את (et) = (lijdend voorwerp) | חניכיו (chanikhav) = zijn getrainden | להילחם (lehillachem) = te strijden | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tegen hem | כנמרוד (kheNimrod) = zoals Nimrod | אשר (asher) = die | היה (hayah) = hij was | גיבור (gibbor) = machtig | ציד (tsayid) = jager | בארץ (ba'arets) = op de aarde | והצליח (vehitslich) = en slaagde | במלחמותיו (bemilchamotav) = in zijn oorlogen | אשר (asher) = die | גבר (gavar) = machtig was | מאחיו (me'achiv) = boven zijn broers | ויצילם (vayatsilem) = en hij redde hen | מכף (mikkaf) = uit de hand van | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden | כן (ken) = zo | יחזקנו (yechazzeqenu) = Hij zal ons sterken | ויצילנו (veyatsilenu) = en Hij zal ons redden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 10:9 geeft het gezegde: ‘Zoals Nimrod, een machtig jager voor het aangezicht van Yahweh.’ Hier is het gezegde uitgebreid. Zie ook: Gen 10:9 ### Nimrods oorlogen **7:34** Toen Nimrod veertig jaar oud was, was er in die tijd een oorlog tussen zijn broers en de zonen van Jafeth, en zijn broers kwamen onder de hand van hun vijanden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיות (bihyot) = toen was | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | בן (ben) = zoon van | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar | ובעת (uva'et) = en in de tijd | ההיא (hahi) = die | היתה (hayetah) = zij was | מלחמה (milchamah) = oorlog | בין (bein) = tussen | אחיו (achiv) = zijn broers | ובין (uvein) = en tussen | בני (bnei) = kinderen van | יפת (Yefet) = Jafeth | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | אחיו (achiv) = zijn broers | תחת (tachat) = onder | יד (yad) = hand van | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:35** Nimrod versterkte zich in die tijd, ging en verzamelde alle zonen van Kush en alle families van Cham, ongeveer vierhonderdzestig man. Hij huurde ook al zijn vrienden en al zijn vroegere bekenden, ongeveer tachtig man, gaf hun hun loon en ging met hen ten strijde. Onderweg sterkte Nimrod het hart van heel het volk dat met hem meeging. Brontekst: ויתחזק (vayitchazzeq) = en hij werd sterk | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויקבוץ (vayiqbots) = en hij verzamelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | כוש (Kush) = Kush | וכל (vekhol) = en alle | משפחות (mishpechot) = families van | חם (Cham) = Cham | כארבע (ke'arba) = ongeveer vier | מאות (me'ot) = honderd | ושישים (veshishim) = en zestig | איש (ish) = een man | וישכור (vayiskor) = en hij huurde | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אוהביו (ohavav) = zijn vrienden | וכל (vekhol) = en alle | יודעיו (yode'av) = zijn bekenden | לפנים (lefanim) = van vroeger | כשמונים (keshemonim) = ongeveer tachtig | איש (ish) = een man | ויתן (vayitten) = en gaf | שכרם (skharam) = hun loon | וילך (vayelekh) = en hij ging | עמהם (immahem) = met hen | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בדרך (baderekh) = onderweg | ויחזק (vayechazzeq) = en hij sterkte | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | את (et) = (lijdend voorwerp) | לב (lev) = het hart van | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = zij gingen | איתו (ito) = met hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:36** Hij zei tegen hen: „Wees niet bang en niet verschrikt, want al onze vijanden zullen in onze hand worden overgeleverd, en jullie zullen met hen doen wat goed is in jullie ogen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | אל (el) = niet | תיראו (tire'u) = vrees | ואל (ve'el) = en niet | תערצו (ta'artsu) = wees verschrikt | כי (ki) = want | נתון (natun) = overgeleverd | ינתנו (yinnatenu) = zullen worden | כל (kol) = alle | אויבינו (oyeveinu) = onze vijanden | בידינו (beyadenu) = in onze hand | ועשיתם (va'asitem) = en jullie zullen doen | להם (lahem) = hun | כטוב (ketov) = zoals goed is | בעיניכם (be'eineikhem) = in jullie ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:37** Al deze mannen die gingen, waren ongeveer vijfhonderdveertig man. Ze streden tegen hun vijanden, vernietigden hen en onderwierpen hen aan zich, en Nimrod stelde opzichters over hen aan op hun plaatsen. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | האלה (ha'elleh) = deze | כחמש (kechamesh) = ongeveer vijf | מאות (me'ot) = honderd | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | איש (ish) = een man | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | על (al) = tegen | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden | וישחיתום (vayashchitum) = en zij vernietigden hen | ויכניעום (vayakhni'um) = en zij onderwierpen hen | תחת (tachat) = onder | ידם (yadam) = hun hand | וישם (vayasem) = en hij stelde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | עליהם (aleihem) = over hen | נציבים (netsivim) = opzichters | במקומותם (bimqomotam) = op hun plaatsen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:38** Hij nam enkele van hun zonen als onderpand, en ze werden allen dienaren van Nimrod en zijn broers. Daarna keerden Nimrod en heel het volk dat bij hem was, terug naar hun woonplaatsen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | מבניהם (mibbeneihem) = van hun zonen | לערבון (le'eravon) = als onderpand | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כולם (kullam) = allen | עבדים (avadim) = dienaren | לנמרוד (leNimrod) = voor Nimrod | ולאחיו (ule'achiv) = en voor zijn broers | ויפנו (vayifnu) = en zij keerden zich | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | וכל (vekhol) = en alle | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | למקומותם (limqomotam) = naar hun plaatsen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Nimrod wordt koning **7:39** Toen Nimrod met vreugde terugkeerde van de oorlog, omdat hij al zijn vijanden had overwonnen, kwamen al zijn broers en al zijn vroegere bekenden samen. Ze maakten hem koning over zich en zetten de kroon van het koningschap op zijn hoofd. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | שב (shav) = keerde terug | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | בשמחה (besimchah) = met vreugde | כאשר (ka'asher) = omdat | ניצח (nitseach) = had overwonnen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אויביו (oyevav) = zijn vijanden | ויועדו (vayivvaadu) = en zij kwamen samen | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | כל (kol) = alle | אחיו (achiv) = zijn broer | וכל (vekhol) = en alle | יודעיו (yode'av) = zijn bekenden | לפנים (lefanim) = van vroeger | וימליכוהו (vayamlikhuhu) = en zij maakten hem koning | עליהם (aleihem) = over hen | וישימו (vayasimu) = en zij zetten | את (et) = (lijdend voorwerp) | כתר (keter) = kroon van | מלכות (malkhut) = koningschap | בראשו (berosho) = op zijn hoofd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 10:10 noemt het begin van zijn koninkrijk: Babel, Erech, Akkad en Kalne, in het land Sinear. Zie ook: Gen 10:10 **7:40** Hij stelde vorsten, rechters en leiders aan over zijn dienaren en heel zijn volk, volgens het recht van de koningen. Brontekst: וישם (vayasem) = en hij stelde aan | שרים (sarim) = vorsten | ושופטים (veshofetim) = en rechters | ומנהיגים (umanhigim) = en leiders | על (al) = over | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ועל (ve'al) = en over | כל (kol) = alle | עמו (immo) = zijn volk | כמשפט (kemishpat) = volgens het recht van | המלכים (hammelakhim) = de koningen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:41** Hij stelde Terach, de zoon van Nachor, aan als bevelhebber van zijn leger. Hij maakte hem groot en verhief hem boven alle vorsten die hij had. Brontekst: וישם (vayasem) = en hij stelde | שר (sar) = bevelhebber van | צבאו (tsevao) = zijn leger | את (et) = (lijdend voorwerp) | תרח (Terach) = Terach | בן (ben) = zoon van | נחור (Nachor) = Nachor | ויגדלהו (vayegaddelehu) = en hij maakte hem groot | וינשאהו (vayenasseehu) = en hij verhief hem | מעל (me'al) = boven | כל (kol) = alle | השרים (hasarim) = de vorsten | אשר (asher) = die | לו (lo) = die hij had Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:42** Toen hij regeerde naar alle wens van zijn ziel, nadat hij al zijn vijanden rondom had overwonnen, overlegde hij met al zijn raadgevers om een stad voor zichzelf te bouwen. Zo deden ze. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | מלך (malakh) = hij was koning | בכל (bekhol) = in heel | אות (avvat) = wens van | נפשו (nafsho) = zijn ziel | וכאשר (vekha'asher) = en toen | ניצח (nitseach) = had overwonnen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אויביו (oyevav) = zijn vijanden | מסביב (missaviv) = rondom | ויתייעץ (vayityaets) = en hij overlegde | עם (im) = met | כל (kol) = alle | יועציו (yo'atsav) = zijn raadgevers | לבנות (livnot) = te bouwen | לו (lo) = voor hem | עיר (ir) = nederzetting | ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Sinear **7:43** Ze vonden een grote vallei tegenover het oosten van de zon, en ze bouwden daar voor hem een grote en zeer uitgestrekte stad. Nimrod noemde de stad die hij gebouwd had Sinear, omdat Yahweh zijn vijanden voor zijn aangezicht had geschud en hij hen had gevangen. Brontekst: וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | בקעה (biqah) = vallei | גדולה (gedolah) = grote | מנגד (minneged) = tegenover | למזרח (lemizrach) = naar het oosten van | השמש (hashemesh) = de zon | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | לו (lo) = voor hem | שם (shem) = daar | עיר (ir) = nederzetting | גדולה (gedolah) = grote | ורחבה (urechavah) = en uitgestrekt | מאוד (me'od) = zeer | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = naam | העיר (ha'ir) = de nederzetting | אשר (asher) = die | בנה (Benah) = hij bouwde | שנער (Shin'ar) = Sinear | כי (ki) = want | ניער (ni'er) = had geschud | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אויביו (oyevav) = zijn vijanden | מפניו (mippanav) = voor zijn aangezicht | וילכדם (vayilkhedem) = en hij had hen gevangen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. Voetnoot Uitleg: שנער (Shin’ar), ‘Sinear’, wordt hier uitgelegd met ניער (ni’er), ‘schudde’. Die uitleg staat niet in Genesis. Zie Gen. 10:10 en Gen. 11:2. Zie ook: Gen 10:10; Gen 11:2 **7:44** Nimrod woonde in Sinear en regeerde in veiligheid. Hij streed met al zijn vijanden en onderwierp hen, slaagde in al zijn oorlogen, en zijn koninkrijk werd zeer groot. Brontekst: וישב (vayyashev) = en hij woonde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | בשנער (veShin'ar) = in Sinear | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | לבטח (lavetach) = in veiligheid | וילחם (vayillachem) = en hij streed | עם (im) = met | כל (kol) = alle | אויביו (oyevav) = zijn vijanden | ויכניעם (vayakhni'em) = en hij onderwierp hen | ויצליח (vayatslich) = en hij slaagde | בכל (bekhol) = in heel | מלחמותיו (milchamotav) = zijn oorlogen | ותגדל (vattigdal) = en werd groot | מלכותו (malkhuto) = zijn koninkrijk | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. **7:45** Alle volken en alle talen hoorden van zijn roem, en ze verzamelden zich allemaal bij hem. Ze brachten hem geschenken, bogen zich voor hem neer tot op de grond en erkenden hem als heer en koning over zich. Ze woonden allen bij hem in de stad Sinear. Nimrod regeerde over het land, over alle zonen van Noach, en ze stonden allen onder zijn hand en onder zijn raad. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | הגויים (haggoyim) = de volken | וכל (vekhol) = en alle | הלשונות (halleshonot) = de talen | שמעו (shame'u) = zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמעו (shame'u) = zijn faam | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | אליו (elav) = tot hem | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | לו (lo) = aan hem | מנחות (minchot) = geschenken | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | ארצה (artsah) = naar de grond | ויודו (vayyodu) = en zij erkenden | לאדון (le'adon) = als heer | ומלך (umelekh) = en koning | עליהם (aleihem) = over hen | וישבו (vayeshvu) = en zij woonden | כולם (kullam) = allen | איתו (ito) = met hem | בעיר (ba'ir) = in de stad | שנער (Shin'ar) = Sinear | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | בארץ (ba'arets) = op de aarde | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | נח (Noach) = Noach | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כולם (kullam) = allen | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | ותחת (vetachat) = en onder | עצתו (atsato) = zijn raad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. ### Nimrod en de afgoden **7:46** De hele aarde had één taal en dezelfde woorden. Maar Nimrod wandelde niet in de wegen van Yahweh, en hij was goddelozer dan alle mensen die vóór hem waren geweest, vanaf de dagen van de vloed tot die dagen. Brontekst: ותהי (vatehi) = en was | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | שפה (safah) = taal | אחת (achat) = één | ודברים (udevarim) = en woorden | אחדים (achadim) = dezelfde | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | הלך (halakh) = wandelde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וירשיע (vayarshia) = en hij was goddelozer | מכל (mikkol) = van elke | האדם (ha'adam) = de mens | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | לפניו (lefanav) = voor hem | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | המבול (hammabbul) = de zondvloed | עד (ad) = tot | הימים (hayyamim) = de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dezelfde woorden als in Gen. 11:1: ‘één taal en dezelfde woorden’ (שפה אחת ודברים אחדים, safah achat udevarim achadim). Zie ook: Gen 11:1 **7:47** Hij maakte goden van hout en steen, boog zich voor hen neer en kwam in opstand tegen Yahweh. Hij leerde al zijn dienaren en alle mensen van het land al zijn slechte wegen. Ook zijn zoon Mardon was veel goddelozer dan zijn vader. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij maakte | אלוקי (elohei) = goden van | עץ (ets) = hout | ואבן (va'even) = en steen | וישתחווה (vayishtachaveh) = en hij boog zich neer | להם (lahem) = voor hen | וימרוד (vayimrod) = en hij kwam in opstand | ביהוה (bYahweh) = tegen Yahweh | וילמד (vayelammed) = en hij leerde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | וכל (vekhol) = en alle | אנשי (anshei) = mensen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דרכיו (derakhav) = zijn wegen | הרעים (hara'im) = de slechte | וגם (vegam) = en ook | מרדון (Mardon) = Mardon | בנו (beno) = zijn zoon | הרשיע (hirshia) = was goddelozer | מאוד (me'od) = zeer | מאביו (me'aviv) = dan zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:48** Ieder die de daden van Mardon, de zoon van Nimrod, hoorde, antwoordde en zei over hem: „Uit goddelozen komt goddeloosheid voort.” Daarom werd het een spreekwoord in heel de aarde: „Uit goddelozen komt goddeloosheid voort.” Het is een spreekwoord gebleven in de woorden van alle mensen, van die dag af tot op deze dag. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | כל (kol) = ieder | אשר (asher) = die | ישמע (yishma) = hij hoorde | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשה (ma'aseh) = het doen van | מרדון (Mardon) = Mardon | בן (ben) = zoon van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | וענה (ve'anah) = en antwoordde | ואמר (ve'amar) = en zei | עליו (alav) = over hem | מרשעים (mereshaim) = uit goddelozen | יצא (yatsa) = komt voort | רשע (resha) = goddeloosheid | על (al) = daarom | כן (ken) = (samen: daarom) | היה (hayah) = het werd | למשל (lemashal) = tot een spreekwoord | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | לאמור (lemor) = zeggende | מרשעים (mereshaim) = uit goddelozen | יצא (yatsa) = komt voort | רשע (resha) = goddeloosheid | ויהי (vayehi) = en het werd | למשל (lemashal) = tot een spreekwoord | בדברי (bedivrei) = in de woorden van | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = de mens | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: מרשעים יצא רשע (mereshaim yetse resha), ‘uit goddelozen komt goddeloosheid voort’: dezelfde woorden als in 1 Sam. 24:14. Zie ook: 1 Sam 24:15 ### Terach en de geboorte van Abram **7:49** Terach, de zoon van Nachor, de bevelhebber van het leger van Nimrod, was in die dagen zeer groot in de ogen van de koning en in de ogen van al zijn dienaren. De koning en de vorsten hadden hem lief en verhieven hem zeer. Brontekst: ותרח (veTerach) = en Terach | בן (ben) = zoon van | נחור (Nachor) = Nachor | שר (sar) = bevelhebber van | צבא (tsava) = leger van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | היה (hayah) = hij was | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויאהבוהו (vayye'ehavuhu) = en zij hadden hem lief | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | וינשאוהו (vayenasseuhu) = en zij verhieven hem | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **7:50** Terach nam een vrouw, en haar naam was Amtelai, de dochter van Karnebo. De vrouw van Terach werd zwanger en beviel in die dagen van een zoon. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | תרח (Terach) = Terach | אישה (ishah) = een vrouw | ושמה (ushmah) = en haar naam | אמתלאי (Amtelai) = Amtelai | בת (bat) = dochter van | כרנבו (Karnevo) = Karnebo | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | אשת (eshet) = vrouw van | תרח (Terach) = Terach | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 11:26 **7:51** Terach was zeventig jaar oud toen ze hem baarde. Terach noemde de naam van zijn zoon die hem geboren was Abram, omdat de koning hem in die dagen had verheven en boven alle vorsten die bij hem waren, had uitgetild. Brontekst: בן (ben) = zoon van | שבעים (shiv'im) = zeventig | שנה (shanah) = jaar | היה (hayah) = hij was | תרח (Terach) = Terach | בלדת (biledet) = bij het baren van | אותו (oto) = hem | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = naam | בנו (beno) = zijn zoon | הנולד (hannolad) = die geboren was | לו (lo) = voor hem | אברם (Avram) = Abram | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = want | הרימו (herimu) = had hem verheven | למלך (lammelekh) = de koning | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וינשאהו (vayenasseehu) = en hij verhief hem | מעל (me'al) = van op | כל (kol) = alle | השרים (hasarim) = de vorsten | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Gen. 11:26: Terach was zeventig jaar toen hij Abram, Nachor en Haran kreeg. De naam אברם (Avram) wordt hier uitgelegd met הרימו (herimu), ‘zij verhieven’. Voetnoot Lezing: כי הרימו למלך (ki herimu lammelekh) is letterlijk ‘want zij verhieven bij de koning’. Wie ‘zij’ zijn, staat er niet bij; de vertaling volgt de rest van de zin: de koning verhief Terach. Zie ook: Gen 11:26 ## Jasher 8 _Abrams geboorte; de koning wil het kind; de grot_ ### De geboorte van Abram **8:1** In de nacht waarin Abram geboren werd, kwamen alle dienaren van Terach en alle wijzen en tovenaars van Nimrod. Ze aten en dronken in het huis van Terach en waren die nacht vrolijk met hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | עת (et) = tijd van | הולדת (huldat) = geboorte van | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | תרח (Terach) = Terach | וכל (vekhol) = en alle | חכמי (chakhmei) = wijzen van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | וכל (vekhol) = en alle | חרטומיו (chartummav) = zijn tovenaars | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | וישתו (vayishtu) = en zij dronken | בבית (babbayit) = in huis | תרח (Terach) = Terach | וישמחו (vayismechu) = en zij waren vrolijk | עמו (immo) = met hem | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De geboorte van Abram in deze nacht, de ster en het plan van de koning om het kind te doden staan niet in Genesis. **8:2** Toen alle wijzen en tovenaars het huis van Terach verlieten, sloegen ze die nacht hun ogen op naar de hemel, naar de sterren, en zie: één zeer grote ster kwam uit het oosten van de zon. Die ster rende door de hemel en verslond vier sterren uit de vier windstreken van de hemel. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאת (betset) = bij het uitgaan van | כל (kol) = alle | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | החרטומים (hacharttumim) = de tovenaars | מבית (mibbayit) = uit het huis van | תרח (Terach) = Terach | וישאו (vayis'u) = en zij sloegen op | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניהם (eineihem) = hun ogen | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | אל (el) = naar | הכוכבים (hakkokhavim) = de sterren | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | כוכב (kokhav) = ster | אחד (echad) = één | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | בא (ba) = komend | ממזרח (mimmizrach) = uit het oosten van | שמש (shemesh) = de zon | וירץ (vayyarots) = en rende | בשמים (bashamayim) = door de hemel | ויבלע (vayivla) = en hij verslond | ארבעה (arba'ah) = vier | כוכבים (kokhavim) = sterren | מארבע (me'arba) = uit vier | רוחות (ruchot) = windstreken van | השמים (hashamayim) = de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ממזרח שמש (mimmizrach shemesh), ‘uit het oosten van de zon’: de ster komt uit de richting waar de zon opkomt. **8:3** Alle wijzen van de koning en alle tovenaars waren verbijsterd over dat verschijnsel. De wijzen doorzagen deze zaak en wisten waarop ze sloeg. Brontekst: וימתנו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | כל (kol) = alle | חכמי (chakhmei) = wijzen van | המלך (hammelekh) = de koning | וכל (vekhol) = en alle | החרטומים (hacharttumim) = de tovenaars | מהמראה (mehammar'eh) = over het verschijnsel | ההוא (hahu) = die | ויבינו (vayavinu) = en zij begrepen | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | ההוא (hahu) = die | וידעו (vayede'u) = en zij wisten | אודותיו (odotav) = erover Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:4** Ze zeiden tegen elkaar: „Dit betekent niets anders dan het kind dat in deze nacht aan Terach geboren is. Hij zal groeien, vruchtbaar zijn en zeer talrijk worden, en heel de aarde erven, hij en zijn zonen, voor altijd. Hij zal grote koningen doden, hij en zijn nageslacht, en hun land erven.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | אין (ein) = er was niet | זה (ze) = dit | כי (ki) = behalve | אם (em) = (samen: behalve) | הילד (hayeled) = het kind | אשר (asher) = die | נולד (nolad) = geboren werd | בלילה (ballaylah) = in de nacht | הזה (hazzeh) = deze | לתרח (leTerach) = aan Terach | אשר (asher) = die | חגג (chagag) = groeit (onzeker woord) | ויפרה (veyifreh) = en zal vruchtbaar zijn | וירבה (veyirbeh) = en zal talrijk worden | מאוד (me'od) = zeer | ויירש (veyirash) = en zal erven | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig | ויהרוג (veyahrog) = en zal doden | הוא (hu) = hij | וזרעו (vezar'o) = en zijn nageslacht | מלכים (melakhim) = koningen | גדולים (gedolim) = grote | ויירשו (veyirshu) = en zij zullen erven | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארצם (artsam) = hun land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: חגג (chagag) betekent gewoonlijk ‘feestvieren’ of ‘vieren’ en past hier slecht. De vertaling leest ‘groeien’. De Engelse vertaling van Noah (1840) heeft ‘opgroeien’. ### De wijzen gaan naar de koning **8:5** De wijzen en tovenaars gingen die nacht ieder naar zijn huis. Toen het morgen werd, stonden ze allemaal samen vroeg op, alle wijzen en alle tovenaars, en ze kwamen allen samen in hun vergaderhuis. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | וכל (vekhol) = en alle | החרטומים (hacharttumim) = de tovenaars | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | איש (ish) = een man | לביתו (levejto) = naar zijn huis | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | וישכימו (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | כל (kol) = alle | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | וכל (vekhol) = en alle | החרטומים (hacharttumim) = de tovenaars | ויודעו (vayivvade'u) = en zij kwamen samen | כולם (kullam) = allen | בבית (babbayit) = in het huis van | מועדם (mo'edam) = hun vergaderplaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:6** Ze spraken en zeiden tegen elkaar: „Zie, het verschijnsel dat we gisteravond gezien hebben, is voor de koning verborgen. Het is hem niet bekend gemaakt. Brontekst: וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | הנה (hinneh) = zie | המראה (hammar'eh) = het verschijnsel | אשר (asher) = die | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | אמש (emesh) = gisteravond | נעלם (ne'lam) = is verborgen | מהמלך (mehammelekh) = voor de koning | לא (lo) = niet | נודע (noda) = was bekend | אליו (elav) = aan hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:7** Als deze zaak in de laatste dagen aan de koning bekend wordt, zal hij tegen ons zeggen: ‘Waarom hebben jullie deze zaak voor mij verborgen?’ En hij zal ons allen doden. Kom nu, laten we de koning vertellen wat we gezien hebben en wat het betekent, dan zijn wij vrij van schuld.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | יודע (yode'a) = bekend wordt | הדבר (haddavar) = de zaak | למלך (lammelekh) = aan de koning | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | ואמר (ve'amar) = en hij zal zeggen | אלינו (elenu) = tot ons | למה (lammah) = waarom | העלמתם (he'elamtem) = jullie hebben verborgen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | ממני (mimmenni) = van mij | וימיתנו (vayemitenu) = en hij zal ons doden | כולנו (kulanu) = wij allen | ועתה (ve'attah) = en nu | לכו (lekhu) = kom | ונגידה (venagidah) = en laten wij vertellen | למלך (lammelekh) = aan de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | המראה (hammar'eh) = het verschijnsel | אשר (asher) = die | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | פתרון (pitron) = de uitleg van | הדברים (haddevarim) = de dingen | ונקינו (venaqqeinu) = en wij zullen vrij zijn | אנחנו (anachnu) = wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:8** Zo deden ze. Ze gingen allen naar de koning, bogen zich voor hem neer tot op de grond en zeiden: „Leve de koning! Leve de koning! Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | כולם (kullam) = allen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | וישתחו (vayishtachu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | ארצה (artsah) = naar de grond | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: יחי המלך (yechi hammelekh), ‘leve de koning’: zie ook Jasher 3:22 en 1 Sam. 10:24. Zie ook: Jas 3:22; 1 Sam 10:24 **8:9** Wij hebben gehoord dat aan Terach, de zoon van Nachor, de bevelhebber van uw leger, een zoon geboren is. Gisteravond zijn wij naar zijn huis gekomen, hebben brood gegeten, gedronken en waren vrolijk met hem. Brontekst: אנחנו (anachnu) = wij | שמענו (shamanu) = wij hebben gehoord | אשר (asher) = dat | נולד (nolad) = geboren werd | בן (ben) = een zoon | לתרח (leTerach) = aan Terach | בן (ben) = zoon van | נחור (Nachor) = Nachor | שר (sar) = bevelhebber van | צבאך (tsevakha) = je leger | ונבוא (venavo) = en wij kwamen | אמש (emesh) = gisteravond | בלילה (ballaylah) = in de nacht | אל (el) = tot | ביתו (beito) = zijn huis | ונאכל (venokhal) = en wij aten | לחם (lechem) = brood | ונשתה (venishteh) = en wij dronken | ונשמח (venismach) = en wij waren vrolijk | עמו (immo) = bij hem | בלילה (ballaylah) = in de nacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:10** Toen uw dienaren het huis van Terach verlieten om naar onze huizen te gaan en daar te overnachten, ieder in zijn eigen nachtverblijf, sloegen wij onze ogen op naar de hemel, en zie: één zeer grote ster kwam uit het oosten van de zon. Die ster rende in een grote vaart en verslond vier grote sterren uit de vier windstreken van de hemel. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | עבדיך (avadekha) = je dienaren | מבית (mibbayit) = van binnen | תרח (Terach) = Terach | ללכת (lalekhet) = om te gaan | לביתינו (levateinu) = naar onze huizen | ללון (laloun) = om te overnachten | איש (ish) = een man | בבית (babbayit) = in het huis van | מלונו (malono) = zijn nachtverblijf | ונישא (venisa) = en wij sloegen op | את (et) = (lijdend voorwerp) | עינינו (eineinu) = onze ogen | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | ונראה (venire'eh) = en wij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | כוכב (kokhav) = ster | אחד (echad) = één | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | בא (ba) = komend | ממזרח (mimmizrach) = uit het oosten van | השמש (hashemesh) = de zon | וירץ (vayyarots) = en rende | הכוכב (hakkokhav) = de ster | ההוא (hahu) = die | במרוצה (bimrutsah) = in een snelle ren | גדולה (gedolah) = grote | ויבלע (vayivla) = en hij verslond | ארבעה (arba'ah) = vier | כוכבים (kokhavim) = sterren | גדולים (gedolim) = grote | מארבע (me'arba) = uit vier | רוחות (ruchot) = windstreken van | השמים (hashamayim) = de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:11** Uw dienaren waren verbijsterd over dat verschijnsel dat we gezien hadden, en we schrokken zeer. We oordeelden over het verschijnsel en kenden met onze wijsheid met zekerheid de uitleg ervan: het was gezegd over het kind dat aan Terach geboren is. Hij zal groot worden, zeer talrijk en machtig, en hij zal alle koningen van de aarde doden en heel hun land erven, hij, zijn zonen en zijn nageslacht, voor altijd. Brontekst: ויתמהו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | עבדיך (avadekha) = je dienaren | על (al) = op | המראה (hammar'eh) = het verschijnsel | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = die | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | ויתבהלו (vayitbahalu) = en zij werden onthutst | מאוד (me'od) = zeer | ונשפוט (venishpot) = en wij oordeelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | המראה (hammar'eh) = het verschijnsel | ונדע (venedah) = en wij wisten | בחוכמתנו (bechokhmatenu) = met onze wijsheid | את (et) = (lijdend voorwerp) | פתרון (pitron) = de uitleg van | המראה (hammar'eh) = het verschijnsel | ההוא (hahu) = die | על (al) = met | נכונה (nekhonah) = zekerheid | כי (ki) = dat | על (al) = over | הילד (hayeled) = het kind | היולד (hayyullad) = die geboren is | לתרח (leTerach) = aan Terach | היה (hayah) = hij was | הדבר (haddavar) = de zaak | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = die | יגדל (yigdal) = hij zal groot worden | וירבה (veyirbeh) = en zal talrijk worden | מאוד (me'od) = zeer | ועצם (ve'atsam) = en machtig | וימית (vayamit) = en hij zal doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויירש (veyirash) = en zal erven | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארצם (artsam) = hun land | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וזרעו (vezar'o) = en zijn nageslacht | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:12** En nu, onze heer en koning, zie, wij hebben u bekendgemaakt wat wij met zekerheid over dit kind gezien hebben. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אדוננו (adonenu) = onze heer | המלך (hammelekh) = de koning | הנה (hinneh) = zie | הודענוך (hode'anukha) = wij hebben je bekend gemaakt | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | על (al) = over | הילד (hayeled) = het kind | הזה (hazzeh) = deze | על (al) = met | נכונה (nekhonah) = zekerheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:13** Als het de koning goed lijkt, geef dan zijn vader een prijs voor dat kind, en laten wij hem doden, voordat hij groot wordt en talrijk wordt in het land en zijn kwaad in het land over ons toeneemt, en wij omkomen, wij allen, onze zonen en ons nageslacht, door zijn kwaad.” Brontekst: אם (em) = als | על (al) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | טוב (tov) = goed | לתת (latet) = te geven | לאביו (le'aviv) = aan zijn vader | מחיר (mechir) = een prijs | בילד (bayeled) = voor het kind | ההוא (hahu) = die | ונהרגהו (venahargehu) = en laten wij hem doden | טרם (terem) = voordat | אשר (asher) = (dat) | יגדל (yigdal) = hij zal groot worden | וירבה (veyirbeh) = en zal talrijk worden | בארץ (ba'arets) = in het land | ותרבה (vetirbeh) = en zal toenemen | רעתו (ra'ato) = zijn kwaad | עלינו (aleinu) = over ons | בארץ (ba'arets) = in het land | ואבדנו (ve'avadnu) = en wij zullen omkomen | כולנו (kulanu) = wij allen | אנחנו (anachnu) = wij | ובנינו (uvaneinu) = en onze zonen | וזרענו (vezar'enu) = en ons nageslacht | ברעתו (bero'ato) = door zijn kwaad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De koning en Terach **8:14** De koning hoorde hun woorden, en het was goed in zijn ogen. Hij liet Terach roepen, en Terach kwam voor de koning. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריהם (divreihem) = hun woorden | וייטב (vayyitav) = en het was goed | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen | וישלח (vayishlach) = en hij zond | ויקרא (vayikra) = en riep | אל (el) = tot | תרח (Terach) = Terach | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | תרח (Terach) = Terach | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:15** De koning zei tegen Terach: „Het is mij verteld dat jou gisteravond een zoon geboren is, en dat er bij zijn geboorte zo en zo aan de hemel is gezien. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | תרח (Terach) = Terach | הגד (hagged) = vertel | הוגד (hugad) = is verteld | לי (li) = voor mij | אשר (asher) = dat | נולד (nolad) = geboren werd | לך (lekha) = aan jou | בן (ben) = een zoon | אמש (emesh) = gisteravond | וכזאת (vekhazzot) = en zo | וכזאת (vekhazzot) = en zo | נראה (nir'ah) = is gezien | בשמים (bashamayim) = aan de hemel | במולדו (bemoledo) = bij zijn geboorte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:16** Geef mij dat kind nu, dan doden wij hem voordat zijn kwaad over ons opkomt, en ik zal jou zijn prijs geven: je huis vol zilver en goud.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | תנה (tenah) = geef | לי (li) = aan mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | הילד (hayeled) = het kind | ההוא (hahu) = die | ונהרגהו (venahargehu) = en laten wij hem doden | טרם (terem) = voordat | תצמח (titsmach) = zal opkomen | עלינו (aleinu) = over ons | רעתו (ra'ato) = zijn kwaad | ואתן (ve'etten) = en ik zal geven | לך (lekha) = aan jou | מחירו (mechiro) = zijn prijs | מלא (male) = vol | ביתך (beitekha) = je huis | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:17** Terach antwoordde de koning en zei tegen hem: „Ik heb uw woorden gehoord, mijn heer de koning. Alles wat mijn heer de koning wil, zal zijn dienaar doen. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | שמעתי (shamati) = ik heb gehoord | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריך (devarekha) = je woorden | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | יחפוץ (yachpots) = wil | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | יעשה (ya'aseh) = zal doen | עבדו (avdo) = zijn dienaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:18** Maar, mijn heer de koning, ik wil u vertellen wat mij gisteravond is overkomen, totdat ik de raad van de koning aan zijn dienaar zie. Daarna zal ik de koning op zijn woorden antwoorden.” De koning zei: „Spreek.” Brontekst: אולם (ulam) = maar | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | אגיד (agid) = ik zal vertellen | לך (lekha) = aan jou | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | קרה (qarah) = overkwam | לי (li) = voor mij | אמש (emesh) = gisteravond | עד (ad) = tot | אשר (asher) = die | אראה (er'eh) = ik zal zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | עצת (atsat) = raad van | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | עבדו (avdo) = zijn dienaar | ואחר (ve'achar) = en daarna | אשיב (ashiv) = zal ik antwoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = op | דבריו (devarav) = zijn woorden | ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | דבר (davar) = spreek Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:19** Terach zei tegen de koning: „Ajon, de zoon van Mored, kwam gisteravond in de nacht naar mijn huis en zei: Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | תרח (Terach) = Terach | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = dat | אעיון (Ayon) = Ajon | בן (ben) = zoon van | מורד (Mored) = Mored | בא (ba) = kwam | אלי (elai) = naar mij | אמש (emesh) = gisteravond | אל (el) = tot | ביתי (beiti) = mijn huis | בלילה (ballaylah) = in de nacht | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:20** ‘Geef mij het grote, goede paard dat de koning jou gegeven heeft, en ik zal jou de prijs ervan geven: zilver en goud, en je huis vol stro en voer.’ Ik zei tegen hem: ‘Eerst moet ik mijn heer de koning over uw woorden zien. Wat de koning tegen mij zegt, dat zal ik doen.’ Brontekst: תנה (tenah) = geef | לי (li) = aan mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | הסוס (hassus) = het paard | הגדול (haggadol) = de grote | הטוב (hattov) = het goede | אשר (asher) = die | נתן (natan) = hij gaf | לך (lekha) = aan jou | המלך (hammelekh) = de koning | ואתן (ve'etten) = en ik zal geven | לך (lekha) = aan jou | מחירו (mechiro) = zijn prijs | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | ומלוא (umelo) = en vol | ביתך (beitekha) = je huis | תבן (teven) = stro | ומספוא (umispo) = en voer | ואומר (ve'omar) = en ik zei | אליו (elav) = tegen hem | עד (ad) = tot | אשר (asher) = die | אראה (er'eh) = ik zie | את (et) = (lijdend voorwerp) | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = over | דבריך (devarekha) = je woorden | והיה (vehayah) = en het zal zijn | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | ידבר (yedabber) = hij zal spreken | אלי (elai) = tegen mij | המלך (hammelekh) = de koning | אותו (oto) = hem | אעשה (e'eseh) = ik zal doen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:21** Nu, mijn heer de koning, zie, ik heb dit u bekendgemaakt. De raad die mijn heer de koning aan zijn dienaar geeft, die zal ik uitvoeren.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | הנה (hinneh) = zie | גיליתי (gillati) = ik heb geopenbaard | את (et) = (lijdend voorwerp) | אוזנך (oznekha) = je oor | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | והיה (vehayah) = en het zal zijn | העצה (ha'etsah) = de raad | אשר (asher) = die | יתן (yitten) = hij zal geven | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = aan | עבדו (avdo) = zijn dienaar | אותה (otah) = haar | אעשה (e'eseh) = ik zal doen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:22** De koning hoorde de woorden van Terach, zijn toorn ontbrandde, en hij hield hem voor een dwaas. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | תרח (Terach) = Terach | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפו (appo) = zijn toorn | ויחשבהו (vayachshevehu) = en hij rekende hem | לכסיל (likhsil) = tot een dwaas Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:23** De koning antwoordde Terach en zei tegen hem: „Ben jij een dwaas en onwetend, of zonder inzicht, dat je dit doet: je goede paard geven voor zilver of voor goud, ja zelfs voor stro en voer? Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | תרח (Terach) = Terach | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הכסיל (hakkesil) = ben een dwaas | ובער (vava'ar) = en onwetend | אתה (attah) = jij | או (o) = of | חסר (chaser) = zonder | תבונה (tevunah) = inzicht | כי (ki) = dat | תעשה (ta'aseh) = je doet | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = dat | תיתן (titten) = je geeft | את (et) = (lijdend voorwerp) | סוסך (susekha) = je paard | הטוב (hattov) = het goede | בכסף (bakesef) = voor zilver | או (o) = of | בזהב (bazahav) = voor goud | ואף (ve'af) = en zelfs | אם (em) = (samen: en zelfs) | בתבן (vattaven) = voor stro | ומספוא (umispo) = en voer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:24** Ontbreekt het jou aan zilver en goud, tot je geen stro en voer hebt voor je paarden, dat je dit doet? Wat moet jij met zilver of goud, ja zelfs met stro en voer, dat je je goede paard zou geven dat ik je gegeven heb, een paard waarvan er in heel de aarde geen is zoals dit?” Brontekst: החסר (hachaser) = ontbreekt je | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | אתה (attah) = jij | עד (ad) = tot | אשר (asher) = die | אין (ein) = er was niet | לך (lekha) = aan jou | תבן (teven) = stro | ומספוא (umispo) = en voer | למאכל (lema'akhal) = als voer | סוסיך (susekha) = je paarden | כי (ki) = dat | תעשה (ta'aseh) = je doet | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ומה (umah) = en wat | לך (lekha) = aan jou | בכסף (bakesef) = voor zilver | או (o) = of | בזהב (bazahav) = voor goud | ואף (ve'af) = en zelfs | בתבן (vattaven) = voor stro | ומספוא (umispo) = en voer | כי (ki) = dat | תיתן (titten) = je geeft | את (et) = (lijdend voorwerp) | סוסך (susekha) = je paard | הטוב (hattov) = het goede | אשר (asher) = die | נתתי (natati) = ik gegeven heb | לך (lekha) = aan jou | אשר (asher) = die | אין (ein) = er was niet | סוס (sus) = paard | כמוהו (kamohu) = zoals hij | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:25** De koning hield op met spreken, en Terach antwoordde de koning: „Zoals dit heeft mijn heer de koning tot zijn dienaar gesproken. Brontekst: ויכל (vayekhal) = en hij hield op | המלך (hammelekh) = de koning | לדבר (laddavar) = te spreken | ויען (vaya'an) = en antwoordde | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | כדבר (kidvar) = zoals het woord | הזה (hazzeh) = dit | דיבר (dibber) = hij had gesproken | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | עבדו (avdo) = zijn dienaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:26** Ach, mijn heer de koning, wat is dit voor een woord dat u tot mij gesproken hebt: ‘Geef je zoon, dan doden wij hem, en ik zal jou zijn prijs geven, zilver en goud’? Wat moet ik met zilver of goud na de dood van mijn zoon? Want wie zal mij beërven na mij? Bij mijn dood zal dat zilver en dat goud terugkeren naar mijn heer de koning, die het gegeven heeft.” Brontekst: בי (bi) = ach | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | דיברת (dibbarta) = je hebt gesproken | אליי (elai) = tot mij | לאמור (lemor) = zeggende | תנה (tenah) = geef | בנך (bincha) = je zoon | ונמיתהו (venamitehu) = en laten wij hem doden | ואתן (ve'etten) = en ik zal geven | לך (lekha) = aan jou | מחירו (mechiro) = zijn prijs | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | מה (mah) = wat | אעשה (e'eseh) = ik zal doen | בכסף (bakesef) = voor zilver | או (o) = of | בזהב (bazahav) = voor goud | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = dood van | בני (bnei) = mijn zoon | כי (ki) = want | מי (mi) = wie | יירשני (yirashani) = zal mij beërven | אחרי (acharei) = na mij | והיה (vehayah) = en het zal zijn | במותי (bemoti) = bij mijn dood | ושב (veshav) = en zal terugkeren | הכסף (hakkesef) = het zilver | והזהב (vehazzahav) = en het goud | ההוא (hahu) = die | אל (el) = tot | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | אשר (asher) = die | נתנו (netano) = hem gegeven heeft Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:27** Toen de koning de woorden van Terach hoorde, en de gelijkenis die hij over de koning had gebracht, ontbrandde zijn woede zeer. Hij werd toornig over deze zaak, en zijn grimmigheid brandde tegen hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | תרח (Terach) = Terach | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | המשל (hammashal) = de gelijkenis | אשר (asher) = die | הביא (hevi) = bracht | על (al) = op | המלך (hammelekh) = de koning | ויחר (vayyichar) = en laaide op | למלך (lammelekh) = bij de koning | מאוד (me'od) = zeer | ויקצוף (vayiqtsof) = en hij werd toornig | על (al) = op | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וחמתו (vechamato) = en zijn woede | בערה (ba'arah) = brandde | בו (bo) = tegen hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:28** Terach zag dat de toorn van de koning tegen hem was ontbrand. Hij antwoordde en zei tegen de koning: „Zie, alles wat ik heb, is in de hand van de koning. Wat mijn heer de koning met zijn dienaar wil doen, laat hij het doen. Ook mijn zoon, zie, hij is zonder prijs in de hand van de koning, hij en zijn twee oudere broers.” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | תרח (Terach) = Terach | כי (ki) = dat | חרה (charah) = ontbrandde | אף (af) = toorn | המלך (hammelekh) = de koning | עליו (alav) = tegen hem | ויען (vaya'an) = en antwoordde | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | הנה (hinneh) = zie | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לי (li) = voor mij | ביד (beyad) = in de hand van | המלך (hammelekh) = de koning | אשר (asher) = die | יחפוץ (yachpots) = wil | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | לעשות (la'asot) = om te doen | לעבדו (la'avdo) = aan zijn dienaar | יעשה (ya'aseh) = hij doet | ואף (ve'af) = en zelfs | בני (bnei) = mijn zoon | הנה (hinneh) = zie | הוא (hu) = hij | ביד (beyad) = in de hand van | המלך (hammelekh) = de koning | בלא (bilo) = zonder | מחיר (mechir) = een prijs | הוא (hu) = hij | ושני (ushnei) = en twee | אחיו (achiv) = zijn broers | הגדולים (haggedolim) = de oudere | ממנו (mimmennu) = dan hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Terach vraagt drie dagen **8:29** De koning zei tegen Terach: „Nee, ik zal je jongste zoon kopen voor een prijs.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | תרח (Terach) = Terach | לא (lo) = nee | כי (ki) = maar | קנה (qoneh) = kopen | אקנה (eqneh) = zal ik kopen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | הקטן (haqqaton) = de jongste | במחיר (bimchir) = voor een prijs Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:30** Terach antwoordde de koning: „Ach, mijn heer de koning, laat uw dienaar toch een woord voor u spreken.” De koning hoorde het woord van zijn dienaar en zei: „Spreek, want ik luister.” Terach zei: „Mijn heer de koning geve mij een termijn van drie dagen, totdat ik met mijn ziel en mijn huis heb gesproken, de woorden van mijn heer de koning, en ik zal hen overhalen in deze zaak.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | בי (bi) = ach | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | ידבר (yedabber) = moge spreken | נא (na) = toch | עבדך (avdekha) = je dienaar | דבר (davar) = een woord | לפניך (lefanekha) = voor je | וישמע (vayishma) = en hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבר (davar) = het woord van | עבדו (avdo) = zijn dienaar | ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | דבר (davar) = spreek | כי (ki) = want | שומע (shome'a) = luisterend | אני (ani) = ik | ויאמר (vayomer) = en hij zei | תרח (Terach) = Terach | יתן (yitten) = hij zal geven | לי (li) = voor mij | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | זמן (zeman) = tijd | שלושה (shelosha) = drie | ימים (yamim) = dagen | עד (ad) = tot | דברי (divrei) = mijn spreken | אל (el) = tot | נפשי (nafshi) = mijn ziel | ואל (ve'el) = en tot | ביתי (beiti) = mijn huis | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | ואפצר (ve'efatser) = en ik zal aandringen | בם (vam) = bij hen | על (al) = op | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:31** De koning luisterde naar Terach en deed zo: hij gaf hem een termijn van drie dagen. Terach ging weg uit de tegenwoordigheid van de koning, kwam bij zijn huis en sprak tot hen alle woorden van de koning, en de mensen vreesden zeer. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = naar | תרח (Terach) = Terach | ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = aan hem | זמן (zeman) = tijd | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | תרח (Terach) = Terach | מאת (me'et) = van | פני (pnei) = aangezicht van | המלך (hammelekh) = de koning | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אל (el) = tot | ביתו (beito) = zijn huis | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | אליהם (aleihem) = tot hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | המלך (hammelekh) = de koning | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:32** Op de derde dag stuurde de koning tegen Terach de boodschap: „Stuur mij je zoon voor een prijs, zoals ik tot je gesproken heb. Als je dit niet doet, zal ik zenden, en zij zullen ook alles doden wat in je huis is, en niemand laten overblijven die tegen de muur plast.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השלישי (hashelishi) = de derde | וישלח (vayishlach) = en hij zond | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | תרח (Terach) = Terach | לאמור (lemor) = zeggende | שלח (Shelach) = zend | לי (li) = aan mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | במחיר (bimchir) = voor een prijs | כאשר (ka'asher) = zoals | דיברתי (dibbarti) = ik heb gesproken | לך (lekha) = aan jou | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = moeder van | לא (lo) = niet | תעשה (ta'aseh) = je doet | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ושלחתי (veshalachti) = en ik zal zenden | והמיתו (vehemitu) = en zij zullen doden | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | בביתך (bevetekha) = in je huis | ולא (velo) = en niet | ישאירו (yash'iru) = zij zullen overlaten | לך (lekha) = van jou | עד (ad) = zelfs | משתין (mashtin) = wie plast | בקיר (baqir) = tegen de muur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: משתין בקיר (mashtin baqir), ‘iemand die tegen de muur plast’: dezelfde uitdrukking als in 1 Sam. 25:22 en 1 Kon. 14:10. Zie ook: 1 Sam 25:22; 1 Kon 14:10 ### Het kind van de slavin **8:33** Terach haastte zich, want het woord van de koning was dringend voor hem. Hij nam het kind van een van zijn dienaren, dat zijn slavin op die dag gebaard had, de dag dat Abram werd geboren. Terach bracht dat kind naar de koning en nam zijn prijs. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | תרח (Terach) = Terach | כי (ki) = want | היה (hayah) = hij was | דבר (davar) = het woord van | המלך (hammelekh) = de koning | נחוץ (nachuts) = dringend | אליו (elav) = tegen hem | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הילד (hayeled) = het kind | אחד (echad) = één | מעבדיו (me'avadav) = van zijn dienaren | אשר (asher) = die | ילדה (yaldah) = had gebaard | לו (lo) = voor hem | שפחתו (shifchato) = zijn slavin | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = die | יולד (yivvaled) = werden geboren | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | ויבא (vayavo) = en hij bracht | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | הילד (hayeled) = het kind | ההוא (hahu) = die | אל (el) = naar | המלך (hammelekh) = de koning | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | מחירו (mechiro) = zijn prijs Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **8:34** Yahweh was met Terach in deze zaak, zodat Nimrod Abram niet zou doden. De koning nam het kind uit de hand van Terach en sloeg zijn hoofd met zijn hand stuk op de grond en doodde hem, want hij dacht dat het Abram was. De zaak bleef verborgen vanaf die dag en werd vergeten in het hart van de koning, want het was van Yahweh dat Abram niet zou sterven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = met | תרח (Terach) = Terach | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לבלתי (levilti) = opdat niet | המית (hemit) = hij had gedood | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | והמלך (vehammelekh) = en de koning | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הילד (hayeled) = het kind | מיד (miyyad) = uit de hand van | תרח (Terach) = Terach | ונפץ (venifets) = en hij sloeg stuk | את (et) = (lijdend voorwerp) | מוחו (mocho) = zijn hersenen | ארצה (artsah) = op de grond | בידו (beyado) = in zijn hand | וימת (vayamot) = en hij doodde | אותו (oto) = hem | כי (ki) = want | חשב (chashav) = hij dacht | כי (ki) = want | אברם (Avram) = Abram | הוא (hu) = dit was | ויסתר (vayyaster) = en werd verborgen | הדבר (haddavar) = de zaak | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | וישכח (vayishkach) = en werd vergeten | מלב (millev) = uit het hart van | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היה (hayah) = hij was | זה (ze) = dit | לבלתי (levilti) = opdat niet | מות (mot) = sterven | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ויהי יהוה את תרח (vayhi Yahweh et Terach), ‘Yahweh was met Terach’: dezelfde woordvolgorde als in Gen. 39:2, ‘Yahweh was met Jozef’. Zie ook: Gen 39:2 ### Abram in de grot **8:35** Terach nam Abram, zijn zoon, in het geheim, met zijn moeder en zijn voedster, en verborg hen in een grot. Hij gaf hun maand na maand hun levensonderhoud. Brontekst: ותרח (veTerach) = en Terach | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | בסתר (baseter) = in het geheim | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אמו (immo) = zijn moeder | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מניקתו (meniqto) = zijn voedster | ויחביאם (vayachbi'em) = en hij verborg hen | במערה (bama'arah) = in de grot | ויתן (vayitten) = en gaf | להם (lahem) = aan hen | מחייתם (michyatam) = hun levensonderhoud | מדי (Madai) = elke | חודש (chodesh) = maand | בחודשו (bechodsho) = in zijn maand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Abram als kind in een grot werd verborgen, staat niet in Genesis. **8:36** Yahweh was met Abram in die grot, en hij groeide op. Abram bleef tien jaar in de grot. De koning, al zijn vorsten en dienaren, alle tovenaars en wijzen van de koning dachten dat de koning Abram gedood had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = met | אברם (Avram) = Abram | במערה (bama'arah) = in de grot | ההיא (hahi) = die | ויגדל (vayigdal) = en hij groeide op | ויהי (vayehi) = en was | אברם (Avram) = Abram | במערה (bama'arah) = in de grot | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | והמלך (vehammelekh) = en de koning | וכל (vekhol) = en alle | שריו (saraiv) = zijn vorsten | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | וכל (vekhol) = en alle | החרטומים (hacharttumim) = de tovenaars | וחכמים (vachakhamim) = en wijzen | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = bij de koning | חשבו (chashvu) = zij dachten | כי (ki) = dat | המית (hemit) = hij had gedood | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ויהי יהוה את אברם (vayhi Yahweh et Avram), ‘Yahweh was met Abram’: zie ook Gen. 39:2. Zie ook: Gen 39:2 ## Jasher 9 _Abram vindt Elohim; de toren van Babel_ ### Haran en zijn kinderen **9:1** Haran, de zoon van Terach, de oudere broer van Abram, nam in die dagen een vrouw. Brontekst: והרן (veharan) = en Haran | בן (ben) = zoon van | תרח (Terach) = Terach | אחי (echi) = broer van | אברם (Avram) = Abram | הגדול (haggadol) = de oudere | ממנו (mimmennu) = dan hij | לקח (laqach) = nam | אישה (ishah) = een vrouw | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie ook Gen. 11:27–29: Haran, Lot, Milka en Sarai. Zie ook: Gen 11:27–29 **9:2** Haran was negenendertig jaar toen hij haar nam. De vrouw van Haran werd zwanger en baarde hem een zoon, en hij noemde zijn naam Lot. Brontekst: כי (ki) = want | שלושים (sheloshim) = dertig | ותשע (vetesha) = en negen | שנים (shanim) = jaren | היה (hayah) = hij was | הרן (Haran) = Haran | בקחתה (beqichtah) = bij zijn nemen van haar | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | אשת (eshet) = vrouw van | הרן (Haran) = Haran | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לו (lo) = aan hem | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | לוט (lot) = Lot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:3** Ze werd opnieuw zwanger en baarde een dochter, en ze noemde haar naam Milka. Ze werd nog eens zwanger en baarde een dochter, en ze noemde haar naam Sarai. Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | עוד (od) = opnieuw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בת (bat) = een dochter | ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמה (shemah) = haar naam | מלכה (Malkah) = Milka | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | עוד (od) = opnieuw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בת (bat) = een dochter | ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמה (shemah) = haar naam | שרי (sarai) = Sarai Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:4** Haran was tweeënveertig jaar toen hij Sarai verwekte. Dat was in het tiende jaar van het leven van Abram. Brontekst: בן (ben) = zoon van | ארבעים (arba'im) = veertig | ושתיים (ushtayim) = en twee | שנים (shanim) = jaren | היה (hayah) = hij was | הרן (Haran) = Haran | בלדתו (beladto) = bij zijn verwekken van | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = Sarai | היא (hi) = dit was | שנת (shenat) = jaar van | עשר (esar) = tien | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abram bij Noach **9:5** In die dagen kwamen Abram, zijn moeder en zijn voedster uit de grot, omdat de koning en zijn dienaren Abram vergeten waren. Toen Abram uit de grot gekomen was, ging hij naar Noach en zijn zoon Sem. Hij bleef bij hen om de onderwijzing van Yahweh en zijn wegen te leren, en niemand wist van Abram. Abram diende Noach en zijn zoon Sem vele dagen. Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | אברם (Avram) = Abram | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder | ומניקתו (umeniqto) = en zijn voedster | מהמערה (hammearah) = uit de grot | כאשר (ka'asher) = omdat | שכחו (shakhechu) = hadden vergeten | המלך (hammelekh) = de koning | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | אודות (odot) = over | אברם (Avram) = Abram | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כצאת (khetset) = toen hij uitging | אברם (Avram) = Abram | מהמערה (hammearah) = uit de grot | וילך (vayelekh) = en hij ging | לו (lo) = heen | אל (el) = naar | נח (Noach) = Noach | ושם (veShem) = en Sem | בנו (beno) = zijn zoon | וישב (vayyashev) = en hij bleef | עמהם (immahem) = met hen | ללמוד (lilmod) = om te leren | את (et) = (lijdend voorwerp) | מוסר (musar) = onderricht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | דרכיו (derakhav) = zijn wegen | ואיש (ve'ish) = en iemand | לא (lo) = niet | ידע (yada) = wist | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | וישרת (vayesharet) = en hij diende | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | נח (Noach) = Noach | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שם (shem) = Sem | בנו (beno) = zijn zoon | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Abram als jongen bij Noach en Sem leerde, staat niet in Genesis. **9:6** Abram was negenendertig jaar in het huis van Noach. Hij kende Yahweh vanaf zijn derde jaar en ging in de wegen van Yahweh tot de dag van zijn dood, zoals Noach en zijn zoon Sem hem onderwezen hadden. Maar alle zonen van de aarde overtraden in die dagen Yahweh zeer, ze kwamen tegen Hem in opstand, dienden andere goden en vergaten Yahweh, die hen op de aarde geschapen had. Ieder van de zonen van de aarde maakte zich in die dagen zijn eigen god, goden van hout en steen, die niet horen, niet spreken en niet redden. De mensen dienden hen, en zij werden hun goden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אברם (Avram) = Abram | בבית (babbayit) = in het huis van | נח (Noach) = Noach | שלושים (sheloshim) = dertig | ותשע (vetesha) = en negen | שנים (shanim) = jaren | וידע (vayyeda) = en hij wist | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מבן (mibben) = vanaf een zoon van | שלוש (shalosh) = drie | שנים (shanim) = jaren | וילך (vayelekh) = en hij ging | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עד (ad) = tot | יום (yom) = dag van | מותו (moto) = zijn dood | כאשר (ka'asher) = zoals | הורהו (horahu) = hij hem had geleerd | נח (Noach) = Noach | ושם (veShem) = en Sem | בנו (beno) = zijn zoon | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = kinderen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | פשעו (pash'u) = zij overtraden | ביהוה (bYahweh) = tegen Yahweh | מאוד (me'od) = zeer | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וימרדו (vayimredu) = en zij kwamen in opstand | בו (bo) = tegen Hem | ויעבדו (vaya'avdu) = en zij dienden | אלוקים (Elohim) = Elohim | אחרים (acherim) = andere | וישכחו (vayishkechu) = en zij vergaten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | בראם (bera'am) = hen geschapen had | בארץ (ba'arets) = op de aarde | ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | להם (lahem) = voor zich | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | איש (ish) = ieder | אלוקו (elohav) = zijn god | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אלוקי (elohei) = goden van | עץ (ets) = hout | ואבן (va'even) = en steen | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ישמעו (yishme'u) = horen | ולא (velo) = en niet | ידברו (yedabberu) = spreken | ולא (velo) = en niet | יצילו (yatsilu) = redden | ויעבדום (vaya'avdum) = en zij dienden ze | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | להם (lahem) = hun | לאלוקים (le'elohim) = tot goden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:7** De koning en al zijn dienaren en Terach met heel zijn huis waren in die dagen de eersten van allen die hout en steen dienden. Brontekst: והמלך (vehammelekh) = en de koning | וכל (vekhol) = en alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ותרח (veTerach) = en Terach | וכל (vekhol) = en alle | ביתו (beito) = zijn huis | היו (hayu) = zij waren | ראשונה (rishonah) = als eersten | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | לכל (lekhol) = van alle | העובדים (ha'ovedim) = die dienden | עץ (ets) = hout | ואבן (va'even) = en steen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:8** Terach had twaalf grote goden, goden van hout en steen, overeenkomend met de twaalf maanden, en hij diende ieder van hen in zijn eigen maand. Elke maand bracht Terach een graanoffer en plengoffers aan zijn goden en wierp zich voor hen neer en diende hen. Zo deed Terach al de dagen. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en er waren | לתרח (leTerach) = voor Terach | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = (samen: twaalf) | אלוקים (Elohim) = Elohim | גדולים (gedolim) = grote | אלוקי (elohei) = Elohim van | עץ (ets) = boom | ואבן (va'even) = en steen | לשנים (lishnem) = naar twaalf | עשר (esar) = (samen: twaalf) | חודשים (chodashim) = maanden | ויעבוד (vaya'avod) = en hij diende | כל (kol) = ieder | אחד (echad) = (samen: ieder) | חודשו (chodsho) = zijn maand | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מדי (Madai) = elke | חודש (chodesh) = maand | בחודשו (bechodsho) = in zijn maand | יקריב (yaqriv) = bracht | תרח (Terach) = Terach | מנחה (minchah) = graanoffer | ונסכים (venesakhim) = en plengoffers | לאלוקיו (le'elohav) = aan zijn goden | וישתחווה (vayishtachaveh) = en hij boog zich neer | להם (lahem) = voor hen | ויעבוד (vaya'avod) = en hij diende | אותם (otam) = hen | ככה (kakhah) = zo | יעשה (ya'aseh) = hij doet | תרח (Terach) = Terach | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Terach twaalf goden van hout en steen had, staat niet in Genesis. Zie wel Joz. 24:2: Terach diende andere goden. Zie ook: Joz 24:2 **9:9** Ook heel dat geslacht was slecht in de ogen van Yahweh. Zo maakte ieder zich zijn eigen god, en Yahweh, die hen geschapen had, verlieten ze. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | הדור (haddor) = geslacht | ההוא (hahu) = die | רע (ra) = slecht | בעיני (be'einei) = in de ogen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | ככה (kakhah) = zo | איש (ish) = ieder | אלוקיו (Elohav) = zijn god | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | בראם (bera'am) = hen geschapen had | עזבו (azvu) = verlieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:10** In die dagen werd in heel de aarde niemand gevonden die Yahweh kende, want ze dienden allen ieder zijn eigen god, behalve Noach en zijn huis en allen die onder hun raad stonden. Die kenden Yahweh in die dagen. Brontekst: ולא (velo) = en niet | נמצא (nimtsa) = werd gevonden | איש (ish) = iemand | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | אשר (asher) = die | ידע (yada) = kende | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = want | עבדו (avdo) = zij dienden | כולם (kullam) = allen | איש (ish) = ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | זולתי (zulati) = behalve | נח (Noach) = Noach | וביתו (uveito) = en zijn huis | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | היה (hayah) = hij was | תחת (tachat) = onder | עצתם (atsatam) = hun raad | ידעו (yade'u) = zij wisten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:11** Abram, de zoon van Terach, groeide in die dagen op in het huis van Noach, en niemand wist het, en Yahweh was met hem. Brontekst: ואברם (ve'avram) = en Abram | בן (ben) = zoon van | תרח (Terach) = Terach | הולך (holekh) = gaande | וגדל (vegadel) = en groeiend | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בבית (babbayit) = in het huis van | נח (Noach) = Noach | ואיש (ve'ish) = en man | לא (lo) = niet | ידע (yada) = kende | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | עמו (immo) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:12** Yahweh gaf Abram een hart dat luistert, en inzicht. Hij wist dat alles wat dat geslacht deed, ijdel was, en dat ook al hun goden, die ze dienden, ijdel waren en niets baatten. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לאברם (le'avram) = aan Abram | לב (lev) = het hart van | שומע (shome'a) = luisterend | ותבונה (utevunah) = en inzicht | ידע (yada) = kende | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | יעשו (ya'asu) = deden | הדור (haddor) = geslacht | ההוא (hahu) = die | שהוא (shehu) = dat het was | הבל (Hevel) = ijdelheid | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אלוקיהם (elohehem) = hun goden | אשר (asher) = die | יעבדו (ya'avdu) = dienen | להם (lahem) = hun | הבל (Hevel) = ijdelheid | הם (hem) = zij | ואין (veein) = en niet | בם (vam) = bij hen | מועיל (mo'il) = nuttig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abram en de zon **9:13** Abram zag de zon op de aarde. Hij zei bij zichzelf: „Wel nu, deze zon, die over heel de aarde is opgegaan, is de god, en haar wil ik dienen.” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | השמש (hashemesh) = de zon | בארץ (ba'arets) = op de aarde | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = tot | ליבו (libbo) = zijn hart | אך (akh) = alleen | עתה (attah) = nu | השמש (hashemesh) = de zon | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = die | זרחה (zarchah) = scheen | על (al) = op | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | הוא (hu) = hij | האלוקים (ha'Elohim) = de god | ולו (velo) = en hem | אעבוד (e'evod) = zal ik dienen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Abram eerst de zon, daarna de maan en de sterren voor god aanziet, staat niet in Genesis. **9:14** Abram diende die dag de zon en bad die dag tot haar. Maar toen het avond werd, ging de zon onder zoals gewoonlijk, en Abram zei in zijn hart: „Wel nu, dit is geen god.” Brontekst: ויעבוד (vaya'avod) = en hij diende | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | השמש (hashemesh) = de zon | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | אליו (elav) = tegen hem | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בערב (ba'erev) = in de avond | ותבוא (vattavo) = en ging onder | השמש (hashemesh) = de zon | כמשפט (kemishpat) = volgens de gewoonte van | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | בליבו (belibbo) = in zijn hart | אך (akh) = wel | עתה (attah) = nu | אין (ein) = er was niet | זה (ze) = dit | אלוה (eloah) = god Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:15** Abram sprak nog verder in zijn hart: „Wie is het die de hemel en de aarde gemaakt heeft, en wie heeft al deze mensen op de aarde geschapen? Waar is hij?” Brontekst: וידבר (vayedabber) = en hij sprak | אברם (Avram) = Abram | עוד (od) = verder | בליבו (belibbo) = in zijn hart | מיהו (miyhu) = wie is hij | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gemaakt | את (et) = (lijdend voorwerp) | השמים (hashamayim) = de hemel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = de aarde | ומי (umei) = en wie | אשר (asher) = die | ברא (bara) = schiep | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = de mens | הזה (hazzeh) = deze | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | איפה (eifoh) = waar | הוא (hu) = hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:16** De nacht werd donker over hem. Hij sloeg zijn ogen op naar het westen, het noorden, het zuiden en het oosten, en zag: het geluid van de zon was stil geworden boven de aarde, en de dag was donker. Brontekst: ויחשך (vayechshakh) = en het werd donker | עליו (alav) = over hem | הלילה (hallaylah) = de nacht | וישא (vayissa) = en hij sloeg op | עיניו (einav) = zijn ogen | ימה (yammah) = naar het westen | וצפונה (vetsafonah) = en naar het noorden | ונגבה (venegbah) = en naar het zuiden | ומזרחה (umizrachah) = en naar het oosten | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | קול (qol) = geluid van | השמש (hashemesh) = de zon | שקטה (shaqetah) = was stil geworden | מעל (me'al) = boven | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויחשך (vayechshakh) = en het werd donker | היום (hayyom) = de dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: קול השמש שקטה (qol hashemesh shaqetah), letterlijk ‘de stem van de zon was stil geworden’. De Engelse vertaling van Noah (1840) heeft ‘het licht van de zon’. **9:17** Abram zag de maan en de sterren voor zich en zei: „Wel nu, dit is de god die heel de aarde en al deze mensen geschapen heeft, en zie, dit zijn zijn dienaren.” Abram diende de maan en bad de hele nacht tot haar. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | הירח (hayareach) = de maan | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הכוכבים (hakkokhavim) = de sterren | לפניו (lefanav) = voor hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אך (akh) = wel | עתה (attah) = nu | הנה (hinneh) = zie | זה (ze) = dit | אלוה (eloah) = god | אשר (asher) = die | ברא (bara) = schiep | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | וכל (vekhol) = en alle | האדם (ha'adam) = de mens | והנה (vehinneh) = en zie | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | אלה (elleh) = dit zijn | הם (hem) = zij | לפניו (lefanav) = voor hem | ויעבוד (vaya'avod) = en hij diende | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | הירח (hayareach) = de maan | ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | אליו (elav) = tegen hem | כל (kol) = alle | הלילה (hallaylah) = de nacht | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:18** Toen het morgen werd en de zon op de aarde scheen zoals gewoonlijk, zag Abram al deze dingen die Yahweh Elohim op de aarde gemaakt had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ויאמר (vayomer) = en hij zei (?) | היום (hayyom) = de dag | ותזרח (vatizrach) = en scheen | השמש (hashemesh) = de zon | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | כמשפט (kemishpat) = volgens de gewoonte van | וירא (vayyera) = en hij zag | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gemaakt | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:19** Abram zei in zijn hart: „Wel nu, dit zijn geen goden die de aarde en alle mensen gemaakt hebben, maar het zijn dienaren van Elohim.” Abram bleef in het huis van Noach, kende daar Yahweh en zijn wegen, en Abram diende Yahweh al de dagen van zijn leven. Maar heel dat geslacht vergat Yahweh en diende andere goden van hout en steen, en kwam al die dagen tegen Yahweh in opstand. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | בליבו (belibbo) = in zijn hart | אך (akh) = wel | עתה (attah) = nu | אין (ein) = er was niet | אלה (elleh) = dit zijn | אלוהות (elohut) = goden | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hebben gemaakt | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = de aarde | וכל (vekhol) = en alle | האדם (ha'adam) = de mens | כי (ki) = maar | אם (em) = (samen: maar) | עבדי (avdei) = dienaren van | אלוקים (Elohim) = Elohim | המה (hemmah) = zij | וישב (vayyashev) = en hij bleef | אברם (Avram) = Abram | בבית (babbayit) = in huis | נח (Noach) = Noach | וידע (vayyeda) = en hij wist | אברם (Avram) = Abram | שם (shem) = daar | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | דרכיו (derakhav) = zijn wegen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אברם (Avram) = Abram | עובד (oved) = dienend | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | חייו (chayav) = zijn leven | וכל (vekhol) = en alle | הדור (haddor) = geslacht | ההוא (hahu) = die | שכחו (shakhechu) = vergaten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויעבדו (vaya'avdu) = en zij dienden | אלוקים (Elohim) = goden | אחרים (acherim) = andere | עץ (ets) = hout | ואבן (va'even) = en steen | וימרדו (vayimredu) = en zij kwamen in opstand | ביהוה (bYahweh) = tegen Yahweh | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De bouw van de toren **9:20** Koning Nimrod regeerde zonder zorgen en heel de aarde was onder zijn hand. Heel de aarde had één taal en dezelfde woorden. Brontekst: והמלך (vehammelekh) = en de koning | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | מלך (malakh) = regeerde | לבטח (lavetach) = in veiligheid | ותהי (vatehi) = en was | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | ויהי (vayehi) = en was | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | שפה (safah) = taal | אחת (achat) = één | ודברים (udevarim) = en woorden | אחדים (achadim) = dezelfde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 10:10; Gen 11:1 **9:21** Alle vorsten van Nimrod en zijn groten hielden in die tijd raad: Put, Misraïm, Kush en Kanaän met hun families. Ze zeiden tegen elkaar: „Kom, laten wij een stad voor ons bouwen, en in haar midden een toren en een sterke vesting, met zijn top in de hemel. Laten wij ons een naam maken, zodat wij heersers zijn over heel de wereld. Dan houdt het kwaad van onze vijanden van ons op en regeren wij met kracht over hen, en worden wij niet verstrooid over heel de aarde door hun oorlogen.” Brontekst: ויתיעצו (vayityatsu) = en zij beraadslaagden | כל (kol) = alle | שרי (sarai) = vorsten van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | וכל (vekhol) = en alle | גדולותיו (gedolav) = zijn groten | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | פוט (Put) = Put | ומצרים (umMitsrayim) = en Misraïm | וכוש (veKush) = en Kush | וכנען (vekhena'an) = en Kanaän | למשפחותיהם (lemishpechotehem) = naar hun families | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | הבה (havah) = kom | נבנה (nivneh) = laten wij bouwen | לנו (lanu) = voor ons | עיר (ir) = nederzetting | ובתוכה (uvetokhah) = en in haar midden | מגדל (migdal) = een toren | ומבצר (umivtsar) = en een vesting | חזק (chazaq) = sterk | וראשו (verosho) = en zijn top | בשמים (bashamayim) = in de hemel | ונעשה (vena'aseh) = en laten wij maken | לנו (lanu) = voor ons | שם (shem) = naam | למען (lema'an) = opdat | היותנו (heyotenu) = ons zijn | מושלים (moshelim) = heersers | על (al) = over | כל (kol) = alle | העולם (ha'olam) = de wereld | ולמען (ulema'an) = en opdat | תחדל (techdal) = ophoudt | רעת (ra'at) = het kwaad van | אויבינו (oyeveinu) = onze vijanden | מעלינו (me'aleinu) = van ons af | ונמלוך (venimlokh) = en laten wij heersen | עליהם (aleihem) = over hen | בחוזקה (bechozqah) = met kracht | ולא (velo) = en niet | נפוץ (nafuts) = wij verstrooid worden | על (al) = over | פני (pnei) = aangezicht van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | ממלחמותיהם (mimilchamotehem) = vanwege hun oorlogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:1–4. In Jasher 9 zijn het Put, Misraïm, Kush en Kanaän, de zonen van Cham (Gen. 10:6), die met de vorsten van Nimrod raad houden. Zie ook: Gen 10:6; Gen 11:1–4; Gen 11:4 **9:22** Ze gingen allen naar de koning en vertelden de koning deze woorden. De koning stemde met hen in over deze zaak, en ze deden het. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | והודה (vehodah) = en stemde in | להם (lahem) = met hen | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:23** Alle families kwamen bijeen, ongeveer zeshonderdduizend man, en ze gingen een zeer ruim land zoeken om de stad en de toren te bouwen. Ze zochten in heel de aarde en vonden niets dan één vallei, ten oosten, in het land Sinear, op twee dagen lopen. Ze trokken er allen heen en vestigden zich daar. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | המשפחות (hammishpachot) = de families | כשש (kheshesh) = ongeveer zes | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | ארץ (erets) = land | רחבה (rechavah) = uitgestrekt | מאוד (me'od) = zeer | לבנות (livnot) = te bouwen | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de nederzetting | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | המגדל (hammigdal) = de toren | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | כי (ki) = behalve | אם (em) = (samen: behalve) | בקעה (biqah) = vallei | אחת (achat) = één | מקדם (miqqedem) = in het oosten | בארץ (ba'arets) = in het land | שנער (Shin'ar) = Sinear | מהלך (mehalakh) = tocht van | שנתיים (shenatayim) = twee | ימים (yamim) = dagen | ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | כולם (kullam) = allen | אליה (eleha) = haar | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: בקעה מקדם בארץ שנער (biqah miqqedem be'erets shin'ar), ‘een vallei ten oosten in het land Sinear’: zie Gen. 11:2. Zie ook: Gen 11:2 **9:24** Ze begonnen bakstenen te vormen en te branden om de stad en de toren te bouwen die ze bedacht hadden. Brontekst: ויחלו (vayachelu) = en zij begonnen | ללבון (lilbon) = te vormen | הלבנה (halevenah) = de baksteen | ולשרוף (uleshrof) = en te branden | לשריפה (lisrefah) = tot verbranding | לבנות (livnot) = te bouwen | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de nederzetting | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | המגדל (hammigdal) = de toren | אשר (asher) = die | זממו (zamamu) = zij hadden bedacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:25** Het bouwen van de toren werd hun een overtreding en een zonde. Ze begonnen hem te bouwen, en terwijl ze bouwden kwamen ze in opstand tegen Yahweh, de Elohim van de hemel. Ze dachten in hun hart tegen Hem te strijden en naar de hemel op te stijgen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | להם (lahem) = hun | בניין (binyan) = het bouwwerk van | המגדל (hammigdal) = de toren | לפשע (lefesha) = tot overtreding | וחטאה (vechet'ah) = en zonde | ויחלו (vayachelu) = en zij begonnen | לבנותו (livnoto) = om hem te bouwen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הם (hem) = zij | בונים (bonim) = bouwden | וימרדו (vayimredu) = en zij kwamen in opstand | ביהוה (bYahweh) = tegen Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | השמים (hashamayim) = de hemel | ויחשבו (vayachshevu) = en zij dachten | בלבבם (bilvavam) = in hun hart | להילחם (lehillachem) = te strijden | בו (bo) = tegen Hem | ולעלות (ule'alot) = en om op te stijgen | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt de bouw ‘een overtreding en een zonde’ (lefesha vechet'ah). Genesis 11 geeft dat motief niet; daar staat alleen ‘laten wij ons een naam maken’ (Gen. 11:4). Zie ook: Gen 11:4 **9:26** Heel dit volk, alle families, verdeelden zich in drie delen. De eerste groep zei: „Laten wij naar de hemel opstijgen en tegen Hem strijden.” De tweede zei: „Laten wij naar de hemel opstijgen en daar onze goden plaatsen en hen daar dienen.” De derde zei: „Laten wij naar de hemel opstijgen en Hem met bogen en speren slaan.” Elohim kende al hun daden en al hun boze gedachten, en Hij zag de stad en de toren die ze bouwden. Brontekst: ויתחלקו (vayitchalqu) = en zij verdeelden zich | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | האלה (ha'elleh) = deze | ועל (ve'al) = en over | המשפחות (hammishpachot) = de families | לשלושה (lishloshah) = in drie | חלקים (chalaqim) = delen | ותאמר (vatomer) = en zei | האחת (ha'achat) = de eerste | נעלה (na'aleh) = laten wij opstijgen | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | ונילחם (venilacham) = en laten wij strijden | בו (bo) = tegen Hem | והשנית (vehashenit) = en de tweede | אמרה (amerah) = zij zei | נעלה (na'aleh) = laten wij opstijgen | השמים (hashamayim) = de hemel | ונעמיד (vena'amid) = en laten wij plaatsen | שם (shem) = daar | את (et) = (lijdend voorwerp) | אלוקינו (elohenu) = onze goden | ונעבדם (vena'avdem) = en laten wij hen dienen | שם (shem) = daar | והשלישית (vehashelishit) = en de derde | אמרה (amerah) = zij zei | נעלה (na'aleh) = laten wij opstijgen | השמים (hashamayim) = de hemel | ונכה (venakkeh) = en laten wij slaan | אותו (oto) = Hem | בקשתות (baqeshatot) = met bogen | ורמחים (verematchim) = en speren | וידע (vayyeda) = en Hij wist | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מעשיהם (ma'asehem) = hun daden | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מחשבותם (machshevotam) = hun gedachten | הרעה (hara'ah) = het kwaad | וירא (vayyera) = en Hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de nederzetting | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | המגדל (hammigdal) = de toren | אשר (asher) = die | הם (hem) = zij | בונים (bonim) = bouwden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:27** Terwijl ze bouwden, bouwden ze zich een grote stad en een toren in haar midden, zeer, zeer hoog en sterk. Vanwege de grote hoogte reikte de leem met de bakstenen niet tot de bouwer als ze naar hem opstegen, totdat de opstijgenden een vol jaar onderweg waren geweest. Daarna kwamen ze bij de bouwers en gaven hun de leem en de bakstenen. Zo deden ze elke dag. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיותם (bihyotam) = terwijl zij waren | בונים (bonim) = bouwden | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = hun | עיר (ir) = nederzetting | גדולה (gedolah) = grote | ומגדל (umigdal) = en een toren | בתוכה (betokhah) = in haar | גבוה (gavoah) = hoog | וחזק (vechazaq) = en sterk | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | מרוב (merov) = vanwege de grootte van | הגבהות (haggevahot) = de hoogten | לא (lo) = niet | יגיע (yagia) = reikt | החומר (hachomer) = de leem | והלבנים (vehalevenim) = en de bakstenen | אצל (etsel) = bij | הבונה (habbonah) = de bouwer | בעלותם (be'alotam) = bij hun opstijgen | אליו (elav) = naar hem | עד (ad) = tot | מלאת (melot) = het vol worden van | לעולים (la'olim) = voor de opstijgenden | שנה (shanah) = jaar | תמימה (temimah) = een volle | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = (samen: en daarna) | יגיעו (yagi'u) = zij komen | אל (el) = tot | הבונים (habbonim) = de bouwers | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | להם (lahem) = aan hen | החומר (hachomer) = de leem | והלבנים (vehalevenim) = en de bakstenen | ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden | להם (lahem) = hun | בכל (bekhol) = in heel | יום (yom) = dag van Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:28** Sommigen stegen op en anderen daalden af, de hele dag. Als een baksteen uit hun hand viel en brak, huilden ze er allemaal om. Maar als een mens viel en stierf, keek niemand van hen naar hem om. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | אלה (elleh) = sommigen | עולים (olim) = stegen op | ואלה (ve'elleh) = en anderen | יורדים (yordim) = daalden af | כל (kol) = alle | היום (hayyom) = de dag | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = wanneer | תיפול (tippol) = valt | לבנה (levenah) = een baksteen | מידם (miyyadam) = uit hun hand | ותישבר (vetishaver) = en breekt | ויבכו (vayivku) = en zij huilen | כולם (kullam) = allen | עליה (aleha) = erop | וכאשר (vekha'asher) = en toen | יפול (yippol) = valt | אדם (adam) = een mens | וימת (vayamot) = en hij stierf | אין (ein) = er was niet | מביט (mabbit) = kijkt | אליו (elav) = naar hem | מהם (mehem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:29** Yahweh kende hun gedachten. Terwijl ze bouwden, schoten ze pijlen naar de hemel, en alle pijlen vielen vol bloed op hen terug. Toen ze dat zagen, zeiden ze tegen elkaar: „Wel, wij hebben allen gedood die in de hemel zijn.” Brontekst: וידע (vayyeda) = en Hij wist | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | מחשבותם (machshevotam) = hun gedachten | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | עת (et) = tijd van | בונים (bonim) = bouwden | ויזרקו (vayizreku) = en zij schoten | החיצים (hachitsim) = de pijlen | אל (el) = naar | השמים (hashamayim) = de hemel | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | כל (kol) = alle | החצים (hachitsim) = de pijlen | עליהם (aleihem) = over hen | מלאים (mele'im) = vol | דם (dam) = bloed van | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראותם (kir'otam) = toen zij zagen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | אך (akh) = wel | הנה (hinneh) = zie | הרגנו (haragnu) = wij hebben gedood | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | בשמים (bashamayim) = in de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:30** Want dit was van Yahweh, om hen te laten dwalen en hen van het oppervlak van de grond uit te roeien. Brontekst: כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היה (hayah) = hij was | זה (ze) = dit | למען (lema'an) = opdat | התעם (hat'otam) = hen te laten dwalen | ולמען (ulema'an) = en opdat | הכחידם (hakhchidam) = hen uit te roeien | מעל (me'al) = van op | פני (pnei) = aangezicht van | האדמה (ha'adamah) = de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:31** Ze bouwden de toren en de stad en deden zo dag na dag, tot er vele dagen en jaren vervuld waren. Brontekst: ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | את (et) = (lijdend voorwerp) | המגדל (hammigdal) = de toren | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de nederzetting | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | הזה (hazzeh) = deze | יום (yom) = dag na | יום (yom) = dag van | עד (ad) = tot | מלאת (melot) = het vol worden van | להם (lahem) = hun | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ושנים (ushanim) = en jaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De verwarring van de talen **9:32** Toen sprak Elohim tot de zeventig engelen die als eersten voor Hem stonden, die dicht bij Hem waren: **„Kom, laten Wij afdalen en daar hun taal verwarren, zodat zij de taal van elkaar niet verstaan.”** En Hij deed hun zo. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אל (el) = tot | שבעים (shiv'im) = zeventig | המלאכים (hammal'akhim) = de engelen | העומדים (ha'omdim) = de staande | ראשונה (rishonah) = als eersten | לפניו (lefanav) = voor Hem | הקרובים (haqrovim) = die dichtbij | אליו (elav) = bij Hem | לאמור (lemor) = zeggende | הבה (havah) = kom | נרדה (neredah) = laten Wij afdalen | ונבלה (venavlah) = en laten Wij verwarren | שם (shem) = daar | שפתם (sefatam) = hun taal | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ישמעו (yishme'u) = zij hoorden | ולא (velo) = en niet | יבינו (yavinu) = zij verstaan | איש (ish) = een man | שפת (sefat) = de taal van | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | ויעש (vayya'as) = en Hij deed | להם (lahem) = hun | כן (ken) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Elohim spreekt hier tot zeventig engelen, niet in de Genesistekst. Zie Gen. 11:7, ‘laten Wij afdalen’. Voetnoot Aanvullend: Zie ook Jubileeën 10:22–23. Zie ook: Gen 11:7; Jub 10:22–23 **9:33** Vanaf die dag vergaten ze ieder de taal van de ander en verstonden ze elkaar niet meer in één taal. Wanneer iemand tegen zijn naaste zei: „Geef mij een steen om te bouwen”, gaf die hem leem. En als hij zei: „Geef leem”, gaf die hem een steen. Wanneer de bouwer van de hand van zijn naaste leem of een steen nam die hij niet gevraagd had, gooide de bouwer die uit zijn hand en liet ze op zijn naaste vallen, zodat die stierf. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | שכחו (shakhechu) = vergaten | איש (ish) = een man | שפת (sefat) = de taal van | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | ולא (velo) = en niet | יבינו (yavinu) = zij verstaan | לדבר (laddavar) = om te spreken | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | בשפה (besafah) = in één taal | אחת (achat) = één | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | יאמר (yomar) = zegt | איש (ish) = iemand | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | תנה (tenah) = geef | לי (li) = voor mij | אבן (even) = steen | לבנות (livnot) = te bouwen | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = voor hem | חומר (chomer) = leem | וכאשר (vekha'asher) = en toen | יאמר (yomar) = zegt | תנה (tenah) = geef | חומר (chomer) = leem | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = voor hem | אבן (even) = steen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | יקח (yiqqach) = neemt | הבונה (habbonah) = de bouwer | מיד (miyyad) = uit de hand van | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | את (et) = (lijdend voorwerp) | החומר (hachomer) = de leem | או (o) = of | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבן (even) = steen | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | אמר (amar) = gezegd had | וישליכם (vayashlikhem) = en gooit ze | הבונה (habbonah) = de bouwer | מידו (miyyado) = uit zijn hand | ויפילם (vayappilem) = en laat ze vallen | על (al) = op | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:34** Zo deden ze vele dagen, en vele van hen kwamen zo om. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | הזה (hazzeh) = deze | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | מהם (mehem) = voor hen | הרבה (harbeh) = velen | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:35** Yahweh trof de drie delen die daar waren en tuchtigde hen naar hun daden en naar hun gedachten. Zij die gezegd hadden: „Laten wij naar de hemel opstijgen en onze goden daar dienen”, werden apen en olifanten. Zij die gezegd hadden: „Laten wij de hemel met pijlen slaan”, doodde Yahweh, de een door de hand van de ander. En de derde groep, die gezegd had: „Laten wij naar de hemel opstijgen en tegen Hem strijden”, verstrooide Yahweh over heel de aarde. Brontekst: ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | הכה (hikkah) = trof | את (et) = (lijdend voorwerp) | שלושת (sheloshet) = drie | החלקים (hechalaqim) = de delen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | שם (shem) = daar | וייסרם (vayyasserem) = en tuchtigde hen | כמפעלותם (kemif'alotam) = naar hun daden | וכמחשבותיהם (vekhemachshevoteihem) = en naar hun gedachten | אשר (asher) = die | אמרו (ameru) = zeiden | נעלה (na'aleh) = laten wij opstijgen | השמים (hashamayim) = de hemel | ונעבוד (vena'avod) = en laten wij dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אלוקינו (elohenu) = onze goden | שם (shem) = daar | (הפכו) (hafkhu) = (zij werden veranderd) | היו (hayu) = zij werden | לקופים (laqofim) = tot apen | ושנהבים (veshenhabbim) = en olifanten | ואשר (va'asher) = en die | אמרו (ameru) = zeiden | נכה (nakkeh) = laten wij slaan | השמים (hashamayim) = de hemel | בחצים (bachitsim) = met pijlen | המיתם (hemitam) = doodde hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | איש (ish) = een man | ביד (beyad) = in de hand van | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | והשלישית (vehashelishit) = en de derde | אשר (asher) = die | אמרה (amerah) = zij zei | נעלה (na'aleh) = laten wij opstijgen | השמים (hashamayim) = de hemel | ונילחם (venilacham) = en laten wij strijden | בו (bo) = tegen Hem | הפיצם (hefitsam) = verstrooide hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat de groepen zo gestraft werden (apen, olifanten), staat niet in Genesis. **9:36** De overgeblevenen onder hen verlieten, toen ze het kwaad dat over hen gekomen was zagen en begrepen, het bouwwerk en werden ook zelf verstrooid over heel de aarde. Brontekst: והנשארים (vehanish'arim) = en de overgeblevenen | בהם (bahem) = onder hen | כאשר (ka'asher) = zoals | ידעו (yade'u) = zij wisten | והבינו (vehevinu) = en begrepen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | באה (ba'ah) = gekomen was | עליהם (aleihem) = over hen | ויעזבו (vaya'azvu) = en zij verlieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבניין (habbinyan) = het bouwwerk | ויפוצו (vayafutsu) = en zij verspreidden zich | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | על (al) = over | פני (pnei) = aangezicht van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **9:37** Ze hielden op met het bouwen van de stad en de toren. Daarom noemde Hij die plaats Babel, want daar verwarde Yahweh de taal van heel de aarde. Zie, het was ten oosten, in het land Sinear. Brontekst: ויחדלו (vayachdelu) = en zij hielden op | לבנות (livnot) = te bouwen | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de nederzetting | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | המגדל (hammigdal) = de toren | על (al) = daarom | כן (ken) = (samen: daarom) | קרא (qara) = noemde | למקום (lamaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | בבל (bavel) = Babel | כי (ki) = want | שם (shem) = daar | בלל (balal) = verwarde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | שפת (sefat) = de taal van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | הנה (hinneh) = zie | מקדם (miqqedem) = in het oosten | לארץ (la'arets) = in het land | שנער (Shin'ar) = Sinear Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:8–9: ‘daarom noemde men haar naam Babel’. Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 11:8–9 ### Het lot van de toren **9:38** En de toren die de mensenkinderen gebouwd hadden: de aarde opende haar mond en verslond een derde ervan, en er daalde ook vuur uit de hemel neer en verbrandde het andere derde. Het derde deel ervan is tot op deze dag blijven staan. Een deel ervan hangt in de wind van de hemel, en zijn schaduw strekt zich drie dagen lopen uit. Brontekst: והמגדל (vehammigdal) = en de toren | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = die | בנו (beno) = zij bouwden | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | פתחה (patchah) = opende | הארץ (ha'arets) = de aarde | את (et) = (lijdend voorwerp) | פיה (piha) = haar mond | ותבלע (vativla) = en zij verslond | את (et) = (lijdend voorwerp) | שלישיתו (shelishito) = zijn derde deel | ותרד (vattered) = en kwam neer | גם (gam) = ook | אש (esh) = vuur | מן (min) = uit | השמים (hashamayim) = de hemel | ותשרוף (vatisrof) = en zij verbrandde | את (et) = (lijdend voorwerp) | השלישית (hashelishit) = het derde deel | האחרת (ha'acheret) = het andere | והשלישית (vehashelishit) = en de derde | ממנו (mimmennu) = ervan | נשאר (nish'ar) = bleef over | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ממנו (mimmennu) = ervan | אשר (asher) = die | תלוי (taluy) = hangend | ברוח (beruach) = op de wind van | השמים (hashamayim) = de hemel | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מהלך (mehalakh) = dagreis | צלו (tsillo) = zijn schaduw | שלושה (shelosha) = drie | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ברוח השמים (beruach hashamayim), letterlijk ‘in de wind/geest van de hemel’: de vertaling kiest ‘wind’. **9:39** Vele mensenkinderen stierven in die toren in dat jaar, zonder getal. Brontekst: וימותו (vayamutu) = en zij stierven | רבים (rabbim) = vele | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | במגדל (bammigdal) = in de toren | ההוא (hahu) = die | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | עד (ad) = tot | אשר (asher) = die | אין (ein) = er was niet | להם (lahem) = hun | מספר (mispar) = aantal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 10 _De volken verspreiden zich; de steden_ ### Peleg sterft **10:1** Peleg, de zoon van Eber, stierf in die dagen, in het achtenveertigste jaar van het leven van Abraham, de zoon van Nachor. Alle dagen van Peleg waren tweehonderdnegenendertig jaar, en hij stierf. Brontekst: ופלג (uFeleg) = en Peleg | בן (ben) = zoon van | עבר (Ever) = Eber | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar | שמונה (shemonah) = acht | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אברהם (avraham) = Abraham | בן (ben) = zoon van | נחור (Nachor) = Nachor | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | פלג (Peleg) = Peleg | תשע (tesha) = negen | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | ומאתיים (umatayim) = en tweehonderd | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier ‘Abraham, de zoon van Nachor’ (Avraham ben Nachor), waar het verhaal elders Abram zegt. De vertaling volgt de brontekst. **10:2** Toen Yahweh de mensenkinderen wegens de ongerechtigheid van de toren over heel de aarde verstrooid had, werden zij verstrooid in vele delen. Alle mensenkinderen gingen uiteen naar de vier windstreken van heel de aarde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | הפיץ (hefits) = verstrooide | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | בעון (ba'avon) = vanwege de ongerechtigheid van | המגדל (hammigdal) = de toren | על (al) = over | פני (pnei) = aangezicht van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויפוצו (vayafutsu) = en zij verspreidden zich | לחלקים (lechalaqim) = in delen | רבים (rabbim) = vele | ויתפרדו (vayitpardu) = en zij gingen uiteen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | לארבע (le'arba) = naar vier | רוחות (ruchot) = windstreken van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 10:5 **10:3** Alle families werden ieder een familie met haar eigen taal, haar eigen land en haar eigen steden. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij werden | כל (kol) = alle | המשפחות (hammishpachot) = de families | משפחה (mishpachah) = familie | ומשפחה (umishpachah) = en familie | ללשונה (lilshonah) = naar haar taal | ולארצה (ule'artsah) = en naar haar land | ועריה (ve'areha) = en haar steden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:4** De mensenkinderen bouwden vele steden voor hun families, op alle plaatsen waarheen zij gingen, en in heel de aarde waarheen Yahweh hen verstrooid had. Brontekst: ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | ערים (arim) = steden | רבים (rabbim) = vele | למשפחותיהם (lemishpechotehem) = voor hun families | בכל (bekhol) = in heel | המקומות (hammeqomot) = de plaatsen | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = zij gingen | שמה (shemah) = daarheen | ובכל (uvkhol) = en in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | אשר (asher) = die | הפיצם (hefitsam) = verstrooide hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:5** Sommigen van hen bouwden hun steden op plaatsen waar zij later verlaten werden. Zij noemden die steden naar hun eigen namen, of naar de namen van hun kinderen, of naar wat hun overkomen was. Brontekst: ויהי (vayehi) = en er waren | מהם (mehem) = onder hen | אשר (asher) = die | בנו (beno) = bouwden | עריהם (arehem) = hun steden | במקומות (bimqomot) = op plaatsen | אשר (asher) = die | נוטשו (notshu) = zij verlaten werden | שמה (shemah) = daar | ויקראו (vayiqre'u) = en zij noemden | לערים (la'arim) = aan de steden | ההם (hahem) = die | על (al) = naar | שמותם (shemotam) = hun namen | או (o) = of | על (al) = naar | שמות (shemot) = namen van | ביניהם (beneihem) = hun kinderen | או (o) = of | על (al) = naar | שם (shem) = naam | אודותיהם (odoteihem) = wat hun overkwam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De zonen van Jafeth **10:6** De zonen van Jafeth, de zoon van Noach, gingen en bouwden zich steden op de plaatsen waar zij verstrooid waren, en zij noemden al hun steden naar hun namen. De zonen van Jafeth verdeelden zich over de aarde in vele delen en talen. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בני (bnei) = kinderen van | יפת (Yefet) = Jafeth | בן (ben) = zoon van | נח (Noach) = Noach | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = hun | ערים (arim) = steden | במקומות (bimqomot) = op plaatsen | אשר (asher) = die | נפוצו (nafotsu) = zij verstrooid werden | שם (shem) = daar | ויקראו (vayiqre'u) = en zij noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ערים (arim) = steden | בשמותם (bishmotam) = bij hun namen | ויתחלקו (vayitchalqu) = en zij verdeelden zich | בני (bnei) = kinderen van | יפת (Yefet) = Jafeth | על (al) = over | פני (pnei) = aangezicht van | הארץ (ha'arets) = de aarde | לחלקים (lechalaqim) = in delen | וללשונות (ulelashonot) = en in talen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:2–5, de zonen van Jafeth. Zie ook: Gen 10:2–5 **10:7** Dit zijn de namen van al hun families, naar al hun steden die zij zich in die dagen na de toren bouwden. Dit zijn de zonen van Jafeth voor hun families: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras. Dit zijn de zonen van Jafeth naar hun geslachten. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | כל (kol) = alle | משפחותיהם (mishpechoteihem) = hun families | לכל (lekhol) = aan heel | עריהם (arehem) = hun steden | אשר (asher) = die | בנו (beno) = zij bouwden | להם (lahem) = hun | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אחר (acher) = na | המגדל (hammigdal) = de toren | ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | בני (bnei) = kinderen van | יפת (Yefet) = Jafeth | למשפחותיהם (lemishpechotehem) = naar hun families | גומר (Gomer) = Gomer | ומגוג (umMagog) = en Magog | ומדי (umMadai) = en Madai | ויון (veYavan) = en Javan | ותובל (vetuval) = en Tubal | ומשך (umMeshekh) = en Mesech | ותירס (veTiras) = en Tiras | אלה (elleh) = dit zijn | בני (bnei) = kinderen van | יפת (Yefet) = Jafeth | לתולדותם (letoldotam) = naar hun geslachten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:8** De zonen van Gomer naar hun steden zijn de Furqanus, die wonen in het land Frantsa, aan de rivier Frantsa, aan de rivier Sina. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = kinderen van | גומר (Gomer) = Gomer | לעריהם (le'arehem) = naar hun steden | הם (hem) = zij | פורקנוס (furqanus) = Furqanus | היושבים (hayoshevim) = die wonen | בארץ (ba'arets) = in het land | פרנצה (frantsah) = Frantsa | על (al) = aan | נהר (nehar) = rivier | פרנצה (frantsah) = Frantsa | על (al) = aan | נהר (nehar) = rivier | סינה (sinah) = Sina Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De namen van de volken en plaatsen in vers 8–17 (zoals Frantsa, Bartanja, Lombardi, Italia en de Romeinen) komen niet uit Genesis 10. Ze zijn hier overgenomen zoals ze in het Hebreeuws staan. **10:9** De zonen van Rifat zijn de Bartonim, die wonen in het land Bartanja, aan de rivier Lida, die haar water uitstort in de grote zee Gihon, dat is de oceaan. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | ריפת (rifat) = Rifat | הם (hem) = zij | ברטונים (bartonim) = Bartonim | היושבים (hayoshevim) = die wonen | בארץ (ba'arets) = in het land | ברטניה (bartanyah) = Bartanja | על (al) = aan | נהר (nehar) = rivier | לידה (lidah) = Lida | השופך (hashofekh) = die uitstort | את (et) = (lijdend voorwerp) | מימיו (meimav) = zijn water | בים (bayyam) = in de zee | הגדול (haggadol) = de grote | גיחון (Gichon) = Gihon | הוא (hu) = dat is | אוקינוס (oqyanos) = oceaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:10** De zonen van Togarma zijn tien families, en dit zijn hun namen: Buzar, Partsinak, Bulgar, Eliqanus, Ragbiv, Turki, Buz, Zebik, Ungal en Tilmats. Van hen waren Buzar, Eliqanus, Ragbiv, Turki, Buz, Zebik en Tilmats – al dezen werden verstrooid, legerden zich noordwaarts en bouwden zich steden. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | תוגרמה (togarmah) = Togarma | הם (hem) = zij | עשר (esar) = tien | משפחות (mishpechot) = families van | ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמותם (shemotam) = hun namen | בוזר (buzar) = Buzar | פרצינך (partsinakh) = Partsinak | בולגר (bulgar) = Bulgar | אליקנוס (eliqanus) = Eliqanus | רגביב (ragbiv) = Ragbiv | טורקי (turqi) = Turki | בוז (buz) = Buz | זביך (zebikh) = Zebik | אונגל (ungal) = Ungal | טילמץ (tilmats) = Tilmats | ויהי (vayehi) = en er waren | מהם (mehem) = van hen | בוזר (buzar) = Buzar | ואליקנוס (ve'eliqanus) = en Eliqanus | ורגביב (veragbiv) = en Ragbiv | וטורקי (veturqi) = en Turki | ובוז (uvuz) = en Buz | וזביך (vezebikh) = en Zebikh | וטילמץ (vetilmats) = en Tilmats | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = dit zijn | נפוצו (nafotsu) = zij verstrooid werden | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | צפונה (tsafonah) = noordwaarts | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = hun | ערים (arim) = steden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:11** Zij noemden de steden naar hun namen. Zij zijn het die tot op deze dag gelegerd zijn aan de rivieren Hitlahu en Atlak. Brontekst: ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמות (shemot) = de namen van | הערים (he'arim) = de steden | על (al) = naar | שמותם (shemotam) = hun namen | הם (hem) = zij | החונים (hachonim) = die gelegerd zijn | על (al) = aan | נהרי (naharei) = de rivieren | היתלהו (hitlahu) = Hitlahu | ואטלך (ve'atlakh) = en Atlak | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:12** Maar Angri, Bulgar en Partsinak zijn gelegerd aan de grote rivier, de rivier Dubni, en ook de namen van hun steden zijn naar hun eigen namen. Brontekst: אך (akh) = maar | אנגרי (angri) = Angri | ובולגר (uvulgar) = en Bulgar | ופרצינך (ufartsinakh) = en Partsinak | הם (hem) = zij | החונים (hachonim) = die gelegerd zijn | על (al) = aan | הנהר (hannahar) = de rivier | הגדול (haggadol) = de grote | נהר (nehar) = rivier | דובני (dubni) = Dubni | ושמות (ushemot) = en de namen van | עריהם (arehem) = hun steden | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | על (al) = naar | שמותם (shemotam) = hun namen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:13** De zonen van Javan zijn de Javanim, die wonen in het land Kandia, en Madai, zij zijn Arzelus, die wonen in het land Korsan. De zonen van Tubal zijn zij die wonen in het land Tuskana, aan de rivier Pashia. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | יון (Yavan) = Javan | הם (hem) = zij | היונים (hayevanim) = de Javanim | היושבים (hayoshevim) = die wonen | בארץ (ba'arets) = in het land | קנדיא (qandya) = Kandia | ומדי (umMadai) = en Madai | הם (hem) = zij | ארזלוס (arzelus) = Arzelus | היושבים (hayoshevim) = die wonen | בארץ (ba'arets) = in het land | כורסן (korsan) = Korsan | ובני (uvnei) = en de kinderen van | תובל (Tuval) = Tubal | הם (hem) = zij | היושבים (hayoshevim) = die wonen | על (al) = in | ארץ (erets) = het land | תושקנה (tushqanah) = Tuskana | על (al) = aan | נהר (nehar) = rivier | פשיאה (pashyah) = Pashia Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:14** De zonen van Mesech zijn de Shushbani. Tiras: Rushesh, Kushni en Angelis. Al dezen gingen en bouwden zich steden. Zij zijn de steden die wonen aan de zee Yavus, aan de rivier Bira, die uitstroomt in de rivier Turgan. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | משך (Meshekh) = Mesech | הם (hem) = zij | שושבני (shushbani) = Shushbani | תירס (Tiras) = Tiras | רושש (rushesh) = Rushesh | כושני (kushni) = Kushni | ואנגליס (ve'angelis) = en Angelis | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = dit zijn | הלכו (halekhu) = zij gingen | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = hun | ערים (arim) = steden | הם (hem) = zij | הערים (he'arim) = de steden | היושבים (hayoshevim) = die wonen | על (al) = aan | ים (yam) = de zee | יבוס (yavus) = Yavus | על (al) = aan | נהר (nehar) = de rivier | בירא (bira) = Bira | השופך (hashofekh) = die uitstort | על (al) = aan | נהר (nehar) = de rivier | טורגאן (turgan) = Turgan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:15** De zonen van Elisa zijn de Almanja. Ook zij gingen en bouwden zich steden. Zij zijn de steden die wonen tussen de bergen van Yov en Shivtamo. Uit hen kwamen de mannen van Lombardi voort, die wonen aan de overkant van de rivieren Yov en Shivtamo. Zij veroverden het land Italia en wonen daar tot op deze dag. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | אלישה (Elishah) = Elisa | הם (hem) = zij | אלמנייא (almanya) = Almanja | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = hun | ערים (arim) = steden | הם (hem) = zij | הערים (he'arim) = de steden | היושבים (hayoshevim) = die wonen | בין (bein) = tussen | הרי (harei) = de bergen van | יוב (yov) = Yov | ושיבתמו (veshivtamo) = en Shivtamo | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | מהם (mehem) = voor hen | אנשי (anshei) = mensen van | לומברדי (lombardi) = Lombardi | היושבים (hayoshevim) = die wonen | מעבר (me'ever) = van over | לנהרי (linharei) = de rivieren | יוב (yov) = Yov | ושיבתמו (veshivtamo) = en Shivtamo | ויכבשו (vayikhbeshu) = en zij veroverden | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארץ (erets) = het land | איטליא (italya) = Italia | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | בה (bah) = daar | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:16** De zonen van Kittim zijn de Romeinen, gelegerd in het dal van Kanfia, aan de zee Tivrajo. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | כתים (Kittim) = de Kittim | הם (hem) = zij | הרומיים (haromiyim) = de Romeinen | החונים (hachonim) = die gelegerd zijn | בבקעת (beviqat) = in het dal van | כנפיא (kanfya) = Kanfia | על (al) = op | ים (yam) = zee van | תיבראיו (tivrayo) = Tivrajo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:17** De zonen van Dodanim zijn zij die wonen in het midden van de steden van de zee Gihon, in het land Bardana. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | דודנים (Dodanim) = de Dodanim | הם (hem) = zij | היושבים (hayoshevim) = die wonen | תוך (tokh) = midden in | ערי ('eri) = steden van | ים (yam) = zee van | גיחון (Gichon) = Gihon | בארץ (ba'arets) = in het land | בארדנה (bardanah) = Bardana Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:18** Dit zijn de families van de zonen van Jafeth naar hun steden en hun talen, nadat zij na de toren verstrooid waren. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | הם (hem) = zij | משפחות (mishpechot) = families van | בני (bnei) = kinderen van | יפת (Yefet) = Jafeth | לעריהם (le'arehem) = naar hun steden | וללשונותם (ulelshonotam) = en naar hun talen | אחר (acher) = na | המגדל (hammigdal) = de toren | אשר (asher) = die | נפוצו (nafotsu) = zij verstrooid werden | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De zonen van Cham **10:19** De zonen van Cham, de zoon van Noach, gingen ook zelf en bouwden zich steden op de plaatsen waar zij verstrooid waren. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | חם (Cham) = Cham | בן (ben) = zoon van | נח (Noach) = Noach | ילכו (yelkhu) = gingen | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = hun | ערים (arim) = steden | במקומות (bimqomot) = op plaatsen | אשר (asher) = die | נפוצו (nafotsu) = zij verstrooid werden | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:6–20, de zonen van Cham. Zie ook: Gen 10:6–20 **10:20** Zij noemden de namen van hun steden ook naar hun namen en naar wat hun overkomen was. Dit zijn de namen van al hun steden voor al hun families, die zij zich in die dagen na de toren bouwden. De zonen van Cham waren Kush, Misraïm, Put en Kanaän. Brontekst: ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | גם (gam) = ook | לשמות (leshemot) = naar de namen van | עריהם (arehem) = hun steden | על (al) = naar | שמותם (shemotam) = hun namen | ועל (ve'al) = en over | אודותם (odotam) = hun lotgevallen | ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | כל (kol) = alle | עריהם (arehem) = hun steden | לכל (lekhol) = aan heel | משפחותיהם (mishpechoteihem) = hun families | אשר (asher) = die | בנו (beno) = zij bouwden | להם (lahem) = hun | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אחר (acher) = na | המגדל (hammigdal) = de toren | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = kinderen van | חם (Cham) = Cham | כוש (Kush) = Kush | ומצרים (umMitsrayim) = en Misraïm | פוט (Put) = Put | וכנען (vekhena'an) = en Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:21** De zonen van Misraïm waren de Ludim, de Anamim, de Lehabim, de Naftuchim, de Patrusim, de Kasluchim en de Kaftorim: zeven families. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = kinderen van | מצרים (Mitsrayim) = Misraïm | הם (hem) = zij | לודים (ludim) = Ludim | וענמים (va'anamim) = en Anamim | ולהבים (ulehavim) = en Lehabim | ונפתוחים (venaftuchim) = en Naftuchim | ופתרוסים (ufatrusim) = en Patrusim | וכסלוחים (vekhaslukhim) = en Kasluchim | וכפתורים (vekhaftorim) = en Kaftorim | שבעה (shiv'ah) = zeven | משפחות (mishpechot) = families van Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:13–14: Ludim, Anamim, Lehabim, Naftuchim, Patrusim, Kasluchim en Kaftorim. Gen. 10:14 noemt de Filistijnen als afstammelingen van de Kasluchim. Zie ook: Gen 10:13–14; Gen 10:14 **10:22** Zij allen wonen aan de stroom Sichor, de beek van Egypte. Zij bouwden zich steden en noemden hun steden naar hun namen. Brontekst: כל (kol) = alle | אלה (elleh) = dit zijn | הם (hem) = zij | חונים (chonim) = wonen | על (al) = aan | יאור (ye'or) = de stroom | שיחור (shichor) = Sichor | הוא (hu) = hij | נחל (nachal) = beek van | מצרים (Mitsrayim) = Misraïm | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = hun | ערים (arim) = steden | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | לעריהם (le'arehem) = naar hun steden | על (al) = naar | שמותם (shemotam) = hun namen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **10:23** De zonen van Patros en de zonen van Kasluch verzwagerden zich met elkaar, en uit hen kwamen voort de Filistijnen, de Gerariërs, de Gazaïeten, de Gittieten en de Ekroniërs: samen vijf families. Ook zij bouwden zich steden en noemden hun steden naar de namen van hun vaders, tot op deze dag. Brontekst: ויתחתנו (vayitchatnu) = en zij verzwagerden zich | בני (bnei) = kinderen van | פתרוס (Patros) = Patros | ובני (uvnei) = en de kinderen van | כסלוח (Kasloach) = Kasloeach | זה (ze) = dit | את (et) = (lijdend voorwerp) | זה (ze) = dit | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | מהם (mehem) = voor hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הפלישתים (happelishtim) = de Filistijnen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הגררים (haggerarim) = de Gerariërs | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | העזתים (ha'azatim) = de Gazaïeten | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הגתים (haggittim) = de Gittieten | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | העקרונים (ha'eqronim) = de Ekroniërs | כל (kol) = alle | משפחות (mishpechot) = families van | חמישה (chamishah) = vijf | גם (gam) = ook | אלה (elleh) = dit zijn | בנו (beno) = zij bouwden | להם (lahem) = hun | ערים (arim) = steden | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | את (et) = (lijdend voorwerp) | עריהם (arehem) = hun steden | בשמות (bishmot) = bij de namen van | אבותם (avotam) = hun vaders | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:24** Ook de zonen van Kanaän bouwden zich steden en noemden hun steden naar hun namen: elf steden, en hun dorpen zonder getal. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | בנו (beno) = zij bouwden | להם (lahem) = hun | ערים (arim) = steden | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | לעריהם (le'arehem) = naar hun steden | בשמותם (bishmotam) = bij hun namen | אחת (achat) = één | עשרה (esreh) = tien | ערים (arim) = steden | וחצריהם (vechatsreihem) = en hun dorpen | אין (ein) = er was niet | מספר (mispar) = aantal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:25** Vier mannen van de familie van Cham gingen en kwamen allen in het land van de Kikkar. Dit zijn de namen van de mannen: Sodom, Gomorra, Adma en Zeboïm. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ארבעה (arba'ah) = vier | אנשים (anashim) = mannen | ממשפחת (mimmishpachat) = uit de familie van | חם (Cham) = Cham | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | ארץ (erets) = het land | הככר (hakikkar) = de Kikkar | ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | האנשים (ha'anashim) = de mannen | סדום (sedom) = Sodom | עמורה (amorah) = Gomorra | אדמה (adamah) = Adma | צבויים (tsevoyim) = Zeboïm Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:2: Sodom, Gomorra, Adma en Zeboïm. Zie ook: Gen 14:2 **10:26** Deze mannen bouwden zich vier steden in het land van de Kikkar en noemden de namen van hun steden naar hun namen. Brontekst: ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | האלה (ha'elleh) = deze | להם (lahem) = hun | ארבעה (arba'ah) = vier | ערים (arim) = steden | בארץ (ba'arets) = in het land | הכיכר (hakikkar) = de Kikkar | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמות (shemot) = namen van | עריהם (arehem) = hun steden | על (al) = naar | שמותם (shemotam) = hun namen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:27** Zij woonden in die steden, zij en hun zonen en alles wat van hen was. Zij waren vruchtbaar en werden zeer talrijk en woonden zonder zorgen. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | בערים (ba'arim) = in de steden | האלה (ha'elleh) = deze | הם (hem) = zij | ובניהם (uvneihem) = en hun zonen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | להם (lahem) = hun | ויפרו (vayifru) = en zij waren vruchtbaar | וירבו (vayirbu) = en zij namen toe | מאוד (me'od) = zeer | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | לבטח (lavetach) = in veiligheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:28** Seïr, de zoon van Chor, de zoon van Chivi, de zoon van Kanaän, ging en vond een dal tegenover de berg Paran. Hij bouwde daar een stad en woonde daar, hij met zijn zeven zonen en zijn huis. Hij noemde de stad die hij gebouwd had Seïr, naar zijn naam. Dat is het land Seïr tot op deze dag. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | שעיר (se'ir) = Seïr | בן (ben) = zoon van | חור (chor) = Chor | בן (ben) = zoon van | חוי (Chivvi) = Chivi | בן (ben) = zoon van | כנען (Kena'an) = Kanaän | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | בקעה (biqah) = vallei | נגד (neged) = tegenover | הר (har) = berg | פארן (paran) = Paran | ויבן (vayiven) = en hij bouwde | שם (shem) = daar | עיר (ir) = nederzetting | וישב (vayyashev) = en hij woonde | שם (shem) = daar | הוא (hu) = hij | ושבעה (veshiv'ah) = en zeven | בניו (banav) = zijn zonen | וביתו (uveito) = en zijn huis | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | לעיר (la'ir) = aan de stad | אשר (asher) = die | בנה (Benah) = hij bouwde | שעיר (se'ir) = Seïr | על (al) = naar | שמו (shemo) = zijn naam | היא (hi) = zij | ארץ (erets) = het land | שעיר (se'ir) = Seïr | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:20–21: Seïr de Choriet. Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev. Zie ook: Gen 36:20–21 **10:29** Dit zijn de families van de zonen van Cham, naar hun talen en hun steden, die daar verstrooid werden naar hun landen na de toren. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | הם (hem) = zij | משפחות (mishpechot) = families van | בני (bnei) = kinderen van | חם (Cham) = Cham | ללשונותם (lilshonotam) = naar hun talen | ולעריהם (ule'arehem) = en naar hun steden | אשר (asher) = die | נפוצו (nafotsu) = zij verstrooid werden | שם (shem) = daar | לארצותם (le'artsotam) = naar hun landen | אחר (acher) = na | המגדל (hammigdal) = de toren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De zonen van Sem **10:30** Ook van de zonen van Sem, de zoon van Noach, de vader van alle zonen van Eber, gingen sommigen heen. Zij bouwden hun steden op de plaatsen waar zij verstrooid waren en noemden de steden naar hun namen. Brontekst: ובני (uvnei) = en de kinderen van | שם (shem) = Sem | בן (ben) = zoon van | חם (Cham) = Sem | אבי (avi) = vader van | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | עבר (Ever) = Eber | הלכו (halekhu) = zij gingen | מהם (mehem) = voor hen | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | עריהם (arehem) = hun steden | במקומות (bimqomot) = op plaatsen | אשר (asher) = die | נפוצו (nafotsu) = zij verstrooid werden | שם (shem) = daar | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | לערים (la'arim) = aan de steden | בשמותם (bishmotam) = bij hun namen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:31** De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram. Zij bouwden zich steden en noemden de namen van al hun steden naar hun namen. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = kinderen van | שם (shem) = Sem | עילם (Elam) = Elam | ואשור (ve'ashur) = en Assur | וארפכשד (ve'Arpakhshad) = en Arpachsad | ולוד (veLud) = en Lud | וארם (ve'Aram) = en Aram | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = hun | ערים (arim) = steden | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמות (shemot) = namen van | כל (kol) = alle | עריהם (arehem) = hun steden | על (al) = naar | שמותם (shemotam) = hun namen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:22: de zonen van Sem. Zie ook: Gen 10:22 **10:32** Assur, de zoon van Sem, trok in die tijd uit, hij met zijn zonen en de leden van zijn huis, een zeer talrijk volk. Zij gingen en trokken ver weg naar een land dat zij vonden. Zij vonden een zeer uitgestrekt dal in het land waar zij heen gegaan waren, en zij bouwden daar vier steden en gaven hun namen naar hun namen en naar wat hun overkomen was. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | אשור (Ashur) = Assur | בן (ben) = zoon van | שם (shem) = Sem | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ובני (uvnei) = en de kinderen van | ביתו (beito) = zijn huis | בעת (be'et) = in tijd | ההיא (hahi) = die | עם (im) = met | רב (rav) = talrijk | מאוד (me'od) = zeer | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויתרחקו (vayitrachaqu) = en zij trokken ver weg | אל (el) = tot | ארץ (erets) = een land | אשר (asher) = die | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | בקעה (biqah) = vallei | רחבה (rechavah) = uitgestrekt | מאוד (me'od) = zeer | בארץ (ba'arets) = in het land | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = zij gingen | שם (shem) = daar | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | שם (shem) = daar | ערים (arim) = steden | ארבעה (arba'ah) = vier | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | להם (lahem) = hun | שמות (shemot) = namen van | על (al) = naar | שמותם (shemotam) = hun namen | ועל (ve'al) = en over | שמות (shemot) = namen van | אודותיהם (odoteihem) = hun lotgevallen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:33** Dit zijn de namen van al de steden die de zonen van Assur zich bouwden: Nineve, Resen, Kalach en Rechobot-Ir. De zonen van Assur woonden daar tot op deze dag. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | כל (kol) = alle | הערים (he'arim) = de steden | אשר (asher) = die | בנו (beno) = zij bouwden | להם (lahem) = hun | בני (bnei) = kinderen van | אשור (Ashur) = Assur | את (et) = (lijdend voorwerp) | נינוה (nineveh) = Nineve | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | רסן (resen) = Resen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כלח (kelach) = Kelach | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | רחובות (rechovot) = Rechobot | עיר (ir) = nederzetting | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | שם (shem) = daar | בני (bnei) = kinderen van | אשור (Ashur) = Assur | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:11–12: Nineve, Rechobot-Ir en Kalach, en Resen daartussen. Zie ook: Gen 10:11–12 **10:34** Ook de zonen van Aram gingen en bouwden zich een stad. Zij noemden de naam van de stad Uz, naar de naam van hun oudste broer, en zij woonden daarin. Dat is het land Uz tot op deze dag. Brontekst: בני (bnei) = kinderen van | ארם (Aram) = Aram | הלכו (halekhu) = zij gingen | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = hun | עיר (ir) = nederzetting | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | העיר (ha'ir) = de nederzetting | עוץ ('uts) = Us | כשם (keshem) = naar de naam van | אחיהם (achihem) = hun broer | הבכור (habbekhor) = de eerstgeborene | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | בה (bah) = daarin | היא (hi) = zij | ארץ (erets) = het land | עוץ ('uts) = Us | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:35** In het tweede jaar na de toren trok een man uit het land Nineve, uit het huis van Assur, wiens naam Bela was. Hij ging met zijn huis wonen waar hij maar plaats zou vinden. Zij kwamen tot tegenover de steden van de Kikkar, tegenover Sodom, en zij woonden daar. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנה (bashanah) = in het jaar | השנית (hashenit) = de tweede | אחר (acher) = na | המגדל (hammigdal) = de toren | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | איש (ish) = een man | מארץ (me'erets) = uit het land | נינוה (nineveh) = Nineve | מבית (mibbayit) = van binnen | אשור (Ashur) = Assur | ושמו (ushmo) = en zijn naam | בלע (bela) = Bela | וילך (vayelekh) = en hij ging | לגור (lagur) = om te verblijven | באשר (ba'asher) = waar ook | ימצא (yimtsa) = hij zou vinden | הוא (hu) = hij | וביתו (uveito) = en zijn huis | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עד (ad) = tot | נגד (neged) = tegenover | ערי ('eri) = steden van | הככר (hakikkar) = de Kikkar | מול (mul) = tegenover | סדום (sedom) = Sodom | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **10:36** De man stond op en bouwde daar een kleine stad, en hij noemde haar naam Bela naar zijn naam. Dat is het land Soar tot op deze dag. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | האיש (ha'ish) = de man | ויבן (vayiven) = en hij bouwde | עיר (ir) = nederzetting | קטנה (qetanah) = klein | שם (shem) = daar | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | שמה (shemah) = haar naam | בלע (bela) = Bela | על (al) = naar | שמו (shemo) = zijn naam | היא (hi) = zij | ארץ (erets) = het land | צוער (tso'ar) = Soar | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:2: Bela, dat Soar is. Zie ook: Gen 14:2 **10:37** Dit zijn alle families van de zonen van Sem naar hun talen en al hun steden, die daar in het land verstrooid werden na de toren. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | הם (hem) = zij | כל (kol) = alle | משפחות (mishpechot) = families van | בני (bnei) = kinderen van | שם (shem) = Sem | ללשונותם (lilshonotam) = naar hun talen | ולכל (ulkhol) = en voor al | עריהם (arehem) = hun steden | אשר (asher) = die | נפוצו (nafotsu) = zij verstrooid werden | שם (shem) = daar | בארץ (ba'arets) = in het land | אחר (acher) = na | המגדל (hammigdal) = de toren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Koningen in de steden **10:38** Elk gewest, elke stad en elke familie van heel de familie van de zonen van Noach bouwde zich daarna vele steden. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | מדינה (medinah) = gewest | ומדינה (umedinah) = en gewest | עיר (ir) = nederzetting | ועיר (ve'ir) = en elke stad | משפחה (mishpachah) = familie | ומשפחה (umishpachah) = en familie | מכל (mikkol) = van elke | משפחת (mishpachat) = familie van | בני (bnei) = kinderen van | נח (Noach) = Noach | בנו (beno) = zij bouwden | להם (lahem) = hun | ערים (arim) = steden | רבים (rabbim) = vele | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = (samen: daarna) Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **10:39** Zij stelden in al hun steden koningen over zich aan, om volgens hun bevel te leven. Zo deden alle families van de zonen van Noach voor altijd. Brontekst: וימליכו (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | עליהם (aleihem) = over hen | מלכים (melakhim) = koningen | בכל (bekhol) = in heel | עריהם (arehem) = hun steden | להתנהג (lehitnaheg) = om zich te gedragen | על (al) = naar | פיהם (pihem) = hun bevel | ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = zij deden | כל (kol) = alle | משפחות (mishpechot) = families van | בני (bnei) = kinderen van | נח (Noach) = Noach | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 11 _Nimrod; Abram breekt de beelden; Abram voor Nimrod_ ### Nimrods steden **11:1** Nimrod, de zoon van Kush, was nog in het land Sinear. Hij werd er koning, woonde daar en bouwde in het land Sinear vele steden. Brontekst: ונמרוד (venimrod) = en Nimrod | בן (ben) = zoon van | כוש (Kush) = Kush | עודנו (odenu) = nog | בארץ (ba'arets) = in het land | שנער (Shin'ar) = Sinear | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | עליה (aleha) = erop | וישב (vayyashev) = en hij woonde | שם (shem) = daar | ויבנה (vayiven) = en hij bouwde | שם (shem) = daar | ערים (arim) = steden | רבים (rabbim) = vele | בארץ (ba'arets) = in het land | שנער (Shin'ar) = Sinear Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. **11:2** Dit zijn de namen van de vier steden die hij bouwde, en hij gaf hun namen naar wat hun overkomen was bij de bouw van de toren. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | הערים (he'arim) = de steden | אשר (asher) = die | בנה (Benah) = hij bouwde | ארבע (arba) = vier | ערים (arim) = steden | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | להן (lahen) = aan hen | שמות (shemot) = namen van | על (al) = op grond van | אודות (odot) = wat | אשר (asher) = die | קרא (qara) = hun overkwam | להן (lahen) = aan hen | בבניין (bivnyan) = bij de bouw van | המגדל (hammigdal) = de toren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:10: Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear. Zie ook: Gen 10:10 **11:3** Hij noemde de eerste Babel, met de woorden: „Want daar verwarde Yahweh de taal van heel de aarde.” De tweede noemde hij Erech, met de woorden: „Want vandaar verstrooide Yahweh hen.” Brontekst: ויקרא (vayikra) = en hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = naam | האחת (ha'achat) = de eerste | בבל (bavel) = Babel | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = want | שם (shem) = daar | בלל (balal) = verwarde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | שפת (sefat) = de taal van | כל (kol) = heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שם (shem) = naam | השנית (hashenit) = de tweede | קרא (qara) = hij noemde | ארך (erekh) = Erech | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = want | משם (misham) = vandaar | הפיצם (hefitsam) = verstrooide hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Erech: Erech (Uruk) lag in het zuiden van Mesopotamië, aan de Eufraat. **11:4** De derde noemde hij Akkad, met de woorden: „Er was een grote oorlog op die plaats.” De vierde noemde hij Kalne, met de woorden: „Want daar kwamen al zijn vorsten en helden om en vergingen, en zij werden van hem verstrooid en kwamen tegen hem in opstand.” Brontekst: והשלישית (vehashelishit) = en de derde | אכד (akkad) = Akkad | לאמור (lemor) = zeggende | מלחמה (milchamah) = oorlog | גדולה (gedolah) = grote | היתה (hayetah) = was | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | והרביעית (vehareviit) = en de vierde | כלנה (kalneh) = Kalne | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = want | שם (shem) = daar | תמו (tammu) = kwamen om | וכלו (vekhalu) = en vergingen | כל (kol) = al | שריו (saraiv) = zijn vorsten | וגיבוריו (vegibboray) = en zijn helden | ויפוצו (vayafutsu) = en werden verstrooid | הם (hem) = zij | מעליו (me'alav) = van hem weg | וימרדו (vayimredu) = en zij kwamen in opstand | בו (bo) = tegen hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:5** Toen Nimrod die steden in het land Sinear gebouwd had, liet hij daarin de rest van zijn volk wonen, zijn vorsten en zijn helden die bij hem in zijn koninkrijk waren overgebleven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | בנה (Benah) = bouwde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | את (et) = (lijdend voorwerp) | הערים (he'arim) = de steden | ההם (hahem) = die | בארץ (ba'arets) = in het land | שנער (Shin'ar) = Sinear | ויושב (vayoshev) = en hij liet wonen | בהם (bahem) = in hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יתר (yeter) = de rest van | עמו (immo) = zijn volk | ושריו (vesarav) = en zijn vorsten | וגיבוריו (vegibboray) = en zijn helden | אשר (asher) = die | נשארו (nish'aru) = waren overgebleven | איתו (ito) = bij hem | במלכותו (bemalkhuto) = in zijn koninkrijk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. **11:6** Nimrod woonde in Babel en vernieuwde daar zijn koningschap met de rest van zijn dienaren, en hij regeerde zonder zorgen. Alle dienaren van Nimrod en zijn vorsten noemden hem Amrafel, met de woorden: „Want al zijn vorsten en al zijn mannen zijn gevallen bij de bouw van de toren en om zijnentwil.” Brontekst: ונמרוד (venimrod) = en Nimrod | ישב (yashav) = woonde | בבבל (bevavel) = in Babel | וחידש (vechidesh) = en hij vernieuwde | שם (shem) = daar | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלכותו (malkhuto) = zijn koninkrijk | עם (im) = met | יתר (yeter) = de rest van | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | לבטח (lavetach) = in veiligheid | ויקראו (vayiqre'u) = en zij noemden | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ושריו (vesarav) = en zijn vorsten | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | אמרפל (amrafel) = Amrafel | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = want | נפלו (naflu) = vielen | כל (kol) = alle | שריו (saraiv) = zijn vorsten | וכל (vekhol) = en alle | אנשיו (anashav) = zijn mensen | בבניין (bivnyan) = bij de bouw van | המגדל (hammigdal) = de toren | ועל (ve'al) = en om | אודותיו (odotav) = zijnentwil Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Dat Nimrod ook Amrafel heette, staat niet in Genesis. In Gen. 14:1 is Amrafel de koning van Sinear. Zie ook: Gen 14:1 **11:7** Toch keerde Nimrod niet terug tot Yahweh. Hij ging nog verder in goddeloos handelen en leerde goddeloosheid aan alle mensenkinderen. Ook zijn zoon Mardon was goddelozer dan zijn vader en ging voort met doen en toevoegen aan alle gruwelen van zijn vader. Brontekst: ובכל (uvkhol) = en ondanks | זאת (zot) = dit | לא (lo) = niet | שב (shav) = keerde terug | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויוסף (vayosef) = en hij voegde toe | עוד (od) = nog | להרשיע (lehareshia) = goddeloos te handelen | וללמד (ulelammed) = en te leren | רשעה (rish'ah) = goddeloosheid | לכל (lekhol) = aan alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | וגם (vegam) = en ook | בנו (beno) = zijn zoon | מרדון (Mardon) = Mardon | הרשיע (hirshia) = was goddelozer | מאביו (me'aviv) = dan zijn vader | ויוסף (vayosef) = en hij voegde toe | לעשות (la'asot) = om te doen | ולהוסיף (ulehosif) = en toe te voegen | על (al) = op | כל (kol) = alle | תועבות (to'evot) = gruwelen van | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:8** Hij deed de mensenkinderen zondigen. Daarom zegt men: „Uit goddelozen komt goddeloosheid voort.” Brontekst: ויחטיא (vayachti) = en hij deed zondigen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | על (al) = daarom | כן (ken) = (daarom) | יאמרו (yomru) = men zegt | מרשעים (mereshaim) = uit goddelozen | יצא (yatsa) = komt voort | רשע (resha) = goddeloosheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: מרשעים יצא רשע (merasha'im yetse rasha), ‘uit goddelozen komt goddeloosheid voort’: zo ook 1 Sam. 24:14. Zie ook: 1 Sam 24:15 ### Kedorlaomer **11:9** Zo ontstond in die tijd oorlog onder de families van de zonen van Cham, terwijl zij woonden in hun landen die zij zich gebouwd hadden. Brontekst: כן (ken) = zo | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | נהייתה (nihyetah) = ontstond | מלחמה (milchamah) = oorlog | בין (bein) = tussen | משפחות (mishpechot) = families van | בני (bnei) = kinderen van | חם (Cham) = Cham | כאשר (ka'asher) = terwijl | ישבו (yashvu) = zij woonden | בארצותם (be'artsotam) = in hun landen | אשר (asher) = die | בנו (beno) = zij bouwden | להם (lahem) = voor zich Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:10** Kedorlaomer, de koning van Elam, trok uit het midden van de families van de zonen van Cham. Hij streed tegen de families van de zonen van Cham en onderwierp hen aan zich. Hij ging naar de vijf steden van de Kikkar, streed tegen hen en onderwierp hen, en zij kwamen onder zijn hand. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij trok uit | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | מלך (malakh) = koning van | עילם (Elam) = Elam | מתוך (mitokh) = uit het midden van | משפחות (mishpechot) = families van | בני (bnei) = kinderen van | חם (Cham) = Cham | וילחם (vayillachem) = en hij streed | את (et) = (lijdend voorwerp) | משפחות (mishpechot) = families van | בני (bnei) = kinderen van | חם (Cham) = Cham | ויכניעם (vayakhni'em) = en hij onderwierp hen | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | חמשת (chamishat) = vijf | ערי ('eri) = steden van | הככר (hakikkar) = de Kikkar | וילחם (vayillachem) = en hij streed | בם (vam) = tegen hen | ויכניעם (vayakhni'em) = en hij onderwierp hen | ויהיו (vayihyu) = en zij kwamen | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:1–4. Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: Elam is volgens Gen. 10:22 een zoon van Sem. Het Hebreeuws van Jasher laat Kedorlaomer hier uit de families van Cham komen. Zie ook: Gen 10:22; Gen 14:1–4 **11:11** Twaalf jaar dienden zij hem, en elk jaar gaven zij hem schatting. Brontekst: ויעבדוהו (vaya'avduhu) = en zij dienden hem | שתיים (shetayim) = twaalf (twee | עשרה (esreh) = tien) | שנה (shanah) = jaar | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | לו (lo) = aan hem | מס (mas) = schatting | בכל (bekhol) = in elk | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:4: ‘twaalf jaar dienden zij Kedorlaomer’. Zie ook: Gen 14:4 ### Nachor sterft **11:12** In die tijd stierf Nachor, de zoon van Serug, in dat jaar, het negenenveertigste jaar van Abram, de zoon van Terach. Alle dagen van Nachor waren honderdachtenveertig jaar, en hij stierf. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מת (met) = stierf | נחור (Nachor) = Nachor | בן (ben) = zoon van | שרוג (Serug) = Serug | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | היא (hi) = dat | שנת (shenat) = jaar van | תשע (tesha) = negen | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | שנה (shanah) = jaar | לאברם (le'avram) = van Abram | בן (ben) = zoon van | תרח (Terach) = Terach | ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | נחור (Nachor) = Nachor | שמונה (shemonah) = acht | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | שנה (shanah) = jaar | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:24–25: Nachor werd honderdachtenveertig jaar. Zie ook: Gen 11:24–25 ### Abram in het huis van zijn vader **11:13** In het vijftigste jaar van het leven van Abram, de zoon van Terach, ging Abram weg uit het huis van Noach en ging naar het huis van zijn vader. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | החמישים (hachamishim) = de vijftigste | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אברם (Avram) = Abram | בן (ben) = zoon van | תרח (Terach) = Terach | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | אברם (Avram) = Abram | מבית (mibbayit) = uit het huis van | נח (Noach) = Noach | וילך (vayelekh) = en hij ging | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:14** Abram kende Yahweh en ging in Zijn wegen en in de onderwijzing van Yahweh, en Yahweh, zijn Elohim, was met hem. Brontekst: ואברם (ve'avram) = en Abram | ידע (yada) = kende | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וילך (vayelekh) = en hij ging | בדרכיו (bidrakhav) = in Zijn wegen | ובמוסר (uvemusar) = en in de onderwijzing van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | עמו (immo) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:15** Terach, zijn vader, was in die dagen nog legeroverste van koning Nimrod, en hij liep nog steeds de wegen van Nimrod achterna om andere goden, hout en steen, te dienen. Brontekst: ותרח (veTerach) = en Terach | אביו (aviv) = zijn vader | עודנו (odenu) = nog | שר (sar) = bevelhebber van | צבא (tsava) = leger van | למלך (lammelekh) = bij de koning | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ועודנו (ve'odenu) = en hij was nog | הולך (holekh) = liep | אחרי (acharei) = na | דרכי (darkhei) = wegen van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | לעבוד (la'avod) = om te dienen | אלוקים (Elohim) = goden | אחרים (acherim) = andere | עץ (ets) = hout | ואבן (va'even) = en steen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:16** Abram kwam in het huis van zijn vader en zag de goden van zijn vader, twaalf goden, die allemaal in het huis van zijn vader in hun tempels stonden. Abrams toorn ontbrandde toen hij de beelden in het huis van zijn vader zag. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אברם (Avram) = Abram | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אלוקי (elohei) = goden van | אביו (aviv) = zijn vader | שנים (shanim) = twaalf (twee | עשר (esar) = tien) | אלוהות (elohut) = goden | עומדים (omdim) = staande | כולם (kullam) = allen | בבית (babbayit) = in huis | אביו (aviv) = zijn vader | בהיכליהם (beheikhaleihem) = in hun tempels | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אף (af) = toorn | אברם (Avram) = Abram | בראותו (bir'oto) = toen hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | הצלמים (hatselamim) = de beelden | בבית (babbayit) = in huis | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:17** Abram zei: „Zo waar Yahweh leeft, als deze beelden op hun plaats in het huis van mijn vader zullen blijven staan! Zo doe mij Elohim die mij geschapen heeft, en zo voege Hij eraan toe, als ik ze niet binnen drie dagen allemaal verbreek.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | חי (chai) = levend is | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אם (em) = als | יעמדו (ya'amdu) = zullen blijven staan | הצלמים (hatselamim) = de beelden | האלה (ha'elleh) = deze | במעמדם (bema'amadam) = op hun plaats | בבית (babbayit) = in huis | אבי (avi) = vader van | כה (koh) = zo | יעשה (ya'aseh) = hij doet | לי (li) = voor mij | אלוקים (Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | בראני (bera'ani) = die mij geschapen heeft | וכה (vekho) = en zo | יוסיף (yosif) = moge Hij toevoegen | אם (em) = als | לא (lo) = niet | לשלושת (lishloshet) = binnen drie | ימים (yamim) = dagen | אשבר (eshbor) = ik verbreek | את (et) = (lijdend voorwerp) | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: כה יעשה לי אלוקים וכה יוסיף (koh ya'aseh li elohim vekhoh yosif), ‘zo doe mij Elohim en zo voege Hij eraan toe’: dezelfde zweerformule als in Ruth 1:17 en 1 Sam. 3:17. Zie ook: Ruth 1:17; 1 Sam 3:17 **11:18** Abram ging bij hen vandaan, en zijn grimmigheid brandde in hem. Abram haastte zich, ging uit de kamer naar de buitenste voorhof van zijn vader en vond zijn vader zitten in de voorhof, met al zijn dienaren bij hem. Abram kwam en ging voor zijn vader zitten. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | אברם (Avram) = Abram | מאיתם (me'itam) = bij hen vandaan | וחמתו (vechamato) = en zijn woede | בערה (ba'arah) = brandde | בו (bo) = tegen hem | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | אברם (Avram) = Abram | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | מן (min) = uit | החדר (hacheder) = de kamer | אל (el) = naar | חצר (Chatsar) = de voorhof van | אביו (aviv) = zijn vader | החיצונה (hachitsonah) = de buitenste | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביו (aviv) = zijn vader | יושב (yoshev) = zittend | בחצר (bechatser) = in de voorhof | וכל (vekhol) = en alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | איתו (ito) = met hem | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אברם (Avram) = Abram | וישב (vayyashev) = en hij ging zitten | לפני (lifnei) = voor | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:19** Abram vroeg zijn vader: „Maak mij bekend, mijn vader, waar is Elohim, die de hemel en de aarde geschapen heeft en alle mensen op de aarde, en die u geschapen heeft en mij ook, op de aarde?” Terach antwoordde zijn zoon Abram: „Zie, wie al dit geschapen heeft, is bij ons in huis.” Brontekst: וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביו (aviv) = zijn vader | לאמור (lemor) = zeggende | הודיעני (hodi'eni) = maak mij bekend | אבי (avi) = vader van | איה (ayyeh) = waar is | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | ברא (bara) = schiep | את (et) = (lijdend voorwerp) | השמים (hashamayim) = de hemel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | על (al) = en | הארץ (ha'arets) = de aarde | ואשר (va'asher) = en wie | ברא (bara) = schiep | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | ואשר (va'asher) = en wie | בראך (bera'akha) = die jou geschapen heeft | ואשר (va'asher) = en wie | בראני (bera'ani) = die mij geschapen heeft | גם (gam) = ook | אני (ani) = ik | בארץ (ba'arets) = in het land | ויען (vaya'an) = en antwoordde | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הנה (hinneh) = zie | אשר (asher) = wie | ברא (bara) = schiep | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = al dit | איתנו (ittanu) = met ons | בבית (babbayit) = in huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:20** Abram zei tegen zijn vader: „Laat ze mij toch zien, mijn heer.” Terach bracht zijn zoon Abram naar de binnenste voorhof, naar de kamer. Abram zag, en zie, heel de kamer was vol goden van hout en steen: twaalf grote beelden en andere, kleinere bij hen, zonder getal. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | הראם (har'em) = laat ze zien | נא (na) = toch | לי (li) = mij | אדוני (adoni) = mijn heer | ויבא (vayavo) = en hij kwam | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | אל (el) = naar | החצר (hechatser) = de voorhof | הפנימית (happenimit) = de binnenste | אל (el) = naar | החדר (hacheder) = de kamer | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | אברם (Avram) = Abram | והנה (vehinneh) = en zie | כל (kol) = alle | החדר (hacheder) = de kamer | מלא (male) = vol | אלוקות (elohut) = goden | עץ (ets) = boom | ואבן (va'even) = en steen | שנים (shanim) = twaalf (twee | עשר (esar) = tien) | צלמים (tselamim) = beelden | גדולים (gedolim) = grote | ואחרים (ve'acherim) = en andere | קטנים (qetannim) = kleinere | עמהם (immahem) = met hen | אין (ein) = er was niet | מספר (mispar) = aantal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:21** Terach zei tegen zijn zoon: „Zie, dit zijn zij die alles gemaakt hebben wat ik in heel de aarde gezien heb, en zij hebben mij geschapen, en jou, en alle mensen op de aarde.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | תרח (Terach) = Terach | אל (el) = tot | בנו (beno) = zijn zoon | הנה (hinneh) = zie | אלה (elleh) = dit zijn | הם (hem) = zij | אשר (asher) = die | עשו (asu) = maakten | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = die | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | והם (vehem) = en zij | אשר (asher) = die | בראו (bar'u) = hebben geschapen | אותי (oti) = mij | ואותך (ve'otkha) = en jou | וכל (vekhol) = en alle | האדם (ha'adam) = de mens | בארץ (ba'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:22** Terach boog zich neer voor al zijn goden en ging daar weg, en Abram, zijn zoon, ging met hem daar weg. Brontekst: וישתחווה (vayishtachaveh) = en hij boog zich neer | תרח (Terach) = Terach | לכל (lekhol) = voor alle | אלוקיו (Elohav) = zijn goden | ויצא (vayetse) = en hij ging | משם (misham) = vandaar | ואברם (ve'avram) = en Abram | בנו (beno) = zijn zoon | יצא (yatsa) = hij uitging | איתו (ito) = met hem | משם (misham) = vandaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De gerechten voor de beelden **11:23** Toen Abram daar weg was gegaan, ging hij zitten voor zijn moeder en zei tegen zijn moeder: „Zie, mijn vader heeft mij laten zien wie de hemel, de aarde en de mensen gemaakt hebben. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאת (betset) = bij het uitgaan van | אברם (Avram) = Abram | משם (misham) = vandaar | וילך (vayelekh) = en hij ging | וישב (vayyashev) = en hij ging zitten | לפני (lifnei) = voor | אמו (immo) = zijn moeder | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לאמו (le'immo) = tot zijn moeder | הנה (hinneh) = zie | אבי (avi) = mijn vader | הראני (her'ani) = heeft mij laten zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wie | עשו (asu) = gemaakt hebben | את (et) = (lijdend voorwerp) | השמים (hashamayim) = de hemel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = de aarde | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:24** Haast je nu en haal een geitenbokje uit de kudde voor mij, en maak daarvan lekkere gerechten, dan breng ik die gerechten voor de goden van mijn vader als gave om te eten. Misschien vind ik bij hen gunst.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | מהרי (mahari) = haast je | וקחי (veqechi) = en neem | נא (na) = toch | לי (li) = voor mij | גדי (gedi) = bokje van | עזים (izzim) = geiten | מן (min) = uit | הצאן (hatson) = het kleinvee | ועשית (ve'asita) = en maak | אותו (oto) = het | מטעמים (matammim) = lekkere gerechten | והבאתי (veheveti) = en ik zal brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטעמים (hamatammim) = de gerechten | ההם (hahem) = die | לאלוקי (le'elohei) = aan de goden van | אבי (avi) = vader van | למנחה (lemincha) = als gave | לאכול (le'ekhol) = om te eten | אולי (ulai) = misschien | ארצה (artsah) = zal ik gunst vinden | לפניהם (lifneihem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:25** Zijn moeder deed zo. Ze nam een geitenbokje, maakte er lekkere gerechten van en bracht ze naar Abram. Abram nam de gerechten uit de hand van zijn moeder en bracht ze voor de goden van zijn vader. Hij trad naar hen toe om te eten, en Terach, zijn vader, wist het niet. Brontekst: ותעש (vata'as) = en zij maakte | אמו (immo) = zijn moeder | כן (ken) = zo | ותקח (vattikkach) = en zij nam | גדי (gedi) = bokje van | עזים (izzim) = geiten | ותעשה (vatta'aseh) = en zij maakte | אותו (oto) = het | מטעמים (matammim) = lekkere gerechten | ותביא (vatavi) = en zij bracht | אותם (otam) = ze | אל (el) = naar | אברם (Avram) = Abram | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטעמים (hamatammim) = de gerechten | מיד (miyyad) = uit de hand van | אמו (immo) = zijn moeder | ויביאם (vayevi'em) = en hij bracht ze | לפני (lifnei) = voor | אלוקי (elohei) = goden van | אביו (aviv) = zijn vader | ויגש (vayyigash) = en hij trad toe | אליהם (aleihem) = tot hen | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ותרח (veTerach) = en Terach | אביו (aviv) = zijn vader | לא (lo) = niet | ידע (yada) = wist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:26** Abram zag op die dag, terwijl hij bij hen zat, dat zij geen stem hadden, geen gehoor, geen beweging, en dat niet één van hen zijn hand uitstrekte om te eten. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הוא (hu) = hij | יושב (yoshev) = zittend | איתם (ittam) = bij hen | היום (hayyom) = de dag | ההוא (hahu) = die | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | אותם (otam) = hen | אברהם (avraham) = Abraham | והנה (vehinneh) = en zie | אין (ein) = er was niet | קול (qol) = stem van | להם (lahem) = bij hen | ואין (veein) = en niet | קשב (qeshev) = gehoor | ואין (veein) = en niet | תנועה (tenu'ah) = beweging | ואין (veein) = en niet | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | שולח (shole'ach) = die uitstrekt | יד (yad) = hand van | לאכול (le'ekhol) = om te eten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:27** Abram spotte met hen en zei: „Kennelijk hebben de gerechten die ik gemaakt heb hun niet gesmaakt, of ze waren te weinig voor hen; daarom eten ze niet. Morgen maak ik andere gerechten voor hen, beter en meer dan dit, totdat ik zie wat hun afloop is.” Brontekst: ויהתל (vayehtel) = en hij spotte | בהם (bahem) = met hen | אברם (Avram) = Abram | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אך (akh) = voorzeker | עתה (attah) = nu | כי (ki) = want | המטעמים (hamatammim) = de gerechten | אשר (asher) = die | עשיתי (asiti) = ik heb gemaakt | לא (lo) = niet | הטיבו (hetivu) = waren goed | ביניהם (beneihem) = onder hen | או (o) = of | מעט (me'at) = weinig | הם (hem) = zij | להם (lahem) = voor hen | על (al) = daarom | כן (ken) = (daarom) | לא (lo) = niet | יאכלו (yokhelu) = zij zouden eten | ועתה (ve'attah) = en nu | אעשה (e'eseh) = ik zal maken | להם (lahem) = hun | מחר (machar) = morgen | מטעמים (matammim) = lekkere gerechten | אחרים (acherim) = andere | טובים (tovim) = goede | ורבים (verabbim) = en meer | מזה (mizzeh) = dan dit | עד (ad) = tot | אשר (asher) = dat | אראה (er'eh) = ik zie | מה (mah) = wat | אחריתם (acharitam) = hun afloop Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Abram met de gerechten de beelden op de proef stelt, staat niet in Genesis. **11:28** De volgende dag gaf Abram zijn moeder opdracht voor de gerechten. Zijn moeder stond op en nam drie goede bokjes uit de kudde en maakte er goede gerechten van, zoals haar zoon graag had. Ze gaf de gerechten aan haar zoon Abram, en Terach, zijn vader, wist het niet. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ממחרת (mimmochorat) = de volgende dag | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = aan | אמו (immo) = zijn moeder | אל (el) = over | המטעמים (hamatammim) = de gerechten | ותקם (vataqom) = en zij stond op | אמו (immo) = zijn moeder | ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | שלושה (shelosha) = drie | גדיים (gediyim) = bokjes | טובים (tovim) = goede | מן (min) = uit | הצאן (hatson) = het kleinvee | ותעש (vata'as) = en zij maakte | אותם (otam) = hen | מטעמים (matammim) = lekkere gerechten | טובים (tovim) = goede | כאשר (ka'asher) = zoals | אהב (ahav) = liefhad | בנה (Benah) = haar zoon | ותיתן (vattitten) = en zij gaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטעמים (hamatammim) = de gerechten | היד (hayad) = in de hand van | אברם (Avram) = Abram | בנה (Benah) = haar zoon | ותרח (veTerach) = en Terach | אביו (aviv) = zijn vader | לא (lo) = niet | ידע (yada) = wist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:29** Abram nam de gerechten uit de hand van zijn moeder en bracht ze naar de kamer voor de goden van zijn vader. Hij trad naar hen toe om te eten en zette het voor allen neer, en Abram zat die hele dag voor hen, of ze misschien zouden eten. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en Hij nam | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטעמים (hamatammim) = de gerechten | מיד (miyyad) = uit de hand van | אמו (immo) = zijn moeder | ויביאם (vayevi'em) = en hij bracht hen | החדרה (hachadrah) = naar de kamer | לפני (lifnei) = voor | אלוקי (elohei) = Elohim van | אביו (aviv) = zijn vader | ויגש (vayyigash) = en hij naderde | אליהם (aleihem) = tot hen | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ויתן (vayitten) = en hij zette | לפני (lifnei) = voor | כולם (kullam) = allen | וישב (vayyashev) = en hij zat | אברם (Avram) = Abram | לפניהם (lifneihem) = voor hen | כל (kol) = alle | היום (hayyom) = de dag | ההוא (hahu) = die | אולי (ulai) = misschien | יאכלו (yokhelu) = zij zouden eten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:30** Abram keek naar hen, en zie, ze hadden geen stem en geen gehoor, en niemand van hen strekte zijn hand uit naar de gerechten om te eten. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij keek naar | אברם (Avram) = Abram | אותם (otam) = hen | והנה (vehinneh) = en zie | אין (ein) = er was niet | קול (qol) = stem van | להם (lahem) = hun | ואין (veein) = en niet | קשב (qeshev) = gehoor | ואין (veein) = en niet | שולח (shole'ach) = die uitstrekt | יד (yad) = hand van | מהם (mehem) = voor hen | אל (el) = naar | המטעמים (hamatammim) = de gerechten | לאכול (le'ekhol) = om te eten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:31** Daarna, op die dag, 's avonds, in dat huis, bekleedde de Geest van Elohim Abram. Brontekst: ורוח (veruach) = en de geest van | אלוקים (Elohim) = Elohim | לבשה (lavshah) = bekleedde | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dit | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | בערב (ba'erev) = in de avond | בתוך (betokh) = in het midden van | הבית (habbayit) = het huis | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: ורוח אלוקים לבשה (veruach elohim lavshah), ‘de Geest van Elohim bekleedde’: dezelfde uitdrukking als in Richt. 6:34, waar de Geest van Yahweh Gideon bekleedt. Zie ook: Re 6:34 ### Abram wordt bekleed met de geest **11:32** Hij riep en zei: „Wee en ach over mijn vader en over heel dit slechte geslacht, dat samen de ijdelheid achterna is gegaan en zich afgoden als deze dient, hout en steen, die niet eten, niet ruiken, niet horen en niet spreken. Een mond hebben ze, maar ze spreken niet; ogen hebben ze, maar ze zien niet; oren hebben ze, maar ze horen niet; handen hebben ze, maar ze tasten niet om te eten; voeten hebben ze, maar ze lopen niet. Zoals zij zullen al hun makers zijn en allen die op hen vertrouwen, en allen die hen dienen en zich voor hen neerbuigen.” Brontekst: ויקרא (vayikra) = en hij riep | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אוי (oy) = wee | והוי (vehoy) = en ach | על (al) = op | אבי (avi) = vader van | ועל (ve'al) = en over | כל (kol) = heel | הדור (haddor) = geslacht | הרע (hara) = het slechte | הזה (hazzeh) = dit | אשר (asher) = die | נטו (natu) = hebben geneigd | להם (lahem) = zich | יחד (yachad) = samen | אחר (acher) = achter | ההבל (hahevel) = de ijdelheid | ויעבדו (vaya'avdu) = en dienen | להם (lahem) = zich | אלילים (elilim) = afgoden | כאלה (ke'elleh) = zoals deze | עץ (ets) = boom | ואבן (va'even) = en steen | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | יאכלון (yokhelun) = eten | ולא (velo) = en niet | יריחון (yeri'chun) = ruiken | ולא (velo) = en niet | ישמעו (yishme'u) = horen | ולא (velo) = en niet | ידברו (yedabberu) = spreken | פה (peh) = een mond | להם (lahem) = hebben zij | ולא (velo) = en niet | ידברו (yedabberu) = spreken | עיניים ('enayim) = ogen | להם (lahem) = hebben zij | ולא (velo) = en niet | יראו (yare'u) = zien | בהם (bahem) = daarmee | אזניים (oznayim) = oren | להם (lahem) = hebben zij | ולא (velo) = en niet | ישמעו (yishme'u) = horen | ידיהם (yedeihem) = handen hebben zij | ולא (velo) = en niet | ימישון (yemishun) = tasten | לאכול (le'ekhol) = om te eten | רגליהם (raglehem) = voeten hebben zij | ולא (velo) = en niet | יהלכו (yehallekhu) = lopen | כמוהם (kemohem) = zoals zij | יהיו (yihyu) = zullen zijn | כל (kol) = alle | עושיהם (oseihem) = hun makers | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | בוטח (boteach) = vertrouwt | בהם (bahem) = op | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | יעבדו (ya'avdu) = dienen | וישתחווה (vayishtachaveh) = en buigt zich neer | להם (lahem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie ook Ps. 115:4–8 en Ps. 135:15–18, waar de afgoden dezelfde mond, ogen, oren, handen en voeten hebben. Zie ook: Ps 115:4–8; Ps 135:15–18 ### Abram breekt de beelden **11:33** Toen Abram al deze dingen zag en al deze slechte daden, ontbrandde zijn toorn zeer tegen zijn vader. Hij haastte zich, ging heen, nam de bijlen in zijn hand, kwam in de kamer bij de goden van zijn vader en brak al de goden van zijn vader. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen hij zag | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | המעשים (hamma'asim) = de daden | הרעים (hara'im) = de slechte | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפו (appo) = Zijn toorn | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = tegen | אביו (aviv) = zijn vader | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הקרדומות (haqardummot) = de bijlen | בידו (beyado) = in zijn hand | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | החדרה (hachadrah) = naar de kamer | אל (el) = bij | אלוקי (elohei) = goden van | אביו (aviv) = zijn vader | וישבר (vayeshaber) = en hij brak | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אלוקות (elohut) = goden | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘de bijlen’ (haqardummot) in het meervoud, ook in de verzen 34, 36 en 40. De Engelse vertaling van Noah (1840) heeft ‘een bijl’. **11:34** Toen hij daarna klaar was met het breken van de beelden, legde hij de bijlen in de hand van de grote god die daar vóór hen was, en ging naar buiten. Terach, zijn vader, kwam naar huis, want hij hoorde bij de ingang van het huis het geluid van het slaan van de bijlen. Terach ging het huis in om te weten wat dit was en waarom. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dit | ככלותו (kekhalloto) = toen hij klaar was | לשבר (leshaber) = te breken | את (et) = (lijdend voorwerp) | הצלמים (hatselamim) = de beelden | ויתן (vayitten) = en hij legde | את (et) = (lijdend voorwerp) | הקרדומות (haqardummot) = de bijlen | ביד (beyad) = in de hand van | האלוה (ha'eloah) = de god | הגדול (haggadol) = de grote | אשר (asher) = die | היה (hayah) = hij was | שם (shem) = daar | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ויצא (vayetse) = en hij ging naar buiten | ותרח (veTerach) = en Terach | אביו (aviv) = zijn vader | בא (ba) = hoogbejaard | אל (el) = tot | ביתו (beito) = zijn huis | וישמע (vayishma) = en hij hoorde | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = stem van | מכת (makkat) = het slaan van | הקרדומות (haqardummot) = de bijlen | מפתח (mipetach) = bij de ingang van | הבית (habbayit) = het huis | ויבוא (vayavo) = en hij ging | תרח (Terach) = Terach | הביתה (habbaytah) = het huis in | לדעת (lada'at) = om te weten | מה (mah) = wat | זה (ze) = dit | ועל (ve'al) = en om | מה (mah) = wat | זה (ze) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:35** Terach hoorde het geluid van de bijlen in de kamer van de beelden en rende naar de kamer, naar de beelden, en vond Abram, zijn zoon, toen hij daar wegging. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij hoorde | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = stem van | הקרדומות (haqardummot) = de bijlen | בחדר (bacheder) = in de kamer | הצלמים (hatselamim) = de beelden | וירץ (vayyarots) = en hij rende | תרח (Terach) = Terach | החדרה (hachadrah) = naar de kamer | אל (el) = tot | הצלמים (hatselamim) = de beelden | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | בצאתו (betseto) = bij zijn uitgaan | משם (misham) = vandaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:36** Terach ging de kamer in en zag alle afgoden gevallen en gebroken, en de bijlen in de hand van de grootste onder hen, want die was niet gebroken, en de gerechten die Abram, zijn zoon, gemaakt had, waren nog voor hen. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | תרח (Terach) = Terach | החדרה (hachadrah) = naar de kamer | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | האלילים (ha'elilim) = de afgoden | נופלים (noflim) = gevallen | כולם (kullam) = allen | נשברים (nishbarim) = gebroken | והקרדומות (vehaqardummot) = en de bijlen | ביד (beyad) = in de hand van | הגדול (haggadol) = de grote | מהם (mehem) = voor hen | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | נשבר (nishbar) = gebroken | והמטעמים (vehamatammim) = en de gerechten | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gemaakt | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | עודנו (odenu) = nog | לפניהם (lifneihem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:37** Toen Terach dit werk zag, ontbrandde zijn toorn zeer en hij ging uit de kamer naar Abram. Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij verscheen | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הזה (hazzeh) = deze | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפו (appo) = Zijn toorn | מאוד (me'od) = zeer | ויצא (vayetse) = en hij ging uit | מן (min) = uit | החדר (hacheder) = de kamer | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abram en Terach **11:38** Hij trof Abram, zijn zoon, nog zittend in het huis aan en zei tegen hem: „Wat is dit voor werk dat je al mijn goden hebt aangedaan?” Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij trof | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | עודנו (odenu) = nog | יושב (yoshev) = zittend | בבית (babbayit) = in huis | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | מה (mah) = wat | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשית (asita) = je hebt gedaan | אל (el) = aan | כל (kol) = alle | אלוקיי (elohai) = mijn goden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויצא (vayetse), ‘en hij ging uit’, staat er. Waarschijnlijk is וימצא bedoeld, ‘en hij vond’, zoals in vers 18 en vers 35. De vertaling leest ‘trof aan’. **11:39** Abram antwoordde Terach, zijn vader: „Niet zo, mijn heer, want ik heb gerechten voor hen gebracht. Toen ik de gerechten voor hen neerzette om te eten, strekten zij allemaal hun hand uit om te eten, voordat de grote onder hen zijn hand uitstrekte om te eten. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | אברם (Avram) = Abram | את (et) = tot | תרח (Terach) = Terach | אביו (aviv) = zijn vader | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לא (lo) = niet | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = want | מטעמים (matammim) = lekkere gerechten | הבאתי (heveti) = ik heb gebracht | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | הגשתי (higgashti) = ik heb voorgezet | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטעמים (hamatammim) = de gerechten | לפניהם (lifneihem) = voor hen | לאכול (le'ekhol) = om te eten | וישלחו (vayishlechu) = en zij strekten uit | כולם (kullam) = allen | ידם (yadam) = hun hand | לאכול (le'ekhol) = om te eten | טרם (terem) = voordat | ישלח (yishlach) = uitstrekte | ידו (yado) = zijn hand | הגדול (haggadol) = de grote | מהם (mehem) = onder hen | לאכול (le'ekhol) = om te eten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:40** De grote zag hun daden, wat zij voor zijn ogen deden, en zijn toorn ontbrandde zeer tegen hen. Hij ging, nam de bijlen die in het huis waren, kwam bij hen en brak ze allemaal. En zie, de bijlen zijn nog in zijn hand, zoals u gezien hebt.” Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij verscheen | הגדול (haggadol) = de grote | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשיהם (ma'asehem) = hun daden | אשר (asher) = die | עשו (asu) = zij deden | לפניו (lefanav) = voor hem | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפו (appo) = Zijn toorn | מאוד (me'od) = zeer | עליהם (aleihem) = tegen hen | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | הקרדומות (haqardummot) = de bijlen | אשר (asher) = die | בבית (babbayit) = in huis | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אליהם (aleihem) = tot hen | וישבר (vayeshaber) = en hij brak | את (et) = (lijdend voorwerp) | כולם (kullam) = allen | והנה (vehinneh) = en zie | הקרדומות (haqardummot) = de bijlen | עודנו (odenu) = nog | בידו (beyado) = in zijn hand | כאשר (ka'asher) = zoals | ראית (ra'ita) = u hebt gezien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:41** Terachs toorn ontbrandde tegen zijn zoon Abram toen hij dit zei, en Terach zei in zijn grimmigheid tegen zijn zoon Abram: „Wat is dit voor woord dat je gesproken hebt? Een leugen spreek je tegen mij. Brontekst: ויחר (vayyichar) = en laaide op | אף (af) = toorn | תרח (Terach) = Terach | על (al) = op | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | בדברו (bedabbero) = toen hij dit sprak | הדבר (haddavar) = het woord | הזה (hazzeh) = dit | ויאמר (vayomer) = en hij zei | תרח (Terach) = Terach | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | בחמתו (bechemato) = in zijn woede | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = het woord | הזה (hazzeh) = dit | אשר (asher) = die | דיברת (dibbarta) = je hebt gesproken | שקר (sheqer) = leugen | אתה (attah) = jij | דובר (dubbar) = spreekt | אליי (elai) = tot mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:42** Is er in deze goden geest en leven en kracht om alles te doen wat je tegen mij gezegd hebt? Zijn zij niet hout en steen, en heb ik ze niet zelf gemaakt? En hoe kun je tegen mij leugens spreken en zeggen dat de grote god die bij hen was hen geslagen heeft, en dat je de bijlen in zijn hand hebt gelegd en zegt dat hij hen allen geslagen heeft?” Brontekst: היש (hayesh) = is er | באלוקים (be'Elohim) = in de goden | האלה (ha'elleh) = deze | רוח (ruach) = geest | ונפש (vanefesh) = en leven | וכח (vekhoach) = en kracht | לעשות (la'asot) = om te doen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | דיברת (dibbarta) = je hebt gesproken | אליי (elai) = tot mij | והלא (vehalo) = en zijn zij niet | עץ (ets) = boom | ואבן (va'even) = en steen | המה (hemmah) = zij | ואני (va'ani) = en ik | עשיתי (asiti) = ik heb gemaakt | אותם (otam) = hen | ואיך (ve'ekh) = en hoe | תדבר (tedabber) = kun je spreken | אליי (elai) = tot mij | כזבים (kezavim) = leugens | לאמור (lemor) = zeggende | האלוה (ha'eloah) = de god | הגדול (haggadol) = de grote | אשר (asher) = die | איתם (ittam) = bij hen | הכה (hikkah) = heeft geslagen | אותם (otam) = hen | ותיתן (vattitten) = en je hebt gelegd | את (et) = (lijdend voorwerp) | הקרדומות (haqardummot) = de bijlen | בידו (beyado) = in zijn hand | לאמור (lemor) = zeggende | הוא (hu) = hij | הכה (hikkah) = heeft geslagen | אותם (otam) = hen | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:43** Abram antwoordde zijn vader en zei tegen hem: „En hoe dient u dan deze afgoden, in wie geen kracht is om iets te doen? Zullen deze afgoden, op wie u vertrouwt, u dan redden? Zullen zij uw gebed horen als u tot hen roept? Zullen zij u bevrijden uit de hand van al uw haters? Zullen zij uw oorlogen voor u voeren tegen uw vijanden, dat u hout en steen dient, die niet spreken en niet horen? Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביו (aviv) = zijn vader | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | ואיך (ve'ekh) = en hoe | תעבוד (ta'avod) = dient u | את (et) = (lijdend voorwerp) | האלילים (ha'elilim) = de afgoden | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = die | אין (ein) = er is niet | בהם (bahem) = in hen | כי (ki) = dat | לעשות (la'asot) = om te doen | דבר (davar) = een reden | ההצל (hahatsel) = werkelijk | יצילוך (yatsilukha) = redden zij u | האלילים (ha'elilim) = de afgoden | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = die | אתה (attah) = jij | בוטח (boteach) = vertrouwt | בהן (bahen) = op hen | אם (em) = of | שמוע (shamoa) = horen | ישמעו (yishme'u) = zullen zij horen | את (et) = (lijdend voorwerp) | תפילתך (tefillatekha) = uw gebed | בעת (be'et) = in de tijd dat | קראך (qor'ekha) = u roept | אליהם (aleihem) = tot hen | המלט (hamalet) = werkelijk | ימלטוך (yemaltukha) = bevrijden zij u | מיד (miyyad) = uit de hand van | כל (kol) = alle | שונאיך (sone'ekha) = uw haters | אם (em) = of | לחום (lacham) = strijden | ילחמו (yilchamu) = zij strijden | לך (lekha) = voor u | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלחמותיך (milchamotekha) = uw oorlogen | באויביך (be'oyvekha) = tegen uw vijanden | כח (koach) = kracht | תעבוד (ta'avod) = dient u | עץ (ets) = boom | ואבן (va'even) = en steen | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ידברו (yedabberu) = spreken | ולא (velo) = en niet | ישמעו (yishme'u) = horen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:44** En nu is het niet goed voor jullie om deze dingen te doen: u en alle slechte mensen die bij u zijn. Zijn jullie dwazen, of zijn jullie zotten, zonder inzicht, om hout en steen te dienen en zo te handelen? Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | לא (lo) = niet | טוב (tov) = goed | לכם (lakhem) = voor jullie | לעשות (la'asot) = om te doen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | אתה (attah) = u | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = kinderen van | אדם (adam) = mensen | הרעים (hara'im) = de slechte | הגלויים (haggeluyim) = die zich aansluiten | אליך (elekha) = bij u | הכסילים (hakesilim) = de dwazen | אתם (ittam) = jullie | או (o) = of | אוילים (evilim) = dwazen | אתם (ittam) = jullie | אשר (asher) = die | אין (ein) = er is niet | בכם (bakhem) = in jullie | תבונה (tevunah) = inzicht | לעבוד (la'avod) = om te dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | העץ (ha'ets) = het hout | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | האבן (ha'even) = de steen | ולעשות (vela'asot) = en te handelen | כדבר (kidvar) = zoals de zaak | הזה (hazzeh) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:45** En jullie vergeten Yahweh, Elohim, die de hemel en de aarde gemaakt heeft en jullie op de aarde geschapen heeft, en brengen groot onheil over jullie zielen in deze zaak, door hout en steen te dienen! Brontekst: ותשכחו (vatishkechu) = en jullie vergeten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gemaakt | את (et) = (lijdend voorwerp) | השמים (hashamayim) = de hemel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = de aarde | ואשר (va'asher) = en die | ברא (bara) = geschapen heeft | אתכם (etkhem) = jullie | בארץ (ba'arets) = op de aarde | ותביאו (vatavi'u) = en jullie brengen | רעה (ra'ah) = onheil | גדולה (gedolah) = grote | על (al) = op | נפשותיכם (nafshotekhem) = uw zielen | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לעבוד (la'avod) = door te dienen | עץ (ets) = hout | ואבן (va'even) = en steen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:46** Hebben onze vaders van oudsher niet juist hierin gezondigd? Toen bracht Yahweh, mijn Elohim, over de aarde, over hen, de wateren van de vloed en richtte heel de aarde te gronde. Brontekst: הלא (halo) = immers niet | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | חטאו (chat'u) = zondigden | אבותינו (avotenu) = onze vaders | מימי (miyyemei) = sinds de dagen van | קדם (qedem) = oudsher | ויביא (vayavi) = en Hij bracht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = mijn Elohim | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | עליהם (aleihem) = over hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מי (mi) = de wateren van | המבול (hammabbul) = de vloed | וישחית (vayashchit) = en Hij richtte te gronde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:47** En hoe kunnen jullie ermee doorgaan dit te doen en andere goden, hout en steen, te dienen, die niet horen, niet spreken en niet redden uit nood, om de gloed van de toorn van de Elohim van heel de aarde over jullie te doen toenemen? Brontekst: ואיך (ve'ekh) = en hoe | אתם (ittam) = met hen | תוסיפו (tosifu) = voegen jullie toe | לעשות (la'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ותעבדו (vate'avdu) = en dienen | אלוקים (Elohim) = goden | אחרים (acherim) = andere | עץ (ets) = boom | ואבן (va'even) = en steen | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ישמעו (yishme'u) = horen | ולא (velo) = en niet | ידברו (yedabberu) = spreken | ולא (velo) = en niet | יצילו (yatsilu) = redden | מצרה (mitsarah) = uit nood | לספות (lispot) = om te doen toenemen | חרון (charon) = gloed van | אף (af) = toorn | אלוקי (elohei) = Elohim van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | עליכם (aleikhem) = over jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:48** Houd dan nu, mijn vader, hiermee op en breng geen onheil over uw ziel en over de ziel van uw huis hierdoor.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אבי (avi) = mijn vader | חדל (chadal) = houd op | לך (lekha) = voor u | מזה (mizzeh) = hiermee | ולא (velo) = en niet | תביא (tavi) = breng | רעה (ra'ah) = onheil | על (al) = op | נפשך (nafshekha) = uw ziel | ועל (ve'al) = en over | נפש (nefesh) = ziel van | ביתך (beitekha) = uw huis | מזה (mizzeh) = hierdoor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:49** Abram haastte zich, sprong voor zijn vader weg, nam de bijlen uit de hand van de grote god van zijn vader, brak hem daarmee en rende weg. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | אברם (Avram) = Abram | וידלג (vayedalleg) = en hij sprong weg | לפני (lifnei) = van voor | אביו (aviv) = zijn vader | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הקרדומות (haqardummot) = de bijlen | מיד (miyyad) = uit de hand van | אלוה (eloah) = god | אביו (aviv) = van zijn vader | הגדול (haggadol) = de grote | וישברהו (vayeshbarehu) = en hij brak hem | בה (bah) = daarmee | וירץ (vayyarots) = en hij rende | לו (lo) = weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Terach bij de koning **11:50** Terach zag alles wat Abram hem aangedaan had, haastte zich, ging uit zijn huis en ging naar de koning. Hij kwam voor Nimrod, bleef voor hem staan en boog zich neer voor de koning. De koning zei tegen hem: „Wat is er met je?” Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij verscheen | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = had gedaan | לו (lo) = hem | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | ויצא (vayetse) = en hij ging | מביתו (mibbeto) = uit zijn huis | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | לפני (lifnei) = voor | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ויעמוד (vaya'amod) = en hij bleef staan | לפניו (lefanav) = voor hem | וישתחווה (vayishtachaveh) = en hij boog zich neer | למלך (lammelekh) = voor de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = tegen hem | המלך (hammelekh) = de koning | מה (mah) = wat | לך (lekha) = aan jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:51** „Bij mij, mijn heer: mij is een kind geboren, nu vijftig jaar geleden. Zo en zo en zo heeft hij mijn goden behandeld, en zo en zo spreekt hij. En nu, mijn heer de koning, zend toch, dan komt hij voor u, en oordeel hem volgens uw rechtspraak, zodat wij van zijn kwaad gered worden.” Brontekst: בי (bi) = bij mij | אדוני (adoni) = mijn heer | ילד (yalad) = kind | יולד (yivvaled) = is geboren | לי (li) = voor mij | היום (hayyom) = vandaag | חמישים (chamishim) = vijftig | שנה (shanah) = jaar | כזאת (kezot) = zo | וכזאת (vekhazzot) = en zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | עשה (asah) = heeft gedaan | לי (li) = mij | מאלוקיי (me'elohai) = met mijn goden | וכזה (vekhazeh) = en zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | ידבר (yedabber) = spreekt hij | ועתה (ve'attah) = en nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | שלח (Shelach) = Selach | נא (na) = toch | ויבוא (vayavo) = dat hij komt | לפניך (lefanekha) = voor u | ושפטהו (ushefatehu) = en oordeel hem | במשפטיך (bemishpatekha) = naar uw recht | למען (lema'an) = opdat | נוצל (nivvatsel) = opdat wij gered worden | מרעתו (mera'ato) = van zijn kwaad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:52** De koning zond drie mannen van zijn dienaren, en zij gingen en brachten Abram voor de koning. Nimrod en al zijn vorsten en dienaren zaten die dag voor hem, en Terach zat voor hen. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | המלך (hammelekh) = de koning | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | מעבדיו (me'avadav) = van zijn dienaren | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ונמרוד (venimrod) = en Nimrod | וכל (vekhol) = en alle | שריו (saraiv) = zijn vorsten | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | יושבים (yoshvim) = zaten | לפניו (lefanav) = voor hem | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ותרח (veTerach) = en Terach | ישב (yashav) = zat | לפניהם (lifneihem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abram voor Nimrod **11:53** De koning zei tegen Abram: „Wat is dit voor werk dat je je vader en al zijn goden hebt aangedaan?” Abram antwoordde de koning met dezelfde woorden die hij tot zijn vader gesproken had en zei: „De grote god die bij hen in het huis was, heeft hun aangedaan wat u gehoord hebt.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | מה (mah) = wat | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשית (asita) = heb gedaan | לאביך (le'avikha) = aan je vader | ואל (ve'el) = en aan | כל (kol) = alle | אלוקיו (Elohav) = zijn goden | ויען (vaya'an) = en antwoordde | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | כדברים (kadevarim) = volgens de woorden | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = sprak | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | ויאמר (vayomer) = en hij zei | האלוה (ha'eloah) = de god | הגדול (haggadol) = de grote | אשר (asher) = die | היה (hayah) = was | איתם (ittam) = bij hen | בבית (babbayit) = in huis | עשה (asah) = heeft gedaan | להם (lahem) = aan hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | שמעת (shamata) = je hebt gehoord Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:54** De koning zei tegen Abram: „Is er in hen kracht om te spreken, te eten en te doen zoals je gezegd hebt?” Abram antwoordde de koning: „En als er in hen geen kracht is, waarom dient u hen, en waarom laat u alle mensen dwalen met uw ijdelheden? Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | היש (hayesh) = is er | בהם (bahem) = in hen | כח (koach) = kracht | לדבר (laddavar) = om te spreken | ולאכול (vele'ekhol) = en om te eten | ולעשות (vela'asot) = en te doen | ככל (kekhol) = volgens alles | אשר (asher) = die | דיברת (dibbarta) = je hebt gesproken | ויען (vaya'an) = en antwoordde | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | ואם (ve'im) = en als | אין (ein) = er is niet | בהם (bahem) = in hen | כח (koach) = kracht | למה (lammah) = waarom | תעבדם (ta'avdem) = dient u hen | ולמה (velamah) = en waarom | תתעה (tat'eh) = laat dwalen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | בהבליך (behavlekha) = met uw ijdelheden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:55** Denkt u dat zij u zullen redden, of dat zij iets zullen doen, klein of groot, omdat u hen dient? En waarom dient u niet de Elohim van heel de aarde, die u geschapen heeft en in wiens hand het vlees van uw zielen is, om te doden en in leven te houden? Brontekst: התחשבו (hatchashevu) = denkt u | לך (lekha) = u | כי (ki) = dat | הצל (hatsel) = werkelijk | יצילוך (yatsilukha) = redden zij u | או (o) = of | יעשו (ya'asu) = zij zullen doen | דבר (davar) = een reden | מקטון (miqqaton) = klein | ועד (ve'ad) = en tot | גדול (gadol) = groot | כי (ki) = omdat | תעבדום (ta'avdum) = u hen dient | ולמה (velamah) = en waarom | לא (lo) = niet | תעבדו (ta'avdu) = dient u | אלוקי (elohei) = Elohim van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | אשר (asher) = die | ברא (bara) = schiep | אתכם (etkhem) = u | ובשר (uvesar) = en het vlees van | נפשותיכם (nafshotekhem) = uw zielen | בידו (beyado) = in Zijn hand | להמית (lehamit) = te doden | ולהחיות (ulechayot) = en in leven te houden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ובשר נפשותיכם (uvesar nafshotekhem), letterlijk ‘en het vlees van uw zielen’. De Engelse vertaling van Noah (1840) heeft ‘in wiens hand het is te doden en in leven te houden’. **11:56** Wee, dwaze en onnozele koning, wee u tot in eeuwigheid! Brontekst: הוי (hoy) = wee | מלך (malakh) = koning | כסיל (kesil) = dwaze | ובער (vava'ar) = en onwetend | אוי (oy) = wee | לך (lekha) = voor u | עד (ad) = tot | עולם (olam) = in eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:57** Ik zei: u zult al uw dienaren de rechte weg leren, maar zo hebt u niet gedaan. U hebt heel de aarde gevuld met uw ongerechtigheden en met de ongerechtigheden van al uw mannen, die in uw wegen gegaan zijn. Brontekst: אמרתי (imrati) = ik zei | כי (ki) = dat | אתה (attah) = u | תורה (toreh) = zult leren | דרך (derekh) = de weg van | הישר (hayashar) = het rechte | אל (el) = aan | כל (kol) = al | עבדיך (avadekha) = uw dienaren | ואולם (ve'ulam) = maar | אתה (attah) = u | לא (lo) = niet | כן (ken) = zo | עשית (asita) = je hebt gedaan | ותמלא (vattimmale) = en u hebt gevuld | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | בעוונותיך (ba'avonotekha) = met uw ongerechtigheden | ובעוונות (uva'avonot) = en met de ongerechtigheden van | כל (kol) = alle | אישיך (ishekha) = uw mannen | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = zijn gegaan | בדרכיך (bedarkhekha) = in uw wegen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:58** Weet u dan niet, hebt u niet gehoord, dat onze vaders van oudsher gezondigd hebben met dit slechte werk dat jullie doen, en dat de Elohim van heel de wereld de wateren van de vloed over hen bracht? Hij richtte hen allen te gronde, en ook heel de aarde richtte Hij om hunnentwil te gronde. En u staat nu op, u en uw mannen, een kroost van zondaars, en doet zulk werk, om de gloed van de toorn van Yahweh, de Elohim van de eeuwigheid, te doen toenemen en onheil over u en over heel de aarde te brengen? Brontekst: הלא (halo) = immers niet | ידעת (yada'ta) = weet u | אם (em) = of | לא (lo) = niet | שמעת (shamata) = je hebt gehoord | כי (ki) = dat | כי (ki) = dat | כמעשה (kemma'aseh) = zoals het werk | הזה (hazzeh) = dit | הרע (hara) = het slechte | אשר (asher) = die | אתם (ittam) = jullie | עושים (osim) = doen | בו (bo) = daarin | חטאו (chat'u) = zondigden | אבותינו (avotenu) = onze vaders | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | קדם (qedem) = vroeger | ויביא (vayavi) = en Hij bracht | אלוקי (elohei) = Elohim van | כל (kol) = alle | העולם (ha'olam) = de wereld | עליהם (aleihem) = over hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מי (mi) = wie | המבול (hammabbul) = de zondvloed | וישחית (vayashchit) = en Hij richtte te gronde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כולם (kullam) = hen allen | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | שחת (shichet) = richtte te gronde | בעבורם (ba'avuram) = om hunnentwil | ותקם (vataqom) = en u staat op | אתה (attah) = u | ואנשיך (ve'anashekha) = en uw mannen | אלה (elleh) = deze | היום (hayyom) = vandaag | תרבות (tarbut) = een kroost van | אנשים (anashim) = mannen | חטאים (chatta'im) = zondaars | ותעשו (vata'asu) = en jullie doen | כמעשה (kemma'aseh) = zoals het werk | הזאת (hazzo't) = dit | לספות (lispot) = om te doen toenemen | על (al) = op | חרון (charon) = gloed van | אף (af) = toorn | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואלוקי (ve'elohei) = en de God van | עולם (olam) = eeuwigheid | ולהביא (ulehavi) = en te brengen | רעה (ra'ah) = onheil | עליכם (aleikhem) = over jullie | ועל (ve'al) = en over | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 6–9, de vloed. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat כי כי (ki ki) dubbel. **11:59** Doe nu dit slechte werk dat jullie doen van u weg, en dien de Elohim van de eeuwigheid, in wiens hand uw ziel is, en het zal u goed gaan. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הסר (hasser) = doe weg | מעליך (me'alekha) = van u | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = al | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הרע (hara) = wat slecht is | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | אתם (ittam) = jullie | עושים (osim) = doen | ועבדו (va'avdu) = en dien | את (et) = (lijdend voorwerp) | אלוקי (elohei) = Elohim van | עולם (olam) = eeuwigheid | אשר (asher) = in wiens | נפשך (nafshekha) = uw ziel | בידו (beyado) = in zijn hand | וטוב (vetov) = en het zal goed zijn | לך (lekha) = voor u Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:60** En als uw boze hart niet wil luisteren naar mijn woorden om al uw boze wegen te verlaten en de Elohim van de eeuwigheid te dienen, dan zult u in schande sterven in de laatste dagen, u en al uw mannen en allen die zich bij u voegen, allen die uw woorden horen en allen die in uw boze wegen gaan.” Brontekst: ואם (ve'im) = en als | אין (ein) = niet | ליבך (libbekha) = je hart | הרע (hara) = wat slecht is | יאבה (yove) = bereid is | לשמוע (lishmo'a) = om te luisteren | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = mijn woorden | לעזוב (la'azov) = om te verlaten | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = al | דרכיך (derakhekha) = uw wegen | הרעים (hara'im) = de slechte | ולעבוד (ule'ovd) = en om te dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אלוקי (elohei) = Elohim van | עולם (olam) = eeuwigheid | בחרפה (becharpah) = in schande | תמות (tamutu) = zult u sterven | באחרית (be'acharit) = in het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | אתה (attah) = jij | וכל (vekhol) = en alle | אנשיך (anashekha) = je mannen | וכל (vekhol) = en alle | הנלווים (hannilvim) = die zich aansluiten | אליך (elekha) = bij u | וכל (vekhol) = en alle | השומעים (hashomim) = die horen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריך (devarekha) = uw woorden | וכל (vekhol) = en alle | ההולכים (hahollekhim) = die gaan | בדרכיך (bedarkhekha) = in uw wegen | הרעים (hara'im) = de slechte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **11:61** Toen Abram klaar was met spreken tot de koning en de vorsten, sloeg Abram zijn ogen op naar de hemel en zei: „Moge Yahweh alle goddelozen zien en richten.” Brontekst: ויכל (vayekhal) = en hij maakte af | אברם (Avram) = Abram | לדבר (laddavar) = met spreken | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דבריו (devarav) = zijn woorden | לפני (lifnei) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | וישא (vayissa) = en hij sloeg op | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניו (einav) = zijn ogen | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | ויאמר (vayomer) = en hij zei | ירא (yere) = moge zien | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הרשעים (harresha'im) = de goddelozen | וישפוט (veyishpot) = en richten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 12 _Abram in de oven; Nimrods droom; naar Kanaän_ ### Abram in de gevangenis **12:1** Toen de koning alle woorden van Abram hoorde, beval hij, en men zette hem in de gevangenis. Abram was tien dagen in de gevangenis. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | אברם (Avram) = Abram | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | ויתנוהו (vayitnuhu) = en zij zetten hem | אל (el) = in | בית (bet) = het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | ויהי (vayehi) = en was | אברם (Avram) = Abram | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | ימים (yamim) = dagen | עשרה (esreh) = tien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Abram in de oven werd geworpen, staat niet in Genesis. Wel noemt Gen. 15:7 dat Yahweh Abram ‘uit Ur van de Chaldeeën’ geleid heeft. Zie ook: Gen 15:7 **12:2** Na die dagen zond de koning, en zij verzamelden alle vorsten van de koning, alle vorsten van de gewesten en de wijzen. Zij kwamen allen voor de koning en zaten allen voor hem, terwijl Abram nog daar in de kerker was. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | ההם (hahem) = die | וישלח (vayishlach) = en hij zond | המלך (hammelekh) = de koning | ויקבצו (vayiqbetsu) = en zij verzamelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | השרים (hasarim) = de vorsten | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = van de koning | וכל (vekhol) = en alle | שרי (sarai) = vorsten van | המדינות (hammedinot) = de gewesten | והחכמים (vehachakhamim) = en de wijzen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וישבו (vayeshvu) = en zij zaten | כולם (kullam) = allen | לפניו (lefanav) = voor hem | ואברם (ve'avram) = en Abram | עודנו (odenu) = nog | שם (shem) = daar | בבית (babbayit) = in het huis van | הכלא (hakele) = de kerker Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:3** De koning zei tegen alle vorsten en alle wijzen: „Hebben jullie gehoord wat de zoon van Terach zijn vader aangedaan heeft? Zo en zo heeft hij met hem gehandeld, en ik liet hem voor mij brengen, en zo en zo sprak hij tot mij, en hij vreesde niet, en zijn hart week niet voor mij. En zie, hij is gebonden in de gevangenis. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | השרים (hasarim) = de vorsten | ואל (ve'el) = en tot | כל (kol) = alle | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | השמעתם (hashmatem) = hebben jullie gehoord | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | בן (ben) = de zoon van | תרח (Terach) = Terach | לאביו (le'aviv) = aan zijn vader | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | עשה (asah) = heeft gedaan | לו (lo) = aan hem | ואשלח (ve'eshlach) = en ik zond | ויביאוהו (vayeviuhu) = en zij brachten hem | לפניי (lefanai) = voor mij | וכזאת (vekhazzot) = en zo | וכזאת (vekhazzot) = en zo | דיבר (dibber) = sprak | אליי (elai) = tot mij | ולא (velo) = en niet | פחד (pachad) = vreesde | ולבבבו (velevavo) = en zijn hart | לא (lo) = niet | נע (na) = week | ממני (mimmenni) = van mij | והנה (vehinneh) = en zie | הוא (hu) = hij | אסור (asur) = gebonden | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:4** Oordeel nu welk recht geldt voor deze man, die de koning vervloekt heeft en al deze dingen gedaan heeft die jullie gehoord hebben.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | שפטו (shiftu) = oordeel | נא (na) = toch | מה (mah) = welk | משפט (mishpat) = recht | יש (yesh) = is | לאיש (le'ish) = voor de man | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | קילל (qillel) = vervloekte | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | ואשר (va'asher) = en die | עשה (asah) = heeft gedaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = die | שמעתם (shema'tem) = jullie hebben gehoord Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:5** Allen antwoordden de koning en zeiden: „Een man die de koning vervloekt, wordt aan het hout gehangen. Maar omdat hij al deze dingen gedaan heeft die hij gesproken heeft en onze goden veracht heeft, moet men hem in het vuur verbranden, want zo is het recht in deze zaak. Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | יקלל (yeqallel) = vervloekt | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | יתל (yittaleh) = wordt opgehangen | על (al) = op | העץ (ha'ets) = het hout | ואולם (ve'ulam) = maar | בעבור (ba'avur) = omdat | אשר (asher) = dat | עשה (asah) = hij heeft gedaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = sprak | ויבזה (vayivzeh) = en hij verachtte | את (et) = (lijdend voorwerp) | אלוקינו (elohenu) = onze goden | באש (ba'esh) = in het vuur | ישרוף (yissaref) = moet men verbranden | כי (ki) = want | כן (ken) = zo | המשפט (hammishpat) = het recht | על (al) = in | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De oven **12:6** Als het de koning goed lijkt dit te doen, laat hij dan zijn dienaren zenden en de baksteenoven, die van u is, drie dagen, nacht en dag, laten aansteken, en daarna werpen wij die man erin.” De koning deed zo. Hij beval zijn dienaren, en zij staken vuur aan in de oven van de koning in Chaldea, drie dagen en drie nachten. Daarna beval de koning Abram uit de kerker te halen en hem te brengen om hem in het vuur te verbranden. Brontekst: אם (em) = als | על (al) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | טוב (tov) = goed | לעשות (la'asot) = om te doen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ישלח (yishlach) = laat hij zenden | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויבערו (veyav'eru) = en laat aansteken | את (et) = (lijdend voorwerp) | כבשן (kivshan) = oven van | הלבנים (halevenim) = de bakstenen | אשר (asher) = die | לך (lekha) = van u | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | לילה (laylah) = nacht | ויום (veyom) = en dag | ואחר (ve'achar) = en daarna | נשליך (nashlikh) = werpen wij | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | בו (bo) = daarin | ויעש (vayya'as) = en hij deed | המלך (hammelekh) = de koning | כן (ken) = zo | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויתנו (vayittenu) = en zij staken | אש (esh) = vuur | בכבשן (bakivshan) = in de oven van | המלך (hammelekh) = de koning | אשר (asher) = die | בכשדים (bekasdim) = in Chaldea | שלושה (shelosha) = drie | ימים (yamim) = dagen | ושלושה (ushloshah) = en drie | לילות (leylot) = nachten | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | המלך (hammelekh) = de koning | להוציא (lehotsi) = uit te halen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | מבית (mibbayit) = uit het huis van | הכלא (hakele) = de kerker | ולהביאו (ulehevi'o) = en hem te brengen | לשורפו (lisrofo) = hem te verbranden | באש (ba'esh) = in het vuur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: בכשדים (bekasdim), ‘in Chaldea’: de plaats heet in Gen. 11:28 ‘Ur van de Chaldeeën’. Zie ook: Gen 11:28 **12:7** Alle dienaren van de koning, alle vorsten en helden van de koning, alle landvoogden en rechters, ongeveer negenhonderdduizend man, en alle inwoners van het land stonden daar tegenover de oven om Abram te zien. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | והגיבורים (vehaggibborim) = en de helden | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = van de koning | וכל (vekhol) = en alle | הפחות (happachot) = de landvoogden | והשופטים (vehashshoftim) = en de rechters | כתשע (kitesha) = ongeveer negen | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = man | וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | נצבים (nitsavim) = staande | שם (shem) = daar | נגד (neged) = tegenover | הכבשן (hakivshan) = de oven | לראות (lir'ot) = om te zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:8** De vrouwen en al de kinderen werden verzameld op de daken en de torens om Abram te zien, en zij stelden zich allen samen op in de verte. Niemand bleef over die op die dag niet kwam kijken. Brontekst: ועל (ve'al) = en over | הנשים (hannashim) = de vrouwen | וכל (vekhol) = en alle | הטף (hattaf) = de kinderen | נאספו (ne'esfu) = werden verzameld | כולם (kullam) = allen | אל (el) = op | הגגות (haggagot) = de daken | ואל (ve'el) = en op | המגדלים (hammigdalim) = de torens | לראות (lir'ot) = zien | באברם (be'avram) = bij Abram | ויתייצבו (vayityatsvu) = en zij stelden zich op | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | מרחוק (merachoq) = van ver | לא (lo) = niet | נותר (notar) = bleef over | אדם (adam) = mens | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | בא (ba) = kwam | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | לראות (lir'ot) = om te zien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abram wordt gebracht **12:9** Toen Abram kwam, zagen de tovenaars van de koning en alle wijzen hem. Zij riepen naar de koning en zeiden: „Mijn heer de koning, is dit niet de man van wie wij weten dat hij het kind is dat bij zijn geboorte de grote ster vier sterren verslond, zoals wij het de koning gezegd hebben, nu vijftig jaar geleden? Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוא (bevo) = toen hij kwam | אברם (Avram) = Abram | ויראו (vayiru) = en zij zagen | אותו (oto) = hem | חרטומי (chartummei) = de tovenaars van | המלך (hammelekh) = de koning | וכל (vekhol) = en alle | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij riepen | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | הלא (halo) = niet | זה (ze) = dit | האיש (ha'ish) = de man | ידענו (yada'nu) = wij weten | כי (ki) = dat | הוא (hu) = hij | הילד (hayeled) = het kind | אשר (asher) = dat | בלע (bela) = verslond | הכוכב (hakkokhav) = de ster | הגדול (haggadol) = de grote | ארבעה (arba'ah) = vier | כוכבים (kokhavim) = sterren | במולדתו (bemoladto) = bij zijn geboorte | אשר (asher) = zoals | דיברנו (dibbarnu) = wij spraken | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | זה (ze) = nu | חמישים (chamishim) = vijftig | שנה (shanah) = jaar | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:10** En nu, zie, ook zijn vader heeft uw woord getrotseerd en met u gespot door u een ander kind te brengen, en u hebt hem gedood.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הנה (hinneh) = zie | אביו (aviv) = zijn vader | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | מרה (marah) = heeft getrotseerd | את (et) = (lijdend voorwerp) | פיך (pikha) = je mond | ויהתל (vayehtel) = en hij spotte | בך (bekha) = met u | בהביאו (behavi'o) = door te brengen | אליך (elekha) = bij u | ילד (yalad) = kind | אחר (acher) = een ander | ותהרגהו (vattahargehu) = en u doodde hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:11** Toen de koning hun woorden hoorde, ontbrandde zijn toorn zeer, en hij beval, en Terach werd voor de koning gebracht. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריהם (divreihem) = hun woorden | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפו (appo) = Zijn toorn | מאוד (me'od) = zeer | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | תרח (Terach) = Terach | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:12** De koning zei: „Heb je gehoord wat de wijzen gesproken hebben? Zeg me nu naar waarheid hoe je gehandeld hebt, en als je de waarheid spreekt, zul je zelf ontkomen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | השמעת (hashamata) = heb je gehoord | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | דיברו (dibberu) = hebben gesproken | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | ועתה (ve'attah) = en nu | הגד (hagged) = vertel | נא (na) = toch | לי (li) = mij | נכונה (nekhonah) = naar waarheid | איך (ekh) = hoe | עשית (asita) = je gehandeld hebt | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | אמת (emet) = waarheid | תדבר (tedabber) = je spreekt | ונמלטת (venimlatta) = zul je ontkomen | אתה (attah) = zelf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Terach voor de koning **12:13** Terach zag dat de toorn van de koning zeer ontbrand was, en zei tegen de koning: „De waarheid hebt u gehoord, mijn heer de koning, en wat uw wijzen gesproken hebben, is juist.” De koning zei: „En hoe kon je dit doen, mijn woord trotseren, mij het kind geven dat je niet verwekt had en zijn prijs nemen?” Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij verscheen | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = dat | חרה (charah) = ontbrand was | אפו (appo) = Zijn toorn | מאוד (me'od) = zeer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | תרח (Terach) = Terach | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | אמת (emet) = waarheid | שמעת (shamata) = u hebt gehoord | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | ואשר (va'asher) = en wat | דיברו (dibberu) = hebben gesproken | חכמיך (chakhameikha) = uw wijzen | נכונה (nekhonah) = juist | הוא (hu) = is | ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | ואיך (ve'ekh) = en hoe | תעשה (ta'aseh) = kon je doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ותמרה (vatmareh) = mijn woord trotseren | את (et) = (lijdend voorwerp) | פי (pi) = mijn woord | ותיתן (vattitten) = en geven | לי (li) = mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | הילד (hayeled) = het kind | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ילדת (yalatta) = je verwekt had | ותיקח (vatiqqach) = en nemen | מחירו (mechiro) = zijn prijs Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:14** Terach antwoordde de koning: „Ik kreeg in die tijd medelijden met mijn zoon, en ik nam de zoon van mijn slavin en bracht hem bij de koning.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | כי (ki) = want | נכמרו (nikhmeru) = werden bewogen | רחמיי (rachamai) = mijn medelijden | על (al) = over | בני (bnei) = mijn zoon | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ואקח (ve'eqqach) = en ik nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | בן (ben) = de zoon van | שפחתי (shifchati) = mijn slavin | ואביאהו (ve'aviehu) = en ik bracht hem | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:15** De koning zei: „Wie heeft je dit geraden? Zeg het mij, verberg niets voor mij, dan zul je niet sterven.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | ומי (umei) = en wie | אשר (asher) = die | יעץ (ya'ats) = heeft geraden | עליך (aleikha) = je | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | הגד (hagged) = vertel | נא (na) = toch | לי (li) = voor mij | אל (el) = niet | תכחד (takhched) = verberg | ממני (mimmenni) = voor mij | דבר (davar) = een reden | ולא (velo) = en niet | תמות (tamutu) = zul je sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:16** Terach vreesde zeer voor de koning en zei tegen de koning: „Haran, mijn oudste zoon, is het die mij dit geraden heeft.” Haran was in de dagen dat Abram geboren werd tweeëndertig jaar oud. Brontekst: ויירא (vayira) = en hij vreesde | תרח (Terach) = Terach | מאוד (me'od) = zeer | מלפני (millifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | הרן (Haran) = Haran | בני (bnei) = mijn zoon | הגדול (haggadol) = de oudste | הוא (hu) = die | אשר (asher) = die | יעצני (ya'atseni) = heeft mij geraden | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | והרן (veharan) = en Haran | היה (hayah) = hij was | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אשר (asher) = die | יולד (yivvaled) = werd geboren | אברם (Avram) = Abram | בן (ben) = zoon van | שלושים (sheloshim) = dertig | ושתיים (ushtayim) = en twee | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Haran **12:17** Maar Haran had zijn vader niets geraden, want Terach sprak dit tot de koning om zijn ziel te redden van de koning, omdat hij zeer vreesde. De koning zei tegen Terach: „Haran, je zoon, die je dit geraden heeft, zal met Abram in het vuur sterven, want het doodvonnis rust op hem, omdat hij het woord van de koning getrotseerd heeft door dit te doen.” Brontekst: והרן (veharan) = en Haran | לא (lo) = niet | יעץ (ya'ats) = raadde | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביו (aviv) = zijn vader | מאומה (me'umah) = niets | כי (ki) = want | תרח (Terach) = Terach | דיבר (dibber) = sprak | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | בעבור (ba'avur) = om | הציל (hatsil) = te redden | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zijn ziel | מן (min) = uit | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = want | ירא (yere) = vreesde | מאוד (me'od) = zeer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tegen | תרח (Terach) = Terach | הרן (Haran) = Haran | בנך (bincha) = uw zoon | אשר (asher) = die | יעצך (ya'atskha) = je heeft geraden | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ימות (yamut) = zal sterven | באש (ba'esh) = in het vuur | עם (im) = met | אברם (Avram) = Abram | כי (ki) = want | משפט (mishpat) = het vonnis van | מות (mot) = de dood | עליו (alav) = op hem | על (al) = omdat | אשר (asher) = die | מרה (marah) = hij getrotseerd heeft | את (et) = (lijdend voorwerp) | פי (pi) = het woord van | המלך (hammelekh) = de koning | בעשותו (be'asoto) = door te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Haran door zijn vader werd aangewezen en met Abram in de oven stierf, staat niet in Genesis; zie Gen. 11:28 voor zijn dood ‘in Ur van de Chaldeeën’. Zie ook: Gen 11:28 **12:18** Haran neigde in die tijd naar Abram, maar hij hield het verborgen in zijn hart. Brontekst: והרן (veharan) = en Haran | נטה (natah) = neigde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | אחר (acher) = achter | אברם (Avram) = Abram | אך (akh) = maar | הסתיר (histir) = hield verborgen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | בליבו (belibbo) = in zijn hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:19** Haran zei in zijn hart: „Wel nu, de koning heeft Abram gegrepen om deze dingen die Abram gedaan heeft. Als Abram het van de koning wint, ga ik achter hem aan, en als de koning het van hem wint, ga ik achter de koning aan.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | הרן (Haran) = Haran | אל (el) = tot | ליבו (libbo) = zijn hart | אך (akh) = wel | עתה (attah) = nu | הנה (hinneh) = zie | המלך (hammelekh) = de koning | תפש (tafas) = heeft gegrepen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | על (al) = om | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | אברם (Avram) = Abram | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | יגבר (yigbar) = overwint | אברם (Avram) = Abram | מן (min) = van | המלך (hammelekh) = de koning | והלכתי (vehalakhti) = dan ga ik | אחריו (acharav) = achter hem | ואם (ve'im) = en als | יגבר (yigbar) = de overhand krijgt | המלך (hammelekh) = de koning | עליו (alav) = van hem | והלכתי (vehalakhti) = dan ga ik | אחרי (acharei) = achter | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:20** Toen Terach dit over Haran, zijn zoon, tot de koning gesproken had, beval de koning, en men greep ook Haran samen met Abram. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | תרח (Terach) = Terach | על (al) = over | הרן (Haran) = Haran | בנו (beno) = zijn zoon | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | המלך (hammelekh) = de koning | ויתפשו (vayitpesu) = en zij grepen | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרן (Haran) = Haran | עם (im) = met | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. **12:21** Zij brachten hen beiden voor de koning, en de koning beval hen beiden te binden, Abram en Haran, zijn broer, en hen in het vuur te werpen. Alle inwoners van het land, de dienaren van de koning, de vorsten en alle vrouwen en kinderen stonden die dag daar bij hen. Brontekst: ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | שניהם (shenehem) = hen beiden | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | המלך (hammelekh) = de koning | לאסור (le'esor) = te binden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שניהם (shenehem) = beiden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הרן (Haran) = Haran | אחיו (achiv) = zijn broer | ולהשליך (uleshalikh) = en te werpen | אותם (otam) = hen | אל (el) = in | האש (ha'esh) = het vuur | וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | ועבדי (ve'avdei) = en de dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | וכל (vekhol) = en alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | והטף (vehattaf) = en de kinderen | עומדים (omdim) = staande | שם (shem) = daar | היום (hayyom) = de dag | ההוא (hahu) = die | עליהם (aleihem) = bij hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 11:28 **12:22** De dienaren van de koning namen Haran en Abram, zijn broer, en ontkleedden hen van hun kleden en van al hun kleren; alleen hun onderkleding bleef aan hen. Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרן (Haran) = Haran | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | אחיו (achiv) = zijn broer | ויפשיטום (vayafshitum) = en zij ontkleedden hen | מכתנותיהם (mikutenotehem) = van hun kleden | ומכל (umikkol) = en van alle | בגדיהם (bigdehem) = hun kleren | רק (raq) = alleen | מכנסיהם (mikhnesehem) = hun onderkleding | היו (hayu) = bleef | עליהם (aleihem) = aan hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:23** Zij bonden hun handen en voeten met linnen touwen, en de dienaren van de koning tilden hen op en wierpen hen samen in de oven. Brontekst: ויאסרו (vaye'esru) = en zij bonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידיהם (yedeihem) = hun handen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | רגליהם (raglehem) = hun voeten | בחבלי (bechavlei) = met touwen van | בוץ (buts) = linnen | וישאום (vayis'um) = en zij tilden hen op | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | אותם (otam) = hen | יחד (yachad) = samen | אל (el) = tot | הכבשן (hakivshan) = de oven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abram in het vuur **12:24** Yahweh ijverde voor Abram en had medelijden met hem. Yahweh daalde neer en redde Abram uit het vuur, en hij werd niet verbrand. Brontekst: ויקנא (vayeqanne) = en Hij ijverde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = op | אברם (Avram) = Abram | ויחמול (vayachmol) = en Hij had medelijden | עליו (alav) = met hem | וירד (vayered) = en Hij daalde neer | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויצל (vayatsel) = en Hij redde | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | מן (min) = uit | האש (ha'esh) = het vuur | ולא (velo) = en niet | נשרף (nisraf) = werd verbrand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויקנא ה׳ על אברם (vayqanne Yahweh al avram), letterlijk ‘Yahweh ijverde voor Abram’. **12:25** Maar alle touwen waarmee zij hem gebonden hadden, werden verbrand, en Abram bleef over en wandelde in het vuur. Brontekst: אך (akh) = maar | כל (kol) = alle | החבלים (hachavalim) = de touwen | אשר (asher) = die | אסרוהו (asaruhu) = zij hem hadden gebonden | בהם (bahem) = daarmee | נשרפו (nisrefu) = werden verbrand | כולם (kullam) = allen | ויוותר (vayivvater) = en bleef over | אברם (Avram) = Abram | ויתהלך (vayyithallekh) = en wandelde | בתוך (betokh) = midden in | האש (ha'esh) = het vuur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:26** Haran stierf toen men hem in het vuur wierp: hij werd verbrand en werd tot as, want zijn hart was niet volkomen met Yahweh. De mannen die hen in het vuur geworpen hadden – de vlam van het vuur sloeg naar hen op en zij werden allen verbrand door de vonk van het vuur, en ongeveer twaalf man van hen stierven. Brontekst: והרן (veharan) = en Haran | בהשליכו (bahashlikho) = toen men hem wierp | אותו (oto) = hem | באש (ba'esh) = in vuur | מת (met) = stierf | וישרף (vayisaref) = en hij werd verbrand | ויהי (vayehi) = en hij werd | לאפר (le'efer) = tot as | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | היה (hayah) = was | לבבו (levavo) = zijn hart | שלם (shalem) = volkomen | את (et) = met | יהוה (Yahweh) = Yahweh | והאנשים (veha'anashim) = en de mannen | אשר (asher) = die | השליכו (hishlikhu) = wierpen | אותם (otam) = hen | אל (el) = tot | האש (ha'esh) = het vuur | עלה (alah) = sloeg op | להב (Lahav) = de vlam van | האש (ha'esh) = het vuur | אליהם (aleihem) = naar hen | וישרפו (vayissarefu) = en zij werden verbrand | כולם (kullam) = allen | בשביב (bishviv) = door de vonk van | האש (ha'esh) = het vuur | וימותו (vayamutu) = en stierven | מהם (mehem) = voor hen | כשנים (keshneim) = ongeveer twaalf (twee | עשר (esar) = tien) | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:27** Abram wandelde drie dagen en drie nachten in het vuur, en alle dienaren van de koning zagen hem in het vuur wandelen. Zij kwamen en zeiden tegen de koning: „Zie, wij hebben Abram in het vuur heen en weer zien gaan. Ook de onderkleding die hij aan heeft, is niet verbrand, maar het touw waarmee hij gebonden was, is verbrand en losgesprongen.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | אברהם (avraham) = Abraham | מתהלך (mithallekh) = wandelend | בתוך (betokh) = midden in | האש (ha'esh) = het vuur | שלושה (shelosha) = drie | ימים (yamim) = dagen | ושלושה (ushloshah) = en drie | לילות (leylot) = nachten | ויראו (vayiru) = en zij zagen | אותו (oto) = hem | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | מתהלך (mithallekh) = wandelend | התוך (hatokh) = het midden van | האש (ha'esh) = het vuur | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | ויגידו (vayaggidu) = en zij zeiden | למלך (lammelekh) = aan de koning | לאמור (lemor) = zeggende | הנה (hinneh) = zie | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | הולך (holekh) = gaande | ובא (uva) = en komend | בתוך (betokh) = midden in | האש (ha'esh) = het vuur | וגם (vegam) = en ook | המכנסיים (hammikhnasayim) = de onderkleding | אשר (asher) = die | עליו (alav) = aan hem | לא (lo) = niet | נשרפו (nisrefu) = werden verbrand | באש (ba'esh) = in het vuur | אך (akh) = maar | חבל (chevel) = het touw van | מאסרו (me'isro) = van zijn binding | נשרף (nisraf) = werd verbrand | וניתר (venittar) = en losgesprongen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:28** Toen de koning hun woorden hoorde, werd zijn hart slap bij hun woorden en hij geloofde hen niet. Hij zond andere, betrouwbare vorsten om deze zaak te zien, en zij gingen, zagen het en zeiden het de koning. De koning stond op, ging kijken en zag Abram in het vuur heen en weer gaan, en hij zag het lichaam van Haran verbrand in het vuur. De koning verwonderde zich hierover zeer. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריהם (divreihem) = hun woorden | ויפג (vayafag) = en slap werd | ליבו (libbo) = zijn hart | בדבריהם (bidvareihem) = bij hun woorden | ולא (velo) = en niet | האמין (he'emin) = geloofde | אליהם (aleihem) = hen | וישלח (vayishlach) = en hij zond | שרים (sarim) = vorsten | אחרים (acherim) = andere | נאמנים (ne'emanim) = betrouwbare | לראות (lir'ot) = om te zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויראו (vayiru) = en zij zagen | ויגידו (vayaggidu) = en zij zeiden het | למלך (lammelekh) = aan de koning | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | המלך (hammelekh) = de koning | וילך (vayelekh) = en ging | לראות (lir'ot) = kijken | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | הולך (holekh) = gaande | ובא (uva) = en komend | בתוך (betokh) = midden in | האש (ha'esh) = het vuur | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | את (et) = (lijdend voorwerp) | גויית (geviyyat) = het lichaam van | הרן (Haran) = Haran | שרופה (serufah) = verbrand | באש (ba'esh) = in vuur | ויתמה (vayitmah) = en hij verwonderde zich | המלך (hammelekh) = de koning | מאוד (me'od) = zeer | מזה (mizzeh) = hierover Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:29** De koning beval Abram uit het vuur te halen. De dienaren van de koning gingen dichterbij om hem uit te halen, maar konden het niet, want de vonk van het vuur en de vlam steeg uit de oven tegen hen op, en de dienaren van de koning vluchtten van hem weg. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | המלך (hammelekh) = de koning | להוציא (lehotsi) = uit te halen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | מתוך (mitokh) = uit het midden van | האש (ha'esh) = het vuur | ויגשו (vayiggeshu) = en zij gingen dichterbij | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | להוציאו (lehotsi'o) = om hem uit te halen | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = konden | כי (ki) = want | שביב (shaviv) = de vonk van | האש (ha'esh) = het vuur | והלהב (vehallahav) = en de vlam | עולה (oleh) = steeg op | לקראתם (liqratam) = hen tegemoet | מן (min) = uit | הכבשן (hakivshan) = de oven | וינוסו (vayanusu) = en vluchtten | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | ממנו (mimmennu) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:30** De koning berispte al zijn dienaren: „Haast u en haal Abram uit het vuur, dan sterft u niet.” Brontekst: ויגעו (vayig'u) = en hij berispte | המלך (hammelekh) = de koning | בכל (bekhol) = al | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | לאמור (lemor) = zeggende | מהרו (maharu) = haast u | והוציאו (vehotsi'u) = en haal uit | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | מן (min) = uit | האש (ha'esh) = het vuur | ולא (velo) = en niet | תמותו (tamutu) = sterft u Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויגעו (vayig'u) staat er. Waarschijnlijk is ויגער (vayig'ar), ‘en hij berispte’, bedoeld. De Engelse vertaling van Noah (1840) heeft ‘berispte’. **12:31** De dienaren van de koning gingen weer dichterbij om Abram uit te halen, en de vlam sloeg naar hen op en verbrandde hun gezichten, en acht man van hen stierven. Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij gingen dichterbij | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | להוציא (lehotsi) = om te laten uitgaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | ויעל (vayya'al) = en steeg op | הלהב (hallahav) = de vlam | אליהם (aleihem) = naar hen | וישרוף (vayisrof) = en verbrandde | את (et) = (lijdend voorwerp) | פניהם (penehem) = hun gezichten | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | מהם (mehem) = van hen | שמונה (shemonah) = acht | אנשים (anashim) = mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abram komt uit de oven **12:32** Toen de koning zag dat zijn dienaren niet bij het vuur konden komen, anders zouden ze verbrand worden, riep de koning tot Abram: „Kom uit het vuur, Abram, dienaar van Elohim, die in de hemel is, en kom hierheen, voor mij.” Abram hoorde de stem van de koning, kwam uit het vuur en bleef voor de koning staan. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen hij zag | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | יכלו (yakhelu) = konden | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | לגשת (lagashet) = te naderen | אל (el) = bij | האש (ha'esh) = het vuur | פן (pen) = anders | ישרפו (yissarefu) = zij verbrand zouden worden | ויקרא (vayikra) = en riep | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | לאמור (lemor) = zeggende | צא (tse) = kom uit | אברם (Avram) = Abram | עבד (eved) = dienaar van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | בשמים (bashamayim) = in de hemel | מתוך (mitokh) = uit het midden van | האש (ha'esh) = het vuur | ובא (uva) = en kom | הנה (hinneh) = hierheen | לפני (lifnei) = voor | וישמע (vayishma) = en hoorde | אברם (Avram) = Abram | בקול (bekol) = de stem van | המלך (hammelekh) = de koning | ויצא (vayetse) = en kwam uit | אברם (Avram) = Abram | מתוך (mitokh) = uit het midden van | האש (ha'esh) = het vuur | ויבוא (vayavo) = en kwam | ויעמוד (vaya'amod) = en hij bleef staan | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:33** Toen Abram naar buiten kwam, zagen de koning en al zijn dienaren Abram voor de koning komen met zijn onderkleding aan, want die was niet verbrand, maar het touw waarmee hij gebonden was, was verbrand. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | יצא (yatsa) = naar buiten kwam | אברם (Avram) = Abram | ויראו (vayiru) = en zij zagen | המלך (hammelekh) = de koning | ועל (ve'al) = en over | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | בא (ba) = komend | במכנסיו (bemikhnasav) = in zijn onderkleding | עליו (alav) = aan hem | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | נשרפו (nisrefu) = werden verbrand | אך (akh) = maar | חבל (chevel) = het touw van | מאסרו (me'isro) = zijn binding | נשרף (nisraf) = werd verbrand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:34** De koning zei tegen Abram: „Hoe komt het dat je niet in het vuur verbrand bent?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | איך (ekh) = hoe | לא (lo) = niet | נשרפת (nisrafta) = ben je verbrand | באש (ba'esh) = in het vuur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:35** Abram zei tegen de koning: „Elohim van hemel en aarde, op wie ik vertrouw en in wiens hand alles is, Hij heeft mij gered uit het vuur waarin u mij geworpen hebt.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | אלוקי (elohei) = Elohim van | השמים (hashamayim) = de hemel | והארץ (vehaarets) = en de aarde | אשר (asher) = die | בטחתי (batachti) = ik vertrouw | בו (bo) = op Hem | ואשר (va'asher) = en in wie | הכל (hakkol) = alles | בידו (beyado) = in Zijn hand | הוא (hu) = Hij | אשר (asher) = die | הצילני (hitsilani) = heeft mij gered | מן (min) = uit | האש (ha'esh) = het vuur | אשר (asher) = die | נתתני (netattani) = u hebt mij gezet | בו (bo) = daarin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:36** Haran, de broer van Abram, werd in het vuur verbrand en werd tot as. Men zocht zijn lichaam en vond het verbrand in het vuur. Brontekst: והרן (veharan) = en Haran | אחי (echi) = broer van | אברם (Avram) = Abram | נשרף (nisraf) = werd verbrand | באש (ba'esh) = in vuur | ויהי (vayehi) = en werd | לאפר (le'efer) = tot as | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | את (et) = (lijdend voorwerp) | גוייתו (gevi'ato) = zijn lichaam | וימצאוה (vayimtse'uah) = en zij vonden het | שרופה (serufah) = verbrand | באש (ba'esh) = in vuur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:37** Haran was tweeëntachtig jaar bij zijn dood in Ur van de Chaldeeën. De koning, de vorsten en alle inwoners van het land zagen dat Abram uit het vuur gered was, en zij kwamen allen en bogen zich neer voor Abram. Brontekst: והרן (veharan) = en Haran | בן (ben) = zoon van | שמונים (shemonim) = tachtig | שנה (shanah) = jaar | ושתיים (ushtayim) = en twee | שנה (shanah) = jaar | במותו (bemoto) = bij zijn sterven | באור (be'ur) = in Ur | כשדים (kasdim) = Chaldeeën | ויראו (vayiru) = en zij zagen | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | כי (ki) = dat | ניצול (nitsal) = gered was | אברם (Avram) = Abram | מן (min) = uit | האש (ha'esh) = het vuur | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:28: Haran stierf ‘in Ur van de Chaldeeën’. Zie ook: Gen 11:28 ### Abrams woorden **12:38** Abram zei tegen hen: „Buigt u niet neer voor mij, maar buigt u neer voor de Elohim van de wereld, die u gemaakt heeft, en dient Hem en gaat in Zijn wegen, want Hij is het die mij gered heeft uit dit vuur. En Hij is het die de ziel van ieder mens en zijn geest geschapen heeft, en de mens gevormd heeft in de buik van zijn moeder en hem op de aarde gebracht heeft. En Hij zal ieder die op Hem vertrouwt, redden van alle ziekte.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = niet | תשתחוו (tishtachavu) = buigt u neer | אליי (elai) = voor mij | אך (akh) = maar | השתחוו (hishtachavu) = buigt u neer | לאלוקי (le'elohei) = voor de Elohim van | העולם (ha'olam) = de wereld | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gemaakt | אתכם (etkhem) = u | ועבדוהו (va'avduhu) = en dient Hem | ולכו (ulkhu) = en gaat | בדרכיו (bidrakhav) = in Zijn wegen | כי (ki) = want | הוא (hu) = Hij | אשר (asher) = die | הצילני (hitsilani) = heeft mij gered | מתוך (mitokh) = uit het midden van | האש (ha'esh) = het vuur | הזאת (hazzo't) = dit | והוא (vehu) = en Hij | אשר (asher) = die | ברא (bara) = geschapen heeft | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפש (nefesh) = de ziel van | כל (kol) = ieder | אדם (adam) = mens | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | רוחו (rucho) = zijn geest | ויצר (veyetser) = en Hij vormde | האדם (ha'adam) = de mens | מבטן (mibbeten) = in de buik van | אמו (immo) = zijn moeder | והוציאו (vehotsi'u) = en bracht hem uit | לארץ (la'arets) = op de aarde | והוא (vehu) = en Hij | יציל (yatsil) = Hij zal redden | כל (kol) = ieder | הבוטח (habbotea) = die op Hem vertrouwt | בו (bo) = op Hem | מכל (mikkol) = van alle | מחלה (machalah) = ziekte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:39** Dit werd zeer wonderlijk in de ogen van de koning en de vorsten: dat Abram uit het vuur gered was en Haran verbrand. Brontekst: ויפלו (vayippelu) = en werd wonderlijk | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | מאוד (me'od) = zeer | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | כי (ki) = dat | הוצל (hutsal) = gered werd | אברם (Avram) = Abram | מן (min) = uit | האש (ha'esh) = het vuur | והרן (veharan) = en Haran | נשרף (nisraf) = verbrand werd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויפלו (vayippelu) staat er, letterlijk ‘en zij vielen’. Waarschijnlijk is ויפלאו (vayipale'u), ‘het was wonderlijk’, bedoeld. De vertaling volgt de Engelse vertaling van Noah (1840): ‘zeer wonderlijk’. **12:40** De koning gaf Abram vele geschenken: zilver en goud en bedolach. De koning en de vorsten zonden hem weg, en hij ging in vrede bij hen vandaan. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | המלך (hammelekh) = de koning | לאברם (le'avram) = aan Abram | מתנות (mattanot) = geschenken | רבות (rabbot) = vele | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | וישלחוהו (vayeshalechuhu) = en zij zonden hem weg | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | וילך (vayelekh) = en hij ging | מאיתם (me'itam) = bij hen vandaan | לשלום (leshalom) = in vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staan hier geen twee hoofdknechten, Oni en Eliëzer, die in vers 39 van de Engelse vertaling van Noah (1840) wel genoemd worden. Eliëzer komt in vers 59 voor als een dienaar die de koning Abram gegeven had. **12:41** Abram ging in vrede van de koning weg, en vele mannen van de dienaren van de koning volgden hem en sloten zich bij hem aan, ongeveer driehonderd man. Brontekst: ואברם (ve'avram) = en Abram | יצא (yatsa) = ging uit | מאת (me'et) = van | המלך (hammelekh) = de koning | בשלום (beshalom) = in vrede | וילכו (vayelkhu) = en gingen | אחריו (acharav) = achter hem | אנשים (anashim) = mannen | רבים (rabbim) = vele | מעבדי (me'avdei) = van de dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | וידבקו (vayidbequ) = en sloten zich aan | בו (bo) = bij hem | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:42** Abram keerde die dag terug en ging naar het huis van zijn vader, hij en al de mannen die met hem gegaan waren. Abram diende Yahweh, zijn Elohim, al de dagen van zijn leven en ging in Zijn wegen. Brontekst: וישב (vayyashev) = en hij keerde terug | אברם (Avram) = Abram | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | וילך (vayelekh) = en hij ging | בית (bet) = naar het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = gegaan waren | עמו (immo) = met hem | ויעבוד (vaya'avod) = en diende | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | חייו (chayav) = zijn leven | וילך (vayelekh) = en ging | בדרכיו (bidrakhav) = in Zijn wegen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:43** Abram neigde in die dagen het hart van de mensenkinderen om Yahweh te dienen, vanaf die dag en verder. Brontekst: ויטה (vayet) = en neigde | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | לב (lev) = het hart van | בני (bnei) = de kinderen van | האדם (ha'adam) = mensen | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | לעבוד (la'avod) = om te dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Nachor en Abram trouwen **12:44** In die tijd namen Nachor en Abram, zijn broer, vrouwen: de dochters van Haran, hun broer. De naam van de vrouw van Nachor was Milka en de naam van de vrouw van Abram was Sarai. Sarai, de vrouw van Abram, was onvruchtbaar; zij had in die dagen geen kind. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | נחור (Nachor) = Nachor | ואברם (ve'avram) = en Abram | אחיו (achiv) = zijn broer | להם (lahem) = voor zich | נשים (nashim) = vrouwen | בנות (banot) = dochters van | הרן (Haran) = Haran | אחיהם (achihem) = hun broer | שם (shem) = de naam van | אשת (eshet) = vrouw van | נחור (Nachor) = Nachor | מילכה (milkah) = Milka | ושם (veShem) = en de naam van | אשת (eshet) = vrouw van | אברם (Avram) = Abram | שרי (sarai) = Sarai | ושרי (vesarai) = en Sarai | אשת (eshet) = vrouw van | אברם (Avram) = Abram | הייתה (hayetah) = was | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | אין (ein) = er was niet | לה (lah) = haar | ולד (valad) = kind | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:29–30: Nachor en Abram nemen een vrouw, Milka en Sarai; Sarai is onvruchtbaar. Zie ook: Gen 11:29–30 ### De droom van Nimrod **12:45** Na twee jaar, gerekend vanaf Abrams uitgaan uit het vuur, dat is het tweeënvijftigste jaar van het leven van Abram, zat koning Nimrod op de troon van het koningschap in Babel. De koning sliep en droomde, en zie, hij stond met zijn krijgers en zijn legers in het dal tegenover de oven van het vuur van de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = aan het einde van | שנתיים (shenatayim) = twee jaar | ימים (yamim) = dagen | לצאת (latset) = uitgaan | אברם (Avram) = Abram | מן (min) = uit | האש (ha'esh) = het vuur | היא (hi) = dat | שנת (shenat) = jaar van | שתיים (shetayim) = twee | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אברם (Avram) = Abram | והמלך (vehammelekh) = en de koning | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | יושב (yoshev) = zittend | על (al) = op | כיסא (kisse) = de troon van | המלוכה (hammelukhah) = het koningschap | בבבל (bevavel) = in Babel | וישן (vayishan) = en sliep | המלך (hammelekh) = de koning | ויחלום (vayachalom) = en droomde | והנה (vehinneh) = en zie | עומד (omed) = staand | עם (im) = met | חייליו (chayalav) = zijn krijgers | וצבאותיו (vetsiv'otav) = en zijn legers | בעמק (ba'emeq) = in het dal | נגד (neged) = tegenover | כבשן (kivshan) = oven van | האש (ha'esh) = het vuur | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = van de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. **12:46** Hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, een man in de gedaante van Abram kwam uit de oven, kwam en bleef voor de koning staan met zijn getrokken zwaard in zijn hand. Die man rende met zijn zwaard op de koning af, en de koning vluchtte voor die man, want hij vreesde. Terwijl hij vluchtte, wierp de man een ei op het hoofd van de koning, en het ei werd een grote rivier. Brontekst: וישא (vayissa) = en hij sloeg op | עיניו (einav) = zijn ogen | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | והנה (vehinneh) = en zie | איש (ish) = een man | דמות (demut) = gelijkenis van | אברם (Avram) = Abram | יוצא (yotse) = uitgaande | מתוך (mitokh) = uit het midden van | הכבשן (hakivshan) = de oven | ויבוא (vayavo) = en kwam | ויעמוד (vaya'amod) = en hij bleef staan | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וחרבו (vecharbo) = en zijn zwaard | שלופה (shelufah) = getrokken | בידו (beyado) = in zijn hand | וירץ (vayyarots) = en rende | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | אל (el) = naar | המלך (hammelekh) = de koning | בחרבו (becharbo) = met zijn zwaard | וינס (vayanos) = en vluchtte | המלך (hammelekh) = de koning | מהאיש (mehai'sh) = voor de man | ההוא (hahu) = die | כי (ki) = want | ירא (yere) = hij vreesde | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בנוסו (benuso) = terwijl hij vluchtte | וישלח (vayishlach) = en wierp | האיש (ha'ish) = de man | על (al) = op | ראש (rosh) = het hoofd van | המלך (hammelekh) = de koning | ביצה (beitsah) = een ei | ותהי (vatehi) = en werd | הביצה (habbeitsah) = het ei | לנהר (lenahar) = tot een rivier | גדול (gadol) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:47** Al zijn leger verdronk in die rivier en zij stierven allen, maar de koning vluchtte met drie mannen die voor hem waren, en ontkwam. Brontekst: ויטבעו (vayitbe'u) = en zij verdronken | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | בנהר (bannahar) = in de rivier | ההוא (hahu) = die | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | כולם (kullam) = allen | והמלך (vehammelekh) = en de koning | ברח (barach) = vluchtte | עם (im) = met | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = waren | לפניו (lefanav) = voor hem | וימלט (vayimmalet) = en hij ontkwam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:48** De koning keek naar die mannen, en zie, hun kleding was koninklijke kleding, zoals de kleren van de koning, en zij hadden het uiterlijk en de gestalte van de koning. Brontekst: ויבט (vayabet) = en hij keek | המלך (hammelekh) = de koning | באנשים (ba'anashim) = naar de mannen | ההם (hahem) = die | והנה (vehinneh) = en zie | לבושם (levushem) = hun kleding | לבוש (levush) = kleding van | מלכות (malkhut) = koningschap | כבגדי (kivgdei) = zoals de kleren van | המלך (hammelekh) = de koning | והם (vehem) = en zij | בתואר (bethoar) = in uiterlijk | ובקומה (uvqomah) = en in gestalte | כתואר (kethoar) = zoals het uiterlijk van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:49** Terwijl zij vluchtten, werd die rivier weer een ei, zoals in het begin, tegenover de koning. Uit dat ei kwam een klein kuiken, dat voor de koning kwam, op het hoofd van de koning vloog en het oog van de koning uitpikte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בברחם (bevorcham) = terwijl zij vluchtten | וישב (vayyashev) = en keerde terug | הנהר (hannahar) = de rivier | ההוא (hahu) = die | לביצה (labbeitsah) = tot een ei | כבתחילה (kattechillah) = zoals in het begin | נגד (neged) = tegenover | המלך (hammelekh) = de koning | ויצא (vayetse) = en kwam | מהביצה (mehabbeitsah) = uit het ei | ההיא (hahi) = die | אפרוח (efroach) = een kuiken | קטן (qatan) = klein | ויבוא (vayavo) = en kwam | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויעוף (vaya'of) = en vloog | על (al) = op | ראש (rosh) = het hoofd van | המלך (hammelekh) = de koning | וינקר (vayenaqer) = en pikte uit | את (et) = (lijdend voorwerp) | עין (ayin) = oog van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:50** De koning schrok van dat gezicht en werd wakker uit zijn slaap, zijn geest werd verontrust en hij vreesde zeer. Brontekst: ויחרד (vayecherad) = en schrok | המלך (hammelekh) = de koning | מהמראה (mehammar'eh) = van het gezicht | ההוא (hahu) = die | ויקץ (vayyakets) = en hij werd wakker | משנתו (mishnato) = uit zijn slaap | ותתפעם (vatitpa'em) = en werd verontrust | רוחו (rucho) = zijn geest | ויירא (vayira) = en vreesde | יראה (yir'ah) = vrees | גדולה (gedolah) = grote | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:51** Toen het morgen werd, stond de koning in verbijstering op van zijn bed. Hij beval, en men bracht alle wijzen en alle tovenaars voor hem, en de koning vertelde hun de droom. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de morgen | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | המלך (hammelekh) = de koning | ממשכבו (mimishkavo) = van zijn bed | בבהלה (bevahalah) = in verbijstering | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | ויביא (vayavi) = en liet brengen | לפניו (lefanav) = voor hem | כל (kol) = alle | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | וכל (vekhol) = en alle | החרטומים (hacharttumim) = de tovenaars | ויספר (vayesaper) = en vertelde | להם (lahem) = hun | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | החלום (hachalom) = de droom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:52** Eén wijze van de dienaren van de koning, wiens naam Anuko was, antwoordde de koning: „Dit is niets anders dan het kwaad van Abram en zijn nageslacht, dat in de laatste dagen tegen mijn heer de koning zal opkomen. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | חכם (chakham) = een wijze | אחד (echad) = één | מעבדי (me'avdei) = van de dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | ושמו (ushmo) = en zijn naam | אנוקו (anuqo) = Anuko | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | אין (ein) = niets | זה (ze) = is dit | כי (ki) = anders | אם (em) = dan | רעת (ra'at) = het kwaad van | אברם (Avram) = Abram | וזרעו (vezar'o) = en zijn nageslacht | אשר (asher) = dat | תצמח (titsmach) = zal opkomen | על (al) = tegen | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | באחרית (be'acharit) = in het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:53** Zie, er komen dagen dat Abram en zijn nageslacht en de leden van zijn huis zullen komen om te strijden met mijn heer de koning, en zij zullen alle legers van de koning en zijn krijgers verslaan. Brontekst: הנה (hinneh) = zie | ימים (yamim) = dagen | באים (va'im) = komen | אשר (asher) = dat | יבוא (yavo) = zal komen | אברם (Avram) = Abram | וזרעו (vezar'o) = en zijn nageslacht | ובני (uvnei) = en de kinderen van | ביתו (beito) = zijn huis | להילחם (lehillachem) = om te strijden | עם (im) = met | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | ויכו (vayakku) = en zij zullen slaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | צבאות (tsiv'ot) = legers van | המלך (hammelekh) = de koning | וחייליו (vechayalav) = en zijn krijgers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:54** En wat u gezien hebt, dat u vluchtte met drie mannen die zoals u waren en ontkwam: dat u alleen gered zult worden, met drie koningen van de koningen van de aarde, die in de oorlog bij u zullen zijn. Brontekst: ואשר (va'asher) = en wat | ראית (ra'ita) = u hebt gezien | אשר (asher) = dat | ברחת (barachta) = u vluchtte | עם (im) = met | שלושת (sheloshet) = drie | אנשים (anashim) = mannen | אשר (asher) = die | כמוך (kamokha) = zoals u | ונמלטת (venimlatta) = en ontkwam | זה (ze) = dit | אשר (asher) = dat | תוצל (tutsal) = u gered zult worden | לבדך (levadekha) = alleen u | עם (im) = met | שלושה (shelosha) = drie | מלכים (melakhim) = koningen | ממלכי (mimalkhei) = van de koningen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | אשר (asher) = die | יהיו (yihyu) = zullen zijn | עמך (immekha) = bij u | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:55** En wat u gezien hebt, de rivier die weer een ei werd zoals in het begin, en haar kuiken dat het oog van de koning uitpikte: dat is niets anders dan het nageslacht van Abram, dat de koning in de laatste dagen zal doden. Brontekst: ואשר (va'asher) = en wat | ראית (ra'ita) = u hebt gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנהר (hannahar) = de rivier | אשר (asher) = die | שב (shav) = terugkeerde | לביצה (labbeitsah) = tot een ei | כבתחילה (kattechillah) = als in het begin | וינקר (vayenaqer) = en pikte uit | אפרוחה (efrochah) = haar kuiken | את (et) = (lijdend voorwerp) | עין (ayin) = oog van | המלך (hammelekh) = de koning | אין (ein) = niets | זה (ze) = dit | כי (ki) = want | אם (em) = dan | זרע (zera) = het nageslacht van | אברם (Avram) = Abram | אשר (asher) = dat | יהרוג (yaharog) = zal doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:56** Dit is de droom van mijn heer de koning en dit is zijn uitleg. De droom is waar, en juist is de uitleg die uw dienaar u uitgelegd heeft. Brontekst: זה (ze) = dit is | חלום (chalom) = de droom van | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | וזה (vezeh) = en dit | פתרונו (pitrono) = zijn uitleg | ואמת (ve'emet) = en waar | החלום (hachalom) = de droom | ונכון (venakhon) = en juist | הפיתרון (happitaron) = de uitleg | אשר (asher) = die | פתר (patar) = heeft uitgelegd | לך (lekha) = aan u | עבדך (avdekha) = uw dienaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:57** Nu, mijn heer de koning, u weet toch dat het nu tweeënvijftig jaar geleden is dat uw wijzen dit zagen bij de geboorte van Abram. Waarom laat mijn heer de koning Abram in het land leven, tot schade van mijn heer de koning? Want alle dagen dat Abram in het land is, zult u en uw koninkrijk niet bestendig zijn, want dit was al bij zijn geboorte bekend. En waarom heeft de koning hem niet gedood, zodat zijn kwaad in de laatste dagen van u zou ophouden?” Brontekst: עתה (attah) = nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | הלא (halo) = toch | ידעת (yada'ta) = weet u | כי (ki) = dat | זה (ze) = nu | שתיים (shetayim) = twee | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | שנה (shanah) = jaar | היום (hayyom) = vandaag | אשר (asher) = dat | ראו (ra'u) = zagen | חכמיך (chakhameikha) = uw wijzen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | במולד (bemolad) = bij de geboorte van | אברם (Avram) = Abram | ולמה (velamah) = en waarom | יחיה (yechayeh) = laat leven | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | בארץ (ba'arets) = in het land | לרעת (lera'at) = tot schade van | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = want | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | אשר (asher) = die | אברם (Avram) = Abram | בארץ (ba'arets) = in het land | לא (lo) = niet | תיכון (tikkon) = zult u bestendig zijn | אתה (attah) = u | ומלכותך (umalkhutekha) = en uw koninkrijk | כי (ki) = want | טרם (terem) = al eerder | נודע (noda) = bekend was | זה (ze) = dit | במולדו (bemoledo) = bij zijn geboorte | ולמה (velamah) = en waarom | לא (lo) = niet | המיתנו (hemitano) = gedood | המלך (hammelekh) = de koning | ותחדל (vetechdal) = zodat ophoudt | רעתו (ra'ato) = zijn kwaad | מעליך (me'alekha) = van u | באחרית (be'acharit) = in het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ולמה לא המיתנו המלך (ulamah lo hemitanu hammelekh), letterlijk ‘waarom heeft de koning ons niet gedood’. Waarschijnlijk is המיתהו (hemito), ‘hem gedood’, bedoeld. ### Eliëzer waarschuwt Abram **12:58** Nimrod luisterde naar de stem van Anuko en zond in het geheim enkele van zijn dienaren om Abram te grijpen en hem voor de koning te brengen om hem te doden. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij hoorde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | בקול (bekol) = naar de stem van | אנוקו (anuqo) = Anuko | וישלח (vayishlach) = en hij zond | המלך (hammelekh) = de koning | מעבדיו (me'avadav) = van zijn dienaren | בסתר (baseter) = in het geheim | ללכת (lalekhet) = om te gaan | לתפוש (litpos) = om te grijpen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | ולהביאו (ulehevi'o) = en hem te brengen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | להמיתו (lehamito) = om hem te doden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:59** Eliëzer, de dienaar van Abram, die de koning hem gegeven had, was in die tijd daar voor de koning en hoorde wat Anuko de koning geraden had en wat de koning gesproken had om Abram te doden. Eliëzer haastte zich, ging daar weg en rende naar Abram, voordat de dienaren van de koning bij Abram kwamen. Brontekst: ואליעזר (ve'eli'ezer) = en Eliëzer | עבד (eved) = de dienaar van | אברם (Avram) = Abram | אשר (asher) = die | נתן (natan) = had gegeven | לו (lo) = hem | המלך (hammelekh) = de koning | היה (hayah) = was | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | שם (shem) = daar | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וישמע (vayishma) = en hoorde | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | יעץ (ya'ats) = had geraden | אנוקו (anuqo) = Anuko | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | המלך (hammelekh) = de koning | להמית (lehamit) = om te doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | ויצא (vayetse) = en ging | משם (misham) = vandaar | וירץ (vayyarots) = en rende | אל (el) = naar | אברם (Avram) = Abram | טרם (terem) = voordat | הגיעו (higgi'u) = kwamen | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = bij | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 15:2: Eliëzer van Damascus. Zie ook: Gen 15:2 **12:60** Eliëzer zei tegen Abram: „Haast je, sta op, red je ziel, dan sterf je niet door de hand van de koning. Want zo en zo heeft de koning de droom over jou gezien, en zo en zo heeft Anuko hem die uitgelegd, en zo en zo heeft Anuko de koning over jou geraden.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | לאברם (le'avram) = aan Abram | מהר (maher) = haast je | קום (qum) = sta op | הימלט (himmalet) = red | על (al) = voor | נפשך (nafshekha) = je ziel | ולא (velo) = en niet | תמות (tamutu) = dan sterf je | ביד (beyad) = in de hand van | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = want | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | ראה (ra'ah) = zag | המלך (hammelekh) = de koning | החלום (hachalom) = de droom | על (al) = over | אודותיך (odotekha) = jou | וכזה (vekhazeh) = en zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | פתר (patar) = legde uit | לו (lo) = aan hem | אנוקו (anuqo) = Anuko | וכזאת (vekhazzot) = en zo | וכזאת (vekhazzot) = en zo | יעץ (ya'ats) = raadde | אנוקו (anuqo) = Anuko | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | עליך (aleikha) = over jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:61** Abram luisterde naar de stem van Eliëzer, haastte zich en rende voor zijn leven naar het huis van Noach en zijn zoon Sem, en verborg zich daar en ontkwam. De dienaren van de koning kwamen naar het huis van Abram en zochten Abram, maar vonden hem niet. Ze zochten in heel het land, en niets, en ze gingen en zochten op elke weg, en niets. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אברם (Avram) = Abram | בקול (bekol) = naar de stem van | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | אברם (Avram) = Abram | וירץ (vayyarots) = en rende | בנפשו (benafsho) = voor zijn leven | אל (el) = naar | בית (bet) = het huis van | נח (Noach) = Noach | ושם (veShem) = en Sem | בנו (beno) = zijn zoon | ויתחבא (vayitchabe) = en verborg zich | שם (shem) = daar | וימלט (vayimmalet) = en hij ontkwam | ועבדי (ve'avdei) = en de dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | באו (ba'u) = kwamen | בית (bet) = naar het huis van | אברם (Avram) = Abram | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | ולא (velo) = en niet | מצאוהו (metsa'uhu) = vonden hem | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | ואין (veein) = en niets | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | בכל (bekhol) = op elke | הדרך (haderekh) = weg | ואין (veein) = en niets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:62** Toen de dienaren van de koning Abram niet vonden, keerden zij terug naar de koning op hun weg, en de grimmigheid van de koning tegen Abram bedaarde, omdat zij hem niet vonden. De koning vergat de zaak van Abram uit zijn hart. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | לא (lo) = niet | מצאו (ma'tsa'u) = vonden | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | וישובו (vayashuvu) = en keerden terug | אל (el) = naar | המלך (hammelekh) = de koning | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | ותשכך (vatishokh) = en bedaarde | חמת (Chamat) = de woede van | המלך (hammelekh) = de koning | מאת (me'et) = tegen | אברם (Avram) = Abram | כאשר (ka'asher) = zoals | לא (lo) = niet | מצאוהו (metsa'uhu) = vonden hem | וישכח (vayishkach) = en vergat | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבר (davar) = de zaak van | אברם (Avram) = Abram | מליבו (millibbo) = uit zijn hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:63** Abram verborg zich een maand lang in het huis van Noach, totdat de koning zijn zaak vergeten was, maar Abram vreesde de koning nog om die zaak. Terach kwam in het geheim Abram, zijn zoon, bezoeken in het huis van Noach, want Terach was zeer groot in de ogen van de koning. Brontekst: ויסתר (vayyaster) = en verborg zich | אברם (Avram) = Abram | בבית (babbayit) = in het huis van | נח (Noach) = Noach | חודש (chodesh) = een maand | ימים (yamim) = lang | עד (ad) = totdat | שכוח (shekhoach) = vergeten was | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברו (dabberu) = zijn zaak | ואברם (ve'avram) = en Abram | עודנו (odenu) = nog | ירא (yere) = vreesde | מן (min) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = om | הדבר (haddavar) = de zaak | ההוא (hahu) = die | ויבוא (vayavo) = en kwam | תרח (Terach) = Terach | לראות (lir'ot) = om te bezoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | בבית (babbayit) = in het huis van | נח (Noach) = Noach | בסתר (baseter) = in het geheim | ותרח (veTerach) = en Terach | גדול (gadol) = grote | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abram en Terach **12:64** Abram zei tegen zijn vader: „Weet je niet dat de koning besloten heeft mij te doden en mijn naam van de aarde te laten verdwijnen, op raad van zijn goddeloze raadgevers? Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | הלא (halo) = toch niet | ידעת (yada'ta) = weet je | כי (ki) = want | המלך (hammelekh) = de koning | מתנחם (mitnachem) = is van plan | להרגני (laharegeni) = mij te doden | ולאבד (ule'abbed) = en te laten verdwijnen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמי (shemi) = mijn naam | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = de aarde | בעצת (be'atsat) = op raad van | יועצי (yo'atsei) = raadgevers van | הרשע (haresha) = het kwaad | אשר (asher) = die | לו (lo) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:65** Nu, wie heb je hier, en wat heb je hier in dit land? Sta op en laten wij allen samen naar het land Kanaän gaan, dan ontkomen wij aan zijn hand, anders word ook jij door zijn kwaad weggevaagd in de laatste dagen. Brontekst: עתה (attah) = nu | מי (mi) = wie | לך (lekha) = heb je | פה (peh) = hier | ומה (umah) = en wat | לך (lekha) = heb je | פה (peh) = hier | בארץ (ba'arets) = in het land | הזאת (hazzo't) = deze | קומו (qumu) = staat op | ונלכה (venelkhah) = en laten wij gaan | כולנו (kulanu) = wij allen | יחד (yachad) = samen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ונמלטנו (venimmalatnu) = dan ontkomen wij | מידו (miyyado) = uit zijn hand | פן (pen) = anders | תספה (tissafeh) = word weggevaagd | גם (gam) = ook | אתה (attah) = jij | ברעתו (bero'ato) = door zijn kwaad | באחרית (be'acharit) = in het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **12:66** Weet je niet, of heb je niet gehoord, dat Nimrod je al deze eer waarin je bent niet uit liefde gegeven heeft, maar dat hij je al dit goede doet omdat het goed is voor hemzelf? Brontekst: הלא (halo) = toch niet | ידעת (yada'ta) = weet je | אם (em) = of | לא (lo) = niet | שמעת (shamata) = je hebt gehoord | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | מאהבה (me'ahavah) = uit liefde | נתן (natan) = heeft gegeven | לך (lekha) = je | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הכבוד (hakavod) = de eer | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | אתה (attah) = je bent | בו (bo) = daarin | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | לטוב (letov) = tot voordeel | לו (lo) = van hem | עשה (asah) = doet | לך (lekha) = je | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הטובה (hattovah) = het goede | הזאת (hazzo't) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:67** En ook als hij je nog veel meer goeds doet, dan is dat niets anders dan de ijdelheden van de wereld, want bezit en rijkdom baten niet op de dag van toorn en verbolgenheid. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | אם (em) = als | יעשה (ya'aseh) = hij doet | לך (lekha) = aan jou | עוד (od) = nog | טובה (tovah) = goeds | הרבה (harbeh) = veel meer | כהנה (kehennah) = zoveel | וכהנה (vekhehennah) = en zoveel | אין (ein) = niet | זה (ze) = dit | כי (ki) = want | אם (em) = dan | הבלי (havlei) = ijdelheden van | העולם (ha'olam) = de wereld | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יועיל (yo'il) = baat | הון (hon) = bezit | ועושר (va'osher) = en rijkdom | ביום (beyom) = op de dag | עברה (evrah) = toorn | וזעם (vaza'am) = en verbolgenheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:68** Luister nu naar mijn stem, laten wij opstaan en naar het land Kanaän gaan, weg van het kwaad van Nimrod. Dien Yahweh, die je op de aarde geschapen heeft, en het zal je goed gaan, en laat alle ijdelheid varen waar je achteraan jaagt.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | שמע (shema) = luister | בקולי (beqoli) = naar mijn stem | ונקומה (venequmah) = en laten wij opstaan | ונלכה (venelkhah) = en laten wij gaan | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | מרעת (mera'at) = weg van het kwaad van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ועבוד (va'avod) = en dien | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | בראך (bera'akha) = je geschapen heeft | בארץ (ba'arets) = op de aarde | וטוב (vetov) = en goed | לך (lekha) = voor jou | ועזוב (va'azov) = en laat varen | מעליך (me'alekha) = van je | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ההבל (hahevel) = de ijdelheid | אשר (asher) = die | אתה (attah) = jij | רודף (rodef) = najaagt | אחריו (acharav) = erachter Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **12:69** Toen Abram klaar was met spreken, antwoordden Noach en zijn zoon Sem en zeiden tegen Terach: „Het woord dat Abram tot u gesproken heeft, is waar.” Brontekst: ויכל (vayekhal) = en maakte af | אברם (Avram) = Abram | לדבר (laddavar) = met spreken | ויען (vaya'an) = en antwoordde | נח (Noach) = Noach | ושם (veShem) = en Sem | בנו (beno) = zijn zoon | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אל (el) = tegen | תרח (Terach) = Terach | אמת (emet) = waar | הדבר (haddavar) = het woord | אשר (asher) = die | אמר (amar) = heeft gezegd | אברם (Avram) = Abram | אליך (elekha) = tot u Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **12:70** Terach luisterde naar de stem van Abram, zijn zoon, en Terach deed alles wat Abram gesproken had, want het was van Yahweh dat de koning Abram niet zou doden. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij hoorde | תרח (Terach) = Terach | בקול (bekol) = naar de stem van | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | ויעש (vayya'as) = en hij deed | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | אברם (Avram) = Abram | כי (ki) = want | מיהוה (meYahweh) = van Yahweh | הייתה (hayetah) = was | לו (lo) = het | לבלתי (levilti) = opdat niet | המית (hemit) = zou doden | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 13 _Naar Charan; de roepingen van Abram; Kedorlaomer_ ### Terach trekt naar Charan **13:1** Terach nam zijn zoon Abram en Lot, de zoon van Haran, zijn kleinzoon, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram, en alle zielen van zijn huis. Ze trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën, uit Babel, om naar het land Kanaän te gaan. Ze kwamen tot het land Charan en bleven daar, want ze vonden het land zeer goed en ruim genoeg voor alle mensen die hen volgden. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en Hij nam | תרח (Terach) = Terach | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנו (beno) = zijn zoon | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | לוט (lot) = Lot | בן (ben) = zoon van | הרן (Haran) = Haran | בן (ben) = zoon van | בנו (beno) = zijn zoon | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = Sarai | כלתו (kallato) = zijn schoondochter | אשת (eshet) = vrouw van | אברם (Avram) = Abram | בנו (beno) = zijn zoon | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | נפשות (nefashot) = zielen van | ביתו (beito) = zijn huis | ויצאו (vayyetse'u) = en zij trokken uit | איתם (ittam) = met hen | מאור (me'ur) = uit Ur | כשדים (kasdim) = Chaldeeën | מבבל (mibavel) = uit Babel | ללכת (lalekhet) = om te gaan | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עד (ad) = tot | ארץ (erets) = land van | חרן (charan) = Charan | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | שם (shem) = daar | כי (ki) = want | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | הארץ (ha'arets) = het land | טובה (tovah) = goed | מאוד (me'od) = zeer | ורחבת (verachavat) = en ruim | ידיים (yadayim) = uitgestrekt | לכל (lekhol) = voor alle | האדם (ha'adam) = mensen | אשר (asher) = die | ברגליהם (beraglehem) = die hen volgden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:31: Terach nam Abram, Lot en Sarai mee uit Ur van de Chaldeeën naar Charan. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 11:31 **13:2** De mannen van het land Charan zagen dat Abram goed en oprecht was voor Elohim en mensen, en dat Yahweh, zijn Elohim, met hem was. Ook enkelen van de mannen van Charan kwamen naar hem toe en sloten zich bij Abram aan. Hij leerde hun de onderwijzing van Yahweh en Zijn wegen, en de mannen bleven met Abram in zijn huis en bleven hem trouw. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | אנשי (anshei) = de mannen van | ארץ (erets) = het land | חרן (charan) = Charan | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | טוב (tov) = goed | וישר (veyashar) = en oprecht | עם (im) = bij | אלוקים (Elohim) = Elohim | ואנשים (ve'anashim) = en mensen | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | עמו (immo) = met hem | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אליו (elav) = naar hem | גם (gam) = ook | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | חרן (charan) = Charan | וידבקו (vayidbequ) = en sloten zich aan | באברם (be'avram) = bij Abram | וילמדם (vayelammedem) = en hij leerde hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מוסר (musar) = onderwijzing van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | דרכיו (derakhav) = zijn wegen | וישבו (vayeshvu) = en bleven | האנשים (ha'anashim) = de mannen | עם (im) = bij | אברם (Avram) = Abram | בביתו (beveyto) = in zijn huis | וידבקו (vayidbequ) = en bleven trouw | בו (bo) = aan hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. ### Yahweh verschijnt aan Abram **13:3** Abram bleef drie jaar in Charan. Na die drie jaar verscheen Yahweh aan Abram en zei tegen hem: **„Ik ben Yahweh, die je uit Ur van de Chaldeeën geleid heeft en die je gered heeft uit de hand van al je vijanden.** Brontekst: וישב (vayyashev) = en hij woonde | אברם (Avram) = Abram | בחרן (becharan) = in Charan | שלוש (shalosh) = drie | שנים (shanim) = jaren | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na afloop van | שלוש (shalosh) = drie | שנים (shanim) = jaren | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = aan | אברם (Avram) = Abram | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אני (ani) = Ik | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | הוצאתיך (hotseti'kha) = Ik heb je naar buiten geleid | מאור (me'ur) = uit Ur | כשדים (kasdim) = Chaldeeën | ואשר (va'asher) = en die | הצלתיך (hitsaltikha) = Ik heb je gered | מכף (mikkaf) = uit de hand van | כל (kol) = alle | אויביך (oyvekha) = je vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Ur: Ur lag in het zuiden van Mesopotamië, bij het huidige Tell el-Mukajjar in Irak, ten westen van de oude loop van de Eufraat. Voetnoot Uitleg: Dat Abram eerst een roeping krijgt na drie jaar in Charan, vervolgens naar Kanaän gaat, daarna weer in Charan woont en daar een tweede keer geroepen wordt, staat niet in Genesis. Zie Gen. 12:1. Zie ook: Gen 12:1 **13:4** **Als je nu goed naar Mijn stem luistert en Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten bewaart, dan zal Ik je vijanden voor je laten vallen. Ik zal je nageslacht talrijk maken als de sterren van de hemel, Ik zal Mijn zegen zenden over al het werk van je handen, en je zult niets tekortkomen.** Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אם (em) = als | שמוע (shamoa) = horen | תשמע (tishma) = luister | בקולי (beqoli) = naar Mijn stem | ושמרת (veshamarta) = en bewaar | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצוותי (mitsvotai) = Mijn geboden | וחוקותיי (vechuqqotai) = en Mijn verordeningen | ותורותיי (vetorotai) = en Mijn wetten | והפלתי (vehippalti) = dan zal Ik laten vallen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אויביך (oyvekha) = je vijanden | לפניך (lefanekha) = voor je | והרביתי (vehirbeti) = en Ik zal talrijk maken | את (et) = (lijdend voorwerp) | זרעך (zar'akha) = je nageslacht | ככוכבי (kekhokhevei) = als de sterren van | השמים (hashamayim) = de hemel | והשלחתי (vehishlachti) = en Ik zal zenden | את (et) = (lijdend voorwerp) | ברכתי (birkhati) = Mijn zegen | בכל (bekhol) = in heel | מעשה (ma'aseh) = het werk van | ידיך (yadekha) = je handen | ולא (velo) = en niet | תחסר (techsar) = zul je tekortkomen | דבר (davar) = een reden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **13:5** **Sta nu op, neem je vrouw en alles wat van jou is en ga naar het land Kanaän. Je zult daar wonen, en daar zal Ik je Elohim zijn en je zegenen.”** Abram stond op, nam zijn vrouw en alles wat van hem was, en ging naar het land Kanaän, zoals Yahweh tot hem gesproken had. Abram was vijfenvijftig jaar oud toen hij uit Charan vertrok. Brontekst: עתה (attah) = nu | קום (qum) = sta op | קח (qach) = neem | את (et) = (lijdend voorwerp) | אישתך (ishtekha) = je vrouw | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לך (lekha) = van jou | ולך (ulekha) = en ga | לך (lekha) = voor jezelf | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | וישבת (veyashavta) = en woon | שם (shem) = daar | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ושם (veShem) = en daar | אהיה (ehyeh) = zal Ik zijn | לך (lekha) = voor jou | לאלוקים (le'elohim) = tot goden | ואברכך (va'avarekhkha) = en Ik zal je zegenen | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | אברם (Avram) = Abram | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשתו (ishto) = zijn vrouw | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = van hem | וילך (vayelekh) = en hij ging | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | אליו (elav) = tegen hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואברם (ve'avram) = en Abram | בן (ben) = zoon van | חמישים (chamishim) = vijftig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaar | בצאתו (betseto) = toen hij vertrok | מחרן (mecharan) = uit Charan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:4: Abram was vijfenzeventig jaar toen hij uit Charan vertrok. In Jasher gaat Abram eerst op zijn vijftigste uit Charan weg (vers 5) en keert op zijn vijfenzeventigste terug (vers 26). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 12:4 **13:6** Abram kwam in het land Kanaän en woonde in het midden van de stad. Daar sloeg hij zijn tent op onder de Kanaänieten, de bewoners van het land. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אברם (Avram) = Abram | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | וישב (vayyashev) = en woonde | בתוך (betokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | ויט (vayet) = en sloeg op | שם (shem) = daar | אהלו (oholo) = zijn tent | בתוך (betokh) = te midden van | בני (bnei) = de kinderen van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **13:7** Yahweh verscheen aan Abram toen hij in het land Kanaän kwam en zei tegen hem: **„Dit is het land dat Ik aan jou en aan je nageslacht na jou gegeven heb, voor altijd. Ik zal je nageslacht maken als de sterren van de hemel, en aan je nageslacht zal Ik alle landen geven die je ziet, om ze te bezitten.”** Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | בבואו (bevo'o) = toen hij kwam | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | זאת (zot) = dit | הארץ (ha'arets) = het land | אשר (asher) = dat | נתתי (natati) = ik gegeven heb | לך (lekha) = aan jou | ולזרעך (ulezar'akha) = en aan je nageslacht | אחריך (acharekha) = na jou | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwigheid | ושמתי (veshamti) = en Ik zal maken | את (et) = (lijdend voorwerp) | זרעך (zar'akha) = je nageslacht | ככוכבי (kekhokhevei) = als de sterren van | השמים (hashamayim) = de hemel | ונתתי (venatati) = en Ik zal geven | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארצות (ha'aratsot) = de landen | האל (ha'el) = deze | אשר (asher) = die | אתה (attah) = jij | רואה (ro'eh) = ziet | לרשת (laresheth) = om te bezitten | אותם (otam) = ze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:7 en Gen. 13:14–15. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 12:7; Gen 13:14–15 **13:8** Abram bouwde een altaar op de plaats waar Yahweh met hem gesproken had, en Abram riep daar de naam van Yahweh aan. Brontekst: ויבן (vayiven) = en hij bouwde | אברם (Avram) = Abram | מזבח (mizbeach) = een altaar | במקום (bamaqom) = op de plaats | אשר (asher) = waar | דיבר (dibber) = Hij had gesproken | איתו (ito) = met hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויקרא (vayikra) = en riep | שם (shem) = daar | אברם (Avram) = Abram | בשם (beshem) = in de naam van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Noach sterft **13:9** In die tijd, na drie jaar dat Abram in het land woonde, stierf Noach in dat jaar, het achtenvijftigste jaar van het leven van Abram. Alle dagen van Noach die hij leefde, waren negenhonderdvijftig jaar, en hij stierf. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מקצה (miqetseh) = aan het einde van | שלוש (shalosh) = drie | שנים (shanim) = jaren | לשבת (lashevet) = van het wonen van | אברם (Avram) = Abram | בארץ (ba'arets) = in het land | וימת (vayamot) = en stierf | נח (Noach) = Noach | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | שנת (shenat) = jaar van | חמישים (chamishim) = vijftig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אברם (Avram) = Abram | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | נח (Noach) = Noach | אשר (asher) = dat | חי (chai) = hij leefde | תשע (tesha) = negen | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 9:29: Noach werd negenhonderdvijftig jaar. Zie ook: Gen 9:29 **13:10** Abram woonde in het land Kanaän, hij, zijn vrouw en alles wat van hem was, en alle mensen die hem volgden, en allen die zich uit de inwoners van het land bij hem aangesloten hadden. Alleen Nachor, de broer van Abram, Terach, zijn vader, Lot, de zoon van Haran, en alles wat van hen was, woonden in Charan. Brontekst: וישב (vayyashev) = en woonde | אברם (Avram) = Abram | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | הוא (hu) = hij | ואשתו (ve'ishto) = en zijn vrouw | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = van hem | וכל (vekhol) = en alle | האדם (ha'adam) = mensen | אשר (asher) = die | ברגליו (beraglav) = die hem volgden | וכל (vekhol) = en alle | הנלווים (hannilvim) = die zich aansloten | אליו (elav) = bij hem | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | הארץ (ha'arets) = het land | רק (raq) = alleen | נחור (Nachor) = Nachor | אחי (echi) = broer van | אברם (Avram) = Abram | ותרח (veTerach) = en Terach | אביו (aviv) = zijn vader | ולוט (velot) = en Lot | בן (ben) = zoon van | הרן (Haran) = Haran | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | להם (lahem) = van hen | ישבו (yashvu) = woonden | בחרן (becharan) = in Charan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. ### Opstand tegen Kedorlaomer **13:11** In het vijfde jaar dat Abram in het land Kanaän woonde, kwamen de mannen van Sodom en Gomorra en alle steden van de Kikkar in opstand tegen Kedorlaomer, de koning van Elam. Twaalf jaar lang hadden alle koningen van de steden van de Kikkar Kedorlaomer gediend en hem elk jaar schatting gegeven, maar in die dagen, in het dertiende jaar, kwamen zij tegen hem in opstand. Brontekst: בשנת (bishnat) = in het jaar | חמש (chamesh) = vijf | שנים (shanim) = jaren | לשבת (lashevet) = van het wonen van | אברם (Avram) = Abram | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | פשעו (pash'u) = zij kwamen in opstand | אנשי (anshei) = de mannen van | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | וכל (vekhol) = en alle | ערי ('eri) = steden van | הככר (hakikkar) = de Kikkar | מתחת (mittachat) = onder | יד (yad) = de hand van | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | מלך (malakh) = koning van | עילם (Elam) = Elam | כי (ki) = want | שתיים (shetayim) = twee | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | עבדו (avdo) = dienden | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | ערי ('eri) = steden van | הככר (hakikkar) = de Kikkar | את (et) = (lijdend voorwerp) | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | ויתנו (vayittenu) = en gaven | לו (lo) = hem | מס (mas) = schatting | שנה (shanah) = jaar | בשנה (bashanah) = bij jaar | וימרדו (vayimredu) = maar kwamen in opstand | בו (bo) = tegen hem | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | שלוש (shalosh) = drie | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:4: twaalf jaar dienden zij Kedorlaomer, en in het dertiende jaar kwamen zij in opstand. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie ook: Gen 14:4 **13:12** In het tiende jaar dat Abram in het land Kanaän woonde, was er oorlog tussen Nimrod, de koning van Sinear, en Kedorlaomer, de koning van Elam. Want Nimrod had gehoord dat de mannen van Sodom tegen Kedorlaomer in opstand gekomen waren, en hij kwam om tegen Kedorlaomer te strijden en hem aan zich te onderwerpen. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = en in het jaar | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | לשבת (lashevet) = van het wonen van | אברם (Avram) = Abram | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | הייתה (hayetah) = was | מלחמה (milchamah) = oorlog | בין (bein) = tussen | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | מלך (malakh) = koning van | שנער (Shin'ar) = Sinear | ובין (uvein) = en tussen | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | מלך (malakh) = koning van | עילם (Elam) = Elam | כי (ki) = want | שמע (shema) = hoorde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | כי (ki) = dat | פשעו (pash'u) = in opstand gekomen waren | אנשי (anshei) = mensen van | סדום (sedom) = Sodom | מתחת (mittachat) = van onder | יד (yad) = hand van | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | להילחם (lehillachem) = om te strijden | עם (im) = tegen | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | להכניעו (lehakhnio) = om hem te onderwerpen | תחת (tachat) = aan | ידו (yado) = zich Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **13:13** Kedorlaomer was in die dagen een van de bevelhebbers van de legers van Nimrod geweest. Toen alle mannen van de toren gevallen waren en de overgeblevenen over heel de aarde verstrooid waren, ging Kedorlaomer naar het land Elam, werd er koning en kwam in opstand tegen zijn heer. Brontekst: כי (ki) = want | משרי (misarei) = een van de bevelhebbers van | צבאות (tsiv'ot) = legers van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | היה (hayah) = hij was | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וכאשר (vekha'asher) = en toen | נפלו (naflu) = gevallen waren | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | המגדל (hammigdal) = de toren | ונפוצו (venafotsu) = en werden verstrooid | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | על (al) = over | פני (pnei) = het aangezicht van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | וילך (vayelekh) = en hij ging | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | ארץ (erets) = het land | עילם (Elam) = Elam | וימלוך (vayemlokh) = en werd koning | עליה (aleha) = erover | וימרוד (vayimrod) = en kwam in opstand | באדוניו (be'adonav) = tegen zijn heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: Dat Kedorlaomer een bevelhebber van Nimrod was en tegen hem in opstand kwam, staat niet in Genesis. **13:14** In die dagen, toen Nimrod hoorde dat alle steden van de Kikkar tegen Kedorlaomer in opstand gekomen waren, kwam hij met hoogmoed en minachting om tegen Kedorlaomer te strijden. Nimrod verzamelde al zijn vorsten en dienaren, ongeveer zevenduizend man, en trok Kedorlaomer tegemoet. Kedorlaomer trok hem tegemoet met vijfduizend man, en zij stelden zich op voor de strijd in het dal van Babel, dat tussen Elam en Sinear ligt. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | כי (ki) = dat | פשעו (pash'u) = in opstand gekomen waren | בו (bo) = tegen hem | בכדרלעמר (bikhdarla'omer) = tegen Kedorlaomer | כל (kol) = alle | ערי ('eri) = steden van | הככר (hakikkar) = de Kikkar | ויבוא (vayavo) = en kwam | להילחם (lehillachem) = om te strijden | עם (im) = tegen | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | בגאוה (bega'avah) = met hoogmoed | ובוז (uvuz) = en minachting | ויקבוץ (vayiqbots) = en hij verzamelde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | שריו (saraiv) = zijn vorsten | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | כשבעת (keshiv'at) = ongeveer zeven | אלפי (alfei) = duizend | איש (ish) = een man | וילך (vayelekh) = en hij ging | לקראת (liqrat) = tegemoet | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | וכדרלעמר (vekhdarla'omer) = en Kedorlaomer | יצא (yatsa) = hij uitging | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | בחמשת (bachamishat) = met vijf | אלפי (alfei) = duizend | איש (ish) = een man | ויערכו (vaya'archu) = en zij stelden op | מלחמה (milchamah) = oorlog | בבקעת (beviqat) = in het dal van | בבל (bavel) = Babel | אשר (asher) = die | בין (bein) = tussen | עילם (Elam) = Elam | ובין (uvein) = en tussen | שנער (Shin'ar) = Sinear Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. **13:15** Al die koningen streden daar, en Nimrod en zijn hele volk werden verslagen door de mannen van Kedorlaomer. Van de mannen van Nimrod vielen in die oorlog ongeveer zeshonderd man, en ook Mardon, de zoon van de koning, viel onder hen. Brontekst: וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | וינגף (vayyinnagef) = en werd verslagen | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | וכל (vekhol) = en alle | עמו (immo) = zijn volk | אנשי (anshei) = mensen van | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | ויפול (vayippol) = en viel | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ההיא (hahi) = die | כשש (kheshesh) = ongeveer zes | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | ויפול (vayippol) = en viel | גם (gam) = ook | מרדון (Mardon) = Mardon | בן (ben) = zoon van | המלך (hammelekh) = de koning | עמהם (immahem) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **13:16** Nimrod vluchtte en keerde in schaamte en vernedering terug naar zijn land, en hij onderwierp zich vele dagen aan Kedorlaomer. Kedorlaomer keerde terug naar zijn land en zond de bevelhebbers van zijn legers naar de koningen rondom hem, naar Arioch, de koning van Ellasar, en naar Tidal, de koning van Goïm. Hij sloot een verbond met hen en bracht hen allen onder zijn gehoorzaamheid. Brontekst: ויברח (vayivrach) = en vluchtte | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | וישב (vayyashev) = en keerde terug | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land | בבושה (bevoshah) = in schaamte | וכלימה (vekhlimmah) = en vernedering | ויכנע (vayikkana) = en onderwierp zich | לפני (lifnei) = aan | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | וכדרלעמר (vekhdarla'omer) = en Kedorlaomer | שב (shav) = keerde terug | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land | וישלח (vayishlach) = en hij zond | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = de bevelhebbers van | צבאותיו (tsevaotav) = zijn legers | אל (el) = naar | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | סביבותיו (sevivotav) = rondom hem | אל (el) = naar | אריוך (aryokh) = Arioch | מלך (malakh) = koning van | אלסר (elasar) = Ellasar | ואל (ve'el) = en naar | תדעל (tid'al) = Tidal | מלך (malakh) = koning van | גוים (goyim) = Goïm | ויכרות (vayikhrot) = en sloot | עמם (immam) = met hen | ברית (berit) = een verbond | ויסירם (vayasirem) = en bracht hen | כולם (kullam) = allen | אל (el) = onder | משמעתו (mishma'ato) = onder zijn gehoorzaamheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:1: Arioch, Kedorlaomer en Tidal. Zie ook: Gen 14:1 ### Yahweh verschijnt opnieuw **13:17** In het vijftiende jaar dat Abram in het land woonde, het zeventigste jaar van het leven van Abram, verscheen Yahweh in dat jaar aan Abram. Hij zei tegen hem: **„Ik ben Yahweh, die je uit Ur van de Chaldeeën geleid heeft om je dit land te geven als bezit.** Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | חמש (chamesh) = vijf | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | לשבת (lashevet) = van het wonen | אברם (Avram) = Abram | בארץ (ba'arets) = in het land | היא (hi) = dat | שנת (shenat) = jaar van | שבעים (shiv'im) = zeventig | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אברם (Avram) = Abram | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | בשנה (bashanah) = per jaar | ההיא (hahi) = die | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אני (ani) = Ik | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | הוצאתיך (hotseti'kha) = Ik heb je naar buiten geleid | מאור (me'ur) = uit Ur | כשדים (kasdim) = Chaldeeën | לתת (latet) = om te geven | לך (lekha) = je | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = dit | לרשתה (lerishtah) = om het te bezitten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 15:7 (‘Ik ben Yahweh, die je uit Ur van de Chaldeeën geleid heeft’) en Gen. 17:1 (‘Wandel voor Mij en wees onberispelijk’). Zie ook: Gen 15:7; Gen 17:1 **13:18** **Wandel nu voor Mij en wees onberispelijk, en bewaar Mijn voorschrift, want aan jou en aan je nageslacht zal Ik dit land geven als bezit, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat.** Brontekst: עתה (attah) = nu | התהלך (hithallekh) = wandel | לפני (lifnei) = voor Mij | והיה (vehayah) = en wees | תמים (tamim) = onberispelijk | ושמרת (veshamarta) = en bewaar | את (et) = (lijdend voorwerp) | משמרתי (mishmarti) = Mijn voorschrift | כי (ki) = want | לך (lekha) = aan jou | ולזרעך (ulezar'akha) = en aan je nageslacht | אתן (etten) = zal Ik geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = dit | לרשתה (lerishtah) = om het te bezitten | מנהר (minnehar) = van de rivier | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עד (ad) = tot | הנהר (hannahar) = de rivier | הגדול (haggadol) = de grote | נהר (nehar) = rivier | פרת (perat) = Eufraat Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. **13:19** **Jij zult in vrede tot je vaderen komen, in een goede grijze ouderdom, en het vierde geslacht zal hierheen terugkeren, naar dit land, en het voor altijd beërven.”** Abram bouwde een altaar en riep de naam van Yahweh aan, die aan hem verschenen was, en hij bracht brandoffers op het altaar voor Yahweh. Brontekst: ואתה (ve'attah) = en jij | תבוא (tavo) = zult komen | אל (el) = tot | אבותיך (avotekha) = je vaderen | בשלום (beshalom) = in vrede | ובשיבה (uvseivah) = en in grijze ouderdom | טובה (tovah) = goede | ודור (vador) = en het geslacht | רביעי (revi'i) = vierde | ישובו (yashuvu) = zullen terugkeren | הנה (hinneh) = hierheen | בארץ (ba'arets) = in het land | הזאת (hazzo't) = deze | ויירשוה (veyirashuha) = en zullen het beërven | לעולם (le'olam) = voor altijd | ויבן (vayiven) = en bouwde | אברם (Avram) = Abram | מזבח (mizbeach) = een altaar | ויקרא (vayikra) = en riep | בשם (beshem) = de naam van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הנראה (hannir'eh) = die verschenen was | אליו (elav) = aan hem | ויעל (vayya'al) = en bracht op | עולות (olot) = brandoffers | במזבח (bammizbeach) = op het altaar | ליהוה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 15:15–16: ‘in vrede tot je vaderen komen’, ‘in een goede ouderdom’, en ‘het vierde geslacht’. Zie ook: Gen 15:15–16 ### Abram in Charan **13:20** In die tijd keerde Abram terug en ging naar Charan, en hij woonde daar vijf jaar in Charan. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | שב (shav) = keerde terug | אברם (Avram) = Abram | וילך (vayelekh) = en hij ging | חרנה (charanah) = naar Charan | וישב (vayyashev) = en hij woonde | שם (shem) = daar | בחרן (becharan) = in Charan | חמש (chamesh) = vijf | שנים (shanim) = jaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. **13:21** Vele mannen van Charan, ongeveer tweeënzeventig man, volgden Abram nog, en Abram leerde hun de onderwijzing van Yahweh en Zijn wegen, en hij leerde hen Yahweh te kennen. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | עוד (od) = nog | אחרי (acharei) = achter | אברם (Avram) = Abram | אנשים (anashim) = mannen | רבים (rabbim) = vele | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | חרן (charan) = Charan | כשבעים (keshiv'im) = ongeveer zeventig | ושניים (ushnayim) = en twee | איש (ish) = een man | וילמדם (vayelammedem) = en hij leerde hen | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | מוסר (musar) = onderwijzing van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | דרכיו (derakhav) = zijn wegen | וילמד (vayelammed) = en leerde | אותם (otam) = hen | לדעת (lada'at) = te kennen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. ### De tweede roeping **13:22** In die dagen verscheen Yahweh aan Abram in Charan en zei tegen hem: **„Heb Ik niet tot je gesproken, nu twintig jaar geleden, en gezegd:** Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | נראה (nir'ah) = verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = aan | אברם (Avram) = Abram | בחרן (becharan) = in Charan | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הלא (halo) = toch | דברתי (dibbarti) = Ik heb gesproken | אליך (elekha) = tot jou | זה (ze) = nu | עשרים (esrim) = twintig | שנה (shanah) = jaar | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. **13:23** **‘Ga weg uit je land, uit je geboorteland en uit het huis van je vader, naar het land dat Ik je getoond heb, om het aan jou en aan je zonen te geven. Want daar, in dat land, zal Ik je zegenen, daar zal Ik je tot een groot volk maken, Ik zal je naam groot maken, en in jou zullen alle families van de grond gezegend worden.’** Brontekst: לך (lekha) = ga | לך (lekha) = voor jezelf | מארצך (me'artsekha) = uit je land | וממולדתך (umimmoladtekha) = en uit je geboorteland | ומבית (umibbeyt) = en uit het huis van | אביך (avikha) = je vader | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | אשר (asher) = dat | הראיתיך (har'itikha) = Ik je heb getoond | לתת (latet) = om te geven | אותה (otah) = het | לך (lekha) = aan jou | ולבניך (ulevanekha) = en aan je zonen | כי (ki) = want | שם (shem) = daar | בארץ (ba'arets) = in het land | ההיא (hahi) = dat | אברכך (avarekhkha) = Ik zal je zegenen | ושם (veShem) = en daar | אעשך (e'esekha) = Ik zal je maken | לגוי (legoy) = tot een volk | גדול (gadol) = grote | ואגדלה (va'agaddelah) = en Ik zal groot maken | שמך (shemekha) = je naam | ונברכו (venivrekhu) = en zullen gezegend worden | בך (bekha) = in jou | כל (kol) = alle | משפחות (mishpechot) = families van | האדמה (ha'adamah) = de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:1–3. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat hier vóór de aanhaling een afgebroken regel en de kopregel ‘parasjat Lech lecha’. Die zijn weggelaten. Zie ook: Gen 12:1–3 **13:24** **Sta nu op, ga weg van deze plaats, jij en je vrouw en alles wat van jou is, ook alle in je huis geborenen en alle zielen die je in Charan gemaakt hebt. Breng ze met je mee van hier en sta op, en keer terug naar het land Kanaän.”** Brontekst: עתה (attah) = nu | קום (qum) = sta op | צא (tse) = ga weg | לך (lekha) = voor jezelf | מן (min) = uit | המקום (hammaqom) = de plaats | הזה (hazzeh) = deze | אתה (attah) = jij | ואשתך (ve'ishtekha) = en je vrouw | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | לך (lekha) = van jou | וגם (vegam) = ook | כל (kol) = alle | ילידי (yelidei) = de geborenen van | ביתך (beitekha) = je huis | וכל (vekhol) = en alle | הנפש (hannefesh) = de zielen | אשר (asher) = die | עשית (asita) = je gemaakt hebt | בחרן (becharan) = in Charan | הוצא (hotse) = breng uit | איתך (ittekha) = met je | מזה (mizzeh) = van hier | וקום (vequm) = en sta op | שוב (shuv) = keer terug | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 12:1 **13:25** Abram stond op, nam Sarai, zijn vrouw, en alles wat van hem was, alle in zijn huis geborenen en alle zielen die zij in Charan gemaakt hadden, en hij trok weg om naar het land Kanaän te gaan. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | אברם (Avram) = Abram | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = Sarai | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ילידי (yelidei) = de geborenen van | ביתו (beito) = zijn huis | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הנפש (hannefesh) = de zielen | אשר (asher) = die | עשו (asu) = gemaakt hadden | בחרן (becharan) = in Charan | ויצא (vayetse) = en trok weg | ללכת (lalekhet) = om te gaan | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **13:26** Abram ging en keerde terug naar het land Kanaän, naar het woord van Yahweh, en Lot, de zoon van zijn broer Haran, ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar oud toen hij uit Charan vertrok om naar het land Kanaän terug te keren. Brontekst: וילך (vayelekh) = en ging | וישב (vayyashev) = en keerde terug | אברם (Avram) = Abram | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | כדבר (kidvar) = naar het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וילך (vayelekh) = en ging | איתו (ito) = met hem | לוט (lot) = Lot | בן (ben) = zoon van | הרן (Haran) = Haran | אחיו (achiv) = zijn broer | ואברם (ve'avram) = en Abram | בן (ben) = zoon van | חמש (chamesh) = vijf | שנים (shanim) = jaren | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | שנה (shanah) = jaar | בצאתו (betseto) = toen hij wegging | מחרן (mecharan) = uit Charan | לשוב (lashuv) = terug te keren | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:4. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 12:4 **13:27** Zij kwamen in het land Kanaän, zoals Yahweh tot Abram gesproken had. Abram sloeg zijn tent op en woonde bij de eiken van More, en Lot, de zoon van zijn broer, en alles wat van hem was, waren bij hem. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | ויט (vayet) = en sloeg op | אברם (Avram) = Abram | אהלו (oholo) = zijn tent | וישב (vayyashev) = en woonde | באלוני (be'elonei) = bij de eiken van | מורה (moreh) = More | ולוט (velot) = en Lot | בן (ben) = zoon van | אחיו (achiv) = zijn broer | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = van hem | עמו (immo) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:6: ‘de eik van More’. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 12:6 ### Yahweh verschijnt in Kanaän **13:28** Yahweh verscheen opnieuw aan Abram en zei: **„Aan je nageslacht zal Ik dit land geven.”** En hij bouwde daar een altaar voor Yahweh, die aan hem verscheen; dat staat daar nog tot op deze dag, bij de eiken van More. Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | עוד (od) = opnieuw | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht | אתן (etten) = zal Ik geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = dit | ויבן (vayiven) = en Hij bouwde | שם (shem) = daar | מזבח (mizbeach) = een altaar | ליהוה (laYahweh) = voor Yahweh | הנראה (hannir'eh) = die verscheen | אליו (elav) = tegen hem | עודנו (odenu) = nog | באלוני (be'elonei) = bij de eiken van | מורה (moreh) = More | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = de dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:7. Zie ook: Gen 12:7 ## Jasher 14 _Rikjon wordt Farao_ ### Rikjon in Egypte **14:1** In die dagen was er in het land Sinear een man, wijs en inzichtelijk in alle wijsheid, en zeer mooi van uiterlijk, maar hij was arm en berooid, zonder iets. Zijn naam was Rikjon. Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | היה (hayah) = hij was | בארץ (ba'arets) = in het land | שנער (Shin'ar) = Sinear | איש (ish) = een man | חכם (chakham) = wijs | ומשכיל (umaskil) = en verstandig | בכל (bekhol) = in alle | חכמה (chokhmah) = wijsheid | ויפה (veyefeh) = en mooi van | תואר (to'ar) = uiterlijk | מאוד (me'od) = zeer | אך (akh) = maar | היה (hayah) = hij was | איש (ish) = een man | עני (ani) = arm | ורש (varash) = en berooid | אין (ein) = er was niet | כל (kol) = iets | ושמו (ushmo) = en zijn naam | רקיון (riqyon) = Rikjon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. Voetnoot Uitleg: Dit verhaal over Rikjon staat niet in Genesis. **14:2** Hij was zeer bedrukt om zijn levensonderhoud en besloot naar Egypte te gaan, naar Ashviros, de zoon van Anom, de koning van Egypte, om de koning zijn wijsheid te laten zien. Misschien zou hij gunst vinden in zijn ogen, zodat hij hem groot zou maken en hem zijn levensonderhoud zou geven. Rikjon deed zo. Brontekst: וייצר (vayyitser) = en het was benauwd | לאיש (le'ish) = voor de man | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = om | מחייתו (michyato) = zijn levensonderhoud | ויועץ (vayiva'ets) = en hij besloot | ללכת (lalekhet) = te gaan | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | אל (el) = naar | אשוירוש (ashvirosh) = Ashviros | בן (ben) = zoon van | ענם (anom) = Anom | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | להראות (lehar'ot) = te laten zien | למלך (lammelekh) = aan de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid | אולי (ulai) = misschien | ימצא (yimtsa) = zou vinden | חן (chen) = gunst | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen | לגדלו (legaddelo) = om hem groot te maken | ולתת (velatet) = en te geven | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | מחייתו (michyato) = zijn levensonderhoud | ויעש (vayya'as) = en hij deed | רקיון (riqyon) = Rikjon | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:3** Toen Rikjon in Egypte kwam, vroeg hij de inwoners van Egypte naar de koning, en de inwoners van Egypte vertelden hem het recht van de koning van Egypte. In die dagen was het namelijk zo dat de koning niet uit zijn paleis, uit het slot van de koning, ging en zich in het land alleen op één dag in het jaar liet zien. Daarna kwam de koning weer in zijn paleis om daar te blijven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כבוא (kevo) = toen kwam | רקיון (riqyon) = Rikjon | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בעבור (ba'avur) = over | המלך (hammelekh) = de koning | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = hem | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | משפט (mishpat) = het recht van | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = want | משפט (mishpat) = het recht van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | שלא (shelo) = dat niet | יצא (yatsa) = uitging | המלך (hammelekh) = de koning | מהיכלו (meheikhalo) = uit zijn paleis | מארמון (me'armon) = uit het slot van | המלך (hammelekh) = de koning | ולא (velo) = en niet | יראה (yir'ah) = gezien werd | בארץ (ba'arets) = in het land | כי (ki) = dan | אם (em) = als | יום (yom) = dag | אחד (echad) = één | בשנה (bashanah) = in het jaar | ואחרי (ve'acharei) = en na | כן (ken) = dit | יבוא (yavo) = kwam | עוד (od) = weer | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = naar | היכלו (heikhalo) = zijn paleis | לשבת (lashevet) = om te blijven | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:4** Op die dag dat de koning uitging, sprak hij recht in heel het land, en ieder die een zaak had, kwam op die dag voor de koning. Hij deed hem alles wat hij van de koning vroeg. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = dat | יצא (yatsa) = hij uitging | המלך (hammelekh) = de koning | ושפט (veshafat) = en recht sprak | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | וכל (vekhol) = en alle | איש (ish) = man | אשר (asher) = die | לו (lo) = had | דבר (davar) = een reden | יבוא (yavo) = kwam | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ועשה (ve'asah) = en hij deed | לו (lo) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | ישאל (yish'al) = hij vroeg | מאת (me'et) = van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **14:5** Toen Rikjon het recht van Egypte hoorde, en dat hij niet voor de koning kon komen, werd hij zeer bedroefd en verbitterd hierover. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | רקיון (riqyon) = Rikjon | את (et) = (lijdend voorwerp) | משפט (mishpat) = het recht van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכי (vekhi) = en dat | לא (lo) = niet | יוכל (yukhal) = hij kon | לבוא (lavo) = te komen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויתעצב (vayit'atsev) = en hij werd bedroefd | מאוד (me'od) = zeer | ויחר (vayyichar) = en het verbitterde | לו (lo) = hem | על (al) = over | ככה (kakhah) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:6** Toen het avond werd, ging Rikjon heen en vond een verwoest huis, een van de bakkershuizen van Egypte. Daar overnachtte hij, in bitterheid van ziel en in honger, en de slaap week uit zijn ogen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בערב (ba'erev) = in de avond | וילך (vayelekh) = en hij ging | רקיון (riqyon) = Rikjon | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | בית (bet) = een huis | חרב (charev) = verwoest | מבתי (mibbatei) = van de huizen van | האופים (ha'ofim) = de bakkers | אשר (asher) = die | למצרים (leMitsrayim) = van Egypte | וילן (vayalen) = en hij overnachtte | שם (shem) = daar | במר (bemar) = in bitterheid van | נפש (nefesh) = ziel van | וברעב (uvara'av) = en in honger | ותדד (vatiddod) = en week | שנתו (shenato) = zijn slaap | מעיניו (me'einav) = uit zijn ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:7** Rikjon sprak bij zichzelf: wat zou hij in de stad doen tot hij de koning zou zien, en hoe zou hij zichzelf in de stad kunnen onderhouden? Brontekst: וידבר (vayedabber) = en sprak | רקיון (riqyon) = Rikjon | עם (im) = met | לבו (libbo) = zijn hart | מה (mah) = wat | יעשה (ya'aseh) = zou hij doen | בעיר (ba'ir) = in de stad | עד (ad) = totdat | ראות (re'ot) = hij zou zien | המלך (hammelekh) = de koning | ואיכה (ve'eikhah) = en hoe | יוכל (yukhal) = zou kunnen | לכלכל (lekhalkel) = te onderhouden | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zichzelf | בעיר (ba'ir) = in de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **14:8** Hij stond 's morgens op en liep door de stad. Daar kwam hij verkopers van groente tegen en vroeg het hun, en zij vertelden hem dat zij zichzelf onderhielden met groente en met zaden, die zij kochten en aan de bewoners van het land verkochten. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ויתהלך (vayyithallekh) = en liep rond | בעיר (ba'ir) = in de stad | ויקר (vayiqer) = en het overkwam | מקרהו (miqrehu) = hem toevallig | המוכרים (hammokhrim) = de verkopers van | הירק (hayyaraq) = de groente | וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | אליהם (aleihem) = hun | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = hem | אשר (asher) = dat | הם (hem) = zij | מכלכלים (mekhalkelim) = onderhielden | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשם (nafsham) = zichzelf | בירק (bayyaraq) = met groente | ובזרעונים (uvzer'onim) = en met zaden | אשר (asher) = die | יקנו (yiqnu) = zij kochten | וימכרו (veyimkeru) = en verkochten | ליושבי (leyoshevei) = aan de bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **14:9** Rikjon wilde doen zoals zij, om zichzelf in de stad in leven te houden, maar hij kende het recht van de mensen van het land niet en was als een blinde onder hen. Brontekst: ויחפוץ (vayachpots) = en wilde | רקיון (riqyon) = Rikjon | לעשות (la'asot) = om te doen | כמעשיהם (kema'aseihem) = zoals hun doen | בעבור (ba'avur) = om | החיות (hachayyot) = in leven te houden | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zichzelf | בעיר (ba'ir) = in de stad | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | ידע (yada) = kende | את (et) = (lijdend voorwerp) | משפט (mishpat) = het recht van | אנשי (anshei) = mensen van | הארץ (ha'arets) = het land | ויהי (vayehi) = en was | כסומא (kesumah) = als een blinde | בתוכם (betokham) = onder hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **14:10** Hij ging en nam ook groente om te verkopen voor zijn levensonderhoud. Maar nietsnutten verzamelden zich om hem, bespotten hem en roofden al zijn groente van hem; zij lieten hem niets over. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | ירק (yaraq) = groente | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | למכור (limkor) = om te verkopen | למחייתו (limchyato) = voor zijn levensonderhoud | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | עליו (alav) = rond hem | בני (bnei) = de zonen van | בליעל (beliya'al) = Belial | וילעגו (vayil'agu) = en bespotten | בו (bo) = hem | ויחטפו (vayachtefu) = en roofden | ממנו (mimmennu) = ervan | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הירק (hayyaraq) = de groente | לא (lo) = niet | השאירו (hish'iru) = zij lieten over | לו (lo) = hem | דבר (davar) = een reden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **14:11** Hij stond daar op in bitterheid van ziel en zuchten, ging naar het bakkershuis waar hij overnacht had en sliep daar de tweede nacht. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en stond op | משם (misham) = vandaar | במר (bemar) = in bitterheid van | נפש (nefesh) = ziel van | ואנחה (ve'anachah) = en zuchten | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | בית (bet) = het huis van | האופים (ha'ofim) = de bakkers | אשר (asher) = waar | לן (lan) = hij overnacht had | בו (bo) = daarin | וישכב (vayishkav) = en sliep | שם (shem) = daar | בלילה (ballaylah) = in de nacht | השנית (hashenit) = de tweede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **14:12** Hij beraadslaagde die nacht opnieuw met zijn wijsheid, hoe hij zichzelf kon redden, en hij vond een list om te doen. Brontekst: ויתייעץ (vayityaets) = en beraadslaagde | עוד (od) = opnieuw | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | איכה (eikhah) = hoe | יוכל (yukhal) = hij kon | להימלט (lehimmalet) = te ontkomen | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zichzelf | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | עלילה (alilah) = voorwendsel | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = te doen | על (al) = hierover | ככה (kakhah) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Rikjons list **14:13** Hij stond 's morgens vroeg op en handelde met wijsheid. Hij ging en huurde dertig mannen, helden en nietsnutten, met hun wapens in hun hand. Hij leidde hen naar de grotten van het graf van Egypte en liet hen daar zitten. Brontekst: וישכם (vayashkem) = en stond vroeg op | בבוקר (baboqer) = in de morgen | ויעש (vayya'as) = en handelde | בחכמה (bechokhmah) = met wijsheid | וילך (vayelekh) = en hij ging | וישכור (vayiskor) = en huurde | שלושים (sheloshim) = dertig | איש (ish) = man | גיבורי (gibborei) = helden van | חיל (chayil) = kracht | ובני (uvnei) = en zonen van | בליעל (beliya'al) = Belial | וכלי (vekhelei) = en wapens van | מלחמתם (milchamtam) = hun oorlog | בידם (beyadam) = in hun hand | ויוליכם (vayolikhem) = en leidde hen | אל (el) = naar | מערות (me'arot) = de grotten van | קבר (qever) = het graf van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויושבים (vayoshivem) = en liet hen zitten | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:14** Hij gebood hun: „Zo zegt de koning: wees sterk en wees krachtig, en laat niemand die gestorven is hier begraven worden, totdat zij tweehonderd zilverstukken voor hem gegeven hebben; daarna mag hij begraven worden.” De mannen deden wat Rikjon gezegd had tegenover alle mensen van Egypte, dat hele jaar. Brontekst: ויצום (vayetsavvem) = en gebood hun | לאמור (lemor) = zeggende | כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | המלך (hammelekh) = de koning | התחזקו (hitchazqu) = wees sterk | והיו (vehayu) = en wees | לבני (livnei) = tot zonen van | חיל (chayil) = kracht | ואל (ve'el) = en niet | תעזבו (ta'azvu) = laat toe | כל (kol) = ieder | איש (ish) = een man | מת (met) = die gestorven is | להיקבר (lehiqaver) = begraven te worden | פה (peh) = hier | עד (ad) = totdat | נותנם (nottenam) = zij geven | עליו (alav) = voor hem | מאתיים (matayim) = tweehonderd | כסף (kesef) = zilver | ואחרי (ve'acharei) = en na | כן (ken) = dit | יקבר (yiqaver) = wordt hij begraven | ויעשו (vaya'asu) = en deden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | רקיון (riqyon) = Rikjon | לכל (lekhol) = tegenover alle | אנשי (anshei) = mensen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כל (kol) = heel | השנה (hashanah) = het jaar | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:15** Na acht maanden hadden Rikjon en zijn mannen veel rijkdom verzameld, zilver en goud en sjohamstenen en bedolach zonder tal. Rikjon nam paarden en vee in grote aantallen, huurde nog meer mannen en gaf hun paarden, en zij bleven bij hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לשמונה (lishmonah) = na acht | חודשים (chodashim) = maanden | ויאספו (vaye'esfu) = en verzamelden | רקיון (riqyon) = Rikjon | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | עושר (osher) = rijkdom | רב (rav) = veel | וכסף (vekhesef) = en zilver | וזהב (vezahav) = en goud | ואבני (ve'avnei) = en stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | לאין (le'ein) = zonder | מספר (mispar) = aantal | ויקח (vayikkach) = en nam | רקיון (riqyon) = Rikjon | סוסים (susim) = paarden | ובהמות (uvehemot) = en vee | לרוב (larov) = in groot aantal | וישכור (vayiskor) = en hij huurde | עוד (od) = nog | אנשים (anashim) = mannen | ויתן (vayitten) = en gaf | להם (lahem) = hun | סוסים (susim) = paarden | ויהיו (vayihyu) = en zij bleven | עמו (immo) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De Egyptenaren klagen **14:16** Toen het jaar rond was, op het moment dat de koning de stad in zou gaan, verzamelden zich alle inwoners van Egypte. Ze spraken af te komen op de dag dat de koning uitging, om hem te spreken over het werk van Rikjon en zijn mannen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לתקופת (litqufat) = bij het omlopen van | השנה (hashanah) = het jaar | לעת (le'et) = tegen de tijd van | צאת (tset) = het uitgaan van | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = naar | העיר (ha'ir) = de stad | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויועדו (vayivvaadu) = en spraken af | יחד (yachad) = samen | אל (el) = naar | יום (yom) = de dag van | צאת (tset) = het uitgaan van | המלך (hammelekh) = de koning | לדבר (laddavar) = om te spreken | אליו (elav) = met hem | על (al) = op | מעשה (ma'aseh) = het werk van | רקיון (riqyon) = Rikjon | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:17** De koning ging uit op de afgesproken dag, en heel Egypte kwam voor hem en riep tot hem met de woorden: Brontekst: ויצא (vayetse) = en ging uit | המלך (hammelekh) = de koning | ביום (beyom) = op de dag | המועד (hammo'ed) = de afgesproken | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לפניו (lefanav) = voor hem | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויצעקו (vayits'aqu) = en riepen | אליו (elav) = tot hem | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:18** „Leve de koning voor altijd! Wat is dit dat u uw dienaren in de stad aandoet, dat niemand die gestorven is, begraven mag worden voordat er zilver en goud voor gegeven is? Is zoiets ooit gedaan in heel het land, ook in de dagen van de koningen van Egypte vóór ons, van de dagen van Adam tot op deze dag, dat een dode niet begraven wordt dan tegen betaling? Brontekst: יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning | לעולם (le'olam) = voor altijd | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | תעשה (ta'aseh) = u doet | לעבדיך (le'avdekha) = aan uw dienaren | בעיר (ba'ir) = in de stad | לבלתי (levilti) = dat niet | תת (tet) = u toelaat | איש (ish) = een man | מת (met) = dode | להיקבר (lehiqaver) = begraven te worden | עד (ad) = totdat | נתון (natun) = gegeven is | עליו (alav) = voor hem | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | הנהיה (hannihyah) = is er geweest | כדבר (kidvar) = zoals de zaak | הזה (hazzeh) = dit | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | גם (gam) = ook | בימי (bimei) = in de dagen van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | הראשונים (harishonim) = de vroegere | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | לפנינו (lefanenu) = vóór ons | הארץ (ha'arets) = het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | אדם (adam) = Adam | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = de dag | הזה (hazzeh) = deze | לבלתי (levilti) = dat niet | קבור (qevor) = begraven wordt | את (et) = (lijdend voorwerp) | המת (hamet) = de dode | כי (ki) = dan | אם (em) = behalve | במחיר (bimchir) = tegen een prijs Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:19** Wij weten dat het recht van de koning is een schatting van de levenden te nemen, jaar na jaar, maar u doet niet alleen zo, maar u neemt ook van de doden de schatting, dag na dag. Brontekst: ידענו (yada'nu) = wij weten | כי (ki) = dat | משפט (mishpat) = het recht van | המלך (hammelekh) = de koning | ליקח (laqachat) = te nemen | מס (mas) = schatting | מן (min) = van | החיים (hachayyim) = de levenden | שנה (shanah) = jaar | שנה (shanah) = na jaar | ואתה (ve'attah) = maar u | לא (lo) = niet | כן (ken) = zo | תעשה (ta'aseh) = doet u | כי (ki) = maar | אם (em) = ook | גם (gam) = ook | מאת (me'et) = van | המתים (hammetim) = de doden | תיקח (tiqqach) = neemt u | המס (hammas) = de schatting | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **14:20** En nu, o koning, kunnen wij dit niet langer dragen, want heel de stad is hierdoor te gronde gericht, en u hebt het niet geweten.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | המלך (hammelekh) = de koning | לא (lo) = niet | נוכל (nukhal) = kunnen wij | עוד (od) = langer | לדבר (laddavar) = voor de zaak | הזה (hazzeh) = dit | כי (ki) = want | נשחתה (nishchatah) = is verwoest | כל (kol) = alle | העיר (ha'ir) = de stad | בדבר (bedabber) = door de zaak | הזה (hazzeh) = dit | ואתה (ve'attah) = maar u | לא (lo) = niet | ידעת (yada'ta) = weet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **14:21** Toen de koning al hun woorden hoorde, werd hij zeer toornig en zijn woede ontbrandde in hem over deze zaak, want hij wist van niets. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דבריהם (divreihem) = hun woorden | ויקצוף (vayiqtsof) = en werd toornig | מאוד (me'od) = zeer | ותבער (vativ'ar) = en ontbrandde | בו (bo) = in hem | חמתו (chamato) = zijn woede | כדבר (kidvar) = vanwege de zaak | הזה (hazzeh) = dit | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ידע (yada) = wist | דבר (davar) = een reden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **14:22** De koning zei: „Wie is hij, en waar is hij, wiens hart hem vervuld heeft om dit slechte te doen in mijn land, dat ik hem niet bevolen heb? Zult u het mij niet zeggen?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | מי (mi) = wie | הוא (hu) = hij | זה (ze) = is dit | ואיזה (ve'eizeh) = en waar | הוא (hu) = hij | אשר (asher) = wiens | מלאו (mal'u) = vervulde | לבו (libbo) = zijn hart | לעשות (la'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הרע (hara) = wat slecht is | הזה (hazzeh) = deze | בארצי (be'artsi) = in mijn land | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | צויתיו (tsivitiv) = ik heb bevolen | הלא (halo) = toch | תגידו (taggidu) = zult u zeggen | לי (li) = mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **14:23** Zij vertelden hem alles wat Rikjon en zijn mannen gedaan hadden, en de toorn van de koning ontbrandde. Hij zond om Rikjon en zijn mannen voor zich te laten brengen. Brontekst: ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מעשה (ma'aseh) = het werk van | רקיון (riqyon) = Rikjon | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אף (af) = de toorn van | המלך (hammelekh) = de koning | וישלח (vayishlach) = en hij zond | להביא (lehavi) = te brengen | רקיון (riqyon) = Rikjon | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Rikjon voor de koning **14:24** Rikjon nam ongeveer duizend kinderen, zonen en dochters, kleedde hen in fijn linnen, zijde en borduurwerk, liet hen op paarden rijden en zond hen door zijn mannen naar de koning. Ook nam hij een geschenk voor de koning mee: zilver en goud en sjohamstenen en bedolach in grote hoeveelheid, en een zeer sterk en mooi paard. Hij kwam voor de koning en boog zich tot de grond voor hem neer. De koning, zijn dienaren en alle inwoners van Egypte verbaasden zich over het werk van Rikjon, en zij zagen al zijn rijkdom en het geschenk dat hij de koning gebracht had. Brontekst: ורקיון (veriqyon) = en Rikjon | לקח (laqach) = nam | כאלף (ke'elef) = ongeveer duizend | ילדים (yeladim) = kinderen | בנים (banim) = zonen | ובנות (uvanot) = en dochters | וילבישם (vayalbishem) = en kleedde hen | שש (shesh) = fijn linnen | ומשי (umeshi) = en zijde | ורקמה (veriqmah) = en borduurwerk | וירכיבם (vayarkivem) = en liet hen rijden | על (al) = op | סוסים (susim) = paarden | וישלחם (vayishlachem) = en hij zond hen | למלך (lammelekh) = naar de koning | ביד (beyad) = door | אנשיו (anashav) = zijn mensen | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | מנחה (minchah) = een geschenk | למלך (lammelekh) = voor de koning | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | ואבני (ve'avnei) = en stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | לרוב (larov) = in grote hoeveelheid | וסוס (vesus) = en een paard | עצום (atsum) = sterk | מאוד (me'od) = zeer | וטוב (vetov) = en mooi | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וישתחו (vayishtachu) = en boog zich neer | למלך (lammelekh) = voor de koning | ארצה (artsah) = naar de grond | ויתמה (vayitmah) = en verbaasde zich | המלך (hammelekh) = de koning | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ממעשה (mima'aseh) = over het werk van | רקיון (riqyon) = Rikjon | ויראו (vayiru) = en zij zagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עושרו (oshro) = zijn rijkdom | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מנחתו (minchato) = zijn geschenk | אשר (asher) = die | הביא (hevi) = had gebracht | למלך (lammelekh) = aan de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:25** Het beviel de koning zeer en hij verwonderde zich over hem. Rikjon ging voor de koning zitten, en de koning vroeg hem naar al zijn daden. Rikjon sprak al zijn woorden met wijsheid voor de koning, zijn mannen en alle inwoners van Egypte. Brontekst: וייטב (vayyitav) = en het was goed | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | מאוד (me'od) = zeer | ויפלא (vayippale) = en verwonderde zich | ממנו (mimmennu) = over hem | וישב (vayyashev) = en ging zitten | רקיון (riqyon) = Rikjon | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וישאלהו (vayish'alehu) = en vroeg hem | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = naar | כל (kol) = alle | מעשיו (ma'asav) = zijn daden | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | רקיון (riqyon) = Rikjon | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דבריו (devarav) = zijn woorden | בחכמה (bechokhmah) = met wijsheid | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:26** Toen de koning de woorden van Rikjon en zijn wijsheid hoorde, vond Rikjon gunst en goedheid bij hem. Ook bij alle dienaren van de koning en de inwoners van Egypte vond hij gunst en goedheid, vanwege zijn wijsheid en zijn goede woorden. Zij hielden vanaf die dag zeer veel van hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | רקיון (riqyon) = Rikjon | וחכמתו (vechokhmato) = en zijn wijsheid | וישא (vayissa) = en vond | רקיון (riqyon) = Rikjon | חן (chen) = gunst | וחסד (vachesed) = en goedheid | לפניו (lefanav) = bij hem | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | ויושבי (veyoshvei) = en de bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | נשא (nasa) = vond hij | חן (chen) = gunst | וחסד (vachesed) = en goedheid | לפניהם (lifneihem) = bij hen | על (al) = vanwege | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid | ועל (ve'al) = en vanwege | טוב (tov) = goede | דבריו (devarav) = zijn woorden | ויאהבוהו (vayye'ehavuhu) = en zij hielden van hem | אהבה (ahavah) = met liefde | עזה (azzah) = zeer sterke | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Rikjon wordt Farao **14:27** De koning antwoordde en zei tegen Rikjon: „Je naam zal niet langer Rikjon heten, maar Farao zal je naam zijn, omdat je van de doden schatting geheven hebt.” En zij noemden zijn naam Farao. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לרקיון (leriqyon) = tegen Rikjon | לא (lo) = niet | יקרא (yikkare) = zal genoemd worden | עוד (od) = langer | שמך (shemekha) = je naam | רקיון (riqyon) = Rikjon | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | פרעה (par'oh) = Farao | יהיה (yihyeh) = zal zijn | שמך (shemekha) = je naam | אחרי (acharei) = na | אשר (asher) = dat | פרעת (para'ta) = je geheven hebt | מס (mas) = schatting | מן (min) = uit | המתים (hammetim) = de doden | ויקראו (vayiqre'u) = en zij noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: פרעת מס (para'ta mas), ‘je hebt schatting geheven’, speelt op de naam פרעה (par'oh), ‘Farao’. Die verklaring van de naam staat niet in Genesis. **14:28** De koning en zijn dienaren hielden van Rikjon om zijn wijsheid, en zij overlegden met alle inwoners van Egypte om hem tot koning te maken onder de hand van de koning. Brontekst: והמלך (vehammelekh) = en de koning | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | אהבו (ahavo) = hielden van | את (et) = (lijdend voorwerp) | רקיון (riqyon) = Rikjon | על (al) = om | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid | ויתיעצו (vayityatsu) = en overlegden | עם (im) = met | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | להמליכו (lehamlikho) = om hem koning te maken | תחת (tachat) = onder | יד (yad) = de hand van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:29** Alle inwoners van Egypte en zijn wijzen deden zo, en er werd in Egypte een wet gegeven. Zij maakten Rikjon Farao koning over hen, onder de hand van Ashviros, de koning van Egypte. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en deden | כן (ken) = zo | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וחכמיה (vachakhameha) = en haar wijzen | ותנתן (vatinnaten) = en er werd gegeven | דת (dat) = een wet | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | וימליכו (vayamlikhu) = en zij maakten koning | עליהם (aleihem) = over hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | רקיון (riqyon) = Rikjon | פרעה (par'oh) = Farao | תחת (tachat) = onder | יד (yad) = hand van | אשוירוש (ashvirosh) = Ashviros | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:30** Rikjon Farao regeerde heel dat jaar over Egypte om dag na dag recht te spreken over heel de stad, terwijl koning Ashviros slechts één dag per jaar recht sprak over het land, wanneer hij uitging om zich te laten zien. Brontekst: וימלוך (vayemlokh) = en regeerde | רקיון (riqyon) = Rikjon | פרעה (par'oh) = Farao | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כל (kol) = heel | השנה (hashanah) = het jaar | לשפוט (lishpot) = om recht te spreken | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = heel | העיר (ha'ir) = de stad | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ואשוירוש (ve'ashvirosh) = en Ashviros | המלך (hammelekh) = de koning | ישפוט (yishpot) = sprak recht | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | יום (yom) = dag | לשנה (lashanah) = per jaar | בעת (be'et) = in de tijd | אשר (asher) = dat | יצא (yatsa) = hij uitging | להראות (lehar'ot) = om zich te laten zien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:31** Rikjon Farao nam het koningschap van Egypte met kracht en sluwheid en hief schatting van alle inwoners van Egypte; daarom noemden zij hem Farao. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en Hij nam | רקיון (riqyon) = Rikjon | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלכות (malkhut) = het koningschap van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בחוזקה (bechozqah) = met kracht | ובעורמה (uve'ormah) = en met sluwheid | ויפרע (vayifra) = en hief schatting | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | על (al) = daarom | כן (ken) = (daarom) | קראו (qar'u) = noemden | שמו (shemo) = zijn naam | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:32** Alle inwoners van Egypte hielden zeer van Rikjon Farao, en zij schreven een geschrift en een wet om iedere koning die over hen en hun nageslacht in Egypte zou regeren, Farao te noemen. Brontekst: ויאהבו (vaye'ehavu) = en zij hielden van | מאוד (me'od) = zeer | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | רקיון (riqyon) = Rikjon | פרעה (par'oh) = Farao | ויכתבו (vayikhtevu) = en zij schreven | מכתב (mikhtav) = een geschrift | וחוק (vechoq) = en een wet | לקרות (liqro) = te noemen | לכל (lekhol) = ieder | מלך (malakh) = koning | אשר (asher) = die | ימלוך (yimlokh) = regeren zou | עליהם (aleihem) = over hen | ועל (ve'al) = en over | זרעם (zar'am) = hun nageslacht | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **14:33** Daarom heten alle koningen van Egypte die vanaf die dag in Egypte regeren, Farao, tot op deze dag. Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = (daarom) | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אשר (asher) = die | ימלכו (yimlekhu) = regeren | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | יקראו (yiqre'u) = worden genoemd | שמם (shemam) = hun naam | פרעה (par'oh) = Farao | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:15: ‘Farao’ als titel van de koning van Egypte. Zie ook: Gen 12:15 ## Jasher 15 _Abram en Sarai in Egypte; Abram en Lot scheiden_ ### Hongersnood; naar Egypte **15:1** In dat jaar was er een zware hongersnood in heel het land Kanaän, en de bewoners van het land konden er niet blijven vanwege de honger, want die was zeer zwaar. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | ויהי (vayehi) = en er was | רעב (ra'av) = hongersnood | כבד (kaved) = zware | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | לשבת (lashevet) = te blijven | בה (bah) = daarin | מפני (mippenei) = vanwege | הרעב (hara'av) = de honger | כי (ki) = want | כבד (kaved) = zwaar | הוא (hu) = het was | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:10–20: de hongersnood en Abram en Sarai in Egypte. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 12:10–20 **15:2** Abram stond op, hij en alles wat van hem was, en zij gingen naar beneden naar Egypte vanwege de honger. Zij kwamen bij de beek van Egypte en bleven daar enkele dagen aan de beek om uit te rusten van de reis. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | אברם (Avram) = Abram | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וירדו (vayerdu) = en daalden af | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | מפני (mippenei) = vanwege | הרעב (hara'av) = de honger | ויהיו (vayihyu) = en zij kwamen | בנחל (bannachal) = bij de beek van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישבו (vayeshvu) = en bleven | על (al) = aan | הנחל (hannachal) = de beek | ימים (yamim) = enkele dagen | לנוח (lanuach) = om uit te rusten | מפני (mippenei) = van | הדרך (haderekh) = de reis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **15:3** Abram en Sarai, zijn vrouw, wandelden langs de oever van de beek van Egypte. Abram keek naar het water en zag dat Sarai, zijn vrouw, zeer, zeer mooi was. Brontekst: ויתהלכו (vayithallekhu) = en zij wandelden | אברם (Avram) = Abram | ושרי (vesarai) = en Sarai | אשתו (ishto) = zijn vrouw | על (al) = aan | שפת (sefat) = de oever van | נחל (nachal) = de beek van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויבט (vayabet) = en keek | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = naar | המים (hammayim) = het water | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = Sarai | אישתו (ishto) = zijn vrouw | כי (ki) = dat | יפה (yafah) = mooi | היא (hi) = zij | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 12:11 **15:4** Abram zei tegen Sarai: „Omdat Elohim je met dit mooie uiterlijk geschapen heeft, ben ik bang voor de Egyptenaren, dat zij mij zullen doden en jou zullen nemen, want er is geen vrees voor Elohim op hun plaats. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = tot | שרי (sarai) = Sarai | אחרי (acharei) = na | אשר (asher) = dat | בראך (bera'akha) = heeft geschapen | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | במראה (bemar'eh) = met een gedaante | הטוב (hattov) = mooie | הזה (hazzeh) = dit | ירא (yere) = ben bang | אני (ani) = ik | את (et) = voor | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | פן (pen) = anders | יהרגוני (yaharguni) = zij mij doden | ולקחו (velaqchu) = en nemen | אותך (otekha) = jou | כי (ki) = want | אין (ein) = er is niet | יראת (yirat) = vrees voor | אלוקים (Elohim) = Elohim | במקומם (bimqomam) = op hun plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:5** Maar doe dit met mij: zeg mij toch: ‘Mijn zuster ben jij’, tegenover allen die jou over mij vragen, opdat het mij goed gaat en wij leven en niet sterven.” Brontekst: אך (akh) = maar | זה (ze) = dit | אשר (asher) = dat | תעשי (ta'asi) = doe | עמי (immi) = met mij | אמרי (Emori) = zeg | נא (na) = toch | לי (li) = mij | אחותי (achoti) = mijn zuster | את (et) = ben jij | לכל (lekhol) = tegen allen | אשר (asher) = die | ישאלו (yish'alu) = vragen | אותך (otekha) = jou | עליי (alay) = over mij | למען (lema'an) = opdat | ייטב (yetav) = het goed gaat | לי (li) = voor mij | ונחיה (venichyeh) = en wij leven | ולא (velo) = en niet | נמות (namut) = wij sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: אמרי נא לי אחותי את (imri na li achoti at), letterlijk ‘zeg toch tot mij: mijn zuster ben jij’. In vers 6 gebiedt Abram de anderen te zeggen dat Sarai zijn zuster is; zie Gen. 12:13. Zie ook: Gen 12:13 **15:6** Abram gebood ook alle mannen die met hem naar Egypte waren gekomen vanwege de honger, en ook Lot, de zoon van zijn broer, gebood hij: „Als de Egyptenaren u naar Sarai vragen, zeg dan: ‘Zij is de zuster van Abram.’” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | אברם (Avram) = Abram | גם (gam) = ook | לכל (lekhol) = aan alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | באו (ba'u) = gekomen waren | איתו (ito) = met hem | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | מפני (mippenei) = vanwege | הרעב (hara'av) = de honger | וגם (vegam) = en ook | אל (el) = tot | לוט (lot) = Lot | בן (ben) = de zoon van | אחיו (achiv) = zijn broer | ציוה (tsiwwah) = gebood hij | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = als | ישאלו (yish'alu) = vragen | אתכם (etkhem) = u | המצריים (hammitsriyim) = de Egyptenaren | אל (el) = naar | שרה (sarah) = Sara | ואמרתם (va'amartem) = dan zegt | אחות (achot) = zuster van | אברם (Avram) = Abram | היא (hi) = zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: אל שרה (el sarah), ‘Sarah’, staat er; elders in dit hoofdstuk staat שרי (sarai). De vertaling schrijft overal Sarai. **15:7** Toch vertrouwde Abram niet op deze woorden. Hij nam Sarai, legde haar in een kist en verborg haar onder hun gerei, want hij was zeer bevreesd voor Sarai vanwege de boosheid van de Egyptenaren. Brontekst: ובכל (uvkhol) = en bij heel | זאת (zot) = dit | לא (lo) = niet | בטח (batach) = vertrouwde | אברם (Avram) = Abram | בהם (bahem) = op hen | בדברים (baddevarim) = op woorden | האלה (ha'elleh) = deze | אך (akh) = maar | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = Sarai | ויתנה (vayittenah) = en legde haar | בתיבה (battevah) = in de kist | ויסתירנה (vayastirenah) = en verborg haar | תחת (tachat) = onder | הכלים (hakkelim) = het gerei | אשר (asher) = dat | להם (lahem) = van hen | כי (ki) = want | ירא (yere) = hij vreesde | מאוד (me'od) = zeer | אל (el) = voor | שרי (sarai) = Sarai | מפני (mippenei) = vanwege | רעת (ra'at) = de boosheid van | המצריים (hammitsriyim) = de Egyptenaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Abram Sarai in een kist verborg, staat niet in Genesis. ### De kist **15:8** Abram stond op, met allen die bij hem waren, van de beek van Egypte, en zij kwamen in Egypte. Toen zij bij de poorten van de stad kwamen, stonden alle poortwachters van de stad tegenover hen en zeiden: „Geef de tiende van de koning van wat u in uw hand hebt, en daarna mag u de stad in.” Abram en de mannen die bij hem waren, deden zo. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | אברם (Avram) = Abram | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | מנחל (minnachal) = van de beek van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | מצריימה (mitsrayimah) = naar Egypte | המה (hemmah) = zij | באו (ba'u) = toen zij kwamen | בשערי (bish'arei) = bij de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | וכל (vekhol) = stonden alle | שוערי (sho'arei) = de poortwachters van | העיר (ha'ir) = de stad | עמדו (imdu) = stonden | עליהם (aleihem) = tegenover hen | לאמור (lemor) = zeggende | תנו (tenu) = geef | מעשר (ma'aser) = de tiende van | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = van | אשר (asher) = wat | בידכם (beyedkhem) = in uw hand | ואחר (ve'achar) = en daarna | תבואו (tavo'u) = mag u komen | העירה (ha'irah) = naar de stad | ויעש (vayya'as) = en deed | אברם (Avram) = Abram | והאנשים (veha'anashim) = en de mannen | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **15:9** Abram en de mannen die bij hem waren, kwamen in Egypte. Toen zij kwamen, tilden zij de kist op waarin Sarai was, en de Egyptenaren zagen de kist. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אברם (Avram) = Abram | והאנשים (veha'anashim) = en de mannen | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | מצרים (Mitsrayim) = in Egypte | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבואם (bevo'am) = toen zij kwamen | וישאו (vayis'u) = en zij tilden op | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de kist | אשר (asher) = die | שרי (sarai) = Sarai | בתוכה (betokhah) = erin | ויראו (vayiru) = en zij zagen | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de kist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **15:10** Alle dienaren van de koning kwamen naar Abram toe en zeiden: „Wat heb je in deze kist, die wij niet gezien hebben? Open nu de kist en geef de tiende van de koning van alles wat erin is.” Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = naar | אברם (Avram) = Abram | לאמור (lemor) = zeggende | מה (mah) = wat | יש (yesh) = is er | איתך (ittekha) = bij jou | בתיבה (battevah) = in de kist | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | עתה (attah) = nu | פתח (petach) = open | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de kist | ונתת (venatatta) = en geef | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשר (ma'aser) = de tiende van | המלך (hammelekh) = de koning | מכל (mikkol) = van alles | אשר (asher) = wat | בתוכה (betokhah) = erin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:11** Abram zei: „Deze kist zal niet geopend worden, maar alles wat u erover zegt, zal ik geven.” De vorsten van Farao antwoordden Abram: „Het is een kist met sjohamstenen en bedolach; geef ons haar tiende.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | התיבה (hattevah) = de kist | הזאת (hazzo't) = deze | לא (lo) = niet | תפתח (tiftach) = wordt geopend | אך (akh) = maar | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | תאמרו (tomru) = u zegt | אליי (elai) = tot mij | אתן (etten) = zal ik geven | עליה (aleha) = erover | ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | שרי (sarai) = vorsten van | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | לאמור (lemor) = zeggende | תיבת (tevat) = een kist met | אבני (avnei) = stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | היא (hi) = is | תנה (tenah) = geef | לנו (lanu) = voor ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשרה (ma'asrah) = haar tiende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:12** Abram zei: „Alles wat u zegt, zal ik geven, alleen: u mag de kist niet openen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | תאמרון (tomrun) = u zegt | אליי (elai) = tot mij | אתן (etten) = zal ik geven | רק (raq) = alleen | פתוח (patoach) = openen | לא (lo) = niet | תפתחו (tiftechu) = mag u niet openen | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de kist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:13** Alle dienaren van de koning drongen bij Abram aan, gingen naar de kist en openden de kist met kracht, en zij zagen: zie, een zeer mooie vrouw was in de kist. Brontekst: ויאיצו (vaya'itsu) = en zij drongen aan | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | באברם (be'avram) = bij Abram | ויגשו (vayiggeshu) = en gingen | אל (el) = naar | התיבה (hattevah) = de kist | ויפתחו (vayipathu) = en openden | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיבה (hattevah) = de kist | בחוזקה (bechozqah) = met kracht | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | אישה (ishah) = een vrouw | יפת (Yefet) = mooi van | תואר (to'ar) = uiterlijk | מאוד (me'od) = zeer | בתיבה (battevah) = in de kist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Sarai bij Farao **15:14** Toen de vorsten van de koning Sarai zagen, verbaasden zij zich zeer over haar schoonheid, en alle vorsten en dienaren van Farao kwamen samen om Sarai te zien, want zij was zeer mooi. De vorsten van de koning renden en vertelden Farao alles wat zij gezien hadden, en zij prezen Sarai bij de koning. Farao liet haar halen, en de vrouw kwam voor de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen zagen | שרי (sarai) = vorsten van | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = Sarai | ויתמהו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | מאוד (me'od) = zeer | מיופיה (miyyofyah) = over haar schoonheid | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | יחד (yachad) = samen | כל (kol) = alle | השרים (hasarim) = de vorsten | וכל (vekhol) = en alle | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sarai | כי (ki) = want | יפה (yafah) = mooi | היא (hi) = zij | מאוד (me'od) = zeer | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | שרי (sarai) = vorsten van | המלך (hammelekh) = de koning | ויגידו (vayaggidu) = en vertelden | אל (el) = aan | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = alles | אשר (asher) = wat | ראו (ra'u) = zagen | ויהללו (vaye'halelu) = en prezen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = Sarai | אל (el) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | וישלח (vayishlach) = en zond | פרעה (par'oh) = Farao | ויקחה (vayiqachah) = en liet haar halen | ותבוא (vattavo) = en kwam | האישה (ha'ishah) = de vrouw | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:15** Farao zag Sarai, en zij beviel hem zeer. Hij verbaasde zich zeer over haar schoonheid en de koning verheugde zich zeer over haar. Hij gaf geschenken aan allen die hem over haar bericht hadden gebracht. Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij verscheen | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = Sarai | ותיטב (vatitav) = en zij beviel | מאוד (me'od) = zeer | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen | ויתמה (vayitmah) = en hij verbaasde zich | מאוד (me'od) = zeer | מיופיה (miyyofyah) = over haar schoonheid | וישמח (vayismach) = en hij verheugde zich | המלך (hammelekh) = de koning | בה (bah) = over haar | מאוד (me'od) = zeer | ויתן (vayitten) = en gaf | מתנות (mattanot) = geschenken | לכל (lekhol) = aan heel | המבשרים (hamevasserim) = de berichtbrengers | אותו (oto) = hem | בה (bah) = over haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Sarai bidt **15:16** De vrouw werd in die dagen in het huis van Farao genomen. Abram werd zeer bedroefd om zijn vrouw en bad tot Yahweh om haar uit de hand van Farao te redden. Brontekst: ותוקח (vatuqqach) = en werd genomen | האישה (ha'ishah) = de vrouw | בית (bet) = het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויחר (vayyichar) = en het verdroot | לאברם (le'avram) = Abram | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = om | אודות (odot) = wille van | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להצילה (lehatsilah) = haar te redden | מיד (miyyad) = uit de hand van | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:17** Ook Sarai bad in die tijd en zei: „Yahweh, Elohim, U hebt tegen mijn heer Abram gezegd dat hij uit zijn land en uit het huis van zijn vader naar het land Kanaän moest gaan. U hebt hem beloofd hem goed te doen als hij Uw woorden zou doen. Nu, zie, wij hebben gedaan wat U ons geboden hebt. Wij hebben ons land en onze families verlaten en zijn naar een vreemd land gegaan, naar een volk dat wij gisteren en eergisteren niet kenden. Brontekst: ותתפלל (vatitpallel) = en bad | גם (gam) = ook | שרי (sarai) = Sarai | בעת (be'et) = in de tijd | היא (hi) = die | ותאמר (vatomer) = en zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | אתה (attah) = U | אמרת (amarta) = U hebt gezegd | לאדוני (la'doni) = tegen mijn heer | אברם (Avram) = Abram | ללכת (lalekhet) = te gaan | מארצו (me'artso) = uit zijn land | ומבית (umibbeyt) = en uit het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ותבטיחהו (vatavtichehu) = en U beloofde hem | להטיב (lehetiv) = goed te doen | לו (lo) = hem | כי (ki) = als | יעשה (ya'aseh) = hij zou doen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריך (devarekha) = Uw woorden | עתה (attah) = nu | הנה (hinneh) = zie | עשינו (asinu) = wij hebben gedaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | ציויתנו (tsivitanu) = U ons geboden hebt | ונעזוב (vena'azov) = en wij hebben verlaten | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארצנו (artsenu) = ons land | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | משפחותינו (mishpechotenu) = onze families | ונלך (venelekh) = en zijn gegaan | אל (el) = naar | ארץ (erets) = een land | נכריה (nokhriyah) = vreemd | ואל (ve'el) = en naar | עם (im) = een volk | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | ידענו (yada'nu) = wij kenden | תמול (tmol) = gisteren | שלשום (shilshom) = eergisteren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **15:18** Wij kwamen in dit land om onze huizen van de honger te redden, en dit onheil en deze tegenslag is over mij gekomen. Nu dan, Yahweh, Elohim, red mij toch en verlos mij uit de hand van deze verdrukker, en doe mij goed omwille van Uw goedertierenheid.” Brontekst: ונבואה (venavo'ah) = en wij kwamen | בארץ (ba'arets) = in het land | הזאת (hazzo't) = deze | להציל (lehatsil) = om te redden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בתינו (bateinu) = onze huizen | מן (min) = uit | הרעב (hara'av) = de honger | ויבוא (vayavo) = en is gekomen | עליי (alay) = over mij | הפגע (happega) = de tegenslag | והמקרה (vehammiqreh) = en de gebeurtenis | הרע (hara) = het slechte | הזה (hazzeh) = deze | ועתה (ve'attah) = en nu | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | הצילני (hitsilani) = red mij | נא (na) = toch | והושיעני (vehoshi'eni) = en verlos mij | מיד (miyyad) = uit de hand van | הצר (hatsar) = de vijand | הצורר (hatsorer) = de verdrukker | הזה (hazzeh) = deze | ועשה (ve'asah) = en doe | אתי (iti) = met mij | טובה (tovah) = goeds | למען (lema'an) = omwille van | חסדך (chasdekha) = Uw goedertierenheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:19** Yahweh hoorde de stem van Sarai, en Yahweh zond een engel om Sarai uit de hand van Farao te redden. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקול (bekol) = naar de stem van | שרי (sarai) = Sarai | וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מלאך (mal'akh) = een engel | להציל (lehatsil) = om te redden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = Sarai | מיד (miyyad) = uit de hand van | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 12:17 **15:20** De koning kwam en ging voor Sarai zitten, en zie, de engel van Yahweh stond boven hen. Hij verscheen aan Sarai en zei tegen haar: „Wees niet bang, want Yahweh heeft je gebed gehoord.” Brontekst: והמלך (vehammelekh) = en de koning | בא (ba) = kwam | וישב (vayyashev) = en ging zitten | לפני (lifnei) = voor | שרי (sarai) = Sarai | והנה (vehinneh) = en zie | מלאך (mal'akh) = de engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עומד (omed) = staande | עליהם (aleihem) = boven hen | וירא (vayyera) = en hij verscheen | אל (el) = aan | שרי (sarai) = Sarai | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | אל (el) = niet | תראי (tir'i) = vrees | כי (ki) = want | שמע (shema) = heeft gehoord | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | תפילתך (tefillatekha) = je gebed Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat een engel van Yahweh Farao slaat en Sarai troost, staat niet in Genesis. Zie Gen. 12:17: Yahweh sloeg Farao en zijn huis met zware plagen. Zie ook: Gen 12:17 **15:21** De koning kwam bij Sarai en zei tegen haar: „De man die jou hier gebracht heeft, wat is hij voor jou?” Zij zei: „Hij is mijn broer.” Brontekst: ויגש (vayyigash) = en hij naderde | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | שרי (sarai) = Sarai | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | האיש (ha'ish) = de man | אשר (asher) = die | הביאך (hevi'ekh) = jou gebracht heeft | הנה (hinneh) = hierheen | מה (mah) = wat | הוא (hu) = hij | לך (lekha) = voor jou | ותאמר (vatomer) = en zei | אחי (echi) = mijn broer | הוא (hu) = hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:22** De koning zei: „Het is aan ons hem groot te maken en hem zeer te verheffen en hem al het goede te doen dat je ons gebiedt.” In die tijd zond de koning Abram zilver en goud en sjohamstenen en bedolach in grote hoeveelheid, en kleinvee, runderen, dienaren en slavinnen. De koning beval, en men bracht Abram, en hij zat in de voorhof van het huis van de koning, en de koning verhief Abram die nacht zeer. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | ועלינו (ve'aleynu) = en op ons rust | לגדלו (legaddelo) = om hem groot te maken | ולנשאו (ulenas'o) = en hem te verheffen | מאוד (me'od) = zeer | ולעשות (vela'asot) = en te doen | לו (lo) = voor hem | בכל (bekhol) = al | הטוב (hattov) = het goede | אשר (asher) = die | תצווי (tetsavvi) = je gebiedt | את (et) = (lijdend voorwerp) | עלינו (aleinu) = over ons | וישלח (vayishlach) = en zond | המלך (hammelekh) = de koning | לאברם (le'avram) = naar Abram | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | ואבני (ve'avnei) = en stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | הרבה (harbeh) = veel | מאוד (me'od) = zeer | וצאן (vetso'n) = en kleinvee | ובקר (uvaqar) = en runderen | ועבדים (va'avadim) = en dienaren | ושפחות (ushfachot) = en slavinnen | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | המלך (hammelekh) = de koning | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | וישב (vayyashev) = en hij zat | בחצר (bechatser) = in de voorhof van | בית (bet) = het huis van | המלך (hammelekh) = de koning | ויגדל (vayigdal) = en maakte groot | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De engel slaat Farao **15:23** De koning naderde om Sarai te spreken en strekte zijn hand uit om haar aan te raken, maar de engel sloeg hem met een zware slag. Hij werd bevreesd en hield op haar aan te raken. Brontekst: והמלך (vehammelekh) = en de koning | ניגש (niggash) = naderde | לדבר (laddavar) = om te spreken met | את (et) = met | שרי (sarai) = Sarai | וישלח (vayishlach) = en strekte uit | ידו (yado) = zijn hand | לגעת (lagaat) = aan te raken | אליה (eleha) = haar | ויכהו (vayakehu) = en sloeg hem | המלאך (hammal'akh) = de engel | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | ויבהל (vayibbahel) = en hij werd bevreesd | ויחדל (vayachdal) = en hij hield op | מגעת (miggat) = van aanraken | אליה (eleha) = haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:24** Telkens als de koning Sarai naderde, sloeg de engel hem neer op de grond, en zo deed hij hem heel de nacht. De koning werd bevreesd en beefde hiervan. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | יקרב (yiqrav) = naderde | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | שרי (sarai) = Sarai | והכהו (vehikkahu) = en sloeg hem | המלאך (hammal'akh) = de engel | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de grond | ויעש (vayya'as) = en deed | לו (lo) = hem | כמעשה (kemma'aseh) = zoals de daad | הזה (hazzeh) = deze | כל (kol) = heel | הלילה (hallaylah) = de nacht | ויבהל (vayibbahel) = en hij werd bevreesd | ויחרד (vayecherad) = en beefde | המלך (hammelekh) = de koning | מזה (mizzeh) = hiervan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:25** Ook alle dienaren van Farao en heel zijn huis sloeg de engel die nacht met een zware slag vanwege Sarai, en er was die nacht een groot geschreeuw bij alle mensen in het huis van Farao. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | וכל (vekhol) = en alle | ביתו (beito) = zijn huis | הכה (hikkah) = sloeg | המלאך (hammal'akh) = de engel | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | על (al) = vanwege | דבר (davar) = de zaak van | שרי (sarai) = Sarai | ותהי (vatehi) = en er was | צעקה (tse'aqah) = geschreeuw | גדולה (gedolah) = grote | בכל (bekhol) = in heel | אנשי (anshei) = mensen van | בית (bet) = het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:26** Farao zag al het onheil dat hem overkwam en zei: „Dit is mij zeker overkomen om deze vrouw.” Hij hield afstand van haar en sprak vriendelijke woorden tot haar hart. Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij verscheen | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הרעה (hara'ah) = het onheil | הבאה (habba'ah) = dat hem overkwam | עליו (alav) = over hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אך (akh) = zeker | הנה (hinneh) = zie | על (al) = om | האישה (ha'ishah) = de vrouw | הזאת (hazzo't) = deze | בא (ba) = overkomen | אליי (elai) = mij | הדבר (haddavar) = dit | הזה (hazzeh) = deze | ויתרחק (vayitrachaq) = en hij hield afstand | ממנה (mimmenah) = van haar | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | על (al) = tot | ליבה (libbah) = haar hart | דברים (devarim) = woorden | טובים (tovim) = goede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:27** De koning zei tegen Sarai: „Vertel mij toch over de man met wie je hier gekomen bent.” Sarai zei: „Die man is mijn man, en ik zei tegen u: ‘Hij is mijn broer’, omdat ik bang was dat u hem in uw boosheid zou doden.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | שרי (sarai) = Sarai | הגד (hagged) = vertel | נא (na) = toch | לי (li) = voor mij | אודות (odot) = over | האיש (ha'ish) = de man | אשר (asher) = met wie | באת (ba'ta) = je bent gekomen | עמו (immo) = met hem | הנה (hinneh) = hierheen | ותאמר (vatomer) = en zei | שרי (sarai) = Sarai | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | אישי (ishi) = mijn man | הוא (hu) = hij | ואומרה (va'omerah) = en ik zei | אליך (elekha) = tegen u | אחי (echi) = mijn broer | הוא (hu) = hij | כי (ki) = want | יראתי (yare'ti) = ik was bang | פן (pen) = anders | תמיתוהו (temituhu) = u hem zou doden | ברעתכם (bera'atkhem) = in uw boosheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:28** De koning hield afstand van Sarai, en de slagen van de engel van Yahweh hielden op bij hem en zijn huis. Farao wist dat hij om Sarai geslagen was, en de koning verbaasde zich hier zeer over. Brontekst: ויחדל (vayachdal) = en hield op | המלך (hammelekh) = de koning | מעל (me'al) = van | שרי (sarai) = Sarai | ויחדלו (vayachdelu) = en hielden op | ממנו (mimmennu) = bij hem | ומביתו (umibbeito) = en bij zijn huis | מכות (makkot) = de slagen van | מלאך (mal'akh) = boodschapper van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וידע (vayyeda) = en wist | פרעה (par'oh) = Farao | כי (ki) = dat | בעבור (ba'avur) = om | שרי (sarai) = Sarai | הוכה (hukkah) = geslagen was | ויתמה (vayitmah) = en hij verbaasde zich | המלך (hammelekh) = de koning | מאוד (me'od) = zeer | מזה (mizzeh) = hierover Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Farao stuurt Abram weg **15:29** Toen het morgen werd, riep de koning Abram en zei: „Wat is dit dat je mij hebt aangedaan? Waarom heb je gezegd: ‘Zij is mijn zuster’, zodat ik haar tot vrouw nam, en je hebt een zeer zware slag over mij en mijn huis gebracht? Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ויקרא (vayikra) = en riep | המלך (hammelekh) = de koning | לאברם (le'avram) = Abram | ויאמר (vayomer) = en hij zei | מה (mah) = wat | זאת (zot) = dit | עשית (asita) = je hebt gedaan | לי (li) = mij | למה (lammah) = waarom | אמרת (amarta) = je hebt gezegd | אחותי (achoti) = mijn zuster | היא (hi) = zij | ואקח (ve'eqqach) = zodat ik nam | אותה (otah) = haar | לי (li) = mij | לאשה (le'ishah) = tot vrouw | ותביא (vatavi) = en je hebt gebracht | עליי (alay) = over mij | ועל (ve'al) = en over | ביתי (beiti) = mijn huis | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:30** Nu, zie, daar is je vrouw. Neem haar en ga weg uit ons land, anders sterven wij allen om haar.” Farao nam nog meer kleinvee, runderen, dienaren, slavinnen, zilver en goud en gaf dat aan Abram, en hij gaf hem Sarai, zijn vrouw, terug. Brontekst: עתה (attah) = nu | הנה (hinneh) = zie | אישתך (ishtekha) = je vrouw | קח (qach) = neem | ולך (ulekha) = en ga | לך (lekha) = voor jezelf | מארצנו (me'artsenu) = uit ons land | פן (pen) = anders | נמות (namut) = zullen wij sterven | כולנו (kulanu) = wij allen | בעבורה (ba'avurah) = om haar | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | פרעה (par'oh) = Farao | עוד (od) = nog | צאן (tson) = kleinvee | ובקר (uvaqar) = en runderen | ועבדים (va'avadim) = en dienaren | ושפחות (ushfachot) = en slavinnen | וכסף (vekhesef) = en zilver | וזהב (vezahav) = en goud | ויתן (vayitten) = en gaf | לאברם (le'avram) = aan Abram | וישב (vayyashev) = en gaf terug | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרי (sarai) = Sarai | אישתו (ishto) = zijn vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:31** De koning nam ook een meisje van hem, dat zijn bijvrouw hem gebaard had, en gaf haar aan Sarai tot slavin. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en Hij nam | המלך (hammelekh) = de koning | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | נערה (na'arah) = een meisje | אחת (achat) = één | אשר (asher) = dat | לו (lo) = van hem | אשר (asher) = dat | ילדה (yaldah) = had gebaard | לו (lo) = hem | פילגשו (pilagsho) = zijn bijvrouw | ויתנה (vayittenah) = en gaf haar | אל (el) = aan | שרי (sarai) = Sarai | לשפחה (leshifchah) = tot slavin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt het meisje niet bij naam. Zie Gen. 16:1: Hagar, een Egyptische slavin van Sarai. Zie ook: Gen 16:1 **15:32** De koning zei tegen zijn dochter: „Het is beter voor je, mijn dochter, dat je slavin bent in het huis van deze vrouw, dan meesteres in mijn huis, nu wij het onheil gezien hebben dat over ons gekomen is om deze vrouw.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | בתו (bito) = zijn dochter | טוב (tov) = goed | לך (lekha) = voor jou | בתי (biti) = mijn dochter | אשר (asher) = dat | תהיה (tihyeh) = je bent | לשפחה (leshifchah) = tot slavin | בבית (babbayit) = in het huis van | האישה (ha'ishah) = de vrouw | הזאת (hazzo't) = deze | מהיותך (mehyotekh) = dan dat je bent | גבירה (gevirah) = meesteres | בביתי (beveiti) = in mijn huis | אחרי (acharei) = nu | אשר (asher) = dat | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הבאה (habba'ah) = dat kwam | עלינו (aleinu) = over ons | בעבור (ba'avur) = om | האישה (ha'ishah) = de vrouw | הזאת (hazzo't) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:33** Abram stond op en ging uit Egypte weg, hij en alles wat van hem was. Farao gaf mannen opdracht met hem mee te gaan, en zij brachten hem en alles wat van hem was weg. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | אברם (Avram) = Abram | ויעל (vayya'al) = en trok op | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = voor hem | ויצו (vayetsav) = en gebood | עליו (alav) = over hem | פרעה (par'oh) = Farao | אנשים (anashim) = mannen | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden weg | אותו (oto) = hem | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **15:34** Abram keerde terug naar het land Kanaän, naar de plaats van het altaar dat hij gemaakt had, waar hij eerst zijn tent had opgeslagen. Brontekst: וישב (vayyashev) = en keerde terug | אברם (Avram) = Abram | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = naar | מקום (maqom) = de plaats van | המזבח (hammizbeach) = het altaar | אשר (asher) = dat | עשה (asah) = hij gemaakt had | אשר (asher) = waar | נטה (natah) = hij had opgeslagen | שם (shem) = daar | אהלו (oholo) = zijn tent | בתחילה (battechillah) = eerst Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. ### Abram en Lot **15:35** Ook Lot, de zoon van Haran, de broer van Abram, had zwaar vee: kleinvee, runderen en tenten, want Yahweh deed hem goed omwille van Abram. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | לוט (lot) = Lot | בן (ben) = zoon van | הרן (Haran) = Haran | אחי (echi) = broer van | אברם (Avram) = Abram | היה (hayah) = was | לו (lo) = hem | מקנה (miqneh) = vee | כבד (kaved) = zwaar | צאן (tson) = kleinvee | ובקר (uvaqar) = en runderen | ואהלים (ve'ohalim) = en tenten | כי (ki) = want | הטיב (hetiv) = deed goed | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לו (lo) = hem | בעבור (ba'avur) = om | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 13:1–13: Abram en Lot scheiden. Zie ook: Gen 13:1–13 **15:36** Toen Abram in het land woonde, twistten de herders van het vee van Lot met de herders van het vee van Abram, want hun bezit was te groot om samen in het land te wonen, en het land kon hen niet dragen vanwege hun vee. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשבת (keshevet) = toen woonde | אברם (Avram) = Abram | בארץ (ba'arets) = in het land | ויריבו (vayarivu) = en twistten | רועי (ro'ei) = de herders van | מקנה (miqneh) = vee | לוט (lot) = Lot | עם (im) = met | רועי (ro'ei) = de herders van | מקנה (miqneh) = vee | אברם (Avram) = Abram | כי (ki) = want | היה (hayah) = was | רכושם (rekhusham) = hun bezit | רב (rav) = te groot | משבת (mishevet) = te wonen | בארץ (ba'arets) = in het land | ולא (velo) = en niet | יכלה (yakhelah) = kon | הארץ (ha'arets) = het land | לשאת (laset) = dragen | אותם (otam) = hen | מפני (mippenei) = vanwege | מקניהם (miqneihem) = hun vee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:37** Ook als alle herders van het vee van Abram gingen weiden, raakten zij de velden van de mensen van het land niet aan. Maar de herders van het vee van Lot deden niet zo: zij lieten hun vee weiden in de velden van de mensen van het land. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | רועי (ro'ei) = de herders van | מקנה (miqneh) = vee | אברם (Avram) = Abram | כאשר (ka'asher) = als | ילכו (yelkhu) = gingen | לרעות (lir'ot) = om te weiden | לא (lo) = niet | יגעו (yigge'u) = raakten aan | בשדות (bis'dot) = de velden van | אנשי (anshei) = mensen van | הארץ (ha'arets) = het land | ורועי (vero'ei) = maar de herders van | מקנה (miqneh) = vee | לוט (lot) = Lot | לא (lo) = niet | כן (ken) = zo | יעשו (ya'asu) = deden | כי (ki) = want | יעזבום (ya'azvum) = zij lieten hen | לרעות (lir'ot) = om te weiden | בשדות (bis'dot) = in de velden van | אנשי (anshei) = mensen van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:38** De mensen van het land zagen dit dag na dag, en zij kwamen naar Abram en twistten met hem over de herders van het vee van Lot. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | אנשי (anshei) = mensen van | הארץ (ha'arets) = het land | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | יום (yom) = dag van | יום (yom) = dag van | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = naar | אברם (Avram) = Abram | ויריבו (vayarivu) = en zij twistten | עמו (immo) = met hem | על (al) = om | אודות (odot) = wille van | רועי (ro'ei) = de herders van | מקנה (miqneh) = vee | לוט (lot) = Lot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:39** Abram zei tegen Lot: „Wat is dit dat je mij aandoet, mij te doen stinken bij de bewoners van het land, dat je je herders beveelt je vee te laten weiden in de velden van anderen? Weet je niet dat ik een vreemdeling ben in dit land, te midden van de zonen van Kanaän? Waarom doe je hun dit aan?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = tot | לוט (lot) = Lot | מה (mah) = wat | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = dat | עשית (asita) = je doet | לי (li) = mij | להבאישני (lehav'ishani) = om mij te doen stinken | ביושבי (beyoshvei) = bij de bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | אשר (asher) = dat | תצוה (tetsaveh) = je beveelt | את (et) = (lijdend voorwerp) | רועי (ro'ei) = de herders van | מקנך (miqnekha) = je vee | לרעות (lir'ot) = om te weiden | בשדות (bis'dot) = in de velden van | אחרים (acherim) = anderen | הלא (halo) = toch niet | ידעת (yada'ta) = weet je | כי (ki) = dat | אני (ani) = ik | גר (ger) = een vreemdeling | בארץ (ba'arets) = in het land | הזאת (hazzo't) = dit | בתוך (betokh) = te midden van | בני (bnei) = de zonen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | ולמה (velamah) = en waarom | תעשה (ta'aseh) = doe je | להם (lahem) = hun | זה (ze) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:40** Abram twistte dag na dag met Lot over deze zaak, maar Lot luisterde niet naar de stem van Abram en ging door met doen zoals hij deed, en de bewoners van het land kwamen en vertelden het Abram. Brontekst: וירב (vayarev) = en hij twistte | אברם (Avram) = Abram | בלוט (belot) = met Lot | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | יום (yom) = dag van | יום (yom) = dag van | ולא (velo) = en niet | שמע (shema) = luisterde | לוט (lot) = Lot | בקול (bekol) = naar de stem van | אברם (Avram) = Abram | ויוסף (vayosef) = en ging door | לעשות (la'asot) = te doen | כדבר (kidvar) = zoals de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לאברם (le'avram) = aan Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:41** Abram zei tegen Lot: „Hoelang nog zul je mij een valstrik zijn bij de bewoners van het land? Laat er nu toch geen twist zijn tussen mij en jou, want wij zijn broers. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = tot | לוט (lot) = Lot | עד (ad) = hoelang | מתי (matai) = nog | תהיה (tihyeh) = zul je zijn | לי (li) = voor mij | אתה (attah) = jij | למוקש (lemoqesh) = tot een valstrik | עם (im) = bij | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | עתה (attah) = nu | אל (el) = niet | תהי (tehi) = zij | נא (na) = toch | מריבה (merivah) = twist | ביני (beni) = tussen mij | וביניך (uveinekha) = en tussen jou | כי (ki) = want | אנשים (anashim) = mannen | אחים (achim) = broers | אנחנו (anachnu) = wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:42** Scheid je nu toch van mij af. Ga en kies een plaats waar je kunt wonen, jij en je vee en alles wat van jou is, maar houd afstand van mij, jij en je huis. Brontekst: אך (akh) = maar | היפרד (hippared) = scheid je af | נא (na) = toch | מעליי (me'alai) = van mij | לך (lekha) = ga | נא (na) = toch | ובחר (uvechar) = en kies | לך (lekha) = voor jezelf | מקום (maqom) = plek | אשר (asher) = waar | תשב (teshev) = je kunt wonen | בו (bo) = daar | אתה (attah) = jij | ומקנך (umiqnekha) = en je vee | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לך (lekha) = aan jou | אך (akh) = maar | רחק (rachaq) = houd afstand | נא (na) = toch | מעליי (me'alai) = van mij | אתה (attah) = jij | וביתיך (uveteykha) = en je huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:43** En wees niet bang omdat je van mij weggaat. Als iemand je kwaad doet, vertel het mij, en ik zal wraak op hem nemen. Maar houd afstand van mij.” Brontekst: ואתה (ve'attah) = en jij | אל (el) = tot | תירא (tira) = vrees | כי (ki) = omdat | תלך (telekh) = je weggaat | מאיתי (me'iti) = van mij | והיה (vehayah) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = als | יעשה (ya'aseh) = hij doet | לך (lekha) = aan jou | רעה (ra'ah) = kwaad | והגדת (vehiggadta) = en vertel | לי (li) = voor mij | ונקמתי (veniqamti) = en ik zal wraak nemen | ממנו (mimmennu) = op hem | אך (akh) = maar | רחק (rachaq) = houd afstand | נא (na) = toch | מעליי (me'alai) = van mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Lot kiest Sodom **15:44** Toen Abram al deze woorden tot Lot gesproken had, stond Lot op en sloeg zijn ogen op naar de Kikkar van de Jordaan. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כדבר (kidvar) = toen sprak | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = tot | לוט (lot) = Lot | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | לוט (lot) = Lot | וישא (vayissa) = en hij sloeg op | עיניו (einav) = zijn ogen | נגד (neged) = naar | ככר (kikkar) = de Kikkar van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 13:10: ‘heel de Kikkar van de Jordaan’. Zie ook: Gen 13:10 **15:45** Hij zag heel die plaats: goed bewaterd en goed voor mensen en als weide voor het vee. Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij verscheen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | כולו (kullo) = geheel | משקה (mashqeh) = drank | וטוב (vetov) = en goed | לאדם (le'Adam) = voor mensen | ולמרעה (ulemir'eh) = en als weide | המקנה (hammiqneh) = voor het vee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **15:46** Lot ging van Abram weg naar die plaats, sloeg daar zijn tent op en woonde in Sodom, en zij scheidden zich van elkaar. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | לוט (lot) = Lot | מעם (me'im) = van | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = naar | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | ויט (vayet) = en hij sloeg op | שם (shem) = daar | אהלו (oholo) = zijn tent | ויגר (vayagar) = en woonde | בסדום (bisdom) = in Sodom | ויפרדו (vayyiparedu) = en zij scheidden zich af | איש (ish) = de een | מעל (me'al) = van | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 13:12 **15:47** Abram bleef wonen bij de eiken van Mamre, die in Hebron zijn, en sloeg daar zijn tent op. Abram bleef op die plaats vele dagen en jaren. Brontekst: ואברם (ve'avram) = en Abram | ישב (yashav) = woonde | לו (lo) = zich | באלוני (be'elonei) = bij de eiken van | ממרא (mamre) = Mamre | אשר (asher) = die | בחברון (bechevron) = in Hebron | ויט (vayet) = en hij sloeg op | שם (shem) = daar | אהלו (oholo) = zijn tent | וישב (vayyashev) = en bleef | אברם (Avram) = Abram | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ושנים (ushanim) = en jaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 13:18: ‘de eiken van Mamre, die in Hebron zijn’. Zie ook: Gen 13:18 ## Jasher 16 _De koningen; Adoni-Sedek; Hagar en Ismaël_ ### De vier koningen **16:1** In die tijd zond Kedorlaomer, de koning van Elam, naar alle koningen rondom hem. Hij zond naar Nimrod, de koning van Sinear, die onder zijn hand was, naar Tidal, de koning van Goïm, en naar Arioch, de koning van Ellasar, met wie hij een verbond gesloten had, met de woorden: „Kom naar mij op en help mij, dan slaan wij alle steden van Sodom en hun bewoners, want zij zijn nu dertien jaar tegen mij in opstand.” Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | שלח (Shelach) = zond | כדרלעמר (kedarla'omer) = Kedorlaomer | מלך (malakh) = koning van | עילם (Elam) = Elam | אל (el) = naar | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | סביבותיו (sevivotav) = rondom hem | אל (el) = tot | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | מלך (malakh) = koning van | שנער (Shin'ar) = Sinear | אשר (asher) = die | היה (hayah) = hij was | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | ואל (ve'el) = en naar | תדעל (tid'al) = Tidal | מלך (malakh) = koning van | גוים (goyim) = Goïm | ואל (ve'el) = en naar | אריוך (aryokh) = Arioch | מלך (malakh) = koning van | אלסר (elasar) = Ellasar | אשר (asher) = met wie | כרת (karat) = hij gesloten had | איתם (ittam) = bij hen | ברית (berit) = een verbond | לאמור (lemor) = zeggende | עלו (alu) = komt op | אליי (elai) = naar mij | ועזרו (ve'ezru) = en helpt | לי (li) = mij | ונכה (venakkeh) = dan slaan wij | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ערי ('eri) = steden van | סדום (sedom) = Sodom | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יושביה (yoshveha) = haar bewoners | כי (ki) = want | פשעו (pash'u) = zijn in opstand gekomen | בי (bi) = tegen mij | היום (hayyom) = nu | שלוש (shalosh) = drie | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:1–4. Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 14:1–4 **16:2** Die vier koningen trokken op met al hun legerkampen, ongeveer achthonderdduizend man, en zij trokken zoals zij waren en sloegen elke mens die zij op hun weg vonden. Brontekst: ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | ארבעה (arba'ah) = vier | מלכים (melakhim) = koningen | האלה (ha'elleh) = die | עם (im) = met | כל (kol) = alle | מחניהם (machanehem) = hun legerkampen | יחד (yachad) = samen | כשמונה (keshemonah) = ongeveer acht | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | ויתהלכו (vayithallekhu) = en zij trokken | כאשר (ka'asher) = zoals | הם (hem) = zij waren | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = mens | אשר (asher) = die | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | על (al) = op | דרכם (darkham) = hun weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **16:3** De koningen van Sodom en Gomorra, hun vijf koningen: Sinab, de koning van Adma, Semeber, de koning van Zeboïm, Bera, de koning van Sodom, Birsa, de koning van Gomorra, en Bela, de koning van Zoar, trokken hen tegemoet. Zij bundelden zich allen met hen samen in het dal van Siddim. Brontekst: ועל (ve'al) = en over | מלכי (malkhei) = koningen van | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | חמשת (chamishat) = vijf | מלכיהם (malkheihem) = hun koningen | שנאב (shinav) = Sinab | מלך (malakh) = koning van | אדמה (adamah) = Adma | ושמאבר (vishem'ever) = en Semeber | מלך (malakh) = koning van | צבויים (tsevoyim) = Zeboïm | וברע (uvera) = en Bera | מלך (malakh) = koning van | סדום (sedom) = Sodom | וברשע (uvirsha) = en Birsa | מלך (malakh) = koning van | עמורה (amorah) = Gomorra | ובלע (uvela) = en Bela | מלך (malakh) = koning van | צוער (tso'ar) = Zoar | יצאו (yatse'u) = gingen uit | לקראתם (liqratam) = hen tegemoet | ויתחברו (vayitchabberu) = en bundelden zich | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | עמהם (immahem) = met hen | בעמק (ba'emeq) = in het dal | השדים (hassiddim) = Siddim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:2: Bera, Birsa, Sinab, Semeber en de koning van Bela, dat is Zoar. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 14:2 **16:4** Die negen koningen voerden oorlog in het dal van Siddim, en alle koningen van Sodom en Gomorra werden verslagen door de koningen van Elam. Brontekst: וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | תשעה (tish'ah) = negen | מלכים (melakhim) = koningen | האלה (ha'elleh) = deze | בעמק (ba'emeq) = in het dal | השדים (hassiddim) = Siddim | וינגפו (vayyinnagfu) = en werden verslagen | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | לפני (lifnei) = door | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. **16:5** Het dal van Siddim lag vol asfaltputten. De koningen van Elam achtervolgden de koningen van Sodom, en alle koningen van Sodom vluchtten met hun legerkampen en vielen in de asfaltputten, en allen die overbleven, gingen naar het gebergte om te ontkomen. De vijf koningen van Elam kwamen achter hen aan en achtervolgden hen tot de poort van Sodom, en zij namen alles wat in Sodom was. Brontekst: ועמק (ve'emeq) = en het dal van | השדים (hassiddim) = Siddim | מלא (male) = vol | בארות (be'erot) = putten | בארות (be'erot) = putten van | חמר (chemar) = asfalt | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלכי (malkhei) = koningen van | סדום (sedom) = Sodom | וינוסו (vayanusu) = en vluchtten | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | סדום (sedom) = Sodom | עם (im) = met | מחניהם (machanehem) = hun legerkampen | ויפלו (vayippelu) = en vielen | בבארות (bebe'erot) = in de putten | החמר (hachemar) = van asfalt | וכל (vekhol) = en alle | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | עלו (alu) = gingen op | אל (el) = naar | ההר (hahar) = het gebergte | להימלט (lehimmalet) = te ontkomen | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | חמשת (chamishat) = vijf | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam | וירדפום (vayirdefum) = en achtervolgden hen | עד (ad) = tot | שער (sha'ar) = de poort van | סדום (sedom) = Sodom | ויקחו (vayyiqchu) = en namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | בסדום (bisdom) = in Sodom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:10: het dal van Siddim lag vol asfaltputten. Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 14:10 ### Lot wordt weggevoerd **16:6** Zij plunderden alle steden van Sodom en Gomorra. Ook Lot, de zoon van de broer van Abram, namen zij mee met zijn bezittingen, en zij voerden alle bezittingen van de steden van Sodom weg en gingen heen. Ugi, de dienaar van Abram, die in die strijd was geweest, kwam en vertelde Abram alles wat die koningen de steden van Sodom aangedaan hadden, en dat Lot, de zoon van zijn broer, met hen weggevoerd was. Brontekst: ויבוזו (vayavuzu) = en plunderden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ערי ('eri) = steden van | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | לוט (lot) = Lot | בן (ben) = zoon van | אחי (echi) = de broer van | אברם (Avram) = Abram | לקחו (laqchu) = namen | אותו (oto) = hem | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | רכושו (rekhusho) = zijn bezittingen | וישבו (vayeshvu) = en voerden weg | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | רכוש (rekhush) = bezittingen van | ערי ('eri) = steden van | סדום (sedom) = Sodom | וילכו (vayelkhu) = en gingen | להם (lahem) = heen | ויבוא (vayavo) = en kwam | עוגי (ugi) = Ugi | עבד (eved) = dienaar van | אברם (Avram) = Abram | אשר (asher) = die | היה (hayah) = was | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ההיא (hahi) = die | ויגד (vayyaged) = en vertelde | לאברם (le'avram) = aan Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = hadden gedaan | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | אל (el) = aan | ערי ('eri) = steden van | סדום (sedom) = Sodom | ואת (ve'et) = en dat | אשר (asher) = dat | נשבה (nishbah) = was weggevoerd | לוט (lot) = Lot | בן (ben) = zoon van | אחיו (achiv) = zijn broer | עמהם (immahem) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: De naam Ugi staat niet in Genesis; Gen. 14:13 spreekt van een vluchteling die het Abram kwam vertellen. Zie ook: Gen 14:13 ### Abram achtervolgt de koningen **16:7** Abram hoorde dit. Hij stond op, hij en de mannen die bij hem waren, ongeveer driehonderdachttien man, en achtervolgde die vier koningen in die nacht. Hij achtervolgde hen en versloeg hen, en zij vielen allen voor Abram en zijn mannen. Er bleef van hen niemand over behalve de vier koningen alleen, die vluchtten, ieder zijn eigen weg. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אברם (Avram) = Abram | הדבר (haddavar) = dit | הזה (hazzeh) = deze | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | הוא (hu) = hij | והאנשים (veha'anashim) = en de mannen | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | ושמונה (ushmoneh) = en acht | עשר (esar) = tien | איש (ish) = een man | וירדוף (vayirdof) = en achtervolgde | אחרי (acharei) = achter | ארבע (arba) = vier | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | וירדפם (vayirdefem) = en achtervolgde hen | ויכם (vayakkem) = en sloeg hen | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | כולם (kullam) = allen | לפני (lifnei) = voor | אברם (Avram) = Abram | ולפני (velifnei) = en voor | אנשיו (anashav) = zijn mensen | ולא (velo) = en niet | נותר (notar) = bleef over | מהם (mehem) = van hen | איש (ish) = man | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | ארבעה (arba'ah) = vier | מלכים (melakhim) = koningen | לבדם (levaddam) = alleen | ברחו (barchu) = vluchtten | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | איש (ish) = ieder | לדרכו (ledarko) = zijn weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:14–15: driehonderdachttien man. Zie ook: Gen 14:14–15 **16:8** Abram bracht alle bezittingen van Sodom terug, en ook Lot en zijn bezittingen bracht hij terug, hun vrouwen, hun kleine kinderen en alles wat van hen was. Lot ontbrak niets. Brontekst: וישב (vayyashev) = en bracht terug | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | רכוש (rekhush) = bezittingen van | סדום (sedom) = Sodom | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | לוט (lot) = Lot | ורכושו (verekhusho) = en zijn bezittingen | השיב (heshiv) = bracht terug | ונשיהם (venasheihem) = en hun vrouwen | וטפם (vetappam) = en hun kleine kinderen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | להם (lahem) = van hen | לא (lo) = niet | נחסר (nechsar) = ontbrak | דבר (davar) = een reden | ללוט (lelot) = aan Lot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **16:9** Toen hij terugkeerde van het verslaan van die koningen, trok hij met zijn mannen door het dal van Siddim, waar alle koningen gestreden hadden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשובו (beshuvo) = bij zijn terugkeer | מהכות (mehakkot) = van het verslaan van | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ויעבור (vaya'avor) = en trok door | הוא (hu) = hij | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | מעמק (me'emeq) = door het dal van | השדים (hassiddim) = Siddim | אשר (asher) = waar | נלחמו (nilchamu) = hadden gestreden | שם (shem) = daar | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **16:10** Bera, de koning van Sodom, en de rest van zijn mannen en wie bij hem was, kwamen uit de putten van asfalt, waarin zij gevallen waren, Abram en zijn mannen tegemoet. Brontekst: ויצא (vayetse) = en ging uit | ברע (bera) = Bera | מלך (malakh) = koning van | סדום (sedom) = Sodom | ויתר (veyeter) = en de rest van | אנשיו (anashav) = zijn mensen | ואשר (va'asher) = en wie | איתו (ito) = met hem | מבארות (mibbe'erot) = uit de putten van | החמר (hachemar) = asfalt | אשר (asher) = die | נפלו (naflu) = gevallen waren | שם (shem) = daar | לקראת (liqrat) = tegemoet | אברם (Avram) = Abram | אנשיו (anashav) = zijn mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. ### Adoni-Sedek **16:11** Ook Adoni-Sedek, de koning van Jeruzalem – dat is Sem – kwam met zijn mannen Abram en zijn mannen tegemoet, met brood en wijn, en zij bleven daar samen in het Koningsdal. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | אדוני (adoni) = Adoni- | צדק (tsedeq) = Sedek | מלך (malakh) = koning van | ירושלם (yerushalem) = Jeruzalem | הוא (hu) = dat is | שם (shem) = Sem | יצא (yatsa) = ging uit | עם (im) = met | אנשיו (anashav) = zijn mensen | לקראת (liqrat) = tegemoet | אברם (Avram) = Abram | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | בלחם (belechem) = met brood | ויין (vayayin) = en wijn | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven | שם (shem) = daar | יחד (yachad) = samen | בעמק (ba'emeq) = in het dal van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:18: Melchisedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn. Dat hij Sem is en Adoni-Sedek heet, staat niet in Genesis; Adoni-Sedek, de koning van Jeruzalem, komt voor in Joz. 10:1. Zie ook: Gen 14:18; Joz 10:1 **16:12** Adoni-Sedek zegende Abram, en Abram gaf hem een tiende van alles wat hij uit de buit van zijn vijanden had meegebracht, want Adoni-Sedek was priester voor Elohim. Brontekst: ויברך (vayevarekh) = en Hij zegende | אדוני (adoni) = Adoni- | צדק (tsedeq) = Sedek | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברם (Avram) = Abram | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = hem | אברם (Avram) = Abram | מעשר (ma'aser) = een tiende van | מכל (mikkol) = van alles | אשר (asher) = wat | הביא (hevi) = hij had meegebracht | משלל (mishalal) = uit de buit van | אויביו (oyevav) = zijn vijanden | כי (ki) = want | היה (hayah) = hij was | אדוני (adoni) = Adoni- | צדק (tsedeq) = Sedek | כהן (kohen) = priester | לפני (lifnei) = voor | אלוקים (Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 14:19; Gen 14:20 ### De koning van Sodom **16:13** De koningen van Sodom en Gomorra die daar waren, kwamen met hun dienaren naar Abram toe en smeekten hem hun de gevangenen terug te geven die hij van hun dienaren weggevoerd had, en alle bezittingen voor zich te nemen. Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | מלכי (malkhei) = koningen van | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | אשר (asher) = die | היו (hayu) = waren | שם (shem) = daar | הם (hem) = zij | ועבדיהם (va'avdeihem) = met hun dienaren | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | ויתחננו (vayitchannenu) = en zij smeekten | אליו (elav) = hem | לאמור (lemor) = zeggende | לתת (latet) = te geven | להם (lahem) = hun | השבי (hashevi) = de gevangenen | אשר (asher) = die | שבה (shavah) = hij weggevoerd had | מעבדיהם (me'avdeihem) = van hun dienaren | ולקחת (velaqachat) = en te nemen | לו (lo) = voor zich | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הרכוש (harekhush) = de bezittingen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **16:14** Abram antwoordde de koningen van Sodom: „Zo waar Yahweh leeft, die de hemel en de aarde geschapen heeft, die mijn ziel verlost heeft van alle nood en die mij vandaag van mijn vijanden gered en hen in mijn hand gegeven heeft: ik neem niets van wat van u is, opdat u zich morgen niet beroemt en zegt: ‘Abram is rijk geworden van onze bezittingen, die hij gered heeft.’ Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלכי (malkhei) = koningen van | סדום (sedom) = Sodom | לאמור (lemor) = zeggende | חי (chai) = leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | ברא (bara) = geschapen heeft | את (et) = (lijdend voorwerp) | השמים (hashamayim) = de hemel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = de aarde | ואשר (va'asher) = en die | פדה (padah) = verlost heeft | נפשי (nafshi) = mijn ziel | מכל (mikkol) = van alle | צרה (tsarah) = nood | ואשר (va'asher) = en die | הצילני (hitsilani) = mij gered heeft | מאויביי (me'oyvai) = van mijn vijanden | היום (hayyom) = vandaag | ויתנם (vayittenem) = en hen gegeven heeft | בידי (beyadi) = in mijn hand | אם (em) = als | אקח (eqqach) = ik neem | דבר (davar) = iets | מכל (mikkol) = van alles | אשר (asher) = wat | לכם (lakhem) = van u | ולא (velo) = opdat niet | תתהללו (tit'hallelu) = u zich beroemt | מחר (machar) = morgen | לאמור (lemor) = zeggende | מרכושינו (mirkhushenu) = van onze bezittingen | אשר (asher) = die | הציל (hatsil) = hij gered heeft | אברם (Avram) = Abram | העשיר (he'ashir) = rijk heeft gemaakt Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:22–24. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 14:22–24 **16:15** Want Yahweh, mijn Elohim, op wie ik vertrouw, heeft tot mij gesproken: **‘Je zult niets tekortkomen, want Ik zal je rijkelijk zegenen in al het werk van je handen dat je doet.’** Brontekst: כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיי (elohai) = mijn goden | אשר (asher) = op wie | בטחתי (batachti) = ik vertrouw | בו (bo) = op Hem | דיבר (dibber) = heeft gesproken | אליי (elai) = tot mij | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | תחסר (techsar) = zul je tekortkomen | דבר (davar) = een reden | כי (ki) = want | ברך (berakh) = zegenend | אברכך (avarekhkha) = Ik zal je zegenen | בכל (bekhol) = in alle | מעשה (ma'aseh) = het werk van | ידיך (yadekha) = je handen | אשר (asher) = die | תעשה (ta'aseh) = je doet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **16:16** En nu, zie, alles wat van u is, neem het en ga. Zo waar Yahweh leeft, ik neem niets van u, van een levend wezen tot een sandaalriem, ja tot een draad, behalve wat de jongens gegeten hebben die met mij ten strijde zijn uitgetrokken, en het deel van de mannen die met mij zijn meegegaan: Aner, Eskol en Mamre, zij en hun mannen, en ook van hen die bij het gerei gebleven waren om het te bewaken. Zij mogen hun deel van de buit nemen.” Brontekst: עתה (attah) = nu | הנה (hinneh) = zie | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לכם (lakhem) = van u | קחו (qechu) = neem | ולכו (ulkhu) = en gaat | חי (chai) = leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לא (lo) = niet | אקח (eqqach) = neem ik | מכם (mikkem) = van u | מנפש (minnefesh) = van een levend wezen | ועד (ve'ad) = en tot | שרוך (serokh) = riem van | נעל (na'al) = een sandaal | ועד (ve'ad) = en tot | חוט (chut) = draad | זולתי (zulati) = behalve | אשר (asher) = wat | אכלו (akhlu) = hebben gegeten | הנערים (hanne'arim) = de jongens | היוצאים (hayyots'im) = die uittrokken | איתי (itti) = met mij | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | וגם (vegam) = en ook | חלק (cheleq) = het deel van | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = zijn meegegaan | עמי (immi) = met mij | ענר (Aner) = Aner | אשכול (Eshkol) = Eskol | וממרא (umamre) = en Mamre | הם (hem) = zij | ואנשיהם (ve'anshehem) = en hun mannen | וגם (vegam) = en ook | אשר (asher) = die | ישבו (yashvu) = bleven | על (al) = bij | הכלים (hakkelim) = het gerei | לשמור (lishmor) = om te bewaken | הם (hem) = zij | יקחו (yiqchu) = laten nemen | חלקם (chelqam) = hun deel | מהשלל (mehashalal) = van de buit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 14:22; Gen 14:24 **16:17** De koningen van Sodom gaven aan de mannen van Abram al wat hij gezegd had, en zij drongen er bij hem op aan te nemen wat hij maar wilde, maar hij wilde niet. Brontekst: ויתנו (vayittenu) = en gaven | מלכי (malkhei) = koningen van | סדום (sedom) = Sodom | לאנשי (le'anshei) = aan de mannen van | אברם (Avram) = Abram | ככל (kekhol) = overeenkomstig alles | אשר (asher) = wat | אמר (amar) = hij gezegd had | ויפצרו (vayiftsaru) = en drongen aan | בו (bo) = bij hem | לקחת (laqachat) = om te nemen | הוא (hu) = hij | מכל (mikkol) = van alles | אשר (asher) = wat | יבחר (yivchar) = hij maar wilde | ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **16:18** Hij liet de koningen van Sodom en de rest van hun mannen gaan en gaf hun opdracht over Lot, en zij gingen naar hun eigen plaats. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en liet gaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלכי (malkhei) = koningen van | סדום (sedom) = Sodom | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יתר (yeter) = de rest van | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | ויצום (vayetsavvem) = en gebood hun | אל (el) = over | לוט (lot) = Lot | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | למקומם (limqomam) = naar hun plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **16:19** Ook Lot, de zoon van zijn broer, zond hij weg met al zijn bezit, en hij ging met hen mee. Lot keerde terug naar zijn plaats, naar Sodom, en Abram en zijn mannen keerden terug naar hun plaats, naar de eiken van More, die in Hebron zijn. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | לוט (lot) = Lot | בן (ben) = zoon van | אחיו (achiv) = zijn broer | שלח (Shelach) = zond weg | עם (im) = met | כל (kol) = al | קניינו (qinyano) = zijn bezit | וילך (vayelekh) = en hij ging | עמהם (immahem) = met hen | וישב (vayyashev) = en keerde terug | לוט (lot) = Lot | למקומו (limqomo) = naar zijn plaats | סדומה (sedomah) = naar Sodom | ואברם (ve'avram) = en Abram | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | שבו (shavu) = keerden terug | אל (el) = naar | מקומם (meqomam) = hun plaats | אל (el) = naar | אלוני (elonei) = de eiken van | מורה (moreh) = More | אשר (asher) = die | בחברון (bechevron) = in Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. ### Yahweh verschijnt in Hebron **16:20** In die tijd verscheen Yahweh opnieuw aan Abram in Hebron en zei tegen hem: **„Wees niet bang. Je loon is zeer groot voor Mij, want Ik zal je niet verlaten totdat Ik je talrijk gemaakt en gezegend heb en je nageslacht gemaakt heb als de sterren van de hemel, die niet gemeten en niet geteld worden.** Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | נראה (nir'ah) = verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | אברם (Avram) = Abram | עוד (od) = opnieuw | בחברון (bechevron) = in Hebron | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אל (el) = niet | תירא (tira) = vrees | שכרך (sekharekha) = je loon | הרבה (harbeh) = veel | מאוד (me'od) = zeer | לפניי (lefanai) = voor Mij | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | אעזבך (e'ezvekha) = Ik zal je verlaten | כי (ki) = totdat | אם (em) = dat | הרביתי (hirbeti) = Ik talrijk heb gemaakt | אותך (otekha) = jou | ואברכך (va'avarekhkha) = en Ik zal je zegenen | ושמתי (veshamti) = en Ik zal maken | את (et) = (lijdend voorwerp) | זרעך (zar'akha) = je nageslacht | ככוכבי (kekhokhevei) = als de sterren van | השמים (hashamayim) = de hemel | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ימד (yimmad) = gemeten worden | ולא (velo) = en niet | יספר (yissafer) = geteld worden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 15:1: ‘Wees niet bang, Abram. Ik ben een schild voor je. Je loon is zeer groot.’ Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 15:1 **16:21** **Aan je nageslacht zal Ik al de landen geven die je met je ogen ziet. Aan hen heb Ik ze gegeven om ze te bezitten, tot in eeuwigheid. Wees maar sterk en wees niet bang, wandel voor Mij en wees onberispelijk.”** Brontekst: ונתתי (venatati) = en Ik zal geven | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארצות (ha'aratsot) = de landen | אשר (asher) = die | אתה (attah) = jij | רואה (ro'eh) = ziet | בעיניך (be'einekha) = met je ogen | להם (lahem) = aan hen | נתתי (natati) = Ik heb gegeven | אותם (otam) = ze | לרשתם (lerishtam) = om ze te bezitten | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwigheid | אך (akh) = maar | חזק (chazaq) = wees sterk | ואל (ve'el) = en niet | תירא (tira) = vrees | התהלך (hithallekh) = wandel | לפניי (lefanai) = voor Mij | והיה (vehayah) = en wees | תמים (tamim) = onberispelijk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 15:7; Gen 17:1 **16:22** In het achtenzeventigste jaar van het leven van Abram stierf Reü, de zoon van Peleg, in dat jaar. Alle dagen van Reü waren tweehonderdnegenendertig jaar, en hij stierf. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | שבעים (shiv'im) = zeventig | שנה (shanah) = jaar | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנים (shanim) = jaren | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אברם (Avram) = Abram | וימת (vayamot) = en stierf | רעו (Re'u) = Reü | בן (ben) = zoon van | פלג (Peleg) = Peleg | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | רעו (Re'u) = Reü | מאתיים (matayim) = tweehonderd | שנה (shanah) = jaar | ותשע (vetesha) = en negen | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:20–21: Reü. Zie ook: Gen 11:20–21 ### Sarai en Hagar **16:23** Sarai, de dochter van Haran, de vrouw van Abram, was in die dagen nog onvruchtbaar en had Abram geen zoon en geen dochter gebaard. Brontekst: ושרי (vesarai) = en Sarai | בת (bat) = dochter van | הרן (Haran) = Haran | אשת (eshet) = vrouw van | אברם (Avram) = Abram | עודנה (odenah) = nog | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ולא (velo) = en niet | ילדה (yaldah) = had gebaard | לאברם (le'avram) = aan Abram | לא (lo) = niet | בן (ben) = zoon | ולא (velo) = en niet | בת (bat) = dochter Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **16:24** Toen zij zag dat zij niet baarde, nam zij Hagar, haar slavin, die Farao haar gegeven had, en gaf haar aan Abram, haar man, als vrouw. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראותה (kir'otah) = toen zij zag | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | ילדה (yaldah) = zij baarde | ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הגר (hagar) = Hagar | שפחתה (shifchatah) = haar slavin | אשר (asher) = die | נתן (natan) = had gegeven | לה (lah) = haar | פרעה (par'oh) = Farao | ותיתן (vattitten) = en zij gaf | אותה (otah) = haar | לאברם (le'avram) = aan Abram | אישה (ishah) = haar man | לאשה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 16:1–3. Zie ook: Gen 16:1–3; Gen 16:3 **16:25** Want Hagar leerde alle wegen van Sarai, zoals Sarai haar onderwezen had; er ontbrak niets aan al haar goede wegen. Brontekst: כי (ki) = want | הגר (hagar) = Hagar | למדה (lamdah) = leerde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דרכי (darkhei) = wegen van | שרי (sarai) = Sarai | כאשר (ka'asher) = zoals | לימדה (limmedah) = onderwezen had | אותה (otah) = haar | שרי (sarai) = Sarai | לא (lo) = niet | חסרה (chasrah) = ontbrak | מכל (mikkol) = aan alle | דרכיה (derakheha) = haar wegen | הטובים (hattovim) = de goede | מאומה (me'umah) = niets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **16:26** Sarai zei tegen Abram: „Zie, mijn slavin Hagar: ga bij haar binnen, dan zal zij op mijn knieën baren, en ook ik zal uit haar opgebouwd worden.” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | שרי (sarai) = Sarai | לאברם (le'avram) = aan Abram | הנה (hinneh) = zie | שפחתי (shifchati) = mijn slavin | הגר (hagar) = Hagar | בא (ba) = ga binnen | אליה (eleha) = bij haar | ותלד (vatteled) = dan zal zij baren | על (al) = op | ברכיי (birkai) = mijn knieën | ואבנה (ve'ibbaneh) = en ik zal opgebouwd worden | גם (gam) = ook | אנוכי (anokhi) = ik | ממנה (mimmenah) = uit haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 16:2 **16:27** Na het einde van tien jaar dat Abram in het land Kanaän woonde, het vijfentachtigste jaar van het leven van Abram, gaf Sarai Hagar aan Abram. Brontekst: ותיתן (vattitten) = en zij gaf | שרי (sarai) = Sarai | את (et) = (lijdend voorwerp) | הגר (hagar) = Hagar | לאברם (le'avram) = aan Abram | מקץ (miqqets) = na het einde van | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | לשבת (lashevet) = van het wonen van | אברם (Avram) = Abram | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | היא (hi) = dat | שנת (shenat) = jaar van | חמש (chamesh) = vijf | ושמונים (ushmonim) = en tachtig | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אברם (Avram) = Abram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 16:3 **16:28** Abram luisterde naar de stem van Sarai, zijn vrouw, nam Hagar, zijn slavin, en Abram ging bij haar binnen en zij werd zwanger van hem. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij hoorde | אברם (Avram) = Abram | לקול (leqol) = naar de stem van | שרי (sarai) = Sarai | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הגר (hagar) = Hagar | שיפחתו (shifchato) = zijn slavin | ויבוא (vayavo) = en ging binnen | אליה (eleha) = bij haar | אברם (Avram) = Abram | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | לו (lo) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Hagar en Sarai **16:29** Hagar zag dat zij zwanger was, verheugde zich zeer en haar meesteres werd gering in haar ogen. Zij zei in haar hart: „Het kan niet anders of ik ben beter voor Yahweh dan Sarai, mijn meesteres. Want al de dagen dat mijn meesteres bij mijn heer is, werd zij niet zwanger, maar mij is in korte tijd een zwangerschap van hem gegeven.” Brontekst: ותקרא (vattiqra) = en zij zag | הגר (hagar) = Hagar | כי (ki) = dat | הרתה (harta) = zij zwanger was | ותשמח (vatismach) = en zij verheugde zich | מאוד (me'od) = zeer | ותקל (vattaqel) = en werd gering | גבירתה (gevirtah) = haar meesteres | בעיניה (be'eineha) = in haar ogen | ותאמר (vatomer) = en zei | בליבה (belibbah) = in haar hart | אין (ein) = niets | זה (ze) = is dit | כי (ki) = anders | אם (em) = dan | אנוכי (anokhi) = ik | טובה (tovah) = goed | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | משרי (misarei) = dan Sarai | גבירתי (gevirti) = mijn meesteres | כי (ki) = want | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | אשר (asher) = dat | גבירתי (gevirti) = mijn meesteres | עם (im) = met | אדוני (adoni) = mijn heer | לא (lo) = niet | הרתה (harta) = zwanger werd | ואני (va'ani) = maar ik | בימים (bayyamim) = in dagen | אחדים (achadim) = weinige | נתן (natan) = gaf | לי (li) = mij | הריון (heryon) = zwangerschap | ממנו (mimmennu) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ותקרא (vatiqra), ‘en zij riep’, staat er. Waarschijnlijk is ותרא (vatere), ‘en zij zag’, bedoeld, zoals in Gen. 16:4. Zie ook: Gen 16:4 **16:30** Toen Sarai zag dat Hagar zwanger was van Abram, werd Sarai jaloers op haar slavin, en Sarai zei in haar hart: „Het kan niet anders of zij is veel beter dan ik.” Brontekst: ותרא (vatere) = en zij zag | שרי (sarai) = Sarai | כי (ki) = want | הרתה (harta) = zwanger was | הגר (hagar) = Hagar | לאברם (le'avram) = van Abram | ותקנא (vateqanne) = en werd jaloers | שרי (sarai) = Sarai | בשפחתה (bishfichatah) = op haar slavin | ותאמר (vatomer) = en zei | שרי (sarai) = Sarai | בליבה (belibbah) = in haar hart | אין (ein) = niets | זה (ze) = is dit | כי (ki) = anders | אם (em) = dan | היא (hi) = dat zij | טובה (tovah) = beter | ממני (mimmenni) = dan ik | מאוד (me'od) = veel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **16:31** Sarai zei tegen Abram: „Het geweld dat mij is aangedaan, komt op jou. Want toen je voor Yahweh bad om een kind, waarom heb je dan niet voor mij gebeden, dat Yahweh mij een kind van jou zou geven? Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | שרי (sarai) = Sarai | לאברם (le'avram) = aan Abram | חמסי (chamasi) = het geweld tegen mij | עליך (aleikha) = op jou | כי (ki) = want | בעת (be'et) = in de tijd | אשר (asher) = dat | התפללת (hitpallalta) = je bad | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = om | הזרע (hazzera) = het zaad | למה (lammah) = waarom | לא (lo) = niet | התפללת (hitpallalta) = heb je gebeden | עליי (alay) = voor mij | לתת (latet) = te geven | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לי (li) = voor mij | זרע (zera) = nageslacht | ממך (mimmekha) = van jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 16:5. Zie ook: Gen 16:5 **16:32** En ook als ik tot Hagar spreek in jouw aanwezigheid, veracht zij mijn woorden omdat zij zwanger is, en jij zegt haar niets. Moge Yahweh richten tussen mij en jou over wat je mij aangedaan hebt.” Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כי (ki) = als | אדבר (adabber) = ik spreek | אל (el) = tot | הגר (hagar) = Hagar | בפניך (bephanekha) = in jouw aanwezigheid | ותבזה (vativzeh) = en zij veracht | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | בעבור (ba'avur) = omdat | אשר (asher) = dat | הרתה (harta) = zij zwanger is | ולא (velo) = en niet | תדבר (tedabber) = spreek je | אליה (eleha) = haar | מאומה (me'umah) = iets | ישפוט (yishpot) = moge richten | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ביני (beni) = tussen mij | וביניך (uveinekha) = en jou | על (al) = over | אשר (asher) = wat | עשית (asita) = je hebt gedaan | לי (li) = voor mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **16:33** Abram zei tegen Sarai: „Zie, je slavin is in je hand; doe haar wat goed is in je ogen.” Sarai onderdrukte haar, en Hagar vluchtte voor haar weg naar de woestijn. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = tot | שרי (sarai) = Sarai | הנה (hinneh) = zie | שפחתך (shifchatekha) = je slavin | בידך (beyadekha) = in je hand | עשי (asi) = doe | לה (lah) = haar | הטוב (hattov) = wat goed is | בעינייך (be'eineykha) = in je ogen | ותענה (vete'anneh) = en onderdrukte haar | שרי (sarai) = Sarai | ותברח (vativrach) = en vluchtte | הגר (hagar) = Hagar | מפניה (mippeneha) = voor haar | אל (el) = tot | המדבר (hammidbar) = de woestijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 16:6 ### De engel bij de put **16:34** De engel van Yahweh vond haar op de plaats waarheen zij gevlucht was en zei tegen haar: _„Wees niet bang, want Ik zal je nageslacht zeer talrijk maken. Zie, je zult een zoon baren en zijn naam Ismaël noemen. Keer nu terug naar Sarai, je meesteres, en onderwerp je onder haar handen.”_ Brontekst: וימצאה (vayimtse'ah) = en vond haar | מלאך (mal'akh) = de engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | במקום (bamaqom) = op de plaats | אשר (asher) = waar | ברחה (barechah) = zij gevlucht was | שמה (shemah) = daarheen | ויאמר (vayomer) = en zei | אליה (eleha) = tegen haar | אל (el) = niet | תראי (tir'i) = vrees | כי (ki) = want | הרבה (harbeh) = zeer | ארבה (arbeh) = Ik zal talrijk maken | את (et) = (lijdend voorwerp) | זרעך (zar'akha) = je nageslacht | כי (ki) = want | הנך (hinnekh) = zie, jij | יולדת (yoledet) = zult baren | בן (ben) = een zoon | וקראת (veqara'ta) = en je zult noemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | עתה (attah) = nu | שובי (shuvi) = keer terug | אל (el) = tot | שרי (sarai) = Sarai | גבירתך (gevirtekh) = je meesteres | והתעני (vehit'anni) = en onderwerp je | תחת (tachat) = onder | ידיה (yadeha) = haar handen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 16:7–12. De woorden van de engel zijn rood gedrukt, zoals in Gen. 16:10–11. Zie ook: Gen 16:7–12; Gen 16:9; Gen 16:10–11; Gen 16:11 **16:35** Hagar noemde de plaats van die put Beër-Lachai-Roï. Zie, zij ligt tussen Kades en Bered. Brontekst: ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | הגר (hagar) = Hagar | למקום (lamaqom) = de plaats van | הבאר (habbe'er) = die put | ההוא (hahu) = die | באר (be'er) = Beër | לחי (lachai) = Lachai | רואי (ro'i) = Roï | הנה (hinneh) = zie | בין (bein) = tussen | קדש (qadesh) = Kades | ובין (uvein) = en tussen | ברד (bered) = Bered Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 16:14: Beër-Lachai-Roï, tussen Kades en Bered. Zie ook: Gen 16:14 **16:36** In die tijd keerde Hagar terug naar het huis van Abram, haar heer, en na enige tijd baarde Hagar Abram een zoon. Abram noemde hem Ismaël. Abram was zesentachtig jaar toen zij hem baarde. Brontekst: ותשב (vatashav) = en keerde terug | הגר (hagar) = Hagar | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | בית (bet) = naar het huis van | אברם (Avram) = Abram | אדוניה (adoneha) = haar heer | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | ימים (yamim) = dagen | ותלד (vatteled) = en baarde | הגר (hagar) = Hagar | לאברם (le'avram) = aan Abram | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en noemde | אברם (Avram) = Abram | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ואברם (ve'avram) = en Abram | בן (ben) = zoon van | שמונים (shemonim) = tachtig | ושש (veshesh) = en zes | שנים (shanim) = jaren | בלדתה (beladtah) = toen zij hem baarde | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 16:15–16: Abram was zesentachtig jaar. Zie ook: Gen 16:15–16; Gen 16:16 ## Jasher 17 _Kittim en Tubal; het verbond van de besnijdenis_ ### Kittim en Tubal **17:1** In die dagen, in het eenennegentigste jaar van het leven van Abram, streden de zonen van Kittim tegen de zonen van Tubal. Want toen Yahweh de mensenkinderen over heel de aarde verstrooid had, trokken de zonen van Kittim uit en werden een bond. Zij gingen naar het dal van Kanfia, bouwden daar steden en woonden daar aan de rivier Tivrajo. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar | אחת (achat) = één | ותשעים (vetish'im) = en negentig | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אברם (Avram) = Abram | וילחמו (vayillachamu) = en streden | בני (bnei) = de zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | את (et) = tegen | בני (bnei) = de zonen van | תובל (Tuval) = Tubal | כי (ki) = want | בהפיץ (behafits) = toen verstrooide | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = de zonen van | האדם (ha'adam) = mensen | על (al) = over | פני (pnei) = het aangezicht van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | יצאו (yatse'u) = trokken uit | בני (bnei) = de zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | ויהיו (vayihyu) = en werden | לאגודה (le'agudah) = een bond | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בקעת (biqat) = het dal van | כנפיא (kanfya) = Kanfia | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = voor zich | שם (shem) = daar | ערים (arim) = steden | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | שם (shem) = daar | על (al) = aan | נהר (nehar) = de rivier | תיבראיו (tivrayo) = Tivrajo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De oorlog tussen de zonen van Kittim en de zonen van Tubal staat niet in Genesis. Tubal is een zoon van Jafeth en Kittim een zoon van Javan, dus een kleinzoon van Jafeth; zie Gen. 10:2 en 10:4. Zie ook: Gen 10:2; Gen 10:4 **17:2** De zonen van Tubal woonden in Tuskana, en zij noemden haar naam Sevina, naar Sevina, de zoon van Tubal, hun vader. Zij wonen daar tot op deze dag. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | תובל (Tuval) = Tubal | ישבו (yashvu) = zij woonden | בתושכנה (bitushkanah) = in Tuskana | ויקראו (vayiqre'u) = en zij noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמה (shemah) = haar naam | סבינה (sevinah) = Sevina | על (al) = naar | שם (shem) = de naam van | סבינה (sevinah) = Sevina | בן (ben) = zoon van | תובל (Tuval) = Tubal | אביהם (avihem) = hun vader | וישבו (vayeshvu) = en zij wonen | בה (bah) = daarin | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:3** In die tijd streden de zonen van Kittim tegen de zonen van Tubal, en de zonen van Tubal werden verslagen voor de zonen van Kittim. De zonen van Kittim deden ongeveer driehonderdzeventig man van de zonen van Tubal vallen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בני (bnei) = de zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = de zonen van | תובל (Tuval) = Tubal | וינגפו (vayyinnagfu) = en zij werden verslagen | בני (bnei) = de zonen van | תובל (Tuval) = Tubal | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = de zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | ויפילו (vayappilu) = en zij deden vallen | בני (bnei) = de zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | מבני (mibbnei) = van de zonen van | תובל (Tuval) = Tubal | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De eed van Tubal **17:4** In die tijd zwoeren de zonen van Tubal de zonen van Kittim: „Zij zullen zich niet met ons verzwageren, en niemand zal zijn dochter aan de zonen van Kittim geven.” Brontekst: וישבעו (vayishava'u) = en zwoeren | בני (bnei) = de zonen van | תובל (Tuval) = Tubal | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | אל (el) = tegen | בני (bnei) = de zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | יתחתנו (yitchatnu) = zullen zich verzwageren | בנו (beno) = met ons | ואיש (ve'ish) = en man | אל (el) = niet | יתן (yitten) = geve | בתו (bito) = zijn dochter | אל (el) = aan | בני (bnei) = de zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:5** Want alle dochters van Tubal waren in die dagen mooie meisjes, want in die dagen werden daar in heel de aarde geen vrouwen gevonden die zo mooi waren als de dochters van Tubal. Brontekst: כי (ki) = want | כל (kol) = alle | בנות (banot) = dochters van | תובל (Tuval) = Tubal | היו (hayu) = waren | נערות (na'arot) = meisjes | יפות (yafot) = mooie | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | נמצאו (nimtse'u) = gevonden | שם (shem) = daar | נשים (nashim) = vrouwen | יפות (yafot) = mooi | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כבנות (kivnot) = zoals de dochters van | תובל (Tuval) = Tubal | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:6** Ieder die verlangde naar de schoonheid van een vrouw, ging naar de dochters van Tubal en nam daar een vrouw van wie hij maar verlangde. Ook alle mensenkinderen, de koningen en de vorsten namen in die dagen vrouwen van de dochters van Tubal, want zij verlangden zeer naar de schoonheid van een vrouw. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | יחפוץ (yachpots) = verlangde | בתואר (bethoar) = naar de schoonheid van | האישה (ha'ishah) = een vrouw | והלך (vehalakh) = ging | אל (el) = naar | בנות (banot) = dochters | תובל (Tuval) = Tubal | ולקח (velaqach) = en nam | מהם (mehem) = van hen | אישה (ishah) = een vrouw | מכל (mikkol) = van wie | אשר (asher) = die | יחפוץ (yachpots) = hij maar verlangde | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = de zonen van | האדם (ha'adam) = mensen | והמלכים (vehammelakhim) = en de koningen | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | לוקחים (loqchim) = namen | מבנות (mibbenot) = van de dochters van | תובל (Tuval) = Tubal | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אשר (asher) = want | יחפוץ (yachpots) = zij verlangden | בתואר (bethoar) = naar de schoonheid van | האישה (ha'ishah) = een vrouw | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:7** Na drie jaar, sinds de zonen van Tubal gezworen hadden de zonen van Kittim hun dochters niet tot vrouw te geven, gingen ongeveer twintig man van de zonen van Kittim om dochters van Tubal te nemen, maar zij vonden er geen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na het einde van | שלוש (shalosh) = drie | שנים (shanim) = jaren | אשר (asher) = sinds | נשבעו (nishbe'u) = gezworen hadden | בני (bnei) = de zonen van | תובל (Tuval) = Tubal | על (al) = tegenover | בני (bnei) = de zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | לבלתי (levilti) = dat niet | תת (tet) = te geven | להם (lahem) = hun | בנותם (benotam) = hun dochters | לנשים (lenashim) = tot vrouwen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | מבני (mibbnei) = van de zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | כעשרים (ke'esrim) = ongeveer twintig | איש (ish) = een man | לקחת (laqachat) = om te nemen | מבנות (mibbenot) = van de dochters van | תובל (Tuval) = Tubal | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = vonden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:8** Want de zonen van Tubal hielden hun eed zich niet met hen te verzwageren, en wilden hun eed niet breken. Brontekst: כי (ki) = want | שמרו (shamru) = hielden | בני (bnei) = de zonen van | תובל (Tuval) = Tubal | את (et) = (lijdend voorwerp) | שבועתם (shevu'atam) = hun eed | לבלתי (levilti) = dat niet | התחתן (hitchatten) = zich verzwageren | בם (vam) = met hen | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | להפר (lehafer) = breken | את (et) = (lijdend voorwerp) | שבועתם (shevu'atam) = hun eed Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De meisjes van Tubal **17:9** In de dagen van de oogst gingen de zonen van Tubal naar hun velden om hun oogst binnen te halen. Toen kwamen alle jongemannen van de zonen van Kittim bijeen en gingen naar de stad Sevina, en ieder greep een meisje van de dochters van Tubal en bracht hen naar hun steden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימי (bimei) = in de dagen van | הקציר (haqatsir) = de oogst | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בני (bnei) = kinderen van | תובל (Tuval) = Tubal | אל (el) = naar | שדותיהם (sedoteihem) = hun velden | לקצור (liqtsor) = om te oogsten | קצירם (qetsiram) = hun oogst | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | בחורי (bachurei) = de jongemannen van | בני (bnei) = kinderen van | כתים (Kittim) = de Kittim | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אל (el) = naar | עיר (ir) = de stad | סבינה (sevinah) = Sevina | ויחטפו (vayachtefu) = en greep | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | נערה (na'arah) = een meisje | מבנות (mibbenot) = uit de dochters van | תובל (Tuval) = Tubal | ויביאום (vayeviem) = en bracht hen | אל (el) = naar | עריהם (arehem) = hun steden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:10** De zonen van Tubal hoorden het en kwamen tegen hen op ten strijde, maar zij konden niets tegen hen uitrichten en keerden terug naar hun land. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = kinderen van | תובל (Tuval) = Tubal | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | עליהם (aleihem) = tegen hen | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | עליהם (aleihem) = tegen hen | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | להם (lahem) = heen | לארצם (le'artsam) = naar hun land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:11** Toen het jaar rond was, gingen de zonen van Tubal en huurden ongeveer tienduizend man van de mensen uit alle steden die dicht bij hen waren, en zij trokken tegen de zonen van Kittim ten strijde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לתקופת (litqufat) = bij het omlopen van | השנה (hashanah) = het jaar | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בני (bnei) = kinderen van | תובל (Tuval) = Tubal | וישכרו (vayisk'ru) = en zij huurden | להם (lahem) = voor zich | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | האדם (ha'adam) = mensen | ומכל (umikkol) = en uit alle | הערים (he'arim) = de steden | הקרובים (haqrovim) = die dichtbij waren | אליהם (aleihem) = bij hen | כעשרה (ke'asarah) = ongeveer tien | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | וילכו (vayelkhu) = en trokken | אל (el) = tegen | בני (bnei) = kinderen van | כתים (Kittim) = de Kittim | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:12** De zonen van Tubal gingen de zonen van Kittim bestrijden, om heel hun land te verwoesten en hen te benauwen, en dit keer wonnen de zonen van Tubal het van de zonen van Kittim. De zonen van Kittim zagen dat zij zeer benauwd waren en hieven alle kinderen die de zonen van Kittim bij de dochters van Tubal gekregen hadden, omhoog op de muur die zij gebouwd hadden, voor de ogen van de zonen van Tubal. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בני (bnei) = kinderen van | תובל (Tuval) = Tubal | להילחם (lehillachem) = om te strijden | בבני (bivnei) = tegen | כתים (Kittim) = de Kittim | ולהפיל (ulehappil) = en te verwoesten | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארצם (artsam) = hun land | ולהצר (ulehatser) = en te benauwen | עליהם (aleihem) = hen | ויגברו (vayigberu) = en wonnen | בני (bnei) = kinderen van | תובל (Tuval) = Tubal | על (al) = van | בני (bnei) = kinderen van | כתים (Kittim) = de Kittim | בפעם (befa'am) = bij de keer | הזאת (hazzo't) = deze | ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = kinderen van | כתים (Kittim) = de Kittim | כי (ki) = dat | צר (tsar) = was benauwd | להם (lahem) = voor hen | מאוד (me'od) = zeer | ויעלו (vaya'alu) = en hieven omhoog | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הילדים (hayeladim) = de kinderen | אשר (asher) = die | ילדו (yaldu) = gekregen hadden | בני (bnei) = kinderen van | כתים (Kittim) = de Kittim | מבנות (mibbenot) = bij de dochters van | תובל (Tuval) = Tubal | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | אשר (asher) = die | בנו (beno) = zij gebouwd hadden | לעיני (le'einei) = voor de ogen van | בני (bnei) = kinderen van | תובל (Tuval) = Tubal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:13** De zonen van Kittim zeiden tegen hen: „Hebben jullie met jullie eigen zonen en dochters oorlog gebracht? Zijn wij niet jullie been en jullie vlees, van toen tot nu?” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tegen hen | בני (bnei) = kinderen van | כתים (Kittim) = de Kittim | הבאתם (hevetem) = hebben jullie gebracht | למלחמה (lammilchamah) = oorlog | עם (im) = tegen | בניכם (benekhem) = jullie zonen | ועם (ve'im) = en met | בנותיכם (benotekhem) = jullie dochters | ולא (velo) = en niet | עצמכם (atsmekhem) = jullie been | ובשרכם (uvsarkhem) = en jullie vlees | אנחנו (anachnu) = zijn wij | מאז (me'az) = van toen | ועד (ve'ad) = en tot | עתה (attah) = nu Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:14** Toen de zonen van Tubal dit hoorden, hielden zij op met strijden tegen de zonen van Kittim, gingen heen en keerden terug naar hun steden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hoorden | בני (bnei) = kinderen van | תובל (Tuval) = Tubal | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = dit | הזה (hazzeh) = deze | ויחדלו (vayachdelu) = en hielden op | להילחם (lehillachem) = met strijden | בבני (bivnei) = tegen | כתים (Kittim) = de Kittim | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | אליהם (aleihem) = naar | אל (el) = tot | עריהם (arehem) = hun steden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **17:15** De zonen van Kittim kwamen in die tijd bijeen en bouwden zich twee steden aan de zee. Zij noemden de naam van de ene Portu en de naam van de andere Aritsa. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | בני (bnei) = kinderen van | כתים (Kittim) = de Kittim | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | להם (lahem) = voor zich | ערים (arim) = steden | שתיים (shetayim) = twee | על (al) = aan | הים (hayyam) = de zee | ויקראו (vayiqre'u) = en noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | האחת (ha'achat) = de ene | פורטו (portu) = Portu | ושם (veShem) = en de naam van | השנית (hashenit) = de andere | אריצה (aritsah) = Aritsa Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abram, negenennegentig jaar **17:16** Abram, de zoon van Terach, was in die dagen negenennegentig jaar oud. Brontekst: ואברם (ve'avram) = en Abram | בן (ben) = zoon van | תרח (Terach) = Terach | היה (hayah) = was | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בן (ben) = zoon van | תשעים (tish'im) = negentig | ותשע (vetesha) = en negen | שנים (shanim) = jaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 17:1: Abram was negenennegentig jaar toen Yahweh aan hem verscheen. Zie ook: Gen 17:1 ### Het verbond **17:17** In die tijd verscheen Yahweh aan hem en zei tegen hem: **„Ik zal Mijn verbond geven tussen Mij en jou, en Ik zal je nageslacht zeer, zeer talrijk maken. Dit is het verbond dat Ik tussen Mij en jou gegeven heb: laat ieder man onder jullie besneden worden, jij en je nageslacht na jou.** Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | נראה (nir'ah) = verscheen | אליו (elav) = aan hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | ואתנה (ve'ettenah) = en Ik zal geven | בריתי (beriti) = Mijn verbond | ביני (beni) = tussen Mij | וביניך (uveinekha) = en tussen jou | וארבה (ve'arbeh) = en Ik zal talrijk maken | את (et) = (lijdend voorwerp) | זרעך (zar'akha) = je nageslacht | במאוד (bime'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | וזאת (vezot) = en dit is | הברית (habberit) = het verbond | אשר (asher) = die | נתתי (natati) = Ik gegeven heb | ביני (beni) = tussen Mij | וביניך (uveinekha) = en tussen jou | המול (himmol) = laat besneden worden | לכם (lakhem) = onder jullie | כל (kol) = ieder | זכר (zakhar) = man | אתה (attah) = jij | וזרעך (vezar'akha) = en je nageslacht | אחריך (acharekha) = na jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 17:2–14: het verbond en de besnijdenis. Zie ook: Gen 17:2–14; Gen 17:10 **17:18** **Wie acht dagen oud is, moet besneden worden. Dit zal Mijn verbond zijn in hun vlees, tot een eeuwig verbond.** Brontekst: ובן (uven) = en een zoon van | שמונת (shemonat) = acht | ימים (yamim) = dagen | ימולו (yimmolu) = zullen besneden worden | והייתה (vehayetah) = en het zal zijn | זאת (zot) = dit | בריתי (beriti) = Mijn verbond | בבשרם (bivsaram) = in hun vlees | לברית (livrit) = tot een verbond | עולם (olam) = eeuwig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 17:12: ‘wie acht dagen oud is’. Zie ook: Gen 17:12 **17:19** **En jij: je naam zal niet meer Abram genoemd worden, maar Abraham. Ook Sarai, je vrouw: haar naam zal niet meer Sarai genoemd worden, maar Sarah.** Brontekst: ואתה (ve'attah) = en jij | לא (lo) = niet | יקרא (yikkare) = zal genoemd worden | עוד (od) = langer | שמך (shemekha) = je naam | אברם (Avram) = Abram | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | אברהם (avraham) = Abraham | וגם (vegam) = en ook | שרי (sarai) = Sarai | אישתך (ishtekha) = je vrouw | לא (lo) = niet | תקרא (tiqqare) = wordt genoemd | שמה (shemah) = haar naam | שרי (sarai) = Sarai | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | שרה (sarah) = Sara Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 17:5 en 17:15: Abram wordt Abraham, Sarai wordt Sarah. Zie ook: Gen 17:5; Gen 17:15 **17:20** **Want Ik zal jullie beiden rijkelijk zegenen en jullie nageslacht na jullie talrijk maken. Jullie zullen een groot volk worden, en koningen zullen uit jullie voortkomen.”** Brontekst: כי (ki) = want | ברך (berakh) = zegenend | אברך (avarekh) = Ik zal zegenen | אתכם (etkhem) = jullie | והרביתי (vehirbeti) = en Ik zal talrijk maken | את (et) = (lijdend voorwerp) | זרעכם (zar'akhem) = jullie nageslacht | אחריכם (acharekhem) = na jullie | והייתם (vihyitem) = en jullie zullen worden | לגוי (legoy) = tot een volk | גדול (gadol) = grote | ומלכים (umelakhim) = en koningen | מכם (mikkem) = uit jullie | יצאו (yatse'u) = zullen voortkomen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 17:6 en 17:16: ‘koningen zullen uit je voortkomen’. Zie ook: Gen 17:6; Gen 17:16 ## Jasher 18 _De besnijdenis; de drie mannen; Sodom_ ### De besnijdenis **18:1** Abraham stond op en deed alles wat Elohim hem geboden had. Hij nam alle mannen van zijn huis en de met geld gekochten en besneed hen, zoals Yahweh hem geboden had. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | אברהם (avraham) = Abraham | ויעש (vayya'as) = en deed | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אותו (oto) = hem | אלוקים (Elohim) = Elohim | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = de mannen van | ביתו (beito) = zijn huis | ומקנת (umiqnat) = en de gekochten met | כספו (kaspo) = zijn geld | וימל (vayamol) = en besneed | אותם (otam) = hen | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = hem geboden had | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 17:23–27. Zie ook: Gen 17:23–27 **18:2** Er bleef niemand over die hij niet besneed. Ook Abraham en Ismaël, zijn zoon, werden besneden: het vlees van hun voorhuid. Ismaël was dertien jaar oud toen het vlees van zijn voorhuid besneden werd. Brontekst: ולא (velo) = en niet | נשאר (nish'ar) = bleef over | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | מל (mal) = besneed | וגם (vegam) = en ook | אברהם (avraham) = Abraham | וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | בנו (beno) = zijn zoon | מלו (mullu) = werden besneden | בשר (basar) = het vlees van | ערלתם (orlatam) = hun voorhuid | בן (ben) = zoon van | שלוש (shalosh) = drie | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | היה (hayah) = was | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בהמולו (behimmolo) = toen hij besneden werd | בשר (basar) = het vlees van | ערלתו (orlato) = zijn voorhuid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De drie mannen bij Abraham **18:3** Op de derde dag ging Abraham uit zijn tent en zat bij de ingang van de tent om zich te warmen in de hitte van de zon, vanwege de pijn van zijn vlees. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השלישי (hashelishi) = de derde | ויצא (vayetse) = en ging | אברהם (avraham) = Abraham | מאהלו (me'oholo) = uit zijn tent | וישב (vayyashev) = en zat | פתח (petach) = de ingang van | האהל (ha'ohel) = de tent | להתחמם (lehitchammem) = om zich te warmen | בחום (bechom) = in de hitte van | השמש (hashemesh) = de zon | מכאב (mikke'ev) = vanwege de pijn van | בשרו (besaro) = zijn vlees Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 18:1: Yahweh verscheen aan Abraham bij de eiken van Mamre. Zie ook: Gen 18:1 **18:4** Yahweh verscheen aan hem bij de eiken van Mamre en zond drie engelen van Zijn dienaren om hem te bezoeken. Hij zat bij de ingang van zijn tent, sloeg zijn ogen op en zag: zie, drie mannen kwamen van ver. Hij stond op, rende hun tegemoet, wierp zich voor hen neer en bracht hen naar zijn huis. Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij verscheen | אליו (elav) = aan hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | באלוני (be'elonei) = bij de eiken van | ממרא (mamre) = Mamre | וישלח (vayishlach) = en Hij zond | אליו (elav) = naar hem | שלושה (shelosha) = drie | מלאכים (mal'akhim) = engelen | ממשרתיו (mimsharetav) = van Zijn dienaren | לבקרו (levaqero) = om hem te bezoeken | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הוא (hu) = hij | יושב (yoshev) = zittend | פתח (petach) = de ingang van | אהלו (oholo) = zijn tent | וישא (vayissa) = en sloeg op | עיניו (einav) = zijn ogen | וירא (vayyera) = en zag | והנה (vehinneh) = en zie | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | באים (va'im) = kwamen | מרחוק (merachoq) = van ver | ויקם (vayyaqom) = en stond op | וירץ (vayyarots) = en rende | לקראתם (liqratam) = op hen af | וישתחו (vayishtachu) = en boog zich neer | להם (lahem) = voor hen | ויביאם (vayevi'em) = en bracht hen | אל (el) = naar | ביתו (beito) = zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 18:1–2. In Genesis zijn het drie mannen; dat het engelen zijn, zegt Gen. 18 niet, maar zie Gen. 19:1. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie ook: Gen 18:1–2; Gen 18:2; Gen 19:1 **18:5** Hij zei tegen hen: „Als ik gunst in uw ogen gevonden heb, keert dan toch binnen en eet een stuk brood.” Hij drong bij hen aan, en zij keerden bij hem binnen. Hij gaf water, en zij wasten hun voeten, en hij liet hen zitten onder de boom bij de ingang van de tent. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tegen hen | אל (el) = ach | נא (na) = toch | אם (em) = als | מצאתי (matsati) = ik heb gevonden | חן (chen) = gunst | בעיניכם (be'eineikhem) = in uw ogen | סורו (suru) = keer binnen | נא (na) = toch | ואכלו (ve'ikhlu) = en eet | פת (pat) = een stuk | לחם (lechem) = brood | ויפצר (vayiftsar) = en drong aan | בם (vam) = bij hen | ויסורו (vayasuru) = en zij keerden binnen | אליו (elav) = bij hem | ויתן (vayitten) = en gaf | מים (mayim) = water | וירחצו (vayirchatsu) = en zij wasten | רגליהם (raglehem) = hun voeten | ויושיבם (vayoshivem) = en liet hen zitten | תחת (tachat) = onder | העץ (ha'ets) = de boom | פתח (petach) = de ingang van | האוהל (ha'ohel) = de tent Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 18:3 **18:6** Abraham rende, nam een mals en goed kalf, haastte zich en slachtte het, en gaf het aan zijn dienaar Eliëzer om het klaar te maken. Brontekst: וירץ (vayyarots) = en rende | אברהם (avraham) = Abraham | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | עגל (egel) = een kalf | בן (ben) = zoon van | בקר (baqar) = runderen | רך (rakh) = mals | וטוב (vetov) = en goed | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | וישחטהו (vayishchatehu) = en hij slachtte het | ויתנהו (vayittenehu) = en hij gaf het | אל (el) = aan | עבדו (avdo) = zijn dienaar | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | לעשותו (la'asoto) = om het klaar te maken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 18:6–8. Zie ook: Gen 18:6–8; Gen 18:7 **18:7** Abraham ging de tent in, naar Sarah, en zei tegen haar: „Haast je: drie maten meel, fijn meel; kneed het en maak ronde broden om het sap van het vlees mee te bedekken.” Zij deed zo. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en ging | אברם (Avram) = Abram | אל (el) = naar | האוהל (ha'ohel) = de tent | אל (el) = naar | שרה (sarah) = Sara | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | מהרי (mahari) = haast je | שלוש (shalosh) = drie | סאים (se'im) = maten | ועשי (va'asi) = en maak van | קמח (qemach) = meel | סולת (solet) = fijn meel | לושי (lushi) = kneed | ועשי (va'asi) = en maak | עוגות (ugot) = ronde broden | לכסות (lekhasot) = om te bedekken | ציר (tsir) = het sap van | הבשר (habbasar) = het vlees | ותעש (vata'as) = en zij maakte | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat hier ‘Abram’ (ויבוא אברם) in plaats van Abraham. Zie ook: Gen 18:6 **18:8** Abraham haastte zich en bracht hun dikke melk van de runderen en melk van het kleinvee, en gaf het hun te eten, voordat het vlees van het kalf klaar was, en zij aten. Daarna bracht hij het vlees van het kalf dat hij klaargemaakt had, zette het hun voor en zij aten. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | אברהם (avraham) = Abraham | ויבא (vayavo) = en bracht | לפניהם (lifneihem) = voor hen | חמאת (chem'at) = dikke melk van | בקר (baqar) = rund | וחלב (vechalav) = en melk van | צאן (tson) = kleinvee | ויתן (vayitten) = en gaf | לפניהם (lifneihem) = voor hen | לאכול (le'ekhol) = te eten | טרם (terem) = voordat | בישל (bishel) = hij klaargemaakt had | את (et) = (lijdend voorwerp) | בשר (basar) = vlees | העגל (ha'egel) = het kalf | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | ואחרי (ve'acharei) = en na | כן (ken) = dit | הביא (hevi) = bracht hij | את (et) = (lijdend voorwerp) | בשר (basar) = vlees | העגל (ha'egel) = het kalf | אשר (asher) = die | עשה (asah) = hij klaargemaakt had | וישם (vayasem) = en zette | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 18:8 **18:9** Toen zij klaar waren met eten, zeiden zij tegen hem: **„Ik zal zeker bij je terugkomen, op de tijd van het leven, en zie, Sarah, je vrouw, krijgt een zoon.”** Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | כלו (kalu) = zij klaar waren | לאכול (le'ekhol) = met eten | ויאמרו (vayomeru) = zeiden | אליו (elav) = tegen hem | שוב (shuv) = zeker | אשוב (ashuv) = Ik zal terugkomen | אליך (elekha) = bij je | כעת (ke'et) = op de tijd van | חיה (chayyah) = het leven | והנה (vehinneh) = en zie | בן (ben) = een zoon | לשרה (lesarah) = voor Sarah | אישתך (ishtekha) = je vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 18:10. De woorden zijn rood gedrukt, zoals in Genesis, waar een van de mannen spreekt. Zie ook: Gen 18:9; Gen 18:10 **18:10** Daarna stonden de mannen op en gingen weg, op hun weg, waarheen zij gezonden waren. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en na | עם (im) = daarmee | קמו (qamu) = stonden op | משם (misham) = vandaar | האנשים (ha'anashim) = de mannen | וילכו (vayelkhu) = en gingen | להם (lahem) = heen | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | אשר (asher) = waarheen | נשלחו (nishlechu) = zij gezonden waren | אליה (eleha) = daarheen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Sodom en Gomorra **18:11** In die dagen waren alle mannen van Sodom en Gomorra en alle vijf steden zeer slecht en zondig tegenover Yahweh, en zij tergden Yahweh met al hun gruwelen. Zij werden hoogmoedig en deden gruwelen en lasteringen voor het aangezicht van Yahweh, en hun kwaad en hun geschreeuw werden in die dagen zeer groot voor Yahweh. Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | היו (hayu) = waren | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = de mannen van | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | וכל (vekhol) = en alle | חמשת (chamishat) = vijf | הערים (he'arim) = de steden | האל (ha'el) = deze | רעים (ra'im) = slecht | וחטאים (vechatta'im) = en zondig | ליהוה (laYahweh) = tegenover Yahweh | מאוד (me'od) = zeer | ויכעיסו (vayakh'isu) = en tergden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בכל (bekhol) = met al | תועבותיהם (to'avoteihem) = hun gruwelen | ויגבהו (vayagbihu) = en werden hoogmoedig | ויעשו (vaya'asu) = en deden | תועבות (to'evot) = gruwelen | ונאצות (vene'atsot) = en lasteringen | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ותגדל (vattigdal) = en werd groot | רעתם (ra'atam) = hun kwaad | וצעקתם (vetsa'aqatam) = en hun geschreeuw | מאוד (me'od) = zeer | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 13:13 en Gen. 18:20–21: de zonde van Sodom en Gomorra. Zie ook: Gen 13:13; Gen 18:20–21 ### Het feest in het dal **18:12** Zij hadden in hun land een zeer ruim dal, van de afmeting van anderhalve dag lopen, en daarin waren bronnen met water en veel gras bij het water. Brontekst: ותהי (vatehi) = en zij hadden | להם (lahem) = hun | בקעה (biqah) = een dal | בארצם (be'artsam) = in hun land | רחבה (rechavah) = ruim | מאוד (me'od) = zeer | כמהלך (kemehalakh) = zoals de afstand van | יום (yom) = een dag | וחצי (vachatsi) = en een half | ובה (uvah) = en daarin | עינות (einot) = bronnen van | מים (mayim) = water | ודשאים (vedeshaim) = en gras | הרבה (harbeh) = veel | על (al) = bij | המים (hammayim) = het water Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De verhalen over Sodom in dit hoofdstuk (vers 12–43) staan niet in Genesis. **18:13** Alle mannen van Sodom en Gomorra gingen daarheen, vier dagen per jaar, zij, hun vrouwen, hun zonen en alles wat van hen was, en zij vierden daar feest met tamboerijnen en reidansen. Brontekst: והלכו (vehalekhu) = en gingen | שמה (shemah) = daarheen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = de mannen van | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | ארבעה (arba'ah) = vier | ימים (yamim) = dagen | בשנה (bashanah) = in het jaar | הם (hem) = zij | ונשיהם (venasheihem) = en hun vrouwen | ובניהם (uvneihem) = en hun zonen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | להם (lahem) = hun | ושמחו (vesameychu) = en vierden feest | שמה (shemah) = daar | בתופים (bettofim) = met tamboerijnen | ובמחולות (uvimcholot) = en met reidansen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **18:14** In de tijd van hun feest stonden zij samen op en grepen ieder de vrouw van zijn naaste en de dochter van zijn naaste, de maagd, mishandelden hen en lagen bij hen. Ieder zag zijn vrouw en zijn dochter in de hand van zijn naaste, en niemand zei iets. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd van | שמחתם (simchatam) = hun feest | ועמדו (ve'amdu) = stonden | יחד (yachad) = samen | והחזיקו (vehechezique) = en zij grepen | איש (ish) = ieder | באשת (be'eshet) = de vrouw van | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | ואיש (ve'ish) = en ieder | בבת (bevat) = de dochter van | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | הבתולה (habbetulah) = de maagd | והתעללו (vehit'allelu) = en mishandelden | בהן (bahen) = hen | ושכבו (veshakhevu) = en lagen | אתהן (ottehen) = bij hen | וראה (veraah) = en zag | כל (kol) = alle | איש (ish) = man | את (et) = (lijdend voorwerp) | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בתו (bito) = zijn dochter | ביד (beyad) = in de hand van | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | ואין (veein) = en niet | אומר (omer) = zei | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:15** Zo deden zij van de morgen tot de avond, en daarna keerde ieder man terug naar zijn huis en elke vrouw naar haar tent, in de avond. Zo deden zij alle jaren, op vastgestelde dagen in het jaar. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en deden | להם (lahem) = zij | ככה (kakhah) = zo | המבוקר (mibboqer) = van de morgen | עד (ad) = tot | הערב (ha'erev) = de avond | ושבו (veshavu) = en zij keerden terug | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dit | איש (ish) = een man | לביתו (levejto) = naar zijn huis | ואשה (ve'ishah) = en elke vrouw | לאהלה (le'ohalah) = naar haar tent | בערב (ba'erev) = in de avond | ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden | להם (lahem) = hun | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | קבעה (qava'ah) = vastgesteld | ימים (yamim) = dagen | בשנה (bashanah) = per jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De vreemdelingen in Sodom **18:16** Ook wanneer een vreemdeling in hun steden kwam en zijn koopwaar bracht, die hij gekocht had of wilde verkopen, kwamen alle mannen van die steden bij hem samen: mannen, vrouwen, kinderen, jongens en ouderen. Zij gingen allen naar de man toe en namen met geweld van al de koopwaar, een beetje voor ieder, tot al de koopwaar op was uit de hand van haar eigenaar, die haar in het land gebracht had. Brontekst: גם (gam) = ook | כאשר (ka'asher) = wanneer | יבוא (yavo) = kwam | איש (ish) = een man | נכרי (nokhri) = een vreemdeling | בעריהם (be'areihem) = in hun steden | והביא (vehevi) = en bracht | את (et) = (lijdend voorwerp) | סחורתו (sechorato) = zijn koopwaar | אשר (asher) = die | יקנה (yiqneh) = hij gekocht had | אותה (otah) = haar | או (o) = of | אשר (asher) = die | יחפוץ (yachpots) = hij wilde | למוכרה (limkorah) = verkopen | התקבצו (hitqabbetsu) = kwamen samen | עליו (alav) = bij hem | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = de mannen van | הערים (he'arim) = de steden | האלה (ha'elleh) = deze | אנשים (anashim) = mannen | נשים (nashim) = vrouwen | וטף (vetaf) = kinderen | נערים (ne'arim) = jongens | וזקנים (vizqenim) = en ouderen | וניגשו (veniggeshu) = en gingen | כולם (kullam) = allen | אל (el) = tot | האיש (ha'ish) = de man | ולקחו (velaqchu) = en namen | בחוזקה (bechozqah) = met kracht | מכל (mikkol) = van al | הסחורה (hassechorah) = de koopwaar | מעט (me'at) = een beetje | מעט (me'at) = een beetje | לאחד (le'echad) = voor ieder | עד (ad) = tot | תום (tom) = het einde van | כל (kol) = alle | הסחורה (hassechorah) = de koopwaar | מיד (miyyad) = uit de hand van | בעלה (ba'alah) = haar eigenaar | אשר (asher) = die | הביאה (hevi'ah) = haar gebracht had | בארץ (ba'arets) = in het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:17** Als de eigenaar van de koopwaar met hen twistte en zei: „Wat is dit voor werk dat u mij aangedaan hebt?”, dan kwamen zij allen een voor een naar hem toe. Een voor een liet hij hem het beetje zien dat hij genomen had en zei: „Ik heb niets van je genomen, behalve dit beetje dat je mij gaf.” Toen de koopman dit hoorde, stond hij op en ging in droefheid en bitterheid van ziel van hen weg. Zij stonden allen tegen hem op, volgden hem, joegen hem weg en brachten hem uit de stad met geschreeuw en grote verwarring. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = als | יריב (yarev) = twistte | בעל (ba'al) = de eigenaar van | הסחורה (hassechorah) = de koopwaar | איתם (ittam) = met hen | לאמור (lemor) = zeggende | מה (mah) = wat | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = dat | עשיתם (asitem) = u hebt gedaan | לי (li) = mij | וניגשו (veniggeshu) = dan kwamen | כולם (kullam) = allen | אליו (elav) = naar hem | אחד (echad) = een | אחד (echad) = voor een | והראה (vehir'ah) = liet zien | לו (lo) = hem | אחד (echad) = een | אחד (echad) = voor een | את (et) = (lijdend voorwerp) | המעט (hame'at) = het beetje | אשר (asher) = dat | לקח (laqach) = hij genomen had | ויאמר (vayomer) = en zei | לא (lo) = niet | לקחתי (laqachti) = ik heb genomen | מאיתך (me'itkha) = van je | מאומה (me'umah) = iets | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | מעט (me'at) = dit beetje | אשר (asher) = dat | נתת (natata) = je gaf | לי (li) = mij | ובשמוע (uvishmo'a) = en toen hoorde | הסוחר (hassocher) = de koopman | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = dit | הזה (hazzeh) = deze | וקם (veqam) = stond op | והלך (vehalakh) = en ging | מאיתם (me'itam) = bij hen vandaan | בעצב (be'etsev) = in droefheid | ובמר (uvemar) = en in bitterheid van | נפש (nefesh) = ziel van | ועמדו (ve'amdu) = en stonden op | כולם (kullam) = allen | עליו (alav) = tegen hem | והלכו (vehalekhu) = en volgden | אחריו (acharav) = achter hem | וגרשו (vayegarshu) = en joegen | אותו (oto) = hem | והוציאוהו (vehotsi'uhu) = en brachten hem uit | מן (min) = uit | העיר (ha'ir) = de stad | בצעקה (betse'aqah) = met geschreeuw | ומהומה (umehumah) = en verwarring | רבה (rabbah) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De reiziger uit Elam **18:18** Er was een man uit het land Elam, die op weg was naar zijn zaak. Bij hem was een gezadelde ezel, die één goede deken droeg, geverfd in alle soorten kleur, en de deken was met een touw op de ezel vastgebonden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en er was | איש (ish) = een man | אחד (echad) = één | מארץ (me'erets) = uit het land | עילם (Elam) = Elam | ויבוא (vayavo) = en kwam | בדרך (baderekh) = op weg | ללכת (lalekhet) = om te gaan | אל (el) = naar | חפצו (cheftso) = zijn zaak | ועמו (ve'immo) = en bij hem | חמור (chamor) = een ezel | אחד (echad) = één | חבוש (chavush) = gezadeld | נושא (noseh) = dragend | שמיכה (semikhah) = een deken | אחת (achat) = één | טובה (tovah) = goede | צבועה (tsevu'ah) = geverfd | בכל (bekhol) = in alle | מין (min) = soort | ממיני (mimminei) = van soorten | הצבע (hatseva) = kleur | והשמיכה (vehasemikhah) = en de deken | קשורה (qesharah) = vastgebonden | בחבל (bechevel) = met een touw | על (al) = op | החמור (hachamor) = de ezel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: Het verhaal van de reiziger uit Elam en Hidur staat niet in Genesis. **18:19** De man trok verder en bij het plein van Sodom ging in de avond de zon onder voor hem, en hij bleef daar om te overnachten, maar niemand nam hem mee naar huis. Er was in die dagen in Sodom een slechte man, een nietsnut, sluw in het kwaad, en zijn naam was Hidur. Brontekst: ויעבור (vaya'avor) = en trok verder | האיש (ha'ish) = de man | לדרכו (ledarko) = op zijn weg | ותבוא (vattavo) = en kwam | לו (lo) = voor hem | השמש (hashemesh) = de zon | בערב (ba'erev) = in de avond | כרחוב (kirchov) = bij het plein van | סדום (sedom) = Sodom | וישב (vayyashev) = en bleef | שמה (shemah) = daar | ללון (laloun) = om te overnachten | ואין (veein) = en niet | איש (ish) = man | מאסף (measef) = die hem meenam | אותן (otan) = hem | הביתה (habbaytah) = naar huis | ושם (veShem) = en daar | היה (hayah) = was | בסדום (bisdom) = in Sodom | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | איש (ish) = een man | רע (ra) = slecht | ובליעל (uvliyya'al) = en een nietsnut | וערום (va'arum) = en sluw | לרע (lera) = in het kwaad | ושמו (ushmo) = en zijn naam | הידור (hidur) = Hidur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **18:20** Hij sloeg zijn ogen op, zag de reiziger op het plein van de stad, kwam naar hem toe en zei tegen hem: „Vanwaar kom je en waarheen ga je?” Brontekst: וישא (vayissa) = en sloeg op | עיניו (einav) = zijn ogen | ויראה (vayar'eh) = en zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man | האורח (ha'orei'ach) = de reiziger | ברחוב (barechov) = op het plein | העיר (ha'ir) = de stad | ויבוא (vayavo) = en kwam | לפניו (lefanav) = naar hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = tegen hem | מאין (me'ayin) = vanwaar | תבוא (tavo) = kom je | ואנה (ve'anah) = en waarheen | תלך (telekh) = ga je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:21** De man zei tegen hem: „Ik ben op doorreis van Hebron naar Elam; vandaar ben ik. Ik trok hierheen en de zon ging hier onder voor mij, en ik zit op het plein en niemand neemt mij mee naar huis. Ik heb ook brood en water, en stro en voer voor mijn ezel; ik heb aan niets gebrek.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | האיש (ha'ish) = de man | עובר (over) = doorreizend | אנוכי (anokhi) = ik | מחברון (michevron) = van Hebron | עד (ad) = tot | עילם (Elam) = Elam | משם (misham) = vandaar | אנוכי (anokhi) = ik | ואעבור (ve'e'evor) = en ik trok | עד (ad) = tot | פה (peh) = hier | ותבוא (vattavo) = en ging | עליי (alay) = voor mij | השמש (hashemesh) = de zon | פה (peh) = hier | ואשב (ve'eshev) = en ik zit | ברחוב (barechov) = op het plein | ואין (veein) = en niet | איש (ish) = een man | מאסף (measef) = die mij meeneemt | אותי (oti) = mij | הביתה (habbaytah) = naar huis | וגם (vegam) = en ook | לחם (lechem) = brood | ומים (umayim) = en water | יש (yesh) = is er | לי (li) = voor mij | וגם (vegam) = en ook | תבן (teven) = stro | ומספוא (umispo) = en voer | יש (yesh) = is er | לחמורי (lachamori) = voor mijn ezel | אין (ein) = er is niet | מחסור (machsor) = gebrek | דבר (davar) = aan iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. **18:22** Hidur antwoordde en zei tegen hem: „Wat je tekortkomt, komt voor mijn rekening, maar op het plein mag je niet overnachten.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | הידור (hidur) = Hidur | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = tegen hem | רק (raq) = alleen | על (al) = over | מחסורך (machsorekha) = je gebrek | עליי (alay) = mij | אך (akh) = maar | ברחוב (barechov) = op het plein | אל (el) = niet | תלין (talin) = overnacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:23** Hidur bracht hem naar zijn huis, en zij namen de deken met het touw van de ezel af, en Hidur nam ze en verborg ze in zijn huis. Hij gaf de ezel stro en voer, en de reiziger at en dronk in het huis van Hidur en overnachtte daar. Brontekst: ויביאהו (vayevi'ehu) = en hij bracht hem | הידור (hidur) = Hidur | לביתו (levejto) = naar zijn huis | ויורידו (vayoridu) = en zij namen af | השמיכה (hasemikhah) = de deken | מעל (me'al) = van | החמור (hachamor) = de ezel | עם (im) = met | החבל (hechevel) = het touw | ויקחם (vayiqachem) = en nam ze | הידור (hidur) = Hidur | ויחביאם (vayachbi'em) = en verborg ze | בביתו (beveyto) = in zijn huis | ויתן (vayitten) = en gaf | תבן (teven) = stro | ומספוא (umispo) = en voer | לחמור (lachamor) = voor de ezel | ויאכל (vayyokhal) = en at | וישת (vayeshet) = en dronk | האיש (ha'ish) = de man | האורח (ha'orei'ach) = de reiziger | בבית (babbayit) = in huis | הידור (hidur) = Hidur | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | וילן (vayalen) = en overnachtte | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:24** Toen het morgen werd, stond de reiziger vroeg op om zijn weg te gaan, en Hidur zei tegen hem: „Blijf, sterk je hart met een stuk brood, en ga daarna.” De man deed zo. Hij bleef bij hem en zij aten en dronken die dag samen, en de man stond op om te gaan. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | האורח (ha'orei'ach) = de reiziger | וישכם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | ללכת (lalekhet) = om te gaan | לדרכו (ledarko) = op zijn weg | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הידור (hidur) = Hidur | שב (shav) = blijf | סעד (sa'ad) = versterk | לבך (libbekha) = je hart | פת (pat) = een stuk | לחם (lechem) = brood | ואחר (ve'achar) = en daarna | תלך (telekh) = ga je | ויעש (vayya'as) = en hij deed | האיש (ha'ish) = de man | כן (ken) = zo | וישב (vayyashev) = en hij bleef | עמו (immo) = bij hem | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | שניהם (shenehem) = beiden | יחדיו (yachdav) = samen | וישתו (vayishtu) = en zij dronken | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | האיש (ha'ish) = de man | ללכת (lalekhet) = om te gaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:25** Hidur zei tegen hem: „Zie, de dag helt naar de avond; neem de moeite en overnacht, dan zal je hart goed zijn.” Hij drong bij hem aan, en hij bleef en overnachtte daar. Op de tweede dag stond hij vroeg op om te gaan, en Hidur hield hem vast en zei: „Sterk je hart met een stuk brood en ga daarna.” Hij bleef en at met hem, ook op de tweede dag. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הידור (hidur) = Hidur | הנה (hinneh) = zie | נא (na) = nu | פנה (panah) = helt | היום (hayyom) = de dag | לערב (la'erev) = naar de avond | הואל (ho'el) = neem de moeite | נא (na) = toch | ולן (valun) = en overnacht | וייטב (vayyitav) = dan zal goed zijn | לבך (libbekha) = je hart | ויפצר (vayiftsar) = en hij drong aan | בו (bo) = bij hem | וישב (vayyashev) = en hij bleef | וילן (vayalen) = en hij overnachtte | שם (shem) = daar | וישכם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | ביום (beyom) = op de dag | השני (hasheni) = de tweede | ללכת (lalekhet) = om te gaan | ויחזק (vayechazzeq) = en hield vast | בו (bo) = aan hem | הידור (hidur) = Hidur | לאמור (lemor) = zeggende | סעד (sa'ad) = versterk | לבך (libbekha) = je hart | פת (pat) = een stuk | לחם (lechem) = brood | ואחר (ve'achar) = en daarna | תלך (telekh) = ga je | וישב (vayyashev) = en hij bleef | ויאכל (vayyokhal) = en at | עמו (immo) = bij hem | גם (gam) = ook | ביום (beyom) = op de dag | השני (hasheni) = de tweede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:26** De man stond op om zijn weg te gaan, en Hidur zei tegen hem: „Zie, de dag helt nu naar de avond; overnacht hier, dan zal je hart goed zijn, en ga morgenvroeg op je weg.” Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | האיש (ha'ish) = de man | ללכת (lalekhet) = om te gaan | לדרכו (ledarko) = naar zijn weg | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = tegen hem | הידור (hidur) = Hidur | הנה (hinneh) = zie | נא (na) = toch | פנה (panah) = helt | היום (hayyom) = de dag | עתה (attah) = nu | לין (lin) = overnacht | פה (peh) = hier | וייטב (vayyitav) = dan zal goed zijn | לבך (libbekha) = je hart | ובבוקר (uvaboqer) = en in de morgen | השכם (hashkem) = vroeg opstaand | והלכת (vehalakhta) = en ga | לדרכך (ledarkekha) = op je weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:27** Maar de man wilde niet overnachten. Hij stond op en zadelde zijn ezel. Terwijl hij de ezel zadelde, zei de vrouw van Hidur tegen hem: „Zie, deze man is twee dagen in huis bij ons gebleven, hij eet en drinkt, en hij heeft ons niets gegeven voor zijn eten en drinken. Nu zou hij zonder iets van ons weggaan?” Hidur zei tegen haar: „Zwijg.” Brontekst: ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde | האיש (ha'ish) = de man | ללון (laloun) = om te overnachten | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | ויחבוש (vayachvosh) = en zadelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | חמורו (chamoro) = zijn ezel | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הוא (hu) = hij | חובש (choves) = zadelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | החמור (hachamor) = de ezel | ותאמר (vatomer) = en zei | אשת (eshet) = vrouw van | הידור (hidur) = Hidur | אליו (elav) = tegen hem | הנה (hinneh) = zie | זה (ze) = dit | האיש (ha'ish) = de man | ישב (yashav) = is gebleven | בבית (babbayit) = in huis | שני (shenei) = twee | ימים (yamim) = dagen | איתנו (ittanu) = met ons | אוכל (ukhal) = eet | ושותה (veshoteh) = en drinkt | ולא (velo) = en niet | נתן (natan) = hij gaf | לנו (lanu) = voor ons | מאומה (me'umah) = iets | את (et) = (lijdend voorwerp) | דמי (dami) = de prijs van | מאכלו (ma'akhalo) = zijn eten | ומשקהו (umashqehu) = en zijn drinken | עתה (attah) = nu | ילך (yelekh) = zou hij gaan | מאיתנו (me'itanu) = van ons | בלא (bilo) = zonder | דבר (davar) = een reden | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לה (lah) = tegen haar | הידור (hidur) = Hidur | דום (dom) = zwijg | לך (lekha) = (zwijg) Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:28** De man zadelde zijn ezel om te gaan en zei tegen Hidur dat hij hem het touw en de deken moest geven, om ze op de ezel vast te binden. Brontekst: ויחבוש (vayachvosh) = en hij zadelde | האיש (ha'ish) = de man | את (et) = (obj.) | חמורו (chamoro) = zijn ezel | ללכת (lalekhet) = om te gaan | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tegen | הידור (hidur) = Hidur | לתת (latet) = dat hij gaf | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | החבל (hechevel) = het touw | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | השמיכה (hasemikhah) = de deken | לקשרם (liqsharam) = om ze vast te binden | על (al) = op | החמור (hachamor) = de ezel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:29** Hidur zei tegen hem: „Wat zeg je?” De man zei tegen hem: „Dat mijn heer mij het touw en de met alle kleuren geverfde deken geeft, die ik heb, die je bij je in huis verborgen hebt om ze te bewaren.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הידור (hidur) = Hidur | מה (mah) = wat | תאמר (tomar) = zeg je | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | האיש (ha'ish) = de man | כי (ki) = dat | יתן (yitten) = hij geeft | לי (li) = mij | אדוני (adoni) = mijn heer | החבל (hechevel) = het touw | והשמיכה (vehasemikhah) = en de deken | הצבועה (hatsevu'ah) = de geverfde | בכל (bekhol) = in alle | צבע (tseva) = kleur | אשר (asher) = die | לי (li) = die van mij is | אשר (asher) = die | החבאת (hechba'ta) = je hebt verborgen | איתך (ittekha) = bij je | בבית (babbayit) = in huis | לשמרם (leshomram) = om ze te bewaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:30** Hidur antwoordde de man: „Dit is de uitleg van je droom: het touw dat je gezien hebt, betekent dat je leven in het land zeer lang zal worden, als een touw. En de deken die je gezien hebt, geverfd in alle kleuren: een wijngaard zal voor jou zijn, en je zult daarin bomen van alle vruchten planten.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | הידור (hidur) = Hidur | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tegen | האיש (ha'ish) = de man | זה (ze) = dit | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומך (chalomekha) = je droom | אשר (asher) = die | ראית (ra'ita) = u hebt gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | החבל (hechevel) = het touw | חייך (chayyekha) = je leven | יאריכו (ya'arikhu) = zal lang worden | בארץ (ba'arets) = in het land | מאוד (me'od) = zeer | כחבל (kechevel) = als een touw | ואשר (va'asher) = en waarin | ראית (ra'ita) = u hebt gezien | שמיכה (semikhah) = een deken | צבועה (tsevu'ah) = geverfd | בכל (bekhol) = in heel | צבע (tseva) = kleur | כרם (kerem) = een wijngaard | יהיה (yihyeh) = zal zijn | לך (lekha) = voor jou | ונטעת (venata'ta) = en je zult planten | בו (bo) = daarin | עץ (ets) = bomen | כל (kol) = van alle | פרי (peri) = vrucht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:31** De reiziger antwoordde: „Nee, mijn heer, want ik was wakker toen ik je het touw en één deken gaf, geweven in alle soorten kleur, die je van de ezel getild hebt om ze te verbergen.” Hidur antwoordde en zei: „Heb ik je de uitleg van je droom niet gezegd? Hij is ten goede, en zo en zo is de uitleg. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | האיש (ha'ish) = de man | האורח (ha'orei'ach) = de reiziger | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לא (lo) = niet | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = want | בהקיץ (behaqits) = wakker | נתתי (natati) = ik gegeven heb | לך (lekha) = aan jou | חבל (chevel) = een touw | ושמיכה (usemikhah) = en een deken | אחת (achat) = één | ארוגה (arugah) = geweven | בכל (bekhol) = in heel | מיני (minei) = soorten van | הצבע (hatseva) = kleur | אשר (asher) = die | נשאת (nasata) = je hebt getild | מעל (me'al) = van op | החמור (hachamor) = de ezel | להחביאה (lehachbi'ah) = om ze te verbergen | ויען (vaya'an) = en antwoordde | הידור (hidur) = Hidur | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הלא (halo) = immers | אמרתי (imrati) = ik heb gezegd | לך (lekha) = aan jou | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומך (chalomekha) = je droom | לטוב (letov) = ten goede | הוא (hu) = hij | וכזאת (vekhazzot) = zo | וכזאת (vekhazzot) = en zo | פתרונו (pitrono) = is zijn uitleg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:32** Nu, de mensen geven mij vier zilverstukken als loon voor het uitleggen van hun dromen, en ik heb van jou niet meer dan drie zilverstukken gevraagd.” Brontekst: עתה (attah) = nu | בני (bnei) = kinderen van | האדם (ha'adam) = de mens | יתנו (yitenu) = geven | לי (li) = voor mij | ארבעה (arba'ah) = vier | כסף (kesef) = zilverstukken | בשכרי (bisekhari) = als mijn loon | על (al) = op | פתרי (pitri) = het uitleggen van | חלומותיו (chalomotav) = hun dromen | ואני (va'ani) = en ik | לא (lo) = niet | בקשתי (biqashti) = ik heb gevraagd | מידך (miyyadekha) = van jou | כי (ki) = maar | אם (em) = (maar) | שלושה (shelosha) = drie | כסף (kesef) = zilverstukken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Voor de rechter van Sodom **18:33** De man werd boos over de woorden van Hidur en schreeuwde een groot en bitter geschreeuw. De man bracht Hidur naar de rechter van Sodom, naar Sjerak. Brontekst: ויקצוף (vayiqtsof) = en werd toornig | האיש (ha'ish) = de man | על (al) = op | דברי (divrei) = woorden van | הידור (hidur) = Hidur | ויצעק (vayits'aq) = en schreeuwde | צעקה (tse'aqah) = een geschreeuw | גדולה (gedolah) = grote | ומרה (umarah) = en bitter | ויבא (vayavo) = en bracht | האיש (ha'ish) = de man | את (et) = (lijdend voorwerp) | הידור (hidur) = Hidur | אל (el) = naar | שופט (shofet) = rechter van | סדום (sedom) = Sodom | אל (el) = naar | שרק (Sharaq) = Sjerak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **18:34** De man sprak zijn woorden voor rechter Sjerak, en Hidur antwoordde hem: „Nee, zo en zo was de zaak.” De rechter zei tegen de reiziger: „De man Hidur zegt je de waarheid, want hij is in deze steden bekend als een van de uitleggers van dromen, juist en betrouwbaar.” Brontekst: וידבר (vayedabber) = en sprak | האיש (ha'ish) = de man | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריו (devarav) = zijn woorden | לפני (lifnei) = voor | שרק (Sharaq) = Sjerak | השופט (hashofet) = de Rechter | ויענהו (vaya'anehu) = en antwoordde hem | הידור (hidur) = Hidur | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לא (lo) = niet | כי (ki) = maar | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak | ויאמר (vayomer) = en hij zei | השופט (hashofet) = de Rechter | אל (el) = tot | האיש (ha'ish) = de man | האורח (ha'orei'ach) = de reiziger | אמת (emet) = de waarheid | יאמר (yomar) = zegt | לך (lekha) = aan jou | האיש (ha'ish) = de man | הידור (hidur) = Hidur | כי (ki) = want | ידוע (yadua) = bekend | הוא (hu) = hij | בערים (ba'arim) = in de steden | האל (ha'el) = deze | כי (ki) = en | מפותרי (mipoterei) = een van de uitleggers van | חלומות (chalomot) = dromen | על (al) = juist | נכונה (nekhonah) = en betrouwbaar | הוא (hu) = hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:35** De man schreeuwde over de woorden van de rechter en zei: „Nee, mijn heer, want overdag gaf ik hem het touw en één deken, die op de ezel was, om ze in zijn huis te verbergen.” Zij twistten beiden voor de rechter. De een zei: „Zo was de zaak”, en de ander zei: „Zo was de zaak.” Brontekst: ויצעק (vayits'aq) = en schreeuwde | האיש (ha'ish) = de man | מדברי (middivrei) = over de woorden van | השופט (hashofet) = de Rechter | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לא (lo) = niet | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = want | ביום (beyom) = overdag | נתתי (natati) = ik gegeven heb | לו (lo) = voor hem | חבל (chevel) = een touw | ושמיכה (usemikhah) = en een deken | אחת (achat) = één | היתה (hayetah) = lag | על (al) = op | החמור (hachamor) = de ezel | להחביאה (lehachbi'ah) = om haar te verbergen | בביתו (beveyto) = in zijn huis | ויריבו (vayarivu) = en zij twistten | שניהם (shenehem) = beiden | לפני (lifnei) = voor | השופט (hashofet) = de Rechter | זה (ze) = de een | אומר (omer) = zegt | ככה (kakhah) = zo | היה (hayah) = hij was | הדבר (haddavar) = de zaak | וזה (vezeh) = de ander | אומר (omer) = zegt | ככה (kakhah) = zo | היה (hayah) = hij was | הדבר (haddavar) = de zaak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:36** Hidur zei tegen de man: „Geef mij nu vier zilverstukken, die ik neem voor het uitleggen van dromen; ik laat je niets over. En geef mij het geld voor alle vier de maaltijden die je in mijn huis gegeten hebt.” Brontekst: והידור (vehidur) = en Hidur | אומר (omer) = zegt | אל (el) = tot | האיש (ha'ish) = de man | עתה (attah) = nu | תנה (tenah) = geef | לי (li) = voor mij | ארבעה (arba'ah) = vier | כסף (kesef) = zilver | אשר (asher) = die | אני (ani) = ik | לוקח (loqe'ach) = neem | על (al) = op | פתרי (pitri) = het uitleggen van | חלומות (chalomot) = dromen | לא (lo) = niet | אניח (aniach) = laat ik over | לך (lekha) = aan jou | דבר (davar) = een reden | ותן (vetten) = en geef | לי (li) = voor mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | דמי (dami) = de prijs van | כל (kol) = alle | ארבע (arba) = vier | הסעודות (hasse'udot) = de maaltijden | אשר (asher) = die | אכלת (akhalta) = je hebt gegeten | בביתי (beveiti) = in mijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:37** De man zei tegen Hidur: „Je zegt de waarheid. Ik zal je betalen wat ik in je huis gegeten heb, maar geef het touw en de deken die je in je huis verborgen hebt.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | האיש (ha'ish) = de man | אל (el) = tot | הידור (hidur) = Hidur | אמת (emet) = de waarheid | תאמר (tomar) = zeg je | אני (ani) = ik | אשלם (ashallem) = ik zal betalen | לך (lekha) = aan jou | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | אכלתי (akhalti) = ik heb gegeten | בביתך (bevetekha) = in je huis | אך (akh) = maar | תנה (tenah) = geef | את (et) = (lijdend voorwerp) | החבל (hechevel) = het touw | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | השמיכה (hasemikhah) = de deken | אשר (asher) = die | החבאת (hechba'ta) = je hebt verborgen | בביתך (bevetekha) = in je huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:38** Hidur antwoordde ten overstaan van de rechter en zei tegen de man: „Heb ik je niet gezegd: dit is de uitleg van je droom: het touw: mijn dagen zullen lang worden als een touw, en de deken: een wijngaard zal voor je zijn en je zult daarin bomen van alle vruchten planten. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | הידור (hidur) = Hidur | בפני (bifnei) = ten overstaan van | השופט (hashofet) = de Rechter | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | האיש (ha'ish) = de man | הלא (halo) = immers | אמרתי (imrati) = ik heb gezegd | לך (lekha) = aan jou | זה (ze) = dit | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומך (chalomekha) = je droom | חבל (chevel) = het touw | יאריכו (ya'arikhu) = zal lang worden | ימי (yemei) = mijn dagen | כחבל (kechevel) = als een touw | והשמיכה (vehasemikhah) = en de deken | כרם (kerem) = een wijngaard | יהיה (yihyeh) = zal zijn | לך (lekha) = aan jou | ונטעת (venata'ta) = en je zult planten | בו (bo) = tegen hem | עץ (ets) = boom | כל (kol) = alle | פרי (peri) = vrucht van Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:39** Dit is de juiste uitleg van je droom. Maar geef mij de vier zilverstukken die ik als loon neem, want ik laat je niets over.” Brontekst: זה (ze) = dit | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומך (chalomekha) = je droom | על (al) = (juist) | נכון (nakhon) = de juiste uitleg | אך (akh) = maar | תנה (tenah) = geef | לי (li) = voor mij | ארבעה (arba'ah) = vier | כסף (kesef) = zilver | אשר (asher) = die | אני (ani) = ik | לוקח (loqe'ach) = neem | בשכרי (bisekhari) = als mijn loon | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | אניח (aniach) = ik laat over | לך (lekha) = aan jou | דבר (davar) = een reden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:40** De man schreeuwde over de woorden van Hidur, en zij twistten beiden nog voor de rechter. De rechter gaf zijn dienaren bevel, en zij joegen hen weg en brachten hen in verwarring van hem weg. Brontekst: ויצעק (vayits'aq) = en schreeuwde | האיש (ha'ish) = de man | על (al) = op | דברי (divrei) = woorden van | הידור (hidur) = Hidur | ויריבו (vayarivu) = en zij twistten | שניהם (shenehem) = beiden | עוד (od) = opnieuw | לפני (lifnei) = voor | השופט (hashofet) = de Rechter | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | השופט (hashofet) = de Rechter | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויגרשום (vayegarshum) = en joeg hen weg | ויוציאום (vayotsi'um) = en bracht hen uit | מאיתו (me'ito) = van hem | בבהלה (bevahalah) = in verwarring Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:41** Zij gingen van de rechter weg terwijl zij twistten, en alle mannen van Sodom hoorden hen. Zij kwamen bij hen samen, schreeuwden allen tegen de reiziger en joegen hem in verwarring de stad uit. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | מאת (me'et) = van | השופט (hashofet) = de Rechter | כאשר (ka'asher) = terwijl | הם (hem) = zij | מריבים (merivim) = twistten | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | אותם (otam) = hen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | סדום (sedom) = Sodom | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | עליהם (aleihem) = bij hen | ויצעקו (vayits'aqu) = en schreeuwden | כולם (kullam) = allen | על (al) = tegen | האיש (ha'ish) = de man | האורח (ha'orei'ach) = de reiziger | ויגרשוהו (vayegarshuhu) = en zij joegen hem weg | בבהלה (bevahalah) = in verwarring | מן (min) = uit | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **18:42** De man ging op zijn ezel zijn weg, in bitterheid van ziel en in droefheid en geween. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | האיש (ha'ish) = de man | לדרכו (ledarko) = naar zijn weg | על (al) = op | חמורו (chamoro) = zijn ezel | במר (bemar) = in bitterheid van | נפש (nefesh) = ziel | ובעצב (uve'etsev) = en in droefheid | ובבכיה (uvivkhiyah) = en in geween Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **18:43** Wandelend ging hij en weende om wat hem in het verwoeste Sodom was aangedaan. Brontekst: הלוך (halokh) = wandelend | ילך (yelekh) = ging hij | ובכה (uvakhoh) = en wenend | על (al) = over | אשר (asher) = wat | נעשה (na'aseh) = was gedaan | לו (lo) = voor hem | בסדום (bisdom) = in Sodom | החרבה (hacharevah) = het verwoeste Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. ## Jasher 19 _De rechters van Sodom; de ondergang van Sodom; Lot_ ### De vier rechters van Sodom **19:1** De steden van Sodom hadden vier rechters voor die vier steden, en dit waren hun namen: Sarak voor de stad Sodom, Sarkar voor Gomorra, Zebanak voor Adma en Menon voor Zeboïm. Brontekst: ויהי (vayehi) = en er waren | לערי (le'arey) = voor de steden van | סדום (sedom) = Sodom | שופטים (shoftim) = rechters | ארבעה (arba'ah) = vier | לארבעת (le'arba'at) = voor die vier | הערים (he'arim) = de steden | האלה (ha'elleh) = die | ואלה (ve'elleh) = en dit waren | שמותם (shemotam) = hun namen | את (et) = (voor) | שרק (Sharaq) = Sarak | לעיר (la'ir) = voor de stad | סדום (sedom) = Sodom | ואת (ve'et) = en (voor) | שרקר (Sharqar) = Sarkar | לעמורה (la'amorah) = voor Gomorra | זבנך (Zevanak) = Zebanak | לאדמה (le'admah) = voor Adma | מנון (Menon) = Menon | לצבויים (litsvoyim) = voor Zeboïm Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: Het verhaal over de rechters en de gewoonten van Sodom (vers 1–43) staat niet in Genesis; zie wel Gen. 18:20–21 en Gen. 19:4–9. Zie ook: Gen 18:20–21; Gen 19:4–9 **19:2** Eliëzer, de dienaar van Abraham, gaf hun andere namen: Sarak noemde hij Sakra, Sarkar Sakrura, Zebanak Kezaban en Menon Matsley-din. Brontekst: וישם (vayasem) = en gaf | להם (lahem) = aan hen | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | עבד (eved) = dienaar van | אברהם (avraham) = Abraham | שמות (shemot) = andere namen | וישם (vayasem) = en gaf | לשרק (lesharaq) = aan Sarak | שקרא (Shaqra) = Sakra | ולשרקר (velesharqar) = en aan Sarkar | שקרורא (Shaqrura) = Sakrura | ולזבנך (velezevanak) = en aan Zebanak | כזבן (Kezavan) = Kezaban | ולמנון (velemenon) = en aan Menon | מצלי (matsley) = Matsley | דין (din) = Din Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De nieuwe namen zijn spotnamen: in שקרא en שקרורא zit het woord שקר, ‘leugen’, en in כזבן het woord כזב, ‘leugen’. ### De bedden van Sodom **19:3** Naar de bevelen van hun vier rechters lieten alle mannen van Sodom en Gomorra bedden bouwen op het plein van de stad. En ieder die zomaar naar deze steden kwam, werd door hen vastgegrepen, naar een van die bedden gebracht en met geweld daarop neergelegd. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij lieten maken | להם (lahem) = voor zich | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | על (al) = naar | פי (pi) = het bevel van | ארבעה (arba'ah) = hun vier | שופטיהם (shofetehem) = hun rechters | מיטות (mittot) = bedden | בנויות (benuyot) = gebouwd | ברחוב (barechov) = op het plein van | העיר (ha'ir) = de stad | והיה (vehayah) = en het gebeurde | כל (kol) = met ieder | איש (ish) = man | אשר (asher) = die | יבוא (yavo) = die kwam | הלוך (halokh) = zomaar | אל (el) = naar | הערים (he'arim) = de steden | האל (ha'el) = deze | ועמדו (ve'amdu) = dat zij stonden | עליו (alav) = om hem | והחזיקו (vehechezique) = en grepen | בו (bo) = hem vast | והביאו (vehevi'u) = en brachten | אותו (oto) = hem | אל (el) = naar | אחת (achat) = één | מהמיטות (mehammittot) = van de bedden | ההן (hahen) = die | והשכיבוהו (vehishkivuhu) = en legden hem neer | עליהן (aleihen) = op hen | בחוזקה (bechozqah) = met geweld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **19:4** Wanneer hij daar lag, stonden drie mannen bij zijn hoofd en drie mannen bij zijn voeten. Zij grepen hem vast en maten hem af op dat bed. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | בשכבו (beshokhvo) = toen hij lag | ועמדו (ve'amdu) = dat stonden | עליו (alav) = bij | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | על (al) = bij | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ושלושה (ushloshah) = en drie | אנשים (anashim) = mannen | על (al) = bij | רגליו (raglav) = zijn voeten | והחזיקו (vehechezique) = en grepen | בו (bo) = hem vast | ומדדו (umaddedu) = en maten | אותו (oto) = hem | על (al) = op | המיטה (hammittah) = het bed | ההיא (hahi) = dat Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:5** Was die man korter dan het bed, dan trokken die zes mannen hem uit, de ene helft hier en de andere helft daar, tot die man de poorten van de dood bereikte. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | אם (em) = als | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | קצר (qatser) = korter was | מהמיטה (mehammittah) = dan het bed | ההיא (hahi) = die | ומשכוהו (umashekhuhu) = dat trokken hem uit | ששת (shesheth) = zes | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | אלה (elleh) = de ene helft | מזה (mizzeh) = hier | ואלה (ve'elleh) = en de andere helft | מזה (mizzeh) = daar | עד (ad) = tot | הגיע (higgia) = bereikte | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | לשערי (lesha'arey) = de poorten van | מות (mot) = de dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:6** Als hij dan schreeuwde, antwoordden zij hem: „Zo gebeurt er met ieder die in ons land komt.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | בצעקו (betsa'qo) = als hij schreeuwde | אליהם (aleihem) = tot hen | וענו (va'anu) = en zij antwoordden | אותו (oto) = hem | ואמרו (ve'amru) = en zeiden | לו (lo) = voor hem | ככה (kakhah) = zo | יעשה (ya'aseh) = gebeurt er | לאיש (le'ish) = met ieder | אשר (asher) = die | יהוא (yehu) = die komt | בארצנו (be'artsenu) = in ons land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:7** Toen alle mensen hoorden wat de mannen van die steden van Sodom deden, hielden zij op naar hun steden te komen. Brontekst: ויחדלו (vayachdelu) = en zij hielden op | מעליהם (me'aleihem) = bij hen | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = mensen | לבלתי (levilti) = opdat niet | בוא (bo) = te komen | אל (el) = tot | עריהם (arehem) = hun steden | בשמעם (beshom'am) = toen zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | אשר (asher) = die | יעשו (ya'asu) = deden | כל (kol) = de | אנשי (anshei) = mensen van | ערי ('eri) = steden van | סדום (sedom) = Sodom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **19:8** Als er een arme in hun land kwam, gaven zij hem zilver en goud en lieten in de hele stad uitroepen dat niemand hem een stuk brood te eten mocht geven. Als de arme enkele dagen in het land bleef, stierf hij van honger, want hij vond geen stuk brood om te eten. Bij zijn dood kwamen alle mannen van de stad en namen hun zilver en hun goud terug dat zij hem gegeven hadden. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | כבוא (kevo) = als kwam | אביון (evyon) = een arme | אל (el) = tot | ארצם (artsam) = hun land | ונתנו (venatnu) = dat gaven zij | לו (lo) = voor hem | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | והעבירו (veha'aviru) = en lieten uitroepen | קול (qol) = een stem | בכל (bekhol) = in heel | העיר (ha'ir) = de stad | לבלתי (levilti) = dat niemand | תת (tet) = zou geven | לו (lo) = voor hem | פת (pat) = een stuk | לחם (lechem) = brood | לאכול (le'ekhol) = om te eten | והיה (vehayah) = en het gebeurde | אם (em) = als | ישב (yashav) = bleef | האביון (ha'evyon) = de arme | בארץ (ba'arets) = in het land | ימים (yamim) = dagen | ומת (umet) = dat hij stierf | ברעב (bara'av) = van honger | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ימצא (yimtsa) = hij vond | פת (pat) = een stuk | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ובמותו (uvemoto) = en bij zijn dood | יבואו (yavo'u) = kwamen zij | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | העיר (ha'ir) = de stad | ולקחו (velaqchu) = en namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כספם (kaspam) = hun zilver | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | זהבם (zehavam) = hun goud | אשר (asher) = die | נתנו (netano) = zij gegeven hadden | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:9** Ieder die zijn zilver en zijn goud herkende dat hij hem gegeven had, nam het en ging weg. Ook trokken zij bij zijn dood al de kleren van de arme en heel zijn gewaad van hem uit. Zij vochten er allen om, en wie sterker was dan zijn naaste, nam ze. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | כל (kol) = met ieder | איש (ish) = man | אשר (asher) = die | ידע (yada) = herkende | את (et) = (lijdend voorwerp) | כספו (kaspo) = zijn geld | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | זהבו (zehavo) = zijn goud | אשר (asher) = die | נתן (natan) = hij gegeven had | לו (lo) = voor hem | יקח (yiqqach) = nam | והלך (vehalakh) = en ging | לו (lo) = weg | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | בגדי (bigdey) = de kleren van | העני (ha'ani) = de arme | וכל (vekhol) = en alle | לבושו (levusho) = zijn gewaad | יפשיטו (yafshitu) = trokken zij uit | מעליו (me'alav) = van hem weg | במותו (bemoto) = bij zijn dood | ונלחמו (venilchamu) = en vochten | כולם (kullam) = allen | עליהם (aleihem) = erom | והיה (vehayah) = en het gebeurde | אשר (asher) = dat wie | יחזק (yechezaq) = sterker was | על (al) = op | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | יקח (yiqqach) = nam | אותם (otam) = ze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:10** Daarna droegen zij hem weg en begroeven hem naakt onder een van de struiken in de woestijnen. Zo deden zij alle dagen met ieder die bij hen kwam en in hun land stierf. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = (daarna) | ישאוהו (yis'uhu) = droegen zij hem weg | ויקברוהו (veyiqbaruhu) = en begroeven hem | ערום (arom) = naakt | תחת (tachat) = onder | אחד (echad) = een van | השיחים (hasichim) = de struiken | אשר (asher) = die | במדברות (bammidbarot) = in de woestijnen | ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden zij | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | לכל (lekhol) = met ieder | הבא (habba) = die kwam | אליהם (aleihem) = tot hen | אשר (asher) = die | ימות (yamut) = stierf | בארצם (be'artsam) = in hun land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Eliëzer in Sodom **19:11** Na enige tijd zond Sarah Eliëzer naar Sodom, naar Lot, om naar hem om te zien en hem te zien. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מימים (miyyamim) = na enige tijd | ותשלח (vatishlach) = en zond | שרה (sarah) = Sara | את (et) = (lijdend voorwerp) | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | סדומה (sedomah) = naar Sodom | אל (el) = tot | לוט (lot) = Lot | לפקדו (lifqodo) = om naar hem om te zien | בשלום (beshalom) = naar zijn welzijn | ולראותו (ulera'oto) = en hem te zien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **19:12** Eliëzer ging naar Sodom en trof daar een man uit Sodom aan die vocht met een arme vreemdeling. De Sodomiet trok de arme al zijn kleren uit en ging weg. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | סדומה (sedomah) = naar Sodom | וימצא (vayimtsa) = en trof | איש (ish) = een man | אחד (echad) = aan | מסדום (misdom) = uit Sodom | נלחם (nilcham) = vechtend | עם (im) = met | איש (ish) = een man | נכרי (nokhri) = een vreemdeling | עני (ani) = arm | ויפשוט (vayifshot) = en trok uit | הסדומי (hasdomi) = de Sodomiet | את (et) = (lijdend voorwerp) | העני (ha'ani) = de arme | מכל (mikkol) = al | בגדיו (begadav) = zijn kleren | וילך (vayelekh) = en ging | לו (lo) = weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **19:13** Die arme riep het uit voor Eliëzer en smeekte hem om hulp tegen wat de Sodomiet hem had aangedaan. Brontekst: ויצעק (vayits'aq) = en riep | העני (ha'ani) = de arme | ההוא (hahu) = die | לפני (lifnei) = voor | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | ויתחנן (vayitchannen) = en smeekte | אליו (elav) = tegen hem | על (al) = om | אודות (odot) = wat | אשר (asher) = (wat) | עשה (asah) = hem aangedaan had | לו (lo) = voor hem | האיש (ha'ish) = de man | הסדומי (hasdomi) = de Sodomiet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:14** Eliëzer rende naar de Sodomiet en zei tegen hem: „Waarom doe je dit zo aan een arme man die in jullie land is gekomen?” Brontekst: וירץ (vayyarots) = en rende | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | אל (el) = tot | האיש (ha'ish) = de man | הסדומי (hasdomi) = de Sodomiet | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = tegen hem | למה (lammah) = waarom | תעשה (ta'aseh) = je doet | כה (koh) = zo | לאיש (le'ish) = aan een man | האביון (ha'evyon) = arm | אשר (asher) = die | בא (ba) = die gekomen is | בארצכם (be'artsekhem) = in jullie land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:15** De Sodomiet antwoordde Eliëzer: „Is die man soms jouw broer, of hebben de mannen van Sodom je vandaag tot rechter gesteld, dat je over die man spreekt?” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | הסדומי (hasdomi) = de Sodomiet | את (et) = aan | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | לאמור (lemor) = zeggende | האחיך (ha'achikha) = is hij soms jouw broer | הוא (hu) = (is hij) | האיש (ha'ish) = die man | ההוא (hahu) = (die man) | או (o) = of | הלשופט (haleshofet) = tot rechter | נתנוך (netanukha) = hebben gesteld | אנשי (anshei) = mensen van | סדום (sedom) = Sodom | היום (hayyom) = vandaag | כי (ki) = dat | תדבר (tedabber) = je spreekt | על (al) = over | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **19:16** Eliëzer twistte met de Sodomiet over de arme en kwam naderbij om de kleren van de arme van de Sodomiet terug te nemen. Die haastte zich en sloeg Eliëzer met een steen op zijn voorhoofd. Brontekst: וירב (vayarev) = en twistte | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | עם (im) = met | האיש (ha'ish) = de man | הסדומי (hasdomi) = de Sodomiet | על (al) = over | אודות (odot) = (over) | העני (ha'ani) = de arme | ויגש (vayyigash) = en kwam naderbij | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | לקחת (laqachat) = terug te nemen | מאת (me'et) = van | האיש (ha'ish) = de man | הסדומי (hasdomi) = de Sodomiet | את (et) = (lijdend voorwerp) | בגדי (bigdey) = de kleren van | העני (ha'ani) = de arme | וימהר (vayemaher) = en haastte zich | האיש (ha'ish) = de man | ויך (vayyakh) = en sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | באבן (ba'even) = met een steen | במצחו (bemitsho) = op zijn voorhoofd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:17** Er stroomde veel bloed uit het voorhoofd van Eliëzer. Toen de man het bloed op Eliëzers voorhoofd zag, greep hij Eliëzer vast en zei: „Geef mij mijn loon voor dat slechte bloed dat ik uit je voorhoofd heb gehaald, want zo is de wet en de regel in ons land.” Brontekst: ויצא (vayetse) = en stroomde | דם (dam) = bloed | רב (rav) = veel | ממצח (mimmetsach) = uit het voorhoofd van | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | וירא (vayyera) = en zag | האיש (ha'ish) = de man | הדם (haddam) = het bloed | במצח (bammetsach) = op het voorhoofd van | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | ויחזק (vayechazzeq) = en greep | האיש (ha'ish) = de man | באליעזר (be'eli'ezer) = vast Eliëzer | לאמור (lemor) = zeggende | תנה (tenah) = geef | את (et) = (lijdend voorwerp) | שכרי (sekhari) = mijn loon | על (al) = voor | הדם (haddam) = het bloed | ההוא (hahu) = die | הרע (hara) = slechte | אשר (asher) = die | הוצאתי (hotseti) = ik heb gehaald | לך (lekha) = voor jou | ממצחך (mimmitskha) = uit je voorhoofd | כי (ki) = want | כן (ken) = zo is | החוק (hachoq) = de wet | והתורה (vehatorah) = en de regel | בארצנו (be'artsenu) = in ons land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:18** Eliëzer zei tegen hem: „Je hebt mij gewond, en ik zou je ook nog loon geven?” Eliëzer wilde niet luisteren naar de woorden van de Sodomiet. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | הפצוע (happatsu'a) = heb je mij gewond | פצעתני (petsa'tani) = (gewond) | וגם (vegam) = en ook | אתן (etten) = zou ik geven | לך (lekha) = aan jou | שכר (sakhar) = loon | ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | לשמוע (lishmo'a) = luisteren | אל (el) = naar | דברי (divrei) = woorden van | הסדומי (hasdomi) = de Sodomiet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:19** De man greep Eliëzer vast en bracht hem bij de rechter van Sodom, bij Sakra, voor het gerecht. Brontekst: ויחזק (vayechazzeq) = en greep | האיש (ha'ish) = de man | באליעזר (be'eli'ezer) = Eliëzer vast | ויביאהו (vayevi'ehu) = en bracht hem | אל (el) = naar | שופט (shofet) = rechter van | סדום (sedom) = Sodom | אל (el) = bij | שקרא (Shaqra) = Sakra | למשפט (lemishpat) = voor het gerecht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **19:20** De man sprak tot de rechter en zei: „Bij mij, mijn heer: zus en zo heeft deze man mij gedaan! Ik sloeg hem met een steen, zodat er slecht bloed uit zijn voorhoofd kwam, en nu wil hij mij mijn loon niet geven.” Brontekst: וידבר (vayedabber) = en sprak | האיש (ha'ish) = de man | אל (el) = tot | השופט (hashofet) = de Rechter | ויאמר (vayomer) = en hij zei | בי (bi) = bij mij | אדוני (adoni) = mijn heer | כזאת (kezot) = zus | וכזאת (vekhazzot) = en zo | עשה (asah) = heeft gedaan | לי (li) = voor mij | האיש (ha'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | ואכהו (va'akkehu) = en ik sloeg hem | באבן (ba'even) = met een steen | ויצא (vayetse) = zodat kwam | דם (dam) = bloed | רע (ra) = slecht | ממצחו (mimmitsho) = uit zijn voorhoofd | ולא (velo) = en hij wil niet | אבה (avah) = (wil niet) | לתת (latet) = geven | שכרי (sekhari) = mijn loon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:21** De rechter zei tegen Eliëzer: „Deze man spreekt de waarheid tegen je. Geef hem zijn loon, want zo is het recht bij ons in het land.” Eliëzer hoorde de woorden van de rechter, nam een steen en sloeg de rechter; de steen drong in zijn voorhoofd en er stroomde veel bloed uit het voorhoofd van de rechter. Eliëzer zei: „Zo is dan jullie recht in het land, dat ik aan deze man zou geven. Geef het hem dan zelf, want dit is het vonnis dat jij zelf hebt geveld.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | השופט (hashofet) = de Rechter | אל (el) = tot | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | אמת (emet) = de waarheid | יאמר (yomar) = spreekt | לך (lekha) = tegen jou | האיש (ha'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | תנה (tenah) = geef | לו (lo) = voor hem | שכרו (skharo) = zijn loon | כי (ki) = want | כן (ken) = zo is | המשפט (hammishpat) = het recht | איתנו (ittanu) = bij ons | בארץ (ba'arets) = in het land | וישמע (vayishma) = en hoorde | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | השופט (hashofet) = de Rechter | וישא (vayissa) = en nam op | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | אבן (even) = een steen | אחת (achat) = (steen) | ויכה (vayyakh) = en sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | השופט (hashofet) = de Rechter | ותטבע (vatitba) = en drong in | האבן (ha'even) = de steen | במצחו (bemitsho) = op zijn voorhoofd | ויצא (vayetse) = en stroomde | דם (dam) = bloed | רב (rav) = veel | ממצח (mimmetsach) = van het voorhoofd van | השופט (hashofet) = de Rechter | ויאמר (vayomer) = en zei | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | וכן (vekhen) = zo is dan | משפטכם (mishpatkhem) = jullie recht | בארץ (ba'arets) = in het land | אשר (asher) = dat | אתן (etten) = ik zou geven | לאיש (le'ish) = aan deze | הזה (hazzeh) = man | תנהו (tenehu) = geef het dan | אתה (attah) = jij zelf | לו (lo) = voor hem | כי (ki) = want | כן (ken) = dit is | משפטיך (mishpatekha) = het vonnis | אתה (attah) = dat jij | חרצת (charatsta) = zelf hebt geveld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:22** Eliëzer liet de Sodomiet bij de rechter achter, ging weg en vervolgde zijn weg. Brontekst: ויעזוב (vaya'azov) = en liet achter | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man | הסדומי (hasdomi) = de Sodomiet | עם (im) = met | השופט (hashofet) = de Rechter | ויצא (vayetse) = en ging weg | וילך (vayelekh) = en vervolgde | לו (lo) = (zijn) | לדרכו (ledarko) = zijn weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Paltit, de dochter van Lot **19:23** Toen de koningen van Elam oorlog hadden gevoerd tegen de koningen van Sodom, namen de koningen van Elam alle bezittingen van Sodom als buit. Ook Lot namen zij gevangen, met al zijn bezit. Het werd aan Abraham verteld; hij ging en voerde oorlog tegen de koningen van Elam en redde uit hun hand al het bezit van Lot, samen met het bezit van Sodom. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | נלחמו (nilchamu) = oorlog hadden gevoerd | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלכי (malkhei) = koningen van | סדום (sedom) = Sodom | וישבו (vayeshvu) = en namen gevangen | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | רכוש (rekhush) = bezittingen van | סדום (sedom) = Sodom | וישבו (vayeshvu) = en namen gevangen | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | לוט (lot) = Lot | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | רכושו (rekhusho) = zijn bezittingen | עמהם (immahem) = met hen | ויוגד (vayugad) = en er werd verteld | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | וילך (vayelekh) = en hij ging | וילחם (vayillachem) = en voerde oorlog | את (et) = tegen | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam | ויצל (vayatsel) = en redde | מידם (miyyadam) = uit hun hand | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | רכוש (rekhush) = bezittingen van | לוט (lot) = Lot | עם (im) = met | רכוש (rekhush) = bezittingen van | סדום (sedom) = Sodom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:11–16: de koningen van Elam nemen Lot gevangen en Abraham bevrijdt hem. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 14:11–16 **19:24** In die tijd baarde de vrouw van Lot hem een dochter, en hij noemde haar Paltit, want hij zei: „Elohim heeft mij en heel mijn huis gered van de koningen van Elam.” Paltit, de dochter van Lot, groeide op, en een van de mannen van Sodom nam haar tot vrouw. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ילדה (yaldah) = baarde | אשת (eshet) = vrouw van | לוט (lot) = Lot | לו (lo) = hem | בת (bat) = een dochter | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמה (shemah) = haar naam | פלטית (Paltit) = Paltit | כי (ki) = want | אמר (amar) = hij zei | כי (ki) = (hij zei) | פלטו (pillto) = heeft gered | אלוקים (Elohim) = Elohim | ואת (ve'et) = mij en | כל (kol) = alle | ביתו (beito) = zijn huis | ממלכי (mimalkhei) = van de koningen van | עילם (Elam) = Elam | ותגדל (vattigdal) = groeide op | פלטית (Paltit) = Paltit | בת (bat) = dochter van | לוט (lot) = Lot | ויקחה (vayiqachah) = en nam haar | אחד (echad) = een | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | סדום (sedom) = Sodom | ותהי (vatehi) = zodat zij werd | לו (lo) = aan hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **19:25** Er kwam een arme man in de stad om een bestaan te zoeken, en hij bleef enkele dagen in de stad. Alle mannen van Sodom lieten naar hun gewoonte uitroepen dat niemand die man een stuk brood te eten mocht geven, tot hij in het land zou sterven. Zo deden zij. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en kwam | בעיר (ba'ir) = in de stad | איש (ish) = een man | עני (ani) = arm | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | מחייתו (michyato) = zijn levensonderhoud | וישב (vayyashev) = en bleef | בעיר (ba'ir) = in de stad | ימים (yamim) = dagen | ויעבירו (vaya'avirru) = en lieten uitroepen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | סדום (sedom) = Sodom | קול (qol) = een stem | כמשפטם (kemishpatam) = naar hun gewoonte | לבלתי (levilti) = dat niemand | תת (tet) = zou geven | לאיש (le'ish) = aan die | ההוא (hahu) = man | פת (pat) = een stuk | לחם (lechem) = brood | לאכול (le'ekhol) = om te eten | עד (ad) = tot | ימות (yamut) = hij zou sterven | בארץ (ba'arets) = in het land | ויעשו (vaya'asu) = zo deden zij | כן (ken) = (zo) Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **19:26** Paltit, de dochter van Lot, zag die man op het plein van de stad liggen, neergeworpen van honger; niemand gaf hem iets om van te leven, en zijn ziel stond op het punt uit te gaan. Brontekst: ותרא (vatere) = en zij zag | פלטית (Paltit) = Paltit | בת (bat) = dochter van | לוט (lot) = Lot | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | מושלך (mushlakh) = neergeworpen | ברחוב (barechov) = op het plein | העיר (ha'ir) = de stad | ברעב (bara'av) = van honger | ואין (veein) = en niet | נותן (noten) = gaf | לו (lo) = voor hem | מאומה (me'umah) = iets | למחייתו (limchyato) = om hem te onderhouden | ונפשו (venafsho) = en zijn ziel | קרבה (qarvah) = stond op het punt | לצאת (latset) = uit te gaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:27** Haar ziel werd vervuld van medelijden met die arme man. Zij onderhield hem in het geheim vele dagen met brood, en de ziel van die man leefde op. Brontekst: ותמלא (vattimmale) = en werd vervuld | נפשה (nafshah) = haar ziel | חנינה (chaninah) = medelijden | על (al) = op | האיש (ha'ish) = de man | העני (ha'ani) = de arme | ההוא (hahu) = die | ותכלכלהו (vatekhalkelehu) = en onderhield hem | בלחם (belechem) = met brood | בסתר (baseter) = in het geheim | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ותחי (vatechi) = en leefde op | נפש (nefesh) = ziel van | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:28** Telkens als zij uitging om water te putten, legde zij het brood in de waterkruik. Als zij bij de plaats van de arme kwam, nam zij het brood uit haar kruik, gaf het aan de arme en hij at. Zo deed zij vele dagen voor hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מדי (Madai) = telkens als | צאתה (tse'tah) = zij uitging | לשאוב (lish'ov) = om te putten | מים (mayim) = water | ותשם (vatasem) = en legde | את (et) = (lijdend voorwerp) | הלחם (hallechem) = het brood | בכד (bakkad) = in de kruik | המים (hammayim) = het water | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבואה (bevo'ah) = als zij kwam | אל (el) = tot | מקום (maqom) = de plaats van | העני (ha'ani) = de arme | ותוציא (vatotsi) = en nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הלחם (hallechem) = het brood | מכדה (mikkaddah) = uit haar kruik | ותיתן (vattitten) = en gaf | לעני (la'ani) = aan de arme | ויאכל (vayyokhal) = en hij at | ככה (kakhah) = zo | עשתה (asetah) = zo deed zij | לו (lo) = voor hem | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:29** Alle mannen van Sodom en Gomorra verbaasden zich over die man: waarom bleef hij zo vele dagen in leven zonder voedsel? Brontekst: ויתמהו (vayitmehu) = en verbaasden zich | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | על (al) = op | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | מדוע (maddu'a) = waarom | חיה (chayyah) = leefde hij | ברעב (bara'av) = zonder voedsel | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **19:30** Zij zeiden tegen elkaar: „Dit kan niet anders dan dat hij eet en drinkt, want een mens kan niet vele dagen van de honger leven zoals deze, en zijn gelaat is niet eens veranderd.” Drie mannen verborgen zich in het geheim bij de plaats waar die arme verbleef, om te weten wie het brood aan die man bracht om te eten. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = ieder | אל (el) = tegen | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | אין (ein) = niet is | זה (ze) = dit | כי (ki) = anders | אם (em) = dan | אוכל (ukhal) = dat hij eet | ושותה (veshoteh) = en drinkt | הוא (hu) = (hij) | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יוכל (yukhal) = kan | האדם (ha'adam) = de mens | לחיות (lechayot) = leven | מן (min) = van | הרעב (hara'av) = de honger | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | כאשר (ka'asher) = zoals | היה (hayah) = is | זה (ze) = deze | ופניו (ufanav) = en zijn gelaat | לא (lo) = niet | סרו (saru) = veranderd zijn | ויתחבאו (vayitchabe'u) = en verborgen zich | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | במקום (bamaqom) = op de plaats | מושב (moshav) = waar verbleef | העני (ha'ani) = de arme | ההוא (hahu) = die | בסתר (baseter) = in het geheim | לדעת (lada'at) = om te weten | מי (mi) = wie | יביא (yavi) = bracht | הלחם (hallechem) = het brood | לאיש (le'ish) = aan de man | ההוא (hahu) = (die) | לאכול (le'ekhol) = om te eten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:31** Paltit, de dochter van Lot, ging die dag uit om water te putten. Zij legde het brood in de waterkruik en ging water putten, boog af naar de plaats van de arme, nam het brood uit haar kruik, gaf het aan de arme, en hij at. Brontekst: ותצא (vatetse) = en ging uit | פלטית (Paltit) = Paltit | בת (bat) = dochter van | לוט (lot) = Lot | כיום (keyom) = die dag | לשאוב (lish'ov) = om te putten | מים (mayim) = water | ותיתן (vattitten) = en legde | את (et) = (lijdend voorwerp) | הלחם (hallechem) = het brood | בכד (bakkad) = in de kruik | המים (hammayim) = het water | ותלך (vattelekh) = en ging | לשאוב (lish'ov) = om te putten | מים (mayim) = water | ותט (vatet) = en boog af | אל (el) = tot | מקום (maqom) = de plaats van | האיש (ha'ish) = de man | העני (ha'ani) = de arme | ותוציא (vatotsi) = en nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הלחם (hallechem) = het brood | מכדה (mikkaddah) = uit haar kruik | ותיתן (vattitten) = en gaf | לעני (la'ani) = aan de arme | ויאכל (vayyokhal) = en hij at Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:32** De drie mannen zagen wat Paltit voor die arme man deed en zeiden: „Nu dan, zie, zij heeft hem onderhouden! Daarom heeft hij geen honger geleden, is zijn gelaat niet veranderd en is hij niet gestorven zoals de eersten.” Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | שלושת (sheloshet) = drie | האנשים (ha'anashim) = de mannen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | עשתה (asetah) = deed zij | פלטית (Paltit) = Paltit | לאיש (le'ish) = aan ieder mens | העני (ha'ani) = de arme | ההוא (hahu) = die | ויאמרו (vayomeru) = en zeiden | אך (akh) = nu dan | עתה (attah) = (nu) | הנה (hinneh) = zie | היא (hi) = zij | כלכלתהו (kilkeltehu) = heeft hem onderhouden | על (al) = op | כן (ken) = daarom | לא (lo) = (daarom) | הרעיב (hir'iv) = heeft hij geen honger geleden | ופניו (ufanav) = en zijn gelaat | לא (lo) = niet | סרו (saru) = veranderd | ולא (velo) = en niet | מת (met) = gestorven | כראשונים (kari'shonim) = zoals de eersten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:33** De drie mannen kwamen tevoorschijn uit de plaats waar zij zich verborgen hadden, grepen Paltit vast, en ook het brood in de hand van die arme. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij kwamen tevoorschijn | שלושת (sheloshet) = drie | האנשים (ha'anashim) = de mannen | מן (min) = uit | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | התחבאו (hitchabe'u) = zich verborgen hadden | שמה (shemah) = daar | ויתפשו (vayitpesu) = en grepen | את (et) = (lijdend voorwerp) | פלטית (Paltit) = Paltit | ואת (ve'et) = en ook | הלחם (hallechem) = het brood | ביד (beyad) = in de hand van | העני (ha'ani) = de arme | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:34** Zij namen Paltit mee en brachten haar voor hun rechters en zeiden tegen hen: „Zus en zo heeft zij gedaan, zij die die man met brood heeft onderhouden; daarom is hij vele dagen niet gestorven. Spreek nu uit wat het vonnis is over deze vrouw, omdat zij onze wet heeft overtreden.” Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen mee | את (et) = (lijdend voorwerp) | פלטית (Paltit) = Paltit | ויביאו (vayavi'u) = en brachten | אותה (otah) = haar | לפני (lifnei) = voor | שופטיהם (shofetehem) = hun rechters | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | כזאת (kezot) = zus | וכזאת (vekhazzot) = en zo | תעשה (ta'aseh) = heeft gedaan | היא (hi) = zij | אשר (asher) = die | כלכלה (kilkelah) = heeft onderhouden | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | בלחם (belechem) = met brood | על (al) = op | כן (ken) = daarom | לא (lo) = (daarom) | מת (met) = is hij niet gestorven | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | עתה (attah) = nu | דברו (dabberu) = spreek uit | לנו (lanu) = voor ons | מה (mah) = wat | משפט (mishpat) = het vonnis over | האישה (ha'ishah) = de vrouw | הזאת (hazzo't) = deze | על (al) = omdat | אשר (asher) = die | עברה (evrah) = zij heeft overtreden | את (et) = (lijdend voorwerp) | דתינו (datenu) = onze wet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:35** Alle mannen van Sodom en Gomorra verzamelden zich, stookten een vuur op het plein van de stad, brachten de vrouw erbij en wierpen haar in het vuur. Zij werd verbrand en werd as. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | ויבערו (veyav'eru) = en stookten | את (et) = (lijdend voorwerp) | האש (ha'esh) = het vuur | ברחוב (barechov) = op het plein | העיר (ha'ir) = de stad | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | האישה (ha'ishah) = de vrouw | וישליכוה (vayashlikhuha) = en wierpen haar | באש (ba'esh) = in het vuur | ותשרף (vatisaref) = en zij werd verbrand | ותהי (vatehi) = en werd | לאפר (le'efer) = tot as Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. ### Het meisje van Adma **19:36** Ook in de stad Adma was er een meisje, de dochter van een rijk man van de mannen van Adma, aan wie zij hetzelfde deden. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | בעיר (ba'ir) = in de stad | אדמה (adamah) = Adma | היתה (hayetah) = was | נערה (na'arah) = een meisje | אחת (achat) = één | בת (bat) = een dochter van | איש (ish) = een man | עשיר (ashir) = rijk | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | אדמה (adamah) = Adma | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | לה (lah) = voor haar | כדבר (kidvar) = net zoals | הזה (hazzeh) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dit tweede verhaal, uit Adma, staat niet in Genesis. **19:37** Er kwam een reiziger in de stad Adma om er te overnachten en de volgende dag naar zijn huis te gaan. Hij ging tegenover de ingang van het huis van de vader van het meisje zitten, om daar te overnachten, want de zon was voor hem ondergegaan op die plek. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en kwam | הולך (holekh) = een reiziger | בעיר (ba'ir) = in de stad | אדמה (adamah) = Adma | ללון (laloun) = om te overnachten | בעיר (ba'ir) = in de stad | ומחר (umachar) = en de volgende dag | ילך (yelekh) = zou hij gaan | לביתו (levejto) = naar zijn huis | וישב (vayyashev) = en ging zitten | נגד (neged) = tegenover | פתח (petach) = de ingang van | אבי (avi) = vader van | הנערה (hanna'arah) = het meisje | ללון (laloun) = om te overnachten | שם (shem) = daar | כי (ki) = want | בא (ba) = was ondergegaan | לו (lo) = voor hem | השמש (hashemesh) = de zon | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:38** Dat meisje zag hem bij de ingang van het huis zitten; hij vroeg haar om water te drinken, en zij zei tegen hem: „Wie ben jij?” Hij zei tegen haar: „Ik ben vandaag van mijn weg gekomen en de zon is hier voor mij ondergegaan. Ik zal hier blijven tot morgen; dan sta ik vroeg op en ga mijn weg.” Brontekst: ותראהו (vatir'ehu) = en zij zag hem | הנערה (hanna'arah) = het meisje | ההיא (hahi) = die | יושב (yoshev) = zittend | בפתח (befetach) = in de opening van | הבית (habbayit) = het huis | וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | לה (lah) = haar | מים (mayim) = om water | לשתות (lishtot) = te drinken | ותאמר (vatomer) = en zij zei | לו (lo) = tegen hem | מי (mi) = wie | אתה (attah) = jij | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לה (lah) = tegen haar | אנוכי (anokhi) = ik | באתי (ba'ti) = ben gekomen | היום (hayyom) = vandaag | מדרכי (middarkhei) = van mijn weg | ותבוא (vattavo) = en is ondergegaan | לי (li) = voor mij | השמש (hashemesh) = de zon | פה (peh) = hier | ואלין (ve'alin) = ik zal overnachten | בזה (bazeh) = hier | עד (ad) = tot | למחר (lemacharat) = tot morgen | והשכמתי (vehishkamti) = dan sta ik vroeg op | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | והלכתי (vehalakhti) = en ga | לדרכי (ledarki) = op mijn weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:39** Het meisje ging naar binnen en bracht die man brood en water om te eten en te drinken. Brontekst: ותבוא (vattavo) = en ging naar binnen | הנערה (hanna'arah) = het meisje | ההיא (hahi) = die | הביתה (habbaytah) = het huis in | ותוציא (vatotsi) = en bracht | לאיש (le'ish) = die | ההוא (hahu) = man | לחם (lechem) = brood | ומים (umayim) = en water | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ולשתות (velishtot) = en te drinken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:40** Dit werd bekend bij de mannen van Adma. Zij verzamelden zich allen en brachten het meisje voor de rechters, om over deze zaak te oordelen. Brontekst: ויודע (vayyivvada) = en het werd bekend | הדבר (haddavar) = de zaak | ההוא (hahu) = die | לאנשי (le'anshei) = bij de mannen van | אדמה (adamah) = Adma | ויקבצו (vayiqbetsu) = en zij verzamelden | כולם (kullam) = allen | ויביאו (vayavi'u) = en brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנערה (hanna'arah) = het meisje | לפני (lifnei) = voor | השופטים (hashoftim) = de rechters | לשפוט (lishpot) = om te oordelen | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:41** De rechter zei: „Dit meisje heeft het doodvonnis verdiend, omdat zij onze wet heeft overtreden; zo en zo is haar vonnis.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en zei | השופט (hashofet) = de Rechter | יש (yesh) = is er | לנערה (lanna'arah) = voor dit meisje | הזאת (hazzo't) = (dit) | משפט (mishpat) = het vonnis van | מות (mot) = de dood | על (al) = op | אשר (asher) = omdat | הפרה (hefrah) = zij heeft overtreden | את (et) = (lijdend voorwerp) | דתינו (datenu) = onze wet | וכזה (vekhazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | משפטה (mishpatah) = is haar vonnis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:42** Daarop verzamelden de mannen van die steden zich, brachten het meisje naar buiten en bestreken haar met honing van haar voetzool tot haar kruin, zoals de rechter gesproken had. Zij bonden haar vast voor een zwerm bijen op de plaats waar die zich verzamelden. Alle bijen vlogen op haar af, staken haar en deden heel haar vlees opzwellen. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en verzamelden zich | על (al) = (zich) | אנשי (anshei) = mensen van | הערים (he'arim) = de steden | ההם (hahem) = die | ויוציאו (vayotsi'u) = en brachten naar buiten | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנערה (hanna'arah) = het meisje | ההיא (hahi) = die | וימשחו (vayimshechu) = en zij bestreken | אותו (oto) = haar | בדבש (bidvash) = met honing | מכף (mikkaf) = van de zool van | רגלה (raglah) = haar voet | עד (ad) = tot | קדקדה (qodqodah) = haar kruin | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | השופט (hashofet) = de Rechter | ויתלו (vayitlu) = en bonden vast | אותה (otah) = haar | לפני (lifnei) = voor | עדת (adat) = een zwerm | הדבורים (haddevorim) = de bijen | במקום (bamaqom) = op de plaats | מקבצם (meqabtsam) = hun verzamelplaats | ויבואו (vayavo'u) = en vlogen | עליה (aleha) = op haar af | כל (kol) = alle | הדבורים (haddevorim) = de bijen | ויעקצו (vaya'qetsu) = en staken | אותה (otah) = haar | ויצבו (vayatsabbu) = en deden opzwellen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = heel | בשרה (besarah) = haar vlees Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:43** Het meisje riep het uit vanwege de bijen, maar niemand keek naar haar om en niemand had medelijden met haar; haar geroep steeg op naar de hemel. Brontekst: ותצעק (vatits'aq) = en riep | הנערה (hanna'arah) = het meisje | מפני (mippenei) = vanwege | הדבורים (haddevorim) = de bijen | ואין (veein) = en niet | מביט (mabbit) = keek om | אליה (eleha) = haar | ואין (veein) = en niet | מרחם (merachem) = had medelijden | עליה (aleha) = met haar | ותעל (vata'al) = en steeg op | צעקתה (tsa'aqatah) = haar geroep | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De ondergang van Sodom **19:44** Yahweh ontbrandde in ijver hierover, en over alle daden van de steden van Sodom, omdat zij overvloed aan brood hadden en rust en stilte, en toch geen arme en behoeftige steunden. Hun kwaad en hun zonde werden in die dagen zeer groot voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: ויקנא (vayeqanne) = en ontbrandde in ijver | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = op | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ועל (ve'al) = en over | כל (kol) = alle | מעשה (ma'aseh) = de daden van | ערי ('eri) = steden van | סדום (sedom) = Sodom | אשר (asher) = die | עשו (asu) = deden | יען (ya'an) = omdat | שבעת (sheva) = overvloed aan | לחם (lechem) = brood | ושלות (veshalvat) = en rust | השקט (hashqet) = en stilte | היה (hayah) = was | להם (lahem) = bij hen | ובכל (uvkhol) = en toch | זאת (zot) = (toch) | עני (ani) = een arme | ואביון (ve'evyon) = en behoeftige | לא (lo) = niet | החזיקו (hechezi'qu) = steunden zij | ותגדל (vattigdal) = en werden groot | רעתם (ra'atam) = hun kwaad | וחטאתם (vechatta'tam) = en hun zonde | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מאוד (me'od) = zeer | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 18:20–21 en Gen. 19:13. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 18:20–21; Gen 19:4; Gen 19:13 **19:45** Yahweh zond de twee engelen die in het huis van Abraham gekomen waren naar Sodom en zijn steden, om ze te verderven. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = de | שני (shenei) = twee | המלאכים (hammal'akhim) = de engelen | אשר (asher) = gekomen waren | באו (ba'u) = naar het huis van | בית (bet) = (naar) | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = tot | סדום (sedom) = Sodom | ואל (ve'el) = en naar | עריה (areyah) = zijn steden | לשחתם (leshachatam) = om ze te verderven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. **19:46** Die engelen stonden op van de ingang van de tent van Abraham, nadat zij gegeten en gedronken hadden, en kwamen in de avond te Sodom aan. Lot zat in die tijd in de poort van Sodom. Hij zag hen, stond op om hen tegemoet te gaan en boog zich voor hen neer tot de grond. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en stonden op | המלאכים (hammal'akhim) = de engelen | ההם (hahem) = die | מפתח (mipetach) = van de ingang van | אוהל (ohel) = tent van | אברהם (avraham) = Abraham | כאשר (ka'asher) = nadat | אכלו (akhlu) = zij gegeten | ושתו (veshatu) = en gedronken hadden | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | סדומה (sedomah) = te Sodom aan | בערב (ba'erev) = in de avond | ולוט (velot) = en Lot | יושב (yoshev) = zat | בשער (besha'ar) = in de poort van | סדום (sedom) = Sodom | בעת (be'et) = in die | ההיא (hahi) = tijd | וירא (vayyera) = en hij zag | אותם (otam) = hen | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | לקראתם (liqratam) = om hen tegemoet te gaan | וישתחו (vayishtachu) = en boog zich neer | להם (lahem) = hun | ארצה (artsah) = tot de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 19:1–3. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 19:1–3 **19:47** Hij drong sterk bij hen aan en bracht hen naar zijn huis; hij zette hun brood voor, zij aten en overnachtten in zijn huis. Brontekst: ויפצר (vayiftsar) = en drong aan | בם (vam) = bij hen | מאוד (me'od) = zeer | ויביאם (vayevi'em) = en bracht hen | אל (el) = tot | ביתו (beito) = zijn huis | וישם (vayasem) = en zette | להם (lahem) = voor hen | לחם (lechem) = brood | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | וילינו (vayalinu) = en overnachtten | בביתו (beveyto) = in zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:48** De engelen zeiden tegen Lot: „Sta op, ga weg van deze plaats, jij en allen die van jou zijn, anders word je weggevaagd in de ongerechtigheid van de stad, want Yahweh gaat deze plaats verderven.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | המלאכים (hammal'akhim) = de engelen | אל (el) = tot | לוט (lot) = Lot | קום (qum) = sta op | צא (tse) = ga weg | מן (min) = van | המקום (hammaqom) = de plaats | הזה (hazzeh) = deze | אתה (attah) = jij | וכל (vekhol) = en allen | אשר (asher) = die | לך (lekha) = van jou zijn | פן (pen) = opdat niet | תיספה (tispeh) = word je weggevaagd | בעון (ba'avon) = vanwege de ongerechtigheid van | העיר (ha'ir) = de stad | כי (ki) = want | משחית (mashchit) = gaat verderven | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | המקום (hammaqom) = de plaats | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 19:12–17. Zie ook: Gen 19:12–17; Gen 19:16 **19:49** De engelen grepen Lot bij de hand, en zijn vrouw en zijn dochters, en allen die van hem waren, stuurden hem weg en lieten hem buiten de steden staan. Brontekst: ויחזיקו (vayachaziqu) = en grepen | המלאכים (hammal'akhim) = de engelen | ביד (beyad) = bij de hand van | לוט (lot) = Lot | וביד (uvyad) = en bij de hand van | אישתו (ishto) = zijn vrouw | וביד (uvyad) = en bij de hand van | בנותיו (benotav) = zijn dochters | וכל (vekhol) = en allen | אשר (asher) = die | לו (lo) = van hem waren | וישלחוהו (vayeshalechuhu) = en stuurden hem weg | ויניחוהו (vayyanichuhu) = en lieten hem staan | מחוץ (michuts) = buiten | לערים (la'arim) = de steden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:50** Zij zeiden tegen hem: „Red je leven!” En hij vluchtte, hij en allen die van hem waren. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = voor hem | הימלט (himmalet) = red je | על (al) = (je) | נפשך (nafshekha) = leven | וינס (vayanos) = en hij vluchtte | ויברח (vayivrach) = (vluchtte) | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:51** In die tijd liet Yahweh over Sodom en Gomorra en over al die steden zwavel en vuur regenen, van Yahweh, uit de hemel. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | המטיר (himtir) = liet regenen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = op | סדום (sedom) = Sodom | ועמורה (va'amorah) = en Gomorra | ועל (ve'al) = en over | כל (kol) = alle | הערים (he'arim) = de steden | האל (ha'el) = al deze | גפרית (gofrit) = zwavel | ואש (va'esh) = en vuur | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מן (min) = uit | השמים (hashamayim) = de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 19:24. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 19:24 **19:52** Hij keerde al die steden om, heel de Kikkar, alle inwoners van de steden en het gewas van de grond. Irit, de vrouw van Lot, keek om om de omkering van de steden te zien, want zij kreeg medelijden met haar dochters die in Sodom waren achtergebleven, omdat die niet met haar mee waren uitgegaan. Brontekst: ויהפוך (vayahafokh) = en hij keerde om | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הערים (he'arim) = de steden | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הככר (hakikkar) = de Kikkar | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הערים (he'arim) = de steden | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | צמח (tsemach) = het gewas van | האדמה (ha'adamah) = de grond | ותבט (vatabbet) = en keek om | עירית (Irit) = Irit | אשת (eshet) = vrouw van | לוט (lot) = Lot | בהפיכת (behafikhat) = om de omkering van | הערים (he'arim) = de steden | לראות (lir'ot) = zien | כי (ki) = want | נכמרו (nikhmeru) = werd bewogen | רחמיה (rachameyha) = haar medelijden | אל (el) = met | בנותיה (benoteyha) = haar dochters | הנשארות (hannish'arot) = die waren achtergebleven | בסדום (bisdom) = in Sodom | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יצאו (yatse'u) = waren uitgegaan | עמה (immah) = met haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 19:25–26. In het Hebreeuws heet de vrouw van Lot Irit (עירית); Genesis noemt haar niet bij naam. De Engelse vertaling heeft hier ‘Ado’. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 19:25–26; Gen 19:26 **19:53** Toen zij omkeek, werd zij een zuil van zout; en zij staat nog op die plaats tot op deze dag. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | הביטה (hibbitah) = zij omkeek | אחריה (acharehah) = (omkeek) | ותהי (vatehi) = werd zij | נציב (netsiv) = een zuil | ממלח (mimmelach) = van zout | עודנו (odenu) = en zij staat nog | במקום (bamaqom) = op | ההוא (hahu) = die | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = op deze dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **19:54** De runderen die dag aan dag op die plaats voorbijkwamen, likten haar tot aan de tenen van hun poten; en in de morgen groeide aan wat zij daarvan gelikt hadden, tot op deze dag. Brontekst: וילכחו (vayilkhachu) = en likten | אותה (otah) = haar | על (al) = tot | השוורים (hashevarim) = de runderen | העוברים (ha'overim) = die voorbijkwamen | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | יום (yom) = dag | יום (yom) = aan dag | עד (ad) = likten | אצבעות (etsb'ot) = de tenen van | הרגלים (haraglayim) = hun poten | ובבוקר (uvaboqer) = en in de morgen | יצמח (yitsmach) = groeide aan | אשר (asher) = wat | לחכו (lachakhu) = zij gelikt hadden | בה (bah) = daarvan | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dit staat niet in Genesis. ### Lot in de grot **19:55** Lot vluchtte, met zijn twee dochters die bij hem waren overgebleven, en zij ontkwamen naar de grot van Adullam en bleven daar enige tijd. Brontekst: וינוס (vayanos) = en vluchtte | לוט (lot) = Lot | ושתי (ushtei) = met twee | בנותיו (benotav) = zijn dochters | הנשארות (hannish'arot) = die waren overgebleven | עמו (immo) = bij hem | וימלטו (vayimmaletu) = en zij ontkwamen | אל (el) = naar | מערת (me'arat) = de grot van | עדולם (adullam) = Adullam | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven | שם (shem) = daar | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 19:30. Hier is de grot die van Adullam; zie ook 1 Sam. 22:1. Zie ook: Gen 19:30; 1 Sam 22:1 **19:56** Abraham stond in de morgen vroeg op om te zien wat er met de steden van Sodom gebeurd was. Hij keek neer en zag: zie, de rook van alle steden steeg op als de rook van een oven. Brontekst: וישקך (vayashqekh) = en stond vroeg op | אברהם (avraham) = Abraham | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | ערי ('eri) = steden van | סדום (sedom) = Sodom | מה (mah) = wat | נעשה (na'aseh) = gebeurd was | בם (vam) = met | וישקף (vayashqef) = en hij keek neer | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | והנה (vehinneh) = en zie | עלה (alah) = steeg op | עשן (ashan) = rook van | כל (kol) = alle | הערים (he'arim) = de steden | כעשן (ke'ashan) = als de rook van | הכבשן (hakivshan) = de oven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 19:27–28. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 19:27–28 **19:57** Toen Lot met zijn twee dochters in de grot verbleef, lieten zij hun vader wijn drinken en lagen bij hem, want zij zeiden: er is geen man in het land om uit ons nageslacht te laten leven; zij dachten dat heel de aarde vernietigd was. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשבת (bishvet) = toen hij verbleef | לוט (lot) = Lot | במערה (bama'arah) = in de grot | עם (im) = met | שתי (shetei) = twee | בנותיו (benotav) = zijn dochters | וישקו (vayashqu) = en zij lieten drinken | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביהן (avihen) = hun vader | יין (yayin) = wijn | וישכבו (vayishkavu) = en lagen | עמו (immo) = bij hem | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | אין (ein) = er is niet | איש (ish) = een man | בארץ (ba'arets) = in het land | לחיות (lechayot) = om in leven te houden | זרע (zera) = nageslacht | מהן (mehen) = uit ons | כן (ken) = zo | חשבו (chashvu) = dachten zij | כי (ki) = want | אבדה (avdah) = vernietigd was | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 19:31–36. Zie ook: Gen 19:30; Gen 19:31–36 **19:58** Beiden lagen bij hun vader, beiden werden zwanger van hun vader en baarden zonen. De oudste noemde de naam van haar zoon Moab en zei: „Van mijn vader heb ik hem gebaard.” Hij is de vader van Moab tot op deze dag. Brontekst: וישכבו (vayishkavu) = en lagen | שתיהן (shetayhen) = beiden | עם (im) = met | אביהן (avihen) = hun vader | ותהרן (vatahareyna) = en werden zwanger | שתיהן (shetayhen) = beiden | מאביהן (me'avihen) = van hun vader | ותלדנה (vatteladnah) = en baarden | בנים (banim) = zonen | ותקרא (vattiqra) = en noemde | הבכירה (habbekhirah) = de oudste | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | בנו (beno) = haar zoon | מואב (mo'av) = Moab | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = (want) | מאביה (me'abiha) = van mijn vader | ילדתו (yeladtiv) = heb ik hem gebaard | הוא (hu) = hij | אבי (avi) = vader van | מואב (mo'av) = Moab | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 19:37. Zie ook: Gen 19:37 **19:59** Ook de jongste noemde haar zoon Ben-Ammi. Hij is de vader van de zonen van Ammon tot op deze dag. Brontekst: והצעירה (vehatse'irah) = en de jongste | קראה (qar'ah) = noemde | גם (gam) = ook | היא (hi) = zij | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנה (Benah) = haar zoon | בן (ben) = Ben | עמי (immi) = Ammi | הוא (hu) = hij | אבי (avi) = vader van | בני (bnei) = de zonen van | עמון (ammon) = Ammon | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 19:38. Zie ook: Gen 19:38 **19:60** Daarna trok Lot met zijn twee dochters daar vandaan en woonde aan de overzijde van de Jordaan, met zijn twee dochters en hun zonen. De zonen van Lot groeiden op, gingen heen en namen vrouwen uit het land Kanaän; zij kregen zonen, werden vruchtbaar en talrijk. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = (daarna) | ויסע (vayyisa) = trok weg | לוט (lot) = Lot | הוא (hu) = samen met | ושני (ushnei) = en twee | בנותיו (benotav) = zijn dochters | משם (misham) = daar vandaan | וישב (vayyashev) = en woonde | בעבר (be'ever) = aan de overzijde van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | עם (im) = met | שתי (shetei) = twee | בנותיו (benotav) = zijn dochters | ובניהן (uvneyhen) = en hun zonen | ויגדלו (vayigdelu) = en groeiden op | בני (bnei) = de zonen van | לוט (lot) = Lot | וילכו (vayelkhu) = en gingen | ויקחו (vayyiqchu) = en namen | להם (lahem) = voor zich | נשים (nashim) = vrouwen | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | וילדו (vayeldu) = en kregen | להם (lahem) = voor zich | בנים (banim) = zonen | ויפרו (vayifru) = en werden vruchtbaar | וירבו (vayirbu) = en talrijk | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. ## Jasher 20 _Abraham en Abimelech in Gerar_ ### Abraham in Gerar **20:1** In die tijd trok Abraham weg van de eiken van Mamre en ging naar het land van de Filistijnen, en hij verbleef in Gerar. Het was in het vijfentwintigste jaar van Abrahams verblijf in het land Kanaän, het honderdste jaar van Abrahams leven, dat Abraham in het land van de Filistijnen kwam, naar Gerar. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויסע (vayyisa) = trok weg | אברהם (avraham) = Abraham | מאלוני (me'eloney) = van de eiken van | ממרא (mamre) = Mamre | וילך (vayelekh) = en ging | ארץ (erets) = naar het land van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | ויגר (vayagar) = en verbleef | בגרר (bagerar) = in Gerar | בשנת (bishnat) = in het | חמש (chamesh) = vijfentwintigste | ועשרים (ve'esrim) = (vijfentwintigste) | שנה (shanah) = jaar | לשבת (lashevet) = van het verblijf van | אברהם (avraham) = Abraham | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | היא (hi) = het was | שנת (shenat) = het | מאה (me'ah) = honderdste | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | אברהם (avraham) = Abraham | בא (ba) = dat kwam | אברהם (avraham) = Abraham | ארץ (erets) = in het land van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | גררה (gerarah) = naar Gerar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 20:1. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 20:1 **20:2** Toen zij in het land kwamen, zei hij tegen Sarah, zijn vrouw: „Zeg tegen ieder die je ernaar vraagt: ‘Je bent mijn zus’, opdat wij ontkomen aan het kwaad van de inwoners van het land.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבואם (bevo'am) = toen zij kwamen | אל (el) = in | הארץ (ha'arets) = het land | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | שרה (sarah) = Sara | אישתו (ishto) = zijn vrouw | אמרי (Emori) = zeg | לי (li) = van mij | אחותי (achoti) = mijn zus | את (et) = ben jij | לכל (lekhol) = tegen ieder | אשר (asher) = die | ישאל (yish'al) = die vraagt | אותך (otekha) = naar jou | למען (lema'an) = opdat | נצול (nitstsel) = wij ontkomen | מרעת (mera'at) = aan het kwaad van | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 20:2 en Gen. 12:13. Zie ook: Gen 12:13; Gen 20:2 ### Sarah bij Abimelech **20:3** Toen Abraham in het land van de Filistijnen woonde, zagen de dienaren van Abimelech, de koning van de Filistijnen, Sarah, want zij was zeer mooi. Zij vroegen Abraham naar haar, en hij zei: „Zij is mijn zus.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשבת (keshevet) = toen woonde | אברהם (avraham) = Abraham | בארץ (ba'arets) = in het land | פלישתים (pelishtim) = Filistijnen | ויראו (vayiru) = zagen | עבדי (avdei) = dienaren van | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | מלך (malakh) = de koning van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sara | כי (ki) = want | יפה (yafah) = mooi | היא (hi) = was zij | מאוד (me'od) = zeer | וישאלו (vayish'alu) = en zij vroegen | עליה (aleha) = naar haar | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אחותי (achoti) = mijn zus | היא (hi) = is zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **20:4** De dienaren van Abimelech gingen naar de koning en prezen Sarah met de woorden: „Er is een man uit het land Kanaän gekomen om in het land te wonen, en hij heeft een zus die zeer mooi is.” Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | עבדי (avdei) = dienaren van | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ויהללו (vaye'halelu) = en prezen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sara | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | בא (ba) = is gekomen | איש (ish) = een man | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לגור (lagur) = om te wonen | בארץ (ba'arets) = in het land | ואחות (ve'achot) = en een zus | לו (lo) = heeft hij | יפה (yafah) = mooi | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **20:5** Abimelech hoorde de woorden van al zijn dienaren, die Sarah bij hem hadden geprezen, en Abimelech zond zijn bevelhebbers; zij haalden Sarah en brachten haar bij de koning. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | אשר (asher) = die | הללו (hillelu) = hadden geprezen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sara | אליו (elav) = bij hem | וישלח (vayishlach) = en zond | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | את (et) = (lijdend voorwerp) | שריו (saraiv) = zijn bevelhebbers | ויקחו (vayyiqchu) = en zij haalden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sara | ויביאוה (vayyevi'uha) = en brachten haar | למלך (lammelekh) = bij de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **20:6** Sarah kwam in het huis van Abimelech. De koning zag Sarah, dat zij mooi was, en zij beviel hem zeer. Brontekst: ותבוא (vattavo) = en kwam | שרה (sarah) = Sara | בית (bet) = het huis van | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | וירא (vayyera) = en zag | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sara | כי (ki) = want | יפה (yafah) = mooi | היא (hi) = was | ותיטב (vatitav) = en zij beviel | בעיניו (be'einav) = hem | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 20:2. Zie ook: Gen 20:2 **20:7** Hij trad naar haar toe en zei tegen haar: „Wat is die man voor je, met wie je naar ons land bent gekomen?” Sarah antwoordde en zei: „Hij is mijn broer, en wij zijn uit het land Kanaän gekomen om te wonen waar wij ruimte vonden.” Brontekst: ויגש (vayyigash) = en trad toe | אליה (eleha) = naar haar | ויאמר (vayomer) = en zei | לה (lah) = tegen haar | מה (mah) = wat | הוא (hu) = is | לך (lekha) = hij voor jou | האיש (ha'ish) = die man | אשר (asher) = die | באת (ba'ta) = je bent gekomen | עמו (immo) = met hem | אל (el) = tot | ארצנו (artsenu) = naar ons land | ותען (vata'an) = en antwoordde | שרה (sarah) = Sara | ותאמר (vatomer) = en zei | אחי (echi) = mijn broer | הוא (hu) = is hij | ונבוא (venavo) = en wij zijn gekomen | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לגור (lagur) = om te wonen | באשר (ba'asher) = waar | מצאנו (matsanu) = wij ruimte vonden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **20:8** Abimelech zei tegen Sarah: „Zie, mijn land ligt voor je open: laat je broer wonen in het land waar het je goed lijkt. Wij moeten hem groot maken en verheffen, omdat hij je broer is.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | אל (el) = tot | שרה (sarah) = Sara | הנה (hinneh) = zie | ארצי (artsi) = mijn land | לפניך (lefanekha) = voor je | הטוב (hattov) = waar het goed lijkt | הושב (hoshev) = laat wonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיך (achikha) = je broer | בארץ (ba'arets) = in het land | אך (akh) = maar | עלינו (aleinu) = wij moeten | לגדלו (legaddelo) = hem groot maken | ולנשאו (ulenas'o) = en hem verheffen | אחרי (acharei) = omdat | אשר (asher) = (omdat) | הוא (hu) = hij | אחיך (achikha) = je broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **20:9** Abimelech zond en riep Abraham, en Abraham kwam voor het aangezicht van de koning. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en zond | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ויקרא (vayikra) = en riep | אל (el) = (riep) | אברהם (avraham) = Abraham | ויבוא (vayavo) = en kwam | אברהם (avraham) = Abraham | לפני (lifnei) = voor het aangezicht van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **20:10** Abimelech zei tegen Abraham: „Zie, ik heb mijn dienaren bevolen dat je behandeld wordt zoals het goed is in je ogen, omwille van Sarah, je zus.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | אל (el) = tot | אברהם (avraham) = Abraham | הנה (hinneh) = zie | צויתי (tsivviti) = heb ik bevolen | לעבדך (le'avdekha) = aan mijn dienaren | הארץ (ha'arets) = in het land | כטוב (ketov) = dat het goed is | בעיניך (be'einekha) = in je ogen | בעבור (ba'avur) = omwille van | שרה (sarah) = Sara | אחותך (achotekha) = je zus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **20:11** Abraham ging van de koning weg, en een geschenk van de koning ging hem achterna. Brontekst: ויצא (vayetse) = en ging | אברהם (avraham) = Abraham | מאת (me'et) = van | המלך (hammelekh) = de koning | ותצא (vatetse) = en ging | אחריו (acharav) = achter hem aan | משאת (massat) = een geschenk van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De droom van Abimelech **20:12** Tegen de avond, voordat men gaat liggen, zat de koning op zijn troon. Een diepe slaap viel op hem, en hij lag neer op de troon en sliep tot de morgen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לעת (le'et) = tegen de tijd van | הערב (ha'erev) = de avond | טרם (terem) = voordat | ישכב (yishkav) = gaat liggen | האדם (ha'adam) = de mens | והמלך (vehammelekh) = en de koning | יושב (yoshev) = zat | על (al) = op | כיסאו (kis'o) = zijn troon | ותיפול (vattippol) = en viel | תרדמה (tardemah) = een diepe slaap | עליו (alav) = op hem | וישכב (vayishkav) = en hij lag neer | על (al) = op | הכיסא (hakkisse) = de troon | וירדם (vayyiradam) = en sliep | עד (ad) = tot | הבוקר (habboqer) = de morgen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 20:3 **20:13** Hij droomde, en zie: een engel van Yahweh kwam naar hem toe, met zijn zwaard getrokken in zijn hand. De engel ging bij Abimelech staan en wilde hem met het zwaard doden. Abimelech was ontzet in de droom en zei tegen de engel: „Wat heb ik tegen je misdaan, dat je naar mij gekomen bent om mij met je zwaard te doden?” Brontekst: ויחלום (vayachalom) = en hij droomde | והנה (vehinneh) = en zie | מלאך (mal'akh) = een engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בא (ba) = kwam | אליו (elav) = naar hem | וחרבו (vecharbo) = met zijn zwaard | שלופה (shelufah) = getrokken | בידו (beyado) = in zijn hand | ויעמוד (vaya'amod) = en ging staan | המלאך (hammal'akh) = de engel | על (al) = bij | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ויבקש (vayevaqqesh) = en wilde | להרגו (laharogo) = hem te doden | בחרב (bacherev) = met het zwaard | ויחרד (vayecherad) = en was ontzet | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | בחלום (bachalom) = in de droom | ויאמר (vayomer) = en zei | אל (el) = tot | המלאך (hammal'akh) = de engel | מה (mah) = wat | חטאתי (chatati) = heb ik misdaan | לך (lekha) = tegen jou | כי (ki) = want | באת (ba'ta) = dat je bent gekomen | אליי (elai) = naar mij | להמיתני (lehamitheni) = om mij te doden | בחרבך (becharbekha) = met je zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 20:3. In Genesis spreekt Elohim zelf tot Abimelech in een droom; hier is het een engel van Yahweh met een getrokken zwaard. Zie ook: Gen 20:3 **20:14** De engel antwoordde en zei tegen Abimelech: „Zie, je bent een dode man vanwege de vrouw die je gisteravond naar je huis gebracht hebt, want zij is gehuwd met een man: de vrouw van Abraham, die in je huis gekomen is. Geef nu de vrouw van die man terug, want zij is zijn vrouw. En als je haar niet teruggeeft, weet dan dat je zeker zult sterven, jij en alles wat van jou is.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלאך (hammal'akh) = de engel | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | הנך (hinnekh) = zie, je bent | מת (met) = een dode man | על (al) = vanwege | האישה (ha'ishah) = de vrouw | אשר (asher) = die | הבאת (hevet) = je gebracht hebt | אמש (emesh) = gisteravond | לביתך (levetekha) = naar je huis | כי (ki) = want | היא (hi) = zij | בעולת (be'ulat) = is gehuwd met | בעל (ba'al) = een man | אשת (eshet) = vrouw van | אברהם (avraham) = Abraham | אשר (asher) = die | בא (ba) = gekomen is | לביתך (levetekha) = in je huis | עתה (attah) = nu | השב (hashev) = geef terug | אשת (eshet) = de vrouw van | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | כי (ki) = want | אישתו (ishto) = zijn vrouw | היא (hi) = is zij | ואם (ve'im) = en als | אינך (enkha) = je niet | משיב (meshiv) = teruggeeft | דע (da) = weet | כי (ki) = dan | מות (mot) = zeker | תמות (tamutu) = zult sterven | אתה (attah) = jij | וכל (vekhol) = en alles | אשר (asher) = wat | לך (lekha) = van jou is Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 20:3. De woorden van de engel zijn rood gedrukt, zoals bij de engel van Yahweh in Gen. 16:10–11. Zie ook: Gen 16:10–11; Gen 20:3 **20:15** In diezelfde nacht klonk een groot geschreeuw in het land van de Filistijnen. Alle inwoners van het land zagen de gestalte van een man staan, met zijn zwaard getrokken in zijn hand, en hij sloeg alle inwoners van het land met het zwaard, steeds opnieuw, en trof hen. Brontekst: ובלילה (uvallaylah) = en in de nacht | ההוא (hahu) = die | היתה (hayetah) = klonk | צעקה (tse'aqah) = een geschreeuw | גדולה (gedolah) = grote | בארץ (ba'arets) = in het land van | פלישתים (pelishtim) = Filistijnen | ויראו (vayiru) = en zagen | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | כצורת (ketsurat) = de gestalte van | איש (ish) = een man | עומד (omed) = staan | וחרבו (vecharbo) = met zijn zwaard | שלופה (shelufah) = getrokken | בידו (beyado) = in zijn hand | ויך (vayyakh) = en hij sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | בחרב (bacherev) = met het zwaard | הלוך (halokh) = steeds opnieuw | והכות (vehakkot) = en trof | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **20:16** De engel van Yahweh trof het hele land van de Filistijnen in die nacht, en er was zeer grote verwarring in die nacht en de volgende dag. Brontekst: וינגע (vayigga) = en trof | מלאך (mal'akh) = boodschapper van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = het land van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | ותהי (vatehi) = en er was | בהם (bahem) = onder hen | מהומה (mehumah) = verwarring | גדולה (gedolah) = zeer grote | מאוד (me'od) = (zeer) | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | ומחרתו (umochorato) = en de volgende dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **20:17** Al hun kracht en al hun uitgang werd tegengehouden, en de hand van Yahweh was op hen vanwege Sarah, de vrouw van Abraham, die Abimelech genomen had. Brontekst: ויעצר (vayye'atser) = en werd tegengehouden | להם (lahem) = voor hen | כל (kol) = alle | כוחם (kocham) = hun kracht | וכל (vekhol) = en alle | מוצאם (motsa'am) = hun uitgang | ותהי (vatehi) = en was | בם (vam) = op hen | יד (yad) = hand van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = vanwege | דבר (davar) = (vanwege) | שרה (sarah) = Sara | אשת (eshet) = vrouw van | אברהם (avraham) = Abraham | אשר (asher) = die | לקח (laqach) = genomen had | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 20:18: Yahweh had alle baarmoeders gesloten. Zie ook: Gen 20:18 **20:18** In de morgen stond Abimelech vroeg op, met beven, schrik en grote ontzetting. Hij zond en riep al zijn dienaren en vertelde hun zijn droom, en de mannen werden zeer bang. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de morgen | וישכם (vayashkem) = dat hij vroeg opstond | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ברעדה (bir'adah) = met beven | ובבהלה (uvvehalah) = en met schrik | ומחרדה (umacharadah) = en met ontzetting | גדולה (gedolah) = grote | וישלח (vayishlach) = en hij zond | ויקרא (vayikra) = en riep | לכל (lekhol) = al | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויספר (vayesaper) = en vertelde | להם (lahem) = hun | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומו (chalomo) = zijn droom | וייראו (vayyir'u) = en werden bang | האנשים (ha'anashim) = de mannen | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De raad van de dienaar **20:19** Een man die bij de dienaren van de koning stond, antwoordde en zei tegen de koning: „Mijn heer de koning, geef deze vrouw terug aan haar man, want hij is haar man. Zo is het ook gegaan met Farao, de koning van Egypte, toen deze man naar Egypte kwam. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | איש (ish) = een man | אחד (echad) = één | הניצב (hanitsav) = die stond | על (al) = bij | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | השב (hashev) = geef terug | האישה (ha'ishah) = de vrouw | הזאת (hazzo't) = deze | אל (el) = aan | בעלה (ba'alah) = haar man | כי (ki) = want | אישה (ishah) = haar man | הוא (hu) = is hij | כן (ken) = zo | קרה (qarah) = is gegaan | גם (gam) = ook | כן (ken) = (zo) | לפרעה (lefar'oh) = met Farao | מלך (malakh) = de koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בבוא (bevo) = toen kwam | האיש (ha'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **20:20** Hij zei van zijn vrouw: ‘Zij is mijn zus’, want zo is zijn manier van doen als hij komt om te wonen in een land waar hij nog nooit geweest is. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | על (al) = van | אישתו (ishto) = zijn vrouw | אחותי (achoti) = mijn zus | היא (hi) = is zij | כי (ki) = want | כן (ken) = zo | דרכו (darko) = is zijn manier | לעשות (la'asot) = van doen | בבואו (bevo'o) = als hij komt | לגור (lagur) = om te wonen | בארץ (ba'arets) = in een land | אשר (asher) = waar | לא (lo) = niet | ילך (yelekh) = hij is gegaan | שמה (shemah) = ooit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:15–17: Farao en Sarai. Zie ook: Gen 12:15–17 **20:21** Farao zond en nam deze vrouw tot vrouw, en Yahweh bracht hevige plagen over hem, tot men de vrouw teruggaf aan haar man. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en zond | פרעה (par'oh) = Farao | ויקח (vayikkach) = en nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | האישה (ha'ishah) = de vrouw | הזאת (hazzo't) = deze | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויבא (vayavo) = en bracht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עליו (alav) = over hem | מכות (makkot) = plagen | נמרצות (nimratsot) = hevige | עד (ad) = tot | אשר (asher) = die | השיבו (heshivu) = men teruggaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | האישה (ha'ishah) = de vrouw | אל (el) = aan | אשה (ishah) = haar man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **20:22** En nu, mijn heer de koning, weet u dan niet wat er gisteravond met het hele land gebeurd is? Zij waren in zeer grote verwarring, met grote pijn en geschreeuw, en wij weten dat dit is door de vrouw die u genomen hebt. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | הלא (halo) = toch niet | ידעת (yada'ta) = weet u | מה (mah) = wat | קרה (qarah) = gebeurd is | אמש (emesh) = gisteravond | לכל (lekhol) = met heel | הארץ (ha'arets) = het land | כי (ki) = want | היו (hayu) = zij waren | במהומה (bimhumah) = in verwarring | גדולה (gedolah) = zeer | מאוד (me'od) = grote | וכאב (vekhe'ev) = met pijn | גדול (gadol) = grote | וצעקה (vetse'aqah) = en geschreeuw | ונדע (venedah) = en wij weten | כי (ki) = dat | הוא (hu) = dit is | זה (ze) = (dit) | על (al) = door | דבר (davar) = de zaak van | האישה (ha'ishah) = de vrouw | אשר (asher) = die | לקחת (laqachat) = u genomen hebt Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **20:23** Geef deze vrouw nu terug aan haar man, opdat het ons niet vergaat zoals Farao, de koning van Egypte, en zijn dienaren, en wij niet sterven.” Abimelech haastte zich, riep Sarah, en zij kwam voor hem; hij zond ook en riep Abraham, en hij kwam voor hem. Brontekst: עתה (attah) = nu | השב (hashev) = geef terug | האישה (ha'ishah) = de vrouw | הזאת (hazzo't) = deze | אל (el) = aan | אשה (ishah) = haar man | פן (pen) = opdat niet | יקרה (yiqreh) = vergaat | לנו (lanu) = ons | כפרעה (kefar'oh) = zoals Farao | מלך (malakh) = de koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | ולא (velo) = en niet | נמות (namut) = zullen wij sterven | וימהר (vayemaher) = en haastte zich | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ויקרא (vayikra) = riep | אל (el) = (riep) | שרה (sarah) = Sara | ותבוא (vattavo) = en zij kwam | לפניו (lefanav) = voor hem | וישלח (vayishlach) = en zond | ויקרא (vayikra) = en riep | גם (gam) = ook | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **20:24** Abimelech zei tegen hen: „Wat is dit voor een daad die jullie mij hebben aangedaan, door te zeggen: ‘Jullie zijn broer en zus’, zodat ik deze vrouw tot vrouw nam?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | אליהם (aleihem) = tot hen | מה (mah) = wat is | המעשה (hamma'aseh) = dit voor een daad | הזה (hazzeh) = (dit) | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | לי (li) = mij | באמרכם (be'omrekhem) = door te zeggen | אחים (achim) = broer en zus | אתם (ittam) = jullie zijn | ואקח (ve'eqqach) = zodat ik nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | האישה (ha'ishah) = de vrouw | הזאת (hazzo't) = deze | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **20:25** Abraham zei: „Omdat ik dacht: misschien sterf ik vanwege mijn vrouw.” Abimelech nam schapen en runderen, dienaren en dienaressen en duizend zilverstukken, gaf ze aan Abraham en gaf hem Sarah terug. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | כי (ki) = want | אמרתי (imrati) = ik dacht | פן (pen) = misschien | אמות (amut) = sterf ik | על (al) = vanwege | אשתי (ishti) = mijn vrouw | ויקח (vayikkach) = en Hij nam | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | צאן (tson) = schapen | ובקר (uvaqar) = en runderen | ועבדים (va'avadim) = dienaren | ושפחות (ushfachot) = en dienaressen | ואלף (ve'elef) = en duizend | כסף (kesef) = zilverstukken | ויתן (vayitten) = gaf ze | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | וישב (vayyashev) = en gaf terug | לו (lo) = aan hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sara Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 20:9–14. Zie ook: Gen 20:9–14 **20:26** Abimelech zei tegen Abraham: „Zie, heel het land ligt voor u open; woon waar het goed is in uw ogen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | הנה (hinneh) = zie | כל (kol) = heel | הארץ (ha'arets) = het land | לפניכם (lifnekhem) = voor u | כטוב (ketov) = waar het goed is | בעיניכם (be'eineikhem) = in uw ogen | תשבו (teshevu) = woon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 20:15. Zie ook: Gen 20:15 **20:27** Abraham en Sarah, zijn vrouw, gingen van het aangezicht van de koning weg met eer en aanzien, en zij woonden in het land van Gerar. Brontekst: ויצא (vayetse) = en gingen | אברהם (avraham) = Abraham | ושרה (veSarah) = en Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | מאת (me'et) = van | פני (pnei) = het aangezicht van | המלך (hammelekh) = de koning | בכבוד (bikhvod) = met eer | ויקר (vayiqer) = en aanzien | וישבו (vayeshvu) = en zij woonden | בארץ (ba'arets) = in het land | גרר (Gerar) = van Gerar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. **20:28** Alle inwoners van het land van de Filistijnen en de dienaren van de koning hadden nog steeds veel pijn van de slagen van de engel, die hen de hele nacht geslagen had vanwege Sarah. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = inwoners van | ארץ (erets) = het land van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | ועבדי (ve'avdei) = en de dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | עודם (odam) = nog steeds | נכאבים (nikh'avim) = hadden pijn | מאוד (me'od) = veel | במכות (bemakkot) = van de slagen van | המלאך (hammal'akh) = de engel | אשר (asher) = die | הכה (hikkah) = geslagen had | בהם (bahem) = hen | כל (kol) = heel | הלילה (hallaylah) = de nacht | על (al) = vanwege | דבר (davar) = (vanwege) | שרה (sarah) = Sara Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abrahams gebed **20:29** Abimelech zond naar Abraham met de woorden: „Bid toch voor je dienaren tot Yahweh, je Elohim, dat Hij deze dood van ons wegneemt.” Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | אל (el) = tot | אברהם (avraham) = Abraham | לאמור (lemor) = zeggende | התפלל (hitpallel) = bid | נא (na) = toch | בעד (ba'ad) = voor | עבדיך (avadekha) = je dienaren | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיך (elohekha) = je Elohim | ויסר (vayyaser) = dat Hij wegneemt | מעלינו (me'aleinu) = van ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | המות (hammavet) = deze dood | הזה (hazzeh) = (deze) Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 20:17 **20:30** Abraham bad voor Abimelech en voor zijn dienaren, en Yahweh hoorde het gebed van Abraham, en Yahweh genas Abimelech en al zijn dienaren. Brontekst: ויתפלל (vayitpallel) = en bad | אברהם (avraham) = Abraham | בעד (ba'ad) = voor | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ובעד (uva'ad) = en voor | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | וישמע (vayishma) = en hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | תפילת (tefillat) = het gebed van | אברהם (avraham) = Abraham | וירפא (vayirpa) = en genas | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 20:17. Zie ook: Gen 20:17 ## Jasher 21 _De geboorte van Isaak; Hagar en Ismaël; Abraham bezoekt Ismaël_ ### De geboorte van Isaak **21:1** In die tijd, aan het einde van een jaar en vier maanden dat Abraham in het land van de Filistijnen, in Gerar, woonde, bezocht Elohim Sarah, en Yahweh dacht aan haar; zij werd zwanger en baarde Abraham een zoon. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מקץ (miqqets) = na afloop van | ימים (yamim) = een jaar | וארבעה (ve'arba'ah) = en vier | חודשים (chodashim) = maanden | לשבת (lashevet) = te wonen | אברהם (avraham) = Abraham | הארץ (ha'arets) = het land van | פלשתים (pelishtim) = de Filistijnen | בגרר (bagerar) = in Gerar | ויפקוד (vayifqod) = en bezocht | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sarah | ויזכרה (vayizkherah) = en dacht aan haar | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | בן (ben) = een zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:1–2. Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Zie ook: Gen 21:1–2 **21:2** Abraham noemde de naam van zijn zoon die hem geboren was, die Sarah hem baarde, Isaak. Brontekst: ויקרא (vayikra) = en hij noemde | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | בנו (beno) = zijn zoon | הנולד (hannolad) = die geboren was | לו (lo) = aan hem | אשר (asher) = die | ילדה (yaldah) = baarde | לו (lo) = aan hem | שרה (sarah) = Sarah | יצחק (Yitschaq) = Isaak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:3. Zie ook: Gen 21:3 **21:3** Abraham besneed Isaak, zijn zoon, toen hij acht dagen oud was, zoals Elohim Abraham geboden had te doen aan zijn nageslacht na hem. Abraham was honderd jaar en Sarah, zijn vrouw, negentig jaar, toen Isaak hun geboren werd. Brontekst: וימל (vayamol) = en hij besneed | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | בן (ben) = zoon van | שמונת (shemonat) = acht | ימים (yamim) = dagen | כאשר (ka'asher) = zoals | ציווה (tsivvah) = had geboden | אלוקים (Elohim) = Elohim | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | לעשות (la'asot) = te doen | לזרעו (lezar'o) = aan zijn nageslacht | אחריו (acharav) = na hem | ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | בן (ben) = zoon van | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושרה (veSarah) = en Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | בת (bat) = dochter van | תשעים (tish'im) = negentig | שנה (shanah) = jaar | בהיולד (behiyyoled) = toen werd geboren | להם (lahem) = aan hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:4–5 en Gen. 17:12. Zie ook: Gen 17:12; Gen 21:4–5 ### Het feest van het spenen **21:4** Het kind groeide op en werd gespeend, en Abraham maakte een groot feest op de dag dat Isaak gespeend werd. Brontekst: ויגדל (vayigdal) = en hij groeide op | הילד (hayeled) = het kind | ויגמל (vayiggamal) = en hij werd gespeend | ויעש (vayya'as) = en hij deed | אברהם (avraham) = Abraham | משתה (mishteh) = feest | גדול (gadol) = groot | ביום (beyom) = op de dag van | הגמל (higgamel) = het spenen van | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:8. Zie ook: Gen 21:8 **21:5** Sem en Eber en alle groten van het land, en Abimelech, de koning van de Filistijnen, en al zijn dienaren en Pichol, zijn legeroverste, kwamen, Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | שם (shem) = Sem | ועבר (ve'ever) = en Eber | וכל (vekhol) = en alle | גדולי (gedoley) = de groten van | הארץ (ha'arets) = het land | ואבימלך (ve'avimelekh) = en Abimelech | מלך (malakh) = koning van | פלשתים (pelishtim) = de Filistijnen | וכל (vekhol) = en alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ופיכל (ufikhol) = en Pichol | שר (sar) = aanvoerder van | צבאו (tsevao) = zijn leger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:6** om te eten, te drinken en zich te verheugen bij het feest dat Abraham maakte op de dag dat zijn zoon Isaak gespeend werd. Brontekst: לאכול (le'ekhol) = om te eten | ולשתות (velishtot) = en te drinken | ולשמוח (velismoach) = en zich te verheugen | במשתה (bammishteh) = bij het feest | אשר (asher) = dat | עשה (asah) = maakte | אברהם (avraham) = Abraham | ביום (beyom) = op de dag | הגמל (higgamel) = het spenen van | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De Engelse vertaling heeft hier twee verzen over de komst van Terach en Nachor uit Charan. In het Hebreeuws staan die niet; er staat alleen dat Terach en Nachor zich met Abraham verheugden. De verzen 5–8 zijn hier zo verdeeld dat de nummering van de Engelse vertaling behouden blijft. **21:7** Terach en Nachor verheugden zich met Abraham, Brontekst: וישמחו (vayismechu) = en zij verheugden zich | תרח (Terach) = Terach | ונחור (veNachor) = en Nachor | עם (im) = met | אברהם (avraham) = Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:8** en zij bleven vele dagen bij hem wonen in het land van de Filistijnen. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | עמו (immo) = bij hem | בארץ (ba'arets) = in het land van | פלשתים (pelishtim) = de Filistijnen | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Serug sterft **21:9** In die tijd stierf Serug, de zoon van Reü, in het eerste jaar na de geboorte van Isaak. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מת (met) = stierf | שרוג (Serug) = Serug | בן (ben) = zoon van | רעו (Re'u) = Reü | בשנה (bashanah) = in het jaar | הראשונה (harishonah) = het eerste | ללדת (laledet) = na de geboorte van | יצחק (Yitschaq) = Isaak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:20–23. Zie ook: Gen 11:20–23 **21:10** Alle dagen van Serug waren tweehonderdnegenendertig jaar, en hij stierf. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | שרוג (Serug) = Serug | מאתיים (matayim) = tweehonderd | שנה (shanah) = jaar | ותשע (vetesha) = en negen | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Jasher geeft Serug 239 jaar; Genesis geeft hem 30 + 200 = 230 jaar (Gen. 11:22–23). Zie ook: Gen 11:22–23 ### Ismaël en Isaak **21:11** Ismaël, de zoon van Abraham, was in die dagen opgegroeid; hij was veertien jaar oud toen Sarah Isaak aan Abraham baarde. Brontekst: וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | גדל (gadal) = was opgegroeid | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בן (ben) = zoon van | ארבע (arba) = vier | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | היה (hayah) = hij was | בלדת (biledet) = bij het baren van | שרה (sarah) = Sarah | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 16:16 en Gen. 21:5: Abraham was 86 toen Ismaël geboren werd, en 100 toen Isaak geboren werd. Zie ook: Gen 16:16; Gen 21:5 **21:12** Elohim was met Ismaël, de zoon van Abraham; hij groeide op, leerde boogschieten en werd een boogschutter. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = met | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | ויגדל (vayigdal) = en hij groeide op | וילמד (vayelammed) = en hij leerde | קשת (qeshet) = boog | ויהי (vayehi) = en werd | רובה (robeh) = schutter | קשת (qeshet) = boog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:20. Zie ook: Gen 21:20 **21:13** Toen Isaak, de zoon van Abraham, vijf jaar oud was, zat hij met Ismaël bij de ingang van de tent. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיות (bihyot) = toen hij was | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | בן (ben) = zoon van | חמש (chamesh) = vijf | שנים (shanim) = jaren | וישב (vayyashev) = en hij zat | עם (im) = met | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בפתח (befetach) = in de opening van | האוהל (ha'ohel) = de tent Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 21:9 **21:14** Ismaël zag Isaak tegenover zich zitten, nam de boog, spande hem, legde de pijl erop en wilde Isaak treffen. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | יושב (yoshev) = zittend | לנגדו (lenegdo) = tegenover hem | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הקשת (haqeshet) = de boog | וימשוך (vayimshokh) = en hij spande | בה (bah) = ermee | ויתן (vayitten) = en legde | אליה (eleha) = erop | את (et) = (lijdend voorwerp) | החץ (hachets) = de pijl | ויאמר (vayomer) = en hij wilde | להכות (lehakkot) = te treffen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Hagar en Ismaël weggezonden **21:15** Sarah zag wat Ismaël van plan was te doen aan Isaak, haar zoon, en het was zeer kwaad in haar ogen, om haar zoon. Zij zond en riep Abraham en zei tegen hem: „Verdrijf deze slavin en haar zoon, want haar zoon zal niet erven met mijn zoon, want zus en zo wilde hij hem vandaag doen.” Brontekst: ותרא (vatere) = en zij zag | שרה (sarah) = Sarah | את (et) = (lijdend voorwerp) | המעשה (hamma'aseh) = de daad | אשר (asher) = die | ביקש (biqqesh) = wilde | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | לעשות (la'asot) = om te doen | ליצחק (leyitschaq) = aan Isaak | בנה (Benah) = haar zoon | וירע (vayera) = en het was kwaad | בעיניה (be'eineha) = in haar ogen | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = om | בנה (Benah) = haar zoon | ותשלח (vatishlach) = en zij zond | ותקרא (vattiqra) = en riep | לאברהם (le'avraham) = Abraham | ותאמר (vatomer) = en zei | לו (lo) = tegen hem | גרש (garesh) = verdrijf | האמה (ha'amah) = de slavin | הזאת (hazzo't) = deze | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בנה (Benah) = haar zoon | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יירש (yirash) = zal erven | בנה (Benah) = haar zoon | עם (im) = met | בני (bnei) = mijn zoon | כי (ki) = want | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | ביקש (biqqesh) = wilde | לעשות (la'asot) = om te doen | לו (lo) = hem | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:9–10. Zie ook: Gen 21:9–10 **21:16** Abraham luisterde naar de stem van Sarah. Hij stond in de morgen vroeg op, nam twaalf broden en een waterzak, gaf ze aan Hagar en zond haar weg met haar zoon. Hagar ging met haar zoon naar de woestijn, en zij woonden in de woestijn van Paran bij de bewoners van de woestijn; Ismaël werd een boogschutter en woonde vele dagen in de woestijn. Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | אברהם (avraham) = Abraham | בקול (bekol) = naar de stem van | שרה (sarah) = Sarah | וישכם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ויקח (vayikkach) = en hij nam | שתיים (shetayim) = twee | עשרה (esreh) = tien | ככרי (kikkarey) = broden van | לחם (lechem) = brood | וחמת (vechemat) = en een waterzak van | מים (mayim) = water | ויתן (vayitten) = en gaf | אל (el) = aan | הגר (hagar) = Hagar | וישלחה (vayeshalchah) = en zond haar weg | עם (im) = met | בנה (Benah) = haar zoon | ותלך (vattelekh) = en zij ging | לה (lah) = heen | הגר (hagar) = Hagar | עם (im) = met | בנה (Benah) = haar zoon | המדברה (hammidbarah) = naar de woestijn | וישבו (vayeshvu) = en zij woonden | במדבר (bammidbar) = in de woestijn van | פארן (paran) = Paran | עם (im) = bij | יושבי (yoshvei) = de bewoners van | המדבר (hammidbar) = de woestijn | ויהי (vayehi) = en werd | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | רובה (robeh) = schutter | קשת (qeshet) = boog | וישב (vayyashev) = en hij woonde | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:11–14 en Gen. 21:21. Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev. Zie ook: Gen 21:11–14; Gen 21:14; Gen 21:21 **21:17** Daarna gingen hij en zijn moeder naar het land Egypte en woonden daar, en Hagar nam voor haar zoon een vrouw uit Egypte, en haar naam was Merisa. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | הוא (hu) = hij | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder | לארץ (la'arets) = naar het land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | שם (shem) = daar | ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | הגר (hagar) = Hagar | לבנה (levenah) = voor haar zoon | אישה (ishah) = een vrouw | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ושמה (ushmah) = en haar naam | מריסה (Merisah) = Merisa Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:21: Hagar nam een vrouw uit Egypte voor Ismaël. In het Hebreeuws heet zij Merisa (מריסה); de Engelse vertaling heeft ‘Meribah’. Zie ook: Gen 21:21 **21:18** De vrouw van Ismaël werd zwanger en baarde hem vier zonen en een dochter. Daarna trok Ismaël weg, hij en zijn moeder, zijn vrouw, zijn zonen en alles wat van hem was, en zij keerden terug naar de woestijn. Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | אשת (eshet) = de vrouw van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לו (lo) = aan hem | ארבעה (arba'ah) = vier | בנים (banim) = zonen | ובת (uvat) = en een dochter | אחת (achat) = één | ויסע (vayyisa) = en trok weg | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | הוא (hu) = hij | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder | ואישתו (ve'ishto) = en zijn vrouw | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | המדברה (hammidbarah) = naar de woestijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:19** Zij maakten voor zich tenten in de woestijnen waar zij woonden, en zij trokken steeds verder en sloegen hun kamp op, van maand tot maand en van jaar tot jaar. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | להם (lahem) = hun | אוהלים (ohalim) = tenten | במדברות (bammidbarot) = in de woestijnen | אשר (asher) = die | ישבו (yashvu) = zij woonden | בהן (bahen) = daarin | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | נוסעים (nos'im) = trekkend | וחונים (vechonim) = en kamp opslaand | תמיד (tamid) = voortdurend | מדי (Madai) = van | חודש (chodesh) = maand | ומדי (umMadai) = en van | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:20** Elohim gaf Ismaël schapen, runderen en tenten, omwille van Abraham, zijn vader, en de man breidde zich zeer, zeer uit in vee. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | אלוקים (Elohim) = Elohim | לישמעאל (leyishma'e'l) = aan Ismaël | צאן (tson) = kleinvee | ובקר (uvaqar) = en runderen | ואהלים (ve'ohalim) = en tenten | בעבור (ba'avur) = omwille van | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | ויפרוץ (vayifrots) = en hij breidde zich uit | האיש (ha'ish) = de man | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | במקנה (bammiqneh) = in vee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:21** Ismaël woonde vele dagen in de woestijnen, in tenten, trekkend en kamp opslaand, en het gezicht van Abraham, zijn vader, zag hij niet. Brontekst: וישב (vayyashev) = en hij woonde | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | במדברות (bammidbarot) = in de woestijnen | באהלים (ba'ohalim) = in tenten | נוסע (nosea) = trekkend | וחונה (vechoneh) = en kamp opslaand | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ופני (ufney) = en het aangezicht van | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | לא (lo) = niet | ראה (ra'ah) = zag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abraham bezoekt Ismaël **21:22** Na enige tijd zei Abraham tegen Sarah, zijn vrouw: „Ik ga heen en zal Ismaël, mijn zoon, zien, want ik verlang ernaar hem te zien, want ik heb hem al dagen niet gezien.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מימים (miyyamim) = na enige tijd | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = tot | שרה (sarah) = Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | אלך (elekh) = ik ga | לי (li) = heen | ואראה (ve'er'eh) = en ik zal zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בני (bnei) = mijn zoon | כי (ki) = want | התאוויתי (hit'avviti) = ik verlang | אחיו (achiv) = zijn broer | לראותו (lir'oto) = hem te zien | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ראיתיו (re'itiv) = ik heb hem gezien | זה (ze) = al | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het verhaal van de tentpen (vers 22–48) staat niet in Genesis. **21:23** Abraham besteeg een van zijn kamelen en ging naar de woestijn om Ismaël, zijn zoon, te zoeken, want hij had gehoord dat hij in een tent in de woestijn woonde, met alles wat van hem was. Brontekst: וירכב (vayirkav) = en hij besteeg | אברהם (avraham) = Abraham | על (al) = op | גמל (gamal) = kameel | אחד (echad) = één | מגמליו (mizgamalav) = van zijn kamelen | וילך (vayelekh) = en hij ging | המדבר (hammidbar) = naar de woestijn | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בנו (beno) = zijn zoon | כי (ki) = want | שמע (shema) = hij had gehoord | כי (ki) = dat | הוא (hu) = hij | יושב (yoshev) = woonde | באהל (ba'ohel) = in een tent | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | עם (im) = met | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:24** Abraham ging naar de woestijn en kwam midden op de dag bij de tent van Ismaël. Hij vroeg naar Ismaël en vond de vrouw van Ismaël in de tent zitten, bij haar zonen; Ismaëls man en zijn moeder waren niet bij haar. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | אברהם (avraham) = Abraham | המדברה (hammidbarah) = naar de woestijn | ויגע (vayagga) = en kwam | אל (el) = bij | אהל (ohel) = de tent van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בחצות (bachatsot) = midden op | היום (hayyom) = de dag | וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | על (al) = naar | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשת (eshet) = vrouw van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | יושבת (yoshevet) = zittend | באהל (ba'ohel) = in een tent | עם (im) = bij | בניה (baneyha) = haar zonen | וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | אשה (ishah) = haar man | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder | אין (ein) = niet | עמה (immah) = bij haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: In de Hebreeuwse tekst staat hier ‘Ismaël — אשה’, wat ‘vrouw’ betekent; uit de zin blijkt dat ‘zijn man’ (אישה) bedoeld is. Zo is het hier vertaald. **21:25** Abraham vroeg de vrouw van Ismaël: „Waar is Ismaël heen?” Zij zei: „Hij is naar het veld gegaan om te jagen.” Abraham zat nog op de kameel en steeg er niet van af naar de grond, zoals hij Sarah, zijn vrouw, gezworen had dat hij niet van de kameel zou afstijgen. Brontekst: וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשת (eshet) = vrouw van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | לאמור (lemor) = zeggend | אנא (anna) = waar | פנה (panah) = is hij heen gegaan | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ותאמר (vatomer) = en zij zei | הלך (halakh) = hij is gegaan | השדה (hasadeh) = naar het veld | לצוד (latsud) = om te jagen | ציד (tsayid) = wild | ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | עודנו (odenu) = nog | רוכב (rokhev) = zittend | על (al) = op | הגמל (higgamel) = de kameel | ולא (velo) = en niet | ירד (Yered) = steeg af | מעליו (me'alav) = van hem af | ארצה (artsah) = naar de grond | כאשר (ka'asher) = zoals | נשבע (nishba) = had gezworen | לשרה (lesarah) = aan Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | ירד (Yered) = zou afstijgen | מעל (me'al) = van | הגמל (higgamel) = de kameel | ארצה (artsah) = naar de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Abraham aan Sarah gezworen had niet van zijn kameel af te stijgen, staat alleen hier. **21:26** Abraham zei tegen de vrouw van Ismaël: „Mijn dochter, geef mij een beetje water, dat ik drink, want ik ben moe en uitgeput van de reis.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = tot | אשת (eshet) = vrouw van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בתי (biti) = mijn dochter | תני (teni) = geef | לי (li) = voor mij | מעט (me'at) = weinig | מים (mayim) = water | ואשתה (ve'eshteh) = dat ik drink | כי (ki) = want | יגע (yaga) = moe | ועייף (ve'ayef) = en uitgeput | אני (ani) = ik | מהדרך (mehadderekh) = van de reis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:27** De vrouw van Ismaël antwoordde en zei tegen Abraham: „Wij hebben geen water en geen brood.” Zij bleef in haar tent zitten, keek niet naar Abraham en vroeg hem niet wie hij was. Brontekst: ותען (vata'an) = en zij antwoordde | אשת (eshet) = vrouw van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ותאמר (vatomer) = en zei | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | אין (ein) = er was niet | לנו (lanu) = voor ons | מים (mayim) = water | ולא (velo) = en niet | לחם (lechem) = brood | ותשב (vatashav) = en zij bleef zitten | באהלה (be'ohalah) = in haar tent | ולא (velo) = en niet | הביטה (hibbitah) = zij keek | אל (el) = naar | אברהם (avraham) = Abraham | ולא (velo) = en niet | שאלה (sha'alah) = zij vroeg | אותו (oto) = hem | מי (mi) = wie | הוא (hu) = hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:28** Maar zij sloeg haar zonen en vervloekte hen, ook vervloekte zij Ismaël, haar man, en smaadde hem. Abraham hoorde alle woorden van de vrouw van Ismaël tegen haar zonen, en hij werd zeer toornig en het was kwaad in zijn ogen. Brontekst: אך (akh) = maar | מכה (makkah) = slaande | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניה (baneyha) = haar zonen | ותקללם (vateqallem) = en zij vervloekte hen | ותקל (vattaqel) = en zij vervloekte | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בנה (Benah) = haar man | ותחרפהו (vatecharfehu) = en zij smaadde hem | וישמע (vayishma) = en hoorde | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | אשת (eshet) = vrouw van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אל (el) = tot | בניה (baneyha) = haar zonen | ויחר (vayyichar) = en hij ontstak in toorn | לו (lo) = bij hem | מאוד (me'od) = zeer | וירע (vayera) = en het was kwaad | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:29** Abraham riep de vrouw om naar hem uit haar tent te komen; de vrouw kwam naar buiten en stond tegenover Abraham, die nog op de kameel zat. Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = naar | האישה (ha'ishah) = de vrouw | לצאת (latset) = om uit te gaan | אליו (elav) = naar hem | מאהלה (me'ohalah) = uit haar tent | ותצא (vatetse) = en ging uit | האישה (ha'ishah) = de vrouw | ותעמוד (vata'amod) = en stond | נגד (neged) = tegenover | אברהם (avraham) = Abraham | ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | עודנו (odenu) = nog | רוכב (rokhev) = zittend | על (al) = op | הגמל (higgamel) = de kameel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:30** Abraham zei tegen de vrouw van Ismaël: „Wanneer je man Ismaël hier komt, zeg dan deze woorden tegen hem: Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = tot | אשת (eshet) = vrouw van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בבוא (bevo) = wanneer ... komt | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אישך (ishekh) = je man | הנה (hinneh) = hierheen | ודיברת (vedibbarta) = dan zul je zeggen | אליו (elav) = tegen hem | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:31** ‘Er is hier een zeer oude man uit het land van de Filistijnen gekomen om je te zoeken, en zo en zo was zijn voorkomen en zijn gestalte. Ik heb hem niet gevraagd wie hij was. Toen hij zag dat je er niet was, sprak hij tot mij en zei: Wanneer Ismaël, je man, komt, zeg dan tegen hem: Zo zegt die man: bij je thuiskomst, verwijder deze tentpen die je hier hebt gezet, en zet een andere pen in haar plaats.’” Brontekst: בא (ba) = is gekomen | הנה (hinneh) = hierheen | איש (ish) = een man | זקן (zaqen) = oud | מאוד (me'od) = zeer | מארץ (me'erets) = uit het land van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | אותך (otekha) = jou | וכזה (vekhazeh) = en zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | מראהו (mar'ehu) = zijn voorkomen | ותארו (vetaro) = en zijn gestalte | ולא (velo) = en niet | שאלתיהו (sha'altihu) = heb ik hem gevraagd | מי (mi) = wie | הוא (hu) = hij | וירא (vayyera) = en toen hij zag | כי (ki) = dat | אינך (enkha) = je niet | פה (peh) = hier | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | אליי (elai) = tot mij | ויאמר (vayomer) = en hij zei | בבוא (bevo) = wanneer ... komt | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אישך (ishekh) = je man | ואמרת (ve'amarta) = dan zeg je | אליו (elav) = tegen hem | כה (koh) = zo | אמר (amar) = heeft gezegd | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | בבואך (bevo'ekh) = bij je komst | הסר (hasser) = verwijder | את (et) = (lijdend voorwerp) | יתד (yated) = de pen van | האהל (ha'ohel) = de tent | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | נתת (natata) = je hebt gezet | פה (peh) = hier | ושמת (vesamta) = en zet | תחתיה (tachteyha) = in haar plaats | יתד (yated) = een pen | אחרת (acheret) = een andere Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De ‘tentpen’ (יתד) is de vrouw; Ismaël begrijpt het in vers 35–36 zo. **21:32** Abraham was klaar met zijn opdracht aan de vrouw, keerde zich om, ging op de kameel weg en keerde terug op zijn weg. Brontekst: ויכל (vayekhal) = en hij was klaar | אברהם (avraham) = Abraham | לצוות (letsavvot) = met opdragen | את (et) = (lijdend voorwerp) | האישה (ha'ishah) = de vrouw | ויפן (vayyifen) = en hij keerde zich om | וילך (vayelekh) = en hij ging | על (al) = op | הגמל (higgamel) = de kameel | וישב (vayyashev) = en keerde terug | לדרכו (ledarko) = op zijn weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:33** Daarna kwam Ismaël van zijn jacht, hij en zijn moeder, en keerde terug naar zijn tent. Zijn vrouw sprak tot hem deze woorden: Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dat | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | מצידו (mitsiddo) = van zijn jacht | הוא (hu) = hij | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder | וישב (vayyashev) = en keerde terug | אל (el) = naar | אהלו (oholo) = zijn tent | ותדבר (vatedabber) = en zij sprak | אליו (elav) = tegen hem | אישתו (ishto) = zijn vrouw | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:34** „Er is hier een zeer oude man uit het land van de Filistijnen gekomen om je te zoeken, en zo en zo was zijn voorkomen. Ik heb hem niet gevraagd wie hij was. Toen hij zag dat je er niet was, zei hij tot mij: ‘Wanneer je man thuiskomt, zeg dan tegen hem: Zo zegt de oude man: verwijder de tentpen van de tent die je hier hebt gezet en zet een andere pen in haar plaats.’” Brontekst: בא (ba) = is gekomen | הנה (hinneh) = hierheen | איש (ish) = een man | זקן (zaqen) = oud | מאוד (me'od) = zeer | מארץ (me'erets) = uit het land van | פלישתים (pelishtim) = Filistijnen | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | עליך (aleikha) = jou | וכזה (vekhazeh) = en zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | מראהו (mar'ehu) = zijn voorkomen | ולא (velo) = en niet | שאלתיהו (sha'altihu) = ik heb hem gevraagd | מי (mi) = wie | הוא (hu) = hij | וירא (vayyera) = en toen hij zag | כי (ki) = dat | אינך (enkha) = je niet | הנה (hinneh) = hier | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליי (elai) = tot mij | לאמור (lemor) = zeggende | בבוא (bevo) = wanneer ... komt | אישך (ishekh) = je man | הנה (hinneh) = hierheen | ואמרת (ve'amarta) = en zeg | אליו (elav) = tegen hem | כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | האיש (ha'ish) = de man | הזקן (hazzaqen) = de oude | הסר (hasser) = verwijder | את (et) = (lijdend voorwerp) | יתד (yated) = de pen van | האהל (ha'ohel) = de tent | אשר (asher) = die | נתת (natata) = je hebt gezet | פה (peh) = hier | ושמת (vesamta) = en zet | תחתיה (tachteyha) = in haar plaats | יתד (yated) = een pen | אחרת (acheret) = een andere Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:35** Ismaël hoorde de woorden van zijn vrouw en wist dat het zijn vader was en dat zijn vrouw hem niet had geëerd. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | אישתו (ishto) = zijn vrouw | וידע (vayyeda) = en hij wist | כי (ki) = dat | הוא (hu) = hij | אביו (aviv) = zijn vader | ואשר (va'asher) = en dat | לא (lo) = niet | כיבדה (kibbedah) = had geëerd | אותו (oto) = hem | אישתו (ishto) = zijn vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:36** Ismaël begreep de woorden van zijn vader die hij tot zijn vrouw gesproken had, luisterde naar de stem van zijn vader en verstootte die vrouw, en zij ging weg. Brontekst: ויבן (vayiven) = en hij begreep | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | אביו (aviv) = zijn vader | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = hij had gesproken | אל (el) = tot | אישתו (ishto) = zijn vrouw | וישמע (vayishma) = en luisterde | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בקול (bekol) = naar de stem van | אביו (aviv) = zijn vader | ויגרש (vayegaresh) = en verstootte | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | את (et) = (lijdend voorwerp) | האישה (ha'ishah) = de vrouw | ההיא (hahi) = die | ותלך (vattelekh) = en zij ging | לה (lah) = heen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Ismaël verstoot zijn eerste vrouw, zoals zijn vader hem boodschapte. **21:37** Daarna ging Ismaël naar het land Kanaän, nam een andere vrouw en bracht haar naar zijn tent, op de plaats waar hij verbleef. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dat | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויקח (vayikkach) = en hij nam | אישה (ishah) = een vrouw | אחרת (acheret) = een andere | ויביאה (vayeviehah) = en bracht haar | אל (el) = naar | אהלו (oholo) = zijn tent | במקום (bamaqom) = op de plaats | אשר (asher) = waar | היה (hayah) = hij was | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. ### De tweede vrouw van Ismaël **21:38** Na drie jaar zei Abraham: „Ik ga opnieuw heen en zal Ismaël, mijn zoon, zien, want ik heb hem al vele dagen niet gezien.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na afloop van | שלוש (shalosh) = drie | שנים (shanim) = jaren | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | אלך (elekh) = ik ga | לי (li) = heen | עוד (od) = opnieuw | ואראה (ve'er'eh) = en ik zal zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בני (bnei) = mijn zoon | ואבואה (ve'avo'ah) = en ik zal komen | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ראיתיהו (re'itihu) = ik heb hem gezien | זה (ze) = al | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:39** Hij besteeg zijn kameel, ging naar de woestijn en kwam midden op de dag bij de tent van Ismaël. Brontekst: וירכב (vayirkav) = en hij besteeg | על (al) = op | גמלו (gamalo) = zijn kameel | וילך (vayelekh) = en hij ging | המדבר (hammidbar) = naar de woestijn | ויגיע (vayagia) = en kwam | אל (el) = bij | אהל (ohel) = de tent van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בחצי (bachatsi) = midden op | היום (hayyom) = de dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:40** Hij vroeg naar Ismaël, en zijn vrouw kwam uit de tent naar hem toe en zei: „Hij is hier niet, mijn heer, want hij is naar het veld gegaan om te jagen en de kamelen te weiden.” De vrouw zei tegen Abraham: „Keer binnen, mijn heer, in de tent en eet een stuk brood, want uw ziel is vermoeid van de reis.” Brontekst: וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | על (al) = naar | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ותצא (vatetse) = en ging uit | לו (lo) = tot hem | אישתו (ishto) = zijn vrouw | מן (min) = uit | האהל (ha'ohel) = de tent | ותאמר (vatomer) = en zei | איננו (enenu) = hij is niet | פה (peh) = hier | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = want | הלך (halakh) = hij is gegaan | לצוד (latsud) = om te jagen | השדה (hasadeh) = in het veld | ולרעות (ulre'ot) = en te weiden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הגמלים (haggemalim) = de kamelen | ותאמר (vatomer) = en zei | האישה (ha'ishah) = de vrouw | אל (el) = tot | אברהם (avraham) = Abraham | סורה (surah) = keer in | אדוני (adoni) = mijn heer | אל (el) = naar | האהל (ha'ohel) = de tent | ואכלת (ve'akhalta) = en eet | פת (pat) = een stuk | לחם (lechem) = brood | כי (ki) = want | עיפה (ayefah) = is moe | נפשך (nafshekha) = je ziel | מן (min) = van | הדרך (haderekh) = de weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:41** Abraham zei tegen haar: „Ik blijf niet, want ik haast mij mijn weg te gaan; maar geef mij toch een beetje water, dat ik drink, want ik heb dorst.” De vrouw haastte zich, rende naar haar tent, bracht water en brood naar Abraham en zette het voor hem neer. Zij drong zeer bij hem aan te eten; hij at en dronk, zijn hart werd verblijd, en hij zegende Ismaël, zijn zoon. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = tegen haar | אברהם (avraham) = Abraham | לא (lo) = niet | אשב (eshev) = blijf ik | כי (ki) = want | מהר (maher) = haastig | אנכי (anokhi) = ik | ללכת (lalekhet) = te gaan | לדרכי (ledarki) = op mijn weg | אך (akh) = maar | תני (teni) = geef | נא (na) = toch | לי (li) = voor mij | מעט (me'at) = weinig | מים (mayim) = water | ושתיתי (veshatiti) = dat ik drink | כי (ki) = want | צמאתי (tsame'ti) = ik heb dorst | ותמהר (vatemaher) = en zij haastte zich | האישה (ha'ishah) = de vrouw | ותרץ (vatarots) = en rende | ותבוא (vattavo) = en kwam | אהלה (ohalah) = naar haar tent | ותוציא (vatotsi) = en bracht | מים (mayim) = water | ולחם (valechem) = en brood | אל (el) = naar | אברהם (avraham) = Abraham | ותיתן (vattitten) = en zette | לפניו (lefanav) = voor hem | ותפצר (vatiftsar) = en zij drong aan | בו (bo) = bij hem | מאוד (me'od) = zeer | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ויאכל (vayyokhal) = en hij at | וישת (vayeshet) = en hij dronk | וייטב (vayyitav) = en werd verblijd | לבו (libbo) = zijn hart | ויברך (vayevarekh) = en hij zegende | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:42** Toen hij klaar was met eten, zegende hij Yahweh en zei tegen de vrouw van Ismaël: „Wanneer Ismaël thuiskomt, zeg dan deze woorden tegen hem: Brontekst: ויכל (vayekhal) = en hij was klaar | לאכול (le'ekhol) = met eten | ויברך (vayevarekh) = en hij zegende | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | אשת (eshet) = vrouw van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בבוא (bevo) = wanneer ... komt | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ואמרת (ve'amarta) = dan zeg | אליו (elav) = tegen hem | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:43** ‘Er is hier een zeer oude man uit het land van de Filistijnen gekomen, en zo en zo was zijn voorkomen. Brontekst: בא (ba) = is gekomen | הנה (hinneh) = hierheen | איש (ish) = een man | זקן (zaqen) = oud | מאוד (me'od) = zeer | מארץ (me'erets) = uit het land van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | וכזה (vekhazeh) = en zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | מראהו (mar'ehu) = zijn voorkomen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:44** Hij zei tot mij: Wanneer Ismaël, je man, hier komt, zeg dan tegen hem: De tentpen die je hier in de tent hebt gezet, is zeer goed; verwijder haar niet uit de tent.’” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליי (elai) = tot mij | בבוא (bevo) = wanneer ... komt | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | הנה (hinneh) = hierheen | ואמרת (ve'amarta) = en zeg | אליו (elav) = tegen hem | כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | האיש (ha'ish) = de man | הזקן (hazzaqen) = de oude | היתד (hayyated) = de pen | ששמת (shesamta) = die je hebt gezet | פה (peh) = hier | באהל (ba'ohel) = in een tent | טובה (tovah) = goed | מאוד (me'od) = zeer | אל (el) = niet | תסירנה (tasirenah) = verwijder haar | מן (min) = uit | האהל (ha'ohel) = de tent Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:45** Abraham was klaar met zijn opdracht aan de vrouw, besteeg zijn kameel en ging zijn weg, naar het land van de Filistijnen. Toen Ismaël bij zijn tent kwam, ging zijn vrouw hem tegemoet met blijdschap en een goed hart. Brontekst: ויכל (vayekhal) = en hij was klaar | אברהם (avraham) = Abraham | לצוות (letsavvot) = op te dragen | את (et) = (lijdend voorwerp) | האישה (ha'ishah) = de vrouw | וירכב (vayirkav) = en besteeg | וילך (vayelekh) = en ging | לו (lo) = heen | לדרכו (ledarko) = zijn weg | ארץ (erets) = naar het land van | פלישתים (pelishtim) = Filistijnen | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אל (el) = tot | אהלו (oholo) = zijn tent | ותצא (vatetse) = en ging uit | אישתו (ishto) = zijn vrouw | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | בשמחה (besimchah) = met vreugde | ובטוב (uvtov) = en met een goed | לבב (levav) = hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:46** Zij zei tegen hem: „Er is hier een oude man uit het land van de Filistijnen gekomen en hij vroeg naar je, en je was er niet. Ik bracht hem brood en water, en hij at en dronk, en zijn hart werd verblijd. Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | בא (ba) = is gekomen | הנה (hinneh) = hierheen | איש (ish) = een man | אחד (echad) = één | זקן (zaqen) = oud | מארץ (me'erets) = uit het land | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | עליך (aleikha) = naar jou | ואין (veein) = en jij was er niet | ואוציא (va'otsi) = en ik bracht | לו (lo) = aan hem | לחם (lechem) = brood | ומים (umayim) = en water | ויאכל (vayyokhal) = en hij at | ויישת (vayyesht) = en dronk | ויטב (vayyitav) = en werd verblijd | לבו (libbo) = zijn hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:47** Hij sprak deze woorden tot mij: Wanneer Ismaël, je man, hier komt, zeg dan tegen hem: De tentpen die je hebt is zeer goed; verwijder haar niet uit de tent.” Brontekst: וידבר (vayedabber) = en hij sprak | אליי (elai) = tot mij | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | בבוא (bevo) = wanneer ... komt | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אישך (ishekh) = je man | הנה (hinneh) = hierheen | ואמרת (ve'amarta) = en zeg | אליו (elav) = tegen hem | יתד (yated) = de pen van | האהל (ha'ohel) = de tent | אשר (asher) = die | לך (lekha) = aan jou | טובה (tovah) = goed | מאוד (me'od) = zeer | אל (el) = niet | תסירנה (tasirenah) = verwijder haar | מן (min) = uit | האהל (ha'ohel) = de tent Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **21:48** Ismaël wist dat het zijn vader was en dat zijn vrouw hem geëerd had, en Ismaël zegende Yahweh. Brontekst: וידע (vayyeda) = en hij wist | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | כי (ki) = dat | הוא (hu) = hij | אביו (aviv) = zijn vader | וכי (vekhi) = en dat | כיבדה (kibbedah) = had geëerd | אותו (oto) = hem | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ויברך (vayevarekh) = en hij zegende | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 22 _Beër-Sjeba; de familie van Nachor; Satan en Isaak_ ### Ismaël keert terug **22:1** In die tijd stond Ismaël op, nam zijn vrouw, zijn zonen, zijn vee en alles wat van hem was, brak van daar op en ging naar zijn vader, naar het land van de Filistijnen. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מקנהו (miqnehu) = zijn vee | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | ויסע (vayyisa) = en brak op | משם (misham) = vandaar | וילך (vayelekh) = en hij ging | ארץ (erets) = naar het land van | פלשתים (pelishtim) = de Filistijnen | אל (el) = naar | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:2** Abraham vertelde Ismaël, zijn zoon, over de eerste vrouw die Ismaël genomen had, dat zij dit en dit gedaan had. Brontekst: ויספר (vayesaper) = en vertelde | אברהם (avraham) = Abraham | לישמעאל (leyishma'e'l) = aan Ismaël | בנו (beno) = zijn zoon | על (al) = over | אודות (odot) = aangaande | האישה (ha'ishah) = de vrouw | הראשונה (harishonah) = het eerste | אשר (asher) = die | לקח (laqach) = had genomen | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | שכזאת (shekhazot) = dat dit | וכזאת (vekhazzot) = en dit | עשתה (asetah) = zij had gedaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:3** Ismaël en zijn zonen woonden vele dagen bij Abraham in het land, en Abraham woonde vele dagen in het land van de Filistijnen. Brontekst: וישב (vayyashev) = en woonde | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | עם (im) = bij | אברהם (avraham) = Abraham | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | בארץ (ba'arets) = in het land | ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | ישב (yashav) = woonde | בארץ (ba'arets) = in het land van | פלשתים (pelishtim) = de Filistijnen | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De put van Beër-Sjeba **22:4** Er gingen vele dagen voorbij, het werden zesentwintig jaar. Daarna ging Abraham met zijn dienaren en alles wat van hem was uit het land van de Filistijnen weg en trok ver weg; zij kwamen dicht bij Hebron en woonden daar. Daar groeven de dienaren van Abraham waterputten, en Abraham woonde met alles wat van hem was bij het water. De dienaren van Abimelech, de koning van de Filistijnen, hoorden: „De dienaren van Abraham hebben waterputten gegraven aan de grens van het land.” Brontekst: וירבו (vayirbu) = en werden veel | הימים (hayyamim) = de dagen | ויהיו (vayihyu) = en waren | עשרים (esrim) = twintig | ושש (veshesh) = en zes | שנים (shanim) = jaar | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | וילך (vayelekh) = en ging | אברהם (avraham) = Abraham | עם (im) = met | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | ויצאו (vayyetse'u) = en zij trokken uit | מארץ (me'erets) = uit het land van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | וירחיקו (vayarchiqu) = en zij trokken ver weg | ממנה (mimmenah) = daarvandaan | מאוד (me'od) = zeer | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עד (ad) = tot | קרוב (qarov) = nabij | לחברון (lechevron) = Hebron | וישבו (vayeshvu) = en zij woonden | שם (shem) = daar | ויחפרו (vayachperu) = en groeven | שם (shem) = daar | עבדי (avdei) = dienaren van | אברהם (avraham) = Abraham | בארות (be'erot) = putten | מים (mayim) = water | וישב (vayyashev) = en woonde | שב (shav) = woonde | אברהם (avraham) = Abraham | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | על (al) = bij | המים (hammayim) = het water | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | עבדי (avdei) = dienaren van | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | מלך (malakh) = koning van | פלישתים (pelishtim) = Filistijnen | לאמור (lemor) = zeggend | חפרו (chafaru) = hebben gegraven | עבדי (avdei) = dienaren van | אברהם (avraham) = Abraham | בארות (be'erot) = putten | מים (mayim) = water | בגבול (bigvul) = aan de grens van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:25–34. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 21:25–34 **22:5** Zij kwamen en twistten met de dienaren van Abraham, en roofden hun de grote put die zij gegraven hadden. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ויריבו (vayarivu) = en zij twistten | עם (im) = met | עבדי (avdei) = dienaren van | אברהם (avraham) = Abraham | ויגזלו (vayigzelu) = en zij roofden | להם (lahem) = van hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבאר (habbe'er) = de put | הגדול (haggadol) = de grote | אשר (asher) = die | חפרו (chafaru) = zij hadden gegraven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:6** Abimelech, de koning van de Filistijnen, hoorde dit, en hij kwam met Pichol, zijn legeroverste, en twintig van zijn mannen naar Abraham. Abimelech sprak met Abraham over zijn dienaren, en Abraham sprak Abimelech terecht over de put die zijn dienaren van hem geroofd hadden. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | מלך (malakh) = koning van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויבוא (vayavo) = en kwam | הוא (hu) = hij | ופיכול (ufikhol) = en Pichol | שר (sar) = aanvoerder van | צבאו (tsevao) = zijn leger | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | מאנשיו (me'anashav) = van zijn mannen | אל (el) = naar | אברהם (avraham) = Abraham | וידבר (vayedabber) = en sprak | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | אל (el) = met | אברהם (avraham) = Abraham | על (al) = over | אודות (odot) = aangaande | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויוכיח (vayokhiach) = en sprak terecht | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | על (al) = over | אודות (odot) = aangaande | הבאר (habbe'er) = de put | אשר (asher) = die | גזלו (gazelu) = hadden geroofd | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ממנו (mimmennu) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:22–26. Zie ook: Gen 21:22–26 **22:7** Abimelech zei tegen Abraham: „Zo waar Yahweh leeft, die heel de aarde geschapen heeft: ik heb niet gehoord van wat zijn dienaren aan uw dienaren gedaan hebben, tot vandaag.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | אל (el) = tot | אברהם (avraham) = Abraham | חי (chai) = leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | ברא (bara) = heeft geschapen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | לא (lo) = niet | שמעתי (shamati) = heb ik gehoord | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hebben gedaan | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | לעבדיך (le'avdekha) = aan uw dienaren | בלתי (bilti) = behalve | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:8** Abraham nam zeven ooilammeren en gaf ze aan Abimelech, met de woorden: „Neem ze toch aan uit mijn hand, opdat zij mij tot getuige zijn dat ik deze put gegraven heb.” Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | אברהם (avraham) = Abraham | שבע (sheva) = zeven | כבשות (kivsot) = ooilammeren | ויתן (vayitten) = en gaf | לאבימלך (le'avimelekh) = aan Abimelech | לאמור (lemor) = zeggende | קח (qach) = neem | נא (na) = toch | מידי (miyyadi) = uit mijn hand | בעבור (ba'avur) = opdat | תהיה (tihyeh) = het zal zijn | לי (li) = mij | לעדה (le'edah) = tot getuige | כי (ki) = dat | חפרתי (chafarti) = ik heb gegraven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבאר (habbe'er) = de put | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:27–30. Zie ook: Gen 21:27–30; Gen 21:30 **22:9** Abimelech nam de zeven ooilammeren van het kleinvee die Abraham hem gegeven had, en ook schapen en runderen had Abraham hem in overvloed gegeven; en Abimelech zwoer Abraham een eed over de put. Daarom noemde hij die put Beër-Sjeba, want daar hadden zij beiden erover gezworen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | את (et) = (lijdend voorwerp) | שבע (sheva) = zeven | כבשות (kivsot) = ooilammeren | הצאן (hatson) = van het kleinvee | אשר (asher) = die | נתן (natan) = had gegeven | לו (lo) = hem | אברהם (avraham) = Abraham | וגם (vegam) = en ook | צאן (tson) = schapen | ובקר (uvaqar) = en runderen | נתן (natan) = had gegeven | לו (lo) = hem | הרבה (harbeh) = in overvloed | וישבע (vayishava) = en zwoer | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | על (al) = over | אודות (odot) = aangaande | הבאר (habbe'er) = de put | על (al) = daarom | כן (ken) = zo | קרא (qara) = noemde | לבאר (labe'er) = de put | ההוא (hahu) = die | באר (be'er) = Beër | שבע (sheva) = Sjeba | כי (ki) = want | שם (shem) = daar | נשבעו (nishbe'u) = zwoeren | שניהם (shenehem) = beiden | עליו (alav) = erover Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:31: Beër-Sjeba. Zie ook: Gen 21:31 **22:10** Zij sloten beiden een verbond in Beër-Sjeba. Abimelech stond op met Pichol, zijn legeroverste, en al zijn mannen, en zij keerden terug naar het land van de Filistijnen. Abraham en alles wat van hem was, vestigden zich in Beër-Sjeba, en zij waren in dat land vele dagen. Brontekst: ויכרתו (vayikhretu) = en sloten | ברית (berit) = een verbond | שניהם (shenehem) = beiden | בבאר (bbe'er) = in Beër | שבע (sheva) = Sjeba | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ופיכול (ufikhol) = en Pichol | שר (sar) = aanvoerder van | צבאו (tsevao) = zijn leger | וכל (vekhol) = en al | אנשיו (anashav) = zijn mensen | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | ארץ (erets) = naar het land van | פלישתים (pelishtim) = Filistijnen | ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | ישבו (yashvu) = vestigden | להם (lahem) = zich | בבאר (bbe'er) = in Beër | שבע (sheva) = Sjeba | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | שם (shem) = daar | בארץ (ba'arets) = in het land | ההיא (hahi) = dat | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. ### De poorten van Abraham **22:11** Abraham plantte in Beër-Sjeba een grote tamarisk en maakte daar vier poorten, naar de vier windstreken van de wereld. Hij plantte er een wijngaard in, zodat een reiziger die bij Abraham kwam, door de poort binnenging die tegenover zijn weg was, daar bleef, at, dronk, verzadigd werd en verder ging. Brontekst: ויטע (vayita) = en plantte | אברהם (avraham) = Abraham | אשל (eshel) = een tamarisk | גדול (gadol) = grote | בבאר (bbe'er) = in Beër | שבע (sheva) = Sjeba | וישם (vayasem) = en maakte | לו (lo) = voor zich | שם (shem) = daar | ארבעה (arba'ah) = vier | שערים (sha'arim) = poorten | לארבע (le'arba) = naar de vier | רוחות (ruchot) = windstreken van | העולם (ha'olam) = de wereld | ויטע (vayita) = en plantte | בו (bo) = erin | כרם (kerem) = een wijngaard | למען (lema'an) = zodat | כאשר (ka'asher) = wanneer | יבוא (yavo) = kwam | הולך (holekh) = een reiziger | אל (el) = bij | אברהם (avraham) = Abraham | ובא (uva) = en ging binnen | לו (lo) = heen | משער (mish'ar) = door de poort | אשר (asher) = die | יהיה (yihyeh) = was | נגד (neged) = tegenover | דרכו (darko) = zijn weg | וישב (vayyashev) = en bleef | שמה (shemah) = daar | ואכל (ve'akhal) = en at | ושתה (veshatah) = en dronk | ושבע (veshev'a) = en werd verzadigd | והלך (vehalakh) = en hij ging | לו (lo) = verder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:33. Dat Abraham vier poorten maakte, staat niet in Genesis. Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie ook: Gen 21:33 **22:12** Want het huis van Abraham stond altijd open voor alle mensenkinderen, voor wie voorbijgingen en terugkeerden, die voortdurend, dag aan dag, kwamen om te eten en te drinken in het huis van Abraham. Brontekst: כי (ki) = want | בית (bet) = het huis van | אברהם (avraham) = Abraham | פתוח (patoach) = open | תמיד (tamid) = altijd | לכל (lekhol) = voor alle | בני (bnei) = zonen van | האדם (ha'adam) = de mens | לעוברים (la'overim) = voor wie voorbijgaan | ולשבים (velashavim) = en voor wie terugkeren | אשר (asher) = die | יבואו (yavo'u) = kwamen | יום (yom) = dag | יום (yom) = dag | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ולשתות (velishtot) = en te drinken | בבית (babbayit) = in het huis van | אברהם (avraham) = Abraham | תמיד (tamid) = voortdurend Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:13** Iedere hongerige die in het huis van Abraham kwam, kreeg van Abraham brood, en hij at, dronk en werd verzadigd. En ieder die naakt in zijn huis kwam, kleedde hij naar zijn wens in kleren, en gaf hem zilver en goud en liet hem Yahweh kennen die hem op de aarde geschapen had. Zo deed Abraham al die dagen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | רעב (ra'av) = hongerig | אשר (asher) = die | יבוא (yavo) = kwam | בבית (babbayit) = in het huis van | אברהם (avraham) = Abraham | ונתן (venatan) = en gaf | לו (lo) = hem | אברהם (avraham) = Abraham | לחם (lechem) = brood | ואכל (ve'akhal) = en at | ושתה (veshatah) = en dronk | ושבע (veshev'a) = en werd verzadigd | וכל (vekhol) = en ieder | הבא (habba) = die kwam | אל (el) = naar | ביתו (beito) = zijn huis | ערום (arom) = naakt | יכסנו (yekhasenu) = bekleedde hem | בבגדים (bivgadim) = met kleren | כרצונו (kirtsono) = naar zijn wil | ונתן (venatan) = en gaf | לו (lo) = hem | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | והודיעו (vehodi'o) = en maakte hem bekend | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | בראו (bar'u) = had hem geschapen | בארץ (ba'arets) = op aarde | ככה (kakhah) = zo | יעשה (ya'aseh) = deed | אברהם (avraham) = Abraham | כל (kol) = al | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:14** Abraham, zijn zonen en alles wat van hem was, woonden in Beër-Sjeba, en hij sloeg zijn tent op tot bij Hebron. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en woonden | אברהם (avraham) = Abraham | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | בבאר (bbe'er) = in Beër | שבע (sheva) = Sjeba | ויאהל (vaye'ohel) = en sloeg zijn tent op | עד (ad) = tot | חברון (Chevron) = Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. ### De familie van Nachor **22:15** Nachor, de broer van Abraham, en zijn vader en alles wat van hen was, woonden in Charan, want zij waren niet met Abraham naar het land Kanaän gekomen. Brontekst: ונחור (veNachor) = en Nachor | אחי (echi) = de broer van | אברהם (avraham) = Abraham | ואביו (ve'aviv) = en zijn vader | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | להם (lahem) = van hen | ישבו (yashvu) = woonden | להם (lahem) = zich | בחרן (becharan) = in Charan | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | באו (ba'u) = kwamen | עם (im) = met | אברהם (avraham) = Abraham | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:20–24. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 22:20–24 **22:16** Aan Nachor werden zonen geboren in Charan, die Milka hem baarde, de dochter van Haran, de zus van Sarah, de vrouw van Abraham. Brontekst: ויולדו (vayyivvaldu) = en werden geboren | לנחור (lenachor) = aan Nachor | בנים (banim) = zonen | בחרן (becharan) = in Charan | אשר (asher) = die | ילדה (yaldah) = baarde | לו (lo) = aan hem | מילכה (milkah) = Milka | בת (bat) = dochter van | הרן (Haran) = Haran | אחות (achot) = zus van | שרה (sarah) = Sarah | אשת (eshet) = vrouw van | אברהם (avraham) = Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. **22:17** En dit zijn de namen van de hem geborenen: Us, Bus, Kemuël, Kesed, Chazo, Pildasj, Jidlaf en Betuël: acht zonen. Dit zijn de zonen van Milka, die zij aan Nachor baarde, de broer van Abraham. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | הילודים (hayyelodim) = de geborenen | לו (lo) = aan hem | עוץ ('uts) = Us | ובוז (uvuz) = en Bus | וקמואל (uqemu'el) = en Kemuël | וכשד (ukhsed) = en Kesed | וחזו (vachazo) = en Chazo | פלדש (Pildash) = Pildasj | וידלף (veyidlaf) = en Jidlaf | ובתואל (uvetu'el) = en Betuël | בנים (banim) = zonen | שמונה (shemonah) = acht | אלה (elleh) = dit zijn | בני (bnei) = de zonen van | מילכה (milkah) = Milka | אשר (asher) = die | ילדה (yaldah) = baarde | לנחור (lenachor) = aan Nachor | אחי (echi) = de broer van | אברהם (avraham) = Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:20–23. De namen en de volgorde komen overeen met Genesis. Zie ook: Gen 22:20–23 **22:18** Nachor had een bijvrouw, en haar naam was Reüma; ook zij baarde aan Nachor: Tebach, Nacham, Tachasj en Maächa, vier zonen. Brontekst: ותהי (vatehi) = en had | לנחור (lenachor) = Nachor | פילגש (pilegesh) = bijvrouw | ושמה (ushmah) = en haar naam | ראומה (Re'umah) = Reüma | ותלד (vatteled) = en baarde | גם (gam) = ook | היא (hi) = zij | לנחור (lenachor) = aan Nachor | טבח (Tevach) = Tebach | ונחם (venacham) = en Nacham | ותחש (vetachash) = en Tachasj | ומעכה (uma'akhah) = en Maächa | בנים (banim) = zonen | ארבעה (arba'ah) = vier Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: In Gen. 22:24 staat de tweede naam als Gacham (גחם); hier staat Nacham (נחם). Zie ook: Gen 22:24 **22:19** Alle zonen van Nachor die hem geboren werden, waren twaalf zonen, behalve zijn dochters; en ook aan hen werden zonen geboren in Charan. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | בני (bnei) = de zonen van | נחור (Nachor) = Nachor | אשר (asher) = die | יולדו (yulledu) = geboren werden | לו (lo) = aan hem | בנים (banim) = zonen | שניים (shenayim) = twee | עשר (esar) = tien | מלבד (milvad) = behalve | בנותיו (benotav) = zijn dochters | ויולדו (vayyivvaldu) = en werden geboren | גם (gam) = ook | להם (lahem) = aan hen | בנים (banim) = zonen | בחרן (becharan) = in Charan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. **22:20** De zonen van Us, de eerstgeborene van Nachor, waren Abicharef, Gadin, Milum, en Debora, hun zus. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = de zonen van | עוץ ('uts) = Us | בכור (bekhor) = de eerstgeborene van | נחור (Nachor) = Nachor | אביחרף (Avicharef) = Abicharef | וגדין (ugdin) = en Gadin | ומילום (umilum) = en Milum | ודבורה (udevorah) = en Debora | אחותם (achotam) = hun zus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De kleinkinderen van Nachor (vers 20–26) staan niet in Genesis, behalve Aram, Laban en Rebekka (Gen. 22:21; 22:23; 24:29). Zie ook: Gen 22:21; Gen 22:23; Gen 24:29 **22:21** De zonen van Bus: Berachel, Naämat, Sjoach en Madni. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | בוז (buz) = Bus | ברכאל (Berakh'el) = Berachel | ונעמת (vena'amat) = en Naämat | ושוח (veshuach) = en Sjoach | ומדני (umadni) = en Madni Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:22** De zonen van Kemuël: Aram en Rechob. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | קמואל (Qemu'el) = Kemuël | ארם (Aram) = Aram | ורחוב (verechov) = en Rechob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:23** De zonen van Kesed: Anamelech, Misjar, Benon en Jifi. De zonen van Chazo: Pildasj, Michi en Efer. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | כשד (Kesed) = Kesed | ענמלך (Anamlekh) = Anamelech | ומישר (umishar) = en Misjar | ובנון (uvnon) = en Benon | ויפעי (veyif'i) = en Jifi | ובני (uvnei) = en de zonen van | חזו (Chazo) = Chazo | פלדש (Pildash) = Pildasj | ומיכי (umikhi) = en Michi | ועפר (ve'efer) = en Efer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:24** De zonen van Pildasj: Arud, Amoram, Mered en Milok. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | פלדש (Pildash) = Pildasj | ערוד (Arud) = Arud | ואמורם (ve'amoram) = en Amoram | ומריד (umerid) = en Mered | ומילוך (umilokh) = en Milok Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:25** De zonen van Jidlaf: Moesjan, Kisjan en Motsa. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ידלף (Yidlaf) = Jidlaf | מושן (Mushan) = Moesjan | וכישן (vekhishan) = en Kisjan | ומוצא (umotsa) = en Motsa Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:26** De zonen van Betuël: Sachar en Laban, en Rebekka, hun zus. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | בתואל (Betu'el) = Betuël | שחר (Shachar) = Sachar | ולבן (velavan) = en Laban | ורבקה (verivqah) = en Rebekka | אחותם (achotam) = hun zus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:27** Dit zijn de families van de zonen van Nachor die hun geboren werden in Charan. Aram, de zoon van Kemuël, en Rechob, zijn broer, gingen van Charan verder weg en vonden een dal in het land aan de rivier de Eufraat. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | משפחות (mishpechot) = de families van | בני (bnei) = de zonen van | נחור (Nachor) = Nachor | אשר (asher) = die | נולדו (noldu) = geboren werden | להם (lahem) = aan hen | בחרן (becharan) = in Charan | וילך (vayelekh) = en ging | ארם (Aram) = Aram | בן (ben) = zoon van | קמואל (Qemu'el) = Kemuël | ורחוב (verechov) = en Rechob | אחיו (achiv) = zijn broer | מהלאה (mehal'ah) = verder weg | חרנה (charanah) = van Charan | וימצאו (vayimtse'u) = en vonden | בקעה (biqah) = een dal | בארץ (ba'arets) = in het land | על (al) = aan | נהר (nehar) = de rivier | פרת (perat) = de Eufraat Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. **22:28** Zij bouwden daar een stad en noemden de naam van de stad naar Pethor, de zoon van Aram: dat is Aram-Naharajim tot op deze dag. Brontekst: ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | שם (shem) = daar | עיר (ir) = een stad | ויקראו (vayiqre'u) = en noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | העיר (ha'ir) = de stad | כשם (keshem) = naar de naam van | פתור (Petor) = Pethor | בן (ben) = zoon van | ארם (Aram) = Aram | הוא (hu) = dat is | ארם (Aram) = Aram | נהרים (naharayim) = Naharajim | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 22:5: Pethor aan de rivier. Zie ook: Num 22:5 **22:29** De zonen van Kesed gingen ook, om te wonen waar zij een plek zouden vinden; zij gingen en vonden een dal tegenover het land Sinear en vestigden zich daar. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | כשד (Kesed) = Kesed | הלכו (halekhu) = gingen | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | לגור (lagur) = om te verblijven | באשר (ba'asher) = waar | ימצאו (yimtse'u) = zij zouden vinden | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | בקעה (biqah) = een dal | מנגד (minneged) = tegenover | לארץ (la'arets) = het land | שנער (Shin'ar) = Sinear | וישבו (vayeshvu) = en woonden | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. **22:30** Zij bouwden daar voor zich een stad en noemden de naam van de stad Kesed, naar hun vader: dat is het land van de Chaldeeën tot op deze dag. De Chaldeeën woonden in dat land en werden vruchtbaar en zeer talrijk. Brontekst: ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | שם (shem) = daar | להם (lahem) = voor zich | עיר (ir) = een stad | ויקראו (vayiqre'u) = en noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | העיר (ha'ir) = de stad | כשד (Kesed) = Kesed | כשם (keshem) = naar de naam van | אביהם (avihem) = hun vader | היא (hi) = dat is | ארץ (erets) = het land van | כשדים (kasdim) = de Chaldeeën | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = de dag | וישבו (vayeshvu) = en woonden | הכשדים (hakasdim) = de Chaldeeën | בארץ (ba'arets) = in het land | ההיא (hahi) = dat | ויפרו (vayifru) = en werden vruchtbaar | וירבו (vayirbu) = en werden talrijk | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:22: Kesed, de zoon van Nachor. Zie ook: Gen 22:22 ### Terach sterft **22:31** Terach, de vader van Nachor en de vader van Abraham, ging en nam op zijn oude dag nog een andere vrouw, en haar naam was Pelila. Zij werd zwanger en baarde hem een zoon, en hij noemde zijn naam Soba. Brontekst: ותרח (veTerach) = en Terach | אבי (avi) = de vader van | נחור (Nachor) = Nachor | ואבי (va'avi) = en de vader van | אברהם (avraham) = Abraham | הלך (halakh) = ging | ויוסף (vayosef) = en nog | ויקח (vayikkach) = en hij nam | אישה (ishah) = een vrouw | אחרת (acheret) = een andere | לעת (le'et) = in de tijd van | זקנתו (ziqnato) = zijn ouderdom | ושמה (ushmah) = en haar naam | פלילה (Pelilah) = Pelila | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לו (lo) = hem | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | צובא (Tsovah) = Soba Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:32** Terach leefde na de geboorte van Soba nog vijfentwintig jaar. Brontekst: ויחי (vayechi) = en leefde | תרח (Terach) = Terach | אחרי (acharei) = na | הולידו (holido) = het verwekken van | את (et) = (lijdend voorwerp) | צובא (Tsovah) = Soba | חמש (chamesh) = vijf | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:33** Terach stierf in dat jaar, het vijfendertigste jaar na de geboorte van Isaak, de zoon van Abraham. Brontekst: וימת (vayamot) = en stierf | תרח (Terach) = Terach | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = dat | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = het jaar van | חמש (chamesh) = vijf | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | ללידת (lelidat) = na de geboorte van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:34** De dagen van Terach waren tweehonderdvijf jaar, en hij stierf en werd begraven in Charan. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en waren | ימי (yemei) = de dagen van | תרח (Terach) = Terach | חמש (chamesh) = vijf | שנים (shanim) = jaar | ומאתיים (umatayim) = en tweehonderd | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf | ויקבר (vayiqqaver) = en werd begraven | בחרן (becharan) = in Charan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:32: Terach was tweehonderdvijf jaar toen hij stierf in Charan. Zie ook: Gen 11:32 **22:35** Soba, de zoon van Terach, leefde dertig jaar en verwekte Aram, Achloez en Merik. Brontekst: וצובא (vetsovah) = en Soba | בן (ben) = zoon van | תרח (Terach) = Terach | חי (chai) = leefde | שלושים (sheloshim) = dertig | שנה (shanah) = jaar | ויולד (vayyolid) = en verwekte | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארם (Aram) = Aram | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אכלוז (Akhluz) = Achloez | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מריק (Merik) = Merik Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tweede naam staat in de Hebreeuwse tekst met een sterretje (‘*אכלוז’); de Engelse vertaling heeft ‘Achlis’. ### Aram-Soba **22:36** Aram, de zoon van Soba, de zoon van Terach, had drie vrouwen en verwekte twaalf zonen en drie dochters. Yahweh gaf Aram, de zoon van Soba, rijkdom, bezittingen en veel zwaar vee, schapen en runderen, en de man breidde zich zeer, zeer uit. Brontekst: ותהיינה (vatihyenah) = en er waren | לארם (le'aram) = aan Aram | בן (ben) = zoon van | צובא (Tsovah) = Soba | בן (ben) = zoon van | תרח (Terach) = Terach | שלוש (shalosh) = drie | נשים (nashim) = vrouwen | ויולד (vayyolid) = en verwekte | שנים (shanim) = twee | עשר (esar) = tien | בנים (banim) = zonen | ושלוש (veshalosh) = en drie | בנות (banot) = dochters | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לארם (le'aram) = aan Aram | בן (ben) = zoon van | צובא (Tsovah) = Soba | עושר (osher) = rijkdom | ונכסים (unekhasim) = en bezittingen | ומקנה (umiqneh) = en vee | רב (rav) = veel | וכבד (vekhaved) = en zwaar | צאן (tson) = kleinvee | ובקר (uvaqar) = en runderen | ויפרוץ (vayifrots) = en hij breidde zich uit | האיש (ha'ish) = de man | במאוד (bime'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:37** Aram, de zoon van Soba, trok met zijn broers en heel zijn huis weg uit Charan, om te wonen waar zij een plek zouden vinden. Want hun bezit was te groot om in Charan te blijven, en zij konden niet samen met hun broers, de zonen van Nachor, in Charan wonen. Brontekst: ויסע (vayyisa) = en trok weg | ארם (Aram) = Aram | בן (ben) = zoon van | צובא (Tsovah) = Soba | הוא (hu) = hij | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | וכל (vekhol) = en alle | ביתו (beito) = zijn huis | מחרן (mecharan) = uit Charan | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לגור (lagur) = om te wonen | באשר (ba'asher) = waar | ימצאו (yimtse'u) = zij zouden vinden | כי (ki) = want | היה (hayah) = was | רכושם (rekhusham) = hun bezit | רב (rav) = te groot | משבת (mishevet) = om te wonen | בחרן (becharan) = in Charan | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = konden | לשבת (lashevet) = te wonen | בחרן (becharan) = in Charan | עם (im) = met | בני (bnei) = de zonen van | נחור (Nachor) = Nachor | אחיהם (achihem) = hun broers | יחד (yachad) = samen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. **22:38** Aram, de zoon van Soba, ging met zijn broers, en zij vonden een dal ver weg, richting het oosten, en vestigden zich daar. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | ארם (Aram) = Aram | בן (ben) = zoon van | צובא (Tsovah) = Soba | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | בקעה (biqah) = een dal | מהלאה (mehal'ah) = verder weg | לארץ (la'arets) = naar het land | קדם (qedem) = het oosten | וישבו (vayeshvu) = en woonden | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:39** Ook zij bouwden daar een stad en noemden haar naam Aram, naar hun oudste broer: dat is Aram-Soba tot op deze dag. Brontekst: ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | שם (shem) = daar | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | עיר (ir) = een stad | ויקראו (vayiqre'u) = en noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמה (shemah) = haar naam | ארם (Aram) = Aram | כשם (keshem) = naar de naam van | אחיהם (achihem) = hun broer | הבכור (habbekhor) = de oudste | היא (hi) = dat is | ארם (Aram) = Aram | צובא (Tsovah) = Soba | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:40** Isaak, de zoon van Abraham, werd in die dagen steeds groter, en zijn vader Abraham leerde hem de weg van Yahweh, om Yahweh te kennen, en Yahweh was met hem. Brontekst: ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | הולך (holekh) = steeds | וגדל (vegadel) = groter | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וילמדהו (vayelammedehu) = en leerde hem | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרך (derekh) = de weg van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לדעת (lada'at) = te kennen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | עמו (immo) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ismaël en Isaak **22:41** Toen Isaak zevenendertig jaar oud was, ging zijn broer Ismaël met hem om in de tent. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיות (bihyot) = toen hij was | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | שלושים (sheloshim) = dertig | שנה (shanah) = jaar | ושבע (veshev'a) = en zeven | שנים (shanim) = jaren | וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | אחיו (achiv) = zijn broer | הולך (holekh) = ging | ובא (uva) = en kwam | עמו (immo) = met hem | באהל (ba'ohel) = in de tent Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:42** Ismaël schepte op tegenover Isaak met de woorden: „Ik was dertien jaar oud toen Yahweh tot mijn vader sprak om ons te besnijden. Ik deed het woord van Yahweh dat Hij tot mijn vader sprak, ik gaf mijn ziel aan Yahweh, en ik heb Zijn woord, dat Hij mijn vader geboden heeft, niet overtreden.” Brontekst: ויתפאר (vayitpa'er) = en schepte op | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | על (al) = op | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לאמור (lemor) = zeggend | בן (ben) = zoon van | שלוש (shalosh) = drie | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | הייתי (hayiti) = was ik | כאשר (ka'asher) = toen | דיבר (dibber) = sprak | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | אבי (avi) = vader van | לימול (limol) = te besnijden | אותנו (otanu) = ons | ואעש (va'e'eseh) = en ik deed | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבר (davar) = het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = Hij sprak | אל (el) = tot | אבי (avi) = vader van | ואתן (ve'etten) = en ik gaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשי (nafshi) = mijn ziel | אל (el) = aan | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ולא (velo) = en niet | עברתי (avarti) = heb ik overtreden | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברו (dabberu) = Zijn woord | אשר (asher) = die | ציווה (tsivvah) = Hij heeft geboden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבי (avi) = vader van Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 17:23–27: de besnijdenis van Ismaël. Zie ook: Gen 17:23–27 **22:43** Isaak antwoordde Ismaël: „Waarom schep je tegen mij op over deze zaak, over een beetje vlees van je vlees, dat Yahweh je geboden heeft van je weg te nemen? Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | לאמור (lemor) = zeggende | למה (lammah) = waarom | תתפאר (titpa'er) = schep je op | עליי (alay) = tegen mij | בדבר (bedabber) = over de zaak | הזה (hazzeh) = deze | על (al) = over | מעט (me'at) = een beetje | בשר (basar) = vlees | מבשרך (mibsarekha) = van je vlees | אשר (asher) = dat | צוך (tsivvekha) = heeft je geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להסיר (lehasir) = weg te nemen | אותו (oto) = het | מעליך (me'alekha) = van je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:44** Zo waar Yahweh leeft, de Elohim van mijn vader Abraham: als Yahweh tegen mijn vader zou zeggen: ‘Neem toch Isaak, je zoon, en offer hem voor Mijn aangezicht als brandoffer’, dan zou ik mijzelf niet inhouden, maar het met vreugde doen.” Brontekst: חי (chai) = leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = de Elohim van | אברהם (avraham) = Abraham | אבי (avi) = mijn vader | כי (ki) = dat | אם (em) = indien | יאמר (yomar) = zegt | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לאבי (le'avi) = tegen mijn vader | קח (qach) = neem | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | והעלהו (veha'alehu) = en offer hem | לפניי (lefanai) = voor Mijn aangezicht | עולה (oleh) = als brandoffer | לא (lo) = niet | מנעתי (manati) = zou ik inhouden | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשי (nafshi) = mijn ziel | כי (ki) = maar | אעשה (e'eseh) = ik zal doen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | בשמחה (besimchah) = met vreugde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:45** Yahweh hoorde het woord dat Isaak tot Ismaël sprak, en het was goed in de ogen van Yahweh, en Hij besloot Abraham in deze zaak op de proef te stellen. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = het woord | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = sprak | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | וייטב (vayyitav) = en het was goed | בעיני (be'einei) = in de ogen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en Hij besloot | לנסות (lenasot) = op de proef te stellen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De Satan voor Yahweh **22:46** Op een dag kwamen de zonen van Elohim om zich voor Yahweh te stellen, en ook de Satan kwam in hun midden, om zich voor Yahweh te stellen en de mensenkinderen voor Yahweh aan te klagen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | היום (hayyom) = de dag | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בני (bnei) = de zonen van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | להתייצב (lehityatsev) = om zich te stellen | על (al) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויבוא (vayavo) = en kwam | גם (gam) = ook | השטן (hasatan) = de Satan | בתוכם (betokham) = in hun midden | להתייצב (lehityatsev) = om zich te stellen | על (al) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להשטין (lehastin) = om aan te klagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = de kinderen van | האדם (ha'adam) = de mensen | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Job 1:6. Zie ook: Job 1:6 **22:47** Yahweh zei tegen de Satan: **„Waar kom je vandaan?”** De Satan antwoordde Yahweh en zei: „Van rondgaan op de aarde en van erin rondwandelen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | השטן (hasatan) = de Satan | מאין (me'ayin) = vanwaar | תבוא (tavo) = kom je | ויען (vaya'an) = en antwoordde | השטן (hasatan) = de Satan | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en zei | משוט (mishut) = van rondgaan | בארץ (ba'arets) = op aarde | ומהתהלך (umehithallekh) = en van rondwandelen | בה (bah) = erin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Job 1:7. De woorden van Yahweh zijn rood gedrukt. Zie ook: Job 1:7 **22:48** Yahweh zei tegen de Satan: **„Wat heb je Mij te zeggen over alle kinderen van de aarde?”** De Satan antwoordde Yahweh en zei: „Ik heb alle kinderen van de aarde gezien, die U dienen en U gedenken wanneer zij U om iets vragen. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | השטן (hasatan) = de Satan | מה (mah) = wat | דברך (devarekha) = wat je te zeggen hebt | אליי (elai) = tot Mij | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = de kinderen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויען (vaya'an) = en antwoordde | השטן (hasatan) = de Satan | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en zei | כי (ki) = dat | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = de kinderen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | אשר (asher) = die | יעבדוך (ya'avduykha) = U dienen | ויזכרוך (veyizkeruykha) = en U gedenken | בעת (be'et) = in de tijd | בקשם (beqashsham) = dat zij vragen | מלפניך (millefanekha) = van U | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Job 1:8–11. Zie ook: Job 1:8–11 **22:49** Maar wanneer U hun datgene geeft wat zij van U vragen, keren zij terug, verlaten U en gedenken U niet meer. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurt | כאשר (ka'asher) = wanneer | תיתן (titten) = U geeft | להם (lahem) = aan hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = die | יבקשו (yevaqshu) = zij vragen | מלפניך (millefanekha) = van U | ושבו (veshavu) = en zij keren terug | להם (lahem) = heen | ועזבוך (ve'azavukha) = en verlaten U | ולא (velo) = en niet | יוסיפו (yosifu) = zullen zij voortaan | לזכור (lizkor) = gedenken | אותך (otekha) = U | עוד (od) = meer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:50** Hebt U Abraham gezien, de zoon van Terach, die in het begin geen kinderen had? Hij diende U en bouwde U altaren overal waar hij heen ging, bracht daarop offers en riep Uw naam uit tegen alle kinderen van de aarde, voortdurend. Brontekst: הראית (hare'ita) = hebt U gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham | בן (ben) = zoon van | תרח (Terach) = Terach | אשר (asher) = die | בתחילה (battechillah) = in het begin | לא (lo) = niet | היו (hayu) = waren | לו (lo) = aan hem | בנים (banim) = zonen | ויעבדך (veya'avdekha) = en hij diende U | ויבנה (vayiven) = en bouwde | אליך (elekha) = voor U | מזבחות (mizbechot) = altaren | בכל (bekhol) = in alle | אשר (asher) = waar | ילך (yelekh) = hij ging | שם (shem) = daar | והקריב (vehiqriv) = en bracht | עליהן (aleihen) = daarop | קורבנות (qorbanot) = offers | ויקרא (vayikra) = en riep | בשמך (beshimkha) = Uw naam | לכל (lekhol) = tot alle | בני (bnei) = de zonen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | תמיד (tamid) = voortdurend Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:51** Maar nu zijn zoon Isaak hem geboren is, heeft hij U verlaten. Hij heeft een groot feest gemaakt voor alle inwoners van het land, en Yahweh heeft hij vergeten. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | כאשר (ka'asher) = toen | נולד (nolad) = geboren is | לו (lo) = voor hem | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | ויעזוב (vaya'azov) = en hij verliet | אותך (otekha) = U | ויעש (vayya'as) = en maakte | משתה (mishteh) = feest | גדול (gadol) = grote | לכל (lekhol) = aan heel | יושבי (yoshvei) = inwoners van | הארץ (ha'arets) = het land | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | שכח (shakhach) = vergeten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:52** Want van alles wat hij gemaakt heeft, heeft hij U geen offer gebracht: geen brandoffer of vredeoffer, geen enkele stier, lam of geit van alles wat hij slachtte op de dag dat zijn zoon gespeend werd. Brontekst: כי (ki) = want | מכל (mikkol) = van alles | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = hij maakte | לא (lo) = niet | הקריב (hiqriv) = heeft hij gebracht | לפניך (lefanekha) = voor U | קורבן (qorban) = offer | עולה (oleh) = brandoffer | או (o) = of | שלמים (shelamim) = vredeoffers | או (o) = of | שור (shor) = een stier | אחד (echad) = één | או (o) = of | כשב (keshev) = een lam | או (o) = of | עז (ez) = een geit | אחד (echad) = één | מכל (mikkol) = van alles | אשר (asher) = wat | שחט (shachat) = slachtte | ביום (beyom) = op de dag | הגמל (higgamel) = het spenen van | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:53** Ook vanaf de dag dat zijn zoon geboren werd tot nu, zevenendertig jaar, heeft hij geen altaar voor U gebouwd en U daarop geen offer gebracht, want hij zag dat U hem gaf wat hij van U vroeg, en hij heeft U verlaten.” Brontekst: גם (gam) = ook | מיום (miyyom) = vanaf de dag | אשר (asher) = dat | נולד (nolad) = geboren werd | בנו (beno) = zijn zoon | היום (hayyom) = tot vandaag | שלושים (sheloshim) = dertig | ושבע (veshev'a) = en zeven | שנה (shanah) = jaar | לא (lo) = niet | בנה (Benah) = heeft gebouwd | לפניך (lefanekha) = voor U | מזבח (mizbeach) = een altaar | ולא (velo) = en niet | הקריב (hiqriv) = heeft gebracht | אליך (elekha) = aan U | עליו (alav) = daarop | קרבן (qorban) = een offer | כי (ki) = want | ראה (ra'ah) = hij zag | כי (ki) = dat | נתת (natata) = U gaf | לו (lo) = hem | אשר (asher) = wat | ביקש (biqqesh) = hij vroeg | מלפניך (millefanekha) = van U | ויעזבך (veya'azvekha) = en verliet U Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **22:54** Yahweh zei tegen de Satan: **„Heb je gelet op Mijn dienaar Abraham? Want er is niemand zoals hij op aarde: een onberispelijk en oprecht man voor Mijn aangezicht, die Elohim vreest en van het kwaad wijkt. Zo waar Ik leef: als Ik tot hem zei: ‘Breng toch Isaak, je zoon, voor Mijn aangezicht als brandoffer’, hij zou hem niet voor Mij terughouden, laat staan als Ik tot hem zou zeggen: ‘Breng Mij een brandoffer van het kleinvee of van het rundvee.’”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en Hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | השטן (hasatan) = de Satan | השמת (hasamta) = heb je gelet op | לבך (libbekha) = je hart | אל (el) = op | עבדי (avdei) = Mijn dienaar | אברהם (avraham) = Abraham | כי (ki) = want | אין (ein) = niet is | כמוהו (kamohu) = zoals hij | בארץ (ba'arets) = op aarde | איש (ish) = een man | תם (tam) = onberispelijk | וישר (veyashar) = en oprecht | לפניי (lefanai) = voor Mijn aangezicht | וירא (vayyera) = en vreest | אלוקים (Elohim) = Elohim | וסר (vesar) = en wijkt | מרע (mera) = van het kwaad | חי (chai) = leeft | אני (ani) = Ik | כי (ki) = dat | אם (em) = indien | אמרתי (imrati) = Ik zei | לו (lo) = tot hem | הקרב (haqrev) = breng | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנך (bincha) = je zoon | לפניי (lefanai) = voor Mij | לעולה (le'olah) = als brandoffer | לא (lo) = niet | ימנעהו (yimna'ehu) = hij zou hem terughouden | ממני (mimmenni) = voor Mij | ואף (ve'af) = laat staan | כי (ki) = als | אומר (omer) = Ik zeg | אליו (elav) = tegen hem | הקרב (haqrev) = breng | לפניי (lefanai) = voor Mij | עולה (oleh) = een brandoffer | מן (min) = van | הצאן (hatson) = het kleinvee | או (o) = of | מן (min) = van | הבקר (habbaqar) = het rundvee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Job 1:8 en Job 2:3. Over Abraham: Gen. 22:1. Zie ook: Gen 22:1; Job 1:8; Job 2:3 **22:55** De Satan antwoordde Yahweh en zei: „Mijn Heer, spreek toch tot Abraham zoals U gesproken hebt, om te zien of hij niet vandaag overtreedt en Uw woorden verandert.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | השטן (hasatan) = de Satan | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en hij zei | בי (bi) = ach | אדוני (adoni) = mijn Heer | דבר (davar) = spreek | נא (na) = toch | אל (el) = tot | אברהם (avraham) = Abraham | כדבר (kidvar) = zoals het woord | הזה (hazzeh) = dit | אשר (asher) = die | דיברת (dibbarta) = U hebt gesproken | אם (em) = of | לא (lo) = niet | יעבור (ya'avor) = hij overtreedt | וימיר (vayamer) = en verandert | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריך (devarekha) = Uw woorden | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Job 1:9–11 en Job 2:4–5. Zie ook: Job 1:9–11; Job 2:4–5 ## Jasher 23 _Abraham en Isaak op de berg; de dood van Sarah_ ### Het bevel **23:1** In die tijd kwam het woord van Yahweh tot Abraham, en Hij zei tegen hem: **„Abraham!”** En hij zei: „Hier ben ik.” Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | היה (hayah) = kwam | דבר (davar) = het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | אברהם (avraham) = Abraham | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אברהם (avraham) = Abraham | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הנני (hinneni) = hier ben ik Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:1. De woorden van Yahweh zijn rood gedrukt. Zie ook: Gen 22:1 **23:2** Hij zei tegen hem: **„Neem toch je zoon, je enige, die je liefhebt, Isaak, en ga naar het land Moria en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen waar je een wolk en heerlijkheid zult zien.”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en Hij zei | קח (qach) = neem | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | את (et) = (lijdend voorwerp) | יחידך (yechidkha) = je enige | אשר (asher) = die | אהבת (ahavta) = die je liefhebt | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ולך (ulekha) = en ga | לך (lekha) = heen | אל (el) = naar | ארץ (erets) = het land | המוריה (hammoriyyah) = Moria | והעלהו (veha'alehu) = en offer hem | שם (shem) = daar | לעולה (le'olah) = als brandoffer | על (al) = op | אחד (echad) = één | ההרים (heharim) = de bergen | אשר (asher) = die | יראה (yir'ah) = zal verschijnen | לך (lekha) = aan jou | בו (bo) = daarop | שם (shem) = daar | ענן (anan) = een wolk | וכבוד (vekhavod) = en heerlijkheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:2. In Genesis staat ‘een van de bergen die Ik je zal aanwijzen’; hier wordt toegevoegd dat Abraham er een wolk en heerlijkheid zal zien. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Gen 22:2 **23:3** Abraham zei in zijn hart: „Hoe zal ik Isaak, mijn zoon, scheiden van Sarah, zijn moeder, om hem voor Yahweh als brandoffer te offeren?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | בלבו (belibbo) = in zijn hart | איך (ekh) = hoe | אעשה (e'eseh) = zal ik doen | עד (ad) = totdat | אשר (asher) = dat | אפריד (afrid) = ik scheid | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בני (bnei) = mijn zoon | משרה (missarah) = van Sarah | אמו (immo) = zijn moeder | להעלותו (lehaalotto) = om hem te offeren | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לעולה (le'olah) = als brandoffer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het gesprek van Abraham met Sarah (vers 3–19) staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 22:2 ### Abraham en Sarah **23:4** Abraham ging de tent in en zat voor Sarah, zijn vrouw, en sprak tot haar deze woorden: Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אברהם (avraham) = Abraham | האהלה (ha'ohelah) = naar de tent | וישב (vayyashev) = en ging zitten | לפני (lifnei) = voor | שרה (sarah) = Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | אליה (eleha) = haar | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:5** „Isaak, onze zoon, is groot geworden en heeft al dagen de dienst van zijn Elohim niet geleerd. Nu ga ik morgen heen en breng hem naar Sem en naar Eber, zijn zoon, en daar zal hij de wegen van Yahweh leren. Zij zullen hem leren Yahweh te kennen, te weten hoe hij te allen tijde voor Yahweh bidt en dat Hij hem antwoordt, en daar de weg van de dienst van Yahweh, zijn Elohim, te kennen.” Brontekst: בננו (bineinu) = onze zoon | יצחק (Yitschaq) = Isaak | גדל (gadal) = is groot geworden | ולא (velo) = en niet | למד (lamad) = heeft geleerd | עבודת (avodat) = de dienst van | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | זה (ze) = al | ימים (yamim) = dagen | עתה (attah) = nu | אלך (elekh) = ik ga | לי (li) = heen | למחר (lemacharat) = morgen | ואביאנו (va'avi'enu) = en breng hem | אל (el) = naar | שם (shem) = Sem | ואל (ve'el) = en naar | עבר (Ever) = Eber | בנו (beno) = zijn zoon | ושם (veShem) = en daar | ילמד (yilmad) = zal hij leren | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכי (darkhei) = wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = want | ילמדוהו (yelammeduhu) = zij zullen hem leren | לדעת (lada'at) = te kennen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ולדעת (veladaat) = en te weten | כאשר (ka'asher) = wanneer | יתפלל (yitpallel) = hij bidt | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בכל (bekhol) = in alle | עת (et) = tijd | ויענהו (vaya'anehu) = en Hij hem antwoordt | ולדעת (veladaat) = en te kennen | שם (shem) = daar | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרך (derekh) = de weg van | עבודת (avodat) = de dienst van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Abraham verzwijgt het doel van de reis; hij zegt dat hij Isaak naar Sem en Eber brengt. **23:6** Sarah zei: „Je hebt goed gesproken. Ga, mijn heer, en doe met hem zoals je gesproken hebt. Maar verwijder mijn zoon niet ver van mij en laat hem daar niet vele dagen blijven, want mijn ziel is zeer aan zijn ziel gebonden.” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | שרה (sarah) = Sarah | טוב (tov) = goed | דיברת (dibbarta) = je hebt gesproken | לך (lekha) = ga | אדוני (adoni) = mijn heer | ועשה (ve'asah) = en doe | לו (lo) = met hem | כאשר (ka'asher) = zoals | דיברת (dibbarta) = je hebt gesproken | ואולם (ve'ulam) = maar | אל (el) = niet | תרחיק (tarchiq) = verwijder | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | מעליי (me'alai) = van mij | ולא (velo) = en niet | ישב (yashav) = laat hem blijven | שם (shem) = daar | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | כי (ki) = want | נפשי (nafshi) = mijn ziel | קשורה (qesharah) = vastgebonden | בנפשו (benafsho) = met zijn ziel | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:7** Abraham zei tegen Sarah: „Mijn dochter, smeek toch Yahweh, onze Elohim, dat Hij ons goed doet.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = tot | שרה (sarah) = Sarah | בתי (biti) = mijn dochter | חלה (challeh) = smeek | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | פני (pnei) = het aangezicht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | אשר (asher) = dat | יעשה (ya'aseh) = Hij doet | עמנו (immanu) = met ons | טובה (tovah) = goed Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:8** Sarah nam Isaak, haar zoon, en hij bleef die nacht bij haar; zij kuste hem, omhelsde hem en gaf hem opdrachten tot de morgen. Brontekst: ותקח (vattikkach) = en zij nam | שרה (sarah) = Sarah | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנה (Benah) = haar zoon | וילן (vayalen) = en overnachtte | איתה (ittah) = bij haar | בלילה (ballaylah) = in de nacht | הוא (hu) = die | ותשקהו (vatashqehu) = en kuste hem | ותחבקהו (vatechabqehu) = en omhelsde hem | ותצוהו (vatetsavvehu) = en gaf hem opdrachten | עד (ad) = tot | הבוקר (habboqer) = de morgen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:9** Zij zei tegen hem: „Mijn zoon, hoe kan mijn ziel zich van je scheiden?” Zij kuste hem nog eens, omhelsde hem en weende met hem. Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | לו (lo) = tegen hem | בני (bnei) = mijn zoon | איך (ekh) = hoe | תוכל (tukhal) = kan | נפשי (nafshi) = mijn ziel | להיפרד (lehippared) = zich te scheiden | ממך (mimmekha) = van jou | ותשקהו (vatashqehu) = en kuste hem | ותחבקהו (vatechabqehu) = en omhelsde hem | עוד (od) = nog eens | ותבך (vatevk) = en weende | עמו (immo) = met hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:10** Zij gaf Abraham, zijn vader, opdrachten over hem en zei: „Mijn heer, let toch op je zoon en richt je ogen op hem, want ik heb geen andere zoon of dochter dan hem. Brontekst: ותצוה (vatetsav) = en gaf opdracht | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | עליו (alav) = over hem | ותאמר (vatomer) = en zei | שרה (sarah) = Sarah | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | בי (bi) = ach | אדוני (adoni) = mijn heer | השמר (hishamer) = let op | נא (na) = toch | בבנך (bivnekha) = op je zoon | ושים (vesim) = en richt | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניך (eneykha) = je ogen | עליו (alav) = op hem | כי (ki) = want | אין (ein) = niet is | לי (li) = voor mij | בן (ben) = een zoon | אחר (acher) = een andere | ולא (velo) = en niet | בת (bat) = een dochter | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | הוא (hu) = hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:11** Laat hem niet in de steek. Als hij honger heeft, geef hem brood te eten, en als hij dorst heeft, geef hem water te drinken. Laat hem niet te voet gaan en niet in de zon zitten. Brontekst: אל (el) = niet | נא (na) = toch | תעזבנו (ta'azvenu) = laat hem niet in de steek | אם (em) = indien | ירעיב (yir'av) = hij honger heeft | האכילהו (ha'akhilehu) = geef hem te eten | לחם (lechem) = brood | ואם (ve'im) = en indien | יצמא (yitsma) = hij dorst heeft | השקה (hashqeh) = geef te drinken | מים (mayim) = water | ואל (ve'el) = en niet | תניחהו (tanichehu) = laat hem | ללכת (lalekhet) = gaan | ברגליו (beraglav) = op zijn voeten | ולא (velo) = en niet | לישב (lashevet) = te zitten | בשמש (bashemesh) = in de zon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:12** Laat hem ook niet alleen op de weg gaan, en dwing hem niet af te zien van wat hij zegt; doe alles voor hem wat hij tot je zegt.” Brontekst: וגם (vegam) = en ook | אל (el) = niet | תעזבהו (ta'azvehu) = laat hem niet | ללכת (lalekhet) = gaan | בדרך (baderekh) = onderweg | לבדו (levaddo) = alleen | ולא (velo) = en niet | תאנסהו (ta'anesehu) = dwing hem niet | מכל (mikkol) = van alles | אשר (asher) = wat | ידבר (yedabber) = hij zegt | ועשית (ve'asita) = en doe | לו (lo) = voor hem | ככל (kekhol) = naar alles | אשר (asher) = wat | יאמר (yomar) = hij zegt | אליך (elekha) = tot jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:13** Sarah weende nog een groot geween over Isaak in die nacht, en gaf hem opdrachten tot de morgen. Brontekst: ותבך (vatevk) = en weende | שרה (sarah) = Sarah | עוד (od) = nog | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | אל (el) = om | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | ותצוהו (vatetsavvehu) = en gaf hem opdrachten | עד (ad) = tot | הבוקר (habboqer) = de morgen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:14** In de morgen nam Sarah een goed en zeer mooi kleed, van de kleren die zij in huis had, van wat Abimelech haar gegeven had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | שרה (sarah) = Sarah | בגד (beged) = een kleed | טוב (tov) = goed | ונאה (vene'eh) = en mooi | מאוד (me'od) = zeer | מן (min) = uit | הבגדים (habbegadim) = de kleren | אשר (asher) = die | איתה (ittah) = bij haar | בבית (babbayit) = in huis | מאשר (me'asher) = van wat | נתן (natan) = gegeven had | לה (lah) = aan haar | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het afscheid van Sarah **23:15** Zij kleedde Isaak, haar zoon, daarmee, zette hem een tulband op zijn hoofd en zette een kostbare steen op de tulband. Zij gaf hun proviand voor de weg, en zij gingen uit: Isaak ging met zijn vader Abraham, en enkele van hun dienaren gingen met hen mee om hen uit te laten gaan. Brontekst: ותלבוש (vatalbesh) = en zij kleedde | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנה (Benah) = haar zoon | ותשם (vatasem) = en zette | לו (lo) = hem | מצנפת (mitsnefet) = een tulband | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ותשם (vatasem) = en zette | אבן (even) = een steen | יקרה (yiqreh) = kostbare | על (al) = op | המצנפת (hammitsnefet) = de tulband | ותיתן (vattitten) = en zij gaf | להם (lahem) = aan hen | צידה (tsedah) = proviand | לדרך (laderekh) = voor de weg | ויצא (vayetse) = en zij gingen uit | וילכו (vayelkhu) = en gingen | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | וילכו (vayelkhu) = en gingen | עמהם (immahem) = met hen | מעבדיהם (me'avdeihem) = van hun dienaren | לשלחם (leshallecham) = om hen uit te laten gaan | בדרך (baderekh) = onderweg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:16** Ook Sarah ging met hen mee, en liep met hen mee op de weg om hen uit te laten gaan. Zij zeiden: „Keer hier terug naar de tent.” Brontekst: ותצא (vatetse) = en ging uit | גם (gam) = ook | שרה (sarah) = Sarah | עמהם (immahem) = met hen | ותלך (vattelekh) = en liep | בדרך (baderekh) = onderweg | איתם (ittam) = met hen | לשלחם (leshallecham) = om hen uit te laten gaan | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | פה (peh) = hier | שובי (shuvi) = keer terug | לך (lekha) = heen | האהלה (ha'ohelah) = naar de tent Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:17** Sarah hoorde de woorden van Isaak, haar zoon, en weende een groot geween; ook Abraham, haar man, weende met haar, en ook Isaak, haar zoon, weende met haar zeer sterk, en ook wie hen uitgeleide deden, weenden zeer sterk. Brontekst: ותשמע (vattishma) = en hoorde | שרה (sarah) = Sarah | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנה (Benah) = haar zoon | ותבך (vatevk) = en weende | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | ויבך (vayevk) = en weende | גם (gam) = ook | אברהם (avraham) = Abraham | אישה (ishah) = haar man | עימה (immah) = met haar | ויבך (vayevk) = en weende | גם (gam) = ook | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנה (Benah) = haar zoon | עמה (immah) = met haar | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | וגם (vegam) = en ook | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = zij gingen | לשלחם (leshallecham) = om hen uit te laten gaan | בכו (bakhu) = weenden | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | עד (ad) = tot | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:18** Sarah greep Isaak, haar zoon, vast, hield hem in haar armen, omhelsde hem en kuste hem, en weende nog meer met hem. Sarah zei: „Wie weet of ik je nog zal zien, mijn zoon, vanaf deze dag.” Brontekst: ותחזק (vatechezaq) = en greep vast | שרה (sarah) = Sarah | ביצחק (beyitschaq) = Isaak | בנה (Benah) = haar zoon | ותאחזהו (vata'achazehu) = en hield hem vast | בין (bein) = tussen | זרועותיה (zero'otehah) = haar armen | ותחבקהו (vatechabqehu) = en omhelsde hem | ותשקהו (vatashqehu) = en kuste hem | ותוסף (vattosef) = en voegde toe | עוד (od) = nog | לבכות (livkot) = te wenen | עמו (immo) = bij hem | ותאמר (vatomer) = en zei | שרה (sarah) = Sarah | מי (mi) = wie | יודע (yode'a) = weet | אם (em) = of | אראה (er'eh) = ik zal zien | אותך (otekha) = jou | עוד (od) = nog | בני (bnei) = mijn zoon | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:19** Zij weenden nog zeer sterk: Abraham, Sarah en Isaak, en ook wie met hen op de weg meegegaan waren om hen uit te laten gaan, weenden zeer sterk met hen. Daarna keerde Sarah zich af van Isaak met veel geween, en al haar slavinnen en dienaren keerden met haar terug naar de tent, Brontekst: ויבכו (vayivku) = en zij weenden | עוד (od) = nog | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | ושרה (veSarah) = en Sarah | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | וגם (vegam) = en ook | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = zij gingen | עמהם (immahem) = met hen | בדרך (baderekh) = onderweg | לשלחם (leshallecham) = om hen uit te laten gaan | בכו (bakhu) = weenden | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | עימהם (immahem) = met hen | ותשב (vatashav) = en keerde zich | לה (lah) = af | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | שרה (sarah) = Sarah | מעל (me'al) = van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בבכיה (bevikhyah) = met geween | רבה (rabbah) = veel | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | כל (kol) = alle | שפחותיה (shifchotehah) = haar slavinnen | ועבדיה (va'avadehah) = en haar dienaren | עמה (immah) = met haar | האהלה (ha'ohelah) = in de tent Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:20** en Abraham ging met Isaak, zijn zoon, om hem als brandoffer voor Yahweh te offeren, zoals Hij hem geboden had. Brontekst: ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | הלך (halakh) = ging | עם (im) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | להעלותו (lehaalotto) = om hem te offeren | עולה (oleh) = als brandoffer | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = Hij hem had geboden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ismaël en Eliëzer **23:21** Abraham nam ook zijn twee jonge mannen met zich mee, Ismaël, de zoon van Hagar, en Eliëzer, zijn dienaar, en zij gingen samen met hen. Terwijl zij zo op de weg gingen, spraken de jongemannen onder elkaar deze woorden. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | אברהם (avraham) = Abraham | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | שני (shenei) = twee | נעריו (na'arav) = zijn jonge mannen | עמו (immo) = met zich | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בן (ben) = zoon van | הגר (hagar) = Hagar | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | עבדו (avdo) = zijn dienaar | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | יחד (yachad) = samen | עימהם (immahem) = met hen | ויהי (vayehi) = en terwijl | הם (hem) = zij | הולכים (holekhim) = gingen | בדרך (baderekh) = onderweg | וידברו (vayedabberu) = en spraken | הנערים (hanne'arim) = de jongens | ביניהם (beneihem) = onder elkaar | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:3: de twee jonge mannen. Zie ook: Gen 22:3 **23:22** Ismaël zei tegen Eliëzer: „Zie, Abraham, mijn vader, gaat Isaak offeren als brandoffer voor Yahweh, zoals Hij hem geboden heeft. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en zei | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אל (el) = tegen | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | הנה (hinneh) = zie | אברהם (avraham) = Abraham | אבי (avi) = mijn vader | הולך (holekh) = gaat | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | להקריבו (lehaqrivo) = om hem te offeren | עולה (oleh) = als brandoffer | ליהוה (laYahweh) = voor Yahweh | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = Hij hem heeft geboden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:23** En als hij terugkomt, zal hij mij alles geven wat van hem is, om het te erven, want ik ben zijn eerstgeboren zoon.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | בשובו (beshuvo) = wanneer hij terugkomt | ונתן (venatan) = dan geeft hij | לי (li) = mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | לרשתו (lerishto) = om het te erven | כי (ki) = want | אני (ani) = ik | בנו (beno) = zijn zoon | בכורו (bekhoro) = zijn eerstgeborene Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:24** Eliëzer antwoordde Ismaël en zei tegen hem: „Heeft Abraham jou en je moeder niet verdreven en gezworen je niets te laten erven van alles wat van hem is? En aan wie zal hij alles geven wat van hem is en al zijn kostbaarheden, dan aan zijn trouwe dienaar in zijn huis? Ik heb hem dag en nacht gediend en alles gedaan wat hij tot mij zei. Aan mij zal hij na zijn dood alles laten erven wat van hem is.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הלא (halo) = immers | אברהם (avraham) = Abraham | גירש (girash) = heeft verdreven | אותך (otekha) = jou | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אמך (immekha) = je moeder | וישבע (vayishava) = en hij zwoer | לבלתי (levilti) = om niet | הוריש (horish) = te laten erven | לך (lekha) = aan jou | מכל (mikkol) = van alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | מאומה (me'umah) = iets | ולמי (ulmi) = en aan wie | יתן (yitten) = zal hij geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | חמודותיו (chamudotav) = zijn kostbaarheden | הלא (halo) = is het niet | לעבדו (la'avdo) = aan zijn dienaar | הנאמן (hanne'eman) = de trouwe | בביתו (beveyto) = in zijn huis | אשר (asher) = die | עבדתיו (avadtiv) = heb ik hem gediend | יומם (yomam) = overdag | ולילה (valaylah) = en 's nachts | ואעש (va'e'eseh) = en ik deed | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | יאמר (yomar) = hij zegt | אליי (elai) = tot mij | כי (ki) = want | לי (li) = aan mij | יוריש (yorish) = laat hij erven | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | אחרי (acharei) = na | מותו (moto) = zijn dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De Satan op de weg **23:25** Terwijl Abraham met Isaak, zijn zoon, op de weg ging, kwam de Satan en nam de gedaante aan van een zeer oude man, ootmoedig en zeer nederig van geest. Hij trad naar Abraham toe en zei tegen hem: „Ben je een dwaas of onverstandig, dat je vandaag dit doet met je zoon, je enige? Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בלכת (belekhet) = toen hij ging | אברהם (avraham) = Abraham | עם (im) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | בדרך (baderekh) = onderweg | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | השטן (hasatan) = de Satan | וידמה (vayiddameh) = en nam de gedaante aan | לאברהם (le'avraham) = voor Abraham | כתואר (kethoar) = als de gedaante van | איש (ish) = een man | זקן (zaqen) = oud | מאוד (me'od) = zeer | עניו (anav) = ootmoedig | ושפל (veshefal) = en nederig van | רוח (ruach) = geest | מאוד (me'od) = zeer | ויגש (vayyigash) = en trad toe | אל (el) = naar | אברהם (avraham) = Abraham | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הכסיל (hakkesil) = ben je een dwaas | או (o) = of | בער (ba'ar) = dom | אתה (attah) = jij | אשר (asher) = dat | אתה (attah) = jij | הולך (holekh) = je gaat | לעשות (la'asot) = te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | היום (hayyom) = vandaag | מבנך (mibbinkha) = met je zoon | יחידך (yechidkha) = je enige Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De verschijningen van de Satan onderweg (vers 25–39) staan niet in Genesis. **23:26** Want Elohim heeft je een zoon gegeven aan het einde van je dagen, in je ouderdom, en je gaat hem vandaag slachten zonder dat hij onrecht gedaan heeft, en je laat de ziel van je zoon, je enige, van de aarde verloren gaan? Brontekst: כי (ki) = want | נתן (natan) = heeft gegeven | לך (lekha) = aan jou | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | בן (ben) = een zoon | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | ימיך (yameykha) = je dagen | לעת (le'et) = in de tijd van | זקנתך (ziqnatekha) = je ouderdom | ותלך (vattelekh) = en je gaat | ותשחטהו (vetishchatehu) = en je gaat hem slachten | היום (hayyom) = vandaag | על (al) = terwijl | לא (lo) = niet | חמס (chamas) = geweld | והאבדת (veha'avadta) = en je laat verloren gaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפש (nefesh) = de ziel van | בנך (bincha) = je zoon | יחידך (yechidkha) = je enige | מן (min) = van | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:27** Weet je dan niet, of heb je niet gehoord, dat dit niet van Yahweh komt? Want Yahweh doet een mens op aarde niet zulk een kwaad, door tegen hem te zeggen: ‘Ga, slacht je zoon.’” Brontekst: הלא (halo) = immers | ידעת (yada'ta) = weet je | אם (em) = of | לא (lo) = niet | שמעת (shamata) = heb je gehoord | כי (ki) = dat | אין (ein) = niet is | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יעשה (ya'aseh) = doet | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לאיש (le'ish) = aan een mens | כרעה (kera'ah) = zulk een kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | בארץ (ba'arets) = op aarde | לאמור (lemor) = zeggend | לו (lo) = tot hem | לך (lekha) = ga | שחוט (shechot) = slacht | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:28** Abraham hoorde dit en wist dat het het woord van de Satan was, die hem van de weg van Yahweh wilde laten dwalen. Maar Abraham wilde niet naar de stem van de Satan luisteren; Abraham bestrafte hem, en hij ging weg. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וידע (vayyeda) = en wist | כי (ki) = dat | דבר (davar) = het woord van | השטן (hasatan) = de Satan | הוא (hu) = dat | אשר (asher) = die | ביקש (biqqesh) = zocht | להתעותו (lehit'oto) = hem te doen dwalen | מדרך (middarekh) = van de weg van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde | אברהם (avraham) = Abraham | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | בקול (bekol) = naar de stem van | השטן (hasatan) = de Satan | ויגער (vayig'ar) = en bestrafte | בו (bo) = hem | אברהם (avraham) = Abraham | וילך (vayelekh) = en ging | לו (lo) = weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:29** De Satan keerde terug en kwam bij Isaak, en hij nam de gedaante aan van een jongeman, mooi van aanzien en zeer fraai. Brontekst: וישב (vayyashev) = en keerde terug | השטן (hasatan) = de Satan | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אצל (etsel) = naar | יצחק (Yitschaq) = Isaak | וידמה (vayiddameh) = en nam de gedaante aan | ליצחק (leyitschaq) = voor Isaak | כתואר (kethoar) = als de gedaante van | איש (ish) = een man | בחור (bachur) = een jongeman | יפה (yafah) = mooi van | תואר (to'ar) = gedaante | ויפה (veyefeh) = en mooi van | מראה (mar'eh) = aanzien | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:30** Hij trad naar Isaak toe en zei tegen hem: „Weet je dan niet, of heb je niet gehoord, dat je oude, dwaze vader je vandaag voor niets komt slachten? Brontekst: ויגש (vayyigash) = en trad toe | אל (el) = naar | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הלא (halo) = immers | ידעת (yada'ta) = weet je | אם (em) = of | לא (lo) = niet | שמעת (shamata) = heb je gehoord | כי (ki) = dat | אביך (avikha) = je vader | הזקן (hazzaqen) = de oude | הכסיל (hakkesil) = de dwaze | הזה (hazzeh) = deze | מביאך (mevi'ekha) = hij brengt je | לשחטך (leshachtekha) = om je te slachten | היום (hayyom) = vandaag | חינם (chinnam) = voor niets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:31** Nu dan, mijn zoon, luister niet naar hem en stem niet met hem in, want de oude man is een dwaas; laat je kostbare ziel en je mooie gestalte niet verloren gaan van de aarde.” Brontekst: עתה (attah) = nu | בני (bnei) = mijn zoon | לא (lo) = niet | תשמע (tishma) = luister | אליו (elav) = naar hem | ולא (velo) = en niet | תאבה (tove) = stem in | לו (lo) = met hem | כי (ki) = want | הזקן (hazzaqen) = de oude | הוא (hu) = hij | כסיל (kesil) = een dwaas | ולא (velo) = en niet | תאבד (te'abbed) = laat verloren gaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשך (nafshekha) = je ziel | היקרה (hayyeqarah) = kostbare | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | תארך (to'arekha) = je gestalte | הנאה (hanna'eh) = de mooie | מן (min) = van | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:32** Isaak hoorde dit en zei tegen Abraham, zijn vader: „Hebt u gehoord, mijn vader, wat deze man tegen mij zei? Zo en zo heeft hij gesproken.” Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = het woord | הזה (hazzeh) = deze | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | השמעת (hashamata) = hebt u gehoord | אבי (avi) = mijn vader | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | דיבר (dibber) = heeft gesproken | אליי (elai) = tot mij | האיש (ha'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | דיבר (dibber) = heeft gesproken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:33** Abraham antwoordde Isaak, zijn zoon, en zei tegen hem: „Wees op je hoede voor hem, luister niet naar zijn woorden en stem niet met hem in, want hij is een Satan voor ons, om ons vandaag af te brengen van de geboden van onze Elohim.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הישמר (hishamer) = wees op je hoede | לך (lekha) = voor jezelf | ממנו (mimmennu) = voor hem | ואל (ve'el) = en niet | תשמע (tishma) = luister | אל (el) = naar | דבריו (devarav) = zijn woorden | ואל (ve'el) = en niet | תאבה (tove) = stem in | לו (lo) = met hem | כי (ki) = want | שטן (satan) = een Satan | הוא (hu) = hij | לנו (lanu) = voor ons | להעבירנו (leha'aviruenu) = om ons af te brengen | ממצות (mimmitsvot) = van de geboden van | אלקינו (eloqenu) = onze Elohim | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:34** Abraham bestrafte de Satan nog eens, en de Satan ging van hen weg. Toen hij zag dat hij hen niet kon overmeesteren, verborg hij zich voor hen, ging hen voor op de weg en werd voor hen als een grote beek vol water op de weg. Abraham en Isaak en zijn twee jongemannen kwamen bij die plaats en zagen een grote, zeer machtige beek met geweldige wateren. Brontekst: ויגער (vayig'ar) = en bestrafte | אברהם (avraham) = Abraham | עוד (od) = nog eens | בשטן (basatan) = de Satan | וילך (vayelekh) = en hij ging | לו (lo) = weg | השטן (hasatan) = de Satan | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg | וירא (vayyera) = en zag | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | יכול (yakhol) = hij kon | להם (lahem) = hen | ויסתר (vayyaster) = en hij verborg | לו (lo) = zich | מפניהם (mippneihem) = voor hen | וילך (vayelekh) = en ging | ויעבור (vaya'avor) = en trok voorbij | לפניהם (lifneihem) = voor hen uit | אל (el) = op | הדרך (haderekh) = de weg | ויהי (vayehi) = en werd | להם (lahem) = voor hen | כנחל (kenachal) = als een beek | גדול (gadol) = grote | מלא (male) = vol | מים (mayim) = water | על (al) = op | הדרך (haderekh) = de weg | ויגיעו (vayagi'u) = en kwamen | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | ושני (ushnei) = en twee | נעריו (na'arav) = zijn jonge mannen | עד (ad) = bij | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | ויראו (vayiru) = en zij zagen | נחל (nachal) = een beek | גדול (gadol) = grote | ועצום (ve'atsum) = en machtig | מאוד (me'od) = zeer | במים (bammayim) = in het water | אדירים (addirim) = geweldige Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De beek **23:35** Zij gingen in de beek en trokken erdoor; het water ging langs hun voeten. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij gingen | בתוך (betokh) = in het midden van | הנחל (hannachal) = de beek | ויעברו (vaya'avru) = en zij trokken erdoor | בו (bo) = erdoor | והמים (vehammayim) = en het water | עוברים (ovrim) = ging | לרגליהם (leraglehem) = langs hun voeten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:36** Zij liepen in die beek steeds verder en zakten weg, en het water reikte tot hun nekken, en zij schrokken allen samen van het water. Terwijl zij door de beek gingen, herkende Abraham die plaats en wist dat er in die plaats geen water was. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij liepen | בנחל (bannachal) = in de beek | ההוא (hahu) = die | הלוך (halokh) = steeds verder | וטבוע (vetavo'a) = en zakten weg | ויגיעו (vayagi'u) = en reikte | המים (hammayim) = het water | עד (ad) = tot | צואריהם (tsavvareyhem) = hun nekken | ויבהלו (vayibbahalu) = en zij schrokken | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | מהמים (min hammayim) = van het water | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הם (hem) = zij | עוברים (ovrim) = gingen | בנחל (bannachal) = door de beek | ויכר (vayakker) = en herkende | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | וידע (vayyeda) = en hij wist | כי (ki) = dat | אין (ein) = niet was | שמה (shemah) = daar | מים (mayim) = water | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:37** Abraham zei tegen Isaak, zijn zoon: „Ik ken deze plaats; er is hier geen beek en geen water. Nu is het deze Satan die ons dit alles aandoet, om ons vandaag af te brengen van de geboden van onze Elohim.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | יודע (yode'a) = ken | אני (ani) = ik | את (et) = (lijdend voorwerp) | המקום (hammaqom) = de plaats | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | אין (ein) = niet is | בו (bo) = daarin | לו (lo) = er | נחל (nachal) = een beek | ולא (velo) = en niet | מים (mayim) = water | עתה (attah) = nu | השטן (hasatan) = de Satan | הוא (hu) = dat is | אשר (asher) = die | יעשה (ya'aseh) = doet | לנו (lanu) = aan ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אלה (elleh) = dit | להעביר (leha'avir) = af te brengen | אותנו (otanu) = ons | ממצוות (mimmitsvot) = van de geboden van | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:38** Abraham bestrafte hem en zei tegen hem: „Yahweh bestraffe jou, Satan! Ga weg van ons, want wij gaan op de geboden van onze Elohim.” Brontekst: ויגער (vayig'ar) = en bestrafte | אברהם (avraham) = Abraham | בשטן (basatan) = de Satan | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | יגער (yig'ar) = bestraffe | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בך (bekha) = jou | השטן (hasatan) = Satan | לך (lekha) = ga | נא (na) = toch | מעלינו (me'aleinu) = van ons weg | כי (ki) = want | במצות (bemitsvot) = in de geboden van | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | הלכנו (halakhnu) = wij gaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:39** De Satan vreesde voor de stem van Abraham en ging van hen weg, en die plaats werd weer droog land zoals zij in het begin geweest was. Brontekst: ויפחד (vayifchad) = en vreesde | השטן (hasatan) = de Satan | מקול (miqqol) = voor de stem van | אברהם (avraham) = Abraham | וילך (vayelekh) = en hij ging | לו (lo) = weg | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg | וישב (vayyashev) = en werd weer | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | ליבשה (leyabbashah) = tot droog land | כאשר (ka'asher) = zoals | היה (hayah) = het was | בתחילה (battechillah) = in het begin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:40** Abraham en Isaak gingen verder naar de plaats die Elohim hem genoemd had. Brontekst: וילך (vayelekh) = en ging | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | אל (el) = naar | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | אמר (amar) = had gezegd | לו (lo) = tegen hem | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De berg van Yahweh **23:41** Op de derde dag sloeg Abraham zijn ogen op en zag de plaats die Elohim hem genoemd had van ver. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השלישי (hashelishi) = de derde | וישא (vayissa) = en sloeg op | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניו (einav) = zijn ogen | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | אמר (amar) = had gezegd | לו (lo) = tegen hem | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | מרחוק (merachoq) = van verre Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:4. Zie ook: Gen 22:4 **23:42** Hij zag daarop een pilaar van vuur van de aarde tot de hemel, en een zware wolk op de berg, en de heerlijkheid van Yahweh in de wolk. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | עליו (alav) = daarop | עמוד (ammud) = pilaar van | אש (esh) = vuur | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = de aarde | ועד (ve'ad) = en tot | השמים (hashamayim) = de hemel | וענן (ve'anan) = en wolk | כבד (kaved) = zware | על (al) = op | ההר (hahar) = de berg | וכבוד (vekhavod) = en heerlijkheid | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בענן (be'anan) = in de wolk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:4; de vuurkolom en de wolk staan niet in Genesis, maar zie Exod. 13:21. Zie ook: Gen 22:4; Ex 13:21 **23:43** Abraham zei tegen Isaak, zijn zoon: „Zie je op die berg, die wij van ver zien, wat ik daarop zie?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | הראית (hare'ita) = zie je | בהר (bahar) = op de berg | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = die | אנחנו (anachnu) = wij | רואים (ro'im) = zien | מרחוק (merachoq) = van ver | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | אני (ani) = ik | רואה (ro'eh) = zie | עליו (alav) = daarop Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:44** Isaak antwoordde en zei tegen zijn vader: „Ik zie, en zie: een pilaar van vuur en een wolk, en de pilaar van Yahweh is erin te zien, in de wolk daarboven.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | ראיתי (ra'iti) = ik zie | והנה (vehinneh) = en zie | עמוד (ammud) = pilaar van | אש (esh) = vuur | וענן (ve'anan) = en wolk | ועמוד (ve'ammud) = en de pilaar van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | נראה (nir'ah) = is te zien | בענן (be'anan) = in de wolk | עליו (alav) = daarboven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:45** Abraham wist dat Isaak, zijn zoon, als brandoffer aanvaard was voor Yahweh. Brontekst: וידע (vayyeda) = en hij wist | אברהם (avraham) = Abraham | כי (ki) = dat | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | נרצה (nirtseh) = aanvaard was | לעולה (le'olah) = als brandoffer | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:46** Abraham zei tegen Eliëzer en tegen Ismaël, zijn zoon: „Hebben jullie ook gezien wat wij op die berg van ver gezien hebben?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = tot | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | ואל (ve'el) = en tegen | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בנו (beno) = zijn zoon | הראיתם (hare'item) = hebben jullie gezien | גם (gam) = ook | אתם (ittam) = jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | בהר (bahar) = op de berg | ההוא (hahu) = die | מרחוק (merachoq) = van ver Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:47** Zij antwoordden en zeiden: „Wij hebben niets gezien dan een berg zoals de bergen op de aarde.” Abraham wist dat zij niet aanvaard waren voor Yahweh om met hen mee te gaan. Hij zei tegen hen: „Blijf hier met de ezel, en ik en Isaak, mijn zoon, gaan naar die berg, en wij zullen ons daar neerbuigen en naar jullie terugkeren.” Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לא (lo) = niet | ראינו (ra'inu) = hebben wij gezien | דבר (davar) = iets | רק (raq) = dan | הר (har) = een berg | כהרי (kehare) = zoals de bergen | על (al) = op | הארץ (ha'arets) = de aarde | ראינו (ra'inu) = hebben wij gezien | וידע (vayyeda) = en hij wist | אברהם (avraham) = Abraham | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | נרצה (nirtseh) = aanvaard waren | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ללכת (lalekhet) = te gaan | עימהם (immahem) = met hen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | אברהם (avraham) = Abraham | שבו (shavu) = blijf | לכם (lakhem) = jullie | פה (peh) = hier | עם (im) = met | החמור (hachamor) = de ezel | ואני (va'ani) = en ik | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | בני (bnei) = mijn zoon | נלכה (nelkhah) = gaan wij | לנו (lanu) = heen | עד (ad) = tot | ההר (hahar) = de berg | ההוא (hahu) = die | ונשתחווה (venishtachaveh) = en buigen wij ons neer | שם (shem) = daar | ונשובה (venashuvah) = en keren terug | אליכם (aleikhem) = naar jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:5. Zie ook: Gen 22:5 **23:48** Eliëzer en Ismaël bleven daar op die plaats, zoals Abraham hun geboden had. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en zij bleven | שמה (shemah) = daar | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | כאשר (ka'asher) = zoals | ציום (tsivvam) = had geboden | אברהם (avraham) = Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:49** Abraham nam hout voor het brandoffer en legde het op Isaak, zijn zoon; zij namen het vuur en het mes en gingen beiden naar die plaats. Brontekst: ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | לקח (laqach) = nam | עצים (etsim) = hout | לעולה (le'olah) = als brandoffer | וישימו (vayasimu) = en zij legden | על (al) = op | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | האש (ha'esh) = het vuur | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | המאכלת (hamma'akhelet) = het mes | וילכו (vayelkhu) = en gingen | שניהם (shenehem) = beiden | אל (el) = naar | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:6. Zie ook: Gen 22:6 ### Isaak en Abraham **23:50** Terwijl zij gingen, zei Isaak tegen zijn vader: „Zie, het vuur en het hout zijn bij ons, maar waar is het lam om voor Yahweh als brandoffer te offeren?” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בלכתם (belekhtam) = terwijl zij gingen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | הנה (hinneh) = zie | אש (esh) = vuur | והעצים (veha'etsim) = en het hout | איתנו (ittanu) = bij ons | ואיה (ve'ayyeh) = maar waar is | השה (hasseh) = het lam | להקריב (lehaqriv) = om te offeren | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לעולה (le'olah) = als brandoffer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:7–8. Zie ook: Gen 22:7–8 **23:51** Abraham antwoordde Isaak, zijn zoon: „Mijn zoon, jou heeft Yahweh uitgekozen om Hem een brandoffer te zijn zonder gebrek, in plaats van het lam.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | לאמור (lemor) = zeggend | בני (bnei) = mijn zoon | בך (bekha) = jou | בחר (bachar) = heeft gekozen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להיות (lihyot) = te zijn | לו (lo) = voor Hem | לעולה (le'olah) = als brandoffer | תמימה (temimah) = zonder gebrek | תחת (tachat) = in plaats van | השה (hasseh) = het lam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:52** Isaak zei tegen zijn vader: „Alles wat Yahweh tot u gesproken heeft, zal ik doen met vreugde en met een goed hart.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | דיבר (dibber) = heeft gesproken | אליך (elekha) = tot u | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אנוכי (anokhi) = ik | אעשה (e'eseh) = zal ik doen | בשמחה (besimchah) = met vreugde | ובטוב (uvtov) = en met een goed | לב (lev) = het hart van Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:53** Abraham zei nog tegen Isaak, zijn zoon: „Is er in je hart een gedachte of een plan hierover dat niet goed is? Zeg het mij toch, mijn zoon; verberg het niet voor mij.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | עוד (od) = nog | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | היש (hayesh) = is er | בלבך (belivkha) = in je hart | מחשבת (machshevet) = een gedachte van | דבר (davar) = zaak | בזה (bazeh) = hierover | או (o) = of | עצה (etsah) = een plan | אשר (asher) = dat | איננה (enennah) = niet is | נכונה (nekhonah) = juist | הגד (hagged) = vertel | נא (na) = toch | לי (li) = mij | בני (bnei) = mijn zoon | אל (el) = niet | תכחד (takhched) = verberg | ממני (mimmenni) = van mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:54** Isaak antwoordde Abraham, zijn vader, en zei tegen hem: „Zo waar Yahweh leeft, mijn vader, en mijn ziel leeft: er is niets in mijn hart om rechts of links af te wijken van het woord dat Yahweh tot u gesproken heeft. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | חי (chai) = leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אבי (avi) = mijn vader | וחי (vechay) = en leeft | נפשי (nafshi) = mijn ziel | אם (em) = indien | יש (yesh) = is er | בלבי (belibbi) = in mijn hart | להימין (lehimin) = naar rechts af te wijken | ולהשמיל (ulehasmil) = of naar links | על (al) = van | הדבר (haddavar) = het woord | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = heeft gesproken | אליך (elekha) = tot u | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:55** Ook geen been van mijn gebeente en geen vlees van mijn vlees heeft zich bewogen of verroerd bij dit woord, en ook is er in mijn hart geen enkele gedachte of boos plan hierover. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | עצם (etsem) = een been | מעצמי (me'atsmi) = van mijn gebeente | ובשר (uvesar) = en vlees | מבשרי (mibbesari) = van mijn vlees | לא (lo) = niet | זע (za) = heeft bewogen | ולא (velo) = en niet | נד (nad) = verroerd | מהדבר (min haddavar) = van het woord | הזה (hazzeh) = dit | וגם (vegam) = en ook | מחשבת (machshevet) = gedachte van | כל (kol) = alle | דבר (davar) = enige | או (o) = of | עצה (etsah) = een plan | רעה (ra'ah) = boos | אין (ein) = is niet | בלבי (belibbi) = in mijn hart | בדבר (bedabber) = over de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:56** Integendeel: ik heb een blij hart en een goede ziel in het woord van Yahweh; ik heb alleen gezegd: ‘Gezegend zij Yahweh, die mij vandaag heeft uitgekozen tot brandoffer voor Hem.’” Brontekst: כי (ki) = maar | אם (em) = wel | לב (lev) = een hart van | שמח (sameach) = blij | וטוב (vetov) = en goed | נפש (nefesh) = ziel | אני (ani) = ik | בדבר (bedabber) = in het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אך (akh) = alleen | אמרתי (imrati) = heb ik gezegd | ברוך (barukh) = gezegend | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | חפץ (chafets) = behagen had | בי (bi) = in mij | היום (hayyom) = vandaag | לעולה (le'olah) = als brandoffer | לפניו (lefanav) = voor Hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:57** Abraham verheugde zich zeer over de woorden van Isaak, en zij gingen beiden verder en kwamen op die plaats die Yahweh genoemd had. Brontekst: וישמח (vayismach) = en hij verheugde zich | אברהם (avraham) = Abraham | מאוד (me'od) = zeer | בדברי (bedivrei) = over de woorden van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | יילכו (yelekhu) = en zij gingen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | שניהם (shenehem) = beiden | אל (el) = naar | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het altaar **23:58** Abraham trad toe om het altaar te bouwen op die plaats. Abraham bouwde, en Isaak gaf hem stenen en leem aan, tot zij het altaar klaar hadden gebouwd. Brontekst: ויגש (vayyigash) = en trad toe | אברהם (avraham) = Abraham | לבנות (livnot) = te bouwen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המזבח (hammizbeach) = het altaar | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | ויהי (vayehi) = en was | אברהם (avraham) = Abraham | בונה (boneh) = bouwde | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | יתן (yitten) = gaf | בידו (beyado) = hem aan | אבנים (avanim) = stenen | וחומר (vechomer) = en leem | עד (ad) = tot | אשר (asher) = dat | כלו (kalu) = zij klaar waren | לבנות (livnot) = te bouwen | המזבח (hammizbeach) = het altaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:9. Zie ook: Gen 22:9 **23:59** Abraham nam het hout en legde het in orde op dat altaar dat hij gebouwd had. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | העצים (ha'etsim) = het hout | ויערכו (vaya'archu) = en zij legden in orde | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = die | בנה (Benah) = hij had gebouwd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:60** Hij nam Isaak, zijn zoon, en bond hem, om hem op het hout te leggen dat op het altaar was, om hem te slachten als brandoffer voor Yahweh. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | ויאסרהו (vaye'esrehu) = en bond hem | לשומו (lesumo) = om hem te leggen | על (al) = op | העצים (ha'etsim) = het hout | אשר (asher) = dat | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | לשוחטו (leshochato) = om hem te slachten | לעולה (le'olah) = als brandoffer | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:9. Zie ook: Gen 22:9 **23:61** Isaak zei tegen zijn vader: „Mijn vader, bind mij zeer sterk, en bind mij vast, en leg mij dan pas op het altaar, anders keer ik me om, beweeg ik, en ruk ik me los uit de kracht van het mes in mijn vlees, en ontwijd ik het brandoffer.” En Abraham deed zo. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | אבי (avi) = mijn vader | קשרני (qeshereni) = bind mij | מאוד (me'od) = zeer | וקשור (veqshor) = en bind vast | אותי (oti) = mij | ואחר (ve'achar) = en daarna | תשימני (tesimeni) = leg mij | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | פן (pen) = anders | אשוב (ashuv) = keer ik me om | ואנוע (ve'anua) = beweeg ik | ואנתק (ve'anatteq) = en ruk ik me los | מחזקת (mechezqat) = uit de kracht van | המאכלת (hamma'akhelet) = het mes | אשר (asher) = die | בבשרי (bivsari) = in mijn vlees | ואחלל (ve'achallel) = en ontwijd ik | את (et) = (lijdend voorwerp) | קורבן (qorban) = het offer van | העולה (ha'olah) = het brandoffer | ויעש (vayya'as) = en deed | אברהם (avraham) = Abraham | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:62** Isaak zei nog tegen zijn vader: „Mijn vader, wanneer u mij geslacht en tot brandoffer verbrand hebt, neem dan wat van mijn as overblijft mee en breng het naar Sarah, mijn moeder. Zeg tegen haar: ‘Dit is voor Isaak een geur.’ Maar zeg dit woord niet tegen haar wanneer zij bij een put zit of op een hoge plaats, anders werpt zij zich op mij neer en sterft zij.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | עוד (od) = nog | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | אבי (avi) = mijn vader | בעת (be'et) = in de tijd | אשר (asher) = dat | תשחטני (tishchateni) = u mij slacht | ותשרפני (vetisrefeni) = en mij verbrandt | לעולה (le'olah) = als brandoffer | קח (qach) = neem | עמך (immekha) = met u | הנשאר (hannish'ar) = wat overblijft | מאפרי (me'efri) = van mijn as | והבאת (vahavetah) = en breng | לשרה (lesarah) = naar Sarah | אמי (immi) = mijn moeder | ואמרת (ve'amarta) = en zeg | אליה (eleha) = haar | זה (ze) = dit is | ליצחק (leyitschaq) = voor Isaak | ריח (reach) = een geur | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | תדבר (tedabber) = spreek | אליה (eleha) = haar | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | בשבתה (beshivtah) = wanneer zij zit | לפני (lifnei) = bij | באר (be'er) = een put | או (o) = of | במקום (bamaqom) = op een plaats | גבוה (gavoah) = hoge | פן (pen) = anders | תשליך (tashlikh) = werpt zij | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשה (nafshah) = haar ziel | עליי (alay) = op mij | ותמות (vetamut) = en sterft zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:63** Abraham hoorde de woorden van Isaak, verhief zijn stem en weende bij deze woorden van Isaak, en de tranen van Abraham vielen op Isaak, zijn zoon. Ook Isaak weende zeer en zei tegen zijn vader: „Haast u, mijn vader, spoed u, en doe met mij de wil van Yahweh, onze Elohim, zoals Hij u geboden heeft.” Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = de woorden van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | וישא (vayissa) = en verhief | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | קולו (qolo) = zijn stem | ויבך (vayevk) = en weende | בדבר (bedabber) = bij de woorden van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | וירדו (vayerdu) = en vielen | דמעות (dim'ot) = de tranen van | אברהם (avraham) = Abraham | על (al) = op | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | וגם (vegam) = en ook | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בכה (bakhah) = weende | מאוד (me'od) = zeer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | מהרה (maherah) = haast u | חושה (chushah) = spoed u | אבי (avi) = mijn vader | ועשה (ve'asah) = en doe | בי (bi) = met mij | רצון (ratson) = de wil van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | כאשר (ka'asher) = zoals | צוך (tsivvekha) = Hij u geboden heeft Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:64** Het hart van Abraham en Isaak was blij over deze zaak die Yahweh hun geboden had, maar het oog weende bitter terwijl het hart blij was. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | לב (lev) = het hart van | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | שמח (sameach) = blij | בדבר (bedabber) = over de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | ציום (tsivvam) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אך (akh) = maar | עין (ayin) = het oog | במר (bemar) = in bitterheid | תבכה (tivkeh) = weende | ולב (valev) = terwijl het hart | שמח (sameach) = blij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:65** Abraham bond Isaak, zijn zoon, en legde hem op het altaar boven op het hout, en Isaak strekte zijn nek uit voor zijn vader op het altaar. Abraham strekte zijn hand uit om het mes te nemen, om zijn zoon op het altaar als brandoffer te slachten. Brontekst: ויעקוד (vaya'aqod) = en bond | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | וישם (vayasem) = en legde | אותו (oto) = hem | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | ממעל (mima'al) = boven | לעצים (la'etsim) = op het hout | ויפשוט (vayifshot) = en strekte uit | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | צוארו (tsavvaro) = zijn nek | לפני (lifnei) = voor | אביו (aviv) = zijn vader | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | וישלח (vayishlach) = en strekte uit | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידו (yado) = zijn hand | לקחת (laqachat) = te nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המאכלת (hamma'akhelet) = het mes | לשחוט (lishchot) = te slachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנו (beno) = zijn zoon | לעולה (le'olah) = als brandoffer | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:9–10. Zie ook: Gen 22:9–10 ### De engelen van barmhartigheid **23:66** In die tijd kwamen de engelen van barmhartigheid voor Yahweh en spraken tot Hem om Isaak met de woorden: Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij traden toe | מלאכי (mal'akhei) = de engelen van | רחמים (rachamim) = barmhartigheid | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | אליו (elav) = tot Hem | בעבור (ba'avur) = om | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לאמור (lemor) = zeggend Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:67** „Ach Yahweh, U bent een barmhartige en genadige Koning over alles wat U geschapen hebt in de hemel en op de aarde, en U laat hen allen leven. Geef losgeld en verlossing in plaats van Isaak, Uw dienaar, wees genadig en ontferm U over Abraham en over Isaak, zijn zoon, die vandaag Uw woord gedaan hebben. Brontekst: אנא (anna) = ach | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מלך (malakh) = Koning | רחום (rachum) = barmhartige | וחנון (vechannun) = en genadige | אתה (attah) = U | על (al) = over | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | בראת (barata) = U geschapen hebt | בשמים (bashamayim) = in de hemel | ובארץ (uva'arets) = en op de aarde | ואתה (ve'attah) = en U | מחיה (mechayyeh) = laat leven | את (et) = (lijdend voorwerp) | כולם (kullam) = allen | תנה (tenah) = geef | כופר (kofer) = losgeld | ופדיון (ufidyon) = en verlossing | תחת (tachat) = in plaats van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | עבדך (avdekha) = Uw dienaar | וחון (vechun) = en wees genadig | ורחם (verachem) = en ontferm U | על (al) = over | אברהם (avraham) = Abraham | ועל (ve'al) = en over | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | אשר (asher) = die | עשו (asu) = gedaan hebben | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברך (devarekha) = Uw woord | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:68** Hebt U gezien, Yahweh, dat Isaak, de zoon van Abraham, Uw dienaar, gebonden en vastgebonden ligt voor het offer op het altaar, als een dier? Laat nu Uw ontferming over hen opwellen, Yahweh.” Brontekst: הראית (hare'ita) = hebt U gezien | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = dat | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | עבדך (avdekha) = Uw dienaar | עקוד (aqud) = gebonden | וקשור (veqshor) = en vastgebonden | לזבח (lazevach) = voor het offer | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | כבהמה (kivhemah) = als een dier | עתה (attah) = nu | יהמו (yehemu) = mogen opwellen | נא (na) = toch | רחמיך (rachameykha) = Uw ontferming | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De ram **23:69** In die tijd verscheen Yahweh aan Abraham, riep hem toe vanuit de hemel en zei tegen hem: **„Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat je Elohim vreest, doordat je dit gedaan hebt en je zoon, je enige, niet voor Mij hebt achtergehouden.”** Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | נראה (nir'ah) = verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | אברהם (avraham) = Abraham | ויקרא (vayikra) = en riep | אליו (elav) = tot hem | מן (min) = uit | השמים (hashamayim) = de hemel | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אל (el) = niet | תשלח (tishlach) = strek uit | ידך (yadekha) = je hand | אל (el) = naar | הנער (hanna'ar) = de jongen | ואל (ve'el) = en niet | תעש (ta'as) = doe | לו (lo) = hem | מאומה (me'umah) = iets | כי (ki) = want | עתה (attah) = nu | ידעתי (yada'ti) = weet Ik | כי (ki) = dat | ירא (yere) = vreest | אלוקים (Elohim) = Elohim | אתה (attah) = jij | בעשותך (ba'asotkha) = doordat je deed | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ולא (velo) = en niet | חשכת (chasakhta) = hebt achtergehouden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | את (et) = (lijdend voorwerp) | יחידך (yechidkha) = je enige | ממני (mimmenni) = voor Mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:11–12. In Genesis roept de engel van Yahweh; hier verschijnt Yahweh zelf en spreekt. De woorden zijn rood gedrukt. Zie ook: Gen 22:11–12 **23:70** Abraham sloeg zijn ogen op en zag, en zie: een ram zat vast met zijn horens in het struikgewas. Dat was de ram die Yahweh Elohim op aarde geschapen had op de dag dat Hij aarde en hemel maakte. Brontekst: וישא (vayissa) = en hief op | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניו (einav) = zijn ogen | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | איל (ayil) = een ram | נאחז (ne'echaz) = vastzat | בסבך (bassevakh) = in het struikgewas | בקרניו (beqarnav) = met zijn horens | הוא (hu) = dat was | האיל (ha'ayil) = de ram | אשר (asher) = die | ברא (bara) = geschapen had | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | בארץ (ba'arets) = op aarde | ביום (beyom) = op de dag | עשותו (asoto) = dat Hij maakte | ארץ (erets) = de aarde | ושמים (veshamayim) = en hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:13. Zie ook: Gen 22:13 **23:71** Yahweh Elohim had dat lam bereid vanaf die dag en verder, om in plaats van Isaak een brandoffer te zijn. Brontekst: ויכן (vayyakhen) = en bereidde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכבש (hakkevesh) = het lam | ההוא (hahu) = die | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | להיותו (lihyoto) = om te zijn | תחת (tachat) = in plaats van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לעולה (le'olah) = als brandoffer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:72** Die ram kwam steeds dichter naar Abraham toe, maar de Satan greep hem vast en verstrikte zijn horens in het struikgewas, zodat hij niet bij Abraham kon komen, opdat Abraham zijn zoon zou slachten. Brontekst: והאיל (veha'ayil) = en de ram | ההוא (hahu) = die | הלוך (halokh) = steeds | וקרב (veqarev) = en naderend | לפני (lifnei) = naar | אברהם (avraham) = Abraham | ויאחז (vaye'echaz) = greep vast | בו (bo) = hem | השטן (hasatan) = de Satan | ויסבך (vayesabbekh) = en verstrikte | את (et) = (lijdend voorwerp) | קרניו (qarnav) = zijn horens | בסבך (bassevakh) = in het struikgewas | לבלתי (levilti) = zodat niet | קרב (qerav) = hij naderde | אל (el) = bij | אברהם (avraham) = Abraham | למען (lema'an) = opdat | אשר (asher) = (opdat) | ישחט (yishchat) = zou slachten | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:73** Abraham zag die ram steeds dichter naar zich toe komen, terwijl de Satan hem tegenhield. Abraham ging, nam hem en bracht hem voor het altaar, maakte Isaak, zijn zoon, los van zijn binding en zette die ram in zijn plaats. Abraham slachtte de ram op het altaar en offerde hem als brandoffer in plaats van Isaak, zijn zoon. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיל (ha'ayil) = de ram | ההוא (hahu) = die | הולך (holekh) = kwam | וקרב (veqarev) = en naderend | לפני (lifnei) = naar | אברהם (avraham) = Abraham | והשטן (vehasatan) = terwijl de Satan | יחדלנו (yachdelenu) = hield hem tegen | וילך (vayelekh) = en ging | אברהם (avraham) = Abraham | ויקחהו (vayiqqachehu) = en nam hem | ויביאהו (vayevi'ehu) = en hij bracht hem | לפני (lifnei) = voor | המזבח (hammizbeach) = het altaar | ויתר (veyeter) = en maakte los | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | ממאסרו (mimma'asaro) = van zijn binding | וישם (vayasem) = en zette | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיל (ha'ayil) = de ram | ההוא (hahu) = die | וישחט (vayishchat) = en slachtte | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיל (ha'ayil) = de ram | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | ויעלהו (vaya'alehu) = en offerde hem | לעולה (le'olah) = als brandoffer | תחת (tachat) = in plaats van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:13. Zie ook: Gen 22:13 **23:74** Abraham sprenkelde van het bloed van de ram op het altaar, riep en zei: „Dit is in plaats van mijn zoon, en dit moge vandaag gerekend worden als het bloed van mijn zoon voor Yahweh.” Brontekst: ויז (vayaz) = en sprenkelde | אברהם (avraham) = Abraham | מדם (middam) = van het bloed van | האיל (ha'ayil) = de ram | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | ויקרא (vayikra) = en riep | ויאמר (vayomer) = en hij zei | זה (ze) = dit | תחת (tachat) = in plaats van | בני (bnei) = mijn zoon | וזה (vezeh) = en dit | יחשב (yechashev) = worde gerekend | היום (hayyom) = vandaag | כדם (kedam) = als het bloed van | בני (bnei) = mijn zoon | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:75** Bij alles wat Abraham met dat lam op het altaar deed, riep hij en zei: „Dit is in plaats van mijn zoon, en dit moge vandaag voor Yahweh gerekend worden voor mijn zoon.” Abraham voltooide heel de dienst op het altaar, en de dienst werd aanvaard voor Yahweh en gerekend als Isaak, en Yahweh zegende Abraham en zijn nageslacht op die dag. Brontekst: והיה (vehayah) = en het was | כל (kol) = alle | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | יעשה (ya'aseh) = deed | אברהם (avraham) = Abraham | בכבש (bakkevesh) = met het lam | ההוא (hahu) = die | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | וקרא (veqara) = en riep | ואמר (ve'amar) = en zei | זה (ze) = dit | תחת (tachat) = in plaats van | בני (bnei) = mijn zoon | וזה (vezeh) = en dit | יחשב (yechashev) = worde gerekend | היום (hayyom) = vandaag | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = voor | בני (bnei) = mijn zoon | ויכל (vayekhal) = en voltooide | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | העבודה (ha'avodah) = de dienst | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | ותרצה (vetirtsah) = en werd aanvaard | העבודה (ha'avodah) = de dienst | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ותחשב (vetechashev) = en werd gerekend | כיצחק (keyitschaq) = als Isaak | ויברך (vayevarekh) = en hij zegende | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | זרעו (zar'u) = zijn nageslacht | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De Satan bij Sarah **23:76** De Satan ging naar Sarah en nam voor haar de gedaante aan van een zeer oude man, nederig en zeer ootmoedig, terwijl Abraham nog bezig was het brandoffer voor Yahweh te offeren. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | השטן (hasatan) = de Satan | אל (el) = naar | שרה (sarah) = Sarah | וידמה (vayiddameh) = en nam de gedaante aan | אליה (eleha) = voor haar | כתואר (kethoar) = als de gedaante van | איש (ish) = een man | זקן (zaqen) = oud | שפל (shafal) = nederig | ועניו (ve'anav) = en ootmoedig | מאוד (me'od) = zeer | ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | עודנו (odenu) = nog | מקריב (maqriv) = offerend | העולה (ha'olah) = het brandoffer | ליהוה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De Satan bij Sarah en haar dood (vers 76–90) staan niet in Genesis; zie Gen. 23:1–2. Zie ook: Gen 23:1–2 **23:77** Hij zei tegen haar: „Weet je dan niet alles wat Abraham vandaag met Isaak, je zoon, gedaan heeft? Want hij nam Isaak, bouwde een altaar, slachtte hem en offerde hem op het altaar; en Isaak schreeuwde en weende voor zijn vader, maar niemand keek naar hem om en niemand had medelijden met hem.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | הלא (halo) = is het niet | ידעת (yada'ta) = weet je | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | המעשה (hamma'aseh) = het werk | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = heeft gedaan | אברהם (avraham) = Abraham | ליצחק (leyitschaq) = met Isaak | בנך (bincha) = je zoon | היום (hayyom) = vandaag | כי (ki) = want | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויבן (vayiven) = en bouwde | מזבח (mizbeach) = een altaar | וישחטהו (vayishchatehu) = en slachtte hem | ויקריב (vayaqriv) = en offerde | אותו (oto) = hem | על (al) = op | המזבח (hammizbeach) = het altaar | ויהי (vayehi) = en was | יצחק (Yitschaq) = Isaak | צועק (tso'eq) = schreeuwde | ובוכה (uvokheh) = en weende | לפני (lifnei) = voor | אביו (aviv) = zijn vader | ואין (veein) = maar niemand | מביט (mabbit) = keek | אליו (elav) = naar hem | ואין (veein) = en niemand | מרחם (merachem) = had medelijden | עליו (alav) = met hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:78** De Satan sprak deze woorden nog meermalen tot Sarah en ging van haar weg. Sarah hoorde alle woorden van de Satan en dacht dat het een oude man was van de mensenkinderen, die bij haar zoon was geweest en gekomen was om haar dit te vertellen. Brontekst: וידבר (vayedabber) = en sprak | השטן (hasatan) = de Satan | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | עוד (od) = nog | לשרה (lesarah) = tot Sarah | פעמים (pe'amim) = meermalen | וילך (vayelekh) = en hij ging | לו (lo) = weg | מלפניה (millefaneyha) = van haar | ותשמע (vattishma) = en hoorde | שרה (sarah) = Sarah | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | השטן (hasatan) = de Satan | ותחשוב (vattachshov) = en dacht | כי (ki) = dat | איש (ish) = een man | זקן (zaqen) = oud | הוא (hu) = was | מבני (mibbnei) = een van de zonen van | האדם (ha'adam) = de mensen | אשר (asher) = die | היה (hayah) = was | אצל (etsel) = bij | בנה (Benah) = haar zoon | ויבא (vayavo) = en gekomen | ויגד (vayyaged) = en vertelde | לה (lah) = haar | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:79** Sarah verhief haar stem, weende en schreeuwde bitter om haar zoon; zij wierp zich op de grond en strooide stof op haar hoofd, en zei: „Mijn zoon Isaak, mijn zoon, kon ik maar vandaag in jouw plaats sterven!” Brontekst: ותשא (vatissa) = en verhief | שרה (sarah) = Sarah | את (et) = (lijdend voorwerp) | קולה (qolah) = haar stem | ותבך (vatevk) = en weende | ותצעק (vatits'aq) = en schreeuwde | צעקה (tse'aqah) = kreet | גדולה (gedolah) = grote | ומרה (umarah) = en bittere | על (al) = om | בנה (Benah) = haar zoon | ותפל (vatippol) = en wierp | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשה (nafshah) = zich | לארץ (la'arets) = ter aarde | ותזרוק (vatizroq) = en strooide | עפר (afar) = stof | על (al) = op | ראשה (rosha) = haar hoofd | ותאמר (vatomer) = en zei | בני (bnei) = mijn zoon | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בני (bnei) = mijn zoon | מי (mi) = wie | יתן (yitten) = geeft | מותי (muti) = mijn sterven | אני (ani) = ik | תחתיך (tachteykha) = in jouw plaats | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:80** Zij bleef nog wenen en zei: „Het doet mij pijn om jou, omdat ik je groot heb gebracht en gekoesterd heb; nu is mijn vreugde over jou veranderd in rouw. Ik verlangde naar je met geroep en gebed, tot ik je baarde op mijn negentigste jaar, en nu ben je vandaag voor het mes en het vuur een deel geworden. Brontekst: ותוסף (vattosef) = en voegde toe | עוד (od) = nog | לבכות (livkot) = te wenen | ותאמר (vatomer) = en zei | צר (tsar) = het is benauwd | לי (li) = mij | עליך (aleikha) = om jou | כי (ki) = omdat | גדלתיך (gidaltikha) = ik heb je grootgebracht | וטפחתיך (vetippachtikha) = en gekoesterd | ויהפך (vayyahafokh) = en is veranderd | ששוני (sesoni) = mijn vreugde | עליך (aleikha) = over jou | לאבל (le'evel) = in rouw | כי (ki) = want | היתה (hayetah) = was | תאותי (ta'avati) = mijn verlangen | אליך (elekha) = naar jou | לצעקה (letse'aqah) = met geroep | ותפילה (utfillah) = en gebed | עד (ad) = tot | אשר (asher) = dat | ילדתיך (yaladtikha) = ik je baarde | לתשעים (lit'im) = op negentig | שנה (shanah) = jaar | ועתה (ve'attah) = en nu | היית (hayita) = je bent geworden | למאכלת (lamma'akhelet) = voor het mes | ולאש (vela'esh) = en het vuur | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | למנה (lemanah) = tot een deel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:81** Maar ik troost mij over jou, mijn zoon, met het woord van Yahweh, want je hebt het gebod van je Elohim gedaan; want wie kan het woord van onze Elohim overtreden, in wiens hand de ziel van al wat leeft is? Brontekst: אך (akh) = maar | מתנחמת (mitnachemet) = troost | אנוכי (anokhi) = ik | עליך (aleikha) = over jou | בדבר (bedabber) = met het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בני (bnei) = mijn zoon | כי (ki) = want | מצות (mitsvat) = het gebod van | אלוקיך (elohekha) = je Elohim | עשית (asita) = je hebt gedaan | כי (ki) = want | מי (mi) = wie | יוכל (yukhal) = kan | לעבור (la'avor) = overtreden | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = het woord van | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | אשר (asher) = wie | נפש (nefesh) = de ziel van | כל (kol) = al | חי (chai) = wat leeft | בידו (beyado) = in Zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:82** U bent rechtvaardig, Yahweh, onze Elohim, want al Uw werken zijn goed en recht; ook ik ben blij met Uw woord dat U geboden hebt, al weent mijn oog bitter, mijn hart is blij.” Brontekst: צדיק (tsaddiq) = rechtvaardig | אתה (attah) = U | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | כי (ki) = want | כל (kol) = al | מעשיך (ma'asekha) = Uw werken | טובים (tovim) = goed | וישרים (veyesharim) = en recht | כי (ki) = want | שמחה (semechah) = blij | גם (gam) = ook | אני (ani) = ik | בדברך (bidvarekha) = met Uw woord | אשר (asher) = dat | ציוית (tsiviyta) = U geboden hebt | אך (akh) = al | עיני (eni) = mijn oog | במר (bemar) = bitter | תבכה (tivkeh) = weent | ולב (valev) = mijn hart | שמח (sameach) = is blij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:83** Sarah legde haar hoofd aan de borst van een van haar slavinnen, en daarna werd zij stil als een steen. Brontekst: ותיתן (vattitten) = en zij legde | שרה (sarah) = Sarah | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראשה (rosha) = haar hoofd | בחיק (bechek) = aan de borst van | אחת (achat) = een van | משפחותיה (shifchotehah) = haar slavinnen | אחר (acher) = daarna | כן (ken) = zo | ותדום (vatiddom) = en werd stil | כאבן (ke'even) = als een steen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **23:84** Daarna stond zij op en ging vragend rond tot zij bij Hebron kwam. Zij vroeg het aan alle reizigers die zij op de weg tegenkwam, maar niemand zei haar iets over wat er met haar zoon gebeurd was. Brontekst: ותקם (vataqom) = en zij stond op | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ותלך (vattelekh) = en zij ging | הלוך (halokh) = voortgaand | ושאלה (usheelah) = en vragend | ותלך (vattelekh) = en zij ging | עד (ad) = tot | חברון (Chevron) = Hebron | ותשאל (vatish'al) = en vroeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הולכי (holekhey) = de reizigers van | הדרך (haderekh) = de weg | אשר (asher) = die | תפגע (tifga) = zij tegenkwam | בדרך (baderekh) = onderweg | ואין (veein) = en niemand | דובר (dubbar) = sprak | אליה (eleha) = tot haar | דבר (davar) = iets | לאמור (lemor) = zeggend | מה (mah) = wat | נעשה (na'aseh) = gebeurd was | בבנה (bevinah) = met haar zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **23:85** Zij kwam met haar slavinnen en dienaren in Kirjat-Arba, dat is Hebron, en vroeg naar haar zoon en bleef daar. Zij zond enkele van haar dienaren uit om te zoeken waar Abraham en Isaak heen gegaan waren. Zij zochten hen in het huis van Sem en Eber en vonden hen niet; zij zochten in het hele land, maar zij waren er niet. Brontekst: ותבוא (vattavo) = en kwam | עם (im) = met | שפחותיה (shifchotehah) = haar slavinnen | ועבדיה (va'avadehah) = en haar dienaren | בקרית (beqiryat) = in Kirjat | ארבע (arba) = Arba | היא (hi) = dat is | חברון (Chevron) = Hebron | ותשאל (vatish'al) = en vroeg | על (al) = naar | בנה (Benah) = haar zoon | ותשב (vatashav) = en bleef | שמה (shemah) = daar | ותשלח (vatishlach) = en zond | מעבדיה (me'avadehah) = van haar dienaren | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | אנה (anah) = waarheen | הלכו (halekhu) = gegaan waren | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | אותם (otam) = hen | בית (bet) = in het huis van | שם (shem) = Sem | ועבר (ve'ever) = en Eber | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | ואין (veein) = en niet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:2: Kirjat-Arba, dat is Hebron. Zie ook: Gen 23:2 **23:86** En zie: de Satan kwam bij Sarah in de gedaante van een man, kwam en stond voor haar en zei tegen haar: „Ik heb je een leugen gezegd, want Abraham heeft zijn zoon Isaak niet geslacht en hij is niet gestorven.” Toen zij het woord hoorde, was haar vreugde om haar zoon zo hevig dat haar ziel van vreugde uitging; zij stierf en werd verzameld tot haar volken. Brontekst: והנה (vehinneh) = en zie | השטן (hasatan) = de Satan | בא (ba) = kwam | אל (el) = bij | שרה (sarah) = Sarah | בדמות (bidmut) = in de gedaante van | איש (ish) = een man | ויבוא (vayavo) = en kwam | ויעמוד (vaya'amod) = en stond | לפניה (lefaneyha) = voor haar | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | שקר (sheqer) = een leugen | דברתי (dibbarti) = heb ik gesproken | אלייך (eleykh) = tot jou | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | שחט (shachat) = slachtte | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | ולא (velo) = en niet | מת (met) = is gestorven | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמעה (keshom'ah) = toen zij hoorde | הדבר (haddavar) = de zaak | וששה (vesasah) = en verheugde zich | ותשמח (vatismach) = en zij verheugde zich | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | אל (el) = om | בנה (Benah) = haar zoon | ותצא (vatetse) = en ging uit | נפשה (nafshah) = haar ziel | משמחתה (mismachtah) = van vreugde | ותמת (vatamot) = en stierf | ותאסף (vet'asef) = en werd verzameld | אל (el) = tot | עמיה (ammeyha) = haar volken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De terugkeer; de dood van Sarah **23:87** Toen Abraham zijn dienst voltooid had, keerde hij met Isaak, zijn zoon, terug naar zijn jonge mannen; zij stonden op en gingen samen naar Beër-Sjeba, naar hun huis. Brontekst: ואברהם (ve'avraham) = en Abraham | בכלותו (bekhalloto) = toen hij voltooid had | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבודתו (avodato) = zijn dienst | וישב (vayyashev) = en keerde terug | עם (im) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | אל (el) = naar | נעריו (na'arav) = zijn jonge mannen | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | וילכו (vayelkhu) = en gingen | יחדיו (yachdav) = samen | בארה (be'erah) = naar Beër | שבע (sheva) = Sjeba | אל (el) = naar | ביתם (beytam) = hun huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:19. Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie ook: Gen 22:19 **23:88** Abraham zocht Sarah en vond haar niet. Zij vroegen naar haar, en men zei tegen hen: „Zij is tot Hebron gegaan om jullie te zoeken, waarheen jullie gegaan waren, want zo en zo was haar verteld.” Brontekst: ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sarah | ולא (velo) = en niet | מצאוה (metsa'uhah) = vonden haar | וישאלו (vayish'alu) = en vroegen | עליה (aleha) = naar haar | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | הלוך (halokh) = gaand | הלכה (halekhah) = is gegaan | עד (ad) = tot | חברון (Chevron) = Hebron | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | אתכם (etkhem) = jullie | אנה (anah) = waarheen | הלכתם (halakhtem) = jullie waren gegaan | כי (ki) = want | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | הוגד (hugad) = was verteld | לה (lah) = haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 23:2 **23:89** Abraham en Isaak gingen naar Hebron, naar haar toe, en vonden haar dood. Zij verhieven allen hun stem en weenden bitter om haar. Isaak viel op het gezicht van zijn moeder, weende om haar en zei: „Mijn moeder, mijn moeder, hoe heb je mij verlaten! Waar ben je heen gegaan? O, hoe heb je mij verlaten!” Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | אליה (eleha) = naar haar | חברונה (chevronah) = naar Hebron | וימצאוה (vayimtse'uah) = en vonden haar | כי (ki) = dat | מתה (metah) = dood | וישאו (vayis'u) = en verhieven | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | קולם (qolam) = hun stem | ויבכו (vayivku) = en weenden | עליה (aleha) = om haar | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | ויפול (vayippol) = en hij viel | יצחק (Yitschaq) = Isaak | על (al) = op | פני (pnei) = het gezicht van | אמו (immo) = zijn moeder | ויבך (vayevk) = en weende | עליה (aleha) = om haar | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אמי (immi) = mijn moeder | אמי (immi) = mijn moeder | איך (ekh) = hoe | עזבתני (azavtani) = heb je mij verlaten | ותלך (vattelekh) = en je ging | אנה (anah) = waarheen | ואנה (ve'anah) = en waarheen | ואיכה (ve'eikhah) = en hoe | עזבתני (azavtani) = heb je mij verlaten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:2. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 23:2 **23:90** Abraham en Isaak weenden zeer, en al hun dienaren weenden met hen om Sarah, en zij hielden over haar een grote en zware rouwklacht. Brontekst: ויבכו (vayivku) = en weenden | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | וכל (vekhol) = en alle | עבדיהם (avdeyhem) = hun dienaren | בכו (bakhu) = weenden | איתם (ittam) = met hen | אל (el) = om | שרה (sarah) = Sarah | ויספדו (vayispedu) = en hielden | עליה (aleha) = over haar | מספד (misped) = rouwklacht | גדול (gadol) = grote | וכבד (vekhaved) = en zware Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 24 _Sarah begraven; de dood van Abimelech, Lot en Nachor; Rebekka_ ### De graftocht voor Sarah **24:1** De levensjaren van Sarah waren honderd jaar en twintig jaar en zeven jaar, enzovoort, en Sarah stierf, enzovoort. Abraham stond op van het gezicht van zijn dode om een graf te zoeken om Sarah, zijn vrouw, te begraven, en hij ging en sprak tot de zonen van Het, de bewoners van het land: Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en waren | חיי (chayyei) = de levensjaren van | שרה (sarah) = Sarah | מאה (me'ah) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | שנה (shanah) = jaar | ושבע (veshev'a) = en zeven | שנים (shanim) = jaar | וכו (vekhu) = enzovoort | ותמת (vatamot) = en stierf | שרה (sarah) = Sarah | וכו (vekhu) = enzovoort | ויקם (vayyaqom) = en stond op | אברהם (avraham) = Abraham | מעל (me'al) = van | פני (pnei) = het aangezicht van | מתו (metu) = zijn dode | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | קבר (qever) = een graf | לקבור (liqbor) = te begraven | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | וילך (vayelekh) = en ging | וידבר (vayedabber) = en sprak | אל (el) = tot | בני (bnei) = de zonen van | חת (Chet) = Het | יושבי (yoshvei) = de bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:1–3. In het Hebreeuws staat ‘enzovoort’ (וכו׳) in de jaartelling; het getal is bekend uit Gen. 23:1. Zie ook: Gen 23:1–3 **24:2** „Ik ben een vreemdeling en bijwoner bij u. Geef mij in uw land een bezit voor een graf, dat ik mijn dode van voor mijn gezicht kan begraven.” Brontekst: גר (ger) = een vreemdeling | ותושב (vetoshav) = en bijwoner | אנוכי (anokhi) = ik | עמכם (immakhem) = bij u | תנו (tenu) = geef | לי (li) = mij | אחוזת (achuzzat) = een bezit van | קבר (qever) = een graf | בארצכם (be'artsekhem) = in uw land | ואקברה (ve'eqberah) = dat ik begraaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | מתי (matai) = mijn dode | מלפניי (millefanay) = van voor mijn gezicht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:4. Zie ook: Gen 23:4 **24:3** De zonen van Het zeiden tegen Abraham: „Zie, het land ligt voor u; begraaf uw dode in het beste van het land, want niemand zal u beletten uw dode te begraven.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | בני (bnei) = de zonen van | חת (Chet) = Het | אל (el) = tot | אברהם (avraham) = Abraham | הנה (hinneh) = zie | הארץ (ha'arets) = het land | לפניך (lefanekha) = voor u | במבחר (bemivchar) = in het beste van | הארץ (ha'arets) = het land | קבור (qevor) = begraaf | מתך (metekha) = uw dode | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ימנעך (yimna'akha) = zal u beletten | איש (ish) = iemand | מקבור (miqqevor) = te begraven | מתך (metekha) = uw dode Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:5–6. Zie ook: Gen 23:5–6; Gen 23:16 ### De aankoop van de spelonk **24:4** Abraham zei tegen hen: „Als het uw wil is, ga dan en vraag voor mij aan Efron, de zoon van Sochar, of hij mij de spelonk van Machpela wil geven, die aan het einde van zijn veld ligt, en ik zal ze van hem kopen, zoals hij wil.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | אברהם (avraham) = Abraham | אם (em) = indien | יש (yesh) = is er | את (et) = met | נפשכם (nafshekhem) = uw wil | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לכו (lekhu) = ga | ובקשו (uvaqshu) = en vraag | לי (li) = voor mij | מעפרון (me'efron) = aan Efron | בן (ben) = zoon van | צוחר (Tsochar) = Sochar | לאמור (lemor) = zeggend | ויתן (vayitten) = dat hij geeft | לי (li) = mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | מערת (me'arat) = de spelonk van | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | אשר (asher) = die | בקתה (biqtseh) = aan het einde van | שדהו (sadehu) = zijn veld | ואקנה (ve'eqneh) = en ik zal kopen | אותה (otah) = haar | ממנו (mimmennu) = van hem | כאשר (ka'asher) = zoals | חפץ (chafets) = hij wil | בה (bah) = ervoor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:7–9. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie ook: Gen 23:7–9 **24:5** Efron woonde te midden van de zonen van Het. Zij gingen en riepen hem, en hij kwam voor Abraham. Efron zei tegen Abraham: „Zie, alles wat u verlangt, zal uw dienaar doen.” Abraham zei: „Nee, ik zal de spelonk en het veld dat van u is voor een prijs kopen, tot een bezit voor een graf tot in eeuwigheid.” Brontekst: ועפרון (ve'efron) = en Efron | יושב (yoshev) = woonde | בתוך (betokh) = te midden van | בני (bnei) = de zonen van | חת (Chet) = Het | וילכו (vayelkhu) = en gingen | ויקראו (vayiqre'u) = en riepen | אליו (elav) = hem | ויבוא (vayavo) = en kwam | לפני (lifnei) = voor | אברהם (avraham) = Abraham | ויאמר (vayomer) = en hij zei | עפרון (Efron) = Efron | אל (el) = tot | אברהם (avraham) = Abraham | הנה (hinneh) = zie | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | תחפוץ (techpots) = u verlangt | לפניך (lefanekha) = voor u | אותו (oto) = het | יעשה (ya'aseh) = zal doen | עבדך (avdekha) = uw dienaar | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | לא (lo) = nee | כי (ki) = maar | קנה (qoneh) = kopen | אקנה (eqneh) = zal ik | המערה (hamme'arah) = de spelonk | והשדה (vehassadeh) = en het veld | אשר (asher) = dat | לך (lekha) = van u | במחיר (bimchir) = voor een prijs | לאחוזת (la'achuzzat) = tot een bezit van | קבר (qever) = een graf | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:10–11. Zie ook: Gen 23:10–11 **24:6** Efron antwoordde en zei: „Zie, het veld en de spelonk liggen voor u; geef wat u verlangt.” Abraham zei: „Voor vol geld koop ik ze uit uw hand, uit de hand van hen die door de poort van uw stad ingaan en uit de hand van uw nageslacht tot in eeuwigheid.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | עפרון (Efron) = Efron | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הנה (hinneh) = zie | השדה (hasadeh) = het veld | והמערה (vehamme'arah) = en de spelonk | לפניך (lefanekha) = voor u | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | תחפוץ (techpots) = u verlangt | תן (ten) = geef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אברהם (avraham) = Abraham | כי (ki) = maar | בכסף (bakesef) = voor geld | מלא (male) = vol | אקנה (eqneh) = koop ik | אותה (otah) = ze | מידך (miyyadekha) = uit uw hand | ומיד (umiyyad) = en uit de hand van | באי (va'ey) = hen die ingaan door | שער (sha'ar) = de poort van | עירך (irekha) = uw stad | ומיד (umiyyad) = en uit de hand van | זרעך (zar'akha) = uw nageslacht | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:12–15. Zie ook: Gen 23:12–15 **24:7** Efron en al zijn broers hoorden dit, en Abraham woog aan Efron vierhonderd sikkel zilver af, in de hand van Efron en in de hand van al zijn broers. Abraham schreef deze zaak in een boek, verzegelde het en liet vier getuigen het bevestigen. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | עפרון (Efron) = Efron | וכל (vekhol) = en al | אחיו (achiv) = zijn broers | לדבר (laddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וישקול (vayishqol) = en woog af | אברהם (avraham) = Abraham | לעפרון (le'efron) = aan Efron | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | שקל (sheqel) = sikkel | כסף (kesef) = zilver | ביד (beyad) = in de hand van | עפרון (Efron) = Efron | וביד (uvyad) = en in de hand van | כל (kol) = alle | אחיו (achiv) = zijn broers | ויכתוב (vayikhtov) = en schreef | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | בספר (bassefer) = in een boek | ויחתום (vayachtom) = en verzegelde | ויעד (vaya'ed) = en liet bevestigen | ארבעה (arba'ah) = vier | עדים (edim) = getuigen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:16: vierhonderd sikkel zilver. Zie ook: Gen 23:16 **24:8** En dit zijn de namen van de getuigen: Amigal, de zoon van Abisjoea, de Hetiet; Elichoref, de zoon van Asjoena, de Chiviet; Adon, de zoon van Achira, de Gardiet; Akdil, de zoon van Aboedisj, de Sidoniër. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | העדים (ha'edim) = de getuigen | אמיגל (Amigal) = Amigal | בן (ben) = zoon van | אבישוע (Avishua) = Abisjoea | החתי (hachitti) = de Hetiet | אליחורף (Elichoref) = Elichoref | בן (ben) = zoon van | אשונה (Ashunah) = Asjoena | החוי (hachivvi) = de Chiviet | עדון (Adon) = Adon | בן (ben) = zoon van | אחירע (Achira) = Achira | הגרדי (hagardi) = de Gardiet | עקדיל (Aqdil) = Akdil | בן (ben) = zoon van | אבודיש (Avudish) = Aboedisj | הצידוני (hatsidoni) = de Sidoniër Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De koopakte en de getuigen (vers 8–10) staan niet in Genesis. De vierde getuige, Adon, wordt in het Hebreeuws ‘de Gardiet’ (הגרדי) genoemd; de Engelse vertaling heeft ‘de Gomeriet’. ### De koopakte **24:9** Abraham nam het boek van de aankoop en legde het in zijn schatkamers. En dit zijn de woorden die Abraham in het boek schreef: Brontekst: ויקח (vayikkach) = en nam | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | ספר (sefer) = het boek van | המקנה (hammiqneh) = de aankoop | וישימהו (vayesimehu) = en legde het | באוצרותיו (be'otsrotav) = in zijn schatkamers | ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | הדברים (haddevarim) = de woorden | אשר (asher) = die | כתב (katav) = schreef | אברהם (avraham) = Abraham | בספר (bassefer) = in het boek | לאמור (lemor) = zeggend Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **24:10** „De spelonk en het veld heeft Abraham gekocht van Efron de Hetiet en zijn nageslacht en de bewoners van zijn stad en hun nageslacht tot in eeuwigheid: voor Abraham als aankoop, en voor zijn nageslacht en voor de uitgaanden van zijn lendenen, tot een bezit voor een graf tot in eeuwigheid.” Hij verzegelde het en liet getuigen het bevestigen. Brontekst: כי (ki) = dat | המערה (hamme'arah) = de spelonk | והשדה (vehassadeh) = en het veld | קנה (qoneh) = heeft gekocht | אברהם (avraham) = Abraham | מאת (me'et) = van | עפרון (Efron) = Efron | החתי (hachitti) = de Hetiet | וזרעו (vezar'o) = en zijn nageslacht | ויוצאי (veyotsey) = en de uitgaanden van | עירו (iro) = zijn stad | וזרעם (vezar'am) = en hun nageslacht | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwigheid | לאברהם (le'avraham) = voor Abraham | למקנה (lamiqneh) = als aankoop | ולזרעו (ulezar'o) = en voor zijn nageslacht | וליוצאי (uleyotsey) = en voor de uitgaanden van | יריכו (yerekho) = zijn lendenen | לאחוזת (la'achuzzat) = tot een bezit van | קבר (qever) = het graf van | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwigheid | ויחתום (vayachtom) = en verzegelde | ויעד (vaya'ed) = en liet bevestigen | עדים (edim) = getuigen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **24:11** Het veld en de spelonk die daarin is en heel die plaats werden voor Abraham en zijn nageslacht na hem bevestigd, van de zonen van Het; zie, het ligt tegenover Mamre, in Hebron, dat in het land Kanaän is. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en werd bevestigd | השדה (hasadeh) = het veld | והמערה (vehamme'arah) = en de spelonk | אשר (asher) = die | בו (bo) = daarin | וכל (vekhol) = en heel | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | לאברהם (le'avraham) = voor Abraham | ולזרעו (ulezar'o) = en zijn nageslacht | אחריו (acharav) = na hem | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = de zonen van | חת (Chet) = Het | הנה (hinneh) = zie | לפני (lifnei) = tegenover | ממרא (mamre) = Mamre | בחברון (bechevron) = in Hebron | אשר (asher) = dat | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:17–20. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 23:17–20 **24:12** Daarna begroef Abraham Sarah, zijn vrouw, op die plaats, en die plaats en heel haar gebied werd voor Abraham en zijn nageslacht een bezit voor een graf. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en na | כן (ken) = zo | קבר (qever) = begroef | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | השרה (hasarah) = Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | ויהי (vayehi) = en werd | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | וכל (vekhol) = en heel | גבולו (gevulo) = haar gebied | לאברהם (le'avraham) = voor Abraham | ולזרעו (ulezar'o) = en zijn nageslacht | לאחוזת (la'achuzzat) = tot een bezit van | קבר (qever) = een graf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:19. Zie ook: Gen 23:19 ### De begrafenis van Sarah **24:13** Abraham begroef Sarah met eer, zoals men koningen begraaft, en zij werd begraven in goede en zeer mooie kleren. Brontekst: ויקבור (vayiqbor) = en begroef | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sarah | בכבוד (bikhvod) = met eer | כקבור (keqevor) = zoals men begraaft | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלכים (hammelakhim) = koningen | ותיקבר (vatteqaver) = en zij werd begraven | בבגדים (bivgadim) = in kleren | טובים (tovim) = goede | ויפים (veyafim) = en mooie | עד (ad) = uiterst | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **24:14** Bij haar baar stonden Sem, de zoon van Noach, en Eber, zijn zoon, en Abimelech, en Aner, Eskol en Mamre, en alle groten van het land gingen achter de baar aan. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en waren | שם (shem) = daar | על (al) = bij | מיטתה (mittatah) = haar baar | שם (shem) = Sem | הן (hen) = de zoon van | נח (Noach) = Noach | ועבר (ve'ever) = en Eber | בנו (beno) = zijn zoon | ואבימלך (ve'avimelekh) = en Abimelech | וענר (va'aner) = en Aner | ואשכול (ve'eshkol) = en Eskol | וממרא (umamre) = en Mamre | וכל (vekhol) = en alle | גדולי (gedoley) = de groten van | הארץ (ha'arets) = het land | הולכים (holekhim) = gingen | אחרי (acharei) = achter | המיטה (hammittah) = de baar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: In de Hebreeuwse tekst staat ‘Sem hen Noach’ (שם הן נח). Dit is hier gelezen als ‘Sem, de zoon van Noach’; de Engelse vertaling heeft ‘Sem, zijn zonen Eber en Abimelech’. Aner, Eskol en Mamre: zie Gen. 14:13. Zie ook: Gen 14:13 **24:15** De levensdagen van Sarah waren honderdzevenentwintig jaar, en zij stierf. Abraham hield voor Sarah, zijn vrouw, een grote en zeer zware rouwklacht, en hij hield zeven dagen rouw. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en waren | ימי (yemei) = de dagen van | שרה (sarah) = Sarah | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | ושבע (veshev'a) = en zeven | שנים (shanim) = jaar | ותמת (vatamot) = en zij stierf | ויעש (vayya'as) = en maakte | אברהם (avraham) = Abraham | לשרה (lesarah) = voor Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | מספד (misped) = rouwklacht | גדול (gadol) = grote | וכבד (vekhaved) = en zwaar | מאוד (me'od) = zeer | ויעש (vayya'as) = en hield | אבל (evel) = rouw | שבעת (sheva) = zeven | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:2. Zie ook: Gen 23:2 **24:16** De bewoners van het land troostten Abraham en Isaak, zijn zoon, om Sarah. Brontekst: וינחמו (vayenachamu) = en troostten | על (al) = over | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | על (al) = om | שרה (sarah) = Sarah Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **24:17** Toen de dagen van haar wenen voorbij waren, zond Abraham Isaak, zijn zoon, naar het huis van Sem en Eber, om de wegen van Yahweh en Zijn onderricht te leren, en Isaak bleef daar drie jaar. Brontekst: ויעברו (vaya'avru) = en gingen voorbij | ימי (yemei) = dagen van | בכיתה (bekhiyatah) = haar wenen | וישלח (vayishlach) = en hij zond | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | וילך (vayelekh) = en ging | בית (bet) = naar het huis van | שם (shem) = Sem | ועבר (ve'ever) = en Eber | ללמוד (lilmod) = om te leren | דרכי (darkhei) = wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מוסרו (musaro) = Zijn onderricht | וישב (vayyashev) = en bleef | שם (shem) = daar | יצחק (Yitschaq) = Isaak | שלוש (shalosh) = drie | שנים (shanim) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **24:18** In die tijd stond Abraham op met al zijn dienaren, en zij gingen en keerden terug naar Beër-Sjeba, naar hun huis. Abraham en al zijn dienaren bleven in Beër-Sjeba. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | אברהם (avraham) = Abraham | וכל (vekhol) = en alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וישובו (vayashuvu) = en keerden terug | להם (lahem) = heen | בארה (be'erah) = naar Beër | שבע (sheva) = Sjeba | אל (el) = naar | ביתם (beytam) = hun huis | וישב (vayyashev) = en bleef | אברהם (avraham) = Abraham | וכל (vekhol) = en alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | בבאר (bbe'er) = in Beër | שבע (sheva) = Sjeba Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. ### De dood van Abimelech **24:19** Bij de wending van het jaar stierf Abimelech, de koning van de Filistijnen, in dat jaar; hij was honderddrieënnegentig jaar oud bij zijn dood. Abraham ging met zijn mannen naar het land van de Filistijnen, zij troostten alle huizen van Abimelech en al zijn dienaren, en hij keerde om en ging naar zijn huis terug. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לתקופת (litqufat) = bij de wending van | השנה (hashanah) = het jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | מלך (malakh) = koning van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | בן (ben) = zoon van | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושלוש (veshalosh) = en drie | ותשעים (vetish'im) = en negentig | שנה (shanah) = jaar | היה (hayah) = hij was | במותו (bemoto) = bij zijn dood | וילך (vayelekh) = en ging | אברהם (avraham) = Abraham | עם (im) = met | אנשיו (anashav) = zijn mannen | ארץ (erets) = naar het land van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | וינחמו (vayenachamu) = en troostten | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בתי (biti) = de huizen van | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | וכל (vekhol) = en alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויפן (vayyifen) = en keerde zich om | וישב (vayyashev) = en keerde terug | אל (el) = naar | ביתו (beito) = zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:22–34. Zie ook: Gen 21:22–34 **24:20** Na de dood van Abimelech namen de mannen van Gerar Ben-Melech, zijn zoon, die twaalf jaar oud was, en maakten hem koning in de plaats van zijn vader. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ויקחו (vayyiqchu) = en namen | על (al) = (over) | אנשי (anshei) = de mannen van | גרר (Gerar) = Gerar | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנמלך (Ben-Melekh) = Ben-Melech | בנו (beno) = zijn zoon | והוא (vehu) = en hij | בן (ben) = zoon van | שתים (shetayim) = twee | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | וימליכוהו (vayamlikhuhu) = en maakten hem koning | תחת (tachat) = in de plaats van | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. **24:21** Zij gaven hem de naam Abimelech, naar de naam van zijn vader, want zo was hun gebruik te Gerar. Abimelech werd koning in de plaats van Abimelech, zijn vader, en hij zat op zijn troon. Brontekst: ויסבו (vayassebbu) = en zij noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | כשם (keshem) = naar de naam van | כשם (keshem) = (naar de naam van) | אביו (aviv) = zijn vader | כי (ki) = want | כן (ken) = zo | משפטם (mishpatam) = hun gebruik | לעשות (la'asot) = om te doen | בגרר (bagerar) = in Gerar | וימלוך (vayemlokh) = en regeerde | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | תחת (tachat) = in de plaats van | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | אביו (aviv) = zijn vader | וישב (vayyashev) = en zat | על (al) = op | כיסאו (kis'o) = zijn troon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. ### De dood van Lot **24:22** Ook Lot, de zoon van Haran, stierf in die dagen, in het negenendertigste jaar van het leven van Isaak, de zoon van Abraham. Alle dagen van Lot die hij leefde, waren honderd jaar en tweeënveertig jaar, en hij stierf. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | לוט (lot) = Lot | בן (ben) = zoon van | הרן (Haran) = Haran | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar | תשע (tesha) = negen | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = de dagen van | לוט (lot) = Lot | אשר (asher) = die | חי (chai) = hij leefde | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושתים (ushtayim) = en twee | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 19:30–38; Lot, de zoon van Haran: Gen. 11:27. Zie ook: Gen 11:27; Gen 19:30–38 **24:23** En dit zijn de zonen van Lot, die hem uit zijn dochters geboren werden: de naam van de eerstgeborene was Moab en de naam van de tweede Ben-Ammi. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | בני (bnei) = de zonen van | לוט (lot) = Lot | אשר (asher) = die | יולדו (yulledu) = geboren werden | לו (lo) = aan hem | מבנותיו (mibbenotav) = van zijn dochters | שם (shem) = de naam van | הבכור (habbekhor) = de eerstgeborene | מואב (mo'av) = Moab | ושם (veShem) = en de naam van | השני (hasheni) = de tweede | בן (ben) = Ben | עמי (immi) = Ammi Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **24:24** De twee zonen van Lot gingen en namen vrouwen uit het land Kanaän, en kregen zonen. De zonen van Moab waren Er, Majon, Tarsion en Kenoejel, vier zonen, zij zijn vaders van de zonen van Moab tot op heden. En de zonen van Ammi waren Garim, Isjon, Rabba, Tsalon, Inon en Mijov, zes zonen, zij zijn vaders van de zonen van Ammon tot op deze dag. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | שני (shenei) = de twee | בני (bnei) = zonen van | לוט (lot) = Lot | ויקחו (vayyiqchu) = en namen | להם (lahem) = voor zich | נשים (nashim) = vrouwen | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויולדו (vayyivvaldu) = en werden geboren | להם (lahem) = aan hen | בנים (banim) = zonen | ויהיו (vayihyu) = en waren | בני (bnei) = de zonen van | מואב (mo'av) = Moab | ער (Er) = Er | ומעיון (uma'yon) = en Majon | ותרסיון (vetarsiyon) = en Tarsion | וקנויל (uqenuyel) = en Kenoejel | בנים (banim) = zonen | ארבעה (arba'ah) = vier | הם (hem) = zij | אבות (avot) = vaders | לבני (livnei) = van de zonen van | מואב (mo'av) = Moab | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = heden | ובני (uvnei) = en de zonen van | עמי (immi) = Ammi | גרים (Garim) = Garim | ועישון (ve'ishon) = en Isjon | ורבה (verabbah) = en Rabba | וצלון (vetsalon) = en Tsalon | ועינון (ve'inon) = en Inon | ומיוב (umiyov) = en Mijov | בנים (banim) = zonen | שישה (shishah) = zes | הם (hem) = zij | אבות (avot) = vaders | לבני (livnei) = van de zonen van | עמון (ammon) = Ammon | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: De Engelse vertaling noemt hier alleen de zonen van Moab. Het Hebreeuws noemt ook de zes zonen van Ben-Ammi; die zijn hier in hetzelfde vers geplaatst, zodat de nummering van de Engelse vertaling behouden blijft. **24:25** Alle families van de zonen van Lot gingen wonen in het land dat zij zouden vinden, want zij waren vruchtbaar en talrijk geworden. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | כל (kol) = alle | משפחות (mishpechot) = de families van | בני (bnei) = de zonen van | לוט (lot) = Lot | לגור (lagur) = om te wonen | בארץ (ba'arets) = in het land | אשר (asher) = dat | ימצאו (yimtse'u) = zij zouden vinden | כי (ki) = want | פרו (peru) = zij waren vruchtbaar | ורבו (urvu) = en talrijk | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **24:26** Zij gingen en bouwden voor zich steden in het land waar zij woonden, en noemden de namen van de steden die zij bouwden naar hun eigen namen. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | ויבנו (vayivnu) = en bouwden | להם (lahem) = voor zich | ערים (arim) = steden | בארץ (ba'arets) = in het land | אשר (asher) = waar | ישבו (yashvu) = zij woonden | שם (shem) = daar | ויקראו (vayiqre'u) = en noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמות (shemot) = de namen van | הערים (he'arim) = de steden | אשר (asher) = die | בנו (beno) = zij bouwden | על (al) = naar | שמותם (shemotam) = hun namen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De dood van Nachor **24:27** Nachor, de zoon van Terach, de broer van Abraham, stierf in die dagen, in het veertigste jaar van het leven van Isaak. Alle dagen van Nachor waren honderd jaar en tweeënzeventig jaar, en hij stierf en werd begraven in Charan. Brontekst: ונחור (veNachor) = en Nachor | בן (ben) = zoon van | תרח (Terach) = Terach | אחי (echi) = de broer van | אברהם (avraham) = Abraham | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = de dagen van | נחור (Nachor) = Nachor | מאת (me'et) = honderd | שנים (shanim) = jaar | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | ושתים (ushtayim) = en twee | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf | ויקבר (vayiqqaver) = en werd begraven | בחרן (becharan) = in Charan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:27–32. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 11:27–32 **24:28** Abraham hoorde dat zijn broer gestorven was; het ging hem zeer aan het hart, en hij rouwde vele dagen om zijn broer. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אברהם (avraham) = Abraham | כי (ki) = dat | מת (met) = gestorven was | אחיו (achiv) = zijn broer | ויחר (vayyichar) = en het griefde | לו (lo) = hem | מאוד (me'od) = zeer | ויתאבל (vayit'abbel) = en rouwde | על (al) = om | אחיו (achiv) = zijn broer | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Eliëzer wordt uitgezonden **24:29** Toen riep Abraham Eliëzer, zijn oudste dienaar, die over zijn huis aangesteld was, en hij kwam voor hem en stond voor zijn aangezicht. Brontekst: אז (az) = toen | קרא (qara) = riep | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = tot | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | עבדו (avdo) = zijn dienaar | הגדול (haggadol) = de oudste | הפקיד (happaqid) = die aangesteld was | על (al) = over | ביתו (beito) = zijn huis | ויבוא (vayavo) = en kwam | לפניו (lefanav) = voor hem | ויעמוד (vaya'amod) = en stond | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 24:2 **24:30** Abraham zei tegen hem: „Zie, ik ben oud geworden, ik ken de dag van mijn dood niet, want ik ben op hoge leeftijd gekomen. Sta nu op en neem een vrouw voor mijn zoon uit mijn familie en uit het huis van haar vader in Charan, en ik laat je zweren bij Yahweh, de Elohim van de hemel, dat je voor mijn zoon geen vrouw zult nemen van deze plaats en uit dit land, van de dochters van de Kanaänieten in wier midden wij wonen, Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אברהם (avraham) = Abraham | הנה (hinneh) = zie | נא (na) = toch | זקנתי (zaqanti) = ik ben oud geworden | לא (lo) = niet | ידעתי (yada'ti) = ken ik | יום (yom) = de dag van | מותי (muti) = mijn dood | כי (ki) = want | באתי (ba'ti) = ben ik gekomen | בימים (bayyamim) = op leeftijd | עתה (attah) = nu | קום (qum) = sta op | ולקחת (velaqachat) = en neem | אישה (ishah) = een vrouw | לבני (livnei) = voor mijn zoon | ממשפחתי (mimmishpachti) = uit mijn familie | ומבית (umibbeyt) = en uit het huis van | אביה (aviha) = haar vader | בחרן (becharan) = in Charan | ואשביעך (va'ashbi'akha) = en ik laat je zweren | ביהוה (bYahweh) = bij Yahweh | אלוקי (elohei) = de Elohim van | השמים (hashamayim) = de hemel | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | תיקח (tiqqach) = zul je nemen | אישה (ishah) = een vrouw | לבני (livnei) = voor mijn zoon | מן (min) = van | המקום (hammaqom) = de plaats | הזה (hazzeh) = deze | ומן (umin) = en uit | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | מבנות (mibbenot) = van de dochters van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | אשר (asher) = die | אנחנו (anachnu) = wij | יושבים (yoshvim) = wonen | בקרבם (beqirbam) = in hun midden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:1–4. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 24:1–4 **24:31** maar dat je naar mijn land en mijn geboorteland gaat en vandaar een vrouw voor mijn zoon neemt. En Yahweh, de Elohim van de hemel en de Elohim van de aarde, die mij uit het huis van mijn vader genomen en mij op deze plaats gebracht heeft en tot mij gezegd heeft: ‘**Aan je nageslacht zal Ik dit land geven om het tot in eeuwigheid te bezitten**’, Hij zal Zijn engel voor je uit sturen en je weg doen slagen, zodat je een vrouw voor mijn zoon neemt uit mijn familie en uit het huis van mijn vader.” Brontekst: כי (ki) = maar | אם (em) = wel | אל (el) = naar | ארצי (artsi) = mijn land | ומולדתי (umoladeti) = en mijn geboorteland | תלך (telekh) = ga je | ולקחת (velaqachat) = en neem | אישה (ishah) = een vrouw | לבני (livnei) = voor mijn zoon | משם (misham) = vandaar | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | אלוקי (elohei) = de Elohim van | השמים (hashamayim) = de hemel | ואלוקי (ve'elohei) = en de Elohim van | הארץ (ha'arets) = de aarde | אשר (asher) = die | לקחני (laqachani) = mij genomen heeft | מבית (mibbayit) = uit het huis van | אבי (avi) = mijn vader | ויביאני (vayevi'eni) = en mij gebracht heeft | אל (el) = naar | המקום (hammaqom) = de plaats | הזה (hazzeh) = deze | ויאמר (vayomer) = en gezegd heeft | אליי (elai) = tot mij | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht | אתן (etten) = zal Ik geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | לרישתה (lerishtah) = om het te bezitten | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig | הוא (hu) = Hij | ישלח (yishlach) = zal sturen | מלאכו (mal'akho) = Zijn engel | לפניך (lefanekha) = voor je uit | והצליח (vehitslich) = en doen slagen | דרכך (darkekha) = je weg | ולקחת (velaqachat) = en neem | אישה (ishah) = een vrouw | לבני (livnei) = voor mijn zoon | ממשפחתי (mimmishpachti) = uit mijn familie | ומבית (umibbeyt) = en uit het huis van | אבי (avi) = mijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:7. De woorden van Yahweh zijn rood gedrukt, zoals in Genesis. Zie ook: Gen 24:7 **24:32** De dienaar antwoordde Abraham, zijn heer, en zei: „Zie, ik ga naar uw geboorteland en naar het huis van uw vader en zal vandaar een vrouw voor uw zoon nemen. Maar als de vrouw niet bereid is mij naar dit land te volgen, moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land van uw geboorte?” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | העבד (ha'eved) = de dienaar | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham | אדוניו (adonav) = zijn heer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הנה (hinneh) = zie | אנוכי (anokhi) = ik | בא (ba) = ga | אל (el) = naar | מולדתך (moladetkha) = uw geboorteland | ואל (ve'el) = en naar | בית (bet) = het huis van | אביך (avikha) = uw vader | ולקחתי (velaqachti) = en ik zal nemen | לבנך (levinkha) = voor uw zoon | משם (misham) = vandaar | אישה (ishah) = een vrouw | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | לא (lo) = niet | תאבה (tove) = bereid is | האישה (ha'ishah) = de vrouw | ללכת (lalekhet) = te gaan | אחרי (acharei) = achter mij | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | ההשב (hasheshev) = terugbrengen | אשיב (ashiv) = moet ik terugbrengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = uw zoon | אל (el) = naar | ארץ (erets) = het land van | מולדתך (moladetkha) = uw geboorte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:5. Zie ook: Gen 24:5 **24:33** Abraham zei tegen hem: „Pas op dat je mijn zoon niet daarheen terugbrengt, want Yahweh, voor wiens aangezicht ik gewandeld heb, Hij zal Zijn engel voor je uit sturen en je weg doen slagen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אברהם (avraham) = Abraham | הישמר (hishamer) = pas op | לך (lekha) = voor jezelf | פן (pen) = dat niet | תשיב (tashiv) = je terugbrengt | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | שמה (shemah) = daarheen | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = voor wie | התהלכתי (hithallakhti) = ik gewandeld heb | לפניו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | הוא (hu) = Hij | ישלח (yishlach) = zal sturen | מלאכו (mal'akho) = Zijn engel | לפניך (lefanekha) = voor je uit | והצליח (vehitslich) = en doen slagen | דרכך (darkekha) = je weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:6–8. Zie ook: Gen 24:6–8 **24:34** Eliëzer deed zoals Abraham hem geboden had, en Eliëzer zwoer Abraham, zijn heer, over deze zaak. Eliëzer stond op en nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer, en tien mannen van de dienaren van zijn heer met zich mee. Zij stonden op en gingen naar Charan, de stad van Nachor en Terach, om vandaar een vrouw voor Isaak, de zoon van Abraham, te nemen. Terwijl zij onderweg waren, zond Abraham naar het huis van Sem en Eber, en zij brachten Isaak, zijn zoon, vandaar. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en deed | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אותו (oto) = hem | אברהם (avraham) = Abraham | וישבע (vayishava) = en zwoer | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | אל (el) = aan | אברהם (avraham) = Abraham | אדוניו (adonav) = zijn heer | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויקם (vayyaqom) = en stond op | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | ויקח (vayikkach) = en hij nam | עשרה (esreh) = tien | גמלים (gemalim) = kamelen | מגמלי (miggemalley) = van de kamelen van | אדוניו (adonav) = zijn heer | ועשרה (va'asarah) = en tien | אנשים (anashim) = mannen | מעבדי (me'avdei) = van de dienaren van | אדוניו (adonav) = zijn heer | עמו (immo) = met zich | ויקומו (vayaqumu) = en stonden op | וילכו (vayelkhu) = en gingen | חרנה (charanah) = naar Charan | עיר (ir) = de stad van | נחור (Nachor) = Nachor | ותרח (veTerach) = en Terach | לקחת (laqachat) = om te nemen | אישה (ishah) = een vrouw | ליצחק (leyitschaq) = voor Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | משם (misham) = vandaar | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בלכתם (belekhtam) = terwijl zij gingen | וישלח (vayishlach) = en hij zond | אברהם (avraham) = Abraham | בית (bet) = naar het huis van | שם (shem) = Sem | ועבר (ve'ever) = en Eber | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | משם (misham) = vandaar | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:9–10. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 24:9–10; Gen 24:10 ### Eliëzer in Charan **24:35** Isaak kwam in het huis van zijn vader, in Beër-Sjeba, en Eliëzer en zijn mannen kwamen in Charan en zetten zich buiten de stad bij het water neer; hij liet de kamelen aan het water knielen en zij bleven daar. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en kwam | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בית (bet) = in het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | בארה (be'erah) = naar Beër | שבע (sheva) = Sjeba | ואליעזר (ve'eli'ezer) = en Eliëzer | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | באו (ba'u) = kwamen | חרנה (charanah) = naar Charan | וישבו (vayeshvu) = en zij zetten zich neer | מחוץ (michuts) = buiten | לעיר (la'ir) = de stad | לפני (lifnei) = bij | המימה (hammaymah) = het water | ויברך (vayevarekh) = en liet knielen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הגמלים (haggemalim) = de kamelen | על (al) = aan | המים (hammayim) = het water | וישבו (vayeshvu) = en bleven | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. **24:36** Eliëzer, de dienaar van Abraham, bad en zei: „Yahweh, Elohim van mijn heer Abraham, laat mij vandaag toch iets goeds tegenkomen en bewijs trouw aan mijn heer, door vandaag een vrouw te bestemmen voor de zoon van mijn heer uit zijn familie.” Brontekst: ויתפלל (vayitpallel) = en bad | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | עבד (eved) = de dienaar van | אברהם (avraham) = Abraham | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | אדוני (adoni) = mijn heer | אברהם (avraham) = Abraham | הקרה (haqreh) = laat tegenkomen | נא (na) = toch | לפני (lifnei) = mij | היום (hayyom) = vandaag | טוב (tov) = iets goeds | ועשה (ve'asah) = en bewijs | חסד (chesed) = trouw | עם (im) = aan | אדוני (adoni) = mijn heer | אשר (asher) = door | תכין (takhin) = dat U bestemt | היום (hayyom) = vandaag | אישה (ishah) = een vrouw | לבן (leven) = voor de zoon van | אדוני (adoni) = mijn heer | ממשפחתו (mimmishpachto) = uit zijn familie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:12–14. Zie ook: Gen 24:12–14 **24:37** Yahweh luisterde naar de stem van Eliëzer, omwille van Abraham, Zijn dienaar, en het trof zich dat Eliëzer het huis van Betuël ontmoette, de zoon van Milka, de vrouw van Nachor, de broer van Abraham; Eliëzer kwam in hun huis. Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקול (bekol) = naar de stem van | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | בעבור (ba'avur) = omwille van | אברהם (avraham) = Abraham | עבדו (avdo) = Zijn dienaar | ויקר (vayiqer) = en het trof zich | מקרהו (miqrehu) = zijn ontmoeting | בית (bet) = het huis van | בתואל (Betu'el) = Betuël | בן (ben) = zoon van | מלכה (Malkah) = Milka | אשת (eshet) = de vrouw van | נחור (Nachor) = Nachor | אחי (echi) = de broer van | אברהם (avraham) = Abraham | ויבוא (vayavo) = en kwam | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | אל (el) = in | ביתם (beytam) = hun huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:15–27. Zie ook: Gen 24:15–27 **24:38** Eliëzer vertelde hun alles over zichzelf en dat hij de dienaar van Abraham was, en zij verheugden zich zeer over hem. Brontekst: ויספר (vayesaper) = en vertelde | להם (lahem) = hun | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אודותיו (odotav) = over hem | וכי (vekhi) = en dat | הוא (hu) = hij | עבד (eved) = dienaar van | אברהם (avraham) = Abraham | וישמחו (vayismechu) = en zij verheugden zich | עליו (alav) = over hem | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **24:39** Allen zegenden Yahweh, die dit gedaan had, en zij gaven hem Rebekka, de dochter van Betuël, tot vrouw voor Isaak. Brontekst: ויברכו (vayevarkhu) = en zegenden | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | עשה (asah) = gedaan had | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויתנו (vayittenu) = en gaven | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | בת (bat) = dochter van | בתואל (Betu'el) = Betuël | ליצחק (leyitschaq) = voor Isaak | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **24:40** Het meisje was zeer mooi van aanzien, een maagd die geen man gekend had; Rebekka was in die dagen tien jaar oud. Brontekst: והנערה (vehanna'arah) = en het meisje | טובת (tovat) = mooi van | מראה (mar'eh) = van aanzien | מאוד (me'od) = zeer | בתולה (betulah) = maagd | ואיש (ve'ish) = en geen man | לא (lo) = niet | ידעה (yeda'ah) = had gekend | בת (bat) = dochter van | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | היתה (hayetah) = was | רבקה (Rivqah) = Rebekka | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:16. Dat Rebekka tien jaar oud was, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 24:16 ### Het vertrek van Rebekka **24:41** Betuël en Laban en Serach en zijn zonen hielden in die nacht een maaltijd, en Eliëzer en zijn mannen kwamen, aten, dronken en verheugden zich daar in die nacht. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en maakten | בתואל (Betu'el) = Betuël | ולבן (velavan) = en Laban | ושרח (veSerach) = en Serach | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | משתה (mishteh) = een maaltijd | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | וישתו (vayishtu) = en zij dronken | וישמחו (vayismechu) = en verheugden zich | שם (shem) = daar | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **24:42** Eliëzer stond in de morgen op, hij en de mannen die bij hem waren, en zij riepen het hele huis van Betuël en zeiden: „Laat mij gaan, dat ik naar mijn heer ga.” Zij stonden op en lieten Rebekka gaan, en Debora, de dochter van Us, haar min; zij gaven haar zilver en goud, dienaren en slavinnen, en zegenden haar. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en stond op | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | הוא (hu) = hij | והאנשים (veha'anashim) = en de mannen | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | ויקראו (vayiqre'u) = en riepen | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | בית (bet) = het huis van | בתואל (Betu'el) = Betuël | לאמור (lemor) = zeggend | שלכני (shallechuni) = laat mij gaan | ואלכה (ve'elkhah) = dat ik ga | לאדוני (la'doni) = naar mijn heer | ויקומו (vayaqumu) = en stonden op | וישלחו (vayishlechu) = en lieten gaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | דבורה (Devorah) = Debora | בת (bat) = dochter van | עוץ ('uts) = Us | מניקתה (meniqtah) = haar min | ויתנו (vayittenu) = en gaven | לה (lah) = haar | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | ועבדים (va'avadim) = en dienaren | ושפחות (ushfachot) = en slavinnen | ויברכו (vayevarkhu) = en zegenden | אותה (otah) = haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:54–61. Debora de min: Gen. 35:8. Zie ook: Gen 24:54–61; Gen 24:59; Gen 35:8 **24:43** Zij lieten Eliëzer en zijn mannen gaan; de dienaar nam Rebekka en ging, en keerde terug naar zijn heer, naar het land Kanaän. Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en lieten gaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | עבד (eved) = de dienaar van | אברהם (avraham) = Abraham | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אנשיו (anashav) = zijn mannen | ויקח (vayikkach) = en hij nam | העבד (ha'eved) = de dienaar | את (et) = (lijdend voorwerp) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | וילך (vayelekh) = en ging | וישב (vayyashev) = en keerde terug | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = naar | אדוניו (adonav) = zijn heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **24:44** Isaak nam Rebekka, en zij werd zijn vrouw; hij beminde haar en bracht haar in de tent. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | ותהי (vatehi) = en zij werd | לו (lo) = hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויאהבה (vaye'ehavehah) = en hij beminde haar | ויביאה (vayeviehah) = en bracht haar | האהלה (ha'ohelah) = naar de tent Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:67. Zie ook: Gen 24:67 **24:45** Isaak was veertig jaar oud toen hij Rebekka, de dochter van Betuël, zijn oom, tot vrouw nam. Brontekst: ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | בן (ben) = zoon van | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar | בקחתו (beqachto) = toen hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | בת (bat) = dochter van | בתואל (Betu'el) = Betuël | דודו (dodo) = zijn oom | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:20. Zie ook: Gen 25:20 ## Jasher 25 _Ketura en Midian; de zonen van Ismaël_ ### De zonen van Ketura **25:1** In die tijd ging Abraham nog eens heen en nam op zijn oude dag een andere vrouw, en haar naam was Ketura, uit het land Kanaän. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | וילך (vayelekh) = en ging | אברהם (avraham) = Abraham | ויוסף (vayosef) = en hij voegde toe | ויקח (vayikkach) = en hij nam | אישה (ishah) = een vrouw | אחרת (acheret) = een andere | לעת (le'et) = in de tijd van | זקנתו (ziqnato) = zijn ouderdom | ושמה (ushmah) = en haar naam | קטורה (Qeturah) = Ketura | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:1. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 25:1 **25:2** Zij baarde hem Zimran, Joksjan, Medan, Midian, Jisjbak en Sjuach: zes zonen. De zonen van Zimran waren Abiham, Molich en Merach. Brontekst: ותלד (vatteled) = en baarde | לו (lo) = hem | זמרן (Zimran) = Zimran | ויקשן (veyaqshan) = en Joksjan | ומדן (umedan) = en Medan | ומדין (umidyan) = en Midian | וישבק (veyishbaq) = en Jisjbak | ושוח (veshuach) = en Sjuach | בנים (banim) = zonen | שישה (shishah) = zes | ויהיו (vayihyu) = en waren | בני (bnei) = de zonen van | זמרן (Zimran) = Zimran | אביהם (avihem) = Abiham | ומוליך (umolikh) = en Molich | ומריח (umerach) = en Merach Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:2. Zie ook: Gen 25:2 **25:3** De zonen van Joksjan waren Seba en Dedan. De zonen van Dedan waren Amira, Jov, Gochi, Elisa en Notach. De zonen van Midian waren Efa, Efer, Chanoch, Bidan en Doea. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יקשן (Yaqshan) = Joksjan | שבא (Sheva) = Seba | ודדן (veDedan) = en Dedan | ובני (uvnei) = en de zonen van | דדן (Dedan) = Dedan | אמירה (Amirah) = Amira | ויוב (veyov) = en Jov | וגוחי (vegochi) = en Gochi | ואלישע (ve'elisha) = en Elisa | ונותה (venotach) = en Notach | ובני (uvnei) = en de zonen van | מדין (Midyan) = Midian | עיפה (ayefah) = Efa | ועפר (ve'efer) = en Efer | וחנוך (vaChanokh) = en Chanoch | ובידן (uvidan) = en Bidan | ודועה (udo'ah) = en Doea Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:3–4. Het Hebreeuws noemt de zonen van Midian hier Efa, Efer, Chanoch, Bidan en Doea; in vers 11 staan Abida en Eldaä, zoals in Gen. 25:4, en in vers 13 heten ze Bira en Doea. Zie ook: Gen 25:3–4; Gen 25:4 **25:4** De zonen van Jisjbak waren Makiri, Bedoea en Setoer. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ישבע (Yishba) = Jisjbak | מכירי (Makhiri) = Makiri | ובידוע (uvidu'a) = en Bedoea | וסתור (vesetur) = en Setoer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **25:5** De zonen van Sjuach waren Bildad, Chamdad, Moesjan en Mikan. Dit zijn al de families van de zonen van Ketura, de Kanaänitische, die zij aan Abraham, de Hebreeër, baarde. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | שוח (Shuach) = Sjuach | בלדד (Bildad) = Bildad | וחמדד (vechamdad) = en Chamdad | מושן (Mushan) = Moesjan | ומיכן (umikhan) = en Mikan | כל (kol) = al | אלה (elleh) = dit zijn | משפחות (mishpechot) = de families van | בני (bnei) = de zonen van | קטורה (Qeturah) = Ketura | הכנענית (hakkena'anit) = de Kanaänitische | אשר (asher) = die | ילדה (yaldah) = baarde | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abraham zendt hen weg **25:6** Abraham liet al dezen gaan en gaf hun geschenken, en zij gingen weg van Isaak, zijn zoon, om te wonen waar zij een plek zouden vinden. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en liet gaan | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = al | אלה (elleh) = dezen | ויתן (vayitten) = en gaf | להם (lahem) = hun | מתנות (mattanot) = geschenken | וילכו (vayelkhu) = en gingen | מעל (me'al) = van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | לגור (lagur) = om te wonen | באדר (ba'adar) = waar | ימצאו (yimtse'u) = zij zouden vinden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:6. In de Hebreeuwse tekst staat ‘באדר’; dit is hier gelezen als ‘waar’ (באשר). Zie ook: Gen 25:6 **25:7** Al dezen gingen naar het gebergte van het oosten en bouwden voor zich zes steden, en zij wonen daarin tot op deze dag. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | כל (kol) = al | אלה (elleh) = dezen | הר (har) = het gebergte van | קדם (qedem) = het oosten | ויבנו (vayivnu) = en bouwden | להם (lahem) = voor zich | שש (shesh) = zes | ערים (arim) = steden | וישבו (vayeshvu) = en woonden | בהם (bahem) = daarin | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:6: het land van het Oosten. Zie ook: Gen 25:6 **25:8** Maar de zonen van Seba en Dedan en de zonen van Joksjan woonden met hun zonen niet bij hun broers in hun steden; zij trokken rond en sloegen hun kampen op in landen en woestijnen tot op deze dag. Brontekst: אך (akh) = maar | בני (bnei) = de zonen van | שבה (shavah) = Seba | ודדן (veDedan) = en Dedan | ובני (uvnei) = en de zonen van | יוקשן (Yoqshan) = Joksjan | עם (im) = met | בניהם (beneyhem) = hun zonen | לא (lo) = niet | ישבו (yashvu) = woonden | עם (im) = bij | אחיהם (achihem) = hun broers | בעריהם (be'areihem) = in hun steden | ויהיו (vayihyu) = en waren | נוסעים (nos'im) = trekkend | וחונים (vechonim) = en kamp opslaand | בארצות (be'aratsot) = in landen | ומדברות (umidbarot) = en woestijnen | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Midian **25:9** De zonen van Midian, de zoon van Abraham, gingen oostwaarts naar het land Kush en vonden daar een groot dal in het land van het oosten. Zij bleven daar, bouwden een stad en woonden erin: dat is het land Midian tot op deze dag. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | מדין (Midyan) = Midian | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | הלכו (halekhu) = gingen | מזרחה (mizrachah) = oostwaarts | לארץ (la'arets) = naar het land | כוש (Kush) = Kush | וימצאו (vayimtse'u) = en vonden | שם (shem) = daar | בקעה (biqah) = een dal | גדולה (gedolah) = groot | בארץ (ba'arets) = in het land van | הקדם (haqqedem) = het oosten | וישבו (vayeshvu) = en bleven | שם (shem) = daar | ויבנו (vayivnu) = en bouwden | עיר (ir) = een stad | וישבו (vayeshvu) = en woonden | בה (bah) = daarin | היא (hi) = dat is | ארץ (erets) = het land | מדין (Midyan) = Midian | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:2 en Gen. 25:6. Midian woont in het Oosten; zie ook Exod. 2:15. Zie ook: Gen 25:2; Gen 25:6; Ex 2:15 **25:10** Midian woonde in de stad die hij gebouwd had, hij en zijn vijf zonen en alles wat van hem was. Brontekst: וישב (vayyashev) = en woonde | מדין (Midyan) = Midian | בעירו (be'iro) = in zijn stad | אשר (asher) = die | בנה (Benah) = hij had gebouwd | הוא (hu) = hij | וחמשת (vachamishshat) = en vijf | בניו (banav) = zijn zonen | וכל (vekhol) = en alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **25:11** En dit zijn de namen van de zonen van Midian, naar hun namen in hun steden: Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = de namen van | בני (bnei) = de zonen van | מדין (Midyan) = Midian | לשמותם (leshemotam) = naar hun namen | בעריהם (be'areihem) = in hun steden | עיפה (ayefah) = Efa | ועפר (ve'efer) = en Efer | וחנוך (vaChanokh) = en Chanoch | ואבידע (va'avida) = en Abida | ואלדעה (ve'eldaah) = en Eldaä Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **25:12** De zonen van Efa waren Mejach, Misjar, Awi en Atsloea. De zonen van Efer waren Efron, Tsoer, Eliron en Midon. De zonen van Chanoch waren Reüel, Rekem, Azi, Eljosjav en Chelad. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en waren | בני (bnei) = de zonen van | עיפה (ayefah) = Efa | מיחה (Meyach) = Mejach | ומישר (umishar) = en Misjar | ואוי (ve'avi) = en Awi | ואצלוע (ve'atsl'a) = en Atsloea | ובני (uvnei) = en de zonen van | אפר (Efer) = Efer | עפרון (Efron) = Efron | וצור (vetsur) = en Tsoer | ואלירון (ve'eliron) = en Eliron | ומידון (umidon) = en Midon | ובני (uvnei) = en de zonen van | חנוך (Chanokh) = Chanoch | רעואל (Re'u'el) = Reüel | ורקם (veraqem) = en Rekem | ועזי (ve'azi) = en Azi | ואליושב (ve'elyoshav) = en Eljosjav | וחלד (vechelad) = en Chelad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **25:13** De zonen van Bira waren Choer, Moler, Kroejel en Malchi. De zonen van Doea waren Jakir, Reba, Malchoem en Gabol. Dit zijn de families van de Midianieten naar hun families; en daarna verspreidden de families van Midian zich over het land Midian. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | בירע (Bire'a) = Bira | חור (chor) = Choer | ומולר (umoler) = en Moler | וקרויל (uqroyel) = en Kroejel | ומלחי (umalkhi) = en Malchi | ובני (uvnei) = en de zonen van | דועה (Do'ah) = Doea | ויכיר (vayakhir) = en Jakir | ורבע (vereva) = en Reba | ומלחום (umalkhum) = en Malchoem | וגבל (vegavol) = en Gabol | אלה (elleh) = dit zijn | משפחות (mishpechot) = de families van | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | למשפחותם (lemishpechotam) = naar hun families | ואחר (ve'achar) = en daarna | נפוצו (nafotsu) = verspreidden zich | משפחות (mishpechot) = de families van | מדין (Midyan) = Midian | בארץ (ba'arets) = in het land | מדין (Midyan) = Midian Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. ### De geslachten van Ismaël **25:14** En dit zijn de geslachten van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, de slavin van Sarah, aan Abraham baarde. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | תולדות (toledot) = de geslachten van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | אשר (asher) = die | ילדה (yaldah) = baarde | הגר (hagar) = Hagar | המצרית (hammitsrit) = de Egyptische | שפחת (shifchat) = de slavin van | שרה (sarah) = Sarah | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:12. Zie ook: Gen 25:12 **25:15** Ismaël nam een vrouw uit het land Egypte, en haar naam was Riba, dat is Merisa. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en nam | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אישה (ishah) = een vrouw | מארץ (me'erets) = uit het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ושמה (ushmah) = en haar naam | ריבה (Rivah) = Riba | היא (hi) = dat is | מריסה (Merisah) = Merisa Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jasher 21:17: daar heet Ismaëls eerste vrouw Merisa. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 25:13; Jas 21:17 **25:16** Riba baarde Ismaël: Nebajot, Kedar, Adbeël, Mibsam en hun zus Basmat. Brontekst: ותלד (vatteled) = en baarde | ריבה (Rivah) = Riba | לישמעאל (leyishma'e'l) = aan Ismaël | את (et) = (lijdend voorwerp) | נביות (Nevayot) = Nebajot | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | קדר (Qedar) = Kedar | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אדביאל (Adbe'el) = Adbeël | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מבשם (Mivsam) = Mibsam | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בשמת (Bosmat) = Basmat | אחותם (achotam) = hun zus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:13–15. Zie ook: Gen 25:13–15 **25:17** Ismaël verstootte Riba; zij ging van hem weg en woonde in Egypte, in het huis van haar vader, want zij was zeer slecht in de ogen van Ismaël en in de ogen van Abraham, zijn vader. Brontekst: ויגרש (vayegaresh) = en verstootte | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | את (et) = (lijdend voorwerp) | ריבה (Rivah) = Riba | ותלך (vattelekh) = en zij ging | מאיתו (me'ito) = van hem weg | ותשב (vatashav) = en woonde | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | בית (bet) = in het huis van | אביה (aviha) = haar vader | כי (ki) = want | היתה (hayetah) = zij was | רעה (ra'ah) = slecht | מאוד (me'od) = zeer | בעיני (be'einei) = in de ogen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **25:18** Ismaël nam zijn zonen, stond op en ging naar het land Kanaän, naar Abraham, zijn vader, en woonde daar. Daarna nam Ismaël een vrouw uit het land Kanaän, en haar naam was Malkit; zij baarde hem Misjma, Duma, Massa, Chadad, Tema, Jetur, Gefisj en Kedma. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en nam | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ויקם (vayyaqom) = en stond op | וילך (vayelekh) = en ging | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = naar | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | וישב (vayyashev) = en woonde | שם (shem) = daar | ואחר (ve'achar) = en daarna | לקח (laqach) = nam | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אישה (ishah) = een vrouw | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ושמה (ushmah) = en haar naam | מלכית (Malkhit) = Malkit | ותלד (vatteled) = en baarde | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | משמע (Mishma) = Misjma | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | דומה (Dumah) = Duma | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | משא (Massa) = Massa | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | חדד (Chadad) = Chadad | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | תימא (Teyma) = Tema | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יטור (Yetur) = Jetur | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | גפיש (Gefish) = Gefisj | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | קדמה (Qedmah) = Kedma Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:13–15. De zonen van Ismaël hebben hier Hebreeuwse namen die licht afwijken; Gefisj (גפיש) komt overeen met Nafis in Gen. 25:15. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 25:13–15; Gen 25:15 **25:19** Dit zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen: twaalf vorsten naar hun volken; en daarna verspreidden de families van Ismaël zich. Ismaël nam zijn zonen en al zijn bezit dat hij verworven had, en de zielen van zijn huis en alles wat van hem was, en zij gingen wonen waar zij een plek zouden vinden. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | הם (hem) = zij | בני (bnei) = de zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמותם (shemotam) = hun namen | שנים (shanim) = twee | עשר (esar) = tien | נשיאים (nesi'im) = vorsten | לאומותם (le'ummotam) = naar hun volken | ואחר (ve'achar) = en daarna | נפוצו (nafotsu) = verspreidden zich | משפחות (mishpechot) = de families van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ויקח (vayikkach) = en nam | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = al | רכושו (rekhusho) = zijn bezit | אשר (asher) = dat | רכש (rakhash) = hij had verworven | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נפשות (nefashot) = de zielen van | ביתו (beito) = zijn huis | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | וילכו (vayelkhu) = en gingen | לגור (lagur) = om te wonen | באשר (ba'asher) = waar | ימצאו (yimtse'u) = zij zouden vinden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:16. Zie ook: Gen 25:16 **25:20** Zij gingen en vestigden zich bij de woestijn van Paran, en hun woonplaats was van Havila tot Sur, dat tegenover Egypte ligt, in de richting van Assur. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | וישכנו (vayishkenu) = en vestigden zich | אצל (etsel) = bij | מדבר (medabber) = de woestijn van | פארן (paran) = Paran | ויהי (vayehi) = en was | מושבם (moshavam) = hun woonplaats | מחוילה (mechavilah) = van Havila | עד (ad) = tot | שור (shor) = Sur | אשר (asher) = dat | על (al) = voor | פני (pnei) = het aangezicht van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בואכה (bo'akhah) = in de richting van | אשורה (ashurah) = Assur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:18. Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev. Zie Sur: De woestijn van Sur ligt ten oosten van Egypte, in het noordwesten van het schiereiland Sinaï. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 25:18 **25:21** Ismaël en zijn zonen woonden in het land, en hun werden zonen geboren, en zij waren vruchtbaar en zeer talrijk. Brontekst: וישב (vayyashev) = en woonde | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | בארץ (ba'arets) = in het land | ההיא (hahi) = dat | ויולדו (vayyivvaldu) = en werden geboren | להם (lahem) = aan hen | בנים (banim) = zonen | ויפרו (vayifru) = en waren vruchtbaar | וירבו (vayirbu) = en werden talrijk | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **25:22** En dit zijn de namen van de zonen van Nebajot, de eerstgeborene van Ismaël: Maod, Soead en Maäjon. De zonen van Kedar: Eljon, Ketsem, Chamad en Eli. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = de namen van | בני (bnei) = de zonen van | נביות (Nevayot) = Nebajot | בכור (bekhor) = de eerstgeborene van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | מעוד (Ma'od) = Maod | וסועד (vesu'ad) = en Soead | ומעיון (uma'yon) = en Maäjon | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדר (Qedar) = Kedar | עליון (Elyon) = Eljon | וקצם (veqetsem) = en Ketsem | וחמד (vechamad) = en Chamad | ועלי (ve'eli) = en Eli Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **25:23** De zonen van Adbeël: Chamad en Jovin. De zonen van Mibsam: Obadja, Ebed-Melech en Jeoesj. Dit zijn de families van de zonen van Riba, de vrouw van Ismaël. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | אדביאל (Adbe'el) = Adbeël | חמד (Chamad) = Chamad | ויובין (veyovin) = en Jovin | ובני (uvnei) = en de zonen van | מבשם (Mivsam) = Mibsam | עבדיה (Ovadyah) = Obadja | ועבד (va'eved) = en Ebed | מלך (malakh) = Melech | ויעוש--אלה (Ye'ush--elleh) = Jeoesj--dit zijn | משפחות (mishpechot) = de families van | בני (bnei) = de zonen van | ריבה (Rivah) = Riba | אשת (eshet) = de vrouw van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **25:24** De zonen van Misjma, de zoon van Ismaël, waren Sjemoea, Zichrion en Oebed. De zonen van Duma: Ketsem, Eli, Machmad en Amar. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en waren | בני (bnei) = de zonen van | משמע (Mishma) = Misjma | בן (ben) = de zoon van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | שמוע (shamoa) = Sjemoea | וזכריון (vezikhryon) = en Zichrion | ועובד (ve'ovid) = en Oebed | ובני (uvnei) = en de zonen van | דומה (Dumah) = Duma | קצם (Qetsem) = Ketsem | ועלי (ve'eli) = en Eli | ומחמד (umachmad) = en Machmad | ועמאר (ve'amar) = en Amar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **25:25** De zonen van Massa: Malon, Moela en Ebed-Adon. De zonen van Chadad: Natser, Mintsar en Ebed-Melech. De zonen van Tema: Sa'id, Sa'don en Jachol. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | משא (Massa) = Massa | מלון (Malon) = Malon | ומולה (umulah) = en Moela | ועבד (va'eved) = en Ebed | אדון (Adon) = Adon | ובני (uvnei) = en de zonen van | חדד (Chadad) = Chadad | נאצר (Natser) = Natser | ומינצאר (umintsar) = en Mintsar | ועבד (va'eved) = en Ebed | מלך (malakh) = Melech | ובני (uvnei) = en de zonen van | תימא (Teyma) = Tema | סעיד (Sa'id) = Sa'id | וסעדון (vesa'don) = en Sa'don | ויכול (vayakhol) = en Jachol Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **25:26** De zonen van Jetur: Merik, Ja'is, Alvi en Pechit. De zonen van Nefisj: Ebed-Tamir, Abiasaf en Mir. De zonen van Kedma: Elik, Tachti en Amir. Dit zijn de zonen van Malkit, de vrouw van Ismaël, naar hun families. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יטור (Yetur) = Jetur | מריק (Merik) = Merik | ויעיש (veya'ish) = en Ja'is | ועלוי (ve'alvi) = en Alvi | ופחית (upachit) = en Pechit | ובני (uvnei) = en de zonen van | נפיש (Nefish) = Nefisj | עבד (eved) = Ebed | תמיר (Tamir) = Tamir | ואביוסף (ve'aviyasaf) = en Abiasaf | ומיר (umir) = en Mir | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדמה (Qedmah) = Kedma | עליך (aleikha) = Elik | ותחתי (vetachti) = en Tachti | ועמיר--אלה (ve'amir--elleh) = Amir--dit zijn | היו (hayu) = waren | בני (bnei) = de zonen van | מלכית (Malkhit) = Malkit | אשת (eshet) = de vrouw van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | למשפחותם (lemishpechotam) = naar hun families Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **25:27** Dit zijn al de families van Ismaël naar hun geslachten, en zij woonden in de landen waar zij steden voor zich gebouwd hadden, tot op deze dag. Brontekst: כל (kol) = al | אלה (elleh) = dit zijn | משפחות (mishpechot) = de families van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | לתולדותם (letoldotam) = naar hun geslachten | וישבו (vayeshvu) = en woonden | להם (lahem) = zich | בארצות (be'aratsot) = in de landen | אשר (asher) = waar | בנו (beno) = zij hadden gebouwd | להם (lahem) = voor zich | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = de dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Rebekka onvruchtbaar **25:28** Rebekka, de dochter van Betuël, de vrouw van Isaak, de zoon van Abraham, was in die dagen onvruchtbaar; zij had geen kind. Isaak woonde bij zijn vader Abraham in het land Kanaän, en Yahweh was met Isaak en met Abraham, zijn vader. Arpachsad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, stierf in die dagen, in het achtenveertigste jaar van het leven van Isaak. Alle dagen van Arpachsad die hij leefde waren vierhonderd jaar en achtendertig jaar, en hij stierf. Brontekst: ורבקה (verivqah) = en Rebekka | בת (bat) = dochter van | בתואל (Betu'el) = Betuël | אשת (eshet) = de vrouw van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אין (ein) = niet was | לה (lah) = aan haar | ולד (valad) = een kind | וישב (vayyashev) = en woonde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = bij | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | ארצה (artsah) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ואת (ve'et) = en met | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | וארפכשד (ve'Arpakhshad) = en Arpachsad | בן (ben) = zoon van | שם (shem) = Sem | בן (ben) = zoon van | נח (Noach) = Noach | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar | ארבעים (arba'im) = veertig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = de dagen van | ארפכשד (Arpakhshad) = Arpachsad | אשר (asher) = die | חי (chai) = hij leefde | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושלושים (ushloshim) = en dertig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:20–21 en Gen. 11:12–13: Arpachsad leefde 35 + 403 = 438 jaar. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 11:12–13; Gen 25:20–21 ## Jasher 26 _Ezau en Jakob; Abrahams dood_ ### Het gebed om kinderen **26:1** In het negenenvijftigste jaar van het leven van Isaak, de zoon van Abraham, was Rebekka, zijn vrouw, in die dagen nog onvruchtbaar. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | תשע (tesha) = negen | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | ורבקה (verivqah) = en Rebekka | אישתו (ishto) = zijn vrouw | עודנה (odenah) = nog | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:20–21. Zie ook: Gen 25:20–21 **26:2** Rebekka zei tegen Isaak: „Zie, ik heb gehoord, mijn heer, dat ook Sarah, je moeder, in haar dagen onvruchtbaar was, tot mijn heer Abraham, je vader, voor haar bad en zij voor hem zwanger werd. Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אל (el) = tegen | יצחק (Yitschaq) = Isaak | הלא (halo) = zie | שמעתי (shamati) = heb ik gehoord | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = dat | גם (gam) = ook | שרה (sarah) = Sarah | אמך (immekha) = je moeder | היתה (hayetah) = was | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | בימיה (bamayeha) = in haar dagen | עד (ad) = tot | אשר (asher) = dat | התפלל (hitpallel) = heeft gebeden | עליה (aleha) = voor haar | אדוני (adoni) = mijn heer | אברהם (avraham) = Abraham | אביך (avikha) = je vader | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:3** Sta nu op en bid ook jij tot Elohim, en Hij zal je gebed horen en ons gedenken om Zijn trouw.” Brontekst: עתה (attah) = nu | עמוד (ammud) = sta op | והתפלל (vehitpallel) = en bid | אל (el) = tot | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | גם (gam) = ook | אתה (attah) = jij | וישמע (vayishma) = en Hij zal horen | את (et) = (lijdend voorwerp) | תפילתך (tefillatekha) = je gebed | ויזכור (veyizkor) = en Hij zal gedenken | גם (gam) = ook | אותנו (otanu) = ons | למען (lema'an) = om | חסדיו (chasadav) = Zijn trouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:4** Isaak antwoordde Rebekka, zijn vrouw, en zei: „Abraham, mijn vader, heeft al voor mij gebeden tot onze Elohim om mijn nageslacht te vermeerderen; nu dan is deze onvruchtbaarheid bij ons van jou gekomen.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אישתו (ishto) = zijn vrouw | לאמור (lemor) = zeggend | כבר (kvar) = al | התפלל (hitpallel) = heeft gebeden | עליי (alay) = voor mij | אברהם (avraham) = Abraham | אבי (avi) = mijn vader | אל (el) = tot | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | להרבות (leharbot) = te vermeerderen | זרעי (zar'i) = mijn nageslacht | עתה (attah) = nu | ממך (mimmekha) = van jou | היה (hayah) = is gekomen | העקרות (ha'aqarut) = de onvruchtbaarheid | הזה (hazzeh) = deze | אלינו (elenu) = bij ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:5** Rebekka zei tegen hem: „Maar sta nu ook jij op en bid voor mij, opdat Yahweh jouw gebed hoort en mij kinderen geeft.” Isaak luisterde naar de woorden van zijn vrouw. Isaak en Rebekka stonden op en gingen naar het land Moria om daar te bidden en daar Yahweh te zoeken. Zij kwamen op die plaats; Isaak stond tegenover zijn vrouw en bad tot Yahweh, want zij was onvruchtbaar. Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | לו (lo) = tegen hem | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אך (akh) = maar | עתה (attah) = nu | קום (qum) = sta op | והתפלל (vehitpallel) = en bid | עליי (alay) = voor mij | גם (gam) = ook | אתה (attah) = jij | וישמע (vayishma) = en hoort | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | תפילתך (tefillatekha) = je gebed | ונתן (venatan) = en geeft | לי (li) = mij | בנים (banim) = kinderen | וישמע (vayishma) = en luisterde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = naar | דברי (divrei) = de woorden van | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ויקומו (vayaqumu) = en stonden op | וילכו (vayelkhu) = en gingen | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ורבקה (verivqah) = en Rebekka | ארץ (erets) = naar het land | המוריה (hammoriyyah) = Moria | להתפלל (lehitpallel) = om te bidden | שם (shem) = daar | ולדרוש (uladrosh) = en te zoeken | שם (shem) = daar | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | עד (ad) = tot | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | ויעמוד (vaya'amod) = en stond | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויתפלל (vayitpallel) = en bad | לנוכח (lenokhach) = tegenover | אישתו (ishto) = zijn vrouw | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = want | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | היא (hi) = zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:21. In Genesis bidt Isaak voor zijn vrouw; hier gaan zij samen naar het land Moria. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Gen 25:21 **26:6** Isaak zei: „Yahweh, Elohim van de hemel en de aarde, wiens goedheid en trouw heel de aarde vervullen, U, de Geweldige, hebt mijn vader uit het huis van zijn vader en uit het land van zijn geboorte genomen, U hebt hem naar dit land gebracht en tot hem gezegd: ‘**Ik zal je nageslacht vermenigvuldigen als de sterren aan de hemel en als het zand van de zee**’. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en zei | יצחק (Yitschaq) = Isaak | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | השמים (hashamayim) = de hemel | והארץ (vehaarets) = en de aarde | אשר (asher) = wiens | טוב (tov) = goedheid | וחסדך (vechasdekha) = en Uw trouw | מלאו (mal'u) = vervullen | כל (kol) = heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | אתה (attah) = U | אדר (addir) = De Geweldige | לקחת (laqachat) = hebt genomen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבי (avi) = mijn vader | מבית (mibbayit) = uit het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | ומארץ (umeeretz) = en uit het land van | מולדתו (moladeto) = zijn geboorteland | ותביאהו (vatevi'ehu) = en U bracht hem | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | ותאמר (vatomer) = en U zei | לו (lo) = tegen hem | ארבה (arbeh) = zal Ik vermenigvuldigen | את (et) = (lijdend voorwerp) | זרעך (zar'akha) = je nageslacht | ככוכבי (kekhokhevei) = als de sterren van | השמים (hashamayim) = de hemel | וכחול (vekhachol) = en als het zand | הים (hayyam) = de zee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:7** Laat nu Uw woorden bevestigd worden, die U tot mijn vader gesproken hebt, want U bent Yahweh, onze Elohim; onze ogen zijn op U gericht om ons nageslacht van mannen te geven, zoals U ons beloofd hebt, want U bent onze Elohim, en op U zijn onze ogen gericht.” Brontekst: עתה (attah) = nu | יאמנו (ye'amenu) = mogen bevestigd worden | דבריך (devarekha) = Uw woorden | אשר (asher) = die | דיברת (dibbarta) = U gesproken hebt | אל (el) = tot | אבי (avi) = mijn vader | כי (ki) = want | אתה (attah) = U | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | עינינו (eineinu) = onze ogen | עליך (aleikha) = op U | לתת (latet) = te geven | לנו (lanu) = ons | זרע (zera) = nageslacht | אנשים (anashim) = van mannen | כאשר (ka'asher) = zoals | הבטחתנו (hivtachtanu) = U ons beloofd hebt | כי (ki) = want | אתה (attah) = U | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | ועליך (ve'aleykha) = en op U | עינינו (eineinu) = onze ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:8** Yahweh hoorde het gebed van Isaak, de zoon van Abraham, en liet Zich door hem verbidden, en Rebekka, zijn vrouw, werd zwanger. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | תפילת (tefillat) = het gebed van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | ויעתר (vaye'ater) = en liet Zich verbidden | לו (lo) = door hem | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אישתו (ishto) = zijn vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De kinderen in Rebekka **26:9** Na zeven maanden stootten de kinderen elkaar in haar binnenste; het benauwde haar zeer, en zij kreeg er afkeer van. Zij zei tegen alle vrouwen die in het land waren: „Is jullie hetzelfde overkomen als mij?” Zij zeiden tegen haar: „Nee.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשבעה (bishiv'ah) = na zeven | חודשים (chodashim) = maanden | ויתרוצצו (vayitrotsetsu) = en stootten elkaar | הבנים (habbanim) = de kinderen | בקרבה (beqirbah) = in haar binnenste | ויצר (veyetser) = en het werd benauwd | לה (lah) = voor haar | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | ותקץ (vatuqats) = en zij kreeg afkeer | מפניהם (mippneihem) = van hen | ותאמר (vatomer) = en zei | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | איתה (ittah) = bij haar | הארץ (ha'arets) = in het land | הנהיה (hannihyah) = is er gebeurd | לכם (lakhem) = aan jullie | כדבר (kidvar) = zoals de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | נעשה (na'aseh) = gedaan is | לי (li) = aan mij | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליה (eleha) = haar | לא (lo) = nee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:22. Zie ook: Gen 25:22 **26:10** Zij zei tegen hen: „Waarom overkomt mij dit, alleen mij, van alle vrouwen die er op aarde waren?” Zij ging naar het land Moria om Yahweh hierover te zoeken; zij ging naar Sem en Eber, zijn zoon, om hun hierover te vragen en te verzoeken dat zij Yahweh over haar in deze zaak zouden zoeken. Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | אליהן (aleyhen) = tegen hen | למה (lammah) = waarom | זה (ze) = dit | אנוכי (anokhi) = ik | היה (hayah) = overkomt | לי (li) = voor mij | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | מכל (mikkol) = van alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | בכל (bekhol) = op heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | ותלך (vattelekh) = en zij ging | ארץ (erets) = naar het land | המוריה (hammoriyyah) = Moria | לדרוש (lidrosh) = te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ותלך (vattelekh) = en zij ging | אל (el) = naar | שם (shem) = Sem | ואל (ve'el) = en naar | עבר (Ever) = Eber | בנו (beno) = zijn zoon | לשאול (lish'ol) = om te vragen | ולדרוש (uladrosh) = en te zoeken | מאיתם (me'itam) = bij hen | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ולבקש (uleva-qesh) = en te verzoeken | עליה (aleha) = voor haar | מלפני (millifnei) = bij | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Gen 25:22 **26:11** Ook vroeg zij Abraham om Yahweh te zoeken en te vragen over alles wat haar overkomen was. Brontekst: ותשאל (vatish'al) = en vroeg | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham | לבקש (levaqesh) = om te verzoeken | ולדרוש (uladrosh) = en te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = over | כל (kol) = alles | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | קרה (qarah) = overkomen was | לה (lah) = haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:12** Zij zochten allen Yahweh over deze zaak en brachten haar een woord van Yahweh terug en zeiden tegen haar: „Twee kinderen zijn in je buik, en twee volken zullen daaruit opstaan; het ene volk zal sterker zijn dan het andere, en de oudste zal de jongste dienen.” Brontekst: וידרשו (vayidreshu) = en zij zochten | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וישיבו (vayashivu) = en zij brachten terug | לה (lah) = voor haar | דבר (davar) = een woord | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמרו (vayomeru) = en zeiden | אליה (eleha) = tegen haar | שני (shenei) = twee | ילדים (yeladim) = kinderen | בבטנך (bevitnekh) = in je buik | ושני (ushnei) = en twee | לאומים (le'ummim) = volken | יקומו (yaqumu) = zullen opstaan | מהם (mehem) = uit hen | ולאום (ule'om) = en het ene volk | מלאום (mile'om) = dan het andere | יאמץ (ye'ematz) = zal sterker zijn | ורב (verav) = en de oudste | יעבוד (ya'avod) = zal dienen | צעיר (tsa'ir) = de jongste Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:23. In Genesis spreekt Yahweh zelf tot Rebekka; hier brengen Sem, Eber en Abraham haar het woord van Yahweh, en daarom is het hier niet rood gedrukt. Zie ook: Gen 25:23 ### De geboorte van Ezau en Jakob **26:13** Toen haar dagen vervuld waren, zonk zij neer om te baren, en zie: er waren tweelingen in haar buik, zoals Yahweh tot haar gesproken had. Brontekst: וימלאו (vayyimle'u) = en werden vervuld | ימיה (yameyha) = haar dagen | ללדת (laledet) = om te baren | ותכרע (vatikhra) = en zij zonk neer | והנה (vehinneh) = en zie | תאומים (te'omim) = tweelingen | בבטנה (bevitnah) = in haar buik | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = Hij gesproken had | אליה (eleha) = haar | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:24. Zie ook: Gen 25:24 **26:14** De eerste kwam rossig uit, geheel als een mantel van haar; heel het land noemde zijn naam Ezau, met de woorden: „Deze is volledig uit de moederschoot gekomen.” Brontekst: ויצא (vayetse) = en kwam uit | הראשון (harishon) = de eerste | אדמוני (admoni) = rossig | כולו (kullo) = geheel | כאדרת (ke'aderet) = als een mantel van | שיער (se'ar) = haar | ויקראו (vayiqre'u) = en noemden | כל (kol) = heel | הארץ (ha'arets) = het land | שמו (shemo) = zijn naam | עשו (asu) = Ezau | לאמור (lemor) = zeggend | כי (ki) = dat | שלם (shalem) = volledig | זה (ze) = deze | מהבטן (min habbeten) = uit de moederschoot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:25. Zie ook: Gen 25:25 **26:15** Daarna kwam zijn broer uit, en zijn hand hield de hiel van Ezau vast; daarom noemde men zijn naam Jakob. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en na | כן (ken) = zo | יצא (yatsa) = kwam uit | אחיו (achiv) = zijn broer | ותאחז (vattochez) = en hield vast | ידו (yado) = zijn hand | בעקב (ba'aqev) = de hiel van | עשב (esav) = Ezau | על (al) = daarom | כן (ken) = zo | קרא (qara) = noemde | שמו (shemo) = zijn naam | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: In de Hebreeuwse tekst staat ‘de hiel van עשב’; dit is hier gelezen als Ezau (עשו). Zie Gen. 25:26. Zie ook: Gen 25:26 **26:16** Isaak, de zoon van Abraham, was zestig jaar oud toen hij hen verwekte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | בן (ben) = zoon van | שישים (shishim) = zestig | שנה (shanah) = jaar | בלדת (biledet) = bij het verwekken van | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:26. Zie ook: Gen 25:26 **26:17** De jongens groeiden op tot hun vijftiende jaar, en kwamen onder de mannen. Ezau was een man van listige plannen en bedrog, en wist te jagen in het veld; Jakob was een onberispelijk en wijs man, die in tenten woonde, een herder van schapen. Hij leerde het onderricht van Yahweh en het gebod van zijn vader en zijn moeder. Brontekst: ויגדלו (vayigdelu) = en groeiden op | הנערים (hanne'arim) = de jongens | עד (ad) = tot | חמש (chamesh) = vijf | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | באנשים (ba'anashim) = onder de mannen | ויהי (vayehi) = en was | עשו (asu) = Ezau | איש (ish) = een man van | מחשבות (machshavot) = listige plannen | ומרמות (umirmot) = en bedrog | ויודע (vayyivvada) = en wist | לצוד (latsud) = te jagen | ציד (tsayid) = jacht | בשדה (bassadeh) = in het veld | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | היה (hayah) = hij was | איש (ish) = een man | תם (tam) = onberispelijk | וחכם (vechakham) = en wijs | יושב (yoshev) = wonend in | אוהלים (ohalim) = tenten | ורועה (vero'eh) = een herder van | צאן (tson) = schapen | ולומד (velomed) = en leerde | מוסר (musar) = het onderricht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ומצות (umitsvat) = en het gebod van | אביו (aviv) = zijn vader | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:27. In Genesis is Ezau ‘een man die zich op de jacht verstaat’ en Jakob ‘een onberispelijk man’ (Gen. 25:27); dat Ezau een man van ‘listige plannen en bedrog’ is, staat alleen hier. Zie ook: Gen 25:27 ### Abraham geeft alles aan Isaak **26:18** Isaak woonde met zijn zonen en zijn huis bij Abraham, zijn vader, in het land Kanaän, zoals Elohim hun geboden had. Brontekst: ויגר (vayagar) = en woonde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | עם (im) = met | בניו (banav) = zijn zonen | וביתו (uveito) = en zijn huis | עם (im) = bij | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = Hij had geboden | אותם (otam) = hun | אלוקים (Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **26:19** Ismaël, de zoon van Abraham, en zijn zonen en alles wat van hen was, gingen en vestigden zich daar in het land Havila en woonden daar. Brontekst: וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alles | אשר (asher) = wat | להם (lahem) = van hen | הלכו (halekhu) = gingen | וישכנו (vayishkenu) = en vestigden zich | שם (shem) = daar | בארץ (ba'arets) = in het land | החוילה (hachavilah) = Havila | וישבו (vayeshvu) = en woonden | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:18. Zie ook: Gen 25:18 **26:20** Ook al de zonen van de bijvrouwen van Abraham gingen wonen waar zij zouden verblijven, in het land van het oosten, want Abraham had hen van Isaak, zijn zoon, weggezonden en hun geschenken gegeven, en zij waren weggegaan. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | בני (bnei) = de zonen van | הפילגשים (happilagshim) = de bijvrouwen | אשר (asher) = die | לאברהם (le'avraham) = van Abraham | הלכו (halekhu) = gingen | באשר (ba'asher) = waar | יגורו (yagurru) = zij zouden verblijven | אל (el) = naar | ארץ (erets) = het land van | הקדם (haqqedem) = het oosten | כי (ki) = want | שלחם (shillecham) = had hen weggezonden | אברהם (avraham) = Abraham | מעל (me'al) = van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | ויתן (vayitten) = en hij gaf | להם (lahem) = hun | מתנות (mattanot) = geschenken | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להם (lahem) = heen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:6. Zie ook: Gen 25:6 **26:21** Abraham gaf alles wat hij had aan Isaak, zijn zoon, en ook al zijn kostbaarheden gaf hij hem. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem | אל (el) = aan | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = al | חמודותיו (chamudotav) = zijn kostbaarheden | נתן (natan) = gaf hij | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:5. Zie ook: Gen 25:5 ### Abrahams opdracht aan Isaak **26:22** Hij gaf hem opdracht en zei: „Weet je dan niet en heb je niet gehoord dat Yahweh Elohim is, in de hemel en op de aarde, en er is niemand anders buiten Hem? Brontekst: ויצוהו (vayetsavvehu) = en gaf hem opdracht | לאמור (lemor) = zeggend | הלא (halo) = immers | ידעת (yada'ta) = weet je | ושמעת (veshamata) = en heb je gehoord | כי (ki) = dat | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הוא (hu) = is | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | בשמים (bashamayim) = in de hemel | ובארץ (uva'arets) = en op de aarde | אין (ein) = er is niet | עוד (od) = anders | מלבדו (milvaddo) = buiten Hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:23** Hij is het die mij uit het huis van mijn vader en uit mijn geboorteland genomen heeft, en mij gered heeft van Ur van de Chaldeeën en van het plan van de goddelozen, want ik vertrouwde op Hem. Brontekst: והוא (vehu) = en Hij | אשר (asher) = die | לקחני (laqachani) = mij nam | מבית (mibbayit) = uit het huis van | אבי (avi) = mijn vader | וממולדתי (umimmoladeti) = en uit mijn geboorteland | ויצילני (vayatsileni) = en redde mij | מאור (me'ur) = van Ur | כשדים (kasdim) = Chaldeeën | ומעצת (umei'atsat) = en van het plan van | רשעים (resha'im) = goddelozen | כי (ki) = want | בטחתי (batachti) = ik vertrouwde | בו (bo) = op Hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:28–31: Ur van de Chaldeeën. Zie ook: Gen 11:28–31 **26:24** Hij heeft mij naar deze plaats gebracht en mij het beste van dit land gegeven; ik heb niets ontbeerd. Hij beloofde mij en zei tegen mij: ‘**Aan je nageslacht zal Ik heel dit land geven, en zij zullen het erven wanneer zij Mijn geboden, Mijn verordeningen, Mijn wetten en Mijn rechtsregels bewaren, die Ik jou geboden heb en die Ik hun zal gebieden.**’ Brontekst: ויביאני (vayevi'eni) = en Hij bracht mij | אל (el) = naar | המקום (hammaqom) = de plaats | הזה (hazzeh) = deze | ויתן (vayitten) = en Hij gaf | לי (li) = mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | חמדת (chemdat) = het beste van | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | לא (lo) = niet | חסרתי (chasarti) = heb ik ontbeerd | דבר (davar) = iets | ויבטיחני (vayavtichani) = en Hij beloofde mij | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | לי (li) = tegen mij | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht | אתן (etten) = zal Ik geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = heel | הארץ (ha'arets) = land | הזאת (hazzo't) = deze | והמה (vehemmah) = en zij | יירשוה (yirashuha) = zullen het erven | בשמרם (beshomram) = wanneer zij bewaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצותי (mitsvotay) = Mijn geboden | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | חוקותי (chuqqotay) = Mijn verordeningen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | תורתי (torotay) = Mijn wetten | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | משפטי (mishpatay) = Mijn rechtsregels | אשר (asher) = die | ציויתי (tsivviti) = Ik geboden heb | אותך (otekha) = jou | ואשר (va'asher) = en die | אצוה (atsavveh) = Ik zal gebieden | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:7 en Gen. 15:18. De woorden van Yahweh zijn rood gedrukt. Zie ook: Gen 12:7; Gen 15:18 **26:25** Nu dan, mijn zoon, luister naar mijn stem en bewaar de geboden van Yahweh, je Elohim, die ik je geboden heb. Wijk niet af van de rechte weg, naar rechts of naar links, opdat het goed gaat met jou en met je zonen na je, tot in eeuwigheid. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | בני (bnei) = mijn zoon | שמע (shema) = luister | בקולי (beqoli) = naar mijn stem | ושמור (ushmor) = en bewaar | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצות (mitsvat) = de geboden van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיך (elohekha) = je Elohim | אשר (asher) = die | ציויתי (tsivviti) = ik geboden heb | אותך (otekha) = jou | לא (lo) = niet | תסור (tasur) = wijk af | מן (min) = van | הדרך (haderekh) = de weg | הישר (hayashar) = rechte | ימין (yamin) = naar rechts | ושמאל (usmol) = of naar links | למען (lema'an) = opdat | ייטב (yetav) = het goed gaat | לך (lekha) = aan jou | ולבניך (ulevanekha) = en met je zonen | אחריך (acharekha) = na je | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:26** Gedenk de wonderen van Yahweh en Zijn trouw die Hij ons bewezen heeft, en dat Hij ons gered heeft uit de hand van onze vijanden en Yahweh, onze Elohim, hen in onze handen heeft laten vallen. Nu dan, bewaar alles wat ik je geboden heb, wijk niet af van de geboden van je Elohim en dien geen ander dan Hem, opdat het goed gaat met jou en met je nageslacht na je. Brontekst: וזכור (vezakhor) = en gedenk | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפלאות (nifle'ot) = de wonderen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וחסדיו (vachasadav) = en Zijn trouw | אשר (asher) = die | עשה (asah) = Hij bewezen heeft | עמנו (immanu) = aan ons | ואשר (va'asher) = en dat | הצילנו (hitsilanu) = Hij ons gered heeft | מכף (mikkaf) = uit de hand van | אויבינו (oyeveinu) = onze vijanden | ויפילם (vayappilem) = en Hij hen liet vallen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | בידינו (beyadenu) = in onze handen | ועתה (ve'attah) = en nu | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | ציויתיך (tsivvitikha) = ik je geboden heb | תשמור (tishmor) = bewaar | וממצות (umimmitsvot) = en van de geboden van | אלוקיך (elohekha) = je Elohim | לא (lo) = niet | תסור (tasur) = wijk af | ולא (velo) = en niet | תעבוד (ta'avod) = dien | אחר (acher) = een ander | זולתו (zulato) = dan Hem | למען (lema'an) = opdat | ייטב (yetav) = het goed gaat | לך (lekha) = met jou | ולזרעך (ulezar'akha) = en met je nageslacht | אחריך (acharekha) = na je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:27** Leer je zonen en je nageslacht het onderricht van Yahweh en Zijn geboden, en onderwijs hen in de rechte weg waarop zij moeten gaan, opdat het hun goed gaat tot in eeuwigheid.” Brontekst: ולימדת (velimmadta) = en leer | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניך (banekha) = je zonen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | זרעך (zar'akha) = je nageslacht | את (et) = (lijdend voorwerp) | מוסר (musar) = het onderricht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מצוותיו (mitsvotav) = Zijn geboden | והוריתם (vehoritem) = en onderwijs hen | הדרך (haderekh) = in de weg | הישרה (hayyesharah) = rechte | אשר (asher) = waarop | ילכו (yelkhu) = zij moeten gaan | בה (bah) = daarop | למען (lema'an) = opdat | ייטב (yetav) = het goed gaat | להם (lahem) = met hen | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:28** Isaak antwoordde zijn vader en zei tegen hem: „Wat mijn heer geboden heeft, zal ik doen; van de geboden van Yahweh, mijn Elohim, zal ik niet afwijken; alles wat u mij geboden hebt, zal ik bewaren.” Abraham zegende Isaak, zijn zoon, en ook zijn zonen, en Abraham leerde Jakob het onderricht van Yahweh en Zijn wegen. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביו (aviv) = zijn vader | ויאמר (vayomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | אשר (asher) = wat | ציוה (tsiwwah) = heeft geboden | אדוני (adoni) = mijn heer | אעשה (e'eseh) = zal ik doen | וממצות (umimmitsvot) = en van de geboden van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיי (elohai) = mijn Elohim | לא (lo) = niet | אסור (asur) = zal ik afwijken | ככל (kekhol) = alles | אשר (asher) = wat | צויתני (tsivvitani) = u mij geboden hebt | אשמור (eshmor) = zal ik bewaren | ויברך (vayevarekh) = en zegende | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | ואת (ve'et) = en | בניו (banav) = zijn zonen | וילמד (vayelammed) = en leerde | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מוסר (musar) = het onderricht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ודרכיו (udrakhav) = en Zijn wegen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De dood van Abraham **26:29** In die tijd stierf Abraham, in het vijftiende jaar van het leven van Jakob en Ezau, de zonen van Isaak. Alle dagen van Abraham waren honderd jaar en vijfenzeventig jaar. Hij stierf en werd verzameld tot zijn volken, in een goede grijsheid, oud en verzadigd van dagen, en Isaak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | וימת (vayamot) = en hij stierf | אברהם (avraham) = Abraham | בשנת (bishnat) = in het jaar | חמש (chamesh) = vijf | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועשו (ve'esav) = en Ezau | בני (bnei) = de zonen van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = de dagen van | אברהם (avraham) = Abraham | שבעים (shiv'im) = zeventig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaren | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en stierf | ויאסף (vayye'asef) = en werd verzameld | אל (el) = tot | עמיו (ammav) = zijn volken | בשיבה (beseivah) = in een grijsheid | טובה (tovah) = goede | זקן (zaqen) = oud | ושבע (veshev'a) = en verzadigd van | ימים (yamim) = dagen | ויקברו (vayiqberu) = en begroeven | אותו (oto) = hem | יצחק (Yitschaq) = Isaak | וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:7–9. Zie ook: Gen 25:7–9; Gen 25:9 **26:30** Toen alle bewoners van het land Kanaän hoorden dat Abraham gestorven was, kwamen zij allen met hun koningen en hun vorsten en al hun mannen om Abraham te begraven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | שמעו (shame'u) = hoorden | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארץ (erets) = het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | כי (ki) = dat | מת (met) = gestorven was | אברהם (avraham) = Abraham | ויבואו (vayavo'u) = kwamen | כולם (kullam) = allen | עם (im) = met | מלכיהם (malkheihem) = hun koningen | ושריהם (vesareihem) = en hun vorsten | וכל (vekhol) = en al | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | לקבור (liqbor) = om te begraven | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **26:31** Alle bewoners van het land Charan kwamen, en alle families van het huis van Abraham, en alle vorsten en groten, en alle zonen van de bijvrouwen van Abraham, want zij hadden gehoord dat Abraham gestorven was, en zij vergolden Abraham zijn trouw. Zij troostten allen Isaak, zijn zoon, en begroeven Abraham in de spelonk die hij gekocht had van Efron de Hetiet en zijn zonen, tot een bezit voor een graf. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארץ (erets) = het land | חרן (charan) = Charan | וכל (vekhol) = en alle | משפחות (mishpechot) = families van | בית (bet) = het huis van | אברהם (avraham) = Abraham | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | והגדולים (vehaggedolim) = en de groten | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = de zonen van | הפילגשים (happilagshim) = de bijvrouwen | אשר (asher) = die | לאברהם (le'avraham) = Abraham | כי (ki) = want | שמעו (shame'u) = zij hadden gehoord | כי (ki) = dat | מת (met) = gestorven was | אברהם (avraham) = Abraham | ויגמלו (vayigmelu) = en vergolden | חסד (chesed) = trouw | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | וינחמו (vayenachamu) = en troostten | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | ויקברו (vayiqberu) = en begroeven | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham | במערה (bama'arah) = in de spelonk | אשר (asher) = die | קנה (qoneh) = hij gekocht had | מאת (me'et) = van | עפרון (Efron) = Efron | החתי (hachitti) = de Hetiet | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | לאחוזת (la'achuzzat) = tot een bezit van | קבר (qever) = een graf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:9 en Gen. 23:16–20. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 23:16–20; Gen 25:9 **26:32** Alle bewoners van het land Kanaän en allen die Abraham kenden, weenden een volle jaar om Abraham, en mannen en vrouwen vertelden over hem. Brontekst: ויבכו (vayivku) = en weenden | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארץ (erets) = het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | וכל (vekhol) = en allen | יודעי (yode'ey) = die kenden | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (om) | אברהם (avraham) = Abraham | שנה (shanah) = een jaar | תמימה (temimah) = volle | ויספרו (vayesapperu) = en zij vertelden | עליו (alav) = over hem | אנשים (anashim) = mannen | ונשים (venashim) = en vrouwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: In de Hebreeuwse tekst staat ‘en zij vertelden’ (ויספרו); gezien het verband is ‘en zij rouwden’ (ויספדו) bedoeld, zoals in de Engelse vertaling. **26:33** Ook alle kleine kinderen en alle bewoners van het land weenden allen om Abraham, want Abraham was goed geweest voor allen, en oprecht tegenover Elohim en tegenover mensen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | הילדים (hayeladim) = kinderen | קטנים (qetannim) = kleine | וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | בכו (bakhu) = weenden | כולם (kullam) = allen | על (al) = om | אברהם (avraham) = Abraham | כי (ki) = want | היה (hayah) = was | אברהם (avraham) = Abraham | טוב (tov) = goed | עם (im) = voor | כולם (kullam) = allen | וכי (vekhi) = en dat | היה (hayah) = was | ישר (yashar) = oprecht | עם (im) = tegenover | אלוקים (Elohim) = Elohim | ועם (ve'im) = en tegenover | אנשים (anashim) = mensen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:34** Er stond niemand meer op die Elohim vreesde zoals Abraham, die zijn Elohim vreesde van zijn jeugd af, Yahweh diende en in al Zijn wegen wandelde, van zolang hij klein was, alle dagen van zijn leven tot de dag van zijn dood. Brontekst: ולא (velo) = en niet | קם (qam) = stond op | עוד (od) = meer | ירא (yere) = die vreesde | אלוקים (Elohim) = Elohim | כאברהם (ke'avraham) = zoals Abraham | אשר (asher) = die | ירא (yere) = vreesde | את (et) = (lijdend voorwerp) | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | מנעוריו (minne'urav) = van zijn jeugd af | ויעבוד (vaya'avod) = en diende | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וילך (vayelekh) = en wandelde | בכל (bekhol) = in al | דרכיו (derakhav) = Zijn wegen | מעודו (me'odo) = van zolang hij | קטן (qatan) = klein was | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = de dagen van | חייו (chayav) = zijn leven | עד (ad) = tot | יום (yom) = de dag van | מותו (moto) = zijn dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Abrahams lof **26:35** Yahweh was met hem en redde hem van het plan van Nimrod en zijn mannen, en hij streed met de vier koningen van Elam en overwon hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עמו (immo) = met hem | ויצילהו (vayatsilehu) = en redde hem | מעצת (mei'atsat) = van het plan van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | וילחם (vayillachem) = en streed | עם (im) = met | ארבעה (arba'ah) = vier | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam | וינצחם (vayenatsechem) = en overwon hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:14–16 en Jasher 12 (Abraham en Nimrod). Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie ook: Gen 14:14–16 **26:36** Hij bracht alle kinderen van de aarde dichtbij de dienst van Elohim, onderwees hen in de wegen van Yahweh en liet hen Yahweh kennen. Brontekst: ויקרב (vayaqrev) = en bracht dichtbij | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = de kinderen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | לעבודת (la'avodat) = tot de dienst van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | וילמד (vayelammed) = en onderwees | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכי (darkhei) = de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לכל (lekhol) = aan alle | בני (bnei) = de zonen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויודיעם (vayodi'em) = en liet hen kennen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:37** Hij maakte een tamarisk en plantte daarin een wijngaard, en legde altijd brood klaar in zijn tent voor allen die in het land kwamen, om te eten, te drinken en verzadigd te worden in zijn huis. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en maakte | אשל (eshel) = een tamarisk | ויטע (vayita) = en plantte | בו (bo) = daarin | כרם (kerem) = een wijngaard | ויערוך (vaya'arokh) = en legde klaar | לחם (lechem) = brood | באהלו (be'oholo) = in zijn tent | תמיד (tamid) = altijd | לכל (lekhol) = voor alle | באי (va'ey) = die kwamen in | הארץ (ha'arets) = het land | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ולשתות (velishtot) = en te drinken | ולשבוע (velisbo'a) = en verzadigd te worden | בביתו (beveyto) = in zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jasher 22:11. Zie ook: Jas 22:11 **26:38** Yahweh redde heel de aarde omwille van Abraham, en Yahweh verloste hen van de gloed van Zijn toorn, die in die dagen tegen hen ontbrand was, omwille van Abraham. Brontekst: ויצל (vayatsel) = en Hij redde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | בעבור (ba'avur) = omwille van | אברהם (avraham) = Abraham | ויושיעם (vayoshi'em) = en verloste hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מחרון (micharon) = van de gloed van | אפו (appo) = Zijn toorn | אשר (asher) = die | חרה (charah) = ontbrand was | אפו (appo) = Zijn toorn | עליהם (aleihem) = tegen hen | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בעבור (ba'avur) = omwille van | אברהם (avraham) = Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **26:39** Na de dood van Abraham zegende Elohim Isaak, zijn zoon, en zijn zonen, en Yahweh was met Isaak zoals Hij met Abraham, zijn vader, geweest was. Want Isaak bewaarde alle geboden van Yahweh zoals Abraham, zijn vader, hem geboden had; hij week niet naar rechts of naar links af van de rechte weg die zijn vader hem geboden had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | אברהם (avraham) = Abraham | ויברך (vayevarekh) = en zegende | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עם (im) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | כאשר (ka'asher) = zoals | היה (hayah) = Hij was | עם (im) = met | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | כי (ki) = want | שמר (shamar) = bewaarde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מצות (mitsvat) = de geboden van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = hem geboden had | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | לא (lo) = niet | נטה (natah) = week af | מן (min) = van | הדרך (haderekh) = de weg | הישר (hayashar) = rechte | אשר (asher) = die | ציוהו (tsivvahu) = hem geboden had | אביו (aviv) = zijn vader | ימין (yamin) = naar rechts | ושמאל (usmol) = of naar links Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 27 _Ezau doodt Nimrod; het eerstgeboorterecht_ ### Ezau en Nimrod **27:1** In die tijd, na de dood van Abraham, ging Ezau telkens naar het veld om te jagen. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | עשו (asu) = Ezau | בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | אברהם (avraham) = Abraham | לצוד (latsud) = om te jagen | ציד (tsayid) = wild | בשדה (bassadeh) = in het veld | כפעם (kefa'am) = van tijd tot tijd | בפעם (befa'am) = en weer | להביא (lehavi) = om te brengen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het verhaal van Ezau en Nimrod (vers 1–17) staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 25:29 **27:2** Ook Nimrod, de koning van Babel, dat is Amrafel, ging telkens met zijn helden jagen in het veld en rondwandelen met zijn mannen in de koelte van de dag. Brontekst: ונמרוד (venimrod) = en Nimrod | מלך (malakh) = koning van | בבל (bavel) = Babel | הוא (hu) = dat is | אמרפל (amrafel) = Amrafel | הלך (halakh) = ging | כפעם (kefa'am) = telkens | בפעם (befa'am) = opnieuw | עם (im) = met | גיבוריו (gibborav) = zijn helden | לצוד (latsud) = om te jagen | ציד (tsayid) = wild | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hijzelf | בשדה (bassadeh) = in het veld | ולהתהלך (ulehithallekh) = en rond te wandelen | לרוח (leruach) = in de koelte van | היום (hayyom) = de dag | עם (im) = met | אנשיו (anashav) = zijn mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:8–10 (Nimrod) en Gen. 14:1 (Amrafel, koning van Sinear). Dat Nimrod en Amrafel dezelfde zijn, zegt alleen Jasher. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Gen 10:8–10; Gen 14:1 **27:3** Nimrod was Ezau al die dagen vijandig gezind, want afgunst jegens Ezau was al die dagen in het hart van Nimrod gevallen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | עויין (oyen) = vijandig gezind tegen | את (et) = (lijdend voorwerp) | עשו (asu) = Ezau | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | כי (ki) = want | נפלה (naflah) = was gevallen | קנאה (qin'ah) = afgunst | בלב (belev) = in het hart van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | אל (el) = jegens | עשו (asu) = Ezau | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De hinderlaag **27:4** Op een dag ging Ezau naar het veld om te jagen, en vond Nimrod wandelend in de woestijn met twee mannen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | וילך (vayelekh) = en hij ging | עשו (asu) = Ezau | לצוד (latsud) = om te jagen | בשדה (bassadeh) = in het veld | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | את (et) = (lijdend voorwerp) | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | מתהלך (mithallekh) = wandelend | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | עם (im) = met | שני (shenei) = twee | אנשיו (anashav) = zijn mensen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **27:5** Al zijn helden en mannen waren met hem in de woestijn, maar zij hielden afstand van hem en gingen hier en daar van hem weg om te jagen. Ezau verborg zich voor Nimrod en loerde hem op in de woestijn; Nimrod en de mannen die bij hem waren, wisten het niet. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | גיבוריו (gibborav) = zijn helden | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | היו (hayu) = zij waren | עמו (immo) = bij hem | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | אך (akh) = maar | רחקו (rachaqu) = zij hielden afstand | ממנו (mimmennu) = van hem | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | מעליו (me'alav) = van hem weg | הנה (hinneh) = hier | והנה (vehinneh) = en daar | לצוד (latsud) = om te jagen | ויתחבא (vayitchabe) = en hij verborg zich | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = voor | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ויארוב (vaya'arov) = en loerde | לו (lo) = hem | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | ונמרוד (venimrod) = en Nimrod | והאנשים (veha'anashim) = en de mannen | אשר (asher) = die | איתו (ito) = bij hem | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = zij wisten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **27:6** Nimrod en zijn mannen wandelden telkens in het veld in de koelte van de dag, om te weten waar zijn mannen in het veld jaagden. Brontekst: ויתהלך (vayyithallekh) = en hij wandelde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | בשדה (bassadeh) = in het veld | לרוח (leruach) = in de koelte van | היום (hayyom) = de dag | כפעם (kefa'am) = telkens | בפעם (befa'am) = opnieuw | ולדעת (veladaat) = om te weten | איפה (eifoh) = waar | אנשיו (anashav) = zijn mannen | צודים (tsodim) = jaagden | בשדה (bassadeh) = in het veld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **27:7** Nimrod en zijn twee mannen die bij hem waren, kwamen op de plaats waar Ezau was. Ezau stond plotseling op uit de hinderlaag waar hij op hem had gelegen, trok zijn zwaard, haastte zich, rende naar Nimrod en hakte zijn hoofd van hem af. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ושני (ushnei) = en twee | אנשיו (anashav) = zijn mannen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | איתו (ito) = met hem | עד (ad) = tot | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | עשו (asu) = Ezau | שם (shem) = daar | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | עליו (alav) = tegen hem | עשו (asu) = Ezau | פתאום (pit'om) = plotseling | מהמארב (min hamma'arav) = uit de hinderlaag | אשר (asher) = die | ארב (arav) = hij op de loer had gelegen | לו (lo) = op hem | שם (shem) = daar | וישלוף (vayishlof) = en trok | חרבו (charvu) = zijn zwaard | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | וירץ (vayyarots) = en rende | אל (el) = naar | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ויכרות (vayikhrot) = en hakte | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראשו (rosho) = zijn hoofd | מעליו (me'alav) = van hem weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **27:8** Ezau streed een zware strijd met de twee mannen die bij Nimrod waren. Zij schreeuwden naar hem, maar Ezau keerde zich naar hen toe, sloeg hen en doodde hen met zijn zwaard. Brontekst: וילחם (vayillachem) = en hij streed | עשו (asu) = Ezau | עם (im) = met | שני (shenei) = twee | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | עם (im) = met | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | מלחמה (milchamah) = een strijd | רבה (rabbah) = zware | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij schreeuwden | עליו (alav) = naar hem | ויפן (vayyifen) = en hij keerde zich toe | עשו (asu) = Ezau | אליהם (aleihem) = tot hen | ויכם (vayakkem) = en hij sloeg hen | וימיתם (vayemitem) = en doodde hen | בחרבו (becharbo) = met zijn zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **27:9** Alle helden van Nimrod, die van hem weg de woestijn in gegaan waren, hoorden van verre het geschreeuw en herkenden de stem van die twee mannen. Zij renden om te weten wat dit was en waarom, en vonden hun koning en de twee mannen die bij hem waren dood neervallen in de woestijn. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | גיבורי (gibborei) = helden van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = zij gingen | מאיתו (me'ito) = van hem weg | המדברה (hammidbarah) = naar de woestijn | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = de stem van | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | מרחוק (merachoq) = van ver | ויכירו (vayakkiru) = en herkenden | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = de stem van | שני (shenei) = twee | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | לדעת (lada'at) = om te weten | מה (mah) = wat | זה (ze) = dit | ועל (ve'al) = en om | מה (mah) = wat | זה (ze) = dit | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלכם (malkam) = hun koning | ושני (ushnei) = en twee | אנשיו (anashav) = zijn mensen | אשר (asher) = die | עמו (immo) = bij hem | נופלים (noflim) = neervallend | מתים (metim) = dood | במדבר (bammidbar) = in de woestijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ezau vlucht **27:10** Toen Ezau alle helden van Nimrod van verre zag aankomen, vluchtte hij en ontkwam. Ezau nam de kostbare kleren van Nimrod, die zijn vader hem had nagelaten en waarmee Nimrod over heel het land de overhand had gekregen, en rende ermee weg en verborg ze in zijn huis. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | ראה (ra'ah) = zag | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | גיבורי (gibborei) = helden van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | באים (va'im) = komen | מרחוק (merachoq) = van ver | וינס (vayanos) = en vluchtte | ויברח (vayivrach) = en ontvluchtte | וימלט (vayimmalet) = en hij ontkwam | ויקח (vayikkach) = en hij nam | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | בגדי (bigdey) = de kleren van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | החמודות (hachamudot) = kostbare | אשר (asher) = die | לנמרוד (leNimrod) = van Nimrod | אשר (asher) = die | הורישו (horisho) = had nagelaten | אביו (aviv) = zijn vader | אשר (asher) = die | בהם (bahem) = daarmee | גבר (gavar) = had overmacht | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | על (al) = over | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | וירץ (vayyarots) = en rende | בהם (bahem) = ermee | עשו (asu) = Ezau | ויחביאם (vayachbi'em) = en verborg ze | בביתו (beveyto) = in zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het eerstgeboorterecht **27:11** Ezau nam die kleren en rende naar de stad vanwege de mannen van Nimrod, en kwam in het huis van zijn vader, uitgeput en moe van de angst; zijn ziel werd zeer benauwd, tot stervens toe, en het was hem zeer benauwd. Ezau zag dat zijn ziel benauwd was tot stervens toe en dat het hem benauwd was; hij ging naar Jakob, zijn broer, en zat voor hem. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבגדים (habbegadim) = de kleren | ההם (hahem) = die | וירץ (vayyarots) = en rende | העירה (ha'irah) = naar de stad | מפני (mippenei) = vanwege | אנשי (anshei) = de mannen van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | עיף (ayef) = uitgeput | ויגע (vayagga) = en moe | מפני (mippenei) = vanwege | הפחד (hapachad) = de angst | ותקצר (vatiqtsar) = en werd benauwd | מאוד (me'od) = zeer | נפשו (nafsho) = zijn ziel | למות (lamut) = tot stervens toe | ויצר (veyetser) = en het werd benauwd | לו (lo) = hem | מאוד (me'od) = zeer | וירא (vayyera) = en hij zag | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = want | קצרה (qatserah) = was benauwd | נפשו (nafsho) = zijn ziel | למות (lamut) = tot stervens toe | וכי (vekhi) = en dat | צר (tsar) = benauwd | לו (lo) = voor hem | ויגש (vayyigash) = en hij naderde | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | וישב (vayyashev) = en zat | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:29–30. Zie ook: Gen 25:29–30 **27:12** Hij zei tegen Jakob, zijn broer: „Zie, ik ga vandaag sterven, en waarom heb ik dan een eerstgeboorterecht?” Jakob handelde wijs tegenover Ezau in deze zaak, en Ezau verkocht zijn eerstgeboorterecht aan Jakob, want het kwam van Yahweh. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | הנה (hinneh) = zie | אנוכי (anokhi) = ik | הולך (holekh) = ga | למות (lamut) = te sterven | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | ולמה (velamah) = en waarom | זה (ze) = dan | לי (li) = mij | בכורה (bekhorah) = eerstgeboorterecht | ויתחכם (vayitchakkem) = en handelde wijs | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tegenover | עשו (asu) = Ezau | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וימכור (vayimkor) = en verkocht | את (et) = (lijdend voorwerp) | בכורתו (bekhorato) = zijn eerstgeboorterecht | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | כי (ki) = want | מיהוה (meYahweh) = van Yahweh | היתה (hayetah) = het was | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:31–34. In Genesis ruilt Ezau zijn eerstgeboorterecht voor een gerecht linzen; hier verkoopt hij het omdat hij ‘sterft’. Zie ook: Gen 25:31–34; Gen 25:33 **27:13** Ook het deel van Ezau in de spelonk van het veld van Machpela, die Abraham van de zonen van Het gekocht had tot een bezit voor een graf, verkocht Ezau aan Jakob; en Jakob kocht dit alles van Ezau, zijn broer, voor een prijs. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | חלק (cheleq) = het deel van | עשו (asu) = Ezau | אשר (asher) = die | לו (lo) = hem | במערת (bime'arat) = in de spelonk van | שדה (sedeh) = het veld van | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | אשר (asher) = die | קנה (qoneh) = gekocht had | אברהם (avraham) = Abraham | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = de zonen van | חת (Chet) = Het | לאחוזת (la'achuzzat) = tot een bezit van | קבר (qever) = een graf | מכר (makhar) = verkocht | עשו (asu) = Ezau | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | ויקנה (vayiqneh) = en kocht | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = dit | מאת (me'et) = van | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | במחיר (bimchir) = voor een prijs Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:17–20: de spelonk van Machpela. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie ook: Gen 23:17–20 **27:14** Jakob schreef dit alles in een boek, liet er getuigen over optreden en verzegelde het, en het boek bleef in de hand van Jakob. Brontekst: ויכתוב (vayikhtov) = en hij schreef | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = dit | בספר (bassefer) = in een boek | ויעד (vaya'ed) = en liet optreden | עדים (edim) = getuigen | על (al) = over | זה (ze) = dit | ויחתום (vayachtom) = en verzegelde | ויהי (vayehi) = en bleef | הספר (hassefer) = het boek | ביד (beyad) = in de hand van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De dood van Nimrod **27:15** Toen Nimrod, de zoon van Kush, gestorven was, tilden zijn mannen hem op en brachten hem naar Babel en begroeven hem in zijn stad. Alle dagen van Nimrod die hij leefde, waren tweehonderdvijftien jaar, en hij stierf. Brontekst: ונמרוד (venimrod) = en Nimrod | בן (ben) = zoon van | כוש (Kush) = Kush | כאשר (ka'asher) = toen | מת (met) = stierf | וישאו (vayis'u) = en zij tilden op | אותו (oto) = hem | אנשיו (anashav) = zijn mensen | ויביאוהו (vayeviuhu) = en zij brachten hem | בבלה (bavelah) = naar Babel | ויקברוהו (veyiqbaruhu) = en begroeven hem | בעירו (be'iro) = in zijn stad | ויהיו (vayihyu) = en waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | אשר (asher) = die | חי (chai) = hij leefde | חמש (chamesh) = vijf | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | ומאתים (umatayim) = en tweehonderd | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:8: Nimrod, de zoon van Kush. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Gen 10:8 **27:16** De dagen dat Nimrod over alle mensen van het land regeerde, waren honderdvijfentachtig jaar. Nimrod stierf door het zwaard van Ezau in smaad en hoon, en het nageslacht van Abraham doodde hem, zoals hij in zijn droom gezien had. Brontekst: והימים (vehayyamim) = en de dagen | אשר (asher) = die | מלך (malakh) = regeerde | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | על (al) = over | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | חמש (chamesh) = vijf | ושמונים (ushmonim) = en tachtig | שנה (shanah) = jaar | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | ומת (umet) = en stierf | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | בחרב (bacherev) = door het zwaard van | עשו (asu) = Ezau | בחרפה (becharpah) = in smaad | ובוז (uvuz) = en hoon | וימיתהו (vayemitehu) = en hij doodde hem | זרע (zera) = het nageslacht van | אברהם (avraham) = Abraham | כאשר (ka'asher) = zoals | ראה (ra'ah) = hij had gezien | בחלומו (bachalomo) = in zijn droom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **27:17** Toen Nimrod gestorven was, werd zijn koninkrijk in vele delen verdeeld. Alle heerschappijen van Nimrod werden overgedragen aan alle koningen van het land, en zij namen ze na de dood van Nimrod; en alle mensen van het huis van Nimrod werden vele dagen dienaren van alle koningen van het land. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | מת (met) = stierf | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ותחלק (vatechaleq) = en werd verdeeld | מלכותו (malkhuto) = zijn koninkrijk | לחלקים (lechalaqim) = in delen | רבים (rabbim) = vele | ויוסבו (vayussabbu) = en werden overgedragen | כל (kol) = alle | ממשלות (memshalot) = heerschappijen | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | לכל (lekhol) = aan alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הארץ (ha'arets) = het land | ויקחום (vayiqachum) = en namen ze | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | בית (bet) = het huis van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | עבדים (avadim) = dienaren | לכל (lekhol) = aan alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הארץ (ha'arets) = het land | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 28 _Isaak in Gerar; Ezau en Jehudit; de dochters van Laban_ ### De hongersnood **28:1** In die dagen, na de dood van Abraham, bracht Yahweh in dat jaar een grote en zware hongersnood over het land. Toen de honger heerste in het land Kanaän, stond Isaak op om naar Egypte af te dalen vanwege de honger, zoals Abraham, zijn vader, gedaan had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | אברהם (avraham) = Abraham | ויביא (vayavi) = en bracht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = over | הארץ (ha'arets) = het land | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = dat | רעב (ra'av) = honger | גדול (gadol) = grote | וכבד (vekhaved) = en zwaar | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיות (bihyot) = toen was | הרעב (hara'av) = de honger | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לרדת (laredet) = om af te dalen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | מפני (mippenei) = vanwege | הרעב (hara'av) = de honger | כאשר (ka'asher) = zoals | עשה (asah) = gedaan had | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:1. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 26:1 **28:2** Yahweh verscheen in die nacht aan Isaak en zei tegen hem: **„Daal niet af naar Egypte; sta op, ga naar Gerar, naar Abimelech, de koning van de Filistijnen, en woon daar tot de honger voorbij is.”** Brontekst: וירא (vayyera) = en verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | ויאמר (vayomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | אל (el) = niet | תרד (tered) = daal af | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | קום (qum) = sta op | לך (lekha) = ga | גררה (gerarah) = naar Gerar | אל (el) = tot | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | מלך (malakh) = koning van | פלשתים (pelishtim) = de Filistijnen | ושב (veshav) = en woon | שם (shem) = daar | עד (ad) = tot | תם (tam) = voorbij is | הרעב (hara'av) = de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:2–3. De woorden van Yahweh zijn rood gedrukt. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Zie ook: Gen 26:2–3 **28:3** Isaak stond op en ging naar Gerar, zoals Yahweh hem geboden had, en hij woonde daar een vol jaar. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יצחק (Yitschaq) = Isaak | וילך (vayelekh) = en hij ging | גררה (gerarah) = naar Gerar | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אותו (oto) = hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישב (vayyashev) = en woonde | שם (shem) = daar | יצחק (Yitschaq) = Isaak | שנה (shanah) = jaar | תמימה (temimah) = volle Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:6. Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Zie ook: Gen 26:6 ### Rebekka in Gerar **28:4** Toen Isaak in Gerar kwam, zagen de mannen van het land Rebekka, zijn vrouw, dat zij mooi van aanzien was. Alle mannen van Gerar vroegen Isaak naar zijn vrouw, en hij zei: „Zij is mijn zus”, want hij was bang te zeggen dat zij zijn vrouw was: anders zouden de mannen van het land hem om haar doden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כבוא (kevo) = toen kwam | יצחק (Yitschaq) = Isaak | גררה (gerarah) = naar Gerar | ויראו (vayiru) = en zij zagen | אנשי (anshei) = mensen van | הארץ (ha'arets) = het land | את (et) = (lijdend voorwerp) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אישתו (ishto) = zijn vrouw | כי (ki) = dat | טובת (tovat) = mooi van | מראה (mar'eh) = van aanzien | היא (hi) = was zij | וישאלו (vayish'alu) = en zij vroegen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | גרר (Gerar) = Gerar | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לאישתו (le'ishto) = naar zijn vrouw | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אחותי (achoti) = mijn zus | היא (hi) = is zij | כי (ki) = want | ירא (yere) = hij was bang | לאמור (lemor) = te zeggen | אישתו (ishto) = dat zij zijn vrouw was | פן (pen) = anders | יהרגוני (yaharguni) = zouden mij doden | עליה (aleha) = om haar | אנשי (anshei) = mensen van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:7. Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Zie ook: Gen 26:7 **28:5** De vorsten van Abimelech gingen en prezen de vrouw bij Abimelech, maar Abimelech gaf hun geen antwoord en sloeg geen acht op hun woorden. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | שרי (sarai) = de vorsten van | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ויהללו (vaye'halelu) = en zij prezen | את (et) = (lijdend voorwerp) | האישה (ha'ishah) = de vrouw | אל (el) = tot | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ולא (velo) = maar niet | ענה (anah) = gaf antwoord | אותם (otam) = hun | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | דבר (davar) = geen woord | ולא (velo) = en niet | שת (Shet) = sloeg | לבו (libbo) = zijn hart | אל (el) = op | דבריהם (divreihem) = hun woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **28:6** Maar hij had gehoord dat men hem verteld had dat de man gezegd had: „Zij is mijn zus”, en de koning wist dit in zijn hart. Brontekst: אך (akh) = maar | שמע (shema) = hij had gehoord | כי (ki) = dat | הגידו (higgidu) = men had verteld | לו (lo) = hem | כי (ki) = dat | אמר (amar) = gezegd had | האיש (ha'ish) = de man | אחותי (achoti) = mijn zus | היא (hi) = is zij | וידע (vayyeda) = en hij wist | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | בלבו (belibbo) = in zijn hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **28:7** Na drie maanden dat Isaak in het land woonde, keek Abimelech door het raam en zag: zie, Isaak was aan het schertsen met Rebekka, zijn vrouw. Want Isaak woonde in het buitenste huis van de koning, en het huis van Isaak stond tegenover het huis van de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = aan het einde van | שלושה (shelosha) = drie | חודשים (chodashim) = maanden | לשבת (lashevet) = van het wonen van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בארץ (ba'arets) = in het land | וישקף (vayashqef) = en keek | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | בעד (ba'ad) = door | החלון (hacchalon) = het raam | וירא (vayyera) = en zag | והנה (vehinneh) = en zie | יצחק (Yitschaq) = Isaak | מצחק (metsacheq) = aan het schertsen met | את (et) = (lijdend voorwerp) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אישתו (ishto) = zijn vrouw | כי (ki) = want | ישב (yashav) = woonde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בבית (babbayit) = in het huis van | המלך (hammelekh) = de koning | החיצונה (hachitsonah) = het buitenste | ותהי (vatehi) = en was | בית (bet) = het huis van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | נגד (neged) = tegenover | בית (bet) = het huis van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:8. Zie ook: Gen 26:8 **28:8** De koning zei tegen Isaak: „Wat is dit dat je ons gedaan hebt, door te zeggen over je vrouw: ‘Zij is mijn zus’? Bijna had een van de mannen van het volk, van hun groten, met je vrouw gelegen, en je zou schuld over ons gebracht hebben.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = dit | אשר (asher) = die | עשית (asita) = je hebt gedaan | לנו (lanu) = ons | באמרך (be'omrekha) = door te zeggen | על (al) = over | אישתך (ishtekha) = je vrouw | אחותי (achoti) = mijn zus | היא (hi) = is zij | כמעט (kim'at) = bijna | שכב (shakhav) = had gelegen | אחד (echad) = een van | העם (ha'am) = het volk | מגדוליהם (miggedoleyhem) = van hun groten | את (et) = met | אישתך (ishtekha) = je vrouw | והבאת (vahavetah) = en je zou brengen | עלינו (aleinu) = over ons | אשם (asham) = schuld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:9–10. Zie ook: Gen 26:9–10; Gen 26:10 **28:9** Isaak zei tegen Abimelech: „Omdat ik bang was te sterven vanwege mijn vrouw, daarom zei ik: ‘Zij is mijn zus.’” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | כי (ki) = omdat | יראתי (yare'ti) = ik was bang | פן (pen) = opdat niet | אמות (amut) = sterven | על (al) = vanwege | אישתי (ishti) = mijn vrouw | על (al) = daarom | כן (ken) = zo | אמרתי (imrati) = zei ik | אחותי (achoti) = mijn zus | היא (hi) = is zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Isaak bij Abimelech **28:10** In die tijd gaf Abimelech bevel aan al zijn vorsten en groten, en zij namen Isaak en Rebekka, zijn vrouw, en brachten hen voor de koning. Brontekst: בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | ציוה (tsiwwah) = gaf bevel | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | לכל (lekhol) = aan al | שריו (saraiv) = zijn vorsten | וגדוליו (vegedolav) = en zijn groten | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ויביאום (vayeviem) = en brachten hen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **28:11** De koning gebood dat men hen beiden koninklijke kleren aan zou doen en hen door de straten van de stad zou laten rijden, en dat men voor hen uit in heel het land zou laten uitroepen: „Dit is de man en dit is zijn vrouw; wie deze man of zijn vrouw aanraakt, zal zeker sterven.” Isaak en zijn vrouw woonden daarna in het huis van de koning, en Yahweh was met Isaak, en hij werd steeds groter en ontbeerde niets. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | המלך (hammelekh) = de koning | וילבישו (vayalbishu) = en zij kleedden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שניהם (shenehem) = beiden | לבוש (levush) = kleding van | מלכות (malkhut) = koninklijke | וירכיבום (vayarkivum) = en lieten hen rijden | ברחוב (barechov) = door de straat van | העיר (ha'ir) = de stad | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | לפניהם (lifneihem) = voor hen | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | לאמור (lemor) = zeggende | זה (ze) = dit is | האיש (ha'ish) = de man | וזאת (vezot) = en dit is | אישתו (ishto) = zijn vrouw | כל (kol) = ieder | הנוגע (hannoge'a) = die aanraakt | באיש (ba'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | ובאישתו (uve'ishto) = of zijn vrouw | מות (mot) = zeker | יומת (yumat) = zal sterven | וישב (vayyashev) = en woonde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ואישתו (ve'ishto) = en zijn vrouw | בית (bet) = in het huis van | המלך (hammelekh) = de koning | ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | וילך (vayelekh) = en hij ging | הלוך (halokh) = voortdurend | וגדל (vegadel) = en werd groot | לא (lo) = niet | חסר (chaser) = ontbrak | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:11. Zie ook: Gen 26:11 **28:12** Yahweh gaf Isaak gunst in de ogen van Abimelech en in de ogen van al zijn dienaren, en Abimelech deed Isaak goed, want Abimelech herinnerde zich de eed en het verbond dat er tussen zijn vader en Abraham geweest was. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לחן (lechen) = gunst | בעיני (be'einei) = in de ogen van | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויעש (vayya'as) = en hij deed | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | עם (im) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | טובה (tovah) = goeds | כי (ki) = want | זכר (zakhar) = herinnerde zich | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | את (et) = (lijdend voorwerp) | השבועה (hashshevu'ah) = de eed | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הברית (habberit) = het verbond | אשר (asher) = die | היה (hayah) = was | בין (bein) = tussen | אביו (aviv) = zijn vader | ובין (uvein) = en tussen | אברהם (avraham) = Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 21:22–32: de eed tussen Abimelech en Abraham. Zie ook: Gen 21:22–32 **28:13** Abimelech zei tegen Isaak: „Zie, heel het land ligt voor je open; woon waar het goed is in je ogen, tot je terugkeert naar je land.” Abimelech gaf Isaak akkers en wijngaarden en het beste van het land Gerar in handen om te zaaien, te oogsten en de vrucht van de grond te eten, tot de dagen van de honger voorbij zouden zijn. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | המה (hemmah) = zie | כל (kol) = heel | הארץ (ha'arets) = het land | לפניך (lefanekha) = voor je | כטוב (ketov) = waar het goed is | בעיניך (be'einekha) = in je ogen | שב (shav) = woon | עד (ad) = tot | אשר (asher) = dat | תשוב (tashuv) = je terugkeert | אל (el) = tot | ארצך (artsekha) = je land | ויתן (vayitten) = en gaf | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | ביד (beyad) = in de hand van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | שדות (sadot) = akkers | וכרמים (vekeramim) = en wijngaarden | ומיטב (umeitav) = en het beste van | ארץ (erets) = het land | גרר (Gerar) = Gerar | לזרוע (lizro'a) = om te zaaien | ולקצור (uliqtsor) = en te oogsten | ולאכול (vele'ekhol) = en om te eten | את (et) = (lijdend voorwerp) | פרי (peri) = vrucht van | האדמה (ha'adamah) = de grond | עד (ad) = tot | אשר (asher) = dat | יכלו (yakhelu) = voorbij zouden zijn | ימי (yemei) = dagen van | הרעב (hara'av) = de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. ### Isaak zaait **28:14** Isaak zaaide in dat land en vond in dat jaar een honderdvoud, en zij zegenden Yahweh. Brontekst: ויזרע (vayizra) = en zaaide | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בארץ (ba'arets) = in het land | ההיא (hahi) = dat | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = dat | מאה (me'ah) = honderd | שערים (sha'arim) = maten | ויברכו (vayevarkhu) = en zij zegenden | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:12–13. Zie ook: Gen 26:12–13 **28:15** De man werd groot, en hij had vee van schapen, vee van runderen en een groot bedrijf. Brontekst: ויגדל (vayigdal) = en werd groot | האיש (ha'ish) = de man | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לו (lo) = hem | מקנה (miqneh) = vee van | צאן (tson) = schapen | ומקנה (umiqneh) = en vee van | בקר (baqar) = runderen | ועבודה (va'avudah) = en een bedrijf | רבה (rabbah) = groot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **28:16** Toen de dagen van de honger voorbij waren, verscheen Yahweh aan Isaak en zei tegen hem: **„Sta op, ga weg van deze plaats en keer terug naar je land, naar het land Kanaän.”** Isaak stond op en keerde terug naar Hebron, dat in het land Kanaän is, hij en alles wat van hem was, zoals Yahweh hem geboden had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | כלו (kalu) = voorbij waren | ימי (yemei) = dagen van | הרעב (hara'av) = de honger | וירא (vayyera) = en verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = aan | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויאמר (vayomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | קום (qum) = sta op | צא (tse) = ga weg | מן (min) = van | המקום (hammaqom) = de plaats | הזה (hazzeh) = deze | ושוב (veshuv) = en keer terug | אל (el) = naar | ארצך (artsekha) = je land | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויקם (vayyaqom) = en stond op | יצחק (Yitschaq) = Isaak | וישב (vayyashev) = en keerde terug | חברונה (chevronah) = naar Hebron | אשר (asher) = dat | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem was | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = hem geboden had | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:23. De woorden van Yahweh zijn rood gedrukt. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 26:23 ### Selach sterft **28:17** Daarna stierf Selach, de zoon van Arpachsad, in dat jaar, het achttiende jaar van het leven van Jakob en Ezau. Alle dagen van Selach die hij leefde, waren drieëndertig jaar en vierhonderd jaar, en hij stierf. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dat | וימת (vayamot) = en hij stierf | שלח (Shelach) = Selach | בן (ben) = zoon van | ארפכשד (Arpakhshad) = Arpachsad | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = dat | שנת (shenat) = het jaar van | שמונה (shemonah) = acht | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועשו (ve'esav) = en Ezau | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | שלח (Shelach) = Selach | אשר (asher) = die | חי (chai) = hij leefde | שלוש (shalosh) = drie | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | וארבע (ve'arba) = en vier | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:14–15: Selach leefde 30 + 403 = 433 jaar. Zie ook: Gen 11:14–15 ### Jakob bij Sem en Eber **28:18** In die tijd zond Isaak zijn jongste zoon Jakob naar het huis van Sem en Eber, om het onderricht van Yahweh en Zijn wet te leren, om Yahweh te kennen. Jakob ging naar het huis van Sem en Eber, leerde het onderricht van Yahweh en bleef in het huis van Sem en Eber tweeëndertig jaar. Maar Ezau, zijn broer, ging niet, want hij wilde niet gaan, en hij bleef in het huis van zijn vader in het land Kanaän. Brontekst: בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | שלח (Shelach) = zond | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בנו (beno) = zijn zoon | הקטן (haqqaton) = de jongste | ביתה (baytah) = naar het huis van | שם (shem) = Sem | ועבר (ve'ever) = en Eber | ללמוד (lilmod) = om te leren | את (et) = (lijdend voorwerp) | מוסר (musar) = het onderricht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | תורתו (torato) = Zijn wet | לדעת (lada'at) = om te kennen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וילך (vayelekh) = en ging | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בית (bet) = naar het huis van | שם (shem) = Sem | ועבר (ve'ever) = en Eber | וילמוד (vayilmad) = en leerde | את (et) = (lijdend voorwerp) | מוסר (musar) = het onderricht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישב (vayyashev) = en bleef | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בבית (babbayit) = in het huis van | שם (shem) = Sem | ועבר (ve'ever) = en Eber | שלושים (sheloshim) = dertig | ושתים (ushtayim) = en twee | שנה (shanah) = jaar | ועשו (ve'esav) = en Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | לא (lo) = niet | הלך (halakh) = ging | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | אבה (avah) = wilde | ללכת (lalekhet) = gaan | וישב (vayyashev) = en bleef | בבית (babbayit) = in het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | ארצה (artsah) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jasher 26:17 en Jasher 26:28. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Jas 26:17; Jas 26:28 **28:19** Ezau ging alle dagen naar het veld om te jagen en iets thuis te brengen; zo deed Ezau al die dagen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | עשו (asu) = Ezau | הולך (holekh) = ging | השדה (hasadeh) = naar het veld | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | לצוד (latsud) = om te jagen | ציד (tsayid) = wild | בשדה (bassadeh) = in het veld | להביא (lehavi) = om thuis te brengen | ככה (kakhah) = zo | יעשה (ya'aseh) = deed | עשו (asu) = Ezau | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **28:20** Ezau was een man van listige plannen en bedrog, die het hart van alle mensen peilde en hun verstand stal, en Ezau was een held in het veld. Na enige tijd ging hij, zoals telkens, op jacht, en hij kwam tot het veld van Seïr, dat is Edom. Brontekst: ועשו (ve'esav) = en Ezau | היה (hayah) = was | איש (ish) = een man van | מחשבות (machshavot) = listige plannen | ומרמות (umirmot) = en bedrog | ומודה (umode) = die peilde | את (et) = (lijdend voorwerp) | לב (lev) = het hart van | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = mensen | וגונב (vegonev) = en stal | את (et) = (lijdend voorwerp) | דעתם (da'tam) = hun verstand | ויהי (vayehi) = en was | עשו (asu) = Ezau | גיבור (gibbor) = een held | חיל (chayil) = in kracht | בשדה (bassadeh) = in het veld | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מימים (miyyamim) = na enige tijd | וילך (vayelekh) = en ging | עשו (asu) = Ezau | ארץ (erets) = het land | שעיר (se'ir) = Seïr | לצוד (latsud) = om te jagen | כפעם (kefa'am) = telkens | בפעם (befa'am) = opnieuw | וילך (vayelekh) = en ging | ויבא (vayavo) = en kwam | עד (ad) = tot | שדה (sedeh) = het veld van | שעיר (se'ir) = Seïr | הוא (hu) = dat is | שדה (sedeh) = het veld van | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Lezing: Het woord ‘ומודה’ is hier vertaald met ‘peilde’; de betekenis in dit verband is niet helemaal duidelijk. De Engelse vertaling heeft ‘hij joeg op de harten van de mensen’. **28:21** Ezau woonde daar in het land Seïr, jagend in het veld, een jaar en vier maanden. Brontekst: וישב (vayyashev) = en woonde | שם (shem) = daar | עשו (asu) = Ezau | בארץ (ba'arets) = in het land | שעיר (se'ir) = Seïr | לצוד (latsud) = jagend | בשדה (bassadeh) = in het veld | ימים (yamim) = een jaar | וארבעה (ve'arba'ah) = en vier | חודשים (chodashim) = maanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. ### Ezau en Jehudit **28:22** Daar in het land Seïr zag Ezau de dochter van een Kanaänitische man, en haar naam was Jehudit, de dochter van Beëri, de zoon van Efer, uit de familie van Het, de zoon van Kanaän. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | שם (shem) = daar | עשו (asu) = Ezau | בארץ (ba'arets) = in het land | שעיר (se'ir) = Seïr | בת (bat) = dochter van | איש (ish) = een man | כנעני (kena'ani) = Kanaänitische | ושמה (ushmah) = en haar naam | יהודית (Yehudit) = Jehudit | בת (bat) = dochter van | בארי (Be'eri) = Beëri | בן (ben) = zoon van | עפר (afar) = Efer | ממשפחת (mimmishpachat) = uit de familie van | חת (Chet) = Het | בן (ben) = zoon van | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:34: Ezau neemt Jehudit, de dochter van Beëri de Hetiet. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 26:34 **28:23** Ezau nam haar tot vrouw en ging tot haar in; Ezau was veertig jaar oud toen hij haar nam. Hij bracht haar naar Hebron, het land waar zijn vader woonde, en woonde daar. Brontekst: ויקחה (vayiqachah) = en nam haar | עשו (asu) = Ezau | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויבוא (vayavo) = en ging in | אליה (eleha) = tot haar | בן (ben) = oud | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar | היה (hayah) = was | עשו (asu) = Ezau | בקחתו (beqachto) = toen hij nam | אותה (otah) = haar | ויביאה (vayeviehah) = en bracht haar | חברונה (chevronah) = naar Hebron | ארץ (erets) = het land | מגורי (megurey) = waar woonde | אביו (aviv) = zijn vader | וישב (vayyashev) = en woonde | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. ### Sem sterft **28:24** In die dagen, in het honderdtiende jaar van het leven van Isaak, dat is het vijftigste jaar van het leven van Jakob, stierf in dat jaar Sem, de zoon van Noach; Sem was zeshonderd jaar oud bij zijn dood. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar | מאה (me'ah) = honderd | ועשר (va'asar) = en tien | שנים (shanim) = jaren | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = het jaar van | חמישים (chamishim) = vijftig | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מת (met) = stierf | שם (shem) = Sem | בן (ben) = zoon van | נח (Noach) = Noach | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = dat | בן (ben) = oud | שש (shesh) = zes | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | היה (hayah) = was | שם (shem) = Sem | במותו (bemoto) = bij zijn dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:10–11: Sem leefde 100 + 500 = 600 jaar. Zie ook: Gen 11:10–11 **28:25** Toen Sem gestorven was, keerde Jakob terug naar zijn vader, naar Hebron, dat in het land Kanaän is. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | מת (met) = gestorven was | שם (shem) = Sem | וישב (vayyashev) = en keerde terug | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = naar | אביו (aviv) = zijn vader | חברונה (chevronah) = naar Hebron | אשר (asher) = dat | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. ### De dochters van Laban **28:26** In het zesenvijftigste jaar van het leven van Jakob kwamen mannen uit Charan en vertelden Rebekka over Laban, de zoon van Betuël, haar broer. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = en in het jaar van | חמישים (chamishim) = vijftig | ושש (veshesh) = en zes | שנים (shanim) = jaren | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | באו (ba'u) = kwamen | אנשים (anashim) = mannen | מחרן (mecharan) = uit Charan | ויגידו (vayaggidu) = en vertelden | לרבקה (lerivqah) = Rebekka | על (al) = over | אודות (odot) = over | לבן (Lavan) = Laban | בן (ben) = zoon van | בתואל (Betu'el) = Betuël | אחיה (achiha) = haar broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:16: Lea en Rachel, de dochters van Laban. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 29:16 **28:27** Want de vrouw van Laban was in die dagen onvruchtbaar en baarde niet, en ook al zijn slavinnen baarden hem niet. Brontekst: כי (ki) = want | אשת (eshet) = vrouw van | לבן (Lavan) = Laban | היתה (hayetah) = was | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ולא (velo) = en niet | ילדה (yaldah) = baarde | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | אמהותיו (amhotav) = zijn slavinnen | לא (lo) = niet | ילדו (yaldu) = baarden | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **28:28** Daarna dacht Yahweh aan Adina, de vrouw van Laban, en zij werd zwanger en baarde een tweeling van twee dochters. Laban noemde de namen van zijn dochters: de naam van de oudste Lea en de naam van de jongste Rachel. Brontekst: ויזכור (veyizkor) = en dacht aan | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | עדינה (Adinah) = Adina | אשת (eshet) = vrouw van | לבן (Lavan) = Laban | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dat | ותהר (vattahar) = en werd zwanger | ותלד (vatteled) = en baarde | שתי (shetei) = twee | בנות (banot) = dochters | תאומות (te'omot) = tweelingdochters | ויקרא (vayikra) = noemde | לבן (Lavan) = Laban | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמות (shemot) = de namen van | בנותיו (benotav) = zijn dochters | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | הבכירה (habbekhirah) = oudste | לאה (Le'ah) = Lea | ושם (veShem) = en de naam van | הקטנה (haqqetannah) = jongste | רחל (Rachel) = Rachel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **28:29** Die mannen kwamen en vertelden dit aan Rebekka, en Rebekka verheugde zich zeer dat Yahweh haar broer bezocht had en dat hij kinderen kreeg. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | ויגידו (vayaggidu) = en vertelden | לרבקה (lerivqah) = aan Rebekka | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | ותשמח (vatismach) = en verheugde zich | רבקה (Rivqah) = Rebekka | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = dat | פקד (paqad) = bezocht had | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיה (achiha) = haar broer | ויהיו (vayihyu) = en dat zij waren | לו (lo) = hem | בנים (banim) = kinderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 29 _De zegen van Isaak; Jakob vlucht; Elifaz_ ### Isaak roept Ezau **29:1** Isaak, de zoon van Abraham, werd oud en bejaard, en zijn ogen werden zwaar van ouderdom, zij werden donker en konden niet zien. Brontekst: ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | זקן (zaqen) = oud | בא (ba) = gevorderd | בימים (bayyamim) = in de dagen | ועיניו (ve'enav) = en zijn ogen | כבדו (kavedu) = werden zwaar | מזוקן (mize'qen) = van ouderdom | ותכהין (vattikhhenah) = en werden donker | ולא (velo) = en niet | יכול (yakhol) = konden | לראות (lir'ot) = zien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 27:1 **29:2** In die tijd riep Isaak zijn zoon Ezau en zei: „Neem toch je wapens, je pijlkoker en je boog, sta op en ga het veld in en jaag voor mij op wild. Maak mij smakelijke gerechten en breng ze mij, dat ik eet, opdat ik je zegen voordat ik sterf, want ik ben oud geworden en grijs.” Brontekst: בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | קרא (qara) = riep | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | לאמור (lemor) = zeggende | שא (sa) = neem | נא (na) = toch | כליך (keleykha) = je wapens | תליך (telyekha) = je pijlkoker | וקשתך (veqashtekha) = en je boog | וקום (vequm) = sta op | צא (tse) = ga | השדה (hasadeh) = het veld in | וצודה (vetsudah) = en jaag | לי (li) = voor mij | צידה (tsedah) = wild | ועשה (ve'asah) = en maak | לי (li) = mij | מטעמים (matammim) = smakelijke gerechten | והבאת (vahavetah) = en breng | לי (li) = mij | ואוכלה (ve'okhelah) = dat ik eet | בעבור (ba'avur) = opdat | אברכך (avarekhkha) = ik je zegen | בטרם (beterem) = voordat | מותי (muti) = ik sterf | כי (ki) = want | אני (ani) = ik | זקנתי (zaqanti) = ik oud ben geworden | ושבתי (veshavti) = en grijs Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 27:1–4. Zie ook: Gen 27:1–4; Gen 27:3 **29:3** Ezau deed zo; hij nam zijn wapens en ging het veld in om te jagen, zoals telkens, om het zijn vader te brengen zoals hij hem geboden had, opdat hij hem zou zegenen. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | עשו (asu) = Ezau | כן (ken) = zo | וישא (vayissa) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | כליו (kelav) = zijn wapens | ויצא (vayetse) = en ging uit | השדה (hasadeh) = het veld in | לצוד (latsud) = om te jagen | ציד (tsayid) = wild | כפעם (kefa'am) = telkens | בפעם (befa'am) = opnieuw | להביא (lehavi) = om te brengen | אל (el) = naar | אביו (aviv) = zijn vader | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = hij hem geboden had | בעבור (ba'avur) = opdat | אשר (asher) = dat | יברך (yevarekh) = hij zou zegenen | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:4** Rebekka hoorde de woorden die Isaak tot Ezau gesproken had; zij haastte zich en riep Jakob, haar zoon, en zei: „Zo en zo heeft je vader tot Ezau, je broer, gesproken, en zo en zo heb ik gehoord. Sta nu snel op en doe wat ik tot je zeg. Brontekst: ותשמע (vattishma) = en hoorde | רבקה (Rivqah) = Rebekka | את (et) = (lijdend voorwerp) | על (al) = over | הדברים (haddevarim) = de woorden | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = hij had gesproken | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | ותמהר (vatemaher) = en zij haastte zich | ותקרא (vattiqra) = en riep | ליעקב (leya'aqov) = Jakob | בנה (Benah) = haar zoon | לאמור (lemor) = zeggende | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | דיבר (dibber) = sprak | אביך (avikha) = je vader | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | אחיך (achikha) = je broer | וכה (vekho) = en zo | וכה (vekho) = en zo | שמעתי (shamati) = heb ik gehoord | עתה (attah) = nu | מהר (maher) = wees snel | עתה (attah) = nu | ועשה (ve'asah) = en doe | אשר (asher) = wat | אדבר (adabber) = ik zeg | אליך (elekha) = tot je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 27:5–10. Zie ook: Gen 27:5–10 **29:5** Ga toch naar de kudde en haal mij daar twee goede bokjes van de geiten; ik zal ze als smakelijke gerechten voor je vader bereiden, en jij zult de gerechten naar je vader brengen, dat hij eet voordat je broer van zijn jacht komt, opdat je vader jou zegent.” Brontekst: קום (qum) = sta op | ולך (ulekha) = en ga | נא (na) = toch | אל (el) = naar | הצאן (hatson) = de kudde | ולקחת (velaqachat) = en haal | לי (li) = voor mij | משם (misham) = vandaar | שני (shenei) = twee | גדיי (gediy) = bokjes | עיזים (izzim) = van de geiten | טובים (tovim) = goede | ואישה (ve'ishah) = en ik zal bereiden | אותם (otam) = ze | מטעמים (matammim) = als smakelijke gerechten | לאביך (le'avikha) = voor je vader | והבאת (vahavetah) = en je zult brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטעמים (hamatammim) = de gerechten | לאביך (le'avikha) = naar je vader | ואכל (ve'akhal) = dat hij eet | בטרם (beterem) = voordat | יבוא (yavo) = komt | אחיך (achikha) = je broer | מצידו (mitsiddo) = van zijn jacht | בעבור (ba'avur) = opdat | אשר (asher) = dat | יברכך (yevarekhekha) = je zegent | אביך (avikha) = je vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 27:9 **29:6** Jakob haastte zich en deed zoals zijn moeder hem geboden had; hij maakte de gerechten en bracht ze voor zijn vader, voordat Ezau van zijn jacht kwam. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויעש (vayya'as) = en deed | כאשר (ka'asher) = zoals | ציותה (tsivvatah) = had geboden | אותו (oto) = hem | אמו (immo) = zijn moeder | ויעש (vayya'as) = en maakte | מטעמים (matammim) = de gerechten | ויביאם (vayevi'em) = en bracht ze | לפני (lifnei) = voor | אביו (aviv) = zijn vader | טרם (terem) = voordat | יבוא (yavo) = kwam | עשו (asu) = Ezau | מצידו (mitsiddo) = van zijn jacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:7** Isaak zei tegen Jakob: „Wie ben je, mijn zoon?” Hij zei: „Ik ben je eerstgeborene, Ezau; ik heb gedaan wat je mij geboden hebt. Sta nu op, ga zitten en eet van mijn jacht, opdat je ziel mij zegent, zoals je tot mij gesproken hebt.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מי (mi) = wie | אתה (attah) = ben jij | בני (bnei) = mijn zoon | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אני (ani) = ik | בכורך (bekhorekha) = je eerstgeborene | עשו (asu) = Ezau | עשיתי (asiti) = ik heb gedaan | כאשר (ka'asher) = zoals | ציותני (tsivvitani) = je mij geboden hebt | עתם (attah) = nu | קום (qum) = sta op | נא (na) = toch | שבה (shavah) = ga zitten | ואכלת (ve'akhalta) = en eet | מצידי (mitsaydi) = van mijn jacht | בעבור (ba'avur) = opdat | אשר (asher) = dat | תברכני (tevarakheni) = mij zegent | נפשך (nafshekha) = je ziel | כאשר (ka'asher) = zoals | דיברת (dibbarta) = je gesproken hebt | אליי (elai) = tot mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 27:18–25. Zie ook: Gen 27:18–25; Gen 27:19 ### De zegen **29:8** Isaak stond op en at en dronk, zijn hart werd verblijd, en hij zegende Jakob, en Jakob ging van zijn vader weg. En zie: toen Isaak Jakob gezegend had en deze van hem weggegaan was, kwam Ezau van zijn jacht uit het veld. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויאכל (vayyokhal) = en hij at | וישת (vayeshet) = en hij dronk | וייטב (vayyitav) = en werd verblijd | ליבו (libbo) = zijn hart | ויברך (vayevarekh) = en hij zegende | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויצא (vayetse) = en ging weg | מאיתו (me'ito) = van zijn vader | והנה (vehinneh) = en zie | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | בא (ba) = kwam | מצידו (mitsiddo) = van zijn jacht | מן (min) = uit | השדה (hasadeh) = het veld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 27:26–30. Zie ook: Gen 27:26–30 **29:9** Ook hij maakte smakelijke gerechten en bracht ze naar zijn vader om te eten en hem te zegenen. Isaak zei tegen Ezau: „En wie is dan hij die op wild gejaagd en het mij gebracht heeft voordat jij kwam, en die ik gezegend heb?” Ezau wist dat Jakob, zijn broer, dit gedaan had, en de toorn van Ezau ontbrandde tegen Jakob, zijn broer, omdat hij hem dit gedaan had. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en maakte | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | מטעמים (matammim) = smakelijke gerechten | ויבא (vayavo) = en bracht | לאביו (le'aviv) = naar zijn vader | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ולברכו (ulevarekho) = en hem te zegenen | ויאמר (vayomer) = en zei | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | ומי (umei) = en wie | איפה (eifoh) = dan | הצד (hatsad) = die gejaagd heeft | ציד (tsayid) = op wild | ויבא (vayavo) = en bracht | לי (li) = mij | בטרם (beterem) = voordat | תבוא (tavo) = je kwam | אתה (attah) = jij | ואברכהו (va'avarekhehu) = en die ik gezegend heb | וידע (vayyeda) = en hij wist | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | עשה (asah) = gedaan had | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = dit | הזה (hazzeh) = deze | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = de toorn van | עשו (asu) = Ezau | ביעקב (beya'aqov) = tegen Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | כי (ki) = omdat | עשה (asah) = hij gedaan had | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = dit | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:10** Ezau zei: „Is het niet omdat zijn naam Jakob genoemd is, dat hij mij nu al tweemaal bedrogen heeft? Mijn eerstgeboorterecht heeft hij genomen, en nu heeft hij mijn zegen genomen.” Ezau weende luid. Isaak hoorde de stem van Ezau, zijn zoon, wenen, en Isaak zei tegen Ezau: „Wat kan ik doen voor je, mijn zoon? Je broer is met bedrog gekomen en heeft je zegen genomen.” Ezau haatte Jakob, zijn broer, om de zegen waarmee zijn vader hem gezegend had, en zijn toorn ontbrandde zeer tegen hem. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | עשו (asu) = Ezau | הכי (hakhi) = is het niet omdat | קרא (qara) = genoemd is | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שמו (shemo) = zijn naam | ויעקבני (vaya'qeveni) = dat hij mij bedrogen heeft | זה (ze) = nu | פעמים (pe'amim) = tweemaal | את (et) = (lijdend voorwerp) | בכורתי (bekhorati) = mijn eerstgeboorterecht | לקח (laqach) = heeft hij genomen | ויבך (vayevk) = en weende | עשו (asu) = Ezau | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = groot | וישמע (vayishma) = en hoorde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = stem van | עשו (asu) = Ezau | בנו (beno) = zijn zoon | בוכה (bokheh) = wenen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | מה (mah) = wat | אעשה (e'eseh) = kan ik doen | לך (lekha) = voor je | בני (bnei) = mijn zoon | בא (ba) = is gekomen | אחיך (achikha) = je broer | במרמה (bemirmah) = met bedrog | ויקח (vayikkach) = en hij heeft genomen | ברכתך (birkhatekha) = je zegen | וישטום (vayistom) = en haatte | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | על (al) = om | הברכה (habbrakhah) = de zegen | אשר (asher) = die | ברכו (beraKho) = hem gezegend had | אביו (aviv) = zijn vader | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפו (appo) = zijn toorn | עליו (alav) = tegen hem | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 27:30–38. Zie ook: Gen 27:30–38; Gen 27:36 ### Jakob bij Eber **29:11** Jakob was zeer bang voor Ezau, zijn broer; hij stond op, vluchtte naar het huis van Eber, de zoon van Sem, en verborg zich daar voor zijn broer. Jakob was drieënzestig jaar toen hij uit het land Kanaän wegging, uit Hebron, en Jakob verborg zich in het huis van Eber veertien jaar voor Ezau, zijn broer, en leerde daar nog de wegen van Yahweh en Zijn geboden. Brontekst: ויירא (vayira) = en was bang | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאוד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = voor | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | ויקם (vayyaqom) = en stond op | ויברח (vayivrach) = en vluchtte | בית (bet) = naar het huis van | עבר (Ever) = Eber | בן (ben) = de zoon van | שם (shem) = Sem | ויסתר (vayyaster) = en verborg zich | שם (shem) = daar | מפני (mippenei) = voor | אחיו (achiv) = zijn broer | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | בן (ben) = zoon van | שישים (shishim) = zestig | שנה (shanah) = jaar | ושלוש (veshalosh) = en drie | שנים (shanim) = jaren | בצאתו (betseto) = toen hij wegging | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | מחברון (michevron) = uit Hebron | ויתחבא (vayitchabe) = en verborg zich | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בבית (babbayit) = in het huis van | עבר (Ever) = Eber | מפני (mippenei) = voor | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | ארבע (arba) = vier | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | וילמוד (vayilmad) = en leerde | שם (shem) = daar | עוד (od) = nog | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכי (darkhei) = wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מצוותיו (mitsvotav) = Zijn geboden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 27:41–45 en Gen. 27:43. In Genesis vlucht Jakob naar Laban in Charan; hier verblijft hij eerst veertien jaar in het huis van Eber (vers 11 en 20). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 27:41–45; Gen 27:43 ### Ezau en Basmat **29:12** Ezau zag dat Jakob gevlucht was en aan zijn hand ontkomen, en dat hij de zegen met list had genomen; toen werd Ezau zeer bedroefd, en hij ergerde zich ook aan zijn vader en zijn moeder. Hij stond op, nam zijn vrouw en ging naar het land Seïr vanwege zijn vader en zijn moeder, en woonde daar. Daar zag Ezau nog een vrouw van de dochters van Het, haar naam was Basmat, de dochter van Elon de Hetiet, en hij nam haar tot vrouw naast zijn vrouw. Ezau noemde haar naam Ada en zei: „Want de zegen is in die tijd van hem voorbijgegaan.” Brontekst: ועשו (ve'esav) = en Ezau | ראה (ra'ah) = zag | כי (ki) = dat | ברח (barach) = gevlucht was | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וימלט (vayimmalet) = en ontkomen | מידו (miyyado) = aan zijn hand | וכי (vekhi) = en dat | לקח (laqach) = hij genomen had | את (et) = (lijdend voorwerp) | הברכה (habbrakhah) = de zegen | בערמה (be'ormah) = met list | ויתעצב (vayit'atsev) = en werd bedroefd | מאוד (me'od) = zeer | עשו (asu) = Ezau | ויחר (vayyichar) = en hij ergerde zich | לו (lo) = hem | גם (gam) = ook | על (al) = aan | אביו (aviv) = zijn vader | ועל (ve'al) = en aan | אמו (immo) = zijn moeder | ויקם (vayyaqom) = en stond op | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | אישתו (ishto) = zijn vrouw | וילך (vayelekh) = en hij ging | ארצה (artsah) = naar het land | שעיר (se'ir) = Seïr | מפני (mippenei) = vanwege | אביו (aviv) = zijn vader | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder | וישב (vayyashev) = en woonde | שם (shem) = daar | וירא (vayyera) = en zag | שם (shem) = daar | עשו (asu) = Ezau | עוד (od) = nog | אישה (ishah) = een vrouw | מבנות (mibbenot) = uit de dochters van | חת (Chet) = Het | ושמה (ushmah) = en haar naam | בשמת (Bosmat) = Basmat | בת (bat) = dochter van | אילון (Eylon) = Elon | החתי (hachitti) = de Hetiet | ויקחה (vayiqachah) = en hij nam haar | לו (lo) = voor zich | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | על (al) = naast | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ויקרא (vayikra) = en noemde | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמה (shemah) = haar naam | עדה (Adah) = Ada | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = want | עדה (Adah) = is voorbijgegaan | ממנו (mimmennu) = van hem | הברכה (habbrakhah) = de zegen | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:34 (Basmat, de dochter van Elon de Hetiet) en Gen. 36:2 (Ada, de dochter van Elon de Hetiet). Hier is Ada de naam die Ezau aan Basmat geeft. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 26:34; Gen 36:2 **29:13** Ezau woonde zes maanden in het land Seïr en zag het gezicht van zijn vader en moeder niet. Daarna nam Ezau zijn vrouwen, stond op en keerde terug naar het land Kanaän, en Ezau liet zijn twee vrouwen wonen in het huis van zijn vader, in Hebron. Brontekst: וישב (vayyashev) = en woonde | עשו (asu) = Ezau | בארץ (ba'arets) = in het land | שעיר (se'ir) = Seïr | שישה (shishah) = zes | חודשים (chodashim) = maanden | ופני (ufney) = en het gezicht van | אביו (aviv) = zijn vader | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder | לא (lo) = niet | ראה (ra'ah) = zag | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dat | ויקח (vayikkach) = en hij nam | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | ויקם (vayyaqom) = en stond op | וישב (vayyashev) = en keerde terug | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויושב (vayoshev) = en liet wonen | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | שתי (shetei) = twee | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | חברונה (chevronah) = in Hebron | בית (bet) = in het huis van | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. ### De vrouwen van Ezau **29:14** De vrouwen van Ezau tergden en vertoornden Isaak en Rebekka met hun daden, want zij wandelden niet in de wegen van Yahweh; zij dienden de goden van hun vader, hout en steen, zoals hun vader hen geleerd had. Brontekst: ותהיינה (vatihyenah) = en zij waren | נשי (neshei) = vrouwen van | עשו (asu) = Ezau | מכעיסים (makh'isim) = tergden | ומקציפים (umaqtsifim) = en vertoornden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | במעשיהם (bema'asehem) = met hun daden | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | הלכו (halekhu) = wandelden | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויעבדו (vaya'avdu) = en zij dienden | אלוקי (elohei) = de goden van | אביהן (avihen) = hun vader | עץ (ets) = hout | ואבן (va'even) = en steen | אשר (asher) = zoals | לימדום (limmedum) = hen geleerd had | אביהן (avihen) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:35. Zie ook: Gen 26:35 **29:15** Zij handelden veel goddelozer dan hun vaders, volgden de hardnekkigheid van hun boze hart, offerden en brandden reukoffer voor de Baäls, en Isaak en Rebekka walgden van hen. Brontekst: וירשיעו (vayarshi'u) = en zij handelden goddelozer | מאוד (me'od) = veel | מאבותם (me'avotam) = dan hun vaders | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אחרי (acharei) = achter | שרירות (sherirut) = de hardnekkigheid van | ליבם (libbam) = hun hart | הרע (hara) = boze | ויזבחו (vayizbechu) = en zij offerden | ויקטרו (vayeqatteru) = en brandden reukoffer | לבעלים (labbe'alim) = voor de Baäls | ויקוצו (vayaqutsu) = en walgden | מפניהם (mippneihem) = van hen | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ורבקה (verivqah) = en Rebekka Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:16** Rebekka zei tegen Isaak: „Ik walg van mijn leven vanwege de dochters van Het. Als Jakob een vrouw neemt zoals zij, van de dochters van het land, waarvoor heb ik dan nog een leven?” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | קצתי (qatsti) = walg | בחיי (bechayyay) = van mijn leven | מפני (mippenei) = vanwege | בנות (banot) = dochters | חת (Chet) = Het | אם (em) = als | לוקח (loqe'ach) = neemt | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אישה (ishah) = een vrouw | כאלה (ke'elleh) = zoals zij | מבנות (mibbenot) = van de dochters van | הארץ (ha'arets) = het land | למה (lammah) = waarvoor | לי (li) = heb ik | חיים (chayyim) = een leven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 27:46. Zie ook: Gen 27:46 ### Elifaz geboren; Ismaël sterft **29:17** In die dagen werd Ada, de vrouw van Ezau, zwanger en baarde hem een zoon. Ezau noemde de naam van zijn zoon die hem geboren was Elifaz; Ezau was vijfenzestig jaar oud toen zij hem baarde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ותהר (vattahar) = en werd zwanger | עדה (Adah) = Ada | אשת (eshet) = vrouw van | עשו (asu) = Ezau | ותלד (vatteled) = en baarde | לו (lo) = hem | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | בנו (beno) = zijn zoon | הנולד (hannolad) = die geboren was | לו (lo) = voor hem | אליפז (Elifaz) = Elifaz | ועשו (ve'esav) = en Ezau | בן (ben) = zoon van | שישים (shishim) = zestig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaren | בלדת (biledet) = toen zij baarde | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:4. Zie ook: Gen 36:4 **29:18** Ismaël, de zoon van Abraham, stierf in die dagen, in het vijfenzestigste jaar van het leven van Jakob. Alle dagen van Ismaël die hij leefde, waren honderd jaar en zevenendertig jaar, en hij stierf. Brontekst: וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar | שישים (shishim) = zestig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaren | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אשר (asher) = die | חי (chai) = hij leefde | שבע (sheva) = zeven | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:17: Ismaël leefde 137 jaar. Zie ook: Gen 25:17 **29:19** Toen Isaak hoorde dat Ismaël gestorven was, rouwde hij om hem, en Isaak treurde vele dagen om hem. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | כי (ki) = dat | מת (met) = gestorven was | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ויספדהו (vayispedehu) = en rouwde om hem | ויתאבל (vayit'abbel) = en treurde | עליו (alav) = om hem | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jakob keert terug **29:20** Na veertien jaar dat Jakob in het huis van Eber gewoond had, verlangde Jakob naar het gezicht van zijn vader en moeder. Jakob kwam naar het huis van zijn vader en moeder in Hebron, en Ezau was in die dagen vergeten wat Jakob hem aangedaan had met de zegen die hij in die dagen van hem genomen had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na | ארבע (arba) = vier | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | לשבת (lashevet) = van het wonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בבית (babbayit) = in het huis van | עבר (Ever) = Eber | ויתאווה (vayit'av) = en verlangde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = naar | פני (pnei) = het gezicht van | אביו (aviv) = zijn vader | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לבית (levet) = naar het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder | חברונה (chevronah) = naar Hebron | ועשו (ve'esav) = en Ezau | שכח (shakhach) = vergeten | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = gedaan had | לו (lo) = hem | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | על (al) = over | הברכה (habbrakhah) = de zegen | אשר (asher) = die | לקח (laqach) = hij genomen had | מאיתו (me'ito) = van hem | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **29:21** Toen Ezau zag dat Jakob bij zijn vader en moeder gekomen was, herinnerde hij zich wat Jakob hem gedaan had, zijn toorn ontbrandde zeer tegen hem en hij zocht hem te doden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen zag | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | בא (ba) = gekomen was | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | ואל (ve'el) = en naar | אמו (immo) = zijn moeder | ויזכור (veyizkor) = en herinnerde zich | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = gedaan had | לו (lo) = hem | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפו (appo) = zijn toorn | עליו (alav) = tegen hem | מאוד (me'od) = zeer | ויבקש (vayevaqqesh) = en zocht | להרגו (laharogo) = hem te doden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:22** Isaak, de zoon van Abraham, was zeer oud en op hoge leeftijd gekomen, en Ezau zei: „Zie, de dagen van mijn vader zijn nabij om te sterven; en wanneer hij sterft, zal ik Jakob, mijn broer, doden.” Brontekst: ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | זקן (zaqen) = oud | מאוד (me'od) = zeer | בא (ba) = gevorderd | בימים (bayyamim) = in de dagen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | עשו (asu) = Ezau | עתה (attah) = nu | הנה (hinneh) = zie | ימי (yemei) = dagen van | אבי (avi) = mijn vader | קרבו (qarvu) = zijn nabij | למות (lamut) = om te sterven | והיה (vehayah) = en het zal zijn | במותו (bemoto) = wanneer hij sterft | ואהרגה (ve'ehargah) = zal ik doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחי (echi) = mijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:23** Dit werd aan Rebekka verteld; zij haastte zich, zond en riep Jakob, haar zoon, en zei tegen hem: „Sta op, vlucht naar Charan, naar Laban, mijn broer, en blijf enkele dagen bij hem, tot de grimmigheid van je broer van je afgewend is; daarna kom je terug.” Brontekst: ויוגד (vayugad) = en dit werd verteld | לרבקה (lerivqah) = aan Rebekka | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ותמהר (vatemaher) = en zij haastte zich | ותשלח (vatishlach) = en zond | ותקרא (vattiqra) = en riep | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | בנה (Benah) = haar zoon | ותאמר (vatomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | קום (qum) = sta op | ברח (barach) = vlucht | לך (lekha) = voor jou | חרנה (charanah) = naar Charan | אל (el) = naar | לבן (Lavan) = Laban | אחי (echi) = mijn broer | וישבת (veyashavta) = en blijf | עמו (immo) = bij hem | ימים (yamim) = dagen | אחדים (achadim) = enkele | עד (ad) = tot | שוב (shuv) = zich afwendt | חמת (Chamat) = de grimmigheid van | אחיך (achikha) = je broer | ממך (mimmekha) = van je | ואחר (ve'achar) = en daarna | תבוא (tavo) = kom je terug Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 27:43–45. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 27:43–45 ### Isaaks opdracht **29:24** Isaak riep Jakob, gaf hem opdracht en zei tegen hem: „Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän. Want zo heeft Abraham, onze vader, ons geboden naar het woord van Yahweh dat Hij hem geboden had: ‘**Aan je nageslacht heb Ik dit land gegeven. Als je zonen Mijn verbond bewaren dat Ik met je gesloten heb, dan zal Ik ook voor je zonen houden wat Ik tot je gesproken heb, en Ik zal hen niet verlaten.**’ Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויצוהו (vayetsavvehu) = en gaf hem opdracht | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = hem | לא (lo) = niet | תיקח (tiqqach) = neem | אישה (ishah) = een vrouw | מבנות (mibbenot) = van de dochters van | כנען (Kena'an) = Kanaän | כי (ki) = want | כה (koh) = zo | ציוה (tsiwwah) = heeft geboden | אברהם (avraham) = Abraham | אבינו (avinu) = onze vader | אותנו (otanu) = ons | בדבר (bedabber) = naar het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = dat | ציוהו (tsivvahu) = Hij hem geboden had | לאמור (lemor) = zeggende | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht | נתתי (natati) = heb Ik gegeven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = dit | אם (em) = als | ישמרו (yishmeru) = bewaren | בניך (banekha) = je zonen | בריתי (beriti) = Mijn verbond | אשר (asher) = dat | כרתי (karatti) = Ik gesloten heb | איתך (ittekha) = met je | ושמרתי (veshamarti) = dan zal Ik houden | גם (gam) = ook | אני (ani) = Ik | לבניך (livanekha) = voor je zonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | דיברתי (dibbarti) = Ik gesproken heb | אליך (elekha) = tot je | ולא (velo) = en niet | אעזבם (e'ezvem) = zal Ik hen verlaten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:1 en Gen. 24:3–7. De woorden van Yahweh, door Isaak aangehaald, zijn rood gedrukt. Zie ook: Gen 24:3–7; Gen 28:1 **29:25** Nu dan, mijn zoon, luister naar mijn stem in alles wat ik je gebied, en laat het na een vrouw te nemen van de dochters van Kanaän. Sta op, ga naar Charan, naar het huis van Betuël, de vader van je moeder, en neem vandaar een vrouw van de dochters van Laban, de broer van je moeder. Brontekst: ועתה (ve'attah) = nu dan | בני (bnei) = mijn zoon | שמע (shema) = luister | בקולי (beqoli) = naar mijn stem | לכל (lekhol) = in alles | אשר (asher) = wat | אצוך (atsavvekha) = ik je gebied | וחדל (vechadal) = en laat na | לך (lekha) = aan jou | לקחת (laqachat) = te nemen | אישה (ishah) = een vrouw | מבנות (mibbenot) = van de dochters van | כנען (Kena'an) = Kanaän | קום (qum) = sta op | לך (lekha) = ga | לך (lekha) = heen | חרנה (charanah) = naar Charan | ביתה (baytah) = naar het huis van | בתואל (Betu'el) = Betuël | אבי (avi) = vader van | אמך (immekha) = je moeder | וקח (veqach) = en neem | לך (lekha) = aan jou | משם (misham) = vandaar | אישה (ishah) = een vrouw | מבנות (mibbenot) = van de dochters van | לבן (Lavan) = Laban | אחי (echi) = de broer van | אמך (immekha) = je moeder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:2. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 28:2 **29:26** Neem je daarom in acht dat je Yahweh, je Elohim, en al Zijn wegen niet vergeet in het land waarheen je gaat, en dat je je niet aansluit bij de mensen van het land, de ijdelheid najaagt en Yahweh, je Elohim, verlaat. Brontekst: ולכן (velakhen) = en daarom | הישמר (hishamer) = neem je in acht | לך (lekha) = aan jou | פן (pen) = dat niet | תשכח (tishkach) = je vergeet | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיך (elohekha) = je Elohim | ואת (ve'et) = en | כל (kol) = al | דרכיו (derakhav) = Zijn wegen | בארץ (ba'arets) = in het land | אשר (asher) = waarheen | אתה (attah) = jij | הולך (holekh) = gaat | שמה (shemah) = daarheen | ונלוית (venilveita) = en je aansluit | אל (el) = bij | אנשי (anshei) = de mensen van | הארץ (ha'arets) = het land | ורדפת (veradafta) = en najaagt | אחרי (acharei) = achter | ההבל (hahevel) = de ijdelheid | ועזבת (ve'azavta) = en verlaat | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיך (elohekha) = je Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:27** Maar wanneer je in het land komt, dien daar Yahweh; wijk niet af van de weg die ik je geboden heb en die je geleerd hebt, naar rechts of naar links. Brontekst: אך (akh) = maar | בבואך (bevo'ekh) = wanneer je komt | אל (el) = in | הארץ (ha'arets) = het land | ועבדת (ve'avadta) = en dien | שם (shem) = daar | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לא (lo) = niet | תסור (tasur) = wijk af | מן (min) = van | הדרך (haderekh) = de weg | אשר (asher) = die | צויתיך (tsivvitikha) = ik je geboden heb | ואשר (va'asher) = en die | למדת (lamadta) = je geleerd hebt | לנטות (lintot) = om af te wijken | ימין (yamin) = naar rechts | ושמאל (usmol) = of naar links Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:28** El Sjaddai geve je barmhartigheid in de ogen van de mensen van het land, dat je daar een vrouw neemt naar je wens, goed en oprecht in de wegen van Yahweh. Brontekst: ואל (ve'el) = en El | שדי (Shaddai) = Sjaddai | יתן (yitten) = geve | לך (lekha) = je | רחמים (rachamim) = barmhartigheid | לפני (lifnei) = in de ogen van | אנשי (anshei) = de mensen van | הארץ (ha'arets) = het land | ולקחת (velaqachat) = dat je neemt | אישה (ishah) = een vrouw | כחפצך (kecheftsekha) = naar je wens | שמה (shemah) = daar | טובה (tovah) = goed | וישרה (veyesharah) = en oprecht | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:3. Zie ook: Gen 28:3 **29:29** Elohim geve je en je nageslacht de zegen van Abraham, je vader. Hij make je vruchtbaar en vermenigvuldige je, en moge je worden tot een gemeenschap van volken in het land waarheen je gaat. Yahweh brenge je terug naar dit land, het land waar je vader woonde, met zonen en met grote rijkdom, in vreugde en in goedheid.” Brontekst: ויתן (vayitten) = en geve | לך (lekha) = je | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | ברכת (birkat) = de zegen van | אברהם (avraham) = Abraham | אביך (avikha) = je vader | לך (lekha) = je | ולזרעך (ulezar'akha) = en je nageslacht | ויפרך (veyafrekha) = en make je vruchtbaar | וירבך (veyarbekha) = en vermenigvuldige je | והיית (vehayita) = en moge je worden | לקהל (liqhal) = tot een gemeenschap van | עמים (ammim) = volken | בארץ (ba'arets) = in het land | אשר (asher) = waarheen | אתה (attah) = jij | הולך (holekh) = gaat | שם (shem) = daar | והשיבך (vehashivekha) = en brenge je terug | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = dit | ארץ (erets) = het land | מגורי (megurey) = waar woonde | אביך (avikha) = je vader | בבנים (babbanim) = met zonen | ובעושר (uve'osher) = en met rijkdom | רב (rav) = grote | בשמחה (besimchah) = in vreugde | ובטובה (uvetovah) = en in goedheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:4. Zie ook: Gen 28:4 ### Jakob vertrekt **29:30** Isaak was klaar met Jakob te gebieden en te zegenen; hij gaf hem vele geschenken, zilver en goud, en zond hem weg. Jakob luisterde naar zijn vader en zijn moeder, kuste hen, stond op en ging naar Paddan-Aram. Jakob was zevenenzeventig jaar oud toen hij uit het land Kanaän wegging, uit Beër-Sjeba. Brontekst: ויכל (vayekhal) = en maakte een einde | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לצוות (letsavvot) = te gebieden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולברכו (ulevarekho) = en hem te zegenen | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = hem | מתנות (mattanot) = geschenken | רבות (rabbot) = vele | וכסף (vekhesef) = en zilver | וזהב (vezahav) = en goud | וישלחהו (vayeshallechehu) = en zond hem weg | וישמע (vayishma) = en luisterde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = naar | אביו (aviv) = zijn vader | ואל (ve'el) = en naar | אמו (immo) = zijn moeder | וישק (vayishaq) = en kuste | להם (lahem) = hen | ויקם (vayyaqom) = en stond op | וילך (vayelekh) = en ging | פדנה (paddenah) = naar Paddan | ארם (Aram) = Aram | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | בן (ben) = zoon van | שבעים (shiv'im) = zeventig | שנה (shanah) = jaar | ושבע (veshev'a) = en zeven | שנים (shanim) = jaren | בצאתו (betseto) = toen hij wegging | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | מבאר (mibbe'er) = uit Beër | שבע (sheva) = Sjeba Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:5. Jakob is hier zevenenzeventig jaar oud; dat is drieënzestig plus de veertien jaar bij Eber. Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie ook: Gen 27:43; Gen 28:5 ### Elifaz achtervolgt Jakob **29:31** Toen Jakob wegging om naar Charan te gaan, riep Ezau Elifaz, zijn zoon, en sprak in het geheim tot hem: „Haast je nu, neem je zwaard in je hand en achtervolg Jakob. Ga voor hem uit op de weg en loer hem op, en dood hem met je zwaard op een van de bergen. Neem alles wat van hem is en kom terug.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאת (betset) = toen wegging | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ללכת (lalekhet) = om te gaan | חרנה (charanah) = naar Charan | ויקרא (vayikra) = en riep | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = naar | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בנו (beno) = zijn zoon | וידבר (vayedabber) = en sprak | אליו (elav) = tot hem | בסתר (baseter) = in het geheim | לאמור (lemor) = zeggende | עתה (attah) = nu | מהר (maher) = haast je | וקח (veqach) = neem | חרבך (charbekha) = je zwaard | בידך (beyadekha) = in je hand | ורדפת (veradafta) = en achtervolg | אחרי (acharei) = achter | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועברת (ve'avarta) = en ga voorbij | לפניו (lefanav) = voor hem uit | אל (el) = op | הדרך (haderekh) = de weg | וארבת (ve'arvat) = en loer | לו (lo) = hem op | והרגתו (vehargato) = en dood hem | בחרבך (becharbekha) = met je zwaard | באחד (be'achad) = op een van | ההרים (heharim) = de bergen | ולקחת (velaqachat) = en neem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem is | ובאת (uva'ta) = en kom terug Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Voetnoot Uitleg: Het verhaal van Elifaz en Jakob (vers 31–41) staat niet in Genesis. **29:32** Elifaz, de zoon van Ezau, was een snelle man en kundig met de boog zoals zijn vader hem geleerd had; hij wist te jagen in het veld en was een held. Brontekst: ואליפז (ve'elifaz) = en Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | איש (ish) = een man | מהיר (mahir) = snel | ויודע (vayyivvada) = en kundig | קשת (qeshet) = met de boog | כאשר (ka'asher) = zoals | הורהו (horahu) = hij hem had geleerd | אביו (aviv) = zijn vader | ויודע (vayyivvada) = en hij wist | לצוד (latsud) = te jagen | ציד (tsayid) = wild | בשדה (bassadeh) = in het veld | וגיבור (vegibbor) = en een held van | חיל (chayil) = kracht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:33** Elifaz deed zoals zijn vader hem geboden had; Elifaz was in die tijd dertien jaar oud. Elifaz stond op, ging heen en nam tien mannen mee, de broers van zijn moeder, en achtervolgde Jakob. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en deed | אליפז (Elifaz) = Elifaz | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = hem geboden had | אביו (aviv) = zijn vader | ואליפז (ve'elifaz) = en Elifaz | בן (ben) = zoon van | שלוש (shalosh) = drie | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | ויקם (vayyaqom) = en stond op | אליפז (Elifaz) = Elifaz | וילך (vayelekh) = en ging heen | ויקח (vayikkach) = en nam | עמו (immo) = met zich mee | עשרה (esreh) = tien | אנשים (anashim) = mannen | אחי (echi) = de broers van | אמו (immo) = zijn moeder | איתו (ito) = met hem | וירדוף (vayirdof) = en achtervolgde | אחרי (acharei) = achter | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:34** Hij achterhaalde Jakob en loerde hem op, aan de grens van het land Kanaän, tegenover de stad Sichem. Brontekst: וידבק (vayadbeq) = en hij achterhaalde | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויארוב (vaya'arov) = en loerde op | לו (lo) = hem | בגבול (bigvul) = aan de grens van | ארץ (erets) = het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | מול (mul) = tegenover | עיר (ir) = de stad | שכם (Shekhem) = Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **29:35** Jakob zag Elifaz hem achtervolgen, hij en zijn mannen, en Jakob bleef staan op de plaats waar hij heen ging, om te weten wat dit was, want hij wist niet wat er gaande was. Elifaz trok zijn zwaard en kwam steeds dichterbij, hij en zijn mannen, tegenover Jakob. Jakob zei tegen hen: „Wat is er met jullie, dat jullie hier gekomen zijn, en waarom achtervolgen jullie mij met jullie zwaarden?” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | אליפז (Elifaz) = Elifaz | רודף (rodef) = achtervolgend | אחריו (acharav) = achter hem | הוא (hu) = hij | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | ויעמוד (vaya'amod) = en bleef staan | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במקום (bamaqom) = op de plaats | אשר (asher) = waar | הלך (halakh) = hij heen ging | בו (bo) = daarheen | לדעת (lada'at) = om te weten | מה (mah) = wat | זה (ze) = dit | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ידע (yada) = wist | הדבר (haddavar) = wat er gaande was | וישלוף (vayishlof) = trok | אליפז (Elifaz) = Elifaz | את (et) = (lijdend voorwerp) | חרבו (charvu) = zijn zwaard | וילך (vayelekh) = en kwam | הלוך (halokh) = steeds | וקרב (veqarev) = dichterbij | הוא (hu) = hij | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | מול (mul) = tegenover | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tegen hen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מה (mah) = wat | לכם (lakhem) = is er met jullie | כי (ki) = dat | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn | עד (ad) = tot | הלום (halom) = hier | ומה (umah) = en waarom | תרדפו (tirdefu) = achtervolgen jullie mij | בחרבכם (becharbekhem) = met jullie zwaarden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:36** Elifaz kwam dicht bij Jakob, antwoordde en zei tegen hem: „Zo en zo heeft mijn vader mij geboden, en nu zal ik het bevel dat hij mij gegeven heeft, niet overtreden.” Jakob zag dat Ezau krachtig tot Elifaz, zijn zoon, gesproken had. Brontekst: ויקרב (vayaqrev) = en kwam dichtbij | אליפז (Elifaz) = Elifaz | מול (mul) = bij | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויען (vaya'an) = en antwoordde | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | כה (koh) = zo | וכה (vekho) = en zo | ציוה (tsiwwah) = heeft geboden | לי (li) = mij | אבי (avi) = mijn vader | ועתה (ve'attah) = en nu | לא (lo) = niet | אעבור (e'evor) = overtreden | על (al) = van | מצותו (mitsvato) = het bevel | אשר (asher) = dat | צוני (tsivvani) = hij mij geboden heeft | וירא (vayyera) = en hij zag | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | דיבר (dibber) = gesproken had | עשו (asu) = Ezau | חזקה (chazaqah) = krachtig | אל (el) = tot | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:37** Jakob trad toe en smeekte Elifaz en de mannen die bij hem waren: „Zie, alles wat ik heb en wat mijn vader en moeder mij gegeven hebben, neem dat voor jezelf en ga van mij weg, en dood mij niet; en laat dit mij bij jou als gerechtigheid gerekend worden.” Brontekst: ויגש (vayyigash) = en trad toe | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויתחנן (vayitchannen) = en smeekte | לאליפז (le'elifaz) = Elifaz | ולאנשים (ulaanashim) = en de mannen | אשר (asher) = die | איתו (ito) = bij hem | לאמור (lemor) = zeggende | הנה (hinneh) = zie | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | לי (li) = ik heb | ואשר (va'asher) = en wat | נתנו (netano) = gegeven hebben | לי (li) = mij | אבי (avi) = mijn vader | ואמי (ve'immi) = en mijn moeder | קח (qach) = neem | לך (lekha) = voor jezelf | ולך (ulekha) = en ga | מעליי (me'alai) = van mij weg | ואל (ve'el) = en niet | תמיתני (temiteni) = dood mij | והיה (vehayah) = en het zal zijn | לך (lekha) = bij jou | הדבר (haddavar) = dit | הזה (hazzeh) = deze | איתי (itti) = bij mij | לצדקה (litsdaqah) = als gerechtigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:38** Yahweh gaf Jakob gunst in de ogen van Elifaz, de zoon van Ezau, en zijn mannen; zij luisterden naar de stem van Jakob en doodden hem niet. Elifaz en zijn mannen namen alles wat Jakob had, ook het zilver en het goud dat hij uit Beër-Sjeba had meegenomen; zij lieten hem niets over. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | חן (chen) = gunst | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בעיני (be'einei) = in de ogen van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | וישמעו (vayishme'u) = en luisterden | בקול (bekol) = naar de stem van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולא (velo) = en niet | המיתוהו (hemituhu) = zij doodden hem | ויקחו (vayyiqchu) = en namen | אליפז (Elifaz) = Elifaz | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | ליעקב (leya'aqov) = Jakob had | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הכסף (hakkesef) = het zilver | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הזהב (hazzahav) = het goud | אשר (asher) = dat | הוציא (hotsi) = hij had meegenomen | עמו (immo) = met zich | מבאר (mibbe'er) = uit Beër | שבע (sheva) = Sjeba | לא (lo) = niets | השאירו (hish'iru) = zij lieten over | לו (lo) = hem | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. **29:39** Elifaz en zijn mannen gingen van hem weg en keerden terug naar Ezau in Beër-Sjeba. Zij vertelden hem alles wat hun met Jakob overkomen was en gaven hem alles wat zij van Jakob genomen hadden. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | מעליו (me'alav) = van hem weg | אליפז (Elifaz) = Elifaz | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | וישובו (vayashuvu) = en keerden terug | בארה (be'erah) = naar Beër | שבע (sheva) = Sjeba | אל (el) = naar | עשו (asu) = Ezau | ויגידו (vayaggidu) = en vertelden | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | קרה (qarah) = overkomen was | להם (lahem) = hun | עם (im) = met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויתנו (vayittenu) = en gaven | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | לקחו (laqchu) = zij genomen hadden | מאת (me'et) = van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. **29:40** Ezau werd toornig op Elifaz, zijn zoon, en op de mannen die bij hem waren, omdat zij Jakob niet gedood hadden. Brontekst: ויקצוף (vayiqtsof) = en werd toornig | עשו (asu) = Ezau | על (al) = op | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בנו (beno) = zijn zoon | ועל (ve'al) = en op | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | על (al) = omdat | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | המיתו (hemitu) = zij gedood hadden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **29:41** Zij antwoordden en zeiden tegen Ezau: „Jakob heeft ons hierover gesmeekt hem niet te doden; wij kregen medelijden, en wij hebben alles wat hij had genomen en gebracht.” Ezau nam al het zilver en het goud dat Elifaz uit de hand van Jakob genomen had, en legde het in zijn huis. Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en antwoordden | ויאמרו (vayomeru) = en zeiden | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | התחנן (hitchannen) = heeft gesmeekt | לנו (lanu) = ons | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = hierover | הדבר (haddavar) = zaak | הזה (hazzeh) = deze | לבלתי (levilti) = om niet | המית (hemit) = te doden | אותו (oto) = hem | ויכמרו (vayikkamru) = en werden bewogen | רחמינו (rachameynu) = ons medelijden | אליו (elav) = tot hem | וניקח (vanniqach) = en wij namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij had | ונבוא (venavo) = en wij brachten | ויקח (vayikkach) = en nam | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הכסף (hakkesef) = het zilver | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הזהב (hazzahav) = het goud | אשר (asher) = dat | לקח (laqach) = genomen had | אליפז (Elifaz) = Elifaz | מיד (miyyad) = uit de hand van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויתנם (vayittenem) = en legde het | בביתו (beveyto) = in zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ezau en Machalat **29:42** In die tijd, toen Ezau zag dat Isaak Jakob gezegend had en hem geboden had: „Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän”, en dat de dochters van Kanaän slecht waren in de ogen van Isaak en Rebekka, Brontekst: בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | בראות (bir'ot) = toen zag | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | ברך (berakh) = gezegend had | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וכי (vekhi) = en dat | ציוהו (tsivvahu) = hem geboden had | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | תיקח (tiqqach) = neem | אישה (ishah) = een vrouw | מבנות (mibbenot) = van de dochters van | כנען (Kena'an) = Kanaän | וכי (vekhi) = en dat | רעות (ra'ot) = slecht waren | בנות (banot) = dochters | כנען (Kena'an) = Kanaän | בעיני (be'einei) = in de ogen van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ורבקה (verivqah) = en Rebekka Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:6–9. Zie ook: Gen 28:6–9 **29:43** ging hij naar het huis van Ismaël, zijn oom, en nam Machalat, de dochter van Ismaël, de zus van Nebajot, tot vrouw naast zijn vrouwen. Brontekst: וילך (vayelekh) = en ging | הוא (hu) = hij | אל (el) = naar | בית (bet) = het huis van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | דודו (dodo) = zijn oom | ויקח (vayikkach) = en nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | מחלת (Machalat) = Machalat | בת (bat) = dochter van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אחות (achot) = de zus van | נביות (Nevayot) = Nebajot | על (al) = naast | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | לו (lo) = voor zich | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:9: Machalat, de dochter van Ismaël, de zus van Nebajot. Zie ook: Gen 28:9 ## Jasher 30 _Jakob in Betel en bij Laban; Ezau in Seïr_ ### Jakob in Betel **30:1** Jakob ging uit en vervolgde zijn weg naar Charan; hij kwam tot de berg Moria en overnachtte daar bij de stad Luz. Yahweh verscheen daar in die nacht aan Jakob en zei tegen hem: **„Ik ben Yahweh, de Elohim van Abraham en de Elohim van Isaak, je vader. Het land waarop je ligt, zal Ik aan jou en je nageslacht geven.** Brontekst: ויצא (vayetse) = en ging uit | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וילך (vayelekh) = en ging | אל (el) = naar | דרכו (darko) = zijn weg | חרנה (charanah) = naar Charan | וישב (vayyashev) = en verbleef | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | עד (ad) = tot | הר (har) = de berg | המוריה (hammoriyyah) = Moria | וילן (vayalen) = en overnachtte | שם (shem) = daar | אצל (etsel) = bij | עיר (ir) = de stad | לוז (Luz) = Luz | וירא (vayyera) = en verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = aan | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שמה (shemah) = daar | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | ויאמר (vayomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | אני (ani) = Ik ben | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | אברהם (avraham) = Abraham | ואלוקי (ve'elohei) = en Elohim van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביך (avikha) = je vader | הארץ (ha'arets) = het land | אשר (asher) = waarop | אתה (attah) = jij | שוכב (shokhev) = ligt | עליה (aleha) = erop | לך (lekha) = aan jou | אתננה (ettenennah) = zal Ik het geven | ולזרעך (ulezar'akha) = en aan je nageslacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:11–13. De woorden van Yahweh zijn rood gedrukt. Hier bij ‘de berg Moria’ bij Luz; in Genesis is het Luz, dat Betel genoemd wordt (Gen. 28:19). Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Gen 28:11–13; Gen 28:13; Gen 28:19 **30:2** **En zie, Ik ben met je; vrees niet, want Ik zal je behoeden overal waarheen je gaat; Ik zal je nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en al je vijanden voor je doen vallen. Wanneer zij oorlog tegen je voeren, zullen zij je niet overmeesteren, en Ik zal je terugbrengen naar dit land, met vreugde, met zonen en met grote rijkdom.”** Brontekst: והנה (vehinneh) = en zie | אנוכי (anokhi) = Ik | עמך (immekha) = ben met je | אל (el) = niet | תירא (tira) = vrees | ושמרתיך (veshamartikha) = en Ik zal je behoeden | בכל (bekhol) = overal | אשר (asher) = waarheen | תלך (telekh) = je gaat | והרביתי (vehirbeti) = en Ik zal talrijk maken | את (et) = (lijdend voorwerp) | זרעך (zar'akha) = je nageslacht | ככוכבי (kekhokhevei) = als de sterren van | השמים (hashamayim) = de hemel | והפלתי (vehippalti) = en Ik zal doen vallen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אויביך (oyvekha) = je vijanden | לפניך (lefanekha) = voor je | ונלחמו (venilchamu) = en wanneer zij oorlog voeren | אליך (elekha) = tegen je | ולא (velo) = zullen niet | יוכלו (yukhlu) = overmeesteren | לך (lekha) = je | והשיבותיך (vahashivotikha) = en Ik zal je terugbrengen | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = dit | בשמחה (besimchah) = met vreugde | בבנים (babbanim) = met zonen | ובעושר (uve'osher) = en met rijkdom | רב (rav) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:14–15. Zie ook: Gen 28:14–15 **30:3** Jakob werd wakker uit zijn slaap en verheugde zich zeer over het gezicht dat hij gezien had; hij noemde de naam van die plaats Betel. Brontekst: וייקץ (vayyiqats) = en werd wakker | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | משנתו (mishnato) = uit zijn slaap | וישמח (vayismach) = en verheugde zich | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = over | המראה (hammar'eh) = het gezicht | אשר (asher) = die | ראה (ra'ah) = hij gezien had | ויקרא (vayikra) = en noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | בית (bet) = Beth | אל (el) = El Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:16–19. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 28:16–19; Gen 28:19 ### Jakob bij de put **30:4** Jakob stond blij op van die plaats; zijn voeten werden licht om te lopen van blijdschap. Hij ging van daar naar het land van de zonen van het oosten, kwam in Charan en ging bij de put van de herders zitten. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en stond op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מן (min) = uit | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | שמח (sameach) = blij | ויקלו (vayeqallu) = en werden licht | רגליו (raglav) = zijn voeten | ללכת (lalekhet) = om te lopen | מהשמחה (min hassimchah) = van blijdschap | וילך (vayelekh) = en ging | משם (misham) = vandaar | ארצה (artsah) = naar het land | בני (bnei) = van de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ויבוא (vayavo) = en kwam | חרנה (charanah) = naar Charan | וישב (vayyashev) = en ging zitten | על (al) = bij | באר (be'er) = de put van | הרועים (haro'im) = de herders Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 29:1 **30:5** Hij vond daar mannen die uit Charan kwamen om de kudde te weiden, en Jakob vroeg hun: „Waar zijn jullie vandaan?” Zij zeiden: „Uit Charan.” Brontekst: וימצא (vayimtsa) = en vond | שם (shem) = daar | אנשים (anashim) = mannen | יוצאים (yotse'im) = die uitgingen | מחרן (mecharan) = uit Charan | לרעות (lir'ot) = om te weiden | הצאן (hatson) = de kudde | וישאלם (vayish'alem) = en vroeg hun | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאין (me'ayin) = waar vandaan | באתם (ba'tem) = zijn jullie | ויאמרו (vayomeru) = en zeiden | מחרן (mecharan) = uit Charan | אנחנו (anachnu) = wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:4. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 29:4 **30:6** Hij zei tegen hen: „Kennen jullie Laban, de zoon van Nachor?” Zij zeiden: „Wij kennen hem, en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de kudde van haar vader om te weiden.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | הידעתם (hayada'tem) = kennen jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | לבן (Lavan) = Laban | בן (ben) = zoon van | נחור (Nachor) = Nachor | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | ידענו (yada'nu) = wij kennen | והנה (vehinneh) = en zie | רחל (Rachel) = Rachel | בתו (bito) = zijn dochter | באה (ba'ah) = komt | עם (im) = met | הצאן (hatson) = de kudde | אשר (asher) = die van | לאביה (le'aviha) = haar vader | לרעות (lir'ot) = om te weiden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:5–6. Zie ook: Gen 29:5–6 **30:7** Terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel, de dochter van Laban, met de kudde van haar vader, want zij was herderin. Brontekst: עודנו (odenu) = terwijl hij nog | מדבר (medabber) = sprak | עמם (immam) = met hen | ורחל (verachel) = en Rachel | בת (bat) = dochter van | לבן (Lavan) = Laban | באה (ba'ah) = kwam | עם (im) = met | הצאן (hatson) = de kudde | אשר (asher) = van | לאביה (le'aviha) = haar vader | לרעות (lir'ot) = om te weiden | כי (ki) = want | רועה (ro'eh) = herderin | היא (hi) = was zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 29:9 **30:8** Jakob zag Rachel, de dochter van Laban, de broer van zijn moeder; hij rende naar haar toe, kuste haar, verhief zijn stem en weende. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | רחל (Rachel) = Rachel | בת (bat) = dochter van | לבן (Lavan) = Laban | אחי (echi) = de broer van | אמו (immo) = zijn moeder | וירץ (vayyarots) = en rende | וישק (vayishaq) = en kuste | לה (lah) = haar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישא (vayissa) = en verhief | את (et) = (lijdend voorwerp) | קולו (qolo) = zijn stem | ויבך (vayevk) = en weende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:11. Zie ook: Gen 29:11 **30:9** Jakob vertelde Rachel dat hij de zoon van Rebekka was, de zus van haar vader, en Rachel rende en vertelde het aan haar vader. Jakob bleef wenen, omdat hij niets in zijn hand had om in het huis van Laban te brengen. Brontekst: ויגד (vayyaged) = en vertelde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | רחל (Rachel) = Rachel | כי (ki) = dat | בן (ben) = de zoon van | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אחי (echi) = de broer van | אביה (aviha) = haar vader | הוא (hu) = hij was | ותרץ (vatarots) = en rende | רחל (Rachel) = Rachel | ותגד (vatagged) = en vertelde | לאביה (le'aviha) = het aan haar vader | ויוסף (vayosef) = en bleef | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לבכות (livkot) = wenen | על (al) = omdat | אשר (asher) = dat | אין (ein) = er is niet | בידו (beyado) = in zijn hand | מאומה (me'umah) = iets | להביא (lehavi) = om te brengen | בית (bet) = in het huis van | לבן (Lavan) = Laban Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jakob bij Laban **30:10** Toen Laban hoorde dat Jakob, de zoon van zijn zus, gekomen was, rende hij en kuste hem, omhelsde hem, bracht hem in zijn huis en gaf hem brood, en hij at. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | לבן (Lavan) = Laban | כי (ki) = dat | בא (ba) = gekomen was | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בן (ben) = de zoon van | אחותו (achoto) = zijn zus | וירץ (vayyarots) = en rende | וינשק (vayinasheq) = en kuste | לו (lo) = hem | ויחבק (vayechabeq) = en omhelsde | לו (lo) = hem | ויביאהו (vayevi'ehu) = en bracht hem | אל (el) = in | ביתו (beito) = zijn huis | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = hem | לחם (lechem) = brood | ויאכל (vayyokhal) = en hij at Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:13–14. Zie ook: Gen 29:13–14 **30:11** Jakob vertelde Laban wat Ezau, zijn broer, hem gedaan had, en wat Elifaz, zijn zoon, hem op de weg gedaan had. Brontekst: ויספר (vayesaper) = en vertelde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ללבן (lelavan) = aan Laban | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = gedaan had | לו (lo) = hem | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | ואת (ve'et) = en | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = gedaan had | לו (lo) = hem | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בנו (beno) = zijn zoon | בדרך (baderekh) = op de weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **30:12** Jakob woonde een maand in het huis van Laban, at en dronk in het huis van Laban. Daarna zei Laban tegen Jakob: „Zeg mij toch wat je loon is, want hoe zou je mij voor niets dienen?” Brontekst: וישב (vayyashev) = en woonde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בבית (babbayit) = in het huis van | לבן (Lavan) = Laban | חודש (chodesh) = een maand | ימים (yamim) = dagen | ויאכל (vayyokhal) = en hij at | וישת (vayeshet) = en hij dronk | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בבית (babbayit) = in het huis van | לבן (Lavan) = Laban | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dat | ויאמר (vayomer) = en zei | לבן (Lavan) = Laban | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | הגד (hagged) = zeg | נא (na) = toch | לי (li) = mij | מה (mah) = wat | משכורתך (maskuretkha) = je loon | ואיך (ve'ekh) = en hoe | תעבדני (ta'avdeni) = zou je mij dienen | חינם (chinnam) = voor niets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 29:14; Gen 29:15 ### De dochters van Laban **30:13** Laban had geen zonen maar alleen dochters, want zijn vrouwen en slavinnen waren in die dagen nog onvruchtbaar. En dit zijn de namen van de dochters van Laban, die Adina, zijn vrouw, hem gebaard had: de naam van de oudste was Lea en de naam van de jongste Rachel. De ogen van Lea waren zwak, maar Rachel was mooi van gestalte en mooi van aanzien, en Jakob had haar lief. Brontekst: וללבן (ulelavan) = en voor Laban | אין (ein) = was niet | בנים (banim) = zonen | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | בנות (banot) = dochters | כי (ki) = want | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | ואמהותיו (ve'amhotav) = en zijn slavinnen | יקרות (yaqarot) = onvruchtbaar | עוד (od) = nog | בימים (bayyamim) = in die dagen | ההם (hahem) = die | ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = de namen van | בנות (banot) = de dochters van | לבן (Lavan) = Laban | ילדה (yaldah) = gebaard had | לו (lo) = hem | עדינה (Adinah) = Adina | אישתו (ishto) = zijn vrouw | שם (shem) = de naam van | בכירה (bekhirah) = de oudste | לאה (Le'ah) = was Lea | ושם (veShem) = en de naam van | הצעירה (hatse'irah) = de jongste | רחל (Rachel) = Rachel | ועיני (ve'einai) = de ogen van | לאה (Le'ah) = Lea | רכות (rakkot) = zwak | ורחל (verachel) = maar Rachel | היתה (hayetah) = was | יפת (Yefet) = mooi van | תואר (to'ar) = gestalte | ויפת (vifat) = en mooi van | מראה (mar'eh) = van aanzien | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | אהבה (ahavah) = had haar lief Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:16–17. Zie ook: Gen 29:16–17 **30:14** Jakob zei tegen Laban: „Ik wil je zeven jaar dienen voor Rachel, je jongste dochter.” Laban stemde in met deze zaak, en Jakob diende Laban zeven jaar voor Rachel, zijn dochter. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | לבן (Lavan) = Laban | אעבדך (e'evodekha) = zal ik je dienen | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren | ברחל (berachel) = voor Rachel | בתך (bitekha) = je dochter | הקטנה (haqqetannah) = de jongste | ויאבה (vaye'eveh) = en stemde in | לבן (Lavan) = Laban | לדבר (laddavar) = met de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויעבוד (vaya'avod) = en diende | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | לבן (Lavan) = Laban | ברחל (berachel) = voor Rachel | בתו (bito) = zijn dochter | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:18–20. Zie ook: Gen 29:18–20 ### Eber sterft **30:15** In het tweede jaar dat Jakob in Charan woonde, dat is het negenenzeventigste jaar van het leven van Jakob, stierf in dat jaar Eber, de zoon van Selach; hij was vierhonderd vierenzestig jaar oud bij zijn dood. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנה (bashanah) = in het jaar | השנית (hashenit) = de tweede | לשבת (lashevet) = van het wonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחרן (becharan) = in Charan | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = jaar van | שבעים (shiv'im) = zeventig | ותשע (vetesha) = en negen | שנים (shanim) = jaren | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וימת (vayamot) = en stierf | עבר (Ever) = Eber | בן (ben) = de zoon van | שלח (Shelach) = Selach | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = dat | בן (ben) = oud | ארבע (arba) = vier | ושישים (veshishim) = en zestig | שנה (shanah) = jaar | וארבע (ve'arba) = en vier | מאות (me'ot) = honderd | שנה (shanah) = jaar | היה (hayah) = was | במותו (bemoto) = bij zijn dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:14–17: Eber leefde 34 + 430 = 464 jaar. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 11:14–17 **30:16** Toen Jakob hoorde dat Eber gestorven was, werd hij zeer bedroefd; hij rouwde en treurde vele dagen om hem. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | מת (met) = gestorven was | עבר (Ever) = Eber | ויתעצב (vayit'atsev) = en werd bedroefd | מאוד (me'od) = zeer | עליו (alav) = om hem | ויספדהו (vayispedehu) = en rouwde om hem | ויתאבל (vayit'abbel) = en treurde | עליו (alav) = om hem | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **30:17** In het derde jaar dat Jakob in Charan woonde, baarde Basmat, de dochter van Ismaël, de vrouw van Ezau, hem een zoon, en Ezau noemde zijn naam Reüel. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = in het jaar van | שלוש (shalosh) = drie | לשבת (lashevet) = van het wonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחרן (becharan) = in Charan | ילדה (yaldah) = baarde | בשמת (Bosmat) = Basmat | בת (bat) = dochter van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אשת (eshet) = vrouw van | עשו (asu) = Ezau | לו (lo) = hem | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en noemde | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | רעואל (Re'u'el) = Reüel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:4 en Gen. 36:10: Reüel, de zoon van Basmat. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 36:4; Gen 36:10 **30:18** In het vierde jaar dat Jakob in het huis van Laban woonde, bezocht Yahweh Laban en dacht aan hem omwille van Jakob, en hem werden zonen geboren. En dit zijn de namen van de zonen van Laban die hem in die dagen geboren werden: zijn eerstgeborene was Beor, zijn tweede Alub en de derde Morasj. Brontekst: ובשנה (uvashanah) = in het jaar | הרביעית (harevi'it) = de vierde | לשבת (lashevet) = van het wonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בבית (babbayit) = in het huis van | לבן (Lavan) = Laban | פקד (paqad) = bezocht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | לבן (Lavan) = Laban | ויזכרהו (vayizkerehu) = en dacht aan hem | בעבור (ba'avur) = omwille van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויולדו (vayyivvaldu) = en werden geboren | לו (lo) = hem | בנים (banim) = zonen | ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = de namen van | בני (bnei) = de zonen van | לבן (Lavan) = Laban | אשר (asher) = die | יולדו (yulledu) = geboren werden | לו (lo) = hem | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויהי (vayehi) = en was | בכורו (bekhoro) = zijn eerstgeborene | בעור (Be'or) = Beor | ומשנהו (umishnehu) = en zijn tweede | אלוב (Alov) = Alub | והשלישי (vehashlishi) = en de derde | מורש (Morash) = Morasj Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:1: de zonen van Laban. Zie ook: Gen 31:1 **30:19** Yahweh gaf Laban rijkdom en eer, zonen en dochters, en de man breidde zich zeer, zeer uit omwille van Jakob. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ללבן (lelavan) = aan Laban | עושר (osher) = rijkdom | וכבוד (vekhavod) = en eer | ובנים (uvanim) = en zonen | ובנות (uvanot) = en dochters | ויפרוץ (vayifrots) = en breidde zich uit | האיש (ha'ish) = de man | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | בעבור (ba'avur) = omwille van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **30:20** Jakob diende Laban, de broer van zijn moeder, in die dagen in alle werk en alle arbeid, in huis en in het veld, en de zegen van Yahweh was op alles wat van Laban was, in huis en in het veld. Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | היה (hayah) = was | עובד (oved) = dienend | את (et) = (lijdend voorwerp) | לבן (Lavan) = Laban | אחי (echi) = de broer van | אמו (immo) = zijn moeder | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בכל (bekhol) = in alle | מלאכה (mela'khah) = werk | ובכל (uvkhol) = en in alle | עבודה (avodah) = arbeid | בבית (babbayit) = in huis | ובשדה (uvassadeh) = en in het veld | ויהי (vayehi) = en was | ברכת (birkat) = de zegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בכל (bekhol) = op alles | אשר (asher) = wat | ללבן (lelavan) = van Laban was | בבית (babbayit) = in huis | ובשדה (uvassadeh) = en in het veld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ezau en Oholibama **30:21** In het vijfde jaar stierf Jehudit, de dochter van Beëri, de vrouw van Ezau, in het land Kanaän; zij had geen zonen, alleen dochters. Brontekst: ובשנה (uvashanah) = en in het jaar | החמישית (hachamishit) = de vijfde | מתה (metah) = stierf | יהודית (Yehudit) = Jehudit | בת (bat) = dochter van | בארי (Be'eri) = Beëri | אשת (eshet) = vrouw van | עשו (asu) = Ezau | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ובנים (uvanim) = en zonen | לא (lo) = niet | היו (hayu) = waren | לה (lah) = voor haar | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | בנות (banot) = dochters Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:34: Jehudit, de dochter van Beëri. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 26:34 **30:22** En dit zijn de namen van haar dochters die zij aan Ezau baarde: de naam van de oudste was Martsit en de naam van de jongste Poeït. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = de namen van | בנותיה (benoteyha) = haar dochters | אשר (asher) = die | ילדה (yaldah) = zij baarde | לעשו (le'esav) = aan Ezau | שם (shem) = de naam van | הגדולה (haggedolah) = de oudste | מרצית (Martsit) = Martsit | ושם (veShem) = en de naam van | הקטנה (haqqetannah) = de jongste | פועית (Pu'it) = Poeït Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De dochters van Jehudit en hun namen (vers 22) staan niet in Genesis. **30:23** Toen Jehudit gestorven was, werd Ezau getroost; hij stond op en ging naar Seïr om in het veld te jagen, zoals telkens, en Ezau woonde vele dagen in het land Seïr. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | מתה (metah) = gestorven was | יהודית (Yehudit) = Jehudit | וינחם (vayyinnachem) = en werd getroost | עשו (asu) = Ezau | ויקם (vayyaqom) = en stond op | וילך (vayelekh) = en ging | שעירה (se'irah) = naar Seïr | לצוד (latsud) = om te jagen | ציד (tsayid) = wild | בשדה (bassadeh) = in het veld | כפעם (kefa'am) = telkens | בפעם (befa'am) = opnieuw | וישב (vayyashev) = en woonde | עשו (asu) = Ezau | בארץ (ba'arets) = in het land | שעיר (se'ir) = Seïr | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **30:24** In het zesde jaar nam Ezau Oholibama, de dochter van Ana, de dochter van Sibeon de Chiviet, tot vrouw, naast zijn vrouwen, en Ezau bracht haar naar het land Kanaän. Brontekst: ובשנה (uvashanah) = en in het jaar | השישית (hashishit) = de zesde | לקח (laqach) = nam | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | אהלבימה (Oholivamah) = Oholibama | בת (bat) = dochter van | ענה (anah) = Ana | בת (bat) = dochter van | צבעון (Tsiv'on) = Sibeon | החוי (hachivvi) = de Chiviet | על (al) = naast | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | לו (lo) = voor hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויביאה (vayeviehah) = en bracht haar | עשו (asu) = Ezau | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:2: Oholibama, de dochter van Ana, de dochter van Sibeon de Chiviet. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 36:2 **30:25** Oholibama werd zwanger en baarde Ezau drie zonen: Jeüs, Jaëlam en Korach. Brontekst: ותהר (vattahar) = en werd zwanger | אהלבימה (Oholivamah) = Oholibama | ותלד (vatteled) = en baarde | לעשו (le'esav) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעוש (Ye'ush) = Jeüs | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יעלם (Ya'lam) = Jaëlam | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | קרח (Qorach) = Korach | בנים (banim) = zonen | שלושה (shelosha) = drie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:5. Zie ook: Gen 36:5 ### Ezau trekt naar Seïr **30:26** In die dagen was er in het land Kanaän strijd tussen de herders van het vee van Ezau en de herders van het vee van de bewoners van het land van de Kanaänieten. Want het vee van Ezau en zijn bezit waren te groot om in het land Kanaän, in het huis van zijn vader, te wonen, en het land Kanaän kon hem niet dragen vanwege zijn bezit. Brontekst: ותהי (vatehi) = en er was | מלחמה (milchamah) = strijd | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בין (bein) = tussen | רועי (ro'ei) = de herders van | מקנה (miqneh) = het vee van | עשו (asu) = Ezau | ובין (uvein) = en tussen | רועי (ro'ei) = de herders van | מקנה (miqneh) = het vee van | יושבי (yoshvei) = de bewoners van | ארץ (erets) = het land van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | כי (ki) = want | היה (hayah) = was | מקנה (miqneh) = het vee van | עשו (asu) = Ezau | ורכושו (verekhusho) = en zijn bezit | רב (rav) = te groot | מאוד (me'od) = zeer | משבת (mishevet) = om te wonen | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בבית (babbayit) = in het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | ולא (velo) = en niet | יכלה (yakhelah) = kon | ארץ (erets) = het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לשאת (laset) = dragen | אותו (oto) = hem | מפני (mippenei) = vanwege | קנינו (qinyano) = zijn bezit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:6–8. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 36:6–8 **30:27** Toen Ezau zag dat zijn strijd met de bewoners van het land van de Kanaänieten groot werd, nam hij zijn vrouwen, zijn zonen en zijn dochters en alles wat van hem was, het vee van zijn bezit en heel zijn bezit dat hij in het land Kanaän verworven had. Hij ging naar het land Seïr, weg van de bewoners van het land. Ezau woonde met alles wat van hem was in het land Seïr. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen zag | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | גדולה (gedolah) = groot werd | מלחמתו (milchamto) = zijn strijd | עם (im) = met | יושבי (yoshvei) = de bewoners van | ארץ (erets) = het land van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בנותיו (benotav) = zijn dochters | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = hem was | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מקנה (miqneh) = het vee van | קנינו (qinyano) = zijn bezit | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | רכושו (rekhusho) = heel zijn bezit | אשר (asher) = die | רכש (rakhash) = verworven had | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | וילך (vayelekh) = en ging | אל (el) = naar | ארץ (erets) = het land | שעיר (se'ir) = Seïr | מפני (mippenei) = vanwege | יושבי (yoshvei) = de bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | וישב (vayyashev) = en woonde | עשו (asu) = Ezau | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = van hem was | בארץ (ba'arets) = in het land | שעיר (se'ir) = Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **30:28** Maar van dag tot dag en van maand tot maand kwam Ezau naar het land Kanaän om zijn vader en moeder te zien. Ezau verzwagerde zich met de Chorieten en gaf zijn dochters aan de zonen van Seïr, de Choriet. Brontekst: אך (akh) = maar | מיום (miyyom) = van dag | ליום (leyom) = tot dag | ומחודש (umechodesh) = en van maand | לחודש (lachodesh) = tot maand | יבוא (yavo) = kwam | עשו (asu) = Ezau | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לראות (lir'ot) = om te zien | אביו (aviv) = zijn vader | ואמו (ve'immo) = en zijn moeder | ויתחתן (vayitchatten) = en verzwagerde zich | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | החורים (hachorim) = de Chorieten | ויתן (vayitten) = en gaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנותיו (benotav) = zijn dochters | לבני (livnei) = aan de zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:20–30: de Chorieten, de zonen van Seïr. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 36:20–30 **30:29** Hij gaf Martsit, zijn oudste dochter, aan Ana, de zoon van Sibeon, de broer van zijn vrouw, en Poeït gaf hij aan Etser, de zoon van Bilhan de Choriet. Ezau woonde in het gebergte Seïr, hij en zijn zonen, en zij werden vruchtbaar en zeer talrijk. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | מרצית (Martsit) = Martsit | בתו (bito) = zijn dochter | הגדולה (haggedolah) = de oudste | לענה (le'anah) = aan Ana | בן (ben) = de zoon van | צבעון (Tsiv'on) = Sibeon | אחי (echi) = de broer van | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ואת (ve'et) = en | פועית (Pu'it) = Poeït | נתן (natan) = gaf hij | לאצר (le'etser) = aan Etser | בן (ben) = de zoon van | בלהן (Bilhan) = Bilhan | החורי (hachori) = de Choriet | וישב (vayyashev) = en woonde | עשו (asu) = Ezau | בהר (bahar) = in het gebergte | שעיר (se'ir) = Seïr | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ויפרו (vayifru) = en werden vruchtbaar | וירבו (vayirbu) = en werden talrijk | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. ## Jasher 31 _Lea en Rachel; de zonen van Jakob; de vlucht en Ezau_ ### Lea in plaats van Rachel **31:1** In het zevende jaar was de dienst voltooid die Jakob voor Laban had verricht, en Jakob zei tegen Laban: „Geef mij mijn vrouw, want de dagen van mijn dienst zijn vervuld.” En Laban deed zo. Laban en Jakob verzamelden alle mannen van die plaats en maakten voor hen een feestmaal. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנה (bashanah) = in het jaar | השביעית (hashevi'it) = de zevende | ותתום (vattitom) = en was voltooid | עבודת (avodat) = de dienst van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | עבד (eved) = diende | את (et) = (obj.) | לבן (Lavan) = Laban | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | לבן (Lavan) = Laban | תנה (tenah) = geef | את (et) = (obj.) | אישתי (ishti) = mijn vrouw | כי (ki) = want | מלאו (mal'u) = waren vervuld | ימי (yemei) = dagen van | עבודתי (avodati) = mijn dienst | ויעש (vayya'as) = en hij deed | לבן (Lavan) = Laban | כן (ken) = zo | ויאספו (vaye'esfu) = en zij verzamelden | לבן (Lavan) = Laban | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | להם (lahem) = voor hen | משתה (mishteh) = feestmaal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:21–22. Zie ook: Gen 29:21–22 **31:2** Toen het avond werd, kwam Laban in het huis waar Jakob met de gasten van het feestmaal gekomen was, en Laban doofde alle lampen die daar in dat huis waren. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בערב (ba'erev) = in de avond | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | לבן (Lavan) = Laban | אל (el) = tot | הבית (habbayit) = het huis | אשר (asher) = die | בא (ba) = was gekomen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שמה (shemah) = daarheen | ים (yam) = met | אנשי (anshei) = mannen van | המשתה (hamishteh) = het feestmaal | ויכבה (vayekhabbeh) = en doofde | לבן (Lavan) = Laban | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הנרות (hannerot) = de lampen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = waren | שם (shem) = daar | בבית (babbayit) = in huis | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat hier ים (‘ym’) voor ‘met’; gelezen als עם, ‘met’ (zo ook de Engelse vertaling). Zie ook: Gen 29:23 **31:3** Jakob zei tegen Laban: „Waarom doe je ons dit aan?” Laban antwoordde: „Zo is onze gewoonte om te handelen in dit land.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | לבן (Lavan) = Laban | למה (lammah) = waarom | תעשה (ta'aseh) = je doet | לנו (lanu) = ons | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויען (vaya'an) = en antwoordde | לבן (Lavan) = Laban | ויאמר (vayomer) = en hij zei | כה (koh) = zo | משפטנו (mishpatenu) = onze gewoonte | לעשות (la'asot) = om te doen | בארץ (ba'arets) = in het land | הזאת (hazzo't) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:4** Daarna nam Laban zijn dochter Lea en bracht haar bij Jakob, en hij ging bij haar binnen; Jakob wist niet dat het Lea was. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | לקח (laqach) = nam | לבן (Lavan) = Laban | את (et) = (obj.) | לאה (Le'ah) = Lea | בתו (bito) = zijn dochter | ויבא (vayavo) = en hij bracht | אותה (otah) = haar | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבוא (vayavo) = en hij ging binnen | אליה (eleha) = tot haar | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | לא (lo) = niet | ידע (yada) = wist | כי (ki) = dat | לאה (Le'ah) = Lea | היא (hi) = zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:23. Zie ook: Gen 29:23 **31:5** Laban gaf zijn dochter Lea zijn slavin Zilpa als slavin. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | לבן (Lavan) = Laban | ללאה (lele'ah) = aan Lea | בתו (bito) = zijn dochter | את (et) = (obj.) | זילפה (Zilpah) = Zilpa | שפחתו (shifchato) = zijn slavin | לשפחה (leshifchah) = als slavin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:24. Zie ook: Gen 29:24 **31:6** Alle gasten van het feestmaal wisten wat Laban Jakob had aangedaan, maar zij vertelden het Jakob niet. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | המשתה (hamishteh) = het feestmaal | ידעו (yade'u) = zij wisten | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = had gedaan | לבן (Lavan) = Laban | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | הגידו (higgidu) = vertelden | הדבר (haddavar) = de zaak | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:7** Al deze gezellen kwamen in die nacht naar het huis van Jakob; zij aten, dronken en waren vrolijk. Zij maakten die nacht pret voor Jakob met tamboerijnen en reidansen en zeiden in hun antwoord voor Jakob: „Hi-Lea! Hi-Lea!” Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | המרעים (hamere'im) = de gezellen | האלה (ha'elleh) = deze | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | בית (bet) = het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | וישתו (vayishtu) = en zij dronken | וישמחו (vayismechu) = en zij waren vrolijk | ויצחקו (vayitschaqu) = en zij maakten pret | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | בתופים (bettofim) = met tamboerijnen | ובמחולות (uvimcholot) = en met reidansen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | במענם (bema'anam) = in hun antwoord | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | היללה (hi Le'ah) = hi-Lea (zij is Lea) | היללה (hi Le'ah) = hi-Lea (zij is Lea) Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het woord היללה klinkt als het Hebreeuwse ‘hi Lea’, ‘zij is Lea’ (zie vers 10). Zo noemen de gasten de bruid in een woordspeling, zonder dat Jakob het begrijpt. Zie ook: Gen 29:23 **31:8** Jakob hoorde hun woorden, maar begreep hun taal niet; hij zei alleen: „Zo is hun gewoonte in dit land.” Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | דבריהם (divreihem) = hun woorden | ולא (velo) = en niet | הבין (hevin) = begreep | את (et) = (obj.) | לשונם (leshonam) = hun taal | אך (akh) = alleen | אמר (amar) = zei | כה (koh) = zo | משפטם (mishpatam) = hun gebruik | לעשות (la'asot) = om te doen | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier לעשות הארץ הזאת, zonder ‘in’ voor ‘dit land’; vertaald als ‘in dit land’. **31:9** Zo spraken de gezellen die hele nacht dit soort woorden voor Jakob, en alle lampen die in het huis waren, had Laban die nacht gedoofd. Brontekst: וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | המרעים (hamere'im) = de gezellen | כדבר (kidvar) = zoals het woord | הזה (hazzeh) = dit | כל (kol) = alle | הלילה (hallaylah) = de nacht | ההוא (hahu) = die | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וכל (vekhol) = en alle | הנרות (hannerot) = de lampen | אשר (asher) = die | בבית (babbayit) = in huis | כיבה (kibbah) = had gedoofd | אותם (otam) = hen | לבן (Lavan) = Laban | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:10** Toen het ochtend werd en de dag licht werd, wendde Jakob zich tot zijn vrouw en zag: en zie, Lea lag in zijn schoot. Jakob zei: „Nu weet ik wat de gezellen gisteravond zeiden: ‘Zij is Lea, zij is Lea!’ zeiden ze, en ik wist het niet.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הבוקר (habboqer) = de morgen | ויאר (vayya'ir) = en het werd licht | היום (hayyom) = de dag | ויפן (vayyifen) = en hij wendde zich | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | אישתו (ishto) = zijn vrouw | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | לאה (Le'ah) = Lea | שוכבת (shokhevet) = liggend | בחיקו (bekheqo) = in zijn schoot | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עתה (attah) = nu | הנה (hinneh) = zie | ידוע (yadua) = weten | ידעתי (yada'ti) = ik weet | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = die | אמרו (ameru) = zeiden | המרעים (hamere'im) = de gezellen | אמש (emesh) = gisteravond | היא (hi) = zij | לאה (Le'ah) = Lea | היא (hi) = zij | לאה (Le'ah) = Lea | יאמרו (yomru) = zij zeiden | ואני (va'ani) = en ik | לא (lo) = niet | ידעתי (yada'ti) = ik wist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:25. Zie ook: Gen 29:25 **31:11** Jakob riep Laban en zei tegen hem: „Wat is dit dat je mij hebt aangedaan? Heb ik je niet voor Rachel gediend? Waarom heb je mij bedrogen en mij Lea gegeven?” Brontekst: ויקרא (vayikra) = en hij riep | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | לבן (Lavan) = Laban | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tot hem | מה (mah) = wat | זאת (zot) = dit | עשית (asita) = je hebt gedaan | לי (li) = voor mij | הלא (halo) = immers | ברחל (berachel) = voor Rachel | עבדתיך (avadtikha) = ik heb je gediend | ולמה (velamah) = en waarom | רימיתני (rimmitani) = heb je mij bedrogen | ותיתן (vattitten) = en je gaf | לי (li) = voor mij | לאה (Le'ah) = Lea Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:12** Laban antwoordde Jakob: „In onze plaats doet men dat niet: de jongste geven vóór de oudste. Maar als je ook haar zus wilt nemen, neem haar dan voor jezelf voor de dienst die je mij nog zeven andere jaren zult verrichten.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | לבן (Lavan) = Laban | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | יעשה (ya'aseh) = men doet | כן (ken) = zo | במקומנו (bimqomenu) = in onze plaats | לתת (latet) = te geven | הצעירה (hatse'irah) = de jongste | לפני (lifnei) = voor | הבכירה (habbekhirah) = de oudste | ועתה (ve'attah) = en nu | אם (em) = indien | תחפוץ (techpots) = je wilt | לקחת (laqachat) = om te nemen | גם (gam) = ook | את (et) = (obj.) | אחותה (achotah) = haar zuster | קח (qach) = neem | לך (lekha) = voor jezelf | בעבודה (ba'avodah) = voor de dienst | אשר (asher) = die | תעבדני (ta'avdeni) = je mij zult dienen | עוד (od) = nog | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren | אחרות (acherot) = andere Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:26–27. Zie ook: Gen 29:26–27; Gen 29:27 **31:13** Jakob deed zo en nam ook Rachel tot vrouw, en hij diende Laban nog zeven andere jaren. Jakob ging ook bij Rachel binnen en hield ook van Rachel, meer dan van Lea; en Laban gaf haar zijn slavin Bilha tot slavin. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כן (ken) = zo | ויקח (vayikkach) = en hij nam | גם (gam) = ook | את (et) = (obj.) | רחל (Rachel) = Rachel | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויעבוד (vaya'avod) = en hij diende | את (et) = (obj.) | לבן (Lavan) = Laban | עוד (od) = nog | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren | אחרות (acherot) = andere | ויבוא (vayavo) = en hij ging binnen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | גם (gam) = ook | אל (el) = tot | רחל (Rachel) = Rachel | ויאהב (vayye'ehav) = en hij hield van | גם (gam) = ook | את (et) = (obj.) | רחל (Rachel) = Rachel | מלאה (meleah) = dan Lea | ויתן (vayitten) = en gaf | לה (lah) = voor haar | לבן (Lavan) = Laban | את (et) = (obj.) | בלהה (Bilhah) = Bilha | שפחתו (shifchato) = zijn slavin | לשפחה (leshifchah) = als slavin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:28–30. Zie ook: Gen 29:28–30 ### De zonen van Jakob **31:14** Toen Yahweh zag dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; zij werd zwanger en baarde Jakob in die dagen vier zonen. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = dat | שנואה (senu'ah) = gehaat | לאה (Le'ah) = Lea | ויפתח (vayiftach) = en Hij opende | את (et) = (obj.) | רחמה (rachmah) = haar baarmoeder | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ותלד (vatteled) = en zij beviel | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בנים (banim) = zonen | ארבעה (arba'ah) = vier Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 29:31–35. Zie ook: Gen 29:31–35; Gen 29:32 **31:15** En dit zijn hun namen: Ruben, Levi, Simeon en Juda. Daarna hield zij op met baren. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמותם (shemotam) = hun namen | ראובן (Re'uven) = Ruben | לוי (Levi) = Levi | שמעון (Shim'on) = Simeon | ויהודה (vihudah) = en Juda | ותעמוד (vata'amod) = en zij hield op | מלדת (mallédet) = met baren | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt hier de volgorde Ruben, Levi, Simeon en Juda. In Genesis is de volgorde Ruben, Simeon, Levi en Juda (Gen. 29:32–35). Zie ook: Gen 29:32–35 **31:16** In die tijd was Rachel onvruchtbaar en baarde niet, en Rachel werd jaloers op haar zus Lea. Toen Rachel zag dat zij Jakob niet baarde, nam zij haar slavin Bilha en gaf haar aan Jakob tot vrouw. Jakob ging bij Bilha binnen; zij werd zwanger en baarde Jakob twee zonen: Dan en Naftali. Brontekst: ותהי (vatehi) = en zij was | רחל (Rachel) = Rachel | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ולא (velo) = en niet | ילדה (yaldah) = baarde | ותקנא (vateqanne) = en zij werd jaloers | רחל (Rachel) = Rachel | בלאה (bele'ah) = op Lea | אחותה (achotah) = haar zuster | ותרא (vatere) = en zij zag | רחל (Rachel) = Rachel | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ילדה (yaldah) = baarde | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | את (et) = (obj.) | בלהה (Bilhah) = Bilha | שפחתה (shifchatah) = haar slavin | ותיתן (vattitten) = en zij gaf | אותה (otah) = haar | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | בלהה (Bilhah) = Bilha | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ותלד (vatteled) = en zij beviel | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | שני (shenei) = twee | בנים (banim) = zonen | את (et) = (obj.) | דן (Dan) = Dan | ואת (ve'et) = en (obj.) | נפתלי (Naftali) = Naftali Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 30:1–8. Zie ook: Gen 30:1–8 **31:17** Toen Lea zag dat zij was opgehouden met baren, nam ook zij haar slavin Zilpa en gaf haar aan Jakob tot vrouw. Jakob ging ook bij Zilpa binnen, en ook zij baarde Jakob twee zonen: Gad en Aser. Brontekst: ותרא (vatere) = en zij zag | לאה (Le'ah) = Lea | כי (ki) = want | עמדה (amedah) = had opgehouden | מלדת (mallédet) = met baren | ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | גם (gam) = ook | היא (hi) = zij | את (et) = (obj.) | זילפה (Zilpah) = Zilpa | שפחתה (shifchatah) = haar slavin | ותיתן (vattitten) = en zij gaf | אותה (otah) = haar | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | גם (gam) = ook | את (et) = (obj.) | זילפה (Zilpah) = Zilpa | ותלד (vatteled) = en zij beviel | גם (gam) = ook | היא (hi) = zij | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | שני (shenei) = twee | בנים (banim) = zonen | את (et) = (obj.) | גד (Gad) = Gad | ואת (ve'et) = en (obj.) | אשר (asher) = Aser Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 30:9–13. Zie ook: Gen 30:9–13 **31:18** Lea werd daarna opnieuw zwanger en baarde Jakob in die dagen twee zonen en een dochter. En dit zijn hun namen: Issachar en Zebulon, en Dina, hun zus. Brontekst: ותוסף (vattosef) = en zij voegde toe | עוד (od) = opnieuw | לאה (Le'ah) = Lea | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ותלד (vatteled) = en zij beviel | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | שני (shenei) = twee | בנים (banim) = zonen | ובת (uvat) = en een dochter | אחת (achat) = één | ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמותם (shemotam) = hun namen | יששכר (Yissakhar) = Issachar | וזבולון (uzvulun) = en Zebulon | ודינה (udinah) = en Dina | אחותם (achotam) = hun zus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 30:17–21. Zie ook: Gen 30:17–21 **31:19** Rachel was in die dagen nog onvruchtbaar. Rachel bad in die tijd tot Yahweh en zei: „Yahweh Elohim, gedenk mij toch en zie toch naar mij om, want nu zal mijn man mij verstoten, omdat ik hem geen zonen heb gebaard. Brontekst: ורחל (verachel) = en Rachel | עודנה (odenah) = nog | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ותתפלל (vatitpallel) = en zij bad | רחל (Rachel) = Rachel | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ותאמר (vatomer) = en zij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | זכרני (zokhreni) = gedenk mij | נא (na) = toch | ופקדני (ufoqdeni) = en zie naar mij om | נא (na) = toch | כי (ki) = want | עתה (attah) = nu | ייגרשני (yegarreshani) = zal mij verstoten | אישי (ishi) = mijn man | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ילדתי (yaladti) = ik heb gebaard | לו (lo) = hem | בנים (banim) = zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 30:22. Het gebed van Rachel staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 30:22 **31:20** Nu, Yahweh Elohim, hoor toch mijn smeking voor U en zie mijn ellende. Geef mij zonen, zoals een van de slavinnen, en laat mij mijn smaad niet langer horen.” Brontekst: עתה (attah) = nu | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | שמע (shema) = luister | נא (na) = toch | את (et) = (obj.) | תחנתי (techinnati) = mijn smeking | לפניך (lefanekha) = voor U | וראה (veraah) = en zie | עניי (oni) = mijn ellende | ונתת (venatatta) = en geef | לי (li) = voor mij | בנים (banim) = zonen | כאחת (ke'achat) = als één van | השפחות (hashefachot) = de slavinnen | ולא (velo) = en niet | אשמע (eshma) = ik zal horen | חרפתי (cherpati) = mijn smaad | עוד (od) = opnieuw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:21** Elohim luisterde naar de stem van Rachel, Elohim dacht aan haar en opende haar baarmoeder. Rachel werd zwanger en baarde een zoon, en zij zei: „Elohim heeft mijn smaad weggenomen.” Zij noemde hem Jozef en zei: „Moge Yahweh mij nog een andere zoon toevoegen.” Jakob was eenennegentig jaar oud toen zij hem baarde. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אלוקים (Elohim) = Elohim | בקול (bekol) = naar de stem van | רחל (Rachel) = Rachel | ויזכרה (vayizkherah) = en dacht aan haar | אלוקים (Elohim) = Elohim | ויפתח (vayiftach) = en Hij opende | את (et) = (obj.) | רחמה (rachmah) = haar baarmoeder | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | רחל (Rachel) = Rachel | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = zoon van | ותאמר (vatomer) = en zei | אסף (asaf) = heeft weggenomen | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (obj.) | חרפתי (cherpati) = mijn smaad | ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | את (et) = (obj.) | שמו (shemo) = zijn naam | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | יוסף (Yosef) = moge hij toevoegen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לי (li) = voor mij | בן (ben) = zoon van | אחר (acher) = een andere | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | בן (ben) = zoon van | תשעים (tish'im) = negentig | ואחת (ve'achat) = en een | שנה (shanah) = jaar | בלדת (biledet) = bij het baren van | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 30:22–24. De leeftijd van Jakob (eenennegentig jaar) staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 30:22–24; Gen 30:24 ### Debora komt naar Jakob **31:22** In die tijd zond Rebekka, de moeder van Jakob, uit het land Kanaän haar min Debora, de dochter van Us, en twee mannen van de dienaren van Isaak, naar Jakob. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | שלחה (shalechah) = heeft gezonden | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אם (em) = moeder van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | את (et) = (obj.) | דבורה (Devorah) = Debora | בת (bat) = dochter van | עוץ ('uts) = Us | מניקתה (meniqtah) = haar min | ושני (ushnei) = en twee | אנשים (anashim) = mannen | מעבדי (me'avdei) = van de dienaren van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Debora, de min van Rebekka: zie Gen. 24:59 en Gen. 35:8. Rebekka had beloofd Jakob te laten halen: zie Gen. 27:45. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 24:59; Gen 27:45; Gen 30:25; Gen 35:8 **31:23** Zij kwamen naar Jakob in Charan en zeiden tegen hem: „Rebekka heeft ons naar je gezonden om terug te keren naar het huis van je vader, naar het land Kanaän.” En Jakob luisterde naar hen over dit woord dat zijn moeder had gesproken. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | חרנה (charanah) = naar Charan | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tot hem | כי (ki) = want | רבקה (Rivqah) = Rebekka | שלחתנו (shelachatnu) = heeft ons gezonden | אליך (elekha) = bij je | לשוב (lashuv) = terug te keren | בית (bet) = het huis van | אביך (avikha) = je vader | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | וישמע (vayishma) = en hoorde | להם (lahem) = hun | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לדבר (laddavar) = naar dit woord | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | דיברה (dibberah) = had gesproken | אמו (immo) = zijn moeder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. ### Het loon van Jakob **31:24** In die tijd waren de andere zeven jaren voltooid die Jakob voor Rachel aan Laban had gediend. Na veertien jaar dat Jakob in Charan woonde, zei Jakob tegen Laban: „Geef mij mijn vrouwen en laat mij gaan, dan ga ik naar mijn land, want zie, mijn moeder heeft mij uit het land Kanaän bericht gestuurd dat ik moet terugkeren naar het huis van mijn vader.” Brontekst: ובעת (uva'et) = en in de tijd | ההיא (hahi) = die | תמו (tammu) = waren geëindigd | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren | האחרות (ha'acherot) = de andere | אשר (asher) = die | עבד (eved) = diende | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | לבן (Lavan) = Laban | ברחל (berachel) = voor Rachel | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | ארבע (arba) = vier | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | אשר (asher) = die | ישב (yashav) = woonde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחרן (becharan) = in Charan | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | לבן (Lavan) = Laban | תנה (tenah) = geef | את (et) = (obj.) | נשי (neshei) = vrouwen van | ושלחני (ushelacheni) = en laat mij gaan | ואלכה (ve'elkhah) = zodat ik ga | אל (el) = tot | ארצי (artsi) = mijn land | כי (ki) = want | הנה (hinneh) = zie | אמי (immi) = mijn moeder | שלחה (shalechah) = heeft gezonden | אליי (elai) = tot mij | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לשוב (lashuv) = terug te keren | לי (li) = voor mij | אל (el) = tot | בית (bet) = het huis van | אבי (avi) = vader van Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 30:25–26. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 30:25–26 **31:25** Laban zei tegen hem: „Toe, alsjeblieft: als ik gunst in je ogen heb gevonden, verlaat mij niet. Bepaal je loon bij mij, dan zal ik het geven, en blijf bij mij wonen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tot hem | לבן (Lavan) = Laban | אל (el) = ach | נא (na) = toch | אם (em) = indien | נא (na) = toch | מצאתי (matsati) = ik heb gevonden | חן (chen) = gunst | בעיניך (be'einekha) = in je ogen | אל (el) = niet | נא (na) = toch | תעזוב (ta'azov) = verlaat | אותי (oti) = mij | נקבה (nokvah) = bepaal | שכרך (sekharekha) = je loon | עליי (alay) = op mij | ואתנה (ve'ettenah) = en ik zal geven | וישבת (veyashavta) = en blijf wonen | עמי (immi) = met mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 30:27 **31:26** Jakob zei: „Dit is wat je mij als loon zult geven voor mijn dienst: ik zal vandaag door heel je kleinvee gaan en daaruit alles wegnemen wat gespikkeld, gevlekt of bruin is onder de schapen en onder de geiten; dat zal mijn loon zijn. Als je mij dit doet, zal ik terugkeren, je kleinvee weiden en bewaken zoals eerst.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | זה (ze) = dit | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | תיתן (titten) = je zult geven | לי (li) = voor mij | בשכרי (bisekhari) = als mijn loon | אשר (asher) = die | אעבוד (e'evod) = zal ik dienen | היום (hayyom) = vandaag | בכל (bekhol) = in heel | צאנך (tso'nekha) = je kleinvee | ואסיר (ve'asir) = en ik zal wegnemen | מהם (mehem) = van hen | כל (kol) = alle | שהנקוד (shehanaqod) = wat gespikkeld is | וטלוא (vetalu) = en gevlekt | וחום (vechum) = en bruin | בכשבים (bakkesavim) = onder de schapen | ובעזים (uva'izzim) = en onder de geiten | והיה (vehayah) = en het zal zijn | שכרי (sekhari) = mijn loon | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = indien | תעשה (ta'aseh) = je doet | לי (li) = voor mij | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשובה (ashuvah) = ik zal terugkeren | לי (li) = voor mij | ארעה (er'eh) = ik zal weiden | צאנך (tso'nekha) = je kleinvee | אשמור (eshmor) = zal ik bewaren | כאשר (ka'asher) = zoals | בתחלה (battechillah) = in het begin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 30:31–33. Zie ook: Gen 30:31–33; Gen 30:32 **31:27** Laban deed zo: Laban nam uit zijn kleinvee alles weg wat Jakob had gezegd, en gaf het hem. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | לבן (Lavan) = Laban | כן (ken) = zo | ויסר (vayyaser) = en hij nam weg | לבן (Lavan) = Laban | מצאנו (matsanu) = van zijn kleinvee | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | אמר (amar) = had gezegd | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 30:34–35. Zie ook: Gen 30:33; Gen 30:34–35 **31:28** Jakob gaf alles wat hij van het kleinvee van Laban had weggenomen in de hand van zijn zonen, en Jakob weidde het overgebleven kleinvee van Laban. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | הסיר (hesir) = had weggenomen | מצאן (mitson) = van het kleinvee | לבן (Lavan) = Laban | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | רועה (ro'eh) = weidend | את (et) = (obj.) | צאן (tson) = kleinvee | לבן (Lavan) = Laban | הנותרות (hannotarot) = de overgebleven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 30:35 **31:29** Toen de dienaren van Isaak, die hij naar Jakob had gezonden, zagen dat Jakob toen niet met hen terugkeerde naar het land Kanaän, naar zijn vader, gingen zij van hem weg en keerden terug naar hun huis in het land Kanaän. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | ראו (ra'u) = zij zagen | עבדי (avdei) = dienaren van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = had gezonden | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | שב (shav) = keerde terug | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | איתם (ittam) = bij hen | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = naar | אביו (aviv) = zijn vader | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להם (lahem) = voor zich | מאיתו (me'ito) = van hem | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | אל (el) = tot | ביתם (beytam) = hun huis | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **31:30** Debora bleef bij Jakob in Charan; zij keerde niet met de dienaren van Isaak terug naar het land Kanaän. Debora bleef bij de vrouwen van Jakob en bij zijn zonen in Charan. Brontekst: ודבורה (udevorah) = en Debora | ישבה (yashvah) = bleef | עם (im) = met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחרן (becharan) = in Charan | לא (lo) = niet | שבה (shavah) = keerde terug | עם (im) = met | עבדי (avdei) = dienaren van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ותשב (vatashav) = en zij bleef | דבורה (Devorah) = Debora | עם (im) = met | נשי (neshei) = vrouwen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועם (ve'im) = en met | בניו (banav) = zijn zonen | בחרן (becharan) = in Charan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **31:31** Jakob diende Laban nog zes andere jaren met het kleinvee. In de tijd dat het kleinvee wierp, nam Jakob daaruit de gespikkelde en de gevlekte weg, zoals hij met Laban had gesproken. Zo deed Jakob bij het kleinvee van Laban zes jaar, en de man breidde zich zeer, zeer uit; hij kreeg kleinvee, slavinnen, kamelen en ezels. Brontekst: ויעבוד (vaya'avod) = en hij diende | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | לבן (Lavan) = Laban | בצאן (batson) = met het kleinvee | שש (shesh) = zes | שנים (shanim) = jaren | אחרות (acherot) = andere | והיה (vehayah) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | לדת (ledet) = het werpen | הצאן (hatson) = het kleinvee | ויסר (vayyaser) = en hij nam weg | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מהן (mehen) = uit hen | את (et) = (obj.) | הנקודות (hanneqqudot) = de gespikkelde | ואת (ve'et) = en (obj.) | הטלואות (hattelu'ot) = de gevlekte | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | עם (im) = met | לבן (Lavan) = Laban | ויעש (vayya'as) = en hij deed | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כן (ken) = zo | אל (el) = bij | צאן (tson) = kleinvee | לבן (Lavan) = Laban | שש (shesh) = zes | שנים (shanim) = jaren | ויפרוץ (vayifrots) = en hij breidde zich uit | האיש (ha'ish) = de man | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | ויהי (vayehi) = en er was | לו (lo) = hem | צאן (tson) = kleinvee | ושפחות (ushfachot) = en slavinnen | וגמלים (ugemallim) = en kamelen | וחמורים (vachamorim) = en ezels Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 30:37–43. Zie ook: Gen 30:37–43; Gen 30:43 **31:32** Jakob had tweehonderd kuddes kleinvee; zijn kleinvee was groot van gestalte, mooi van uiterlijk en gaf zeer veel vrucht. Alle mensen wilden graag dieren van het kleinvee van Jakob voor zichzelf nemen, want het was goed en zeer voorspoedig. Brontekst: ותהיינה (vatihyenah) = en er waren | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | מאתים (matayim) = tweehonderd | אלף (elef) = kudde(n) | עדרי (edrei) = kuddes van | צאן (tson) = kleinvee | וצאנן (vetso'nan) = en het kleinvee | היו (hayu) = zij waren | גדולות (gedolot) = grote | קומה (qomah) = van gestalte | ויפות (vayafot) = en mooi | תואר (to'ar) = uiterlijk | מאוד (me'od) = zeer | ונותנות (venotnot) = en gaven | את (et) = (obj.) | פריים (periyyan) = hun vrucht | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | ויתאוו (vayit'avvu) = en zij verlangden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | האדם (ha'adam) = de mens | לקחת (laqachat) = om te nemen | להם (lahem) = voor zich | מצאן (mitson) = van het kleinvee | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | טובות (tovot) = goed | ומצליחות (umatslichot) = en voorspoedig | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft מאתים אלף עדרי צאן, letterlijk ‘tweehonderd duizend kuddes kleinvee’. Hier is אלף opgevat als ‘kudde’ (zie Deut. 7:13, waar אלפיך ‘de worpen van je runderen’ betekent), zodat er ‘tweehonderd kuddes’ staat, zoals ook de Engelse vertaling heeft. Zie ook: Deut 7:13 **31:33** Van alle mensen kwamen er om van het kleinvee van Jakob te nemen, en Jakob gaf hun één stuk kleinvee voor een dienaar, een dienares, een ezel of een kameel, naar alles wat Jakob van hen wenste; en zij gaven het hem. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | מכל (mikkol) = van alle | בני (bnei) = zonen van | האדם (ha'adam) = de mens | לקחת (laqachat) = om te nemen | מצאן (mitson) = van het kleinvee | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויתן (vayitten) = en gaf | להם (lahem) = aan hen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | צאן (tson) = kleinvee | אחד (echad) = één | בעבד (be'eved) = voor een dienaar | או (o) = of | באמה (ba'amah) = voor een dienares | או (o) = of | בחמור (bachamor) = voor een ezel | או (o) = of | בגמל (bagamal) = voor een kameel | ככל (kekhol) = naar alles | אשר (asher) = wat | יחפוץ (yachpots) = wenste | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מהם (mehem) = van hen | ונתנו (venatnu) = en gaven | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:34** Jakob verwierf rijkdom, eer en bezit door dit handelen met de mensen, en de zonen van Laban waren afgunstig op hem vanwege deze eer. Brontekst: ויהי (vayehi) = en er was | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | עושר (osher) = rijkdom | וכבוד (vekhavod) = en eer | ונכסים (unekhasim) = en bezittingen | במעשה (bema'aseh) = door dit handelen | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = dat | יעשה (ya'aseh) = hij deed | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | האדם (ha'adam) = de mens | ויקנאו (vayqanu) = en zij waren afgunstig | אותו (oto) = hem | בני (bnei) = zonen van | לבן (Lavan) = Laban | מהכבוד (mehakavod) = vanwege de eer | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jakob vertrekt **31:35** Na enige tijd hoorde hij de woorden van de zonen van Laban, die zeiden: „Jakob heeft alles genomen wat van onze vader is, en van wat van onze vader is, heeft hij al deze eer verworven.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מימים (miyyamim) = na enige tijd | וישמע (vayishma) = en hij hoorde | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | בני (bnei) = zonen van | לבן (Lavan) = Laban | אומרים (omerim) = zeggend | לקח (laqach) = nam | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לאבינו (le'avinu) = van onze vader | ואשר (va'asher) = en van wat | לאבינו (le'avinu) = van onze vader | עשה (asah) = heeft verworven | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הכבוד (hakavod) = de eer | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:1. Zie ook: Gen 31:1 **31:36** Jakob zag het gezicht van Laban en van zijn zonen, en zie, het was niet met hem zoals gisteren en eergisteren. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | פני (pnei) = aangezicht van | לבן (Lavan) = Laban | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | והנה (vehinneh) = en zie | איננו (enenu) = is niet | עמו (immo) = bij hem | כתמול (ketmol) = als gisteren | שלשום (shilshom) = eergisteren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:2. Zie ook: Gen 31:2 **31:37** In die dagen, na zes jaar, verscheen Yahweh aan Jakob en zei tegen hem: **„Sta op, ga uit dit land en keer terug naar het land van je geboorte. Ik zal met je zijn.”** Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | מקץ (miqqets) = na verloop van | שש (shesh) = zes | שנים (shanim) = jaren | וירא (vayyera) = en Hij verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויאמר (vayomer) = en Hij zei | לו (lo) = tegen hem | קום (qum) = sta op | צא (tse) = ga uit | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | ושוב (veshuv) = en keer terug | אל (el) = tot | ארץ (erets) = land van | מולדתך (moladetkha) = je geboorteland | ואהיה (ve'ehyeh) = en Ik zal zijn | עמך (immekha) = met je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:3. De woorden van Yahweh zijn rood gedrukt. Zie ook: Gen 31:3 **31:38** Jakob stond op dat moment op; hij zette zijn zonen, zijn vrouwen en alles wat hij had op de kamelen en trok uit om naar het land Kanaän te gaan, naar zijn vader Isaak. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | וישא (vayissa) = en hij tilde | את (et) = (obj.) | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (obj.) | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij had | על (al) = op | הגמלים (haggemalim) = de kamelen | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | ללכת (lalekhet) = te gaan | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:17–18. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 31:17–18 **31:39** Laban wist niet dat Jakob van hem was weggegaan, want Laban was die dag gegaan om zijn kleinvee te scheren. Brontekst: ולבן (velavan) = en Laban | לא (lo) = niet | ידע (yada) = wist | כי (ki) = dat | הלך (halakh) = was gegaan | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאיתו (me'ito) = van hem | כי (ki) = want | הלך (halakh) = ging | לבן (Lavan) = Laban | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | לגזוז (ligzoz) = te scheren | את (et) = (obj.) | צאנו (tsono) = zijn kleinvee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:19. Zie ook: Gen 31:19 ### De huisgoden **31:40** Rachel stal de huisgoden van haar vader; zij nam ze, verborg ze op de kameel en ging heen. Brontekst: ורחל (verachel) = en Rachel | גנבה (ganevah) = stal | את (et) = (obj.) | התרפים (hatterafim) = de huisgoden | אשר (asher) = die | לאביה (le'aviha) = van haar vader | ותיקחם (vattiqachem) = en zij nam ze | ותחביאם (vattachbi'em) = en verborg ze | על (al) = op | הגמל (higgamel) = de kameel | ותלך (vattelekh) = en zij ging | לה (lah) = voor zich Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:19 en Gen. 31:34. Zie ook: Gen 31:19; Gen 31:34 **31:41** En zo gaat het met de huisgoden die men neemt: zij nemen een man die eerstgeborene is, slachten hem en plukken zijn hoofd kaal. Zij nemen zout, zouten het hoofd en zalven het met olie. Zij nemen een kleine plaat van koper of een plaat van goud, schrijven daarop de naam en leggen de plaat onder zijn tong. Zij nemen dat hoofd met de plaat onder de tong, zetten het in huis, ontsteken er lampen voor en buigen zich ervoor neer. Brontekst: וזה (vezeh) = en dit | מעשה (ma'aseh) = de wijze van | התרפים (hatterafim) = de huisgoden | אשר (asher) = die | יקחו (yiqchu) = zij nemen | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | יהיה (yihyeh) = is | בכור (bekhor) = eerstgeborene | וישחטו (veyishchatu) = en zij slachten | אותו (oto) = hem | וימרטו (veyimretu) = en zij plukken | את (et) = (obj.) | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ולקחו (velaqchu) = en zij nemen | את (et) = (obj.) | המלח (hammelach) = het zout | והמליחו (vehemlichu) = en zij zouten | את (et) = (obj.) | הראש (harosh) = het hoofd | ומשחו (umashchu) = en zij zalven | אותה (otah) = het | בשמן (bashemen) = met olie | ולקחו (velaqchu) = en zij nemen | לוח (luach) = plaat | נחושת (nechoshet) = koper | קטנה (qetanah) = klein | או (o) = of | לוח (luach) = plaat | זהב (zahav) = goud | וכתבו (vekhatvu) = en zij schrijven | עליה (aleha) = erop | את (et) = (obj.) | השם (hashem) = de naam | ונתנו (venatnu) = en zij leggen | את (et) = (obj.) | הלוח (halluach) = de plaat | ההיא (hahi) = die | תחת (tachat) = onder | לשונו (leshono) = zijn tong | ולקחו (velaqchu) = en zij nemen | את (et) = (obj.) | הראש (harosh) = het hoofd | ההיא (hahi) = die | ואת (ve'et) = en (obj.) | הלוח (halluach) = de plaat | אשר (asher) = die | תחת (tachat) = onder | הלשון (halashon) = de tong | ושמו (ushmo) = en zij zetten | בבית (babbayit) = in huis | והדליקו (vehidliqu) = en zij ontsteken | לו (lo) = voor hem | נרות (nerot) = lampen | והשתחוו (vehishtachavu) = en zij buigen zich neer | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Deze beschrijving van de huisgoden (teraphim) staat niet in Genesis. Zie Gen. 31:19. Zie ook: Gen 31:19 **31:42** En op het moment dat men zich ervoor neerbuigt, spreekt het tot hen over alles wat zij van hem vragen, door de kracht van de naam die erin geschreven staat. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | בעת (be'et) = in de tijd | אשר (asher) = die | ישתחוו (yishtachavu) = zij zich neerbuigen | לו (lo) = voor hem | וידבר (vayedabber) = en het spreekt | אליהם (aleihem) = tot hen | בכל (bekhol) = over alles | אשר (asher) = wat | ישאלו (yish'alu) = zij vragen | מאיתו (me'ito) = van hem | בכח (bekhoach) = door de kracht van | השם (hashem) = de naam | אשר (asher) = die | כתוב (katuv) = geschreven | בה (bah) = daarin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:43** Er zijn er ook die ze maken in de gestalte van een mens, van goud en van zilver, op uren die hun bekend zijn. Die gestalte ontving de kracht van de sterren en sprak tot hen over toekomstige dingen; zo waren de huisgoden die Rachel van haar vader stal. Brontekst: ויש (veyesh) = en er zijn die | אשר (asher) = die | יעשו (ya'asu) = zij maken | אותם (otam) = hen | כצורת (ketsurat) = als de gestalte van | אדם (adam) = mens | מזהב (mizzahav) = van goud | ומכסף (umikkesef) = en van zilver | בשעות (bish'ot) = op uren | ידועות (yedu'ot) = bekende | אליהם (aleihem) = hun | וקיבל (vaqibbel) = en ontving | התואר (hato'ar) = de gestalte | ההוא (hahu) = die | את (et) = (obj.) | כח (koach) = kracht | הכוכבים (hakkokhavim) = de sterren | ודיבר (vediber) = en sprak | אליהם (aleihem) = tot hen | עתידות (atidot) = toekomstige dingen | וכמעשה (vekhema'aseh) = en naar de wijze | הזה (hazzeh) = deze | היו (hayu) = zij waren | התרפים (hatterafim) = de huisgoden | אשר (asher) = die | גנבה (ganevah) = stal | רחל (Rachel) = Rachel | מאביה (me'abiha) = van haar vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:44** Rachel stal die huisgoden van haar vader opdat Laban niet door hen zou weten waarheen Jakob was gegaan. Brontekst: ותגנוב (vattignov) = en zij stal | רחל (Rachel) = Rachel | את (et) = (obj.) | התרפים (hatterafim) = de huisgoden | ההם (hahem) = die | אשר (asher) = die | לאביה (le'aviha) = van haar vader | בעבור (ba'avur) = opdat | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | ידע (yada) = zou weten | לבן (Lavan) = Laban | מהם (mehem) = door hen | אנה (anah) = waarheen | דרך (derekh) = de weg van | הלך (halakh) = ging | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Laban achtervolgt Jakob **31:45** Laban kwam in zijn huis en vroeg naar Jakob en zijn huis, maar er was niemand. Laban zocht zijn huisgoden om te weten waarheen Jakob was gegaan, maar vond ze niet. Hij ging naar andere huisgoden en vroeg hen, en zij vertelden hem dat Jakob van hem was gevlucht naar het land Kanaän, naar zijn vader. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | לבן (Lavan) = Laban | אל (el) = naar | ביתו (beito) = zijn huis | וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | על (al) = naar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וביתו (uveito) = en zijn huis | ואין (veein) = en er was niemand | ויבקש (vayevaqqesh) = en hij zocht | לבן (Lavan) = Laban | את (et) = (obj.) | תרפיו (terafav) = zijn huisgoden | לדעת (lada'at) = te weten | אנה (anah) = waarheen | הלך (halakh) = ging | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולא (velo) = en niet | מצא (matsa) = vond | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | תרפים (terafim) = huisgoden | אחרים (acherim) = andere | וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | בהם (bahem) = hen | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = hem | כי (ki) = dat | ברח (barach) = vluchtte | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאיתו (me'ito) = van hem | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **31:46** Toen stond Laban op, nam zijn broers en al zijn dienaren, trok uit, achtervolgde Jakob en haalde hem in op het gebergte Gilead. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | לבן (Lavan) = Laban | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (obj.) | אחיו (achiv) = zijn broers | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | וירדוף (vayirdof) = en hij achtervolgde | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וידבק (vayadbeq) = en hij achterhaalde | אותו (oto) = hem | בהר (bahar) = op de berg | גלעד (Gil'ad) = Gilead Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:22–25. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Gen 31:22–25; Gen 31:23 **31:47** Laban zei tegen Jakob: „Wat heb je mij aangedaan door te vluchten! Je hebt mijn hart gestolen en mijn dochters en hun zonen weggevoerd als gevangenen van het zwaard. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | לבן (Lavan) = Laban | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מה (mah) = wat | זאת (zot) = dit | עשית (asita) = je hebt gedaan | לי (li) = voor mij | לברוח (livroach) = te vluchten | ותגנוב (vattignov) = en je stal | את (et) = (obj.) | לבבי (libbi) = mijn hart | ותנהג (vattanheg) = en je voerde weg | את (et) = (obj.) | בנותי (banotai) = mijn dochters | ואת (ve'et) = en (obj.) | בניהן (beneihen) = hun zonen | כשבויות (keshevuyot) = als gevangenen | חרב (charev) = van het zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:26–27. Zie ook: Gen 31:26–27 **31:48** Je liet mij niet toe hen te kussen en met vreugde te laten gaan, en je hebt mijn goden gestolen en bent weggegaan.” Brontekst: ולא (velo) = en niet | נטשתני (netashtani) = liet je mij toe | לנשק (lenashheq) = te kussen | להם (lahem) = hen | ולשלחם (ulshallecham) = en hen te laten gaan | בשמחה (besimchah) = met vreugde | ותגנוב (vattignov) = en je stal | את (et) = (obj.) | אלוקיי (elohai) = mijn goden | ותלך (vattelekh) = en je ging Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:28–30. Zie ook: Gen 31:27; Gen 31:28–30 **31:49** Jakob antwoordde Laban: „Want ik was bang dat je je dochters van mij zou ontrukken — maar bij wie je je goden vindt, die zal sterven.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | לבן (Lavan) = Laban | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = want | יראתי (yare'ti) = ik was bang | פן (pen) = dat niet | תיגזול (tigzol) = je zou ontrukken | את (et) = (obj.) | בנותיך (benotekha) = je dochters | מאיתי--ועם (me'iti ve'im) = van mij — en bij | אשר (asher) = wie | תמצא (timtsa) = je vindt | את (et) = (obj.) | אלוקיך (elohekha) = je goden | ימות (yamut) = zal sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:31–32. Zie ook: Gen 31:31–32; Gen 31:32 **31:50** Laban zocht de huisgoden; hij betastte alle tenten van Jakob en al hun bagage, maar vond ze niet. Brontekst: ויבקש (vayevaqqesh) = en hij zocht | לבן (Lavan) = Laban | את (et) = (obj.) | התרפים (hatterafim) = de huisgoden | וימשש (vayemashesh) = en hij betastte | בכל (bekhol) = in heel | האוהלים (ha'ohalim) = de tenten | אשר (asher) = van | ליעקב (leya'aqov) = van Jakob | ובכל (uvkhol) = en in al | כליהם (kelehem) = hun bagage | ולא (velo) = en niet | מצא (matsa) = vond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:33–35. Zie ook: Gen 31:33–35 **31:51** Laban zei tegen Jakob: „Kom, laten wij samen een verbond sluiten, en het zal tot getuige zijn tussen mij en jou. Als je mijn dochters onderdrukt, en als je vrouwen neemt boven mijn dochters, dan zal Elohim getuige zijn tussen mij en jou in deze zaak.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | לבן (Lavan) = Laban | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | לכה (lekhah) = kom | נכרתה (nikhretah) = laten wij sluiten | יחד (yachad) = samen | ברית (berit) = een verbond | והיה (vehayah) = en het zal zijn | לעד (le'ed) = tot getuige | ביני (beni) = tussen mij | ובינך (uveinekha) = en jou | אם (em) = indien | תענה (te'anneh) = je onderdrukt | את (et) = (obj.) | בנותי (banotai) = mijn dochters | ואם (ve'im) = en indien | תיקח (tiqqach) = je neemt | נשים (nashim) = vrouwen | על (al) = boven | בנותי (banotai) = mijn dochters | אלוקים (Elohim) = Elohim | יהיה (yihyeh) = zal zijn | עד (ad) = getuige | ביני (beni) = tussen mij | ובינך (uveinekha) = en jou | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:44 en Gen. 31:50. Zie ook: Gen 31:44; Gen 31:50 **31:52** Zij namen stenen en maakten een steenhoop, en Laban zei: „Deze steenhoop is vandaag getuige tussen mij en jou.” Daarom noemde hij zijn naam Gilead. Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | אבנים (avanim) = stenen | ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | גל (gal) = steenhoop | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לבן (Lavan) = Laban | הגל (haggal) = de steenhoop | הזה (hazzeh) = deze | עד (ad) = getuige | ביני (beni) = tussen mij | ובינך (uveinekha) = en jou | היום--על (hayyom al) = vandaag—daarom | כן (ken) = zo | קרא (qara) = noemde | שמו (shemo) = zijn naam | גלעד (Gil'ad) = Gilead Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:46–48. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Gen 31:46–48; Gen 31:47 **31:53** Jakob en Laban brachten een slachtoffer op de berg, en zij aten daar bij de steenhoop en overnachtten daar op de berg. Laban stond 's morgens vroeg op, weende met zijn dochters, kuste hen en ging naar zijn plaats; ook Jakob ging zijn weg. Brontekst: ויזבחו (vayizbechu) = en zij offerden | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולבן (velavan) = en Laban | זבח (zevach) = slachtoffer | בהר (bahar) = op de berg | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | שם (shem) = daar | על (al) = op | הגל (haggal) = de steenhoop | וילינו (vayalinu) = en zij overnachtten | שם (shem) = daar | בהר (bahar) = op de berg | וישכם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | לבן (Lavan) = Laban | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ויבך (vayevk) = en hij weende | עם (im) = met | בנותיו (benotav) = zijn dochters | וישק (vayishaq) = en hij kuste | אתהן (ottehen) = hen | וילך (vayelekh) = en hij ging | למקומו (limqomo) = naar zijn plaats | וגם (vegam) = en ook | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הלך (halakh) = ging | לדרכו (ledarko) = naar zijn weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:54 en Gen. 32:1. Zie ook: Gen 31:54; Gen 32:1 ### Laban zendt naar Ezau **31:54** Toen Laban naar zijn land was teruggekeerd, haastte hij zich en zond zijn zoon Beor, die zeventien jaar oud was, en met hem Abichorof, de zoon van Us, de zoon van Nachor, en met hen tien mannen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | שב (shav) = keerde terug | לבן (Lavan) = Laban | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | וישלח (vayishlach) = en hij zond | את (et) = (obj.) | בעור (Be'or) = Beor | בנו (beno) = zijn zoon | והוא (vehu) = en hij | בן (ben) = zoon van | שבע (sheva) = zeven | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | ועמו (ve'immo) = en met hem | אביחורף (Avichoref) = Abichorof | בן (ben) = zoon van | עוץ ('uts) = Us | בן (ben) = zoon van | נחור (Nachor) = Nachor | עמהם (immahem) = met hen | עשרה (esreh) = tien | אנשים (anashim) = mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De zending van Laban naar Ezau, en de namen Beor en Abichorof, staan niet in Genesis. **31:55** Zij haastten zich en gingen en trokken langs de weg vóór Jakob uit, en kwamen langs een andere weg naar het land Seïr. Brontekst: וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויעברו (vaya'avru) = en zij trokken door | הדרך (haderekh) = de weg | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בדרך (baderekh) = op de weg | אחר (acher) = een andere | ארצה (artsah) = naar het land | שעיר (se'ir) = Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **31:56** Zij kwamen bij Ezau en zeiden tegen hem: „Zo zegt je broer en je verwant, de broer van je moeder, Laban, de zoon van Betuël: Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = bij | עשו (asu) = Ezau | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = tegen hem | כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | אחיך (achikha) = je broer | וקרובך (veqrovekha) = en je verwant | ואחי (ve'achi) = en de broer van | אמך (immekha) = je moeder | לבן (Lavan) = Laban | בן (ben) = zoon van | בתואל (Betu'el) = Betuël | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:57** Heb je gehoord wat Jakob, je broer, mij heeft aangedaan? Hij kwam in het begin naakt en leeg bij mij; ik ging hem tegemoet en bracht hem met eer in mijn huis, ik maakte hem groot en gaf hem mijn twee dochters tot vrouwen en mijn twee slavinnen. Brontekst: השמעת (hashamata) = heb je gehoord | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | לי (li) = mij | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיך (achikha) = je broer | אשר (asher) = die | בא (ba) = kwam | אליי (elai) = bij mij | בהתחלה (bat'chillah) = in het begin | ערום (arom) = naakt | וריק (vareq) = en leeg | ואצא (ve'etse) = en ik ging uit | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | ואביאהו (ve'aviehu) = en ik bracht hem | אל (el) = tot | ביתי (beiti) = mijn huis | בכבוד (bikhvod) = met eer | ואגדלהו (va'agaddelehu) = en ik maakte hem groot | ואתן (ve'etten) = en ik gaf | לו (lo) = hem | את (et) = (obj.) | שתי (shetei) = twee | בנותי (banotai) = mijn dochters | לנשים (lenashim) = tot vrouwen | ואת (ve'et) = en (obj.) | שתי (shetei) = twee | שפחותי (shifchotai) = mijn slavinnen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:58** En Elohim zegende hem om mijnentwil: hij breidde zich zeer uit, en hij kreeg zonen, dochters en slavinnen. Brontekst: ויברך (vayevarekh) = en Hij zegende | אלוקים (Elohim) = Elohim | אותו (oto) = hem | לרגלי (leraglí) = om mijnentwil | ויפרוץ (vayifrots) = en hij breidde zich uit | מאוד (me'od) = zeer | ויהיו (vayihyu) = en er waren | לו (lo) = voor hem | בנים (banim) = zonen | ובנות (uvanot) = en dochters | ושפחות (ushfachot) = en slavinnen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:59** Ook kreeg hij van mij zeer veel kleinvee en rundvee, kamelen en ezels, tot er geen getal meer was, en ook veel zilver en goud. Toen hij zag dat zijn vermogen machtig was geworden, verliet hij mij terwijl ik was gegaan om mijn kleinvee te scheren; hij stond op en vluchtte in het geheim. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | צאן (tson) = kleinvee | ובקר (uvaqar) = en runderen | וגמלים (ugemallim) = en kamelen | וחמורים (vachamorim) = en ezels | היו (hayu) = zij waren | לו (lo) = voor hem | מאיתי (me'iti) = van mij | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | עד (ad) = tot | אין (ein) = er geen | מספר (mispar) = aantal | וגם (vegam) = en ook | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | הרבה (harbeh) = zeer veel | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראותו (kir'oto) = toen hij zag | כי (ki) = dat | עצם (etsem) = was machtig geworden | חילו (chelo) = zijn vermogen | ויעזוב (vaya'azov) = en hij verliet | אותי (oti) = mij | כאשר (ka'asher) = terwijl | הלכתי (halakhti) = ik was gegaan | לגוז (ligoz) = te scheren | צאני (tsoni) = mijn kleinvee | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | ויברח (vayivrach) = en hij vluchtte | בהחבא (bachevé) = in het geheim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:60** Hij zette zijn vrouwen en zijn zonen op de kamelen, voerde al zijn vee en al zijn bezit weg dat hij in mijn land had verworven, en zette koers om naar Isaak, zijn vader, in het land Kanaän te gaan. Brontekst: וישא (vayissa) = en hij tilde | את (et) = (obj.) | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | ואת (ve'et) = en (obj.) | בניו (banav) = zijn zonen | על (al) = op | הגמלים (haggemalim) = de kamelen | וינהג (vayinhag) = en hij voerde weg | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | מקנהו (miqnehu) = zijn vee | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | רכושו (rekhusho) = zijn bezittingen | אשר (asher) = die | רכש (rakhash) = had verworven | בארצי (be'artsi) = in mijn land | וישם (vayasem) = en hij stelde | פניו (panav) = zijn aangezicht | ללכת (lalekhet) = te gaan | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביו (aviv) = zijn vader | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **31:61** Hij liet mij mijn zonen en dochters niet kussen, voerde mijn dochters weg als gevangenen van het zwaard, stal ook mijn goden en vluchtte. Brontekst: ולא (velo) = en niet | נטשני (netashani) = liet mij begaan | לנשק (lenashheq) = te kussen | לבני (livnei) = aan mijn zonen | ולבנותי (velivnotai) = en aan mijn dochters | וינהג (vayinhag) = en hij voerde weg | את (et) = (obj.) | בנותי (banotai) = mijn dochters | כשבויות (keshevuyot) = als gevangenen | חרב (charev) = zwaard | ויגנוב (vayignov) = en hij stal | גם (gam) = ook | את (et) = (obj.) | אלוקיי (elohai) = mijn goden | ויברח (vayivrach) = en hij vluchtte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:62** En nu, zie, ik heb hem achtergelaten op het gebergte van de beek Jabbok, hij en al wat hij heeft; hem ontbreekt niets. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הנה (hinneh) = zie | עזבתיהו (azavtihu) = ik heb hem achtergelaten | בהר (bahar) = op de berg | נחל (nachal) = beek van | יבוק (Yabboq) = Jabbok | והוא (vehu) = en hij | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij heeft | לא (lo) = niet | חסר (chaser) = ontbreekt | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:23 (de Jabbok). Zie ook: Gen 32:23 **31:63** Als je ernaar verlangt naar hem toe te gaan, ga dan, en daar zul je hem vinden, en je kunt hem doen wat je ziel begeert.” De boodschappers van Laban kwamen en vertelden Ezau al deze woorden. Brontekst: אם (em) = indien | יש (yesh) = is er | את (et) = (obj.) | נפשך (nafshekha) = je ziel | ללכת (lalekhet) = te gaan | אליו (elav) = naar hem | לך (lekha) = ga | ושם (veShem) = en daar | תמצאהו (timtsa'ehu) = je vindt hem | ועשית (ve'asita) = en je zult doen | לו (lo) = hem | כאשר (ka'asher) = zoals | תאוה (te'aveh) = begeert | נפשך (nafshekha) = je ziel | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | לבן (Lavan) = Laban | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לעשו (le'esav) = aan Ezau | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ezau trekt op **31:64** Ezau hoorde alle woorden van de boodschappers van Laban, en zijn toorn laaide zeer op tegen Jakob; hij dacht aan zijn haat en zijn woede brandde in hem. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij hoorde | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | לבן (Lavan) = Laban | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפו (appo) = zijn toorn | על (al) = tegen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאוד (me'od) = zeer | ויזכור (veyizkor) = en hij dacht aan | את (et) = (obj.) | שנאתו (sin'ato) = zijn haat | וחמתו (vechamato) = en zijn woede | בערה (ba'arah) = brandde | בו (bo) = in hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:65** Ezau haastte zich en nam zijn zonen, zijn dienaren en alle zielen van zijn huis, zestig man; hij ging, verzamelde alle zonen van Seïr de Choriet en al hun mannen, driehonderdveertig man, en nam heel dit leger van vierhonderd man met getrokken zwaard; hij ging Jakob tegemoet om hem te slaan. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | עשו (asu) = Ezau | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (obj.) | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (obj.) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | נפשות (nefashot) = zielen van | ביתו (beito) = zijn huis | שישים (shishim) = zestig | איש (ish) = man | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויקבוץ (vayiqbots) = en hij verzamelde | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet | וכל (vekhol) = en alle | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | שלוש (shalosh) = drie | מאות (me'ot) = honderd | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | איש (ish) = man | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | המחנה (hammachaneh) = het leger | הזאת (hazzo't) = deze | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = man | שולף (sholef) = trekkend | חרב (charev) = zwaard | וילך (vayelekh) = en hij ging | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | להכות (lehakkot) = te slaan | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:7 (Ezau komt met vierhonderd man) en Gen. 36:20–21 (de zonen van Seïr de Choriet). Zie ook: Gen 32:7; Gen 36:20–21 **31:66** Ezau verdeelde dit hele leger in zeven delen. Hij nam zijn zonen en alle zielen van zijn huis, zestig man, tot één afdeling en gaf hen in de hand van Elifaz, zijn oudste zoon. Brontekst: ויחלק (vayechalleq) = en hij verdeelde | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | המחנה (hammachaneh) = het leger | הזאת (hazzo't) = deze | לשבעה (lishvi'ah) = in zeven | חלקים (chalaqim) = delen | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (obj.) | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | נפשות (nefashot) = zielen van | ביתו (beito) = zijn huis | שישים (shishim) = zestig | איש (ish) = man | לראש (lero'sh) = tot een afdeling | אחד (echad) = één | ויתנם (vayittenem) = en hij gaf hen | ביד (beyad) = in de hand van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בנו (beno) = zijn zoon | הבכור (habbekhor) = de eerstgeborene Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:67** En de zes overige afdelingen gaf hij in de hand van de zes zonen van Seïr de Choriet; hij stelde elke man over zijn geslachten en zijn zonen. Brontekst: ואת (ve'et) = en (obj.) | שישה (shishah) = zes | ראשים (rashim) = afdelingen | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | נתן (natan) = hij gaf | ביד (beyad) = in de hand van | שישיה (shishshiyyah) = de zes | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet | וישם (vayasem) = en hij stelde | כל (kol) = elk | איש (ish) = man | ואיש (ve'ish) = en man | מהם (mehem) = van hen | על (al) = over | תולדותיו (toldotav) = zijn geslachten | ועל (ve'al) = en over | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat de zes overige afdelingen aan de zonen van Seïr worden toevertrouwd, staat niet in Genesis. **31:68** Heel dit leger ging zoals het was, en Ezau ging in hun midden Jakob tegemoet; hij leidde hen in looppas. Brontekst: ותלך (vattelekh) = en ging | כל (kol) = alle | המחנה (hammachaneh) = het leger | הזאת (hazzo't) = deze | כאשר (ka'asher) = zoals | היא (hi) = het was | וילך (vayelekh) = en hij ging | עשו (asu) = Ezau | בתוך (betokh) = midden in | כולם (kullam) = allen | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויוליכם (vayolikhem) = en hij leidde hen | במרוצה (bimrutsah) = in een snelle ren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Rebekka waarschuwt Jakob **31:69** De boodschappers van Laban gingen van Ezau weg naar het land Kanaän, en kwamen bij het huis van Rebekka, de moeder van Jakob en Ezau. Brontekst: ומלאכי (umal'akhei) = en de boodschappers van | לבן (Lavan) = Laban | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | מאת (me'et) = van | עשו (asu) = Ezau | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בית (bet) = het huis van | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אם (em) = moeder van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועשו (ve'esav) = en Ezau Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: De waarschuwing van Rebekka door middel van boodschappers staat niet in Genesis. **31:70** Zij vertelden haar: „Zie, je zoon Ezau heeft vierhonderd man opgesteld om Jakob, zijn broer, tegemoet te gaan, want hij heeft gehoord dat hij komt; hij gaat om met hem te strijden, hem te slaan en alles wat hij heeft te nemen.” Brontekst: ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לה (lah) = haar | לאמור (lemor) = zeggende | הנה (hinneh) = zie | עשו (asu) = Ezau | בנך (bincha) = je zoon | ערך (arakh) = had opgesteld | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | כי (ki) = want | שמע (shema) = heeft gehoord | אשר (asher) = dat | הוא (hu) = hij | בא (ba) = komt | וילך (vayelekh) = en hij gaat | להילחם (lehillachem) = te strijden | עמו (immo) = met hem | ולהכותו (ulehakkoto) = en hem te slaan | ולקחת (velaqachat) = en te nemen | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij heeft Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:71** Rebekka haastte zich en zond tweeënzeventig man van de dienaren van Isaak Jakob tegemoet op de weg, want zij zei: „Misschien zal Ezau onderweg strijden wanneer hij hem vindt.” Brontekst: ותמהר (vatemaher) = en zij haastte zich | ותשלח (vatishlach) = en zond | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אנשים (anashim) = mannen | מעבדי (me'avdei) = van de dienaren van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | שבעים (shiv'im) = zeventig | ושתים (ushtayim) = en twee | איש (ish) = een man | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בדרך (baderekh) = op de weg | כי (ki) = want | אמרה (amerah) = zij zei | אולי (ulai) = misschien | ילחם (yillachem) = zal strijden | עשו (asu) = Ezau | בדרך (baderekh) = op de weg | במוצאו (bemotso'o) = wanneer hij hem vindt | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:72** Deze boodschappers gingen Jakob tegemoet op de weg en ontmoetten hem op de weg van de beek, tegenover de overgang van de Jabbok. Toen Jakob hen zag, zei hij: „Dit is een kamp van Elohim, om mij te helpen.” En Jakob noemde de naam van die plaats Machanajim. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | המלאכים (hammal'akhim) = de boodschappers | האלה (ha'elleh) = deze | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בדרך (baderekh) = op de weg | ויפגעו (vayifge'u) = en zij ontmoetten | בו (bo) = hem | בדרך (baderekh) = op de weg van | הנחל (hannachal) = de beek | נגד (neged) = tegenover | מעבר (me'ever) = de overgang van | נחל (nachal) = beek van | יבוק (Yabboq) = Jabbok | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כאשר (ka'asher) = toen | ראם (ra'am) = hij zag hen | מחנה (machaneh) = kamp | זה (ze) = dit | מאת (me'et) = van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | לעזור (la'azor) = om te helpen | לי (li) = mij | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | שם (shem) = de naam van | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | מחנים (Machanayim) = Machanajim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:2–3 (Machanajim) en Gen. 32:23 (de Jabbok). Zie ook: Gen 32:2–3; Gen 32:3; Gen 32:23 **31:73** Jakob herkende al de mannen van zijn vader; hij kuste hen, omhelsde hen en weende met hen, en Jakob vroeg hen naar zijn vader en zijn moeder, en zij zeiden: „Vrede.” Brontekst: ויער (vayye'er) = en hij herkende | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | אביו (aviv) = zijn vader | וישק (vayishaq) = en hij kuste | להם (lahem) = hen | ויחבק (vayechabeq) = en hij omhelsde | להם (lahem) = hen | ויבך (vayevk) = en hij weende | עמהם (immahem) = met hen | וישאלם (vayish'alem) = en hij vroeg hen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = naar | אביו (aviv) = zijn vader | ועל (ve'al) = en naar | אמו (immo) = zijn moeder | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | שלום (shalom) = vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ויער; vermoedelijk is ויכר, ‘en hij herkende’, bedoeld. De Engelse vertaling heeft ‘kende’. **31:74** Deze boodschappers zeiden tegen Jakob: „Rebekka, je moeder, heeft ons naar je gezonden met de woorden: ‘Ik heb gehoord, mijn zoon, dat je broer Ezau je tegemoet is getrokken op de weg met mannen van de zonen van Seïr de Choriet. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | המלאכים (hammal'akhim) = de boodschappers | האלה (ha'elleh) = deze | אל (el) = tegen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = (dat) | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אמך (immekha) = je moeder | שלחה (shalechah) = heeft gezonden | אותנו (otanu) = ons | אליך (elekha) = bij je | לאמור (lemor) = zeggende | שמעתי (shamati) = ik heb gehoord | בני (bnei) = mijn zoon | כי (ki) = dat | עשו (asu) = Ezau | אחיך (achikha) = je broer | יצא (yatsa) = is uitgetrokken | לקראתך (liqratekha) = je tegemoet | בדרך (baderekh) = onderweg | עם (im) = met | אנשים (anashim) = mannen | מבני (mibbnei) = van de zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:75** Mijn zoon, luister naar mijn stem en bedenk zelf wat je zult doen: wanneer hij bij je komt, smeek hem dan, en spreek hem niet hard toe, en geef hem een zegengave van wat je hand vindt en van wat Elohim je in gunst heeft geschonken. Brontekst: בני (bnei) = mijn zoon | שמע (shema) = luister | בקולי (beqoli) = naar mijn stem | וראה (veraah) = en overweeg | בעצתך (be'etsatekha) = volgens je raad | מה (mah) = wat | תעשה (ta'aseh) = je doet | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בבואו (bevo'o) = wanneer hij komt | אליך (elekha) = bij je | התחנן (hitchannen) = smeek | לו (lo) = hem | ואל (ve'el) = en niet | תדבר (tedabber) = spreek | אליו (elav) = tot hem | קשות (qashot) = hard | ותן (vetten) = en geef | לו (lo) = hem | ברכה (berakhah) = een zegengave | מאשר (me'asher) = van wat | תמצא (timtsa) = je vindt | ידך (yadekha) = je hand | ומאשר (umei'asher) = en van wat | חנן (chonnan) = gunst bewees | אלוקים (Elohim) = Elohim | אותך (otekha) = jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:76** En wanneer hij je naar al je zaken en omstandigheden vraagt, verberg dan niets voor hem. Misschien keert hij zich af van zijn brandende toorn tegen je, en red je je leven, jij en alles wat van jou is, want het is aan jou om hem te eren, want hij is je oudere broer.’” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = wanneer | ישאלך (yish'alkha) = hij vraagt je | על (al) = naar | כל (kol) = alle | דברך (devarekha) = je zaken | ואודותיך (ve'odotekha) = en je omstandigheden | אל (el) = niet | תסתר (tastir) = verberg | ממנו (mimmennu) = van hem | דבר (davar) = iets | אולי (ulai) = misschien | ישוב (yashuv) = hij zal zich afwenden | מחרון (micharon) = van de gloed van | אפו (appo) = zijn toorn | עליך (aleikha) = tegen jou | והצלת (vehitsalta) = en je redt | את (et) = (obj.) | נפשך (nafshekha) = je ziel | אתה (attah) = jij | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | לך (lekha) = van jou | כי (ki) = want | עליך (aleikha) = op jou | הדבר (haddavar) = de zaak | לגדלו (legaddelo) = om hem te eren | כי (ki) = want | הוא (hu) = hij | אחיך (achikha) = je broer | הגדול (haggadol) = de oudere Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **31:77** Toen Jakob de woorden van zijn moeder hoorde, die de boodschappers tot hem hadden gesproken, verhief Jakob zijn stem en weende luid; en hij deed wat zijn moeder hem toen had geboden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | אמו (immo) = zijn moeder | אשר (asher) = die | דיברו (dibberu) = spraken | אליו (elav) = tot hem | המלאכים (hammal'akhim) = de boodschappers | ויוסף (vayosef) = en hij voegde toe | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישא (vayissa) = en hij verhief | את (et) = (obj.) | קולו (qolo) = zijn stem | ויבך (vayevk) = en hij weende | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | ויעש (vayya'as) = en hij deed | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אותו (oto) = hem | אמו (immo) = zijn moeder | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 32 _Jakob en Ezau; de engelen; Jabbok; de ontmoeting_ ### Jakob zendt boodschappers **32:1** In die tijd zond Jakob boodschappers naar zijn broer Ezau, naar het land Seïr, hem tegemoet, om woorden van smeking tot hem te spreken. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מלאכים (mal'akhim) = boodschappers | אל (el) = naar | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | ארצה (artsah) = naar het land | שעיר (se'ir) = Seïr | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | ולדבר (uledabber) = en om te spreken | אליו (elav) = tot hem | דברי (divrei) = woorden van | תחנונים (tachanunim) = smekingen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:3–4. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 32:3–4 **32:2** Hij gebood hun: „Zo zullen jullie zeggen tegen mijn heer, tegen Ezau: ‘Zo zegt uw dienaar Jakob: Laat mijn heer niet denken dat de zegen van mijn vader, waarmee hij mij zegende, mij heeft bijgestaan. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | כה (koh) = zo | תאמרון (tomrun) = jullie zullen zeggen | לאדוני (la'doni) = aan mijn heer | לעשו (le'esav) = aan Ezau | כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | עבדך (avdekha) = uw dienaar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = niet | יחשוב (yachshov) = laat denken | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = dat | עמדה (amedah) = heeft bijgestaan | לי (li) = mij | ברכת (birkat) = de zegen van | אבי (avi) = mijn vader | אשר (asher) = die | ברך (berakh) = zegende | אותי (oti) = mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:5. Zie ook: Gen 32:5 **32:3** Want ik ben deze twintig jaar bij Laban geweest; hij heeft mij bedrogen en mijn loon tienmaal veranderd, zoals aan mijn heer al is verteld. Brontekst: כי (ki) = want | עם (im) = bij | לבן (Lavan) = Laban | הייתי (hayiti) = ik was | זה (ze) = deze | עשרים (esrim) = twintig | שנה (shanah) = jaar | וירימני (vayrimmeni) = en hij bedroog mij | ויחלף (vayachalef) = en hij veranderde | את (et) = (obj.) | משכורתי (maskorti) = mijn loon | עשרת (aseret) = tien | מונים (manim) = maal | ככל (kekhol) = zoals alles | אשר (asher) = wat | הוגד (hugad) = is verteld | לאדוני (la'doni) = aan mijn heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: וירימני (‘en hij verhief mij’) staat er; het verband en de Engelse vertaling vragen ‘bedroog mij’, vermoedelijk וירמני. Zie Gen. 31:38 en Gen. 31:41 (twintig jaar), en Gen. 31:7 (het loon tienmaal veranderd). Zie ook: Gen 31:7; Gen 31:38; Gen 31:41 **32:4** Ik heb hem in zijn huis zeer zwaar gediend; Elohim zag mijn ellende, mijn moeite en de arbeid van mijn handen, en daarna liet Hij ons erbarming en gunst vinden in zijn ogen. Brontekst: ואעבוד (ve'e'ebod) = en ik heb gediend | אותו (oto) = hem | בביתו (beveyto) = in zijn huis | עבודה (avodah) = arbeid | קשה (qashah) = zwaar | מאוד (me'od) = zeer | וירא (vayyera) = en Hij zag | אלוקים (Elohim) = Elohim | עניי (oni) = mijn ellende | ועמלי (ve'amali) = en mijn moeite | ויגיע (vayagia) = en de inspanning van | כפי (kappay) = mijn handen | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = zo | ויתננו (vayittenenu) = en Hij gaf ons | לרחמים (lerachamim) = tot erbarming | ולחן (velechen) = en tot gunst | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:42: Elohim zag mijn ellende en de arbeid van mijn handen. Zie ook: Gen 31:42 **32:5** Daarna kreeg ik runderen, ezels, kleinvee, dienaren en slavinnen, uit de ontferming van Elohim met mij en uit Zijn grote goedertierenheid. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לי (li) = voor mij | שור (shor) = een stier | וחמור (vachamor) = en ezel | צאן (tson) = kleinvee | ועבד (va'eved) = en dienaar | ושפחה (veshifchah) = en slavin | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | מחמלת (mechemlat) = uit ontferming van | אלוקים (Elohim) = Elohim | עליי (alay) = over mij | ומחסור (umachsor) = en uit goedertierenheid | הגדול (haggadol) = de grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ומחסור הגדול (‘en het grote gebrek’) staat er; vertaald als ‘en uit Zijn grote goedertierenheid’, vermoedelijk ומחסדו הגדול. Zie Gen. 32:6. Zie ook: Gen 32:6 **32:6** En nu, zie, ik ben gekomen naar mijn land en mijn plaats, naar mijn vader en mijn moeder, die in het land Kanaän zijn. Ik heb gezonden om dit alles aan mijn heer te laten weten, om gunst in zijn ogen te vinden, en opdat mijn heer niet denkt dat ik vermogen heb verworven, of dat de zegen van mijn vader, waarmee hij mij zegende, mij heeft bijgestaan.’” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הנני (hinneni) = zie, ik ben | באתי (ba'ti) = ik ben gekomen | אל (el) = naar | ארצי (artsi) = mijn land | ואל (ve'el) = en naar | מקומי (meqomi) = mijn plaats | אל (el) = naar | אבי (avi) = mijn vader | ואל (ve'el) = en naar | אמי (immi) = mijn moeder | אשר (asher) = die | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ושלחתי (veshalachti) = en ik heb gezonden | להגיד (lehaggid) = om te vertellen | את (et) = (obj.) | על (al) = over | אלה (elleh) = deze | לאדוני (la'doni) = aan mijn heer | למצוא (limtso) = te vinden | חן (chen) = gunst | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen | ולמען (ulema'an) = en opdat | אשר (asher) = (dat) | לא (lo) = niet | יחשוב (yachshov) = zal denken | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = dat | קניתי (qaniti) = ik heb verworven | חיל (chayil) = vermogen | או (o) = of | עמדה (amedah) = heeft bijgestaan | לי (li) = voor mij | ברכת (birkat) = de zegen van | אבי (avi) = mijn vader | אשר (asher) = die | ברך (berakh) = zegende | אותי (oti) = mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: את על אלה (‘het over deze’) staat er; vertaald als ‘dit alles’, vermoedelijk את כל אלה. Zie Gen. 32:6. Zie ook: Gen 32:6 **32:7** Die boodschappers gingen naar Ezau en vonden hem aan de rand van het land Edom, op weg naar Jakob, en bij hem waren vierhonderd man van de zonen van Seïr de Choriet, met getrokken zwaard. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | המלאכים (hammal'akhim) = de boodschappers | ההם (hahem) = die | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | אותו (oto) = hem | בקצה (biqtseh) = aan de rand van | ארץ (erets) = land van | אדום (Edom) = Edom | הולך (holekh) = op weg | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועמו (ve'immo) = en met hem | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = man | שולף (sholef) = trekkend | חרב (charev) = zwaard | מבני (mibbnei) = van de zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:4 (het land Edom) en Gen. 32:7 (Ezau komt met vierhonderd man). Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 32:4; Gen 32:7 **32:8** De boodschappers van Jakob vertelden Ezau alle woorden van Jakob die hij voor Ezau tot hen had gesproken. Brontekst: ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לעשו (le'esav) = aan Ezau | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | אליהם (aleihem) = tot hen | אל (el) = voor | עשו (asu) = Ezau Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ezau antwoordt **32:9** Ezau antwoordde hun met hoogmoed en minachting en zei tegen hen: „Heb ik niet gehoord, en is mij niet verteld, wat Jakob Laban heeft aangedaan, die hem in zijn huis groot maakte en hem zijn dochters tot vrouwen gaf, zodat hij zonen en dochters kreeg en zich zeer uitbreidde in vermogen en rijkdom in het huis van Laban, door hem? Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | עשו (asu) = Ezau | אותם (otam) = hen | בגאוה (bega'avah) = met hoogmoed | ובוז (uvuz) = en minachting | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | הלא (halo) = immers | שמעתי (shamati) = ik heb gehoord | והלא (vehalo) = en is niet | הוגד (hugad) = is verteld | לי (li) = voor mij | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = aan | לבן (Lavan) = Laban | אשר (asher) = die | גדלו (giddelo) = maakte hem groot | בביתו (beveyto) = in zijn huis | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = voor hem | את (et) = (obj.) | בנותיו (benotav) = zijn dochters | לנשים (lenashim) = tot vrouwen | ויולד (vayyolid) = en hij kreeg | בנים (banim) = zonen | ובנות (uvanot) = en dochters | ויפרוץ (vayifrots) = en hij breidde zich uit | בחיל (bechayil) = in vermogen | ובעושר (uve'osher) = en in rijkdom | מאוד (me'od) = zeer | בבית (babbayit) = in het huis van | לבן (Lavan) = Laban | מאיתו (me'ito) = door hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:10** Toen hij zag dat zijn vermogen machtig was geworden en zijn rijkdom groot, vluchtte hij met alles wat hij had uit het huis van Laban, en hij voerde de dochters van Laban weg als gevangenen van het zwaard, bij hun vader vandaan, zonder het hem te laten weten. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | כי (ki) = want | עצם (etsem) = is machtig geworden | חילו (chelo) = zijn vermogen | וכי (vekhi) = en dat | רב (rav) = groot | עושרו (oshro) = zijn rijkdom | ויברח (vayivrach) = en hij vluchtte | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij had | מבית (mibbayit) = uit het huis van | לבן (Lavan) = Laban | וינהג (vayinhag) = en hij voerde weg | בנות (banot) = dochters | להן (lahen) = van Laban | כשבויות (keshevuyot) = als gevangenen | חרב (charev) = zwaard | מאת (me'et) = van | פני (pnei) = aangezicht van | אביהן (avihen) = hun vader | ולא (velo) = en niet | הגיד (higgid) = liet weten | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft בנות להן, letterlijk ‘dochters van hen’; gelezen als בנות לבן, ‘de dochters van Laban’. **32:11** En niet alleen aan Laban heeft Jakob dit gedaan; ook aan mij heeft hij zoiets gedaan. Hij heeft mij tweemaal bedrogen — en zou ik zwijgen? Brontekst: וגם (vegam) = en ook | לא (lo) = niet | ללבן (lelavan) = aan Laban | עשה (asah) = heeft gedaan | זאת (zot) = dit | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | גם (gam) = ook | לי (li) = mij | עשה (asah) = heeft gedaan | כזאת (kezot) = zoals dit | ויעקבני (vaya'qeveni) = en hij heeft mij bedrogen | פעמיים (pa'amayim) = tweemaal | ואדום (ve'edom) = en zou ik zwijgen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ויעקבני פעמיים ואדום. Het laatste woord ואדום is hier gelezen als ‘en zou ik zwijgen’ (van דום, ‘zwijgen’), zoals ook de Engelse vertaling; het kan ook ‘en Edom’ betekenen (Ezau heet Edom, Gen. 25:30). Zie Gen. 27:36 voor het ‘bedriegen’ (עקב) van Jakob. Zie ook: Gen 25:30; Gen 27:36 **32:12** Nu dan, ik ben vandaag met mijn kampen gekomen, hem tegemoet, en ik zal hem doen wat mijn hart begeert.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הנני (hinneni) = zie, ik ben | באתי (ba'ti) = ik ben gekomen | היום (hayyom) = vandaag | במחנותיי (bemachanotay) = met mijn kampen | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | ועשיתי (ve'asiti) = en ik zal doen | לו (lo) = voor hem | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = die | היה (hayah) = is | עם (im) = met | לבבי (libbi) = mijn hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:13** De boodschappers keerden terug, kwamen bij Jakob en zeiden tegen hem: „Wij kwamen bij je broer, bij Ezau, en wij vertelden hem al je woorden, en zus en zo antwoordde hij ons; en zie, hij komt je tegemoet met vierhonderd man. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | המלאכים (hammal'akhim) = de boodschappers | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = naar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = hem | לאמור (lemor) = zeggende | באנו (ba'nu) = wij zijn gekomen | אל (el) = naar | אחיך (achikha) = je broer | אל (el) = naar | עשו (asu) = Ezau | ונגד (venugad) = en wij vertelden | לו (lo) = hem | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דבריך (devarekha) = je woorden | וכזאת (vekhazzot) = en zo | וכזאת (vekhazzot) = en zo | השיבנו (heshivanu) = antwoordde ons | והנה (vehinneh) = en zie | הוא (hu) = hij | בא (ba) = komt | לקראתך (liqratekha) = je tegemoet | בארבע (be'arba) = met vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:7. Zie ook: Gen 32:7 **32:14** Bedenk nu wat je zult doen, en bid voor het aangezicht van je Elohim dat Hij je van hem redt.” Brontekst: עתה (attah) = nu | דע (da) = weet | וראה (veraah) = en zie | מה (mah) = wat | תעשה (ta'aseh) = je doet | והתפלל (vehitpallel) = en bid | לפני (lifnei) = voor | אלוקיך (elohekha) = je Elohim | להצילך (lehatsilkha) = om je te redden | ממנו (mimmennu) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:15** Toen Jakob de woorden van zijn broer hoorde, die hij tot de boodschappers van Jakob had gesproken, vreesde Jakob zeer en werd hij benauwd. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | אחיו (achiv) = zijn broer | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | אל (el) = tegen | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויירא (vayira) = en hij vreesde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאוד (me'od) = zeer | ויצר (veyetser) = en hij was benauwd | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:8. Zie ook: Gen 32:8 ### Het gebed van Jakob **32:16** Jakob bad tot Yahweh, zijn Elohim, en zei: „Ach, Yahweh, Elohim van mijn vader Abraham en Isaak, U hebt tot mij gezegd, toen ik uit het huis van mijn vader trok: Brontekst: ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אנא (anna) = ach | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | אבי (avi) = vader van | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | אתה (attah) = U | אמרתי (imrati) = U hebt gezegd | לי (li) = tot mij | בצאתי (betseti) = toen ik uittrok | מבית (mibbayit) = uit het huis van | אבי (avi) = mijn vader | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft אתה אמרתי לי, letterlijk ‘U — ik zei tot mij’; vertaald als ‘U hebt tot mij gezegd’ (אמרת). Het gebed van Jakob loopt van vers 16 tot en met vers 23: zie Gen. 32:9–13. Zie ook: Gen 32:9–13; Gen 32:10 **32:17** **‘Ik ben Yahweh, de Elohim van Abraham, je vader, en de Elohim van Isaak. Aan jou zal Ik dit land geven, en aan je nageslacht na je. Ik zal je nageslacht maken als de sterren van de hemel; je zult je uitbreiden naar de vier windstreken van de hemel, en in jou en in je nageslacht zullen de families van de grond gezegend worden.’** Brontekst: אני (ani) = Ik | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = de Elohim van | אברהם (avraham) = Abraham | אביך (avikha) = je vader | ואלוקי (ve'elohei) = en de Elohim van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לך (lekha) = aan jou | אתן (etten) = zal Ik geven | את (et) = (obj.) | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | ולזרעך (ulezar'akha) = en aan je nageslacht | אחריך (acharekha) = na je | ושמתי (veshamti) = en Ik zal maken | את (et) = (obj.) | זרעך (zar'akha) = je nageslacht | ככוכבי (kekhokhevei) = als de sterren van | השמים (hashamayim) = de hemel | ופרצת (ufaratsta) = en je zult je uitbreiden | לארבע (le'arba) = naar vier | רוחות (ruchot) = windstreken van | השמים (hashamayim) = de hemel | ונברכו (venivrekhu) = en zij zullen gezegend worden | בך (bekha) = in jou | משפחות (mishpechot) = families van | האדמה (ha'adamah) = de grond | ובזרעך (uvezar'akha) = en in je nageslacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: De woorden van Yahweh zijn rood gedrukt. Zie Gen. 28:13–15. Zie ook: Gen 28:13–15 **32:18** En U hebt Uw woorden bevestigd en mij rijkdom, zonen en vee gegeven; alles wat mijn hart begeerde, hebt U Uw dienaar gegeven, en alles wat ik van U vroeg, hebt U mij gegeven; ik heb niets ontbeerd. Brontekst: ותקם (vataqom) = en U hebt bevestigd | את (et) = (obj.) | דבריך (devarekha) = Uw woorden | ותיתן (vattitten) = en U gaf | לי (li) = mij | עושר (osher) = rijkdom | ובנים (uvanim) = en zonen | ומקנה (umiqneh) = en vee | ככל (kekhol) = naar alles | אשר (asher) = wat | היה (hayah) = is | עם (im) = met | לבבי (libbi) = mijn hart | נתת (natata) = gaf U | לעבדך (le'avdekha) = aan Uw dienaar | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = wat | שאלתי (sha'alti) = ik vroeg | ממך (mimmekha) = van U | נתת (natata) = gaf U | לי (li) = mij | לא (lo) = niet | חסרתי (chasarti) = ik heb ontbeerd | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:19** Daarna zei U tot mij: **‘Keer terug naar je vaderen en naar je geboorteland, dan zal Ik je nog zeer veel goeds doen.’** Brontekst: ותאמר (vatomer) = en U zei | אלי (elai) = tot mij | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | שוב (shuv) = keer terug | אל (el) = naar | אבותיך (avotekha) = je vaderen | ולמולדתיך (ulemoladtekha) = en naar je geboorteland | ואיטיבה (ve'etivah) = en Ik zal goed doen | עוד (od) = nog | עמל (amal) = met je | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ואיטיבה עוד עמל מאוד (‘en Ik zal nog weldoen — moeite — zeer’) staat er; gelezen als עמך, ‘met je’. De woorden van Yahweh zijn rood gedrukt. Zie Gen. 31:3 en Gen. 32:10. Zie ook: Gen 31:3; Gen 32:10 **32:20** En nu, zie, ik ben gekomen, en U hebt mij van Laban gered, maar ik zal vallen in de hand van Ezau, mijn broer, en hij zal mij neerslaan, moeder met kinderen. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הנני (hinneni) = zie, ik ben | באתי (ba'ti) = ik ben gekomen | ותצילני (vatatsileni) = en U hebt mij gered | מלבן (milavan) = van Laban | ואפול (ve'epol) = en ik zal vallen | ביד (beyad) = in de hand van | עשו (asu) = Ezau | אחי (echi) = mijn broer | וירדני (veyardeni) = en hij zal mij neerslaan | אם (em) = moeder | על (al) = op | בנים (banim) = zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: וירדני (‘en hij zal mij beheersen/neerhalen’) staat er; vertaald als ‘neerslaan’, naar Gen. 32:12 (‘moeder met kinderen’). Zie ook: Gen 32:12 **32:21** Nu dan, Yahweh Elohim, red mij toch ook uit de hand van Ezau, mijn broer, want ik vrees hem zeer. Brontekst: עתה (attah) = nu | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | הצילני (hitsilani) = red mij | נא (na) = toch | גם (gam) = ook | מיד (miyyad) = uit de hand van | עשו (asu) = Ezau | אחי (echi) = mijn broer | כי (ki) = want | ירא (yere) = bang | אנוכי (anokhi) = ik | ממנו (mimmennu) = voor hem | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:22** En als er geen gerechtigheid in mij is, doe het dan omwille van Abraham, mijn vader, en van Isaak. Brontekst: ואם (ve'im) = en indien | אין (ein) = er is niet | צדקה (tsedaqah) = gerechtigheid | בי (bi) = in mij | עשה (asah) = doe | למען (lema'an) = omwille van | אברהם (avraham) = Abraham | אבי (avi) = mijn vader | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:23** Want ik weet dat ik door Uw goedertierenheid en Uw ontferming dit vermogen heb verworven; red mij nu toch vandaag door Uw goedertierenheid, en antwoord mij.” Brontekst: כי (ki) = want | אני (ani) = ik | ידעתי (yada'ti) = ik weet | כי (ki) = dat | בחסדיך (bechasdekha) = door Uw goedertierenheid | וברחמיך (uvrachamekha) = en door Uw ontferming | קניתי (qaniti) = ik heb verworven | את (et) = (obj.) | החיל (hechil) = het vermogen | הזה (hazzeh) = dit | ועתה (ve'attah) = en nu | הצילני (hitsilani) = red mij | נא (na) = toch | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | בחסדך (bechasdekha) = door Uw goedertierenheid | וענני (va'aneni) = en antwoord mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Twee kampen **32:24** Jakob hield op met bidden tot Yahweh en verdeelde het volk dat bij hem was, met het kleinvee en het vee, in twee kampen. Hij gaf de helft in de hand van Damesek, de zoon van Eliëzer, de dienaar van Abraham, met zijn zonen, en de andere helft gaf hij in de hand van Elinus, de zoon van Eliëzer, zijn broer, als tweede kamp, met zijn zonen. Brontekst: ויכל (vayekhal) = en hij hield op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | להתפלל (lehitpallel) = om te bidden | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויחץ (vayachats) = en hij verdeelde | את (et) = (obj.) | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | והצאן (vehatso'n) = en het kleinvee | והמקנה (vehammiqneh) = en het vee | לשתי (lishte) = in twee | מחנות (machanot) = kampen | ויתן (vayitten) = en gaf | החצי (hachetsi) = de helft | ביד (beyad) = in de hand van | דמשק (Dammesek) = Damesek | בן (ben) = zoon van | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | עבד (eved) = dienaar van | אברהם (avraham) = Abraham | עם (im) = met | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (obj.) | החצי (hachetsi) = de helft | נתן (natan) = hij gaf | ביד (beyad) = in de hand van | אלינוס (Elinus) = Elinus | בן (ben) = zoon van | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | אחיו (achiv) = zijn broer | למחנה (lemachaneh) = als kamp | עם (im) = met | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:8–9 (twee kampen). Damesek en Elinus, de zonen van Eliëzer, staan niet in Genesis; zie wel Gen. 15:2 (Eliëzer van Damascus). Zie ook: Gen 15:2; Gen 32:8–9 **32:25** Hij gebood hun: „Houd ver afstand van elkaar met jullie kampen en kom niet te dicht bij elkaar. Als Ezau naar het ene kamp komt en het slaat, dan zal het andere kamp, dat ver van het eerste is, aan zijn hand ontkomen.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | התרחקו (hitrachaqu) = houd afstand | במחנותיכם (bemachanotekhem) = met jullie kampen | זה (ze) = de een | מזה (mizzeh) = van de ander | מאוד (me'od) = zeer | ואל (ve'el) = en niet | תתקרבו (titqarevu) = komt dichtbij | זה (ze) = de een | לזה (lazeh) = aan de ander | מאד (me'od) = zeer | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = indien | יבוא (yavo) = komt | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = naar | מחנה (machaneh) = kamp | אלת (achat) = één | והיכה (vehikkah) = en hij slaat | אותה (otah) = het | והיה (vehayah) = en het zal zijn | המחנה (hammachaneh) = het kamp | האחרת (ha'acheret) = het andere | הרחוקה (harechoqah) = die ver is | ממנה (mimmenah) = ervan | לפליטה (lifletah) = tot ontkomen | מידו (miyyado) = uit zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft אל מחנה אלת; gelezen als אחת, ‘één’. **32:26** Jakob overnachtte in die nacht op die plaats en gaf zijn dienaren de hele nacht bevelen over de troepen en over zijn zonen. Brontekst: וילן (vayalen) = en hij overnachtte | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | את (et) = (obj.) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | כל (kol) = alle | הלילה (hallaylah) = de nacht | ההוא (hahu) = die | על (al) = over | החיל (hechil) = de troepen | ועל (ve'al) = en over | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De engelen bij Ezau **32:27** Yahweh hoorde het gebed van Jakob op die dag, en Yahweh redde Jakob in die tijd uit de hand van Ezau, zijn broer. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | תפילת (tefillat) = het gebed van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויצל (vayatsel) = en Hij redde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מיד (miyyad) = uit de hand van | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:28** Yahweh zond drie van de engelen uit de hoogte, en zij gingen voor Ezau uit en kwamen bij hem. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en Hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | שלושה (shelosha) = drie | מלאכים (mal'akhim) = engelen | ממלאכי (mimmal'akhei) = van de engelen van | מרום (marom) = de hoogte | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לפני (lifnei) = voor | עשו (asu) = Ezau | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אליו (elav) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De drie engelen die Ezau tegemoet gaan en hem schrik aanjagen (vers 28–40) staan niet in Genesis. Zie wel Gen. 32:2–3 (engelen van Elohim) en Gen. 33:4. Zie ook: Gen 32:2–3; Gen 33:4 **32:29** Deze engelen leken voor Ezau en zijn mannen op ongeveer tweeduizend en honderden mannen, rijdend op paarden; zij omgordden zich met oorlogswapens en verdeelden zich in vier kampen, onder vier aanvoerders, in de ogen van Ezau en van al zijn mannen, zoals het hun voorkwam. Brontekst: וידמו (vayyidmu) = en zij leken | המלאכים (hammal'akhim) = de engelen | האלה (ha'elleh) = deze | לפני (lifnei) = voor | עשו (asu) = Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | כאלפים (ke'alpayim) = als tweeduizend | ומאות (umeot) = en honderden | אנשים (anashim) = mannen | רוכבים (rokhvim) = rijdend | על (al) = op | סוסים (susim) = paarden | ויחגרו (vayachgeru) = en zij omgordden zich met | כלי (keli) = wapens van | מלחמה (milchamah) = oorlog | ויתחלקו (vayitchalqu) = en zij verdeelden zich | לארבעה (le'arba'ah) = in vier | מחנות (machanot) = kampen | לארבעה (le'arba'ah) = onder vier | ראשים (rashim) = aanvoerders | בעיני (be'einei) = in de ogen van | עשו (asu) = Ezau | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | כל (kol) = alle | אנשיו (anashav) = zijn mannen | כאשר (ka'asher) = zoals | נדמה (nidmah) = zich voordeed | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:30** Het ene kamp ging naar hen toe en vond Ezau en de vierhonderd man die bij hem waren, op weg om Jakob, zijn broer, tegemoet te gaan. Dat kamp rende op Ezau en zijn mannen af en joeg hun schrik aan; Ezau viel van het paard in verbijstering, en al zijn mannen verspreidden zich van hem weg op die plaats, want zij vreesden zeer. Brontekst: ותלכנה (vattelakhnah) = en zij gingen | אליהם (aleihem) = tot hen | המחנה (hammachaneh) = het kamp | האחת (ha'achat) = de ene | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (obj.) | עשו (asu) = Ezau | וארבע (ve'arba) = en vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = man | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | הולך (holekh) = op weg | ובא (uva) = en komend | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | ותרץ (vatarots) = en rende | המחנה (hammachaneh) = het kamp | ההיא (hahi) = die | לקראת (liqrat) = tegemoet | עשו (asu) = Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | ויבהלו (vayibbahalu) = en zij joegen schrik aan | אותם (otam) = hen | ויפול (vayippol) = en hij viel | עשו (asu) = Ezau | מעל (me'al) = van | הסוס (hassus) = het paard | בבהלה (bevahalah) = in verbijstering | ויפוצו (vayafutsu) = en zij verspreidden zich | מעליו (me'alav) = van hem weg | כל (kol) = alle | אנשיו (anashav) = zijn mannen | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:31** Het hele kamp riep hen toe terwijl zij van Ezau wegvluchtten, en alle krijgsmannen antwoordden met luide stem: Brontekst: ותצעק (vatits'aq) = en riep | עליהם (aleihem) = naar hen | כל (kol) = alle | המחנה (hammachaneh) = het kamp | בברחם (bevorcham) = terwijl zij vluchtten | מעל (me'al) = van | עשו (asu) = Ezau | ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | בקול (bekol) = met | רם (ram) = luid | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:32** „Zijn wij niet de dienaren van Jakob, de dienaar van Elohim? Wie kan dan tegenover ons standhouden?” Ezau zei tegen hen: „Ach, Jakob, mijn heer, jullie heer, is mijn broer, en het is twintig jaar geleden dat ik hem zag, en ik ben vandaag gegaan om hem te zien, en jullie allen doen mij zoiets aan?” Brontekst: הלא (halo) = immers | אנחנו (anachnu) = wij | עבדי (avdei) = dienaren van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עבד (eved) = dienaar van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | ומי (umei) = en wie | יוכל (yukhal) = kan | לעמוד (la'amod) = stand te houden | נגדנו (neggedenu) = tegenover ons | ויאמר (vayomer) = en hij zei | עשו (asu) = Ezau | אליהם (aleihem) = tot hen | אהה (ahah) = ach | אדוני (adoni) = mijn heer | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אדוניכם (adonekhem) = jullie heer | אחי (echi) = mijn broer | הוא (hu) = is | וזה (vezeh) = en dit is | לי (li) = mij | עשרים (esrim) = twintig | שנה (shanah) = jaar | לא (lo) = niet | ראיתיו (re'itiv) = ik zag hem | ואלך (ve'elekh) = en ik ging | לראותו (lir'oto) = hem te zien | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | ותעשו (vata'asu) = en jullie doen | אלי (elai) = mij | כולכם (kulkhem) = jullie allen | כמעשה (kemma'aseh) = zoals de daad | הזה (hazzeh) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:33** De engelen antwoordden hem: „Zo waar Yahweh leeft, als Jakob er niet was, van wie je zegt dat hij je broer is, dan hadden wij niemand van jou en je mannen laten overblijven; maar vanwege Jakob zullen wij jullie niets doen.” Brontekst: ויענוהו (vaya'anuhu) = en zij antwoordden hem | המלאכים (hammal'akhim) = de engelen | לאמור (lemor) = zeggende | חי (chai) = zo waar leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = want | לולי (lule) = als niet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | אמרת (amarta) = je hebt gezegd | אחי (echi) = mijn broer | הוא (hu) = hij | לא (lo) = niet | השארנו (hish'arnu) = hadden wij laten overblijven | ממך (mimmekha) = van jou | ומאנשיך (umeanashekha) = en van je mannen | איש (ish) = iemand | אולם (ulam) = maar | בעבור (ba'avur) = vanwege | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לא (lo) = niet | נעשה (na'aseh) = wij zullen doen | לכם (lakhem) = aan jullie | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:34** Dat kamp ging van Ezau en zijn mannen weg en ging heen. Ezau en zijn mannen waren ongeveer een parsa van hen verwijderd toen het tweede kamp hem tegemoet kwam met allerlei wapens van het zwaard, en ook zij deden Ezau en zijn mannen wat het eerste kamp hun had gedaan. Brontekst: ותעבור (vatta'avor) = en zij ging voorbij | המחנה (hammachaneh) = het kamp | הזאת (hazzo't) = deze | מאת (me'et) = van | עשו (asu) = Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | ותלך (vattelekh) = en zij ging | לה (lah) = weg | ועשו (ve'esav) = en Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | הלכו (halekhu) = zij gingen | מאיתם (me'itam) = bij hen vandaan | כמהלך (kemehalakh) = als een gang van | פרסה (parsah) = een parsa | והנה (vehinneh) = en zie | המחנה (hammachaneh) = het kamp | השנית (hashenit) = de tweede | באה (ba'ah) = kwam | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | בכל (bekhol) = met al | כלי (keli) = wapens van | חרב (charev) = zwaard | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | לעשו (le'esav) = aan Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | כאשר (ka'asher) = zoals | עשתה (asetah) = had gedaan | להם (lahem) = aan hen | המחנה (hammachaneh) = het kamp | הראשונה (harishonah) = het eerste Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: פַּרְסָה (parsa), ‘parsa’: een Perzische afstandsmaat, ongeveer 5,5 kilometer. **32:35** Toen zij hem lieten gaan om verder te gaan, zie, het derde kamp kwam hem tegemoet; zij verschrikten hem, en Ezau viel opnieuw van het paard. Het hele kamp riep tegen hem en zei: „Zijn wij niet de dienaren van Jakob, de dienaar van Elohim? Wie kan dan tegenover ons standhouden?” Brontekst: ויעזבוהו (vaya'azvuhu) = en zij lieten hem gaan | עוד (od) = verder | ללכת (lalekhet) = te gaan | והנה (vehinneh) = en zie | המחנה (hammachaneh) = het kamp | השלישית (hashelishit) = de derde | באה (ba'ah) = kwam | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | ויבהלוהו (vayevahaluhu) = en zij verschrikten hem | ויפול (vayippol) = en hij viel | עשו (asu) = Ezau | עוד (od) = opnieuw | מעל (me'al) = van op | הסוס (hassus) = het paard | ותצעק (vatits'aq) = en riep | עליו (alav) = tegen hem | כל (kol) = alle | המחנה (hammachaneh) = het kamp | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | הלא (halo) = immers | אנחנו (anachnu) = wij | עבדי (avdei) = dienaren van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עבד (eved) = dienaar van | אלוקים (Elohim) = Elohim | ומי (umei) = en wie | יכול (yakhol) = kan | לעמוד (la'amod) = te staan | נגדנו (neggedenu) = tegenover ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:36** Ezau antwoordde hun opnieuw: „Ach, Jakob, mijn heer en jullie heer, is mijn broer, en het is twintig jaar dat ik zijn gezicht niet zag; ik hoorde vandaag dat hij kwam en ik ben vandaag gegaan om hem te zien, en jullie doen mij zoiets aan?” Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij antwoordde | עשו (asu) = Ezau | עוד (od) = opnieuw | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | אהה (ahah) = ach | אדוני (adoni) = mijn heer | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אדוניכם (adonekhem) = jullie heer | אחי (echi) = mijn broer | הוא (hu) = hij | וזה (vezeh) = en dit | עשרים (esrim) = twintig | שנה (shanah) = jaar | לא (lo) = niet | ראיתי (ra'iti) = zag ik | פניו (panav) = zijn aangezicht | ואשמע (ve'eshma) = en ik hoorde | היום (hayyom) = vandaag | כי (ki) = dat | בא (ba) = komt | ואלך (ve'elekh) = en ik ging | לראותו (lir'oto) = hem te zien | היום (hayyom) = vandaag | ותעשו (vata'asu) = en jullie doen | אלי (elai) = mij | כמעשה (kemma'aseh) = zoals het werk | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ויעש עשו עוד אותם, ‘en Ezau deed hun opnieuw’; gelezen als ויען, ‘en hij antwoordde’. **32:37** Zij antwoordden hem en zeiden tegen hem: „Zo waar Yahweh leeft, als Jakob er niet was, van wie je zegt dat hij je broer is, dan hadden wij geen overlevende van jou en je mannen laten overblijven. Maar vanwege Jakob, van wie je zegt dat hij je broer is, zullen wij jou en je mannen niets doen.” Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | אותו (oto) = hem | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tot hem | חי (chai) = zo waar leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = want | לולא (lule) = ware het niet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | אמרת (amarta) = je hebt gezegd | אחיך (achikha) = je broer | הוא (hu) = hij | לא (lo) = niet | השארנו (hish'arnu) = hadden wij laten overblijven | ממך (mimmekha) = van jou | ומאנשיך (umeanashekha) = en van je mannen | שריד (sarid) = overlevende | ואולם (ve'ulam) = maar | בעבור (ba'avur) = vanwege | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | אמרת (amarta) = je hebt gezegd | אחיך (achikha) = je broer | הוא (hu) = hij | לא (lo) = niet | נעשה (na'aseh) = wij zullen doen | לך (lekha) = aan jou | ולאנשיך (ule'anashekha) = en aan je mannen | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:38** Ook het derde kamp ging van hen weg, en hij ging verder op zijn weg, hij en zijn mannen, Jakob tegemoet. En zie, het vierde kamp kwam hem tegemoet, en ook zij deden hem en zijn mannen wat de eersten hem hadden gedaan. Brontekst: ותעבור (vatta'avor) = en zij ging voorbij | גם (gam) = ook | המחנה (hammachaneh) = het kamp | השלישית (hashelishit) = de derde | מאיתם (me'itam) = bij hen vandaan | וילך (vayelekh) = en hij ging | עוד (od) = verder | לדרכו (ledarko) = naar zijn weg | הוא (hu) = hij | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | והנה (vehinneh) = en zie | המחנה (hammachaneh) = het kamp | הרביעית (harevi'it) = vierde | באה (ba'ah) = kwam | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | לו (lo) = hem | ולאנשיו (ule'anashav) = en aan zijn mannen | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = hadden gedaan | לו (lo) = hem | הראשונות (harishonot) = de eerste Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:39** Toen Ezau al het kwaad zag dat die vier engelen hem en zijn mannen hadden aangedaan, vreesde hij zeer voor Jakob, zijn broer, en hij ging hem tegemoet in vrede. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = dat | עשו (asu) = hadden gedaan | לו (lo) = hem | ארבעה (arba'ah) = vier | המלאכים (hammal'akhim) = de engelen | ההם (hahem) = die | ולאנשיו (ule'anashav) = en aan zijn mannen | ויירא (vayira) = en hij vreesde | מאוד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | וילך (vayelekh) = en hij ging | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | בשלום (beshalom) = in vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:40** Ezau verborg zijn haat tegen Jakob, want hij vreesde zeer voor zijn leven vanwege Jakob, zijn broer; want hij dacht dat de vier kampen die hij had ontmoet, dienaren van Jakob waren. Brontekst: ויכס (vaykhas) = en hij verborg | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (obj.) | שנאת (sin'at) = de haat van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ממנו (mimmennu) = van zich | כי (ki) = want | ירא (yere) = vreesde | מאוד (me'od) = zeer | לנפשו (lenafsho) = voor zijn leven | מפני (mippenei) = vanwege | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | כי (ki) = want | חשב (chashav) = hij dacht | כי (ki) = dat | הארבעה (ha'arba'ah) = de vier | המחנות (hammachanot) = de kampen | אשר (asher) = die | פגע (paga) = had ontmoet | כי (ki) = (dat) | עבדי (avdei) = dienaren van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הם (hem) = zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het geschenk voor Ezau **32:41** Jakob overnachtte in die nacht met zijn dienaren in zijn kampen, en hij overlegde met zijn dienaren om Ezau, zijn broer, een geschenk te geven van alles wat in zijn hand kwam en van heel zijn vee, en hij deed zo. Jakob stond 's morgens op, hij en zijn mannen, en zij kozen uit al het vee een geschenk voor Ezau. Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | לן (lan) = overnachtte | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | עם (im) = met | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | במחנותיו (bemachanotav) = in zijn kampen | ויתייעץ (vayityaets) = en hij overlegde | עם (im) = met | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | לתת (latet) = te geven | לעשו (le'esav) = aan Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | מנחה (minchah) = geschenk | מכל (mikkol) = van alles | הבא (habba) = dat in zijn hand kwam | בידו (beyado) = in zijn hand | ומכל (umikkol) = en van alle | מקנהו (miqnehu) = zijn vee | ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | הוא (hu) = hij | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | ויבחרו (vayivcharu) = en zij kozen | מכל (mikkol) = van elke | המקנה (hammiqneh) = het vee | מנחה (minchah) = geschenk | לעשו (le'esav) = aan Ezau Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:14–16. Zie ook: Gen 32:14–16 **32:42** En dit is het aantal van het hele geschenk dat Jakob uit zijn vee koos om aan Ezau, zijn broer, te geven: hij koos uit al het kleinvee vierhonderdveertig stuks kleinvee, uit de kamelen en de ezels drieëndertig, en uit het rundvee koos hij vijftig runderen. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit is | מספר (mispar) = aantal | כל (kol) = alle | המנחה (haminchah) = het geschenk | אשר (asher) = die | בחר (bachar) = koos | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ממקנהו (mimmiqnehu) = uit zijn vee | לתת (latet) = te geven | לעשו (le'esav) = aan Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | ויבחר (vayivchar) = en hij koos | מכל (mikkol) = van elke | הצאן (hatson) = het kleinvee | ארבעה (arba'ah) = vier | מאות (me'ot) = honderd | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | צאן (tson) = kleinvee | ויבחר (vayivchar) = en hij koos | מן (min) = uit | הגמלים (haggemalim) = de kamelen | והחמורים (vehachamorim) = en de ezels | שלושים (sheloshim) = dertig | ושלושה (ushloshah) = en drie | ומן (umin) = en uit | הבקר (habbaqar) = het rundvee | בחר (bachar) = koos | חמישים (chamishim) = vijftig | בקר (baqar) = runderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De aantallen van het geschenk verschillen van die in Gen. 32:15–16. Zie ook: Gen 32:15–16; Gen 32:16 **32:43** Hij zette alles in tien kuddes, elke soort bij zijn soort, en gaf ze in de hand van tien van zijn dienaren, elke kudde apart. Brontekst: וישם (vayasem) = en hij zette | את (et) = (obj.) | הכל (hakkol) = alles | לעשרה (la'asarah) = in tien | עדרים (adarim) = kuddes | ויתן (vayitten) = en gaf | כל (kol) = elke | מים (mayim) = soort | אל (el) = bij | מינו (mino) = zijn soort | ויתנם (vayittenem) = en hij gaf hen | ביד (beyad) = in de hand van | עשרה (esreh) = tien | מעבדיו (me'avadav) = van zijn dienaren | עדר (eder) = kudde | עדר (eder) = kudde | לבדו (levaddo) = apart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ויתן כל מים אל מינו, ‘elk water naar zijn soort’; gelezen als כל מין, ‘elke soort’. **32:44** Hij gebood hun en zei tegen hen: „Houd afstand van elkaar en laat ruimte tussen kudde en kudde. Wanneer Ezau en wie bij hem zijn jullie ontmoeten en jullie vragen: ‘Van wie zijn jullie, waarheen gaan jullie, en van wie is dit alles wat voor jullie uit gaat?’, dan zullen jullie tegen hen zeggen: ‘Wij zijn dienaren van Jakob en wij gaan Ezau, zijn broer, tegemoet in vrede; en zie, Jakob komt achter ons aan. Brontekst: ויצום (vayetsavvem) = en hij gebood hun | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | הרחיקו (harchiqu) = houd afstand | לכם (lakhem) = voor jullie | זה (ze) = de een | מזה (mizzeh) = van de ander | ושמתם (vesamtem) = en laat | ריוח (revach) = ruimte | בין (bein) = tussen | עדר (eder) = kudde | ובין (uvein) = en tussen | עדר (eder) = kudde | והיה (vehayah) = en het zal zijn | כי (ki) = wanneer | יפגש (yifgash) = ontmoet | אתכם (etkhem) = jullie | עשו (asu) = Ezau | ואשר (va'asher) = en wie | איתו (ito) = met hem | ושאלו (vesha'alu) = en vragen | אתכם (etkhem) = jullie | לאמור (lemor) = zeggende | למי (lemi) = van wie | אתם (ittam) = jullie | ואנה (ve'anah) = en waarheen | תלכו (telekhu) = gaan jullie | ולמי (ulmi) = en van wie | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze | אשר (asher) = die | לפניכם (lifnekhem) = voor jullie | ואמרתם (va'amartem) = en jullie zullen zeggen | אליהם (aleihem) = tot hen | עבדי (avdei) = dienaren van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אנחנו (anachnu) = wij | ונלך (venelekh) = en wij gaan | לקראת (liqrat) = tegemoet | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | לשלום (leshalom) = in vrede | והנה (vehinneh) = en zie | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בא (ba) = komt | אחרינו (acharenu) = achter ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:45** En wat vóór ons uit gaat, is een geschenk, door Jakob gezonden aan Ezau, zijn broer.’ Brontekst: ואשר (va'asher) = en wat | לפנינו (lefanenu) = vóór ons | מנחה (minchah) = geschenk | היא (hi) = het is | שלוחה (shelucha) = gezonden | מאת (me'et) = van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = aan | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:46** En als zij tegen jullie zeggen: ‘Waarom talmt hij achter jullie, om zijn broer tegemoet te gaan en zijn gezicht te zien?’, dan zullen jullie tegen hen zeggen: ‘Nee, zie, hij komt achter ons aan, zijn broer tegemoet, met blijdschap, want hij zei: ik zal zijn gezicht verzoenen met het geschenk dat naar hem gaat, en daarna zal ik zijn gezicht zien; misschien zal hij mijn gezicht aanvaarden.’” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כי (ki) = wanneer | יאמרו (yomru) = zij zeggen | אליכם (aleikhem) = tot jullie | למה (lammah) = waarom | יאחר (ye'acher) = talmt | הוא (hu) = hij | אחריכם (acharekhem) = achter jullie | ללכת (lalekhet) = te gaan | לקראת (liqrat) = tegemoet | אחיו (achiv) = zijn broer | לראות (lir'ot) = om te zien | את (et) = (obj.) | פניו (panav) = zijn aangezicht | ואמרתם (va'amartem) = en jullie zullen zeggen | אליהם (aleihem) = tot hen | אך (akh) = alleen | הנה (hinneh) = zie | הוא (hu) = hij | בא (ba) = komt | אחרינו (acharenu) = achter ons | לקראת (liqrat) = tegemoet | אחיו (achiv) = zijn broer | בשמחה (besimchah) = met vreugde | כי (ki) = want | אמר (amar) = zei | אכפרה (akhapperah) = ik zal verzoenen | פניו (panav) = zijn aangezicht | במנחה (bamminchah) = met het geschenk | ההולכת (hahollekhet) = dat gaat | אליו (elav) = naar hem | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | אראה (er'eh) = ik zal zien | פניו (panav) = zijn aangezicht | אולי (ulai) = misschien | ישא (yissa) = zal aanvaarden | פניי (panay) = mijn gezicht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:21. Zie ook: Gen 32:21 ### Jabbok **32:47** Het hele geschenk ging voorbij in de handen van zijn dienaren en ging die dag voor hem uit, en hij overnachtte die nacht met zijn kampen aan de oever van de beek Jabbok. Om middernacht stond hij op, nam zijn vrouwen, zijn slavinnen en alles wat hem toebehoorde, en zij lieten die nacht alles oversteken bij de overgang van de Jabbok. Brontekst: ותעבור (vatta'avor) = en zij ging voorbij | כל (kol) = alle | המנחה (haminchah) = het geschenk | הזאת (hazzo't) = deze | ביד (beyad) = in de hand van | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ותלך (vattelekh) = en zij ging | לפניו (lefanav) = voor hem | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | והוא (vehu) = en hij | לן (lan) = overnachtte | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | עם (im) = met | מחנותיו (machanotav) = zijn kampen | על (al) = aan | שפת (sefat) = de oever van | נחל (nachal) = beek van | יבוק (Yabboq) = Jabbok | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | בחצי (bachatsi) = in het midden van | הלילה (hallaylah) = de nacht | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (obj.) | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | ואת (ve'et) = en (obj.) | שפחותיו (shifchotav) = zijn slavinnen | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לוז (Luz) = hem | ויעבירו (vaya'avirru) = en zij lieten oversteken | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | את (et) = (obj.) | מעבר (me'ever) = de overgang van | יבוק (Yabboq) = Jabbok Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jabbok: De Jabbok is een zijrivier van de Jordaan, ten oosten van de rivier. Voetnoot Lezing: ואת כל אשר לוז (‘en alles wat Luz …’) staat er; gelezen als אשר לו, ‘wat hem toebehoorde’. Zie Gen. 32:22–23. Zie ook: Gen 32:22–23 **32:48** Toen hij alles wat hij had over de beek had laten oversteken, bleef Jakob alleen over, en een man ontmoette hem, en de man worstelde met hem die nacht tot de dageraad opkwam, en de heup van Jakobs dij werd ontwricht toen hij met hem worstelde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | העביר (he'evir) = had laten oversteken | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij had | אל (el) = naar | הנחל (hannachal) = de beek | ויותר (vayivvater) = en bleef over | לבדו (levaddo) = alleen | ויפגשהו (vayifgeshehu) = en ontmoette hem | איש (ish) = een man | ויאבד (vaya'avved) = en worstelde | האיש (ha'ish) = de man | עמו (immo) = met hem | הלילה (hallaylah) = de nacht | עד (ad) = tot | עלות (alot) = opkomen van | השחר (hashachar) = de dageraad | ותקע (vattiqa) = en werd ontwricht | כף (kaf) = de kom van | ירך (yerekh) = de dij van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בהאבקו (behe'avqo) = in zijn worstelen | עמו (immo) = met hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויאבד (‘en hij verging’) staat er; gelezen als ויאבק, ‘en hij worstelde’ (Gen. 32:25). Zie Gen. 32:24–25. Zie ook: Gen 32:24–25; Gen 32:25 **32:49** Bij het opkomen van de dageraad verliet de man Jakob daar, zegende hem en ging heen. Jakob ging bij het opkomen van de dageraad over de beek, en hij hinkte op zijn heup. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעלות (be'alot) = bij het opkomen van | השחר (hashachar) = de dageraad | ויעזוב (vaya'azov) = en hij verliet | האיש (ha'ish) = de man | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שם (shem) = daar | ויברכהו (vaybarekhehu) = en hij zegende hem | וילך (vayelekh) = en hij ging | לו (lo) = heen | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | עבר (Ever) = ging over | את (et) = (obj.) | הנחל (hannachal) = de beek | בעלות (be'alot) = bij het opkomen van | השחר (hashachar) = de dageraad | והוא (vehu) = en hij | צולע (tsole'a) = hinkend | על (al) = op | ירכו (yerekho) = zijn heup Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:26–32. Zie ook: Gen 32:26–32; Gen 32:27 **32:50** De zon kwam voor hem op toen hij klaar was met het oversteken van de beek, en hij kwam bij de plaats van zijn vee en zijn zonen. Brontekst: ויזרח (vayizrach) = en kwam op | לו (lo) = voor hem | השמש (hashemesh) = de zon | כאשר (ka'asher) = toen | כלה (killah) = hij klaar was | לעבור (la'avor) = over te steken | את (et) = (obj.) | הנחל (hannachal) = de beek | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | עד (ad) = tot | מקום (maqom) = plaats van | מקנהו (miqnehu) = zijn vee | ובניו (uvanav) = en zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:51** Zij gingen tot het midden van de dag, en terwijl zij gingen, ging het geschenk voor hen uit. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | עד (ad) = tot | חצות (chatsot) = het midden van | היום (hayyom) = de dag | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הם (hem) = zij | הולכים (holekhim) = gaande | והמנחה (vehaminchah) = en het geschenk | עברה (evrah) = ging voorbij | לפניהם (lifneihem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jakob en Ezau ontmoeten elkaar **32:52** Jakob sloeg zijn ogen op en zag: en zie, Ezau kwam van ver, en bij hem waren veel mannen, vierhonderd man; en Jakob vreesde zeer voor zijn broer. Brontekst: וישא (vayissa) = en hij hief op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | עיניו (einav) = zijn ogen | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | עשו (asu) = Ezau | בא (ba) = komt | מרחוק (merachoq) = van ver | עמו (immo) = bij hem | אנשים (anashim) = mannen | רבים (rabbim) = vele | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | ויירא (vayira) = en hij vreesde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאוד (me'od) = zeer | מאחיו (me'achiv) = voor zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:1. Zie ook: Gen 33:1 **32:53** Jakob haastte zich en verdeelde zijn kinderen over zijn vrouwen en zijn slavinnen; zijn dochter Dina legde hij in één kist en gaf haar in de hand van zijn dienaren. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויחץ (vayachats) = en hij verdeelde | את (et) = (obj.) | בניו (banav) = zijn kinderen | על (al) = over | נשיו (nashav) = zijn vrouwen | ועל (ve'al) = en over | שפחותיו (shifchotav) = zijn slavinnen | ואת (ve'et) = en (obj.) | דינה (Dinah) = Dina | בתו (bito) = zijn dochter | נתן (natan) = hij legde | בתיבה (battevah) = in een kist | אחת (achat) = één | ויתנה (vayittenah) = en hij gaf haar | ביד (beyad) = in de hand van | עבדיו (avadav) = zijn dienaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:1–2. Dat Dina in een kist werd gelegd, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 32:23; Gen 33:1–2 **32:54** Hij ging voor zijn kinderen en zijn vrouwen uit, zijn broer tegemoet, en boog zich ter aarde; hij bleef verder lopen en zich buigen, zevenmaal, tot hij bij zijn broer kwam. Elohim liet Jakob gunst en ontferming vinden in de ogen van Ezau en zijn mannen, want Elohim had het gebed van Jakob gehoord. Brontekst: ויעבור (vaya'avor) = en hij ging vooruit | הוא (hu) = hij | לפני (lifnei) = voor | בניו (banav) = zijn zonen | ונשיו (venashav) = en zijn vrouwen | לקראת (liqrat) = tegemoet | אחיו (achiv) = zijn broer | וישתחו (vayishtachu) = en hij boog zich | ארצה (artsah) = naar de grond | הלוך (halokh) = steeds verder | הלוך (halokh) = steeds verder | והשתחוה (vehishtachavah) = en hij boog zich | שבע (sheva) = zeven | פעמים (pe'amim) = maal | עד (ad) = tot | גשתו (gishto) = zijn naderen | עד (ad) = tot | אחיו (achiv) = zijn broer | ויתן (vayitten) = en liet | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לחן (lechen) = tot gunst | ולרחמים (ulerachamim) = en tot erbarming | בעיני (be'einei) = in de ogen van | עשו (asu) = Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | כי (ki) = want | שמע (shema) = had gehoord | אלוקים (Elohim) = Elohim | אל (el) = naar | תפילת (tefillat) = het gebed van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:3. Zie ook: Gen 33:3 **32:55** De vrees voor Jakob en zijn schrik viel op Ezau, zijn broer, want Ezau vreesde zeer voor Jakob vanwege wat de engelen van Elohim Ezau hadden aangedaan, en de woede van Ezau veranderde in ontferming voor Jakob. Brontekst: ותיפול (vattippol) = en viel | יראת (yirat) = de vrees voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ופחדו (vepachdo) = en zijn schrik | על (al) = op | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | כי (ki) = want | ירא (yere) = vreesde | עשו (asu) = Ezau | מיעקב (miyyaaqov) = voor Jakob | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = vanwege | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = hadden gedaan | מלאכי (mal'akhei) = engelen van | אלוקים (Elohim) = Elohim | לעשו (le'esav) = aan Ezau | ותיהפך (vattehafekh) = en veranderde | חמת (Chamat) = de woede van | עשו (asu) = Ezau | לרחמים (lerachamim) = tot erbarming | על (al) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 33:4 **32:56** Toen Ezau Jakob hem tegemoet zag rennen, rende ook hij hem tegemoet; hij omhelsde hem, viel om zijn nek, kuste hem, en zij weenden. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | רץ (ruts) = rennend | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | וירץ (vayyarots) = en hij rende | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | ויחבקהו (vaychabqehu) = en hij omhelsde hem | ויפול (vayippol) = en hij viel | על (al) = op | צואריו (tsavvarav) = zijn nek | וישקהו (vayishshaqehu) = en hij kuste hem | ויבכו (vayivku) = en zij weenden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:4. Zie ook: Gen 33:4 **32:57** Ook gaf Elohim vrees en ontferming voor Jakob in het hart van alle mannen die met Ezau gekomen waren, en ook zij kusten Jakob en omhelsden hem. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | באו (ba'u) = kwamen | עם (im) = met | עשו (asu) = Ezau | נתן (natan) = hij gaf | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | יראה (yir'ah) = vrees | ורחמים (verachamim) = en erbarming | בלבם (belibbam) = in hun hart | על (al) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישקו (vayashqu) = en zij kusten | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | ויחבקוהו (vaychabqu'hu) = en omhelsden hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **32:58** Ook Elifaz, de zoon van Ezau, en zijn vier broers, zonen van Ezau, weenden met Jakob en kusten hem en omhelsden hem, want de vrees voor Jakob was op hen allen gevallen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | אליפז (Elifaz) = Elifaz | הם (hem) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | וארבעת (ve'arba'at) = en de vier | אחיו (achiv) = zijn broers | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בכו (bakhu) = weenden | עם (im) = met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישקוהו (vayishqu'hu) = en zij kusten hem | ויחבקוהו (vaychabqu'hu) = en omhelsden hem | כי (ki) = want | נפלה (naflah) = was gevallen | יראת (yirat) = de vrees voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = op | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft אליפז הם עשו, ‘Elifaz, zij, Ezau’; gelezen als בן עשו, ‘de zoon van Ezau’. Zie Gen. 36:4 (Elifaz, de zoon van Ezau). Zie ook: Gen 36:4 **32:59** Ezau sloeg zijn ogen op en zag de vrouwen en de kinderen, de zonen van Jakob, achter Jakob aan gaan en zich onderweg voor Ezau neerbuigen. Brontekst: וישא (vayissa) = en hij hief op | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (obj.) | עיניו (einav) = zijn ogen | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (obj.) | הנשים (hannashim) = de vrouwen | ואת (ve'et) = en (obj.) | הילדים (hayeladim) = de kinderen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הולכים (holekhim) = liepen | אחרי (acharei) = achter | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ומשתחווים (umishtachavim) = en zich neerbuigend | בדרך (baderekh) = onderweg | אל (el) = voor | עשו (asu) = Ezau Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:5. Zie ook: Gen 33:5 **32:60** Ezau zei tegen Jakob: „Wie zijn zij die bij je zijn, mijn broer? Zijn het je zonen of je dienaren?” Jakob antwoordde Ezau en zei: „Het zijn mijn zonen, die Elohim uw dienaar uit gunst heeft gegeven.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = tegen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מי (mi) = wie | אלה (elleh) = deze | לך (lekha) = bij je | אחי (echi) = mijn broer | הבניך (habaneikha) = zijn dit je zonen | הם (hem) = zij | או (o) = of | עבדיך (avadekha) = je dienaren | ויען (vaya'an) = en antwoordde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | עשו (asu) = Ezau | ויאמר (vayomer) = en hij zei | בני (bnei) = mijn zonen | הם (hem) = zij zijn | אשר (asher) = die | חנן (chonnan) = gunst bewees | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (obj.) | עבדך (avdekha) = uw dienaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 33:5 **32:61** Terwijl Jakob tot Ezau sprak, kwam het kamp van Jakob voor Ezau en zijn mannen; Ezau zag het hele kamp en zei tegen Jakob: „Waar heb je dit hele kamp vandaan dat ik gisteravond ontmoette?” Jakob antwoordde Ezau en zei: „Om gunst te vinden in uw ogen, mijn heer — dat is wat Elohim uw dienaar uit gunst heeft gegeven.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כדבר (kidvar) = terwijl hij sprak | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | ותגיע (vattaggia) = en bereikte | מחנה (machaneh) = kamp | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לפני (lifnei) = voor | עשו (asu) = Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | וירא (vayyera) = en hij zag | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | המחנה (hammachaneh) = het kamp | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tegen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאין (me'ayin) = vanwaar | לך (lekha) = jij hebt | כל (kol) = alle | המחנה (hammachaneh) = het kamp | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = die | פגשתי (pagashti) = ik ontmoette | אמש (emesh) = gisteravond | ויען (vaya'an) = en antwoordde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | עשו (asu) = Ezau | ויאמר (vayomer) = en hij zei | למצוא (limtso) = te vinden | חן (chen) = gunst | בעיניך (be'einekha) = in uw ogen | אדוני (adoni) = mijn heer | הוא (hu) = dat | אשר (asher) = wat | חנן (chonnan) = gunst bewees | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (obj.) | עבדך (avdekha) = uw dienaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:8. Zie ook: Gen 33:8 **32:62** Het geschenk kwam voor Ezau, en Jakob drong bij Ezau aan met de woorden: „Neem toch mijn geschenk, dat voor mijn heer is gebracht, uit mijn hand aan.” Ezau zei: „Waarom dit, mijn broer? Wat van jou is, laat het van jou zijn.” Brontekst: ותבא (vattavo) = en kwam | המנחה (haminchah) = het geschenk | לפני (lifnei) = voor | עשו (asu) = Ezau | ויפצר (vayiftsar) = en hij drong aan | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בעשו (be'esav) = bij Ezau | לאמור (lemor) = zeggende | קח (qach) = neem | נא (na) = toch | את (et) = (obj.) | מנחתי (minchati) = mijn geschenk | אשר (asher) = die | הובאת (huva'at) = is gebracht | לאדוני (la'doni) = voor mijn heer | מאיתי (me'iti) = van mij | ויאמר (vayomer) = en hij zei | עשו (asu) = Ezau | למה (lammah) = waarom | זה (ze) = dit | אחי (echi) = mijn broer | יהי (yehi) = laat zijn | לך (lekha) = voor jou | אשר (asher) = wat | לך (lekha) = van jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:10–11. Zie ook: Gen 33:9; Gen 33:10–11 **32:63** Jakob zei: „Het is mijn plicht u dit alles te geven, nu ik uw gezicht heb gezien en u nog in vrede leeft.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עלי (alay) = op mij | אנוכי (anokhi) = ik | לתת (latet) = te geven | לך (lekha) = aan u | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze | אחרי (acharei) = na | אשר (asher) = dat | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | את (et) = (obj.) | פניך (panekha) = uw gezicht | כי (ki) = dat | עודך (odkha) = u nog | חי (chai) = leeft | בשלום (beshalom) = in vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 33:10 **32:64** Ezau weigerde het geschenk te nemen, en Jakob zei tegen hem: „Ach, mijn heer, als ik toch gunst in uw ogen heb gevonden, neem dan mijn geschenk uit mijn hand aan, want daarom heb ik uw gezicht gezien, als het zien van het gezicht van Elohim, en u had behagen in mij.” Brontekst: וימאן (vayma'en) = en hij weigerde | עשו (asu) = Ezau | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (obj.) | המנחה (haminchah) = het geschenk | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tot hem | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בי (bi) = ach | אדוני (adoni) = mijn heer | אם (em) = indien | נא (na) = toch | מצאתי (matsati) = ik heb gevonden | חן (chen) = gunst | בעיניך (be'einekha) = in uw ogen | ולקחת (velaqachat) = en neem aan | מנחתי (minchati) = mijn geschenk | מידי (miyyadi) = uit mijn hand | כי (ki) = want | על (al) = daarom | כן (ken) = (samen: daarom) | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | פניך (panekha) = uw gezicht | כראות (kir'ot) = als het zien van | פני (pnei) = aangezicht van | אלוקים (Elohim) = Elohim | ותרצני (vattirtseni) = en U had behagen in mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:10. Zie ook: Gen 33:10 **32:65** Ezau nam dat geschenk, en ook zilver, goud en bdellium gaf Jakob aan Ezau; en hij drong bij hem aan, en hij nam het. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (obj.) | המנחה (haminchah) = het geschenk | ההיא (hahi) = die | וגם (vegam) = en ook | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | ובדולח (uvedolach) = en bdellium | נתן (natan) = hij gaf | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לעשו (le'esav) = aan Ezau | ויפצר (vayiftsar) = en hij drong aan | בו (bo) = bij hem | ויקח (vayikkach) = en hij nam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:11. Zie ook: Gen 33:11 **32:66** Ezau verdeelde al het vee dat in het geschenk was en gaf de helft aan de mannen die met hem gekomen waren, want zij waren voor loon gekomen, en de andere helft gaf hij in de hand van zijn zonen. Brontekst: ויחלק (vayechalleq) = en hij verdeelde | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | המקנה (hammiqneh) = het vee | אשר (asher) = die | במנחה (bamminchah) = met het geschenk | ויתן (vayitten) = en gaf | חציה (chitsyah) = de helft ervan | לאנשים (la'anashim) = aan de mannen | אשר (asher) = die | באו (ba'u) = kwamen | איתו (ito) = met hem | כי (ki) = want | בשכר (bassakhar) = voor loon | באו (ba'u) = kwamen | וחציה (vachitsyah) = en de helft ervan | נתן (natan) = hij gaf | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ezau wil meegaan **32:67** Het zilver, het goud en het bdellium gaf hij in de hand van Elifaz, zijn eerstgeboren zoon. Ezau zei tegen Jakob: „Laten wij bij je blijven en langzaam met je meegaan tot je met mij naar mijn plaats komt, om daar samen te wonen, wij beiden.” Brontekst: ואת (ve'et) = en (obj.) | הכסף (hakkesef) = het zilver | ואת (ve'et) = en (obj.) | הזהב (hazzahav) = het goud | ואת (ve'et) = en (obj.) | הבדולח (habbedolach) = het bdellium | נתן (natan) = hij gaf | ביד (beyad) = in de hand van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בנו (beno) = zijn zoon | בכורו (bekhoro) = zijn eerstgeborene | ויאמר (vayomer) = en hij zei | עשו (asu) = Ezau | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | נעמוד (na'amod) = laten wij blijven | איתך (ittekha) = met je | ונלכה (venelkhah) = en laten wij gaan | לנו (lanu) = ons | לאט (le'at) = langzaam | איתך (ittekha) = met je | עד (ad) = tot | בואכה (bo'akhah) = als je komt | עמי (immi) = met mij | אל (el) = naar | מקומי (meqomi) = mijn plaats | לגור (lagur) = om te wonen | שם (shem) = daar | שנינו (shenenu) = wij beiden | יחד (yachad) = samen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:12. Zie ook: Gen 33:12 **32:68** Jakob antwoordde zijn broer en zei: „Zo zal ik doen, zoals mijn heer tot mij spreekt. Ook mijn heer weet dat de kinderen teer zijn, en dat het kleinvee en het rundvee met hun jongen, die bij mij zijn, langzaam gaan. En als zij zouden rennen, zouden zij allen sterven, want u kent hun last en hun inspanning. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | אחיו (achiv) = zijn broer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | כן (ken) = zo | אעשה (e'eseh) = ik zal doen | כאשר (ka'asher) = zoals | אדוני (adoni) = mijn heer | דובר (dubbar) = spreekt | אלי (elai) = tot mij | אף (af) = ook | אדוני (adoni) = mijn heer | יודע (yode'a) = kent | הילדים (hayeladim) = de kinderen | בני (bnei) = zonen van | רכים (rakkim) = teer | והצאן (vehatso'n) = en het kleinvee | והבקר (vehabbaqar) = en het rundvee | ועולליהם (ve'olleleihem) = en hun jongen | אשר (asher) = die | איתי (itti) = bij mij | לאט (le'at) = langzaam | ילכו (yelkhu) = zij gaan | והיה (vehayah) = en het zal zijn | כי (ki) = indien | ילכו (yelkhu) = zij gaan | במרוצה (bimrutsah) = in een snelle ren | ומתו (umetu) = en zij zouden sterven | כולם (kullam) = allen | כי (ki) = want | אתה (attah) = u | ידעת (yada'ta) = kent | את (et) = (obj.) | משאם (masa'am) = hun last | ואת (ve'et) = en (obj.) | טרחם (tirchem) = hun inspanning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:13–14. Zie ook: Gen 33:13–14 **32:69** Laat daarom mijn heer toch vóór zijn dienaar uit gaan, en ik zal langzaam gaan vanwege de kinderen en het kleinvee, tot ik bij mijn heer kom, naar zijn plaats, naar Seïr.” Brontekst: ולכן (velakhen) = en daarom | יעבור (ya'avor) = moge voorbijgaan | נא (na) = toch | אדוני (adoni) = mijn heer | לפני (lifnei) = voor | עבדו (avdo) = zijn dienaar | ואני (va'ani) = en ik | אלכה (elekha) = ik zal gaan | לי (li) = voor mij | לאט (le'at) = langzaam | בעבור (ba'avur) = vanwege | הילדים (hayeladim) = de kinderen | והצאן (vehatso'n) = en het kleinvee | עד (ad) = tot | אשר (asher) = dat | אבוא (avo) = ik zal komen | אל (el) = bij | אדוני (adoni) = mijn heer | אל (el) = naar | מקומו (meqomo) = zijn plaats | שעירה (se'irah) = naar Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 33:14 **32:70** Ezau zei tegen Jakob: „Laat mij enkelen van het volk dat bij mij is bij je achterlaten, om je onderweg te helpen en je inspanning en je last te dragen.” En hij zei: „Waarom dit, mijn heer? Moge ik gunst in uw ogen vinden. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | האצינה (hatsginah) = laat mij achterlaten | עמך (immekha) = bij je | מן (min) = van | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | איתי (itti) = bij mij | לעזרך (le'ezrekha) = om je te helpen | בדרך (baderekh) = onderweg | ולשאת (velasset) = en om te dragen | את (et) = (obj.) | טרחך (tirchekha) = je inspanning | ואת (ve'et) = en (obj.) | משאך (masa'ekha) = je last | ויאמר (vayomer) = en hij zei | למה (lammah) = waarom | זה (ze) = dit | אדוני (adoni) = mijn heer | אמצא (emtsa) = moge ik vinden | חן (chen) = gunst | בעיניך (be'einekha) = in uw ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:15. Zie ook: Gen 33:15 **32:71** Zie, ik kom naar u toe in Seïr om daar samen te wonen, zoals u hebt gesproken; ga u dan met uw mannen, want zie, ik kom achter u aan.” Brontekst: הנה (hinneh) = zie | אנוכי (anokhi) = ik | בא (ba) = komt | אליך (elekha) = naar u | שעירה (se'irah) = naar Seïr | לשבת (lashevet) = om te wonen | שם (shem) = daar | יחד (yachad) = samen | כאשר (ka'asher) = zoals | דיברת (dibbarta) = u hebt gesproken | ואתה (ve'attah) = en u | לך (lekha) = ga | לך (lekha) = voor uzelf | עם (im) = met | אנשיך (anashekha) = uw mannen | כי (ki) = want | הנני (hinneni) = zie, ik ben | בא (ba) = komt | אחריך (acharekha) = achter u Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:14. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 33:14 **32:72** Jakob zei dit tegen Ezau om Ezau en al zijn mannen van zich te verwijderen, opdat Jakob daarna naar het huis van zijn vader zou gaan, naar het land Kanaän. Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | אמר (amar) = zei | כדבר (kidvar) = als dit woord | הזה (hazzeh) = dit | אל (el) = tegen | עשו (asu) = Ezau | למען (lema'an) = opdat | הרחיק (harchiq) = te verwijderen | מעליו (me'alav) = van hem weg | את (et) = (obj.) | עשו (asu) = Ezau | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | אנשיו (anashav) = zijn mannen | ואחר (ve'achar) = en daarna | ילך (yelekh) = zou gaan | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **32:73** Ezau luisterde naar de stem van Jakob, en Ezau keerde met de vierhonderd man die bij hem waren terug op hun weg naar Seïr. Jakob en alles wat hij had, ging die dag tot aan de rand van het land Kanaän, aan zijn grens, en hij bleef daar enige dagen. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | עשו (asu) = Ezau | בקול (bekol) = naar de stem van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישב (vayyashev) = en hij keerde terug | עשו (asu) = Ezau | עם (im) = met | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | אל (el) = naar | שעיר (se'ir) = Seïr | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = voor hem | הלך (halakh) = ging | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | עד (ad) = tot | קצה (qetseh) = rand van | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בגבולה (bigvulah) = in haar grens | וישב (vayyashev) = en hij bleef | שם (shem) = daar | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:16–17. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 33:16–17 ## Jasher 33 _Sichem en Dina; de besnijdenis_ ### Jakob bij Sichem **33:1** Na enige tijd trok Jakob weg van de grens van het land, en hij kwam in het land Salem, dat is de stad Sichem, die in het land Kanaän ligt, en hij sloeg zijn kamp op voor de stad. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מימים (miyyamim) = na enige tijd | ויסע (vayyisa) = en trok weg | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מגבול (migvul) = van de grens van | הארץ (ha'arets) = het land | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | בארץ (ba'arets) = in het land | שלם (shalem) = Salem | היא (hi) = dat is | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | אשר (asher) = die | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויחן (vayichan) = en hij sloeg zijn kamp op | את (et) = (obj.) | פני (pnei) = voor | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:17–18 (Sukkot en Sichem). Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 33:17–18; Gen 33:18 **33:2** Hij kocht het stuk van het veld dat daar was, van de zonen van Hamor, de mannen van het land, voor vijf sjekel. Brontekst: ויקן (vayiqen) = en hij kocht | את (et) = (obj.) | חלקת (chelqat) = het stuk van | השדה (hasadeh) = het veld | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = zonen van | חמור (chamor) = Hamor | אנשי (anshei) = mannen van | הארץ (ha'arets) = het land | בחמשת (bachamishat) = voor | שקלים (sheqalim) = sjekel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:19. In Genesis wordt het land gekocht voor honderd kesita’s; hier voor vijf sjekel. Voetnoot Uitleg: Een sjekel is ongeveer 11,4 gram zilver. Zie ook: Gen 33:19 **33:3** Jakob bouwde daar een huis voor zichzelf, sloeg daar zijn tent op en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij de naam van die plaats Sukkot. Brontekst: ויבן (vayiven) = en hij bouwde | לו (lo) = voor zichzelf | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בית (bet) = het huis van | שם (shem) = daar | ויט (vayet) = en hij sloeg op | שם (shem) = daar | אהלו (oholo) = zijn tent | ולמקנהו (ulemiqnehu) = en voor zijn vee | עשה (asah) = maakte | סוכות (sukkot) = hutten | על (al) = op | כן (ken) = zo | קרא (qara) = noemde | שם (shem) = de naam van | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | סוכות (sukkot) = Sukkot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:17 (Sukkot). Zie ook: Gen 33:17 **33:4** Jakob bleef in Sukkot een jaar en zes maanden. Brontekst: וישב (vayyashev) = en hij bleef | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בסוכות (bassukkot) = in Sukkot | ימים (yamim) = dagen | שנה (shanah) = jaar | ושישה (veshishah) = en zes | חודשים (chodashim) = maanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker. ### Dina en Sichem **33:5** In die tijd gingen enkele vrouwen van de bewoners van het land, van de stad Sichem, uit om reidansen te dansen en zich te verheugen in de vreugde van de dochters van de mannen van de stad. Toen zij uitgingen, gingen ook Rachel en Lea, de vrouwen van Jakob, met hun slavinnen uit, om de vreugde van de dochters van de stad te zien. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | מנשי (minneshe) = van de vrouwen van | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | לחול (lachul) = om te dansen | במחולות (bimcholot) = in reidansen | ולשמוח (velismoach) = en zich te verheugen | בשמחת (besimchat) = in de vreugde van | בנות (banot) = dochters van | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאתן (betsetan) = toen zij uitgingen | ותצאן (vattetse'na) = en zij gingen uit | רחל (Rachel) = Rachel | ולאה (uLe'ah) = en Lea | נשי (neshei) = vrouwen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עם (im) = met | שפחותיהן (shifchoteihen) = hun slavinnen | לראות (lir'ot) = om te zien | בשמחת (besimchat) = in de vreugde van | בנות (banot) = dochters van | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie ook: Gen 34:1 **33:6** Ook Dina, de dochter van Jakob, ging met hen mee; zij zagen de dochters van de stad en zaten daar voor de dochters van de stad. Alle mannen van de stad stonden bij hen om naar hun vreugde te kijken, en alle groten van de stad waren daar. Brontekst: ותצא (vatetse) = en ging uit | גם (gam) = ook | דינה (Dinah) = Dina | בת (bat) = dochter van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עמהן (immahen) = met hen mee | ויראו (vayiru) = en zij zagen | את (et) = (obj.) | בנות (banot) = dochters | העיר (ha'ir) = de stad | וישבו (vayeshvu) = en zij zaten | שם (shem) = daar | לפני (lifnei) = voor | בנות (banot) = dochters | העיר (ha'ir) = de stad | וכל (vekhol) = en alle | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | עומדים (omdim) = staande | עליהם (aleihem) = bij hen | לראות (lir'ot) = om te zien | בשמחתם (besimchatam) = in hun vreugde | וכל (vekhol) = en alle | גדולי (gedoley) = de groten van | העיר (ha'ir) = de stad | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:7** Ook Sichem, de zoon van Hamor, de vorst van het land, stond daar om te kijken. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | שכם (Shekhem) = Sichem | בן (ben) = zoon van | חמור (chamor) = Hamor | נשיא (nasi) = vorst | הארץ (ha'arets) = het land | עומד (omed) = staande | שם (shem) = daar | לראות (lir'ot) = om te zien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:8** Sichem zag Dina, de dochter van Jakob, zitten met haar moeder voor de dochters van de stad, en het meisje beviel hem zeer. Hij vroeg zijn vrienden en zijn mannen: „Wiens dochter is dat meisje dat tussen de vrouwen zit en dat ik in deze stad niet ken?” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | שכם (Shekhem) = Sichem | את (et) = (obj.) | דינה (Dinah) = Dina | בת (bat) = dochter van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | יושבת (yoshevet) = zittend | עם (im) = met | אמה (ammah) = haar moeder | לפני (lifnei) = voor | בנות (banot) = dochters | העיר (ha'ir) = de stad | ותישר (vattisher) = en zij beviel | הנערה (hanna'arah) = het meisje | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen | מאוד (me'od) = zeer | וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | שכם (Shekhem) = Sichem | את (et) = (obj.) | רעיו (re'av) = zijn vrienden | ואת (ve'et) = en (obj.) | אנשיו (anashav) = zijn mannen | לאמור (lemor) = zeggende | בת (bat) = dochter van | מי (mi) = wie | הנערה (hanna'arah) = het meisje | ההיא (hahi) = die | היושבת (hayyoshevet) = die zit | בין (bein) = tussen | הנשים (hannashim) = de vrouwen | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ידעתי (yada'ti) = ik ken | אותה (otah) = haar | בעיר (ba'ir) = in de stad | הזאת (hazzo't) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:1–3. Zie ook: Gen 34:1–3 **33:9** Zij zeiden tegen hem: „Dit is de dochter van Jakob, de zoon van Abraham, de Hebreeër, die al enige tijd in deze stad woont; en toen zij hoorde dat de dochters van het land uitgingen om zich te verheugen, ging zij uit met haar moeder en haar slavinnen en ging tussen hen zitten, zoals ik het zag.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tot hem | זאת (zot) = dit is | בת (bat) = dochter van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | היושב (hayyoshev) = die woont | בעיר (ba'ir) = in de stad | הזאת (hazzo't) = deze | זה (ze) = sinds | ימים (yamim) = dagen | ותשמע (vattishma) = en zij hoorde | כי (ki) = dat | בנות (banot) = dochters | הארץ (ha'arets) = het land | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | לשמוח (lismoach) = om zich te verheugen | ותצא (vatetse) = en ging uit | עם (im) = met | אמה (ammah) = haar moeder | ועם (ve'im) = en met | שפחותיה (shifchotehah) = haar slavinnen | ותשב (vatashav) = en zij ging zitten | בתוכם (betokham) = onder hen | כאשר (ka'asher) = zoals | ראיתי (ra'iti) = ik zag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De tekst heeft ‘de zoon van Abraham, de Hebreeër’; Jakob is de kleinzoon van Abraham (Gen. 25:26). De Engelse vertaling heeft ‘zoon van Isaak’. Zie ook: Gen 25:26 **33:10** Sichem zag Dina, de dochter van Jakob, en terwijl hij haar zag, werd zijn ziel aan Dina gebonden. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | שכם (Shekhem) = Sichem | את (et) = (obj.) | דינה (Dinah) = Dina | בת (bat) = dochter van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הוא (hu) = hij | רואה (ro'eh) = ziende | אותה (otah) = haar | ונפשו (venafsho) = en zijn ziel | נקשרה (niqshera) = werd gebonden | בדינה (bedinah) = aan Dina Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:11** Hij liet haar halen en nam haar met geweld; Dina kwam in het huis van Sichem, en hij greep haar met kracht, lag bij haar en vernederde haar. Hij had haar zeer lief en liet haar in zijn huis wonen. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | ויקחה (vayiqachah) = en hij nam haar | בחזקה (bechazaqah) = met geweld | ותבוא (vattavo) = en kwam | דינה (Dinah) = Dina | בית (bet) = het huis van | שכם (Shekhem) = Sichem | ויאחז (vaye'echaz) = en greep | בה (bah) = haar | בחוזקה (bechozqah) = met kracht | וישכב (vayishkav) = lag | אותה (otah) = haar | ויענה (vaye'anneh) = en hij vernederde haar | ויאהבה (vaye'ehavehah) = en hij beminde haar | מאוד (me'od) = zeer | ויושיבה (vayoshivah) = en hij liet haar wonen | בביתו (beveyto) = in zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:2. Zie ook: Gen 34:2 ### Jakob hoort het **33:12** Zij kwamen en vertelden het Jakob; en toen Jakob hoorde dat Sichem zijn dochter Dina onrein had gemaakt, zond Jakob twee van zijn dienaren om Dina uit het huis van Sichem te halen. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | הדבר (haddavar) = de zaak | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | וישמע (vayishma) = en hij hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | טמא (timme) = had onrein gemaakt | שכם (Shekhem) = Sichem | את (et) = (obj.) | דינה (Dinah) = Dina | בתו (bito) = zijn dochter | וישלח (vayishlach) = en hij zond | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שנים (shanim) = twee | מעבדיו (me'avadav) = van zijn dienaren | להביא (lehavi) = te brengen | את (et) = (obj.) | דינה (Dinah) = Dina | מבית (mibbayit) = uit het huis van | שכם (Shekhem) = Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: שנים (‘twee’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘twaalf’. Zie Gen. 34:5. Zie ook: Gen 34:5 **33:13** Zij gingen en kwamen bij het huis van Sichem om Dina van daar mee te nemen. Toen zij kwamen, ging Sichem met zijn mannen naar hen toe en verdreef hen uit zijn huis; hij liet hen niet toe bij Dina te komen, maar Sichem zat met Dina en kuste en omhelsde haar voor hun ogen. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בית (bet) = het huis van | שכם (Shekhem) = Sichem | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (obj.) | דינה (Dinah) = Dina | משם (misham) = vandaar | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבואם (bevo'am) = toen zij kwamen | ויצא (vayetse) = en hij ging uit | שכם (Shekhem) = Sichem | אליהם (aleihem) = naar hen | עם (im) = met | אנשיו (anashav) = zijn mannen | ויגרשם (vayegarshem) = en hij verdreef hen | מביתו (mibbeto) = uit zijn huis | ולא (velo) = en niet | נתנום (netanum) = lieten hen toe | לבוא (lavo) = binnen te gaan | לפני (lifnei) = voor | דינה (Dinah) = Dina | אך (akh) = maar | ישב (yashav) = zat | שכם (Shekhem) = Sichem | את (et) = (obj.) | דינה (Dinah) = Dina | וינשקה (vayyishshaqah) = en hij kuste haar | ויחבקה (vaychabqah) = en hij omhelsde haar | לעיניהם (le'eneihem) = voor hun ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:14** De dienaren van Jakob kwamen terug en vertelden het hem: „Toen wij kwamen, verdreef hij ons, hij en zijn mannen, en zus en zo deed Sichem aan Dina voor onze ogen.” Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עבדי (avdei) = dienaren van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = voor hem | לאמור (lemor) = zeggende | בבואנו (bevo'enu) = toen wij kwamen | ויגרשנו (vayegarshenu) = en hij verdreef ons | הוא (hu) = hij | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | וכזאת (vekhazzot) = en zus | וכזאת (vekhazzot) = en zo | עשה (asah) = deed | שכם (Shekhem) = Sichem | לדינה (ledinah) = aan Dina | לעינינו (le'eneinu) = voor onze ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:15** Jakob wist ook dat Sichem zijn dochter onrein had gemaakt, maar hij sprak niets; zijn zonen weidden zijn vee op het veld, en Jakob zweeg tot hun komst. Brontekst: וידע (vayyeda) = en hij wist | עוד (od) = ook | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | טמא (timme) = had onrein gemaakt | שכם (Shekhem) = Sichem | את (et) = (obj.) | בתו (bito) = zijn dochter | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | דיבר (dibber) = had gesproken | מאומה (me'umah) = iets | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | היו (hayu) = zij waren | רועים (ro'im) = weidend | את (et) = (obj.) | מקנהו (miqnehu) = zijn vee | בשדה (bassadeh) = in het veld | ויחריש (vayacharish) = en zweeg | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עד (ad) = tot | בואם (bo'am) = hun komst Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:5. Zie ook: Gen 34:5 ### Hamor en Sichem **33:16** Voordat zijn zonen kwamen, zond Jakob twee meisjes, dochters van zijn dienaren, om Dina in het huis van Sichem te bewaken en bij haar te blijven. En Sichem zond drie mannen, zijn vrienden, naar zijn vader Hamor, de zoon van Chiddekem, de zoon van Pered, met de woorden: „Neem dit meisje voor mij tot vrouw.” Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | טרם (terem) = voordat | באו (ba'u) = zij kwamen | בניו (banav) = zijn zonen | שתי (shetei) = twee | נערות (na'arot) = meisjes | מבנות (mibbenot) = uit de dochters van | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | לשמור (lishmor) = om te bewaken | את (et) = (obj.) | דינה (Dinah) = Dina | בבית (babbayit) = in het huis van | שכם (Shekhem) = Sichem | ולשבת (velashevet) = en te zitten | איתה (ittah) = met haar | ושכם (ushkhem) = en Sichem | שלך (shalach) = zond | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | מרעיו (mere'av) = zijn vrienden | אל (el) = naar | חמור (chamor) = Hamor | בן (ben) = zoon van | חדקם (Chiddeqem) = Chiddekem | בן (ben) = zoon van | פרד (Pered) = Pered | אביו (aviv) = zijn vader | לאמור (lemor) = zeggende | קח (qach) = neem | לי (li) = voor mij | את (et) = (obj.) | הנערה (hanna'arah) = het meisje | הזאת (hazzo't) = deze | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ושכם שלך (‘en Sichem … ’) staat er; gelezen als ושכם שלח, ‘en Sichem zond’. Zie Gen. 34:4. Zie ook: Gen 34:4 **33:17** Hamor, de zoon van Chiddekem, de Chiviet, kwam in het huis van Sichem, zijn zoon, en zat voor hem. Hamor zei tegen Sichem, zijn zoon: „Is er onder de dochters van je volk geen vrouw die je zou nemen, dat je een Hebreeuwse vrouw neemt die niet van je volk is?” Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | חמור (chamor) = Hamor | בן (ben) = zoon van | חדקם (Chiddeqem) = Chiddekem | החוי (hachivvi) = de Chiviet | בית (bet) = het huis van | שכם (Shekhem) = Sichem | בנו (beno) = zijn zoon | וישב (vayyashev) = en hij zat | לפניו (lefanav) = voor hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | חמור (chamor) = Hamor | אל (el) = tegen | שכם (Shekhem) = Sichem | בנו (beno) = zijn zoon | האין (ha'ein) = is er niet | בבנות (bivnot) = onder de dochters van | עמך (immekha) = je volk | אישה (ishah) = een vrouw | אשר (asher) = die | תיקח (tiqqach) = je zou nemen | אישה (ishah) = een vrouw | עברית (ivriyyah) = een Hebreeuwse | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | מעמך (me'ammekha) = van je volk | היא (hi) = zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:4. De woorden van Hamor tot Sichem staan niet in Genesis. Zie ook: Gen 34:4 **33:18** Sichem zei tegen hem: „Neem haar voor mij, want zij is goed in mijn ogen.” Hamor deed wat zijn zoon zei, want hij was zeer geëerd in zijn ogen. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | שכם (Shekhem) = Sichem | אליו (elav) = tot hem | אותה (otah) = haar | קח (qach) = neem | לי (li) = voor mij | כי (ki) = want | היא (hi) = zij | ישרה (yesharah) = goed | בעיני (be'einei) = in mijn ogen | ויעש (vayya'as) = en hij deed | חמור (chamor) = Hamor | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | בנו (beno) = zijn zoon | כי (ki) = want | הוא (hu) = hij | נכבד (nikhbad) = geëerd | מאוד (me'od) = zeer | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:19** Hamor ging naar Jakob om daarover met hem te spreken. Toen Hamor het huis van zijn zoon Sichem had verlaten en nog niet bij Jakob was om met hem te spreken, zie, de zonen van Jakob kwamen van het veld, want zij hadden gehoord wat Sichem, de zoon van Hamor, had gedaan. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | חמור (chamor) = Hamor | אל (el) = naar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לדבר (laddavar) = om te spreken | איתו (ito) = met hem | בדבר (bedabber) = over de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאת (betset) = bij het uitgaan van | חמור (chamor) = Hamor | מבית (mibbayit) = uit het huis van | שכם (Shekhem) = Sichem | בנו (beno) = zijn zoon | טרם (terem) = voordat | בואו (bo'o) = zijn komst | אל (el) = bij | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לדבר (laddavar) = om te spreken | איתו (ito) = met hem | והנה (vehinneh) = en zie | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | באו (ba'u) = kwamen | מן (min) = van | השדה (hasadeh) = het veld | כאשר (ka'asher) = toen | שמעו (shame'u) = zij hoorden | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = had gedaan | שכם (Shekhem) = Sichem | בן (ben) = zoon van | חמור (chamor) = Hamor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:6–7. Zie ook: Gen 34:6–7 **33:20** De mannen waren zeer bedroefd om hun zus, en zij werden zeer toornig; allen kwamen in brandende toorn, vóór het tijdstip van het binnenhalen van het vee. Brontekst: ויתיעצו (vayityatsu) = en zij werden bedroefd | האנשים (ha'anashim) = de mannen | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | להם (lahem) = hen | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = omtrent | אודות (odot) = (samen: omtrent) | אחותם (achotam) = hun zus | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | בחרי (bacharí) = in het ontbranden van | אף (af) = toorn | טרם (terem) = voordat | עת (et) = tijd van | האסף (he'asef) = het binnenhalen van | המקנה (hammiqneh) = het vee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויתיעצו (‘en zij beraadslaagden’) staat er; Gen. 34:7 heeft ויתעצבו, ‘zij werden bedroefd’, zoals ook de Engelse vertaling. Vertaald als ‘bedroefd’. Zie ook: Gen 34:7 ### De zonen van Jakob **33:21** Zij kwamen en zaten voor hun vader en spraken in brandende toorn tot hem: „Is niet de dood verschuldigd aan die man en zijn huis? Want Yahweh, Elohim van heel de aarde, heeft Noach en zijn zonen geboden dat niemand zal roven en niemand overspel zal plegen, tot in eeuwigheid; en zie, Sichem heeft geroofd en overspel gepleegd met onze zus, en niemand van alle mannen van de stad heeft een woord tot hem gesproken. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | וישבו (vayeshvu) = en zij zaten | לפני (lifnei) = voor | אביהם (avihem) = hun vader | וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | אליו (elav) = tot hem | בחרי (bacharí) = in het ontbranden van | אף (af) = toorn | לאמור (lemor) = zeggende | הלא (halo) = immers | משפט (mishpat) = vonnis van | מות (mot) = dood | לאיש (le'ish) = voor de man | ההוא (hahu) = die | ולביתו (uleveto) = en voor zijn huis | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | ציוה (tsiwwah) = had geboden | את (et) = (obj.) | נח (Noach) = Noach | ואת (ve'et) = en (obj.) | בניו (banav) = zijn zonen | לבלתי (levilti) = opdat niet | יגזול (yigzol) = zal roven | ולבלתי (velivlti) = en niet | ינאף (yin'af) = zal overspel plegen | איש (ish) = iemand | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig | והנה (vehinneh) = en zie | שכם (Shekhem) = Sichem | גזל (gazal) = heeft geroofd | ונאף (veni'af) = en heeft overspel gepleegd | את (et) = met | אחותינו (achotenu) = onze zus | ואין (veein) = en er is niet | דובר (dubbar) = sprekend | אליו (elav) = tot hem | דבר (davar) = een woord | מכל (mikkol) = van alle | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Gen. 34:7. Het gebod aan Noach tegen roven en overspel staat niet in Genesis; zie Gen. 9:1–7 voor wat Noach en zijn zonen geboden wordt. Zie ook: Gen 9:1–7; Gen 34:7 **33:22** Weet je niet, of heb je niet gehoord, dat het doodvonnis geldt voor Sichem, voor zijn vader en voor heel de stad, vanwege wat hij gedaan heeft?” Brontekst: הלא (halo) = immers | ידעתם (yeda'tem) = jullie weten | אם (em) = of | לא (lo) = niet | שמעתם (shema'tem) = jullie hebben gehoord | כי (ki) = dat | משפט (mishpat) = vonnis van | מות (mot) = dood | לשכם (lishkhem) = aan Sichem | ולאביו (ule'aviv) = en aan zijn vader | ולכל (ulkhol) = en voor al | העיר (ha'ir) = de stad | בדבר (bedabber) = vanwege de zaak | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = heeft gedaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ידעתם (‘jullie weten’, meervoud) staat er; vertaald als enkelvoud, omdat de zonen tot hun vader spreken. **33:23** Terwijl zij hierover voor hun vader spraken, zie, Hamor, de vader van Sichem, kwam om de woorden van zijn zoon Sichem over Dina tot Jakob te spreken, en hij zat voor Jakob en voor zijn zonen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הם (hem) = zij | מדברים (medabberim) = spraken | לפני (lifnei) = voor | אביהם (avihem) = hun vader | בדבר (bedabber) = over de zaak | הזה (hazzeh) = deze | והנה (vehinneh) = en zie | חמור (chamor) = Hamor | אבי (avi) = vader van | שכם (Shekhem) = Sichem | בא (ba) = kwam | לדבר (laddavar) = om te spreken | אל (el) = met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | דברי (divrei) = woorden van | שכם (Shekhem) = Sichem | בנו (beno) = zijn zoon | על (al) = op | אודות (odot) = over | דינה (Dinah) = Dina | וישב (vayyashev) = en hij zat | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולפני (velifnei) = en voor | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Hamor spreekt **33:24** Hamor sprak tot hen: „De ziel van mijn zoon Sichem verlangt naar jullie dochter; geef haar hem toch tot vrouw. Word met ons door huwelijk verbonden: geef ons jullie dochters, en wij geven jullie onze dochters; jullie zullen bij ons wonen in ons land en wij zullen één volk worden in het land. Brontekst: וידבר (vayedabber) = en hij sprak | חמור (chamor) = Hamor | אליהם (aleihem) = tot hen | לאמור (lemor) = zeggende | שכם (Shekhem) = Sichem | בני (bnei) = mijn zoon | חשקה (chashqah) = verlangt | נפשו (nafsho) = zijn ziel | בבתכם (bevittkhem) = naar jullie dochter | תנו (tenu) = geef | נא (na) = toch | אותה (otah) = haar | לו (lo) = hem | לאישה (le'ishah) = aan haar man | והתחתנו (vehitchattenu) = en word door huwelijk verbonden | אותנו (otanu) = met ons | את (et) = (obj.) | בנותיכם (benotekhem) = jullie dochters | תתנו (titenu) = geven jullie | לנו (lanu) = ons | ואת (ve'et) = en (obj.) | בנותינו (benotenu) = onze dochters | ניתן (nitten) = geven wij | לכם (lakhem) = aan jullie | וישבתם (vishavtem) = en jullie zullen wonen | איתנו (ittanu) = met ons | בארצנו (be'artsenu) = in ons land | והיינו (vehayinu) = en wij zullen worden | לעם (le'am) = tot een volk | אחד (echad) = één | בארץ (ba'arets) = in het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:8–10. Zie ook: Gen 34:8–10 **33:25** Want zie, ons land is ruim; blijf er dus wonen, drijf er handel, neem er bezit en doe er al wat jullie wensen, en niemand zal een woord tot jullie spreken om het te beletten.” Brontekst: כי (ki) = want | הנה (hinneh) = zie | ארצנו (artsenu) = ons land | רחבת (rachavat) = ruim | ידים (yadayim) = (samen: ruim) | היא (hi) = zij | שבו (shavu) = blijft | וסחרו (vesacharu) = en drijf handel | והאחזו (vehe'achzu) = en neem bezit | בה (bah) = in haar | ועשיתם (va'asitem) = en doet | בה (bah) = in haar | כל (kol) = alle | חפציכם (chafetsekhem) = jullie wensen | ואין (veein) = en er is niemand | דובר (dubbar) = sprekend | אליכם (aleikhem) = tot jullie | דבר (davar) = een woord Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 34:10 **33:26** Hamor hield op met spreken tot Jakob en zijn zonen, en zie, zijn zoon Sichem was hem achterna gekomen, en hij zat voor hen. Brontekst: ויכל (vayekhal) = en hij hield op | חמור (chamor) = Hamor | לדבר (laddavar) = om te spreken | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואל (ve'el) = en tot | בניו (banav) = zijn zonen | והנה (vehinneh) = en zie | שכם (Shekhem) = Sichem | בנו (beno) = zijn zoon | בא (ba) = kwam | אחריו (acharav) = achter hem | וישב (vayyashev) = en hij zat | לפניהם (lifneihem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:27** Sichem sprak voor Jakob en zijn zonen: „Als ik gunst mag vinden in jullie ogen, geef mij dan jullie dochter; en wat jullie ook tot mij zeggen, zal ik voor haar doen. Brontekst: וידבר (vayedabber) = en hij sprak | שכם (Shekhem) = Sichem | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | לאמור (lemor) = zeggende | אמצא (emtsa) = moge ik vinden | חן (chen) = gunst | בעיניכם (be'eineikhem) = in jullie ogen | אשר (asher) = wat | תתנו (titenu) = jullie geven | אלי (elai) = mij | בתכם (bittekhem) = jullie dochter | ואשר (va'asher) = en wat | תאמרו (tomru) = jullie zeggen | אלי (elai) = mij | אעשה (e'eseh) = ik zal doen | לה (lah) = voor haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:11–12. Zie ook: Gen 34:11–12 **33:28** Leg mij zeer veel bruidsschat en gift op, en ik zal het geven; en wat jullie tot mij zeggen zal ik doen, en wie zich verzet tegen wat jullie zeggen, zal sterven; geef mij het meisje tot vrouw.” Brontekst: הרבו (harbu) = maak veel | עלי (alay) = op mij | מאוד (me'od) = zeer | מוהר (mohar) = bruidsschat | ומתן (umattan) = en gift | ואתנה (ve'ettenah) = en ik zal geven | ואשר (va'asher) = en wat | תאמרו (tomru) = jullie zeggen | אלי (elai) = tot mij | אעשה (e'eseh) = ik zal doen | ואשר (va'asher) = en wie | ימרה (yamreh) = zich verzet tegen | את (et) = (obj.) | פיכם (pikhem) = jullie mond | ימות (yamut) = zal sterven | ותנו (utenu) = en geef | לי (li) = mij | את (et) = (obj.) | הנערה (hanna'arah) = het meisje | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De list van Simeon en Levi **33:29** Simeon en Levi antwoordden Hamor en zijn zoon Sichem met list: „Alles wat jullie tot ons hebben gesproken, zullen wij zo voor jullie doen; Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | את (et) = (obj.) | חמור (chamor) = Hamor | ואת (ve'et) = en (obj.) | שכם (Shekhem) = Sichem | בנו (beno) = zijn zoon | במרמה (bemirmah) = met list | לאמור (lemor) = zeggende | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | דיברתם (dibbartem) = jullie hebben gesproken | אלינו (elenu) = tot ons | כן (ken) = zo | נעשה (na'aseh) = wij zullen doen | לכם (lakhem) = aan jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:13. Zie ook: Gen 34:13 **33:30** en zie, onze zus is in jullie huis. Maar laat het rusten tot wij naar onze vader Isaak hebben gezonden over deze zaak. Brontekst: והנה (vehinneh) = en zie | אחותינו (achotenu) = onze zus | בביתכם (bevetkhem) = in jullie huis | אך (akh) = maar | הרפו (harpu) = laat het rusten | ממנו (mimmennu) = ervan | עד (ad) = tot | אשר (asher) = (dat) | נשלח (nishlach) = wij zullen zenden | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אבינו (avinu) = onze vader | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:31** Want wij kunnen niets doen zonder zijn woord, want hij kent de wegen van onze vader Abraham; en wat hij tot ons zal zeggen, zullen wij jullie vertellen; wij zullen niets voor jullie verbergen.” Brontekst: כי (ki) = want | לא (lo) = niet | נוכל (nukhal) = wij kunnen | לעשות (la'asot) = om te doen | דבר (davar) = iets | בלתי (bilti) = zonder | דברו (dabberu) = zijn woord | כי (ki) = want | הוא (hu) = hij | ידע (yada) = kent | את (et) = (obj.) | דרכי (darkhei) = wegen van | אברהם (avraham) = Abraham | אבינו (avinu) = onze vader | והיה (vehayah) = en het zal zijn | הדבר (haddavar) = het woord | אשר (asher) = wat | יאמר (yomar) = zal zeggen | אלינו (elenu) = tot ons | והגדנו (vehiggadnu) = en wij zullen vertellen | אליכם (aleikhem) = tot jullie | לא (lo) = niet | נכחד (nakchid) = wij zullen verbergen | מכם (mikkem) = van jullie | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:32** Simeon en Levi spraken dit tot Sichem en zijn vader om een voorwendsel te vinden en raad te zoeken over wat te doen aan Sichem en zijn stad in deze zaak. Brontekst: ושמעון (veShim'on) = en Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | דברו (dabberu) = zij spraken | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אל (el) = tegen | שכם (Shekhem) = Sichem | ואל (ve'el) = en tegen | אביו (aviv) = zijn vader | למען (lema'an) = opdat | מצוא (metso) = om te vinden | עלילה (alilah) = voorwendsel | ולבקש (uleva-qesh) = en te zoeken | עצה (etsah) = raad | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | אל (el) = aan | שכם (Shekhem) = Sichem | ואל (ve'el) = en aan | עירו (iro) = zijn stad | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:33** Toen Sichem en zijn vader de woorden van Simeon en Levi tot hen hoorden, behaagde het hun, en Sichem en zijn vader gingen weg en gingen naar hun huis. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen zij hoorden | שכם (Shekhem) = Sichem | ואביו (ve'aviv) = en zijn vader | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | אליהם (aleihem) = tot hen | וייטב (vayyitav) = en het behaagde | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | שכם (Shekhem) = Sichem | ואביו (ve'aviv) = en zijn vader | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אל (el) = naar | ביתם (beytam) = hun huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:34** Toen zij gegaan waren, spraken de zonen van Jakob tot hun vader: „Zie, ik weet dat het doodvonnis geldt voor deze goddelozen en voor hun stad, omdat zij hebben overtreden wat onze Elohim Noach en zijn zonen en zijn nageslacht na hem had geboden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בלכתם (belekhtam) = toen zij gingen | וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tegen | אביהם (avihem) = hun vader | לאמור (lemor) = zeggende | הנה (hinneh) = zie | ידעתי (yada'ti) = ik weet | כי (ki) = dat | משפט (mishpat) = vonnis van | מות (mot) = dood | יש (yesh) = is | לרשעים (larsha'im) = voor de goddelozen | האלה (ha'elleh) = deze | ולעירם (ule'iram) = en voor hun stad | כי (ki) = omdat | עברו (avru) = hebben overtreden | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = wat | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | את (et) = (obj.) | נח (Noach) = Noach | ואת (ve'et) = en (obj.) | בניו (banav) = zijn zonen | וזרעו (vezar'o) = en zijn nageslacht | אחריו (acharav) = na hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:7. Zie ook: Gen 34:7 **33:35** En ook omdat hij dit aan onze zus Dina heeft gedaan en haar onrein heeft gemaakt, want zo’n schanddaad zal in ons midden tot in eeuwigheid niet gedaan worden. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | אשר (asher) = omdat | עשה (asah) = heeft gedaan | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לדינה (ledinah) = aan Dina | אחותינו (achotenu) = onze zus | אשר (asher) = die | טמא (timme) = had onrein gemaakt | אותה (otah) = haar | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | תעשה (ta'aseh) = zal gedaan worden | הנבלה (hannevalah) = de schanddaad | הזאת (hazzo't) = deze | בתוכנו (betokhenu) = in ons midden | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:36** Bedenk nu wat jullie zullen doen, en zoek raad en voorwendsel wat met hen te doen, om alle bewoners van deze stad te doden.” Brontekst: עתה (attah) = nu | דעו (de'u) = weet | וראו (ure'u) = en zie | מה (mah) = wat | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | ובקשו (uvaqshu) = en zoek | עצה (etsah) = raad | ועלילה (ve'alilah) = en voorwendsel | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | להם (lahem) = met hen | להמית (lehamit) = te doden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | הזאת (hazzo't) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:13. Zie ook: Gen 34:13 ### Het plan **33:37** Simeon zei tegen hen: „Hier is een goed plan voor jullie: zeg tot hen dat elke man bij hen besneden moet worden zoals wij besneden zijn. En als zij dat niet willen, nemen wij onze dochter van hen af en gaan weg. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | שמעון (Shim'on) = Simeon | הנה (hinneh) = zie | לכם (lakhem) = voor jullie | עצה (etsah) = een plan | נכונה (nekhonah) = goed | אשר (asher) = die | תאמרו (tomru) = zegt | אליהם (aleihem) = tot hen | להמול (lehimmol) = besneden te worden | להם (lahem) = bij hen | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk | כאשר (ka'asher) = zoals | אנחנו (anachnu) = wij | נמולים (nemulim) = besneden | ואם (ve'im) = en indien | לא (lo) = niet | יחפצו (yachpetsu) = zij willen | להם (lahem) = voor zich | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ולקחנו (velaqachnu) = en wij zullen nemen | את (et) = (obj.) | בתנו (bittenu) = onze dochter | מאיתם (me'itam) = bij hen vandaan | והלכנו (vehalakhnu) = en wij zullen gaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het plan van Simeon om de mannen te besnijden en hen dan te doden staat niet als zodanig in Genesis. Zie Gen. 34:13–15 en Gen. 34:25. Zie ook: Gen 34:13–15; Gen 34:15; Gen 34:25 **33:38** Als zij toestemmen dit te doen en het doen, dan zullen wij, wanneer zij pijn lijden, met ons zwaard over hen komen, over een volk dat rustig en vertrouwend is, en wij zullen elke man onder hen doden.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = wanneer | יאבו (yo'vu) = toestemmen | לעשות (la'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ועשו (ve'esav) = en zij deden | אותו (oto) = het | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בהיותם (bihyotam) = terwijl zij waren | כואבים (ko'avim) = pijn lijdend | ובאנו (uva'nu) = en wij zullen komen | בחרבנו (becharbenu) = met ons zwaard | עליהם (aleihem) = over hen | על (al) = over | עם (im) = een volk | שוקט (shoqet) = rustig | ובוטח (uvotéach) = en vertrouwend | והרגנו (vehargnu) = en wij zullen doden | להם (lahem) = onder hen | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:39** Het plan van Simeon behaagde hun, en Simeon en Levi besloten zo met hen te handelen. Brontekst: ותיטב (vatitav) = en het behaagde | עצת (atsat) = het plan van | שמעון (Shim'on) = Simeon | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | לעשות (la'asot) = om te doen | להם (lahem) = met hen | כדבר (kidvar) = zoals het woord | הזה (hazzeh) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het antwoord **33:40** De volgende ochtend kwamen Sichem en zijn vader Hamor opnieuw bij Jakob en zijn zonen, om over Dina te spreken en te horen wat de zonen van Jakob op hun woorden zouden antwoorden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ממחרת (mimmochorat) = de volgende dag | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | שכם (Shekhem) = Sichem | וחמור (vachamor) = en Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | עוד (od) = opnieuw | אל (el) = naar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואל (ve'el) = en naar | בנו (beno) = zijn zonen | לדבר (laddavar) = om te spreken | על (al) = omtrent | אודות (odot) = (samen: omtrent) | דינה (Dinah) = Dina | ולשמוע (ulishmo'a) = en te horen | מה (mah) = wat | ישיבו (yashivu) = zullen antwoorden | אותם (otam) = hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = op | דבריהם (divreihem) = hun woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ואל בנו (‘en tot zijn zoon’) staat er; gelezen als ואל בניו, ‘en tot zijn zonen’. **33:41** De zonen van Jakob spraken met list tot hen: „Wij hebben al jullie woorden aan onze vader Isaak verteld, en jullie woorden behaagden hem. Brontekst: וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | אליהם (aleihem) = tot hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במרמה (bemirmah) = met list | לאמור (lemor) = zeggende | הגד (hagged) = zeker | הגדנו (higgadnu) = wij hebben verteld | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דבריכם (divreikhem) = jullie woorden | לאבינו (le'avinu) = aan onze vader | ליצחק (leyitschaq) = aan Isaak | וייטבו (veyitevu) = en zij behaagden | דבריכם (divreikhem) = jullie woorden | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 34:13 **33:42** Maar hij sprak tot ons: ‘Zo heeft Abraham, zijn vader, hem geboden van onze Elohim, de Heer van heel de aarde: ieder man die niet van zijn nageslacht is en een van zijn dochters wil nemen, moet bij zich elke man laten besnijden zoals wij besneden zijn; daarna mogen wij hem onze dochter tot vrouw geven.’ Brontekst: אך (akh) = maar | דיבר (dibber) = hij sprak | אלינו (elenu) = tot ons | לאמור (lemor) = zeggende | כה (koh) = zo | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אברהם (avraham) = Abraham | אביו (aviv) = zijn vader | אותו (oto) = hem | מאת (me'et) = van | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | אדון (Adon) = heer | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | כי (ki) = dat | כל (kol) = ieder | איש (ish) = man | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | מבניו (mibbanav) = van zijn zonen | אשר (asher) = die | יחפוץ (yachpots) = wil | לקחת (laqachat) = om te nemen | מבנותיו (mibbenotav) = van zijn dochters | ומל (umal) = en laat besnijden | לו (lo) = bij zich | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk | כאשר (ka'asher) = zoals | אנחנו (anachnu) = wij | נמולים (nemulim) = besneden | ואחר (ve'achar) = en daarna | ניתן (nitten) = wij zullen geven | לו (lo) = hem | את (et) = (obj.) | בתנו (bittenu) = onze dochter | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:14–17. De besnijdenis: zie Gen. 17:10–14. Zie ook: Gen 17:10–14; Gen 34:14–17 **33:43** Nu hebben wij jullie al onze wegen bekendgemaakt die onze vader tot ons sprak, want wij kunnen deze zaak, waarover jullie tot ons spraken, niet doen: onze dochter geven aan een man die een voorhuid heeft, want dat is een schande voor ons. Brontekst: עתה (attah) = nu | הודענו (hodanu) = wij hebben bekendgemaakt | לכם (lakhem) = aan jullie | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דרכינו (derakhenu) = onze wegen | אשר (asher) = wat | דיבר (dibber) = had gesproken | אלינו (elenu) = tot ons | אבינו (avinu) = onze vader | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | נוכל (nukhal) = kunnen wij | לעשות (la'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = waarover | דיברתם (dibbartem) = jullie hebben gesproken | אלינו (elenu) = tot ons | לתת (latet) = te geven | את (et) = (obj.) | בתנו (bittenu) = onze dochter | לאיש (le'ish) = aan een man | אשר (asher) = die | לו (lo) = hij heeft | ערלה (orlah) = voorhuid | כי (ki) = want | חרפה (cherpah) = schande | היא (hi) = is | לנו (lanu) = voor ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:44** Maar hierin willen wij jullie ter wille zijn: jullie onze dochter te geven en voor ons jullie dochters te nemen, en wij zullen bij jullie wonen en één volk worden zoals jullie hebben gesproken, als jullie luisteren en bereid zijn te zijn zoals wij: dat bij jullie elke man besneden wordt zoals wij besneden zijn. Brontekst: בזאת (bezot) = hierin | נאות (ne'ot) = stemmen wij toe | לכם (lakhem) = jullie | לתת (latet) = te geven | לכם (lakhem) = aan jullie | את (et) = (obj.) | בתנו (bittenu) = onze dochter | ולקחת (velaqachat) = en te nemen | לנו (lanu) = voor ons | את (et) = (obj.) | בנותיכם (benotekhem) = jullie dochters | וישבנו (veyashavnu) = en wij zullen wonen | איתכם (ittekhem) = met jullie | והיינו (vehayinu) = en wij zullen worden | לעם (le'am) = tot een volk | אחד (echad) = één | כאשר (ka'asher) = zoals | דיברתם (dibbartem) = jullie hebben gesproken | אם (em) = indien | תשמעו (tishme'u) = jullie luisteren | ותאבו (vetove'u) = en jullie willen | אלינו (elenu) = naar ons | להיות (lihyot) = te zijn | כמונו (kamonu) = zoals wij | להמול (lehimmol) = besneden te worden | לכם (lakhem) = bij jullie | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk | כאשר (ka'asher) = zoals | אנחנו (anachnu) = wij | נמולים (nemulim) = besneden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:45** En als jullie niet naar ons luisteren om besneden te worden zoals wij, zoals wij hebben geboden, dan komen wij naar jullie, nemen onze dochter van jullie af en gaan weg.” Brontekst: ואם (ve'im) = en als | לא (lo) = niet | תשמעו (tishme'u) = jullie luisteren | אלינו (elenu) = naar ons | להמול (lehimmol) = besneden te worden | כמונו (kamonu) = zoals wij | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוינו (tsivvinu) = wij hebben geboden | אנחנו (anachnu) = wij | ובאנו (uva'nu) = en wij zullen komen | אליכם (aleikhem) = tot jullie | ולקחנו (velaqachnu) = en wij zullen nemen | את (et) = (obj.) | בתנו (bittenu) = onze dochter | מאתכם (me'itkhem) = van jullie | והלכנו (vehalakhnu) = en wij zullen gaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:46** Sichem en zijn vader Hamor luisterden naar de zonen van Jakob om hun woorden uit te voeren, want Sichem had zeer behagen in Dina en zijn ziel kleefde aan haar. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij luisterden | שכם (Shekhem) = Sichem | וחמור (vachamor) = en Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | לעשות (la'asot) = om te doen | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | חפץ (chafets) = had behagen | שכם (Shekhem) = Sichem | בדינה (bedinah) = in Dina | מאוד (me'od) = zeer | ונפשו (venafsho) = en zijn ziel | דבקה (devaqah) = kleefde | בה (bah) = aan haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 34:18 ### De besnijdenis van Sichem **33:47** Sichem en zijn vader Hamor haastten zich naar de poort van hun stad, verzamelden alle mannen van hun stad en vertelden hun de woorden van de zonen van Jakob: Brontekst: וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | שכם (Shekhem) = Sichem | וחמור (vachamor) = en Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אל (el) = naar | שער (sha'ar) = poort van | עירם (iram) = hun stad | ויאספו (vaye'esfu) = en zij verzamelden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | עירם (iram) = hun stad | וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | אליהם (aleihem) = tot hen | דברי (divrei) = woorden van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:18–24. Zie ook: Gen 34:18–24; Gen 34:20 **33:48** „Wij kwamen bij die mannen, de zonen van Jakob, en wij spraken met hen over alles aangaande hun dochter, en die mannen stemden met ons in om al onze woorden te doen — en bovendien: zie, ons land is ruim voor hen, en zij zullen er wonen en er handel drijven, en wij zullen één volk met hen worden; hun dochters nemen wij voor ons, en onze dochters geven wij hun tot vrouwen. Brontekst: באנו (ba'nu) = wij zijn gekomen | אל (el) = bij | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ונדבר (venedabber) = en wij spraken | אליהם (aleihem) = met hen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אודות (odot) = aangaande | בתם (bittam) = hun dochter | ויאותו (vaye'otu) = en zij stemden toe | לנו (lanu) = met ons | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | לעשות (la'asot) = om te doen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דברינו (devarenu) = onze woorden | וגם (vegam) = en ook | הם (hem) = zij | הנה (hinneh) = zie | ארצנו (artsenu) = ons land | רחבת (rachavat) = ruim | ידים (yadayim) = (samen: ruim) | לפניהם (lifneihem) = voor hen | וישבו (vayeshvu) = en zij wonen | בה (bah) = in haar | ויסחרו (veyischaru) = en zij zullen handel drijven | אותה (otah) = erin | והיינו (vehayinu) = en wij zullen worden | לעם (le'am) = tot een volk | אחד (echad) = één | עמהם (immahem) = met hen | בנותם (benotam) = hun dochters | ניקח (niqach) = wij zullen nemen | לנו (lanu) = voor ons | ובנותינו (uvenotenu) = en onze dochters | ניתן (nitten) = wij zullen geven | להם (lahem) = aan hen | לנשים (lenashim) = tot vrouwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:49** Maar alleen hierin zullen die mannen met ons instemmen in deze zaak: dat bij ons elke man besneden wordt zoals zij besneden zijn, zoals hun door hun Elohim is geboden. En wanneer wij al hun woorden hebben gedaan om besneden te worden, zullen zij bij ons wonen, en al hun vee en bezit is dan van ons, en wij zullen één volk met hen worden.” Brontekst: אך (akh) = alleen | בזאת (bezot) = hierin | יאותו (ye'otu) = zij zullen toestemmen | לנו (lanu) = met ons | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | לדבר (laddavar) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | להמול (lehimmol) = besneden te worden | לנו (lanu) = bij ons | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk | כאשר (ka'asher) = zoals | הם (hem) = zij | נמולים (nemulim) = besneden | כאשר (ka'asher) = zoals | צוו (tsuvvu) = zijn geboden | מאלוקיהם (me'Elohehem) = door hun Elohim | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בעשותינו (be'asotenu) = wanneer wij doen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דבריהם (divreihem) = hun woorden | להימול (lehimmol) = besneden te worden | לנו (lanu) = wij | וישבו (vayeshvu) = en zij zullen wonen | איתנו (ittanu) = met ons | וכל (vekhol) = en alle | מקניהם (miqneihem) = hun vee | וקניינם (veqinyanam) = en hun bezit | לנו (lanu) = van ons | הוא (hu) = zal zijn | והיינו (vehayinu) = en wij zullen worden | לעם (le'am) = tot een volk | אחד (echad) = één | איתם (ittam) = bij hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:50** Toen alle mannen van de stad alle woorden van Sichem en zijn vader Hamor hoorden, stemden alle mannen van hun stad in met deze zaak, en zij luisterden naar hen om besneden te worden, want Sichem en zijn vader Hamor waren zeer geëerd bij hen, want zij waren de vorsten van het land. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen zij hoorden | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | שכם (Shekhem) = Sichem | וחמור (vachamor) = en Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | ויאותו (vaye'otu) = en zij stemden toe | להם (lahem) = met hen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | עירם (iram) = hun stad | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וישמעו (vayishme'u) = en zij luisterden | להם (lahem) = naar hen | להמול (lehimmol) = besneden te worden | כי (ki) = want | היו (hayu) = zij waren | שכם (Shekhem) = Sichem | וחמור (vachamor) = en Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | נכבדים (nikhbadim) = geëerd | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | הם (hem) = zij | נשיאי (nesi'ei) = vorsten van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **33:51** De volgende dag stonden Sichem en zijn vader Hamor 's morgens vroeg op, verzamelden alle mannen van hun stad in het midden van de stad en riepen de zonen van Jakob, en zij besneden elke man van hen op die dag en de dag daarna. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ממחרת (mimmochorat) = de volgende dag | וישכימו (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | שכם (Shekhem) = Sichem | וחמור (vachamor) = en Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | ויקבצו (vayiqbetsu) = en zij verzamelden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | עירם (iram) = hun stad | אל (el) = in | תוך (tokh) = het midden van | העיר (ha'ir) = de stad | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | אל (el) = de | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וימולו (vayamullu) = en zij besneden | להם (lahem) = hun | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ומחרתו (umochorato) = en de dag daarna Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:24. Zie ook: Gen 34:24 **33:52** Zij besneden Sichem en zijn vader Hamor en de vijf broers van Sichem; toen stonden zij op en ging ieder naar zijn huis. Want van Yahweh was deze zaak voor de stad Sichem, en van Yahweh was het plan van Simeon in deze zaak, opdat Yahweh de stad Sichem zou geven in de hand van de twee zonen van Jakob. Brontekst: ואת (ve'et) = en (obj.) | שכם (Shekhem) = Sichem | ואת (ve'et) = en (obj.) | חמור (chamor) = Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | מלו (mullu) = zij besneden | ואת (ve'et) = en (obj.) | חמשת (chamishat) = vijf | אחי (echi) = broers van | שכם (Shekhem) = Sichem | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וישב (vayyashev) = en hij keerde terug | כל (kol) = ieder | אחד (echad) = één | בביתו (beveyto) = in zijn huis | כי (ki) = want | מיהוה (meYahweh) = van Yahweh | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לעיר (la'ir) = over de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | ומאת (umeat) = en van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היתה (hayetah) = was | עצת (atsat) = raad van | שמעון (Shim'on) = Simeon | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | למען (lema'an) = opdat | תת (tet) = geven | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | ביד (beyad) = in de hand van | שני (shenei) = twee | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:24. De opmerking dat deze zaak van Yahweh was, staat niet in Genesis. Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie ook: Gen 34:24 ## Jasher 34 _Nasleep van Sichem; Jasjub van Tappuach_ ### De onbesneden mannen **34:1** Het aantal van alle mannelijke personen die in de stad waren en besneden werden, was zeshonderdvijfenveertig man; van de kinderen waren het er tweehonderdzesenzeventig. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het was | מספר (mispar) = aantal | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | בעיר (ba'ir) = in de stad | אשר (asher) = die | נמולו (nemulu) = werden besneden | שש (shesh) = zes | מאות (me'ot) = honderd | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | וחמישה (vachamishah) = en vijf | איש (ish) = man | והילדים (vehayeladim) = en de kinderen | מאתים (matayim) = tweehonderd | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | ושישה (veshishah) = en zes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: מאתים ושבעים ושישה (‘tweehonderdzesenzeventig’) staat er; de Engelse vertaling heeft tweehonderdzesenveertig. Zie ook: Gen 34:24 **34:2** Alleen Chiddekem, de zoon van Pered, de vader van Hamor, en zes van zijn broers luisterden niet naar Sichem en naar zijn vader Hamor, en zij lieten zich niet besnijden, want wat de zonen van Jakob hadden gezegd, was weerzinwekkend in hun ogen, en hun toorn laaide zeer op over deze zaak, omdat de mannen van de stad niet naar hen hadden geluisterd. Brontekst: אך (akh) = alleen | חדקם (Chiddeqem) = Chiddekem | בן (ben) = zoon van | פרד (Pered) = Pered | אבי (avi) = vader van | חמור (chamor) = Hamor | ושישה (veshishah) = en zes | אחיו (achiv) = zijn broers | לא (lo) = niet | שמעו (shame'u) = zij hoorden | אל (el) = naar | שכם (Shekhem) = Sichem | ואל (ve'el) = en naar | חמור (chamor) = Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | ולא (velo) = en niet | מלו (mullu) = lieten zich besnijden | כי (ki) = want | היה (hayah) = hij was | דבר (davar) = woord | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | נמאס (nim'as) = was weerzinwekkend | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפם (appam) = hun toorn | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = omdat | לא (lo) = niet | שמעו (shame'u) = zij hoorden | להם (lahem) = naar hen | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: חדקם (Chiddekem), de zoon van Pered, is de vader van Hamor en dus de grootvader van Sichem. Hij en zijn broers komen in Genesis niet voor; zie Gen. 34:18–24 voor de instemming van de mannen van de stad. Zie ook: Gen 34:18–24 **34:3** Op de avond van de tweede dag vonden zij acht kleine kinderen die niet besneden waren, want hun moeders hadden hen verborgen voor Hamor en zijn zoon Sichem en voor de mannen van de stad. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השני (hasheni) = de tweede | בערב (ba'erev) = in de avond | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | שמונה (shemonah) = acht | ילדים (yeladim) = kinderen | קטנים (qetannim) = kleine | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | מלו (mullu) = besneden | אותם (otam) = hen | כי (ki) = want | החביאום (hechbi'um) = hadden hen verborgen | אמותם (immotam) = hun moeders | מפני (mippenei) = voor | חמור (chamor) = Hamor | ושכם (ushkhem) = en Sichem | בנו (beno) = zijn zoon | ומפני (umippnei) = en voor | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:25 (op de derde dag, toen zij pijn hadden). Zie ook: Gen 34:25 **34:4** Sichem en zijn vader Hamor zonden naar hen om hen voor zich te laten brengen en hen te besnijden; toen sprongen Chiddekem en zijn zes broers met hun zwaarden op hen af en probeerden hen te doden. Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | אליהם (aleihem) = naar hen | שכם (Shekhem) = Sichem | וחמור (vachamor) = en Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | להביאם (lehavi'am) = om hen te brengen | לפניהם (lifneihem) = voor zich | ולמולם (ulmolam) = en om hen te besnijden | וידלגו (vayedallegu) = en zij sprongen | עליהם (aleihem) = op hen | חדקם (Chiddeqem) = Chiddekem | וששת (veshishshat) = en zes van | אחיו (achiv) = zijn broers | בחרבותיהם (bacharvotam) = met hun zwaarden | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | להמיתם (lehamitam) = hen te doden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:5** Zij probeerden ook Sichem en zijn vader Hamor te doden, en ook Dina wilden zij met hen doden, vanwege deze zaak. Brontekst: ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | להמית (lehamit) = te doden | גם (gam) = ook | את (et) = (obj.) | שכם (Shekhem) = Sichem | ואת (ve'et) = en (obj.) | חמור (chamor) = Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | להמית (lehamit) = te doden | גם (gam) = ook | דינה (Dinah) = Dina | עמהם (immahem) = met hen | על (al) = vanwege | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het verwijt van Chiddekem **34:6** Zij zeiden tot hen: „Wat is deze daad die jullie hebben gedaan? Is er onder de dochters van al jullie broers, de Kanaänieten, geen vrouw? Toch nemen jullie er een uit de dochters van de Hebreeën, die jullie tevoren niet kenden, en doen jullie heel deze daad, die jullie vaderen jullie nooit hebben geboden! Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | מה (mah) = wat | המעשה (hamma'aseh) = de daad | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | האין (ha'ein) = is er niet | בבנות (bivnot) = onder de dochters van | כל (kol) = alle | אחיכם (acheikhem) = jullie broers | הכנענים (hakkena'anim) = de Kanaänieten | אישה (ishah) = een vrouw | כי (ki) = dat | תקחו (tiqchu) = jullie nemen | לכם (lakhem) = voor jullie | מבנות (mibbenot) = uit de dochters van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ידעתם (yeda'tem) = jullie kenden | תמול (tmol) = gisteren | שלשום (shilshom) = eergisteren | ותעשו (vata'asu) = en jullie doen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | המעשה (hamma'aseh) = de daad | הזה (hazzeh) = deze | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = wat | לא (lo) = niet | ציוו (tsivvu) = hebben geboden | אתכם (etkhem) = jullie | אבותיכם (avotekhem) = jullie vaderen | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:7** Denken jullie dat jullie zullen slagen met deze daad die jullie hebben gedaan? En wat zullen jullie in deze zaak antwoorden aan jullie broers, de Kanaänieten? Want zij zullen morgen komen en jullie naar deze zaak vragen. Brontekst: התחשבו (hatchashevu) = denken jullie | כי (ki) = dat | תצליחו (tatslichu) = jullie zullen slagen | במעשה (bema'aseh) = met deze daad | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | ומה (umah) = en wat | תשיבו (tashivu) = jullie antwoorden | ותענו (vetaanu) = en jullie antwoorden | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לאחיכם (le'acheikhem) = aan jullie broers | הכנענים (hakkena'anim) = de Kanaänieten | כי (ki) = want | יבואו (yavo'u) = zij zullen komen | מחר (machar) = morgen | וישאלו (vayish'alu) = en zullen vragen | אתכם (etkhem) = jullie | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:8** En als wat jullie hebben gedaan niet recht en niet goed is in hun ogen, wat zullen jullie dan doen voor jullie levens en voor onze levens, wij naar wie jullie niet hebben geluisterd? Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | לא (lo) = niet | יישר (yiyashar) = recht zal zijn | ולא (velo) = en niet | ייטב (yetav) = goed zal zijn | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen | את (et) = (obj.) | מעשיכם (ma'aseykhem) = jullie daden | ומה (umah) = en wat | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | לכם (lakhem) = voor jullie | על (al) = voor | נפשותיכם (nafshotekhem) = jullie levens | ועל (ve'al) = en voor | נפשותינו (nafshotenu) = onze levens | אנחנו (anachnu) = wij | אשר (asher) = naar wie | לא (lo) = niet | שמעתם (shema'tem) = jullie hebben geluisterd | בקולנו (beqolenu) = naar onze stem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:9** En wanneer alle bewoners van het land en al jullie broers, de zonen van Cham, jullie daden horen en zeggen: Brontekst: וכי (vekhi) = en wanneer | ישמעו (yishme'u) = zij horen | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | וכל (vekhol) = en alle | אחיכם (acheikhem) = jullie broers | בני (bnei) = zonen van | חם (Cham) = Cham | את (et) = (obj.) | מעשיכם (ma'aseykhem) = jullie daden | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:10** ‘Om een Hebreeuwse vrouw hebben Sichem en zijn vader Hamor en alle bewoners van hun stad gedaan wat zij niet kenden en wat hun vaderen hun nooit hebben geboden!’ Waarheen zullen jullie vluchten, en waarheen zullen jullie jullie smaad dragen, al de dagen, voor de bewoners van het land Kanaän, jullie broers? Brontekst: בעבור (ba'avur) = om | אישה (ishah) = een vrouw | עברית (ivriyyah) = een Hebreeuwse | עשו (asu) = hebben gedaan | שכם (Shekhem) = Sichem | וחמור (vachamor) = en Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | עירם (iram) = hun stad | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = wat | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | ולא (velo) = en niet | ציוום (tsivvum) = hebben hen geboden | אבותיהם (avoteihem) = hun vaderen | עד (ad) = nooit | עולם (olam) = (samen: nooit) | אנה (anah) = waarheen | תנוסו (tanusu) = jullie zullen vluchten | ואנה (ve'anah) = en waarheen | תוליכו (tolikhu) = jullie zullen dragen | את (et) = (obj.) | חרפתכם (cherpatkhem) = jullie smaad | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | לפני (lifnei) = voor | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | אחיכם (acheikhem) = jullie broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **34:11** En nu, wij kunnen tegenover deze zaak die jullie hebben gedaan niet standhouden, en wij kunnen dit juk, dat onze vaderen ons niet hebben geboden, niet dragen en niet torsen. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | לא (lo) = niet | נוכל (nukhal) = wij kunnen | לעמוד (la'amod) = stand te houden | בדבר (bedabber) = tegenover de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | ולא (velo) = en niet | נוכל (nukhal) = kunnen wij | לסבול (lisbol) = te dragen | ולשאת (velasset) = en te torsen | את (et) = (obj.) | העול (ha'ol) = het juk | הזה (hazzeh) = deze | עלינו (aleinu) = op ons | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | ציוו (tsivvu) = hebben geboden | אבותינו (avotenu) = onze vaders | לנו (lanu) = ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:12** Zie, morgen gaan wij al onze broers verzamelen, de Kanaänieten die in heel het land wonen, en wij komen allen samen en slaan jullie en allen op wie jullie vertrouwen, en wij laten voor hen en voor jullie geen overlevende over.” Brontekst: הנה (hinneh) = zie | אנחנו (anachnu) = wij | למחר (lemacharat) = morgen | והלכנו (vehalakhnu) = en wij zullen gaan | ואספנו (ve'asafnu) = en wij zullen verzamelen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אחינו (acheinu) = onze broers | הכנענים (hakkena'anim) = de Kanaänieten | היושבים (hayoshevim) = die wonen | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | ובאנו (uva'nu) = en wij zullen komen | כולנו (kulanu) = wij allen | יחד (yachad) = samen | ונכה (venakkeh) = en wij zullen slaan | אתכם (etkhem) = jullie | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wie | אתם (ittam) = jullie | בוטחים (botechim) = vertrouwend | עליהם (aleihem) = op hen | ולא (velo) = en niet | נשאיר (nash'ir) = wij laten overblijven | להם (lahem) = aan hen | ולכם (velakhem) = en voor jullie | שריד (sarid) = overlevende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:13** Toen Hamor en zijn zoon Sichem en alle mannen van de stad de woorden van Chiddekem en zijn broers hoorden, werden zij bevreesd en vreesden zeer voor hun leven vanwege hun woorden, en zij kregen berouw van alles wat zij hadden gedaan. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen zij hoorden | חמור (chamor) = Hamor | ושכם (ushkhem) = en Sichem | בנו (beno) = zijn zoon | וכל (vekhol) = en alle | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | חדקם (Chiddeqem) = Chiddekem | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | ויפחדו (vayifchadu) = en zij werden bevreesd | ויראו (vayiru) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | לנפשם (lenafsham) = voor hun leven | מדבריהם (middivreihem) = vanwege hun woorden | וינחמו (vayenachamu) = en zij kregen berouw | על (al) = over | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = hadden gedaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:14** Sichem en zijn vader Hamor antwoordden Chiddekem, hun vader, en zijn broers, en zeiden tot hen: „Alle woorden die jullie tot ons hebben gesproken, zijn juist. Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | שכם (Shekhem) = Sichem | וחמור (vachamor) = en Hamor | אביו (aviv) = zijn vader | את (et) = (obj.) | חדקם (Chiddeqem) = Chiddekem | אביהם (avihem) = hun vader | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de woorden | אשר (asher) = die | דיברתם (dibbartem) = jullie hebben gesproken | אלינו (elenu) = tot ons | נכונה (nekhonah) = juist | הוא (hu) = is het Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: אביהם (‘hun vader’): Chiddekem is de vader van Hamor (zie v. 2) en dus de grootvader van Sichem; bij Sichem betekent ‘hun vader’ hier ‘voorvader’. **34:15** Zeg nu niet, en denk niet in jullie hart, dat wij uit liefde voor de Hebreeën deze daad hebben gedaan, die onze vaderen ons niet hebben geboden. Brontekst: עתה (attah) = nu | אל (el) = niet | תאמרו (tomru) = zeg | ותחשבו (vetachshevu) = en denk | בלבבכם (bilvavkhem) = in jullie hart | כי (ki) = dat | מאהבת (me'ahavat) = uit liefde voor | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | עשינו (asinu) = wij hebben gedaan | את (et) = (obj.) | המעשה (hamma'aseh) = de daad | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ציוו (tsivvu) = hebben geboden | אותנו (otanu) = ons | אבותינו (avotenu) = onze vaders Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:16** Maar wij zagen dat zij niet van harte bereid waren ons verzoek over hun dochter te vervullen, zodat wij haar konden nemen, behalve op deze voorwaarde; daarom luisteren wij naar hun stem en doen wij deze daad die jullie hebben gezien, totdat wij van hen verkrijgen wat wij zochten. Brontekst: אך (akh) = maar | על (al) = omdat | כי (ki) = (dat) | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | היה (hayah) = was | לבם (libbam) = hun hart | וחפצם (vecheftsam) = en hun wens | לעשות (la'asot) = om te doen | דברינו (devarenu) = onze woorden | על (al) = omtrent | אודות (odot) = (samen: omtrent) | בתם (bittam) = hun dochter | לקחתה (laqachtah) = haar te nemen | לנו (lanu) = voor ons | כי (ki) = behalve | אם (em) = (samen: behalve) | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ונשמע (venishma) = en wij zullen luisteren | בקולם (beqolam) = naar hun stem | ונעש (vene'eseh) = en wij zullen doen | את (et) = (obj.) | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | עד (ad) = tot | אשר (asher) = dat | נמצא (nimtsa) = wij verkrijgen | את (et) = (obj.) | מבוקשנו (mevuqashenu) = ons verzoek | מהם (mehem) = van hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:18–24 (de instemming van Hamor en Sichem). Zie ook: Gen 34:18–24 **34:17** En wanneer wij van hen hebben verkregen wat wij verlangden, wat wij van hen vroegen, dan keren wij tegen hen terug en doen wij hun wat jullie ons zullen zeggen. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = wanneer | נמצא (nimtsa) = wij verkrijgen | את (et) = (obj.) | חפצנו (chefsenu) = onze wens | אשר (asher) = wat | שאלנו (sha'alnu) = wij vroegen | מהם (mehem) = van hen | ושבנו (veshavnu) = en wij zullen terugkeren | עליהם (aleihem) = op hen | ועשינו (ve'asinu) = en wij zullen doen | להם (lahem) = aan hen | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = wat | תאמרו (tomru) = jullie zeggen | אלינו (elenu) = tot ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:18** En nu, wacht toch af en neem de tijd, totdat ons vlees genezen is en wij sterk geworden zijn; dan gaan wij samen tegen hen op en doen wij hun wat in ons hart en in jullie hart was.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | חכו (chakku) = wacht | נא (na) = toch | והתמהמהו (vehitmahmehu) = en draal | עד (ad) = tot | אשר (asher) = dat | ירפא (yeraffe) = geneest | בשרינו (besarenu) = ons vlees | ונתחזק (venitchazzeq) = en wij sterk worden | והלכנו (vehalakhnu) = en wij zullen gaan | עליהם (aleihem) = tegen hen | יחד (yachad) = samen | ועשינו (ve'asinu) = en wij zullen doen | להם (lahem) = aan hen | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = wat | היה (hayah) = was | עם (im) = in | לבבינו (levavenu) = ons hart | ולבבכם (ulvavkhem) = en jullie hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Dina waarschuwt **34:19** Dina, de dochter van Jakob, hoorde al deze woorden die Chiddekem en zijn broers hadden gesproken, en wat Hamor en zijn zoon Sichem en de mannen van hun stad hun hadden geantwoord. Brontekst: ודינה (udinah) = en Dina | בת (bat) = dochter van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שמעה (shama'ah) = hoorde | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = wat | דיברו (dibberu) = spraken | חדקם (Chiddeqem) = Chiddekem | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | ואת (ve'et) = en (obj.) | אשר (asher) = wat | השיבו (heshivu) = antwoordden | אותם (otam) = hun | חמור (chamor) = Hamor | ושכם (ushkhem) = en Sichem | בנו (beno) = zijn zoon | ואנשי (ve'anshei) = en de mannen van | עירם (iram) = hun stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:20** Zij haastte zich en zond een van haar meisjes, die haar vader had gezonden om haar te bewaken in het huis van Sichem, naar Jakob, haar vader, en naar haar broers. Brontekst: ותמהר (vatemaher) = en zij haastte zich | ותשלח (vatishlach) = en zond | נערה (na'arah) = een meisje | אחת (achat) = één | מנערותיה (mina'arotehah) = van haar meisjes | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = had gezonden | אביה (aviha) = haar vader | לשמרה (leshomrah) = om haar te bewaken | בבית (babbayit) = in huis | שכם (Shekhem) = Sichem | אל (el) = naar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביה (aviha) = haar vader | ואל (ve'el) = en naar | אחיה (achiha) = haar broers | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:26 (Dina is in het huis van Sichem). Dat Jakob haar een meisje meegaf om haar te bewaken, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 34:26 **34:21** De slavin ging en vertelde Jakob en zijn zonen al hun woorden, met de woorden: „Zus en zo hebben Chiddekem en zijn broers over jullie beraadslaagd, en zus en zo hebben Hamor en Sichem en de mannen van hun stad hun geantwoord.” Brontekst: ותלך (vattelekh) = en zij ging | השפחה (hashifchah) = de slavin | ותגד (vatagged) = en vertelde | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דבריהם (divreihem) = hun woorden | אל (el) = aan | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואל (ve'el) = en naar | בניו (banav) = zijn zonen | לאמור (lemor) = zeggende | כזה (kazeh) = zus | וכזה (vekhazeh) = en zo | יעץ (ya'ats) = beraadslaagde | חדקם (Chiddeqem) = Chiddekem | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | עליכם (aleikhem) = over jullie | וכזאת (vekhazzot) = en zus | וכזאת (vekhazzot) = en zo | השיבו (heshivu) = antwoordden | להם (lahem) = aan hen | חמור (chamor) = Hamor | ושכם (ushkhem) = en Sichem | ואנשי (ve'anshei) = en de mannen van | עירם (iram) = hun stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:22** Toen Jakob en zijn zonen deze woorden hoorden, werden zij vol woede en gramschap over hen, en hun toorn laaide zeer op tegen hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen zij hoorden | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | את (et) = (obj.) | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | וימלאו (vayyimle'u) = en werden vol | חמה (chemah) = woede | וקצף (vaqetsef) = en gramschap | עליהם (aleihem) = tegen hen | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפם (appam) = hun toorn | עליהם (aleihem) = tegen hen | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De eed van Simeon en Levi **34:23** Simeon en Levi zwoeren en zeiden: „Zo waar Yahweh leeft, de Elohim van heel de aarde: morgen om deze tijd zal er in heel de stad geen overlevende en geen ontkomene overblijven!” Brontekst: וישבעו (vayishava'u) = en zij zwoeren | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | חי (chai) = leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | כי (ki) = dat | כעת (ke'et) = omstreeks | מחר (machar) = morgen | לא (lo) = niet | ישאר (yisha'er) = zal overblijven | בכל (bekhol) = in heel | עיר (ir) = stad | שריד (sarid) = overlevende | ופליט (ufalit) = en ontkomene Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: בכל עיר (‘in elke stad’) staat er; gelezen als בכל העיר, ‘in heel de stad’, zoals de Engelse vertaling heeft. Zie ook: Gen 34:25 **34:24** Twintig jonge mannen hadden zich verborgen, die niet besneden waren, en die jonge mannen streden met Simeon en Levi, en Simeon en Levi doodden twee van hen; en twee ontvluchtten hen en ontkwamen, en zij gingen en kwamen bij de asfaltputten die in de stad waren. Brontekst: ויתחבאו (vayitchabe'u) = en zij verborgen zich | עשרים (esrim) = twintig | בחורים (bachurim) = jonge mannen | ולא (velo) = en niet | מלו (mullu) = zij waren besneden | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | הבחורים (habbachurim) = de jonge mannen | ההם (hahem) = die | עם (im) = met | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | מהם (mehem) = van hen | שנים (shanim) = twee | ושנים (ushanim) = en twee | ברחו (barchu) = vluchtten | מהם (mehem) = van hen | וימלטו (vayimmaletu) = en ontkwamen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = naar | בארות (be'erot) = putten van | החמר (hachemar) = het asfalt | אשר (asher) = die | בעיר (ba'ir) = in de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: שנים (‘twee’) staat er voor het aantal gedoden; de Engelse vertaling heeft ‘achttien’, wat bij twintig jonge mannen min de twee ontkomenen past. **34:25** Simeon en Levi zochten hen en vonden hen niet; en Simeon en Levi gingen verder en liepen rond in de stad en doodden alle mannen van de stad met de scherpte van het zwaard; zij lieten geen overlevende over. Brontekst: ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ולא (velo) = en niet | ימצאום (yimtsa'um) = zij vonden hen | ויוסיפו (vayosifu) = en zij gingen verder | עוד (od) = opnieuw | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ויתהלכו (vayithallekhu) = en zij wandelden | בעיר (ba'ir) = in de stad | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | לא (lo) = niet | השאירו (hish'iru) = zij lieten over | שריד (sarid) = overlevende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:25–26. De eed van Simeon en Levi in v. 23 staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 34:25–26 **34:26** Er was een grote verwarring midden in de stad, en het geschreeuw van alle mensen van de stad steeg op naar de hemel, en alle vrouwen en alle kinderen riepen luid. Brontekst: ותהי (vatehi) = en er was | מהומה (mehumah) = verwarring | גדולה (gedolah) = grote | בתוך (betokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | ותעל (vata'al) = en steeg op | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | העיר (ha'ir) = de stad | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij riepen | כל (kol) = alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | וכל (vekhol) = en alle | הילדים (hayeladim) = de kinderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:27** Simeon en Levi doodden heel de stad; zij lieten geen man over in heel de stad. Brontekst: ושמעון (veShim'on) = en Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | הרגו (haragho) = doodden | כל (kol) = alle | העיר (ha'ir) = de stad | לא (lo) = niet | השאירו (hish'iru) = zij lieten over | זכר (zakhar) = mannelijk | בכל (bekhol) = in heel | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:28** Hamor en zijn zoon Sichem doodden zij met de scherpte van het zwaard, en zij brachten Dina uit het huis van Sichem en gingen vandaar weg. Brontekst: ואת (ve'et) = en (obj.) | חמור (chamor) = Hamor | ואת (ve'et) = en (obj.) | שכם (Shekhem) = Sichem | בנו (beno) = zijn zoon | הרגו (haragho) = doodden | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | ויוציאו (vayotsi'u) = en zij brachten uit | את (et) = (obj.) | דינה (Dinah) = Dina | מבית (mibbayit) = uit het huis van | שכם (Shekhem) = Sichem | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | משם (misham) = vandaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:26 (Hamor en Sichem gedood, Dina uit het huis van Sichem gehaald). Zie ook: Gen 34:26 **34:29** De zonen van Jakob gingen en keerden terug en kwamen over de gevallenen en plunderden al hun bezit, dat in de stad was en wat in het veld was. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | על (al) = op | החללים (hachalalim) = de gevallenen | ויבוזו (vayavuzu) = en zij plunderden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | חילם (cheilam) = hun bezit | אשר (asher) = die | בעיר (ba'ir) = in de stad | ואת (ve'et) = en (obj.) | אשר (asher) = die | בשדה (bassadeh) = in het veld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:27–29. Zie ook: Gen 34:27–29 **34:30** Terwijl zij al de buit aan het plunderen waren, stonden ongeveer driehonderd vrouwen tegen hen op en wierpen stof naar hen en sloegen hen met stenen; toen wendde Simeon zich tot hen en doodde hen allen met de scherpte van het zwaard, en Simeon keerde terug vóór Levi, en zij plunderden de stad. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הם (hem) = zij | בוזזים (bozezim) = plunderend | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | השלל (hashalal) = de buit | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden | עליהם (aleihem) = tegen hen | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | נשים (nashim) = vrouwen | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | עליהם (aleihem) = naar hen | עפר (afar) = stof | ויכום (vayakkum) = en zij sloegen hen | באבנים (ba'avanim) = met stenen | ויפן (vayyifen) = en hij wendde zich | אליהם (aleihem) = tot hen | שמעון (Shim'on) = Simeon | ויהרוג (veyahrog) = en hij doodde | את (et) = (obj.) | כולם (kullam) = allen | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | וישב (vayyashev) = en hij keerde terug | שמעון (Shim'on) = Simeon | לפני (lifnei) = vóór | לוי (Levi) = Levi | ויבוזו (vayavuzu) = en zij plunderden | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: נשים (‘vrouwen’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘mannen’ (אנשים). **34:31** Zij roofden ook het kleinvee en het rundvee en al het vee, en ook de rest van de vrouwen en de kleine kinderen; dat alles dreven zij voort, en zij openden de poort van de stad en gingen uit en kwamen met kracht bij hun vader Jakob. Brontekst: ויבוזו (vayavuzu) = en zij plunderden | גם (gam) = ook | את (et) = (obj.) | צאן (tson) = kleinvee | ואת (ve'et) = en (obj.) | הבקר (habbaqar) = het rundvee | וכל (vekhol) = en alle | הבהמה (habbehemah) = het vee | בזזו (bazezu) = plunderden | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (obj.) | יתר (yeter) = de rest van | הנשים (hannashim) = de vrouwen | ואת (ve'et) = en (obj.) | הטף (hattaf) = de kleine kinderen | וינהגו (vayinhagu) = en zij dreven | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze | ויפתחו (vayipathu) = en zij openden | שער (sha'ar) = poort van | העיר (ha'ir) = de stad | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = naar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | בגבורה (bigvurah) = met kracht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:28–29 (kleinvee, rundvee, vrouwen en kleine kinderen als buit). Zie ook: Gen 34:28–29; Gen 34:29 ### Jakob en zijn zonen **34:32** Toen hun vader Jakob zag wat zij met de stad hadden gedaan, en de buit zag die zij daarvandaan hadden genomen, werd Jakob zeer toornig op hen, en Jakob zei tot hen: „Wat is deze daad die jullie voor mij hebben gedaan? Ik had mij rust verworven bij de bewoners van het land, de Kanaäniet, en niemand van hen sprak mij ook maar een woord aan. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen hij zag | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = hadden gedaan | אל (el) = aan | העיר (ha'ir) = de stad | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (obj.) | הביזה (habbizzah) = de buit | אשר (asher) = die | לקחו (laqchu) = zij hadden genomen | משם (misham) = vandaar | ויקצוף (vayiqtsof) = en hij werd toornig | עליהם (aleihem) = op hen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאוד (me'od) = zeer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מה (mah) = wat | המעשה (hamma'aseh) = de daad | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | לי (li) = voor mij | אשר (asher) = terwijl | מצאתי (matsati) = ik heb gevonden | לי (li) = voor mij | מנוחה (menuchah) = rust | עם (im) = bij | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaäniet | ואין (veein) = en niemand | דובר (dubbar) = sprekend | אלי (elai) = tot mij | מהם (mehem) = van hen | דבר (davar) = een woord Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:30 (Jakobs verwijt aan Simeon en Levi). Zie ook: Gen 34:30 **34:33** En nu hebben jullie dit gedaan om mij te laten stinken bij de bewoners van het land, bij de Kanaänieten en de Perizzieten, terwijl ik maar een klein aantal mannen ben; zij zullen zich allen tegen mij verzamelen en mij slaan, wanneer zij van jullie daden horen bij hun broers, en ik word verdelgd, ik en heel mijn huis.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | להבאישני (lehav'ishani) = om mij te doen stinken | ביושבי (beyoshvei) = onder de bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | בכנעני (bakena'ani) = onder de Kanaäniet | ובפריזי (uvapperizzi) = en onder de Perizziet | ואני (va'ani) = en ik | מתי (matai) = mannen van | מספר (mispar) = aantal | ונאספו (vene'esfu) = en zij zullen zich verzamelen | אלי (elai) = tegen mij | כולם (kullam) = allen | והכוני (vehikkuni) = en zij zullen mij slaan | כי (ki) = wanneer | ישמעו (yishme'u) = zij horen | את (et) = (obj.) | מעשיכם (ma'aseykhem) = jullie daden | לאחיהם (le'acheihem) = aan hun broers | ונשמדתי (venishmadti) = en ik zal worden verdelgd | אני (ani) = ik | וכל (vekhol) = en heel | ביתי (beiti) = mijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:34** Simeon en Levi en al hun broers met hen antwoordden hun vader Jakob en zeiden tot hem: „Zie, wij leven in het land, en zou Sichem dit alles onze zus aandoen? En waarom zwijg je over alles wat Sichem heeft gedaan? Zou Sichem onze zus dan behandelen als een hoer, buiten op straat?” Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | וכל (vekhol) = en alle | אחיהם (achihem) = hun broers | איתם (ittam) = met hen | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tot hem | הנה (hinneh) = zie | חיים (chayyim) = levend | אנחנו (anachnu) = wij | בארץ (ba'arets) = in het land | ויעשה (veya'aseh) = en zou hij doen | שכם (Shekhem) = Sichem | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | זאת (zot) = dit | לאחותינו (la'achotenu) = aan onze zus | ולמה (velamah) = en waarom | תחריש (tacharish) = zwijg je | אתה (attah) = jij | על (al) = over | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | שכם (Shekhem) = Sichem | כי (ki) = (dan) | הכזונה (hakhezonah) = zoals een hoer | בחוץ (bachuts) = op straat | יעשה (ya'aseh) = zou hij doen | שכם (Shekhem) = Sichem | את (et) = (obj.) | אחותינו (achotenu) = onze zus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:31. Daar staat bijna dezelfde vraag: הכזונה יעשה את אחותנו, ‘mag hij onze zus behandelen als een hoer?’. Zie ook: Gen 34:31 **34:35** Het aantal van de vrouwen die Simeon en Levi uit de stad Sichem gevangen wegvoerden en niet doodden, was vijfentachtig, die geen man hadden gekend. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מספר (mispar) = aantal | הנשים (hannashim) = de vrouwen | אשר (asher) = die | שבו (shavu) = zij voerden gevangen | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | מעיר (me'ir) = uit de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | הרגו (haragho) = doodden | אותם (otam) = hen | שמונים (shemonim) = tachtig | וחמישה (vachamishah) = en vijf | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = hadden gekend | איש (ish) = man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:29 (vrouwen en kleine kinderen als buit weggevoerd). Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie ook: Gen 34:29 **34:36** Onder hen was een klein meisje, mooi van gestalte en zeer mooi van uiterlijk; haar naam was Buna, en Simeon nam haar voor zich tot vrouw. En het aantal van alle mannen die zij gevangen wegvoerden en niet doodden, was zevenenveertig man; de overigen doodden zij. Brontekst: ותהי (vatehi) = en er was | בהן (bahen) = onder hen | נערה (na'arah) = een meisje | קטנה (qetanah) = klein | ויפת (vifat) = en mooi van | תואר (to'ar) = gestalte | ויפת (vifat) = en mooi van | מראה (mar'eh) = uiterlijk | מאוד (me'od) = zeer | ושמה (ushmah) = en haar naam | בונה (boneh) = Buna | ויקחה (vayiqachah) = en hij nam haar | שמעון (Shim'on) = Simeon | לקחתה (laqachtah) = haar te nemen | לו (lo) = voor zich | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ומספר (umispar) = en het aantal | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk | אשר (asher) = die | שבו (shavu) = zij voerden gevangen | ולא (velo) = en niet | הרגו (haragho) = doodden | ארבעים (arba'im) = veertig | ושבעה (veshiv'ah) = en zeven | איש (ish) = man | והיותר (vehayoter) = en de rest | הרגו (haragho) = doodden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: בונה (Buna) komt in Genesis niet voor. In Gen. 46:10 en Ex. 6:15 heet Sjaül, een zoon van Simeon, ‘de zoon van de Kanaänitische’; haar naam wordt daar niet genoemd. Zie ook: Gen 46:10; Ex 6:15 **34:37** Al de jongens en al de vrouwen die Simeon en Levi uit de stad Sichem gevangen hadden weggevoerd, werden slaven voor Jakob en voor hun zonen na hen, tot de dag dat de zonen van Jakob uit Egypte trokken. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כל (kol) = alle | הנערים (hanne'arim) = de jongens | וכל (vekhol) = en alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | אשר (asher) = die | שבו (shavu) = zij voerden gevangen | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | מעיר (me'ir) = uit de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | עבדים (avadim) = slaven | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולבניהם (ulevaneihem) = en voor hun zonen | אחריהם (acharehem) = na hen | עד (ad) = tot | יום (yom) = dag van | צאת (tset) = het uitgaan van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מארץ (me'erets) = uit het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dat deze gevangenen tot de uittocht uit Egypte slaven bleven, staat niet in Genesis. ### De twee overlevenden **34:38** Toen Simeon en Levi de stad uit waren, stonden de twee jonge mannen op die waren overgebleven, die zich in de putten van de stad hadden verborgen en niet met de mannen van de stad waren gestorven. Die jonge mannen trokken op naar de stad en liepen erin rond, en zij vonden de stad verwoest, zonder één man, alleen de huilende vrouwen. En die jonge mannen riepen en zeiden: „Zie, dit is het kwaad dat de zonen van Jakob, de Hebreeër, aan deze stad hebben gedaan: zij hebben vandaag een stad van de steden van de Kanaäniet verdelgd zonder te vrezen voor hun leven vanwege alle bewoners van het land Kanaän.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | מן (min) = uit | העיר (ha'ir) = de stad | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | שני (shenei) = twee | הבחורים (habbachurim) = de jonge mannen | אשר (asher) = die | נשארו (nish'aru) = overgebleven waren | אשר (asher) = die | התחבאו (hitchabe'u) = zich hadden verborgen | בבורות (babborot) = in de putten | העיר (ha'ir) = de stad | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | מתו (metu) = waren gestorven | עם (im) = met | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | הבחורים (habbachurim) = de jonge mannen | ההם (hahem) = die | אל (el) = naar | העיר (ha'ir) = de stad | ויתהלכו (vayithallekhu) = en zij liepen rond | בה (bah) = daarin | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad | חרבה (charevah) = verwoest | ואין (veein) = en er was niet | איש (ish) = een man | כי (ki) = behalve | אם (em) = (samen: behalve) | הנשים (hannashim) = de vrouwen | הבוכות (habbokhot) = die huilden | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij riepen | הבחורים (habbachurim) = de jonge mannen | ההם (hahem) = die | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | הנה (hinneh) = zie | זאת (zot) = dit | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hebben gedaan | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | לעיר (la'ir) = aan de stad | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = die | השמידו (hishmidu) = hebben verdelgd | היום (hayyom) = vandaag | עיר (ir) = stad | מערי (me'arei) = van de steden van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | ולא (velo) = en niet | יראו (yare'u) = zij vreesden | לנפשם (lenafsham) = voor hun leven | מכל (mikkol) = voor alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: בורות (‘putten’): in v. 24 vluchten twee jonge mannen naar de asfaltputten (בארות החמר) in de stad; hier heet de schuilplaats בורות. Zie Gen. 14:10 voor asfaltputten in het dal van Siddim. Zie ook: Gen 14:10 **34:39** Die mannen gingen de stad uit en gingen naar de stad Tappuach, en zij kwamen daarheen en vertelden de bewoners van Tappuach alles wat er gebeurd was en wat de zonen van Jakob met de stad Sichem hadden gedaan. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | מהעיר (mehair) = uit de stad | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אל (el) = naar | עיר (ir) = stad | תפוח (Tappuach) = Tappuach | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | שמה (shemah) = daarheen | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | ליושבי (leyoshevei) = aan de bewoners van | תפוח (Tappuach) = Tappuach | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הקורות (haqqorot) = wat er gebeurd was | ואת (ve'et) = en (obj.) | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = hadden gedaan | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לעיר (la'ir) = aan de stad | שכם (Shekhem) = Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Uitleg: תפוח (Tappuach) komt in Genesis niet voor. Een koning van Tappuach wordt genoemd in Joz. 12:17; zie ook Joz. 17:7–8 (een plaats aan de grens van Manasse). Zie ook: Joz 12:17; Joz 17:7–8 **34:40** Het bericht kwam bij Jasjub, de koning van Tappuach, en hij zond mannen naar de stad Sichem om te zien of de woorden van die jonge mannen waar waren, want de koning geloofde hen niet in deze zaak en zei: „Hoe zouden twee mannen een grote stad als Sichem kunnen verwoesten?” Brontekst: והגיע (vehigia) = en bereikte | הדבר (haddavar) = het bericht | לישוב (leyashuv) = aan Jasjub | מלך (malakh) = koning van | תפוח (Tappuach) = Tappuach | וישלח (vayishlach) = en hij zond | אנשים (anashim) = mannen | אל (el) = naar | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | לראות (lir'ot) = om te zien | האמת (ha'emet) = de waarheid | דברי (divrei) = woorden van | הבחורים (habbachurim) = de jonge mannen | ההם (hahem) = die | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | האמין (he'emin) = geloofde | להם (lahem) = hen | המלך (hammelekh) = de koning | לדבר (laddavar) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לאמור (lemor) = zeggende | איך (ekh) = hoe | שני (shenei) = twee | אנשים (anashim) = mannen | יחריבו (yacharivu) = zouden verwoesten | עיר (ir) = stad | גדולה (gedolah) = grote | בשכם (bishkhem) = in Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Uitleg: ישוב (Jasjub), de koning van Tappuach, komt in Genesis niet voor. **34:41** De boodschappers van Jasjub kwamen en vertelden hem: „Wij zijn bij de stad gekomen, en zij is verwoest; er is geen man, alleen huilende vrouwen, en ook is er daar geen kleinvee of vee, want alles wat in de stad was, hebben de zonen van Jakob voor zich geroofd.” Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | ישוב (yashuv) = Jasjub | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = voor hem | לאמור (lemor) = zeggende | באנו (ba'nu) = wij zijn gekomen | אל (el) = naar | העיר (ha'ir) = de stad | חרבה (charevah) = verwoest | אין (ein) = er is niet | איש (ish) = een man | כי (ki) = behalve | אם (em) = (samen: behalve) | נשים (nashim) = vrouwen | בוכות (bokhot) = huilende | וגם (vegam) = en ook | צאן (tson) = kleinvee | ומקנה (umiqneh) = en vee | אין (ein) = er is niet | שם (shem) = daar | כי (ki) = want | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | בעיר (ba'ir) = in de stad | בזזו (bazezu) = hebben geroofd | להם (lahem) = voor zich | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:42** Jasjub verbaasde zich over deze zaak en zei: „Hoe konden twee mannen dit doen, een grote stad verdelgen, zonder dat één man van hen zich tegen hen kon stellen?” Brontekst: ויתמה (vayitmah) = en hij verbaasde zich | ישוב (yashuv) = Jasjub | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לאמור (lemor) = zeggende | איך (ekh) = hoe | שני (shenei) = twee | אנשים (anashim) = mannen | יוכלו (yukhlu) = konden | לעשות (la'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | להשמיד (lehashmid) = te verdelgen | עיר (ir) = stad | גדולה (gedolah) = grote | ולא (velo) = en niet | יוכל (yukhal) = hij kon | איש (ish) = een man | מהם (mehem) = van hen | להתייצב (lehityatsev) = om zich te stellen | נגדם (neggedam) = tegenover hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jasjub van Tappuach **34:43** Want zoiets is niet gebeurd sinds de dagen van Nimrod, en zelfs van de dagen van oudsher is zoiets niet geweest. En Jasjub, de koning van Tappuach, zei tot heel zijn volk: „Wees sterk, en laten wij gaan strijden tegen die Hebreeën en hun doen zoals zij met de stad Sichem hebben gedaan, en laten wij wraak nemen op hen, de wraak voor alle mannen van de stad.” Brontekst: כי (ki) = want | לא (lo) = niet | היה (hayah) = is gebeurd | כדבר (kidvar) = zoals dit | הזה (hazzeh) = deze | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ואף (ve'af) = en zelfs | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | קדם (qedem) = vroeger | לא (lo) = niet | היתה (hayetah) = is geweest | כזאת (kezot) = zoiets | ויאמר (vayomer) = en hij zei | ישוב (yashuv) = Jasjub | מלך (malakh) = koning | תפוח (Tappuach) = Tappuach | אל (el) = tegen | כל (kol) = alle | עמו (immo) = zijn volk | חזקו (chizqu) = weest sterk | ונלכה (venelkhah) = en laten wij gaan | להילחם (lehillachem) = te strijden | בעברים (ba'ivrim) = tegen de Hebreeën | ההם (hahem) = die | ולעשות (vela'asot) = en te doen | להם (lahem) = aan hen | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = hebben gedaan | לעיר (la'ir) = aan de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | וננקמה (venikkamah) = en wij nemen wraak | מהם (mehem) = van hen | נקמת (niqmat) = de wraak voor | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:8–10 (Nimrod). Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie ook: Gen 10:8–10 **34:44** Jasjub, de koning van Tappuach, overlegde met al zijn raadgevers over deze zaak, en al zijn raadgevers zeiden tot hem: „Alleen ben je niet opgewassen tegen deze Hebreeën, want zij hebben kracht, nu zij deze daad aan heel de stad hebben gedaan. Brontekst: ויתייעץ (vayityaets) = en hij overlegde | ישוב (yashuv) = Jasjub | מלך (malakh) = koning | תפוח (Tappuach) = Tappuach | עם (im) = met | כל (kol) = alle | יועציו (yo'atsav) = zijn raadgevers | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tot hem | כל (kol) = alle | יועציו (yo'atsav) = zijn raadgevers | לא (lo) = niet | תוכל (tukhal) = je zult kunnen | לעברים (la'ivrim) = tegen de Hebreeën | האלה (ha'elleh) = deze | לבדך (levadekha) = alleen | כי (ki) = want | גבורה (gevurah) = kracht | להם (lahem) = bij hen | בעשותם (be'asotam) = nu zij doen | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הזה (hazzeh) = deze | לכל (lekhol) = aan heel | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:45** Twee van hen hebben heel de stad gedood, en niemand is tegen hen opgestaan; en zelfs als jij tegen hen optrekt, zullen zij allen tegen ons opstaan en ook ons verdelgen. Brontekst: השנים (hashnayim) = de twee | מהם (mehem) = van hen | הרגו (haragho) = doodden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | העיר (ha'ir) = de stad | ולא (velo) = en niet | עמד (amad) = stond | איש (ish) = een man | נגדם (neggedam) = tegenover hen | ואף (ve'af) = en zelfs | אם (em) = als | תבוא (tavo) = je zult komen | אתה (attah) = jij | עליהם (aleihem) = tegen hen | כולם (kullam) = allen | יקומו (yaqumu) = zullen opstaan | עלינו (aleinu) = tegen ons | והשמידונו (vehishmiduna) = en zij zullen ons verdelgen | גם (gam) = ook | אנחנו (anachnu) = wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:46** Maar stuur naar alle koningen die rondom ons zijn, en laat hen samen komen, en laten wij met hen gaan en strijden tegen de zonen van Jakob; dan zul je het tegen hen aankunnen.” Brontekst: אך (akh) = maar | שלח (Shelach) = stuur | אל (el) = naar | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | סביבותינו (sevivoteinu) = rondom ons | ויבואו (vayavo'u) = en laat komen | יחד (yachad) = samen | ונלכה (venelkhah) = en laten wij gaan | עמהם (immahem) = met hen | ונלחמה (venillachamah) = en laten wij strijden | בבני (bivnei) = tegen de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אז (az) = toen | תוכל (tukhal) = je zult kunnen | להם (lahem) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:47** Jasjub luisterde naar de woorden van zijn raadgevers, en hun woorden waren goed in zijn ogen en in de ogen van zijn volk, en hij deed zo: Jasjub, de koning van Tappuach, zond naar alle koningen van de Amorieten die rondom Sichem en Tappuach waren, met de woorden: Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij luisterde | ישוב (yashuv) = Jasjub | אל (el) = naar | דברי (divrei) = woorden van | יועציו (yo'atsav) = zijn raadgevers | וייטבו (veyitevu) = en zij behaagden | דבריהם (divreihem) = hun woorden | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | עמו (immo) = zijn volk | ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | וישלח (vayishlach) = en hij zond | ישוב (yashuv) = Jasjub | מלך (malakh) = koning | תפוח (Tappuach) = Tappuach | אל (el) = naar | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | אשר (asher) = die | סביבות (sevivot) = rondom | שכם (Shekhem) = Sichem | ותפוח (vetappuach) = en Tappuach | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:48** „Trek naar mij toe en help mij, en laten wij Jakob, de Hebreeër, en al zijn zonen slaan en hen van de aarde verdelgen, want zus en zo hebben zij met de stad Sichem gedaan, en jullie wisten het niet.” Brontekst: עלו (alu) = trek op | אלי (elai) = naar mij | ועזרוני (ve'izruni) = en help mij | ונכה (venakkeh) = en laten wij slaan | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | בניו (banav) = zijn zonen | ונשמידם (venashmidem) = en wij zullen hen verdelgen | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = de aarde | כי (ki) = want | כזה (kazeh) = zus | וכזה (vekhazeh) = en zo | עשו (asu) = hebben gedaan | לעיר (la'ir) = aan de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | ואתם (ve'atem) = en jullie | לא (lo) = niet | ידעתם (yeda'tem) = wisten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **34:49** Alle koningen van de Amorieten hoorden al het kwaad dat de zonen van Jakob de stad Sichem hadden aangedaan, en zij waren zeer verbaasd over hen. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = hadden gedaan | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לעיר (la'ir) = aan de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | ויתמהו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | מאוד (me'od) = zeer | מהם (mehem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. ### De zeven koningen **34:50** Zij verzamelden zich allen, zeven koningen van de Amorieten, met al hun legers samen, ongeveer tienduizend man met getrokken zwaard, en zij kwamen om te strijden tegen de zonen van Jakob. En Jakob hoorde dat de koningen van de Amorieten zich samen hadden verzameld om te strijden met zijn zonen, en Jakob werd zeer bevreesd, en het benauwde hem. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כולם (kullam) = allen | שבעה (shiv'ah) = zeven | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | עם (im) = met | כל (kol) = alle | מחנותם (machanotam) = hun legers | יחד (yachad) = samen | כעשרת (ke'aseret) = ongeveer tien | אלפים (alafim) = duizend | איש (ish) = een man | שולף (sholef) = trekkend | חרב (charev) = zwaard | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | להילחם (lehillachem) = te strijden | בבני (bivnei) = tegen de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישמע (vayishma) = en hij hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | התקבצו (hitqabbetsu) = zich hadden verzameld | יחד (yachad) = samen | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = met | בניו (banav) = zijn zonen | ויירא (vayira) = en hij vreesde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאוד (me'od) = zeer | וייצר (vayyitser) = en het benauwde hem | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: ויירא יעקב מאוד וייצר לו (‘Jakob werd zeer bevreesd, en het benauwde hem’) lijkt sterk op Gen. 32:8, vóór de ontmoeting met Ezau. Zie Gen. 35:5 (de schrik van Elohim over de steden rondom hen) en Gen. 48:22 (het land dat Jakob de Amoriet ontnam met zwaard en boog). Zie ook: Gen 32:8; Gen 35:5; Gen 48:22 **34:51** Jakob riep luid tegen Simeon en Levi: „Wat is deze daad die jullie hebben gedaan? Waarom hebben jullie mij kwaad gedaan door alle zonen van Kanaän over mij te brengen om mij en mijn huis te verdelgen? Want ik leefde in rust, ik en heel mijn huis, en jullie hebben mij dit aangedaan en alle bewoners van het land tegen mij tot toorn gebracht met jullie daden.” Brontekst: ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = tegen | שמעון (Shim'on) = Simeon | ועל (ve'al) = en tegen | לוי (Levi) = Levi | לאמור (lemor) = zeggende | מה (mah) = wat | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | למה (lammah) = waarom | הרעותם (hare'otem) = hebben jullie kwaad gedaan | לי (li) = voor mij | להביא (lehavi) = te brengen | עלי (alay) = over mij | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | להשמיד (lehashmid) = te verdelgen | אותי (oti) = mij | ואת (ve'et) = en (obj.) | ביתי (beiti) = mijn huis | כי (ki) = want | במנוחה (bimnuchah) = in rust | הייתי (hayiti) = ik was | גם (gam) = ook | אני (ani) = ik | גם (gam) = ook | כל (kol) = alle | ביתי (beiti) = mijn huis | ותעשו (vata'asu) = en jullie doen | לי (li) = voor mij | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ותקציפו (vataqtsifu) = en jullie hebben tot toorn gebracht | עלי (alay) = tegen mij | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | יושב (yoshev) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | במעשיכם (bema'asekhem) = met jullie daden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Juda spreekt **34:52** Juda antwoordde zijn vader en zei: „Hebben mijn broers Simeon en Levi alle bewoners van Sichem voor niets gedood? Was het niet omdat Sichem onze zus heeft vernederd? Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (obj.) | אביו (aviv) = zijn vader | לאמור (lemor) = zeggende | החינם (hachinnam) = voor niets | הרגו (haragho) = doodden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | אחי (echi) = mijn broers | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | שכם (Shekhem) = Sichem | הלא (halo) = immers | על (al) = omdat | אשר (asher) = (samen: omdat) | עינה (innah) = vernederde | שכם (Shekhem) = Sichem | את (et) = (obj.) | אחותינו (achotenu) = onze zus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: אחותינו (‘onze zus’) is het laatste woord van dit vers; de Engelse vertaling heeft nog: ‘en het gebod van onze God aan Noach en zijn zonen overtreden, want Sichem nam onze zus met geweld en pleegde overspel met haar’. Dat staat niet in deze Hebreeuwse tekst. Zie Gen. 34:2 voor het ‘vernederen’ (ענה). Zie ook: Gen 34:2 **34:53** Sichem deed al dat kwaad dat hij deed, en niemand van de bewoners van zijn stad sprak hem een woord toe: ‘Waarom doe je dit?’ Is het niet hierom dat mijn broers zijn gegaan en de stad hebben geslagen, en dat Yahweh haar in hun hand gaf, omdat al haar bewoners de geboden van onze Elohim hadden overtreden? Hebben mijn broers dit alles voor niets gedaan? Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | שכם (Shekhem) = Sichem | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = heeft gedaan | ואין (veein) = en niemand | איש (ish) = een man | מיושב (miyyoshev) = van de bewoners | עירו (iro) = zijn stad | דובר (dubbar) = sprekend | אליו (elav) = tot hem | דבר (davar) = een woord | למה (lammah) = waarom | תעשה (ta'aseh) = je doet | זאת (zot) = dit | הלא (halo) = immers | על (al) = om | זאת (zot) = dit | הלכו (halekhu) = zij gingen | אחי (echi) = mijn broers | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad | ויתנה (vayittenah) = en gaf haar | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בידם (beyadam) = in hun hand | על (al) = omdat | אשר (asher) = (samen: omdat) | עברו (avru) = hebben overtreden | כל (kol) = alle | יושביה (yoshveha) = haar bewoners | את (et) = (obj.) | מצות (mitsvat) = gebod van | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | החינם (hachinnam) = voor niets | עשו (asu) = zij deden | אחי (echi) = mijn broers | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat de inwoners ‘de geboden van onze Elohim’ overtraden en dat Yahweh de stad in hun hand gaf, staat niet in Genesis; zie Gen. 34:25–27 en 35:5. Zie ook: Gen 34:25–27; Gen 35:5 **34:54** En nu, waarom vrees je, en waarom ben je benauwd, en waarom wordt je hart kwaad op mijn broers, en laait je toorn tegen hen op? Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | למה (lammah) = waarom | תירא (tira) = vrees je | ולמה (velamah) = en waarom | יצר (yatsar) = is benauwd | לך (lekha) = aan jou | ולמה (velamah) = en waarom | יירע (yera) = is kwaad | לבבך (levavkha) = je hart | על (al) = tegen | אחי (echi) = mijn broers | ויחר (vayyichar) = en laait op | אפך (appekha) = je toorn | בם (vam) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:55** Is het niet onze Elohim die de stad Sichem en haar mannen in hun hand gaf? Hij zal ook alle koningen van de Kanaänieten die tegen ons komen in onze hand geven, en wij zullen hun doen zoals mijn broers Sichem hebben gedaan. Brontekst: והלא (vehalo) = en immers | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | אשר (asher) = die | נתן (natan) = hij gaf | בידם (beyadam) = in hun hand | את (et) = (obj.) | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | ואת (ve'et) = en (obj.) | אנשיה (anasheha) = haar mannen | הוא (hu) = Hij | יתן (yitten) = hij zal geven | בידינו (beyadenu) = in onze hand | גם (gam) = ook | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | הבאים (habba'im) = die komen | עלינו (aleinu) = tegen ons | ועשינו (ve'asinu) = en wij zullen doen | להם (lahem) = aan hen | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = hebben gedaan | אחי (echi) = mijn broers | לשכם (lishkhem) = aan Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **34:56** Wees nu stil over hen en laat het rusten, en vrees niet; vertrouw alleen op Yahweh, onze Elohim, en bid tot Hem voor ons, dat Hij ons verlost en ons redt, en dat Hij onze vijanden in onze hand geeft.” Brontekst: עתה (attah) = nu | דום (dom) = wees stil | לך (lekha) = voor jezelf | מעליהם (me'aleihem) = van hen af | וחדל (vechadal) = en houd op | לך (lekha) = voor jezelf | ואל (ve'el) = en niet | תירא (tira) = vrees | אך (akh) = alleen | בטח (batach) = vertrouw | ביהוה (bYahweh) = op Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | והתפלל (vehitpallel) = en bid | אליו (elav) = tot hem | בעדנו (ba'adenu) = voor ons | להושעינו (lehosi'enu) = om ons te verlossen | ולהצילנו (ulehatsilenu) = en ons te redden | ותת (vetet) = en dat Hij geeft | את (et) = (obj.) | אויבנו (oyevenu) = onze vijanden | בידינו (beyadenu) = in onze hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:57** Juda riep een van de dienaren van zijn vader en zei: „Ga toch en zie waar de koningen zijn die tegen ons komen, hoe zij met hun legers opgesteld staan.” Brontekst: ויקרא (vayikra) = en hij riep | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | עבד (eved) = dienaar van | מעבדי (me'avdei) = van de dienaren van | אביו (aviv) = zijn vader | לאמור (lemor) = zeggende | לך (lekha) = ga | נא (na) = toch | ראה (ra'ah) = zie | איפה (eifoh) = waar | הם (hem) = zij | המלכים (hammelakhim) = de koningen | הבאים (habba'im) = die komen | עלינו (aleinu) = tegen ons | נצבים (nitsavim) = staande | עם (im) = met | מחנותם (machanotam) = hun legers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:58** De dienaar ging en keek van verre, en hij ging omhoog tegenover de berg Sijon en zag al de koningen in het veld staan, en hij keerde terug naar Juda en zei: „Zie, de koningen staan in het veld met al hun legers, een volk zo talrijk als het zand aan de oever van de zee.” Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | העבד (ha'eved) = de dienaar | ויבט (vayabet) = en hij keek | מרחוק (merachoq) = van ver | ויעל (vayya'al) = en hij ging omhoog | אל (el) = naar | נגד (neged) = tegenover | הר (har) = berg | שיאון (Si'on) = Sijon | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | עומדים (omdim) = staande | בשדה (bassadeh) = in het veld | וישב (vayyashev) = en hij keerde terug | אל (el) = naar | יהודה (Yehudah) = Juda | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הנה (hinneh) = zie | המלכים (hammelakhim) = de koningen | נצבים (nitsavim) = staande | בשדה (bassadeh) = in het veld | עם (im) = met | כל (kol) = alle | מחנותם (machanotam) = hun legers | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | כחול (kachol) = als zand | אשר (asher) = die | על (al) = op | שפת (sefat) = de oever van | הים (hayyam) = de zee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: שיאון (Sijon): in Genesis komt deze berg bij Sichem niet voor. In Deut. 4:48 heet de Hermon Sijon (שיאן), een berg in het noorden; of dezelfde berg bedoeld is, is niet te zeggen. Zie ook: Deut 4:48 **34:59** Juda zei tot Simeon en tot Levi en tot al zijn broers: „Wees sterk en word dappere mannen, want Yahweh, onze Elohim, is met ons; vrees hen niet. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tegen | שמעון (Shim'on) = Simeon | ואל (ve'el) = en tegen | לוי (Levi) = Levi | ואל (ve'el) = en tegen | כל (kol) = alle | אחיו (achiv) = zijn broers | התחזקו (hitchazqu) = weest sterk | לכם (lakhem) = voor jullie | והייתם (vihyitem) = en word | לבני (livnei) = tot zonen van | חיל (chayil) = kracht | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | איתנו (ittanu) = met ons | אל (el) = niet | תיראום (tira'um) = vrees hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:60** Sta klaar en omgord jullie, ieder man met al zijn oorlogstuig, zijn boog en zijn zwaard, en laten wij gaan en strijden tegen die onbesnedenen, en Yahweh, onze Elohim, zal ons redden.” Brontekst: עמדו (imdu) = staat klaar | לכם (lakhem) = jullie | וחגרו (vechigru) = en omgord | איש (ish) = een man | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | כלי (keli) = wapens van | מלחמתו (milchamto) = zijn oorlog | ואת (ve'et) = en (obj.) | קשתו (qashto) = zijn boog | ואת (ve'et) = en (obj.) | חרבו (charvu) = zijn zwaard | ונלכה (venelkhah) = en laten wij gaan | ונלחמה (venillachamah) = en laten wij strijden | הערלים (ha'arelim) = de onbesnedenen | האלה (ha'elleh) = deze | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | יושיענו (yoshi'enu) = zal ons redden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De zonen trekken uit **34:61** Zij stonden op en omgordden zich, ieder met zijn oorlogstuig, groot en klein: de elf zonen van Jakob en alle dienaren van Jakob met hen. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | ויחגרו (vayachgeru) = en zij omgordden zich | איש (ish) = ieder | כל (kol) = alle | מלחמתו (milchamto) = zijn wapenrusting | גדולים (gedolim) = grote | וקטנים (uqtannim) = en kleinen | אחד (echad) = één | עשר (esar) = tien | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וכל (vekhol) = en alle | עבדי (avdei) = dienaren van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עמהם (immahem) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Elf zonen: Benjamin is dan nog niet geboren; zie Gen. 35:16–18. Zie ook: Gen 35:16–18 **34:62** Ook alle dienaren van Isaak die bij Isaak in Hebron waren, kwamen allen tot hen, uitgerust met allerlei oorlogstuig; en de zonen van Jakob en hun dienaren, honderdtwaalf man, gingen de koningen tegemoet, en ook Jakob ging met hen mee. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אשר (asher) = die | אשר (asher) = (die) | עם (im) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בחברון (bechevron) = in Hebron | באו (ba'u) = kwamen | עולם (olam) = allen | אליהם (aleihem) = tot hen | מלובשים (meluvashim) = uitgerust | בכל (bekhol) = in heel | כלי (keli) = werktuig van | מלחמה (milchamah) = oorlog | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועבדיהם (va'avdeihem) = en hun dienaren | לקראת (liqrat) = tegemoet | המלכים (hammelakhim) = de koningen | שנים (shanim) = twee | עשר (esar) = tien | ומאה (umeah) = en honderd | איש (ish) = man | וילך (vayelekh) = en hij ging | גם (gam) = ook | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עמהם (immahem) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: עולם (‘eeuwigheid’) staat er; gelezen als כולם, ‘allen’, zoals de Engelse vertaling heeft (ook mogelijk is עולים, ‘opgaand’). Verder staat אשר twee keer achter elkaar. ### De gebeden **34:63** De zonen van Jakob zonden naar Isaak, de zoon van Abraham, hun vader, in Hebron, dat is Kirjat-Arba, met de woorden: Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שלחו (shalchu) = zonden | אל (el) = naar | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | אביהם (avihem) = hun vader | חברונה (chevronah) = naar Hebron | קרית (Qiryat) = Kirjat | הארבע (ha'arba) = Arba | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:27 (Isaak te Mamre, Kirjat-Arba, dat is Hebron). אביהם (‘hun vader’): Isaak is de vader van Jakob, dus de grootvader van de zonen. Zie ook: Gen 35:27 **34:64** „Bid toch voor ons tot Yahweh, onze Elohim, dat Hij ons redt uit de hand van de Kanaänieten die tegen ons komen, en dat Hij hen in onze hand geeft.” Brontekst: התפלל (hitpallel) = bid | נא (na) = toch | בעדינו (ba'adenu) = voor ons | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | להציל (lehatsil) = om te redden | אותנו (otanu) = ons | מיד (miyyad) = uit de hand van | הכנענים (hakkena'anim) = de Kanaänieten | הבאים (habba'im) = die komen | עלינו (aleinu) = tegen ons | ולתתם (velittatam) = en om hen te geven | בידינו (beyadenu) = in onze hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:65** Isaak, de zoon van Abraham, bad tot Yahweh voor zijn zonen en zei: „Yahweh Elohim, U hebt mijn vader Abraham beloofd: **‘Ik zal je nageslacht talrijk maken als de sterren van de hemel’**, en U hebt ook mij beloofd; en U zult Uw woorden bevestigen. En nu, zie, de koningen van Kanaän zijn samengekomen om te strijden tegen mijn zonen, terwijl er geen geweld in hun handen is. Brontekst: ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעד (ba'ad) = voor | בניו (banav) = zijn zonen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | אתה (attah) = U | הבטחת (hivtachta) = U hebt beloofd | את (et) = aan | אברהם (avraham) = Abraham | אבי (avi) = vader van | לאמור (lemor) = zeggende | ארבה (arbeh) = Ik zal talrijk maken | את (et) = (obj.) | זרעך (zar'akha) = je nageslacht | ככוכבי (kekhokhevei) = als de sterren van | השמים (hashamayim) = de hemel | ותבטיח (vetavtiach) = en U hebt beloofd | גם (gam) = ook | אותי (oti) = mij | ותקם (vataqom) = en U zult bevestigen | את (et) = (obj.) | דבריך (devarekha) = Uw woorden | ועתה (ve'attah) = en nu | הנה (hinneh) = zie | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | באו (ba'u) = zijn samengekomen | יחד (yachad) = samen | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = tegen | בני (bnei) = mijn zonen | על (al) = terwijl | אשר (asher) = (samen: terwijl) | לא (lo) = niet | חמס (chamas) = geweld | בכפיהם (bekappeihem) = in hun handen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: ארבה את זרעך ככוכבי השמים is een verkorte weergave van Gen. 22:17 (de belofte aan Abraham); zie ook Gen. 26:3–4 (de belofte aan Isaak). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 22:17; Gen 26:3–4 **34:66** En nu, Yahweh Elohim, Elohim van heel de aarde, maak toch de raad van al deze koningen dwaas, zodat zij niet strijden tegen mijn zonen. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | יהוה (Yahweh) = Yahweh | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אלוקי (elohei) = Elohim van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | סכל (sakkel) = maak dwaas | נא (na) = toch | את (et) = (obj.) | עצת (atsat) = raad van | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | לבלתי (levilti) = opdat niet | הילחם (hillachem) = zij strijden | בבניי (bivanay) = tegen mijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: סכל נא (‘maak toch dwaas’): zo bidt David in 2 Sam. 15:31 om de raad van Achitofel (סכל נא את עצת אחיתפל). Zie ook: 2 Sam 15:31 **34:67** Leg de schrik voor mijn zonen in het hart van al deze koningen en van al hun mannen, en verneder hun hoogmoed, zodat zij zich van mijn zonen afkeren. Brontekst: ונתת (venatatta) = en leg | את (et) = (obj.) | פחד (pachad) = schrik voor | בניי (banay) = mijn zonen | בלב (belev) = in het hart van | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | וכל (vekhol) = en alle | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | והשפלת (vehashpalta) = en verneder | את (et) = (obj.) | גאותם (ge'utam) = hun hoogmoed | וישובו (vayashuvu) = zodat zij zich afkeren | מעל (me'al) = van | בניי (banay) = mijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **34:68** En red al mijn zonen en hun dienaren van hen met Uw sterke hand en Uw uitgestrekte arm, want in Uw hand zijn kracht en macht om dit alles te doen.” Brontekst: והצלת (vehitsalta) = en red | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | בניי (banay) = mijn zonen | ועבדיהם (va'avdeihem) = en hun dienaren | מהם (mehem) = van hen | בידך (beyadekha) = in Uw hand | החזקה (hachazaqah) = sterke | ובזרועך (uvizro'akha) = en met Uw arm | הנטויה (hannetuyah) = uitgestrekte | כי (ki) = want | בידך (beyadekha) = in Uw hand | הכח (hakkoach) = de kracht | והגבורה (vehaggevurah) = en de macht | לעשות (la'asot) = om te doen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie 2 Kron. 20:6 (בידך כח וגבורה, ‘in Uw hand is kracht en macht’). Zie ook: 2 Kron 20:6 **34:69** De zonen van Jakob en hun dienaren gingen de koningen tegemoet, en zij vertrouwden op Yahweh, hun Elohim. En terwijl zij gingen, bad ook hun vader Jakob tot Yahweh en zei: „Yahweh Elohim, en Elohim van de elohim, de Verhevene en Ontzagwekkende, die geregeerd hebt van oudsher, van toen tot nu, tot in eeuwigheid: Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועבדיהם (va'avdeihem) = en hun dienaren | הלכו (halekhu) = zij gingen | לקראת (liqrat) = tegemoet | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ויבטחו (vayivtechu) = en zij vertrouwden | ביהוה (bYahweh) = op Yahweh | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בלכתם (belekhtam) = toen zij gingen | ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | גם (gam) = ook | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | ואלוקי (ve'elohei) = en Elohim van | האלוקים (ha'Elohim) = de elohim | הנשגב (hannisgav) = de verhevene | והנורא (vehannora) = en de ontzagwekkende | אשר (asher) = die | משלת (mashalta) = U hebt geregeerd | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | קדם (qedem) = vroeger | ומאז (umei'az) = en van toen | ועד (ve'ad) = en tot | עתה (attah) = nu | לעולם (le'olam) = voor altijd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: אלוקי האלוקים (‘Elohim van de elohim’): zie Deut. 10:17 (אלהי האלהים). Zie ook: Deut 10:17 **34:70** U bent het die oorlogen opwekt en ze doet ophouden; in Uw hand zijn kracht en macht om te verheffen en te vernederen. En nu, moge mijn smeking toch voor U vallen, zodat U zich met Uw ontferming tot mij wendt om de schrik voor mijn zonen in het hart van al deze koningen en hun mannen te leggen; doe hen en hun legers sidderen, en red allen die op U vertrouwen, in Uw grote goedertierenheid. Want U bent het die volken onder ons onderwerpt en natiën onder onze handen.” Brontekst: ואתה (ve'attah) = en U | מעורר (me'orer) = U wekt op | מלחמות (milchamot) = oorlogen | ומשביתם (umashbitam) = en doet ze ophouden | ובידך (uvyadkha) = en in Uw hand | הכח (hakkoach) = de kracht | והגבורה (vehaggevurah) = en de macht | לרומם (lerommem) = te verheffen | ולהשפיל (ulehashpil) = en te verlagen | ועתה (ve'attah) = en nu | תיפול (tippol) = moge vallen | נא (na) = toch | תחנתי (techinnati) = mijn smeking | לפניך (lefanekha) = voor U | להפנות (lehafnot) = dat U zich wendt | אליי (elai) = tot mij | ברחמיך (berachamekha) = met Uw ontferming | לתת (latet) = te geven | פחד (pachad) = schrik voor | בניי (banay) = mijn zonen | בלב (belev) = in het hart van | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | עם (im) = met | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | והחרדת (vehecherdat) = en doe sidderen | אותם (otam) = hen | ואת (ve'et) = en (obj.) | מחנותם (machanotam) = hun legers | והצלת (vehitsalta) = en red | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הבוטחים (habbotechim) = die vertrouwen | עליך (aleikha) = op U | בחסדך (bechasdekha) = door Uw goedertierenheid | הגדול (haggadol) = de grote | כי (ki) = want | אתה (attah) = U | אשר (asher) = die | תדבר (tedabber) = U onderwerpt | עמים (ammim) = volken | תחתינו (tachteinu) = onder ons | ולאומים (ule'ummim) = en natiën | תחת (tachat) = onder | ידינו (yadeinu) = onze handen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: תיפול נא תחנתי לפניך (‘moge mijn smeking toch voor U vallen’): zie Jer. 42:2. תדבר עמים תחתינו (‘U onderwerpt volken onder ons’): zie Ps. 47:4, waar ‘onder onze voeten’ staat. Zie ook: Ps 47:5; Jer 42:2 ## Jasher 35 _De Amorietenkoningen keren om_ ### De koningen beraadslagen **35:1** Alle koningen van de Amorieten kwamen en stelden zich op in het veld om met hun raadgevers te beraadslagen wat zij met de zonen van Jakob moesten doen, want zij waren nog bevreesd voor hen en zeiden: „Twee van hen hebben heel de stad Sichem gedood.” Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | באו (ba'u) = kwamen | ויתיצבו (vayityatsvu) = en zij stelden zich op | בשדה (bassadeh) = in het veld | להתייעץ (lehit'ayets) = om te beraadslagen | עם (im) = met | יועציהם (yo'atsehem) = hun raadgevers | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | עם (im) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | עודם (odam) = nog | יראים (yere'im) = bevreesd | מהם (mehem) = voor hen | לאמור (lemor) = zeggende | שניים (shenayim) = twee | מהם (mehem) = van hen | המיתו (hemitu) = hadden gedood | כל (kol) = alle | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie ook: Gen 35:5 **35:2** Yahweh hoorde het gebed van Isaak en Jakob, en Yahweh gaf grote schrik en vrees in het hart van alle raadgevers van deze koningen, en zij zeiden als uit één mond: Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | תפילת (tefillat) = het gebed van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | פחד (pachad) = schrik | גדול (gadol) = grote | ויראה (vayar'eh) = en vrees | בלב (belev) = in het hart van | כל (kol) = alle | יועצי (yo'atsei) = raadgevers van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | לאמור (lemor) = zeggende | פה (peh) = mond | אחד (echad) = één Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:5 (een schrik van Elohim kwam over de steden rondom hen). Het gebed van Isaak en Jakob uit het vorige hoofdstuk staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 35:5 ### De raadgevers waarschuwen **35:3** „Zijn jullie vandaag dwazen, of is er geen inzicht in jullie, dat jullie met de Hebreeën zullen strijden? En waarom hebben jullie vandaag behagen in de dood van jullie allen? Brontekst: הכסילים (hakesilim) = dwazen | אתם (ittam) = jullie | היום (hayyom) = vandaag | אם (em) = of | אין (ein) = er is niet | לכם (lakhem) = aan jullie | תבונה (tevunah) = inzicht | כי (ki) = dat | תלחמו (tilkhamu) = jullie zullen strijden | עם (im) = tegen | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | ולמה (velamah) = en waarom | חפצתם (chafatsetem) = hebben jullie behagen | במות (bemot) = in de dood van | כולכם (kulkhem) = jullie allen | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **35:4** Zie, twee van hen kwamen naar de stad Sichem zonder vrees of schrik en doodden alle bewoners van de stad, en niemand hield stand voor hen; en hoe zullen jullie het kunnen opnemen tegen hen allen? Brontekst: הנה (hinneh) = zie | שניים (shenayim) = twee | מהם (mehem) = van hen | באו (ba'u) = kwamen | אל (el) = naar | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | באין (be'ein) = zonder | יראה (yir'ah) = vrees | ופחד (vafachad) = en schrik | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | ולא (velo) = en niet | עמד (amad) = stond | איש (ish) = een man | בפניהם (befnehem) = voor hen | ואיך (ve'ekh) = en hoe | תוכלו (tuchlu) = jullie zullen kunnen | אתם (ittam) = jullie | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = tegen | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **35:5** Weten jullie niet dat hun Elohim zeer veel behagen in hen heeft en voor hen ontzagwekkende daden heeft gedaan, zoals sinds oude tijden niet zijn gedaan, en dat er onder alle goden van de volken niemand is die kan doen zoals Zijn ontzagwekkende daden? Brontekst: והלא (vehalo) = immers | ידעתם (yeda'tem) = jullie weten | כי (ki) = dat | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | חפץ (chafets) = heeft behagen | בם (vam) = in hen | מאוד (me'od) = zeer | ויעש (vayya'as) = en Hij deed | להם (lahem) = voor hen | נוראות (nora'ot) = ontzagwekkende daden | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | נעשו (na'asu) = zijn gedaan | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | קדם (qedem) = vroeger | ואין (veein) = en er is niet | בכל (bekhol) = onder alle | אלוקי (elohei) = goden van | העמים (ha'amim) = de volken | יוכל (yukhal) = die kan | לעשות (la'asot) = om te doen | כנוראותיו (kenora'otav) = zoals Zijn ontzagwekkende daden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **35:6** Heeft Hij niet Abraham, hun vader, de Hebreeër, gered uit de hand van Nimrod en uit de hand van heel zijn volk, die vele malen hadden geprobeerd hem te doden? Brontekst: והלא (vehalo) = immers | הוא (hu) = Hij | הציל (hatsil) = heeft gered | את (et) = (obj.) | אברהם (avraham) = Abraham | אביהם (avihem) = hun vader | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | מיד (miyyad) = uit de hand van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | ומיד (umiyyad) = en uit de hand van | כל (kol) = alle | עמו (immo) = zijn volk | אשר (asher) = die | ביקשו (biqshu) = zochten | להמיתו (lehamito) = om hem te doden | פעמים (pe'amim) = malen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **35:7** Ook uit het vuur, waarin koning Nimrod hem had geworpen, heeft Hij hem gered, en zijn Elohim redde hem eruit; en wie kan dit alles doen? Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מהאש (mehaesh) = uit het vuur | הצילו (hitsilo) = Hij redde hem | אשר (asher) = die | השליך (hishlikh) = wierp | אותו (oto) = hem | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | המלך (hammelekh) = de koning | אליו (elav) = tot hem | ויצילהו (vayatsilehu) = en Hij redde hem | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | ממנו (mimmennu) = eruit | ומי (umei) = en wie | יוכל (yukhal) = kan | לעשות (la'asot) = om te doen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dat Nimrod Abraham in een vuur wierp, staat niet in Genesis; zie Gen. 11:28–31 (Haran sterft in Ur der Chaldeeën, Terach vertrekt met Abram). Zie ook: Gen 11:28–31 **35:8** Abraham, hun vader, was het die de vijf koningen van Elam doodde, toen zij de zoon van zijn broer aanraakten, die in die dagen in Sodom woonde. Brontekst: אברהם (avraham) = Abraham | אביהם (avihem) = hun vader | הוא (hu) = hij | אשר (asher) = die | המית (hemit) = hij had gedood | חמשת (chamishat) = vijf | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam | בנגעם (bing'am) = toen zij aanraakten | בבן (beven) = de zoon van | אחיו (achiv) = zijn broer | אשר (asher) = die | היה (hayah) = hij was | יושב (yoshev) = wonend | בסדום (bisdom) = in Sodom | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:1–16. Daar staan vier koningen, onder wie Kedorlaomer van Elam, tegenover vijf, en Abram achtervolgt hen met 318 mannen, ’s nachts (14:14–15). Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 14:1–16 **35:9** Hij nam zijn getrouwe dienaar in zijn huis en weinig van zijn mannen, en zij achtervolgden de koningen van Elam in één nacht en doodden hen allen, en hij bracht aan de zoon van zijn broer al zijn bezit terug dat zij hem hadden ontnomen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (obj.) | עבדו (avdo) = zijn dienaar | הנאמן (hanne'eman) = de trouwe | בביתו (beveyto) = in zijn huis | ומעט (um'at) = en weinig | אנשיו (anashav) = zijn mannen | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחרי (acharei) = na | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam | בלילה (ballaylah) = in de nacht | אחת (achat) = één | וימיתם (vayemitem) = en doodden hen | כולם (kullam) = allen | וישב (vayyashev) = en hij bracht terug | לבן (leven) = aan de zoon van | אחיו (achiv) = zijn broer | את (et) = (obj.) | על (al) = al | רכושו (rekhusho) = zijn bezittingen | אשר (asher) = die | לקחו (laqchu) = zij hadden genomen | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Lezing: על (‘op’) staat er; gelezen als כל, ‘al’ (‘al zijn bezit’). Zie Gen. 14:16. Zie ook: Gen 14:16 **35:10** Weten jullie niet dat de Elohim van deze Hebreeën zeer veel behagen in hen heeft, en dat ook zij zeer veel behagen in Hem hadden, omdat zij wisten dat Hij hen van al hun vijanden had gered? Brontekst: והלא (vehalo) = immers | ידעתם (yeda'tem) = jullie weten | כי (ki) = want | אלוקי (elohei) = Elohim van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | האלה (ha'elleh) = deze | חפץ (chafets) = heeft behagen | בם (vam) = in hen | מאוד (me'od) = zeer | וגם (vegam) = en ook | הם (hem) = zij | חפצו (cheftso) = hadden behagen | בו (bo) = in Hem | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = omdat | ידעו (yade'u) = zij wisten | כי (ki) = dat | הצילם (hitsilam) = Hij had hen gered | מכל (mikkol) = van al | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **35:11** En zie, uit liefde voor hun Elohim nam Abraham zijn enige en dierbare zoon, en hij zei dat hij hem als brandoffer aan zijn Elohim zou opdragen; en als zijn Elohim hem niet had tegengehouden dit te doen, dan zou hij het uit liefde voor zijn Elohim hebben gedaan. Brontekst: והנה (vehinneh) = en zie | באהבתם (be'ahavatam) = uit hun liefde voor | את (et) = (obj.) | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | לקח (laqach) = nam | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (obj.) | בנו (beno) = zijn zoon | יחידו (yechido) = zijn enige | וחמורו (vachamoro) = en zijn dierbare | ויאמר (vayomer) = en hij zei | להעלותו (lehaalotto) = hem op te dragen | עולה (oleh) = als brandoffer | לאלוקיו (le'elohav) = aan zijn Elohim | ולולי (velulei) = en als niet | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | אשר (asher) = die | מנעו (man'o) = hield hem tegen | מלעשות (mala'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | ההוא (hahu) = die | אז (az) = dan | עשהו (asahu) = had hij het gedaan | באהבתו (be'ahavato) = in zijn liefde voor | את (et) = (obj.) | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: וחמורו (‘en zijn ezel’) staat er; gelezen als וחמודו, ‘en zijn dierbare’, zoals de Engelse vertaling heeft. Zie Gen. 22:2–12. Zie ook: Gen 22:2–12 **35:12** Zijn Elohim zag al zijn werken en zwoer hem en beloofde hem dat Hij zijn zonen en heel zijn nageslacht zou redden uit elke nood die over hen zou komen, omdat hij dit had gedaan, omdat hij zijn zoon niet had gespaard uit liefde voor zijn Elohim. Brontekst: וירא (vayyera) = en Hij zag | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | מעשיו (ma'asav) = zijn daden | וישבע (vayishava) = en Hij zwoer | לו (lo) = hem | ויבטיח (vaybtiach) = en Hij beloofde | אותו (oto) = hem | אשר (asher) = dat | יציל (yatsil) = Hij zal redden | את (et) = (obj.) | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | זרעו (zar'u) = zijn nageslacht | מכל (mikkol) = van al | צרה (tsarah) = nood | אשר (asher) = die | תבוא (tavo) = zal komen | עליהם (aleihem) = over hen | על (al) = omdat | אשר (asher) = (samen: omdat) | עשה (asah) = hij had gedaan | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | על (al) = omdat | אשר (asher) = (samen: omdat) | לא (lo) = niet | חמל (chamal) = spaarde | על (al) = over | בנו (beno) = zijn zoon | מאהבת (me'ahavat) = uit liefde voor | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 22:15–18 (Yahweh zweert bij Zichzelf en belooft Abraham zegen en nageslacht, omdat hij zijn zoon niet heeft gespaard). Zie ook: Gen 22:15–18 **35:13** Hebben jullie niet gehoord wat hun Elohim heeft gedaan aan Farao, de koning van Egypte, en aan Abimelech, de koning van Gerar, toen zij de vrouw van Abraham namen, van wie hij zei: ‘Zij is mijn zus’, uit vrees dat zij hem om haar zouden doden? En zij zeiden dat zij haar tot vrouw zouden nemen, en zijn Elohim deed hun en hun mannen alles wat jullie hebben gehoord. Brontekst: והלא (vehalo) = immers | שמעתם (shema'tem) = jullie hebben gehoord | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = heeft gedaan | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | לפרעה (lefar'oh) = aan Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ולאבימלך (ule'avimelekh) = en aan Abimelech | מלך (malakh) = koning van | גרר (Gerar) = Gerar | בלקחם (bekachtam) = toen zij namen | את (et) = (obj.) | אשת (eshet) = vrouw van | אברהם (avraham) = Abraham | אשר (asher) = die | אמר (amar) = zei | עליה (aleha) = over haar | אחותי (achoti) = mijn zus | היא (hi) = zij | כי (ki) = want | ירא (yere) = vreesde | פן (pen) = opdat niet | יהרגוהו (yahargu) = zij hem zouden doden | עליה (aleha) = om haar | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לקחתה (laqachtah) = haar te nemen | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויעש (vayya'as) = en Hij deed | להם (lahem) = aan hen | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | ולאנשיהם (ule'anshehem) = en aan hun mannen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | שמעתם (shema'tem) = jullie hebben gehoord Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:10–20 (Farao) en Gen. 20:1–18 (Abimelech van Gerar). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 12:10–20; Gen 20:1–18 **35:14** En zie, wij hebben het met onze eigen ogen gezien: Ezau, de broer van Jakob, kwam tot hem met vierhonderd man, en hij zei dat hij hem zou verdelgen, want hij herinnerde zich dat hij zijn zegen uit de hand van hun vader had genomen. Brontekst: והנה (vehinneh) = en zie | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | בעינינו (be'eineinu) = met onze ogen | אנחנו (anachnu) = wij | אשר (asher) = dat | בא (ba) = kwam | עשו (asu) = Ezau | אחי (echi) = de broer van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אליו (elav) = naar hem | ועמו (ve'immo) = en met hem | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | ויאמר (vayomer) = en hij zei | להשמידו (lehashmido) = om hem te verdelgen | כי (ki) = want | זכר (zakhar) = hij dacht aan | לו (lo) = tegen hem | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = dat | לקח (laqach) = nam | ברכתו (birkhato) = zijn zegen | מיד (miyyad) = uit de hand van | אביהם (avihem) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:7 (Ezau komt met vierhonderd man) en Gen. 27:41 (Ezau haat Jakob om de zegen). Zie ook: Gen 27:41; Gen 32:7 **35:15** Hij ging hem tegemoet toen hij uit Paddan-Aram kwam, om ‘de moeder met de kinderen’ te doden. En wie redde hem uit zijn hand? Was het niet zijn Elohim, op wie hij vertrouwde? Hij redde hem uit de hand van zijn broer, en kan Hij hem ook niet redden uit de hand van zijn vijanden? Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | בבואו (bevo'o) = toen hij kwam | מפדן (mipadan) = uit Paddan | ארם (Aram) = Aram | להמית (lehamit) = te doden | לו (lo) = hem | אם (em) = moeder | על (al) = met | בנים (banim) = kinderen | ומי (umei) = en wie | הצילו (hitsilo) = hij redde hem | מידו (miyyado) = uit zijn hand | הלא (halo) = immers | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | אשר (asher) = op wie | בטח (batach) = vertrouwde | בו (bo) = op Hem | הוא (hu) = Hij | הצילו (hitsilo) = Hij redde hem | מיד (miyyad) = uit de hand van | אחיו (achiv) = zijn broer | ואף (ve'af) = en zelfs | מיד (miyyad) = uit de hand van | אויביו (oyevav) = zijn vijanden | הלא (halo) = immers | יוכל (yukhal) = kan Hij | להצילו (lehatsilo) = hem te redden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: אם על בנים (‘de moeder met de kinderen’) is Gen. 32:12, uit Jakobs gebed vóór de ontmoeting met Ezau. Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Zie ook: Gen 32:12 **35:16** En wie weet niet dat hun Elohim het was die de twee zonen van Jakob sterk maakte om de stad Sichem het kwaad aan te doen waarvan jullie hebben gehoord? Brontekst: ומי (umei) = en wie | יודע (yode'a) = weet | כי (ki) = dat | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | הוא (hu) = Hij | אשר (asher) = die | הגביר (higbir) = sterk maakte | את (et) = (obj.) | שני (shenei) = twee | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לעשות (la'asot) = om te doen | לעיר (la'ir) = aan de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = waarvan | שמעתם (shema'tem) = jullie hebben gehoord Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Lezing: ומי יודע (‘en wie weet’) staat er, zonder ‘niet’; naar de zin, en zoals de Engelse vertaling, is het een retorische vraag: ‘wie weet het niet?’. **35:17** Kunnen twee door hun eigen kracht een grote stad als Sichem doden, tenzij hun Elohim, op wie zij vertrouwden, het is die hun dit alles heeft gedaan, om alle bewoners van de stad in hun stad te doden? Brontekst: הבגבורתם (havigvuratam) = door hun kracht | יוכלו (yukhlu) = zullen vermogen | שניים (shenayim) = twee | להמית (lehamit) = te doden | עיר (ir) = stad | גדולה (gedolah) = grote | כשכם (kishkhem) = zoals Sichem | אם (em) = tenzij | לא (lo) = (samen: tenzij) | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | אשר (asher) = die | בטחו (batchu) = zij vertrouwden | בו (bo) = op Hem | הוא (hu) = Hij | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | להם (lahem) = aan hen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | זאת (zot) = deze | להמית (lehamit) = te doden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | בעירם (be'iram) = in hun stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **35:18** En ook jullie, die allen samen uit jullie stad zijn uitgetrokken en gekomen zijn om tegen hen allen te strijden: zullen jullie het tegen hen kunnen, al zouden zich tot jullie hulp duizend maal zoveel als jullie verzamelen? Brontekst: ואף (ve'af) = en zelfs | אתם (ittam) = jullie | אשר (asher) = die | יצאתם (yetsatem) = jullie zijn uitgetrokken | כולכם (kulkhem) = jullie allen | מעירכם (me'irkhem) = uit jullie stad | יחד (yachad) = samen | ותבואו (vatavo'u) = en jullie komen | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = tegen | כולם (kullam) = allen | התוכלו (hatukhlu) = zullen jullie kunnen | עליהם (aleihem) = tegen hen | ואף (ve'af) = en zelfs | אם (em) = als | יאספו (yeasefu) = zich verzamelen | לעזרתכם (le'ezratkhem) = tot jullie hulp | ככם (kakhem) = zoals jullie | אלף (elef) = duizend | פעמים (pe'amim) = malen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **35:19** Weten jullie niet, horen jullie niet dat jullie niet tegen hen zijn gekomen om te strijden, maar tegen hun Elohim, die hen heeft uitgekozen, en dat jullie vandaag komen om jullie allen te doen vergaan? Brontekst: הלא (halo) = immers | תדעו (teda'u) = jullie weten | הלא (halo) = immers | תשמעו (tishme'u) = jullie horen | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | עמהם (immahem) = tegen hen | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn | להילחם (lehillachem) = te strijden | כי (ki) = maar | עם (im) = tegen | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | אשר (asher) = die | בחר (bachar) = koos | בם (vam) = hen | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn | להילחם (lehillachem) = te strijden | ותבואו (vatavo'u) = en jullie komen | להאביד (leha'avid) = om te vernietigen | כולכם (kulkhem) = jullie allen | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **35:20** En nu, laat af van dit kwaad dat jullie jullie zelf willen aandoen; dat is beter voor jullie; want jullie kunnen niet tegen hen strijden, ook al zijn zij een klein aantal mannen, want hun Elohim is met hen.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | חדלו (chadlu) = laat af | לכם (lakhem) = voor jullie | מהרעה (mehara'ah) = van het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = die | חפצתם (chafatsetem) = jullie hadden behagen | לעשות (la'asot) = om te doen | לנפשותיכם (lenafshotekhem) = aan jullie levens | וטוב (vetov) = en goed | לכם (lakhem) = voor jullie | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | תוכלו (tuchlu) = jullie zullen kunnen | להילחם (lehillachem) = te strijden | בם (vam) = tegen hen | ואף (ve'af) = en zelfs | אם (em) = al | הם (hem) = zij | מתי (matai) = mannen van | מספר (mispar) = aantal | כי (ki) = want | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | עמהם (immahem) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De koningen keren om **35:21** Toen de koningen van de Amorieten al de woorden van hun raadgevers hoorden, werd hun hart vervuld met schrik en vrees voor de zonen van Jakob, en zij wilden niet tegen hen strijden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | שמעו (shame'u) = zij hoorden | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | יועציהם (yo'atsehem) = hun raadgevers | וימלא (vaymale) = en het werd vervuld | לבבם (levavam) = hun hart | פחד (pachad) = schrik | ויראה (vayar'eh) = en vrees | מבני (mibbnei) = voor de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | להילחם (lehillachem) = te strijden | בם (vam) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **35:22** Zij schonken gehoor aan de woorden van hun raadgevers en luisterden naar al hun woorden, en de woorden van de raadgevers waren zeer goed in de ogen van de koningen, en zij deden zo. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | אל (el) = naar | דברי (divrei) = woorden van | יועציהם (yo'atsehem) = hun raadgevers | הטו (hittu) = zij neigden | את (et) = (obj.) | אוזנם (oznam) = hun oor | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | דבריהם (divreihem) = hun woorden | וייטבו (veyitevu) = en zij behaagden | דברי (divrei) = woorden van | היועצים (hayo'atsim) = de raadgevers | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | מאוד (me'od) = zeer | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **35:23** De koningen keerden terug en lieten de zonen van Jakob met rust, want zij durfden hen niet te naderen voor de strijd, want zij vreesden hen, en hun hart smolt in hun binnenste van zeer grote angst voor hen. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | ויחדלו (vayachdelu) = en zij hielden op | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | מעל (me'al) = van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | לגשת (lagashet) = te naderen | אליהם (aleihem) = tot hen | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | מהם (mehem) = voor hen | וימס (vayyames) = en het smolt | לבבם (levavam) = hun hart | בקרבם (beqirbam) = in hun binnenste | מאוד (me'od) = zeer | מיראתם (miyir'atam) = uit hun vrees voor | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **35:24** Want dit kwam van Yahweh over hen, want Yahweh hoorde het gebed van Isaak en Jakob, Zijn dienaren, omdat zij op Hem vertrouwden. En al deze koningen keerden met hun legers terug, ieder naar zijn stad, op die dag, en zij streden toen niet met de zonen van Jakob. Brontekst: כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היתה (hayetah) = was | זאת (zot) = dit | להם (lahem) = aan hen | כי (ki) = want | שמע (shema) = hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | תפילת (tefillat) = het gebed van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | כי (ki) = want | בטחו (batchu) = zij vertrouwden | בו (bo) = op Hem | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | עם (im) = met | מחנותם (machanotam) = hun legers | איש (ish) = ieder | לעירו (le'iro) = naar zijn stad | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ולא (velo) = en niet | הלחמו (hilchamu) = zij streden | הם (hem) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: הם (‘zij’) staat er voor בני יעקב; gelezen als עם, ‘met’: ‘zij streden niet met de zonen van Jakob’. ### Terug naar huis **35:25** De zonen van Jakob bleven die dag tot de avond op hun post tegenover de berg Sijon, en toen zij zagen dat de koningen niet tegen hen waren gekomen, keerden de zonen van Jakob terug naar hun plaats. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עמדו (imdu) = stonden | במעמדם (bema'amadam) = op hun post | נגד (neged) = tegenover | הר (har) = berg | שיאון (Si'on) = Sijon | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | עד (ad) = tot | הערב (ha'erev) = de avond | ויראו (vayiru) = en zij zagen | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | באו (ba'u) = kwamen | לקראתם (liqratam) = hen tegemoet | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | להם (lahem) = terug | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = naar | מקומם (meqomam) = hun plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 36 _Betel, Efrata en Seïr_ ### Betel **36:1** In die tijd verscheen Yahweh aan Jakob en zei: **„Sta op, ga omhoog naar Betel en woon daar, en maak daar een altaar voor Elohim, die aan je verschijnt, die jou en al je zonen uit de nood redt.”** Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | נראה (nir'ah) = verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = aan | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לאמור (lemor) = zeggende | קום (qum) = sta op | עלה (alah) = ga op | בית (bet) = het huis van | אל (el) = El | ושב (veshav) = en woon | שם (shem) = daar | ועשה (ve'asah) = en maak | שם (shem) = daar | מזבח (mizbeach) = een altaar | לאל (la'el) = aan Elohim | הנראה (hannir'eh) = die aan je verschijnt | אליך (elekha) = aan jou | המציל (hamatsil) = die redt | אותך (otekha) = jou | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | בניך (banekha) = je zonen | מצרה (mitsarah) = uit nood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:1. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 35:1 **36:2** Jakob stond op met zijn zonen en met alles wat hij had, en zij trokken omhoog en kwamen te Betel, naar het woord van Yahweh. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = hij had | ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בית (bet) = het huis van | אל (el) = El | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:5–6. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 35:5–6 **36:3** Jakob was negenennegentig jaar oud toen hij naar Betel opging. Jakob en zijn zonen en heel het volk dat bij hem was, woonden in Betel, in Luz, en Jakob bouwde daar een altaar voor Yahweh, die aan hem verscheen. Jakob en zijn zonen bleven in Betel enige dagen en zes maanden. Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | בן (ben) = zoon van | תשעים (tish'im) = negentig | ותשע (vetesha) = en negen | שנים (shanim) = jaren | בעלותו (be'alotto) = toen hij opging | בית (bet) = het huis van | אל (el) = El | וישב (vayyashev) = en hij woonde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | בבית (babbayit) = in het huis van | אל (el) = El | בלוז (baluz) = in Luz | ויבן (vayiven) = en hij bouwde | שם (shem) = daar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מזבח (mizbeach) = een altaar | ליהוה (laYahweh) = voor Yahweh | הנראה (hannir'eh) = die aan hem verscheen | אליו (elav) = tot hem | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | בבית (babbayit) = in het huis van | אל (el) = El | ימים (yamim) = dagen | ושישה (veshishah) = en zes | חודשים (chodashim) = maanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: ימים ושישה חודשים (‘dagen en zes maanden’) staat er; de Engelse vertaling heeft alleen ‘zes maanden’. Zie Gen. 35:6–7. Zie ook: Gen 35:6–7 ### Debora en Rebekka **36:4** In die tijd stierf Debora, de dochter van Us, de min van Rebekka, die bij Jakob was; en Jakob begroef haar beneden Betel, onder de eik die daar stond. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מתה (metah) = stierf | דבורה (Devorah) = Debora | בת (bat) = dochter van | עוץ ('uts) = Us | מיניקת (meyeneqet) = min van | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אשר (asher) = die | היתה (hayetah) = zij was | עם (im) = met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויקברה (vayiqbereha) = en hij begroef haar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מתחת (mittachat) = beneden | לבית (levet) = het huis van | אל (el) = El | תחת (tachat) = onder | האלון (ha'elon) = de eik | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:8. De naam van Debora’s vader, Us, staat niet in Genesis. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 35:8 **36:5** Ook Rebekka, de dochter van Betuël, de moeder van Jakob, stierf in die tijd te Hebron, dat is Kirjat-Arba, en zij werd begraven in de spelonk van Machpela, die Abraham van de zonen van Het had gekocht. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | רבקה (Rivqah) = Rebekka | בת (bat) = dochter van | בתואל (Betu'el) = Betuël | אם (em) = moeder van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מתה (metah) = stierf | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | בחברון (bechevron) = in Hebron | היא (hi) = dat is | קרית (Qiryat) = Kirjat | הארבע (ha'arba) = Arba | ותיקבר (vatteqaver) = en zij werd begraven | במערת (bime'arat) = in de spelonk van | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | אשר (asher) = die | קנה (qoneh) = had gekocht | אברהם (avraham) = Abraham | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = zonen van | חת (Chet) = Het Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: De dood van Rebekka wordt in Genesis niet verteld; zie Gen. 49:31 (zij ligt in Machpela) en Gen. 23:16–20 (de aankoop). Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie ook: Gen 23:16–20; Gen 49:31 **36:6** De levensjaren van Rebekka waren honderddrieëndertig jaar, en zij stierf. Toen Jakob hoorde dat zijn moeder Rebekka gestorven was, weende hij zeer om zijn moeder, en hij hield een grote rouwklacht voor haar, hij en Debora, haar min, onder de eik; en hij noemde de naam van die plaats Allon-Bachut. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | חיי (chayyei) = de levensjaren van | רבקה (Rivqah) = Rebekka | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | ושלוש (veshalosh) = en drie | שנים (shanim) = jaren | ותמת (vatamot) = en stierf | וישמע (vayishma) = en hij hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | מתה (metah) = stierf | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אמו (immo) = zijn moeder | ויבך (vayevk) = en hij weende | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = om | אמו (immo) = zijn moeder | ויעש (vayya'as) = en hij maakte | לה (lah) = voor haar | מספד (misped) = rouwklacht | גדול (gadol) = grote | הוא (hu) = hij | ודבורה (udevorah) = en Debora | מניקתה (meniqtah) = haar min | תחת (tachat) = onder | האלון (ha'elon) = de eik | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | שם (shem) = de naam van | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | אלון (allon) = Allon | בכות (bakhut) = Bachut Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: הוא ודבורה (‘hij en Debora’) staat er; Debora is volgens v. 4 al gestorven. De Engelse vertaling leest: ‘voor haar en voor Debora, haar min’. Zie Gen. 35:8 (Allon-Bachut). Zie ook: Gen 35:8 **36:7** Laban, de Arameeër, stierf in die dagen, want Elohim sloeg hem, omdat hij het verbond had overtreden dat tussen hem en Jakob was. Brontekst: ולבן (velavan) = en Laban | הארמי (ha'arami) = de Arameeër | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כי (ki) = want | נגפו (nagafo) = sloeg hem | אלוקים (Elohim) = Elohim | על (al) = omdat | אשר (asher) = (samen: omdat) | עבר (Ever) = overtrad | הברית (habberit) = het verbond | אשר (asher) = die | היה (hayah) = was | בינו (beino) = tussen hem | ובין (uvein) = en tussen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:44–54 (het verbond tussen Laban en Jakob). Labans dood staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 31:44–54 ### Rachel en Benjamin **36:8** Jakob was honderd jaar oud toen Yahweh aan hem verscheen en hem zegende en hem de naam Israël gaf; en Rachel, de vrouw van Jakob, was in die dagen zwanger. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בן (ben) = zoon van | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | וירא (vayyera) = en verscheen | אליו (elav) = tot hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויברך (vayevarekh) = en Hij zegende | אתו (oto) = hem | ויקרא (vayikra) = en Hij noemde | את (et) = (obj.) | שמו (shemo) = zijn naam | ישראל (yisra'el) = Israël | ורחל (verachel) = en Rachel | אשת (eshet) = vrouw van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הרה (harah) = zwanger | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:9–10 (Israël) en Gen. 35:16. Jakobs leeftijd (honderd jaar) staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 35:9–10; Gen 35:16 **36:9** In die tijd brak Jakob met alles wat hij had op uit Betel om naar zijn vader Isaak te gaan, naar Hebron. Brontekst: ויסע (vayyisa) = en trok weg | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = aan hem | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מבית (mibbayit) = uit het huis van | אל (el) = El | לבוא (lavo) = om te komen | אל (el) = naar | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביו (aviv) = zijn vader | חברונה (chevronah) = naar Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **36:10** Zij gingen onderweg, en er was nog een eind te gaan tot Efrata, toen Rachel een zoon baarde; haar bevalling was zwaar, en zij stierf. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בדרך (baderekh) = op weg | ויהי (vayehi) = en het was | עוד (od) = nog | קברת (qavarta) = een eind | ארץ (erets) = land | לבוא (lavo) = om te komen | אפרתה (efratah) = naar Efrata | ותלד (vatteled) = en zij beviel | רחל (Rachel) = Rachel | בן (ben) = een zoon | ותקש (vatiqash) = en het was zwaar | בלדתה (beladtah) = toen zij baarde | ותמת (vatamot) = en stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: קברת (‘graf van’) staat er; Gen. 35:16 heeft כברת ארץ, ‘een eind weegs’, en dat is hier bedoeld. Zie ook: Gen 35:16 **36:11** Jakob begroef haar langs de weg naar Efrata, in Betlehem, en tot op de dag van vandaag staat er een gedenkzuil op haar graf. De dagen van Rachel waren vijfenveertig jaar, en zij stierf. Brontekst: ויקברה (vayiqbereha) = en hij begroef haar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בדרך (baderekh) = op de weg | אפרת (efrat) = Efrata | בבית (babbayit) = in Betlehem | לחם (lechem) = (samen: Betlehem) | ועתה (ve'attah) = en nu | מצבה (matsevah) = gedenkzuil | על (al) = op | קבורתה (qevuratah) = haar graf | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ימי (yemei) = dagen van | רחל (Rachel) = Rachel | חמש (chamesh) = vijf | שנים (shanim) = jaren | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | שנה (shanah) = jaar | ותמת (vatamot) = en stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:19–20. Rachels leeftijd (vijfenveertig jaar) staat niet in Genesis. Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 35:19–20 **36:12** Jakob noemde zijn zoon die hem geboren was, die Rachel hem had gebaard, Benjamin, want hij was hem geboren in het land van de rechterhand. Brontekst: ויקרא (vayikra) = en hij noemde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | שם (shem) = de naam van | בנו (beno) = zijn zoon | הנולד (hannolad) = die geboren was | לו (lo) = aan hem | אשר (asher) = die | ילדה (yaldah) = had gebaard | רחל (Rachel) = Rachel | בנימין (binyamin) = Benjamin | כי (ki) = want | בארץ (ba'arets) = in het land | הימין (hayamin) = de rechterhand | נולד (nolad) = geboren werd | לו (lo) = aan hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: בנימין (Benjamin): in Gen. 35:18 noemt Rachel hem Ben-Oni, en zijn vader noemt hem Benjamin. ימין betekent ‘rechterhand’ en ook ‘zuiden’; de uitleg ‘geboren in het land van de rechterhand’ staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 35:18 ### Ruben en Bilha **36:13** Na de dood van Rachel zette Jakob zijn tent in de tent van Bilha, haar slavin. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = sterven | רחל (Rachel) = Rachel | ויתן (vayitten) = en zette | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | אהלו (oholo) = zijn tent | באוהל (be'ohel) = in de tent van | בלהה (Bilhah) = Bilha | שפחתה (shifchatah) = haar slavin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 35:22 **36:14** Ruben nam het op voor Lea, zijn moeder, om deze zaak en werd vol woede. Hij stond op in zijn woede, ging naar de tent van Bilha en haalde het bed van zijn vader daar weg. Brontekst: ויקנא (vayeqanne) = en hij was ijverig | ראובן (Re'uven) = Ruben | אל (el) = voor | לאה (Le'ah) = Lea | אמו (immo) = zijn moeder | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וימלא (vaymale) = en het werd vervuld | חמה (chemah) = woede | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | בחמתו (bechemato) = in zijn woede | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אל (el) = naar | אוהל (ohel) = tent van | בלהה (Bilhah) = Bilha | וינתק (vayyittaq) = en hij trok weg | את (et) = (obj.) | משכב (mishkav) = bed van | אביו (aviv) = zijn vader | משם (misham) = vandaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:22 en Gen. 49:4. In Gen. 35:22 gaat Ruben met Bilha naar bed; hier haalt hij alleen het bed van zijn vader weg. Zie ook: Gen 35:22; Gen 49:4 **36:15** In die tijd werd van de zonen van Ruben het deel van het eerstgeboorterecht, het koningschap en het priesterschap weggenomen, omdat hij het bed van zijn vader had onteerd; en het eerstgeboorterecht werd gegeven aan Jozef, het koningschap aan Juda en het priesterschap aan Levi, omdat Ruben het bed van zijn vader had onteerd. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | הוסרה (husrah) = werd weggenomen | מבני (mibbnei) = van de zonen van | ראובן (Re'uven) = Ruben | חלק (cheleq) = het deel van | הבכורה (habekhorah) = het eerstgeboorterecht | והמלכות (vehamalkhut) = en het koningschap | והכהונה (vehakehunah) = en het priesterschap | כי (ki) = want | חילל (chillel) = onteerde | יצועי (yetsu'ei) = bed van | אביו (aviv) = zijn vader | ותינתן (vattinaten) = en werd gegeven | הבכורה (habekhorah) = het eerstgeboorterecht | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | והמלכות (vehamalkhut) = en het koningschap | ליהודה (liyehudah) = aan Juda | והכהונה (vehakehunah) = en het priesterschap | ללוי (lelevi) = aan Levi | על (al) = omdat | אשר (asher) = (samen: omdat) | חילל (chillel) = onteerde | ראובן (Re'uven) = Ruben | יצועי (yetsu'ei) = bed van | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 49:3–4 (Ruben) en 1 Kron. 5:1–2 (het eerstgeboorterecht naar Jozef, de leider uit Juda). Dat het priesterschap naar Levi ging, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 49:3–4; 1 Kron 5:1–2 ### De twaalf zonen **36:16** Dit is de geschiedenis van Jakob, van de zonen die hem geboren werden in Paddan-Aram; de zonen van Jakob waren twaalf. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | תולדות (toledot) = geschiedenis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | יולדו (yulledu) = geboren werden | לו (lo) = aan hem | בפדן (befadan) = in Paddan | ארם (Aram) = Aram | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שנים (shanim) = twee | עשר (esar) = tien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:22–26 (de twaalf zonen van Jakob). Dina wordt hier in v. 17 ook genoemd. Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Zie ook: Gen 35:22–26; Gen 35:26 **36:17** De zonen van Lea: Ruben, de eerstgeborene, en Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon, en Dina, hun zus; en de zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. Brontekst: בני (bnei) = zonen van | לאה (Le'ah) = Lea | הבכור (habbekhor) = de eerstgeborene | ראובן (Re'uven) = Ruben | ושמעון (veShim'on) = en Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ויהודה (vihudah) = en Juda | ויששכר (veyissakhar) = en Issachar | וזבולון (uzvulun) = en Zebulon | ודינה (udinah) = en Dina | אחותם (achotam) = hun zus | ובני (uvnei) = en de zonen van | רחל (Rachel) = Rachel | יוסף (Yosef) = Jozef | ובנימין (uvinyamin) = en Benjamin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **36:18** En de zonen van Zilpa, de slavin van Lea: Gad en Aser; en de zonen van Bilha, de slavin van Rachel: Dan en Naftali. Dit zijn de zonen van Jakob die hem geboren werden in Paddan-Aram. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | זלפה (zilpah) = Zilpa | שפחת (shifchat) = slavin van | לאה (Le'ah) = Lea | גד (Gad) = Gad | ואשר (va'asher) = en Aser | ובני (uvnei) = en de zonen van | בלהה (Bilhah) = Bilha | שפחת (shifchat) = slavin van | רחל (Rachel) = Rachel | דן (Dan) = Dan | ונפתלי (venaftali) = en Naftali | אלה (elleh) = dit zijn | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | יולדו (yulledu) = geboren werden | לו (lo) = aan hem | בפדן (befadan) = in Paddan | ארם (Aram) = Aram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. **36:19** Jakob brak op met zijn zonen en met alles wat hij had en kwam bij Mamre, Kirjat-Arba, dat in Hebron is, waar Abraham en Isaak als vreemdelingen hadden verbleven; en Jakob woonde met zijn zonen en met alles wat hij had bij zijn vader Isaak in Hebron. Brontekst: ויסע (vayyisa) = en trok weg | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = aan hem | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | ממרא (mamre) = Mamre | קרית (Qiryat) = Kirjat | הארבע (ha'arba) = Arba | אשר (asher) = dat | בחברון (bechevron) = in Hebron | אשר (asher) = die | גרו (garu) = verbleven | שם (shem) = daar | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | וישב (vayyashev) = en hij woonde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = aan hem | עם (im) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביו (aviv) = zijn vader | בחברון (bechevron) = in Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:27. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 35:27 ### Ezau in Seïr **36:20** Zijn broer Ezau ging met zijn zonen en met alles wat hij had naar het land Seïr en woonde daar; zij kregen bezit in het land Seïr, en de zonen van Ezau waren vruchtbaar en werden talrijk in het land Seïr. Brontekst: ועשו (ve'esav) = en Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = aan hem | הלכו (halekhu) = zij gingen | ארץ (erets) = land van | שעיר (se'ir) = Seïr | וישבו (vayeshvu) = en zij woonden | שם (shem) = daar | ויאחזו (vaye'achzu) = en zij kregen bezit | בארץ (ba'arets) = in het land | שעיר (se'ir) = Seïr | ויפרו (vayifru) = en zij waren vruchtbaar | וירבו (vayirbu) = en zij namen toe | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בארץ (ba'arets) = in het land | שעיר (se'ir) = Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:6–8. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 36:6–8 **36:21** Dit is de geschiedenis van Ezau, die hem geboren werd in het land Kanaän; de zonen van Ezau waren vijf. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | תולדות (toledot) = geschiedenis van | עשו (asu) = Ezau | אשר (asher) = die | יולדו (yulledu) = geboren werden | לו (lo) = aan hem | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | חמישה (chamishah) = vijf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:4–5 (vijf zonen van Ezau). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 36:4–5 **36:22** Ada baarde Ezau zijn eerstgeborene Elifaz; Basemat baarde hem Reüel; en Oholibama baarde hem Jeüs, Jaëlam en Korach. Brontekst: ותלד (vatteled) = en zij beviel | עדה (Adah) = Ada | לעשו (le'esav) = aan Ezau | את (et) = (obj.) | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בכורו (bekhoro) = zijn eerstgeborene | ובשמת (uvasmat) = en Basemat | ילדה (yaldah) = had gebaard | לו (lo) = aan hem | את (et) = (obj.) | רעואל (Re'u'el) = Reüel | ואהליבמה (ve'oholivamah) = en Oholibama | ילדה (yaldah) = had gebaard | לו (lo) = aan hem | את (et) = (obj.) | יעיש (ye'ush) = Jeüs | ואת (ve'et) = en (obj.) | יעלם (Ya'lam) = Jaëlam | ואת (ve'et) = en (obj.) | קרח (Qorach) = Korach Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 36:5 **36:23** Dit zijn de zonen van Ezau, die hem geboren werden in het land Kanaän. De zonen van Elifaz, de zoon van Ezau, waren: Teman, Omar, Zefo, Gatam, Kenaz en Amalek; en de zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Missa. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | אשר (asher) = die | יולדו (yulledu) = geboren werden | לו (lo) = aan hem | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = zonen van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | תימן (teman) = Teman | אומר (omer) = Omar | צפו (tsefo) = Zefo | וגעתם (vega'tam) = en Gatam | וקנז (uqenaz) = en Kenaz | ועמלק (va'amaleq) = en Amalek | ובני (uvnei) = en de zonen van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | נחת (nachat) = Nachat | וזרח (vezerach) = en Zerach | שמה (shemah) = Samma | ומזה (umizzah) = en Missa Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Amalek wordt in Gen. 36:11–12 niet genoemd onder de vijf zonen van Elifaz maar als zoon van Timna, de bijvrouw van Elifaz; zie ook v. 27. Zie voor deze lijst Gen. 36:10–14. Zie ook: Gen 36:10–14; Gen 36:11–12; Gen 36:15 **36:24** De zonen van Jeüs: Timna, Alwa en Jetet; en de zonen van Jaëlam: Ela, Pinon en Kenaz. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעיש (ye'ush) = Jeüs | תמנע (timna) = Timna | עלוה (alvah) = Alwa | יתת (yetet) = Jetet | ובני (uvnei) = en de zonen van | יעלם (Ya'lam) = Jaëlam | אלה (elleh) = Ela | ופינון (ufinon) = en Pinon | וקנז (uqenaz) = en Kenaz Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Timna, Alwa, Jetet, Ela, Pinon en Kenaz zijn in Gen. 36:40–43 stamhoofden van Edom; hier zijn ze verdeeld over de zonen van Jeüs, Jaëlam en Korach. Zie ook: Gen 36:40–43 **36:25** De zonen van Korach: Teman, Mibsar, Magdiël en Iram. Dit zijn de families van de zonen van Ezau, volgens hun stamhoofden in het land Seïr. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | קרח (Qorach) = Korach | תימן (teman) = Teman | מבצר (mivtsar) = Mibsar | מגדיאל (magdi'el) = Magdiël | עירם (iram) = Iram | אלה (elleh) = dit zijn | משפחות (mishpechot) = families van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | לאלופיהם (le'alufehem) = volgens hun stamhoofden | בארץ (ba'arets) = in het land | שעיר (se'ir) = Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:40–43 (de stamhoofden van Edom) en Gen. 36:15–19. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 36:15–19; Gen 36:40–43 ### De zonen van Seïr **36:26** Dit zijn de namen van de zonen van Seïr, de Choriet, de bewoners van het land Seïr: Lotan, Sobal, Sibeon, Ana, Dison, Eser en Disan, zeven zonen. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארץ (erets) = land van | שעיר (se'ir) = Seïr | לוטן (lotan) = Lotan | ושובל (veshoval) = en Sobal | וצבעון (vetsiv'on) = en Sibeon | וענה (ve'anah) = en Ana | ודישון (vedishon) = en Dison | ואצר (ve'etser) = en Eser | ודישן (vedishan) = en Disan | בנים (banim) = zonen | שבעה (shiv'ah) = zeven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:20–21. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 36:20–21 **36:27** De zonen van Lotan waren Hori en Heman, en Timna, hun zus. Dat is Timna die naar Jakob en zijn zonen kwam, maar zij luisterden niet naar haar; toen ging zij en werd een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde hem Amalek. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = zonen van | לוטן (lotan) = Lotan | חורי (chori) = Hori | והימם (vehemam) = en Heman | ותמנע (vetimna) = en Timna | אחותם (achotam) = hun zus | היא (hi) = dat is | תמנע (timna) = Timna | אשר (asher) = die | באה (ba'ah) = kwam | אל (el) = naar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואל (ve'el) = en naar | בניו (banav) = zijn zonen | ולא (velo) = en niet | שמעו (shame'u) = zij hoorden | אליה (eleha) = naar haar | ותלך (vattelekh) = en zij ging | ותהי (vatehi) = en zij was | פילגש (pilegesh) = bijvrouw | לאליפז (le'elifaz) = aan Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לו (lo) = aan hem | את (et) = (obj.) | עמלק (amaleq) = Amalek Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:22 en 36:12 (Timna, de bijvrouw van Elifaz, moeder van Amalek). Dat Timna eerst naar Jakob en zijn zonen kwam, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 36:12; Gen 36:22 ### Ana en de ezels **36:28** De zonen van Sobal: Alvan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam; en de zonen van Sibeon: Ajja en Ana. Dat is Ana, die de yemim vond in de woestijn van de volken toen hij de ezels van Sibeon, zijn vader, hoedde. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | שובל (shoval) = Sobal | עלון (alvan) = Alvan | ומנחת (umanachat) = en Manachat | ועיבל (ve'eval) = en Ebal | שפו (shefo) = Sefo | ואונם (ve'onam) = en Onam | ובני (uvnei) = en de zonen van | צבעון (Tsiv'on) = Sibeon | איה (ayyeh) = Ajja | וענה (ve'anah) = en Ana | הוא (hu) = dat is | ענה (anah) = Ana | אשר (asher) = die | מצא (matsa) = vond | את (et) = (obj.) | הימים (hayyamim) = de yemim | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | העמים (ha'amim) = de volken | ברעותו (bir'oto) = toen hij hoedde | את (et) = (obj.) | החמורים (hachamorim) = de ezels | לצבעון (letsiv'on) = van Sibeon | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: הימים (‘de dagen’ of ‘de zeeën’) staat er; Gen. 36:24 heeft het onzekere woord הימם, ‘de yemim’. Zie Gen. 36:23–24. Het verhaal in v. 29–35 volgt op deze vermelding en staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 36:23–24; Gen 36:24 **36:29** Toen hij de ezels van zijn vader hoedde, leidde hij ze telkens naar de woestijn om ze te laten weiden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיותו (bihyoto) = terwijl hij was | רועה (ro'eh) = hoedend | את (et) = (obj.) | החמורים (hachamorim) = de ezels | לאביו (le'aviv) = van zijn vader | ויוליכם (vayolikhem) = en hij leidde hen | המדברה (hammidbarah) = naar de woestijn | כפעם (kefa'am) = van keer tot keer | בפעם (befa'am) = tot keer | לרעותן (lir'otan) = om ze te laten weiden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **36:30** Op een dag leidde hij ze naar een woestijn aan de oever van de Rietzee, tegenover de woestijn van de volken; en terwijl hij daar herder was, zie, een zeer sterke stormwind kwam van de overkant van de zee en bleef rusten op de ezels die daar graasden, en zij bleven allemaal staan. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | היום (hayyom) = op een dag | ויוליכם (vayolikhem) = en hij leidde hen | אל (el) = naar | מדבר (medabber) = woestijn | אחת (achat) = een | על (al) = aan | שפת (sefat) = de oever van | ים (yam) = zee van | סוף (suf) = riet | נגד (neged) = tegenover | מדבר (medabber) = woestijn | העמים (ha'amim) = de volken | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הוא (hu) = hij | רועה (ro'eh) = hoedend | שם (shem) = daar | והנה (vehinneh) = en zie | רוח (ruach) = wind | סערה (se'arah) = storm | חזקה (chazaqah) = krachtig | מאוד (me'od) = zeer | באה (ba'ah) = kwam | מעבר (me'ever) = van de overkant van | הים (hayyam) = de zee | ותנח (vatanach) = en zij kwam tot rust | על (al) = op | החמורים (hachamorim) = de ezels | הרועים (haro'im) = die graasden | שם (shem) = daar | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij bleven staan | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ים סוף (‘Rietzee’) is de naam van de zee bij de uittocht (Ex. 13:18); de Engelse vertaling heeft alleen ‘zee’. Zie ook: Ex 13:18 **36:31** Daarna kwamen er van de overkant van de zee uit de woestijn ongeveer honderdtwintig grote en ontzagwekkende dieren, en zij kwamen allen naar de plaats van de ezels en stelden zich daar op. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | מעבר (me'ever) = van de overkant van | הים (hayyam) = de zee | מן (min) = uit | המדבר (hammidbar) = de woestijn | כעשרים (ke'esrim) = ongeveer twintig | ומאה (umeah) = en honderd | חיות (chayyot) = dieren | גדולות (gedolot) = grote | ונוראות (venora'ot) = en ontzagwekkende | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | אל (el) = naar | מקום (maqom) = plaats van | החמורים (hachamorim) = de ezels | ויתיצבו (vayityatsvu) = en zij stelden zich op | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **36:32** Die dieren waren van het middel naar beneden gelijk aan de gedaante van mensenkinderen, en van het middel naar boven waren sommigen van hen gelijk aan beren en sommigen gelijk aan apen, en zij hadden staarten achter zich, van tussen hun schouders tot op de grond, als de staart van de hop. Die dieren kwamen, klommen op de ezels en reden erop, en zij voerden hen allen weg, en zij zijn weggegaan tot op deze dag. Brontekst: והחיות (vehachayyot) = en de dieren | ההמה (hahemah) = die | מחצים (mechatsim) = vanaf het midden | ולמטה (ulematah) = en naar beneden | כתואר (kethoar) = zoals het uiterlijk van | בני (bnei) = zonen van | האדם (ha'adam) = de mens | ומחצים (umechatsim) = en vanaf het midden | ולמעלה (ulemalah) = en naar boven | מהם (mehem) = sommigen van hen | כדמות (kidmut) = als de gedaante van | דובים (dubim) = beren | ומהם (umehem) = en sommigen | כדמות (kidmut) = als de gedaante van | קופים (qofim) = apen | ולהן (velahen) = en zij hadden | זנבות (zenavot) = staarten | אחוריהן (achoreihen) = achter zich | מבין (mibein) = van tussen | כתפיהן (ketefeihen) = hun schouders | ומטה (umatah) = en naar beneden | לארץ (la'arets) = tot de grond | כזנב (kezenav) = als de staart van | הדוכיפת (haduchifat) = de hop | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | החיות (hachayyot) = de dieren | האלה (ha'elleh) = deze | ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | וירכבו (vayirkevu) = en zij reden | על (al) = op | החמורים (hachamorim) = de ezels | ההם (hahem) = die | ויוליכם (vayolikhem) = en zij voerden hen weg | כולם (kullam) = allen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להם (lahem) = weg | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: הדוכיפת (de duchifat): een vogel uit de lijst van onreine vogels in Lev. 11:19 en Deut. 14:18, meestal vertaald als ‘hop’. Zie ook: Lev 11:19; Deut 14:18 **36:33** Een van de dieren kwam naar Ana toe, sloeg hem met zijn staart en joeg hem weg van die plaats. Brontekst: ואחת (ve'achat) = en een | מהחיות (mehachayot) = van de dieren | נגשה (nigshah) = kwam naderbij | לפני (lifnei) = bij | ענה (anah) = Ana | ותכהו (vatakehu) = en zij sloeg hem | בזנבה (bizenavah) = met haar staart | ותבריחהו (vatavrichehu) = en zij joeg hem weg | מן (min) = uit | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **36:34** Toen hij dit zag, werd hij zeer bevreesd voor zijn leven, en hij vluchtte, ontkwam en vluchtte door naar Seïr. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | המעשה (hamma'aseh) = het gebeuren | הזה (hazzeh) = deze | ויירא (vayira) = en hij vreesde | מאוד (me'od) = zeer | לנפשו (lenafsho) = voor zijn leven | ויברח (vayivrach) = en hij vluchtte | וימלט (vayimmalet) = en hij ontkwam | וינס (vayanos) = en vluchtte | שעירה (se'irah) = naar Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **36:35** Hij vertelde zijn vader en zijn broers alles wat hem overkomen was; en vele mannen gingen de ezels zoeken, maar zij vonden ze niet. En Ana en zijn broers gingen van die dag af niet meer naar die plaats, want zij waren zeer bevreesd voor hun leven. Brontekst: ויספר (vayesaper) = en hij vertelde | לאביו (le'aviv) = aan zijn vader | ולאחיו (ule'achiv) = en voor zijn broers | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | קרהו (qarahu) = hem was overkomen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אנשים (anashim) = mannen | רבים (rabbim) = vele | לחפש (lechapes) = om te zoeken | את (et) = (obj.) | החמורים (hachamorim) = de ezels | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | ולא (velo) = en niet | יסף (yasaf) = voegde toe | עוד (od) = nog | ענה (anah) = Ana | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | ללכת (lalekhet) = te gaan | אל (el) = naar | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | לנפשותם (lenafshotam) = voor hun leven | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het einde van de lijst **36:36** De zonen van Ana, de zoon van Seïr: Dison en Oholibama, zijn zus; en de zonen van Dison: Us en Aran. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ענה (anah) = Ana | בן (ben) = zoon van | שעיר (se'ir) = Seïr | דישון (dishon) = Dison | ואהליבמה (ve'oholivamah) = en Oholibama | אחותו (achoto) = zijn zus | ובני (uvnei) = en de zonen van | דישון (dishon) = Dison | עוץ ('uts) = Us | וארן (ve'aran) = en Aran Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: דישון (‘Dison’) staat er voor de zonen Us en Aran; Gen. 36:28 noemt hen zonen van Disan (דישן). De zonen van Dison (Hemdan, Esban, Jitran en Keran; Gen. 36:26) en van Eser (Bilhan, Saävan en Akan; Gen. 36:27) ontbreken in deze Hebreeuwse tekst; de Engelse vertaling heeft ze wel. Zie ook: Gen 36:26; Gen 36:27; Gen 36:28 **36:37** Dit zijn de families van de zonen van Seïr, de Choriet, volgens hun stamhoofden in het land Seïr. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | משפחות (mishpechot) = families van | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet | לאלופיהם (le'alufehem) = volgens hun stamhoofden | בארץ (ba'arets) = in het land | שעיר (se'ir) = Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **36:38** Ezau en zijn zonen woonden in het land Seïr, van de Choriet, de bewoner van het land, en zij kregen er bezit en waren zeer vruchtbaar en werden talrijk; en Jakob en zijn zonen en alles wat hun was, woonden bij Isaak in het land Kanaän, zoals Yahweh aan Abraham, hun vader, had geboden. Brontekst: וישב (vayyashev) = en hij woonde | עשו (asu) = Ezau | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | בארץ (ba'arets) = in het land | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | ויאחזו (vaye'achzu) = en zij kregen bezit | בה (bah) = daarmee | ויפרו (vayifru) = en zij waren vruchtbaar | וירבו (vayirbu) = en zij namen toe | מאוד (me'od) = zeer | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | להם (lahem) = hun | ישבו (yashvu) = zij woonden | עם (im) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | אברהם (avraham) = Abraham | אביהם (avihem) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:6–8 en Gen. 37:1. Dat Yahweh dit aan Abraham had geboden, staat niet in Genesis. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 36:6–8; Gen 37:1 ## Jasher 37 _Sichem, de zeven koningen, Juda en Jasjub_ ### Terug naar Sichem **37:1** In het honderdvijfde jaar van het leven van Jakob, dat is het negende jaar dat Jakob en zijn zonen in het land Kanaän woonden, sinds hun komst uit Paddan-Aram, Brontekst: ויהי (vayehi) = en het was | בשנת (bishnat) = in het jaar | מאה (me'ah) = honderd | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaren | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | היא (hi) = dat is | השנה (hashanah) = het jaar | התשיעית (hattish'it) = de negende | לשבת (lashevet) = om te wonen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בבואם (bevo'am) = toen zij kwamen | מפדן (mipadan) = uit Paddan | ארם (Aram) = Aram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. **37:2** brak Jakob in die dagen met zijn zonen op uit Hebron, en zij gingen en keerden terug naar de stad Sichem, zij en alles wat hun was, en zij woonden daar, want de zonen van Jakob vonden in de stad Sichem zeer goede en vette weide voor hun vee. De stad Sichem was in die tijd herbouwd, en er waren daarin ongeveer driehonderd mannen en vrouwen. Brontekst: ויסע (vayyisa) = en trok weg | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | מחברון (michevron) = uit Hebron | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | הם (hem) = zij | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | להם (lahem) = hun was | וישבו (vayeshvu) = en zij woonden | שם (shem) = daar | כי (ki) = want | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | להם (lahem) = voor zich | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בעיר (ba'ir) = in de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | מרעה (mir'eh) = weide | טוב (tov) = goed | מאוד (me'od) = zeer | ושמן (veshamen) = en vet | למקניהם (lemiqnehem) = voor hun vee | ועיר (ve'ir) = en de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | נבנתה (nivnetah) = was herbouwd | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויהי (vayehi) = en er was | בה (bah) = daarin | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = man | ואישה (ve'ishah) = en vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:18–20 (Jakob bij Sichem) en Gen. 37:12 (de broers weiden het kleinvee van hun vader bij Sichem). Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 33:18–20; Gen 37:12 **37:3** Jakob en zijn zonen en alles wat hun was, kwamen en woonden in het stuk veld dat Jakob had gekocht van Hamor, de vader van Sichem, toen hij uit Paddan-Aram kwam, voordat Simeon en Levi de stad sloegen. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | להם (lahem) = hun was | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | בחלקת (bechelqat) = in het stuk van | השדה (hasadeh) = het veld | אשר (asher) = die | קנה (qoneh) = had gekocht | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאת (me'et) = van | חמור (chamor) = Hamor | אבי (avi) = vader van | שכם (Shekhem) = Sichem | בבואו (bevo'o) = toen hij kwam | מפדן (mipadan) = uit Paddan | ארם (Aram) = Aram | טרם (terem) = voordat | הכות (hakkot) = het slaan door | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:19 (het stuk land, gekocht van de zonen van Hamor, de vader van Sichem). Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Zie ook: Gen 33:19 ### De koningen verzamelen zich **37:4** Al die koningen van de Kanaänieten en de Amorieten rondom de stad Sichem hoorden dat de zonen van Jakob weer naar Sichem waren gekomen en daar woonden. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | מלכי (malkhei) = koningen van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | והאמורי (vehaemori) = en de Amorieten | אשר (asher) = die | סביבות (sevivot) = rondom | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | כי (ki) = dat | באו (ba'u) = waren gekomen | עוד (od) = opnieuw | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שכמה (shekhemah) = naar Sichem | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | בה (bah) = daarin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **37:5** Zij zeiden: „Zullen de zonen van Jakob, de Hebreeën, nog weer in de stad komen en daar wonen, nadat zij haar bewoners hebben geslagen en verdreven? Zullen zij nu terugkeren en ook hen die in de stad wonen verdrijven en doden?” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | העוד (ha'od) = nog weer | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | יבואו (yavo'u) = zullen komen | העירה (ha'irah) = naar de stad | וישבו (vayeshvu) = en zullen wonen | שם (shem) = daar | אחרי (acharei) = na | אשר (asher) = (dat) | היכו (hikku) = zij hadden geslagen | את (et) = (obj.) | יושביה (yoshveha) = haar bewoners | ויירשום (vayyirashum) = en hen verdreven | ועתה (ve'attah) = en nu | ישובו (yashuvu) = zullen zij terugkeren | ויירשו (veyirshu) = en zullen verdrijven | גם (gam) = ook | את (et) = (obj.) | אלה (elleh) = deze | היושבים (hayoshevim) = die wonen | בעיר (ba'ir) = in de stad | ויהרגום (vayaharegum) = en hen doden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:6** Alle koningen van Kanaän verzamelden zich opnieuw en kwamen allen samen om te strijden tegen Jakob en zijn zonen. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | עוד (od) = opnieuw | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = tegen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועם (ve'im) = en tegen | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **37:7** Jasjub, de koning van Tappuach, zond ook naar al de koningen rondom hem: naar Elon, de koning van Gaäsj, en naar Ihoeri, de koning van Silo, en naar Paraton, de koning van Chasor, en naar Soesi, de koning van Sartan, en naar Laban, de koning van Bet-Choron, en naar Sjakir, de koning van Machanajim, met de woorden: Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | ישוב (yashuv) = Jasjub | מלך (malakh) = koning van | תפוח (Tappuach) = Tappuach | גם (gam) = ook | אל (el) = naar | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | סביבותיו (sevivotav) = rondom hem | אל (el) = naar | אילון (Eylon) = Elon | מלך (malakh) = koning van | געש (ga'ash) = Gaäsj | ואל (ve'el) = en naar | איהורי (ihuri) = Ihoeri | מלך (malakh) = koning van | שילה (shiloh) = Silo | ואל (ve'el) = en naar | פרעתון (par'aton) = Paraton | מלך (malakh) = koning van | חצור (chatsor) = Chasor | ואל (ve'el) = en naar | סוסי (susi) = Soesi | מלך (malakh) = koning van | סרטן (sartan) = Sartan | ואל (ve'el) = en naar | לבן (Lavan) = Laban | מלך (malakh) = koning van | בת (bat) = Bet | חורון (choron) = Choron | ואל (ve'el) = en naar | שכיר (shakhir) = Sjakir | מלך (malakh) = koning van | מחנימה (machanayma) = Machanajim | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Voetnoot Uitleg: Gaäsj (געש) is in Joz. 24:30 de naam van een berg in het bergland van Efraïm; Silo, Chasor, Bet-Choron en Machanajim zijn ook elders bekend (Joz. 18:1; 11:1; 10:10; Gen. 32:2). Deze koningen staan niet in Genesis. Zie ook: Gen 32:2; Joz 10:10; Joz 11:1; Joz 18:1; Joz 24:30 **37:8** „Trek naar mij toe en help mij, en laten wij Jakob, de Hebreeër, en zijn zonen en alles wat hem is, slaan, want zij zijn weer naar Sichem gekomen om het in bezit te nemen en zijn bewoners te doden, zoals de eerste keer.” Brontekst: עלו (alu) = trek op | אלי (elai) = naar mij | ועזרוני (ve'izruni) = en help mij | ונכה (venakkeh) = en laten wij slaan | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | ואת (ve'et) = en (obj.) | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hem is | כי (ki) = want | באו (ba'u) = kwamen | עוד (od) = opnieuw | שכמה (shekhemah) = naar Sichem | לרשת (laresheth) = in bezit te nemen | אותה (otah) = het | ולהרוג (ulaharog) = en te doden | את (et) = (obj.) | יושביה (yoshveha) = haar bewoners | כבראשונה (kaRishonah) = zoals de eerste keer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **37:9** Zij verzamelden zich samen en kwamen, al deze koningen, met al hun legerkampen, een zeer talrijk volk, als het zand aan de oever van de zee, en zij legerden zich allen tegenover Tappuach. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | יחד (yachad) = samen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | על (al) = met | כל (kol) = alle | מחניהם (machanehem) = hun legerkampen | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | מאוד (me'od) = zeer | כחול (kachol) = als zand | אשר (asher) = die | על (al) = op | שפת (sefat) = de oever van | הים (hayyam) = de zee | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | כולם (kullam) = allen | נגד (neged) = tegenover | תפוח (Tappuach) = Tappuach Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:10** Jasjub, de koning van Tappuach, ging met heel zijn leger naar hen uit en legerde zich met hen tegenover Tappuach, buiten de stad; en al deze koningen verdeelden zich in zeven delen, zeven legerplaatsen tegen de zonen van Jakob. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | ישוב (yashuv) = Jasjub | מלך (malakh) = koning van | תפוח (Tappuach) = Tappuach | אליהם (aleihem) = naar hen | עם (im) = met | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | ויחן (vayichan) = en hij sloeg zijn kamp op | עמהם (immahem) = met hen | נגד (neged) = tegenover | תפוח (Tappuach) = Tappuach | מחוץ (michuts) = buiten | לעיר (la'ir) = de stad | ויתחלקו (vayitchalqu) = en zij verdeelden zich | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | לשבעה (lishvi'ah) = in zeven | חלקים (chalaqim) = delen | לשבע (lesheva) = tot zeven | מחנות (machanot) = kampen | על (al) = tegen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:11** Zij zonden een brief aan Jakob en zijn zonen met de woorden: „Kom allen naar ons uit, en laten wij elkaar op de vlakte onder ogen komen, en wij zullen wraak nemen voor de mannen van Sichem die jullie in hun stad hebben gedood. En nu gaan jullie weer terug naar de stad Sichem om daar te wonen en al haar mannen te doden, zoals de eerste keer.” Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | ספר (sefer) = brief | אל (el) = aan | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואל (ve'el) = en naar | בניו (banav) = zijn zonen | לאמור (lemor) = zeggende | צאו (tse'u) = trek uit | אלינו (elenu) = naar ons | כולכם (kulkhem) = jullie allen | ונתראה (venitra'eh) = en laten wij elkaar zien | עמכם (immakhem) = met jullie | פנים (panim) = gezicht | במישור (bamishor) = op de vlakte | וננקמה (venikkamah) = en wij nemen wraak | מכם (mikkem) = van jullie | נקמת (niqmat) = de wraak voor | אנשי (anshei) = mannen van | שכם (Shekhem) = Sichem | אשר (asher) = die | הרגתם (haragtem) = jullie hebben gedood | אותם (otam) = hen | בעירם (be'iram) = in hun stad | ותוסיפו (vatosifu) = en jullie doen weer | עתה (attah) = nu | ותשובו (vatashuvu) = en jullie keren terug | אל (el) = naar | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | ותשבו (vatshvu) = en wonen | בה (bah) = daarin | להרוג (laharog) = om te doden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אנשיה (anasheha) = haar mannen | כבראשונה (kaRishonah) = zoals eerst Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **37:12** De zonen van Jakob hoorden dit, en hun toorn laaide zeer op over de woorden van de koningen van Kanaän; zij haastten zich en stonden op, alle zonen van Jakob, tien in getal, en ieder omgordde zich met zijn oorlogstuig, en met hen honderdtwaalf man van hun dienaren, uitgerust met oorlogstuig. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפם (appam) = hun toorn | מאוד (me'od) = zeer | מדברי (middivrei) = over de woorden van | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עשרה (esreh) = tien | ויחגרו (vayachgeru) = en zij omgordden zich met | איש (ish) = een man | כלי (keli) = werktuig van | מלחמתו (milchamto) = zijn strijd | ועמהם (ve'imahem) = en met hen | מאה (me'ah) = honderd | ושנים (ushanim) = en twee | עשר (esar) = tien | איש (ish) = een man | מעבדיהם (me'avdeihem) = van hun dienaren | מלובשים (meluvashim) = uitgerust | כלי (keli) = werktuig van | מלחמה (milchamah) = oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: מאה ושנים עשר (‘honderdtwaalf’) staat er, ook in v. 20; de Engelse vertaling heeft in dit vers ‘honderdtwee’. **37:13** Al deze mannen, de zonen van Jakob met hun dienaren, gingen al die koningen tegemoet, en hun vader Jakob ging met hen mee; en zij stonden allen op de heuvel van Sichem. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | האלה (ha'elleh) = deze | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עם (im) = met | עבדיהם (avdeyhem) = hun dienaren | לקראת (liqrat) = tegemoet | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ההם (hahem) = die | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | עמהם (immahem) = met hen | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden | כולם (kullam) = allen | בתל (batel) = op de heuvel van | שכם (Shekhem) = Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jakobs gebed **37:14** Jakob bad tot Yahweh voor zijn zonen en spreidde zijn handen uit tot Yahweh en zei: „Yahweh Elohim, U bent El Sjaddai, U bent onze vader, U hebt ons gevormd en wij zijn het werk van Uw hand. Red toch mijn zonen in Uw ontferming uit de hand van hun vijanden die vandaag komen om tegen hen te strijden, en verlos hen uit hun hand, want in Uw hand zijn kracht en macht om weinigen te redden uit de hand van velen. Brontekst: ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בעד (ba'ad) = voor | בניו (banav) = zijn zonen | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויפרוש (vayifros) = en hij spreidde uit | כפיו (kappav) = zijn handen | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | אתה (attah) = U | אל שדי (El Shaddai) = El Sjaddai | אבינו (avinu) = onze vader | אתה (attah) = U | ואתה (ve'attah) = en U | יצרתנו (yetsartanu) = U hebt ons gevormd | ומעשה (uma'aseh) = en het werk van | ידך (yadekha) = Uw hand | אנחנו (anachnu) = wij | הצל (hatsel) = red | נא (na) = toch | את (et) = (obj.) | בניי (banay) = mijn zonen | ברחמיך (berachamekha) = met Uw ontferming | מיד (miyyad) = uit de hand van | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden | הבאים (habba'im) = die komen | היום (hayyom) = vandaag | להילחם (lehillachem) = te strijden | בם (vam) = tegen hen | והושעת (vehoshe'ta) = en red | אותם (otam) = hen | מידם (miyyadam) = uit hun hand | כי (ki) = want | בידך (beyadekha) = in Uw hand | הכח (hakkoach) = de kracht | והגבורה (vehaggevurah) = en de macht | להושיע (lehoshia) = om te redden | מעט (me'at) = weinig | מיד (miyyad) = uit de hand van | רב (rav) = velen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:15** Geef aan Uw dienaren, mijn zonen, sterkte van hart en macht om te strijden tegen hun vijanden en hen onder hun hand te onderwerpen, en laat al hun vijanden voor hen vallen, en laat mijn zonen en mijn dienaren niet sterven door de hand van Kanaän. Brontekst: ונתת (venatatta) = en geef | לעבדיך (le'avdekha) = aan Uw dienaren | בניי (banay) = mijn zonen | חוזק (chozeq) = kracht van | לב (lev) = het hart van | וגבורה (ugevurah) = en macht | להלחם (lehilachem) = om te strijden | מאויביהם (me'oyvehem) = tegen hun vijanden | להכניעם (lehakhni'am) = om hen te onderwerpen | תחת (tachat) = onder | ידם (yadam) = hun hand | והפלת (vehapalta) = en laat vallen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ולא (velo) = en niet | ימותו (yamutu) = zullen sterven | בניי (banay) = mijn zonen | ועבדיי (va'avadai) = en mijn dienaren | ביד (beyad) = in de hand van | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:16** Maar als het goed is in Uw ogen om de levens van mijn zonen en mijn dienaren te nemen, neem hen dan door de hand van Uw engelen, in Uw grote ontferming, en laat hen vandaag niet sterven door de hand van de koningen van de Amorieten.” Brontekst: אך (akh) = maar | אם (em) = als | טוב (tov) = goed | בעיניך (be'einekha) = in Uw ogen | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (obj.) | נפשות (nefashot) = zielen van | בניי (banay) = mijn zonen | ועבדיי (va'avadai) = en mijn dienaren | קחם (qachem) = neem hen | נא (na) = toch | ביד (beyad) = in de hand van | מלאכיך (mal'akhekha) = Uw engelen | ברחמיך (berachamekha) = met Uw ontferming | הרבים (harabbim) = grote | ולא (velo) = en niet | ימותו (yamutu) = zullen sterven | היום (hayyom) = vandaag | ביד (beyad) = in de hand van | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:17** Toen Jakob had geëindigd met bidden tot Yahweh, beefde de aarde op haar plaats en werd de zon donker; alle koningen werden onthutst en een grote verwarring kwam over hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ככלות (kekhalot) = toen hij klaar was | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | להתפלל (lehitpallel) = om te bidden | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ותרעש (vatir'ash) = en beefde | הארץ (ha'arets) = de aarde | ממקומה (mimqomah) = van haar plaats | ותחשך (vattechshakh) = en werd donker | השמש (hashemesh) = de zon | ויתבהלו (vayitbahalu) = en zij werden onthutst | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ותבוא (vattavo) = en kwam | בהם (bahem) = over hen | מהומה (mehumah) = verwarring | גדולה (gedolah) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:18** Yahweh hoorde het gebed van Jakob, en Yahweh gaf de schrik voor de zonen van Jakob en de vrees voor hen in het hart van alle koningen en in het hart van hun legers. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | תפילת (tefillat) = het gebed van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | פחד (pachad) = schrik voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ומוראם (umora'am) = en de vrees voor hen | בלב (belev) = in het hart van | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ובלב (uvelev) = en in het hart van | צבאותיהם (tsiv'otehem) = hun legers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:19** Want Yahweh liet hen het geluid van wagens horen en het geluid van sterke paarden van de kant van de zonen van Jakob, en het geluid van een groot leger dat met hen was. Brontekst: כי (ki) = want | השמיע (hishmi'a) = liet horen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אותם (otam) = hen | קול (qol) = geluid van | רכב (rekhev) = wagens | וקול (veqol) = en het geluid van | סוס (sus) = paarden | עצום (atsum) = sterk | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וקול (veqol) = en het geluid van | מחנה (machaneh) = leger | כבד (kaved) = groot | איתם (ittam) = bij hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie 2 Kon. 7:6 (Yahweh liet het leger van Aram het geluid van wagens, paarden en een groot leger horen). Zie ook: 2 Kon 7:6 **37:20** Deze koningen werden zeer bevreesd voor de zonen van Jakob. Terwijl zij daar op hun plaats stonden, zie, daar kwamen de zonen van Jakob tegen hen op, honderdtwaalf man, met machtig en zwaar geluid. Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | יראה (yir'ah) = vrees | גדולה (gedolah) = grote | מבני (mibbnei) = voor de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הם (hem) = zij | עומדים (omdim) = staande | במעמדם (bema'amadam) = op hun plaats | והנה (vehinneh) = en zie | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | באים (va'im) = komend | עליהם (aleihem) = tegen hen | במאה (bame'ah) = met honderd | ושנים (ushanim) = en twee | עשר (esar) = tien | איש (ish) = een man | בקול (bekol) = met een stem | עצום (atsum) = machtig | וכבד (vekhaved) = en zwaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:21** Toen al deze koningen de zonen van Jakob hun tegemoet zagen komen, nam de vrees in hun hart nog toe, en zij zeiden dat zij zich van de zonen van Jakob moesten terugtrekken, zoals de eerste keer, om niet tegen hen te strijden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen zij zagen | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | באים (va'im) = komen | לקראתם (liqratam) = hen tegemoet | ותוסף (vattosef) = en nam toe | להם (lahem) = voor hen | יראה (yir'ah) = vrees | בלבם (belibbam) = in hun hart | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לשוב (lashuv) = terug te keren | מעל (me'al) = van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כבראשונה (kaRishonah) = zoals eerst | לבלתי (levilti) = opdat niet | הלחם (hallechem) = te strijden | בם (vam) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:22** Maar zij keerden niet terug, want zij zeiden: „Zie, het is een schande voor ons om twee keer voor de Hebreeën terug te wijken.” Brontekst: אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | שבו (shavu) = zij keerden terug | להם (lahem) = terug | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | הנה (hinneh) = zie | חרפה (cherpah) = schande | היא (hi) = is | לנו (lanu) = voor ons | לשוב (lashuv) = terug te keren | מפני (mippenei) = voor | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | זה (ze) = dit | פעמיים (pa'amayim) = tweemaal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:23** De zonen van Jakob kwamen dichterbij en trokken op tegen al deze koningen en hun legerplaatsen, en zij zagen, en zie, het was een zeer talrijk volk, als het zand van de zee. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | קרבו (qarvu) = kwamen dichtbij | ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | נגד (neged) = tegenover | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ומחנותיהם (umachanotehem) = en hun legerplaatsen | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | עם (im) = een volk | כבד (kaved) = zwaar | מאוד (me'od) = zeer | כחול (kachol) = als zand | הים (hayyam) = de zee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:24** De zonen van Jakob riepen tot Yahweh en zeiden: „Red ons, Yahweh, verlos ons en antwoord ons, want op U vertrouwen wij, en laat ons vandaag niet sterven door de hand van de onbesnedenen die tegen ons komen.” Brontekst: ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | הושיעה (hoshi'ah) = red | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לנו (lanu) = ons | הושיעהו (hoshi'ehu) = verlos ons | ועננו (va'anenu) = en antwoord ons | כי (ki) = want | בך (bekha) = in U | בטחנו (batachnu) = wij vertrouwen | ולא (velo) = en niet | נמות (namut) = zullen wij sterven | ביד (beyad) = in de hand van | הערלים (ha'arelim) = de onbesnedenen | הבאים (habba'im) = die komen | עלינו (aleinu) = over ons | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: הושיעהו (‘verlos hem’) staat er; gelezen als הושיענו, ‘verlos ons’, zoals de Engelse vertaling heeft. **37:25** De zonen van Jakob omgordden zich met hun oorlogstuig, en zij namen de schilden in hun handen, en ieder zijn werpspies in zijn hand, en zij naderden om te strijden. Brontekst: ויחגרו (vayachgeru) = en zij omgordden zich met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כלי (keli) = werktuig van | מלחמתם (milchamtam) = hun oorlog | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (obj.) | המגינים (hamaginnim) = de schilden | בידיהם (beyadehem) = in hun handen | ואיש (ve'ish) = en ieder | כידונו (kidono) = zijn werpspies | בידו (beyado) = in zijn hand | ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | להלחם (lehilachem) = om te strijden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Juda en Jasjub **37:26** Juda, de zoon van Jakob, rende als eerste voor zijn broers uit, en tien mannen van zijn dienaren met hem, en hij ging die koningen tegemoet. Brontekst: וירץ (vayyarots) = en hij rende | יהודה (Yehudah) = Juda | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ראשונה (rishonah) = als eersten | לפני (lifnei) = voor | אחיו (achiv) = zijn broers | ועשרה (va'asarah) = en tien | אנשים (anashim) = mannen | מעבדיו (me'avadav) = van zijn dienaren | עמו (immo) = bij hem | וילך (vayelekh) = en hij ging | לקראת (liqrat) = tegemoet | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:27** Ook Jasjub, de koning van Tappuach, trok als eerste met zijn leger uit, Juda tegemoet. Toen Juda Jasjub en zijn leger als eersten naar hem toe zag komen, laaide Juda’s toorn zeer op en brandde zijn woede in hem; hij naderde om te strijden, en Juda gaf zijn leven prijs om te sterven. Brontekst: וישוב (veyashuv) = en Jasjub | מלך (malakh) = koning van | תפוח (Tappuach) = Tappuach | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | יצא (yatsa) = hij uitging | ראשונה (rishonah) = als eersten | עם (im) = met | חילו (chelo) = zijn leger | לקראת (liqrat) = tegemoet | יהודה (Yehudah) = Juda | וירא (vayyera) = en hij zag | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (obj.) | ישוב (yashuv) = Jasjub | ואת (ve'et) = en (obj.) | חילו (chelo) = zijn leger | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | ראשונה (rishonah) = als eersten | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אף (af) = toorn | יהודה (Yehudah) = Juda | מאוד (me'od) = zeer | וחמתו (vechamato) = en zijn woede | בערה (ba'arah) = brandde | בו (bo) = in hem | ויגש (vayyigash) = en hij naderde | להלחם (lehilachem) = om te strijden | ויתן (vayitten) = en gaf | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (obj.) | נפשו (nafsho) = zijn ziel | למות (lamut) = te sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:28** Jasjub en heel zijn leger kwamen op Juda af, en hij reed op een zeer sterk en machtig paard; Jasjub was een zeer dappere held, en van zijn hoofd tot zijn voeten bedekt met ijzer en koper. Brontekst: וישוב (veyashuv) = en Jasjub | וכל (vekhol) = en alle | חילו (chelo) = zijn leger | הולך (holekh) = gaande | ובא (uva) = en kwam | לקראת (liqrat) = tegemoet | יהודה (Yehudah) = Juda | והוא (vehu) = en hij | רוכב (rokhev) = rijdend | על (al) = op | סוס (sus) = paard | חזק (chazaq) = sterk | ועצום (ve'atsum) = en machtig | מאוד (me'od) = zeer | וישוב (veyashuv) = en Jasjub | איש (ish) = een man | גיבור (gibbor) = held | חיל (chayil) = van kracht | מאוד (me'od) = zeer | ויתכסה (vayitkaseh) = en hij was bedekt | מראשו (merosho) = van zijn hoofd | ועד (ve'ad) = en tot | רגליו (raglav) = zijn voeten | בברזל (babarzel) = met ijzer | ונחושת (unechoshet) = en koper Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:29** Hij schoot pijlen met beide handen vanaf het paard, naar voren en naar achteren, zoals zijn gewoonte was in al zijn oorlogen, en hij miste nooit de plaats waarop hij de pijlen schoot. Brontekst: והוא (vehu) = en hij | מורה (moreh) = schietend | חצים (chitsim) = pijlen | בשתי (bishtei) = met beide | ידיו (yadav) = zijn handen | מעל (me'al) = van op | הסוס (hassus) = het paard | לפניו (lefanav) = voor zich | ולאחריו (ule'achorav) = en achter zich | כמשפטו (kemishpato) = volgens zijn gewoonte | בכל (bekhol) = in heel | מלחמותיו (milchamotav) = zijn oorlogen | ולא (velo) = en niet | יחטיא (yachti) = miste | במקום (bamaqom) = op de plaats | אשר (asher) = waarop | יורה (yoreh) = schoot | עליו (alav) = daarop | החצים (hachitsim) = de pijlen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:30** Toen Jasjub kwam om met Juda te strijden en vele pijlen op Juda afschoot, bond Yahweh de hand van Jasjub, en al de pijlen die hij had geschoten, keerden terug op zijn eigen mannen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כי (ki) = toen | בא (ba) = kwam | ישוב (yashuv) = Jasjub | להלחם (lehilachem) = om te strijden | ביהודה (biyehudah) = tegen Juda | ויורה (vayoreh) = en schoot | חצים (chitsim) = pijlen | רבים (rabbim) = vele | אל (el) = naar | יהודה (Yehudah) = Juda | ויקשור (vayiqshor) = en Hij bond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | יד (yad) = hand van | ישוב (yashuv) = Jasjub | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | כל (kol) = alle | החצים (hachitsim) = de pijlen | אשר (asher) = die | ירה (yarah) = had geschoten | על (al) = op | אנשיו (anashav) = zijn mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:31** Toch bleef Jasjub naderen, vóór Juda, om hem met pijlen te treffen; maar de afstand tussen hen beiden was ongeveer dertig el. Toen Juda zag dat Jasjub pijlen op hem afschoot, rende Juda met laaiende kracht naar hem toe. Brontekst: ובכל (uvkhol) = ondanks | זאת (zot) = dit | ישוב (yashuv) = Jasjub | הולך (holekh) = gaande | וקרב (veqarev) = en naderend | לפני (lifnei) = voor | יהודה (Yehudah) = Juda | להכותו (lehakkoto) = om hem te slaan | בחצים (bachitsim) = met pijlen | אך (akh) = maar | היה (hayah) = was | מרחוק (merachoq) = op afstand | בין (bein) = tussen | שניהם (shenehem) = beiden | כשלשים (keshloshim) = ongeveer dertig | אמה (ammah) = el | וירא (vayyera) = en hij zag | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (obj.) | ישוב (yashuv) = Jasjub | מורה (moreh) = schiet | בחצים (bachitsim) = met pijlen | לפניו (lefanav) = voor hem | וירץ (vayyarots) = en hij rende | אליו (elav) = tot hem | יהודה (Yehudah) = Juda | בחמת (bechamat) = in de gloed van | כחו (kocho) = zijn kracht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 centimeter; dertig el is dus ongeveer 13,5 meter. Voetnoot Lezing: De verzen 31–35 ontbreken in de Hebreeuwse tekst van Livorno 1870, waar op v. 30 direct v. 36 volgt. Zij zijn hier vertaald uit de Jeruzalemse druk van Sefer haYashar (deel Vajislach), waar ze wel staan. Spelling kan van Livorno afwijken; de woordkeus komt overeen met Noah’s Engelse vertaling. **37:32** Juda nam een grote steen van de grond; zijn gewicht was ongeveer zestig sjekel. Juda rende op Jasjub af en trof hem met die steen op zijn schild; Jasjub werd door de slag overweldigd en viel van het paard op de grond. Brontekst: וישא (vayissa) = en hij nam | יהודה (Yehudah) = Juda | אבן (even) = steen | גדולה (gedolah) = grote | מן (min) = uit | האדמה (ha'adamah) = de grond | ויהי (vayehi) = en was | משקלה (mishqalah) = haar gewicht | כששים (kishishim) = ongeveer zestig | שקלים (sheqalim) = sjekel | וירץ (vayyarots) = en hij rende | יהודה (Yehudah) = Juda | לקראת (liqrat) = tegemoet | ישוב (yashuv) = Jasjub | ויכהו (vayakehu) = en hij sloeg hem | באבן (ba'even) = met een steen | ההיא (hahi) = die | על (al) = op | מגנו (maginno) = zijn schild | ויתבהל (vayitbahel) = werd onthutst | ישוב (yashuv) = Jasjub | מן (min) = door | המכה (hamakka) = de slag | ויפול (vayippol) = en hij viel | מעל (me'al) = van | הסוס (hassus) = het paard | לארץ (la'arets) = naar de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Een sjekel is ongeveer 11,4 gram; zestig sjekel is dus ongeveer 0,7 kilogram. **37:33** Het schild werd Jasjub uit de hand gerukt en vloog door de kracht van die slag ongeveer vijftien el weg; het schild viel voor het tweede legerkamp. Brontekst: וינתק (vayyittaq) = en het werd losgerukt | המגן (hamagen) = het schild | מיד (miyyad) = uit de hand van | ישוב (yashuv) = Jasjub | וילך (vayelekh) = en het vloog | לו (lo) = weg | מחוזק (mechozeq) = door de kracht van | המכה (hamakka) = de slag | ההיא (hahi) = die | כמו (kemo) = ongeveer | חמש (chamesh) = vijf | עשרה (esreh) = tien | אמה (ammah) = el | ויפול (vayippol) = en het viel | המגן (hamagen) = het schild | לפני (lifnei) = voor | המחנה (hammachaneh) = het kamp | השנית (hashenit) = de tweede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:34** De koningen die met Jasjub gekomen waren, zagen van verre de kracht van Juda, de zoon van Jakob, en wat hij Jasjub had aangedaan, en zij werden zeer bevreesd voor Juda. Brontekst: והמלכים (vehammelakhim) = en de koningen | אשר (asher) = die | באו (ba'u) = waren gekomen | עם (im) = met | ישוב (yashuv) = Jasjub | ראו (ra'u) = zij zagen | מרחוק (merachoq) = van ver | את (et) = (obj.) | גבורת (gevurat) = de kracht van | יהודה (Yehudah) = Juda | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואשר (va'asher) = en wat | עשה (asah) = hij had gedaan | לישוב (leyashuv) = aan Jasjub | ויתבהלו (vayitbahalu) = en zij schrokken | מאד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = voor | יהודה (Yehudah) = Juda Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:35** Juda rende naar het kamp van Jasjub, terwijl hij hem in verwarring bracht, trok zijn zwaard en sloeg tweeënveertig man van het kamp van Jasjub neer. Heel het kamp van Jasjub vluchtte voor Juda en niemand hield stand tegenover hem; zij lieten Jasjub achter en vluchtten van hem weg, terwijl Jasjub nog op de grond lag. Brontekst: ויהודה (vihudah) = en Juda | רץ (ruts) = rende | אל (el) = naar | מחנה (machaneh) = het kamp van | ישוב (yashuv) = Jasjub | בבהלו (bevahalo) = toen hij in verwarring bracht | אותו (oto) = hem | וישלוף (vayishlof) = en hij trok | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (obj.) | חרבו (charvu) = zijn zwaard | ויך (vayyakh) = en hij trof | ממחנה (mimmachaneh) = van het kamp van | ישוב (yashuv) = Jasjub | ארבעים (arba'im) = veertig | ושנים (ushanim) = en twee | איש (ish) = man | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | כל (kol) = alle | מחנה (machaneh) = het kamp van | ישוב (yashuv) = Jasjub | מפני (mippenei) = voor | יהודה (Yehudah) = Juda | ואין (veein) = en er was niet | איש (ish) = iemand | עמד (amad) = hield stand | נגדו (negdo) = tegenover hem | ויעזבו (vaya'azvu) = en zij verlieten | את (et) = (obj.) | ישוב (yashuv) = Jasjub | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | מעליו (me'alav) = van hem weg | וישוב (veyashuv) = en Jasjub | עודנו (odenu) = nog | נופל (nofel) = neerliggend | לארץ (la'arets) = op de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: בבהלו אותו (‘in zijn doen schrikken/verwarren hem’): de tekst zegt niet wie verward is. Noah’s Engelse vertaling leest ‘seeing his confusion’, dus Jasjub; wij volgen dat. **37:36** Toen Jasjub zag dat alle mannen van zijn leger van hem weg waren gevlucht, haastte hij zich en stond op in verbijstering, Juda tegemoet, en hij ging op zijn voeten staan tegenover Juda. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | ישוב (yashuv) = Jasjub | כי (ki) = dat | ברחו (barchu) = waren gevlucht | מעליו (me'alav) = van hem weg | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | מחנהו (machanehu) = zijn leger | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | בבהלה (bevahalah) = in verbijstering | לקראת (liqrat) = tegemoet | יהודה (Yehudah) = Juda | ויעמוד (vaya'amod) = en hij ging staan | על (al) = op | רגליו (raglav) = zijn voeten | מול (mul) = tegenover | יהודה (Yehudah) = Juda Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers sluit de tekst van Livorno aan: Jasjub ‘stond op’ (ויקם) en ‘ging op zijn voeten staan’, nadat hij in v. 32 van zijn paard was gevallen. **37:37** Jasjub legde alleen de strijd met Juda aan, en hij zette zijn schild tegenover zijn schild, terwijl de mannen van Jasjub allen vluchtten, want zij vreesden Juda zeer. Brontekst: ויערוך (vaya'arokh) = en hij legde aan | ישוב (yashuv) = Jasjub | לבדו (levaddo) = alleen | מלחמה (milchamah) = strijd | את (et) = met | יהודה (Yehudah) = Juda | וישם (vayasem) = en hij zette | מגינו (maginno) = zijn schild | מול (mul) = tegenover | מגינו (maginno) = zijn schild | ואנשי (ve'anshei) = en de mannen van | ישוב (yashuv) = Jasjub | ברחו (barchu) = vluchtten | כולם (kullam) = allen | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | מפני (mippenei) = voor | יהודה (Yehudah) = Juda | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:38** Jasjub hief de werpspies in zijn hand en sloeg Juda op zijn hoofd, maar Juda haastte zich en hield zijn schild boven zijn hoofd tegen de werpspies van Jasjub; het schild van Juda ving de slag van de werpspies van Jasjub op, en hij spleet het schild in tweeën. Brontekst: ויטל (vayyatel) = en hij hief | ישוב (yashuv) = Jasjub | את (et) = (obj.) | הכידון (hakidon) = de werpspies | בידו (beyado) = in zijn hand | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | את (et) = (obj.) | יהודה (Yehudah) = Juda | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | יהודה (Yehudah) = Juda | וישם (vayasem) = en hij zette | מגינו (maginno) = zijn schild | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | לנגד (lenegged) = tegenover | כידון (kidon) = werpspies van | ישוב (yashuv) = Jasjub | ויקבל (vayeqabbel) = en ontving | מגן (miggan) = schild van | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (obj.) | מכת (makkat) = de slag van | כידון (kidon) = werpspies van | ישוב (yashuv) = Jasjub | ויכרות (vayikhrot) = en spleet | את (et) = (obj.) | המגן (hamagen) = het schild | לשניים (lishnayim) = in tweeën Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:39** Toen Juda zag dat zijn schild gespleten was, haastte hij zich, trok zijn zwaard en sloeg Jasjub bij de enkels van zijn voeten en hieuw zijn voeten af, zodat Jasjub op de grond viel en de werpspies uit zijn hand viel. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יהודה (Yehudah) = Juda | כי (ki) = dat | נכרת (nikhrat) = was gespleten | מגינו (maginno) = zijn schild | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | וישלוף (vayishlof) = en trok | חרבו (charvu) = zijn zwaard | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | את (et) = (obj.) | ישוב (yashuv) = Jasjub | בקרסולו (bekarsulo) = bij de enkel | הרגליים (haraglayim) = van de voeten | ויכרות (vayikhrot) = en hieuw af | את (et) = (obj.) | רגליו (raglav) = zijn voeten | ויפול (vayippol) = en hij viel | ישוב (yashuv) = Jasjub | לארץ (la'arets) = naar de aarde | ויפול (vayippol) = en hij viel | הכידון (hakidon) = de werpspies | מידו (miyyado) = uit zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:40** Juda haastte zich, nam de werpspies van Jasjub op, hieuw daarmee zijn hoofd af en wierp het neer bij zijn voeten. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | יהודה (Yehudah) = Juda | וישא (vayissa) = en hij hief op | את (et) = (obj.) | כידון (kidon) = werpspies van | ישוב (yashuv) = Jasjub | ויכרות (vayikhrot) = en hieuw af | בו (bo) = daarmee | את (et) = (obj.) | ראשו (rosho) = zijn hoofd | וישליכו (vayashlikhu) = en wierp het | אצל (etsel) = bij | רגליו (raglav) = zijn voeten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De slag **37:41** Toen alle zonen van Jakob zagen wat Juda met Jasjub had gedaan, renden zij allen naar de slagorden van die koningen, en de zonen van Jakob streden in het leger van Jasjub en in de legers van al de koningen die daar waren. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen zij zagen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = had gedaan | יהודה (Yehudah) = Juda | לישוב (leyashuv) = aan Jasjub | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | כולם (kullam) = allen | אל (el) = naar | מערכות (ma'arakhot) = slagorden van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ההם (hahem) = die | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במחנה (bamachaneh) = in het leger van | ישוב (yashuv) = Jasjub | ובמחנות (uvamachanot) = en in de legers van | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:42** De zonen van Jakob deden vijftienduizend man van hen vallen en sloegen hen zoals men komkommers slaat, en de overigen vluchtten voor hun leven. Brontekst: ויפילו (vayappilu) = en zij deden vallen | מהם (mehem) = van hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | חמישה (chamishah) = vijf | עשר (esar) = tien | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | בהם (bahem) = in hen | כהכות (kehakkot) = zoals men slaat | בקישואים (biqishu'im) = komkommers | ואת (ve'et) = en (obj.) | היותר (hayoter) = de overigen | ברחו (barchu) = vluchtten | לנפשם (lenafsham) = voor hun leven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:43** Juda stond nog bij het lijk van Jasjub en stroopte het pantser van Jasjub van hem af. Brontekst: ויהודה (vihudah) = en Juda | עודנו (odenu) = nog | עומד (omed) = staande | על (al) = bij | גויית (geviyyat) = lichaam van | ישוב (yashuv) = Jasjub | ויפשוט (vayifshot) = en stroopte af | את (et) = (obj.) | שריון (siryon) = pantser | ישוב (yashuv) = Jasjub | מעליו (me'alav) = van hem weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:44** Ook het ijzer en het koper dat Jasjub droeg, stroopte Juda af; en zie, negen van de mannen van Jasjub, aanvoerders, kwamen op Juda af om tegen hem te strijden. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | את (et) = (obj.) | הברזל (habarzel) = het ijzer | ואת (ve'et) = en (obj.) | הנחושת (hanechoshet) = het koper | אשר (asher) = die | על (al) = aan | ישוב (yashuv) = Jasjub | פשט (pashat) = stroopte af | יהודה (Yehudah) = Juda | והנה (vehinneh) = en zie | תשעה (tish'ah) = negen | אנשיו (anashav) = zijn mannen | שרי (sarai) = aanvoerders van | ישוב (yashuv) = Jasjub | באו (ba'u) = kwamen | נגד (neged) = tegen | יהודה (Yehudah) = Juda | להלחם (lehilachem) = om te strijden | בו (bo) = tegen hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:45** Juda haastte zich, nam een steen van de grond en trof er een van hen mee op zijn hoofd; zijn schedel spleet, de helft ervan viel op het paard, en ook het lijk viel van het paard op de grond. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | יהודה (Yehudah) = Juda | ויקח (vayikkach) = en hij nam | אבן (even) = steen | מהארץ (mehaarets) = van de grond | ויך (vayyakh) = en hij trof | בה (bah) = daarmee | את (et) = (obj.) | האחד (ha'echad) = de ene | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ותבקע (vativqa) = en werd gespleten | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ותיפול (vattippol) = en viel | חציה (chitsyah) = de helft ervan | על (al) = op | הסוס (hassus) = het paard | ותיפול (vattippol) = en viel | גם (gam) = ook | הגוייה (hagviyah) = het lijk | מעל (me'al) = van op | הסוס (hassus) = het paard | לארץ (la'arets) = op de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:46** De acht overgebleven aanvoerders zagen de kracht van Juda, werden zeer bevreesd en vluchtten; Juda en zijn tien mannen achtervolgden hen, haalden hen in en doodden hen. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | השמונה (hashmonah) = de acht | השרים (hasarim) = de aanvoerders | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | את (et) = (obj.) | גבורת (gevurat) = de kracht van | יהודה (Yehudah) = Juda | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | וירדוף (vayirdof) = en hij achtervolgde | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | יהודה (Yehudah) = Juda | ועשרה (va'asarah) = en tien | אנשיו (anashav) = zijn mannen | וידבקו (vayidbequ) = en zij haalden in | אותם (otam) = hen | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:47** De zonen van Jakob sloegen nog in de legers van de koningen en doodden er velen van, en velen van hen vluchtten. Maar deze koningen zelf bleven met al hun aanvoerders op hun plaats staan en vluchtten niet van hun plek, en zij riepen naar al hun legers die vluchtten voor de zonen van Jakob; maar niemand luisterde naar hen, want zij waren zeer bevreesd voor hun leven, dat zij zouden sterven. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עודם (odam) = nog | מכים (makkim) = slaand | במחנות (bamachanot) = in de legers van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | מהם (mehem) = van hen | רבים (rabbim) = vele | ויברחו (vayivrechu) = en zij vluchtten | מהם (mehem) = van hen | רבים (rabbim) = vele | אך (akh) = maar | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | בנפשותם (benafshotam) = in eigen persoon | עמדו (imdu) = stonden | עם (im) = met | כל (kol) = alle | שריהם (sareihem) = hun aanvoerders | במעמדם (bema'amadam) = op hun plaats | ולא (velo) = en niet | ברחו (barchu) = vluchtten | ממקומם (mimmeqomam) = van hun plaats | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij riepen | על (al) = naar | כל (kol) = alle | מחנותם (machanotam) = hun legers | הבורחים (habore'chim) = die vluchtten | מפני (mippenei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואין (veein) = en niet | שומע (shome'a) = luisterend | אליהם (aleihem) = naar hen | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | לנפשותם (lenafshotam) = voor hun leven | פן (pen) = opdat niet | ימותו (yamutu) = zullen sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **37:48** Alle zonen van Jakob keerden terug na het slaan in de legers van de koningen en kwamen bij Juda; en Juda was nog bezig de acht aanvoerders van Jasjub te doden en hun kleren uit te trekken. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחרי (acharei) = na | הכות (hakkot) = het slaan door | במחנות (bamachanot) = in de legers van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לפני (lifnei) = bij | יהודה (Yehudah) = Juda | ויהודה (vihudah) = en Juda | עודנו (odenu) = nog | הורג (horeg) = doodde | את (et) = (obj.) | שמונת (shemonat) = acht | שרי (sarai) = aanvoerders van | ישוב (yashuv) = Jasjub | ופושט (ufoshet) = en stroopte af | את (et) = (obj.) | בגדיהם (bigdehem) = hun kleren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Levi en Elon **37:49** Levi zag Elon, de koning van Gaäsj, met zijn veertien aanvoerders op zich af komen om hem te slaan, maar Levi wist het niet. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | לוי (Levi) = Levi | את (et) = (obj.) | אילון (Eylon) = Elon | מלך (malakh) = koning van | געש (ga'ash) = Gaäsj | הולך (holekh) = ging | וקרב (veqarev) = en naderend | נגדו (negdo) = tegenover hem | עם (im) = met | ארבעה (arba'ah) = vier | עשר (esar) = tien | שריו (saraiv) = zijn aanvoerders | להכותו (lehakkoto) = om hem te slaan | ולוי (uLevi) = en Levi | לא (lo) = niet | ידע (yada) = wist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: וירא לוי … ולוי לא ידע (‘Levi zag … en Levi wist het niet’): de twee zinsdelen staan naast elkaar; de tekst zegt niet wat Levi niet wist. **37:50** Elon kwam met zijn aanvoerders nog dichterbij, en Levi keerde zich om en zag dat de strijd van achteren op hem afkwam; Levi rende met twaalf van zijn dienaren, en zij gingen en doodden Elon en zijn aanvoerders met de scherpte van het zwaard. Brontekst: ויגש (vayyigash) = en hij naderde | עוד (od) = opnieuw | אילון (Eylon) = Elon | עם (im) = met | שריו (saraiv) = zijn aanvoerders | ויפן (vayyifen) = en hij keerde zich om | לוי (Levi) = Levi | אחריו (acharav) = achter hem | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | לו (lo) = bij hem | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | לאחור (le'achor) = van achteren | וירץ (vayyarots) = en hij rende | לוי (Levi) = Levi | עם (im) = met | שנים (shanim) = twee | עשר (esar) = tien | מעבדיו (me'avadav) = van zijn dienaren | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | את (et) = (obj.) | אילון (Eylon) = Elon | ואת (ve'et) = en (obj.) | שריו (saraiv) = zijn aanvoerders | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 38 _Chasor en Sartan_ ### Jakobs boog **38:1** Ihoeri, de koning van Silo, kwam dichterbij om Elon te helpen, tegenover Jakob; Jakob spande de boog die in zijn hand was, trof Ihoeri met een pijl en doodde hem. Brontekst: ואיהורי (ve'ihuri) = en Ihoeri | מלך (malakh) = koning van | שילה (shiloh) = Silo | ניגש (niggash) = kwam dichterbij | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (obj.) | אילון (Eylon) = Elon | מול (mul) = tegenover | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וימשוך (vayimshokh) = en hij spande | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | הקשת (haqeshet) = de boog | אשר (asher) = die | בידו (beyado) = in zijn hand | ויך (vayyakh) = en hij trof | בחץ (bechets) = met een pijl | את (et) = (obj.) | איהורי (ihuri) = Ihoeri | וימיתהו (vayemitehu) = en hij doodde hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 48:22 (‘dat ik de Amoriet met mijn zwaard en mijn boog ontnomen heb’). Genesis vertelt niet van deze strijd; Jasher geeft hier Jakobs boog een plaats. Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 48:22 **38:2** Toen Ihoeri, de koning van Silo, gestorven was, vluchtten de vier overgebleven koningen met de rest van hun aanvoerders van hun standplaats, en zij probeerden te vluchten. Zij zeiden: „Wij hebben geen kracht meer tegen de Hebreeën, nu zij de drie koningen en hun aanvoerders, die sterker waren dan wij, hebben gedood.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | מת (met) = stierf | איהורי (ihuri) = Ihoeri | מלך (malakh) = koning van | שילה (shiloh) = Silo | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | ארבעת (arba'at) = de vier | המלכים (hammelakhim) = de koningen | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | עם (im) = met | יתר (yeter) = de rest van | שריהם (sareihem) = hun aanvoerders | ממקום (mimqom) = van de plaats van | מעמדם (ma'amadam) = hun standplaats | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | לברוח (livroach) = te vluchten | להם (lahem) = zich | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אין (ein) = er is niet | לנו (lanu) = voor ons | עוד (od) = opnieuw | גבורה (gevurah) = kracht | עם (im) = met | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | אחרי (acharei) = nadat | אשר (asher) = (samen: nadat) | המיתו (hemitu) = hadden gedood | את (et) = (obj.) | שלושת (sheloshet) = de drie | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ושריהם (vesareihem) = en hun aanvoerders | החזקים (hachazaqim) = de sterkere | ממנו (mimmennu) = dan wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. **38:3** Toen de zonen van Jakob zagen dat de overgebleven koningen zich van hun standplaats hadden losgemaakt, achtervolgden zij hen. De zonen van Jakob gingen uit, van de heuvel van Sichem, van de plaats waar zij hadden gestaan, en zij gingen achter de koningen aan en kwamen dicht bij hen met hun dienaren. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כאשר (ka'asher) = toen | ראו (ra'u) = zij zagen | כי (ki) = dat | נתקו (nutqu) = waren losgebroken | המלכים (hammelakhim) = de koningen | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | ממעמדם (mima'amadam) = van hun standplaats | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | להם (lahem) = hen | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מתל (mittel) = van de heuvel van | שכם (Shekhem) = Sichem | מן (min) = uit | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | עמדו (imdu) = stonden | שם (shem) = daar | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אחרי (acharei) = na | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | אליהם (aleihem) = tot hen | עם (im) = met | עבדיהם (avdeyhem) = hun dienaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויצאו בני יעקב (‘en de zonen van Jakob gingen uit’) staat er; de Engelse vertaling heeft hier dat Jakob zelf ‘van de heuvel van Sichem’ kwam. ### Chasor **38:4** Toen de koningen en al de aanvoerders en de rest van hun legers zagen dat de zonen van Jakob dicht bij hen waren gekomen, vreesden zij voor hun leven en vluchtten, en zij vluchtten tot aan de stad Chasor. Brontekst: והמלכים (vehammelakhim) = en de koningen | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de aanvoerders | ויתר (veyeter) = en de rest van | מחנותם (machanotam) = hun legers | ראו (ra'u) = zij zagen | כי (ki) = dat | ניגשו (niggeshu) = waren genaderd | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אליהם (aleihem) = tot hen | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | לנפשם (lenafsham) = voor hun leven | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | ויברחו (vayivrechu) = en zij vluchtten | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | עד (ad) = tot | עיר (ir) = stad | חצור (chatsor) = Chasor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Voetnoot Uitleg: חצור (Chasor) en סרטן (Sartan, v. 6 en 19): Genesis kent deze steden en deze strijd niet. Een stad Chasor met een koning komt voor in Joz. 11:1; of dezelfde bedoeld is, is niet te zeggen. Zie ook: Joz 11:1 **38:5** De zonen van Jakob achtervolgden hen tot aan de poort van de stad Chasor, en zij brachten onder deze koningen en hun legers een grote slag toe, ongeveer vierduizend man. Terwijl zij het leger van de koningen sloegen, spande Jakob nog steeds de boog en trof alleen de koningen, en hij doodde hen allen. Brontekst: וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עד (ad) = tot | שער (sha'ar) = poort van | עיר (ir) = stad | חצור (chatsor) = Chasor | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | במלכים (bamelakhim) = onder de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ובמחניהם (uvemachanehem) = en onder hun legers | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = grote | כארבעת (ke'arba'at) = ongeveer vier | אלפי (alfei) = duizend | איש (ish) = een man | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הם (hem) = zij | מכים (makkim) = slaand | במחנה (bamachaneh) = in het leger van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | משך (Meshekh) = spande | עוד (od) = nog | בקשת (bakeshet) = met de boog | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | במלכים (bamelakhim) = onder de koningen | לבדם (levaddam) = alleen | ויהרגם (vayaharegem) = en hij doodde hen | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). **38:6** Hij doodde Paraton, de koning van Chasor, in de poort van de stad Chasor, en daarna trof hij Soesi, de koning van Sartan, en Laban, de koning van Bet-Choron, en Sjakir, de koning van Machanajim; hij doodde hen allen met pijlen, een pijl voor elk, en zij stierven. Brontekst: ויהרוג (veyahrog) = en hij doodde | את (et) = (obj.) | פרעתון (par'aton) = Paraton | מלך (malakh) = koning van | חצור (chatsor) = Chasor | בשער (besha'ar) = in de poort van | עיר (ir) = stad | חצור (chatsor) = Chasor | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | הכה (hikkah) = trof | את (et) = (obj.) | סוסי (susi) = Soesi | מלך (malakh) = koning van | סרטן (sartan) = Sartan | ואת (ve'et) = en (obj.) | לבן (Lavan) = Laban | מלך (malakh) = koning van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | ואת (ve'et) = en (obj.) | שכיר (shakhir) = Sjakir | מלך (malakh) = koning van | מחנימה (machanayma) = Machanajim | ויהרגם (vayaharegem) = en hij doodde hen | כולם (kullam) = allen | בחצים (bachitsim) = met pijlen | חץ (chets) = een pijl | לאחד (le'echad) = voor elk | ומתו (umetu) = en zij stierven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). **38:7** De zonen van Jakob streden verder tegen de legers van deze koningen, tegenover de poort van Chasor. Toen de legers zagen dat al hun koningen dood waren, werden zij verbroken, en zij keerden de rug toe om te vluchten; en de zonen van Jakob sloegen opnieuw ongeveer vierhonderd man van hen. Brontekst: ויוסיפו (vayosifu) = en zij gingen verder | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויערכו (vaya'archu) = en zij stelden op | מלחמה (milchamah) = oorlog | עם (im) = met | מחנה (machaneh) = kamp | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | נגד (neged) = tegenover | שער (sha'ar) = poort van | חצור (chatsor) = Chasor | המחנות (hammachanot) = de kampen | בראותם (bir'otam) = toen zij zagen | כי (ki) = dat | מתו (metu) = zijn gestorven | כל (kol) = alle | מלכיהם (malkheihem) = hun koningen | וישברו (vayishaveru) = en zij werden gebroken | ויתנו (vayittenu) = en zij keerden | עורף (oref) = de rug | לנוס (lanus) = om te vluchten | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | מהם (mehem) = van hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עוד (od) = opnieuw | כארבע (ke'arba) = ongeveer vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). **38:8** In die strijd vielen drie man van de zonen van Jakob. Toen Juda zag dat drie van zijn dienaren gestorven waren, werd hij zeer toornig en zijn woede ontbrandde tegen de Amorieten. Brontekst: ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | מבני (mibbnei) = van de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ההיא (hahi) = die | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | וירא (vayyera) = en hij zag | יהודה (Yehudah) = Juda | כי (ki) = dat | מתו (metu) = zijn gestorven | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | מעבדיו (me'avadav) = van zijn dienaren | ויחר (vayyichar) = en laaide op | לו (lo) = voor hem | מאוד (me'od) = zeer | ותבער (vativ'ar) = en ontbrandde | בו (bo) = tegen hem | חמתו (chamato) = zijn woede | על (al) = op | האמורי (ha'emori) = de Amorieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: מבני יעקב (‘van de zonen van Jakob’) staat er, maar Juda ziet daarna dat drie van ‘zijn dienaren’ (מעבדיו) gestorven zijn; de Engelse vertaling heeft ook hier ‘dienaren van Jakob’. **38:9** Alle mannen die van de legers van de koningen waren overgebleven, vreesden zeer voor hun leven; zij renden en braken de poort van de muur van de stad Chasor open, en zij gingen allen midden in de stad om te ontkomen. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | ממחנות (mimachanot) = van de legers van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | יראו (yare'u) = zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | לנפשם (lenafsham) = voor hun leven | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | וישברו (vayishaveru) = en zij braken | את (et) = (obj.) | שער (sha'ar) = poort van | חומת (chomat) = de muur van | עיר (ir) = stad | חצור (chatsor) = Chasor | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | בתוך (betokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | להימלט (lehimmalet) = te ontkomen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). **38:10** Zij verborgen zich allen midden in de stad Chasor, want de stad Chasor was zeer, zeer groot en wijd uitgestrekt. Toen al deze legers midden in de stad waren gekomen, renden de zonen van Jakob achter hen aan, de stad in. Brontekst: ויתחבאו (vayitchabe'u) = en verborgen zich | כולם (kullam) = allen | בתוך (betokh) = midden in | עיר (ir) = stad | חצור (chatsor) = Chasor | כי (ki) = want | עיר (ir) = stad | חצור (chatsor) = Chasor | גדולה (gedolah) = groot | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | ורחבת (verachavat) = en wijd | ידיים (yadayim) = uitgestrekt | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוא (bevo) = bij het komen van | כל (kol) = alle | המחנות (hammachanot) = de kampen | האלה (ha'elleh) = deze | בתוך (betokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). **38:11** Vier helden, geoefend in de strijd, gingen de stad uit en stelden zich op bij de ingang van de stad, met getrokken zwaarden en hun speren in hun handen; zij stonden tegenover de zonen van Jakob, en die konden de stad niet binnengaan. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | מהעיר (mehair) = uit de stad | ארבעה (arba'ah) = vier | גיבורים (gibborim) = helden | מלומדי (melumedei) = ervaren in | מלחמה (milchamah) = oorlog | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden op | נגד (neged) = tegenover | פתח (petach) = de ingang van | העיר (ha'ir) = de stad | וחרבותיהם (vecharvotehem) = en hun zwaarden | שלופות (shelufot) = getrokken | וחניותיהם (vachanitehem) = en hun speren | בידיהם (beyadehem) = in hun handen | ויתיצבו (vayityatsvu) = en zij stelden zich op | נוכח (nokhach) = tegenover | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | לבוא (lavo) = binnen te gaan | העירה (ha'irah) = de stad in Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:12** Naftali rende op hen af en kwam in hun midden, en met zijn zwaard sloeg hij twee van hen en hieuw hun hoofden af in één slag. Brontekst: וירץ (vayyarots) = en hij rende | אליהם (aleihem) = tot hen | נפתלי (Naftali) = Naftali | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | בתוכם (betokham) = onder hen | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | בחרבו (becharbo) = met zijn zwaard | שניים (shenayim) = twee | מהם (mehem) = van hen | ויכרות (vayikhrot) = en hieuw af | את (et) = (obj.) | ראשם (rosham) = hun hoofden | בפעם (befa'am) = in één | אחת (achat) = keer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:13** Toen keerde hij zich om naar de twee anderen, maar zij waren gevlucht; hij achtervolgde hen, haalde hen in, sloeg hen en doodde hen. Brontekst: ויפן (vayyifen) = en hij keerde zich om | אל (el) = tot | השניים (hashnayim) = de twee | האחרים (ha'acherim) = de anderen | והמה (vehemmah) = en zij | נסו (nasu) = gevlucht waren | וירדוף (vayirdof) = en hij achtervolgde | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | וידביקם (vayadbiqem) = en hij haalde hen in | ויכם (vayakkem) = en hij sloeg hen | וימיתם (vayemitem) = en doodde hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De tweede muur **38:14** De zonen van Jakob kwamen de stad in en zagen dat er nog een andere muur om de stad was. Zij zochten de poort van de muur en vonden die niet. Toen sprong Juda en klom op de wand van de muur, en Simeon en Levi klommen achter hem aan, en alle drie daalden zij van de muur af, midden in de stad. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | באו (ba'u) = kwamen | העירה (ha'irah) = de stad in | ויראו (vayiru) = en zij zagen | חומה (chomah) = muur | אחרת (acheret) = een andere | לעיר (la'ir) = aan de stad | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | את (et) = (obj.) | שער (sha'ar) = poort van | החומה (hachomah) = de muur | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | וידלג (vayedalleg) = en hij sprong | יהודה (Yehudah) = Juda | ויעל (vayya'al) = en hij klom | על (al) = op | קיר (qir) = wand van | החומה (hachomah) = de muur | ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | אחריו (acharav) = achter hem | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | שלושתם (shloshtam) = alle drie | מעל (me'al) = van | החומה (hachomah) = de muur | אל (el) = tot | תוך (tokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:15** Simeon en Levi doodden alle mannen die zich in de stad hadden gered, en ook alle bewoners van de stad, met hun vrouwen en hun kleine kinderen, doodden zij met de scherpte van het zwaard. Brontekst: ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | הנמלטים (hanimlatim) = die ontkomen waren | אל (el) = tot | העיר (ha'ir) = de stad | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | ונשיהם (venasheihem) = en hun vrouwen | וטפם (vetappam) = en hun kleine kinderen | הרגו (haragho) = zij doodden | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:16** Het geschreeuw van de stad steeg op naar de hemel. Dan en Naftali sprongen op de muur om te zien wat de stem van het geschreeuw was, want de zonen van Jakob waren bezorgd om hun broers; en zij hoorden de bewoners van de stad spreken met geween en smeekbeden: „Zie, alles wat wij in de stad hebben, neem het en ga; alleen, dood ons niet.” Brontekst: ותעל (vata'al) = en steeg op | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | העיר (ha'ir) = de stad | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | וידלגו (vayedallegu) = en zij sprongen | דן (Dan) = Dan | ונפתלי (venaftali) = en Naftali | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | לראות (lir'ot) = zien | מה (mah) = wat | קול (qol) = stem van | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | כי (ki) = want | ייראו (yir'u) = waren bezorgd | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = om | אחיהם (achihem) = hun broers | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | את (et) = (obj.) | קול (qol) = stem van | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | דוברים (dovrim) = sprekend | בבכי (bevekhi) = met geween | ובתחנונים (uvetachanunim) = en met smeekbeden | לאמור (lemor) = zeggende | הנה (hinneh) = zie | אשר (asher) = alles wat | לנו (lanu) = voor ons | בעיר (ba'ir) = in de stad | קחו (qechu) = neem | ולכו (ulkhu) = en ga | אך (akh) = maar | המת (hamet) = doden | אל (el) = niet | תמיתנו (tamitenu) = dood ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: אך המת אל תמיתנו: המת (‘de dode’) is hier waarschijnlijk bedoeld als המית (‘doden’); vertaald als ‘alleen, dood ons niet’. **38:17** Toen Juda en zijn broers ophielden de bewoners van de stad te slaan, klommen zij op de muur en riepen Dan en Naftali, die op de muur waren, en de rest van hun broers; en Simeon en Levi maakten hun de toegang tot de stad bekend, en alle zonen van Jakob kwamen de stad in om de buit te nemen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ככלות (kekhalot) = toen was geëindigd | יהודה (Yehudah) = Juda | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | להכות (lehakkot) = te treffen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | אל (el) = tot | דן (Dan) = Dan | ואל (ve'el) = en tot | נפתלי (Naftali) = Naftali | אשר (asher) = die | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | אל (el) = tot | יתר (yeter) = de rest van | אחיהם (achihem) = hun broers | ויודיעו (vayodi'u) = en zij lieten weten | להם (lahem) = hun | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | את (et) = (obj.) | שער (sha'ar) = poort van | העיר (ha'ir) = de stad | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | העירה (ha'irah) = de stad in | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | השלל (hashalal) = de buit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:18** De zonen van Jakob namen alle buit van de stad Chasor, het kleinvee, het rundvee en het bezit, en zij voerden de rest van de gevangenen weg; en op die dag trokken zij de stad uit. Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | שלל (shalal) = de buit van | עיר (ir) = stad | חצור (chatsor) = Chasor | הצאן (hatson) = het kleinvee | והבקר (vehabbaqar) = en het rundvee | והרכוש (vehareqhush) = en het bezit | וישבו (vayeshvu) = en zij voerden weg | את (et) = (obj.) | יתר (yeter) = de rest van | השביה (hashvyah) = de gevangenen | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | מן (min) = uit | העיר (ha'ir) = de stad | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). ### Sartan **38:19** Op de tweede dag gingen de zonen van Jakob naar Sartan, want zij hadden gehoord dat de mannen van Sartan die in de stad waren overgebleven, zich verzamelden om met hen te strijden, omdat zij hun koning hadden gedood. Sartan was een zeer hoge en versterkte stad, en zij had rondom de stad een diepe wal. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השני (hasheni) = de tweede | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | סרטנה (sartanah) = naar Sartan | כי (ki) = want | שמעו (shame'u) = zij hoorden | כי (ki) = dat | אנשי (anshei) = mannen van | סרטן (sartan) = Sartan | אשר (asher) = die | נשארו (nish'aru) = overgebleven waren | בעיר (ba'ir) = in de stad | נאספו (ne'esfu) = werden verzameld | בעיר (ba'ir) = in de stad | להלחם (lehilachem) = om te strijden | איתם (ittam) = met hen | על (al) = omdat | אשר (asher) = (samen: omdat) | הרגו (haragho) = zij hadden gedood | את (et) = (obj.) | מלכם (malkam) = hun koning | וסרטן (vesartan) = en Sartan | היתה (hayetah) = was | עיר (ir) = stad | גבוהה (gevohah) = hoog | מאוד (me'od) = zeer | ובצורה (uvetsurah) = en versterkt | ולה (uleh) = en zij had | חיל (chayil) = wal | עמוק (amoq) = diepe | סביב (saviv) = rondom | לעיר (la'ir) = aan de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: חיל (‘wal’): zie Klaagl. 2:8, waar חל (‘voormuur’) naast de muur van Sion staat. Hier is het de brede, diepe gracht of wal om Sartan. Zie ook: Klaagl 2:8 **38:20** De diepte van de wal was ongeveer vijftig el en haar breedte ongeveer veertig el, en vanwege de wal was er voor niemand plaats om de stad in te gaan. De zonen van Jakob zagen de wal van de stad en zochten daarin een weg, maar zij vonden die niet. Brontekst: ועומק (ve'omeq) = en de diepte van | החיל (hechil) = de wal | כחמישים (kachamishim) = ongeveer vijftig | אמה (ammah) = el | ורחבו (verochbo) = en haar breedte | כארבעים (ke'arba'im) = ongeveer veertig | אמה (ammah) = el | ולא (velo) = en niet | היה (hayah) = was | לאיש (le'ish) = voor een man | מקום (maqom) = plek | לבוא (lavo) = binnen te gaan | אל (el) = tot | העיר (ha'ir) = de stad | מפני (mippenei) = vanwege | החיל (hechil) = de wal | ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | חיל (chayil) = wal | העיר (ha'ir) = de stad | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | בו (bo) = daarin | דרך (derekh) = een weg | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 centimeter; vijftig el is dus ongeveer 22 meter en veertig el ongeveer 18 meter. **38:21** Want de weg naar de stad was aan de achterkant; ieder die de stad in wilde, kwam langs die weg, liep om de hele stad heen en kwam daarna de stad in. Brontekst: כי (ki) = want | היה (hayah) = was | דרך (derekh) = de weg van | העיר (ha'ir) = de stad | מאחריה (me'achareha) = achter haar | והיה (vehayah) = en het gebeurde dat | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | יבוא (yavo) = wilde komen | לעיר (la'ir) = aan de stad | ובא (uva) = en kwam | מן (min) = uit | הדרך (haderekh) = de weg | ההוא (hahu) = die | וסבב (vesabav) = en omtrok | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | העיר (ha'ir) = de stad | ואחר (ve'achar) = en daarna | יבוא (yavo) = kwam | העירה (ha'irah) = de stad in Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:22** De zonen van Jakob zagen dat zij de weg naar de stad niet vonden, en hun toorn laaide zeer op. En de bewoners van de stad, toen zij zagen dat de zonen van Jakob tot hen gekomen waren, vreesden zeer voor hen, want zij hadden gehoord wat zij met de stad Chasor gedaan hadden. Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | דרך (derekh) = de weg van | העיר (ha'ir) = de stad | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפם (appam) = hun toorn | מאוד (me'od) = zeer | ויושבי (veyoshvei) = en de bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | עראותם (ra'otam) = toen zij zagen | כי (ki) = dat | באו (ba'u) = kwamen | אליהם (aleihem) = tot hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | מהם (mehem) = voor hen | כי (ki) = want | שמעו (shame'u) = zij hoorden | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לעיר (la'ir) = aan de stad | חצור (chatsor) = Chasor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Voetnoot Lezing: וייראו (‘en zij vreesden’) staat er in het eerste zinsdeel; gelezen als ויראו, ‘en zij zagen’. Verder staat er עראותם; gelezen als בראותם, ‘toen zij zagen’. **38:23** De bewoners van de stad Sartan konden niet uitgaan om de zonen van Jakob tegemoet te treden, al hadden zij zich in de stad verzameld om tegen hen te strijden, want dan zouden die de stad binnenkomen; maar toen zij zagen dat de zonen van Jakob tot hen kwamen, vreesden zij zeer voor hen, want zij hadden hun kracht gehoord en wat zij met Chasor gedaan hadden. Brontekst: ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | סרטן (sartan) = Sartan | לצאת (latset) = uit te gaan | לקראת (liqrat) = tegemoet | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחרי (acharei) = nadat | אשר (asher) = (samen: nadat) | נתקבצו (nitqabtsu) = hadden zich verzameld | בעיר (ba'ir) = in de stad | להלחם (lehilachem) = om te strijden | בם (vam) = tegen hen | כי (ki) = want anders | יבואו (yavo'u) = zouden zij binnenkomen | העיר (ha'ir) = de stad | אך (akh) = maar | כאשר (ka'asher) = toen | ראו (ra'u) = zij zagen | כי (ki) = dat | באו (ba'u) = kwamen | אליהם (aleihem) = tot hen | יראו (yare'u) = zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | מפניהם (mippneihem) = van hen | כי (ki) = want | שמעו (shame'u) = zij hoorden | את (et) = (obj.) | גבורתם (gevuratam) = hun kracht | ואת (ve'et) = en (obj.) | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לחצור (lechatsor) = aan Chasor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). **38:24** De bewoners van Sartan haastten zich en namen de brug van de weg naar de stad van haar plaats weg, voordat de zonen van Jakob kwamen, en zij brachten haar midden in de stad. Brontekst: וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | יושבי (yoshvei) = bewoners van | סרטן (sartan) = Sartan | וישאו (vayis'u) = en zij namen weg | את (et) = (obj.) | גשר (gesher) = brug van | דרך (derekh) = de weg van | העיר (ha'ir) = de stad | ממקומו (mimqomo) = van zijn plaats | טרם (terem) = voordat | באו (ba'u) = kwamen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | אותו (oto) = hem | בתוך (betokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:25** De zonen van Jakob kwamen en zochten de weg naar de stad en vonden die niet; en de bewoners van de stad stegen op de muur en zagen, en zie, de zonen van Jakob zochten de ingang van de stad. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | את (et) = (obj.) | דרך (derekh) = de weg van | העיר (ha'ir) = de stad | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | ויושבי (veyoshvei) = en de bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | עלו (alu) = stegen op | מעל (me'al) = boven | לחומה (lechomah) = op de muur | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מבקשים (mevaqshim) = zoekend | את (et) = (obj.) | מבוא (mevo) = ingang van | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:26** De bewoners van de stad hoonden de zonen van Jakob van boven op de muur en vervloekten hen. De zonen van Jakob hoorden de hoon, en hun toorn laaide zeer op en hun woede ontbrandde. Brontekst: ויחרפו (vayecherefu) = en zij hoonden | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מעל (me'al) = van boven | לחומה (lechomah) = op de muur | ויקללו (vayeqalelu) = en zij vervloekten | אותם (otam) = hen | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | החרפה (hecherpah) = de hoon | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפם (appam) = hun toorn | מאוד (me'od) = zeer | ותבער (vativ'ar) = en ontbrandde | בם (vam) = bij hen | חמתם (chematam) = hun woede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Over de wal **38:27** De zonen van Jakob werden woedend op hen, en zij stonden allen op en sprongen met al hun kracht over de wal; zo kwamen zij over de wal van veertig el breed. Brontekst: ויקצפו (vayiqtsefu) = en zij werden verbolgen | עליהם (aleihem) = op hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | וידלגו (vayedallegu) = en zij sprongen | כולם (kullam) = allen | את (et) = (obj.) | החיל (hechil) = de wal | בחוזק (bechozeq) = met de kracht van | גבורתם (gevuratam) = hun kracht | ויעברו (vaya'avru) = en zij gingen over | את (et) = (obj.) | הארבעים (ha'arba'im) = de veertig | אמה (ammah) = el | רוחב (rochav) = breedte van | החיל (hechil) = de wal | בגבורתם (bigvuratam) = met hun kracht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:28** Toen zij over de wal heen waren, stonden zij onder de muur van de stad, en zij vonden alle poorten van de stad gesloten met ijzeren deuren. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעוברם (be'ovram) = toen zij erover heen waren | את (et) = (obj.) | החיל (hechil) = de wal | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden op | תחת (tachat) = onder | חומת (chomat) = de muur van | העיר (ha'ir) = de stad | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | שערי (sha'arei) = de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | סגורים (segurim) = gesloten | בדלת (bedelet) = met een deur van | ברזל (barzel) = ijzer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:29** De zonen van Jakob kwamen dichterbij om de deuren van de stadspoort open te breken, maar de bewoners van de stad lieten hen hun gang niet gaan, want zij wierpen van boven op de muur stenen en pijlen op hen. Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לשבור (lishbor) = te breken | את (et) = (obj.) | דלתי (dalte) = deuren van | שער (sha'ar) = poort van | העיר (ha'ir) = de stad | ולא (velo) = en niet | עזבום (azavum) = lieten hen begaan | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | כי (ki) = want | היו (hayu) = zij waren | משליכים (mashlikhim) = werpend | עליהם (aleihem) = op hen | אבנים (avanim) = stenen | וחצים (vechitsim) = en pijlen | ממעל (mima'al) = van boven | לחומה (lechomah) = op de muur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:30** Het aantal mannen dat op de muur was, was ongeveer vierhonderd man. Toen de zonen van Jakob zagen dat de mannen van de stad hen de poorten van de stad niet lieten openen, sprongen zij en klommen op de wand van de muur; en Juda klom als eerste aan de oostkant van de stad. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מספר (mispar) = aantal | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | כארבע (ke'arba) = ongeveer vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | עזבום (azavum) = lieten hen begaan | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | לפתוח (liftoach) = te openen | שערי (sha'arei) = de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | וידלגו (vayedallegu) = en zij sprongen | ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | על (al) = op | קיר (qir) = wand van | החומה (hachomah) = de muur | ויעל (vayya'al) = en hij klom | יהודה (Yehudah) = Juda | ראשונה (rishonah) = als eersten | מזרחה (mizrachah) = aan de oostkant | העירה (ha'irah) = van de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:31** Achter hem klommen Gad en Aser aan de westkant van de stad, Simeon en Levi aan de noordkant, en Dan en Ruben aan de zuidkant. Brontekst: ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | אחריו (acharav) = achter hem | גד (Gad) = Gad | ואשר (va'asher) = en Aser | מפאת (mipe'at) = aan de zijde van | העיר (ha'ir) = de stad | ימה (yammah) = westwaarts | ושמעון (veShim'on) = en Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | צפונה (tsafonah) = noordwaarts | ודן (vedan) = en Dan | וראובן (vera'uven) = en Ruben | נגבה (negbah) = zuidwaarts Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:32** Toen de mannen die boven op de muur waren, de bewoners van de stad, zagen dat de zonen van Jakob tot hen opstegen, vluchtten zij allen van de muur, daalden af de stad in en verborgen zich in de stad. Brontekst: והאנשים (veha'anashim) = en de mannen | אשר (asher) = die | מעל (me'al) = van boven | לחומה (lechomah) = op de muur | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | בראותם (bir'otam) = toen zij zagen | כי (ki) = dat | עלו (alu) = opstegen | אליהם (aleihem) = tot hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויברחו (vayivrechu) = en zij vluchtten | כולם (kullam) = allen | מעל (me'al) = van | החומה (hachomah) = de muur | וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | העירה (ha'irah) = de stad in | ויתחבאו (vayitchabe'u) = en verborgen zich | בעיר (ba'ir) = in de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:33** Issachar en Naftali, die onder de muur waren overgebleven, kwamen naderbij, braken de poorten van de stad open en staken vuur aan bij de poorten van de stad, zodat het ijzer smolt. Alle zonen van Jakob kwamen de stad in, zij en al hun mannen, en zij streden tegen alle bewoners van de stad Sartan en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, en niemand hield stand voor hen. Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | יששכר (Yissakhar) = Issachar | ונפתלי (venaftali) = en Naftali | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | מתחת (mittachat) = van onder | החומה (hachomah) = de muur | וישברו (vayishaveru) = en zij braken | את (et) = (obj.) | שערי (sha'arei) = de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | וידליקו (vayadliqu) = en zij staken aan | אש (esh) = vuur | בשערי (bish'arei) = aan de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | וימס (vayyames) = en het smolt | הברזל (habarzel) = het ijzer | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | העירה (ha'irah) = de stad in | הם (hem) = zij | וכל (vekhol) = en alle | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | עם (im) = met | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | עיר (ir) = stad | סרטן (sartan) = Sartan | ויכום (vayakkum) = en zij sloegen hen | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | ולא (velo) = en niet | עמד (amad) = stond | איש (ish) = een man | בפניהם (befnehem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:34** Ongeveer tweehonderd man vluchtten uit de stad en gingen allen heen en verborgen zich in een toren in de stad. Juda achtervolgde hen tot aan die toren, brak de toren af, en hij viel op de mannen, en zij stierven allen. Brontekst: וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | כמאתיים (kime'atayim) = ongeveer tweehonderd | איש (ish) = een man | מן (min) = uit | העיר (ha'ir) = de stad | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | כולם (kullam) = allen | ויתחבאו (vayitchabe'u) = en verborgen zich | במגדל (bammigdal) = in een toren | אחד (echad) = één | בעיר (ba'ir) = in de stad | וירדוף (vayirdof) = en hij achtervolgde | יהודה (Yehudah) = Juda | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | עד (ad) = tot | המגדל (hammigdal) = de toren | ההוא (hahu) = die | ויתוץ (vayyitots) = en hij brak af | את (et) = (obj.) | המגדל (hammigdal) = de toren | ויפול (vayippol) = en hij viel | על (al) = op | האנשים (ha'anashim) = de mannen | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:35** De zonen van Jakob klommen over het dak van die toren, keken uit en zagen, en zie, in de stad stond op afstand nog een toren, zeer hoog en sterk, en zijn top reikte tot in de hemel. Zij haastten zich en daalden af, en de zonen van Jakob gingen met al hun mannen naar die toren en vonden hem vol mannen, vrouwen en kinderen, ongeveer driehonderd man en vrouw. Brontekst: ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | דרך (derekh) = via | גג (gag) = dak van | המגדל (hammigdal) = de toren | ההוא (hahu) = die | וישקיפו (vayashqifu) = en zij keken uit | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | מגדל (migdal) = een toren | אחר (acher) = een andere | מרחוק (merachoq) = van ver | בעיר (ba'ir) = in de stad | גבוה (gavoah) = hoog | וחזק (vechazaq) = en sterk | מאוד (me'od) = zeer | וראשו (verosho) = en zijn top | בשמים (bashamayim) = in de hemel | וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | עם (im) = met | כל (kol) = alle | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | אל (el) = tot | המגדל (hammigdal) = de toren | ההוא (hahu) = die | וימצאוהו (vayimtse'uhu) = en zij vonden het | מלא (male) = vol | אנשים (anashim) = mannen | ונשים (venashim) = en vrouwen | וטף (vetaf) = en kinderen | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = man | ואישה (ve'ishah) = en vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:36** De zonen van Jakob brachten die mannen midden in de toren een grote slag toe, en zij vluchtten voor hen. Brontekst: ויכו (vayakku) = en zij sloegen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | באנשים (ba'anashim) = onder de mannen | ההם (hahem) = die | מכה (makkah) = een slag | גדולה (gedolah) = grote | בתוך (betokh) = midden in | המגדל (hammigdal) = de toren | ויברחו (vayivrechu) = en zij vluchtten | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | מהם (mehem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De twaalf helden **38:37** Simeon en Levi achtervolgden hen, en twaalf zeer sterke helden kwamen op hen af uit de plaats waar zij zich hadden verborgen. Brontekst: וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | אליהם (aleihem) = tot hen | שנים (shanim) = twee | עשר (esar) = tien | אנשים (anashim) = mannen | גיבורים (gibborim) = helden | מאוד (me'od) = zeer | וחזקים (vachazaqim) = en sterk | מהמקום (mehamaqom) = van de plaats | אשר (asher) = die | התחבאו (hitchabe'u) = zij zich verborgen hadden | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:38** Die twaalf mannen voerden een machtige strijd tegenover Simeon en Levi, en Simeon en Levi konden niets tegen hen uitrichten. Die helden doorkliefden de schilden van Simeon en Levi, en een van hen sloeg Levi met zijn zwaard op het hoofd; Levi haastte zich zijn hand op zijn hoofd te leggen, want hij vreesde het zwaard, en het zwaard trof de hand van Levi, en het scheelde weinig of de hand van Levi was afgehouwen. Brontekst: ויערכו (vaya'archu) = en zij stelden op | השנים (hashnayim) = de twee | עשר (esar) = tien | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | מלחמה (milchamah) = oorlog | עצומה (atsumah) = machtige | מול (mul) = tegenover | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | עמהם (immahem) = met hen | ויכרתו (vayikhretu) = en doorkliefden | הגיבורים (haggibborim) = de helden | ההם (hahem) = die | את (et) = (obj.) | מגיני (maginei) = schilden van | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | את (et) = (obj.) | לוי (Levi) = Levi | בחרבו (becharbo) = met zijn zwaard | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | לוי (Levi) = Levi | וישם (vayasem) = en hij zette | ידו (yado) = zijn hand | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | כי (ki) = want | ירא (yere) = vreesde | מן (min) = voor | החרב (hacherev) = het zwaard | ותך (vatakh) = en het trof | החרב (hacherev) = het zwaard | ביד (beyad) = in de hand van | לוי (Levi) = Levi | וכמעט (vekimat) = en bijna | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | נחתך (nechtakh) = werd afgehouwen | יד (yad) = hand van | לוי (Levi) = Levi Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:39** Levi greep met zijn andere hand het zwaard van de held en nam het met geweld uit de hand van de man; hij sloeg hem er op het hoofd mee en hieuw zijn hoofd af. Brontekst: ויתפוש (vayitpos) = en hij greep | לוי (Levi) = Levi | את (et) = (obj.) | חרב (charev) = zwaard van | הגיבור (haggibbor) = van de held | בידו (beyado) = in zijn hand | האחרת (ha'acheret) = de andere | ויקחנה (vayiqachnah) = en hij nam het | בחזקה (bechazaqah) = met geweld | מיד (miyyad) = uit de hand van | האיש (ha'ish) = de man | ויכהו (vayakehu) = en hij sloeg hem | בה (bah) = daarmee | על (al) = op | הראש (harosh) = het hoofd | ויסר (vayyaser) = en hij sloeg af | את (et) = (obj.) | ראשו (rosho) = zijn hoofd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:40** Elf mannen kwamen dichterbij om met Levi te strijden, want zij zagen dat een van hen gedood was; en zij streden tegen de zonen van Jakob, maar de zonen van Jakob konden hen niet aan, want die mannen waren veel sterker dan zij. Brontekst: ואחד (ve'echad) = en één | עשר (esar) = tien | האנשים (ha'anashim) = de mannen | נגשו (nigshu) = naderden | להלחם (lehilachem) = om te strijden | עם (im) = met | לוי (Levi) = Levi | כי (ki) = want | ראו (ra'u) = zij zagen | כי (ki) = dat | מת (met) = was gestorven | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | עם (im) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | להם (lahem) = tegen hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | חזקים (chazaqim) = sterker | האנשים (ha'anashim) = de mannen | מהם (mehem) = dan zij | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:41** Toen de zonen van Jakob zagen dat zij hen niet aankonden, riep Simeon een groot en bitter geschreeuw uit, en alle elf helden werden onthutst door de stem van Simeons geschreeuw. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | עליהם (aleihem) = tegen hen op | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | שמעון (Shim'on) = Simeon | צעקה (tse'aqah) = geschreeuw | גדולה (gedolah) = grote | ומרה (umarah) = en bitter | עד (ad) = tot | מאוד (me'od) = zeer | ויתבהלו (vayitbahalu) = en zij werden onthutst | כל (kol) = alle | האחד (ha'echad) = de één | עשר (esar) = tien | הגיבורים (haggibborim) = de helden | מקול (miqqol) = vanwege de stem van | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | שמעון (Shim'on) = Simeon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:42** Juda herkende van ver de stem van het geschreeuw van Simeon, zijn broer, en Naftali en Juda renden met hun schilden naar Simeon, en zij vonden hem strijdend met die helden, zonder hen aan te kunnen, want hun schilden waren doorkliefd. Brontekst: ויכר (vayakker) = en herkende | יהודה (Yehudah) = Juda | מרחוק (merachoq) = van ver | את (et) = (obj.) | קול (qol) = stem van | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | שמעון (Shim'on) = Simeon | אחיו (achiv) = zijn broer | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | נפתלי (Naftali) = Naftali | ויהודה (vihudah) = en Juda | במגיניהם (bimaginnehem) = met hun schilden | אל (el) = tot | שמעון (Shim'on) = Simeon | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | אותו (oto) = hem | נלחם (nilcham) = vechtend | בגיבורים (baggibborim) = met de helden | ההם (hahem) = die | ולא (velo) = en niet | יכול (yakhol) = hij kon | להם (lahem) = tegen hen | כי (ki) = want | נכרתו (nikhretu) = waren doorkliefd | מגיניהם (maginnehem) = hun schilden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:43** Naftali zag dat de schilden van Simeon en Levi doorkliefd waren, en hij rende, nam twee schilden van hun dienaren en bracht ze naar Simeon en naar Levi. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | נפתלי (Naftali) = Naftali | כי (ki) = want | נכרתו (nikhretu) = waren doorkliefd | מגיני (maginei) = schilden van | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | וירץ (vayyarots) = en hij rende | ויקח (vayikkach) = en hij nam | שני (shenei) = twee | מגינים (maginnim) = schilden | מאת (me'et) = van | עבדיהם (avdeyhem) = hun dienaren | ויבא (vayavo) = en hij kwam | אותם (otam) = hen | אל (el) = tot | שמעון (Shim'on) = Simeon | ואל (ve'el) = en naar | לוי (Levi) = Levi Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:44** Simeon, Levi en Juda streden die dag alle drie tegen de elf helden tot de dag ten einde liep, maar zij konden hen niet aan. Brontekst: וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ויהודה (vihudah) = en Juda | שלושתם (shloshtam) = alle drie | באחד (be'achad) = tegen één | עשר (esar) = tien | הגיבורים (haggibborim) = de helden | ההם (hahem) = die | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | עד (ad) = tot | עת (et) = tijd van | נטות (nttot) = het neigen van | היום (hayyom) = de dag | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | להם (lahem) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jakob grijpt in **38:45** Dit werd aan Jakob verteld, en hij ontbrandde zeer. Hij bad tot Yahweh, en hij ging met zijn zoon Naftali de helden tegemoet. Brontekst: ויוגד (vayugad) = en er werd verteld | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | ויחר (vayyichar) = en hij ontbrandde | לו (lo) = in toorn | מאוד (me'od) = zeer | ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וילך (vayelekh) = en hij ging | הוא (hu) = hij | ונפתלי (venaftali) = en Naftali | בנו (beno) = zijn zoon | נגד (neged) = tegenover | הגיבורים (haggibborim) = de helden | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ויחר לו מאוד (‘en het ontbrandde hem zeer’) staat er, dus woede; de Engelse vertaling heeft ‘hij was zeer bedroefd’. **38:46** Jakob naderde, spande de boog, kwam dicht bij die helden en doodde met de boog drie van hen. De acht overgeblevenen keerden om, en zie, de strijd was tegen hen van voren en van achteren; zij vreesden zeer voor hun leven en konden niet standhouden voor de zonen van Jakob, en zij vluchtten voor hen. Brontekst: ויגש (vayyigash) = en hij naderde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וימשוך (vayimshokh) = en hij spande | בקשת (bakeshet) = met de boog | ויקרב (vayaqrev) = en hij kwam dichterbij | אל (el) = tot | הגיבורים (haggibborim) = de helden | ההם (hahem) = die | ויהרוג (veyahrog) = en hij doodde | מהם (mehem) = van hen | בקשת (bakeshet) = met de boog | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | ויפנו (vayifnu) = en zij keerden om | השמונה (hashmonah) = de acht | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | והנה (vehinneh) = en zie | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | להם (lahem) = tegen hen | פנים (panim) = van voren | ואחור (ve'achor) = en van achteren | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | לנפשם (lenafsham) = voor hun leven | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | לעמוד (la'amod) = te staan | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויברחו (vayivrechu) = en zij vluchtten | מפניהם (mippneihem) = van hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:47** Terwijl zij vluchtten, stuitten zij op Dan en Aser, die hun tegemoet kwamen; deze vielen plotseling over hen heen en streden tegen hen en doodden twee van hen. En Juda en zijn broers achtervolgden hen en sloegen de overgeblevenen van hen en doodden hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בברחם (bevorcham) = terwijl zij vluchtten | ויפגעו (vayifge'u) = en zij stuitten op | את (et) = (obj.) | דן (Dan) = Dan | ואת (ve'et) = en (obj.) | אשר (asher) = Aser | באים (va'im) = komend | לקראתם (liqratam) = op hen af | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | עליהם (aleihem) = over hen | פתאום (pit'om) = plotseling | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בהם (bahem) = tegen hen | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | מהם (mehem) = van hen | שניים (shenayim) = twee | אנשים (anashim) = mannen | ויהודה (vihudah) = en Juda | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | רדפו (radefu) = achtervolgden | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | את (et) = (obj.) | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | מהם (mehem) = van hen | וימיתום (vayemitum) = en zij doodden hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:48** Alle zonen van Jakob keerden terug en liepen door de stad, en zij zochten daarin of zij iemand zouden vinden. Zij gingen en vonden ongeveer twintig jonge mannen in een grot in de stad, en Gad en Aser doodden hen allen. En de rest van de mannen die uit de tweede toren waren gevlucht en ontkomen, daar stuitten Dan en Naftali op; zij streden tegen hen en doodden hen allen. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויתהלכו (vayithallekhu) = en zij wandelden | בעיר (ba'ir) = in de stad | ויחפשו (vayechapsu) = en zij zochten | בה (bah) = daarin | אם (em) = of | ימצאו (yimtse'u) = zij zouden vinden | בה (bah) = daarin | איש (ish) = iemand | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | כעשרים (ke'esrim) = ongeveer twintig | בחורים (bachurim) = jonge mannen | במערה (bama'arah) = in de grot | אחת (achat) = één | בעיר (ba'ir) = in de stad | ויהרגום (vayaharegum) = en zij doodden hen | כולם (kullam) = allen | גד (Gad) = Gad | ואשר (va'asher) = en Aser | ואת (ve'et) = en (obj.) | יתר (yeter) = de rest van | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | נסו (nasu) = vluchtten | וימלטו (vayimmaletu) = en ontkwamen | מהמגדל (mehamigdal) = uit de toren | השני (hasheni) = de tweede | פגעו (pag'u) = stuitten | בהם (bahem) = op hen | דן (Dan) = Dan | ונפתלי (venaftali) = en Naftali | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בם (vam) = tegen hen | ויהרגום (vayaharegum) = en zij doodden hen | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:49** De zonen van Jakob doodden alle bewoners van de stad Sartan; alleen de vrouwen en de kleine kinderen lieten zij in de stad achter en doodden zij niet. Brontekst: ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | עיר (ir) = stad | סרטן (sartan) = Sartan | אך (akh) = alleen | הנשים (hannashim) = de vrouwen | והטף (vehattaf) = en de kinderen | עזבו (azvu) = verlieten | בעיר (ba'ir) = in de stad | ולא (velo) = en niet | הרגו (haragho) = zij doodden | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **38:50** Alle bewoners van de stad Sartan waren allemaal helden: één van hen zou duizend achtervolgen, en twee van hen zouden niet vluchten voor tienduizend van de overige mensen. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | עיר (ir) = stad | סרטן (sartan) = Sartan | גיבורים (gibborim) = helden | כולם (kullam) = allen | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | ירדוף (yirdof) = zou achtervolgen | אלך (elekh) = duizend | ושניים (ushnayim) = en twee | לא (lo) = niet | ינוסו (yanusu) = zouden vluchten | מפני (mippenei) = vanwege | רבבה (revavah) = tienduizend | מיתר (miyeter) = van de overige | האדם (ha'adam) = de mens Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: אלך (‘ik ga’) staat er; gelezen als אלף, ‘duizend’. Zie Deut. 32:30: één achtervolgt er duizend, en twee jagen er tienduizend op de vlucht. Zie ook: Deut 32:30 **38:51** De zonen van Jakob doodden hen allen met de scherpte van het zwaard, zodat niemand van hen tegen hen standhield, en zij lieten de vrouwen in de stad achter. Brontekst: ויהרגום (vayaharegum) = en zij doodden hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כולם (kullam) = allen | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | ולא (velo) = en niet | עמד (amad) = stond | איש (ish) = een man | מהם (mehem) = van hen | בפניהם (befnehem) = voor hen | ויעזבו (vaya'azvu) = en zij lieten achter | את (et) = (obj.) | הנשים (hannashim) = de vrouwen | בעיר (ba'ir) = in de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De buit **38:52** De zonen van Jakob namen alle buit van de stad en kozen uit de gevangenen uit wat zij wilden; zij namen het kleinvee en het rundvee en alle bezittingen van de stad. De zonen van Jakob deden aan Sartan en zijn bewoners zoals zij aan Chasor en zijn bewoners hadden gedaan, en zij keerden om, trokken weg en gingen vandaar. Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | שלל (shalal) = de buit van | העיר (ha'ir) = de stad | ומהשבי (umehashvi) = en uit de gevangenen | אשר (asher) = die | בחרו (bacharu) = kozen uit | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (obj.) | הצאן (hatson) = het kleinvee | ואת (ve'et) = en (obj.) | הבקר (habbaqar) = het rundvee | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | רכוש (rekhush) = bezittingen van | העיר (ha'ir) = de stad | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לסרטן (lesartan) = aan Sartan | וליושביה (veliyoshvehah) = en aan haar bewoners | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לחצור (lechatsor) = aan Chasor | וליושביה (veliyoshvehah) = en aan haar bewoners | ויפנו (vayifnu) = en zij keerden om | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | משם (misham) = vandaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). ## Jasher 39 _Arbel en Gaäsj_ ### Tappuach en Arbel **39:1** Toen de zonen van Jakob uit de stad Sartan waren vertrokken en ongeveer tweehonderd el hadden afgelegd, stuitten zij op de bewoners van Tappuach, die hun tegemoet kwamen. Want zij waren uitgegaan om met hen te strijden, omdat zij de koning van Tappuach en al zijn mannen hadden geslagen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כצאת (khetset) = toen zij uitgingen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מעיר (me'ir) = uit de stad | סרטן (sartan) = Sartan | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להם (lahem) = heen | כמהלך (kemehalakh) = ongeveer een afstand van | מאתיים (matayim) = tweehonderd | אמה (ammah) = el | ויפגעו (vayifge'u) = en zij stuitten op | את (et) = (obj.) | יושבי (yoshvei) = bewoners van | תפוח (Tappuach) = Tappuach | יוצאים (yotse'im) = uitgaand | לקראתם (liqratam) = op hen af | כי (ki) = want | יצאו (yatse'u) = waren uitgegaan | להלחם (lehilachem) = om te strijden | איתם (ittam) = met hen | על (al) = omdat | אשר (asher) = (samen: omdat) | הכו (hiku) = zij hadden geslagen | את (et) = (obj.) | מלך (malakh) = koning van | תפוח (Tappuach) = Tappuach | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | אנשיו (anashav) = zijn mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 centimeter; tweehonderd el is dus ongeveer 90 meter. **39:2** Alles wat in de stad Tappuach was overgebleven, trok uit om te strijden tegen de zonen van Jakob, en zij namen zich voor om uit hun hand de gevangenen en de roof te redden die zij uit Chasor en uit Sartan hadden genomen. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כל (kol) = alle | הנשאר (hannish'ar) = wat overbleef | בעיר (ba'ir) = in de stad | תפוח (Tappuach) = Tappuach | להלחם (lehilachem) = om te strijden | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | להציל (lehatsil) = om te redden | מידם (miyyadam) = uit hun hand | את (et) = (obj.) | השבי (hashevi) = de gevangenen | ואת (ve'et) = en (obj.) | המלקוח (hamalqo'ach) = de roof | אשר (asher) = die | לקחו (laqchu) = hadden genomen | מחצור (mechatsor) = uit Chasor | ומסרטן (umisartan) = en uit Sartan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). **39:3** De rest van de mannen van Tappuach streed op die plaats met de zonen van Jakob, maar de zonen van Jakob sloegen hen en verbrijzelden hen, en zij vluchtten voor hen, en zij achtervolgden hen tot de stad Arbel, en allen vielen voor de zonen van Jakob. Brontekst: וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | כל (kol) = alle | יתר (yeter) = de rest van | אנשי (anshei) = mannen van | תפוח (Tappuach) = Tappuach | עם (im) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | ויכום (vayakkum) = en zij sloegen hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויכתום (vayekhatum) = en zij verbrijzelden hen | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | לפניהם (lifneihem) = voor hen | וירדפום (vayirdefum) = en zij achtervolgden hen | עד (ad) = tot | עיר (ir) = stad | ארבל (arbel) = Arbel | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | כולם (kullam) = allen | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ארבל (Arbel): zie Hos. 10:14, waar Bet-Arbel wordt genoemd bij een verwoesting ‘op de dag van de strijd’. Of dezelfde plaats bedoeld is, is niet te zeggen; in Genesis komt Arbel niet voor. Zie ook: Hos 10:14 **39:4** De zonen van Jakob keerden terug en kwamen in Tappuach. Toen zij in Tappuach kwamen, hoorden zij dat de mannen van Arbel waren uitgegaan, hun tegemoet, om de gevangenen van hun broers te redden. De zonen van Jakob lieten tien man van hun mannen in Tappuach achter om de stad te plunderen, en zij zelf trokken uit, de mannen van Arbel tegemoet. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | תפוח (Tappuach) = Tappuach | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבואם (bevo'am) = toen zij kwamen | תפוח (Tappuach) = Tappuach | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כי (ki) = dat | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | להם (lahem) = zich | אנשי (anshei) = mannen van | ארבל (arbel) = Arbel | לקראתם (liqratam) = op hen af | להציל (lehatsil) = om te redden | את (et) = (obj.) | שבי (shevi) = de gevangenen van | אחיהם (achihem) = hun broers | ויעזבו (vaya'azvu) = en zij lieten achter | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עשרה (esreh) = tien | אנשים (anashim) = mannen | מאנשיהם (me'anshehem) = van hun mannen | בתפוח (betapuach) = in Tappuach | לבוז (lavoz) = om te plunderen | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | הם (hem) = zij | לקראת (liqrat) = tegemoet | אנשי (anshei) = mannen van | ארבל (arbel) = Arbel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:5** De mannen van Arbel trokken uit, zij en ook hun vrouwen, om met de zonen van Jakob te strijden, want hun vrouwen waren geoefend in de oorlog; en zij trokken uit, ongeveer vierhonderd man en vrouw. Brontekst: ואנשי (ve'anshei) = en de mannen van | ארבל (arbel) = Arbel | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | הם (hem) = zij | וגם (vegam) = en ook | נשיהם (nesheihem) = hun vrouwen | להלחם (lehilachem) = om te strijden | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | נשיהם (nesheihem) = hun vrouwen | היו (hayu) = waren | מלומדות (melumadot) = geoefend in | מלחמה (milchamah) = oorlog | ויצאו (vayyetse'u) = en zij trokken uit | כארבע (ke'arba) = ongeveer vier | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | ואישה (ve'ishah) = en vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:6** Alle zonen van Jakob schreeuwden tegen hen met luide stem, en zij renden allen de bewoners van Arbel tegemoet, met een luide en machtige stem. Brontekst: ויצעקו (vayits'aqu) = en zij schreeuwden | עליהם (aleihem) = tegen hen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | כולם (kullam) = allen | לקראת (liqrat) = tegemoet | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארבל (arbel) = Arbel | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | ועצום (ve'atsum) = en machtige Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:7** De bewoners van Arbel hoorden het geschreeuw van de zonen van Jakob en hun gebrul, als het geluid van leeuwen en als het bruisen van de zee en haar golven. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארבל (arbel) = Arbel | את (et) = (obj.) | קול (qol) = stem van | צעקות (tse'aqot) = het geschreeuw van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ונהמותם (venahamotam) = en hun gebrul | כקול (keqol) = als het geluid van | אריות (aryot) = leeuwen | וכנהמת (vekhinhamat) = en als het bruisen van | ים (yam) = de zee | וגליו (vegalav) = en zijn golven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:8** Schrik en vrees voor de zonen van Jakob viel in hun hart, en zij vreesden zeer voor hen; zij keerden zich om en vluchtten voor hen de stad in. De zonen van Jakob achtervolgden hen tot aan de poort van de stad en kwamen in de stad over hen heen. Brontekst: ויפול (vayippol) = en viel | פחד (pachad) = schrik | ויראה (vayar'eh) = en vrees | בלבם (belibbam) = in hun hart | מבני (mibbnei) = voor de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | מפניהם (mippneihem) = van hen | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden | אחוריהם (achoreihem) = hun rug | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | לפניהם (lifneihem) = voor hen | אל (el) = naar | העיר (ha'ir) = de stad | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | עד (ad) = tot | שער (sha'ar) = poort van | העיר (ha'ir) = de stad | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עליהם (aleihem) = over hen | בעיר (ba'ir) = in de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:9** De zonen van Jakob streden met hen midden in de stad, en al hun vrouwen wierpen met slingers naar de zonen van Jakob; de strijd was zwaar tussen hen, die hele dag tot de avond. Brontekst: וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | איתם (ittam) = met hen | בתוך (betokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | וכל (vekhol) = en alle | נשיהם (nesheihem) = hun vrouwen | קולעים (qol'im) = slingerend | בקלע (baqela) = met een slinger | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ותהי (vatehi) = en was | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | חזקה (chazaqah) = zwaar | ביניהם (beneihem) = tussen hen | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | עד (ad) = tot | הערב (ha'erev) = de avond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:10** Want de zonen van Jakob konden hen niet aan, en het scheelde weinig of de zonen van Jakob waren in die strijd gestorven. Toen riepen de zonen van Jakob tot Yahweh en werden zeer sterk tegen de avond, en de zonen van Jakob sloegen alle bewoners van Arbel met de scherpte van het zwaard, mannen, vrouwen en kleine kinderen. Brontekst: כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | עליהם (aleihem) = tegen hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וכמעט (vekimat) = en bijna | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | מתו (metu) = waren gestorven | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ההיא (hahi) = die | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij riepen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויתחזקו (vayitchazqu) = en zij werden sterk | מאוד (me'od) = zeer | לעת (le'et) = tegen de tijd van | הערב (ha'erev) = de avond | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארבל (arbel) = Arbel | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | אנשים (anashim) = mannen | ונשים (venashim) = en vrouwen | וטף (vetaf) = en kinderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:11** Ook de rest van de mannen die uit Sartan waren gevlucht, sloegen de zonen van Jakob in Arbel. De zonen van Jakob deden aan Arbel en aan Tappuach zoals zij aan Chasor en aan Sartan hadden gedaan. Toen de vrouwen zagen dat al hun mannen dood waren, klommen zij allen op de daken van de stad en sloegen de zonen van Jakob met stenen, als regen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | את (et) = (obj.) | יתר (yeter) = de rest van | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | נסו (nasu) = vluchtten | מסרטן (misartan) = uit Sartan | הכום (hikum) = sloegen hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בארבל (be'arbel) = in Arbel | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לארבל (le'arbel) = aan Arbel | ולתפוח (ultapuach) = en aan Tappuach | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לחצור (lechatsor) = aan Chasor | ולסרטן (ulesartan) = en aan Sartan | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בראותם (bir'otam) = toen zij zagen | כי (ki) = dat | מתו (metu) = zijn gestorven | כל (kol) = alle | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | כולם (kullam) = allen | על (al) = op | גגות (gagot) = de daken van | העיר (ha'ir) = de stad | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | את (et) = (obj.) | בנימיעקב (bnei-ya'aqov) = zonen van Jakob | באבנים (ba'avanim) = met stenen | כמטר (kematar) = als regen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). **39:12** De zonen van Jakob haastten zich en kwamen de stad in, en zij grepen alle mannen en sloegen hen met de scherpte van het zwaard. De zonen van Jakob voerden alle gevangenen weg en namen alle buit, kleinvee, runderen en vee. Brontekst: וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | העיר (ha'ir) = de stad | ויתפשו (vayitpesu) = en zij grepen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ויכום (vayakkum) = en zij sloegen hen | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | וישבו (vayeshvu) = en zij voerden weg | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | השביה (hashvyah) = de gevangenen | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | השלל (hashalal) = de buit | צאן (tson) = kleinvee | ובקר (uvaqar) = en runderen | ומקנה (umiqneh) = en vee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: כל האנשים (‘alle mannen’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘alle vrouwen’. **39:13** De zonen van Jakob deden aan Machanajim zoals zij aan Tappuach, aan Chasor en aan Silo hadden gedaan, en zij keerden om en gingen vandaar op hun weg. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | למחנימה (lemachanaima) = aan Machanajim | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לתפוח (letapuach) = aan Tappuach | ולחצור (ulechatsor) = en aan Chasor | ולשילה (ulshilo) = en aan Silo | ויפנו (vayifnu) = en zij keerden om | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | משם (misham) = vandaar | אל (el) = op | דרכם (darkham) = hun weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). ### Gaäsj **39:14** Op de vijfde dag hoorden de zonen van Jakob dat de mannen van Gaäsj zich tegen hen hadden verzameld voor de strijd, omdat zij hun koning en hun aanvoerders hadden gedood; want er waren veertien aanvoerders in de stad Gaäsj, en de zonen van Jakob hadden hen allen gedood in de eerste strijd. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | החמישי (hachamishi) = de vijfde | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | התקבצו (hitqabbetsu) = zich hadden verzameld | עליהם (aleihem) = tegen hen | אנשי (anshei) = mannen van | געש (ga'ash) = Gaäsj | למלחמה (lammilchamah) = voor de strijd | על (al) = omdat | אשר (asher) = (samen: omdat) | הרגו (haragho) = zij hadden gedood | את (et) = (obj.) | מלכם (malkam) = hun koning | ואת (ve'et) = en (obj.) | שריהם (sareihem) = hun aanvoerders | כי (ki) = want | ארבעה (arba'ah) = vier | עשר (esar) = tien | שרים (sarim) = aanvoerders | היו (hayu) = zij waren | בעיר (ba'ir) = in de stad | געש (ga'ash) = Gaäsj | ויהרגום (vayaharegum) = en zij doodden hen | כולם (kullam) = allen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | הראשונה (harishonah) = de eerste Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:15** Die dag omgordde ieder van de zonen van Jakob zijn oorlogstuig, en zij gingen ten strijde, de bewoners van Gaäsj tegemoet. In Gaäsj was een talrijk en machtig volk uit het volk van de Amorieten, en Gaäsj was een sterke en zeer versterkte stad, meer dan alle steden van de Amorieten, en zij had drie muren. Brontekst: ויחגרו (vayachgeru) = en zij omgordden zich met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | איש (ish) = ieder | כלי (keli) = oorlogstuig van | מלחמתו (milchamto) = zijn oorlog | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | לקראת (liqrat) = tegemoet | יושבי (yoshvei) = bewoners van | געש (ga'ash) = Gaäsj | ובגעש (uvega'ash) = en in Gaäsj was | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | ועצום (ve'atsum) = en machtig | מעם (me'im) = uit het volk van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | וגעש (vega'ash) = en Gaäsj | היתה (hayetah) = was | עיר (ir) = stad | חזקה (chazaqah) = sterke | ובצורה (uvetsurah) = en versterkt | מאוד (me'od) = zeer | מכל (mikkol) = meer dan alle | ערי ('eri) = steden van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | ולה (uleh) = en zij had | שלוש (shalosh) = drie | חומות (chomot) = muren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:16** De zonen van Jakob kwamen bij Gaäsj en vonden de poorten van de stad gesloten, en ongeveer vijfhonderd man stonden boven op de buitenste muur; en een talrijk volk, als het zand aan de oever van de zee, lag buiten de stad, achter haar, op de loer voor de zonen van Jakob. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | געשתה (ga'ashta) = naar Gaäsj | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | שערי (sha'arei) = de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | סגורים (segurim) = gesloten | וכחמש (vechachamesh) = en ongeveer vijf | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | נצבים (nitsavim) = staande | מעל (me'al) = boven | לחומה (lechomah) = op de muur | החיצונה (hachitsonah) = de buitenste | ועם (ve'im) = en een volk | רב (rav) = talrijk | כחול (kachol) = als het zand | אשר (asher) = die | על (al) = op | שפת (sefat) = de oever van | הים (hayyam) = de zee | ארבו (arvu) = lagen op de loer | לבני (livnei) = voor de kinderen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מחוץ (michuts) = buiten | לעיר (la'ir) = de stad | מאחריה (me'achareha) = achter haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:17** De zonen van Jakob kwamen dichterbij om de poort van de stad te openen. Terwijl zij naderden, zie, de mannen die achter de stad op de loer lagen, kwamen van hun plaats en omringden de zonen van Jakob. Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לפתוח (liftoach) = om te openen | את (et) = (obj.) | שער (sha'ar) = poort van | העיר (ha'ir) = de stad | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בגשתם (begishtam) = toen zij naderden | והנה (vehinneh) = en zie | המארבים (hama'arabim) = zij die op de loer lagen | אשר (asher) = die | אחרי (acharei) = achter | העיר (ha'ir) = de stad | באו (ba'u) = kwamen | ממקומם (mimmeqomam) = van hun plaats | ויסובבו (vayasovvu) = en zij omringden | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:18** De zonen van Jakob zaten tussen de mannen van Gaäsj in, en de strijd was voor hen van voren en van achteren; ook alle mannen die op de muur waren, wierpen van de muur pijlen en stenen op hen. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לאנשי (le'anshei) = bij de mannen van | געש (ga'ash) = Gaäsj | בתוך (betokh) = in het midden | ותהי (vatehi) = en zij was | להם (lahem) = voor hen | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | פנים (panim) = van voren | ואחור (ve'achor) = en van achteren | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | משליכים (mashlikhim) = werpend | עליהם (aleihem) = op hen | חצים (chitsim) = pijlen | ואבנים (va'avanim) = en stenen | מעל (me'al) = vanaf | החומה (hachomah) = de muur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Juda’s kreet **39:19** Toen Juda zag dat alle mannen van Gaäsj hun te zwaar werden, slaakte hij een grote en bittere kreet. Alle mannen van Gaäsj werden verschrikt door het geschreeuw van Juda, en mannen vielen van de muur door de kracht van het geschreeuw; en allen die buiten de stad waren en die in de stad waren, vreesden zeer voor hun leven. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יהודה (Yehudah) = Juda | כי (ki) = dat | כבדו (kavedu) = werden te zwaar | עליהם (aleihem) = voor hen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | געש (ga'ash) = Gaäsj | ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | צעקה (tse'aqah) = een kreet | גדולה (gedolah) = grote | ומרה (umarah) = en bittere | ויבהלו (vayibbahalu) = en zij werden verschrikt | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | געש (ga'ash) = Gaäsj | מקול (miqqol) = voor de stem van | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | יהודה (Yehudah) = Juda | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | אנשים (anashim) = mannen | מן (min) = uit | החומה (hachomah) = de muur | מעוצם (me'otsem) = door de kracht van | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | מחוץ (michuts) = buiten | לעיר (la'ir) = de stad | ואשר (va'asher) = en die | בעיר (ba'ir) = in de stad | יראו (yare'u) = zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | לנפשם (lenafsham) = voor hun leven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:20** De zonen van Jakob kwamen opnieuw dichterbij om de deuren van de stad open te breken, maar de mannen van Gaäsj wierpen van boven op de muur stenen en pijlen op hen en dreven hen weg van de poort. Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עוד (od) = opnieuw | לשבור (lishbor) = te breken | דלתי (dalte) = deuren van | העיר (ha'ir) = de stad | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | עליהם (aleihem) = op hen | אנשי (anshei) = mannen van | געש (ga'ash) = Gaäsj | מעל (me'al) = van boven | החומה (hachomah) = de muur | אבנים (avanim) = stenen | וחצים (vechitsim) = en pijlen | ויבריחום (vayavrichum) = en dreven hen weg | מעל (me'al) = van | השער (hasha'ar) = de poort Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:21** De zonen van Jakob keerden zich tegen alle mannen van Gaäsj die buiten de stad bij hen waren, en zij sloegen onder hen een zeer zware slag, zoals men op komkommers slaat; en niemand van hen kon standhouden tegenover de zonen van Jakob, want schrik en vrees vielen op hen vanwege het geschreeuw van Juda. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = tegen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | געש (ga'ash) = Gaäsj | אשר (asher) = die | איתם (ittam) = met hen | מחוץ (michuts) = buiten | לעיר (la'ir) = de stad | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | בהם (bahem) = onder hen | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = grote | מאוד (me'od) = zeer | כהכות (kehakkot) = als wanneer men slaat | בקישואים (biqishu'im) = op komkommers | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | כולם (kullam) = allen | לעמוד (la'amod) = te staan | נוכח (nokhach) = tegenover | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | נפלה (naflah) = was gevallen | עליהם (aleihem) = over hen | אימתה (eima) = schrik | ופחד (vafachad) = en vrees | מפני (mippenei) = vanwege | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | יהודה (Yehudah) = Juda Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 11:5 (הקשאים, ‘de komkommers’), hetzelfde woord als hier בקישואים. Zie ook: Num 11:5 **39:22** De zonen van Jakob doodden al die mannen buiten de stad. Daarna kwamen de zonen van Jakob opnieuw dichterbij om de stad te openen en onder de muur van de stad te strijden, maar zij konden het niet, want alle bewoners van Gaäsj die in de stad waren overgebleven, omringden de muur van Gaäsj, allen, aan alle kanten, en de zonen van Jakob konden de stad niet naderen om met hen te strijden. Brontekst: ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | מחוץ (michuts) = buiten | לעיר (la'ir) = de stad | ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | עוד (od) = opnieuw | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לפתוח (liftoach) = te openen | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad | ולהלחם (ulehilachem) = en om te strijden | תחת (tachat) = onder | חומת (chomat) = de muur van | העיר (ha'ir) = de stad | ולא (velo) = en niet | יכולו (yakholu) = zij konden | כי (ki) = want | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | געש (ga'ash) = Gaäsj | אשר (asher) = die | נשארו (nish'aru) = overgebleven waren | בעיר (ba'ir) = in de stad | סבבו (sabvu) = omringden | כולם (kullam) = allen | את (et) = (obj.) | חומת (chomat) = de muur van | געש (ga'ash) = Gaäsj | מפה (mippoh) = van deze kant | ומפה (umippo) = en van die kant | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לגשת (lagashet) = te naderen | אל (el) = tot | העיר (ha'ir) = de stad | להלחם (lehilachem) = om te strijden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:23** Telkens wanneer de zonen van Jakob een van de hoeken naderden om onder de muur te strijden, wierpen de bewoners van Gaäsj pijlen en stenen op hen, als een regen, en zij dreven hen van onder de muur weg. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde dat | כאשר (ka'asher) = wanneer | יקרבו (yiqravu) = naderden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | אחת (achat) = één | מהפאות (mehape'ot) = van de hoeken | להלחם (lehilachem) = om te strijden | תחת (tachat) = onder | החומה (hachomah) = de muur | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | עליהם (aleihem) = over hen | יושבי (yoshvei) = bewoners van | געש (ga'ash) = Gaäsj | חצים (chitsim) = pijlen | ואבנים (va'avanim) = en stenen | כמטר (kematar) = als een regen | ויבריחום (vayavrichum) = en zij verjoegen hen | מתחת (mittachat) = van onder | החומה (hachomah) = de muur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:24** De mannen van Gaäsj die op de muur waren, zagen dat de zonen van Jakob hen van onder de muur niet konden overwinnen, en zij hoonden de zonen van Jakob met deze woorden: Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | אנשי (anshei) = mannen van | געש (ga'ash) = Gaäsj | אשר (asher) = die | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | עליהם (aleihem) = tegen hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מתחת (mittachat) = van onder | החומה (hachomah) = de muur | ויחרפו (vayecherefu) = en zij hoonden | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הדברים (haddevarim) = de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:25** „Wat is er met jullie en de strijd, dat jullie hem niet aankunnen? Zouden jullie ook aan Gaäsj, de sterke stad, en aan haar bewoners kunnen doen zoals jullie gedaan hebben aan de steden van de Amorieten, die niet sterk zijn? Toch hebben jullie dit gedaan aan de zwakken onder ons, en jullie doodden hen in de ingang van de stad, want er was geen kracht bij hen, omdat zij vreesden voor het geluid van jullie geschreeuw. Brontekst: מה (mah) = wat | לכם (lakhem) = is er met jullie | ולמלחמה (ulemilchama) = en de strijd | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | תוכלו (tuchlu) = jullie kunnen | עליה (aleha) = tegen haar | האף (ha'af) = zouden jullie ook | לגעש (lega'ash) = aan Gaäsj | העיר (ha'ir) = de stad | החזקה (hachazaqah) = sterke | וליושביה (veliyoshvehah) = en aan haar bewoners | תוכלו (tuchlu) = kunnen doen | כאשר (ka'asher) = zoals | עשיתם (asitem) = jullie deden | לערי (le'arey) = aan de steden van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | אשר (asher) = die | הם (hem) = zij | בלתי (bilti) = niet | חזקים (chazaqim) = sterk | הלא (halo) = toch | לחלשים (lachalashim) = aan de zwakken | אשר (asher) = die | בנו (beno) = onder ons | עשיתם (asitem) = jullie deden | הדבר (haddavar) = dit | הזה (hazzeh) = ding | ותהרגום (vatahargum) = en jullie doodden hen | פתח (petach) = in de ingang van | העיר (ha'ir) = de stad | כי (ki) = want | אין (ein) = er is niet | עמהם (immahem) = met hen | גבורה (gevurah) = kracht | כי (ki) = omdat | יראו (yare'u) = zij vreesden | מקול (miqqol) = voor het geluid van | צעקתכם (tse'aqatkhem) = jullie geschreeuw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:26** En nu, zouden jullie op deze plaats kunnen strijden? Toch sterven jullie hier allen, en wij zullen wraak op jullie nemen voor alle steden die jullie hebben verwoest.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הבמקום (habamaqom) = zouden jullie op de plaats | הזה (hazzeh) = deze | תוכלו (tuchlu) = kunnen | להלחם (lehilachem) = om te strijden | הלא (halo) = toch | בזה (bazeh) = hierin | אתם (ittam) = jullie | מתים (metim) = sterven | כולכם (kulkhem) = jullie allen | וננקמה (venikkamah) = en wij zullen wreken | מכם (mikkem) = op jullie | נקמת (niqmat) = de wraak van | כל (kol) = alle | הערים (he'arim) = de steden | אשר (asher) = die | החרבתם (hecheravtem) = jullie hebben verwoest | אותם (otam) = ze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:27** De bewoners van Gaäsj hoonden de zonen van Jakob zeer, zij vervloekten hen bij hun goden, en zij wierpen nog steeds pijlen en stenen op hen van de muur. Brontekst: ויחרפו (vayecherefu) = en zij hoonden | מאוד (me'od) = zeer | יושבי (yoshvei) = bewoners van | געש (ga'ash) = Gaäsj | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויקללום (vayeqalelum) = en zij vervloekten hen | באלוקיהם (belohehem) = bij hun goden | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | עליהם (aleihem) = op hen | חצים (chitsim) = pijlen | ואבנים (va'avanim) = en stenen | עוד (od) = nog | מעל (me'al) = vanaf | החומה (hachomah) = de muur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Juda op de muur **39:28** Juda en zijn broers hoorden de woorden van de bewoners van Gaäsj, en hun toorn ontbrandde zeer. Juda was vurig voor zijn Elohim in deze zaak, en hij riep en zei: „Yahweh, verlos, verlos, Yahweh, ons en onze broers!” Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יהודה (Yehudah) = Juda | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | יושבי (yoshvei) = bewoners van | געש (ga'ash) = Gaäsj | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפם (appam) = hun toorn | מאוד (me'od) = zeer | ויקנא (vayeqanne) = en hij was vurig | יהודה (Yehudah) = Juda | לאלוקיו (le'elohav) = voor zijn Elohim | בדבר (bedabber) = in deze | הזה (hazzeh) = zaak | ויקרא (vayikra) = en hij riep | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הושיעה (hoshi'ah) = verlos | הושיעה (hoshi'ah) = verlos | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לנו (lanu) = ons | ולאחינו (velachinu) = en voor onze broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 25:13 (קנא לאלהיו, ‘hij was vurig voor zijn Elohim’), de woorden die hier van Juda gezegd worden. Zie ook: Num 25:13 **39:29** Hij rende van ver met heel zijn kracht, met zijn getrokken zwaard in zijn hand, en hij sprong en steeg op in de lucht en besteeg de muur met laaiende kracht; en het zwaard viel uit zijn hand. Brontekst: וירץ (vayyarots) = en hij rende | מרחוק (merachoq) = van ver | בכל (bekhol) = met heel | כוחו (kocho) = zijn kracht | וחרבו (vecharbo) = en zijn zwaard | שלופה (shelufah) = getrokken | בידו (beyado) = in zijn hand | וידלג (vayedalleg) = en hij sprong | ויעל (vayya'al) = en hij steeg op | בשמים (bashamayim) = in de lucht | וירכב (vayirkav) = en hij besteeg | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | בחמת (bechamat) = in de gloed van | כוחו (kocho) = zijn kracht | ותיפול (vattippol) = en viel | החרב (hacherev) = het zwaard | מידו (miyyado) = uit zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: בשמים (‘in de hemel’): bedoeld is de lucht, de sprong omhoog; de Engelse vertaling heeft alleen ‘hij sprong van de aarde’. **39:30** Juda schreeuwde op de muur, en alle mannen die op de muur waren, werden verschrikt; sommigen van hen vielen van de muur midden in de stad en stierven, en degenen die nog op de muur waren, vreesden zeer toen zij de kracht van Juda zagen en vluchtten voor hem de stad in om hun leven te redden. Brontekst: ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | יהודה (Yehudah) = Juda | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | ויתבהלו (vayitbahalu) = en zij werden verschrikt | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | מהם (mehem) = van hen | לתוך (letoch) = in het midden van | העיר (ha'ir) = de stad | מעל (me'al) = van boven | החומה (hachomah) = de muur | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | ואשר (va'asher) = en die | עודם (odam) = nog | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | כאשר (ka'asher) = toen | ראו (ra'u) = zij zagen | את (et) = (obj.) | גבורת (gevurat) = de kracht van | יהודה (Yehudah) = Juda | יראו (yare'u) = zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | מהם (mehem) = van hen | לנפשם (lenafsham) = voor hun leven | אל (el) = tot | תוך (tokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | להימלט (lehimmalet) = te ontkomen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:31** Sommigen van hen sterkten zich om met Juda op de muur te strijden, en zij kwamen dichterbij om hem te doden, toen zij zagen dat er geen zwaard in de hand van Juda was, en zij zeiden dat zij hem van de muur naar zijn broers zouden werpen. Ongeveer twintig man uit de stad klommen naar hen toe om hen te helpen, en zij omringden Juda en schreeuwden allen tegen hem en kwamen met getrokken zwaarden dichter naar hem toe, en zij joegen Juda schrik aan; en Juda schreeuwde van de muur naar zijn broers. Brontekst: ומקצתם (umiqtsatam) = en sommigen van hen | התחזקו (hitchazqu) = sterkten zich | להלחם (lehilachem) = om te strijden | עם (im) = met | יהודה (Yehudah) = Juda | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | להמיתו (lehamito) = om hem te doden | בראותם (bir'otam) = toen zij zagen | כי (ki) = dat | אין (ein) = er is niet | חרב (charev) = zwaard | ביד (beyad) = in de hand van | יהודה (Yehudah) = Juda | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | להפילו (lehapilo) = om hem te werpen | מעל (me'al) = van boven | החומה (hachomah) = de muur | אל (el) = naar | אחיו (achiv) = zijn broers | ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | אליהם (aleihem) = bij hen | כעשרים (ke'esrim) = ongeveer twintig | אנשים (anashim) = mannen | מהעיר (mehair) = uit de stad | לעוזרם (le'ozram) = om hen te helpen | ויסובבו (vayasovvu) = en zij omringden | את (et) = (obj.) | יהודה (Yehudah) = Juda | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij schreeuwden | כולם (kullam) = allen | עלי (alay) = tegen hem | ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | אליו (elav) = tot hem | בחרבות (becharavot) = met zwaarden | שלופות (shelufot) = getrokken | ויבהילו (vayavhilu) = en zij joegen schrik aan | את (et) = (obj.) | יהודה (Yehudah) = Juda | ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | יהודה (Yehudah) = Juda | מעל (me'al) = van boven | החומה (hachomah) = de muur | אל (el) = naar | אחיו (achiv) = zijn broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויצעקו כולם עלי (‘en zij schreeuwden allen over mij’) staat er; gelezen als עליו, ‘over hem’. **39:32** Jakob en zijn zonen spanden van onder de muur de boog en troffen drie man van de mannen die op de muur waren. Juda bleef schreeuwen en riep: „Yahweh, help ons! Yahweh, bevrijd ons!” en hij schreeuwde met luide stem op de muur, en het geschreeuw werd tot in de verte gehoord. Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | משכו (mashchu) = spanden | בקשת (bakeshet) = met de boog | מתחת (mittachat) = van onder | החומה (hachomah) = de muur | ויכו (vayakku) = en zij troffen | באנשים (ba'anashim) = onder de mannen | אשר (asher) = die | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | ויוסף (vayosef) = en hij ging voort | יהודה (Yehudah) = Juda | ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | ויקרא (vayikra) = en hij riep | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עזרנו (ozrenu) = help ons | יהוה (Yahweh) = Yahweh | חלצנו (chaltsenu) = bevrijd ons | ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | ותשמע (vattishma) = en werd gehoord | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | למרחוק (lemerachoq) = tot in de verte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:33** Terwijl hij schreeuwde, ging hij nog een tweede keer voort met roepen, en alle mannen die rondom Juda op de muur waren, werden onthutst; ieder wierp zijn zwaard uit zijn hand weg, voor het geschreeuw van Juda en uit schrik voor hem, en zij vluchtten. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצעקו (betsa'qo) = terwijl hij schreeuwde | ויוסף (vayosef) = en hij ging voort | עוד (od) = nog | שנית (sheinit) = een tweede keer | לצעוק (lits'oq) = te roepen | ויתבהלו (vayitbahalu) = en zij werden onthutst | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | סביבות (sevivot) = rondom | יהודה (Yehudah) = Juda | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | איש (ish) = ieder | חרבו (charvu) = zijn zwaard | מידו (miyyado) = uit zijn hand | מקול (miqqol) = voor de stem van | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | יהודה (Yehudah) = Juda | ומפחדו (umipachdo) = en uit schrik voor hem | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | להם (lahem) = heen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:34** Juda nam de zwaarden die uit hun hand waren gevallen, en Juda streed met hen en doodde twintig man van hen op de muur. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (obj.) | החרבות (hacharavot) = de zwaarden | אשר (asher) = die | נפלו (naflu) = vielen | מידם (miyyadam) = uit hun hand | וילחם (vayillachem) = en hij streed | בם (vam) = met hen | יהודה (Yehudah) = Juda | ויהרוג (veyahrog) = en hij doodde | מהם (mehem) = van hen | עשרים (esrim) = twintig | איש (ish) = een man | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:35** Opnieuw klommen ongeveer tachtig man en vrouw uit de stad naar de muur en omringden allen Juda, maar Yahweh gaf de schrik voor Juda in hun hart, zodat zij hem niet konden naderen. Brontekst: ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | עוד (od) = opnieuw | מן (min) = uit | העיר (ha'ir) = de stad | אל (el) = tot | החומה (hachomah) = de muur | כשמונים (keshemonim) = ongeveer tachtig | איש (ish) = een man | ואישה (ve'ishah) = en vrouw | ויסובבו (vayasovvu) = en zij omringden | כולם (kullam) = allen | את (et) = (obj.) | יהודה (Yehudah) = Juda | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | פחד (pachad) = de schrik voor | יהודה (Yehudah) = Juda | בלבם (belibbam) = in hun hart | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | לגשת (lagashet) = te naderen | אליו (elav) = tot hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:36** Jakob en allen die met hem waren, spanden van onder de muur de boog en doodden tien man op de muur, en zij vielen onder de muur, vóór Jakob en zijn zonen. Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | משכו (mashchu) = spanden | בקשת (bakeshet) = met de boog | מתחת (mittachat) = van onder | החומה (hachomah) = de muur | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | עשרה (esreh) = tien | אנשים (anashim) = mannen | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | תחת (tachat) = onder | החומה (hachomah) = de muur | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:37** De mannen van de muur zagen dat dertig man van hen waren gevallen, en zij renden opnieuw met getrokken zwaarden op Juda af, maar zij konden niet vóór hem komen, want zij vreesden zeer voor de kracht van Juda. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | אנשי (anshei) = mannen van | החומה (hachomah) = de muur | כי (ki) = dat | נפלו (naflu) = vielen | מהם (mehem) = van hen | שלושים (sheloshim) = dertig | איש (ish) = een man | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | עוד (od) = opnieuw | אל (el) = tot | יהודה (Yehudah) = Juda | בחרבות (becharavot) = met zwaarden | שלופות (shelufot) = getrokken | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | לגשת (lagashet) = te naderen | לפניו (lefanav) = voor hem | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | מגבורת (migvurat) = voor de kracht van | יהודה (Yehudah) = Juda Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: שלושים (‘dertig’) staat er: de twintig uit v. 34 en de tien uit v. 36. De Engelse vertaling heeft ‘twintig’. **39:38** Eén van hen, een held, wiens naam Arud was, kwam dichterbij en sloeg Juda met zijn zwaard op het hoofd; Juda haastte zich zijn schild op zijn hoofd te zetten, en het zwaard trof het schild, en het werd in tweeën gekliefd. Brontekst: ויגש (vayyigash) = en hij naderde | גיבור (gibbor) = held | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | ושמו (ushmo) = en zijn naam | ערוד (Arud) = Arud | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | את (et) = (obj.) | יהודה (Yehudah) = Juda | בחרבו (becharbo) = met zijn zwaard | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | יהודה (Yehudah) = Juda | וישם (vayasem) = en hij zette | מגנו (maginno) = zijn schild | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ותך (vatakh) = en het trof | החרב (hacherev) = het zwaard | במגן (bamagen) = op het schild | ויחלק (vayechalleq) = en het werd gekliefd | לשניים (lishnayim) = in twee delen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ערוד (Arud): als naam elders niet bekend; het woord betekent in Job 39:5 ‘wilde ezel’. Zie ook: Job 39:5 **39:39** Toen die held Juda had geslagen, rende hij voor zijn leven uit vrees voor Juda, en zijn voeten gleden weg op de muur, tot midden onder de zonen van Jakob die onder de muur waren; en de zonen van Jakob sloegen hem en doodden hem. Brontekst: והגיבור (vehagibor) = en de held | ההוא (hahu) = die | בהכותו (behakoto) = nadat hij geslagen had | את (et) = (obj.) | יהודה (Yehudah) = Juda | רץ (ruts) = rende | לנפשו (lenafsho) = voor zijn leven | מפחד (mipachad) = uit vrees voor | יהודה (Yehudah) = Juda | וימעדו (vayim'adu) = en gleden uit | רגליו (raglav) = zijn voeten | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | בתוך (betokh) = tot midden onder | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | תחת (tachat) = onder | החומה (hachomah) = de muur | ויכוהו (vayakuhu) = en zij sloegen hem | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וימיתוהו (vayemituhu) = en zij doodden hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:40** Het hoofd van Juda deed pijn van de slag van de held, en het scheelde weinig of Juda was door die slag gestorven. Juda schreeuwde van de muur van de pijn van die slag. Brontekst: ותכאב (vatikh'av) = en het deed pijn | ראש (rosh) = het hoofd van | יהודה (Yehudah) = Juda | ממכת (mimakat) = van de slag van | הגיבור (haggibbor) = de held | וכמעט (vekimat) = en bijna | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | מת (met) = was gestorven | יהודה (Yehudah) = Juda | במכה (bamakka) = door de slag | ההיא (hahi) = die | ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | יהודה (Yehudah) = Juda | מכאב (mikke'ev) = van de pijn van | המכה (hamakka) = de slag | ההיא (hahi) = die | מעל (me'al) = van boven | החומה (hachomah) = de muur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Dan en Naftali **39:41** Dan hoorde de stem van het geschreeuw van Juda, en zijn woede ontbrandde in hem; ook hij stond op, ging ver weg, rende en sprong van de grond en klom op de muur met laaiende kracht. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | דן (Dan) = Dan | את (et) = (obj.) | קול (qol) = stem van | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | יהודה (Yehudah) = Juda | ותבער (vativ'ar) = en ontbrandde | בו (bo) = in hem | חמתו (chamato) = zijn woede | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | וילך (vayelekh) = en hij ging | מרחוק (merachoq) = ver weg | וירץ (vayyarots) = en hij rende | וידלג (vayedalleg) = en hij sprong | מהארץ (mehaarets) = van de grond | ויעל (vayya'al) = en hij klom | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | בחמת (bechamat) = in de gloed van | כוחו (kocho) = zijn kracht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:42** Toen Dan bij Juda op de muur was gekomen, vluchtten alle mannen van de muur die tegenover Juda hadden gestaan; zij klommen op de tweede muur en wierpen nog pijlen en stenen van de tweede muur naar Dan en Juda, en zij probeerden hen van de muur te verdrijven. De pijlen en de stenen kwamen op Dan en op Juda, en het scheelde weinig of zij waren op de muur gestorven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעלות (be'alot) = toen hij opklom | דן (Dan) = Dan | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | אצל (etsel) = bij | יהודה (Yehudah) = Juda | ויברחו (vayivrechu) = en zij vluchtten | משם (misham) = vandaar | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | החומה (hachomah) = de muur | אשר (asher) = die | עמדו (imdu) = stonden | נגד (neged) = tegenover | יהודה (Yehudah) = Juda | ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | השנית (hashenit) = de tweede | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | עוד (od) = nog | חצים (chitsim) = pijlen | ואבנים (va'avanim) = en stenen | מן (min) = uit | החומה (hachomah) = de muur | השנית (hashenit) = de tweede | אל (el) = naar | דן (Dan) = Dan | ויהודה (vihudah) = en Juda | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | להבריחם (lehavrichem) = om hen te verdrijven | מן (min) = uit | החומה (hachomah) = de muur | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | החצים (hachitsim) = de pijlen | והאבנים (veha'avanim) = en de stenen | בדן (bedan) = op Dan | וביהודה (uvihuda) = en op Juda | וכמעט (vekimat) = en bijna | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | מתו (metu) = waren gestorven | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:43** En naar elke plaats op de muur waarheen Dan en Juda vluchtten, kwamen pijlen en stenen op hen af van de tweede muur. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde dat | למקום (lamaqom) = naar de plaats | אשר (asher) = waarheen | ינוסו (yanusu) = zouden vluchten | דן (Dan) = Dan | ויהודה (vihudah) = en Juda | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עליהם (aleihem) = over hen | חצים (chitsim) = pijlen | ואבנים (va'avanim) = en stenen | מן (min) = uit | החומה (hachomah) = de muur | השנית (hashenit) = de tweede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:44** Jakob en zijn zonen waren nog steeds bij de ingang van de stadspoort, onder de eerste muur, en zij hadden geen ruimte om de boog te spannen tegen de bewoners van de stad, want die waren voor hen niet te zien, omdat zij op de tweede muur waren. Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | עודם (odam) = nog steeds | פתח (petach) = bij de ingang van | שער (sha'ar) = poort van | העיר (ha'ir) = de stad | תחת (tachat) = onder | החומה (hachomah) = de muur | הראשונה (harishonah) = de eerste | ולא (velo) = en niet | היה (hayah) = was | להם (lahem) = voor hen | מקום (maqom) = plek | למשוך (limshokh) = te spannen | בקשת (bakeshet) = met de boog | אל (el) = tegen | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | היו (hayu) = zij waren | נראים (nir'im) = zichtbaar | להם (lahem) = voor hen | כי (ki) = want | היו (hayu) = zij waren | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | השנית (hashenit) = de tweede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:45** Toen Dan en Juda de stenen en de pijlen die van de tweede muur op hen neerkwamen niet langer konden verdragen, sprongen zij beiden op de tweede muur, bij de mannen van de stad. Toen de mannen van de stad die op de tweede muur waren, zagen dat Dan en Juda bij hen op de tweede muur gekomen waren, schreeuwden zij allen en daalden af, tussen de twee muren. Brontekst: ודן (vedan) = en Dan | ויהודה (vihudah) = en Juda | כאשר (ka'asher) = toen | לא (lo) = niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | לסבול (lisbol) = te dragen | את (et) = (obj.) | האבנים (ha'avanim) = de stenen | ואת (ve'et) = en (obj.) | החצים (hachitsim) = de pijlen | אשר (asher) = die | ירדו (yardu) = neerkwamen | אשר (asher) = (die) | ירדו (yardu) = (neerkwamen) | להם (lahem) = op hen | מהחומה (mehachoma) = van de muur | השנית (hashenit) = de tweede | וידלגו (vayedallegu) = en zij sprongen | שניהם (shenehem) = beiden | אל (el) = tot | החומה (hachomah) = de muur | השנית (hashenit) = de tweede | אצל (etsel) = bij | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | ויראו (vayiru) = en zij zagen | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | אשר (asher) = die | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | השנית (hashenit) = de tweede | כי (ki) = want | באו (ba'u) = kwamen | דן (Dan) = Dan | ויהודה (vihudah) = en Juda | לפניהם (lifneihem) = voor hen | לחומה (lechomah) = op de muur | השנית (hashenit) = de tweede | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij schreeuwden | כולם (kullam) = allen | וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | בין (bein) = tussen | החומותים (hachomotayim) = de twee muren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: אשר ירדו אשר ירדו (‘die neerkwamen, die neerkwamen’) staat er, dubbel; als één keer gelezen. **39:46** Jakob en zijn zonen hoorden het geluid van het geschreeuw van de mannen van de stad, terwijl zij nog steeds bij de ingang van de stadspoort waren, en zij vreesden zeer voor Dan en Juda, want die waren voor hen niet te zien, omdat zij op de tweede muur waren. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | את (et) = (obj.) | קול (qol) = stem van | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | והם (vehem) = en zij | עודם (odam) = nog steeds | פתח (petach) = bij de ingang van | שער (sha'ar) = poort van | העיר (ha'ir) = de stad | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = voor | דן (Dan) = Dan | ויהודה (vihudah) = en Juda | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | היו (hayu) = zij waren | נראים (nir'im) = zichtbaar | להם (lahem) = voor hen | כי (ki) = want | הם (hem) = zij | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | השנית (hashenit) = de tweede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:47** Naftali klom met laaiende kracht en sprong op de eerste muur om te zien wat dat geschreeuw was dat hij in de stad had gehoord; en Issachar en Zebulon kwamen dichterbij om de deuren van de stad open te breken, en zij openden de poorten van de stad, en allen kwamen de stad in. Brontekst: ויעל (vayya'al) = en hij klom | נפתלי (Naftali) = Naftali | בחמת (bechamat) = in de gloed van | כוחו (kocho) = zijn kracht | וידלג (vayedalleg) = en hij sprong | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | הראשונה (harishonah) = de eerste | לראות (lir'ot) = zien | מה (mah) = wat | קול (qol) = stem van | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | אשר (asher) = die | שמע (shema) = hij had gehoord | בעיר (ba'ir) = in de stad | ויששכר (veyissakhar) = en Issachar | וזבולון (uzvulun) = en Zebulon | נגשו (nigshu) = naderden | לשבור (lishbor) = te breken | דלתי (dalte) = deuren van | העיר (ha'ir) = de stad | ויפתחו (vayipathu) = en zij openden | את (et) = (obj.) | שערי (sha'arei) = de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | העירה (ha'irah) = de stad in Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:48** Naftali sprong van de eerste muur naar de tweede en kwam bij zijn broers om hen te helpen. Toen de bewoners van Gaäsj die op de muur waren, zagen dat Naftali als derde was opgeklommen om zijn broers te helpen, vluchtten zij allen en daalden af, midden in de stad. En Jakob en zijn zonen en al hun jonge mannen kwamen de stad in, naar hen toe. Brontekst: ונפתלי (venaftali) = en Naftali | קפץ (qafats) = sprong | מהחומה (mehachoma) = van de muur | הראשונה (harishonah) = de eerste | אל (el) = tot | השנית (hashenit) = de tweede | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אצל (etsel) = bij | אחיו (achiv) = zijn broers | לעזרם (le'ezram) = om hen te helpen | ויראו (vayiru) = en zij zagen | יושבי (yoshvei) = bewoners van | געש (ga'ash) = Gaäsj | אשר (asher) = die | על (al) = op | החומה (hachomah) = de muur | כי (ki) = dat | עלה (alah) = was opgeklommen | נפתלי (Naftali) = Naftali | שלישי (shlishi) = als derde | לעזור (la'azor) = om te helpen | לאחיו (le'achiv) = aan zijn broers | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | ויברחו (vayivrechu) = en zij vluchtten | כולם (kullam) = allen | וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | אל (el) = tot | תוך (tokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | נעריהם (na'areihem) = hun jonge mannen | באו (ba'u) = kwamen | העירה (ha'irah) = de stad in | אליהם (aleihem) = tot hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:49** Juda en Naftali daalden van de muur af, midden in de stad, en achtervolgden de bewoners van de stad. Simeon en Levi waren buiten de stad en wisten niet dat de poort van de stad geopend was; zij klommen vandaar op de muur en daalden af naar hun broers, midden in de stad. Brontekst: ויהודה (vihudah) = en Juda | ונפתלי (venaftali) = en Naftali | ירדו (yardu) = daalden af | מן (min) = uit | החומה (hachomah) = de muur | אל (el) = tot | תוך (tokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחרי (acharei) = achter | יושבי (yoshvei) = bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | ושמעון (veShim'on) = en Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | היו (hayu) = zij waren | מים (mayim) = buiten | לעיר (la'ir) = de stad | ולא (velo) = en niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | כי (ki) = want | נפתח (niftach) = was geopend | שער (sha'ar) = poort van | העיר (ha'ir) = de stad | ויעלו (vaya'alu) = en zij klommen | משם (misham) = vandaar | לחומה (lechomah) = op de muur | וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | אל (el) = tot | אחיהם (achihem) = hun broers | תוך (tokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויהודה ונפתלי (‘Juda en Naftali’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘Juda, Dan en Naftali’. Verder staat er ושמעון ולוי היו מים לעיר (‘Simeon en Levi waren water aan de stad’); מים is hier gelezen als ‘buiten’ (zie de Engelse vertaling, ‘from without the city’), en de Hebreeuwse tekst is op deze plaats waarschijnlijk bedorven. **39:50** De bewoners van de stad waren allen midden in de stad afgedaald, en de zonen van Jakob kwamen van alle kanten op hen af, en de strijd was voor hen van voren en van achteren. De zonen van Jakob brachten hun een zeer zware slag toe en doodden ongeveer twintigduizend van hen, man en vrouw, en niemand van hen hield stand voor de zonen van Jakob. Brontekst: ויושבי (veyoshvei) = en de bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | ירדו (yardu) = daalden af | כולם (kullam) = allen | תוך (tokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עליהם (aleihem) = op hen | על (al) = (op) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מפה (mippoh) = van deze kant | ומפה (umippo) = en van die kant | ותהי (vatehi) = en was | להם (lahem) = voor hen | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | פנים (panim) = van voren | ואחור (ve'achor) = en van achteren | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | בהם (bahem) = onder hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = grote | עד (ad) = tot | מאוד (me'od) = zeer | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | מהם (mehem) = van hen | כעשרים (ke'esrim) = ongeveer twintig | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | ואישה (ve'ishah) = en vrouw | ולא (velo) = en niet | עמד (amad) = stond | איש (ish) = een man | מהם (mehem) = van hen | בפני (bifnei) = voor het aangezicht van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויבואו עליהם על בני יעקב: de woorden על בני יעקב (‘op de zonen van Jakob’) staan naast עליהם; ze zijn als onderwerp gelezen (‘de zonen van Jakob kwamen op hen af’), zoals de Engelse vertaling heeft. **39:51** Het bloed nam in de stad toe en werd als een beek van water; het bloed stroomde als een beek naar buiten, buiten de stad, en kwam tot aan de helling van Bet-Choron. Brontekst: וירב (vayarev) = en nam toe | הדם (haddam) = het bloed | בעיר (ba'ir) = in de stad | ויהי (vayehi) = en het werd | כנחל (kenachal) = als een beek | מים (mayim) = water | ויצא (vayetse) = en ging uit | הדם (haddam) = het bloed | כנחל (kenachal) = als een beek | עד (ad) = tot | חוץ (chuts) = buiten | לעיר (la'ir) = de stad | ויגיע (vayagia) = en reikte | עד (ad) = tot | מורד (Mored) = de afdaling van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:10–11 (מורד בית חורון, ‘de helling van Bet-Choron’). Zie ook: Joz 10:10–11 **39:52** De mannen van Bet-Choron zagen van ver het bloed uit de stad Gaäsj komen, en ongeveer zeventig man van hen renden om dat bloed te zien. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | אנשי (anshei) = mannen van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | מרחוק (merachoq) = van ver | את (et) = (obj.) | הדם (haddam) = het bloed | יוצא (yotse) = uitgaand | מעיר (me'ir) = uit de stad | געש (ga'ash) = Gaäsj | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | מהם (mehem) = van hen | כשבעים (keshiv'im) = ongeveer zeventig | איש (ish) = een man | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (obj.) | הדם (haddam) = het bloed | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:53** Zij kwamen tot de plaats van het bloed en volgden de sporen van het bloed, en zij kwamen tot de muur van het huis van Gaäsj en zagen het bloed uit de stad komen; en zij hoorden het geschreeuw van de bewoners van Gaäsj, die opsteeg naar de hemel, en het bloed werd steeds meer en stroomde als een beek van water. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עד (ad) = tot | מקום (maqom) = plek | הדם (haddam) = het bloed | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | במסילות (bimsilot) = op de sporen van | הדם (haddam) = het bloed | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עד (ad) = tot | חומת (chomat) = de muur van | בית (bet) = het huis van | געש (ga'ash) = Gaäsj | ויראו (vayiru) = en zij zagen | הדם (haddam) = het bloed | יוצא (yotse) = uitgaand | מן (min) = uit | העיר (ha'ir) = de stad | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | את (et) = (obj.) | קול (qol) = stem van | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | יושבי (yoshvei) = bewoners van | געש (ga'ash) = Gaäsj | עלתה (alta) = die opsteeg | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | והדם (vehadam) = en het bloed | הולך (holekh) = steeds | ורב (verav) = meer | מאוד (me'od) = zeer | לצאת (latset) = uit te gaan | כנחל (kenachal) = als een beek | מים (mayim) = water Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: חומת בית געש (‘de muur van het huis van Gaäsj’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘de muur van de stad Gaäsj’. **39:54** Alle zonen van Jakob sloegen nog steeds onder de bewoners van Gaäsj en doodden hen tot de avond, ongeveer twintigduizend man en vrouw. En die Choronieten zeiden: „Voorwaar, dit is het werk van de Hebreeën, want zij voeren nog steeds oorlog in de steden van alle Amorieten.” Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עודם (odam) = nog | מכים (makkim) = slaand | ביושבי (beyoshvei) = onder de bewoners van | געש (ga'ash) = Gaäsj | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | בהם (bahem) = onder hen | עד (ad) = tot | הערב (ha'erev) = de avond | כעשרים (ke'esrim) = ongeveer twintig | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | ואישה (ve'ishah) = en vrouw | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | החורונים (hachoronim) = de Choronieten | אך (akh) = voorwaar | זה (ze) = dit | מעשה (ma'aseh) = is het werk van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | הוא (hu) = (het is) | כי (ki) = want | עודם (odam) = nog | נלחמים (nilchamim) = strijdend | בערי (be'arei) = in de steden van | כל (kol) = alle | האמורי (ha'emori) = de Amorieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:55** Die mannen haastten zich en renden naar Bet-Choron, en ieder nam zijn oorlogstuig, en zij riepen alle bewoners van Bet-Choron op, en ook zij omgorden zich met hun oorlogstuig om tegen de zonen van Jakob te gaan strijden. Brontekst: וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden naar | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | איש (ish) = een man | כלי (keli) = oorlogstuig van | מלחמתו (milchamto) = zijn strijd | ויזעיקו (vayaz'iqu) = en zij riepen op | לכל (lekhol) = aan heel | יושבי (yoshvei) = bewoners van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | ויחגרו (vayachgeru) = en zij omgordden zich met | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | עלי (alay) = oorlogstuig van | מלחמתם (milchamtam) = hun oorlog | ללכת (lalekhet) = om te gaan | להלחם (lehilachem) = om te strijden | בבני (bivnei) = tegen de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: עלי מלחמתם (‘…van hun oorlog’) staat er; gelezen als כלי מלחמתם, ‘hun oorlogstuig’, zoals eerder in dit vers. ### De drie helden **39:56** Toen de zonen van Jakob klaar waren met het slaan van de bewoners van Gaäsj, liepen zij door de stad om alle gesneuvelden te ontkleden. Zij kwamen in het binnenste van de stad en verder, en zij vonden drie zeer sterke helden, en er was geen zwaard in hun hand. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ככלותם (kechalotam) = toen zij klaar waren | להכות (lehakkot) = met slaan | ביושבי (beyoshvei) = de bewoners van | געש (ga'ash) = Gaäsj | ויהלכו (vayehalchu) = en zij liepen rond | בתוך (betokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | לפשט (lifshot) = te ontkleden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | החללים (hachalalim) = de gesneuvelden | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לפנים (lefanim) = in het binnenste | מהעיר (mehair) = van de stad | והלאה (vehal'ah) = en verder | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | גיבורים (gibborim) = helden | מאוד (me'od) = zeer | וחרב (vecherev) = en een zwaard | אין (ein) = er is niet | בידם (beyadam) = in hun hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:57** De zonen van Jakob kwamen tot hun plaats, en de helden renden op hen af; en één van hen greep Zebulon, want hij zag dat hij een kleine jongeman was, kort van gestalte, en wierp hem met zijn kracht ter aarde. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עד (ad) = tot | מקומם (meqomam) = hun plaats | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | הגיבורים (haggibborim) = de helden | אליהם (aleihem) = op hen af | ויקח (vayikkach) = en greep | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | את (et) = (obj.) | זבולון (zevulun) = Zebulon | כי (ki) = want | ראהו (ra'ahu) = hij zag hem | נער (na'ar) = jongeman | קטן (qatan) = klein | וקצר (veqetsar) = en kort van | קומה (qomah) = van gestalte | ויפילהו (vayapilehu) = en wierp hem | ארצה (artsah) = naar de aarde | בכוחו (bechocho) = met zijn kracht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:58** Jakob rende met zijn zwaard naar hem toe en sloeg hem met het zwaard beneden zijn lendenen en kliefde hem in tweeën, en het lichaam viel op Zebulon. Brontekst: וירץ (vayyarots) = en hij rende | אליו (elav) = tot hem | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחרבו (becharbo) = met zijn zwaard | ויכהו (vayakehu) = en hij sloeg hem | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מתחת (mittachat) = beneden | למתניו (lematnav) = zijn lendenen | בחרב (bacherev) = met het zwaard | ויחלקו (vayachaleqo) = en hij kliefde hem | לשניים (lishnayim) = in tweeën | ותיפול (vattippol) = en viel | הגויה (hagviya) = het lichaam | על (al) = op | זבולון (zevulun) = Zebulon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:59** De tweede kwam plotseling dichterbij en greep Jakob vast om hem op de aarde te werpen; Jakob keerde zich naar hem om en schreeuwde tegen hem, en Simeon en Levi renden toe en sloegen hem met hun zwaard op de dijen en wierpen hem op de aarde. Brontekst: ויגש (vayyigash) = en hij naderde | השני (hasheni) = de tweede | פתאום (pit'om) = plotseling | ויחזק (vayechazzeq) = en greep | ביעקב (beya'aqov) = Jakob vast | להפילו (lehapilo) = om hem neer te werpen | לארץ (la'arets) = naar de aarde | ויפן (vayyifen) = en hij keerde zich om | אליו (elav) = tot hem | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | עליו (alav) = tegen hem | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ויכוהו (vayakuhu) = en zij sloegen hem | בחרבם (bacharvam) = met hun zwaard | אל (el) = op | השוקיים (hashoqayim) = de dijen | ויפילוהו (vayapiluhu) = en zij wierpen hem neer | לארץ (la'arets) = naar de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:60** De held stond met laaiende kracht van de aarde op, maar Juda rende naar hem toe voordat hij was opgestaan en sloeg hem met het zwaard op zijn hoofd, en zijn hoofd werd gespleten en hij stierf. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | הגיבור (haggibbor) = de held | בחמת (bechamat) = in de gloed van | כוחו (kocho) = zijn kracht | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = de aarde | וירץ (vayyarots) = en hij rende | אליו (elav) = tot hem | יהודה (Yehudah) = Juda | בטרם (beterem) = voordat | עמדו (imdu) = hij was opgestaan | ויכהו (vayakehu) = en hij sloeg hem | בחרב (bacherev) = met het zwaard | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ותבקע (vativqa) = en werd gespleten | ראשו (rosho) = zijn hoofd | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:61** Toen de derde held zag dat zijn makkers gestorven waren, rende hij weg voor de zonen van Jakob, en de zonen van Jakob achtervolgden hem allen midden in de stad. Terwijl de held vluchtte, vond hij een zwaard van de bewoners van de stad en nam het op, en hij keerde zich om naar de zonen van Jakob en streed met hen met dat zwaard. Brontekst: והגיבור (vehagibor) = en de held | השלישי (hashelishi) = de derde | בראותו (bir'oto) = toen hij zag | כי (ki) = dat | מתו (metu) = waren gestorven | רעיו (re'av) = zijn makkers | רץ (ruts) = rende weg | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחריו (acharav) = achter hem | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כולם (kullam) = allen | בתוך (betokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בנוס (benus) = toen hij vluchtte | הגיבור (haggibbor) = de held | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | חרב (charev) = zwaard | אחת (achat) = één | מיושבי (miyoshvei) = van de bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | וישאנה (vayisa'ena) = en nam het op | ויפן (vayyifen) = en hij keerde zich om | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וילחם (vayillachem) = en hij streed | איתם (ittam) = met hen | בחרב (bacherev) = met het zwaard | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:62** De held rende op Juda af om hem met het zwaard op het hoofd te doden, en er was geen schild in de hand van Juda. Terwijl hij sloeg, haastte Naftali zich en hield zijn schild boven het hoofd van Juda; en het zwaard van de held trof het schild van Naftali, en Juda werd van het zwaard gered. Brontekst: וירץ (vayyarots) = en hij rende | הגיבור (haggibbor) = de held | אל (el) = tot | יהודה (Yehudah) = Juda | להמיתו (lehamito) = om hem te doden | בחרב (bacherev) = met het zwaard | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ומגן (umagen) = en een schild | אין (ein) = er is niet | ביד (beyad) = in de hand van | יהודה (Yehudah) = Juda | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהכותו (behakoto) = terwijl hij sloeg | וימהר (vayemaher) = en haastte zich | נפתלי (Naftali) = Naftali | ממנו (mimmennu) = van hem | ויתן (vayitten) = en gaf | מגנו (maginno) = zijn schild | על (al) = op | ראש (rosh) = het hoofd van | יהודה (Yehudah) = Juda | ותך (vatakh) = en het trof | חרב (charev) = zwaard | הגיבור (haggibbor) = van de held | במגן (bamagen) = op het schild | נפתלי (Naftali) = Naftali | ויוצל (vayutsal) = en werd gered | יהודה (Yehudah) = Juda | מן (min) = uit | החרב (hacherev) = het zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:63** Simeon en Levi renden met hun zwaarden op de held af en sloegen hem met kracht met hun zwaarden op zijn hoofd, en de twee zwaarden drongen door in het lichaam van de held en kliefden hem in de lengte in tweeën. Brontekst: וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | על (al) = op | הגיבור (haggibbor) = de held | בחרבותם (bacharvotam) = met hun zwaarden | ויכוהו (vayakuhu) = en zij sloegen hem | בחרבותם (bacharvotam) = met hun zwaarden | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | בכח (bekhoach) = met kracht | וירדו (vayerdu) = en drongen | שני (shenei) = de twee | החרבות (hacharavot) = de zwaarden | בגויית (begaviyyat) = door in het lichaam van | הגיבור (haggibbor) = de held | ויחלקו (vayachaleqo) = en zij kliefden | אותו (oto) = hem | לשניים (lishnayim) = in tweeën | באורך (be'orech) = in de lengte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:64** De zonen van Jakob doodden in die tijd die drie helden met alle bewoners van Gaäsj, en de dag helde naar de avond. Brontekst: ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | שלושת (sheloshet) = de drie | הגיבורים (haggibborim) = de helden | ההם (hahem) = die | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | עם (im) = met | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | געש (ga'ash) = Gaäsj | והיום (vehayyom) = en de dag | נטה (natah) = neigde | לערוב (la'arov) = tot de avond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **39:65** De zonen van Jakob liepen door Gaäsj en namen alle buit van de stad; alleen de kleine kinderen en de vrouwen doodden zij niet. De zonen van Jakob deden aan Gaäsj zoals zij aan Sartan en aan Silo hadden gedaan. Brontekst: ויתהלכו (vayithallekhu) = en zij liepen rond | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בגעש (bega'ash) = in Gaäsj | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | שלל (shalal) = de buit van | העיר (ha'ir) = de stad | אך (akh) = alleen | הטף (hattaf) = de kinderen | והנשים (vehanashim) = en de vrouwen | לא (lo) = niet | המיתו (hemitu) = doodden | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לגעש (lega'ash) = aan Gaäsj | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לסרטן (lesartan) = aan Sartan | ולשילה (ulshilo) = en aan Silo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: אך הטף והנשים לא המיתו (‘alleen de kleine kinderen en de vrouwen doodden zij niet’) staat er; de Engelse vertaling heeft dat zij hen ‘niet lieten leven’. ## Jasher 40 _Bet-Choron en het verbond met de koningen_ ### Bet-Choron **40:1** De zonen van Jakob voerden alle buit van Gaäsj weg en trokken bij nacht de stad uit. Brontekst: וינהגו (vayinhagu) = en zij voerden weg | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | שלל (shalal) = de buit van | געש (ga'ash) = Gaäsj | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | מהעיר (mehair) = uit de stad | לילה (laylah) = bij nacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:2** Zij trokken uit en gingen tot aan de klim van Bet-Choron; zij gingen de klim op, en de bewoners van Bet-Choron gingen de klim op, hun tegemoet. De zonen van Jakob streden in die nacht met de bewoners van Bet-Choron op de klim van Bet-Choron. Brontekst: המה (hemmah) = zij | יצאו (yatse'u) = gingen uit | ויהלכו (vayehalchu) = en zij gingen | עד (ad) = tot | מעלת (ma'alat) = de klim van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | המה (hemmah) = zij | עלו (alu) = gingen op | המעלה (hama'ale) = de klim | ויושבי (veyoshvei) = en de bewoners van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | עולים (olim) = gingen op | המעלה (hama'ale) = de klim | לקראתם (liqratam) = op hen af | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = met | יושבי (yoshvei) = bewoners van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | במעלת (bema'alat) = op de klim van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:10 (דרך מעלה בית חורון, ‘langs de weg van de klim van Bet-Choron’). De Engelse vertaling heeft hier ‘burcht’; het Hebreeuws heeft מעלה, ‘klim’. Zie ook: Joz 10:10 **40:3** Alle bewoners van Bet-Choron waren helden, allen: niet één van hen zou vluchten voor duizend man. Zij streden in die nacht op de klim, omhoog in het donker, en alle mannen van Bet-Choron schreeuwden op de klim; hun geschreeuw werd in die nacht tot in de verte gehoord, en heel het land beefde van hun geschreeuw. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | גיבורים (gibborim) = helden | כולם (kullam) = allen | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | לא (lo) = niet | ינוס (yanus) = zou vluchten | מפני (mippenei) = voor | אלף (elef) = duizend | אנשים (anashim) = mannen | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | על (al) = op | המעלה (hama'ale) = de klim | מעלה (ma'ale) = omhoog | בחושך (bachoshech) = in het donker | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij schreeuwden | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | על (al) = op | המעלה (hama'ale) = de klim | ותשמע (vattishma) = en werd gehoord | צעקתם (tse'aqatam) = hun geschreeuw | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | למרחוק (lemerachoq) = tot in de verte | ותרעש (vatir'ash) = en beefde | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | מצעקתם (mitse'aqatam) = door hun geschreeuw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:4** Alle zonen van Jakob vreesden die mannen, want zij waren niet gewend in het donker te strijden, en zij werden zeer verward. De zonen van Jakob riepen tot Yahweh: „Verlos ons, Yahweh, en red ons, opdat wij niet sterven door de hand van deze onbesnedenen.” Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מהאנשים (me'ha'anashim) = voor de mannen | ההם (hahem) = die | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | נסו (nasu) = waren gewend | להלחם (lehilachem) = om te strijden | בחושך (bachoshech) = in het donker | ויבהלו (vayibbahalu) = en zij werden verward | מאוד (me'od) = zeer | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij riepen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לאמור (lemor) = zeggende | הושיעה (hoshi'ah) = verlos | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לנו (lanu) = ons | והצילנו (vehatsilenu) = en red ons | ולא (velo) = opdat niet | נמות (namut) = wij sterven | ביד (beyad) = door de hand van | הערלים (ha'arelim) = de onbesnedenen | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: נסו (‘zij vluchtten’) staat er; gelezen als ניסו, ‘zij hadden beproefd’, dus ‘waren gewend’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘not accustomed to fight in the dark’). **40:5** Yahweh luisterde naar de stem van de zonen van Jakob, en Yahweh bracht over de mannen van Bet-Choron grote schrik en verwarring, en zij streden onder elkaar, de een tegen de ander, in de duisternis van de nacht, en velen sloegen elkaar neer. Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקול (bekol) = naar de stem van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויביא (vayavi) = en bracht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = over | אנשי (anshei) = mannen van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | חרדה (charada) = schrik | גדולה (gedolah) = grote | ובהלה (uvehala) = en verwarring | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | ביניהם (beneihem) = onder elkaar | אלה (elleh) = de een | באלה (be'ele) = tegen de ander | במחשך (bemachshach) = in de duisternis van | הלילה (hallaylah) = de nacht | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | אלה (elleh) = de een | באלה (be'ele) = tegen de ander | רבים (rabbim) = velen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:6** De zonen van Jakob wisten dat Yahweh een geest van verwarring midden onder die mannen had gebracht en dat zij streden, ieder met zijn naaste. Zij trokken weg uit de schare van de mannen van Bet-Choron en gingen tot de afdaling van de klim van Bet-Choron en verder, en zij overnachtten daar met hun jonge mannen in die nacht, in veiligheid. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ידעו (yade'u) = wisten | כי (ki) = dat | הביא (hevi) = bracht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקרב (beqerev) = te midden van | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | רוח (ruach) = een geest van | עועים (ivvim) = verwarring | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | איש (ish) = ieder | ברעהו (bere'ehu) = met zijn naaste | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאגודת (me'agudat) = uit de bende van | אנשי (anshei) = mannen van | חורון (choron) = Choron | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | עד (ad) = tot | מורד (Mored) = de afdaling van | מעלת (ma'alat) = de klim van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | והלאה (vehal'ah) = en verder | וילינו (vayalinu) = en overnachtten | שם (shem) = daar | עם (im) = met | נעריהם (na'areihem) = hun jonge mannen | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | לבטח (lavetach) = in veiligheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jes. 19:14 (רוח עועים, ‘een geest van verwarring’). Zie ook: Jes 19:14 **40:7** Alle mannen van Bet-Choron streden heel de nacht, de een met zijn broer en de ander met zijn naaste, en zij schreeuwden van alle kanten op de klim; hun geschreeuw werd tot in de verte gehoord en heel het land beefde van hun stem, want zij waren zeer hoog boven heel het land. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | אנשי (anshei) = mannen van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | נלחמים (nilchamim) = strijdend | כל (kol) = alle | הלילה (hallaylah) = de nacht | איש (ish) = een man | באחיו (be'achiv) = met zijn broer | ואיש (ve'ish) = en een man | ברעהו (bere'ehu) = met zijn naaste | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij schreeuwden | מפה (mippoh) = van deze kant | ומפה (umippo) = en van die kant | על (al) = op | המעלה (hama'ale) = de klim | ותשמע (vattishma) = en werd gehoord | צעקתם (tse'aqatam) = hun geschreeuw | למרחוק (lemerachoq) = tot in de verte | ותרגש (vatirgash) = en beefde | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | מקולם (miqolam) = door hun stem | כי (ki) = want | היו (hayu) = zij waren | גבוהים (gevohim) = hoog | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = boven | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Kanaän hoort het geschreeuw **40:8** Alle bewoners van de steden van de Kanaänieten, de Hetieten, de Amorieten en de Chivieten, en alle koningen van Kanaän, en ook allen die aan de overzijde van de Jordaan waren, hoorden in die nacht het geluid van het geschreeuw. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | עיר (ir) = de steden van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | החתי (hachitti) = de Hetiet | והאמורי (vehaemori) = en de Amoriet | והחוי (vehachivvi) = en de Chiviet | וכל (vekhol) = en alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | בעבר (be'ever) = aan de overzijde van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | את (et) = (obj.) | קול (qol) = stem van | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Lezing: עיר (‘stad’) staat er; gelezen als ערי, ‘steden van’. **40:9** Zij zeiden: „Voorwaar, zie, dit zijn de oorlogen van de Hebreeën, die strijden tegen de zeven steden die bij hen in de buurt liggen; en wie kan standhouden tegen die Hebreeën?” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אך (akh) = voorwaar | הנה (hinneh) = zie | מלחמות (milchamot) = de oorlogen van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | אשר (asher) = die | הם (hem) = zij | נלחמים (nilchamim) = strijdend | בשבעת (bishva'at) = tegen de zeven | הערים (he'arim) = de steden | הנגשים (hanigashim) = die dichtbij liggen | אליהם (aleihem) = bij hen | ומי (umei) = en wie | יוכל (yukhal) = kan | לעמוד (la'amod) = te staan | לפני (lifnei) = voor | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:10** Alle bewoners van de steden van de Kanaänieten en allen die aan de overzijde van de Jordaan waren, vreesden zeer voor de zonen van Jakob, want zij zeiden: „Zie, zoals zij aan deze steden gedaan hebben, zo zullen zij ook aan ons doen, want wie kan standhouden voor hun sterke kracht?” Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ערי ('eri) = steden van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | בעבר (be'ever) = aan de overzijde van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | מאוד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = vanwege | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | הנה (hinneh) = zie | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לערים (la'arim) = aan de steden | האלה (ha'elleh) = deze | יעשו (ya'asu) = zullen zij doen | לנו (lanu) = aan ons | גם (gam) = ook | אנחנו (anachnu) = wij | כי (ki) = want | מי (mi) = wie | יוכל (yukhal) = kan | לעמוד (la'amod) = te staan | בפני (bifnei) = voor | גבורתם (gevuratam) = hun kracht | החזקה (hachazaqah) = sterke Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. **40:11** Het geschreeuw van de Choronieten was in die nacht zeer groot; zij bleven roepen en schreeuwen en sloegen elkaar neer tot het ochtendgloren, en velen van hen kwamen om. Brontekst: והחורונים (vehachoronim) = en de Choronieten | גדולה (gedolah) = grote | צעקתם (tse'aqatam) = hun geschreeuw | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | ויהיו (vayihyu) = en zij bleven | הולכים (holekhim) = voortgaand | וצועקים (vetso'aqim) = en schreeuwend | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | איש (ish) = ieder | את (et) = (obj.) | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | עד (ad) = tot | אור (or) = licht van | הבקר (habbaqar) = de ochtend | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | מהם (mehem) = van hen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De verzen 11–23 en het eerste deel van v. 24 ontbreken in de Hebreeuwse tekst van Livorno 1870; daar volgt op v. 10 (‘…zoals zij aan deze steden gedaan hebben…’) direct ‘zoals zij aan Sichem… gedaan hebben’ (v. 24). Mogelijk is het oog van de kopiist van het ene ‘zoals zij gedaan hebben’ naar het andere gesprongen. Deze verzen zijn vertaald uit de Jeruzalemse druk van Sefer haYashar (deel Vajislach), waar ze wel staan; ook het slot van v. 35 en v. 36 komen daaruit. **40:12** Toen de ochtend aanbrak bij het opkomen van de dageraad, stonden alle zonen van Jakob op en gingen de klim op. Zij sloegen de overgeblevenen van de Choronieten met een zeer zware slag en allen stierven op die klim. Brontekst: ויאר (vayya'ir) = en het werd licht | הבקר (habbaqar) = de ochtend | בעלות (be'alot) = bij het opstijgen van | השחר (hashachar) = de dageraad | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | המעלה (hama'ale) = de klim | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | הנותרים (hannotarim) = de overgeblevenen | מהחורונים (mehachoronim) = van de Choronieten | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | מאד (me'od) = zeer | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | כלם (kullam) = allen | במעלה (bamma'alah) = op de klim | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:13** Toen de dag aanbrak, op de zesde dag, zagen alle bewoners van Kanaän van verre alle mannen van Bet-Choron dood liggen, neergeworpen op de klim van Bet-Choron, dood als lammeren en bokken. Brontekst: ויאר (vayya'ir) = en het werd licht | היום (hayyom) = de dag | ביום (beyom) = op de dag | הששי (hashishshi) = de zesde | ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | כנען (Kena'an) = Kanaän | מרחוק (merachoq) = van ver | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | מתים (metim) = dood | ומושלכים (umushlakhim) = en neergeworpen | במעלת (bema'alat) = op de klim van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | ככבשים (kikhvasim) = als lammeren | וכעתודים (vekha'attudim) = en als bokken | מתים (metim) = dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:14** De zonen van Jakob voerden alle gevangenen mee die zij uit Gaäsj hadden weggevoerd en gingen naar Bet-Choron. Zij kwamen in Bet-Choron en vonden de stad vol mensen, als het zand; zij streden tegen hen en de zonen van Jakob sloegen hen tot het middaguur. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | נהגו (nahagu) = zij voerden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | השביה (hashvyah) = de gevangenen | אשר (asher) = die | שבו (shavu) = zij hadden weggevoerd | מגעש (migga'ash) = van Gaäsj | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | ויבאו (vayavo'u) = en zij kwamen | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | העיר (ha'ir) = de stad | מלאה (meleah) = vol | אנשים (anashim) = mannen | כחול (kachol) = als zand | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בהם (bahem) = tegen hen | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | בהם (bahem) = hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עד (ad) = tot | עת (et) = tijd van | הצהרים (hatsohorayim) = het middaguur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: עד עת הצהרים (‘tot het middaguur’) staat er; Noah’s Engelse vertaling heeft ‘tot de avond’. **40:15** De zonen van Jakob deden aan Bet-Choron zoals zij aan Gaäsj en aan Tappuach hadden gedaan, en zoals zij aan Chasor, aan Sartan en aan Silo hadden gedaan. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = aan | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לגעש (lega'ash) = aan Gaäsj | ולתפוח (ultapuach) = en aan Tappuach | וכאשר (vekha'asher) = en zoals | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לחצור (lechatsor) = aan Chasor | ולסרטן (ulesartan) = en aan Sartan | ולשילה (ulshilo) = en aan Silo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). **40:16** De zonen van Jakob namen de gevangenen van Bet-Choron en alle buit van de steden met zich mee en gingen die dag naar Sichem, naar hun eigen plaats. Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | שבי (shevi) = de gevangenen van | בית (bet) = Bet | חורון (choron) = Choron | וכל (vekhol) = en alle | שלל (shalal) = de buit van | הערים (he'arim) = de steden | עמם (immam) = met hen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | שכמה (shekhemah) = naar Sichem | אל (el) = naar | מקומם (meqomam) = hun plaats | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **40:17** De zonen van Jakob kwamen op de zesde dag bij de stad Sichem, bij hun huis, en bleven buiten de stad; zij rustten daar uit van de strijd en overnachtten daar in die tijd. Brontekst: ויבאו (vayavo'u) = en zij kwamen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ביום (beyom) = op de dag | הששי (hashishshi) = de zesde | עיר (ir) = de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | אל (el) = bij | ביתם (beytam) = hun huis | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven | מחוץ (michuts) = buiten | לעיר (la'ir) = de stad | וינוחו (vayanuchu) = en zij rustten | שם (shem) = daar | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | וילינו (vayalinu) = en overnachtten | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Lezing: ביום הששי (‘op de zesde dag’) staat er; Noah’s Engelse vertaling heeft dit niet. **40:18** Ook al hun dienaren en alle buit die zij uit de steden genomen hadden, lieten zij buiten de stad; zij gingen niet in de stad binnen, want zij zeiden: „Misschien is er nog meer strijd tegen ons en komen zij ons in Sichem belegeren.” Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | עבדיהם (avdeyhem) = hun dienaren | וכל (vekhol) = en alle | השלל (hashalal) = de buit | אשר (asher) = die | לקחו (laqchu) = zij hadden genomen | מהערים (mehe'arim) = uit de steden | הניחו (hinnichu) = zij lieten achter | מחוץ (michuts) = buiten | לעיר (la'ir) = de stad | ולא (velo) = en niet | באו (ba'u) = kwamen | אל (el) = tot | תוך (tokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | פן (pen) = opdat niet | תהיה (tihyeh) = er zal zijn | מלחמה (milchamah) = oorlog | עוד (od) = nog | עלינו (aleinu) = tegen ons | ויבאו (vayavo'u) = en zij kwamen | לצור (latsur) = om te belegeren | עלינו (aleinu) = tegen ons | בשכם (bishkhem) = in Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **40:19** Jakob, zijn zonen en hun dienaren bleven die dag en de volgende dag in het stuk veld dat Jakob van Hamor voor vijf sjekel had gekocht, met al hun buit bij zich. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en zij bleven | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ועבדיהם (va'avdeihem) = en hun dienaren | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ומחרתו (umochorato) = en de volgende dag | בחלקת (bechelqat) = in het stuk van | השדה (hasadeh) = het veld | אשר (asher) = die | קנה (qoneh) = had gekocht | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאת (me'et) = van | חמור (chamor) = Hamor | בחמשת (bachamishat) = voor vijf | שקלים (sheqalim) = sjekel | וכל (vekhol) = en alle | שביהם (shevehem) = hun gevangenen | אתם (ittam) = bij zich Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Een sjekel is ongeveer 11,4 gram zilver. **40:20** Alle gevangenen en alle buit die de zonen van Jakob geroofd hadden, lagen in het stuk veld als het zand aan de oever van de zee, zonder getal. Brontekst: ותהי (vatehi) = en het was | כל (kol) = alle | השביה (hashvyah) = de gevangenen | וכל (vekhol) = en alle | השלל (hashalal) = de buit | אשר (asher) = die | בזזו (bazezu) = geroofd hadden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחלקת (bechelqat) = in het stuk van | השדה (hasadeh) = het veld | כחול (kachol) = als zand | אשר (asher) = die | על (al) = op | שפת (sefat) = de oever van | הים (hayyam) = de zee | אשר (asher) = die | אין (ein) = zonder | מספר (mispar) = getal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:21** De bewoners van het land zagen het van verre, en alle bewoners van het land werden zeer bevreesd voor de zonen van Jakob, die dit hadden gedaan, want er was sinds oude tijden geen koning geweest die zoiets deed. Brontekst: ויושבי (veyoshvei) = en de bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | רואים (ro'im) = zagen | מרחוק (merachoq) = van ver | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאד (me'od) = zeer | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | מפני (mippenei) = vanwege | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | עשו (asu) = zij hadden gedaan | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = want | אין (ein) = er was niet | כל (kol) = alle | מלך (malakh) = koning van | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | קדם (qedem) = vroeger | עושה (oseh) = deed | כדבר (kidvar) = zoals de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:22** Alle zeven koningen van de Kanaänieten besloten vrede te sluiten met de zonen van Jakob, want zij vreesden zeer voor hun leven vanwege de zonen van Jakob. Brontekst: ויועדו (vayivvaadu) = en zij besloten | כל (kol) = alle | שבעת (sheva) = zeven | מלכי (malkhei) = koningen van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | להשלים (lehashlim) = vrede te sluiten | עם (im) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | לנפשותם (lenafshotam) = voor hun leven | מאד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = vanwege | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:23** Op die dag, de zevende dag, zond Jafia, de koning van Hebron, in het geheim naar de koning van Ai, naar de koning van Gibeon, naar de koning van Salem, naar de koning van Adullam, naar de koning van Lachisj, naar de koning van Chasor en naar alle koningen van de Kanaänieten die onder hun gezag stonden, met de woorden: Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | יום (yom) = dag | השביעי (hashevi'i) = de zevende | וישלח (vayishlach) = en hij zond | יפיע (yafia) = Jafia | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | בסתר (baseter) = in het geheim | אל (el) = tot | מלך (malakh) = koning van | העי (ha'ay) = Ai | ואל (ve'el) = en naar | מלך (malakh) = koning van | גבעון (giv'on) = Gibeon | ואל (ve'el) = en naar | מלך (malakh) = koning van | שלם (shalem) = Salem | ואל (ve'el) = en naar | מלך (malakh) = koning van | עדולם (adullam) = Adullam | ואל (ve'el) = en naar | מלך (malakh) = koning van | לכישה (lakhishah) = Lachisj | ואל (ve'el) = en naar | מלך (malakh) = koning van | חצור (chatsor) = Chasor | ואל (ve'el) = en naar | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | אשר (asher) = die | תחת (tachat) = onder | ידם (yadam) = hun hand | לאמר (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). ### Jafia roept de koningen **40:24** „Kom naar mij toe, dan gaan wij naar de zonen van Jakob en sluiten vrede met hen en een verbond, opdat heel jullie land niet verwoest wordt door de zwaarden van de zonen van Jakob, zoals zij aan Sichem en aan de steden rondom haar hebben gedaan, zoals jullie hebben gehoord en gezien. Brontekst: עלו (alu) = trek op | אתי (iti) = met mij | ובאו (uva'u) = en kom | אלי (elai) = tot mij | ונלכה (venelkhah) = en laten wij gaan | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ונשלים (venashlim) = en wij sluiten vrede | אתם (ittam) = met hen | בשלום (beshalom) = in vrede | ובברית (uvvrit) = en met een verbond | פן (pen) = opdat niet | תחרב (techerav) = wordt verwoest | כל (kol) = alle | ארצכם (artsekhem) = jullie land | בחרבות (becharavot) = met zwaarden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לשכם (lishkhem) = aan Sichem | ולערים (ula'arim) = en aan de steden | אשר (asher) = die | סביבותיה (svivoteha) = rondom haar | כאשר (ka'asher) = zoals | שמעתם (shema'tem) = jullie hebben gehoord | וראיתם (ur'item) = en gezien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het begin van dit vers (עלו אתי … בחרבות בני יעקב, ‘Trek met mij op … zwaarden van de zonen van Jakob’) ontbreekt in Livorno en is aangevuld uit de Jeruzalemse druk; zie de noot bij v. 11. **40:25** En wanneer jullie bij mij komen, komt dan niet met veel mannen, maar iedere koning moet zijn drie grote aanvoerders met zich brengen, en iedere aanvoerder moet komen met drie mannen van zijn dienaren. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | בבואכם (bevo'akhem) = wanneer jullie komen | אלי (elai) = tot mij | אל (el) = niet | תבואו (tavo'u) = komt | באנשים (ba'anashim) = met mannen | רבים (rabbim) = vele | רק (raq) = maar | כל (kol) = iedere | מלך (malakh) = koning | יביא (yavi) = moet brengen | איתו (ito) = met hem | שלושת (sheloshet) = drie | שריו (saraiv) = zijn aanvoerders | הגדולים (haggedolim) = grote | וכל (vekhol) = en alle | שר (sar) = aanvoerder | יבוא (yavo) = moet komen | עם (im) = met | שלושה (shelosha) = drie | אנשים (anashim) = mannen | משרתיו (meshartav) = van zijn dienaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:26** Jullie zullen allen bij mij komen, naar Hebron, en wij zullen allen samen naar de zonen van Jakob gaan en hen smeken dat zij met ons een vredesverbond sluiten.” Brontekst: ובאתם (uva'tem) = en jullie zullen komen | כולכם (kulkhem) = jullie allen | אלי (elai) = bij mij | חברונה (chevronah) = naar Hebron | ונבוא (venavo) = en wij zullen gaan | כולנו (kulanu) = wij allen | יחד (yachad) = samen | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ונתחנן (venitchanen) = en wij zullen smeken | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ויכרתו (vayikhretu) = dat zij sluiten | לנו (lanu) = met ons | ברית (berit) = een verbond van | שלום (shalom) = vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **40:27** Al die koningen deden zoals de koning van Hebron hun had laten weten, want zij waren allen onder zijn raad en bevel, en alle koningen van Kanaän verzamelden zich om naar de zonen van Jakob te gaan en vrede met hen te sluiten. De zonen van Jakob keerden terug en gingen naar het stuk veld, want zij vertrouwden de koningen van het land niet. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | כאשר (ka'asher) = zoals | שלח (Shelach) = had gezonden | אליהם (aleihem) = tot hen | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | כי (ki) = want | היו (hayu) = zij waren | כולם (kullam) = allen | תחת (tachat) = onder | עצתו (atsato) = zijn raad | ומאמרו (uma'amaro) = en zijn bevel | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | ללכת (lalekhet) = om te gaan | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לעשות (la'asot) = om te doen | עמהם (immahem) = met hen | שלום (shalom) = vrede | ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שבו (shavu) = keerden terug | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | אל (el) = tot | חלקת (chelqat) = het stuk van | השדה (hasadeh) = het veld | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | האמינו (he'eminu) = vertrouwden | במלכי (bemalkhei) = de koningen van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **40:28** De zonen van Jakob keerden terug en bleven tien dagen in het stuk veld, en niemand kwam tegen hen ten strijde. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | וישבו (vayeshvu) = en bleven | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחלקת (bechelqat) = in het stuk van | השדה (hasadeh) = het veld | עשרה (esreh) = tien | ימים (yamim) = dagen | ואין (veein) = en niemand | בא (ba) = kwam | אליהם (aleihem) = tot hen | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:29** Toen de zonen van Jakob zagen dat er geen oorlog was, verzamelden zij zich allen en kwamen naar de stad Sichem, en de zonen van Jakob bleven in Sichem wonen. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | הני (hani) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | אין (ein) = er is niet | מלחמה (milchamah) = oorlog | ויאספו (vaye'esfu) = en zij verzamelden zich | כולם (kullam) = allen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בשכם (bishkhem) = in Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. ### De koningen in Hebron **40:30** Na afloop van veertig dagen verzamelden alle koningen van de Amorieten zich van al hun plaatsen en kwamen allen naar Hebron, bij Jafia, de koning van Hebron. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | מכל (mikkol) = van elke | מקומותם (meqomotam) = hun plaatsen | מקץ (miqqets) = na afloop van | ארבעים (arba'im) = veertig | יום (yom) = dagen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | חברונה (chevronah) = naar Hebron | אל (el) = bij | יפיע (yafia) = Jafia | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: יפיע (Jafia): in Joz. 10:3 is Jafia koning van Lachisj en heet de koning van Hebron Hoham. Hier is Jafia koning van Hebron. Zie ook: Joz 10:3 **40:31** Het aantal koningen dat naar Hebron kwam om vrede te sluiten met de zonen van Jakob, was eenentwintig koningen; het aantal aanvoerders dat met hen kwam, was drieënzestig aanvoerders, en hun mannen waren honderdnegenentachtig man. Al deze koningen en hun mannen legerden zich op de berg van Hebron. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מספר (mispar) = aantal | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | באו (ba'u) = kwamen | חברונה (chevronah) = naar Hebron | להשלים (lehashlim) = om vrede te sluiten met | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עשרים (esrim) = twintig | ואחד (ve'echad) = en één | מלכים (melakhim) = koningen | ומספר (umispar) = en het aantal | השרים (hasarim) = de aanvoerders | אשר (asher) = die | באו (ba'u) = kwamen | איתם (ittam) = bij hen | שישים (shishim) = zestig | ושלושה (ushloshah) = en drie | שרים (sarim) = aanvoerders | ואנשיהם (ve'anshehem) = en hun mannen | מאה (me'ah) = honderd | ושמונים (ushmonim) = en tachtig | ותשעה (vetish'a) = en negen | איש (ish) = een man | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ואנשיהם (ve'anshehem) = en hun mannen | הר (har) = op de berg | חברון (Chevron) = Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: שישים ושלושה (‘drieënzestig’) staat er: eenentwintig koningen met elk drie vorsten, en die elk met drie man (189). De Engelse vertaling heeft ‘negenenzestig’. **40:32** De koning van Hebron ging naar hen uit met zijn drie aanvoerders en negen man, en deze koningen overlegden samen om in vrede naar de zonen van Jakob te gaan. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging uit | אליהם (aleihem) = naar hen | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | עם (im) = met | שלושה (shelosha) = drie | שריו (saraiv) = zijn aanvoerders | ותשעה (vetish'a) = en negen | אנשיהם (anshehem) = mannen | עמהם (immahem) = met hen | ויתיעצו (vayityatsu) = en zij beraadslaagden | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | יחד (yachad) = samen | ללכת (lalekhet) = om te gaan | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לשלום (leshalom) = in vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **40:33** Zij zeiden tot de koning van Hebron: „Ga jij voor ons uit met je mannen en spreek namens ons tot de zonen van Jakob, en daarna zullen wij achter je aan komen en je woorden bevestigen.” En de koning van Hebron deed zo. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אל (el) = tot | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | לך (lekha) = ga | אתה (attah) = jij | לפנינו (lefanenu) = vóór ons | עם (im) = met | אנשיך (anashekha) = je mannen | ודיברת (vedibbarta) = en spreek | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בעדינו (ba'adenu) = namens ons | ואחר (ve'achar) = en daarna | נבוא (navo) = zullen wij komen | אחריך (acharekha) = achter je aan | ומלאנו (umille'anu) = en wij zullen bevestigen | את (et) = (obj.) | דבריך (devarekha) = je woorden | ויעש (vayya'as) = en hij deed | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **40:34** De zonen van Jakob hoorden dat alle koningen van Kanaän zich hadden verzameld en zich in Hebron hadden gelegerd, en de zonen van Jakob zonden vier dienaren van hun dienaren als verspieders met de woorden: „Ga, bespied deze koningen, en onderzoek en doorzoek hun mannen, of zij weinig zijn of veel. En als jullie ze weinig in aantal zien, tel hen dan allen en kom terug.” Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שמעו (shame'u) = zij hoorden | כי (ki) = dat | התקבצו (hitqabbetsu) = kwamen samen | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | בחברון (bechevron) = in Hebron | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מרגלים (meraglim) = spionnen | ארבעה (arba'ah) = vier | עבדים (avadim) = dienaren | מעבדיהם (me'avdeihem) = van hun dienaren | לאמור (lemor) = zeggende | לכו (lekhu) = ga | ורגלו (veraglu) = en bespied | את (et) = (obj.) | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ודרשו (udreshu) = en onderzoek | וחקרו (vachiqru) = en doorzoek | את (et) = (obj.) | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | ואם (ve'im) = of | הם (hem) = zij | מעט (me'at) = weinig | או (o) = of | הרבה (harbeh) = veel | והיה (vehayah) = en het zal zijn dat | אם (em) = als | תראום (tir'um) = jullie hen zien | במתי (bimtei) = weinig in | מספר (mispar) = aantal | וספרתם (vesafartem) = en tel | את (et) = (obj.) | כולם (kullam) = allen | ובאתם (uva'tem) = en jullie komen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **40:35** De dienaren van Jakob gingen in het geheim naar deze koningen en deden zoals de zonen van Jakob hun geboden hadden. Zij kwamen die dag bij de zonen van Jakob terug en zeiden tegen hen: „Wij zijn bij die koningen geweest, en zie, zij zijn weinig in getal; wij hebben hen allen geteld, en zie: het waren er tweehonderdachtentachtig, koningen en hun mannen.” Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | עבדי (avdei) = dienaren van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בסתר (baseter) = in het geheim | אל (el) = tot | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוום (tsivvum) = hun geboden hadden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבאו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | באנו (ba'nu) = wij zijn gekomen | אל (el) = tot | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | והנה (vehinneh) = en zie | הם (hem) = zij | מתי (matai) = weinig in | מספר (mispar) = getal | ונספר (venispor) = en wij telden | את (et) = (obj.) | כלם (kullam) = allen | והנה (vehinneh) = en zie | שמונים (shemonim) = tachtig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | מאתים (matayim) = tweehonderd | איש (ish) = een man | מלכים (melakhim) = koningen | ואנשיהם (ve'anshehem) = en hun mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws van Livorno 1870 houdt hier op bij ‘zoals de zonen van Jakob hun geboden hadden’. Het slot (ויבאו אל בני יעקב … מלכים ואנשיהם, ‘Zij kwamen bij de zonen van Jakob terug … koningen en hun mannen’) is aangevuld uit de Jeruzalemse druk; zie de noot bij v. 11. **40:36** De zonen van Jakob zeiden: „Het zijn er maar weinig; wij zullen dus niet allen naar hen uitgaan.” De volgende ochtend stonden de zonen van Jakob op en kozen uit hun mannen tweeënzestig man, en tien van de zonen van Jakob gingen met hen mee. Zij omgordden zich ieder met zijn oorlogstuig, want zij zeiden: „Zij komen om tegen ons te strijden”; zij wisten niet dat die koningen in vrede naar hen toe kwamen. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מתי (matai) = weinig in | מספר (mispar) = getal | הם (hem) = zij | ולא (velo) = en niet | נצא (netse) = zullen wij uitgaan | אליהם (aleihem) = tot hen | כלנו (kullanu) = wij allen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבקר (babaqar) = in de ochtend | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבחרו (vayivcharu) = en zij kozen | מאנשיהם (me'anshehem) = van hun mannen | ששים (shishim) = zestig | ושתים (ushtayim) = en twee | איש (ish) = een man | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | עמהם (immahem) = met hen | עשרה (esreh) = tien | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויחגרו (vayachgeru) = en zij omgordden zich met | איש (ish) = een man | כלי (keli) = het oorlogstuig van | מלחמתו (milchamto) = zijn strijd | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | באים (va'im) = komen | עלינו (aleinu) = tegen ons | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | כי (ki) = dat | לשלום (leshalom) = in vrede | הם (hem) = zij | באים (va'im) = komen | אליהם (aleihem) = tot hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Dit vers ontbreekt in Livorno en is vertaald uit de Jeruzalemse druk; zie de noot bij v. 11. ### Bij de poort van Sichem **40:37** De zonen van Jakob gingen met hun dienaren naar de poort van Sichem, de koningen tegemoet, en hun vader Jakob was bij hen. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עם (im) = met | עבדיהם (avdeyhem) = hun dienaren | אל (el) = naar | שער (sha'ar) = poort van | שכם (Shekhem) = Sichem | לקראת (liqrat) = tegemoet | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | איתם (ittam) = bij hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:38** Toen zij waren uitgetrokken, zie, de koning van Hebron en zijn drie aanvoerders en negen man met hem kwamen onderweg tegenover de zonen van Jakob. De zonen van Jakob sloegen hun ogen op, zagen van ver en herkenden Jafia, de koning van Hebron, met zijn aanvoerders, die hun tegemoet kwamen, en de zonen van Jakob bleven op hun plaats in de poort van Sichem staan en gingen niet verder. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאתם (betsetam) = toen zij uitgetrokken waren | והנה (vehinneh) = en zie | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | ושלושה (ushloshah) = en drie | שריו (saraiv) = zijn aanvoerders | ותשעה (vetish'a) = en negen | אנשים (anashim) = mannen | עמו (immo) = bij hem | באים (va'im) = kwamen | בדרך (baderekh) = onderweg | מול (mul) = tegenover | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישאו (vayis'u) = en zij hieven | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | עיניהם (eineihem) = hun ogen op | ויראו (vayiru) = en zij zagen | מרחוק (merachoq) = van ver | ויכירו (vayakkiru) = en herkenden | את (et) = (obj.) | יפיע (yafia) = Jafia | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | ושריו (vesarav) = en zijn aanvoerders | באים (va'im) = komen | לקראתם (liqratam) = op hen af | ויתיצבו (vayityatsvu) = en zij bleven staan | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במקומם (bimqomam) = op hun plaats | בשער (besha'ar) = in de poort van | שכם (Shekhem) = Sichem | ולא (velo) = en niet | הלכו (halekhu) = zij gingen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **40:39** De koning van Hebron kwam steeds dichterbij, hij en zijn aanvoerders, totdat hij bij de zonen van Jakob kwam, en hij boog zich met zijn aanvoerders ter aarde voor hen neer. De koning van Hebron zat met zijn aanvoerders voor de zonen van Jakob. Brontekst: ומלך (umelekh) = en de koning van | חברון (Chevron) = Hebron | הולך (holekh) = kwam | הלוך (halokh) = steeds | וקרב (veqarev) = dichterbij | הוא (hu) = hij | ושריו (vesarav) = en zijn aanvoerders | עד (ad) = totdat | הגעתו (hagi'ato) = hij kwam | אל (el) = bij | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישתחו (vayishtachu) = en zij bogen zich neer | להם (lahem) = voor hen | ארצה (artsah) = naar de aarde | עם (im) = met | שריו (saraiv) = zijn aanvoerders | וישב (vayyashev) = en zat | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | עם (im) = met | שריו (saraiv) = zijn aanvoerders | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **40:40** De zonen van Jakob zeiden tot hem: „Wat is er met je, koning van Hebron? Waarom ben je vandaag bij ons gekomen? Wat zoek je van ons?” En de koning van Hebron zei tot Jakob: „Ach, mijn heer, alle koningen van de Kanaänieten komen vandaag allen naar u om vrede met u te sluiten.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = voor hem | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מה (mah) = wat | לך (lekha) = is er met je | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | למה (lammah) = waarom | באת (ba'ta) = ben je gekomen | אלינו (elenu) = tot ons | היום (hayyom) = vandaag | מה (mah) = wat | תבקש (tevaqesh) = zoek je | מאיתנו (me'itanu) = van ons | ויאמר (vayomer) = en hij zei | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בי (bi) = ach | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = want | מלכי (malkhei) = koningen van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | באים (va'im) = komen | כולם (kullam) = allen | אליכם (aleikhem) = tot u | היום (hayyom) = vandaag | לעשות (la'asot) = om te doen | עמכם (immakhem) = met u | שלום (shalom) = vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **40:41** De zonen van Jakob hoorden de woorden van de koning van Hebron en wilden zijn woorden niet aannemen, want de zonen van Jakob geloofden hem niet; zij dachten dat de koning van Hebron met bedrog tot hen had gesproken. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | לדבריו (ledvarav) = zijn woorden | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | האמינו (he'eminu) = geloofden | לו (lo) = hem | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | חשבו (chashvu) = dachten | במרמה (bemirmah) = met bedrog | דיבר (dibber) = had gesproken | אליהם (aleihem) = tot hen | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **40:42** De koning van Hebron merkte uit de woorden van de zonen van Jakob dat zij niets van zijn woorden geloofden. De koning van Hebron kwam opnieuw dichter bij Jakob en zei tot hem: „Ach, mijn heer, al deze koningen komen in vrede tot u, want zij zijn niet gekomen met al hun mannen, en ook geen enkel oorlogstuig hebben zij meegebracht, want om vrede te zoeken bij mijn heer en zijn zonen zijn zij gekomen.” Brontekst: וידע (vayyeda) = en wist | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | מדברי (middivrei) = uit de woorden van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | האמינו (he'eminu) = geloofden | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | דבריו (devarav) = zijn woorden | ויגש (vayyigash) = en kwam | עוד (od) = opnieuw | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tot hem | בי (bi) = ach | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = want | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | לשלום (leshalom) = in vrede | באים (va'im) = komen | אליכם (aleikhem) = tot u | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | באו (ba'u) = kwamen | עם (im) = met | כל (kol) = alle | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | כלי (keli) = oorlogstuig van | מלחמות (milchamot) = oorlog | לא (lo) = niet | הביאו (hevi'u) = zij brachten mee | לא (lo) = niet | הביאו (hevi'u) = (zij brachten mee) | עליהם (aleihem) = bij zich | כי (ki) = want | על (al) = om | שלום (shalom) = vrede | מאת (me'et) = van | אדוני (adoni) = mijn heer | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | באו (ba'u) = kwamen | לבקש (levaqesh) = te zoeken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: לא הביאו לא הביאו (‘zij hebben niet meegebracht, zij hebben niet meegebracht’) staat er, dubbel; als één keer gelezen. **40:43** De zonen van Jakob antwoordden de koning van Hebron en zeiden: „Zend toch jij naar al deze koningen, en laat hen alleen voor ons komen, als je ons de waarheid spreekt. En als zij tot ons komen zonder hun oorlogstuig, dan zullen wij weten dat zij vrede van ons zoeken.” Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | לאמור (lemor) = zeggende | שלח (Shelach) = zend | נא (na) = toch | אתה (attah) = jij | ויבואו (vayavo'u) = en laat komen | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | לבדם (levaddam) = alleen | לפנינו (lefanenu) = vóór ons | אם (em) = als | באמת (be'emet) = in waarheid | תדבר (tedabber) = je spreekt | אלינו (elenu) = tot ons | והיה (vehayah) = en het zal zijn dat | אם (em) = als | יבואו (yavo'u) = zij komen | אלינו (elenu) = tot ons | בלא (bilo) = zonder | כלי (keli) = oorlogstuig van | מלחמתם (milchamtam) = hun oorlog | ונדעה (venede'a) = dan zullen wij weten | כי (ki) = want | שלום (shalom) = vrede | יבקשו (yevaqshu) = zij zoeken | ממנו (mimmennu) = van ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. ### Het vredesverbond **40:44** Jafia, de koning van Hebron, zond een van zijn mannen naar de koningen, en zij kwamen allen voor de zonen van Jakob en bogen zich met het gezicht ter aarde voor hen neer. Die koningen zaten voor Jakob en zijn zonen en spraken tot hen: Brontekst: וישלח (vayishlach) = en zond | יפיע (yafia) = Jafia | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | אחד (echad) = één | מאנשיו (me'anashav) = van zijn mannen | אל (el) = tot | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישתחו (vayishtachu) = en zij bogen zich neer | להם (lahem) = voor hen | אפיים (appayim) = met het gezicht | ארצה (artsah) = naar de aarde | וישבו (vayeshvu) = en zaten | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולפני (velifnei) = en voor | בניו (banav) = zijn zonen | וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | אליהם (aleihem) = tot hen | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **40:45** „Wij hebben alles gehoord wat u aan de koningen van de Amorieten gedaan hebt met uw harde zwaard en uw zeer grote arm, want niemand van hen hield stand voor u. Brontekst: שמענו (shamanu) = wij hebben gehoord | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = u hebt gedaan | למלכי (lemalkhei) = aan de koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | בחרבכם (becharbekhem) = met uw zwaard | הקשה (haqasha) = harde | ובזרועכם (uvizro'akhem) = en met uw arm | הגדולה (haggedolah) = grote | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | עמד (amad) = hield stand | איש (ish) = niemand | מהם (mehem) = van hen | בפניכם (bifneikhem) = voor u Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:46** Wij vreesden zeer voor ons leven vanwege u, dat ons zou overkomen wat hen overkwam, en wij zijn naar u gekomen om een vredesverbond met ons te sluiten. En nu, sluit met ons een verbond en een ware vrede, dat u ons niet aanraakt, zoals wij u niet zullen aanraken.” Brontekst: ונירא (venira) = en wij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | לנפשותינו (lenafshotenu) = voor ons leven | מכם (mikkem) = van u | פן (pen) = dat | יקראנו (yiqra'enu) = ons zou overkomen | כמקריהם (kemiqrehem) = wat hen overkwam | ונבוא (venavo) = en laat ons komen | אליכם (aleikhem) = tot u | לכרות (likrot) = om te sluiten | לנו (lanu) = voor ons | ברית (berit) = een verbond | שלום (shalom) = vrede | ועתה (ve'attah) = en nu | כרתו (kirtu) = sluit | לנו (lanu) = voor ons | ברית (berit) = een verbond | ושלום (veshalom) = en vrede van | אמת (emet) = waarheid | כאשר (ka'asher) = zoals | לא (lo) = niet | תגעו (tig'u) = u aanraakt | בנו (beno) = ons | ולא (velo) = en niet | נגע (nega) = wij aanraken | בכם (bakhem) = u Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:47** De zonen van Jakob wisten dat zij werkelijk gekomen waren om vrede van hen te zoeken, en alle zonen van Jakob luisterden naar hen en sloten met hen een vredesverbond. Brontekst: וידעו (vayede'u) = en wisten | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | באמת (be'emet) = waarlijk | באו (ba'u) = kwamen | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | השלום (hashalom) = de vrede | מאיתם (me'itam) = bij hen vandaan | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | להם (lahem) = naar hen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויכרתו (vayikhretu) = en sloten | להם (lahem) = hun | ברית (berit) = een verbond | שלום (shalom) = vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:48** De zonen van Jakob zwoeren hun dat zij hen niet zouden aanraken, en ook alle koningen van de Kanaänieten zwoeren, en de zonen van Jakob maakten hen cijnsplichtig vanaf die dag en verder. Brontekst: וישבעו (vayishava'u) = en zwoeren | אליהם (aleihem) = hun | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | יגעו (yigge'u) = zij zouden aanraken | בהם (bahem) = hen | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | נשבעו (nishbe'u) = zwoeren ook | וישימום (vayesimum) = en zij maakten hen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | למס (lamas) = tot cijnsplichtigen | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: למס (‘tot cijnsplichtigen’): מס is dwangarbeid of schatting; zie Deut. 20:11 (‘zij zullen je cijnsplichtig zijn en je dienen’) en Gen. 49:15. De Engelse vertaling heeft ‘tributary’. Zie ook: Gen 49:15; Deut 20:11 **40:49** Daarna kwamen alle aanvoerders van deze koningen met al hun mannen voor de zonen van Jakob, met geschenken in hun handen voor Jakob en zijn zonen, en zij bogen zich met het gezicht ter aarde voor hen neer. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | באו (ba'u) = kwamen | כל (kol) = alle | שרי (sarai) = aanvoerders van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | עם (im) = met | כל (kol) = alle | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ומנחות (umnachot) = met geschenken | בידיהם (beyadehem) = in hun handen | אל (el) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואל (ve'el) = en voor | בניו (banav) = zijn zonen | וישתחו (vayishtachu) = en zij bogen zich neer | להם (lahem) = voor hen | אפיים (appayim) = met het gezicht | ארצה (artsah) = naar de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:50** Deze koningen drongen bij de zonen van Jakob aan en smeekten hen alle gevangenen terug te geven die zij uit de zeven steden van de Amorieten hadden weggevoerd. De zonen van Jakob deden zo, en zij gaven alle gevangenen terug, de vrouwen, de kleine kinderen, al het vee en alle buit die zij genomen hadden, en zij lieten hen gaan, en ieder ging naar zijn stad. Brontekst: ויפצרו (vayiftsaru) = en zij drongen aan | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | בבני (bivnei) = bij de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויתחננו (vayitchannenu) = en smeekten | אליהם (aleihem) = tot hen | להשיב (lehashiv) = terug te geven | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | השביה (hashvyah) = de gevangenen | אשר (asher) = die | שבו (shavu) = zij hadden weggevoerd | משבעת (mishiv'at) = uit de zeven | ערי ('eri) = steden van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישיבו (vayashivu) = en zij brachten terug | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | השביה (hashvyah) = de gevangenen | את (et) = (obj.) | הנשים (hannashim) = de vrouwen | ואת (ve'et) = en (obj.) | הטף (hattaf) = de kinderen | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | בהמה (behemah) = het vee | וכל (vekhol) = en alle | השלל (hashalal) = de buit | אשר (asher) = die | לקחו (laqchu) = zij hadden genomen | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | אותם (otam) = hen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | איש (ish) = ieder | לעירו (le'iro) = naar zijn stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **40:51** Al deze koningen bogen zich opnieuw voor de zonen van Jakob neer, en zij zonden en brachten hun in die dagen veel geschenken. De zonen van Jakob lieten deze koningen en hun mannen gaan, en zij gingen in vrede van hen weg naar hun steden, en ook de zonen van Jakob keerden terug naar hun plaats, naar Sichem. Brontekst: וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | עוד (od) = opnieuw | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישלחו (vayishlechu) = en zij zonden | ויביאו (vayavi'u) = en brachten | אליהם (aleihem) = tot hen | מנחות (minchot) = geschenken | רבות (rabbot) = vele | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וישלחו (vayishlechu) = en lieten gaan | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (obj.) | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ואת (ve'et) = en (obj.) | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | מאיתם (me'itam) = bij hen vandaan | לשלום (leshalom) = in vrede | אל (el) = tot | עריהם (arehem) = hun steden | וגם (vegam) = en ook | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שבו (shavu) = keerden terug | אל (el) = tot | מקומם (meqomam) = hun plaats | שכמה (shekhemah) = naar Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **40:52** Vanaf die dag was er vrede tussen de zonen van Jakob en de koningen van de Kanaänieten, tot de zonen van Israël kwamen om het land Kanaän te erven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en er was | שלום (shalom) = vrede | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | בין (bein) = tussen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובין (uvein) = en tussen | מלכי (malkhei) = koningen van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | עד (ad) = tot | בא (ba) = kwamen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | לנחלה (lenachala) = als erfdeel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. ## Jasher 41 _Lea sterft; Jozef in de put_ ### Terug in Hebron **41:1** Bij de wending van het jaar braken de zonen van Jakob op uit Sichem en keerden terug en kwamen naar Hebron, naar hun vader Isaak, en zij bleven daar wonen. Maar hun kleinvee en hun rundvee en alles wat hun toebehoorde, werd dag na dag in Sichem geweid, want er was in die dagen goede en vette weide in Sichem. Jakob en zijn zonen en heel hun huis woonden in het dal van Hebron. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לתקופת (litqufat) = bij de wending van | השנה (hashanah) = het jaar | ויסעו (vayis'u) = en zij braken op | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | משכם (mishekhem) = uit Sichem | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | חברונה (chevronah) = naar Hebron | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביהם (avihem) = hun vader | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | שם (shem) = daar | אך (akh) = maar | צאנם (tso'nam) = hun kleinvee | ובקרם (uvqaram) = en hun rundvee | וכל (vekhol) = en alles | אשר (asher) = wat | להם (lahem) = hen toebehoorde | רועים (ro'im) = werden geweid | בשכם (bishkhem) = in Sichem | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | כי (ki) = want | מרעה (mir'eh) = weide | טוב (tov) = goed | ושמן (veshamen) = en vet | היה (hayah) = was | בשכם (bishkhem) = in Sichem | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וישב (vayyashev) = en woonde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | ביתם (beytam) = hun huis | בעמק (ba'emeq) = in het dal | חברון (Chevron) = Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 37:1 **41:2** In die dagen, in dat jaar, het honderdzesde jaar van het leven van Jakob, in het tiende jaar sinds Jakob uit Paddan-Aram was gekomen, stierf Lea, de vrouw van Jakob, in datzelfde jaar; zij was eenenvijftig jaar oud toen zij in Hebron stierf. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | שנת (shenat) = het jaar van | מאה (me'ah) = honderd | ושש (veshesh) = en zes | שנים (shanim) = jaren | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בשנה (bashanah) = in het jaar | העשירית (ha'asirit) = de tiende | לבוא (lavo) = van de komst van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מפדן (mipadan) = uit Paddan | ארם (Aram) = Aram | ותמת (vatamot) = en stierf | לאה (Le'ah) = Lea | אשת (eshet) = vrouw van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | בת (bat) = dochter van | אחת (achat) = één | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | שנה (shanah) = jaar | במותה (bemotah) = bij haar sterven | בחברון (bechevron) = in Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **41:3** Jakob en zijn zonen begroeven haar in de grot van het veld van Machpela, die in Hebron is, die Abraham van de zonen van Het had gekocht als bezit voor een graf. Brontekst: ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | אותה (otah) = haar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | במערת (bime'arat) = in de grot van | שדה (sedeh) = het veld van | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | אשר (asher) = die | בחברון (bechevron) = in Hebron | אשר (asher) = die | קנה (qoneh) = had gekocht | אברהם (avraham) = Abraham | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = zonen van | חת (Chet) = Chet | לאחוזת (la'achuzzat) = tot een bezit van | קבר (qever) = een graf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 49:31 (‘en daar heb ik Lea begraven’) en Gen. 23 (de grot van Machpela). Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 49:31 **41:4** De zonen van Jakob woonden bij hun vader in het dal van Hebron, en alle bewoners van het land kenden hun kracht, en hun faam ging door heel het land. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ישבו (yashvu) = zij woonden | עם (im) = met | אביהם (avihem) = hun vader | בעמק (ba'emeq) = in het dal | חברון (Chevron) = Hebron | וידעו (vayede'u) = en zij wisten | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | את (et) = (lijdend voorwerp) | גבורתם (gevuratam) = hun kracht | ויהי (vayehi) = en ging | שנים (shanim) = hun faam | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: ויהי שנים (‘en er waren twee/jaren’) staat er; gelezen als ויהי שמעם, ‘en hun faam ging’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘their fame went throughout the land’). ### Jozef en zijn broers **41:5** Jozef, de zoon van Jakob, en zijn broer Benjamin, de zonen van Rachel, de vrouw van Jakob, waren in die dagen nog klein, en zij gingen niet met hun broers mee in hun oorlogen in alle steden van de Amorieten. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובנימין (uvinyamin) = en Benjamin | אחיו (achiv) = zijn broer | בני (bnei) = zonen van | רחל (Rachel) = Rachel | אשת (eshet) = vrouw van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עודם (odam) = nog | קטנים (qetannim) = klein | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ולא (velo) = en niet | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | עם (im) = met | אחיהם (achihem) = hun broers | במלחמותם (bemilchamotam) = in hun oorlogen | בכל (bekhol) = in alle | ערי ('eri) = steden van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 37:2 **41:6** Jozef zag de kracht van zijn broers en hun grootheid, en hij prees hen en loofde hen; maar hij verhief zichzelf boven hen en voelde zich in zijn hart boven hen verheven. En ook zijn vader Jakob had hem meer lief dan al zijn zonen, want hij was een zoon van zijn ouderdom; en uit liefde voor hem maakte hij hem een jas met lange mouwen. Brontekst: ירא (yere) = zag | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | גבורת (gevurat) = de kracht van | אחיו (achiv) = zijn broers | וגדולתם (ugdulatam) = en hun grootheid | וישבח (vayeshabeach) = en hij prees | אותם (otam) = hen | ויהללם (vayehalelem) = en hij loofde hen | אך (akh) = maar | גדל (gadal) = verhief | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zichzelf | עליהם (aleihem) = boven hen | ויתנשא (vayitnase) = en hij verhoogde zich | בנפשו (benafsho) = in zichzelf | אליהם (aleihem) = boven hen | וגם (vegam) = en ook | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביו (aviv) = zijn vader | אהב (ahav) = liefhad | אותם (otam) = hem | מכל (mikkol) = meer dan | בניו (banav) = alle | כי (ki) = want | בן (ben) = een zoon van | זקונים (zequnim) = zijn ouderdom | הוא (hu) = hij was | לו (lo) = voor hem | ויעש (vayya'as) = en hij maakte | לו (lo) = voor hem | כתונת (ketonet) = jas van | פסים (passim) = lange mouwen | באהבתו (be'ahavato) = in zijn liefde voor | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ירא (‘hij vreesde’) staat er; gelezen als וירא, ‘en hij zag’, zoals de Engelse vertaling heeft. Verder staat er אותם (‘hen’), ook in v. 7 en 8 אותן; gelezen als אותו, ‘hem’, dus Jozef. Zie Gen. 37:3 (‘een jas met lange mouwen’). Zie ook: Gen 37:3 **41:7** Jozef zag dat zijn vader hem meer liefhad dan al zijn broers, en hij bleef zich nog meer boven zijn broers verheffen, en hij bracht een kwaad gerucht over hen bij zijn vader. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = dat | אותן (otan) = hem | אהב (ahav) = liefhad | אביו (aviv) = zijn vader | מכל (mikkol) = meer dan | אחיו (achiv) = zijn broers | ויוסף (vayosef) = en hij ging voort | עוד (od) = nog | ויתנשא (vayitnase) = zich te verheffen | יוסף (Yosef) = Jozef | על (al) = boven | אחיו (achiv) = zijn broers | ויבא (vayavo) = en hij bracht | לאחיו (le'achiv) = aan zijn vader | דיבה (dibba) = een gerucht | רעה (ra'ah) = kwaad | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויבא לאחיו דיבה רעה עליהם (‘en hij bracht aan zijn broers een kwaad gerucht over hen’) staat er; gelezen als לאביו, ‘aan zijn vader’, zoals Gen. 37:2 en de Engelse vertaling hebben. אותן (‘hen’): zie de noot bij v. 6. Zie ook: Gen 37:2 **41:8** De zonen van Jakob zagen heel de handelwijze van hun broer Jozef jegens hen, en dat hun vader hem meer liefhad dan hen allen, en zij haatten hem en konden al die dagen niet in vrede met hem spreken. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מעשה (ma'aseh) = de handelwijze van | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיהם (achihem) = hun broer | איתם (ittam) = jegens hen | וכי (vekhi) = en dat | אהב (ahav) = liefhad | אותו (oto) = hem | אביהם (avihem) = hun vader | מכולם (mikulam) = meer dan hen allen | וישנאו (vayisne'u) = en zij haatten | אותן (otan) = hem | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | דברו (dabberu) = te spreken met hem | לשלום (leshalom) = in vrede | כל (kol) = al | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: וישנאו אותן (‘en zij haatten hen’): gelezen als אותו, ‘hem’; zie de noot bij v. 6. Zie ook: Gen 37:4 **41:9** Jozef was zeventien jaar oud, en hij verhief zichzelf nog steeds boven zijn broers, en hij nam zich voor zich boven hen te verheffen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | יוסף (Yosef) = Jozef | בן (ben) = zoon van | שבע (sheva) = zeven | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | והוא (vehu) = en hij | עודנו (odenu) = nog | גדל (gadal) = verhief | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zichzelf | על (al) = boven | אחיו (achiv) = zijn broers | ויאמר (vayomer) = en hij nam zich voor | להתנשא (lehitnase) = zich te verheffen | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De dromen **41:10** In die tijd droomde hij een droom, en hij kwam bij zijn broers en vertelde hun zijn droom. Hij zei tegen hen: „Ik heb een droom gedroomd, en zie, wij waren allen schoven aan het binden in het veld, en mijn schoof stond op en bleef op de grond staan, en jullie schoven omringden haar en bogen zich voor haar neer.” Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | חלם (chalam) = droomde | חלום (chalom) = een droom | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אל (el) = bij | אחיו (achiv) = zijn broers | ויגד (vayyaged) = en hij vertelde | להם (lahem) = hun | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומו (chalomo) = zijn droom | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | חלום (chalom) = een droom | חלמתי (chalamti) = ik heb gedroomd | והנה (vehinneh) = en zie | כולנו (kulanu) = wij allen | מאלמים (me'almim) = bindend | אלומות (alumot) = schoven | בשדה (bassadeh) = in het veld | ותקם (vataqom) = en zij stond op | אלומתי (alumati) = mijn schoof | ותתייצב (vatityatsev) = en zij bleef staan | בארץ (ba'arets) = op de grond | ויסבבוה (vayesobevuha) = en zij omringden haar | אלומותיכם (alumoteykhem) = jullie schoven | וישתחו (vayishtachu) = en zij bogen zich neer | לה (lah) = voor haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:5–7 (de eerste droom, van de schoven). Zie ook: Gen 37:5–7 **41:11** Zijn broers antwoordden hem en zeiden tegen hem: „Wat is deze droom die je gedroomd hebt? Denk je in je hart over ons te regeren of over ons te heersen?” Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | אותו (oto) = hem | אחיו (achiv) = zijn broers | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = voor hem | מה (mah) = wat | החלום (hachalom) = de droom | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | חלמת (chalamta) = je hebt gedroomd | התאמר (hatomar) = denk je | בללבך (beleivkha) = in je hart | למלוך (limloch) = te regeren | או (o) = of | למשול (limshol) = te heersen | עלינו (aleinu) = over ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **41:12** Hij kwam weer en vertelde de zaak aan zijn vader Jakob, en Jakob kuste Jozef toen hij deze woorden uit zijn mond hoorde, en Jakob zegende Jozef. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | עוד (od) = weer | ויגד (vayyaged) = en hij vertelde | הדבר (haddavar) = de zaak | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | אביו (aviv) = zijn vader | וינשק (vayinasheq) = en kuste | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | כשמעו (keshom'o) = toen hij hoorde | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = de woorden | מפיו (mipiv) = uit zijn mond | ויברך (vayevarekh) = en zegende | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **41:13** Toen de zonen van Jakob zagen dat hun vader Jozef gezegend en gekust had en hem zeer liefhad, werden zij zeer afgunstig op hem en haatten hem nog meer. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | ברך (berakh) = had gezegend | אביהם (avihem) = hun vader | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | וינשק (vayinasheq) = en had gekust | אותו (oto) = hem | ויאהבהו (vaye'ehaveyhu) = en hem liefhad | מאוד (me'od) = zeer | ויקנאו (vayqanu) = en zij waren afgunstig | בו (bo) = op hem | מאוד (me'od) = zeer | וישנאו (vayisne'u) = en zij haatten | אותו (oto) = hem | עוד (od) = nog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **41:14** Daarna droomde Jozef weer een andere droom, en hij vertelde de droom aan zijn vader, ten overstaan van zijn broers. Jozef zei tegen zijn vader en zijn broers: „Zie, ik heb weer een droom gedroomd, en zie, de zon en de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dit | ויחלום (vayachalom) = en hij droomde | עוד (od) = weer | יוסף (Yosef) = Jozef | חלום (chalom) = een droom | אחר (acher) = een andere | ויספר (vayesaper) = en hij vertelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | החלום (hachalom) = de droom | לאביו (le'aviv) = aan zijn vader | לעיני (le'einei) = ten overstaan van | אחיו (achiv) = zijn broers | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | ואל (ve'el) = en tot | אחיו (achiv) = zijn broers | הנה (hinneh) = zie | חלמתי (chalamti) = ik heb gedroomd | חלום (chalom) = een droom | עוד (od) = weer | והנה (vehinneh) = en zie | השמש (hashemesh) = de zon | והירח (vehayare'ach) = en de maan | ואחד (ve'echad) = en één | עשר (esar) = tien | כוכבים (kokhavim) = sterren | משתחווים (mishtachavim) = zich neerbuigend | לי (li) = voor mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:9–10 (de tweede droom, van de zon, de maan en de elf sterren). Zie ook: Gen 37:9–10 **41:15** Zijn vader hoorde de woorden van Jozef en zijn droom, en hij zag dat zijn broers Jozef om deze zaak haatten. Jakob berispte Jozef voor de ogen van zijn broers om deze zaak en zei: „Wat is deze droom die je gedroomd hebt, dat je jezelf verheft boven je broers, die ouder zijn dan jij? Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij hoorde | אביו (aviv) = zijn vader | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | יוסף (Yosef) = Jozef | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | חלומו (chalomo) = zijn droom | וירא (vayyera) = en hij zag | כי (ki) = dat | אחיו (achiv) = zijn broers | שונאים (son'im) = haatten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | בדבר (bedabber) = om de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויגער (vayig'ar) = en berispte | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ביוסף (beyosef) = Jozef | לפני (lifnei) = voor | אחיו (achiv) = zijn broers | על (al) = om | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לאמור (lemor) = zeggende | מה (mah) = wat | החלום (hachalom) = de droom | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | חלמת (chalamta) = je hebt gedroomd | ותגדל (vattigdal) = dat je verheft | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשך (nafshekha) = jezelf | על (al) = boven | אחיך (achikha) = je broers | הגדולים (haggedolim) = de oudere | ממך (mimmekha) = dan jij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 37:10 **41:16** Denk je in je hart dat wij zullen komen, ik en je moeder en je elf broers, om ons voor je neer te buigen, dat je zulke woorden spreekt?” Brontekst: התחשוב (hatachshov) = denk je dan | בלבבך (bilvavekha) = in je hart | אשר (asher) = dat | בוא (bo) = komen | נבוא (navo) = zullen wij komen | אני (ani) = ik | ואמך (ve'imekha) = en je moeder | ואחד (ve'echad) = en één | עשר (esar) = tien | אחיך (achikha) = je broers | להשתחוות (lehishtachavot) = om je neer te buigen | אליך (elekha) = voor je | כי (ki) = dat | תדבר (tedabber) = je spreekt | כדברים (kadevarim) = zoals woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **41:17** Zijn broers waren afgunstig op hem om al zijn woorden en dromen en haatten hem nog meer, maar Jakob bewaarde de dromen in zijn hart. Brontekst: ויקנאו (vayqanu) = en zij waren afgunstig | בו (bo) = op hem | אחיו (achiv) = zijn broers | על (al) = om | כל (kol) = alle | דבריו (devarav) = zijn woorden | וחלומותיו (vachalomotav) = en zijn dromen | ויוסיפו (vayosifu) = en zij gingen voort | עוד (od) = nog | שנוא (sno) = te haten | אותו (oto) = hem | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | שמר (shamar) = bewaarde | את (et) = (lijdend voorwerp) | החלומות (hachalomot) = de dromen | בלבו (belibbo) = in zijn hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 37:11 ### Jozef naar Sichem **41:18** Op een dag gingen de zonen van Jakob de kudde van hun vader weiden in Sichem, want zij waren in die dagen nog herders in Sichem. Terwijl de zonen van Jakob die dag bij Sichem weidden, treuzelden zij, en de tijd om al het vee binnen te halen ging voorbij, en zij kwamen niet. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | היום (hayyom) = op een dag | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לרעות (lir'ot) = om te weiden | צאן (tson) = het kleinvee van | אביהם (avihem) = hun vader | בשכם (bishkhem) = in Sichem | כי (ki) = want | עודם (odam) = nog | רועים (ro'im) = herders | בשכם (bishkhem) = in Sichem | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיות (bihyot) = terwijl | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | רועים (ro'im) = weidend | בשכמה (bishkhema) = bij Sichem | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויתמהמהו (vayitmahmehu) = en zij draalden | ויעבור (vaya'avor) = en ging voorbij | עת (et) = de tijd van | האסף (he'asef) = te verzamelen | כל (kol) = alle | המקנה (hammiqneh) = het vee | ולא (velo) = en niet | באו (ba'u) = zij kwamen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie ook: Gen 37:12 **41:19** Jakob zag dat zijn zonen in Sichem treuzelden, en Jakob zei in zijn hart: „Misschien zijn de mannen van Sichem tegen hen opgestaan om tegen hen te strijden; daarom is hun komst vandaag vertraagd.” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | התמהמהו (hitmahmehu) = zij draalden | בניו (banav) = zijn zonen | בשכם (bishkhem) = in Sichem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בלבו (belibbo) = in zijn hart | פן (pen) = misschien | יקומו (yaqumu) = opgestaan zijn | עליהם (aleihem) = tegen hen | אנשי (anshei) = mannen van | שכם (Shekhem) = Sichem | להלחם (lehilachem) = om te strijden | בם (vam) = tegen hen | על (al) = daarom | כן (ken) = — | התאחר (hit'achher) = is vertraagd | בואם (bo'am) = hun komst | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **41:20** Jakob riep zijn zoon Jozef en droeg hem op: „Weiden je broers vandaag niet in Sichem? En zie, zij zijn tot nu toe niet gekomen. Ga toch en kijk waar zij zijn, en breng mij bericht terug over het welzijn van je broers en het welzijn van het kleinvee.” Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | בנו (beno) = zijn zoon | ויצוהו (vayetsavvehu) = en droeg hem op | לאמור (lemor) = zeggende | הלא (halo) = immers | אחיך (achikha) = je broers | רועים (ro'im) = weidend | בשכם (bishkhem) = in Sichem | היום (hayyom) = vandaag | והנה (vehinneh) = en zie | לא (lo) = niet | באו (ba'u) = kwamen | עד (ad) = tot | עתה (attah) = nu | לך (lekha) = ga | נא (na) = toch | וראה (veraah) = en kijk | איפה (eifoh) = waar | הם (hem) = zij | והשיבני (vehashiveni) = en breng mij terug | דבר (davar) = bericht | את (et) = (lijdend voorwerp) | שלום (shalom) = het welzijn van | אחיך (achikha) = je broers | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שלום (shalom) = het welzijn van | הצאן (hatson) = het kleinvee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie ook: Gen 37:14 **41:21** Jakob zond zijn zoon Jozef uit het dal van Hebron, en Jozef kwam bij zijn broers in Sichem en vond hen niet. Jozef ging door het veld bij Sichem om te zien waarheen zijn broers zich gewend hadden, en hij ging en dwaalde onderweg in de woestijn en wist niet waarheen hij moest gaan. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | בנו (beno) = zijn zoon | מעמק (me'emeq) = uit het dal van | חברון (Chevron) = Hebron | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = bij | אחיו (achiv) = zijn broers | שכמה (shekhemah) = naar Sichem | ולא (velo) = en niet | מצאם (metsa'am) = hen vond | וילך (vayelekh) = en hij ging | יוסף (Yosef) = Jozef | בשדה (bassadeh) = in het veld | אשר (asher) = die | אצל (etsel) = bij | שכם (Shekhem) = Sichem | לראות (lir'ot) = om te zien | אנה (anah) = waarheen | פנו (panu) = zich hadden gewend | אחיו (achiv) = zijn broers | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויתעה (vayet'e) = en dwaalde | בדרך (baderekh) = onderweg | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | ולא (velo) = en niet | ידע (yada) = wist | אנה (anah) = waarheen | ילך (yelekh) = hij moest gaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:13–14 (Jakob zendt Jozef uit het dal van Hebron naar Sichem). Zie ook: Gen 37:13–14 ### De engel van Yahweh **41:22** Een engel van Yahweh vond hem dwalend onderweg in het veld. Hij zei tegen hem: „Jozef, Jozef! Waarheen ga je en wat zoek je?” Jozef zei tegen de engel van Yahweh: „Mijn broers zoek ik. Heb je niet gehoord waar zij weiden?” De engel van Yahweh zei tegen Jozef: „Ik heb je broers hier zien weiden, en ik heb hen horen zeggen dat zij naar Dotan zouden gaan.” Brontekst: וימצאהו (vayimtsa'ehu) = en vond hem | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | תועה (to'e) = dwalend | בדרך (baderekh) = onderweg | בשדה (bassadeh) = in het veld | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | יוסף (Yosef) = Jozef | יוסף (Yosef) = Jozef | אנה (anah) = waarheen | תלך (telekh) = je gaat | ומה (umah) = en wat | תבקש (tevaqesh) = zoek je | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיי (achai) = mijn broers | אנוכי (anokhi) = ik | מבקש (mevaqesh) = zoek | הלא (halo) = immers | שמעת (shamata) = je hebt gehoord | איפה (eifoh) = waar | הם (hem) = zij | רועים (ro'im) = weidend | ויאמר (vayomer) = en hij zei | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיך (achikha) = je broers | רועים (ro'im) = weidend | פה (peh) = hier | ושמעתי (veshamati) = en ik heb gehoord | אומרים (omerim) = zeggend | ללכת (lalekhet) = om te gaan | להם (lahem) = (zich) | בדותן (bedotan) = in Dotan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:15–17. Daar is het ‘een man’ die Jozef op het veld vindt; in Jasher is dat een engel van Yahweh. Zie Dotan: Dotan ligt in het noorden van het bergland van Samaria, ongeveer 20 km ten noorden van Sichem. Zie ook: Gen 37:15–17; Gen 37:17 **41:23** Jozef luisterde naar de stem van de engel van Yahweh en ging naar Dotan, naar zijn broers, en hij vond hen in Dotan de kudde weiden. Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | יוסף (Yosef) = Jozef | בקול (bekol) = naar de stem van | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וילך (vayelekh) = en hij ging | דותינה (dotena) = naar Dotan | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | וימצאם (vayimtsa'em) = en hij vond hen | בדותן (bedotan) = in Dotan | רועים (ro'im) = weidend | הצאן (hatson) = het kleinvee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Dotan: Dotan ligt in het noorden van het bergland van Samaria, ongeveer 20 km ten noorden van Sichem. **41:24** Jozef kwam bij zijn broers, en voordat hij dicht bij hen kwam, zagen zijn broers hem van ver en smeedden zij een plan tegen hem om hem te doden. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | ובטרם (uvetérem) = en voordat | יקרב (yiqrav) = hij naderde | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ויראוהו (vayir'uhu) = en zij zagen hem | אחיו (achiv) = zijn broers | מרחוק (merachoq) = van veraf | ויתיעצו (vayityatsu) = en zij beraadslaagden | עליו (alav) = tegen hem | להמיתו (lehamito) = om hem te doden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 37:18 **41:25** Simeon zei tegen zijn broers: „Zie, de meester van de dromen komt vandaag naar ons toe. Kom nu, laten wij hem doden en in een van de putten in deze woestijn werpen; en wanneer onze vader hem bij ons zoekt, zullen wij zeggen: een wild dier heeft hem opgegeten.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | שמעון (Shim'on) = Simeon | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | הנה (hinneh) = zie | בעל (ba'al) = de meester van | החלומות (hachalomot) = de dromen | בא (ba) = komt | אלינו (elenu) = tot ons | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | ועתה (ve'attah) = en nu | לכו (lekhu) = komt | ונהרגהו (venahargehu) = en laten wij hem doden | ונשליכהו (venashlikhehu) = en laten wij hem werpen | באחד (be'achad) = in een van | הבורות (haborot) = de putten | אשר (asher) = die | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | הזה (hazzeh) = deze | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בבקשו (bevaqasho) = wanneer hij zoekt | אותו (oto) = hem | אבינו (avinu) = onze vader | ממנו (mimmennu) = van ons | ואמרנו (ve'amarnu) = dan zullen wij zeggen | חיה (chayyah) = een dier | רעה (ra'ah) = wild | אכלתהו (achalatu) = heeft hem opgegeten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:18–20 (‘de meester van de dromen’, בעל החלומות). Zie ook: Gen 37:18–20; Gen 37:19; Gen 37:20 **41:26** Ruben hoorde de woorden van zijn broers over Jozef en zei tegen hen: „Doe dit niet, want hoe zullen wij ons gezicht opheffen voor onze vader Jakob? Werp hem in deze put om daar te sterven, maar steek de hand niet naar hem uit om zijn bloed te vergieten.” Ruben zei dit om hem uit hun hand te redden en hem terug te brengen naar zijn vader. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hij hoorde | ראובן (Re'uven) = Ruben | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | אחיו (achiv) = zijn broers | על (al) = over | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | אל (el) = niet | תעשו (ta'asu) = doe | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ואיך (ve'ekh) = en hoe | נשא (nasa) = zullen wij opheffen | פנינו (panenu) = ons gezicht | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אבינו (avinu) = onze vader | אך (akh) = maar | השליכו (hishlikhu) = werp | אותו (oto) = hem | אל (el) = in | הבור (habor) = de put | הזה (hazzeh) = deze | למות (lamut) = te sterven | שם (shem) = daar | ויד (vayad) = en de hand | אל (el) = niet | תשלחו (tishlechu) = steekt uit | בו (bo) = naar hem | לשפוך (lishpoch) = te vergieten | דמו (damo) = zijn bloed | וראובן (vera'uven) = en Ruben | אמר (amar) = zei | כן (ken) = zo | למען (lema'an) = om | הצילהו (hatsilo) = hem te redden | מידם (miyyadam) = uit hun hand | להשיבו (lehashivo) = hem terug te brengen | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:21–22. Zie ook: Gen 37:21–22; Gen 37:22 ### De put **41:27** Toen Jozef bij zijn broers kwam, ging hij voor hen zitten; zij stonden tegen hem op, grepen hem vast, sloegen hem ter aarde en trokken hem de jas met lange mouwen uit die hij aanhad. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | בא (ba) = kwam | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | וישב (vayyashev) = en ging zitten | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | עליו (alav) = tegen hem | ויחזיקו (vayachaziqu) = en zij grepen vast | בו (bo) = hem | ויכוהו (vayakuhu) = en zij sloegen hem | לארץ (la'arets) = ter aarde | ויפשיטוהו (vayafshituhu) = en zij ontkleedden hem | מכתונת (miketonet) = van de jas van | הפסים (hapassim) = de lange mouwen | אשר (asher) = die | עליו (alav) = op hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:23. Zie ook: Gen 37:23 **41:28** Zij namen hem en wierpen hem in de put; de put was leeg, er was geen water in, maar alleen slangen en schorpioenen. Jozef was bang voor de slangen en de schorpioenen die in de put waren, en Jozef schreeuwde met luide stem, en Yahweh verborg de slangen en de schorpioenen in de wanden van de put, en zij deden Jozef geen kwaad. Brontekst: ויקחוהו (vayiqachuhu) = en zij namen hem | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | אותו (oto) = hem | הבורה (habora) = naar de put | והבור (vehabor) = en de put | ריק (req) = leeg | אין (ein) = er is niet | בו (bo) = daarin | מים (mayim) = water | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | נחשים (nechashim) = slangen | ועקרבים (ve'aqravim) = en schorpioenen | ויירא (vayira) = en hij vreesde | יוסף (Yosef) = Jozef | מפני (mippenei) = voor | הנחשים (hanechashim) = de slangen | והעקרבים (veha'aqravim) = en de schorpioenen | אשר (asher) = die | בבור (babor) = in de put | ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | יוסף (Yosef) = Jozef | בקול (bekol) = met een | גדול (gadol) = luide | ויסתר (vayyaster) = en hij verborg | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנחשים (hanechashim) = de slangen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | העקרבים (ha'aqravim) = de schorpioenen | בקירות (bequrot) = in de wanden van | הבור (habor) = de put | ולא (velo) = en niet | הרעו (hera'u) = zij deden kwaad | ליוסף (leyosef) = aan Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:24 (de put was leeg, er was geen water in). Jasher voegt slangen en schorpioenen toe. Zie ook: Gen 37:24 ### Jozefs smeekbede **41:29** Jozef riep vanuit de put tot zijn broers en zei tegen hen: „Wat heb ik jullie gedaan, en waarin heb ik gezondigd? Waarom vrezen jullie Yahweh niet omwille van mij? Ben ik niet jullie gebeente en jullie vlees, en is Jakob, jullie vader, niet mijn vader? Waarom doen jullie mij dit vandaag aan, en hoe zullen jullie je gezicht opheffen voor Jakob, mijn vader?” Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | יוסף (Yosef) = Jozef | מתוך (mitokh) = uit het midden van | הבור (habor) = de put | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | מה (mah) = wat | עשיתי (asiti) = heb ik gedaan | לכם (lakhem) = aan jullie | ומה (umah) = en wat | חטאתי (chatati) = heb ik gezondigd | למה (lammah) = waarom | לא (lo) = niet | תראו (tir'u) = vrezen jullie | מפני (mippenei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעדי (ba'adi) = om mijnentwil | הלא (halo) = immers | אנוכי (anokhi) = ik | עצמכם (atsmekhem) = jullie gebeente | ובשרכם (uvsarkhem) = en jullie vlees | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | אביכם (avikhem) = jullie vader | אבי (avi) = mijn vader | הוא (hu) = is | ולמה (velamah) = en waarom | תעשו (ta'asu) = doen jullie | לי (li) = voor mij | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | היום (hayyom) = vandaag | ואיך (ve'ekh) = en hoe | תשאו (tis'u) = jullie zullen opheffen | פניכם (peneykhem) = jullie gezicht | לפני (lifnei) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אבי (avi) = mijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:21 (‘wij zagen de nood van zijn ziel toen hij ons om genade smeekte, en wij hoorden niet’). Zie ook: Gen 37:24; Gen 42:21 **41:30** Hij bleef schreeuwen en tot zijn broers roepen vanuit de put, en hij zei: „Juda, Ruben, Simeon en Levi, mijn broers, haal mij omhoog uit de duisternis waarin jullie mij hebben gezet, en zie vandaag het aangezicht van Yahweh en het aangezicht van Jakob, mijn vader. En als ik tegen jullie gezondigd heb, zijn jullie dan niet zonen van Abraham, Isaak en Jakob? Als zij een wees zagen, hadden zij medelijden met hem; als iemand hongerig was, gaven zij hem brood te eten; als iemand dorstig was, gaven zij hem water te drinken; en als iemand naakt was, bedekten zij hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en hij bleef | צועק (tso'eq) = schreeuwend | וקורא (veqore) = en roepend | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | מתוך (mitokh) = uit het midden van | הבור (habor) = de put | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | ראובן (Re'uven) = Ruben | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | אחיי (achai) = mijn broers | שאוני (sa'uni) = haal mij omhoog | ממחשכים (mimachashakim) = uit de duisternis | אשר (asher) = waarin | שמתם (samtem) = jullie hebben gezet | אותי (oti) = mij | בו (bo) = daarin | וראו (ure'u) = en aanschouw | היום (hayyom) = vandaag | את (et) = (lijdend voorwerp) | פני (pnei) = aangezicht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | פני (pnei) = aangezicht van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אבי (avi) = mijn vader | ואם (ve'im) = en als | אני (ani) = ik | חטאתי (chatati) = heb ik gezondigd | לכם (lakhem) = tegen jullie | הלא (halo) = immers | בני (bnei) = zonen van | אברהם (avraham) = Abraham | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | אתם (ittam) = jullie | אשר (asher) = die | אם (em) = als | ראו (ra'u) = zij zagen | יתום (yatom) = een wees | עליו (alav) = over hem | ירחמו (yerachamu) = zij hadden medelijden | ואם (ve'im) = en als | רעב (ra'av) = hongerig | יאכילוהו (ya'akhiluhu) = zij gaven hem te eten | לחם (lechem) = brood | ואם (ve'im) = en als | צמא (tsame) = dorstig | ישקוהו (yashquhu) = zij gaven hem te drinken | מים (mayim) = water | ואם (ve'im) = en als | ערום (arom) = naakt | יכסוהו (yekhasuhu) = zij bedekten hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: וראו היום את פני ה׳ ואת פני יעקב אבי (‘en zie vandaag het aangezicht van Yahweh en het aangezicht van Jakob, mijn vader’) staat er. De Engelse vertaling heeft in plaats daarvan: ‘en kom vandaag om u over mij te ontfermen, gij kinderen van de Heer en zonen van mijn vader Jakob’, en noemt alleen Juda, Simeon en Levi (het Hebreeuws ook Ruben). **41:31** En hoe zullen jullie je dan niet ontfermen over jullie broer, want ik ben jullie gebeente en jullie vlees? En als ik tegen jullie gezondigd heb, zullen jullie het dan niet doen omwille van mijn vader?” Brontekst: ואיך (ve'ekh) = en hoe | אתם (ittam) = jullie | לא (lo) = niet | תרחמו (terachamu) = zullen jullie je ontfermen | על (al) = op | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | כי (ki) = want | עצמכם (atsmekhem) = jullie gebeente | ובשרכם (uvsarkhem) = en jullie vlees | אני (ani) = ik | ואם (ve'im) = en als | חטאתי (chatati) = heb ik gezondigd | אליכם (aleikhem) = tegen jullie | הלא (halo) = immers | תעשו (ta'asu) = zullen jullie doen | בעבור (ba'avur) = omwille van | אבי (avi) = mijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **41:32** Jozef sprak al deze woorden vanuit de put, maar zijn broers luisterden niet naar hem en schonken geen gehoor aan alle woorden van Jozef, en hij bleef schreeuwen en wenen in de put. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | מדבר (medabber) = sprekend | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | מתוך (mitokh) = uit het midden van | הבור (habor) = de put | ולא (velo) = en niet | שמעו (shame'u) = zij luisterden | אחיו (achiv) = zijn broers | אליו (elav) = naar hem | ולא (velo) = en niet | הטו (hittu) = zij neigden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אזניהם (oznehem) = hun oren | לכל (lekhol) = aan alle | דברי (divrei) = woorden van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויהי (vayehi) = en hij bleef | צועק (tso'eq) = schreeuwend | ובוכה (uvokheh) = en wenend | בתוך (betokh) = midden in | הבור (habor) = de put Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **41:33** Jozef zei: „Wist mijn vader maar vandaag wat mijn broers mij hebben aangedaan en de woorden die zij vandaag tot mij hebben gesproken!” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | מי (mi) = wie | יתן (yitten) = zou geven | וידע (vayyeda) = dat wist | אבי (avi) = mijn vader | היום (hayyom) = vandaag | את (et) = (lijdend voorwerp) | המעשה (hamma'aseh) = de daad | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hebben gedaan | לי (li) = voor mij | אחיי (achai) = mijn broers | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = de woorden | אשר (asher) = die | דיברו (dibberu) = spraken | אליי (elai) = tot mij | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **41:34** Al zijn broers hoorden zijn geschreeuw en zijn geween in de put, en zijn broers gingen en trokken zich ver terug van de put, opdat zij het geschreeuw van Jozef en zijn geween in de put niet zouden horen. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | אחיו (achiv) = zijn broers | את (et) = (lijdend voorwerp) | צעקתו (tse'aqato) = zijn geschreeuw | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בכייתו (bekhiyato) = zijn geween | בתוך (betokh) = midden in | הבור (habor) = de put | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אחיו (achiv) = zijn broers | ויתרחקו (vayitrachaqu) = en zij trokken zich ver terug | מן (min) = van | הבור (habor) = de put | למען (lema'an) = opdat | לא (lo) = niet | ישמעו (yishme'u) = zij zouden horen | את (et) = (lijdend voorwerp) | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | יוסף (Yosef) = Jozef | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בכייתו (bekhiyato) = zijn geween | בבור (babor) = in de put Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 42 _Jozef verkocht_ ### De Ismaëlieten **42:1** Zij gingen heen en gingen zitten aan de overkant, ver weg, op een boogschot afstand. Zij zaten daar om brood te eten, en terwijl zij aten, beraadslaagden zij samen wat zij met hem zouden doen: hem doden, of hem terugbrengen naar zijn vader. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וישבו (vayeshvu) = en zij gingen zitten | מנגד (minneged) = tegenover | הרחק (harchek) = ver weg | כמטחוי (kimtachavei) = op een afstand van | קשת (qeshet) = boog | וישבו (vayeshvu) = en zij zaten | שם (shem) = daar | לאכול (le'ekhol) = om te eten | לחם (lechem) = brood | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | המה (hemmah) = zij | אוכלים (ochelim) = etend | ויתיעצו (vayityatsu) = en zij beraadslaagden | יחד (yachad) = samen | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | לו (lo) = voor hem | אם (em) = of | להמיתו (lehamito) = om hem te doden | ואם (ve'im) = of | להשיבו (lehashivo) = hem terug te brengen | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:25 (zij gingen zitten om brood te eten en zagen een karavaan van Ismaëlieten uit Gilead komen). Zie ook: Gen 37:25 **42:2** Terwijl zij zo beraadslaagden, sloegen zij hun ogen op en zagen een karavaan van Ismaëlieten die van ver kwam, over de weg van Gilead; zij gingen af naar Egypte. Brontekst: המה (hemmah) = zij | מתיעצים (mityatsim) = beraadslagend | וישאו (vayis'u) = en zij hieven op | עיניהם (eineihem) = hun ogen | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | ארחת (orchat) = karavaan van | ישמעאלים (yishme'elim) = Ismaëlieten | באה (ba'ah) = komend | מרחוק (merachoq) = van ver | מדרך (middarekh) = van de weg van | גלעד (Gil'ad) = Gilead | הולכים (holekhim) = gaande | לרדת (laredet) = om af te dalen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **42:3** Juda zei tegen hen: „Wat voor winst is het dat wij onze broer doden? Misschien eist Elohim hem van ons op. Dit is het plan dat over hem is beraamd, dat jullie met hem moeten doen: zie, die karavaan van Ismaëlieten komt hierheen en gaat de weg naar Egypte. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יהודה (Yehudah) = Juda | מה (mah) = wat | בצע (betsa) = winst | כי (ki) = dat | נהרוג (naharog) = wij doden | אנחנו (anachnu) = wij | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | פן (pen) = misschien | ידרשהו (yidreshehu) = zal hem opeisen | אלוקים (Elohim) = Elohim | ממנו (mimmennu) = van ons | זאת (zot) = deze | היא (hi) = is | העצה (ha'etsah) = de raad | היעוצה (hayeutsa) = die beraamd is | עליו (alav) = omtrent hem | אשר (asher) = die | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | לו (lo) = voor hem | והנה (vehinneh) = en zie | ארחת (orchat) = karavaan van | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | הזאת (hazzo't) = deze | הבאה (habba'ah) = die komt | אלינו (elenu) = naar ons toe | הולכת (holekhet) = gaande | דרך (derekh) = de weg van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 37:26 **42:4** Kom nu, laten wij hem aan hen overleveren, en laat onze hand niet aan hem zijn. Zij zullen hem met zich meevoeren en hij zal verloren gaan tussen de mensen van het hele land, en wij zullen hem niet met onze eigen handen doden.” Dit voorstel was goed in de ogen van zijn broers, en zij deden wat Juda gezegd had. Brontekst: עתה (attah) = nu | לכו (lekhu) = kom | ונמסרהו (venimserehu) = en laten wij hem overleveren | אליהם (aleihem) = tot hen | וידינו (veyadenu) = en onze hand | אל (el) = niet | תהי (tehi) = zij | בו (bo) = aan hem | והם (vehem) = en zij | יוליכוהו (yolikhuhu) = zij zullen hem meevoeren | אל (el) = naar | דרכם (darkham) = hun weg | ואבד (ve'avad) = en hij zal verloren gaan | בין (bein) = tussen | אנשי (anshei) = mensen van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | והמת (vehamet) = en wat het doden betreft | לא (lo) = niet | נמיתהו (nemitehu) = zullen wij hem doden | אנחנו (anachnu) = wij | בידינו (beyadenu) = met onze handen | וייטב (vayyitav) = en het was goed | הדבר (haddavar) = de zaak | בעיני (be'einei) = in de ogen van | אחיו (achiv) = zijn broers | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | יהודה (Yehudah) = Juda Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:26–27 (Juda: ‘kom, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen, en laat onze hand niet aan hem zijn’). Zie ook: Gen 37:26–27; Gen 37:27 ### De Midianieten bij de put **42:5** Terwijl zij over deze zaak spraken en voordat de karavaan van Ismaëlieten bij hen was gekomen, gingen zeven Midianitische kooplieden langs hen voorbij. Toen zij voorbijtrokken, kregen zij dorst naar water, en zij sloegen hun ogen op en zagen de put waarin Jozef zat; en zij zagen dat er vogels van alle soorten boven hem waren. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הם (hem) = zij | מדברים (medabberim) = sprekend | בדבר (bedabber) = over de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ובטרם (uvetérem) = en voordat | באה (ba'ah) = kwam | נגדם (neggedam) = tegenover hen | ארחת (orchat) = karavaan van | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | ויעברו (vaya'avru) = en zij gingen voorbij | מאצלם (me'etslam) = langs hen | שבעה (shiv'ah) = zeven | אנשים (anashim) = mannen | מדינים (midyanim) = Midianitische | סוחרים (sochrim) = kooplieden | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעברם (be'avram) = toen zij voorbijtrokken | ויצמאו (vayitsme'u) = en zij kregen dorst | למים (lamayim) = naar water | וישאו (vayis'u) = en zij hieven op | עיניהם (eineihem) = hun ogen | ויראו (vayiru) = en zij zagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבור (habor) = de put | אשר (asher) = die | יוסף (Yosef) = Jozef | שם (shem) = daar | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | עליו (alav) = boven hem | כל (kol) = alle | עוף (of) = vogels | למינהו (leminehu) = naar zijn soort Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: אשר יוסף שם (‘waar Jozef daar [was]’) staat er, zonder werkwoord; gelezen als ‘waarin Jozef zat’. Zie ook: Gen 37:28 **42:6** Die Midianitische mannen renden naar de put om water te drinken, want zij dachten dat er water in was. Zij kwamen voor de put en hoorden de stem van Jozef die in de put schreeuwde en weende. Zij keken in de put en zagen een jongen, mooi van gestalte en zeer mooi van aanzien. Brontekst: וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | ההם (hahem) = die | אל (el) = naar | הבור (habor) = de put | לשתות (lishtot) = om te drinken | מים (mayim) = water | כי (ki) = want | חשבו (chashvu) = zij dachten | כי (ki) = dat | מים (mayim) = water | בו (bo) = daarin | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לפני (lifnei) = voor | הבור (habor) = de put | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = stem van | יוסף (Yosef) = Jozef | צועק (tso'eq) = schreeuwend | ובוכה (uvokheh) = en wenend | בבור (babor) = in de put | וישקיפו (vayashqifu) = en zij keken omlaag | אל (el) = in | הבור (habor) = de put | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | נער (na'ar) = jongen | יפה (yafah) = mooi | תואר (to'ar) = van gestalte | ויפה (veyefeh) = en mooi | מראה (mar'eh) = van aanzien | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:7** Zij riepen naar hem en zeiden tegen hem: „Wie ben je, en wie heeft je hierheen gebracht, en wie heeft je in deze put in de woestijn gezet?” Zij reikten allen de hand en tilden Jozef op, trokken hem omhoog uit de put, namen hem mee en gingen hun weg; zij gingen langs zijn broers, en zijn broers zagen Jozef in de hand van de Midianieten. Brontekst: ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | לו (lo) = naar hem | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = naar hem | מי (mi) = wie | אתה (attah) = jij | ומי (umei) = en wie | הביאך (hevi'ekh) = heeft je gebracht | הלום (halom) = hierheen | ומי (umei) = en wie | שמך (shemekha) = heeft je gezet | בבור (babor) = in de put | הזה (hazzeh) = deze | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | ויתנו (vayittenu) = en zij reikten | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידם (yadam) = hun hand | וישאו (vayis'u) = en zij tilden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | וימשכו (vayimshekhu) = en zij trokken | ויעלוהו (vaya'aluhu) = en zij haalden hem omhoog | מן (min) = uit | הבור (habor) = de put | ויקחוהו (vayiqachuhu) = en zij namen hem | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להם (lahem) = (zich) | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | ויעברו (vaya'avru) = en zij gingen voorbij | מאצל (me'etsel) = langs | אחיו (achiv) = zijn broers | ויראו (vayiru) = en zij zagen | אחיו (achiv) = zijn broers | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ביד (beyad) = in de hand van | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:8** Zij zeiden tegen hen: „Waarom doen jullie dit, onze slaaf van ons afnemen en weggaan? Wij hebben die jongen toch in de put gezet, omdat hij tegen ons in opstand is gekomen. Jullie komen, halen hem omhoog en voeren hem mee. Geef ons nu onze slaaf terug.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | למה (lammah) = waarom | תעשו (ta'asu) = doen jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדנו (avdenu) = onze slaaf | מאיתנו (me'itanu) = van ons | ותלכו (vetelkhu) = en gaan jullie weg | לכם (lakhem) = weg | הלא (halo) = immers | אנחנו (anachnu) = wij | אשר (asher) = die | שמנו (samnu) = wij hebben gezet | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנער (hanna'ar) = de jongen | הזה (hazzeh) = deze | בבור (babor) = in de put | כי (ki) = want | מרד (Mered) = is hij in opstand gekomen | בנו (beno) = tegen ons | ותבואו (vatavo'u) = en jullie komen | אתם (ittam) = jullie | ותעלו (vete'alu) = en jullie halen omhoog | אותו (oto) = hem | ותוליכו (vetolikhu) = en jullie voeren mee | אותו (oto) = hem | ועתה (ve'attah) = en nu | תנו (tenu) = geef | לנו (lanu) = ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדנו (avdenu) = onze slaaf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:9** De Midianieten antwoordden de zonen van Jakob: „Is dit jullie slaaf, of dient deze man jullie? Misschien zijn jullie allemaal slaven van hem, want hij is mooi van gestalte, mooi van aanzien en beter om te zien dan jullie allen. En waarom spreken jullie allemaal leugens tegen ons? Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הזה (hazzeh) = is deze | הוא (hu) = hij | עבדכם (avdekhem) = jullie slaaf | או (o) = of | הזה (hazzeh) = is deze man | ישרת (yesharet) = dient | אתכם (etkhem) = jullie | אולי (ulai) = misschien | כולכם (kulkhem) = jullie allen | עבדים (avadim) = slaven | לו (lo) = van hem | כי (ki) = want | הוא (hu) = hij | יפה (yafah) = mooi | תואר (to'ar) = van gestalte | ויפה (veyefeh) = en mooi | מראה (mar'eh) = van aanzien | וטוב (vetov) = en goed | רואי (ro'i) = van aanblik | הוא (hu) = hij | מכולכם (mikulkhem) = dan jullie allen | ולמה (velamah) = en waarom | תדברו (tedaberu) = spreken jullie | כולכם (kulkhem) = jullie allen | אלינו (elenu) = tegen ons | כזבים (kezavim) = leugens Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:10** Nu dan, wij zullen niet naar jullie woorden luisteren en jullie geen gehoor geven, want wij hebben de jongen in de put in de woestijn gevonden, en wij hebben hem genomen en gaan verder.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | לא (lo) = niet | נשמע (nishma) = zullen wij luisteren | לדבריכם (leDivrekhem) = naar jullie woorden | ולא (velo) = en niet | נאזין (na'azin) = zullen wij gehoor geven | אליכם (aleikhem) = tot jullie | כי (ki) = want | אנחנו (anachnu) = wij | מצאנו (matsanu) = hebben wij gevonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנער (hanna'ar) = de jongen | בבור (babor) = in de put | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | ונקחהו (venikachehu) = en wij hebben hem genomen | ונלך (venelekh) = en gaan wij verder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Simeon **42:11** Alle zonen van Jakob kwamen naar hen toe, stonden tegen hen op en zeiden tegen hen: „Geef ons onze slaaf terug! Waarom zouden jullie allemaal door het zwaard sterven?” De Midianieten schreeuwden tegen hen, en zij trokken allen hun zwaarden en kwamen naderbij om tegen de zonen van Jakob te strijden. Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | אליהם (aleihem) = tot hen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | עליהם (aleihem) = tegen hen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | תנו (tenu) = geef | לנו (lanu) = voor ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדינו (avdenu) = onze slaaf | ולמה (velamah) = en waarom | תמותו (tamutu) = zullen jullie sterven | כולכם (kulkhem) = jullie allen | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij schreeuwden | עליהם (aleihem) = tegen hen | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | וישלפו (vayishlefu) = en zij trokken | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | חרבותיהם (charvoteihem) = hun zwaarden | ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | להלחם (lehilachem) = om te strijden | בבני (bivnei) = tegen de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:12** Maar Simeon stond op van zijn plaats tegen hen en sprong op de grond, trok zijn zwaard, ging naar de Midianieten toe en slaakte een luide kreet voor hen; zijn kreet werd tot ver weg gehoord, en de aarde beefde door het geschreeuw van Simeon. Brontekst: והנה (vehinneh) = en zie | שמעון (Shim'on) = Simeon | קם (qam) = stond op | ממושבו (mimoshavo) = van zijn plaats | עליהם (aleihem) = tegen hen | וידלג (vayedalleg) = en hij sprong | בארץ (ba'arets) = op de grond | וישלוף (vayishlof) = en hij trok | את (et) = (lijdend voorwerp) | חרבו (charvu) = zijn zwaard | ויגש (vayyigash) = en hij naderde | אל (el) = tot | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | ויצעק (vayits'aq) = en hij slaakte | צעקה (tse'aqah) = geschreeuw | גדולה (gedolah) = grote | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ותשמע (vattishma) = en werd gehoord | צעקתו (tse'aqato) = zijn geschreeuw | למרחוק (lemerachoq) = tot ver weg | ותרעש (vatir'ash) = en beefde | הארץ (ha'arets) = de aarde | מצעקת (mitse'akat) = door het geschreeuw van | שמעון (Shim'on) = Simeon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:13** De Midianieten werden bang voor Simeon en voor het geluid van zijn geschreeuw, zij vielen op hun gezicht en waren zeer verschrikt. Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | מפני (mippenei) = voor | שמעון (Shim'on) = Simeon | ומקול (umikol) = en door het geluid van | צעקתו (tse'aqato) = zijn geschreeuw | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | על (al) = op | פניהם (penehem) = hun gezichten | ויבהלו (vayibbahalu) = en zij schrokken | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:14** Simeon zei tegen hen: „Ben ik niet Simeon, de zoon van Jakob de Hebreeër, die heel de stad Sichem alleen heb verwoest, en met mijn broers de steden van de Amorieten? Zo moge Elohim mij doen, en nog meer: al kwamen alle mannen van Midian, jullie broers, en ook de koningen van Kanaän met jullie mee, zij zouden niet tegen mij kunnen strijden. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | שמעון (Shim'on) = Simeon | הלא (halo) = immers | אנוכי (anokhi) = ik | שמעון (Shim'on) = Simeon | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | אשר (asher) = die | החרבתי (hecheravti) = heb ik verwoest | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = heel | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | לבדי (levadi) = alleen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | ערי ('eri) = steden van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | עם (im) = met | אחיי (achai) = mijn broers | כה (koh) = zo | יעשה (ya'aseh) = moge Hij doen | לי (li) = voor mij | אלוקים (Elohim) = Elohim | וכה (vekho) = en zo | יוסיף (yosif) = moge Hij toevoegen | כי (ki) = dat | אם (em) = als | באו (ba'u) = kwamen | אתכם (etkhem) = met jullie | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | מדין (Midyan) = Midian | אחיכם (acheikhem) = jullie broers | וגם (vegam) = en ook | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | איתכם (ittekhem) = met jullie | לא (lo) = niet | יוכלו (yukhlu) = zullen zij kunnen | להלחם (lehilachem) = om te strijden | בי (bi) = tegen mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **42:15** Geef nu de jongen terug die jullie hebben genomen, anders geef ik jullie vlees aan het gevogelte van de hemel en aan het gedierte van de aarde.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | תנו (tenu) = geef | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנער (hanna'ar) = de jongen | אשר (asher) = die | לקחתם (lekachtem) = jullie hebben genomen | פן (pen) = anders | אתן (etten) = zal ik geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | בשרכם (besarkhem) = jullie vlees | לעוף (le'of) = aan het gevogelte van | השמים (hashamayim) = de hemel | ולבהמת (ulvehemat) = en aan het gedierte van | הארץ (ha'arets) = de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:16** De Midianieten werden nog banger voor Simeon en kwamen vol schrik en angst naar de zonen van Jakob toe, en zij zeiden met zachte woorden: Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | עוד (od) = nog | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | מפני (mippenei) = vanwege | שמעון (Shim'on) = Simeon | ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בפחד (bepachad) = in schrik | ואימה (ve'ema) = en angst | ובדברי (uvedivrei) = en met woorden van | רכה (rakka) = zachte | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De verkoop **42:17** „Hebben jullie niet gezegd dat die jongen jullie slaaf is, en dat hij tegen jullie in opstand is gekomen en jullie hem daarom in de put hebben gezet? Wat kunnen jullie met een slaaf doen die tegen zijn heer in opstand komt? Verkoop hem nu aan ons, en wij zullen jullie geven wat jullie ervoor willen.” En Yahweh wilde dit doen, opdat de zonen van Jakob hun broer niet zouden doden. Brontekst: הלא (halo) = immers | כי (ki) = dat | אמרתם (amartem) = jullie hebben gezegd | עבדכם (avdekhem) = jullie slaaf | הוא (hu) = hij | הנער (hanna'ar) = de jongen | הזה (hazzeh) = deze | וימרוד (vayimrod) = en hij kwam in opstand | בכם (bakhem) = tegen jullie | על (al) = daarom | כן (ken) = — | שמתם (samtem) = jullie hebben gezet | אותו (oto) = hem | בבור (babor) = in de put | ומה (umah) = en wat | תעשו (ta'asu) = doen jullie | לכם (lakhem) = ermee | בעבד (be'eved) = met een slaaf | אשר (asher) = die | ימרוד (yimrod) = in opstand komt | באדוניו (be'adonav) = tegen zijn heer | עתה (attah) = nu | מכרו (mikhru) = verkoop | אותו (oto) = hem | לנו (lanu) = aan ons | ונתנה (venitna) = en wij zullen geven | לכם (lakhem) = aan jullie | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | תחפצו (tachpetsu) = jullie willen | בו (bo) = voor hem | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | חפץ (chafets) = wilde | לעשות (la'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לבלתי (levilti) = opdat niet | המית (hemit) = zouden doden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיהם (achihem) = hun broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:18** De Midianieten zagen dat Jozef mooi van gestalte en mooi van aanzien was, en zij begeerden hem in hun hart en drongen er sterk op aan hem van zijn broers te kopen. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | יפה (yafah) = mooi | תואר (to'ar) = van gestalte | ויפה (veyefeh) = en mooi | מראה (mar'eh) = van aanzien | ויחמדו (vayachmedu) = en zij begeerden | אותו (oto) = hem | בלבם (belibbam) = in hun hart | ויתחזקו (vayitchazqu) = en zij drongen aan | לקנות (liknot) = te kopen | אותו (oto) = hem | מאת (me'et) = van | אחיו (achiv) = zijn broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:19** De zonen van Jakob luisterden naar de Midianieten en verkochten hun broer Jozef aan hen voor twintig zilverstukken; Ruben, hun broer, was niet bij hen. De Midianieten namen Jozef mee en gingen hun weg naar Gilead. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij luisterden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = naar | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | וימכרו (veyimkeru) = en zij verkochten | אליהם (aleihem) = aan hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיהם (achihem) = hun broer | בעשרים (be'esrim) = voor twintig | כסף (kesef) = zilver | וראובן (vera'uven) = en Ruben | אחיהם (achihem) = hun broer | אין (ein) = er is niet | איתם (ittam) = bij hen | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להם (lahem) = (zich) | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | גלעדה (gil'ada) = naar Gilead Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:28 (zij verkochten Jozef voor twintig zilverstukken). Daar blijft onduidelijk wie hem verkoopt; Jasher laat de broers hem aan de Midianieten verkopen (v. 19) en de Midianieten hem aan de Ismaëlieten (v. 24). Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Gen 37:28 ### Berouw **42:20** Terwijl zij op weg waren, kregen de Midianieten berouw over wat zij hadden gedaan, dat zij de jongen hadden gekocht, en zij zeiden tegen elkaar: „Wat hebben wij gedaan, dat wij deze jongen van de Hebreeën hebben genomen, die zo mooi van gestalte en mooi van aanzien is? Brontekst: המה (hemmah) = zij | הולכים (holekhim) = gaande | בדרך (baderekh) = onderweg | וינחמו (vayenachamu) = en zij kregen berouw | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | על (al) = over | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = zij hadden gedaan | אשר (asher) = dat | קנו (kanu) = zij hadden gekocht | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנער (hanna'ar) = de jongen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = wat | עשינו (asinu) = wij hebben gedaan | אשר (asher) = dat | לקחנו (lakachnu) = wij hebben genomen | מאת (me'et) = van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | הנער (hanna'ar) = de jongen | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | הוא (hu) = hij | יפה (yafah) = mooi | תואר (to'ar) = van gestalte | ויפה (veyefeh) = en mooi | מראה (mar'eh) = van aanzien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:21** Misschien is deze wel gestolen uit het land van de Hebreeën. Waarom hebben wij dit gedaan? En als hij gezocht wordt en bij ons wordt gevonden, zullen wij om hem sterven. Brontekst: אולי (ulai) = misschien | כי (ki) = dat | גנוב (ganov) = waarlijk | גונב (gunav) = gestolen | זה (ze) = deze | מארץ (me'erets) = uit het land | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | למה (lammah) = waarom | עשינו (asinu) = wij hebben gedaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | יבוקש (yevukash) = hij gezocht wordt | ונמצא (venimtsa) = en hij gevonden wordt | בידינו (beyadenu) = in onze hand | ומתנו (umetnu) = dan zullen wij sterven | בו (bo) = om hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:22** Zijn dit niet harde en sterke mannen? Jullie hebben vandaag de kracht van een van hen gezien. Zij hebben hem aan ons verkocht; misschien hebben zij hem met hun kracht en hun harde arm uit zijn land gestolen, en hebben zij hem daarom voor een geringe prijs aan ons verkocht, die jullie hun gaven.” Brontekst: והלא (vehalo) = zijn dit niet | אנשים (anashim) = mannen | קשים (kashim) = hard | וחזקים (vachazaqim) = en sterk | כאשר (ka'asher) = zoals | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | היום (hayyom) = vandaag | את (et) = (lijdend voorwerp) | גבורת (gevurat) = de kracht van | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | מכרו (mikhru) = zij hebben verkocht | אותו (oto) = hem | אלינו (elenu) = aan ons | אולי (ulai) = misschien | כי (ki) = dat | בכוחם (bekocham) = door hun kracht | ובזרועם (uvizro'am) = en met hun arm | הקשה (haqasha) = de harde | גנבוהו (genavuhu) = zij hebben hem gestolen | מארצו (me'artso) = uit zijn land | על (al) = daarom | כן (ken) = — | מכרו (mikhru) = zij hebben verkocht | אותו (oto) = hem | במחיר (bimchir) = voor een prijs | מועט (mu'at) = gering | אשר (asher) = die | נתתם (nattem) = jullie gaven | להם (lahem) = aan hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:23** Terwijl zij zo spraken, zagen zij dat de karavaan van Ismaëlieten die eerst was gekomen, die de zonen van Jakob hadden gezien, steeds dichterbij kwam, de Midianieten tegemoet. De Midianieten zeiden tegen elkaar: „Kom, laten wij deze jongen verkopen aan de karavaan van Ismaëlieten die ons tegemoet komt; laten wij er ook het beetje prijs voor nemen dat wij ervoor gaven, en laten wij van zijn kwaad gered worden.” En zij deden zo. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בדברם (bedabram) = terwijl zij spraken | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | ארחת (orchat) = karavaan van | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | הבאה (habba'ah) = die kwam | בתחילה (battechillah) = in het begin | אשר (asher) = die | ראו (ra'u) = zij zagen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הולכת (holekhet) = gaande | ובאה (uva'a) = en komende | לקראת (liqrat) = tegemoet | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | לכו (lekhu) = kom | ונמכור (venimkor) = laten wij verkopen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנער (hanna'ar) = de jongen | הזה (hazzeh) = deze | לארחת (le'orchat) = aan de karavaan van | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | הבאים (habba'im) = die komen | לקראתנו (likratenu) = ons tegemoet | וניקח (vanniqach) = en laten wij nemen | בו (bo) = voor hem | אף (af) = zelfs | את (et) = (lijdend voorwerp) | המחיר (hamechir) = de prijs | המעט (hame'at) = het beetje | אשר (asher) = die | נתנו (netano) = wij gaven | בו (bo) = voor hem | ונוצל (venivatsel) = en laten wij gered worden | מרעתו (mera'ato) = van zijn kwaad | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 37:28 **42:24** Zij bereikten die Ismaëlieten, en de Midianieten verkochten Jozef aan de Ismaëlieten voor twintig zilverstukken, die zij aan zijn broers voor hem hadden gegeven. Brontekst: ויגיעו (vayagi'u) = en zij bereikten | עד (ad) = tot | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | ההם (hahem) = die | וימכרו (veyimkeru) = en zij verkochten | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | לישמעאלים (layishme'elim) = aan de Ismaëlieten | בעשרים (be'esrim) = voor twintig | כסף (kesef) = zilver | אשר (asher) = die | נתנו (netano) = zij gaven | בו (bo) = voor hem | לאחיו (le'achiv) = aan zijn broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:25** De Midianieten gingen hun weg naar Gilead, en de Ismaëlieten namen Jozef mee, lieten hem op de kamelen rijden en voerden hem naar Egypte. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | גלעדה (gil'ada) = naar Gilead | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | וירכיבוהו (vayarkivuhu) = en zij lieten hem rijden | על (al) = op | הגמלים (haggemalim) = de kamelen | ויוליכוהו (vayolikhuhu) = en zij voerden hem mee | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Op weg naar Egypte **42:26** Jozef hoorde dat de Ismaëlieten naar Egypte gingen, en hij schreeuwde en weende om deze zaak, omdat hij ver weg was van het land Kanaän, van zijn vader. Jozef weende zeer op de kameel waarop hij reed, en een van hun mannen zag hem, liet hem van de kameel afstappen en liet hem te voet gaan; maar toch bleef Jozef schreeuwen en wenen, en hij zei: „Mijn vader, mijn vader!” Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = dat | הולכים (holekhim) = gaande | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויבכה (vayevke) = en hij weende | על (al) = op | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = want | התרחק (hitrachek) = hij ver weg was | מארץ (me'erets) = van | כנען (Kena'an) = Kanaän | מאביו (me'aviv) = van zijn vader | ויבך (vayevk) = en weende | יוסף (Yosef) = Jozef | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = op | הגמל (higgamel) = de kameel | אשר (asher) = die | רכב (rekhev) = hij reed | עליו (alav) = erop | וירא (vayyera) = en hij zag | אותו (oto) = hem | איש (ish) = een man | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | ויורידהו (vayoridehu) = en liet hem afdalen | מעל (me'al) = van | הגמל (higgamel) = de kameel | וילך (vayelekh) = en hij ging | ברגליו (beraglav) = op zijn voeten | ובכל (uvkhol) = en ondanks | זאת (zot) = dit | היה (hayah) = hij was | יוסף (Yosef) = Jozef | צועק (tso'eq) = schreeuwend | ובוכה (uvokheh) = en wenend | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אבי (avi) = mijn vader | אבי (avi) = mijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **42:27** Een van die Ismaëlieten stond tegen hem op en sloeg Jozef op de wang, maar Jozef bleef nog wenen. Jozef werd moe onderweg en kon van de bitterheid van zijn ziel niet verder lopen, en zij sloegen hem allemaal en vernederden hem onderweg en joegen hem schrik aan, opdat hij zou ophouden met wenen. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | עליו (alav) = tegen hem | איש (ish) = een man | אחד (echad) = één | מהישמעאלים (mehayishme'elim) = van de Ismaëlieten | ההם (hahem) = die | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | על (al) = op | הלחי (halechi) = de wang | ויוסף (vayosef) = en hij ging voort | עוד (od) = nog | יוסף (Yosef) = Jozef | לבכות (livkot) = te wenen | וילאה (vayele) = en werd moe | יוסף (Yosef) = Jozef | בדרך (baderekh) = onderweg | ולא (velo) = en niet | יכול (yakhol) = hij kon | ללכת (lalekhet) = te lopen | ממר (mimar) = van de bitterheid van | נפשו (nafsho) = zijn ziel | ויכוהו (vayakuhu) = en zij sloegen hem | כולם (kullam) = allen | ויענוהו (vaya'anuhu) = en zij vernederden hem | בדרך (baderekh) = onderweg | ויפחידו (vayafchidu) = en zij joegen hem schrik aan | אותו (oto) = hem | למען (lema'an) = opdat | יחריש (yacharish) = hij zou zwijgen | מהבכי (mehabekhi) = van het wenen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:28** Yahweh zag de ellende van Jozef en zijn moeite, en Yahweh liet duisternis en paniek neerkomen over die mannen, en de hand van ieder die hem sloeg, verdorde. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | עוני (oni) = de ellende van | יוסף (Yosef) = Jozef | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | עמלו (amalo) = zijn moeite | ויורד (vayored) = en liet neerkomen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = op | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | חושך (choshekh) = duisternis | ובהלה (uvehala) = en paniek | ותיבש (vatevash) = en verdorde | יד (yad) = hand van | כל (kol) = ieder | מכהו (makehu) = die hem sloeg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Bij Rachels graf **42:29** Zij zeiden tegen elkaar: „Wat is dit dat Elohim ons onderweg heeft aangedaan?” Maar zij wisten niet dat dit hun vanwege Jozef overkwam. De mannen gingen verder over de weg en kwamen langs de weg naar Efrata, waar Rachel begraven ligt. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | אלוקים (Elohim) = Elohim | לנו (lanu) = voor ons | בדרך (baderekh) = onderweg | הזאת (hazzo't) = deze | והם (vehem) = en zij | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | כי (ki) = dat | בעבור (ba'avur) = vanwege | יוסף (Yosef) = Jozef | קרה (qarah) = overkwam | להם (lahem) = hun | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | האנשים (ha'anashim) = de mannen | בדרך (baderekh) = onderweg | ויעברו (vaya'avru) = en zij kwamen langs | מדרך (middarekh) = langs de weg van | אפרת (efrat) = Efrata | אשר (asher) = die is | עם (im) = bij | קבורת (qevurat) = het graf van | רחל (Rachel) = Rachel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:19–20 (Rachel stierf en werd begraven langs de weg naar Efrata). Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 35:19–20; Gen 37:28 **42:30** Jozef kwam bij het graf van zijn moeder; hij haastte zich en rende naar het graf van zijn moeder. Brontekst: ויגיע (vayagia) = en bereikte | יוסף (Yosef) = Jozef | עד (ad) = tot aan | קבר (qever) = het graf van | אמו (immo) = zijn moeder | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | וירץ (vayyarots) = en hij rende | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = naar | קבר (qever) = het graf van | אמו (immo) = zijn moeder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:31** Hij zei: „Mijn moeder, mijn moeder, die mij gebaard hebt, word wakker, sta op en zie je zoon, hoe hij als slaaf verkocht is, en er is niemand die medelijden heeft. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אמי (immi) = mijn moeder | אמי (immi) = mijn moeder | יולדתני (yoladetni) = die mij gebaard hebt | עורי (uri) = word wakker | וקומי (vequmi) = en sta op | וראי (ur'i) = en zie | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | איך (ekh) = hoe | נמכר (nimkar) = hij verkocht is | לעבד (le'eved) = als slaaf | ואין (veein) = en er is niemand | מרחם (merachem) = die medelijden heeft Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:32** Sta op, zie je zoon en kijk naar hem, en zie de tranen van mijn ogen die over mijn wangen stromen. Mijn moeder, mijn moeder, word wakker en ontwaak, sta op en zie je zoon, je zoon, en ween met hem om zijn nood, en zie het hart van mijn broers, hoe wreed het is. Brontekst: קומי (qumi) = sta op | וראי (ur'i) = en zie | בנך (bincha) = je zoon | והביטי (vehabiti) = en kijk | אליו (elav) = naar hem | וראי (ur'i) = en zie | את (et) = (lijdend voorwerp) | דמעות (dim'ot) = tranen van | עיני (eni) = mijn ogen | הנוזלות (hanozlot) = die stromen | על (al) = over | לחיי (lechayyei) = mijn wangen | אמי (immi) = mijn moeder | אמי (immi) = mijn moeder | עורי (uri) = word wakker | והקיצי (vehaqitsi) = en ontwaak | קומי (qumi) = sta op | וראי (ur'i) = en zie | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | ובכי (uvekhi) = en ween | עמו (immo) = met hem | על (al) = op | צרתו (tsarato) = zijn nood | וראי (ur'i) = en zie | את (et) = (lijdend voorwerp) | לב (lev) = het hart van | אחיי (achai) = mijn broers | האכזרי (ha'akhzari) = het wrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:33** Word wakker, mijn moeder, word wakker en ontwaak uit je slaap, sta op en voer je strijd tegen mijn broers. Hoe hebben zij mij mijn kleed uitgetrokken en mij al tweemaal als slaaf verkocht, en mij van mijn vader gescheiden, en er is niemand die medelijden heeft! Brontekst: עורי (uri) = word wakker | אמי (immi) = mijn moeder | עורי (uri) = word wakker | והקיצי (vehaqitsi) = en ontwaak | משנתיך (mishenatekh) = uit je slaap | עמדי (ami) = sta op | וערכי (va'arkhi) = en voer | מלחמותייך (milchamotayikh) = je strijd | נגד (neged) = tegenover | אחי (echi) = mijn broers | איכה (eikhah) = hoe | הפשיטו (hifshitu) = zij hebben ontkleed | אותי (oti) = mij | מכתנתי (mikutanti) = van mijn kleed | וימכרו (veyimkeru) = en zij verkochten | איתי (itti) = mij | לעבד (le'eved) = tot slaaf | זה (ze) = al | פעמים (pe'amim) = tweemaal | ויפרידו (vayafridu) = en zij hebben gescheiden | אותי (oti) = mij | מאבי (me'avi) = van mijn vader | ואין (veein) = en er is niemand | מרחם (merachem) = die medelijden heeft Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: זה פעמים (‘al tweemaal’): Jozef is dan twee keer verkocht, door zijn broers aan de Midianieten (v. 19) en door de Midianieten aan de Ismaëlieten (v. 24). **42:34** Word wakker en breng je zaak tegen hen voor Elohim, en zie wie Elohim in het gericht gelijk zal geven en wie Hij schuldig zal verklaren. Brontekst: עורי (uri) = word wakker | וערכי (va'arkhi) = en leg voor | את (et) = (lijdend voorwerp) | טענותייך (ta'anotayikh) = je pleidooi | נגדם (neggedam) = tegenover hen | לפני (lifnei) = voor | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | וראי (ur'i) = en zie | את (et) = (lijdend voorwerp) | מי (mi) = wie | יצדיק (yatsdiq) = gelijk zal geven | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | במשפט (bamishpat) = in het gericht | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מי (mi) = wie | ירשיע (yarshi'a) = schuldig zal verklaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:35** Sta op, mijn moeder, sta op en ontwaak uit je slaap, en zie mijn vader, hoe zijn ziel en zijn hart vandaag bij mij zijn; sta op, troost hem en spreek tot zijn hart.” Brontekst: קומי (qumi) = sta op | אמי (immi) = mijn moeder | קומי (qumi) = sta op | והקיצי (vehaqitsi) = en ontwaak | משנתיך (mishenatekh) = uit je slaap | וראי (ur'i) = en zie | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבי (avi) = mijn vader | איכה (eikhah) = hoe | נפשו (nafsho) = zijn ziel | ולבו (velibo) = en zijn hart | עלי (alay) = om mij | ביום (beyom) = op de dag | הזה (hazzeh) = deze | עמדי (ami) = sta op | ונחמיהו (venachamihu) = en troost hem | ודברי (udavri) = en spreek | על (al) = tot | לבו (libbo) = zijn hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:36** Jozef bleef nog meer van deze woorden spreken; hij schreeuwde en weende luid op het graf van zijn moeder. Toen hield hij op met spreken en werd stil als een steen op het graf, van de bitterheid van zijn hart. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en hij bleef | עוד (od) = nog | לדבר (laddavar) = om te spreken | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | ויבך (vayevk) = en weende | יוסף (Yosef) = Jozef | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | על (al) = op | קבר (qever) = het graf van | אמו (immo) = zijn moeder | ויכל (vayekhal) = en hij hield op | לדבר (laddavar) = om te spreken | וידום (vayidom) = en hij werd stil | כאבן (ke'even) = als een steen | על (al) = op | הקבר (haqever) = het graf | ממר (mimar) = van de bitterheid van | לבו (libbo) = zijn hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:37** Jozef hoorde de stem van iemand die van onder de grond tot hem sprak; die antwoordde hem met bitter hart, met de stem van geween en smeking, met deze woorden: Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = stem van | מדבר (medabber) = sprekend | אליו (elav) = tegen hem | מתחת (mittachat) = van onder | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויענהו (vaya'anehu) = en antwoordde hem | במר (bemar) = in bitterheid van | לב (lev) = hart | ובקול (uvekol) = en met de stem van | בכי (bekhi) = geween | ותחינה (vetachina) = en smeking | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:38** „Mijn zoon, mijn zoon Jozef, mijn zoon, ik heb de stem van je geween gehoord en de stem van je geschreeuw; ik heb je tranen gezien, ik ken je nood, mijn zoon, en het benauwt mij om jou, en er komt verdriet bij mijn verdriet. Brontekst: בני (bnei) = mijn zoon | בני (bnei) = mijn zoon | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | שמעתי (shamati) = ik heb gehoord | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = stem van | בכייתך (bekhiyatekh) = je geween | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | קול (qol) = stem van | צעקותיך (tse'aqotekh) = je geschreeuw | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | דמעותיך (dim'otekh) = je tranen | ידעתי (yada'ti) = ik ken | את (et) = (lijdend voorwerp) | צרתך (tsaratekh) = je nood | בני (bnei) = mijn zoon | ויצר (veyetser) = en het benauwt | לי (li) = mij | עליך (aleikha) = om jou | ותוסף (vattosef) = en er komt bij | לי (li) = voor mij | יגון (yagon) = verdriet | על (al) = op | יגוני (yegoni) = mijn verdriet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:39** Nu dan, mijn zoon Jozef, mijn zoon, wacht op Yahweh en verwacht Hem, en wees niet bang, want Yahweh is met je; Hij zal je redden uit alle nood. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | בני (bnei) = mijn zoon | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | חכה (chakke) = wacht | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | והתחולל (vehitcholel) = en verwacht | לו (lo) = Hem | ואל (ve'el) = en wees niet | תירא (tira) = bang | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עמך (immekha) = met je | הוא (hu) = Hij | יציל (yatsil) = zal redden | אותך (otekha) = jou | מכל (mikkol) = van elke | צרה (tsarah) = nood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:40** Sta op, mijn zoon, en ga naar Egypte met je heren, en wees niet bang, want Elohim is met je, mijn zoon.” En zij bleef nog meer van deze woorden tot Jozef spreken, en toen zweeg zij. Brontekst: קום (qum) = sta op | בני (bnei) = mijn zoon | ולך (ulekha) = en ga | לך (lekha) = heen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | עם (im) = met | אדוניך (adonekha) = je heren | ואל (ve'el) = en wees niet | תירא (tira) = bang | כי (ki) = want | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | עמך (immekha) = met je | בני (bnei) = mijn zoon | ותוסף (vattosef) = en zij vervolgde | לדבר (laddavar) = om te spreken | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | ותדום (vatiddom) = en zweeg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ותוסף … ותדום (‘en zij bleef spreken … en zij zweeg’): de werkwoordsvormen zijn vrouwelijk. In v. 37 wordt de spreker niet genoemd; bij Rachels graf wijst dit op Rachel zelf. **42:41** Jozef hoorde dit en verbaasde zich daar zeer over, en hij bleef wenen. Daarna zag een van die Ismaëlieten hem schreeuwen en wenen op het graf, en zijn toorn laaide tegen hem op; hij joeg hem daarvandaan weg, sloeg hem en vervloekte hem. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויתמה (vayitmah) = en hij verbaasde zich | מאוד (me'od) = zeer | מזה (mizzeh) = hierover | ויוסף (vayosef) = en hij bleef | עוד (od) = nog | לבכות (livkot) = te wenen | וירא (vayyera) = en hij zag | אותו (oto) = hem | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dit | אחד (echad) = één | מהישמעאלים (mehayishme'elim) = van de Ismaëlieten | ההם (hahem) = die | צועק (tso'eq) = schreeuwend | ובוכה (uvokheh) = en wenend | על (al) = op | הקבר (haqever) = het graf | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפו (appo) = zijn toorn | עליו (alav) = tegen hem | ויגרשהו (vayegarshehu) = en hij verjoeg hem | משם (misham) = vandaar | ויכהו (vayakehu) = en hij sloeg hem | ויקללהו (vaykalelehu) = en hij vervloekte hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:42** Jozef zei tegen de mannen: „Laat mij gunst vinden in jullie ogen, en breng mij terug naar het huis van mijn vader, dan zal hij jullie rijk maken met grote rijkdom.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אמצא (emtsa) = laat mij vinden | חן (chen) = gunst | בעיניכם (be'eineikhem) = in jullie ogen | אשר (asher) = opdat | תשיבוני (tashivuni) = jullie mij terugbrengen | בית (bet) = het huis van | אבי (avi) = mijn vader | והוא (vehu) = en hij | יעשיר (ya'ashir) = zal verrijken | אתכם (etkhem) = jullie | עושר (osher) = rijkdom | רב (rav) = groot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:43** Zij antwoordden hem: „Ben je niet een slaaf? Waar is je vader? En als je een vader had, zou je niet al tweemaal voor weinig geld als slaaf verkocht zijn.” Hun toorn laaide zeer tegen hem op en zij bleven hem slaan en kastijden, en Jozef weende luid. Brontekst: ויענוהו (vaya'anuhu) = en zij antwoordden hem | לאמור (lemor) = zeggende | הלא (halo) = immers | עבד (eved) = slaaf | אתה (attah) = jij | איפה (eifoh) = waar | אביך (avikha) = je vader | ואם (ve'im) = en als | יש (yesh) = is er | לך (lekha) = aan jou | אביך (avikha) = je vader | לא (lo) = niet | תמכר (timmakher) = je zou verkocht zijn | לעבד (le'eved) = tot slaaf | במעט (bime'at) = voor weinig | מחיר (mechir) = een prijs | זה (ze) = al | פעמים (pe'amim) = tweemaal | ויחר (vayyichar) = en laaide op | אפם (appam) = hun toorn | עליו (alav) = tegen hem | מאוד (me'od) = zeer | ויוסיפו (vayosifu) = en zij gingen voort | להכותו (lehakkoto) = om hem te slaan | ולייסרו (uleyasro) = en hem te kastijden | עוד (od) = nog | ויבך (vayevk) = en weende | יוסף (Yosef) = Jozef | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De storm **42:44** Yahweh zag de ellende van Jozef, en opnieuw trof Yahweh die mannen en tuchtigde hen; Yahweh zond een zeer sterke wind over hen, en de aarde werd donker boven hen, er flitsten bliksems en er donderden donderslagen, en de aarde beefde door het geluid van de donder en de sterke wind. De mannen werden verschrikt en wisten niet waarheen zij gingen. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | עוני (oni) = de ellende van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויוסף (vayosef) = en opnieuw | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויך (vayyakh) = en hij trof | את (et) = (lijdend voorwerp) | האנשים (ha'anashim) = de mannen | וייסרם (vayyasserem) = en tuchtigde hen | וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עליהם (aleihem) = over hen | רוח (ruach) = wind | חזק (chazaq) = sterk | מאוד (me'od) = zeer | ותחשך (vattechshakh) = en werd donker | עליהם (aleihem) = over hen | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויברקו (vayivrequ) = en er flitsten | ברקים (beraqim) = bliksems | וירעמו (vayir'amu) = en er donderden | רעמים (re'amim) = donderslagen | ותרעש (vatir'ash) = en beefde | הארץ (ha'arets) = de aarde | מקול (miqqol) = door het geluid van | הרעם (hara'am) = de donder | והרוח (veharuach) = en de wind | החזק (hechazaq) = sterke | ויבהלו (vayibbahalu) = en zij schrokken | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ולא (velo) = en niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | אנה (anah) = waarheen | הלכו (halekhu) = zij gingen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:45** De dieren en alle kamelen bleven staan; zij dreven ze voort, maar ze konden niet lopen; zij sloegen ze, en ze gingen op de grond liggen. De mannen zeiden tegen elkaar: „Wat heeft Elohim ons aangedaan? Wat is onze overtreding en wat zijn onze zonden, dat ons dit vandaag overkomt?” Brontekst: ויעמדו (vaya'amdu) = en bleven staan | הבהמות (habbehemot) = het vee | וכל (vekhol) = en alle | הגמלים (haggemalim) = de kamelen | וינהגום (vayinhagum) = en zij dreven hen | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | ללכת (lalekhet) = te lopen | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | אותם (otam) = hen | וירבצו (vayirbetsu) = en zij gingen liggen | לארץ (la'arets) = op de grond | ויאמר (vayomer) = en zei | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | מה (mah) = wat | זאת (zot) = deze | עשה (asah) = heeft gedaan | אלוקים (Elohim) = Elohim | לנו (lanu) = voor ons | מה (mah) = wat | פשעינו (pish'enu) = onze overtreding | ומה (umah) = en wat | חטאתינו (chatoteinu) = onze zonden | כי (ki) = dat | קרה (qarah) = overkwam | לנו (lanu) = voor ons | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:46** Een van hen antwoordde en zei tegen hen: „Misschien is het vanwege de schuld van deze arme slaaf dat ons dit vandaag is overkomen. Zoek nu zijn gunst en dring bij hem aan dat hij ons vergeeft; dan zullen wij weten ter wille van wie dit kwaad ons treft. En als Elohim zich over ons ontfermt, dan weten wij dat dit alles ons overkwam vanwege de schuld van deze slaaf.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | האחד (ha'echad) = de een | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | אולי (ulai) = misschien | מעון (me'on) = vanwege de schuld van | העבד (ha'eved) = slaaf | העני (ha'ani) = de arme | הזה (hazzeh) = deze | קרה (qarah) = overkwam | לנו (lanu) = voor ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | היום (hayyom) = vandaag | ועתה (ve'attah) = en nu | חלו (chalu) = zoek de gunst van | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | פניו (panav) = zijn aangezicht | ופצרו (ufitsru) = en dring aan | בו (bo) = bij hem | וימחול (vayimchol) = dat hij vergeeft | לנו (lanu) = voor ons | ואז (ve'az) = en dan | נדע (neda) = zullen wij weten | באשר (ba'asher) = ter wille van | למי (lemi) = wie | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | לנו (lanu) = voor ons | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | רחם (racham) = erbarmen | ירחמנו (yerachamenu) = zal hebben met ons | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | וידענו (vediy'anu) = dan weten wij | כי (ki) = dat | מעון (me'on) = vanwege de schuld van | העבד (ha'eved) = slaaf | הזה (hazzeh) = deze | היה (hayah) = is geweest | לנו (lanu) = ons | כל (kol) = alle | זה (ze) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: מעון (‘woonplaats’) staat er, ook verderop in dit vers; gelezen als מעוון, ‘vanwege de schuld van’. **42:47** De mannen deden zo, smeekten Jozef en drongen bij hem aan hen te vergeven. Zij zeiden: „Wij hebben gezondigd tegen Yahweh en tegen jou. Wees nu zo goed en vraag aan je Elohim dat Hij deze dood van ons wegneemt, want wij hebben tegen Hem gezondigd.” Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | כן (ken) = zo | ויתחננו (vayitchannenu) = en zij smeekten | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | ויפצרו (vayiftsaru) = en zij drongen aan | בו (bo) = bij hem | למחול (limchol) = te vergeven | להם (lahem) = hun | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | חטאנו (chatanu) = wij hebben gezondigd | ליהוה (laYahweh) = tegen Yahweh | ולך (ulekha) = en tegen jou | עתה (attah) = nu | הואל (ho'el) = wees zo goed | ובקש (uvaqesh) = en vraag | נא (na) = toch | מאלוקיך (me'elohekha) = aan je Elohim | ויסר (vayyaser) = dat Hij wegneemt | מעלינו (me'aleinu) = van ons af | המות (hammavet) = de dood | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = want | חטאנו (chatanu) = wij hebben gezondigd | לו (lo) = tegen Hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:48** Jozef deed wat zij vroegen, en Yahweh luisterde naar Jozef en nam de slag weg die Hij die mannen vanwege Jozef had toegebracht. De dieren stonden op van de grond en zij dreven ze voort en gingen verder; de wind hield op met zijn woede en de aarde kwam tot rust. De mannen gingen hun weg om af te dalen naar Egypte, en de mannen wisten dat dit ongeluk hun vanwege Jozef was overkomen. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | יוסף (Yosef) = Jozef | כדבריהם (kidvareihem) = overeenkomstig hun woorden | וישמע (vayishma) = en luisterde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | יוסף (Yosef) = Jozef | ויסר (vayyaser) = en Hij nam weg | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מעל (me'al) = van | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | את (et) = (lijdend voorwerp) | המכה (hamakka) = de slag | אשר (asher) = die | הכה (hikkah) = trof | אותם (otam) = hen | בעבור (ba'avur) = vanwege | יוסף (Yosef) = Jozef | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | הבהמות (habbehemot) = het vee | מהארץ (mehaarets) = van de grond | וינהגום (vayinhagum) = en zij dreven hen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויעמוד (vaya'amod) = en hield op | הרוח (haruach) = de wind | מזעפו (mizi'po) = van zijn woede | ותנח (vatanach) = en zij kwam tot rust | הארץ (ha'arets) = het land | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | האנשים (ha'anashim) = de mannen | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | לרדת (laredet) = om af te dalen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | וידעו (vayede'u) = en zij wisten | האנשים (ha'anashim) = de mannen | כי (ki) = dat | בעבור (ba'avur) = vanwege | יוסף (Yosef) = Jozef | היה (hayah) = was | להם (lahem) = hen | המקרה (hamiqre) = het ongeluk | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **42:49** Zij zeiden tegen elkaar: „Zie, wij weten dat dit kwaad ons door deze slaaf is overkomen. Wat brengen wij dan nog deze dood over ons? Bedenk een plan, wat wij met deze slaaf moeten doen.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | הנה (hinneh) = zie | ידענו (yada'nu) = wij weten | כי (ki) = dat | מאת (me'et) = door | העבד (ha'eved) = de dienaar | הזה (hazzeh) = deze | היתה (hayetah) = was | לנו (lanu) = voor ons | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | ועתה (ve'attah) = en nu | מה (mah) = wat | לנו (lanu) = voor ons | להביא (lehavi) = te brengen | על (al) = op | נפשותינו (nafshotenu) = onze zielen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המות (hammavet) = dit sterven | הזה (hazzeh) = deze | עוצו (utsu) = geef raad | לנו (lanu) = voor ons | עצה (etsah) = een plan | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | לעבד (le'eved) = met de slaaf | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Hun raad **42:50** Een van hen antwoordde en zei: „Heeft hij ons niet gezegd dat wij hem naar zijn vader moeten terugbrengen? Kom, laten wij met hem terugkeren en laten wij komen naar de plaats die hij zal noemen, en laten wij uit zijn huis de prijs nemen die wij voor hem gaven, en dan gaan wij verder.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | האחד (ha'echad) = de een | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הלא (halo) = immers | כי (ki) = dat | אמר (amar) = zei | לנו (lanu) = voor ons | להשיבו (lehashivo) = hem terug te brengen | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | עתה (attah) = nu | לכו (lekhu) = kom | ונשובה (venashuvah) = en laten wij terugkeren | איתו (ito) = met hem | ונבואה (venavo'ah) = en laten wij komen | אל (el) = tot | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | יאמר (yomar) = hij zal noemen | ולקחנו (velaqachnu) = en laten wij nemen | מביתו (mibbeto) = uit zijn huis | את (et) = (lijdend voorwerp) | המחיר (hamechir) = de prijs | אשר (asher) = die | נתנו (netano) = wij gaven | בו (bo) = voor hem | ונלכה (venelkhah) = en laten wij gaan | לנו (lanu) = (zich) Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:51** Een ander antwoordde en zei: „Zie, dit plan is zeer goed, maar wij kunnen het niet doen, want de weg is zeer ver van ons en wij kunnen niet van onze weg terugkeren.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | האחד (ha'echad) = de ene | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הנה (hinneh) = zie | כן (ken) = inderdaad | העצה (ha'etsah) = de raad | הזאת (hazzo't) = deze | טובה (tovah) = goed | מאוד (me'od) = zeer | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | נוכל (nukhal) = kunnen wij | לעשות (la'asot) = om te doen | כן (ken) = zo | כי (ki) = want | רחק (rachaq) = ver | ממנו (mimmennu) = van ons | הדרך (haderekh) = de weg | מאוד (me'od) = zeer | ולא (velo) = en niet | נוכל (nukhal) = kunnen wij | לשוב (lashuv) = terug te keren | מדרכינו (midarkhenu) = van onze weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **42:52** Nog een ander antwoordde en zei tegen hen: „Dit is het plan dat hierin is beraamd, en daarvan wijken wij niet af: zie, wij komen vandaag in Egypte, en wanneer wij in Egypte zijn gekomen, zullen wij hem daar voor een hoge prijs verkopen en van zijn kwaad gered worden.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | האחד (ha'echad) = de ene | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | זאת (zot) = deze | העצה (ha'etsah) = de raad | היעוצה (hayeutsa) = die beraamd is | בזה (bazeh) = hier | וממנה (umimena) = en daarvan | לא (lo) = niet | נסור (nasur) = zullen wij afwijken | הנה (hinneh) = zie | אנחנו (anachnu) = wij | באים (va'im) = komen | היום (hayyom) = vandaag | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בבואנו (bevo'enu) = bij ons komen in | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ומכרנו (umekharnu) = en wij zullen verkopen | אותו (oto) = hem | שם (shem) = daar | במחיר (bimchir) = voor een prijs | רב (rav) = groot | ונוצל (venivatsel) = en laten wij gered worden | מרעתו (mera'ato) = van zijn kwaad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **42:53** Dit voorstel was goed in de ogen van de mannen, en zij deden zo en gingen hun weg naar Egypte met Jozef. Brontekst: וייטב (vayyitav) = en het was goed | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | בעיני (be'einei) = in de ogen van | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 37:36 ## Jasher 43 _De jas en de wolf_ ### Ruben bij de put **43:1** Toen de zonen van Jakob hun broer Jozef aan de Midianieten hadden verkocht, sloeg hun hart hen om hem, en zij kregen berouw over hun daden en zochten hem om hem terug te brengen, maar zij vonden hem niet. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כאשר (ka'asher) = toen | מכרו (mikhru) = zij hadden verkocht | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיהם (achihem) = hun broer | אל (el) = aan | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | ויך (vayyakh) = en het sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | לבם (libbam) = hun hart | עליו (alav) = om hem | וינחמו (vayenachamu) = en zij kregen berouw | על (al) = over | מעשיהם (ma'asehem) = hun daden | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | ללכת (lalekhet) = om te gaan | להביאו (lehavi'o) = om hem terug te brengen | ולא (velo) = en niet | מצאוהו (metsa'uhu) = zij vonden hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:2** Ruben keerde terug naar de put waarin Jozef gezeten had, om hem op te tillen en naar zijn vader terug te brengen. Ruben bleef bij de put staan en hoorde geen woord; hij riep: „Jozef! Jozef!” maar er was niemand die antwoordde en niemand die een woord sprak. Brontekst: וראובן (vera'uven) = en Ruben | שב (shav) = keerde terug | אל (el) = tot | הבור (habor) = de put | אשר (asher) = die | היה (hayah) = was | יוסף (Yosef) = Jozef | בו (bo) = daarin | לשאת (laset) = om op te tillen | אותו (oto) = hem | להשיבו (lehashivo) = hem terug te brengen | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | ויעמוד (vaya'amod) = en hij bleef staan | ראובן (Re'uven) = Ruben | על (al) = bij | הבור (habor) = de put | ולא (velo) = en niet | שמע (shema) = hoorde | דבר (davar) = woord | ויקרא (vayikra) = en riep | יוסף (Yosef) = Jozef | יוסף (Yosef) = Jozef | ואין (veein) = en niet | עונה (oneh) = antwoordend | ואין (veein) = en niet | דובר (dubbar) = sprekend | דבר (davar) = woord Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 37:29 **43:3** Ruben zei: „Jozef is zeker van schrik gestorven, of een slang heeft hem gedood.” Ruben daalde af tot in het midden van de put en zocht Jozef, maar hij vond hem niet in de put, en hij kwam weer omhoog. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | ראובן (Re'uven) = Ruben | אך (akh) = voorwaar | כי (ki) = dat | מת (met) = is gestorven | יוסף (Yosef) = Jozef | מיראה (miyir'a) = van schrik | או (o) = of | כי (ki) = dat | נחש (nachash) = een slang | המיתו (hemitu) = heeft hem gedood | וירד (vayered) = en hij daalde neer | ראובן (Re'uven) = Ruben | עד (ad) = tot | תוך (tokh) = midden in | הבור (habor) = de put | ויבקש (vayevaqqesh) = en hij zocht | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ולא (velo) = en niet | מצא (matsa) = vond | אותו (oto) = hem | בבור (babor) = in de put | ויעל (vayya'al) = en hij kwam omhoog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:4** Ruben scheurde zijn kleren en zei: „De jongen is er niet meer! Wat moet ik mijn vader over hem antwoorden, als hij dood is?” Hij ging naar zijn broers en vond hen bedroefd om Jozef, terwijl zij samen overlegden hoe zij hun vader over hem zouden antwoorden. Ruben zei tegen zijn broers: „Ik ben bij de put gekomen, en zie, Jozef is er niet. Wat zullen wij tegen onze vader zeggen? Mijn vader zoekt de jongen immers van niemand dan van mij.” Brontekst: ויקרע (vayiqra) = en hij scheurde | ראובן (Re'uven) = Ruben | את (et) = (lijdend voorwerp) | בגדיו (begadav) = zijn kleren | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הילד (hayeled) = de jongen | איננו (enenu) = is er niet | ומה (umah) = en wat | אשיב (ashiv) = zal ik antwoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבי (avi) = mijn vader | עליו (alav) = om hem | אם (em) = als | מת (met) = dood is | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | אותם (otam) = hen | עצבים (atsevim) = bedroefd | על (al) = om | דבר (davar) = de zaak van | יוסף (Yosef) = Jozef | ומתייעצים (umityatsim) = en beraadslagend | יחד (yachad) = samen | איכה (eikhah) = hoe | ישיבו (yashivu) = zullen antwoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביהם (avihem) = hun vader | עליו (alav) = om hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | ראובן (Re'uven) = Ruben | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | באתי (ba'ti) = ik ben gekomen | אל (el) = tot | הבור (habor) = de put | והנה (vehinneh) = en zie | אין (ein) = er is niet | יוסף (Yosef) = Jozef | שם (shem) = daar | ומה (umah) = en wat | נאמר (nomar) = zullen wij zeggen | לאבינו (le'avinu) = aan onze vader | כי (ki) = want | אין (ein) = er is niet | אבי (avi) = mijn vader | מבקש (mevaqesh) = zoekt | את (et) = (lijdend voorwerp) | הילד (hayeled) = de jongen | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | ממני (mimmenni) = van mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:29–30 (Ruben keert terug naar de put, ziet dat Jozef er niet is en scheurt zijn kleren). Zie ook: Gen 37:29–30 ### De eed **43:5** Zijn broers antwoordden hem: „Zus en zo hebben wij gedaan, en ons hart sloeg ons daarna om deze daad. Nu zitten wij hier om een voorwendsel te zoeken, om te weten wat wij onze vader Jakob hierop moeten antwoorden.” Brontekst: ויענוהו (vaya'anuhu) = en zij antwoordden hem | אחיו (achiv) = zijn broers | לאמור (lemor) = zeggende | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | עשינו (asinu) = wij hebben gedaan | ויך (vayyakh) = en het sloeg | לבנו (libenu) = ons hart | על (al) = op | המעשה (hamma'aseh) = de daad | הזה (hazzeh) = deze | אחר (acher) = daarna | כן (ken) = — | ונשב (venesheb) = en wij zitten | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | עלילה (alilah) = voorwendsel | מה (mah) = wat | נשיב (nashiv) = wij zullen antwoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אבינו (avinu) = onze vader | על (al) = hierover | ככה (kakhah) = — Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 37:30 **43:6** Ruben zei tegen hen: „Wat is dit voor een daad die jullie hebben gedaan, om de grijze haren van onze vader met verdriet naar de Sjeol te doen neerdalen? Het is niet goed, wat jullie hebben gedaan.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | ראובן (Re'uven) = Ruben | מה (mah) = wat | המעשה (hamma'aseh) = de daad | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | להוריד (lehorid) = om neer te doen dalen | שיבת (sevat) = de grijze haren van | אבינו (avinu) = onze vader | ביגון (beyagon) = met verdriet | שאולה (she'ola) = naar de Sjeol | לא (lo) = niet | טוב (tov) = goed | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:7** Ruben ging bij hen zitten, en zij stonden allen op en zwoeren elkaar dit nooit aan Jakob te vertellen. Allen zeiden: „Ieder die dit aan onze vader en zijn huis vertelt, of dit laat horen aan een van de kinderen van het land, tegen hem zullen wij allen opstaan en hem met het zwaard doden.” Brontekst: וישב (vayyashev) = en hij zat | ראובן (Re'uven) = Ruben | איתם (ittam) = bij hen | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כולם (kullam) = allen | וישבעו (vayishava'u) = en zij zwoeren | איש (ish) = ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broer | לבלתי (levilti) = om niet | הגיד (higgid) = te vertellen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כולם (kullam) = allen | כל (kol) = ieder | איש (ish) = man | אשר (asher) = die | יגיד (yagid) = vertelt | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לאבינו (le'avinu) = aan onze vader | ולביתו (uleveto) = en aan zijn huis | או (o) = of | אשר (asher) = die | ישמיע (yashmia) = laat horen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לכל (lekhol) = aan heel | בני (bnei) = zonen van | הארץ (ha'arets) = het land | ועמדנו (ve'amadnu) = dan zullen wij opstaan | כולנו (kulanu) = wij allen | עליו (alav) = tegen hem | ונהרגהו (venahargehu) = en laten wij hem doden | בחרב (bacherev) = met het zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:8** De zonen van Jakob vreesden elkaar in deze zaak, van de kleinste tot de grootste, en niemand sprak een woord; zij hielden de zaak verborgen in hun hart. Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | איש (ish) = een man | מאת (me'et) = voor | אחיו (achiv) = zijn broer | כקטון (ketaton) = zowel klein | כגדול (kagadol) = als groot | על (al) = in | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ואין (veein) = en niemand | דובר (dubbar) = sprak | דבר (davar) = een woord | ויסתירו (vayastiru) = en zij verborgen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | בלבם (belibbam) = in hun hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:9** Daarna zaten zij samen op de grond om te beraadslagen en een voorwendsel te zoeken, wat zij tegen hun vader Jakob over al deze dingen zouden zeggen. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en zij zaten | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dit | בארץ (ba'arets) = op de grond | יחד (yachad) = samen | להתיעץ (lehityats) = om te beraadslagen | ולבקש (uleva-qesh) = en te zoeken | עלילה (alilah) = voorwendsel | מה (mah) = wat | יאמרו (yomru) = zij zouden zeggen | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | על (al) = over | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De raad van Issachar **43:10** Issachar zei tegen hen: „Hier is een raad voor jullie, als het goed is in jullie ogen zo te doen. Neem de jas die van Jozef is en scheur hem, slacht een bok van de geiten, doop de jas in zijn bloed en stuur hem naar onze vader. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יששכר (Yissakhar) = Issachar | הנה (hinneh) = zie | לכם (lakhem) = voor jullie | עצה (etsah) = een raad | אם (em) = als | טוב (tov) = goed | בעיניכם (be'eineikhem) = in jullie ogen | לעשות (la'asot) = om te doen | כדבר (kidvar) = naar de zaak | הזה (hazzeh) = deze | קחו (qechu) = neem | לכם (lakhem) = voor jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכתונת (hakutonet) = de jas | אשר (asher) = die | ליוסף (leyosef) = van Jozef | וקרעו (uqra'u) = en scheur | אותה (otah) = haar | ושחטו (ushchatu) = en slacht | שעיר (se'ir) = bok van | עזים (izzim) = geiten | וטבלתם (vetavaltem) = en doop | אותה (otah) = haar | בדמו (bidmo) = in zijn bloed | ושלחתם (ushlachtem) = en stuur | אותה (otah) = haar | לאבינו (le'avinu) = aan onze vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 37:31 **43:11** Wanneer hij hem ziet, zal hij zeggen: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten; daarom heeft het zijn jas gescheurd, en zie, zijn bloed zit op zijn jas.’ Als jullie dit doen, zijn wij vrij van het klagen van onze vader.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כראות (kir'ot) = wanneer hij ziet | אותה (otah) = haar | ואמר (ve'amar) = en zal zeggen | חיה (chayyah) = een dier | רעה (ra'ah) = wild | אכלתהו (achalatu) = heeft hem opgegeten | על (al) = daarom | כן (ken) = — | קרעה (qara) = heeft het gescheurd | את (et) = (lijdend voorwerp) | כתונתו (kutnoto) = zijn jas | והנה (vehinneh) = en zie | דמו (damo) = zijn bloed | בכתונתו (bekutnoto) = op zijn jas | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בעשותכם (be'asotkhem) = wanneer jullie doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ונקינו (venaqqeinu) = en wij zullen vrij zijn | אנחנו (anachnu) = wij | מתלונת (mitlunat) = van het klagen van | אבינו (avinu) = onze vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:12** De raad van Issachar was goed in hun ogen en zij luisterden naar hem; zij deden wat Issachar hun had geraden. Brontekst: ותישר (vattisher) = en het was goed | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen | עצת (atsat) = raad van | יששכר (Yissakhar) = Issachar | וישמעו (vayishme'u) = en zij luisterden | אליו (elav) = naar hem | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | יששכר (Yissakhar) = Issachar | אשר (asher) = die | יעץ (ya'ats) = raadde | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:13** Zij haastten zich, namen de jas van Jozef en scheurden hem, slachtten een bok van de geiten, doopten de jas in het bloed van de bok en trapten hem in het stof. Zij stuurden de jas door de hand van Naftali naar hun vader Jakob en droegen hem op deze woorden te zeggen: Brontekst: וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כתונת (ketonet) = jas van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויקרעוה (vayiqra'uha) = en zij scheurden haar | וישחטו (veyishchatu) = en zij slachtten | שעיר (se'ir) = bok van | עזים (izzim) = geiten | ויטבלו (vayitbelu) = en zij doopten | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכתונת (hakutonet) = de jas | בדם (bedam) = in het bloed van | השעיר (hasa'ir) = de bok | וירמסוה (vayirmesuha) = en zij vertrapten haar | בעפר (ba'afar) = in het stof | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכתונת (hakutonet) = de jas | ביד (beyad) = door de hand van | נפתלי (Naftali) = Naftali | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | ויצוהו (vayetsavvehu) = en gaf hem opdracht | לאמור (lemor) = zeggende | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:31–32 (zij slachtten een geitenbok, doopten de jas in het bloed en stuurden hem naar hun vader). Zie ook: Gen 37:31–32; Gen 37:32 **43:14** „Wij hadden het vee bijeengebracht en kwamen tot aan de weg naar Sichem en verder, en wij vonden deze jas in de woestijn op de weg, gedoopt in bloed en in stof. Herken nu toch of het de jas van je zoon is of niet.” Brontekst: אנחנו (anachnu) = wij | אספנו (asafnu) = wij hadden bijeengebracht | את (et) = (lijdend voorwerp) | המקנה (hammiqneh) = het vee | ונבוא (venavo) = en wij kwamen | עד (ad) = tot | דרך (derekh) = de weg van | שכם (Shekhem) = Sichem | והלאה (vehal'ah) = en verder | ונמצא (venimtsa) = en wij vonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכתונת (hakutonet) = de jas | הזאת (hazzo't) = deze | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | על (al) = op | הדרך (haderekh) = de weg | טבולה (tevula) = gedoopt | בדם (bedam) = in het bloed van | ובעפר (uva'afar) = en in stof | ועתה (ve'attah) = en nu | הכר (haker) = herken | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכתונת (hakutonet) = de jas | בנך (bincha) = van je zoon | היא (hi) = is zij | אם (em) = of | לא (lo) = niet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **43:15** Naftali ging naar zijn vader, gaf hem de jas en sprak tot hem al de woorden van zijn broers die zij hem opgedragen hadden. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | נפתלי (Naftali) = Naftali | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכתונת (hakutonet) = de jas | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | אליו (elav) = tegen hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | אחיו (achiv) = zijn broers | אשר (asher) = die | ציוו (tsivvu) = hadden geboden | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jakob en de jas **43:16** Jakob zag de jas van Jozef en herkende hem; hij viel op zijn gezicht ter aarde en werd stil als een steen. Daarna stond hij op, schreeuwde met luide stem en weeklagend en zei: „Het is de jas van mijn zoon Jozef!” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | כתונת (ketonet) = jas van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויכירה (vayakira) = en hij herkende haar | ויפול (vayippol) = en hij viel | על (al) = op | פניו (panav) = zijn aangezicht | ארצה (artsah) = ter aarde | וידום (vayidom) = en hij werd stil | כאבן (ke'even) = als een steen | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | ובבכי (uvivkhi) = en met geween | ויאמר (vayomer) = en hij zei | כתונת (ketonet) = jas van | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | הוא (hu) = is Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:33 (Jakob herkent de jas: ‘de jas van mijn zoon! Een wild dier heeft hem opgegeten’). Zie ook: Gen 37:33 **43:17** Jakob haastte zich en stuurde een van zijn dienaren naar zijn zonen; die ging naar hen toe en vond hen op de weg komen met het kleinvee. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישלח (vayishlach) = en hij zond | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | עבד (eved) = een dienaar | מעבדיו (me'avadav) = van zijn dienaren | וילך (vayelekh) = en hij ging | אליהם (aleihem) = tot hen | וימצאם (vayimtsa'em) = en hij vond hen | באים (va'im) = komend | בדרך (baderekh) = onderweg | עם (im) = met | הצאן (hatson) = het kleinvee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:18** De zonen van Jakob kwamen tegen de avond bij hun vader. Zie, hun kleren waren gescheurd en er lag aarde op hun hoofd, en zij vonden hun vader schreeuwend en wenend met luide stem. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | אביהם (avihem) = hun vader | בערב (ba'erev) = in de avond | והנם (vehinam) = en zie zij | קרועים (qeru'im) = gescheurd | בגדים (begadim) = kleren | ואדמה (va'adama) = en aarde | על (al) = op | ראשם (rosham) = hun hoofd | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביהם (avihem) = hun vader | צועק (tso'eq) = schreeuwend | ובוכה (uvokheh) = en wenend | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:19** Jakob zei tegen zijn zonen: „Zullen jullie mij niet vertellen wat voor onheil mij vandaag plotseling is overkomen?” Zij antwoordden hun vader Jakob: „Wij kwamen vandaag, toen het kleinvee bijeengebracht was, tot de stad Sichem, in de woestijn aan de weg, en wij vonden deze jas vol bloed op de grond. Wij herkenden hem en stuurden hem naar je, om te zien of je hem herkent.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | הלא (halo) = zullen jullie niet | תגידו (taggidu) = vertellen | לי (li) = voor mij | מה (mah) = wat | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הבאה (habba'ah) = die kwam | עלי (alay) = op mij | פתאום (pit'om) = plotseling | ביום (beyom) = op de dag | הזה (hazzeh) = deze | ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | לאמור (lemor) = zeggende | אנחנו (anachnu) = wij | באים (va'im) = komend | היום (hayyom) = vandaag | כאשר (ka'asher) = toen | נאספו (ne'esfu) = werden verzameld | הצאן (hatson) = het kleinvee | ונבוא (venavo) = en wij kwamen | עד (ad) = tot | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | על (al) = op | הדרך (haderekh) = de weg | ונמצא (venimtsa) = en wij vonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכתונת (hakutonet) = de jas | הזו (hazo) = deze | מלאה (meleah) = vol | דם (dam) = bloed | בארץ (ba'arets) = op de grond | ונכיר (vanakir) = en wij herkenden | אותה (otah) = haar | ונשלח (venishlach) = en wij stuurden | אותה (otah) = haar | אליך (elekha) = naar je | התוכל (hatukhal) = of je kunt | להכירה (lehakira) = haar te herkennen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. **43:20** Jakob hoorde de woorden van zijn zonen, schreeuwde met luide stem en zei: „De jas van mijn zoon! Een wild dier heeft hem opgegeten! Jozef is zeker verscheurd! Want ik heb hem vandaag naar jullie gestuurd om jullie welzijn en het welzijn van het kleinvee te zien en mij bericht van jullie te brengen. Hij ging zoals ik hem had opgedragen, en zo is het hem vandaag overkomen, terwijl ik dacht dat mijn zoon bij jullie was.” Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | בניו (banav) = zijn zonen | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | ויאמר (vayomer) = en hij zei | כתונת (ketonet) = jas van | בני (bnei) = mijn zoon | חיה (chayyah) = een dier | רעה (ra'ah) = wild | אכלתהו (achalatu) = heeft hem opgegeten | טרוף (taruf) = voorwaar | טורף (toraf) = is verscheurd | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = want | אנוכי (anokhi) = ik | שלחתיהו (shelachtihu) = ik heb hem gezonden | היום (hayyom) = vandaag | אליכם (aleikhem) = naar jullie | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | שלומכם (shlomkhem) = jullie welzijn | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שלום (shalom) = het welzijn van | הצאן (hatson) = het kleinvee | להשיבני (lehashivni) = om mij terug te brengen | דבר (davar) = bericht | מאתכם (me'itkhem) = van jullie | וילך (vayelekh) = en hij ging | כאשר (ka'asher) = zoals | ציותיהו (tsiviti hu) = ik hem had opgedragen | ותקראן (vataqran) = en het overkwam | אותו (oto) = hem | כאלה (ke'elleh) = zo | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | ואני (va'ani) = en ik | אמרתי (imrati) = dacht | כי (ki) = dat | איתכם (ittekhem) = met jullie | היה (hayah) = was | בני (bnei) = mijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ותקראן אותו כאלה (‘en zij hebben hem zo ontmoet’): ותקראן is een vrouwelijk meervoud zonder onderwerp; gelezen als ותקראהו, ‘en het overkwam hem’. Zo ook in v. 29 (ותקראן אותך). **43:21** De zonen van Jakob antwoordden en zeiden: „Hij is niet bij ons gekomen en wij hebben hem niet gezien sinds wij van je weggingen tot hier.” Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | ויאמר (vayomer) = en zeiden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לא (lo) = niet | בא (ba) = kwam | אלינו (elenu) = tot ons | ולא (velo) = en niet | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | אותו (oto) = hem | מעת (me'et) = vanaf de tijd | צאתנו (tse'tenu) = dat wij uitgingen | מאתך (me'ittekha) = van jou | עד (ad) = tot | פה (peh) = hier Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:22** Toen Jakob hun woorden hoorde, schreeuwde hij nogmaals luid; hij stond op, scheurde zijn kleren, legde een rouwkleed om zijn heupen en weende luid. Hij hief de rouwklacht aan, verhief zijn stem in geween, riep en zei deze woorden: Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריהם (divreihem) = hun woorden | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | עוד (od) = opnieuw | צעקה (tse'aqah) = geschreeuw | גדולה (gedolah) = grote | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | ויקרע (vayiqra) = en hij scheurde | שמלותיו (simlotav) = zijn kleren | וישם (vayasem) = en hij legde | שק (saq) = een rouwkleed | במתניו (bemotnav) = om zijn heupen | ויבך (vayevk) = en weende | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | ויספוד (vayispod) = en hij hief de rouwklacht aan | וישא (vayissa) = en hij hief op | את (et) = (lijdend voorwerp) | קולו (qolo) = zijn stem | בבכי (bevekhi) = met geween | ויקרא (vayikra) = en riep | ויאמר (vayomer) = en hij zei | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:34 (Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om zijn heupen en rouwde vele dagen). Zie ook: Gen 37:34 ### Jakobs klacht **43:23** „Jozef, mijn zoon, mijn zoon Jozef, zeker heb ik je vandaag gezonden naar het welzijn van je broers, en zie, je bent verscheurd! Door mijn hand is dit je overkomen, mijn zoon. Brontekst: יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | בני (bnei) = mijn zoon | יוסף (Yosef) = Jozef | שלוח (shalo'ach) = voorwaar | שלחתיך (shelachtikha) = heb ik je gezonden | היום (hayyom) = vandaag | אל (el) = naar | שלום (shalom) = het welzijn van | אחיך (achikha) = je broers | והנה (vehinneh) = en zie | נטרפת (nitrafta) = je bent verscheurd | מידי (miyyadi) = uit mijn hand | היתה (hayetah) = is geschied | זאת (zot) = deze | לך (lekha) = aan jou | בני (bnei) = mijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:24** Ik heb het benauwd om je, Jozef, mijn zoon, ik heb het benauwd om je. Hoe zoet was je mij in het leven, en nu, hoe bitter is mij je dood, zeer bitter! Brontekst: צר (tsar) = benauwd | לי (li) = voor mij | עליך (aleikha) = om jou | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | צר (tsar) = benauwd | לי (li) = voor mij | עליך (aleikha) = om jou | מה (mah) = hoe | מתקת (matqat) = zoet was je | לי (li) = voor mij | בחיים (bachayim) = in het leven | ועתה (ve'attah) = en nu | מה (mah) = hoe | מרה (marah) = bitter is | עליי (alay) = voor mij | מותך (motekha) = je dood | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:25** Was ik maar vandaag in jouw plaats gestorven, mijn zoon Jozef, want ik heb het zeer benauwd om je, mijn zoon! Mijn zoon, mijn zoon Jozef, mijn zoon, waar ben je en waar is je ziel? Word wakker, word wakker, kom van je plaats en zie mijn benauwdheid om je, mijn zoon Jozef. Brontekst: מי (mi) = wie | יתן (yitten) = zou geven | מותי (muti) = mijn dood | תחתיך (tachteykha) = in jouw plaats | היום (hayyom) = vandaag | בני (bnei) = mijn zoon | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = want | צר (tsar) = benauwd | לי (li) = voor mij | עליך (aleikha) = om jou | מאוד (me'od) = zeer | בני (bnei) = mijn zoon | בני (bnei) = mijn zoon | בני (bnei) = mijn zoon | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | אנה (anah) = waar | אתה (attah) = ben je | ואיפה (ve'eifo) = en waar | נפשך (nafshekha) = je ziel | עורה (ura) = word wakker | עורה (ura) = word wakker | ובוא (uvo) = en kom | ממקומך (mimqomekha) = van je plaats | וראה (veraah) = en zie | את (et) = (lijdend voorwerp) | צרתי (tsarati) = mijn benauwdheid | עליך (aleikha) = om jou | בני (bnei) = mijn zoon | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ואיפה נפשך (‘en waar is je ziel?’) staat er. De Engelse vertaling heeft hier ‘en waarheen ben je getrokken’. **43:26** Kom toch en tel de tranen van mijn ogen die op mijn gezicht vallen, en breng ze omhoog voor Yahweh, opdat Zijn toorn van mij terugkeert. Brontekst: בוא (bo) = kom | נא (na) = toch | וספור (usfor) = en tel | דמעות (dim'ot) = tranen van | עיני (eni) = mijn ogen | הנופלות (hanoflot) = die vallen | על (al) = op | פניי (panay) = mijn gezicht | והעליתם (veha'alitem) = en breng ze omhoog | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישוב (veyashuv) = en zal terugkeren | אפו (appo) = Zijn toorn | ממני (mimmenni) = van mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: והעליתם (‘en jullie zullen ze opbrengen’) staat er, een meervoud, terwijl Jakob tot Jozef spreekt; vertaald als gebod aan Jozef, ‘en breng ze omhoog’. **43:27** Hoe ben je gevallen, Jozef, mijn zoon, door een hand waardoor sinds de dag dat de wereld bestond geen mens gevallen is tot op deze dag! Want met de slag van een vijand ben je geslagen, met wrede tucht. Maar ik weet dat dit je is geschied om de menigte van mijn zonden, mijn zoon. Brontekst: איך (ekh) = hoe | נפלת (nafalta) = ben je gevallen | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | ביד (beyad) = in de hand van | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | נפל (nafal) = is gevallen | אדם (adam) = een mens | למיום (lemiyom) = sinds de dag | היות (heyot) = bestond | עולם (olam) = de wereld | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = want | מכת (makkat) = het slaan van | אויב (oyev) = een vijand | הוכית (hukheta) = ben je geslagen | מוסר (musar) = tucht | אכזרי (akhzari) = wrede | אך (akh) = maar | ידעתי (yada'ti) = ik weet | כי (ki) = dat | על (al) = op | רוב (rov) = de menigte van | עונותיי (avonotai) = mijn zonden | היה (hayah) = is geschied | לך (lekha) = aan jou | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | בני (bnei) = mijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:28** Word toch wakker en zie hoe bitter mijn nood om je is, mijn zoon, hoewel ik je niet heb grootgebracht en niet gekoesterd, en ook geen adem en ziel in je heb gegeven. Maar Elohim heeft je gevormd; Hij heeft je gebeente gebouwd en er vlees bovenop gegeven, en Hij heeft de adem van het leven in je neus geblazen, en Hij heeft je aan mij gegeven. Brontekst: עורה (ura) = word wakker | נא (na) = toch | וראה (veraah) = en zie | מה (mah) = hoe | מרה (marah) = bitter is | עליי (alay) = over mij | צרתך (tsaratekh) = je nood | בני (bnei) = mijn zoon | ואף (ve'af) = hoewel | לא (lo) = niet | גדלתיך (gidaltikha) = heb ik je grootgebracht | ולא (velo) = en niet | טפחתיך (tipachtikha) = heb ik je gekoesterd | וגם (vegam) = en ook | רוח (ruach) = adem | ונפש (vanefesh) = en leven | לא (lo) = niet | נתתי (natati) = ik gegeven heb | בך (bekha) = in je | כי (ki) = maar | אם (em) = — | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | יצר (yatsar) = heeft gevormd | אותך (otekha) = jou | והוא (vehu) = Hij | בנה (Benah) = heeft gebouwd | את (et) = (lijdend voorwerp) | עצמותיך (atsmotekha) = je gebeente | ויתן (vayitten) = en gaf | עליהם (aleihem) = daarop | בשר (basar) = vlees | מלמעלה (milma'lah) = van boven | ויפח (vayyafach) = en Hij blies | באפך (be'apekha) = in je neus | נשמת (nishmat) = adem van | חיים (chayyim) = leven | ויתן (vayitten) = en gaf | אותך (otekha) = jou | אליי (elai) = aan mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:29** Maar Elohim, die je aan mij gegeven heeft, Hij is het die je van mij genomen heeft, en zo is het je vandaag overkomen; en alle werken van Elohim zijn goed.” Brontekst: ואולם (ve'ulam) = maar | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | נתנך (netanekha) = je gegeven heeft | אליי (elai) = aan mij | הוא (hu) = Hij | אשר (asher) = die | לקח (laqach) = nam | אותך (otekha) = jou | ממני (mimmenni) = van mij | ותקראן (vataqran) = en het is overkomen | אותך (otekha) = jou | כאלה (ke'elleh) = zo | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | וכל (vekhol) = en alle | מעשה (ma'aseh) = het werk van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | טוב (tov) = goed Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: וכל מעשה האלוקים טוב (‘en alle werken van Elohim zijn goed’): deze slotzin staat in het Hebreeuws, maar niet in de Engelse vertaling. Voor ותקראן zie de noot bij v. 20. **43:30** Jakob bleef nog meer van deze woorden over Jozef spreken, en hij weende luid; hij viel op de aarde en werd stil. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en hij bleef | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לדבר (laddavar) = om te spreken | על (al) = over | יוסף (Yosef) = Jozef | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | ויבך (vayevk) = en weende | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | ויפול (vayippol) = en hij viel | לארץ (la'arets) = ter aarde | וידום (vayidom) = en hij werd stil Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Troost die niet baat **43:31** Alle zonen van Jakob zagen de nood van hun vader, en zij kregen berouw over wat zij hadden gedaan, en ook zij weenden luid. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | צרת (tsarat) = de nood van | אביהם (avihem) = hun vader | וינחמו (vayenachamu) = en zij kregen berouw | על (al) = over | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = zij hadden gedaan | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:32** Juda stond op, nam het hoofd van zijn vader van de grond en legde het tussen zijn knieën; hij veegde de tranen van zijn vader van zijn wangen. Juda weende zeer luid, terwijl het hoofd van zijn vader op zijn knieën lag, stil als een steen. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יהודה (Yehudah) = Juda | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראש (rosh) = het hoofd van | אביו (aviv) = zijn vader | מעל (me'al) = van | הארץ (ha'arets) = de grond | וישם (vayasem) = en hij zette | אותה (otah) = haar | בין (bein) = tussen | ברכיו (birkav) = zijn knieën | ויסר (vayyaser) = en hij veegde af | את (et) = (lijdend voorwerp) | דמעות (dim'ot) = de tranen van | אביו (aviv) = zijn vader | מלחייו (milechayav) = van zijn wangen | ויבך (vayevk) = en weende | יהודה (Yehudah) = Juda | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | וראש (vero'sh) = en het hoofd van | אביו (aviv) = zijn vader | על (al) = op | ברכיו (birkav) = zijn knieën | ודומם (vedomem) = en stil | כאבן (ke'even) = als een steen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:33** De zonen van Jakob zagen de nood van hun vader, hieven hun stem op en bleven wenen, terwijl Jakob nog op de grond lag, stil als een steen. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | צרת (tsarat) = de nood van | אביהם (avihem) = hun vader | וישאו (vayis'u) = en zij hieven op | את (et) = (lijdend voorwerp) | קולם (qolam) = hun stem | ויוסיפו (vayosifu) = en zij gingen voort | עוד (od) = nog | לבכות (livkot) = te wenen | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | עודנו (odenu) = nog | נופל (nofel) = gevallen | בארץ (ba'arets) = op de grond | כאבן (ke'even) = als een steen | דומם (domem) = stil Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:34** Al zijn zonen, al zijn dienaren en al de dochters van zijn dienaren stonden op en omringden hem om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כל (kol) = alle | בניו (banav) = zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | וכל (vekhol) = en alle | בנות (banot) = dochters | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויסובבהו (vayesovevuhu) = en zij omringden hem | לנחמו (lenachamo) = om hem te troosten | וימאן (vayma'en) = en hij weigerde | להתנחם (lehitnachem) = zich te laten troosten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: וכל בנות עבדיו (‘en al de dochters van zijn dienaren’): de Engelse vertaling heeft ‘his servant's children’. Zie Gen. 37:35 (‘al zijn zonen en al zijn dochters stonden op om hem te troosten’). Zie ook: Gen 37:35 **43:35** Heel het huis van Jakob stond op en hield een grote rouwklacht over Jozef en over de nood van hun vader. Het bericht kwam bij Isaak, de zoon van Abraham, de vader van Jakob, en hij weende luid over Jozef, hij en heel zijn huis. Hij kwam van de plaats waar hij woonde, in Hebron, met zijn mannen, en troostte zijn zoon Jakob, maar hij weigerde zich te laten troosten. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כל (kol) = alle | בית (bet) = het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויספדו (vayispedu) = en hielden rouwklacht | מספד (misped) = rouwklacht | גדול (gadol) = grote | על (al) = op | יוסף (Yosef) = Jozef | ועל (ve'al) = en over | צרת (tsarat) = de nood van | אביהם (avihem) = hun vader | ויגע (vayagga) = en bereikte | הדבר (haddavar) = de zaak | ליצחק (leyitschaq) = aan Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | אבי (avi) = vader van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבך (vayevk) = en weende | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | על (al) = op | יוסף (Yosef) = Jozef | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alle | ביתו (beito) = zijn huis | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | מהמקום (mehamaqom) = van de plaats | אשר (asher) = die | גר (ger) = woonde | שם (shem) = daar | בחברון (bechevron) = in Hebron | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | עמו (immo) = bij hem | וינחם (vayyinnachem) = en hij troostte | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בנו (beno) = zijn zoon | וימאן (vayma'en) = en hij weigerde | להתנחם (lehitnachem) = zich te laten troosten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. ### De jacht **43:36** Daarna stond Jakob op van de grond, terwijl zijn tranen over zijn gezicht stroomden, en hij zei tegen zijn zonen: „Sta op, neem jullie zwaarden en ook jullie bogen, ga uit naar het veld en zoek of jullie het lichaam van mijn zoon vinden, en breng het mij, dan zal ik het begraven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מהארץ (mehaarets) = van de grond | ודמעותיו (vedim'otav) = en zijn tranen | נוזלות (nozlot) = stromend | על (al) = op | פניו (panav) = zijn aangezicht | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | קומו (qumu) = sta op | וקחו (uqchu) = en neem | חרבותיכם (charvoteykhem) = jullie zwaarden | וגם (vegam) = en ook | קשתותיכם (qashtoteykhem) = jullie bogen | וצאו (vetse'u) = en ga uit | השדה (hasadeh) = naar het veld | ובקשו (uvaqshu) = en zoek | אולי (ulai) = misschien | תמצאו (timtse'u) = jullie vinden | גויית (geviyyat) = lichaam van | בני (bnei) = mijn zoon | והבאתם (vahavetem) = en breng | אותה (otah) = haar | אליי (elai) = tot mij | וקברתיה (uqevartiha) = en ik zal haar begraven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:37** En zoek toch onder de wilde dieren en jaag op hen, en wat jullie als eerste tegemoet komt, grijp het en breng het mij. Misschien ziet Yahweh vandaag mijn ellende en laat Hij jullie degene tegenkomen die mijn zoon heeft verscheurd, en brengen jullie hem mij, en dan zal ik de wraak voor mijn zoon nemen.” Brontekst: ואתם (ve'atem) = en jullie | בקשו (baqshu) = zoek | נא (na) = toch | בעד (ba'ad) = onder | החיות (hachayyot) = de wilde dieren | וצידו (vetsidu) = en jaag op | אותם (otam) = hen | ואשר (va'asher) = en wat | תמצאו (timtse'u) = jullie vinden | לקראתכם (liqratkhem) = jullie tegemoet | בראשונה (barishona) = het eerst | ותפשתם (vetafastem) = grijp | אותה (otah) = haar | והבאתם (vahavetem) = en breng | אותה (otah) = haar | אליי (elai) = tot mij | אולי (ulai) = misschien | יראה (yir'ah) = zal zien | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעניי (be'onyi) = mijn ellende | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | והכין (vehekhin) = en Hij zal klaarmaken | לכם (lakhem) = voor jullie | אשר (asher) = die | טרף (taraf) = heeft verscheurd | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | והבאתם (vahavetem) = en breng | אליי (elai) = tot mij | ואנקום (ve'enqom) = en ik zal wreken | נקמת (niqmat) = de wraak voor | בני (bnei) = mijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:38** Zijn zonen deden zoals hun vader hun had opgedragen. Zij stonden vroeg op in de ochtend, ieder nam zijn zwaard en zijn boog in de hand en zij gingen uit naar het veld om de wilde dieren te vangen. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | בניו (banav) = zijn zonen | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אביהם (avihem) = hun vader | וישכימו (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | איש (ish) = een man | חרבו (charvu) = zijn zwaard | וקשתו (vequshto) = en zijn boog | בידו (beyado) = in zijn hand | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | השדה (hasadeh) = het veld | לצוד (latsud) = om te jagen | החיות (hachayyot) = de wilde dieren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:39** Jakob schreeuwde en weende nog steeds, ging heen en weer in huis, sloeg zijn handen tegen elkaar en zei: „Jozef, mijn zoon, Jozef, mijn zoon!” Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | עודנו (odenu) = nog | צועק (tso'eq) = schreeuwend | ובוכה (uvokheh) = en wenend | הולך (holekh) = gaand | ובא (uva) = en komend | בבית (babbayit) = in huis | ומכה (umakke) = en slaand | כף (kaf) = handpalm | אל (el) = tot | כף (kaf) = handpalm | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:40** De zonen van Jakob gingen naar de woestijn om de wilde dieren te vangen, en zie, een wolf kwam hun tegemoet. Zij grepen hem en brachten hem naar hun vader. Zij zeiden tegen hem: „Deze hebben wij als eerste gevonden, en wij brengen hem bij je, zoals je ons hebt opgedragen; maar het lichaam van je zoon hebben wij niet gevonden.” Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הלכו (halekhu) = zij gingen | המדברה (hammidbarah) = naar de woestijn | אל (el) = tot | החיות (hachayyot) = de wilde dieren | לתפשם (litfasham) = om hen te grijpen | והנה (vehinneh) = en zie | לקראתם (liqratam) = op hen af | זאב (ze'ev) = een wolf | אחד (echad) = één | ויתפשוהו (vayitpesuhu) = en zij grepen hem | ויביאוהו (vayeviuhu) = en zij brachten hem | אל (el) = tot | אביהם (avihem) = hun vader | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tegen hem | זאת (zot) = deze | מצאנו (matsanu) = wij hebben gevonden | בראשונה (barishona) = het eerst | ונביא (venavi) = en wij brengen | אותו (oto) = hem | אליך (elekha) = tot je | כאשר (ka'asher) = zoals | ציותינו (tsivitanu) = je ons hebt opgedragen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | גויית (geviyyat) = lichaam van | בנך (bincha) = je zoon | לא (lo) = niet | מצאנו (matsanu) = wij hebben gevonden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De wolf **43:41** Jakob nam het dier uit de hand van zijn zonen en schreeuwde nogmaals met luide stem en weeklagend, met het dier in zijn hand. Hij zei met bitter hart en bittere ziel tegen het dier: „Waarom heb je mijn zoon Jozef opgegeten, en hoe vreesde je niet voor de Elohim van de aarde en voor mijn nood om mijn zoon Jozef? Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | החיה (hachayyah) = het dier | מיד (miyyad) = uit de hand van | בניו (banav) = zijn zonen | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | עוד (od) = opnieuw | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | ובבכי (uvivkhi) = en met geween | ובידו (uvyado) = en in zijn hand | החיה (hachayyah) = het dier | ויאמר (vayomer) = en hij zei | במר (bemar) = in bitterheid van | לב (lev) = hart | ונפש (vanefesh) = en ziel | אל (el) = tot | החיה (hachayyah) = het dier | מדוע (maddu'a) = waarom | אכלת (akhalta) = heb je opgegeten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | ואיך (ve'ekh) = en hoe | לא (lo) = niet | יראת (yirat) = vreesde je | מאלוקי (me'elohei) = voor de Elohim van | הארץ (ha'arets) = de aarde | ומצרתי (umitsarati) = en voor mijn nood | על (al) = op | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:42** Je hebt mijn zoon voor niets opgegeten, terwijl hij geen geweld had gedaan, en je hebt mij over hem gezet. Daarom zal Elohim de vervolgde zoeken.” Brontekst: ותאכל (vattokhal) = en je hebt opgegeten | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | חינם (chinnam) = voor niets | על (al) = terwijl | לא (lo) = geen | חמס (chamas) = geweld | ותשימני (vatsimeni) = en je hebt mij gezet | עליו (alav) = over hem | ולכן (velakhen) = en daarom | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | יבקש (yevaqqesh) = zal zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | נרדף (nirdaf) = de vervolgde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ותשימני עליו (‘en je hebt mij over hem gezet’) is onduidelijk; de Engelse vertaling heeft ‘and didst thereby render me culpable on his account’. Voor יבקש את נרדף (‘Elohim zoekt de vervolgde’) zie Pred. 3:15. Zie ook: Pred 3:15 **43:43** Yahweh opende de mond van het dier om Jakob met zijn woorden te troosten; het antwoordde Jakob en sprak tot hem deze woorden: Brontekst: ויפתח (vayiftach) = en Hij opende | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | פי (pi) = de mond van | החיה (hachayyah) = het dier | בעבור (ba'avur) = om | נחם (nachem) = te troosten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בדבריה (bidvareha) = met haar woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:44** „Zo waar Elohim leeft, die ons op aarde heeft geschapen, en zo waar je ziel leeft, mijn heer: ik heb je zoon niet gezien en ik heb hem niet verscheurd. Maar uit een ver land ben ik gekomen om ook mijn zoon te zoeken, want zoals het jou met je zoon is vergaan, zo is het ook mij met mijn zoon vergaan. Want het is nu tien dagen geleden dat ik in dit land kwam om mijn zoon te zoeken, die van mij is weggegaan; vandaag is het de twaalfde dag, en ik weet niet waar hij is, of hij dood is of leeft. Brontekst: ותען (vata'an) = en antwoordde | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ותדבר (vatedabber) = en sprak | אליו (elav) = tegen hem | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | חי (chai) = zo waar leeft | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | בראנו (bara'anu) = ons geschapen heeft | בארץ (ba'arets) = op aarde | וחי (vechay) = en zo waar leeft | נפשך (nafshekha) = je ziel | אדוני (adoni) = mijn heer | לא (lo) = niet | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | ולא (velo) = en niet | טרפתיהו (terafti hu) = ik heb hem verscheurd | אך (akh) = maar | מארץ (me'erets) = uit het land | רחוקה (rechoqa) = ver | באתי (ba'ti) = ik ben gekomen | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | גם (gam) = ook | אני (ani) = ik | כי (ki) = want | כאשר (ka'asher) = zoals | קרה (qarah) = overkwam | לך (lekha) = aan jou | עם (im) = met | בנך (bincha) = je zoon | קרה (qarah) = overkwam | לי (li) = voor mij | עם (im) = met | בני (bnei) = mijn zoon | גם (gam) = ook | אני (ani) = ik | כי (ki) = want | זה (ze) = dit | עשרה (esreh) = tien | ימים (yamim) = dagen | אשר (asher) = die | באתי (ba'ti) = ik ben gekomen | בארץ (ba'arets) = in het land | הזאת (hazzo't) = deze | מבקש (mevaqesh) = zoek | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | אשר (asher) = die | הלך (halakh) = ging | מאתי (me'iti) = van mij | היום (hayyom) = vandaag | שנים (shanim) = twee | עשר (esar) = tien | יום (yom) = dag | ולא (velo) = en niet | ידעתי (yada'ti) = ik weet | אנה (anah) = waarheen | הוא (hu) = hij | ואם (ve'im) = of | מת (met) = dood is | ואם (ve'im) = of | חי (chai) = leeft | הוא (hu) = hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: כי זה עשרה ימים … היום שנים עשר יום (‘want het is nu tien dagen … vandaag is het de twaalfde dag’): er staan twee getallen naast elkaar, tien en twaalf. De Engelse vertaling heeft alleen ‘this day’ en laat ook de zin over Jakobs verlies (‘zoals het jou met je zoon is vergaan …’) weg. **43:45** Vandaag kwam ik in het veld om mijn zoon te zoeken, en jouw zonen vonden mij en grepen mij, en zij voegden verdriet toe aan mijn verdriet; zij hebben mij vandaag bij je gebracht, en ik heb al mijn woorden tot je gesproken. Brontekst: ואבוא (va'avo) = en ik kwam | היום (hayyom) = vandaag | בשדה (bassadeh) = in het veld | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | אותי (oti) = mij | בניך (banekha) = je zonen | ויתפשוני (vayitpesuni) = en zij grepen mij | ויוסיפו (vayosifu) = en zij voegden toe | לי (li) = voor mij | יגון (yagon) = verdriet | על (al) = op | יגוני (yegoni) = mijn verdriet | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | אותי (oti) = mij | אליך (elekha) = tot je | היום (hayyom) = vandaag | ואדבר (va'adaber) = en ik heb gesproken | אליך (elekha) = tot je | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = mijn woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:46** En nu, mensenzoon, zie, ik ben in je hand; doe vandaag met mij wat goed is in je ogen. Maar zo waar Elohim leeft, die ons op aarde heeft geschapen: ik heb je zoon niet gezien en ik heb hem niet verscheurd, en geen vlees van een mens is in mijn mond gekomen al de dagen van mijn leven.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | בן (ben) = zoon van | אדם (adam) = mens | הנני (hinneni) = zie, ik ben | בידך (beyadekha) = in je hand | ועשית (ve'asita) = en doe | לי (li) = voor mij | כטוב (ketov) = zoals goed is | בעיניך (be'einekha) = in je ogen | היום (hayyom) = vandaag | אך (akh) = maar | חי (chai) = zo waar leeft | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | בראנו (bara'anu) = ons geschapen heeft | בארץ (ba'arets) = op aarde | לא (lo) = niet | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | ולא (velo) = en niet | טרפתיהו (terafti hu) = ik heb hem verscheurd | ולא (velo) = en niet | בא (ba) = kwam | אל (el) = tot | פי (pi) = mijn mond | בשר (basar) = vlees | אדם (adam) = mens | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | חיי (chayyei) = mijn leven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:47** Toen Jakob de woorden van het dier hoorde, verbaasde hij zich zeer; hij liet het dier uit zijn hand gaan, en het ging zijn weg. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | החיה (hachayyah) = het dier | ויתמה (vayitmah) = en hij verbaasde zich | מאוד (me'od) = zeer | וישלח (vayishlach) = en hij zond | מידו (miyyado) = uit zijn hand | את (et) = (lijdend voorwerp) | החיה (hachayyah) = het dier | ותלך (vattelekh) = en zij ging | לדרכה (ledarkah) = haar weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **43:48** Jakob bleef schreeuwen en wenen om Jozef, dag na dag, en hij rouwde vele dagen om Jozef. Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | עודנו (odenu) = nog | צועק (tso'eq) = schreeuwend | ובוכה (uvokheh) = en wenend | על (al) = op | יוסף (Yosef) = Jozef | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ויתאבל (vayit'abbel) = en rouwde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = op | יוסף (Yosef) = Jozef | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 44 _Jozef bij Potifar en Zelicha_ ### Jozef verkocht aan Potifar **44:1** De zonen van Ismaël, die Jozef van de Midianieten hadden gekocht, die hem van zijn broers hadden gekocht, gingen met Jozef naar Egypte en kwamen tot de grens van Egypte. Toen zij Egypte naderden, ontmoetten zij vier mannen uit de zonen van Medan, de zoon van Abraham, die uit het land Egypte op hun weg waren gegaan. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | אשר (asher) = die | קנו (kanu) = zij hadden gekocht | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | מאת (me'et) = van | המדינים (hammidyanim) = de Midianieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broers | הלכו (halekhu) = zij gingen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עד (ad) = tot | גבול (gevul) = de grens van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | הקריבו (hiqrivu) = zij naderden | להוא (lahu) = ernaar | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויפגעו (vayifge'u) = en zij ontmoetten | ארבעה (arba'ah) = vier | אנשים (anashim) = mannen | מבני (mibbnei) = van de zonen van | מדן (medan) = Medan | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | מארץ (me'erets) = uit het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לדרכם (ledarkam) = op hun weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:36 en 39:1. Daar verkopen de Medanieten hem aan Potifar; Jasher laat de Ismaëlieten Jozef aan vier Medanieten verkopen, die hem aan Potifar verkopen. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 37:36; Gen 39:1 **44:2** De Ismaëlieten zeiden tegen hen: „Willen jullie deze slaaf van ons kopen?” Zij zeiden: „Geef hem ons.” Zij gaven Jozef aan hen, en zij zagen hem, en zie, hij was een zeer mooie jongeman; en zij kochten hem van hen voor vijf sjekel. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | התחפצו (hatachpetsu) = verlangen jullie | בעבד (be'eved) = naar de slaaf | הזה (hazzeh) = deze | לקנות (liknot) = te kopen | אותו (oto) = hem | ממנו (mimmennu) = van ons | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | תנוהו (tenuhu) = geef hem | לנו (lanu) = aan ons | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | אליהם (aleihem) = aan hen | ויראו (vayiru) = en zij zagen | אותו (oto) = hem | והנה (vehinneh) = en zie | נער (na'ar) = jongen | יפה (yafah) = mooi | מראה (mar'eh) = van aanzien | מאוד (me'od) = zeer | ויקנוהו (vayiqnuhu) = en zij kochten hem | מהם (mehem) = van hen | בחמשת (bachamishat) = voor vijf | שקלים (sheqalim) = sjekel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: בחמשת שקלים (‘voor vijf sjekel’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘twintig sjekel’. Voetnoot : Een sjekel is ongeveer 11,4 gram zilver. **44:3** De Ismaëlieten gingen op hun weg naar Egypte, en ook de Medanieten keerden die dag naar Egypte terug. De Medanieten zeiden tegen elkaar: „Zie, wij hebben gehoord dat Potifar, hofdienaar van de farao, bevelhebber van de lijfwacht, een goede slaaf zoekt die voor hem zal staan om hem te dienen, en die hij over zijn huis en over alles wat hem toebehoort wil aanstellen. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | וגם (vegam) = en ook | המדנים (hamedanim) = de Medanieten | שבו (shavu) = zij keerden terug | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | המדנים (hamedanim) = de Medanieten | איש (ish) = een man | לרעהו (lere'ehu) = tot zijn naaste | הנה (hinneh) = zie | שמענו (shamanu) = wij hebben gehoord | כי (ki) = dat | פוטיפר (potifar) = Potifar | סריס (saris) = hofdienaar van | פרעה (par'oh) = Farao | שר (sar) = bevelhebber van | הטבחים (hatabachim) = de slachters | מבקש (mevaqesh) = zoekt | עבד (eved) = slaaf | טוב (tov) = goed | אשר (asher) = die | יעמוד (ya'amod) = zal staan | לפניו (lefanav) = voor hem | לשרתו (lesharto) = om hem te dienen | ולהפקיד (ulehafqid) = en aan te stellen | אותו (oto) = hem | על (al) = over | ביתו (beito) = zijn huis | ועל (ve'al) = en over | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **44:4** Kom nu, laten wij hem aan hem verkopen voor de prijs die wij willen, als hij ons kan geven wat wij voor hem vragen.” Brontekst: עתה (attah) = nu | לכו (lekhu) = kom | ונמכרנו (venimkerenu) = en laten wij hem verkopen | אליו (elav) = aan hem | כאשר (ka'asher) = naar wat | נחפוץ (nachpots) = wij verlangen | אם (em) = als | יוכל (yukhal) = hij kan | לתת (latet) = te geven | לנו (lanu) = voor ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | חפצנו (chefsenu) = onze wens | בו (bo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:5** Die Medanieten gingen naar het huis van Potifar en zeiden tegen hem: „Wij hebben gehoord dat je een goede slaaf zoekt om je te dienen. Zie, wij hebben een slaaf bij ons die naar je zin is; als je ons kunt geven wat wij ervoor wensen, verkopen wij hem aan je.” Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | המדנים (hamedanim) = de Medanieten | ההם (hahem) = die | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בית (bet) = het huis van | פוטיפר (potifar) = Potifar | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tegen hem | שמענו (shamanu) = wij hebben gehoord | אשר (asher) = dat | אתה (attah) = jij | מבקש (mevaqesh) = zoek | עבד (eved) = slaaf | טוב (tov) = goed | לשרתך (lesharetkha) = om je te dienen | הנה (hinneh) = zie | איתנו (ittanu) = met ons | עבד (eved) = slaaf | אשר (asher) = die is | כרצונך (kirtsonekha) = naar je wil | אם (em) = als | תוכל (tukhal) = kan | לתת (latet) = te geven | לנו (lanu) = voor ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | חפצנו (chefsenu) = onze wens | בו (bo) = in hem | ונמכרנו (venimkerenu) = en laten wij hem verkopen | לך (lekha) = aan jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:6** Potifar zei: „Breng hem voor mij, dan zal ik hem zien; en als hij goed is in mijn ogen, zal ik jullie geven wat jullie ervoor willen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | פוטיפר (potifar) = Potifar | הביאוהו (havi'uhu) = breng hem | לפני (lifnei) = voor | ואראנו (ve'er'enu) = en ik zal hem zien | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | ייטב (yetav) = goed is | בעיניי (be'einai) = in mijn ogen | ונתתי (venatati) = en ik zal geven | לכם (lakhem) = aan jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | תחפצו (tachpetsu) = jullie willen | בו (bo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:7** De Medanieten gingen en brachten Jozef en lieten hem voor Potifar staan. Hij zag hem, en hij beviel hem zeer. Potifar zei tegen hen: „Zeg mij toch wat jullie voor deze jongen willen.” Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | המדנים (hamedanim) = de Medanieten | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ויעמידוהו (vaya'amiduhu) = en zij lieten hem staan | לפני (lifnei) = voor | פוטיפר (potifar) = Potifar | ויראהו (vayar'ehu) = en hij zag hem | ויישר (vayiyshar) = en het was goed | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen | מאוד (me'od) = zeer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | פוטיפר (potifar) = Potifar | הגידו (higgidu) = zegt | נא (na) = toch | לי (li) = voor mij | אשר (asher) = die | תחפצו (tachpetsu) = jullie willen | בנער (bane'ar) = voor de jongen | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:8** Zij zeiden: „Vierhonderd zilverstukken willen wij voor hem.” Potifar zei: „Ik zal ze jullie geven als jullie degene die hem aan jullie verkocht heeft bij mij brengen en mij zijn verhaal vertellen, want misschien is hij gestolen. Deze jongen is immers geen slaaf en geen zoon van een slaaf, want ik zie goed en mooi bloed in hem.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | כסף (kesef) = zilver | חפצנו (chefsenu) = onze wens | בו (bo) = in hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | פוטיפר (potifar) = Potifar | אני (ani) = ik | אתן (etten) = zal ik geven | לכם (lakhem) = aan jullie | אם (em) = als | תביאו (tavi'u) = jullie brengen | אליי (elai) = tot mij | מוכרו (mokhro) = zijn verkoper | אליכם (aleikhem) = aan jullie | ותגידו (vetagidu) = en jullie vertellen | לי (li) = voor mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברו (dabberu) = zijn verhaal | אולי (ulai) = misschien | גנוב (ganov) = gestolen | הוא (hu) = hij | כי (ki) = want | הנער (hanna'ar) = de jongen | הזה (hazzeh) = deze | לא (lo) = niet | עבד (eved) = slaaf | ולא (velo) = en niet | בן (ben) = zoon van | עבד (eved) = slaaf | הוא (hu) = hij | כי (ki) = want | דם (dam) = bloed | טוב (tov) = goed | ויפה (veyefeh) = en mooi | אני (ani) = ik | רואה (ro'eh) = ziet | בו (bo) = in hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: כי דם טוב ויפה אני רואה בו (‘want ik zie goed en mooi bloed in hem’): ‘bloed’ staat hier voor afkomst. De Engelse vertaling heeft ‘the appearance of a goodly and handsome person’. **44:9** De Medanieten gingen en brachten de Ismaëlieten bij hem, die hem aan hen verkocht hadden; zij gaven het toe en zeiden: „Hij is een slaaf, en wij hebben hem aan hen verkocht.” Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | המדנים (hamedanim) = de Medanieten | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | לו (lo) = bij hem | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | אשר (asher) = die | מכרוהו (mekharuhu) = hadden hem verkocht | אליהם (aleihem) = tot hen | ויודו (vayyodu) = en zij erkenden | אליו (elav) = tegen hem | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | עבד (eved) = slaaf | הוא (hu) = hij | ואנחנו (va'anachnu) = en wij | מכרנו (makharnu) = hebben verkocht | אותו (oto) = hem | אליהם (aleihem) = aan hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:10** Potifar hoorde de woorden van de Ismaëlieten, en Potifar woog de Medanieten het zilver af waarover zij gesproken hadden, vierhonderd zilverstukken, en gaf het in de hand van de Ismaëlieten om het aan de Medanieten te geven. De Medanieten namen het zilver uit de hand van de Ismaëlieten en gingen hun weg, en ook de Ismaëlieten keerden naar hun woonplaats terug. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | פוטיפר (potifar) = Potifar | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | וישקול (vayishqol) = en woog af | פוטיפר (potifar) = Potifar | אל (el) = aan | המדנים (hamedanim) = de Medanieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכסף (hakkesef) = het zilver | אשר (asher) = die | דיברו (dibberu) = zij hadden genoemd | לו (lo) = voor hem | ארבע (arba) = vier | מאות (me'ot) = honderd | כסף (kesef) = zilver | ויתנהו (vayittenehu) = en hij gaf het | ביד (beyad) = in de hand van | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | לתתו (latito) = om het te geven | אל (el) = tot | המדנים (hamedanim) = de Medanieten | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | המדנים (hamedanim) = de Medanieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכסף (hakkesef) = het zilver | מיד (miyyad) = uit de hand van | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | וגם (vegam) = en ook | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | שבו (shavu) = zij keerden terug | אל (el) = tot | מקומם (meqomam) = hun plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:11** Potifar nam Jozef en bracht hem naar zijn huis, en Jozef diende hem. Jozef vond gunst in de ogen van Potifar, die hem vertrouwde en hem aanstelde over zijn huis, en alles wat hij had, gaf hij in zijn hand. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | פוטיפר (potifar) = Potifar | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ויביאהו (vayevi'ehu) = en hij bracht hem | אל (el) = tot | ביתו (beito) = zijn huis | וישרת (vayesharet) = en hij diende | אותו (oto) = hem | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | יוסף (Yosef) = Jozef | חן (chen) = gunst | בעיני (be'einei) = in de ogen van | פוטיפר (potifar) = Potifar | ויאמן (vaya'amen) = en hij vertrouwde | בו (bo) = in hem | ויפקדהו (vayafqidehu) = en hij stelde hem aan | על (al) = over | ביתו (beito) = zijn huis | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = hem toebehoorde | נתן (natan) = gaf hij | בידו (beyado) = in zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Yahweh met Jozef **44:12** Yahweh was met Jozef, en hij werd een man die slaagde; en Yahweh zegende het huis van Potifar vanwege Jozef. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | ויהי (vayehi) = en hij werd | איש (ish) = een man | מצליח (matsliach) = die slaagde | ויברך (vayevarekh) = en Hij zegende | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | בית (bet) = het huis van | פוטיפר (potifar) = Potifar | בגלל (biglal) = vanwege | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 39:2–5 (Yahweh was met Jozef en zegende het huis van de Egyptenaar om Jozefs wil). Zie ook: Gen 39:2–5 **44:13** Potifar liet alles wat hij had in de hand van Jozef, en Jozef was degene die uitging en degene die inging, en op zijn bevel geschiedde alles in het huis van Potifar. Brontekst: ויעזוב (vaya'azov) = en liet | פוטיפר (potifar) = Potifar | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = hem toebehoorde | ביד (beyad) = in de hand van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויהי (vayehi) = en was | יוסף (Yosef) = Jozef | הוא (hu) = hij | המוציא (hamotsi) = die uitbracht | והוא (vehu) = en hij | המביא (hamevi) = die binnenbracht | ועל (ve'al) = en op | פיו (pihu) = zijn mond | יהיה (yihyeh) = geschiedde | כל (kol) = alle | דבר (davar) = zaak | בבית (babbayit) = in huis | פוטיפר (potifar) = Potifar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:14** Jozef was achttien jaar oud, een mooie jongeling, met mooie ogen en een goed voorkomen, en zijn gelijke was er niet in heel het land Egypte. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | בן (ben) = zoon van | שמונה (shemonah) = acht | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | יפה (yafah) = mooi | בחור (bachur) = jongeling | יפה (yafah) = mooi | עיניים ('enayim) = ogen | וטוב (vetov) = en goed | רואי (ro'i) = van aanblik | וכמוהו (vekhamohu) = en zoals hij | לא (lo) = niet | היה (hayah) = was | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 39:6 ### Zelicha **44:15** In die tijd, terwijl Jozef in het huis van zijn heer was, in en uit het huis ging en Yahweh diende, sloeg Zelicha, de vrouw van zijn heer, haar ogen naar Jozef op en zag hem, en zie, hij was een jongeman, mooi van gestalte en zeer mooi van aanzien. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | בהיות (bihyot) = terwijl hij was | יוסף (Yosef) = Jozef | בבית (babbayit) = in huis | אדוניו (adonav) = zijn heer | יוצא (yotse) = uitgaand | ובא (uva) = en kwam | בבית (babbayit) = in huis | ומשרת (umesharet) = en dienend | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ותשא (vatissa) = en zij hief op | זליכא (zelikha) = Zelicha | אשת (eshet) = vrouw van | אדוניו (adonav) = zijn heer | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניה (eineha) = haar ogen | אל (el) = naar | יוסף (Yosef) = Jozef | ותראהו (vatir'ehu) = en zij zag hem | והנה (vehinneh) = en zie | נער (na'ar) = jongen | יפה (yafah) = mooi | תואר (to'ar) = van gestalte | ויפה (veyefeh) = en mooi | מראה (mar'eh) = van aanzien | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ומשרת את ה׳ (‘en Yahweh dienend’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘attending his master’. Zie Gen. 39:7 (de vrouw van zijn heer sloeg haar ogen op Jozef). Zie ook: Gen 39:7 **44:16** Zij begeerde zijn schoonheid in haar hart, en haar ziel hechtte zich zeer aan Jozef. Dag na dag zette zij hem aan om bij haar te zijn, en dag na dag kleedde zij hem in kleren. Zelicha verleidde Jozef dag na dag met allerlei woorden, dag na dag, maar Jozef hief zijn ogen niet op om naar de vrouw van zijn heer te kijken. Brontekst: ותחמוד (vatachmod) = en zij begeerde | יופיו (yofyo) = zijn schoonheid | בלבה (belibah) = in haar hart | ותדבק (vattidbaq) = en zij hechtte zich | נפשה (nafshah) = haar ziel | ביוסף (beyosef) = Jozef | מאוד (me'od) = zeer | ותסיתהו (vatesiteh u) = en zij zette hem aan | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | להיות (lihyot) = te zijn | איתה (ittah) = bij haar | ותלבישהו (vatalbishehu) = en zij kleedde hem | בגדים (begadim) = kleren | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ותפתה (vatefatte) = en zij verleidde | זליכה (zelikha) = Zelicha | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | בכל (bekhol) = met elk | דבר (davar) = woord | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ולא (velo) = en niet | נשא (nasa) = hief op | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניו (einav) = zijn ogen | לראות (lir'ot) = te kijken naar | באשת (be'eshet) = de vrouw van | אדוניו (adonav) = zijn heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:17** Zelicha zei tegen hem: „Wat is je uiterlijk goed, en je gestalte zeer mooi! Ik heb toch onder alle slaven gekeken, en nooit heb ik een slaaf gezien die zo mooi is als jij.” Jozef zei tegen haar: „Heeft Hij die mij in de buik van mijn moeder geschapen heeft niet ook alle mensen geschapen?” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | זליכה (zelikha) = Zelicha | מה (mah) = hoe | טוב (tov) = goed | מראיך (mar'ekha) = je uiterlijk | ותוארך (vetoarekh) = en je gestalte | מאוד (me'od) = zeer | הלא (halo) = immers | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | בכל (bekhol) = onder alle | עבד (eved) = slaaf | ולא (velo) = en niet | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | עבד (eved) = slaaf | יפה (yafah) = mooi | כמותך (kamotekha) = zoals jij | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | יוסף (Yosef) = Jozef | הלא (halo) = immers | אשר (asher) = Hij die | בראני (bera'ani) = mij heeft geschapen | בבטן (bebeten) = in de buik van | אמי (immi) = mijn moeder | הוא (hu) = Hij | אשר (asher) = die | ברא (bara) = heeft geschapen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = de mensheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:18** Zij zei tegen hem: „Hoe mooi zijn je ogen, waarmee je alle inwoners van Egypte, man en vrouw, verblind hebt.” Hij zei tegen haar: „Hoe goed zijn zij zolang ik leef; maar als je ze in het graf zag, zou je er zeker voor terugdeinzen.” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | מה (mah) = hoe | נאוו (na'avu) = zijn mooi | עיניך (eneykha) = je ogen | כי (ki) = want | הרהבת (hirhavta) = heb je verblind | בהם (bahem) = in hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | איש (ish) = een man | ואישה (ve'ishah) = en vrouw | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | מה (mah) = hoe | טובם (tovam) = hoe goed zijn zij | בעודני (be'odeni) = zolang ik | חי (chai) = levend | ואם (ve'im) = en als | ראיתם (re'item) = je zag hen | בקבר (baqever) = in het graf | הלא (halo) = zeker | תנוד (tanud) = zou je terugdeinzen | מהם (mehem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **44:19** Zij zei tegen hem: „Hoe mooi en hoe lieflijk zijn al je woorden! Neem toch de harp die in huis is en speel met je hand, en laat mij je woorden horen.” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | מה (mah) = hoe | יפו (yafu) = zijn mooi | ומה (umah) = en hoe | נעמו (na'amu) = zijn lieflijk | כל (kol) = alle | דבריך (devarekha) = je woorden | קח (qach) = neem | נא (na) = toch | לך (lekha) = aan jou | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכינור (hakinnor) = de harp | אשק (ashaq) = die | בבית (babbayit) = in huis | ונגן (venagen) = en speel | בידך (beyadekha) = in je hand | ואשמע (ve'eshma) = en laat mij horen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריך (devarekha) = je woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: אשק בבית (‘die is in huis’) staat er; אשק is gelezen als אשר, ‘die’. **44:20** Hij zei tegen haar: „Hoe mooi en hoe lieflijk zijn mijn woorden wanneer ik de lof van mijn Elohim en Zijn roem bezing.” Zij zei tegen hem: „Hoe zeer mooi is het haar van je hoofd! Zie, de gouden kam die in huis is; neem hem toch en kam het haar van je hoofd.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | מה (mah) = hoe | יפו (yafu) = zijn mooi | ומה (umah) = en hoe | נעמו (na'amu) = zijn lieflijk | דבריי (devarai) = mijn woorden | בשבחי (bishvachi) = in mijn loven | את (et) = (lijdend voorwerp) | שבח (shevach) = de lof van | אלוקיי (elohai) = mijn Elohim | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | תהילתו (tehilato) = Zijn roem | ותאמר (vatomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | מה (mah) = hoe | יפה (yafah) = mooi | מאוד (me'od) = zeer | שיער (se'ar) = haar | ראשך (rosh'kha) = je hoofd | הנה (hinneh) = zie | מסרק (masreq) = de kam van | הזהב (hazzahav) = het goud | אשר (asher) = die | בבית (babbayit) = in huis | קח (qach) = neem | נא (na) = toch | לך (lekha) = aan jou | והסרק (vehasreq) = en kam | את (et) = (lijdend voorwerp) | שיער (se'ar) = haar | ראשך (rosh'kha) = je hoofd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:21** Hij zei tegen haar: „Hoe lang nog spreek je zulke woorden tot mij? Laat al deze woorden van mij af, sta op en doe al het werk van je huis.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | עד (ad) = tot | מתי (matai) = wanneer | תדברי (tedabri) = spreek je | אליי (elai) = tot mij | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | עזוב (azov) = laat af | לך (lekha) = aan jou | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | מעליי (me'alai) = van mij | וקום (vequm) = en sta op | ועשה (ve'asah) = en doe | לך (lekha) = aan jou | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | ביתך (beitekha) = je huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:22** Zij zei tegen hem: „Er is niets te doen in mijn huis, en er is geen woord dan je woorden en je uitspraken.” Maar toch keek Jozef niet naar haar en sloeg zijn ogen niet naar haar op; hij richtte zijn ogen omlaag naar de grond. Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | אין (ein) = er is niet | דבר (davar) = zaak | בביתי (beveiti) = in mijn huis | ואין (veein) = en niet | מאמר (ma'amar) = een uitspraak | כי (ki) = — | אם (em) = behalve | דבריך (devarekha) = je woorden | ומאמריך (uma'amarayikh) = en je uitspraken | ובכל (uvkhol) = en ondanks | זאת (zot) = dit | לא (lo) = niet | הביט (hibbit) = keek | יוסף (Yosef) = Jozef | אליה (eleha) = haar | ולא (velo) = en niet | נשא (nasa) = hief op | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניו (einav) = zijn ogen | בה (bah) = naar haar | ויתן (vayitten) = en gaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניו (einav) = zijn ogen | בארץ (ba'arets) = op de grond | למטה (lemata) = naar beneden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:23** Zelicha beminde Jozef in haar hart en wilde bij hem liggen. Wanneer hij in huis zat om zijn werk te doen, kwam Zelicha en ging voor hem zitten, en zij zette hem dag na dag met woorden aan om bij haar te liggen of naar haar te kijken, maar Jozef wilde niet naar haar luisteren. Brontekst: ותאהב (vate'ehav) = en zij werd verliefd | זליכה (zelikha) = Zelicha | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | בלבה (belibah) = in haar hart | לשכב (lishkav) = om te liggen | עמה (immah) = met haar | והיה (vehayah) = en het was | בעת (be'et) = in de tijd | אשר (asher) = die | ישב (yashav) = zat | בבית (babbayit) = in huis | לעשות (la'asot) = om te doen | מלאכתו (mela'khto) = zijn werk | ותבוא (vattavo) = en kwam | זליכה (zelikha) = Zelicha | ותשב (vatashav) = en zij ging zitten | לפניו (lefanav) = voor hem | ותסיתהו (vatesiteh u) = en zij zette hem aan | בדברים (baddevarim) = met woorden | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | לשכב (lishkav) = om te liggen | עמה (immah) = met haar | או (o) = of | להביט (lehabit) = om te kijken | אליה (eleha) = haar | ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde | יוסף (Yosef) = Jozef | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אליה (eleha) = haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:24** Zij zei tegen hem: „Als je mijn woorden niet doet, zal ik je kastijden met het oordeel van de dood en een ijzeren juk op je leggen.” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | אם (em) = als | לא (lo) = niet | תעשה (ta'aseh) = je doet | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | אייסרך (ayasrekha) = zal ik je kastijden | במשפט (bamishpat) = met het oordeel van | מות (mot) = dood | ואתנה (ve'ettenah) = en ik zal leggen | עליך (aleikha) = op je | עול (ol) = een juk | ברזל (barzel) = ijzer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:25** Jozef zei tegen haar: „Is het niet Elohim, die de mens geschapen heeft, die gebondenen losmaakt? Hij is het die mij zal redden uit je gevangenschap en uit je oordelen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | יוסף (Yosef) = Jozef | הלא (halo) = immers | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | ברא (bara) = schiep | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדם (ha'adam) = de mens | הוא (hu) = Hij | מתיר (matir) = die ontbindt | אסורים (asurim) = gebondenen | והוא (vehu) = en Hij | אשר (asher) = die | יציל (yatsil) = zal redden | אותי (oti) = mij | ממאסריך (mimasarayikh) = van je gevangenschap | וממשפטיך (umimishpatayikh) = en van je oordelen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:26** Toen zij hem niet kon verleiden en haar ziel aan hem gehecht bleef, viel Zelicha in een zware ziekte van verlangen naar hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | לא (lo) = niet | יכלה (yakhelah) = zij kon | עליו (alav) = over hem | לפתותו (lefatoto) = om hem te verleiden | ונפשה (venafshah) = en haar ziel | דבקה (devaqah) = kleefde | בו (bo) = aan hem | ותיפול (vattippol) = en viel | זליכה (zelikha) = Zelicha | בחולי (bacholi) = in ziekte | כבד (kaved) = zwaar | מתאותו (mita'avato) = van verlangen naar hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De vrouwen van Egypte **44:27** Alle vrouwen van Egypte kwamen haar bezoeken en zeiden tegen haar: „Waarom ben je zo uitgeteerd en mager, terwijl je niets tekortkomt? Ben je niet de vrouw van een geëerd en groot vorst in de ogen van de koning? Ontbreekt je iets van alles wat je ziel begeert?” Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | נשי (neshei) = vrouwen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לבקרה (levaqra) = om haar te bezoeken | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליה (eleha) = haar | מדוע (maddu'a) = waarom | את (et) = jij | ככה (kakhah) = zo | דלה (dalla) = uitgeteerd | ורזה (veraza) = en mager | ואת (ve'et) = en jij | לא (lo) = niet | חסרת (chasarta) = ontbreekt je | דבר (davar) = iets | הלא (halo) = immers | אשת (eshet) = vrouw van | שר (sar) = vorst | נכבד (nikhbad) = geëerd | וגדול (vegadol) = en groot | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = jij | החסרת (hachasarta) = ontbreekt je | דבר (davar) = iets | מכל (mikkol) = van elke | אשר (asher) = die | תאוה (te'aveh) = begeert | נפשך (nafshekha) = je ziel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **44:28** Zelicha antwoordde hun: „Vandaag zal het jullie bekend worden waardoor mij dit is overkomen, wat jullie bij mij zien.” Zij gebood haar dienstmeisjes brood voor alle vrouwen neer te zetten, en zij deden zo; zij richtte voor hen een maaltijd aan, en alle vrouwen aten in het huis van Zelicha. Brontekst: ותען (vata'an) = en antwoordde | זליכה (zelikha) = Zelicha | אתהן (ottehen) = aan hen | לאמור (lemor) = zeggende | היום (hayyom) = vandaag | יוודע (yivada) = zal bekend worden | לכן (lakhen) = aan jullie | על (al) = vanwege | מה (mah) = wat | היה (hayah) = is geweest | לי (li) = voor mij | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | אותי (oti) = mij | בו (bo) = in | ותצו (vatetsav) = en zij gebood | את (et) = (lijdend voorwerp) | נערותיה (na'arotehah) = haar dienstmeisjes | וישימו (vayasimu) = en zij zetten | לחם (lechem) = brood | לכל (lekhol) = voor alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo | ותעש (vata'as) = en zij maakte | להן (lahen) = aan hen | משתה (mishteh) = maaltijd | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | כל (kol) = alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | בבית (babbayit) = in huis | זליכה (zelikha) = Zelicha Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:29** Zij gaf hun citroenen in handen en gaf hun messen om de citroenen te schillen en te eten. Zij gebood dat men Jozef kostbare kleren aan zou doen en hem voor hen zou brengen. Jozef kwam voor hen, en alle vrouwen keken naar Jozef; zij zagen Jozef en wendden hun ogen niet van hem af, en zij sneden zich allen in de handen met de messen die in hun handen waren, en alle citroenen die in hun handen waren, werden vol van hun bloed. Brontekst: ותיתן (vattitten) = en zij gaf | בידם (beyadam) = in hun hand | אתרוגים (etrogim) = citroenen | ותיתן (vattitten) = en zij gaf | להן (lahen) = aan hen | סכינים (sakkinim) = messen | לקלף (leqalef) = om te schillen | האתרוגים (ha'etrogim) = de citroenen | לאכלם (le'ekhlam) = om ze te eten | ותצו (vatetsav) = en zij gebood | וילבישו (vayalbishu) = en zij kleedden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | בגדים (begadim) = kleren | יקרים (yeqarim) = kostbare | ולהביאו (ulehevi'o) = en hem te brengen | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | יוסף (Yosef) = Jozef | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ויביטו (vayabitu) = en zij keken | כל (kol) = alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | ביוסף (beyosef) = Jozef | ויראו (vayiru) = en zij zagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ולא (velo) = en niet | הפנו (hifnu) = zij wendden af | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניהם (eineihem) = hun ogen | ממנו (mimmennu) = van hem | ויחתכו (vayachtekhu) = en zij sneden | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידיהים (yedeihem) = hun handen | בסכינין (besakinin) = met de messen | אשר (asher) = die | בידיהן (beyadeihen) = in hun handen | וימלאו (vayyimle'u) = en werden vol | כל (kol) = alle | האתרוגים (ha'etrogim) = de citroenen | אשר (asher) = die | בידיהן (beyadeihen) = in hun handen | בדמם (bedamam) = met hun bloed Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:30** Zij wisten niet wat zij gedaan hadden, maar bleven kijken naar de schoonheid van Jozef en wendden hun oogleden niet van hem af. Brontekst: ולא (velo) = en niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | עשו (asu) = zij hadden gedaan | אך (akh) = maar | הביטו (hibbitu) = zij bleven kijken | לראות (lir'ot) = zien | ביופי (beyofi) = naar de schoonheid van | יוסף (Yosef) = Jozef | ולא (velo) = en niet | הפנו (hifnu) = zij wendden af | ממנו (mimmennu) = van hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | עפעפיהן (ap'appeihen) = hun oogleden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:31** Zelicha zag wat zij gedaan hadden en zei tegen hen: „Wat is dit voor een daad die jullie hebben gedaan? Ik heb jullie toch citroenen gegeven om te eten, en jullie hebben jullie handen allemaal gesneden.” Brontekst: ותראה (vatere) = en zij zag | זליכה (zelikha) = Zelicha | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | עשו (asu) = zij hadden gedaan | ותאמר (vatomer) = en zei | אליהן (aleyhen) = tot hen | מה (mah) = wat | המעשה (hamma'aseh) = de daad | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשיתן (asitten) = jullie hebben gedaan | הלא (halo) = immers | אתרוגים (etrogim) = citroenen | נתתי (natati) = ik gaf | לפניכם (lifnekhem) = voor jullie | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ותחתכו (vatachtekhu) = en jullie sneden | אתם (ittam) = jullie | כולכם (kulkhem) = jullie allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידיכן (yedeikhen) = jullie handen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:32** Alle vrouwen zagen hun handen, en zie, ze waren vol bloed, en hun bloed liep neer over al hun kleren. Zij zeiden tegen haar: „Deze slaaf van je in je huis heeft ons verblind, en wij konden onze oogleden niet van hem afwenden vanwege zijn schoonheid.” Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידיהן (yedeihen) = hun handen | והנה (vehinneh) = en zie | מלאים (mele'im) = vol | דם (dam) = bloed | וירד (vayered) = en liep neer | דמן (daman) = hun bloed | על (al) = op | כל (kol) = alle | בגדיהן (bigdeihen) = hun kleren | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליה (eleha) = haar | כי (ki) = — | זה (ze) = dit | העבד (ha'eved) = de slaaf | אשר (asher) = die | לך (lekha) = aan jou | בביתך (bevetekha) = in je huis | הרהיבנו (hirhivanu) = heeft ons verblind | ולא (velo) = en niet | יכולנו (yakholnu) = wij konden | להסיר (lehasir) = weg te nemen | עפעפינו (ap'appeinu) = onze oogleden | ממנו (mimmennu) = van hem | מיופיו (miyofyo) = vanwege zijn schoonheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:33** Zij zei tegen hen: „Is het jullie niet in één ogenblik overkomen, toen jullie hem zagen, en konden jullie je niet bedwingen om hem? En ik, die hem voortdurend in mijn huis heb en hem dag na dag zie gaan en komen in mijn huis, hoe zou ik hierdoor niet uitteren en sterven?” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | אליהם (aleihem) = tot hen | הלא (halo) = immers | ברגע (baregà) = in een ogenblik | אשר (asher) = dat | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | אותו (oto) = hem | קרה (qarah) = overkwam | לכם (lakhem) = aan jullie | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ולא (velo) = en niet | יכולתם (yekholtem) = jullie konden | להתאפק (lehit'apeq) = jullie te bedwingen | עליו (alav) = om hem | ואף (ve'af) = en zelfs | אנוכי (anokhi) = ik | אשר (asher) = terwijl | הוא (hu) = hij | בביתי (beveiti) = in mijn huis | תמיד (tamid) = steeds | ואראה (ve'er'eh) = en ik zie | אותו (oto) = hem | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | הולך (holekh) = gaand | ובא (uva) = en komend | בביתי (beveiti) = in mijn huis | ואיך (ve'ekh) = en hoe | לא (lo) = niet | אדל (edal) = ik uitteer | ואמות (va'amut) = en sterf | מזה (mizzeh) = hierdoor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:34** Zij zeiden tegen haar: „Je spreekt de waarheid, want wie kan deze gestalte in zijn huis zien en zich van hem onthouden? Is hij niet je slaaf, en dient hij niet je huis? Waarom zeg je hem niet wat er in je hart is en laat je je ziel sterven om deze zaak?” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליה (eleha) = haar | אמת (emet) = waarheid | תדברי (tedabri) = spreek je | כי (ki) = want | מי (mi) = wie | יוכל (yukhal) = kan | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | התואר (hato'ar) = de gestalte | הזה (hazzeh) = deze | בביתו (beveyto) = in zijn huis | ויתאפק (veyit'apeq) = en zich bedwingt | ממנו (mimmennu) = van hem | והלא (vehalo) = en is niet | עבדך (avdekha) = je slaaf | הוא (hu) = hij | ומשרת (umesharet) = en dienend | את (et) = (lijdend voorwerp) | ביתיך (beteykh) = je huis | ולמה (velamah) = en waarom | לא (lo) = niet | תדברי (tedabri) = spreek je | אליו (elav) = tegen hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עם (im) = in | לבבך (levavkha) = je hart | ותעזבי (vata'azvi) = en laat | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשך (nafshekha) = je ziel | למות (lamut) = te sterven | בדבר (bedabber) = om | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:35** Zij zei tegen hen: „Ik doe elke dag moeite om hem aan te zetten, maar hij wil niet naar mijn woorden luisteren; ik heb hem alle goeds beloofd, en toch heb ik niets bij hem gevonden. Daarom ben ik uitgeteerd, zoals jullie mij zien.” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | אליהם (aleihem) = tot hen | מתחזקת (mitchazeqet) = doe ik moeite | אני (ani) = ik | בכל (bekhol) = in heel | יום (yom) = dag | להסיתו (lehasito) = om hem aan te zetten | ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde | אל (el) = naar | דברי (divrei) = woorden van | ואבטיחהו (va'avtichehu) = en ik heb beloofd | בכל (bekhol) = in heel | טובה (tovah) = goeds | ולא (velo) = en niet | מצאתי (matsati) = ik heb gevonden | בו (bo) = in hem | דבר (davar) = iets | על (al) = daarom | כן (ken) = — | דלותי (dalloti) = ben ik uitgeteerd | כאשר (ka'asher) = zoals | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | אותי (oti) = mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:36** Zelicha werd zeer ziek van verlangen naar Jozef, en haar ziekte werd zwaar van liefde voor hem; en alle mensen van het huis van Zelicha en haar man wisten niets van deze zaak, dat Zelicha ziek was uit liefde voor Jozef. Brontekst: וזליכה (vezelikha) = en Zelicha | חלתה (chalta) = werd ziek | מאוד (me'od) = zeer | מתאות (mita'avat) = van verlangen naar | יוסף (Yosef) = Jozef | ויכבד (vayikhbad) = en zwaar werd | עליה (aleha) = op haar | חוליה (choleha) = haar ziekte | מאהבתו (me'ahavato) = van liefde voor hem | וכל (vekhol) = en alle | אנשי (anshei) = mensen van | בית (bet) = het huis van | זליכה (zelikha) = Zelicha | ואישה (ve'ishah) = en haar man | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וכי (vekhi) = en dat | חלתה (chalta) = werd ziek | זליכה (zelikha) = Zelicha | מאהבת (me'ahavat) = uit liefde voor | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:37** Alle mensen van haar huis vroegen haar: „Waarom ben je zo uitgeteerd en ziek, terwijl je niets tekortkomt?” Zij zei tegen hen: „Ik ken dit niet, wat mij dag na dag overkomt.” Brontekst: וישאלוה (vayish'aluha) = en zij vroegen haar | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | ביתה (baytah) = van haar huis | מדוע (maddu'a) = waarom | את (et) = (lijdend voorwerp) | ככה (kakhah) = zo | דלה (dalla) = uitgeteerd | וחולה (vecholah) = en ziek | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | לא (lo) = niet | חסרת (chasarta) = ontbreekt je | דבר (davar) = iets | ותאמר (vatomer) = en zei | אליהם (aleihem) = tot hen | לא (lo) = niet | ידעתי (yada'ti) = ik ken | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | בא (ba) = kwam | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | אליי (elai) = tot mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:38** Alle vrouwen en al haar vriendinnen kwamen dag na dag om haar te zien en met haar te spreken, en zij zei tegen hen: „Dit is niets anders dan uit liefde voor Jozef.” Zij zeiden tegen haar: „Verleid hem en houd hem in het geheim vast; misschien luistert hij naar je en neemt hij van je af alleen deze dood.” Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | וכל (vekhol) = en alle | מאהבותיה (me'ohavotehah) = van haar vriendinnen | באות (ba'ot) = komend | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | לראותה (lir'otah) = om haar te zien | ולדבר (uledabber) = en om te spreken | עמה (immah) = met haar | ותאמר (vatomer) = en zei | אליהן (aleyhen) = tot hen | אין (ein) = is niet | זה (ze) = dit | כי (ki) = dan | אם (em) = — | מאהבת (me'ahavat) = uit liefde voor | יוסף (Yosef) = Jozef | ותאמרן (vato'marna) = en zij zeiden | אליה (eleha) = haar | פתי (patti) = verleid | אותו (oto) = hem | והחזיקי (vehachaziqi) = en houd vast | בו (bo) = hem | בסתר (baseter) = in het geheim | אולי (ulai) = misschien | ישמע (yishma) = hij zal luisteren | אלייך (eleykh) = tot jou | ויסיר (veyasir) = en dat hij wegneemt | מעלייך (me'alayikh) = van je af | רק (raq) = alleen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המות (hammavet) = dit sterven | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:39** Zelicha werd steeds zieker uit liefde voor Jozef, en zij werd steeds meer uitgeteerd, tot zij geen kracht meer had om te staan. Brontekst: ותוסף (vattosef) = en zij ging voort | זליכה (zelikha) = Zelicha | לחלות (lachalot) = ziek te worden | מאהבת (me'ahavat) = uit liefde voor | יוסף (Yosef) = Jozef | ותלך (vattelekh) = en zij ging | הלוך (halokh) = steeds verder | ודלה (vedalla) = en uitgeteerd | עד (ad) = tot | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | היה (hayah) = was | בה (bah) = in haar | כח (koach) = kracht | לעמוד (la'amod) = te staan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:40** Op een dag was Jozef in huis het werk van zijn heer aan het doen, en Zelicha kwam in het geheim en viel plotseling op hem; Jozef stond tegen haar op, bleek sterker dan zij en deed haar op de grond zitten. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | היום (hayyom) = op een dag | ויוסף (vayosef) = en Jozef | עושה (oseh) = deed | מלאכת (melakhat) = het werk van | אדוניו (adonav) = zijn heer | בבית (babbayit) = in huis | ותבא (vattavo) = en kwam | זליכה (zelikha) = Zelicha | בסתר (baseter) = in het geheim | ותיפול (vattippol) = en viel | עליו (alav) = op hem | פתאום (pit'om) = plotseling | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יוסף (Yosef) = Jozef | עליה (aleha) = tegen haar | ויתחזק (vayitchazzeq) = en hij werd sterk | ממנה (mimmenah) = van haar | ויושיבה (vayoshivah) = en deed haar zitten | לארץ (la'arets) = op de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Zelicha smeekt **44:41** Zelicha weende om hem vanwege het verlangen dat in haar hart naar hem was, en zij smeekte hem met geween, terwijl haar tranen over haar gezicht liepen. Zij sprak tot hem met een stem van smeking en in bitterheid van ziel: Brontekst: ותבכה (vatevk) = en zij weende | עליו (alav) = om hem | זליכה (zelikha) = Zelicha | מהתאוה (mehata'ava) = van het verlangen | אשר (asher) = die | בלבבה (bilvavah) = in haar hart | אליו (elav) = tegen hem | ותתחנן (vatitchanan) = en zij smeekte | לפניו (lefanav) = voor hem | בבכיה (bevikhyah) = met geween | ודמעותיה (vedim'oteha) = en haar tranen | יורדות (yordot) = dalend | על (al) = op | פניה (paneha) = haar gezicht | ותדבר (vatedabber) = en sprak | אליו (elav) = tegen hem | בקול (bekol) = met een stem | תחינה (techina) = smeking | ובמר (uvemar) = en in bitterheid van | נפש (nefesh) = ziel van | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:42** „Heb je ooit gezien, gehoord of gekend een vrouw die zo mooi is als ik, of beter dan ik, die dag na dag tot je spreekt en uitteert uit liefde voor je, en die je al deze eer bewijst — en toch luister je niet naar mijn stem? Brontekst: הראית (hare'ita) = heb je gezien | או (o) = of | השמעת (hashamata) = heb je gehoord | או (o) = of | הידעת (hayada'ta) = heb je geweten | אישה (ishah) = een vrouw | יפה (yafah) = mooi | כמוני (kamoni) = zoals ik | או (o) = of | טובה (tovah) = beter | ממני (mimmenni) = van mij | אשר (asher) = die | אדבר (adabber) = ik spreek | אליך (elekha) = tot je | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ואדל (ve'edal) = en ik teer uit | מאהבתך (me'ahavatekh) = van liefde voor jou | ואעש (va'e'eseh) = en ik deed | לך (lekha) = aan jou | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הכבוד (hakavod) = de eer | הזה (hazzeh) = deze | ולא (velo) = en niet | שמעת (shamata) = je hebt geluisterd | בקולי (beqoli) = naar mijn stem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:43** En als het is omdat je je heer vreest, dat hij je zal kastijden: zo waar de koning leeft, geen schuld van je heer zal je in deze zaak treffen. Luister nu toch naar mij en doe het omwille van de eer die ik je bewezen heb, en neem deze dood van mij weg; waarom zou ik sterven om jou?” En zij hield op met spreken. Brontekst: ואם (ve'im) = en als | על (al) = omdat | אשר (asher) = — | יראת (yirat) = vreze van | מאדוניך (me'adonekha) = van je heer | פן (pen) = opdat niet | ייסר (yeyaser) = hij kastijdt | אותך (otekha) = jou | חי (chai) = zo waar leeft | המלך (hammelekh) = de koning | אם (em) = zeker niet | יקרך (yiqrekha) = treft je | עוון (avon) = schuld | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | מאדוניך (me'adonekha) = van je heer | ועתה (ve'attah) = en nu | שמע (shema) = luister | נא (na) = toch | אליי (elai) = tot mij | ועשה (ve'asah) = en doe | למען (lema'an) = omwille van | הכבוד (hakavod) = de eer | אשר (asher) = die | כבדתיך (kibadtikha) = heb ik je geëerd | והסר (vehaser) = en neem weg | מעליי (me'alai) = van mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | המות (hammavet) = dit sterven | הזה (hazzeh) = deze | ולמה (velamah) = en waarom | אמות (amut) = ik zou sterven | בעבוריך (ba'avurekha) = omwille van jou | ותכל (vatekhal) = en zij maakte een einde | לדבר (laddavar) = om te spreken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:44** Jozef antwoordde haar: „Houd op, laat mij met rust en laat deze zaak los. Het is ondenkbaar dat ik dit mijn heer aandoe. Zie, mijn heer weet niet wat er bij mij in huis is, en alles wat hem toebehoort, heeft hij in mijn hand gegeven. Hoe zou ik deze dingen doen in het huis van mijn heer? Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | אותה (otah) = haar | לאמור (lemor) = zeggende | חדל (chadal) = houd op | לך (lekha) = aan jou | מעליי (me'alai) = van mij | ועזוב (va'azov) = en laat varen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | חלילה (chalila) = ondenkbaar | לי (li) = voor mij | לעשות (la'asot) = om te doen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לאדוני (la'doni) = aan mijn heer | הן (hen) = zie | אדוני (adoni) = mijn heer | לא (lo) = niet | ידע (yada) = kent | איתי (itti) = bij mij | מה (mah) = wat | בבית (babbayit) = in huis | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = hem toebehoorde | נתן (natan) = hij gaf | בידי (beyadi) = in mijn hand | ואיך (ve'ekh) = en hoe | אעשה (e'eseh) = ik zal doen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | בבית (babbayit) = in huis | אדוני (adoni) = mijn heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 39:8 **44:45** Want hij heeft mij ook zeer geëerd in zijn huis en mij aangesteld over zijn huis en mij verheven; er is niemand groter in dit huis dan ik, en mijn heer heeft mij niets onthouden, behalve jou, omdat jij zijn vrouw bent. Hoe kun je zulke woorden tot mij spreken, en hoe zou ik dit grote kwaad doen en zondigen tegen Elohim en tegen je man? Brontekst: כי (ki) = want | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | כבדני (kibbadani) = heeft mij geëerd | מאוד (me'od) = zeer | בביתו (beveyto) = in zijn huis | וגם (vegam) = en ook | הפקיד (happaqid) = heeft aangesteld | אותי (oti) = mij | על (al) = over | ביתו (beito) = zijn huis | וינשאני (vayenase'eni) = en hij verhoogde mij | אין (ein) = er is niet | איש (ish) = iemand | גדול (gadol) = grote | בבית (babbayit) = in huis | הזה (hazzeh) = deze | ממני (mimmenni) = van mij | ולא (velo) = en niet | חשך (chasakh) = heeft onthouden | אדוני (adoni) = mijn heer | ממני (mimmenni) = van mij | מאומה (me'umah) = iets | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | אותך (otekha) = jou | באשר (ba'asher) = omdat | את (et) = jij | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ואיך (ve'ekh) = en hoe | תדבר (tedabber) = spreek je | אליי (elai) = tot mij | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | ואיך (ve'ekh) = en hoe | אעשה (e'eseh) = ik zal doen | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הגדולה (haggedolah) = grote | הזאת (hazzo't) = deze | וחטאתי (vechatati) = en ik zou zondigen | לאלוקים (le'elohim) = tegen Elohim | ולאישך (ule'ishekh) = en tegen je man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:46** Houd nu op, en spreek niet meer zulke woorden tot mij, want ik luister niet naar je woorden.” Maar Zelicha luisterde niet naar Jozef toen hij deze woorden tot haar sprak, en zij bleef hem dag na dag aanzetten om naar haar te luisteren. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | חדל (chadal) = houd op | לך (lekha) = aan jou | עוד (od) = meer | מעליי (me'alai) = van mij | ואל (ve'el) = en niet | תדברי (tedabri) = spreek je | אליי (elai) = tot mij | עוד (od) = meer | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | כי (ki) = want | אינני (eneni) = ik ben niet | שומע (shome'a) = luisterend | אל (el) = tot | דברייך (devarayikh) = je woorden | וזליכה (vezelikha) = en Zelicha | לא (lo) = niet | שמעה (shama'ah) = hoorde | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | בדברו (bedabbero) = toen hij sprak | אליה (eleha) = haar | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | אך (akh) = maar | מסיתה (mesita) = zette aan | אותו (oto) = hem | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אליה (eleha) = haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het feest bij de rivier **44:47** Hierna gebeurde het dat de rivier van Egypte vol werd tot aan al haar oevers, en alle inwoners van Egypte trokken uit en gingen de rivier bekijken, met allerlei muziekinstrumenten, volgens hun gebruik in het land Egypte. Ook de koning en de vorsten trokken uit om te kijken, met tamboerijnen en reidansen, want het was een grote vreugde voor Egypte en een feestdag, wanneer de zee van de Sichor vol wordt, en zij gingen daarheen om zich te verheugen bij het water. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויתמלא (vayitmale) = en werd vol | נחל (nachal) = beek van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | על (al) = tot aan | כל (kol) = alle | גדותיו (gedotav) = zijn oevers | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנחל (hannachal) = de beek | בכל (bekhol) = met alle | כלי (keli) = instrumenten van | שיר (shir) = zang | כמשפטם (kemishpatam) = volgens hun gebruik | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וגם (vegam) = en ook | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | לראות (lir'ot) = zien | בתופים (bettofim) = met tamboerijnen | ובמחולות (uvimcholot) = en met reidansen | כי (ki) = want | שמחה (semechah) = vreugde | גדולה (gedolah) = grote | היא (hi) = is | למצרים (leMitsrayim) = van Egypte | ויום (veyom) = en een dag | טוב (tov) = van feest | בעת (be'et) = in de tijd | אשר (asher) = die | יתמלא (yitmale) = vol wordt | ים (yam) = zee van | שיחור (shichor) = Sichor | והלכו (vehalekhu) = en zij gingen | שם (shem) = daar | לשמוח (lismoach) = om zich te verheugen | על (al) = op | המים (hammayim) = het water Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 39:11 **44:48** Toen de Egyptenaren naar de Nijl uitgingen om zich te verheugen, volgens hun gebruik, gingen ook alle mensen van het huis van Potifar met hen mee. Maar Zelicha ging niet mee, want zij zei: „Ik ben ziek”, en zij bleef alleen thuis, opdat Jozef die dag voor haar te vinden zou zijn. Toen zij uitgegaan waren, bleef Zelicha alleen in huis, en er was niemand anders bij haar in huis. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאת (betset) = bij het uitgaan van | המצריים (hammitsriyim) = de Egyptenaren | אל (el) = naar | היאור (hayeor) = de Nijl | לשמוח (lismoach) = om zich te verheugen | כמשפטם (kemishpatam) = volgens hun gebruik | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | גם (gam) = ook | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | בית (bet) = het huis van | פוטיפר (potifar) = Potifar | איתם (ittam) = bij hen | אך (akh) = maar | זליכה (zelikha) = Zelicha | לא (lo) = niet | יצאה (yatse'a) = zij ging uit | לה (lah) = zich | כי (ki) = want | אמרה (amerah) = zij zei | חולה (chola) = ziek | אנוכי (anokhi) = ik | ותשב (vatashav) = en zij bleef | בבית (babbayit) = in huis | לבדה (levadah) = alleen | בעבור (ba'avur) = opdat | המצא (himatse) = te vinden zou zijn | לה (lah) = haar | יוסף (Yosef) = Jozef | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאתם (betsetam) = bij hun uitgaan | ותישאר (vatisha'er) = en zij bleef | זליכה (zelikha) = Zelicha | בבית (babbayit) = in huis | לבדה (levadah) = alleen | ואין (veein) = en er is niemand | אחר (acher) = anders | בבית (babbayit) = in huis | איתה (ittah) = bij zich Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: בעבור המצא לה יוסף ביום ההוא (‘opdat Jozef die dag voor haar te vinden zou zijn’): deze reden voor haar thuisblijven staat niet in de Engelse vertaling. **44:49** Zij stond op, ging naar haar hal en kleedde zich in koninklijke gewaden. Zij zette kostbare stenen op haar hoofd, van sjohamstenen, ingelegd met goud en zilver, en zij maakte haar gezicht en haar huid mooi met alle schoonheidsmiddelen van de vrouwen. Zij liet de hal en het huis geuren met kassia en wierook en strooide mirre en aloë door heel de hal. Daarna ging zij zitten in de opening van haar hal, aan de doorgang van het huis, op de plaats waar Jozef voorbijging om zijn werk te doen. En zie, Jozef kwam van het veld en ging het huis in om het werk van zijn heer te doen. Brontekst: ותקם (vataqom) = en zij stond op | ותעל (vata'al) = en steeg op | אל (el) = tot | הבית (habbayit) = het huis | אל (el) = tot | היכלה (heikhalah) = haar hal | ותלבוש (vatalbesh) = en zij kleedde | בגדים (begadim) = kleren | כבגדי (kivgdei) = zoals de kleren van | מלכות (malkhut) = koningschap | ותשם (vatasem) = en legde | על (al) = op | ראשה (rosha) = haar hoofd | אבנים (avanim) = stenen | יקרות (yaqarot) = kostbaar | מאבני (me'avnei) = van stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | משובצים (meshubatsim) = ingelegd | זהב (zahav) = goud | וכסף (vekhesef) = en zilver | ותייפה (vateyaffe) = en zij maakte mooi | את (et) = (lijdend voorwerp) | פניה (paneha) = haar gezicht | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בשרה (besarah) = haar huid | בכל (bekhol) = in heel | תמרוקי (tamruqei) = de schoonheidsmiddelen van | הנשים (hannashim) = de vrouwen | ותקטיר (vataqtir) = en zij liet roken | את (et) = (lijdend voorwerp) | ההיכל (haheikhal) = de hal | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הבית (habbayit) = het huis | בקדה (beqidda) = met kassia | ולבונה (ulvona) = en wierook | ותפזר (vatefazer) = en zij strooide | בכל (bekhol) = in heel | ההיכל (haheikhal) = de hal | מור (mor) = mirre | ואהלות (ve'ahalot) = en aloë | ותשב (vatashav) = en zij ging zitten | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | בפתח (befetach) = in de opening van | היכלה (heikhalah) = haar hal | על (al) = aan | דרך (derekh) = de doorgang van | הבית (habbayit) = het huis | במקום (bamaqom) = op de plaats | אשר (asher) = die | יעבור (ya'avor) = voorbijgaat | משם (misham) = vandaar | יוסף (Yosef) = Jozef | לעשות (la'asot) = om te doen | מלאכתו (mela'khto) = zijn werk | והנה (vehinneh) = en zie | יוסף (Yosef) = Jozef | בא (ba) = kwam | מהשדה (mehasadeh) = van het veld | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | הביתה (habbaytah) = het huis in | לעשות (la'asot) = om te doen | מלאכת (melakhat) = het werk van | אדוניו (adonav) = zijn heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:50** Hij kwam bij de plaats waar hij voorbij moest gaan, zag alles wat Zelicha had gedaan en keerde terug. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | עד (ad) = tot | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | יעבור (ya'avor) = voorbijgaat | משם (misham) = vandaar | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מעשה (ma'aseh) = het werk van | זליכה (zelikha) = Zelicha | וישב (vayyashev) = en hij keerde terug | אחורנית (achoranit) = achteruit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:51** Zelicha zag Jozef achteruit van haar weglopen en riep tegen hem: „Wat is er met je, Jozef? Kom naar je werk. Zie, ik heb de weg vrijgemaakt tot je doorgang naar je plaats.” Brontekst: ותרא (vatere) = en zij zag | זליכה (zelikha) = Zelicha | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | שב (shav) = keerde terug | אחורנית (achoranit) = achteruit | מפניה (mippeneha) = voor haar | ותקרא (vattiqra) = en zij riep | לו (lo) = tot hem | לאמור (lemor) = zeggende | מה (mah) = wat | לך (lekha) = aan jou | יוסף (Yosef) = Jozef | בא (ba) = kwam | אל (el) = tot | מלאכתך (melakhtekha) = je werk | והנני (vehinneni) = en zie, ik | פניתי (pinniti) = heb ik vrijgemaakt | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדרך (haderekh) = de weg | עד (ad) = tot | עברך (ovrekha) = je doorgang | אל (el) = tot | מושביך (moshavekha) = je plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:52** Jozef keerde terug, ging het huis in naar zijn plaats en ging zitten om het werk van zijn heer te doen, zoals gebruikelijk. En zie, Zelicha kwam naar hem toe en bleef voor hem staan in koninklijke gewaden, en de geur van haar kleren verspreidde zich tot ver. Brontekst: וישב (vayyashev) = en hij keerde terug | יוסף (Yosef) = Jozef | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | הבית (habbayit) = het huis | אל (el) = tot | מקום (maqom) = plek | מושבו (moshavo) = zijn plaats | וישב (vayyashev) = en hij ging zitten | לעשות (la'asot) = om te doen | מלאכת (melakhat) = het werk van | אדוניו (adonav) = zijn heer | כמשפט (kemishpat) = zoals gewoonlijk | והנה (vehinneh) = en zie | זליכה (zelikha) = Zelicha | באה (ba'ah) = kwam | אליו (elav) = naar hem toe | ותעמוד (vata'amod) = en bleef staan | לפניו (lefanav) = voor hem | בבגדי (bevigdei) = in gewaden van | מלכות (malkhut) = koningschap | וריח (veryach) = en de geur van | שלמותיה (salmoteha) = haar gewaden | יצא (yatsa) = ging uit | למרחוק (lemerachoq) = tot ver Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het zwaard en het kleed **44:53** Zij haastte zich, greep Jozef vast bij zijn kleren en zei tegen hem: „Zo waar de koning leeft, als je niet doet wat ik zeg, zul je vandaag sterven.” Zij haastte zich, strekte haar andere hand uit, trok het zwaard onder haar kleren vandaan en legde het op de nek van Jozef. Zij zei: „Sta op en doe wat ik zeg, en zo niet, dan ben je vandaag dood.” Brontekst: ותמהר (vatemaher) = en zij haastte zich | ותחזק (vatechezaq) = en greep vast | ביוסף (beyosef) = Jozef | ובבגדיו (uvivgadav) = en zijn kleren | ותאמר (vatomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | חי (chai) = zo waar leeft | המלך (hammelekh) = de koning | אם (em) = als | אינך (enkha) = je niet | עושה (oseh) = doet | דברי (divrei) = woorden van | כי (ki) = want | היום (hayyom) = vandaag | תומת (tumat) = je zult sterven | ותמהר (vatemaher) = en zij haastte zich | ותשלח (vatishlach) = en strekte uit | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידה (yadah) = haar hand | האחרת (ha'acheret) = het andere | ותשלוף (vatishlof) = en zij trok | את (et) = (lijdend voorwerp) | החרב (hacherev) = het zwaard | מתחת (mittachat) = van onder | בגדיה (bigdeha) = haar kleren | ותיתן (vattitten) = en zij gaf | על (al) = op | צואר (tsavar) = de nek van | יוסף (Yosef) = Jozef | ותאמר (vatomer) = en zei | קום (qum) = sta op | ועשה (ve'asah) = en doe | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | ואם (ve'im) = en als | אין (ein) = niet | אתה (attah) = jij | מת (met) = dood | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 39:12 (zij greep hem bij zijn kleed; hij liet zijn kleed in haar hand achter en vluchtte naar buiten). Zie ook: Gen 39:12 **44:54** Jozef werd bang voor haar toen zij dit deed, en hij stond op om voor haar te vluchten, maar zij greep zijn kleed aan de voorkant vast. Toen hij in verbijstering vluchtte, scheurde het kleed dat Zelicha vasthield; Jozef liet het kleed in de hand van Zelicha achter, vluchtte en ging naar buiten, want hij vreesde. Brontekst: יוסף (Yosef) = Jozef | מלפניה (millefaneyha) = voor haar | בעשותה (be'asotah) = toen zij deed | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | לברוח (livroach) = te vluchten | מלפניה (millefaneyha) = voor haar | והיא (vehi) = en zij | תפשה (tafsa) = greep | את (et) = (lijdend voorwerp) | בגדו (bigdo) = zijn kleed | ממול (mimul) = tegenover | פניו (panav) = zijn aangezicht | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בברחו (bevorcho) = toen hij vluchtte | בבהלה (bevahalah) = in verbijstering | ותקרע (vatiqra) = en scheurde | הבגד (habeged) = het kleed | אשר (asher) = die | החזיקה (hechziqa) = zij vasthield | בו (bo) = in hem | זליכה (zelikha) = Zelicha | ויעזוב (vaya'azov) = en hij verliet | יוסף (Yosef) = Jozef | הבגד (habeged) = het kleed | ביד (beyad) = in de hand van | זליכה (zelikha) = Zelicha | וינס (vayanos) = en vluchtte | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | החוצה (hachutsa) = naar buiten | כי (ki) = want | ירא (yere) = vreesde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: יוסף מלפניה (‘Jozef van voor haar’): het werkwoord ontbreekt; gelezen als ‘Jozef vreesde voor haar’, zoals de Engelse vertaling heeft. **44:55** Zelicha zag dat de kleren van Jozef gescheurd waren en dat hij ze in haar hand had achtergelaten en gevlucht was. Zij werd zeer bang voor haar leven, dat het bekend zou worden; zij stond op en handelde met list: zij deed de kleren uit die zij droeg en trok haar andere kleren aan. Brontekst: ותרא (vatere) = en zij zag | זליכה (zelikha) = Zelicha | כי (ki) = dat | נקרעו (niqre'u) = waren gescheurd | בגדי (bigdey) = de kleren van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויעזבם (veya'azevem) = en hij had ze achtergelaten | בידה (beyadah) = in haar hand | וינס (vayanos) = en vluchtte | ותפחד (vatifchad) = en zij werd bang | לנפשה (lenafshah) = voor haar leven | מאוד (me'od) = zeer | פן (pen) = opdat niet | ישמע (yishma) = gehoord zou worden | עליה (aleha) = over haar | הדבר (haddavar) = de zaak | ותקם (vataqom) = en zij stond op | ותעש (vata'as) = en zij maakte | בערמה (be'ormah) = met list | ותסר (vatasar) = en zij deed uit | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבגדים (habbegadim) = de kleren | אשר (asher) = die | לבשה (lavshah) = bekleedde | אותם (otam) = hen | ותלבש (vatilbash) = en zij trok aan | את (et) = (lijdend voorwerp) | בגדיה (bigdeha) = haar kleren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:56** Zij nam de kleren van Jozef en legde ze naast zich, ging naar de plaats van haar ziekte en ging daar zitten, waar zij gezeten had voordat de mensen van haar huis naar de Nijl uitgingen. Zij riep een kleine jongen die in huis was en droeg hem op de mensen van haar huis te roepen, en de mensen van het huis kwamen bij haar. Brontekst: ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | בגדי (bigdey) = de kleren van | יוסף (Yosef) = Jozef | ותנח (vatanach) = en zij legde | אצלה (etslah) = naast zich | ותלך (vattelekh) = en zij ging | ותשב (vatashav) = en zij ging zitten | במקום (bamaqom) = op de plaats | חוליה (choleha) = haar ziekte | אשר (asher) = die | ישבה (yashvah) = zij had gezeten | שם (shem) = daar | טרם (terem) = voordat | צאת (tset) = het uitgaan van | אנשי (anshei) = mensen van | ביתה (baytah) = van haar huis | אל (el) = tot | היאור (hayeor) = de Nijl | ותקרא (vattiqra) = en zij riep | את (et) = (lijdend voorwerp) | נער (na'ar) = jongen | אחד (echad) = één | קטן (qatan) = klein | אשר (asher) = die | היה (hayah) = hij was | בבית (babbayit) = in huis | ותצוהו (vatetsavvehu) = en gaf hem opdrachten | לקרוא (liqro) = om te roepen | אל (el) = tot | אנשי (anshei) = mensen van | ביתה (baytah) = van haar huis | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אנשי (anshei) = mensen van | הבית (habbayit) = het huis | אליה (eleha) = haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. ### Haar verhaal **44:57** Toen zij hen zag, zei zij tegen hen met luide stem en geschreeuw: „Zie wat voor een Hebreeuwse man jullie heer bij mij in huis heeft gebracht, want hij is vandaag bij mij gekomen om met mij te liggen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראותה (kir'otah) = toen zij zag | אותם (otam) = hen | ותאמר (vatomer) = en zei | אליהם (aleihem) = tot hen | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | ובצעקה (uvetse'aqa) = en met geschreeuw | ראו (ra'u) = zie | אשר (asher) = die | הביא (hevi) = bracht | אליי (elai) = tot mij | אדוניכם (adonekhem) = jullie heer | איש (ish) = een man | עברי (ivri) = Hebreeuwse | אל (el) = tot | הבית (habbayit) = het huis | כי (ki) = want | בא (ba) = kwam | היום (hayyom) = vandaag | לשכב (lishkav) = om te liggen | עמי (immi) = met mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 39:14–15 (haar verhaal aan de mensen van haar huis). Zie ook: Gen 39:14–15 **44:58** Toen jullie uitgegaan waren, kwam hij in huis, en toen hij zag dat er niemand in huis was, kwam hij naar mij toe en greep mij vast om met mij te liggen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאתכם (betse'tekhem) = toen jullie uitgingen | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | הביתה (habbaytah) = naar huis | וירא (vayyera) = en hij zag | כי (ki) = want | אין (ein) = er is niet | אחד (echad) = één | בבית (babbayit) = in huis | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אליי (elai) = tot mij | ויחזק (vayechazzeq) = en hij greep | בי (bi) = mij | לשכב (lishkav) = om te liggen | עמי (immi) = met mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:59** Ik greep zijn kleren en scheurde ze, en riep met luide stem tegen hem; en toen ik mijn stem verhief, werd hij bang voor zijn leven, liet zijn kleed bij mij achter en vluchtte naar buiten.” Brontekst: ואחזיק (va'achaziq) = en ik greep | בבגדיו (bivgadav) = zijn kleren | ואקרעם (va'eqra'em) = en scheurde ze | ואקרא (va'eqra) = en riep | אליו (elav) = tegen hem | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כהרימי (kaharimi) = toen ik verhief | קולי (qoli) = mijn stem | ויירא (vayira) = en hij vreesde | לנפשו (lenafsho) = voor zijn leven | ויעזוב (vaya'azov) = en hij verliet | בגדו (bigdo) = zijn kleed | לפניי (lefanai) = voor mij | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | וינס (vayanos) = en vluchtte | החוצה (hachutsa) = naar buiten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:60** De mensen van haar huis zeiden niets, maar hun toorn ontbrandde zeer tegen Jozef, en zij gingen naar zijn heer en spraken tot hem de woorden van zijn vrouw. Brontekst: ולא (velo) = en niet | דיברו (dibberu) = spraken | אנשי (anshei) = mensen van | ביתה (baytah) = haar huis | מאומה (me'umah) = iets | אך (akh) = maar | חרה (charah) = ontbrandde | אפם (appam) = hun toorn | מאוד (me'od) = zeer | ביוסף (beyosef) = Jozef | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אל (el) = tot | אדוניו (adonav) = zijn heer | וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | לו (lo) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | אישתו (ishto) = zijn vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:61** Potifar kwam in vuur van toorn naar huis, en zijn vrouw riep tegen hem: „Wat is dit voor een daad die je mij hebt aangedaan, dat je een Hebreeuwse slaaf in mijn huis hebt gebracht? Hij is vandaag bij mij gekomen om met mij te spotten; zus en zo heeft hij mij vandaag behandeld.” Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | פוטיפר (potifar) = Potifar | אל (el) = tot | ביתו (beito) = zijn huis | בחרון (bacharon) = in vuur van | אף (af) = toorn | ותצעק (vatits'aq) = en riep | עליו (alav) = tot hem | אישתו (ishto) = zijn vrouw | לאמור (lemor) = zeggende | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | עשית (asita) = je hebt gedaan | לי (li) = voor mij | להביא (lehavi) = te brengen | אל (el) = tot | ביתי (beiti) = mijn huis | עבד (eved) = slaaf | עברי (ivri) = Hebreeuwse | כי (ki) = want | בא (ba) = kwam | אליי (elai) = tot mij | היום (hayyom) = vandaag | לצחק (letsachaq) = om te spotten | בי (bi) = met mij | וכזאת (vekhazzot) = en zo | וכזאת (vekhazzot) = en zo | עשה (asah) = heeft gedaan | לי (li) = voor mij | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 39:17–18 (haar verhaal aan haar man). Zie ook: Gen 39:17–18 **44:62** Potifar hoorde de woorden van zijn vrouw en gaf bevel Jozef met hevige slagen te slaan, en zij deden hem zo. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | פוטיפר (potifar) = Potifar | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | להכות (lehakkot) = te slaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | במכות (bemakkot) = met slagen | נמרצות (nimratsot) = hevige | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | לו (lo) = voor hem | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 39:19 **44:63** Terwijl zij hem sloegen, schreeuwde Jozef met luide stem, sloeg zijn ogen op naar de hemel en zei: „Yahweh Elohim, U weet dat ik onschuldig ben aan al deze dingen. Waarom zou ik vandaag sterven om een leugen, door de hand van deze goddeloze onbesnedenen die ik niet ken?” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהכותם (behakotam) = terwijl zij sloegen | אותו (oto) = hem | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | יוסף (Yosef) = Jozef | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | וישא (vayissa) = en hij hief op | עיניו (einav) = zijn ogen | אל (el) = naar | השמים (hashamayim) = de hemel | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | אתה (attah) = U | ידעת (yada'ta) = weet | כי (ki) = dat | אני (ani) = ik | נקי (naqi) = onschuldig | מכל (mikkol) = van al | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | ולמה (velamah) = en waarom | אמות (amut) = ik zou sterven | היום (hayyom) = vandaag | על (al) = om | שקר (sheqer) = leugen | ביד (beyad) = in de hand van | הערלים (ha'arelim) = de onbesnedenen | הרשעים (harresha'im) = de goddelozen | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ידעתי (yada'ti) = ik weet | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het kind spreekt **44:64** Terwijl de mannen van Potifar Jozef sloegen, bleef hij schreeuwen en wenen. Er was daar een dienaar, een van de dienaren van Potifar, een kind van elf maanden oud, en Yahweh opende de mond van het kind, en het sprak voor de mannen van Potifar die Jozef sloegen, deze woorden: Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מדי (Madai) = terwijl | הכות (hakkot) = het slaan door | אנשי (anshei) = mensen van | פוטיפר (potifar) = Potifar | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | ויבכה (vayevke) = en hij huilde | עוד (od) = nog | ויהי (vayehi) = en er was | שם (shem) = daar | עבד (eved) = een dienaar | אחד (echad) = één | מעבדי (me'avdei) = van de dienaren van | פוטיפר (potifar) = Potifar | בן (ben) = zoon van | עשתי (ashte) = elf | עשר (esar) = — | חודש (chodesh) = maanden | ויפתח (vayiftach) = en Hij opende | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | פי (pi) = de mond van | הילד (hayeled) = het kind | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | לפני (lifnei) = voor | אנשי (anshei) = mensen van | פוטיפר (potifar) = Potifar | המכים (hamakkim) = die sloegen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: עבד אחד מעבדי פוטיפר (‘een dienaar van Potifars dienaren’): hij heet verderop ‘het kind’ (הילד), zegt ‘mijn moeder’ (v. 65) en wordt in v. 68 ‘zijn zoon’ van Potifar genoemd. De Engelse vertaling heeft ‘a child’. **44:65** „Wat hebben jullie met deze man, en waarom doen jullie hem dit kwaad aan? Mijn moeder spreekt leugen en bedrog, en zij zegt: zus en zo was het.” Brontekst: מה (mah) = wat | לכם (lakhem) = aan jullie | באיש (ba'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | ועל (ve'al) = en waarom | מה (mah) = — | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | לו (lo) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | שקר (sheqer) = leugen | אמי (immi) = mijn moeder | דוברת (doveret) = spreekt | וכזב (vekhazav) = en leugen | ותאמר (vatomer) = en zei | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:66** Het kind vertelde hun nauwkeurig alle dingen, en alle woorden die Zelicha dag na dag tot Jozef gesproken had, deed het hun weten. Brontekst: ויגד (vayyaged) = en hij vertelde | אליהם (aleihem) = tot hen | הילד (hayeled) = het kind | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | על (al) = op | נכון (nakhon) = juist | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | זליכה (zelikha) = Zelicha | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | הגיד (higgid) = liet weten | אליהם (aleihem) = tot hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:67** Alle mannen hoorden de woorden van het kind en verbaasden zich zeer over al de woorden van het kind; het kind hield op met spreken en werd stil. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | הילד (hayeled) = het kind | ויתמהו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | מאוד (me'od) = zeer | מכל (mikkol) = van elke | דברי (divrei) = woorden van | הילד (hayeled) = het kind | ויכל (vayekhal) = en hij hield op | לדבר (laddavar) = om te spreken | הילד (hayeled) = het kind | וידום (vayidom) = en hij werd stil Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:68** Potifar schaamde zich zeer over de woorden van zijn zoon, en hij gebood zijn mannen Jozef niet meer te doden, en de mannen hielden op Jozef te slaan. Brontekst: ופוטיפר (ufotifar) = en Potifar | נכלם (nikhlam) = schaamde zich | מאוד (me'od) = zeer | מדברי (middivrei) = over de woorden van | בנו (beno) = zijn zoon | ויצו (vayetsav) = en hij gaf bevel | את (et) = (lijdend voorwerp) | אנשיו (anashav) = zijn mensen | לבלתי (levilti) = om niet | המית (hemit) = te doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | עוד (od) = opnieuw | ויחדלו (vayachdelu) = en zij hielden op | האנשים (ha'anashim) = de mannen | מהכות (mehakkot) = van het slaan van | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Voor de priesters **44:69** Potifar nam Jozef en zei dat men hem moest brengen voor het gericht, voor de priesters, de rechters van de koning, om hem over deze zaak te oordelen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | פוטיפר (potifar) = Potifar | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | להביאו (lehavi'o) = om hem te brengen | במשפט (bamishpat) = in het gericht | לפני (lifnei) = voor | הכוהנים (hakohanim) = de priesters | השופטים (hashoftim) = de rechters | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = bij de koning | לשפטו (lishpato) = om hem te oordelen | על (al) = op | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:70** Potifar en Jozef kwamen voor de priesters, de rechters van de koning, en hij zei tegen hen: „Oordeel toch welk recht er is voor deze slaaf, want zus en zo heeft hij gedaan.” Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | פוטיפר (potifar) = Potifar | ויוסף (vayosef) = en Jozef | לפני (lifnei) = voor | הכוהנים (hakohanim) = de priesters | שופטי (shoftei) = rechters van | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | שפטו (shiftu) = oordeel | נא (na) = toch | מה (mah) = wat | משפט (mishpat) = recht | יש (yesh) = is er | לעבד (le'eved) = voor de slaaf | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = want | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | עשה (asah) = heeft gedaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:71** De priesters zeiden tegen Jozef: „Waarom doe je dit aan je heer?” Jozef antwoordde hun: „Nee, mijn heer, want zus en zo is het gegaan.” Potifar zei tegen Jozef: „Heb ik niet alles wat ik had in je hand gelegd en je niets onthouden, behalve mijn vrouw? Hoe kun je mij dit kwaad aandoen?” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | הכוהנים (hakohanim) = de priesters | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | למה (lammah) = waarom | תעשה (ta'aseh) = je doet | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לאדוניך (le'adonekha) = tegen je heer | ויען (vaya'an) = en antwoordde | אותם (otam) = hen | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = want | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | היה (hayah) = hij was | הדבר (haddavar) = de zaak | ויאמר (vayomer) = en hij zei | פוטיפר (potifar) = Potifar | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | הלא (halo) = immers | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לי (li) = voor mij | שמתי (samti) = heb ik gelegd | בידך (beyadekha) = in je hand | ולא (velo) = en niet | חשכתי (chasakhti) = heb ik onthouden | ממך (mimmekha) = van jou | דבר (davar) = iets | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | אשתי (ishti) = mijn vrouw | ואיך (ve'ekh) = en hoe | תעשה (ta'aseh) = je doet | לי (li) = voor mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:72** Jozef antwoordde en zei: „Nee, mijn heer; zo waar Yahweh leeft en zo waar je ziel leeft, mijn heer: het is niet waar wat je van je vrouw hebt gehoord, want zus en zo is het vandaag gegaan. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לא (lo) = niet | אדוני (adoni) = mijn heer | חי (chai) = zo waar leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וחי (vechay) = en zo waar leeft | נפשך (nafshekha) = je ziel | אדוני (adoni) = mijn heer | אם (em) = zeker niet | אמת (emet) = waar | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | שמעת (shamata) = je hebt gehoord | מאישתך (me'ishtekha) = van je vrouw | כי (ki) = want | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | היה (hayah) = hij was | הדבר (haddavar) = de zaak | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:73** Het is nu een vol jaar dat ik in je huis ben. Heb je onrecht gezien, of iets dat mijn hoofd bij jou schuldig maakt?” Brontekst: זה (ze) = het is | לי (li) = voor mij | שנה (shanah) = jaar | תמימה (temimah) = een volle | היום (hayyom) = vandaag | בביתך (bevetekha) = in je huis | הראית (hare'ita) = heb je gezien | כי (ki) = dat | עולה (oleh) = onrecht | או (o) = of | דבר (davar) = iets | אשר (asher) = die | יחייב (yechayev) = schuldig maakt | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראשי (roshi) = mijn hoofd | אליך (elekha) = jegens je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:74** De priesters zeiden tegen Potifar: „Zend toch, en laat het gescheurde kleed van Jozef voor ons brengen, dan zullen wij de scheur erin zien. En als de scheur vóór aan het kleed is, tegenover zijn gezicht, dan heeft zij hem vastgegrepen om bij haar te komen, en dan heeft je vrouw met list alles gedaan wat zij gesproken heeft.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | הכוהנים (hakohanim) = de priesters | אל (el) = tot | פוטיפר (potifar) = Potifar | שלח (Shelach) = zend | נא (na) = toch | ויביאו (vayavi'u) = dat zij brengen | בגד (beged) = het kleed van | יוסף (Yosef) = Jozef | הקרוע (haqaru'a) = het gescheurde | לפנינו (lefanenu) = vóór ons | ונראה (venire'eh) = en laten we zien | בו (bo) = in hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | הקרע (haqera) = de scheur | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | מלפני (millifnei) = vóór | הבגד (habeged) = het kleed | יהיה (yihyeh) = zal zijn | הקרע (haqera) = de scheur | ממול (mimul) = tegenover | פניו (panav) = zijn aangezicht | היא (hi) = zij | החזיקתהו (hechziqatehu) = heeft hem vastgegrepen | לבוא (lavo) = om te komen | אליה (eleha) = haar | ובערמה (uve'arma) = en met list | עשתה (asetah) = deed zij | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | תדבר (tedabber) = zij spreekt | אישתך (ishtekha) = je vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:75** Zij brachten het kleed van Jozef voor de priesters, de rechters, en zij zagen, en zie, de scheur was tegenover het gezicht van Jozef. Alle priesters, de rechters, wisten dat zij hem bedrongen had, en zij zeiden: „Voor deze slaaf is er geen doodvonnis, want hij heeft niets gedaan; maar zijn vonnis is dat hij in de gevangenis wordt gezet, vanwege het gerucht dat door hem over je vrouw is uitgegaan.” Brontekst: ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | בגד (beged) = het kleed van | יוסף (Yosef) = Jozef | לפני (lifnei) = voor | הכוהנים (hakohanim) = de priesters | השופטים (hashoftim) = de rechters | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | הקרע (haqera) = de scheur | ממול (mimul) = tegenover | פני (pnei) = aangezicht van | יוסף (Yosef) = Jozef | וידעו (vayede'u) = en zij wisten | כל (kol) = alle | הכוהנים (hakohanim) = de priesters | השופטים (hashoftim) = de rechters | אשר (asher) = die | היא (hi) = zij | הציקתהו (hetsiqathu) = heeft hem bedrongen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אין (ein) = er is niet | לעבד (le'eved) = voor de slaaf | הזה (hazzeh) = deze | משפט (mishpat) = recht | מות (mot) = sterven | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | עשה (asah) = heeft gedaan | מאומה (me'umah) = iets | אך (akh) = maar | משפטו (mishpato) = zijn vonnis | אשר (asher) = dat | יותן (yuttan) = wordt gezet | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | בעבור (ba'avur) = vanwege | השמועה (hashemu'a) = het gerucht | אשר (asher) = die | יצאה (yatse'a) = zij ging uit | על (al) = op | אישתך (ishtekha) = je vrouw | מאיתו (me'ito) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De gevangenis **44:76** Potifar hoorde hun woorden, nam Jozef en zette hem in de gevangenis, de plaats waar de gevangenen van de koning gebonden zijn, en Jozef bleef twaalf jaar in de gevangenis. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | פוטיפר (potifar) = Potifar | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריהם (divreihem) = hun woorden | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ויתנהו (vayittenehu) = en hij zette hem | אל (el) = tot | בית (bet) = het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | מקום (maqom) = plek | אשר (asher) = die | אסירי (asirei) = gevangenen van | המלך (hammelekh) = de koning | אסורים (asurim) = gebondenen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | יוסף (Yosef) = Jozef | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | שתים (shetayim) = twee | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 39:20 (Potifar zette Jozef in de gevangenis waar de gevangenen van de koning vastzaten). Twaalf jaar is de duur die Jasher noemt; zie ook Gen. 41:1. Zie ook: Gen 39:20; Gen 41:1 **44:77** Maar de vrouw van zijn heer wendde zich toch niet van hem af en hield niet op dag na dag tot Jozef te spreken om naar haar te luisteren. Na verloop van drie maanden ging Zelicha voort en ging zij dag na dag naar Jozef in de gevangenis en zette hem aan naar haar te luisteren. Zelicha zei tegen Jozef: „Hoe lang blijf je nog in dit huis? Luister toch naar mijn stem, dan breng ik je uit dit huis.” Brontekst: ובכל (uvkhol) = en ondanks | זאת (zot) = dit | לא (lo) = niet | שבה (shavah) = keerde terug | אשת (eshet) = vrouw van | אדוניו (adonav) = zijn heer | מעליו (me'alav) = van hem weg | ולא (velo) = en niet | חדלה (chadla) = hield op | מדבר (medabber) = sprekend | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אליה (eleha) = haar | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | שלושה (shelosha) = drie | חודשים (chodashim) = maanden | ותוסף (vattosef) = en zij ging voort | זליכה (zelikha) = Zelicha | ותלך (vattelekh) = en zij ging | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | בית (bet) = het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ותסיתהו (vatesiteh u) = en zij zette hem aan | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אליה (eleha) = haar | ותאמר (vatomer) = en zei | זליכה (zelikha) = Zelicha | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | עד (ad) = tot | מתי (matai) = wanneer | תעמוד (ta'amod) = blijf je staan | בבית (babbayit) = in huis | הזה (hazzeh) = deze | אך (akh) = maar | שמע (shema) = luister | נא (na) = toch | בקולי (beqoli) = naar mijn stem | ואוציאך (ve'otsi'ekha) = en ik zal je uitbrengen | מן (min) = uit | הבית (habbayit) = het huis | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 39:20 **44:78** Jozef antwoordde haar: „Het is beter dat ik in dit huis blijf dan dat ik naar je woorden luister en tegen Elohim zondig.” Zij zei tegen hem: „Als je niet doet wat ik zeg, zal ik je ogen uitsteken, koperen boeien aan je voeten voegen en je overleveren in de hand van wie je tevoren niet kende.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | אותה (otah) = haar | לאמור (lemor) = zeggende | טוב (tov) = goed | שבתי (shevti) = mijn blijven | בבית (babbayit) = in huis | הזה (hazzeh) = deze | מלשמוע (milishmo'a) = dan te luisteren | אל (el) = naar | דבריך (devarekha) = je woorden | לפשוע (lifsho'a) = te zondigen | באלוקים (be'Elohim) = tegen Elohim | ותאמר (vatomer) = en zei | אליו (elav) = tegen hem | אם (em) = als | לא (lo) = niet | תעשה (ta'aseh) = je doet | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | אנקר (anaqer) = zal ik uitsteken | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניך (eneykha) = je ogen | ואוסיף (ve'osif) = en ik zal toevoegen | נחושתיים (nechushtayim) = koperen boeien | ברגליך (beraglekha) = aan je voeten | ואמסרך (ve'emsorkha) = en ik lever je over | ביד (beyad) = in de hand van | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ידעת (yada'ta) = weet je | תמול (tmol) = gisteren | שלשום (shilshom) = eergisteren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:79** Jozef antwoordde haar en zei: „Zie, de Elohim van heel de aarde kan mij redden van alles wat je mij aandoet, want Hij opent de ogen van blinden, maakt gebondenen los en bewaakt alle vreemdelingen die in een land zijn dat zij niet kennen.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | אותה (otah) = haar | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הנה (hinneh) = zie | אלוקי (elohei) = Elohim van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | יוכל (yukhal) = kan | להצילני (lehatsileni) = mij te redden | מכל (mikkol) = van elke | אשר (asher) = die | תעשי (ta'asi) = doet | לי (li) = voor mij | כי (ki) = want | הוא (hu) = Hij | פוקח (poqe'ach) = opent | עוורים (ivrim) = blinden | ומתיר (umatir) = en maakt los | אסורים (asurim) = gebondenen | ושומר (veshomer) = en bewaart | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הגרים (hagerim) = de vreemdelingen | אשר (asher) = die | הם (hem) = zij | בארץ (ba'arets) = in het land | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = zij wisten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **44:80** Toen Zelicha Jozef niet kon verleiden om naar haar te luisteren, hield zij op naar hem toe te gaan om hem aan te zetten, en Jozef bleef gebonden in de gevangenis. En Jakob, de vader van Jozef, en al zijn broers die in het land Kanaän waren, rouwden en weenden in die dagen nog om Jozef, want Jakob weigerde zich te laten troosten over zijn zoon Jozef; Jakob schreeuwde, weende en rouwde al die dagen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | לא (lo) = niet | יכלה (yakhelah) = kon | זליכה (zelikha) = Zelicha | לפתות (lefatot) = te verleiden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אליה (eleha) = haar | ותחדל (vetechdal) = zij hield op | ללכת (lalekhet) = te gaan | אליו (elav) = naar hem | להסיתו (lehasito) = om hem aan te zetten | ויוסף (vayosef) = en Jozef | עודנו (odenu) = nog | אסור (asur) = gebonden | בבית (babbayit) = in huis | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | אבי (avi) = vader van | יוסף (Yosef) = Jozef | וכל (vekhol) = en alle | אחיו (achiv) = zijn broers | אשר (asher) = die | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | עודם (odam) = nog | מתאבלים (mit'abelim) = rouwend | ובוכים (uvokhim) = en huilend | על (al) = op | יוסף (Yosef) = Jozef | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כי (ki) = want | מאן (me'en) = weigerde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | להתנחם (lehitnachem) = zich te laten troosten | על (al) = op | יוסף (Yosef) = Jozef | בנו (beno) = zijn zoon | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | צועק (tso'eq) = schreeuwend | ובוכה (uvokheh) = en wenend | ומתאבל (umit'abel) = en rouwend | על (al) = op | יוסף (Yosef) = Jozef | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. ## Jasher 45 _De zonen van Jakob en Juda en Tamar_ ### De zonen van Jakob trouwen **45:1** In die tijd, in dat jaar, het jaar waarin Jozef naar Egypte was afgedaald, nadat zijn broers hem hadden verkocht, ging Ruben, de zoon van Jakob, naar Timna en nam Eliuram, de dochter van Ezi, de Kanaäniet, tot vrouw, en hij ging tot haar in. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | שנת (shenat) = jaar van | רדת (redet) = het afdalen van | יוסף (Yosef) = Jozef | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | כאשר (ka'asher) = toen | מכרו (mikhru) = hadden verkocht | אותו (oto) = hem | אחיו (achiv) = zijn broers | וילך (vayelekh) = en hij ging | ראובן (Re'uven) = Ruben | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | תמנתה (timnatah) = naar Timna | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | אליורם (eliyoram) = Eliuram | בת (bat) = dochter van | עזי ('ezi) = Ezi | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaäniet | לו (lo) = voor hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אליה (eleha) = tot haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:9 (de zonen van Ruben: Chanoch, Pallu, Chezron en Karmi). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 46:9 **45:2** Eliuram, de vrouw van Ruben, werd zwanger en baarde hem Chanoch, Pallu, Chezron en Karmi, vier zonen. Simeon, zijn broer, nam zijn zus Dina tot vrouw, en zij baarde hem Jemoeël, Jamin, Ohad, Jakin en Zohar, vijf zonen. Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ותלד (vatteled) = en zij beviel | אליורם (eliyoram) = Eliuram | אשת (eshet) = vrouw van | ראובן (Re'uven) = Ruben | לו (lo) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | חנוך (Chanokh) = Chanoch | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | פלוא (pallu) = Pallu | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | חצרון (chetsron) = Chezron | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כרמי (karmi) = Karmi | בנים (banim) = zonen | ארבעה (arba'ah) = vier | ושמעון (veShim'on) = en Simeon | אחיו (achiv) = zijn broer | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | דינה (Dinah) = Dina | אחותו (achoto) = zijn zus | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לו (lo) = voor hem | ימואל (yemu'el) = Jemoeël | וימין (vayamin) = en Jamin | ואהד (ve'ohad) = en Ohad | ויכין (veyakhin) = en Jakin | וצוחר (vetsochar) = en Zohar | בנים (banim) = zonen | חמישה (chamishah) = vijf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:10 (de zonen van Simeon). Zie ook: Gen 46:10 **45:3** Daarna ging Simeon in tot Buna, de Kanaänitische; dat is Buna die Simeon uit de stad Sichem gevangen had genomen. Buna was bij Dina en diende haar; Simeon ging tot haar in, en zij baarde hem Sjaül. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | בא (ba) = kwam | שמעון (Shim'on) = Simeon | אל (el) = tot | בונה (boneh) = Buna | הכנענית (hakkena'anit) = de Kanaänitische | היא (hi) = dat is | בונה (boneh) = Buna | אשר (asher) = die | שבה (shavah) = gevangen had genomen | שמעון (Shim'on) = Simeon | מעיר (me'ir) = uit de stad | שכם (Shekhem) = Sichem | ותהי (vatehi) = en zij was | בונה (boneh) = Buna | לפני (lifnei) = bij | דינה (Dinah) = Dina | ותשרת (vatesharet) = en zij diende | אותה (otah) = haar | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אליה (eleha) = tot haar | שמעון (Shim'on) = Simeon | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לו (lo) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | שאול (sha'ul) = Sjaül Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:29 (de kinderen en vrouwen van Sichem gevangen genomen) en Gen. 46:10 (Sjaül, de zoon van de Kanaänitische). Zie ook: Gen 34:29; Gen 46:10 ### Juda **45:4** Juda ging in die tijd naar Adullam, en hij boog af naar een man uit Adullam, en zijn naam was Hira. Daar zag Juda de dochter van een Kanaänitische man, en haar naam was Alit, de dochter van Sua; hij nam haar en ging tot haar in. Alit baarde aan Juda Er, Onan en Sela, drie zonen. Brontekst: ויהודה (vihudah) = en Juda | הלך (halakh) = ging | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | אל (el) = tot | עדולם (adullam) = Adullam | ויט (vayet) = en hij boog af | עד (ad) = naar | איש (ish) = een man | עדולמי ('adulami) = uit Adullam | ושמו (ushmo) = en zijn naam | חירה (chirah) = Hira | וירא (vayyera) = en hij zag | שם (shem) = daar | יהודה (Yehudah) = Juda | בת (bat) = dochter van | איש (ish) = een man | כנעני (kena'ani) = een Kanaäniet | ושמה (ushmah) = en haar naam | עלית ('alit) = Alit | בת (bat) = dochter van | שועה (shu'a) = Sua | ויקחה (vayiqachah) = en hij nam haar | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אליה (eleha) = tot haar | ותלד (vatteled) = en zij beviel | עלית ('alit) = Alit | ליהודה (liyehudah) = aan Juda | ער (Er) = Er | ואונן (ve'onan) = en Onan | ושלה (veshelah) = en Sela | בנים (banim) = zonen | שלושה (shelosha) = drie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 38:1–5 (Juda bij de Adullamiet Hira, de dochter van Sua, en haar zonen Er, Onan en Sela). Zie ook: Gen 38:1–5 ### Levi en Issachar **45:5** Levi en Issachar gingen naar het land van het Oosten en namen daar de dochters van Jobab, de zoon van Joktan, de zoon van Eber, tot vrouwen. Jobab, de zoon van Joktan, had twee dochters; de naam van de oudste was Adina en de naam van de jongste Arida. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לוי (Levi) = Levi | ויששכר (veyissakhar) = en Issachar | ארץ (erets) = land van | הקדם (haqqedem) = het Oosten | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | להם (lahem) = voor zich | משם (misham) = vandaar | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנות (banot) = dochters | יובב (Yovav) = Jobab | בן (ben) = zoon van | יקטן (Yoqtan) = Joktan | בן (ben) = zoon van | עבר (Ever) = Eber | לנשים (lenashim) = tot vrouwen | וליובב (uleyovav) = en aan Jobab | בן (ben) = zoon van | יקטן (Yoqtan) = Joktan | שתי (shetei) = twee | בנות (banot) = dochters | שם (shem) = de naam van | הגדולה (haggedolah) = de oudste | עדינה (Adinah) = Adina | ושם (veShem) = en de naam van | הקטנה (haqqetannah) = de jongste | ארידה (aridah) = Arida Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **45:6** Levi nam Adina, en Issachar nam Arida, en zij brachten hen naar het land Kanaän, naar het huis van hun vader. Adina baarde aan Levi Gersjon, Kehat en Merari, drie zonen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | לוי (Levi) = Levi | את (et) = (lijdend voorwerp) | עדינה (Adinah) = Adina | ויששכר (veyissakhar) = en Issachar | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארידה (aridah) = Arida | ויביאום (vayeviem) = en zij brachten hen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בית (bet) = het huis van | אביהם (avihem) = hun vader | ותלד (vatteled) = en zij beviel | עדינה (Adinah) = Adina | ללוי (lelevi) = aan Levi | גרשון (gershon) = Gersjon | קהת (qehat) = Kehat | ומררי (umerari) = en Merari | בנים (banim) = zonen | שלושה (shelosha) = drie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:11 (de zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 46:11 **45:7** Arida baarde aan Issachar Tola, Pua, Job en Simron, vier zonen. Dan ging naar het land Moab en nam Aflalet, de dochter van Chamuran, de Moabiet, tot vrouw, en hij bracht haar naar het land Kanaän. Brontekst: ואריזה (ve'aridah) = en Arida | ילדה (yaldah) = baarde | לו (lo) = voor hem | ליששכר (leyisakhar) = aan Issachar | תולע (tola') = Tola | ופוה (ufuah) = en Pua | ויוב (veyov) = en Job | ושמרון (veshimron) = en Simron | בנים (banim) = zonen | ארבעה (arba'ah) = vier | ודן (vedan) = en Dan | הלך (halakh) = ging | ארץ (erets) = land van | מואב (mo'av) = Moab | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | אפללת (aflalet) = Aflalet | בת (bat) = dochter van | חמורן (chamuran) = Chamuran | המואבי (hamo'avi) = de Moabiet | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויביאה (vayeviehah) = en hij bracht haar | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:13 (de zonen van Issachar: Tola, Pua, Job en Simron). Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 46:13 **45:8** Aflalet was vele dagen onvruchtbaar; zij had geen kind. Daarna dacht Elohim aan Aflalet, de vrouw van Dan; zij baarde een zoon en noemde zijn naam Chusjim. Brontekst: ותהי (vatehi) = en zij was | אפללת (aflalet) = Aflalet | עקרה (aqarah) = onvruchtbaar | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | אין (ein) = geen | לה (lah) = voor haar | ויזכור (veyizkor) = en Hij dacht aan | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | אפללת (aflalet) = Aflalet | אשת (eshet) = vrouw van | דן (Dan) = Dan | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | חושים (chushim) = Chusjim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:23 (Chusjim, de zoon van Dan). Zie ook: Gen 46:23 ### Gad en Naftali **45:9** Gad en Naftali gingen naar Charan en namen daar de dochters van Amoram, de zoon van Uts, de zoon van Nachor, tot vrouwen. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | גד (Gad) = Gad | ונפתלי (venaftali) = en Naftali | חרנה (charanah) = naar Charan | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | משם (misham) = vandaar | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנות (banot) = dochters | אמורם (amoram) = Amoram | בן (ben) = zoon van | עוץ ('uts) = Uts | בן (ben) = zoon van | נחור (Nachor) = Nachor | לנשים (lenashim) = tot vrouwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. **45:10** Dit zijn de namen van de dochters van Amoram: de naam van de oudste was Merimit, en de naam van de jongste Utsit. Naftali nam Merimit, en Gad nam Utsit, en zij brachten hen naar het land Kanaän, naar het huis van hun vader. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = namen van | בנות (banot) = dochters | עמורם ('amoram) = Amoram | שם (shem) = de naam van | הגדולה (haggedolah) = de oudste | מרימית (merimit) = Merimit | וגד (vegad) = en Gad | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | עוצית ('utsit) = Utsit | ויביאום (vayeviem) = en zij brachten hen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בית (bet) = het huis van | אביהם (avihem) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat alleen: ‘de naam van de oudste was Merimit, en Gad nam Utsit’. ‘En de naam van de jongste Utsit’ en ‘Naftali nam Merimit’ zijn aangevuld naar de Engelse vertaling en het verband (vers 9 en 11). **45:11** Merimit baarde aan Naftali Jachtseël, Guni, Jetser en Sjillem, vier zonen; en Utsit baarde aan Gad Zifjon, Chaggi, Sjoeni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli, zeven zonen. Brontekst: ותלד (vatteled) = en zij beviel | מרימית (merimit) = Merimit | לנפתלי (lenaftali) = aan Naftali | יחצאל (yachtse'el) = Jachtseël | וגוני (vegguni) = en Guni | ויצר (veyetser) = en Jetser | ושלם (veshillem) = en Sjillem | בנים (banim) = zonen | ארבעה (arba'ah) = vier | ועוצית (ve'utsit) = en Utsit | ילדה (yaldah) = baarde | לגד (legad) = aan Gad | צפיון (tsifyon) = Zifjon | וחגי (vechaggi) = en Chaggi | שוני (shuni) = Sjoeni | ואצבון (ve'etsbon) = en Ezbon | ערי ('eri) = Eri | וארודי (ve'arodi) = en Arodi | ואראלי (ve'ar'eli) = en Areli | בנים (banim) = zonen | שבעה (shiv'ah) = zeven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:24 (de zonen van Naftali) en Gen. 46:16 (de zonen van Gad). Zie ook: Gen 46:16; Gen 46:24 ### Aser en Serach **45:12** Aser ging heen en nam Adon, de dochter van Aflal, de zoon van Hadar, de zoon van Ismaël, tot vrouw, en hij bracht haar naar het land Kanaän. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | אשר (asher) = Aser | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | עדון (Adon) = Adon | בת (bat) = dochter van | אפלל (aflal) = Aflal | בן (ben) = zoon van | הדר (hadar) = Hadar | בן (ben) = zoon van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויביאה (vayeviehah) = en hij bracht haar | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **45:13** Adon, de vrouw van Aser, stierf in die dagen; zij had geen kind. Na de dood van Adon ging Aser naar de overkant van de rivier en nam Hadura, de dochter van Abimaël, de zoon van Eber, de zoon van Sem, tot vrouw. Brontekst: ותמת (vatamot) = en stierf | עדון (Adon) = Adon | אשת (eshet) = vrouw van | אשר (asher) = Aser | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אין (ein) = geen | לה (lah) = voor haar | ולד (valad) = kind | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = sterven | עדון (Adon) = Adon | וילך (vayelekh) = en hij ging | אשר (asher) = Aser | אל (el) = naar | עבר (Ever) = overkant van | הנהר (hannahar) = de rivier | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדורה (hadurah) = Hadura | בת (bat) = dochter van | אבימאל (Avima'el) = Abimaël | בן (ben) = zoon van | עבר (Ever) = Eber | בן (ben) = zoon van | שם (shem) = Sem | לו (lo) = voor hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **45:14** Het meisje was mooi van aanzien en had verstand, en zij was de vrouw van Malkiël geweest, de zoon van Elam, de zoon van Sem. Brontekst: והנערה (vehanna'arah) = en het meisje | טובת (tovat) = mooi van | מראה (mar'eh) = van aanzien | ובעלת (uva'alat) = en bezitster van | שכל (sekhel) = verstand | ותהי (vatehi) = en zij was | למלכיאל (lemalki'el) = aan Malkiël | בן (ben) = zoon van | עילם (Elam) = Elam | בן (ben) = zoon van | שם (shem) = Sem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **45:15** Hadura baarde aan Malkiël een dochter, en hij noemde haar naam Serach. Daarna stierf Malkiël, en Hadura ging weg en bleef in het huis van haar vader. Brontekst: ותלד (vatteled) = en zij beviel | הדורה (hadurah) = Hadura | למלכיאל (lemalki'el) = aan Malkiël | בת (bat) = een dochter | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמה (shemah) = haar naam | סרח (serach) = Serach | וימת (vayamot) = en stierf | מלכיאל (malki'el) = Malkiël | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ותלך (vattelekh) = en zij ging | הדורה (hadurah) = Hadura | ותשב (vatashav) = en zij bleef | בית (bet) = het huis van | אביה (aviha) = haar vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **45:16** Na de dood van de vrouw van Aser ging hij heen en nam Hadura tot vrouw en bracht haar naar het land Kanaän. Ook Serach, haar dochter, kwam met haar mee; zij was een kind van drie jaar, en het meisje groeide op in het huis van Jakob. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = sterven | אשת (eshet) = vrouw van | אשר (asher) = Aser | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדורה (hadurah) = Hadura | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויביאה (vayeviehah) = en hij bracht haar | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ותבוא (vattavo) = en zij kwam | גם (gam) = ook | סרח (serach) = Serach | בתה (bitah) = haar dochter | עמה (immah) = met haar | והיא (vehi) = en zij | בת (bat) = dochter van | שלוש (shalosh) = drie | שנים (shanim) = jaren | ותגדל (vattigdal) = en zij groeide op | הנערה (hanna'arah) = het meisje | בבית (babbayit) = in het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:17 (Serach, hun zus, bij de zonen van Aser). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 46:17 **45:17** Het meisje was mooi van aanzien. Zij ging in de wegen van de zonen van Jakob in heiligheid en miste niets, en Yahweh gaf haar wijsheid en verstand. Brontekst: והנערה (vehanna'arah) = en het meisje | טובת (tovat) = mooi van | מראה (mar'eh) = van aanzien | ותלך (vattelekh) = en zij ging | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בקדושה (bqedushah) = in heiligheid | לא (lo) = niet | חסרה (chasrah) = zij miste | דבר (davar) = iets | ויתן (vayitten) = en gaf | לה (lah) = voor haar | יהוה (Yahweh) = Yahweh | חוכמה (chokhmah) = wijsheid | ושכל (vesekhel) = en verstand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **45:18** Hadura, de vrouw van Aser, werd zwanger en baarde hem Jimna, Jisjwa, Jisjwi en Beria, vier zonen. Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | הדורה (hadurah) = Hadura | אשת (eshet) = vrouw van | אשר (asher) = Aser | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לו (lo) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | ימנה (yimnah) = Jimna | וישוה (veyishvah) = en Jisjwa | וישוי (veyishvi) = en Jisjwi | ובריעה (uverî'ah) = en Beria | בנים (banim) = zonen | ארבעה (arba'ah) = vier Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:17 (de zonen van Aser: Jimna, Jisjwa, Jisjwi en Beria). Zie ook: Gen 46:17 ### Zebulon **45:19** Zebulon ging naar Midian en nam Merusja, de dochter van Molar, de zoon van Abida, de zoon van Midian, tot vrouw, en hij bracht haar naar het land Kanaän. Brontekst: וזבולון (uzvulun) = en Zebulon | הלך (halakh) = ging | לו (lo) = heen | מדינה (medinah) = naar Midian | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | מרושה (merushah) = Merusja | בת (bat) = dochter van | מולר (molar) = Molar | בן (ben) = zoon van | אבידע (avida') = Abida | בן (ben) = zoon van | מדין (Midyan) = Midian | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויביאה (vayeviehah) = en hij bracht haar | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **45:20** Merusja baarde aan Zebulon Sered, Elon en Jachleël, drie zonen. Brontekst: ותלד (vatteled) = en zij beviel | מרושה (merushah) = Merusja | לזבולון (lezvulun) = aan Zebulon | סרד (sered) = Sered | ואילון (ve'elon) = en Elon | ויחלאל (veyachle'el) = en Jachleël | בנים (banim) = zonen | שלושה (shelosha) = drie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:14 (de zonen van Zebulon: Sered, Elon en Jachleël). Zie ook: Gen 46:14 ### Benjamin **45:21** Jakob zond naar Aram, de zoon van Soba, de zoon van Terach, en nam Machlia, de dochter van Aram, voor Benjamin, zijn zoon; en zij kwam naar het land Kanaän, naar het huis van Jakob. Benjamin was tien jaar toen hij Machlia, de dochter van Aram, tot vrouw nam. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = naar | ארם (Aram) = Aram | בן (ben) = zoon van | צובא (Tsovah) = Soba | בן (ben) = zoon van | תרח (Terach) = Terach | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | מחליא (machli'a) = Machlia | בת (bat) = dochter van | ארם (Aram) = Aram | אל (el) = tot | בנימין (binyamin) = Benjamin | בנו (beno) = zijn zoon | ותבא (vattavo) = en zij kwam | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בית (bet) = het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובנימין (uvinyamin) = en Benjamin | בן (ben) = zoon van | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaar | בקחתו (beqachto) = toen hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | מחליא (machli'a) = Machlia | בת (bat) = dochter van | ארם (Aram) = Aram | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **45:22** Machlia werd zwanger en baarde aan Benjamin Bela, Becher, Asjbel, Gera en Naäman, vijf zonen. Daarna ging Benjamin heen en nam Arbat, de dochter van Zimran, de zoon van Abraham, naast zijn vrouw tot vrouw; hij was achttien jaar. Arbat baarde aan Benjamin Echi, Rosj, Muppim, Chuppim en Ard, vijf zonen. Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | מחליא (machli'a) = Machlia | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לבנימין (livnyamin) = aan Benjamin | בלע (bela) = Bela | ובכר (vekhekher) = en Becher | ואשבל (ve'ashbel) = en Asjbel | גרא (gera) = Gera | ונעמן (vena'aman) = en Naäman | בנים (banim) = zonen | חמישה (chamishah) = vijf | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | הלך (halakh) = ging | בנימין (binyamin) = Benjamin | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | ערבת ('arvat) = Arbat | בת (bat) = dochter van | זמרן (Zimran) = Zimran | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | על (al) = naast | אישתו (ishto) = zijn vrouw | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | והוא (vehu) = en hij | בן (ben) = zoon van | שמונה (shemonah) = achttien | עשרה (esreh) = — | שנה (shanah) = jaar | ותלד (vatteled) = en zij beviel | ערבת ('arvat) = Arbat | לבנימין (livnyamin) = aan Benjamin | אחי (echi) = Echi | וראש (vero'sh) = en Rosj | מופים (mupim) = Muppim | וחופים (vechupim) = en Chuppim | וארד (va'ard) = en Ard | בנים (banim) = zonen | חמישה (chamishah) = vijf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:21 (de tien zonen van Benjamin). Zimran, de zoon van Abraham, staat in Gen. 25:2. אחי (‘Achi’) is gelezen als de eigennaam Echi, zoals Gen. 46:21 heeft. Zie ook: Gen 25:2; Gen 46:21 ### Juda en Tamar **45:23** Na enige tijd ging Juda naar het huis van Sem en nam Tamar, de dochter van Elam, de zoon van Sem, tot vrouw voor Er, zijn eerstgeborene. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in de dagen | וילך (vayelekh) = en hij ging | יהודה (Yehudah) = Juda | בית (bet) = het huis van | שם (shem) = Sem | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | תמר (tamar) = Tamar | בת (bat) = dochter van | עילם (Elam) = Elam | בן (ben) = zoon van | שם (shem) = Sem | לער (le'er) = aan Er | בכורו (bekhoro) = zijn eerstgeborene | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 38:6 **45:24** Er ging in tot Tamar, zijn vrouw, en zij werd zijn vrouw. Toen hij tot haar inging, liet hij zijn zaad naar buiten verloren gaan, en zijn daad was kwaad in de ogen van Yahweh, en Yahweh liet hem sterven. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | ער (Er) = Er | אל (el) = tot | תמר (tamar) = Tamar | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ותהי (vatehi) = en zij was | לו (lo) = voor hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבואו (bevo'o) = toen hij kwam | אליה (eleha) = tot haar | וישחית (vayashchit) = en hij verdierf | את (et) = (lijdend voorwerp) | זרעו (zar'u) = zijn zaad | חוצה (chutsah) = naar buiten | וירע (vayera) = en het was kwaad | בעיני (be'einei) = in de ogen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשהו (ma'asehu) = zijn daad | וימת (vayamot) = en liet sterven | אותו (oto) = hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 38:6–7 (Juda nam Tamar voor Er; Er was slecht in de ogen van Yahweh, en Yahweh liet hem sterven). Zie ook: Gen 38:6–7; Gen 38:7 **45:25** Na de dood van Er, de eerstgeborene van Juda, zei Juda tegen Onan: „Ga in tot de vrouw van je broer, neem haar als zwager en wek zaad op voor je broer.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = sterven | ער (Er) = Er | בכור (bekhor) = eerstgeborene van | יהודה (Yehudah) = Juda | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | אונן ('onan) = Onan | בוא (bo) = ga in | אל (el) = tot | אשת (eshet) = vrouw van | אחיך (achikha) = je broer | ויבם (veyabem) = en neem haar als zwager | אותה (otah) = haar | והקם (vehaqem) = en wek op | זרע (zera) = zaad | לאחיך (le'achikha) = voor je broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 38:8 (Juda tegen Onan: ga in tot de vrouw van je broer en neem haar als zwager). Zie ook: Gen 38:8 **45:26** Onan nam Tamar tot vrouw en ging tot haar in. Ook Onan handelde zoals zijn broer, en Yahweh zag zijn daad, en Hij liet ook hem sterven. Brontekst: וידע (vayyeda) = en kende | אונן ('onan) = Onan | את (et) = (lijdend voorwerp) | תמר (tamar) = Tamar | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אליה (eleha) = tot haar | ויעש (vayya'as) = en hij deed | אונן ('onan) = Onan | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | כמעשה (kemma'aseh) = zoals de daad van | אחיו (achiv) = zijn broer | וידע (vayyeda) = en Hij zag | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשהו (ma'asehu) = zijn daad | וימת (vayamot) = en Hij liet sterven | גם (gam) = ook | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 38:9–10 (Onan liet zijn zaad op de grond verloren gaan, en Yahweh liet ook hem sterven). Zie ook: Gen 38:9–10 **45:27** Toen Onan gestorven was, zei Juda tegen Tamar: „Blijf wonen in het huis van je vader, tot mijn zoon Sela groot geworden is.” Juda verlangde niet meer naar Tamar om haar aan Sela te geven, want Juda zei: „Opdat hij niet ook sterft als zijn broer.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | מת (met) = stierf | אונן ('onan) = Onan | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | תמר (tamar) = Tamar | שבי (shevi) = blijf wonen | בית (bet) = het huis van | אביך (avikha) = je vader | עד (ad) = tot | יגדל (yigdal) = hij zal groot worden | שלה (shelah) = Sela | בני (bnei) = mijn zoon | ויהודה (vihudah) = en Juda | לא (lo) = niet | חפץ (chafets) = verlangde | עוד (od) = meer | בתמר (betamar) = in Tamar | ליתנה (littenah) = om haar te geven | לשלה (leshelah) = aan Sela | כי (ki) = want | אמר (amar) = zei | יהודה (Yehudah) = Juda | פן (pen) = opdat niet | ימות (yamut) = zal sterven | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | כאחיו (ke'achiv) = als zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 38:11 (Tamar moest als weduwe in het huis van haar vader blijven tot Sela groot was). Zie ook: Gen 38:11 **45:28** Tamar stond op, ging heen en bleef in het huis van haar vader; Tamar bleef dagen in het huis van haar vader. Brontekst: ותקם (vataqom) = en zij stond op | תמר (tamar) = Tamar | ותלך (vattelekh) = en zij ging | ותשב (vatashav) = en zij bleef | בית (bet) = het huis van | אביה (aviha) = haar vader | ותהי (vatehi) = en zij was | תמר (tamar) = Tamar | בבית (babbayit) = in het huis van | אביה (aviha) = haar vader | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Tamar wacht **45:29** Bij de omloop van het jaar stierf Alit, de vrouw van Juda, en Juda werd getroost over zijn vrouw. Na de dood van Alit ging Juda met zijn vriend Hira op naar Timna om hun kleinvee te scheren. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לתקופת (litqufat) = bij de omloop van | השנה (hashanah) = het jaar | ותמת (vatamot) = en stierf | עלית ('alit) = Alit | אשת (eshet) = vrouw van | יהודה (Yehudah) = Juda | וינחם (vayyinnachem) = en werd getroost | יהודה (Yehudah) = Juda | על (al) = over | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = sterven | עלית ('alit) = Alit | וילך (vayelekh) = en hij ging | יהודה (Yehudah) = Juda | ויעל (vayya'al) = en hij ging op | עם (im) = met | רעהו (re'ehu) = zijn vriend | חירה (chirah) = Hira | תמנת (timnat) = naar Timna | לגוז (ligoz) = te scheren | את (et) = (lijdend voorwerp) | צאנם (tso'nam) = hun kleinvee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 38:12 (de dochter van Sua, de vrouw van Juda, stierf; Juda ging met Hira naar Timna om zijn kleinvee te scheren). Zie ook: Gen 38:2; Gen 38:12 **45:30** Tamar hoorde dat Juda naar Timna was opgegaan om het kleinvee te scheren, en dat Sela groot geworden was en dat Juda niet naar haar verlangde. Brontekst: ותשמע (vattishma) = en zij hoorde | תמר (tamar) = Tamar | כי (ki) = dat | עלה (alah) = was opgegaan | יהודה (Yehudah) = Juda | תמנתה (timnatah) = naar Timna | לגוז (ligoz) = te scheren | הצאן (hatson) = het kleinvee | ושלה (veshelah) = en Sela | גדל (gadal) = groot geworden was | ויהודה (vihudah) = en Juda | לא (lo) = niet | חפץ (chafets) = verlangde | בה (bah) = naar haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **45:31** Tamar stond op, deed de kleren van haar weduwschap uit, trok een sluier over zich aan en hulde zich helemaal, en zij ging zitten bij de ingang van Enajim, die aan de weg naar Timna ligt. Brontekst: ותקם (vataqom) = en zij stond op | תמר (tamar) = Tamar | ותסר (vatasar) = en zij deed uit | את (et) = (lijdend voorwerp) | בגדי (bigdey) = de kleren van | אלמנותה (almenutah) = haar weduwschap | ותלבש (vatilbash) = en zij trok aan | עליה (aleha) = over zich | צעיף (tsa'if) = sluier | ותתעלף (vatit'alef) = en zij hulde zich | ותלך (vattelekh) = en zij ging | ותשב (vatashav) = en zij ging zitten | בפתח (befetach) = bij de ingang van | עיניים ('enayim) = Enajim | אשר (asher) = die | על (al) = op | דרך (derekh) = de weg van | תמנת (timnat) = Timna Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 38:13–14 (Tamar deed de kleren van haar weduwschap uit en ging bij de ingang van Enajim zitten, op de weg naar Timna). Zie ook: Gen 38:13–14; Gen 38:14 ### Peres en Zerach **45:32** Juda daalde af, zag haar, nam haar en ging tot haar in, en zij werd zwanger van hem. Toen haar tijd van bevallen kwam, zie, er waren tweelingen in haar buik. Zij noemden de naam van de eerste Peres en de naam van de tweede Zerach, in die dagen. Brontekst: וירד (vayered) = en hij daalde af | יהודה (Yehudah) = Juda | ויראה (vayar'eh) = en hij zag haar | ויקחה (vayiqachah) = en hij nam haar | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אליה (eleha) = haar | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | לו (lo) = van hem | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = op de tijd van | לידתה (ledatah) = haar bevalling | והנה (vehinneh) = en zie | תאומים (te'omim) = tweelingen | בבטנה (bevitnah) = in haar buik | ויקראו (vayiqre'u) = en zij noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | הראשון (harishon) = de eerste | פרץ (perets) = Peres | ושם (veShem) = en de naam van | השני (hasheni) = de tweede | זרח (zerach) = Zerach | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 38:15–30 (Juda en Tamar; de geboorte van Peres en Zerach) en Gen. 46:12. Zie ook: Gen 38:15–30; Gen 38:29; Gen 46:12 ## Jasher 46 _Schenker en bakker_ ### Jozef in de gevangenis **46:1** In die dagen was Jozef, de zoon van Jakob, nog steeds gebonden in het huis van de gevangenis in Egypte. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עודנו (odenu) = nog steeds | אסור (asur) = gebonden | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 39:20–23 (Jozef in het huis van de gevangenis). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 39:20–23 ### De overste van de schenkers en van de bakkers **46:2** In die tijd stonden de vorsten van de farao voor hem: de overste van de schenkers en de overste van de bakkers van de koning van Egypte. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ושרי (vesarai) = en de vorsten van | פרעה (par'oh) = Farao | עומדים (omdim) = die stonden | לפניו (lefanav) = voor hem | שר (sar) = overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | ושר (vesar) = en de overste van | האופים (ha'ofim) = de bakkers | אשר (asher) = die van | למלך (lammelekh) = de koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 40:1 **46:3** De overste van de schenkers nam de wijn en zette die voor de koning om te drinken, en ook de overste van de bakkers legde het brood voor de koning om te eten. De koning dronk van de wijn en at van het brood, hij en al zijn dienaren en zijn vorsten die aan de tafel van de koning aten. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | שר (sar) = overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | את (et) = (lijdend voorwerp) | היין (hayayin) = de wijn | וישם (vayasem) = en hij zette | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | לשתות (lishtot) = om te drinken | וגם (vegam) = en ook | שר (sar) = overste van | האופים (ha'ofim) = de bakkers | שם (shem) = legde | את (et) = (lijdend voorwerp) | הלחם (hallechem) = het brood | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | לאכול (le'ekhol) = om te eten | וישת (vayeshet) = en hij dronk | המלך (hammelekh) = de koning | מן (min) = uit | היין (hayayin) = de wijn | ויאכל (vayyokhal) = en hij at | מן (min) = uit | הלחם (hallechem) = het brood | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ושריו (vesarav) = en zijn vorsten | אוכלי (okhelei) = die aten aan | שולחן (shulchan) = tafel van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **46:4** Terwijl zij aten en dronken, terwijl de overste van de schenkers en de overste van de bakkers bij hen zaten, vonden de vorsten van de farao vele vliegen in de wijn die de overste van de schenkers had gebracht, en ook werden stukken loog gevonden in het brood van de overste van de bakkers. De farao zag het werk dat zijn vorsten tegen hem hadden gedaan, en hij beval hen te tuchtigen en hen in het huis van de gevangenis in bewaring te zetten; en zij deden hun zo. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הם (hem) = zij | אוכלים (ochelim) = aten | ושותים (veshotim) = en dronken | ושר (vesar) = en de overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | ושר (vesar) = en de overste van | האופים (ha'ofim) = de bakkers | יושבים (yoshvim) = zaten | עמהם (immahem) = bij hen | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | שרי (sarai) = vorsten van | פרעה (par'oh) = Farao | זבובים (zevuvim) = vliegen | רבים (rabbim) = vele | ביין (bayayin) = in de wijn | אשר (asher) = die | הביא (hevi) = bracht | שר (sar) = overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | וגם (vegam) = en ook | אבני (avnei) = stukken van | נתר (neter) = loog | נמצאו (nimtse'u) = werden gevonden | בלחם (belechem) = in het brood van | שר (sar) = overste van | האופים (ha'ofim) = de bakkers | וירא (vayyera) = en hij zag | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | המעשה (hamma'aseh) = het werk | אשר (asher) = die | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לו (lo) = voor hem | שריו (saraiv) = zijn vorsten | ויצו (vayetsav) = en hij beval | לייסרם (leyasram) = om hen te tuchtigen | ולתתם (velittatam) = en hen te zetten | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | במשמר (bammishmar) = in bewaring | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | להם (lahem) = met hen | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 40:1–3 (de schenker en de bakker zondigen tegen hun heer; de farao zet hen in bewaring). Voetnoot Uitleg: נתר (neter), ‘natron’ of ‘loog’: een zout dat als soda of zeep werd gebruikt. Zie ook: Gen 40:1–3 **46:5** In het tiende jaar van Jozefs gevangenschap kwamen de overste van de bakkers en de overste van de schenkers met hem in bewaring. De overste van de slachters stelde Jozef aan om de vorsten van de farao te dienen, en de vorsten van de farao waren daar een geheel jaar in bewaring. Brontekst: בשנה (bashanah) = in het jaar | העשירית (ha'asirit) = de tiende | למאסר (lema'sar) = van de gevangenschap van | יוסף (Yosef) = Jozef | באו (ba'u) = kwamen | עמו (immo) = met hem | שר (sar) = overste van | האופים (ha'ofim) = de bakkers | ושר (vesar) = en de overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | במשמר (bammishmar) = in bewaring | ויפקוד (vayifqod) = en stelde aan | שר (sar) = overste van | הטבחים (hatabachim) = de slachters | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | לשרת (lesharet) = om te dienen | את (et) = — | שרי (sarai) = vorsten van | פרעה (par'oh) = Farao | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | שם (shem) = daar | שרי (sarai) = vorsten van | פרעה (par'oh) = Farao | במשמר (bammishmar) = in bewaring | שנה (shanah) = een jaar | תמימה (temimah) = geheel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: בשנה העשירית למאסר יוסף (‘in het tiende jaar van Jozefs gevangenschap’) en wat daarvoor staat (de farao beveelt hen te tuchtigen en in bewaring te zetten) ontbreken in de Engelse vertaling; tien jaar plus de twee jaar van vers 20 maakt de twaalf jaar. Zie Gen. 40:4. Zie ook: Gen 40:4 ### De dromen **46:6** Na afloop van het jaar droomden zij allebei dromen in één nacht, in de bewaring waar zij waren. In de morgen kwam Jozef bij hen om hen te dienen, zoals gewoonlijk, en hij zag hen, en zie, hun gezichten waren allebei somber en slecht. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na afloop van | השנה (hashanah) = het jaar | ויחלמו (vayachalmu) = en zij droomden | שניהם (shenehem) = beiden | חלומות (chalomot) = dromen | בלילה (ballaylah) = in de nacht | אחד (echad) = één | במשמר (bammishmar) = in bewaring | אשר (asher) = waar | היו (hayu) = zij waren | שם (shem) = daar | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de morgen | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אליהם (aleihem) = tot hen | יוסף (Yosef) = Jozef | לשרת (lesharet) = om te dienen | אותם (otam) = hen | כמשפט (kemishpat) = zoals gewoonlijk | וירא (vayyera) = en hij zag | אותם (otam) = hen | והנה (vehinneh) = en zie | שניהם (shenehem) = beiden | פניהם (penehem) = hun gezichten | זועפים (zo'afim) = somber | ורעים (vera'im) = en slecht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 40:5 (zij droomden allebei in één nacht). Zie ook: Gen 40:5; Gen 40:7 **46:7** Jozef vroeg hun: „Waarom zijn jullie gezichten vandaag slecht en somber?” Zij zeiden tegen hem: „Wij hebben een droom gedroomd, en er is niemand die hem uitlegt.” Jozef zei tegen hen: „Vertel mij toch jullie dromen, en Elohim zal jullie antwoorden met vrede, zoals jullie verlangen.” Brontekst: וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | אותם (otam) = hen | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | מדוע (maddu'a) = waarom | פניכם (peneykhem) = jullie gezicht | רעים (ra'im) = slecht | וזועפים (vezo'afim) = en somber | היום (hayyom) = vandaag | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tegen hem | חלום (chalom) = een droom | חלמנו (chalamnu) = wij hebben gedroomd | ופותר (ufoter) = en een uitlegger | אין (ein) = is er niet | אותו (oto) = het | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יוסף (Yosef) = Jozef | ספרו (sapperu) = vertel | נא (na) = toch | לי (li) = voor mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומותיכם (chalomoteikhem) = jullie dromen | והאלוקים (veha'elohim) = en Elohim | יענה (ya'aneh) = zal antwoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שלומכם (shlomkhem) = vrede voor jullie | כאשר (ka'asher) = zoals | תחפצו (tachpetsu) = jullie verlangen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 40:6–8 (Jozef vraagt waarom hun gezichten somber zijn; de uitleg is van Elohim). Zie ook: Gen 40:6–8; Gen 40:8 ### De droom van de schenker **46:8** De overste van de schenkers vertelde zijn droom aan Jozef en zei: „In mijn droom zag ik, en zie, een grote wijnstok was voor mij. Aan die wijnstok zag ik drie ranken; zij groeide snel, bloeide en schoot omhoog in bloesem, en haar trossen rijpten en werden druiven. Brontekst: ויספר (vayesaper) = en hij vertelde | שר (sar) = overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומו (chalomo) = zijn droom | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | בחלומי (bachalomi) = in mijn droom | ואראה (ve'er'eh) = en ik zag | והנה (vehinneh) = en zie | גפן (gefen) = wijnstok | גדולה (gedolah) = grote | לפניי (lefanai) = voor mij | ובגפן (uvagefen) = en aan die wijnstok | ההיא (hahi) = die | ראיתי (ra'iti) = zag ik | שלושה (shelosha) = drie | שריגים (seriggim) = ranken | ותמהר (vatemaher) = en zij groeide snel | ותפרח (vatifrach) = en zij bloeide | ותעל (vata'al) = en schoot omhoog | נץ (nets) = bloesem | ויבשילו (vayavshilu) = en zij rijpten | אשכלותיה (eshkolotehah) = haar trossen | ויהיו (vayihyu) = en werden | ענבים ('anavim) = druiven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 40:9–11 (de droom van de overste van de schenkers). Zie ook: Gen 40:9–11 **46:9** Ik nam de druiven, perste ze uit in een beker en legde die op de handpalm van de farao, en hij dronk.” Jozef zei tegen hem: „De drie ranken aan de wijnstok zijn drie dagen. Brontekst: ואקח (ve'eqqach) = en ik nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | הענבים (ha'anavim) = de druiven | ואסחטם (ve'esachtem) = en ik perste ze uit | בכוס (bakhos) = in een beker | ואתן (ve'etten) = en ik legde | על (al) = op | כף (kaf) = de handpalm van | פרעה (par'oh) = Farao | וישת (vayeshet) = en hij dronk | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אליו (elav) = tegen hem | שלושת (sheloshet) = drie | השריגים (haseriggim) = de ranken | אשר (asher) = die | בגפן (bagefen) = aan de wijnstok | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | הם (hem) = zijn zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 40:12 **46:10** Binnen drie dagen zal de koning bevel geven, en hij zal je hieruit brengen en je op je plaats terugbrengen, en je zult de koning wijn te drinken geven zoals je vroeger zijn schenker was. Maar laat mij gunst vinden in je ogen: gedenk mij bij de koning als het goed met je gaat, bewijs mij goedertierenheid en breng mij uit deze gevangenis. Brontekst: בעוד (be'od) = binnen | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | יצוה (yetsavveh) = zal bevelen | המלך (hammelekh) = de koning | והוציאך (vehotsi'akha) = en hij zal je uitbrengen | מזה (mizzeh) = hieruit | והשיבך (vehashivekha) = en hij zal je terugbrengen | על (al) = op | כנך (kannekha) = je plaats | והשקית (vehishqita) = en je zult te drinken geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | יין (yayin) = wijn | כאשר (ka'asher) = zoals | היית (hayita) = je was | משקהו (mashqehu) = zijn schenker | בראשונה (barishona) = vroeger | אך (akh) = maar | אמצא (emtsa) = laat mij vinden | חן (chen) = gunst | בעיניך (be'einekha) = in je ogen | אשר (asher) = dat | תזכרני (tizkereni) = je gedenkt mij | אל (el) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | כאשר (ka'asher) = wanneer | ייטב (yetav) = het goed gaat | לך (lekha) = aan jou | ועשית (ve'asita) = en doe | עמדי (ami) = met mij | חסד (chesed) = goedertierenheid | והוצאתני (vehotsetani) = en je brengt mij uit | מן (min) = uit | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 40:12–14 (de uitleg: binnen drie dagen; ‘gedenk mij’). Zie ook: Gen 40:12–14; Gen 40:14 **46:11** Want ik ben gestolen uit het land Kanaän en als slaaf verkocht op deze plaats, en ook wat jullie is verteld over de vrouw van mijn heer, is een leugen, want zij hebben mij voor niets in deze put gezet.” De overste van de schenkers antwoordde Jozef: „Als de koning mij goed doet zoals in het begin, zoals je mij hebt uitgelegd, zal ik alles voor je doen wat je verlangt en je uit deze put brengen.” Brontekst: כי (ki) = want | גנוב (ganov) = waarlijk | גונבתי (gunnavti) = ben ik gestolen | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ואמכר (ve'immakher) = en ik ben verkocht | לעבד (le'eved) = als slaaf | במקום (bamaqom) = op de plaats | הזה (hazzeh) = deze | וגם (vegam) = en ook | אשר (asher) = die | הוגד (hugad) = is gezegd | לכם (lakhem) = aan jullie | על (al) = over | אשת (eshet) = vrouw van | אדוני (adoni) = mijn heer | שקר (sheqer) = leugen | כי (ki) = want | שמו (shemo) = zij hebben gezet | אותי (oti) = mij | בבור (babor) = in de put | הזה (hazzeh) = deze | חינם (chinnam) = voor niets | ויען (vaya'an) = en antwoordde | שר (sar) = overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | אם (em) = als | היטב (heteiv) = goed | ייטיב (yetiv) = zal goed doen | לי (li) = voor mij | המלך (hammelekh) = de koning | כבתחילה (kattechillah) = als in het begin | כאשר (ka'asher) = zoals | פתרת (patarta) = je hebt uitgelegd | לי (li) = voor mij | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | תחפוץ (techpots) = je verlangt | אעשה (e'eseh) = ik zal doen | לך (lekha) = aan jou | ואוציאך (ve'otsi'ekha) = en ik zal je uitbrengen | מן (min) = uit | הבור (habor) = de put | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 40:15 (‘ik ben gestolen uit het land van de Hebreeën’; in de put gezet). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 40:15 ### De droom van de bakker **46:12** Toen de overste van de bakkers zag dat Jozef de droom van de overste van de schenkers juist had uitgelegd, kwam ook hij naderbij en vertelde Jozef zijn hele droom. Brontekst: וירא (vayyera) = en zag | שר (sar) = overste van | האופים (ha'ofim) = de bakkers | כי (ki) = dat | פתר (patar) = had uitgelegd | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלום (chalom) = droom van | שר (sar) = overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | על (al) = op | נכון (nakhon) = juist | ויגש (vayyigash) = en kwam naderbij | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | ויספר (vayesaper) = en hij vertelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | חלומו (chalomo) = zijn droom | ליוסף (leyosef) = aan Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 40:16 **46:13** Hij zei tegen hem: „In mijn droom zag ik, en zie, drie manden met wit brood op mijn hoofd; en ik keek, en zie, in de bovenste mand was van allerlei spijs van de farao, werk van een bakker, en zie, het gevogelte at ervan van mijn hoofd.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | בחלומי (bachalomi) = in mijn droom | ואראה (ve'er'eh) = en ik zag | והנה (vehinneh) = en zie | שלושה (shelosha) = drie | סלי (salei) = manden van | חורי (chori) = van wit brood | על (al) = op | ראשי (roshi) = mijn hoofd | ואראה (ve'er'eh) = en ik keek | והנה (vehinneh) = en zie | בסל (basal) = in de mand | העליון (ha'elyon) = de bovenste | מכל (mikkol) = van allerlei | מאכל (ma'akhal) = spijs van | פרעה (par'oh) = Farao | מעשה (ma'aseh) = werk van | אופה (ofeh) = bakker | והנה (vehinneh) = en zie | העוף (ha'of) = het gevogelte | אוכל (ukhal) = eet | אותם (otam) = ervan | מעל (me'al) = van op | ראשי (roshi) = mijn hoofd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 40:16–17 (de droom van de overste van de bakkers: drie manden, het gevogelte eet ervan). Zie ook: Gen 40:16–17 **46:14** Jozef zei tegen hem: „De drie manden die je hebt gezien zijn drie dagen. Binnen drie dagen zal de farao je hoofd van je opheffen en je aan een boom hangen, en het gevogelte zal je vlees van je af eten, zoals je in je droom hebt gezien.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | יוסף (Yosef) = Jozef | שלושת (sheloshet) = drie | הסלים (hassalim) = de manden | אשר (asher) = die | ראית (ra'ita) = je hebt gezien | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | הם (hem) = zij | בעוד (be'od) = binnen | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | ישא (yissa) = zal opheffen | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראשך (rosh'kha) = je hoofd | מעליך (me'alekha) = van je af | ותלה (vetalah) = en hij zal hangen | אותך (otekha) = jou | על (al) = op | עץ (ets) = boom | ואכל (ve'akhal) = en zal eten | העוף (ha'of) = het gevogelte | את (et) = (lijdend voorwerp) | בשרך (besarekha) = je vlees | מעליך (me'alekha) = van je af | כאשר (ka'asher) = zoals | ראית (ra'ita) = je hebt gezien | בחלומך (bachalomekha) = in je droom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 40:18–19 (de uitleg: binnen drie dagen zal de farao je hoofd opheffen en je aan een boom hangen). Zie ook: Gen 40:18–19; Gen 40:19 ### De zoon van de farao **46:15** In die dagen was de koningin op het punt te baren, en op die dag beviel zij van een zoon. Aan heel Egypte meldden zij: „Er is een eerstgeboren zoon geboren voor de koning,” en heel Egypte en alle vorsten van de farao en zijn dienaren verheugden zich zeer. Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | והמלכה (vehammalkah) = en de koningin | הרה (harah) = op het punt | ללדת (laledet) = te baren | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | למצרים (leMitsrayim) = aan Egypte | יאמרו (yomru) = zij zeiden | יולד (yivvaled) = is geboren | בן (ben) = een zoon | בכור (bekhor) = eerstgeboren | למלך (lammelekh) = voor de koning | וישמחו (vayismechu) = en zij waren vrolijk | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | שרי (sarai) = vorsten van | פרעה (par'oh) = Farao | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 40:20 (de verjaardag van de farao: een feest voor al zijn dienaren). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 40:20 **46:16** Op de derde dag na zijn geboorte hield de farao een maaltijd voor al zijn vorsten en dienaren, de strijdmacht van het land Soan en het land Egypte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השלישי (hashelishi) = de derde | ללדתו (leleddato) = van zijn geboorte | ויעש (vayya'as) = en hij deed | פרעה (par'oh) = Farao | משתה (mishteh) = maaltijd | לכל (lekhol) = aan heel | שריו (saraiv) = zijn vorsten | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | חיל (chayil) = de strijdmacht van | ארץ (erets) = land van | צוען (tso'an) = Soan | וארץ (va'erets) = en het land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **46:17** Heel Egypte en alle dienaren van de farao kwamen om met de koning te eten en te drinken op het feest van zijn zoon en zich te verheugen in de vreugde van de koning. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ולשתות (velishtot) = en te drinken | עם (im) = met | המלך (hammelekh) = de koning | במשתה (bammishteh) = op het feest van | בנו (beno) = zijn zoon | ולשמוח (velismoach) = en zich te verheugen | בשמחת (besimchat) = in de vreugde van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **46:18** Alle vorsten van de koning en zijn dienaren waren in die tijd vrolijk, heel die acht dagen op het feest, en zij verheugden zich met allerlei instrumenten van zang, met tamboerijnen en met reidansen, in het huis van de koning, acht dagen. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | שרי (sarai) = vorsten van | המלך (hammelekh) = de koning | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | שמחים (semechim) = waren vrolijk | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | כל (kol) = heel | שמונת (shemonat) = acht | הימים (hayyamim) = de dagen | במשתה (bammishteh) = bij het feest | וישמחו (vayismechu) = en zij waren vrolijk | בכל (bekhol) = in heel | כלי (keli) = instrumenten van | שיר (shir) = zang | ובתופים (uvattuppim) = en met tamboerijnen | ובמחולות (uvimcholot) = en met reidansen | בבית (babbayit) = in het huis van | המלך (hammelekh) = de koning | שמונה (shemonah) = acht | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jozef vergeten **46:19** De overste van de schenkers, voor wie Jozef zijn droom had uitgelegd, vergat Jozef en herinnerde hem niet bij de koning, zoals hij hem had gezegd. Want van Yahweh was die zaak, om Jozef te vernederen omdat hij op een mens had vertrouwd. Brontekst: ושר (vesar) = en de overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | אשר (asher) = die | פתר (patar) = uitlegde | לו (lo) = voor hem | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומו (chalomo) = zijn droom | שכח (shakhach) = vergat | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ולא (velo) = en niet | זכר (zakhar) = herinnerde | אותו (oto) = hem | אל (el) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | לו (lo) = voor hem | כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak | בעבור (ba'avur) = om | ענות ('annot) = te vernederen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = want | בטח (batach) = vertrouwde | באדם (ba'adam) = op een mens Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: בעבור ענות את יוסף כי בטח באדם (‘om Jozef te vernederen, omdat hij op een mens had vertrouwd’): de Engelse vertaling heeft ‘to punish’. Zie Gen. 40:23 en Jer. 17:5. Zie ook: Gen 40:23; Jer 17:5 **46:20** Daarna bleef Jozef nog twee volle jaren in het huis van de gevangenis, totdat hij twaalf jaar had voltooid. Brontekst: וישב (vayyashev) = en bleef | יוסף (Yosef) = Jozef | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | שנתיים (shenatayim) = twee jaar | ימים (yamim) = volle | עד (ad) = totdat | מלאת (melot) = hij voltooid had | לו (lo) = — | שתים (shetayim) = twee | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:1 (na twee volle jaren droomde de farao). Zie ook: Gen 41:1 ## Jasher 47 _Isaak sterft en Jakob koopt het land_ ### Isaak en Ezau **47:1** Isaak, de zoon van Abraham, was in die dagen nog in leven in het land Kanaän; hij was zeer oud, honderdtachtig jaar. Ezau, zijn zoon, de broer van Jakob, was in het land Edom, en hij nam daarin bezit, hij en zijn zonen, te midden van de zonen van Seïr. Brontekst: ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | עודנו (odenu) = nog | חי (chai) = in leven | הימים (hayyamim) = in de dagen | הנם (hennah) = die | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | זקן (zaqen) = oud | מאוד (me'od) = zeer | בן (ben) = zoon van | שמונים (shemonim) = tachtig | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | ועשו (ve'esav) = en Ezau | בנו (beno) = zijn zoon | אחי (echi) = de broer van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | היה (hayah) = was | בארץ (ba'arets) = in het land | אדום (Edom) = Edom | ויאחז (vaye'echaz) = en hij nam bezit | בה (bah) = daarin | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | בתוך (betokh) = midden in | בני (bnei) = de zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:28 (Isaak werd honderdtachtig jaar) en Gen. 36:6–8 (Ezau trok naar het gebergte Seïr). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 35:28; Gen 36:6–8 **47:2** Ezau hoorde dat de dagen van Isaak, zijn vader, nabij waren om te sterven, en hij kwam, hij en zijn zonen en zijn huis, naar het land Kanaän, naar Isaak, zijn vader. Jakob en zijn zonen gingen uit van de plaats waar zij in Hebron woonden, en zij kwamen allen bij de tent van Isaak, hun vader, en zij vonden Ezau en zijn zonen in de tent. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | קרבו (qarvu) = genaakt waren | ימי (yemei) = dagen van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביו (aviv) = zijn vader | למות (lamut) = te sterven | ויבוא (vayavo) = en kwam | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וביתו (uveito) = en zijn huis | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = tot | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביו (aviv) = zijn vader | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | מהמקום (mehamaqom) = van de plaats | אשר (asher) = die | גרו (garu) = woonden | שם (shem) = daar | בחברון (bechevron) = in Hebron | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = zij allen | אל (el) = tot | אוהל (ohel) = tent van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביהם (avihem) = hun vader | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = — | עשו (asu) = Ezau | ואת (ve'et) = en | בניו (banav) = zijn zonen | באוהל (be'ohel) = in de tent Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:27 (Jakob kwam bij Isaak, in Kirjat-Arba, dat is Hebron). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 35:27 **47:3** Jakob en zijn zonen zaten voor Isaak, hun vader, en Jakob rouwde nog om Jozef, zijn zoon. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en zij zaten | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | לפני (lifnei) = voor | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביהם (avihem) = hun vader | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | עודנו (odenu) = nog | מתאבל (mitabbel) = rouwde | על (al) = om | יוסף (Yosef) = Jozef | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Isaak zegent zijn kleinzonen **47:4** Isaak zei tegen Jakob: „Breng je zonen hier bij mij, dan zal ik hen zegenen.” Jakob bracht zijn elf zonen voor Isaak, zijn vader. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הגישה (haggishah) = breng | אליי (elai) = hier bij mij | את (et) = — | בניך (banekha) = je zonen | ואברכם (va'avarekhem) = en ik zal hen zegenen | ויגש (vayyigash) = en bracht | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחד (echad) = elf | עשר (esar) = — | ילדיו (yeladav) = zijn zonen | לפני (lifnei) = voor | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **47:5** Isaak legde zijn handen op alle zonen van Jakob, nam hen vast, omhelsde hen en kuste hen, een voor een, en Isaak zegende hen op die dag en zei tegen hen: „Moge Yahweh, de Elohim van jullie vaderen, jullie zegenen en jullie nageslacht talrijk maken als de sterren van de hemel in menigte.” Brontekst: וישם (vayasem) = en hij zette | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידיו (yadav) = zijn handen | על (al) = op | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויאחז (vaye'echaz) = en nam | בהם (bahem) = hen vast | ויחבקם (vayechabqem) = en hij omhelsde hen | וינשקה (vayyishshaqah) = en kuste hen | אחד (echad) = één | אחד (echad) = één | ויברכם (vayevarekhem) = en zegende hen | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = de Elohim van | אבותיכם (avotekhem) = jullie vaderen | יברך (yevarekh) = moge zegenen | אתכם (etkhem) = jullie | וירבה (veyirbeh) = en moge talrijk maken | זרעכם (zar'akhem) = jullie nageslacht | ככוכבי (kekhokhevei) = als de sterren van | השמים (hashamayim) = de hemel | לרוב (larov) = in menigte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **47:6** Ook de zonen van Ezau zegende Isaak met de woorden: „Moge Elohim jullie maken tot ontzag en tot schrik voor allen die jullie zien en voor al jullie vijanden.” Brontekst: וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ברך (berakh) = zegende | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לאמור (lemor) = zeggend | ישימכם (yesimkhem) = moge jullie maken | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | למורא (lemora) = tot ontzag | ולפחד (velafachad) = en tot schrik | על (al) = op | כל (kol) = alle | רואיכם (ro'eikhem) = degenen die jullie zien | וכל (vekhol) = en alle | אויביכם (oyveikhem) = jullie vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Isaaks laatste woorden **47:7** Isaak riep Jakob en zijn zonen, en zij kwamen allen en zaten voor Isaak. Isaak zei tegen Jakob: „Yahweh, de Elohim van de hele aarde, heeft tot mij gesproken: **‘Aan je nageslacht zal Ik dit land geven om het te beërven. Als je zonen Mijn verordeningen en Mijn wegen houden, dan zal Ik hun de eed bevestigen die Ik aan je vader Abraham gezworen heb.’** Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואל (ve'el) = en tot | בניו (banav) = zijn zonen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | וישבו (vayeshvu) = en zij zaten | לפני (lifnei) = voor | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = de Elohim van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | דבר (davar) = heeft gesproken | אליי (elai) = tot mij | לאמור (lemor) = zeggende | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht | אתן (etten) = zal Ik geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | לרשתה (lerishtah) = om het te beërven | אם (em) = als | ישמרו (yishmeru) = houden | בניך (banekha) = je zonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | חוקותיי (chuqqotai) = mijn verordeningen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | דרכיי (derakhai) = mijn wegen | והקימותי (vahaqimoti) = dan zal Ik bevestigen | להם (lahem) = hun | את (et) = (lijdend voorwerp) | השבועה (hashshevu'ah) = de eed | אשר (asher) = die | נשבעתי (nishba'ti) = Ik heb gezworen | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | אביך (avikha) = je vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **47:8** En nu, mijn zoon, leer je zonen en de zonen van je zonen Yahweh te vrezen en te wandelen op de goede weg, die goed zal zijn in de ogen van Yahweh, je Elohim. Want als jullie de wegen van Yahweh en Zijn verordeningen houden, zal Yahweh ook Zijn verbond met Abraham voor jullie houden en zal Hij goed doen aan jullie en jullie nageslacht, al de dagen.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | בני (bnei) = mijn zoon | למד (lamad) = leer | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניך (banekha) = je zonen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = de zonen van | בניך (banekha) = je zonen | ליראה (leyir'ah) = te vrezen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וללכת (velalekhet) = en te wandelen | בדרך (baderekh) = op de weg | הטובה (hattovah) = goede | אשר (asher) = die | ייטב (yetav) = goed zal zijn | בעיני (be'einei) = in de ogen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיך (elohekha) = je Elohim | כי (ki) = want | אם (em) = als | שמור (shamor) = nauwgezet | תשמרון (tishmerun) = jullie houden | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכי (darkhei) = de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | חוקותיו (chuqqotav) = Zijn verordeningen | גם (gam) = ook | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ישמור (yishmor) = zal houden | לכם (lakhem) = aan jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | בריתו (berito) = Zijn verbond | את (et) = met | אברהם (avraham) = Abraham | והיטיב (vehetiv) = en goed doen | לכם (lakhem) = aan jullie | ולזרעכם (ulezar'akhem) = en aan jullie nageslacht | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De dood van Isaak **47:9** Toen Isaak geëindigd had Jakob en zijn zonen te bevelen, gaf hij de geest, stierf hij en werd hij verzameld tot zijn volken. Brontekst: ויכל (vayekhal) = en toen hij geëindigd had | יצחק (Yitschaq) = Isaak | לצוות (letsavvot) = met bevelen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ויגוע (vayigva') = en hij gaf de geest | וימת (vayamot) = en hij stierf | ויאסף (vayye'asef) = en hij werd verzameld | אל (el) = tot | עמיו (ammav) = zijn volken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:29 (Isaak gaf de geest, stierf en werd verzameld tot zijn volken). Zie ook: Gen 35:29 **47:10** Jakob en Ezau vielen op het aangezicht van Isaak, hun vader, en zij weenden. Isaak was honderdtachtig jaar bij zijn dood in het land Kanaän, in Hebron, en zijn zonen droegen hem naar de grot van Machpela, die Abraham van de zonen van Het had gekocht tot een graf als bezit. Brontekst: ויפול (vayippol) = en hij viel | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועשו (ve'esav) = en Ezau | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביהם (avihem) = hun vader | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | בן (ben) = zoon van | מאה (me'ah) = honderd | ושמונים (ushmonim) = en tachtig | שנה (shanah) = jaar | במותו (bemoto) = bij zijn dood | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בחברון (bechevron) = in Hebron | וישאו (vayis'u) = en droegen | אותו (oto) = hem | בניו (banav) = zijn zonen | אל (el) = naar | מערת (me'arat) = de grot van | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | אשר (asher) = die | קנה (qoneh) = had gekocht | אברהם (avraham) = Abraham | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = de zonen van | חת (Chet) = Chet | לאחוזת (la'achuzzat) = tot een bezit van | קבר (qever) = het graf van Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:29 (Ezau en Jakob, zijn zonen, begroeven hem) en Gen. 23:3–20 (Abraham kocht de grot van de zonen van Chet). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie ook: Gen 23:3–20; Gen 35:29 **47:11** Alle koningen van het land Kanaän gingen met Jakob en Ezau mee om Isaak te begraven, en alle koningen van Kanaän betoonden Isaak grote eer bij zijn dood. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | מלכי (malkhei) = koningen van | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | הלכו (halekhu) = zij gingen | עם (im) = met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועשו (ve'esav) = en Ezau | לקבור (liqbor) = om te begraven | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויעשו (vaya'asu) = en betoonden | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | ליצחק (leyitschaq) = aan Isaak | כבוד (kavod) = eer | גדול (gadol) = grote | במותו (bemoto) = bij zijn dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **47:12** De zonen van Jakob en de zonen van Ezau liepen blootsvoets rondom de baar, al lopend en klagend, totdat zij in Kirjat-Arba aankwamen. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובני (uvnei) = en de zonen van | עשו (asu) = Ezau | הולכים (holekhim) = liepen | יחפי (yechefei) = blootsvoets | רגל (ragel) = voeten | סביב (saviv) = rondom | המיטה (hammittah) = de baar | הלוך (halokh) = al lopend | וקונן (vequnen) = en klagend | עד (ad) = tot | הגעתם (higga'am) = zij kwamen aan | אל (el) = tot | קרית (Qiryat) = Kirjat- | הארבע (ha'arba) = Arba Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **47:13** Jakob en Ezau begroeven Isaak, hun vader, in de grot van Machpela, die in Kirjat-Arba in Hebron is, en zij begroeven hem met zeer grote eer, zoals men koningen begraaft. Brontekst: ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ועשו (ve'esav) = en Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביהם (avihem) = hun vader | במערת (bime'arat) = in de spelonk van | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | אשר (asher) = die | בקרית (beqiryat) = in Kirjat- | הארבע (ha'arba) = Arba | בחברון (bechevron) = in Hebron | ויקברוהו (veyiqbaruhu) = en begroeven hem | בכבוד (bikhvod) = met eer | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | כקבור (keqevor) = zoals men begraaft | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלכים (hammelakhim) = de koningen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 49:31 (Abraham en Sara, Isaak en Rebekka zijn in de grot van Machpela begraven). Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 49:31 **47:14** Jakob en zijn zonen, en Ezau en zijn zonen, en alle koningen van Kanaän hielden een grote en zeer zware rouwklacht om hem, en zij begroeven hem en rouwden vele dagen om hem. Brontekst: ויספדו (vayispedu) = en zij hielden rouwklacht | לו (lo) = om hem | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ועשו (ve'esav) = en Ezau | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | מספד (misped) = rouwklacht | גדול (gadol) = grote | וכבד (vekhaved) = en zwaar | מאוד (me'od) = zeer | ויברוהו (vayevaruhu) = en zij begroeven hem | ויתאבלו (vayitabbelu) = en zij rouwden | עליו (alav) = om hem | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: ויברוהו staat er, een vorm zonder duidelijke betekenis; gelezen als ויקברוהו, ‘en zij begroeven hem’, zoals de Engelse vertaling heeft. ### De verdeling **47:15** Na de dood van Isaak liet hij al zijn vee en zijn bezit en alles wat hem toebehoorde aan zijn zonen na. Ezau zei tegen Jakob: „Kom toch, wat onze vader ons heeft nagelaten, laten wij dat in twee delen verdelen, dan zal ik kiezen.” Jakob zei: „Zo laten wij doen.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = sterven | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויעזוב (vaya'azov) = en liet na | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מקנהו (miqnehu) = zijn vee | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | קנינו (qinyano) = zijn bezit | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hem toebehoorde | לבניו (livanav) = voor zijn zonen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הבה (havah) = kom | נא (na) = toch | אשר (asher) = wat | הניח (henich) = heeft nagelaten | אבינו (avinu) = onze vader | אלינו (elenu) = aan ons | ונחלקהו (venachaleqehu) = en laten wij het verdelen | לשניים (lishnayim) = in twee delen | ואני (va'ani) = en ik | אבחר (evchar) = dan zal ik kiezen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כן (ken) = zo | נעשה (na'aseh) = laten wij doen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:6–7 (Ezau nam zijn vee en zijn bezit en trok weg van Jakob, want hun bezit was te groot om samen te wonen). Zie ook: Gen 36:6–7 **47:16** Jakob nam alles wat Isaak hun in het land Kanaän had nagelaten, het vee en de rijkdom en alle bezittingen, en hij verdeelde het in twee delen voor Ezau en zijn zonen. Hij zei tegen Ezau: „Zie, dit alles ligt voor je; kies daaruit de helft die je voor jezelf wilt nemen.” Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | הניח (henich) = liet na | להם (lahem) = hun | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבהמה (habbehemah) = het vee | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | העושר (ha'osher) = de rijkdom | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הרכוש (harekhush) = de bezittingen | ויחץ (vayachats) = en hij verdeelde | אותו (oto) = het | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לשניים (lishnayim) = in tweeën | לפני (lifnei) = voor | עשו (asu) = Ezau | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | הנה (hinneh) = zie | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze | לפניך (lefanekha) = voor je | עתה (attah) = nu | בחר (bachar) = kies | לך (lekha) = voor jezelf | מהם (mehem) = daarvan | את (et) = (lijdend voorwerp) | החצי (hachetsi) = de helft | אשר (asher) = die | תיקח (tiqqach) = je neemt | לך (lekha) = voor jezelf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **47:17** Jakob zei tegen Ezau: „Hoor toch, mijn broer, wat ik tot je spreek: Yahweh, de Elohim van de hemel en de aarde, heeft tot onze vaders Abraham en Isaak gesproken: **‘Aan je nageslacht zal Ik dit land geven om het te beërven tot in eeuwigheid.’** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | שמע (shema) = hoor | נא (na) = toch | אחי (echi) = mijn broer | לאשר (la'asher) = wat | אדבר (adabber) = ik tot je spreek | אליך (elekha) = tot je | לאמור (lemor) = zeggende | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = de Elohim van | השמים (hashamayim) = de hemel | והארץ (vehaarets) = en de aarde | דיבר (dibber) = heeft gesproken | אל (el) = tot | אבותינו (avotenu) = onze vaders | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | לאמור (lemor) = zeggend | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht | אתן (etten) = zal Ik geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | לרשתה (lerishtah) = om het te beërven | עד (ad) = tot in | עולם (olam) = eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **47:18** Nu, zie, alles wat onze vader heeft nagelaten ligt voor je; kies daaruit wat je verlangt. Brontekst: עתה (attah) = nu | הנה (hinneh) = zie | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | עזב (azav) = heeft nagelaten | אבינו (avinu) = onze vader | לפניך (lefanekha) = voor je | בחר (bachar) = kies | לך (lekha) = voor jezelf | מהם (mehem) = daaruit | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | תחפוץ (techpots) = je verlangt Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **47:19** Als je het hele land verlangt, neem het dan voor jezelf en voor je zonen tot in eeuwigheid, en ik neem deze rijkdom; en als je de rijkdom verlangt, neem die dan voor jezelf, en ik neem dit land voor mij en voor mijn zonen om het te beërven tot in eeuwigheid.” Brontekst: אם (em) = als | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | תחפוץ (techpots) = je verlangt | קחנה (qachenah) = neem haar | לך (lekha) = voor jezelf | ולבניך (ulevanekha) = en aan je zonen | עד (ad) = tot in | עולם (olam) = eeuwigheid | ואני (va'ani) = en ik | אקח (eqqach) = ik neem | את (et) = (lijdend voorwerp) | העושר (ha'osher) = de rijkdom | הזה (hazzeh) = deze | ואם (ve'im) = en als | את (et) = (lijdend voorwerp) | העושר (ha'osher) = de rijkdom | תחפוץ (techpots) = je verlangt | קחנו (qachenu) = neem het | לך (lekha) = voor jezelf | ואני (va'ani) = en ik | אקח (eqqach) = ik neem | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | לי (li) = voor mij | ולבניי (ulevanai) = en voor mijn zonen | לרשתה (lerishtah) = om haar te beërven | עד (ad) = tot in | עולם (olam) = eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Nebajot **47:20** Nebajot, de zoon van Ismaël, was daar met zijn zonen in het land, en Ezau ging op die dag en overlegde met hem: Brontekst: ושם (veShem) = en daar | היה (hayah) = was | נביות (Nevayot) = Nebajot | בן (ben) = zoon van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | עם (im) = met | בניו (banav) = zijn zonen | בארץ (ba'arets) = in het land | וילך (vayelekh) = en hij ging | עשו (asu) = Ezau | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויתייעץ (vayityaets) = en overlegde | עמו (immo) = met hem | לאמור (lemor) = zeggend Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **47:21** „Zus en zo heeft Jakob tot mij gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord. Geef nu je raad, en laten wij die horen.” Brontekst: כזה (kazeh) = zus en zo | וכזה (vekhazeh) = en zus en zo | דיבר (dibber) = heeft Jakob gesproken | אליי (elai) = tot mij | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וכזאת (vekhazzot) = en aldus | וכזאת (vekhazzot) = en aldus | השיבני (heshivani) = antwoordde hij mij | עתה (attah) = nu | עוצה (utsah) = geef | עצתך (atsatkha) = je raad | ונשמענה (venishma'enah) = en laten wij haar horen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **47:22** Nebajot zei tegen hem: „Wat is dit woord dat Jakob tot je heeft gesproken? Zie, alle zonen van Kanaän wonen in veiligheid in hun land, en Jakob zegt dat hij het zal erven met zijn nageslacht, al de dagen. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | נביות (Nevayot) = Nebajot | מה (mah) = wat is | הדבר (haddavar) = dit woord | אשר (asher) = die | ידבר (yedabber) = heeft gesproken | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אליך (elekha) = tot je | הנה (hinneh) = zie | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | יושבים (yoshvim) = wonen | בארצם (be'artsam) = in hun land | לבטח (lavetach) = in veiligheid | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | יאמר (yomar) = zegt | יירשנה (yirashenah) = hij zal haar erven | עם (im) = met | זרעו (zar'u) = zijn nageslacht | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **47:23** Ga nu, ga, neem de hele rijkdom van je vader en laat Jakob, je broer, in het land, zoals hij heeft gesproken.” Brontekst: עתה (attah) = nu | לך (lekha) = ga | לך (lekha) = ga | ולקחת (velaqachat) = en neem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עושר (osher) = de rijkdom van | אביך (avikha) = je vader | ועזבת (ve'azavta) = en laat | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיך (achikha) = je broer | בארץ (ba'arets) = in het land | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = hij heeft gesproken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ezau trekt weg **47:24** Ezau stond op en keerde terug naar Jakob, en hij deed alles wat Nebajot, de zoon van Ismaël, hem had geraden. Ezau nam al de rijkdom die Isaak had nagelaten, de zielen, het vee, de kudde en de bezittingen en alle rijkdom, en hij gaf zijn broer Jakob daarvan niets. Jakob nam het hele land Kanaän, van de beek van Egypte tot de rivier de Eufraat, en hij nam het tot eeuwig bezit en voor zijn zonen en voor zijn nageslacht na hem tot in eeuwigheid. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en stond op | עשו (asu) = Ezau | וישב (vayyashev) = en keerde terug | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויעש (vayya'as) = en deed | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | יעץ (ya'ats) = had geraden | עליו (alav) = hem | נביות (Nevayot) = Nebajot | בן (ben) = zoon van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ויקם (vayyaqom) = en nam | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | העושר (ha'osher) = de rijkdom | אשר (asher) = die | עזב (azav) = had nagelaten | יצחק (Yitschaq) = Isaak | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנפש (hannefesh) = de zielen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הבהמה (habbehemah) = het vee | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | המקנה (hammiqneh) = het vee | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הרכוש (harekhush) = de bezittingen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | העושר (ha'osher) = de rijkdom | ולא (velo) = en niet | נתן (natan) = gaf | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | ממנה (mimmenah) = daarvan | מאומה (me'umah) = niets | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | מנחל (minnachal) = van de beek van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ועד (ve'ad) = en tot | נהר (nehar) = rivier | פרת (perat) = Eufraat | ויקחנה (vayiqachnah) = en hij nam haar | לאחוזת (la'achuzzat) = tot een bezit voor | עולם (olam) = eeuwig | ולבניו (ulevanav) = en voor zijn zonen | ולזרעו (ulezar'o) = en voor zijn nageslacht | אחריו (acharav) = na hem | עד (ad) = tot in | עולם (olam) = eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 15:18 (van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de Eufraat). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 15:18 **47:25** Ook de grot van Machpela, die in Hebron is, die Abraham van Efron had gekocht, nam Jakob van Ezau, zijn broer, tot een grafbezit voor zich en zijn nageslacht tot in eeuwigheid. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מערת (me'arat) = de grot van | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | אשר (asher) = die | בחברון (bechevron) = in Hebron | אשר (asher) = die | קנה (qoneh) = had gekocht | אברהם (avraham) = Abraham | מאת (me'et) = van | עפרון (Efron) = Efron | לקח (laqach) = nam | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לאחוזת (la'achuzzat) = tot een bezit van | קבר (qever) = graf | לו (lo) = voor hem | ולזרעו (ulezar'o) = en voor zijn nageslacht | עד (ad) = tot in | עולם (olam) = eeuwigheid | מאת (me'et) = van | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:16–20 (Abraham kocht de grot van Efron de Hetiet). Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 23:16–20 ### Het boek van de koop **47:26** Jakob schreef al deze dingen in het boek van de koop, hij verzegelde het en liet er betrouwbare getuigen over verklaren. Brontekst: ויכתוב (vayikhtov) = en schreef | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | בספר (bassefer) = in het boek | המקנה (hammiqneh) = van de koop | ויחתום (vayachtom) = en verzegelde het | ויעד (vaya'ed) = en liet getuigen | עדים (edim) = getuigen | נאמנים (ne'emanim) = betrouwbare | על (al) = over | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **47:27** Dit zijn de woorden die Jakob in het boek schreef: „Het land Kanaän en al zijn steden, de Hetieten, de Chivieten, de Jebusieten, de Amorieten, de Perizzieten, alle zeven volken van de Kanaänieten, van de rivier van Egypte tot de rivier de Eufraat. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | הדברים (haddevarim) = de woorden | אשר (asher) = die | כתב (katav) = schreef | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בספר (bassefer) = in het boek | לאמור (lemor) = zeggende | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | וכל (vekhol) = en alle | עריה (areyah) = haar steden | החתי (hachitti) = de Hetieten | והחוי (vehachivvi) = de Chivvieten | והיבוסי (vehayevusi) = en de Jebusieten | והאמורי (vehaemori) = de Amorieten | והפריזי (vehaperizzi) = en de Perizzieten | כל (kol) = alle | שבעת (sheva) = zeven | גויי (goyei) = volken van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | מנהר (minnehar) = van de rivier | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ועד (ve'ad) = en tot | נהר (nehar) = rivier | פרת (perat) = Eufraat Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 15:19–21 (de volken van het beloofde land). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Zie ook: Gen 15:19–21 **47:28** En de hele stad Hebron, Kirjat-Arba, en de grot die daarin is, het geheel heeft Jakob van zijn broer Ezau gekocht voor een prijs, tot bezit voor hem en zijn zonen en tot erfdeel voor zijn nageslacht na hem tot in eeuwigheid.” Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | עיר (ir) = de stad | חברון (Chevron) = Hebron | קרית (Qiryat) = Kirjat- | הארבע (ha'arba) = Arba | והמערה (vehamme'arah) = en de grot | אשר (asher) = die | בה (bah) = daarin | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכל (hakkol) = het geheel | קנה (qoneh) = kocht | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאת (me'et) = van | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | במחיר (bimchir) = voor een prijs | לאחוזה (la'achuzzah) = tot bezit | לו (lo) = voor hem | ולבניו (ulevanav) = en voor zijn zonen | ולנחלה (ulenachalah) = en tot erfdeel | לזרעו (lezar'o) = aan zijn nageslacht | אחריו (acharav) = na hem | עד (ad) = tot in | עולם (olam) = eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **47:29** Jakob nam het boek van de koop, het verzegelde exemplaar met het gebod en de verordeningen en het geopende boek, en hij legde ze in een aarden vat, opdat zij vele dagen zouden blijven, en hij gaf ze in de hand van zijn zonen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | ספר (sefer) = het boek van | המקנה (hammiqneh) = de koop | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | החתום (hechatum) = het verzegelde | המצוה (hammitsvah) = het gebod | והחוקים (vehachuqqim) = en de verordeningen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | ספר (sefer) = het boek van | הגלוי (haggalui) = het geopende | ויתנם (vayittenem) = en hij gaf hen | בכלי (bikhli) = in een vat | חרש (charash) = van klei | למען (lema'an) = opdat | יעמדו (ya'amdu) = zouden blijven | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ויתנם (vayittenem) = en hij gaf hen | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jer. 32:11–14 (de koopakte: een verzegeld en een open exemplaar, bewaard in een aarden vat). Zie ook: Jer 32:11–14 **47:30** Ezau nam alles wat zijn vader na zijn dood had nagelaten, uit de hand van Jakob, zijn broer. Hij nam het hele bezit, van mens tot dier, van kameel tot ezel, van os tot schaap, van zilver tot goud, kostbare stenen en bdellium, en alle rijkdom die van Isaak, de zoon van Abraham, was; er bleef niets over wat Ezau niet voor zichzelf nam van alles wat Isaak na zijn dood had nagelaten. Brontekst: ועשו (ve'esav) = en Ezau | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | הניח (henich) = had nagelaten | אביו (aviv) = zijn vader | אחרי (acharei) = na | מותו (moto) = zijn dood | מיד (miyyad) = uit de hand van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הרכוש (harekhush) = het bezit | מאדם (me'adam) = van mens | ועד (ve'ad) = tot | בהמה (behemah) = dier | מגמל (miggamal) = van de kameel | ועד (ve'ad) = tot | חמור (chamor) = ezel | משור (mishor) = van de os | ועד (ve'ad) = tot | שה (seh) = schaap | מכסף (mikkesef) = van zilver | ועד (ve'ad) = tot | זהב (zahav) = goud | אבנים (avanim) = stenen | טובות (tovot) = kostbare | ובדולח (uvedolach) = en bdellium | וכל (vekhol) = en alle | העושר (ha'osher) = de rijkdom | אשר (asher) = die | ליצחק (leyitschaq) = aan Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | לא (lo) = niet | נותר (notar) = bleef over | דבר (davar) = iets | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | לקח (laqach) = nam | לו (lo) = voor zichzelf | עשו (asu) = Ezau | מכל (mikkol) = van alles wat | אשר (asher) = die | הניח (henich) = liet na | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אחרי (acharei) = na | מותו (moto) = zijn dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **47:31** Ezau nam dit alles, en hij ging naar het land Seïr, het land van de Chorieten, hij en zijn zonen, naar hun woonplaats, weg van Jakob, zijn broer, en zijn zonen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = tot | ארץ (erets) = land van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | אל (el) = naar | מקומם (meqomam) = hun woonplaats | מפני (mippenei) = voor het aangezicht van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | ובניו (uvanav) = en zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **47:32** Ezau nam bezit te midden van de zonen van Seïr, en Ezau keerde van die dag af niet terug naar het land Kanaän. Brontekst: ויאחז (vaye'echaz) = en nam bezit | עשו (asu) = Ezau | בתוך (betokh) = te midden van | בני (bnei) = de zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | ולא (velo) = en niet | שב (shav) = keerde terug | עשו (asu) = Ezau | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | מהיום (mehayyom) = van die dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = af Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **47:33** Het hele land Kanaän werd voor de zonen van Israël een erfdeel tot in eeuwigheid, en Ezau en al zijn zonen erfden het gebergte Seïr. Brontekst: ותהי (vatehi) = en zij werd | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | לבני (livnei) = voor de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לנחלה (lenachala) = tot erfdeel | עד (ad) = tot in | עולם (olam) = eeuwigheid | ועשו (ve'esav) = en Ezau | וכל (vekhol) = en alle | בניו (banav) = zijn zonen | ירשו (yareshu) = erfden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הר (har) = het gebergte | שעיר (se'ir) = Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:8 (Ezau woonde op het gebergte Seïr). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 36:8 ## Jasher 48 _De dromen van de farao_ ### De honger **48:1** In die dagen, na de dood van Isaak, gebood Yahweh en riep Hij een honger over heel het land. Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = sterven | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויצו (vayetsav) = en gebood | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויקרא (vayikra) = en riep | רעב (ra'av) = honger | על (al) = over | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:54–56 (de honger kwam over het hele land). Zie ook: Gen 41:54–56 ### De dromen van de farao **48:2** In die tijd zat de farao, de koning van Egypte, op zijn troon in het land Egypte, en hij lag op zijn leger in de nacht en droomde dromen; de farao zag in zijn droom, en zie, hij stond aan de oever van de Nijl van Egypte, dat is de Sichor. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ופרעה (ufar'oh) = en de farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | יושב (yoshev) = zat | על (al) = op | כסאו (kis'o) = zijn troon | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישב (vayyashev) = en lag | במשכב (bemishkav) = op zijn leger | הלילה (hallaylah) = in de nacht | ויחלום (vayachalom) = en hij droomde | חלומות (chalomot) = dromen | וירא (vayyera) = en hij zag | פרעה (par'oh) = Farao | בחלומו (bachalomo) = in zijn droom | והנה (vehinneh) = en zie | הוא (hu) = hij | עומד (omed) = stond | על (al) = op | שפת (sefat) = de oever van | יאור (ye'or) = de Nijl | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | הוא (hu) = dat is | שיחור (shichor) = Sichor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:1 (de farao droomde dat hij bij de Nijl stond). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:1 **48:3** Terwijl hij stond, zag hij, en zie, zeven koeien, vet van vlees en mooi, kwamen op uit de Nijl. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעמדו (be'omdo) = terwijl hij stond | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | שבע (sheva) = zeven | פרות (parot) = koeien | בריאות (beri'ot) = vette van | בשר (basar) = vlees | וטובות (vetovot) = en mooie | עולות (olot) = opkomend | מן (min) = uit | היאור (hayeor) = de Nijl Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **48:4** Achter hen kwamen zeven andere koeien op, mager van vlees en zeer lelijk, en de zeven lelijke verslonden de zeven mooie; en hun aanblik was nog steeds slecht, zoals in het begin. Brontekst: ותעלינה (vata'alenah) = en zij kwamen op | אחריהן (acharehen) = achter hen | שבע (sheva) = zeven | פרות (parot) = koeien | אחרות (acherot) = andere | דקות (daqqot) = mager van | בשר (basar) = vlees | ורעות (vera'ot) = en lelijk | מאוד (me'od) = zeer | ותבלענה (vativla'nah) = en zij verslonden | שבע (sheva) = zeven | הרעות (hara'ot) = de lelijke | את (et) = (lijdend voorwerp) | שבע (sheva) = zeven | הטובות (hattovot) = de mooie | ועודינה (ve'odenah) = en nog | מראיהן (mar'eihen) = hun aanblik | רע (ra) = slecht | כבתחילה (kattechillah) = als in het begin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:2–4 (zeven mooie en zeven magere koeien). Zie ook: Gen 41:2–4 **48:5** Hij ontwaakte, sliep weer in en droomde voor de tweede keer. Hij zag, en zie, zeven aren kwamen op aan één halm, vol en mooi, en achter hen schoten zeven magere aren op, verschroeid door de oostenwind. De magere aren verslonden de volle, en de farao ontwaakte uit zijn droom. Brontekst: וייקץ (vayyiqats) = en hij ontwaakte | ויישן (vayyishan) = en hij sliep in | ויחלום (vayachalom) = en hij droomde | שנית (sheinit) = voor de tweede keer | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | שבע (sheva) = zeven | שיבולים (shibbolim) = aren | עולות (olot) = opkomend | בקנה (beqaneh) = aan een halm | אחד (echad) = één | מלאות (mele'ot) = vol | וטובות (vetovot) = en mooi | ותצמחנה (vatitsmachnah) = en zij schoten op | אחריהן (acharehen) = achter hen | שבע (sheva) = zeven | שיבולים (shibbolim) = aren | דקות (daqqot) = mager van | ושדופות (veshedufot) = en verschroeid | ברוח (beruach) = door de wind van | הקדים (haqqadim) = de oostenwind | ותבלענה (vativla'nah) = en zij verslonden | השיבולים (hashibbolim) = de aren | הדקות (haddaqqot) = de magere | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלאות (hamele'ot) = de volle | וייקץ (vayyiqats) = en ontwaakte | פרעה (par'oh) = Farao | מחלומו (mechalomo) = uit zijn droom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:5–7 (zeven aren aan één halm, en zeven magere aren, verschroeid door de oostenwind). Zie ook: Gen 41:5–7 ### De magiërs en wijzen **48:6** In de morgen herinnerde de koning zich zijn dromen, en zijn geest werd zeer verontrust door zijn dromen. De koning haastte zich en liet alle magiërs van Egypte en de wijzen roepen, en zij kwamen en stonden voor de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ויזכור (veyizkor) = en herinnerde zich | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומותיו (chalomotav) = zijn dromen | ותפעם (vatippa'em) = en werd verontrust | רוחו (rucho) = zijn geest | מאוד (me'od) = zeer | מחלומותיו (mechalomotav) = door zijn dromen | וימהר (vayemaher) = en haastte zich | המלך (hammelekh) = de koning | וישלח (vayishlach) = en hij zond | ויקרא (vayikra) = en riep | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | חרטומי (chartummei) = magiërs van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | והחכמים (vehachakhamim) = en de wijzen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:8 (zijn geest werd verontrust; hij liet alle magiërs en wijzen van Egypte roepen). Zie ook: Gen 41:8 **48:7** De koning zei tegen hen: „Ik heb dromen gedroomd, en er is geen uitlegger voor hen.” Zij zeiden tegen de koning: „Vertel toch je dromen aan je dienaren, dan zullen wij ze horen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | המלך (hammelekh) = de koning | חלומות (chalomot) = dromen | חלמתי (chalamti) = ik heb gedroomd | ופותר (ufoter) = en een uitlegger | אין (ein) = is er niet | להם (lahem) = voor hen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | ספר (sefer) = vertel | נא (na) = toch | לעבדיך (le'avdekha) = aan je dienaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומותיך (chalomotekha) = je dromen | ונשמע (venishma) = dan zullen wij horen | אותם (otam) = ze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:8** De koning vertelde hun zijn dromen, en zij antwoordden allen als uit één mond tegen de koning: „Moge de koning voor altijd leven, en dit is de uitleg van je dromen. Brontekst: ויספר (vayesaper) = en hij vertelde | להם (lahem) = hun | המלך (hammelekh) = de koning | חלומותיו (chalomotav) = zijn dromen | ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כולם (kullam) = allen | פה (peh) = met een mond | אחד (echad) = één | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | יחי (yechi) = moge leven | המלך (hammelekh) = de koning | לעולם (le'olam) = voor altijd | וזה (vezeh) = en dit is | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומותיך (chalomotekha) = je dromen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:9** De zeven mooie koeien die je hebt gezien: zeven dochters zullen je geboren worden aan het einde van de dagen. En de zeven lelijke koeien die achter hen opkwamen en hen verslonden: je ziet het als een teken dat de dochters die je geboren zullen worden, allen zullen sterven tijdens het leven van de koning. Brontekst: שבע (sheva) = zeven | פרות (parot) = koeien | הטובות (hattovot) = de mooie | אשר (asher) = die | ראית (ra'ita) = je hebt gezien | שבע (sheva) = zeven | בנות (banot) = dochters | יולדו (yulledu) = zullen geboren worden | לך (lekha) = aan jou | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | ושבע (veshev'a) = en zeven | פרות (parot) = koeien | הרעות (hara'ot) = de lelijke | העולות (ha'olot) = die opkwamen | אחריהן (acharehen) = achter hen | ותבלען (vativla'nah) = en zij verslonden | אותן (otan) = hen | ואתה (ve'attah) = en je | רואה (ro'eh) = ziet | לאות (le'ot) = tot een teken | כי (ki) = want | הבנות (habbanot) = de dochters | אשר (asher) = die | יולדו (yulledu) = zullen geboren worden | לך (lekha) = aan jou | ימותו (yamutu) = zullen sterven | כולם (kullam) = allen | בחיי (bechayyay) = tijdens het leven van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:10** En wat je in de tweede droom hebt gezien, zeven volle en mooie aren die opkomen aan één halm: dit is hun uitleg: zeven steden zul je voor jezelf bouwen in heel het land Egypte aan het einde van de dagen. En wat je hebt gezien, zeven verschroeide aren die achter hen opschoten en hen verslonden, terwijl je ogen het zien, is een teken dat de steden die je zult bouwen allen zullen worden verwoest aan het einde van de dagen, tijdens het leven van de koning.” Brontekst: ואשר (va'asher) = en wat | ראית (ra'ita) = je hebt gezien | בחלום (bachalom) = in de droom | השני (hasheni) = de tweede | שבע (sheva) = zeven | שיבולים (shibbolim) = aren | מלאות (mele'ot) = vol | וטובות (vetovot) = en mooi | עולות (olot) = opkomend | בקנה (beqaneh) = aan een halm | אחד (echad) = één | זה (ze) = dit | פתרונם (pitronam) = hun uitleg | שבע (sheva) = zeven | ערים (arim) = steden | תבנה (tivneh) = zult bouwen | לך (lekha) = aan jou | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | ואשר (va'asher) = en wat | ראית (ra'ita) = je hebt gezien | שבע (sheva) = zeven | שיבולים (shibbolim) = aren | שדופות (shedufot) = verschroeide | צומחות (tsomechot) = opschietend | אחריהן (acharehen) = achter hen | ותבלענה (vativla'nah) = en zij verslonden | אותן (otan) = hen | ועיניך (ve'eynekha) = terwijl je ogen | רואות (ro'ot) = het zien | לאות (le'ot) = tot een teken | כי (ki) = want | הערים (he'arim) = de steden | אשר (asher) = die | תבנה (tivneh) = zult bouwen | יחרבו (yecherevu) = zullen verwoest worden | כולנה (kullenah) = alle | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | בחיי (bechayyay) = tijdens het leven van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De farao wantrouwt hen **48:11** Terwijl zij deze woorden spraken, luisterde de koning niet naar hun woorden en schonk hij hun geen aandacht, want de koning wist in zijn wijsheid dat zij de dromen niet juist hadden uitgelegd. Toen zij geëindigd waren met spreken voor de koning, antwoordde de koning hun: „Wat is dit voor een ding dat jullie tot mij hebben gesproken? Immers, leugen en bedrog hebben jullie uit je mond gebracht. Vertel mij toch de uitleg van mijn dromen op juiste wijze, dan zullen jullie niet sterven.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בדברם (bedabram) = terwijl zij spraken | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | והמלך (vehammelekh) = en de koning | לא (lo) = niet | הטה (hittah) = neigde | את (et) = (lijdend voorwerp) | אוזניו (oznav) = zijn oren | אל (el) = tot | דבריהם (divreihem) = hun woorden | ולא (velo) = en niet | שם (shem) = zette | ליבו (libbo) = zijn hart | אליהם (aleihem) = bij hen | כי (ki) = want | ידע (yada) = wist | המלך (hammelekh) = de koning | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | פתרו (patru) = zij legden uit | את (et) = (lijdend voorwerp) | החלומות (hachalomot) = de dromen | על (al) = op | נכון (nakhon) = juist | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ככלותם (kechalotam) = toen zij geëindigd waren | לדבר (laddavar) = om te spreken | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלך (hammelekh) = de koning | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = het ding | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | דיברתם (dibbartem) = jullie hebben gesproken | אליי (elai) = tot mij | הלא (halo) = immers | כזב (kazav) = leugen | ושקר (vesheqer) = en bedrog | הוצאתם (hotsetem) = jullie hebben uitgebracht | מפיכם (mippikhem) = uit jullie mond | אך (akh) = maar | ספרו (sapperu) = vertel | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומותיי (chalomotai) = mijn dromen | על (al) = op | נכונה (nekhonah) = juist | ולא (velo) = en niet | תמותו (tamutu) = zullen jullie sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:12** Daarna gebood de koning, en zij zonden en riepen nog andere wijzen, en zij kwamen en stonden voor de koning. De koning vertelde hun zijn dromen, en zij antwoordden hem allen volgens de eerste uitleg. De toorn van de koning ontbrandde, en hij werd hierover zeer toornig, en de koning zei tegen hen: „Immers, leugen spreken jullie en bedrog zeggen jullie met jullie woorden.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | המלך (hammelekh) = de koning | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | וישלחו (vayishlechu) = en zij zonden | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | עוד (od) = nog | אל (el) = naar | חכמים (chakhamim) = wijzen | אחרים (acherim) = andere | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויספר (vayesaper) = en hij vertelde | להם (lahem) = hun | המלך (hammelekh) = de koning | חלומותיו (chalomotav) = zijn dromen | וישיבוהו (vayeshivuhu) = en zij antwoordden hem | כולם (kullam) = allen | כפתרון (kipitron) = volgens de uitleg | הראשון (harishon) = de eerste | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = de toorn van | המלך (hammelekh) = de koning | ויקצוף (vayiqtsof) = en hij werd toornig | מאוד (me'od) = zeer | מזה (mizzeh) = hierover | ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אליהם (aleihem) = tot hen | הלא (halo) = immers | כזב (kazav) = leugen | תדברו (tedaberu) = jullie spreken | ושקר (vesheqer) = en bedrog | תאמרו (tomru) = jullie zeggen | בדבריכם (bidvareikhem) = met jullie woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De oproep **48:13** De koning gebood en zij lieten in heel het land Egypte uitroepen: „Op bevel van de koning en zijn groten: ieder wijs man die weet en verstaat dromen uit te leggen en vandaag niet voor de koning komt, zal gedood worden. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | המלך (hammelekh) = de koning | ויעבירו (vaya'avirru) = en zij lieten uitroepen | קול (qol) = een stem | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לאמור (lemor) = zeggend | מטעם (mita'am) = op bevel van | המלך (hammelekh) = de koning | וגדוליו (vegedolav) = en zijn groten | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | חכם (chakham) = wijs | אשר (asher) = die | יודע (yode'a) = weet | ומבין (umevin) = en verstaat | לפתור (liftor) = uit te leggen | חלומות (chalomot) = dromen | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | יבוא (yavo) = komt | היום (hayyom) = vandaag | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | יומת (yumat) = zal gedood worden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:14** En de man die de koning de uitleg van zijn dromen juist bekendmaakt, hem zal gegeven worden alles wat hij van de koning vraagt.” Alle wijzen van het land Egypte kwamen voor de koning, en alle magiërs en alle tovenaars die in Egypte waren, en in Gosen, in Raämses, in Tachpanches, in Soan en in heel het gebied van Egypte, en zij stonden allen voor de koning. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | האיש (ha'ish) = de man | אשר (asher) = die | יגיד (yagid) = bekendmaakt | למלך (lammelekh) = aan de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומותיו (chalomotav) = zijn dromen | על (al) = op | נכונה (nekhonah) = juist | ינתן (yinnaten) = zal gegeven worden | לו (lo) = voor hem | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | ישאל (yish'al) = hij vraagt | מאת (me'et) = van | המלך (hammelekh) = de koning | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | חכמי (chakhmei) = wijzen van | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וכל (vekhol) = en alle | החרטומים (hacharttumim) = de magiërs | וכל (vekhol) = en alle | המכשפים (hamekhashefim) = de tovenaars | אשר (asher) = die | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ובגושן (uvgoshen) = en in Gosen | וברעמסס (uvera'amses) = en in Raämses | ובתחפנחס (uvetachpanches) = en in Tachpanches | ובצוען (uvetso'an) = en in Soan | ובכל (uvkhol) = en in heel | גבול (gevul) = het gebied van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden | כולם (kullam) = allen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **48:15** Ook alle edelen en alle vorsten en de dienaren van de koning kwamen tezamen uit alle steden van Egypte, en zij zaten allen voor de koning. De koning vertelde zijn dromen voor de wijzen en alle vorsten, en allen die voor de koning zaten, verbaasden zich over het visioen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | הפרתמים (haparetemim) = de edelen | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | והמשרתים (vehamesharetim) = en de dienaren | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = van de koning | באו (ba'u) = kwamen | יחד (yachad) = tezamen | מכל (mikkol) = van elke | ערי ('eri) = steden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישבו (vayeshvu) = en zij zaten | כולם (kullam) = allen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויספר (vayesaper) = en hij vertelde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומותיו (chalomotav) = zijn dromen | לפני (lifnei) = voor | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | ויתמהו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | כל (kol) = alle | היושבים (hayoshevim) = die zaten | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | מן (min) = uit | המראה (hammar'eh) = het visioen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Wat de wijzen zeggen **48:16** Alle wijzen die voor de koning waren, raakten in vele delen verdeeld over de uitleg van zijn dromen. Sommigen van hen legden de koning uit: „De zeven mooie koeien zijn zeven koningen, die over Egypte zullen opstaan uit het zaad van de koning. Brontekst: ויתחלקו (vayitchalqu) = en raakten verdeeld | כל (kol) = alle | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | אשר (asher) = die | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | בפתרון (bifitron) = bij de uitleg | חלומותיו (chalomotav) = zijn dromen | לחלקים (lechalaqim) = in delen | רבים (rabbim) = vele | מהם (mehem) = sommigen van hen | פתרו (patru) = zij legden uit | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | שבע (sheva) = zeven | פרות (parot) = koeien | הטובות (hattovot) = de mooie | שבעה (shiv'ah) = zeven | מלכים (melakhim) = koningen | הם (hem) = zij zijn | אשר (asher) = die | יעמדו (ya'amdu) = zullen opstaan | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מזרע (mizzera') = uit het zaad van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:8 (niemand kon het de farao uitleggen). De uitleggingen van de wijzen in de verzen 16–23 staan niet in Genesis. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:8 **48:17** En de zeven lelijke koeien zijn zeven vorsten, die aan het einde van de dagen tegen hen zullen opstaan en hen zullen verderven. En de zeven mooie aren zijn de zeven grote vorsten van Egypte, die zullen vallen in de hand van zeven vorsten, hun vijanden, niet sterk, in de oorlogen van mijn heer, de koning.” Brontekst: ושבע (veshev'a) = en zeven | הפרות (happarot) = de koeien | הרעות (hara'ot) = de lelijke | שבע (sheva) = zeven | שרים (sarim) = vorsten | יעמדו (ya'amdu) = zullen opstaan | עליהם (aleihem) = tegen hen | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | והשחיתום (vehishchitum) = en zij zullen hen verderven | ושבע (veshev'a) = en zeven | השיבולים (hashibbolim) = de aren | הטובות (hattovot) = de mooie | הם (hem) = zij | שבעה (shiv'ah) = zeven | שרים (sarim) = vorsten | הגדולים (haggedolim) = de grote | אשר (asher) = die | למצרים (leMitsrayim) = van Egypte | אשר (asher) = die | יפלו (yippelu) = zullen vallen | ביד (beyad) = in de hand van | שבעה (shiv'ah) = zeven | שרים (sarim) = vorsten | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden | בלתי (bilti) = niet | חזקים (chazaqim) = sterke | במלחמות (bemilchamot) = in de oorlogen van | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:18** En sommigen van hen legden de koning op deze wijze uit: „De zeven mooie koeien zijn de zeven sterke steden van heel Egypte, en de zeven lelijke koeien zijn de zeven volken van het land Kanaän, die aan het einde van de dagen tegen de zeven steden van Egypte zullen komen en ze zullen verderven. Brontekst: ומהם (umehem) = en sommigen van hen | אשר (asher) = die | פתרו (patru) = zij legden uit | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | כדבר (kidvar) = op de wijze van | הזה (hazzeh) = dit | לאמור (lemor) = zeggende | שבע (sheva) = zeven | פרות (parot) = koeien | הטובות (hattovot) = de mooie | הם (hem) = zij | שבע (sheva) = zeven | ערי ('eri) = steden van | כל (kol) = heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | החזקים (hachazaqim) = de sterke | ושבע (veshev'a) = en zeven | הפרות (happarot) = de koeien | הרעות (hara'ot) = de lelijke | הם (hem) = zij | שבעה (shiv'ah) = zeven | גויי (goyei) = volken van | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | אשר (asher) = die | יבואו (yavo'u) = zullen komen | על (al) = op | שבעת (sheva) = zeven | ערי ('eri) = steden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | והשחיתו (vehishchitu) = en zij zullen verderven | אתהן (ottehen) = ze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **48:19** En wat je hebt gezien, de zeven mooie en lelijke aren in de tweede droom, is een teken dat de heerschappij van Egypte weer bij je nageslacht zal terugkeren, zoals in het begin. Brontekst: ואשר (va'asher) = en wat | ראית (ra'ita) = je hebt gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | שבעת (sheva) = zeven | השיבולים (hashibbolim) = de aren | הטובות (hattovot) = de mooie | והרעות (vehara'ot) = en de lelijke | בחלום (bachalom) = in de droom | השני (hasheni) = de tweede | לאות (le'ot) = tot een teken | כי (ki) = want | תשוב (tashuv) = zal terugkeren | עוד (od) = weer | ממשלת (memshelet) = heerschappij van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | להיות (lihyot) = om te zijn | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht | כבתחילה (kattechillah) = als in het begin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:20** Tijdens hun heerschappij zullen alle mensen van de steden van Egypte terugkeren tegen de zeven steden van Kanaän, die sterker zijn dan zij, en zij zullen ze verderven, en het hele koningschap van Egypte zal bij je nageslacht terugkeren.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | במושלם (bemoshlam) = tijdens hun heerschappij | ושבו (veshavu) = en zullen terugkeren | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = de mensen van | ערי ('eri) = steden van | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | על (al) = tegen | כל (kol) = alle | השבעה (hashiv'ah) = de zeven | ערי ('eri) = steden van | כנען (Kena'an) = Kanaän | החזקים (hachazaqim) = de sterke | מהם (mehem) = dan zij | והשחיתו (vehishchitu) = en zij zullen verderven | אותם (otam) = hen | ושבה (veshavah) = en zij zal terugkeren | כל (kol) = alle | מלכות (malkhut) = koningschap | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:21** En sommigen van hen zeiden tegen de koning: „Dit is de uitleg van je dromen: de zeven mooie koeien zijn zeven koninginnen die je aan het einde van de dagen tot vrouwen zult nemen, en de zeven lelijke koeien zijn een teken dat die vrouwen allen zullen sterven tijdens het leven van de koning. Brontekst: ומהם (umehem) = en sommigen van hen | אשר (asher) = die | אמר (amar) = zei | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | זה (ze) = dit | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומותיך (chalomotekha) = je dromen | שבע (sheva) = zeven | פרות (parot) = koeien | הטובות (hattovot) = de mooie | שבע (sheva) = zeven | מלכות (malkhut) = koninginnen | הנה (hinneh) = zijn | אשר (asher) = die | תיקח (tiqqach) = je zult nemen | לנשים (lenashim) = tot vrouwen | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | ושבע (veshev'a) = en zeven | הפרות (happarot) = de koeien | הרעות (hara'ot) = de lelijke | לאות (le'ot) = tot een teken | כי (ki) = want | ימותו (yamutu) = zullen sterven | הנשים (hannashim) = de vrouwen | ההמה (hahemah) = die | כולנה (kullenah) = alle | בחיי (bechayyay) = tijdens het leven van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:22** En de zeven mooie en lelijke aren die je in de tweede droom hebt gezien, zijn veertien zonen van hen; en het zal zijn aan het einde van de dagen dat zij onder elkaar zullen strijden, en zeven van hen zullen de zeven slaan die sterker zijn dan zij.” Brontekst: ושבע (veshev'a) = en zeven | השיבולים (hashibbolim) = de aren | הטובות (hattovot) = de mooie | והרעות (vehara'ot) = en de lelijke | אשר (asher) = die | ראית (ra'ita) = je hebt gezien | בחלום (bachalom) = in de droom | השני (hasheni) = de tweede | הם (hem) = zij | ארבעה (arba'ah) = veertien | עשר (esar) = — | בניהם (beneyhem) = hun zonen | והיה (vehayah) = en het zal zijn | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | ונלחמו (venilchamu) = en zij zullen strijden | ביניהם (beneihem) = onder elkaar | ונגפו (venagefu) = en zij zullen slaan | השבעה (hashiv'ah) = de zeven | מהם (mehem) = van hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | השבעה (hashiv'ah) = de zeven | החזקים (hachazaqim) = de sterke | מהם (mehem) = dan zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:23** En sommigen van hen zeiden tegen de koning met soortgelijke woorden: „De zeven mooie koeien: zeven zonen zullen je geboren worden, en zij zullen zeven zonen van je vorsten doden aan het einde van de dagen. En de zeven mooie aren die je in de tweede droom hebt gezien: dat zijn die vorsten tegen wie zeven andere vorsten, niet sterk als zij, zullen strijden en hen aan het einde van de dagen zullen verderven, en zij zullen wraak voor je zonen op hen nemen, en het koningschap zal weer bij je nageslacht terugkeren.” Brontekst: ומהם (umehem) = en sommigen van hen | יאמרו (yomru) = zeggen | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | כדברים (kadevarim) = met woorden als | האלה (ha'elleh) = deze | לאמור (lemor) = zeggende | שבע (sheva) = zeven | הפרות (happarot) = de koeien | הטובות (hattovot) = de mooie | שבע (sheva) = zeven | בנים (banim) = zonen | יולדו (yulledu) = zullen geboren worden | לך (lekha) = aan jou | ויהרגום (vayaharegum) = en zij zullen hen doden | שבעת (sheva) = zeven | בני (bnei) = de zonen van | שריך (saarekha) = je vorsten | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | ושבע (veshev'a) = en zeven | השיבולים (hashibbolim) = de aren | הטובות (hattovot) = de mooie | אשר (asher) = die | ראית (ra'ita) = je hebt gezien | בחלום (bachalom) = in de droom | בשני (bashenni) = in het tweede | הם (hem) = zij | השרים (hasarim) = de vorsten | ההם (hahem) = die | אשר (asher) = die | ילחמו (yilchamu) = zullen strijden | בם (vam) = tegen hen | שבעה (shiv'ah) = zeven | שרים (sarim) = vorsten | אחרים (acherim) = andere | בלתי (bilti) = niet | חזקים (chazaqim) = sterke | כמותם (kemotam) = als zij | וישחיתו (vayashchitu) = en zij zullen hen verderven | אותם (otam) = hen | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | וינקמו (veyinqemu) = en zij zullen wreken | מהם (mehem) = van hen | נקמת (niqmat) = de wraak van | בניך (banekha) = je zonen | ושבה (veshavah) = en zij zal terugkeren | המלוכה (hammelukhah) = het koningschap | עוד (od) = opnieuw | לזרעך (lezar'akha) = aan je nageslacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: שבעת בני שריך (‘zeven zonen van je vorsten’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘seven of thy children's children’. **48:24** De koning hoorde alle woorden van de wijzen van Egypte en al de uitleg van zijn dromen, en niet één van hen was goed in de ogen van de koning. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | חכמי (chakhmei) = wijzen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומותיו (chalomotav) = zijn dromen | ולא (velo) = en niet | ישרו (yasheru) = was goed | כולם (kullam) = alle | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:25** De koning wist in zijn wijsheid dat zij tezamen in al hun woorden niet juist tot hem hadden gesproken. Want van Yahweh was dit, om de woorden van de wijzen van Egypte te verijdelen, opdat Jozef uit het huis van de gevangenen zou uitgaan en opdat hij groot zou worden in Egypte. Brontekst: וידע (vayyeda) = en hij wist | המלך (hammelekh) = de koning | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | דיברו (dibberu) = hadden gesproken | אליו (elav) = tegen hem | נכונה (nekhonah) = juist | בכל (bekhol) = in heel | דבריהם (divreihem) = hun woorden | יחד (yachad) = tezamen | כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הייתה (hayetah) = was | זאת (zot) = dit | לסכל (lesakkel) = om te verijdelen | דברי (divrei) = woorden van | חכמי (chakhmei) = wijzen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | למען (lema'an) = opdat | מאת (me'et) = van | יוסף (Yosef) = Jozef | מן (min) = uit | בית (bet) = het huis van | האסורים (ha'asurim) = de gevangenen | ולמען (ulema'an) = en opdat | גדלו (giddelo) = hij groot zou worden | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: למען מאת יוסף מן בית האסורים (‘opdat van Jozef uit het huis van de gevangenen’) staat er; gelezen als ‘opdat Jozef uit het huis van de gevangenen zou uitgaan’, zoals de Engelse vertaling heeft. **48:26** De koning zag dat er niemand van alle wijzen en magiërs van Egypte juist tot hem sprak, en de toorn van de koning ontbrandde zeer, en zijn grimmigheid brandde in hem. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = want | אין (ein) = niemand | דובר (dubbar) = sprak | אליו (elav) = tegen hem | נכונה (nekhonah) = juist | בכל (bekhol) = in heel | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | והחרטומים (vehacharetummim) = en de magiërs | אשר (asher) = die | למצרים (leMitsrayim) = van Egypte | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = toorn | המלך (hammelekh) = de koning | מאוד (me'od) = zeer | וחמתו (vechamato) = en zijn grimmigheid | בערה (ba'arah) = brandde | בו (bo) = in hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:27** De koning gebood, en zij brachten alle wijzen en alle magiërs van voor hem uit, en zij gingen allen met schaamte en vernedering van voor de koning weg. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | המלך (hammelekh) = de koning | ויוציאו (vayotsi'u) = en zij brachten uit | כל (kol) = alle | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | וכל (vekhol) = en alle | החרטומים (hacharttumim) = de magiërs | מלפניו (millefanav) = van voor hem | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כולם (kullam) = allen | בבושת (bevoshet) = met schaamte | וכלימה (vekhlimmah) = en vernedering | מלפני (millifnei) = van voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:28** De koning gebood, en zij lieten in Egypte uitroepen dat alle wijzen en alle magiërs die in Egypte waren zouden sterven: er zou niemand van hen leven. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | המלך (hammelekh) = de koning | ויעבירו (vaya'avirru) = en liet uitroepen | קול (qol) = een stem | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | אשר (asher) = dat | ימותו (yamutu) = zullen sterven | כל (kol) = alle | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | וכל (vekhol) = en alle | החרטומים (hacharttumim) = de magiërs | אשר (asher) = die | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לא (lo) = niet | יחיה (yechayeh) = leven | מהם (mehem) = van hen | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:29** De oversten van de slachters van de koning stonden op, en zij trokken allen ieder zijn zwaard en begonnen de magiërs van Egypte en haar wijzen te slaan. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | שרי (sarai) = oversten van | הטבחים (hatabachim) = de slachters | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = bij de koning | וישלפו (vayishlefu) = en zij trokken | כולם (kullam) = allen | איש (ish) = ieder | חרבו (charvu) = zijn zwaard | ויחלו (vayachelu) = en begonnen | להכות (lehakkot) = te slaan | בחרטומי (bacharetummei) = onder de magiërs van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וחכמיה (vachakhameha) = en haar wijzen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Mirod, de overste van de schenkers **48:30** Daarna kwam Mirod, de overste van de schenkers van de koning, en hij boog zich neer voor de koning en zat voor hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | מירוד (mirod) = Mirod | שר (sar) = overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = voor de koning | וישתחווה (vayishtachaveh) = en boog zich neer | למלך (lammelekh) = bij de koning | וישב (vayyashev) = en zat | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 41:9 **48:31** De overste van de schenkers zei tegen de koning: „Moge de koning voor altijd leven, en moge zijn koninkrijk groot worden in het land. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | שר (sar) = overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | יחי (yechi) = moge leven | המלך (hammelekh) = de koning | לעולם (le'olam) = voor altijd | ותגדל (vattigdal) = en moge groot worden | מלכותו (malkhuto) = zijn koninkrijk | בארץ (ba'arets) = in het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:32** Je was toornig op je dienaar in die dagen, nu twee jaar geleden, en je zette mij in bewaring, mij en de overste van de bakkers. Brontekst: אתה (attah) = jij | קצפת (qatsafta) = was je toornig | על (al) = op | עבדך (avdekha) = je dienaar | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | זה (ze) = nu | שנתיים (shenatayim) = twee jaar | ימים (yamim) = volle | ותיתן (vattitten) = en je zette | אותי (oti) = mij | במשמר (bammishmar) = in bewaring | אותי (oti) = mij | ואת (ve'et) = en | שר (sar) = overste van | האופים (ha'ofim) = de bakkers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:9–10 (de overste van de schenkers: de farao was toornig op zijn dienaren en zette mij in bewaring). Zie ook: Gen 41:9–10 **48:33** En daar was met ons in de put een Hebreeuwse slaaf van de overste van de slachters, Jozef was zijn naam, want zijn heer was toornig op hem en zette hem daar in het huis van de gevangenis, en hij diende ons daar. Brontekst: ושם (veShem) = en daar | היה (hayah) = was | איתנו (ittanu) = met ons | בבור (babor) = in de put | עבד (eved) = slaaf | עברי (ivri) = een Hebreeuwse | אשר (asher) = die | לשר (lesar) = van de overste van | הטבחים (hatabachim) = de slachters | יוסף (Yosef) = Jozef | שמו (shemo) = zijn naam | כי (ki) = want | קצף (qatsaf) = was toornig | עליו (alav) = op hem | אדוניו (adonav) = zijn heer | ויתנהו (vayittenehu) = en zette hem | שם (shem) = daar | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | וישרת (vayesharet) = en hij diende | אותנו (otanu) = ons | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:12 (een Hebreeuwse jongeman, slaaf van de overste van de lijfwacht). Dat Jozef ‘in de put’ zat, zie Gen. 40:15. Zie ook: Gen 40:15; Gen 41:12 **48:34** Na enige tijd, toen wij in bewaring waren, droomden wij dromen in één nacht, ik en de overste van de bakkers; ieder van ons droomde een droom met een eigen uitleg. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מימים (miyyamim) = na enige tijd | בהיותנו (bihyotenu) = toen wij waren | במשמר (bammishmar) = in bewaring | ונחלמה (venachalmah) = en wij droomden | חלומות (chalomot) = dromen | בלילה (ballaylah) = in een nacht | אחד (echad) = één | אני (ani) = ik | ושר (vesar) = en de overste van | האופים (ha'ofim) = de bakkers | איש (ish) = ieder | כפתרון (kipitron) = naar de uitleg van | חלומו (chalomo) = zijn droom | חלמנו (chalamnu) = droomden wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:35** Wij kwamen in de morgen en vertelden het aan die slaaf, en hij legde ons onze dromen uit, ieder naar zijn droom legde hij ons juist uit. Brontekst: ונבוא (venavo) = en wij kwamen | ונגד (venugad) = en wij vertelden | לעבד (le'eved) = aan die slaaf | ההוא (hahu) = die | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ויפתור (vayiftor) = en hij legde uit | לנו (lanu) = voor ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומותינו (chalomotenu) = onze dromen | איש (ish) = ieder | כחלומו (kachalomo) = naar zijn droom | פתר (patar) = legde hij uit | לנו (lanu) = voor ons | על (al) = op | נכונה (nekhonah) = juist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:12–13 (hij legde ons onze dromen uit, ieder naar zijn droom). Zie ook: Gen 41:12–13 **48:36** En zoals hij ons uitlegde, zo was het: niets van al zijn woorden viel op de grond. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = zoals | פתר (patar) = uitlegde | לנו (lanu) = voor ons | כן (ken) = zo | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak | לא (lo) = niet | נפל (nafal) = viel | מכל (mikkol) = van al | דבריו (devarav) = zijn woorden | ארצה (artsah) = op de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:37** En nu, mijn heer de koning, dood niet alle mensen van Egypte voor niets, want zie, die slaaf is nog steeds gebonden in het huis van de overste van de slachters, zijn heer, in het huis van de gevangenis. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = niet | תהרוג (taharog) = dood | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | חינם (chinnam) = voor niets | כי (ki) = want | הנה (hinneh) = zie | העבד (ha'eved) = de slaaf | ההוא (hahu) = die | עודנו (odenu) = nog steeds | אסור (asur) = gebonden | בבית (babbayit) = in het huis van | שר (sar) = overste van | הטבחים (hatabachim) = de slachters | אדוניו (adonav) = zijn heer | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:38** Als het de koning goed is, laat hij naar hem zenden en hem voor zich laten komen; dan zal hij je de uitleg bekendmaken van de droom die je hebt gedroomd, op juiste wijze.” Brontekst: אם (em) = als | על (al) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | טוב (tov) = goed is | ישלח (yishlach) = laat hij zenden | אליו (elav) = naar hem | ויבוא (vayavo) = en laat hij komen | לפניך (lefanekha) = voor je | והוא (vehu) = en hij | יודיעך (yodi'akha) = laat hij je bekendmaken | את (et) = (lijdend voorwerp) | פתרון (pitron) = de uitleg van | החלום (hachalom) = de droom | אשר (asher) = die | חלמת (chalamta) = je hebt gedroomd | על (al) = op | נכונה (nekhonah) = juist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:39** De koning hoorde de woorden van de overste van de schenkers, en de koning gebood de wijzen van Egypte niet te doden. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | דברי (divrei) = woorden van | שר (sar) = overste van | המשקים (hamashqim) = de schenkers | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | המלך (hammelekh) = de koning | לבלתי (levilti) = om niet | המית (hemit) = te doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | חכמי (chakhmei) = wijzen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Jozef voor de koning **48:40** De koning gebood zijn dienaren Jozef voor hem te brengen, en de koning zei tegen hen: „Maak hem niet bang, opdat hij niet verward raakt en niet weet juist te spreken.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | להביא (lehavi) = te brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | לפניו (lefanav) = voor hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אליהם (aleihem) = tot hen | אל (el) = niet | תבהלוהו (tevahaluhu) = maak hem niet bang | פן (pen) = opdat niet | יבהל (yibbahel) = hij verward raakt | ולא (velo) = en niet | ידע (yada) = weet | לדבר (laddavar) = te spreken | נכונה (nekhonah) = juist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 41:14 **48:41** De dienaren van de koning gingen naar Jozef en haalden hem haastig uit de put, en de dienaren van de koning schoren hem, en hij verwisselde de kleren van zijn gevangenis en kwam voor de koning. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | ויריצוהו (vayritsuhu) = en zij haalden hem haastig | מן (min) = uit | הבור (habor) = de put | ויגלחו (vayegallechu) = en zij schoren | לו (lo) = hem | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | ויחלף (vayachalef) = en hij verwisselde | את (et) = (lijdend voorwerp) | בגדי (bigdey) = de kleren van | כלאו (kil'o) = zijn gevangenis | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:14 (zij haalden hem haastig uit de put; hij schoor zich, verwisselde zijn kleren en kwam bij de farao). Zie ook: Gen 41:14 **48:42** De koning zat op zijn koninklijke troon in een koninklijk gewaad, omgord met een gouden efod, en het fijne goud dat erop was schitterde, en de smaragd en de karneool en de turkoois flonkerden, en alle kostbare stenen op het hoofd van de koning glinsterden; en Jozef verwonderde zich zeer over de koning. Brontekst: והמלך (vehammelekh) = en de koning | יושב (yoshev) = zat | על (al) = op | כיסא (kisse) = de troon van | מלכותו (malkhuto) = zijn koninkrijk | בלבוש (belevush) = in het gewaad van | מלכות (malkhut) = koninklijk | אפוד (afud) = omgord | באפוד (ve'efod) = met een efod van | זהב (zahav) = goud | והפס (vehapas) = en het fijne goud | אשר (asher) = dat | עליו (alav) = erop | נוצץ (notsets) = schitterde | והברקת (vehabareqet) = en de smaragd | והאודם (veha'odem) = en de karneool | והנופך (vehanofekh) = en de turkoois | מתלפדים (mitlapedim) = flonkerden | וכל (vekhol) = en alle | אבני (avnei) = stenen van | התפארת (hatif'eret) = de pracht | אשר (asher) = die | בראש (berosh) = op het hoofd van | המלך (hammelekh) = de koning | מתלהטים (mitlahatim) = glinsterden | ויפלא (vayippale) = en verwonderde zich | יוסף (Yosef) = Jozef | מן (min) = over | המלך (hammelekh) = de koning | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De namen van de stenen (אודם, ברקת, נופך) staan ook in Ex. 28:17–18, bij het borstschild. Wat ‘karneool’, ‘smaragd’ en ‘turkoois’ precies zijn, is niet zeker. Zie ook: Gen 41:14; Ex 28:17–18 **48:43** De troon waarop de koning zat was bedekt met goud, met sjohamstenen, en hij had zeventig treden. Brontekst: והכיסא (vehakisse) = en de troon | אשר (asher) = die | יושב (yoshev) = zat | עליו (alav) = om hem | המלך (hammelekh) = de koning | מצופה (metsuppeh) = bedekt met | זהב (zahav) = goud | עם (im) = met | אבני (avnei) = stenen van | השוהם (hashoham) = de sjohamstenen | ולו (velo) = en het had | שבעים (shiv'im) = zeventig | מעלות (ma'alot) = treden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: מצופה זהב עם אבני השוהם (‘bedekt met goud, met sjohamstenen’): zilver staat er niet; de Engelse vertaling heeft ‘gold and silver, and onyx stones’. Zie Gen. 2:12 (de sjohamsteen). Zie ook: Gen 2:12 ### De treden van de troon **48:44** Het was hun gebruik in heel het land Egypte dat ieder man die kwam om met de koning te spreken, als hij een vorst was en geacht in de ogen van de koning, opging naar de koning op de troon tot de eenendertigste trede, en de koning daalde af tot de zesendertigste trede en sprak met hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | משפטם (mishpatam) = hun gebruik | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | יבוא (yavo) = kwam | לדבר (laddavar) = om te spreken | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | והיה (vehayah) = en indien | אם (em) = als | איש (ish) = een man | שר (sar) = een vorst | וחשוב (vechashuv) = of geacht | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | הוא (hu) = hij | ועלה (va'alah) = dan ging hij op | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = op | הכיסא (hakkisse) = de troon | עד (ad) = tot | המעלה (hama'ale) = trede | האחת (ha'achat) = één | ושלושים (ushloshim) = en dertig | וירד (vayered) = en daalde af | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = op | מעלת (ma'alat) = de trede van | השישה (hashishah) = zes | ושלושים (ushloshim) = en dertig | ודיבר (vediber) = en sprak | עמו (immo) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:45** En als hij uit het gewone volk was, ging hij op tot de derde trede, en de koning daalde af tot de vierde en sprak met hem. Het was nog hun gebruik dat ieder man die in alle zeventig talen kon spreken, zeventig treden opging; hij ging omhoog en sprak, tot hij bij de koning kwam. Brontekst: ואם (ve'im) = en als | מיתר (miyeter) = uit de rest van | העם (ha'am) = het volk | הוא (hu) = hij | ועלה (va'alah) = dan ging hij op | עד (ad) = tot | שלוש (shalosh) = drie | המעלות (hamma'alot) = de treden | וירד (vayered) = en daalde af | המלך (hammelekh) = de koning | ברביעית (barevi'it) = op de vierde | ודיבר (vediber) = en sprak | עמו (immo) = bij hem | ויהי (vayehi) = en het was | משפטם (mishpatam) = hun gebruik | עוד (od) = nog | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | יבין (yavin) = verstond | לדבר (laddavar) = om te spreken | בכל (bekhol) = in alle | שבעים (shiv'im) = zeventig | הלשונות (halleshonot) = de talen | ועלה (va'alah) = en ging op | שבעים (shiv'im) = zeventig | מעלות (ma'alot) = treden | ועלה (va'alah) = en ging op | עולה (oleh) = opgaand | ודיבר (vediber) = en sprak | עד (ad) = tot | הגעתו (hagi'ato) = zijn komen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:46** En ieder man die niet alle zeventig talen beheerste, ging zoveel treden omhoog als het aantal talen dat hij kende en kon spreken. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ישלים (yashlim) = volmaakt | השבעים (hashiv'im) = de zeventig | יעלה (ya'aleh) = ging hij op | אל (el) = tot | המעלות (hamma'alot) = de treden | כמספר (kemispar) = naar het aantal | אשר (asher) = die | ידע (yada) = hij kende | ויבין (veyavin) = en verstond | לדבר (laddavar) = om te spreken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:47** En de wet van Egypte was in die dagen dat niemand over hen zou regeren, behalve een man die in zeventig talen kon spreken. Brontekst: ומשפט (umishpat) = en het gebruik van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | היה (hayah) = was | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | ימלוך (yimlokh) = zou regeren | עליהם (aleihem) = over hen | איש (ish) = een man | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | ידע (yada) = kent | לדבר (laddavar) = om te spreken | בשבעים (bishv'im) = in zeventig | לשון (lashon) = talen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:48** Toen Jozef voor de koning kwam, boog hij zich ter aarde neer voor de koning, en hij ging op tot de derde trede en ging zitten op de derde trede; de koning daalde af naar hem, ging zitten op de vierde trede en sprak met Jozef. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כבוא (kevo) = toen hij kwam | יוסף (Yosef) = Jozef | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וישתחו (vayishtachu) = en hij boog zich neer | למלך (lammelekh) = voor de koning | ארצה (artsah) = ter aarde | ויעל (vayya'al) = en hij ging op | עד (ad) = tot | שלוש (shalosh) = drie | המעלות (hamma'alot) = treden | וישב (vayyashev) = en ging zitten | במעלה (bamma'alah) = op de trede | השלישית (hashelishit) = de derde | וירד (vayered) = en hij daalde neer | המלך (hammelekh) = de koning | אליו (elav) = tegen hem | וישב (vayyashev) = en ging zitten | במעלה (bamma'alah) = op de trede | הרביעית (harevi'it) = de vierde | וידבר (vayedabber) = en sprak | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De koning en Jozef **48:49** De koning zei tegen Jozef: „Een droom heb ik gedroomd, en er is geen uitlegger om hem juist uit te leggen. Ik beval vandaag dat alle magiërs van Egypte en al haar wijzen voor mij zouden komen, en ik vertelde hun mijn dromen, en er is niemand die ze mij juist uitlegt. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | חלום (chalom) = een droom | חלמתי (chalamti) = ik heb gedroomd | ופותר (ufoter) = en een uitlegger | אין (ein) = is er niet | לפתור (liftor) = uit te leggen | אותו (oto) = hem | על (al) = op | נכון (nakhon) = juist | ואצווה (va'atsavveh) = en ik beval | היום (hayyom) = vandaag | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לפני (lifnei) = voor | כל (kol) = alle | חרטומי (chartummei) = magiërs van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | חכמיה (chakhameha) = haar wijzen | ואספר (va'asapper) = en ik vertelde | אליהם (aleihem) = tot hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומותיי (chalomotai) = mijn dromen | ואין (veein) = en er is niet | פותר (poter) = een uitlegger | אותם (otam) = hen | לי (li) = voor mij | על (al) = op | נכונה (nekhonah) = juist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:15 (‘ik heb een droom gedroomd, en er is niemand die hem kan uitleggen’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:15 **48:50** Daarna heb ik vandaag over je gehoord dat je wijs bent en elke droom die je hoort juist kunt uitleggen.” Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | שמעתי (shamati) = ik heb gehoord | עליך (aleikha) = over jou | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = want | חכם (chakham) = wijs | אתה (attah) = jij | אשר (asher) = die | תשמע (tishma) = je hoort | כל (kol) = alle | חלום (chalom) = droom | לפתור (liftor) = uit te leggen | אותו (oto) = hem | על (al) = op | נכון (nakhon) = juist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:51** Jozef antwoordde de farao: „Laat de farao zijn droom vertellen die hij gedroomd heeft; zijn de uitleggingen niet van Elohim?” De farao vertelde Jozef zijn dromen, de droom van de koeien en de droom van de aren, en de koning hield op met spreken. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | פרעה (par'oh) = Farao | לאמור (lemor) = zeggende | יספר (yissafer) = laat vertellen | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומו (chalomo) = zijn droom | אשר (asher) = die | חלם (chalam) = droomde | הלא (halo) = immers | לאלוקים (le'elohim) = aan Elohim | פתרונים (pitronim) = de uitleggingen | ויספר (vayesaper) = en hij vertelde | פרעה (par'oh) = Farao | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלומותיו (chalomotav) = zijn dromen | חלום (chalom) = de droom van | הפרות (happarot) = de koeien | וחלום (vachalom) = en de droom van | השיבולים (hashibbolim) = de aren | ויכל (vayekhal) = en hield op | המלך (hammelekh) = de koning | לדבר (laddavar) = om te spreken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 40:8 (‘behoren de uitleggingen niet aan Elohim toe?’) en Gen. 41:16. Zie ook: Gen 40:8; Gen 41:16 **48:52** De geest van Elohim bekleedde Jozef in die tijd voor de koning, en hij wist alle dingen die vanaf die dag over de koning zouden komen. Hij wist de uitleg van de droom van de koning juist, en hij sprak voor de koning. Brontekst: ורוח (veruach) = en de geest van | אלוקים (Elohim) = Elohim | לבשה (lavshah) = bekleedde | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וידע (vayyeda) = en hij wist | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | אשר (asher) = die | יבואו (yavo'u) = zouden komen | על (al) = over | המלך (hammelekh) = de koning | מהיום (mehayyom) = van die dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = af | וידע (vayyeda) = en hij wist | את (et) = (lijdend voorwerp) | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלום (chalom) = de droom van | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = op | נכונה (nekhonah) = juist | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:38 (‘een man in wie de geest van Elohim is’). Zie ook: Gen 41:38 ### Jozefs uitleg **48:53** Jozef vond gunst in de ogen van de koning, en de koning schonk zijn oor en zijn hart en hoorde alle woorden van Jozef. Jozef zei tegen de farao: „Laat de koning niet denken dat het twee dromen zijn; het is slechts één droom. Want wat Elohim van de hemel wil doen in heel het land, heeft Hij de koning in zijn droom laten zien, en dit is de uitleg van je droom, juist: Brontekst: וימצא (vayimtsa) = en hij vond | יוסף (Yosef) = Jozef | חן (chen) = gunst | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | ויטה (vayet) = en neigde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | אזניו (oznav) = zijn oren | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | לבו (libbo) = zijn hart | וישמע (vayishma) = en hoorde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = niet | יחשוב (yachshov) = denk | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = want | שתי (shetei) = twee | חלומות (chalomot) = dromen | הן (hen) = zijn | אך (akh) = slechts | חלום (chalom) = een droom | אחד (echad) = één | הוא (hu) = hij | כי (ki) = want | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | חפץ (chafets) = wil | אלוקי (elohei) = Elohim van | השמים (hashamayim) = de hemel | לעשות (la'asot) = om te doen | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | הראה (hirah) = heeft laten zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | בחלומו (bachalomo) = in zijn droom | וזה (vezeh) = en dit | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומך (chalomekha) = je droom | על (al) = op | נכונה (nekhonah) = juist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:25 (‘de droom van de farao is één’). Zie ook: Gen 41:25 **48:54** de zeven koeien en de zeven mooie aren zijn zeven jaren, en de zeven lelijke koeien en de zeven lelijke aren zijn zeven jaren; het is één droom. Brontekst: שבע (sheva) = zeven | הפרות (happarot) = de koeien | ושבע (veshev'a) = en zeven | השיבולים (hashibbolim) = de aren | הטובות (hattovot) = de mooie | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren | הנה (hinneh) = zijn | ושבע (veshev'a) = en zeven | הפרות (happarot) = de koeien | ושבע (veshev'a) = en zeven | השיבולים (hashibbolim) = de aren | הרעות (hara'ot) = de lelijke | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren | הנה (hinneh) = zijn | חלום (chalom) = een droom | אחד (echad) = één | הוא (hu) = hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:26 (de zeven koeien en aren zijn zeven jaren). Zie ook: Gen 41:26 **48:55** Zie, zeven jaren komen, een grote overvloed in heel het land. En daarna zullen zeven jaren van honger komen, achter hen, een zeer zware honger, en heel die overvloed zal uit het land vergeten worden, en de honger zal alle bewoners van het land verteren. Eén droom heeft de koning gedroomd. Brontekst: הנה (hinneh) = zie | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren | באות (ba'ot) = komen | שבע (sheva) = overvloed | גדול (gadol) = grote | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | יבואו (yavo'u) = zullen komen | שבע (sheva) = zeven | שני (shenei) = jaren van | רעב (ra'av) = honger | אחריהן (acharehen) = achter hen | רעב (ra'av) = honger | כבד (kaved) = zwaar | מאוד (me'od) = zeer | ונשכח (venishkach) = en zal vergeten worden | כל (kol) = alle | השבע (hasava') = de overvloed | ההוא (hahu) = die | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = het land | וכלה (vekhalah) = en zal verteren | הרעב (hara'av) = de honger | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | חלום (chalom) = een droom | אחד (echad) = één | חלם (chalam) = droomde | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:29–31 (zeven jaren van overvloed, daarna zeven jaren van honger). Zie ook: Gen 41:29–31 **48:56** En dat de droom herhaald werd bij de koning, is omdat de zaak volkomen vaststaat en Elohim zich haast om haar te doen. Brontekst: ועל (ve'al) = en wat betreft | השנות (hishshanot) = het herhalen van | החלום (hachalom) = de droom | אל (el) = aan | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = omdat | נכון (nakhon) = vaststaand | הדבר (haddavar) = de zaak | מאוד (me'od) = zeer | וממהר (umemaher) = en haast zich | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | לעשותו (la'asoto) = om het te doen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:32 (dat de droom tweemaal kwam, is omdat de zaak bij Elohim vaststaat). Zie ook: Gen 41:32 ### Jozefs raad **48:57** En nu, laat mij je een raad geven en red je ziel en de ziel van de bewoners van het land van het kwaad van de honger: zoek in heel je koninkrijk een verstandig en zeer wijs man, die alle zaken van het koningschap kent, en stel hem aan om uit te gaan en in te gaan over heel het land Egypte. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | איעצך (ye'atskha) = laat mij je raden | נא (na) = toch | עצה (etsah) = een raad | ומלט (umallet) = en red | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשך (nafshekha) = je ziel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נפש (nefesh) = ziel van | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | מרעת (mera'at) = van het kwaad van | הרעב (hara'av) = de honger | אשר (asher) = dat | תבקש (tevaqesh) = je zoekt | בכל (bekhol) = in heel | מלכותיך (malkhuyotekha) = je koninkrijk | איש (ish) = een man | נבון (navon) = verstandig | וחכם (vechakham) = en wijs | מאוד (me'od) = zeer | אשר (asher) = die | ידע (yada) = kent | בכל (bekhol) = in heel | דברי (divrei) = zaken van | המלוכה (hammelukhah) = het koningschap | ותשיתהו (vetesitehu) = en stel hem aan | לצאת (latset) = uit te gaan | ולבוא (ulavo) = en in te gaan | על (al) = op | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:33–36 (een verstandig en wijs man aanstellen; opzichters; het graan bewaren). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:33–36 **48:58** En laat die man, die je over Egypte aanstelt, opzichters aanstellen onder zijn hand, en laten zij al het voedsel van de goede jaren die komen verzamelen, en laten zij graan opstapelen en het leggen in de voorraadschuren van je opzichters. Brontekst: ויפקוד (vayifqod) = en laat aanstellen | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = die | תשית (tashit) = je aanstelt | על (al) = op | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | פקידים (peqidim) = opzichters | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | ויקבצו (vayiqbetsu) = en laten zij verzamelen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אוכל (ukhal) = het voedsel van | השנים (hashnayim) = de jaren | הטובות (hattovot) = de goede | הבאות (habbaot) = die komen | ויצברו (veyitsberu) = en laten zij opstapelen | בר (bar) = graan | וישימוהו (veyasimuhu) = en het leggen | באוצרות (ba'otsarot) = in de voorraadschuren | פקידיך (peqideykha) = je opzichters Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **48:59** En laten zij dat voedsel bewaren voor de zeven jaren van honger, zodat het gevonden wordt voor jou en je mannen en heel je land, en je niet uitgeroeid wordt, jij en heel je land, door de honger. Brontekst: ושמרו (veshameru) = en laten zij bewaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | האוכל (ha'okhel) = het voedsel | ההוא (hahu) = die | לשבע (lesheva) = voor de zeven | שני (shenei) = jaren van | הרעב (hara'av) = de honger | וימצא (vayimtsa) = zodat het gevonden wordt | לך (lekha) = aan jou | ולאנשיך (ule'anashekha) = en aan je mannen | ולכל (ulkhol) = en voor al | ארצך (artsekha) = je land | ולא (velo) = en niet | תכרת (tikkaret) = uitgeroeid wordt | אתה (attah) = jij | וכל (vekhol) = en alle | ארצך (artsekha) = je land | ברעב (bara'av) = door de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:60** En laat ook alle bewoners van je land bevel krijgen, en laten zij ieder verzamelen van de opbrengst van zijn veld, van allerlei voedsel van de zeven goede jaren, en het leggen in hun voorraadschuren, zodat het voor hen gevonden wordt in de dagen van de honger en zij ervan leven. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארצך (artsekha) = je land | יצוה (yetsavveh) = laat bevelen | ויקבצו (vayiqbetsu) = en laten zij verzamelen | איש (ish) = ieder | איש (ish) = ieder | מתבואת (mitevu'at) = van de opbrengst van | שדהו (sadehu) = zijn veld | מכל (mikkol) = van allerlei | אוכל (ukhal) = voedsel | שבע (sheva) = de zeven | השנים (hashnayim) = jaren | הטובות (hattovot) = de goede | ונתנו (venatnu) = en leggen | באוצרותיהם (be'otserotehem) = in hun voorraadschuren | וימצא (vayimtsa) = zodat het gevonden wordt | להם (lahem) = hun | בימי (bimei) = in de dagen van | הרעב (hara'av) = de honger | וחיו (vechayu) = en zij zullen leven | בו (bo) = ervan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:61** Dit is de uitleg van je droom, juist, en dit is de raad die gegeven is om je ziel en de ziel van al je dienaren te redden.” Brontekst: זה (ze) = dit | פתרון (pitron) = de uitleg van | חלומך (chalomekha) = je droom | על (al) = op | נכונה (nekhonah) = juist | וזאת (vezot) = en dit is | העצה (ha'etsah) = de raad | היעוצה (hayeutsa) = die gegeven is | למלט (lemallet) = om te redden | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשך (nafshekha) = je ziel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נפש (nefesh) = ziel van | כל (kol) = alle | עבדיך (avadekha) = je dienaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het teken **48:62** De koning antwoordde Jozef: „Wie zegt en wie weet dat je woorden juist zijn?” Jozef zei tegen de koning: „Dit is voor je een teken over al mijn woorden, dat zij juist zijn en dat mijn raad goed voor je is. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | מי (mi) = wie | יאמר (yomar) = zegt | ומי (umei) = en wie | יודע (yode'a) = weet | כי (ki) = dat | דבריך (devarekha) = je woorden | נכונה (nekhonah) = juist | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | זה (ze) = dit | לך (lekha) = aan jou | אות (avvat) = een teken | על (al) = over | כל (kol) = alle | דבריי (devarai) = mijn woorden | כי (ki) = want | נכונים (nekhonim) = juist | הם (hem) = zij | וכי (vekhi) = en dat | עצתי (atsati) = mijn raad | טובה (tovah) = goed is | לך (lekha) = aan jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:63** Zie, je vrouw zit vandaag op de baarstoel en zal je een zoon baren, en je zult je in hem verheugen. En wanneer het kind uit de schoot van zijn moeder komt, zal je eerstgeboren zoon sterven, die twee jaar geleden geboren is, en je zult getroost worden door het kind dat je vandaag geboren wordt.” Brontekst: הנה (hinneh) = zie | אישתך (ishtekha) = je vrouw | יושבת (yoshevet) = zit | על (al) = op | המשבר (hammashber) = de baarstoel | ביום (beyom) = op de dag | הזה (hazzeh) = deze | וילדה (veyaldah) = en zij zal baren | לך (lekha) = aan jou | בן (ben) = een zoon | ושמחת (vesamachta) = en je zult je verheugen | בו (bo) = in hem | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בצאת (betset) = bij het uitgaan van | הילד (hayeled) = het kind | ממעי (mimme'ei) = uit de schoot van | אמו (immo) = zijn moeder | ומת (umet) = zal sterven | בנך (bincha) = je zoon | בכורך (bekhorekha) = je eerstgeborene | אשר (asher) = die | נולד (nolad) = geboren is | לך (lekha) = aan jou | זה (ze) = sinds | שנתיים (shenatayim) = twee jaar | ימים (yamim) = volle | ונחמת (venichamta) = en je zult getroost worden | בילד (bayeled) = door het kind | שיולד (sheyivvaled) = dat geboren zal worden | לך (lekha) = aan jou | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dit teken, de geboorte en de dood van de zonen van de farao, staat niet in Genesis. **48:64** Jozef eindigde met het spreken van al deze woorden tot de koning, en hij boog zich neer voor de koning en ging uit. Toen Jozef van het aangezicht van de koning uitging, kwamen de tekenen uit die Jozef tot de koning had gesproken, op die dag. Brontekst: ויכל (vayekhal) = en hij hield op | יוסף (Yosef) = Jozef | לדבר (laddavar) = om te spreken | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | וישתחו (vayishtachu) = en boog zich neer | למלך (lammelekh) = bij de koning | ויצא (vayetse) = en ging uit | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כצאת (khetset) = toen hij uitging | יוסף (Yosef) = Jozef | מאת (me'et) = van | פני (pnei) = aangezicht van | המלך (hammelekh) = de koning | ותבואנה (vetavo'nah) = en kwamen uit | האותות (ha'otot) = de tekenen | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:65** De koningin beviel op die dag van een zoon, en de koning kreeg bericht over zijn zoon en verheugde zich. Toen de bode van het aangezicht van de koning was uitgegaan, vonden de dienaren van de koning de eerstgeboren zoon van de koning gevallen op de grond, dood. Brontekst: ותלד (vatteled) = en zij beviel | המלכה (hammalkah) = de koningin | בן (ben) = een zoon | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויתבשר (vayitbasher) = en kreeg bericht | המלך (hammelekh) = de koning | בבנו (bevno) = over zijn zoon | וישמח (vayismach) = en hij verheugde zich | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאת (betset) = bij het uitgaan van | המבשר (hamevasser) = de bode | מאת (me'et) = van | פני (pnei) = aangezicht van | המלך (hammelekh) = de koning | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | בן (ben) = zoon van | המלך (hammelekh) = de koning | הבכור (habbekhor) = de eerstgeborene | נופל (nofel) = gevallen | ארצה (artsah) = op de grond | מת (met) = dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **48:66** Er was een geschreeuw en verwarring in het huis van de koning, en de koning hoorde het en zei: „Wat is de verwarring en het geschreeuw dat ik in het huis heb gehoord?” Zij vertelden de koning dat zijn zoon, zijn eerstgeborene, gestorven was. Toen wist de koning dat alle woorden van Jozef, die hij tot hem had gesproken, juist waren, en de koning werd getroost over zijn zoon door het kind dat hem op die dag geboren was, zoals Jozef tot hem had gesproken. Brontekst: ותהי (vatehi) = en er was | צעקה (tse'aqah) = geschreeuw | ומהומה (umehumah) = en verwarring | בבית (babbayit) = in huis | המלך (hammelekh) = de koning | וישמע (vayishma) = en hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | מה (mah) = wat | המהומה (hamehumah) = de verwarring | והצעקה (vehatse'aqah) = en het geschreeuw | אשר (asher) = die | שמעתי (shamati) = ik heb gehoord | בבית (babbayit) = in huis | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | למלך (lammelekh) = de koning | כי (ki) = dat | מת (met) = stierf | בנו (beno) = zijn zoon | בכורו (bekhoro) = zijn eerstgeborene | אז (az) = toen | ידע (yada) = wist | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = dat | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | יוסף (Yosef) = Jozef | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | אליו (elav) = tegen hem | נכונה (nekhonah) = juist | וינחם (vayyinnachem) = en werd getroost | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = over | בנו (beno) = zijn zoon | בילד (bayeled) = door het kind | היולד (hayyullad) = dat geboren werd | לו (lo) = voor hem | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | אליו (elav) = tegen hem | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 49 _Jozef tweede man van Egypte_ ### De koning raadpleegt zijn vorsten **49:1** Na deze dingen liet de koning al zijn vorsten en dienaren en alle landvoogden en edelen bijeenroepen, en zij kwamen allen voor de koning. Brontekst: אחר (acher) = na | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | ישלח (yishlach) = zond | המלך (hammelekh) = de koning | ויקבוץ (vayiqbots) = en verzamelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | שריו (saraiv) = zijn vorsten | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | וכל (vekhol) = en alle | הפחות (happachot) = de landvoogden | והפרתמים (vehaparetemim) = en de edelen | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = van de koning | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:37 (het woord was goed in de ogen van de farao en al zijn dienaren). Zie ook: Gen 41:37 **49:2** De koning zei tegen hen: „Zie, jullie hebben gezien en gehoord alle woorden van die Hebreeuwse man en alle tekenen waarvan hij zei dat ze zouden komen, en niets van al zijn woorden dat hij sprak is op de grond gevallen. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | המלך (hammelekh) = de koning | הנה (hinneh) = zie | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | ושמעתם (ushema'tem) = en jullie hebben gehoord | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | האיש (ha'ish) = de man | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | וכל (vekhol) = en alle | האותות (ha'otot) = de tekenen | אשר (asher) = die | אמר (amar) = zei | כי (ki) = dat | באו (ba'u) = kwamen | ולא (velo) = en niet | נפל (nafal) = is gevallen | מכל (mikkol) = van al | דבריו (devarav) = zijn woorden | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | ארצה (artsah) = op de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:3** Ik weet dat ook de uitleg van de droom die hij heeft uitgelegd juist is en zeker zal komen. Geef nu toch raad en bedenk wat jullie zullen doen en hoe het land van de honger gered zal worden. Brontekst: ידעתי (yada'ti) = ik weet | כי (ki) = want | גם (gam) = ook | פתרון (pitron) = de uitleg van | החלום (hachalom) = de droom | אשר (asher) = die | פתר (patar) = heeft uitgelegd | נכונה (nekhonah) = juist | הוא (hu) = het is | ובא (uva) = en komen | יבוא (yavo) = zal het komen | ועתה (ve'attah) = en nu | עוצו (utsu) = geeft raad | נא (na) = toch | עצה (etsah) = een raad | ודעו (veda'u) = en weet | מה (mah) = wat | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | ואיך (ve'ekh) = en hoe | תימלט (timmalet) = gered zal worden | הארץ (ha'arets) = het land | מהרעב (meharaav) = van de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ידעתי כי גם פתרון החלום (‘ik weet dat ook de uitleg van de droom’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘You know that he has given a proper interpretation’. **49:4** Zoek toch en zie of er iemand zoals hij te vinden is, iemand in wiens hart wijsheid en kennis is; dan stel ik hem aan over het land. Brontekst: בקשו (baqshu) = zoek | נא (na) = toch | וראו (ure'u) = en zie | הנמצא (hanimtsa) = is er te vinden | כזה (kazeh) = zoals hij | אשר (asher) = die | חכמה (chokhmah) = wijsheid | ודעת (vada'at) = en kennis | בלבו (belibbo) = in zijn hart | ואפקידהו (ve'afqidehu) = dan stel ik hem aan | בארץ (ba'arets) = over het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:5** Want jullie hebben de raad gehoord die de Hebreeuwse man hierover heeft gegeven om het land daarmee van de honger te redden. En ik weet dat het land niet van de honger gered zal worden dan door de raad van de Hebreeuwse man, die mij heeft geraden.” Brontekst: כי (ki) = want | אתם (ittam) = jullie | שמעתם (shema'tem) = jullie hebben gehoord | את (et) = (lijdend voorwerp) | העצה (ha'etsah) = de raad | אשר (asher) = die | יעץ (ya'ats) = raadde | האיש (ha'ish) = de man | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | על (al) = over | זאת (zot) = deze | למלט (lemallet) = om te redden | בה (bah) = daarmee | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | מהרעב (meharaav) = van de honger | ואני (va'ani) = en ik | ידעתי (yada'ti) = ik weet | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | תימלט (timmalet) = gered zal worden | הארץ (ha'arets) = het land | מהרעב (meharaav) = van de honger | כי (ki) = behalve | אם (em) = door | בעצת (be'atsat) = de raad van | האיש (ha'ish) = de man | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | אשר (asher) = die | יעץ (ya'ats) = raadde | אותי (oti) = mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:6** Allen antwoordden de koning en zeiden: „Goed is de raad die de Hebreeër hierover heeft gegeven. En nu, mijn heer de koning, zie, heel je land is in je hand; doe wat goed is in je ogen. Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | טובה (tovah) = goed is | העצה (ha'etsah) = de raad | אשר (asher) = die | יעץ (ya'ats) = heeft geraden | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | על (al) = over | זה (ze) = dit | ועתה (ve'attah) = en nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | הנה (hinneh) = zie | כל (kol) = alle | ארצך (artsekha) = je land | בידך (beyadekha) = in je hand | את (et) = — | אשר (asher) = die | ייטב (yetav) = goed is | בעיניך (be'einekha) = in je ogen | עשה (asah) = doe Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:7** Wie je verkiest en wie je in je wijsheid kent als wijs om het land met zijn wijsheid te redden, hem moge de koning onder zijn hand over het land aanstellen.” Brontekst: את (et) = — | אשר (asher) = degene die | תחפוץ (techpots) = je verkiest | ואשר (va'asher) = en die | תדע (teda) = je weet | בחכמתך (bechokhmatekha) = in je wijsheid | אשר (asher) = dat | הוא (hu) = hij | חכם (chakham) = wijs is | למלט (lemallet) = om te redden | את (et) = — | הארץ (ha'arets) = het land | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | הוא (hu) = hem | אשר (asher) = die | יפקיד (yafqid) = moge aanstellen | המלך (hammelekh) = de koning | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | על (al) = over | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:8** De koning zei tegen alle vorsten: „Ik heb gedacht, nadat Elohim de Hebreeuwse man alles heeft laten weten wat hij heeft gesproken, dat niemand zo verstandig en wijs is als hij in heel het land. Als het goed is in jullie ogen, zal ik hem over het land stellen, want hij zal het land redden met al zijn wijsheid.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | השרים (hasarim) = de vorsten | אני (ani) = ik | אמרתי (imrati) = heb ik gedacht | אחרי (acharei) = nadat | אשר (asher) = die | הודיע (hodia') = bekend heeft gemaakt | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | אין (ein) = niemand is | נבון (navon) = verstandig | וחכם (vechakham) = en wijs | כמוהו (kamohu) = zoals hij | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | אם (em) = als | טוב (tov) = goed is | בעיניכם (be'eineikhem) = in jullie ogen | אשיתהו (asitehu) = zal ik hem stellen | על (al) = over | הארץ (ha'arets) = het land | כי (ki) = want | הוא (hu) = hij | אשר (asher) = die | ימלט (yemallet) = zal redden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | בכל (bekhol) = in heel | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:38–39 (‘is er een man zoals hij’; ‘Elohim heeft u dit alles laten weten, niemand is zo verstandig en wijs’). Zie ook: Gen 41:38–39 ### De wet van Egypte **49:9** Alle vorsten antwoordden de koning en zeiden: „Maar is het niet geschreven in de wetten van Egypte, en het mag niet overtreden worden, dat niemand in Egypte zal regeren, noch tweede zijn na de koning, behalve wie alle talen van de mensenkinderen kent? Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | כל (kol) = alle | השרים (hasarim) = de vorsten | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | והלא (vehalo) = maar is het niet | כתוב (katuv) = geschreven | בדתי (bedatei) = in de wetten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ולא (velo) = en het | יעבור (ya'avor) = mag niet overtreden worden | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niemand | ימלוך (yimlokh) = zal regeren | איש (ish) = — | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ולא (velo) = noch | משנה (mishneh) = tweede | למלך (lammelekh) = na de koning | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | היודע (hayode'a) = die kent | בכל (bekhol) = in heel | לשון (lashon) = alle talen | בני (bnei) = zonen van | האדם (ha'adam) = de mens Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Deze wet, dat alleen wie alle talen kent over Egypte kan regeren, staat niet in Genesis. **49:10** En nu, mijn heer de koning, zie, die Hebreeuwse man spreekt slechts de Hebreeuwse taal, en hoe zal hij over ons de tweede zijn, een man die zelfs onze taal niet kent? Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | הנה (hinneh) = zie | האיש (ha'ish) = de man | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | זה (ze) = dit | לא (lo) = niet | ידבר (yedabber) = spreekt | כי (ki) = dan | אם (em) = — | לשון (lashon) = de taal | עברית (ivriyyah) = Hebreeuws | ואיך (ve'ekh) = en hoe | יהיה (yihyeh) = zal hij zijn | עלינו (aleinu) = over ons | למשנה (lemishneh) = als tweede | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ישע (yisha') = kent | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | לשוננו (leshonenu) = onze taal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:11** Maar zend toch naar hem, dat hij voor je komt, en laten wij hem beproeven in alles; en doe dan wat je goeddunkt.” Brontekst: אך (akh) = maar | שלח (Shelach) = zend | נא (na) = toch | אליו (elav) = naar hem | ויבוא (vayavo) = dat hij komt | לפניך (lefanekha) = voor je | ונסה (venasseh) = en laten wij beproeven | נא (na) = toch | אותו (oto) = hem | בכל (bekhol) = in alles | דבר (davar) = — | וכאשר (vekha'asher) = en zoals | תראה (tir'eh) = je zult zien | תעשה (ta'aseh) = doe Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:12** De koning zei: „Laat het zo morgen gedaan worden, en goed is het woord dat jullie hebben gesproken.” Alle vorsten gingen op die dag van voor de koning weg. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | להעשות (le'asot) = laat het gedaan worden | כן (ken) = zo | למחר (lemacharat) = morgen | וטוב (vetov) = en goed is | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | דיברתם (dibbartem) = jullie hebben gesproken | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כל (kol) = alle | השרים (hasarim) = de vorsten | מלפני (millifnei) = van voor | המלך (hammelekh) = de koning | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De engel van Yahweh **49:13** In die nacht zond Yahweh een engel uit Zijn dienende engelen voor Hem, en hij kwam in het land Egypte naar Jozef. De engel van Yahweh stond boven Jozef, en zie, Jozef lag op zijn leger in de nacht in het huis van zijn heer, in de put, want zijn heer had hem om zijn vrouw in de put teruggezet. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | וישלח (vayishlach) = zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מלאך (mal'akh) = engel van | אחד (echad) = één | ממלאכיו (mimal'akhav) = van zijn engelen | המשרתים (hamesharetim) = die dienen | לפניו (lefanav) = voor hem | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | ארץ (erets) = het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אל (el) = naar | יוסף (Yosef) = Jozef | ויעמוד (vaya'amod) = en stond | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = boven | יוסף (Yosef) = Jozef | והנה (vehinneh) = en zie | יוסף (Yosef) = Jozef | שוכב (shokhev) = lag | במשכב (bemishkav) = op zijn legerstede | הלילה (hallaylah) = de nacht | בבית (babbayit) = in het huis van | אדוניו (adonav) = zijn heer | בבור (babor) = in de put | כי (ki) = want | השיבהו (heshivahu) = had hem teruggezet | אדוניו (adonav) = zijn heer | אל (el) = tot | הבור (habor) = de put | מפני (mippenei) = vanwege | אישתו (ishto) = zijn vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מלאך (‘engel’) staat er. Dat een engel Jozef in de gevangenis de talen leert, staat niet in Genesis. Zie Ps. 81:6, waar de naam Jehosef voorkomt. Zie ook: Gen 41:37; Ps 81:7 **49:14** De engel wekte hem uit zijn slaap, en Jozef stond op en stond op zijn voeten, en zie, de engel van Yahweh stond tegenover hem. De engel van Yahweh sprak met Jozef en leerde hem in die nacht alle talen van de mensen, en hij noemde zijn naam Jehosef. Brontekst: ויעירהו (vaya'irehu) = wekte hem | המלאך (hammal'akh) = de engel | משנתו (mishnato) = uit zijn slaap | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יוסף (Yosef) = Jozef | ויעמוד (vaya'amod) = en stond | על (al) = op | רגליו (raglav) = zijn voeten | והנה (vehinneh) = en zie | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עומד (omed) = stond | לנגדו (lenegdo) = tegenover hem | וידבר (vayedabber) = sprak met | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | וילמדהו (vayelammedehu) = en leerde hem | כל (kol) = alle | לשון (lashon) = taal | האדם (ha'adam) = de mensen | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | ויקרא (vayikra) = en noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | יהוסף (yehosef) = Jehosef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ps. 81:6 (‘als getuigenis stelde Hij het in Jehosef’; de naam Jehosef met de extra letter). Zie ook: Ps 81:7 **49:15** De engel van Yahweh ging van hem weg, en Jozef keerde terug en lag op zijn leger, en Jozef verbaasde zich over het visioen dat hij had gezien. Brontekst: וילך (vayelekh) = en ging | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מאתו (me'ito) = van hem | ויוסף (vayosef) = en Jozef | שב (shav) = keerde terug | וישכב (vayishkav) = en lag | במשכבו (bemishkavo) = op zijn legerstede | ויתמה (vayitmah) = en verbaasde zich | יוסף (Yosef) = Jozef | על (al) = over | המראה (hammar'eh) = het gezicht | אשר (asher) = die | ראה (ra'ah) = zag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jozef voor de koning **49:16** In de morgen zond de koning naar zijn vorsten en dienaren, en zij kwamen allen en zaten voor de koning. De koning beval Jozef te brengen, en de dienaren van de koning gingen en brachten Jozef voor de farao. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | וישלח (vayishlach) = zond | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = naar | שריו (saraiv) = zijn vorsten | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | וישבו (vayeshvu) = en zaten | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויצו (vayetsav) = en beval | המלך (hammelekh) = de koning | להביא (lehavi) = te brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | עבדי (avdei) = dienaren van | המלך (hammelekh) = de koning | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | לפני (lifnei) = voor | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:17** De koning beval, en Jozef ging op de treden van de troon op, en Jozef sprak tot de koning in alle talen. Jozef ging omhoog en sprak met de koning, totdat hij bij de koning kwam op de zeventigste trede, en hij ging zitten voor de koning. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij beval | המלך (hammelekh) = de koning | ויעל (vayya'al) = en hij ging op | יוסף (Yosef) = Jozef | על (al) = op | מעלות (ma'alot) = de treden van | הכיסא (hakkisse) = de troon | וידבר (vayedabber) = en sprak | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | בכל (bekhol) = in alle | הלשונות (halleshonot) = de talen | ויעל (vayya'al) = en ging op | יוסף (Yosef) = Jozef | עלה (alah) = omhoog | ודיבר (vediber) = en sprak | אך (akh) = met | המלך (hammelekh) = de koning | עד (ad) = tot | הגעתו (hagi'ato) = zijn aankomst | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | במעלת (bema'alat) = op de trede van | השבעים (hashiv'im) = de zeventigste | וישב (vayyashev) = en hij ging zitten | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ודיבר אך המלך (‘en hij sprak maar de koning’) staat er; אך is gelezen als את, ‘met’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘and spoke unto the king’). **49:18** De koning verheugde zich zeer over Jozef, en alle vorsten van de koning waren zeer verheugd met de koning toen zij alle woorden van Jozef hoorden. Brontekst: וישמח (vayismach) = verheugde zich | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = over | יוסף (Yosef) = Jozef | מאוד (me'od) = zeer | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = bij de koning | שמחו (samechu) = waren verheugd | מאוד (me'od) = zeer | עם (im) = met | המלך (hammelekh) = de koning | בשמעם (beshom'am) = toen zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:19** Het woord was goed in de ogen van de koning en de vorsten, om Jozef aan te stellen als tweede na de koning over heel het land Egypte. De koning sprak tot Jozef: „Jij hebt mij een raad gegeven om in heel het land Egypte een wijs man aan te stellen om met zijn wijsheid het land van de honger te redden. Brontekst: וייטב (vayyitav) = en het was goed | הדבר (haddavar) = de zaak | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | להפקיד (lehafqid) = om aan te stellen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | למשנה (lemishneh) = tot tweede | למלך (lammelekh) = na de koning | על (al) = over | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וידבר (vayedabber) = en sprak | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | אתה (attah) = jij | יעצת (ya'atsta) = je hebt geraden | לי (li) = voor mij | עצה (etsah) = een raad | להפקיד (lehafqid) = aan te stellen | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | איש (ish) = een man | חכם (chakham) = wijs | למלט (lemallet) = om te redden | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | מהרעב (meharaav) = van de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **49:20** En nu, nadat Elohim jou dit alles heeft laten weten en alle woorden die je hebt gesproken, is er niemand zo wijs en verstandig als jij in heel het land. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אחרי (acharei) = nadat | הודיע (hodia') = heeft laten weten | אותך (otekha) = jou | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | זאת (zot) = deze | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | אשר (asher) = die | דיברת (dibbarta) = je hebt gesproken | אין (ein) = er is geen | חכם (chakham) = wijs | ונבון (venavon) = en verstandig | כמוך (kamokha) = zoals jij | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Safnat-Paänea **49:21** Je naam zal niet meer Jozef genoemd worden, maar Safnat-Paänea zal je naam zijn. Jij zult mijn tweede zijn, en naar je woord zullen al de zaken van mijn koninkrijk zijn, en op je woord zullen zij uitgaan en ingaan met mijn volk. Brontekst: ולא (velo) = en niet | יקרא (yikkare) = zal genoemd worden | שמך (shemekha) = je naam | עוד (od) = meer | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = maar | אם (em) = — | צפנת (tsafnat) = Safnat- | פענח (pa'neach) = Paänea | יהיה (yihyeh) = zal zijn | שמך (shemekha) = je naam | אתה (attah) = jij | תהיה (tihyeh) = zult zijn | לי (li) = voor mij | למשנה (lemishneh) = als tweede | ועל (ve'al) = en naar | פיך (pikha) = je mond | יהיו (yihyu) = zullen zijn | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = de zaken van | מלכותי (malkhuti) = mijn koninkrijk | ועל (ve'al) = en op | דבריך (devarekha) = je woord | יצאו (yatse'u) = zullen uitgaan | ויבואו (vayavo'u) = en ingaan | עמי (immi) = mijn volk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:40–44 en Gen. 41:45 (de naam Safnat-Paänea). Zie ook: Gen 41:40–44; Gen 41:45 **49:22** Ook van onder je hand zullen mijn dienaren en mijn vorsten hun deel nemen dat hun elke maand in zijn maand gegeven wordt, en voor jou zullen alle mensen van het land zich neerbuigen; alleen in de troon die van mij is, zal ik groter zijn dan jij.” Brontekst: גם (gam) = ook | מתחת (mittachat) = van onder | ידך (yadekha) = je hand | יקחו (yiqchu) = zullen nemen | עבדיי (avadai) = mijn dienaren | ושריי (vesarai) = en mijn vorsten | את (et) = (lijdend voorwerp) | חוקם (chuqqam) = hun deel | אשר (asher) = die | ינתן (yinnaten) = gegeven wordt | להם (lahem) = hun | מדי (Madai) = elke | חודש (chodesh) = maand | בחודשו (bechodsho) = in zijn maand | ולך (ulekha) = en voor jou | ישתחוו (yishtachavu) = zullen zich buigen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | הארץ (ha'arets) = het land | רק (raq) = alleen | בכיסא (bakissé) = in de troon | אשר (asher) = die | לי (li) = van mij is | אגדל (egdal) = zal ik groter zijn | ממך (mimmekha) = dan jij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De optocht **49:23** De koning nam zijn ring van zijn hand en deed hem aan de hand van Jozef. De koning kleedde Jozef in een koninklijk gewaad, zette een gouden kroon op zijn hoofd en legde een gouden keten om zijn hals. Brontekst: ויסר (vayyaser) = en nam af | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | טבעתו (tabba'to) = zijn ring | מעל (me'al) = van | ידו (yado) = zijn hand | ויתן (vayitten) = en deed | אותה (otah) = hem | על (al) = aan | יד (yad) = hand van | יוסף (Yosef) = Jozef | וילבש (vayilbash) = en kleedde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | לבוש (levush) = in een gewaad van | מלכות (malkhut) = koninklijk | ויתן (vayitten) = en zette | עטרת ('atarat) = een kroon van | זהב (zahav) = goud | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | וישם (vayasem) = en legde | רביד (ravid) = een keten van | זהב (zahav) = goud | על (al) = op | צווארו (tsavvaro) = zijn hals Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:42 (de ring, fijn linnen en de gouden keten). Zie ook: Gen 41:42 **49:24** De koning beval zijn dienaren, en zij lieten Jozef rijden in de tweede wagen van de koning, die tegenover de wagen van de koning ging, en zij lieten hem rijden op een machtig en zeer groot paard van de paarden van de koning, en leidden hem over de pleinen van heel het land Egypte. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | וירכיבו (vayarkivu) = en zij lieten rijden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | במרכבת (bemerkevet) = in de wagen | השנית (hashenit) = de tweede | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = van de koning | ההולכת (hahollekhet) = die ging | ממול (mimul) = tegenover | מרכבת (merkevet) = wagen van | המלך (hammelekh) = de koning | וירכיבוהו (vayarkivuhu) = en zij lieten hem rijden | על (al) = op | סוס (sus) = paard | עצום (atsum) = machtig | וגדול (vegadol) = en groot | מאוד (me'od) = zeer | מסוסי (missusei) = van de paarden van | המלך (hammelekh) = de koning | ויוליכוהו (vayolikhuhu) = en leidden hem | ברחוב (barechov) = over de pleinen van | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:43 (hij liet hem rijden in zijn tweede wagen). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:43 **49:25** De koning beval, en allen die speelden gingen met Jozef uit, op cimbalen en citers en alle muziekinstrumenten. Ook duizend tamboerijnen en duizend reidansen gingen achter hem aan. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en beval | המלך (hammelekh) = de koning | ויצאו (vayyetse'u) = dat zij zouden uitgaan | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | כל (kol) = alle | המשחקים (hamesachaqim) = allen die speelden | במצלצלים (bemtsiltsalim) = op cimbalen | ובכינורות (uvakhinnorot) = en op citers | וכל (vekhol) = en alle | כלי (keli) = instrumenten van | זמר (zimmer) = muziek | ואלף (ve'elef) = en duizend | תופים (tuppim) = tamboerijnen | ואלף (ve'elef) = en duizend | מחולות (mecholot) = reidansen | גם (gam) = ook | הלכו (halekhu) = gingen | אחריו (acharav) = achter hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:26** En vijfduizend man met hun getrokken zwaarden in hun handen, blinkend, gingen al spelend voor Jozef uit, en twintigduizend man van de groten van de koning, omgord met een gordel van met goud bedekt leer, liepen aan de rechterzijde van Jozef, en twintigduizend aan zijn linkerzijde. Alle vrouwen en meisjes klommen op de daken en stonden op de pleinen, spelend en verheugd om Jozef, en zij keken naar de gestalte van Jozef en naar zijn schoonheid. Brontekst: וחמשת (vachamishshat) = en vijf | אלפי (alfei) = duizend | איש (ish) = man | בחרבותיהם (bacharvotam) = met hun zwaarden | שלופות (shelufot) = getrokken | בידיהם (beyadehem) = in hun handen | מתלהטים (mitlahatim) = blinkend | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | הלוך (halokh) = al | ושחק (veshachaq) = spelend | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = man | מגדולי (migdolei) = van de groten van | המלך (hammelekh) = de koning | אזורים (azurim) = omgord | באזור (be'azor) = met een gordel van | עור ('or) = leer | מצופה (metsuppeh) = bedekt met | זהב (zahav) = goud | הולכים (holekhim) = liepen | לימין (leyamin) = aan de rechterzijde van | יוסף (Yosef) = Jozef | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | אלף (elef) = duizend | לשמאלו (lismolo) = aan zijn linkerzijde | וכל (vekhol) = en alle | הנשים (hannashim) = de vrouwen | והנערות (vehanna'arot) = en de meisjes | עלו (alu) = klommen | על (al) = op | הגגות (haggagot) = de daken | ותצבנה (vatitsavnah) = en zij stonden | ברחובות (barechovot) = op de pleinen | משחקות (mesachaqot) = spelend | ושמחות (vesemechot) = en verheugd | ביוסף (beyosef) = om Jozef | ותראינה (vatir'enah) = en keken | בתואר (bethoar) = naar de gestalte van | יוסף (Yosef) = Jozef | וביופיו (uvyofyo) = en naar zijn schoonheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:27** En de mannen van de koning liepen voor hem en achter hem en bewierookten de hele weg met wierook en kassia en met alle goede geur, en zij strooiden over de hele weg mirre en aloë voor Jozef. Twintig man riepen voor hem in heel het land met luide stem, al lopend en roepend, deze woorden: Brontekst: ועל (ve'al) = en | אנשי (anshei) = mensen van | המלך (hammelekh) = de koning | הולכים (holekhim) = liepen | לפניו (lefanav) = voor hem | ולאחריו (ule'achorav) = en achter hem | ומקטרים (umqatterim) = en rookten | בכל (bekhol) = in heel | הדרך (haderekh) = de weg | בלבונה (bilvonah) = met wierook | ובקדה (uvqiddah) = en met kassia | ובכל (uvkhol) = en met alle | הריח (hareach) = de geur | הטוב (hattov) = goede | ומפזרים (umfazrim) = en strooiden | בכל (bekhol) = in heel | הדרך (haderekh) = de weg | מור (mor) = mirre | ואהלות (ve'ahalot) = en aloë | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | איש (ish) = een man | קוראים (qore'im) = roepend | לפניו (lefanav) = voor hem | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | הלוך (halokh) = al | וקרוא (vequro) = en roepend | כדברים (kadevarim) = zoals woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:28** „Hebben jullie deze man gezien die de koning heeft gekozen als tweede? Alle zaken van het koningschap zullen naar zijn mond zijn. En wie zich tegen zijn woord verzet en wie zich niet ter aarde voor hem buigt, zal gedood worden, want hij is opstandig tegen de koning en zijn tweede.” Brontekst: הראיתם (hare'item) = hebben jullie gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | בחר (bachar) = heeft gekozen | בו (bo) = hem | המלך (hammelekh) = de koning | למשה (lemisneh) = tot tweede | וכל (vekhol) = en alle | דברי (divrei) = zaken van | המלוכה (hammelukhah) = het koningschap | על (al) = naar | פיו (pihu) = zijn mond | יהיו (yihyu) = zullen zijn | ואשר (va'asher) = en wie | ימרה (yamreh) = weerspant | את (et) = (lijdend voorwerp) | פיו (pihu) = zijn mond | ואשר (va'asher) = en wie | לא (lo) = niet | ישתחווה (yishtachaveh) = zich buigt | לו (lo) = voor hem | ארצה (artsah) = ter aarde | יומת (yumat) = zal sterven | כי (ki) = want | מרד (Mered) = is opstandig | במלך (bammelekh) = tegen de koning | ובמשנהו (uvmishnehu) = en zijn tweede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: למשה (‘tot Mozes’) staat er; gelezen als למשנה, ‘tot tweede’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘his second’). Zie Gen. 41:43 (‘Knielt!’). Zie ook: Gen 41:43 **49:29** Toen de roepers geëindigd waren met spreken, bogen heel Egypte zich ter aarde voor Jozef en zeiden: „Moge de koning leven, ook de tweede moge leven.” Alle bewoners van Egypte bogen zich langs de weg neer terwijl de roepers riepen, en zij waren verheugd met allerlei tamboerijnen, reidansen en harpen voor Jozef. Brontekst: וככלות (vekhekhalot) = en toen zij geëindigd waren | הקוראים (haqqore'im) = de roepers | לדבר (laddavar) = om te spreken | והשתחוו (vehishtachavu) = bogen zich neer | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | ארצה (artsah) = ter aarde | ויאמרו (vayomeru) = en zeiden | יחי (yechi) = moge leven | המלך (hammelekh) = de koning | גם (gam) = ook | יחי (yechi) = moge leven | המשנה (hammishneh) = de tweede | וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ישתחוו (yishtachavu) = bogen zich neer | כולם (kullam) = allen | על (al) = langs | הדרך (haderekh) = de weg | הלוך (halokh) = al | וקרוא (vequro) = en roepend | הקוראים (haqqore'im) = de roepers | וישתחוות (veyishtachavot) = en zich neerbuigend | ושמחים (vesemechim) = en verheugd | בכל (bekhol) = met allerlei | תוף (tof) = tamboerijn | ומחול (umachol) = en reidans | ונבל (venevel) = en harp | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **49:30** Jozef hief zijn ogen op naar de hemel, van het paard af, riep en zei: „Gezegend is Hij die de arme opricht uit het stof, de behoeftige verheft van de asbelt. Yahweh der legerscharen, gelukkig de mens die op U vertrouwt.” Brontekst: וישא (vayissa) = en hij hief op | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניו (einav) = zijn ogen | אל (el) = tot | השמים (hashamayim) = de hemel | מעל (me'al) = van | הסוס (hassus) = het paard | ויקרא (vayikra) = en riep | ויאמר (vayomer) = en hij zei | ברוך (barukh) = gezegend | מקים (meqim) = Hij die opricht | מעפר (me'afar) = uit het stof | דל (dal) = de arme | מאשפות (me'ashpot) = van de asbelt | ירים (yarim) = Hij verheft | אביון (evyon) = de behoeftige | יהוה (Yahweh) = Yahweh | צבאות (tsiv'ot) = legerscharen | אשרי (ashrei) = gelukkig | אדם (adam) = de mens | בוטח (boteach) = die vertrouwt | בך (bekha) = op U Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ps. 113:7 (‘Hij richt de geringe op uit het stof, verheft de arme uit de asbelt’) en Ps. 84:13 (‘Yahweh der legerscharen, gelukkig de mens die op U vertrouwt’). Zie ook: Ps 84:14; Ps 113:7 ### Jozef trekt rond **49:31** Jozef trok met de dienaren van de farao en al zijn vorsten door heel het land Egypte, en zij lieten hem heel het land Egypte zien en alle schatten van de koning; en Jozef keerde terug en kwam op die dag voor de farao. Brontekst: ויעבור (vaya'avor) = en trok rond | יוסף (Yosef) = Jozef | עם (im) = met | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | וכל (vekhol) = en alle | שריו (saraiv) = zijn vorsten | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויראוהו (vayir'uhu) = en zij lieten hem zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אוצרות (otserot) = schatten van | המלך (hammelekh) = de koning | וישב (vayyashev) = en keerde terug | יוסף (Yosef) = Jozef | ויבוא (vayavo) = en kwam | לפני (lifnei) = voor | פרעה (par'oh) = Farao | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **49:32** De koning gaf Jozef een bezit in het land Egypte, een bezit van akkers en wijngaarden. De koning gaf Jozef drieduizend talenten zilver en duizend talenten goud en stenen van sjoham en bdellium, en vele geschenken. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | המלך (hammelekh) = de koning | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | אחוזה (achuzzah) = een bezit | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אחוזת (achuzzat) = een bezit van | שדות (sadot) = akkers | וכרמים (vekeramim) = en wijngaarden | ויתן (vayitten) = en gaf | המלך (hammelekh) = de koning | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | שלושת (sheloshet) = drie | אלפים (alafim) = duizend | ככרי (kikkarey) = talenten van | כסף (kesef) = zilver | ואלף (ve'elef) = en duizend | ככרי (kikkarey) = talenten van | זהב (zahav) = goud | ואבני (ve'avnei) = en stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bdellium | ומתנות (umattanot) = en geschenken | רבות (rabbot) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Een talent is ongeveer 34 kilogram; drieduizend talenten zilver is dus ongeveer 100.000 kilogram. **49:33** De volgende dag zond de koning uit naar heel Egypte om aan Jozef gaven en geschenken te brengen, en wie het bevel van de koning niet opvolgde, zou gedood worden. Zij maakten een grote verhoging op het plein van de stad en spreidden daar kleden uit, en ieder die iets aan Jozef bracht, legde het op die verhoging. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ממחרת (mimmochorat) = de volgende dag | ויצא (vayetse) = en zond uit | המלך (hammelekh) = de koning | לכל (lekhol) = naar heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | להביא (lehavi) = om te brengen | אל (el) = naar | יוסף (Yosef) = Jozef | מנחות (minchot) = gaven | ומתנות (umattanot) = en geschenken | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | ימרה (yamreh) = weerstreeft | את (et) = (lijdend voorwerp) | פי (pi) = het bevel van | המלך (hammelekh) = de koning | יומת (yumat) = zal sterven | ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | במה (bamah) = een verhoging | גדול (gadol) = grote | ברחוב (barechov) = op het plein van | העיר (ha'ir) = de stad | ויפרשו (vayifrsu) = en spreidden uit | שם (shem) = daar | בגדים (begadim) = kleden | והיה (vehayah) = en het was | כל (kol) = alle | המביא (hamevi) = ieder die bracht | אל (el) = op | יוסף (Yosef) = Jozef | דבר (davar) = iets | יתן (yitten) = legde hij | אל (el) = tot | הבמה (habbamah) = de verhoging | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **49:34** Heel Egypte wierp op die verhoging: de een een gouden neusring, een ander een kesita, en ringen en oorbellen en allerlei voorwerpen van goud en zilver, en stenen van sjoham en bdellium legden zij op die verhoging; ieder gaf wat in zijn hand te vinden was. Brontekst: וישליכו (vayashlikhu) = en wierpen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | על (al) = op | הבמה (habbamah) = de verhoging | ההיא (hahi) = die | איש (ish) = ieder | נזם (nezem) = een neusring van | זהב (zahav) = goud | אחד (echad) = één | ואיש (ve'ish) = en een ander | קשיטה (qesitah) = een kesita | אחת (achat) = één | וטבעות (vetabba'ot) = en ringen | עגולים ('agulim) = en oorbellen | וכל (vekhol) = en alle | כלי (keli) = voorwerpen van | מעשה (ma'aseh) = maaksel | וזהב (vezahav) = en goud | וכסף (vekhesef) = en zilver | ואבני (ve'avnei) = en stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bdellium | נתנו (netano) = legden zij | על (al) = op | הבמה (habbamah) = de verhoging | ההיא (hahi) = die | איש (ish) = ieder | אשר (asher) = die | נמצא (nimtsa) = gevonden werd | בידו (beyado) = in zijn hand | נתן (natan) = gaf hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **49:35** Jozef nam dit alles en legde het in zijn schatkamers. Alle vorsten en edelen van de koning verhieven Jozef, en ook zij gaven hem vele geschenken, toen zij zagen dat de koning hem als tweede had gekozen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze | וישם (vayasem) = en hij zette | באוצרותיו (be'otsrotav) = in zijn schatkamers | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | והפרתמים (vehaparetemim) = en de edelen | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = bij de koning | מגדלים (megaddelim) = verhieven | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | לן (lan) = hem | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | מתנות (mattanot) = geschenken | רבות (rabbot) = vele | בראותם (bir'otam) = toen zij zagen | כי (ki) = want | בחר (bachar) = koos | בו (bo) = in hem | המלך (hammelekh) = de koning | למשנה (lemishneh) = tot tweede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויתנו לן (‘en zij gaven overnachtte’) staat er; לן is gelezen als לו, ‘hem’. ### Asenat **49:36** De koning zond naar Potifera, de zoon van Achiram, priester van On, en nam zijn jongste dochter Asenat en gaf haar aan Jozef tot vrouw. Brontekst: וישלח (vayishlach) = zond | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = aan | פוטיפרע (potifera') = Potifera | בן (ben) = zoon van | אחירם (achiram) = Achiram | כהן (kohen) = priester van | און (on) = On | ויקח (vayikkach) = en nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | אוסנת (asnat) = Asenat | בתו (bito) = zijn dochter | הקטנה (haqqetannah) = de jongste | ויתן (vayitten) = en gaf | אותה (otah) = haar | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:45 (Asenat, de dochter van Potifera, priester van On). Zie ook: Gen 41:45 **49:37** Het meisje was zeer mooi van aanzien, een maagd, en geen man had haar gekend, en Jozef nam haar tot vrouw. De koning zei tegen Jozef: „Ik ben de farao, en zonder jou zal niemand zijn hand en zijn voet opheffen om uit te gaan en in te gaan over mijn volk in heel het land Egypte.” Brontekst: והנערה (vehanna'arah) = en het meisje | טובת (tovat) = mooi van | מראה (mar'eh) = van aanzien | מאוד (me'od) = zeer | בתולה (betulah) = een maagd | ואיש (ve'ish) = en geen man | לא (lo) = niet | ידעה (yeda'ah) = had haar gekend | ויקח (vayikkach) = en hij nam | יוסף (Yosef) = Jozef | אותה (otah) = haar | לו (lo) = voor hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | אני (ani) = ik ben | פרעה (par'oh) = Farao | ובלעדיך (uvilvadekha) = en zonder jou | לא (lo) = niet | ירים (yarim) = zal opheffen | איש (ish) = niemand | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידו (yado) = zijn hand | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | רגלו (raglo) = zijn voet | לצאת (latset) = om uit te gaan | ולבוא (ulavo) = en in te gaan | על (al) = over | עמי (immi) = mijn volk | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:44 **49:38** Jozef was dertig jaar toen hij voor de farao stond, en Jozef ging van voor de koning weg en werd de tweede van de koning in Egypte. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | בן (ben) = zoon van | שלושים (sheloshim) = dertig | שנה (shanah) = jaar | בעמדו (be'omdo) = toen hij stond | לפני (lifnei) = voor | פרעה (par'oh) = Farao | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | יוסף (Yosef) = Jozef | מלפני (millifnei) = van voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויהי (vayehi) = en hij werd | למשנה (lemishneh) = tot tweede van | המלך (hammelekh) = de koning | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:46 (Jozef was dertig jaar toen hij voor de farao stond). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:46 **49:39** De koning gaf Jozef honderd dienaren om hem in zijn huis te dienen, en ook Jozef zond en kocht vele dienaren, en zij waren in het huis van Jozef. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | המלך (hammelekh) = de koning | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | מאה (me'ah) = honderd | עבדים (avadim) = dienaren | לשרתו (lesharto) = om hem te dienen | בביתו (beveyto) = in zijn huis | וגם (vegam) = en ook | יוסף (Yosef) = Jozef | שלח (Shelach) = zond | וקנה (vaqanah) = en kocht | עבדים (avadim) = dienaren | רבים (rabbim) = vele | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | בבית (babbayit) = in het huis van | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jozefs huis **49:40** Toen bouwde Jozef voor zichzelf een zeer groot huis, zoals de huizen van de koningen, voor de voorhof van het huis van de koning, en hij maakte in het huis een grote hal, zeer begeerlijk om te zien en goed om in te wonen; drie jaar bouwde Jozef aan heel zijn huis. Brontekst: אז (az) = toen | בנה (Benah) = bouwde | לו (lo) = voor zichzelf | יוסף (Yosef) = Jozef | בית (bet) = een huis | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | כבתי (kevattei) = zoals de huizen van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | לפני (lifnei) = voor | חצר (Chatsar) = de voorhof van | בית (bet) = het huis van | המלך (hammelekh) = de koning | ויעש (vayya'as) = en hij maakte | בבית (babbayit) = in het huis | היכל (heikhal) = een hal | גדול (gadol) = grote | נחמד (nechmad) = begeerlijk | למראה (lemar'eh) = om te zien | מאוד (me'od) = zeer | וטוב (vetov) = en goed | למושבו (lemoshavo) = om in te wonen | שלוש (shalosh) = drie | שנים (shanim) = jaren | עשה (asah) = bouwde | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = — | כל (kol) = alle | ביתו (beito) = zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **49:41** Jozef maakte voor zichzelf een zeer begeerlijke troon van goud en zilver in overvloed, en hij bekleedde hem met stenen van sjoham en bdellium. Hij maakte daarop een afbeelding van heel het land Egypte en een afbeelding van de Nijl van Egypte, die heel het land Egypte drenkt. Jozef zat veilig in zijn huis op zijn troon, die hij voor zich had gemaakt, en Yahweh voegde aan Jozef wijsheid toe boven zijn wijsheid. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij maakte | לו (lo) = voor hem | יוסף (Yosef) = Jozef | כיסא (kisse) = een troon | נחמד (nechmad) = begeerlijk | מאוד (me'od) = zeer | מזהב (mizzahav) = van goud | וכסף (vekhesef) = en zilver | לרוב (larov) = in overvloed | וירצפהו (vayartsfehu) = en bekleedde hem | באבני (be'avnei) = met stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | ויעש (vayya'as) = en hij maakte | בו (bo) = daarop | תבנית (tavnit) = een afbeelding van | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ותבנית (vetavnit) = en een afbeelding van | יאור (ye'or) = de Nijl | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ומשקה (umashqeh) = die drenkt | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישב (vayyashev) = en zat | יוסף (Yosef) = Jozef | לבטח (lavetach) = veilig | בביתו (beveyto) = in zijn huis | על (al) = op | כסאו (kis'o) = zijn troon | אשר (asher) = die | עשה (asah) = hij gemaakt had | לו (lo) = voor hem | ויוסף (vayosef) = en voegde toe | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | חכמה (chokhmah) = wijsheid | על (al) = op | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **49:42** Alle bewoners van Egypte en de dienaren van de farao en zijn vorsten hadden Jozef zeer lief, want van Yahweh was deze zaak voor Jozef. Yahweh was met Jozef en hij werd zeer groot, steeds groter, en zijn roem ging door heel het land. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ועבדי (ve'avdei) = en de dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | ושריו (vesarav) = en zijn vorsten | אהבו (ahavo) = hadden lief | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | ויגדל (vayigdal) = en hij werd groot | מאוד (me'od) = zeer | הולך (holekh) = steeds | וגדל (vegadel) = groter | ויהי (vayehi) = en was | שומעו (shom'o) = zijn roem | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ויהי ה׳ את יוסף ויגדל מאוד (‘en Yahweh was met Jozef en hij werd zeer groot’) ontbreekt in de Engelse vertaling. Zie Gen. 39:2 en 39:21 (Yahweh was met Jozef). Zie ook: Gen 39:2; Gen 39:21 ### Jozefs leger **49:43** Jozef had een strijdmacht die in benden ten strijde trok, tot een getal van vierduizend zeshonderd man, krijgslieden met de kracht van een leger, om de koning en Jozef te helpen tegen de vijand; behalve de vorsten van de koning en zijn dienaren en de bewoners van Egypte, zonder getal. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | חיל (chayil) = een leger | עושה (oseh) = dat voerde | מלחמה (milchamah) = oorlog | יוצאי (yots'ei) = uittrekkend | צבא (tsava) = ten strijde | לגדוד (legedud) = in benden | מספר (mispar) = tot een getal van | ארבעת (arba'at) = vier | אלפים (alafim) = duizend | ושש (veshesh) = en zes | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | עושי ('osei) = voerend | מלחמה (milchamah) = oorlog | בכח (bekhoach) = met de kracht van | חיל (chayil) = vermogen | לעזור (la'azor) = om te helpen | למלך (lammelekh) = bij de koning | וליוסף (veliyosef) = en voor Jozef | על (al) = tegen | האויב (ha'oyev) = de vijand | לבד (levad) = behalve | משרי (misarei) = de vorsten van | המלך (hammelekh) = de koning | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | ויושבי (veyoshvei) = en de bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אין (ein) = zonder | מספר (mispar) = getal | להם (lahem) = — Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ארבעת אלפים ושש מאות (‘vierduizend zeshonderd’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘forty thousand six hundred’. **49:44** Jozef gaf aan zijn helden en aan heel zijn leger schilden en speren en helmen en pantsers en slingerstenen. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יוסף (Yosef) = Jozef | לגיבוריו (legibborav) = aan zijn helden | ולכל (ulkhol) = en aan heel | צבאיו (tsvaav) = zijn leger | מגנים (maginnim) = schilden | ורמחים (verematchim) = en speren | וכובעים (vekhova'im) = en helmen | ושריונות (vesiryonot) = en pantsers | ואבני (ve'avnei) = en stenen van | קלעים (qela'im) = slingers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 50 _De honger_ ### Tarsis tegen Ismaël **50:1** In die tijd trokken de zonen van Tarsis op tegen alle zonen van Ismaël, en zij voerden oorlog tegen hen, en de zonen van Tarsis plunderden de zonen van Ismaël vele dagen. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | באו (ba'u) = kwamen | בני (bnei) = zonen van | תרשיש (Tarshish) = Tarsis | על (al) = tegen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | וילחמו (vayillachamu) = en voerden oorlog | בם (vam) = tegen hen | וישוסו (vayashussu) = en plunderden | בני (bnei) = zonen van | תרשיש (Tarshish) = Tarsis | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:2 en 10:4 (Javan, en Tarsis als zoon van Javan). Zie ook: Gen 10:2; Gen 10:4 **50:2** De zonen van Ismaël waren in die dagen weinig in getal, en zij konden niets uitrichten tegen alle zonen van Tarsis, en het werd hun zeer benauwd. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | היו (hayu) = waren | מתי (matai) = mannen van | מספר (mispar) = getal | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | על (al) = tegen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | תרשיש (Tarshish) = Tarsis | ויצא (vayetse) = en het werd benauwd | להם (lahem) = voor hen | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויצא להם מאוד (‘en het ging uit voor hen zeer’) staat er; gelezen als ‘en het werd hun zeer benauwd’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘they were sorely oppressed’). **50:3** Alle oudsten van Ismaël stuurden een brief aan de koning van Egypte met de woorden: „Zend toch aan je dienaren oversten en een leger om ons te helpen, zodat wij tegen de zonen van Tarsis strijden, want wij zijn al vele dagen zeer uitgeput.” Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | כל (kol) = alle | זקני (ziqnei) = de oudsten van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | ספר (sefer) = een brief | אל (el) = tot | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לאמור (lemor) = zeggende | שלח (Shelach) = zend | נא (na) = toch | לעבדיך (le'avdekha) = aan je dienaren | שרים (sarim) = oversten | וצבא (vetsava) = en een leger | לעזור (la'azor) = om te helpen | אותנו (otanu) = ons | ונלחמה (venillachamah) = dat wij strijden | בבני (bivnei) = tegen de zonen van | תרשיש (Tarshish) = Tarsis | כי (ki) = want | כלונו (killunu) = wij zijn uitgeput | מאוד (me'od) = zeer | זה (ze) = al | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:4** De farao zond Jozef en de helden en het leger dat bij hem was, en helden uit het huis van de koning. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ואת (ve'et) = en | הגיבורים (haggibborim) = de helden | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הצבא (hatsava) = het leger | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | וגיבורים (vegibborim) = en helden | מבית (mibbayit) = uit het huis van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **50:5** Zij gingen naar het land Havila, naar de zonen van Ismaël, om hen te helpen te strijden tegen de zonen van Tarsis; de zonen van Ismaël streden tegen de zonen van Tarsis, en Jozef versloeg de Tarsjisiem en veroverde heel hun land, en daarin wonen zonen van Ismaël tot op deze dag. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ארץ (erets) = het land | החוילה (hachavilah) = Havila | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | לעזור (la'azor) = om te helpen | אותם (otam) = hen | להלחם (lehilachem) = te strijden | בבני (bivnei) = tegen de zonen van | תרשיש (Tarshish) = Tarsis | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בני (bnei) = zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | תרשיש (Tarshish) = Tarsis | ויך (vayyakh) = en versloeg | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | את (et) = — | התרשישים (hattarshishim) = de Tarsjisiem | וילכוד (vayilkod) = en hij veroverde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארצם (artsam) = hun land | וישבו (vayeshvu) = en zij wonen | בה (bah) = daarin | מבני (mibbnei) = van de zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:18 (de zonen van Ismaël woonden van Havila tot Sur). Zie ook: Gen 25:18 **50:6** Toen het land Tarsis veroverd was, vluchtten alle Tarsjisiem en kwamen in het gebied van de zonen van Javan, hun broers; en Jozef en alle helden en het hele leger dat bij hem was, keerden terug naar Egypte; er ontbrak niemand van hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | נלכדה (nilkedah) = was veroverd | ארץ (erets) = land van | תרשיש (Tarshish) = Tarsis | ויברחו (vayivrechu) = en vluchtten | כל (kol) = alle | התרשישים (hattarshishim) = de Tarsjisiem | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בגבול (bigvul) = in het gebied van | בני (bnei) = zonen van | יון (Yavan) = Javan | אחיהם (achihem) = hun broers | ויוסף (vayosef) = en Jozef | וכל (vekhol) = en alle | הגיבורים (haggibborim) = de helden | וכל (vekhol) = en alle | הצבא (hatsava) = het leger | אשר (asher) = die | לו (lo) = bij hem | שבו (shavu) = keerden terug | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לא (lo) = niet | נפקד (nifqad) = ontbrak | מהם (mehem) = van hen | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De zeven jaren van overvloed **50:7** Bij de omloop van het jaar, in het tweede jaar dat Jozef over Egypte regeerde, gaf Yahweh grote overvloed in heel het land, zeven jaren, zoals Jozef had gesproken. Want Yahweh zegende in die dagen alle opbrengsten van het land, zeven jaren, en zij aten en werden zeer verzadigd. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לתקופת (litqufat) = bij de omloop van | השנה (hashanah) = het jaar | בשנה (bashanah) = in het jaar | השנית (hashenit) = het tweede | למלוך (limloch) = van Jozefs regeren | יוסף (Yosef) = Jozef | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | שובע (sova') = overvloed | גדול (gadol) = grote | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = want | ברך (berakh) = zegende | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | תבואות (tevu'ot) = de opbrengsten van | הארץ (ha'arets) = het land | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | וישבעו (vayishava'u) = en werden verzadigd | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:29 en 41:47 (zeven jaren van grote overvloed). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:29; Gen 41:47 **50:8** In die tijd stelde Jozef opzichters aan onder zijn hand, en zij verzamelden al het voedsel van de goede jaren en stapelden graan op, jaar na jaar, en legden het in de voorraadschuren van Jozef. Brontekst: ויפקד (vayafqed) = en hij stelde aan | יוסף (Yosef) = Jozef | פקידים (peqidim) = opzichters | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | ויקבצו (vayiqbetsu) = en verzamelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אוכל (ukhal) = voedsel | השנים (hashnayim) = de jaren | הטובות (hattovot) = goede | ויצברו (veyitsberu) = en stapelden op | בר (bar) = graan | שנה (shanah) = jaar | שנ (shan) = na jaar | וישימוהו (veyasimuhu) = en legden het | באוצרות (ba'otsarot) = in de voorraadschuren | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: שנה שנ (‘jaar jaar’): het tweede woord is afgebroken; gelezen als שנה שנה, ‘jaar na jaar’. Zie Gen. 41:48–49 (hij verzamelde al het voedsel en stapelde graan op als het zand van de zee). Zie ook: Gen 41:34; Gen 41:48–49 **50:9** Telkens wanneer zij het voedsel verzamelden, gebood Jozef dat zij het graan in de aren zouden brengen en daarmee aarde van zijn akker, opdat het niet bederft. Brontekst: והיה (vehayah) = en het was | בכל (bekhol) = op elk | עת (et) = tijdstip | אשר (asher) = dat | יקבצו (yeqabbetsu) = zij verzamelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | האוכל (ha'okhel) = het voedsel | וציווה (vetsiwwah) = gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | והביאו (vehevi'u) = dat zij zouden brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבר (habbar) = het graan | בשיבולים (bashibbolim) = in de aren | והביא (vehevi) = en zouden brengen | עמו (immo) = daarmee | עפר (afar) = aarde van | שדהו (sadehu) = zijn veld | לבלתי (levilti) = opdat niet | יפסיד (yafsid) = het bederft Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **50:10** Jozef deed volgens dit woord jaar na jaar, en hij stapelde graan op als het zand van de zee, zeer veel, want er was geen getal voor zijn voorraden, want zij konden het vanwege de menigte niet tellen. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en deed | יוסף (Yosef) = Jozef | כדבר (kidvar) = volgens het woord | הזה (hazzeh) = dit | שנה (shanah) = jaar | ויצבור (vayitsbor) = en hij stapelde op | בר (bar) = graan | כחול (kachol) = als het zand van | הים (hayyam) = de zee | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | אין (ein) = er was geen | מספר (mispar) = getal | לאוצרותיו (le'otserotav) = voor zijn voorraden | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יכלו (yakhelu) = konden | לספור (lisppor) = tellen | מרוב (merov) = vanwege de menigte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 41:49 **50:11** Ook de bewoners van Egypte verzamelden zeer veel voedsel in hun voorraadschuren, van allerlei voedsel van de zeven goede jaren, maar zij deden daarmee niet zoals Jozef had gedaan. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אספו (asfu) = verzamelden | אוכל (ukhal) = voedsel | באוצרותיהם (be'otserotehem) = in hun voorraadschuren | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | מכל (mikkol) = van allerlei | אוכל (ukhal) = voedsel | שבע (sheva) = zeven | השנים (hashnayim) = de jaren | הטובות (hattovot) = goede | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | עשו (asu) = deden | לו (lo) = daarmee | כאשר (ka'asher) = zoals | עשה (asah) = had gedaan | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:12** Al het voedsel dat Jozef en heel Egypte in de zeven jaren van overvloed verzamelden, was een voorraad voor het land in de voorraadschuren, voor de zeven jaren van honger, tot onderhoud van heel het land. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het was | כל (kol) = alle | האוכל (ha'okhel) = het voedsel | אשר (asher) = die | אספו (asfu) = verzamelden | יוסף (Yosef) = Jozef | וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בשבע (beshev'a) = in de zeven | שני (shenei) = jaren van | השבע (hasava') = overvloed | לפיקדון (lefiqadon) = tot een voorraad | לארץ (la'arets) = voor het land | באוצרות (ba'otsarot) = in de voorraadschuren | לשבע (lesheva) = voor de zeven | שני (shenei) = jaren van | הרעב (hara'av) = de honger | למחיית (limchiyyat) = tot onderhoud van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:13** Alle bewoners van Egypte vulden ieder zijn voorraadschuur en ieder zijn verborgen plaats met graan, tot hun onderhoud in de honger. Brontekst: וימלאו (vayyimle'u) = en vulden | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | איש (ish) = ieder | אוצרו (otsaro) = zijn voorraadschuur | ואיש (ve'ish) = en ieder | מטמונו (matmono) = zijn verborgen plaats | בר (bar) = graan | למחייתם (lemichyatam) = tot hun onderhoud | ברעב (bara'av) = in de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:14** Jozef legde al het voedsel dat hij had verzameld in alle steden van Egypte, en hij sloot alle voorraadschuren en zette bewakers over hen. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | האוכל (ha'okhel) = het voedsel | אשר (asher) = dat | אסף (asaf) = hij had verzameld | בכל (bekhol) = in heel | ערי ('eri) = steden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויסתום (vayistom) = en sloot | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | האוצרות (ha'otserot) = de voorraadschuren | וישם (vayasem) = en zette | שומרים (shomerim) = bewakers | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Manasse en Efraïm **50:15** Asenat, de dochter van Potifera, de vrouw van Jozef, baarde hem twee zonen, Manasse en Efraïm; Jozef was vierendertig jaar toen zij hen baarde. Brontekst: אוסנת (asnat) = Asenat | בת (bat) = dochter van | פוטיפרע (potifera') = Potifera | אשת (eshet) = vrouw van | יוסף (Yosef) = Jozef | ילדה (yaldah) = baarde | לו (lo) = hem | שני (shenei) = twee | בנים (banim) = zonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מנשה (menasheh) = Manasse | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אפריים (efrayim) = Efraïm | ויוסף (vayosef) = en Jozef | בן (ben) = zoon van | שלושים (sheloshim) = dertig | וארבע (ve'arba) = en vier | שנים (shanim) = jaar | בלדת (biledet) = toen zij hen baarde | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:50–52 (Asenat baarde Manasse en Efraïm voordat de jaren van honger kwamen). Zie ook: Gen 41:50–52 **50:16** De jongens groeiden op en gingen in de wegen van Yahweh en in Zijn tucht; zij weken niet naar rechts of links af van de weg die hun vader hen had geleerd. Brontekst: ויגדלו (vayigdelu) = en groeiden op | הנערים (hanne'arim) = de jongens | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ובמוסרו (uvemussaro) = en in Zijn tucht | לא (lo) = niet | סרו (saru) = weken af | מן (min) = van | הדרך (haderekh) = de weg | אשר (asher) = die | למדם (limmadam) = hen geleerd had | אביהם (avihem) = hun vader | ימין (yamin) = naar rechts | ושמאל (usmol) = of links Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **50:17** Yahweh was met de jongens, en zij groeiden op en kregen inzicht en werden verstandig in alle wijsheid en in alle zaken van het koningschap. Alle vorsten van de koning en de groten van de bewoners van Egypte verhieven de jongens, en zij groeiden op te midden van de zonen van de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = met | הנערים (hanne'arim) = de jongens | ויגדלו (vayigdelu) = en groeiden op | ויבינו (vayavinu) = en kregen inzicht | וישכילו (vayaskilu) = en zij werden verstandig | בכל (bekhol) = in heel | חכמה (chokhmah) = wijsheid | ובכל (uvkhol) = en in alle | דברי (divrei) = zaken van | המלוכה (hammelukhah) = het koningschap | וכל (vekhol) = en alle | שרי (sarai) = vorsten van | המלך (hammelekh) = de koning | וגדולי (vegedolei) = en de groten van | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מנשאים (mnassim) = verhieven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנערים (hanne'arim) = de jongens | ויגדלו (vayigdelu) = en groeiden op | בקרב (beqerev) = te midden van | בני (bnei) = zonen van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De honger begint **50:18** De zeven jaren van overvloed die in heel het land waren, eindigden, en na hen kwamen de zeven jaren van honger, zoals Jozef had gezegd, en er was honger in heel het land. Brontekst: ותכלינה (vatekhalenah) = en eindigden | שבע (sheva) = zeven | שני (shenei) = jaren van | השבע (hasava') = overvloed | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | ותבואנה (vetavo'nah) = en kwamen | אחריהם (acharehem) = na hen | שבע (sheva) = zeven | שני (shenei) = jaren van | הרעב (hara'av) = de honger | כאשר (ka'asher) = zoals | אמר (amar) = zei | יוסף (Yosef) = Jozef | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | רעב (ra'av) = honger | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:53–54 (de zeven jaren van overvloed eindigden; de honger begon). Zie ook: Gen 41:53–54; Gen 41:54 **50:19** Heel Egypte zag dat de honger begon te zijn in het land Egypte, en heel Egypte opende al hun graanschuren, want de honger werd sterk over hen. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = want | החל (hechel) = begon | הרעב (hara'av) = de honger | להיות (lihyot) = te zijn | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויפתחו (vayipathu) = en openden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אוצרות (otserot) = voorraadschuren van | הבר (habbar) = het graan | אשר (asher) = die | להם (lahem) = hun | כי (ki) = want | חזק (chazaq) = werd sterk | עליהם (aleihem) = over hen | הרעב (hara'av) = de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:20** Zij vonden al het voedsel in hun voorraadschuren vol worm en mot, en niet geschikt om te eten. De honger werd sterk in heel het land, en alle bewoners van Egypte kwamen en schreeuwden voor de farao, want de honger was zwaar over hen. Brontekst: וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | האוכל (ha'okhel) = het voedsel | אשר (asher) = die | באוצרותיהם (be'otserotehem) = in hun voorraadschuren | מלא (male) = vol | סס (sas) = worm | ועש (va'ash) = en mot | ולא (velo) = en niet | יצליח (yatslich) = geschikt | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ויחזק (vayechazzeq) = en werd sterk | הרעב (hara'av) = de honger | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויצעקו (vayits'aqu) = en schreeuwden | לפני (lifnei) = voor | פרעה (par'oh) = Farao | כי (ki) = want | כבד (kaved) = zwaar | עליהם (aleihem) = over hen | הרעב (hara'av) = de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: סס ועש (‘worm en mot’): de Engelse vertaling heeft ‘vermin’. Zie Jes. 51:8 (‘de mot zal hen opeten als een kleed, de worm als wol’). Zie ook: Jes 51:8 **50:21** Zij zeiden tegen de farao: „Geef je dienaren voedsel, en waarom zouden wij voor je ogen van honger sterven, wij en onze kinderen?” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | תנה (tenah) = geef | לעבדיך (le'avdekha) = aan je dienaren | אוכל (ukhal) = voedsel | ולמה (velamah) = en waarom | נמות (namut) = zullen wij sterven | לעיניך (le'eynekha) = voor je ogen | ברעב (bara'av) = van honger | גם (gam) = zowel | אנחנו (anachnu) = wij | גם (gam) = als | טפינו (tappenu) = onze kinderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **50:22** De farao antwoordde hen: „En waarom roepen jullie tot mij? Heeft Jozef niet in alle zeven jaren van overvloed geboden graan op te slaan voor de jaren van honger? En waarom hebben jullie niet naar zijn stem geluisterd?” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | אותם (otam) = hen | פרעה (par'oh) = Farao | לאמור (lemor) = zeggende | ולמה (velamah) = en waarom | תצעקו (tits'aqu) = roepen jullie | אליי (elai) = tot mij | והלא (vehalo) = is het niet | כל (kol) = alle | שבע (sheva) = zeven | שני (shenei) = jaren van | השבע (hasava') = de overvloed | ציווה (tsivvah) = gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | לצבור (litsbor) = op te slaan | בר (bar) = graan | לשני (leshenei) = voor de jaren van | הרעב (hara'av) = de honger | ולמה (velamah) = en waarom | לא (lo) = niet | שמעתם (shema'tem) = luisterden jullie | בקולו (beqolo) = naar zijn stem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **50:23** De Egyptenaren antwoordden de koning: „Zo waar je ziel leeft, mijn heer, alles wat Jozef sprak hebben je dienaren zo gedaan. Ook je dienaren hebben al het voedsel van hun velden verzameld in de jaren van overvloed en het in de voorraadschuren gelegd tot op deze dag. Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | חי (chai) = zo waar leeft | נפשך (nafshekha) = je ziel | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = voorwaar | כל (kol) = alles | אשר (asher) = wat | דיבר (dibber) = heeft gesproken | יוסף (Yosef) = Jozef | כן (ken) = zo | עשו (asu) = hebben gedaan | עבדיך (avadekha) = je dienaren | כי (ki) = want | גם (gam) = ook | עבדיך (avadekha) = je dienaren | אספו (asfu) = verzamelden | כל (kol) = alle | אוכל (ukhal) = voedsel | שדותיהם (sedoteihem) = hun velden | בשני (bashenni) = in de jaren van | השבע (hasava') = de overvloed | ונתנוהו (venatnuhu) = en hebben het gelegd | באוצרות (ba'otsarot) = in de voorraadschuren | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **50:24** Toen de honger sterk werd over je dienaren, openden wij onze voorraadschuren, en zie, al ons voedsel was vol mot en worm en niet geschikt om te eten.” Brontekst: ויחזק (vayechazzeq) = en werd sterk | הרעב (hara'av) = de honger | על (al) = over | עבדיך (avadekha) = je dienaren | ונפתחה (venifteChah) = en wij openden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אוצרותינו (otserotenu) = onze voorraadschuren | והנה (vehinneh) = en zie | כל (kol) = alle | אוכלינו (okhlenu) = ons voedsel | מלא (male) = vol | עש ('ash) = mot | וסס (vasas) = en worm | ולא (velo) = en niet | יצליח (yatslich) = geschikt | לאכול (le'ekhol) = om te eten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ga naar Jozef **50:25** Toen de koning hoorde alles wat de bewoners van Egypte was overkomen, vreesde de koning zeer vanwege de honger en werd hij zeer angstig. De koning antwoordde de mannen van Egypte: „Nu jullie dit alles is overkomen, ga naar Jozef; wat hij tegen jullie zegt, doe dat, en verzet je niet tegen zijn woord.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | קרה (qarah) = overkomen was | ליושבי (leyoshevei) = de bewoners van | מצריים (mitsrayim) = Egypte | ויירא (vayira) = en vreesde | מאוד (me'od) = zeer | המלך (hammelekh) = de koning | מפני (mippenei) = vanwege | הרעב (hara'av) = de honger | ויבהל (vayibbahel) = en werd angstig | מאוד (me'od) = zeer | ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = — | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לאמור (lemor) = zeggende | אחרי (acharei) = nadat | אשר (asher) = die | קרה (qarah) = overkwam | לכם (lakhem) = aan jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אלה (elleh) = deze | לכו (lekhu) = ga | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | אשר (asher) = die | יאמר (yomar) = hij zegt | לכם (lakhem) = aan jullie | תעשו (ta'asu) = doe | לא (lo) = niet | תאמרו (tomru) = weersta | את (et) = (lijdend voorwerp) | פיו (pihu) = zijn mond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:55 (de farao zei tegen heel Egypte: ga naar Jozef, doe wat hij u zegt). תאמרו (‘jullie zeggen’) staat er; gelezen als תמרו, ‘weersta’. Zie ook: Gen 41:55 **50:26** Heel Egypte ging en kwam bij Jozef, en zij zeiden tegen hem: „Geef ons voedsel, en waarom zouden wij tegenover je van honger sterven? Want wij verzamelden onze opbrengst in de zeven jaren, zoals je hebt gezien, en wij legden die in de voorraadschuur, en zus en zo is het ons overkomen.” Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tegen hem | תנה (tenah) = geef | לנו (lanu) = ons | אוכל (ukhal) = voedsel | ולמה (velamah) = en waarom | נמות (namut) = zullen wij sterven | ברעב (bara'av) = van honger | נגדך (negdekha) = tegenover je | כי (ki) = want | אנחנו (anachnu) = wij | אספנו (asafnu) = wij verzamelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | תבואתינו (tevu'atenu) = onze opbrengst | בשבע (beshev'a) = in de zeven | השנים (hashnayim) = jaren | כאשר (ka'asher) = zoals | ראית (ra'ita) = je hebt gezien | ונשם (venasim) = en wij legden | אותם (otam) = hen | באוצר (ba'otsar) = in de voorraadschuur | וכזה (vekhazeh) = en zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | קרה (qarah) = is overkomen | לנו (lanu) = voor ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: כאשר ראית (‘zoals je hebt gezien’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘as thou didst command’. **50:27** Toen Jozef alle woorden van Egypte hoorde en wat hun was overkomen, opende Jozef alle voorraadschuren met voedsel die hem toebehoorden, en hij verkocht graan aan Egypte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | קרה (qarah) = overkwam | להם (lahem) = hun | ויפתח (vayiftach) = en opende | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אוצרות (otserot) = voorraadschuren van | האוכל (ha'okhel) = het voedsel | אשר (asher) = die | לו (lo) = hem toebehoorde | וישבור (vayishbor) = en verkocht graan | למצרים (leMitsrayim) = aan Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Jozef verkoopt graan **50:28** De nood was over heel het land, en er was honger in alle landen, maar in het land Egypte was voedsel te verkopen. Brontekst: והרעה (vehara'ah) = en de nood | היה (hayah) = was | על (al) = op | פני (pnei) = het gezicht van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | רעב (ra'av) = honger | בכל (bekhol) = in heel | הארצות (ha'aratsot) = de landen | ובארץ (uva'arets) = en in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | היה (hayah) = was | אוכל (ukhal) = voedsel | לשבור (lishbor) = te verkopen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:56–57 (Jozef opende alle voorraadschuren en verkocht graan; alle landen kwamen naar Egypte). Zie ook: Gen 41:56–57 **50:29** Alle bewoners van Egypte kwamen bij Jozef om graan te kopen, want de honger was sterk over hen en al hun voedsel was bedorven, en Jozef verkocht dag na dag aan heel Egypte. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | באו (ba'u) = kwamen | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | כי (ki) = want | חזק (chazaq) = sterk | עליהם (aleihem) = over hen | הרעב (hara'av) = de honger | וכל (vekhol) = en alle | אוכלם (okhlam) = hun voedsel | הופסד (hufsad) = was bedorven | וישבור (vayishbor) = en verkocht graan | יוסף (Yosef) = Jozef | לכל (lekhol) = aan heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:30** Alle bewoners van het land Kanaän en de Filistijnen en de overkant van de Jordaan en de zonen van het Oosten en alle steden van het land, de nabije en de verre, hoorden dat er graan was in Egypte, en zij kwamen allen naar Egypte om graan te kopen, want de honger was sterk over hen. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | ופלשתים (ufelishtim) = en de Filistijnen | ועבר (ve'ever) = en de overkant van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het Oosten | וכל (vekhol) = en alle | ערי ('eri) = steden van | הארץ (ha'arets) = het land | הקרובים (haqrovim) = de nabije | והרחוקים (vehara'chuqim) = en de verre | כי (ki) = want | יש (yesh) = dat er is | שבר (shever) = graan | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לשבור (lishbor) = om te kopen | בר (bar) = graan | כי (ki) = want | חזק (chazaq) = sterk | עליהם (aleihem) = over hen | הרעב (hara'av) = de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:31** Jozef opende de voorraadschuren met voedsel en zette opzichters over hen, en zij stonden daar en verkochten graan aan allen die kwamen, dag na dag. Brontekst: ויפתח (vayiftach) = en opende | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | אוצרות (otserot) = de voorraadschuren van | האוכל (ha'okhel) = het voedsel | וישם (vayasem) = en hij zette | עליהם (aleihem) = over hen | פקידים (peqidim) = opzichters | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden | וישברו (vayishaveru) = en zij verkochten graan | לכל (lekhol) = aan allen | הבאים (habba'im) = die kwamen | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jozefs voorschriften **50:32** Jozef wist dat ook zijn broers naar Egypte zouden komen om voedsel te kopen, want de honger was sterk over heel het land. Jozef gebood al zijn mannen, en zij lieten in heel Egypte uitroepen: Brontekst: וידע (vayyeda) = en hij wist | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = want | גם (gam) = ook | אחיו (achiv) = zijn broers | יבואו (yavo'u) = zouden komen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | כי (ki) = want | חזק (chazaq) = sterk | הרעב (hara'av) = de honger | על (al) = over | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אנשיו (anashav) = zijn mensen | ויעבירו (vaya'avirru) = en zij lieten uitroepen | קול (qol) = een stem | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:33** „Op bevel van de koning en de tweede en hun groten: ieder man die graan in Egypte wil kopen, zal zijn dienaren niet naar Egypte zenden om te kopen, maar zijn zonen. En ook elke Egyptenaar of Kanaäniet die uit alle landen komt om graan in Egypte te kopen en gaat en het in het land verkoopt, zal gedood worden, want niemand zal graan kopen, behalve voor het onderhoud van zijn huis. Brontekst: מטעם (mita'am) = op bevel van | המלך (hammelekh) = de koning | והמשנה (vehammishneh) = en de tweede | וגדוליהם (vegedoleihem) = en hun groten | איש (ish) = ieder | איש (ish) = man | אשר (asher) = die | יחפוץ (yachpots) = wil | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | בר (bar) = graan | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | אל (el) = niet | ישלח (yishlach) = zende | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | אל (el) = tot | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | כי (ki) = maar | אם (em) = — | בניו (banav) = zijn zonen | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | מצרי (mitsri) = een Egyptenaar | או (o) = of | כנעני (kena'ani) = een Kanaäniet | אשר (asher) = die | יבוא (yavo) = komt | מכל (mikkol) = van elke | הארצות (ha'aratsot) = de landen | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | בר (bar) = graan | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | והלך (vehalakh) = en gaat | ומכרו (umkharo) = en het verkoopt | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | יומת (yumat) = zal sterven | כי (ki) = want | לא (lo) = niemand | ישבור (yishbor) = zal graan kopen | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | מחיית (michyat) = levensonderhoud van | ביתו (beito) = zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:34** En ook ieder man die twee of drie dieren drijft, zal gedood worden, want een mens drijft alleen zijn eigen dier.” Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | ינהג (yinhag) = drijft | שתיים (shetayim) = twee | או (o) = of | שלוש (shalosh) = drie | בהמות (behemot) = dieren | יומת (yumat) = zal sterven | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ינהג (yinhag) = drijft | אדם (adam) = een mens | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | בהמתו (behemto) = zijn eigen dier Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De poortwachters **50:35** Jozef zette bewakers bij de poorten van Egypte en gebood hun: „Ieder man die komt om voedsel te kopen, laat hem niet binnenkomen totdat zijn naam en de naam van zijn vader en de naam van de vader van zijn vader is opgeschreven. En wat jullie elke dag opschrijven, stuur hun namen in de avond aan mij, dan zal ik hun namen weten.” Brontekst: וישם (vayasem) = en hij zette | יוסף (Yosef) = Jozef | שומרים (shomerim) = bewakers | בשערי (bish'arei) = aan de poorten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויצום (vayetsavvem) = en gebood hun | לאמור (lemor) = zeggende | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | יבוא (yavo) = komt | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | אל (el) = niet | תתנוהו (titnuhu) = laat hem | לבוא (lavo) = binnenkomen | עד (ad) = totdat | כותבו (khotvo) = hij is opgeschreven | שמו (shemo) = zijn naam | ושם (veShem) = en de naam van | אביו (aviv) = zijn vader | ושם (veShem) = en de naam van | אבי (avi) = vader van | אביו (aviv) = zijn vader | ואשר (va'asher) = en wat | תכתבו (tikhtevu) = jullie opschrijven | בכל (bekhol) = in heel | יום (yom) = dag | ושלחתם (ushlachtem) = stuur | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמותם (shemotam) = hun namen | אליי (elai) = tot mij | בערב (ba'erev) = in de avond | וידעתי (veyada'ti) = dan zal ik weten | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמותם (shemotam) = hun namen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:36** Jozef stelde opzichters aan in heel Egypte en gebood hun overeenkomstig deze dingen te doen. Brontekst: ויפקד (vayafqed) = en stelde aan | יוסף (Yosef) = Jozef | פקידים (peqidim) = opzichters | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויצום (vayetsavvem) = en gebood hun | לעשות (la'asot) = te doen | את (et) = — | על (al) = overeenkomstig | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:37** Jozef deed al deze verkopen van graan en al deze verordeningen, opdat hij zou weten wanneer zijn broers naar Egypte zouden komen om voedsel te kopen. En elke dag lieten de mannen van Jozef in Egypte al deze dingen en verordeningen uitroepen, die Jozef had bevolen. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | עשה (asah) = deed | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | השברים (hashsheverim) = de verkopen van graan | האלה (ha'elleh) = deze | וכל (vekhol) = en alle | החוקים (hachuqqim) = de verordeningen | למען (lema'an) = opdat | אשר (asher) = — | ידע (yada) = hij zou weten | ההוא (hahu) = wanneer | אחיו (achiv) = zijn broers | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | ובכל (uvkhol) = en elke | יום (yom) = dag | ויום (veyom) = en dag | יעבירו (ya'avirú) = lieten uitroepen | אנשי (anshei) = mensen van | יוסף (Yosef) = Jozef | קול (qol) = een stem | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | בכל (bekhol) = in heel | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | והחוקים (vehachuqqim) = en de verordeningen | אשר (asher) = die | ציווה (tsivvah) = had bevolen | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: למען אשר ידע ההוא אחיו (‘opdat hij zou weten dat zijn broers’) staat er; ההוא is gelezen als ‘wanneer’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘in order that he might know when his brethren’). **50:38** Alle bewoners van oost en west en van heel de aarde hoorden de verordeningen en alle dingen die Jozef in Egypte had gesteld, en alle bewoners van de uithoeken van de aarde kwamen en kochten graan in Egypte, dag na dag, en gingen hun weg. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en hoorden | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארץ (erets) = land van | מזרח (mizrach) = oosten | ומערב (uma'arav) = en westen | וכל (vekhol) = en alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | את (et) = (lijdend voorwerp) | החוקים (hachuqqim) = de verordeningen | וכל (vekhol) = en alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | אשר (asher) = die | שם (shem) = had gesteld | יוסף (Yosef) = Jozef | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | קצוות (qetsavot) = de uithoeken van | הארץ (ha'arets) = de aarde | וישברו (vayishaveru) = en kochten graan | בר (bar) = graan | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לדרכם (ledarkam) = hun weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **50:39** Alle poortwachters van Egypte deden alles wat Jozef had bevolen; ieder die naar Egypte kwam om voedsel te kopen, hun namen en de namen van hun vaders schreven de poortwachters op en brachten die dag na dag in de avond voor Jozef. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | שוערי (sho'arei) = de poortwachters van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עושים (osim) = deden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | ציווה (tsivvah) = had bevolen | יוסף (Yosef) = Jozef | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כל (kol) = alle | הבא (habba) = die kwam | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | וכתבו (vekhatvu) = en schreven | השוערים (hashsho'arim) = de poortwachters | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמותם (shemotam) = hun namen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שמות (shemot) = namen van | אבותם (avotam) = hun vaders | והביאו (vehevi'u) = en brachten | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | בערב (ba'erev) = in de avond | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ## Jasher 51 _De eerste reis naar Egypte_ ### Jakob zendt zijn zonen **51:1** Daarna hoorde Jakob dat er graan was in Egypte, en hij riep zijn zonen om naar Egypte te gaan om graan te kopen, want ook over hen was de honger zwaar geworden. Jakob riep zijn zonen en zei: Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | כי (ki) = dat | יש (yesh) = is er | שבר (shever) = graan | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ויקרא (vayikra) = en riep | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | ללכת (lalekhet) = om te gaan | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | בר (bar) = graan | כי (ki) = want | חזק (chazaq) = zwaar | גם (gam) = ook | עליהם (aleihem) = over hen | הרעב (hara'av) = de honger | ויקרא (vayikra) = en riep | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | ויאמר (vayomer) = en hij zei Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:1–2 (Jakob zag dat er graan was in Egypte en zei tegen zijn zonen: ga daarheen af en koop voor ons). Zie ook: Gen 42:1–2 **51:2** „Zie, ik heb gehoord dat er graan is in Egypte, en het hele land gaat daarheen om graan te kopen. Waarom laten jullie je dan verzadigd zien voor het hele land? Ga ook jullie naar Egypte en koop voor ons een beetje voedsel te midden van hen die komen, opdat wij leven en niet sterven.” Brontekst: הנה (hinneh) = zie | שמעתי (shamati) = ik heb gehoord | כי (ki) = dat | יש (yesh) = is er | שבר (shever) = graan | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | וכל (vekhol) = en alle | הארץ (ha'arets) = het land | הולכים (holekhim) = gaan | שמה (shemah) = daarheen | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | ועתה (ve'attah) = en nu | למה (lammah) = waarom | תראו (tir'u) = laten jullie zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשכם (nafshekhem) = jezelf | שבעים (shiv'im) = verzadigd | לפני (lifnei) = voor | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | רדו (redu) = daal af | גם (gam) = ook | אתם (ittam) = jullie | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ושברו (ushivru) = en koop graan | לנו (lanu) = voor ons | מעט (me'at) = een beetje | אוכל (ukhal) = voedsel | בתוך (betokh) = midden in | הבאים (habba'im) = die komen | ונחיה (venichyeh) = en laat ons leven | ולא (velo) = en niet | נמות (namut) = wij sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: תראו… שבעים (‘laten jullie zien… verzadigd’): letterlijk ‘waarom laten jullie zien dat jullie verzadigd zijn voor heel het land’. De Engelse vertaling heeft ‘why will you show yourselves satisfied before the whole earth’. Zie Gen. 42:1 (‘Waarom kijken jullie elkaar aan?’). Zie ook: Gen 42:1 **51:3** De zonen van Jakob luisterden naar de stem van hun vader, en zij stonden op om af te dalen naar Egypte om voedsel te kopen te midden van hen die kwamen. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בקול (bekol) = naar de stem van | אביהם (avihem) = hun vader | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | לרדת (laredet) = om af te dalen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | בתוך (betokh) = midden in | הבאים (habba'im) = die komen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **51:4** Jakob, hun vader, gebood hun: „Wanneer jullie de stad doortrekken, ga niet samen door één poort naar binnen, vanwege de bewoners van het land.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אותם (otam) = hen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | לאמור (lemor) = zeggende | עבורכם (ivrakhem) = wanneer jullie doortrekken | העירה (ha'irah) = de stad in | אל (el) = niet | תבואו (tavo'u) = binnenkomen | יחד (yachad) = samen | בשער (besha'ar) = in de poort van | אחד (echad) = één | מפני (mippenei) = vanwege | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:5 (de zonen van Israël kwamen te midden van hen die kwamen, want de honger was in het land Kanaän). Zie ook: Gen 42:3; Gen 42:5 **51:5** De zonen van Jakob trokken uit en gingen naar Egypte; zij deden alles wat hun vader hun geboden had. Benjamin zond Jakob niet mee, want hij zei: „Er mag hem onderweg geen ongeluk overkomen.” Zo gingen er tien van de zonen van Jakob. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ככל (kekhol) = volgens alles | אשר (asher) = die | ציום (tsivvam) = hun geboden had | אביהם (avihem) = hun vader | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | לא (lo) = niet | שלח (Shelach) = zond | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | אמר (amar) = zei | פן (pen) = opdat niet | יקראהו (yiqra'ehu) = hem overkomt | אסון (ason) = ongeluk | בדרך (baderekh) = onderweg | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עשרה (esreh) = tien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:4 (Benjamin zond Jakob niet met zijn broers, want hij zei: opdat hem geen ongeluk overkomt). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 42:4 ### Berouw onderweg **51:6** Toen de tien zonen van Jakob onderweg waren, kregen zij berouw over alles wat zij Jozef hadden aangedaan. Zij zeiden tegen elkaar: „Wij weten dat Jozef, onze broer, is afgedaald naar Egypte. Laten wij hem nu zoeken wanneer wij daarheen gaan. En als wij hem vinden, nemen wij hem tegen losgeld van zijn heer; en als dat niet kan, met geweld, en dan zullen wij voor hem sterven.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בלכת (belekhet) = terwijl zij gingen | עשרת (aseret) = tien | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בדרך (baderekh) = onderweg | וינחמו (vayenachamu) = en kregen berouw | על (al) = over | יוסף (Yosef) = Jozef | בכל (bekhol) = in alles | אשר (asher) = die | עשו (asu) = zij hadden gedaan | לו (lo) = voor hem | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broer | לאמור (lemor) = zeggende | ידענו (yada'nu) = wij weten | כי (ki) = dat | יוסף (Yosef) = Jozef | אחינו (acheinu) = onze broer | ירד (Yered) = is afgedaald | למצרים (leMitsrayim) = naar Egypte | ועתה (ve'attah) = en nu | נבקשהו (nevaqshehu) = laten wij hem zoeken | כשנלך (keshenelekh) = wanneer wij gaan | לשם (lesham) = daarheen | ויהיה (veyihyeh) = en het zal zijn | אם (em) = als | מצאנוהו (metsanuhu) = wij hem vinden | ולקחנוהו (velaqachnuhu) = en hem nemen | מאדוניו (me'adonav) = van zijn heer | בפדיון (bifdyon) = met losgeld | ואם (ve'im) = en als | אין (ein) = niet | בחזקה (bechazaqah) = met geweld | ומתנו (umetnu) = en wij zullen sterven | עליו (alav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:21 (‘Wij zijn schuldig aan onze broer’) en Gen. 37:28 (Jozef werd verkocht). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 37:28; Gen 42:6; Gen 42:21 **51:7** De zonen van Jakob luisterden naar dit woord en versterkten zich in hun hart voor Jozef, om hem te redden uit de hand van zijn heer. De zonen van Jakob gingen naar Egypte; en toen zij dichtbij Egypte kwamen, gingen zij van elkaar uiteen en kwamen binnen door tien poorten van Egypte. De poortwachters schreven hun namen op die dag en brachten ze 's avonds bij Jozef. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לדבר (laddavar) = naar het woord | הזה (hazzeh) = deze | ויתחזקו (vayitchazqu) = en zij versterkten zich | בלבם (belibbam) = in hun hart | על (al) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | להצילו (lehatsilo) = hem te redden | מיד (miyyad) = uit de hand van | אדוניו (adonav) = zijn heer | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בקרבם (beqirbam) = toen zij dichtbij kwamen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויתפרדו (vayitpardu) = en zij verspreidden zich | איש (ish) = een man | מעל (me'al) = van | אחיו (achiv) = zijn broer | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בעשר (be'eser) = door tien | שערי (sha'arei) = de poorten van | מצרימה (mitsraymah) = van Egypte | והשוטרים (vehashoterim) = en de poortwachters | כתבו (katvu) = schreven op | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמותם (shemotam) = hun namen | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | בערב (ba'erev) = in de avond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:6 (Jozef was de heerser over het land; zijn broers bogen zich voor hem neer). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 42:6 **51:8** Jozef las de namen uit de hand van de poortwachters van de stad en ontdekte dat zijn broers door de tien poorten van de stad binnengekomen waren. Op dat moment gebood Jozef dat men door heel Egypte zou laten uitroepen: Brontekst: ויקרא (vayikra) = en las | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | השמות (hashemot) = de namen | מיד (miyyad) = uit de hand van | שוערי (sho'arei) = de poortwachters van | העיר (ha'ir) = de stad | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broers | באו (ba'u) = binnengekomen waren | מעשר (ma'aser) = door tien | שערי (sha'arei) = de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויעבירו (vaya'avirru) = en men liet doorgaan | קול (qol) = een stem | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Jozef sluit de schuren **51:9** „Jullie, bewakers van alle voorraadschuren: sluit alle schuren met graan en laat er niet meer dan één open; daaruit koopt iedereen die komt graan.” Brontekst: לכם (lakhem) = jullie | שומרי (shomerei) = bewakers van | כל (kol) = alle | האוצרות (ha'otserot) = de voorraadschuren | סגרו (sigru) = sluit | כל (kol) = alle | אוצרות (otserot) = voorraadschuren van | הבר (habbar) = het graan | ולא (velo) = en niet | תשאירו (tash'iru) = laten jullie over | פתוח (patoach) = open | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | אחד (echad) = één | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | ממנו (mimmennu) = daaruit | כל (kol) = alle | הבאים (habba'im) = die komen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:10** Alle opzichters van Jozef deden zo, op dat moment; zij sloten de voorraadschuren en lieten er niet meer dan één open. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כל (kol) = alle | פקידי (peqidei) = opzichters van | יוסף (Yosef) = Jozef | כן (ken) = zo | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויסתמו (vayistemu) = en zij sloten | על (al) = op | האוצרות (ha'otserot) = de voorraadschuren | ולא (velo) = en niet | הותירו (hotiru) = lieten over | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | אחד (echad) = één | פתוח (patoach) = open Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:11** Jozef gaf de namen van zijn broers, opgeschreven, aan hem die over de open voorraadschuur was gesteld, en zei tegen hem: „Ieder die bij je komt om graan te kopen, vraag hem naar zijn naam. En wanneer deze namen bij je komen, grijp hen dan en zend hen naar mij.” Hij deed zo. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמות (shemot) = namen van | אחיו (achiv) = zijn broers | כתובים (ketuvim) = opgeschreven | לאשר (la'asher) = aan hem die | על (al) = op | האוצר (ha'otsar) = de voorraadschuur | הפתוח (happatuach) = die open was | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | כל (kol) = ieder | אשר (asher) = die | יבוא (yavo) = komt | אליך (elekha) = tot je | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | בר (bar) = graan | תשאל (tishal) = vraag | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בבוא (bevo) = wanneer komen | אליך (elekha) = tot je | השמות (hashemot) = de namen | האלה (ha'elleh) = deze | ותפשתם (vetafastem) = en grijp hen | ושלחתם (ushlachtem) = en zend hen | אליי (elai) = tot mij | ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De Engelse vertaling heeft ‘seize them’; het Hebreeuws heeft ותפשתם ושלחתם אליי, ‘grijp hen en zend hen naar mij’. **51:12** Toen de zonen van Jakob midden in de stad kwamen, verzamelden zij zich samen in de stad om Jozef te zoeken, voordat zij voor zich voedsel zouden kopen. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כאשר (ka'asher) = toen | באו (ba'u) = kwamen | אל (el) = tot | תוך (tokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | יחד (yachad) = samen | בתוך (betokh) = midden in | העיר (ha'ir) = de stad | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | טרם (terem) = voordat | ישברו (yishberu) = zij graan kopen | להם (lahem) = zich | אוכל (ukhal) = voedsel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:13** Zij gingen naar de muren van de hoeren en zochten Jozef drie dagen lang in de muren van de hoeren, want zij zeiden: „Jozef zal naar de muren van de hoeren komen, want Jozef was zeer mooi van gestalte en mooi van aanzien.” De zonen van Jakob zochten in die muren drie dagen, maar zij vonden hem niet. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להם (lahem) = zich | אל (el) = tot | חומות (chomot) = muren | הזונות (hazzonot) = de hoeren | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | בחומות (bechomot) = in de muren | הזונות (hazzonot) = de hoeren | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | כי (ki) = dat | יוסף (Yosef) = Jozef | החומות (hachomot) = de muren | הזונות (hazzonot) = de hoeren | יבוא (yavo) = zou komen | כי (ki) = want | יוסף (Yosef) = Jozef | יפה (yafah) = mooi | תואר (to'ar) = van gestalte | ויפה (veyefeh) = en mooi | מראה (mar'eh) = van aanzien | מאוד (me'od) = zeer | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחומות (bechomot) = in de muren | ההם (hahem) = die | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:14** De man die over de open voorraadschuur was gesteld, zocht naar die namen die Jozef hem had gegeven, maar hij vond ze niet. Brontekst: והאיש (vehaish) = en de man | אשר (asher) = die | על (al) = op | האוצר (ha'otsar) = de voorraadschuur | הפתוח (happatuach) = die open was | ביקש (biqqesh) = zocht | את (et) = (lijdend voorwerp) | השמות (hashemot) = de namen | ההם (hahem) = die | אשר (asher) = die | נתן (natan) = hij gaf | לו (lo) = hem | יוסף (Yosef) = Jozef | ולא (velo) = en niet | מצא (matsa) = vond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:15** Hij zond bericht aan Jozef: „Al drie dagen zijn die mannen niet bij mij gekomen van wie je mij de namen gaf.” Jozef zond dienaren om de mannen te zoeken in heel Egypte en hen voor Jozef te brengen. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond bericht | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | זה (ze) = al | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | לא (lo) = niet | באו (ba'u) = kwamen | אליי (elai) = tot mij | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | אשר (asher) = die | נתת (natata) = je gaf | לי (li) = mij | שמותם (shemotam) = hun namen | וישלח (vayishlach) = en hij zond | יוסף (Yosef) = Jozef | עבדים (avadim) = dienaren | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | האנשים (ha'anashim) = de mannen | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | להביאם (lehavi'am) = om hen te brengen | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **51:16** De dienaren van Jozef gingen en zochten in Egypte en vonden niets. Zij gingen naar Gosen, maar zij waren er niet; zij gingen naar Raämses en vonden hen niet. Zij kwamen bij Jozef en zeiden: „Wij hebben gezocht in heel het land tot de stad Raämses, en wij hebben hen niet gevonden.” Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | עבדי (avdei) = dienaren van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | גושנה (goshenah) = naar Gosen | ואין (veein) = en zij waren er niet | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | רעמסס (ra'amses) = naar Raämses | ולא (velo) = en niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | ביקשנו (biqashnu) = wij hebben gezocht | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | עד (ad) = tot | עיר (ir) = stad | רעמסס (ra'amses) = Raämses | ולא (velo) = en niet | מצאנו (matsanu) = wij hebben gevonden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **51:17** Jozef zond nog eens zes dienaren om zijn broers te zoeken. Zij gingen heen en verspreidden zich over de vier hoeken van de stad. Vier dienaren gingen naar het huis van de hoeren en vonden daar de tien mannen, die hun broer zochten. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en hij voer voort | עוד (od) = nog | יוסף (Yosef) = Jozef | וישלח (vayishlach) = en hij zond | שישה (shishah) = zes | עבדים (avadim) = dienaren | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broers | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויתפזרו (vayitpazru) = en zij verspreidden zich | בארבע (be'arba) = in de vier | פינות (pinnot) = hoeken van | העיר (ha'ir) = de stad | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ארבעה (arba'ah) = vier | עבדים (avadim) = dienaren | בית (bet) = het huis van | הזונות (hazzonot) = de hoeren | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | עשרת (aseret) = tien | האנשים (ha'anashim) = de mannen | שמה (shemah) = daar | מבקשים (mevaqshim) = zoekend | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיהם (achihem) = hun broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: שישה (‘zes’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘sixteen’ (‘Joseph continued to send sixteen servants’). Gevolgd is het Hebreeuws. ### Voor Jozef **51:18** Die vier namen die mannen mee en brachten hen voor Jozef. De zonen van Jakob kwamen in het huis van Jozef en bogen zich voor hem neer, met het gezicht naar de grond. Jozef zat in zijn hal op zijn troon, gekleed in gewaden van linnen en purper, met op zijn hoofd een grote kroon van goud; en alle helden zaten rondom hem. Brontekst: ויקחום (vayiqachum) = en zij namen hen | ארבעת (arba'at) = vier | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | ויביאום (vayeviem) = en zij brachten hen | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ביתה (baytah) = naar het huis van | יוסף (Yosef) = Jozef | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | אפיים (appayim) = met het gezicht | ארצה (artsah) = naar de grond | ויוסף (vayosef) = en Jozef | יושב (yoshev) = zittend | בהיכלו (beheikhalo) = in zijn hal | על (al) = op | כסאו (kis'o) = zijn troon | מחובש (mechubash) = gekleed | בבגדי (bevigdei) = in gewaden van | בוץ (buts) = linnen | וארגמן (ve'argaman) = en purper | ובראשו (uvero'sho) = en op zijn hoofd | עטרת ('atarat) = kroon van | זהב (zahav) = goud | גדולה (gedolah) = grote | וכל (vekhol) = en alle | הגיבורים (haggibborim) = de helden | יושבים (yoshvim) = zaten | סביביו (seviv'av) = rondom hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:6 (zij bogen zich voor hem neer met het gezicht naar de grond). Zie ook: Gen 42:6; Gen 42:8 **51:19** De zonen van Jakob zagen Jozef; zijn gestalte, zijn schoonheid en de glans van zijn gelaat verbaasden hen zeer, en zij bogen zich opnieuw voor hem neer, met het gezicht naar de grond. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ויפלא (vayippale) = en hij verwonderde zich | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen | מאוד (me'od) = zeer | תוארו (to'aro) = zijn gestalte | וטוב (vetov) = en goed | יופיו (yofyo) = zijn schoonheid | והדר (vehadar) = en glans van | פניו (panav) = zijn aangezicht | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | עוד (od) = opnieuw | אפיים (appayim) = met het gezicht | ארצה (artsah) = naar de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:20** Jozef zag zijn broers en herkende hen, maar zij herkenden hem niet, want Jozef was in hun ogen zeer groot geworden; daarom herkenden zij hem niet. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broers | ויכירם (vayakirem) = en hij herkende hen | והם (vehem) = en zij | לא (lo) = niet | הכירוהו (hikiruhu) = herkenden hem | כי (ki) = want | גדל (gadal) = was groot geworden | יוסף (Yosef) = Jozef | מאוד (me'od) = zeer | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen | על (al) = op | כן (ken) = zo | לא (lo) = niet | הכירו (hikiru) = herkenden | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:7–8 (Jozef herkende zijn broers, maar zij herkenden hem niet). Zie ook: Gen 42:7–8 **51:21** Jozef sprak tot hen: „Waar komen jullie vandaan?” Zij antwoordden allen: „Uit het land Kanaän zijn je dienaren gekomen om voedsel te kopen, want de honger is zwaar in het hele land. Je dienaren hoorden dat er graan is in Egypte, en zij kwamen te midden van hen die komen om graan te kopen voor ons levensonderhoud.” Brontekst: וידבר (vayedabber) = en hij sprak | יוסף (Yosef) = Jozef | אליהם (aleihem) = tot hen | לאמור (lemor) = zeggende | מאין (me'ayin) = vanwaar | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn | ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | כולם (kullam) = allen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | באו (ba'u) = kwamen | עבדיך (avadekha) = je dienaren | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | כי (ki) = want | חזק (chazaq) = zwaar | הרעב (hara'av) = de honger | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | עבדיך (avadekha) = je dienaren | כי (ki) = dat | יש (yesh) = is er | שבר (shever) = graan | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עבדיך (avadekha) = je dienaren | בתוך (betokh) = midden in | הבאים (habba'im) = die komen | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | בר (bar) = graan | למחייתנו (limchyatenu) = voor ons levensonderhoud Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 42:9 ### Beschuldigd als spionnen **51:22** Jozef antwoordde hun: „Als jullie gekomen zijn om voedsel te kopen, zoals jullie zeggen, waarom komen jullie dan binnen door tien poorten van de stad? Dit is niets anders dan dat jullie gekomen zijn om heel het land te verkennen.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | ואם (ve'im) = en als | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | כאשר (ka'asher) = zoals | אמרתם (amartem) = jullie hebben gezegd | למה (lammah) = waarom | תבואו (tavo'u) = binnenkomen | בעשר (be'eser) = door tien | שערי (sha'arei) = de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | אין (ein) = niet | זה (ze) = dit | כי (ki) = dan | אם (em) = — | לחפור (lachpor) = te verkennen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:9 (‘Jullie zijn spionnen! Om de blote plekken van het land te zien, zijn jullie gekomen’). Zie ook: Gen 42:9 **51:23** Zij antwoordden allen samen aan Jozef: „Nee, mijn heer. Wij zijn eerlijk; je dienaren zijn geen spionnen, want wij zijn gekomen om voedsel te kopen. Al je dienaren zijn broers, zonen van één man in het land Kanaän. Onze vader heeft ons geboden: ‘Wanneer jullie de stad binnenkomen, ga niet samen door één poort, vanwege de bewoners van het land.’” Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לא (lo) = nee | אדוני (adoni) = mijn heer | כנים (kenim) = eerlijk | אנחנו (anachnu) = wij | לא (lo) = niet | היו (hayu) = zijn | עבדיך (avadekha) = je dienaren | מרגלים (meraglim) = spionnen | כי (ki) = want | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | באנו (ba'nu) = wij zijn gekomen | כי (ki) = want | כל (kol) = alle | עבדיך (avadekha) = je dienaren | אחים (achim) = broers | בני (bnei) = zonen van | איש (ish) = een man | אחד (echad) = één | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויצוה (vetsavveh) = en hij had geboden | עלינו (aleinu) = ons | אבינו (avinu) = onze vader | לאמור (lemor) = zeggende | בבואכם (bevo'akhem) = wanneer jullie komen | העירה (ha'irah) = de stad in | אל (el) = niet | תבואו (tavo'u) = binnenkomen | יחד (yachad) = samen | בשער (besha'ar) = in de poort van | אחד (echad) = één | מפני (mippenei) = vanwege | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: אלד (‘enkele’) staat er; gelezen als אחד, ‘één’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘at one gate’). Zie Gen. 42:11 (‘Wij zijn allen zonen van één man’). Zie ook: Gen 42:11 **51:24** Jozef antwoordde hun opnieuw: „Dat is juist wat ik tegen jullie gezegd heb: jullie zijn gekomen om heel het land te verkennen. Daarom zijn jullie allen door tien poorten van de stad gekomen, om de naaktheid van het land te zien.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | אותם (otam) = hen | יוסף (Yosef) = Jozef | עוד (od) = opnieuw | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הוא (hu) = dit | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | דיברתי (dibbarti) = ik heb gesproken | אליכם (aleikhem) = tot jullie | לחפור (lachpor) = te verkennen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn | על (al) = daarom | כן (ken) = zo | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn | כולכם (kulkhem) = jullie allen | בעשר (be'eser) = door tien | שערי (sha'arei) = de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | ערות ('ervat) = de naaktheid van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:12 (‘de blote plekken van het land zijn jullie komen zien’). Zie ook: Gen 42:12 **51:25** „Iedereen die komt om graan te kopen, koopt het en gaat weer weg. Jullie zijn al drie dagen in het land. Wat doen jullie in de muren van de hoeren, waar jullie nu drie dagen zijn geweest? Zo doen spionnen immers.” Brontekst: הלא (halo) = immers | כל (kol) = ieder | בא (ba) = die komt | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | ישבור (yishbor) = koopt graan | והולך (vehole) = en gaat | לדרכו (ledarko) = naar zijn weg | ואתם (ve'atem) = en jullie | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | היום (hayyom) = vandaag | לכם (lakhem) = voor jullie | בארץ (ba'arets) = in het land | ומה (umah) = en wat | תעשו (ta'asu) = doen jullie | בחומות (bechomot) = in de muren | הזונות (hazzonot) = de hoeren | אשר (asher) = die | הייתם (hayitem) = jullie zijn geweest | שם (shem) = daar | זה (ze) = al | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | הלא (halo) = immers | כי (ki) = want | מרגלים (meraglim) = spionnen | יעשו (ya'asu) = doen zij | כאלה (ke'elleh) = zoals deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:26** Zij zeiden tot Jozef: „Het is ondenkbaar dat mijn heer zo spreekt, want wij zijn twaalf broers, zonen van onze vader Jakob in het land Kanaän, de zoon van Isaak, de zoon van Abraham, de Hebreeër. Zie, de jongste is vandaag bij onze vader in het land Kanaän, en de ene is er niet meer, want hij is van ons verloren gegaan. Wij zeiden: ‘Misschien is hij in dit land.’ Daarom zoeken wij hem in heel Egypte en kwamen wij ook in de huizen van de hoeren om hem daar te zoeken.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | חלילה (chalila) = ver zij het | לאדוני (la'doni) = van mijn heer | מדבר (medabber) = sprekend | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = want | אנחנו (anachnu) = wij | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = — | אחים (achim) = broers | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אבינו (avinu) = onze vader | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בן (ben) = zoon van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | והנה (vehinneh) = en zie | הקטן (haqqaton) = de jongste | את (et) = bij | אבינו (avinu) = onze vader | היום (hayyom) = vandaag | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | והאחד (vehe'echad) = en de ene | איננו (enenu) = hij is er niet | כי (ki) = want | נאבד (ne'evad) = is verloren gegaan | מאתנו (me'itanu) = van ons | ונאמר (vanomar) = en wij zeiden | אולי (ulai) = misschien | בארץ (ba'arets) = in het land | הזאת (hazzo't) = deze | הוא (hu) = hij | ונבקש (venevaqesh) = en wij zoeken | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ונבוא (venavo) = en wij kwamen | גם (gam) = ook | בבתי (bevattei) = in de huizen van | הזונות (hazzonot) = de hoeren | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | אותו (oto) = hem | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:13 (‘Wij, je dienaren, zijn twaalf broers… de jongste is nu bij onze vader, en één is er niet meer’). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 42:13 **51:27** Jozef zei tegen hen: „Hebben jullie hem dan in heel de aarde gezocht, zodat jullie niets anders overbleef dan Egypte om hem daarin te zoeken? En wat zou jullie broer doen in de huizen van de hoeren, zelfs als hij in Egypte was? Hebben jullie niet gezegd dat jullie van de kinderen van Isaak, de zoon van Abraham, zijn? Wat zouden de zonen van Jakob dan moeten doen in de huizen van de hoeren?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יוסף (Yosef) = Jozef | והלא (vehalo) = en immers | ביקשתם (biqashtem) = jullie hebben gezocht | אותו (oto) = hem | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = de aarde | עד (ad) = totdat | לא (lo) = niet | נשאר (nish'ar) = bleef over | לכם (lakhem) = aan jullie | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | אותו (oto) = hem | בה (bah) = daarin | וגם (vegam) = en ook | מה (mah) = wat | אשר (asher) = die | יעשה (ya'aseh) = hij doet | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | בבתי (bevattei) = in de huizen van | הזונות (hazzonot) = de hoeren | אף (af) = zelfs | אם (em) = als | הוא (hu) = hij | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | הלא (halo) = niet | אמרתם (amartem) = jullie hebben gezegd | כי (ki) = dat | מבני (mibbnei) = van de zonen van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | אתם (ittam) = jullie | ומה (umah) = en wat | יעשו (ya'asu) = doen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בבתי (bevattei) = in de huizen van | הזונות (hazzonot) = de hoeren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **51:28** Zij zeiden tegen hem: „Want wij hebben gehoord dat de Ismaëlieten hem van ons gestolen hebben, en het werd ons verteld dat zij hem naar Egypte verkocht hebben. Je dienaar, onze broer, is zeer mooi van gestalte en van aanzien, en wij zeiden: ‘Hij is niet anders dan in de huizen van de hoeren.’ Daarom zijn je dienaren daarheen gegaan om hem te zoeken en hem vrij te kopen.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tegen hem | כי (ki) = want | שמענו (shamanu) = wij hebben gehoord | אשר (asher) = dat | גנבוהו (genavuhu) = zij hebben hem gestolen | הישמעאלים (hayishme'elim) = de Ismaëlieten | מאיתנו (me'itanu) = van ons | ויוגד (vayugad) = en er werd verteld | לנו (lanu) = ons | כי (ki) = dat | מכרו (mikhru) = zij hebben verkocht | אותו (oto) = hem | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ועבדך (ve'avdekha) = en je dienaar | אחינו (acheinu) = onze broer | יפה (yafah) = mooi | תואר (to'ar) = van gestalte | ומראה (umar'eh) = en van aanzien | מאוד (me'od) = zeer | ונאמר (vanomar) = en wij zeiden | איננו (enenu) = hij is niet | כי (ki) = maar | אם (em) = — | בבתי (bevattei) = in de huizen van | הזונות (hazzonot) = de hoeren | על (al) = daarom | כן (ken) = zo | הלכו (halekhu) = zij gingen | שם (shem) = daarheen | עבדיך (avadekha) = je dienaren | לבקשו (levaqesho) = om hem te zoeken | ולפדותו (ulfaduto) = en hem vrij te kopen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **51:29** Jozef antwoordde hun opnieuw: „Is het niet een leugen die jullie zeggen, en spreken jullie niet leugens over jezelf, wanneer jullie zeggen: ‘Wij zijn zonen van Abraham’? Bij het leven van de farao, jullie zijn spionnen! Daarom zijn jullie in de huizen van de hoeren gekomen, opdat niemand onder jullie gekend zou worden.” Zij zeiden nogmaals tegen hem: „Nee, mijn heer, want wij zijn daarheen steeds verder gegaan om onze broer te zoeken en hem vrij te kopen, zoals wij tot mijn heer gesproken hebben.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | אותם (otam) = hen | יוסף (Yosef) = Jozef | עוד (od) = nogmaals | לאמור (lemor) = zeggende | הלא (halo) = is niet | שקר (sheqer) = leugen | תאמרו (tomru) = zeggen jullie | וכזב (vekhazav) = en leugen | תדברו (tedaberu) = spreken jullie | בנפשכם (benafshekhem) = over jezelf | לאמור (lemor) = zeggende | בני (bnei) = zonen van | אברהם (avraham) = Abraham | אתם (ittam) = jullie | חי (chai) = bij het leven van | פרעה (par'oh) = Farao | כי (ki) = want | מרגלים (meraglim) = spionnen | אתם (ittam) = jullie | על (al) = op | כן (ken) = zo | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn | בבתי (bevattei) = in de huizen van | הזונות (hazzonot) = de hoeren | לבלתי (levilti) = opdat niet | דעת (da'at) = gekend te worden | איש (ish) = iemand | בכם (bakhem) = onder jullie | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = tot hem | עוד (od) = opnieuw | לא (lo) = nee | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = want | הלוך (halokh) = steeds verder | הלכו (halekhu) = zij gingen | שם (shem) = daar | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | ולפדותו (ulfaduto) = en hem vrij te kopen | כאשר (ka'asher) = zoals | דיברנו (dibbarnu) = wij hebben gesproken | אל (el) = tot | אדוני (adoni) = mijn heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: בניר (‘in…’) staat er; gelezen als בני, ‘zonen van’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘the sons of Abraham’). Het slot van dit vers (‘Zij zeiden nogmaals tegen hem…’) heeft de Engelse vertaling niet. **51:30** Jozef zei tegen hen: „Zie nu, als jullie hem vinden en zijn heer van jullie een hoge prijs eist, zullen jullie die voor hem geven?” Zij zeiden: „Wij zullen geven.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יוסף (Yosef) = Jozef | והנה (vehinneh) = en zie | אם (em) = als | מצאתם (metsatem) = jullie vinden | אותו (oto) = hem | וביקש (uvaqesh) = en eist | מכם (mikkem) = van jullie | אדוניו (adonav) = zijn heer | מחיר (mechir) = prijs | רב (rav) = hoge | התתנוהו (hatitnuhu) = geven jullie hem | בו (bo) = ervoor | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | ניתן (nitten) = wij zullen geven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Dit gesprek over de prijs voor de gezochte broer staat niet in Gen. 42; het is een uitbreiding van dit boek. **51:31** Hij zei tegen hen: „En als zijn heer hem niet wil afstaan voor een hoge prijs, wat zullen jullie dan met hem doen?” Zij antwoordden hem: „Als zij hem niet geven, doden wij hem, nemen onze broer mee en gaan heen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | ואם (ve'im) = en als | לא (lo) = niet | יחפוץ (yachpots) = wil | אדוניו (adonav) = zijn heer | לתתו (latito) = hem te geven | במחיר (bimchir) = voor een prijs | רב (rav) = hoge | מה (mah) = wat | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | להם (lahem) = hun | עליו (alav) = voor hem | ויענוהו (vaya'anuhu) = en zij antwoordden hem | לאמור (lemor) = zeggende | ואם (ve'im) = en als | לא (lo) = niet | יתנוהו (yittenuhu) = zij geven hem | והרגנו (vehargnu) = en wij zullen doden | אותו (oto) = hem | ולקחנו (velaqachnu) = en wij zullen nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | והלכנו (vehalakhnu) = en wij zullen gaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:32** Jozef zei tegen hen: „Dit is het woord dat ik tot jullie sprak: jullie zijn spionnen. Jullie zijn gekomen om de bewoners van het land te doden, want wij hebben gehoord dat twee van jullie broers alle bewoners van Sichem in het land Kanaän hebben neergeslagen vanwege jullie zus, en nu komen jullie om ook in Egypte hetzelfde te doen vanwege jullie broer.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יוסף (Yosef) = Jozef | הוא (hu) = dit | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | דיברתי (dibbarti) = ik heb gesproken | אליכם (aleikhem) = tot jullie | מרגלים (meraglim) = spionnen | אתם (ittam) = jullie | כי (ki) = want | להרוג (laharog) = om te doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn | כי (ki) = want | שמענו (shamanu) = wij hebben gehoord | אשר (asher) = die | שניים (shenayim) = twee | מאחיכם (me'achikhem) = van jullie broers | הכו (hiku) = zij hadden geslagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | שכם (Shekhem) = Sichem | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בעבור (ba'avur) = vanwege | אחותיכם (achotekhem) = jullie zus | ותבואו (vatavo'u) = en jullie komen | לעשות (la'asot) = om te doen | גם (gam) = ook | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | על (al) = vanwege | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | כדבר (kidvar) = zoals de zaak | הזה (hazzeh) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:25–26 (Simeon en Levi sloegen de mannen van Sichem neer vanwege Dina). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 34:25–26 **51:33** „Alleen hierin zal ik weten dat jullie eerlijk zijn: als jullie één van jullie zenden om jullie jongste broer bij jullie vader te halen en hem hierheen naar mij te brengen. Wanneer jullie dit doen, dan zal ik weten dat jullie eerlijk zijn.” Brontekst: אך (akh) = alleen | בזאת (bezot) = hierin | אדע (eda) = zal ik weten | כי (ki) = dat | כנים (kenim) = eerlijk | אתם (ittam) = jullie | אם (em) = als | תשלחו (tishlechu) = jullie zenden | מכם (mikkem) = van jullie | אחד (echad) = één | לקחת (laqachat) = om te halen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | הקטן (haqqaton) = de jongste | מאת (me'et) = van | אביכם (avikhem) = jullie vader | ולהביאו (ulehevi'o) = en hem te brengen | אליי (elai) = tot mij | הנה (hinneh) = hierheen | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בעשותכם (be'asotkhem) = wanneer jullie doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ואדעה (ve'eda'ah) = dan zal ik weten | כי (ki) = dat | כנים (kenim) = eerlijk | אתם (ittam) = jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:15–16 (‘Zend één van jullie en laat hem jullie broer halen’). Zie ook: Gen 42:15–16 ### In bewaring **51:34** Jozef riep zeventig helden van zijn helden en zei tegen hen: „Neem deze mannen en breng hen in bewaring.” Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | שבעים (shiv'im) = zeventig | גיבורים (gibborim) = helden | מגיבוריו (migibborav) = van zijn helden | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | קחו (qechu) = neem | את (et) = (lijdend voorwerp) | האנשים (ha'anashim) = de mannen | האלה (ha'elleh) = deze | והבאתם (vahavetem) = en breng | אותם (otam) = hen | אל (el) = in | משמר (mishmar) = de bewaking Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 42:17 **51:35** De helden namen de tien mannen, grepen hen vast en zetten hen in bewaring; drie dagen waren zij in bewaring. Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | הגיבורים (haggibborim) = de helden | את (et) = (lijdend voorwerp) | עשרת (aseret) = tien | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ויחזיקו (vayachaziqu) = en zij grepen vast | בם (vam) = hen | ויתנום (vayitnum) = en zij zetten hen | במשמר (bammishmar) = in bewaring | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | במשמר (bammishmar) = in bewaring | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:17 (hij zette hen drie dagen in bewaring). Zie ook: Gen 42:17 **51:36** Op de derde dag liet Jozef hen uit de bewaring komen en zei tegen hen: „Doe dit, als jullie eerlijk zijn, en jullie zullen leven: één van jullie broers blijft gebonden in bewaring, en jullie gaan, brengen graan voor jullie huizen naar het land Kanaän, nemen jullie jongste broer en brengen hem hierheen naar mij. Dan zal ik weten dat jullie eerlijk zijn, wanneer jullie dit doen.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השלישי (hashelishi) = de derde | ויוציאם (vayotsi'em) = en hij liet hen uitgaan | יוסף (Yosef) = Jozef | מהמשמר (mehammishmar) = uit de bewaring | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | זאת (zot) = dit | עשו (asu) = doe | לכם (lakhem) = aan jullie | אם (em) = als | כנים (kenim) = eerlijk | אתם (ittam) = jullie | וחייתם (vechiyitem) = en jullie zullen leven | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | אחד (echad) = één | יאסר (ye'asser) = blijft gebonden | במשמר (bammishmar) = in bewaring | ואתם (ve'atem) = en jullie | לכו (lekhu) = gaat | הביאו (hevi'u) = neem mee | שבר (shever) = graan | בתיכם (batteikhem) = voor jullie huizen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ולקחתם (ulqachtem) = en neem | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | הקטן (haqqaton) = de jongste | והבאתם (vahavetem) = en breng | אליי (elai) = tot mij | הנה (hinneh) = hierheen | ואדעה (ve'eda'ah) = dan zal ik weten | כי (ki) = dat | כנים (kenim) = eerlijk | אתם (ittam) = jullie | כאשר (ka'asher) = wanneer | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:18–20 (‘Doe dit en leef… één van jullie broers blijft gebonden in jullie gevangenis’). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 42:18–20 ### Simeon gebonden **51:37** Jozef ging van hen weg, kwam in de kamer en weende luid, want hij werd door ontferming bewogen met hen. Hij waste zijn gezicht, ging weer naar hen toe, nam Simeon van hen weg en gebood hem te binden. Maar Simeon wilde zich niet laten binden, want hij was een zeer sterke held, en Jozef kon hem niet binden. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | יוסף (Yosef) = Jozef | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | החדרה (hachadrah) = naar de kamer | ויבך (vayevk) = en weende | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | כי (ki) = want | נכמרו (nikhmeru) = werden bewogen | רחמיו (rachamav) = zijn erbarmen | אליהם (aleihem) = voor hen | וירחץ (vayirchats) = en hij waste | פניו (panav) = zijn aangezicht | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | אליהם (aleihem) = tot hen | ויקח (vayikkach) = en hij nam | מאיתם (me'itam) = van hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמעון (Shim'on) = Simeon | ויאמר (vayomer) = en hij gebood | לאסרו (le'asero) = hem te binden | ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde | שמעון (Shim'on) = Simeon | לעשות (la'asot) = om te doen | כן (ken) = zo | כי (ki) = want | היה (hayah) = hij was | גיבור (gibbor) = held | חיל (chayil) = van kracht | מאוד (me'od) = zeer | ולא (velo) = en niet | יכול (yakhol) = hij kon | יוסף (Yosef) = Jozef | לאסרו (le'asero) = hem te binden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:24 (Jozef wendde zich van hen af en weende; hij nam Simeon en bond hem voor hun ogen). In de Hebreeuwse tekst staat ויאמר לאסרו, ‘en hij zei (hem) te binden’; gelezen als ‘gebood hem te binden’. Zie ook: Gen 42:24 **51:38** Jozef riep zijn helden, en zeventig sterke mannen kwamen voor hem, hun zwaarden getrokken in hun hand; en alle zonen van Jakob schrokken van hen. Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | גיבוריו (gibborav) = zijn helden | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לפניו (lefanav) = voor hem | שבעים (shiv'im) = zeventig | איש (ish) = man | גיבורי (gibborei) = helden van | חיל (chayil) = kracht | וחרבותם (vecharevotam) = en hun zwaarden | שלופות (shelufot) = getrokken | בידם (beyadam) = in hun hand | ויבהלו (vayibbahalu) = en zij schrokken | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מהם (mehem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:39** Jozef zei tegen hen: „Grijp deze man en bind hem in de gevangenis, totdat zijn broers bij hem komen.” De helden van Jozef haastten zich en grepen Simeon om hem te binden. Simeon schreeuwde tegen hen een zeer grote en bittere kreet, en het geschreeuw werd gehoord tot ver. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יוסף (Yosef) = Jozef | תפשו (tifsu) = grijp | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | ואסרתם (ve'asartem) = en bind | אותו (oto) = hem | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | עד (ad) = tot | בוא (bo) = komen | אחיו (achiv) = zijn broers | אליו (elav) = tot hem | וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | גיבורי (gibborei) = helden van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויחזיקו (vayachaziqu) = en grepen | בשמעון (bishim'on) = aan Simeon | לאסור (le'esor) = te binden | אותו (oto) = hem | ויצעק (vayits'aq) = en hij schreeuwde | עליהם (aleihem) = tegen hen | שמעון (Shim'on) = Simeon | צעקה (tse'aqah) = geschreeuw | גדולה (gedolah) = grote | מאוד (me'od) = zeer | ומרה (umarah) = en bitter | ותשמע (vattishma) = en werd gehoord | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | למרחוק (lemerachoq) = tot ver Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:40** Alle helden van Jozef schrokken van het geluid van de kreet; zij vielen op hun gezicht, vreesden zeer en vluchtten. Brontekst: ויבהלו (vayibbahalu) = en zij schrokken | כל (kol) = alle | גיבורי (gibborei) = helden van | יוסף (Yosef) = Jozef | מקול (miqqol) = van het geluid van | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | על (al) = op | פניהם (penehem) = hun gezichten | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | להם (lahem) = zich Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:41** Ook alle mannen die bij Jozef waren, vluchtten, want zij vreesden zeer voor hun leven. Alleen Jozef en zijn zoon Manasse bleven daar. Manasse, de zoon van Jozef, zag de kracht van Simeon, en zijn toorn ontbrandde zeer. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | את (et) = bij | יוסף (Yosef) = Jozef | נסו (nasu) = vluchtten | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | לנפשותם (lenafshotam) = voor hun leven | וישאר (vayyisha'er) = en bleef | אך (akh) = alleen | יוסף (Yosef) = Jozef | ומנשה (umenasheh) = en Manasse | בנו (beno) = zijn zoon | שם (shem) = daar | וירא (vayyera) = en hij zag | מנשה (menasheh) = Manasse | בן (ben) = zoon van | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | גבורת (gevurat) = de kracht van | שמעון (Shim'on) = Simeon | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפו (appo) = zijn toorn | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ויחר אפו (‘zijn toorn ontbrandde’) heeft in het Hebreeuws geen duidelijk onderwerp; de Engelse vertaling heeft ‘he was exceedingly wroth’. Gelezen is Manasse. **51:42** Manasse, de zoon van Jozef, stond op, trad naar Simeon toe en sloeg hem met zijn vuist een zware slag in zijn nek, en Simeon bedaarde van zijn woede. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | מנשה (menasheh) = Manasse | בן (ben) = zoon van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויגש (vayyigash) = en hij naderde | אל (el) = tot | שמעון (Shim'on) = Simeon | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | מנשה (menasheh) = Manasse | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמעון (Shim'on) = Simeon | באגרופו (be'egrofo) = met zijn vuist | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | בעורפו (be'orpo) = in zijn nek | וינח (vayanach) = en bedaarde | שמעון (Shim'on) = Simeon | מחמתו (mechematto) = van zijn woede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:43** Manasse greep Simeon vast, overmeesterde hem, bond hem en duwde hem naar het huis van de kerker. Alle zonen van Jakob verbaasden zich over het werk van de jongen. Brontekst: ויאחז (vaye'echaz) = en greep | מנשה (menasheh) = Manasse | בשמעון (bishim'on) = aan Simeon | ויחזק (vayechazzeq) = en hij overmeesterde | בו (bo) = hem | ויאסור (vaye'esor) = en hij bond | אותו (oto) = hem | וידחהו (vayidchehu) = en hij duwde hem | אל (el) = naar | בית (bet) = het huis van | הכלא (hakele) = de kerker | ויתמהו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ממעשה (mima'aseh) = over het werk van | הנער (hanna'ar) = de jongen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **51:44** Simeon zei tegen zijn broers: „Niemand van jullie hoeft te zeggen dat dit de slag van een Egyptenaar is; dit is niets anders dan de slag van het huis van mijn vader.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | שמעון (Shim'on) = Simeon | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | איש (ish) = ieder | מכם (mikkem) = van jullie | אל (el) = niet | יאמר (yomar) = moet zeggen | כי (ki) = dat | מכת (makkat) = de slag van | מצרי (mitsri) = een Egyptenaar | זאת (zot) = deze | אין (ein) = niet | זאת (zot) = dit | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | מכת (makkat) = de slag van | בית (bet) = het huis van | אבי (avi) = mijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Terugreis **51:45** Daarna gebood Jozef de man die over de voorraadschuur was gesteld hun bagage met graan te vullen, zoveel als zij konden dragen, ieders geld in zijn zak te leggen en hun reisvoorraad voor onderweg te geven; en hij deed hun zo. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויקרא (vayikra) = en riep | לאשר (la'asher) = tot hem die | על (al) = over | האוצר (ha'otsar) = de voorraadschuur | למלאות (lemalle'ot) = te vullen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כליהם (kelehem) = hun bagage | בר (bar) = graan | כאשר (ka'asher) = zoveel als | יוכלון (yukhlun) = zij konden | שאת (se'et) = dragen | ולתת (velatet) = en om te geven | איש (ish) = ieder | כספו (kaspo) = zijn geld | בשקו (besaqqo) = in zijn zak | ולתת (velatet) = en om te geven | להם (lahem) = hun | צדה (tsedah) = reisvoorraad | לדרך (laderekh) = voor de weg | ויעש (vayya'as) = en hij deed | להם (lahem) = hun | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:25 (Jozef gebood hun vaten met graan te vullen, ieders geld in zijn zak terug te leggen en hun reisvoorraad te geven). Zie ook: Gen 42:25 **51:46** Jozef gebood hun: „Pas op dat jullie mijn woord niet overtreden door jullie broer niet te brengen, zoals ik tot jullie gesproken heb. Wanneer jullie jullie broer hierheen naar mij brengen, dan zal ik weten dat jullie eerlijk zijn; dan zullen jullie in het land handel drijven, geef ik jullie jullie broer terug en keren jullie in vrede terug naar jullie vader.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אותם (otam) = hen | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | השמרו (hishamru) = neem je in acht | לכם (lakhem) = voor jullie | פן (pen) = opdat niet | תמרו (tamru) = jullie komen in opstand tegen | את (et) = (lijdend voorwerp) | פי (pi) = mijn woord | ולא (velo) = en niet | תביאו (tavi'u) = jullie brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | כאשר (ka'asher) = zoals | דיברתי (dibbarti) = ik heb gesproken | לכם (lakhem) = aan jullie | והיה (vehayah) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = wanneer | תביאו (tavi'u) = jullie brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | אליי (elai) = tot mij | הנה (hinneh) = hierheen | וידעתי (veyada'ti) = dan zal ik weten | כי (ki) = dat | כנים (kenim) = eerlijk | אתם (ittam) = jullie | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | תסחרו (tisecharu) = zullen jullie handel drijven | והשיבותי (vahashivoti) = en ik zal teruggeven | לכם (lakhem) = aan jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | ושבתם (veshavtem) = en jullie zullen terugkeren | לשלום (leshalom) = in vrede | אל (el) = tot | אביכם (avikhem) = jullie vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:33–34 (breng jullie jongste broer bij mij; dan zal ik weten dat jullie geen spionnen zijn). Zie ook: Gen 42:33–34 **51:47** Allen antwoordden en zeiden: „Zoals mijn heer gesproken heeft, zo zullen wij doen.” Zij bogen zich voor hem neer, met het gezicht naar de grond. Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | כולם (kullam) = allen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = heeft gesproken | אדוני (adoni) = mijn heer | כן (ken) = zo | נעשה (na'aseh) = zullen wij doen | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | ארצה (artsah) = naar de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het geld in de zak **51:48** Ieder laadde zijn graan op zijn ezel, en zij trokken uit om naar het land Kanaän te gaan, naar hun vader. Zij kwamen bij de herberg, en Levi opende zijn zak om zijn ezel voer te geven. Hij zag, en zie, zijn geld lag naar zijn gewicht nog in zijn zak. Brontekst: וישאו (vayis'u) = en zij laadden op | איש (ish) = een man | שברו (shivro) = zijn graan | על (al) = op | חמורו (chamoro) = zijn ezel | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | ללכת (lalekhet) = om te gaan | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = tot | אביהם (avihem) = hun vader | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = naar | המלון (hammalon) = de herberg | ויפתח (vayiftach) = en opende | לוי (Levi) = Levi | את (et) = (lijdend voorwerp) | שקו (saqqo) = zijn zak | לתת (latet) = te geven | מספוא (mispo) = voer | לחמורו (lachamoro) = voor zijn ezel | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | כספו (kaspo) = zijn geld | במשקלו (bemishqalo) = naar zijn gewicht | עודנו (odenu) = nog | באמתחתו (be'amtachto) = in zijn zak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:27 (bij de herberg opende één zijn zak om zijn ezel voer te geven en zag zijn geld). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 42:27 **51:49** De man vreesde zeer en zei tegen zijn broers: „Mijn geld is teruggegeven, en zie, het is in mijn zak.” Ook de mannen vreesden zeer en zeiden: „Wat is dit dat Elohim ons gedaan heeft?” Brontekst: ויירא (vayira) = en hij vreesde | האיש (ha'ish) = de man | מאוד (me'od) = zeer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | הושב (hoshev) = is teruggegeven | כספי (kaspi) = mijn geld | והנה (vehinneh) = en zie | הוא (hu) = het | באמתחתי (be'amtachti) = in mijn zak | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | מאוד (me'od) = zeer | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | מה (mah) = wat | זאת (zot) = dit | עשה (asah) = heeft gedaan | אלוקים (Elohim) = Elohim | לנו (lanu) = ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:28 (‘Mijn geld is teruggegeven… Wat heeft Elohim ons aangedaan?’). Zie ook: Gen 42:28 **51:50** Allen zeiden: „Waar is de goedertierenheid van Yahweh met onze vaders, met Abraham, Isaak en Jakob, onze vader? Zo heeft Yahweh ons vandaag gegeven in de hand van de koning van Egypte, om met ons te spelen.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כולם (kullam) = allen | ואיה (ve'ayyeh) = en waar is | חסדי (chasdei) = de goedertierenheid van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = met | אבותינו (avotenu) = onze vaders | את (et) = met | אברהם (avraham) = Abraham | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | אבינו (avinu) = onze vader | כן (ken) = zo | נתננו (netanenu) = heeft ons gegeven | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היום (hayyom) = vandaag | ביד (beyad) = in de hand van | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | להתעולל (lehit'olel) = om te spelen | עלינו (aleinu) = met ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **51:51** Juda zei tegen hen: „Zijn wij niet schuldig en zondaars voor Yahweh, onze Elohim, toen wij onze broer, ons eigen vlees, verkochten? En waarom zeggen jullie: ‘Waar is de goedertierenheid van Yahweh met onze vaders?’” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יהודה (Yehudah) = Juda | הלא (halo) = is niet | אשמים (ashemim) = schuldig | אנחנו (anachnu) = wij | וחטאים (vechatta'im) = en zondaars | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | במוכרינו (bemokherenu) = toen wij verkochten | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | בשרנו (besarenu) = ons vlees | ולמה (velamah) = en waarom | תאמרו (tomru) = zeggen jullie | איה (ayyeh) = waar is | חסדי (chasdei) = de goedertierenheid van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבותינו (avotenu) = onze vaders Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:21 (‘Voorwaar, wij zijn schuldig aan onze broer’). Zie ook: Gen 42:21 **51:52** Ruben zei tegen hen: „Heb ik jullie niet gezegd: ‘Zondig niet tegen het kind’? Maar jullie luisterden niet naar mij. Nu eist Elohim zijn bloed van ons! En hoe durven jullie te zeggen: ‘Waar is de goedertierenheid van Yahweh met onze vaders?’, terwijl jullie tegen Hem gezondigd hebben?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | ראובן (Re'uven) = Ruben | הלא (halo) = niet | אמור (amor) = zeker | אמרתי (imrati) = heb ik gezegd | אליכם (aleikhem) = tot jullie | אל (el) = niet | תחטאו (techet'u) = zondigen | בילד (bayeled) = voor het kind | ולא (velo) = en niet | שמעתם (shema'tem) = jullie hebben geluisterd | לי (li) = naar mij | כי (ki) = nu | דמו (damo) = zijn bloed | דרש (darash) = heeft geëist | אלוקים (Elohim) = Elohim | ממנו (mimmennu) = van ons | ואיך (ve'ekh) = en hoe | תאמרו (tomru) = durven jullie te zeggen | איה (ayyeh) = waar is | חסדי (chasdei) = de goedertierenheid van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבותינו (avotenu) = onze vaders | ואתם (ve'atem) = en jullie | חטאתם (chata'tem) = jullie hebben gezondigd | לו (lo) = tegen Hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:22 (Ruben: ‘Heb ik niet gezegd: zondig niet tegen het kind?… zie, ook zijn bloed wordt geëist’). In ואתם חטאתם לו (‘en jullie hebben tegen hem gezondigd’) kan לו op het kind of op Yahweh slaan; de Engelse vertaling heeft ‘against the Lord’. Zie ook: Gen 42:22 **51:53** Zij overnachtten op die plaats, stonden 's morgens vroeg op, laadden hun graan op hun ezels, dreven hen voort en gingen, en kwamen in het land Kanaän, bij het huis van hun vader. Brontekst: וילינו (vayalinu) = en zij overnachtten | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | וישכימו (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | וישאו (vayis'u) = en zij hieven op | את (et) = (lijdend voorwerp) | שברם (shivram) = hun graan | על (al) = op | חמוריהם (chamoreihem) = hun ezels | וינהגו (vayinhagu) = en zij dreven | אותם (otam) = hen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בית (bet) = het huis van | אביהם (avihem) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 42:29 ### Jakob hoort het verslag **51:54** Jakob ging met zijn huis uit, zijn zonen tegemoet, en Jakob zag dat hun broer Simeon niet bij hen was. Jakob zei tegen zijn zonen: „Waar is Simeon, jullie broer, die ik niet bij jullie zie?” Zijn zonen vertelden hem alles wat hun in Egypte overkomen was. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וביתו (uveito) = en zijn huis | לקראת (liqrat) = tegemoet | בניו (banav) = zijn zonen | וירא (vayyera) = en hij zag | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | והנה (vehinneh) = en zie | אין (ein) = er is niet | שמעון (Shim'on) = Simeon | אחיהם (achihem) = hun broer | איתם (ittam) = bij hen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | איפה (eifoh) = waar is | שמעון (Shim'on) = Simeon | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ראיתיו (re'itiv) = ik zie hem | איתכם (ittekhem) = met jullie | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = hem | בניו (banav) = zijn zonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הקורות (haqqorot) = wat hun overkomen was | אותם (otam) = hun | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:29–36 (zij vertelden Jakob alles; Simeon is er niet meer). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 42:29–36 ## Jasher 52 _Jakob laat Benjamin gaan_ ### Het geld in de zakken **52:1** Zij kwamen in hun huizen en ieder opende zijn zak; zij zagen, en zie, ieders bundel geld lag in zijn zak, en zij vreesden zeer hierover, zij en hun vader. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בתיהם (bateihem) = hun huizen | ויפתחו (vayipathu) = en zij openden | איש (ish) = ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | שקו (saqqo) = zijn zak | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | איש (ish) = een man | צרור (tsror) = bundel | כספו (kaspo) = zijn geld | בשקו (besaqqo) = in zijn zak | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | מזה (mizzeh) = hierover | המה (hemmah) = zij | ואביהם (veaviem) = en hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:35 (ieder vond zijn bundel geld in zijn zak; zij en hun vader vreesden). Zie ook: Gen 42:35 **52:2** Jakob zei tegen hen: „Wat is dit wat jullie mij hebben aangedaan? Ik heb Jozef, jullie broer, naar jullie toe gezonden om naar jullie welzijn te vragen, en jullie zeiden tegen mij: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten.’ Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מה (mah) = wat | זאת (zot) = dit | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | לי (li) = mij | שלוח (shalo'ach) = zenden | שלחתי (shalachti) = ik heb gezonden | אליכם (aleikhem) = tot jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | לדרוש (lidrosh) = te vragen naar | את (et) = (lijdend voorwerp) | שלומכם (shlomkhem) = jullie welzijn | ותאמרו (vatomru) = en jullie zeiden | לי (li) = mij | חיה (chayyah) = dier | רעה (ra'ah) = wild | אכלתהו (achalatu) = heeft hem opgegeten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:36 (‘Jullie maken mij kinderloos: Jozef is er niet, Simeon is er niet, en Benjamin willen jullie nemen’). Zie ook: Gen 42:36 **52:3** Simeon ging met jullie om voedsel te kopen, en jullie zeggen: ‘De koning van Egypte heeft hem in de kerker gebonden.’ En Benjamin willen jullie nemen om hem ook te doden, en mijn grijze haar met verdriet naar de Sjeol te doen dalen, vanwege Benjamin en zijn broer Jozef. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | שמעון (Shim'on) = Simeon | איתכם (ittekhem) = met jullie | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | ותאמרו (vatomru) = en jullie zeiden | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אסר (asar) = heeft gebonden | אותו (oto) = hem | בכלא (bakele) = in de kerker | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | תאמרו (tomru) = jullie zeggen | לקחת (laqachat) = om te nemen | להמית (lehamit) = te doden | גם (gam) = ook | אותו (oto) = hem | והורדתם (vehoradtem) = en jullie laten dalen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שיבתי (sevati) = mijn grijze haar | ביגון (beyagon) = met verdriet | שאולה (she'ola) = naar de Sjeol | על (al) = vanwege | בנימין (binyamin) = Benjamin | ויוסף (vayosef) = en Jozef | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **52:4** Nu zal mijn zoon niet met jullie afdalen, want zijn broer is dood en hij is alleen overgebleven. Als hem onderweg, op de weg die jullie gaan, een ongeluk overkomt, zoals het zijn broer overkomen is.” Brontekst: עתה (attah) = nu | לא (lo) = niet | ירד (Yered) = zal afdalen | בני (bnei) = mijn zoon | איתכם (ittekhem) = met jullie | כי (ki) = want | אחיו (achiv) = zijn broer | מת (met) = is dood | והוא (vehu) = en hij | לבדו (levaddo) = alleen | נשאר (nish'ar) = is overgebleven | וקרהו (veqarahu) = en hem overkomt | אסון (ason) = ongeluk | בדרך (baderekh) = onderweg | אשר (asher) = die | תלכו (telekhu) = jullie zullen gaan | בה (bah) = daarop | כאשר (ka'asher) = zoals | קרה (qarah) = overkwam | לאחיו (le'achiv) = aan zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:38 (‘Mijn zoon zal niet met jullie afdalen… mijn grijze haar zouden jullie met verdriet naar de Sjeol doen dalen’). Zie ook: Gen 42:38 ### Ruben en Juda **52:5** Ruben zei tegen zijn vader: „Mijn twee zonen mag je doden, als ik je zoon niet bij je breng en hem niet voor je neerzet.” Maar Jakob zei tegen zijn zonen: „Blijf zitten en daal niet af naar Egypte, want mijn zoon zal niet met jullie naar Egypte afdalen, en hij zal niet sterven zoals zijn broer.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | ראובן (Re'uven) = Ruben | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | את (et) = (lijdend voorwerp) | שני (shenei) = twee | בניי (banay) = mijn zonen | תמית (tamit) = je zult doden | אם (em) = als | לא (lo) = niet | אביא (avi) = ik breng | לפניך (lefanekha) = voor je | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | והצגתיו (vehitsagtiv) = en ik stel hem | לפניך (lefanekha) = voor je | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | שבו (shavu) = blijf zitten | לכם (lakhem) = voor jullie | ואל (ve'el) = en niet | תרדו (teredu) = daal af | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ירד (Yered) = zal afdalen | בני (bnei) = mijn zoon | איתכם (ittekhem) = met jullie | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ולא (velo) = en niet | ימות (yamut) = zal sterven | כאחיו (ke'achiv) = zoals zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:37 (Ruben: ‘Mijn twee zonen mag je doden, als ik hem niet bij je breng’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 42:37 **52:6** Juda zei tegen hen: „Blijf toch van hem af, tot het graan voor hem op is. Dan zal hij zeggen: ‘Breng jullie broer mee’, wanneer hij zijn leven en het leven van zijn huis in honger zal vinden.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יהודה (Yehudah) = Juda | חדלו (chadlu) = laat af | נא (na) = toch | לכם (lakhem) = jullie | ממנו (mimmennu) = van hem | עד (ad) = tot | כלות (kelot) = het einde van | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | השבר (hashever) = het graan | והוא (vehu) = en hij | יאמר (yomar) = zal zeggen | הורידו (horidu) = laat afdalen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | כי (ki) = wanneer | ימצא (yimtsa) = hij zou vinden | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zijn leven | ברעב (bara'av) = in honger | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נפש (nefesh) = het leven van | ביתו (beito) = zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De honger houdt aan **52:7** De honger was zwaar in heel het land in die dagen, en alle mensen van het land gingen en kwamen naar Egypte om voedsel te kopen, want de honger was zeer sterk over hen. De zonen van Jakob bleven in het land Kanaän een jaar en twee maanden, tot hun graan op was. Brontekst: והרעב (veharaav) = en de honger | היה (hayah) = hij was | כבד (kaved) = zwaar | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וכל (vekhol) = en alle | אנשי (anshei) = mensen van | הארץ (ha'arets) = het land | הולכים (holekhim) = gaan | ובאים (uvaim) = en komen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | כי (ki) = want | חזק (chazaq) = sterk | עליהם (aleihem) = over hen | הרעב (hara'av) = de honger | מאוד (me'od) = zeer | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ימים (yamim) = een jaar | ושני (ushnei) = en twee | חודשים (chodashim) = maanden | עד (ad) = tot | כלות (kelot) = het einde van | להם (lahem) = hun | את (et) = (lijdend voorwerp) | השבר (hashever) = het graan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: ימים (‘dagen’) staat er; hier gelezen als ‘een vol jaar’, zoals in 1 Sam. 27:7 (ימים וארבעה חדשים). De Engelse vertaling heeft ‘a year and two months’. Zie Gen. 43:1 (de honger was zwaar in het land). Zie ook: Gen 43:1; Gen 43:2; 1 Sam 27:7 **52:8** Toen zij het graan hadden opgegeten, had heel het huis van Jakob zeer veel honger. De kinderen van de zonen van Jakob kwamen samen, naderden Jakob en omringden hem allen, en zeiden tegen hem: „Geef ons brood! Waarom zouden wij allen sterven van honger voor je ogen?” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | כלו (kalu) = zij klaar waren | לאכול (le'ekhol) = om te eten | את (et) = (lijdend voorwerp) | השבר (hashever) = het graan | ותרעב (vatiraav) = en hongerde | נפשם (nafsham) = hun ziel | מאוד (me'od) = zeer | כל (kol) = alle | בית (bet) = het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | יחד (yachad) = samen | ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויסובבו (vayasovvu) = en zij omringden | אותו (oto) = hem | כולם (kullam) = allen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = tot hem | תנה (tenah) = geef | לנו (lanu) = voor ons | לחם (lechem) = brood | ולמה (velamah) = en waarom | נמות (namut) = zullen wij sterven | כולנו (kulanu) = wij allen | ברעב (bara'av) = van honger | נגדך (negdekha) = tegenover je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:2 (toen zij het graan uit Egypte hadden opgegeten, zei hun vader: ga weer en koop ons wat voedsel). Zie ook: Gen 43:2 **52:9** Jakob hoorde de woorden van de kinderen van zijn zonen; hij weende luid en hij werd met ontferming bewogen over hen. Jakob riep zijn zonen, en zij kwamen allen en gingen voor hem zitten. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | ילדי (yaldei) = kinderen van | בניו (banav) = zijn zonen | ויבך (vayevk) = en weende | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | ויכמרו (vayikkamru) = en werden bewogen | רחמיו (rachamav) = zijn erbarmen | אליהם (aleihem) = over hen | ויקרא (vayikra) = en riep | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | וישבו (vayeshvu) = en zij gingen zitten | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **52:10** Jakob zei tegen hen: „Hebben jullie niet gezien dat jullie kinderen vandaag over mij huilen: ‘Geef ons brood!’ — en er is niets? Keer nu terug en koop voor ons een beetje voedsel.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הלא (halo) = niet | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | כי (ki) = dat | בניכם (benekhem) = jullie kinderen | בוכים (bokhim) = huilend | עליי (alay) = over mij | היום (hayyom) = vandaag | תנה (tenah) = geef | לנו (lanu) = voor ons | לחם (lechem) = brood | ואין (veein) = en er is niets | עתה (attah) = nu | שובו (shuvu) = keer terug | שברו (shivro) = koop graan | לנו (lanu) = voor ons | מעט (me'at) = weinig | אוכל (ukhal) = voedsel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Juda spreekt **52:11** Juda antwoordde en zei tegen zijn vader: „Als je mijn broer met ons wilt zenden, dan zullen wij afdalen en voor je voedsel kopen. En als je hem niet zendt, dan dalen wij niet af, want de koning van Egypte heeft ons nadrukkelijk gewaarschuwd: ‘Jullie zullen mijn aangezicht niet zien zonder jullie broer bij jullie.’ Want de koning van Egypte is een machtige en sterke koning, en het zal zijn: als wij naar hem toe gaan zonder onze broer, zullen wij allen sterven. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יהודה (Yehudah) = Juda | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | אם (em) = als | ישך (yeshkha) = je bent | משלח (meshaleach) = die zendt | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחי (echi) = mijn broer | ואיתנו (veitanu) = en met ons | נרדה (neredah) = zullen wij afdalen | ונשברה (venishberah) = en wij kopen graan | לך (lekha) = voor je | אוכל (ukhal) = voedsel | ואם (ve'im) = en als | אינך (enkha) = je bent niet | משלחו (meshalchu) = hem zendend | לא (lo) = niet | נרד (nered) = zullen wij afdalen | יען (ya'an) = omdat | כי (ki) = want | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | העד (haed) = nadrukkelijk | העיד (heid) = heeft hij gewaarschuwd | עלינו (aleinu) = ons | לא (lo) = niet | תראו (tir'u) = jullie zullen zien | פניי (panay) = mijn aangezicht | בלתי (bilti) = zonder | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | איתכם (ittekhem) = met jullie | כי (ki) = want | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מלך (malakh) = een koning | אדיר (addir) = machtig | וחזק (vechazaq) = en sterk | הוא (hu) = is | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | הלכנו (halakhnu) = wij gaan | אליו (elav) = naar hem | בלתי (bilti) = zonder | אחינו (acheinu) = onze broer | ומתנו (umetnu) = zullen wij sterven | כולנו (kulanu) = wij allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:3–5 (Juda: ‘De man heeft ons nadrukkelijk gewaarschuwd: jullie zullen mijn aangezicht niet zien zonder jullie broer’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 43:3–5 **52:12** Weet je niet, of heb je niet gehoord, dat die koning zeer machtig en wijs is, en dat er niemand zoals hij is in heel het land? Zie, wij hebben alle koningen van het land gezien, maar wij hebben er geen gezien zoals die koning, de koning van Egypte. Er is immers niemand zo groot als Abimelech, de koning van de Filistijnen, onder alle koningen van het land; maar de koning van Egypte is groter en machtiger dan hij, en Abimelech zal voor hem zijn als een van zijn vorsten. Brontekst: הלא (halo) = niet | ידעת (yada'ta) = weet je | אם (em) = of | לא (lo) = niet | שמעת (shamata) = je hebt gehoord | כי (ki) = dat | המלך (hammelekh) = de koning | ההוא (hahu) = die | גיבור (gibbor) = machtig | וחכם (vechakham) = en wijs | מאוד (me'od) = zeer | ואין (veein) = en er is niemand | כמוהו (kamohu) = zoals hij | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | הנה (hinneh) = zie | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הארץ (ha'arets) = het land | ולא (velo) = en niet | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | כמלך (kamelekh) = zoals de koning | ההוא (hahu) = die | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | הלא (halo) = immers | אין (ein) = er is niet | גדול (gadol) = grote | כאבימלך (keavimelekh) = zoals Abimelech | מלך (malakh) = koning van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | מכל (mikkol) = van alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הארץ (ha'arets) = het land | ומלך (umelekh) = en koning | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | גדול (gadol) = grote | ועצום (ve'atsum) = en machtig | ממנו (mimmennu) = van hem | ולא (velo) = en niet | יהיה (yihyeh) = zal zijn | לו (lo) = voor hem | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | כאחד (keechad) = als één | שריו (saraiv) = zijn vorsten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **52:13** Ach, had je gezien, mijn vader, zijn paleis en zijn troon en al zijn dienaren die voor hem staan! Ach, had je die koning gezien, zittend op zijn troon in zijn schoonheid en gestalte, gekleed in koninklijke gewaden, met een grote kroon van goud op zijn hoofd! Ach, had je gezien de majesteit en de luister die Elohim hem gegeven heeft, want er is niemand zoals hij in heel het land! Brontekst: לו (lo) = ach had | ראית (ra'ita) = je gezien | אבי (avi) = mijn vader | את (et) = (lijdend voorwerp) | היכלו (heikhalo) = zijn paleis | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כסאו (kis'o) = zijn troon | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | העומדים (ha'omdim) = die staan | לפניו (lefanav) = voor hem | לו (lo) = ach had | ראית (ra'ita) = je gezien | המלך (hammelekh) = de koning | ההוא (hahu) = die | בשבתו (beshivto) = zittend | על (al) = op | כסאו (kis'o) = zijn troon | ביופיו (beyofyo) = in zijn schoonheid | ובתוארו (uvetoaro) = en in zijn gestalte | מלובש (malbush) = gekleed | בבגדי (bevigdei) = in gewaden van | מלכות (malkhut) = koningschap | ועטרת (veateret) = en een kroon van | זהב (zahav) = goud | גדולה (gedolah) = grote | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | לו (lo) = ach had | ראית (ra'ita) = je gezien | ההוד (hahod) = de majesteit | וההדר (vehahadar) = en de luister | אשר (asher) = die | נתן (natan) = gaf | לו (lo) = hem | אלוקים (Elohim) = Elohim | כי (ki) = want | אין (ein) = er is niet | כמוהו (kamohu) = zoals hij | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **52:14** Ach, had je gezien, mijn vader, de wijsheid, het inzicht en de kennis die Elohim in zijn hart gegeven heeft! Heb je zijn aangename stem gehoord toen hij tot ons sprak? Brontekst: לו (lo) = ach had | ראית (ra'ita) = je gezien | אבי (avi) = mijn vader | החכמה (hachokhmah) = de wijsheid | והתבונה (vehatevunah) = en het inzicht | והדעת (vehadaat) = en de kennis | אשר (asher) = die | נתן (natan) = gaf | אלוקים (Elohim) = Elohim | בלבו (belibbo) = in zijn hart | הראית (hare'ita) = heb je gezien | אל (el) = — | קולו (qolo) = zijn stem | הנעים (hanaim) = aangename | בדברו (bedabbero) = toen hij sprak | אלינו (elenu) = tot ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: הראית אל קולו (‘heb je gezien… zijn stem’) staat er; gelezen als ‘heb je gehoord’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘nor heard his sweet voice’). **52:15** Wij weten niet, mijn vader, wie hem onze namen heeft laten weten en alles wat ons overkwam. Hij vroeg ook naar jou: ‘Leeft jullie vader nog? Gaat het goed met hem?’ Brontekst: לא (lo) = niet | ידענו (yada'nu) = weten wij | אבי (avi) = mijn vader | מי (mi) = wie | הודיעו (hodiao) = heeft hem laten weten | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמותינו (shemotenu) = onze namen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | קרה (qarah) = overkwam | לנו (lanu) = voor ons | וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | גם (gam) = ook | עליך (aleikha) = over jou | לאמור (lemor) = zeggende | העוד (ha'od) = is nog | אביכם (avikhem) = jullie vader | חי (chai) = levend | השלום (hashalom) = de vrede | לו (lo) = met hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **52:16** Ach, had je gezien alle zaken van het koningschap van Egypte: op zijn bevel gaat men uit en op zijn bevel komt men binnen, en hij raadpleegt de farao, zijn heer, niet. Ach, had je zijn ontzag en zijn schrik gezien over heel Egypte! Brontekst: לו (lo) = ach had | ראית (ra'ita) = je gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = zaken van | מלכות (malkhut) = koningschap | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | על (al) = op bevel van | פיו (pihu) = zijn mond | יצא (yatsa) = gaat uit | ועל (ve'al) = en op bevel van | פיו (pihu) = zijn mond | יבוא (yavo) = komt | ואין (veein) = en niet | שואל (shoel) = raadpleegt | בפרעה (befarah) = bij de farao | אדוניו (adonav) = zijn heer | לו (lo) = ach had | ראית (ra'ita) = je gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | פחדו (pachdo) = zijn ontzag | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אימתו (eimato) = zijn schrik | על (al) = over | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **52:17** Ook wij, toen wij van hem weggingen, zeiden dat wij Egypte zouden aandoen zoals de overige steden van de Amorieten, en onze toorn ontbrandde zeer over al zijn woorden, die hij sprak om ons spionnen te noemen. Maar wanneer wij weer voor hem komen, zal zijn schrik over ons allen vallen, en niemand van ons zal tot hem een woord kunnen spreken, klein of groot. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | אנחנו (anachnu) = wij | בצאתנו (betsetenu) = toen wij weggingen | מלפניו (millefanav) = van voor zijn aangezicht | ונאמר (vanomar) = en wij zeiden | לעשות (la'asot) = om te doen | למצרים (leMitsrayim) = aan Egypte | כיתר (keyeter) = zoals de overige | ערי ('eri) = steden van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפינו (apenu) = onze toorn | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = over | כל (kol) = alle | דבריו (devarav) = zijn woorden | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = sprak | לתתנו (letitenu) = ons te maken | מרגלים (meraglim) = spionnen | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בבואנו (bevo'enu) = wanneer wij komen | עוד (od) = weer | לפניו (lefanav) = voor hem | ונפלה (venafelah) = en zal vallen | אימתו (eimato) = zijn schrik | עלינו (aleinu) = over ons | יחד (yachad) = samen | ואין (veein) = en niet | איש (ish) = man | יוכל (yukhal) = kan | לדבר (laddavar) = om te spreken | אליו (elav) = tegen hem | דבר (davar) = woord | קטון (qatan) = klein | או (o) = of | גדול (gadol) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **52:18** Zend nu, onze vader, de jongen toch met ons, dan dalen wij af en kopen voor je voedsel voor ons levensonderhoud, en wij sterven niet van honger.” Jakob zei: „Waarom hebben jullie mij zo slecht behandeld door de koning te vertellen dat jullie een broer hebben? Wat is dit wat jullie gedaan hebben?” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אבינו (avinu) = onze vader | שלח (Shelach) = zend | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנער (hanna'ar) = de jongen | איתנו (ittanu) = met ons | ונרדה (venerdah) = en laten wij afdalen | ונשברה (venishberah) = en wij kopen graan | לך (lekha) = aan jou | אוכל (ukhal) = voedsel | למחייתנו (limchyatenu) = tot ons levensonderhoud | ולא (velo) = en niet | נמות (namut) = zullen wij sterven | ברעב (bara'av) = van honger | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | למה (lammah) = waarom | הרעותם (hare'otem) = hebben jullie slecht gehandeld | לי (li) = mij | להגיד (lehaggid) = om te vertellen | למלך (lammelekh) = bij de koning | כי (ki) = dat | יש (yesh) = er is | לכם (lakhem) = voor jullie | אח (ach) = broer | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **52:19** Juda zei tegen Jakob, zijn vader: „Geef de jongen in mijn hand, dan staan wij op en dalen af naar Egypte, kopen voedsel en komen terug. En het zal zijn, wanneer wij terugkomen en de jongen niet met ons is, dan zal ik al de dagen tegen je zondigen. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביו (aviv) = zijn vader | תנה (tenah) = geef | הנער (hanna'ar) = de jongen | בידי (beyadi) = in mijn hand | ונקומה (venequmah) = en laten wij opstaan | ונרדה (venerdah) = en laten wij afdalen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ונשברה (venishberah) = en wij kopen graan | אוכל (ukhal) = voedsel | ונבוא (venavo) = en laat ons terugkomen | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בבואנו (bevo'enu) = wanneer wij komen | ואין (veein) = en niet | הנער (hanna'ar) = de jongen | איתנו (ittanu) = met ons | וחטאתי (vechatati) = en ik zal zondigen | לך (lekha) = tegen jou | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:8–9 (Juda: ‘Ik sta borg voor hem… als ik hem niet bij je breng, zal ik al de dagen schuldig zijn’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 43:8–9; Gen 43:9 **52:20** Heb je al onze kleine kinderen gezien, huilend over je van honger, terwijl het niet in de macht van je handen ligt? Laat nu je ontferming over hen bewogen worden en zend onze broer met ons, dan zullen wij gaan. Brontekst: הראית (hare'ita) = heb je gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ילדינו (yaldenu) = onze kinderen | הקטנים (haqetanim) = de kleine | בוכים (bokhim) = huilend | עליך (aleikha) = jou | ברעב (bara'av) = van honger | ואין (veein) = en er is niet | לאל (la'el) = macht | ידיך (yadekha) = je handen | עתה (attah) = nu | יכמרו (yikamru) = laten bewogen worden | נא (na) = toch | רחמיך (rachameykha) = je ontferming | עליהם (aleihem) = over hen | ושלחה (veshilchah) = en zend | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | איתנו (ittanu) = met ons | והלכנו (vehalakhnu) = en wij zullen gaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **52:21** Waar is dan de goedertierenheid van Yahweh met onze vaders bij jou, als je zegt dat de koning van Egypte je zoon zal nemen? Zo waar Yahweh leeft, ik zal desnoods voor hem sterven, tot ik hem breng en hem voor je neerzet. Maar bid toch voor ons tot Yahweh, onze Elohim, dat Hij goedertierenheid met ons doet en ons gunst en goedertierenheid geeft voor de koning van Egypte en zijn mannen. Want als wij niet getreuzeld hadden, waren wij nu al tweemaal bij je teruggekeerd met je zonen.” Brontekst: ואיה (ve'ayyeh) = en waar is | חסד (chesed) = goedertierenheid | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבותינו (avotenu) = onze vaders | איתך (ittekha) = bij jou | אשר (asher) = dat | תאמר (tomar) = zeg je | כי (ki) = dat | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | יקח (yiqqach) = neemt | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנך (bincha) = je zoon | חי (chai) = zo waar leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לו (lo) = desnoods | אמות (amut) = sterf ik | עליו (alav) = om hem | עד (ad) = tot | הביאותיו (havioativ) = ik hem breng | והצגתיו (vehitsagtiv) = en ik stel hem | לפניך (lefanekha) = voor je | אך (akh) = maar | התפלל (hitpallel) = bid | נא (na) = toch | בעדינו (ba'adenu) = voor ons | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | ויעשה (veya'aseh) = en dat Hij doet | איתנו (ittanu) = met ons | חסד (chesed) = goedertierenheid | לתננו (letitenenu) = ons te geven | לחן (lechen) = tot gunst | ולחסד (velechesed) = en tot goedertierenheid | לפני (lifnei) = voor | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | כי (ki) = want | לולי (lule) = ware het niet | התמהמנו (hitmahmahnu) = wij hadden getreuzeld | כי (ki) = want | עתה (attah) = nu | שבנו (shavnu) = wij waren teruggekeerd | זה (ze) = al | פעמיים (pa'amayim) = tweemaal | אליך (elekha) = tot je | עם (im) = met | בניך (banekha) = je zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:10 (‘Want als wij niet getreuzeld hadden, waren wij nu al tweemaal teruggekeerd’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 43:10 ### Jakobs zegen **52:22** Jakob zei tegen zijn zonen: „Op Yahweh, mijn Elohim, vertrouw ik dat Hij jullie zal redden en jullie gunst zal geven in de ogen van de koning van Egypte en in de ogen van al zijn mannen. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | ביהוה (bYahweh) = op | אלוקיי (elohai) = mijn Elohim | אבטח (evtach) = vertrouw ik | אשר (asher) = dat | יציל (yatsil) = zal redden | אתכם (etkhem) = jullie | ונתן (venatan) = en zal geven | אתכם (etkhem) = jullie | לחן (lechen) = gunst | בעיני (be'einei) = in de ogen van | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | כל (kol) = alle | אנשיו (anashav) = zijn mensen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: לחם (‘brood’) staat er; gelezen als לחן, ‘gunst’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘give you favor’). Zie Gen. 43:14. Zie ook: Gen 43:14 **52:23** Nu dan, sta op en ga naar de man. Neem voor hem in jullie hand een geschenk van wat in dit land te vinden is, en breng het voor hem. En moge El Sjaddai jullie ontferming bij hem geven, zodat hij jullie Benjamin en Simeon, jullie broer, laat gaan.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | קומו (qumu) = sta op | ולכו (ulkhu) = en gaat | אל (el) = naar | האיש (ha'ish) = de man | וקחו (uqchu) = en neem | לו (lo) = voor hem | בידכם (beyedkhem) = in jullie hand | מנחה (minchah) = geschenk | מן (min) = van | הנמצא (hanimtsa) = wat gevonden wordt | בארץ (ba'arets) = in het land | הזאת (hazzo't) = deze | והביאו (vehevi'u) = en breng | לפניו (lefanav) = voor hem | ואל (ve'el) = en El | ש-די (shaddai) = Sjaddai | יתן (yitten) = geve | לכם (lakhem) = jullie | רחמים (rachamim) = ontferming | לפניו (lefanav) = voor hem | ושלח (veShelach) = en hij zende | לכם (lakhem) = jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שמעון (Shim'on) = Simeon | אחיכם (acheikhem) = jullie broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:11–14 (neem een geschenk mee; ‘El Sjaddai geve jullie ontferming voor die man, en hij zende jullie andere broer en Benjamin’). Zie ook: Gen 43:11–14 **52:24** Alle mannen stonden op en namen Benjamin, hun broer. Een groot geschenk van het beste van het land Kanaän namen zij in hun hand, en zij namen ook dubbel zilver. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | אחיהם (achihem) = hun broer | ומנחה (umnchah) = en een geschenk | גדולה (gedolah) = grote | מזמרת (mizimrat) = van de beste vruchten van | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | לקחו (laqchu) = zij namen | בידם (beyadam) = in hun hand | וגם (vegam) = en ook | משנה (mishneh) = dubbel | כסף (kesef) = zilver | לקחו (laqchu) = zij namen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:15 (zij namen het geschenk, dubbel zilver en Benjamin). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 43:15 **52:25** Jakob gebood zijn zonen zeer over Benjamin: „Let op hem op de weg die jullie gaan, en scheid je niet van hem, niet onderweg en niet in Egypte.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = — | בניו (banav) = zijn zonen | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = over | בנימין (binyamin) = Benjamin | השמרו (hishamru) = let op | בו (bo) = hem | בדרך (baderekh) = onderweg | אשר (asher) = die | תלכו (telekhu) = zullen jullie gaan | בה (bah) = daarop | ואל (ve'el) = en niet | תתפרדו (tetpardu) = jullie scheiden | מעמו (meimmo) = van hem | גם (gam) = ook | בדרך (baderekh) = onderweg | גם (gam) = ook | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Jakobs gebed **52:26** Jakob stond op van zijn zonen, spreidde zijn handen uit en bad tot Yahweh voor zijn zonen: „Yahweh, Elohim van de hemel en Elohim van de aarde, gedenk Abraham, onze vader, en Uw verbond met hem, en gedenk Isaak, mijn vader, en handel goedertieren met mijn zonen en lever hen niet uit in de hand van de koning van Egypte. Doe het toch, mijn Elohim, om Uw ontferming: verlos al mijn zonen en red hen uit de hand van Egypte, en laat hen hun twee broers zenden.” Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאת (me'et) = van bij | בניו (banav) = zijn zonen | ויפרוש (vayifros) = en hij spreidde uit | כפיו (kappav) = zijn handen | ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעד (ba'ad) = voor | בניו (banav) = zijn zonen | לאמור (lemor) = zeggende | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | השמים (hashamayim) = de hemel | ואלוקי (ve'elohei) = en Elohim van | הארץ (ha'arets) = de aarde | זכור (zekhor) = gedenk | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | אבינו (avinu) = onze vader | את (et) = (lijdend voorwerp) | בריתך (beritkha) = Uw verbond | אותו (oto) = met hem | וזכור (vezakhor) = en gedenk | ליצחק (leyitschaq) = aan Isaak | אבי (avi) = mijn vader | ועשה (ve'asah) = en handel | חסד (chesed) = goedertierenheid | עם (im) = met | בניי (banay) = mijn zonen | ואל (ve'el) = en niet | תתנם (titenem) = lever hen uit | ביד (beyad) = in de hand van | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עשה (asah) = doe | נא (na) = toch | אלוקיי (elohai) = mijn Elohim | למען (lema'an) = omwille van | רחמיך (rachameykha) = Uw ontferming | ופדה (ufdeh) = en verlos | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בניי (banay) = mijn zonen | והצילם (vehatsilem) = en red hen | מיד (miyyad) = uit de hand van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישלחו (vayishlechu) = en laat hen zenden | להם (lahem) = hun | את (et) = (lijdend voorwerp) | שני (shenei) = twee | אחיהם (achihem) = hun broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 43:14 **52:27** Ook alle vrouwen van de zonen van Jakob en hun kinderen hieven allen hun ogen op naar de hemel, en zij weenden allen tot Yahweh en riepen om hun vaders te redden uit de hand van de koning van Egypte. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | נשי (neshei) = vrouwen van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וילדיהם (veyaldeihem) = en hun kinderen | נשאו (nasu) = hieven op | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניהם (eineihem) = hun ogen | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | כולם (kullam) = allen | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויצעקו (vayits'aqu) = en riepen | להציל (lehatsil) = om te redden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבותם (avotam) = hun vaders | מכף (mikkaf) = uit de hand van | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De brief aan Jozef **52:28** Jakob schreef een brief aan de koning van Egypte en gaf die in de hand van Juda en in de hand van zijn zonen, voor de koning van Egypte. Hij schreef: Brontekst: ויכתוב (vayikhtov) = en hij schreef | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ספר (sefer) = brief | אל (el) = aan | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויתנה (vayittenah) = en gaf die | ביד (beyad) = in de hand van | יהודה (Yehudah) = Juda | וביד (uvyad) = en in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen | אל (el) = tot | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 43:14 **52:29** „Van je dienaar Jakob, zoon van Isaak, zoon van Abraham, de Hebreeër, vorst van Elohim, aan de machtige en wijze koning Safnat-Paänea, koning van Egypte: vrede. Brontekst: מאת (me'et) = van | עבדך (avdekha) = je dienaar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בן (ben) = zoon van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בן (ben) = zoon van | אברהם (avraham) = Abraham | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | נשיא (nasi) = vorst | אלוקים (Elohim) = Elohim | אל (el) = aan | המלך (hammelekh) = de koning | האדיר (haaddir) = de machtige | והחכם (vehachakham) = en wijze | צפנת (tsafnat) = Safnat | פענח (pa'neach) = Paänea | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | שלום (shalom) = vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:45 (de farao noemde Jozef Safnat-Paänea) en Gen. 23:6 (de Hetieten noemden Abraham ‘een vorst van Elohim’, נשיא אלוהים). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 23:6; Gen 41:45 **52:30** Het zij bekend aan mijn heer, de koning van Egypte, dat de honger zwaar op ons ligt in het land Kanaän. Ik heb mijn zonen naar je gezonden om voor ons een beetje voedsel van je te kopen voor ons levensonderhoud. Brontekst: ידוע (yadua) = bekend | יהיה (yihyeh) = moge zijn | לאדוני (la'doni) = aan mijn heer | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = dat | חזק (chazaq) = zwaar | עלינו (aleinu) = over ons | הרעב (hara'av) = de honger | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ושלחתי (veshalachti) = en ik heb gezonden | אליך (elekha) = naar je | בניי (banay) = mijn zonen | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | לנו (lanu) = voor ons | מעט (me'at) = weinig | אוכל (ukhal) = voedsel | מאיתך (me'itkha) = van jou | למחייתנו (limchyatenu) = voor ons levensonderhoud Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **52:31** Want ik ben omringd door zeventig zielen, mijn zonen, en ik ben zeer oud; ik zie niet met mijn ogen, want ze zijn zwaar geworden van hoge ouderdom. Ook huil ik elke dag onophoudelijk om mijn zoon Jozef, die ik kwijtgeraakt ben. Ik gebood mijn zonen dat zij niet samen door de poorten van de stad zouden binnengaan wanneer zij naar Egypte kwamen, vanwege de bewoners van het land. Brontekst: כי (ki) = want | אני (ani) = ik | סבבוני (sevavuni) = omringden mij | בשבעים (bishv'im) = met zeventig | נפש (nefesh) = zielen | בניי (banay) = mijn zonen | ואני (va'ani) = en ik | זקן (zaqen) = oud | מאוד (me'od) = zeer | אינני (eneni) = ik ben niet | רואה (ro'eh) = ziend | בעיניי (be'einai) = met mijn ogen | כי (ki) = want | כבדו (kavedu) = zijn zwaar geworden | מזוקן (mize'qen) = van ouderdom | מאוד (me'od) = zeer | וגם (vegam) = en ook | בוכה (bokheh) = wenend | בכל (bekhol) = in elke | יום (yom) = dag | תמיד (tamid) = steeds | על (al) = om | בני (bnei) = mijn zoon | יוסף (Yosef) = Jozef | אשר (asher) = die | נאבד (ne'evad) = verloren ging | מלפניי (millefanay) = van voor mij | ואצווה (va'atsavveh) = en ik gebood | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניי (banay) = mijn zonen | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | יבואו (yavo'u) = zij binnenkomen | יחד (yachad) = samen | בשערי (bish'arei) = door de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | בבואם (bevo'am) = toen zij kwamen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | מפני (mippenei) = vanwege | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בשבעים נפש בניי (‘met zeventig zielen, mijn zonen’): de Engelse vertaling heeft alleen ‘my sons surrounded me’. **52:32** Ook heb ik hun geboden om door Egypte rond te gaan en mijn zoon Jozef te zoeken, misschien zouden zij hem daar vinden; en zij deden zo. En je hebt hen als spionnen van het land beschouwd. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כי (ki) = dat | ציויתים (tsivitim) = ik heb hen geboden | להתהלך (lehithalekh) = rond te gaan | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ולבקש (uleva-qesh) = en te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | יוסף (Yosef) = Jozef | אולי (ulai) = misschien | ימצאוהו (yimtseuhu) = zij hem vinden | שמה (shemah) = daar | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo | ותתנם (vatitnem) = en je hebt hen beschouwd | אתה (attah) = jij | כמרגלים (kimragelim) = als spionnen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **52:33** Hebben wij niet over je gehoord dat je wijs en zeer verstandig bent? Zie je hun gezichten niet, hoe zij spionnen zouden zijn? Er is ook gehoord dat je de droom van de farao hebt uitgelegd, hem in deze honger hebt laten weten voordat die kwam, en juist tot hem hebt gesproken. Hoe weet je dan in je wijsheid niet of mijn zonen spionnen zijn of niet? Brontekst: הלא (halo) = niet | שמענו (shamanu) = wij hebben gehoord | עליך (aleikha) = jou | כי (ki) = dat | אתה (attah) = jij | חכם (chakham) = wijs | ונבון (venavon) = en verstandig | מאוד (me'od) = zeer | הלא (halo) = niet | תראה (tir'eh) = zie je | את (et) = (lijdend voorwerp) | פניהם (penehem) = hun gezichten | איך (ekh) = hoe | יהיו (yihyu) = zij zouden zijn | מרגלים (meraglim) = spionnen | עם (im) = ook | כי (ki) = dat | שמע (shema) = het is gehoord | ואשר (va'asher) = en dat | פתרת (patarta) = je hebt uitgelegd | אתה (attah) = jij | את (et) = (lijdend voorwerp) | חלום (chalom) = droom van | פרעה (par'oh) = Farao | ותודיעהו (vatodiehu) = en je liet hem weten | ברעב (bara'av) = over de honger | הזה (hazzeh) = deze | טרם (terem) = voordat | יבוא (yavo) = het komt | ותדבר (vatedabber) = en je sprak | אליו (elav) = tegen hem | נכונה (nekhonah) = juist | ואיך (ve'ekh) = en hoe | לא (lo) = niet | תדע (teda) = weet je | בחוכמתך (bechokhmatkha) = in je wijsheid | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניי (banay) = mijn zonen | המרגלים (hameragelim) = de spionnen | הם (hem) = zijn | אם (em) = of | לא (lo) = niet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: עם כי שמע (‘met dat gehoord’) staat er; gelezen als ‘er is ook gehoord’. Zie Gen. 41:25–36 (Jozef legde de droom van de farao uit). Zie ook: Gen 41:25–36 **52:34** Nu dan, mijn heer en koning, zie, ik heb mijn zoon Benjamin voor je aangezicht gezonden, zoals je tot mijn zonen hebt gesproken. Ik smeek je aangezicht: leg je oog op hem, tot ik hem in vrede bij mij terugbreng, met zijn broers. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | הנה (hinneh) = zie | שלחתי (shalachti) = ik heb gezonden | לפניך (lefanekha) = voor je | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | בני (bnei) = mijn zoon | כאשר (ka'asher) = zoals | דיברת (dibbarta) = je hebt gesproken | אל (el) = tegen | בניי (banay) = mijn zonen | אחלה (achaleh) = ik smeek | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | פניך (panekha) = je aangezicht | אשר (asher) = dat | תשים (tasim) = je legt | עינך (enkha) = je oog | עליו (alav) = op hem | עד (ad) = tot | השיבותיו (hashivotiv) = ik hem terugbreng | אליי (elai) = naar mij | בשלום (beshalom) = in vrede | עם (im) = met | אחיו (achiv) = zijn broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Wat Elohim deed voor Abraham **52:35** Weet je niet, of heb je niet gehoord, wat onze Elohim aan de farao deed toen hij Sara, mijn moeder, nam, en wat Hij deed aan Abimelech, de koning van de Filistijnen, vanwege haar? En ook wat Abraham, onze vader, deed aan de negen koningen van Elam, hoe hij hen allen doodde met een klein aantal mannen dat bij hem was? Brontekst: והלא (vehalo) = en niet | ידעת (yada'ta) = weet je | אם (em) = of | לא (lo) = niet | שמעת (shamata) = je hebt gehoord | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = heeft gedaan | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | לפרעה (lefar'oh) = aan Farao | בקחתו (beqachto) = toen hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרה (sarah) = Sarah | אמי (immi) = mijn moeder | ואשר (va'asher) = en wat | עשה (asah) = heeft gedaan | לאבימלך (le'avimelekh) = aan Abimelech | מלך (malakh) = koning van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | עליה (aleha) = om haar | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = heeft gedaan | אברהם (avraham) = Abraham | אבינו (avinu) = onze vader | לתשעה (latishah) = aan de negen | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam | אשר (asher) = dat | המית (hemit) = doodde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כולם (kullam) = allen | במתי (bimtei) = met weinig | מספר (mispar) = getal | אנשים (anashim) = mannen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = waren | איתו (ito) = met hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:15–17 (de farao nam Sara), Gen. 20:2–3 (Abimelech) en Gen. 14:14–16 (Abraham versloeg met een klein aantal mannen de koningen van het oosten). Sara was Jakobs grootmoeder; ‘mijn moeder’ staat er ook in de Engelse vertaling. Het getal negen wijkt af van Gen. 14, waar vier koningen tegenover vijf stonden. Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie ook: Gen 12:15–17; Gen 14:14–16; Gen 20:2–3 **52:36** En ook wat Simeon en Levi, mijn twee zonen, deden aan de acht steden van de Amorieten, die zij verwoestten vanwege Dina, hun zus? Brontekst: וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | עשו (asu) = deden | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | שני (shenei) = twee | בניי (banay) = mijn zonen | לשמונה (lishmonah) = aan acht | ערי ('eri) = steden van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | אשר (asher) = die | החריבו (hecheribu) = verwoestten | אתהן (ottehen) = hen | בעבור (ba'avur) = vanwege | דינה (Dinah) = Dina | אחותם (achotam) = hun zus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:25–27 (Simeon en Levi sloegen de mannen van Sichem vanwege Dina). Gen. 34 noemt één stad; hier staan ‘acht steden van de Amorieten’, zoals ook in de Engelse vertaling. Zie ook: Gen 34:25–27 **52:37** En zelfs om Benjamin, hun broer, door wie zij zich getroost hebben over Jozef, zijn broer — wat zullen zij voor hem doen wanneer zij zien dat de hand van iemand uit het volk over hen sterk wordt om hem? Brontekst: ואף (ve'af) = en zelfs | בעבור (ba'avur) = vanwege | בנימין (binyamin) = Benjamin | אחיהם (achihem) = hun broer | אשר (asher) = die | התנחמו (hitnachamu) = zij troostten zich | בו (bo) = door hem | על (al) = over | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיו (achiv) = zijn broer | מה (mah) = wat | יעשו (ya'asu) = zullen zij doen | עליו (alav) = om hem | בראותם (bir'otam) = wanneer zij zien | כי (ki) = dat | תגבר (tigbar) = zal sterk worden | יד (yad) = hand van | אחד (echad) = één van | העם (ha'am) = het volk | עליהם (aleihem) = over hen | בעבורו (baavuro) = om hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **52:38** Weet je niet, koning van Egypte, dat de macht van onze Elohim met ons is, en dat onze Elohim altijd ons gebed hoort, want Hij verlaat ons al de dagen niet? Brontekst: הלא (halo) = niet | ידעת (yada'ta) = weet je | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = dat | גבורת (gevurat) = de macht van | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | איתנו (ittanu) = met ons | וגם (vegam) = en ook | שומע (shome'a) = hoort | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | תפילתינו (tefilatenu) = ons gebed | תמיד (tamid) = steeds | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יעזבנו (yaazvenu) = Hij verlaat ons | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **52:39** Zo waar Yahweh leeft: toen mijn zonen mij je daden met hen vertelden, had ik tot Yahweh over jou geroepen, dan was je met je mannen omgekomen, voordat mijn zoon Benjamin voor je kwam. Maar ik zei: ‘Mijn zoon Simeon is in je huis, misschien doe je hem goed.’ Daarom heb ik je dit niet gedaan. Brontekst: חי (chai) = zo waar leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = dat | בהגיד (behagid) = toen vertelden | בניי (banay) = mijn zonen | אליי (elai) = tot mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשיך (ma'asekha) = je daden | איתם (ittam) = met hen | לו (lo) = indien | קראתי (qarati) = ik had geroepen | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עליך (aleikha) = jou | כי (ki) = want | אז (az) = dan | נאבדת (neevadta) = je zou zijn omgekomen | עם (im) = met | אנשיך (anashekha) = je mannen | טרם (terem) = voordat | בא (ba) = kwam | בנימין (binyamin) = Benjamin | בני (bnei) = mijn zoon | לפניך (lefanekha) = voor je | אך (akh) = maar | אמרתי (imrati) = ik zei | כי (ki) = dat | שמעון (Shim'on) = Simeon | בני (bnei) = mijn zoon | בביתך (bevetekha) = in je huis | אולי (ulai) = misschien | טובה (tovah) = goed | תעשה (ta'aseh) = je doet | איתו (ito) = met hem | על (al) = daarom | כן (ken) = zo | לא (lo) = niet | עשיתי (asiti) = heb ik gedaan | לך (lekha) = aan jou | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **52:40** Nu dan, zie, mijn zoon Benjamin komt naar je toe met mijn zonen. Let op hem en leg je oog op hem, dan zal onze Elohim zijn ogen op jou leggen in heel je koninkrijk. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הנה (hinneh) = zie | בני (bnei) = mijn zoon | בנימין (binyamin) = Benjamin | בא (ba) = komt | אליך (elekha) = tot je | עם (im) = met | בניי (banay) = mijn zonen | השמר (hishamer) = let op | לך (lekha) = jezelf | בו (bo) = hem | ושים (vesim) = en leg | עינך (enkha) = je oog | עליו (alav) = op hem | וישים (veyasim) = dan zal leggen | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניו (einav) = zijn ogen | עליך (aleikha) = op jou | בכל (bekhol) = in heel | מלכותך (malkhutkha) = je koninkrijk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **52:41** Nu, zie, ik heb je gezegd wat in mijn hart is, en zie, mijn zonen komen naar je toe met hun broer. Zie toch om hunnentwil het aangezicht van heel het land, en zend hen in vrede met hun broer terug.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הנה (hinneh) = zie | הגדתי (higadti) = ik heb verteld | לך (lekha) = aan jou | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עם (im) = in | לבבי (libbi) = mijn hart | והנה (vehinneh) = en zie | בניי (banay) = mijn zonen | באים (va'im) = komen | אליך (elekha) = tot je | עם (im) = met | אחיהם (achihem) = hun broer | ראה (ra'ah) = zie | נא (na) = toch | בעדם (ba'adam) = omwille van hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | פני (pnei) = aangezicht van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | ושלחתם (ushlachtem) = en zend hen | עם (im) = met | אחיהם (achihem) = hun broer | לשלום (leshalom) = in vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De brief wordt meegegeven **52:42** Jakob gaf de brief aan zijn zonen, in de hand van Juda, om hem aan de koning van Egypte te geven. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | הספר (hassefer) = de brief | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | ביד (beyad) = in de hand van | יהודה (Yehudah) = Juda | לתתה (letitah) = om die te geven | למלך (lammelekh) = aan de koning | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: De brief (ספר) wordt hier aan Juda meegegeven; in Gen. 43 komt geen brief voor. ## Jasher 53 _De beker van Jozef_ ### Benjamin bij Jozef **53:1** De zonen van Jakob stonden op, namen Benjamin en heel het geschenk, gingen heen, kwamen in Egypte en stonden voor Jozef. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | המנחה (haminchah) = het geschenk | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **53:2** Jozef zag Benjamin, zijn broer, bij hen en groette hen, en die mannen kwamen in het huis van Jozef. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יוסף (Yosef) = Jozef | איתם (ittam) = met hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | אחיו (achiv) = zijn broer | ויתן (vayitten) = en gaf | יוסף (Yosef) = Jozef | אליהם (aleihem) = tot hen | שלום (shalom) = vrede | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | ביתה (baytah) = naar het huis van | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:15–16 (Jozef zag Benjamin bij hen en zei tegen degene die over zijn huis was: breng die mannen naar huis). Zie ook: Gen 43:15–16; Gen 43:16 **53:3** Jozef gebood degene die over zijn huis was gesteld, om voor hen vlees te slachten om te eten, en hij deed zo. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = — | אשר (asher) = hem die | על (al) = over | ביתו (beito) = zijn huis | לטבוח (litbo'ach) = te slachten | להם (lahem) = hun | טבח (Tevach) = vlees | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ויעש (vayya'as) = en hij deed | להם (lahem) = hun | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Simeon komt vrij **53:4** Rond het middaguur zond Jozef naar de mannen om met Benjamin voor hem te komen. De mannen vertelden aan de man die over het huis van Jozef was gesteld de zaak van het zilver dat in hun zakken was teruggebracht, en hij zei tegen hen: „Vrede voor jullie, vrees niet.” Hij bracht Simeon, hun broer, naar hen uit. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצהריים (batsohorayim) = op het middaguur | וישלח (vayishlach) = en hij zond | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | האנשים (ha'anashim) = de mannen | לבוא (lavo) = te komen | לפניו (lefanav) = voor hem | עם (im) = met | בנימין (binyamin) = Benjamin | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אל (el) = aan | האיש (ha'ish) = de man | אשר (asher) = die | על (al) = op | בית (bet) = het huis van | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבר (davar) = de zaak van | הכסף (hakkesef) = het zilver | המושב (hamushav) = dat teruggebracht was | באמתחותיהם (beamtechoteihem) = in hun zakken | ויאמר (vayomer) = en hij zei | להם (lahem) = hun | שלום (shalom) = vrede | לכם (lakhem) = voor jullie | אל (el) = niet | תיראו (tire'u) = vrees | ויוציא (veyotsi) = en hij bracht uit | אליהם (aleihem) = naar hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמעון (Shim'on) = Simeon | אחיהם (achihem) = hun broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:16–23 (de rentmeester: ‘Vrede voor jullie, vrees niet’; en hij bracht Simeon naar hen uit). Zie ook: Gen 43:16–23; Gen 43:23 **53:5** Simeon zei tegen zijn broers: „Grote goedheid heeft de heer van Egypte aan mij bewezen; hij hield mij niet gebonden, zoals jullie met je eigen ogen gezien hebben. Want toen jullie de stad uitgingen, bracht hij mij naar buiten en deed mij goed in zijn huis.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | שמעון (Shim'on) = Simeon | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | טובה (tovah) = goedheid | רבה (rabbah) = grote | עשה (asah) = heeft gedaan | איתי (itti) = met mij | אדוני (adoni) = heer van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | גם (gam) = ook | לא (lo) = niet | אסרני (asarani) = bond mij | כאשר (ka'asher) = zoals | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | בעינכם (beeinkhem) = met jullie ogen | כי (ki) = want | בצאתכם (betse'tekhem) = toen jullie uitgingen | מהעיר (mehair) = uit de stad | הוציא (hotsi) = bracht mij naar buiten | אותי (oti) = mij | ויעש (vayya'as) = en hij deed | איתי (itti) = bij mij | טובה (tovah) = goedheid | בביתו (beveyto) = in zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **53:6** Juda nam Benjamin bij de hand, en zij kwamen voor Jozef en bogen zich voor hem neer, met het gezicht naar de grond. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | בידו (beyado) = in zijn hand | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | אפיים (appayim) = met het gezicht | ארצה (artsah) = naar het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 43:26 **53:7** De mannen gaven het geschenk aan Jozef, en zij gingen allen voor hem zitten. Hij zei tegen hen: „Gaat het goed met jullie? Gaat het goed met jullie kinderen? Gaat het goed met jullie oude vader?” Zij zeiden: „Goed.” Toen nam Juda de brief die Jakob had gezonden en gaf die in de hand van Jozef. Brontekst: ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | האנשים (ha'anashim) = de mannen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המנחה (haminchah) = het geschenk | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | וישבו (vayeshvu) = en zij gingen zitten | כולם (kullam) = allen | לפניו (lefanav) = voor hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יוסף (Yosef) = Jozef | השלום (hashalom) = is het goed | לכם (lakhem) = met jullie | השלום (hashalom) = is het goed | לבניכם (livnekhem) = met jullie kinderen | השלום (hashalom) = is het goed | לאביכם (leavikhem) = met jullie vader | הזקן (hazzaqen) = de oude | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | שלום (shalom) = goed | ויקח (vayikkach) = en hij nam | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (lijdend voorwerp) | הספר (hassefer) = de brief | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = had gezonden | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויתנהו (vayittenehu) = en hij gaf het | ביד (beyad) = in de hand van | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jozef weent **53:8** Jozef las de brief, herkende het schrift van zijn vader, en wilde wenen, maar kon zich niet bedwingen. Hij ging naar de kamer, weende luid en ging weer naar buiten. Brontekst: ויקרא (vayikra) = en las | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | הספר (hassefer) = de brief | ויכר (vayakker) = en herkende | את (et) = (lijdend voorwerp) | מכתב (mikhtav) = het schrift van | אביו (aviv) = zijn vader | ויבקש (vayevaqqesh) = en hij wilde | לבכות (livkot) = te wenen | ולא (velo) = en niet | יוכל (yukhal) = hij kon | להתאפק (lehit'apeq) = zich te bedwingen | וילך (vayelekh) = en hij ging | החדרה (hachadrah) = naar de kamer | ויבך (vayevk) = en weende | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | ויצא (vayetse) = en hij ging naar buiten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:30 (Jozef haastte zich, want zijn medelijden was ontbrand over zijn broer; hij ging zijn kamer binnen en weende daar). Zie ook: Gen 43:30 **53:9** Hij sloeg zijn ogen op, zag Benjamin, zijn broer, en zei: „Is dit jullie broer van wie jullie tot mij gesproken hebben?” Benjamin kwam dichterbij, voor Jozef; Jozef legde zijn hand op zijn hoofd en zei tegen hem: „Elohim zal je genadig zijn, mijn zoon.” Brontekst: וישא (vayissa) = en hij hief op | עיניו (einav) = zijn ogen | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | אחיו (achiv) = zijn broer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הזה (hazzeh) = is dit | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | אשר (asher) = die | אמרתם (amartem) = jullie hebben gezegd | אליי (elai) = tot mij | ויגש (vayyigash) = en hij naderde | בנימין (binyamin) = Benjamin | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | ויתן (vayitten) = en gaf | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידו (yado) = zijn hand | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = tot hem | אלוקים (Elohim) = Elohim | יחנך (yichnekha) = zal je genadig zijn | בני (bnei) = mijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:29 (‘Elohim zij je genadig, mijn zoon’). Zie ook: Gen 43:29 **53:10** Toen Jozef zijn broer zag, de zoon van zijn moeder, wilde hij voor de tweede keer wenen. Hij ging de kamer in, weende daar, waste zijn gezicht en ging naar buiten. Hij bedwong zich en zei: „Zet brood neer.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen hij zag | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broer | בן (ben) = zoon van | אמו (immo) = zijn moeder | ויבקש (vayevaqqesh) = en wilde | לבכות (livkot) = te wenen | שנית (sheinit) = voor de tweede keer | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | החדרה (hachadrah) = naar de kamer | ויבך (vayevk) = en weende | שמה (shemah) = daar | וירחץ (vayirchats) = en hij waste | פניו (panav) = zijn aangezicht | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | ויתאפק (veyit'apeq) = en bedwong zich | ויאמר (vayomer) = en hij zei | שימו (simu) = zet | לחם (lechem) = brood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De beker **53:11** Jozef had een beker in zijn hand waaruit hij dronk, van zilver, zeer mooi ingelegd met sjohamstenen en bedolach. Jozef sloeg op die beker voor de ogen van zijn broers, terwijl zij met hem zaten te eten. Brontekst: ויהי (vayehi) = en er was | ביד (beyad) = in de hand van | יוסף (Yosef) = Jozef | גביע (gavia) = een beker | אשר (asher) = die | ישתה (yishteh) = hij dronk | בו (bo) = daaruit | והוא (vehu) = en die | מכסף (mikkesef) = van zilver | רצוף (ratsuf) = ingelegd | באבני (be'avnei) = met stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | טוב (tov) = mooi | מאוד (me'od) = zeer | ויך (vayyakh) = en sloeg | יוסף (Yosef) = Jozef | בגביע (bagavia) = op de beker | ההוא (hahu) = die | לעיני (le'einei) = voor de ogen van | אחיו (achiv) = zijn broers | בשבתם (beshivtam) = toen zij zaten | לאכול (le'ekhol) = om te eten | איתו (ito) = met hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:2 (‘mijn beker, de zilveren beker’) en Gen. 2:12 (bedolach en sjohamsteen). Dat Jozef op de beker sloeg, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 2:12; Gen 43:33; Gen 44:2 **53:12** Jozef zei tegen de mannen: „Door deze beker weet ik dat Ruben de eerstgeborene is. En Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon zijn zonen van één moeder. Ga zitten om te eten in de volgorde waarin jullie geboren zijn.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ידעתי (yada'ti) = ik weet | בגביע (bagavia) = door de beker | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = dat | ראובן (Re'uven) = Ruben | הבכור (habbekhor) = de eerstgeborene | ושמעון (veShim'on) = en Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ויהודה (vihudah) = en Juda | ויששכר (veyissakhar) = en Issachar | וזבולון (uzvulun) = en Zebulon | בני (bnei) = zonen van | אם (em) = een moeder | אחת (achat) = één | שבו (shavu) = zit | לכם (lakhem) = jullie | לאכול (le'ekhol) = om te eten | כאשר (ka'asher) = zoals | יולדתם (yoladtem) = jullie geboren zijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:33 (zij zaten voor hem, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte en de jongste naar zijn jeugd). Zie ook: Gen 43:33 **53:13** Ook de anderen liet hij zitten naar hun geboorte. Hij zei: „Ik weet dat deze jongste broer van jullie geen broer heeft, en ik heb, net als hij, geen broer. Laat hem daarom bij mij zitten eten.” Brontekst: ויושב (vayoshev) = en hij liet zitten | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | האחרים (ha'acherim) = de anderen | כתולדותם (ketoldotam) = volgens hun geboorte | ויאמר (vayomer) = en hij zei | ידעתי (yada'ti) = ik weet | כי (ki) = dat | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | הקטן (haqqaton) = de jongste | הזה (hazzeh) = deze | אין (ein) = er is niet | לו (lo) = voor hem | אח (ach) = broer | ואני (va'ani) = en ik | כמוהו (kamohu) = zoals hij | אין (ein) = er is niet | לי (li) = voor mij | אח (ach) = broer | ישב (yashav) = laat hem zitten | נא (na) = toch | איתי (itti) = bij mij | לאכול (le'ekhol) = om te eten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **53:14** Benjamin ging omhoog voor Jozef en ging op de troon zitten. De mannen zagen wat Jozef deed en verbaasden zich daarover. De mannen aten en dronken in die tijd met Jozef, en hij gaf hun geschenken en porties in die tijd. Jozef gaf Benjamin één portie; Manasse en Efraïm zagen wat hun vader deed en gaven hem ook hun porties, en ook Asenat gaf hem één portie, zodat er vijf porties in de hand van Benjamin waren. Brontekst: ויעל (vayya'al) = en ging omhoog | בנימין (binyamin) = Benjamin | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | וישב (vayyashev) = en ging zitten | על (al) = op | הכיסא (hakkisse) = de troon | ויראו (vayiru) = en zij zagen | האנשים (ha'anashim) = de mannen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשה (ma'aseh) = het doen van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויתמהו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | על (al) = over | ככה (kakhah) = dit | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | וישתו (vayishtu) = en zij dronken | האנשים (ha'anashim) = de mannen | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויתן (vayitten) = en gaf | להם (lahem) = hun | מתנות (mattanot) = geschenken | ומנות (umanot) = en porties | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויוסף (vayosef) = en Jozef | ויתן (vayitten) = en gaf | יוסף (Yosef) = Jozef | לבנימין (livnyamin) = aan Benjamin | מנה (manah) = portie | אחת (achat) = één | ויראו (vayiru) = en zij zagen | מנשה (menasheh) = Manasse | ואפרים (veefrayim) = en Efraïm | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשה (ma'aseh) = het doen van | אביהם (avihem) = hun vader | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | לו (lo) = hem | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | את (et) = (lijdend voorwerp) | מנותיהם (menotehem) = hun porties | וגם (vegam) = en ook | אוסנת (asnat) = Asenat | נתנה (natenah) = gaf | לו (lo) = voor hem | מנה (manah) = portie | אחת (achat) = één | ותהיין (vatihyenah) = en zij waren | ביד (beyad) = in de hand van | בנימין (binyamin) = Benjamin | חמש (chamesh) = vijf | מנות (manot) = porties Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:34 (Benjamins portie was vijfmaal zo groot als die van hen allen) en Gen. 41:45 (Asenat, de vrouw van Jozef). Zie ook: Gen 41:45; Gen 43:34 **53:15** Jozef bracht hun wijn om te drinken, maar zij wilden niet drinken. Zij zeiden: „Sinds de dag dat Jozef, onze broer, van ons verloren ging, hebben wij geen wijn gedronken en geen lekker voedsel gegeten.” Brontekst: ויוציא (veyotsi) = en hij bracht uit | להם (lahem) = hun | יוסף (Yosef) = Jozef | יין (yayin) = wijn | לשתות (lishtot) = om te drinken | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | לשתות (lishtot) = om te drinken | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | מיום (miyyom) = van de dag | אשר (asher) = dat | נאבד (ne'evad) = is verloren gegaan | יוסף (Yosef) = Jozef | אחינו (acheinu) = onze broer | מאיתנו (me'itanu) = van ons | לא (lo) = niet | שתינו (shatinu) = wij hebben gedronken | יין (yayin) = wijn | ולא (velo) = en niet | אכלנו (akhalnu) = wij hebben gegeten | אוכל (ukhal) = voedsel | טוב (tov) = lekker Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **53:16** Jozef zwoer hun en drong zeer bij hen aan, en zij dronken en werden die dag vrolijk met hem. Daarna wendde Jozef zich tot Benjamin, zijn broer, om met hem te spreken; Benjamin zat nog op de troon voor Jozef. Brontekst: וישבע (vayishava) = en zwoer | להם (lahem) = hun | יוסף (Yosef) = Jozef | ויפצר (vayiftsar) = en hij drong aan | בם (vam) = bij hen | מאוד (me'od) = zeer | וישתו (vayishtu) = en zij dronken | וישכרו (vayisk'ru) = en werden vrolijk | עמו (immo) = bij hem | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויפן (vayyifen) = en wendde zich | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | בנימין (binyamin) = Benjamin | אחיו (achiv) = zijn broer | לדבר (laddavar) = om te spreken | איתו (ito) = met hem | ובנימין (uvinyamin) = en Benjamin | עודנו (odenu) = nog | יושב (yoshev) = zittend | על (al) = op | הכיסא (hakkisse) = de troon | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:34 (‘zij dronken en werden vrolijk met hem’; het Hebreeuws heeft וישכרו). Zie ook: Gen 43:34 ### De tien zonen van Benjamin **53:17** Jozef zei tegen hem: „Heb je kinderen verwekt? Heb je zonen?” Benjamin zei: „Je dienaar heeft tien zonen. Dit zijn hun namen: Bela, Becher, Asjbel, Gera, Naäman, Echi, Rosj, Muppim, Chuppim en Ard. Ik noemde hun namen naar alles wat Jozef, mijn broer, overkomen is, die ik niet heb gezien.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | יוסף (Yosef) = Jozef | הילדת (hayaladta) = heb je kinderen verwekt | יש (yesh) = is er | לך (lekha) = voor jou | בנים (banim) = zonen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | בנימין (binyamin) = Benjamin | יש (yesh) = is er | לעבדך (le'avdekha) = voor je dienaar | עשרה (esreh) = tien | בנים (banim) = zonen | ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמותם (shemotam) = hun namen | בלע (bela) = Bela | ובכר (vekhekher) = en Becher | ואשבל (ve'ashbel) = en Asjbel | גרא (gera) = Gera | ונעמן (vena'aman) = en Naäman | אחי (echi) = Echi | וראש (vero'sh) = en Rosj | מופים (mupim) = Muppim | וחופים (vechupim) = en Chuppim | וארד (va'ard) = en Ard | ואקרא (va'eqra) = en ik noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמותם (shemotam) = hun namen | על (al) = naar | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | קרה (qarah) = overkwam | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | אחי (echi) = mijn broer | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ראיתיו (re'itiv) = ik heb hem gezien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:21 (de zonen van Benjamin: Bela, Becher, Asjbel, Gera, Naäman, Echi, Rosj, Muppim, Chuppim en Ard). Zie ook: Gen 46:21 ### Het sterrenwerktuig **53:18** Jozef gebood, en zij brachten voor hem zijn sterrenwerktuig, waarmee Jozef alle tijden kende. Jozef zei tegen Benjamin: „Ik heb gehoord dat de Hebreeën alle wijsheid kennen. Kun je hiervan iets?” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | לפניו (lefanav) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | משטר (mishtar) = de ordening van | הכוכבים (hakkokhavim) = de sterren | אשר (asher) = die | לו (lo) = van hem | אשר (asher) = waarmee | בו (bo) = daarmee | יודע (yode'a) = kent | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | העתים (haitim) = de tijden | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | בנימין (binyamin) = Benjamin | שמעתי (shamati) = ik heb gehoord | כי (ki) = dat | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | יודעים (yodim) = kennen | בכל (bekhol) = in heel | חכמה (chokhmah) = wijsheid | התוכל (hatukhal) = kun je | לדעת (lada'at) = te weten | מאומה (me'umah) = iets | בזה (bazeh) = hiervan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: משטר הכוכבים (‘de ordening van de sterren’): de Engelse vertaling heeft ‘map of the stars’. Zie Job 38:33 (‘Ken je de wetten van de hemel? Stel je zijn heerschappij over de aarde vast?’, משטרו). Zie ook: Job 38:33 **53:19** Benjamin zei: „Ook je dienaar kent alle wijsheid, zoals mijn vader mij geleerd heeft.” Jozef zei tegen Benjamin: „Kijk toch in dit werktuig en ontdek waar je broer Jozef in Egypte is, van wie jullie gezegd hebben dat hij naar Egypte is afgedaald.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | בנימין (binyamin) = Benjamin | גם (gam) = ook | עבדך (avdekha) = je dienaar | ידע (yada) = kent | בכל (bekhol) = in heel | חכמה (chokhmah) = wijsheid | כאשר (ka'asher) = zoals | הורני (horani) = heeft mij geleerd | אבי (avi) = mijn vader | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | בנימין (binyamin) = Benjamin | הבט (habet) = kijk | נא (na) = toch | בזה (bazeh) = in dit | הכלי (hakeli) = het werktuig | והבן (vehaven) = en begrijp | איפה (eifoh) = waar | הוא (hu) = is | אחיך (achikha) = je broer | יוסף (Yosef) = Jozef | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | אשר (asher) = die | אמרתם (amartem) = jullie hebben gezegd | למצרים (leMitsrayim) = naar Egypte | ירד (Yered) = afgedaald is Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **53:20** Benjamin nam dat werktuig, het sterrenwerk van de hemel, en ging verstandig te werk; hij keek erin om te weten waar zijn broer was. Benjamin verdeelde heel het land Egypte in vier delen, en hij vond Jozef, zijn broer, in hem die voor hem op de troon zat; en Benjamin verbaasde zich zeer. Jozef zag dat Benjamin zich zeer verbaasd had en zei tegen hem: „Wat heb je gezien, en waarover verbaas je je?” Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | בנימין (binyamin) = Benjamin | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכלי (hakeli) = het werktuig | ההוא (hahu) = die | את (et) = (lijdend voorwerp) | משטר (mishtar) = de ordening van | כוכבי (kokhevei) = sterren van | השמים (hashamayim) = de hemel | ויתחכם (vayitchakkem) = en handelde wijs | ויבט (vayabet) = en hij keek | בו (bo) = daarin | לדעת (lada'at) = om te weten | איפה (eifoh) = waar | אחיו (achiv) = zijn broer | ויחלק (vayechalleq) = en hij verdeelde | בנימין (binyamin) = Benjamin | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לארבעה (le'arba'ah) = in vier | חלקים (chalaqim) = delen | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיו (achiv) = zijn broer | כי (ki) = dat | הוא (hu) = hij | היושב (hayyoshev) = die zit | לפניו (lefanav) = voor hem | על (al) = op | הכיסא (hakkisse) = de troon | ויתמה (vayitmah) = en hij verbaasde zich | בנימין (binyamin) = Benjamin | מאוד (me'od) = zeer | וירא (vayyera) = en hij zag | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | כי (ki) = dat | תמה (tamah) = was verbaasd | מאוד (me'od) = zeer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | בנימין (binyamin) = Benjamin | מה (mah) = wat | ראיתה (raita) = heb je gezien | ועל (ve'al) = en over | מה (mah) = wat | תתמה (titmah) = verbaas je je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Jozef maakt zich bekend aan Benjamin **53:21** Benjamin zei tegen Jozef: „Ik zie hierin dat Jozef, mijn broer, hier bij mij op de troon zit.” Jozef zei tegen hem: „Ik ben Jozef, je broer. Maar onthul deze zaak niet aan je broers. Zie, ik zend je met hen mee en zij gaan heen; dan zal ik bevelen jullie naar de stad terug te brengen, en ik zal je van hen wegnemen. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | בנימין (binyamin) = Benjamin | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | רואה (ro'eh) = zie | אני (ani) = ik | בזה (bazeh) = hierin | כי (ki) = dat | יוסף (Yosef) = Jozef | אחי (echi) = mijn broer | יושב (yoshev) = zittend | איתי (itti) = bij mij | פה (peh) = hier | על (al) = op | הכיסא (hakkisse) = de troon | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | יוסף (Yosef) = Jozef | אני (ani) = ik | הוא (hu) = ben het | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיך (achikha) = je broer | אך (akh) = maar | אל (el) = niet | תגלה (tegaleh) = onthul | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אל (el) = tot | אחיך (achikha) = je broers | הנני (hinneni) = zie, ik | שולח (shole'ach) = zend | אותך (otekha) = jou | עמם (immam) = met hen | וילכו (vayelkhu) = en zij gaan | וצויתי (vetsivitti) = en ik zal bevelen | להשיב (lehashiv) = terug te brengen | אתכם (etkhem) = jullie | העירה (ha'irah) = de stad in | ולקחתיך (velaqachtikha) = en ik zal je nemen | מאיתם (me'itam) = van hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:1–4 (later maakt Jozef zich aan al zijn broers bekend). Zie ook: Gen 45:1–4 **53:22** Als zij hun leven geven en voor je strijden, dan zal ik weten dat zij berouw hebben over wat zij mij deden, en dan maak ik mij aan hen bekend. En als zij je verlaten, dan neem ik je en blijf je bij mij; ik zend hen weg, zij gaan hun weg, en ik maak mij niet aan hen bekend.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | יתנו (yitenu) = geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשם (nafsham) = hun leven | והלחמו (vehilkhamu) = en zij strijden | עליך (aleikha) = voor jou | אז (az) = dan | ידעתי (yada'ti) = zal ik weten | כי (ki) = dat | ניחמו (nicchamu) = berouw hebben | על (al) = over | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = zij deden | לי (li) = mij | ונודעתי (venodati) = en ik zal mij bekend maken | אליהם (aleihem) = tot hen | ואם (ve'im) = en als | עזבוך (azavukha) = zij verlaten je | ולקחתי (velaqachti) = en ik zal nemen | אותך (otekha) = jou | וישבת (veyashavta) = dan blijf jij | איתי (itti) = bij mij | ושלחתי (veshalachti) = en ik zal wegzenden | אותם (otam) = hen | וילכו (vayelkhu) = en zij gaan | להם (lahem) = zich | ולא (velo) = en niet | אודע (ivvada) = ik zal bekend worden | אליהם (aleihem) = tot hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De beker in de zak **53:23** In die tijd gebood Jozef zijn opzichter om hun bagage met voedsel te vullen, ieders geld in zijn zak te leggen, de beker in de zak van Benjamin te leggen en hun reisvoorraad voor onderweg te geven. Hij deed hun zo. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ציוה (tsiwwah) = gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | פקידו (pekido) = zijn opzichter | למלאת (lemalet) = te vullen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כליהם (kelehem) = hun bagage | אוכל (ukhal) = voedsel | ולשים (velasim) = en te leggen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כסף (kesef) = geld | איש (ish) = ieder | בשקו (besaqqo) = in zijn zak | ולתת (velatet) = en om te geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הגביע (hagavia) = de beker | בשק (bashaq) = in de zak van | בנימין (binyamin) = Benjamin | ולתת (velatet) = en om te geven | להם (lahem) = hun | צדה (tsedah) = reisvoorraad | לדרך (laderekh) = voor de weg | ויעש (vayya'as) = en hij deed | להם (lahem) = hun | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:1–2 (vul de zakken met voedsel, leg ieders geld in zijn zak, en mijn beker, de zilveren beker, in de zak van de jongste). Zie ook: Gen 44:1–2 **53:24** De volgende dag stonden de mannen 's morgens vroeg op en laadden hun graan op hun ezels. Zij gingen heen met Benjamin om naar het land Kanaän te gaan, met Simeon, hun broer. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ממחרת (mimmochorat) = de volgende dag | וישכימו (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | האנשים (ha'anashim) = de mannen | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | וישאו (vayis'u) = en zij hieven op | את (et) = (lijdend voorwerp) | שברם (shivram) = hun graan | על (al) = op | חמוריהם (chamoreihem) = hun ezels | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | להם (lahem) = zich | עם (im) = met | בנימין (binyamin) = Benjamin | ללכת (lalekhet) = om te gaan | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | עם (im) = met | שמעון (Shim'on) = Simeon | אחיהם (achihem) = hun broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:3 (zodra de morgen licht werd, werden de mannen weggezonden met hun ezels). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 44:3 **53:25** Zij waren uit Egypte vertrokken en nog niet ver, toen Jozef degene die over zijn huis was gesteld gebood: „Sta op, achtervolg die mannen voordat zij zich ver van Egypte verwijderen, en zeg tot hen: ‘Waarom hebben jullie de beker van mijn heer gestolen?’” Brontekst: הם (hem) = zij | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | לא (lo) = niet | הרחיקו (harchiqu) = zij hadden zich verwijderd | ויוסף (vayosef) = en Jozef | ציוה (tsiwwah) = had geboden | לאשר (la'asher) = tot hem die | על (al) = over | ביתו (beito) = zijn huis | לאמור (lemor) = zeggende | קום (qum) = sta op | רדוף (redof) = achtervolg | אחרי (acharei) = achter | האנשים (ha'anashim) = de mannen | טרם (terem) = voordat | ירחיקו (yarchiqu) = zij zich verwijderen | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ואמרת (ve'amarta) = en zeg | אליהם (aleihem) = tot hen | למה (lammah) = waarom | גנבתם (genavtem) = jullie hebben gestolen | את (et) = (lijdend voorwerp) | גביע (gavia) = de beker van | אדוני (adoni) = mijn heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:4–5 (‘Sta op, jaag die mannen na… Is dit niet het ding waaruit mijn heer drinkt?’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 44:4–5 **53:26** De opzichter van Jozef stond op, achtervolgde hen, haalde hen in en sprak al de woorden van Jozef tot hen. Toen zij deze zaak hoorden, ontbrandde hun toorn zeer, en zij zeiden: „Wie de beker van je heer bij zich heeft, zal sterven, en ook wij zullen slaven zijn.” Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | פקיד (pqid) = opzichter van | יוסף (Yosef) = Jozef | וירדפם (vayirdefem) = en hij achtervolgde hen | וישיגם (vayasigem) = en haalde hen in | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | אליהם (aleihem) = tot hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויהי (vayehi) = en toen | שמעם (shomam) = zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפם (appam) = hun toorn | מאוד (me'od) = zeer | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כל (kol) = ieder | הנמצא (hanimtsa) = die gevonden wordt | איתו (ito) = met hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | גביע (gavia) = de beker van | אדוניך (adonekha) = je heer | יומת (yumat) = zal sterven | וגם (vegam) = en ook | אנחנו (anachnu) = wij | נהיה (nihyeh) = zullen wij zijn | לעבדים (laavadim) = tot slaven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:6–9 (‘Bij wie van uw dienaren hij gevonden wordt, die zal sterven, en ook wij zullen slaven zijn van mijn heer’). Zie ook: Gen 44:6–9 **53:27** Zij haastten zich en lieten ieder zijn zak van zijn ezel neer en zochten in hun zakken, en de beker werd gevonden in de zak van Benjamin. Zij scheurden allen hun kleren, keerden terug naar de stad en sloegen Benjamin onderweg, steeds slaand tot zij in de stad kwamen, en zij stonden voor Jozef. Brontekst: וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | ויורידו (vayoridu) = en zij lieten neer | איש (ish) = een man | את (et) = (lijdend voorwerp) | שקו (saqqo) = zijn zak | מעל (me'al) = van | חמורו (chamoro) = zijn ezel | ויחפשו (vayechapsu) = en zij zochten | באמתחותיהם (beamtechoteihem) = in hun zakken | וימצא (vayimtsa) = en werd gevonden | הגביע (hagavia) = de beker | באמתחת (beamtachat) = in de zak van | בנימין (binyamin) = Benjamin | ויקרעו (vayiqre'u) = en zij scheurden | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמלותיהם (simlotehem) = hun kleren | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | העירה (ha'irah) = de stad in | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | בדרך (baderekh) = onderweg | הלוך (halokh) = voortdurend | והכות (vehakkot) = slaand | אותו (oto) = hem | עד (ad) = tot | בואם (bo'am) = hun komst | העירה (ha'irah) = de stad in | ויעמדו (vaya'amdu) = en zij stonden | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:11–13 (zij scheurden hun kleren en keerden terug naar de stad). Dat zij Benjamin onderweg sloegen, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 44:11–13; Gen 44:12 ### Juda **53:28** De toorn van Juda ontbrandde en hij zei: „Zo waar Yahweh leeft, die man heeft ons alleen teruggebracht om Egypte vandaag te verwoesten.” Brontekst: ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = de toorn van | יהודה (Yehudah) = Juda | ויאמר (vayomer) = en hij zei | חי (chai) = zo waar leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | השיבנו (heshivanu) = bracht ons terug | האיש (ha'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | להחריב (lehacharish) = te verwoesten | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 44:14 ### Voor Jozef **53:29** De mannen kwamen in het huis van Jozef en vonden Jozef zittend op zijn troon, en al zijn helden stonden bij hem, aan zijn rechter- en linkerhand. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ביתה (baytah) = naar het huis van | יוסף (Yosef) = Jozef | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | יושב (yoshev) = zittend | על (al) = op | כסאו (kis'o) = zijn troon | וכל (vekhol) = en alle | גיבוריו (gibborav) = zijn helden | עומדים (omdim) = staande | עליו (alav) = bij hem | מימינו (miyemino) = aan zijn rechterhand | ומשמאלו (umismolo) = en aan zijn linkerhand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:14 (Juda en zijn broers kwamen in het huis van Jozef; hij was daar nog). Zie ook: Gen 44:14 **53:30** Jozef zei tegen hen: „Wat is dit voor een daad die jullie gedaan hebben, dat jullie mijn zilveren beker hebben genomen en zijn weggegaan? Maar ik weet dat jullie mijn beker hebben genomen om daarmee te weten waar jullie broer is in heel het land.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יוסף (Yosef) = Jozef | מה (mah) = wat | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | כי (ki) = dat | לקחתם (lekachtem) = jullie hebben genomen | את (et) = (lijdend voorwerp) | גביע (gavia) = beker | הכסף (hakkesef) = van zilver | אשר (asher) = die | לי (li) = van mij | ותלכו (vetelkhu) = en jullie gingen weg | לכם (lakhem) = jullie | אך (akh) = maar | ידעתי (yada'ti) = ik weet | כי (ki) = dat | בעבור (ba'avur) = om | דעת (da'at) = te weten | בו (bo) = daaruit | איפה (eifoh) = waar | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | לקחתם (lekachtem) = jullie hebben genomen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הגביע (hagavia) = de beker | אשר (asher) = die | לי (li) = van mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:15 (‘Weten jullie niet dat een man als ik waarzegt?’). Zie ook: Gen 44:15 **53:31** Juda zei: „Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en hoe zullen wij ons rechtvaardigen? Elohim heeft vandaag de ongerechtigheid van je dienaren gevonden; daarom heeft Hij ons vandaag dit gedaan.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | מה (mah) = wat | נאמר (nomar) = zullen wij zeggen | לאדוני (la'doni) = tot mijn heer | מה (mah) = wat | נדבר (nedaber) = zullen wij spreken | ומה (umah) = en wat | נצטדק (nitstadeq) = zullen wij ons rechtvaardigen | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | מצא (matsa) = vond | את (et) = (lijdend voorwerp) | עון (avon) = de ongerechtigheid van | עבדיך (avadekha) = je dienaren | היום (hayyom) = vandaag | על (al) = daarom | כן (ken) = zo | עשה (asah) = heeft gedaan | לנו (lanu) = ons | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:16 (‘Elohim heeft de ongerechtigheid van uw dienaren gevonden’). Zie ook: Gen 44:16 ### Benjamin vastgehouden **53:32** Jozef stond op, greep Benjamin vast en nam hem met geweld van zijn broers weg. Hij ging het huis in en sloot de deur voor hen af. Jozef gebood degene die over zijn huis was gesteld, naar buiten te gaan en tegen hen te zeggen: „Zo zegt de koning: Ga in vrede naar jullie vader; zie, ik heb de man genomen in wiens hand mijn beker gevonden is.” Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יוסף (Yosef) = Jozef | ויחזק (vayechazzeq) = en greep | בבנימין (bivnyamin) = bij Benjamin | ויקחו (vayyiqchu) = en nam hem | מאת (me'et) = van | אחיו (achiv) = zijn broers | בחוזקה (bechozqah) = met kracht | ויבוא (vayavo) = en kwam | הביתה (habbaytah) = het huis in | וינעל (vayin'al) = en hij sloot af | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדלת (hadelet) = de deur | בפניהם (befnehem) = voor hen | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | לאשר (la'asher) = tot hem die | על (al) = over | ביתו (beito) = zijn huis | ויצא (vayetse) = en hij ging uit | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | כה (koh) = zo | אמר (amar) = heeft gezegd | המלך (hammelekh) = de koning | לכו (lekhu) = gaat | לשלום (leshalom) = in vrede | אל (el) = tot | אביכם (avikhem) = jullie vader | הנה (hinneh) = zie | לקחתי (laqachti) = ik heb genomen | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man | אשר (asher) = die | נמצא (nimtsa) = werd gevonden | גביעי (gevii) = mijn beker | בידו (beyado) = in zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:17 (‘de man in wiens hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; en jullie, trek in vrede op naar jullie vader’). Zie ook: Gen 44:17 ## Jasher 54 _Juda en Jozef_ ### Juda treedt naar voren **54:1** Toen Juda zag wat Jozef met hen deed, trad Juda naar hem toe, brak de deur open en kwam met zijn broers voor Jozef. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen hij zag | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשה (ma'aseh) = het doen van | יוסף (Yosef) = Jozef | איתם (ittam) = met hen | ויגש (vayyigash) = en naderde | אליו (elav) = naar hem | יהודה (Yehudah) = Juda | וישבור (vayishbor) = en brak | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדלת (hadelet) = de deur | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | עם (im) = met | אחיו (achiv) = zijn broers | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:18 (‘Toen trad Juda naar hem toe’). Dat Juda de deur openbrak, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 44:14; Gen 44:18 **54:2** Juda zei tegen Jozef: „Laat het niet kwaad zijn in de ogen van mijn heer; mag je dienaar toch een woord voor je spreken?” Jozef zei tegen hem: „Spreek.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = niet | יחר (yichar) = ontbrande | בעיני (be'einei) = in de ogen van | אדוני (adoni) = mijn heer | ידבר (yedabber) = laat spreken | נא (na) = toch | עבדך (avdekha) = je dienaar | דבר (davar) = een woord | לפניך (lefanekha) = voor je | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = tot hem | יוסף (Yosef) = Jozef | דבר (davar) = spreek Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:18 (‘Och, mijn heer, laat uw dienaar toch een woord spreken in de oren van mijn heer’). Zie ook: Gen 44:18 **54:3** Juda sprak voor Jozef, terwijl zijn broers daar voor hen stonden. Juda zei tegen Jozef: „Immers, in het begin, toen wij tot mijn heer kwamen om voedsel te kopen, stelde je ons aan als spionnen van het land, en wij brachten Benjamin, onze broer, voor je; en je drijft vandaag nog steeds de spot met ons. Brontekst: וידבר (vayedabber) = en hij sprak | יהודה (Yehudah) = Juda | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | עומדים (omdim) = staande | לפניהם (lifneihem) = voor hen | שם (shem) = daar | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | הלא (halo) = immers | בתחילה (battechillah) = in het begin | כאשר (ka'asher) = toen | באנו (ba'nu) = wij zijn gekomen | אל (el) = tot | אדוני (adoni) = mijn heer | לשבור (lishbor) = om graan te kopen | אוכל (ukhal) = voedsel | ותשם (vatasem) = en je stelde | אותנו (otanu) = ons | כמרגלים (kimragelim) = als spionnen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | ונביא (venavi) = en wij brengen | לפניך (lefanekha) = voor je | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | אחינו (acheinu) = onze broer | ועודך (veodkha) = en nog steeds | מתעולל (mitolel) = drijf je spot | עלינו (aleinu) = met ons | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:9–14 (de beschuldiging van spionnen) en Gen. 44:19 (‘Mijn heer vroeg zijn dienaren: hebt u een vader of een broer?’). Zie ook: Gen 42:9–14; Gen 44:19 **54:4** Nu dan, moge de koning mijn woorden horen en onze broer laten gaan, zodat hij met ons meegaat, opdat je leven niet verloren gaat, en het leven van alle bewoners van Egypte, op deze dag. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | ישמע (yishma) = moge horen | נא (na) = toch | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | ושלח (veShelach) = en zend | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | וילך (vayelekh) = dat hij ga | לו (lo) = zich | פן (pen) = opdat niet | תאבד (te'abbed) = laat omkomen | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשך (nafshekha) = je leven | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נפש (nefesh) = het leven van | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:5** Weet je niet wat mijn twee broers, Simeon en Levi, gedaan hebben aan de stad Sichem en aan zeven steden van de Amorieten, vanwege Dina, onze zus? En wat zullen zij zelfs doen vanwege Benjamin, hun broer? Brontekst: הלא (halo) = immers | ידעת (yada'ta) = weet je | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | עשו (asu) = deden | שני (shenei) = twee | אחיי (achai) = mijn broers | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | אל (el) = aan | עיר (ir) = stad | שכם (Shekhem) = Sichem | ושל (veshel) = en aan | שבעת (sheva) = zeven | ערי ('eri) = steden van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | בעבור (ba'avur) = vanwege | דינה (Dinah) = Dina | אחותינו (achotenu) = onze zus | ואף (ve'af) = en zelfs | מה (mah) = wat | יעשו (ya'asu) = zullen zij doen | בעבור (ba'avur) = vanwege | בנימין (binyamin) = Benjamin | אחיהם (achihem) = hun broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34:25–27 (Simeon en Levi sloegen de mannen van Sichem vanwege Dina). Hier ‘zeven steden van de Amorieten’; in Jasher 52:36 staan ‘acht steden’. Zie ook: Gen 34:25–27; Jas 52:36 **54:6** En ik ben met mijn kracht sterker en groter dan die beiden, deze dag, tegen jou en tegen heel je land, als je niet bereid bent onze broer te zenden. Brontekst: ואני (va'ani) = en ik | בכחי (bekochi) = met mijn kracht | חזק (chazaq) = sterk | וגדול (vegadol) = en groot | משניהם (mishneihem) = dan beiden | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | עליך (aleikha) = tegen jou | ועל (ve'al) = en tegen | כל (kol) = alle | ארצך (artsekha) = je land | אם (em) = als | לא (lo) = niet | תאבה (tove) = je bereid bent | לשלוח (lishloach) = te zenden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:7** Heb je niet gehoord wat onze Elohim, die ons uitgekozen heeft, aan de farao deed vanwege Sara, onze moeder, die hij van bij onze vader nam? Hij sloeg hem en zijn huis met grote plagen, zodat heel Egypte tot op deze dag dit wonder aan elkaar vertelt. Zo zal onze Elohim je doen vanwege Benjamin, die je vandaag van zijn vader genomen hebt, en vanwege het kwaad dat je vandaag op ons stapelt in je land. Want onze Elohim zal zijn verbond met Abraham, onze vader, gedenken en kwaad over je brengen, omdat je vandaag de ziel van onze vader bedroefd hebt. Brontekst: הלא (halo) = niet | שמעת (shamata) = je hebt gehoord | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = heeft gedaan | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | אשר (asher) = die | בחר (bachar) = koos | בנו (beno) = ons | לפרעה (lefar'oh) = aan de farao | בעבור (ba'avur) = vanwege | שרה (sarah) = Sarah | אמנו (imenu) = onze moeder | אשר (asher) = die | לקחה (laqchah) = hij nam haar | מעם (me'im) = van bij | אבינו (avinu) = onze vader | אשר (asher) = dat | הכה (hikkah) = sloeg | אותן (otan) = hem | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | ביתו (beito) = zijn huis | בנגעים (bineagim) = met plagen | גדולים (gedolim) = grote | אשר (asher) = zodat | עוד (od) = nog | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מספרים (mesaprim) = vertellen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הפליאה (hapliah) = het wonder | הזאת (hazzo't) = deze | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | כן (ken) = zo | יעשה (ya'aseh) = zal doen | לך (lekha) = aan jou | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | על (al) = vanwege | בנימין (binyamin) = Benjamin | אשר (asher) = die | לקחת (laqachat) = je hebt genomen | מאביו (me'aviv) = van zijn vader | היום (hayyom) = vandaag | ועל (ve'al) = en vanwege | הרעות (hara'ot) = het kwaad | אשר (asher) = waarmee | אתה (attah) = jij | מתגולל (mitgolel) = op ons stapelt | עלינו (aleinu) = over ons | בארצך (beartsekha) = in je land | היום (hayyom) = vandaag | כי (ki) = want | יזכור (yizkor) = zal gedenken | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | בריתו (berito) = zijn verbond | עם (im) = met | אברהם (avraham) = Abraham | אבינו (avinu) = onze vader | והביא (vehevi) = en zal brengen | עליך (aleikha) = jou | רעה (ra'ah) = kwaad | בעבור (ba'avur) = omdat | אשר (asher) = dat | דאגת (daagta) = je hebt bedroefd | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפש (nefesh) = ziel van | אבינו (avinu) = onze vader | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:17 (Yahweh sloeg de farao en zijn huis met grote plagen vanwege Sarai, de vrouw van Abram). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 12:17 **54:8** Hoor nu mijn woorden die ik vandaag tot je gesproken heb, en zend onze broer, dat hij gaat, opdat jij en je land niet sterven door het zwaard, want jullie allen kunnen niets tegen mij.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | שמע (shema) = hoor | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | אשר (asher) = die | דיברתי (dibbarti) = ik heb gesproken | אליך (elekha) = tot je | היום (hayyom) = vandaag | ושלח (veShelach) = en zend | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | וילך (vayelekh) = dat hij ga | לו (lo) = zich | פן (pen) = opdat niet | תומת (tumat) = sterf je | אתה (attah) = jij | וארצך (veartsekha) = en je land | בחרב (bacherev) = met het zwaard | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | תוכלו (tuchlu) = jullie kunnen | כולכם (kulkhem) = jullie allen | עליי (alay) = tegen mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het woordenspel van kracht **54:9** Jozef antwoordde Juda: „Waarom heb je je mond zo wijd opengedaan in al deze woorden, en pronk je tegen ons met de woorden: ‘Er is kracht bij je’? Zo waar de farao leeft, als ik al mijn helden beveel om met jullie te vechten, dan zul jij en deze broers van je wegzinken in het slijk.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = — | יהודה (Yehudah) = Juda | לאמור (lemor) = zeggende | למה (lammah) = waarom | הרחבת (hirchavta) = heb je wijd geopend | את (et) = (lijdend voorwerp) | פיך (pikha) = je mond | בכל (bekhol) = in heel | הדברים (haddevarim) = de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | ותתפאר (vatitpaer) = en pronk je | עלינו (aleinu) = over ons | לאמור (lemor) = zeggende | יש (yesh) = is er | איתך (ittekha) = met je | גבורה (gevurah) = kracht | חי (chai) = zo waar leeft | פרעה (par'oh) = Farao | לו (lo) = als | צויתי (tsivviti) = ik beveel | עליכם (aleikhem) = over jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | גיבוריי (gibbotai) = mijn helden | להילחם (lehillachem) = te vechten | איתכם (ittekhem) = met jullie | הלא (halo) = immers | תטבע (titba) = zult wegzinken | ברוקם (beroqam) = in het slijk | אתה (attah) = jij | ואחיך (veachikha) = en je broers | אלה (elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:10** Juda zei tegen Jozef: „Past het jou en je mannen niet om mij te vrezen? Zo waar Yahweh leeft: als ik mijn zwaard eenmaal trek, laat ik het niet leeg terugkeren, totdat ik vandaag heel Egypte gedood heb. Ik begin bij jou en eindig bij de farao, je heer.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | הלא (halo) = immers | לך (lekha) = aan jou | ולאנשיך (ule'anashekha) = en aan je mannen | לירוא (liro) = te vrezen | מפניי (mipanai) = voor mij | חי (chai) = zo waar leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = dat | אם (em) = als | שלפתי (shalaphti) = ik trek | את (et) = (lijdend voorwerp) | חרבי (charbi) = mijn zwaard | לא (lo) = niet | השיבותיה (hashivotiyah) = laat ik het terugkeren | ריקם (reiqam) = leeg | עד (ad) = totdat | אם (em) = — | הרגתי (haragti) = ik gedood heb | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואחל (veachel) = en ik begin | ממך (mimmekha) = bij jou | ואכלה (veakhaleh) = en ik maak een einde | בפרעה (befarah) = bij de farao | אדוניך (adonekha) = je heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:11** Jozef antwoordde en zei tegen hem: „De kracht is niet alleen bij jou; ook ik ben machtig en sterker dan jij. Als je je zwaard trekt, breng ik het terug op je nek en op de nek van al deze broers van je.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | הלא (halo) = immers | לא (lo) = niet | לבדך (levadekha) = alleen bij jou | היא (hi) = is | הגבורה (hagevurah) = de kracht | גם (gam) = ook | אנוכי (anokhi) = ik | גיבור (gibbor) = machtig | וחזק (vechazaq) = en sterk | ממך (mimmekha) = van jou | הלא (halo) = immers | אם (em) = als | הוצאת (hotset) = je trekt | את (et) = (lijdend voorwerp) | חרבך (charbekha) = je zwaard | אשיב (ashiv) = zal ik terugbrengen | אותה (otah) = haar | אל (el) = op | צוארך (tsavarkha) = je nek | ואל (ve'el) = en op | צואר (tsavar) = de nek van | כל (kol) = alle | אחיך (achikha) = je broers | אלה (elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:12** Juda zei tegen hem: „Als ik vandaag mijn mond wijd tegen je open, dan heb ik je verslonden en word je van de aarde weggevaagd en ga je vandaag verloren uit je koninkrijk.” Jozef antwoordde: „Als je je mond opent, heb ik kracht en macht om je mond te sluiten met een grote steen, tot je geen woord meer kunt spreken. Zie hoeveel stenen er voor ons liggen; ik kan een steen nemen en die in je mond duwen en je kaken breken.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | יהודה (Yehudah) = Juda | הלא (halo) = immers | אם (em) = als | פתוח (patoach) = wijd | אפתח (eftach) = open | את (et) = (lijdend voorwerp) | פי (pi) = mijn mond | עליך (aleikha) = tegen jou | היום (hayyom) = vandaag | עליך (aleikha) = tegen jou | כי (ki) = dan | עתה (attah) = nu | בלעתיך (bela'tikha) = heb ik je verslonden | ותיכחד (vetikkhad) = en je wordt weggevaagd | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = de aarde | ותאבד (vetovad) = en je gaat verloren | היום (hayyom) = vandaag | ממלכותך (mimmalkhutekha) = uit je koninkrijk | ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | הלא (halo) = immers | אם (em) = als | תפתח (tiftach) = je opent | את (et) = (lijdend voorwerp) | פיך (pikha) = je mond | יש (yesh) = is er | איתי (itti) = bij mij | כח (koach) = kracht | וגבורה (ugevurah) = en macht | לסתום (listom) = te sluiten | את (et) = (lijdend voorwerp) | פיך (pikha) = je mond | באבן (ba'even) = met een steen | גדולה (gedolah) = grote | עד (ad) = tot | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | תוכל (tukhal) = kan | לדבר (laddavar) = om te spreken | דבר (davar) = een woord Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:13** Juda zei: „Elohim is getuige tussen ons dat wij tot nu toe geen strijd met je hebben gezocht; geef ons alleen onze broer, dan gaan wij van je weg.” Jozef antwoordde en zei: „Zo waar de farao leeft: al kwamen alle koningen van Kanaän samen met jullie, jullie zullen hem niet uit mijn hand nemen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | עד (ad) = getuige | האלהים (ha'Elohim) = Elohim | בינינו (beineinu) = tussen ons | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | בקשנו (biqqashnu) = wij hebben gezocht | מלחמותיך (milchamotekha) = je oorlogen | מאז (me'az) = van toen af | ועד (ve'ad) = en tot | עתה (attah) = nu | אך (akh) = alleen | תנה (tenah) = geef | לנו (lanu) = voor ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | ונלכנו (venelkhenu) = dan gaan wij | מאתך (me'ittekha) = van jou | ויען (vaya'an) = en hij antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | חי (chai) = zo waar leeft | פרעה (par'oh) = Farao | כי (ki) = ook | אם (em) = al | יבאו (yavo'u) = zullen komen | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | עמכם (immakhem) = met jullie | יחד (yachad) = samen | לא (lo) = niet | לקחתם (lekachtem) = zullen nemen | אותו (oto) = hem | מידי (miyyadi) = uit mijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: Dit vers ontbreekt in de Hebreeuwse tekst van Livorno 1870 (het komt overeen met v. 20–21). Zij is vertaald uit de Jeruzalemse druk van Sefer haYashar (deel Vajigasj), waar ze wel staat. **54:14** „Nu dan, ga heen naar jullie vader; maar jullie broer zal mijn slaaf zijn, want hij heeft het huis van de koning bestolen.” Juda zei: „Wat gaat het jou en de naam van een koning aan? De koning stuurt toch uit zijn huis heel het land zilver en goud in grote hoeveelheid, hetzij als gift, hetzij als verlies. En jij praat nog steeds over je beker, die je zelf in de zak van onze broer legde, en je zegt dat hij die van jou gestolen heeft. Brontekst: עתה (attah) = nu | לכו (lekhu) = gaat | לכם (lakhem) = heen | לדרככם (ledarkekhem) = op jullie weg | אל (el) = tot | אביכם (avikhem) = jullie vader | ואחיכם (ve'achikhem) = en jullie broer | יהיה (yihyeh) = zal zijn | לי (li) = voor mij | עבד (eved) = slaaf | כי (ki) = want | גנב (ganav) = heeft gestolen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בית (bet) = het huis van | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | מה (mah) = wat | לך (lekha) = aan jou | ולשם (veleshem) = en aan de naam van | מלך (malakh) = koning | הלא (halo) = immers | המלך (hammelekh) = de koning | יוציא (yotsi) = zendt uit | מביתו (mibbeto) = uit zijn huis | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = heel | הארץ (ha'arets) = het land | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | אם (em) = hetzij | במתן (bemattan) = als gift | אם (em) = hetzij | באבידה (be'avedah) = als verlies | ואתה (ve'attah) = en jij | עודך (odkha) = nog | מדבר (medabber) = spreek je | על (al) = over | גביעך (gevi'ekha) = je beker | אשר (asher) = die | נתת (natata) = je legde | אתה (attah) = jij | באמתחת (beamtachat) = in de zak van | אחינו (acheinu) = onze broer | ותאמר (vatomer) = en zegt | כי (ki) = dat | גנב (ganav) = heeft gestolen | אותו (oto) = hem | מאיתך (me'itkha) = van jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het begin van dit vers (עתה לכו לכם … כי גנב את בית המלך, ‘Nu dan, gaat heen … want hij heeft het huis van de koning bestolen’) ontbreekt in Livorno en is aangevuld uit de Jeruzalemse druk; zie de noot bij v. 13. **54:15** Het is ondenkbaar, het is ondenkbaar dat Benjamin, onze broer, of het nageslacht van Abraham dit zou doen: stelen van jou of van een ander, hetzij van een koning, hetzij van een vorst, of van wie ook. Brontekst: חלילה (chalila) = ver zij het | חלילה (chalila) = ver zij het | לבנימין (livnyamin) = van Benjamin | אחינו (acheinu) = onze broer | ולזרע (velezera) = en van het nageslacht van | אברהם (avraham) = Abraham | מעשות (me'asot) = te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לגנוב (lignov) = te stelen | מאיתך (me'itkha) = van jou | או (o) = of | מזולתך (mizulatekha) = van een ander dan jou | אם (em) = hetzij | ממלך (mimmelekh) = van een koning | אם (em) = hetzij | או (o) = of | שר (sar) = een vorst | או (o) = of | מכל (mikkol) = van elke | האדם (ha'adam) = de mens Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:16** Houd nu op met dit woord, opdat niet heel het land je woorden hoort: ‘Om een beetje zilver heeft de koning van Egypte gestreden tegen mannen en ruzie met hen gemaakt en hun broer tot slaaf genomen.’” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | דום (dom) = houd op | לך (lekha) = jezelf | מהדבר (min haddavar) = van dit woord | הזה (hazzeh) = deze | פן (pen) = opdat niet | ישמעו (yishme'u) = zouden horen | דבריך (devarekha) = je woorden | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | לאמור (lemor) = zeggende | על (al) = om | כסף (kesef) = zilver | מעט (me'at) = een beetje | נלחם (nilcham) = heeft gestreden | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עם (im) = met | אנשים (anashim) = mannen | ויתגולל (vayitgolel) = en ruzie maakte | עליהם (aleihem) = over hen | ויקח (vayikkach) = en nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיהם (achihem) = hun broer | לעבד (le'eved) = tot slaaf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:17** Jozef antwoordde en zei: „Neem deze beker voor jullie, ga van mij weg en laat jullie broer als slaaf achter, want het recht van de dief is slaaf te zijn.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | קחו (qechu) = neem | לכם (lakhem) = voor jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | הגביע (hagavia) = de beker | הזה (hazzeh) = deze | ולכו (ulkhu) = en gaat | מעליי (me'alai) = van mij | ועזבו (ve'izvu) = en laat achter | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | לעבד (le'eved) = tot slaaf | כי (ki) = want | משפט (mishpat) = het recht van | הגנב (hagannav) = de dief | להיות (lihyot) = te zijn | עבד (eved) = slaaf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:18** Juda zei: „Schaam je je niet voor je woorden, om onze broer achter te laten en je beker te nemen? Zelfs als je ons je beker duizend keer geeft, laten wij onze broer niet achter voor zilver dat bij wie dan ook gevonden wordt, en al zouden wij voor hem sterven.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | למה (lammah) = waarom | לא (lo) = niet | תבוש (tavosh) = schaam je | בדבריך (bidvarekha) = voor je woorden | לעזוב (la'azov) = te verlaten | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | ולקחת (velaqachat) = en te nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | גביעך (gevi'ekha) = je beker | והלא (vehalo) = en niet | אם (em) = zelfs als | תיתן (titten) = je geeft | לנו (lanu) = voor ons | כגביעך (kegavi'ekha) = als je beker | אלף (elef) = duizend | פעמים (pe'amim) = maal | לא (lo) = niet | נעזוב (na'azov) = laten wij achter | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | על (al) = voor | כסף (kesef) = zilver | הנמצא (hanimtsa) = dat gevonden wordt | ביד (beyad) = in de hand van | כל (kol) = ieder | האדם (ha'adam) = de mens | ולו (velo) = en al | נמות (namut) = sterven wij | עליו (alav) = om hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:19** Jozef antwoordde en zei: „En waarom hebben jullie jullie broer verlaten en hem tot op deze dag voor twintig zilverstukken verkocht? En waarom doen jullie niet hetzelfde ook aan deze broer?” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | ולמה (velamah) = en waarom | עזבתם (azavtem) = hebben jullie verlaten | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | ותמכרו (vatimkeru) = en verkochten | אותו (oto) = hem | בעשרים (be'esrim) = voor twintig | כסף (kesef) = zilver | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | ולמה (velamah) = en waarom | לא (lo) = niet | תעשו (ta'asu) = doen jullie | כן (ken) = zo | גם (gam) = ook | לאחיכם (le'acheikhem) = aan jullie broer | זה (ze) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:20** Juda zei: „Yahweh is getuige tussen mij en jou dat wij je strijd niet wensen. Geef ons nu onze broer, dan gaan wij van je weg zonder oorlog.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עד (ad) = getuige | ביני (beni) = tussen mij | ובינך (uveinekha) = en jou | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | חפצנו (chefsenu) = wensen wij | במלחמתך (bemilchamtekha) = in je strijd | עתה (attah) = nu | תנה (tenah) = geef | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | והלכנו (vehalakhnu) = en wij zullen gaan | מאיתך (me'itkha) = van jou | בלא (bilo) = zonder | מלחמה (milchamah) = oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:21** Jozef antwoordde en zei: „Al verzamelden jullie alle koningen van het land, dan zouden zij jullie broer niet uit mijn hand kunnen nemen.” Juda zei: „Wat zullen wij tegen onze vader zeggen, wanneer hij ziet dat onze broer niet met ons komt, en zich zorgen maakt om hem?” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | האסף (he'asef) = al verzamelden | תאספו (te'esfu) = jullie verzamelen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הארץ (ha'arets) = het land | לא (lo) = niet | יוכלו (yukhlu) = zullen vermogen | להם (lahem) = zij | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | מידי (miyyadi) = uit mijn hand | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | מה (mah) = wat | נאמר (nomar) = zullen wij zeggen | לאבינו (le'avinu) = tot onze vader | בראותו (bir'oto) = wanneer hij ziet | כי (ki) = want | אין (ein) = niet | אחינו (acheinu) = onze broer | בא (ba) = komt | איתנו (ittanu) = met ons | ודאג (vedaag) = en zich zorgen maakt | עליו (alav) = om hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:22** Jozef antwoordde en zei: „Dit is het woord dat jullie tot jullie vader zullen zeggen: ‘Het touw is de emmer nagegaan.’” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | זה (ze) = dit | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | תדברו (tedaberu) = zullen jullie zeggen | אל (el) = tot | אביכם (avikhem) = jullie vader | לאמור (lemor) = zeggende | הלך (halakh) = ging | החבל (hechevel) = het touw | אחר (acher) = achter | הדלי (hadli) = de emmer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: הלך החבל אחר הדלי (‘het touw is de emmer nagegaan’): een zegswijze. Zoals de Engelse vertaling (‘The rope has gone after the bucket’); naar de zin: na Jozef is nu ook Benjamin verloren. **54:23** Juda zei: „Je bent toch een koning, en waarom spreek je zulke woorden, een valse rechtspraak? Wee de koning die zal zijn zoals jij!” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | הלא (halo) = immers | מלך (malakh) = koning | אתה (attah) = jij | ולמה (velamah) = en waarom | תדבר (tedabber) = spreek je | כדברים (kadevarim) = zulke woorden | האלה (ha'elleh) = deze | משפט (mishpat) = recht | שקר (sheqer) = leugen | אוי (oy) = wee | למלך (lammelekh) = de koning | אשר (asher) = die | יהיה (yihyeh) = zal zijn | כמוך (kamokha) = zoals jij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:24** Jozef antwoordde en zei: „Er is geen valse rechtspraak in het woord dat jullie gesproken hebben over jullie broer Jozef. Want jullie allen hebben hem voor twintig zilverstukken aan de Midianieten verkocht, en jullie allen hebben het tegenover jullie vader ontkend en tegen hem gezegd: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten, Jozef is verscheurd.’” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אין (ein) = er is geen | משפט (mishpat) = recht | שקר (sheqer) = leugen | בדבר (bedabber) = in het woord | אשר (asher) = die | דיברתם (dibbartem) = jullie hebben gesproken | בעבור (ba'avur) = vanwege | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = want | מכרתם (mekhartem) = jullie hebben verkocht | אותו (oto) = hem | כולכם (kulkhem) = jullie allen | למדינים (lamedanim) = aan de Midianieten | בעשרים (be'esrim) = voor twintig | כסף (kesef) = zilver | ותכחשו (vatekhachashu) = en jullie ontkenden | כולכם (kulkhem) = jullie allen | אל (el) = tegen | אביכם (avikhem) = jullie vader | ותאמרו (vatomru) = en jullie zeiden | לו (lo) = voor hem | חיה (chayyah) = dier | רעה (ra'ah) = wild | אכלתהו (achalatu) = heeft hem opgegeten | טרוף (taruf) = verscheurd | טורף (toraf) = is verscheurd | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:28 (zij verkochten Jozef aan de Ismaëlieten voor twintig zilverstukken; Midianitische kooplieden trokken hem uit de put) en Gen. 37:33 (‘Een wild dier heeft hem opgegeten’). Zie ook: Gen 37:28; Gen 37:33 **54:25** Juda zei: „Zie, het vuur van Sichem brandt in mijn hart. Nu verbrand ik jullie en heel jullie land met vuur!” Jozef antwoordde en zei: „Het vuur van Tamar, je schoondochter, die je zonen doodde, dooft toch het vuur van Sichem!” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | הנה (hinneh) = zie | אש (esh) = het vuur van | שכם (Shekhem) = Sichem | נבערה (nivarah) = brandt | בלבי (belibbi) = in mijn hart | עתה (attah) = nu | אשרוף (esrof) = ik verbrand | אתכם (etkhem) = jullie | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארצכם (artsekhem) = jullie land | באש (ba'esh) = met vuur | ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הלא (halo) = immers | אש (esh) = het vuur van | תמר (tamar) = Tamar | כלתך (kallatekha) = je schoondochter | אשר (asher) = die | הרגה (hargah) = doodde | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניך (banekha) = je zonen | מכבה (mekhabbah) = dooft | את (et) = (lijdend voorwerp) | אש (esh) = vuur | שכם (Shekhem) = Sichem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 34 (Sichem) en Gen. 38:6–10 (Tamar; Er en Onan). Volgens Gen. 38:7 en 38:10 doodde Yahweh Er en Onan; hier wordt dit aan Tamar toegeschreven. Zie ook: Gen 38:6–10; Gen 38:7; Gen 38:10 **54:26** Juda zei: „Zo waar Yahweh leeft: als ik één haar uit mijn vlees trek, dan zal ik heel Egypte met het bloed ervan vullen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | חי (chai) = zo waar leeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כי (ki) = dat | אם (em) = als | הסירותי (hasirothi) = ik uittrek | מבשרי (mibbesari) = uit mijn vlees | שיער (se'ar) = haar | אחד (echad) = één | עד (ad) = dan | מילאתי (milleti) = zal ik vullen | בדמה (bedamah) = met het bloed ervan | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:27** Jozef antwoordde en zei: „Zo is jullie gewoonte, te doen zoals jullie gedaan hebben aan jullie broer die jullie verkochten, en jullie dompelden zijn rok in bloed en brachten die aan jullie vader, opdat hij zou zeggen: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten’, en zie, zijn bloed zit op zijn rok.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | כן (ken) = zo | משפטכם (mishpatkhem) = jullie gewoonte | לעשות (la'asot) = om te doen | כאשר (ka'asher) = zoals | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | לאחיכם (le'acheikhem) = aan jullie broer | אשר (asher) = die | מכרתם (mekhartem) = jullie hebben verkocht | ותטבלו (vatitbelu) = en dompelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כתונתו (kutnoto) = zijn rok | בדם (bedam) = in bloed | ותביאו (vatavi'u) = en brachten | אותה (otah) = die | אל (el) = tot | אביכם (avikhem) = jullie vader | בעבור (ba'avur) = opdat | יאמר (yomar) = hij zou zeggen | חיה (chayyah) = dier | רעה (ra'ah) = wild | אכלתהו (achalatu) = heeft hem opgegeten | והנה (vehinneh) = en zie | דמו (damo) = zijn bloed | בכתונתו (bekutnoto) = op zijn rok Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:31–33 (zij doopten de rok in bloed en brachten die naar hun vader). Zie ook: Gen 37:31–33 ### De steen van Juda **54:28** Toen Juda dit woord hoorde, ontbrandde zijn toorn zeer en zijn woede brandde in hem. Er lag voor hem op die plaats één steen die ongeveer vierhonderd sjekel woog. De toorn van Juda ontbrandde, hij nam de steen in zijn ene hand, wierp hem naar de hemel en ving hem op in zijn andere, linkerhand. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפו (appo) = zijn toorn | מאוד (me'od) = zeer | וחמתו (vechamato) = en zijn woede | בערה (ba'arah) = brandde | בו (bo) = in hem | ותהי (vatehi) = en er was | לפניו (lefanav) = voor hem | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | אבן (even) = steen | אחת (achat) = één | משקלה (mishqalah) = het gewicht ervan | כארבע (ke'arba) = ongeveer vier | מאות (me'ot) = honderd | שקל (sheqel) = sikkel | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = toorn | יהודה (Yehudah) = Juda | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | האבן (ha'even) = de steen | בידו (beyado) = in zijn hand | האחת (ha'achat) = de ene | ויזרקה (vayizreqah) = en wierp haar | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | ויקבלה (vayeqabbelah) = en ving haar op | בידו (beyado) = in zijn hand | השנית (hashenit) = de andere | השמאלית (hasemalit) = de linker Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Een sjekel is ongeveer 11,4 gram; vierhonderd sjekel is dus ongeveer 4,5 kilogram. **54:29** Daarna legde hij hem onder zijn voeten en vermaalde hem met de hitte van zijn kracht, en de steen werd stof door de kracht van Juda. Brontekst: ויתן (vayitten) = en zette | אותה (otah) = haar | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | תחת (tachat) = onder | רגליו (raglav) = zijn voeten | וידק (vayedaq) = en vermaalde | אותה (otah) = haar | בחמת (bechamat) = met de hitte van | כוחו (kocho) = zijn kracht | ותהי (vatehi) = en werd | האבן (ha'even) = de steen | לעפר (le'afar) = tot stof | מכח (mikkoach) = door de kracht van | יהודה (Yehudah) = Juda Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:30** Jozef zag wat Juda deed en vreesde zeer, maar hij gebood Manasse, zijn zoon, en ook deze deed hetzelfde met een andere steen, zoals het werk van Juda. Juda zei tegen zijn broers: „Laat niemand van jullie zeggen dat deze man een Egyptenaar is, maar hij is door dit te doen uit de familie van onze vader.” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשה (ma'aseh) = het werk van | יהודה (Yehudah) = Juda | ויירא (vayira) = en hij vreesde | מאוד (me'od) = zeer | אך (akh) = maar | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אל (el) = aan | מנשה (menasheh) = Manasse | בנו (beno) = zijn zoon | ויעש (vayya'as) = en hij deed | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | באבן (ba'even) = met een steen | אחרת (acheret) = een andere | כמעשה (kemma'aseh) = zoals het werk | יהודה (Yehudah) = Juda | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | אל (el) = niet | יאמר (yomar) = zeggen | איש (ish) = een man | מכם (mikkem) = van jullie | כי (ki) = dat | האיש (ha'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | מצרי (mitsri) = een Egyptenaar | הוא (hu) = hij | כי (ki) = maar | אם (em) = — | ממשפחת (mimmishpachat) = uit de familie van | אבינו (avinu) = onze vader | הוא (hu) = hij | בעשותו (be'asoto) = door zijn doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:31** Jozef zei: „Is de kracht niet alleen aan jullie gegeven? Ook wij zijn helden, en waarom pochen jullie allemaal tegen ons?” Juda zei tegen Jozef: „Zend toch onze broer en verwoest je land niet op deze dag.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | הלא (halo) = niet | לבדכם (levaddekhem) = alleen voor jullie | ניתנה (nittenah) = is gegeven | הגבורה (hagevurah) = de kracht | כי (ki) = want | גם (gam) = ook | אנחנו (anachnu) = wij | גיבורים (gibborim) = helden | ולמה (velamah) = en waarom | תתפארו (titpaaru) = pochen jullie | עלינו (aleinu) = over ons | כולכם (kulkhem) = jullie allen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | שלח (Shelach) = zend | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחינו (acheinu) = onze broer | ואל (ve'el) = en niet | תחריב (tacharib) = verwoest | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארצך (artsekha) = je land | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:32** Jozef antwoordde en zei tegen hen: „Ga en zeg tegen jullie vader: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten’, zoals jullie over Jozef, jullie broer, gezegd hebben.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | לכו (lekhu) = gaat | אמרו (ameru) = zegt | אל (el) = tot | אביכם (avikhem) = jullie vader | חיה (chayyah) = dier | רעה (ra'ah) = wild | אכלתהו (achalatu) = heeft hem opgegeten | כאשר (ka'asher) = zoals | אמרתם (amartem) = jullie hebben gezegd | על (al) = over | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיכם (acheikhem) = jullie broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Naftali telt de markten **54:33** Juda wendde zich tot Naftali, zijn broer, en zei tegen hem: „Haast je toch, ga en tel de markten van heel Egypte, kom en vertel het mij.” Simeon zei tegen hem: „Laat dit je niet tot last zijn; nu ga ik naar het gebergte, neem één grote steen van het gebergte op, leg die op heel Egypte en dood alles wat erin is.” Brontekst: ויפן (vayyifen) = en wendde zich | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | נפתלי (Naftali) = Naftali | אחיו (achiv) = zijn broer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | מהר (maher) = haast je | לך (lekha) = ga | נא (na) = toch | וספור (usfor) = en tel | את (et) = (lijdend voorwerp) | שווקי (shvaqei) = de markten van | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ובוא (uvo) = en kom | והגד (vehagged) = en vertel | לי (li) = mij | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | שמעון (Shim'on) = Simeon | אל (el) = niet | נא (na) = toch | יהיה (yihyeh) = zij | לך (lekha) = voor jou | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לטורח (letorach) = tot last | עתה (attah) = nu | אלך (elekh) = ga ik | אני (ani) = ik | ההרה (hahara) = naar het gebergte | ונשאתי (venasati) = en ik zal opnemen | אבן (even) = steen | אחת (achat) = één | גדולה (gedolah) = grote | מההר (mehahar) = van het gebergte | ושמתיה (vesamtiah) = en ik zal haar leggen | על (al) = op | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כולה (kullah) = geheel | והמתי (vahamti) = en ik zal doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | בה (bah) = daarin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שווקי (‘markten van’): de Engelse vertaling heeft ‘streets’. **54:34** Jozef hoorde al de woorden die zijn broers voor hem spraken; zij wisten niet dat Jozef het verstond, want zij dachten dat hij Hebreeuws niet kon spreken. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | שמע (shema) = hoorde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | אשר (asher) = die | דיברו (dibberu) = spraken | אחיו (achiv) = zijn broers | לפניו (lefanav) = voor hem | והם (vehem) = en zij | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | כי (ki) = dat | שומע (shome'a) = verstaat | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = dachten | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | ידע (yada) = kent | לדבר (laddavar) = om te spreken | עברית (ivriyyah) = Hebreeuws Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 42:23 (‘Zij wisten niet dat Jozef het verstond, want er was een tolk tussen hen’). Zie ook: Gen 42:23 **54:35** Jozef vreesde zeer door de woorden van zijn broers, dat zij Egypte zouden verwoesten, en hij gebood Manasse, zijn zoon: „Ga toch snel en roep alle bewoners van Egypte voor mij bijeen, en alle helden samen, en laat hen nu naar mij komen, op paarden en te voet en met allerlei muziekinstrumenten.” Manasse ging en deed zo. Brontekst: ויירא (vayira) = en hij vreesde | יוסף (Yosef) = Jozef | מאוד (me'od) = zeer | מדברי (middivrei) = door de woorden van | אחיו (achiv) = zijn broers | פן (pen) = opdat niet | יחריבו (yacharivu) = zouden verwoesten | את (et) = — | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | את (et) = (lijdend voorwerp) | מנשה (menasheh) = Manasse | בנו (beno) = zijn zoon | לאמור (lemor) = zeggende | לך (lekha) = ga | נא (na) = toch | מהר (maher) = haast je | והזעק (vehaze'eq) = en roep bijeen | לי (li) = voor mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | הגיבורים (haggibborim) = de helden | יחד (yachad) = samen | ויבואו (vayavo'u) = dat zij komen | אליי (elai) = tot mij | עתה (attah) = nu | בסוסים (basusim) = op paarden | וברגלי (uvergel) = en te voet | ובכל (uvkhol) = en met allerlei | כלי (keli) = instrumenten van | זמר (zimmer) = muziek | וילך (vayelekh) = en hij ging | מנשה (menasheh) = Manasse | ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:36** Naftali ging zoals Juda hem geboden had, want Naftali was zeer licht op zijn voeten, als een van de snelle gazellen; hij liep over de aren van het zaad en zij braken niet onder hem. Brontekst: ונפתלי (venaftali) = en Naftali | הלך (halakh) = ging | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = hij hem had geboden | יהודה (Yehudah) = Juda | כי (ki) = want | נפתלי (Naftali) = Naftali | קל (qal) = licht | ברגליו (beraglav) = op zijn voeten | מאוד (me'od) = zeer | כאחת (ke'achat) = als een van | הצבאים (hatsevaim) = de gazellen | הקלים (haqallim) = de snelle | והלך (vehalakh) = en liep | על (al) = over | שיבולי (shibbolei) = aren van | הזרע (hazzera) = het zaad | ולא (velo) = en niet | ישברו (yishberu) = braken | תחתיו (tachtav) = onder hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:37** Hij ging en telde alle markten van Egypte en vond er twaalf; hij kwam haastig en vertelde het aan Juda. Juda zei tegen zijn broers: „Haast jullie, gord ieder zijn zwaard op zijn heup, dan komen wij over Egypte, slaan hen allen en laten van hen geen overlevende over.” Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | ויספור (vayispor) = en telde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | שווקי (shvaqei) = de markten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | בהם (bahem) = daarin | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = — | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | מהרה (maherah) = haastig | ויגד (vayyaged) = en hij vertelde | אל (el) = tot | יהודה (Yehudah) = Juda | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | מהרו (maharu) = haast jullie | לכם (lakhem) = — | ושימו (vesimu) = en gord | איש (ish) = een man | חרבו (charvu) = zijn zwaard | על (al) = op | יריכו (yerekho) = zijn heup | ונבואה (venavo'ah) = en laten wij komen | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ונכה (venakkeh) = en laten wij slaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | כולם (kullam) = allen | ולא (velo) = en niet | תשאירו (tash'iru) = laat jullie over | מהם (mehem) = van hen | שריד (sarid) = overlevende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:38** Juda zei: „Zie, ik verwoest drie markten met mijn kracht, en jullie allen moeten ieder één markt verwoesten.” Terwijl Juda dit woord sprak, zie, de bewoners van Egypte, alle helden, kwamen allen tegen hen, met allerlei muziekinstrumenten en met veel geschreeuw. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | הנני (hinneni) = zie, ik | אחריב (acharib) = ik zal verwoesten | את (et) = (lijdend voorwerp) | שלושה (shelosha) = drie | שווקים (shvaqim) = markten | בכוחי (bekochi) = met mijn kracht | ואתם (ve'atem) = en jullie | כולכם (kulkhem) = jullie allen | יחריב (yacharib) = moet verwoesten | כל (kol) = alle | איש (ish) = een man | מכם (mikkem) = van jullie | שוק (shuq) = markt | אחד (echad) = één | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בדבר (bedabber) = terwijl hij sprak | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | והנה (vehinneh) = en zie | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כל (kol) = alle | הגיבורים (haggibborim) = de helden | באו (ba'u) = kwamen | כולם (kullam) = allen | נגדם (neggedam) = tegenover hen | בכל (bekhol) = in heel | כלי (keli) = instrumenten van | זמר (zimmer) = muziek | ובזעקות (uvize'aqot) = en met geschreeuw | רבות (rabbot) = veel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Egypte rukt uit **54:39** Heel hun aantal was vijfhonderd ruiters op paarden en tienduizend voetvolk, en vierhonderd helden die zonder zwaard en zonder speer konden vechten, maar alleen met hun handen en met hun kracht. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כל (kol) = heel | מספרם (mispram) = hun aantal | חמש (chamesh) = vijf | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = man | רוכבי (rokhvei) = ruiters op | סוסים (susim) = paarden | ועשרת (ve'asarat) = en tien | אלפים (alafim) = duizend | רגלי (ragli) = voetvolk | וארבע (ve'arba) = en vier | מאות (me'ot) = honderd | גיבורים (gibborim) = helden | אשר (asher) = die | יוכלו (yukhlu) = zullen vermogen | להלחם (lehilachem) = te vechten | בלא (bilo) = zonder | חרב (charev) = zwaard | ובלא (uvelo) = en zonder | חנית (chanit) = speer | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | בידיהם (beyadehem) = met hun handen | ובגבורתם (uvigvuratam) = en met hun kracht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:40** Al deze benden kwamen met groot gedreun en geschreeuw en omringden de zonen van Jakob allen en joegen hun schrik aan, en de aarde spleet door het geluid van hun geschreeuw. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | הגדודים (hagdudim) = de benden | האלה (ha'elleh) = deze | ברעש (bera'ash) = met gedreun | גדול (gadol) = grote | ובצעקות (uvetse'aqot) = en met geschreeuw | ויסובבו (vayasovvu) = en zij omringden | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבהלום (vayevahaluhum) = en joegen hun schrik aan | ותבקע (vativqa) = en spleet | האדמה (ha'adamah) = de grond | מקול (miqqol) = door het geluid van | צעקתם (tse'aqatam) = hun geschreeuw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ותבקע האדמה (‘en de aarde spleet’): de Engelse vertaling heeft ‘the ground quaked’. **54:41** Toen de zonen van Jakob deze benden zagen, vreesden zij zeer voor hun leven; en Jozef had dit gedaan om de zonen van Jakob bang te maken en hen tot bedaren te brengen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen zij zagen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | הגדודים (hagdudim) = de benden | האלה (ha'elleh) = deze | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | לנפשם (lenafsham) = voor hun leven | ויוסף (vayosef) = en Jozef | עשה (asah) = deed | כן (ken) = zo | למען (lema'an) = opdat | הפחיד (hafchid) = bang te maken | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | להחרישם (lehacharishum) = hen tot bedaren te brengen | מעליו (me'alav) = van hem weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:42** Juda zag dat sommigen van zijn broers verschrikt waren en zei tegen hen: „Waarom vrezen jullie, terwijl de goedertierenheid van onze Elohim met ons is?” Juda zag alle mannen van Egypte hen omringen op bevel van Jozef, om hen bang te maken; maar Jozef had hun geboden: „Raak niemand van hen aan.” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (lijdend voorwerp) | מקצת (miqtsat) = sommigen van | אחיו (achiv) = zijn broers | נבהלים (nivhalim) = verschrikt | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | למה (lammah) = waarom | תתראו (titraau) = vrezen jullie | וחסד (vachesed) = terwijl de goedertierenheid van | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | איתנו (ittanu) = met ons | וירא (vayyera) = en hij zag | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | סובבים (sovevim) = omringend | אותם (otam) = hen | כצוות (ketsivvui) = op bevel van | יוסף (Yosef) = Jozef | להפחידם (lehafchidam) = om hen bang te maken | אך (akh) = maar | יוסף (Yosef) = Jozef | ציוה (tsiwwah) = had geboden | להם (lahem) = hun | לאמור (lemor) = zeggende | אל (el) = niet | תגעו (tig'u) = raak | באחד (be'achad) = iemand van | מהם (mehem) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De kreet van Juda **54:43** Juda haastte zich, trok zijn zwaard, riep een zeer grote en bittere kreet, sloeg met zijn zwaard, sprong over de grond en ging door met schreeuwen tegen al die mannen. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | יהודה (Yehudah) = Juda | וישלוף (vayishlof) = en trok | חרבו (charvu) = zijn zwaard | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | צעקה (tse'aqah) = kreet | גדולה (gedolah) = grote | ומרה (umarah) = en bitter | עד (ad) = uitermate | מאוד (me'od) = zeer | ויך (vayyakh) = en sloeg | בחרבו (becharbo) = met zijn zwaard | וידלג (vayedalleg) = en sprong | על (al) = over | הארץ (ha'arets) = de grond | ויוסף (vayosef) = en hij ging voort | עוד (od) = nog | לזעוק (lize'oq) = te schreeuwen | על (al) = tegen | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:44** Toen hij dit deed, liet Yahweh de schrik van Juda en zijn broers vallen over alle helden en alle mannen die om hen heen waren. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעשותו (be'asoto) = toen hij deed | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויפל (vayyappel) = en liet vallen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | פחד (pachad) = de schrik van | יהודה (Yehudah) = Juda | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | על (al) = over | כל (kol) = alle | הגיבורים (haggibborim) = de helden | וכל (vekhol) = en alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | סביבותם (svivotam) = om hen heen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 35:5 (een schrik van Elohim kwam over de steden rondom hen). Zie ook: Gen 35:5 **54:45** Zij vluchtten allen voor het geluid van het geschreeuw en de schrik; zij vielen de een over de ander en velen van hen stierven bij hun val, en zij vluchtten allen voor Juda en zijn broers en voor Jozef. Brontekst: וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | כולם (kullam) = allen | מקול (miqqol) = voor het geluid van | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | והפחד (vehapachad) = en de schrik | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | איש (ish) = een man | על (al) = op | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | מהם (mehem) = van hen | הרבה (harbeh) = velen | בנפלם (benoflam) = bij hun val | ויברחו (vayivrechu) = en zij vluchtten | כולם (kullam) = allen | מפני (mippenei) = voor | יהודה (Yehudah) = Juda | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | ומפני (umippnei) = en voor | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:46** Terwijl zij vluchtten, achtervolgden Juda en zijn broers hen tot het huis van de farao, en zij ontkwamen allen. Juda ging weer voor Jozef zitten, brulde tegen hem als een leeuw en riep tegen hem een zeer grote en bittere kreet. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כנוסם (kenusam) = terwijl zij vluchtten | וירדפם (vayirdefem) = en hij achtervolgde hen | יהודה (Yehudah) = Juda | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | עד (ad) = tot | בית (bet) = het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | וימלטו (vayimmaletu) = en ontkwamen | להם (lahem) = zich | כולם (kullam) = allen | וישב (vayyashev) = en ging zitten | יהודה (Yehudah) = Juda | עוד (od) = weer | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | וינהום (vayinham) = en brulde | עליו (alav) = tegen hem | כאריה (ka'aryeh) = als een leeuw | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | עליו (alav) = tegen hem | צעקה (tse'aqah) = kreet | גדולה (gedolah) = grote | ומרה (umarah) = en bitter | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:47** Die kreet werd gehoord tot in de verte, en alle bewoners van Sukkot hoorden haar; heel Egypte beefde van het geluid van de kreet. Ook alle muren van Egypte en het land Gosen vielen allemaal om door de beving van de aarde, en ook de farao viel van zijn troon, met zijn gezicht naar de grond. En ook alle zwangere vrouwen van Egypte en Gosen lieten hun kinderen uit hun schoot vallen toen zij heel het gedreun hoorden, want zij waren uitermate bevreesd. Brontekst: ותשמע (vattishma) = en werd gehoord | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | ההיא (hahi) = die | עד (ad) = tot | למרחוק (lemerachoq) = in de verte | וישמעוה (vayishme'uhah) = en hoorden haar | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | סוכות (sukkot) = Sukkot | ותרעש (vatir'ash) = en beefde | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מקול (miqqol) = door het geluid van | הצעקה (hatse'aqah) = het geschreeuw | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | חומות (chomot) = muren | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וארץ (va'erets) = en het land van | גושן (goshen) = Gosen | נפלו (naflu) = vielen | כולם (kullam) = allen | מרעש (mera'ash) = door de beving van | הארץ (ha'arets) = de aarde | ויפול (vayippol) = viel | גם (gam) = ook | פרעה (par'oh) = Farao | מעל (me'al) = van | כיסאו (kis'o) = zijn troon | על (al) = op | פניו (panav) = zijn aangezicht | ארצה (artsah) = naar de grond | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | נשי (neshei) = vrouwen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וגושן (ugoshen) = en Gosen | ההרות (hahaerot) = de zwangere | נפלו (naflu) = vielen | ילדיהן (yaldeihen) = hun kinderen | ממעיהן (mime'eihen) = uit hun schoot | בשמעם (beshom'am) = toen zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הרעש (hara'ash) = het gedreun | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = waren bevreesd | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:17 (Sukkot, waar Jakob een huis bouwde). Dat de muren van Egypte en Gosen vielen, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 33:17 ### De farao schrikt **54:48** De farao zond bericht: „Wat is dit voor een zaak die vandaag in het land Egypte is gebeurd?” Zij kwamen en vertelden hem alles van begin tot einde. De farao werd bevreesd, verbaasde zich en beefde zeer; vrees nam bij hem toe op vrees toen hij al deze dingen hoorde. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | פרעה (par'oh) = Farao | לאמור (lemor) = zeggende | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | נהיה (nihyeh) = is gebeurd | היום (hayyom) = vandaag | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | מראש (merosh) = van het begin | ועד (ve'ad) = tot | סוף (suf) = het einde | ויבהל (vayibbahel) = en hij werd bevreesd | פרעה (par'oh) = Farao | ויתמה (vayitmah) = en hij verbaasde zich | ויחרד (vayecherad) = en beefde | מאוד (me'od) = zeer | ותוסף (vattosef) = en vermeerderde | לו (lo) = voor hem | יראה (yir'ah) = vrees | על (al) = op | יראה (yir'ah) = vrees | בשמעו (beshomo) = toen hij hoorde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:49** Hij liet Jozef zeggen: „Is het om heel Egypte te verwoesten dat je mij de slaven hebt gebracht? Wat heb je met die dief van een slaaf? Zend hem weg, dat hij met zijn broers gaat, opdat wij niet omkomen door hun kwaad, zowel wij als jij als heel Egypte. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | הלהחריב (haleHacharib) = was het om te verwoesten | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | הבאת (hevet) = dat je gebracht hebt | לי (li) = mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | העבדים (ha'avadim) = de slaven | מה (mah) = wat | לך (lekha) = aan jou | בעבד (be'eved) = met de slaaf | הגנב (hagannav) = de dief | ההוא (hahu) = die | שלחהו (shalchehu) = zend hem weg | וילך (vayelekh) = dat hij ga | עם (im) = met | אחיו (achiv) = zijn broers | ולא (velo) = opdat niet | נאבד (ne'evad) = wij omkomen | ברעתם (bera'atam) = door hun kwaad | גם (gam) = zowel | אנחנו (anachnu) = wij | גם (gam) = als | אתה (attah) = jij | גם (gam) = als | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:50** En als je dit niet wilt doen, laat dan al mijn kostbaarheden varen en ga met hen naar hun land, als je behagen in hen hebt. Want zij hebben vandaag heel mijn land verwoest, mijn mannen gedood, en alle vrouwen van Egypte hebben hun kinderen laten vallen door hun geschreeuw. Zie wat zij gedaan hebben door hun geschreeuw en hun woorden; en zelfs als zij met het zwaard vechten, zullen zij de rest van het land verwoesten. Kies nu voor jezelf wat je wilt: hetzij ik, hetzij de Hebreeën, hetzij Egypte, hetzij het land van de Hebreeën.” Brontekst: ואם (ve'im) = en als | לא (lo) = niet | תחפוץ (techpots) = je wilt | לעשות (la'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | עזוב (azov) = laat varen | מעליך (me'alekha) = van je af | כל (kol) = alle | חמודותי (chamudotai) = mijn kostbaarheden | ולך (ulekha) = en ga | לך (lekha) = heen | עמהם (immahem) = met hen | אל (el) = naar | ארצם (artsam) = hun land | אם (em) = als | חפצת (chafatsta) = je behagen hebt | בם (vam) = bij hen | כי (ki) = want | החריבו (hecheribu) = verwoestten | היום (hayyom) = vandaag | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארצי (artsi) = mijn land | ויהרגו (vayaharegu) = en zij hebben gedood | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אנשיי (anashai) = mijn mannen | וכל (vekhol) = en alle | נשי (neshei) = vrouwen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | הפילו (hipilu) = hebben laten vallen | ילדיהן (yaldeihen) = hun kinderen | בצעקתם (betsa'aqatam) = door hun geschreeuw | ראה (ra'ah) = zie | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = deden | בצעקתם (betsa'aqatam) = door hun geschreeuw | ובדבריהם (uvidvareihem) = en door hun woorden | ואף (ve'af) = en zelfs | אם (em) = als | ילחמו (yilchamu) = zij vechten | בחרב (bacherev) = met het zwaard | והחריבו (vehecheribu) = zullen zij verwoesten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יתר (yeter) = de rest van | הארץ (ha'arets) = het land | עתה (attah) = nu | בחר (bachar) = kies | לך (lekha) = voor jezelf | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | תחפוץ (techpots) = je verlangt | אם (em) = hetzij | אני (ani) = ik | אם (em) = hetzij | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | ואם (ve'im) = hetzij | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואם (ve'im) = hetzij | ארץ (erets) = land van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:51** Zij kwamen en vertelden Jozef alle woorden van de farao die hij aan hem gezonden had. Jozef vreesde zeer door de woorden van de farao; Juda en zijn broers stonden nog steeds voor Jozef in woede en gloed van toorn, en alle zonen van Jakob brulden tegen Jozef als het bruisen van de zee en haar golven. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | פרעה (par'oh) = Farao | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = had gezonden | אליו (elav) = naar hem | ויירא (vayira) = en hij vreesde | יוסף (Yosef) = Jozef | מדברי (middivrei) = door de woorden van | פרעה (par'oh) = Farao | מאוד (me'od) = zeer | ויהודה (vihudah) = en Juda | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | עודם (odam) = nog steeds | נצבים (nitsavim) = staande | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | בחמה (bechemah) = in woede | ובחרון (uvecharon) = en in gloed van | אף (af) = toorn | וינהמו (vayinhamu) = en brulden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = tegen | יוסף (Yosef) = Jozef | כנהמת (kenahamat) = als het bruisen van | ים (yam) = de zee | וגליו (vegalav) = en zijn golven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 45:1 **54:52** Jozef vreesde zeer voor zijn broers en voor de farao, en Jozef zocht een voorwendsel om zich aan zijn broers bekend te maken, opdat zij niet heel Egypte zouden verwoesten. Brontekst: ויירא (vayira) = en hij vreesde | יוסף (Yosef) = Jozef | מאוד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = voor | אחיו (achiv) = zijn broers | ומפני (umippnei) = en voor | פרעה (par'oh) = Farao | ויבקש (vayevaqqesh) = en hij zocht | יוסף (Yosef) = Jozef | עלילה (alilah) = een voorwendsel | להודע (lehivvada) = om zich bekend te maken | אל (el) = aan | אחיו (achiv) = zijn broers | פן (pen) = opdat niet | יחריבו (yacharivu) = zouden verwoesten | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Manasse bedaart Juda **54:53** Jozef gebood Manasse, zijn zoon, en Manasse ging, trad voor Juda, legde zijn hand op zijn schouder, en de woede van Juda bedaarde. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | מנשה (menasheh) = Manasse | בנו (beno) = zijn zoon | וילך (vayelekh) = en hij ging | מנשה (menasheh) = Manasse | ויגש (vayyigash) = en hij naderde | לפני (lifnei) = naar | יהודה (Yehudah) = Juda | וישם (vayasem) = en legde | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידו (yado) = zijn hand | על (al) = op | כתפו (ketefo) = zijn schouder | וחמת (vechemat) = en de woede van | יהודה (Yehudah) = Juda | שכבה (shakhekhah) = bedaarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:54** Juda zei tegen zijn broers: „Laat niemand van jullie zeggen dat dit het werk van een Egyptische jongen is, maar dit is het werk van het huis van mijn vader.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | אל (el) = niet | יאמר (yomar) = zal zeggen | איש (ish) = een man | מכם (mikkem) = van jullie | כי (ki) = dat | מעשה (ma'aseh) = het werk van | נער (na'ar) = jongen | מצרי (mitsri) = Egyptische | זה (ze) = dit | כי (ki) = maar | אם (em) = — | מעשה (ma'aseh) = het werk van | בית (bet) = het huis van | אבי (avi) = mijn vader | זה (ze) = dit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:55** Jozef zag en wist dat de woede van Juda bedaard was; hij trad naar voren om tot Juda in zachte taal te spreken. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יוסף (Yosef) = Jozef | וידע (vayyeda) = en hij wist | כי (ki) = dat | חמת (Chamat) = de woede van | יהודה (Yehudah) = Juda | שככה (shakkhah) = bedaarde | ויגש (vayyigash) = en hij naderde | לדבר (laddavar) = te spreken | אל (el) = tot | יהודה (Yehudah) = Juda | לשון (lashon) = taal | רכה (rakka) = zachte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jozef spreekt zacht **54:56** Jozef zei tegen Juda: „Jullie spreken waarheid, en wat jullie vandaag over jullie kracht zeggen, is juist. Moge jullie Elohim, die behagen in jullie heeft, meer goeds aan jullie toevoegen. Maar zeg mij toch waarom jij, van al je broers, met mij strijdt om de jongen, terwijl niet één van hen één woord over hem tot mij heeft gesproken.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | יהודה (Yehudah) = Juda | הלא (halo) = immers | אמת (emet) = waarheid | תדברו (tedaberu) = spreken jullie | ונכונה (venekhonah) = en juist | בפיכם (befikhem) = in jullie mond | על (al) = over | כל (kol) = alle | גבורתכם (gevuratkhem) = jullie kracht | היום (hayyom) = vandaag | ואלוקיכם (veElohekhem) = en jullie Elohim | אשר (asher) = die | חפץ (chafets) = behagen heeft | בכם (bakhem) = in jullie | יוסף (Yosef) = moge toevoegen | עליכם (aleikhem) = aan jullie | טובה (tovah) = goeds | אך (akh) = maar | הלא (halo) = toch | תגיד (tagged) = vertel | נא (na) = toch | לי (li) = mij | למה (lammah) = waarom | תלחם (tilchem) = strijd je | עמי (immi) = met mij | אתה (attah) = jij | על (al) = om | הנער (hanna'ar) = de jongen | מכל (mikkol) = van al | אחיך (achikha) = je broers | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | דיבר (dibber) = had gesproken | אליי (elai) = tot mij | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | בעבורו (baavuro) = over hem | דבר (davar) = een woord Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: יוסף עליכם טובה (‘voege meer goeds aan jullie toe’): een woordspeling op de naam Jozef (יוסף), zie Gen. 30:24. Zie ook: Gen 30:24 **54:57** Juda antwoordde Jozef: „Je weet toch dat ik borg stond voor de jongen bij mijn vader, en zei: ‘Als ik hem niet bij hem breng, dan zal ik al de dagen tegen hem zondigen.’ Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = — | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | הלא (halo) = immers | ידעת (yada'ta) = weet je | כי (ki) = dat | אנוכי (anokhi) = ik | ערבתי (aravti) = ik stond borg | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנער (hanna'ar) = de jongen | מעם (me'im) = bij | אבי (avi) = mijn vader | לאמור (lemor) = zeggende | אם (em) = als | לא (lo) = niet | אביאנו (avi'enu) = ik breng hem | אליו (elav) = bij hem | וחטאתי (vechatati) = en ik zal zondigen | לו (lo) = tegen hem | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 43:9 (‘Ik sta borg voor hem… als ik hem niet bij je breng, zal ik al de dagen schuldig zijn’) en Gen. 44:32. Zie ook: Gen 43:9; Gen 44:32 **54:58** Daarom ben ik vandaag, van al mijn broers, voor je getreden, want ik zag dat je niet bereid was hem te geven en van je weg te zenden. Mag ik nu genade vinden in je ogen: zend hem om met zijn broers te gaan, en zie, ik blijf in zijn plaats zitten om je te dienen in alles wat je wilt; want overal waarheen je mij zendt zal ik gaan om je te dienen met mijn grote kracht. Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = — | ניגשתי (niggashti) = ben ik genaderd | לפניך (lefanekha) = voor je | היום (hayyom) = vandaag | מכל (mikkol) = van elke | אחיי (achai) = mijn broers | כי (ki) = want | ראיתי (ra'iti) = ik zag | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | אבית (avit) = bereid was | לתתו (latito) = om hem te geven | ולשלחו (uleshalcho) = en hem weg te zenden | מאיתך (me'itkha) = van jou | עתה (attah) = nu | אמצא (emtsa) = mag ik vinden | חן (chen) = gunst | בעיניך (be'einekha) = in je ogen | ושלחתו (veshilachto) = zend hem | ללכת (lalekhet) = om te gaan | עם (im) = met | אחיו (achiv) = zijn broers | והנני (vehinneni) = zie, ik | אנוכי (anokhi) = ik | יושב (yoshev) = zal blijven zitten | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | לשרתך (lesharetkha) = om je te dienen | בכל (bekhol) = in alles | אשר (asher) = wat | תחפוץ (techpots) = je verlangt | כי (ki) = want | לכל (lekhol) = overal | אשר (asher) = waarheen | תשלחני (tishlacheni) = waarheen je mij zendt | אלך (elekh) = ga ik | לשרתך (lesharetkha) = om je te dienen | בגבורתי (bigvurati) = met mijn kracht | הגדולה (haggedolah) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 44:33 (‘Laat uw dienaar toch blijven in plaats van de jongen als slaaf van mijn heer’). Zie ook: Gen 44:33 **54:59** Zend mij toch naar een sterke koning die tegen je in opstand kwam, en je zult weten wat ik hem en zijn land zal aandoen. Zelfs als hij ruiterij en voetvolk heeft en een zeer machtig volk, dan zal ik hen allen doden en het hoofd van hun koning voor je brengen. Brontekst: שלח (Shelach) = zend | נא (na) = toch | אותי (oti) = mij | אל (el) = naar | מלך (malakh) = een koning | קשה (qashah) = sterke | אשר (asher) = die | מרד (Mered) = in opstand is gekomen | בך (bekha) = tegen jou | וידעת (veyada'ta) = en je zult weten | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | אעשה (e'eseh) = ik zal doen | לו (lo) = hem | ולארצו (ulartso) = en aan zijn land | אף (af) = zelfs | אם (em) = als | לו (lo) = hij heeft | רכב (rekhev) = ruiterij | ורגלי (veragli) = en voetvolk | ועם (ve'im) = en een volk | עצום (atsum) = machtig | מאוד (me'od) = zeer | והרגתי (vehaharagti) = en ik zal doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כולם (kullam) = allen | ואביא (veavi) = en ik zal brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראש (rosh) = het hoofd van | מלכם (malkam) = hun koning | לפניך (lefanekha) = voor je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:60** Weet je niet, of heb je niet gehoord, dat Abraham, onze vader, en zijn dienaar Eliëzer samen alle koningen van Elam met hun legers sloegen in één nacht, en zij lieten van hen geen overlevende over? En van die dag af is de kracht van onze vader ons gegeven, als bezit voor ons en voor ons nageslacht tot in eeuwigheid.” Brontekst: הלא (halo) = immers | ידעת (yada'ta) = weet je | אם (em) = of | לא (lo) = niet | שמעת (shamata) = je hebt gehoord | כי (ki) = dat | אברהם (avraham) = Abraham | אבינו (avinu) = onze vader | עם (im) = met | עבדו (avdo) = zijn dienaar | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | הכו (hiku) = versloegen | שניהם (shenehem) = beiden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | עילם (Elam) = Elam | עם (im) = met | צבאותיהם (tsiv'otehem) = hun legers | בלילה (ballaylah) = in de nacht | אחת (achat) = één | לא (lo) = niet | השאירו (hish'iru) = lieten over | מהם (mehem) = van hen | שריד (sarid) = overlevende | ומהיום (umehayom) = en van die dag af | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | ניתנה (nittenah) = is gegeven | לנו (lanu) = voor ons | גבורת (gevurat) = de kracht van | אבינו (avinu) = onze vader | לרשתה (lerishtah) = als bezit | לנו (lanu) = voor ons | ולזרענו (ulezar'enu) = en voor ons nageslacht | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 14:14–15 (Abraham versloeg 's nachts de koningen van het oosten) en Gen. 15:2 (Eliëzer van Damascus). Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie ook: Gen 14:14–15; Gen 15:2 **54:61** Jozef antwoordde en zei: „Jullie spreken waarheid, en leugen is niet in jullie mond; want ook ons is verteld dat de Hebreeën kracht hebben en dat Yahweh, hun Elohim, zeer veel behagen in hen heeft; en wie kan voor hen standhouden? Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אמת (emet) = waarheid | תדברו (tedaberu) = spreken jullie | וכזב (vekhazav) = en leugen | אין (ein) = er is niet | בפיכם (befikhem) = in jullie mond | כי (ki) = want | גם (gam) = ook | הוגד (hugad) = is verteld | לנו (lanu) = voor ons | כי (ki) = want | יש (yesh) = is er | לעברים (la'ivrim) = voor de Hebreeën | גבורה (gevurah) = kracht | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | חפץ (chafets) = behagen heeft | בם (vam) = bij hen | מאוד (me'od) = zeer | ומי (umei) = wie | יוכל (yukhal) = kan | לעמוד (la'amod) = standhouden | בפניהם (befnehem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:62** Maar hierop zal ik jullie broer naar jullie zenden: als jullie zijn broer, de zoon van zijn moeder, voor mij brengen, van wie jullie gezegd hebben dat hij uit jullie midden naar Egypte is afgedaald. Dan zal het zijn, wanneer jullie zijn broer bij mij brengen, dat ik hem in zijn plaats neem, omdat niemand van jullie bij jullie vader voor hem borg stond. En wanneer hij bij mij komt, zend ik jullie zijn broer, voor wie jullie borg stonden.” Brontekst: אך (akh) = maar | בזאת (bezot) = hierin | אשלח (eshlach) = zal ik zenden | לכם (lakhem) = aan jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | אם (em) = als | תביאו (tavi'u) = jullie brengen | לפניי (lefanai) = voor mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broer | בן (ben) = zoon van | אמו (immo) = zijn moeder | אשר (asher) = van wie | אמרתם (amartem) = jullie hebben gezegd | כי (ki) = dat | ירד (Yered) = is afgedaald | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מאיתכם (me'itkhem) = van jullie | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בהביאכם (behavi'akhem) = wanneer jullie brengen | אליי (elai) = tot mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broer | ולקחתיו (velaqachtiv) = dan neem ik hem | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | יען (ya'an) = omdat | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ערב (arav) = stond borg voor | אותו (oto) = hem | אחד (echad) = één | מכם (mikkem) = van jullie | אל (el) = tegenover | אביכם (avikhem) = jullie vader | והיה (vehayah) = en het zal zijn | בבואו (bevo'o) = wanneer hij komt | אליי (elai) = tot mij | ושלחתי (veshalachti) = dan zend ik | לכם (lakhem) = aan jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broer | אשר (asher) = voor wie | ערבתם (aravtem) = jullie borg stonden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:63** De toorn van Juda ontbrandde tegen Jozef toen hij dit woord sprak, en zijn ogen stroomden bloed van woede. Hij zei tegen zijn broers: „Deze man zoekt vandaag zichzelf en heel Egypte te doen omkomen!” Brontekst: ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = de toorn van | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tegen | יוסף (Yosef) = Jozef | בדברו (bedabbero) = toen hij dit sprak | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויזלגו (vayizlegu) = en stroomden | עיניו (einav) = zijn ogen | דם (dam) = bloed | מכעסו (mikka'aso) = van zijn woede | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | זה (ze) = deze man | מבקש (mevaqesh) = zoekt | להמית (lehamit) = te doen omkomen | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשו (nafsho) = zichzelf | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: ואת על מצרים (‘en… over Egypte’) staat er; gelezen als ואת כל מצרים, ‘en heel Egypte’. **54:64** Simeon antwoordde Jozef: „Hebben wij je in het begin niet gezegd dat wij de plaats niet kenden waarheen hij ging, en of hij dood is of leeft? En waarom spreekt mijn heer deze woorden?” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | שמעון (Shim'on) = Simeon | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | הלא (halo) = niet | אמור (amor) = zeker | אמרנו (amarnu) = hebben wij gezegd | לך (lekha) = aan jou | בתחילה (battechillah) = in het begin | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | ידענו (yada'nu) = wisten wij | מקום (maqom) = plek | לכתו (lekhto) = waarheen hij ging | ואם (ve'im) = of | מת (met) = dood is | ואם (ve'im) = of | חי (chai) = leeft | הוא (hu) = hij | ולמה (velamah) = en waarom | ידבר (yedabber) = spreekt | אדוני (adoni) = mijn heer | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = de woorden | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:65** Jozef zag het gezicht van Juda en wist dat zijn toorn tegen hem begon te ontbranden toen hij tegen hem sprak: „Breng jullie broer in plaats van zijn broer.” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יוסף (Yosef) = Jozef | פני (pnei) = aangezicht van | יהודה (Yehudah) = Juda | וידע (vayyeda) = en hij wist | כי (ki) = dat | החל (hechel) = begon | אפו (appo) = zijn toorn | לחרות (lacharot) = te ontbranden | עליו (alav) = tegen hem | בדברו (bedabbero) = toen hij sprak | אליו (elav) = tegen hem | לאמור (lemor) = zeggende | הביאו (hevi'u) = breng | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | תחת (tachat) = in plaats van | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:66** Jozef zei tegen zijn broers: „Jullie hebben immers gezegd dat jullie broer dood is of verloren; en zie, als ik hem vandaag roep en hij komt voor jullie, zullen jullie hem dan aan mij geven in plaats van zijn broer?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | והלא (vehalo) = niet | אמרתם (amartem) = jullie hebben gezegd | כי (ki) = dat | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | מת (met) = dood is | ונאבד (venavad) = en verloren is | והנה (vehinneh) = en zie | אם (em) = als | קראתיו (qerativ) = ik hem roep | היום (hayyom) = vandaag | ובא (uva) = en hij komt | לפניכם (lifnekhem) = voor jullie | התתנוהו (hatitnuhu) = zullen jullie hem geven | לי (li) = voor mij | תחת (tachat) = in plaats van | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 45:3 ### Jozef maakt zich bekend **54:67** Jozef begon te spreken en te roepen: „Jozef, Jozef, kom vandaag voor mij, toon je aan je broers en ga toch voor hen zitten.” Brontekst: ויחל (vayachel) = en begon | יוסף (Yosef) = Jozef | לדבר (laddavar) = om te spreken | ולקרוא (uliqro) = en te roepen | יוסף (Yosef) = Jozef | יוסף (Yosef) = Jozef | בוא (bo) = kom | היום (hayyom) = vandaag | לפניי (lefanai) = voor mij | והראה (vehir'ah) = en toon je | אל (el) = aan | אחיך (achikha) = je broers | ושב (veshav) = en ga zitten | נא (na) = toch | לפניהם (lifneihem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:68** Toen Jozef dit woord voor hen sprak, keken zij de een hierheen en de ander daarheen, om te zien vanwaar Jozef, hun broer, zou komen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כדבר (kidvar) = toen sprak | יוסף (Yosef) = Jozef | לפניהם (lifneihem) = voor hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויביטו (vayabitu) = en zij keken | איש (ish) = een man | כה (koh) = hierheen | ואיש (ve'ish) = en man | כה (koh) = daarheen | לראות (lir'ot) = zien | מאין (me'ayin) = vanwaar | יבוא (yavo) = zou komen | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיהם (achihem) = hun broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:69** Jozef zag al hun daden en zei tegen hen: „Waarom kijken jullie hierheen en daarheen? Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie naar Egypte hebben verkocht. Laat het nu niet verdrietig zijn in jullie ogen dat jullie mij verkocht hebben, want om leven te geven in de honger heeft Elohim mij voor jullie uit gezonden.” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מעשיהם (ma'asehem) = hun daden | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | למה (lammah) = waarom | תראו (tir'u) = kijken jullie | כה (koh) = hierheen | וכה (vekho) = en daarheen | אני (ani) = ik | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיכם (acheikhem) = jullie broer | אשר (asher) = die | מכרתם (mekhartem) = jullie hebben verkocht | אותי (oti) = mij | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ועתה (ve'attah) = en nu | אל (el) = niet | נא (na) = toch | יחר (yichar) = zij het een verdriet | בעיניכם (be'eineikhem) = in jullie ogen | כי (ki) = dat | מכרתם (mekhartem) = jullie hebben verkocht | אותי (oti) = mij | כי (ki) = want | למחיה (lemichyah) = om te laten leven | לרעב (lara'av) = in de honger | שלחני (shelachani) = heeft mij gezonden | אלוקים (Elohim) = Elohim | לפניכם (lifnekhem) = voor jullie uit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:3–5 (‘Ik ben Jozef… want om in leven te houden heeft Elohim mij voor jullie uit gezonden’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 45:3–5; Gen 45:5 **54:70** Zijn broers schrokken van hem toen zij de woorden van Jozef hoorden, en Juda schrok zeer, zeer van hem. Brontekst: ויבהלו (vayibbahalu) = en zij schrokken | אחיו (achiv) = zijn broers | ממנו (mimmennu) = voor hem | בשמעם (beshom'am) = toen zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויבהל (vayibbahel) = en schrok | יהודה (Yehudah) = Juda | ממנו (mimmennu) = voor hem | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Benjamin en zijn broers **54:71** Toen Benjamin de woorden van Jozef hoorde, die binnen in het huis voor hen was, rende Benjamin naar Jozef, zijn broer, omhelsde hem, viel op zijn hals, en zij weenden. Brontekst: ובנימין (uvinyamin) = en Benjamin | בשמעו (beshomo) = toen hij hoorde | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | יוסף (Yosef) = Jozef | והוא (vehu) = en hij | היה (hayah) = was | לפניהם (lifneihem) = voor hen | בבית (babbayit) = in het huis | פנימה (penimah) = binnen | וירץ (vayyarots) = en hij rende | בנימין (binyamin) = Benjamin | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיו (achiv) = zijn broer | ויחבקהו (vaychabqehu) = en omhelsde hem | ויפול (vayippol) = en hij viel | על (al) = op | צואריו (tsavvarav) = zijn hals | ויבכו (vayivku) = en zij weenden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:14–15 (hij viel om de hals van zijn broer Benjamin en weende; daarna kuste hij al zijn broers). Zie ook: Gen 45:2; Gen 45:14–15 **54:72** De broers van Jozef zagen dat Benjamin op zijn broer viel en met hem weende; ook zij vielen op Jozef, omhelsden hem en weenden een grote weeklacht met Jozef. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | אחי (echi) = de broers van | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | נופלים (noflim) = vallend | על (al) = op | אחיו (achiv) = zijn broer | ויבך (vayevk) = en weende | עמו (immo) = met hem | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | על (al) = op | יוסף (Yosef) = Jozef | ויחבקוהו (vaychabqu'hu) = en omhelsden hem | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:73** Het geluid werd gehoord in het huis van de farao dat dit de broers van Jozef waren, en het was zeer goed in de ogen van de farao, want hij had gevreesd dat zij Egypte zouden verwoesten. Brontekst: והקול (vehaqol) = en het geluid | נשמע (nishma) = werd gehoord | בית (bet) = in het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | כי (ki) = want | אחי (echi) = de broers van | יוסף (Yosef) = Jozef | הם (hem) = zij | וייטב (vayyitav) = en het was goed | בעיני (be'einei) = in de ogen van | פרעה (par'oh) = Farao | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | נתיירא (nityare) = hij was bevreesd | מהם (mehem) = voor hen | פן (pen) = opdat niet | יחריבו (yacharivu) = zouden verwoesten | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:16 (het bericht werd gehoord in het huis van de farao; het was goed in de ogen van de farao). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 45:16 ### Vreugde in Egypte **54:74** De farao zond zijn dienaren naar Jozef om hem te verblijden over zijn broers, die bij hem gekomen waren. Alle oversten van de legers en de helden die in Egypte waren, kwamen om zich met Jozef te verheugen, en heel Egypte was zeer vrolijk over de broers van Jozef. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | אל (el) = naar | יוסף (Yosef) = Jozef | לשמחו (lesamcho) = om hem te verblijden | באחיו (be'achiv) = over zijn broers | אשר (asher) = die | באו (ba'u) = kwamen | אליו (elav) = bij hem | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | שרי (sarai) = oversten van | החיילים (hachayalim) = de legers | והגיבורים (vehaggibborim) = en de helden | אשר (asher) = die | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לשמוח (lismoach) = om zich te verheugen | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | וישמחו (vayismechu) = en zij waren vrolijk | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | באחי (be'achei) = over de broers van | יוסף (Yosef) = Jozef | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:75** De farao liet Jozef zeggen: „Zeg tegen je broers dat zij alles wat van hen is meebrengen en naar mij komen, dan laat ik hen wonen in het beste van het land Egypte.” En zij deden zo. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | אמור (amor) = zeg | לאחיך (le'achikha) = tegen je broers | להביא (lehavi) = te brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | להם (lahem) = van hen | ויבואו (vayavo'u) = en laat hen komen | אליי (elai) = tot mij | והושבתם (vehoshavtam) = en laat hen wonen | במיטב (bemitav) = in het beste van | ארץ (erets) = het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויעשו (vaya'asu) = zij deden | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:17–20 (‘Ik zal jullie het beste van het land Egypte geven’). Zie ook: Gen 45:17–20 ### De geschenken **54:76** Jozef gebood degene die over zijn huis was gesteld, om aan zijn broers porties, geschenken en kleren uit te brengen. Hij bracht hun veel kleren uit, koninklijke gewaden, en veel geschenken, en Jozef verdeelde ze onder al zijn broers. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = — | אשר (asher) = hem die | על (al) = over | ביתו (beito) = zijn huis | להוציא (lehotsi) = uit te brengen | אל (el) = aan | אחיו (achiv) = zijn broers | מנות (manot) = porties | ומתנות (umattanot) = en geschenken | ובגדים (uvegadim) = en kleren | ויוציא (veyotsi) = en hij bracht uit | להם (lahem) = hun | בגדים (begadim) = kleren | רבים (rabbim) = vele | בגדי (bigdey) = de kleren van | מלכות (malkhut) = koningschap | ומתנות (umattanot) = en geschenken | רבות (rabbot) = vele | ויחלקם (vayechalleqem) = en verdeelde ze | יוסף (Yosef) = Jozef | לכל (lekhol) = onder al | אחיו (achiv) = zijn broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 45:21 **54:77** Hij gaf ieder van zijn broers stellen kleren zoals koninklijke kleren, en honderd zilverstukken daarbij; en aan Benjamin gaf hij bovendien vijf stellen kleren, gewaden van goud en zilver, en driehonderd zilverstukken. Jozef gebood hun allen deze kleren aan te trekken, en hij bracht hen voor de farao. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | לכל (lekhol) = aan ieder | אחד (echad) = één | מאחיו (me'achiv) = voor zijn broers | חליפות (chalifot) = stellen van | בגדים (begadim) = kleren | כבגדי (kivgdei) = zoals de kleren van | המלוכה (hammelukhah) = het koningschap | ומאה (umeah) = en honderd | כסף (kesef) = zilver | עמהם (immahem) = daarbij | ויתן (vayitten) = en gaf | לבנימין (livnyamin) = aan Benjamin | אליו (elav) = bovendien | חמש (chamesh) = vijf | חליפות (chalifot) = stellen van | בגדים (begadim) = kleren | בגדי (bigdey) = de kleren van | זהב (zahav) = goud | וכסף (vekhesef) = en zilver | ושלוש (veshalosh) = en drie | מאות (me'ot) = honderd | כסף (kesef) = zilver | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | אליהם (aleihem) = aan hen | וילבשו (vayilbeshu) = en zij kleedden zich | כולם (kullam) = allen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבגדים (habbegadim) = de kleren | האלה (ha'elleh) = deze | ויביאם (vayevi'em) = en hij bracht hen | לפני (lifnei) = voor | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:22 (aan Benjamin gaf hij driehonderd zilverstukken en vijf stellen kleren). Zie ook: Gen 45:22 **54:78** De farao zag dat alle broers van Jozef helden waren en mooi van gestalte, en hij verheugde zich zeer. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אחי (echi) = de broers van | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = dat | כולם (kullam) = allen | גיבורים (gibborim) = helden | ויפה (veyefeh) = en mooi | תואר (to'ar) = van gestalte | וישמח (vayismach) = en hij verheugde zich | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:79** Daarna gingen zij van de farao weg om naar het land Kanaän te gaan, naar hun vader, en hun broer Benjamin was met hen. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | מלפני (millifnei) = van voor | פרעה (par'oh) = Farao | ללכת (lalekhet) = om te gaan | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = naar | אביהם (avihem) = hun vader | ובנימין (uvinyamin) = en Benjamin | אחיהם (achihem) = hun broer | איתם (ittam) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **54:80** Jozef stond op en gaf hun elf wagens van de farao, en Jozef gaf hun zijn eigen wagen waarop hij gereden had op de dag dat hij koning werd over Egypte, om zijn vader daarin naar Egypte te brengen. Jozef zond aan alle kinderen van zijn broers kleren naar hun aantal, en honderd zilverstukken aan ieder van hen; en ook aan de vrouwen van zijn broers zond hij kleren naar hun aantal, uit de kleren van de vrouwen van de koning, en hij zond hun reukwerk en schoonheidsmiddelen. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יוסף (Yosef) = Jozef | ויתן (vayitten) = en gaf | להם (lahem) = hun | עשתי (ashte) = elf | עשרה (esreh) = — | מרכבות (merkavot) = wagens | מאת (me'et) = van | פרעה (par'oh) = Farao | ויתן (vayitten) = en gaf | להם (lahem) = hun | יוסף (Yosef) = Jozef | מרכבתו (markavto) = zijn wagen | אשר (asher) = die | רכב (rekhev) = reed | עליה (aleha) = erop | ביום (beyom) = op de dag | מלכו (malkho) = hij koning werd | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | להביא (lehavi) = te brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביו (aviv) = zijn vader | עליה (aleha) = daarin | אל (el) = naar | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישלח (vayishlach) = en hij zond | יוסף (Yosef) = Jozef | לכל (lekhol) = aan alle | ילדי (yaldei) = kinderen van | אחיו (achiv) = zijn broers | בגדים (begadim) = kleren | כמספרם (kemispram) = naar hun aantal | ומאה (umeah) = en honderd | כסף (kesef) = zilver | לכל (lekhol) = aan ieder | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | וגם (vegam) = en ook | לנשי (lenashei) = aan de vrouwen van | אחיו (achiv) = zijn broers | שלח (Shelach) = zond | בגדים (begadim) = kleren | כמספרן (kemisparan) = naar hun aantal | מבגדי (mibigdei) = uit de kleren van | נשי (neshei) = vrouwen van | המלך (hammelekh) = de koning | וקטורת (uqetoret) = en reukwerk | ותמרוקין (vetamruqin) = en schoonheidsmiddelen | שלח (Shelach) = zond | אליהן (aleyhen) = hun Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:19–21 (wagens uit Egypte voor hun kinderen en vrouwen). Zie ook: Gen 45:19–21 **54:81** Hij gaf aan ieder van zijn broers tien mannen om met hem naar het land Kanaän te gaan, om hem te dienen en om hun zonen en alles wat van hen was te dragen bij de komst naar Egypte. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | לכל (lekhol) = aan ieder | אחד (echad) = één | מאחיו (me'achiv) = voor zijn broers | עשרה (esreh) = tien | אנשים (anashim) = mannen | ללכת (lalekhet) = om te gaan | עמו (immo) = met hem | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לשרתו (lesharto) = om hem te dienen | ולשאת (velasset) = en te dragen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניהם (beneyhem) = hun zonen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | להם (lahem) = hun | לבוא (lavo) = bij de komst | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:82** Jozef zond door de hand van Benjamin, zijn broer, tien stellen kleren voor zijn tien zonen, een deel boven de kinderen van de zonen van Jakob. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יוסף (Yosef) = Jozef | ביד (beyad) = in de hand van | בנימין (binyamin) = Benjamin | אחיו (achiv) = zijn broer | עשרה (esreh) = tien | בגדים (begadim) = kleren | לעשרת (la'asaret) = voor tien | בניו (banav) = zijn zonen | שכם (Shekhem) = een deel | אחד (echad) = één | על (al) = boven | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 48:22 (שכם אחד, ‘één deel’, dat Jakob aan Jozef gaf boven zijn broers). Zie ook: Gen 48:22 **54:83** Hij zond aan ieder vijftig zilverstukken en tien wagens van de farao. Aan zijn vader zond hij tien ezels, beladen met al het goede van Egypte, en tien ezelinnen, beladen met graan, brood en voedsel voor zijn vader en voor allen die bij hem waren, als reisvoorraad voor de weg. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | לכל (lekhol) = aan ieder | אחד (echad) = één | חמישים (chamishim) = vijftig | כסף (kesef) = zilver | ועשר (va'asar) = en tien | מרכבות (merkavot) = wagens | מאת (me'et) = van | פרעה (par'oh) = Farao | וישלח (vayishlach) = en hij zond | לאביו (le'aviv) = aan zijn vader | עשרה (esreh) = tien | חמורים (chamorim) = ezels | נושאים (nos'im) = beladen met | מכל (mikkol) = van al | טוב (tov) = het goede van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ועשר (va'asar) = en tien | אתונות (atonot) = ezelinnen | נושאות (nos'ot) = beladen met | בר (bar) = graan | ולחם (valechem) = en brood | ומזון (umazon) = en voedsel | לאביו (le'aviv) = aan zijn vader | ולכל (ulkhol) = en voor allen | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | לצדה (letsedah) = als reisvoorraad | לדרך (laderekh) = voor de weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:23 (tien ezels beladen met het beste van Egypte, tien ezelinnen met graan, brood en voedsel voor onderweg). Zie ook: Gen 45:23 **54:84** Aan Dina, zijn zus, zond hij gewaden van goud en zilver, reukwerk, mirre, aloë en zeer veel schoonheidsmiddelen voor vrouwen; en ook aan de vrouwen van Benjamin zond hij hetzelfde van de vrouwen van de farao. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | לדינה (ledinah) = aan Dina | אחותו (achoto) = zijn zus | בגדי (bigdey) = de kleren van | זהב (zahav) = goud | וכסף (vekhesef) = en zilver | וקטורת (uqetoret) = en reukwerk | ומור (umor) = en mirre | ואהלים (ve'ohalim) = en aloë | ותמרוקי (utamruqei) = en schoonheidsmiddelen voor | נשים (nashim) = vrouwen | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | וגם (vegam) = en ook | לנשי (lenashei) = aan de vrouwen van | בנימין (binyamin) = Benjamin | שלח (Shelach) = zond | כזאת (kezot) = hetzelfde | מאת (me'et) = van | נשי (neshei) = vrouwen van | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:85** Hij gaf aan allen, aan zijn broers en ook aan hun vrouwen, van alle sjohamstenen en bedolach, smaragd en topaas, en van alle kostbaarheden van de groten van Egypte: er bleef niets over dat Jozef niet gaf aan heel het huis van zijn vader, van alles wat kostbaar was. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | לכולם (lekhulam) = aan allen | לאחיו (le'achiv) = aan zijn broers | גם (gam) = ook | לנשיהם (lenesheihem) = aan hun vrouwen | מכל (mikkol) = van alle | אבני (avnei) = stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | ברקת (bareqet) = smaragd | ופטדה (ufitdah) = en topaas | ומכל (umikkol) = en van alle | סגולות (segullot) = kostbaarheden van | גדולי (gedoley) = de groten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לא (lo) = niet | נותר (notar) = bleef over | דבר (davar) = iets | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | נתן (natan) = hij gaf | יוסף (Yosef) = Jozef | לכל (lekhol) = aan heel | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | מכל (mikkol) = van alles | דבר (davar) = wat | חמדה (chemdah) = kostbaarheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Afscheid aan de grens **54:86** Hij zond zijn broers weg en zij gingen; en ook Benjamin, zijn broer, zond hij met hen mee om naar het land Kanaän te gaan. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broers | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | אחיו (achiv) = zijn broer | שלח (Shelach) = zond | עמהם (immahem) = met hen | ללכת (lalekhet) = om te gaan | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **54:87** Jozef ging met hen mee om hen onderweg uit te geleiden tot de grens van Egypte, en hij gaf hun bevelen betreffende zijn vader en zijn huis, om naar Egypte te komen. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | יוסף (Yosef) = Jozef | עמהם (immahem) = met hen | לשלחם (leshallecham) = om hen uit te geleiden | בדרך (baderekh) = onderweg | עד (ad) = tot | גבול (gevul) = de grens van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויצום (vayetsavvem) = en gebood hun | על (al) = over | אביו (aviv) = zijn vader | ועל (ve'al) = en over | ביתו (beito) = zijn huis | לבוא (lavo) = te komen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:88** Hij zei tegen hen: „Twist niet onderweg, want van Yahweh was deze zaak, om een groot volk van honger in leven te houden; want er zijn nog vijf jaren honger in het land.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | אל (el) = niet | תרגזו (tirgezu) = twist | בדרך (baderekh) = onderweg | כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | למען (lema'an) = opdat | חיות (chayyot) = in leven te houden | עם (im) = volk | רב (rav) = groot | מרעב (mera'av) = van honger | כי (ki) = want | עוד (od) = nog | חמש (chamesh) = vijf | שנים (shanim) = jaren | רעב (ra'av) = honger | בארץ (ba'arets) = in het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:24 (‘Twist niet onderweg’) en Gen. 45:6 (nog vijf jaren zonder ploegen en oogsten). Zie ook: Gen 45:6; Gen 45:24 **54:89** Hij gebood hun: „Wanneer jullie in het land Kanaän komen, ga in deze zaak niet plotseling bij mijn vader binnen, maar handel naar jullie wijsheid.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | בבואכם (bevo'akhem) = wanneer jullie komen | ארץ (erets) = het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = niet | תבואו (tavo'u) = komen | פתאום (pit'om) = plotseling | לפני (lifnei) = voor | אבי (avi) = mijn vader | בדבר (bedabber) = in deze zaak | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = maar | עשו (asu) = handelend | תעשו (ta'asu) = zullen jullie handelen | כחכמתכם (kechokhmatkhem) = naar jullie wijsheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **54:90** Jozef hield op hun te bevelen, wendde zich om en keerde terug naar Egypte; en de zonen van Jakob gingen met vreugde en goedheid naar het land Kanaän, naar Jakob, hun vader. Brontekst: ויכל (vayekhal) = en hield op | יוסף (Yosef) = Jozef | לצוות (letsavvot) = te bevelen | אותם (otam) = hen | ויפן (vayyifen) = en wendde zich | וישב (vayyashev) = en keerde terug | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הלכו (halekhu) = gingen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בשמחה (besimchah) = met vreugde | ובטובה (uvetovah) = en met goedheid | אל (el) = naar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **54:91** Zij kwamen tot de grens van het land en zeiden tegen elkaar: „Wat zullen wij in deze zaak doen voor onze vader? Want als wij plotseling bij hem komen en hem de zaak vertellen, zal hij zeer schrikken van onze woorden en niet naar ons willen luisteren.” Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עד (ad) = tot | גבול (gevul) = de grens van | הארץ (ha'arets) = het land | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | מה (mah) = wat | נעשה (na'aseh) = zullen wij doen | בדבר (bedabber) = in deze zaak | הזה (hazzeh) = deze | לפני (lifnei) = voor | אבינו (avinu) = onze vader | כי (ki) = want | אם (em) = als | נבוא (navo) = wij komen | אליו (elav) = bij hem | פתאום (pit'om) = plotseling | ונגד (venugad) = en wij hem vertellen | לו (lo) = voor hem | הדבר (haddavar) = de zaak | ויבהל (vayibbahel) = hij schrikt | מאוד (me'od) = zeer | מדברינו (midevarenu) = van onze woorden | ולא (velo) = en niet | יאבה (yove) = zal willen | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אלינו (elenu) = naar ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Serach **54:92** Zij gingen verder, tot zij dicht bij hun huizen kwamen, en vonden Serach, de dochter van Aser, die hen tegemoet ging; het meisje was zeer goed, wijs en kundig om op de harp te spelen. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להם (lahem) = zich | עד (ad) = tot | קרבם (qirvam) = zij dichtbij kwamen | אל (el) = bij | בתיהם (bateihem) = hun huizen | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = — | שרח (serach) = Serach | בת (bat) = dochter van | אשר (asher) = Aser | אשר (asher) = die | יוצאת (yotset) = die uitging | לקראתם (liqratam) = op hen af | והנערה (vehanna'arah) = en het meisje | טובה (tovah) = goed | עד (ad) = tot | מאוד (me'od) = zeer | וחכמה (vachakhamah) = en wijs | ויודעת (veyoda'at) = en kundig | לנגן (lenaggen) = te spelen | בכינור (bakinnor) = op de harp Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:17 (Serach, de zuster van de zonen van Aser). Hier wordt zij ‘dochter van Aser’ genoemd, zoals ook in de Engelse vertaling. Zie ook: Gen 45:27; Gen 46:17 **54:93** Zij riepen haar, en zij kwam tot hen en kuste hen. Zij namen haar mee en gaven haar een harp en zeiden: „Kom toch voor onze vader, ga voor hem zitten, sla op de harp en spreek voor hem deze woorden.” Brontekst: ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | אליה (eleha) = tot haar | ותבוא (vattavo) = en kwam | אליהם (aleihem) = tot hen | ותשק (vatishaq) = en kuste | להם (lahem) = hen | ויקחוה (vayiqchuhah) = en zij namen haar | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | לה (lah) = haar | כינור (kinnor) = harp | אחד (echad) = een | לאמור (lemor) = zeggende | בואי (bo'i) = kom | נא (na) = toch | לפני (lifnei) = voor | אבינו (avinu) = onze vader | וישבת (veyashavta) = en ga zitten | לפניו (lefanav) = voor hem | והך (vehakh) = en sla | בכינור (bakinnor) = op de harp | ודיברת (vedibbarta) = en spreek | ואמרת (ve'amarta) = en zeg | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:94** Zij gaven haar bevel naar hun huis te gaan, en zij nam de harp, haastte zich, ging voor hen uit en ging naast Jakob zitten. Brontekst: ויצוו (vayetsavvu) = en zij geboden | אותה (otah) = haar | ללכת (lalekhet) = te gaan | אל (el) = naar | ביתם (beytam) = hun huis | ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | הכינור (hakinnor) = de harp | ותמהר (vatemaher) = en zij haastte zich | ותלך (vattelekh) = en zij ging | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ותשב (vatashav) = en ging zitten | אצל (etsel) = naast | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:95** Zij bespeelde de harp goed, speelde en zei met de lieflijkheid van haar woorden: „Jozef, mijn oom, leeft, en hij is heerser in heel Egypte en is niet gestorven.” Brontekst: ותיטיב (vatetev) = en zij bespeelde goed | הכינור (hakinnor) = de harp | ותנגן (vatenaggen) = en speelde | ותאמר (vatomer) = en zei | בנועם (bene'im) = met de lieflijkheid van | דבריה (devareiha) = haar woorden | יוסף (Yosef) = Jozef | דודי (dodi) = mijn oom | חי (chai) = leeft | הוא (hu) = hij | וכי (vekhi) = en dat | הוא (hu) = hij | מושל (moshel) = heerser | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ולא (velo) = en niet | מת (met) = dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:96** Zij ging voort met spelen en deze woorden te spreken, en Jakob hoorde haar woorden en het was hem aangenaam. Brontekst: ותוסף (vattosef) = en zij ging voort | ותנגן (vatenaggen) = en speelde | ותדבר (vatedabber) = en sprak | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | וישמע (vayishma) = en hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריה (devareiha) = haar woorden | ויערב (vaye'erav) = en het was hem aangenaam | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:97** Hij hoorde haar nog terwijl zij ze twee- en driemaal zei, en de vreugde kwam in het hart van Jakob door de lieflijkheid van haar woorden; de Geest van Elohim kwam op hem en hij wist dat al haar woorden waar waren. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | עוד (od) = nog | בדברה (bedabberah) = terwijl zij ze zei | פעמיים (pa'amayim) = tweemaal | ושלוש (veshalosh) = en driemaal | ותבוא (vattavo) = en kwam | השמחה (hasimchah) = de vreugde | בלב (belev) = in het hart van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מנועם (minno'am) = vanwege de lieflijkheid van | דבריה (devareiha) = haar woorden | ותהי (vatehi) = en kwam | עליו (alav) = op hem | רוח (ruach) = Geest van | אלוקים (Elohim) = Elohim | וידע (vayyeda) = en hij wist | כי (ki) = dat | כל (kol) = alle | דבריה (devareiha) = haar woorden | נכונה (nekhonah) = juist Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:98** Jakob zegende Serach toen zij deze woorden voor hem sprak, en zei tegen haar: „Mijn dochter, moge de dood tot in eeuwigheid niet over je heersen, want je hebt mijn geest doen leven. Spreek toch nog voor mij zoals je gesproken hebt, want je hebt mij verblijd met al je woorden.” Brontekst: ויברך (vayevarekh) = en zegende | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | שרח (serach) = Serach | בדברה (bedabberah) = terwijl zij sprak | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | לפניו (lefanav) = voor hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = tot haar | בתי (biti) = mijn dochter | אל (el) = niet | ימשול (yimshol) = moge heersen | מות (mot) = de dood | בך (bekha) = over jou | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig | כי (ki) = want | החיית (hechiyit) = je hebt doen leven | את (et) = (lijdend voorwerp) | רוחי (ruchi) = mijn geest | אך (akh) = maar | דברי (divrei) = spreek | נא (na) = toch | עוד (od) = opnieuw | לפניי (lefanai) = voor mij | כאשר (ka'asher) = zoals | דיברת (dibbarta) = je hebt gesproken | כי (ki) = want | שמחתני (simmachtani) = je hebt mij verblijd | בכל (bekhol) = in heel | דברייך (devarayikh) = je woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:99** Zij ging voort met spelen van deze woorden, en Jakob hoorde het, het was hem aangenaam en hij verheugde zich, en de Geest van Elohim kwam op hem. Brontekst: ותוסף (vattosef) = en zij ging voort | ותנגן (vatenaggen) = en speelde | כדברים (kadevarim) = zoals de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | שומע (shome'a) = hoorde | ויערב (vaye'erav) = en het was hem aangenaam | לו (lo) = hem | וישמח (vayismach) = en hij verheugde zich | ותהי (vatehi) = en kwam | עליו (alav) = op hem | רוח (ruach) = Geest van | אלוקים (Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jakobs zonen komen terug **54:100** Terwijl hij nog met haar sprak, zie, zijn zonen kwamen bij hem met paarden en wagens en koninklijke gewaden, en dienaren renden voor hen uit. Brontekst: עודנו (odenu) = terwijl hij nog | מדבר (medabber) = sprak | עמה (immah) = met haar | והנה (vehinneh) = en zie | בניו (banav) = zijn zonen | באו (ba'u) = kwamen | אליו (elav) = bij hem | בסוסים (basusim) = op paarden | ומרכבות (umerkavot) = en wagens | ובגדי (uvigdei) = en kleren van | מלכות (malkhut) = koningschap | ועבדים (va'avadim) = en dienaren | רצים (ratsim) = rennend | לפניהם (lifneihem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Zie ook: Gen 45:27 **54:101** Jakob stond op, hun tegemoet, en zag zijn zonen gekleed in koninklijk gewaad, en zag al het goede dat Jozef hun gezonden had. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לקראתם (liqratam) = hun tegemoet | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | מלובשים (meluvashim) = gekleed | בלבוש (belevush) = in het gewaad van | מלכות (malkhut) = koningschap | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הטובה (hattovah) = het goede | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = hij zond | יוסף (Yosef) = Jozef | אליהם (aleihem) = aan hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:102** Zij zeiden tegen hem: „Weet dat Jozef, onze broer, leeft en dat hij de heerser is in heel het land Egypte; hij is het die tot ons gesproken heeft, zoals wij tot je gesproken hebben.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליו (elav) = tegen hem | התבשר (hitbasser) = weet | כי (ki) = dat | יוסף (Yosef) = Jozef | אחינו (acheinu) = onze broer | חי (chai) = leeft | והוא (vehu) = en hij | המושל (hamoshel) = de heerser | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | והוא (vehu) = en hij | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = sprak | אלינו (elenu) = tot ons | ככל (kekhol) = volgens alles | אשר (asher) = die | דיברנו (dibbarnu) = wij spraken | אליך (elekha) = tot je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:103** Jakob hoorde alle woorden van zijn zonen, en zijn hart verstijfde bij hun woorden, want hij geloofde hun niet, tot hij zag alles wat Jozef hun gegeven had, wat hij hem gezonden had, en al de tekenen die Jozef tot hen gesproken had. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | בניו (banav) = zijn zonen | ויפג (vayafag) = en verstijfde | לבו (libbo) = zijn hart | אל (el) = bij | דבריהם (divreihem) = hun woorden | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | האמין (he'emin) = geloofde | להם (lahem) = hun | עד (ad) = tot | ראותו (re'oto) = zijn zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | נתן (natan) = hij gaf | להם (lahem) = hun | יוסף (Yosef) = Jozef | ואשר (va'asher) = en wat | שלח (Shelach) = hij zond | לו (lo) = hem | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | האותות (ha'otot) = de tekenen | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | יוסף (Yosef) = Jozef | אליהם (aleihem) = tot hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:26–27 (zijn hart verstijfde, want hij geloofde hen niet; toen hij de wagens zag, leefde zijn geest op). Zie ook: Gen 45:26–27 **54:104** Zij openden hun zakken voor hem en lieten hem alles zien wat Jozef gezonden had. Jakob wist dat zij de waarheid gesproken hadden, en hij verheugde zich zeer over zijn zoon. Brontekst: ויפתחו (vayipathu) = en zij openden | לפניו (lefanav) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | שקיהם (saqeihem) = hun zakken | ויראוהו (vayir'uhu) = en toonden hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = hij zond | יוסף (Yosef) = Jozef | וידע (vayyeda) = en hij wist | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | נכונה (nekhonah) = de waarheid | דיברו (dibberu) = zij spraken | וישמח (vayismach) = en hij verheugde zich | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = over | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jakob wil gaan **54:105** Jakob zei: „Het is genoeg voor mij dat Jozef, mijn zoon, nog leeft; nu zal ik gaan en hem zien voordat ik sterf.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | רב (rav) = genoeg | לי (li) = voor mij | אשר (asher) = dat | עוד (od) = nog | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | חי (chai) = leeft | עתה (attah) = nu | אלכה (elekha) = ik zal gaan | ואראנו (ve'er'enu) = en ik zal hem zien | בטרם (beterem) = voordat | אמות (amut) = ik zou sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:28 (‘Het is genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog; ik zal gaan en hem zien voordat ik sterf’). Zie ook: Gen 45:28 **54:106** Zijn zonen vertelden hem alles wat hun overkomen was, en Jakob zei: „Ik wil naar Egypte afdalen om mijn zoon en zijn kinderen te zien.” Brontekst: ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = voor hem | בניו (banav) = zijn zonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הקורות (haqqorot) = wat hun overkomen was | אותם (otam) = hen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ארדה (ered) = ik wil afdalen | לי (li) = voor mij | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | ילדיו (yeladav) = zijn kinderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:107** Jakob stond op en kleedde zich in de kleren die Jozef hem gezonden had, en zette de tulband op zijn hoofd die Jozef hem gezonden had, nadat hij zich gewassen en al zijn haar geschoren had. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וילבש (vayilbash) = en kleedde zich | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבגדים (habbegadim) = de kleren | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = hij zond | לו (lo) = voor hem | יוסף (Yosef) = Jozef | וישם (vayasem) = en zette | את (et) = (lijdend voorwerp) | המצנפת (hammitsnefet) = de tulband | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = hij zond | לו (lo) = voor hem | יוסף (Yosef) = Jozef | אחרי (acharei) = na | אשר (asher) = dat | רחץ (rachats) = hij gewassen had | וגילח (vegillach) = en geschoren | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | שיערו (se'aro) = zijn haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **54:108** Ook alle mensen van het huis van Jakob en hun vrouwen kleedden zich in alles wat Jozef hun gezonden had, en zij waren zeer vrolijk over Jozef, dat hij nog leeft en dat hij heerser is in Egypte. Brontekst: וילבשו (vayilbeshu) = en zij kleedden zich | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | בית (bet) = het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ונשיהם (venasheihem) = en hun vrouwen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = hij had gezonden | אליהם (aleihem) = tot hen | יוסף (Yosef) = Jozef | וישמחו (vayismechu) = en zij waren vrolijk | מאוד (me'od) = zeer | ביוסף (beyosef) = over Jozef | כי (ki) = dat | עודנו (odenu) = nog | חי (chai) = leeft | וכי (vekhi) = en dat | הוא (hu) = hij | המושל (hamoshel) = de heerser | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **54:109** Alle bewoners van Kanaän hoorden dit, en zij kwamen en deelden zeer in Jakobs vreugde over Jozef, dat hij nog leefde. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | כנען (Kena'an) = Kanaän | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | וישמחו (vayismechu) = en verheugden | את (et) = met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ביוסף (beyosef) = over Jozef | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | עודנו (odenu) = nog | חי (chai) = leeft Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het feest in Kanaän **54:110** Jakob maakte voor hen een maaltijd van drie dagen, en alle koningen van Kanaän en de groten van het land aten, dronken en waren vrolijk in het huis van Jakob. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en maakte | להם (lahem) = hun | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | משתה (mishteh) = een maaltijd | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | וישתו (vayishtu) = en zij dronken | וישמחו (vayismechu) = en zij waren vrolijk | בבית (babbayit) = in het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | וכל (vekhol) = en alle | גדולי (gedoley) = de groten van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. ## Jasher 55 _Jakob trekt naar Egypte_ ### Het woord van Yahweh aan Jakob **55:1** Daarna gebeurde het dat Jakob zei: „Ik ga en zie mijn zoon in Egypte, en dan keren wij terug naar het land Kanaän, dat Elohim aan Abraham beloofd heeft, want ik kan het land van mijn geboorte niet verlaten.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אלך (elekh) = ik ga | ואראה (ve'er'eh) = en ik zal zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ונשובה (venashuvah) = en dan keren wij terug | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | אלוקים (Elohim) = Elohim | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | אוכל (ukhal) = ik kan | לעזוב (la'azov) = te verlaten | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארץ (erets) = land van | מולדתי (moladeti) = mijn geboorte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 45:28 (‘Het is genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog; ik zal gaan en hem zien voordat ik sterf’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 45:28; Gen 46:1 **55:2** Maar zie, het woord van Yahweh kwam tot hem: **„Sta op, ga af naar Egypte met heel je huis en blijf daar. Wees niet bang om naar Egypte af te dalen, want daar zal Ik je tot een groot volk maken.”** Brontekst: והנה (vehinneh) = en zie | דבר (davar) = het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אליו (elav) = tegen hem | קום (qum) = sta op | רד (red) = daal af | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | עם (im) = met | כל (kol) = alle | ביתך (beitekha) = je huis | ושב (veshav) = en blijf | שם (shem) = daar | אל (el) = niet | תירא (tira) = vrees | מרדה (meredah) = af te dalen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | כי (ki) = want | שם (shem) = daar | לגוי (legoy) = tot een volk | גדול (gadol) = groot | אשימך (asimkha) = zal Ik je maken | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:2–4 (Elohim sprak in nachtgezichten: ‘Vrees niet om naar Egypte af te dalen, want daar zal Ik u tot een groot volk maken’). Hier spreekt Yahweh; in Genesis Elohim. Zie ook: Gen 46:2–4 **55:3** En Jakob zei in zijn hart: „Ik zal gaan en mijn zoon zien, of de vreze van zijn Elohim nog in zijn hart is te midden van alle inwoners van Egypte.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = in | לבו (libbo) = zijn hart | אלכה (elekha) = laat ik gaan | לי (li) = voor mij | ואראה (ve'er'eh) = en ik zal zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = mijn zoon | העוד (ha'od) = of nog | יראת (yirat) = de vreze van | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | בלבו (belibbo) = in zijn hart | בין (bein) = tussen | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **55:4** En Yahweh zei tegen Jakob: **„Wees niet bang voor Jozef, want hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid om Mij te dienen, zoals het goed zal zijn in je ogen.”** En Jakob verheugde zich zeer, zeer over zijn zoon. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = niet | תירא (tira) = vrees | מיוסף (miYosef) = voor Jozef | כי (ki) = want | עודנו (odenu) = nog | מחזיק (machaziq) = hij houdt vast | בתומתו (betumato) = aan zijn oprechtheid | לעבדני (le'avdeni) = om Mij te dienen | כאשר (ka'asher) = zoals | ייטב (yetav) = goed is | בעיניך (be'einekha) = in je ogen | וישמח (vayismach) = en hij verheugde zich | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = over | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: כאשר ייטב בעיניך (‘zoals het goed zal zijn in je ogen’): de Hebreeuwse zin is kort en niet geheel duidelijk; de Engelse vertaling heeft ‘as will seem good in thy sight’. Zie ook: Gen 46:4 ### De tocht naar Egypte **55:5** In die tijd gebood Jakob zijn zonen en zijn huis naar Egypte te gaan, overeenkomstig het woord waarmee Yahweh tot hem gesproken had. Jakob stond op met zijn zonen en heel zijn huis, en zij trokken weg uit het land Kanaän, uit Beër-Sjeba, met vreugde en een goed hart, en zij gingen naar het land Egypte. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = aan | בניו (banav) = zijn zonen | ואל (ve'el) = en tot | ביתו (beito) = zijn huis | ללכת (lalekhet) = om te gaan | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | בדבר (bedabber) = volgens het woord | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אליו (elav) = tegen hem | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | ביתו (beito) = zijn huis | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | מבאר (mibbe'er) = uit Beër | שבע (sheva) = Sjeba | בשמחה (besimchah) = met vreugde | וטוב (vetov) = en goed | לבב (levav) = hart | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ארצה (artsah) = naar het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:1 (Israël brak op met alles wat hij had en kwam te Beër-Sjeba) en Gen. 46:5–7. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 46:1; Gen 46:5–7 **55:6** Toen zij dicht bij Egypte waren, zond Jakob Juda voor zich uit naar Jozef, om hem een plaats van verblijf in Egypte te laten aanwijzen. Juda deed wat zijn vader gezegd had; hij haastte zich, rende naar Jozef, en zij wezen een plek aan in het land Gosen voor Jakob en heel zijn huis. Daarna keerde Juda terug en ging langs de weg naar zijn vader. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בקרבם (beqirbam) = toen zij dichtbij waren | לבוא (lavo) = om binnen te gaan | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | וישלח (vayishlach) = en hij zond | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהודה (Yehudah) = Juda | לפניו (lefanav) = voor zich uit | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | להורות (lehorot) = om te wijzen | לפניו (lefanav) = voor hem | מושב (moshav) = plaats van verblijf | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ויעש (vayya'as) = en deed | יהודה (Yehudah) = Juda | כדבר (kidvar) = naar het woord van | אביו (aviv) = zijn vader | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | וירץ (vayyarots) = en hij rende | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | וישימו (vayasimu) = en zij wezen aan | להם (lahem) = hun | מקום (maqom) = plek | בארץ (ba'arets) = in het land | גושן (goshen) = Gosen | אל (el) = tot | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואל (ve'el) = en naar | כל (kol) = alle | ביתו (beito) = zijn huis | וישב (vayyashev) = en keerde terug | יהודה (Yehudah) = Juda | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | בדרך (baderekh) = onderweg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:28 (hij zond Juda voor zich uit naar Jozef om voor hem de weg naar Gosen te wijzen). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 46:28 ### Jozef trekt zijn vader tegemoet **55:7** Jozef spande zijn wagen aan en riep al zijn helden en zijn dienaren en alle vorsten van Egypte bijeen om zijn vader Jakob tegemoet te gaan. Jozef liet in Egypte een bevel uitgaan: „Ieder die niet uittrekt om Jakob tegemoet te gaan, zal sterven.” Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | אסר (asar) = spande aan | את (et) = (lijdend voorwerp) | המרכבה (hamerkavah) = de wagen | ויזעק (vayiz'aq) = en riep op | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | גיבוריו (gibborav) = zijn helden | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | וכל (vekhol) = en alle | שרי (sarai) = vorsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ללכת (lalekhet) = om te gaan | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביו (aviv) = zijn vader | ויעבר (vaya'avor) = en liet doorgaan | יוסף (Yosef) = Jozef | קול (qol) = een stem | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לאמור (lemor) = zeggende | כל (kol) = ieder | אשר (asher) = die | איננו (enenu) = hij niet is | יוצא (yotse) = uitgaand | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | יומת (yumat) = zal sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 46:29 **55:8** De volgende dag trok Jozef erop uit met heel Egypte, een groot en machtig leger, allen gekleed in gewaden van fijn linnen en purper, met gouden en zilveren werktuigen en met hun wapens bij zich. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ממחרת (mimmochorat) = de volgende dag | ויצא (vayetse) = en trok uit | יוסף (Yosef) = Jozef | עם (im) = met | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | חיל (chayil) = een leger | גדול (gadol) = grote | ועצום (ve'atsum) = en machtig | מלובשים (meluvashim) = gekleed | כולם (kullam) = allen | בבגדי (bevigdei) = in gewaden van | בוץ (buts) = linnen | וארגמן (ve'argaman) = en purper | וכלי (vekhelei) = en werktuigen van | זהב (zahav) = goud | וכלי (vekhelei) = en werktuigen van | כסף (kesef) = zilver | וכלי (vekhelei) = en wapens van | מלחמתם (milchamtam) = hun oorlog | עמם (immam) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **55:9** Zij trokken allen uit om Jakob tegemoet te gaan, met allerlei muziekinstrumenten, met tamboerijnen en reidansen, en mirre en aloë was uitgestrooid over de hele weg. Zo gingen zij allen voort, en het land beefde van hun geluid. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כולם (kullam) = allen | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בכל (bekhol) = met allerlei | כלי (keli) = instrumenten van | זמר (zimmer) = muziek | ותופים (vetupim) = en tamboerijnen | ומחולות (umecholot) = en reidansen | ומור (umor) = en mirre | ואהלים (ve'ohalim) = en aloë | מפוזרים (mefuzarim) = gestrooid | בכל (bekhol) = in heel | הדרך (haderekh) = de weg | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | כולם (kullam) = allen | כמשפט (kemishpat) = op de wijze van | הזה (hazzeh) = deze | ותרעש (vatir'ash) = en beefde | הארץ (ha'arets) = het land | מקולם (miqolam) = door hun geluid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ואהלים (‘aloë’): de Engelse vertaling heeft ‘aloes’, ook elders in dit boek de reukhars; hier gestrooid langs de weg (אהלים, Num. 24:6; Ps. 45:9). Zie ook: Num 24:6; Ps 45:10 **55:10** Ook alle vrouwen van Egypte klommen op de daken van Egypte en op de muren om Jakob tegemoet te zien, en ook zij speelden op tamboerijnen en dansten reidansen. Jozef en heel het volk dat bij hem was, gingen Jakob tegemoet; en op het hoofd van Jozef stond de koningskroon van de farao, want de farao had die naar hem gezonden om hem te dragen toen hij zijn vader tegemoet ging. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | נשי (neshei) = vrouwen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עלו (alu) = klommen | על (al) = op | גגות (gagot) = de daken van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ועל (ve'al) = en op | החומות (hachomot) = de muren | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ושוחקות (veshochqot) = en spelend | גם (gam) = ook | הנה (hinneh) = zij | בתופים (bettofim) = met tamboerijnen | ובמחולות (uvimcholot) = en met reidansen | ויוסף (vayosef) = en Jozef | וכל (vekhol) = en alle | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | הלכו (halekhu) = gingen | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובראש (uverosh) = en op het hoofd van | יוסף (Yosef) = Jozef | כתר (keter) = kroon van | המלכות (hamalkhut) = het koningschap | אשר (asher) = die | לפרעה (lefar'oh) = van farao | כי (ki) = want | שלחו (shalchu) = had gezonden | אליו (elav) = naar hem | פרעה (par'oh) = Farao | ללבשו (lilbasho) = om hem te dragen | בעת (be'et) = ten tijde van | לכתו (lekhto) = zijn gaan | לקראת (liqrat) = tegemoet | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **55:11** Toen Jozef ongeveer vijftig ellen van zijn vader was, steeg hij van de wagen af en liep te voet zijn vader tegemoet. Toen alle vorsten van Egypte en haar groten zagen dat Jozef te voet naar zijn vader gegaan was, stegen ook zij af en liepen te voet Jakob tegemoet. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | קרב (qerav) = naderde | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | כחמישים (kachamishim) = ongeveer vijftig | אמה (ammah) = el | וירד (vayered) = en hij daalde neer | מעל (me'al) = van op | המרכבה (hamerkavah) = de wagen | וילך (vayelekh) = en liep | ברגליו (beraglav) = te voet | לקראת (liqrat) = tegemoet | אביו (aviv) = zijn vader | וכל (vekhol) = en alle | שרי (sarai) = vorsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וגדוליה (vegedoleha) = en haar groten | בראותם (bir'otam) = toen zij zagen | כי (ki) = dat | ירד (Yered) = was afgedaald | יוסף (Yosef) = Jozef | ברגליו (beraglav) = te voet | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | וילכו (vayelkhu) = en zij liepen | ברגליהם (beraglehem) = te voet | לקראת (liqrat) = tegemoet | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 centimeter; vijftig el is dus ongeveer 22 meter. **55:12** Toen Jakob en zijn zonen het kamp van Jozef naderden, keek Jakob naar de schare die hem met zijn zoon Jozef tegemoet kwam; het beviel hem, en Jakob verwonderde zich erover. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | הקריב (hiqriv) = naderde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | אל (el) = naar | מחנה (machaneh) = kamp | יוסף (Yosef) = Jozef | ויבט (vayabet) = en hij keek | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = naar | המחנה (hammachaneh) = de schare | ההולכת (hahollekhet) = die ging | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | בנו (beno) = zijn zoon | ותישר (vattisher) = en het beviel | בעיניו (be'einav) = in zijn ogen | ויפלא (vayippale) = en hij verwonderde zich | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ממנה (mimmenah) = erover Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **55:13** Jakob zei tegen Juda: „Wie is die man die ik zie in het leger van de Egyptenaren, luisterrijk in zijn kleding, in koninklijke gewaden, met een zeer rood kleed aan en een koningskroon op zijn hoofd, die van zijn wagen op de grond is neergedaald en ons tegemoet komt?” Juda antwoordde zijn vader: „Hij is je zoon Jozef, de koning.” En Jakob verheugde zich toen hij de eer van zijn zoon zag. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | יהודה (Yehudah) = Juda | מי (mi) = wie | האיש (ha'ish) = de man | אשר (asher) = die | אנוכי (anokhi) = ik | רואה (ro'eh) = ziet | במחנה (bamachaneh) = in het leger van | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | הדור (haddor) = luisterrijk | בלבושו (bilvusho) = in zijn kleding | בבגדי (bevigdei) = in gewaden van | המלוכה (hammelukhah) = van koninklijkheid | ועליו (ve'alav) = en aan hem | בגד (beged) = een kleed | אדום (Edom) = rood | מאוד (me'od) = zeer | וכתר (vekheter) = en een kroon van | מלכות (malkhut) = koningschap | בראשו (berosho) = op zijn hoofd | וירד (vayered) = en hij daalde neer | לארץ (la'arets) = naar de grond | מעל (me'al) = van op | מרכבתו (markavto) = zijn wagen | וילך (vayelekh) = en hij ging | לקראתנו (likratenu) = ons tegemoet | ויען (vaya'an) = en antwoordde | יהודה (Yehudah) = Juda | את (et) = — | אביו (aviv) = zijn vader | לאמור (lemor) = zeggende | הוא (hu) = hij | בנך (bincha) = je zoon | יוסף (Yosef) = Jozef | המלך (hammelekh) = de koning | וישמח (vayismach) = en hij verheugde zich | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בראותו (bir'oto) = toen hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | כבוד (kavod) = eer | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **55:14** Jozef naderde zijn vader en boog zich neer voor zijn vader, en met hem bogen alle mannen van het kamp zich ter aarde voor Jakob. Brontekst: ויקרב (vayaqrev) = en naderde | יוסף (Yosef) = Jozef | לפני (lifnei) = voor | אביו (aviv) = zijn vader | וישתחווה (vayishtachaveh) = en hij boog zich neer | לאביו (le'aviv) = voor zijn vader | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | עמו (immo) = met hem | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | המחנה (hammachaneh) = het kamp | אל (el) = voor | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ארצה (artsah) = ter aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het weerzien **55:15** En zie, Jakob rende en haastte zich naar zijn zoon Jozef, viel hem om de hals, kuste hem en weende met hem. Ook Jozef omhelsde zijn vader en kuste hem, en zij weenden; en heel het volk van Egypte weende met hen. Brontekst: והנה (vehinneh) = en zie | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | רץ (ruts) = rennend | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | בנו (beno) = zijn zoon | ויפול (vayippol) = en hij viel | על (al) = op | צוארו (tsavvaro) = zijn hals | וישקהו (vayishshaqehu) = en kuste hem | ויבך (vayevk) = en weende | עמו (immo) = bij hem | ויחבק (vayechabeq) = en omhelsde | גם (gam) = ook | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביו (aviv) = zijn vader | וישקהו (vayishshaqehu) = en kuste hem | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | עמהם (immahem) = met hen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:29 (hij viel hem om de hals en weende lange tijd aan zijn hals). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 46:29 **55:16** Jakob zei tegen Jozef: „Nu zal ik blij sterven, nadat ik je gezicht gezien heb, dat je nog leeft, en in eer.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | הנה (hinneh) = zie | אמותה (amutah) = nu zal ik sterven | הפעם (hapa'am) = nu | בטובה (betovah) = blij | אחרי (acharei) = na | אשר (asher) = dat | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | פניך (panekha) = je gezicht | כי (ki) = dat | עודך (odkha) = je nog | חי (chai) = leeft | ובכבוד (uvekhavod) = en in eer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:30 (‘Nu mag ik sterven, nadat ik je gezicht gezien heb, dat je nog leeft’). Zie ook: Gen 46:30 **55:17** Ook alle zonen van Jakob en hun vrouwen en hun kinderen en hun dienaren en heel het huis van Jakob weenden zeer met Jozef; zij kusten hem en omhelsden hem en weenden zeer veel met hem. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ונשיהם (venasheihem) = en hun vrouwen | ובניהם (uvneihem) = en hun kinderen | ועבדיהם (va'avdeihem) = en hun dienaren | וכל (vekhol) = en alle | בית (bet) = het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בכו (bakhu) = weenden | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | מאוד (me'od) = zeer | וישקוהו (vayishqu'hu) = en kusten hem | ויחבקוהו (vaychabqu'hu) = en omhelsden hem | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | עמו (immo) = bij hem | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **55:18** Daarna keerde Jozef met heel zijn volk terug naar Egypte, naar hun plaats; en Jakob en zijn zonen en heel zijn huis kwamen met Jozef naar Egypte. Jozef liet hen wonen in het beste van Egypte, in het land Gosen. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | שבו (shavu) = keerden terug | להם (lahem) = zich | יוסף (Yosef) = Jozef | וכל (vekhol) = en alle | עמו (immo) = met hem | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | אל (el) = naar | מקומם (meqomam) = hun plaats | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | ביתו (beito) = zijn huis | באו (ba'u) = kwamen | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויושיבם (vayoshivem) = en liet hen wonen | יוסף (Yosef) = Jozef | במיטב (bemitav) = in het beste van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בארץ (ba'arets) = in het land | גושן (goshen) = Gosen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:11 (Jozef liet hen wonen in het beste van het land, in het land Raämses). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie ook: Gen 47:11 ### Jakobs zonen voor de farao **55:19** Jozef zei tegen zijn vader en tegen zijn broers: „Ik ga op en zal het de farao berichten: ‘Mijn broers en het huis van mijn vader en alles wat hun toebehoort, zijn bij mij gekomen, en zie, zij zijn in het land Gosen.’” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | ואל (ve'el) = en naar | אחיו (achiv) = zijn broers | אעלה (e'eleh) = ik ga op | ואגידה (veagidah) = en ik zal berichten | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | לאמור (lemor) = zeggende | אחיי (achai) = mijn broers | ובית (uvet) = en het huis van | אבי (avi) = mijn vader | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | להם (lahem) = hun | באו (ba'u) = kwamen | אליי (elai) = tot mij | והנם (vehinam) = en zie, zij zijn | בארץ (ba'arets) = in het land | גושן (goshen) = Gosen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie ook: Gen 46:31; Gen 47:1 **55:20** Zo deed Jozef. Hij nam uit het midden van zijn broers Ruben, Issachar, Zebulon en zijn broer Benjamin, en liet hen voor de farao staan. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | יוסף (Yosef) = Jozef | ויקח (vayikkach) = en hij nam | מאחיו (me'achiv) = uit zijn broers | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראובן (Re'uven) = Ruben | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יששכר (Yissakhar) = Issachar | וזבולון (uzvulun) = en Zebulon | ובנימין (uvinyamin) = en Benjamin | אחיו (achiv) = zijn broer | ויעמידם (vaya'amidem) = en stelde hen | לפני (lifnei) = voor | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:2 (uit het geheel van zijn broers nam hij vijf mannen en stelde hen voor de farao). Hier worden vier genoemd: Ruben, Issachar, Zebulon en Benjamin. Zie ook: Gen 47:2 **55:21** Jozef sprak tot de farao: „Mijn broers en het huis van mijn vader en alles wat hun toebehoort, ook hun kleinvee en hun runderen, zijn uit het land Kanaän bij mij gekomen om in Egypte te verblijven, want de honger is zwaar op hen.” Brontekst: וידבר (vayedabber) = en hij sprak | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | לאמור (lemor) = zeggende | אחיי (achai) = mijn broers | ובית (uvet) = en het huis van | אבי (avi) = mijn vader | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | להם (lahem) = hun | גם (gam) = ook | צאנם (tso'nam) = hun kleinvee | גם (gam) = ook | בקרם (beqaram) = hun runderen | באו (ba'u) = kwamen | אליי (elai) = tot mij | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לגור (lagur) = om als vreemdeling te verblijven | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | כי (ki) = want | חזק (chazaq) = zwaar | עליהם (aleihem) = op hen | הרעב (hara'av) = de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **55:22** De farao zei tegen Jozef: „Laat je vader en je broers wonen in het beste van het hele land; houd niets goeds van hen terug en laat hen eten van het vet van het land.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | במיטב (bemitav) = in het beste van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | הושב (hoshev) = doe wonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביך (avikha) = je vader | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אחיך (achikha) = je broers | אל (el) = niet | תמנע (timna) = houd tegen | מהם (mehem) = van hen | כל (kol) = alle | טוב (tov) = goed | והאכלתם (vehaakhaltem) = en laat hen eten | חלב (chelev) = het vet van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:5–6 (‘Laat je vader en je broers wonen in het beste van het land; laat hen wonen in het land Gosen’) en Gen. 45:18 (‘het vet van het land’). Zie ook: Gen 45:18; Gen 47:5–6; Gen 47:6 **55:23** Jozef antwoordde: „Zie, ik heb hen laten wonen in het land Gosen, want zij zijn herders van kleinvee; daarom mogen zij in Gosen wonen om hun kleinvee te weiden, vanwege de Egyptenaren.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | הנה (hinneh) = zie | הושבתים (hoshavtim) = ik heb hen doen wonen | בארץ (ba'arets) = in het land | גושן (goshen) = Gosen | כי (ki) = want | רועי (ro'ei) = de herders van | צאן (tson) = kleinvee | הם (hem) = zij | על (al) = daarom | כן (ken) = zo | ישבו (yashvu) = mogen zij wonen | להם (lahem) = zich | בגושן (bagoshen) = in Gosen | לרעות (lir'ot) = om te weiden | צאנם (tso'nam) = hun kleinvee | מפני (mippenei) = vanwege | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:31–34 (herders van kleinvee zijn een gruwel voor de Egyptenaren) en Gen. 47:1–4. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie ook: Gen 46:31–34; Gen 46:32; Gen 47:1–4; Gen 47:3 **55:24** De farao zei tegen Jozef: „Doe met je broers alles wat zij je zullen zeggen.” De zonen van Jakob bogen zich neer voor de farao en gingen in vrede van hem weg. Daarna bracht Jozef zijn vader voor de farao. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | יאמרו (yomru) = zullen zeggen | לך (lekha) = tot jou | אחיך (achikha) = je broers | עשה (asah) = doe | איתם (ittam) = met hen | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = voor | פרעה (par'oh) = Farao | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | מאיתו (me'ito) = van hem | בשלום (beshalom) = in vrede | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | הביא (hevi) = bracht | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביו (aviv) = zijn vader | לפני (lifnei) = voor | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **55:25** Jakob kwam en boog zich neer voor de farao, en Jakob zegende de farao en ging weg. In die tijd woonden Jakob en al zijn zonen en heel zijn huis in het land Gosen. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישתחווה (vayishtachaveh) = en hij boog zich neer | אל (el) = voor | פרעה (par'oh) = Farao | ויברך (vayevarekh) = en zegende | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | פרעה (par'oh) = Farao | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | בעת (be'et) = in de tijd | ההוא (hahu) = die | ישבו (yashvu) = zij woonden | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וכל (vekhol) = en alle | בניו (banav) = zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | ביתו (beito) = zijn huis | בארץ (ba'arets) = in het land | גושן (goshen) = Gosen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:7–10 (Jakob zegende de farao). Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie ook: Gen 47:7–10 ### De jaren van de honger **55:26** In het tweede jaar, dat is het honderddertigste jaar van het leven van Jakob, voorzag Jozef zijn vader en zijn broers en heel het huis van zijn vader van brood, naar het aantal van de kleintjes. Alle dagen van de honger misten zij niets. Brontekst: בשנה (bashanah) = in het jaar | השנית (hashenit) = het tweede | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = het jaar | שלושים (sheloshim) = dertig | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויכלכל (vayekhalkel) = en voorzag | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביו (aviv) = zijn vader | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broers | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | לפי (lefi) = naar | הטף (hattaf) = de kleintjes | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | הרעב (hara'av) = de honger | לא (lo) = niet | חסרו (chasru) = misten | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:12 (Jozef voorzag zijn vader en zijn broers en heel het huis van zijn vader van brood naar het aantal van de kleintjes). Zie ook: Gen 47:12 **55:27** Jozef gaf hun het beste van het hele land, en de zonen van Jakob aten het goede van Egypte alle dagen van Jozef. Ook gaf Jozef aan heel het huis van zijn vader elk jaar kleding en mantels. En de zonen van Jakob bleven in veiligheid in Egypte wonen alle dagen van Jozef, hun broer. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | להם (lahem) = hun | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | מיטב (mitav) = het beste van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | טוב (tov) = goed | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | יוסף (Yosef) = Jozef | גם (gam) = ook | בגד (beged) = kleding | ושמלה (usimlah) = en een mantel | יתן (yitten) = gaf hij | להם (lahem) = hun | יוסף (Yosef) = Jozef | לכל (lekhol) = aan heel | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | שנה (shanah) = jaar | שנה (shanah) = jaar | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לבטח (lavetach) = in veiligheid | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיהם (achihem) = hun broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **55:28** Jakob at steeds aan de tafel van Jozef; Jakob en zijn zonen weken dag noch nacht van de tafel van Jozef, behalve wat de zonen van Jakob in hun eigen huizen aten. Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | יאכל (ye'akhel) = at | תמיד (tamid) = steeds | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | בשולחנו (beshulchano) = aan zijn tafel | לא (lo) = niet | סרו (saru) = weken | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | משולחן (mishulchan) = van de tafel van | יוסף (Yosef) = Jozef | לילה (laylah) = nacht | ויום (veyom) = en dag | מלבד (milvad) = behalve | אשר (asher) = wat | יאכלו (yokhelu) = aten | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בבתיהם (bevateihem) = in hun huizen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **55:29** Heel Egypte at en dronk brood uit het huis van Jozef alle dagen van de honger, want heel Egypte had alles wat het bezat verkocht vanwege de honger. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אוכלים (ochelim) = etend | ושותים (veshotim) = en drinkend | לחם (lechem) = brood | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | הרעב (hara'av) = de honger | מבית (mibbayit) = uit het huis van | יוסף (Yosef) = Jozef | כי (ki) = want | מכרו (mikhru) = verkochten | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | להם (lahem) = hun | מפני (mippenei) = vanwege | הרעב (hara'av) = de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De verborgen schatten **55:30** Jozef kocht Egypte en hun grond en hun velden voor brood, ten behoeve van de farao. Jozef voorzag heel Egypte van brood alle dagen van de honger. Hij verzamelde al het zilver en het goud dat bij hem kwam voor het graan dat heel het land kocht, en hij vond zeer veel goud en zilver, behalve ontelbare sjohamstenen, bedolach en kostbare kleren, die heel het land bij Jozef bijeengebracht had toen hun zilver op was. Brontekst: ויקן (vayiqen) = en hij kocht | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אדמתם (admatam) = hun grond | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שדותיהם (sedoteihem) = hun velden | בלחם (belechem) = voor brood | אל (el) = voor | פרעה (par'oh) = Farao | ויכלכל (vayekhalkel) = en voorzag | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בלחם (belechem) = met brood | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | הרעב (hara'av) = de honger | וילקט (vayilqot) = en verzamelde | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הכסף (hakkesef) = het zilver | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הזהב (hazzahav) = het goud | בשבר (bashever) = voor graan | אשר (asher) = die | הם (hem) = zij | שוברים (shovrim) = kopen | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | וימצא (vayimtsa) = en hij vond | זהב (zahav) = goud | וכסף (vekhesef) = en zilver | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | מלבד (milvad) = behalve | אבני (avnei) = stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | ובגדים (uvegadim) = en kleren | יקרים (yeqarim) = kostbare | אשר (asher) = die | הביאו (hevi'u) = zij brachten bijeen | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | בכלות (bikhlot) = toen hun zilver op was | להם (lahem) = hun | הכסף (hakkesef) = het zilver | לאין (le'ein) = zonder | מספר (mispar) = aantal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:13–26 (Jozef kocht al de grond van Egypte voor de farao) en Gen. 47:14 (Jozef verzamelde al het geld). De verborgen schatten staan niet in Genesis. Voor bedolach en sjohamsteen zie Gen. 2:12. Zie ook: Gen 2:12; Gen 47:13–26; Gen 47:14 **55:31** Jozef nam van al het zilver en het goud dat voor het graan in zijn hand kwam ongeveer tweeënzeventig talenten goud en zilver, en ook zeer veel sjohamstenen en bedolach. Jozef ging heen en verborg ze in vier delen: één deel verborg hij in de woestijn bij de Rietzee, één deel aan de rivier de Eufraat, en het derde en het vierde verborg hij in de woestijn tegenover de woestijn van Perzië en Medië. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | מכל (mikkol) = van al | הכסף (hakkesef) = het zilver | והזהב (vehazzahav) = en het goud | הבא (habba) = wat kwam | בידו (beyado) = in zijn hand | בשבר (bashever) = voor graan | כשתיים (kishtayim) = ongeveer twee | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | ככרי (kikkarey) = talenten van | זהב (zahav) = goud | וכסף (vekhesef) = en zilver | וגם (vegam) = en ook | מאבני (me'avnei) = van stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | וילך (vayelekh) = en hij ging | יוסף (Yosef) = Jozef | ויטמון (vayitmon) = en verborg | אותם (otam) = hen | אל (el) = in | ארבעה (arba'ah) = vier | חלקים (chalaqim) = delen | ויטמון (vayitmon) = en verborg | אחד (echad) = één | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | אצל (etsel) = bij | ים (yam) = zee van | סוף (suf) = riet | ואחד (ve'echad) = en één | על (al) = aan | נהר (nehar) = rivier | פרת (perat) = Eufraat | והשלישי (vehashlishi) = en de derde | והרביעי (vehareviii) = en de vierde | טמן (taman) = verborg hij | אותם (otam) = hen | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | נגד (neged) = tegenover | מדבר (medabber) = woestijn van | פרס (paras) = Perzië | ומדי (umMadai) = en Medië Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: ככר (‘talent’): de Engelse vertaling heeft ‘talents’; de ‘Rietzee’ is ים סוף, en ‘Eufraat’ is פרת. Dat Jozef schatten verborg, en Perzië en Medië, staan niet in Genesis. Voetnoot : Een talent is ongeveer 34 kilogram; tweeënzeventig talenten is dus ongeveer 2.450 kilogram. **55:32** Van het goud en zilver dat overbleef nam hij en gaf aan al zijn broers en aan heel het huis van zijn vader en aan alle vrouwen van het huis van zijn vader; het overige bracht hij naar het huis van de farao: ongeveer twintig talenten goud en zilver. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | מן (min) = van | הנשאר (hannish'ar) = wat overbleef | זהב (zahav) = goud | וכסף (vekhesef) = en zilver | ויתן (vayitten) = en gaf | אל (el) = aan | כל (kol) = alle | אחיו (achiv) = zijn broers | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | ולכל (ulkhol) = en aan alle | נשי (neshei) = vrouwen van | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | היותר (hayoter) = het overige | הביא (hevi) = bracht | ביתה (baytah) = naar het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | כעשרים (ke'esrim) = ongeveer twintig | ככרי (kikkarey) = talenten van | זהב (zahav) = goud | וכסף (vekhesef) = en zilver Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **55:33** Jozef gaf het goud en zilver dat overbleef aan de farao, en de farao legde het in zijn schatkamers. Daarna eindigden de dagen van de honger in heel het land; zij zaaiden en maaiden in heel het land en vonden hun opbrengst jaar na jaar; zij misten niets. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | הזהב (hazzahav) = het goud | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הכסף (hakkesef) = het zilver | הנותר (hanotar) = het overblijvende | אל (el) = aan | פרעה (par'oh) = Farao | וישימהו (vayesimehu) = en legde het | פרעה (par'oh) = Farao | באוצרותיו (be'otsrotav) = in zijn schatkamers | ותכלינה (vatekhalenah) = en zij eindigden | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | הרעב (hara'av) = de honger | מכל (mikkol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויזרעו (vayizre'u) = en zij zaaiden | ויקצרו (vayiqtsru) = en maaiden | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | להם (lahem) = hun | כמשפט (kemishpat) = volgens de gewoonte van | שנה (shanah) = jaar | שנה (shanah) = jaar | לא (lo) = niet | חסרו (chasru) = misten | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **55:34** Jozef woonde in veiligheid in Egypte, en heel het land stond onder zijn raad; en zijn vader en al zijn broers woonden in het land Gosen en namen er bezit van. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | ישב (yashav) = woonde | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לבטח (lavetach) = in veiligheid | ותהי (vatehi) = en was | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | תחת (tachat) = onder | עצתו (atsato) = zijn raad | ואביו (ve'aviv) = en zijn vader | וכל (vekhol) = en alle | אחיו (achiv) = zijn broers | ישבו (yashvu) = zij woonden | להם (lahem) = zich | בארץ (ba'arets) = in het land | גושן (goshen) = Gosen | ויאחזו (vaye'achzu) = en zij kregen bezit | בה (bah) = daarin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. ### Jakob in Gosen **55:35** Jakob was zeer oud en gevorderd in dagen. De twee zonen van Jozef, Efraïm en Manasse, zaten steeds in het huis van Jakob, met de kinderen van de zonen van Jakob, hun broers, om de wegen van Yahweh en Zijn wetten te leren. Brontekst: ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | זקן (zaqen) = oud | מאוד (me'od) = zeer | בא (ba) = gevorderd | בימים (bayyamim) = in dagen | ושני (ushnei) = en twee | בני (bnei) = zonen van | יוסף (Yosef) = Jozef | אפרים (efrayim) = Efraïm | ומנשה (umenasheh) = en Manasse | יושבים (yoshvim) = zaten | תמיד (tamid) = steeds | בבית (babbayit) = in het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עם (im) = met | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיהם (achihem) = hun broers | ללמוד (lilmod) = om te leren | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרכי (darkhei) = wegen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | תורותיו (torotav) = Zijn wetten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt dat Jakob zeer oud was; de Engelse vertaling heeft hier ‘Joseph’. Het Hebreeuws is gevolgd. Zie Gen. 48:1 (de ziekte van Jakob) en Gen. 47:28 (Jakob leefde zeventien jaar in Egypte). Zie ook: Gen 47:28; Gen 48:1 **55:36** Jakob en zijn zonen bleven wonen in het land Egypte, in het land Gosen; zij namen er bezit van, waren vruchtbaar en namen zeer toe. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en zij woonden | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בארץ (ba'arets) = in het land | גושן (goshen) = Gosen | ויאחזו (vaye'achzu) = en zij kregen bezit | בה (bah) = daarin | ויפרו (vayifru) = en zij waren vruchtbaar | וירבו (vayirbu) = en zij namen toe | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie ook: Gen 47:27 ## Jasher 56 _Jakobs dood en begrafenis_ ### Jakob wordt ziek **56:1** Jakob leefde zeventien jaar in het land Egypte; de dagen van Jakob, de jaren van zijn leven, waren honderdzevenenveertig jaar. Brontekst: ויחי (vayechi) = en hij leefde | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | שבע (sheva) = zeven | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | ויהי (vayehi) = en waren | ימי (yemei) = dagen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שני (shenei) = jaren van | חייו (chayav) = zijn leven | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = jaren | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | ומאת (umeat) = en honderd | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:28 (Jakob leefde zeventien jaar in het land Egypte; de dagen van zijn leven waren honderdzevenenveertig jaar). Zie ook: Gen 47:28 **56:2** In die tijd werd Jakob ziek met de ziekte waaraan hij zou sterven. Hij zond en riep zijn zoon Jozef uit Egypte, en Jozef kwam tot zijn vader. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | חלה (challeh) = werd ziek | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | חילו (chelo) = zijn ziekte | אשר (asher) = die | ימות (yamut) = waaraan hij zou sterven | בו (bo) = eraan | וישלח (vayishlach) = en hij zond | ויקרא (vayikra) = en riep | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | בנו (beno) = zijn zoon | ממצרים (mimmitsrayim) = Egypte | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 48:1 (‘Zie, je vader is ziek’) en Gen. 47:29. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 47:29; Gen 48:1 **56:3** Jakob zei tegen Jozef en tegen zijn zonen: „Zie, ik sterf, maar Elohim van jullie vaderen zal zeker naar jullie omzien en jullie terugbrengen naar het land dat Yahweh gezworen heeft aan jullie en aan jullie zonen na jullie te geven. En nu, wanneer ik gestorven ben, begraaf mij in de spelonk van het veld van Machpela, in Hebron, in het land Kanaän, bij mijn vaderen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | ואל (ve'el) = en tot | בניו (banav) = zijn zonen | הנה (hinneh) = zie | אנוכי (anokhi) = ik | מת (met) = sterf | ואלוקי (ve'elohei) = en Elohim van | אבותיכם (avotekhem) = jullie vaderen | פקוד (paqod) = zeker | יפקוד (yifqod) = zal omzien naar | אתכם (etkhem) = jullie | והשיב (vehehshiv) = en zal terugbrengen | אתכם (etkhem) = jullie | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | אשר (asher) = die | נשבע (nishba) = heeft gezworen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לתת (latet) = te geven | לכם (lakhem) = aan jullie | ולבניכם (velivnekhem) = en aan jullie zonen | אחריכם (acharekhem) = na jullie | ועתה (ve'attah) = en nu | במותי (bemoti) = wanneer ik gestorven ben | קברו (qivru) = begraaf | אותי (oti) = mij | במערת (bime'arat) = in de spelonk van | שדה (sedeh) = het veld van | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | בחברון (bechevron) = in Hebron | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = bij | אבותיי (avotay) = mijn vaderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:29–30, 49:29–32 en 50:24–25 (Elohim zal naar jullie omzien). Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 47:29–30; Gen 49:29; Gen 49:30 **56:4** Jakob liet zijn zonen zweren hem te begraven in Machpela, in Hebron, en zijn zonen zwoeren hem over deze zaak. Brontekst: וישבע (vayishava) = en liet zweren | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | לקבור (liqbor) = om te begraven | אותו (oto) = hem | במכפלה (bamakhpela) = in Machpela | בחברון (bechevron) = in Hebron | וישבעו (vayishava'u) = en zij zwoeren | לו (lo) = hem | בניו (banav) = zijn zonen | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:31 (‘Zweer mij!’ En hij zwoer hem). Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 47:31 **56:5** Hij gebood hun: „Dien Yahweh, jullie Elohim, want Hij zal jullie uit alle nood redden, zoals Hij jullie vaderen gered heeft.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | עבדו (avdo) = dien | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיכם (elohekhem) = jullie Elohim | כי (ki) = want | הוא (hu) = Hij | יציל (yatsil) = Hij zal redden | אתכם (etkhem) = jullie | מכל (mikkol) = van elke | צרה (tsarah) = nood | כאשר (ka'asher) = zoals | הציל (hatsil) = Hij gered heeft | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבותיכם (avotekhem) = jullie vaderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De zegen over de kleinkinderen **56:6** Jakob zei: „Roep al jullie kinderen tot mij.” Alle kinderen van de zonen van Jakob kwamen en zaten voor hem. Jakob zegende hen en zei tegen hen: „Moge Yahweh, de Elohim van jullie vaderen, jullie nog duizend keer zoveel maken als jullie nu zijn, jullie zegenen en jullie de zegen van Abraham, jullie vader, geven.” Alle kinderen van de zonen van Jakob gingen op die dag van Jakobs aangezicht weg, nadat hij hen gezegend had. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | קראו (qar'u) = roep | לי (li) = voor mij | לכל (lekhol) = aan alle | בניכם (benekhem) = jullie kinderen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישבו (vayeshvu) = en zaten | לפניו (lefanav) = voor hem | ויברך (vayevarekh) = en zegende | אותם (otam) = hen | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | אבותיכם (avotekhem) = jullie vaderen | יוסף (Yosef) = voege toe | עליכם (aleikhem) = op jullie | ככם (kakhem) = zoals jullie zijn | וככם (vekhakhem) = en nog eens zoals jullie | אלף (elef) = duizend | פעמים (pe'amim) = maal | ויברך (vayevarekh) = en moge Hij zegenen | אתכם (etkhem) = jullie | ויתן (vayitten) = en moge Hij geven | לכם (lakhem) = aan jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | ברכת (birkat) = de zegen van | אברהם (avraham) = Abraham | אביכם (avikhem) = jullie vader | ויצאו (vayyetse'u) = en gingen uit | כל (kol) = alle | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאת (me'et) = van | פני (pnei) = voor het aangezicht van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | כאשר (ka'asher) = nadat | ברך (berakh) = hij had gezegend | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 1:11 (dezelfde zegenwens: Yahweh maakt hen duizend keer zoveel als zij zijn). Zie ook: Gen 48:20; Deut 1:11 **56:7** De volgende dag riep Jakob opnieuw zijn zonen. Zij verzamelden zich allen, kwamen tot hem en zaten voor hem, en Jakob zegende op die dag zijn zonen voor zijn dood: ieder zegende hij naar zijn eigen zegen. Zie, het staat geschreven in het boek van de wet van Yahweh voor Israël. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ממחרת (mimmochorat) = de volgende dag | ויקרא (vayikra) = en riep | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | עוד (od) = opnieuw | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | ויקבצו (vayiqbetsu) = en zij verzamelden | כולם (kullam) = allen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אליו (elav) = tot hem | וישבו (vayeshvu) = en zaten | לפניו (lefanav) = voor hem | ויברך (vayevarekh) = en hij zegende | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | לפני (lifnei) = voor | מותו (moto) = zijn dood | איש (ish) = ieder | איש (ish) = — | כברכתו (kivrikhato) = naar zijn zegen | ברך (berakh) = zegende | אותם (otam) = hen | הנה (hinneh) = zie | כתובה (ketuva) = geschreven | בספר (bassefer) = in het boek | תורת (torat) = de wet van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לישראל (leyisra'el) = voor Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 49:1–28 (Jakob zegent zijn zonen, ieder met de zegen die bij hem past). Zie ook: Gen 49:1–28 ### Aan Juda **56:8** Jakob zei tegen Juda: „Ik weet, mijn zoon, dat je een heer bent over je broers; regeer over hen, en je zonen zullen tot in eeuwigheid over hun zonen regeren. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | יהודה (Yehudah) = Juda | ידעתי (yada'ti) = ik weet | בני (bnei) = mijn zoon | כי (ki) = dat | גביר (gevir) = een heer | לאחיך (le'achikha) = over je broers | אתה (attah) = jij | ומלך (umelekh) = en regeer | עליהם (aleihem) = over hen | ובניך (uvanekha) = en je zonen | ימלכו (yimlekhu) = zullen regeren | על (al) = over | בניהם (beneyhem) = hun zonen | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 49:8–10 (Juda, je broers zullen je loven; de scepter zal van Juda niet wijken). Zie ook: Gen 49:8–10 **56:9** Leer slechts je zonen de boog en alle wapens van de oorlog, opdat zij de oorlogen van hun broer, de koning, voeren tegen al zijn vijanden.” Brontekst: אך (akh) = alleen | למד (lamad) = leer | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניך (banekha) = je zonen | קשת (qeshet) = boog | וכל (vekhol) = en alle | כלי (keli) = wapens van | מלחמה (milchamah) = oorlog | למען (lema'an) = opdat | ילחמו (yilchamu) = zij zullen strijden | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלחמות (milchamot) = de oorlogen van | אחיהם (achihem) = hun broer | המלך (hammelekh) = de koning | בכל (bekhol) = tegen al | אויביו (oyevav) = zijn vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De opdracht voor de begrafenis **56:10** Jakob gebood zijn zonen op die dag opnieuw: „Zie, ik word vandaag verzameld tot mijn volk. Draag mij uit Egypte op en begraaf mij in de spelonk van Machpela, zoals ik jullie geboden heb. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | עוד (od) = opnieuw | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | לאמור (lemor) = zeggende | אני (ani) = ik | הנני (hinneni) = zie, ik | נאסף (ne'esaf) = verzameld word | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | אל (el) = tot | עמי (immi) = mijn volk | שאוני (sa'uni) = draag mij | ממצרים (mimmitsrayim) = Egypte | וקברוני (uqvaruni) = en begraaf mij | במערת (bime'arat) = in de spelonk van | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | כאשר (ka'asher) = zoals | צויתי (tsivviti) = ik jullie geboden heb | אתכם (etkhem) = jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier שטוני; wij lezen שאוני (‘draag mij’), zoals de Engelse vertaling (‘carry me up’). Zie Gen. 49:29–33 en Gen. 50:5. Zie ook: Gen 48:21; Gen 49:29–33; Gen 50:5 **56:11** Neem je echter in acht: niemand van jullie zonen mag mij dragen, behalve jullie zelf. En dit is wat jullie voor mij zullen doen wanneer jullie mijn lichaam dragen om ermee naar het land Kanaän te gaan en mij te begraven: Brontekst: אך (akh) = alleen | השמרו (hishamru) = neem je in acht | נא (na) = toch | בי (bi) = wat mij betreft | אל (el) = niet | ישא (yissa) = drage | אותי (oti) = mij | אחד (echad) = een | מבניכם (mibnekhem) = van jullie zonen | כי (ki) = maar | אם (em) = alleen | אתם (ittam) = jullie | וזה (vezeh) = en dit | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = wat | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | לי (li) = voor mij | בשאתכם (bis'etkhem) = wanneer jullie dragen | את (et) = (lijdend voorwerp) | גויתי (geviyati) = mijn lichaam | ללכת (lalekhet) = om te gaan | בה (bah) = ermee | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לקבור (liqbor) = om te begraven | אותי (oti) = mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **56:12** Juda, Issachar en Zebulon zullen mijn baar dragen aan de oostkant; Ruben, Simeon en Gad aan de zuidkant; Efraïm, Manasse en Benjamin aan de westkant; Dan, Aser en Naftali aan de noordkant. Brontekst: יהודה (Yehudah) = Juda | יששכר (Yissakhar) = Issachar | וזבולון (uzvulun) = en Zebulon | ישאו (yis'u) = zullen dragen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מטתי (mitati) = mijn baar | מקדמה (miqedma) = aan de oostkant | מזרחה (mizrachah) = oostwaarts | ראובן (Re'uven) = Ruben | שמעון (Shim'on) = Simeon | גד (Gad) = Gad | ישאו (yis'u) = zullen dragen | מתימנה (mitemna) = aan de zuidkant | אפרים (efrayim) = Efraïm | מנשה (menasheh) = Manasse | ובנימין (uvinyamin) = en Benjamin | ימה (yammah) = westwaarts | דן (Dan) = Dan | אשר (asher) = Aser | ונפתלי (venaftali) = en Naftali | צפונה (tsafonah) = noordwaarts Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 2:3–31 (de vier kampen: Juda, Issachar en Zebulon in het oosten; Ruben, Simeon en Gad in het zuiden; Efraïm, Manasse en Benjamin in het westen; Dan, Asjer en Naftali in het noorden). Zie ook: Num 2:3–31 **56:13** Laat Levi niet met jullie dragen, want hij en zijn zonen dragen de ark van het verbond van Yahweh met Israël in het kamp. En ook mijn zoon Jozef zal niet dragen, want zijn heerlijkheid is als die van een koning; maar Efraïm en Manasse, zijn zonen, zullen in hun plaats zijn. Brontekst: לוי (Levi) = Levi | אל (el) = niet | תעזבוהו (ta'azvuhu) = laat hem toe | לשאת (laset) = dragen | עמכם (immakhem) = met jullie | כי (ki) = want | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ישאו (yis'u) = zullen dragen | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארון (aron) = de ark van | ברית (berit) = het verbond van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עם (im) = met | ישראל (yisra'el) = Israël | במחנה (bamachaneh) = in het kamp | וגם (vegam) = en ook | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | לא (lo) = niet | ישא (yissa) = zal dragen | כי (ki) = want | כמלך (kamelekh) = als een koning | כן (ken) = zo | כבודו (kevodo) = zijn heerlijkheid | אך (akh) = maar | אפרים (efrayim) = Efraïm | ומנשה (umenasheh) = en Manasse | בניו (banav) = zijn zonen | יהיו (yihyu) = zullen zijn | תחתיהם (tachtehem) = in hun plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 48:5 (Efraïm en Manasse zullen de mijne zijn) en Num. 3:31 (de Kohatieten zorgen voor de ark). אל תעזבוהו (‘laat hem niet’) is een ongewone uitdrukking; wij volgen de Engelse vertaling (‘Let not Levi carry’). Zie ook: Gen 48:5; Num 3:31 **56:14** Zo zullen jullie voor mij doen wanneer jullie mij dragen; laat niets weg van alles wat ik jullie geboden heb. En wanneer jullie mij dit doen, zal Yahweh ten goede naar jullie omzien en naar jullie zonen na jullie, tot in eeuwigheid. Brontekst: ככה (kakhah) = zo | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | לי (li) = voor mij | בשאתכם (bis'etkhem) = wanneer jullie dragen | אותי (oti) = mij | לא (lo) = niet | תגרעו (tigre'u) = laat weg | דבר (davar) = iets | מכל (mikkol) = van alles | אשר (asher) = die | צויתי (tsivviti) = ik heb bevolen | אתכם (etkhem) = jullie | והיה (vehayah) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = wanneer | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | לי (li) = voor mij | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | יפקוד (yifqod) = zal omzien naar | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אתכם (etkhem) = jullie | לטובה (letova) = ten goede | ובניכם (uvnekhem) = en jullie zonen | אחריכם (acharekhem) = na jullie | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:15** En jullie, mijn zonen, eer ieder zijn broer en ieder zijn verwant, en gebied jullie zonen en de zonen van jullie zonen na jullie Yahweh, de Elohim van jullie vaderen, te dienen, al de dagen, Brontekst: ואתם (ve'atem) = en jullie | בניי (banay) = mijn zonen | כבדו (kavedu) = eer | איש (ish) = ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיו (achiv) = zijn broer | ואיש (ve'ish) = en ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | קרובו (qerovo) = zijn verwant | וצוו (vetsavu) = en gebied | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניכם (benekhem) = jullie zonen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = de zonen van | בניכם (benekhem) = jullie zonen | אחריכם (acharekhem) = na jullie | לעבוד (la'avod) = te dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | אבותיכם (avotekhem) = jullie vaderen | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:16** opdat jullie de dagen verlengen in het land, jullie en jullie zonen en de zonen van jullie zonen, tot in eeuwigheid, wanneer jullie doen wat goed en recht is in de ogen van Yahweh, jullie Elohim, om te wandelen in al Zijn wegen. Brontekst: למען (lema'an) = opdat | תאריכו (ta'arikhu) = jullie verlengen | ימים (yamim) = dagen | בארץ (ba'arets) = in het land | אתם (ittam) = jullie | ובניכם (uvnekhem) = en jullie zonen | ובני (uvnei) = en de zonen van | בניכם (benekhem) = jullie zonen | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig | כי (ki) = wanneer | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | הטוב (hattov) = het goede | והישר (vehayashar) = en het rechte | בעיני (be'einei) = in de ogen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיכם (elohekhem) = jullie Elohim | ללכת (lalekhet) = te wandelen | בכל (bekhol) = in heel | דרכיו (derakhav) = Zijn wegen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:17** En jij, Jozef, mijn zoon, vergeef toch de overtreding van je broers en al hun zonden, het kwaad dat zij je aangedaan hebben, want zie, Elohim heeft het ten goede bedoeld voor jou en voor je zonen. Brontekst: ואתה (ve'attah) = en jij | יוסף (Yosef) = Jozef | בני (bnei) = mijn zoon | שא (sa) = vergeef | נא (na) = toch | לפשע (lefesha) = de overtreding van | אחיך (achikha) = je broers | ולכל (ulkhol) = en alle | חטאתם (chata'tem) = hun zonden | ברעה (bara'ah) = door het kwaad | אשר (asher) = die | גמלוך (gemaluka) = zij je aandeden | כי (ki) = want | הנה (hinneh) = zie | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | חשבה (chashvah) = heeft het bedoeld | לטובה (letova) = ten goede | לך (lekha) = aan jou | ולבניך (ulevanekha) = en aan je zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:17–20 (‘Jullie bedoelden kwaad tegen mij, maar Elohim heeft het ten goede bedoeld’). Zie ook: Gen 50:17–20 **56:18** Laat je broers, mijn zoon, niet in de steek vanwege de inwoners van Egypte, en krenk hun gelaat niet, want zie, ik heb hen in de hand van hun Elohim gegeven, en in jouw hand is het om hen te bewaren al je dagen, vanwege de Egyptenaren.” De zonen van Jakob antwoordden hun vader: „Alles wat je ons geboden hebt, zo zullen wij doen, mijn vader; moge Elohim slechts met ons zijn.” Brontekst: ואל (ve'el) = en niet | תעזוב (ta'azov) = verlaat | בני (bnei) = mijn zoon | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיך (achikha) = je broers | מפני (mippenei) = vanwege | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואל (ve'el) = en niet | תעצב (te'atsev) = krenk | את (et) = (lijdend voorwerp) | פניהם (penehem) = hun gelaat | כי (ki) = want | הנם (hennah) = zie, zij | ביד (beyad) = in de hand van | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | נתתים (netatim) = heb ik hen gegeven | ובידך (uvyadkha) = en in jouw hand | לשמרם (leshomram) = om ze te bewaren | כל (kol) = alle | ימיך (yameykha) = je dagen | מפני (mippenei) = vanwege | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | ויענו (vaya'anu) = en antwoordden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביהם (avihem) = hun vader | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | צויתנו (tsivitanu) = je ons geboden hebt | כן (ken) = zo | נעשה (na'aseh) = zullen wij doen | אבי (avi) = mijn vader | אך (akh) = slechts | יהי (yehi) = moge zijn | נא (na) = toch | אלוקים (Elohim) = Elohim | עמנו (immanu) = met ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מפני יושבי מצרים (‘vanwege de inwoners van Egypte’): de Engelse vertaling heeft ‘leave not thy brethren to the inhabitants of Egypt’, dus ‘laat hen niet over aan’. Wij houden het bij de woorden van het Hebreeuws. ### De laatste vermaning **56:19** Jakob zei tegen zijn zonen: „Zo moge Elohim met jullie zijn wanneer jullie al Zijn wegen bewaren; wijk niet rechts of links van al Zijn wegen af wanneer jullie doen wat goed en recht is in Zijn ogen. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אל (el) = tot | בניו (banav) = zijn zonen | כן (ken) = zo | יהיה (yihyeh) = moge zijn | אלוקים (Elohim) = Elohim | אתכם (etkhem) = jullie | בשמרכם (bishmorkhem) = wanneer jullie bewaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דרכיו (derakhav) = Zijn wegen | לא (lo) = niet | תסורו (tasuru) = zullen afwijken | מכל (mikkol) = van elke | דרכיו (derakhav) = Zijn wegen | ימין (yamin) = rechts | ושמאל (usmol) = en links | בעשותכם (be'asotkhem) = wanneer jullie doen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הטוב (hattov) = het goede | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הישר (hayashar) = het rechte | בעיניו (be'einav) = in Zijn ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:20** Want ik weet dat veel kwade benauwdheden jullie zullen treffen in de laatste dagen in dit land, jullie zonen en de zonen van jullie zonen; maar dien Yahweh, en Hij zal jullie uit alle nood redden. Brontekst: כי (ki) = want | אנוכי (anokhi) = ik | ידעתי (yada'ti) = ik weet | כי (ki) = want | צרות (tsarot) = benauwenissen | רבות (rabbot) = vele | ורעות (vera'ot) = en kwade | ימצאו (yimtse'u) = zullen vinden | אתכם (etkhem) = jullie | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen | בארץ (ba'arets) = in het land | הזאת (hazzo't) = deze | לבניכם (livnekhem) = jullie zonen | ולבני (ulevnei) = en aan de zonen van | בניכם (benekhem) = jullie zonen | אך (akh) = slechts | עבדו (avdo) = dien | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויושיע (veyoshia) = en Hij zal redden | אתכם (etkhem) = jullie | מכל (mikkol) = van elke | צרה (tsarah) = nood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:21** En wanneer jullie achter jullie Elohim aan gaan om Hem te dienen, en jullie zonen en de zonen van jullie zonen na jullie onderwijzen Yahweh te kennen, dan zal Yahweh voor jullie en jullie zonen een redder uit jullie zonen doen opstaan, en Yahweh zal jullie door Zijn hand uit alle nood redden, jullie uit Egypte leiden en jullie terugbrengen naar het land van jullie vaderen, om het in veiligheid te bezitten.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כי (ki) = wanneer | תלכו (telekhu) = jullie gaan | אחרי (acharei) = achter | אלוקיכם (elohekhem) = jullie Elohim | לעבדו (la'avdo) = om Hem te dienen | ולימדתם (velimadtem) = en jullie onderwijzen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניכם (benekhem) = jullie zonen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | בניכם (benekhem) = jullie zonen | אחריכם (acharekhem) = na jullie | לדעת (lada'at) = om te kennen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | והקים (vehekim) = en Hij zal doen opstaan | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לכם (lakhem) = aan jullie | ולבניכם (velivnekhem) = en aan jullie zonen | מושיע (moshia) = een redder | מבניכם (mibnekhem) = van jullie zonen | והציל (vehitsil) = en Hij zal redden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אתכם (etkhem) = jullie | על (al) = door | ידו (yado) = Zijn hand | מכל (mikkol) = van elke | צרה (tsarah) = nood | והוציא (vehotsi) = en Hij zal uitleiden | אתכם (etkhem) = jullie | ממצרים (mimmitsrayim) = Egypte | והשיב (vehehshiv) = en Hij zal terugbrengen | אתכם (etkhem) = jullie | אל (el) = naar | ארץ (erets) = land van | אבותיכם (avotekhem) = jullie vaderen | לרשתה (lerishtah) = om het te bezitten | לבטח (lavetach) = in veiligheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Jakob sterft **56:22** Jakob hield op zijn zonen te gebieden; hij trok zijn voeten in het bed, stierf en werd verzameld tot zijn volken. Brontekst: ויכל (vayekhal) = en hield op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לצוות (letsavvot) = te gebieden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ויאסוף (vayesof) = en trok | רגליו (raglav) = zijn voeten | אל (el) = in | המיטה (hammittah) = het bed | וימת (vayamot) = en hij stierf | ויאסף (vayye'asef) = en werd verzameld | אל (el) = tot | עמיו (ammav) = zijn volken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 49:33 (hij trok zijn voeten in het bed, gaf de geest en werd verzameld tot zijn volken). Zie ook: Gen 49:33 **56:23** Jozef viel op zijn vader, riep luid, weende om hem en kuste hem; hij riep met bittere stem uit: „Mijn vader, mijn vader!” Brontekst: ויפול (vayippol) = en hij viel | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = op | אביו (aviv) = zijn vader | ויצעק (vayits'aq) = en riep luid | ויבך (vayevk) = en weende | עליו (alav) = om hem | וישקהו (vayishshaqehu) = en kuste hem | ויקרא (vayikra) = en riep uit | בקול (bekol) = met een stem | מר (mar) = bitter | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אבי (avi) = mijn vader | אבי (avi) = mijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:1 (Jozef viel op het gezicht van zijn vader, weende over hem en kuste hem). Zie ook: Gen 50:1 **56:24** Ook de vrouwen van zijn zonen en heel zijn huis kwamen, vielen op Jakob en weenden om hem, en zij riepen met een zeer grote stem om Jakob. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | גם (gam) = ook | נשי (neshei) = vrouwen van | בניו (banav) = zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | ביתו (beito) = zijn huis | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | על (al) = op | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | עליו (alav) = om hem | ויצעקו (vayits'aqu) = en riepen | בקול (bekol) = met een stem | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = om | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:25** Alle zonen van Jakob stonden samen op en scheurden hun kleren; allen legden zij samen rouwkleden om hun heupen, vielen op hun gezicht en wierpen stof op hun hoofden naar de hemel. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | יחד (yachad) = samen | ויקרעו (vayiqre'u) = en scheurden | שמלותיהם (simlotehem) = hun kleren | וישימו (vayasimu) = en legden | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | שקים (saqim) = rouwkleden | במתניהם (bemotneyhem) = om hun heupen | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | על (al) = op | פניהם (penehem) = hun gezichten | ויזרקו (vayizreku) = en wierpen | עפר (afar) = stof | על (al) = op | ראשיהם (rosheihem) = hun hoofden | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Egypte rouwt **56:26** Het bericht werd Asenat, de vrouw van Jozef, gebracht. Zij stond op, trok een rouwkleed aan, en kwam, zij en alle vrouwen van Egypte met haar; allen hielden rouwklacht en weenden om Jakob. Brontekst: ויוגד (vayugad) = en er werd bericht | הדבר (haddavar) = de zaak | לאסנת (le'asnat) = aan Asenat | אשת (eshet) = vrouw van | יוסף (Yosef) = Jozef | ותקם (vataqom) = en zij stond op | ותלבש (vatilbash) = en zij trok aan | שק (saq) = een rouwkleed | ותבוא (vattavo) = en kwam | היא (hi) = zij | וכל (vekhol) = en alle | נשי (neshei) = vrouwen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עמה (immah) = met haar | ויספדו (vayispedu) = en hielden rouwklacht | כולם (kullam) = allen | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:45 (Asenat, de dochter van Potifera, priester van On). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:45 **56:27** Ook alle mensen van Egypte die Jakob gekend hadden, kwamen allen op die dag toen zij dit bericht hoorden, en heel Egypte weende vele dagen om Jakob. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אשר (asher) = die | ידעו (yade'u) = kenden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | באו (ba'u) = kwamen | כולם (kullam) = allen | היום (hayyom) = de dag | ההוא (hahu) = die | בשמעם (beshom'am) = toen zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **56:28** Ook uit het land Kanaän kwamen mensen naar Egypte toen zij hoorden dat Jakob gestorven was, en zij weenden om hem in Egypte zeventig dagen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מארץ (me'erets) = uit het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | באו (ba'u) = kwamen | אנשים (anashim) = mensen | אל (el) = naar | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בשמעם (beshom'am) = toen zij hoorden | כי (ki) = dat | מת (met) = stierf | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | אותו (oto) = hem | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | שבעים (shiv'im) = zeventig | יום (yom) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:3 (de Egyptenaren weenden over hem zeventig dagen). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 50:3 ### Het balsemen **56:29** Daarna gebood Jozef zijn dienaren, de artsen, zijn vader te balsemen met mirre, wierook en allerlei reukwerk en specerij, en de artsen balsemden Jakob zoals Jozef hun bevolen had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרופאים (harofim) = de artsen | לחנוט (lachanot) = te balsemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביו (aviv) = zijn vader | במור (bemor) = met mirre | ולבונה (ulvona) = en wierook | וכל (vekhol) = en alle | קטורת (qetoret) = reukwerk | ובושם (uvosem) = en specerij | ויחנטו (vayachnetu) = en zij balsemden | הרופאים (harofim) = de artsen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had bevolen | אותם (otam) = hen | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:2–3 (de artsen balsemden Israël; veertig dagen duurde het balsemen). Dat er mirre en wierook gebruikt werd, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 50:2–3 **56:30** Heel Egypte en zijn oudsten en alle inwoners van het land Gosen waren wenend en rouwklagend om Jakob, en al zijn zonen en de zonen van zijn huis klaagden en rouwden om Jakob, hun vader, al die dagen. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וזקניה (uzqeneha) = en haar oudsten | וכל (vekhol) = en alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארץ (erets) = land van | גושן (goshen) = Gosen | בוכים (bokhim) = wenend | וסופדים (vesofedim) = en rouwklagend | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וכל (vekhol) = en alle | בניו (banav) = zijn zonen | ובני (uvnei) = en de zonen van | ביתו (beito) = zijn huis | מקוננים (meqonenim) = klagend | ומתאבלים (umitablim) = en rouwend | על (al) = om | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. ### Naar Kanaän **56:31** Toen de dagen van het wenen om hem voorbij waren, aan het einde van zeventig dagen, zei Jozef tegen de farao: „Laat mij opgaan en mijn vader begraven in het land Kanaän, zoals hij mij heeft laten zweren, en ik zal terugkeren.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | עברו (avru) = voorbij waren | ימי (yemei) = dagen van | בכיתו (bekhito) = het wenen om hem | מקץ (miqqets) = aan het einde van | שבעים (shiv'im) = zeventig | יום (yom) = dag | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | אעלה (e'eleh) = laat mij opgaan | ואקברה (ve'eqberah) = en begraven | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבי (avi) = mijn vader | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | כאשר (ka'asher) = zoals | השביעני (hishbi'ani) = liet mij zweren | ואשובה (ve'ashuva) = en ik zal terugkeren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:4–6 (Jozef sprak tot het huis van de farao: ‘Laat mij toch opgaan en mijn vader begraven’). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 50:4–6 **56:32** De farao liet Jozef antwoorden: „Ga op en begraaf je vader, zoals hij gesproken heeft en zoals hij je heeft laten zweren.” Jozef stond op met al zijn broers om naar het land Kanaän te gaan en hun vader Jakob te begraven, zoals hij hun geboden had. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = tot | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | עלה (alah) = ga op | וקבור (uqevor) = en begraaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | אביך (avikha) = je vader | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = hij heeft gesproken | וכאשר (vekha'asher) = en zoals | השביעך (hishbi'akha) = liet je zweren | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | יוסף (Yosef) = Jozef | וכל (vekhol) = en alle | אחיו (achiv) = zijn broers | ללכת (lalekhet) = om te gaan | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לקבר (laqevor) = te begraven | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | כאשר (ka'asher) = — | כאשר (ka'asher) = zoals | ציום (tsivvam) = hij hun gebood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **56:33** De farao gebood, en men liet in Egypte uitroepen: „Ieder die niet met Jozef en zijn broers opgaat naar het land Kanaän om Jakob te begraven, zal sterven.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | פרעה (par'oh) = Farao | ויעבירו (vaya'avirru) = en men liet uitroepen | קול (qol) = een oproep | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לאמור (lemor) = zeggende | כל (kol) = ieder | אשר (asher) = die | איננו (enenu) = hij niet is | עולה (oleh) = opgaand | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לקבור (liqbor) = om te begraven | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | יומת (yumat) = zal sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **56:34** Heel Egypte hoorde de oproep van de farao, en zij stonden allen samen op en trokken op met Jozef: alle dienaren van de farao, de oudsten van zijn huis en alle oudsten van het land Egypte. Ook alle vorsten en edelen van de farao trokken op, en de dienaren van Jozef, en zij gingen om Jakob te begraven in het land Kanaän. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = de oproep van | פרעה (par'oh) = Farao | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | וזקני (vezeqenei) = en de oudsten van | ביתו (beito) = zijn huis | וכל (vekhol) = en alle | זקני (ziqnei) = de oudsten van | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | כל (kol) = alle | השרים (hasarim) = de vorsten | והפרתמים (vehaparetemim) = en de edelen | אשר (asher) = die | לפרעה (lefar'oh) = van de farao | ועבדי (ve'avdei) = en de dienaren van | יוסף (Yosef) = Jozef | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לקבור (liqbor) = om te begraven | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:7–9 (alle dienaren van de farao, de oudsten van zijn huis en alle oudsten van het land Egypte trokken met hem op). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 50:7–9 **56:35** De zonen van Jakob droegen de baar van Jakob waarop hij lag; naar alles wat hun vader hun geboden had, zo deden zijn zonen voor hem. Brontekst: וישאו (vayis'u) = en droegen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | מיטת (mitat) = de baar van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | שכב (shakhav) = hij lag | על (al) = op | יד (yad) = — | ככל (kekhol) = volgens alles | אשר (asher) = die | ציום (tsivvam) = hij hun gebood | אביהם (avihem) = hun vader | כן (ken) = zo | עשו (asu) = deden | בניו (banav) = zijn zonen | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft אשר שכב על יד (‘waarop hij lag, op hand’); wij laten het laatste woord onvertaald, want de Engelse vertaling heeft ‘upon which he lay’. Zie Gen. 50:12–13. Zie ook: Gen 50:12–13 **56:36** De baar was van zuiver goud, en sjohamstenen en bedolach waren erop gezet in haar rand rondom. Het deksel van de baar was geweven werk, met draden samengebonden, en daarop waren haken van sjohamstenen en bedolach. Brontekst: והמיטה (vehamita) = en de baar | היתה (hayetah) = zij was | מזהב (mizzahav) = van goud | טהור (tahor) = zuiver | ואבני (ve'avnei) = en stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | עליה (aleha) = daarop | במסגרתה (bemisgartah) = in haar rand | מסביב (missaviv) = rondom | ומכסה (umekhase) = en het deksel van | המיטה (hammittah) = de baar | מעשה (ma'aseh) = werk van | אורג (oreg) = geweven | וקשור (veqshor) = en gebonden | בפתילים (bifetilim) = met draden | ועליהם (ve'aleihem) = en daarop | קרסים (qarsim) = haken | מאבני (me'avnei) = van stenen van | שוהם (shoham) = sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:37** Jozef zette een grote gouden kroon op het hoofd van zijn vader Jakob, legde een gouden scepter in zijn hand en bedekte hem op de baar, naar de wijze van de koningen tijdens hun leven. Brontekst: וישם (vayasem) = en zette | יוסף (Yosef) = Jozef | על (al) = op | ראש (rosh) = het hoofd van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביו (aviv) = zijn vader | עטרת ('atarat) = kroon van | זהב (zahav) = goud | גדולה (gedolah) = grote | וישם (vayasem) = en legde | שרביט (sharvit) = scepter | זהב (zahav) = goud | בידו (beyado) = in zijn hand | ויסכהו (vayasekhehu) = en hij bedekte hem | על (al) = op | המיטה (hammittah) = de baar | כמשפט (kemishpat) = volgens de wijze van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | בחייהם (bechayehem) = tijdens hun leven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ויסכהו (van סכך, ‘bedekken’): de Engelse vertaling heeft ‘they surrounded the bier’. **56:38** Alle scharen van Egypte gingen voor hem uit in deze slagorde: eerst gingen alle helden van de farao en de helden van Jozef, en na hen de overige inwoners van Egypte. Allen waren omgord met het zwaard en gekleed in pantsers, en de uitrusting van de oorlog was aan hen. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | גדודי (gedudei) = de scharen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לפניו (lefanav) = voor hem | כמערכת (kema'arakhet) = in slagorde | הזה (hazzeh) = deze | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בראשונה (barishona) = eerst | כל (kol) = alle | גיבורי (gibborei) = helden van | פרעה (par'oh) = Farao | וגיבורי (vegiborei) = en de helden van | יוסף (Yosef) = Jozef | ועליהם (ve'aleihem) = en achter hen | יתר (yeter) = de rest van | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכולם (vekhulam) = en allen | חגורי (chagurei) = omgord met | חרב (charev) = zwaard | היו (hayu) = waren zij | ומלבושי (umalbushei) = en gekleed in | שריונות (shiryonot) = pantsers | ועדיי (ve'edei) = en de uitrusting van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | עליהם (aleihem) = aan hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **56:39** Allen die weenden en klaagden gingen op afstand tegenover de baar, al gaande wenend en klagend, en de rest van het volk ging achter de baar. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | הבוכים (habokhim) = de wenenden | והמקוננים (vehamqonenim) = en de klagenden | הולכים (holekhim) = gingen | רחוק (rachoq) = op afstand | נגד (neged) = tegenover | המיטה (hammittah) = de baar | הלוך (halokh) = al gaande | ובכה (uvakhoh) = en wenend | וקינן (veqinen) = en klagend | ויתר (veyeter) = en de rest van | העם (ha'am) = het volk | הולכים (holekhim) = gingen | אחרי (acharei) = achter | המיטה (hammittah) = de baar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:40** Jozef en zijn huis gingen samen dicht bij de baar, barrevoets en wenend, en de rest van de dienaren van Jozef en zijn helden gingen om hem heen; ieder had zijn sieraden aan, en allen waren omgord met hun wapens. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | וביתו (uveito) = en zijn huis | הולכים (holekhim) = gingen | יחד (yachad) = samen | קרוב (qarov) = dichtbij | אל (el) = bij | המיטה (hammittah) = de baar | יחפים (yechefim) = barrevoets | ובוכים (uvokhim) = wenend | ויתר (veyeter) = en de rest van | עבדי (avdei) = dienaren van | יוסף (Yosef) = Jozef | וגיבוריו (vegibboray) = en zijn helden | הולכים (holekhim) = gingen | סביביו (seviv'av) = om hem heen | איש (ish) = ieder | עדיו ('edyo) = zijn sieraden | עליו (alav) = aan zich | וכולם (vekhulam) = en allen | חגורים (chagurim) = omgord | כלי (keli) = wapens van | מלחמתם (milchamtam) = hun oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:41** Vijftig van de dienaren van Jakob gingen voor de baar uit en strooiden over de hele weg mirre, aloë en allerlei specerij, en alle zonen van Jakob die de baar droegen, liepen over de specerij, terwijl de dienaren van Jakob voor hen uit gingen, al gaande strooiend alle specerij op de weg. Brontekst: וחמישים (vachamishim) = en vijftig | מעבדי (me'avdei) = van de dienaren van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הולכים (holekhim) = gingen | אל (el) = voor | פני (pnei) = — | המיטה (hammittah) = de baar | ויפזרו (vayefazru) = en zij strooiden | בכל (bekhol) = in heel | הדרך (haderekh) = de weg | מור (mor) = mirre | ואהלות (ve'ahalot) = en aloë | וכל (vekhol) = en alle | בושם (besem) = specerij | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | נושאי (nos'ei) = dragers van | המיטה (hammittah) = de baar | הולכים (holekhim) = gingen | על (al) = op | הבושם (habosem) = de specerij | ועבדי (ve'avdei) = en de dienaren van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ילכו (yelkhu) = gingen | לפניהם (lifneihem) = voor hen | הלוך (halokh) = al gaande | והשלך (vehashlekh) = strooiend | כל (kol) = alle | הבושם (habosem) = de specerij | על (al) = op | הדרך (haderekh) = de weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ואהלות (‘aloë’): zie ook Jasher 55:9. Zie ook: Jas 55:9 ### De rouwklacht bij de Atad **56:42** Jozef trok op met een zwaar kamp, en zij deden op deze wijze elke dag, tot hun aankomst in het land Kanaän. Zij kwamen tot de dorsvloer van de Atad, aan de overkant van de Jordaan, en hielden daar een grote en zware rouwklacht op die plaats. Brontekst: ויעל (vayya'al) = en trok op | יוסף (Yosef) = Jozef | במחנה (bamachaneh) = in het leger van | כבד (kaved) = zwaar | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כמשפט (kemishpat) = op de wijze van | הזה (hazzeh) = deze | בכל (bekhol) = elke | יום (yom) = dag | עד (ad) = tot | הגעתם (higga'am) = hun aankomst in | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עד (ad) = tot | גורן (goren) = dorsvloer van | האטד (ha'atad) = de Atad | אשר (asher) = die | בעבר (be'ever) = aan de overkant van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | ויספדו (vayispedu) = en hielden rouwklacht | שם (shem) = daar | מספד (misped) = rouwklacht | גדול (gadol) = grote | ועבד (va'eved) = en zwaar | מאוד (me'od) = zeer | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ועבד (‘en dienaar’); wij lezen וכבד (‘en zwaar’), zoals de Engelse vertaling (‘heavy’). Zie Gen. 50:10 (‘de dorsvloer van de Atad, aan de overkant van de Jordaan’, waar zij zeven dagen rouwden). Zie ook: Gen 50:10 **56:43** Alle koningen van Kanaän hoorden dit en zij trokken allen uit, ieder uit zijn plaats, eenendertig koningen van Kanaän, en kwamen allen met al hun mannen om Jakob te beklagen en te beweenen. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כולם (kullam) = allen | איש (ish) = ieder | ממקומו (mimqomo) = uit zijn plaats | שלושים (sheloshim) = dertig | ואחד (ve'echad) = en één | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | על (al) = met | כל (kol) = alle | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | לספוד (lispod) = te rouwklagen | ולבכות (velivkot) = en te wenen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ואלד (een verschrijving voor ואחד, ‘en één’) en לספור (‘te tellen’); wij lezen לספוד (‘te rouwklagen’), zoals de Engelse vertaling (‘thirty-one kings … to mourn’). Zie Gen. 50:11 (de Kanaänieten zagen de rouw). Zie ook: Gen 50:11 **56:44** Al deze koningen zagen de baar van Jakob, en zie, daarop lag de kroon van Jozef; ook zij namen hun kronen, zetten ze op de baar en omringden haar met hun kronen. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | את (et) = (lijdend voorwerp) | מיטת (mitat) = de baar van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | והנה (vehinneh) = en zie | עליה (aleha) = erop | כתר (keter) = kroon van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | גם (gam) = ook | המה (hemmah) = zij | וישימו (vayasimu) = en zij zetten | את (et) = (lijdend voorwerp) | כתריהם (kitreihem) = hun kronen | על (al) = op | המיטה (hammittah) = de baar | ויסובבוה (vayesovevuha) = en zij omringden haar | בכתריהם (bekhitreihem) = met hun kronen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:45** Al deze koningen hielden op die plaats een grote en zware rouwklacht met de zonen van Jakob en Egypte om Jakob, want alle koningen van Kanaän kenden de heldenkracht van Jakob en zijn zonen. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | מספד (misped) = rouwklacht | גדול (gadol) = grote | וכבד (vekhaved) = en zwaar | עם (im) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ומצרים (umMitsrayim) = en Egypte | על (al) = om | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = want | ידעו (yade'u) = zij wisten | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | את (et) = (lijdend voorwerp) | גבורת (gevurat) = de heldenkracht van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. ### Ezau komt **56:46** Het bericht kwam bij Ezau: „Jakob is in Egypte gestorven, en zijn zonen en heel Egypte brengen hem naar het land Kanaän om hem te begraven.” Brontekst: והשמועה (vehashemu'a) = en het bericht | באה (ba'ah) = kwam | עד (ad) = bij | עשו (asu) = Ezau | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = dat | מת (met) = is gestorven | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ויביאו (vayavi'u) = brengen | אותו (oto) = hem | בניו (banav) = zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לקבור (liqbor) = om te begraven | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **56:47** Ezau hoorde dit, en hij woonde op het gebergte Seïr. Hij stond op, met zijn zonen en de zonen van zijn zonen en al zijn mensen en heel zijn huis, een zeer groot volk, en zij kwamen om Jakob te beklagen en te beweenen. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | והוא (vehu) = en hij | יושב (yoshev) = woonde | בהר (bahar) = op de berg | שעיר (se'ir) = Seïr | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ובני (uvnei) = en de zonen van | בניו (banav) = zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | אנשיו (anashav) = zijn mensen | וכל (vekhol) = en alle | ביתו (beito) = zijn huis | עם (im) = een volk | רב (rav) = groot | מאוד (me'od) = zeer | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לספוד (lispod) = te rouwklagen | ולבכות (velivkot) = en te wenen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:8 (Ezau woonde op het gebergte Seïr). Zie ook: Gen 36:8 **56:48** Toen Ezau kwam, hield hij de rouwklacht over zijn broer Jakob, en heel Egypte en heel Kanaän stonden opnieuw op en hielden een grote rouwklacht met Ezau om Jakob op die plaats. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוא (bevo) = toen hij kwam | עשו (asu) = Ezau | ויספוד (vayispod) = en hij hield de rouwklacht | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיו (achiv) = zijn broer | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | עוד (od) = opnieuw | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויספדו (vayispedu) = en hielden rouwklacht | מספד (misped) = rouwklacht | גדול (gadol) = grote | עם (im) = met | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = om | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **56:49** Jozef en zijn broers droegen hun vader Jakob van die plaats weg en gingen naar Hebron om Jakob te begraven in de spelonk bij zijn vader. Brontekst: וישאו (vayis'u) = en droegen | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | מן (min) = uit | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | חברונה (chevronah) = naar Hebron | לקבור (liqbor) = om te begraven | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במערה (bama'arah) = in de spelonk | עם (im) = bij | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 50:13 ### Het geschil bij de spelonk **56:50** Zij kwamen naar Kirjat-Arba, naar Machpela. Toen zij aankwamen, stond Ezau met al zijn zonen en zijn mannen tegen Jozef en zijn broers als tegenstander bij de spelonk en zei: „Jakob zal daarin niet begraven worden, want hij is van ons en van onze vader.” Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | קרית (Qiryat) = Kirjat-Arba | ארבע (arba) = — | אל (el) = naar | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבואם (bevo'am) = toen zij kwamen | ויעמוד (vaya'amod) = en stond | עשו (asu) = Ezau | וכל (vekhol) = en alle | בניו (banav) = zijn zonen | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | אל (el) = tegen | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | לשטן (lesatan) = als tegenstander | במערה (bama'arah) = in de spelonk | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | יקבר (yiqaver) = zal begraven worden | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בה (bah) = daarin | כי (ki) = want | לנו (lanu) = voor ons | ולאבינו (ule'avinu) = en van onze vader | הוא (hu) = hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:2 (Kirjat-Arba, dat is Hebron) en Gen. 49:29–30 (de spelonk in het veld van Machpela). Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie ook: Gen 23:2; Gen 49:29–30 **56:51** Jozef en zijn broers hoorden de woorden van de zonen van Ezau, en hun toorn ontbrandde zeer. Jozef trad naar Ezau toe en zei: „Wat is dit wat jullie spreken? Heeft mijn vader Jakob haar niet van jou gekocht voor grote rijkdom, na de dood van Isaak? Dit is nu vijfentwintig jaar geleden. Ook het hele land Kanaän heeft hij gekocht van jou, van je zonen en van je nageslacht na je. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפם (appam) = hun toorn | מאוד (me'od) = zeer | ויגש (vayyigash) = en hij naderde | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | לאמור (lemor) = zeggende | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | תדברו (tedaberu) = spreken jullie | הלא (halo) = immers | קנה (qoneh) = zeker | קנה (qoneh) = heeft gekocht | אותה (otah) = haar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אבי (avi) = mijn vader | ממך (mimmekha) = van jou | בעושר (be'osher) = voor rijkdom | רב (rav) = grote | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | יצחק (Yitschaq) = Isaak | זה (ze) = dit is | היום (hayyom) = vandaag | עשרים (esrim) = twintig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנה (shanah) = jaar | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | קנה (qoneh) = heeft gekocht | מאתך (me'ittekha) = van jou | ומאת (umeat) = en van | בניך (banekha) = je zonen | ולזרעך (ulezar'akha) = en aan je nageslacht | אחריך (acharekha) = na je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:29–34 (Ezau verkocht zijn eerstgeboorterecht) en Gen. 35:28–29 (Isaak stierf, honderdtachtig jaar oud; Jakob was toen honderdtwintig, en hij stierf op 147, dus zevenentwintig jaar later). De tekst heeft vijfentwintig. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 25:29–34; Gen 35:28–29 **56:52** Jakob kocht haar voor zijn zonen en voor zijn nageslacht na hem tot bezit, tot in eeuwigheid. Waarom spreek je dan op deze dag zulke woorden?” Brontekst: ויקנה (vayiqneh) = en kocht | אותה (otah) = haar | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לבניו (livanav) = voor zijn zonen | ולזרעו (ulezar'o) = en voor zijn nageslacht | אחריו (acharav) = na hem | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig | לאחוזה (la'achuzzah) = tot bezit | ולמה (velamah) = en waarom | תדבר (tedabber) = spreek je | כדברים (kadevarim) = zulke woorden | האלה (ha'elleh) = deze | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:53** Ezau antwoordde Jozef: „Je spreekt leugen en liegt, want ik heb niets verkocht van wat van mij is in dit hele land waarover je spreekt, en ook mijn broer Jakob heeft niets gekocht van alles wat van mij is in dit land.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | לאמור (lemor) = zeggende | שקר (sheqer) = leugen | תאמר (tomar) = zeg je | וכזב (vekhazav) = en leugen | תדבר (tedabber) = spreek je | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | מכרתי (makharti) = ik heb verkocht | את (et) = — | אשר (asher) = die | לי (li) = van mij | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = die | תדבר (tedabber) = spreek je | וגם (vegam) = en ook | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחי (echi) = mijn broer | לא (lo) = niet | קנה (qoneh) = kocht | מכל (mikkol) = van alles | אשר (asher) = die | לי (li) = van mij | בארץ (ba'arets) = in het land | הזאת (hazzo't) = deze | מאומה (me'umah) = niets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:54** Ezau sprak deze woorden om Jozef met zijn woorden te misleiden, want Ezau wist dat Jozef in die dagen niet aanwezig was toen Ezau alles wat hij in het land Kanaän had aan Jakob verkocht. Brontekst: ועשו (ve'esav) = en Ezau | דיבר (dibber) = sprak | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | למען (lema'an) = opdat | הכחיש (hakchish) = te misleiden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | בדבריו (bidvarav) = met zijn woorden | כי (ki) = want | ידע (yada) = wist | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | היה (hayah) = was | יוסף (Yosef) = Jozef | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | במכור (bimkor) = toen hij verkocht | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = van hem | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **56:55** Jozef zei tegen Ezau: „Heeft mijn vader immers niet over deze zaken met jou het boek van de aankoop geschreven en met getuigen getuigd in het boek? En zie, het is bij ons in Egypte.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | עשו (asu) = Ezau | הלא (halo) = niet | כי (ki) = dat | ספר (sefer) = het boek van | המקנה (hammiqneh) = de aankoop | כתב (katav) = schreef | אבי (avi) = mijn vader | בדברים (baddevarim) = over deze | האלה (ha'elleh) = deze | עמך (immekha) = met je | ויעד (vaya'ed) = en getuigde | עדים (edim) = met getuigen | בספר (bassefer) = in het boek | והנה (vehinneh) = en zie | במצרים (bemitsrayim) = Egypte | איתנו (ittanu) = bij ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jer. 32:11–14 (het koopcontract, het verzegelde en het open exemplaar). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Jer 32:11–14 **56:56** Ezau antwoordde: „Ga, breng het boek, en alles wat ik in dat boek vind, zal ik doen.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | עשו (asu) = Ezau | לאמור (lemor) = zeggende | לכו (lekhu) = gaat | הביאו (hevi'u) = brengt | את (et) = (lijdend voorwerp) | הספר (hassefer) = het boek | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | אמצא (emtsa) = ik vind | בספר (bassefer) = in het boek | ההוא (hahu) = die | אעשה (e'eseh) = zal ik doen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Naftali haalt de koopakte **56:57** Jozef riep zijn broer Naftali en zei: „Haast je, snel, blijf niet staan, maar ren toch naar Egypte en breng alle boeken: het boek van de aankoop, het verzegelde en het open boek, en ook alle eerdere boeken waarin alle woorden van het eerstgeboorterecht geschreven staan; haal ze. Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | נפתלי (Naftali) = Naftali | אחיו (achiv) = zijn broer | ויאמר (vayomer) = en hij zei | מהרה (maherah) = haast je | חושה (chushah) = snel | אל (el) = niet | תעמוד (ta'amod) = blijf staan | ורוץ (veruts) = en ren | נא (na) = toch | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | והבא (vehave) = en breng | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הספרים (hasfarim) = de boeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | ספר (sefer) = het boek van | המקנה (hammiqneh) = de aankoop | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | החתום (hechatum) = het verzegelde | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הגלוי (haggalui) = het open | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | הספרים (hasfarim) = de boeken | הראשונים (harishonim) = de eerdere | אשר (asher) = die | כתוב (katuv) = geschreven | בהן (bahen) = in welke | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | הבכורה (habekhorah) = het eerstgeboorterecht | קח (qach) = haal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ספר המקנה (‘het boek van de aankoop’), zoals in Jer. 32:11. De Engelse vertaling heeft ‘the record of the purchase’. Zie ook: Jer 32:11 **56:58** Breng ze ons hierheen, opdat wij daaruit alle woorden van Ezau en zijn zonen kennen die zij op deze dag gesproken hebben.” Brontekst: והבאת (vahavetah) = en breng | לנו (lanu) = voor ons | פה (peh) = hierheen | ונדעה (venede'a) = en wij zullen weten | מהם (mehem) = daaruit | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | עשו (asu) = Ezau | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | אשר (asher) = die | ידברו (yedabberu) = zij spraken | ביום (beyom) = op de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:59** Naftali luisterde naar de stem van Jozef, haastte zich en rende om af te dalen naar Egypte. Naftali was zeer licht op zijn voeten, meer dan alle gazellen op de vlakte van de woestijn, want hij liep over de aren van het zaad en zij braken niet. Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | נפתלי (Naftali) = Naftali | בקול (bekol) = naar de stem van | יוסף (Yosef) = Jozef | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | וירץ (vayyarots) = en hij rende | לרדת (laredet) = om af te dalen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ונפתלי (venaftali) = en Naftali | קל (qal) = licht | ברגליו (beraglav) = op zijn voeten | מאוד (me'od) = zeer | מכל (mikkol) = dan alle | הצבאים (hatsevaim) = de gazellen | אשר (asher) = die | על (al) = op | פני (pnei) = het oppervlak van | המדבר (hammidbar) = de woestijn | כי (ki) = want | הלוך (halokh) = ging | ילך (yelekh) = liep | על (al) = op | שיבולת (shibolet) = aar van | הזרע (hazzera) = het zaad | ולא (velo) = en niet | תישבר (tishaver) = brak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie 2 Sam. 2:18 (Asaël was licht van voet als een gazelle van het veld) en Gen. 49:21 (Naftali is een losgelaten hinde). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 49:21; 2 Sam 2:18 ### De strijd **56:60** Toen Ezau zag dat Naftali was gegaan om de boeken te halen, ging hij met zijn zonen voort zich bij de spelonk te verzetten. Allen stonden zij op, Ezau en zijn mannen, tegen Jozef en zijn broers ten strijde. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | הלך (halakh) = was gegaan | נפתלי (Naftali) = Naftali | להביא (lehavi) = te brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הספרים (hasfarim) = de boeken | ויוסף (vayosef) = en hij ging voort | להשטין (lehastin) = zich te verzetten | על (al) = bij | המערה (hamme'arah) = de spelonk | הוא (hu) = hij | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כולם (kullam) = allen | עשו (asu) = Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | על (al) = tegen | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:61** De zonen van Jakob en Egypte vochten tegen Ezau en zijn mannen. De zonen van Ezau en zijn mannen werden verslagen voor de zonen van Jakob, en de zonen van Jakob doodden veertig man van de mannen van Ezau. Brontekst: וילחמו (vayillachamu) = en vochten | על (al) = — | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ומצרים (umMitsrayim) = en Egypte | עם (im) = met | עשו (asu) = Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | וינגפו (vayyinnagfu) = en zij werden verslagen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | עשו (asu) = Ezau | ארבעים (arba'im) = veertig | איש (ish) = man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Chusjim **56:62** Chusjim, de zoon van Dan, de zoon van Jakob, was in die tijd bij de zonen van Jakob, maar hij was ongeveer honderd ellen van de plaats van de strijd, want hij was bij de kinderen van de zonen van Jakob bij de baar van Jakob gebleven om haar te bewaken. Brontekst: וחושים (vechushim) = en Chusjim | בן (ben) = zoon van | דן (Dan) = Dan | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | היה (hayah) = hij was | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | את (et) = bij | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אך (akh) = maar | היה (hayah) = hij was | רחוק (rachoq) = ver | ממקום (mimqom) = van de plaats van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | כמאה (kime'a) = ongeveer honderd | אמה (ammah) = ellen | כי (ki) = want | ישב (yashav) = was gebleven | עם (im) = met | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = bij | מיטת (mitat) = de baar van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לשמרה (leshomrah) = om haar te bewaken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:23 (de zonen van Dan: Chusjim). Voetnoot Uitleg: Een el is ongeveer 45 centimeter; honderd el is dus ongeveer 45 meter. Zie ook: Gen 46:23 **56:63** Chusjim was stom van spreken en doof van horen, maar hij verstond de stem van de bruisende mensen. Brontekst: וחושים (vechushim) = en Chusjim | היה (hayah) = hij was | אילם (ilem) = stom | מדבר (medabber) = van spreken | וחרש (vecheresh) = en doof | משמוע (mishemo'a) = van horen | אך (akh) = maar | הבין (hevin) = begreep | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = stem van | האדם (ha'adam) = de mens | הומה (homeh) = bruisend Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: אילם … וחרש (‘stom … en doof’): de Engelse vertaling heeft ‘dumb and deaf’. **56:64** Hij vroeg: „Waarom hebben jullie de dode niet begraven, en wat is dit grote rumoer?” Zij antwoordden hem en vertelden hem de woorden van Ezau en zijn zonen, die hen belette Jakob in de spelonk te begraven. Toen hij begreep wat Ezau en zijn zonen gedaan hadden, ontbrandde zijn toorn zeer tegen hen. Hij haastte zich, nam een zwaard, rende naar Ezau midden in de strijd, sloeg Ezau met het zwaard en hakte zijn hoofd af, dat ver wegvloog; en Ezau viel te midden van de strijdende mannen. Brontekst: וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | לאמור (lemor) = zeggende | מדוע (maddu'a) = waarom | לא (lo) = niet | קברתם (qavartem) = jullie hebben begraven | המת (hamet) = de dode | ומה (umah) = en wat | היא (hi) = is | ההמייה (hahemiya) = het rumoer | הגדולה (haggedolah) = grote | הזאת (hazzo't) = deze | ויענוהו (vaya'anuhu) = en zij antwoordden hem | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | עשו (asu) = Ezau | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | אשר (asher) = die | מנעם (mena'am) = belette hen | מלקבור (milqvor) = van het begraven | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במערה (bama'arah) = in de grot | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהבינו (behavino) = toen hij begreep | הדברים (haddevarim) = de dingen | אשר (asher) = die | עשה (asah) = deed | עשו (asu) = Ezau | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפו (appo) = zijn toorn | מאוד (me'od) = zeer | עליהם (aleihem) = over hen | וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | ויקח (vayikkach) = en hij nam | חרב (charev) = zwaard | וירץ (vayyarots) = en hij rende | אל (el) = naar | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = naar | תוך (tokh) = midden in | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | ויך (vayyakh) = en sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | עשו (asu) = Ezau | בחרב (bacherev) = met het zwaard | ויכרות (vayikhrot) = en hieuw af | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ממנו (mimmennu) = van hem | ותלך (vattelekh) = en het vloog | למרחוק (lemerachoq) = ver weg | ויפול (vayippol) = en hij viel | עשו (asu) = Ezau | בתוך (betokh) = midden in | אנשי (anshei) = mensen van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:8 (Ezau woonde op het gebergte Seïr). Hoe Ezau stierf, wordt in Genesis niet verteld. Zie ook: Gen 36:8 **56:65** Toen Chusjim dit gedaan had, overmanden de zonen van Jakob de zonen van Ezau, en de zonen van Jakob begroeven hun vader Jakob met geweld in de spelonk, terwijl de zonen van Ezau het zagen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעשות (ba'asot) = toen hij deed | חושים (chushim) = Chusjim | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויגברו (vayigberu) = en overmanden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | בחזקה (bechazaqah) = met geweld | במערה (bama'arah) = in de grot | ובני (uvnei) = en de zonen van | עשו (asu) = Ezau | רואים (ro'im) = zagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De begrafenis **56:66** Jakob werd begraven in Hebron, in de spelonk van Machpela, die Abraham gekocht had van de zonen van Het als grafbezit, en hij werd begraven in zeer kostbare kleren. Brontekst: ויקבר (vayiqqaver) = en werd begraven | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחברון (bechevron) = in Hebron | במערת (bime'arat) = in de spelonk van | המכפלה (hammakhpelah) = Machpela | אשר (asher) = die | קנה (qoneh) = kocht | אברהם (avraham) = Abraham | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = zonen van | חת (Chet) = Het | לאחוזת (la'achuzzat) = tot bezit van | קבר (qever) = het graf van | ויקבר (vayiqqaver) = en werd begraven | בבגדים (bivgadim) = in kleren | יקרים (yeqarim) = kostbare | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Voetnoot Lezing: In het Hebreeuws staat hier ויקב (‘en hij werd begraven’, vermoedelijk een verschrijving voor ויקבר); het volgende woord ויקבר staat er ook. Wij vertalen het één keer. Zie Gen. 50:13 (zijn zonen begroeven hem in de spelonk van het veld van Machpela). Zie ook: Gen 50:13 **56:67** Aan geen koning is ooit zoveel eer bewezen als Jozef aan zijn vader bij zijn dood bewees, want hij begroef hem met zeer grote eer, zoals men koningen begraaft. Brontekst: ולא (velo) = en niet | נעשה (na'aseh) = is gedaan | למלך (lammelekh) = voor een koning | ככל (kekhol) = zoals heel | הכבוד (hakavod) = de eer | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | יוסף (Yosef) = Jozef | לאביו (le'aviv) = aan zijn vader | במותו (bemoto) = bij zijn dood | כי (ki) = want | קבר (qever) = begroef | אותו (oto) = hem | בכבוד (bikhvod) = met eer | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | כקבור (keqevor) = zoals men begraaft | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלכים (hammelakhim) = de koningen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **56:68** Jozef en zijn broers hielden zeven dagen rouw om hun vader Jakob. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | ליעקב (leya'aqov) = aan Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | אבל (evel) = rouw | שבעת (sheva) = zeven | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:10 (hij hield voor zijn vader een rouw van zeven dagen). Zie ook: Gen 50:10 ## Jasher 57 _Ezau en de zonen van Seïr_ ### De tweede strijd bij Hebron **57:1** Daarna voerden de zonen van Ezau oorlog tegen de zonen van Jakob, en de zonen van Ezau streden tegen de zonen van Jakob in Hebron, terwijl Ezau nog dood lag en niet begraven was. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויערכו (vaya'archu) = en voerden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | מלחמה (milchamah) = oorlog | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בבני (bivnei) = tegen de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחברון (bechevron) = in Hebron | ועשו (ve'esav) = en Ezau | עודנו (odenu) = nog | מת (met) = dood | ולא (velo) = en niet | נקבר (niqbar) = begraven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **57:2** De strijd tussen hen was zwaar, en de zonen van Ezau werden verslagen voor de zonen van Jakob. De zonen van Jakob doodden tachtig man van de zonen van Ezau, en van de zonen van Jakob stierf niet één. De hand van Jozef werd sterker over alle mannen van de zonen van Ezau; hij nam Zefo, de zoon van Elifaz, de zoon van Ezau, gevangen met vijftig van zijn mannen, bond hen allen in ijzeren boeien en gaf hen in de hand van zijn dienaren om hen naar Egypte te brengen. Brontekst: ותהי (vatehi) = en was | מלחמה (milchamah) = oorlog | חזקה (chazaqah) = zwaar | מאוד (me'od) = zeer | ביניהם (beneihem) = tussen hen | וינגפו (vayyinnagfu) = en zij werden verslagen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מבני (mibbnei) = van de zonen van | עשו (asu) = Ezau | שמונים (shemonim) = tachtig | איש (ish) = man | ומבני (umibnei) = en van de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לא (lo) = niet | מת (met) = stierf | אחד (echad) = één | ותגבר (vatigbar) = en werd sterker | יד (yad) = de hand van | יוסף (Yosef) = Jozef | על (al) = over | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mensen van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | וילכוד (vayilkod) = en nam gevangen | את (et) = (lijdend voorwerp) | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | חמישים (chamishim) = vijftig | מאנשיו (me'anashav) = van zijn mannen | ויאסור (vaye'esor) = en bond | את (et) = (lijdend voorwerp) | כולם (kullam) = allen | בכבלי (bekhavlei) = in boeien van | ברזל (barzel) = ijzer | ויתנם (vayittenem) = en hij gaf hen | ביד (beyad) = in de hand van | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | להביאם (lehavi'am) = om hen te brengen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:11 (Zefo, een zoon van Elifaz). Dat Zefo door Jozef gevangen werd, staat niet in Genesis. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 36:11 **57:3** Toen de zonen van Jakob Zefo en zijn mannen gevangen genomen hadden, vreesden alle overgeblevenen van het huis van Ezau zeer voor hun leven, opdat ook zij niet gevangen zouden worden. Zij vluchtten allen, met Elifaz, de zoon van Ezau, en zijn mannen, droegen het lichaam van Ezau mee en gingen hun weg naar het gebergte Seïr. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | לכדו (lakhedu) = namen gevangen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = (lijdend voorwerp) | צפו (tsefo) = Zefo | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אנשיו (anashav) = zijn mannen | וייראו (vayyir'u) = en vreesden | כל (kol) = alle | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | מבית (mibbayit) = van het huis van | עשו (asu) = Ezau | מאוד (me'od) = zeer | לנפשם (lenafsham) = voor hun leven | פן (pen) = opdat niet | ילכדו (yilakhedu) = gevangen zouden worden | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | ויברחו (vayivrechu) = en zij vluchtten | כולם (kullam) = allen | עם (im) = met | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | וישאו (vayis'u) = en droegen | את (et) = (lijdend voorwerp) | גויית (geviyyat) = lichaam van | עשו (asu) = Ezau | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | הר (har) = berg | שעיר (se'ir) = Seïr | לדרכם (ledarkam) = hun weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **57:4** Zij kwamen op het gebergte Seïr en begroeven Ezau in Seïr; maar zijn hoofd brachten zij niet mee naar Seïr, want dat was begraven op die plaats van de strijd, in Hebron. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | הר (har) = berg | שעיר (se'ir) = Seïr | ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | את (et) = (lijdend voorwerp) | עשו (asu) = Ezau | בשעיר (besei'ir) = in Seïr | אך (akh) = maar | ראשו (rosho) = zijn hoofd | לא (lo) = niet | הביאו (hevi'u) = brachten | אותה (otah) = het | שעירה (se'irah) = naar Seïr | כי (ki) = want | נקברה (niqvera) = werd begraven | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | במקום (bamaqom) = op de plaats | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | בחברון (bechevron) = in Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:8 (Ezau woonde op het gebergte Seïr; Ezau is Edom). Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 36:8 **57:5** Toen de zonen van Ezau gevlucht waren voor de zonen van Jakob, achtervolgden de zonen van Jakob hen tot aan de grens van Seïr, maar zij doodden niemand van hen terwijl zij hen achtervolgden, want zij hadden medelijden met het lichaam van Ezau, dat zij met zich meedroegen, en zij vluchtten. De zonen van Jakob keerden van hen terug en kwamen tot de plaats waar hun broers in Hebron waren; zij bleven daar op die dag en de volgende dag, tot zij van de strijd uitgerust waren. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | ברחו (barchu) = vluchtten | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | מפני (mippenei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | עד (ad) = tot | גבול (gevul) = de grens van | שעיר (se'ir) = Seïr | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | המיתו (hemitu) = doodden | מהם (mehem) = van hen | איש (ish) = een man | ברדפם (beradpam) = toen zij hen achtervolgden | אותם (otam) = hen | כי (ki) = want | חמלו (chamlu) = hadden medelijden | על (al) = over | גויית (geviyyat) = lichaam van | עשו (asu) = Ezau | אשר (asher) = die | נשאו (nasu) = droegen | עמהם (immahem) = met hen | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עד (ad) = tot | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = waar | שם (shem) = daar | אחיהם (achihem) = hun broers | בחברון (bechevron) = in Hebron | וישבו (vayeshvu) = en bleven | שם (shem) = daar | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ומחרתו (umochorato) = en de volgende dag | עד (ad) = tot | נחו (nachu) = rustten | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft אדר (‘de Geweldige’); wij lezen אשר (‘dat’), zoals de Engelse vertaling (‘which they carried with them’). ### De zonen van Seïr trekken op **57:6** Op de derde dag verzamelden zij alle zonen van Seïr, de Choriet, en alle zonen van het oosten, een zeer talrijk volk als het zand van de zee, en zij gingen en daalden af naar Egypte om te strijden met Jozef en zijn broers, om hun broers te redden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השלישי (hashelishi) = de derde | ויאספו (vaye'esfu) = en zij verzamelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet | ויאספו (vaye'esfu) = en zij verzamelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | עם (im) = een volk | כחול (kachol) = als het zand van | הים (hayyam) = de zee | הרבה (harbeh) = zeer talrijk | מאוד (me'od) = zeer | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | מצרימה (mitsraymah) = Egypte | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = met | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | להציל (lehatsil) = om te redden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיהם (achihem) = hun broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:20–21 (de zonen van Seïr, de Choriet, de bewoners van het land). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 36:20–21 **57:7** Jozef en alle zonen van Jakob hoorden dat de zonen van Ezau en de zonen van het oosten zich verzameld hadden en tegen hen gekomen waren om te strijden, om hun broers te redden. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | יוסף (Yosef) = Jozef | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כי (ki) = dat | התקבצו (hitqabbetsu) = zich verzameld hadden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ויבואו (vayavo'u) = en gekomen waren | עליהם (aleihem) = tegen hen | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | להציל (lehatsil) = om te redden | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיהם (achihem) = hun broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:8** Jozef en zijn broers en de helden van Egypte trokken hen tegemoet en streden tegen hen in het land Raämses. Jozef en zijn broers sloegen de zonen van Ezau, de zonen van Seïr en de zonen van het oosten met een zeer zware slag. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | לקראתם (liqratam) = op hen af | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | וגיבורי (vegiborei) = en de helden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בם (vam) = tegen hen | בארץ (ba'arets) = in het land | רעמסס (ra'amses) = Raämses | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:11 (het land Raämses). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 47:11 **57:9** Zij doodden van hen ongeveer zeshonderdduizend man, en zij doodden onder hen alle helden van de zonen van Seïr, de Choriet; er bleven slechts enkele mannen van hen over. Ook van de zonen van het oosten en de zonen van Ezau doodden zij er zeer veel. Allen vluchtten, Elifaz, de zoon van Ezau, en de zonen van het oosten, voor Jozef en zijn broers. Brontekst: ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | מהם (mehem) = van hen | כשש (kheshesh) = ongeveer zes | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | בהם (bahem) = onder hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | גיבורי (gibborei) = helden van | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet | לא (lo) = niet | נותר (notar) = bleef over | מהם (mehem) = van hen | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | מתי (matai) = enkele | מספר (mispar) = telbare | אנשים (anashim) = mannen | וגם (vegam) = en ook | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | קדם (qedem) = het oosten | ובני (uvnei) = en de zonen van | עשו (asu) = Ezau | הרגו (haragho) = zij doodden | מהם (mehem) = van hen | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | כולם (kullam) = allen | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef | ולפני (velifnei) = en voor | אחיו (achiv) = zijn broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:10** Jozef en zijn broers achtervolgden hen tot aan Sukkot en doodden nog dertig man van hen in Sukkot; de overgeblevenen ontkwamen en vluchtten, ieder naar zijn stad. Brontekst: וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | עד (ad) = tot | בואכה (bo'akhah) = tot aan | סוכות (sukkot) = Sukkot | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | מהם (mehem) = van hen | עוד (od) = nog | בסוכות (bassukkot) = in Sukkot | שלושים (sheloshim) = dertig | איש (ish) = een man | והנשארים (vehanish'arim) = en de overgeblevenen | נמלטו (nimletu) = ontkwamen | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | איש (ish) = ieder | לעירו (le'iro) = naar zijn stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 33:17 (Sukkot). Zie ook: Gen 33:17 **57:11** Jozef en zijn broers en de helden van Egypte keerden van hen terug met vreugde en een goed hart, want zij hadden al hun vijanden verslagen. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | וגיבורי (vegiborei) = en de helden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בשמחה (besimchah) = met vreugde | ובטוב (uvtov) = en met goed | לבב (levav) = hart | כי (ki) = want | נגפו (nagafo) = zij verslagen hadden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **57:12** Zefo, de zoon van Elifaz, en zijn mannen waren nog slaven in Egypte voor de zonen van Jakob, en hun smart werd steeds groter. Brontekst: וצפו (vetsefo) = en Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | עודם (odam) = nog | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | עבדים (avadim) = slaven | לבני (livnei) = voor de kinderen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויוסף (vayosef) = en het nam toe | להם (lahem) = hun | מכאוב (makhov) = pijn | על (al) = bovenop | מכאובם (makhovam) = hun pijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:11 (Zefo, de zoon van Elifaz). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 36:11 ### De zonen van Seïr keren zich tegen Ezau **57:13** Toen de zonen van Ezau en de zonen van Seïr naar hun land terugkeerden, zagen de zonen van Seïr dat zij allen in de hand van de zonen van Jakob en van Egypte gevallen waren, vanwege de strijd van de zonen van Ezau. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשוב (beshuv) = bij het terugkeren | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ובני (uvnei) = en de zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | אל (el) = naar | ארצם (artsam) = hun land | ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | כי (ki) = dat | נפלו (naflu) = vielen | כולם (kullam) = allen | ביד (beyad) = in de hand van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ומצרים (umMitsrayim) = en Egypte | בעבור (ba'avur) = vanwege | מלחמת (milchemet) = de strijd van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **57:14** De zonen van Seïr zeiden tegen de zonen van Ezau: „Jullie hebben het gezien en jullie weten dat de slag over ons door jullie gekomen is; er is geen sterke man meer over die de oorlog kent. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | אתם (ittam) = jullie | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | וידעתם (vida'tem) = en jullie weten | כי (ki) = dat | בגללכם (biglalkhem) = door jullie | היתה (hayetah) = zij was | המכה (hamakka) = de slag | בנו (beno) = ons | לא (lo) = niet | נותר (notar) = bleef over | איש (ish) = een man | גיבור (gibbor) = sterke man | ויודע (vayyivvada) = en kent | מלחמה (milchamah) = oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:15** En nu, trek weg uit ons land en ga van ons weg naar het land Kanaän, naar het land waar jullie vaderen verbleven. Waarom zouden jullie zonen onze zonen beërven in ons land, in de laatste dagen?” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | צאו (tse'u) = trek weg | לכם (lakhem) = jullie | מארצנו (me'artsenu) = uit ons land | ולכו (ulkhu) = en gaat | מאיתנו (me'itanu) = van ons | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = naar | ארץ (erets) = land van | מגורי (megurey) = het verblijf van | אבותיכם (avotekhem) = jullie vaderen | למה (lammah) = waarom | יירשו (yireshu) = zullen erven | בניכם (benekhem) = jullie zonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנינו (baneinu) = onze zonen | בארצנו (be'artsenu) = in ons land | באחרית (be'acharit) = aan het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **57:16** Maar de zonen van Ezau wilden niet naar de zonen van Seïr luisteren, en de zonen van Seïr besloten tegen hen te strijden. Brontekst: ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | ויאמרו (vayomeru) = en besloten | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | להילחם (lehillachem) = te strijden | בם (vam) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Angeas van Dinhaba **57:17** De zonen van Ezau zonden in het geheim naar Angeas, de koning van Afrika, dat is Dinhaba, met de woorden: Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בסתר (baseter) = in het geheim | אל (el) = naar | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | היא (hi) = dat is | דנהבה (dinhava) = Dinhaba | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:32 (Bela, de zoon van Beor, werd koning in Edom; zijn stad heette Dinhaba). Dat de stad hier aan een koning van Afrika wordt toegeschreven, staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 36:32 **57:18** „Zend ons mannen van je mannen, en laat hen tot ons komen, dan zullen wij samen strijden tegen de zonen van Seïr, de Choriet, want zij hebben besloten tegen ons te strijden om ons uit het land te verdrijven.” Brontekst: שלח (Shelach) = zend | לנו (lanu) = ons | אנשים (anashim) = mannen | מאנשיך (me'anasheikha) = van je mannen | ויבואו (vayavo'u) = en laat hen komen | אלינו (elenu) = tot ons | ונלחמה (venillachamah) = en laten wij strijden | יחד (yachad) = samen | עם (im) = tegen | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet | כי (ki) = want | נועצו (no'atsu) = hebben besloten | להילחם (lehillachem) = te strijden | איתנו (ittanu) = tegen ons | להוריש (lehorish) = te verdrijven | אותנו (otanu) = ons | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:19** Angeas, de koning van Dinhaba, deed zo, want Angeas was in die dagen bevriend met de zonen van Ezau. Angeas zond de zonen van Ezau vijfhonderd sterke mannen te voet en achthonderd ruiters te paard. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | דנהבה (dinhava) = Dinhaba | כן (ken) = zo | כי (ki) = want | אוהב (ohev) = bevriend | היה (hayah) = hij was | אנגיאס (angias) = Angeas | לבני (livnei) = voor de kinderen van | עשו (asu) = Ezau | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וישלח (vayishlach) = en hij zond | אנגיאס (angias) = Angeas | אל (el) = aan | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | חמש (chamesh) = vijf | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | רגלי (ragli) = te voet | גיבורי (gibborei) = sterke mannen van | החיל (hechil) = het leger | ושמונה (ushmoneh) = en acht | מאות (me'ot) = honderd | רוכבי (rokhvei) = ruiters op | סוסים (susim) = paarden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De zonen van Seïr roepen het oosten **57:20** De zonen van Seïr zonden ook naar de zonen van het oosten en naar Midian met de woorden: „Jullie hebben gezien wat de zonen van Ezau ons gedaan hebben, door wie wij bijna allemaal vernietigd zijn in hun oorlogen tegen de zonen van Jakob. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | שלחו (shalchu) = zonden | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ואל (ve'el) = en naar | מדין (Midyan) = Midian | לאמור (lemor) = zeggende | אתם (ittam) = jullie | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = deden | לנו (lanu) = voor ons | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | אשר (asher) = door wie | בעבורם (ba'avuram) = door hen | תמנו (tamnu) = zijn vernietigd | כולנו (kulanu) = wij allen | במלחמותם (bemilchamotam) = in hun oorlogen | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. **57:21** En nu, kom tot ons en help ons, dan zullen wij samen tegen hen strijden en hen uit het land verdrijven, en wij zullen wraak nemen voor jullie broers en onze broers, die omwille van hen gestorven zijn in hun strijd tegen de zonen van Jakob, hun broers.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | בואו (bo'o) = kom | אלינו (elenu) = tot ons | ועזרונו (ve'azruno) = en help ons | ונלחמה (venillachamah) = en laten wij strijden | יחד (yachad) = samen | איתם (ittam) = met hen | והורשנו (vehoreshnu) = en wij zullen verdrijven | אותם (otam) = hen | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = het land | וננקמה (venikkamah) = en laten wij wreken | מהם (mehem) = op hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | נקמת (niqmat) = de wraak voor | אחיכם (acheikhem) = jullie broers | ואחינו (ve'acheinu) = en onze broers | אשר (asher) = die | מתו (metu) = stierven | בעבורם (ba'avuram) = om hunnentwil | במלחמתם (bemilchamtam) = in hun strijd | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אחיהם (achihem) = hun broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:22** Alle zonen van het oosten luisterden naar de zonen van Seïr, en ongeveer achthonderd man met getrokken zwaard kwamen tot hen. In die tijd streden de zonen van Ezau tegen de zonen van Seïr in de woestijn Paran, Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אליהם (aleihem) = tot hen | כשמונה (keshemonah) = ongeveer acht | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | שולף (sholef) = trekkend | חרב (charev) = zwaard | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | פארן (paran) = Paran Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev. **57:23** en de zonen van Seïr werden sterker dan de zonen van Ezau. De zonen van Seïr doodden die dag in die strijd ongeveer tweehonderd man van de zonen van Ezau, van de mannen van Angeas, de koning van Afrika, de koning van Dinhaba. Brontekst: ויתחזקו (vayitchazqu) = en zij werden sterk | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | עשו (asu) = Ezau | בפעם (befa'am) = op keer | ההוא (hahu) = die | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | עשו (asu) = Ezau | במלחמה (bammilchamah) = in de strijd | ההיא (hahi) = die | כמאתיים (kime'atayim) = ongeveer tweehonderd | איש (ish) = een man | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | מלך (malakh) = koning van | דנהבה (dinhava) = Dinhaba | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De tweede en de derde slag **57:24** Op de tweede dag gingen de zonen van Ezau opnieuw voort en kwamen om voor de tweede keer te strijden tegen de zonen van Seïr. De strijd was opnieuw zwaar voor de zonen van Ezau, voor de tweede keer, en het werd hun zeer benauwd vanwege Seïr. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השני (hasheni) = de tweede | ויוסיפו (vayosifu) = en gingen voort | עוד (od) = opnieuw | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | שנית (sheinit) = voor de tweede keer | ותכבד (vetikhbad) = en werd zwaar | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | עוד (od) = opnieuw | על (al) = op | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | שנית (sheinit) = voor de tweede keer | ויצר (veyetser) = en het werd benauwd | להם (lahem) = hun | מאוד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = vanwege | שעיר (se'ir) = Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:25** Toen de zonen van Ezau zagen dat de zonen van Seïr sterker waren dan zij, keerden enkele mannen zich om en gingen weg, en zij hielpen de zonen van Seïr, hun vijanden. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | חזקו (chizqu) = sterker waren | מהם (mehem) = dan zij | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | ויסובו (vayasovu) = en zij keerden zich om | וישובו (vayashuvu) = en gingen terug | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | עשו (asu) = Ezau | אנשים (anashim) = enkele mannen | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | ויעזרו (vaye'ezru) = en zij hielpen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:26** Er vielen in de tweede strijd nog achtenvijftig man van de zonen van Ezau, van de mannen van Angeas, de koning van Dinhaba. Brontekst: ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | עוד (od) = nog | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | במלחמה (bammilchamah) = in de strijd | השנית (hashenit) = de tweede | חמישים (chamishim) = vijftig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | איש (ish) = een man | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | דנהבה (dinhava) = Dinhaba Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:27** Op de derde dag hoorden de zonen van Ezau dat enkelen van hun broers zich tegen hen gekeerd hadden om in de tweede strijd tegen hen te strijden, en de zonen van Ezau rouwden toen zij dit hoorden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השלישי (hashelishi) = de derde | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | שבו (shavu) = zich hadden gekeerd | עליהם (aleihem) = tegen hen | מאחיהם (me'acheihem) = van hun broers | להילחם (lehillachem) = te strijden | בם (vam) = tegen hen | במלחמה (bammilchamah) = in de strijd | השנית (hashenit) = de tweede | ויתאבלו (vayitabbelu) = en zij rouwden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בשמעם (beshom'am) = toen zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:28** Zij zeiden: „Wat zullen wij doen met onze broers die zich tegen ons gekeerd hebben om de zonen van Seïr, onze vijanden, te helpen?” En de zonen van Ezau stuurden opnieuw naar Angeas, de koning van Dinhaba, met de woorden: Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | מה (mah) = wat | נעשה (na'aseh) = zullen wij doen | לאחינו (le'achinu) = met onze broers | אשר (asher) = die | שבו (shavu) = zich keerden | עלינו (aleinu) = tegen ons | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | אויבינו (oyeveinu) = onze vijanden | ויוסיפו (vayosifu) = en zij gingen voort | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | אל (el) = naar | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | דנהבה (dinhava) = Dinhaba | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:29** „Zend ons weer andere mannen, opdat wij met hen tegen de zonen van Seïr strijden, want zij zijn al tweemaal sterker dan wij geweest.” Brontekst: שלח (Shelach) = zend | לנו (lanu) = voor ons | עוד (od) = weer | אנשים (anashim) = mannen | אחרים (acherim) = andere | ונלחמה (venillachamah) = en laten wij strijden | בהם (bahem) = met hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | כי (ki) = want | כבדו (kavedu) = zwaarder zijn geweest | ממנו (mimmennu) = dan wij | זה (ze) = al | פעמיים (pa'amayim) = tweemaal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:30** Angeas voegde toe en zond de zonen van Ezau ongeveer zeshonderd sterke krijgers, en zij kwamen om de zonen van Ezau te helpen. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en voegde toe | עוד (od) = opnieuw | אנגיאס (angias) = Angeas | וישלח (vayishlach) = en hij zond | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | כשש (kheshesh) = ongeveer zes | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | גיבורי (gibborei) = helden van | חיל (chayil) = kracht | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:31** Na tien dagen gingen de zonen van Ezau opnieuw voort en voerden oorlog tegen de zonen van Seïr in de woestijn Paran. De strijd was zwaar voor de zonen van Seïr, en de zonen van Ezau werden deze keer sterker dan de zonen van Seïr. De zonen van Seïr werden verslagen voor de zonen van Ezau, en de zonen van Ezau doodden ongeveer tweeduizend man van hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לעשרת (la'asaret) = na tien | הימים (hayyamim) = de dagen | ויוסיפו (vayosifu) = en zij gingen voort | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויערכו (vaya'archu) = en zij stelden op | מלחמה (milchamah) = oorlog | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | פארן (paran) = Paran | ותכבד (vetikhbad) = en werd zwaar | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | ההיא (hahi) = die | על (al) = op | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | ויתחזקו (vayitchazqu) = en werden sterker | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = tegen | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | בפעם (befa'am) = keer | הזאת (hazzo't) = deze | וינגפו (vayyinnagfu) = en zij werden verslagen | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | מהם (mehem) = van hen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | כאלפיים (ke'alpayim) = ongeveer tweeduizend | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev. **57:32** Alle helden van de zonen van Seïr stierven in deze strijd en er bleef niemand van hen over, behalve hun kleine zonen die in hun steden waren achtergebleven. Brontekst: וימותו (vayamutu) = en zij stierven | כל (kol) = alle | גיבורי (gibborei) = helden van | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | הזאת (hazzo't) = deze | ולא (velo) = en niet | נשאר (nish'ar) = bleef over | בהם (bahem) = van hen | איש (ish) = een man | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | בניהם (beneyhem) = hun zonen | הקטנים (haqetanim) = de kleine | אשר (asher) = die | נשארו (nish'aru) = overgebleven waren | בעירם (be'iram) = in hun stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:33** Heel Midian en de zonen van het oosten vluchtten uit de strijd en lieten de zonen van Seïr in de steek; zij vluchtten toen zij zagen dat de strijd te zwaar voor hen was. De zonen van Ezau achtervolgden alle zonen van het oosten tot zij hun land bereikten. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | מדין (Midyan) = Midian | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | נסו (nasu) = vluchtten | להם (lahem) = — | מהמלחמה (mehammilchamah) = uit de strijd | ויעזבו (vaya'azvu) = en zij verlieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | בראותם (bir'otam) = toen zij zagen | כי (ki) = want | כבדה (kavda) = te zwaar was | מהם (mehem) = voor hen | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | אחרי (acharei) = achter | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | עד (ad) = tot | הגעתם (higga'am) = hun aankomst | אל (el) = naar | ארצם (artsam) = hun land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:34** Onderweg doodden de zonen van Ezau nog ongeveer tweehonderdvijftig man van hen, en van de mannen van de zonen van Ezau vielen in die strijd ongeveer dertig man. Maar het kwaad kwam over hen van de kant van hun broers, doordat die terugkeerden om de zonen van Seïr, de Choriet, te helpen. De zonen van Ezau hoorden opnieuw van het kwaad van hun broers en rouwden opnieuw om deze zaak. Brontekst: ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בדרך (baderekh) = onderweg | מהם (mehem) = van hen | עוד (od) = nog | כמאתיים (kime'atayim) = ongeveer tweehonderd | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | איש (ish) = een man | ומאנשי (umeanshei) = en van de mannen van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | נפלו (naflu) = vielen | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ההיא (hahi) = die | כשלושים (keshloshim) = ongeveer dertig | איש (ish) = een man | אך (akh) = maar | מאת (me'et) = van de kant van | אחיהם (achihem) = hun broers | היתה (hayetah) = kwam | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אליהם (aleihem) = over hen | לשוב (lashuv) = door terug te keren | אליהם (aleihem) = naar hen | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | החורי (hachori) = de Choriet | וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | עוד (od) = opnieuw | את (et) = (lijdend voorwerp) | רעת (ra'at) = het kwaad van | אחיהם (achihem) = hun broers | ויתאבלו (vayitabbelu) = en zij rouwden | עוד (od) = opnieuw | על (al) = op | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het land van Seïr **57:35** Na de strijd keerden de zonen van Ezau terug en kwamen naar Seïr, naar hun plaatsen. De zonen van Ezau doodden de overgeblevenen in het land van de zonen van Seïr, ook hun vrouwen en kleine kinderen doodden zij; zij lieten geen ziel van hen in leven. Alleen ongeveer vijftig jonge jongens en meisjes lieten zij in leven en doodden zij niet; de jongens werden hun slaven, en de meisjes namen zij tot vrouw. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | שעירה (se'irah) = naar Seïr | אל (el) = naar | מקומותם (meqomotam) = hun plaatsen | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | בארץ (ba'arets) = in het land | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | שעיר (se'ir) = Seïr | גם (gam) = ook | נשיהם (nesheihem) = hun vrouwen | וטפם (vetappam) = en hun kleine kinderen | הרגו (haragho) = zij doodden | לא (lo) = niet | החיו (hechyu) = lieten leven | מהם (mehem) = van hen | נשמה (neshama) = ziel | אך (akh) = alleen | החיו (hechyu) = lieten leven | מהם (mehem) = van hen | כחמישים (kachamishim) = ongeveer vijftig | נערים (ne'arim) = jongens | ונערות (une'arot) = en meisjes | קטנים (qetannim) = jonge | ולא (velo) = en niet | המיתום (hemitum) = doodden hen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | להם (lahem) = hun | הנערים (hanne'arim) = de jongens | לעבדים (laavadim) = tot slaven | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הנערות (hana'arot) = de meisjes | לקחו (laqchu) = namen | לנשים (lenashim) = tot vrouwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **57:36** De zonen van Ezau woonden in Seïr in de plaats van de zonen van Seïr, erfden hun land en namen er bezit van. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בשעיר (besei'ir) = in Seïr | תחת (tachat) = in de plaats van | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | וירשו (vayireshu) = en zij erfden | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארצם (artsam) = hun land | ויאחזו (vaye'achzu) = en zij kregen bezit | בה (bah) = daarin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 2:12 en 2:22 (de zonen van Ezau verdreven de Choriet van voor hun aangezicht, vernietigden hen en woonden in hun plaats). Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Deut 2:12; Deut 2:22 **57:37** De zonen van Ezau namen alles wat van de zonen van Seïr in het land was: hun kleinvee, hun runderen en hun bezit, en alles wat de zonen van Seïr toebehoorde namen de zonen van Ezau; en de zonen van Ezau woonden in Seïr in de plaats van de zonen van Seïr tot op deze dag. De zonen van Ezau verdeelden het land in afdelingen voor de vijf zonen van Ezau, naar hun families. Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לבני (livnei) = van de zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | בארץ (ba'arets) = in het land | גם (gam) = ook | צאנם (tso'nam) = hun kleinvee | גם (gam) = ook | בקרם (beqaram) = hun runderen | ורכושם (verekhusham) = en hun bezit | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | לבני (livnei) = van de zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | לקחו (laqchu) = zij hadden genomen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בשעיר (besei'ir) = in Seïr | תחת (tachat) = in de plaats van | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | ויחלקו (vayachaleqo) = en verdeelden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | למחלקות (lemachloqot) = in afdelingen | לחמשת (lachamishat) = aan de vijf | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | למשפחותיהם (lemishpechotehem) = naar hun families Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft אשק; wij lezen אשר (‘wat’). De vijf zonen van Ezau zijn volgens Gen. 36:4–5 Elifaz, Reüel, Jeüs, Jaëlam en Korach. Zie ook: Gen 36:4–5 ### Een koning voor Edom **57:38** In die dagen beraadslaagden de zonen van Ezau om een koning over zich te laten regeren in het land dat zij in bezit genomen hadden. Zij zeiden tegen elkaar: „Nee, maar een koning zal over ons regeren in ons land, om onder zijn raad te staan en onze oorlogen tegen onze vijanden te voeren.” En zij deden zo. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויתייעצו (vayit'ayetsu) = en zij beraadslaagden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | להמליך (lehamlikh) = tot koning te maken | עליהם (aleihem) = over hen | מלך (malakh) = een koning | בארץ (ba'arets) = in het land | אשר (asher) = die | ירשו (yareshu) = zij in bezit genomen hadden | אותה (otah) = het | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | לא (lo) = nee | כי (ki) = maar | מלך (malakh) = een koning | ימלוך (yimlokh) = hij zou regeren | עלינו (aleinu) = over ons | בארצנו (be'artsenu) = in ons land | להיות (lihyot) = om te zijn | תחת (tachat) = onder | עצתו (atsato) = zijn raad | וללחום (velilchom) = en te strijden | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלחמותינו (milchamoteinu) = onze oorlogen | באויבינו (be'oyveinu) = tegen onze vijanden | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:31 (‘Dit zijn de koningen die in het land Edom regeerden, voordat een koning over de Israëlieten regeerde’). Zie ook: Gen 36:31 **57:39** Alle zonen van Ezau zwoeren dat nooit iemand van hun broers over hen zou regeren, maar alleen een vreemde man die niet van hun broers was; want de ziel van alle zonen van Ezau was bitter, ieder tegen zijn zoon, tegen zijn broer en tegen zijn vriend, vanwege het kwaad dat hun broers hun gedaan hadden toen zij tegen de zonen van Seïr streden. Brontekst: וישבעו (vayishava'u) = en zij zwoeren | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | לאמור (lemor) = zeggende | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | ימלוך (yimlokh) = hij zou regeren | עליהם (aleihem) = over hen | מחל (michal) = iemand | מאחיהם (me'acheihem) = van hun broers | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | איש (ish) = ieder | נוכרי (nokhri) = een vreemde | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | מאחיהם (me'acheihem) = van hun broers | כי (ki) = want | מרה (marah) = bitter was | נפש (nefesh) = de ziel van | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | איש (ish) = een man | על (al) = tegen | בנו (beno) = zijn zoon | ואיש (ve'ish) = en ieder | על (al) = tegen | אחיו (achiv) = zijn broer | ואיש (ve'ish) = en ieder | על (al) = tegen | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | מפני (mippenei) = vanwege | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hadden gedaan | להם (lahem) = hun | אחיהם (achihem) = hun broers | בהילחמם (behilachamam) = toen zij streden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft מחל, een onduidelijk woord; wij volgen de Engelse vertaling (‘none of their brethren’). **57:40** Daarom zwoeren de zonen van Ezau dat zij van die dag af niemand van hun broers over zich tot koning zouden maken, maar alleen een vreemde, tot op deze dag. Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = — | נשבעו (nishbe'u) = zwoeren | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | לאמור (lemor) = zeggende | מהיום (mehayyom) = van die dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = af | לא (lo) = niet | ימליכו (yamlikhu) = zullen tot koning maken | עליהם (aleihem) = over hen | מאחיהם (me'acheihem) = van hun broers | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | איש (ish) = een man | נוכרי (nokhri) = een vreemde | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Bela, de zoon van Beor **57:41** Daar was een man van de mannen van Angeas, de koning van Dinhaba; zijn naam was Bela, de zoon van Beor. De man was een zeer dappere held, mooi van gestalte en goed van uiterlijk, wijs in alle wijsheid en bezitter van inzicht en raad, en er was niemand van de mannen van Angeas zoals hij. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | שם (shem) = daar | איש (ish) = een man | אחד (echad) = één | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | דנהבה (dinhava) = Dinhaba | בלע (bela) = Bela | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | שמו (shemo) = zijn naam | והאיש (vehaish) = en de man | גיבור (gibbor) = dapper | חיל (chayil) = held | מאוד (me'od) = zeer | ויפה (veyefeh) = en mooi | תואר (to'ar) = van gestalte | וטוב (vetov) = en goed | רואי (ro'i) = van uiterlijk | וחכם (vechakham) = en wijs | בכל (bekhol) = in heel | חכמה (chokhmah) = wijsheid | ובעל (uva'al) = en bezitter van | שכל (sekhel) = inzicht | ועצה (va'etsa) = en raad | ואין (veein) = en niet | איש (ish) = een man | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | אנגיאס (angias) = Angeas | כמוהו (kamohu) = zoals hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:32 en 1 Kron. 1:43 (Bela, de zoon van Beor, in Dinhaba). Zie ook: Gen 36:32; 1 Kron 1:43 **57:42** Alle zonen van Ezau namen hem, zalfden hem en maakten hem tot koning over zich; zij bogen zich voor hem neer en zeiden: „Leve de koning, leve de koning!” Brontekst: ויקחוהו (vayiqachuhu) = en zij namen hem | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | וימשחו (vayimshechu) = en zij zalfden | אותו (oto) = hem | וימליכוהו (vayamlikhuhu) = en zij maakten hem koning | עליהם (aleihem) = over hen | למלך (lammelekh) = tot koning | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:43** Zij spreidden het kleed uit, en ieder gaf hem een gouden of zilveren oorring, of een ring, of een armband, of een kesita; zij maakten hem zeer rijk aan zilver en goud, aan sjohamstenen en bedolach. Zij maakten een koningstroon voor hem, zetten een koningskroon op zijn hoofd en bouwden een paleis voor hem, en hij woonde daarin; en hij werd koning over de zonen van Ezau. Brontekst: ויפרשו (vayifrsu) = en zij spreidden uit | השמלה (hasimla) = het kleed | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | לו (lo) = voor hem | איש (ish) = een man | נזם (nezem) = oorring | זהב (zahav) = goud | וכסף (vekhesef) = en zilver | ואיש (ve'ish) = en ieder | והעת (veha'et) = en een ring | ואיש (ve'ish) = en ieder | צמיד (tsamid) = armband | ואיש (ve'ish) = en ieder | קשיטה (qesitah) = een kesita | ויעשירוהו (vaya'ashiruhu) = en zij maakten hem rijk | מאוד (me'od) = zeer | בכסף (bakesef) = met zilver | ובזהב (uvazahav) = en met goud | ושוהם (veshoham) = en sjoham | ובדולח (uvedolach) = en bedolach | ויעשו (vaya'asu) = en maakten | לו (lo) = voor hem | כיסא (kisse) = een troon van | מלכות (malkhut) = koningschap | וישימו (vayasimu) = en zij zetten | לו (lo) = voor hem | כתר (keter) = kroon van | מלכות (malkhut) = koningschap | בראשו (berosho) = op zijn hoofd | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | לו (lo) = voor hem | היכל (heikhal) = paleis | וישב (vayyashev) = en hij woonde | בו (bo) = daarin | ויהי (vayehi) = en hij werd | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | למלך (lammelekh) = tot koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ואיש והעת; wij lezen ואיש טבעת (‘en ieder een ring’), zoals de Engelse vertaling (‘rings’). קשיטה (kesita) is een geldstuk, zie Gen. 33:19; de Engelse vertaling heeft ‘bracelets’ en geen kesita. Zie ook: Gen 33:19 **57:44** De mannen van Angeas namen het loon voor hun strijd van de zonen van Ezau, en zij gingen en keerden in die tijd terug naar hun heer in Dinhaba. Brontekst: ואנשי (ve'anshei) = en de mannen van | אנגיאס (angias) = Angeas | לקחו (laqchu) = zij namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שכר (sakhar) = het loon van | מלחמתם (milchamtam) = hun strijd | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | אל (el) = tot | אדוניהם (adoneihem) = hun heer | דנהבה (dinhava) = Dinhaba | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **57:45** Bela regeerde dertig jaar over de zonen van Ezau, en de zonen van Ezau woonden in het land in de plaats van de zonen van Seïr, die zij verdelgd hadden, en zij woonden daar in veiligheid tot op deze dag. Brontekst: וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | בלע (bela) = Bela | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | שלושים (sheloshim) = dertig | שנה (shanah) = jaar | וישבו (vayeshvu) = en woonden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בארץ (ba'arets) = in het land | תחת (tachat) = in de plaats van | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | וישמידום (vayashmidum) = en zij verdelgden hen | וישבו (vayeshvu) = en zij woonden | תחתם (tachtam) = in hun plaats | לבטח (lavetach) = in veiligheid | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 58 _Jozef regeert Egypte_ ### De farao sterft **58:1** In het tweeëndertigste jaar sinds het afdalen van Israël naar Egypte, dat is het eenenzeventigste jaar van het leven van Jozef, stierf in dat jaar de farao, de koning van Egypte, en zijn zoon Magron werd koning in zijn plaats. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | שתיים (shetayim) = twee | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = jaar van | שבעים (shiv'im) = zeventig | ואחת (ve'achat) = en een | שנה (shanah) = jaar | לחיי (lechayyei) = van het leven van | יוסף (Yosef) = Jozef | וימת (vayamot) = en hij stierf | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | מגרון (magron) = Magron | בנו (beno) = zijn zoon | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:46 (Jozef was dertig jaar toen hij voor de farao stond), Gen. 41:53–54 en Gen. 45:6 (zeven jaren van overvloed, twee jaren van honger). Bij de komst van Jakob was Jozef dus negenendertig; tweeëndertig jaar later is eenenzeventig. De naam Magron staat niet in Genesis. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:46; Gen 41:53–54; Gen 45:6 **58:2** De farao had Jozef voor zijn dood geboden een vader te zijn voor zijn zoon Magron, en dat Magron onder de hand en onder de raad van Jozef zou staan. Brontekst: ופרעה (ufar'oh) = en de farao | ציוה (tsiwwah) = had geboden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | לפני (lifnei) = voor | מותו (moto) = zijn dood | להיות (lihyot) = te zijn | למגרון (lemagron) = voor Magron | בנו (beno) = zijn zoon | לאב (le'av) = tot vader | ולהיות (ulehiyot) = en te zijn | מגרון (magron) = Magron | תחת (tachat) = onder | יד (yad) = hand van | יוסף (Yosef) = Jozef | ותחת (vetachat) = en onder | עצתו (atsato) = zijn raad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **58:3** Heel Egypte luisterde naar deze zaak, dat Jozef over hen zou zijn, want heel Egypte had Jozef lief zoals gisteren en eergisteren; alleen zat Magron, de zoon van de farao, op de troon van zijn vader en werd in die dagen koning in de plaats van zijn vader. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לדבר (laddavar) = naar de zaak | הזה (hazzeh) = deze | להיות (lihyot) = dat hij zou zijn | יוסף (Yosef) = Jozef | עליהם (aleihem) = over hen | כי (ki) = want | אהבו (ahavo) = had hem lief | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | כתמול (ketmol) = zoals gisteren | שלשום (shilshom) = en eergisteren | אך (akh) = alleen | מגרון (magron) = Magron | בן (ben) = zoon van | פרעה (par'oh) = Farao | ישב (yashav) = zat | על (al) = op | כיסא (kisse) = de troon van | אביו (aviv) = zijn vader | ויהי (vayehi) = en hij werd | למלך (lammelekh) = tot koning | תחת (tachat) = in de plaats van | אביו (aviv) = zijn vader | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:4** Magron was eenenveertig jaar toen hij koning werd, en veertig jaar regeerde hij in Egypte. Heel Egypte noemde zijn naam farao, naar de naam van zijn vader, zoals hun gewoonte was bij elke koning die over hen zou regeren. Brontekst: בן (ben) = zoon van | ארבעים (arba'im) = veertig | ואחת (ve'achat) = en een | שנה (shanah) = jaar | מגרון (magron) = Magron | במלכו (bemalko) = toen hij koning werd | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | שנה (shanah) = jaar | מלך (malakh) = regeerde | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | פרעה (par'oh) = Farao | כשם (keshem) = naar de naam van | אביו (aviv) = zijn vader | כמשפטם (kemishpatam) = zoals hun gewoonte | לעשות (la'asot) = om te doen | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | על (al) = bij | מלך (malakh) = een koning | אשר (asher) = die | ימלוך (yimlokh) = hij zou regeren | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: פרעה (‘farao’) is een titel; zie ook Gen. 41:1. Zie ook: Gen 41:1 **58:5** Toen de farao in de plaats van zijn vader regeerde, gaf hij de wetten van het land en alle zaken van het koningschap in de hand van Jozef, zoals zijn vader hem geboden had. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כמלוך (kimlokh) = toen hij regeerde | פרעה (par'oh) = Farao | תחת (tachat) = in de plaats van | אביו (aviv) = zijn vader | ויתן (vayitten) = en gaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | משפטי (mishpatay) = de wetten van | הארץ (ha'arets) = het land | וכל (vekhol) = en alle | דברי (divrei) = de zaken van | המלכות (hamalkhut) = het koningschap | ביד (beyad) = in de hand van | יוסף (Yosef) = Jozef | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = hij hem had geboden | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jozef regeert **58:6** Zo werd Jozef koning over Egypte, want hij bestuurde heel Egypte, en heel Egypte stond onder zijn hand en onder zijn raad; want heel Egypte neigde naar Jozef na de dood van de farao en had hem zeer lief omdat hij over hen regeerde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | יוסף (Yosef) = Jozef | למלך (lammelekh) = tot koning | על (al) = op | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = want | הוא (hu) = hij | המביא (hamevi) = de binnengaande | והמוציא (vehamotsi) = en de uitgaande | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | ותחת (vetachat) = en onder | עצתו (atsato) = zijn raad | כי (ki) = want | נטו (natu) = zij neigden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אחרי (acharei) = naar | יוסף (Yosef) = Jozef | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = dood van | פרעה (par'oh) = Farao | ויאהבוהו (vayye'ehavuhu) = en zij hadden hem lief | מאוד (me'od) = zeer | למלוך (limloch) = dat hij regeerde | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:7** Maar sommige mannen onder hen wilden niet en zeiden: „Geen vreemde zal over ons regeren.” Toch lag in die dagen, na de dood van de farao, het koningschap van Egypte bij het woord van Jozef: hij bestuurde alles en deed naar zijn wens in het hele land, en niemand sprak hem iets tegen. Brontekst: אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | חפצו (cheftso) = wilden | מהם (mehem) = onder hen | אנשים (anashim) = mannen | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | ימלוך (yimlokh) = hij zou regeren | עלינו (aleinu) = over ons | איש (ish) = een man | נוכרי (nokhri) = een vreemde | ואולם (ve'ulam) = maar | על (al) = naar | פי (pi) = het woord van | יוסף (Yosef) = Jozef | היתה (hayetah) = was | על (al) = over | מלכות (malkhut) = koningschap | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = dood van | פרעה (par'oh) = Farao | הוא (hu) = hij | המוציא (hamotsi) = de uitgaande | והוא (vehu) = en hij | המביא (hamevi) = de binnengaande | לעשות (la'asot) = om te doen | כחפצו (kekhefso) = naar zijn wens | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land | ואין (veein) = en niemand | דובר (dubbar) = sprekende | אליו (elav) = tegen hem | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:8** Heel Egypte stond onder de hand van Jozef, en Jozef streed tegen zijn vijanden rondom en onderwierp hen onder zijn hand. Ook het hele land en alle Filistijnen tot aan de grens van Kanaän onderwierp Jozef; zij waren allen onder zijn hand en gaven Jozef elk jaar schatting. Brontekst: ותהי (vatehi) = en was | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | תחת (tachat) = onder | יד (yad) = hand van | יוסף (Yosef) = Jozef | וילחם (vayillachem) = en hij streed | יוסף (Yosef) = Jozef | עם (im) = tegen | על (al) = — | אויביו (oyevav) = zijn vijanden | מסביב (missaviv) = rondom | ויכניעם (vayakhni'em) = en hij onderwierp hen | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | וכל (vekhol) = en alle | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | עד (ad) = tot | גבול (gevul) = de grens van | כנען (Kena'an) = Kanaän | הכניע (hikhni'a) = onderwierp | יוסף (Yosef) = Jozef | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כולם (kullam) = allen | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | מס (mas) = schatting | מדי (Madai) = elk | שנה (shanah) = jaar | בשנה (bashanah) = per jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:9** De farao, de koning van Egypte, zat op zijn troon in de plaats van zijn vader, maar hij stond onder de hand en de raad van Jozef, zoals hij in het begin onder de hand van zijn vader had gestaan. Brontekst: ופרעה (ufar'oh) = en de farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ישב (yashav) = zat | על (al) = op | כסאו (kis'o) = zijn troon | תחת (tachat) = in de plaats van | אביו (aviv) = zijn vader | אך (akh) = maar | היה (hayah) = hij was | תחת (tachat) = onder | יד (yad) = hand van | יוסף (Yosef) = Jozef | ועצתו (ve'atsato) = en zijn raad | כאשר (ka'asher) = zoals | היה (hayah) = hij was | בתחילה (battechillah) = in het begin | תחת (tachat) = onder | יד (yad) = hand van | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:10** Hij regeerde alleen in het land Egypte, onder de raad van Jozef; Jozef echter regeerde in die tijd over het hele land, van Egypte tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | לא (lo) = niet | היה (hayah) = was | מושל (moshel) = heerser | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לבד (levad) = alleen | תחת (tachat) = onder | עצת (atsat) = raad van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויוסף (vayosef) = en Jozef | מלך (malakh) = koning van | על (al) = op | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ועד (ve'ad) = en tot | הנהר (hannahar) = de rivier | הגדול (haggadol) = de grote | נהר (nehar) = rivier | פרת (perat) = Eufraat Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. **58:11** Jozef had voorspoed in al zijn wegen, en Yahweh, zijn Elohim, was met hem. Yahweh voegde wijsheid toe aan Jozef en gaf hem luister, pracht en liefde in het hart van Egypte en van het hele land, en Jozef regeerde veertig jaar over het hele land. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | יוסף (Yosef) = Jozef | בכל (bekhol) = in heel | דרכיו (derakhav) = zijn wegen | משכיל (maskil) = voorspoedig | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | עמו (immo) = bij hem | ויוסף (vayosef) = en voegde toe | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | חכמה (chokhmah) = wijsheid | והוד (vehod) = en luister | והדר (vehadar) = en pracht | ואהבה (ve'ahava) = en liefde | בלב (belev) = in het hart van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | הארץ (ha'arets) = het land | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | יוסף (Yosef) = Jozef | על (al) = op | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 39:2–3, 39:23 (Yahweh was met Jozef en deed alles slagen) en Gen. 41:40–44. Hier regeert Jozef veertig jaar over het land; bij het bericht over zijn dood staat ‘tachtig jaar’ (Jasher 59). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 39:2–3; Gen 39:23; Gen 41:40–44 **58:12** Het hele land van de Filistijnen, Kanaän, Sidon en de overzijde van de Jordaan bracht Jozef al zijn dagen geschenken, en zij brachten hem elk jaar schatting zoals vastgesteld, want Jozef had gestreden tegen al zijn vijanden rondom en hen onderworpen; het hele land was in de hand van Jozef, en Jozef zat in veiligheid op zijn troon in Egypte. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | ארץ (erets) = land van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | וכנען (vekhena'an) = en Kanaän | וצידון (vetsidon) = en Sidon | ועבר (ve'ever) = en de overzijde van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | מביאים (mevi'im) = brachten | ליוסף (leyosef) = aan Jozef | מנחות (minchot) = geschenken | כל (kol) = alle | ימיו (yamav) = zijn dagen | ומס (vemas) = en schatting | יביאו (yavi'u) = zij brengen | לו (lo) = voor hem | מדי (Madai) = elk | שנה (shanah) = jaar | בשנה (bashanah) = per jaar | כמשפט (kemishpat) = zoals vastgesteld | וילחם (vayillachem) = en hij streed | יוסף (Yosef) = Jozef | עם (im) = tegen | כל (kol) = alle | אויביו (oyevav) = zijn vijanden | מסביב (missaviv) = rondom | ויכניעם (vayakhni'em) = en hij onderwierp hen | ותהי (vatehi) = en was | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | ביד (beyad) = in de hand van | יוסף (Yosef) = Jozef | וישב (vayyashev) = en zat | יוסף (Yosef) = Jozef | על (al) = op | כסאו (kis'o) = zijn troon | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לבטח (lavetach) = in veiligheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:13** Ook al zijn broers, de zonen van Jakob, woonden in veiligheid in het land Gosen alle dagen van Jozef; zij waren zeer, zeer vruchtbaar en namen toe in het land, en zij dienden Yahweh al hun dagen, zoals hun vader Jakob hun geboden had. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | אחיו (achiv) = zijn broers | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ישבו (yashvu) = zij woonden | לבטח (lavetach) = in veiligheid | בארץ (ba'arets) = in het land | גושן (goshen) = Gosen | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויפרו (vayifru) = en zij waren vruchtbaar | וירבו (vayirbu) = en zij namen toe | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer | בארץ (ba'arets) = in het land | ויעבדו (vaya'avdu) = en zij dienden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כל (kol) = alle | ימיהם (yemeihem) = hun dagen | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אותם (otam) = hun | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:27 (zij werden vruchtbaar en namen zeer toe). Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie ook: Gen 47:27 ### Ezau trekt opnieuw op **58:14** Na vele dagen en jaren, toen de zonen van Ezau in veiligheid in hun land woonden met Bela, hun koning, en de zonen van Ezau vruchtbaar waren en talrijk werden in het land, besloten zij te gaan strijden tegen de zonen van Jakob en heel Egypte, en hun broer Zefo, de zoon van Elifaz, en zijn mannen te redden, want zij waren in die dagen nog slaven van Jozef in Egypte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ושנים (ushanim) = en jaren | בשבת (bishvet) = terwijl zij woonden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בארצם (be'artsam) = in hun land | לבטח (lavetach) = in veiligheid | עם (im) = met | בלע (bela) = Bela | מלכם (malkam) = hun koning | ובני (uvnei) = en de zonen van | עשו (asu) = Ezau | פרו (peru) = waren vruchtbaar | ורבו (urvu) = en werden talrijk | בארץ (ba'arets) = in het land | ויתיעצו (vayityatsu) = en zij beraadslaagden | ללכת (lalekhet) = om te gaan | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ולהציל (ulehatsil) = en te redden | את (et) = (lijdend voorwerp) | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | אחיהם (achihem) = hun broer | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אנשיו (anashav) = zijn mannen | כי (ki) = want | עודם (odam) = nog | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | עבדים (avadim) = slaven | ליוסף (leyosef) = aan Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:15** De zonen van Ezau stuurden naar alle zonen van het oosten en sloten vrede met hen, en alle zonen van het oosten kwamen tot hen om met de zonen van Ezau naar Egypte ten strijde te gaan. Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ויעשו (vaya'asu) = en zij sloten | איתם (ittam) = met hen | שלום (shalom) = vrede | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אליהם (aleihem) = tot hen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ללכת (lalekhet) = om te gaan | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:16** Ook kwamen mannen van Angeas, de koning van Dinhaba, tot hen, en ook naar de zonen van Ismaël stuurden zij, en die kwamen tot hen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | דנהבה (dinhava) = Dinhaba | באו (ba'u) = kwamen | אליהם (aleihem) = tot hen | וגם (vegam) = en ook | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | שלחו (shalchu) = stuurden | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אליהם (aleihem) = tot hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:12–18 (de zonen van Ismaël). Zie ook: Gen 25:12–18 **58:17** Heel dit volk verzamelde zich en kwam naar Seïr om de zonen van Ezau in hun strijd te helpen. Dit kamp was een groot en zwaar kamp, een volk zo talrijk als het zand van de zee, ongeveer achthonderdduizend man, zowel voetvolk als ruiters te paard. Al deze benden daalden af naar Egypte om te strijden tegen de zonen van Jakob, en zij legerden zich bij Raämses. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | הזה (hazzeh) = deze | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | שעירה (se'irah) = naar Seïr | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | במלחמתם (bemilchamtam) = in hun strijd | ותהי (vatehi) = en was | המחנה (hammachaneh) = het kamp | הזאת (hazzo't) = deze | מחנה (machaneh) = kamp | גדול (gadol) = grote | וכבד (vekhaved) = en zwaar | עם (im) = een volk | אשר (asher) = dat | כחול (kachol) = als het zand van | הים (hayyam) = de zee | הרבה (harbeh) = talrijk | מאוד (me'od) = zeer | כשמונה (keshemonah) = ongeveer acht | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | בין (bein) = zowel | רגלי (ragli) = voetvolk | ורוכבי (verokhvei) = en ruiters op | סוסים (susim) = paarden | וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | כל (kol) = alle | הגדודים (hagdudim) = de benden | האלה (ha'elleh) = deze | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | על (al) = bij | רעמסס (ra'amses) = Raämses Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:11 (het land Raämses). Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 47:11 **58:18** Jozef en zijn broers en alle helden van Egypte, ongeveer zeshonderdduizend man, trokken hun tegemoet en streden met hen in het land Raämses. De zonen van Jakob streden in die tijd opnieuw tegen de zonen van Ezau, in het vijftigste jaar sinds het afdalen van de zonen van Jakob naar Egypte, dat is het dertigste jaar sinds Bela over de zonen van Ezau in Seïr regeerde. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | לקראתם (liqratam) = hen tegemoet | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | וכל (vekhol) = en alle | גיבורי (gibborei) = helden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כשש (kheshesh) = ongeveer zes | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | איתם (ittam) = met hen | בארץ (ba'arets) = in het land | רעמסס (ra'amses) = Raämses | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | עוד (od) = opnieuw | בשנת (bishnat) = in het jaar | החמישים (hachamishim) = de vijftigste | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | היא (hi) = zij | שנת (shenat) = jaar van | השלושים (hashloshim) = de dertigste | שנה (shanah) = jaar | למלוך (limloch) = sinds hij regeerde | בלע (bela) = Bela | על (al) = op | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בשעיר (besei'ir) = in Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. ### De tweede slag bij Raämses **58:19** Yahweh gaf alle helden van Ezau en de zonen van het oosten in de hand van Jozef en zijn broers, en de mannen van de zonen van Ezau en van de zonen van het oosten werden verslagen voor Jozef. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | גיבורי (gibborei) = helden van | עשו (asu) = Ezau | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ביד (beyad) = in de hand van | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | וינגפו (vayyinnagfu) = en zij werden verslagen | אנשי (anshei) = mannen van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | לפני (lifnei) = voor | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **58:20** Veel gesneuvelden van de mannen van Ezau en van de zonen van het oosten vielen voor de zonen van Jakob, ongeveer tweehonderdduizend man, en ook Bela, de zoon van Beor, hun koning, viel met hen in de strijd. Toen de zonen van Ezau zagen dat hun koning met hen in de strijd gevallen en gestorven was, werden hun handen slap in de strijd. Brontekst: ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | עשו (asu) = Ezau | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | חללים (chalalim) = gesneuvelden | רבים (rabbim) = vele | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | כמאתיים (kime'atayim) = ongeveer tweehonderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | ויפול (vayippol) = en hij viel | גם (gam) = ook | בלע (bela) = Bela | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | מלכם (malkam) = hun koning | עמם (immam) = met hen | במלחמה (bammilchamah) = in de strijd | ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | נפל (nafal) = is gevallen | מלכם (malkam) = hun koning | עמם (immam) = met hen | במלחמה (bammilchamah) = in de strijd | וימת (vayamot) = en gestorven was | וירפו (vayirpu) = en zij werden slap | ידיהם (yedeihem) = hun handen | מהמלחמה (mehammilchamah) = in de strijd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **58:21** Jozef en zijn broers en heel Egypte sloegen nog onder de mannen van het huis van Ezau, en alle mannen van Ezau vreesden zeer voor de zonen van Jakob en vluchtten voor hen. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עודם (odam) = nog | מכים (makkim) = slaande | באנשי (be'anshei) = onder de mannen van | בית (bet) = het huis van | עשו (asu) = Ezau | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | עשו (asu) = Ezau | מפני (mippenei) = voor | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | לפניהם (lifneihem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:22** Jozef en zijn broers en heel Egypte achtervolgden hen een dag lang en sloegen nog ongeveer driehonderd man van hen, al gaande hen slaande onderweg; daarna keerden zij van hen terug. Brontekst: וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אותם (otam) = hen | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מהלך (mehalakh) = een tocht van | יום (yom) = een dag | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | מהם (mehem) = van hen | עוד (od) = opnieuw | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | הלוך (halokh) = al gaande | הכות (hakkot) = slaande | אותם (otam) = hen | בדרך (baderekh) = onderweg | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:23** Jozef en al zijn broers keerden terug naar Egypte; er ontbrak niemand van hen, maar van de Egyptenaren vielen twaalf man. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | יוסף (Yosef) = Jozef | וכל (vekhol) = en alle | אחיו (achiv) = zijn broers | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לא (lo) = niet | נפקד (nifqad) = ontbrak | מהם (mehem) = van hen | איש (ish) = een man | אך (akh) = alleen | מהמצרים (mehamitsrim) = van de Egyptenaren | נפלו (naflu) = vielen | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = — | אנשים (anashim) = mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:24** Toen Jozef naar Egypte terugkeerde, gebood hij Zefo en zijn mannen nog verder te binden, en zij bonden hen in koperen ketenen en maakten hun leed nog groter. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשוב (beshuv) = bij het terugkeren | יוסף (Yosef) = Jozef | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | לאסור (le'esor) = te binden | עוד (od) = nog | את (et) = (lijdend voorwerp) | צפו (tsefo) = Zefo | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אנשיו (anashav) = zijn mensen | ויאסרו (vaye'esru) = en zij bonden | אותם (otam) = hen | בנחושתיים (benechushtayim) = in koperen ketenen | ויוסיפו (vayosifu) = en zij voegden toe | להם (lahem) = aan hen | יגון (yagon) = verdriet | על (al) = bovenop | יגונם (yeghonam) = hun verdriet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **58:25** Alle mannen van de zonen van Ezau en van de zonen van het oosten keerden in schaamte terug, ieder naar zijn stad, want alle helden die onder hen waren, waren in de strijd gevallen. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | אנשי (anshei) = mensen van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | שבו (shavu) = keerden terug | איש (ish) = een man | אל (el) = naar | עירו (iro) = zijn stad | בבושה (bevoshah) = in schaamte | כי (ki) = want | נפלו (naflu) = vielen | כל (kol) = alle | הגיבורים (haggibborim) = de helden | אשר (asher) = die | היו (hayu) = waren | בהם (bahem) = onder hen | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Jobab en Chusam in Edom **58:26** Toen de zonen van Ezau zagen dat hun koning in de strijd gestorven was, haastten zij zich en namen een man van de mannen van de zonen van het oosten, Jobab, de zoon van Zerach, uit het land Bozra; zij maakten hem koning over hen in de plaats van Bela, hun koning. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = dat | מת (met) = stierf | מלכם (malkam) = hun koning | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | איש (ish) = een man | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | יובב (Yovav) = Jobab | בן (ben) = zoon van | זרח (zerach) = Zerach | שמו (shemo) = zijn naam | מארץ (me'erets) = uit het land | בצרה (botsra) = Bozra | וימליכוהו (vayamlikhuhu) = en zij maakten hem koning | עליהם (aleihem) = over hen | תחת (tachat) = in de plaats van | בלע (bela) = Bela | מלכם (malkam) = hun koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:33 (Jobab, de zoon van Zerach, uit Bozra). Zie ook: Gen 36:33 **58:27** Jobab zat op de troon van Bela in zijn plaats als koning, en Jobab regeerde in Edom over alle zonen van Ezau tien jaar. De zonen van Ezau gingen van die dag af niet meer om te strijden met de zonen van Jakob, want de zonen van Ezau kenden de kracht van de zonen van Jakob en vreesden hen zeer. Brontekst: וישב (vayyashev) = en zat | יובב (Yovav) = Jobab | על (al) = op | כיסא (kisse) = de troon van | בלע (bela) = Bela | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | למלך (lammelekh) = als koning | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | יובב (Yovav) = Jobab | באדום (be'edom) = in Edom | על (al) = op | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | ולא (velo) = en niet | יספו (yosifu) = voegden toe | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | עוד (od) = opnieuw | ללכת (lalekhet) = om te gaan | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מהיום (mehayyom) = van die dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = af | כי (ki) = want | ידעו (yade'u) = zij wisten | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | גבורת (gevurat) = de kracht van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מהם (mehem) = voor hen | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **58:28** Maar van die dag af haatten de zonen van Ezau de zonen van Jakob, en de haat en de vijandschap tussen hen waren sterk, al de dagen, tot op deze dag. Brontekst: אך (akh) = maar | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | שנאו (sane'u) = haatten | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ותהי (vatehi) = en zij was | השנאה (hasin'a) = de haat | והאיבה (veha'eiva) = en de vijandschap | חזקה (chazaqah) = sterk | ביניהם (beneihem) = tussen hen | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **58:29** Daarna, aan het einde van tien jaar, stierf Jobab, de zoon van Zerach, de koning van Edom. De zonen van Ezau namen een man die Chusam heette, uit het land Teman, en maakten hem koning over zich in de plaats van Jobab. Chusam regeerde in Edom over de zonen van Ezau twintig jaar. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | מקץ (miqqets) = aan het einde van | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | וימת (vayamot) = en hij stierf | יובב (Yovav) = Jobab | בן (ben) = zoon van | זרח (zerach) = Zerach | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | איש (ish) = een man | אחד (echad) = één | ושמו (ushmo) = en zijn naam | חושם (chusham) = Chusam | מארץ (me'erets) = uit het land | תימן (teman) = Teman | וימליכוהו (vayamlikhuhu) = en zij maakten hem koning | עליהם (aleihem) = over hen | תחת (tachat) = in de plaats van | יובב (Yovav) = Jobab | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | חושם (chusham) = Chusam | באדום (be'edom) = in Edom | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | עשרים (esrim) = twintig | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:34 (Chusam uit het land van de Temanieten). Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 36:34 ### Rust in Egypte **58:30** Jozef, de koning van Egypte, en zijn broers en alle zonen van Israël woonden in die dagen in veiligheid in Egypte, alle dagen van Jozef en zijn broers; er was geen tegenstander en geen ramp, en het land Egypte rustte in die tijd van oorlog, in de dagen van Jozef en zijn broers. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ישבו (yashvu) = zij woonden | לבטח (lavetach) = in veiligheid | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | אין (ein) = er was geen | שטן (satan) = tegenstander | ואין (veein) = en niet | פגע (paga) = ongeval | רע (ra) = kwaad | ותשבות (vatishbot) = en rustte | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | בימי (bimei) = in de dagen van | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ## Jasher 59 _Jozefs dood_ ### De namen van de zonen van Israël **59:1** Dit zijn de namen van de zonen van Israël die zich in Egypte vestigden, die met Jakob kwamen: ieder met zijn huis kwamen alle zonen van Jakob naar Egypte. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = de namen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = die | ישבו (yashvu) = zich vestigden | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | הבאים (habba'im) = die kwamen met | את (et) = met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | איש (ish) = ieder | וביתו (uveito) = en zijn huis | באו (ba'u) = kwamen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:8–27 en Ex. 1:1–5 (de namen van de zonen van Israël die naar Egypte kwamen). Zie ook: Gen 46:8–27; Ex 1:1–5 **59:2** De zonen van Lea waren Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon, en Dina, hun zus. Brontekst: בני (bnei) = de zonen van | לאה (Le'ah) = Lea | ראובן (Re'uven) = Ruben | ושמעון (veShim'on) = en Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | ויהודה (vihudah) = en Juda | ויששכר (veyissakhar) = en Issachar | וזבולון (uzvulun) = en Zebulon | ודינה (udinah) = en Dina | אחותם (achotam) = hun zus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **59:3** De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | רחל (Rachel) = Rachel | יוסף (Yosef) = Jozef | ובנימין (uvinyamin) = en Benjamin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **59:4** De zonen van Zilpa, de dienares van Lea, waren Gad en Aser. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | זלפה (zilpah) = Zilpa | שפחת (shifchat) = dienares van | לאה (Le'ah) = Lea | גד (Gad) = Gad | ואשר (va'asher) = en Aser Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **59:5** De zonen van Bilha, de dienares van Rachel, waren Dan en Naftali. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | בלהה (Bilhah) = Bilha | שפחת (shifchat) = dienares van | רחל (Rachel) = Rachel | דן (Dan) = Dan | ונפתלי (venaftali) = en Naftali Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **59:6** Dit zijn hun nakomelingen die in het land Kanaän geboren werden, voordat zij met hun vader Jakob naar Egypte kwamen. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | תולדותם (toldotam) = hun nakomelingen | אשר (asher) = die | ילדו (yaldu) = geboren werden | להם (lahem) = hun | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | טרם (terem) = voordat | בואם (bo'am) = hun komst | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | עם (im) = met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **59:7** De zonen van Ruben waren Chanoch, Pallu, Chezron en Karmi. Brontekst: בני (bnei) = de zonen van | ראובן (Re'uven) = Ruben | חנוך (Chanokh) = Chanoch | ופלוא (ufalu) = en Pallu | חצרון (chetsron) = Chezron | וכרמי (vekharmi) = en Karmi Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:9 (Chanoch, Pallu, Chezron en Karmi). Zie ook: Gen 46:9 **59:8** De zonen van Simeon waren Jemoeël, Jamin, Ohad, Jakin, Zohar en Sjaül, de zoon van de Kanaänitische vrouw. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | שמעון (Shim'on) = Simeon | ימואל (yemu'el) = Jemoeël | וימין (vayamin) = en Jamin | ואוהד (ve'ohad) = en Ohad | ויכין (veyakhin) = en Jakin | וצוחר (vetsochar) = en Zohar | ושאול (veshaul) = en Sjaül | בן (ben) = zoon van | הכנענית (hakkena'anit) = de Kanaänitische Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:10 (Jemoeël, Jamin, Ohad, Jakin, Zohar en Sjaül, de zoon van de Kanaänitische). Zie ook: Gen 46:10 **59:9** De zonen van Levi waren Gersjon, Kehat en Merari, en Jochebed, hun zus, die geboren werd toen zij naar Egypte afdaalden. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | לוי (Levi) = Levi | גרשון (gershon) = Gersjon | קהת (qehat) = Kehat | ומררי (umerari) = en Merari | ויוכבד (veyokhevet) = en Jochebed | אחותם (achotam) = hun zus | אשר (asher) = die | יולדה (yuleda) = werd geboren | להם (lahem) = hun | ברדתם (beridtam) = toen zij afdaalden | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:11 en Num. 26:59 (Jochebed, een dochter van Levi, die hem in Egypte geboren werd). Zie ook: Gen 46:11; Num 26:59 **59:10** De zonen van Juda waren Er, Onan, Sela, Peres en Zerach. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יהודה (Yehudah) = Juda | ער (Er) = Er | ואונן (ve'onan) = en Onan | ושלה (veshelah) = en Sela | ופרץ (ufarets) = en Peres | וזרח (vezerach) = en Zerach Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:12 (Er en Onan stierven in het land Kanaän; de zonen van Peres waren Chezron en Chamoel). Zie ook: Gen 46:12 **59:11** Er en Onan stierven in het land Kanaän; en de zonen van Peres waren Chezron en Chamoel. Brontekst: וימת (vayamot) = en stierven | ער (Er) = Er | ואונן (ve'onan) = en Onan | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ויהיו (vayihyu) = en waren | בני (bnei) = de zonen van | פרץ (perets) = Peres | חצרון (chetsron) = Chezron | וחמול (vechamul) = en Chamoel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. **59:12** De zonen van Issachar waren Tola, Pua, Job en Simron. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יששכר (Yissakhar) = Issachar | תולע (tola') = Tola | ופוה (ufuah) = en Pua | ויוב (veyov) = en Job | ושמרון (veshimron) = en Simron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:13 (Tola, Pua, Job en Simron). Zie ook: Gen 46:13 **59:13** De zonen van Zebulon waren Sered, Elon en Jachleël; en de zoon van Dan was Chusjim. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | זבולון (zevulun) = Zebulon | סרד (sered) = Sered | ואלון (ve'elon) = en Elon | ויחלאל (veyachle'el) = en Jachleël | ובני (uvnei) = en de zonen van | דן (Dan) = Dan | חושים (chushim) = Chusjim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:14 (Sered, Elon en Jachleël) en Gen. 46:23 (de zonen van Dan: Chusjim). Zie ook: Gen 46:14; Gen 46:23 **59:14** De zonen van Naftali waren Jachtseël, Guni, Jetser en Sjillem. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | נפתלי (Naftali) = Naftali | יחצאל (yachtse'el) = Jachtseël | וגוני (vegguni) = en Guni | ויצר (veyetser) = en Jetser | ושלם (veshillem) = en Sjillem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:24 (Jachtseël, Guni, Jetser en Sjillem). Zie ook: Gen 46:24 **59:15** De zonen van Gad waren Zifjon, Chaggi, Sjoeni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | גד (Gad) = Gad | צפיון (tsifyon) = Zifjon | וחגי (vechaggi) = en Chaggi | שוני (shuni) = Sjoeni | ואצבון (ve'etsbon) = en Ezbon | ערי ('eri) = Eri | וארודי (ve'arodi) = en Arodi | ואראלי (ve'ar'eli) = en Areli Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:16 (Zifjon, Chaggi, Sjoeni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli). Zie ook: Gen 46:16 **59:16** De zonen van Aser waren Jimna, Jisjwa, Jisjwi, Beria en Serach, hun zus; en de zonen van Beria waren Chever en Malkiël. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | אשר (asher) = Aser | ימנה (yimnah) = Jimna | וישוה (veyishvah) = en Jisjwa | וישוי (veyishvi) = en Jisjwi | ובריעה (uverî'ah) = en Beria | ושרח (veSerach) = en Serach | אחותם (achotam) = hun zus | ובני (uvnei) = en de zonen van | בריעה (beri'a) = Beria | חבר (chever) = Chever | ומלכיאל (umalki'el) = en Malkiël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:17 (Jimna, Jisjwa, Jisjwi, Beria en hun zuster Serach; de zonen van Beria: Chever en Malkiël). Zie ook: Gen 46:17 **59:17** De zonen van Benjamin waren Bela, Becher, Asjbel, Gera, Naäman, Echi, Rosj, Muppim, Chuppim en Ard. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | בנימין (binyamin) = Benjamin | בלע (bela) = Bela | ובכר (vekhekher) = en Becher | ואשבל (ve'ashbel) = en Asjbel | גרא (gera) = Gera | ונעמן (vena'aman) = en Naäman | אחי (echi) = Echi | וראש (vero'sh) = en Rosj | מופים (mupim) = Muppim | וחופים (vechupim) = en Chuppim | וארד (va'ard) = en Ard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:21 (Bela, Becher, Asjbel, Gera, Naäman, Echi, Rosj, Muppim, Chuppim en Ard). Zie ook: Gen 46:21 **59:18** De zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren werden, waren Manasse en Efraïm. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | יוסף (Yosef) = Jozef | אשר (asher) = die | יולדו (yulledu) = werden geboren | לו (lo) = voor hem | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | מנשה (menasheh) = Manasse | ואפרים (veefrayim) = en Efraïm Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:20 (aan Jozef werden in het land Egypte Manasse en Efraïm geboren). Zie ook: Gen 46:20 **59:19** Alle zielen die uit de heup van Jakob voortkwamen, waren zeventig zielen; dit zijn zij die met Jakob, hun vader, naar Egypte kwamen om daar te verblijven. Jozef en al zijn broers woonden in veiligheid in Egypte en aten het goede van het land Egypte alle dagen van het leven van Jozef. Brontekst: ויהי (vayehi) = en waren | כל (kol) = alle | נפש (nefesh) = zielen | יוצאי (yots'ei) = die voortkwamen uit | ירך (yerekh) = de heup van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | שבעים (shiv'im) = zeventig | נפש (nefesh) = zielen | אלה (elleh) = deze | הבאים (habba'im) = die kwamen met | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לגור (lagur) = om te verblijven | שם (shem) = daar | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | יוסף (Yosef) = Jozef | וכל (vekhol) = en alle | אחיו (achiv) = zijn broers | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לבטח (lavetach) = in veiligheid | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | את (et) = met | טוב (tov) = goed | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | חיי (chayyei) = leven van | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 46:26–27 (alle zielen van het huis van Jakob die naar Egypte kwamen, waren zeventig). Zie ook: Gen 46:26–27 ### Jozef sterft **59:20** Jozef leefde drieënnegentig jaar in het land Egypte, en Jozef regeerde tachtig jaar over heel Egypte. Brontekst: ויחי (vayechi) = en hij leefde | יוסף (Yosef) = Jozef | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | שלוש (shalosh) = drie | ותשעים (vetish'im) = en negentig | שנה (shanah) = jaar | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | יוסף (Yosef) = Jozef | על (al) = over | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | שמונים (shemonim) = tachtig | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:2 (Jozef was zeventien jaar toen hij verkocht werd), Gen. 41:46 (dertig jaar toen hij voor de farao stond) en Gen. 50:22 (honderdtien jaar). 110 min 17 is 93; 110 min 30 is 80. In Jasher 58:11 staat voor zijn regering ‘veertig jaar’. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 37:2; Gen 41:46; Gen 50:22; Jas 58:11 **59:21** Toen de dagen van Jozef om te sterven naderden, zond hij en riep zijn broers en heel het huis van zijn vader; zij kwamen allen samen en zaten voor hem. Brontekst: ויקרבו (vayyaqrivu) = en naderden | ימי (yemei) = dagen van | יוסף (Yosef) = Jozef | למות (lamut) = om te sterven | וישלח (vayishlach) = en hij zond | ויקרא (vayikra) = en riep | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | ואל (ve'el) = en naar | כל (kol) = alle | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | וישבו (vayeshvu) = en zaten | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **59:22** Jozef zei tegen zijn broers en tegen heel het huis van zijn vader: „Zie, ik sterf, maar Elohim zal zeker naar jullie omzien en jullie uit dit land laten opgaan naar het land dat Hij aan jullie vaderen gezworen heeft, hun te geven. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יוסף (Yosef) = Jozef | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | ואל (ve'el) = en naar | כל (kol) = alle | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | הנה (hinneh) = zie | אנוכי (anokhi) = ik | מת (met) = sterf | ואלוקים (ve'elohim) = en Elohim | פקוד (paqod) = zeker | יפקוד (yifqod) = zal omzien | אתכם (etkhem) = jullie | והעלה (veha'ala) = en zal laten opgaan | אתכם (etkhem) = jullie | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | אשר (asher) = die | נשבע (nishba) = had gezworen | לאבותיכם (la'avotekhem) = aan jullie vaderen | לתת (latet) = te geven | לכם (lakhem) = aan jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:24 (‘Ik sterf, maar Elohim zal zeker naar jullie omzien en jullie uit dit land doen optrekken naar het land dat Hij aan Abraham, Isaak en Jakob gezworen heeft’). Zie ook: Gen 50:24 **59:23** En wanneer Elohim naar jullie omziet om jullie van hier naar het land van jullie vaderen te laten opgaan, dan brengen jullie mijn beenderen met jullie van hier op.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | בפקוד (bifqod) = bij het omzien van | אלוקים (Elohim) = Elohim | אתכם (etkhem) = jullie | להעלותכם (leha'alotkhem) = jullie te laten opgaan | מזה (mizzeh) = van hier | אל (el) = naar | ארץ (erets) = land van | אבותיכם (avotekhem) = jullie vaderen | והעליתם (veha'alitem) = dan brengen jullie op | את (et) = (lijdend voorwerp) | עצמותיי (atsmotay) = mijn beenderen | מזה (mizzeh) = van hier | איתכם (ittekhem) = met jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **59:24** Jozef liet de zonen van Israël en hun nageslacht na hen zweren: „Elohim zal zeker naar jullie omzien, en jullie zullen mijn beenderen met jullie van hier opbrengen.” Brontekst: וישבע (vayishava) = en liet zweren | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | זרעם (zar'am) = hun nageslacht | אחריהם (acharehem) = na hen | לאמור (lemor) = zeggende | פקוד (paqod) = zeker | יפקוד (yifqod) = zal omzien | אלוקים (Elohim) = Elohim | אתכם (etkhem) = jullie | והעליתם (veha'alitem) = dan brengen jullie op | את (et) = (lijdend voorwerp) | עצמותיי (atsmotay) = mijn beenderen | מזה (mizzeh) = van hier | איתכם (ittekhem) = met jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:25, Ex. 13:19 en Joz. 24:32 (de beenderen van Jozef). Zie ook: Gen 50:25; Ex 13:19; Joz 24:32 **59:25** Daarna stierf Jozef in dat jaar, dat is het eenenzeventigste jaar sinds het afdalen van Israël naar Egypte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | וימת (vayamot) = en hij stierf | יוסף (Yosef) = Jozef | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = dat | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = jaar van | שבעים (shiv'im) = zeventig | ואחת (ve'achat) = en een | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:26. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 50:26 **59:26** Jozef was honderdtien jaar toen hij stierf in het land Egypte. Al zijn broers en al zijn dienaren stonden op en balsemden Jozef naar de gewoonte, en zijn broers en heel Egypte weenden zeventig dagen om hem. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en Jozef | בן (ben) = zoon van | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ועשר (va'asar) = en tien | שנים (shanim) = jaren | במותו (bemoto) = bij zijn dood | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כל (kol) = alle | אחיו (achiv) = zijn broers | וכל (vekhol) = en alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויחנטו (vayachnetu) = en zij balsemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | כמשפט (kemishpat) = naar de gewoonte | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | אותו (oto) = hem | אחיו (achiv) = zijn broers | וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | שבעים (shiv'im) = zeventig | יום (yom) = dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 50:26 **59:27** Zij legden Jozef in een kist die gevuld was met specerijen en allerlei werk van een zalfbereider, en zij begroeven hem aan de oever van de Nijl, dat is de Sichor. Zijn zonen en al zijn broers en heel het huis van zijn vader hielden zeven dagen rouw voor hem. Brontekst: וישימו (vayasimu) = en zij zetten | את (et) = (lijdend voorwerp) | יוסף (Yosef) = Jozef | בארון (ba'aron) = in een kist | אשר (asher) = die | מלא (male) = gevuld was | בשמים (bashamayim) = met specerijen | וכל (vekhol) = en alle | מעשה (ma'aseh) = het doen van | רוקח (roqeach) = zalfbereider | ויקברוהו (veyiqbaruhu) = en begroeven hem | על (al) = op | שפת (sefat) = de oever van | היאור (hayeor) = de Nijl | הוא (hu) = dat is | שיחור (shichor) = Sichor | ויעשו (vaya'asu) = maakten | לו (lo) = voor hem | בניו (banav) = zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | אחיו (achiv) = zijn broers | וכל (vekhol) = en alle | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | אבל (evel) = rouw | שבעת (sheva) = zeven | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:26 (hij werd gebalsemd en in een kist gelegd in Egypte). שיחור (Sichor) is de Nijl, zie Joz. 13:3 en Jer. 2:18. Zie ook: Gen 50:26; Joz 13:3; Jer 2:18 ### Een nieuwe tijd in Egypte **59:28** Na de dood van Jozef begonnen de Egyptenaren in die dagen over de zonen van Israël te heersen. De farao, de koning van Egypte, die in de plaats van zijn vader regeerde, nam alle wetten van Egypte en leidde het hele koningschap van Egypte onder zijn raad, en hij regeerde in veiligheid over zijn volk. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = dood van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויחלו (vayachelu) = en begonnen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | למשול (limshol) = te heersen over | בבני (bivnei) = over de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ופרעה (ufar'oh) = en de farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | המולך (hamolekh) = die regeerde | תחת (tachat) = in de plaats van | אביו (aviv) = zijn vader | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | משפטי (mishpatay) = de wetten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וינהג (vayinhag) = en leidde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מלכות (malkhut) = koningschap | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | תחת (tachat) = onder | עצתו (atsato) = zijn raad | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | לבטח (lavetach) = in veiligheid | על (al) = over | עמו (immo) = zijn volk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:8 (er stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had). Zie ook: Ex 1:8 ## Jasher 60 _Angeas en Jania_ ### Zefo vlucht naar Angeas **60:1** Bij de wending van het jaar, in het tweeënzeventigste jaar sinds het afdalen van Israël naar Egypte, na de dood van Jozef, vluchtte Zefo, de zoon van Elifaz, de zoon van Ezau, uit Egypte, hij en zijn mannen, en zij gingen weg. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לתקופת (litqufat) = bij de wending van | השנה (hashanah) = het jaar | בשנת (bishnat) = in het jaar | שתיים (shetayim) = twee | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = dood van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויברח (vayivrach) = en hij vluchtte | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | הוא (hu) = hij | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **60:2** Zij kwamen in Afrika, dat is Dinhaba, bij Angeas, de koning van Afrika, en Angeas ontving hen met grote eer en stelde Zefo aan tot overste van zijn leger. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אפריקה (afriqa) = Afrika | היא (hi) = dat is | דנהבה (dinhava) = Dinhaba | אל (el) = naar | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ויקבלם (vayeqablem) = en ontving hen | אנגיאס (angias) = Angeas | בכבוד (bikhvod) = met eer | גדול (gadol) = grote | וישם (vayasem) = en stelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | צפו (tsefo) = Zefo | לשר (lesar) = tot overste van | צבאו (tsevao) = zijn leger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:3** Zefo vond gunst in de ogen van Angeas en in de ogen van zijn volk, en Zefo was vele dagen overste van het leger voor Angeas, de koning van Afrika. Brontekst: וימצא (vayimtsa) = en hij vond | צפו (tsefo) = Zefo | חן (chen) = gunst | בעיני (be'einei) = in de ogen van | אנגיאס (angias) = Angeas | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | עמו (immo) = zijn volk | ויהי (vayehi) = en was | צפו (tsefo) = Zefo | שר (sar) = overste van | צבא (tsava) = leger van | לאנגיאס (le'angias) = voor Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:4** Zefo hitste Angeas, de koning van Afrika, op om heel zijn leger te verzamelen, om te gaan strijden tegen de Egyptenaren en tegen de zonen van Jakob, en om op hen de wraak voor zijn broers te nemen. Brontekst: ויסת (vayyaset) = en hitste op | צפו (tsefo) = Zefo | את (et) = (lijdend voorwerp) | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | לקבץ (leqabets) = te verzamelen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | ללכת (lalekhet) = om te gaan | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = met | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | ועם (ve'im) = en met | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולנקום (velinqom) = en te wreken | מהם (mehem) = op hen | נקמת (niqmat) = de wraak voor | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:5** Maar Angeas wilde niet naar Zefo luisteren om dit te doen, want Angeas wist van de kracht van de zonen van Jakob en wat zij zijn leger aangedaan hadden in hun strijd tegen de zonen van Ezau. Brontekst: ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde | אנגיאס (angias) = Angeas | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אל (el) = naar | צפו (tsefo) = Zefo | לעשות (la'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = want | ידע (yada) = wist | אנגיאס (angias) = Angeas | את (et) = (lijdend voorwerp) | גבורת (gevurat) = de kracht van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואשר (va'asher) = en wat | עשו (asu) = deden | לחילו (lechilo) = aan zijn leger | במלחמתם (bemilchamtam) = in hun strijd | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:6** Zefo was in die dagen zeer groot in de ogen van Angeas en in de ogen van heel zijn volk, en hij hitste hen voortdurend op om tegen Egypte te strijden, maar zij wilden niet. Brontekst: וצפו (vetsefo) = en Zefo | גדול (gadol) = groot | מאוד (me'od) = zeer | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בעיני (be'einei) = in de ogen van | אנגיאס (angias) = Angeas | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | כל (kol) = alle | עמו (immo) = zijn volk | ויסיתם (vayasitam) = en hij hitste hen op | תמיד (tamid) = steeds | להילחם (lehillachem) = te strijden | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Jania, de dochter van Utsi **60:7** In die dagen leefde er in het land Kittim een man in de stad Putsimna, die Utsi heette; hij werd voor de zonen van Kittim een god van misleidingen. De man stierf en had geen zoon, alleen één dochter, die Jania heette. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויחי (vayechi) = leefde | בארץ (ba'arets) = in het land | כתים (Kittim) = de Kittim | איש (ish) = een man | בעיר (ba'ir) = in de stad | פוצימנא (putsimna) = Putsimna | ושמו (ushmo) = en zijn naam | עוצי (utsi) = Utsi | ויהי (vayehi) = en hij werd | לבני (livnei) = bij de zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | לאלוה (le'eloah) = tot een god | תעתועים (ta'tu'im) = misleidingen | וימת (vayamot) = en hij stierf | האיש (ha'ish) = de man | ובן (uven) = en een zoon | אין (ein) = was er niet | לו (lo) = voor hem | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | בת (bat) = dochter | אחת (achat) = één | ושמה (ushmah) = en haar naam | יאניה (yaniya) = Jania Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:4 (de zonen van Javan: Elisa, Tarsis, Kittim en Dodanim). Zie ook: Gen 10:4 **60:8** Het meisje was zeer mooi, schoon van aanzien en wijs; in heel het land was er niemand zo mooi en wijs als zij. Brontekst: והנערה (vehanna'arah) = en het meisje | יפה (yafah) = mooi | עד (ad) = tot | מאוד (me'od) = zeer | טובת (tovat) = mooi van | מראה (mar'eh) = van aanzien | וחכמה (vachakhamah) = en wijs | לא (lo) = niet | נראה (nir'ah) = is gezien | כיופיה (keyofya) = zoals haar schoonheid | וכחכמתה (vekhochmata) = en zoals haar wijsheid | בכל (bekhol) = in heel | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:9** De mannen van Angeas, de koning van Afrika, zagen haar, kwamen en prezen haar bij hem, en Angeas zond naar de zonen van Kittim en verzocht haar voor zich tot vrouw te nemen; en de mannen van Kittim stemden erin toe haar hem tot vrouw te geven. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | אותה (otah) = haar | אנשי (anshei) = mensen van | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ויביאו (vayavi'u) = en zij kwamen | ויהללו (vaye'halelu) = en zij prezen | אותה (otah) = haar | אליו (elav) = bij hem | וישלח (vayishlach) = en hij zond | אנגיאס (angias) = Angeas | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | וישאל (vayish'al) = en verzocht | אותה (otah) = haar | לקחתה (laqachtah) = haar te nemen | לו (lo) = voor hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויאבו (vaya'avu) = en stemden in | לו (lo) = voor hem | אנשי (anshei) = mensen van | כתים (Kittim) = de Kittim | לתתה (letitah) = haar te geven | לו (lo) = voor hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Turgos vraagt ook om Jania **60:10** Toen de boodschappers van Angeas, de koning van Afrika, uit het land Kittim vertrokken om hun weg te gaan, kwamen de boodschappers van Turgos, de koning van Bibinto, naar Kittim. Ook Turgos had zijn boodschappers gezonden om Jania voor zich tot vrouw te vragen, omdat ook al zijn mannen haar bij hem geprezen hadden; daarom zond hij al zijn dienaren naar haar toe. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאת (betset) = bij het vertrekken van | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | כיתים (kitim) = Kittim | ללכת (lalekhet) = om te gaan | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | והנה (vehinneh) = en zie | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | תורגוס (turgos) = Turgos | מלך (malakh) = koning van | ביבינטו (bibinto) = Bibinto | באו (ba'u) = kwamen | כתימה (kitima) = naar Kittim | כי (ki) = want | תורגוס (turgos) = Turgos | מלך (malakh) = koning van | ביבינטו (bibinto) = Bibinto | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | שלח (Shelach) = zond | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלאכיו (mal'akhav) = zijn boodschappers | לשאול (lish'ol) = om te vragen | לו (lo) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | יאניה (yaniya) = Jania | לקחתה (laqachtah) = haar te nemen | לו (lo) = voor hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | כי (ki) = want | היללו (hilelu) = prezen | אותה (otah) = haar | אליו (elav) = tegen hem | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | כל (kol) = alle | אנשיו (anashav) = zijn mensen | על (al) = daarom | כן (ken) = — | שלח (Shelach) = zond | אליה (eleha) = naar haar | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: De namen volgen het Hebreeuws: תורגוס (Turgos), לוקוש (Lukos), גיבלוש (Giblos), סרדוניא (Sardonia), אלבנו (Albano), עוצי (Utsi). De Engelse vertaling heeft Turnus, Lucus, Niblos, Sardunia, Alphanu en Uzu. **60:11** De dienaren van Turgos kwamen naar Kittim en vroegen om Jania, om haar tot vrouw te nemen voor Turgos, hun koning. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עבדי (avdei) = dienaren van | תורגוס (turgos) = Turgos | כתימה (kitima) = naar Kittim | וישאלו (vayish'alu) = en zij vroegen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יאניה (yaniya) = Jania | לקחתה (laqachtah) = haar te nemen | אל (el) = voor | תורגוס (turgos) = Turgos | מלכם (malkam) = hun koning | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:12** De mannen van Kittim zeiden tegen hen: „Wij kunnen haar niet geven, want Angeas, de koning van Afrika, heeft verzocht haar voor zich tot vrouw te nemen voordat jullie kwamen, en wij hebben haar aan hem gegeven. En nu kunnen wij dit niet doen: het meisje uit de hand van Angeas wegnemen om haar aan Turgos te geven, Brontekst: ויאמר (vayomer) = en zeiden | להם (lahem) = hun | אנשי (anshei) = mensen van | כיתים (kitim) = Kittim | לא (lo) = niet | נוכל (nukhal) = kunnen wij | לתתה (letitah) = haar te geven | כי (ki) = want | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ביקש (biqqesh) = verzocht | אותה (otah) = haar | לקחתה (laqachtah) = haar te nemen | לו (lo) = voor hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | טרם (terem) = voordat | בואכם (bo'akhem) = jullie komst | ונתננו (venatanu) = en wij gaven | אותה (otah) = haar | אליו (elav) = aan hem | ועתה (ve'attah) = en nu | לא (lo) = niet | נוכל (nukhal) = kunnen wij | לעשות (la'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | להסיר (lehasir) = weg te nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנערה (hanna'arah) = het meisje | מיד (miyyad) = uit de hand van | אנגיאס (angias) = Angeas | לתתה (letitah) = haar te geven | לתורגוס (leturgos) = aan Turgos Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:13** want wij zijn zeer bevreesd voor Angeas, dat hij tegen ons ten strijde zal komen en ons zal verdelgen, en Turgos, jullie heer, zal ons niet uit zijn hand kunnen redden.” Brontekst: כי (ki) = want | אנחנו (anachnu) = wij | יריאים (yere'im) = bevreesd | מאוד (me'od) = zeer | מאנגיאס (me'angias) = voor Angeas | פן (pen) = opdat niet | יבוא (yavo) = komt | עלינו (aleinu) = tegen ons | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | והשמידנו (vehishmidanu) = en ons verdelgt | ותורגוס (veturgos) = en Turgos | אדוניכם (adonekhem) = jullie heer | לא (lo) = niet | יוכל (yukhal) = zal kunnen | להציל (lehatsil) = om te redden | אותנו (otanu) = ons | מידו (miyyado) = uit zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:14** Toen de boodschappers van Turgos alle woorden van de zonen van Kittim hoorden, keerden zij terug naar hun heer en vertelden hem alle woorden van de zonen van Kittim. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמעם (kishmam) = toen zij hoorden | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | תורגוס (turgos) = Turgos | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ויפנו (vayifnu) = en keerden | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | אל (el) = tot | אדוניהם (adoneihem) = hun heer | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het bericht van Kittim **60:15** De zonen van Kittim zonden een brief aan Angeas met de woorden: „Zie, Turgos heeft om Jania gezonden om haar voor zich tot vrouw te nemen, en hiermee hebben wij hem geantwoord. En wij hebben gehoord dat hij heel zijn leger heeft verzameld om tegen jou ten strijde te komen; hij is van plan langs de weg van Sardonia te trekken om te strijden met Lukos, je broer, en daarna zal hij komen om met jou te strijden.” Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | שלחו (shalchu) = zonden | ספר (sefer) = een brief | אל (el) = tot | אנגיאס (angias) = Angeas | לאמור (lemor) = zeggende | הנה (hinneh) = zie | תורגוס (turgos) = Turgos | שלח (Shelach) = heeft gezonden | בעד (ba'ad) = om | יאניה (yaniya) = Jania | לקחתה (laqachtah) = haar te nemen | לו (lo) = voor hem | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ובזה (uvaze) = en hiermee | השיבנו (heshivanu) = hebben wij geantwoord | אותו (oto) = hem | ונשמע (venishma) = en wij hebben gehoord | כי (ki) = want | קיבץ (qibets) = heeft verzameld | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | לבוא (lavo) = om te komen | עליך (aleikha) = tegen jou | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | וישם (vayasem) = en richtte | פניו (panav) = zijn gelaat | לעבור (la'avor) = door te trekken | דרך (derekh) = langs de weg van | סרדוניא (sardonya) = Sardonia | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = met | לוקוש (luqosh) = Lukos | אחיך (achikha) = je broer | ואחר (ve'achar) = en daarna | יבוא (yavo) = zal komen | להילחם (lehillachem) = te strijden | איתך (ittekha) = met je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Angeas trekt naar Sardonia **60:16** Angeas hoorde de woorden van de zonen van Kittim die zij hem in de brief gezonden hadden, en zijn toorn ontbrandde. Hij stond op, verzamelde heel zijn leger en kwam langs de eilanden van de zee, de weg van Sardonia, naar zijn broer Lukos, de koning van Sardonia. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אנגיאס (angias) = Angeas | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | אשר (asher) = die | שלחו (shalchu) = zonden | לו (lo) = voor hem | בספר (bassefer) = in de brief | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפו (appo) = zijn toorn | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | ויאסוף (vayesof) = en hij verzamelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | באיי (be'iyei) = langs de eilanden van | הים (hayyam) = de zee | דרך (derekh) = de weg van | סרדוניא (sardonya) = Sardonia | אל (el) = naar | לוקוש (luqosh) = Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | מלך (malakh) = koning van | סרדוניא (sardonya) = Sardonia Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:17** Giblos, de zoon van Lukos, hoorde dat zijn oom Angeas gekomen was, en hij ging hem tegemoet met een zwaar leger, kuste hem en omhelsde hem. Giblos zei tegen Angeas: „Wanneer je mijn vader naar zijn welzijn vraagt, als ik met je uittrek om te strijden met Turgos, vraag hem dan mij aan te stellen tot overste van zijn leger.” Angeas deed zo en kwam naar zijn broer; zijn broer ging hem tegemoet en vroeg hem naar zijn welzijn. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | גיבלוש (giblosh) = Giblos | בן (ben) = zoon van | לוקוש (luqosh) = Lukos | כי (ki) = want | בא (ba) = kwam | אנגיאס (angias) = Angeas | דודו (dodo) = zijn oom | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | בחיל (bechayil) = met een leger | כבד (kaved) = zwaar | וישקהו (vayishshaqehu) = en kuste hem | ויחבקהו (vaychabqehu) = en omhelsde hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | גיבלוש (giblosh) = Giblos | אל (el) = tot | אנגיאס (angias) = Angeas | בשאלך (bish'olkha) = wanneer je vraagt | שלום (shalom) = naar het welzijn | מעם (me'im) = bij | אבי (avi) = mijn vader | בצאתו (betseto) = als ik uittrek | איתך (ittekha) = met je | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = met | תורגוס (turgos) = Turgos | ושאלת (vesha'alta) = vraag | ממנו (mimmennu) = van hem | להשימני (lehasimeni) = mij aan te stellen | שר (sar) = overste van | צבאו (tsevao) = zijn leger | ויעש (vayya'as) = en hij deed | אנגיאס (angias) = Angeas | כן (ken) = zo | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broer | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | אחיו (achiv) = zijn broer | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | וישאלהו (vayish'alehu) = en vroeg hem | לשלום (leshalom) = naar zijn welzijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:18** Angeas vroeg Lukos, zijn broer, zijn zoon Giblos aan te stellen tot overste van zijn leger, en Lukos deed zo. Angeas en zijn broer Lukos stonden op en gingen Turgos tegemoet ten strijde, en een talrijk leger en een zwaar volk was met hen. Brontekst: וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | אנגיאס (angias) = Angeas | מעם (me'im) = van | לוקוש (luqosh) = Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | לשים (lasim) = aan te stellen | את (et) = (lijdend voorwerp) | גיבלוש (giblosh) = Giblos | בנו (beno) = zijn zoon | לשר (lesar) = tot overste van | צבאו (tsevao) = zijn leger | ויעש (vayya'as) = en hij deed | לוקוש (luqosh) = Lukos | כן (ken) = zo | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | אנגיאס (angias) = Angeas | ולוקוש (veluqosh) = en Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לקראת (liqrat) = tegemoet | תורגוס (turgos) = Turgos | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | וחיל (vechayil) = en een leger | רב (rav) = talrijk | ועם (ve'im) = een volk | כבד (kaved) = zwaar | עמהם (immahem) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:19** Zij voeren in schepen en kwamen in het district Asjtoresj; en zie, Turgos kwam hun tegemoet, want hij was uitgetrokken naar Sardonia en had zich voorgenomen het te verwoesten en daarna vandaar over te steken naar Angeas om met hem te strijden. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | באוניות (ba'oniyot) = in schepen | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | במחוז (bemachoz) = in het district | אשתורש (ashtorash) = Asjtoresj | והנה (vehinneh) = en zie | תורגוס (turgos) = Turgos | בא (ba) = kwam | לקראתם (liqratam) = op hen af | כי (ki) = want | יצא (yatsa) = hij uitging | אל (el) = naar | סרדוניא (sardonya) = Sardonia | ויאמר (vayomer) = en nam zich voor | להחרימה (lehacharima) = haar te verwoesten | ואחר (ve'achar) = en daarna | יעבור (ya'avor) = van daar over te steken | משם (misham) = vandaar | אל (el) = tot | אנגיאס (angias) = Angeas | להילחם (lehillachem) = te strijden | עמו (immo) = met hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De slag in het dal van Kanfia **60:20** Angeas en zijn broer Lukos ontmoetten Turgos in het dal van Kanfia, en de strijd tussen hen was sterk en machtig op die plaats. Brontekst: ויפגשו (vayifgeshu) = en zij ontmoetten | אנגיאס (angias) = Angeas | ולוקוש (veluqosh) = en Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | את (et) = (lijdend voorwerp) | תורגוס (turgos) = Turgos | בבקעת (beviqat) = in het dal van | כנפיא (kanfya) = Kanfia | ותהי (vatehi) = en was | מלחמה (milchamah) = oorlog | חזקה (chazaqah) = sterk | ועצומה (ve'atsuma) = en machtig | מאוד (me'od) = zeer | ביניהם (beneihem) = tussen hen | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:21** De strijd werd zwaar voor Lukos, de koning van Sardonia, en heel zijn leger viel; ook zijn zoon Giblos viel in die strijd. Brontekst: ותכבד (vetikhbad) = en werd zwaar | המלחמה (hammilchamah) = de strijd | על (al) = op | לוקוש (luqosh) = Lukos | מלך (malakh) = koning van | סרדוניא (sardonya) = Sardonia | ויפול (vayippol) = en hij viel | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | ויפול (vayippol) = en hij viel | גם (gam) = ook | גיבלוש (giblosh) = Giblos | בנו (beno) = zijn zoon | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:22** Zijn oom Angeas gebood zijn dienaren, en zij maakten voor Giblos een gouden vorm en legden hem daarin. Angeas voerde opnieuw strijd tegen Turgos, werd sterker dan hij en doodde hem; hij velde heel zijn volk met de scherpte van het zwaard. Zo nam Angeas wraak voor Giblos, de zoon van zijn broer, en voor het leger van zijn broer Lukos. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אנגיאס (angias) = Angeas | דודו (dodo) = zijn oom | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויעשו (vaya'asu) = en maakten | לגיבלוש (ligiblosh) = voor Giblos | גולם (golem) = een vorm van | זהב (zahav) = goud | ויתנוהו (vayitnuhu) = en legden hem | בתוכו (betocho) = daarin | ויערוך (vaya'arokh) = en stelde op | עוד (od) = opnieuw | אנגיאס (angias) = Angeas | מלחמה (milchamah) = oorlog | לקראת (liqrat) = tegen | תורגוס (turgos) = Turgos | ויחזק (vayechazzeq) = en werd sterker | ממנו (mimmennu) = dan hij | אנגיאס (angias) = Angeas | ויהרגהו (vayahargehu) = en hij doodde hem | ויפל (vayyappel) = en velde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עמו (immo) = zijn volk | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | וינקום (vayiqom) = en hij nam wraak | אנגיאס (angias) = Angeas | את (et) = (lijdend voorwerp) | נקמת (niqmat) = de wraak voor | גיבלוש (giblosh) = Giblos | בן (ben) = zoon van | אחיו (achiv) = zijn broer | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נקמת (niqmat) = de wraak voor | חיל (chayil) = leger | לוקוש (luqosh) = Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: גולם (golem) betekent eigenlijk ‘ongevormde massa’; de Engelse vertaling heeft ‘coffin’. **60:23** Toen Turgos gestorven was, werden de handen van de overgeblevenen van zijn leger slap in de strijd, en zij vluchtten voor Angeas en voor zijn broer Lukos. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | במות (bemot) = bij het sterven van | תורגוס (turgos) = Turgos | וירפו (vayirpu) = en zij werden slap | ידי (yedei) = de handen van | הנשארי (hanishari) = de overgeblevenen | מחילו (mechilo) = van zijn leger | במלחמה (bammilchamah) = in de strijd | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | לפני (lifnei) = voor | אנגיאס (angias) = Angeas | ולפני (velifnei) = en voor | לוקוש (luqosh) = Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:24** Angeas en zijn broer Lukos achtervolgden hen tot aan de splitsing van de weg tussen Albano en Roma, en zij doodden heel het leger van Turgos met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | אנגיאס (angias) = Angeas | ולוקוש (veluqosh) = en Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | עד (ad) = tot | אם (em) = splitsing van | הדרך (haderekh) = de weg | אשר (asher) = die | בין (bein) = tussen | אלבנו (albano) = Albano | ובין (uvein) = en tussen | רומח (romach) = Roma | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | כל (kol) = alle | חיל (chayil) = leger | תורגוס (turgos) = Turgos | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier רומח; in vers 27 staat רומה (Roma). אם הדרך (Ezech. 21:26) is de splitsing van de weg. Zie ook: Ezech 21:31 ### De graven bij Albano en Roma **60:25** Lukos, de koning van Sardonia, gebood zijn dienaren, en zij maakten een kist van brons, legden daarin het lichaam van zijn zoon Giblos en begroeven hem op die plaats. Brontekst: ולוקוש (veluqosh) = en Lukos | מלך (malakh) = koning van | סרדוניא (sardonya) = Sardonia | ציוה (tsiwwah) = gebood | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויעשו (vaya'asu) = en maakten | ארון (aron) = een kist | נחושת (nechoshet) = van brons | וישימו (vayasimu) = en zij zetten | בתוכו (betocho) = daarin | את (et) = (lijdend voorwerp) | גויית (geviyyat) = lichaam van | גיבלוש (giblosh) = Giblos | בנו (beno) = zijn zoon | ויקברוהו (veyiqbaruhu) = en begroeven hem | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:26** Zij bouwden boven hem een hoge toren daar bij de splitsing van de weg, en zij noemden de toren Giblos, naar zijn naam, tot op deze dag. Ook Turgos, de koning van Bibinto, begroeven zij daar met Giblos op die plaats. Brontekst: ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | עליו (alav) = boven hem | מגדל (migdal) = een toren | גבוה (gavoah) = hoog | שם (shem) = daar | על (al) = op | אם (em) = splitsing van | הדרך (haderekh) = de weg | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | גיבלוש (giblosh) = Giblos | על (al) = naar | שמו (shemo) = zijn naam | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze | וגם (vegam) = en ook | תורגוס (turgos) = Turgos | מלך (malakh) = koning van | ביבינטו (bibinto) = Bibinto | קברו (qivru) = begroeven | אותו (oto) = hem | שם (shem) = daar | עם (im) = met | גיבלוש (giblosh) = Giblos | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:27** En zie, bij de splitsing van de weg tussen Albano en Roma is het graf van Giblos aan de ene kant en het graf van Turgos aan de andere kant, en een plaveisel tussen hen, tot op deze dag. Brontekst: והנה (vehinneh) = en zie | על (al) = op | אם (em) = splitsing van | הדרך (haderekh) = de weg | בין (bein) = tussen | אלבנו (albano) = Albano | ובין (uvein) = en tussen | רומה (roma) = Roma | קבר (qever) = het graf van | גיבלוש (giblosh) = Giblos | מזה (mizzeh) = aan de ene kant | וקבר (veqever) = en het graf van | תורגוס (turgos) = Turgos | מזה (mizzeh) = aan de andere kant | ורצפה (vetsifa) = en een plaveisel | ביניהם (beneihem) = tussen hen | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:28** Toen Giblos begraven was, keerde zijn vader Lukos met zijn leger terug naar zijn land Sardonia, en Angeas, zijn broer, de koning van Afrika, ging met zijn leger naar de stad Bibinto, dat is de stad van Turgos. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בקבור (biqvor) = bij het begraven | גיבלוש (giblosh) = Giblos | וישב (vayyashev) = keerde terug | לוקוש (luqosh) = Lukos | אביו (aviv) = zijn vader | עם (im) = met | חילו (chelo) = zijn leger | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land | סרדוניא (sardonya) = Sardonia | ואנגיאס (ve'angias) = en Angeas | אחיו (achiv) = zijn broer | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | עם (im) = met | חילו (chelo) = zijn leger | הלכו (halekhu) = gingen | עד (ad) = tot | עיר (ir) = stad | ביבינטו (bibinto) = Bibinto | היא (hi) = dat is | עיר (ir) = stad | תורגוס (turgos) = Turgos Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Bibinto gespaard **60:29** De inwoners van Bibinto hoorden van zijn roem en vreesden hem zeer; zij gingen hem tegemoet met geween en smeekbeden, en de inwoners van Bibinto smeekten Angeas hen niet te doden en hun stad niet te verwoesten. Hij deed zo, want Bibinto werd in die dagen gerekend tot de steden van de zonen van Kittim; daarom verwoestte hij de stad niet. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ביבינטו (bibinto) = Bibinto | את (et) = (lijdend voorwerp) | שומעו (shom'o) = zijn roem | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | ממנו (mimmennu) = van hem | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | בבכי (bevekhi) = met geween | ובתחנונים (uvetachanunim) = en met smeekbeden | ויתחננו (vayitchannenu) = en zij smeekten | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ביבינטו (bibinto) = Bibinto | אל (el) = tot | אנגיאס (angias) = Angeas | לבלתי (levilti) = om niet | המיתם (hemitam) = hen te doden | ולבלתי (velivlti) = en om niet | השחית (hishchit) = te verwoesten | את (et) = (lijdend voorwerp) | עירם (iram) = hun stad | ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | כי (ki) = want | מערי (me'arei) = tot de steden van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | תחשב (techashev) = werd gerekend | ביבינטו (bibinto) = Bibinto | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | על (al) = daarom | כן (ken) = — | לא (lo) = niet | השחית (hishchit) = verwoestte | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **60:30** Maar van die dag af trokken de groten van de koning van Afrika naar Kittim om buit te maken en te plunderen, en telkens als zij gingen, ging Zefo, de overste van het leger van Angeas, met hen mee. Brontekst: אך (akh) = alleen | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | ילכו (yelkhu) = gingen | גדולי (gedoley) = de groten van | מלך (malakh) = de koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | כתימה (kitima) = naar Kittim | לשלול (lishlol) = te plunderen | שלל (shalal) = buit | ולבוז (ulavoz) = en te roven | בז (baz) = buit | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מדי (Madai) = telkens als | לכתם (lekhtam) = hun gaan | והלך (vehalakh) = ging | צפו (tsefo) = Zefo | שר (sar) = overste van | צבא (tsava) = leger van | אנגיאס (angias) = Angeas | עמהם (immahem) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Angeas neemt Jania tot vrouw **60:31** Daarna keerde Angeas met zijn leger terug en zij kwamen naar de stad Putsimna, en Angeas nam daar Jania, de dochter van Utsi, tot vrouw en bracht haar naar Afrika, naar zijn stad. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | ויפן (vayyifen) = keerde | אנגיאס (angias) = Angeas | עם (im) = met | חילו (chelo) = zijn leger | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = naar | עיר (ir) = stad | פוצימנא (putsimna) = Putsimna | ויקח (vayikkach) = en hij nam | שם (shem) = daar | אנגיאס (angias) = Angeas | את (et) = (lijdend voorwerp) | יאניה (yaniya) = Jania | בת (bat) = dochter van | עוצה (utsah) = Utsi | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויביאה (vayeviehah) = en bracht haar | אפריקה (afriqa) = Afrika | אל (el) = naar | עירו (iro) = zijn stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 61 _Zefo in Kittim_ ### Het paleis van de farao **61:1** In die tijd gebood de farao, de koning van Egypte, heel zijn volk een sterk paleis voor hem te maken in Egypte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לכל (lekhol) = aan heel | עמו (immo) = zijn volk | לעשות (la'asot) = te maken | לו (lo) = voor hem | היכל (heikhal) = paleis | חזק (chazaq) = sterk | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **61:2** Hij gebood ook alle zonen van Jakob de Egyptenaren te helpen bij de bouw, en de Egyptenaren maakten voor de farao een mooi en sierlijk paleis tot woning van zijn koningschap; hij woonde daarin, vernieuwde zijn koningschap en regeerde in veiligheid. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | גם (gam) = ook | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (obj.) | מצרים (Mitsrayim) = de Egyptenaren | בבניין (bivnyan) = bij de bouw van | ויעשו (vaya'asu) = en maakten | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | אל (el) = voor | פרעה (par'oh) = Farao | היכל (heikhal) = paleis | יפה (yafah) = mooi | ונאה (vene'eh) = en sierlijk | לבית (levet) = tot woning van | מלכותו (malkhuto) = koningschap | וישב (vayyashev) = en woonde | בו (bo) = daarin | ויחדש (vayechadesh) = en vernieuwde | את (et) = (obj.) | מלכותו (malkhuto) = zijn koningschap | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | לבטח (lavetach) = in veiligheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De dood van Zebulon en Simeon **61:3** Zebulon, de zoon van Jakob, stierf in dat jaar, het vierenzeventigste jaar sinds het afdalen van Israël naar Egypte. Zebulon stierf op honderdveertienjarige leeftijd; hij werd in een kist gelegd en aan zijn zonen overgegeven. Brontekst: וזבולון (uzvulun) = en Zebulon | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מת (met) = stierf | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = dat | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = jaar van | שבעים (shiv'im) = zeventig | וארבע (ve'arba) = en vier | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | וימת (vayamot) = en hij stierf | זבולון (zevulun) = Zebulon | בן (ben) = was | מאה (me'ah) = honderd | וארבע (ve'arba) = en vier | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | ויושם (vayusam) = en hij werd gelegd | בארון (ba'aron) = in een kist | ויותן (vayuten) = en gegeven werd | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier ‘vierenzeventigste jaar’ (שבעים וארבע); de Engelse vertaling heeft ‘seventy-second’. Het Hebreeuws is gevolgd. **61:4** In het vijfenzeventigste jaar stierf zijn broer Simeon, honderdtwintig jaar oud bij zijn dood; ook hij werd in een kist gelegd en aan zijn zonen overgegeven. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = en in het jaar | שבעים (shiv'im) = zeventig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנה (shanah) = jaar | מת (met) = stierf | שמעון (Shim'on) = Simeon | אחיו (achiv) = zijn broer | בן (ben) = was | מאה (me'ah) = honderd | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | שנה (shanah) = jaar | במותו (bemoto) = bij zijn dood | ויושם (vayusam) = en hij werd gelegd | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | בארון (ba'aron) = in een kist | ויותן (vayuten) = en gegeven werd | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Zefo hitst Angeas op **61:5** Zefo, de zoon van Elifaz, de zoon van Ezau, de overste van het leger van Angeas, de koning van Dinhaba, hitste Angeas nog dag na dag op om oorlog te voeren en te strijden tegen de zonen van Jakob in Egypte. Maar Angeas wilde dit niet doen, want zijn dienaren hadden hem verteld over de hele kracht van de zonen van Jakob en over wat zij hun in hun strijd tegen de zonen van Ezau hadden aangedaan. Brontekst: וצפו (vetsefo) = en Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | שר (sar) = overste van | צבא (tsava) = leger van | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | דנהבה (dinhava) = Dinhaba | עודנו (odenu) = nog | מסית (masit) = ophitsend | את (et) = (obj.) | אנגיאס (angias) = Angeas | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | לערוך (la'arokh) = te voeren | מלחמה (milchamah) = oorlog | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde | אנגיאס (angias) = Angeas | לעשות (la'asot) = om te doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | כי (ki) = want | סיפרו (siperu) = hadden verteld | לו (lo) = aan hem | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | גבורת (gevurat) = de kracht van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = deden | להם (lahem) = aan hen | במלחמתם (bemilchamtam) = in hun strijd | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **61:6** Zefo hitste Angeas in die dagen dag na dag op om te strijden tegen de zonen van Jakob. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | צפו (tsefo) = Zefo | מסית (masit) = ophitsend | את (et) = (obj.) | אנגיאס (angias) = Angeas | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **61:7** Na enige tijd luisterde Angeas naar de woorden van Zefo en stemde erin toe te strijden tegen de zonen van Jakob in Egypte. Angeas schaarde heel zijn volk, een talrijk volk als het zand dat aan de oever van de zee is, en richtte zijn gelaat om naar Egypte te gaan ten strijde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מימים (miyyamim) = na enige tijd | וישמע (vayishma) = en luisterde | אנגיאס (angias) = Angeas | אל (el) = naar | דברי (divrei) = woorden van | צפו (tsefo) = Zefo | ויאבה (vaye'eveh) = en stemde in | לו (lo) = ermee | להילחם (lehillachem) = te strijden | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ויערוך (vaya'arokh) = en schaarde | אנגיאס (angias) = Angeas | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | עמו (immo) = zijn volk | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | כחול (kachol) = als het zand van | אשר (asher) = dat | על (al) = aan | שפת (sefat) = de oever van | הים (hayyam) = de zee | וישם (vayasem) = en richtte | פניו (panav) = zijn gelaat | ללכת (lalekhet) = om te gaan | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Bileam waarzegt **61:8** Daar was een jongen onder de dienaren van Angeas, vijftien jaar oud; Bileam, de zoon van Beor, was zijn naam. De jongen was zeer wijs en kundig in de waarzeggerij. Brontekst: ושם (veShem) = en daar | היה (hayah) = was | נער (na'ar) = jongen | אחד (echad) = één | מעבדי (me'avdei) = van de dienaren van | אנגיאס (angias) = Angeas | בן (ben) = was | חמש (chamesh) = vijf | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | בלעם (bil'am) = Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | שמו (shemo) = zijn naam | והנער (vehana'ar) = en de jongen | חכם (chakham) = wijs | מאוד (me'od) = zeer | ומבין (umevin) = en kundig | בחכמת (bechokhmat) = in de wijsheid van | הקסם (haqesem) = de waarzeggerij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 22:5 en Joz. 13:22 (Bileam, de zoon van Beor, de waarzegger). Zie ook: Num 22:5; Joz 13:22 **61:9** Angeas zei tegen Bileam: „Waarzeg voor ons met waarzeggerij, opdat wij weten wie in deze strijd, waartegen wij optrekken, zal overwinnen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אנגיאס (angias) = Angeas | אל (el) = tot | בלעם (bil'am) = Bileam | קסום (qesom) = waarzeg | לנו (lanu) = voor ons | בקסם (baqesem) = met waarzeggerij | ונדעה (venede'a) = opdat wij weten | מי (mi) = wie | יגבר (yigbar) = zal overwinnen | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = die | אנחנו (anachnu) = wij | הולכים (holekhim) = gaan | עליה (aleha) = ertegen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **61:10** Bileam gebood, en zij brachten hem bijenwas; daarvan maakte hij een beeld van wagens en ruiters, een afbeelding van het leger van Angeas en het leger van Egypte, en hij zette ze in het listig bereide water dat hij daarvoor bij zich had. Hij nam palmtakken in zijn hand, bedreef zijn kunst en waarzegde ermee over het water, en in het water verschenen hem de beelden van de legers van Angeas, die vielen voor de beelden van Egypte en van de zonen van Jakob. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | בלעם (bil'am) = Bileam | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | לו (lo) = voor hem | דוגג (dugag) = bijenwas | ויעש (vayya'as) = en maakte | ממנו (mimmennu) = daarvan | תמונת (temunat) = beeld van | רכב (rekhev) = wagens | ופרשים (ufarashim) = en ruiters | תבנית (tavnit) = afbeelding van | חיל (chayil) = leger van | אנגיאס (angias) = Angeas | וחיל (vechayil) = en leger van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישימם (vayesimem) = en hij zette ze | במים (bammayim) = in het water | המחוכמים (hamechukamim) = de listig bereide | אשר (asher) = die | איתו (ito) = bij zich | על (al) = voor | ככה (kakhah) = dat doel | ויאחזו (vaye'achzu) = en nam | בידו (beyado) = in zijn hand | כפות (kafot) = takken van | תמרים (temarim) = palmen | ויתחכם (vayitchakkem) = en bedreef zijn kunst | ויקסום (vayiqsom) = en hij waarzegde | בהם (bahem) = ermee | על (al) = op | המים (hammayim) = het water | ויראו (vayiru) = en er verschenen | אליו (elav) = aan hem | במים (bammayim) = in het water | תמונת (temunat) = beeld van | צלמי (tsalmei) = beelden van | חיילות (chayyalot) = legers van | אנגיאס (angias) = Angeas | נופלים (noflim) = vallend | לפני (lifnei) = voor | תמונת (temunat) = beeld van | צלמי (tsalmei) = beelden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ובני (uvnei) = en de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: כפות תמרים (‘palmtakken’, zie Lev. 23:40); de Engelse vertaling heeft ‘boughs of myrtle trees’. Zie ook: Lev 23:40 **61:11** Bileam vertelde dit aan Angeas, en Angeas wanhoopte en omgordde zich niet om naar Egypte af te dalen ten strijde, maar bleef in zijn stad. Brontekst: ויגד (vayyaged) = en vertelde | בלעם (bil'am) = Bileam | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אל (el) = tot | אנגיאס (angias) = Angeas | ויתייאש (vayityaesh) = en hij wanhoopte | אנגיאס (angias) = Angeas | ולא (velo) = en niet | התאזר (hit'azer) = zich omgordde | לרדת (laredet) = om af te dalen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | וישב (vayyashev) = en bleef | בעירו (be'iro) = in zijn stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Zefo vlucht naar Kittim **61:12** Toen Zefo, de zoon van Elifaz, zag dat Angeas wanhoopte uit te trekken ten strijde tegen Egypte, vluchtte Zefo weg van Angeas uit Afrika, en hij ging en kwam naar Kittim. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen zag | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | כי (ki) = want | נתייאש (nityaesh) = wanhoopte | אנגיאס (angias) = Angeas | לצאת (latset) = uit te trekken | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | את (et) = tegen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויברח (vayivrach) = en hij vluchtte | צפו (tsefo) = Zefo | מאת (me'et) = van bij | אנגיאס (angias) = Angeas | מאפריקה (me'afriqa) = uit Afrika | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | כתימה (kitima) = naar Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **61:13** Alle mannen van Kittim ontvingen hem met grote eer en huurden hem om al de dagen hun oorlogen te voeren. Zefo werd in die dagen zeer rijk, terwijl de benden van de koning van Afrika in die dagen nog in het land Kittim plunderden. De zonen van Kittim verzamelden zich en gingen naar de berg Koftitsia, vanwege de scharen van Angeas, de koning van Afrika, die tegen hen kwamen. Brontekst: ויקבלוהו (vayeqablu'hu) = en zij ontvingen hem | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | כיתים (kitim) = Kittim | בכבוד (bikhvod) = met eer | גדול (gadol) = grote | וישכרו (vayisk'ru) = en huurden | אותו (oto) = hem | להילחם (lehillachem) = om te strijden | מלחמותם (milchamotam) = hun oorlogen | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | ויתעשר (vayit'asher) = en hij werd rijk | צפו (tsefo) = Zefo | מאוד (me'od) = zeer | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וגדודי (vegedudei) = en de benden van | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | עודם (odam) = nog | פושטים (poshtim) = plunderend | בארץ (ba'arets) = in het land | כיתים (kitim) = Kittim | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויאספו (vaye'esfu) = en zij verzamelden | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אל (el) = naar | הר (har) = berg | קופטיציאה (qoftitsia) = Koftitsia | מפני (mippenei) = vanwege | גדודי (gedudei) = de scharen van | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | הבאים (habba'im) = die kwamen | עליהם (aleihem) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: הר קופטיציאה (Koftitsia): in de Engelse vertaling ‘Mount Cuptizia’. ### Het dier in de spelonk **61:14** Op een dag verloor Zefo een stier, jong van het rundvee, en hij ging de stier zoeken en hoorde zijn gebrul rondom dat gebergte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | היום (hayyom) = op een dag | ויאבד (vaya'avved) = en verloor | לצפו (letsefo) = aan Zefo | פר (par) = een stier | בן (ben) = jong van | בקר (baqar) = het rundvee | וילך (vayelekh) = en hij ging | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (obj.) | הפר (hapar) = de stier | וישמע (vayishma) = en hoorde | את (et) = (obj.) | געייתו (ge'ayato) = zijn gebrul | סביבות (sevivot) = rondom | ההר (hahar) = het gebergte | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: פר is een stier; de Engelse vertaling heeft ‘a young heifer’ (een jonge vaars). **61:15** Zefo ging en zag, en zie, aan de voet van dat gebergte was een grote spelonk, en een grote steen lag in de opening van de spelonk. Zefo versplinterde de steen, kwam in de spelonk en zag, en zie, een groot dier at de stier; vanaf de helft naar boven had het de gedaante van een man, en vanaf de helft naar beneden de gedaante van een dier. Zefo stond op tegen dat dier en doodde het met zijn zwaard. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | צפו (tsefo) = Zefo | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | בתחתית (betachtit) = aan de voet van | ההר (hahar) = het gebergte | ההוא (hahu) = die | מערה (me'ara) = een spelonk | גדולה (gedolah) = grote | ואבן (va'even) = en een steen | גדולה (gedolah) = grote | שומה (sumah) = lag | בפתח (befetach) = in de opening van | המערה (hamme'arah) = de spelonk | ויפוצץ (vayefotsets) = en hij versplinterde | צפו (tsefo) = Zefo | את (et) = (obj.) | האבן (ha'even) = de steen | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אל (el) = naar | המערה (hamme'arah) = de spelonk | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | חיה (chayyah) = dier | גדולה (gedolah) = grote | אוכלת (okhelet) = etend | השור (hashor) = de os | מחציה (machtsiyah) = vanaf haar helft | ומעלה (uma'ala) = en omhoog | דמות (demut) = gedaante van | איש (ish) = een man | ומחציה (umachtsiyah) = en vanaf haar helft | ומטה (umatah) = en naar beneden | דמות (demut) = gedaante van | חיה (chayyah) = dier | ויקם (vayyaqom) = en stond op | צפו (tsefo) = Zefo | על (al) = tegen | החיה (hachayyah) = het dier | ההיא (hahi) = die | ויהרוג (veyahrog) = en doodde | אותה (otah) = het | בחרבו (becharbo) = met zijn zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **61:16** De inwoners van Kittim hoorden dit en waren zeer verheugd, en zij zeiden: „Wat zullen wij doen met de man die dit dier gedood heeft dat ons vee had uitgeroeid?” Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | יושבי (yoshvei) = bewoners van | כיתים (kitim) = Kittim | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וישמחו (vayismechu) = en zij waren vrolijk | מאוד (me'od) = zeer | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | מה (mah) = wat | נעשה (na'aseh) = zullen wij doen | לאיש (le'ish) = met de man | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | הרג (harag) = doodde | את (et) = (obj.) | החיה (hachayyah) = het dier | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = die | כלתה (kalta) = had uitgeroeid | בהמתנו (behemtenu) = ons vee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **61:17** Zij besloten allen een dag per jaar voor hem te bestemmen als feestdag, en zij noemden die dag Zefo, naar zijn naam. Elk jaar op die dag goten zij plengoffers voor hem uit en brachten hem geschenken. Brontekst: ויועדו (vayivvaadu) = en besloten | כולם (kullam) = allen | לעשות (la'asot) = te bestemmen | לו (lo) = voor hem | יום (yom) = een dag | אחד (echad) = één | בשנה (bashanah) = per jaar | יום (yom) = dag | מועד (mo'ed) = feestdag | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | את (et) = (obj.) | שם (shem) = de naam van | היום (hayyom) = dag | ההוא (hahu) = die | צפו (tsefo) = Zefo | על (al) = naar | שמו (shemo) = zijn naam | וינסכו (vayinsekhu) = en zij goten uit | לו (lo) = voor hem | נסכים (nesakhim) = plengoffers | מדי (Madai) = elk | שנה (shanah) = jaar | בשנה (bashanah) = per jaar | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | לו (lo) = voor hem | מנחות (minchot) = geschenken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het water van Purma **61:18** In die tijd werd Jania, de dochter van Utsi, de vrouw van koning Angeas, ziek, en haar ziekte werd zwaar voor koning Angeas en voor zijn vorsten. Angeas zei tegen zijn wijzen: „Wat zal ik doen met Jania, en waarmee zal ik haar ziekte genezen?” Zijn wijzen zeiden tegen hem: „Want de lucht van ons land is niet zoals de lucht van het land Kittim, en ons water is niet zoals hun water; daarom is koningin Jania hierdoor ziek geworden. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | חלתה (chalta) = werd ziek | יאניה (yaniya) = Jania | בת (bat) = dochter van | עוצי (utsi) = Utsi | אשת (eshet) = vrouw van | המלך (hammelekh) = de koning | אנגיאס (angias) = Angeas | ויקשה (vayiqsheh) = en zwaar werd | חוליה (choleha) = haar ziekte | על (al) = voor | אנגיאס (angias) = Angeas | המלך (hammelekh) = de koning | ועל (ve'al) = en voor | שריו (saraiv) = zijn vorsten | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אנגיאס (angias) = Angeas | אל (el) = tot | חכמיו (chakhamav) = zijn wijzen | מה (mah) = wat | אעשה (e'eseh) = zal ik doen | ליאניה (leyaniya) = aan Jania | ובמה (uvameh) = en waarmee | ארפא (erpa) = zal ik genezen | את (et) = (obj.) | חוליה (choleha) = haar ziekte | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = voor hem | חכמיו (chakhamav) = zijn wijzen | כי (ki) = omdat | לא (lo) = niet | כאוויר (ka'avir) = zoals de lucht van | ארצנו (artsenu) = ons land | כאויר (ke'avir) = als de lucht van | ארץ (erets) = land van | כיתים (kitim) = Kittim | ולא (velo) = en niet | מימינו (miyemino) = ons water | כמימיהם (kemeimeihem) = zoals hun water | על (al) = daarom | כן (ken) = daarom | חלתה (chalta) = werd ziek | המלכה (hammalkah) = de koningin | יאניה (yaniya) = Jania | מזה (mizzeh) = hierdoor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **61:19** Door de verandering van de lucht en het water is zij ziek geworden, en ook omdat zij in haar land niet anders dronk dan het water dat uit Purma komt, dat haar vaderen over bruggen hadden aangevoerd.” Brontekst: כי (ki) = want | בהשתנות (behishtanot) = door de verandering van | אליה (eleha) = voor haar | האוויר (ha'avir) = de lucht | והמים (vehammayim) = en het water | חלתה (chalta) = werd ziek | וגם (vegam) = en ook | כי (ki) = want | בארצה (be'artsah) = in haar land | איננה (enennah) = niet | שותה (shotah) = drinkt | כי (ki) = behalve | אם (em) = behalve | המים (hammayim) = het water | הבאים (habba'im) = die komen | מן (min) = uit | פורמה (purma) = Purma | אשר (asher) = die | העלו (he'elu) = hadden omhoog gebracht | אותם (otam) = het | אבותיה (avoteha) = haar vaderen | בגשרים (bagesharim) = over bruggen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: פורמה (Purma): in de Engelse vertaling ‘Purmah’. **61:20** Angeas gebood zijn dienaren, en zij brachten hem in vaten van het water van Purma, dat van Kittim is. Zij wogen dat water tegen alle wateren van het land Afrika, en zij vonden dat het water van Purma lichter was dan het water van Afrika. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אנגיאס (angias) = Angeas | את (et) = (obj.) | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | לו (lo) = voor hem | ממימי (mimei) = van het water van | פורמה (purma) = Purma | אשר (asher) = die | לכיתים (lekitim) = van Kittim | בכלים (bakelim) = in vaten | וישקלו (vayishqelu) = en zij wogen | המים (hammayim) = het water | ההם (hahem) = die | עם (im) = tegen | כל (kol) = alle | מימי (miyyemei) = alle wateren van | ארץ (erets) = land van | אפריקה (afriqa) = Afrika | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (obj.) | מימי (miyyemei) = het water van | פורמה (purma) = Purma | קלים (qalim) = lichter | ממימי (mimei) = dan het water van | אפריקה (afriqa) = Afrika Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **61:21** Angeas zag dit en gebood al zijn vorsten steenhouwers te verzamelen, bij duizenden en tienduizenden, en zij hakten ontelbare stenen. De bouwers kwamen en bouwden een zeer machtige brug, en zij leidden een waterbron uit het land Kittim tot in Afrika. Dat water was voor koningin Jania en voor heel haar huishouden, om te drinken, te bakken, te wassen en te baden, en ook om daarmee al het zaad en alle vrucht van de grond waarvan gegeten wordt te bewateren. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | אנגיאס (angias) = Angeas | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | שריו (saraiv) = zijn vorsten | לאסוף (le'esof) = te verzamelen | חוצבי (chotsvei) = steenhouwers | אבנים (avanim) = stenen | לאלפים (le'alafim) = bij duizenden | ולרבבות (ulerevavot) = en tienduizenden | ויחצבו (vayachtsevu) = en zij hakten | אבנים (avanim) = stenen | לאין (le'ein) = zonder | מספר (mispar) = aantal | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | הבונים (habbonim) = de bouwers | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | גשר (gesher) = een brug | עצום (atsum) = machtige | מאוד (me'od) = zeer | ויביאו (vayavi'u) = en leidden | מעין (ma'yan) = een bron | מים (mayim) = water | מארץ (me'erets) = uit het land | כיתים (kitim) = Kittim | עד (ad) = tot | אפריקה (afriqa) = Afrika | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | המים (hammayim) = het water | ההמה (hahemah) = die | ליאניה (leyaniya) = aan Jania | המלכה (hammalkah) = de koningin | ולכל (ulkhol) = en voor al | אודותיה (odoteha) = haar huishouden | לשתות (lishtot) = om te drinken | ולאפות (vela'afot) = en om te bakken | בהם (bahem) = ermee | ולכבס (velekhabes) = en om te wassen | ולרחוץ (velirchots) = en om te baden | בהם (bahem) = ermee | וגם (vegam) = en ook | להשקות (lehashqot) = te bewateren | בהם (bahem) = ermee | כל (kol) = alle | זרע (zera) = zaad | האוכלת (ha'okhelet) = wat gegeten wordt | ממנו (mimmennu) = ervan | וכל (vekhol) = en alle | פרי (peri) = vrucht van | האדמה (ha'adamah) = de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **61:22** De koning gebood ook van het stof van het land Kittim in vele schepen aan te voeren, en ook stenen om daarmee te bouwen brachten zij mee; de bouwers bouwden paleizen voor koningin Jania, en de koningin werd van haar ziekte genezen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מעפר (me'afar) = uit het stof | ארץ (erets) = land van | כיתים (kitim) = Kittim | ציוה (tsiwwah) = gebood | המלך (hammelekh) = de koning | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | ממנו (mimmennu) = van hem | באוניות (ba'oniyot) = in schepen | רבות (rabbot) = vele | וגם (vegam) = en ook | אבנים (avanim) = stenen | לבנות (livnot) = te bouwen | מהם (mehem) = voor hen | הביאו (hevi'u) = brachten | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | הבונים (habbonim) = de bouwers | היכלות (heikhalot) = paleizen | ליאניה (leyaniya) = aan Jania | המלכה (hammalkah) = de koningin | ותתרפא (vatitrapeh) = en zij werd genezen | המלכה (hammalkah) = de koningin | מחוליה (mecholya) = van haar ziekte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Zefo wordt koning van Kittim **61:23** Bij de wending van het jaar kwamen de scharen van Afrika opnieuw in het land Kittim om te plunderen, zoals telkens. Zefo, de zoon van Elifaz, hoorde hun bericht, gaf hun bevel, streed tegen hen, en zij vluchtten voor hem; zo redde hij het land Kittim van hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לתקופת (litqufat) = bij de wending van | השנה (hashanah) = het jaar | ויוסיפו (vayosifu) = en zij gingen voort | עוד (od) = opnieuw | גדודי (gedudei) = de scharen van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ארץ (erets) = land van | כיתים (kitim) = Kittim | לשלול (lishlol) = te plunderen | שלל (shalal) = de buit van | כפעם (kefa'am) = zoals | בפעם (befa'am) = telkens | וישמע (vayishma) = en hoorde | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | את (et) = (obj.) | שמעם (shomam) = hun bericht | ויצו (vayetsav) = en gaf bevel | אליהם (aleihem) = tegen hen | וילחם (vayillachem) = en hij streed | בם (vam) = bij hen | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | לפניו (lefanav) = voor hem | ויצל (vayatsel) = en redde | את (et) = (obj.) | ארץ (erets) = land van | כיתים (kitim) = Kittim | מהם (mehem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **61:24** De zonen van Kittim zagen de kracht van Zefo, en de zonen van Kittim beraadslaagden en maakten Zefo tot koning over zich; hij werd koning over hen. Onder zijn bewind trokken zij erop uit om de zonen van Tubal en alle eilanden van de zee rondom hen te onderwerpen. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | את (et) = (obj.) | גבורת (gevurat) = de kracht van | צפו (tsefo) = Zefo | ויתייעצו (vayit'ayetsu) = en zij beraadslaagden | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | וימליכו (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | עליהם (aleihem) = over hen | את (et) = (obj.) | צפו (tsefo) = Zefo | ויהי (vayehi) = en hij werd | למלך (lammelekh) = tot koning | עליהם (aleihem) = over hen | ויהי (vayehi) = en tijdens | במלכו (bemalko) = toen hij koning werd | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לכבוש (likhbosh) = om te onderwerpen | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | תובל (Tuval) = Tubal | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | איי (iyei) = eilanden van | הים (hayyam) = de zee | אשר (asher) = die | סביבותיהם (seviotehem) = hun omgeving Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:2 (Tubal, een zoon van Jafet). Zie ook: Gen 10:2 **61:25** Zefo, hun koning, trok uit aan hun hoofd, en zij streden tegen de zonen van Tubal en de eilanden en onderwierpen hen. Bij hun terugkeer van de strijd vernieuwden zij zijn koningschap, bouwden zij voor hem een zeer groot paleis tot zijn koninklijke woning en zetel, en maakten zij voor hem een grote troon. Zefo regeerde vijftig jaar over het hele land Kittim en over het hele land Italia. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en trok uit | צפו (tsefo) = Zefo | מלכם (malkam) = hun koning | בראשם (berosham) = aan hun hoofd | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | תובל (Tuval) = Tubal | ואת (ve'et) = en (obj.) | האיים (ha'iyim) = de eilanden | ויכבשום (vayikhbeshum) = en zij onderwierpen hen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשובם (beshuvam) = bij hun terugkeer | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | ויחדשו (vayechadshu) = en zij vernieuwden | לו (lo) = voor hem | את (et) = (obj.) | מלכותו (malkhuto) = zijn koninkrijk | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | לו (lo) = voor hem | היכל (heikhal) = paleis | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | לבית (levet) = naar het huis van | מלכותו (malkhuto) = zijn koninkrijk | ולמושבו (ulemoshavo) = en tot zijn zetel | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | לו (lo) = voor hem | כיסא (kisse) = een troon | גדול (gadol) = grote | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | צפו (tsefo) = Zefo | על (al) = over | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | כיתים (kitim) = Kittim | ועל (ve'al) = en over | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | איטליא (italya) = Italia | חמישים (chamishim) = vijftig | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ויצו (‘en hij gebood’); wij lezen ויצא (‘en hij trok uit’), zoals de Engelse vertaling (‘went at their head’). ## Jasher 62 _Hadad en Midian_ ### De dood van Ruben en Dan **62:1** In dat jaar, het negenenzeventigste jaar sinds het afdalen van Israël naar Egypte, stierf Ruben, de zoon van Jakob, in het land Egypte. Ruben was honderdvijfentwintig jaar oud bij zijn dood; zij legden hem in een kist en hij werd aan zijn zonen overgegeven. Brontekst: בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = dat | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = jaar van | שבעים (shiv'im) = zeventig | ותשע (vetesha) = en negen | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | מת (met) = stierf | ראובן (Re'uven) = Ruben | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בן (ben) = was | מאה (me'ah) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנה (shanah) = jaar | ראובן (Re'uven) = Ruben | במותו (bemoto) = bij zijn dood | וישימוהו (veyasimuhu) = en zij legden hem | בארון (ba'aron) = in een kist | ויותן (vayuten) = en gegeven werd | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **62:2** In het tachtigste jaar stierf zijn broer Dan; hij was honderdvierentwintig jaar oud bij zijn dood; ook hij werd in een kist gelegd en aan zijn zonen overgegeven. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = en in het jaar van | השמונים (hashemonim) = de tachtigste | מת (met) = stierf | דן (Dan) = Dan | אחיו (achiv) = zijn broer | בן (ben) = was | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | וארבע (ve'arba) = en vier | שנים (shanim) = jaren | במותו (bemoto) = bij zijn dood | ויושם (vayusam) = en hij werd gelegd | בארון (ba'aron) = in een kist | ויותן (vayuten) = en gegeven werd | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘honderd en vierentwintig jaar’ (מאת שנה ועשרים וארבע); de Engelse vertaling heeft ‘a hundred and twenty years’. Het Hebreeuws is gevolgd. ### Hadad regeert in Edom **62:3** In dat jaar stierf Chusam, de koning van Edom, en na hem regeerde Hadad, de zoon van Bedad, vijfendertig jaar. In het eenentachtigste jaar stierf Issachar, de zoon van Jakob, in Egypte; Issachar was honderdtweeëntwintig jaar oud bij zijn dood, en hij werd in een kist gelegd en aan zijn zonen overgegeven. Brontekst: ובשנה (uvashanah) = en in dat jaar | ההיא (hahi) = dat | מת (met) = stierf | חושם (chusham) = Chusam | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | וימלוך (vayemlokh) = en regeerde | אחריו (acharav) = na hem | הדד (hadad) = Hadad | בן (ben) = zoon van | בדד (bedad) = Bedad | חמש (chamesh) = vijf | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | ובשנת (uvishnat) = en in het jaar van | שמונים (shemonim) = tachtig | ואחת (ve'achat) = en een | שנה (shanah) = jaar | מת (met) = stierf | יששכר (Yissakhar) = Issachar | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ויששכר (veyissakhar) = en Issachar | בן (ben) = was | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושתיים (ushtayim) = en twee | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | שנה (shanah) = jaar | במותו (bemoto) = bij zijn dood | ויושם (vayusam) = en hij werd gelegd | בארון (ba'aron) = in een kist | ויותן (vayuten) = en gegeven werd | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:34–35 (Chusam uit het land van de Temanieten; Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het veld van Moab). Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 36:34–35 **62:4** In het tweeëntachtigste jaar stierf Aser, zijn broer; hij was honderddrieëntwintig jaar oud toen hij stierf. Hij werd in een kist gelegd en aan zijn zonen overgegeven. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = en in het jaar van | שמונים (shemonim) = tachtig | ושתים (ushtayim) = en twee | שנה (shanah) = jaar | מת (met) = stierf | אשר (asher) = Aser | אחיו (achiv) = zijn broer | בן (ben) = was | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושלש (ushlosh) = en drie | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | שנה (shanah) = jaar | במותו (bemoto) = bij zijn dood | וישם (vayasem) = en hij werd gelegd | בארון (ba'aron) = in een kist | ויותן (vayuten) = en hij werd gegeven | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Dit vers (de dood van Aser in het tweeëntachtigste jaar, honderddrieëntwintig jaar oud) ontbreekt in het Hebreeuws van Livorno 1870. Zij is vertaald uit de Jeruzalemse druk van Sefer haYashar (uitg. Ezra Batzri, ספר הישר, deel Sjemot, blz. 207), waar ze wel staat. **62:5** In het drieëntachtigste jaar stierf Gad; hij was honderdvijfentwintig jaar oud; hij werd in een kist gelegd in Egypte en aan zijn zonen overgegeven. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = en in het jaar van | שמונים (shemonim) = tachtig | ושלוש (veshalosh) = en drie | שנים (shanim) = jaren | מת (met) = stierf | גד (Gad) = Gad | בן (ben) = was | מאה (me'ah) = honderd | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaren | היה (hayah) = was | ויושם (vayusam) = en hij werd gelegd | בארון (ba'aron) = in een kist | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ויותן (vayuten) = en gegeven werd | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Hadad trekt tegen Moab op **62:6** In het vierentachtigste jaar, dat is het vijfde jaar van het koningschap van Hadad, de zoon van Bedad, de koning van Edom, verzamelde Hadad alle zonen van Ezau en legde heel zijn leger gereed, ongeveer vierhonderdduizend man, en zette koers naar het land Moab. Hij trok erop uit om tegen Moab te strijden en hen onder zijn gezag cijnsplichtig te maken. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | שמונים (shemonim) = tachtig | וארבע (ve'arba) = en vier | שנים (shanim) = jaren | היא (hi) = dat is | השנה (hashanah) = het jaar | החמישית (hachamishit) = vijfde | למלכות (lemalkhut) = van het koningschap van | הדד (hadad) = Hadad | בן (ben) = zoon van | הדד (hadad) = Hadad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | ויקבוץ (vayiqbots) = en hij verzamelde | הדד (hadad) = Hadad | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = de zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויערוך (vaya'arokh) = en legde gereed | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | כארבע (ke'arba) = ongeveer vier | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | וישם (vayasem) = en hij zette | פניו (panav) = zijn aangezicht | ארץ (erets) = naar het land van | מואב (mo'av) = Moab | וילך (vayelekh) = en hij ging | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = (obj.) | מואב (mo'av) = Moab | ולתת (velatet) = en om hen te stellen | אותם (otam) = hen | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | למס (lamas) = tot cijns | עובד (oved) = dienstbaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘het vijfde jaar’ (השנה החמישית) van het koningschap van Hadad; de Engelse vertaling heeft ‘the fiftieth year’. De tekst heeft hier ook הדד בן הדד (‘Hadad, zoon van Hadad’); gelezen is ‘zoon van Bedad’, zoals elders in dit hoofdstuk. **62:7** De zonen van Moab hoorden dit en werden zeer bang, en zij stuurden naar de zonen van Midian om hen te helpen in de strijd tegen Hadad, de koning van Edom. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | מדין (Midyan) = Midian | לעזור (la'azor) = om te helpen | אותם (otam) = hen | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | הדד (hadad) = Hadad | בם (vam) = (bij hen) | הדד (hadad) = Hadad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **62:8** Hadad kwam in het land Moab; de zonen van Moab en de zonen van Midian trokken hem tegemoet en stelden zich tegen hem op in het veld van Moab. Brontekst: והדד (vehadad) = en Hadad | בא (ba) = kwam | ארץ (erets) = in het land van | מואב (mo'av) = Moab | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | ובני (uvnei) = en de zonen van | מדין (Midyan) = Midian | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | ויערכו (vaya'archu) = en zij stelden zich op | איתו (ito) = tegen hem | מלחמה (milchamah) = strijd | בשדה (bassadeh) = in het veld | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. **62:9** Hadad streed tegen Moab, en van de zonen van Moab en de zonen van Midian vielen vele gesneuvelden, ongeveer tweeduizend man. Brontekst: וילחם (vayillachem) = en hij streed | הדד (hadad) = Hadad | את (et) = tegen | מואב (mo'av) = Moab | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | מבני (mibbnei) = van de zonen van | מואב (mo'av) = Moab | ובני (uvnei) = en de zonen van | מדין (Midyan) = Midian | חללים (chalalim) = gesneuvelden | רבים (rabbim) = vele | כאלפיים (ke'alpayim) = ongeveer tweeduizend | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft כאלפיים (‘ongeveer tweeduizend’); de Engelse vertaling heeft ‘about two hundred thousand’. Het Hebreeuws is gevolgd. **62:10** De strijd werd zwaar voor Moab, en toen de zonen van Moab zagen dat de strijd te sterk voor hen was, lieten zij hun handen zakken, keerden de rug toe en lieten de zonen van Midian in de steek om te strijden. Brontekst: ותכבד (vetikhbad) = en werd zwaar | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | על (al) = voor | מואב (mo'av) = Moab | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | כי (ki) = want | חזקה (chazaqah) = krachtig | עליהם (aleihem) = voor hen | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | וירפו (vayirpu) = en zij werden slap | ידיהם (yedeihem) = hun handen | ויתנו (vayittenu) = en zij keerden | עורף (oref) = de rug | ויעזבו (vaya'azvu) = en zij verlieten | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | מדין (Midyan) = Midian | להילחם (lehillachem) = om te strijden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **62:11** De zonen van Midian wisten niet wat Moab van plan was, maar sterkten zich in de strijd en streden tegen Hadad en heel zijn leger; en heel Midian viel voor hem. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | מדין (Midyan) = Midian | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | את (et) = (obj.) | מחשבת (machshevet) = gedachte van | מואב (mo'av) = Moab | אך (akh) = maar | התחזקו (hitchazqu) = sterkten zich | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | את (et) = tegen | הדד (hadad) = Hadad | ואת (ve'et) = en tegen | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | כל (kol) = alle | מדין (Midyan) = Midian | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **62:12** Hadad bracht heel Midian een zware slag toe en doodde hen met de scherpte van het zwaard; hij liet geen overlevende van hen over, van allen die gekomen waren om Moab te helpen. Brontekst: ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | הדד (hadad) = Hadad | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | מדין (Midyan) = Midian | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | ויהרגם (vayaharegem) = en hij doodde hen | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | לא (lo) = niet | השאיר (hish'ir) = liet over | מהם (mehem) = van hen | שריד (sarid) = overlevende | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הבאים (habba'im) = die kwamen | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (obj.) | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **62:13** Toen alle zonen van Midian in de oorlog waren omgekomen en de zonen van Moab waren ontkomen, maakte Hadad in die tijd heel Moab cijnsplichtig; zij kwamen onder zijn gezag en gaven hem schatting, jaar na jaar, volgens de bepaling. Daarna keerde Hadad terug naar zijn land. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | תמו (tammu) = vergaan waren | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | מדין (Midyan) = Midian | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ובני (uvnei) = en de zonen van | מואב (mo'av) = Moab | נמלטו (nimletu) = ontkwamen | וישם (vayasem) = en maakte | הדד (hadad) = Hadad | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | מואב (mo'av) = Moab | בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = dat | למס (lamas) = tot cijns | עובד (oved) = dienstbaar | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | לו (lo) = aan hem | מס (mas) = schatting | כמשפט (kemishpat) = volgens het recht | שנה (shanah) = jaar | שנה (shanah) = na jaar | ויפן (vayyifen) = en keerde | הדד (hadad) = Hadad | וישב (vayyashev) = en ging terug | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Midian wil wraak **62:14** Bij de wending van het jaar hoorde de rest van Midian die in het land was, dat al hun broers in de strijd van Hadad om Moab waren gevallen en dat Moab in de oorlog de rug had toegekeerd en Midian in de steek had gelaten om te strijden. Toen beraadslaagden vijf vorsten van Midian met de rest van hun broers die in hun land waren overgebleven om tegen Moab te strijden, om de nederlaag van hun broers op hen te wreken. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לתקופת (litqufat) = bij de wending van | השנה (hashanah) = het jaar | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | יתר (yeter) = de rest van | מדין (Midyan) = Midian | אשר (asher) = die | בארץ (ba'arets) = in het land | כי (ki) = want | נפלו (naflu) = vielen | כל (kol) = alle | אחיהם (achihem) = hun broers | במלחמת (bemilchemet) = in de strijd met | הדד (hadad) = Hadad | בעבור (ba'avur) = vanwege | מואב (mo'av) = Moab | וכי (vekhi) = en dat | נתנו (netano) = hadden gegeven | מואב (mo'av) = Moab | עורף (oref) = de rug | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ויעזבו (vaya'azvu) = en zij verlieten | את (et) = (obj.) | מדין (Midyan) = Midian | להילחם (lehillachem) = te strijden | ויתייעצו (vayit'ayetsu) = en zij beraadslaagden | חמשת (chamishat) = vijf | נשיאי (nesi'ei) = vorsten van | מדין (Midyan) = Midian | עם (im) = met | יתר (yeter) = de rest van | אחיהם (achihem) = hun broers | אשר (asher) = die | נשארו (nish'aru) = overgebleven waren | בארצם (be'artsam) = in hun land | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = (obj.) | מואב (mo'av) = Moab | לנקום (linqom) = te wreken | מהם (mehem) = op hen | מלחמת (milchemet) = de strijd van | אחיהם (achihem) = hun broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **62:15** De zonen van Midian stuurden naar al hun broers, de zonen van het oosten, en al hun broers, alle zonen van Ketura, kwamen Midian helpen om te strijden tegen Moab. Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | בני (bnei) = zonen van | מדין (Midyan) = Midian | אל (el) = naar | כל (kol) = alle | אחיהם (achihem) = hun broers | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | אחיהם (achihem) = hun broers | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קטורה (Qeturah) = Ketura | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (obj.) | מדין (Midyan) = Midian | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:1–6 (Ketura baarde Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Sjuach; Abraham zond de zonen van zijn bijvrouwen naar het oosten). Zie ook: Gen 25:1–6 **62:16** De zonen van Moab hoorden dit en werden zeer bang, want alle zonen van het oosten waren tegen hen verzameld ten strijde; en ook zij, de zonen van Moab, stuurden een brief naar het land Edom, naar Hadad, de zoon van Bedad, de koning van Edom, met de woorden: Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויראו (vayiru) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | נאספו (ne'esfu) = werden verzameld | עליהם (aleihem) = tegen hen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | ספר (sefer) = een brief | אל (el) = naar | ארץ (erets) = land van | אדום (Edom) = Edom | אל (el) = tot | הדד (hadad) = Hadad | הן (hen) = zoon van | בדד (bedad) = Bedad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Lezing: De tekst heeft הן בדד (‘Hadad, hen Bedad’); gelezen is בן בדד (‘zoon van Bedad’). **62:17** „Kom toch naar ons toe en help ons, dan zullen wij Midian verslaan; want zij zijn allen samen verzameld en tegen ons gekomen met al hun broers, de zonen van het oosten, ten strijde, om op ons de wraak te nemen voor de gevallenen van Midian in de oorlog.” Brontekst: בוא (bo) = kom | נא (na) = toch | אלינו (elenu) = naar ons | ועזרנו (ve'azrenu) = en help ons | ונכה (venakkeh) = dan zullen wij verslaan | את (et) = (obj.) | מדין (Midyan) = Midian | כי (ki) = want | נאספו (ne'esfu) = werden verzameld | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | עלינו (aleinu) = tegen ons | עם (im) = met | כל (kol) = alle | אחיהם (achihem) = hun broers | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | להינקם (lehinaqem) = om te wreken | ממנו (mimmennu) = op ons | נקמת (niqmat) = de wraak voor | מדין (Midyan) = Midian | הנופלים (hanoflim) = de gevallenen | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **62:18** Hadad, de zoon van Bedad, de koning van Edom, trok uit het land Edom weg met heel zijn leger en ging naar het land Moab om de zonen van Moab te helpen in de strijd tegen Midian. Midian en de zonen van het oosten streden tegen Moab in het veld van Moab, en er was een zeer zware strijd tussen hen. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | הדד (hadad) = Hadad | בן (ben) = zoon van | בדד (bedad) = Bedad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | מארץ (me'erets) = uit het land | אדום (Edom) = Edom | עם (im) = met | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | וילך (vayelekh) = en hij ging | ארץ (erets) = land van | מואב (mo'av) = Moab | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = (obj.) | מדין (Midyan) = Midian | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | מדין (Midyan) = Midian | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | עם (im) = tegen | מואב (mo'av) = Moab | בשדה (bassadeh) = in het veld | מואב (mo'av) = Moab | ותהי (vatehi) = en er was | ביניהם (beneihem) = tussen hen | מלחמה (milchamah) = strijd | חזקה (chazaqah) = krachtig | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. **62:19** Hadad trof alle zonen van Midian en de zonen van het oosten met de scherpte van het zwaard, en in die tijd redde Hadad Moab uit de hand van Midian. De overgeblevenen van Midian en van de zonen van het oosten vluchtten voor Hadad en zijn leger; Hadad achtervolgde hen tot in hun land en bracht hun een zeer zware slag toe, en de gesneuvelden vielen langs de weg. Brontekst: ויך (vayyakh) = en hij trof | הדד (hadad) = Hadad | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | מדין (Midyan) = Midian | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | ויצל (vayatsel) = en redde | הדד (hadad) = Hadad | את (et) = (obj.) | מואב (mo'av) = Moab | מיד (miyyad) = uit de hand van | מדין (Midyan) = Midian | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | הנשארים (hannish'arim) = de overgeblevenen | ממדין (mimidyan) = van Midian | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | לפני (lifnei) = voor | הדד (hadad) = Hadad | וחילו (vechelo) = en zijn leger | וירדוף (vayirdof) = en hij achtervolgde | הדד (hadad) = Hadad | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | עד (ad) = tot | ארצם (artsam) = hun land | ויכם (vayakkem) = en hij sloeg hen | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | מאוד (me'od) = zeer | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | חללים (chalalim) = gesneuvelden | בדרך (baderekh) = langs de weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **62:20** Zo redde Hadad Moab uit de hand van Midian, want alle zonen van Midian waren gevallen door de scherpte van het zwaard; en Hadad keerde terug naar zijn land. Brontekst: ויצל (vayatsel) = en redde | הדד (hadad) = Hadad | את (et) = (obj.) | מואב (mo'av) = Moab | מכף (mikkaf) = uit de hand van | מדין (Midyan) = Midian | כי (ki) = want | נפלו (naflu) = vielen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | מדין (Midyan) = Midian | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | ויפן (vayyifen) = en keerde | הדד (hadad) = Hadad | וישב (vayyashev) = en ging terug | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **62:21** Van die dag af haatten de zonen van Midian de zonen van Moab, omdat zij vanwege hen in de oorlog gevallen waren, en er was een grote en machtige haat tussen hen, al de dagen. Brontekst: ומהיום (umehayom) = en van die dag af | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | שנאו (sane'u) = haatten | בני (bnei) = zonen van | מדין (Midyan) = Midian | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | על (al) = omdat | אשר (asher) = omdat | נפלו (naflu) = vielen | בעבורם (ba'avuram) = vanwege hen | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ותהי (vatehi) = en er was | שנאה (sin'a) = haat | גדולה (gedolah) = grote | ועצומה (ve'atsuma) = en machtig | ביניהם (beneihem) = tussen hen | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **62:22** En ieder van Midian die op de weg door het land Moab gevonden werd, stierf door het zwaard van Moab, en ieder van Moab die op de weg door het land Midian gevonden werd, stierf door het zwaard van Midian; zo deden Midian en Moab elkaar aan, alle dagen, vele dagen lang. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כל (kol) = alle | הנמצא (hanimtsa) = wie gevonden werd | ממדין (mimidyan) = van Midian | בדרך (baderekh) = onderweg | ארץ (erets) = land van | מואב (mo'av) = Moab | ימות (yamut) = zal sterven | בחרב (bacherev) = met het zwaard | מואב (mo'av) = Moab | וכל (vekhol) = en alle | הנמצא (hanimtsa) = wie gevonden werd | ממואב (mimo'av) = van Moab | בדרך (baderekh) = onderweg | ארץ (erets) = land van | מדין (Midyan) = Midian | ימות (yamut) = zal sterven | בחרב (bacherev) = met het zwaard | מדין (Midyan) = Midian | ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden | מדין (Midyan) = Midian | למואב (lemo'av) = aan Moab | ומואב (umo'av) = en Moab | למדין (lemidyan) = aan Midian | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. ### De dood van Juda, Benjamin en Naftali **62:23** In die tijd stierf Juda, de zoon van Jakob, in Egypte, in het zesentachtigste jaar sinds het afdalen van Jakob en zijn zonen naar Egypte. Juda was honderdnegenentwintig jaar oud bij zijn dood; zij balsemden hem, legden hem in een kist en hij werd aan zijn zonen overgegeven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | וימת (vayamot) = en hij stierf | יהודה (Yehudah) = Juda | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | בשנת (bishnat) = in het jaar | שמונים (shemonim) = tachtig | ושש (veshesh) = en zes | שנים (shanim) = jaren | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | ומצרימה (umitsraymah) = en naar Egypte | ויהודה (vihudah) = en Juda | בן (ben) = was | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | ותשע (vetesha) = en negen | שנים (shanim) = jaren | במותו (bemoto) = bij zijn dood | ויחנטו (vayachnetu) = en zij balsemden | אותו (oto) = hem | וישימוהו (veyasimuhu) = en zij legden hem | בארון (ba'aron) = in een kist | וינתן (veyinaten) = en werd gegeven | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **62:24** In het zevenentachtigste jaar stierf zijn broer Benjamin, honderdzeventien jaar oud bij zijn dood; zij zetten hem in een kist en hij werd aan zijn zonen overgegeven. En in het negenentachtigste jaar stierf Naftali, honderdtweeëndertig jaar oud; hij werd in een kist gelegd en aan zijn zonen overgegeven. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = en in het jaar van | שמונים (shemonim) = tachtig | ושבע (veshev'a) = en zeven | שנים (shanim) = jaren | מת (met) = stierf | בנימין (binyamin) = Benjamin | אחיו (achiv) = zijn broer | בן (ben) = was | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושבע (veshev'a) = en zeven | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | במותו (bemoto) = bij zijn dood | וישימו (vayasimu) = en zij zetten | אותו (oto) = hem | בארון (ba'aron) = in een kist | ויותר (vayivvater) = en werd gegeven | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen | ובשנת (uvishnat) = en in het jaar van | שמונים (shemonim) = tachtig | ותשע (vetesha) = en negen | שנים (shanim) = jaren | מת (met) = stierf | נפתלי (Naftali) = Naftali | בן (ben) = was | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושתיים (ushtayim) = en twee | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | ויושם (vayusam) = en hij werd gelegd | בארון (ba'aron) = in een kist | ויותן (vayuten) = en gegeven werd | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Benjamin (honderdzeventien jaar, gestorven in het zevenentachtigste jaar) staat in het Hebreeuws, maar niet in de Engelse vertaling. In het Hebreeuws staat ויותר; gelezen is ויותן (‘en hij werd gegeven’). ### Afrika valt Kittim aan **62:25** In het eenennegentigste jaar sinds het afdalen van Israël naar Egypte, dat is het dertiende jaar van de regering van Zefo, de zoon van Elifaz, over de zonen van Kittim, kwamen de zonen van Afrika tegen de zonen van Kittim om hun buit te roven, zoals telkens; maar zij waren al dertien jaar niet tot hen gekomen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | תשעים (tish'im) = negentig | ואחת (ve'achat) = en een | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = jaar van | שלוש (shalosh) = drie | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | למלוך (limloch) = te regeren | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | באו (ba'u) = kwamen | בני (bnei) = zonen van | אפריקה (afriqa) = Afrika | על (al) = tegen | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | לשלול (lishlol) = om te roven | שלל (shalal) = de buit van | מהם (mehem) = voor hen | כפעם (kefa'am) = zoals telkens | בפעם (befa'am) = telkens | אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | באו (ba'u) = kwamen | אליהם (aleihem) = tot hen | זה (ze) = al | שלוש (shalosh) = drie | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘het dertiende jaar’ (שלוש עשרה שנה) van de regering van Zefo; de Engelse vertaling heeft ‘the thirtieth year’. Het Hebreeuws is gevolgd. **62:26** In dat jaar kwamen zij naar hen toe, en Zefo, de zoon van Elifaz, trok tegen hen uit met enkele van zijn mannen en bracht hun een zware en machtige slag toe; de benden van Afrika vluchtten voor Zefo en vele gesneuvelden vielen voor hem onderweg. Zefo en zijn mannen achtervolgden hen, steeds verder en slaand onder hen, tot dicht bij Afrika. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אליהם (aleihem) = naar hen toe | בשנה (bashanah) = in dat jaar | ההיא (hahi) = dat | ויצא (vayetse) = en trok uit | צפו (tsefo) = Zefo | הן (hen) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | אליהם (aleihem) = tegen hen | עם (im) = met | אנשים (anashim) = mannen | מאנשיו (me'anashav) = van zijn mannen | ויך (vayyakh) = en hij trof | בהם (bahem) = onder hen | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | ועצומה (ve'atsuma) = en machtig | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | גדודי (gedudei) = de scharen van | אפריקה (afriqa) = Afrika | מפני (mippenei) = voor | צפו (tsefo) = Zefo | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | חללים (chalalim) = gesneuvelden | רבים (rabbim) = vele | לפניו (lefanav) = voor hem | בדרך (baderekh) = onderweg | וירדפם (vayirdefem) = en hij achtervolgde hen | צפו (tsefo) = Zefo | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen | הלוך (halokh) = steeds verder | והכות (vehakkot) = en slaan | בהם (bahem) = onder hen | עד (ad) = tot | קרוב (qarov) = dicht bij | לאפריקה (le'afriqa) = naar Afrika Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **62:27** Angeas, de koning van Afrika, hoorde wat Zefo had gedaan, en zijn toorn ontbrandde zeer; en Angeas vreesde Zefo al de dagen. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gedaan | צפו (tsefo) = Zefo | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | לו (lo) = bij hem | מאוד (me'od) = zeer | ויירא (vayira) = en hij vreesde | אנגיאס (angias) = Angeas | מפני (mippenei) = voor | צפו (tsefo) = Zefo | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 63 _Zefo tegen Angeas_ ### De dood van Levi **63:1** In het drieënnegentigste jaar stierf Levi, de zoon van Jakob, in Egypte. Levi was honderdzevenendertig jaar oud bij zijn dood; zij zetten hem in een kist en hij werd aan zijn zonen overgegeven. Brontekst: ובשנת (uvishnat) = en in het jaar | תשעים (tish'im) = negentig | ושלוש (veshalosh) = en drie | שנים (shanim) = jaren | מת (met) = stierf | לוי (Levi) = Levi | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ולוי (uLevi) = en Levi | בן (ben) = was | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ושלושים (ushloshim) = en dertig | ושבע (veshev'a) = en zeven | שנים (shanim) = jaren | במותו (bemoto) = bij zijn dood | וישימו (vayasimu) = en zij zetten | אותו (oto) = hem | בארון (ba'aron) = in een kist | ויותן (vayuten) = en gegeven werd | ביד (beyad) = in de hand van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De Egyptenaren onderdrukken Israël **63:2** Na de dood van Levi, toen heel Egypte zag dat alle zonen van Jakob en de broers van Jozef gestorven waren, begonnen de Egyptenaren de zonen van Jakob te onderdrukken en hun leven te verbitteren, van die dag af tot de dag van hun uittocht uit Egypte. Zij namen uit hun hand al de wijngaarden en akkers weg die Jozef hun gegeven had, en al de mooie huizen waarin de zonen van Israël waren, en al het vette van Egypte; alles namen de Egyptenaren in die dagen van de zonen van Jakob. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = sterven | לוי (Levi) = Levi | כאשר (ka'asher) = toen | ראו (ra'u) = zij zagen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = dat | מתו (metu) = zijn gestorven | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואחי (ve'achi) = de broers van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויחלו (vayachelu) = en zij begonnen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לענות (la'anot) = om te onderdrukken | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולמרר (velamarer) = en te verbitteren | את (et) = (obj.) | חייהם (chayyehem) = hun leven | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | עד (ad) = tot | יום (yom) = dag | צאתם (tsetam) = hun uittocht | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ויסירו (vayasiru) = en zij namen weg | מידם (miyyadam) = uit hun hand | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הכרמים (hakramim) = de wijngaarden | והשדות (vehasadot) = en de akkers | אשר (asher) = die | נתן (natan) = had gegeven | להם (lahem) = aan hen | יוסף (Yosef) = Jozef | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | הבתים (habatim) = de huizen | הטובות (hattovot) = de mooie | אשר (asher) = die | היו (hayu) = waren | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בהם (bahem) = daarin | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | חלב (chelev) = het vette van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | הכל (hakkol) = alles | לקחו (laqchu) = namen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: חלב מצרים (‘het vette van Egypte’); vergelijk Gen. 45:18 (חלב הארץ, ‘het vette van het land’). Zie ook: Gen 45:18 **63:3** De hand van heel Egypte werd steeds zwaarder voor de zonen van Israël in die dagen, en de Egyptenaren deden Israël kwaad, totdat de zonen van Israël walgden van hun leven vanwege de Egyptenaren. Brontekst: ותלך (vattelekh) = en ging | יד (yad) = hand van | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | הלוך (halokh) = steeds | וקשה (vaqasha) = en zwaar | על (al) = op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וירעו (vayare'u) = en deden kwaad | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לישראל (leyisra'el) = aan Israël | עד (ad) = totdat | אשר (asher) = totdat | קצו (qatsu) = werden afkerig | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בחייהם (bechayehem) = van hun leven | מפני (mippenei) = vanwege | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Malol wordt farao **63:4** Na vele dagen, in het honderdtweede jaar sinds het afdalen van Israël naar Egypte, stierf de farao, de koning van Egypte, en Malol, zijn zoon, werd koning in zijn plaats; ook alle helden van Egypte en heel dat geslacht dat Jozef en zijn broers had gekend, stierven in die dagen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לימים (layamim) = na | רבים (rabbim) = vele dagen | בשנת (bishnat) = in het jaar | מאה (me'ah) = honderd | ושתיים (ushtayim) = en twee | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | וימת (vayamot) = en hij stierf | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | מלול (malol) = Malol | בנו (beno) = zijn zoon | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | גיבורי (gibborei) = helden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | הדור (haddor) = de generatie | ההוא (hahu) = die | אשר (asher) = die | ידע (yada) = kende | את (et) = (obj.) | יוסף (Yosef) = Jozef | ואת (ve'et) = en (obj.) | אחיו (achiv) = zijn broers | מתו (metu) = zijn gestorven | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מלול (Malol): in de Engelse vertaling ‘Melol’. **63:5** Er stond een ander geslacht op in hun plaats, dat de zonen van Jakob niet kende, noch al het goede dat zij hun gedaan hadden, noch al hun kracht in Egypte. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en stond op | דור (dor) = generatie | אחר (acher) = een andere | תחתם (tachtam) = in hun plaats | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | הטובה (hattovah) = de goede | אשר (asher) = die | עשו (asu) = deden | להם (lahem) = aan hen | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | גבורתם (gevuratam) = hun kracht | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:8 (een nieuwe koning die Jozef niet kende). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 1:8 **63:6** Daarom begonnen de Egyptenaren van die dag af het leven van de zonen van Jakob te verbitteren en hen te onderdrukken met allerlei harde arbeid, omdat zij hun vaders niet kenden, die hen gered hadden in de dagen van de honger. Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = daarom | החלו (hechellu) = begonnen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | למרר (lemarer) = te verbitteren | את (et) = (obj.) | חי (chai) = het leven van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולענותם (ule'anotam) = en hen te onderdrukken | בכל (bekhol) = met allerlei | עבודה (avodah) = arbeid | קשה (qashah) = zwaar | על (al) = omdat | כי (ki) = omdat | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = zij wisten | את (et) = (obj.) | אבותם (avotam) = hun vaders | אשר (asher) = die | הצילו (hitsilo) = hadden gered | אותם (otam) = hen | בימי (bimei) = in de dagen van | הרעב (hara'av) = de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:7** Ook dit was van Yahweh, voor de zonen van Israël, om hun uiteindelijk goed te doen, opdat alle zonen van Israël Yahweh, hun Elohim, zouden kennen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היתה (hayetah) = was | זאת (zot) = deze | לבני (livnei) = voor de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | להטיב (lehetiv) = om goed te doen | להם (lahem) = aan hen | באחריתם (be'acharitam) = in hun einde | למען (lema'an) = opdat | דעת (da'at) = zouden kennen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:8** En opdat zij de tekenen en de ontzagwekkende wonderen zouden kennen die Yahweh in Egypte zou doen ter wille van Zijn volk Israël, opdat de zonen van Israël Yahweh, de Elohim van hun vaders, zouden vrezen, Hem zouden dienen en in al Zijn wegen zouden wandelen, zijzelf en hun nageslacht na hen, al hun dagen. Brontekst: ולמען (ulema'an) = en opdat | דעת (da'at) = zouden kennen | האותות (ha'otot) = de tekenen | והמופתים (vehamoftim) = en de wonderen | הנוראים (hanora'im) = de ontzagwekkende | אשר (asher) = die | יעשה (ya'aseh) = zou doen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | בעבור (ba'avur) = ter wille van | עמו (immo) = Zijn volk | ישראל (yisra'el) = Israël | למען (lema'an) = opdat | ייראו (yir'u) = zouden vrezen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | אבותם (avotam) = hun vaders | לעבוד (la'avod) = dienen | אותו (oto) = Hem | וללכת (velalekhet) = en te wandelen | בכל (bekhol) = in heel | דרכיו (derakhav) = Zijn wegen | הם (hem) = zij | וזרעם (vezar'am) = en hun nageslacht | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | כל (kol) = alle | ימיהם (yemeihem) = al hun dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **63:9** Malol was zesentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vierennegentig jaar. Heel Egypte noemde hem farao, naar de naam van zijn vader, naar het gebruik bij elke koning die over hen in Egypte regeert. Brontekst: בן (ben) = was | עשרים (esrim) = twintig | ושש (veshesh) = en zes | שנים (shanim) = jaren | מלול (malol) = Malol | במלכו (bemalko) = toen hij koning werd | ותשעים (vetish'im) = en negentig | וארבע (ve'arba) = en vier | שנים (shanim) = jaren | מלך (malakh) = regeerde | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | שמו (shemo) = zijn naam | פרעה (par'oh) = Farao | כשם (keshem) = naar de naam van | אביו (aviv) = zijn vader | כמשפט (kemishpat) = volgens het gebruik | לעשות (la'asot) = om te doen | בכל (bekhol) = bij elke | מלך (malakh) = koning van | המולך (hamolekh) = die regeert | עליהם (aleihem) = over hen | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘zesentwintig jaar’ (עשרים ושש); de Engelse vertaling heeft ‘twenty years old’. Het Hebreeuws is gevolgd. ### Angeas valt Kittim aan **63:10** In die tijd trokken alle benden van Angeas, de koning van Afrika, uit om, zoals telkens, in het land Kittim binnen te vallen en hun buit te roven. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | כל (kol) = alle | גדודי (gedudei) = de scharen van | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | לפשוט (lifshot) = om binnen te vallen | בארץ (ba'arets) = in het land | כיתים (kitim) = Kittim | כפעם (kefa'am) = zoals | בפעם (befa'am) = telkens | לשלול (lishlol) = te plunderen | את (et) = (obj.) | שללם (shelalam) = hun buit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:11** Zefo, de zoon van Elifaz, de zoon van Ezau, de koning van Kittim, hoorde het bericht over hen; hij trok hen met zijn leger tegemoet en streed onderweg tegen hen. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | מלך (malakh) = koning van | כיתים (kitim) = Kittim | את (et) = (obj.) | שמעם (shomam) = het bericht over hen | ויצא (vayetse) = en trok uit | לקראתם (liqratam) = op hen af | בחילו (bechelo) = met zijn leger | וילחם (vayillachem) = en hij streed | בם (vam) = tegen hen | בדרך (baderekh) = onderweg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:12** Zefo trof de benden van de koning van Afrika met de scherpte van het zwaard; hij liet geen overlevende van hen over, en niet één van hen keerde terug naar zijn heer in Afrika. Brontekst: ויך (vayyakh) = en hij trof | צפו (tsefo) = Zefo | את (et) = (obj.) | גדודי (gedudei) = de scharen van | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | לא (lo) = niet | השאיר (hish'ir) = liet over | מהם (mehem) = van hen | שריד (sarid) = overlevende | ולא (velo) = en niet | שב (shav) = keerde terug | מהם (mehem) = van hen | אל (el) = naar | אדוניו (adonav) = zijn heer | אפריקה (afriqa) = Afrika | עד (ad) = zelfs | אחד (echad) = één Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:13** Angeas hoorde wat Zefo, de zoon van Elifaz, gedaan had aan heel zijn leger, dat hij hen verdelgd had. Toen riep Angeas heel zijn leger op, alle mannen van het land Afrika, een talrijk volk als het zand aan de oever van de zee. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אנגיאס (angias) = Angeas | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | לכל (lekhol) = aan heel | חילו (chelo) = zijn leger | אשר (asher) = dat | השמיד (hishmid) = had verdelgd | אותם (otam) = hen | וישמע (vayishma) = en liet oproepen | אנגיאס (angias) = Angeas | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | ארץ (erets) = land van | אפריקה (afriqa) = Afrika | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | מאוד (me'od) = zeer | כחול (kachol) = als het zand | אשר (asher) = die | על (al) = aan | שפת (sefat) = de oever van | הים (hayyam) = de zee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie 1 Sam. 15:4 (וישמע שאול את העם, ‘Saul riep het volk op’). Het tweede וישמע is hier zo gelezen. Zie ook: 1 Sam 15:4 ### Angeas en Lukos trekken op **63:14** Angeas stuurde naar Lukos, zijn broer, met de woorden: „Kom naar mij toe met al je mannen en help mij, dan zullen wij Zefo verslaan en alle zonen van Kittim, die mijn mannen verdelgd hebben.” Lukos kwam met heel zijn leger, een zeer groot leger, om Angeas, zijn broer, te helpen in de strijd tegen Zefo en de zonen van Kittim. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | אנגיאס (angias) = Angeas | אל (el) = tot | לוקוס (lukos) = Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | לאמור (lemor) = zeggende | בוא (bo) = kom | אליי (elai) = naar mij | עם (im) = met | כל (kol) = alle | אנשיך (anashekha) = je mannen | ועזרני (ve'azreni) = en help mij | ונכה (venakkeh) = dan zullen wij verslaan | את (et) = (obj.) | צפו (tsefo) = Zefo | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | אשר (asher) = die | השמידו (hishmidu) = hebben verdelgd | את (et) = (obj.) | אנשיי (anashai) = mijn mannen | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | לוקוש (luqosh) = Lukos | עם (im) = met | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | חיל (chayil) = een leger | גדול (gadol) = zeer groot | מאוד (me'od) = zeer | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (obj.) | אנגיאס (angias) = Angeas | אחיו (achiv) = zijn broer | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | צפו (tsefo) = Zefo | ואת (ve'et) = en (obj.) | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:15** Zefo en de zonen van Kittim hoorden dit en werden zeer bang, en een grote schrik viel in hun hart. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | צפו (tsefo) = Zefo | ובני (uvnei) = en de zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | ויפול (vayippol) = en viel | פחד (pachad) = schrik | גדול (gadol) = grote | בלבבם (bilvavam) = in hun hart Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Zefo vraagt hulp aan Edom **63:16** Ook Zefo stuurde een brief naar het land Edom, naar Hadad, de zoon van Bedad, de koning van Edom, en naar alle zonen van Ezau, met de woorden: Brontekst: וישלח (vayishlach) = en stuurde | צפו (tsefo) = Zefo | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | ספר (sefer) = een brief | לארץ (la'arets) = naar het land | אדום (Edom) = Edom | אל (el) = tot | הדד (hadad) = Hadad | בן (ben) = zoon van | בדד (bedad) = Bedad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | ואל (ve'el) = en tot | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **63:17** „Ik heb gehoord dat Angeas, de koning van Afrika, tegen ons komt met zijn broer om met ons te strijden. Wij zijn zeer bang voor hem, want zijn leger is zeer talrijk, en vooral omdat hij tegen ons komt met zijn broer en zijn leger. Brontekst: שמעתי (shamati) = ik heb gehoord | כי (ki) = want | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | בא (ba) = komt | אלינו (elenu) = naar ons | עם (im) = met | אחיו (achiv) = zijn broer | להילחם (lehillachem) = te strijden | בנו (beno) = tegen ons | ונירא (venira) = en wij zijn bang | מאוד (me'od) = zeer | ממנו (mimmennu) = van hem | כי (ki) = want | חילו (chelo) = zijn leger | רב (rav) = talrijk | מאוד (me'od) = zeer | ואף (ve'af) = en zelfs | אשר (asher) = dat | בא (ba) = komt | אלינו (elenu) = tot ons | עם (im) = met | אחיו (achiv) = zijn broer | וחילו (vechelo) = en zijn leger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:18** Trek dan nu ook met mij op en help mij, dan zullen wij samen strijden tegen Angeas en tegen Lukos, zijn broer, en dan zullen jullie ons uit hun hand redden; en zo niet, weet dan dat wij allen zullen sterven.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | עלו (alu) = trek op | איתי (itti) = met mij | גם (gam) = ook | אתם (ittam) = jullie | ועזרוני (ve'izruni) = en help mij | ונלחמה (venillachamah) = en laten wij strijden | יחד (yachad) = samen | באנגיאס (be'angi'as) = tegen Angeas | ובלוקוש (uvelukosh) = en tegen Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | והושעתם (vehoshaatem) = en jullie zullen redden | אותנו (otanu) = ons | מידם (miyyadam) = uit hun hand | ואם (ve'im) = en als | לא (lo) = niet | דעו (de'u) = weet | כי (ki) = dat | נמות (namut) = zullen sterven | כולנו (kulanu) = wij allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:19** De zonen van Ezau stuurden een brief naar de zonen van Kittim en naar Zefo, hun koning, met de woorden: „Wij kunnen niet strijden tegen Angeas en zijn volk, want er is al vele dagen een verbond en vrede tussen ons en hem, sinds de dagen van Bela, de zoon van Beor, de eerste koning, en sinds de dagen van Jozef, de zoon van Jakob, de koning van Egypte, met wie wij aan de overzijde van de Jordaan gestreden hebben toen hij zijn vader begroef.” Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ספר (sefer) = een brief | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ואל (ve'el) = en naar | צפו (tsefo) = Zefo | מלכם (malkam) = hun koning | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | נוכל (nukhal) = kunnen wij | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | אנגיאס (angias) = Angeas | ואת (ve'et) = en tegen | עמו (immo) = zijn volk | כי (ki) = want | ברית (berit) = een verbond | ושלום (veshalom) = en vrede | בינינו (beineinu) = tussen ons | איתו (ito) = met hem | זה (ze) = al | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | בלע (bela) = Bela | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | המלך (hammelekh) = de koning | הראשון (harishon) = de eerste | ומימי (umimei) = en sinds de dagen van | יוסף (Yosef) = Jozef | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אשר (asher) = die | נלחמנו (nilchamnu) = wij hebben gestreden | איתו (ito) = met hem | בעבר (be'ever) = aan de overzijde van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | בקברו (beqavro) = toen hij begroef | את (et) = (obj.) | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:32 (Bela, de zoon van Beor, de eerste koning van Edom). De strijd met Jozef en zijn broers bij de begrafenis van Jakob staat niet in Genesis; zie Gen. 50:10–11 voor de rouwplechtigheid aan de overzijde van de Jordaan. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 36:32; Gen 50:10–11 **63:20** Toen Zefo de woorden van zijn broers, de zonen van Ezau, hoorde, liet hij van hen af, en Zefo was zeer bang voor Angeas. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hoorde | צפו (tsefo) = Zefo | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | אחיו (achiv) = zijn broers | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויחדל (vayachdal) = liet af | מעליהם (me'aleihem) = van hen | ויירא (vayira) = en hij vreesde | צפו (tsefo) = Zefo | מפני (mippenei) = vanwege | אנגיאס (angias) = Angeas | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:21** Angeas en Lukos, zijn broer, stelden heel hun leger op, ongeveer achthonderd man, en gingen naar Kittim om tegen Zefo te strijden. Brontekst: ואנגיאס (ve'angias) = en Angeas | ולוקוש (veluqosh) = en Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | ערכו (arechu) = stelden op | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | חילם (cheilam) = hun leger | כשמונה (keshemonah) = ongeveer acht | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | כתימה (kitima) = naar Kittim | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | צפו (tsefo) = Zefo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft כשמונה מאות איש (‘ongeveer achthonderd man’); de Engelse vertaling heeft ‘about eight hundred thousand men’. Het Hebreeuws is gevolgd. ### Zefo roept Yahweh aan **63:22** Zefo, de zoon van Elifaz, trok hen tegemoet in angst en beven, met ongeveer drieduizend man, allen zonen van Kittim. En alle zonen van Kittim zeiden tot Zefo: „Smeek toch voor ons tot de Elohim van je vaderen, misschien zal Hij ons redden uit de hand van Angeas en zijn leger; want Elohim is groot, en Hij is de redder van allen die op Hem vertrouwen.” Brontekst: וצפו (vetsefo) = en Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | יצא (yatsa) = trok uit | לקראתם (liqratam) = op hen af | בפחד (bepachad) = in angst | וברעדה (uvir'ada) = en met beven | כשלושת (keshloshet) = ongeveer drie | אלפים (alafim) = duizend | אנשים (anashim) = man | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | אל (el) = tot | צפו (tsefo) = Zefo | התחנן (hitchannen) = smeek | נא (na) = toch | בעדינו (ba'adenu) = voor ons | אל (el) = tot | אלוקי (elohei) = Elohim van | אבותיך (avotekha) = je vaderen | אולי (ulai) = misschien | יצילנו (yatsilenu) = zal ons redden | מכף (mikkaf) = uit de hand van | אנגיאס (angias) = Angeas | וחילו (vechelo) = en zijn leger | כי (ki) = want | אלוקים (Elohim) = Elohim | גדול (gadol) = groot | הוא (hu) = Hij | והוא (vehu) = en Hij | המציל (hamatsil) = de redder | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הבוטחים (habbotechim) = die vertrouwen | אליו (elav) = op Hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De ‘ongeveer drieduizend man’ van Zefo (כשלושת אלפים אנשים) staan in het Hebreeuws, maar niet in de Engelse vertaling. **63:23** Zefo luisterde naar hun woorden, en Zefo zocht Yahweh en zei: Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | צפו (tsefo) = Zefo | אל (el) = naar | דבריהם (divreihem) = hun woorden | ויבקש (vayevaqqesh) = en zocht | צפו (tsefo) = Zefo | את (et) = (obj.) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en hij zei Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:24** „Yahweh, Elohim van Abraham en Isaak, mijn vaderen, vandaag weet ik dat U Elohim bent, waarachtig, en dat alle goden van alle volken damp zijn en leegte. Brontekst: יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | אבותיי (avotay) = mijn vaderen | היום (hayyom) = vandaag | יודע (yode'a) = weet ik | כי (ki) = dat | אתה (attah) = U | אלוקים (Elohim) = Elohim | אמת (emet) = waarachtig | וכל (vekhol) = en alle | אלוקי (elohei) = goden van | כל (kol) = alle | הגוים (hagoyim) = de volken | הבל (Hevel) = damp | המה (hemmah) = zijn | ותוהו (vatohu) = en leegte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:25** Gedenk toch vandaag voor mij Uw verbond met Abraham, onze vader, dat onze vaders ons verteld hebben, en bewijs mij vandaag trouw ter wille van Abraham en Isaak, onze vaders, en red mij en de zonen van Kittim uit de hand van de koning van Afrika, die tegen ons komen ten strijde.” Brontekst: זכור (zekhor) = gedenk | נא (na) = toch | אליי (elai) = voor mij | היום (hayyom) = vandaag | את (et) = (obj.) | בריתך (beritkha) = Uw verbond | את (et) = met | אברהם (avraham) = Abraham | אבינו (avinu) = onze vader | אשר (asher) = die | סיפרו (siperu) = hadden verteld | לנו (lanu) = voor ons | אבותינו (avotenu) = onze vaders | ועשה (ve'asah) = en doe | חסד (chesed) = trouw | עמי (immi) = met mij | היום (hayyom) = vandaag | בעבור (ba'avur) = ter wille van | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | אבינו (avinu) = onze vader | והושעת (vehoshe'ta) = en red | אותי (oti) = mij | ואת (ve'et) = en (obj.) | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | מיד (miyyad) = uit de hand van | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | הבאים (habba'im) = die komen | עלינו (aleinu) = tegen ons | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:26** Yahweh luisterde naar de stem van Zefo en had acht op hem ter wille van Abraham en Isaak, en Yahweh redde Zefo en de zonen van Kittim uit de hand van Angeas en zijn volk. Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקול (bekol) = naar de stem van | צפו (tsefo) = Zefo | וידרוש (vayidrosh) = en Hij had acht op | אליו (elav) = hem | בעבור (ba'avur) = ter wille van | אברהם (avraham) = Abraham | ויצחק (veyitschaq) = en Isaak | ויציל (vayatsel) = en redde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | צפו (tsefo) = Zefo | ואת (ve'et) = en (obj.) | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | מיד (miyyad) = uit de hand van | אנגיאס (angias) = Angeas | ועמו (ve'immo) = en zijn volk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: וידרוש אליו (letterlijk ‘en Hij zocht naar hem’, van דרש); de Engelse vertaling heeft ‘had regard for him’. Hier weergegeven als ‘had acht op hem’. **63:27** Zefo streed op die dag tegen Angeas, de koning van Afrika, en tegen heel zijn volk, en Yahweh gaf al de mannen van Angeas in de hand van de zonen van Kittim. Brontekst: וילחם (vayillachem) = en streed | צפו (tsefo) = Zefo | את (et) = tegen | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ואת (ve'et) = en tegen | כל (kol) = alle | עמו (immo) = heel zijn volk | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | אנגיאס (angias) = Angeas | ביד (beyad) = in de hand van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:28** De strijd werd zwaar voor Angeas; Zefo trof alle mannen van Angeas en Lukos, zijn broer, met de scherpte van het zwaard, en tot de avond van die dag vielen er van hen ongeveer vierhonderdduizend man. Brontekst: ותכבד (vetikhbad) = en werd zwaar | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | על (al) = voor | אנגיאס (angias) = Angeas | ויך (vayyakh) = en hij trof | צפו (tsefo) = Zefo | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | אנגיאס (angias) = Angeas | ולוקוש (veluqosh) = en Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | ויפול (vayippol) = en er vielen | מהם (mehem) = van hen | עד (ad) = tot | ערב (arav) = de avond van | היום (hayyom) = de dag | ההוא (hahu) = die | כארבע (ke'arba) = ongeveer vier | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Angeas roept heel Afrika op **63:29** Toen Angeas zag dat al zijn mannen gestorven waren, stuurde hij een brief naar alle inwoners van Afrika om bij hem te komen en hem te helpen in de oorlog. Hij schreef in de brief: „Al wie in Afrika gevonden wordt, moet bij mij komen, van tien jaar en ouder; zij moeten allen bij mij komen. Maar zie, wie niet komt, zal sterven, en alles wat hij heeft en heel zijn huis zal de koning nemen.” Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | אנגיאס (angias) = Angeas | כי (ki) = want | מתו (metu) = zijn gestorven | כל (kol) = alle | אנשיו (anashav) = zijn mannen | וישלח (vayishlach) = en hij zond | ספר (sefer) = een brief | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | אפריקה (afriqa) = Afrika | לבוא (lavo) = om te komen | אליו (elav) = bij hem | לעזרו (le'ezro) = om hem te helpen | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ויכתוב (vayikhtov) = en hij schreef | בספר (bassefer) = in de brief | לאמור (lemor) = zeggende | כל (kol) = alle | הנמצא (hanimtsa) = al wie gevonden wordt | באפריקה (be'afriqa) = in Afrika | יבוא (yavo) = moet komen | אליי (elai) = tot mij | מבן (mibben) = vanaf | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | ומעלה (uma'ala) = en ouder | כולם (kullam) = allen | יבואו (yavo'u) = moeten komen | אליי (elai) = tot mij | והנה (vehinneh) = maar zie | כאשר (ka'asher) = wie | לא (lo) = niet | יבוא (yavo) = komt | ומת (umet) = zal sterven | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij heeft | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | ביתו (beito) = zijn huis | יקח (yiqqach) = zal nemen | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:30** De overige inwoners van Afrika werden bang voor de woorden van Angeas, en uit de stad trokken ongeveer driehonderdduizend man en jongens, van tien jaar en ouder, en zij kwamen bij Angeas. Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | כל (kol) = alle | יתר (yeter) = de rest van | יושבי (yoshvei) = bewoners van | אפריקה (afriqa) = Afrika | מדברי (middivrei) = door de woorden van | אנגיאס (angias) = Angeas | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | מהעיר (mehair) = uit de stad | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | ונער (vena'ar) = en jongens | מבן (mibben) = van | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = tot | אנגיאס (angias) = Angeas Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De tweede slag **63:31** Na tien dagen rustte Angeas opnieuw een strijd toe tegen Zefo en de zonen van Kittim, en het werd een zeer grote en zware strijd tussen hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | עשרה (esreh) = tien | ימים (yamim) = dagen | ויערוך (vaya'arokh) = en stelde op | עוד (od) = opnieuw | אנגיאס (angias) = Angeas | מלחמה (milchamah) = oorlog | עם (im) = tegen | צפו (tsefo) = Zefo | ועם (ve'im) = en tegen | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ותהי (vatehi) = en er was | מלחמה (milchamah) = strijd | גדולה (gedolah) = grote | וחזקה (vechazaqa) = en sterk | מאוד (me'od) = zeer | ביניהם (beneihem) = tussen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:32** Zefo wierp van het leger van Angeas en Lukos, zijn broer, vele gesneuvelden ter aarde, ongeveer tweeduizend man, en ook Sosipter, de legeroverste van Angeas, viel in die strijd. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en wierp neer | צפו (tsefo) = Zefo | מחיל (mechel) = van het leger van | אנגיאס (angias) = Angeas | ולוקוש (veluqosh) = en Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | חללים (chalalim) = gesneuvelden | רבים (rabbim) = vele | בארץ (ba'arets) = ter aarde | כאלפיים (ke'alpayim) = ongeveer tweeduizend | איש (ish) = een man | ויפול (vayippol) = en hij viel | גם (gam) = ook | סוסיפטר (susiftar) = Sosipter | שר (sar) = overste van | צבא (tsava) = leger van | אנגיאס (angias) = Angeas | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: וישלח … חללים רבים בארץ (letterlijk ‘hij zond vele gesneuvelden naar de aarde’) is een ongewone zin; de Engelse vertaling heeft ‘sent many wounded unto his hand’. Hier gelezen als ‘wierp ter aarde’. **63:33** Toen Sosipter gestorven was, keerden de benden van Afrika zich om en keerden de rug toe om te vluchten, en zij vluchtten, en Angeas en Lukos, zijn broer, met hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | מת (met) = stierf | סוסיפטר (susiftar) = Sosipter | ויפנו (vayifnu) = en keerden zich om | גדודי (gedudei) = de scharen van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | עורף (oref) = de rug | לנוס (lanus) = om te vluchten | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | ואנגיאס (ve'angias) = en Angeas | ולוקוש (veluqosh) = en Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | עמהם (immahem) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:34** Zefo en de zonen van Kittim achtervolgden hen en brachten hun onderweg nog een zware slag toe, ongeveer tweehonderd man. Zij achtervolgden Azdrubal, de zoon van Angeas, omdat hij met zijn vader gevlucht was, en sloegen onderweg twintig van zijn mannen; Azdrubal ontkwam uit de hand van de zonen van Kittim, en zij doodden hem niet. Brontekst: וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | צפו (tsefo) = Zefo | ובני (uvnei) = en de zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | בהם (bahem) = onder hen | עוד (od) = nog | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | בדרך (baderekh) = onderweg | כמאתיים (kime'atayim) = ongeveer tweehonderd | איש (ish) = een man | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | את (et) = (obj.) | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | בן (ben) = zoon van | אנגיאס (angias) = Angeas | כי (ki) = want | נס (nas) = was gevlucht | עם (im) = met | אביו (aviv) = zijn vader | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | מאנשיו (me'anashav) = van zijn mannen | בדרך (baderekh) = onderweg | עשרים (esrim) = twintig | איש (ish) = een man | וימלט (vayimmalet) = en hij ontkwam | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | מיד (miyyad) = uit de hand van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ולא (velo) = en niet | המיתוהו (hemituhu) = doodden zij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **63:35** Angeas en Lukos, zijn broer, vluchtten met de rest van hun mannen; zij ontkwamen en kwamen in Afrika aan, in angst en beven. En Angeas was alle dagen bang voor Zefo, de zoon van Elifaz, voor het geval dat die opnieuw tegen hem zou strijden. Brontekst: ואנגיאס (ve'angias) = en Angeas | ולוקוש (veluqosh) = en Lukos | אחיו (achiv) = zijn broer | ברחו (barchu) = vluchtten | עם (im) = met | יתר (yeter) = de rest van | אנשיהם (anshehem) = hun mannen | וימלטו (vayimmaletu) = en ontkwamen | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | אפריקה (afriqa) = Afrika | בפחד (bepachad) = in schrik | וברעדה (uvir'ada) = en met beven | ויירא (vayira) = en hij vreesde | אנגיאס (angias) = Angeas | מפני (mippenei) = vanwege | צפן (tsefan) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | פן (pen) = voor het geval dat | ילחם (yillachem) = zou strijden | עוד (od) = opnieuw | איתו (ito) = tegen hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft צפן (‘Zefan’); gelezen is צפו (Zefo), zoals overal elders. ## Jasher 64 _Zefo trekt tegen Egypte op_ ### Bileam bij Zefo **64:1** Bileam, de zoon van Beor, was in die tijd met Angeas in de oorlog; en toen hij zag dat Zefo de overhand had boven Angeas, vluchtte hij van daar en kwam naar Kittim. Brontekst: ובלעם (uvil'am) = en Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | היה (hayah) = was | בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | עם (im) = met | אנגיאס (angias) = Angeas | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בראותו (bir'oto) = toen hij zag | כי (ki) = dat | גבר (gavar) = de overhand had | צפו (tsefo) = Zefo | על (al) = boven | אנגיאס (angias) = Angeas | ויברח (vayivrach) = en hij vluchtte | משם (misham) = vandaar | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | כתימה (kitima) = naar Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:2** Zefo en de zonen van Kittim ontvingen hem met grote eer, want Zefo kende de wijsheid van Bileam; en Zefo gaf Bileam vele geschenken, en hij bleef bij hem. Brontekst: ויקבלוהו (vayeqablu'hu) = en zij ontvingen hem | צפו (tsefo) = Zefo | ובני (uvnei) = en de zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | בכבוד (bikhvod) = met eer | גדול (gadol) = grote | כי (ki) = want | ידע (yada) = kende | צפו (tsefo) = Zefo | את (et) = (obj.) | חכמת (chokhmat) = wijsheid van | בלעם (bil'am) = Bileam | ויתן (vayitten) = en gaf | צפו (tsefo) = Zefo | לבלעם (livil'am) = aan Bileam | מתנות (mattanot) = geschenken | רבות (rabbot) = vele | וישב (vayyashev) = en bleef | איתו (ito) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:3** Toen Zefo van de oorlog terugkeerde, gebood hij alle zonen van Kittim die in de oorlog waren gegaan te laten tellen, en zie, er ontbrak niemand van hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשוב (beshuv) = bij het terugkeren | צפו (tsefo) = Zefo | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | ויצו (vayetsav) = en gebood | ויפקוד (vayifqod) = en liet tellen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = waren gegaan | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | והנה (vehinneh) = en zie | לא (lo) = niet | נפקד (nifqad) = ontbrak | מהם (mehem) = van hen | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:4** Zefo verheugde zich over deze zaak; hij ging voort en vernieuwde zijn koningschap en maakte een maaltijd voor al zijn dienaren. Brontekst: וישמח (vayismach) = en hij verheugde zich | צפו (tsefo) = Zefo | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויוסף (vayosef) = en ging voort | עוד (od) = opnieuw | ויחדש (vayechadesh) = en vernieuwde | את (et) = (obj.) | מלכותו (malkhuto) = zijn koningschap | ויעש (vayya'as) = en maakte | משתה (mishteh) = een maaltijd | לכל (lekhol) = voor al | עבדיו (avadav) = zijn dienaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Zefo vergeet Yahweh **64:5** Maar Zefo dacht niet aan Yahweh en wist niet dat Yahweh hem in zijn strijd had geholpen en dat Hij hem en zijn volk had gered uit de hand van de koning van Afrika. Maar nog steeds ging hij in de wegen van de zonen van Kittim en van de goddeloze zonen van Ezau, om andere goden te dienen, zoals zijn broers, de zonen van Ezau, hem hadden geleerd; daarom zegt men: Van de goddelozen gaat goddeloosheid uit. Brontekst: אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | זכר (zakhar) = dacht aan | צפו (tsefo) = Zefo | את (et) = (obj.) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ולא (velo) = en niet | ידע (yada) = wist | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עזר (ezer) = had geholpen | אותו (oto) = hem | במלחמתו (bemilchamto) = in zijn strijd | וכי (vekhi) = en dat | הוא (hu) = Hij | הציל (hatsil) = had gered | אותו (oto) = hem | ועמו (ve'immo) = en zijn volk | מיד (miyyad) = uit de hand van | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | אך (akh) = maar | עודנו (odenu) = nog steeds | ילך (yelekh) = ging | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ובני (uvnei) = en de zonen van | עשו (asu) = Ezau | הרעים (hara'im) = de goddeloze | לעבוד (la'avod) = dienen | אלוקים (Elohim) = goden | אחרים (acherim) = andere | כאשר (ka'asher) = zoals | למדונו (limduno) = hadden ons geleerd | אחיו (achiv) = zijn broers | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | על (al) = daarom | כן (ken) = daarom | יאמרו (yomru) = zegt men | מרשעים (mereshaim) = van de goddelozen | יצא (yatsa) = gaat uit | רשע (resha) = goddeloosheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie 1 Sam. 24:14 (‘Van de goddelozen gaat goddeloosheid uit’). Het Hebreeuws heeft למדונו (‘hebben ons geleerd’); wij lezen ‘hem geleerd’, zoals de Engelse vertaling. Zie ook: 1 Sam 24:15 **64:6** Zefo regeerde in veiligheid over alle zonen van Kittim, maar Yahweh, die hem en heel zijn volk uit de hand van de koning van Afrika gered had, kende hij niet. De benden van Afrika kwamen niet meer naar Kittim om buit te roven, zoals telkens, want zij kenden de kracht van Zefo, die hen allen met de scherpte van het zwaard verslagen had; en Angeas was al de dagen bang voor Zefo, de zoon van Elifaz, en voor de zonen van Kittim. Brontekst: וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | צפו (tsefo) = Zefo | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | לבטח (lavetach) = in veiligheid | ואת (ve'et) = en (obj.) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | הציל (hatsil) = had gered | אותו (oto) = hem | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | עמו (immo) = zijn volk | (מיד) (miyad) = uit de hand van | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | לא (lo) = niet | ידע (yada) = kende | ולא (velo) = en niet | יספו (yosifu) = gingen voort | עוד (od) = meer | גדודי (gedudei) = de scharen van | אפריקה (afriqa) = Afrika | לבוא (lavo) = te komen | כתימה (kitima) = naar Kittim | לשלול (lishlol) = om te roven | שלל (shalal) = buit | כפעם (kefa'am) = zoals | בפעם (befa'am) = telkens | כי (ki) = want | ידעו (yade'u) = kenden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | גבורת (gevurat) = de kracht van | צפו (tsefo) = Zefo | אשר (asher) = die | הכה (hikkah) = had verslagen | את (et) = (obj.) | כולם (kullam) = allen | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | ויירא (vayira) = en hij vreesde | אנגיאס (angias) = Angeas | מפני (mippenei) = vanwege | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | ומפני (umippnei) = en vanwege | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Zefo besluit tegen Egypte op te trekken **64:7** In die tijd, toen Zefo van de oorlog terugkeerde en zag dat hij de overhand had gekregen over alle mannen van Afrika en hen in de oorlog met de scherpte van het zwaard gedood had, beraadslaagde Zefo met alle zonen van Kittim om naar Egypte te gaan en te strijden tegen de zonen van Jakob en tegen de farao, de koning van Egypte. Brontekst: בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | בשוב (beshuv) = bij het terugkeren | צפו (tsefo) = Zefo | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | וכראות (vechir'ot) = en toen zag | צפו (tsefo) = Zefo | כי (ki) = want | גבר (gavar) = de overhand had | על (al) = over | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | אפריקה (afriqa) = Afrika | וימיתם (vayemitem) = en doodde hen | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | יתייעץ (yitya'ets) = beraadslaagde | צפו (tsefo) = Zefo | עם (im) = met | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ללכת (lalekhet) = om te gaan | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ואת (ve'et) = en tegen | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **64:8** Want Zefo had gehoord dat alle helden van Egypte gestorven waren, en dat Jozef en zijn broers, de zonen van Jakob, gestorven waren, en dat al hun zonen, de zonen van Israël, in Egypte waren overgebleven. Brontekst: כי (ki) = want | שמע (shema) = had gehoord | צפו (tsefo) = Zefo | כי (ki) = want | מתו (metu) = zijn gestorven | כל (kol) = alle | גיבורי (gibborei) = helden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכי (vekhi) = en dat | מתו (metu) = zijn gestorven | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וישארו (vayisha'aru) = en dat bleven over | כל (kol) = alle | בניהם (beneyhem) = hun zonen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **64:9** Zefo zei dat hij zou gaan om tegen hen en tegen heel Egypte te strijden, om de wraak voor zijn broers, de zonen van Ezau, te nemen, die Jozef en zijn broers en heel Egypte geslagen hadden in het land Kanaän toen zij optrokken om Jakob in Hebron te begraven. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | צפו (tsefo) = Zefo | ללכת (lalekhet) = om te gaan | להילחם (lehillachem) = te strijden | איתם (ittam) = tegen hen | ועם (ve'im) = en tegen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לנקום (linqom) = te wreken | מהם (mehem) = op hen | את (et) = (obj.) | נקמת (niqmat) = de wraak voor | אחיו (achiv) = zijn broers | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | אשר (asher) = die | הכה (hikkah) = had geslagen | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בעלותם (be'alotam) = toen zij optrokken | לקבור (liqbor) = om te begraven | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | בחברון (bechevron) = in Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 50:12–13 en Gen. 23:19 (Jakob werd begraven in de spelonk van Machpela, bij Mamre, dat is Hebron). De strijd met de zonen van Ezau bij die begrafenis staat niet in Genesis; zie Jasher 56. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 23:19; Gen 50:12–13 ### Zefo vraagt Edom om hulp **64:10** Zefo stuurde boodschappers naar Hadad, de zoon van Bedad, de koning van Edom, en naar al zijn broers, de zonen van Ezau, met de woorden: Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | צפו (tsefo) = Zefo | מלאכים (mal'akhim) = boodschappers | אל (el) = tot | הדד (hadad) = Hadad | בן (ben) = zoon van | בדד (bedad) = Bedad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | ואל (ve'el) = en naar | כל (kol) = alle | אחיו (achiv) = zijn broers | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **64:11** „Hebben jullie niet gezegd dat jullie niet zouden strijden tegen de koning van Afrika, omdat hij deelgenoot is van jullie verbond? Zie, ik heb tegen hem gestreden en hem verslagen, en heel zijn volk. Brontekst: הלא (halo) = immers | אמרתם (amartem) = hebben jullie gezegd | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | תלחמו (tilkhamu) = zouden strijden | את (et) = tegen | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | כי (ki) = omdat | בעל (ba'al) = deelgenoot van | בריתכם (brit'chem) = jullie verbond | הוא (hu) = hij | הנה (hinneh) = zie | אנוכי (anokhi) = ik | נלחמתי (nilchamti) = ik heb gestreden | בו (bo) = tegen hem | והכתיו (vehikitiv) = en ik versloeg hem | ואת (ve'et) = en | כל (kol) = alle | עמו (immo) = heel zijn volk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: בעל בריתכם (letterlijk ‘bezitter van jullie verbond’); de Engelse vertaling heeft ‘a member of your covenant’. Hier weergegeven als ‘deelgenoot van jullie verbond’. **64:12** En nu heb ik zeker gezegd dat ik zal strijden tegen Egypte en tegen de zonen van Jakob die daar zijn, en ik zal op hen de wraak nemen voor wat Jozef en zijn broers, hun vaderen, ons gedaan hebben in het land Kanaän toen zij optrokken om hun vader in Hebron te begraven. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אמור (amor) = zeker | אמרתי (imrati) = heb ik gezegd | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואת (ve'et) = en tegen | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar | ונקמתי (veniqamti) = en ik zal wraak nemen | מהם (mehem) = op hen | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = deed | יוסף (Yosef) = Jozef | ואחיו (ve'achiv) = en zijn broers | אבותיהם (avoteihem) = hun vaderen | לנו (lanu) = voor ons | בארץ (ba'arets) = in het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | בעלותם (be'alotam) = toen zij optrokken | לקבור (liqbor) = om te begraven | את (et) = (obj.) | אביהם (avihem) = hun vader | בחברון (bechevron) = in Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **64:13** En nu, als jullie bereid zijn naar mij toe te komen om mij te helpen tegen hen en tegen Egypte te strijden, dan zullen wij de wraak voor onze broers nemen.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אם (em) = als | יש (yesh) = er is | את (et) = met | נפשכם (nafshekhem) = jullie wil | לבוא (lavo) = om te komen | אליי (elai) = naar mij | לעזרני (le'ezreni) = om mij te helpen | להילחם (lehillachem) = te strijden | איתם (ittam) = tegen hen | ואת (ve'et) = en tegen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ונקמנו (venaqamnu) = dan zullen wij wreken | מהם (mehem) = op hen | נקמת (niqmat) = de wraak voor | אחינו (acheinu) = onze broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **64:14** De zonen van Ezau luisterden naar de woorden van Zefo en verzamelden zich samen, alle zonen van Ezau, een zeer talrijk volk, en zij gingen Zefo en de zonen van Kittim helpen in de oorlog. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | אל (el) = naar | דברי (divrei) = woorden van | צפו (tsefo) = Zefo | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | יחד (yachad) = samen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | עם (im) = met | רב (rav) = talrijk | מאוד (me'od) = zeer | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (obj.) | צפו (tsefo) = Zefo | ואת (ve'et) = en (obj.) | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:15** Zefo stuurde ook naar alle zonen van het oosten en naar alle zonen van Ismaël met woorden als deze; en zij verzamelden zich en gingen allen ter hulp van Zefo en de zonen van Kittim, ten strijde tegen Egypte. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | צפו (tsefo) = Zefo | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ואל (ve'el) = en naar | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | כדברים (kadevarim) = met woorden als | האלה (ha'elleh) = deze | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | כולם (kullam) = allen | לעזרת (le'ezrat) = ter hulp van | צפו (tsefo) = Zefo | ובני (uvnei) = en de zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | על (al) = tegen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De koningen verzamelen zich in Hebron **64:16** Al deze koningen, de koning van Edom, de zonen van het oosten, alle zonen van Ismaël en Zefo, de koning van Kittim, trokken uit en kwamen en schaarden al hun legers in Hebron. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | וצפו (vetsefo) = en Zefo | מלך (malakh) = koning van | כיתים (kitim) = Kittim | ויערכו (vaya'archu) = en schaarden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | צבאותיהם (tsiv'otehem) = hun legers | בחברון (bechevron) = in Hebron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **64:17** Het hele legerkamp was zeer zwaar, ter lengte van een tocht van drie dagen, een talrijk volk als het zand aan de oever van de zee, dat geen getal heeft. Brontekst: ותהי (vatehi) = en was | כל (kol) = alle | המחנה (hammachaneh) = het legerkamp | כבד (kaved) = zwaar | מאוד (me'od) = zeer | כמהלך (kemehalakh) = ter lengte van een tocht van | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | כחול (kachol) = als zand | אשר (asher) = die | על (al) = op | שפת (sefat) = de oever van | הים (hayyam) = de zee | אשר (asher) = die | אין (ein) = is er niet | להם (lahem) = hun | מספר (mispar) = getal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:18** Al deze koningen en al hun legers daalden af en kwamen tegen heel Egypte ten strijde, en zij legerden zich allen samen in het dal van Patros. Brontekst: וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | וכל (vekhol) = en alle | צבאותיהם (tsiv'otehem) = hun legers | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | על (al) = tegen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | בבקעת (beviqat) = in het dal van | פתרוס (Patros) = Patros Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 10:14 (de Patrusim) en Jes. 11:11 (Patros, een gebied in Egypte). Hebreeuws פתרוס (Patros). Zie ook: Gen 10:14; Jes 11:11 ### Egypte roept Israël op **64:19** Heel Egypte hoorde het bericht over hen, en ook zij verzamelden zich, alle mannen van het land Egypte en alle steden in Egypte, ongeveer driehonderdduizend man. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | שמעו (shame'u) = zij hoorden | את (et) = (obj.) | שמעם (shomam) = het bericht over hen | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | הערים (he'arim) = de steden | אשר (asher) = die | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **64:20** Ook naar de zonen van Israël, die in die dagen in het land Gosen waren, stuurden de mannen van Egypte, om met hen te komen en samen met al die koningen te gaan strijden. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מבני (mibbnei) = naar de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = die | היו (hayu) = waren | בארץ (ba'arets) = in het land | גושן (goshen) = Gosen | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | שלחו (shalchu) = stuurden | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אליהם (aleihem) = tot hen | לבוא (lavo) = om te komen | איתם (ittam) = met hen | ללכת (lalekhet) = om te gaan | להילחם (lehillachem) = te strijden | יחד (yachad) = samen | עם (im) = met | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **64:21** In die tijd verzamelden alle mannen van Israël zich, en het waren ongeveer honderdvijftig man, en zij gingen ten strijde, ter hulp van Egypte. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | איש (ish) = mannen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ויהיו (vayihyu) = en het waren | כמאה (kime'a) = ongeveer honderd | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | איש (ish) = een man | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | לעזרת (le'ezrat) = ter hulp van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **64:22** De mannen van Israël en Egypte trokken uit, ongeveer driehonderdduizend man en honderdvijftig man, en zij gingen die koningen tegemoet ten strijde; en zij stelden zich allen op buiten het land Gosen, tegenover Patros. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | איש (ish) = mannen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ומצרים (umMitsrayim) = en Egypte | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | ומאה (umeah) = en honderd | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | איש (ish) = een man | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לקראת (liqrat) = tegemoet | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ההם (hahem) = die | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | ויתיצבו (vayityatsvu) = en zij stelden zich op | כולם (kullam) = allen | מחוץ (michuts) = buiten | לארץ (la'arets) = het land | גושן (goshen) = Gosen | נגד (neged) = tegenover | פתרוס (Patros) = Patros Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **64:23** Maar de Egyptenaren vertrouwden Israël niet, om met hen samen in hun legerplaatsen ten strijde te gaan, want alle Egyptenaren zeiden: „Misschien leveren de zonen van Israël ons over in de hand van de zonen van Ezau en de zonen van Ismaël, want dat zijn hun broers.” Brontekst: ומצרים (umMitsrayim) = en de Egyptenaren | לא (lo) = niet | האמינו (he'eminu) = vertrouwden | בישראל (beyisra'el) = Israël | ללכת (lalekhet) = om te gaan | עמהם (immahem) = met hen | במחניהם (bemachanehem) = in hun legers | יחד (yachad) = samen | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | פן (pen) = misschien | יסגרונו (yasgiruno) = zouden ons overleveren | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ביד (beyad) = in de hand van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ובני (uvnei) = en de zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | כי (ki) = want | אחיהם (achihem) = hun broers | הם (hem) = zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:24** De Egyptenaren zeiden tot de zonen van Israël: „Blijf hier samen op jullie post staan, en wij allen zullen gaan en strijden tegen de zonen van Ezau en Ismaël. En als deze koningen sterker zijn dan wij, komt dan allen samen tegen hen en help ons.” En de zonen van Israël deden zo. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | התיצבו (hityatsvu) = blijf staan | פה (peh) = hier | אתם (ittam) = jullie | יחד (yachad) = samen | במעמדכם (bema'amedchem) = op jullie post | והלכנו (vehalakhnu) = en wij zullen gaan | כולנו (kulanu) = wij allen | אנחנו (anachnu) = wij | ונלחמנו (venilchamnu) = en wij zullen strijden | בבני (bivnei) = tegen de zonen van | עשו (asu) = Ezau | וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | יחזקו (yechezqu) = sterker zijn | ממנו (mimmennu) = dan wij | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ובאתם (uva'tem) = komt dan | אתם (ittam) = jullie | כולכם (kulkhem) = jullie allen | יחד (yachad) = samen | עליהם (aleihem) = tegen hen | ועזרתם (ve'azartem) = en help | אותנו (otanu) = ons | ויעשו (vaya'asu) = en deden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:25** Zefo, de zoon van Elifaz, de zoon van Ezau, de koning van Kittim, en Hadad, de zoon van Bedad, de koning van Edom, en al hun legerkampen en alle zonen van het oosten en de zonen van Ismaël, een volk talrijk als het zand, lagen samen gelegerd in het dal van Patros, tegenover Tachpanches. Brontekst: וצפו (vetsefo) = en Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | מלך (malakh) = koning van | כיתים (kitim) = Kittim | והדד (vehadad) = en Hadad | בן (ben) = zoon van | בדד (bedad) = Bedad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | וכל (vekhol) = en alle | מחניהם (machanehem) = hun legerkampen | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ובני (uvnei) = en de zonen van | ישמעאל (yishma'e'l) = Ismaël | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | כחול (kachol) = als zand | חונים (chonim) = gelegerd | יחד (yachad) = samen | בבקעת (beviqat) = in het dal van | פתרוס (Patros) = Patros | נגד (neged) = tegenover | תחפנחס (tachpanches) = Tachpanches Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jer. 2:16 en 43:7–9 (Tachpanches, een stad in Egypte). Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Jer 2:16; Jer 43:7 ### Bileams waarzeggerij mislukt **64:26** En daar was in het legerkamp van Zefo Bileam, de zoon van Beor, de Arameeër, want hij was met de zonen van Kittim ten strijde gekomen; en Bileam was een zeer gerespecteerd man in de ogen van Zefo en zijn mannen. Brontekst: ושם (veShem) = en daar | היה (hayah) = was | במחנה (bamachaneh) = in het leger van | צפו (tsefo) = Zefo | בלעם (bil'am) = Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | הארמי (ha'arami) = de Arameeër | כי (ki) = want | בא (ba) = was gekomen | עם (im) = met | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | ובלעם (uvil'am) = en Bileam | היה (hayah) = was | איש (ish) = een man | נכבד (nikhbad) = gerespecteerd | מאוד (me'od) = zeer | בעיני (be'einei) = in de ogen van | צפו (tsefo) = Zefo | ואנשיו (ve'anashav) = en zijn mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: הארמי (‘de Arameeër’); de Engelse vertaling heeft ‘the Syrian’. **64:27** Zefo zei tot Bileam: „Waarzeg toch voor ons met waarzeggerij, zodat wij weten wie in deze oorlog de overhand zal krijgen, wij of de Egyptenaren.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | צפו (tsefo) = Zefo | אל (el) = tot | בלעם (bil'am) = Bileam | קסום (qesom) = waarzeg | נא (na) = toch | לנו (lanu) = voor ons | בקסם (baqesem) = met waarzeggerij | ונדעה (venede'a) = zodat wij weten | מי (mi) = wie | יגבר (yigbar) = de overhand zal krijgen | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | הזאת (hazzo't) = deze | האנחנו (ha'anachnu) = wij | או (o) = of | מצרים (Mitsrayim) = de Egyptenaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:28** Bileam stond op en wijdde zich aan de kunst van de waarzeggerij en probeerde slim te zijn om het te weten, maar de waarzeggerij slaagde niet bij hem en het werk mislukte hem. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | בלעם (bil'am) = Bileam | וישב (vayyashev) = en zat | בחכמת (bechokhmat) = aan de kunst van | הקסם (haqesem) = de waarzeggerij | ויתחכם (vayitchakkem) = en was slim | לדעת (lada'at) = te weten | ולא (velo) = en niet | נתכן (nitkan) = slaagde | אליו (elav) = bij hem | הקסם (haqesem) = de waarzeggerij | ותשחת (vatishachet) = en werd verdorven | המלאכה (hamela'cha) = het werk | בידו (beyado) = in zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:29** Hij ging voort het opnieuw te doen, maar het slaagde niet; Bileam wanhoopte eraan, liet het varen en maakte het niet af. Want dit was van Yahweh, om Zefo en zijn volk te doen vallen in de hand van de zonen van Israël, die op Yahweh, de Elohim van hun vaders, vertrouwden in hun strijd. Brontekst: ויוסף (vayosef) = en ging voort | לעשותה (la'asotah) = het te doen | עוד (od) = opnieuw | ולא (velo) = en niet | נתכנה (nitkena) = lukte | ויתייאש (vayityaesh) = en hij wanhoopte | ממנה (mimmenah) = van haar | בלעם (bil'am) = Bileam | ויעזבה (vaya'azveha) = en liet het varen | ולא (velo) = en niet | עשה (asah) = maakte af | אותה (otah) = haar | כי (ki) = want | מיהוה (meYahweh) = van Yahweh | היתה (hayetah) = was | זאת (zot) = deze | למען (lema'an) = opdat | הפיל (hafil) = om te doen vallen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | צפו (tsefo) = Zefo | ואת (ve'et) = en (obj.) | עמו (immo) = zijn volk | ביד (beyad) = in de hand van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = die | בטחו (batchu) = vertrouwden | ביהוה (bYahweh) = op Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | אבותם (avotam) = hun vaders | במלחמתם (bemilchamtam) = in hun strijd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De Egyptenaren verliezen **64:30** Zefo en Hadad stelden hun slagorde op voor de strijd, en alle Egyptenaren gingen alleen, samen, hen tegemoet, ongeveer driehonderdduizend man, en niet één van de zonen van Israël was bij hen. Brontekst: ויערכו (vaya'archu) = en stelden op | צפו (tsefo) = Zefo | והדד (vehadad) = en Hadad | את (et) = (obj.) | מערכתם (ma'arachtam) = hun slagorde | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לבדם (levaddam) = alleen | יחד (yachad) = samen | לקראתם (liqratam) = op hen af | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | ואין (veein) = en niet | אחד (echad) = één | מבני (mibbnei) = van de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | איתם (ittam) = bij hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:31** Alle Egyptenaren streden tegen die koningen tegenover Patros en Tachpanches, en de strijd werd zwaar voor Egypte. Brontekst: וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עם (im) = tegen | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | נגד (neged) = tegenover | פתרוס (Patros) = Patros | ותחפנחס (vetachpanches) = en Tachpanches | ותכבד (vetikhbad) = en werd zwaar | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | על (al) = op | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **64:32** De koningen waren in die strijd sterker dan de Egyptenaren, en op die dag vielen uit Egypte ongeveer honderdtachtig man, en van de mannen van de koningen vielen ongeveer dertig man. Alle mannen van Egypte vluchtten voor de koningen, en de zonen van Ezau en Ismaël achtervolgden de Egyptenaren, steeds verder en slaand, tot de plaats waar het kamp van de zonen van Israël was. Brontekst: ויחזקו (vayechezqu) = waren sterker | המלכים (hammelakhim) = de koningen | מהמצרים (mehamitsrim) = dan de Egyptenaren | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ההיא (hahi) = die | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | כמאה (kime'a) = ongeveer honderd | ושמונים (ushmonim) = en tachtig | איש (ish) = een man | ומאנשי (umeanshei) = en van de mannen van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | נפלו (naflu) = vielen | כשלושים (keshloshim) = ongeveer dertig | איש (ish) = een man | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לפני (lifnei) = voor | המלכים (hammelakhim) = de koningen | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | את (et) = (obj.) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | הלוך (halokh) = steeds | והכות (vehakkot) = slaand | אותם (otam) = hen | עד (ad) = tot | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar | מחנה (machaneh) = het kamp van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **64:33** Alle Egyptenaren riepen tot de zonen van Israël: „Haast jullie naar ons toe en help ons en red ons uit de hand van Ezau en Ismaël en de zonen van Kittim.” Brontekst: ויצעקו (vayits'aqu) = en riepen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לאמור (lemor) = zeggende | מהרו (maharu) = haast jullie | אלינו (elenu) = naar ons toe | ועזרונו (ve'azruno) = en help ons | והושעתם (vehoshaatem) = en red | אותנו (otanu) = ons | מיד (miyyad) = uit de hand van | עשו (asu) = Ezau | וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | ובני (uvnei) = en de zonen van | כיתים (kitim) = Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Israël roept Yahweh aan **64:34** De zonen van Israël, ongeveer honderdvijftig man, renden van hun post naar de legerkampen van die koningen, en de zonen van Israël riepen tot Yahweh, hun Elohim, om hen te redden. Brontekst: וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממקום (mimqom) = van de plaats van | מעמדם (ma'amadam) = hun standplaats | כמאה (kime'a) = ongeveer honderd | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | איש (ish) = een man | אל (el) = naar | מחנות (machanot) = kampen | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ויצעקו (vayits'aqu) = en riepen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | להציל (lehatsil) = om te redden | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:35** Yahweh luisterde naar Israël en gaf alle mannen van de koningen in hun hand; de zonen van Israël streden tegen die koningen en brachten de mannen van de koningen een zware slag toe, ongeveer vierduizend man. Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | ישראל (yisra'el) = Israël | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | בידם (beyadam) = in hun hand | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = tegen | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | כארבעת (ke'arba'at) = ongeveer vier | אלפים (alafim) = duizend | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:36** Yahweh gaf grote verwarring in de legerkampen van de koningen, en de schrik voor de zonen van Israël viel op hen. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מהומה (mehumah) = verwarring | גדולה (gedolah) = grote | במחנות (bamachanot) = in de legers van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ויפול (vayippol) = en viel | פחד (pachad) = schrik van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:37** Alle legers van die koningen vluchtten voor de zonen van Israël, en de zonen van Israël achtervolgden hen, steeds verder en slaand, tot de grens van het land Kush. Brontekst: וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | כל (kol) = alle | צבאות (tsiv'ot) = legers van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | הלוך (halokh) = steeds | והכות (vehakkot) = slaand | עד (ad) = tot | גבול (gevul) = de grens van | ארץ (erets) = land van | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:38** De zonen van Israël doodden van hen onderweg nog ongeveer tweeduizend man, en van de zonen van Israël viel er niet één. Brontekst: ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | מהם (mehem) = van hen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בדרך (baderekh) = onderweg | עוד (od) = nog | כאלפיים (ke'alpayim) = ongeveer tweeduizend | איש (ish) = een man | ומבני (umibnei) = en van de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לא (lo) = niet | נפל (nafal) = viel | אחד (echad) = één Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:39** Toen de Egyptenaren zagen dat de zonen van Israël met zo weinig mannen met de koningen gestreden hadden en dat de strijd zeer zwaar tussen hen was, Brontekst: וכראות (vechir'ot) = en toen zagen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = dat | נלחמו (nilchamu) = hadden gestreden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | עם (im) = met | המלכים (hammelakhim) = de koningen | במעט (bime'at) = met weinig | אנשים (anashim) = mannen | וכי (vekhi) = en dat | היתה (hayetah) = zij was | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | חזקה (chazaqah) = krachtig | מאוד (me'od) = zeer | ביניהם (beneihem) = tussen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:40** werden alle Egyptenaren zeer bang voor hun leven vanwege de zware strijd, en alle Egyptenaren vluchtten in het geheim, ieder uit de slagorde van de strijd, en verborgen zich onderweg, en lieten Israël strijden. Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מאוד (me'od) = zeer | לנפשותם (lenafshotam) = voor hun leven | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | החזקה (hachazaqah) = sterke | ויברחו (vayivrechu) = en vluchtten | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בהחבא (bachevé) = in het geheim | איש (ish) = ieder | איש (ish) = ieder | ממערכת (mima'arechet) = uit de slagorde van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | ויתחבאו (vayitchabe'u) = en verborgen zich | בדרך (baderekh) = onderweg | ויעזבו (vaya'azvu) = en lieten | את (et) = (obj.) | ישראל (yisra'el) = Israël | להילחם (lehillachem) = te strijden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:41** De zonen van Israël sloegen de mannen van die koningen een zeer zware slag, en keerden van hen terug nadat zij hen verdreven hadden tot de grens van het land Kush. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | היכו (hikku) = sloegen | את (et) = (obj.) | אנשי (anshei) = mannen van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ההם (hahem) = die | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | מאוד (me'od) = zeer | וישבו (vayeshvu) = en keerden terug | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg | אחרי (acharei) = nadat | אשר (asher) = nadat | הבריחו (hivrichu) = zij hadden verdreven | אותם (otam) = hen | עד (ad) = tot | גבול (gevul) = de grens van | ארץ (erets) = land van | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:42** Heel Israël kende de daad die de mannen van Egypte hun gedaan hadden: dat zij van hen weg gevlucht waren uit de strijd en hen alleen hadden achtergelaten om te strijden. Brontekst: וידעו (vayede'u) = en zij wisten | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | המעשה (hamma'aseh) = het werk | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hadden gedaan | להם (lahem) = hun | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אשר (asher) = die | ברחו (barchu) = gevlucht waren | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | ויעזבום (vaya'azvum) = en hen hadden achtergelaten | להילחם (lehillachem) = om te strijden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Israëls list tegen de Egyptenaren **64:43** Ook de zonen van Israël handelden met sluwheid; toen de zonen van Israël van de oorlog terugkeerden en enkelen van de Egyptenaren onderweg vonden, doodden zij hen onderweg. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en deden | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בערמה (be'ormah) = met sluwheid | והיה (vehayah) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | שבו (shavu) = zij keerden terug | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | ומצאו (umatsa'u) = vonden zij | מהמצרים (mehamitsrim) = enkelen van de Egyptenaren | בדרך (baderekh) = onderweg | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | אותם (otam) = hen | בדרך (baderekh) = onderweg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:44** Terwijl zij hen doodden, zeiden zij tot hen met woorden als deze: Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהרגם (beharigam) = terwijl zij hen doodden | אותם (otam) = hen | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | כדברים (kadevarim) = met woorden als | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:45** „Waarom zijn jullie van ons weggegaan en hebben jullie ons, als een handvol mannen, achtergelaten om te strijden tegen die koningen, die met een talrijk volk waren om ons te slaan, terwijl jullie je eigen zielen redden?” Brontekst: מדוע (maddu'a) = waarom | באתם (ba'tem) = zijn jullie weggegaan | מעלינו (me'aleinu) = van ons weg | ותעזבונו (vata'azvunu) = en hebben ons verlaten | במתי (bimtei) = als lieden van | מעט (me'at) = weinig | אנשים (anashim) = mannen | להילחם (lehillachem) = te strijden | במלכים (bamelakhim) = tegen de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = die | הם (hem) = zij | בעם (be'am) = met een volk | רב (rav) = talrijk | להכות (lehakkot) = te treffen | אותנו (otanu) = ons | ותמלטו (vetemalitu) = terwijl jullie redden | אתם (ittam) = jullie | את (et) = (obj.) | נפשותיכם (nafshotekhem) = jullie zielen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:46** En toen de zonen van Israël sommigen onderweg vonden, spraken zij onder elkaar met woorden als deze: „Sla, sla, want hij is een Ismaëliet, of een Edomiet, of een van de zonen van Kittim”; en zij gingen bij hem staan en doodden hem, terwijl zij wisten dat hij een Egyptenaar was. Brontekst: ויש (veyesh) = en sommigen | אשר (asher) = die | ימצאו (yimtse'u) = vonden | אותם (otam) = hen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בדרך (baderekh) = onderweg | וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | אליהם (aleihem) = tot hen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | כדברים (kadevarim) = met woorden als | האלה (ha'elleh) = deze | הכו (hiku) = sla | הכו (hiku) = sla | כי (ki) = want | ישמעאלי (yishme'eli) = Ismaëliet | הוא (hu) = hij | או (o) = of | אדומי (edomi) = Edomiet | או (o) = of | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | כיתים (kitim) = Kittim | הוא (hu) = hij | ועמדו (ve'amdu) = en zij gingen staan | עליו (alav) = bij hem | והרגוהו (vehargu'hu) = en doodden hem | והם (vehem) = terwijl zij | ידעו (yade'u) = zij wisten | כי (ki) = dat | מצרי (mitsri) = een Egyptenaar | הוא (hu) = hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:47** Zo deden de zonen van Israël deze dingen met sluwheid tegen de Egyptenaren, omdat zij hen in de strijd hadden verlaten en van hen weg gevlucht waren. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | בערמה (be'ormah) = met list | על (al) = tegen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | על (al) = omdat | אשר (asher) = omdat | עזבום (azavum) = hen hadden verlaten | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ויברחו (vayivrechu) = en gevlucht waren | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **64:48** De zonen van Israël doodden op deze manier onderweg ongeveer tweehonderd man van de mannen van Egypte. Brontekst: ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | הני (hani) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בדרך (baderekh) = onderweg | במעשה (bema'aseh) = door dit handelen | הזה (hazzeh) = deze | כמאתיים (kime'atayim) = ongeveer tweehonderd | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: De tekst heeft הני ישראל; gelezen is בני ישראל (‘zonen van Israël’). **64:49** Alle mannen van Egypte zagen het kwaad dat de zonen van Israël hun gedaan hadden, en heel Egypte werd zeer bang voor de zonen van Israël, want zij hadden hun grote kracht gezien en dat er van hen niet één man gevallen was. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hadden gedaan | להם (lahem) = hun | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מבני (mibbnei) = voor de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | ראו (ra'u) = zij zagen | את (et) = (obj.) | גבורתם (gevuratam) = hun kracht | הגדולה (haggedolah) = grote | וכי (vekhi) = en dat | לא (lo) = niet | נפל (nafal) = is gevallen | מהם (mehem) = van hen | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **64:50** Alle zonen van Israël keerden met vreugde terug op hun weg naar Gosen, en de rest van Egypte keerde terug, ieder naar zijn plaats. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בשמחה (besimchah) = met vreugde | אל (el) = op | דרכם (darkham) = hun weg | גושנה (goshenah) = naar Gosen | ויתר (veyeter) = en de rest van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | שבו (shavu) = zij keerden terug | איש (ish) = ieder | למקומו (limqomo) = naar zijn plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ## Jasher 65 _De dwangarbeid in Egypte_ ### De raad van de Egyptenaren **65:1** Daarna verzamelden zich alle raadsheren van de farao, de koning van Egypte, en alle oudsten van Egypte; zij kwamen allen voor de koning, bogen zich met het gezicht ter aarde en gingen voor hem zitten. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = dit | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | כל (kol) = alle | יועצי (yo'atsei) = raadsheren van | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | אפיים (appayim) = met het gezicht | ארצה (artsah) = ter aarde | וישבו (vayeshvu) = en gingen zitten | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **65:2** De raadsheren en alle oudsten van Egypte spraken tot de koning met de woorden: Brontekst: וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | היועצים (hayo'atsim) = de raadgevers | וכל (vekhol) = en alle | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **65:3** „Zie, het volk van de zonen van Israël is talrijker en machtiger dan wij, en je weet al het kwaad dat zij ons onderweg hebben gedaan toen wij van de oorlog terugkeerden. Brontekst: הנה (hinneh) = zie | עם (im) = het volk van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | רב (rav) = talrijk | ועצום (ve'atsum) = en machtig | ממנו (mimmennu) = dan wij | ואתה (ve'attah) = en jij | ידעת (yada'ta) = weet | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | עשו (asu) = deden | לנו (lanu) = aan ons | בדרך (baderekh) = onderweg | בשובנו (beshuvenu) = bij onze terugkeer | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:4** Je hebt ook hun sterke kracht gezien, want die kracht hebben zij van hun vaderen; want een handvol mannen stond tegenover een volk als het zand en sloeg hen met de scherpte van het zwaard, en van hen viel er niet één; en zelfs als zij talrijk waren, zouden zij hen allen zeker verdelgen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | הנך (hinnekh) = zie jij | ראית (ra'ita) = je hebt gezien | את (et) = (obj.) | גבורתם (gevuratam) = hun kracht | החזקה (hachazaqah) = sterke | כי (ki) = want | גבורה (gevurah) = kracht | להם (lahem) = is hun | מאבותם (me'avotam) = van hun vaderen | כי (ki) = want | מתי (matai) = lieden van | מעט (me'at) = weinig | אנשים (anashim) = mannen | עמדו (imdu) = stonden | לנגד (lenegged) = tegenover | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | כחול (kachol) = als het zand | ויכום (vayakkum) = en zij sloegen hen | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | ומהם (umehem) = en van hen | לא (lo) = niet | נפל (nafal) = is gevallen | אחד (echad) = één | ואף (ve'af) = en zelfs | אם (em) = als | יהיו (yihyu) = zullen zijn | רבים (rabbim) = vele | כי (ki) = zeker | אז (az) = dan | ישמידו (yashmidu) = zouden verdelgen | אותם (otam) = hen | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:5** Geef ons nu raad wat wij met hen moeten doen, totdat wij hen allemaal beetje bij beetje hebben vernietigd, opdat zij niet te talrijk voor ons worden in het land. Brontekst: עתה (attah) = nu | הבה (havah) = geef | לנו (lanu) = ons | עצה (etsah) = raad | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | להם (lahem) = met hen | עד (ad) = totdat | אשר (asher) = totdat | נאבדם (na'avedem) = wij hen zullen vernietigen | ונשמידם (venashmidem) = en wij zullen hen verdelgen | מעט (me'at) = beetje | מעט (me'at) = bij beetje | כולם (kullam) = allen | מעלינו (me'aleinu) = van ons weg | פן (pen) = opdat zij niet | ירבו (yirbu) = zouden talrijk worden | עלינו (aleinu) = tegen ons | בארץ (ba'arets) = in het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:9–10 (‘kom, laten wij verstandig met hen handelen, opdat zij zich niet vermenigvuldigen’). Zie ook: Ex 1:9–10 **65:6** Want als de zonen van Israël talrijk worden in het land, worden zij een tegenstander voor ons; en zie, als er een oorlog uitbreekt, zal ook dat volk zich met zijn sterke kracht bij onze haters voegen, en zij zullen tegen ons strijden en ons uit het land verdelgen en eruit wegtrekken.” Brontekst: כי (ki) = want | אם (em) = als | ירבו (yirbu) = zouden talrijk worden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בארץ (ba'arets) = in het land | והיו (vehayu) = en zij worden | לנו (lanu) = voor ons | לשטן (lesatan) = tot tegenstander | והן (vehen) = en zie | כי (ki) = als | תקראנה (tiqrena) = zich voordoet | מלחמה (milchamah) = oorlog | ונוסף (venosaf) = en zal zich voegen | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | עלינו (aleinu) = over ons | בגבורתו (bigvurato) = met zijn kracht | החזקה (hachazaqah) = sterke | עם (im) = met | שונאינו (sone'enu) = onze haters | וילחמו (vayillachamu) = en zij zullen strijden | בנו (beno) = tegen ons | והשמידונו (vehishmiduna) = en zij zullen ons verdelgen | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = het land | ועלו (ve'alu) = en zullen optrekken | ממנה (mimmenah) = uit het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:7** De koning antwoordde de oudsten van Egypte en zei tot hen: „Dit is de raad die tegen Israël beraamd is, en daarvan zullen wij niet afwijken. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (obj.) | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | זאת (zot) = deze | העצה (ha'etsah) = de raad | היעוצה (hayeutsa) = die beraamd is | על (al) = tegen | ישראל (yisra'el) = Israël | וממנה (umimena) = en daarvan | לא (lo) = niet | נסור (nasur) = zullen afwijken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Pitom en Raämses **65:8** Zie, in het land zijn Pitom en Raämses, steden zonder versterking tegen de oorlog; laten wij dus gaan om ze te bouwen en te versterken. Brontekst: המה (hemmah) = zie | ארץ (erets) = in het land | פיתום (pitom) = Pitom | ורעמסס (vera'amses) = en Raämses | ערים (arim) = steden | בלתי (bilti) = zonder | חוזק (chozeq) = versterking | מהמלחמה (mehammilchamah) = tegen de oorlog | לנו (lanu) = voor ons | ונלכה (venelkhah) = dus laten wij gaan | לבנות (livnot) = te bouwen | אותם (otam) = hen | ולחזקם (velechazqam) = en om ze te versterken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft המה ארץ; gelezen is הנה בארץ (‘zie, in het land’), zoals de Engelse vertaling (‘Behold in the land’). **65:9** En ga nu ook jullie, en handel listig jegens hen, en laat in Egypte en in Gosen een oproep uitgaan op bevel van de koning, met de woorden: Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | לכו (lekhu) = ga | גם (gam) = ook | אתם (ittam) = jullie | ושטו (ushetu) = en handel | בערמה (be'ormah) = met list | עליהם (aleihem) = jegens hen | והעבירו (veha'aviru) = en laat uitroepen | קול (qol) = een oproep | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ובגושן (uvgoshen) = en in Gosen | כמצוות (kemitsvat) = overeenkomstig het bevel van | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **65:10** ‘Aan jullie, alle mannen van Egypte, Gosen en Patros en al hun bewoners! De koning heeft ons geboden Pitom en Raämses te bouwen en ze te versterken tegen de oorlog. Wie van jullie, uit heel Egypte en uit de zonen van Israël en uit alle bewoners van de steden, met ons wil bouwen, aan hem zal zijn loon dag na dag gegeven worden op bevel van de koning.’ Ga dan eerst, doe het listig, verzamel jullie en kom Pitom en Raämses bouwen. Brontekst: לכם (lakhem) = aan jullie | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וגושן (ugoshen) = en Gosen | ופתרוס (ufatros) = en Patros | וכל (vekhol) = en alle | יושביהם (yoshveihem) = hun bewoners | המלך (hammelekh) = de koning | ציוה (tsiwwah) = heeft geboden | עלינו (aleinu) = ons | לבנות (livnot) = te bouwen | את (et) = (obj.) | פיתום (pitom) = Pitom | ואת (ve'et) = en (obj.) | רעמסס (ra'amses) = Raämses | ולחזקם (velechazqam) = en om ze te versterken | מהמלחמה (mehammilchamah) = tegen de oorlog | מי (mi) = wie | בכם (bakhem) = van jullie | מכל (mikkol) = uit heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ומבני (umibnei) = en uit de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ומכל (umikkol) = en uit alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הערים (he'arim) = de steden | לבנות (livnot) = te bouwen | עמנו (immanu) = met ons | ולתת (velatet) = en te geven | שכרו (skharo) = zijn loon | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | כמצוות (kemitsvat) = overeenkomstig het bevel van | המלך (hammelekh) = de koning | והלכתם (vehalachtem) = en jullie gaan | אתם (ittam) = jullie | ראשונה (rishonah) = eerst | ועשיתם (va'asitem) = en jullie zullen doen | בערמה (be'ormah) = met list | והתקבצתם (vehitqabatstem) = en jullie zullen jullie verzamelen | ובאתם (uva'tem) = en jullie komen | פיתום (pitom) = Pitom | ורעמסס (vera'amses) = en Raämses | לבנות (livnot) = te bouwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **65:11** En terwijl jullie bouwen, laat dan zo'n oproep dag na dag in heel Egypte uitgaan op bevel van de koning. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = terwijl | תבנו (tivnu) = jullie bouwen | תעבירו (ta'aviru) = laten jullie uitroepen | את (et) = (obj.) | הקול (haqol) = de oproep | כדבר (kidvar) = zoals | הזה (hazzeh) = dit | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | כמצוות (kemitsvat) = overeenkomstig het bevel van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **65:12** En wanneer er van de zonen van Israël met jullie komen om met jullie te bouwen, geef hun dan hun loon, dag na dag, enkele dagen lang. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = wanneer | יבואו (yavo'u) = komen | איתכם (ittekhem) = met jullie | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לבנות (livnot) = te bouwen | עמכם (immakhem) = met jullie | ונתתם (venatatem) = en jullie zullen geven | להם (lahem) = hun | שכרם (skharam) = hun loon | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ימים (yamim) = dagen | אחדים (achadim) = enkele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:13** En wanneer zij voor hun loon met jullie bouwen, dag na dag, trek jullie dan dag na dag één voor één in het geheim van hen terug, sta op en word over hen drijvers en opzichters; en laat hen daarna bouwen zonder loon. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | כאשר (ka'asher) = wanneer | יבנו (yivnu) = zij bouwen | עמכם (immakhem) = met jullie | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | בשכרם (bisecharam) = voor hun loon | והברחתם (vehivrachtem) = en jullie zullen jullie terugtrekken | את (et) = (obj.) | עצמכם (atsmekhem) = jullie zelf | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | אחד (echad) = één | אחד (echad) = voor één | בהחבא (bachevé) = in het geheim | וקמתם (veqamtem) = en sta op | והייתם (vihyitem) = en word | עליהם (aleihem) = over hen | לנוגשים (lanogsim) = tot drijvers | ולשוטרים (velashoterim) = en tot opzichters | ועזבתם (ve'azavtem) = en laat | אותם (otam) = hen | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = daarna | לבנות (livnot) = te bouwen | בלתי (bilti) = zonder | שכר (sakhar) = loon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:14** En als jullie dit zeker doen, dan is het goed voor ons om ons land te versterken, en kwaad voor de zonen van Israël; want door de inspanning van het bouwwerk en het werk zullen de zonen van Israël afnemen, omdat jullie hen dag na dag van hun vrouwen weghouden.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | עשו (asu) = zeker | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | והיה (vehayah) = dan is het | טוב (tov) = goed | לנו (lanu) = voor ons | לחזק (lechazeq) = om te versterken | את (et) = (obj.) | ארצנו (artsenu) = ons land | ורע (vara) = en kwaad | לבני (livnei) = voor de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כי (ki) = want | מיגיעת (miyegi'at) = door de inspanning van | הבניין (habbinyan) = het bouwwerk | והמלאכה (vehamela'cha) = en het werk | ימעטו (yime'atu) = zullen afnemen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כי (ki) = want | תשביתו (tashbitu) = jullie zullen doen ophouden | אותם (otam) = hen | מעל (me'al) = weg van | נשיהם (nesheihem) = hun vrouwen | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De oproep van de dienaren van de farao **65:15** Alle oudsten van Egypte hoorden de raad van de koning, en de raad beviel hen, de dienaren van de farao en heel Egypte, en zij deden naar het woord van de koning. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | זקני (ziqnei) = de oudsten van | ישראל (yisra'el) = Egypte | את (et) = (obj.) | עצת (atsat) = raad van | המלך (hammelekh) = de koning | ותיטב (vatitav) = en was goed | העצה (ha'etsah) = de raad | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: De tekst heeft זקני ישראל (‘de oudsten van Israël’); gelezen is זקני מצרים (‘de oudsten van Egypte’), zoals in vers 1 en in de Engelse vertaling. **65:16** Alle dienaren van de farao gingen uit de nabijheid van de koning weg en lieten een oproep uitgaan in heel Egypte, in Tachpanches en in Gosen en in alle steden rondom Egypte, met de woorden: Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | מלפני (millifnei) = uit de nabijheid van | המלך (hammelekh) = de koning | ויעבירו (vaya'avirru) = en lieten uitroepen | קול (qol) = een oproep | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ובתחפנחס (uvetachpanches) = en in Tachpanches | ובגושן (uvgoshen) = en in Gosen | ובכל (uvkhol) = en in alle | הערים (he'arim) = de steden | אשר (asher) = die | סביבות (sevivot) = rondom | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **65:17** „Jullie hebben gezien wat de zonen van Ezau en Ismaël ons gedaan hebben, die ten strijde tegen ons kwamen en zeiden ons te willen verdelgen. Brontekst: אתם (ittam) = jullie | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = wat | עשו (asu) = deden | לנו (lanu) = voor ons | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | וישמעאל (veyishma'e'l) = en Ismaël | אשר (asher) = die | באו (ba'u) = kwamen | עלינו (aleinu) = over ons | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | ויאמרו (vayomeru) = en zeiden | להשמיד (lehashmid) = te verdelgen | אותנו (otanu) = ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:18** En nu heeft de koning ons geboden het land te versterken en de steden Pitom en Raämses te bouwen en ze te versterken tegen de oorlog, als zij weer tegen ons komen. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הנה (hinneh) = zie | ציוה (tsiwwah) = heeft geboden | המלך (hammelekh) = de koning | עלינו (aleinu) = ons | לחזק (lechazeq) = om te versterken | את (et) = (obj.) | הארץ (ha'arets) = het land | לבנות (livnot) = te bouwen | את (et) = (obj.) | ערי ('eri) = steden van | פיתום (pitom) = Pitom | ואת (ve'et) = en (obj.) | רעמסס (ra'amses) = Raämses | ולחזקם (velechazqam) = en om ze te versterken | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | בבואם (bevo'am) = als zij weer komen | עלינו (aleinu) = tegen ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:19** Wie van jullie, in heel Egypte en van de zonen van Israël, komt om met ons te bouwen, aan hem zal zijn loon dag na dag door de koning gegeven worden, overeenkomstig zijn bevel.” Brontekst: מי (mi) = wie | בכם (bakhem) = van jullie | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = die | יבוא (yavo) = komt | לבנות (livnot) = te bouwen | איתנו (ittanu) = met ons | ויותן (vayuten) = zal gegeven worden | לו (lo) = voor hem | שכרו (skharo) = zijn loon | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | מאת (me'et) = door | המלך (hammelekh) = de koning | כמצוותו (kemitsvato) = overeenkomstig zijn bevel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **65:20** Toen Egypte en alle zonen van Israël hoorden wat de dienaren van de farao gezegd hadden, kwamen er Egyptenaren en alle zonen van Israël om met de dienaren van de farao Pitom en Raämses te bouwen; maar geen van alle zonen van Levi kwam met Israël, hun broers, om te bouwen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hoorden | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | דיברו (dibberu) = hadden gesproken | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | מהמצרים (mehamitsrim) = sommige van de Egyptenaren | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לבנות (livnot) = te bouwen | עם (im) = met | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (obj.) | פיתום (pitom) = Pitom | ואת (ve'et) = en (obj.) | רעמסס (ra'amses) = Raämses | אך (akh) = maar | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | לוי (Levi) = Levi | לא (lo) = niet | באו (ba'u) = kwamen | עם (im) = met | ישראל (yisra'el) = Israël | אחיהם (achihem) = hun broers | לבנות (livnot) = te bouwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Het bedrog met het loon **65:21** Alle dienaren van de farao en zijn vorsten kwamen eerst met bedrog om met heel Israël te bouwen als dagloners, en zij gaven Israël in het begin hun loon, dag na dag. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | ושריו (vesarav) = en zijn vorsten | באו (ba'u) = kwamen | במרמה (bemirmah) = met bedrog | בראשונה (barishona) = in het begin | לבנות (livnot) = te bouwen | עם (im) = met | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | כשכירי (keskhire) = als huurlingen van | יום (yom) = dag | ויתנו (vayittenu) = en gaven | לישראל (leyisra'el) = voor Israël | שכרם (skharam) = hun loon | יום (yom) = dag | ויום (veyom) = en dag | בראשונה (barishona) = in het begin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:22** De dienaren van de farao bouwden naast heel Israël en werkten in dat werk met Israël een maand lang. Brontekst: ויבנו (vayivnu) = en bouwden | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | על (al) = naast | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | במלאכה (bamela'cha) = in het werk | ההיא (hahi) = die | עם (im) = met | ישראל (yisra'el) = Israël | חודש (chodesh) = maand | ימים (yamim) = lang Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:23** Na afloop van die maand begonnen alle dienaren van de farao dag na dag, één voor één, in het geheim van Israël weg te sluipen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | חודש (chodesh) = maand | ימים (yamim) = lang | ויחלו (vayachelu) = en zij begonnen | כל (kol) = alle | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | לברוח (livroach) = weg te sluipen | מעם (me'im) = van bij | ישראל (yisra'el) = Israël | בהחבא (bachevé) = in het geheim | אחד (echad) = één | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:24** Israël bleef in die tijd nog werken en ontving in die tijd nog dag na dag zijn loon, want er waren nog Egyptenaren die in die tijd met Israël in het werk werkten; daarom gaven de Egyptenaren Israël in die dagen hun loon, opdat ook zij, de Egyptenaren, hun medewerkers, het loon voor hun arbeid zouden nemen. Brontekst: וישראל (veyisra'el) = en Israël | עודם (odam) = nog | עושים (osim) = werkten | במלאכה (bamela'cha) = in het werk | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | אך (akh) = maar | עודם (odam) = nog | לוקחים (loqchim) = ontvingen | את (et) = (obj.) | שכרם (skharam) = hun loon | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | כי (ki) = want | עוד (od) = nog | אנשים (anashim) = mannen | מהמצריים (mehamitsrim) = enkelen van de Egyptenaren | עושים (osim) = werkten | במלאכה (bamela'cha) = in het werk | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | עם (im) = met | ישראל (yisra'el) = Israël | על (al) = daarom | כן (ken) = daarom | נותנים (notenim) = gaven | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | לישראל (leyisra'el) = voor Israël | שכרם (skharam) = hun loon | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בעבור (ba'avur) = opdat | יקחו (yiqchu) = zouden nemen | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | אחיהם (achihem) = hun broers | את (et) = (obj.) | שכר (sakhar) = loon | עבודתם (avodatam) = hun arbeid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:25** Na een jaar en vier maanden trokken alle Egyptenaren zich van de zonen van Israël terug, en de zonen van Israël bleven alleen over, werkend in het werk. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na afloop van | ימים (yamim) = een jaar | וארבעה (ve'arba'ah) = en vier | חודשים (chodashim) = maanden | ברחו (barchu) = trokken zich terug | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מעל (me'al) = van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וישארו (vayisha'aru) = en bleven | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לבדם (levaddam) = alleen | עושים (osim) = werkend | במלאכה (bamela'cha) = in het werk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ימים וארבעה חודשים (letterlijk ‘dagen en vier maanden’); ימים kan ‘een jaar’ betekenen (zie Lev. 25:29, waar ימים תהיה גאלתו ‘een volle jaar’ betekent). De Engelse vertaling heeft ‘a year and four months’. Zie ook: Lev 25:29 **65:26** Toen alle Egyptenaren zich van de zonen van Israël hadden teruggetrokken, keerden zij terug en werden drijvers en opzichters over hen; en sommigen van hen stonden over de zonen van Israël als oversten van de herendiensten, om van hen alles terug te nemen wat zij hun gegeven hadden als loon voor hun arbeid. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | ברחו (barchu) = trokken zich terug | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מעל (me'al) = van op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וישובו (vayashuvu) = en keerden terug | ויהיו (vayihyu) = en werden | עליהם (aleihem) = over hen | לנוגשים (lanogsim) = tot drijvers | ולשוטרים (velashoterim) = en tot opzichters | ומהם (umehem) = en sommigen van hen | אשר (asher) = die | עמדו (imdu) = stonden | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לשרי (lesarei) = tot oversten van | מיסים (missim) = herendiensten | לקחת (laqachat) = om te nemen | מהם (mehem) = van hen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | נתנו (netano) = hadden gegeven | להם (lahem) = hun | בשכר (bassakhar) = als loon voor | עבודתם (avodatam) = hun arbeid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:27** Zo deden de Egyptenaren met de zonen van Israël dag na dag, om Israël te onderdrukken in al hun arbeid. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | לבני (livnei) = voor de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כמעשה (kemma'aseh) = zoals de daad | הזה (hazzeh) = deze | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | למען (lema'an) = opdat | ענות ('annot) = te onderdrukken | את (et) = (obj.) | ישראל (yisra'el) = Israël | בכל (bekhol) = in heel | עבודתם (avodatam) = hun arbeid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:28** Alle zonen van Israël werkten alleen in de arbeid, en heel Egypte onthield de zonen van Israël van die dag af hun loon. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לבדם (levaddam) = alleen | עושים (osim) = doen | בעבודה (ba'avodah) = in de arbeid | וימנעו (vayimna'u) = en onthielden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מתת (metet) = te geven | שכר (sakhar) = loon | לבני (livnei) = voor de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Slagen voor wie weigert **65:29** Wanneer iemand van Israël weigerde in het werk te werken omdat zijn loon hem niet gegeven werd, kwamen alle drijvers over hen en alle dienaren van de farao naar hem toe, sloegen hem met hevige slagen en dwongen hem met geweld terug om met zijn broers te werken; zo deden alle Egyptenaren met de zonen van Israël al de dagen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = wanneer | ימאן (yema'en) = weigerde | כל (kol) = ieder | איש (ish) = man van | ישראל (yisra'el) = Israël | לעשות (la'asot) = om te doen | במלאכה (bamela'cha) = in het werk | על (al) = omdat | אשר (asher) = omdat | לא (lo) = niet | ניתן (nitten) = gegeven werd | לא (lo) = hem | שכרו (skharo) = zijn loon | וניגשו (veniggeshu) = en naderden | אליו (elav) = hem | כל (kol) = alle | הנוגשים (hanogsim) = de drijvers | עליהם (aleihem) = over hen | וכל (vekhol) = en alle | עבדי (avdei) = dienaren van | פרעה (par'oh) = Farao | והכו (vehiku) = en zij sloegen | אותו (oto) = hem | במכות (bemakkot) = met slagen | נמרצות (nimratsot) = hevige | והשיבו (vehesivu) = en dwongen terug | אותו (oto) = hem | בחזקה (bechazaqah) = met geweld | לעבוד (la'avod) = om te werken | עם (im) = met | אחיו (achiv) = zijn broers | ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לבני (livnei) = voor de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft לא ניתן לא שכרו (‘niet gegeven niet zijn loon’); gelezen is לא ניתן לו שכרו (‘zijn loon werd hem niet gegeven’). **65:30** Alle zonen van Israël werden zeer bang voor de Egyptenaren in deze zaak, en zij keerden terug en werkten alleen, alle zonen van Israël, zonder loon. Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en werden bang | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מהמצרים (mehamitsrim) = voor de Egyptenaren | מאוד (me'od) = zeer | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | ויעבדו (vaya'avdu) = en werkten | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לבדם (levaddam) = alleen | בלא (bilo) = zonder | שכר (sakhar) = loon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:31** De zonen van Israël bouwden Pitom en Raämses; alle zonen van Israël deden het werk, sommigen van hen maakten tichelstenen en sommigen bouwden. De zonen van Israël bouwden en versterkten heel het land Egypte en zijn muren, en de zonen van Israël werkten in dat werk vele jaren en dagen, tot de dag dat Yahweh aan hen dacht en hen uit Egypte leidde. Brontekst: ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | פיתום (pitom) = Pitom | ואת (ve'et) = en (obj.) | רעמסס (ra'amses) = Raämses | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | את (et) = (obj.) | המלאכה (hamela'cha) = het werk | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מהם (mehem) = sommigen van hen | לובנים (lovenim) = maakten | לבנים (levenim) = tichelstenen | ומהם (umehem) = en sommigen | בונים (bonim) = bouwden | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויחזקו (vayechezqu) = en versterkten | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | חומותיה (chomoteha) = haar muren | ויעשו (vaya'asu) = en werkten | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | במלאכה (bamela'cha) = in het werk | ההיא (hahi) = die | שנים (shanim) = jaren | וימים (vayamim) = en dagen | רבים (rabbim) = vele | עד (ad) = tot | יום (yom) = dag | זכור (zekhor) = dacht aan | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אותם (otam) = hen | ויוציאם (vayotsi'em) = en leidde hen uit | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:11 (Pitom en Raämses, voorraadsteden voor de farao). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 1:11 ### Levi blijft vrij van de arbeid **65:32** Maar alle zonen van Levi waren niet met Israël, hun broers, in die arbeid, van het begin af tot de dag van hun uittocht uit Egypte. Brontekst: אך (akh) = maar | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | לוי (Levi) = Levi | לא (lo) = niet | היו (hayu) = waren | עם (im) = met | ישראל (yisra'el) = Israël | אחיהם (achihem) = hun broers | בעבודה (ba'avodah) = in de arbeid | ההיא (hahi) = die | מבראשונה (mibarishona) = van het begin af | עד (ad) = tot | יום (yom) = dag | צאתם (tsetam) = hun uittocht | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **65:33** Want alle zonen van Levi wisten dat alle Egyptenaren al deze woorden met bedrog tot Israël gesproken hadden; daarom hielden alle zonen van Levi zich ervan af de arbeid te naderen met hun broers. Brontekst: כי (ki) = want | ידעו (yade'u) = zij wisten | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | לוי (Levi) = Levi | כי (ki) = dat | במרמה (bemirmah) = met bedrog | דיברו (dibberu) = hadden gesproken | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אל (el) = tot | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | על (al) = daarom | כן (ken) = daarom | חדלו (chadlu) = hielden op | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | לוי (Levi) = Levi | מגשת (miggeshet) = te naderen | אל (el) = tot | העבודה (ha'avodah) = de arbeid | עם (im) = met | אחיהם (achihem) = hun broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:34** De Egyptenaren richtten er hun aandacht daarna ook niet op de zonen van Levi te laten werken, omdat die van het begin af niet bij hun broers waren geweest; daarom lieten alle Egyptenaren hen met rust. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לא (lo) = niet | שמו (shemo) = richtten | פניהם (penehem) = hun gezicht | אל (el) = op | בני (bnei) = zonen van | לוי (Levi) = Levi | לעבוד (la'avod) = om te laten werken | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = daarna | אחרי (acharei) = nadat | אשר (asher) = nadat | לא (lo) = niet | היו (hayu) = zij waren | עם (im) = met | אחיהם (achihem) = hun broers | מבראשונה (mibarishona) = van het begin af | על (al) = daarom | כן (ken) = daarom | עזבו (azvu) = verlieten | אותם (otam) = hen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **65:35** De hand van de Egyptenaren werd steeds zwaarder voor de zonen van Israël in die arbeid, en de Egyptenaren lieten de zonen van Israël werken met hardheid. Brontekst: ותלך (vattelekh) = en ging | יד (yad) = hand van | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | הלוך (halokh) = steeds | וקשה (vaqasha) = zwaarder | על (al) = op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בעבודה (ba'avodah) = in de arbeid | ההיא (hahi) = die | ויעבידו (vaya'avidu) = en lieten werken | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בפרך (befarech) = met hardheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:13–14 (ויעבדו מצרים את בני ישראל בפרך, ‘de Egyptenaren lieten de zonen van Israël werken met hardheid’). Zie ook: Ex 1:13–14 **65:36** De Egyptenaren verbitterden het leven van de zonen van Israël met zware arbeid, met leem en tichelstenen, en ook met allerlei arbeid die de Egyptenaren in het veld hadden. Brontekst: וימררו (vayemareru) = en zij verbitterden | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | את (et) = (obj.) | חיי (chayyei) = het leven van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בעבודה (ba'avodah) = in de arbeid | קשה (qashah) = zware | בחומר (bechomer) = met leem | ובלבנים (uvilvenim) = en met tichelstenen | וגם (vegam) = en ook | בכל (bekhol) = met allerlei | עבודה (avodah) = arbeid | אשר (asher) = die | תהיה (tihyeh) = was | למצרים (leMitsrayim) = van Egypte | בשדה (bassadeh) = in het veld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Meror **65:37** De zonen van Israël noemden Malol, de koning van Egypte, Meror, koning van Egypte, want in zijn dagen verbitterden de Egyptenaren hun leven met allerlei arbeid. Brontekst: ויקראו (vayiqre'u) = en noemden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | מלול (malol) = Malol | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מרור (meror) = Meror | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = want | בימיו (bimav) = in zijn dagen | מיררו (mereru) = verbitterden | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | את (et) = (obj.) | חייהם (chayyehem) = hun leven | בכל (bekhol) = met allerlei | עבודה (avodah) = arbeid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מרור (Meror) is het Hebreeuwse woord voor ‘bitter’ (zie Ex. 1:14, וימררו; Ex. 12:8). Malol krijgt zo een naam die past bij wat in zijn dagen gebeurde. Zie ook: Ex 1:14; Ex 12:8 **65:38** En bij elke arbeid waarvoor de Egyptenaren de zonen van Israël lieten werken, lieten zij hen werken met hardheid, om de zonen van Israël te onderdrukken. Maar hoe meer zij hen onderdrukten, hoe meer de zonen van Israël talrijk werden en zich uitbreidden, en de Egyptenaren walgden van de zonen van Israël. Brontekst: ובכל (uvkhol) = en bij elke | עבודה (avodah) = arbeid | אשר (asher) = die | יעבידו (ya'avidu) = zij lieten werken | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | יעבדו (ya'avdu) = lieten zij werken | מהם (mehem) = van hen | בפרך (befarech) = met hardheid | למען (lema'an) = opdat | ענות ('annot) = om te vernederen | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אך (akh) = maar | כאשר (ka'asher) = hoe meer | יענו (ya'anu) = zij hen onderdrukten | אותם (otam) = hen | גן (gen) = hoe meer | ירבו (yirbu) = zij talrijk werden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וכן (vekhen) = en zo | יפרוצו (yifrotsu) = zich uitbreidden | ויקוצו (vayaqutsu) = en zij walgden | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מפני (mippenei) = vanwege | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:12 (‘hoe meer zij hen onderdrukten, hoe meer zij zich vermenigvuldigden en uitbreidden’). Zie ook: Ex 1:12 ## Jasher 66 _Het bevel van de farao_ ### Samla, koning van Edom **66:1** In die tijd stierf Hadad, de zoon van Bedad, de koning van Edom, en Samla uit Masreka, uit het land van de zonen van het oosten, regeerde in zijn plaats. Brontekst: בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | מת (met) = stierf | בדד (bedad) = Hadad | בן (ben) = zoon van | בדד (bedad) = Bedad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | וימלוך (vayemlokh) = en regeerde | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | שמלה (samla) = Samla | ממשרקה (mimasreqa) = uit Masreka | מארץ (me'erets) = uit het land van | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:36 (Samla uit Masreka). In de tekst staat בדד בן בדד; gelezen is הדד בן בדד (‘Hadad, de zoon van Bedad’), zoals in Gen. 36:35. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 36:35; Gen 36:36 **66:2** In het dertiende jaar van de farao, de koning van Egypte, dat is het honderdvijfentwintigste jaar sinds het afdalen van Israël naar Egypte, had Samla achttien jaar over Edom geregeerd. Brontekst: בשנת (bishnat) = in het jaar | שלוש (shalosh) = drie | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | לפרעה (lefar'oh) = van de farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = jaar van | מאה (me'ah) = honderd | שנה (shanah) = jaar | וחמש (vechamesh) = en vijf | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | מלך (malakh) = regeerde | שמלה (samla) = Samla | על (al) = over | אדום (Edom) = Edom | שמונה (shemonah) = acht | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **66:3** Toen hij koning werd, liet hij zijn leger uittrekken om te gaan strijden tegen Zefo, de zoon van Elifaz, en tegen de zonen van Kittim, omdat zij tegen Angeas, de koning van Afrika, gestreden hadden en heel zijn leger verdelgd hadden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | במלכו (bemalko) = toen hij koning werd | ויוצא (vayotse) = en liet uittrekken | צבא (tsava) = het leger | ללכת (lalekhet) = om te gaan | להילחם (lehillachem) = te strijden | בצפו (betsefo) = tegen Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | ואת (ve'et) = en tegen | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | על (al) = omdat | אשר (asher) = omdat | נלחמו (nilchamu) = hadden gestreden | עם (im) = tegen | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | וישמידו (vayashmidu) = en verdelgd hadden | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:4** Maar hij streed niet tegen hem, want de zonen van Ezau hielden hem tegen en zeiden dat hij hun broer was. Samla luisterde naar de stem van de zonen van Ezau, keerde met heel zijn leger terug naar het land Edom en ging niet om te strijden tegen Zefo, de zoon van Elifaz. Brontekst: אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | נלחם (nilcham) = streed | איתו (ito) = tegen hem | כי (ki) = want | מנעו (man'o) = hielden tegen | אותו (oto) = hem | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = dat | אחיהם (achihem) = hun broer | הוא (hu) = hij | וישמע (vayishma) = en luisterde | שמלה (samla) = Samla | בקול (bekol) = naar de stem van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויפן (vayyifen) = en keerde zich om | וישב (vayyashev) = en keerde terug | עם (im) = met | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | ארץ (erets) = naar het land van | אדום (Edom) = Edom | ולא (velo) = en niet | הלך (halakh) = ging | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **66:5** De farao, de koning van Egypte, hoorde dat Samla, de koning van Edom, besloten had te strijden tegen de zonen van Kittim, en daarna zou komen om tegen Egypte te strijden. Brontekst: ופרעה (ufar'oh) = en de farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | שמע (shema) = hoorde | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לאמור (lemor) = zeggende | יעץ (ya'ats) = heeft besloten | שמלה (samla) = Samla | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ואחר (ve'achar) = en daarna | יבוא (yavo) = zal komen | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **66:6** Toen de Egyptenaren dit hoorden, maakten zij de arbeid voor de zonen van Israël zwaarder, opdat Israël hun niet zou doen zoals zij hun deden in hun oorlog met de zonen van Ezau, in de dagen van Hadad. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hoorden | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויכבידו (vayakhbidu) = en zij maakten zwaarder | את (et) = (obj.) | העבודה (ha'avodah) = de arbeid | על (al) = op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | פן (pen) = opdat niet | יעשו (ya'asu) = zouden doen | להם (lahem) = hun | ישראל (yisra'el) = Israël | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = deden | להם (lahem) = hun | במלחמתם (bemilchamtam) = in hun oorlog | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בימי (bimei) = in de dagen van | הדד (hadad) = Hadad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:7** De Egyptenaren zeiden tot de zonen van Israël: „Haast jullie en verricht jullie arbeid, voltooi jullie werk en versterk het land, opdat de zonen van Ezau, jullie broers, niet tegen ons ten strijde komen; want om jullie wil komen zij naar ons toe.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מהרו (maharu) = haast jullie | ועבדו (va'avdu) = en verricht | את (et) = (obj.) | עבודתכם (avodatkhem) = jullie arbeid | וכלו (vekhalu) = en voltooi | את (et) = (obj.) | מעשיכם (ma'aseykhem) = jullie werk | וחיזקתם (vechizaqtem) = en versterk | את (et) = (obj.) | הארץ (ha'arets) = het land | פן (pen) = opdat niet | יבואו (yavo'u) = komen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | אחיכם (acheikhem) = jullie broers | עלינו (aleinu) = tegen ons | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | כי (ki) = want | בעבורכם (ba'avurkhem) = om jullie wil | הם (hem) = zij | באים (va'im) = komen | אלינו (elenu) = tot ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:8** De zonen van Israël verrichtten dag na dag het werk van de Egyptenaren, en de Egyptenaren onderdrukten de zonen van Israël om hen in het land te verminderen. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en verrichtten | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | עבודת (avodat) = het werk van | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ויענו (vaya'anu) = en onderdrukten | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | למען (lema'an) = opdat | המעיט (hame'it) = te verminderen | אותם (otam) = hen | בארץ (ba'arets) = in het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:9** Maar hoe meer de Egyptenaren de arbeid voor de zonen van Israël vermeerderden, hoe meer de zonen van Israël zich vermenigvuldigden en uitbreidden, en heel Egypte werd vol van de zonen van Israël. Brontekst: אך (akh) = maar | כאשר (ka'asher) = hoe meer | ירבו (yirbu) = vermeerderden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בעבודה (ba'avodah) = in de arbeid | על (al) = op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כן (ken) = hoe meer | ירבו (yirbu) = vermenigvuldigden zich | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וכן (vekhen) = en | יפרוצו (yifrotsu) = breidden zich uit | ותמלא (vattimmale) = en werd vol | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **66:10** In het honderdvijfentwintigste jaar sinds het afdalen van Israël naar Egypte zagen alle Egyptenaren dat hun raad tegen Israël niet slaagde, maar dat zij zich vermenigvuldigden en uitbreidden, en het land Egypte en het land Gosen vol werden van de zonen van Israël. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | מאה (me'ah) = honderd | וחמש (vechamesh) = en vijf | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | בראות (bir'ot) = toen zagen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | נהייתה (nihyetah) = slaagde | עצתם (atsatam) = hun raad | בישראל (beyisra'el) = tegen Israël | אך (akh) = maar | הם (hem) = zij | ירבו (yirbu) = vermenigvuldigden zich | ויפרוצו (vayifrotsu) = en zij breidden zich uit | ותמלא (vattimmale) = en werd vol | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וארץ (va'erets) = en het land van | גושן (goshen) = Gosen | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. ### De oudsten van Egypte bij de koning **66:11** Alle oudsten van Egypte en zijn wijzen gingen en kwamen voor de koning, bogen zich voor hem neer en gingen voor hem zitten. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | כל (kol) = alle | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וחכמיה (vachakhameha) = en haar wijzen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | וישבו (vayeshvu) = en gingen zitten | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **66:12** Alle oudsten van Egypte en al zijn wijzen zeiden tot de koning: „Leve de koning voor altijd! Je hebt ons zeker de raad gegeven die je tegen de zonen van Israël gaf, en wij hebben met hen gedaan naar het woord van de koning. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כל (kol) = alle | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | חכמיה (chakhameha) = haar wijzen | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning | לעולם (le'olam) = voor altijd | יעוץ (ya'ots) = zeker | יעצת (ya'atsta) = heb je geraden | אותנו (otanu) = ons | את (et) = (obj.) | העצה (ha'etsah) = de raad | אשר (asher) = die | יעצת (ya'atsta) = heb je geraden | על (al) = tegen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ונעש (vene'eseh) = en wij deden | להם (lahem) = met hen | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **66:13** Maar naarmate het zwaarder werd voor hen, vermenigvuldigen zij zich en worden zij vruchtbaar in het land, en zie, heel het land is vol van hen. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | מדי (Madai) = naarmate | הכביד (hakhbid) = het zwaarder werd | עליהם (aleihem) = voor hen | את (et) = (obj.) | העבודה (ha'avodah) = de arbeid | כן (ken) = zo | ירבו (yirbu) = zij vermenigvuldigen zich | וכן (vekhen) = en zo | יפרו (yifru) = zij worden vruchtbaar | בארץ (ba'arets) = in het land | והנה (vehinneh) = en zie | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | מלאה (meleah) = vol | מהם (mehem) = van hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:14** En nu, mijn heer, o koning, de ogen van heel Egypte zijn op jou, om hun raad te geven in je wijsheid, waarmee zij over Israël de overhand kunnen krijgen om hen te vernietigen en hen uit het land te verminderen.” De koning antwoordde hun met de woorden: „Geef jullie raad in deze zaak, zodat wij weten wat wij met hen moeten doen.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | עיני (eni) = de ogen van | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עליך (aleikha) = op jou | לתת (latet) = om te geven | להם (lahem) = hun | עצה (etsah) = raad | בחכמתך (bechokhmatekha) = in je wijsheid | באשר (ba'asher) = waarmee | על (al) = over | ישראל (yisra'el) = Israël | לאבדם (le'abedam) = om hen te vernietigen | ולהמעיטם (ulehame'itam) = en om hen te verminderen | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = het land | ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלך (hammelekh) = de koning | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | הבו (havu) = geef | אתם (ittam) = jullie | עצה (etsah) = raad | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ונדעה (venede'a) = zodat wij weten | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | להם (lahem) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Job geeft raad **66:15** Een hoveling, een van de raadsheren van de koning, wiens naam Job was, uit Aram-Naharaim, uit het land Uz, antwoordde de koning met de woorden: Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | סריס (saris) = hoveling | אחד (echad) = één | מיועצי (miyo'atse) = van de raadsheren van | המלך (hammelekh) = de koning | ושמו (ushmo) = en zijn naam was | איוב (iyov) = Job | מארם (me'aram) = uit Aram | נהרים (naharayim) = Naharaim | מארץ (me'erets) = uit het land | עוץ ('uts) = Uz | את (et) = (obj.) | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Voetnoot Uitleg: סריס (‘hoveling’, ‘hofbeambte’); de Engelse vertaling heeft ‘an officer’. Zie Job 1:1 voor Job in het land Uz. Zie ook: Job 1:1 **66:16** „Als de koning het goed vindt, laat hij dan de raad van zijn knecht horen.” De koning zei tot hem: „Spreek.” Brontekst: אם (em) = als | על (al) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | טוב (tov) = goed is | ישמע (yishma) = hoor | נא (na) = toch | את (et) = (obj.) | עצת (atsat) = raad van | עבדו (avdo) = zijn knecht | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = tot hem | המלך (hammelekh) = de koning | דבר (davar) = spreek Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:17** Job sprak tot de koning en de vorsten en tot alle oudsten van Egypte met de woorden: Brontekst: וידבר (vayedabber) = en hij sprak | איוב (iyov) = Job | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | ולפני (velifnei) = en voor | כל (kol) = alle | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **66:18** „Zie, de raad van de koning die hij in die dagen gaf over de arbeid van de zonen van Israël, is zeer goed, en jullie mogen dat werk nooit van hen wegnemen. Brontekst: הנה (hinneh) = zie | עצת (atsat) = raad van | המלך (hammelekh) = de koning | אשר (asher) = die | יעץ (ya'ats) = raadde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בעבודת (ba'avodat) = omtrent de arbeid van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | טובה (tovah) = goed | היא (hi) = is | מאוד (me'od) = zeer | ולא (velo) = en niet | תשביתו (tashbitu) = mogen jullie wegnemen | מעליהם (me'aleihem) = van hen weg | המלאכה (hamela'cha) = het werk | ההיא (hahi) = die | עד (ad) = tot | עולם (olam) = in eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:19** Maar dit is de raad die tegen hen beraamd is, waarmee jullie hen kunnen verminderen, als de koning het goed vindt die uit te voeren. Brontekst: ואולם (ve'ulam) = maar | זאת (zot) = deze | העצה (ha'etsah) = de raad | היעוצה (hayeutsa) = die beraamd is | עליהם (aleihem) = over hen | אשר (asher) = die | תוכלו (tuchlu) = jullie kunnen | להמעיטם (lehame'itam) = om hen te verminderen | בה (bah) = daarmee | אם (em) = als | על (al) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | טוב (tov) = goed is | לעשותה (la'asotah) = om het uit te voeren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:20** Zie, wij zijn al vele dagen bevreesd voor de oorlog, en wij zeiden: Wanneer Israël vruchtbaar wordt in het land, zullen zij ons uit het land verdrijven wanneer er een oorlog uitbreekt. Brontekst: הנה (hinneh) = zie | אנחנו (anachnu) = wij | יריאים (yere'im) = bevreesd | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | זה (ze) = al | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ונאמר (vanomar) = en wij zeiden | בפרות (bifrot) = wanneer vruchtbaar wordt | ישראל (yisra'el) = Israël | הארץ (ha'arets) = in het land | יגרשו (yegarshu) = zullen zij verdrijven | אותנו (otanu) = ons | מן (min) = uit | הארץ (ha'arets) = het land | כאשר (ka'asher) = wanneer | תקראנה (tiqrena) = zich voordoet | מלחמה (milchamah) = oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:21** Als de koning het goed vindt, laat dan een koninklijk bevel uitgaan, en laat het geschreven worden in de wetten van Egypte, zodat het niet vergaat: ieder mannelijk kind dat bij de Hebreeën geboren wordt, zal zijn bloed ter aarde vergoten worden. Brontekst: אם (em) = als | על (al) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | טוב (tov) = goed is | יצא (yatsa) = ga uit | דבר (davar) = een woord van | מלכות (malkhut) = koningschap | מלפניו (millefanav) = van voor hem | ויכתב (veyikatev) = en worde geschreven | בדתי (bedatei) = in de wetten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ולא (velo) = en niet | יעבור (ya'avor) = vergaan | אשר (asher) = dat | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk kind | הילוד (hayilod) = dat geboren wordt | לעברים (la'ivrim) = aan de Hebreeën | ישפך (yishafekh) = zal vergoten worden | דמו (damo) = zijn bloed | ארצה (artsah) = ter aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:22 (‘Elke zoon die geboren wordt, werpt in de Nijl’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 1:22 **66:22** En wanneer jullie dit doen, wanneer alle mannelijke kinderen onder de zonen van Israël zullen sterven, zal het kwaad van hun oorlogen van ons ophouden. Laat de farao dit doen: laat hij alle Hebreeuwse vroedvrouwen roepen en hun gebieden dit uit te voeren.” Het beviel de koning en de vorsten, en de koning deed naar het woord van Job. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | בעשותכם (be'asotkhem) = wanneer jullie dit doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | כאשר (ka'asher) = wanneer | ימותו (yamutu) = zullen sterven | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk kind | בבני (bivnei) = onder de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וחדלה (vechadla) = en zal ophouden | מעלינו (me'aleinu) = van ons af | רעת (ra'at) = het kwaad van | מלחמותיהם (milchamotehem) = hun oorlogen | יעשה (ya'aseh) = laat doen | פרעה (par'oh) = Farao | ויקרא (vayikra) = en roepen | לכל (lekhol) = alle | המיילדות (hamyaldot) = de vroedvrouwen | העבריות (ha'ivriyot) = de Hebreeuwse | ויצווה (vetsave) = en gebieden | אליהן (aleyhen) = aan hen | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לעשותו (la'asoto) = om het uit te voeren | וייטב (vayyitav) = en het beviel | הדבר (haddavar) = de zaak | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | ויעש (vayya'as) = en hij deed | המלך (hammelekh) = de koning | כדבר (kidvar) = naar het woord van | איוב (iyov) = Job Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De vroedvrouwen Sifra en Pua **66:23** De farao liet de Hebreeuwse vroedvrouwen roepen; de naam van de ene was Sifra en de naam van de andere Pua. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en zond | פרעה (par'oh) = Farao | ויקרא (vayikra) = en riep | למיילדות (lamyaldot) = aan de vroedvrouwen | העבריות (ha'ivriyot) = de Hebreeuwse | אשר (asher) = van wie | שם (shem) = de naam | האחת (ha'achat) = van de ene | שפרה (shifra) = Sifra | ושם (veShem) = en de naam | השנית (hashenit) = van de andere | פועה (pu'a) = Pua Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:15 (de Hebreeuwse vroedvrouwen Sifra en Pua). Zie ook: Ex 1:15 **66:24** De vroedvrouwen kwamen voor de koning en stonden voor hem. Brontekst: ותבאן (vatavo'na) = en zij kwamen | המיילדות (hamyaldot) = de vroedvrouwen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ותעמודנה (vata'amodna) = en zij stonden | לפניו (lefanav) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:25** De koning zei tot hen: „Wanneer jullie de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpen en jullie ze op de baarkrukken zien, dan zullen jullie het doden als het een zoon is, en als het een dochter is, zal zij leven. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אליהן (aleyhen) = tot hen | בילדכן (beyaldekhen) = bij het verlossen van | את (et) = (obj.) | העבריות (ha'ivriyot) = de Hebreeuwse vrouwen | וראיתן (ur'itan) = en jullie zien | על (al) = op | האבנים (ha'avanim) = de stenen | אם (em) = als | בן (ben) = een zoon | הוא (hu) = het is | והמיתן (vehamitan) = dan zullen jullie doden | אותו (oto) = hem | ואם (ve'im) = en als | בת (bat) = een dochter | היא (hi) = het is | וחיה (vechaya) = en zij zal leven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: האבנים (letterlijk ‘de stenen’): de baarkruk, zie Ex. 1:16. De Engelse vertaling heeft ‘the stools’. Zie ook: Ex 1:16 **66:26** En als jullie dit niet doen, dan zal ik jullie en al jullie huizen met vuur verbranden.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | לא (lo) = niet | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ושרפתי (vesarafti) = dan zal ik verbranden | אתכן (etkhen) = jullie | ואת (ve'et) = en | כל (kol) = alle | בתיכם (batteikhem) = jullie huizen | באש (ba'esh) = in vuur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De vroedvrouwen vrezen Elohim **66:27** De vroedvrouwen vreesden Elohim en luisterden niet naar de koning van Egypte en niet naar al zijn woorden. Wanneer de Hebreeuwse vrouw bij de vroedvrouw een zoon of een dochter baarde, deed de vroedvrouw alles wat voor het kind nodig was en liet het leven; zo deden de vroedvrouwen al de dagen. Brontekst: ותיראן (vativ'ena) = en vreesden | המיילדות (hamyaldot) = de vroedvrouwen | את (et) = (obj.) | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | ולא (velo) = en niet | שמעו (shame'u) = luisterden | אל (el) = naar | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואל (ve'el) = noch naar | כל (kol) = alle | דבריו (devarav) = zijn woorden | והיה (vehayah) = en het gebeurde | בלדת (biledet) = wanneer baarde | האישה (ha'ishah) = de vrouw | העברית (ha'ivrit) = de Hebreeuwse | על (al) = bij | המיילדת (hamyaledet) = de vroedvrouw | בן (ben) = een zoon | או (o) = of | בת (bat) = een dochter | ועשתה (ve'asta) = en zij deed | המיילדת (hamyaledet) = de vroedvrouw | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | צרכי (tsarkhei) = de behoeften van | הילד (hayeled) = het kind | והחיה (vehechya) = en liet leven | אותו (oto) = hem | ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden | המיילדות (hamyaldot) = de vroedvrouwen | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:17 (de vroedvrouwen vreesden Elohim en deden niet wat de koning van Egypte hun gezegd had). Zie ook: Ex 1:17 **66:28** Dit werd de koning verteld, en hij liet de vroedvrouwen roepen en zei tot hen: „Waarom hebben jullie dit gedaan en laten jullie de kinderen leven?” Brontekst: ויוגד (vayugad) = en er werd verteld | למלך (lammelekh) = aan de koning | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וישלח (vayishlach) = en hij zond | ויקרא (vayikra) = en riep | למיילדות (lamyaldot) = aan de vroedvrouwen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהן (aleyhen) = tot hen | מדוע (maddu'a) = waarom | עשיתן (asitten) = hebben jullie gedaan | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ותחיין (vitchayena) = en laten jullie leven | את (et) = (obj.) | הילדים (hayeladim) = de kinderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:29** De vroedvrouwen antwoordden en spraken beiden tot de koning met de woorden: Brontekst: ותעננה (vata'anena) = en zij antwoordden | המיילדות (hamyaldot) = de vroedvrouwen | ותדברנה (vatedabarna) = en zij spraken | שתיהן (shetayhen) = beiden | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **66:30** „Laat de koning niet zeggen dat de Hebreeuwse vrouwen zijn zoals de Egyptische vrouwen, want alle dochters van Israël zijn levenskrachtig; voordat de vroedvrouw bij hen komt, hebben zij al gebaard. En wij, je dienaressen, wij hebben al vele dagen geen Hebreeuwse vrouw bij ons zien baren, want alle vrouwen van Israël zijn vroedvrouw voor zichzelf, omdat zij levenskrachtig zijn.” Brontekst: אל (el) = laat niet | יאמר (yomar) = zeggen | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = dat | כנשים (keneshim) = zoals de vrouwen | המצריות (hamitsriyot) = de Egyptische | העבריות (ha'ivriyot) = de Hebreeuwse zijn | כי (ki) = want | כל (kol) = alle | בנות (banot) = dochters van | ישראל (yisra'el) = Israël | חיות (chayyot) = levenskrachtig | הנה (hinneh) = zijn zij | בטרם (beterem) = voordat | תבוא (tavo) = komt | אליהן (aleyhen) = tot hen | המיילדת (hamyaledet) = de vroedvrouw | וילדו (vayeldu) = hebben zij gebaard | ואנחנו (va'anachnu) = en wij | שפחותיך (shifchotekha) = je dienaressen | זה (ze) = al | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | לא (lo) = niet | ילדה (yaldah) = heeft gebaard | אישה (ishah) = een vrouw | עברית (ivriyyah) = een Hebreeuwse | עלינו (aleinu) = bij ons | כי (ki) = want | כל (kol) = alle | נשי (neshei) = vrouwen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מיילדות (meyaldot) = vroedvrouwen | הן (hen) = zijn zij | לנפשם (lenafsham) = voor zichzelf | כי (ki) = want | חיות (chayyot) = levenskrachtig | הנה (hinneh) = zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:19 (‘de Hebreeuwse vrouwen zijn niet als de Egyptische; zij zijn levenskrachtig’). Zie ook: Ex 1:19 ### Elohim doet de vroedvrouwen goed **66:31** De farao hoorde hun woorden en geloofde hun in deze zaak, en de vroedvrouwen gingen weg van de farao; Elohim deed hun goed, en het volk werd talrijk en zeer machtig. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (obj.) | דבריהן (divreihen) = hun woorden | ויאמן (vaya'amen) = en geloofde | להם (lahem) = hen | על (al) = in | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | והמיילדות (vehamyaldot) = en de vroedvrouwen | יצאו (yatse'u) = gingen weg | מלפני (millifnei) = uit de nabijheid van | פרעה (par'oh) = Farao | וייטב (vayyitav) = en deed goed | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | להן (lahen) = aan hen | וירב (vayarev) = en werd talrijk | העם (ha'am) = het volk | ויעצמו (vaya'atsmu) = en zij werden machtig | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:20 (Elohim deed de vroedvrouwen goed; het volk werd talrijk en zeer machtig). Zie ook: Ex 1:20 ## Jasher 67 _Het bevel de jongens in de Nijl te werpen_ ### Amram en Jochebed **67:1** Er was een man in het land Egypte, uit het zaad van Levi, en zijn naam was Amram, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, de zoon van Israël. Brontekst: איש (ish) = een man | היה (hayah) = was | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מזרע (mizzera') = uit het zaad van | לוי (Levi) = Levi | ושמו (ushmo) = en zijn naam | עמרם (amram) = Amram | בן (ben) = zoon van | קהת (qehat) = Kehat | בן (ben) = zoon van | לוי (Levi) = Levi | בן (ben) = zoon van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **67:2** Die man ging en nam tot vrouw Jochebed, de dochter van Levi, de zuster van zijn vader; zij was honderdzesentwintig jaar oud, en hij ging tot haar in. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | ויקח (vayikkach) = en hij nam | אישה (ishah) = tot vrouw | את (et) = (obj.) | יוכבד (yokheved) = Jochebed | בת (bat) = dochter van | לוי (Levi) = Levi | אחות (achot) = zuster van | אביו (aviv) = zijn vader | והיא (vehi) = en zij | בת (bat) = was | מאה (me'ah) = honderd | ושש (veshesh) = en zes | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | שנים (shanim) = jaren | ויבוא (vayavo) = en ging binnen | אליה (eleha) = tot haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 6:20 (Amram nam Jochebed, zijn tante, tot vrouw). Zie ook: Ex 6:20 **67:3** De vrouw werd zwanger en beviel van een dochter, en zij noemde haar Mirjam, want in die dagen verbitterden de Egyptenaren het leven van de zonen van Israël. Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | האישה (ha'ishah) = de vrouw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בת (bat) = een dochter | ותקרא (vattiqra) = en noemde | שמה (shemah) = haar naam | מרים (miryam) = Mirjam | כי (ki) = want | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | מיררו (mereru) = verbitterden | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | חיי (chayyei) = leven | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:4** Zij werd opnieuw zwanger en beviel van een zoon, en zij noemde hem Aäron, want in de dagen van haar zwangerschap begon de farao het bloed van de mannelijke kinderen van de zonen van Israël te vergieten. Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | עוד (od) = opnieuw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | ותקרא (vattiqra) = en noemde | שמו (shemo) = zijn naam | אהרון (aharon) = Aäron | כי (ki) = want | בימי (bimei) = in de dagen van | הרותה (harutah) = haar zwangerschap | החל (hechel) = begon | פרעה (par'oh) = Farao | לשפוך (lishpoch) = te vergieten | דמי (dami) = het bloed van | זכורי (zekhuri) = de mannelijke kinderen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 7:7 (Mozes was tachtig en Aäron drieëntachtig jaar oud) en Ex. 15:20 (Mirjam, de zuster van Aäron). Zie ook: Ex 7:7; Ex 15:20 ### Zefo sterft; Bileam vlucht naar Egypte **67:5** In die dagen stierf Zefo, de zoon van Elifaz, de zoon van Ezau, de koning van Kittim, en Janiosj regeerde in zijn plaats. Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | מת (met) = stierf | צפו (tsefo) = Zefo | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | מלך (malakh) = koning van | כיתים (kitim) = Kittim | וימלוך (vayemlokh) = en regeerde | יאניוש (yaniush) = Janiosj | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:6** De dagen dat Zefo over alle zonen van Kittim regeerde, waren vijftig jaar; hij stierf en werd begraven in de stad Nabna in het land Kittim. Brontekst: והימים (vehayyamim) = en de dagen | אשר (asher) = dat | מלך (malakh) = regeerde | צפו (tsefo) = Zefo | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | חמישים (chamishim) = vijftig | שנה (shanah) = jaar | וימת (vayamot) = en hij stierf | ויקבר (vayiqqaver) = en werd begraven | בעיר (ba'ir) = in de stad | נבנא (navna) = Nabna | בארץ (ba'arets) = in het land | כיתים (kitim) = Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:7** Na hem regeerde over alle zonen van Kittim Janiosj, een van de helden van de zonen van Kittim, en hij regeerde vijftig jaar. Brontekst: וימלוך (vayemlokh) = en regeerde | אחריו (acharav) = na hem | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | יאניוש (yaniush) = Janiosj | מגיבורי (migiborei) = een van de helden van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | וימלוך (vayemlokh) = en regeerde | חמישים (chamishim) = vijftig | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:8** Na de dood van Zefo, de koning van Kittim, vluchtte Bileam, de zoon van Beor, uit het land Kittim; hij ging en kwam naar Egypte, naar de farao, de koning van Egypte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | צפו (tsefo) = Zefo | מלך (malakh) = koning van | כיתים (kitim) = Kittim | ויברח (vayivrach) = en vluchtte | בלעם (bil'am) = Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | מארץ (me'erets) = uit het land | כיתים (kitim) = Kittim | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **67:9** De farao ontving hem met grote eer, want hij had van zijn wijsheid gehoord; hij gaf hem geschenken, stelde hem aan als raadsman en maakte hem groot. Brontekst: ויקבלהו (vayqabeluhu) = en ontving hem | פרעה (par'oh) = Farao | בכבוד (bikhvod) = met eer | גדול (gadol) = grote | כי (ki) = want | שמע (shema) = had gehoord | את (et) = (obj.) | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = hem | מתנות (mattanot) = geschenken | וישימהו (vayesimehu) = en stelde hem aan | לו (lo) = voor zich | ליועץ (layo'ets) = tot raadsman | ויגדלהו (vayegaddelehu) = en maakte hem groot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:10** Bileam woonde in Egypte in eer bij alle vorsten van de koning, en de vorsten verhieven Bileam, omdat zij er allen naar verlangden zijn wijsheid te leren. Brontekst: וישב (vayyashev) = en woonde | בלעם (bil'am) = Bileam | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | בכבוד (bikhvod) = met eer | עם (im) = met | כל (kol) = alle | שרי (sarai) = de vorsten van | המלך (hammelekh) = de koning | וינשאו (vayanse'u) = en zij verhieven | השרים (hasarim) = de vorsten | את (et) = (obj.) | בלעם (bil'am) = Bileam | כי (ki) = omdat | התאוו (hit'avu) = verlangden | כולם (kullam) = allen | ללמוד (lilmod) = om te leren | את (et) = (obj.) | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De droom van de farao **67:11** In het honderddertigste jaar sinds het afdalen van Israël naar Egypte droomde de farao, terwijl hij op de troon van zijn koningschap zat; hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, een oude man stond tegenover hem, en in de hand van de oude man was een weegschaal, zoals de weegschalen van de kooplieden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | מאה (me'ah) = honderd | ושלושים (ushloshim) = en dertig | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ופרעה (ufar'oh) = en de farao | חולם (cholem) = droomde | והוא (vehu) = terwijl hij | יושב (yoshev) = zat | על (al) = op | כיסא (kisse) = de troon van | מלכותו (malkhuto) = zijn koningschap | וישא (vayissa) = en hij hief op | עיניו (einav) = zijn ogen | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | איש (ish) = een man | זקן (zaqen) = oud | עומד (omed) = staande | לנגדו (lenegdo) = tegenover hem | וביד (uvyad) = en in de hand van | הזקן (hazzaqen) = de oude | מאזניים (moznayim) = een weegschaal | ממאזני (mimozne) = zoals de weegschalen van | הסוחרים (hasocharim) = de kooplieden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **67:12** De oude man nam de weegschaal en hing haar op voor de farao. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | האיש (ha'ish) = de man | הזקן (hazzaqen) = de oude | את (et) = (obj.) | המאזניים (hamoznayim) = de weegschaal | ויתלם (vayitlem) = en hing ze op | לפני (lifnei) = voor | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:13** De oude man nam alle oudsten van Egypte en al zijn vorsten en al zijn groten, bond hen samen en legde hen in de ene schaal van de weegschaal. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | הזקן (hazzaqen) = de oude | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | שריה (sareha) = haar vorsten | וכל (vekhol) = en alle | גדוליה (gedoleha) = haar groten | ויאסרם (vaya'asrem) = bond hen | יחד (yachad) = samen | ויתנם (vayittenem) = en legde hen | בכף (bekhaf) = in de schaal | המאזניים (hamoznayim) = de weegschaal | האחת (ha'achat) = de ene Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **67:14** Hij nam een zogend lam en legde het in de andere schaal van de weegschaal, en het lam woog zwaarder dan zij allen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | טלה (tale) = lam | חלב (chelev) = zogend | אחד (echad) = een | ויתנהו (vayittenehu) = en legde het | בכף (bekhaf) = in de schaal | המאזניים (hamoznayim) = de weegschaal | השנית (hashenit) = de andere | ויכרע (vayakhra) = en woog zwaarder dan | הטלה (hatale) = het lam | את (et) = (obj.) | כולם (kullam) = allen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: טלה חלב (letterlijk ‘een melklam’, een zuiglam); de Engelse vertaling heeft ‘a milk kid’. **67:15** De farao verbaasde zich over dat ontzagwekkende visioen: waarom woog het lam zwaarder dan zij allen? en de farao werd wakker, en zie, het was een droom. Brontekst: ויתמה (vayitmah) = en verbaasde zich | פרעה (par'oh) = Farao | על (al) = over | החזון (hechazon) = het visioen | הנורא (hanora) = het ontzagwekkende | ההוא (hahu) = die | מדוע (maddu'a) = waarom | יכרע (yakhra) = zwaarder woog dan | הטלה (hatale) = het lam | את (et) = (obj.) | כולם (kullam) = allen | וייקץ (vayyiqats) = en werd wakker | פרעה (par'oh) = Farao | והנה (vehinneh) = en zie | חלום (chalom) = een droom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:16** De farao stond 's morgens vroeg op, riep al zijn dienaren en vertelde hun de droom, en de mannen werden zeer bang. Brontekst: וישכם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | פרעה (par'oh) = Farao | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | ויקרא (vayikra) = en riep | לכל (lekhol) = al | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויספר (vayesaper) = en hij vertelde | פרעה (par'oh) = Farao | להם (lahem) = hun | את (et) = (obj.) | החלום (hachalom) = de droom | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | יראה (yir'ah) = vrees | גדולה (gedolah) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:17** De koning zei tot al zijn wijzen: „Verklaar mij toch deze droom die ik gedroomd heb, opdat ik hem ken.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | חכמיו (chakhamav) = zijn wijzen | פיתרו (pitru) = verklaar | נא (na) = toch | אליי (elai) = voor mij | החלום (hachalom) = de droom | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | חלמתי (chalamti) = ik heb gedroomd | ואדענו (ve'eda'enu) = opdat ik hem ken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Bileam duidt de droom **67:18** Bileam, de zoon van Beor, antwoordde de koning en zei tot hem: „Dit is niets anders dan een groot kwaad dat in de laatste dagen tegen Egypte zal opkomen. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | בלעם (bil'am) = Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | את (et) = (obj.) | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אין (ein) = er is niet | זה (ze) = dit | כי (ki) = anders dan | אם (em) = anders dan | רעה (ra'ah) = kwaad | גדולה (gedolah) = grote | אשר (asher) = die | תצמח (titsmach) = zal opkomen | על (al) = tegen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | באחרית (be'acharit) = in het einde van | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **67:19** Want zie, er zal een zoon geboren worden bij Israël, die heel Egypte zal verwoesten en al zijn bewoners zal vernietigen, en die Israël met sterke hand uit Egypte zal leiden. Brontekst: כי (ki) = want | הנה (hinneh) = zie | בן (ben) = een zoon | יולד (yivvaled) = zal geboren worden | לישראל (leyisra'el) = bij Israël | אשר (asher) = die | יחריב (yacharib) = zal verwoesten | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | והשחית (vehishchit) = en zal verwoesten | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | יושביה (yoshveha) = haar bewoners | והוציא (vehotsi) = en zal uitleiden | את (et) = (obj.) | ישראל (yisra'el) = Israël | ביד (beyad) = met een hand | חזקה (chazaqah) = krachtig | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **67:20** En nu, onze heer, o koning, houd raad over deze zaak en vernietig de hoop van de zonen van Israël en hun verwachting, voordat dit kwaad tegen heel Egypte opkomt.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אדוננו (adonenu) = onze heer | המלך (hammelekh) = de koning | הבו (havu) = geef | לכם (lakhem) = voor jullie | עצה (etsah) = raad | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ואבדתם (ve'avadtem) = en vernietig | את (et) = (obj.) | תקות (tiqvat) = de hoop van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ואת (ve'et) = en (obj.) | תוחלתם (tochaltam) = hun verwachting | טרם (terem) = voordat | תצמח (titsmach) = opkomt | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | על (al) = tegen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **67:21** De koning zei tot Bileam: „En wat moeten wij met Israël doen? Wij hebben immers in het begin zus en zo tegen hen geraden en hebben hen niet kunnen overmeesteren. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | בלעם (bil'am) = Bileam | ומה (umah) = en wat | לנו (lanu) = voor ons | לעשות (la'asot) = om te doen | לישראל (leyisra'el) = voor Israël | הלא (halo) = immers | כזה (kazeh) = zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | יעצנו (ya'atsnu) = hebben wij geraden | עליהם (aleihem) = tegen hen | בתחילה (battechillah) = in het begin | ולא (velo) = en niet | יכולנו (yakholnu) = hebben wij gekund | עליהם (aleihem) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:22** Geef nu ook jij ons raad tegen hen, waarmee wij hen kunnen overmeesteren.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הבה (havah) = geef | לנו (lanu) = ons | עצה (etsah) = raad | גם (gam) = ook | אתה (attah) = jij | עליהם (aleihem) = tegen hen | במה (bamah) = waarmee | נוכל (nukhal) = wij kunnen | אליהם (aleihem) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:23** Bileam antwoordde de koning met de woorden: „Zend toch en roep je twee raadsheren, en laten wij zien wat hun raad is over deze zaak; en daarna zal je knecht spreken.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | בלעם (bil'am) = Bileam | את (et) = (obj.) | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | שלח (Shelach) = zend | נא (na) = toch | וקרא (veqara) = en roep | אל (el) = tot | שני (shenei) = twee | יועציך (yo'atsekha) = je raadsheren | ונראה (venire'eh) = en laten wij zien | מה (mah) = wat | עצתם (atsatam) = hun raad | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ואחר (ve'achar) = en daarna | ידבר (yedabber) = zal spreken | עבדך (avdekha) = je knecht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Reüel, Job en Bileam **67:24** De koning zond en riep zijn twee raadsheren, Reüel de Midianiet en Job de Uziet, en zij kwamen en gingen voor de koning zitten. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | המלך (hammelekh) = de koning | ויקרא (vayikra) = en riep | את (et) = (obj.) | שני (shenei) = twee | יועציו (yo'atsav) = zijn raadgevers | את (et) = (obj.) | רעואל (Re'u'el) = Reüel | המדיני (hamidyani) = de Midianiet | ואת (ve'et) = en (obj.) | איוב (iyov) = Job | העוצי (ha'utsi) = de Uziet | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | וישבו (vayeshvu) = en gingen zitten | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:18 (Reüel, de priester van Midian) en Job 1:1 (Job in het land Uz). Zie ook: Job 1:1; Ex 2:18 **67:25** De koning zei tot hen: „Zie, jullie allen hebben de droom gehoord die ik gedroomd heb, en de uitleg ervan. Geef nu raad en weet en zie wat wij moeten doen met de zonen van Israël, en waarmee wij hen kunnen overmeesteren, voordat hun kwaad tegen ons opkomt.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | המלך (hammelekh) = de koning | הנה (hinneh) = zie | כולכם (kulkhem) = jullie allen | שמעתם (shema'tem) = hebben gehoord | את (et) = (obj.) | החלום (hachalom) = de droom | אשר (asher) = die | חלמתי (chalamti) = ik heb gedroomd | ופתרונו (ufitrono) = en de uitleg ervan | ועתה (ve'attah) = en nu | עוצו (utsu) = geef raad | נא (na) = toch | עצה (etsah) = raad | ודעו (veda'u) = en weet | וראו (ure'u) = en zie | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | לבני (livnei) = voor de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ובמה (uvameh) = en waarmee | נוכל (nukhal) = wij kunnen | עליהם (aleihem) = over hen | טרם (terem) = voordat | אשר (asher) = voordat | תצמח (titsmach) = opkomt | רעתם (ra'atam) = hun kwaad | עלינו (aleinu) = tegen ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Reüel pleit voor Israël **67:26** Reüel de Midianiet antwoordde de koning en zei: „Leve de koning, leve de koning voor altijd! Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | רעואל (Re'u'el) = Reüel | המדיני (hamidyani) = de Midianiet | את (et) = (obj.) | המלך (hammelekh) = de koning | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning | לעולם (le'olam) = voor altijd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:27** Als de koning het goed vindt, laat hij dan van de Hebreeën afblijven en hen laten gaan, en zijn hand niet tegen hen uitsteken. Brontekst: אם (em) = als | על (al) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | טוב (tov) = goed is | יחדל (yechdal) = laat ophouden | לו (lo) = voor zich | מעל (me'al) = van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | ויעזוב (vaya'azov) = en laat los | אותם (otam) = hen | ואל (ve'el) = en niet | ישלח (yishlach) = uitsteken | ידו (yado) = zijn hand | בהם (bahem) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:28** Want hun Elohim heeft hen sinds oude tijden gekozen en hen genomen als het erfdeel van Zijn bezit uit alle volken van de aarde en uit alle koningen van de aarde; en wie heeft zijn hand tegen hen uitgestrekt en is ongestraft gebleven, zonder dat hun Elohim wraak aan hem nam? Brontekst: כי (ki) = want | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | בחר (bachar) = koos | בם (vam) = in hen | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | קדם (qedem) = weleer | ויקחם (vayiqachem) = en nam hen | לחבל (lechevel) = tot het erfdeel van | נחלתו (nachalato) = Zijn bezit | מכל (mikkol) = uit alle | גויי (goyei) = volken van | הארץ (ha'arets) = het land | ומכל (umikkol) = en van alle | מלכי (malkhei) = koningen van | האדמה (ha'adamah) = de aarde | ומי (umei) = en wie | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = uitstrekte | ידו (yado) = zijn hand | בהם (bahem) = tegen hen | וניקה (veniqa) = en ongestraft bleef | ולא (velo) = zonder dat | עשה (asah) = deed | בו (bo) = aan hem | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | נקם (naqam) = wraak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:29** Je weet immers dat toen Abraham, hun vader, naar Egypte afdaalde, de eerdere farao, de koning van Egypte, Sarah, zijn vrouw, zag en haar tot vrouw voor zich nam, omdat Abraham gezegd had: ‘Zij is mijn zuster’, want hij was bang dat de mannen van Egypte hem zouden doden vanwege zijn vrouw. Brontekst: הלא (halo) = immers | ידעת (yada'ta) = weet je | כי (ki) = dat | ברדת (beredet) = toen ... afdaalde | אברהם (avraham) = Abraham | אביהם (avihem) = hun vader | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | וירא (vayyera) = en hij zag | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | הקדמוני (haqadmoni) = de vroegere | את (et) = (obj.) | שרה (sarah) = Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ויקחה (vayiqachah) = en nam haar | לו (lo) = voor zich | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | כי (ki) = want | אמר (amar) = zei | אברהם (avraham) = Abraham | אחותי (achoti) = mijn zuster | היא (hi) = zij | כי (ki) = want | ירא (yere) = was bang | פן (pen) = dat | יהרגוהו (yahargu) = zouden doden | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | על (al) = vanwege | אישתו (ishto) = zijn vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:10–20 (Abram en Sarai in Egypte). Zie ook: Gen 12:10–20 **67:30** Toen de koning van Egypte Sarah nam, trof hun Elohim hem en zijn huis met grote plagen, totdat hij Sarah, de vrouw van Abraham, aan Abraham teruggaf; toen werden zij genezen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בקחת (beqachat) = toen ... nam | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | שרה (sarah) = Sarah | וינגעהו (vayenag'ehu) = en trof hem | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | נגעים (nega'im) = plagen | גדולים (gedolim) = grote | ואת (ve'et) = en (obj.) | ביתו (beito) = zijn huis | עד (ad) = totdat | אשר (asher) = totdat | השיב (heshiv) = teruggaf | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | את (et) = (obj.) | שרה (sarah) = Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | אז (az) = toen | נרפאו (nirpe'u) = werden zij genezen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **67:31** Ook Abimelech, de Gerariet, de koning van de Filistijnen, strafte hun Elohim vanwege Sarah, de vrouw van Abraham, door voor hen elke baarmoeder te sluiten, van mens tot dier. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | לאבימלך (le'avimelekh) = aan Abimelech | הגררי (hagerari) = de Gerariet | מלך (malakh) = koning van | פלישתים (pelishtim) = Filistijnen | הוכיח (hokhiach) = strafte | אלוקימו (elohimo) = hun Elohim | בעבור (ba'avur) = vanwege | שרה (sarah) = Sarah | אשת (eshet) = vrouw van | אברהם (avraham) = Abraham | בעצור (be'etsor) = door te sluiten | להם (lahem) = voor hen | כל (kol) = elke | רחם (racham) = baarmoeder | למאדם (me'adam) = van mens | ועד (ve'ad) = en tot | בהמה (behemah) = dier Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 20:1–18 (Abimelech van Gerar, Sarah, de gesloten baarmoeders). Zie ook: Gen 20:1–18 **67:32** Hun Elohim kwam tot Abimelech in een droom van de nacht en joeg hem schrik aan, opdat hij Sarah, die hij genomen had, aan Abraham zou teruggeven; en daarna werden alle mannen van Gerar gestraft vanwege Sarah. Abraham bad voor hen tot zijn Elohim, en Hij liet zich door hem verbidden en genas hen. Brontekst: יבוא (yavo) = kwam | אלוקימו (elohimo) = hun Elohim | אל (el) = tot | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | בחלום (bachalom) = in een droom | הלילה (hallaylah) = van de nacht | ויפחידהו (vayafchidehu) = en joeg hem schrik aan | למען (lema'an) = opdat | ישיב (yashiv) = zou teruggeven | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | את (et) = (obj.) | שרה (sarah) = Sarah | אשר (asher) = die | לקח (laqach) = genomen had | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = daarna | התווכחו (hitvakchu) = werden bestraft | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | גררה (gerarah) = Gerar | בעבור (ba'avur) = vanwege | שרה (sarah) = Sarah | ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | אברהם (avraham) = Abraham | עליהם (aleihem) = voor hen | אל (el) = tot | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | ויעתר (vaye'ater) = liet zich verbidden | לו (lo) = voor hem | וירפאם (veyirpa'em) = en genas hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. **67:33** Abimelech zag al het kwaad dat over hem en over zijn volk kwam, en hij gaf Sarah, de vrouw van Abraham, aan Abraham terug en gaf hem met haar vele porties en geschenken. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הבאה (habba'ah) = die kwam | עליו (alav) = over hem | ועל (ve'al) = en over | עמו (immo) = zijn volk | וישב (vayyashev) = en gaf terug | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | את (et) = (obj.) | שרה (sarah) = Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ויתן (vayitten) = en gaf | לו (lo) = hem | עמה (immah) = met haar | מנות (manot) = porties | ומתנות (umattanot) = en geschenken | רבות (rabbot) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:34** Ook aan Isaak deed hij zo, toen zij hem uit Gerar verdreven; en zijn Elohim deed wonderen met hem: alle bronnen van het water van Gerar werden droog en de bomen gaven hun vrucht niet voort, Brontekst: וגם (vegam) = en ook | אל (el) = aan | יצחק (Yitschaq) = Isaak | כה (koh) = zo | עשה (asah) = deed | בגרשם (begarsham) = toen zij hem verdreven | אותו (oto) = hem | מגרר (migerar) = uit Gerar | ויפליא (vayafli) = en deed wonderen | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | עמו (immo) = met hem | פליאות (pela'ot) = wonderen | ויתיבשו (vayityabeshu) = en werden droog | כל (kol) = alle | מוצאי (motse'ei) = de bronnen van | מימי (miyyemei) = water van | גררה (gerarah) = Gerar | ועצי (ve'atsei) = en de bomen | תנובתם (tenuvatam) = hun vrucht | לא (lo) = niet | צמחו (tsamechu) = spruitten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:16–17 en 26–29 (Isaak uit Gerar weggestuurd; Abimelech komt later met Achuzat en Pichol naar hem). Het opdrogen van de bronnen en het uitblijven van de vruchten staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 26:16–17 **67:35** totdat Abimelech van Gerar, en Achuzat, een van zijn vrienden, en Pichol, de overste van zijn leger, naar hem gingen en zich bogen en zich ter aarde voor hem neerwierpen. Brontekst: עד (ad) = totdat | אשר (asher) = totdat | הלכו (halekhu) = gingen | אליו (elav) = naar hem | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | מגרר (migerar) = van Gerar | ואחוזת (ve'achuzat) = en Achuzat | מרעהו (merei'ehu) = een van zijn vrienden | ופיכול (ufikhol) = en Pichol | שר (sar) = de overste van | צבאו (tsevao) = zijn leger | ויקדו (vayiqdu) = en zij bogen zich | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | ארצה (artsah) = ter aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. **67:36** Zij vroegen hem smekend om voor hen te bidden tot Yahweh, en Yahweh liet zich door hem verbidden en genas hen. Brontekst: ויבקשו (vayevaqshu) = en zij zochten | ממנו (mimmennu) = van hem | תחינה (techina) = smeking | להתפלל (lehitpallel) = om te bidden | עליהם (aleihem) = over hen | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויעתר (vaye'ater) = liet zich verbidden | לו (lo) = door hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וירפא (vayirpa) = en genas | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:37** Ook Jakob, de oprechte man, werd door zijn oprechtheid gered uit de hand van Ezau, zijn broer, en uit de hand van Laban, de Arameeër, de broer van zijn moeder, die zijn leven zochten; en ook uit de hand van alle koningen van Kanaän, die allen samen tegen hem en zijn zonen gekomen waren om hen te verdelgen. Yahweh redde hen uit hun hand, en zij keerden zich tegen hen en doodden hen; want wie heeft zijn hand tegen hen uitgestrekt en is ongestraft gebleven? Brontekst: וגם (vegam) = en ook | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | איש (ish) = een man | תם (tam) = oprecht | הוצל (hutsal) = werd gered | בתומו (betumo) = door zijn oprechtheid | מיד (miyyad) = uit de hand van | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer | ומיד (umiyyad) = en uit de hand van | לבן (Lavan) = Laban | הארמי (ha'arami) = de Arameeër | אחי (echi) = de broer van | אמו (immo) = zijn moeder | המבקשים (hamevaqshim) = die zochten | את (et) = (obj.) | נפשו (nafsho) = zijn leven | וגם (vegam) = en ook | מיד (miyyad) = uit de hand van | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | אשר (asher) = die | באו (ba'u) = kwamen | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | עליו (alav) = tegen hem | ועל (ve'al) = en tegen | בניו (banav) = zijn zonen | להשמידם (lehashmidam) = om hen te verdelgen | ויצל (vayatsel) = en redde | אותם (otam) = hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מידם (miyyadam) = uit hun hand | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden zich | עליהם (aleihem) = tegen hen | וימיתום (vayemitum) = en zij doodden hen | כי (ki) = want | מי (mi) = wie | אשר (asher) = die | שלח (Shelach) = uitstrekte | ידו (yado) = zijn hand | בהם (bahem) = in hen | וניקה (veniqa) = en ongestraft bleef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32–33 (Ezau), Gen. 31 (Laban) en Gen. 35:5 (de schrik van Elohim over de steden rondom). Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 35:5 **67:38** Heeft de eerdere farao, de vader van je vader, niet Jozef, de zoon van Jakob, boven alle vorsten van het land Egypte verhoogd, toen hij zijn wijsheid zag? Want met zijn wijsheid redde hij alle bewoners van het land van de honger. Brontekst: הלא (halo) = immers | פרעה (par'oh) = Farao | הקדמוני (haqadmoni) = de vroegere | אבי (avi) = de vader van | אביך (avikha) = je vader | גידל (gidel) = verhief | את (et) = (obj.) | יוסף (Yosef) = Jozef | בן (ben) = zoon van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | על (al) = boven | כל (kol) = alle | שרי (sarai) = vorsten van | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בראותו (bir'oto) = toen hij zag | את (et) = (obj.) | חכמתו (chokhmato) = zijn wijsheid | כי (ki) = want | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | מלט (milet) = redde | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | מן (min) = van | הרעב (hara'av) = de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 41:39–41 (Jozef boven heel het land Egypte gesteld). Zie ook: Gen 41:39–41 **67:39** Daarna gebood hij Jakob en zijn zonen naar Egypte te laten afdalen, opdat het land Egypte en het land Gosen door hun goedertierenheid van de honger gered zouden worden. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = daarna | כן (ken) = daarna | ציוה (tsiwwah) = gebood | להוריד (lehorid) = te laten afdalen | את (et) = (obj.) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | למען (lema'an) = opdat | תמלט (timalet) = zou worden gered | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וארץ (va'erets) = en het land van | גושן (goshen) = Gosen | בחסדם (bechasdam) = door hun goedertierenheid | מן (min) = uit | הרעב (hara'av) = de honger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **67:40** En nu, als het goed is in je ogen, houd dan op met het verderven van de zonen van Israël; en als het niet in je hart is hen in Egypte te laten wonen, zend hen dan van hier weg, en laat hen gaan naar het land Kanaän, het land van het verblijf van hun vaderen.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אם (em) = als | אוב (ov) = goed | בעיניך (be'einekha) = in je ogen | חדל (chadal) = houd op | לך (lekha) = voor jezelf | מהשחית (mehashchit) = met het verderven van | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ואם (ve'im) = en als | אין (ein) = het is niet | בלבך (belivkha) = in je hart | להושיבם (lehoshivam) = hen te laten wonen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | שלח (Shelach) = zend | אותם (otam) = hen | מזה (mizzeh) = van hier | וילכו (vayelkhu) = en laat hen gaan | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | ארץ (erets) = land van | מגורי (megurey) = van het verblijf van | אבותיהם (avoteihem) = hun vaderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: De tekst heeft אוב; gelezen is טוב (‘goed’). ### Jetro vertrekt **67:41** Toen de farao de woorden van Jetro hoorde, ontbrandde zijn toorn zeer tegen hem; hij stond met schaamte op van het aangezicht van de koning, ging op die dag uit Egypte weg naar zijn land Midian, en nam de staf van Jozef in zijn hand mee. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hoorde | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | יתרו (yitro) = Jetro | ויחר (vayyichar) = ontbrandde | אפו (appo) = zijn toorn | מאוד (me'od) = zeer | עליו (alav) = tegen hem | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | מאת (me'et) = van | פני (pnei) = het aangezicht van | המלך (hammelekh) = de koning | בבושת (bevoshet) = met schaamte | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land | מדינה (medinah) = naar Midian | ומטה (umatah) = en de staf van | יוסף (Yosef) = Jozef | לקח (laqach) = nam | בידו (beyado) = in zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: יתרו (Jetro): Reüel de Midianiet heet hier Jetro; zie Ex. 2:18 (Reüel) en Ex. 3:1 (Jetro). In de tekst staat ארצו מדינה; gelezen is ארצו מדין (‘zijn land Midian’). Zie ook: Ex 2:18; Ex 3:1 **67:42** De koning zei tot Job de Uziet: „Wat zeg jij, Job, en wat is je raad omtrent de Hebreeën?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | לאיוב (le'iyov) = tot Job | העוצי (ha'utsi) = de Uziet | מה (mah) = wat | תאמר (tomar) = zeg je | אתה (attah) = jij | איוב (iyov) = Job | ומה (umah) = en wat | תהיה (tihyeh) = zal zijn | עצתך (atsatkha) = je raad | בעברים (ba'ivrim) = omtrent de Hebreeën Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:43** Job zei tot de koning: „Alle bewoners van het land zijn immers in je hand; laat de koning doen zoals het goed is in zijn ogen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | איוב (iyov) = Job | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | הלא (halo) = immers | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | בידך (beyadekha) = in je hand | כטוב (ketov) = zoals goed is | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | יעשה (ya'aseh) = moge doen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:44** De koning zei tot Bileam: „Wat zeg jij, Bileam? Spreek je woorden, zodat wij ze horen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | בלעם (bil'am) = Bileam | מה (mah) = wat | תאמר (tomar) = zeg je | אתה (attah) = jij | בלעם (bil'am) = Bileam | דבר (davar) = spreek | את (et) = (obj.) | דבריך (devarekha) = je woorden | ונשמענו (venishma'enu) = zodat wij het horen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Bileams raad **67:45** Bileam zei tot de koning: „Van alles wat de koning tegen de Hebreeën heeft geraden zullen zij ontkomen, en de koning zal hen met geen enkele raad kunnen overmeesteren. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | בלעם (bil'am) = Bileam | למלך (lammelekh) = tot de koning | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | יעץ (ya'ats) = raadde | המלך (hammelekh) = de koning | על (al) = tegen | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | ימלטו (yimaletu) = zullen ontkomen | ממנה (mimmenah) = eraan | ולא (velo) = en niet | יוכל (yukhal) = zal kunnen | המלך (hammelekh) = de koning | עליהם (aleihem) = over hen | בכל (bekhol) = met enige | עצה (etsah) = raad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:46** Want als je denkt hen te verminderen met vlammend vuur, zul je hen daarmee niet kunnen overmeesteren; want hun Elohim heeft immers Abraham, hun vader, gered uit Ur der Chaldeeën. En als je denkt hen met het zwaard te verdelgen: Isaak, hun vader, is daaruit immers gered, en een ram werd in zijn plaats gegeven. Brontekst: כי (ki) = want | אם (em) = als | בלהבת (belahavat) = met de vlam van | אש (esh) = vuur | תאמר (tomar) = denk je | להמעיטם (lehame'itam) = om hen te verminderen | לא (lo) = niet | תוכל (tukhal) = kan | עליהם (aleihem) = over hen | בה (bah) = daarmee | כי (ki) = want | הלא (halo) = immers | אלוקיהם (elohehem) = hun Elohim | מילט (milet) = redde | את (et) = (obj.) | אברהם (avraham) = Abraham | אביהם (avihem) = hun vader | מאור (me'ur) = uit Ur | כשדים (kasdim) = der Chaldeeën | אם (em) = als | בחרב (bacherev) = met het zwaard | תאמר (tomar) = denk je | להשמידם (lehashmidam) = om hen te verdelgen | הלא (halo) = immers | יצחק (Yitschaq) = Isaak | אביהם (avihem) = hun vader | נמלט (nimlat) = werd gered | ממנה (mimmenah) = daaruit | וינתן (veyinaten) = en werd gegeven | איל (ayil) = een ram | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 11:28 (Ur der Chaldeeën) en Gen. 22:13 (de ram in plaats van Isaak). Zie ook: Gen 11:28; Gen 22:13 **67:47** En als je denkt hen te verminderen met harde en zware arbeid, zul je hen ook daarin niet kunnen overmeesteren, want Jakob, hun vader, diende Laban in allerlei zware arbeid en slaagde. Brontekst: ואם (ve'im) = en als | בעבודת (ba'avodat) = met de arbeid van | פרך (perekh) = hardheid | וקושי (veqoshi) = en zwaarte | תאמר (tomar) = denk je | להמעיט (lehama'it) = te verminderen | אותם (otam) = hen | לא (lo) = niet | תוכל (tukhal) = kan | על (al) = in | זה (ze) = dit | הלא (halo) = immers | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אביהם (avihem) = hun vader | עבד (eved) = diende | את (et) = (obj.) | לבן (Lavan) = Laban | בכל (bekhol) = in allerlei | עבודה (avodah) = arbeid | קשה (qashah) = zwaar | והצליח (vehitslich) = en slaagde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 31:6 (‘met al mijn kracht heb ik je vader gediend’). Zie ook: Gen 31:6 **67:48** En nu, mijn heer de koning, hoor toch mijn woorden: dit is de raad die tegen hen beraamd is, waarmee je hen kunt overmeesteren en waarvan je niet moet afwijken. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | שמע (shema) = hoor | נא (na) = toch | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = mijn woorden | וזאת (vezot) = en dit is | העצה (ha'etsah) = de raad | היעוצה (hayeutsa) = die beraamd is | עליהם (aleihem) = tegen hen | אשר (asher) = die | תוכל (tukhal) = kan | עליהם (aleihem) = tegen hen | בה (bah) = daarmee | וממנה (umimena) = en daarvan | לא (lo) = niet | תסור (tasur) = afwijken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:49** Als de koning het goed vindt, moet hij bevelen hun kinderen, die zij van deze dag af baren, in het water te werpen; want hierdoor kun je hun naam uitwissen, omdat niet één van hen en van hun vaders op deze wijze gered is.” Brontekst: אם (em) = als | על (al) = op | המלך (hammelekh) = de koning | טוב (tov) = goed | יצוה (yetsavveh) = gebiede | להשליך (lehashlikh) = te werpen | ילדיהן (yaldeihen) = hun kinderen | אשר (asher) = die | יולידו (yolidu) = zij baren | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | אל (el) = in | המימה (hammaymah) = het water | כי (ki) = want | בזה (bazeh) = hierdoor | תוכל (tukhal) = kun je | למחות (limchot) = uit te wissen | את (et) = (obj.) | שמם (shemam) = hun naam | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | נוצל (nivvatsel) = gered is | אחד (echad) = één | מהם (mehem) = van hen | ומאבותם (umei'avotam) = en van hun vaders | בדבר (bedabber) = op de manier | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:50** De koning hoorde de woorden van Bileam, en het beviel de koning en de vorsten, en de koning deed naar het woord van Bileam. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | בלעם (bil'am) = Bileam | ויטב (vayyitav) = en het beviel | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | ויעש (vayya'as) = en hij deed | המלך (hammelekh) = de koning | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | בלעם (bil'am) = Bileam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het bevel van de farao **67:51** De koning gebood, en men liet een oproep uitgaan en er werd een wet gegeven in heel het land Egypte, met de woorden: „Ieder mannelijk kind dat van deze dag af bij de Hebreeën geboren wordt, moet in het water geworpen worden.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | המלך (hammelekh) = de koning | ויעבירו (vaya'avirru) = en liet uitroepen | קול (qol) = een oproep | ותנתן (vatinnaten) = en er werd gegeven | דת (dat) = een wet | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לאמור (lemor) = zeggende | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk | היולד (hayyullad) = dat geboren wordt | לעברים (la'ivrim) = bij de Hebreeën | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | הזה (hazzeh) = deze | והלאה (vehal'ah) = en verder | ישלך (yushlakh) = moet geworpen worden | אל (el) = in | המימה (hammaymah) = het water Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:22 (‘Elke zoon die geboren wordt, werpt in de Nijl’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 1:22 **67:52** De farao riep al zijn dienaren en zei: „Trek toch uit en zoek in heel het land Gosen, waar de zonen van Israël zijn, en let erop dat elke zoon die bij de Hebreeën geboren wordt door jullie in de Nijl geworpen wordt, maar dat jullie elke dochter laten leven.” Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | לאמור (lemor) = zeggende | צאו (tse'u) = trek uit | נא (na) = toch | ובקשו (uvaqshu) = en zoek | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | גושן (goshen) = Gosen | אשר (asher) = waar | שם (shem) = daar | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וראו (ure'u) = en let erop | כל (kol) = elke | בן (ben) = zoon | הילוד (hayilod) = die geboren wordt | לעברים (la'ivrim) = voor de Hebreeën | היאורה (hay'ora) = in de Nijl | תשליכוהו (tashlikhuhu) = moeten jullie werpen | וכל (vekhol) = maar elke | הבת (habat) = de dochter | תחיון (techayun) = laten jullie leven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **67:53** Toen de zonen van Israël hoorden wat de farao bevolen had, hun mannelijke kinderen in de Nijl te werpen, scheidde een deel van het volk zich van hun vrouwen af, en een deel van hen bleef aan hen vasthouden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hoorden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = had geboden | פרעה (par'oh) = Farao | להשליך (lehashlikh) = te werpen | את (et) = (obj.) | זכוריהם (zekhuryehem) = hun mannelijke kinderen | היאורה (hay'ora) = in de Nijl | ויפרדו (vayyiparedu) = en scheidden zich af | מקצת (miqtsat) = een deel van | העם (ha'am) = het volk | מנשיהם (minesheihem) = van hun vrouwen | ומקצתם (umiqtsatam) = en een deel van hen | דבקו (davqu) = bleven vasthouden | בהנה (bahena) = aan hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **67:54** Van die dag af gingen de vrouwen van Israël die nog aan hun mannen vasthielden, ten tijde van de bevalling naar het veld; zij baarden in het veld, lieten hun kinderen op het veld achter en keerden naar hun huizen terug. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מהיום (mehayyom) = vanaf de dag | ההוא (hahu) = die | והלאה (vehal'ah) = en verder | בעת (be'et) = ten tijde van | לדת (ledet) = het baren van | נשי (neshei) = vrouwen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = die | עודם (odam) = nog | דברו (dabberu) = bleven vasthouden | בהנה (bahena) = aan hen | ותצאן (vattetse'na) = en gingen uit | השדה (hasadeh) = naar het veld | ללכת (lalekhet) = om te gaan | שמה (shemah) = daarheen | ותלדן (vetaladna) = en baarden | בשדה (bassadeh) = in het veld | ותעזובנה (veta'azovna) = en zij lieten achter | ילדיהן (yaldeihen) = hun kinderen | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | השדה (hasadeh) = het veld | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | אל (el) = tot | בתיהם (bateihem) = hun huizen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft דברו; gelezen is דבקו (‘zij bleven vasthouden’), zoals in vers 53. ### Yahweh zorgt voor de pasgeborenen **67:55** Yahweh, die Abraham gezworen had hen te vermenigvuldigen, zond hun een engel van Zijn dienaren in de hemel om elk kind met water te wassen, te zalven, in te smeren en te zwachtelen, en om twee gladde stenen in zijn hand te leggen; van de ene zoog het melk en van de andere honing. En hij liet de haren van zijn hoofd tot aan zijn knieën groeien, opdat het zich daarmee zou bedekken, om het te vertroetelen en het in zijn medelijden met zich te verbinden. Brontekst: ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | אשר (asher) = die | נשבע (nishba) = gezworen had | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | להרבותם (leharbotam) = om hen te vermenigvuldigen | שלח (Shelach) = zond | להם (lahem) = naar hen | מלאך (mal'akh) = een engel | ממשרתיו (mimsharetav) = van Zijn dienaren | אשר (asher) = die | בשמים (bashamayim) = in de hemel | לרחצו (lerachtso) = om hem te wassen | במים (bammayim) = in het water | ולסוכו (ulesukho) = en hem te zalven | ולמושחו (ulemoshcho) = en hem te smeren | ולהחתלו (ulehachtilo) = en hem te zwachtelen | ולשום (ulasum) = en te leggen | בידו (beyado) = in zijn hand | שתי (shetei) = twee | חלוקי (chaluqei) = gladde | אבנים (avanim) = stenen | מן (min) = uit | האחת (ha'achat) = de eerste | ינק (yanaq) = zoog | חלב (chelev) = melk | ומן (umin) = en uit | השנית (hashenit) = de tweede | יונק (yoneq) = zoog | דבש (devash) = honing | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (obj.) | שערות (se'arot) = de haren van | ראשו (rosho) = zijn hoofd | מגדל (migdal) = liet groeien | עד (ad) = tot | ארכובותיו (arkuvotav) = zijn knieën | למען (lema'an) = opdat | יתכסה (yitkase) = hij zich zou bedekken | בהם (bahem) = ermee | לענגו (le'ango) = om hem te vertroetelen | ולדבקו (uledavqo) = en hem te verbinden | בחמלו (bechemlo) = in zijn medelijden | עליו (alav) = over hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: חלוקי אבנים (letterlijk ‘gladde stenen’); vergelijk Deut. 32:13 (‘Hij liet hem honing zuigen uit de rots’). Zie ook: Deut 32:13 **67:56** Toen Elohim medelijden met hen had en hen op het oppervlak van de grond wilde vermenigvuldigen, gebood Hij Zijn aarde hen op te nemen om in haar bewaard te worden tot de tijd van hun opgroeien. Daarna opende de aarde haar mond en spuwde hen uit, en zij bloeiden op uit de stad als het gewas van de aarde en als het gras van het woud, en zij keerden terug, ieder naar zijn familie en ieder naar zijn vaders, en bleven bij hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בחמול (bachmol) = toen Hij medelijden had | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | עליהם (aleihem) = over hen | ובבקשו (uvevaqsho) = en toen Hij wenste | להרבותם (leharbotam) = om hen te vermenigvuldigen | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | האדמה (ha'adamah) = de grond | ויצו (vayetsav) = en gebood | לתבל (letevel) = aan de aarde | ארצו (artso) = Zijn aarde | ותקבלם (vetqabelem) = en zij ontving hen | להישמר (lehishamer) = om bewaard te worden | בתוכם (betokham) = in haar midden | עד (ad) = tot | עת (et) = tijd van | גדולם (godlam) = hun opgroeien | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = daarna | פתחה (patchah) = opende | הארץ (ha'arets) = de aarde | פיה (piha) = haar mond | ותקיא (vataqi) = en spuwde uit | אותם (otam) = hen | ויציצו (vayatsitsu) = en zij bloeiden op | מעיר (me'ir) = uit de stad | כעשב (ke'esev) = als het gewas van | הארץ (ha'arets) = de aarde | וכתמסי (ukhetamsi) = en als het gras van | יער (ya'ar) = het woud | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | איש (ish) = ieder | אל (el) = naar | משפחתו (mishpachto) = zijn familie | ואיש (ve'ish) = en ieder | אל (el) = naar | אבותיו (avotav) = zijn vaders | וידבקו (vayidbequ) = en zij bleven vasthouden | בהם (bahem) = aan hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: כתמסי יער: het woord תמסי is onduidelijk; vertaald is ‘het gras van het woud’, naar de Engelse vertaling (‘the grass of the forest’). **67:57** De kinderen van de zonen van Israël waren op de aardbodem als het gras van het veld, door het medelijden van Yahweh met hen. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בתבל (betevel) = op de aardbodem | הארץ (ha'arets) = de aarde | כעשב (ke'esev) = als het gras van | השדה (hasadeh) = het veld | בחמלת (bechemlat) = door het medelijden van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De Egyptenaren ploegen de velden **67:58** Toen alle Egyptenaren dit zagen, gingen zij allen uit, ieder naar zijn akker, ieder met een span runderen en zijn ploeg, en zij ploegden erover zoals men de aardbodem ploegt ten tijde van het zaaien. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | איש (ish) = ieder | אל (el) = tot | שדהו (sadehu) = zijn akker | איש (ish) = ieder | בצמד (betsemed) = met een span | בקרו (beqaro) = zijn runderen | ובמחרשתו (uvemacharashto) = en zijn ploeg | ויחרישו (vayacharishu) = en zij ploegden | על (al) = op | גביו (gabav) = erover | כמשדד (kemeshaded) = zoals men ploegt | תבל (tevel) = de aardbodem | בעת (be'et) = ten tijde van | הזרע (hazzera) = het zaaien Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:59** Toen zij ploegden, konden zij de kinderen van de zonen van Jakob geen kwaad doen; en het volk werd talrijk en zeer machtig. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כחרשם (kecharsham) = toen zij ploegden | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | להזיק (lehaziq) = te schaden | את (et) = (obj.) | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | וירב (vayarev) = en werd talrijk | העם (ha'am) = het volk | ויעצמו (vaya'atsmu) = en zij werden machtig | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **67:60** De farao gebood zijn hovelingen dag na dag naar Gosen te gaan om de kinderen van de zonen van Israël te zoeken. Brontekst: ופרעה (ufar'oh) = en de farao | מצוה (metsave) = gebood | את (et) = (obj.) | סריסיו (saris'av) = zijn hovelingen | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ללכת (lalekhet) = om te gaan | גושנה (goshenah) = naar Gosen | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (obj.) | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **67:61** En toen zij zochten en een jongen vonden, namen zij hem met geweld uit de schoot van zijn moeder en wierpen hem in de Nijl, maar de dochter lieten zij bij haar moeder; zo deden de Egyptenaren al de dagen met Israël. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | בבקשם (bevaqsham) = toen zij zochten | והיה (vehayah) = en toen | במצאם (bemotsam) = zij vonden | את (et) = (obj.) | הילד (hayeled) = de jongen | ולקחו (velaqchu) = en namen | אותו (oto) = hem | מחיק (mecheiq) = uit de schoot van | אמו (immo) = zijn moeder | בחזקה (bechazaqah) = met geweld | והשליכוהו (vehishlikhuhu) = en wierpen het | היאורה (hay'ora) = in de Nijl | ואת (ve'et) = maar | הבת (habat) = de dochter | יעזבוה (ya'azvuha) = lieten zij | אל (el) = bij | אמה (ammah) = haar moeder | ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | אל (el) = aan | ישראל (yisra'el) = Israël | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. ## Jasher 68 _Mozes' geboorte_ ### De profetie van Mirjam **68:1** En in die tijd kwam de Geest van Elohim over Mirjam, de dochter van Amram, de zuster van Aäron; zij ging en profeteerde midden in het huis: „Zie, een zoon wordt ons geboren van mijn vader en mijn moeder, dit keer, en hij zal Israël redden uit de hand van Egypte.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | ותהי (vatehi) = kwam | רוח (ruach) = de Geest van | אלוקים (Elohim) = Elohim | על (al) = over | מרים (miryam) = Mirjam | בת (bat) = dochter van | עמרם (amram) = Amram | אחות (achot) = zuster van | אהרון (aharon) = Aäron | ותלך (vattelekh) = en zij ging | ותנבא (vatinave) = en zij profeteerde | בתוך (betokh) = midden in | הבית (habbayit) = het huis | לאמור (lemor) = zeggende | הנה (hinneh) = zie | בן (ben) = een zoon | נולד (nolad) = wordt geboren | לנו (lanu) = voor ons | מאבי (me'avi) = van mijn vader | ומאמי (umei'imi) = en van mijn moeder | בפעם (befa'am) = dit | הזאת (hazzo't) = keer | והוא (vehu) = en hij | יושיע (yoshia) = zal redden | את (et) = (obj.) | ישראל (yisra'el) = Israël | מיד (miyyad) = uit de hand van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Amram neemt Jochebed terug **68:2** Toen Amram de woorden van zijn dochter hoorde, ging hij en nam zijn vrouw terug en liet haar naar zijn huis terugkeren, nadat hij haar had verstoten in de tijd dat de farao had bevolen alle jongens van het huis van Jakob in het water te werpen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hoorde | עמרם (amram) = Amram | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | בתו (bito) = zijn dochter | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (obj.) | אישתו (ishto) = zijn vrouw | וישיביה (vayeshivah) = en liet haar terugkeren | אל (el) = naar | ביתו (beito) = zijn huis | אחרי (acharei) = nadat | אשר (asher) = nadat | גירש (girash) = hij verstoten had | אותה (otah) = haar | בעת (be'et) = toen | אשר (asher) = toen | ציוה (tsiwwah) = gebood | פרעה (par'oh) = Farao | להשליך (lehashlikh) = te werpen | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = jongen | לבית (levet) = van het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | המימה (hammaymah) = in het water Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **68:3** Amram nam Jochebed, zijn vrouw, in het derde jaar na haar verstoting, en hij ging tot haar in en zij werd zwanger van hem. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | עמרם (amram) = Amram | את (et) = (obj.) | יוכבד (yokheved) = Jochebed | אישתו (ishto) = zijn vrouw | בשנת (bishnat) = in het jaar | שלוש (shalosh) = drie | לגרשה (legarsha) = na haar verstoting | ויבוא (vayavo) = en ging in | אליה (eleha) = tot haar | ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | לו (lo) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De geboorte van Mozes **68:4** Zeven maanden nadat zij zwanger was geworden, beviel zij van een zoon, en het hele huis werd vervuld met een groot licht, als het licht van de zon en de maan ten tijde van hun schijnen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקצה (miqetseh) = aan het einde van | שבעה (shiv'ah) = zeven | חודשים (chodashim) = maanden | לעת (le'et) = na de tijd van | הרותה (harutah) = haar zwangerschap | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | וימלא (vaymale) = en vervuld werd | כל (kol) = alle | הבית (habbayit) = het huis | אור (or) = licht | גדול (gadol) = grote | כאור (ke'or) = als het licht van | השמש (hashemesh) = de zon | והירח (vehayare'ach) = en de maan | בעת (be'et) = ten tijde van | זרחם (zorcham) = hun schijnen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **68:5** De vrouw zag dat het kind goed was en aantrekkelijk om te zien, en zij verborg hem drie maanden in de binnenste kamer. Brontekst: ותרא (vatere) = en zij zag | האישה (ha'ishah) = de vrouw | את (et) = (obj.) | הילד (hayeled) = de jongen | כי (ki) = dat | טוב (tov) = goed | ונחמד (venechmad) = en aantrekkelijk | הוא (hu) = was | למראה (lemar'eh) = om te zien | ותצפנהו (vatitspenehu) = en zij verborg hem | שלושה (shelosha) = drie | ירחים (yerachim) = maanden | בחדר (bacheder) = in de kamer | הפנימי (hapnimi) = de binnenste Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De Egyptische vrouwen in Gosen **68:6** In die dagen beraamden alle Egyptenaren een plan om daar al de Hebreeën te vernietigen. Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | הערימו (he'erimu) = beraamden | סוד (sod) = een plan | כל (kol) = alle | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | לאבד (le'abed) = om te vernietigen | שם (shem) = daar | כל (kol) = alle | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: שם: ‘daar’ (in Gosen); de Engelse vertaling leest ‘de Hebreeën aldaar’. **68:7** De vrouwen van Egypte gingen naar Gosen, waar de zonen van Israël woonden, en zij droegen hun kleintjes op hun schouders, hun kinderen die nog niet spraken. Brontekst: ותלכנה (vattelakhnah) = en gingen | נשי (neshei) = vrouwen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | גושנה (goshenah) = naar Gosen | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ותשאנה (vatisena) = en droegen | גוריהן (goreihen) = hun kleintjes | על (al) = op | כתפיהן (ketefeihen) = hun schouders | ילדיהן (yaldeihen) = hun kinderen | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | ידברו (yedabberu) = spraken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **68:8** En al de vrouwen van de zonen van Israël verborgen in die dagen bij hun bevalling hun zoon voor de Egyptenaren, opdat de Egyptenaren hun bevalling niet zouden weten en hen niet van de grond zouden verderven. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | נשי (neshei) = vrouwen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בלדתן (beladtan) = bij hun bevalling | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ותצפון (vatitsafen) = en zij verborg | האישה (ha'ishah) = de vrouw | את (et) = (obj.) | בנה (Benah) = haar zoon | מפני (mippenei) = voor | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לבלתי (levilti) = opdat niet | דעת (da'at) = zouden weten | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | לדתנה (ladtanah) = hun bevalling | לבלתי (levilti) = opdat niet | השחיתם (hashchitam) = hen te verderven | מעל (me'al) = van | האדמה (ha'adamah) = de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **68:9** De vrouwen van Egypte kwamen naar Gosen met hun kinderen op hun schouders, die nog niet spraken; en wanneer een Egyptische het huis van een Hebreeuwse binnenkwam, stamelde haar kind met zijn tong. Brontekst: ותבואנה (vetavo'nah) = en kwamen | נשי (neshei) = vrouwen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | גושנה (goshenah) = naar Gosen | וילדיהן (veyaldeihen) = en hun kinderen | על (al) = op | כתפיהן (ketefeihen) = hun schouders | טרם (terem) = die nog niet | ידברו (yedabberu) = spraken | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוא (bevo) = toen ... kwam | המצרית (hammitsrit) = een Egyptische | בית (bet) = in het huis van | העברית (ha'ivrit) = een Hebreeuwse | וילדה (veyaldah) = en haar kind | מגמגם (megamgem) = stamelde | בלשונו (bilshono) = met zijn tong Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Voetnoot Uitleg: מגמגם (‘stamelend’); de Engelse vertaling heeft ‘began to cry’. **68:10** En terwijl het stamelde, antwoordde het kind dat in de kamer verborgen was uit het midden van de kamer; en de Egyptische vrouwen gingen en vertelden het in het huis van de farao. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כמתגמגמו (kemitgamgemo) = terwijl het stamelde | ויענהו (vaya'anehu) = antwoordde het | הילד (hayeled) = het kind | הצפון (hatsafun) = dat verborgen was | מתוך (mitokh) = uit het midden van | החדר (hacheder) = de kamer | ותלכנה (vattelakhnah) = en gingen | המצריות (hamitsriyot) = de Egyptische | ותאמרנה (vate'marna) = en vertelden het | בית (bet) = in het huis van | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **68:11** De farao zond zijn opzichters om de kinderen te nemen en hen te doden; zo deden alle Egyptenaren aan de Hebreeuwse vrouwen, al de dagen. Brontekst: ופרעה (ufar'oh) = en de farao | שולח (shole'ach) = zond | את (et) = (obj.) | שוטריו (shoterav) = zijn opzichters | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (obj.) | הילדים (hayeladim) = de kinderen | להמיתם (lehamitam) = hen te doden | ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לעבריות (la'ivriyot) = aan de Hebreeuwse vrouwen | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **68:12** In die tijd, ongeveer drie maanden nadat Jochebed haar zoon had verborgen, werd de zaak in het huis van de farao bekend. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in die tijd | ההיא (hahi) = die | כמשלוש (kimshlosha) = ongeveer drie | חודשים (chodashim) = maanden | לעת (le'et) = sinds het tijdstip van | צפון (tsfon) = het verbergen door | יוכבד (yokheved) = Jochebed | את (et) = (obj.) | בנה (Benah) = haar zoon | ויודע (vayyivvada) = en werd bekend | הדבר (haddavar) = de zaak | בית (bet) = in het huis van | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Mozes in het kistje **68:13** De vrouw haastte zich, voordat de opzichters kwamen om haar zoon te nemen, en zij nam voor hem een kistje van bies, bestreek het met leem en met pek, legde de jongen erin en zette het in het riet aan de oever van de Nijl. Brontekst: ותמהר (vatemaher) = en zij haastte zich | האישה (ha'ishah) = de vrouw | טרם (terem) = voordat | בוא (bo) = kwamen | השוטרים (hashoterim) = de opzichters | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (obj.) | בנה (Benah) = haar zoon | ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | לו (lo) = voor hem | תיבת (tevat) = een kistje van | גומא (gome) = bies | ותחמרה (vatachmerah) = en bestreek het | בחמר (bachemar) = met leem | ובזפת (uvazefet) = en met pek | ותשם (vatasem) = en legde | בה (bah) = erin | את (et) = (obj.) | הילד (hayeled) = de jongen | ותשם (vatasem) = en zette het | בסוף (basuf) = in het riet | על (al) = aan | שפת (sefat) = de oever van | היאור (hayeor) = de Nijl Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **68:14** En zijn zus Mirjam stelde zich van ver op om te weten wat er met hem zou gebeuren en wat er van haar woorden zou worden. Brontekst: ותתצב (vateitsav) = en zij stelde zich op | מרים (miryam) = Mirjam | אחותו (achoto) = zijn zus | מרחוק (merachoq) = van ver | לדעת (lada'at) = om te weten | מה (mah) = wat | יעשה (ya'aseh) = zou worden gedaan | לו (lo) = voor hem | ומה (umah) = en wat | יהיה (yihyeh) = zou worden | דבריה (devareiha) = haar woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Bitja aan de Nijl **68:15** In die tijd zond Elohim een verzengende hitte en gloed over het land Egypte, die in het vlees van de mens brandde zoals de zon brandt in haar kringloop, en de Egyptenaren werden zeer benauwd. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en zond | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | שרב (sharav) = verzengende hitte | וחום (vechum) = en gloed | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויבער (vayiv'ar) = en brandde | בבשר (bivsar) = in het vlees van | האדם (ha'adam) = de mens | כאשר (ka'asher) = zoals | יבער (yiv'ar) = brandt | השמש (hashemesh) = de zon | בתקופתו (bitqufato) = in zijn kringloop | ויצר (veyetser) = en benauwde | למצרים (leMitsrayim) = de Egyptenaren | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **68:16** Alle Egyptenaren daalden af om in de Nijl te baden, vanwege de hitte van de verzengende gloed die in de huid van hun vlees brandde. Brontekst: וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לרחוץ (lirchots) = om te baden | על (al) = aan | היאור (hayeor) = de Nijl | מפני (mippenei) = vanwege | חום (chom) = de hitte van | השרב (hasharav) = de verzengende hitte | אשר (asher) = die | בעור (Be'or) = in de huid van | בשרם (besaram) = hun vlees Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **68:17** Ook Bitja, de dochter van de farao, daalde af om in de Nijl te baden, vanwege de hitte van de verzengende gloed; haar meisjes liepen aan de kant van de Nijl, en ook alle vrouwen van Egypte, eveneens. Brontekst: ותרד (vattered) = en daalde af | גם (gam) = ook | בתיה (bityah) = Bitja | בת (bat) = dochter van | פרעה (par'oh) = Farao | לרחוץ (lirchots) = om te baden | על (al) = op | היאור (hayeor) = de Nijl | מפני (mippenei) = vanwege | חום (chom) = hitte van | השרב (hasharav) = de verzengende hitte | ונערותיה (na'arotehah) = en haar meisjes | הולכות (holchot) = liepen | על (al) = langs | יד (yad) = de kant van | היאור (hayeor) = de Nijl | וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | נשי (neshei) = vrouwen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כהנה (kehennah) = eveneens Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:5 (de dochter van de farao daalde af om te baden in de Nijl) en 1 Kron. 4:18 (Bitja, de dochter van de farao). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 2:5; 1 Kron 4:18 **68:18** Bitja, de dochter van de farao, sloeg haar ogen op naar de Nijl en zag het kistje op het water, en zij zond haar dienares, en die haalde het. Brontekst: ותשא (vatissa) = en verhief | בתיה (bityah) = Bitja | בת (bat) = dochter van | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (obj.) | עיניה (eineha) = haar ogen | אל (el) = tot | היאור (hayeor) = de Nijl | ותרא (vatere) = en zij zag | את (et) = (obj.) | התיבה (hattevah) = het kistje | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | המים (hammayim) = het water | ותשלח (vatishlach) = en zond | את (et) = (obj.) | אמתה (amatah) = haar dienares | ותקחה (vatiqachah) = en zij haalde het Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **68:19** Zij opende het en zag het kind, en zie, het was een jongen die weende; zij had medelijden met hem en zei: „Dit is een van de kinderen van de Hebreeën.” Brontekst: ותפתח (vatiftach) = en zij opende het | ותראהו (vatir'ehu) = en zag | את (et) = (obj.) | הילד (hayeled) = de jongen | והנה (vehinneh) = en zie | נער (na'ar) = jongen | בוכה (bokheh) = wenend | ותחמול (vatachmol) = en had medelijden | עליו (alav) = met hem | ותאמר (vatomer) = en zei | מילדי (miyaldei) = een van de kinderen van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | זה (ze) = dit is Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **68:20** Alle vrouwen van Egypte die aan de oever van de Nijl liepen, boden aan hem te zogen, maar hij wilde niet zuigen; want deze zaak kwam van Yahweh, opdat Hij hem zou teruggeven aan de borsten van zijn moeder. Brontekst: ותאמרן (vato'marna) = en zij boden aan | כל (kol) = alle | נשי (neshei) = vrouwen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ההולכות (hahol'chot) = die liepen | על (al) = aan | שפת (sefat) = de oever van | היאור (hayeor) = de Nijl | להניקהו (lehanikhu) = om hem te zogen | ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde | לינק (linoq) = te zuigen | כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היה (hayah) = kwam | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אל (el) = aan | הילד (hayeled) = de jongen | בעבור (ba'avur) = opdat | השיבו (heshivu) = om hem terug te geven | אל שדי (El Shaddai) = aan de borsten van | אמו (immo) = zijn moeder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: ותאמרן להניקהו: ‘zij boden aan hem te zogen’. אל שדי is hier niet de godsnaam El Sjaddai maar ‘aan de borsten van’ (zie Gen. 49:25, שדים). Zie ook: Gen 49:25 ### Mirjam haalt de voedster **68:21** Mirjam, zijn zus, was in die tijd onder de vrouwen van Egypte aan de Nijl, en zij zag deze zaak en zei tot de dochter van de farao: „Zal ik gaan en een vrouw voor je roepen, een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen, die het kind aan jou zal zogen?” Brontekst: ומרים (umiryam) = en Mirjam | אחותו (achoto) = zijn zus | היתה (hayetah) = was | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | עם (im) = onder | נשי (neshei) = vrouwen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | על (al) = aan | היאור (hayeor) = de Nijl | ותרא (vatere) = en zij zag | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ותאמר (vatomer) = en zei | אל (el) = tot | בת (bat) = dochter van | פרעה (par'oh) = Farao | האלך (ha'elekh) = zal ik gaan | וקראתי (veqarati) = en roepen | לך (lekha) = voor je | אישה (ishah) = een vrouw | מינקת (meneqet) = een voedster | מן (min) = uit | העבריות (ha'ivriyot) = de Hebreeuwse | ותניק (vatenek) = die zal zogen | לך (lekha) = aan jou | את (et) = (obj.) | הילד (hayeled) = de jongen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **68:22** De dochter van de farao zei tot haar: „Ga.” En het meisje ging en riep de moeder van het kind. Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | לה (lah) = tot haar | בת (bat) = dochter van | פרעה (par'oh) = Farao | לכי (lekhi) = ga | ותלך (vattelekh) = en zij ging | העלמה (ha'alma) = het meisje | ותקרא (vattiqra) = en riep | את (et) = (obj.) | אם (em) = de moeder van | הילד (hayeled) = de jongen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **68:23** De dochter van de farao zei tot Jochebed: „Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik zal je je loon geven: twee zilverstukken per dag.” De vrouw nam het kind en zoogde het. Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | בת (bat) = dochter van | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = tot | יוכבד (yokheved) = Jochebed | היליכי (haylikhi) = neem mee | את (et) = (obj.) | הילד (hayeled) = de jongen | הזה (hazzeh) = deze | והניקהו (vehaniqehu) = en zoog hem | לי (li) = voor mij | ואני (va'ani) = en ik | אתן (etten) = zal geven | את (et) = (obj.) | שכרך (sekharekha) = je loon | שתי (shetei) = twee | כסף (kesef) = zilverstukken | ליום (leyom) = per dag | ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | האישה (ha'ishah) = de vrouw | את (et) = (obj.) | הילד (hayeled) = de jongen | ותניקהו (vatiniqehu) = en zij zoogde hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:7–9 (Mirjam haalt de moeder als voedster; de dochter van de farao belooft loon). Zie ook: Ex 2:7–9 ### De tien namen van Mozes **68:24** Na verloop van twee jaar groeide het kind op en zij bracht hem tot de dochter van de farao, en hij werd haar tot zoon; zij noemde zijn naam Mozes en zei: „Want uit het water heb ik hem getrokken.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | שנתיים (shenatayim) = twee jaar | ימים (yamim) = lang | ויגדל (vayigdal) = en hij groeide op | הילד (hayeled) = de jongen | ותביאהו (vatevi'ehu) = en zij bracht hem | לבת (levat) = tot de dochter van | פרעה (par'oh) = Farao | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לה (lah) = voor haar | לבן (leven) = tot zoon | ותקרא (vattiqra) = en zij noemde | שמו (shemo) = zijn naam | משה (moshe) = Mozes | ותאמר (vatomer) = en zei | כי (ki) = want | מן (min) = uit | המים (hammayim) = het water | משיתיהו (meshitihu) = ik heb hem getrokken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:10 (‘Zij noemde zijn naam Mozes, want, zei zij, uit het water heb ik hem getrokken’). Zie ook: Ex 2:10 **68:25** En Amram, zijn vader, noemde zijn naam Cheber, want hij zei: „Om zijn wil werd ik weer verenigd met mijn vrouw, die ik had verstoten.” Brontekst: ועמרם (ve'amram) = en Amram | אביו (aviv) = zijn vader | קרא (qara) = noemde | שמו (shemo) = zijn naam | חבר (chever) = Cheber | כי (ki) = want | אמר (amar) = zei | בעבורו (baavuro) = om zijn wil | חובר (chuvar) = werd verenigd | עם (im) = met | אישתו (ishto) = zijn vrouw | אשר (asher) = die | גירש (girash) = hij had verstoten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **68:26** En Jochebed, zijn moeder, noemde zijn naam Jekoetiël, want zij zei: „Ik heb op hem gehoopt van El Sjaddai, en Elohim heeft hem aan mij teruggegeven.” Brontekst: ויוכבד (veyokhevet) = en Jochebed | אמו (immo) = zijn moeder | קראה (qar'ah) = noemde | שמו (shemo) = zijn naam | יקותיאל (yequti'el) = Jekoetiël | כי (ki) = omdat | אמרה (amerah) = zij zei | כי (ki) = dat | קויתיהו (qivitihu) = ik heb op hem gehoopt | מא-ל (me'el) = van El | ש-די (shaddai) = Sjaddai | וישיבהו (vayeshivehu) = heeft hem teruggegeven | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אליי (elai) = aan mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: קויתיהו מא-ל ש-די: de naam Jekoetiël wordt verklaard uit קוה (‘hopen’) en El. De tekst splitst El en Sjaddai met een koppelteken. **68:27** En Mirjam, zijn zus, noemde hem Jered en zei: „Omdat ik achter hem afdaalde naar de Nijl om te weten wat zijn einde zou zijn.” Brontekst: ומרים (umiryam) = en Mirjam | אחותו (achoto) = zijn zus | קראה (qar'ah) = noemde | לו (lo) = hem | ירד (Yered) = Jered | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = omdat | היא (hi) = zij | ירדה (yarda) = afdaalde | אחריו (acharav) = achter hem | אל (el) = naar | היאור (hayeor) = de Nijl | לדעת (lada'at) = om te weten | מה (mah) = wat | תהיה (tihyeh) = zou zijn | אחריתו (acharito) = zijn einde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **68:28** En Aäron, zijn broer, noemde zijn naam Abi-Zanoach en zei: „Mijn vader heeft mijn moeder verstoten en haar om hem weer bij zich teruggebracht.” Brontekst: ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | אחיו (achiv) = zijn broer | קרא (qara) = noemde | שמו (shemo) = zijn naam | אבי (avi) = Abi- | זנוח (zanoach) = Zanoach | לאמור (lemor) = zeggende | זנח (zanach) = heeft verstoten | אבי (avi) = mijn vader | את (et) = (obj.) | אמי (immi) = mijn moeder | וישיבה (vayeshivah) = en heeft haar teruggebracht | אליו (elav) = bij zich | בעבורו (baavuro) = om hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **68:29** En Kehat, de vader van Amram, noemde zijn naam Abi-Gedor, want om zijn wil herstelde Elohim de bres in het huis van Jakob, zodat zij niet meer voortgingen hun mannelijke kinderen in het water te werpen. Brontekst: וקהת (veqehat) = en Kehat | אבי (avi) = de vader van | עמרם (amram) = Amram | קרא (qara) = noemde | שמו (shemo) = zijn naam | אבי (avi) = Abi- | גדור (gedor) = Gedor | כי (ki) = want | בעבורו (baavuro) = om zijn wil | גדר (gadar) = herstelde | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | את (et) = (obj.) | פרץ (perets) = de bres in | בית (bet) = het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ולא (velo) = en niet | יספו (yosifu) = zouden voortgaan | להשליך (lehashlikh) = te werpen | זכוריהם (zekhuryehem) = hun mannelijke kinderen | המימה (hammaymah) = in het water Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie 1 Kron. 4:18 (Jered, Cheber, Jekoetiël, Zanoach, Soko en Gedor, genoemd bij Bitja, de dochter van de farao). Zie ook: 1 Kron 4:18 **68:30** En zijn voedster noemde hem Abi-Soko en zei: „In zijn hut was hij drie maanden verborgen voor de zonen van Cham.” Brontekst: ומניקתו (umeniqto) = en zijn voedster | קראה (qar'ah) = noemde | לו (lo) = voor hem | אבי (avi) = Abi- | סוכו (soko) = Soko | לאמור (lemor) = zeggende | בסוכו (besukho) = in zijn hut | הוצפן (hutsfan) = was hij verborgen | שלושה (shelosha) = drie | ירחים (yerachim) = maanden | מפני (mippenei) = voor | בני (bnei) = zonen van | חם (Cham) = Cham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **68:31** En heel Israël noemde daarna zijn naam Semaja, de zoon van Netanel, want zij zeiden: „In zijn dagen heeft Elohim hun gekerm gehoord en heeft Hij hen gered uit de hand van hun onderdrukkers.” Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | ישראל (yisra'el) = Israël | קראו (qar'u) = zij noemden | את (et) = (obj.) | שמו (shemo) = zijn naam | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = daarna | שמעיה (shemaya) = Semaja | בן (ben) = zoon van | נתנאל (netan'el) = Netanel | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | כי (ki) = dat | בימיו (bimav) = in zijn dagen | שמע (shema) = hoorde | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | את (et) = (obj.) | נאקתם (na'aqatam) = hun gekerm | ויצילם (vayatsilem) = en redde hen | מיד (miyyad) = uit de hand van | דוחקיהם (dochaqeihem) = hun onderdrukkers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie 1 Kron. 24:6 (Semaja, de zoon van Netanel, de schrijver) en 1 Kron. 4:18. Zie ook: 1 Kron 4:18; 1 Kron 24:6 ### Mozes in het huis van de farao **68:32** Mozes was in het huis van de farao, en hij werd Bitja, de dochter van de farao, tot zoon; en Mozes groeide op te midden van de zonen van de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | משה (moshe) = Mozes | בבית (babbayit) = in het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | ויהי (vayehi) = en werd | לבתיה (livityah) = voor Bitja | בת (bat) = dochter van | פרעה (par'oh) = Farao | להן (lahen) = tot zoon | ויגדל (vayigdal) = en groeide op | משה (moshe) = Mozes | בקרב (beqerev) = te midden van | בני (bnei) = zonen van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 69 _Het zwaardere juk_ ### Saul koning van Edom **69:1** In die dagen stierf de koning van Edom, in het achttiende jaar van zijn regering, en hij werd begraven in zijn hal, die hij voor zijn koningschap had gebouwd in het land Edom. Brontekst: ומלך (umelekh) = en de koning van | אדום (Edom) = Edom | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar | שמונה (shemonah) = achttien | עשרה (esreh) = tien | למלכו (lemalko) = van zijn regering | ויקבר (vayiqqaver) = en werd begraven | בהיכלו (beheikhalo) = in zijn hal | אשר (asher) = die | בנה (Benah) = hij bouwde | לו (lo) = voor hem | למלכותו (lemalkhuto) = voor zijn koningschap | בארץ (ba'arets) = in het land | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **69:2** De zonen van Ezau stuurden naar Petora, dat aan de rivier ligt, en namen vandaar een jongeling met mooie ogen en een goed voorkomen, en zijn naam was Saul; en zij maakten hem koning over zich in de plaats van Samla. Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | פתורה (petora) = Petora | אשר (asher) = die | על (al) = aan | הנהר (hannahar) = de rivier | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | משם (misham) = vandaar | בחור (bachur) = jongeling | אחד (echad) = één | יפה (yafah) = mooi | עיניים ('enayim) = ogen | וטוב (vetov) = en goed | רואי (ro'i) = van aanzien | ושמו (ushmo) = en zijn naam | שאול (sha'ul) = Saul | וימליכוהו (vayamlikhuhu) = en zij maakten hem koning | עליהם (aleihem) = over hen | תחת (tachat) = in de plaats van | שמלה (samla) = Samla Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:37 (Saul van Rechobot aan de rivier). Hier heet de plaats Petora (פתורה); zie ook Num. 22:5 (Pethor, de stad van Bileam). Zie ook: Gen 36:37; Num 22:5 **69:3** Saul regeerde veertig jaar over alle zonen van Ezau in het land Edom. Brontekst: וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | שאול (sha'ul) = Saul | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בארץ (ba'arets) = in het land | אדום (Edom) = Edom | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. ### Het bevel over de tichels **69:4** Toen de farao, de koning van Egypte, zag dat de raad die Bileam in die dagen had gegeven over de zonen van Israël niet was gelukt, maar dat zij nog steeds vruchtbaar waren, zich vermenigvuldigden en wemelden in heel het land Egypte, Brontekst: ופרעה (ufar'oh) = en de farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בראותו (bir'oto) = toen hij zag | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | נהיתה (nehayta) = gelukte | עצתו (atsato) = zijn raad | אשר (asher) = die | יעץ (ya'ats) = raadde | בלעם (bil'am) = Bileam | אל (el) = over | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | אך (akh) = maar | הם (hem) = zij | עוד (od) = nog | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | יפרו (yifru) = waren vruchtbaar | וירבו (vayirbu) = en namen toe | וישרצו (veyisretsu) = en wemelden | בכל (bekhol) = in heel | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **69:5** gebood de farao in die dagen en liet in heel Egypte tot de zonen van Israël een oproep uitgaan met de woorden: „Niemand mag iets verminderen van zijn arbeid, dag bij dag. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | פרעה (par'oh) = Farao | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויעבירו (vaya'avirru) = en zij lieten uitgaan | קול (qol) = een oproep | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לאמור (lemor) = zeggende | איש (ish) = niemand | אל (el) = mag niet | יגרע (yigra) = verminderen | מעבודתו (me'avodato) = van zijn arbeid | דבר (davar) = iets | יום (yom) = dag | ביומו (beyomo) = bij dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: איש אל יגרע: ‘niemand mag verminderen’; de Engelse vertaling heeft ‘No man shall diminish any thing’. **69:6** En de man die van zijn arbeid iets vermindert, die hij dag na dag verricht, hetzij met leem, hetzij met tichelstenen, die zal zijn jongste zoon in hun plaats geven.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | האיש (ha'ish) = de man | אשר (asher) = die | יגרע (yigra) = vermindert | מעבודתו (me'avodato) = van zijn arbeid | אשר (asher) = die | יעבוד (ya'avod) = verricht | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | אם (em) = hetzij | בחומר (bechomer) = met leem | ואם (ve'im) = hetzij | בלבנים (bilvenim) = met tichelstenen | ונתן (venatan) = zal geven | את (et) = (obj.) | בנו (beno) = zijn zoon | הקטן (haqqaton) = de jongste | תחתיהם (tachtehem) = in hun plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **69:7** De dienst van Egypte werd zwaar voor de zonen van Israël in die dagen; en wanneer aan de arbeid van een man één tichelsteen ontbrak, dag bij dag, namen de Egyptenaren zijn jongste jongen met geweld van zijn vrouw en zetten hem in het bouwwerk, in plaats van de tichelsteen die zijn vader miste. Brontekst: ותחזק (vatechezaq) = en werd zwaar | עבודת (avodat) = de dienst van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | על (al) = op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | והיה (vehayah) = en het zal zijn | כל (kol) = elke | איש (ish) = een man | אשר (asher) = die | תחסר (techsar) = ontbreekt | לבנה (levenah) = een tichelsteen | אחת (achat) = één | מעבודתו (me'avodato) = van zijn arbeid | כיום (keyom) = dag | ביום (beyom) = bij dag | ולקחו (velaqchu) = en zij nemen | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | את (et) = (obj.) | נערו (na'aro) = zijn jongen | הקטן (haqqaton) = de jongste | מעם (me'im) = van | אישתו (ishto) = zijn vrouw | בחוזקה (bechozqah) = met kracht | ושמו (ushmo) = en zij zetten | אותו (oto) = hem | בבניין (bivnyan) = in het bouwwerk | תחת (tachat) = in plaats van | הלבנה (halevenah) = de tichelsteen | אשר (asher) = die | חסרה (chasrah) = ontbrak | לאביו (le'aviv) = aan zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: תחסר לבנה: ‘een tichelsteen ontbrak’; zie Ex. 5:8 en 5:14 (het aantal tichels dat de Israëlieten moesten leveren). Zie ook: Ex 5:8; Ex 5:14 **69:8** Zo deden alle mannen van Egypte met alle zonen van Israël, dag na dag, al de dagen, vele dagen lang. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לכל (lekhol) = aan heel | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כמעשה (kemma'aseh) = zoals het werk | הזה (hazzeh) = deze | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Levi werkt niet mee **69:9** Alleen de hele stam Levi werkte in die tijd niet mee met Israël, hun broers, zoals van het begin af, want de zonen van Levi kenden de sluwheid van Egypte, waarmee zij in het begin tegen Israël hadden gehandeld. Brontekst: אך (akh) = alleen | כל (kol) = alle | שבט (shevet) = stam | לוי (Levi) = Levi | לא (lo) = niet | היו (hayu) = waren | עושים (osim) = werkend | במלאכה (bamela'cha) = in het werk | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | עם (im) = met | ישראל (yisra'el) = Israël | אחיהם (achihem) = hun broers | מבראשונה (mibarishona) = van het begin af | כי (ki) = want | ידעו (yade'u) = zij wisten | בני (bnei) = zonen van | לוי (Levi) = Levi | את (et) = (obj.) | ערמת (arimat) = sluwheid van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אשר (asher) = die | הערימו (he'erimu) = handelden sluw | בישראל (beyisra'el) = in Israël | בראשונה (barishona) = in het begin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ## Jasher 70 _De kroon en de kool_ ### Mozes grijpt de kroon **70:1** In het derde jaar sinds de geboorte van Mozes zat de farao te eten, en Alparanit, de koningin, zat aan zijn rechterhand en Bitja aan zijn linkerhand, en de jongen Mozes zat in haar schoot; en Bileam, de zoon van Beor, en zijn twee zonen en alle vorsten van het koninkrijk zaten aan de tafel voor de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנה (bashanah) = in het jaar | השלישית (hashelishit) = derde | ללדת (laledet) = sinds de geboorte van | משה (moshe) = Mozes | ופרעה (ufar'oh) = en de farao | יושב (yoshev) = zat | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ואלפרענית (ve'alparanit) = en Alparanit | המלכה (hammalkah) = de koningin | יושבת (yoshevet) = zat | מימינו (miyemino) = aan zijn rechterhand | ובתיה (uvitya) = en Bitja | יושבת (yoshevet) = zat | אל (el) = aan | שמאלו (semolo) = zijn linkerhand | והנער (vehana'ar) = en de jongen | משה (moshe) = Mozes | יושב (yoshev) = zat | בחיקה (bekheyqah) = in haar schoot | ובלעם (uvil'am) = en Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | ושני (ushnei) = en twee | בניו (banav) = zijn zonen | וכל (vekhol) = en alle | שרי (sarai) = vorsten van | המלוכה (hammelukhah) = het koninkrijk | יושבים (yoshvim) = zaten | על (al) = op | השולחן (hashulkhan) = de tafel | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ואלפרענית (Alparanit): de naam van de koningin komt in de Bijbel niet voor. **70:2** De jongen stak zijn hand uit naar het hoofd van de koning, nam de kroon van het hoofd van de koning en zette haar op zijn eigen hoofd. Brontekst: ויושט (vayyushet) = en hij strekte uit | הנער (hanna'ar) = de jongen | את (et) = (obj.) | ידו (yado) = zijn hand | על (al) = naar | ראש (rosh) = het hoofd van | המלך (hammelekh) = de koning | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (obj.) | העטרה (ha'atarah) = de kroon | מעל (me'al) = van | ראש (rosh) = het hoofd van | המלך (hammelekh) = de koning | וישם (vayasem) = en hij zette | אותה (otah) = haar | בראשו (berosho) = op zijn hoofd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:3** Toen de koning en de vorsten zagen wat de jongen had gedaan, werd de koning met de vorsten bevreesd over deze zaak, en de mannen verbaasden zich, de een tot de ander. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | את (et) = (obj.) | המעשה (hamma'aseh) = het werk | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | הנער (hanna'ar) = de jongen | ויבהל (vayibbahel) = en hij werd bevreesd | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויתמהו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | האנשים (ha'anashim) = de mannen | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:4** De koning zei tot de vorsten die voor hem aan de tafel waren: „Wat zeggen jullie en wat spreken jullie, vorsten, in deze zaak, en welk vonnis zal er zijn voor deze Hebreeuwse jongen wegens deze daad?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | השרים (hasarim) = de vorsten | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | לפניו (lefanav) = voor hem | על (al) = op | השולחן (hashulkhan) = de tafel | מה (mah) = wat | תדברו (tedaberu) = spreken jullie | ומה (umah) = en wat | תאמרו (tomru) = zeggen jullie | אתם (ittam) = jullie | השרים (hasarim) = de vorsten | בדבר (bedabber) = in zaak | הזה (hazzeh) = deze | ומה (umah) = en wat | יהיה (yihyeh) = zal zijn | משפט (mishpat) = vonnis | הנער (hanna'ar) = de jongen | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | הזה (hazzeh) = deze | על (al) = wegens | המעשה (hamma'aseh) = het werk | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Bileams raad **70:5** Bileam, de zoon van Beor, de waarzegger, antwoordde de koning en de vorsten en zei: „Gedenk toch, mijn heer, de koning, de droom die je vele dagen geleden hebt gedroomd en wat je dienaar je heeft uitgelegd. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | בלעם (bil'am) = Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | הקוסם (haqosem) = de waarzegger | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | ויאמר (vayomer) = en hij zei | זכור (zekhor) = gedenk | נא (na) = toch | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (obj.) | החלום (hachalom) = de droom | אשר (asher) = die | חלמת (chalamta) = je hebt gedroomd | זה (ze) = dit | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ואת (ve'et) = en (obj.) | אשר (asher) = wat | פתר (patar) = uitlegde | לך (lekha) = aan jou | עבדך (avdekha) = je dienaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:6** En nu, dit is toch een jongeling uit de kinderen van de Hebreeën, in wier midden de Geest van Elohim is; en laat mijn heer, de koning, niet denken dat hij te jong is en deze zaak ook zonder kennis heeft gedaan, Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הלא (halo) = immers | זה (ze) = dit | העלם (ha'elem) = de jongeling | מילדי (miyaldei) = van de kinderen van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | אשר (asher) = die | רוח (ruach) = Geest van | אלוקים (Elohim) = Elohim | בקרבם (beqirbam) = in hun midden | ואל (ve'el) = en laat niet | יחשוב (yachshov) = zal denken | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = dat | קטון (qatan) = te jong | הוא (hu) = hij | גם (gam) = ook | בלא (bilo) = zonder | דעת (da'at) = kennis | עשה (asah) = heeft gedaan | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:7** want hij is een Hebreeuwse jongen, en wijsheid en inzicht zijn met hem, zelfs terwijl hij nog een jongen is; uit wijsheid heeft hij dit gedaan en heeft hij voor zich het koningschap van Egypte gekozen. Brontekst: כי (ki) = want | נער (na'ar) = jongen | עברי (ivri) = Hebreeuwse | הוא (hu) = hij | וחכמה (vachakhamah) = en wijsheid | ותבונה (utevunah) = en inzicht | איתו (ito) = met hem | אף (af) = zelfs | בעודו (be'odo) = terwijl hij nog | נער (na'ar) = jongen | ומחכמה (umikhokhmah) = en uit wijsheid | עשה (asah) = heeft gedaan | זאת (zot) = deze | ויבחר (vayivchar) = en hij koos | לו (lo) = voor hem | את (et) = (obj.) | מלכות (malkhut) = koningschap | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **70:8** Want dit is de gewoonte van alle Hebreeën: de koningen en hun groten te misleiden, al deze dingen met list te doen, om de koningen van de aarde en hun mannen ten val te brengen. Brontekst: כי (ki) = want | כן (ken) = zo is | משפט (mishpat) = de gewoonte van | כל (kol) = alle | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | לדמות (ledamot) = te misleiden | את (et) = (obj.) | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ואת (ve'et) = en (obj.) | גדוליהם (gedolehem) = hun groten | לעשות (la'asot) = om te doen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | בערמה (be'ormah) = met list | למען (lema'an) = opdat | הכשיל (hakhshil) = ten val te brengen | את (et) = (obj.) | מלכי (malkhei) = koningen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | ואת (ve'et) = en (obj.) | אנשיהם (anshehem) = hun mannen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: לדמות (letterlijk ‘gelijk te maken’); vertaald is ‘te misleiden’, naar de Engelse vertaling (‘to deceive’). **70:9** Weet je niet dat Abraham, hun vader, ook zo deed, die het leger van Nimrod, de koning van Babel, in alles misleidde, en ook Abimelech, de koning van Gerar, en het land van de zonen van Chet en alle koninkrijken van Kanaän in bezit nam? Brontekst: הלא (halo) = immers | ידעת (yada'ta) = weet je | כי (ki) = dat | כה (koh) = zo | עשה (asah) = heeft gedaan | אברהם (avraham) = Abraham | אביהם (avihem) = hun vader | אשר (asher) = die | הכחיש (hakchish) = misleidde | את (et) = (obj.) | חיל (chayil) = het leger van | נמרוד (Nimrod) = Nimrod | מלך (malakh) = koning van | בבל (bavel) = Babel | בכל (bekhol) = in alles | ואת (ve'et) = en (obj.) | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | מלך (malakh) = koning van | גרר (Gerar) = Gerar | וירש (vayyiresh) = en nam in bezit | את (et) = (obj.) | ארץ (erets) = land van | בני (bnei) = zonen van | חת (Chet) = Chet | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | ממלכות (mamlekhot) = koninkrijken | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 23:3–20 (de zonen van Chet), Gen. 20 (Abimelech van Gerar) en Gen. 12:10–20. Het leger van Nimrod staat niet in Genesis. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Gen 12:10–20; Gen 23:3–20 **70:10** Hij daalde af naar Egypte en zei van Sarah, zijn vrouw: ‘Zij is mijn zuster’, om Egypte en zijn koning ten val te brengen. Brontekst: וירד (vayered) = en hij daalde neer | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויאמר (vayomer) = en hij zei | על (al) = van | שרה (sarah) = Sarah | אישתו (ishto) = zijn vrouw | אחותי (achoti) = mijn zuster | היא (hi) = zij | בעבור (ba'avur) = om | הכשיל (hakhshil) = ten val te brengen | את (et) = (obj.) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואת (ve'et) = en (obj.) | מלכה (Malkah) = haar koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 12:11–13 (‘zeg toch dat je mijn zuster bent’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 12:11–13 **70:11** Ook zijn zoon Isaak deed zo, toen hij naar Gerar ging en daar woonde; en zijn kracht werd machtiger dan het hele leger van Abimelech, de koning van de Filistijnen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | עשה (asah) = heeft gedaan | כן (ken) = zo | בלכתו (belekhto) = toen hij ging | גררה (gerarah) = naar Gerar | ויגר (vayagar) = en hij woonde | שמה (shemah) = daar | ויעצם (vayya'atsom) = en werd machtig | כוחו (kocho) = zijn kracht | מכל (mikkol) = meer dan het hele | חיל (chayil) = leger | אבימלך (Avimelekh) = Abimelech | מלך (malakh) = koning van | פלישתים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:6–16 (Isaak in Gerar; hij werd zeer machtig). Zie ook: Gen 26:6–16 **70:12** Ook was hij van plan het koninkrijk van de Filistijnen ten val te brengen, door van Rebekka, zijn vrouw, te zeggen: ‘Zij is mijn zuster.’ Brontekst: וגם (vegam) = en ook | את (et) = (obj.) | מלכות (malkhut) = koningschap | פלישתים (pelishtim) = Filistijnen | אמר (amar) = was van plan | להכשיל (lehakhshil) = ten val te brengen | באמרו (be'omro) = door te zeggen | על (al) = van | רבקה (Rivqah) = Rebekka | אישתו (ishto) = zijn vrouw | אחותי (achoti) = mijn zuster | היא (hi) = zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 26:7 (‘Zij is mijn zuster’). Zie ook: Gen 26:7 **70:13** Ook Jakob ging met list om met zijn broer en nam uit zijn hand zijn eerstgeboorterecht en zijn zegen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | הלך (halakh) = ging | בעקבה (ba'aqvah) = met list | עם (im) = met | אחיו (achiv) = zijn broer | ויקח (vayikkach) = en hij nam | מידו (miyyado) = uit zijn hand | את (et) = (obj.) | בכורתו (bekhorato) = zijn eerstgeboorterecht | ואת (ve'et) = en (obj.) | ברכתו (birkhato) = zijn zegen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:29–34 (het eerstgeboorterecht) en Gen. 27 (de zegen). Zie ook: Gen 25:29–34 **70:14** Hij ging naar Paddan-Aram, naar het huis van Laban, de broer van zijn moeder, en nam met list uit zijn hand zijn dochters en al zijn vee en alles wat hij had; en hij vluchtte en keerde terug naar het land Kanaän, tot zijn vader. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | פדנה (paddenah) = naar Paddan | ארם (Aram) = Aram | אל (el) = tot | בית (bet) = het huis van | לבן (Lavan) = Laban | אחי (echi) = de broer van | אמו (immo) = zijn moeder | ויקח (vayikkach) = en hij nam | בערמה (be'ormah) = met list | מידו (miyyado) = uit zijn hand | את (et) = (obj.) | בנותיו (benotav) = zijn dochters | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | מקנהו (miqnehu) = zijn vee | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij had | ויברח (vayivrach) = en hij vluchtte | וישב (vayyashev) = en keerde terug | לו (lo) = voor zich | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:2, 29–31 (Laban in Paddan-Aram) en Gen. 31:17–21. Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 28:2; Gen 31:17–21 **70:15** Zijn zonen verkochten Jozef, hun broer, en hij daalde af naar Egypte en werd tot slaaf, en hij werd gezet in het huis van de gevangenis, twaalf jaar lang, Brontekst: וימכרו (veyimkeru) = en zij verkochten | בניו (banav) = zijn zonen | את (et) = (obj.) | יוסף (Yosef) = Jozef | אחיהם (achihem) = hun broers | וירד (vayered) = en hij daalde neer | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לעבד (le'eved) = tot slaaf | וינתן (veyinaten) = en werd gezet | בבית (babbayit) = in het huis van | הכלא (hakele) = de gevangenis | שתים (shetayim) = twaalf | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 37:28 en Gen. 39:20–23. Het totaal van twaalf jaar staat niet in Genesis; zie Gen. 41:1 (twee volle jaren na de uitleg van de dromen). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 37:28; Gen 39:20–23; Gen 41:1 **70:16** totdat de vroegere farao dromen droomde en hem uit het huis van de gevangenis bracht en hem groot maakte boven alle vorsten van Egypte, omdat hij zijn dromen voor hem had uitgelegd. Brontekst: עד (ad) = totdat | אשר (asher) = totdat | חלם (chalam) = droomde | פרעה (par'oh) = Farao | הקדמוני (haqadmoni) = de vroegere | חלומות (chalomot) = dromen | ויוציא (veyotsi) = en hij bracht uit | אותו (oto) = hem | מבית (mibbayit) = uit het huis van | הכלא (hakele) = de gevangenis | ויגדלהו (vayegaddelehu) = en hij maakte hem groot | על (al) = boven | כל (kol) = alle | שרי (sarai) = vorsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | על (al) = omdat | שפתר (shepatar) = omdat | לו (lo) = voor hem | חלומותיו (chalomotav) = zijn dromen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **70:17** Toen Elohim over heel het land hongersnood bracht, liet hij zijn vader en al zijn broers en heel het huis van zijn vader komen en onderhield hen zonder prijs of vergoeding, en kocht Egypte en al zijn mannen tot slaven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהרעיב (behar'iv) = toen hij hongersnood bracht | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | וישלח (vayishlach) = en hij zond | ויבוא (vayavo) = en liet komen | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | אחיו (achiv) = zijn broers | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | בית (bet) = het huis van | אביו (aviv) = zijn vader | ויכלכלם (vaykhalkhelem) = en onderhield hen | בלא (bilo) = zonder | מחיר (mechir) = prijs | והון (vehon) = of vergoeding | ויקנה (vayiqneh) = en kocht | את (et) = (obj.) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | אנשיה (anasheha) = haar mannen | לעבדים (laavadim) = tot slaven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 47:12 (Jozef onderhield zijn vader en broers met brood) en Gen. 47:19–25 (Egypte gekocht voor de farao). Zie ook: Gen 47:12; Gen 47:19–25 **70:18** En nu, mijn heer, de koning, zie, ook deze jongen is in Egypte in hun plaats opgestaan om te doen naar hun daden en om te spotten met elke koning, vorst en rechter. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אדוני (adoni) = mijn heer | המלך (hammelekh) = de koning | הנה (hinneh) = zie | גם (gam) = ook | הנער (hanna'ar) = de jongen | הזה (hazzeh) = deze | קם (qam) = stond op | תחתיהם (tachtehem) = in hun plaats | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לעשות (la'asot) = om te doen | כמעשיהם (kema'aseihem) = naar hun daden | ולהתל (ulehatel) = en te bespotten | על (al) = met | כל (kol) = alle | מלך (malakh) = koning | שר (sar) = vorst | ושופט (veshofet) = en rechter Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **70:19** Als de koning het goed acht, laten wij toch zijn bloed ter aarde vergieten, anders groeit hij op en neemt hij het koningschap uit je hand, en vergaat de hoop van Egypte nadat hij is gaan regeren.” Brontekst: אם (em) = als | על (al) = bij | המלך (hammelekh) = de koning | טוב (tov) = goed | נשפכה (nishpekhah) = laten we vergieten | נא (na) = toch | את (et) = (obj.) | דמו (damo) = zijn bloed | ארצה (artsah) = ter aarde | פן (pen) = anders | יגדל (yigdal) = hij zal groot worden | ויקח (vayikkach) = en neemt | המלוכה (hammelukhah) = het koningschap | מידך (miyyadekha) = uit jouw hand | ותאבד (vetovad) = en zal vergaan | תקות (tiqvat) = de hoop van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אחרי (acharei) = nadat | מלכו (malkho) = hij koning werd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **70:20** De koning zei tot Bileam: „Laten wij bovendien alle rechters van Egypte en al zijn wijzen roepen, en laten wij weten of er een doodvonnis is voor deze jongen, zoals je hebt gesproken, en dan zullen wij hem doden.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | בלעם (bil'am) = Bileam | עוד (od) = bovendien | נקרא (niqra) = laten we roepen | לכל (lekhol) = alle | שופטי (shoftei) = rechters van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וכל (vekhol) = en alle | חכמיה (chakhameha) = haar wijzen | ונדעה (venede'a) = en wij zullen weten | היש (hayesh) = is er | משפט (mishpat) = vonnis van | מות (mot) = dood | לנער (lan'ar) = voor de jongen | הזה (hazzeh) = deze | כאשר (ka'asher) = zoals | דיברת (dibbarta) = je hebt gesproken | ואז (ve'az) = en dan | נהרגהו (neharegehu) = laten we hem doden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De proef met de kool **70:21** De farao zond en riep alle wijzen van Egypte, en zij kwamen voor de koning; en een engel van Yahweh kwam onder hen en leek op een van de wijzen van Egypte. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | פרעה (par'oh) = Farao | ויקרא (vayikra) = en riep | לכל (lekhol) = aan heel | חכמי (chakhmei) = wijzen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בתוכם (betokham) = onder hen | וידמה (vayiddameh) = en leek | לאחד (le'echad) = op één | מחכמי (mekhakhmei) = van de wijzen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מלאך ה׳: een engel van Yahweh; hij neemt de gedaante van een van de wijzen aan. **70:22** De koning zei tot de wijzen: „Hebben jullie niet gehoord wat de Hebreeuwse jongen heeft gedaan die in huis is? En zo heeft Bileam in de zaak geoordeeld. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = tot | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | הלא (halo) = immers | שמעתם (shema'tem) = hebben jullie gehoord | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | הנער (hanna'ar) = de jongen | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | אשר (asher) = die | בבית (babbayit) = in het huis | וכזה (vekhazeh) = en zo | וכזה (vekhazeh) = en zo | שפט (shafat) = oordeelde | בלעם (bil'am) = Bileam | על (al) = over | הדבר (haddavar) = de zaak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:23** Oordeel nu ook jullie en weet welk vonnis de jongen toekomt voor de daad die hij heeft gedaan.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | שפטו (shiftu) = oordeel | נא (na) = toch | גם (gam) = ook | אתם (ittam) = jullie | ודעו (veda'u) = en weet | מה (mah) = wat | משפט (mishpat) = recht | הנער (hanna'ar) = de jongen | על (al) = op | המעשה (hamma'aseh) = het werk | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:24** De engel, die zich als een van de wijzen van de farao voordeed, antwoordde en zei tot alle wijzen van Egypte en tot de koning en de vorsten: Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלאך (hammal'akh) = de engel | אשר (asher) = die | נדמה (nidmah) = zich voordeed | לאחד (le'echad) = als één | מחכמי (mekhakhmei) = van de wijzen van | פרעה (par'oh) = Farao | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לפני (lifnei) = voor | כל (kol) = alle | חכמי (chakhmei) = wijzen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ולפני (velifnei) = en voor | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **70:25** „Als de koning het goed acht, laat de koning dan zenden, en laten zij voor hem een sjohamsteen en vurige kolen brengen en die voor het kind zetten. En als het kind zijn hand uitstrekt en de sjoham neemt, dan weten wij dat de jongen uit wijsheid alles heeft gedaan wat hij deed, en laten wij hem doden. Brontekst: אם (em) = als | על (al) = op | המלך (hammelekh) = de koning | טוב (tov) = goed | ישלח (yishlach) = zende | המלך (hammelekh) = de koning | ויביאו (vayavi'u) = en dat zij brengen | לפניו (lefanav) = voor hem | אבן (even) = steen | שוהם (shoham) = sjoham | וגחלי (vegakhalei) = en kolen van | אש (esh) = vuur | וישימו (vayasimu) = en zetten | אותם (otam) = hen | לפני (lifnei) = voor | הילד (hayeled) = de jongen | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | ישלח (yishlach) = strekt uit | הילד (hayeled) = de jongen | את (et) = (obj.) | ידו (yado) = zijn hand | ולקח (velaqach) = en hij nam | את (et) = (obj.) | השוהם (hashoham) = de sjoham | וידענו (vediy'anu) = dan weten wij | כי (ki) = dat | מחכמה (mekhokhmah) = uit wijsheid | עשה (asah) = heeft gedaan | הנער (hanna'ar) = de jongen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | ונהרגהו (venahargehu) = en laten wij hem doden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: גחלי אש (meervoud: ‘kolen van vuur’); verder staat het enkelvoud הגחלת, ‘de kool’. **70:26** Maar als hij zijn hand uitstrekt naar de kool, dan weten wij dat hij deze zaak niet met kennis heeft gedaan, en dan zal hij leven.” Brontekst: ואם (ve'im) = en als | על (al) = naar | הגחלת (hagakhelet) = de kool | ישלח (yishlach) = streekt uit | את (et) = (obj.) | ידו (yado) = zijn hand | וידענו (vediy'anu) = dan weten wij | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | בדעת (bedaat) = met kennis | עשה (asah) = heeft gedaan | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויחי (vayechi) = en hij zal leven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:27** De zaak was goed in de ogen van de koning en de vorsten, en de koning deed naar het woord van de engel van Yahweh. Brontekst: וייטב (vayyitav) = en het was goed | הדבר (haddavar) = de zaak | בעיני (be'einei) = in de ogen van | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | ויעש (vayya'as) = en hij deed | המלך (hammelekh) = de koning | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:28** De koning gebood, en zij brachten voor hem de sjohamsteen en de kool en zetten die voor Mozes. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | המלך (hammelekh) = de koning | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | לפניו (lefanav) = voor hem | אבן (even) = steen | השוהם (hashoham) = de sjoham | ואת (ve'et) = en (obj.) | הגחלת (hagakhelet) = de kool | וישימו (vayasimu) = en zij zetten | אותם (otam) = hen | לפני (lifnei) = voor | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:29** Zij lieten de jongen voor hen zitten, en het kind probeerde zijn hand naar de sjoham uit te strekken; maar de engel van Yahweh nam zijn hand en legde haar op de kool, en de kool doofde in zijn hand, en hij nam haar op en deed haar in zijn mond, en verbrandde een deel van zijn lippen en een deel van zijn tong; en hij werd zwaar van mond en zwaar van tong. Brontekst: ויושיבו (vayoshivu) = en zij lieten zitten | את (et) = (obj.) | הנער (hanna'ar) = de jongen | לפניהם (lifneihem) = voor hen | ויבקש (vayevaqqesh) = probeerde | הילד (hayeled) = het kind | לשלוח (lishloach) = uit te strekken | ידו (yado) = zijn hand | אל (el) = naar | השוהם (hashoham) = de sjoham | ויקח (vayikkach) = en hij nam | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | ידו (yado) = zijn hand | ויתן (vayitten) = en legde | אותה (otah) = haar | על (al) = op | הגחלת (hagakhelet) = de kool | ותכבה (vatikhbeh) = en doofde | הגחלת (hagakhelet) = de kool | בידו (beyado) = in zijn hand | וישאה (vayissa'ah) = en hij nam haar op | ויתנה (vayittenah) = en deed haar | בפיו (befiv) = in zijn mond | וישרף (vayisaref) = en verbrandde | קצת (qetsat) = een deel van | שפתיו (sefatav) = zijn lippen | וקצת (veqetsat) = en een deel van | לשונו (leshono) = zijn tong | ויהי (vayehi) = en werd | כבד (kaved) = zwaar van | פה (peh) = mond | וכבד (vekhaved) = en zwaar van | לשון (lashon) = tong Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 4:10 (‘ik ben zwaar van mond en zwaar van tong’). Zie ook: Ex 4:10 **70:30** Toen de koning en de vorsten deze zaak zagen, wisten zij dat Mozes niet uit wijsheid had gehandeld toen hij de kroon van het hoofd van de koning nam. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וידעו (vayede'u) = en zij wisten | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | מחכמה (mekhokhmah) = uit wijsheid | עשה (asah) = heeft gedaan | משה (moshe) = Mozes | בשאת (besset) = toen hij nam | העטרה (ha'atarah) = de kroon | מעל (me'al) = van op | ראש (rosh) = het hoofd van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:31** De koning en de vorsten hielden op het kind te doden; en Mozes bleef in het huis van de farao, opgroeiend, en Yahweh was met hem. Brontekst: ויחדלו (vayachdelu) = en zij lieten na | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | להמית (lehamit) = te doden | את (et) = (obj.) | הילד (hayeled) = de jongen | ויהי (vayehi) = en was | משה (moshe) = Mozes | בבית (babbayit) = in het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | הולך (holekh) = ging | וגדל (vegadel) = en groeide op | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | עמו (immo) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Mozes in het huis van de farao **70:32** Toen de jongen in het huis van de koning was, was hij in purperen kleding gekleed, en hij groeide op te midden van de zonen van de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיות (bihyot) = toen hij was | הנער (hanna'ar) = de jongen | בבית (babbayit) = in het huis van | המלך (hammelekh) = de koning | בגדי (bigdey) = de kleren van | ארגמן (argaman) = purper | לבושו (levusho) = zijn kleding | ויגדל (vayigdal) = en hij groeide op | בקרב (beqerev) = te midden van | בני (bnei) = zonen van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:33** Toen Mozes in het huis van de koning was opgegroeid, achtte Bitja, de dochter van de farao, hem tot zoon, en heel het huis van de farao eerde hem, en alle mannen van Egypte vreesden hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | גדל (gadal) = was opgegroeid | משה (moshe) = Mozes | בבית (babbayit) = in het huis van | המלך (hammelekh) = de koning | ותחשבהו (vatakhshevehu) = en zij achtte hem | בתיה (bityah) = Bitja | בת (bat) = dochter van | פרעה (par'oh) = Farao | לבן (leven) = tot zoon | ויכבדוהו (vaykhabbeduhu) = en zij eerden hem | כל (kol) = alle | בית (bet) = het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מפניו (mippanav) = voor hem | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **70:34** Hij ging dag na dag uit en kwam in het land Gosen, waar zijn broers, alle zonen van Israël, waren; en Mozes zag hen dag na dag kortademig en onder zware arbeid. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ארצה (artsah) = naar het land | גושן (goshen) = Gosen | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar | אחיו (achiv) = zijn broers | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וירא (vayyera) = en hij zag | אותם (otam) = hen | משה (moshe) = Mozes | בקוצר (beqotser) = in kortheid van | רוח (ruach) = adem | ובעבודה (uva'avodah) = en in arbeid | קשה (qashah) = zwaar | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:11 (Mozes ging uit naar zijn broers) en Ex. 6:9 (קצר רוח, kortheid van adem). Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie ook: Ex 2:11; Ex 6:9 **70:35** Mozes vroeg hun: „Waarom rust deze arbeid dag aan dag op jullie?” Brontekst: וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | אותם (otam) = hen | משה (moshe) = Mozes | לאמור (lemor) = zeggende | על (al) = waarom | מה (mah) = waarom | העבודה (ha'avodah) = de arbeid | הזאת (hazzo't) = deze | לכם (lakhem) = op jullie | דבר (davar) = de zaak van | יום (yom) = dag | ביומו (beyomo) = op zijn dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:36** Zij vertelden hem alles wat hen was overkomen en alle verordeningen die de farao hun had opgelegd vóór zijn geboorte. Brontekst: ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = voor hem | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הקורות (haqqorot) = wat hen overkomen was | אותם (otam) = hen | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | החוקים (hachuqqim) = de verordeningen | אשר (asher) = die | שם (shem) = had opgelegd | עליהם (aleihem) = op hen | פרעה (par'oh) = Farao | לפני (lifnei) = voor | לידתו (lidato) = zijn geboorte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:37** Zij vertelden hem alle raadsbesluiten die Bileam, de zoon van Beor, tegen hen had genomen, en ook wat hij tegen hem had geraden, hem te doden toen hij de kroon van de koning van zijn hoofd nam. Brontekst: ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | לו (lo) = voor hem | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | העצות (ha'etsot) = de raadsbesluiten | אשר (asher) = die | יעץ (ya'ats) = raadde | עליהם (aleihem) = tegen hen | בלעם (bil'am) = Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | ואשר (va'asher) = en wat | יעץ (ya'ats) = raadde | עליו (alav) = tegen hem | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | להמיתו (lehamito) = om hem te doden | בשאתו (bessetto) = toen hij nam | עטרת ('atarat) = kroon van | המלך (hammelekh) = de koning | מעל (me'al) = van op | ראשו (rosho) = zijn hoofd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:38** Toen Mozes deze dingen hoorde, ontbrandde zijn toorn tegen Bileam, en hij zocht hem te doden en lag dag na dag op de loer voor hem. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (obj.) | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = toorn | משה (moshe) = Mozes | בבלעם (bevil'am) = tegen Bileam | ויבקש (vayevaqqesh) = en hij zocht | להמיתו (lehamito) = om hem te doden | ויארב (vaya'arov) = en hij legde een hinderlaag | לו (lo) = voor hem | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Bileam vlucht naar Kush **70:39** Na enige tijd werd aan Bileam verteld: „Zie, de zoon van Bitja zoekt je te doden, en zie, hij ligt dag na dag op de loer voor je.” Toen vreesde Bileam Mozes; hij stond op, hij en zijn twee zonen met hem, en zij gingen uit Egypte, vluchtten, ontkwamen met hun leven en gingen naar het land Kush, naar Kikanos, de koning van Kush. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מימים (miyyamim) = na enige tijd | ויוגד (vayugad) = en er werd verteld | לבלעם (livil'am) = aan Bileam | לאמור (lemor) = zeggende | הנה (hinneh) = zie | בן (ben) = zoon van | בתיה (bityah) = Bitja | מבקש (mevaqesh) = zoekt | להרגך (leharegkha) = je te doden | והנה (vehinneh) = en zie | הוא (hu) = hij | אורב (orev) = ligt op de loer | לך (lekha) = voor jou | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ויירא (vayira) = en hij vreesde | בלעם (bil'am) = Bileam | מפני (mippenei) = vanwege | משה (moshe) = Mozes | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | הוא (hu) = hij | ושני (ushnei) = en twee | בניו (banav) = zijn zonen | איתו (ito) = met hem | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ויברחו (vayivrechu) = en zij vluchtten | וימלטו (vayimmaletu) = en ontkwamen | את (et) = (obj.) | נפשם (nafsham) = hun leven | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להם (lahem) = heen | אל (el) = tot | ארץ (erets) = land van | כוש (Kush) = Kush | אל (el) = tot | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | מלך (malakh) = koning van | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **70:40** Terwijl Mozes in het huis van de koning was, ging hij uit en kwam hij in huis; Yahweh gaf hem gunst in de ogen van de farao en in de ogen van al zijn dienaren en in de ogen van alle mannen van Egypte, en zij hielden zeer veel van Mozes. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיות (bihyot) = toen hij was | משה (moshe) = Mozes | בבית (babbayit) = in huis | המלך (hammelekh) = de koning | יוצא (yotse) = ging uit | ובא (uva) = en kwam in | בבית (babbayit) = in huis | ויתנהו (vayittenehu) = en gaf hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לחן (lechen) = tot gunst | בעיני (be'einei) = in de ogen van | פרעה (par'oh) = Farao | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויאהבו (vaye'ehavu) = en zij hielden van | את (et) = (obj.) | משה (moshe) = Mozes | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 11:3 (de man Mozes was zeer groot in de ogen van de dienaren van de farao en van het volk). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 11:3 **70:41** Op een dag ging Mozes naar Gosen om zijn broers te zien, en hij zag de zonen van Israël in hun lasten en in hun harde arbeid, en het benauwde Mozes zeer om hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | היום (hayyom) = op een dag | וילך (vayelekh) = en hij ging | משה (moshe) = Mozes | גושנה (goshenah) = naar Gosen | לראות (lir'ot) = zien | את (et) = (obj.) | אחיו (achiv) = zijn broers | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בסבלותם (besivlotam) = in hun lasten | ובעבודתם (uva'avodatam) = en in hun arbeid | הקשה (haqasha) = de harde | וייצר (vayyitser) = en het was benauwend | למשה (lemisneh) = voor Mozes | מאוד (me'od) = zeer | עליהם (aleihem) = om hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. ### De rustdag **70:42** Mozes keerde terug naar Egypte en kwam in het huis van de farao en kwam voor de koning, en Mozes boog zich neer voor de koning. Brontekst: וישב (vayyashev) = en keerde terug | משה (moshe) = Mozes | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | בית (bet) = het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | וישתחווה (vayishtachaveh) = en hij boog zich neer | משה (moshe) = Mozes | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **70:43** Mozes zei tot de farao: „Ach, mijn heer, één kleine bede ben ik gekomen van je te vragen: stuur mij toch niet met lege handen weg.” En de farao zei tot hem: „Spreek.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | בי (bi) = ach | אדוני (adoni) = mijn heer | שאלה (sha'alah) = een bede | אחת (achat) = één | קטנה (qetanah) = klein | באתי (ba'ti) = ik ben gekomen | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | מלפניך (millefanekha) = van jou | אל (el) = niet | נא (na) = toch | תשיב (tashiv) = wijs af | את (et) = (obj.) | פניי (panay) = mijn gezicht | ריקם (reiqam) = leeg | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = voor hem | פרעה (par'oh) = Farao | דבר (davar) = spreek Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:44** Mozes zei tot de farao: „Laat toch aan je dienaren, de zonen van Israël die in Gosen zijn, één dag worden gegeven om daarin van hun arbeid uit te rusten.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | ינתן (yinnaten) = laat worden gegeven | נא (na) = toch | לעבדיך (le'avdekha) = aan je dienaren | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = die | בגושן (bagoshen) = in Gosen | יום (yom) = dag | אחד (echad) = één | לנוח (lanuach) = om uit te rusten | בו (bo) = daarin | מעבודתם (me'avodatam) = van hun arbeid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **70:45** De koning antwoordde Mozes en zei: „Zie, ik heb je gunst verleend in deze zaak, om je woorden te doen.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (obj.) | משה (moshe) = Mozes | ויאמר (vayomer) = en hij zei | הנה (hinneh) = zie | נשאתי (nasati) = ik heb opgeheven | פניך (panekha) = je gezicht | לדבר (laddavar) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לעשות (la'asot) = om te doen | את (et) = (obj.) | דבריך (devarekha) = je woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: נשאתי פניך (letterlijk ‘ik heb je aangezicht opgeheven’): een uitdrukking voor het verlenen van een gunst. **70:46** De farao gebood, en zij lieten in Egypte en in Gosen een oproep uitgaan met de woorden: Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | פרעה (par'oh) = Farao | ויעבירו (vaya'avirru) = en zij lieten uitgaan | קול (qol) = een oproep | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ובגושן (uvgoshen) = en in Gosen | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **70:47** „Tot jullie, alle zonen van Israël: zo zegt de koning: ‘Doe jullie werk en jullie arbeid zes dagen, en op de zevende dag zullen jullie rusten en geen enkel werk verrichten. Zo zullen jullie doen al de dagen, zoals de koning en Mozes, de zoon van Bitja, hebben geboden.’” Brontekst: אליכם (aleikhem) = tot jullie | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | המלך (hammelekh) = de koning | עשו (asu) = doe | מלאכתכם (melakhtekhem) = jullie werk | ועבודתכם (va'avodatkhem) = en jullie arbeid | ששת (shesheth) = zes | ימים (yamim) = dagen | ויום (veyom) = en op de dag | השביעי (hashevi'i) = de zevende | תנוחו (tanukhu) = jullie zullen rusten | ולא (velo) = en niet | תעבודו (ta'avdu) = jullie zullen werken | מאומה (me'umah) = enig werk | ככה (kakhah) = zo | תעשו (ta'asu) = jullie zullen doen | לכם (lakhem) = voor jullie | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | המלך (hammelekh) = de koning | ומשה (umosheh) = en Mozes | בן (ben) = zoon van | בתיה (bityah) = Bitja Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 20:9–10 (zes dagen arbeid, de zevende dag rust) en Ex. 5:5 (de farao over het ‘laten rusten’ van het volk). Zie ook: Ex 5:5; Ex 20:9–10 **70:48** Mozes verheugde zich over deze zaak die de koning hem had gegeven, en alle zonen van Israël deden zoals Mozes hun had geboden. Brontekst: וישמח (vayismach) = en hij verheugde zich | משה (moshe) = Mozes | על (al) = op | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | נתן (natan) = hij gaf | לו (lo) = voor hem | המלך (hammelekh) = de koning | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אליהם (aleihem) = tot hen | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Yahweh gedenkt Israël **70:49** Want deze zaak was van Yahweh voor de zonen van Israël, want Yahweh was begonnen de zonen van Israël te gedenken om hen te redden omwille van hun vaderen. Brontekst: כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אל (el) = voor | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כי (ki) = want | החל (hechel) = begon | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לזכור (lizkor) = gedenken | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | להושיעם (lehoshi'am) = hen te redden | למען (lema'an) = opdat | אבותיהם (avoteihem) = hun vaderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **70:50** Yahweh was met Mozes, en zijn faam was in heel Egypte. Brontekst: ויהי (vayehi) = was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = met | משה (moshe) = Mozes | ויהי (vayehi) = was | שמעו (shame'u) = zijn faam | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **70:51** Mozes werd groot in de ogen van heel Egypte en in de ogen van de zonen van Israël, zoekend wat goed was voor zijn volk Israël en woorden van vrede over hen sprekend voor de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en werd | משה (moshe) = Mozes | גדול (gadol) = groot | בעיני (be'einei) = in de ogen van | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ובעיני (uve'einei) = en in de ogen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ודורש (vedoresh) = en zoekend | טוב (tov) = goed | אל (el) = voor | עמו (immo) = zijn volk | ישראל (yisra'el) = Israël | ודובר (vedover) = en sprekend | עליהם (aleihem) = over hen | דברי (divrei) = woorden van | שלום (shalom) = vrede | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ## Jasher 71 _Mozes slaat de Egyptenaar_ ### Mozes in Gosen **71:1** Toen Mozes achttien jaar oud was, verlangde hij zijn vader en zijn moeder te zien, en hij ging naar hen toe, naar Gosen. Toen Mozes Gosen naderde, kwam hij op de plaats waar de zonen van Israël in de arbeid waren, en hij zag hun lasten, en hij zag een Egyptische man een Hebreeuwse man van zijn broers slaan. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיות (bihyot) = toen hij was | משה (moshe) = Mozes | בן (ben) = was | שמונה (shemonah) = achttien | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | ויתאו (vayyit'u) = en hij verlangde | את (et) = (obj.) | אביו (aviv) = zijn vader | ואת (ve'et) = en (obj.) | אמו (immo) = zijn moeder | לראות (lir'ot) = zien | אותם (otam) = hen | וילך (vayelekh) = en hij ging | אליהם (aleihem) = tot hen | גושנה (goshenah) = naar Gosen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | הקריב (hiqriv) = naderde | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | גושן (goshen) = Gosen | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אל (el) = tot | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | עושים (osim) = werkten | בעבודה (ba'avodah) = in de arbeid | וירא (vayyera) = en hij zag | בסבלותם (besivlotam) = in hun lasten | וירא (vayyera) = en hij zag | איש (ish) = een man | מצרי (mitsri) = een Egyptenaar | מכה (makkah) = sloeg | איש (ish) = een man | עברי (ivri) = Hebreeuwse | מאחיו (me'achiv) = van zijn broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **71:2** Toen de geslagen man Mozes zag, liep hij naar hem toe om hulp, want de man Mozes was zeer geëerd en groot in het huis van de farao; en hij zei tot hem: „Ach, mijn heer, deze Egyptenaar kwam ’s nachts naar mijn huis en bond mij, en kwam voor mijn ogen tot mijn vrouw, en nu zoekt hij mijn leven te nemen.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen hij zag | האיש (ha'ish) = de man | המוכה (hammukkeh) = de geslagene | את (et) = (obj.) | משה (moshe) = Mozes | וינס (vayanos) = en liep | אליו (elav) = naar hem | לעזרה (le'ezrah) = om hulp | כי (ki) = want | האיש (ha'ish) = de man | משה (moshe) = Mozes | נכבד (nikhbad) = geëerd | מאוד (me'od) = zeer | וגדול (vegadol) = en groot | בבית (babbayit) = in huis | פרעה (par'oh) = Farao | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | בי (bi) = ach | אדוני (adoni) = mijn heer | המצרי (hamitsri) = de Egyptenaar | הזה (hazzeh) = deze | בא (ba) = kwam | אל (el) = naar | ביתי (beiti) = mijn huis | לילה (laylah) = nacht | ויאסרני (vaye'esereni) = en hij bond mij | ואל (ve'el) = en tot | אשתי (ishti) = mijn vrouw | בא (ba) = kwam | לפניי (lefanai) = voor mijn ogen | ועתה (ve'attah) = en nu | מבקש (mevaqesh) = zoekt | את (et) = (obj.) | נפשי (nafshi) = mijn leven | לקחתה (laqachtah) = te nemen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:11 (Mozes zag een Egyptenaar een Hebreeër slaan). Het verhaal van de man, zijn vrouw en de Egyptenaar staat niet in Exodus. Zie ook: Ex 2:11 ### Mozes slaat de Egyptenaar **71:3** Toen Mozes deze slechte zaak hoorde, ontbrandde zijn toorn zeer tegen de Egyptenaar; hij keerde zich hierheen en daarheen, en toen hij zag dat er niemand was, sloeg hij de Egyptenaar, verborg hem in het zand en redde de Hebreeër uit de hand van wie hem sloeg. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הרע (hara) = wat slecht is | הזה (hazzeh) = deze | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אפו (appo) = zijn toorn | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = tegen | המצרי (hamitsri) = de Egyptenaar | ויפן (vayyifen) = en hij keerde zich | כה (koh) = hierheen | וכה (vekho) = en daarheen | וירא (vayyera) = en hij zag | כי (ki) = dat | אין (ein) = er was geen | איש (ish) = een man | ויך (vayyakh) = en hij sloeg | את (et) = (obj.) | המצרי (hamitsri) = de Egyptenaar | ויטמנהו (vayitmenehu) = en hij verborg hem | בחול (bakhol) = in het zand | ויצל (vayatsel) = en hij redde | את (et) = (obj.) | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | מיד (miyyad) = uit de hand van | מכהו (makehu) = die hem sloeg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:12 (‘hij keek hierheen en daarheen … sloeg de Egyptenaar … en verborg hem in het zand’). Zie ook: Ex 2:12 **71:4** De Hebreeër ging naar zijn huis, en Mozes keerde terug op zijn weg, en hij ging en nam weer plaats in het huis van de koning. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | אל (el) = tot | ביתו (beito) = zijn huis | ומשה (umosheh) = en Mozes | שב (shav) = keerde terug | אל (el) = op | דרכו (darko) = zijn weg | וילך (vayelekh) = en hij ging | וישב (vayyashev) = en zat | בית (bet) = in het huis van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **71:5** Toen de man naar huis terugkeerde, nam hij zich voor zijn vrouw te verstoten, want het is niet betamelijk voor het huis van Jakob dat een man tot zijn vrouw gaat nadat zij onrein is gemaakt. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשוב (beshuv) = bij het terugkeren | האיש (ha'ish) = de man | הביתה (habbaytah) = naar huis | ויאמר (vayomer) = en nam zich voor | לגרש (legaresh) = te verstoten | את (et) = (obj.) | אישתו (ishto) = zijn vrouw | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | נכון (nakhon) = betamelijk | לבית (levet) = voor het huis van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לבוא (lavo) = tot haar te gaan | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | אישתו (ishto) = zijn vrouw | אחרי (acharei) = na | הוטמאה (hutme'ah) = zij onrein was gemaakt Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **71:6** De vrouw ging en vertelde het aan haar broers, en de broers van de vrouw zochten hem te doden; maar hij vluchtte naar zijn huis en ontkwam. Brontekst: ותלך (vattelekh) = en zij ging | האישה (ha'ishah) = de vrouw | ותגד (vatagged) = en vertelde | לאחיה (le'akhiyah) = aan haar broers | ויבקש (vayevaqqesh) = en hij zocht | אחי (echi) = de broers van | האישה (ha'ishah) = de vrouw | להורגו (leharogo) = hem te doden | וינוס (vayanos) = en vluchtte | אל (el) = naar | ביתו (beito) = zijn huis | וימלט (vayimmalet) = en hij ontkwam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De twee twistende mannen **71:7** Op de tweede dag ging Mozes uit naar zijn broers, en hij zag, en zie, twee mannen twistten; en hij zei tot de goddeloze: „Waarom sla je je naaste?” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כיום (keyom) = op de dag | השני (hasheni) = de tweede | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broers | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | שני (shenei) = twee | אנשים (anashim) = mannen | נצים (nitsim) = twistend | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לרשע (larasha) = tot de goddeloze | למה (lammah) = waarom | תכה (takheh) = sla je | רעך (re'akha) = je naaste Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **71:8** Hij antwoordde hem en zei tot hem: „Wie heeft je tot man, overste en rechter over ons gesteld? Denk je mij te doden zoals je de Egyptenaar hebt gedood?” Toen vreesde Mozes en zei: „Zeker, de zaak is bekend geworden.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | אותו (oto) = hem | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = voor hem | מי (mi) = wie | שמך (shemekha) = heeft je gesteld | לאיש (le'ish) = tot man | שר (sar) = overste | ושופט (veshofet) = en rechter | עלינו (aleinu) = over ons | הלהרגני (halaharegeni) = wil je mij doden | אתה (attah) = jij | אומר (omer) = denkt | כאשר (ka'asher) = zoals | הרגת (haragta) = je hebt gedood | את (et) = (obj.) | המצרי (hamitsri) = de Egyptenaar | ויירא (vayira) = en hij vreesde | משה (moshe) = Mozes | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אכן (akhen) = zeker | נודע (noda) = was bekend | הדבר (haddavar) = de zaak Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:13–14 (‘Wie heeft u tot overste en rechter over ons gesteld? Denkt u mij te doden zoals u de Egyptenaar gedood hebt?’). Zie ook: Ex 2:13–14 ### De engel in de gedaante van de bevelhebber **71:9** Toen de farao deze zaak hoorde, gebood hij Mozes te doden; maar Elohim zond Zijn engel, en die nam voor de farao de gedaante aan van de bevelhebber van de lijfwacht. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | להרוג (laharog) = om te doden | את (et) = (obj.) | משה (moshe) = Mozes | וישלח (vayishlach) = en zond | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | את (et) = (obj.) | מלאכו (mal'akho) = Zijn engel | וידמה (vayiddameh) = en nam de gedaante aan | לפרעה (lefar'oh) = voor de farao | כדמות (kidmut) = als de gedaante van | שר (sar) = bevelhebber van | הטבחים (hatabachim) = de lijfwacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **71:10** De engel van Yahweh nam het zwaard uit de hand van de bevelhebber van de lijfwacht en hieuw daarmee zijn hoofd af, want de gedaante van de bevelhebber van de lijfwacht was veranderd in de gedaante van Mozes. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | החרב (hacherev) = het zwaard | מיד (miyyad) = uit de hand van | שר (sar) = bevelhebber van | הטבחים (hatabachim) = de lijfwacht | ויסר (vayyaser) = en hieuw af | בה (bah) = daarmee | את (et) = (obj.) | ראשו (rosho) = zijn hoofd | כי (ki) = want | נהפך (nehpakh) = werd veranderd | דמות (demut) = gedaante van | שר (sar) = bevelhebber van | הטבחים (hatabachim) = de lijfwacht | לדמות (ledamot) = in de gedaante van | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: שר הטבחים (‘overste van de slachters’, zoals in Gen. 37:36) is vertaald als ‘bevelhebber van de lijfwacht’. De dood van deze man door een engel staat niet in Exodus. Zie ook: Gen 37:36 **71:11** De engel van Yahweh greep Mozes bij de rechterhand en bracht hem uit Egypte, en zette hem buiten de grens van Egypte neer, op een tocht van veertig dagen. Brontekst: ויחזק (vayechazzeq) = en greep | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בימין (beyamin) = bij de rechterhand van | משה (moshe) = Mozes | ויוציאהו (vayotsi'ehu) = en hij bracht hem uit | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ויניחהו (vayyanikhehu) = en zette hem neer | מחוץ (michuts) = buiten | לגבול (ligvul) = de grens van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מהלך (mehalakh) = op een tocht van | ארבעים (arba'im) = veertig | יום (yom) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:15 (Mozes vluchtte voor de farao naar het land Midian). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 2:15 ### Aäron profeteert **71:12** Alleen Aäron, zijn broer, bleef in het land Egypte, en hij profeteerde tot de zonen van Israël: Brontekst: וישאר (vayyisha'er) = en bleef over | אך (akh) = alleen | אהרון (aharon) = Aäron | אחיו (achiv) = zijn broer | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויתנבא (vayyitnabe) = en hij profeteerde | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **71:13** „Zo zegt Yahweh, de Elohim van jullie vaderen: **‘Werp, ieder man, de gruwelen van zijn ogen weg, en maak jullie niet onrein met de afgoden van Egypte.’**” Brontekst: כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | אבותיכם (avotekhem) = jullie vaderen | איש (ish) = een man | שיקוצי (shiqutsei) = gruwelen van | עיניו (einav) = zijn ogen | השליכו (hishlikhu) = werp | ובגילולי (uvegilulei) = en met de afgoden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אל (el) = niet | תטמאו (tetamme'u) = maakt jullie onrein Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ez. 20:7–8 (‘Werp, ieder, de gruwelen van zijn ogen weg … en maak jullie niet onrein met de afgoden van Egypte’). **71:14** Maar het huis van Israël was weerspannig en wilde in die tijd niet naar Aäron luisteren. Brontekst: וימרו (vayyamru) = en zij waren weerspannig | בית (bet) = het huis van | ישראל (yisra'el) = Israël | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | אל (el) = naar | אהרון (aharon) = Aäron | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **71:15** Yahweh nam zich voor hen te verdelgen, maar Yahweh dacht aan Zijn verbond dat Hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten. Brontekst: ויאמר (vayomer) = nam zich voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להשמידם (lehashmidam) = om hen te verdelgen | לולי (lule) = ware het niet | כי (ki) = dat | זכר (zakhar) = gedacht aan | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | בריתו (berito) = Zijn verbond | אשר (asher) = dat | כרת (karat) = had gesloten | את (et) = met | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ואת (ve'et) = en met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ez. 20:8 (‘Toen zei Ik dat Ik Mijn grimmigheid over hen zou uitstorten’) en Ex. 2:24 (Elohim dacht aan zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob). Zie ook: Ex 2:24 ### Het juk wordt zwaarder **71:16** In die dagen werd de hand van de farao, de koning van Egypte, steeds zwaarder over de zonen van Israël, en hij onderdrukte hen en perste hen, tot de tijd dat Yahweh Zijn woord zond en hen opzocht. Brontekst: ותלך (vattelekh) = en zij ging | יד (yad) = hand van | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | הלוך (halokh) = steeds | וקשה (vaqasha) = en zwaar | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וילחצם (vayilkhatsem) = en onderdrukte hen | וידחקם (vayidkhaqem) = en perste hen | עד (ad) = tot | עת (et) = tijd van | שלח (Shelach) = zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | דברו (dabberu) = Zijn woord | ויפקדם (vayifqedem) = en zocht hen op Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 3:16 en Ex. 4:31 (Yahweh heeft de zonen van Israël opgezocht, פקד). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 3:16; Ex 4:31 ## Jasher 72 _Mozes koning van Kush_ ### Oorlog tegen Aram en het oosten **72:1** In die dagen kwam er een grote oorlog tussen de zonen van Kush en de zonen van het oosten en Aram, en zij kwamen in opstand tegen de koning van Kush, onder wiens gezag zij stonden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ותהי (vatehi) = en er kwam | מלחמה (milchamah) = oorlog | גדולה (gedolah) = grote | בין (bein) = tussen | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | ובין (uvein) = en tussen | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | וארם (ve'Aram) = en Aram | ויפשעו (vayifshe'u) = en zij kwamen in opstand | במלך (bammelekh) = tegen de koning | כוש (Kush) = Kush | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:2** Kikanos, de koning van Kush, trok uit met alle zonen van Kush, een volk talrijk als het zand, zeer veel, en hij ging om te strijden tegen Aram en de zonen van het oosten, om hen weer onder zijn gezag te brengen. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij trok uit | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | מלך (malakh) = koning van | כוש (Kush) = Kush | עם (im) = met | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | כחול (kachol) = als het zand | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer | וילך (vayelekh) = en hij ging | להילחם (lehillachem) = te strijden | בארם (ba'aram) = tegen Aram | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | להשיבם (lehashivam) = hen terug te brengen | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:3** Toen Kikanos uittrok, liet hij Bileam, de waarzegger, met zijn twee zonen in de stad achter om de stad en de poort van het land te bewaken. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כצאת (khetset) = toen hij uitging | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | ויעזוב (vaya'azov) = en liet achter | בלעם (bil'am) = Bileam | הקוסם (haqosem) = de waarzegger | הוא (hu) = hij | ושני (ushnei) = en twee | בניו (banav) = zijn zonen | בעיר (ba'ir) = in de stad | לשמור (lishmor) = om te bewaken | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad | ואת (ve'et) = en (obj.) | דלת (delet) = de poort van | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: דלת הארץ (letterlijk ‘de deur van het land’): de poort. De Engelse vertaling heeft ‘the lowest sort of the people’ (dalat, ‘de armen’). **72:4** Kikanos trok uit en ging naar Aram en de zonen van het oosten, en hij streed tegen hen en versloeg hen, en zij vielen allen gesneuveld voor Kikanos en zijn volk. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij trok uit | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | ארם (Aram) = Aram | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | וילחם (vayillachem) = en hij streed | איתם (ittam) = tegen hen | ויך (vayyakh) = en versloeg | אותם (otam) = hen | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | חללים (chalalim) = gesneuvelden | כולם (kullam) = allen | לפני (lifnei) = voor | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | ועמו (ve'immo) = en zijn volk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:5** Hij voerde een groot aantal van hen gevangen weg en onderwierp hen weer onder zijn gezag, zoals eerst; en hij legerde zich in hun land om van hen de schatting te nemen, volgens zijn recht. Brontekst: וישב (vayyashev) = en hij voerde gevangen | מהם (mehem) = van hen | שבי (shevi) = gevangenen | גדול (gadol) = een groot aantal | ויכניעם (vayakhni'em) = en hij onderwierp hen | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | כבראשונה (kaRishonah) = zoals eerst | ויחן (vayichan) = en hij legerde zich | על (al) = in | ארצם (artsam) = hun land | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (obj.) | המס (hammas) = de schatting | מהם (mehem) = van hen | כמשפטו (kemishpato) = volgens zijn recht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Bileam sluit de stad af **72:6** Toen het leger van Kush Bileam, de zoon van Beor, had achtergelaten om de stad en de poort van de stad te bewaken, stond hij op en raadpleegde het volk van het land om in opstand te komen tegen koning Kikanos, opdat hij de stad niet zou binnenkomen wanneer hij kwam. Brontekst: ובלעם (uvil'am) = en Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | כאשר (ka'asher) = toen | עזבו (azvu) = hem had achtergelaten | מחל (michal) = het leger van | כוש (Kush) = Kush | לשמור (lishmor) = om te bewaken | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad | ואת (ve'et) = en (obj.) | דלת (delet) = de poort van | העיר (ha'ir) = de stad | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | ויתייעץ (vayityaets) = en raadpleegde | את (et) = met | עם (im) = het volk van | הארץ (ha'arets) = het land | למרוד (limrod) = in opstand te komen | במלך (bammelekh) = tegen de koning | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | לבלתי (levilti) = opdat hij niet | בוא (bo) = binnenkwam | העירה (ha'irah) = in de stad | כאשר (ka'asher) = wanneer | יבוא (yavo) = hij zou komen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft מחל כוש; gelezen is מחיל כוש (‘het leger van Kush’). **72:7** Het hele volk van het land luisterde naar hem, en zij zwoeren hem trouw en maakten hem koning over zich, en zijn twee zonen tot oversten van het leger. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij luisterden | אליו (elav) = naar hem | כל (kol) = alle | עם (im) = het volk van | הארץ (ha'arets) = het land | וישבעו (vayishava'u) = en zij zwoeren | לו (lo) = voor hem | וימליכו (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | אותו (oto) = hem | עליהם (aleihem) = over hen | ואת (ve'et) = en (obj.) | שני (shenei) = twee | בניו (banav) = zijn zonen | לשרי (lesarei) = tot oversten van | צבאות (tsiv'ot) = het leger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:8** Zij stonden op en verhoogden de muren van de stad aan twee zijden, en zij bouwden een zeer machtig en sterk bouwwerk. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | ויגביהו (vayagbihu) = en zij verhoogden | את (et) = (obj.) | את (et) = (obj.) | חומות (chomot) = muren | העיר (ha'ir) = de stad | משני (mishenei) = aan twee | הפאות (hape'ot) = zijden | ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | בניין (binyan) = een bouwwerk | עצום (atsum) = machtig | וחזק (vechazaq) = en sterk | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:9** Aan de derde zijde groeven zij ontelbare putten tussen de stad en de rivier die heel het land Kush omringt, en daar lieten zij het water van de rivier openbreken. Brontekst: ולכתף (ulekatef) = en aan de zijde | השלישי (hashelishi) = de derde | חפרו (chafaru) = groeven | בארות (be'erot) = putten | רבות (rabbot) = vele | אין (ein) = zonder | מספר (mispar) = aantal | בין (bein) = tussen | העיר (ha'ir) = de stad | ובין (uvein) = en tussen | הנהר (hannahar) = de rivier | הסובב (hasovev) = die omgeeft | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | כוש (Kush) = Kush | ויבקעו (vayibaqe'u) = en zij lieten openbreken | שם (shem) = daar | את (et) = (obj.) | מי (mi) = het water van | הנהר (hannahar) = de rivier Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:10** Aan de vierde zijde verzamelden zij vele slangen met hun bezweringen en toverkunsten, en zij versterkten de stad en woonden daarin, en niemand ging uit of kwam in vóór hen. Brontekst: ולכתף (ulekatef) = en aan de zijde | הרביעי (harevi'i) = de vierde | קיבצו (qibtsu) = zij verzamelden | נחשים (nechashim) = slangen | רבים (rabbim) = vele | בלחשיהם (belakhasheihem) = met hun bezweringen | ובכשפיהם (uvekhishefeihem) = en met hun toverkunsten | ויבצרו (vayivtseru) = en zij versterkten | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven wonen | בה (bah) = daarin | ואין (veein) = en niet | יוצא (yotse) = uitgaand | ואין (veein) = en niet | בא (ba) = inkomend | לפניהם (lifneihem) = vóór hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:11** Kikanos streed tegen Aram en de zonen van het oosten en onderwierp hen weer onder zijn gezag, zoals eerst, en zij gaven hem de schatting volgens hun recht; en hij ging en keerde terug naar zijn land. Brontekst: וקיקנוס (veqiqanus) = en Kikanos | נלחם (nilcham) = streed | בארם (ba'aram) = tegen Aram | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ויכניעם (vayakhni'em) = en hij onderwierp hen | תחת (tachat) = onder | ידו (yado) = zijn hand | כבראשונה (kaRishonah) = zoals eerst | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | לו (lo) = voor hem | מס (mas) = schatting | כמשפטם (kemishpatam) = overeenkomstig hun recht | וילך (vayelekh) = en hij ging | וישב (vayyashev) = en keerde terug | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:12** Toen Kikanos, de koning van Kush, zijn stad naderde, en alle oversten van het leger met hem, sloegen zij hun ogen op en zagen: de muren van de stad waren gebouwd en zeer verhoogd, en de mannen verbaasden zich hierover. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בקרוב (beqrov) = toen hij naderde | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | מלך (malakh) = koning van | כוש (Kush) = Kush | אל (el) = tot | עירו (iro) = zijn stad | וכל (vekhol) = en alle | שרי (sarai) = oversten van | החיילים (hachayalim) = de legers | איתו (ito) = met hem | וישאו (vayis'u) = en zij hieven op | עיניהם (eineihem) = hun ogen | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | חומות (chomot) = muren | העיר (ha'ir) = de stad | נבנו (nivnu) = waren gebouwd | ויגבהו (vayagbihu) = en verhoogd | מאוד (me'od) = zeer | ויתמהו (vayitmehu) = en zij verbaasden zich | האנשים (ha'anashim) = de mannen | מזה (mizzeh) = hierover Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:13** Zij zeiden de een tot de ander: „Het is omdat zij zagen dat wij in de oorlog talmden en zeer voor ons vreesden, dat zij dit hebben gedaan en de muren van de stad hebben verhoogd en versterkt, opdat de koningen van Kanaän niet tegen hen ten strijde zouden komen.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | כי (ki) = het is omdat | ראו (ra'u) = zij zagen | אשר (asher) = dat | בוששנו (bosheshnu) = wij talmden | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ויראו (vayiru) = en vreesden | מאוד (me'od) = zeer | עלינו (aleinu) = voor ons | על (al) = daarom | כן (ken) = daarom | עשו (asu) = hebben gedaan | את (et) = (obj.) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויגביהו (vayagbihu) = en zij verhoogden | את (et) = (obj.) | חומות (chomot) = muren | העיר (ha'ir) = de stad | ויחזקום (vaykhazqum) = en versterkten hen | לבלתי (levilti) = opdat niet | בוא (bo) = komen | אליהם (aleihem) = tot hen | מלכי (malkhei) = koningen van | כנען (Kena'an) = Kanaän | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. ### De belegering van Kush **72:14** De koning en de krijgers kwamen bij de ingang van de stad, en zij zagen, en zie, alle poorten van de stad waren gesloten; en zij riepen de poortwachters toe: „Open voor ons, dat wij de stad binnenkomen.” Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | המלך (hammelekh) = de koning | והחיילים (vehakhayyalim) = en de krijgers | אל (el) = tot | פתח (petach) = de ingang van | העיר (ha'ir) = de stad | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | כל (kol) = alle | שערי (sha'arei) = de poorten van | העיר (ha'ir) = de stad | סגורות (segurot) = gesloten | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | אל (el) = tot | השוערים (hashsho'arim) = de poortwachters | לאמור (lemor) = zeggende | פתחו (pitkhu) = open | לנו (lanu) = voor ons | ונבוא (venavo) = en laat ons komen | העירה (ha'irah) = de stad in Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:15** De poortwachters weigerden voor hen te openen op bevel van Bileam, de waarzegger, hun koning, en zij lieten hen de stad niet binnen. Brontekst: וימאנו (vayema'enu) = en zij weigerden | השוערים (hashsho'arim) = de poortwachters | לפתוח (liftoach) = te openen | אליהם (aleihem) = tot hen | במצות (bemitsvot) = op bevel van | בלעם (bil'am) = Bileam | הקוסם (haqosem) = de waarzegger | מלכם (malkam) = hun koning | ולא (velo) = en niet | נתנום (netanum) = zij lieten hen | לבוא (lavo) = binnen te gaan | העירה (ha'irah) = de stad in Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:16** Zij voerden strijd tegen hen tegenover de stadspoort, en op die dag vielen honderddertig man van het leger van Kikanos. Brontekst: ויערכו (vaya'archu) = en zij leverden | איתם (ittam) = tegen hen | מלחמה (milchamah) = oorlog | נוכח (nokhach) = tegenover | העיר (ha'ir) = de stad | השערה (hasha'arah) = de poort | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | מחיל (mechel) = van het leger van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | שלושים (sheloshim) = dertig | ומאה (umeah) = en honderd | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:17** Op de tweede dag gingen zij nog voort te strijden; zij streden aan de kant van de rivier en probeerden over te steken, maar konden het niet; en sommigen van hen verdronken in de putten en stierven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השני (hasheni) = de tweede | ויוסיפו (vayosifu) = en zij gingen voort | עוד (od) = nog | להילחם (lehillachem) = te strijden | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | מעבר (me'ever) = aan de oever van | הנהר (hannahar) = de rivier | ויבקשו (vayevaqshu) = en zij probeerden | לעבור (la'avor) = over te steken | ולא (velo) = en niet | יכולו (yakholu) = zij konden | ויטבעו (vayitbe'u) = en zij verdronken | מהם (mehem) = sommigen van hen | בתוך (betokh) = midden in | הבורות (haborot) = de putten | וימותו (vayamutu) = en zij stierven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:18** De koning gebood hout te hakken en vlotten te maken om daarmee naar hen over te steken, en zij deden zo. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | המלך (hammelekh) = de koning | לחטוב (lakhtov) = te hakken | עצים (etsim) = hout | ולעשות (vela'asot) = en te maken | רפסודות (rafsodot) = vlotten | לעבור (la'avor) = over te steken | בהן (bahen) = daarmee | אליהן (aleyhen) = naar hen toe | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:19** Toen zij bij de plaats van de putten kwamen, rolde het water rond als molenstenen, en op die dag verdronken tweehonderd man op tien vlotten. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כבואם (kevo'am) = toen zij kwamen | אל (el) = tot | מקום (maqom) = de plaats van | הבורות (haborot) = de putten | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | המים (hammayim) = het water | מתגלגלים (mitgalgelim) = rolden rond | בריחים (bareichayim) = als molenstenen | ויטבעו (vayitbe'u) = en zij verdronken | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | מאתיים (matayim) = tweehonderd | איש (ish) = een man | על (al) = op | עשר (esar) = tien | רפסודות (rafsodot) = vlotten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:20** Op de derde dag kwamen zij om te strijden aan de zijde van de slangen, maar zij konden daar niet naderen; de slangen doodden honderdzeventig man van hen, en zij hielden op met strijden tegen Kush en belegerden Kush negen jaar, en niemand ging uit en niemand kwam in. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השלישי (hashelishi) = de derde | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | להילחם (lehillachem) = te strijden | מפאת (mipe'at) = aan de zijde van | הנחשים (hanechashim) = de slangen | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | לגשת (lagashet) = te naderen | שמה (shemah) = daarheen | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | מהם (mehem) = van hen | הנחשים (hanechashim) = de slangen | שבעים (shiv'im) = zeventig | ומאה (umeah) = en honderd | איש (ish) = een man | ויחדלו (vayachdelu) = en zij hielden op | מלהילחם (milhilakhem) = met vechten | על (al) = tegen | כוש (Kush) = Kush | ויצורו (vayatsuru) = en zij belegerden | על (al) = tegen | כוש (Kush) = Kush | תשע (tesha) = negen | שנים (shanim) = jaren | ואין (veein) = en niet | יוצא (yotse) = uitgaand | ואין (veein) = en niet | בא (ba) = kwam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Mozes vlucht naar het kamp van Kikanos **72:21** In die tijd, toen de oorlog en het beleg tegen Kush waren, vluchtte Mozes uit Egypte, van voor het aangezicht van de farao, die hem zocht te doden omdat hij de Egyptenaar had gedood. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | בהיות (bihyot) = toen hij was | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | והמצור (vehamatsor) = en het beleg | על (al) = tegen | כוש (Kush) = Kush | ברח (barach) = vluchtte | משה (moshe) = Mozes | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | מלפני (millifnei) = van voor het aangezicht van | פרעה (par'oh) = Farao | אשר (asher) = die | ביקש (biqqesh) = wilde | להמיתו (lehamito) = om hem te doden | על (al) = omdat | אשר (asher) = omdat | הרג (harag) = doodde | את (et) = (obj.) | המצרי (hamitsri) = de Egyptenaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:15 (de farao zocht Mozes te doden; hij vluchtte). Het verblijf van Mozes in Kush staat niet in Exodus. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 2:15 **72:22** Mozes was achttien jaar oud toen hij uit Egypte vluchtte vanwege de farao, en hij vluchtte en ontkwam naar het kamp van Kikanos, dat in die tijd Kush belegerde. Brontekst: ומשה (umosheh) = en Mozes | בן (ben) = was | שמונה (shemonah) = achttien | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | בברחו (bevorcho) = toen hij vluchtte | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | מפני (mippenei) = vanwege | פרעה (par'oh) = Farao | וינס (vayanos) = en vluchtte | וימלט (vayimmalet) = en hij ontkwam | אל (el) = naar | מחנה (machaneh) = kamp | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | הצרים (hatsarim) = dat belegerde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | על (al) = tegen | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hand. 7:23 (Mozes was veertig jaar oud toen hij naar zijn broers ging kijken). De leeftijd van achttien is die van Jasher. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Hand 7:23 **72:23** Mozes was negen jaar in het kamp van Kikanos, de koning van Kush, al de dagen dat zij Kush belegerden, en Mozes ging met hen uit en in. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | משה (moshe) = Mozes | במחנה (bamachaneh) = in het leger van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | מלך (malakh) = koning van | כוש (Kush) = Kush | תשע (tesha) = negen | שנים (shanim) = jaren | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | היותם (heyotam) = hun zijn | צרים (tsarim) = belegerend | על (al) = tegen | כוש (Kush) = Kush | ויהי (vayehi) = en was | משה (moshe) = Mozes | הולך (holekh) = ging uit | ובא (uva) = en kwam in | עמהם (immahem) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:24** De koning en de vorsten en alle krijgsmannen hielden van Mozes, want hij was groot en kostbaar, en zijn gestalte was als een machtige leeuw en zijn gelaat als de zon en de kracht van zijn macht als een sterke leeuw; en hij werd raadsman van de koning. Brontekst: ויאהבו (vaye'ehavu) = en zij hielden van | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | וכל (vekhol) = en alle | אנשי (anshei) = mannen van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | את (et) = (obj.) | משה (moshe) = Mozes | כי (ki) = want | רב (rav) = groot | ויקר (vayiqer) = en kostbaar | הוא (hu) = hij | וקומתו (veqomato) = en zijn gestalte | כאריה (ka'aryeh) = als een leeuw | אדיר (addir) = machtige | ופניו (ufanav) = en zijn gelaat | כשמש (kashemesh) = als de zon | וכח (vekhoach) = en de kracht van | גבורתו (gevurato) = zijn kracht | כאריה (ka'aryeh) = als een leeuw | חזק (chazaq) = sterk | ויהי (vayehi) = en werd | יועץ (yo'ets) = raadsman | למלך (lammelekh) = van de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Kikanos sterft **72:25** Aan het einde van negen jaar werd Kikanos ziek van de ziekte waaraan hij zou sterven; zijn ziekte werd sterker over hem, en hij stierf op de zevende dag. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | תשע (tesha) = negen | שנים (shanim) = jaren | ויחלה (vayekhelheh) = en hij werd ziek | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | את (et) = (obj.) | חליו (khali) = zijn ziekte | אשר (asher) = die | ימות (yamut) = zou sterven | בו (bo) = daaraan | ויחזק (vayechazzeq) = en werd sterker | חוליו (kholyo) = zijn ziekte | עליו (alav) = over hem | וימת (vayamot) = en hij stierf | ביום (beyom) = op de dag | השביעי (hashevi'i) = de zevende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:26** Zijn dienaren balsemden hem, droegen hem weg en begroeven hem tegenover de poort van de stad, die naar het land Egypte uitzag. Brontekst: ויחנטו (vayachnetu) = en zij balsemden | אותו (oto) = hem | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | וישאוהו (vayissa'uhu) = en zij droegen hem | ויקברוהו (veyiqbaruhu) = en begroeven hem | נוכח (nokhach) = tegenover | שער (sha'ar) = poort van | העיר (ha'ir) = de stad | הפונה (hapoeneh) = die uitzag | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נוכח שער העיר הפונה ארץ מצרים: de Engelse vertaling heeft ‘opposite the city gate to the north of the land of Egypt’. **72:27** Zij bouwden over hem een fraai, machtig en zeer hoog bouwwerk, en zetten er van boven grote stenen op. Brontekst: ויבנו (vayivnu) = en zij bouwden | עליו (alav) = over hem | בניין (binyan) = het bouwwerk van | נאה (na'eh) = fraai | ועצום (ve'atsum) = en machtig | וגבוה (ugavoah) = en hoog | מאוד (me'od) = zeer | וישימו (vayasimu) = en zij zetten | עליו (alav) = over hem | מלמעלה (milma'lah) = bovenop | אבנים (avanim) = stenen | גדולות (gedolot) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: מלמעלה (‘bovenop’): de Engelse vertaling heeft ‘below’. **72:28** De schrijvers van Kikanos schreven op die stenen al de kracht van Kikanos, hun koning, en al zijn oorlogen die hij had gevoerd; en zie, zij staan daar tot op deze dag geschreven. Brontekst: ויכתבו (vayikhtevu) = en zij schreven | סופרי (soferei) = schrijvers van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | על (al) = op | האבנים (ha'avanim) = de stenen | ההם (hahem) = die | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | גבורת (gevurat) = de kracht van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | מלכם (malkam) = hun koning | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | מלחמותיו (milchamotav) = zijn oorlogen | אשר (asher) = die | נלחם (nilcham) = streed | והנם (vehinam) = en zie zij | כתובים (ketuvim) = opgeschreven | שם (shem) = daar | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:29** Na de dood van Kikanos, de koning van Kush, werd het zijn mannen en zijn krijgers zeer benauwd vanwege de oorlog. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = sterven | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | מלך (malakh) = koning van | כוש (Kush) = Kush | וייצר (vayyitser) = en het werd benauwd | לאנשיו (le'anashav) = voor zijn mannen | וחייליו (vechayalav) = en zijn krijgers | מאוד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = vanwege | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:30** Zij zeiden de een tot de ander: „Geef ons raad wat wij op dit moment moeten doen, nu wij al negen jaar in de woestijn zitten, buiten onze huizen. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = een man | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | הבו (havu) = geef | לנו (lanu) = voor ons | עצה (etsah) = een plan | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | לנו (lanu) = voor ons | בעת (be'et) = in de tijd | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = dat | ישבנו (yashavnu) = wij hebben gezeten | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | חוץ (chuts) = buiten | מבתינו (mibbateinu) = van onze huizen | היום (hayyom) = vandaag | תשע (tesha) = negen | שנים (shanim) = jaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:31** Als wij zeggen: ‘Laten wij tegen de stad strijden’, dan zullen krijgers van ons vallen en zullen wij sterven; en als wij hier in het beleg blijven zitten, zullen wij ook sterven. Brontekst: אם (em) = als | אמרנו (amarnu) = zeggen wij | נלחמה (nilkhamah) = laten wij strijden | על (al) = tegen | העיר (ha'ir) = de stad | ונפלו (venafelu) = en zullen vallen | ממנו (mimmennu) = van ons | חיילים (khayyalim) = krijgers | ומתנו (umetnu) = dan zullen wij sterven | ואם (ve'im) = en als | ישבנו (yashavnu) = blijven zitten | פה (peh) = hier | במצור (bamatsor) = in het beleg | ומתנו (umetnu) = dan zullen wij sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:32** Want nu zullen alle koningen van Aram en de zonen van het oosten horen dat onze koning dood is, en zij zullen plotseling tegen ons ten strijde optrekken en tegen ons strijden en geen overlevende van ons overlaten. Brontekst: כי (ki) = want | עתה (attah) = nu | ישמעו (yishme'u) = zullen horen | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | ארם (Aram) = Aram | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | כי (ki) = dat | מת (met) = is gestorven | מלכנו (malkenu) = onze koning | ובאו (uva'u) = en zij zullen komen | עלינו (aleinu) = tegen ons | פתאום (pit'om) = plotseling | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | וילחמו (vayillachamu) = en zij zullen strijden | בנו (beno) = tegen ons | ולא (velo) = en niet | ישאירו (yash'iru) = zij zullen overlaten | ממנו (mimmennu) = van ons | שריד (sarid) = overlevende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:33** En nu, kom, laten wij een koning over ons maken en in het beleg blijven zitten totdat de stad in onze hand wordt gegeven.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | לכו (lekhu) = kom | ונמליכה (venamlikhah) = en laten wij tot koning maken | עלינו (aleinu) = over ons | מלך (malakh) = koning | ונשב (venesheb) = en laten wij blijven zitten | במצור (bamatsor) = in het beleg | עד (ad) = totdat | אשר (asher) = totdat | תנתן (tinnaten) = wordt overgegeven | העיר (ha'ir) = de stad | בידינו (beyadenu) = in onze hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Mozes wordt koning **72:34** Zij wilden die dag een man uit heel het leger van Kikanos tot koning kiezen, maar zij vonden niemand om tot koning over hen te kiezen zoals Mozes. Brontekst: ויבחרו (vayivcharu) = en zij wilden kiezen | בכל (bekhol) = uit heel | חיל (chayil) = het leger van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | איש (ish) = een man | למלך (lammelekh) = tot koning | ולא (velo) = maar niet | מצאו (ma'tsa'u) = zij vonden | לבחור (livkhor) = te kiezen | למלך (lammelekh) = tot koning | עליהם (aleihem) = over hen | כמשה (kemosheh) = zoals Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:35** Zij haastten zich, en ieder trok zijn kleren uit en wierp ze op de grond, en zij maakten een grote verhoging en zetten Mozes erop. Brontekst: וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | ויפשיטו (vayafshitu) = en zij trokken uit | איש (ish) = een man | בגדיו (begadav) = zijn kleren | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | אותם (otam) = ze | ארצה (artsah) = op de grond | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | במה (bamah) = verhoging | גדולה (gedolah) = grote | ויושיבו (vayoshivu) = en zij lieten zitten | עליה (aleha) = erop | את (et) = (obj.) | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:36** Zij stonden op en bliezen op sjofars en riepen voor hem uit en zeiden: „Leve de koning, leve de koning!” Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | ויתקעו (vayitqe'u) = en zij bliezen | בשופרות (veshofarot) = op sjofars | ויקראו (vayiqre'u) = en zij riepen | לפניו (lefanav) = voor hem | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning | יחי (yechi) = leve | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De gaven van Kush **72:37** Heel het volk en alle vorsten zwoeren hem Adonia, de Kushitische koningin, de vrouw van Kikanos, tot vrouw te geven, en zij maakten Mozes die dag koning over zich. Brontekst: וישבעו (vayishava'u) = en zij zwoeren | לו (lo) = voor hem | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | לתת (latet) = te geven | לו (lo) = voor hem | את (et) = (obj.) | אדוניה (adoneha) = Adonia | המלכה (hammalkah) = de koningin | הכושית (hakhushit) = de Kushitische | אשת (eshet) = vrouw van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | וימליכו (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | את (et) = (obj.) | משה (moshe) = Mozes | עליהם (aleihem) = over hen | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 12:1 (Mozes had een Kushitische vrouw genomen). De naam Adonia komt in de Bijbel niet voor. Zie ook: Num 12:1 **72:38** Alle mannen van Kush lieten die dag een oproep uitgaan met de woorden: „Ieder moet aan Mozes iets geven van wat hij in zijn hand heeft.” Brontekst: ויעבירו (vaya'avirru) = en zij lieten uitgaan | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | כוש (Kush) = Kush | קול (qol) = een oproep | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | לאמור (lemor) = zeggende | איש (ish) = ieder | איש (ish) = man | לתת (latet) = te geven | למשה (lemisneh) = aan Mozes | מעל (me'al) = iets van | אשר (asher) = die | ימצא (yimtsa) = hij zou vinden | בידו (beyado) = in zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:39** Zij spreidden het kleed uit op de verhoging, en ieder wierp er een gouden ring op en een ander een kesita, van alles wat zij in hun hand hadden. Brontekst: ויפרשו (vayifrsu) = en zij spreidden uit | השמלה (hasimla) = het kleed | על (al) = op | הבמה (habbamah) = de verhoging | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | עליה (aleha) = erop | איש (ish) = ieder | איש (ish) = ieder | נזם (nezem) = ring van | זהב (zahav) = goud | אחד (echad) = één | ואיש (ve'ish) = en ieder | קשיטה (qesitah) = kesita | אחת (achat) = één | מכל (mikkol) = van elke | הנמצא (hanimtsa) = alles wat gevonden werd | בידם (beyadam) = in hun hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:40** Ook van de sjohamstenen en de bedolach en de stenen dar en sokheret wierpen alle zonen van Kush aan Mozes op de verhoging, ook zilver en goud in grote overvloed. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מאבני (me'avnei) = van stenen van | השוהם (hashoham) = de sjoham | והבדולח (vehabdolakh) = en de bedolach | ואבני (ve'avnei) = en stenen van | דר (dar) = dar | וסחרת (vesokharet) = en sokheret | השליכו (hishlikhu) = wierpen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | על (al) = op | הבמה (habbamah) = de verhoging | גם (gam) = ook | כסף (kesef) = zilver | גם (gam) = ook | זהב (zahav) = goud | הרבה (harbeh) = zeer veel | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: דר וסחרת (zoals Est. 1:6): de betekenis is onzeker; de Engelse vertaling heeft ‘pearls and marble’. Zie Gen. 2:12 voor sjoham en bedolach. Zie ook: Gen 2:12; Est 1:6 **72:41** Mozes nam al het zilver en het goud en alle voorwerpen en de bedolach en de sjoham die alle zonen van Kush hem hadden gegeven, en legde ze in zijn schatkamers. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הכסף (hakkesef) = het zilver | ואת (ve'et) = en (obj.) | הזהב (hazzahav) = het goud | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | הכלים (hakkelim) = de voorwerpen | ואת (ve'et) = en (obj.) | הבדולח (habbedolach) = de bedolach | ואת (ve'et) = en (obj.) | השוהם (hashoham) = de sjoham | אשר (asher) = die | נתנו (netano) = hadden gegeven | לו (lo) = voor hem | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | וישם (vayasem) = en hij zette | אותם (otam) = hen | באוצרותיו (be'otsrotav) = in zijn schatkamers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **72:42** Mozes regeerde die dag over alle zonen van Kush in de plaats van Kikanos, de koning van Kush. Brontekst: וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | משה (moshe) = Mozes | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | תחת (tachat) = in de plaats van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | מלך (malakh) = koning van | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 73 _De ooievaars tegen de slangen_ ### Mozes regeert over Kush **73:1** In het vijfenvijftigste jaar van de farao, de koning van Egypte, dat is het honderdzevenenvijftigste jaar sinds Israël naar Egypte afdaalde, regeerde Mozes over Kush. Brontekst: בשנת (bishnat) = in het jaar | חמישים (chamishim) = vijftig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaren | לפרעה (lefar'oh) = van de farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = het jaar | מאה (me'ah) = honderd | וחמישים (vachamishim) = en vijftig | ושבע (veshev'a) = en zeven | שנים (shanim) = jaren | לרדת (laredet) = sinds de afdaling van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | מלך (malakh) = regeerde | משה (moshe) = Mozes | על (al) = over | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **73:2** Mozes was zevenentwintig jaar oud toen hij over Kush ging regeren, en veertig jaar regeerde hij. Brontekst: בן (ben) = was | עשרים (esrim) = twintig | ושבע (veshev'a) = en zeven | שנים (shanim) = jaren | משה (moshe) = Mozes | במלכו (bemalko) = toen hij ging regeren | על (al) = over | כוש (Kush) = Kush | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | שנה (shanah) = jaar | מלך (malakh) = regeerde hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:3** Yahweh gaf Mozes gunst en trouw in de ogen van alle zonen van Kush, en de zonen van Kush hielden zeer veel van hem; en Mozes was goed bij Yahweh en bij mensen. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | משה (moshe) = Mozes | לחן (lechen) = tot gunst | ולחסד (velechesed) = en tot trouw | בעיני (be'einei) = in de ogen van | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | ויאהבו (vaye'ehavu) = en zij hielden van | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | אותו (oto) = hem | מאוד (me'od) = zeer | ויהי (vayehi) = en was | משה (moshe) = Mozes | טוב (tov) = goed | עם (im) = bij | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ועם (ve'im) = en met | אנשים (anashim) = mensen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:4** Op de zevende dag van zijn regering verzamelden alle zonen van Kush zich en kwamen allen bijeen, en zij kwamen voor Mozes en bogen zich voor hem neer tot op de grond. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השביעי (hashevi'i) = de zevende | למלכו (lemalko) = van zijn regering | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | יחד (yachad) = samen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | ויועדו (vayivvaadu) = en kwamen bijeen | כולם (kullam) = allen | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לפני (lifnei) = voor | משה (moshe) = Mozes | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij bogen zich neer | לו (lo) = voor hem | ארצה (artsah) = tot op de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De raad van het volk **73:5** Alle zonen van Kush spraken allen samen tot de koning: „Geef ons raad, dat wij zien wat wij met deze stad moeten doen. Brontekst: וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | כולם (kullam) = allen | יחד (yachad) = samen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | הבה (havah) = geef | לנו (lanu) = voor ons | עצה (etsah) = een plan | ונראה (venire'eh) = dat wij zien | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | לעיר (la'ir) = met de stad | הזאת (hazzo't) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:6** Want vandaag zijn het negen jaar dat wij rondom de stad in het beleg zitten, en wij hebben onze zonen en onze vrouwen niet gezien.” Brontekst: כי (ki) = want | היום (hayyom) = vandaag | תשע (tesha) = negen | שנים (shanim) = jaren | ישבנו (yashavnu) = wij hebben gezeten | במצור (bamatsor) = in het beleg | בעד (ba'ad) = rondom | העיר (ha'ir) = de stad | ולא (velo) = en niet | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | את (et) = (obj.) | בנינו (baneinu) = onze zonen | ואת (ve'et) = en (obj.) | נשינו (nasheinu) = onze vrouwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:7** De koning antwoordde hun: „Als jullie naar mijn stem luisteren in alles wat ik jullie gebied, dan zal Yahweh de stad in onze hand geven en zullen wij haar veroveren. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | המלך (hammelekh) = de koning | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | אם (em) = als | תשמעו (tishme'u) = luisteren | בקולי (beqoli) = naar mijn stem | לכל (lekhol) = in alles | אשר (asher) = wat | אצוה (atsavveh) = ik gebied | אתכם (etkhem) = jullie | ונתן (venatan) = dan zal geven | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad | בידינו (beyadenu) = in onze hand | ולכדנו (velakhadnu) = en wij zullen haar veroveren | אותה (otah) = haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:8** Want als wij tegen hen strijden zoals in de eerste strijd, die wij streden vóór de dood van Kikanos, zullen er vele gesneuvelden van ons vallen, zoals eerst. Brontekst: כי (ki) = want | אם (em) = als | נלחמה (nilkhamah) = laten wij strijden | איתם (ittam) = tegen hen | כמלחמה (kammilkhamah) = zoals de strijd | הראשונה (harishonah) = de eerste | אשר (asher) = die | נלחמנו (nilchamnu) = wij hebben gestreden | טרם (terem) = voordat | מות (mot) = sterven | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | ונפלו (venafelu) = en zullen vallen | ממנו (mimmennu) = van ons | חללים (chalalim) = gesneuvelden | רבים (rabbim) = vele | כראשונה (karishonah) = zoals eerst Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:9** En nu, zie, ik heb een raad voor jullie in deze zaak: als jullie naar mijn stem luisteren, zal de stad in onze hand worden gegeven.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הנה (hinneh) = zie | לכם (lakhem) = voor jullie | עצה (etsah) = een plan | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אם (em) = als | תשמעו (tishme'u) = jullie luisteren | בקולי (beqoli) = naar mijn stem | וניתנה (venittenah) = en zal worden overgegeven | העיר (ha'ir) = de stad | בידינו (beyadenu) = in onze hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:10** Alle krijgers antwoordden de koning: „Alles wat mijn heer gebiedt, dat zullen je dienaren doen.” Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | כל (kol) = alle | החיילים (hachayalim) = de krijgers | את (et) = (obj.) | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | כל (kol) = alles | אשר (asher) = die | יצוה (yetsavveh) = zal bevelen | אדוני (adoni) = mijn heer | כן (ken) = zo | יעשו (ya'asu) = zullen doen | עבדיך (avadekha) = je dienaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het bevel over de ooievaars **73:11** Mozes zei tot hen: „Trek door het kamp en laat een oproep uitgaan in heel het kamp tot al het volk met de woorden: Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | משה (moshe) = Mozes | עיברו (ivru) = trek door | וקראו (viqru) = en roep | קול (qol) = een oproep | בכל (bekhol) = in heel | המחנה (hammachaneh) = het kamp | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:12** ‘Zo zegt de koning: Ga naar het woud en breng van de jongen van de ooievaar, ieder zijn jong in zijn hand. Brontekst: כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | המלך (hammelekh) = de koning | לכו (lekhu) = ga | היערה (hayaarah) = naar het woud | והבאתם (vahavetem) = en breng | מבני (mibbnei) = van de jongen van | החסידה (hakhasidah) = de ooievaar | איש (ish) = ieder | אפרוחו (efrokho) = zijn jong | בידו (beyado) = in zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:13** En ieder die het woord van de koning overtreedt en zijn jong niet brengt, zal sterven, en alles wat hij heeft zal de koning nemen. Brontekst: וכל (vekhol) = en ieder | איש (ish) = man | אשר (asher) = die | יעבור (ya'avor) = overtreedt | את (et) = (obj.) | דבר (davar) = het woord van | המלך (hammelekh) = de koning | ולא (velo) = en niet | יביא (yavi) = brengt | אפרוחו (efrokho) = zijn jong | ומת (umet) = zal sterven | וכל (vekhol) = en alles | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij heeft | יקח (yiqqach) = zal nemen | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:14** Wanneer jullie hen brengen, zullen zij onder jullie hoede zijn; jullie zullen hen grootbrengen totdat zij groot zijn, en jullie zullen hen leren zich neer te storten, naar de wijze van de jongen van de valk.’” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | בהביאכם (behavi'akhem) = wanneer jullie hen brengen | אותם (otam) = hen | והיו (vehayu) = zullen zij zijn | איתכם (ittekhem) = met jullie | למשמרת (lemishmeret) = onder jullie hoede | וגדלתם (vegidaltem) = en jullie zullen groot brengen | אותם (otam) = hen | עד (ad) = totdat | גדלם (godlam) = zij groot zijn | ולמדתם (velimmadtem) = en jullie zullen hen leren | אותם (otam) = hen | לטוש (latush) = zich neer te storten | כדרך (kederekh) = naar de wijze van | בני (bnei) = de jongen van | הנץ (hanets) = de valk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:15** Alle zonen van Kush hoorden de woorden van Mozes, en zij stonden op en lieten een oproep uitgaan in het kamp met de woorden: Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | את (et) = (obj.) | דברי (divrei) = woorden van | משה (moshe) = Mozes | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | ויעבירו (vaya'avirru) = en zij lieten uitgaan | קול (qol) = een oproep | במחנה (bamachaneh) = in het kamp | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:16** „Tot jullie, alle zonen van Kush: het bevel van de koning is dat jullie allen samen naar de wouden gaan en jonge ooievaars vangen, ieder zijn jong in zijn hand, en dat jullie ze meebrengen. Brontekst: אליכם (aleikhem) = tot jullie | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | במצות (bemitsvot) = het bevel van | המלך (hammelekh) = de koning | לכו (lekhu) = gaat | לכם (lakhem) = voor jullie | יחד (yachad) = samen | היערות (hayearot) = de wouden | ותפשתם (vetafastem) = en vangt | לכם (lakhem) = voor jullie | מבני (mibbnei) = van de jongen van | החסידה (hakhasidah) = de ooievaar | איש (ish) = ieder | אפרוחו (efrokho) = zijn jong | בידו (beyado) = in zijn hand | והבאתם (vahavetem) = en brengt ze mee | לכם (lakhem) = voor jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:17** En ieder die het woord van de koning weerspannig is, zal sterven, en de koning zal alles nemen wat hij heeft.” Brontekst: וכל (vekhol) = en ieder | איש (ish) = mens | אשר (asher) = die | ימרה (yamreh) = weerspannig is tegen | את (et) = (obj.) | דבר (davar) = het woord van | המלך (hammelekh) = de koning | ומת (umet) = zal sterven | ולקח (velaqach) = en zal nemen | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = hij heeft Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:18** Heel het volk deed zo, en zij gingen naar het woud en klommen in de cipressen en grepen, ieder een jong in zijn hand, alle jonge ooievaars, en zij brachten ze ’s avonds mee en brachten ze groot naar het bevel van de koning en leerden hen zich neer te storten zoals de jongen van de valk, naar alles wat de koning had geboden; zo deden alle zonen van Kush. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | כדבר (kidvar) = volgens de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להם (lahem) = heen | היערה (hayaarah) = naar het woud | ויעלו (vaya'alu) = en klommen | על (al) = in | הברושים (haberoshim) = de cipressen | ויתפשו (vayitpesu) = en zij grepen | להם (lahem) = voor zich | איש (ish) = ieder | אפרוחו (efrokho) = zijn jong | בידו (beyado) = in zijn hand | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | החסידה (hakhasidah) = de ooievaar | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | אותם (otam) = hen | בערב (ba'erev) = in de avond | ויגדלום (vaygaddelum) = en zij brachten hen groot | כמצות (kemitsvat) = volgens het gebod van | המלך (hammelekh) = de koning | וילמדום (vayelamdum) = en zij leerden hen | לטוש (latush) = zich neer te storten | כבני (kivnei) = zoals de jongen van | הנץ (hanets) = de valk | ככל (kekhol) = volgens alles | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = had geboden | המלך (hammelekh) = de koning | כן (ken) = zo | עשו (asu) = deden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: בערב (‘in de avond’); de Engelse vertaling heeft ‘into the desert’ (במדבר). ### De slangen worden opgegeten **73:19** Toen de jonge ooievaars groot waren geworden, gebood de koning hen drie dagen te laten hongeren, en heel het volk deed zo. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | גדלו (giddelo) = groot waren geworden | בני (bnei) = zonen van | החסידה (hakhasidah) = de ooievaar | ויצו (vayetsav) = gebood | המלך (hammelekh) = de koning | להרעיבם (lehar'ivam) = hen te laten hongeren | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:20** Op de derde dag zei de koning tot hen: „Wees sterk en word dappere mannen, en trek ieder zijn krijgswapens aan en gord ieder zijn zwaard om zich, en bestijg ieder zijn paard, en neem ieder zijn jong in zijn hand. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השלישי (hashelishi) = de derde | ויאמר (vayomer) = en hij zei | להם (lahem) = hun | המלך (hammelekh) = de koning | התחזקו (hitchazqu) = wees sterk | והייתם (vihyitem) = en wordt | לבני (livnei) = mannen van | חיל (chayil) = kracht | ולבשו (ulvishu) = en trek aan | איש (ish) = ieder | כלי (keli) = de wapens van | מלחמתו (milchamto) = zijn strijd | וחגרו (vechigru) = en omgord | איש (ish) = ieder | חרבו (charvu) = zijn zwaard | עליו (alav) = om zich | ורכבו (verikhvu) = en bestijg | איש (ish) = ieder | סוסו (suso) = zijn paard | ולקחתם (ulqachtem) = en neem | לכם (lakhem) = voor jullie | איש (ish) = ieder | אפרוחו (efrokho) = zijn jong | בידו (beyado) = in zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: התחזקו והייתם לבני חיל: ‘sterk jullie en wordt mannen van kracht’. **73:21** En laten wij opstaan en strijden tegen de stad, vanaf de plaats waar de slangen zijn.” Heel het volk deed naar het woord van de koning. Brontekst: ונקומה (venequmah) = en laten wij opstaan | ונלחמה (venillachamah) = en laten wij strijden | על (al) = tegen | העיר (ha'ir) = de stad | מן (min) = vanaf | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar | הנחשים (hanechashim) = de slangen | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:22** Zij namen ieder zijn jong in zijn hand en gingen; en toen zij bij de plaats van de slangen kwamen, zei de koning tot hen: „Zend ieder zijn jong op de slangen af.” Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | איש (ish) = ieder | אפרוחו (efrokho) = zijn jong | בידו (beyado) = in zijn hand | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהגיעם (behagiam) = toen zij kwamen | אל (el) = tot | מקום (maqom) = plek | הנחשים (hanechashim) = de slangen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | המלך (hammelekh) = de koning | שלחו (shalchu) = zendt | איש (ish) = ieder | אפרוחו (efrokho) = zijn jong | על (al) = op | הנחשים (hanechashim) = de slangen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:23** Zij zonden ieder zijn jong, naar het woord van de koning, en de jonge ooievaars renden op de slangen af en aten ze allemaal op en deden ze verdwijnen van die plaats. Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | איש (ish) = ieder | אפרוחו (efrokho) = zijn jong | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | המלך (hammelekh) = de koning | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | בני (bnei) = zonen van | החסידה (hakhasidah) = de ooievaar | על (al) = op | הנחשים (hanechashim) = de slangen | ויאכלום (vaykhalum) = en zij aten hen op | כולם (kullam) = allen | וישביתו (vayashbitu) = en zij deden hen verdwijnen | אותם (otam) = hen | מן (min) = uit | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:24** Toen de koning en het volk zagen dat alle slangen van die plaats waren verdwenen, juichte heel het volk een groot gejuich. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | המלך (hammelekh) = de koning | והעם (vehaam) = en het volk | כי (ki) = dat | נשבתו (nishbetu) = waren verdwenen | כל (kol) = alle | הנחשים (hanechashim) = de slangen | מן (min) = uit | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | ויריעו (vayari'u) = en zij juichten | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | תרועה (teru'ah) = een gejuich | גדולה (gedolah) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De stad wordt veroverd **73:25** Zij kwamen naderbij en streden tegen de stad en namen haar in en veroverden haar, en zij kwamen de stad in. Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | על (al) = tegen | העיר (ha'ir) = de stad | ויתפשוה (vayitpesuha) = en zij namen haar in | וילכדוה (vayilkhedoha) = en veroverden haar | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | העירה (ha'irah) = de stad in Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:26** Op die dag stierven elfhonderd man van het volk van de stad, al de bewoners van de stad; maar van het volk van het beleg stierf niet één. Brontekst: וימותו (vayamutu) = stierven | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | מעם (me'im) = van het volk van | העיר (ha'ir) = de stad | אלף (elef) = duizend | ומאה (umeah) = honderd | איש (ish) = een man | כל (kol) = al | יושבי (yoshvei) = de bewoners van | העיר (ha'ir) = de stad | ומעם (ume'am) = en van het volk van | המצור (hamatsor) = het beleg | לא (lo) = niet | מת (met) = stierf | אחד (echad) = één Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:27** Alle zonen van Kush gingen ieder naar zijn huis en naar zijn vrouw en naar zijn zonen en naar alles wat hij had. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en gingen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | איש (ish) = ieder | אל (el) = naar | ביתו (beito) = zijn huis | ואל (ve'el) = en naar | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ואל (ve'el) = en naar | בניו (banav) = zijn zonen | ואל (ve'el) = en naar | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij had Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:28** Toen Bileam, de waarzegger, zag dat de stad was veroverd, opende hij de poort, en hij en zijn twee zonen en zijn acht broers vluchtten, en zij keerden terug naar Egypte, naar de farao, de koning van Egypte. Brontekst: ובלעם (uvil'am) = en Bileam | הקוסם (haqosem) = de waarzegger | בראותו (bir'oto) = toen hij zag | כי (ki) = dat | נלכדה (nilkedah) = was veroverd | העיר (ha'ir) = de stad | ויפתח (vayiftach) = en opende | השער (hasha'ar) = de poort | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | הוא (hu) = hij | ושני (ushnei) = en twee | בניו (banav) = zijn zonen | ושמונה (ushmoneh) = en acht | אחיו (achiv) = zijn broers | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **73:29** Dit zijn de magiërs en de tovenaars die in het boek van de wet genoemd worden, die tegenover Mozes stonden toen Yahweh alle plagen over Egypte bracht. Brontekst: הם (hem) = dat zijn | המה (hemmah) = zij | החרטומים (hacharttumim) = de magiërs | והמכשפים (vehamekhashefim) = en de tovenaars | הכתובים (hakketuvim) = die geschreven staan | בספר (bassefer) = in het boek | התורה (hatorah) = de Wet | העומדים (ha'omdim) = die stonden | נגד (neged) = tegenover | משה (moshe) = Mozes | בהביא (behavi) = toen hij bracht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | המכות (hammakkot) = de plagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 7:11, 7:22, 8:7 en 9:11 (de magiërs en tovenaars van Egypte tegenover Mozes); de namen Jannes en Jambres staan in 2 Tim. 3:8. Zie ook: Ex 7:11; Ex 7:22; Ex 8:3; Ex 9:11; 2 Tim 3:8 **73:30** Mozes veroverde de stad met zijn wijsheid, en de zonen van Kush lieten hem zitten op de troon van het koningschap in plaats van Kikanos, de koning van Kush. Brontekst: וילכוד (vayilkod) = en hij veroverde | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (obj.) | העיר (ha'ir) = de stad | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | ויושיבוהו (vayoshivuhu) = en zij lieten hem zitten | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | על (al) = op | כיסא (kisse) = de troon van | המלוכה (hammelukhah) = het koningschap | תחת (tachat) = in plaats van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | מלך (malakh) = koning van | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Mozes en Adonia **73:31** Zij zetten de koninklijke kroon op zijn hoofd en gaven hem Adonia, de Kushitische koningin, de vrouw van Kikanos, tot vrouw. Brontekst: וישימו (vayasimu) = en zij zetten | את (et) = (obj.) | כתר (keter) = kroon van | המלכות (hamalkhut) = het koningschap | בראשו (berosho) = op zijn hoofd | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | לו (lo) = voor hem | את (et) = (obj.) | אדוניה (adoneha) = Adonia | המלכה (hammalkah) = de koningin | הכושית (hakhushit) = de Kushitische | אשת (eshet) = vrouw van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:32** Mozes vreesde Yahweh, de Elohim van zijn vaderen, en hij ging niet tot haar in en wendde zijn ogen niet naar haar. Brontekst: ויירא (vayira) = en vreesde | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (obj.) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = de Elohim van | אבותיו (avotav) = zijn vaders | ולא (velo) = en niet | בא (ba) = ging | אליה (eleha) = tot haar | ולא (velo) = en niet | פנה (panah) = wendde | אליה (eleha) = tot haar | את (et) = (obj.) | עיניו (einav) = zijn ogen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:33** Want Mozes dacht eraan dat Abraham zijn dienaar Eliëzer had laten zweren: „Je zult voor mijn zoon, voor Isaak, geen vrouw nemen uit de dochters van Kanaän.” Brontekst: כי (ki) = want | זכר (zakhar) = dacht aan | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (obj.) | אשר (asher) = dat | השביע (hishbia) = liet zweren | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (obj.) | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | עבדו (avdo) = zijn dienaar | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | תקח (tiqakh) = je zult nemen | לבני (livnei) = voor mijn zoon | ליצחק (leyitschaq) = Isaak | אישה (ishah) = een vrouw | מבנות (mibbenot) = uit de dochters van | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 24:2–4 (Abraham liet zijn oudste dienaar zweren; Eliëzer wordt genoemd in Gen. 15:2). Zie ook: Gen 15:2; Gen 24:2–4 **73:34** En ook dit deed Isaak toen Jakob voor zijn broer vluchtte, toen hij hem gebood: „Je zult geen vrouw nemen uit de dochters van Kanaän en je niet verzwageren met enige van de zonen van Cham.” Brontekst: וגם (vegam) = en ook | את (et) = (obj.) | זה (ze) = dit | עשה (asah) = heeft gedaan | יצחק (Yitschaq) = Isaak | בברוח (bivrokh) = toen vluchtte | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מפני (mippenei) = vanwege | אחיו (achiv) = zijn broer | אשר (asher) = toen | ציוהו (tsivvahu) = hij hem had geboden | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | תיקח (tiqqach) = zul je nemen | אישה (ishah) = een vrouw | מבנות (mibbenot) = uit de dochters van | כנען (Kena'an) = Kanaän | ולא (velo) = en niet | תתחתן (tithkhaten) = je zult je verzwageren | בכל (bekhol) = met enige van | בני (bnei) = zonen van | חם (Cham) = Cham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 28:1 (‘Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän’). Zie ook: Gen 28:1 **73:35** Want Yahweh, onze Elohim, gaf Cham en zijn zonen en heel zijn nageslacht tot slaven aan de zonen van Sem en aan de zonen van Jafet en aan hun nageslacht na hen, tot in eeuwigheid. Brontekst: כי (ki) = want | ה' (yhwh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | נתן (natan) = gaf | את (et) = (obj.) | חם (Cham) = Cham | ואת (ve'et) = en (obj.) | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (obj.) | כל (kol) = alle | זרעו (zar'u) = zijn nageslacht | לעבדים (laavadim) = tot slaven | לבני (livnei) = aan de zonen van | שם (shem) = Sem | ולבני (ulevnei) = en aan de zonen van | יפת (Yefet) = Jafet | ולזרעם (velezar'am) = en voor hun nageslacht | אחריהם (acharehem) = na hen | עד (ad) = tot | עולם (olam) = eeuwig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 9:25–27: de vloek treft daar Kanaän, de zoon van Cham, niet Cham zelf en al zijn nageslacht. Zie ook: Gen 9:25–27 **73:36** Daarom wendde Mozes zijn hart en zijn ogen niet naar de vrouw van Kikanos, al de dagen dat hij over Kush regeerde. Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = daarom | לא (lo) = niet | הפנה (hifnah) = wendde | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (obj.) | ליבו (libbo) = zijn hart | ואת (ve'et) = en (obj.) | עיניו (einav) = zijn ogen | אל (el) = naar | אשת (eshet) = vrouw van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | מלכו (malkho) = zijn koningschap | על (al) = over | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:37** Mozes vreesde Yahweh, zijn Elohim, al zijn dagen, en Mozes wandelde voor het aangezicht van Yahweh in waarheid, met heel zijn hart en met heel zijn ziel. Mozes week al de dagen van zijn leven niet af van de goede weg; hij week niet naar rechts of naar links af van de weg waarop Abraham, Isaak en Jakob gegaan waren. Brontekst: ויירא (vayira) = en vreesde | משה (moshe) = Mozes | מפני (mippenei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | כל (kol) = alle | ימיו (yamav) = zijn dagen | ויתהלך (vayyithallekh) = en hij wandelde | משה (moshe) = Mozes | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | באמת (be'emet) = in waarheid | בכל (bekhol) = in heel | לבבו (levavo) = zijn hart | ובכל (uvkhol) = en met heel | נפשו (nafsho) = zijn ziel | לא (lo) = niet | סר (sar) = week af | משה (moshe) = Mozes | מן (min) = uit | הדרך (haderekh) = de weg | הטובה (hattovah) = de goede | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | חייו (chayav) = zijn leven | לא (lo) = niet | נטה (natah) = week af | מן (min) = uit | הדרך (haderekh) = de weg | אשר (asher) = die | הלכו (halekhu) = gegaan waren | בה (bah) = waarop | אברהם (avraham) = Abraham | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ויעקב (veya'aqov) = en Jakob | ימין (yamin) = naar rechts | ושמאל (usmol) = of naar links Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 5:32 (‘niet afwijken naar rechts of naar links’). Zie ook: Deut 5:32 **73:38** Mozes versterkte zich in het koningschap over de zonen van Kush, en hij leidde de zonen van Kush naar recht, met zijn wijsheid, en Mozes was voorspoedig in zijn koningschap. Brontekst: ויתחזק (vayitchazzeq) = en hij werd sterk | משה (moshe) = Mozes | במלכות (bemalkhut) = in het koningschap van | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | וינהג (vayinhag) = en leidde | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | כמשפט (kemishpat) = naar recht | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid | ויצליח (vayatslich) = en hij slaagde | משה (moshe) = Mozes | במלכותו (bemalkhuto) = in zijn koningschap Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Oorlog tegen het oosten en Aram **73:39** In die tijd hoorden de zonen van Aram en de zonen van het oosten dat Kikanos, de koning van Kush, gestorven was, en in die dagen kwamen Aram en de zonen van het oosten in opstand tegen het gezag van Kush. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | ארם (Aram) = Aram | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | כי (ki) = dat | מת (met) = was gestorven | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | מלך (malakh) = koning van | כוש (Kush) = Kush | ויפשעו (vayifshe'u) = en kwamen in opstand | ארם (Aram) = Aram | ובני (uvnei) = en de zonen van | קדם (qedem) = het oosten | מתחת (mittachat) = van onder | יד (yad) = de hand van | כוש (Kush) = Kush | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:40** Mozes verzamelde alle zonen van Kush, een zeer machtig volk, ongeveer dertigduizend man, en hij trok uit om te strijden tegen Aram en de zonen van het oosten. Brontekst: ויקבוץ (vayiqbots) = en hij verzamelde | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | עם (im) = een volk | כבד (kaved) = machtig | מאוד (me'od) = zeer | כשלושים (keshloshim) = ongeveer dertig | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | ארם (Aram) = Aram | ואת (ve'et) = en tegen | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:41** Toen alle zonen van het oosten het bericht over hen hoorden, gingen zij hun tegemoet en leverden strijd tegen hen. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | את (et) = (obj.) | שמעם (shomam) = het bericht over hen | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | לקראתם (liqratam) = op hen af | ויערכו (vaya'archu) = en zij stelden op | איתם (ittam) = tegen hen | מלחמה (milchamah) = oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:42** De strijd werd zwaar tegen de zonen van het oosten, en Yahweh gaf alle zonen van het oosten in de hand van Mozes, en ongeveer driehonderd man van hen vielen gesneuveld. Brontekst: ותחזק (vatechezaq) = en werd zwaar | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | על (al) = tegen | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | ביד (beyad) = in de hand van | משה (moshe) = Mozes | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | מהם (mehem) = van hen | חללים (chalalim) = gesneuvelden | כשלוש (kheshalosh) = ongeveer drie | מאות (me'ot) = honderd | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:43** Alle zonen van het oosten keerden de rug toe en vluchtten, en Mozes en de zonen van Kush achtervolgden hen en onderwierpen hen onder hun gezag, en zij gaven hun de schatting volgens hun recht. Brontekst: ויתנו (vayittenu) = en gaven | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | עורף (oref) = de rug | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | משה (moshe) = Mozes | ובני (uvnei) = en de zonen van | כוש (Kush) = Kush | ויכניעו (vayakhniu) = en zij onderwierpen | אותם (otam) = hen | תחת (tachat) = onder | ידם (yadam) = hun hand | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | להם (lahem) = hun | מס (mas) = schatting | כמשפטם (kemishpatam) = overeenkomstig hun recht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:44** Mozes en heel het volk dat met hem was, trokken vandaar verder naar het land Aram ten strijde. Brontekst: ויעבור (vaya'avor) = en trok verder | משה (moshe) = Mozes | וכל (vekhol) = en alle | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | משם (misham) = vandaar | אל (el) = naar | ארץ (erets) = land van | ארם (Aram) = Aram | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:45** Ook de mannen van Aram trokken hun tegemoet en streden tegen hen, en Yahweh gaf hen in de hand van Mozes, en vele mannen van Aram vielen gesneuveld. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | אנשי (anshei) = mannen van | ארם (Aram) = Aram | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | לקראתם (liqratam) = op hen af | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בם (vam) = tegen hen | ויתנם (vayittenem) = en gaf hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ביד (beyad) = in de hand van | משה (moshe) = Mozes | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | חללים (chalalim) = gesneuvelden | רבים (rabbim) = vele | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | ארם (Aram) = Aram Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:46** Ook Aram onderwierp zich aan Mozes en aan Kush, en ook zij gaven de schatting volgens hun recht. Brontekst: ויכנעו (vayikane'u) = en onderwierp zich | ארם (Aram) = Aram | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | לפני (lifnei) = voor | משה (moshe) = Mozes | ולפני (velifnei) = en voor | כוש (Kush) = Kush | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | מס (mas) = schatting | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | כמשפטם (kemishpatam) = overeenkomstig hun recht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **73:47** Mozes onderwierp Aram en de zonen van het oosten onder het gezag van de zonen van Kush, en Mozes wendde zich, en hij en heel het volk dat met hem was, keerden terug naar het land Kush. Brontekst: ויכנע (vayikkana) = en onderwierp | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (obj.) | ארם (Aram) = Aram | ואת (ve'et) = en (obj.) | בני (bnei) = zonen van | קדם (qedem) = het oosten | תחד (tkhad) = onder | יד (yad) = hand van | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | ויפן (vayyifen) = en wendde zich | וישב (vayyashev) = en keerde terug | משה (moshe) = Mozes | וכל (vekhol) = en alle | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | איתו (ito) = met hem | ארץ (erets) = land van | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft תחד; gelezen is תחת (‘onder’). **73:48** Mozes versterkte zich in het koningschap over de zonen van Kush, en Yahweh was met hem, en alle zonen van Kush vreesden hem. Brontekst: ויתחזק (vayitchazzeq) = en hij werd sterk | משה (moshe) = Mozes | במלכות (bemalkhut) = in het koningschap van | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | איתו (ito) = met hem | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מפניו (mippanav) = voor hem | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 74 _Edom, Kittim en Afrika_ ### Baäl-Hanan koning van Edom **74:1** Na verloop van jaren stierf Saul, de koning van Edom, en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | שנים (shanim) = jaren | וימת (vayamot) = en hij stierf | שאול (sha'ul) = Saul | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | בעל (ba'al) = Baäl- | חנן (chonnan) = Hanan | בן (ben) = zoon van | עכבור (akhbor) = Achbor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:38 (Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde na Saul). Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 36:38 **74:2** In het zestiende jaar van het koningschap van Mozes over Kush regeerde Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, in het land Edom over alle zonen van Edom, achtendertig jaar. Brontekst: בשנת (bishnat) = in het jaar | שש (shesh) = zestien | עשרה (esreh) = tien | שנה (shanah) = jaar | למלכות (lemalkhut) = van het koningschap van | משה (moshe) = Mozes | על (al) = over | כוש (Kush) = Kush | מלך (malakh) = regeerde | חנן (chonnan) = Hanan | בן (ben) = zoon van | עכבור (akhbor) = Achbor | בארץ (ba'arets) = in het land | אדום (Edom) = Edom | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | אדום (Edom) = Edom | שלושים (sheloshim) = dertig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **74:3** In zijn dagen kwam Moab in opstand tegen het gezag van Edom, onder wiens gezag zij waren geweest in de dagen van Hadad, de zoon van Bedad, die hen en Midian sloeg en Moab onder het gezag van Edom onderwierp. Brontekst: בימיו (bimav) = in zijn dagen | פשע (pasha) = kwam in opstand | מואב (mo'av) = Moab | מתחת (mittachat) = van onder | יד (yad) = hand van | אדום (Edom) = Edom | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | תחת (tachat) = onder | אדום (Edom) = Edom | בימי (bimei) = in de dagen van | הדד (hadad) = Hadad | בן (ben) = zoon van | בדד (bedad) = Bedad | המכה (hamakka) = die sloeg | אותם (otam) = hen | ואת (ve'et) = en (obj.) | מדין (Midyan) = Midian | ויכניע (vayakhni'a) = en onderwierp | את (et) = (obj.) | מואב (mo'av) = Moab | תחת (tachat) = onder | יד (yad) = hand van | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:35 (Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg op het veld van Moab). Zie ook: Gen 36:35 **74:4** Toen Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, over de zonen van Edom regeerde, kwamen alle zonen van Moab in opstand tegen het gezag van Edom. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כמלוך (kimlokh) = toen regeerde | בעל (ba'al) = Baäl- | חנן (chonnan) = Hanan | בן (ben) = zoon van | עכבור (akhbor) = Achbor | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | אדום (Edom) = Edom | פשעו (pash'u) = kwamen in opstand | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | מתחת (mittachat) = van onder | יד (yad) = hand van | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Latinus koning van Kittim **74:5** Angeas, de koning van Afrika, stierf in die dagen, en Azdrubal, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. Brontekst: ואנגיאס (ve'angias) = en Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | בנו (beno) = zijn zoon | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:6** In die dagen stierf Janiosj, de koning van de zonen van Kittim, en zij begroeven hem in zijn hal die hij voor zich had gebouwd in het dal van Kanfia, tot verblijf; en Latinus regeerde in zijn plaats. Brontekst: ובימים (uvayyamim) = en in de dagen | ההם (hahem) = die | מת (met) = stierf | יאניוש (yaniush) = Janiosj | מלך (malakh) = koning van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ויקברוהו (veyiqbaruhu) = en begroeven hem | בהיכלו (beheikhalo) = in zijn hal | אשר (asher) = die | בנה (Benah) = hij bouwde | לו (lo) = voor hem | בבקעת (beviqat) = in het dal van | כנפיא (kanfya) = Kanfia | למושב (lemoshav) = tot verblijf | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Janiosj en Latinus: koningen van Kittim; het dal heet in de tekst כנפיא (Kanfia), in de Engelse vertaling ‘Canopia’. **74:7** In het tweeëntwintigste jaar van het koningschap van Mozes over de zonen van Kush regeerde Latinus over alle zonen van Kittim, vijfenveertig jaar. Brontekst: בשנת (bishnat) = in het jaar | עשרים (esrim) = twintig | ושתיים (ushtayim) = en twee | שנה (shanah) = jaar | למלכות (lemalkhut) = van het koningschap van | משה (moshe) = Mozes | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | מלך (malakh) = regeerde | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ארבעים (arba'im) = veertig | וחמש (vechamesh) = en vijf | שנים (shanim) = jaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:8** Ook hij bouwde voor zich een zeer grote en machtige toren, en hij bouwde daarin een fraaie hal om in te wonen, om zijn koningschap naar recht te voeren. Brontekst: ויבן (vayiven) = en hij bouwde | לו (lo) = voor hem | גם (gam) = ook | הוא (hu) = hij | מגדל (migdal) = een toren | גדול (gadol) = grote | ועצום (ve'atsum) = en machtig | מאוד (me'od) = zeer | ויבן (vayiven) = en hij bouwde | בתוכו (betocho) = daarin | היכל (heikhal) = hal | נאה (na'eh) = fraai | למושבו (lemoshavo) = om in te wonen | להתנהג (lehitnaheg) = om te leiden | במלכותו (bemalkhuto) = in zijn koningschap | כמשפט (kemishpat) = naar recht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:9** In het derde jaar van zijn regering liet hij een oproep uitgaan aan al zijn wijzen, en zij maakten voor hem veel schepen. Brontekst: בשנת (bishnat) = in het jaar | שלוש (shalosh) = drie | למלכו (lemalko) = van zijn regering | העביר (he'evir) = liet uitgaan | קול (qol) = een oproep | לכל (lekhol) = aan al | חכמיו (chakhamav) = zijn wijzen | ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | לו (lo) = voor hem | אוניות (oniyyot) = schepen | הרבה (harbeh) = zeer veel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Latinus tegen Azdrubal **74:10** Latinus verzamelde heel zijn leger, en zij kwamen in schepen en gingen om te strijden tegen Azdrubal, de zoon van Angeas, de koning van Afrika; en zij kwamen in Afrika en leverden strijd tegen Azdrubal en zijn leger. Brontekst: ויקבוץ (vayiqbots) = en hij verzamelde | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | באוניות (ba'oniyot) = in schepen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = tegen | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | בן (ben) = zoon van | אנגיאס (angias) = Angeas | מלך (malakh) = koning van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אפריקה (afriqa) = Afrika | ויערכו (vaya'archu) = en zij stelden op | מלחמה (milchamah) = oorlog | עם (im) = tegen | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | ועם (ve'im) = en tegen | חילו (chelo) = zijn leger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:11** Latinus werd sterker dan Azdrubal, en Latinus veroverde van Azdrubal de waterleiding die Angeas, zijn vader, van de zonen van Kittim had meegebracht toen hij Jania, de dochter van Utsi, tot vrouw nam; en Latinus verwoestte de brug van die waterleiding en versloeg heel het leger van Azdrubal met een zeer zware slag. Brontekst: ויחזק (vayechazzeq) = en werd sterker | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | על (al) = boven | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | וילכוד (vayilkod) = en hij veroverde | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | מאת (me'et) = van | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | את (et) = (obj.) | תעלת (te'alat) = de waterleiding van | המים (hammayim) = het water | אשר (asher) = die | הביא (hevi) = bracht | אנגיאס (angias) = Angeas | אביו (aviv) = zijn vader | מאת (me'et) = van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | בקחתו (beqachto) = toen hij nam | את (et) = (obj.) | יאניה (yaniya) = Jania | בת (bat) = dochter van | עוצי (utsi) = Utsi | לאישה (le'ishah) = tot vrouw | ויהרוס (vayaharos) = en hij verwoestte | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | את (et) = (obj.) | גשר (gesher) = brug van | התעלה (hate'alah) = de waterleiding | ההיא (hahi) = die | ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | חיל (chayil) = leger | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Zie Jasher 60–61 (Angeas neemt Jania, de dochter van Utsi uit Putsimna, tot vrouw; de waterleiding naar Afrika). תעלה (te’alah), ‘waterleiding’: ook ‘kanaal’ of ‘greppel’. **74:12** De overige helden van Azdrubal versterkten zich, en hun hart werd vervuld met afgunst, en zij verlangden te sterven, en zij leverden opnieuw strijd tegen Latinus, de koning van Kittim. Brontekst: ויתחזקו (vayitchazqu) = en zij versterkten zich | יתר (yeter) = de rest van | גיבורי (gibborei) = helden van | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | וימלא (vaymale) = en het werd vervuld | ליבם (libbam) = hun hart | קנאה (qin'ah) = afgunst | וחפצו (vekhafetsu) = en zij verlangden naar | במות (bemot) = te sterven | ויערכו (vaya'archu) = en zij stelden op | עוד (od) = opnieuw | מלחמה (milchamah) = oorlog | עם (im) = tegen | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | מלך (malakh) = koning van | כיתים (kitim) = Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:13** De strijd werd zwaar voor alle mannen van Afrika, en zij vielen allen gesneuveld voor Latinus, en ook koning Azdrubal viel in die strijd. Brontekst: ותחזק (vatechezaq) = en werd zwaar | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | על (al) = voor | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | כולם (kullam) = allen | חללים (chalalim) = gesneuvelden | לפני (lifnei) = voor | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | ויפול (vayippol) = en hij viel | גם (gam) = ook | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | המלך (hammelekh) = de koning | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Ushpezena en Anibal **74:14** Azdrubal, de koning, had een zeer mooie dochter, en haar naam was Ushpezena. Alle mannen van Afrika borduurden haar beeld op hun kleding, vanwege haar grote schoonheid en haar fraaie uiterlijk. Brontekst: ולאזדרובל (ulazdrubal) = en aan Azdrubal | המלך (hammelekh) = de koning | בת (bat) = een dochter | יפה (yafah) = mooi | מאד (me'od) = zeer | ושמה (ushmah) = en haar naam | אושפיזיונה (ushpiziyona) = Ushpezena | וירקמו (vayyirqemu) = en zij borduurden | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | אפריקה (afriqa) = Afrika | את (et) = (obj.) | צלמה (tsalmah) = haar beeld | על (al) = op | בגדיהם (bigdehem) = hun kleren | מרוב (merov) = vanwege de grootte van | יופיה (yofyah) = haar schoonheid | וטוב (vetov) = en goed | מראיה (mar'eha) = haar uiterlijk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De verzen 14–23 ontbreken in het Hebreeuws van Livorno 1870 (Ushpezena, de dochter van Azdrubal, wordt de vrouw van Latinus; Anibal wordt koning van Afrika en voert oorlog in Kittim). Zij zijn vertaald uit de Jeruzalemse druk van Sefer haYashar (uitg. Ezra Batzri, deel Sjemot, blz. 236), waar ze wel staan. **74:15** De mannen van Latinus zagen Ushpezena, de dochter van Azdrubal, en prezen haar bij Latinus, hun koning. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | אנשי (anshei) = mannen van | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | את (et) = (obj.) | אושפיזיונה (ushpiziyona) = Ushpezena | בת (bat) = dochter van | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | ויהללו (vaye'halelu) = en zij prezen | אותה (otah) = haar | אל (el) = tot | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | מלכם (malkam) = hun koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:16** Latinus gaf bevel en zij brachten haar tot hem; Latinus nam Ushpezena tot vrouw, keerde om en ging terug op zijn weg naar Kittim. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | ויביאוה (vayyevi'uha) = en zij brachten haar | אליו (elav) = naar hem | ויקח (vayikkach) = en hij nam | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | את (et) = (obj.) | אושפיזיונה (ushpiziyona) = Ushpezena | לאשה (le'ishah) = tot een vrouw | ויפן (vayyifen) = en hij keerde om | וישב (vayyashev) = en hij ging terug | אל (el) = tot | דרכו (darko) = zijn weg | כתימה (kitima) = naar Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:17** Na de dood van Azdrubal, de zoon van Angeas, toen Latinus uit de oorlog naar zijn land terugkeerde, stonden alle bewoners van Afrika op. Zij namen Anibal, de zoon van Angeas, de broer van Azdrubal, die jonger was dan hij, en maakten hem koning in de plaats van zijn broer over heel het land Afrika. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | בן (ben) = zoon van | אנגיאס (angias) = Angeas | בשוב (beshuv) = bij het terugkeren | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | אל (el) = tot | ארצו (artso) = zijn land | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (obj.) | אניבל (anibal) = Anibal | בן (ben) = zoon van | אנגיאס (angias) = Angeas | אחי (echi) = de broer van | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | הקטן (haqqaton) = de jongere | ממנו (mimmennu) = dan hij | וימליכו (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | אותו (oto) = hem | תחת (tachat) = in de plaats van | אחיו (achiv) = zijn broer | על (al) = over | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | אפריקה (afriqa) = Afrika Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:18** Toen hij koning was, overlegde hij om naar Kittim te gaan om tegen de zonen van Kittim te strijden, ter wraak voor Azdrubal, zijn broer, en ter wraak voor de bewoners van Afrika; en hij deed zo. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | במלכו (bemalko) = toen hij koning werd | ויתיעץ (vayyit'ats) = en hij overlegde | ללכת (lalekhet) = om te gaan | כתימה (kitima) = naar Kittim | להלחם (lehilachem) = om te strijden | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | לנקום (linqom) = om te wreken | את (et) = (obj.) | נקמת (niqmat) = de wraak voor | אזדרובל (azdrubal) = Azdrubal | אחיו (achiv) = zijn broer | ואת (ve'et) = en (obj.) | נקמת (niqmat) = de wraak voor | יושבי (yoshvei) = bewoners van | אפריקה (afriqa) = Afrika | ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:19** Hij maakte vele schepen, kwam daarmee met heel zijn leger en ging naar Kittim. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij maakte | אניות (oniyyot) = schepen | הרבה (harbeh) = zeer veel | ויבא (vayavo) = en hij kwam | בהם (bahem) = daarmee | עם (im) = met | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | וילך (vayelekh) = en hij ging | כתימה (kitima) = naar Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:20** Anibal streed tegen de zonen van Kittim; de zonen van Kittim vielen gesneuveld voor Anibal en zijn leger, en Anibal nam wraak voor zijn broer. Brontekst: וילחם (vayillachem) = en hij streed | אניבל (anibal) = Anibal | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | בני (bnei) = zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | חללים (chalalim) = gesneuveld | לפני (lifnei) = voor | אניבל (anibal) = Anibal | וחילו (vechelo) = en zijn leger | וינקם (vayyinqom) = en hij nam wraak | אניבל (anibal) = Anibal | את (et) = (obj.) | נקמת (niqmat) = de wraak voor | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:21** Anibal streed achttien oorlogen tegen de zonen van Kittim, en Anibal bleef in het land Kittim en legerde zich daar lange tijd. Brontekst: וילחם (vayillachem) = en hij streed | אניבל (anibal) = Anibal | עם (im) = tegen | בני (bnei) = zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | שמנה (shemoneh) = acht | עשרה (esreh) = tien | מלחמות (milchamot) = oorlogen | וישב (vayyashev) = en hij bleef | אניבל (anibal) = Anibal | בארץ (ba'arets) = in het land | כתים (Kittim) = de Kittim | ויחן (vayichan) = en hij sloeg zijn kamp op | עליה (aleha) = erin | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: שמנה עשרה מלחמות (‘achttien oorlogen’) staat er; Noah’s Engelse vertaling heeft ‘achttien jaar’. **74:22** Anibal sloeg de zonen van Kittim met een zeer zware slag; hij doodde hun groten en hun vorsten, en van de rest van het volk sloeg hij ongeveer tachtigduizend man. Brontekst: ויכה (vayyakh) = en hij sloeg | אניבל (anibal) = Anibal | מבני (mibbnei) = onder de zonen van | כתים (Kittim) = de Kittim | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | מאד (me'od) = zeer | ויהרוג (veyahrog) = en hij doodde | את (et) = (obj.) | גדוליהם (gedolehem) = hun groten | ואת (ve'et) = en (obj.) | שריהם (sareihem) = hun vorsten | ומיתר (umiyyeter) = en van de rest van | העם (ha'am) = het volk | הכה (hikkah) = sloeg hij | כשמונים (keshemonim) = ongeveer tachtig | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **74:23** Na vele dagen en jaren keerde Anibal terug naar zijn land Afrika en regeerde in veiligheid in Afrika, in de plaats van zijn broer. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ושנים (ushanim) = en jaren | ויפן (vayyifen) = en hij keerde om | וישב (vayyashev) = en hij keerde terug | אניבל (anibal) = Anibal | אל (el) = tot | ארצו (artso) = zijn land | אפריקה (afriqa) = Afrika | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | לבטח (lavetach) = in veiligheid | באפריקה (be'afriqa) = in Afrika | תחת (tachat) = in de plaats van | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 75 _De mislukte uittocht van Efraïm_ ### De uittocht van Efraïms zonen **75:1** In die tijd, in het honderdtachtigste jaar sinds Israël naar Egypte was afgedaald, trokken dertigduizend dappere mannen, voetvolk, uit de zonen van Israël uit Egypte. Zij waren allen van de stam van Jozef, uit de zonen van Efraïm, de zoon van Jozef. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar | מאה (me'ah) = honderd | ושמונים (ushmonim) = en tachtig | שנה (shanah) = jaar | לרדת (laredet) = sinds het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | אנשים (anashim) = mannen | גבורי (gibbore) = helden van | חיל (chayil) = kracht | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | שלשים (sheloshim) = dertig | אלף (elef) = duizend | רגלי (ragli) = voetvolk | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כלם (kullam) = allen | משבט (mishevet) = uit de stam van | יוסף (Yosef) = Jozef | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | בן (ben) = zoon van | יוסף (Yosef) = Jozef Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: De verzen 1–5 ontbreken in het Hebreeuws van Livorno 1870, dat bij Noah’s vers 6 begint. Zij zijn vertaald uit de Jeruzalemse druk van Sefer haYashar (uitg. Ezra Batzri, deel Sjemot, blz. 236), waar ze wel staan. **75:2** Want zij zeiden dat het einde gekomen was dat Yahweh sinds oude tijden voor de zonen van Israël had vastgesteld, zoals Hij tot Abraham had gesproken. Brontekst: כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | כי (ki) = dat | תם (tam) = is volbracht | הקץ (haqets) = het einde | אשר (asher) = die | חקק (chaqaq) = had vastgesteld | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מימי (miyyemei) = sinds de dagen van | קדם (qedem) = oude tijden | אשר (asher) = zoals | דבר (davar) = had gesproken | אל (el) = tot | אברהם (avraham) = Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 15:13–16 (de aan Abraham bestemde tijd van de uittocht). Zie ook: Gen 15:13–16 **75:3** Die mannen omgordden zich, ieder legde zijn zwaard op zijn heup en ieder zijn oorlogstuig op zich; zij vertrouwden op hun kracht en trokken samen met sterke hand uit Egypte. Brontekst: ויתאזרו (vayit'azzeru) = en zij omgordden zich | האנשים (ha'anashim) = de mannen | האלה (ha'elleh) = deze | וישימו (vayasimu) = en zij legden | איש (ish) = ieder | חרבו (charvu) = zijn zwaard | על (al) = op | ירכו (yerekho) = zijn heup | ואיש (ve'ish) = en ieder | כלי (keli) = wapens van | מלחמתהו (milchamtehu) = zijn oorlogstuig | עליו (alav) = op zich | ויבטחו (vayivtechu) = en zij vertrouwden | בגבורתם (bigvuratam) = met hun kracht | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | יחד (yachad) = samen | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ביד (beyad) = met een hand van | חזקה (chazaqah) = sterke Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **75:4** Zij namen geen reisvoorraad mee, alleen zilver en goud; zelfs brood om die dag te eten namen zij niet mee, want zij zeiden: „Wij nemen ons voedsel van de Filistijnen, en zo niet, dan nemen wij het met geweld van hen.” Brontekst: ולא (velo) = en niet | הוציאו (hotsi'u) = zij brachten mee | אתם (ittam) = met zich | צדה (tsedah) = reisvoorraad | לדרך (laderekh) = voor de weg | רק (raq) = alleen | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | וגם (vegam) = en ook | לחם (lechem) = brood | לאכול (le'ekhol) = om te eten | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | לא (lo) = niet | הוציאו (hotsi'u) = zij brachten mee | בידם (beyadam) = in hun hand | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (obj.) | מחיתם (michyatam) = hun levensonderhoud | מפלשתים (mipelishtim) = van de Filistijnen | ואם (ve'im) = en als | לא (lo) = niet | ולקחו (velaqchu) = en nemen | מאתם (me'ittam) = van hen | בחזקה (bechazaqah) = met geweld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:5** Die mannen waren zeer dappere helden: één achtervolgde duizend en twee deden tienduizend vluchten. Zij vertrouwden op hun kracht en gingen samen zoals zij waren. Brontekst: והאנשים (veha'anashim) = en de mannen | ההם (hahem) = die | גבורי (gibbore) = helden van | חיל (chayil) = kracht | מאד (me'od) = zeer | אחד (echad) = één | ירדוף (yirdof) = zou achtervolgen | אלף (elef) = duizend | ושנים (ushanim) = en twee | יניסו (yanisu) = doen vluchten | רבבה (revavah) = tienduizend | ויבטחו (vayivtechu) = en zij vertrouwden | בגבורתם (bigvuratam) = met hun kracht | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | יחד (yachad) = samen | כאשר (ka'asher) = zoals | המה (hemmah) = zij waren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De herders van Gat **75:6** Zij richtten hun weg naar het land Gat, en zij daalden af en vonden de herders van Gat die het vee van de zonen van Gat weidden. Brontekst: וישימו (vayasimu) = en zij richtten | פניהם (penehem) = hun gezichten | ארץ (erets) = het land | גת (gat) = Gat | וירדו (vayerdu) = en zij daalden af | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | רועי (ro'ei) = de herders van | גת (gat) = Gat | רועים (ro'im) = weidend | את (et) = (obj.) | מקנה (miqneh) = vee | בני (bnei) = zonen van | גת (gat) = Gat Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:7** Zij zeiden tot de herders: „Geef ons van de schapen voor een prijs om te eten, want wij zijn hongerig, want wij hebben vandaag geen brood gegeten.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אל (el) = tot | הרועים (haro'im) = de herders | תנו (tenu) = geef | לנו (lanu) = voor ons | מהצאן (mehatson) = van de schapen | במחיר (bimchir) = voor een prijs | לאכול (le'ekhol) = om te eten | כי (ki) = want | רעבים (re'evim) = hongerig | אנחנו (anachnu) = wij | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | אכלנו (akhalnu) = wij hebben gegeten | לחם (lechem) = brood | היום (hayyom) = vandaag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:8** De herders zeiden: „Is het ons kleinvee of ons vee, dat wij het jullie zelfs voor een prijs zouden geven?” Toen kwamen de zonen van Efraïm naderbij om ze met geweld te nemen. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | הרועים (haro'im) = de herders | הצאננו (hatsonenu) = is het ons kleinvee | הם (hem) = het | אם (em) = of | מקננו (miqnenu) = ons vee | כי (ki) = dat | ניתן (nitten) = wij zouden geven | לכם (lakhem) = aan jullie | אף (af) = zelfs | במחיר (bimchir) = voor een prijs | ויגשו (vayiggeshu) = en zij kwamen naderbij | בני (bnei) = zonen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | לקחתם (lekachtem) = om hen te nemen | בחזקה (bechazaqah) = met geweld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:9** De herders van Gat schreeuwden tegen hen, en hun geschreeuw werd van ver gehoord, en alle zonen van Gat gingen naar hen toe. Brontekst: ויצעקו (vayits'aqu) = en schreeuwden | רועי (ro'ei) = de herders van | גת (gat) = Gat | עליהם (aleihem) = tegen hen | ותשמע (vattishma) = en werd gehoord | צעקתם (tse'aqatam) = hun geschreeuw | למרחוק (lemerachoq) = van ver | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | גת (gat) = Gat | אליהם (aleihem) = tot hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:10** Toen de zonen van Gat de boosheid van de zonen van Efraïm zagen, keerden zij terug en riepen alle mannen van Gat bijeen, en ieder omgordde zijn wapens, en zij trokken uit naar de zonen van Efraïm ten strijde. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | בני (bnei) = zonen van | גת (gat) = Gat | את (et) = (obj.) | רעת (ra'at) = de boosheid van | בני (bnei) = zonen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | ויזעיקו (vayaz'iqu) = en zij riepen bijeen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | גת (gat) = Gat | ויחגרו (vayachgeru) = en zij omgordden zich met | איש (ish) = een man | כלי (keli) = de wapens van | מלחמתו (milchamto) = zijn strijd | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:11** Zij voerden strijd tegen hen in het dal van Gat, en de strijd was zwaar, en zij sloegen op die dag velen van elkaar. Brontekst: ויערכו (vaya'archu) = en zij stelden op | איתם (ittam) = tegen hen | מלחמה (milchamah) = oorlog | בבקעת (beviqat) = in het dal van | גת (gat) = Gat | ותהי (vatehi) = en was | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | חזקה (chazaqah) = zwaar | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | אלה (elleh) = dezen | מאלה (me'elleh) = van gene | רבים (rabbim) = vele | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Gat roept de Filistijnen **75:12** Op de tweede dag stuurden de zonen van Gat naar alle steden van de Filistijnen, dat zij hun te hulp zouden komen, met de woorden: Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השני (hasheni) = de tweede | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | בני (bnei) = zonen van | גת (gat) = Gat | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | ערי ('eri) = steden van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | לבוא (lavo) = te komen | אליהם (aleihem) = tot hen | לעזרה (le'ezrah) = om hulp | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:13** „Kom naar ons op en help ons, en laten wij de zonen van Efraïm slaan, die uit Egypte zijn getrokken om ons vee te nemen en zonder reden tegen ons te strijden.” Brontekst: עלו (alu) = kom op | אלינו (elenu) = naar ons | ועזרונו (ve'azruno) = en help ons | ונכה (venakkeh) = en laten wij slaan | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | אשר (asher) = die | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (obj.) | מקננו (miqnenu) = ons vee | ולהילחם (ulehillakhem) = en te strijden | איתנו (ittanu) = tegen ons | חינם (chinnam) = zonder reden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **75:14** De zonen van Efraïm waren uitgeput van honger en dorst, want zij hadden drie dagen geen brood gegeten. En uit alle steden van de Filistijnen trokken ongeveer veertigduizend man uit, de mannen van Gat te hulp. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | עייפה (ayefah) = was uitgeput | נפשם (nafsham) = hun ziel | ברעב (bara'av) = van honger | ובצמא (uvetsama) = en van dorst | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | אכלו (akhlu) = hebben gegeten | לחם (lechem) = brood | שלושה (shelosha) = drie | ימים (yamim) = dagen | ויצאו (vayyetse'u) = en zij trokken uit | מכל (mikkol) = van elke | ערי ('eri) = steden van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen | לעזרת (le'ezrat) = ter hulp van | אנשי (anshei) = mannen van | גת (gat) = Gat | כארבעים (ke'arba'im) = ongeveer veertig | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:15** Deze mannen voerden strijd tegen de zonen van Efraïm, en Yahweh gaf de zonen van Efraïm in de hand van de Filistijnen. Brontekst: ויערכו (vaya'archu) = en zij leverden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | האלה (ha'elleh) = deze | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | מלחמה (milchamah) = oorlog | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (obj.) | בני (bnei) = zonen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | ביד (beyad) = in de hand van | פלשתים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:16** Zij versloegen alle zonen van Efraïm, allen die uit Egypte waren getrokken; zij lieten geen overlevende over, behalve tien man die uit de slagorde waren gevlucht. Brontekst: ויכו (vayakku) = en zij sloegen | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | יצאו (yatse'u) = zij gingen uit | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | לא (lo) = niet | השאירו (hish'iru) = zij lieten over | שריד (sarid) = overlevende | כי (ki) = behalve | אם (em) = behalve | עשרה (esreh) = tien | אנשים (anashim) = mannen | אשר (asher) = die | ברחו (barchu) = vluchtten | ממערכת (mima'arechet) = uit de slagorde van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Yahweh geeft hen prijs **75:17** Want dit kwaad kwam van Yahweh over de zonen van Efraïm, omdat zij weerspannig waren tegen de mond van Yahweh door uit Egypte te trekken voordat de bestemde tijd gekomen was die Yahweh vanaf de dagen van weleer voor Israël had vastgesteld. Brontekst: כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הייתה (hayetah) = was | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | אל (el) = over | בני (bnei) = zonen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | כי (ki) = want | מרו (maru) = zij waren weerspannig tegen | את (et) = (obj.) | פי (pi) = de mond van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לצאת (latset) = door uit te gaan | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | טרם (terem) = voordat | בא (ba) = gekomen was | הקץ (haqets) = de bestemde tijd | אשר (asher) = die | חק (khaq) = had vastgesteld | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = voor | ישראל (yisra'el) = Israël | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | קדם (qedem) = weleer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 15:13–16 (de bestemde tijd van de uittocht) en 1 Kron. 7:20–23 (de zonen van Efraïm gedood door de mannen van Gat; Efraïm rouwde). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הקץ (haqqets), ‘de bestemde tijd’: letterlijk ‘het einde’. Zie ook: Gen 15:13–16; 1 Kron 7:20–23 **75:18** Ook van de Filistijnen vielen er zeer velen, ongeveer twintigduizend man, en hun broers droegen hen weg en begroeven hen in hun steden. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | מפלשתים (mipelishtim) = van de Filistijnen | נפלו (naflu) = vielen | הרבה (harbeh) = zeer velen | כעשרים (ke'esrim) = ongeveer twintig | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = een man | וישאום (vayis'um) = en droegen hen weg | אחים (achim) = hun broers | ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | אותם (otam) = hen | בעריהם (be'areihem) = in hun steden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:19** De gesneuvelden van de zonen van Efraïm bleven verlaten achter in het dal van Gat, vele dagen en jaren, en werden niet begraven, en het hele dal was vol beenderen van mensen. Brontekst: וישארו (vayisha'aru) = en bleven achter | חללים (chalalim) = gesneuvelden | בני (bnei) = zonen van | אפרים (efrayim) = Efraïm | נטושים (netushim) = verlaten | בבקעת (beviqat) = in het dal van | גת (gat) = Gat | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ושנים (ushanim) = en jaren | ולא (velo) = en niet | ניתנו (nittenu) = werden gegeven | לקבורה (liqvurah) = ter begrafenis | ותהי (vatehi) = en werd | כל (kol) = alle | הבקעה (habiqah) = het dal | מלאה (meleah) = vol | עצמות (atsamot) = beenderen van | אנשים (anashim) = mensen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:20** De mannen die uit de strijd waren ontkomen, kwamen naar Egypte en vertelden de zonen van Israël alles wat hun was overkomen. Brontekst: והאנשים (veha'anashim) = en de mannen | אשר (asher) = die | נמלטו (nimletu) = ontkwamen | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | באו (ba'u) = kwamen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויגידו (vayaggidu) = en zij vertelden | אל (el) = aan | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (obj.) | כל (kol) = alle | הקורות (haqqorot) = wat er gebeurd was | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Efraïm rouwt; Beria geboren **75:21** Efraïm, hun vader, rouwde vele dagen over hen, en zijn broers kwamen om hem te troosten. Brontekst: ויתאבל (vayit'abbel) = en rouwde | אפרים (efrayim) = Efraïm | אביהם (avihem) = hun vader | עליהם (aleihem) = over hen | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ויבאו (vayavo'u) = en zij kwamen | אחיו (achiv) = zijn broers | לנחמו (lenachamo) = om hem te troosten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **75:22** Hij ging in tot zijn vrouw, en zij beviel van een zoon, en hij noemde zijn naam Beria, want het onheil was in zijn huis. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij ging in | אל (el) = tot | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en noemde | את (et) = (obj.) | שמו (shemo) = zijn naam | בריעה (beri'a) = Beria | כי (ki) = want | ברעה (bara'ah) = in onheil | הייתה (hayetah) = was | בביתו (beveyto) = in zijn huis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie 1 Kron. 7:23 (‘hij noemde zijn naam Beria, want het onheil was in zijn huis’). Beria klinkt als בְּרָעָה, ‘met onheil’. Zie ook: 1 Kron 7:23 ## Jasher 76 _Mozes in Midian; de dood van de farao_ ### Adonia keert zich tegen Mozes **76:1** Mozes, de zoon van Amram, was in die dagen nog koning in het land Kush, en hij was voorspoedig in zijn koninkrijk, en hij leidde het hele koningschap van de zonen van Kush in recht, in gerechtigheid en in oprechtheid. Brontekst: ומשה (umosheh) = en Mozes | בן (ben) = zoon van | עמרם (amram) = Amram | עודנו (odenu) = nog | מלך (malakh) = koning | בארץ (ba'arets) = in het land | כוש (Kush) = Kush | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויצליח (vayatslich) = en was voorspoedig | במלכותו (bemalkhuto) = in zijn koninkrijk | וינהג (vayinhag) = en leidde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מלכות (malkhut) = koningschap | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | במשפט (bamishpat) = in recht | בצדק (betsedeq) = in gerechtigheid | ובתמים (uvetamim) = en in oprechtheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:2** Alle zonen van Kush hielden van Mozes al de dagen van zijn koningschap over hen, en alle bewoners van het land Kush vreesden hem met grote vrees. Brontekst: ויאהבו (vaye'ehavu) = en zij hielden van | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | מלכו (malkho) = zijn regeren | עליהם (aleihem) = over hen | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | כל (kol) = alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ארץ (erets) = land van | כוש (Kush) = Kush | מלפניו (millefanav) = voor hem | יראה (yir'ah) = vrees | גדולה (gedolah) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:3** In het veertigste jaar dat Mozes over Kush regeerde, zat Mozes op de troon van het koningschap, en Adonia, de koningin, was voor hem, en alle vorsten zaten rondom hem. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | הארבעים (ha'arba'im) = de veertigste | למלוך (limloch) = te regeren | משה (moshe) = Mozes | על (al) = over | כוש (Kush) = Kush | ומשה (umosheh) = en Mozes | יושב (yoshev) = zittend | על (al) = op | כיסא (kisse) = de troon van | המלוכה (hammelukhah) = het koningschap | ואדוניה (ve'adoniyah) = en Adonia | המלכה (hammalkah) = de koningin | לפניו (lefanav) = voor hem | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | יושבים (yoshvim) = zaten | סביבותיו (sevivotav) = rondom hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:4** Adonia, de koningin, zei in het bijzijn van de koning en de vorsten: „Wat is dit wat jullie, alle zonen van Kush, al vele dagen hebben gedaan? Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | אדניה (adoniyah) = Adonia | המלכה (hammalkah) = de koningin | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | והשרים (vehassarim) = en de vorsten | מה (mah) = wat | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | זה (ze) = al | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:5** Jullie weten toch dat deze man, nu veertig jaar dat hij over Kush regeert, mij niet genaderd is en de goden van de zonen van Kush niet gediend heeft. Brontekst: הלא (halo) = immers | ידעתם (yeda'tem) = jullie weten | כי (ki) = dat | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar | אשר (asher) = dat | מלך (malakh) = regeert | זה (ze) = deze | על (al) = over | כוש (Kush) = Kush | אליי (elai) = tot mij | לא (lo) = niet | קרב (qerav) = is genaderd | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אלוקי (elohei) = de goden van | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | לא (lo) = niet | עבד (eved) = gediend Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:6** En nu, hoort toch, zonen van Kush: laat deze niet langer over jullie regeren, want hij is niet van jullie vlees. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | שמעו (shame'u) = hoort | נא (na) = toch | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | ולא (velo) = en laat niet | ימלוך (yimlokh) = regeren | עליכם (aleikhem) = over jullie | עוד (od) = langer | זה (ze) = deze | אשר (asher) = die | איננו (enenu) = niet is | מבשרכם (mibsarkhem) = van jullie vlees Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:7** Zie, Menakros, mijn zoon, is opgegroeid; laat hij over jullie regeren, want het is goed voor jullie de zoon van jullie heer te dienen, liever dan een vreemde man te dienen, de slaaf van de koning van Egypte.” Brontekst: הנה (hinneh) = zie | מנכרוס (menakhros) = Menakros | בני (bnei) = mijn zoon | גדל (gadal) = is opgegroeid | והוא (vehu) = en hij | ימלוך (yimlokh) = zal regeren | עליכם (aleikhem) = over jullie | כי (ki) = want | טוב (tov) = goed | לכם (lakhem) = voor jullie | לעבוד (la'avod) = te dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בן (ben) = zoon van | אדוניכם (adonekhem) = jullie heer | מעבוד (me'avod) = dan te dienen | איש (ish) = man | נוכרי (nokhri) = vreemde | עבד (eved) = slaaf van | מלך (malakh) = de koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **76:8** Heel het volk en alle vorsten van de zonen van Kush hoorden al de woorden die Adonia, de koningin, in hun oren had gesproken. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | וכל (vekhol) = en alle | השרים (hasarim) = de vorsten | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de woorden | אשר (asher) = die | דיברה (dibberah) = had gesproken | אדוניה (adoneha) = Adonia | המלכה (hammalkah) = de koningin | באוזניהם (be'oznehem) = in hun oren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:9** Heel het volk bleef gereed tot de avond, en zij stonden ’s ochtends vroeg op en maakten Menakros, de zoon van Kikanos, de koning van Kush, tot koning over zich. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | נכון (nakhon) = gereed | עד (ad) = tot | הערב (ha'erev) = de avond | וישכימו (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | וימליכו (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | עליהם (aleihem) = over hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מנכרוס (menakhros) = Menakros | בן (ben) = zoon van | קיקנוס (qiqanus) = Kikanos | מלך (malakh) = koning van | כוש (Kush) = Kush Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:10** Alle zonen van Kush vreesden hun hand tegen Mozes uit te steken, want Yahweh was met Mozes, en de zonen van Kush herinnerden zich de eed die zij aan Mozes hadden gezworen; daarom deden zij hem geen kwaad, Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | משלוח (mishlo'akh) = uit te steken | ידם (yadam) = hun hand | במשה (bemosheh) = tegen Mozes | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עם (im) = met | משה (moshe) = Mozes | וכי (vekhi) = en dat | זכרו (zakhru) = zij herinnerden zich | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | את (et) = (lijdend voorwerp) | השבועה (hashshevu'ah) = de eed | אשר (asher) = die | נשבעו (nishbe'u) = zwoeren | למשה (lemisneh) = aan Mozes | על (al) = daarom | כן (ken) = — | לא (lo) = niet | הרעו (hera'u) = deden kwaad | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:11** maar alle zonen van Kush gaven Mozes veel geschenken en zonden hem met grote eer van zich weg. Brontekst: אך (akh) = maar | נתנו (netano) = gaven | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | מתנות (mattanot) = geschenken | רבות (rabbot) = vele | אל (el) = aan | משה (moshe) = Mozes | וישלחוהו (vayeshalechuhu) = en zij zonden hem weg | מאיתם (me'itam) = van zich | בכבוד (bikhvod) = met eer | גדול (gadol) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Mozes verlaat Kush **76:12** Mozes ging weg uit het land Kush en ging zijn weg, en hij hield op over Kush te regeren. Mozes was zevenenzestig jaar oud toen hij uit het land Kush wegging; want de zaak was van Yahweh: de bestemde tijd was gekomen die vanaf de dagen van weleer was vastgesteld, om Israël te laten uittrekken uit de ellende van de zonen van Cham. Brontekst: ויצא (vayetse) = en hij ging weg | משה (moshe) = Mozes | מארץ (me'erets) = uit het land | כוש (Kush) = Kush | וילך (vayelekh) = en hij ging | לדרכו (ledarko) = zijn weg | ויחדל (vayachdal) = en hij hield op | ממלוך (mimlokh) = van het regeren | על (al) = over | כוש (Kush) = Kush | ומשה (umosheh) = en Mozes | בן (ben) = zoon van | שבע (sheva) = zeven | שנים (shanim) = — | ושישים (veshishim) = en zestig | שנה (shanah) = jaar | בצאתו (betseto) = toen hij wegging | מארץ (me'erets) = uit het land | כוש (Kush) = Kush | כי (ki) = want | מיהוה (meYahweh) = van Yahweh | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak | כי (ki) = want | בא (ba) = was gekomen | הקץ (haqets) = de bestemde tijd | אשר (asher) = die | מימי (miyyemei) = vanaf de dagen van | קדם (qedem) = weleer | להוציא (lehotsi) = te laten uittrekken | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | מעוני (me'oni) = uit de ellende van | בני (bnei) = zonen van | חם (Cham) = Cham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft zevenenzestig jaar (zevenentwintig plus veertig); de Engelse vertaling heeft zesenzestig. **76:13** Mozes ging naar Midian, want hij vreesde naar Egypte terug te keren vanwege de farao, en hij ging en zette zich neer bij de put in Midian. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | משה (moshe) = Mozes | מדינה (medinah) = naar Midian | כי (ki) = want | ירא (yere) = vreesde | לשוב (lashuv) = terug te keren | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | מפני (mippenei) = vanwege | פרעה (par'oh) = Farao | וילך (vayelekh) = en hij ging | וישב (vayyashev) = en zette zich neer | על (al) = bij | באר (be'er) = de put van | המים (hammayim) = het water | במדין (bemidyan) = in Midian Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: De tekst heeft מדינה; gelezen is מדין (‘Midian’), zie ook de plaatsnaam in vers 16. ### De zeven dochters van Reüel **76:14** De zeven dochters van Reüel, de Midianiet, gingen uit om het kleinvee van hun vader te weiden. Brontekst: ותצאנה (vatetseynah) = en zij gingen uit | שבע (sheva) = zeven | בנות (banot) = dochters | רעואל (Re'u'el) = Reüel | המדיני (hamidyani) = de Midianiet | לרעות (lir'ot) = om te weiden | צאן (tson) = het kleinvee van | אביהן (avihen) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:15** Zij kwamen bij de put en putten water om het kleinvee van hun vader te drenken. Brontekst: ותבואנה (vetavo'nah) = en zij kwamen | אל (el) = tot | הבאר (habbe'er) = de put | ותדלנה (vatidlenah) = en zij putten | מים (mayim) = water | להשקות (lehashqot) = te drenken | צאן (tson) = het kleinvee van | אביהן (avihen) = hun vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:16** De herders van Midian kwamen en joegen hen weg; maar Mozes stond op en hielp hen en gaf het kleinvee te drinken. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | רועי (ro'ei) = de herders van | מדין (Midyan) = Midian | ויגרשום (vayegarshum) = en joegen hen weg | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | משה (moshe) = Mozes | ויושיען (vayoshi'an) = en hij hielp hen | וישקה (vayashqe) = en hij gaf te drinken | את (et) = (lijdend voorwerp) | הצאן (hatson) = het kleinvee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:17** Zij kwamen bij Reüel, hun vader, en vertelden hem wat Mozes voor hen had gedaan. Brontekst: ותבואנה (vetavo'nah) = en zij kwamen | אל (el) = tot | רעואל (Re'u'el) = Reüel | אביהן (avihen) = hun vader | ותגדנה (vataggidnah) = en zij vertelden | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = had gedaan | להן (lahen) = voor hen | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:18** Zij zeiden: „Een Egyptische man heeft ons gered uit de hand van de herders, en hij schepte ook water voor ons en gaf het kleinvee te drinken.” Brontekst: ותאמרנה (vate'marna) = en zij zeiden | איש (ish) = man | מצרי (mitsri) = Egyptische | הצילנו (hitsilanu) = heeft ons gered | מיד (miyyad) = uit de hand van | הרועים (haro'im) = de herders | וגם (vegam) = en ook | דלה (dalla) = schepte | דלה (dalla) = — | לנו (lanu) = voor ons | וישקה (vayashqe) = en hij gaf te drinken | את (et) = (lijdend voorwerp) | הצאן (hatson) = het kleinvee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:19** Reüel zei tot zijn dochters: „En waar is hij? Waarom hebben jullie de man achtergelaten?” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | רעואל (Re'u'el) = Reüel | אל (el) = tot | בנותיו (benotav) = zijn dochters | ואיו (ve'ayo) = en waar is hij | למה (lammah) = waarom | זה (ze) = toch | עזבתן (azavten) = hebben jullie achtergelaten | את (et) = (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:20** Reüel zond en liet hem halen en bracht hem met zich mee naar huis, en hij at brood met hem. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | רעואל (Re'u'el) = Reüel | ויקחהו (vayiqqachehu) = en nam hem | ויביאהו (vayevi'ehu) = en hij bracht hem | עמו (immo) = met zich | הביתה (habbaytah) = naar huis | ויאכל (vayyokhal) = en hij at | עמו (immo) = met hem | לחם (lechem) = brood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:21** Mozes vertelde Reüel dat hij uit Egypte was gevlucht en dat hij veertig jaar over Kush had geregeerd; en daarna hadden zij het koninkrijk uit zijn hand genomen en hem in vrede met eer en met geschenken weggezonden. Brontekst: ויספר (vayesaper) = en hij vertelde | משה (moshe) = Mozes | לרעואל (lere'u'el) = aan Reüel | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = dat | ברח (barach) = vluchtte | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = dat | מלך (malakh) = regeerde | על (al) = over | כוש (Kush) = Kush | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = — | לקחו (laqchu) = hadden genomen | הממלכה (hamamlakhah) = het koninkrijk | מידו (miyyado) = uit zijn hand | וישלחוהו (vayeshalechuhu) = en zij zonden hem weg | לשלום (leshalom) = in vrede | בכבוד (bikhvod) = met eer | ובמתנות (uvematanot) = en met geschenken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Mozes in de gevangenis **76:22** Toen Reüel de woorden van Mozes hoorde, zei Reüel in zijn hart: „Ik zal deze man in de gevangenis zetten en daarmee de zonen van Kush gunstig stemmen, want hij is voor hen gevlucht.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | רעואל (Re'u'el) = Reüel | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | משה (moshe) = Mozes | ויאמר (vayomer) = en hij zei | רעואל (Re'u'el) = Reüel | בליבו (belibbo) = in zijn hart | אתנה (ettenah) = ik zal zetten | את (et) = (lijdend voorwerp) | זה (ze) = deze | אל (el) = in | בית (bet) = het huis van | הכלא (hakele) = de kerker | וארצה (ve'artseh) = en ik zal gunstig stemmen | בו (bo) = daarmee | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | כוש (Kush) = Kush | כי (ki) = want | נוס (nos) = — | נס (nas) = vluchtte | הוא (hu) = hij | מפניהם (mippneihem) = van hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:23** Hij nam hem en zette hem in het gevangenhuis, en Mozes was tien jaar in de gevangenis. Terwijl Mozes in de gevangenis was, had Sippora, de dochter van Reüel, medelijden met hem en onderhield hem al die dagen met brood en water. Brontekst: ויקחהו (vayiqqachehu) = en nam hem | ויתנהו (vayittenehu) = en zette hem | אל (el) = in | בית (bet) = het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | ויהי (vayehi) = en was | משה (moshe) = Mozes | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | ויהי (vayehi) = en was | בהיות (bihyot) = toen hij was | משה (moshe) = Mozes | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | ותחמול (vatachmol) = en zij had medelijden | עליו (alav) = met hem | ציפורה (tsipporah) = Sippora | בת (bat) = dochter van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | ותכלכלהו (vatekhalkelehu) = en onderhield hem met | לחם (lechem) = brood | ומים (umayim) = en water | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:16–21 (Reüel, zijn dochters en Sippora). De gevangenschap van Mozes bij Reüel staat niet in Exodus. Zie ook: Ex 2:16–21 **76:24** Alle zonen van Israël waren nog in het land Egypte, dienend aan Egypte in allerlei zware arbeid, en de hand van Egypte werd in die dagen steeds zwaarder over de zonen van Israël. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | עודם (odam) = nog | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עובדים (ovedim) = dienend aan | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בכל (bekhol) = in heel | עבודה (avodah) = arbeid | קשה (qashah) = zwaar | ויד (vayad) = en hand | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | הולך (holekh) = steeds | וקשה (vaqasha) = zwaarder | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De plaag van de farao **76:25** In die tijd sloeg Yahweh de farao, de koning van Egypte, en plaagde hem met de plaag van melaatsheid, van de voetzool tot zijn kruin; vanwege de harde arbeid van de zonen van Israël was deze plaag van Yahweh over de farao, de koning van Egypte, in die tijd. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | הכה (hikkah) = sloeg | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וינגע (vayigga) = en plaagde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אותו (oto) = hem | בנגע (baneg'a) = met een plaag | הצרעת (hatsara'at) = de melaatsheid | מכף (mikkaf) = van de zool van | רגלו (raglo) = zijn voet | ועד (ve'ad) = en tot | קדקדו (qodqodo) = zijn kruin | מפני (mippenei) = vanwege | עבודת (avodat) = de dienst van | פרך (perekh) = harde arbeid | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | היה (hayah) = was | הנגע (hanega) = de plaag | הזה (hazzeh) = deze | לפרעה (lefar'oh) = over de farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:23 (de koning van Egypte stierf; de zonen van Israël zuchtten onder de dienst). Zie ook: Ex 2:23 **76:26** Want Yahweh had geluisterd naar het gebed van Zijn volk, de zonen van Israël, en hun geschreeuw kwam tot Hem vanwege hun harde arbeid. Brontekst: כי (ki) = want | שמע (shema) = had geluisterd | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | תפילת (tefillat) = het gebed van | עמו (immo) = Zijn volk | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ותבוא (vattavo) = en kwam | אליו (elav) = tot Hem | צעקתם (tse'aqatam) = hun geschreeuw | מפני (mippenei) = vanwege | עבודתם (avodatam) = hun arbeid | הקשה (haqasha) = de harde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:27** Toch keerde Zijn toorn niet van hen af, en de hand van de farao was nog uitgestrekt over de zonen van Israël; de farao verhardde zijn nek voor Yahweh en maakte zijn juk zwaar over alle zonen van Israël, en hij maakte hun leven bitter in allerlei zware arbeid. Brontekst: ובכל (uvkhol) = en ondanks | זאת (zot) = dit | לא (lo) = niet | שב (shav) = keerde af | אפו (appo) = Zijn toorn | מהם (mehem) = van hen | ועוד (ve'od) = en nog | יד (yad) = hand van | פרעה (par'oh) = Farao | נטויה (netuyah) = uitgestrekt | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויקשה (vayiqsheh) = en verhardde | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | ערפו (orfo) = zijn nek | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויכביד (vaykhbed) = en hij maakte zwaar | עולו (ulo) = zijn juk | על (al) = over | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וימרר (vayemarer) = en hij maakte bitter | את (et) = (lijdend voorwerp) | חייהם (chayyehem) = hun leven | בכל (bekhol) = in heel | עבודה (avodah) = arbeid | קשה (qashah) = zwaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:28** Toen Yahweh de farao, de koning van Egypte, geplaagd had, vroeg hij zijn wijzen en zijn magiërs hem te genezen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | נגע (nega) = plaagde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישאל (vayish'al) = en hij vroeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | חכמיו (chakhamav) = zijn wijzen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | חרטומיו (chartummav) = zijn magiërs | לרפאותו (lerap'oto) = om hem te genezen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **76:29** Zijn wijzen en zijn magiërs zeiden tot hem: „Als er van het bloed van kleine kinderen op die plaag gedaan wordt, dan wordt hij genezen.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = tot hem | חכמיו (chakhamav) = zijn wijzen | וחרטומיו (vekhartummav) = en zijn magiërs | כי (ki) = dat | אם (em) = indien | יותן (yuttan) = gegeven wordt | מדם (middam) = van het bloed van | ילדים (yeladim) = kinderen | קטנים (qetannim) = kleine | אל (el) = op | הנגע (hanega) = de plaag | ההוא (hahu) = die | ונרפא (venirpa) = en hij zal genezen worden | לו (lo) = voor hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:30** De farao luisterde naar hen en zond zijn hovelingen naar Gosen, naar de zonen van Israël, om hun kleine kinderen te nemen. Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | אליהם (aleihem) = naar hen | פרעה (par'oh) = Farao | וישלח (vayishlach) = en hij zond | סריסיו (saris'av) = zijn hovelingen | גושנה (goshenah) = naar Gosen | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לקחת (laqachat) = om te nemen | ילדיהם (yaldehem) = hun kinderen | הקטנים (haqetanim) = de kleine Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **76:31** De hovelingen van de farao gingen en namen de kinderen van de zonen van Israël met geweld uit de schoot van hun moeders, en brachten hen dag na dag bij de farao, één kind per dag, en de artsen slachtten hen en legden hen op de plaag; zo deden zij al de dagen. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | סריסי (sarisei) = hovelingen van | פרעה (par'oh) = Farao | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מחיק (mecheiq) = uit de schoot van | אמותם (immotam) = hun moeders | בחוזקה (bechozqah) = met kracht | ויביאום (vayeviem) = en zij brachten hen | אל (el) = bij | פרעה (par'oh) = Farao | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ילד (yalad) = één kind | ליום (leyom) = per dag | ילד (yalad) = — | ליום (leyom) = — | וישחטום (vayishkhatum) = en zij slachtten hen | הרופאים (harofim) = de artsen | ויתנו (vayittenu) = en legden | אל (el) = op | הנגע (hanega) = de plaag | ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden zij | כל (kol) = alle | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:32** Het aantal kinderen dat de farao liet slachten, was driehonderdvijfenzeventig kinderen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מספר (mispar) = aantal | הילדים (hayeladim) = de kinderen | אשר (asher) = die | שחט (shachat) = liet slachten | פרעה (par'oh) = Farao | שלוש (shalosh) = drie | מאות (me'ot) = honderd | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | וחמישה (vachamishah) = en vijf | ילדים (yeladim) = kinderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:33** Maar Yahweh luisterde niet naar de artsen van de koning van Egypte, en de plaag werd steeds sterker en zeer groot. Brontekst: ולא (velo) = en niet | שמע (shema) = luisterde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | רופאי (rof'ei) = artsen van | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הנגע (hanega) = de plaag | הולך (holekh) = steeds | וחזק (vechazaq) = sterk | ורב (verav) = en groot | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **76:34** De farao was tien jaar ziek van die plaag, en het hart van de farao werd steeds harder tegen de zonen van Israël. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | פרעה (par'oh) = Farao | בחולי (bacholi) = in ziekte | הנגע (hanega) = de plaag | ההוא (hahu) = die | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | ולב (valev) = en het hart | פרעה (par'oh) = Farao | הולך (holekh) = steeds | וקשה (vaqasha) = steeds harder | על (al) = tegen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:35** Na verloop van tien jaar voegde Yahweh voor de farao, de koning van Egypte, breuk op breuk en slag op slag toe. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | ויוסף (vayosef) = voegde toe | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לפרעה (lefar'oh) = aan Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | שבר (shever) = breuk | על (al) = op | שבר (shever) = breuk | ומכה (umakke) = en slag | על (al) = op | מכה (makkah) = een slag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **76:36** Yahweh sloeg hem met een boze zweer en een ziekte van de buik, en die plaag werd een boze zweer. Brontekst: ויכהו (vayakehu) = en hij sloeg hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בשחין (bishkhin) = met een zweer | רע (ra) = boze | וחולי (vekholi) = en ziekte van | הבטן (habeten) = de buik | ויהפך (vayyahafokh) = werd | הנגע (hanega) = de plaag | ההוא (hahu) = die | לשחין (lishkhin) = tot een zweer | רע (ra) = boze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:37** In die tijd kwamen twee hovelingen van de farao uit het land Gosen, waar de zonen van Israël waren, en zij kwamen in het huis van de farao en zeiden tot hem: „Wij hebben gezien dat de zonen van Israël verslapt zijn in hun arbeid en lui zijn geworden in het werk.” Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | באו (ba'u) = kwamen | שני (shenei) = twee | סריסי (sarisei) = hovelingen van | פרעה (par'oh) = Farao | מארץ (me'erets) = uit het land | גושן (goshen) = Gosen | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בית (bet) = het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = tot hem | ראו (ra'u) = — | ראינו (ra'inu) = wij hebben gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | רפו (rafu) = verslapt zijn | מעבודתם (me'avodatam) = van hun arbeid | ויתעצלו (vayit'atslu) = en zij werden lui | במלאכה (bamela'cha) = in het werk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **76:38** Toen de farao de woorden van zijn hovelingen hoorde, ontbrandde de toorn van de farao zeer tegen de zonen van Israël, want hij was zeer bedroefd van de pijn van zijn vlees. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | סריסיו (saris'av) = zijn hovelingen | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = toorn | פרעה (par'oh) = Farao | על (al) = tegen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | נעצב (ne'etsav) = bedroefd | מאוד (me'od) = zeer | מכאב (mikke'ev) = van de pijn van | בשרו (besaro) = zijn vlees Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:39** Hij antwoordde en zei: „Maar nu, zie: omdat de zonen van Israël weten dat ik ziek ben, keren zij zich om en bespotten ons. En nu, haast je en span mijn wagen aan, dat ik naar Gosen ga en de spot van de zonen van Israël zie, waarmee zij mij bespotten en uitlachen.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אך (akh) = maar | עתה (attah) = nu | הנה (hinneh) = zie | כאשר (ka'asher) = omdat | ידעו (yade'u) = weten | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כי (ki) = dat | חולה (chola) = ziek | אנוכי (anokhi) = ik | וישובו (vayashuvu) = en zij keren zich om | וילעגו (vayil'agu) = en zij bespotten | עלינו (aleinu) = over ons | ועתה (ve'attah) = en nu | מהרו (maharu) = haast je | ואסרו (ve'isru) = span aan | לי (li) = voor mij | המרכבה (hamerkavah) = de wagen | ואלכה (ve'elkhah) = dat ik ga | לי (li) = heen | גושנה (goshenah) = naar Gosen | ואראה (ve'er'eh) = en ik zal zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | לעג (le'ag) = spot van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = waarmee | הם (hem) = zij | מלעיבים (mal'ivim) = bespotten | ומלעיגים (umal'igim) = en uitlachen | עליי (alay) = over mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **76:40** Zijn dienaren spanden de wagen voor hem aan en namen hem en zetten hem op het paard, want hij kon niet rijden. Brontekst: ויאסרו (vaye'esru) = en zij spanden aan | לו (lo) = voor hem | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | המרכבה (hamerkavah) = de wagen | ויקחוהו (vayiqachuhu) = en zij namen hem | וירכיבו (vayarkivu) = en zetten | אותו (oto) = hem | על (al) = op | הסוס (hassus) = het paard | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יכול (yakhol) = hij kon | לרכוב (lirkhov) = te rijden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:41** Hij nam twintig ruiters en tien voetsoldaten met zich mee en ging naar de zonen van Israël, naar Gosen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | עמו (immo) = met zich | עשרים (esrim) = twintig | פרשים (parashim) = ruiters | ועשרה (va'asarah) = en tien | רגלי (ragli) = voetsoldaten | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | גושנה (goshenah) = naar Gosen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft twintig ruiters en tien voetsoldaten; de Engelse vertaling heeft tien ruiters. ### De val van de farao **76:42** Toen zij tot aan de rand van Egypte gingen, kwam het paard van de koning op een smalle en hoge plaats, op het pad van de wijngaarden, met een omheining aan de ene kant en een omheining aan de andere kant, en de diepte van het land en de laagte aan de overzijde. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בלכתם (belekhtam) = toen zij gingen | עד (ad) = tot | קצה (qetseh) = rand | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויעבור (vaya'avor) = kwam | סוס (sus) = paard | המלך (hammelekh) = de koning | במקום (bamaqom) = op de plaats | צר (tsar) = smal | וגבוה (ugavoah) = en hoog | במשעול (bemish'ol) = op het pad van | הכרמים (hakramim) = de wijngaarden | גדר (gadar) = een omheining | מזה (mizzeh) = aan de ene kant | וגדר (vegader) = en een omheining | מזה (mizzeh) = aan de andere kant | ועומק (ve'omeq) = en de diepte van | הארץ (ha'arets) = het land | והשפלה (vehashfelah) = en de laagte | מזה (mizzeh) = aan de overzijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **76:43** De paarden haastten zich en renden op die plaats en drongen tegen elkaar aan, en de paarden drongen tegen het paard van de koning aan. Brontekst: וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | וירוצו (vayarutsu) = en zij renden | הסוסים (hasusim) = de paarden | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | וידחיקו (vayadkhiqu) = en zij drongen | זה (ze) = de een | את (et) = (lijdend voorwerp) | זה (ze) = de ander | וידחיקו (vayadkhiqu) = en zij drongen | הסוסים (hasusim) = de paarden | את (et) = (lijdend voorwerp) | סוס (sus) = paard | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:44** Het paard van de koning viel in de diepte en de laagte, terwijl de koning erop zat. Bij zijn val werd de wagen over het gezicht van de koning omgekeerd en het paard ging op de koning liggen, en de koning schreeuwde, want zijn vlees had zeer veel pijn. Brontekst: ויפול (vayippol) = en hij viel | סוס (sus) = paard | המלך (hammelekh) = de koning | אל (el) = in | העומק (ha'omeq) = de diepte | והשפלה (vehashfelah) = en de laagte | והמלך (vehammelekh) = en de koning | רוכב (rokhev) = gezeten | עליו (alav) = op hem | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בנפלו (benofelo) = bij zijn val | ותהפך (vatehafekh) = en werd omgekeerd | המרכבה (hamerkavah) = de wagen | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | המלך (hammelekh) = de koning | וישב (vayyashev) = en ging liggen | הסוס (hassus) = het paard | על (al) = op | המלך (hammelekh) = de koning | ויצעק (vayits'aq) = en hij riep | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = want | נכאב (nikh'av) = had pijn | בשרו (besaro) = zijn vlees | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:45** Het vlees van de koning werd aan hem gescheurd en zijn beenderen werden gebroken, en hij kon niet meer rijden; want deze zaak was van Yahweh voor hem, omdat Yahweh het geschreeuw van Zijn volk, de zonen van Israël, en hun ellende had gehoord. Brontekst: ויקרע (vayiqra) = werd gescheurd | בשר (basar) = vlees | המלך (hammelekh) = de koning | עליו (alav) = aan hem | ותשברנה (vatishavarnah) = werden gebroken | עצמותיו (atsmotav) = zijn beenderen | ולא (velo) = en niet | יכול (yakhol) = hij kon | לרכוב (lirkhov) = te rijden | כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אליו (elav) = voor hem | כי (ki) = want | שמע (shema) = had gehoord | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | עמו (immo) = Zijn volk | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | ענים (onyam) = hun ellende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:46** Zijn dienaren droegen hem op hun schouders, beetje bij beetje, en brachten hem terug naar Egypte; ook de ruiters die bij hem waren, keerden terug naar Egypte. Brontekst: וישאוהו (vayissa'uhu) = en zij droegen hem | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | על (al) = op | שכמם (shikhmam) = hun schouder | מעט (me'at) = beetje | זה (ze) = — | ומעט (um'at) = en beetje | זה (ze) = — | וישיבו (vayashivu) = en zij brachten terug | אותו (oto) = hem | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | גם (gam) = ook | הפרשים (haparashim) = de ruiters | אשר (asher) = die | עמו (immo) = bij hem | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **76:47** Zij legden de koning op zijn bed, en de koning wist dat zijn einde was gekomen om te sterven; en Afranit, de koningin, zijn vrouw, kwam en weende voor de koning, en de koning weende een groot geween met haar. Brontekst: וישכיבו (vayashkivu) = en zij legden | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | במיטתו (bemittato) = op zijn bed | וידע (vayyeda) = en hij wist | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = dat | בא (ba) = was gekomen | קצו (qatsu) = zijn einde | למות (lamut) = te sterven | ותבוא (vattavo) = en kwam | אפרענית (afranit) = Afranit | המלכה (hammalkah) = de koningin | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ותבך (vatevk) = en weende | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויבך (vayevk) = en weende | המלך (hammelekh) = de koning | עמה (immah) = met haar | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:48** Al zijn vorsten en dienaren kwamen op die dag en zagen de koning in dat kwaad, en zij weenden een groot geween met hem. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | שריו (saraiv) = zijn vorsten | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויראו (vayiru) = en zij zagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | ברעה (bara'ah) = in het kwaad | ההיא (hahi) = die | ויבכו (vayivku) = en zij weenden | עמו (immo) = bij hem | בכי (bekhi) = geween | גדול (gadol) = grote Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Adikam wordt koning **76:49** De vorsten van de koning en al zijn raadgevers raadden de koning aan om in het land iemand in zijn plaats tot koning te maken, wie hij uit zijn zonen zou kiezen. Brontekst: ויועצו (vayoatsu) = en zij raadden | שרי (sarai) = vorsten van | המלך (hammelekh) = de koning | וכל (vekhol) = en alle | יועציו (yo'atsav) = zijn raadgevers | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | להמליך (lehamlikh) = tot koning te maken | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | בארץ (ba'arets) = in het land | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | יבחר (yivchar) = hij kiest | מבניו (mibbanav) = van zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:50** De koning had drie zonen en twee dochters, die Afranit, de koningin, zijn vrouw, hem had gebaard, behalve de zonen van de bijvrouwen die de koning had. Brontekst: ולמלך (velamelekh) = en de koning had | שלושה (shelosha) = drie | בנים (banim) = zonen | ושתי (ushtei) = en twee | בנות (banot) = dochters | אשר (asher) = die | ילדה (yaldah) = had gebaard | לו (lo) = hem | אפרענית (afranit) = Afranit | המלכה (hammalkah) = de koningin | אישתו (ishto) = zijn vrouw | מלבד (milvad) = behalve | בני (bnei) = zonen van | הפילגשים (happilagshim) = de bijvrouwen | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = bij de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:51** En dit zijn hun namen: de eerstgeborene Atri en de tweede Adikam en de derde Morion; en hun zusters: de naam van de oudste was Bitja en van de jongste Achuzit. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמותם (shemotam) = hun namen | הבכור (habbekhor) = de eerstgeborene | עתרי (atri) = Atri | ומשנהו (umishnehu) = en de tweede | אדיקם (adiqam) = Adikam | והשלישי (vehashlishi) = en de derde | מוריון (moryon) = Morion | ואחיותיהם (va'achyotehem) = en hun zusters | שם (shem) = de naam van | הגדולה (haggedolah) = de oudste | בתיה (bityah) = Bitja | והקטנה (vehaqetanah) = en de jongste | עכוזית (akhuzit) = Achuzit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:52** Atri, de eerstgeborene van de koning, was een dwaas man, verward en overhaast in al zijn woorden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | עתרי (atri) = Atri | בכור (bekhor) = eerstgeborene van | המלך (hammelekh) = de koning | איש (ish) = een man | שוטה (shoteh) = dwaas | ומבוהל (umevohal) = verward | ונמהר (venimhar) = en overhaast | בכל (bekhol) = in heel | דבריו (devarav) = zijn woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:53** Adikam was een zeer sluwe en wijze man en kundig in alle wijsheid van Egypte, maar hij was zeer lelijk van uiterlijk, dik van vlees en zeer klein van gestalte; zijn lengte was een el en een span. Brontekst: ואדיקם (ve'adiqam) = en Adikam | היה (hayah) = hij was | איש (ish) = een man | ערום (arom) = sluw | וחכם (vechakham) = en wijs | מאוד (me'od) = zeer | ויודע (vayyivvada) = en kundig in | כל (kol) = alle | חכמת (chokhmat) = wijsheid van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואולם (ve'ulam) = maar | רע (ra) = lelijk | בתואר (bethoar) = van uiterlijk | מאוד (me'od) = zeer | ועב (ve'av) = en dik van | בשר (basar) = vlees | וקצר (veqetsar) = en kort van | קומה (qomah) = van gestalte | מאוד (me'od) = zeer | ויהי (vayehi) = en was | ארכו (arko) = zijn lengte | אמה (ammah) = een el | וזרת (vezeret) = en een span Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ערום (‘sluw’, zoals in Gen. 3:1); ארכו אמה וזרת: ‘zijn lengte was een el en een span’. De Engelse vertaling heeft ‘one cubit’. Zie ook: Gen 3:1 **76:54** Toen de koning zag dat Adikam, zijn zoon, sluw en wijs was in alles, nam de koning zich in zijn hart voor hem na zijn dood in zijn plaats koning te maken. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen hij zag | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | אדיקם (adiqam) = Adikam | בנו (beno) = zijn zoon | ערום (arom) = sluw | וחכם (vechakham) = en wijs | בכל (bekhol) = in alle | דבר (davar) = zaak | וישם (vayasem) = en hij zette | המלך (hammelekh) = de koning | בליבו (belibbo) = in zijn hart | להמליכו (lehamlikho) = om hem tot koning te maken | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | אחרי (acharei) = na | מותו (moto) = zijn dood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:55** Hij nam voor hem tot vrouw Gedida, de dochter van Abilat, en hij was tien jaar oud, en zij baarde hem vier zonen. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | לו (lo) = voor hem | אישה (ishah) = een vrouw | את (et) = — | גדידה (gedidah) = Gedida | בת (bat) = dochter van | אבילט (avilet) = Abilat | והוא (vehu) = en hij | בן (ben) = zoon van | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | ותלד (vatteled) = en zij beviel | לו (lo) = voor hem | ארבעה (arba'ah) = vier | בנים (banim) = zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: והוא בן עשר שנים: ‘en hij was tien jaar oud’, zoals ook in de Engelse vertaling; de leeftijd van tien jaar past niet bij vier zonen en niet bij de leeftijd van tweeëntwintig jaar waarop hij koning werd. **76:56** Daarna ging hij en nam drie vrouwen en verwekte acht zonen en drie dochters. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | הוא (hu) = hij | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | ויקח (vayikkach) = en hij nam | שלוש (shalosh) = drie | נשים (nashim) = vrouwen | והוליד (vehoolid) = en verwekte | שמונה (shemonah) = acht | בנים (banim) = zonen | ושלוש (veshalosh) = en drie | בנות (banot) = dochters Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:57** De ziekte werd zeer sterk bij de koning, en zijn vlees begon te stinken als het vlees van een gesneuvelde die op het veld is neergeworpen in de zomer, in de hitte van de zon. Brontekst: ויחזק (vayechazzeq) = en werd sterk | החולי (hakholi) = de ziekte | על (al) = over | המלך (hammelekh) = de koning | מאוד (me'od) = zeer | ויבאש (vayav'ish) = en begon te stinken | בשרו (besaro) = zijn vlees | כבשר (kivsar) = als het vlees van | החלל (hakhalal) = de gesneuvelde | המושלך (hamushlakh) = die neergeworpen is | על (al) = op | פני (pnei) = aangezicht van | השדה (hasadeh) = het veld | בעת (be'et) = in de tijd | הקיץ (haqayits) = de zomer | לחום (lacham) = in de hitte van | השמש (hashemesh) = de zon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:58** Toen de koning zag dat zijn ziekte zeer sterk over hem was geworden, gebood hij zijn zoon Adikam bij hem te brengen, en hij maakte hem koning in zijn plaats in het land. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = want | חזק (chazaq) = sterk geworden | עליו (alav) = over hem | חליו (khali) = zijn ziekte | מאוד (me'od) = zeer | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | לו (lo) = voor hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | אדיקם (adiqam) = Adikam | בנו (beno) = zijn zoon | וימליכהו (vayamlikhehu) = en hij maakte hem koning | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | בארץ (ba'arets) = in het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:59** Na verloop van drie dagen stierf de koning in schande, vernedering en smaad, en zijn dienaren droegen hem en begroeven hem in de graven van de koningen van Egypte, in Soan in Egypte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | וימת (vayamot) = en hij stierf | המלך (hammelekh) = de koning | בבושת (bevoshet) = in schande | וכלימה (vekhlimmah) = vernedering | ובחרפה (uvekharpah) = en in smaad | וישאוהו (vayissa'uhu) = en zij droegen hem | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויקברוהו (veyiqbaruhu) = en begroeven hem | בקברי (bekivrei) = in de graven van | מלכי (malkhei) = koningen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בצוען (betso'an) = in Soan | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft מקץ שלושת ימים (‘na verloop van drie dagen’); de Engelse vertaling heeft ‘three years’. **76:60** Zij balsemden hem niet naar het recht van de koningen, want zijn vlees stonk zeer, en zij konden niet tot hem naderen om hem te balsemen vanwege de reuk, en zij begroeven hem in haast. Brontekst: ולא (velo) = en niet | חנטוהו (khanatuhu) = zij balsemden hem | כמשפט (kemishpat) = volgens het recht van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | כי (ki) = want | הבאיש (hiv'ish) = stonk | בשרו (besaro) = zijn vlees | מאוד (me'od) = zeer | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = zij konden | לגשת (lagashet) = te naderen | אליו (elav) = tot hem | לחנוט (lachanot) = te balsemen | אותו (oto) = hem | מפני (mippenei) = vanwege | הריח (hareach) = de geur | ויקברוהו (veyiqbaruhu) = en begroeven hem | בבהלה (bevahalah) = in haast Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:61** Want dit kwaad was van Yahweh over hem, omdat Yahweh hem kwaad vergold naar zijn boosheid, die hij in zijn dagen Israël had aangedaan. Brontekst: כי (ki) = want | מאת (me'et) = van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | היתה (hayetah) = zij was | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | אליו (elav) = over hem | כי (ki) = want | שילם (shillem) = vergold | לו (lo) = hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | רעה (ra'ah) = kwaad | כרעתו (kera'ato) = naar zijn boosheid | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gedaan | לישראל (leyisra'el) = aan Israël | בימיו (bimav) = in zijn dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **76:62** Hij stierf in verschrikking en smaad, en Adikam, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. Brontekst: וימת (vayamot) = en hij stierf | בבהלה (bevahalah) = in verschrikking | ובחרפה (uvekharpah) = en in smaad | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | אדיקם (adiqam) = Adikam | בנו (beno) = zijn zoon | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 77 _Mozes en de staf_ ### Adikam, ‘de korte’ **77:1** Adikam was tweeëntwintig jaar oud toen hij over Egypte ging regeren, en hij regeerde vier jaar. Brontekst: בן (ben) = zoon van | עשרים (esrim) = twintig | ושתיים (ushtayim) = en twee | שנה (shanah) = jaar | אדיקם (adiqam) = Adikam | במלכו (bemalko) = toen hij ging regeren | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ארבע (arba) = vier | שנים (shanim) = jaren | מלך (malakh) = regeerde hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft בן עשרים ושתיים שנה (‘tweeëntwintig jaar’); de Engelse vertaling heeft twintig. **77:2** In het tweehonderdzesde jaar van het afdalen van Israël naar Egypte regeerde Adikam over Egypte, maar hij regeerde niet zo lang over zijn koninkrijk Egypte als zijn vaders in hun koningschap. Brontekst: בשנת (bishnat) = in het jaar | מאתיים (matayim) = tweehonderd | ושש (veshesh) = en zes | שנים (shanim) = jaar | לרדת (laredet) = van het afdalen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מצרים (Mitsrayim) = naar Egypte | מלך (malakh) = regeerde | אדיקם (adiqam) = Adikam | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ולא (velo) = en niet | האריך (he'erikh) = verlengde | ימים (yamim) = dagen | על (al) = over | ממלכתו (mamlakhto) = zijn koninkrijk | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כאשר (ka'asher) = zoals | האריכו (he'erikhu) = zij verlengden | אבותיו (avotav) = zijn vaders | במלכותם (bemalkhutam) = in hun koningschap Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **77:3** Want Malol, zijn vader, regeerde vierennegentig jaar in Egypte, maar hij was tien jaar ziek en stierf, want hij was zeer goddeloos voor Yahweh. Brontekst: כי (ki) = want | מלול (malol) = Malol | אביו (aviv) = zijn vader | ארבע (arba) = vier | ותשעים (vetish'im) = en negentig | שנה (shanah) = jaar | מלך (malakh) = regeerde | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | אך (akh) = maar | חלה (challeh) = was ziek | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | וימת (vayamot) = en hij stierf | כי (ki) = want | הרשיע (hirshia) = was goddeloos | מאוד (me'od) = zeer | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **77:4** Heel Egypte noemde Adikam farao, naar de naam van zijn vaders, volgens hun gewoonte in Egypte. Brontekst: ויקראו (vayiqre'u) = en zij noemden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | אדיקם (adiqam) = Adikam | פרעה (par'oh) = Farao | כשם (keshem) = naar de naam van | אבותיו (avotav) = zijn vaders | כמשפטם (kemishpatam) = naar hun gewoonte | לעשות (la'asot) = om te doen | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **77:5** Alle wijzen van de farao noemden Adikam Achoez; zijn kracht was zeer kort, want Achoez noemen zij ‘het korte’ in de taal van Egypte. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | חכמי (chakhmei) = wijzen van | לרעה (lera'ah) = Farao | קראו (qar'u) = noemden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | אדיקם (adiqam) = Adikam | אכוז (akhuz) = Achoez | כח (koach) = kracht | היה (hayah) = was | קצר (qatser) = kort | מאוד (me'od) = zeer | כי (ki) = want | אכוז (akhuz) = Achoez | יקראו (yiqre'u) = noemen zij | לקצר (liqtsar) = het korte | בלשון (belashon) = in de taal van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: De tekst heeft לרעה (‘tot kwaad’); gelezen is פרעה (‘farao’). In כח היה קצר מאוד is כח (‘kracht’) letterlijk vertaald; de Engelse vertaling laat dit weg. **77:6** Adikam was zeer lelijk van uiterlijk; hij mat een el en een span, en hij had een grote baard die reikte tot de enkels van zijn voeten. Brontekst: ואדיקם (ve'adiqam) = en Adikam | היה (hayah) = hij was | רע (ra) = lelijk | בתואר (bethoar) = van uiterlijk | מאוד (me'od) = zeer | ויהי (vayehi) = en er was | בו (bo) = in hem | אמה (ammah) = een el | וזרת (vezeret) = en een span | ותהי (vatehi) = en er was | לו (lo) = aan hem | זקן (zaqen) = baard | גדולה (gedolah) = grote | ותגיע (vattaggia) = en reikte | עד (ad) = tot | קרסולי (qarsulei) = enkels van | רגליו (raglav) = zijn voeten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:7** De farao nam plaats op de troon van zijn vader om over Egypte te regeren, en hij leidde het koningschap van Egypte met zijn wijsheid. Brontekst: וישב (vayyashev) = en nam plaats | פרעה (par'oh) = Farao | על (al) = op | כיסא (kisse) = de troon van | אביו (aviv) = zijn vader | למלך (lammelekh) = om te regeren | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וינהג (vayinhag) = en leidde | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלכות (malkhut) = koningschap | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בחכמתו (bechokhmato) = met zijn wijsheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **77:8** Toen hij regeerde, was hij goddelozer dan zijn vader en dan alle koningen die vóór hem waren, en hij maakte zijn juk zeer zwaar over de zonen van Israël. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | במלכו (bemalko) = toen hij regeerde | וירשיע (vayarshia) = en hij was goddelozer | מאביו (me'aviv) = dan zijn vader | ומכל (umikkol) = en van alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | לפניו (lefanav) = voor hem | ויכביד (vaykhbed) = en hij maakte zwaar | את (et) = (lijdend voorwerp) | עולו (ulo) = zijn juk | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De arbeid wordt zwaarder **77:9** Hij ging met zijn dienaren naar Gosen, naar de zonen van Israël, en hij verzwaarde de arbeid over hen. Hij zei tegen hen: „Voltooi jullie werk, elke dag zijn taak, en laat jullie handen niet verslappen van onze arbeid, van heden af, zoals jullie deden in de dagen van mijn vader.” Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | עם (im) = met | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | גושנה (goshenah) = naar Gosen | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויחזק (vayechazzeq) = en verzwaarde | עליהם (aleihem) = over hen | העבודה (ha'avodah) = de arbeid | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | כלו (kalu) = volbrengt | מעשיכם (ma'aseykhem) = jullie werk | דבר (davar) = de taak | יום (yom) = van de dag | ביומו (beyomo) = op zijn dag | ואל (ve'el) = en laat niet | תרפינה (tirpenah) = verslappen | ידיכם (yedekhem) = jullie handen | מעבודתנו (me'avodatenu) = van onze arbeid | מהיום (mehayyom) = vanaf heden | והלאה (vehal'ah) = en verder | כאשר (ka'asher) = zoals | עשיתם (asitem) = jullie deden | בימי (bimei) = in de dagen van | אבי (avi) = mijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. **77:10** Hij zette over Israël opzichters uit de zonen van Israël, en over de opzichters zette hij drijvers uit zijn dienaren. Brontekst: וישם (vayasem) = en hij zette | על (al) = over | ישראל (yisra'el) = Israël | שוטרים (shoterim) = opzichters | מבני (mibbnei) = uit de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ועל (ve'al) = en over | השוטרים (hashoterim) = de opzichters | שם (shem) = hij zette | נוגשים (noggesim) = drijvers | מעבדיו (me'avadav) = uit zijn dienaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:11** Hij legde hun de maat van de tichelstenen per dag op, om naar dat getal te maken, dag na dag; daarna keerde hij om en ging terug naar Egypte. Brontekst: וישם (vayasem) = en hij legde op | עליהם (aleihem) = over hen | מתכונת (matkonet) = de maat van | הלבנים (halevenim) = de tichelstenen | ליום (leyom) = per dag | לעשות (la'asot) = om te maken | כמספר (kemispar) = naar het getal | ההוא (hahu) = dat | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ויפן (vayyifen) = en keerde om | וישב (vayyashev) = en keerde terug | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **77:12** In die tijd geboden de drijvers van de farao aan de opzichters van de zonen van Israël, op bevel van de farao, zeggende: Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ציוו (tsivvu) = geboden | נוגשי (noggesei) = de drijvers van | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | שוטרי (shotrei) = de opzichters van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | על (al) = volgens | פי (pi) = het bevel van | פרעה (par'oh) = Farao | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:13** „Zo zegt de farao: Verricht jullie arbeid, elke dag zijn taak, en voltooi jullie werk, en houd de maat van de tichelstenen per dag; verminder niets. Brontekst: כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | פרעה (par'oh) = Farao | עבדו (avdo) = verricht | את (et) = (lijdend voorwerp) | עבודתכם (avodatkhem) = jullie arbeid | דבר (davar) = de taak | יום (yom) = van de dag | ביומו (beyomo) = op zijn dag | וכלו (vekhalu) = en voltooi | מעשיכם (ma'aseykhem) = jullie werk | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מתכונת (matkonet) = de maat van | הלבנים (halevenim) = de tichelstenen | ליום (leyom) = per dag | תשמורו (tishmoru) = houd | לא (lo) = niet | תגרעו (tigre'u) = verminder | דבר (davar) = niets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:14** En het zal zijn: als jullie iets afdoen aan jullie tichelstenen, dag na dag, dan zal ik jullie kleine kinderen in hun plaats zetten.” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | אשר (asher) = als | תגרעו (tigre'u) = jullie iets afdoen | מלבניכם (milevenekhem) = van jullie tichelstenen | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ושמתי (veshamti) = dan zal ik zetten | את (et) = (lijdend voorwerp) | ילדיכם (yaldekhem) = jullie kinderen | הקטנים (haqetanim) = de kleinen | תחתיהם (tachtehem) = in hun plaats Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:15** De drijvers van de farao deden zo in die dagen, zoals de farao hun had geboden. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo | נוגשי (noggesei) = de drijvers van | פרעה (par'oh) = Farao | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אליהם (aleihem) = hun | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De kinderen in de muur **77:16** En telkens wanneer er aan de maat van de tichelstenen iets ontbrak, dag na dag, gingen de drijvers van de farao naar de vrouwen van de zonen van Israël en namen het aantal dat ontbrak van de kleine kinderen van de zonen van Israël; zij namen hen met geweld van tussen de knieën van hun moeders en zetten hen in plaats van de tichelstenen in het bouwwerk. Brontekst: והיה (vehayah) = en het gebeurde | בכל (bekhol) = telkens | עת (et) = wanneer | אשר (asher) = — | יחסר (yekhsar) = ontbrak | אל (el) = aan | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממתכונת (mimmatkonet) = aan de maat van | הלבנים (halevenim) = de tichelstenen | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | והלכו (vehalekhu) = en gingen | נוגשי (noggesei) = de drijvers van | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = naar | נשי (neshei) = de vrouwen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ולקחו (velaqchu) = en namen | מספר (mispar) = het aantal | הנגרע (hanigra) = dat ontbrak | מהלבנים (mehalevenim) = van de tichelstenen | מילדי (miyaldei) = van de kinderen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | הקטנים (haqetanim) = de kleinen | ולקחו (velaqchu) = en namen | אותם (otam) = hen | בחזקה (bechazaqah) = met geweld | מבין (mibein) = van tussen | ברכי (birkei) = de knieën van | אמותם (immotam) = hun moeders | וישימו (vayasimu) = en zetten | אותם (otam) = hen | תחת (tachat) = in plaats van | הלבנים (halevenim) = de tichelstenen | בבניין (bivnyan) = in het bouwwerk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:17** Hun vaders en hun moeders schreeuwden over hen en huilden, toen zij de stem hoorden van het wenen van hun kinderen in de muur van het bouwwerk. Brontekst: ואבותם (va'avotam) = en hun vaders | ואמותם (ve'immotam) = en hun moeders | צועקים (tso'aqim) = schreeuwend | עליהם (aleihem) = over hen | ובוכים (uvokhim) = en huilend | בשמעם (beshom'am) = toen zij hoorden | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = stem van | בכית (bekhit) = geween van | ילדיהם (yaldehem) = hun kinderen | בקיר (baqir) = in de muur van | הבניין (habbinyan) = het bouwwerk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:18** De drijvers werden sterker over Israël, zodat Israël zijn zonen in het bouwwerk gaf: een man zette zijn zoon in de muur en deed leem op hem, terwijl zijn ogen om hem weenden en zijn tranen neerstroomden op zijn zoon. Brontekst: ויתחזקו (vayitchazqu) = en werden sterker | הנוגשים (hanogsim) = de drijvers | על (al) = over | ישראל (yisra'el) = Israël | לתת (latet) = om te geven | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | בניהם (beneyhem) = hun zonen | בבניין (bivnyan) = in het bouwwerk | וישם (vayasem) = en zette | האיש (ha'ish) = de man | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנו (beno) = zijn zoon | בקיר (baqir) = in de muur | ויתן (vayitten) = en deed | עליו (alav) = op hem | חומר (chomer) = leem | ועיניו (ve'enav) = en zijn ogen | בוכות (bokhot) = huilende | עליו (alav) = om hem | ודמעותיו (vedim'otav) = en zijn tranen | יורדות (yordot) = stroomden neer | על (al) = op | בנו (beno) = zijn zoon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:19** De drijvers van de farao deden zo aan de kinderen van Israël vele dagen, en er was niemand die medelijden had en niemand die erbarmen had met de kinderen van de zonen van Israël. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en deden | כן (ken) = zo | נוגשי (noggesei) = de drijvers van | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = aan | ילדי (yaldei) = kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ואין (veein) = en niemand | חומל (khomel) = die medelijden had | ואין (veein) = en niemand | מרחם (merachem) = die erbarmen had | אל (el) = over | ילדי (yaldei) = kinderen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:20** Het aantal van alle kinderen die in het bouwwerk gedood werden, was tweehonderdzeventig kinderen: sommigen van hen waren degenen op wie men gebouwd had in plaats van de tichelstenen die hun vaders ontbraken, en sommigen van hen trok men dood uit het bouwwerk. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מספר (mispar) = aantal | כל (kol) = alle | הילדים (hayeladim) = de kinderen | המומתים (hammumatim) = die gedood werden | בבניין (bivnyan) = in het bouwwerk | מאתיים (matayim) = tweehonderd | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | ילדים (yeladim) = kinderen | מהם (mehem) = sommigen van hen | אשר (asher) = die | בנו (beno) = men bouwde | עליהם (aleihem) = over hen | תחת (tachat) = in plaats van | הלבנים (halevenim) = de tichelstenen | אשר (asher) = die | חסרו (chasru) = ontbraken | לאבותם (la'avotam) = aan hun vaders | ומהם (umehem) = en sommigen van hen | אשר (asher) = die | משכו (mashchu) = men trok | אותם (otam) = hen | מתים (metim) = dood | מהבניין (mehabinyan) = uit het bouwwerk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:21** De arbeid werd sterker en zwaarder over de zonen van Israël in de dagen van Adikam dan de arbeid die zij verrichtten in de dagen van zijn vader. Brontekst: ותחזק (vatechezaq) = en werd sterk | ותכבד (vetikhbad) = en werd zwaar | העבודה (ha'avodah) = de arbeid | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בימי (bimei) = in de dagen van | אדיקם (adiqam) = Adikam | מעבודה (me'avodah) = dan de arbeid | אשר (asher) = die | עבדו (avdo) = zij verrichtten | בימי (bimei) = in de dagen van | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:22** De zonen van Israël zuchtten dag na dag onder de harde arbeid die op hen lag, want zij zeiden: „Zie, bij de dood van de farao zal zijn zoon opstaan en onze arbeid verlichten.” Brontekst: ויאנחו (vayye'anekhu) = en zij zuchtten | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | מהעבודה (me'ha'avodah) = onder de arbeid | הקשה (haqasha) = de harde | אשר (asher) = die | עליהם (aleihem) = op hen | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | הנה (hinneh) = zie | במות (bemot) = bij de dood van | פרעה (par'oh) = Farao | וקם (veqam) = en hij zal opstaan | בנו (beno) = zijn zoon | והקל (vehegel) = en hij zal verlichten | מעלינו (me'aleinu) = van ons af | העבודה (ha'avodah) = de arbeid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:23** Maar zij verzwaarden over hen de latere arbeid meer dan de vroegere; en de zonen van Israël zuchtten hierover, en hun hulpgeroep steeg op tot Elohim vanwege de arbeid. Brontekst: אך (akh) = maar | הם (hem) = zij | מחזקים (makhaziqim) = verzwaarden | עליהם (aleihem) = over hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | העבודה (ha'avodah) = de arbeid | האחרונה (ha'akharonah) = de latere | מן (min) = meer dan | הראשונה (harishonah) = de vroegere | ויאנחו (vayye'anekhu) = en zij zuchtten | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מזה (mizzeh) = hierover | ותעל (vata'al) = en steeg op | שועתם (shav'atam) = hun hulpgeroep | אל (el) = tot | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | מן (min) = vanwege | העבודה (ha'avodah) = de arbeid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Elohim denkt aan zijn verbond **77:24** Elohim hoorde de stem van de zonen van Israël en hun kermen in die dagen, en Elohim dacht aan hen, aan Zijn verbond dat Hij had gesloten met Abraham, met Isaak en met Jakob. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = stem van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נאקתם (na'aqatam) = hun kermen | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויזכור (veyizkor) = en dacht | אלוקים (Elohim) = Elohim | להם (lahem) = aan hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בריתו (berito) = Zijn verbond | אשר (asher) = die | כרת (karat) = had gesloten | את (et) = met | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = met | יצחק (Yitschaq) = Isaak | ואת (ve'et) = en met | יעקב (Ya'aqov) = Jakob Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:25** Elohim zag de lasten van de zonen van Israël en hun harde arbeid over hen in die dagen, en nam zich voor hen te redden. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | סבלות (sivlot) = de lasten van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | עבודתם (avodatam) = hun arbeid | הקשה (haqasha) = de harde | עליהם (aleihem) = over hen | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויאמר (vayomer) = en nam zich voor | להצילם (lehatsilam) = hen te redden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Mozes in de kerker van Reüel **77:26** Mozes, de zoon van Amram, was in die dagen nog opgesloten in de kerker, in het huis van Reüel, de Midianiet, en Sippora, de dochter van Reüel, onderhield hem in het geheim met brood, dag na dag. Brontekst: ומשה (umosheh) = en Mozes | בן (ben) = zoon van | עמרם (amram) = Amram | עודנו (odenu) = nog | כלוא (kalu) = opgesloten | בבור (babor) = in de kerker | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | בבית (babbayit) = in het huis van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | המדיני (hamidyani) = de Midianiet | וציפורה (vetsipporah) = en Sippora | בת (bat) = dochter van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | מכלכלתו (mekhalkhaltho) = die hem onderhield | לחם (lechem) = met brood | בסתר (baseter) = in het geheim | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:27** Mozes zat tien jaar opgesloten in het huis van Reüel, in de kerker. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | משה (moshe) = Mozes | כלוא (kalu) = opgesloten | בבית (babbayit) = in het huis van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | בבור (babor) = in de kerker | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:28** Na verloop van tien jaar — dat was het eerste jaar dat de farao over Egypte regeerde, in de plaats van zijn vader — Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | היא (hi) = dat was | השנה (hashanah) = het jaar | הראשונה (harishonah) = het eerste | למלוך (limloch) = te regeren | פרעה (par'oh) = Farao | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | תחת (tachat) = in plaats van | אביו (aviv) = zijn vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **77:29** zei Sippora tot Reüel, haar vader: „De Hebreeuwse man die je hebt gebonden, nu tien jaar, in de gevangenis: niemand vraagt naar hem en niemand zoekt hem. Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | ציפורה (tsipporah) = Sippora | אל (el) = tot | רעואל (Re'u'el) = Reüel | אביה (aviha) = haar vader | האיש (ha'ish) = de man | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | אשר (asher) = die | אסרת (asarta) = je hebt gebonden | זה (ze) = nu | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | בבית (babbayit) = in het huis van | הסוהר (hassohar) = de gevangenis | ואין (veein) = en niemand | דורש (doresh) = die naar hem vraagt | ואין (veein) = en niemand | מבקש (mevaqesh) = die zoekt | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:30** En nu, als het goed is in je ogen, mijn vader, laten wij toch iemand sturen en zien of hij leeft of dood is.” Maar haar vader wist niet dat zij hem had onderhouden. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | אם (em) = als | טוב (tov) = goed | בעיניך (be'einekha) = in je ogen | אבי (avi) = mijn vader | נשלחה (nishlekhah) = laten wij zenden | נא (na) = toch | ונראה (venire'eh) = en laten we zien | אם (em) = of | חי (chai) = hij leeft | ואם (ve'im) = of | מת (met) = dood | הוא (hu) = hij | ואביה (va'aviha) = maar haar vader | לא (lo) = niet | ידע (yada) = wist | כי (ki) = dat | היא (hi) = zij | כלכלתו (kilkhalto) = hem had onderhouden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:31** Reüel, haar vader, antwoordde en zei tegen haar: „Is zoiets ooit gebeurd, dat een man tien jaar in de gevangenis wordt opgesloten en niet eet en toch leeft?” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | רעואל (Re'u'el) = Reüel | אביה (aviha) = haar vader | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | הנהיה (hannihyah) = is ooit geweest | כדבר (kidvar) = een zaak als | הזה (hazzeh) = deze | להעצר (lehe'atser) = dat wordt opgesloten | הגבר (haggever) = een man | בבית (babbayit) = in het huis van | הכלא (hakele) = de gevangenis | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | ולא (velo) = en niet | יאכל (ye'akhel) = eet | ויחיה (veyikhyeh) = en leeft Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:32** Sippora antwoordde haar vader, zeggende: „Heb je niet gehoord, mijn heer, dat de Elohim van de Hebreeën groot en ontzagwekkend is en wonderen voor hen doet te allen tijde? Brontekst: ותען (vata'an) = en antwoordde | ציפורה (tsipporah) = Sippora | את (et) = tot | אביה (aviha) = haar vader | לאמור (lemor) = zeggende | הלא (halo) = immers | שמעת (shamata) = heb je gehoord | אדוני (adoni) = mijn heer | כי (ki) = dat | אלוקי (elohei) = Elohim van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | גדול (gadol) = grote | ונורא (venora) = en ontzagwekkend | הוא (hu) = Hij is | ומפליא (umafli) = en wonderen doet | להם (lahem) = voor hen | בכל (bekhol) = te alle | עת (et) = tijde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:33** Hij is het die Abraham heeft gered uit Ur der Chaldeeën, en Isaak van het zwaard van zijn vader, en Jakob van de engel van Yahweh, toen hij met hem worstelde bij de doorwaadbare plaats van de Jabbok. Brontekst: הוא (hu) = Hij | אשר (asher) = die | הציל (hatsil) = heeft gered | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham | מאור (me'ur) = uit Ur | כשדים (kasdim) = der Chaldeeën | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יצחק (Yitschaq) = Isaak | מחרב (mekherev) = van het zwaard van | אביו (aviv) = zijn vader | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | ממלאך (mimal'akh) = van de engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בהאבקו (behe'avqo) = toen hij worstelde | עמו (immo) = met hem | במעבר (bema'avar) = bij de doorwaadbare plaats van | יבוק (Yabboq) = Jabbok Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 32:23–31 (Jakob worstelt bij de Jabbok), Gen. 22 (Isaak) en Gen. 11:31 (Ur). Zie ook: Gen 11:31; Gen 32:23–31 **77:34** Ook met deze man heeft Hij veel gedaan, en Hij redde hem van de menigte van Egypte, en van het zwaard van de farao en van de zonen van Kush; ook van de honger kan Hij hem redden en in leven houden.” Brontekst: וגם (vegam) = en ook | עם (im) = met | האיש (ha'ish) = de man | הזה (hazzeh) = deze | רבות (rabbot) = vele | עשה (asah) = heeft Hij gedaan | ויצל (vayatsel) = en Hij redde | אותו (oto) = hem | ציבור (tsivur) = de menigte van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ומחרב (umekherev) = en van het zwaard van | פרעה (par'oh) = Farao | ובני (uvnei) = en van de zonen van | כוש (Kush) = Kush | וגם (vegam) = en ook | מן (min) = van | הרעב (hara'av) = de honger | יכול (yakhol) = kan Hij | להצילו (lehatsilo) = hem redden | ולהחיותו (ulehakhyoto) = en in leven houden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ציבור (‘menigte’, ‘hoop’) is vertaald als ‘de menigte van Egypte’; de Engelse vertaling heeft ‘the river in Egypt’. **77:35** Het woord was goed in de ogen van Reüel, en hij deed naar het woord van zijn dochter en zond naar de kerker om te zien wat er van Mozes geworden was. Brontekst: וייטב (vayyitav) = en het was goed | הדבר (haddavar) = de zaak | בעיני (be'einei) = in de ogen van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | ויעש (vayya'as) = en deed | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | בתו (bito) = zijn dochter | וישלח (vayishlach) = en hij zond | אל (el) = naar | הבור (habor) = de kerker | לראות (lir'ot) = om te zien | מה (mah) = wat | נעשה (na'aseh) = er geworden was | במשה (bemosheh) = van Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:36** Hij zag, en zie, de man Mozes leefde in de kerker, staande op zijn voeten, lovend en smekend tot de Elohim van zijn vaders. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | משה (moshe) = Mozes | האיש (ha'ish) = de man | חי (chai) = levend | בבור (babor) = in de kerker | עומד (omed) = staande | על (al) = op | רגליו (raglav) = zijn voeten | משבח (meshabbe'akh) = lovend | ומתחנן (umitkhannen) = en smekend | אל (el) = tot | אלוקי (elohei) = Elohim van | אבותיו (avotav) = zijn vaders Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:37** Reüel gaf bevel en zij haalden Mozes uit de kerker; zij schoren hem, hij verwisselde zijn gevangeniskleren en at brood. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | רעואל (Re'u'el) = Reüel | ויוציאו (vayotsi'u) = en zij brachten uit | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes | מן (min) = uit | הבור (habor) = de kerker | ויגלחו (vayegallechu) = en zij schoren | לו (lo) = hem | וישנה (vayeshanneh) = en hij verwisselde | את (et) = (lijdend voorwerp) | בגדי (bigdey) = de kleren van | כלאו (kil'o) = zijn gevangenschap | ויאכל (vayyokhal) = en hij at | לחם (lechem) = brood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Dit vers ontbreekt in het Hebreeuws van Livorno 1870. Zij is vertaald uit de Jeruzalemse druk van Sefer haYashar (uitg. Ezra Batzri, ספר הישר, deel Sjemot, blz. 243), waar ze wel staat. ### De saffieren staf **77:38** Daarna ging Mozes naar de tuin van Reüel, die achter het huis lag, en hij bad daar tot Yahweh, zijn Elohim, die vele wonderen met hem had gedaan. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | וירד (vayered) = en ging naar beneden | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = naar | גינת (ginat) = de tuin van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | אשר (asher) = die | אחרי (acharei) = achter | הבית (habbayit) = het huis | ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | שם (shem) = daar | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיו (Elohav) = zijn Elohim | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gedaan | איתו (ito) = met hem | נפלאות (nifle'ot) = wonderen | רבות (rabbot) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:39** Terwijl hij bad, keek hij voor zich uit, en zie, een staf van saffier was in de grond gezet, en hij stond geplant midden in de tuin. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהתפללו (behitpallelo) = toen hij bad | ויבט (vayabet) = en keek | נגדו (negdo) = voor zich uit | והנה (vehinneh) = en zie | מטה (mateh) = een staf | ספיר (sappir) = van saffier | מוצב (mutsav) = was neergezet | ארצה (artsah) = in de grond | והוא (vehu) = en hij | נטוע (natu'a) = geplant | בתוך (betokh) = midden in | הגינה (haggannah) = de tuin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:40** Hij naderde de staf en zag, en zie, daarop was de naam gegraveerd van Yahweh, Elohim van de legermachten, geschreven en duidelijk te lezen op de staf. Brontekst: ויקרב (vayaqrev) = en hij naderde | אל (el) = tot | המאה (hamma'oh) = de staf | וירא (vayyera) = en hij zag | והנה (vehinneh) = en zie | חקוק (khaquq) = gegraveerd | בו (bo) = daarop | שם (shem) = de naam van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקים (Elohim) = Elohim | צבאות (tsiv'ot) = legermachten | כתוב (katuv) = geschreven | ומפורש (umefurash) = en duidelijk | על (al) = op | המטה (hammateh) = de staf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft המאה; gelezen is המטה (‘de staf’), zoals in vers 41. **77:41** Hij las hem, strekte zijn hand uit en rukte hem los, zoals een boom van het woud uit zijn kreupelhout wordt losgerukt; en hij werd een staf in zijn hand. Brontekst: ויקראהו (vayiqra'ehu) = en hij las hem | וישלח (vayishlach) = en strekte uit | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידו (yado) = zijn hand | ויתלוש (vayitlosh) = en rukte hem los | כהתלש (kehitalesh) = zoals uitgerukt wordt | עץ (ets) = een boom van | יער (ya'ar) = het woud | מסבכו (mesevakho) = uit zijn kreupelhout | ויהי (vayehi) = en hij werd | למטה (lemata) = tot een staf | בכפו (bekhappo) = in zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 4:2–4 (de staf in de hand van Mozes). Zie ook: Ex 4:2–4 **77:42** Dit is de staf waarmee al de werken van onze Elohim zijn verricht, nadat Hij hemel en aarde had geschapen en al hun legermacht, de zeeën en de rivieren en al hun vissen. Brontekst: והמטה (vehammateh) = en de staf | הזה (hazzeh) = deze | הוא (hu) = hij | המטה (hammateh) = de staf | הנברא (hannivra) = die geschapen is | בה (bah) = daarmee | כל (kol) = alle | מפעלות (mif'alot) = werken van | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | אחרי (acharei) = nadat | בראו (bar'u) = Zijn scheppen van | שמים (shamayim) = hemel | וארץ (va'erets) = en aarde | וכל (vekhol) = en alle | צבאם (tsevam) = hun legermacht | ימים (yamim) = zeeën | ונהרות (unehorot) = en rivieren | וכל (vekhol) = en alle | דגתם (dagatam) = hun vissen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:43** Toen Elohim de mens uit de tuin van Eden verdreef, nam hij de staf in zijn hand, ging weg en bewerkte de grond waaruit hij genomen was. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהגרש (behigaresh) = toen verdreef | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדם (ha'adam) = de mens | מגן (miggan) = uit de tuin van | עדן (Eden) = Eden | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטה (hammateh) = de staf | בידו (beyado) = in zijn hand | ויצא (vayetse) = en hij ging weg | ויעבוד (vaya'avod) = en bewerkte | את (et) = (lijdend voorwerp) | האדמה (ha'adamah) = de grond | אשר (asher) = die | לוקח (loqe'ach) = genomen was | משם (misham) = vandaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 3:23–24. Het onderwerp van ויקח (‘en hij nam’) is de mens. Zie Eden: Eden wordt in deze uitgave vermoedelijk in het Armeense hoogland gezocht, waar de vier rivieren ontspringen. Zie ook: Gen 3:23–24 **77:44** De staf kwam bij Noach en werd gegeven aan Sem en aan zijn nakomelingen, totdat hij kwam in de hand van Abraham, de Hebreeër. Brontekst: ויגע (vayagga) = en kwam | המטה (hammateh) = de staf | עד (ad) = tot | נח (Noach) = Noach | וינתן (veyinaten) = en werd gegeven | אל (el) = aan | שם (shem) = Sem | ואל (ve'el) = en aan | תולדותיו (toldotav) = zijn nakomelingen | עד (ad) = totdat | געתו (gi'ato) = hij kwam | אל (el) = tot | יד (yad) = hand van | אברהם (avraham) = Abraham | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:45** Toen Abraham alles wat hij had aan Isaak, zijn zoon, gaf, gaf hij hem ook deze staf. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בתת (betet) = toen gaf | אברהם (avraham) = Abraham | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | לו (lo) = hij had | ליצחק (leyitschaq) = aan Isaak | בנו (beno) = zijn zoon | נתן (natan) = gaf hij | אליו (elav) = hem | גם (gam) = ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטה (hammateh) = de staf | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 25:5 (Abraham gaf alles wat hij had aan Isaak). Zie ook: Gen 25:5 **77:46** Toen Jakob naar Paddan-Aram vluchtte, nam hij hem in zijn hand, en toen hij terugkeerde naar zijn vader, liet hij hem niet achter. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בברוח (bivrokh) = toen vluchtte | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | פדנה (paddenah) = naar Paddan | ארם (Aram) = Aram | ויקח (vayikkach) = en hij nam | אותה (otah) = hem | בידו (beyado) = in zijn hand | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשובו (beshuvo) = toen hij terugkeerde | אל (el) = tot | אביו (aviv) = zijn vader | נטוש (natush) = — | לא (lo) = niet | נטשו (netasho) = hij liet hem achter Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. **77:47** Ook toen hij naar Egypte afdaalde, nam hij hem in zijn hand en gaf hem aan Jozef, één deel boven zijn broers, want Jakob had hem met geweld uit de hand van Ezau, zijn broer, genomen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | ברדתו (beradto) = toen hij afdaalde | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויקח (vayikkach) = en hij nam | אותו (oto) = hem | בידו (beyado) = in zijn hand | ויתנהו (vayittenehu) = en hij gaf het | אל (el) = aan | יוסף (Yosef) = Jozef | שכם (Shekhem) = een deel | אחד (echad) = één | על (al) = boven | אחיו (achiv) = zijn broers | כי (ki) = want | בחוזקה (bechozqah) = met kracht | לקח (laqach) = had genomen | אותו (oto) = hem | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מיד (miyyad) = uit de hand van | עשו (asu) = Ezau | אחיו (achiv) = zijn broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 48:22 (שכם אחד, ‘één deel’, boven zijn broers). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 48:22 **77:48** Na de dood van Jozef kwamen de vorsten van Egypte in het huis van Jozef, en de staf kwam in de hand van Reüel, de Midianiet; en toen hij Egypte verliet, nam hij hem in zijn hand en plantte hem midden in zijn tuin. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = dood van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen binnen | שרי (sarai) = vorsten van | מצרימה (mitsraymah) = van Egypte | בית (bet) = het huis van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויגע (vayagga) = en kwam | המטה (hammateh) = de staf | אל (el) = tot | יד (yad) = hand van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | המדיני (hamidyani) = de Midianiet | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בצאתו (betseto) = toen hij wegging | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ויקח (vayikkach) = en hij nam | אותו (oto) = hem | בידו (beyado) = in zijn hand | ויטעהו (vayit'ehu) = en plantte hem | בתוך (betokh) = midden in | גינתו (ginato) = zijn tuin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **77:49** Alle helden van de Kenieten beproefden hem uit te rukken, toen zij Sippora, zijn dochter, zochten te nemen, maar zij konden het niet. Brontekst: ויבחנו (vayivkhanu) = en beproefden | כל (kol) = alle | גיבורי (gibborei) = helden van | קינים (qinim) = Kenieten | לתלוש (litlosh) = uit te rukken | אותו (oto) = hem | בבקשם (bevaqsham) = toen zij zochten | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | ציפורה (tsipporah) = Sippora | בתו (bito) = zijn dochter | ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = konden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **77:50** Die staf bleef geplant midden in de tuin van Reüel, totdat hij kwam die er recht op had, en hem nam. Brontekst: וישאר (vayyisha'er) = en bleef | המטה (hammateh) = de staf | ההוא (hahu) = die | נטוע (natu'a) = geplant | בתוך (betokh) = midden in | גינת (ginat) = de tuin van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | עד (ad) = totdat | בוא (bo) = het komen van | אשר (asher) = wie | לו (lo) = had | המשפט (hammishpat) = het recht | ויקחהו (vayiqqachehu) = en nam hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Sippora wordt de vrouw van Mozes **77:51** Toen Reüel de staf in de hand van Mozes zag, verbaasde hij zich daarover en gaf hem zijn dochter Sippora tot vrouw. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen zag | רעואל (Re'u'el) = Reüel | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטה (hammateh) = de staf | ביד (beyad) = in de hand van | משה (moshe) = Mozes | ויתמה (vayitmah) = en verbaasde zich | על (al) = over | ככה (kakhah) = dit | ויתן (vayitten) = en gaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | ציפורה (tsipporah) = Sippora | בתו (bito) = zijn dochter | למשה (lemisneh) = aan Mozes | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:21 (Reüel geeft Mozes zijn dochter Sippora). Zie ook: Ex 2:21 ## Jasher 78 _Mozes en Sippora; het strobevel_ ### Hadar, koning van Edom **78:1** In die tijd stierf Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, koning van Edom, en werd begraven in zijn huis, in het land Edom. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מת (met) = stierf | בעל (ba'al) = Baäl- | חנן (chonnan) = Hanan | בן (ben) = zoon van | עכבור (akhbor) = Achbor | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | ויקבר (vayiqqaver) = en werd begraven | בביתו (beveyto) = in zijn huis | בארץ (ba'arets) = in het land van | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **78:2** Na zijn dood zonden de zonen van Ezau naar het land Edom en namen vandaar een man uit een stad in Edom, wiens naam Hadar was, en zij maakten hem tot koning over zich, in de plaats van Baäl-Hanan, hun koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מותו (moto) = zijn dood | וישלחו (vayishlechu) = en zonden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ארץ (erets) = het land van | ארם (Aram) = Edom | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | משם (misham) = vandaar | איש (ish) = een man | מעיר (me'ir) = uit een stad | אשר (asher) = die | בארם (ba'aram) = in Edom | ושמו (ushmo) = en zijn naam | הדר (hadar) = Hadar | וימליכו (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | אותו (oto) = hem | עליהם (aleihem) = over hen | תחת (tachat) = in de plaats van | בעל (ba'al) = Baäl- | חנן (chonnan) = Hanan | מלכם (malkam) = hun koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Lezing: De tekst heeft ארץ ארם en בארם (‘Aram’); gelezen is Edom, zoals in de Engelse vertaling en in Gen. 36:39. Zie ook: Gen 36:39 **78:3** Hadar regeerde achtenveertig jaar over de zonen van Edom. Brontekst: וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | הדר (hadar) = Hadar | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | אדום (Edom) = Edom | ארבעים (arba'im) = veertig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **78:4** Toen hij regeerde, besloot hij tegen de zonen van Moab te strijden om hen weer onder de zonen van Ezau te brengen, zoals eerst, maar hij kon het niet; want de zonen van Moab hoorden deze zaak, stonden op en haastten zich een koning over zich te kronen uit hun broers. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | במלכו (bemalko) = toen hij regeerde | ויועץ (vayiva'ets) = en hij besloot | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | להשיבם (lehashivam) = hen terug te brengen | תחת (tachat) = onder | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | כבראשונה (kaRishonah) = zoals eerst | ולא (velo) = en niet | יכול (yakhol) = kon hij | כי (ki) = want | שמעו (shame'u) = zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | וימהרו (vayemaharu) = en zij haastten zich | וימליכו (vayamlikhu) = en zij maakten tot koning | עליהם (aleihem) = over hen | מלך (malakh) = een koning | מאחיהם (me'acheihem) = uit hun broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **78:5** Daarna verzamelden zij zich met een groot volk en zonden naar de zonen van Ammon, hun broers, om hen te helpen tegen Hadar, de koning van Edom, te strijden. Brontekst: ויתקבצו (vayitqabtsu) = en zij verzamelden zich | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | בעם (be'am) = met een volk | רב (rav) = groot | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | אל (el) = naar | בני (bnei) = zonen van | מעון (me'on) = Ammon | אחיהם (achihem) = hun broers | לעזרם (le'ezram) = om hen te helpen | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | הדר (hadar) = Hadar | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Lezing: De tekst heeft בני מעון (‘zonen van Maon’); de Engelse vertaling heeft Ammon (עמון). **78:6** Hadar hoorde wat de zonen van Moab hadden gedaan, en hij vreesde hen zeer en liet af van de strijd met hen. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | הדר (hadar) = Hadar | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hadden gedaan | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | ויירא (vayira) = en vreesde | מאוד (me'od) = zeer | מפניהם (mippneihem) = voor hen | ויחדל (vayachdal) = en liet af | להילחם (lehillachem) = te strijden | איתם (ittam) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Mozes en Sippora **78:7** In die dagen nam Mozes, de zoon van Amram, in Midian Sippora, de dochter van Reüel, de Midianiet, tot vrouw. Brontekst: בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | לקח (laqach) = nam | משה (moshe) = Mozes | בן (ben) = zoon van | עמרם (amram) = Amram | במדין (bemidyan) = in Midian | את (et) = (lijdend voorwerp) | ציפורה (tsipporah) = Sippora | בת (bat) = dochter van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | המדיני (hamidyani) = de Midianiet | לאישה (le'ishah) = tot vrouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. **78:8** Sippora wandelde in de wegen van de vrouwen van de zonen van Jakob; zij stond in niets achter bij de gerechtigheid van Sarah, Rebekka, Rachel en Lea. Brontekst: ותלך (vattelekh) = en wandelde | ציפורה (tsipporah) = Sippora | בדרכי (bedarkhei) = in de wegen van | נשי (neshei) = de vrouwen van | בני (bnei) = de zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | לא (lo) = niet | חסרה (chasrah) = stond achter | דבר (davar) = in iets | מצדקת (mitsidqat) = van de gerechtigheid van | שרה (sarah) = Sarah | רבקה (Rivqah) = Rebekka | רחל (Rachel) = Rachel | ולאה (uLe'ah) = en Lea Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: נשי בני יעקב: ‘de vrouwen van de zonen van Jakob’; de Engelse vertaling heeft ‘daughters of Jacob’. **78:9** Sippora werd zwanger en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Gersom, want hij zei: „Een vreemdeling ben ik geweest in een vreemd land.” Maar hij besneed zijn voorhuid niet, op bevel van Reüel, zijn schoonvader. Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | ציפורה (tsipporah) = Sippora | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | גרשום (gershom) = Gersom | כי (ki) = want | אמר (amar) = zei | גר (ger) = een vreemdeling | הייתי (hayiti) = ben ik geweest | בארץ (ba'arets) = in een land | נוכריה (nokhriyah) = vreemd | רק (raq) = maar | לא (lo) = niet | מל (mal) = besneed hij | את (et) = (lijdend voorwerp) | בשר (basar) = het vlees van | עורלתו (orlato) = zijn voorhuid | בגזרת (bigzerat) = op bevel van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | חותנו (khotno) = zijn schoonvader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:22 (Gersom). De besnijdenis van Gersom komt in het volgende hoofdstuk ter sprake. Zie ook: Ex 2:22 **78:10** Zij werd opnieuw zwanger en baarde een zoon, en hij besneed zijn voorhuid, en hij noemde zijn naam Eliëzer, want Mozes zei: „De Elohim van mijn vader was mij tot hulp en redde mij van het zwaard van de farao.” Brontekst: ותהר (vattahar) = en zij werd zwanger | עוד (od) = opnieuw | ותלד (vatteled) = en zij beviel | בן (ben) = een zoon | וימל (vayamol) = en hij besneed | את (et) = (lijdend voorwerp) | בשר (basar) = het vlees van | עורלתו (orlato) = zijn voorhuid | ויקרא (vayikra) = en hij noemde | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמו (shemo) = zijn naam | אליעזר (eli'ezer) = Eliëzer | כי (ki) = want | אמר (amar) = zei | משה (moshe) = Mozes | כי (ki) = dat | אלוקי (elohei) = Elohim van | אבי (avi) = mijn vader | בעזרי (be'ezri) = tot mijn hulp | ויצילני (vayatsileni) = en redde mij | מחרב (mekherev) = van het zwaard van | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 18:4 (Eliëzer: ‘de Elohim van mijn vader was mij tot hulp’). Zie ook: Ex 18:4 ### De farao onthoudt het stro **78:11** De farao, de koning van Egypte, verzwaarde in die dagen de arbeid zeer over de zonen van Israël en ging voort zijn juk zwaarder te maken over de zonen van Israël. Brontekst: ופרעה (ufar'oh) = en de farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | החזיק (hekhezik) = verzwaarde | העבודה (ha'avodah) = de arbeid | מרוד (merod) = zeer | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | ויוסף (vayosef) = en ging voort | להכביד (lehakhbid) = zwaar te maken | עולו (ulo) = zijn juk | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מרוד is een onzeker woord; het is hier weergegeven met ‘zeer’, zoals de Engelse vertaling (‘greatly’). **78:12** Hij gebood, en men liet een oproep doorgaan in Egypte met de woorden: „Geef het volk niet langer stro om tichelstenen te maken; laat hen zelf gaan en voor zich stro verzamelen van wat zij vinden. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | ויעבירו (vaya'avirru) = en men liet doorgaan | קול (qol) = een oproep | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | תוסיפון (tosifun) = meer | לתת (latet) = te geven | תבן (teven) = stro | לעם (le'am) = aan het volk | ללבון (lilbon) = om te maken | הלבנים (halevenim) = de tichelstenen | והם (vehem) = maar zij | ילכו (yelkhu) = zullen gaan | וקוששו (veqoshesu) = en verzamelen | להם (lahem) = voor zich | תבן (teven) = stro | מאשר (me'asher) = van wat | ימצאו (yimtse'u) = zij vinden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 5:6–8 (het bevel dat het volk zelf stro moest verzamelen). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 5:6–8 **78:13** Ook de maat van de tichelstenen die zij maken, zullen zij per dag leveren, en zij zullen daar niets van afdoen, want zij zijn lui in hun arbeid.” Brontekst: וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | מתכונת (matkonet) = de maat van | הלבנים (halevenim) = de tichelstenen | אשר (asher) = die | יעשו (ya'asu) = zij maken | ליום (leyom) = per dag | יתנו (yitenu) = zullen zij leveren | לא (lo) = niet | יגרעו (yigre'u) = zullen zij afdoen | מהם (mehem) = daarvan | דבר (davar) = niets | כי (ki) = want | נרפים (nirpim) = lui | הם (hem) = zijn zij | בעבודתם (ba'avodatam) = in hun arbeid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Elohim hoort Israël **78:14** De zonen van Israël hoorden deze zaak, en zij rouwden en zuchtten, en riepen tot Yahweh vanwege de bitterheid van hun ziel. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויתאבלו (vayitabbelu) = en zij rouwden | ויאנחו (vayye'anekhu) = en zij zuchtten | ויצעקו (vayits'aqu) = en riepen | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ממר (mimar) = vanwege de bitterheid van | נפשם (nafsham) = hun ziel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **78:15** Yahweh hoorde het geschreeuw van de zonen van Israël en zag de onderdrukking waarmee Egypte hen onderdrukte. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | צעקת (tsa'aqat) = het geschreeuw van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וירא (vayyera) = en zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | הלחץ (halakhats) = de onderdrukking | אשר (asher) = die | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לוחצים (lokhatsim) = onderdrukte | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **78:16** Yahweh werd ijverig voor Zijn volk en voor Zijn erfdeel, en hoorde hun stem, en nam zich voor hen uit de ellende van Egypte te leiden, om hun het land Kanaän tot bezit te geven. Brontekst: ויקנא (vayeqanne) = en werd ijverig | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = voor | עמו (immo) = Zijn volk | ועל (ve'al) = en voor | נחלתו (nachalato) = Zijn erfdeel | וישמע (vayishma) = en hoorde | את (et) = (lijdend voorwerp) | קולם (qolam) = hun stem | ויאמר (vayomer) = en nam zich voor | להוציאם (lehotsi'am) = hen uit te leiden | מעוני (me'oni) = uit de ellende van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לתת (latet) = te geven | להם (lahem) = aan hen | ארץ (erets) = het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לאחוזה (la'achuzzah) = tot bezit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 2:24–25 en Ex. 3:7–8. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Ex 2:24–25; Ex 3:7–8 ## Jasher 79 _Mozes en Aäron voor de farao_ ### De brandende doornstruik **79:1** In die dagen weidde Mozes het kleinvee van Reüel, de Midianiet, zijn schoonvader, achter de woestijn van Sin, en de staf die hij van zijn schoonvader had genomen, had hij in zijn hand. Brontekst: ובימים (uvayyamim) = en in de dagen | ההם (hahem) = die | ומשה (umosheh) = en Mozes | היה (hayah) = was | רועה (ro'eh) = weidend | את (et) = (lijdend voorwerp) | צאן (tson) = het kleinvee van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | המדיני (hamidyani) = de Midianiet | חותנו (khotno) = zijn schoonvader | אחרי (acharei) = achter | מדבר (medabber) = de woestijn van | סין (sin) = Sin | והמטה (vehammateh) = en de staf | אשר (asher) = die | לקח (laqach) = nam | מאת (me'et) = van | חותנו (khotno) = zijn schoonvader | בידו (beyado) = in zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:2** Op een dag liep een geitenbokje bij Mozes weg uit de kudde, en Mozes zette het achterna en kwam tot aan de berg van Elohim, Horeb. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | היום (hayyom) = op een dag | ויברח (vayivrach) = en liep weg | למשה (lemisneh) = bij Mozes | גדי (gedi) = een bokje van | עזים (izzim) = geiten | מן (min) = uit | הצאן (hatson) = het kleinvee | וירדוף (vayirdof) = en zette achterna | משה (moshe) = Mozes | אחריו (acharav) = achter hem aan | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | עד (ad) = tot aan | הר (har) = de berg van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | חורבה (khorevah) = Horeb Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. **79:3** Toen hij bij Horeb kwam, verscheen Yahweh hem daar in de doornstruik; hij zag de doornstruik branden in het vuur, maar het vuur had geen macht over de doornstruik om hem te verbranden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבואו (bevo'o) = toen hij kwam | חורבה (khorevah) = bij Horeb | וירא (vayyera) = en verscheen | אליו (elav) = aan hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | שם (shem) = daar | בסנה (bassneh) = in de doornstruik | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | הסנה (hasseneh) = de doornstruik | בוער (bo'er) = brandend | באש (ba'esh) = in vuur | רק (raq) = maar | האש (ha'esh) = het vuur | לא (lo) = niet | שלטה (shaletah) = had macht | בסנה (bassneh) = over de doornstruik | לשורפו (lisrofo) = om hem te verbranden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 3:1–3 (de brandende doornstruik bij Horeb). Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 3:1–3 **79:4** Mozes verbaasde zich over dit gezicht, waarom de doornstruik niet verbrandde, en hij naderde om dit ontzagwekkende te zien. En Yahweh riep Mozes toe uit het midden van het vuur en gebood hem af te dalen naar Egypte, naar de farao, de koning van Egypte, om de zonen van Israël uit zijn arbeid te laten gaan. Brontekst: ויתמה (vayitmah) = en verbaasde zich | משה (moshe) = Mozes | מן (min) = over | המראה (hammar'eh) = het gezicht | הזה (hazzeh) = deze | מדוע (maddu'a) = waarom | לא (lo) = niet | יבער (yiv'ar) = verbrandde | הסנה (hasseneh) = de doornstruik | ויגש (vayyigash) = en naderde | לראות (lir'ot) = om te zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הנורא (hanora) = het ontzagwekkende | הזה (hazzeh) = deze | ויקרא (vayikra) = en riep | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | מתוך (mitokh) = uit het midden van | האש (ha'esh) = het vuur | ויצוהו (vayetsavvehu) = en gebood hem | לרדת (laredet) = om af te dalen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | אל (el) = naar | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לשלח (leshalakh) = te laten gaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מעבודתו (me'avodato) = van zijn arbeid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **79:5** Yahweh zei tegen Mozes: **„Ga, keer terug naar Egypte, want alle mannen die je leven zochten, zijn gestorven; en spreek tot de farao om Israël uit zijn land te laten gaan.”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | לך (lekha) = ga | שוב (shuv) = keer terug | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | כי (ki) = want | מתו (metu) = zijn gestorven | כל (kol) = alle | האנשים (ha'anashim) = de mannen | המבקשים (hamevaqshim) = die zochten | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשך (nafshekha) = je leven | ודיברת (vedibbarta) = en spreek | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | לשלח (leshalakh) = te laten gaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | מארצו (me'artso) = uit zijn land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **79:6** Yahweh onderwees hem tekenen en wonderen te doen in Egypte voor de ogen van de farao en voor de ogen van zijn dienaren, opdat zij zouden geloven dat Yahweh hem had gezonden. Brontekst: ויורהו (vayorehu) = en onderwees hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לעשות (la'asot) = om te doen | אותות (otot) = tekenen | ומופתים (umofetim) = en wonderen | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | לעיני (le'einei) = voor de ogen van | פרעה (par'oh) = Farao | ולעיני (ule'einei) = en voor de ogen van | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | למען (lema'an) = opdat | יאמינו (ya'aminu) = zij zouden geloven | כי (ki) = dat | שלח (Shelach) = had gezonden | אותו (oto) = hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 4:1–9 (de tekenen). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 4:1–9 **79:7** Mozes luisterde naar alles wat Yahweh hem had geboden, en hij keerde terug naar zijn schoonvader en vertelde hem de zaak, en Jetro zei tegen hem: „Ga in vrede.” Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | משה (moshe) = Mozes | לכל (lekhol) = naar alles | אשר (asher) = die | ציוהו (tsivvahu) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישב (vayyashev) = en keerde terug | אל (el) = tot | חותנו (khotno) = zijn schoonvader | ויגד (vayyaged) = en vertelde | לו (lo) = hem | הדבר (haddavar) = de zaak | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = tegen hem | יתרו (yitro) = Jetro | לך (lekha) = ga | לשלום (leshalom) = in vrede Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft יתרו (‘Jetro’), de schoonvader van Mozes; de Engelse vertaling heeft Reüel. Zie Ex. 3:1; 4:18. Zie ook: Ex 3:1; Ex 4:18 ### Sippora besnijdt haar zoon **79:8** Mozes stond op om naar Egypte te gaan en nam zijn vrouw en zijn zonen met zich mee; en onderweg, in de herberg, daalde een engel van Elohim neer en zocht een aanleiding tegen hem. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | משה (moshe) = Mozes | ללכת (lalekhet) = om te gaan | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויקח (vayikkach) = en hij nam | עמו (immo) = met zich | את (et) = (lijdend voorwerp) | אישתו (ishto) = zijn vrouw | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בדרך (baderekh) = onderweg | במלון (bamalon) = in de herberg | וירד (vayered) = en hij daalde neer | מלאך (mal'akh) = engel van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | ויבקש (vayevaqqesh) = en zocht | ממנו (mimmennu) = tegen hem | תואנה (to'anah) = een aanleiding Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 4:24–26 (Yahweh zoekt Mozes te doden; Sippora besnijdt haar zoon). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 4:24–26 **79:9** Hij nam zich voor hem te doden vanwege de zaak van zijn eerstgeboren zoon, omdat hij hem niet had besneden en het verbond had overtreden dat Yahweh met Abraham had gesloten. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en nam zich voor | להמיתו (lehamito) = om hem te doden | על (al) = vanwege | דבר (davar) = de zaak van | בנו (beno) = zijn zoon | בכורו (bekhoro) = zijn eerstgeborene | אשר (asher) = die | לא (lo) = niet | מל (mal) = besneden had | אותו (oto) = hem | ויעבור (vaya'avor) = en overtrad | על (al) = — | הברית (habberit) = het verbond | אשר (asher) = die | כרת (karat) = had gesloten | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | אברהם (avraham) = Abraham Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:10** Want Mozes had geluisterd naar de woorden van zijn schoonvader, die hij tot hem had gesproken, om zijn eerstgeboren zoon niet te besnijden; daarom had hij hem niet besneden. Brontekst: כי (ki) = want | שמע (shema) = had geluisterd | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = naar | דברי (divrei) = woorden van | חותנו (khotno) = zijn schoonvader | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | אליו (elav) = tegen hem | לבלתי (levilti) = om niet | מול (mul) = te besnijden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנו (beno) = zijn zoon | בכורו (bekhoro) = zijn eerstgeborene | על (al) = daarom | כן (ken) = — | לא (lo) = niet | מל (mal) = besneden had | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:11** Sippora zag de engel van Yahweh een aanleiding zoeken tegen Mozes, en zij wist dat deze zaak het kind overkwam omdat hij Gersom, haar zoon, niet had besneden. Brontekst: ותרא (vatere) = en zij zag | ציפורה (tsipporah) = Sippora | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מבקש (mevaqesh) = zoekend | תואנה (to'anah) = aanleiding | ממשה (mimmosheh) = tegen Mozes | ותדע (vatedah) = en zij wist | כי (ki) = dat | בעבור (ba'avur) = omdat | אשר (asher) = — | לא (lo) = niet | מל (mal) = besneden had | את (et) = (lijdend voorwerp) | גרשום (gershom) = Gersom | בנה (Benah) = haar zoon | היה (hayah) = was | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לילד (layeled) = voor het kind Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:12** Sippora haastte zich en nam scherpe stenen van de rotsen die daar waren, en besneed haar zoon, en redde haar man en haar zoon uit de hand van de engel van Elohim. Brontekst: ותמהר (vatemaher) = en zij haastte zich | ציפורה (tsipporah) = Sippora | ותיקח (vatiqqach) = en zij nam | מחדודי (mekhadudei) = scherpe stenen van | הצורים (hatsurim) = de rotsen | אשר (asher) = die | שמה (shemah) = daar | ותמל (vatamol) = en zij besneed | את (et) = (lijdend voorwerp) | בנה (Benah) = haar zoon | ותמלא (vattimmale) = en zij redde | את (et) = (lijdend voorwerp) | אישה (ishah) = haar man | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בנה (Benah) = haar zoon | מיד (miyyad) = uit de hand van | מלאך (mal'akh) = engel van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft ותמלא (‘en zij vulde’); gelezen is ותמלט (‘en zij redde’), zoals de Engelse vertaling (‘delivered’). ### Aäron ontmoet Mozes **79:13** Aäron, de zoon van Amram, de broer van Mozes, was in Egypte en wandelde die dag langs de oever van de Nijl. Brontekst: ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | בן (ben) = zoon van | עמרם (amram) = Amram | אחי (echi) = de broer van | משה (moshe) = Mozes | היה (hayah) = was | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | הולך (holekh) = wandelend | על (al) = op | שפת (sefat) = de oever van | היאור (hayeor) = de Nijl | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **79:14** Yahweh verscheen hem op die plaats en zei tegen hem: **„Ga toch Mozes tegemoet in de woestijn.”** Hij ging, ontmoette hem op de berg van Elohim en kuste hem. Brontekst: וירא (vayyera) = en verscheen | אליו (elav) = aan hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | לך (lekha) = ga | נא (na) = toch | לקראת (liqrat) = tegemoet | משה (moshe) = Mozes | המדברה (hammidbarah) = naar de woestijn | וילך (vayelekh) = en hij ging | ויפגשהו (vayifgeshehu) = en ontmoette hem | בהר (bahar) = op de berg | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | וישק (vayishaq) = en kuste | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 4:27 (Aäron ontmoet Mozes bij de berg van Elohim). Zie ook: Ex 4:27 **79:15** Aäron sloeg zijn ogen op en zag Sippora, de vrouw van Mozes, en haar kinderen, en hij zei tegen Mozes: „Wie zijn dezen voor jou?” Brontekst: וישא (vayissa) = en hief | אהרון (aharon) = Aäron | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניו (einav) = zijn ogen | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | ציפורה (tsipporah) = Sippora | אשת (eshet) = vrouw van | משה (moshe) = Mozes | וילדיה (viladeiha) = en haar kinderen | ויאמר (vayomer) = en zei | אל (el) = tegen | משה (moshe) = Mozes | מי (mi) = wie | אלה (elleh) = dezen | לך (lekha) = voor jou Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:16** Mozes zei tegen hem: „Mijn vrouw en mijn zonen zijn zij, die Elohim mij in Midian heeft gegeven.” En de zaak mishaagde Aäron, wegens de vrouw en haar kinderen. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en zei | לו (lo) = tegen hem | משה (moshe) = Mozes | אשתי (ishti) = mijn vrouw | ובניי (uvanai) = en mijn zonen | הם (hem) = zijn zij | אשר (asher) = die | נתן (natan) = heeft gegeven | לי (li) = mij | אלוקים (Elohim) = Elohim | במדין (bemidyan) = in Midian | וירע (vayera) = en het mishaagde | לאהרון (le'aharon) = Aäron | הדבר (haddavar) = de zaak | על (al) = wegens | אודות (odot) = — | האישה (ha'ishah) = de vrouw | וילדיה (viladeiha) = en haar kinderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. **79:17** Aäron zei tegen Mozes: „Laat de vrouw en haar kinderen gaan, naar het huis van haar vader.” En Mozes luisterde naar de woorden van Aäron en deed zo. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אהרון (aharon) = Aäron | אל (el) = tegen | משה (moshe) = Mozes | לשלח (leshalakh) = laat gaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | האישה (ha'ishah) = de vrouw | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | ילדיה (yeladeiha) = haar kinderen | ללכת (lalekhet) = om te gaan | בית (bet) = naar het huis van | אביה (aviha) = haar vader | וישמע (vayishma) = en hoorde | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = naar | דברי (divrei) = woorden van | אהרון (aharon) = Aäron | ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:18** Sippora keerde terug met haar zonen, en zij gingen naar het huis van Reüel en bleven daar tot de tijd dat Yahweh Zijn volk bezocht en hen uit Egypte leidde, uit de hand van de farao. Brontekst: ותשב (vatashav) = en keerde terug | ציפורה (tsipporah) = Sippora | ובניה (uvaneiha) = en haar zonen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בית (bet) = het huis van | רעואל (Re'u'el) = Reüel | וישבו (vayeshvu) = en bleven | שם (shem) = daar | עד (ad) = tot | עת (et) = de tijd dat | פקד (paqad) = bezocht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | עמו (immo) = Zijn volk | ויוציאם (vayotsi'em) = en hen uitleidde | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | מיד (miyyad) = uit de hand van | פרעה (par'oh) = Farao Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Mozes en Aäron in Egypte **79:19** Mozes en Aäron kwamen naar Egypte, naar de gemeenschap van de zonen van Israël, en zij spraken tot hen al de woorden van Yahweh, en het volk verheugde zich met zeer grote vreugde. Brontekst: ומשה (umosheh) = en Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | באו (ba'u) = kwamen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | אל (el) = tot | עדת (adat) = de gemeente van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | אליהם (aleihem) = tot hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישמח (vayismach) = en verheugde zich | העם (ha'am) = het volk | שמחה (semechah) = een vreugde | גדולה (gedolah) = grote | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 4:29–31. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 4:29–31 **79:20** Mozes en Aäron stonden de volgende dag vroeg op en gingen naar het huis van de farao, en de staf van Elohim namen zij in hun hand. Brontekst: וישכימו (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | משה (moshe) = Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | ממחרת (mimmochorat) = de volgende dag | וילכו (vayelkhu) = en gingen | עד (ad) = naar | בית (bet) = het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | ומטה (umatah) = en de staf van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | לקחו (laqchu) = namen zij | בידם (beyadam) = in hun hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De leeuwen bij de poort **79:21** Toen zij bij de poort van de koning kwamen, waren daar twee jonge leeuwen opgesloten in ijzeren boeien, en niemand ging uit of in vanwege hen, behalve wie de koning beval binnen te komen, wanneer de bezweerders met hen kwamen en de jonge leeuwen met hun bezweringen wegnamen en hem bij de koning brachten. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבואם (bevo'am) = toen zij kwamen | אל (el) = bij | שער (sha'ar) = de poort van | המלך (hammelekh) = de koning | ושני (ushnei) = en twee | כפירי (kefirei) = jonge | אריות (aryot) = leeuwen | סגורים (segurim) = opgesloten | שם (shem) = daar | בכבלי (bekhavlei) = in boeien van | ברזל (barzel) = ijzer | ואין (veein) = en niemand | איש (ish) = — | יוצא (yotse) = ging uit | ובא (uva) = of in | מפניהם (mippneihem) = vanwege hen | לבד (levad) = behalve | מאשר (me'asher) = wie | יצוה (yetsavveh) = beval | המלך (hammelekh) = de koning | לבוא (lavo) = binnen te gaan | ויבואו (vayavo'u) = wanneer kwamen | אתם (ittam) = met hen | המלחשים (hamelakhashim) = de bezweerders | ויסירו (vayasiru) = en haalden weg | הכפירים (hakkefirim) = de jonge leeuwen | בלחשיהם (belakhasheihem) = met hun bezweringen | ויביאוהו (vayeviuhu) = en brachten hem | למלך (lammelekh) = bij de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:22** Mozes haastte zich en sloeg met de staf op de jonge leeuwen en liet hen los, en Mozes en Aäron kwamen in het huis van de koning. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | משה (moshe) = Mozes | ויגף (vayagef) = en sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטה (hammateh) = de staf | על (al) = op | הכפירים (hakkefirim) = de jonge leeuwen | ויתירם (vayatirem) = en liet hen los | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | משה (moshe) = Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | בית (bet) = het huis van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:23** Ook de jonge leeuwen kwamen met hen mee in vreugde, en zij volgden hen en verheugden zich, zoals een hond zich verheugt over zijn heer, als hij van het veld komt. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | הכפירים (hakkefirim) = de jonge leeuwen | באו (ba'u) = kwamen | איתם (ittam) = met hen | בשמחה (besimchah) = in vreugde | וירדפו (vayyirdefu) = en volgden | אחריהם (acharehem) = hen | וישמחו (vayismechu) = en verheugden zich | כאשר (ka'asher) = zoals | ישמח (yismakh) = zich verheugt | הכלב (hakkelev) = de hond | אל (el) = over | אדוניו (adonav) = zijn heer | בבואו (bevo'o) = als hij komt | מן (min) = uit | השדה (hasadeh) = het veld Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:24** Toen de farao dit zag, verbaasde hij zich daarover en werd hij zeer verschrikt door het bericht, want hun uiterlijk was als het uiterlijk van de zonen van Elohim. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen hij zag | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויתמה (vayitmah) = en hij verbaasde zich | על (al) = over | ככה (kakhah) = dit | ויבהל (vayibbahel) = en werd verschrikt | מאוד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = door | השמועה (hashemu'a) = het bericht | כי (ki) = want | היה (hayah) = was | תארם (to'aram) = hun uiterlijk | כתואר (kethoar) = zoals het uiterlijk van | בני (bnei) = zonen van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:25** De farao zei tegen Mozes en tegen Aäron: „Wat willen jullie?” Zij antwoordden hem: „Yahweh, de Elohim van de Hebreeën, heeft ons tot je gezonden om te zeggen: **‘Zend Mijn volk, opdat zij Mij dienen.’**” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | ואל (ve'el) = en tot | אהרון (aharon) = Aäron | מה (mah) = wat | תחפצו (tachpetsu) = jullie willen | ויענוהו (vaya'anuhu) = en zij antwoordden hem | לאמור (lemor) = zeggende | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | שלחנו (shelakhanu) = heeft ons gezonden | אליך (elekha) = tot je | לאמור (lemor) = om te zeggen | שלח (Shelach) = Zend | את (et) = (lijdend voorwerp) | עמי (immi) = Mijn volk | ויעבדוני (veya'avduni) = opdat zij Mij dienen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:26** Toen de farao hun woorden hoorde, vreesde hij hen zeer en zei tegen hen: „Ga vandaag weg en kom morgen terug bij mij.” En zij deden naar het woord van de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | דבריהם (divreihem) = hun woorden | ויירא (vayira) = en hij vreesde | מאוד (me'od) = zeer | מפניהם (mippneihem) = van hen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | לכו (lekhu) = gaat | היום (hayyom) = vandaag | ובאתם (uva'tem) = en komt | אליי (elai) = tot mij | למחר (lemacharat) = morgen | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De waarzeggers van de farao **79:27** Toen zij weggegaan waren, zond de farao en riep Bileam, de waarzegger, en Jannes en Jambres, zijn zonen, en alle tovenaars en magiërs, de raadgevers van de koning; en zij kwamen allen en gingen zitten voor de koning. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בלכתם (belekhtam) = toen zij weggegaan waren | וישלח (vayishlach) = en hij zond | פרעה (par'oh) = Farao | ויקרא (vayikra) = en riep | אל (el) = — | בלעם (bil'am) = Bileam | הקוסם (haqosem) = de waarzegger | ואל (ve'el) = en | יונוס (yonus) = Jannes | וימברוס (vimbros) = en Jambres | בניו (banav) = zijn zonen | ואל (ve'el) = en | כל (kol) = alle | המכשפים (hamekhashefim) = de tovenaars | והחרטומים (vehacharetummim) = en de magiërs | היועצים (hayo'atsim) = de raadgevers | אשר (asher) = die | למלך (lammelekh) = van de koning | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כולם (kullam) = allen | וישבו (vayeshvu) = en gingen zitten | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft יונוס (‘Jonus’) en ימברוס (‘Jimbros’); hier weergegeven als Jannes en Jambres, de namen uit 2 Tim. 3:8 en in de Engelse vertaling. Zie ook: 2 Tim 3:8 **79:28** De koning vertelde hun alle woorden die Mozes en Aäron, zijn broer, tot hem hadden gesproken. En de magiërs zeiden tot de koning: „En hoe zijn de mannen tot je gekomen, vanwege de jonge leeuwen die aan de poort gebonden zijn?” Brontekst: ויספר (vayesaper) = en vertelde | להם (lahem) = hun | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | אשר (asher) = die | דיברו (dibberu) = spraken | אליו (elav) = tegen hem | משה (moshe) = Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | אחיו (achiv) = zijn broer | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | החרטומים (hacharttumim) = de magiërs | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | ואיך (ve'ekh) = en hoe | באו (ba'u) = kwamen | אליך (elekha) = tot je | האנשים (ha'anashim) = de mannen | מפני (mippenei) = vanwege | הכפירים (hakkefirim) = de jonge leeuwen | האסורים (ha'asurim) = die gebonden zijn | בשער (besha'ar) = in de poort van Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:29** De koning zei: „Omdat zij hun staven op de jonge leeuwen zwaaiden en hen losmaakten en tot mij kwamen; en ook de jonge leeuwen verheugden zich hen tegemoet, zoals een hond zich verheugt zijn heer tegemoet.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | המלך (hammelekh) = de koning | כי (ki) = omdat | הניפו (henifu) = zij zwaaiden | מטיהם (mateihem) = hun staven | על (al) = op | הכפירים (hakkefirim) = de jonge leeuwen | ויתירום (vayatirum) = en zij lieten hen los | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אליי (elai) = tot mij | וגם (vegam) = en ook | הכפירים (hakkefirim) = de jonge leeuwen | שמחו (samechu) = verheugden zich | לקראתם (liqratam) = hen tegemoet | כשמוח (kismoakh) = zoals zich verheugt | הכלב (hakkelev) = de hond | לקראת (liqrat) = tegemoet | אדוניו (adonav) = zijn heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:30** Bileam, de zoon van Beor, de waarzegger, antwoordde de koning: „Dezen zijn niets anders dan tovenaars zoals wij. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | בלעם (bil'am) = Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | הקוסם (haqosem) = de waarzegger | את (et) = aan | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | אין (ein) = zijn niet | אלה (elleh) = dezen | כי (ki) = anders | אם (em) = dan | מכשפים (mekhashefim) = tovenaars | כמונו (kamonu) = zoals wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:31** En nu, zend toch om hen, laat hen komen en laten wij hen beproeven.” En de koning deed zo. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | שלח (Shelach) = zend | נא (na) = toch | בעדם (ba'adam) = om hen | ויבואו (vayavo'u) = laat hen komen | ונבחנה (venivkhanah) = en laten wij beproeven | אותם (otam) = hen | ויעש (vayya'as) = en deed | המלך (hammelekh) = de koning | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:32** In de ochtend zond de farao naar Mozes en naar Aäron om voor de koning te komen; en zij namen de staf van Elohim en kwamen bij de koning en spraken tot hem: Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | וישלח (vayishlach) = en hij zond | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = naar | משה (moshe) = Mozes | ואל (ve'el) = en naar | אהרון (aharon) = Aäron | לבוא (lavo) = om te komen | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מטה (mateh) = de staf van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | וידברו (vayedabberu) = en spraken | לו (lo) = tot hem | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:33** „Zo zegt Yahweh, de Elohim van de Hebreeën: **‘Zend Mijn volk, opdat zij Mij dienen.’**” Brontekst: כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | שלח (Shelach) = Zend | את (et) = (lijdend voorwerp) | עמי (immi) = Mijn volk | ויעבדוני (veya'avduni) = opdat zij Mij dienen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:34** De koning zei tegen hen: „En wie zal jullie geloven dat jullie gezanten van Elohim zijn en op Zijn bevel tot mij zijn gekomen? Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | המלך (hammelekh) = de koning | ומי (umei) = en wie | יאמין (ya'amin) = zal geloven | לכם (lakhem) = aan jullie | כי (ki) = dat | שלוחי (shluchei) = gezanten van | אלוקים (Elohim) = Elohim | אתם (ittam) = jullie | ועל (ve'al) = en op | פיו (pihu) = Zijn bevel | באתם (ba'tem) = jullie gekomen zijn | אליי (elai) = tot mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:35** Geef nu zelf een wonder en een teken in deze zaak, en dan zullen jullie woorden, die jullie spreken, geloofd worden.” Brontekst: עתה (attah) = nu | תנו (tenu) = geef | לכם (lakhem) = voor jullie | מופת (mofet) = wonder | ואות (ve'ot) = en teken | בדבר (bedabber) = in de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ואז (ve'az) = en dan | יאמנו (ye'amenu) = zullen geloofd worden | דבריכם (divreikhem) = jullie woorden | אשר (asher) = die | תדברו (tedaberu) = jullie spreken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De staf en de slangen **79:36** Aäron haastte zich en wierp de staf uit zijn hand voor de farao en voor zijn dienaren, en de staf werd een slang. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | אהרון (aharon) = Aäron | וישלך (vayashlekh) = en hij wierp | את (et) = (lijdend voorwerp) | המטה (hammateh) = de staf | מידו (miyyado) = uit zijn hand | לפני (lifnei) = voor | פרעה (par'oh) = Farao | ולפני (velifnei) = en voor | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ותשב (vatashav) = en werd | המטה (hammateh) = de staf | לתנין (latannin) = tot een slang Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 7:8–12 (de staf van Aäron wordt een תנין, ‘slang’). Zie ook: Ex 7:8–12 **79:37** De magiërs zagen dit, en ook zij, de magiërs, deden zo: ieder wierp zijn staf op de grond, en zij werden slangen. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | החרטומים (hacharttumim) = de magiërs | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויעשו (vaya'asu) = en deden | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | החרטומים (hacharttumim) = de magiërs | כן (ken) = zo | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | איש (ish) = ieder | מטהו (matehu) = zijn staf | ארצה (artsah) = op de grond | ויהיו (vayihyu) = en werden | לתנינים (latanninim) = tot slangen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:38** De slang van de staf van Aäron hief zijn kop op en opende zijn bek om de slangen van de staven van de tovenaars te verslinden. Brontekst: וישא (vayissa) = en hief op | תנין (tannin) = de slang van | מטה (mateh) = de staf van | אהרון (aharon) = Aäron | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראשו (rosho) = zijn kop | ויפתח (vayiftach) = en opende | את (et) = (lijdend voorwerp) | פיו (pihu) = zijn bek | לבלוע (livlo'a) = om te verslinden | את (et) = (lijdend voorwerp) | תניני (tanninei) = de slangen van | מטות (matot) = staven van | המכשפים (hamekhashefim) = de tovenaars Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:39** Bileam, de waarzegger, antwoordde en zei: „Sinds de dagen van weleer is dit zo geweest, dat een slang zijn naaste verslindt en dat de vissen van de zee elkaar verslinden. Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | בלעם (bil'am) = Bileam | הקוסם (haqosem) = de waarzegger | ויאמר (vayomer) = en hij zei | מימי (miyyemei) = sinds de dagen van | קדם (qedem) = weleer | היה (hayah) = is geweest | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = dat | יבלע (yivla) = verslindt | תנין (tannin) = slang | את (et) = (lijdend voorwerp) | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | ואשר (va'asher) = en dat | יבלעו (yivle'u) = verslinden | דגי (degei) = vissen van | הים (hayyam) = de zee | איש (ish) = de een | את (et) = (lijdend voorwerp) | רעהו (re'ehu) = de ander Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:40** En nu, breng hem toch terug tot een staf, zoals eerst, en laten ook wij onze staven terugbrengen zoals eerst. En als jouw staf onze staven verslindt, dan weten wij dat de geest van Elohim in je is; en zo niet, zie, dan ben je een ambachtsman zoals wij.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | השיבהו (heshivahu) = breng hem terug | נא (na) = toch | למטה (lemata) = tot een staf | כבראשונה (kaRishonah) = zoals eerst | ונשיבה (veneshivah) = en laten wij terugbrengen | גם (gam) = ook | אנחנו (anachnu) = wij | את (et) = (lijdend voorwerp) | מטותינו (matotenu) = onze staven | כבראשונה (kaRishonah) = zoals eerst | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | בלע (bela) = verslindt | מטך (matkha) = jouw staf | את (et) = (lijdend voorwerp) | מטותינו (matotenu) = onze staven | וידענו (vediy'anu) = dan weten wij | כי (ki) = dat | רוח (ruach) = geest van | אלוקים (Elohim) = Elohim | בך (bekha) = in je | ואם (ve'im) = en zo | אין (ein) = niet | הנה (hinneh) = zie | חרש (charash) = een ambachtsman | אתה (attah) = ben je | כמונו (kamonu) = zoals wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: חרש (‘ambachtsman’, ‘bewerker’); de Engelse vertaling heeft ‘artificer’. **79:41** Aäron haastte zich, strekte zijn hand uit en greep de slang bij de staart, en hij werd een staf in zijn hand; en de magiërs deden hetzelfde met hun staven, en zij grepen ieder zijn slang bij de staart, en zij werden staven zoals eerst. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | אהרון (aharon) = Aäron | וישלח (vayishlach) = en strekte uit | ידו (yado) = zijn hand | ויחזק (vayechazzeq) = en greep | בזנב (bezanav) = bij de staart van | התנין (hatannin) = de slang | ויהי (vayehi) = en werd | למטה (lemata) = tot een staf | בכפו (bekhappo) = in zijn hand | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | החרטומים (hacharttumim) = de magiërs | כן (ken) = zo | במטותם (bematotam) = met hun staven | ויחזיקו (vayachaziqu) = en grepen | איש (ish) = ieder | בזנב (bezanav) = bij de staart van | תנינו (tanino) = zijn slang | ויהיו (vayihyu) = en werden | למטות (lematot) = tot staven | כבראשונה (kaRishonah) = zoals eerst Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:42** En toen zij weer staven geworden waren, verslond de staf van Aäron hun staven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשובם (beshuvam) = toen zij terugkeerden | למטות (lematot) = tot staven | ויבלע (vayivla) = en hij verslond | מטה (mateh) = de staf van | אהרון (aharon) = Aäron | את (et) = (lijdend voorwerp) | מטותם (matotam) = hun staven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het boek van de afgoden van Egypte **79:43** Toen de koning dit zag, gebood hij het boek van de gedenkschriften van de koningen van Egypte te brengen; en zij brachten het boek van de gedenkschriften, de kronieken van de koningen van Egypte, waarin alle afgoden van Egypte opgeschreven waren, en men las het voor de koning. Toen het boek van de afgoden van Egypte voor de farao werd voorgelezen, vond hij daarin de naam van Yahweh niet, terwijl hij had gezegd die daarin te zullen vinden om te weten wat die was. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen hij zag | המלך (hammelekh) = de koning | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויצו (vayetsav) = en gebood | להביא (lehavi) = te brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | ספר (sefer) = boek | הזיכרונות (hazikhronot) = de gedenkschriften | אשר (asher) = die | למלכי (lemalkhei) = van de koningen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | ספר (sefer) = boek | הזכרונות (hazikhronot) = de gedenkschriften | דברי (divrei) = de kronieken van | הימים (hayyamim) = — | אשר (asher) = die | למלכי (lemalkhei) = van de koningen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אשר (asher) = waarin | כל (kol) = alle | אלילי (elilei) = de afgoden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כתובים (ketuvim) = opgeschreven waren | בו (bo) = daarin | ויקראו (vayiqre'u) = en men las | לפני (lifnei) = voor | המלך (hammelekh) = de koning | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהקרא (bihiqare) = toen voorgelezen werd | ספר (sefer) = boek | אלילי (elilei) = de afgoden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לפני (lifnei) = voor | פרעה (par'oh) = Farao | כי (ki) = want | אמר (amar) = hij had gezegd | למצוא (limtso) = te vinden | הו (ho) = daarin | שם (shem) = de naam van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מה (mah) = wat | הוא (hu) = die is | ולא (velo) = en niet | מצא (matsa) = vond hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: De tekst heeft הו; gelezen is בו (‘daarin’). **79:44** De farao zei tegen Mozes en tegen Aäron: „Zie, ik heb de naam van jullie Elohim niet geschreven gevonden in dit boek, en Zijn naam ken ik niet.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | ואל (ve'el) = en tot | אהרון (aharon) = Aäron | הנה (hinneh) = zie | לא (lo) = niet | מצאתי (matsati) = ik heb gevonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | שם (shem) = de naam van | אלוקיכם (elohekhem) = jullie Elohim | כתוב (katuv) = geschreven | בספר (bassefer) = in het boek | הזה (hazzeh) = deze | ואת (ve'et) = en | שמו (shemo) = Zijn naam | לא (lo) = niet | ידעתי (yada'ti) = ken ik Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:45** De raadgevers van de farao en zijn wijzen antwoordden de koning: „Wij hebben gehoord dat de Elohim van de Hebreeën een zoon van wijzen is, een zoon van koningen van weleer.” Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en zij antwoordden | יועצי (yo'atsei) = raadgevers van | פרעה (par'oh) = Farao | וחכמיו (vekhakhamav) = en zijn wijzen | את (et) = aan | המלך (hammelekh) = de koning | לאמור (lemor) = zeggende | שמענו (shamanu) = wij hebben gehoord | כי (ki) = dat | אלוקי (elohei) = Elohim van | העברים (ha'ivrim) = de Hebreeën | בן (ben) = een zoon van | חכמים (chakhamim) = wijzen | הוא (hu) = hij | בן (ben) = een zoon van | מלכי (malkhei) = koningen van | קדם (qedem) = weleer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:46** De farao wendde zich tot Mozes en tot Aäron en zei tegen hen: „Ik ken Yahweh niet, van wie jullie gesproken hebben, en ook Zijn volk zal ik niet laten gaan.” Brontekst: ויפן (vayyifen) = en wendde zich | פרעה (par'oh) = Farao | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | ואל (ve'el) = en tot | אהרון (aharon) = Aäron | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | לא (lo) = niet | ידעתי (yada'ti) = ik ken | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | אמרתם (amartem) = jullie hebben gezegd | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | עמו (immo) = Zijn volk | לא (lo) = niet | אשלח (eshlach) = zal ik zenden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 5:2 (‘Wie is Yahweh?’). Zie ook: Ex 5:2 ### Mozes en Aäron spreken over Yahweh **79:47** Zij antwoordden en zeiden tot de koning: „Yahweh, de Elohim van de elohim, is Zijn naam, en Hij heeft Zijn naam over ons uitgeroepen sinds de dagen van onze vaders, en zond ons met de woorden: **‘Ga naar de farao en zeg tot hem: ‘Zend Mijn volk, opdat zij Mij dienen.’’** Brontekst: ויענו (vaya'anu) = en antwoordden | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אל (el) = tot | המלך (hammelekh) = de koning | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | האלוקים (ha'Elohim) = de elohim | שמו (shemo) = Zijn naam | ויקרא (vayikra) = en Hij riep uit | עלינו (aleinu) = over ons | שמו (shemo) = Zijn naam | מימי (miyyemei) = sinds de dagen van | אבותינו (avotenu) = onze vaders | וישלחו (vayishlechu) = en Hij zond ons | לאמור (lemor) = zeggende | לכו (lekhu) = gaat | אל (el) = naar | פרעה (par'oh) = Farao | ואמרתם (va'amartem) = en zegt | אליו (elav) = tegen hem | שלח (Shelach) = zend | עמי (immi) = Mijn volk | ויעבדוני (veya'avduni) = opdat zij Mij dienen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft וישלחו (‘en zij zonden’); gelezen is וישלחנו (‘en Hij zond ons’), zoals de Engelse vertaling (‘and sent us’). **79:48** En nu, zend ons toch, en laten wij een reis van drie dagen gaan in de woestijn en voor Hem offeren; want sinds de dagen dat Jakob naar Egypte afdaalde, heeft Hij uit onze handen geen brandoffer, graanoffer of slachtoffer aangenomen. En als je ons niet wegzendt, zal Zijn toorn tegen je ontbranden, en Hij zal Egypte slaan met de pest of met het zwaard.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | שלח (Shelach) = zend | נא (na) = toch | אותנו (otanu) = ons | ונלכה (venelkhah) = en laten wij gaan | נא (na) = toch | דרך (derekh) = een reis van | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | ונזבחה (venizbekhah) = en laten wij offeren | לו (lo) = voor Hem | כי (ki) = want | מימי (miyyemei) = sinds de dagen van | רדת (redet) = het afdalen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | לא (lo) = niet | לקח (laqach) = heeft Hij aangenomen | מידינו (miyadenu) = uit onze handen | עולה (oleh) = een brandoffer | ומנחה (umnchah) = en een graanoffer | וזבח (vezavakh) = en een slachtoffer | ואם (ve'im) = en als | אינך (enkha) = niet | משלח (meshaleach) = je wegzendt | אותנו (otanu) = ons | יחרה (yekhar) = ontbrandt | אפו (appo) = Zijn toorn | עליך (aleikha) = tegen je | והכה (vehikkah) = en Hij zal slaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בדבר (bedabber) = met de pest | או (o) = of | בחרב (bacherev) = met het zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 5:3. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 5:3 **79:49** De farao zei tegen hen: „Vertel mij toch over Zijn kracht en Zijn macht.” Zij zeiden tegen hem: „Hij heeft de hemel en de aarde geschapen, de zeeën en al hun vissen; Hij vormt het licht en schept de duisternis; Hij laat het regenen op de aarde en drenkt haar, en laat het gewas en het gras erop uitspruiten; Hij schept mens en vee, de dieren van het woud, het gevogelte van de hemel en de vissen van de zee, en op Zijn bevel leven zij en sterven zij. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | פרעה (par'oh) = Farao | אליהם (aleihem) = tot hen | ספרו (sapperu) = vertel | נא (na) = toch | לי (li) = mij | את (et) = (lijdend voorwerp) | כוחו (kocho) = zijn kracht | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | גבורתו (gevurato) = zijn macht | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = tot hem | הוא (hu) = Hij | בראת (barata) = heeft geschapen | את (et) = (lijdend voorwerp) | השמים (hashamayim) = de hemel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = de aarde | ימים (yamim) = de zeeën | וכל (vekhol) = en al | דגתם (dagatam) = hun vissen | יוצר (yotser) = die vormt | אור (or) = het licht | ובורא (uvore) = en schept | חושך (choshekh) = de duisternis | ממטיר (mamtir) = die laat regenen op | ארץ (erets) = de aarde | ומרוה (umarveh) = en drenkt | אותה (otah) = haar | ויציץ (vayatsits) = en laat uitspruiten | בה (bah) = daarop | צמח (tsemach) = het gewas | ודשא (vedeshe) = en gras | בורא (bore) = die schept | אדם (adam) = mens | ובהמה (uvehemah) = en vee | וחיתו (vekhayto) = en de dieren van | יער (ya'ar) = het woud | ועוף (ve'of) = en gevogelte van | השמים (hashamayim) = de hemel | ודגי (udegei) = en de vissen van | הים (hayyam) = de zee | ועל (ve'al) = en op | פיו (pihu) = Zijn bevel | יחיו (yikhyu) = leven zij | וימותו (vayamutu) = en sterven zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft הוא בראת (‘U hebt geschapen’); gelezen is הוא ברא (‘Hij schiep’), zie vers 50. **79:50** Heeft Hij jou niet geschapen in de schoot van je moeder, en je de adem van het leven gegeven, en je laten opgroeien en je op de troon van het koningschap van Egypte gezet? En Hij zal je adem en je ziel van je nemen en je terugbrengen tot de grond waaruit je genomen bent.” Brontekst: הלא (halo) = immers | הוא (hu) = Hij | ברא (bara) = heeft geschapen | אותך (otekha) = jou | ברחם (berekhem) = in de schoot van | אמך (immekha) = je moeder | ויתן (vayitten) = en gegeven | בך (bekha) = in je | רוח (ruach) = de adem van | חיים (chayyim) = leven | ויגדלך (vayegaddelkha) = en je laten opgroeien | ויושיבך (vayoshivkha) = en je gezet | על (al) = op | כיסא (kisse) = de troon van | מלכות (malkhut) = het koningschap van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | והוא (vehu) = en Hij | יקח (yiqqach) = zal nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | רוחך (ruakhkha) = jouw adem | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נפשך (nafshekha) = je ziel | ממך (mimmekha) = van je | וישיב (veyashiv) = en zal terugbrengen | אותך (otekha) = jou | אל (el) = tot | האדמה (ha'adamah) = de grond | אשר (asher) = die | לוקחת (luqakhta) = je genomen bent | משם (misham) = vandaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **79:51** De toorn van de koning ontbrandde bij hun woorden, en hij zei tegen hen: „Maar wie onder alle elohim van de volken kan dit doen? Mijn Nijl is van mij, en ik heb mijzelf gemaakt.” Brontekst: ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = de toorn van | המלך (hammelekh) = de koning | בדבריהם (bidvareihem) = bij hun woorden | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | ומי (umei) = maar wie | בכל (bekhol) = onder alle | אלוקי (elohei) = elohim van | העמים (ha'amim) = de volken | אשר (asher) = die | יוכל (yukhal) = kan | לעשות (la'asot) = om te doen | כן (ken) = dit | לי (li) = van mij | יאורי (ye'ori) = mijn Nijl | ואני (va'ani) = en ik | עשיתני (asitani) = heb mijzelf gemaakt Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ez. 29:3 (‘mijn Nijl is van mij, en ik heb mijzelf gemaakt’). ### De arbeid wordt zwaarder **79:52** Hij joeg hen van zich weg en gebood de arbeid van Egypte over Israël zwaarder te maken dan gisteren en eergisteren. Brontekst: ויגרש (vayegaresh) = en joeg weg | אותם (otam) = hen | מלפניו (millefanav) = van zich | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | להכביד (lehakhbid) = zwaarder te maken | עבודת (avodat) = de arbeid van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | על (al) = op | ישראל (yisra'el) = Israël | מתמול (mitmol) = dan gisteren | שלשום (shilshom) = en eergisteren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 5:6–9. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 5:6–9 **79:53** Mozes en Aäron gingen weg van het aangezicht van de farao en zagen de zonen van Israël in ellende, want de drijvers van de farao hadden de arbeid zeer zwaar over hen gemaakt. Brontekst: ומשה (umosheh) = en Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | יצאו (yatse'u) = gingen uit | מאת (me'et) = van | פני (pnei) = het aangezicht van | פרעה (par'oh) = Farao | ויראו (vayiru) = en zij zagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ברעה (bara'ah) = in ellende | כי (ki) = want | הכבידו (hikhbidu) = hadden zwaar gemaakt | עליהם (aleihem) = over hen | נוגשי (noggesei) = de drijvers van | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | העבודה (ha'avodah) = de arbeid | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **79:54** Mozes keerde terug tot Yahweh en zei: „Waarom hebt U Uw volk kwaad gedaan? Want sinds ik tot de farao ben gekomen om te spreken, waarvoor U mij gezonden hebt, heeft hij de zonen van Israël zeer kwaad gedaan.” Brontekst: וישב (vayyashev) = en keerde terug | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en hij zei | למה (lammah) = waarom | הרעות (hara'ot) = hebt U kwaad gedaan aan | לעמך (le'amekha) = Uw volk | כי (ki) = want | מאז (me'az) = sinds | באתי (ba'ti) = ik gekomen ben | לדבר (laddavar) = om te spreken | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | שלחתני (shelakhtani) = U mij gezonden hebt | הרע (hara) = heeft hij kwaad gedaan | לבני (livnei) = aan de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 5:22–23. Zie ook: Ex 5:22–23 **79:55** Yahweh zei tegen Mozes: **„Zie, je zult zien dat de farao de zonen van Israël met sterke hand en met zware plagen uit zijn land zal laten gaan.”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | הנך (hinnekh) = zie, jij | רואה (ro'eh) = ziet | כי (ki) = dat | ביד (beyad) = met hand | חזקה (chazaqah) = sterke hand | ובמכות (uvemakkot) = en met plagen | נמרצות (nimratsot) = zware | ישלח (yishlach) = zal laten gaan | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מארצו (me'artso) = uit zijn land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 6:1. Zie ook: Ex 6:1 **79:56** Mozes en Aäron bleven wonen te midden van hun broers, de zonen van Israël, in Egypte. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en bleven wonen | משה (moshe) = Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | בקרב (beqerev) = te midden van | אחיהם (achihem) = hun broers | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **79:57** Wat de zonen van Israël betreft: de Egyptenaren maakten hun leven bitter met zware arbeid, die zij hun nog zwaarder oplegden. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מררו (mereru) = maakten bitter | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | חייהם (chayyehem) = hun leven | בעבודה (ba'avodah) = met arbeid | קשה (qashah) = zware | אשר (asher) = die | הכבידו (hikhbidu) = zij zwaarder maakten | עליהם (aleihem) = over hen | עוד (od) = nog Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 1:13–14. Zie ook: Ex 1:13–14 ## Jasher 80 _De tien plagen en de uittocht_ ### Het water wordt bloed **80:1** Na verloop van twee jaar zond Yahweh Mozes opnieuw naar de farao, om de zonen van Israël uit te leiden en hen weg te zenden uit het land Egypte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | שנתיים (shenatayim) = twee jaar | ימים (yamim) = — | ויוסף (vayosef) = en opnieuw | יהוה (Yahweh) = Yahweh | שלח (Shelach) = zond | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = naar | פרעה (par'oh) = Farao | להוציא (lehotsi) = om uit te leiden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לשלחם (leshallecham) = en hen weg te zenden | מארץ (me'erets) = uit het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:2** Mozes ging en kwam in het huis van de farao en sprak tot hem de woorden van Yahweh, die hem had gezonden, maar de farao wilde niet luisteren naar de stem van Yahweh; en Elohim wekte Zijn macht op in Egypte tegen de farao en tegen zijn dienaren, en Elohim sloeg de farao en zijn volk met zware en zeer grote plagen. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | משה (moshe) = Mozes | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | בית (bet) = het huis van | פרעה (par'oh) = Farao | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | אליו (elav) = tegen hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | שלחו (shalchu) = had gezonden | ולא (velo) = en niet | אבה (avah) = wilde | פרעה (par'oh) = Farao | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | בקול (bekol) = naar de stem van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויעורר (vaya'orer) = en wekte op | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | גבורתו (gevurato) = Zijn macht | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | על (al) = tegen | פרעה (par'oh) = Farao | ועל (ve'al) = en tegen | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | ויך (vayyakh) = en sloeg | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | פרעה (par'oh) = Farao | ואת (ve'et) = en | עמו (immo) = zijn volk | במכות (bemakkot) = met plagen | רעות (ra'ot) = zware | וגדולות (ugdolot) = en grote | עד (ad) = tot | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:3** Yahweh zond door de hand van Aäron en veranderde al het water van Egypte in bloed, en al hun stromen en hun rivieren. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ביד (beyad) = door de hand van | אהרון (aharon) = Aäron | ויהפוך (vayahafokh) = en veranderde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מימי (miyyemei) = de wateren van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לדם (ladam) = tot bloed | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | יאוריהם (ye'oreihem) = hun stromen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נהרותם (naharotam) = hun rivieren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 7:14–25 (het water wordt bloed). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 7:14–25 **80:4** Toen een Egyptenaar kwam om te drinken en water te putten, keek hij in zijn kruik, en zie, al het water was in bloed veranderd; en toen hij kwam om uit zijn beker te drinken, werd het water in de beker bloed. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוא (bevo) = toen kwam | המצרי (hamitsri) = de Egyptenaar | לשתות (lishtot) = om te drinken | ולשאוב (velish'ov) = en te putten | מים (mayim) = water | והביט (vehibit) = en hij keek | אל (el) = in | כדו (kado) = zijn kruik | והנה (vehinneh) = en zie | כל (kol) = alle | המים (hammayim) = het water | נהפכו (nehepkhu) = was veranderd | לדם (ladam) = tot bloed | ובבואו (uvevo'o) = en toen hij kwam | לשתות (lishtot) = om te drinken | בכוסו (bekhoso) = uit zijn beker | והיה (vehayah) = werd | המים (hammayim) = het water | אשר (asher) = dat | בכוס (bakhos) = in de beker | לדם (ladam) = tot bloed Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **80:5** En toen de vrouw haar meel kneedde en haar gerecht kookte, kreeg het het aanzien van bloed. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | בלוש (bilush) = bij het kneden van | האישה (ha'ishah) = de vrouw | את (et) = (lijdend voorwerp) | קמחה (qimkha) = haar meel | ובבשלה (uvevashla) = en bij het koken van | את (et) = (lijdend voorwerp) | תבשילה (tavshilah) = haar gerecht | ויהיו (vayihyu) = en werden | מראיהם (mar'eihem) = hun aanzien | למראה (lemar'eh) = tot het aanzien van | הדם (haddam) = bloed Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De kikkers **80:6** Yahweh zond opnieuw, en al hun wateren wemelden van kikkers, en alle kikkers kwamen in de huizen van Egypte. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עוד (od) = opnieuw | וישרוץ (vayishrots) = en wemelden van | כל (kol) = alle | מימיהם (meimeihem) = hun wateren | צפרדעים (tsefardim) = kikkers | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | הצפרדעים (hatsefardim) = de kikkers | בית (bet) = in de huizen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 8:1–15 (de kikkers). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 7:26–8:11 **80:7** Toen de Egyptenaren water dronken, werden hun buiken met kikkers gevuld, en zij kwaakten in hun ingewanden, zoals zij kwaken als zij in de Nijl zijn. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשתות (bishtot) = bij het drinken | על (al) = door | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | מים (mayim) = water | ותמלאנה (vatimlena) = werden gevuld | בטנם (bitnam) = hun buiken | צפרדעים (tsefardim) = kikkers | ותקרקרנה (vetekarkarnah) = en zij kwaakten | במעיהם (bemei'ehem) = in hun ingewanden | כאשר (ka'asher) = zoals | תקרקרנה (tekarkarnah) = zij kwaken | בהיותם (bihyotam) = als zij waren | ביאור (bayeor) = in de Nijl Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **80:8** Ook al het water van hun drinken en van hun koken veranderde in kikkers, en ook als zij op hun bed lagen, zweetten zij kikkers. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | מי (mi) = het water van | משתיהם (mishteihem) = hun drinken | ומי (umei) = en het water van | תבשילם (tavshilam) = hun koken | שבו (shavu) = veranderde | לצפרדעים (latsefardim) = tot kikkers | וגם (vegam) = en ook | בשכבם (beshokhvam) = toen zij lagen | על (al) = op | מיטתם (mitatam) = hun bed | ויזיעו (vayaziu) = en zweetten | כל (kol) = al | זיעתם (zeatam) = hun zweet | צפרדעים (tsefardim) = kikkers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **80:9** Ondanks dit alles keerde de toorn van Yahweh zich niet van hen af, en Zijn hand bleef uitgestrekt over heel Egypte om hen te slaan met elke zware plaag. Brontekst: בכל (bekhol) = ondanks | זאת (zot) = dit alles | לא (lo) = niet | שב (shav) = keerde zich af | אף (af) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מהם (mehem) = van hen | ועוד (ve'od) = en nog | ידו (yado) = Zijn hand | נטויה (netuyah) = uitgestrekt | על (al) = over | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | להכותם (lehakkotam) = om hen te slaan | בכל (bekhol) = met elke | מכה (makkah) = plaag | גדולה (gedolah) = zware Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De luizen **80:10** Hij zond en sloeg hun stof tot luizen, en de luizen lagen in Egypte twee el hoog op de aarde. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויך (vayyakh) = en sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | עפרם (afram) = hun stof | לכינים (lakinnim) = tot luizen | ותהי (vatehi) = en werd | הכינם (hakinnam) = de luizen | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ברום (berom) = op een hoogte van | שתי (shetei) = twee | אמות (amut) = el | הארץ (ha'arets) = op de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 8:16–19 (de luizen). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 8:12–15 **80:11** Ook waren de luizen zeer talrijk op het vlees van mens en vee, onder alle bewoners van Egypte; ook over de koning en de koningin zond Yahweh de luizen, en het was Egypte zeer benauwd vanwege de luizen. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | על (al) = op | בשר (basar) = vlees | האדם (ha'adam) = de mens | והבהמה (vehabehemah) = en het vee | היו (hayu) = waren | הכינים (hakinnim) = de luizen | הרבה (harbeh) = talrijk | מאוד (me'od) = zeer | בכל (bekhol) = onder alle | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וגם (vegam) = en ook | על (al) = over | המלך (hammelekh) = de koning | והמלכה (vehammalkah) = en de koningin | שלח (Shelach) = zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכינים (hakinnim) = de luizen | ויצר (veyetser) = en het was benauwd | למצרים (leMitsrayim) = voor Egypte | מאוד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = vanwege | הכינים (hakinnim) = de luizen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:12** Ondanks dit alles keerde de toorn van Yahweh zich niet af, en Zijn hand bleef uitgestrekt over Egypte. Brontekst: בכל (bekhol) = ondanks | זאת (zot) = dit alles | לא (lo) = niet | שב (shav) = keerde zich af | אף (af) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ועוד (ve'od) = en nog | ידו (yado) = Zijn hand | נטויה (netuyah) = uitgestrekt | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De wilde dieren **80:13** Yahweh zond in Egypte alle wilde dieren van het veld, en zij kwamen en verwoestten heel Egypte, mens en vee en de bomen en alles wat in Egypte was. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | חית (khayat) = de wilde dieren van | השדה (hasadeh) = het veld | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | וישחיתו (vayashchitu) = en verwoestten | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | האדם (ha'adam) = de mens | והבהמה (vehabehemah) = en het vee | והעץ (vehaets) = en de bomen | וכל (vekhol) = en alles | אשר (asher) = wat | למצרים (leMitsrayim) = in Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 8:20–32 (de zwerm van wilde dieren). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 8:16–28 **80:14** Yahweh zond slangen, vurige slangen en schorpioenen, ook muizen en wezels en padden, samen met kruipers in het stof. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | נחש (nachash) = slangen | שרף (saraf) = vurige | ועקרב (ve'aqrav) = en schorpioenen | גם (gam) = ook | עכבר (akhbar) = muizen | וחולד (vekholed) = en wezels | וצב (vetsav) = en padden | עם (im) = samen met | זוחלי (zokhalei) = kruipers van | עפר (afar) = in het stof Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **80:15** Vliegen en horzels, vlooien en wantsen en muggen, elke zwerm naar zijn soort. Brontekst: זבוב (zevuv) = vlieg | וצירעה (vetsir'ah) = en horzel | פרעוש (par'osh) = vlo | ופשפש (ufishpesh) = en wants | ויתוש (veyatush) = en mug | כל (kol) = elke | ערוב (arov) = zwerm | למינהו (leminehu) = naar zijn soort Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **80:16** En alle kruipend gedierte en alle gevleugelde dieren naar hun soort kwamen naar Egypte en deden de Egyptenaren zeer veel kwaad. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | שרץ (sherets) = kruipend dier | ובעל (uva'al) = en elk | כנף (kanaf) = gevleugeld dier | למינהו (leminehu) = naar zijn soort | באו (ba'u) = kwamen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | וירעו (vayare'u) = en deden kwaad aan | למצרים (leMitsrayim) = de Egyptenaren | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:17** De vlooien en de vliegen kwamen in de ogen van heel Egypte en in hun oren. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | הפרעושים (hapar'oshim) = de vlooien | והזבובים (vehazevuvim) = en de vliegen | בעיני (be'einei) = in de ogen van | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ובאוזניהם (uve'oznehem) = en in hun oren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:18** Ook de horzel kwam over hen en verdreef hen, en zij weken voor haar van kamer naar kamer, en zij zat hen achterna. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | הצירעה (hatsir'ah) = de horzel | באה (ba'ah) = kwam | עליהם (aleihem) = over hen | ותגרשם (vetegareshem) = en zij verdreef hen | ויבואו (vayavo'u) = en zij weken | מפניה (mippeneha) = voor haar | חדר (kheder) = van kamer | בחדר (bacheder) = naar kamer | ותרדוף (vetirdof) = en zij zat hen achterna | אחריהם (acharehem) = achter hen aan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **80:19** Toen Egypte zich verborg voor de zwerm, sloten zij hun deuren achter zich af; en Elohim gebood de Silonit die in de zee was, op te komen en naar Egypte te gaan. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיחבא (behikhave) = toen zich verborg | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מפני (mippenei) = voor | הערוב (ha'arov) = de zwerm | וינעלו (vayin'alu) = en zij sloten af | דלתותיהם (daletotehem) = hun deuren | אחריהם (acharehem) = achter zich | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | הסילונית (hasilonit) = de Silonit | אשר (asher) = die | בים (bayyam) = in de zee | ותעל (vata'al) = en steeg op | ותבוא (vattavo) = en kwam | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הסילונית (‘de Silonit’) is een zeedier; de Engelse vertaling noemt haar ‘the Sulanuth’. Zij komt niet in Exodus voor. **80:20** Zij had lange armen, tien el lang, naar de el van een man. Brontekst: ולה (uleh) = en zij had | אמות (amut) = armen | ארוכות (arukot) = lange | עשר (esar) = tien | אמות (amut) = el | באורך (be'orech) = lang | באמת (be'emet) = naar de el van | איש (ish) = een man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: אמות: de tekst gebruikt אמה eerst voor ‘arm’ (zoals in vers 21) en daarna voor ‘el’; de Engelse vertaling heeft ‘long arms’ en ‘cubits’. **80:21** Zij klom op de daken, trok het plafond en het dakwerk los en sneed ze door, strekte haar arm uit in het huis, nam het slot en de grendel weg en opende de huizen van Egypte. Brontekst: ותעל (vata'al) = en klom op | הגגות (haggagot) = de daken | ותגך (vatagekh) = en trok los | את (et) = (lijdend voorwerp) | התיקרה (hatiqrah) = het plafond | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | המעזיבה (hama'azivah) = het dakwerk | ותחתכם (vetakhtekhem) = en zij sneed ze door | ותישלח (vatishalakh) = en strekte uit | אמתה (amatah) = haar arm | הבייתה (habaytah) = het huis in | ותסר (vatasar) = en nam weg | את (et) = (lijdend voorwerp) | המנעול (haman'ul) = het slot | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הבריח (habariakh) = de grendel | ותפתח (vatiftach) = en zij opende | את (et) = (lijdend voorwerp) | בתי (biti) = de huizen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:22** En daarna kwam de zwerm in de huizen van Egypte, en de zwerm verwoestte Egypte, en het was hun zeer benauwd. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = — | יבואו (yavo'u) = kwam | הערוב (ha'arov) = de zwerm | בית (bet) = in de huizen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישחית (vayashchit) = en verwoestte | הערוב (ha'arov) = de zwerm | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וייצר (vayyitser) = en het was benauwd | להם (lahem) = voor hen | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:23** Ondanks dit alles keerde de toorn van Yahweh zich niet van Egypte af, en Zijn hand bleef over hen uitgestrekt. Brontekst: בכל (bekhol) = ondanks | זאת (zot) = dit alles | לא (lo) = niet | שב (shav) = keerde zich af | אף (af) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ממצרים (mimmitsrayim) = van Egypte | ועוד (ve'od) = en nog | ידו (yado) = Zijn hand | נטויה (netuyah) = uitgestrekt | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De pest **80:24** Elohim zond de pest, en de pest kwam in Egypte, onder de paarden, onder de ezels en onder de kamelen, onder het rundvee en onder het kleinvee en onder alle mensen. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de pest | ויבוא (vayavo) = en kwam | דבר (davar) = de pest | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | בסוסים (basusim) = onder de paarden | בחמורים (bakhamorim) = onder de ezels | ובגמלים (uvagemalim) = en onder de kamelen | בבקר (babaqar) = onder het rundvee | ובצאן (uvatson) = en onder het kleinvee | ובכל (uvkhol) = en onder alle | האדם (ha'adam) = de mensen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 9:1–7 (de pest onder het vee). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 9:1–7 **80:25** Toen heel Egypte ’s ochtends vroeg opstond om zijn vee uit te drijven om te weiden, vonden zij al hun vee dood. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהשכים (behashkim) = toen zij vroeg opstonden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | להוציא (lehotsi) = om uit te drijven | מקניהם (miqneihem) = hun vee | לרעות (lir'ot) = om te weiden | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מקניהם (miqneihem) = hun vee | כי (ki) = dat | מתו (metu) = dood waren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:26** Er bleef van het vee van heel Egypte niet meer over dan één van de tien, maar van het vee van de zonen van Israël, dat in Gosen was, stierf er niet één. Brontekst: ולא (velo) = en niet | נותר (notar) = bleef over | ממקנה (mimiqneh) = van het vee van | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | זולתי (zulati) = behalve | אחד (echad) = één | מעשר (ma'aser) = van de tien | וממקנה (umimiqneh) = en van het vee van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = die | בגושן (bagoshen) = in Gosen | לא (lo) = niet | מת (met) = stierf | אחד (echad) = één Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. ### De zweren **80:27** Elohim zond een brandende ontsteking in het vlees van Egypte, en zij deed hun vlees barsten, en het werd een boze zweer in heel Egypte, van hun voetzool tot hun kruin. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | אלוקים (Elohim) = Elohim | דלקת (dalleqet) = ontsteking van | אש (esh) = vuur | בבשר (bivsar) = in het vlees van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויבקע (vayivqa) = en deed barsten | את (et) = (lijdend voorwerp) | בשרם (besaram) = hun vlees | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | לשחין (lishkhin) = tot een zweer | רע (ra) = boze | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מכף (mikkaf) = van de zool van | רגלם (raglam) = hun voet | ועד (ve'ad) = tot | קדקדם (qodqodam) = hun kruin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 9:8–12 (de zweren). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 9:8–12 **80:28** Er waren in heel hun vlees vele builen, en hun vlees liep van hen af, totdat zij wegteerden en gingen stinken. Brontekst: ותהיין (vatihyenah) = en er waren | בכל (bekhol) = in heel | בשרם (besaram) = hun vlees | אבעבועות (avaavuot) = builen | רבות (rabbot) = vele | ויזב (vayazov) = en liep weg | בשרם (besaram) = hun vlees | מעליהם (me'aleihem) = van hen af | עד (ad) = totdat | כי (ki) = — | נמקו (namaqu) = zij wegteerden | ויבאשו (vayiv'ashu) = en gingen stinken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **80:29** Ondanks dit alles keerde de toorn van Yahweh zich niet af, en Zijn hand bleef uitgestrekt over heel Egypte. Brontekst: בכל (bekhol) = ondanks | זאת (zot) = dit alles | לא (lo) = niet | שב (shav) = keerde zich af | אף (af) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ועוד (ve'od) = en nog | ידו (yado) = Zijn hand | נטויה (netuyah) = uitgestrekt | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כולה (kullah) = geheel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De hagel **80:30** Yahweh zond zeer zware hagel, en die trof hun wijnstokken en brak de vruchtbomen en liet ze verdorren, en zij verwelkten daaronder. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ברד (bered) = hagel | כבד (kaved) = zware | מאוד (me'od) = zeer | ויך (vayyakh) = en trof | את (et) = (lijdend voorwerp) | גפנם (gafnam) = hun wijnstokken | וישבר (vayeshaber) = en brak | את (et) = (lijdend voorwerp) | עץ (ets) = de bomen van | פרים (parim) = vrucht | ויבש (vayevash) = en liet verdorren | אותם (otam) = hen | ויבלו (vayiblu) = en zij verwelkten | עליהם (aleihem) = daarover Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 9:13–35 (de hagel). Zie ook: Ex 9:13–35 **80:31** Ook al het groene kruid verdorde en ging verloren, want oplaaiend vuur daalde neer midden in de hagel; daarom verteerden de hagel en het vuur alles. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | ירק (yaraq) = groen | עשב (esav) = kruid | יבש (yavesh) = verdorde | ואבד (ve'avad) = en ging verloren | כי (ki) = want | אש (esh) = een vuur | מתלקחת (mitlaqkhat) = oplaaiend | ירדה (yarda) = daalde neer | בתוך (betokh) = midden in | הברד (habarad) = de hagel | על (al) = daarom | כן (ken) = — | כילה (kilah) = verteerde | הברד (habarad) = de hagel | והאש (vehaesh) = en het vuur | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכל (hakkol) = alles Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **80:32** Ook de mensen en het vee die buiten gevonden werden, stierven door vlammen van vuur en hagel, en alle dorpen werden verwoest. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | האדם (ha'adam) = de mens | והבהמה (vehabehemah) = en het vee | הנמצאים (hanimtsaim) = die gevonden werden | הנמצאים (hanimtsaim) = — | חוצה (chutsah) = buiten | מתו (metu) = stierven | מלהבי (milahavei) = door vlammen van | אש (esh) = vuur | וברד (uvarad) = en hagel | וכל (vekhol) = en alle | הכפרים (hakfarim) = de dorpen | נתשו (nitshu) = werden verwoest Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft הכפרים (‘de dorpen’); de Engelse vertaling heeft ‘young lions’ (כפירים). ### De sprinkhanen **80:33** Yahweh zond en bracht talrijke sprinkhanen naar Egypte: de chasil, de sal‘am, de chargol en de chagav, alle sprinkhanen naar hun soort, en zij vraten wat de hagel had overgelaten. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויבא (vayavo) = en bracht | ארבה (arbeh) = sprinkhanen | כבד (kaved) = talrijke | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | חסיל (khasil) = de chasil | וסלעם (vesalam) = de sal‘am | וחרגול (vekhargol) = de chargol | וחגב (vekhagav) = de chagav | וכל (vekhol) = en alle | הארבה (ha'arbeh) = sprinkhanen | למינהו (leminehu) = naar zijn soort | ויאכל (vayyokhal) = en vraten | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | השאיר (hish'ir) = had overgelaten | הברד (habarad) = de hagel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 10:1–20; Lev. 11:22 (ארבה, סלעם, חרגל, חגב) en Joël 1:4 (חסיל). De vier namen zijn hier niet nader onderscheiden. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 10:1–20; Lev 11:22; Joël 1:4 **80:34** Toen verheugde heel Egypte zich over de sprinkhanen, hoewel zij heel de opbrengst van het veld aten, en de Egyptenaren vingen er in grote hoeveelheid van de sprinkhanen en zouten ze in als voedsel. Brontekst: אז (az) = toen | שמחו (samechu) = verheugden zich | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בארבה (ba'arbeh) = over de sprinkhanen | ואף (ve'af) = hoewel | כי (ki) = — | אכל (akhal) = zij aten | כל (kol) = alle | תנובת (tenuvat) = opbrengst van | השדה (hasadeh) = het veld | ויצודו (vayatsudu) = en vingen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מהארבה (mehaarbeh) = van de sprinkhanen | לרוב (larov) = in grote hoeveelheid | מאוד (me'od) = zeer | וימלחום (vayimlakhum) = en zouten ze in | למאכל (lema'akhal) = als voedsel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:35** Yahweh keerde een zeer sterke wind van de zee, en die voerde alle sprinkhanen weg, ook de ingezoutene, en dreef hen naar de Rietzee; er bleef niet één sprinkhaan over in heel het gebied van Egypte. Brontekst: ויהפוך (vayahafokh) = en keerde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | רוח (ruach) = wind | ים (yam) = van de zee | חזק (chazaq) = sterke | מאוד (me'od) = zeer | וישא (vayissa) = en voerde weg | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארבה (ha'arbeh) = de sprinkhanen | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלוחים (melukhim) = de ingezoutene | ויתקעהו (vayitqa'ehu) = en dreef hen | ימה (yammah) = naar de zee van | סוף (suf) = Riet | לא (lo) = niet | נשאר (nish'ar) = bleef over | ארבה (arbeh) = sprinkhaan | אחד (echad) = één | בכל (bekhol) = in heel | גבול (gevul) = het gebied van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 10:19 (de wind voert de sprinkhanen naar de Rietzee). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 10:19 ### De duisternis **80:36** Elohim zond duisternis in Egypte, en heel het land Egypte en Patros werd drie dagen duister, zodat een mens zijn hand niet zag als hij die naar zijn mond bracht. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | אלוקים (Elohim) = Elohim | חושך (choshekh) = duisternis | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ותחשך (vattechshakh) = en werd donker | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ופתרוס (ufatros) = en Patros | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | עד (ad) = zodat | אשר (asher) = — | לא (lo) = niet | יראה (yir'ah) = zag | אדם (adam) = mens | את (et) = (lijdend voorwerp) | ידו (yado) = zijn hand | בשומה (besumah) = toen hij haar bracht | אל (el) = naar | פיו (pihu) = zijn mond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 10:21–23 (de duisternis). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 10:21–23 **80:37** In die tijd stierven velen uit het volk van Israël, omdat zij zich tegen Yahweh hadden verzet en niet hadden geluisterd naar Mozes en naar Aäron en hen niet hadden geloofd, dat Elohim hen had gezonden. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מתו (metu) = zijn gestorven | רבים (rabbim) = vele | מעם (me'im) = uit het volk van | ישראל (yisra'el) = Israël | על (al) = omdat | אשר (asher) = — | מרדו (maredu) = zij waren opstandig | ביהוה (bYahweh) = tegen Yahweh | ולא (velo) = en niet | שמעו (shame'u) = luisterden | אל (el) = naar | משה (moshe) = Mozes | ואל (ve'el) = en naar | אהרון (aharon) = Aäron | ולא (velo) = en niet | האמינו (he'eminu) = geloofden | בהם (bahem) = hen | כי (ki) = dat | אלוקים (Elohim) = Elohim | שלחם (shillecham) = hen had gezonden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **80:38** Zij hadden gezegd: „Wij zullen niet uit Egypte trekken, anders sterven wij van honger in een verlaten woestijn”, en zij wilden niet luisteren naar de stem van Mozes. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לא (lo) = niet | נצא (netse) = zullen uittrekken | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | פן (pen) = anders | נמות (namut) = sterven wij | ברעב (bara'av) = van honger | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | שמם (shemam) = verlaten | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | לשמוע (lishmo'a) = te luisteren | בקול (bekol) = naar de stem van | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:39** Yahweh trof hen in de drie dagen van de duisternis, en Israël begroef hen in die dagen, opdat de bewoners van Egypte het niet van hen zouden weten en zich niet over hen zouden verheugen. Brontekst: ויגוף (vayigof) = en trof | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אותם (otam) = hen | בשלושת (bishloshet) = in de drie | ימי (yemei) = dagen van | החושך (hakhoshekh) = de duisternis | ויקברום (vayiqbarum) = en zij begroeven hen | ישראל (yisra'el) = Israël | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | לבלתי (levilti) = opdat niet | דעת (da'at) = zouden weten | בהם (bahem) = van hen | יושבי (yoshvei) = bewoners van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישמחו (vayismechu) = en zich zouden verheugen | עליהם (aleihem) = over hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:40** De duisternis was zeer zwaar in Egypte, drie dagen lang. En wie stond toen de duisternis kwam, bleef nog staan op zijn plaats; en wie zat, bleef nog zitten; en wie lag, bleef nog liggen zoals hij was; en wie liep, ging op de grond zitten, op zijn plaats. En deze zaak gold voor heel Egypte, totdat de duisternis voorbij was. Brontekst: והחושך (vehakhoshekh) = en de duisternis | חזק (chazaq) = zwaar | מאוד (me'od) = zeer | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כל (kol) = alle | העומד (ha'omed) = wie stond | בבוא (bevo) = toen kwam | החושך (hakhoshekh) = de duisternis | עודנו (odenu) = nog | עומד (omed) = staande | במקומו (bimqomo) = op zijn plaats | והיושב (vehayoshev) = en wie zat | עודנו (odenu) = nog | יושב (yoshev) = zittend | ונשובה (venashuvah) = en wie lag | עודנו (odenu) = nog | שוכב (shokhev) = liggend | כאשר (ka'asher) = zoals | הוא (hu) = hij was | וההולך (vehahoyelekh) = en wie liep | ישב (yashav) = ging zitten | לו (lo) = — | בארץ (ba'arets) = op de grond | במקומו (bimqomo) = op zijn plaats | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | לכל (lekhol) = voor heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עד (ad) = totdat | עבור (avor) = voorbij was | החושך (hakhoshekh) = de duisternis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: De tekst heeft ונשובה, dat geen duidelijke betekenis heeft; het is weergegeven als ‘en wie lag’, naar het volgende woord שוכב (‘liggend’) en de Engelse vertaling. ### De eerstgeborenen van Egypte **80:41** Toen de dagen van de duisternis voorbij waren, zond Yahweh Mozes en Aäron tot de zonen van Israël, om te zeggen: **„Vier jullie feest en houd jullie pesach, want zie, Ik kom in het midden van de nacht te midden van heel Egypte, en Ik zal al hun eerstgeborenen doden, van de eerstgeborene van mensen tot de eerstgeborene van het vee; en Ik zal jullie pesach zien en Ik zal over jullie heen gaan.”** Brontekst: ויעבור (vaya'avor) = en gingen voorbij | ימי (yemei) = de dagen van | החושך (hakhoshekh) = de duisternis | וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אהרון (aharon) = Aäron | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לאמור (lemor) = zeggende | חגו (khogu) = viert | את (et) = (lijdend voorwerp) | חגיכם (khagekhem) = jullie feest | ועשיתם (va'asitem) = en houdt | את (et) = (lijdend voorwerp) | פסחיכם (pischekhem) = jullie pesach | כי (ki) = want | הנני (hinneni) = zie, Ik | בא (ba) = kom | בחצי (bachatsi) = in het midden van | הלילה (hallaylah) = de nacht | בתוך (betokh) = midden in | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | והרגתי (vehaharagti) = en Ik zal doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בכוריהם (bekhoreihem) = hun eerstgeborenen | מבכור (mibekhor) = van de eerstgeborene van | אדם (adam) = mens | ועד (ve'ad) = en tot | בכור (bekhor) = de eerstgeborene van | בהמה (behemah) = vee | וראיתי (veraiti) = en Ik zal zien | את (et) = (lijdend voorwerp) | פסחיכם (pischekhem) = jullie pesach | ופסחתי (ufasakhti) = en Ik zal voorbijgaan | עליכם (aleikhem) = over jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 12:1–13 (het pesach). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 12:1–13 **80:42** De zonen van Israël deden overeenkomstig alles wat Yahweh Mozes en Aäron had geboden; zo deden zij in die nacht. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ככל (kekhol) = overeenkomstig alles | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אהרון (aharon) = Aäron | כן (ken) = zo | עשו (asu) = deden zij | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **80:43** In het midden van de nacht trok Yahweh uit te midden van Egypte, en Hij sloeg alle eerstgeborenen van Egypte, van de eerstgeborene van mensen tot de eerstgeborene van het vee. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בחצי (bachatsi) = in het midden van | הלילה (hallaylah) = de nacht | ויצא (vayetse) = en trok uit | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בתוך (betokh) = midden in | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויך (vayyakh) = en sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בכורי (bekhorei) = eerstgeborenen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מבכור (mibekhor) = van de eerstgeborene van | אדם (adam) = mens | ועד (ve'ad) = en tot | בכור (bekhor) = eerstgeborene van | בהמה (behemah) = vee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 12:29–30 (de eerstgeborenen van Egypte). Zie ook: Ex 12:29–30 **80:44** De farao stond ’s nachts op, hij en al zijn dienaren en heel Egypte, en er was een groot geschreeuw in heel Egypte in die nacht, want er was geen huis waar niet een dode was. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | פרעה (par'oh) = Farao | לילה (laylah) = ‘s nachts | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | וכל (vekhol) = en alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ותהי (vatehi) = en er was | צעקה (tse'aqah) = geschreeuw | גדולה (gedolah) = grote | בכל (bekhol) = in heel | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | כי (ki) = want | אין (ein) = geen | בית (bet) = huis | אשר (asher) = waar | אין (ein) = niet | שם (shem) = daar | מת (met) = een dode Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:45** Ook de beeltenissen van de eerstgeborenen van Egypte, gegraveerd in de muren van hun huizen, werden uitgewist en vielen op de grond. Brontekst: גם (gam) = ook | דמות (demut) = de beeltenissen van | בכורי (bekhorei) = eerstgeborenen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | החקוקים (hakhaquqim) = die gegraveerd waren | בקירות (bequrot) = in de muren van | בתיהם (bateihem) = hun huizen | נמחו (nimkhu) = werden uitgewist | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | ארצה (artsah) = op de grond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:46** Zelfs alle beenderen van hun eerstgeborenen die hiervoor gestorven waren en die zij in hun huizen hadden begraven, sleepten de honden van Egypte in die nacht weg en trokken ze voort voor de ogen van heel Egypte en wierpen ze voor hen neer. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | עצמות (atsamot) = beenderen van | בכוריהם (bekhoreihem) = hun eerstgeborenen | אשר (asher) = die | מתו (metu) = gestorven waren | טרם (terem) = vóór | זה (ze) = dit | ויקברום (vayiqbarum) = en zij hadden hen begraven | בבתיהם (bevateihem) = in hun huizen | ויגררו (vayigreru) = en sleepten weg | אותם (otam) = hen | כלבי (kalvei) = honden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | ויסחבום (vayiskhavum) = en trokken hen voort | לפני (lifnei) = voor de ogen van | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וישליכו (vayashlikhu) = en wierpen | אותם (otam) = hen | לפניהם (lifneihem) = voor hen neer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:47** Heel Egypte zag dit kwaad, dat plotseling over hen was gekomen, en heel Egypte riep het uit met luide stem. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = die | באה (ba'ah) = was gekomen | עליהם (aleihem) = over hen | פתאום (pit'om) = plotseling | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij riepen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בקול (bekol) = met een stem | רם (ram) = luide Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:48** Alle families van Egypte weenden in die nacht, ieder om zijn zoon en ieder om zijn dochter, hun eerstgeborenen, en het rumoer van Egypte werd in die nacht van verre gehoord. Brontekst: ויבכו (vayivku) = en zij weenden | כל (kol) = alle | משפחות (mishpechot) = families van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | איש (ish) = ieder | על (al) = om | בנו (beno) = zijn zoon | ואיש (ve'ish) = en ieder | על (al) = om | בתו (bito) = zijn dochter | בכוריהם (bekhoreihem) = hun eerstgeborenen | ותשמע (vattishma) = en werd gehoord | מהומת (mehumat) = het rumoer van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | למרחוק (lemerachoq) = van verre Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Bitja en Mozes **80:49** Bitja, de dochter van de farao, ging in die nacht met de koning uit om Mozes en Aäron te zoeken in hun huizen, en zij vonden hen in hun huizen, etend en drinkend en verheugd met heel Israël. Brontekst: ותצא (vatetse) = en ging uit | בתיה (bityah) = Bitja | בת (bat) = dochter van | פרעה (par'oh) = Farao | עם (im) = met | המלך (hammelekh) = de koning | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ההוא (hahu) = die | לבקש (levaqesh) = om te zoeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | אהרון (aharon) = Aäron | בבתיהם (bevateihem) = in hun huizen | וימצאו (vayimtse'u) = en zij vonden | אותם (otam) = hen | בבתיהם (bevateihem) = in hun huizen | אוכלים (ochelim) = etend | ושותים (veshotim) = en drinkend | ושמחים (vesemechim) = en verheugd | עם (im) = met | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie 1 Kron. 4:18 (Bitja, de dochter van de farao). Zie ook: 1 Kron 4:18 **80:50** Bitja zei tegen Mozes: „Is dit dan de vergelding voor het goede dat ik je gedaan heb, die jou heb grootgebracht en gekoesterd? En je hebt dit kwaad over mij en over het huis van mijn vader gebracht!” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | בתיה (bityah) = Bitja | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | הלא (halo) = is niet | זה (ze) = dit | יהיה (yihyeh) = zal zijn | גמולי (gemuli) = mijn vergelding | הטוב (hattov) = voor het goede | אשר (asher) = die | עשיתי (asiti) = dat ik gedaan heb | אליך (elekha) = aan je | אשר (asher) = die | גדלתיך (gidaltikha) = dat ik je heb grootgebracht | ואשר (va'asher) = en | טפחתיך (tipachtikha) = dat ik je heb gekoesterd | ותביא (vatavi) = en je hebt gebracht | עליי (alay) = over mij | ועל (ve'al) = en over | בית (bet) = het huis van | אבי (avi) = mijn vader | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **80:51** Mozes zei tegen haar: „Zijn het niet tien plagen die Yahweh over heel Egypte heeft gebracht? Is er enig kwaad van hen allen tot jou gekomen? Is er één van hen tot jou gekomen?” En zij zei: „Nee.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | משה (moshe) = Mozes | הלא (halo) = zijn niet | עשר (esar) = tien | מכות (makkot) = plagen | אשר (asher) = die | הביא (hevi) = bracht | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = op | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ההגיע (hehigia) = is gekomen | אלייך (eleykh) = tot jou | רע (ra) = kwaad | מכולם (mikulam) = van hen allen | אם (em) = of | באה (ba'ah) = gekomen | אלייך (eleykh) = tot jou | אחת (achat) = er één | מהן (mehen) = van hen | ותאמר (vatomer) = en zei | לא (lo) = niet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:52** Mozes zei tegen haar: „Ook al ben je de eerstgeborene van je moeder, je zult niet sterven, en geen kwaad zal tot jou komen midden in Egypte.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | משה (moshe) = Mozes | גם (gam) = zelfs | כי (ki) = als | את (et) = jij | בכורה (bekhorah) = eerstgeborene | לאמך (le'imekh) = van je moeder | הינך (hinekh) = je bent | לא (lo) = niet | תמותי (tamuti) = zul je sterven | ולא (velo) = en niet | יבוא (yavo) = zal komen | לך (lekha) = aan jou | רע (ra) = kwaad | בתוך (betokh) = midden in | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:53** Zij zei: „En wat voor voordeel heb ik, nu ik de koning, mijn broer, en heel zijn huis en zijn dienaren in dit kwaad zie, waarin al hun eerstgeborenen gestorven zijn, met alle eerstgeborenen van Egypte?” Brontekst: ותאמר (vatomer) = en zei | ומה (umah) = en wat | יתרון (yitron) = voordeel | לי (li) = voor mij | אחרי (acharei) = nu | אשר (asher) = — | אני (ani) = ik | רואה (ro'eh) = zie | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלך (hammelekh) = de koning | אחי (echi) = mijn broer | וכל (vekhol) = en heel | ביתו (beito) = zijn huis | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | ברעה (bara'ah) = in dit kwaad | הזאת (hazzo't) = deze | אשר (asher) = waarin | מתו (metu) = zijn gestorven | כל (kol) = alle | בכוריהם (bekhoreihem) = hun eerstgeborenen | עם (im) = met | כל (kol) = alle | בכורי (bekhorei) = eerstgeborenen van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:54** Mozes zei tegen haar: „Immers, je broer en zijn huis en zijn dienaren, de families van Egypte, hebben niet geluisterd naar de woorden van Yahweh; daarom is dit kwaad over hen gekomen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליה (eleha) = haar | משה (moshe) = Mozes | הלא (halo) = immers | אחיך (achikha) = je broer | וביתו (uveito) = en zijn huis | ועבדיו (va'avadav) = en zijn dienaren | משפחות (mishpechot) = families van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לא (lo) = niet | שמעו (shame'u) = luisterden | אל (el) = naar | דברי (divrei) = woorden van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = daarom | כן (ken) = — | באה (ba'ah) = is gekomen | עליהם (aleihem) = over hen | הרעה (hara'ah) = het kwaad | הזאת (hazzo't) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De farao laat Israël gaan **80:55** De farao, de koning van Egypte, naderde Mozes en Aäron en enigen van de zonen van Israël die met hen waren op die plaats, en smeekte hen: Brontekst: ופרעה (ufar'oh) = en de farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ניגש (niggash) = naderde | לפני (lifnei) = voor | משה (moshe) = Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | ומקצת (umiqtsat) = en enigen van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = die | היו (hayu) = zij waren | איתם (ittam) = bij hen | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | ויתחנן (vayitchannen) = en smeekte | אליהם (aleihem) = tot hen | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:56** „Sta op en neem jullie broers, alle zonen van Israël die in het land zijn, met hun kleinvee en hun rundvee en alles wat van hen is; zij zullen niets laten staan; bid alleen tot Yahweh, jullie Elohim, voor mij.” Brontekst: קומו (qumu) = staat op | וקחו (uqchu) = en neemt | את (et) = (lijdend voorwerp) | אחיכם (acheikhem) = jullie broers | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = die | בארץ (ba'arets) = in het land | וצאנם (vetsonam) = en hun kleinvee | ובקרם (uvqaram) = en hun rundvee | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | להם (lahem) = hun | לא (lo) = niet | ישאירו (yash'iru) = laten staan | דבר (davar) = niets | אך (akh) = alleen | העתירו (ha'tiru) = bidt | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיכם (elohekhem) = jullie Elohim | בעדי (ba'adi) = voor mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 12:31–32. Zie ook: Ex 12:31–32 **80:57** Mozes zei tegen de farao: „Zie, ook jij bent de eerstgeborene van je moeder; maar wees niet bang, want je zult niet sterven, want Yahweh heeft geboden je in leven te houden, om je Zijn grote kracht en Zijn uitgestrekte en sterke arm te laten zien.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | הנה (hinneh) = zie | גם (gam) = ook | אתה (attah) = jij | בכור (bekhor) = eerstgeborene | לאמך (le'imekh) = van je moeder | אך (akh) = maar | אל (el) = niet | תירא (tira) = vrees | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | תמות (tamutu) = sterven | כי (ki) = want | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להחיותך (lehakhayotekha) = om je in leven te houden | בעבור (ba'avur) = opdat | הראותך (harotekha) = je te laten zien | כוחו (kocho) = Zijn kracht | הגדול (haggadol) = grote | וזרועו (vizro'o) = en Zijn arm | הנטויה (hannetuyah) = uitgestrekte | והחזקה (vehakhazaqah) = en sterke Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 9:16. Zie ook: Ex 9:16 **80:58** De farao gebood de zonen van Israël weg te zenden, en heel Egypte drong aan om hen weg te zenden, want zij zeiden: „Wij sterven allen.” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | פרעה (par'oh) = Farao | לשלח (leshalakh) = weg te zenden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויתחזקו (vayitchazqu) = en drongen aan | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לשלחם (leshallecham) = om hen weg te zenden | כי (ki) = want | אמרו (ameru) = zeiden | כולנו (kulanu) = wij allen | מתים (metim) = sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 12:33 (‘wij sterven allen’). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 12:33 **80:59** Heel Egypte zond Israël weg met zeer veel rijkdom en kleinvee en rundvee en kostbaarheden, overeenkomstig de eed van Yahweh tussen Hem en Abraham, onze vader. Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zonden weg | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | בעושר (be'osher) = met rijkdom | רב (rav) = veel | מאוד (me'od) = zeer | וצאן (vetso'n) = en kleinvee | ובקר (uvaqar) = en rundvee | ומגדנות (umigdanot) = en kostbaarheden | כשבועת (kishvu'at) = overeenkomstig de eed van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בינו (beino) = tussen Hem | ובין (uvein) = en tussen | אברהם (avraham) = Abraham | אבינו (avinu) = onze vader Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **80:60** Enigen van de zonen van Israël draalden om bij nacht uit te trekken, en toen de Egyptenaren kwamen om hen uit te leiden, zeiden zij tegen hen: „Zijn wij dieven, dat wij bij nacht zouden uittrekken?” Brontekst: ויתמהמהו (vayitmahmehu) = en draalden | מבני (mibbnei) = enigen van de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לצאת (latset) = uit te gaan | בלילה (ballaylah) = in de nacht | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוא (bevo) = toen kwamen | המצריים (hammitsriyim) = de Egyptenaren | להוציאם (lehotsi'am) = om hen uit te leiden | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | הגנבים (haganavim) = zijn dieven | אנחנו (anachnu) = wij | כי (ki) = dat | נצא (netse) = zouden uittrekken | בלילה (ballaylah) = in de nacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: מבני ישראל (‘van de zonen van Israël’) is hier partitief opgevat (‘enigen van’); de Engelse vertaling heeft ‘the children of Israel’. **80:61** De zonen van Israël vroegen van Egypte zilveren voorwerpen en gouden voorwerpen en kleren, en de zonen van Israël plunderden Egypte. Brontekst: וישאלו (vayish'alu) = en zij vroegen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממצרים (mimmitsrayim) = van Egypte | כלי (keli) = voorwerpen van | כסף (kesef) = zilver | וכלי (vekhelei) = en voorwerpen van | זהב (zahav) = goud | ושמלות (usmalot) = en kleren | וינצלו (vayenatselu) = en plunderden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 12:35–36. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 12:35–36 ### De kist van Jozef **80:62** Mozes haastte zich, stond op en ging naar de stroom van Egypte, en bracht daar vandaan de kist van Jozef omhoog en nam die met zich mee. Brontekst: וימהר (vayemaher) = en hij haastte zich | משה (moshe) = Mozes | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | נחל (nachal) = de stroom van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויעל (vayya'al) = en bracht omhoog | משם (misham) = vandaar | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארון (aron) = de kist van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויקח (vayikkach) = en hij nam | אותו (oto) = hem | עמו (immo) = met zich Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 13:19; Gen. 50:25–26 (de beenderen van Jozef). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 50:25–26; Ex 13:19 **80:63** Ook alle zonen van Israël brachten omhoog, ieder de kist van zijn vaderen met zich, en ieder de kist van zijn stam met zich. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | העלו (he'elu) = brachten omhoog | איש (ish) = ieder | איש (ish) = — | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארון (aron) = de kist van | אבותיו (avotav) = zijn vaderen | עמו (immo) = bij hem | ואיש (ve'ish) = en ieder | ארון (aron) = de kist van | שבטו (shivto) = zijn stam | עמו (immo) = bij hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 81 _De doortocht door de Rietzee en Amalek_ ### De uittocht uit Raämses **81:1** En de zonen van Israël trokken op van Raämses naar Sukkot, ongeveer zeshonderdduizend mannen te voet, behalve hun kleine kinderen en hun vrouwen. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en trokken op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מרעמסס (mera'amses) = uit Raämses | סוכותה (sukkotah) = naar Sukkot | כשש (kheshesh) = ongeveer zes | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | רגלי (ragli) = te voet | הגברים (haggevarim) = de mannen | לבד (levad) = behalve | מטפם (mitafam) = hun kleine kinderen | ונשיהם (venasheihem) = en hun vrouwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 12:37; Num. 33:3–5. Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Ex 12:37; Num 33:3–5 **81:2** En ook een gemengde menigte trok met hen op, en kleinvee en runderen, zeer veel vee. Brontekst: וגם (vegam) = en ook | ערב (arav) = een gemengde | רב (rav) = menigte | עלה (alah) = trok op | איתם (ittam) = met hen | וצאן (vetso'n) = en kleinvee | ובקר (uvaqar) = en runderen | מקנה (miqneh) = vee | כבד (kaved) = veel | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:3** En het verblijf van de zonen van Israël, die in het land Egypte woonden en zware arbeid verrichtten, was tweehonderdtien jaar. Brontekst: ומושב (umoshav) = en het verblijf van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אשר (asher) = die | ישבו (yashvu) = zij woonden | בארץ (ba'arets) = in het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בעבודה (ba'avodah) = in arbeid | קשה (qashah) = zwaar | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | ומאתיים (umatayim) = en tweehonderd | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit zijn 210 jaar, tegenover 430 jaar in Ex. 12:40; de tekst volgt hier de Joodse overlevering van de verblijfsduur in Egypte. Zie ook: Ex 12:40 **81:4** En na verloop van tweehonderdtien jaar leidde Yahweh de zonen van Israël uit Egypte met sterke hand. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | עשר (esar) = tien | שנים (shanim) = jaren | ומאתיים (umatayim) = en tweehonderd | שנה (shanah) = jaar | ויוציא (veyotsi) = en leidde uit | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ביד (beyad) = met hand | חזקה (chazaqah) = sterke Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:5** En de zonen van Israël trokken uit Egypte en uit Gosen en uit het land Raämses, en legerden zich in Sukkot op de vijftiende dag van de eerste maand. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ומגושן (umigoshen) = en uit Gosen | ומארץ (umeeretz) = en uit het land van | רעמסס (ra'amses) = Raämses | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | בסוכות (bassukkot) = in Sukkot | בחמישה (bakhamishah) = op de vijftiende | עשר (esar) = — | יום (yom) = dag | לחודש (lachodesh) = van de maand | הראשון (harishon) = de eerste Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 33:3. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Num 33:3 **81:6** En de Egyptenaren begroeven al hun eerstgeborenen, die Yahweh had geslagen; en heel Egypte begroef drie dagen lang al zijn verslagenen. Brontekst: ומצרים (umMitsrayim) = en Egypte | מקברים (meqabrim) = begroef | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בכוריהם (bekhoreihem) = hun eerstgeborenen | אשר (asher) = die | הכה (hikkah) = had geslagen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כל (kol) = alle | חלליהם (khalleihem) = hun verslagenen | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:7** En de zonen van Israël trokken uit Sukkot en legerden zich in Etam, aan de rand van de woestijn. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מסוכות (missukkot) = uit Sukkot | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | באיתם (be'etam) = in Etam | בקצה (biqtseh) = aan de rand van | המדבר (hammidbar) = de woestijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 13:20. Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker. Zie ook: Ex 13:20 ### De Egyptenaren achtervolgen Israël **81:8** En op de derde dag nadat de Egyptenaren hun eerstgeborenen begraven hadden, stonden vele mannen uit Egypte op en gingen achter Israël aan, om hen terug te brengen naar Egypte, want zij hadden er berouw van dat zij hen uit hun arbeid hadden weggezonden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השלישי (hashelishi) = de derde | אחרי (acharei) = nadat | קבור (qevor) = begraven had | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | את (et) = (lijdend voorwerp) | בכוריהם (bekhoreihem) = hun eerstgeborenen | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | אנשים (anashim) = mannen | רבים (rabbim) = vele | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אחרי (acharei) = achter | ישראל (yisra'el) = Israël | להשיבם (lehashivam) = hen terug te brengen | למצרים (leMitsrayim) = naar Egypte | כי (ki) = want | ניחמו (nicchamu) = berouw hadden | על (al) = — | אשר (asher) = dat | שלחו (shalchu) = zij hadden weggezonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | מעבודתם (me'avodatam) = uit hun arbeid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:9** En zij zeiden, de een tot de ander: „Hebben Mozes en Aäron niet tot de farao gesproken: ‘Een reis van drie dagen zullen wij gaan in de woestijn en wij zullen offeren aan Yahweh, onze Elohim’? Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = ieder | אל (el) = tot | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | הלא (halo) = immers | משה (moshe) = Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | דיברו (dibberu) = spraken | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | לאמור (lemor) = zeggende | דרך (derekh) = een reis van | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | נלך (nelekh) = zullen wij gaan | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | וזבחנו (vezavakhnu) = en wij zullen offeren | ליהוה (laYahweh) = aan Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:10** En nu, laten wij morgenvroeg bij hen opstaan om hen terug te brengen; en als zij zeker met ons terugkeren naar Egypte, naar onze heer, dan weten wij dat er trouw bij hen is; en als zij niet terugkeren, laten wij dan tegen hen strijden en hen met grote kracht en sterke hand terugbrengen.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | נשכימה (nashkimah) = laten wij vroeg opstaan | אליהם (aleihem) = naar hen | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | להשיבם (lehashivam) = hen terug te brengen | והיה (vehayah) = en het zal zijn | אם (em) = als | שוב (shuv) = zeker | ישובו (yashuvu) = zij terugkeren | איתנו (ittanu) = met ons | מצרים (Mitsrayim) = naar Egypte | אך (akh) = — | אדוננו (adonenu) = onze heer | וידענו (vediy'anu) = dan weten wij | כי (ki) = dat | אמונה (emunah) = trouw | איתם (ittam) = bij hen | ואם (ve'im) = en als | לא (lo) = niet | ישובו (yashuvu) = zij terugkeren | ונלחמה (venillachamah) = en laten wij strijden | אותם (otam) = hen | והשבנו (vehashavnu) = en wij zullen terugbrengen | אותם (otam) = hen | בכח (bekhoach) = met kracht | גדול (gadol) = grote | וביד (uvyad) = en met hand | חזקה (chazaqah) = sterke Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: De tekst heeft מצרים אך אדוננו (‘Egypte, … onze heer’); het woord אך is hier niet goed te plaatsen en is niet vertaald. De Engelse vertaling heeft ‘naar Egypte, naar hun heren’. **81:11** En al de vorsten van de farao stonden in de ochtend vroeg op, en met hen ongeveer zevenhonderdduizend man, en zij gingen op die dag uit Egypte en kwamen tot aan de plaats waar de zonen van Israël waren. Brontekst: וישכימו (vayashkimu) = en zij stonden vroeg op | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | כל (kol) = alle | שרי (sarai) = vorsten van | פרעה (par'oh) = Farao | ועמם (ve'imam) = en met hen | כשבע (kheshev'a) = ongeveer zeven | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = man | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ויבוא (vayavo) = en zij kwamen | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | עד (ad) = tot aan | המקום (hammaqom) = de plaats | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:12** En heel Egypte zag, en zie, Mozes en Aäron en alle zonen van Israël zaten voor Pi-Hachirot, etend en drinkend en het feest van Yahweh vierend. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | והנה (vehinneh) = en zie | משה (moshe) = Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | יושבים (yoshvim) = zaten | לפני (lifnei) = voor | פי (pi) = Pi- | החירות (hakhirot) = Hachirot | אוכלים (ochelim) = etend | ושותים (veshotim) = en drinkend | וחוגגים (vekhogegim) = en vierend | את (et) = (lijdend voorwerp) | חג (khag) = het feest van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 14:1–2. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 14:1–2 **81:13** En heel Egypte zei tot de zonen van Israël: „Hebben jullie niet gezegd: ‘Een reis van drie dagen zullen wij gaan in de woestijn, en wij zullen offeren voor onze Elohim en terugkeren’? Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | הלא (halo) = immers | אמרתם (amartem) = hebben jullie gezegd | דרך (derekh) = een reis van | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | נלך (nelekh) = zullen wij gaan | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | וזבחנו (vezavakhnu) = en wij zullen offeren | לאלוקינו (lelohenu) = voor onze Elohim | ושבנו (veshavnu) = en terugkeren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:14** En nu, het is vandaag vijf dagen sinds jullie vertrokken; waarom keren jullie niet terug naar jullie heer?” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | הלא (halo) = immers | זה (ze) = nu | חמישה (chamishah) = vijf | ימים (yamim) = dagen | היום (hayyom) = vandaag | שהלכתם (shehalakhtem) = sinds jullie vertrokken | מדוע (maddu'a) = waarom | אין (ein) = niet | אתם (ittam) = jullie | שבים (shavim) = terugkeren | אל (el) = naar | אדוניכם (adonekhem) = jullie heer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:15** Toen antwoordden Mozes en Aäron hun en zeiden: „Omdat Yahweh, onze Elohim, nadrukkelijk tegen ons heeft getuigd: **‘Jullie zullen niet meer terugkeren naar Egypte,’** maar naar een land vloeiend van melk en honing zullen wij gaan, zoals Yahweh, onze Elohim, aan onze vaderen had gezworen ons te geven.” Brontekst: ויען (vaya'an) = en antwoordde | משה (moshe) = Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | כי (ki) = omdat | העד (haed) = nadrukkelijk | העיד (heid) = heeft getuigd | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | בנו (beno) = tegen ons | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | תוסיפו (tosifu) = jullie zullen voortaan | לשוב (lashuv) = terugkeren | עוד (od) = meer | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | כי (ki) = maar | אם (em) = — | אל (el) = naar | ארץ (erets) = een land | זבת (zavat) = vloeiend van | חלב (chelev) = melk | ודבש (udevash) = en honing | נלכה (nelkhah) = zullen wij gaan | לנו (lanu) = heen | כאשר (ka'asher) = zoals | נשבע (nishba) = had gezworen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | לאבותינו (la'avotenu) = aan onze vaderen | לתת (latet) = te geven | לנו (lanu) = ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:16** En de vorsten van Egypte zagen dat heel Israël niet naar hen luisterde om naar Egypte terug te keren, en zij gordden zich om te strijden tegen Israël. Brontekst: ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | שרי (sarai) = vorsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = dat | לא (lo) = niet | שמעו (shame'u) = luisterden | אליהם (aleihem) = naar hen | כל (kol) = heel | ישראל (yisra'el) = Israël | לשוב (lashuv) = terug te keren | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויתאזרו (vayit'azzeru) = en gordden zich om | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = tegen | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:17** En Yahweh versterkte het hart van de zonen van Israël tegen Egypte, en Israël streed tegen de vorsten van Egypte, en de hand van de zonen van Israël werd sterker dan Egypte, en zij brachten hun een grote slag toe; en de oorlog werd zwaar voor Egypte, en heel Egypte vluchtte voor de zonen van Israël, want velen van hen waren gestorven door de hand van de zonen van Israël. Brontekst: ויחזק (vayechazzeq) = en versterkte | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | לב (lev) = het hart van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | על (al) = tegen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | ישראל (yisra'el) = Israël | עם (im) = tegen | שרי (sarai) = vorsten van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ותגבר (vatigbar) = en werd sterker | יד (yad) = de hand van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | על (al) = over | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויכו (vayakku) = en sloegen | אותם (otam) = hen | מכה (makkah) = een slag | גדולה (gedolah) = grote | ותכבד (vetikhbad) = en werd zwaar | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | על (al) = voor | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | וינוסו (vayanusu) = en vluchtten | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כי (ki) = want | מתו (metu) = waren gestorven | מהם (mehem) = van hen | רבים (rabbim) = vele | ביד (beyad) = door de hand van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:18** En de vorsten van de farao gingen naar Egypte en vertelden de farao: „De zonen van Israël zijn gevlucht en zullen niet meer terugkeren naar Egypte; en zo hebben Mozes en Aäron tot ons gesproken.” Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | שרי (sarai) = vorsten van | פרעה (par'oh) = Farao | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | ויגידו (vayaggidu) = en vertelden | לפרעה (lefar'oh) = aan de farao | לאמור (lemor) = zeggende | ברחו (barchu) = zijn gevlucht | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | להם (lahem) = — | ולא (velo) = en niet | יוסיפו (yosifu) = zullen voortaan | לשוב (lashuv) = terugkeren | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | וכזאת (vekhazzot) = en zo | וכזאת (vekhazzot) = en zo | דיברו (dibberu) = spraken | אלינו (elenu) = tot ons | משה (moshe) = Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:19** En de farao hoorde deze zaak, en zijn hart en het hart van al zijn dienaren keerde zich tegen Israël, en zij hadden berouw dat zij Israël hadden weggezonden; en heel Egypte zei tot de farao dat hij de zonen van Israël moest achtervolgen om hen terug te brengen naar hun lasten. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | פרעה (par'oh) = Farao | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויהפך (vayyahafokh) = en keerde zich | לבבו (levavo) = zijn hart | ולבב (ulevav) = en het hart van | כל (kol) = alle | עבדיו (avadav) = zijn dienaren | על (al) = tegen | ישראל (yisra'el) = Israël | וינחמו (vayenachamu) = en zij hadden berouw | כי (ki) = dat | שלחו (shalchu) = zij hadden weggezonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אל (el) = tot | פרעה (par'oh) = Farao | לרדוף (lirdof) = om te achtervolgen | אחרי (acharei) = achter | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | להשיבם (lehashivam) = hen terug te brengen | לסבלותם (lisvelotam) = naar hun lasten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:20** En zij zeiden, de een tot zijn broer: „Wat is dit dat wij gedaan hebben, dat wij Israël van onze dienstbaarheid hebben weggezonden?” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | איש (ish) = de een | אל (el) = tot | אחיו (achiv) = zijn broer | מה (mah) = wat | זאת (zot) = is dit | עשינו (asinu) = wij hebben gedaan | כי (ki) = dat | שלחנו (shelakhanu) = wij hebben weggezonden | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | מעבדנו (me'avdenu) = van onze dienstbaarheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:21** En Yahweh versterkte het hart van heel Egypte om Israël te achtervolgen, want Yahweh verlangde ernaar heel Egypte ten val te brengen midden in de Rietzee. Brontekst: ויחזק (vayechazzeq) = en versterkte | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | לב (lev) = het hart van | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לרדוף (lirdof) = te achtervolgen | אחרי (acharei) = na | ישראל (yisra'el) = Israël | כי (ki) = want | חפץ (chafets) = verlangde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להפיל (lehapil) = ten val te brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | בתוך (betokh) = midden in | ים (yam) = de zee van | סוף (suf) = Riet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 14:4, 8, 17. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 14:4 **81:22** En de farao stond op en spande zijn wagen aan, en gebood dat heel Egypte zich zou verzamelen; er bleef niemand over, behalve de kleine kinderen en de vrouwen. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | פרעה (par'oh) = Farao | ויאסור (vaye'esor) = en spande aan | מרכבתו (markavto) = zijn wagen | ויצו (vayetsav) = en gebood | ויקבצו (vayiqbetsu) = dat zij zich verzamelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לא (lo) = niet | נותר (notar) = bleef over | איש (ish) = niemand | כי (ki) = — | אם (em) = behalve | הטף (hattaf) = de kleine kinderen | והנשים (vehanashim) = en de vrouwen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:23** En heel Egypte trok met de farao uit om de zonen van Israël te achtervolgen; en het kamp van Egypte was een zeer groot en zwaar kamp, ongeveer een miljoen man. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | עם (im) = met | פרעה (par'oh) = Farao | לרדוף (lirdof) = te achtervolgen | אחרי (acharei) = na | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ותהי (vatehi) = en was | מחנה (machaneh) = kamp | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מחנה (machaneh) = kamp | גדול (gadol) = grote | מאוד (me'od) = zeer | וכבד (vekhaved) = en zwaar | כעשר (ke'eser) = ongeveer tien | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:24** En heel dit leger trok op en achtervolgde de zonen van Israël om hen terug te brengen naar Egypte, en zij haalden Israël in, gelegerd aan de Rietzee. Brontekst: ותלך (vattelekh) = en trok | כל (kol) = alle | המחנה (hammachaneh) = het kamp | הזאת (hazzo't) = deze | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחרי (acharei) = na | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | להשיבם (lehashivam) = hen terug te brengen | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | וישיגו (vayasigu) = en zij haalden in | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | חונים (chonim) = gelegerd | על (al) = aan | ים (yam) = de zee van | סוף (suf) = Riet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 14:9. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 14:9 **81:25** En de zonen van Israël sloegen hun ogen op en zagen, en zie, heel Egypte achtervolgde hen; en de zonen van Israël vreesden zeer voor hen, en de zonen van Israël riepen luid tot Yahweh. Brontekst: וישאו (vayis'u) = en zij hieven op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | עיניהם (eineihem) = hun ogen | ויראו (vayiru) = en zij zagen | והנה (vehinneh) = en zie | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | רודפים (rodefim) = achtervolgend | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מאוד (me'od) = zeer | מפניהם (mippneihem) = van hen | ויצעקו (vayits'aqu) = en zij riepen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Vier groepen aan de zee **81:26** En vanwege Egypte verdeelden de zonen van Israël zich in vier groepen, en zij liepen uiteen in hun mening, want zij vreesden Egypte; en Mozes sprak tot hen, tot elke groep afzonderlijk. Brontekst: ויתחלקו (vayitchalqu) = en verdeelden zich | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מפני (mippenei) = vanwege | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לארבע (le'arba) = in vier | ראשים (rashim) = groepen | ויתחלקו (vayitchalqu) = en liepen uiteen | אל (el) = in | דבריהם (divreihem) = hun mening | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = vreesden | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ומשה (umosheh) = en Mozes | ידבר (yedabber) = sprak | אליהם (aleihem) = tot hen | אל (el) = tot | כל (kol) = elke | אחת (achat) = één | ואחת (ve'achat) = en één Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:27** De eerste groep: de zonen van Ruben, Simeon en Issachar; en zij zeiden dat zij zich in de zee wilden werpen, want zij vreesden zeer voor heel Egypte. Brontekst: הראש (harosh) = de groep | האחת (ha'achat) = de eerste | בני (bnei) = zonen van | ראובן (Re'uven) = Ruben | ושמעון (veShim'on) = en Simeon | ויששכר (veyissakhar) = en Issachar | ויאמרו (vayomeru) = en zeiden | להפיל (lehapil) = te werpen | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשם (nafsham) = zichzelf | בים (bayyam) = in de zee | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = vreesden | מאד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = voor | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:28** En Mozes zei tot hen: „Wees niet bang; ga staan en zie de redding van Yahweh, die Hij vandaag voor jullie zal werken.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = — | תיראו (tire'u) = vreest niet | התייצבו (hityatsvu) = stelt jullie op | וראו (ure'u) = en ziet | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישועת (yeshu'at) = de redding van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | יעשה (ya'aseh) = Hij zal doen | לכם (lakhem) = aan jullie | היום (hayyom) = vandaag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:29** En de tweede groep: de zonen van Zebulon, Benjamin en Naftali; en zij zeiden dat zij met de Egyptenaren naar Egypte wilden terugkeren. Brontekst: והראש (veharosh) = en de groep | השנית (hashenit) = de tweede | בני (bnei) = zonen van | זבולון (zevulun) = Zebulon | ובנימין (uvinyamin) = en Benjamin | ונפתלי (venaftali) = en Naftali | ויאמרו (vayomeru) = en zeiden | לשוב (lashuv) = terug te keren | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte | עם (im) = met | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:30** En Mozes zei tot hen: „Wees niet bang, want zoals jullie de Egyptenaren vandaag hebben gezien, zullen jullie hen in eeuwigheid niet meer zien.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = — | תיראו (tire'u) = vreest niet | כי (ki) = want | אשר (asher) = zoals | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | היום (hayyom) = vandaag | לא (lo) = niet | תוסיפו (tosifu) = zullen jullie voortaan | לראותם (lir'otam) = hen zien | עוד (od) = meer | עד (ad) = tot | עולם (olam) = in eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:31** En de derde groep: de zonen van Juda, Dan en Jozef; en zij zeiden dat zij de Egyptenaren tegemoet wilden gaan om met hen te strijden. Brontekst: והראש (veharosh) = en de groep | השלישית (hashelishit) = de derde | בני (bnei) = zonen van | יהודה (Yehudah) = Juda | ודן (vedan) = en Dan | ויוסף (vayosef) = en Jozef | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | ללכת (lalekhet) = te gaan | לקראת (liqrat) = tegemoet | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | להילחם (lehillachem) = om te strijden | איתם (ittam) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De Hebreeuwse tekst noemt in de derde groep ook Dan (יהודה ודן ויוסף); de Engelse vertaling laat Dan weg. **81:32** En Mozes zei tot hen: „Blijf staan op jullie plaats, want Yahweh zal voor jullie strijden, en jullie zullen zwijgen.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | משה (moshe) = Mozes | עמדו (imdu) = blijft staan | במעמדכם (bema'amedchem) = op jullie plaats | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ילחם (yillachem) = zal strijden | לכם (lakhem) = voor jullie | ואתם (ve'atem) = en jullie | תחרישון (takharishun) = zullen zwijgen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:33** En de vierde groep: de zonen van Levi, Gad en Aser; en zij zeiden dat zij midden onder de Egyptenaren wilden gaan om hen te verwarren. En Mozes zei tot hen: „Blijf staan op jullie plaats en wees niet bang, maar roep tot Yahweh, opdat Hij jullie redt uit hun hand.” Brontekst: והראש (veharosh) = en de groep | הרביעית (harevi'it) = de vierde | בני (bnei) = zonen van | לוי (Levi) = Levi | וגד (vegad) = en Gad | ואשר (va'asher) = en Aser | ויאמרו (vayomeru) = en zeiden | לבוא (lavo) = binnen te gaan | בתוך (betokh) = te midden van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | להומם (lehomem) = om hen te verwarren | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | משה (moshe) = Mozes | עמדו (imdu) = blijft staan | בתוך (betokh) = in | מעמדכם (ma'amadkhem) = jullie plaats | ואל (ve'el) = en niet | תיראו (tire'u) = vreest | אך (akh) = maar | קראו (qar'u) = roept | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להושיע (lehoshia) = opdat Hij redt | אתכם (etkhem) = jullie | מידם (miyyadam) = uit hun hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:34** En het gebeurde daarna dat Mozes opstond uit het midden van het volk en tot Yahweh bad. En hij zei: Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | ויקם (vayyaqom) = stond op | משה (moshe) = Mozes | מתוך (mitokh) = uit het midden van | העם (ha'am) = het volk | ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויאמר (vayomer) = en hij zei Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:35** „Ach Yahweh, Elohim van heel de aarde, red toch Uw volk, dat U uit Egypte hebt uitgeleid, en laat de Egyptenaren niet zeggen dat hand en macht bij hen is.” Brontekst: אנא (anna) = ach | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקי (elohei) = Elohim van | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = de aarde | הושיעה (hoshi'ah) = red | נא (na) = toch | לעמך (le'amekha) = Uw volk | הזה (hazzeh) = dit | אשר (asher) = die | הוצאת (hotset) = U hebt uitgeleid | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ואל (ve'el) = en laat niet | יאמרו (yomru) = zeggen | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | כי (ki) = dat | יד (yad) = hand | וגבורה (ugevurah) = en macht | להם (lahem) = bij hen is Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### De Rietzee splijt **81:36** En Yahweh zei tot Mozes: **„Wat roep je tot Mij? Spreek tot de zonen van Israël dat zij optrekken. En jij, strek jouw staf uit over de zee en splijt haar, en de zonen van Israël zullen er dwars doorheen trekken.”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | מה (mah) = wat | תצעק (titsak) = roep je | אליי (elai) = tot Mij | דבר (davar) = spreek | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויסעו (vayis'u) = dat zij optrekken | ואתה (ve'attah) = en jij | נטה (natah) = strek uit | את (et) = (lijdend voorwerp) | מטך (matkha) = jouw staf | על (al) = over | הים (hayyam) = de zee | ובקעהו (uvaqe'ehu) = en splijt hem | ויעברו (vaya'avru) = en zullen oversteken | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בתוכו (betocho) = erdoor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 14:15–16. Zie ook: Ex 14:15–16 **81:37** En Mozes deed zo; hij hief zijn staf op over de zee en kloof haar. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | משה (moshe) = Mozes | וירם (vayarem) = en hief op | במטהו (bemattehu) = met zijn staf | על (al) = op | הים (hayyam) = de zee | ויבקעהו (vayivqa'ehu) = en hij kloof hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:38** En de wateren van de Rietzee werden gescheurd in twaalf delen, en de zonen van Israël trokken midden door de zee, te voet, met schoenen aan, zoals een mens over een gebaande weg gaat. Brontekst: ויקרעו (vayiqre'u) = en werden gescheurd | מי (mi) = de wateren van | ים (yam) = zee van | סוף (suf) = Soef | לשתים (lishtem) = in twaalf | עשרה (esreh) = — | קרעים (qera'im) = delen | ויעברו (vaya'avru) = en trokken door | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בתוך (betokh) = midden in | הים (hayyam) = de zee | ברגליהם (beraglehem) = te voet | בנעליים (bena'alayim) = met schoenen | כאשר (ka'asher) = zoals | יעבור (ya'avor) = doorgaat | האדם (ha'adam) = de mens | באורח (be'orakh) = op een weg | סלולה (selulah) = gebaande Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 14:21–22; zie ook Ps. 136:13 (de Rietzee ‘in delen gesneden’). Zie ook: Ex 14:21–22; Ps 136:13 **81:39** En Yahweh toonde de zonen van Israël Zijn wonderen in Egypte en midden in de zee, door de hand van Mozes en Aäron. Brontekst: והראה (vehir'ah) = en liet zien | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = aan | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפלאותיו (nifle'otav) = Zijn wonderen | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ובתוך (uvetokh) = en midden in | הים (hayyam) = de zee | ביד (beyad) = door de hand van | משה (moshe) = Mozes | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **81:40** En toen de zonen van Israël de zee in waren gegaan, kwamen de Egyptenaren achter hen aan, en de wateren van de zee keerden terug over hen, en zij verdronken allen in het water; en er bleef niet één man van hen over, behalve de farao, de koning van Egypte, die dank bracht aan Yahweh en in Hem geloofde; daarom doodde Yahweh hem in die tijd niet met de Egyptenaren. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בבוא (bevo) = toen kwamen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | הימה (hayamah) = de zee in | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | וישובו (vayashuvu) = en keerden terug | מי (mi) = de wateren van | הים (hayyam) = de zee | עליהם (aleihem) = over hen | ויטבעו (vayitbe'u) = en verdronken | כולם (kullam) = allen | במים (bammayim) = in het water | ולא (velo) = en niet | נותר (notar) = bleef over | מהם (mehem) = van hen | איש (ish) = een man | זולתי (zulati) = behalve | פרעה (par'oh) = Farao | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | אשר (asher) = die | נתן (natan) = gaf | תודה (todah) = dank | ליהוה (laYahweh) = aan Yahweh | ויאמן (vaya'amen) = en geloofde | בו (bo) = in Hem | על (al) = daarom | כן (ken) = — | לא (lo) = niet | המיתו (hemitu) = doodde hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | עם (im) = met | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 14:27–28. Dat de farao zelf gespaard werd, staat niet in Exodus. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 14:27–28 **81:41** En Yahweh gebood een engel, en die haalde hem van tussen de Egyptenaren weg en wierp hem neer in het land Nineve, en hij regeerde daar vele dagen. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מלאך (mal'akh) = een engel | ויוציאהו (vayotsi'ehu) = en haalde hem | מבין (mibein) = van tussen | המצרים (hammitsrim) = de Egyptenaren | וישליכהו (vayashlikhehu) = en wierp hem | ארצה (artsah) = naar het land | נינוה (nineveh) = Nineve | וימלוך (vayemlokh) = en hij regeerde | עליה (aleha) = daarover | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. **81:42** En Yahweh redde op die dag Israël uit de hand van Egypte, en alle zonen van Israël zagen dat heel Egypte gestorven was, en zij zagen de grote hand van Yahweh, wat Hij in Egypte en in de zee had gedaan. Brontekst: ויושע (vayyosha) = en redde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | מיד (miyyad) = uit de hand van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויראו (vayiru) = en zij zagen | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כי (ki) = dat | מתו (metu) = gestorven waren | כל (kol) = alle | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ויראו (vayiru) = en zij zagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יד (yad) = hand van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הגדולה (haggedolah) = grote | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | במצרים (bemitsrayim) = in Egypte | ובים (uvayam) = en in de zee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Het lied aan de zee **81:43** Toen zongen Mozes en de zonen van Israël dit lied voor Yahweh, op de dag dat Yahweh de Egyptenaren voor hen deed vallen. Brontekst: אז (az) = toen | ישיר (yashir) = zong | משה (moshe) = Mozes | ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | השירה (hashirah) = het lied | הזאת (hazzo't) = deze | ליהוה (laYahweh) = aan Yahweh | ביום (beyom) = op de dag dat | הפיל (hafil) = deed vallen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | לפניהם (lifneihem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 15:1. Zie ook: Ex 15:1 **81:44** En heel Israël zei in het lied: „Ik wil zingen voor Yahweh, want hoog is Hij verheven; paard en ruiter heeft Hij in de zee geworpen.” Zie, het is geschreven in het boek van de wet van Elohim. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | בשירה (beshirah) = in lied | לאמור (lemor) = zeggende | אשירה (ashirah) = ik wil zingen | ליהוה (laYahweh) = voor Yahweh | כי (ki) = want | גאה (ga'oh) = hoog | גאה (ga'oh) = verheven | סוס (sus) = paard | ורוכבו (verokhevo) = en zijn ruiter | רמה (ramah) = heeft Hij geworpen | בים (bayyam) = in de zee | הנה (hinneh) = zie | כתובה (ketuva) = geschreven | על (al) = in | ספר (sefer) = het boek van | תורת (torat) = de wet van | אלוקים (Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Mara, Elim en het manna **81:45** En het gebeurde daarna dat de zonen van Israël optrokken en zich legerden in Mara; en Yahweh gaf de zonen van Israël op die plaats, in Mara, verordeningen en rechtsregels, en Yahweh gebood de zonen van Israël te wandelen op al Zijn wegen en Hem te dienen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | במרה (bemarah) = in Mara | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = aan | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | חוקים (chuqqim) = verordeningen | ומשפטים (umishpatim) = en rechtsregels | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | במרה (bemarah) = in Mara | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ללכת (lalekhet) = te wandelen | בכל (bekhol) = in al | דרכיו (derakhav) = Zijn wegen | ולעבוד (ule'ovd) = en te dienen | אותו (oto) = Hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 15:22–26. Zie ook: Ex 15:22–26 **81:46** En zij trokken uit Mara en kwamen in Elim, en in Elim waren twaalf bronnen van water en zeventig dadelpalmen; en de zonen van Israël legerden zich daar bij het water. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | ממרה (mimmarah) = uit Mara | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אילימה (elimah) = naar Elim | ובאילים (uve'elim) = en in Elim | שתים (shetayim) = twaalf | עשרה (esreh) = — | עינות (einot) = bronnen van | מים (mayim) = water | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | תמרים (temarim) = dadelpalmen | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | שם (shem) = daar | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | על (al) = bij | המים (hammayim) = het water Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 15:27. Zie ook: Ex 15:27 **81:47** En zij trokken uit Elim en kwamen in de woestijn van Sin, op de vijftiende dag van de tweede maand na hun uittocht uit Egypte. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | מאילים (me'elim) = uit Elim | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = naar | מדבר (medabber) = de woestijn van | סין (sin) = Sin | בחמישה (bakhamishah) = op de vijftiende | עשר (esar) = — | יום (yom) = dag | לחודש (lachodesh) = van de maand | השני (hasheni) = de tweede | לצאתם (letse'tam) = na hun uittocht | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 16:1. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 16:1 **81:48** In die tijd gaf Yahweh de zonen van Israël het manna te eten, en Yahweh liet dag na dag brood uit de hemel op de zonen van Israël regenen. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | נתן (natan) = hij gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | המן (haman) = het manna | אל (el) = aan | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לאכול (le'ekhol) = om te eten | וימטר (vayamter) = en liet regenen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלבני (elbnei) = op de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לחם (lechem) = brood | מן (min) = uit | השמים (hashamayim) = de hemel | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft אלבני (‘naar de zonen van’); gelezen als אל בני. **81:49** En de zonen van Israël aten het manna veertig jaar, al de dagen dat zij in de woestijn waren, totdat zij in het land Kanaän kwamen om het in bezit te nemen. Brontekst: ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | המן (haman) = het manna | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | היותם (heyotam) = dat zij waren | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | עד (ad) = tot | בואם (bo'am) = zij kwamen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לרשתה (lerishtah) = om het in bezit te nemen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 16:35. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Ex 16:35 **81:50** En zij trokken uit de woestijn van Sin en legerden zich in Alus. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | ממדבר (mimidbar) = uit de woestijn van | סין (sin) = Sin | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | באלוש (be'alush) = in Alus Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 33:12–13. Zie ook: Num 33:12–13 **81:51** En zij trokken uit Alus en legerden zich in Refidim. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | מאלוש (me'alush) = uit Alus | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | ברפידים (birfidim) = in Refidim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 17:1. Zie ook: Ex 17:1 ### De strijd tegen Amalek **81:52** En het gebeurde toen de zonen van Israël in Refidim waren, dat Amalek, de zoon van Elifaz, de zoon van Ezau, de broer van Zefo, tegen hen kwam om te strijden tegen Israël. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיות (bihyot) = toen waren | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ברפידים (birfidim) = in Refidim | ויבוא (vayavo) = kwam | עליהם (aleihem) = tegen hen | עמלק (amaleq) = Amalek | בן (ben) = zoon van | אליפז (Elifaz) = Elifaz | בן (ben) = zoon van | עשו (asu) = Ezau | אחי (echi) = de broer van | צפו (tsefo) = Zefo | למלחמה (lammilchamah) = om te strijden | עם (im) = tegen | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 17:8; zie ook Gen. 36:12. Zie ook: Gen 36:12; Ex 17:8 **81:53** En hij bracht met zich achthonderdeenduizend man mee, waarzeggers en dodenbezweerders, en schaarde zich ten strijde tegen Israël in Refidim. Brontekst: ויביא (vayavi) = en bracht | איתו (ito) = met zich | אלף (elef) = duizend | ושמנים (ushmonim) = en tachtig | ריבוא (ribo) = maal tienduizend | איש (ish) = man | קוסמים (qosmim) = waarzeggers | ובעלי (uva'alei) = en bezitters van | אוב (ov) = dodengeesten | ויערוך (vaya'arokh) = en schaarde zich | מלחמה (milchamah) = tot de strijd | עם (im) = met | ישראל (yisra'el) = Israël | ברפידים (birfidim) = in Refidim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: אלף ושמנים ריבוא is 1.000 + 80 × 10.000 = 801.000. בעלי אוב zijn mensen die de doden bezweren (zie Lev. 20:27). Zie ook: Lev 20:27 **81:54** En zij voerden een grote en zware strijd tegen Israël; en Yahweh gaf Amalek en zijn volk in de hand van Mozes en de zonen van Israël en in de hand van Jozua, de zoon van Nun, de Efratiet, de dienaar van Mozes. Brontekst: וילחמו (vayillachamu) = en voerden | בישראל (beyisra'el) = tegen Israël | מלחמה (milchamah) = strijd | רבה (rabbah) = grote | וחזקה (vechazaqa) = en zware | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | עמלק (amaleq) = Amalek | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | עמו (immo) = zijn volk | ביד (beyad) = in de hand van | משה (moshe) = Mozes | ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וביד (uvyad) = en de hand van | יהושע (yehoshua) = Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun | האפרתי (ha'efrati) = de Efratiet | משרת (mesharet) = dienaar van | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: האפרתי, ‘de Efratiet’: Jozua stamde uit Efraïm (zie Num. 13:8). Zie ook: Num 13:8 **81:55** En de zonen van Israël sloegen Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard, maar zwaar was die oorlog voor de zonen van Israël. Brontekst: ויכו (vayakku) = en zij sloegen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | עמלק (amaleq) = Amalek | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | עמו (immo) = zijn volk | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | אך (akh) = maar | מלחמה (milchamah) = oorlog | חזקה (chazaqah) = zwaar | הייתה (hayetah) = was | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | ההיא (hahi) = die | על (al) = voor | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:56** En Yahweh zei tot Mozes: **„Schrijf dit voor jezelf op ter gedachtenis in een boek, en leg het in de hand van Jozua, de zoon van Nun, jouw dienaar, en gebied de zonen van Israël: ‘Wanneer jullie in het land Kanaän komen, zullen jullie de herinnering aan Amalek zeker van onder de hemel uitwissen.’”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | כתוב (katuv) = schrijf op | לך (lekha) = voor jezelf | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | זיכרון (zikaron) = ter gedachtenis | בספר (bassefer) = in een boek | ושמת (vesamta) = en leg | ביד (beyad) = in de hand van | יהושע (yehoshua) = Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun | משרתך (meshartekha) = jouw dienaar | וצוית (vetsivita) = en gebied | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לאמור (lemor) = zeggende | בבואכם (bevo'akhem) = wanneer jullie komen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | מחה (mekhoh) = zeker | תמחה (timkheh) = zullen jullie uitwissen | את (et) = (lijdend voorwerp) | זכר (zakhar) = de herinnering aan | עמלק (amaleq) = Amalek | מתחת (mittachat) = van onder | השמים (hashamayim) = de hemel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 17:14. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Ex 17:14 **81:57** En Mozes deed zo; hij nam het boek en schreef er deze woorden in: Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | משה (moshe) = Mozes | ויקח (vayikkach) = en hij nam | הספר (hassefer) = het boek | ויכתוב (vayikhtov) = en hij schreef | עליו (alav) = daarin | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:58** „Gedenk wat Amalek je heeft aangedaan op de weg, toen jullie uit Egypte trokken, Brontekst: זכור (zekhor) = gedenk | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = wat | עשה (asah) = heeft aangedaan | לך (lekha) = aan je | עמלק (amaleq) = Amalek | בדרך (baderekh) = op de weg | בצאתכם (betse'tekhem) = toen jullie uittrokken | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 25:17–19. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 25:17–19 **81:59** hoe hij je onderweg tegenkwam en alle achterblijvers achter je sloeg, toen jij moe en vermoeid was, en Elohim niet vreesde. Brontekst: אשר (asher) = dat | קרך (qarekha) = hij ontmoette je | בדרך (baderekh) = onderweg | ויזנב (vayezanev) = en de achterhoede sloeg | בך (bekha) = van je | כל (kol) = alle | הנחשלים (hanekhshalim) = de achterblijvers | אחריך (acharekha) = achter je | ואתה (ve'attah) = en jij | עיף (ayef) = moe | ויגע (vayagga) = en vermoeid | ולא (velo) = en niet | ירא (yere) = vreesde | אלוקים (Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:60** En het zal zijn: wanneer Yahweh, je Elohim, je rust geeft van al je vijanden rondom, in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel om het in bezit te nemen, dan zul je de herinnering aan Amalek van onder de hemel uitwissen; vergeet het niet. Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | בהניח (behaniakh) = wanneer hij rust geeft | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיך (elohekha) = je Elohim | לך (lekha) = aan je | מכל (mikkol) = van al | אויביך (oyvekha) = je vijanden | מסביב (missaviv) = rondom | בארץ (ba'arets) = in het land | אשר (asher) = die | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיך (elohekha) = je Elohim | נותן (noten) = geeft | לך (lekha) = aan je | נחלה (nakhalah) = als erfdeel | לרשתה (lerishtah) = om het in bezit te nemen | תמחה (timkheh) = zul je uitwissen | את (et) = (lijdend voorwerp) | זכר (zakhar) = de herinnering aan | עמלק (amaleq) = Amalek | מתחת (mittachat) = van onder | השמים (hashamayim) = de hemel | לא (lo) = niet | תשכח (tishkach) = zul je vergeten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **81:61** En de koning die medelijden heeft met Amalek en met zijn herinnering en met zijn zaad: **‘Ik zal het van hem eisen, en Ik zal hem afsnijden uit het midden van zijn volken.’**” Brontekst: והיה (vehayah) = en het zal zijn | המלך (hammelekh) = de koning | אשר (asher) = die | יחמול (yakhmol) = medelijden heeft | על (al) = met | עמלק (amaleq) = Amalek | ועל (ve'al) = en met | זכרו (zakhru) = zijn herinnering | ועל (ve'al) = en met | זרעו (zar'u) = zijn zaad | אנוכי (anokhi) = Ik | אדרוש (edrosh) = zal eisen | מעמו (meimmo) = van hem | והכרתי (vehikhratti) = en Ik zal afsnijden | אותו (oto) = hem | מקרב (miqqerev) = uit het midden van | עמיו (ammav) = zijn volken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie 1 Sam. 15:3–9. Zie ook: 1 Sam 15:3–9 **81:62** En Mozes schreef al deze woorden in een boek, en hij gaf de zonen van Israël bevel over al deze dingen. Brontekst: ויכתוב (vayikhtov) = en hij schreef | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze | בספר (bassefer) = in een boek | ויצוה (vetsavveh) = en gebood | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | על (al) = over | כל (kol) = alle | הדברים (haddevarim) = de dingen | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 82 _Sinaï, het kalf en de tabernakel_ ### Jetro bij de berg van Elohim **82:1** En de zonen van Israël trokken op uit Refidim en legerden zich in de woestijn Sinaï, in de derde maand na hun uittocht uit Egypte. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en trokken op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מרפידים (merefidim) = uit Refidim | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | סיני (Sini) = Sinaï | בחודש (bachodesh) = in de maand | השלישי (hashelishi) = de derde | לצאתם (letse'tam) = na hun uittocht | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 19:1–2. Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 19:1–2 **82:2** In die tijd kwam Reüel, de Midianiet, de schoonvader van Mozes, met Sippora, zijn dochter, en haar twee zonen, want hij had de wonderen van Yahweh gehoord, die Hij voor Israël had gedaan, dat Hij hen uit de hand van Egypte had gered. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | בא (ba) = kwam | רעואל (Re'u'el) = Reüel | המדיני (hamidyani) = de Midianiet | חותן (khoten) = schoonvader | משה (moshe) = Mozes | עם (im) = met | ציפורה (tsipporah) = Sippora | בתו (bito) = zijn dochter | ושני (ushnei) = en twee | בניה (baneyha) = haar zonen | כי (ki) = want | שמע (shema) = had gehoord | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפלאות (nifle'ot) = de wonderen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gedaan | לישראל (leyisra'el) = voor Israël | אשר (asher) = dat | הציל (hatsil) = had gered | אותם (otam) = hen | מיד (miyyad) = uit de hand van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 18:1–5. Reüel (zie Ex. 2:18) en Jetro (vers 3; zie Ex. 3:1) zijn dezelfde man, de schoonvader van Mozes. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 2:18; Ex 3:1; Ex 18:1–5 **82:3** En Jetro kwam naar Mozes in de woestijn waar hij gelegerd was, de berg van Elohim. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | יתרו (yitro) = Jetro | אל (el) = naar | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = naar | המדבר (hammidbar) = de woestijn | אשר (asher) = waar | הוא (hu) = hij | חונה (khoneh) = gelegerd | שם (shem) = daar | הר (har) = de berg van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **82:4** En Mozes ging zijn schoonvader tegemoet met grote eer, en heel Israël was met hem. Brontekst: ויצא (vayetse) = en ging uit | משה (moshe) = Mozes | לקראת (liqrat) = tegemoet | חותנו (khotno) = zijn schoonvader | בכבוד (bikhvod) = met eer | גדול (gadol) = grote | וכל (vekhol) = en alle | ישראל (yisra'el) = Israël | עמו (immo) = met hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 18:7. Zie ook: Ex 18:7 **82:5** En Jetro en zijn zonen bleven vele dagen te midden van Israël, en Jetro leerde Yahweh kennen vanaf die dag en verder. Brontekst: וישב (vayyashev) = en bleef | יתרו (yitro) = Jetro | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | בקרב (beqerev) = te midden van | ישראל (yisra'el) = Israël | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | וידע (vayyeda) = en leerde kennen | יתרו (yitro) = Jetro | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מהיום (mehayyom) = vanaf die dag | ההוא (hahu) = — | והלאה (vehal'ah) = en verder Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 18:10–12. Zie ook: Ex 18:10–12 ### De tien woorden **82:6** En het gebeurde in de derde maand na de uittocht van de zonen van Israël uit Egypte, op de zesde dag ervan, dat Yahweh aan Israël de tien woorden gaf op de berg Sinaï. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בחודש (bachodesh) = in de maand | השלישי (hashelishi) = de derde | לצאת (latset) = na het uittrekken van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | בששת (beshishat) = op de zesde | ימים (yamim) = dag | בו (bo) = ervan | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | עשרת (aseret) = de tien | הדברים (haddevarim) = woorden | בהר (bahar) = op de berg | סיני (Sini) = Sinaï Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 19:1; 20:1–17. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 19:1; Ex 20:1 **82:7** En heel Israël hoorde deze woorden, en heel Israël verheugde zich zeer in Yahweh op die dag. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדברים (haddevarim) = woorden | האלה (ha'elleh) = deze | וישמחו (vayismechu) = en verheugden zich | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | מאוד (me'od) = zeer | ביהוה (bYahweh) = in Yahweh | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **82:8** En de heerlijkheid van Yahweh rustte op de berg Sinaï, en Hij riep Mozes; en Mozes kwam midden in de wolk en ging de berg op. Brontekst: וישכון (vayishkon) = en rustte | כבוד (kavod) = de heerlijkheid van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = op | הר (har) = de berg | סיני (Sini) = Sinaï | ויקרא (vayikra) = en Hij riep | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | משה (moshe) = Mozes | בתוך (betokh) = midden in | הענן (he'anan) = de wolk | ויעל (vayya'al) = en ging op | אל (el) = naar | ההר (hahar) = de berg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 24:15–18. Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 24:15–18 **82:9** En Mozes was op de berg veertig dagen en veertig nachten; brood at hij niet en water dronk hij niet; en Yahweh onderwees hem in verordeningen en rechtsregels, om de zonen van Israël te onderrichten. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | משה (moshe) = Mozes | בהר (bahar) = op de berg | ארבעים (arba'im) = veertig | יום (yom) = dag | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | לילה (laylah) = nacht | לחם (lechem) = brood | לא (lo) = niet | אכל (akhal) = at | ומים (umayim) = en water | לא (lo) = niet | שתה (shatah) = dronk | וילמדהו (vayelammedehu) = en onderwees hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | חוקים (chuqqim) = verordeningen | ומשפטים (umishpatim) = en rechtsregels | להורות (lehorot) = om te onderrichten | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 24:18; Deut. 9:9. Zie ook: Ex 24:18; Deut 9:9 **82:10** En Yahweh schreef de tien woorden, die Hij de zonen van Israël had geboden, op twee stenen tafelen, om ze aan Mozes te geven, om de zonen van Israël te gebieden. Brontekst: ויכתוב (vayikhtov) = en hij schreef | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | עשרת (aseret) = de tien | הדברים (haddevarim) = woorden | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = had geboden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | על (al) = op | שני (shenei) = twee | לוחות (luchot) = tafelen van | אבנים (avanim) = steen | לתתם (letitam) = om ze te geven | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | לצוות (letsavvot) = om te gebieden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 31:18; Deut. 4:13. Zie ook: Ex 31:18; Deut 4:13 **82:11** En na veertig dagen en veertig nachten, toen Yahweh geëindigd was met spreken tot Mozes op de berg Sinaï, gaf Yahweh Mozes de stenen tafelen, beschreven met de vinger van Elohim. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | ארבעים (arba'im) = veertig | יום (yom) = dag | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | לילה (laylah) = nacht | ככלות (kekhalot) = toen had geëindigd | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לדבר (laddavar) = met spreken | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | בהר (bahar) = op de berg | סיני (Sini) = Sinaï | ויתן (vayitten) = en gaf | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | לוחות (luchot) = de tafelen van | האבן (ha'even) = steen | כתובים (ketuvim) = beschreven | באצבע (be'etsba) = met de vinger van | אלוקים (Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 31:18. Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 31:18 ### Het gouden kalf **82:12** En de zonen van Israël zagen dat Mozes talmde om van de berg af te dalen, en zij verzamelden zich rond Aäron en zeiden: „Deze man Mozes, wij weten niet wat hem is overkomen. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ראו (ra'u) = zagen | כי (ki) = dat | בושש (bushash) = talmde | משה (moshe) = Mozes | לרדת (laredet) = af te dalen | מן (min) = van | ההר (hahar) = de berg | ויקהלו (vayikahalu) = en zij verzamelden zich | על (al) = rond | אהרון (aharon) = Aäron | לאמור (lemor) = zeggende | האיש (ha'ish) = deze man | משה (moshe) = Mozes | לא (lo) = — | ידענו (yada'nu) = wij weten niet | מה (mah) = wat | היה (hayah) = is overkomen | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 32:1. Zie ook: Ex 32:1 **82:13** Nu dan, sta op, maak ons goden die voor ons uit gaan, en je zult niet sterven.” Brontekst: עתה (attah) = nu | קום (qum) = sta op | עשה (asah) = maak | לנו (lanu) = voor ons | אלוקים (Elohim) = goden | אשר (asher) = die | ילכו (yelkhu) = die gaan | לפנינו (lefanenu) = voor ons uit | ולא (velo) = en niet | תמות (tamutu) = zul je sterven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: אלוקים met het meervoudige werkwoord ילכו (‘die gaan’) is hier weergegeven als ‘goden’, zoals in Ex. 32:1; de Engelse vertaling heeft ‘a god’. Zie ook: Ex 32:1 **82:14** En Aäron vreesde het volk zeer, en hij gebood dat zij hem goud brachten, en zij maakten een gegoten kalf voor het volk. Brontekst: ויירא (vayira) = en hij vreesde | אהרון (aharon) = Aäron | מהעם (me'ha'am) = voor het volk | מאוד (me'od) = zeer | ויצו (vayetsav) = en gebood | ויביאו (vayavi'u) = dat zij brachten | לו (lo) = voor hem | זהב (zahav) = goud | ויעשו (vaya'asu) = en zij maakten | עגל (egel) = kalf | מסכה (massekhah) = gegoten | אל (el) = voor | העם (ha'am) = het volk Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ויעשו (‘en zij maakten’) staat in het meervoud; de Engelse vertaling heeft ‘he made’ (Aäron). Zie Ex. 32:2–4. Zie ook: Ex 32:2–4 **82:15** En Yahweh zei tot Mozes, voordat hij van de berg was afgedaald: **„Ga, daal af, want het volk dat je uit Egypte hebt uitgeleid, heeft zich verdorven.** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | טרם (terem) = voordat | רדתו (redeto) = hij afdaalde | מן (min) = van | ההר (hahar) = de berg | לך (lekha) = ga | רד (red) = daal af | כי (ki) = want | שחת (shichet) = heeft zich verdorven | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | הוצאת (hotset) = je hebt uitgeleid | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 32:7. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 32:7 **82:16** **Want zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt en zich ervoor neergebogen. En nu, laat af van Mij, dan zal Ik hen van de aarde verteren, want het is een halsstarrig volk.”** Brontekst: כי (ki) = want | עשו (asu) = zij hebben gemaakt | להם (lahem) = voor zich | עגל (egel) = kalf | מסכה (massekhah) = gegoten | וישתחוו (vayishtachavu) = en zij hebben zich neergebogen | לו (lo) = ervoor | ועתה (ve'attah) = en nu | הניחה (hanikhah) = laat af | לי (li) = van Mij | ואכלם (ve'okhlem) = dan zal Ik hen verteren | מן (min) = van | הארץ (ha'arets) = de aarde | כי (ki) = want | עם (im) = een volk | קשה (qashah) = hard van | עורף (oref) = nek | הוא (hu) = is het Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 32:8–10. Zie ook: Ex 32:8–10 **82:17** En Mozes trachtte het aangezicht van Yahweh gunstig te stemmen en bad tot Yahweh voor het volk, vanwege het kalf dat zij hadden gemaakt. En daarna daalde Mozes van de berg af, en in zijn hand waren de twee stenen tafelen, die Elohim hem had gegeven om Israël te gebieden. Brontekst: ויחל (vayachel) = trachtte gunstig te stemmen | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | פני (pnei) = het aangezicht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויתפלל (vayitpallel) = en hij bad | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעד (ba'ad) = voor | העם (ha'am) = het volk | על (al) = vanwege | אודות (odot) = — | העגל (ha'egel) = het kalf | אשר (asher) = die | עשו (asu) = zij hadden gemaakt | וירד (vayered) = en daalde af | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | משה (moshe) = Mozes | מן (min) = van | ההר (hahar) = de berg | ובידו (uvyado) = en in zijn hand | שני (shenei) = twee | לוחות (luchot) = tafelen van | האבן (ha'even) = steen | אשר (asher) = die | נתן (natan) = had gegeven | לו (lo) = hem | אלוקים (Elohim) = Elohim | לצוות (letsavvot) = om te gebieden | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 32:11–14, 15. Zie ook: Ex 32:11–14 **82:18** En toen Mozes het kamp naderde en het kalf zag dat het volk had gemaakt, ontbrandde de toorn van Mozes, en hij brak de tafelen onder aan de berg. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | קרב (qerav) = naderde | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = naar | המחנה (hammachaneh) = het kamp | וירא (vayyera) = en hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | העגל (ha'egel) = het kalf | אשר (asher) = die | עשו (asu) = had gemaakt | העם (ha'am) = het volk | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = de toorn van | משה (moshe) = Mozes | וישבר (vayeshaber) = en hij brak | את (et) = (lijdend voorwerp) | הלוחות (haluchot) = de tafelen | תחת (tachat) = onder aan | ההר (hahar) = de berg Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 32:19. Zie ook: Ex 32:19 **82:19** En Mozes kwam in het kamp en nam het kalf en verbrandde het in vuur, en maalde het totdat het fijn was, en strooide het op het water en liet Israël het drinken. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en kwam | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | המחנה (hammachaneh) = het kamp | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | העגל (ha'egel) = het kalf | וישרפהו (vayisrefehu) = en verbrandde het | באש (ba'esh) = in vuur | ויטחן (vayitkhan) = en maalde het | עד (ad) = totdat | אשר (asher) = — | דק (dak) = het fijn was | ויזר (vayezar) = en strooide het | על (al) = op | המים (hammayim) = het water | וישק (vayishaq) = en liet drinken | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 32:20. Zie ook: Ex 32:20 **82:20** En van het volk stierven, ieder door het zwaard van zijn naaste, ongeveer drieduizend man, die het kalf hadden gemaakt. Brontekst: וימותו (vayamutu) = en stierven | מן (min) = van | העם (ha'am) = het volk | איש (ish) = ieder | בחרב (bacherev) = door het zwaard van | רעהו (re'ehu) = zijn naaste | כשלושת (keshloshet) = ongeveer drie | אלפי (alfei) = duizend | איש (ish) = man | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hadden gemaakt | את (et) = (lijdend voorwerp) | העגל (ha'egel) = het kalf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 32:27–28. Zie ook: Ex 32:27–28 ### Mozes opnieuw op de berg **82:21** En het gebeurde de volgende dag dat Mozes tot het volk zei: „Ik zal opgaan tot Yahweh; misschien kan ik verzoening doen voor jullie zonden, waarmee jullie tegen Yahweh hebben gezondigd.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ממחרת (mimmochorat) = de volgende dag | ויאמר (vayomer) = en hij zei | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | העם (ha'am) = het volk | אעלה (e'eleh) = zal ik opgaan | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אולי (ulai) = misschien | אכפרה (akhapperah) = kan ik verzoening doen | בעד (ba'ad) = voor | חטאתכם (chatotekhem) = jullie zonden | אשר (asher) = die | חטאתם (chata'tem) = jullie hebben gezondigd | ליהוה (laYahweh) = tegen Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 32:30. Zie ook: Ex 32:30 **82:22** En Mozes ging opnieuw op tot Yahweh, en hij bleef bij Yahweh veertig dagen en veertig nachten. Brontekst: ויעל (vayya'al) = en ging op | משה (moshe) = Mozes | עוד (od) = opnieuw | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישב (vayyashev) = en bleef | עם (im) = bij | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ארבעים (arba'im) = veertig | יום (yom) = dag | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | לילה (laylah) = nacht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 32:31–32; Deut. 9:18. Zie ook: Ex 32:31–32; Deut 9:18 **82:23** En Mozes zocht Yahweh gedurende de veertig dagen voor de zonen van Israël; en Yahweh luisterde naar het gebed van Mozes en liet zich door hem verbidden voor Israël. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | משה (moshe) = Mozes | מבקש (mevaqesh) = zocht | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעד (ba'ad) = voor | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = gedurende | ארבעים (arba'im) = veertig | היום (hayyom) = de dagen | וישמע (vayishma) = en luisterde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | תפילת (tefillat) = het gebed van | משה (moshe) = Mozes | ויעתר (vaye'ater) = en liet zich verbidden | לו (lo) = door hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בעד (ba'ad) = voor | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 9:18–19; 10:10. Zie ook: Deut 9:18–19; Deut 10:10 **82:24** Toen sprak Yahweh tot Mozes om twee stenen tafelen uit te houwen en ze tot Yahweh op te brengen, om daarop de tien woorden te schrijven. Brontekst: אז (az) = toen | דיבר (dibber) = sprak | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | לפסול (lifsol) = om uit te houwen | שני (shenei) = twee | לוחות (luchot) = tafelen van | אבנים (avanim) = steen | להעלותם (leha'alotam) = om ze op te brengen | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לכתוב (likhtov) = om te schrijven | עליהם (aleihem) = daarop | את (et) = (lijdend voorwerp) | עשרת (aseret) = de tien | הדברים (haddevarim) = woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 34:1. Zie ook: Ex 34:1 **82:25** En Mozes deed zo; hij daalde af en hieuw twee tafelen uit en ging op naar de berg Sinaï tot Yahweh, en Yahweh schreef de tien woorden op de tafelen. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | משה (moshe) = Mozes | וירד (vayered) = en daalde af | ויפסול (vayifsol) = en hieuw uit | שני (shenei) = twee | לוחות (luchot) = tafelen | ויעל (vayya'al) = en ging op | אל (el) = naar | הר (har) = berg | סיני (Sini) = Sinaï | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויכתוב (vayikhtov) = en hij schreef | יהוה (Yahweh) = Yahweh | על (al) = op | הלוחות (haluchot) = de tafelen | את (et) = (lijdend voorwerp) | עשרת (aseret) = de tien | הדברים (haddevarim) = woorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 34:4, 28. Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Ex 34:4 **82:26** En Mozes bleef nog veertig dagen en veertig nachten bij Yahweh, en Yahweh onderwees hem nog in verordeningen en rechtsregels voor Israël. Brontekst: וישב (vayyashev) = en bleef | עוד (od) = nog | משה (moshe) = Mozes | עם (im) = met | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ארבעים (arba'im) = veertig | יום (yom) = dag | וארבעים (ve'arba'im) = en veertig | לילה (laylah) = nacht | וילמדהו (vayelammedehu) = en onderwees hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עוד (od) = nog | חוקים (chuqqim) = verordeningen | ומשפטים (umishpatim) = en rechtsregels | אל (el) = voor | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De tabernakel **82:27** En Yahweh gebood hem aangaande de zonen van Israël een tabernakel te maken voor Yahweh, om Zijn naam in hun midden te laten wonen, en Yahweh toonde hem het model van de tabernakel en het model van al zijn voorwerpen. Brontekst: ויצוהו (vayetsavvehu) = en gebood hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = aangaande | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לעשות (la'asot) = te maken | ליהוה (laYahweh) = voor Yahweh | משכן (mishkan) = een tabernakel | לשכן (leshakken) = om te laten wonen | שמו (shemo) = Zijn naam | בתוכם (betokham) = in hun midden | ויראהו (vayar'ehu) = en toonde hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | תבנית (tavnit) = het model van | המשכן (hamishkan) = de tabernakel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | תבנית (tavnit) = het model van | כל (kol) = alle | כליו (kelav) = zijn voorwerpen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 25:8–9. Zie ook: Ex 25:8–9 **82:28** En na afloop van de veertig dagen daalde Mozes van de berg af, met de twee tafelen in zijn hand. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | הארבעים (ha'arba'im) = de veertig | יום (yom) = dagen | וירד (vayered) = en daalde af | משה (moshe) = Mozes | מן (min) = van | ההר (hahar) = de berg | ושני (ushnei) = en twee | לוחות (luchot) = tafelen | בידו (beyado) = in zijn hand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 34:29. Zie ook: Ex 34:29 **82:29** En Mozes kwam bij de zonen van Israël en sprak tot hen al de woorden van Yahweh, en hij leerde hun wetten, verordeningen en rechtsregels, die Yahweh hem had geboden. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en kwam | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = bij | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וידבר (vayedabber) = en sprak | אליהם (aleihem) = tot hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וילמד (vayelammed) = en leerde | להם (lahem) = hun | תורות (torot) = wetten | חוקים (chuqqim) = verordeningen | ומשפטים (umishpatim) = en rechtsregels | אשר (asher) = die | ציוהו (tsivvahu) = had hem geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 34:32; 35:1. Zie ook: Ex 34:32; Ex 35:1 **82:30** En Mozes maakte de zonen van Israël de woorden van Yahweh bekend: een tabernakel te maken voor Hem, om te wonen te midden van de zonen van Israël. Brontekst: ויגד (vayyaged) = en maakte bekend | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | דברי (divrei) = woorden van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לעשות (la'asot) = te maken | לו (lo) = voor Hem | משכן (mishkan) = een tabernakel | לשכון (lishkon) = om te wonen | בתוך (betokh) = midden in | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **82:31** En het volk verheugde zich met zeer grote vreugde over al het goede dat Yahweh tot hen had gesproken door de hand van Mozes, en zij zeiden: „Alles wat Yahweh tot jou heeft gesproken, zo zullen wij doen.” Brontekst: וישמח (vayismach) = en verheugde zich | העם (ha'am) = het volk | שמחה (semechah) = vreugde | גדולה (gedolah) = grote | עד (ad) = tot | מאוד (me'od) = zeer | על (al) = over | כל (kol) = alle | הטובה (hattovah) = het goede | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אליהם (aleihem) = tot hen | ביד (beyad) = door de hand van | משה (moshe) = Mozes | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = heeft gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אליך (elekha) = tot jou | כן (ken) = zo | נעשה (na'aseh) = zullen wij doen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 35:1–19. Zie ook: Ex 35:1–19 ### De gaven en het werk **82:32** En heel het volk stond op als één man en gaf vrijwillig voor de tabernakel van Yahweh; en ieder bracht de gave voor Yahweh voor het werk van de tabernakel en voor heel zijn dienst. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en stonden op | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | כאיש (ke'ish) = als één man | אחד (echad) = — | ויתנדבו (vayitnaddevu) = en gaven vrijwillig | אל (el) = voor | משכן (mishkan) = de tabernakel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויביאו (vayavi'u) = en brachten | כל (kol) = alle | איש (ish) = ieder | ואיש (ve'ish) = — | את (et) = (lijdend voorwerp) | תרומת (terumat) = de gave van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | למלאכת (lemele'khet) = voor het werk van | המשכן (hamishkan) = de tabernakel | ולכל (ulkhol) = en voor heel | עבודתו (avodato) = zijn dienst Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 35:20–29. Zie ook: Ex 35:20–29 **82:33** En alle zonen van Israël brachten, ieder van alles wat in zijn bezit gevonden werd, voor het werk van de tabernakel van Yahweh: goud en zilver en koper, en alles wat in de tabernakel gebruikt wordt. Brontekst: ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | איש (ish) = ieder | איש (ish) = — | מכל (mikkol) = van alles | הנמצא (hanimtsa) = wat gevonden werd | בידו (beyado) = in zijn bezit | למלאכת (lemele'khet) = voor het werk van | משכן (mishkan) = de tabernakel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | זהב (zahav) = goud | וכסף (vekhesef) = en zilver | ונחושת (unechoshet) = en koper | וכל (vekhol) = en alles | דבר (davar) = wat | אשר (asher) = die | יעשה (ya'aseh) = gebruikt wordt | במשכן (bamishkan) = in de tabernakel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **82:34** En alle wijzen die in het werk werkten kwamen en maakten de tabernakel van Yahweh, overeenkomstig alles wat Yahweh had geboden, ieder in zijn werk, dat zij verrichtten; en alle wijze van hart maakten de tabernakel en al zijn voorwerpen en alle voorwerpen voor de dienst van het werk van het heiligdom, zoals Yahweh Mozes had geboden. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | כל (kol) = alle | החכמים (hachakhamim) = de wijzen | העושים (ha'osim) = die werkten | במלאכה (bamela'cha) = in het werk | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | את (et) = (lijdend voorwerp) | משכן (mishkan) = de tabernakel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ככל (kekhol) = overeenkomstig alles | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | איש (ish) = ieder | איש (ish) = — | ממלאכתו (mimmele'khto) = in zijn werk | אשר (asher) = dat | המה (hemmah) = zij | עושים (osim) = verrichtten | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כל (kol) = alle | חכם (chakham) = wijs van | לב (lev) = hart | את (et) = (lijdend voorwerp) | המשכן (hamishkan) = de tabernakel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | כליו (kelav) = zijn voorwerpen | וכל (vekhol) = en alle | כלי (keli) = voorwerpen van | עבודת (avodat) = de dienst van | מלאכת (melakhat) = het werk van | הקודש (haqodesh) = het heiligdom | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 36:1–4. Zie ook: Ex 36:1–4 **82:35** En al het werk van de tabernakel van de tent van samenkomst werd voltooid na vijf maanden, en de zonen van Israël deden overeenkomstig alles wat Yahweh Mozes had geboden. Brontekst: ותכל (vatekhal) = en werd voltooid | כל (kol) = al het | עבודת (avodat) = werk van | משכן (mishkan) = de tabernakel van | אוהל (ohel) = de tent van | מועד (mo'ed) = samenkomst | מקץ (miqqets) = na verloop van | חמישה (chamishah) = vijf | חודשים (chodashim) = maanden | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ככל (kekhol) = overeenkomstig alles | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 39:32. De duur van vijf maanden staat niet in Exodus. Zie ook: Ex 39:32 **82:36** En zij brachten de tabernakel bij Mozes, en al zijn voorwerpen, overeenkomstig het voorbeeld dat Yahweh Mozes had getoond; zo deden de zonen van Israël. Brontekst: ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | המשכן (hamishkan) = de tabernakel | אל (el) = bij | משה (moshe) = Mozes | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | כליו (kelav) = zijn voorwerpen | כמראה (kemar'eh) = overeenkomstig het voorbeeld | אשר (asher) = die | הראה (hirah) = had getoond | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes | כן (ken) = zo | עשו (asu) = deden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 39:33–43. Zie ook: Ex 39:33–43 **82:37** En Mozes zag het werk, en zie, zij hadden het gedaan zoals Yahweh hem had geboden; en Mozes zegende hen. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלאכה (hamela'cha) = het werk | והנה (vehinneh) = en zie | עשו (asu) = zij hadden gedaan | אותה (otah) = haar | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אותו (oto) = hem | ויברך (vayevarekh) = en zegende | אותם (otam) = hen | משם (misham) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft ויברך אותם משם (‘en hij zegende hen vandaar’); gelezen als משה (‘Mozes’), zoals de Engelse vertaling en Ex. 39:43. Zie Ex. 39:43. Zie ook: Ex 39:43 ## Jasher 83 _Priesterwijding, telling en verkenners_ ### De wijding van Aäron en zijn zonen **83:1** En in de twaalfde maand, op de drieëntwintigste van de maand, nam Mozes Aäron en zijn zonen, en kleedde hen in de gewaden en zalfde hen, en deed met hen zoals Yahweh hem had geboden. En Mozes bracht al de offers, zoals Yahweh hem had geboden, op die dag. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בחודש (bachodesh) = in de maand | השנים (hashnayim) = de twaalfde | עשר (esar) = — | בעשרים (be'esrim) = op de twintig | ושלושה (ushloshah) = en drie | בחודש (bachodesh) = van de maand | ויקח (vayikkach) = en hij nam | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | אהרון (aharon) = Aäron | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | וילבישם (vayalbishem) = en kleedde hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הבגדים (habbegadim) = de gewaden | וימשח (vayimshakh) = en zalfde | אותם (otam) = hen | ויעש (vayya'as) = en deed | להם (lahem) = met hen | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אותו (oto) = hem | ויקרב (vayaqrev) = en bracht dichtbij | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הקורבנות (haqorbanot) = de offers | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אותו (oto) = hem | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Lev. 8:1–36; Ex. 29:1–37. Zie ook: Ex 29:1–37; Lev 8:1–36 **83:2** En daarna nam Mozes Aäron en zijn zonen en zei tot hen: „Bij de ingang van de tent van samenkomst zullen jullie zeven dagen blijven, en jullie zullen niet weggaan, want zo is mij bevolen.” Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = — | לקח (laqach) = nam | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | אהרון (aharon) = Aäron | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | פתח (petach) = de ingang van | אוהל (ohel) = de tent van | מועד (mo'ed) = samenkomst | תשבו (teshevu) = zullen jullie blijven | שבעת (sheva) = zeven | ימים (yamim) = dagen | ולא (velo) = en niet | תצאו (tetse'u) = zullen jullie weggaan | כי (ki) = want | כן (ken) = zo | צויתי (tsivviti) = ben ik bevolen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Lev. 8:31–35. Zie ook: Lev 8:31–35 **83:3** En Aäron en zijn zonen deden alles wat Yahweh door de hand van Mozes had geboden, en zij bleven zeven dagen bij de ingang van de tent van samenkomst. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | אהרון (aharon) = Aäron | ובניו (uvanav) = en zijn zonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ביד (beyad) = door de hand van | משה (moshe) = Mozes | וישבו (vayeshvu) = en zij bleven | פתח (petach) = de ingang van | אוהל (ohel) = de tent van | מועד (mo'ed) = samenkomst | שבעת (sheva) = zeven | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Lev. 8:35–36. Zie ook: Lev 8:35–36 **83:4** En op de achtste dag, de eerste van de eerste maand, in het tweede jaar na de uittocht van de zonen van Israël uit Egypte, richtte Mozes de tabernakel op, en Mozes plaatste alle voorwerpen van de tent van samenkomst en alle voorwerpen van de tabernakel, en hij deed alles zoals Yahweh hem had geboden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השמיני (hashemini) = de achtste | באחד (be'achad) = op de eerste | לחודש (lachodesh) = van de maand | הראשון (harishon) = de eerste | בשנה (bashanah) = in het jaar | השנית (hashenit) = tweede | לצאת (latset) = na de uittocht van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ויקם (vayyaqom) = en richtte op | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | המשכן (hamishkan) = de tabernakel | ויקם (vayyaqom) = en plaatste | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | כלי (keli) = voorwerpen van | אוהל (ohel) = de tent van | מועד (mo'ed) = samenkomst | וכל (vekhol) = en alle | כלי (keli) = voorwerpen van | המשכן (hamishkan) = de tabernakel | ויעש (vayya'as) = en deed | ככל (kekhol) = overeenkomstig alles | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 40:2, 17–33; Lev. 9:1. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 40:2; Lev 9:1 **83:5** En Mozes riep Aäron en zijn zonen, en zij brachten het brandoffer en het zondoffer voor zichzelf en voor de zonen van Israël, zoals Yahweh Mozes had geboden. Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | אהרון (aharon) = Aäron | ואל (ve'el) = en tot | בניו (banav) = zijn zonen | ויקריבו (vayaqrivu) = en zij brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | העולה (ha'olah) = het brandoffer | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | החטאת (hakhatta't) = het zondoffer | להם (lahem) = voor hen | ולבני (ulevnei) = en voor de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Lev. 9:7–21. Zie ook: Lev 9:7–21 ### Nadab en Abihu **83:6** Op die dag namen de twee zonen van Aäron, Nadab en Abihu, vreemd vuur en brachten het voor het aangezicht van Yahweh, dat Hij hun niet had geboden; en er ging vuur uit van voor het aangezicht van Yahweh en verteerde hen, en zij stierven voor het aangezicht van Yahweh op die dag. Brontekst: ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | לקחו (laqchu) = namen | שני (shenei) = de twee | בני (bnei) = zonen van | אהרון (aharon) = Aäron | נדב (nadav) = Nadab | ואביהוא (va'avihu) = en Abihu | אש (esh) = vuur | זרה (zarah) = vreemd | ויקריבו (vayaqrivu) = en zij brachten | לפני (lifnei) = voor het aangezicht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = dat | לא (lo) = niet | ציוה (tsiwwah) = had geboden | אותם (otam) = hen | ותצא (vatetse) = en ging uit | אש (esh) = vuur | מלפני (millifnei) = van voor het aangezicht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ותאכל (vattokhal) = en verteerde | אותם (otam) = hen | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | לפני (lifnei) = voor het aangezicht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Lev. 10:1–2; Num. 3:4. Zie ook: Lev 10:1–2; Num 3:4 ### De gaven van de vorsten **83:7** Toen begonnen op die dag de vorsten van de zonen van Israël, op de dag dat Mozes de tabernakel had opgericht, hun offers voor het aangezicht van Yahweh te brengen voor de inwijding van het altaar. Brontekst: אז (az) = toen | החלו (hechellu) = begonnen | נשיאי (nesi'ei) = de vorsten van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ביום (beyom) = op de dag | כלות (kelot) = dat hij voltooid had | משה (moshe) = Mozes | להקים (lehaqim) = op te richten | את (et) = (lijdend voorwerp) | המשכן (hamishkan) = de tabernakel | להקריב (lehaqriv) = te brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | קורבנותיהם (qorbenotehem) = hun offers | לפני (lifnei) = voor het aangezicht van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לחנוכת (lekhanukkat) = voor de inwijding van | המזבח (hammizbeach) = het altaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 7:1, 10. Zie ook: Num 7:1 **83:8** En zij brachten hun offers, één vorst per dag, één vorst per dag, twaalf dagen lang. Brontekst: ויקריבו (vayaqrivu) = en zij brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | קורבנותיהם (qorbenotehem) = hun offers | נשיא (nasi) = één vorst | אחד (echad) = — | ליום (leyom) = per dag | נשיא (nasi) = één vorst | אחד (echad) = — | ליום (leyom) = per dag | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = — | יום (yom) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 7:11. Zie ook: Num 7:11 **83:9** En dit waren alle offers die zij brachten, ieder op zijn dag: een zilveren schaal, honderddertig sikkel zwaar, en een zilveren bekken van zeventig sikkel, naar de sikkel van het heiligdom, beide vol meelbloem, gemengd met olie, als graanoffer. Brontekst: ויהי (vayehi) = en dit waren | כל (kol) = alle | הקורבנות (haqorbanot) = de offers | אשר (asher) = die | הקריבו (hiqrivu) = zij brachten | איש (ish) = ieder | איש (ish) = — | ביומו (beyomo) = op zijn dag | קערת (qe'arat) = een schaal van | כסף (kesef) = zilver | אחת (achat) = één | מאה (me'ah) = honderd | ושלושים (ushloshim) = en dertig | משקלה (mishqalah) = haar gewicht | מזרק (mizraq) = een bekken | אחד (echad) = één | כסף (kesef) = zilver | שבעים (shiv'im) = zeventig | שקל (sheqel) = sikkel | בשקל (beshekel) = naar de sikkel | הקודש (haqodesh) = het heiligdom | שניהם (shenehem) = beiden | מלאים (mele'im) = vol | סולת (solet) = meelbloem | בלולה (belulah) = gemengd | בשמן (bashemen) = met olie | למנחה (lemincha) = als graanoffer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 7:13. Zie ook: Num 7:13 **83:10** Eén schaaltje van goud, tien sikkel zwaar, vol wierook. Brontekst: כף (kaf) = schaaltje | אחת (achat) = één | עשרה (esreh) = tien | זהב (zahav) = goud | משקלה (mishqalah) = haar gewicht | מלאה (meleah) = vol van | קטורת (qetoret) = wierook Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 7:14. Zie ook: Num 7:14 **83:11** Eén jonge stier, één ram, één jarig lam als brandoffer. Brontekst: פר (par) = een stier | אחד (echad) = één | בן (ben) = jong van | בקר (baqar) = het rund | איל (ayil) = ram | אחד (echad) = één | כבש (kevesh) = lam | אחד (echad) = één | בן (ben) = zoon van | שנתו (shenato) = zijn jaar | לעולה (le'olah) = als brandoffer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 7:15. Zie ook: Num 7:15 **83:12** En één bok van de geiten als zondoffer. Brontekst: ושעיר (vesa'ir) = en een bok | עזים (izzim) = van de geiten | אחד (echad) = één | לחטאת (lekhatta't) = tot zondoffer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 7:16. Zie ook: Num 7:16 **83:13** En als vredeoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf jarige lammeren. Brontekst: ולזבח (velezevakh) = en als offer | השלמים (hashelamim) = van de vredeoffers | בקר (baqar) = runderen | שניים (shenayim) = twee | אילים (eilim) = rammen | חמישה (chamishah) = vijf | עתודים (attudim) = bokken | חמישה (chamishah) = vijf | כבשים (kevasim) = lammeren | בני (bnei) = zonen van | שנה (shanah) = jaar | חמישה (chamishah) = vijf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 7:17. Zie ook: Num 7:17 **83:14** Zo deden de twaalf vorsten van Israël, dag na dag, ieder op zijn dag. Brontekst: ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = — | נשיאי (nesi'ei) = vorsten van | ישראל (yisra'el) = Israël | איש (ish) = ieder | איש (ish) = — | יומו (yomo) = zijn dag Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 7:12–83. Zie ook: Num 7:12–83 ### Het pesach in het tweede jaar **83:15** En het gebeurde daarna, op de dertiende van de maand, dat Mozes de zonen van Israël gebood het pesach te houden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | ביום (beyom) = op de dag | שלושה (shelosha) = dertiende | עשר (esar) = — | לחודש (lachodesh) = van de maand | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לעשות (la'asot) = te houden | הפסח (happesakh) = het pesach Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 9:1–5. Zie ook: Num 9:1–5 **83:16** En de zonen van Israël hielden het pesach op zijn tijd, op de veertiende dag van de maand, zoals Yahweh Mozes had geboden; zo deden de zonen van Israël. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en hielden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | הפסח (happesakh) = het pesach | במועדו (bemo'ado) = op zijn tijd | בארבעה (be'arba'ah) = op de veertiende | עשר (esar) = — | יום (yom) = dag | לחודש (lachodesh) = van de maand | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes | כן (ken) = zo | עשו (asu) = deden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De telling in de woestijn Sinaï **83:17** En in de tweede maand, op de eerste van de maand, sprak Yahweh tot Mozes: Brontekst: ובחודש (uvakhodesh) = en in de maand | השני (hasheni) = de tweede | באחד (be'achad) = op de eerste | לחודש (lachodesh) = van de maand | דיבר (dibber) = sprak | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 1:1. Zie ook: Num 1:1 **83:18** **„Tel de hoofden van alle mannen van de zonen van Israël, van twintig jaar en ouder, jij en Aäron, je broer, en de twaalf vorsten van Israël.”** Brontekst: שא (sa) = tel | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראש (rosh) = de hoofden van | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannen | לבני (livnei) = van de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מבן (mibben) = van | עשרים (esrim) = twintig | שנה (shanah) = jaar | ומעלה (uma'ala) = en ouder | אתה (attah) = jij | ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | אחיך (achikha) = je broer | ושנים (ushanim) = en twaalf | עשר (esar) = — | נשיאי (nesi'ei) = vorsten van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 1:2–4. Zie ook: Num 1:2–4 **83:19** En Mozes deed zo; en Aäron kwam met de twaalf vorsten van Israël, en zij telden de zonen van Israël in de woestijn Sinaï. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | משה (moshe) = Mozes | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אהרון (aharon) = Aäron | ושנים (ushanim) = en twaalf | עשר (esar) = — | נשיאי (nesi'ei) = vorsten van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויפקדו (vayifqedu) = en telden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | סיני (Sini) = Sinaï Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 1:17–19. Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie ook: Num 1:17–19 **83:20** En allen die van de zonen van Israël geteld werden, naar hun vaderhuizen, van twintig jaar en ouder, waren zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig. Brontekst: ויהיו (vayihyu) = en zij waren | כל (kol) = alle | פקידי (peqidei) = de getelden van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לבית (levet) = naar het huis van | אבותם (avotam) = hun vaders | מבן (mibben) = van | עשרים (esrim) = twintig | שנה (shanah) = jaar | ומעלה (uma'ala) = en ouder | שש (shesh) = zes | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | ושלושת (ushloshet) = en drie | אלפים (alafim) = duizend | וחמש (vechamesh) = en vijf | מאות (me'ot) = honderd | וחמישים (vachamishim) = en vijftig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 1:45–46. Zie ook: Num 1:45–46 **83:21** Maar de zonen van Levi werden niet geteld te midden van de zonen van Israël, hun broers. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | לוי (Levi) = Levi | לא (lo) = niet | התפקדו (hitpaqedu) = werden geteld | בתוך (betokh) = te midden van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אחיהם (achihem) = hun broers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 1:47. Zie ook: Num 1:47 **83:22** Het aantal van alle mannelijke kinderen van de zonen van Israël, van een maand oud en ouder, was tweeëntwintigduizend tweehonderddrieënzeventig. Brontekst: ומספר (umispar) = en het aantal | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannelijk | לבני (livnei) = voor de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מבן (mibben) = van een kind van | חדש (khadash) = maand | ומעלה (uma'ala) = en ouder | שנים (shanim) = twee | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | אלף (elef) = duizend | ושלשה (ushloshah) = en drie | ושבעים (veshiv'im) = en zeventig | ומאתים (umatayim) = en tweehonderd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: Dit vers (het aantal van 22.273 eerstgeborenen van Israël; zie Num. 3:43) ontbreekt in het Hebreeuws van Livorno 1870. Zij is vertaald uit de Jeruzalemse druk van Sefer haYashar (uitg. Ezra Batzri, ספר הישר, deel Bamidbar, blz. 258), waar ze wel staat. Zie ook: Num 3:43 **83:23** En het aantal van alle mannen van de zonen van Levi, van een maand oud en ouder, was tweeëntwintigduizend. Brontekst: ומספר (umispar) = en het aantal van | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = mannen | לבני (livnei) = van de zonen van | ישראל (yisra'el) = Levi | מהן (mehen) = van een zoon van | חודש (chodesh) = een maand | ומעלה (uma'ala) = en ouder | שניים (shenayim) = twee | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | אלף (elef) = duizend Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft ומספר כל זכר לבני ישראל מהן חודש (‘het aantal van alle mannen van de zonen van Israël, van … een maand’); gelezen als לבני לוי (‘van de zonen van Levi’) en מבן, naar het getal 22.000 en de Engelse vertaling. Zie Num. 3:39. Zie ook: Num 3:39 **83:24** En Mozes stelde de priesters en de Levieten aan, ieder bij zijn dienst en bij zijn last, om te dienen in de tabernakel van de tent van samenkomst, zoals Yahweh Mozes had geboden. Brontekst: ויתן (vayitten) = en stelde aan | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכוהנים (hakohanim) = de priesters | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הלויים (haleviyim) = de Levieten | איש (ish) = ieder | איש (ish) = — | על (al) = bij | עבודתו (avodato) = zijn dienst | ועל (ve'al) = en bij | משאו (massa'o) = zijn last | לעבוד (la'avod) = om te dienen in | את (et) = (lijdend voorwerp) | משכן (mishkan) = de tabernakel van | אוהל (ohel) = de tent van | מועד (mo'ed) = samenkomst | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 3:5–10; 4:1–49. Zie ook: Num 3:5–10; Num 4:1 **83:25** En op de twintigste dag van de maand steeg de wolk op van de tabernakel van de getuigenis. Brontekst: ובעשרים (uv'esrim) = en op de twintigste | יום (yom) = dag | לחודש (lachodesh) = van de maand | נעלה (na'aleh) = steeg op | הענן (he'anan) = de wolk | מעל (me'al) = van boven | משכן (mishkan) = de tabernakel van | העדות (ha'edut) = de getuigenis Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 10:11. Zie ook: Num 10:11 ### Kibrot-Hattaäva en Chaserot **83:26** In die tijd braken de zonen van Israël op uit de woestijn Sinaï, op hun tochten, en zij gingen een reis van drie dagen, en de wolk rustte in de woestijn Paran. Daar ontbrandde de toorn van Yahweh tegen Israël, omdat zij Yahweh hadden getergd door vlees van Hem te vragen om te eten. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | נסעו (nase'u) = braken op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | למסעיהם (lemassa'ehem) = op hun tochten | ממדבר (mimidbar) = uit de woestijn van | סיני (Sini) = Sinaï | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | דרך (derekh) = een reis van | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | וישכון (vayishkon) = en rustte | הענן (he'anan) = de wolk | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | פארן (paran) = Paran | שמה (shemah) = daar | חרה (charah) = ontbrandde | אף (af) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בישראל (beyisra'el) = tegen Israël | כי (ki) = want | הכעיסו (hik'isu) = hadden getergd | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בשאלם (bish'olam) = doordat zij vroegen | ממנו (mimmennu) = van Hem | בשר (basar) = vlees | לאכול (le'ekhol) = om te eten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 10:12; 11:1–4, 31–34. Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev. Zie ook: Num 10:12; Num 11:1 **83:27** En Yahweh luisterde naar hun stem en gaf hun vlees, en zij aten het een maand lang. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקולם (beqolam) = naar hun stem | ויתן (vayitten) = en gaf | להם (lahem) = hun | בשר (basar) = vlees | ויאכלוהו (vayokhluhu) = en zij aten het | חודש (chodesh) = een maand | ימים (yamim) = lang Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 11:19–20, 31. Zie ook: Num 11:19–20 **83:28** En daarna ontbrandde de toorn van Yahweh tegen hen, en Hij sloeg hen met een grote slag, en men begroef daar, op die plaats. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | חרה (charah) = ontbrandde | אך (akh) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בהם (bahem) = tegen hen | ויך (vayyakh) = en sloeg | בהם (bahem) = hen | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = grote | ויקברו (vayiqberu) = en men begroef | שמה (shemah) = daar | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft אך (‘alleen’) in plaats van אף (‘toorn’); gelezen als אף. Zie Num. 11:33. Zie ook: Num 11:33 **83:29** En de zonen van Israël noemden die plaats Kibrot-Hattaäva, want daar begroeven zij het volk dat vlees begeerde. Brontekst: ויקראו (vayiqre'u) = en noemden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = — | המקום (hammaqom) = de plaats | ההוא (hahu) = die | קברות (qivrot) = Kibrot | התאוה (hatta'avah) = Hattaäva | כי (ki) = want | שם (shem) = daar | קברו (qivru) = begroeven | את (et) = (lijdend voorwerp) | העם (ha'am) = het volk | המתאוים (hammit'avvim) = die begeerden | בשר (basar) = vlees Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 11:34. Zie ook: Num 11:34 **83:30** En zij trokken uit Kibrot-Hattaäva en legerden zich in Chaserot, dat in de woestijn Paran ligt. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | מקברות (miqivrot) = uit Kibrot | התאוה (hatta'avah) = Hattaäva | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | בחצרות (bakhatserot) = in Chaserot | אשר (asher) = die | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | פארן (paran) = Paran Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 11:35. Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev. Zie ook: Num 11:35 **83:31** En het gebeurde, toen de zonen van Israël in Chaserot waren, dat de toorn van Yahweh ontbrandde tegen Mirjam vanwege Mozes, en Mirjam werd melaats als sneeuw. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהיות (bihyot) = toen waren | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בחצרות (bakhatserot) = in Chaserot | ויחר (vayyichar) = ontbrandde | אף (af) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | במרים (bemiryam) = tegen Mirjam | על (al) = vanwege | אודות (odot) = — | משה (moshe) = Mozes | ותהי (vatehi) = en werd | מרים (miryam) = Mirjam | מצורעת (metsora'at) = melaats | כשלג (keshaleg) = als sneeuw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 12:1–10. Zie ook: Num 12:1–10 **83:32** En zij werd zeven dagen buiten het kamp afgezonderd, totdat zij na haar melaatsheid weer werd opgenomen. Brontekst: ותיסגר (vatissager) = en zij werd afgezonderd | מחוץ (michuts) = buiten | למחנה (lemachaneh) = het kamp | שבעת (sheva) = zeven | ימים (yamim) = dagen | עד (ad) = totdat | האספה (he'asef) = zij weer werd opgenomen | מצרעתה (mitsara'tah) = na haar melaatsheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 12:14–15. Zie ook: Num 12:14–15 **83:33** En daarna trokken de zonen van Israël uit Chaserot en legerden zich aan het einde van de woestijn Paran. Brontekst: ואחר (ve'achar) = en daarna | נסעו (nase'u) = trokken | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מחצרות (mikhatserot) = uit Chaserot | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | בקצה (biqtseh) = aan het einde van | מדבר (medabber) = de woestijn van | פארן (paran) = Paran Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 12:16; 13:3. Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev. Zie ook: Num 12:16; Num 13:3 ### De twaalf verkenners **83:34** In die tijd sprak Yahweh tot Mozes om twaalf mannen uit de zonen van Israël te zenden, één man per stam, om te gaan en het land Kanaän te verkennen. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | דיבר (dibber) = sprak | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | לשלח (leshalakh) = te zenden | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = — | אנשים (anashim) = mannen | מבני (mibbnei) = uit de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | איש (ish) = een man | אחד (echad) = één | לשבט (leshevet) = per stam | ללכת (lalekhet) = om te gaan | לתור (latur) = om te verkennen | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארץ (erets) = het land | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 13:1–3. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Num 13:1–3 **83:35** En Mozes zond hen, twaalf mannen, en zij gingen naar het land Kanaän om het te bespieden en te onderzoeken, en zij verkenden het hele land, van de woestijn Sin tot Rechob, bij de weg naar Chamat. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | אותם (otam) = hen | משה (moshe) = Mozes | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = — | איש (ish) = een man | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ארצה (artsah) = naar het land | כנען (Kena'an) = Kanaän | לרגלה (leragla) = om haar te bespieden | ולחקרה (ulekhaqrah) = en haar te onderzoeken | ויתורו (vayaturu) = en zij verkenden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | ממדבר (mimidbar) = uit de woestijn van | סין (sin) = Sin | עד (ad) = tot | רחוב (rekhov) = Rechob | לבוא (lavo) = bij de weg naar | חמת (Chamat) = Chamat Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 13:17–25. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie ook: Num 13:17–25 **83:36** En zij kwamen na veertig dagen bij Mozes en Aäron en brachten hem bericht zoals het in hun hart was; en de tien mannen brachten de zonen van Israël een kwaad gerucht over het land dat zij hadden verkend: „Het is beter voor ons naar Egypte terug te keren dan naar dit land te gaan, want het is een land dat zijn bewoners verslindt.” Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | ואל (ve'el) = en naar | אהרון (aharon) = Aäron | מקץ (miqqets) = na verloop van | ארבעים (arba'im) = veertig | יום (yom) = dag | וישיבו (vayashivu) = en brachten terug | אותו (oto) = hem | דבר (davar) = bericht | כאשר (ka'asher) = zoals | היה (hayah) = het was | עם (im) = met | לבבם (levavam) = hun hart | ויוציאו (vayotsi'u) = en brachten uit | עשר (esar) = tien | האנשים (ha'anashim) = de mannen | דיבה (dibba) = een kwaad gerucht | על (al) = over | הארץ (ha'arets) = het land | אשר (asher) = die | תרו (taru) = hadden verkend | אותה (otah) = haar | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לאמור (lemor) = zeggende | טוב (tov) = goed | לנו (lanu) = voor ons | שוב (shuv) = terug te keren naar | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | מלכת (lekhet) = dan te gaan | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | הזאת (hazzo't) = deze | כי (ki) = want | ארץ (erets) = land van | אוכלת (okhelet) = verslindend | יושביה (yoshveha) = haar bewoners | היא (hi) = is het Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 13:25–33. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Num 13:25–33 **83:37** Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, die van hen waren die het land verkenden, zeiden: „Het land is zeer, zeer goed. Brontekst: ויהושע (vihoshua) = en Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun | וכלב (vekhalev) = en Kaleb | בן (ben) = zoon van | יפונה (yefunneh) = Jefunne | היו (hayu) = zij waren | מן (min) = uit | התרים (hatarim) = die verkenden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | אמרו (ameru) = zeiden | טובה (tovah) = goed | הארץ (ha'arets) = het land | מאוד (me'od) = zeer | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 14:6–9. Zie ook: Num 14:6–9 **83:38** Als Yahweh behagen in ons heeft, dan zal Hij ons in dat land brengen en het ons geven, want het is een land vloeiend van melk en honing.” Brontekst: אם (em) = als | חפץ (chafets) = behagen heeft | בנו (beno) = in ons | יהוה (Yahweh) = Yahweh | והביא (vehevi) = dan zal Hij brengen | אותנו (otanu) = ons | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | ההיא (hahi) = dat | ונתנה (venitna) = en Hij zal haar geven | לנו (lanu) = voor ons | כי (ki) = want | ארץ (erets) = land van | זבת (zavat) = vloeiend van | חלב (chelev) = melk | ודבש (udevash) = en honing | היא (hi) = is het Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **83:39** Maar de zonen van Israël luisterden niet naar hen, en zij luisterden naar de woorden van de tien mannen die een kwaad gerucht over het land hadden gebracht. Brontekst: ולא (velo) = en niet | שמעו (shame'u) = luisterden | אליהם (aleihem) = naar hen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וישמעו (vayishme'u) = maar luisterden | אל (el) = naar | דברי (divrei) = woorden van | עשרת (aseret) = tien | האנשים (ha'anashim) = de mannen | אשר (asher) = die | הוציאו (hotsi'u) = hadden gebracht | דיבה (dibba) = een gerucht | על (al) = over | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 14:1–4, 10. Zie ook: Num 14:1–4 ### Veertig jaar in de woestijn **83:40** En Yahweh hoorde de klachten van de zonen van Israël, en Hij werd verbolgen en zwoer: Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | תלונות (telunnot) = de klachten van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויקצוף (vayiqtsof) = en werd verbolgen | וישבע (vayishava) = en zwoer | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 14:26–35. Zie ook: Num 14:26–35 **83:41** **„Voorwaar, niet één man van dit boze geslacht zal het land zien, van twintig jaar en ouder, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.** Brontekst: אם (em) = voorwaar niet | יראה (yir'ah) = zal zien | איש (ish) = een man | מן (min) = uit | הדור (haddor) = geslacht | הרע (hara) = boze | הזה (hazzeh) = deze | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | מבן (mibben) = van | עשרים (esrim) = twintig | שנה (shanah) = jaar | ומעלה (uma'ala) = en ouder | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | כלב (kalev) = Kaleb | בן (ben) = zoon van | יפונה (yefunneh) = Jefunne | ויהושע (vihoshua) = en Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 14:22–24, 30. Zie ook: Num 14:22–24 **83:42** **Maar voorwaar, in deze woestijn zal dit boze geslacht omkomen, en hun zonen, zij zullen in het land komen en zij zullen het erven.”** En de toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël, en Hij liet hen veertig jaar in de woestijn rondzwerven, tot het einde van heel het boze geslacht, omdat zij Yahweh niet volledig hadden gevolgd. Brontekst: אם (em) = voorwaar | לא (lo) = — | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | הזה (hazzeh) = deze | יתמו (yitommu) = zal omkomen | הדור (haddor) = geslacht | הרע (hara) = boze | הזה (hazzeh) = deze | ובניהם (uvneihem) = en hun zonen | הם (hem) = zij | יבואו (yavo'u) = zullen komen | אל (el) = in | הארץ (ha'arets) = het land | והם (vehem) = en zij | יירשוה (yirashuha) = zullen het erven | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בישראל (beyisra'el) = in Israël | ויניעם (vayani'em) = en liet hen rondzwerven | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | ארבעים (arba'im) = veertig | שנה (shanah) = jaar | עד (ad) = tot | תום (tom) = het einde van | כל (kol) = alle | הדור (haddor) = geslacht | הרע (hara) = boze | אשר (asher) = omdat | לא (lo) = niet | מלאו (mal'u) = volledig volgden | אחרי (acharei) = na | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 14:32–34. Zie ook: Num 14:32–34 **83:43** En het volk bleef vele dagen in de woestijn Paran, en daarna trokken zij de woestijn in, langs de weg van de Rietzee. Brontekst: וישב (vayyashev) = en bleef | העם (ha'am) = het volk | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | פארן (paran) = Paran | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ואחר (ve'achar) = en daarna | נסעו (nase'u) = trokken zij | המדברה (hammidbarah) = de woestijn in | דרך (derekh) = langs de weg van | ים (yam) = zee van | סוף (suf) = Riet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 14:25; Deut. 2:1. Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev. Zie ook: Num 14:25; Deut 2:1 ## Jasher 84 _Korach, Seïr, Sihon en de dood van Aäron_ ### Korach **84:1** In die tijd nam Korach, de zoon van Jitshar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, vele mannen uit de zonen van Israël, en zij stonden op en twistten met Mozes en Aäron en met heel de gemeenschap. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | לקח (laqach) = nam | קורח (qorakh) = Korach | בן (ben) = zoon van | יצהר (yitshar) = Jitshar | בן (ben) = zoon van | קהת (qehat) = Kehat | בן (ben) = zoon van | לוי (Levi) = Levi | אנשים (anashim) = mannen | רבים (rabbim) = vele | מבני (mibbnei) = uit de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויקומו (vayaqumu) = en stonden op | והיצו (vehetsu) = en twistten | על (al) = tegen | משה (moshe) = Mozes | ועל (ve'al) = en tegen | אהרון (aharon) = Aäron | ועל (ve'al) = en tegen | כל (kol) = alle | העדה (ha'edah) = de gemeenschap Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 16:1–3. Zie ook: Num 16:1–3 **84:2** En de toorn van Yahweh ontbrandde tegen hen, en de aarde opende haar mond en verslond hen en hun huizen en alles wat van hen was, en alle mensen die bij Korach hoorden. Brontekst: ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בהם (bahem) = tegen hen | ותפתח (vatiftach) = en opende | הארץ (ha'arets) = de aarde | את (et) = (lijdend voorwerp) | פיה (piha) = haar mond | ותבלע (vativla) = en verslond | אותם (otam) = hen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בתיהם (bateihem) = hun huizen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | להם (lahem) = van hen was | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | האדם (ha'adam) = de mensen | אשר (asher) = die | לקורח (leqorakh) = bij Korach hoorden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 16:31–33; 26:10. Zie ook: Num 16:31–33; Num 26:10 ### Rond de berg Seïr **84:3** En daarna liet Elohim het volk vele dagen langs de weg van Seïr trekken. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | ויסע (vayyisa) = liet trekken | אלוקים (Elohim) = Elohim | את (et) = (lijdend voorwerp) | העם (ha'am) = het volk | דרך (derekh) = langs de weg van | שעיר (se'ir) = Seïr | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:4; Deut. 2:1. Zie ook: Num 21:4; Deut 2:1 **84:4** In die tijd zei Yahweh tot Mozes: **„Daag de zonen van Ezau niet uit tot oorlog, want Ik zal jullie niets van hen geven, zelfs niet zoveel als een voetzool kan betreden, want de berg Seïr heb Ik aan Ezau als erfdeel gegeven.”** Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההוא (hahu) = die | אמר (amar) = zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = niet | תתגר (titgar) = daag uit | מלחמה (milchamah) = tot oorlog | בבני (bivnei) = de zonen van | עשו (asu) = Ezau | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | אתן (etten) = zal Ik geven | לכם (lakhem) = aan jullie | מאיתם (me'itam) = van hen | עד (ad) = zelfs | מדרך (middarekh) = zoveel als het betreden van | כף (kaf) = de zool van | רגל (ragel) = de voet | כי (ki) = want | ירושה (yerushah) = als erfdeel | לעשו (le'esav) = aan Ezau | נתתי (natati) = heb Ik gegeven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הר (har) = de berg | שעיר (se'ir) = Seïr Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 2:4–5. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Deut 2:4–5 **84:5** Daarom streden de zonen van Ezau in de vroegere dagen tegen de zonen van Seïr, en Yahweh gaf de zonen van Seïr in de hand van de zonen van Ezau, en zij verdelgden hen voor hun aangezicht en woonden in hun plaats tot op deze dag. Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = — | נלחמו (nilchamu) = streden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בבני (bivnei) = tegen de zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | בימים (bayyamim) = in de dagen | הראשונים (harishonim) = vroegere | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | שעיר (se'ir) = Seïr | ביד (beyad) = in de hand van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | וישמידום (vayashmidum) = en verdelgden hen | מפניהם (mippneihem) = voor hun aangezicht | וישבו (vayeshvu) = en woonden | תחתם (tachtam) = in hun plaats | עד (ad) = tot | היום (hayyom) = op de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 2:12, 22. Zie ook: Deut 2:12 **84:6** Daarom zei Yahweh tot de zonen van Israël: **„Strijd niet met de zonen van Ezau, jullie broers, want er is niets van hun land voor jullie; maar voedsel zullen jullie van hen kopen voor geld, en jullie zullen drinken.”** Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = — | אמר (amar) = zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = niet | תלחמו (tilkhamu) = strijdt | עם (im) = met | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | אחיכם (acheikhem) = jullie broers | כי (ki) = want | אין (ein) = is niet | לכם (lakhem) = aan jullie | מארצם (me'artsam) = van hun land | מאומה (me'umah) = iets | אך (akh) = maar | אוכל (ukhal) = voedsel | תשברו (tishberu) = zullen jullie kopen | מאיתם (me'itam) = van hen | בכסף (bakesef) = voor geld | ושתיתם (veshatitem) = en jullie zullen drinken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: ושתיתם (‘en jullie zullen drinken’): de tekst is korter dan Deut. 2:6 (‘…en jullie zullen eten; en ook water zullen jullie van hen kopen voor geld, en jullie zullen drinken’); de Engelse vertaling geeft die langere vorm. Zie Deut. 2:6. Zie ook: Deut 2:6 **84:7** En de zonen van Israël deden naar het woord van Yahweh. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en deden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כדבר (kidvar) = naar het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **84:8** En de zonen van Israël trokken vele dagen rond in de woestijn, om de berg Seïr heen, en raakten de zonen van Ezau niet aan; en zij gingen negentien jaar op die weg. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij trokken rond | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | הסב (hessev) = rondom | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרך (derekh) = de weg van | הר (har) = de berg | שעיר (se'ir) = Seïr | ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | ולא (velo) = en niet | נגעו (nag'u) = raakten aan | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | בדרך (baderekh) = op de weg | ההוא (hahu) = die | תשע (tesha) = negentien | עשרה (esreh) = — | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Lezing: De Engelse vertaling heeft hier ‘de berg Sinaï’; de Hebreeuwse tekst heeft הר שעיר (‘de berg Seïr’). ### De dood van Latianus **84:9** En het gebeurde in die tijd dat Latinus, de koning van de zonen van Kittim, stierf in het vijfenveertigste jaar van zijn regering, dat is het veertiende jaar na de uittocht van de zonen van Israël uit Egypte. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | וימת (vayamot) = en hij stierf | לטיאנוס (latiyanus) = Latinus | מלך (malakh) = koning van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | בשנת (bishnat) = in het jaar | ארבעים (arba'im) = veertig | וחמש (vechamesh) = en vijf | למלכו (lemalko) = van zijn regering | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = jaar van | ארבע (arba) = veertien | עשרה (esreh) = — | שנה (shanah) = jaar | ליציאת (liytsi'at) = na de uittocht van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Lezing: De tekst heeft לטיאנוס (‘Latianus’); gelezen is Latinus (zie Jasher 74:6–7), zoals de Engelse vertaling. In vers 10 heeft de tekst אביאנוס (‘Abianus’); de Engelse vertaling heeft ‘Abimnas’. Zie ook: Jas 74:6–7 **84:10** En zij begroeven hem in zijn paleis, dat hij voor zich in het land Kittim had gebouwd, en Abianus regeerde in zijn plaats achtendertig jaar. Brontekst: ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | אותו (oto) = hem | בהיכלו (beheikhalo) = in zijn paleis | אשר (asher) = die | בנה (Benah) = had gebouwd | לו (lo) = voor hem | בארץ (ba'arets) = in het land | כיתים (kitim) = Kittim | וימלוך (vayemlokh) = en regeerde | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | אביאנוס (aviyanus) = Abianus | שלושים (sheloshim) = dertig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **84:11** En de zonen van Israël trokken in die dagen, na negentien jaar, over de grens van de zonen van Ezau, en zij kwamen en trokken langs de weg van de woestijn Moab. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | עברו (avru) = trokken over | את (et) = (lijdend voorwerp) | גבול (gevul) = de grens van | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | מקץ (miqqets) = na verloop van | תשע (tesha) = negentien | עשרה (esreh) = — | שנה (shanah) = jaar | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ויעברו (vaya'avru) = en trokken langs | מדרך (middarekh) = de weg van | מדבר (medabber) = de woestijn van | יואב (yo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Lezing: De tekst heeft מדבר יואב (‘de woestijn Joab’); gelezen als מואב (‘Moab’), zoals de Engelse vertaling. Zie Deut. 2:8. Zie ook: Deut 2:8 **84:12** En Yahweh zei tot Mozes: **„Belegeer Moab niet en strijd niet tegen hen, want Ik zal jullie niets van hun land geven.”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = niet | תצר (tatsar) = belegeer | את (et) = (lijdend voorwerp) | מואב (mo'av) = Moab | ואל (ve'el) = en niet | תלחם (tilchem) = strijd | בם (vam) = tegen hen | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | אתן (etten) = zal Ik geven | לכן (lakhen) = aan jullie | מארצם (me'artsam) = van hun land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft לכן (vrouwelijk meervoud, ‘aan jullie’), gelezen als לכם. Zie Deut. 2:9. Zie ook: Deut 2:9 **84:13** En de zonen van Israël trokken negentien jaar langs de weg van de woestijn Moab, en strijd voerden zij niet tegen hen. Brontekst: ויעברו (vaya'avru) = en trokken langs | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרך (derekh) = de weg van | מדבר (medabber) = de woestijn van | מואב (mo'av) = Moab | תשע (tesha) = negentien | עשרה (esreh) = — | שנה (shanah) = jaar | ולחום (vela'khum) = en strijd | לא (lo) = niet | הלחמו (hilchamu) = voerden zij | בם (vam) = tegen hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Lezing: ולחום לא הלחמו (‘en strijd voerden zij niet’) is een ongewone vorm; de Engelse vertaling heeft ‘and they did not fight against them’. ### Sihon en Moab **84:14** En in het zesendertigste jaar na de uittocht van de zonen van Israël uit Egypte trof Yahweh het hart van Sihon, de koning van de Amorieten, en hij schaarde zich ten strijde en trok uit om te strijden tegen de zonen van Moab. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | שלושים (sheloshim) = dertig | ושש (veshesh) = en zes | שנה (shanah) = jaar | לצאת (latset) = na de uittocht van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ויך (vayyakh) = trof | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = — | לב (lev) = het hart van | סיחון (sikhon) = Sihon | מלך (malakh) = koning van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | ויערוך (vaya'arokh) = en schaarde zich | מלחמה (milchamah) = ten strijde | ויצא (vayetse) = en trok uit | להילחם (lehillachem) = om te strijden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:26. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Num 21:26 **84:15** En Sihon zond boodschappers naar Beor, de zoon van Jonus, de zoon van Bileam, de raadsman van de koning van Egypte, en naar Bileam, zijn zoon, om Moab te vervloeken, opdat het in de hand van Sihon zou worden gegeven. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | סיחון (sikhon) = Sihon | מלאכים (mal'akhim) = boodschappers | אל (el) = tot | בעור (Be'or) = Beor | בן (ben) = zoon van | יונוס (yonus) = Jonus | בן (ben) = zoon van | בלעם (bil'am) = Bileam | יועץ (yo'ets) = raadsman van | מלך (malakh) = koning van | מצרים (Mitsrayim) = Egypte | ואל (ve'el) = en naar | בלעם (bil'am) = Bileam | בנו (beno) = zijn zoon | לקלל (leqalel) = om te vervloeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | מואב (mo'av) = Moab | למען (lema'an) = opdat | תינתן (tinnaten) = zou worden gegeven | ביד (beyad) = in de hand van | סיחון (sikhon) = Sihon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 22:5; Deut. 23:5. בעור בן יונוס (‘Beor, de zoon van Jonus’) komt niet in de Bijbel voor; zie ook Num. 22:5 (Bileam, de zoon van Beor). Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Num 22:5; Deut 23:6 **84:16** En de boodschappers van Sihon gingen en brachten Beor, de zoon van Jonus, en Bileam, zijn zoon, uit Petor in Aram-Naharaim; en Beor en Bileam, zijn zoon, kwamen naar de stad van Sihon en vervloekten Moab en hun koning in de ogen van Sihon, de koning van de Amorieten. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | סיחון (sikhon) = Sihon | ויביאו (vayavi'u) = en brachten | את (et) = (lijdend voorwerp) | בעור (Be'or) = Beor | בן (ben) = zoon van | יונוס (yonus) = Jonus | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בלעם (bil'am) = Bileam | בנו (beno) = zijn zoon | מפתור (mippetor) = uit Petor | ארם (Aram) = Aram- | נהריים (naharayim) = Naharaïm | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בעור (Be'or) = Beor | ובלעם (uvil'am) = en Bileam | בנו (beno) = zijn zoon | עיר (ir) = stad | סיחון (sikhon) = Sihon | ויקללו (vayeqalelu) = en vervloekten | את (et) = (lijdend voorwerp) | מואב (mo'av) = Moab | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מלכם (malkam) = hun koning | בעיני (be'einei) = in de ogen van | סיחון (sikhon) = Sihon | מלך (malakh) = koning van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. **84:17** En Sihon trok uit met heel zijn leger en ging naar Moab en streed tegen hen en onderwierp hen, en Yahweh gaf hen in zijn hand, en Sihon doodde de koning van Moab. Brontekst: וסיחון (vesikhon) = en Sihon | יצא (yatsa) = trok uit | עם (im) = met | כל (kol) = alle | חילו (chelo) = zijn leger | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | מואב (mo'av) = Moab | וילחם (vayillachem) = en streed | בם (vam) = tegen hen | ויכניעם (vayakhni'em) = en hij onderwierp hen | ויתנם (vayittenem) = en hij gaf hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בידו (beyado) = in zijn hand | ויהרוג (veyahrog) = en doodde | סיחון (sikhon) = Sihon | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלך (malakh) = koning van | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. **84:18** En Sihon nam alle steden van Moab in de oorlog, en ook Chesbon nam hij van hen, want Chesbon was een van de steden van Moab. En Sihon plaatste zijn vorsten en zijn groten in Chesbon, en Chesbon behoorde in die dagen aan Sihon. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | סיחון (sikhon) = Sihon | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ערי ('eri) = steden van | מואב (mo'av) = Moab | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | חשבון (kheshbon) = Chesbon | לקח (laqach) = nam hij | מהם (mehem) = van hen | כי (ki) = want | חשבון (kheshbon) = Chesbon | מערי (me'arei) = een van de steden van | מואב (mo'av) = Moab | היא (hi) = was | וישם (vayasem) = en plaatste | סיחון (sikhon) = Sihon | את (et) = (lijdend voorwerp) | שריו (saraiv) = zijn vorsten | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | גדוליו (gedolav) = zijn groten | בחשבון (bekheshbon) = in Chesbon | ותהי (vatehi) = en behoorde | חשבון (kheshbon) = Chesbon | לסיחון (lesikhon) = aan Sihon | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:26–30. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie ook: Num 21:26–30 ### Het spreukenlied over Chesbon **84:19** Daarom zeggen over haar de spreukdichters Beor en Bileam, zijn zoon, deze woorden: „Kom naar Chesbon, laat de stad van Sihon gebouwd en gevestigd worden. Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = — | יאמרו (yomru) = zeggen | עליה (aleha) = over haar | המושלים (hammoshelim) = de spreukdichters | בעור (Be'or) = Beor | ובלעם (uvil'am) = en Bileam | בנו (beno) = zijn zoon | כדברים (kadevarim) = als de woorden | האלה (ha'elleh) = deze | לאמור (lemor) = zeggende | בואו (bo'o) = komt | חשבון (kheshbon) = naar Chesbon | תיבנה (tibbaneh) = laat worden gebouwd | ותיכונן (vetikhonen) = en gevestigd worden | עיר (ir) = de stad van | סיחון (sikhon) = Sihon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Voetnoot Lezing: De tekst heeft המושלים (‘de heersers’); gelezen als המשלים (‘de spreukdichters’), zoals in Num. 21:27; de Engelse vertaling heeft ‘the parable speakers’. Zie Num. 21:27–28. Zie ook: Num 21:27 **84:20** Wee jou, Moab! Je bent verloren, volk van Kemos!” Zie, het is geschreven in het boek van de wet van Elohim. Brontekst: אוי (oy) = wee | לך (lekha) = voor jou | מואב (mo'av) = Moab | אבדת (avadet) = je bent verloren | עם (im) = volk van | כמוש (kemosh) = Kemos | הנה (hinneh) = zie | כתובה (ketuva) = geschreven | על (al) = in | ספר (sefer) = het boek van | תורת (torat) = de wet van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:29. Zie ook: Num 21:29 **84:21** En toen Sihon Moab had overwonnen, plaatste hij wachters in de steden die hij van Moab had genomen; en van de zonen van Moab vielen er velen in de oorlog door de hand van Sihon, en hij voerde een grote schare gevangenen van hen weg, zonen en dochters, en hij doodde hun koning. Toen keerde Sihon zich om en keerde terug naar zijn land. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כאשר (ka'asher) = toen | ניצח (nitseach) = had overwonnen | סיחון (sikhon) = Sihon | את (et) = (lijdend voorwerp) | מואב (mo'av) = Moab | וישם (vayasem) = en hij zette | שומרים (shomerim) = bewakers | בערים (ba'arim) = in de steden | אשר (asher) = die | לקח (laqach) = had genomen | מאת (me'et) = van | מואב (mo'av) = Moab | ובני (uvnei) = en de zonen van | מואב (mo'av) = Moab | נפלו (naflu) = vielen | הרבה (harbeh) = velen | במלחמה (bammilchamah) = in de oorlog | ביד (beyad) = in de hand van | סיחון (sikhon) = Sihon | וישב (vayyashev) = en voerde weg | מהם (mehem) = van hen | שבי (shevi) = gevangenen | גדול (gadol) = een grote schare | בנים (banim) = zonen | ובנות (uvanot) = en dochters | ויהרוג (veyahrog) = en doodde | מלכם (malkam) = hun koning | ויפן (vayyifen) = en keerde zich om | סיחון (sikhon) = Sihon | וישב (vayyashev) = en keerde terug | לו (lo) = — | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **84:22** En Sihon gaf Beor en Bileam, zijn zoon, vele kleren en geschenken van zilver en goud, en liet hen gaan, en zij gingen naar Aram-Naharaim, naar hun woonplaats en naar hun land. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | סיחון (sikhon) = Sihon | כותנות (kutanot) = kleren | רבות (rabbot) = vele | ומנות (umanot) = en geschenken van | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | אל (el) = aan | בעור (Be'or) = Beor | ואל (ve'el) = en aan | בלעם (bil'am) = Bileam | בנו (beno) = zijn zoon | וישלחם (vayishlachem) = en liet hen gaan | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ארם (Aram) = Aram- | נהריים (naharayim) = Naharaïm | אל (el) = naar | מקומם (meqomam) = hun woonplaats | ואל (ve'el) = en naar | ארצם (artsam) = hun land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. ### Kades en de dood van Mirjam **84:23** In die tijd trokken alle zonen van Israël weg van de weg van de woestijn Moab, en zij keerden terug en trokken rond de woestijn Edom. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | עברו (avru) = trokken weg | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מדרך (middarekh) = van de weg van | מדבר (medabber) = de woestijn van | מואב (mo'av) = Moab | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | ויסובו (vayasovu) = en trokken rond | את (et) = (lijdend voorwerp) | מדבר (medabber) = de woestijn van | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **84:24** En heel de gemeenschap kwam in de woestijn Zin, in de eerste maand, in het veertigste jaar na hun uittocht uit Egypte. En de zonen van Israël bleven daar in Kades, in de woestijn Zin, en Mirjam stierf daar en werd daar begraven. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | העדה (ha'edah) = de gemeenschap | מדבר (medabber) = de woestijn van | צין (tsin) = Zin | בחודש (bachodesh) = in de maand | הראשון (harishon) = de eerste | בשנת (bishnat) = in het jaar | הארבעים (ha'arba'im) = het veertigste | לצאתם (letse'tam) = na hun uittocht | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | וישבו (vayeshvu) = en bleven | שם (shem) = daar | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בקדש (beqadesh) = in Kades | מדבר (medabber) = de woestijn van | סין (sin) = Zin | ותמת (vatamot) = en stierf | שם (shem) = daar | מרים (miryam) = Mirjam | ותיקבר (vatteqaver) = en werd begraven | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Voetnoot Lezing: De tekst heeft eerst מדבר צין (‘de woestijn Zin’) en daarna מדבר סין (‘de woestijn Sin’), beide voor dezelfde plaats Kades; hier steeds ‘Zin’ (zie Num. 20:1). Zie ook: Num 20:1 ### Edom weigert **84:25** In die tijd zond Mozes boodschappers naar Hadad, de koning van Edom, met de woorden: „Zo zegt je broer Israël: Laat mij toch door je land trekken; wij zullen niet door akker of wijngaard trekken, en het water van de put zullen wij niet drinken; langs de weg van de koning zullen wij gaan.” Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | שלח (Shelach) = zond | משה (moshe) = Mozes | מלאכים (mal'akhim) = boodschappers | אל (el) = tot | הדד (hadad) = Hadad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | לאמור (lemor) = zeggende | כה (koh) = zo | אמר (amar) = zegt | אחיך (achikha) = je broer | ישראל (yisra'el) = Israël | אעברה (e'evrah) = laat mij trekken | נא (na) = toch | בארצך (beartsekha) = door je land | לא (lo) = niet | נעבור (na'avor) = wij zullen trekken | בשדה (bassadeh) = door akker | ובכרם (uvkherem) = of wijngaard | ולא (velo) = en niet | נשתה (nishteh) = wij zullen drinken | מי (mi) = het water van | באר (be'er) = de put | דרך (derekh) = de weg van | המלך (hammelekh) = de koning | נלך (nelekh) = gaan wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 20:14–17. De tekst heeft Hadad als naam van de koning van Edom. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Num 20:14–17 **84:26** En Edom zei tegen hem: „Je zult niet door mij heen trekken.” En Edom trok uit, de zonen van Israël tegemoet, met een zwaar volk. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליו (elav) = tegen hem | אדום (Edom) = Edom | לא (lo) = niet | תעבור (ta'avor) = zul je trekken | בי (bi) = door mij heen | ויצא (vayetse) = en trok uit | אדום (Edom) = Edom | לקראת (liqrat) = tegemoet | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בעם (be'am) = met een volk | כבד (kaved) = zwaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 20:18–20. Zie ook: Num 20:18–20 **84:27** En de zonen van Ezau weigerden de zonen van Israël toe te staan door hun land te trekken; en Israël week van hen af en zij streden niet tegen de zonen van Ezau. Brontekst: וימאנו (vayema'enu) = en zij weigerden | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | נתון (natun) = toe te staan | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לעבור (la'avor) = door te trekken | בארצם (be'artsam) = door hun land | ויט (vayet) = en week | ישראל (yisra'el) = Israël | מעליו (me'alav) = van hen af | ולא (velo) = en niet | נלחמו (nilchamu) = streden | בבני (bivnei) = tegen de zonen van | עשו (asu) = Ezau Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 20:21. Zie ook: Num 20:21 **84:28** Want voordien had Yahweh de zonen van Israël geboden: **„Jullie zullen niet strijden tegen de zonen van Ezau”**; daarom week Israël van hen af en zij streden niet met hen. Brontekst: כי (ki) = want | לפני (lifnei) = voordien | זה (ze) = — | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לאמור (lemor) = zeggende | לא (lo) = niet | תילחמו (tillakhamu) = jullie zullen strijden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | על (al) = daarom | כן (ken) = — | נטה (natah) = week | ישראל (yisra'el) = Israël | מעליו (me'alav) = van hen af | ולא (velo) = en niet | נלחמו (nilchamu) = streden | איתם (ittam) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 2:4–5. Zie ook: Deut 2:4–5 ### De dood van Aäron **84:29** En de zonen van Israël trokken weg van bij de zonen van Ezau, uit Kades, en heel de gemeenschap kwam bij de berg Hor. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en trokken weg | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מעל (me'al) = van bij | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | מקדש (miqadesh) = uit Kades | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | כל (kol) = alle | העדה (ha'edah) = de gemeenschap | הר (har) = de berg | ההר (hahar) = Hor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 20:22. Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Zie ook: Num 20:22 **84:30** In die tijd sprak Yahweh tot Mozes: **„Zeg tot Aäron, je broer, dat hij daar verzameld zal worden, want hij zal niet komen in het land dat Ik aan de zonen van Israël heb gegeven.”** Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | דיבר (dibber) = sprak | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | אמור (amor) = zeg | אל (el) = tot | אהרון (aharon) = Aäron | אחיך (achikha) = je broer | יאסף (ye'asef) = hij zal verzameld worden | שם (shem) = daar | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | יבוא (yavo) = zal komen | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | אשר (asher) = die | נתתי (natati) = heb Ik gegeven | לבני (livnei) = aan de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 20:23–26. Zie ook: Num 20:23–26 **84:31** En Aäron ging op, naar het woord van Yahweh, naar de berg Hor, en hij stierf daar, in het veertigste jaar, in de vijfde maand, op de eerste van de maand. Brontekst: ויעל (vayya'al) = en ging op | אהרון (aharon) = Aäron | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = naar | הר (har) = de berg | ההר (hahar) = Hor | וימת (vayamot) = en hij stierf | שם (shem) = daar | בשנת (bishnat) = in het jaar | הארבעים (ha'arba'im) = veertigste | בחודש (bachodesh) = in de maand | החמישי (hachamishi) = de vijfde | באחד (be'achad) = op de eerste | לחודש (lachodesh) = van de maand Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 20:27–28; 33:38. Zie ook: Num 20:27–28; Num 33:38 **84:32** En Aäron was honderddrieëntwintig jaar oud bij zijn sterven op de berg Hor. Brontekst: ואהרון (ve'aharon) = en Aäron | בן (ben) = zoon van | מאת (me'et) = honderd | שנה (shanah) = jaar | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | ושלוש (veshalosh) = en drie | שנים (shanim) = jaar | במותו (bemoto) = bij zijn dood | בהר (bahar) = op de berg | ההר (hahar) = Hor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 33:39. Zie ook: Num 33:39 ## Jasher 85 _Arad, Og, Balak en Bileam, Moab en Pinechas_ ### De koning van Arad **85:1** En de Kanaäniet, de koning van Arad, die in de Negev woonde, hoorde dat Israël langs de weg van Atarim was gekomen, en hij schaarde zijn leger om tegen Israël te strijden. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | מלך (malakh) = koning van | ערד (arad) = Arad | יושב (yoshev) = die woonde in | הנגב (hannegev) = de Negev | כי (ki) = dat | בא (ba) = was gekomen | ישראל (yisra'el) = Israël | דרך (derekh) = langs de weg van | האתרים (ha'atarim) = Atarim | ויערוך (vaya'arokh) = en schaarde | את (et) = (lijdend voorwerp) | חילו (chelo) = zijn leger | להילחם (lehillachem) = om te strijden | בישראל (beyisra'el) = tegen Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:1; 33:40. De tekst heeft דרך האתרים; de Engelse vertaling heeft ‘the way of the spies’. Zie Arad: Arad (Tel Arad) lag in de Negev, ongeveer 30 km ten oosten van Beër-Sjeba. Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie ook: Num 21:1; Num 33:40 **85:2** En de zonen van Israël vreesden hem zeer, want hij had een groot en zwaar leger, en de zonen van Israël besloten terug te keren naar Egypte. Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מאוד (me'od) = zeer | מפניו (mippanav) = voor hem | כי (ki) = want | חיל (chayil) = een leger | גדול (gadol) = groot | וכבד (vekhaved) = en zwaar | מאוד (me'od) = zeer | לו (lo) = hij had | ויתנו (vayittenu) = en richtten | לב (lev) = het hart van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לשוב (lashuv) = terug te keren | מצרימה (mitsraymah) = naar Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **85:3** En de zonen van Israël keerden op hun schreden terug, ongeveer een afstand van drie dagen, tot aan Moserot Bene-Jaäkan, want zij vreesden hen zeer vanwege de koning van Arad. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en keerden terug | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אחוריהם (achoreihem) = op hun schreden | כמהלך (kemehalakh) = ongeveer een afstand van | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | עד (ad) = tot aan | מוסרות (moserot) = Moserot | בני (bnei) = Bene- | יעקן (ya'aqan) = Jaäkan | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | להם (lahem) = voor hen | מאוד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = vanwege | מלך (malakh) = koning van | ערד (arad) = Arad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 10:6 (Moserot, Bene-Jaäkan). Zie Arad: Arad (Tel Arad) lag in de Negev, ongeveer 30 km ten oosten van Beër-Sjeba. Zie ook: Deut 10:6 **85:4** En de zonen van Israël konden niet terugkeren naar hun plaats, en zij bleven dertig dagen in Bene-Jaäkan. Brontekst: ולא (velo) = en niet | יכלו (yakhelu) = konden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ללכת (lalekhet) = te gaan | לשוב (lashuv) = terug te keren | אל (el) = tot | מקומם (meqomam) = hun plaats | וישבו (vayeshvu) = en bleven | בבני (bivnei) = in Bene- | יעקן (ya'aqan) = Jaäkan | שלושים (sheloshim) = dertig | יום (yom) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:5** En toen de zonen van Levi zagen dat de zonen van Israël niet wilden terugkeren, werden zij ijverig voor Yahweh, en zij stonden op en streden tegen Israël, hun broers, en zij doodden een grote menigte van hen en deden hen met geweld terugkeren naar hun plaats, de berg Hor. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כראות (kir'ot) = toen zagen | בני (bnei) = zonen van | לוי (Levi) = Levi | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | אבו (avu) = wilden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לשוב (lashuv) = terug te keren | ויקנאו (vayqanu) = en waren ijverig | אל (el) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויקומו (vayaqumu) = en zij stonden op | וילחמו (vayillachamu) = en streden | את (et) = tegen | ישראל (yisra'el) = Israël | אחיהם (achihem) = hun broers | ויהרגו (vayaharegu) = en doodden | מהם (mehem) = van hen | עם (im) = een volk | רב (rav) = groot | ויושיבום (vayoshivum) = en deden hen terugkeren | בחוזקה (bechozqah) = met kracht | אל (el) = naar | מקומם (meqomam) = hun plaats | הר (har) = de berg | ההר (hahar) = Hor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 10:6; zie ook Ex. 32:26–28 (de Levieten). Zie ook: Ex 32:26–28; Deut 10:6 **85:6** En toen zij terugkeerden, schaarde de koning van Arad nog steeds zijn leger ten strijde, Israël tegemoet. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשובם (beshuvam) = bij hun terugkeer | ומלך (umelekh) = en de koning van | ערד (arad) = Arad | עודנו (odenu) = nog | עורך (orekh) = schaarde | צבאו (tsevao) = zijn leger | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | לקראת (liqrat) = tegemoet | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Arad: Arad (Tel Arad) lag in de Negev, ongeveer 30 km ten oosten van Beër-Sjeba. **85:7** En Israël deed een gelofte: „Als U dit volk zeker in mijn hand geeft, dan zal ik hun steden met de ban slaan.” Brontekst: וידר (vayiddar) = en deed | ישראל (yisra'el) = Israël | נדר (neder) = een gelofte | לאמור (lemor) = zeggende | אם (em) = als | נתון (natun) = zeker | תיתן (titten) = U geeft | את (et) = (lijdend voorwerp) | העם (ha'am) = het volk | הזה (hazzeh) = dit | בידי (beyadi) = in mijn hand | והחרמתי (vehakharamti) = dan zal ik met de ban slaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | עריהם (arehem) = hun steden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:2. Zie ook: Num 21:2 **85:8** En Yahweh luisterde naar de stem van Israël en gaf de Kanaänieten in hun hand, en zij sloegen hen en hun steden met de ban, en hij noemde de naam van die plaats Chorma. Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקול (bekol) = naar de stem van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויתן (vayitten) = en gaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | בידם (beyadam) = in hun hand | ויחרם (vayakharem) = en sloeg met de ban | אתהם (otham) = hen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | עריהם (arehem) = hun steden | ויקרא (vayikra) = en noemde | שם (shem) = de naam van | המקום (hammaqom) = de plaats | חרמה (khormah) = Chorma Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:3. Zie ook: Num 21:3 ### Van Obot naar de Arnon **85:9** En de zonen van Israël trokken van de berg Hor en legerden zich in Obot, en zij trokken uit Obot en legerden zich in Ijje-Haäbarim, aan de grens van Moab. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מהר (maher) = van de berg | ההר (hahar) = Hor | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | באובות (be'ovot) = in Obot | ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | מאובות (me'ovot) = uit Obot | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | בעיי (be'iyye) = in Ijje- | העברים (ha'ivrim) = Haäbarim | בגבול (bigvul) = aan de grens van | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:4, 10–11; 33:41–44. Zie ook: Num 21:4 **85:10** En de zonen van Israël stuurden naar Moab met de woorden: „Laat ons toch door je land trekken naar onze plaats.” Maar de zonen van Moab wilden Israël niet toestaan door hun land te trekken, want de zonen van Moab vreesden zeer dat de zonen van Israël met hen zouden doen zoals Sihon, de koning van de Amorieten, met hen had gedaan, die hun land nam en velen van hen doodde. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en stuurden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = naar | מואב (mo'av) = Moab | לאמור (lemor) = zeggende | נעברה (na'avrah) = laat ons trekken | נא (na) = toch | בארצך (beartsekha) = door je land | עד (ad) = tot | מקומי (meqomi) = onze plaats | ולא (velo) = en niet | אבו (avu) = wilden | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | נתון (natun) = toe te staan | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | עבור (avor) = door te trekken | בארצם (be'artsam) = door hun land | כי (ki) = want | יראו (yare'u) = zij vreesden | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | מאוד (me'od) = zeer | פן (pen) = dat niet | יעשו (ya'asu) = zouden doen | להם (lahem) = met hen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כאשר (ka'asher) = zoals | עשה (asah) = heeft gedaan | להם (lahem) = met hen | סיחון (sikhon) = Sihon | מלך (malakh) = koning van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | אשר (asher) = die | לקח (laqach) = nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארצם (artsam) = hun land | ויהרוג (veyahrog) = en doodde | מהם (mehem) = van hen | רבים (rabbim) = vele Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:11; Deut. 2:28–29; Richt. 11:17. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie ook: Num 21:11; Deut 2:28–29; Re 11:17 **85:11** Daarom stond Moab Israël niet toe door zijn land te trekken, en Yahweh had de zonen van Israël geboden niet tegen Moab te strijden, en Israël week van Moab af. Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = — | לא (lo) = niet | נתן (natan) = stond toe | מואב (mo'av) = Moab | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | עבור (avor) = door te trekken | בארצו (be'artso) = door zijn land | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | ציוה (tsiwwah) = had geboden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לאמור (lemor) = zeggende | לבלתי (levilti) = om niet | הילחם (hillachem) = te strijden | במואב (bemo'av) = tegen Moab | ויט (vayet) = en week | ישראל (yisra'el) = Israël | מעל (me'al) = van | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:12** En de zonen van Israël trokken van de grens van Moab en kwamen aan de overkant van de Arnon, aan de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten, en zij legerden zich aan de grens van Sihon, de koning van de Amorieten, in de woestijn Kedemot. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מגבול (migvul) = van de grens van | מואב (mo'av) = Moab | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בעבר (be'ever) = aan de overzijde van | ארנון (arnon) = Arnon | בגבול (bigvul) = aan de grens van | מואב (mo'av) = Moab | בין (bein) = tussen | מואב (mo'av) = Moab | ובין (uvein) = en tussen | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | בגבול (bigvul) = aan de grens van | סיחון (sikhon) = Sihon | מלך (malakh) = koning van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | קדמות (qedemot) = Kedemot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:13; Deut. 2:26. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Zie ook: Num 21:13; Deut 2:26 **85:13** En de zonen van Israël zonden boodschappers naar Sihon, de koning van de Amorieten, met de woorden: Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מלאכים (mal'akhim) = boodschappers | אל (el) = tot | סיחון (sikhon) = Sihon | מלך (malakh) = koning van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:14** „Laat ons door je land trekken; wij zullen niet afbuigen naar akker of wijngaard, en het water van de put zullen wij niet drinken; langs de weg van de koning zullen wij gaan, totdat wij je grens voorbij zijn.” Maar Sihon stond Israël niet toe door zijn gebied te trekken. Brontekst: נעברה (na'avrah) = laat ons trekken | נא (na) = toch | בארצך (beartsekha) = door je land | לא (lo) = niet | נטה (natah) = wij zullen afbuigen | בשדה (bassadeh) = naar akker | ובכרם (uvkherem) = of wijngaard | לא (lo) = niet | נשתה (nishteh) = wij zullen drinken | מי (mi) = het water van | באר (be'er) = de put | דרך (derekh) = de weg van | המלך (hammelekh) = de koning | נלך (nelekh) = gaan wij | עד (ad) = totdat | עברנו (ovrenu) = wij voorbij zijn | את (et) = (lijdend voorwerp) | גבולך (gevulekha) = je grens | ולא (velo) = maar niet | נתן (natan) = stond toe | סיחון (sikhon) = Sihon | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | עבור (avor) = door te trekken | בגבולו (bigvulo) = door zijn gebied Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:21–22; Deut. 2:27. Zie ook: Num 21:21–22; Deut 2:27 ### Sihon verslagen **85:15** En Sihon verzamelde heel het volk van de Amorieten en trok de woestijn in, de zonen van Israël tegemoet, en hij streed tegen Israël bij Jahaz. Brontekst: ויקבוץ (vayiqbots) = en hij verzamelde | סיחון (sikhon) = Sihon | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עם (im) = het volk van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | ויצא (vayetse) = en trok uit | המדברה (hammidbarah) = de woestijn in | לקראת (liqrat) = tegemoet | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וילחם (vayillachem) = en streed | בישראל (beyisra'el) = tegen Israël | יהצה (yahtsah) = bij Jahaz Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:23. Zie ook: Num 21:23 **85:16** En Yahweh gaf Sihon, de koning van de Amorieten, in de hand van Israël, en Israël sloeg heel het volk van Sihon met de scherpte van het zwaard en wreekte Moab. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | סיחון (sikhon) = Sihon | מלך (malakh) = koning van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | ביד (beyad) = in de hand van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויך (vayyakh) = en sloeg | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עם (im) = het volk van | סיחון (sikhon) = Sihon | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | וינקום (vayiqom) = en nam wraak | את (et) = (lijdend voorwerp) | נקמת (niqmat) = de wraak voor | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:24. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie ook: Num 21:24 **85:17** En de zonen van Israël namen het land van Sihon in bezit, van de Arnon tot de Jabbok, tot aan de zonen van Ammon, en zij namen de hele buit van de steden. Brontekst: ויירשו (veyirshu) = en namen in bezit | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = het land van | סיחון (sikhon) = Sihon | מארנון (me'arnon) = van Arnon | עד (ad) = tot | יבוק (Yabboq) = Jabbok | עד (ad) = tot | בני (bnei) = zonen van | עמון (ammon) = Ammon | ויקחו (vayyiqchu) = en namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | שלל (shalal) = de buit van | הערים (he'arim) = de steden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:24–25. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Zie Jabbok: De Jabbok is een zijrivier van de Jordaan, ten oosten van de rivier. Zie ook: Num 21:24–25 **85:18** En Israël nam al deze steden, en Israël woonde in alle steden van de Amorieten. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en nam | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הערים (he'arim) = de steden | האלה (ha'elleh) = deze | וישב (vayyashev) = en woonde | ישראל (yisra'el) = Israël | בכל (bekhol) = in heel | ערי ('eri) = steden van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:19** En alle zonen van Israël zeiden dat zij tegen de zonen van Ammon wilden strijden, om ook hun hele land te nemen. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zeiden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | עמון (ammon) = Ammon | לקחת (laqachat) = om te nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארצם (artsam) = hun land | גם (gam) = ook | המה (hemmah) = ook zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:20** En Yahweh zei tot de zonen van Israël: **„Belegeer de zonen van Ammon niet en daag hen niet uit tot oorlog, want Ik zal jullie niets van hun land geven.”** En de zonen van Israël luisterden naar het woord van Yahweh en streden niet tegen de zonen van Ammon. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = niet | תצר (tatsar) = belegeer | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | עמון (ammon) = Ammon | ואת (ve'et) = en niet | תתגר (titgar) = daag uit | בם (vam) = tegen hen | מלחמה (milchamah) = tot oorlog | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | אתן (etten) = zal Ik geven | לכם (lakhem) = aan jullie | מארצם (me'artsam) = van hun land | מאומה (me'umah) = niets | וישמעו (vayishme'u) = en luisterden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = — | דבר (davar) = het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ולא (velo) = en niet | נלחמו (nilchamu) = streden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | עמון (ammon) = Ammon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft ואת תתגר (‘en … daag uit’); gelezen als ואל תתגר (‘en daag niet uit’), zoals in vers 20 van de Engelse vertaling. Zie Deut. 2:19. Zie ook: Deut 2:19 ### Og, de koning van Basan **85:21** En de zonen van Israël wendden zich om en trokken op, langs de weg naar Basan, het land van Og, de koning van Basan; en Og, de koning van Basan, trok uit, Israël tegemoet ten strijde, en met hem vele mannen, krijgers van kracht, en een zeer sterke macht van het volk van de Amorieten. Brontekst: ויפנו (vayifnu) = en wendden zich | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | דרך (derekh) = de weg van | הבשן (habbashan) = de Basan | ארץ (erets) = land van | עוג (og) = Og | מלך (malakh) = koning van | הבשן (habbashan) = de Basan | ויצא (vayetse) = en trok uit | עוג (og) = Og | מלך (malakh) = koning van | הבשן (habbashan) = de Basan | לקראת (liqrat) = tegemoet | ישראל (yisra'el) = Israël | למלחמה (lammilchamah) = ten strijde | ועמו (ve'immo) = en met hem | אנשים (anashim) = mannen | הרבה (harbeh) = vele | גיבורי (gibborei) = krijgers van | חיל (chayil) = kracht | ויד (vayad) = en een macht | חזקה (chazaqah) = sterke | מאוד (me'od) = zeer | מעם (me'im) = van het volk van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:33; Deut. 3:1. Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie ook: Num 21:33; Deut 3:1 **85:22** En Og, de koning van Basan, was een zeer sterke held, en Naärits, zijn zoon, was een zeer sterke held, sterker dan hij. Brontekst: ועוג (ve'og) = en Og | מלך (malakh) = koning van | הבשן (habbashan) = de Basan | איש (ish) = een man | גיבור (gibbor) = held | חיל (chayil) = van kracht | מאוד (me'od) = zeer | ונעריץ (vena'aritz) = en Naärits | בנו (beno) = zijn zoon | גיבור (gibbor) = machtig | מאוד (me'od) = zeer | יותר (yoter) = — | גיבור (gibbor) = sterker | ממנו (mimmennu) = van hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Voetnoot Uitleg: נעריץ (‘Naärits’) is bij de Engelse vertaling ‘Naaron’. Deze zoon van Og komt niet in de Bijbel voor. **85:23** En Og zei in zijn hart: „Zie, heel het kamp van Israël beslaat een afstand van drie parasangen; nu zal ik hen in één keer slaan, zonder zwaard en zonder speer.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | עוג (og) = Og | בלבו (belibbo) = in zijn hart | הנה (hinneh) = zie | כל (kol) = alle | מחנה (machaneh) = kamp | ישראל (yisra'el) = Israël | מהלך (mehalakh) = beslaat | שלוש (shalosh) = drie | פרסאות (parsa'ot) = parasangen | עתה (attah) = nu | אמיתם (amittem) = zal ik hen doden | כאחת (ke'achat) = in één keer | בלא (bilo) = zonder | חרב (charev) = zwaard | ובלא (uvelo) = en zonder | חנית (chanit) = speer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: פרסה (‘parasang’) is een Perzische afstandsmaat van circa vijf à zes kilometer. **85:24** En Og ging de berg Jahaz op en nam daar een grote steen, haar lengte was drie parasangen, en hij zette hem op zijn hoofd en besloot hem te werpen op het kamp van de zonen van Israël, om heel Israël met die steen te doden. Brontekst: ויעל (vayya'al) = en ging | עוג (og) = Og | הרה (harah) = de berg op | יעצה (ya'tsah) = Jahaz | ויקח (vayikkach) = en hij nam | משם (misham) = vandaar | אבן (even) = steen | אחת (achat) = één | גדולה (gedolah) = grote | אורכה (orkah) = haar lengte | שלוש (shalosh) = drie | פרסאות (parsa'ot) = parasangen | וישם (vayasem) = en zette | אותה (otah) = haar | על (al) = op | ראשו (rosho) = zijn hoofd | ויאמר (vayomer) = en besloot | להשליכה (lehashlikhah) = haar te werpen | על (al) = op | מחנה (machaneh) = kamp | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | להמית (lehamit) = te doden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | באבן (ba'even) = met een steen | ההיא (hahi) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft הרה יעצה (‘naar Jaäzer’); gelezen als הר יהצה (‘de berg Jahaz’), zoals de Engelse vertaling. **85:25** En de engel van Yahweh kwam en doorboorde die steen boven het hoofd van Og, en de steen zakte neer om de nek van Og, en Og viel op de aarde door het gewicht van het neerkomen van de steen om zijn nek. Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | מלאך (mal'akh) = engel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וינקוב (vayinqov) = en doorboorde | את (et) = (lijdend voorwerp) | האבן (ha'even) = de steen | ההיא (hahi) = die | מעל (me'al) = boven | ראש (rosh) = het hoofd van | עוג (og) = Og | ותרד (vattered) = en zakte neer | האבן (ha'even) = de steen | בצוואר (batsavvar) = om de nek van | עוג (og) = Og | ויפול (vayippol) = en hij viel | עוג (og) = Og | לארץ (la'arets) = op de aarde | מכובד (mikhovod) = door het gewicht van | ירידת (yeridat) = het neerkomen van | האבן (ha'even) = de steen | בצווארו (betsavvaro) = om zijn nek Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:26** In die tijd zei Yahweh tot de zonen van Israël: **„Wees niet bang voor hem, want in jullie hand heb Ik hem gegeven en heel zijn volk en heel zijn land, en jullie zullen met hem doen zoals jullie met Sihon deden.”** Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | אמר (amar) = zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = niet | תיראו (tire'u) = vreest | ממנו (mimmennu) = voor hem | כי (ki) = want | בידכם (beyedkhem) = in jullie hand | נתתי (natati) = heb Ik gegeven | אותו (oto) = hem | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עמו (immo) = zijn volk | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארצו (artso) = zijn land | ועשיתם (va'asitem) = en jullie zullen doen | לו (lo) = aan hem | כאשר (ka'asher) = zoals | עשיתם (asitem) = jullie deden | לסיחון (lesikhon) = aan Sihon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:34; Deut. 3:2. Zie ook: Num 21:34; Deut 3:2 **85:27** En Mozes daalde af naar hem met een klein aantal van de zonen van Israël, en Mozes sloeg Og met zijn staf op de enkels van zijn voeten en doodde hem. Brontekst: וירד (vayered) = en daalde af | אליו (elav) = naar hem | משה (moshe) = Mozes | עם (im) = met | מתי (matai) = mannen van | מספר (mispar) = getal | מבני (mibbnei) = van de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויך (vayyakh) = en sloeg | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | עוג (og) = Og | במטהו (bemattehu) = met zijn staf | אל (el) = op | קרסולי (qarsulei) = enkels van | רגליו (raglav) = zijn voeten | וימיתהו (vayemitehu) = en hij doodde hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:35; Deut. 3:3. Zie ook: Num 21:35; Deut 3:3 **85:28** En daarna achtervolgden de zonen van Israël de zonen van Og en heel zijn volk, en zij sloegen en vermorzelden hen, totdat hun geen overlevende overbleef. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | רדפו (radefu) = achtervolgden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | עוג (og) = Og | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עמו (immo) = bij hem | ויכום (vayakkum) = en sloegen hen | ויכתום (vayekhatum) = en vermorzelden hen | עד (ad) = totdat | בלתי (bilti) = — | השאיר (hish'ir) = overbleef | להם (lahem) = hun | שריד (sarid) = een overlevende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:29** En daarna zond Mozes enkelen van de zonen van Israël om Jaëzer te verspieden, want Jaëzer was een zeer vrolijke stad. Brontekst: ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = zo | שלח (Shelach) = zond | משה (moshe) = Mozes | מבני (mibbnei) = enkelen van de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לרגל (leraggel) = om te verspieden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעזר (ya'zer) = Jaëzer | כי (ki) = want | יעזר (ya'zer) = Jaëzer | היתה (hayetah) = was | קריה (qiryah) = een stad | עליזה (alizah) = vrolijke | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:32. De Engelse vertaling heeft ‘a very famous city’; de tekst heeft עליזה (‘vrolijk’). Zie ook: Num 21:32 **85:30** En de verspieders gingen naar Jaëzer en verspiedden haar, en de verspieders vertrouwden op Yahweh, en zij streden tegen de mannen van Jaëzer. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | המרגלים (hameragelim) = de spionnen | יעזר (ya'zer) = Jaëzer | וירגלו (vayeraggelu) = en zij verspiedden | אותה (otah) = haar | ויבטחו (vayivtechu) = en zij vertrouwden | המרגלים (hameragelim) = de spionnen | ביהוה (bYahweh) = op Yahweh | וילחמו (vayillachamu) = en streden | הם (hem) = zij | באנשי (be'anshei) = tegen de mannen van | יעזר (ya'zer) = Jaëzer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:31** En die mannen veroverden Jaëzer en haar dorpen, en Yahweh gaf haar in hun hand, en zij verdreven de Amorieten die daar waren. Brontekst: וילכדו (vayilkedu) = en zij veroverden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | ההם (hahem) = die | את (et) = (lijdend voorwerp) | יעזר (ya'zer) = Jaëzer | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בנותיה (benoteyha) = haar dorpen | ויתנה (vayittenah) = en gaf haar | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בידם (beyadam) = in hun hand | ויורישו (vayorishu) = en zij verdreven | את (et) = (lijdend voorwerp) | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | אשר (asher) = die | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:32. Zie ook: Num 21:32 **85:32** En de zonen van Israël namen het land van de twee koningen van de Amorieten, zestig steden aan de overzijde van de Jordaan, van de beek Arnon tot de berg Chermon. Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארץ (erets) = land van | שני (shenei) = twee | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | שישים (shishim) = zestig | עיר (ir) = stad | אשר (asher) = die | בעבר (be'ever) = aan de overzijde van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | מנחל (minnachal) = van de beek | ארנון (arnon) = Arnon | עד (ad) = tot | הר (har) = de berg | חרמון (Chermon) = Chermon Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 21:24–25; Deut. 3:8. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Zie ook: Num 21:24–25; Deut 3:8 **85:33** En de zonen van Israël trokken verder en kwamen in de vlakten van Moab, aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho. Brontekst: ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | בערבות (ba'aravot) = in de vlakten van | מואב (mo'av) = Moab | אשר (asher) = die | מעבר (me'ever) = de overzijde van | לירדן (layarden) = de Jordaan | יריחו (yerikho) = Jericho Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 22:1. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Num 22:1 ### Moab vreest Israël **85:34** En de zonen van Moab hoorden al het kwaad dat de zonen van Israël aan de twee koningen van de Amorieten hadden gedaan, aan Sihon en aan Og, en alle mannen van Moab vreesden de zonen van Israël zeer. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hadden gedaan | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = aan | שני (shenei) = twee | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | אל (el) = aan | סיחון (sikhon) = Sihon | ואל (ve'el) = en aan | עוג (og) = Og | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = de mannen van | מואב (mo'av) = Moab | מפני (mippenei) = vanwege | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:35** En de oudsten van Moab zeiden: „Zie, de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, de sterksten van alle koningen van de aarde, hebben voor de zonen van Israël niet standgehouden; hoe zullen wij dan standhouden tegen hen? Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מואב (mo'av) = Moab | הנה (hinneh) = zie | שני (shenei) = twee | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | סיחון (sikhon) = Sihon | ועוג (ve'og) = en Og | החזקים (hachazaqim) = de sterkeren | מכל (mikkol) = dan alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הארץ (ha'arets) = de aarde | לא (lo) = niet | עמדו (imdu) = hebben standgehouden | בפני (bifnei) = voor het aangezicht van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ואיך (ve'ekh) = en hoe | נעמוד (na'amod) = zullen wij standhouden | בניהם (beneyhem) = tegen hen | אנחנו (anachnu) = wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: בניהם (‘onder hun zonen’) is gelezen als בפניהם (‘voor hun aangezicht’). **85:36** Immers, zij hebben ons al eerder een boodschap gezonden om door ons land op hun weg te trekken, en wij lieten hen niet toe; nu zullen zij zich tegen ons keren met hun harde zwaard en vernietigen wat Sihon van ons heeft overgelaten.” En Moab werd benauwd vanwege de zonen van Israël, en zij vreesden hen zeer en beraadslaagden wat zij moesten doen tegenover de zonen van Israël. Brontekst: הלא (halo) = immers | שלוח (shalo'ach) = zeker | שלחו (shalchu) = hebben gezonden | אלינו (elenu) = tot ons | טרם (terem) = eerder | זה (ze) = — | לעבור (la'avor) = door te trekken | לעבור (la'avor) = — | מארצנו (me'artsenu) = door ons land | לדרכם (ledarkam) = op hun weg | ולא (velo) = en niet | עזבנו (azavnu) = lieten wij toe | אותם (otam) = hen | עתה (attah) = nu | ישובו (yashuvu) = zullen zich keren | עלינו (aleinu) = tegen ons | בחרבם (bacharvam) = met hun zwaard | הקשה (haqasha) = hard | והשמידו (vehishmidu) = en zullen vernietigen | אותנו (otanu) = ons | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | השאיר (hish'ir) = liet over | ממנו (mimmennu) = van ons | סיחון (sikhon) = Sihon | ויקץ (vayyakets) = en werd benauwd | מואב (mo'av) = Moab | מפני (mippenei) = vanwege | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | מהם (mehem) = voor hen | ויתייעצו (vayit'ayetsu) = en beraadslaagden | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | אל (el) = tegenover | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Balak, koning van Moab **85:37** En de oudsten van Moab kwamen overeen en namen een man uit hun midden, Balak, de zoon van Sippor, de Moabiet, en maakten hem in die tijd koning over hen; en Balak was een zeer wijs man. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en kwamen overeen | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מואב (mo'av) = Moab | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | איש (ish) = een man | מאנשיהם (me'anshehem) = uit hun mannen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בלק (balaq) = Balak | בן (ben) = zoon van | ציפור (tsippor) = Sippor | המואבי (hamo'avi) = de Moabiet | וימליכוהו (vayamlikhuhu) = en zij maakten hem koning | עליהם (aleihem) = over hen | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ובלק (uvalaq) = en Balak | איש (ish) = een man | חכם (chakham) = wijs | מאוד (me'od) = zeer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 22:4. Zie ook: Num 22:4 **85:38** En de oudsten van Moab stonden op en zonden naar de zonen van Midian om vrede met hen te sluiten, want een grote oorlog en vijandschap was er in die dagen tussen Moab en Midian geweest, sinds de dagen van Hadad, de zoon van Bedad, de koning van Edom, die Midian versloeg in het veld van Moab, tot in die dagen. Brontekst: ויקומו (vayaqumu) = en stonden op | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מואב (mo'av) = Moab | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | מדין (Midyan) = Midian | לעשות (la'asot) = te sluiten | איתם (ittam) = met hen | שלום (shalom) = vrede | כי (ki) = want | מלחמה (milchamah) = oorlog | גדולה (gedolah) = grote | ושנאה (ushin'ah) = en vijandschap | היתה (hayetah) = was | בין (bein) = tussen | מואב (mo'av) = Moab | ובין (uvein) = en tussen | מדין (Midyan) = Midian | בימים (bayyamim) = in de dagen | ההם (hahem) = die | מימי (miyyemei) = sinds de dagen van | הדד (hadad) = Hadad | בן (ben) = zoon van | בדד (bedad) = Bedad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | המכה (hamakka) = die versloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | מדין (Midyan) = Midian | בשדה (bassadeh) = in het veld van | מואב (mo'av) = Moab | עד (ad) = tot | הימים (hayyamim) = de dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gen. 36:35. Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 36:35 **85:39** En de zonen van Moab zonden naar de zonen van Midian en sloten vrede met hen, en de oudsten van Midian kwamen naar het land Moab voor de vrede van de zonen van Midian. Brontekst: וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | מדין (Midyan) = Midian | ויעשו (vaya'asu) = en sloten | איתם (ittam) = met hen | שלום (shalom) = vrede | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מדין (Midyan) = Midian | ארץ (erets) = naar het land | מואב (mo'av) = Moab | לשלום (leshalom) = voor de vrede van | בני (bnei) = zonen van | מדין (Midyan) = Midian Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. **85:40** En de oudsten van Moab en de oudsten van Midian beraadslaagden wat zij moesten doen om hun leven te redden van Israël. Brontekst: ויתייעצו (vayit'ayetsu) = en zij beraadslaagden | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מואב (mo'av) = Moab | וזקני (vezeqenei) = en de oudsten van | מדין (Midyan) = Midian | מה (mah) = wat | לעשות (la'asot) = om te doen | להם (lahem) = — | להציל (lehatsil) = om te redden | את (et) = (lijdend voorwerp) | נפשם (nafsham) = hun leven | מישראל (miyisra'el) = voor Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:41** En alle zonen van Moab zeiden tot de oudsten van Midian: „Nu zullen de zonen van Israël alles rondom ons oplikken, zoals de os het groen van het veld oplikt, want zo en zo deden zij met de twee koningen van de Amorieten, die sterker waren dan wij.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | אל (el) = tot | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מדין (Midyan) = Midian | עתה (attah) = nu | ילחכו (yelakhakhu) = zullen oplikken | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | סביבותינו (sevivoteinu) = rondom ons | כלחוך (kilkhokh) = zoals het oplikken van | השור (hashor) = de os | את (et) = (lijdend voorwerp) | ירק (yaraq) = het groen van | השדה (hasadeh) = het veld | כי (ki) = want | כזאת (kezot) = zo | וכזאת (vekhazzot) = en zo | עשו (asu) = deden | לשני (leshenei) = met de twee | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | החזקים (hachazaqim) = die sterker waren | ממנו (mimmennu) = dan wij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:42** En de oudsten van Midian zeiden tot Moab: „Wij hebben gehoord dat Sihon, de koning van de Amorieten, in de tijd dat hij met jullie streed, de overhand over jullie kreeg en jullie land nam, want hij zond naar Beor, de zoon van Jonus, en naar Bileam, zijn zoon, uit Aram-Naharaim, en zij kwamen en vervloekten jullie; daarom werd de hand van Sihon sterker over jullie en hij veroverde jullie land. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מדין (Midyan) = Midian | אל (el) = tot | מואב (mo'av) = Moab | שמענו (shamanu) = wij hebben gehoord | כח (koach) = dat | בעת (be'et) = in de tijd | אשר (asher) = dat | נלחם (nilcham) = streed | איתכם (ittekhem) = met jullie | סיחון (sikhon) = Sihon | מלך (malakh) = koning van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | ויגבר (vayigbar) = en werd sterker | ידו (yado) = zijn hand | עליכם (aleikhem) = over jullie | ויקח (vayikkach) = en hij nam | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארצכם (artsekhem) = jullie land | כי (ki) = want | שלח (Shelach) = zond | אל (el) = naar | בעור (Be'or) = Beor | בן (ben) = zoon van | יונוס (yonus) = Jonus | ואל (ve'el) = en naar | בלעם (bil'am) = Bileam | בנו (beno) = zijn zoon | מארם (me'aram) = uit Aram- | נהריים (naharayim) = Naharaïm | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ויקללו (vayeqalelu) = en vervloekten | אתכם (etkhem) = jullie | על (al) = daarom | כן (ken) = — | גברה (gavrah) = werd sterker | יד (yad) = de hand van | סיחון (sikhon) = Sihon | בכם (bakhem) = over jullie | וילכוד (vayilkod) = en veroverde | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארצכם (artsekhem) = jullie land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Voetnoot Lezing: כח (‘kracht’) is gelezen als כי (‘dat’), zoals in de Engelse vertaling. **85:43** En nu, zend toch ook jullie naar Bileam, zijn zoon, want zie, hij is nog in zijn land; en geef hem zijn loon, en hij zal komen en heel het volk vervloeken dat jullie vrezen.” En de oudsten van Moab hoorden deze zaak, en het beviel hun om te zenden naar Bileam, de zoon van Beor. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | שלחו (shalchu) = zendt | נא (na) = toch | גם (gam) = ook | אתם (ittam) = jullie | אל (el) = naar | בלעם (bil'am) = Bileam | בנו (beno) = zijn zoon | כי (ki) = want | הנה (hinneh) = zie | עודנו (odenu) = nog | בארצו (be'artso) = in zijn land | ונתתם (venatatem) = en geeft | לו (lo) = hem | שכרו (skharo) = zijn loon | ויבוא (vayavo) = dan zal hij komen | ויקלל (vayeqallel) = en vervloeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | יראתם (yeratem) = jullie vrezen | מפניהם (mippneihem) = voor hen | וישמעו (vayishme'u) = en hoorden | זקני (ziqnei) = de oudsten van | מואב (mo'av) = Moab | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וייטב (vayyitav) = en het beviel | בעיניהם (be'eneihem) = in hun ogen | לשלוח (lishloach) = om te zenden | אל (el) = naar | בלעם (bil'am) = Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Balak en Bileam **85:44** En Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, zond boodschappers naar Bileam met de woorden: Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | בלק (balaq) = Balak | בן (ben) = zoon van | ציפור (tsippor) = Sippor | מלך (malakh) = koning van | מואב (mo'av) = Moab | מלאכים (mal'akhim) = boodschappers | אל (el) = tot | בלעם (bil'am) = Bileam | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 22:5. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie ook: Num 22:5 **85:45** „Zie, een volk is uit Egypte getrokken; zie, het bedekt heel het land, en het woont tegenover mij. Brontekst: הנה (hinneh) = zie | עם (im) = een volk | יצא (yatsa) = is uitgetrokken | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | הנה (hinneh) = zie | כסה (kissah) = bedekt | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | והוא (vehu) = en het | יושב (yoshev) = woont | ממולי (mimmuli) = tegenover mij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **85:46** En nu, kom toch, vervloek dit volk voor mij, want het is machtiger dan ik; misschien zal ik tegen hen kunnen strijden en hen verdrijven, want ik heb gehoord dat wie jij zegent gezegend is, en wie jij vervloekt vervloekt is.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | לכה (lekhah) = kom | נא (na) = toch | ארה (arah) = vervloek | לי (li) = voor mij | אותו (oto) = dit volk | כי (ki) = want | עצום (atsum) = machtiger | הוא (hu) = is het | ממני (mimmenni) = dan ik | אולי (ulai) = misschien | אוכל (ukhal) = zal ik kunnen | להילחם (lehillachem) = strijden | בו (bo) = tegen hem | וגרשתיו (vegerashtiv) = en ik zal hem verdrijven | כי (ki) = want | שמעתי (shamati) = ik heb gehoord | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = dat wie | תברך (tevarekh) = jij zegent | מבורך (mevorakh) = gezegend | ואשר (va'asher) = en wie | תאור (taor) = jij vervloekt | יואר (yu'ar) = vervloekt Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 22:6. Zie ook: Num 22:6 **85:47** En de boodschappers van Balak gingen naar Bileam, om het volk te vervloeken dat tegen Moab streed. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | מלאכי (mal'akhei) = boodschappers van | בלק (balaq) = Balak | אל (el) = tot | בלעם (bil'am) = Bileam | לקלל (leqalel) = om te vervloeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | העם (ha'am) = het volk | להילחם (lehillachem) = dat strijdt | את (et) = tegen | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft להילחם את מואב (‘om Moab te bestrijden’); gelezen als ‘dat tegen Moab streed’, naar de Engelse vertaling. **85:48** En Bileam kwam bij Balak om Israël te vervloeken, en Yahweh zei tot Bileam: **„Vervloek dit volk niet, want het is gezegend.”** Brontekst: ויבוא (vayavo) = en hij kwam | בלעם (bil'am) = Bileam | אל (el) = bij | בלק (balaq) = Balak | לקלל (leqalel) = om te vervloeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | בלעם (bil'am) = Bileam | לא (lo) = niet | תאור (taor) = vervloek | את (et) = (lijdend voorwerp) | העם (ha'am) = het volk | כי (ki) = want | ברוך (barukh) = gezegend | הוא (hu) = hij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 22:12. Zie ook: Num 22:12 **85:49** En Balak zette Bileam aan om Israël te vervloeken, dag na dag, maar Bileam luisterde niet naar Balak vanwege het woord van Yahweh dat hij tot Bileam had gesproken. Brontekst: ויסת (vayyaset) = zette aan | בלק (balaq) = Balak | בלעם (bil'am) = Bileam | לקלל (leqalel) = om te vervloeken | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | ולא (velo) = en niet | שמע (shema) = luisterde | בלעם (bil'am) = Bileam | אל (el) = naar | בלק (balaq) = Balak | מפני (mippenei) = vanwege | דבר (davar) = het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | אל (el) = tot | בלעם (bil'am) = Bileam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:50** En Balak zag dat Bileam niet naar zijn woord luisterde, en hij stond op en ging naar zijn plaats; en ook Bileam keerde terug naar zijn land en ging vandaar naar Midian. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | בלק (balaq) = Balak | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | שמע (shema) = luisterde | בלעם (bil'am) = Bileam | אל (el) = naar | דברו (dabberu) = zijn woord | ויקם (vayyaqom) = en hij stond op | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | מקומו (meqomo) = zijn plaats | וגם (vegam) = en ook | בלעם (bil'am) = Bileam | שב (shav) = keerde terug | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land | וילך (vayelekh) = en hij ging | משם (misham) = vandaar | מדינה (medinah) = naar Midian Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Voetnoot Lezing: De tekst heeft מדינה (‘naar het gewest’); gelezen als ‘naar Midian’, zoals de Engelse vertaling. ### Sittim **85:51** En de zonen van Israël trokken uit de vlakten van Moab en legerden zich aan de Jordaan, van Bet-Hajesjimot tot Abel-Sittim, aan het einde van de vlakten van Moab. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | נסעו (nase'u) = trokken | מערבות (me'aravot) = uit de vlakten van | מואב (mo'av) = Moab | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | על (al) = aan | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | מבית (mibbayit) = vanaf Bet- | הישימות (hayeshimot) = Hajesjimot | עד (ad) = tot | אבל (evel) = tot Abel- | השיטים (hashittim) = Sittim | בקצה (biqtseh) = aan het einde van | ערבות (aravot) = vlakten van | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 33:48–49. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Num 33:48–49 **85:52** En het gebeurde, toen de zonen van Israël in het dal van Sittim verbleven, dat zij begonnen te hoereren met de dochters van Moab. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשבת (bishvet) = toen verbleven | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בנחל (bannachal) = in het dal van | השיטים (hashittim) = Sittim | ויחל (vayachel) = begonnen zij | לזנות (lizenot) = te hoereren | אל (el) = met | בנות (banot) = dochters | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 25:1. Zie ook: Num 25:1 **85:53** En de zonen van Israël naderden vlak bij Moab, en de zonen van Moab sloegen hun tenten op tegenover het kamp van de zonen van Israël. Brontekst: ויגשו (vayiggeshu) = en naderden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לפני (lifnei) = vlak bij | מואב (mo'av) = Moab | ובני (uvnei) = en de zonen van | מואב (mo'av) = Moab | תקעו (taqe'u) = sloegen op | אהליהם (ohaleihem) = hun tenten | נגד (neged) = tegenover | מחנה (machaneh) = kamp | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. **85:54** En de zonen van Moab vreesden Israël, en de zonen van Moab namen al hun dochters en hun vrouwen, die mooi van gestalte waren en goed van uiterlijk, en kleedden hen in zilver en goud en kostbare kleren. Brontekst: וייראו (vayyir'u) = en zij vreesden | בהי (behe) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | מפני (mippenei) = voor | ישראל (yisra'el) = Israël | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בנותיהם (benoteihem) = hun dochters | וכל (vekhol) = en alle | נשיהם (nesheihem) = hun vrouwen | היפות (hayyafot) = die mooi waren | תואר (to'ar) = van gestalte | וטובות (vetovot) = en goed van | המראה (hammar'eh) = uiterlijk | וילבישו (vayalbishu) = en kleedden | אותם (otam) = hen | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | ובגדים (uvegadim) = en kleren | יקרים (yeqarim) = kostbare Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft בהי מואב (‘de … van Moab’); gelezen als בני (‘de zonen’). **85:55** En de zonen van Moab lieten die vrouwen zitten bij de ingang van hun tenten, opdat de zonen van Israël hen zouden zien en zich naar hen zouden keren en niet tegen Moab zouden strijden. Brontekst: ויושיבו (vayoshivu) = en zij lieten zitten | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנשים (hannashim) = de vrouwen | ההנה (hahennah) = die | פתח (petach) = bij de ingang van | אהליהם (ohaleihem) = hun tenten | למען (lema'an) = opdat | ראות (re'ot) = zouden zien | אותם (otam) = hen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויפנו (vayifnu) = en zich zouden keren | אליהן (aleyhen) = naar hen | ולא (velo) = en niet | ילחמו (yilchamu) = zouden strijden | את (et) = tegen | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:56** En alle zonen van Moab deden dit jegens de zonen van Israël: zij lieten ieder zijn dochter en ieder zijn vrouw zitten bij de ingang van zijn tent. En alle zonen van Israël zagen het handelen van de zonen van Moab, en de zonen van Israël keerden zich naar de dochters van Moab en begeerden hen en gingen naar hen toe. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en deden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | אל (el) = jegens | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויושיבו (vayoshivu) = en zij lieten zitten | איש (ish) = ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | בתו (bito) = zijn dochter | ואיש (ve'ish) = en ieder | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשתו (ishto) = zijn vrouw | פתח (petach) = bij de ingang van | אהלו (oholo) = zijn tent | וכל (vekhol) = en alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ראו (ra'u) = zij zagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשה (ma'aseh) = het handelen van | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | ויפנו (vayifnu) = en zij keerden zich | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = naar | בנות (banot) = dochters | מואב (mo'av) = Moab | ויתאוו (vayit'avvu) = en begeerden | להן (lahen) = hen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | אליהן (aleyhen) = naar hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:57** En het gebeurde, toen een Hebreeër bij de ingang van de tent van Moab kwam en de dochter van Moab zag en haar in zijn hart begeerde en bij de ingang van de tent met haar sprak wat hij wenste, dat, terwijl zij spraken, alle mannen van de tent tot hen kwamen en tot de Hebreeër spraken met woorden als deze: Brontekst: ויהיה (veyihyeh) = en het gebeurde | בבוא (bevo) = toen kwam | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | אל (el) = naar | פתח (petach) = de ingang van | אוהל (ohel) = tent van | מואב (mo'av) = Moab | ויראה (vayar'eh) = en hij zag | את (et) = (lijdend voorwerp) | בת (bat) = dochter van | מואב (mo'av) = Moab | ויחמוד (vayakhmod) = en begeerde | אותה (otah) = haar | בלבו (belibbo) = in zijn hart | וידבר (vayedabber) = en hij sprak | עמה (immah) = met haar | פתח (petach) = bij de ingang van | האוהל (ha'ohel) = de tent | את (et) = — | אשר (asher) = wat | יחפוץ (yachpots) = hij wenste | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בדברם (bedabram) = terwijl zij spraken | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אליהם (aleihem) = tot hen | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = de mannen van | האוהל (ha'ohel) = de tent | וידברו (vayedabberu) = en zij spraken | אל (el) = tot | העברי (ha'ivri) = de Hebreeër | כדברים (kadevarim) = met woorden als | האלה (ha'elleh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:58** „Weten jullie dan niet dat wij broers zijn, wij allen samen de zonen van Lot en de zonen van Abraham, zijn broer? En waarom wonen jullie niet bij ons, en waarom eten jullie ons brood en onze offers niet?” Brontekst: הלא (halo) = immers | ידעתם (yeda'tem) = weten jullie | כי (ki) = dat | אחים (achim) = broers | אנחנו (anachnu) = wij | כולנו (kulanu) = wij allen | יחד (yachad) = samen | בני (bnei) = zonen van | לוט (lot) = Lot | ובני (uvnei) = en de zonen van | אברהם (avraham) = Abraham | אחיו (achiv) = zijn broer | ולמה (velamah) = en waarom | לא (lo) = niet | תשבו (teshevu) = wonen jullie | איתנו (ittanu) = met ons | ולמה (velamah) = en waarom | לא (lo) = niet | תאכלו (tokhelu) = eten jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | לחמינו (lakhmenu) = ons brood | ואת (ve'et) = en | זבחינו (zivkhenu) = onze offers Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:59** En toen de zonen van Moab hem met hun woorden bestormden en hem verleidden met de gladheid van hun woorden, lieten zij hem in de tent zitten en slachtten en offerden voor hem, en hij at van hun offer en van hun brood. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כי (ki) = toen | ירבו (yirbu) = zich opdrongen | עליו (alav) = aan hem | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | בדבריהם (bidvareihem) = met hun woorden | ויסיתו (vayassitu) = en zij verleidden | אותו (oto) = hem | בחלקת (bechelqat) = met de gladheid van | דבריהם (divreihem) = hun woorden | והושיבוהו (vehoshivuhu) = en zij lieten hem zitten | האהלה (ha'ohelah) = de tent in | וטבחו (vetavkhu) = en zij slachtten | לו (lo) = voor hem | וזבחו (vezavkhu) = en zij offerden | לו (lo) = voor hem | ואכל (ve'akhal) = en at | מזבחם (mizzivkham) = van hun offer | ומלחמם (umillakhmam) = en van hun brood Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:60** En zij gaven hem wijn en hij dronk, en zij maakten hem dronken; en zij lieten een mooi meisje voor hem zitten, en hij deed met haar naar zijn wil, want hij wist niet dat hij veel wijn had gedronken. Brontekst: ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | לו (lo) = hem | יין (yayin) = wijn | וישתה (vayishte) = en hij dronk | וישכרוהו (vayashkiruhu) = en zij maakten hem dronken | ויושיבו (vayoshivu) = en lieten zitten | לפניו (lefanav) = voor hem | נערה (na'arah) = een meisje | יפה (yafah) = mooi | ועשה (ve'asah) = en hij deed | בה (bah) = met haar | כרצונו (kirtsono) = naar zijn wens | כי (ki) = want | לא (lo) = niet | ידע (yada) = wist | כי (ki) = dat | שתה (shatah) = had gedronken | יין (yayin) = wijn | הרבה (harbeh) = veel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **85:61** Zo deden de zonen van Moab met Israël op die plaats, in het dal van Sittim; en de toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël vanwege deze zaak, en Hij zond een plaag onder hen, en er stierven van Israël vierentwintigduizend man. Brontekst: ככה (kakhah) = zo | יעשו (ya'asu) = deden | בני (bnei) = zonen van | מואב (mo'av) = Moab | לישראל (leyisra'el) = aan Israël | במקום (bamaqom) = op de plaats | ההוא (hahu) = die | בנחל (bannachal) = in het dal van | השיטים (hashittim) = Sittim | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בישראל (beyisra'el) = tegen Israël | על (al) = vanwege | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | וישלח (vayishlach) = en Hij zond | בהם (bahem) = onder hen | מגפה (maggefah) = plaag | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | מישראל (miyisra'el) = van Israël | ארבעה (arba'ah) = vier | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | אלף (elef) = duizend | איש (ish) = man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 25:1–9. Zie ook: Num 25:1–9 ### Zimri en Pinechas **85:62** Nu was er een man uit de zonen van Simeon, Zimri, zoon van Salu was zijn naam, en hij voegde zich bij de Midianitische Kozbi, de dochter van Zur, de koning van Midian, voor de ogen van alle zonen van Israël. Brontekst: והנה (vehinneh) = nu was er | איש (ish) = een man | אחד (echad) = één | מבני (mibbnei) = uit de zonen van | שמעון (Shim'on) = Simeon | זמרי (zimri) = Zimri | בן (ben) = zoon van | סלוא (salu) = Salu | שמו (shemo) = zijn naam | ויקרב (vayaqrev) = en voegde zich bij | את (et) = — | המדינית (hammidyanit) = de Midianitische | את (et) = (lijdend voorwerp) | כזבי (kozbi) = Kozbi | בת (bat) = dochter van | צור (tsur) = Zur | מלך (malakh) = koning van | מדין (Midyan) = Midian | לעיני (le'einei) = voor de ogen van | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 25:6, 14–15. Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Zie ook: Num 25:6 **85:63** En Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zag deze kwade zaak die Zimri had gedaan, en hij nam een speer en ging achter hen aan en doorstak hen beiden en doodde hen, en de plaag hield op van de zonen van Israël af. Brontekst: וירא (vayyera) = en hij zag | פנחס (pinkhas) = Pinechas | בן (ben) = zoon van | אלעזר (el'azar) = Eleazar | בן (ben) = zoon van | אהרון (aharon) = Aäron | הכהן (hakohen) = de priester | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הרע (hara) = kwade | הזה (hazzeh) = deze | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gedaan | זמרי (zimri) = Zimri | ויקח (vayikkach) = en hij nam | רומח (romach) = een speer | וילך (vayelekh) = en ging | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | וידקור (vayidqor) = en doorstak | את (et) = (lijdend voorwerp) | שניהם (shenehem) = hen beiden | ויהרגם (vayaharegem) = en doodde hen | ותעצר (vate'atser) = en hield op | המגפה (hammaggefah) = de plaag | מעל (me'al) = van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 25:7–8. Zie ook: Num 25:7–8 ## Jasher 86 _De tweede telling en de wraak op Midian_ ### De tweede telling **86:1** In die tijd, na de plaag, zei Yahweh tot Mozes en tot Eleazar, de zoon van Aäron, de priester: Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | אחרי (acharei) = na | המגפה (hammaggefah) = de plaag | ויאמר (vayomer) = en zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | ואל (ve'el) = en tot | אלעזר (el'azar) = Eleazar | בן (ben) = zoon van | אהרון (aharon) = Aäron | הכהן (hakohen) = de priester | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **86:2** **„Neem de som op van heel de gemeenschap van de zonen van Israël, van twintig jaar en ouder, ieder die in het leger uittrekt.”** Brontekst: שאו (se'u) = neemt op | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ראש (rosh) = de som van | עדת (adat) = de gemeenschap van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מבן (mibben) = van | עשרים (esrim) = twintig | שנה (shanah) = jaar | ומעלה (uma'ala) = en ouder | כל (kol) = alle | יוצא (yotse) = die uittrekt | צבא (tsava) = in het leger Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 26:1–4. Zie ook: Num 26:1–4 **86:3** En Mozes en Eleazar telden de zonen van Israël naar hun families, en de getelden van heel Israël waren zevenhonderdduizend zevenhonderddertig. Brontekst: ויפקדו (vayifqedu) = en telden | משה (moshe) = Mozes | ואלעזר (ve'el'azar) = en Eleazar | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | למשפחותיהם (lemishpechotehem) = naar hun families | ויהיו (vayihyu) = en waren | פקודי (peqode) = de getelden van | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | שבע (sheva) = zeven | מאות (me'ot) = honderd | אלף (elef) = duizend | ושבע (veshev'a) = en zeven | מאות (me'ot) = honderd | ושלושים (ushloshim) = en dertig Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: Het getal שבע מאות אלף ושבע מאות ושלושים is 700.730; in Num. 26:51 staan 601.730 getelden. Zie ook: Num 26:51 **86:4** En de getelden van de zonen van Levi, van een maand oud en ouder, waren drieëntwintigduizend; en onder dezen was er niet één man van de getelden van Mozes en Eleazar die zij in de woestijn Sinaï hadden geteld. Brontekst: ופקודי (ufeqode) = en de getelden van | בני (bnei) = zonen van | לוי (Levi) = Levi | מבן (mibben) = van | חודש (chodesh) = maand | ומעלה (uma'ala) = en ouder | שלושה (shelosha) = drie | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | אלף (elef) = duizend | ובאלה (uve'elleh) = en onder dezen | לא (lo) = niet | היה (hayah) = was | איש (ish) = één man | מפקודי (mippeqode) = van de getelden van | משה (moshe) = Mozes | ואלעזר (ve'el'azar) = en Eleazar | אשר (asher) = die | פקדו (paqedu) = zij hadden geteld | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | סיני (Sini) = Sinaï Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï. Voetnoot Lezing: De tekst heeft de getelden van ‘Mozes en Eleazar’ in de woestijn Sinaï; de Engelse vertaling heeft ‘Moses and Aaron’ (zie Num. 26:63–64: Mozes en Aäron telden in de woestijn Sinaï). Zie Num. 26:62. Zie ook: Num 26:62; Num 26:63–64 **86:5** Want Yahweh had tegen hen gezegd dat zij zeker in de woestijn zouden sterven, en zij stierven allen, en er bleef niemand van hen over, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. Brontekst: כי (ki) = want | אמר (amar) = had gezegd | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להם (lahem) = tegen hen | מות (mot) = zeker | ימותו (yamutu) = zouden sterven | במדבר (bammidbar) = in de woestijn | וימותו (vayamutu) = en zij stierven | כולם (kullam) = allen | ולא (velo) = en niet | נותר (notar) = bleef over | מהם (mehem) = van hen | איש (ish) = een man | כי (ki) = behalve | אם (em) = — | כלב (kalev) = Kaleb | בן (ben) = zoon van | יפונה (yefunneh) = Jefunne | ויהושע (vihoshua) = en Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 14:35; 26:65. Zie ook: Num 14:35; Num 26:65 ### De wraak op Midian **86:6** En het gebeurde daarna dat Yahweh tot Mozes zei: **„Zeg tot de zonen van Israël dat zij op Midian de wraak voor hun broers, de zonen van Israël, nemen.”** Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | אמור (amor) = zeg | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לנקום (linqom) = om te wreken | מאת (me'et) = op | מדין (Midyan) = Midian | את (et) = (lijdend voorwerp) | נקמת (niqmat) = de wraak voor | אחיהם (achihem) = hun broers | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 31:1–3. Zie ook: Num 31:1–3 **86:7** En Mozes deed zo, en de zonen van Israël kozen uit hen twaalfduizend man, duizend per stam, en zij gingen naar Midian. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | משה (moshe) = Mozes | ויתבחרו (vayitbakharu) = en kozen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מהם (mehem) = uit hen | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = — | אלף (elef) = duizend | אלף (elef) = duizend | למטה (lemata) = per stam | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | מדינה (medinah) = naar Midian Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 31:4–6. Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Zie ook: Num 31:4–6 **86:8** En de zonen van Israël trokken te velde tegen Midian en doodden elke man, en ook de vijf vorsten van Midian, en Bileam, de zoon van Beor, doodden zij met het zwaard. Brontekst: ויצבאו (vayitsbe'u) = trokken te velde | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | על (al) = tegen | מדין (Midyan) = Midian | ויהרגו (vayaharegu) = en doodden | כל (kol) = alle | זכר (zakhar) = man | וגם (vegam) = en ook | את (et) = (lijdend voorwerp) | חמשת (chamishat) = vijf | נסיכי (nesikhe) = vorsten van | מדין (Midyan) = Midian | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בלעם (bil'am) = Bileam | בן (ben) = zoon van | בעור (Be'or) = Beor | הרגו (haragho) = doodden zij | בחרב (bacherev) = met het zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 31:7–8. Zie ook: Num 31:7–8 **86:9** En de zonen van Israël voerden de vrouwen van Midian gevangen weg, en hun kleine kinderen, en al hun vee en alles wat van hen was. Brontekst: וישבו (vayeshvu) = en voerden gevangen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | נשי (neshei) = de vrouwen van | מדין (Midyan) = Midian | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | טפם (tappam) = hun kleine kinderen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | בהמתם (behemtam) = hun vee | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = wat | להם (lahem) = van hen was Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 31:9. Zie ook: Num 31:9 **86:10** En zij namen de hele buit en alle roof, en brachten het naar Mozes en naar Eleazar, naar de vlakten van Moab. Brontekst: ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | השלל (hashalal) = de buit | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | המלקוח (hamalqo'ach) = de roof | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | אותו (oto) = het | אל (el) = naar | משה (moshe) = Mozes | ואל (ve'el) = en naar | אלעזר (el'azar) = Eleazar | אל (el) = naar | ערבות (aravot) = vlakten van | מואב (mo'av) = Moab Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 31:11–12. Zie ook: Num 31:11–12 **86:11** En Mozes en Eleazar en alle vorsten van de gemeenschap gingen hen met vreugde tegemoet. Brontekst: ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | משה (moshe) = Mozes | ואלעזר (ve'el'azar) = en Eleazar | וכל (vekhol) = en alle | נשיאי (nesi'ei) = vorsten van | העדה (ha'edah) = de gemeenschap | לקראתם (liqratam) = hen tegemoet | בשמחה (besimchah) = met vreugde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 31:13. Zie ook: Num 31:13 **86:12** En zij verdeelden heel de buit van Midian onder Israël; en de zonen van Israël namen van de buit van Midian, en de zonen van Israël wreekten zich op Midian, de wraak voor hun broers, de zonen van Israël. Brontekst: ויחצו (vayakhetsu) = en zij verdeelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | שלל (shalal) = de buit van | מדין (Midyan) = Midian | אל (el) = onder | ישראל (yisra'el) = Israël | ויקחו (vayyiqchu) = en namen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | משלל (mishalal) = van de buit van | מדין (Midyan) = Midian | וינקמו (veyinqemu) = en wreekten | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממדין (mimidyan) = op Midian | נקמת (niqmat) = de wraak voor | אחיהם (achihem) = hun broers | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Num. 31:25–27. Zie ook: Num 31:25–27 ## Jasher 87 _De dood van Mozes_ ### Jozua wordt aangesteld **87:1** In die tijd zei Yahweh tot Mozes: **„Zie, je dagen om te sterven zijn nabij gekomen; neem Jozua, de zoon van Nun, je dienaar, en stel jullie op in de tent van samenkomst, en Ik zal hem opdracht geven.”** En Mozes deed zo. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | אמר (amar) = zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | משה (moshe) = Mozes | הן (hen) = zie | קרבו (qarvu) = zijn nabij gekomen | ימיך (yameykha) = je dagen | למות (lamut) = om te sterven | קח (qach) = neem | לך (lekha) = — | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהושע (yehoshua) = Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun | משרתך (meshartekha) = je dienaar | והתייצבו (vehityatsvu) = en stelt jullie op | באוהל (be'ohel) = in de tent van | מועד (mo'ed) = samenkomst | ואצונו (va'atsavvennu) = en Ik zal hem opdracht geven | ויעש (vayya'as) = en hij deed | משה (moshe) = Mozes | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 31:14. Zie ook: Deut 31:14 **87:2** En Yahweh verscheen in de tent in een wolkkolom, en de wolkkolom bleef staan bij de ingang van de tent. Brontekst: וירא (vayyera) = en verscheen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | באוהל (be'ohel) = in de tent | בעמוד (be'ammud) = in een kolom van | ענן (anan) = wolk | ויעמוד (vaya'amod) = en bleef staan | עמוד (ammud) = kolom van | הענן (he'anan) = de wolk | על (al) = bij | פתח (petach) = de ingang van | האוהל (ha'ohel) = de tent Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 31:15. Zie ook: Deut 31:15 **87:3** En Yahweh gebood Jozua, de zoon van Nun, en zei tot hem: **„Wees sterk en moedig, want jij zult de zonen van Israël brengen in het land dat Ik hun gezworen heb, en Ik zal met je zijn.”** Brontekst: ויצו (vayetsav) = en gebood | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהושע (yehoshua) = Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לו (lo) = tot hem | חזק (chazaq) = wees sterk | ואמץ (ve'ematz) = en wees moedig | כי (ki) = want | אתה (attah) = jij | תביא (tavi) = zult brengen | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = in | הארץ (ha'arets) = het land | אשר (asher) = die | נשבעתי (nishba'ti) = Ik gezworen heb | להם (lahem) = hun | ואנוכי (ve'anokhi) = en Ik | אהיה (ehyeh) = zal Ik zijn | עמך (immekha) = met je Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 31:23. Zie ook: Deut 31:23 **87:4** En Mozes zei tot Jozua: „Wees sterk en moedig, want jij zult de zonen van Israël het land laten erven, en Yahweh zal met je zijn; Hij zal je niet loslaten en je niet verlaten; wees niet bang en wees niet ontmoedigd.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | חזק (chazaq) = wees sterk | ואמץ (ve'ematz) = en wees moedig | כי (ki) = want | אתה (attah) = jij | תנחיל (tanchil) = zult laten erven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | אל (el) = aan | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | יהיה (yihyeh) = zal zijn | עמך (immekha) = met je | לא (lo) = niet | ירפך (yirpekha) = zal je loslaten | ולא (velo) = en niet | יעזבך (ya'azvekha) = zal je verlaten | אל (el) = niet | תירא (tira) = wees bang | ואל (ve'el) = en niet | תחת (tachat) = wees ontmoedigd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 31:6–8. Zie ook: Deut 31:6–8 ### Mozes' afscheid **87:5** En Mozes riep heel Israël en zei tot hen: „Jullie hebben al het goede gezien dat Yahweh, jullie Elohim, voor jullie heeft gedaan in de woestijn. Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | ויאמר (vayomer) = en hij zei | להם (lahem) = hun | אתם (ittam) = jullie | ראיתם (re'item) = jullie hebben gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הטובה (hattovah) = het goede | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | לכם (lakhem) = voor jullie | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיכם (elohekhem) = jullie Elohim | במדבר (bammidbar) = in de woestijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 29:1–8. Zie ook: Deut 28:69–29:7 **87:6** En nu, onderhoud alle woorden van deze wet en wandel op de weg van Yahweh, jullie Elohim; wijk niet af van heel de weg die Yahweh jullie heeft geboden, naar rechts of naar links.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | שמרו (shamru) = onderhoudt | לכם (lakhem) = — | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | התורה (hatorah) = de wet | הזאת (hazzo't) = deze | ולכו (ulkhu) = en wandelt | בדרך (baderekh) = op de weg van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקיכם (elohekhem) = jullie Elohim | אל (el) = niet | תסורו (tasuru) = wijkt af | מכל (mikkol) = van heel | הדרך (haderekh) = de weg | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = heeft geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אתכם (etkhem) = jullie | ימין (yamin) = rechts | ושמאל (usmol) = en links Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 5:32–33. Zie ook: Deut 5:32–33 **87:7** En Mozes onderwees de zonen van Israël in verordeningen en rechtsregels en wetten, om te doen in het land, zoals Yahweh hem had geboden. Brontekst: וילמד (vayelammed) = en hij leerde | משה (moshe) = Mozes | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | חוקים (chuqqim) = verordeningen | ומשפטים (umishpatim) = en rechtsregels | ותורות (vetorot) = en wetten | לעשות (la'asot) = om te doen | בארץ (ba'arets) = in het land | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = hem had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **87:8** En hij onderwees hen in de weg van Yahweh en in Zijn wetten; zie, zij zijn geschreven in het boek van de wet van Elohim, dat hij aan de zonen van Israël gaf door de hand van Mozes. Brontekst: וילמדם (vayelammedem) = en onderwees hen | את (et) = (lijdend voorwerp) | דרך (derekh) = de weg van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | תורותיו (torotav) = Zijn wetten | הלא (halo) = zie | הם (hem) = zij | כתובים (ketuvim) = opgeschreven | על (al) = in | ספר (sefer) = boek | תורת (torat) = de wet van | האלוקים (ha'Elohim) = Elohim | אשר (asher) = die | נתן (natan) = gaf | אל (el) = aan | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ביד (beyad) = door de hand van | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De dood van Mozes **87:9** En Mozes hield op de zonen van Israël te gebieden, en Yahweh zei tot hem: **„Ga op naar de berg Abarim en sterf daar en word verzameld tot je volk, zoals Aäron, je broer, verzameld werd.”** Brontekst: ויכל (vayekhal) = en had geëindigd | משה (moshe) = Mozes | לצוות (letsavvot) = te gebieden | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אליו (elav) = tegen hem | לאמור (lemor) = zeggende | עלה (alah) = ga op | אל (el) = naar | ער (Er) = de berg | העברים (ha'ivrim) = Abarim | ומות (umot) = en sterf | שם (shem) = daar | והאסף (veha'asef) = en word verzameld | אל (el) = tot | עמך (immekha) = je volk | כאשר (ka'asher) = zoals | נאסף (ne'esaf) = verzameld werd | אהרון (aharon) = Aäron | אחיך (achikha) = je broer Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft ער העברים (‘Er-Haäbarim’); gelezen als הר העברים (‘de berg Abarim’), zoals in Num. 27:12 en de Engelse vertaling. Zie Num. 27:12–13; Deut. 32:48–50. Zie ook: Num 27:12; Deut 32:48–50 **87:10** En Mozes ging op, zoals Yahweh hem had geboden, en hij stierf daar in het land Moab, op bevel van Yahweh, in het veertigste jaar na de uittocht van de zonen van Israël uit het land Egypte. Brontekst: ויעל (vayya'al) = en ging op | משה (moshe) = Mozes | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוהו (tsivvahu) = hij hem had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וימת (vayamot) = en hij stierf | שם (shem) = daar | בארץ (ba'arets) = in het land | מואב (mo'av) = Moab | על (al) = op | פי (pi) = bevel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בשנת (bishnat) = in het jaar | הארבעים (ha'arba'im) = veertigste | לצאת (latset) = na de uittocht van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מארץ (me'erets) = uit het land | מצרים (Mitsrayim) = Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 34:5. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Deut 34:5 **87:11** En de zonen van Israël weenden om Mozes in de vlakten van Moab dertig dagen, en de dagen van het wenen en de rouw om Mozes werden voleindigd. Brontekst: ויבכו (vayivku) = weenden om | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = — | משה (moshe) = Mozes | בערבות (ba'aravot) = in de vlakten van | מואב (mo'av) = Moab | שלושים (sheloshim) = dertig | יום (yom) = dagen | ויתמו (vayittammu) = werden voleindigd | ימי (yemei) = dagen van | בכי (bekhi) = wenen | אבל (evel) = rouw om | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Deut. 34:8. Zie ook: Deut 34:8 ## Jasher 88 _Jozua: Jericho, Ai en Gibeon_ ### Jozua en de Jordaan **88:1** En het gebeurde na de dood van Mozes dat Yahweh tot Jozua, de zoon van Nun, zei: Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | משה (moshe) = Mozes | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 1:1–9. Zie ook: Joz 1:1–9 **88:2** **„Sta op, trek over de Jordaan naar het land dat Ik de zonen van Israël gegeven heb, en laat de zonen van Israël het land erven.** Brontekst: קום (qum) = sta op | עבור (avor) = trek over | את (et) = (lijdend voorwerp) | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | אל (el) = naar | הארץ (ha'arets) = het land | אשר (asher) = die | נתתי (natati) = heb Ik gegeven | לבני (livnei) = aan de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | והנחלת (vehinkhalta) = en laat erven | לבני (livnei) = de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. **88:3** **Elke plaats waarop de zool van jullie voeten treedt, zal van jullie zijn; vanaf de woestijn en deze Libanon tot de grote rivier, de rivier de Eufraat, zal jullie grens zijn.** Brontekst: כל (kol) = elke | מקום (maqom) = plaats | אשר (asher) = die | תדרך (tidrokh) = treedt | כף (kaf) = de zool van | רגליכם (raglekhem) = jullie voeten | בו (bo) = waarop | לכם (lakhem) = van jullie | יהיה (yihyeh) = zal zijn | מהמדבר (mehammidbar) = vanaf de woestijn | והלבנון (vehallevanon) = en de Libanon | הזה (hazzeh) = deze | עד (ad) = tot | הנהר (hannahar) = de rivier | הגדול (haggadol) = de grote | נהר (nehar) = de rivier | פרת (perat) = de Eufraat | יהיה (yihyeh) = zal zijn | גבולכם (gevulkhem) = jullie grens Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. **88:4** **Niemand zal voor je standhouden al de dagen van je leven; zoals Ik met Mozes was, zal Ik met je zijn. Wees alleen sterk en moedig om de wet te onderhouden die Mozes je heeft geboden; wijk er niet van af, naar rechts of naar links, opdat je voorspoedig zult zijn in alles waarheen je gaat.”** Brontekst: לא (lo) = niet | יתייצב (yityatsev) = zal standhouden | איש (ish) = een man | לפניך (lefanekha) = voor je | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | חייך (chayyekha) = je leven | כאשר (ka'asher) = zoals | הייתי (hayiti) = Ik was | עם (im) = met | משה (moshe) = Mozes | אהיה (ehyeh) = zal Ik zijn | עמך (immekha) = met je | רק (raq) = alleen | חזק (chazaq) = wees sterk | ואמץ (ve'ematz) = en wees moedig | לשמור (lishmor) = om te onderhouden | את (et) = (lijdend voorwerp) | התורה (hatorah) = de wet | אשר (asher) = die | ציוך (tsivvekha) = heeft je geboden | משה (moshe) = Mozes | אל (el) = niet | תסור (tasur) = wijk af | מן (min) = van | הדרך (haderekh) = de weg | ימין (yamin) = rechts | ושמאל (usmol) = en links | למען (lema'an) = opdat | תשכיל (taskil) = je voorspoedig zult zijn | בכל (bekhol) = in heel | אשר (asher) = die | תלך (telekh) = je gaat Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:5** En Jozua gebood de opzichters van Israël: „Trek door het kamp en gebied het volk: ‘Maak reisproviand voor jullie klaar, want over drie dagen steken jullie de Jordaan over om het land in bezit te nemen.’” Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | שוטרי (shotrei) = de opzichters van | ישראל (yisra'el) = Israël | לאמור (lemor) = zeggende | עברו (avru) = trekt door | במחנה (bamachaneh) = door het kamp | וצוו (vetsavu) = en gebiedt | את (et) = (lijdend voorwerp) | העם (ha'am) = het volk | לאמור (lemor) = zeggende | הכינו (hakhinu) = maakt klaar | לכם (lakhem) = voor jullie | צדה (tsedah) = reisproviand | כי (ki) = want | בעוד (be'od) = over | שלושת (sheloshet) = drie | ימים (yamim) = dagen | אתם (ittam) = jullie | עוברים (ovrim) = oversteken | את (et) = (lijdend voorwerp) | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | לרשת (laresheth) = om in bezit te nemen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 1:10–11. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Joz 1:10–11 **88:6** En de opzichters van de zonen van Israël deden zo, en zij geboden het volk, en zij deden naar alles wat Jozua had geboden. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo | שוטרי (shotrei) = de opzichters van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויצוו (vayetsavvu) = en geboden | את (et) = (lijdend voorwerp) | העם (ha'am) = het volk | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | ככל (kekhol) = volgens alles | אשר (asher) = die | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהושע (yehoshua) = Jozua Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:7** En Jozua zond twee mannen om Jericho te verspieden; en zij gingen, en de mannen verspiedden Jericho. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהושע (yehoshua) = Jozua | שניים (shenayim) = twee | אנשים (anashim) = mannen | לרגל (leraggel) = om te verspieden | את (et) = (lijdend voorwerp) | יריחו (yerikho) = Jericho | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | וירגלו (vayeraggelu) = en zij verspiedden | האנשים (ha'anashim) = de mannen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יריחו (yerikho) = Jericho Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 2:1. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 2:1 **88:8** En na verloop van zeven dagen kwamen zij bij Jozua in het kamp, en zij zeiden tot hem: „Yahweh heeft heel het land in onze hand gegeven, en alle bewoners ervan zijn versaagd voor ons.” Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | מקץ (miqqets) = na verloop van | שבעת (sheva) = zeven | ימים (yamim) = dagen | אל (el) = bij | יהושע (yehoshua) = Jozua | המחנה (hammachaneh) = in het kamp | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = tot hem | כי (ki) = want | נתן (natan) = heeft gegeven | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בידינו (beyadenu) = in onze hand | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | וכי (vekhi) = en dat | נמוגו (namogu) = zijn versaagd | כל (kol) = alle | יושביה (yoshveha) = haar bewoners | מפנינו (mippenenu) = voor ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 2:23–24. Zie ook: Joz 2:23–24 **88:9** En na dit alles stond Jozua in de ochtend vroeg op, en heel Israël met hem, en zij trokken uit Sittim, en Jozua trok over de Jordaan, en heel Israël met hem. En Jozua was tweeëntachtig jaar oud toen hij met Israël over de Jordaan trok. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | וישכם (vayashkem) = en stond vroeg op | יהושע (yehoshua) = Jozua | בבוקר (baboqer) = in de ochtend | וכל (vekhol) = en alle | ישראל (yisra'el) = Israël | עמו (immo) = met hem | ויסעו (vayis'u) = en zij trokken | מהשיטים (mehashittim) = uit Sittim | ויעבור (vaya'avor) = en trok over | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | וכל (vekhol) = en alle | ישראל (yisra'el) = Israël | עמו (immo) = met hem | ויהושע (vihoshua) = en Jozua | בן (ben) = zoon van | שמונים (shemonim) = tachtig | ושתיים (ushtayim) = en twee | שנה (shanah) = jaar | בעברו (be'ovro) = toen hij overtrok | עם (im) = met | ישראל (yisra'el) = Israël | בירדן (bayarden) = door de Jordaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 3. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. **88:10** En het volk kwam op uit de Jordaan op de tiende van de eerste maand, en zij legerden zich in Gilgal, aan de oostrand van Jericho. Brontekst: ויעל (vayya'al) = en ging op | העם (ha'am) = het volk | מהירדן (mehayarden) = uit de Jordaan | בעשור (ba'asor) = op de tiende | לחודש (lachodesh) = van de maand | הראשון (harishon) = de eerste | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | בגלגל (bagilgal) = in Gilgal | בקצה (biqtseh) = aan de rand van | מזרח (mizrach) = het oosten van | יריחו (yerikho) = Jericho Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 4:19. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 4:19 **88:11** En de zonen van Israël hielden het pesach in Gilgal, in de vlakten van Jericho, op de veertiende van de maand, zoals geschreven staat in de wet van Mozes. Brontekst: ויעשו (vaya'asu) = en hielden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | הפסח (happesakh) = het pesach | בגלגל (bagilgal) = in Gilgal | בערבות (ba'aravot) = in de vlakten van | יריחו (yerikho) = Jericho | בארבע (be'arba) = op de veertiende | עשר (esar) = — | לחודש (lachodesh) = van de maand | ככתוב (kakathuv) = zoals geschreven staat | בתורת (betorat) = in de wet van | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 5:10. Zie ook: Joz 5:10 **88:12** En het manna hield op in die tijd, op de dag na het pesach, en de kinderen van Israël hadden geen manna meer; en zij aten van de opbrengst van het land Kanaän. Brontekst: וישבות (vayishbot) = en hield op | המן (haman) = het manna | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | ממחרת (mimmochorat) = de dag na | הפסח (happesakh) = het pesach | ולא (velo) = en niet | היה (hayah) = was | עוד (od) = meer | לבני (livnei) = voor de kinderen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מן (min) = manna | ויאכלו (vayokhlu) = en zij aten | מתבואת (mitevu'at) = van de opbrengst van | ארץ (erets) = land van | כנען (Kena'an) = Kanaän Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 5:12. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Joz 5:12 **88:13** En Jericho was gesloten en vergrendeld vanwege de zonen van Israël; niemand ging uit en niemand kwam binnen. Brontekst: ויריחו (viyrikho) = en Jericho | סוגרת (sogeret) = gesloten | ומסוגרת (umesugeret) = en vergrendeld | מפני (mippenei) = vanwege | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אין (ein) = er was niet | יוצא (yotse) = die uitging | ואין (veein) = en niet | בא (ba) = die binnenkwam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 6:1. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 6:1 ### De val van Jericho **88:14** En het gebeurde in de tweede maand, op de eerste van de maand, dat Yahweh tot Jozua zei: **„Sta op; zie, Ik heb Jericho en haar koning en heel haar volk in je hand gegeven. En jullie, alle krijgsmannen, zullen de stad omtrekken, dag na dag, één keer; zo zul je doen zes dagen.** Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בחודש (bachodesh) = in de maand | השני (hasheni) = de tweede | באחד (be'achad) = op de eerste | לחודש (lachodesh) = van de maand | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | קום (qum) = sta op | הנה (hinneh) = zie | נתתי (natati) = heb Ik gegeven | בידך (beyadekha) = in je hand | את (et) = (lijdend voorwerp) | יריחו (yerikho) = Jericho | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מלכה (Malkah) = haar koning | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עמה (immah) = haar volk | וסבותם (vesabbotem) = en jullie zullen omtrekken | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de stad | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = de mannen van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | יום (yom) = dag | יום (yom) = na dag | פעם (pa'am) = keer | אחת (achat) = één | כה (koh) = zo | תעשה (ta'aseh) = zul je doen | ששת (shesheth) = zes | ימים (yamim) = dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 6:2–5. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 6:2–5 **88:15** **De priesters zullen op ramshoorns blazen, en wanneer zij het geluid van de ramshoorn horen, zal heel het volk een groot gejuich aanheffen; dan zal de muur van de stad op haar plaats vallen, en heel het volk zal optrekken, ieder recht voor zich uit.”** Brontekst: והכוהנים (vehakohanim) = en de priesters | יתקעו (yitke'u) = zullen blazen | בשופרות (veshofarot) = op ramshoorns | והיה (vehayah) = en het zal zijn | כשמעם (kishmam) = wanneer zij horen | את (et) = (lijdend voorwerp) | קול (qol) = geluid van | השופר (hashofar) = de ramshoorn | יריעו (yari'u) = zal aanheffen | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | תרועה (teru'ah) = een gejuich | גדולה (gedolah) = grote | ונפלה (venafelah) = dan zal vallen | חומת (chomat) = de muur van | העיר (ha'ir) = de stad | תחתיה (tachteyha) = op haar plaats | ועלו (ve'alu) = en zullen optrekken | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | איש (ish) = een man | נגדו (negdo) = recht voor zich uit Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:16** En Jozua deed zo, naar alles wat Yahweh hem had geboden. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | יהושע (yehoshua) = Jozua | כן (ken) = zo | ככל (kekhol) = volgens alles | אשר (asher) = die | ציוהו (tsivvahu) = had hem geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:17** En het gebeurde op de zevende dag dat zij de stad zeven maal omtrokken, en de priesters bliezen op de ramshoorns. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | ביום (beyom) = op de dag | השביעי (hashevi'i) = de zevende | ויסובו (vayasovu) = en trokken om | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de stad | שבע (sheva) = zeven | פעמים (pe'amim) = maal | והכוהנים (vehakohanim) = en de priesters | תקעו (taqe'u) = bliezen | בשופרות (veshofarot) = op ramshoorns Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:18** En het gebeurde bij de zevende keer dat Jozua tot het volk zei: „Juich, want Yahweh heeft de hele stad in onze hand gegeven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשביעית (bashvi'it) = bij de zevende | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהושע (yehoshua) = Jozua | אל (el) = tot | העם (ha'am) = het volk | הריעו (hari'u) = juich | כי (ki) = want | נתן (natan) = heeft gegeven | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בידינו (beyadenu) = in onze hand | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:19** Alleen, de stad en alles wat erin is zal ban zijn voor Yahweh; en jullie, wees op jullie hoede voor de ban, opdat jullie het kamp van Israël niet tot ban maken en het in het ongeluk brengen. Brontekst: אך (akh) = alleen | חרם (kherem) = ban | ליהוה (laYahweh) = aan Yahweh | תהיה (tihyeh) = zal zijn | העיר (ha'ir) = de stad | היא (hi) = zij | וכל (vekhol) = en alle | אשר (asher) = die | בה (bah) = erin | ואתם (ve'atem) = en jullie | תשמרו (tishmeru) = wees op jullie hoede | מן (min) = voor | החרם (hakherem) = de ban | פן (pen) = opdat niet | תשימו (tasimu) = jullie maken | את (et) = (lijdend voorwerp) | מחנה (machaneh) = kamp | ישראל (yisra'el) = Israël | לחרם (lekherem) = tot ban | ועכרתם (ve'akhartem) = en in het ongeluk brengen | אותו (oto) = het Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:20** En al het zilver en goud en koper en ijzer is heilig voor Yahweh; in de schatkamer van Yahweh zal het komen.” Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | כסף (kesef) = zilver | וזהב (vezahav) = en goud | ונחושת (unechoshet) = en koper | וברזל (uvarzel) = en ijzer | קודש (qodesh) = heilig | ליהוה (laYahweh) = aan Yahweh | הוא (hu) = is het | אוצר (otsar) = de schatkamer van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | יבוא (yavo) = zal komen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:21** En het volk blies op de ramshoorns en hief een groot gejuich aan, en de muren van Jericho vielen, en heel het volk trok op, ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in. En zij sloegen alles wat erin was met de ban, van man tot vrouw, van jongen tot grijsaard, rund en schaap en ezel, met de scherpte van het zwaard. Brontekst: ויתקעו (vayitqe'u) = en bliezen | העם (ha'am) = het volk | בשופרות (veshofarot) = op ramshoorns | ויריעו (vayari'u) = en hieven aan | תרועה (teru'ah) = een gejuich | גדולה (gedolah) = grote | ויפלו (vayippelu) = en vielen | חומות (chomot) = de muren van | יריחו (yerikho) = Jericho | ויעל (vayya'al) = en ging op | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | איש (ish) = een man | נגדו (negdo) = recht voor zich uit | וילכדו (vayilkedu) = en namen in | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de stad | ויחרימו (vayakharimu) = en sloegen met de ban | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | בה (bah) = erin | מאיש (me'ish) = van man | עד (ad) = tot | אישה (ishah) = vrouw | מנער (minna'ar) = van jongen | ועד (ve'ad) = en tot | זקן (zaqen) = grijsaard | שור (shor) = rund | ושה (vasseh) = en schaap | וחמור (vachamor) = en ezel | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 6:20–21. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 6:20–21 **88:22** En de hele stad verbrandden zij in vuur; alleen alle voorwerpen van zilver en goud en koper en ijzer gaven zij aan de schatkamer van Yahweh. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | העיר (ha'ir) = de stad | שרפו (saraphu) = verbrandden zij | באש (ba'esh) = in vuur | רק (raq) = alleen | כל (kol) = alle | כלי (keli) = de voorwerpen van | הכסף (hakkesef) = het zilver | והזהב (vehazzahav) = en het goud | והנחושת (vehannekhoshet) = en het koper | והברזל (vehabarzel) = en het ijzer | נתנו (netano) = gaven zij aan | אוצר (otsar) = de schatkamer van | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:23** En Jozua zwoer in die tijd: „Vervloekt is de man die Jericho bouwt: met zijn eerstgeborene zal hij haar fundament leggen, en met zijn jongste zal hij haar deuren plaatsen.” Brontekst: וישבע (vayishava) = en zwoer | יהושע (yehoshua) = Jozua | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | לאמור (lemor) = zeggende | ארור (arur) = vervloekt is | האיש (ha'ish) = de man | אשר (asher) = die | יבנה (yivneh) = bouwt | את (et) = (lijdend voorwerp) | יריחו (yerikho) = Jericho | בבכורו (bivkhoro) = met zijn eerstgeborene | ייסדנה (yeyassedennah) = zal hij haar fundament leggen | ובצעירו (uvtsa'iro) = en met zijn jongste | יציב (yatsiv) = zal hij plaatsen | דלתיה (daltehah) = haar deuren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 6:26. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 6:26 ### Achan en Ai **88:24** Maar Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, de zoon van Juda, pleegde trouwbreuk met de ban: hij nam uit de ban en verborg het in zijn tent. En de toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël. Brontekst: ועכן (ve'akhan) = en Achan | בן (ben) = zoon van | כרמי (karmi) = Karmi | בן (ben) = zoon van | זבדי (zavdi) = Zabdi | בן (ben) = zoon van | זרח (zerach) = Zerach | בן (ben) = zoon van | יהודה (Yehudah) = Juda | מעל (me'al) = pleegde trouwbreuk | בחרם (bakherem) = met de ban | ויקח (vayikkach) = en hij nam | מן (min) = uit | החרם (hakherem) = de ban | ויחביאו (vayakhbi'u) = en verborg het | באהלו (be'oholo) = in zijn tent | ויחר (vayyichar) = en ontbrandde | אף (af) = de toorn van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בישראל (beyisra'el) = tegen Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 7. **88:25** En het gebeurde daarna, toen de zonen van Israël terugkeerden van het verbranden van Jericho, dat Jozua mannen zond om Ai te verspieden, om tegen haar te strijden. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | בשוב (beshuv) = bij het terugkeren | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | משרוף (misrof) = van het verbranden van | את (et) = (lijdend voorwerp) | יריחו (yerikho) = Jericho | וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהושע (yehoshua) = Jozua | אנשים (anashim) = mannen | לרגל (leraggel) = om te verspieden | את (et) = (lijdend voorwerp) | העי (ha'ay) = Ai | להילחם (lehillachem) = om te strijden | בה (bah) = tegen haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. **88:26** En de mannen trokken op en verspiedden Ai, en zij keerden terug en zeiden tot Jozua: „Laat niet heel het volk met je optrekken naar Ai; alleen ongeveer drieduizend man moeten optrekken en Ai slaan, want zij zijn weinig mannen.” Brontekst: ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | האנשים (ha'anashim) = de mannen | וירגלו (vayeraggelu) = en zij verspiedden | את (et) = (lijdend voorwerp) | העי (ha'ay) = Ai | וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | אל (el) = niet | יעל (ya'al) = optrekken | עמך (immekha) = met je | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | אל (el) = naar | העי (ha'ay) = Ai | רק (raq) = alleen | כשלושת (keshloshet) = ongeveer drie | אלפי (alfei) = duizend | איש (ish) = een man | יעלו (ya'alu) = moeten optrekken | ויכו (vayakku) = en slaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | העי (ha'ay) = Ai | כי (ki) = want | מעט (me'at) = weinig | אנשים (anashim) = mannen | המה (hemmah) = zij zijn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:27** En Jozua deed zo, en ongeveer drieduizend man van de zonen van Israël trokken met hem op, en zij streden tegen de mannen van Ai. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | כן (ken) = zo | יהושע (yehoshua) = Jozua | ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | עמו (immo) = met hem | מבני (mibbnei) = van de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | שלושת (sheloshet) = ongeveer drie | אלפי (alfei) = duizend | איש (ish) = een man | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | עם (im) = tegen | אנשי (anshei) = mannen van | העי (ha'ay) = Ai Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:28** Maar de strijd werd zwaar voor Israël, en de mannen van Ai sloegen zesendertig man van Israël, en de zonen van Israël vluchtten voor de mannen van Ai. Brontekst: ותכבד (vetikhbad) = en werd zwaar | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | על (al) = voor | ישראל (yisra'el) = Israël | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | אנשי (anshei) = mannen van | העי (ha'ay) = Ai | מישראל (miyisra'el) = van Israël | שלושים (sheloshim) = dertig | ושישה (veshishah) = en zes | איש (ish) = een man | וינוסו (vayanusu) = en zij vluchtten | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לפני (lifnei) = voor | אנשי (anshei) = mannen van | העי (ha'ay) = Ai Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:29** En Jozua zag deze zaak, en hij scheurde zijn kleren, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde voor Yahweh, hij en de oudsten van Israël, en zij strooiden stof op hun hoofd. Brontekst: וירא (vayyera) = en zag | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויקרע (vayiqra) = en hij scheurde | שמלותיו (simlotav) = zijn kleren | ויפול (vayippol) = en hij viel | על (al) = op | פניו (panav) = zijn aangezicht | ארצה (artsah) = ter aarde | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הוא (hu) = hij | וזקני (vezeqenei) = en de oudsten van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויעלו (vaya'alu) = en brachten omhoog | עפר (afar) = stof | על (al) = op | ראשם (rosham) = hun hoofd Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 7:6. Zie ook: Joz 7:6 **88:30** En Jozua zei tot Yahweh: „Ach, Yahweh, waarom hebt U dit volk over de Jordaan laten gaan? Wat zal ik zeggen nu Israël zijn vijanden de rug heeft toegekeerd? Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהושע (yehoshua) = Jozua | אל (el) = tot | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אהה (ahah) = ach | יהוה (Yahweh) = Yahweh | למה (lammah) = waarom | העברת (he'evarta) = hebt U laten overgaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | העם (ha'am) = het volk | הזה (hazzeh) = deze | את (et) = (lijdend voorwerp) | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | מה (mah) = wat | אומר (omer) = zal ik zeggen | אחרי (acharei) = nu | אשר (asher) = — | הפך (hafakh) = heeft gekeerd | ישראל (yisra'el) = Israël | עורף (oref) = de rug | לפני (lifnei) = voor | אויביו (oyevav) = zijn vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. **88:31** Nu zullen alle Kanaänieten, de bewoners van het land, deze zaak horen, en zij zullen ons omsingelen en onze naam uitroeien.” Brontekst: עתה (attah) = nu | ישמעו (yishme'u) = zullen horen | כל (kol) = alle | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | יושבי (yoshvei) = bewoners van | הארץ (ha'arets) = het land | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ונסבו (venasevvu) = en zullen omsingelen | עלינו (aleinu) = ons | והכריתו (vehikhritu) = en zullen uitroeien | את (et) = (lijdend voorwerp) | שמנו (samnu) = onze naam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:32** En Yahweh zei tot Jozua: **„Waarom val jij op je gezicht? Sta op, ga! Want Israël heeft gezondigd, en zij hebben van de ban genomen. Ik zal niet meer met hen zijn, tenzij zij de ban uit hun midden verdelgen.”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | למה (lammah) = waarom | אתה (attah) = jij | נופל (nofel) = val | על (al) = op | פניך (panekha) = je gezicht | קום (qum) = sta op | לך (lekha) = ga | כי (ki) = want | חטא (chata) = heeft gezondigd | ישראל (yisra'el) = Israël | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | מן (min) = uit | החרם (hakherem) = de ban | לא (lo) = niet | אוסיף (osif) = meer | להיות (lihyot) = zijn | עמהם (immahem) = met hen | אם (em) = tenzij | לא (lo) = — | ישמידו (yashmidu) = verdelgen | את (et) = (lijdend voorwerp) | החרם (hakherem) = de ban | מקרבם (miqqirbam) = uit hun midden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 7:10–12. Zie ook: Joz 7:10–12 **88:33** En Jozua stond op en verzamelde het volk, en hij bracht de Urim naar voren, naar het woord van Yahweh; en de stam Juda werd getroffen, en Achan, de zoon van Karmi, werd getroffen. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en stond op | יהושע (yehoshua) = Jozua | ויאסוף (vayesof) = en hij verzamelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | העם (ha'am) = het volk | ויקרב (vayaqrev) = en bracht naar voren | את (et) = (lijdend voorwerp) | האורים (ha'urim) = de Urim | כדבר (kidvar) = naar het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וילכד (vayilakhed) = en werd getroffen | שבט (shevet) = de stam | יהודה (Yehudah) = Juda | וילכד (vayilakhed) = en werd getroffen | עכן (akhan) = Achan | בן (ben) = zoon van | כרמי (karmi) = Karmi Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:34** En Jozua zei tot Achan: „Vertel het mij toch, mijn zoon: wat heb je gedaan?” En Achan zei: „Ik zag in de buit een mooie mantel uit Sinear en tweehonderd sikkel zilver en een staaf goud, vijftig sikkel zwaar; en ik begeerde ze en nam ze, en zie, ze zijn verborgen in de aarde, midden in de tent.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהושע (yehoshua) = Jozua | אל (el) = tot | עכן (akhan) = Achan | הגד (hagged) = vertel | נא (na) = toch | לי (li) = mij | בני (bnei) = mijn zoon | מה (mah) = wat | עשית (asita) = heb je gedaan | ויאמר (vayomer) = en hij zei | עכן (akhan) = Achan | ראיתי (ra'iti) = ik heb gezien | בשלל (bashalal) = in de buit | אדרת (addeet) = een mantel | שנער (Shin'ar) = uit Sinear | טובה (tovah) = mooie | ומאתיים (umatayim) = en tweehonderd | שקלים (sheqalim) = sikkel | כסף (kesef) = zilver | ולשון (veleshon) = en een staaf | זהב (zahav) = goud | חמישים (chamishim) = vijftig | שקלים (sheqalim) = sikkel | משקלו (mishqalo) = zijn gewicht | ואחמדם (ve'ekhmedem) = en ik begeerde ze | ואקחם (ve'eqakhem) = en nam ze | והנה (vehinneh) = en zie | בתוך (betokh) = midden in | האוהל (ha'ohel) = de tent | טמונים (temunim) = verborgen | בארץ (ba'arets) = in de aarde Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 7:20–21. Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. Zie ook: Joz 7:20–21 **88:35** En Jozua zond mannen, en zij gingen en namen ze uit de tent van Achan en brachten ze tot Jozua. Brontekst: וישלח (vayishlach) = en hij zond | יהושע (yehoshua) = Jozua | אנשים (anashim) = mannen | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | ויקחום (vayiqachum) = en namen ze | מאוהל (me'ohel) = uit de tent van | עכן (akhan) = Achan | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | אותם (otam) = ze | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:36** En Jozua nam Achan en deze voorwerpen en zijn zonen en zijn dochters en alles wat van hem was, en hij bracht hen omhoog naar het dal van Achor. Brontekst: ויקח (vayikkach) = en hij nam | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | עכן (akhan) = Achan | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הכלים (hakkelim) = de voorwerpen | האלה (ha'elleh) = deze | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בניו (banav) = zijn zonen | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בנותיו (benotav) = zijn dochters | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | לו (lo) = van hem was | ויעל (vayya'al) = en bracht omhoog | אותם (otam) = hen | עמק (emeq) = naar het dal van | עכור (akhor) = Achor Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:37** En Jozua verbrandde hen daar in het vuur, en heel Israël stenigde Achan met stenen, en zij richtten over hem een hoop stenen op. Daarom noemde men die plaats het dal van Achor. En Yahweh keerde terug van de gloed van Zijn toorn; en daarna naderde Jozua tot Ai en streed tegen haar. Brontekst: וישרוף (vayisrof) = en hij verbrandde | אותם (otam) = hen | יהושע (yehoshua) = Jozua | שם (shem) = daar | באש (ba'esh) = in vuur | וירגמו (vayirgemu) = en stenigden | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | עכן (akhan) = Achan | באבנים (ba'avanim) = met stenen | ויקימו (vayaqimu) = en richtten op | עליו (alav) = over hem | גל (gal) = een hoop van | אבנים (avanim) = stenen | על (al) = daarom | כן (ken) = — | קרא (qara) = noemde | למקום (lamaqom) = die plaats | ההוא (hahu) = die | עמק (emeq) = het dal van | עכור (akhor) = Achor | וישב (vayyashev) = en keerde terug | יהוה (Yahweh) = Yahweh | מחרון (micharon) = van de gloed van | אפו (appo) = Zijn toorn | ואחרי (ve'acharei) = en daarna | כן (ken) = — | קרב (qerav) = naderde | יהושע (yehoshua) = Jozua | אל (el) = tot | העי (ha'ay) = Ai | וילחם (vayillachem) = en streed | בה (bah) = tegen haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 7:24–26. Zie ook: Joz 7:24–26 **88:38** En Yahweh zei tot Jozua: **„Wees niet bang en wees niet ontmoedigd; zie, Ik heb Ai en haar koning en haar volk in je hand gegeven. Je zult met hen doen zoals je met Jericho en haar koning deed; alleen haar buit en haar vee mogen jullie voor jullie plunderen. Zet een hinderlaag tegen de stad, achter haar.”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | אל (el) = niet | תרא (tira) = wees bang | ואל (ve'el) = en niet | תחת (tachat) = wees ontmoedigd | הנה (hinneh) = zie | נתתי (natati) = heb Ik gegeven | בידך (beyadekha) = in je hand | את (et) = (lijdend voorwerp) | העי (ha'ay) = Ai | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מלכה (Malkah) = haar koning | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | עמו (immo) = haar volk | ועשית (ve'asita) = en je zult doen | להם (lahem) = met hen | כאשר (ka'asher) = zoals | עשית (asita) = je deed | ליריחו (liyrikho) = met Jericho | ולמלכה (ulemalkah) = en met haar koning | רק (raq) = alleen | שללה (shalalah) = haar buit | ובהמתה (uvehemtah) = en haar vee | תבוזו (tavozu) = zullen jullie plunderen | לכם (lakhem) = voor jullie | שים (sim) = zet | לך (lekha) = — | אורב (orev) = een hinderlaag | לעיר (la'ir) = tegen de stad | מאחריה (me'achareha) = achter haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 8:1–2. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 8:1–2 **88:39** En Jozua deed naar het woord van Yahweh, en hij koos uit heel het krijgsvolk dertigduizend dappere helden, en hij zond hen, en zij legden een hinderlaag aan de stad. Brontekst: ויעש (vayya'as) = en hij deed | יהושע (yehoshua) = Jozua | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ויבחר (vayivchar) = en hij koos | מכל (mikkol) = uit heel | עם (im) = het volk van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | שלושים (sheloshim) = dertig | אלף (elef) = duizend | גיבורי (gibborei) = dappere helden van | חיל (chayil) = kracht | וישלחם (vayishlachem) = en hij zond hen | ויארבו (vaya'arvu) = en legden een hinderlaag | לעיר (la'ir) = aan de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:40** En hij gebood hun: „Wanneer jullie zien dat wij met list vluchten voor de mannen van Ai en zij ons achtervolgen, dan staan jullie op uit de hinderlaag en nemen de stad in.” En zij deden zo. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אותם (otam) = hen | לאמור (lemor) = zeggende | בראותכם (bir'otkhem) = wanneer jullie zien | אותנו (otanu) = ons | ננוס (nanus) = zullen wij vluchten | לפני (lifnei) = voor | אנשי (anshei) = mannen van | העי (ha'ay) = Ai | בערמה (be'ormah) = met list | וירדפו (vayyirdefu) = en zij zullen achtervolgen | אחרינו (acharenu) = ons | תקומו (taqumu) = dan staan jullie op | מהמארב (min hamma'arav) = uit de hinderlaag | ולכדתם (vilkhadtem) = en nemen in | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de stad | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:41** En Jozua streed, en de mannen van de stad trokken uit, Israël tegemoet; en zij wisten niet dat men van achter de stad op hen loerde. Brontekst: וילחם (vayillachem) = en streed | יהושע (yehoshua) = Jozua | ויצאו (vayyetse'u) = en trokken uit | אנשי (anshei) = mannen van | העיר (ha'ir) = de stad | לקראת (liqrat) = tegemoet | ישראל (yisra'el) = Israël | והם (vehem) = en zij | לא (lo) = niet | ידעו (yade'u) = wisten | כי (ki) = dat | אורבים (orevim) = lagen op de loer | להם (lahem) = op hen | מאחרי (me'acharei) = van achter | העיר (ha'ir) = de stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:42** En Jozua en heel Israël lieten zich voor hen slaan en vluchtten met list langs de weg van de woestijn. Brontekst: וינגעו (vayinga'u) = en lieten zich slaan | יהושע (yehoshua) = Jozua | וכל (vekhol) = en alle | ישראל (yisra'el) = Israël | לפניהם (lifneihem) = voor hen | וינוסו (vayanusu) = en vluchtten | דרך (derekh) = de weg van | המדבר (hammidbar) = de woestijn | בערמה (be'ormah) = met list Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:43** En de mannen van Ai riepen heel het volk dat in de stad was op om Israël te achtervolgen, en zij gingen uit en werden van de stad weggelokt; niemand bleef over. En zij lieten de stad open en achtervolgden Israël. Brontekst: ויזעקו (vayaz'aqu) = en riepen op | אנשי (anshei) = mannen van | העי (ha'ay) = Ai | לכל (lekhol) = heel | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | בעיר (ba'ir) = in de stad | לרדוף (lirdof) = te achtervolgen | אחרי (acharei) = na | ישראל (yisra'el) = Israël | ויצאו (vayyetse'u) = en zij gingen uit | וינתקו (vayyinnateqqu) = en werden weggelokt | מן (min) = uit | העיר (ha'ir) = de stad | לא (lo) = niet | נשאר (nish'ar) = bleef over | אחד (echad) = één | ויעזבו (vaya'azvu) = en lieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de stad | פתוחה (ptukhah) = open | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחרי (acharei) = na | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:44** En alle belagers stonden op van hun plaatsen en haastten zich en kwamen in de stad en namen haar in en staken haar in brand. En de mannen van Ai keerden zich om, achter hen aan, en zie, de rook van de stad steeg op naar de hemel; en er was geen kracht in hen om te vluchten, hierheen of daarheen. Brontekst: וכל (vekhol) = en alle | האורבים (ha'orevim) = de belagers | קנו (kanu) = stonden op | ממקומם (mimmeqomam) = van hun plaatsen | וימהרו (vayemaharu) = en haastten zich | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | לעיר (la'ir) = naar de stad | וילכדוה (vayilkhedoha) = en namen haar in | ויציתו (vayatsitu) = en staken in brand | אותה (otah) = haar | באש (ba'esh) = in vuur | ויפנו (vayifnu) = en zij keerden zich | אנשי (anshei) = mannen van | העי (ha'ay) = Ai | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | והנה (vehinneh) = en zie | עלה (alah) = steeg op | עשן (ashan) = de rook van | העיר (ha'ir) = de stad | השמימה (hashamaymah) = naar de hemel | ולא (velo) = en niet | היה (hayah) = was | בהם (bahem) = in hen | ידים (yadayim) = kracht | לנוס (lanus) = om te vluchten | הנה (hinneh) = hierheen | והנה (vehinneh) = en daarheen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft קנו (‘zij kochten’); gelezen als קמו (‘zij stonden op’), zoals de samenhang eist. Zie Joz. 8:19. Zie ook: Joz 8:19 **88:45** En alle mannen van Ai kwamen bij Israël in het midden, sommigen aan deze kant en sommigen aan gene kant, en zij sloegen hen totdat hun geen overlevende overbleef. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | העי (ha'ay) = Ai | לישראל (leyisra'el) = bij Israël | בתווך (bateveq) = midden | אלה (elleh) = sommigen | מזה (mizzeh) = aan de ene kant | ואלה (ve'elleh) = en sommigen | מזה (mizzeh) = aan de andere kant | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | אותם (otam) = hen | יד (yad) = totdat | בלתי (bilti) = — | השאיר (hish'ir) = overbleef | להם (lahem) = hun | שריד (sarid) = een overlevende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft יד (‘hand’); gelezen als עד (‘totdat’). Zie Joz. 8:22. Zie ook: Joz 8:22 **88:46** En de zonen van Israël grepen Melos, de koning van Ai, levend, en zij brachten hem tot Jozua; en Jozua hing hem aan een boom, en hij stierf. Brontekst: ויתפשו (vayitpesu) = en grepen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלוש (melosh) = Melos | מלך (malakh) = koning van | העי (ha'ay) = Ai | חי (chai) = levend | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | אותו (oto) = hem | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | ויתלהו (vayitluhu) = en hing hem op | יהושע (yehoshua) = Jozua | על (al) = aan | העץ (ha'ets) = een boom | וימת (vayamot) = en hij stierf Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 8:29. Zie ook: Joz 8:29 **88:47** En de zonen van Israël keerden terug naar de stad nadat zij haar hadden verbrand, en zij sloegen alles wat erin was met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וישובו (vayashuvu) = en zij keerden terug | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | אל (el) = naar | העיר (ha'ir) = de stad | אחרי (acharei) = na | שורפם (sorfam) = nadat zij haar verbrand hadden | אותה (otah) = haar | ויכו (vayakku) = en zij sloegen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | בה (bah) = erin | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:48** En het aantal van alle gevallenen van de mannen van Ai, van man tot vrouw, was twaalfduizend. Alleen het vee en de buit van de steden plunderden zij voor zich, naar het woord van Yahweh aan Jozua. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מספר (mispar) = het aantal van | כל (kol) = alle | הנופלים (hanoflim) = de gevallenen | מאנשי (me'anshei) = van de mannen van | העי (ha'ay) = Ai | מאיש (me'ish) = van man | ועד (ve'ad) = tot | אישה (ishah) = vrouw | שניים (shenayim) = twaalf | עשר (esar) = — | אלף (elef) = duizend | רק (raq) = alleen | הבהמה (habbehemah) = het vee | ושלל (ushlal) = en de buit van | הערים (he'arim) = de steden | בזזו (bazezu) = plunderden zij | להם (lahem) = voor zich | כדבר (kidvar) = volgens het woord van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = aan | יהושע (yehoshua) = Jozua Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Gibeon **88:49** En alle koningen die aan de overzijde van de Jordaan waren, alle koningen van de Kanaänieten, hoorden al het kwaad dat de zonen van Israël Jericho hadden aangedaan, en zij verzamelden zich samen om tegen Israël te strijden. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en zij hoorden | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | בעבר (be'ever) = aan de overzijde van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הרעה (hara'ah) = het kwaad | אשר (asher) = die | עשו (asu) = hadden gedaan | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ליריחו (liyrikho) = aan Jericho | ויתקבצו (vayitqabtsu) = en verzamelden zich | יחד (yachad) = samen | להילחם (lehillachem) = om te strijden | את (et) = tegen | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws noemt alleen Jericho; de Engelse vertaling heeft ‘Jericho en Ai’. Zie Joz. 9:1–2. Zie ook: Joz 9:1–2 **88:50** Alleen de bewoners van Gibeon vreesden zeer voor Israël, om tegen hen te strijden, opdat zij niet zouden sterven; en zij handelden met list. En zij kwamen tot Jozua en tot heel Israël en zeiden tot hen: „Uit een ver land zijn wij gekomen; sluit nu een verbond met ons.” Brontekst: אך (akh) = alleen | יושבי (yoshvei) = bewoners van | גבעון (giv'on) = Gibeon | יראו (yare'u) = vreesden | להם (lahem) = voor hen | מאוד (me'od) = zeer | מפני (mippenei) = vanwege | ישראל (yisra'el) = Israël | להילחם (lehillachem) = te strijden | איתם (ittam) = met hen | פן (pen) = opdat niet | ימותו (yamutu) = zullen sterven | ויעשו (vaya'asu) = en handelden | בערמה (be'ormah) = met list | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | ואל (ve'el) = en naar | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | אליהם (aleihem) = tot hen | מארץ (me'erets) = uit een land | רחוקה (rechoqa) = ver | באנו (ba'nu) = zijn wij gekomen | עתה (attah) = nu | כרתו (kirtu) = sluit | לנו (lanu) = voor ons | ברית (berit) = een verbond Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 9:3–6. Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 9:3–6 **88:51** En de bewoners van Gibeon bedrogen de zonen van Israël, en de zonen van Israël sloten een verbond met hen en maakten vrede met hen, en de vorsten van de gemeenschap zwoeren hun. En het gebeurde daarna dat heel Israël te weten kwam dat zij nabij hen waren en in hun midden woonden. Brontekst: ויערימו (vaya'arimu) = bedrogen | יושבי (yoshvei) = bewoners van | גבעון (giv'on) = Gibeon | על (al) = op | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויכרתו (vayikhretu) = sloten | להם (lahem) = met hen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ברית (berit) = een verbond | ויעשו (vaya'asu) = en maakten | להם (lahem) = met hen | שלום (shalom) = vrede | וישבעו (vayishava'u) = en zwoeren | להם (lahem) = hun | נשיאי (nesi'ei) = vorsten van | העדה (ha'edah) = de gemeenschap | ויהי (vayehi) = en het gebeurde | אחרי (acharei) = na | כן (ken) = zo | וידעו (vayede'u) = te weten kwamen | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | כי (ki) = want | קרובים (qerovim) = nabij | הם (hem) = zij | אליו (elav) = bij hen | ובקרבו (uveqirbo) = en in hun midden | הם (hem) = zij | יושבים (yoshvim) = woonden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. **88:52** Maar de zonen van Israël doodden hen niet, want zij hadden hun gezworen bij Yahweh; en zij werden houthakkers en waterputters. Brontekst: אך (akh) = maar | לא (lo) = niet | המיתום (hemitum) = doodden hen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | כי (ki) = want | נשבעו (nishbe'u) = hadden gezworen | להם (lahem) = hun | ביהוה (bYahweh) = bij Yahweh | ויהיו (vayihyu) = en zij waren | חוטבי (khotevei) = houthakkers | עצים (etsim) = hout | ושואבי (veshovei) = en waterputters | מים (mayim) = water Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 9:18–21. Zie ook: Joz 9:18–21 **88:53** En Jozua zei tot hen: „Waarom hebben jullie ons bedrogen door ons dit aan te doen?” En zij antwoordden hem: „Want aan je dienaren is verteld alles wat jullie aan alle koningen van de Amorieten hebben gedaan, en wij vreesden zeer voor ons leven, en wij deden deze zaak.” Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אליהם (aleihem) = tot hen | יהושע (yehoshua) = Jozua | למה (lammah) = waarom | רמיתונו (rimmitunu) = hebben jullie ons bedrogen | לעשות (la'asot) = om te doen | לנו (lanu) = voor ons | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze | ויענוהו (vaya'anuhu) = en zij antwoordden hem | לאמור (lemor) = zeggende | כי (ki) = want | הוגד (hugad) = is verteld | לעבדיך (le'avdekha) = aan je dienaren | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | עשיתם (asitem) = jullie hebben gedaan | לכל (lekhol) = aan alle | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | ונירא (venira) = en wij vreesden | מאוד (me'od) = zeer | לנפשותינו (lenafshotenu) = voor ons leven | ונעש (vene'eseh) = en wij deden | הדבר (haddavar) = de zaak | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:54** En Jozua stelde hen op die dag aan voor heel Israël om voor hen hout te hakken en water te putten, en hij verdeelde hen over alle stammen van Israël als slaven. Brontekst: ויתנם (vayittenem) = en stelde hen aan | יהושע (yehoshua) = Jozua | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | לכל (lekhol) = voor heel | ישראל (yisra'el) = Israël | לחטוב (lakhtov) = om te hakken | להם (lahem) = voor hen | עצים (etsim) = hout | ולשאוב (velish'ov) = en te putten | להם (lahem) = voor hen | מים (mayim) = water | ויחלקם (vayechalleqem) = en verdeelde hen | לכל (lekhol) = over alle | שבטי (shivte) = stammen van | ישראל (yisra'el) = Israël | לעבדים (laavadim) = als slaven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### De vijf koningen **88:55** En het gebeurde toen Adoni-Sedek, de koning van Jeruzalem, hoorde wat de zonen van Israël Jericho en Ai hadden aangedaan, dat hij zond naar Hoham, de koning van Hebron, en naar Piram, de koning van Jarmuth, en naar Jafia, de koning van Lachis, en naar Debir, de koning van Eglon, met de woorden: Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | כשמוע (kishmo'a) = toen hoorde | אדוני (adoni) = Adoni- | צדק (tsedeq) = Sedek | מלך (malakh) = koning van | ירושלים (yerushalayim) = Jeruzalem | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | עשו (asu) = deden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ליריחו (liyrikho) = aan Jericho | ולעי (vela'ay) = en aan Ai | וישלך (vayashlekh) = en zond | אל (el) = naar | הוהם (hoham) = Hoham | מלך (malakh) = koning van | חברון (Chevron) = Hebron | ואל (ve'el) = en naar | פראם (piram) = Piram | מלך (malakh) = koning van | ירמות (yarmut) = Jarmuth | ואל (ve'el) = en naar | יפיע (yafia) = Jafia | מלך (malakh) = koning van | לכיש (lakhish) = Lachis | ואל (ve'el) = en naar | דביר (devir) = Debir | מלך (malakh) = koning van | עגלון (eglon) = Eglon | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: De tekst heeft וישלך (‘en hij wierp’); gelezen als וישלח (‘en hij zond’). Zie Joz. 10:1–5. Zie ook: Joz 10:1–5 **88:56** „Trek met mij op en help mij, dan zullen wij de zonen van Israël slaan en de bewoners van Gibeon, die vrede hebben gesloten met de zonen van Israël.” Brontekst: עלו (alu) = trekt op | איתי (itti) = met mij | ועזרוני (ve'izruni) = en helpt mij | ונכה (venakkeh) = dan zullen wij slaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יושבי (yoshvei) = bewoners van | גבעון (giv'on) = Gibeon | אשר (asher) = die | השלימו (hishlimu) = vrede sloten | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. **88:57** En de vijf koningen van de Amorieten verzamelden zich en trokken op met al hun legerkampen, een zeer talrijk volk, als het zand aan de oever van de zee. Brontekst: ויאספו (vaye'esfu) = en verzamelden zich | ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | חמשת (chamishat) = vijf | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | עם (im) = met | כל (kol) = alle | מחניהם (machanehem) = hun legerkampen | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | מאוד (me'od) = zeer | כחול (kachol) = als het zand | אשר (asher) = die | על (al) = op | שפת (sefat) = de oever van | הים (hayyam) = de zee Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:58** En al deze koningen kwamen en legerden zich tegen Gibeon, en zij begonnen te strijden tegen de bewoners van Gibeon. En alle mannen van Gibeon stuurden naar Jozua: „Kom snel naar ons op en red ons, want alle koningen van de Amorieten hebben zich tegen ons verzameld om tegen ons te strijden.” Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | על (al) = tegen | גבעון (giv'on) = Gibeon | ויחלו (vayachelu) = en begonnen | להילחם (lehillachem) = te strijden | ביושבי (beyoshvei) = tegen de bewoners van | גבעון (giv'on) = Gibeon | וישלחו (vayishlechu) = en zij stuurden | כל (kol) = alle | אנשי (anshei) = mannen van | גבעון (giv'on) = Gibeon | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | לאמור (lemor) = zeggende | עלה (alah) = kom op | אלינו (elenu) = naar ons | מהרה (maherah) = snel | והושיענו (vehoshi'enu) = en red ons | כי (ki) = want | נקבצו (niqbetsu) = hebben zich verzameld | עלינו (aleinu) = tegen ons | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | להילחם (lehillachem) = om te strijden | בנו (beno) = tegen ons Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:6. Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 10:6 ### De lange dag **88:59** En Jozua trok op uit Gilgal met heel het krijgsvolk, en hij kwam plotseling tot hen en sloeg die vijf koningen met een zware slag. Brontekst: ויעל (vayya'al) = en ging op | יהושע (yehoshua) = Jozua | וכל (vekhol) = en alle | עם (im) = het volk van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | מן (min) = uit | הגלגל (haggilgal) = Gilgal | ויבוא (vayavo) = en hij kwam | אליהם (aleihem) = tot hen | יהושע (yehoshua) = Jozua | פתאום (pit'om) = plotseling | ויכה (vayyakh) = en sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | חמשת (chamishat) = vijf | המלכים (hammelakhim) = de koningen | ההם (hahem) = die | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:60** En Yahweh bracht hen in verwarring voor de zonen van Israël, en zij sloegen hen met een grote slag bij Gibeon en achtervolgden hen langs de weg van de opgang naar Bet-Choron tot Mekkeda; en zij vluchtten voor de zonen van Israël. Brontekst: ויהומם (vayahummem) = en bracht in verwarring | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויכום (vayakkum) = en sloegen hen | מכה (makkah) = een slag | גדולה (gedolah) = grote | בגבעון (big'on) = bij Gibeon | וירדפום (vayirdefum) = en achtervolgden hen | דרך (derekh) = de weg van | מעלה (ma'ale) = de opgang naar | בית (bet) = Bet- | חורון (choron) = Choron | עד (ad) = tot | מקדה (maqqedah) = Mekkeda | וינוסו (vayanusu) = en vluchtten | מפני (mippenei) = voor | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:10. Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 10:10 **88:61** En het gebeurde terwijl zij vluchtten dat Yahweh over hen stenen van hagel uit de hemel wierp, en er stierven er meer van hen dan de zonen van Israël hadden gedood. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בנוסם (benusam) = terwijl zij vluchtten | וישלך (vayashlekh) = wierp | יהוה (Yahweh) = Yahweh | עליהם (aleihem) = over hen | אבני (avnei) = stenen van | ברד (bered) = hagel | מן (min) = uit | השמים (hashamayim) = de hemel | וימותו (vayamutu) = en stierven | מהם (mehem) = van hen | רבים (rabbim) = velen | מאשר (me'asher) = dan | הרגו (haragho) = doodden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:11. Zie ook: Joz 10:11 **88:62** En de zonen van Israël achtervolgden hen en sloegen hen nog onderweg, steeds verder gaande en hen slaande. Brontekst: ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | רדפו (radefu) = achtervolgden | אחריהם (acharehem) = achter hen aan | ויכום (vayakkum) = en sloegen hen | עוד (od) = nog | בדרך (baderekh) = onderweg | הלוך (halokh) = steeds verder gaande | והכות (vehakkot) = en slaande | אותם (otam) = hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **88:63** En het gebeurde terwijl zij hen sloegen en de dag neigde tot de avond, dat Jozua voor de ogen van heel het volk zei: „Zon, sta stil boven Gibeon, en maan, in het dal van Ajalon, totdat het volk zich wreekt op zijn vijanden.” Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בהכות (behakkot) = terwijl zij sloegen | אותם (otam) = hen | והיום (vehayyom) = en de dag | נטה (natah) = neigde | לערוב (la'arov) = tot de avond | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהושע (yehoshua) = Jozua | לעיני (le'einei) = voor de ogen van | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | שמש (shemesh) = zon | בגבעון (big'on) = boven Gibeon | דום (dom) = sta stil | וירח (veyareakh) = en maan | בעמק (ba'emeq) = in het dal van | אילון (Eylon) = Ajalon | עד (ad) = totdat | יקום (yiqom) = zich wreekt | גוי (goy) = het volk | אויביו (oyevav) = zijn vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:12. Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 10:12 **88:64** En Yahweh luisterde naar de stem van Jozua, en de zon stond stil in het midden van de hemel en bleef staan zesendertig tijden; en ook de maan stond stil en haastte zich niet onder te gaan, als op een volle dag. Brontekst: וישמע (vayishma) = en luisterde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקול (bekol) = naar de stem van | יהושע (yehoshua) = Jozua | וידום (vayidom) = en stond stil | השמש (hashemesh) = de zon | בחצי (bachatsi) = in het midden van | השמים (hashamayim) = de hemel | ויעמוד (vaya'amod) = en bleef staan | שלושים (sheloshim) = dertig | ושישה (veshishah) = en zes | עתים (ittim) = tijden | וגם (vegam) = en ook | ירח (Yerach) = de maan | עמד (amad) = stond stil | ולא (velo) = en niet | אץ (ats) = haastte zich | לבוא (lavo) = om onder te gaan | כיום (keyom) = als op een dag | תמים (tamim) = volle Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:13. Voetnoot Uitleg: עתים (‘tijden’): de tekst zegt dat de zon zesendertig ‘tijden’ stilstond; Joz. 10:13 zegt dat de zon bleef staan ‘bijna een hele dag’. Zie ook: Joz 10:13 **88:65** En er was geen dag zoals die, vóór hem en na hem, dat Yahweh luisterde naar de stem van een man; want Yahweh streed voor Israël. Brontekst: ולא (velo) = en niet | היה (hayah) = was | כיום (keyom) = zoals de dag | ההוא (hahu) = die | לפניו (lefanav) = vóór hem | ולאחריו (ule'achorav) = en na hem | לשמוע (lishmo'a) = dat luisterde | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בקול (bekol) = naar de stem van | איש (ish) = een man | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | נלחם (nilcham) = streed | להם (lahem) = voor hen | לישראל (leyisra'el) = voor Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 89 _Jozua's lied en de verovering_ ### Jozua's lied **89:1** Toen sprak Jozua dit lied, op de dag dat Yahweh de Amorieten had gegeven voor Jozua en voor de zonen van Israël, en hij zei voor de ogen van heel Israël: Brontekst: אז (az) = toen | ידבר (yedabber) = sprak | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | השירה (hashirah) = het lied | הזאת (hazzo't) = dit | ביום (beyom) = op de dag dat | תת (tet) = gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | לפני (lifnei) = voor | יהושע (yehoshua) = Jozua | ולפני (velifnei) = en voor | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויאמר (vayomer) = en hij zei | לעיני (le'einei) = voor de ogen van | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:12–13. Zie ook: Joz 10:12–13 **89:2** „Vele grote dingen hebt U gedaan, Yahweh, U hebt grote daden verricht; wie is als U? Mijn lippen zullen Uw naam bezingen. Brontekst: רבות (rabbot) = veel | עשית (asita) = hebt U gedaan | אתה (attah) = U | יהוה (Yahweh) = Yahweh | פעלת (paalta) = hebt U gewrocht | גדולות (gedolot) = grote dingen | מי (mi) = wie | כמוך (kamokha) = is als U | שפתיי (sifteyi) = mijn lippen | יזמרו (yezamru) = zullen bezingen | לשמך (leshemekha) = Uw naam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:3** Mijn trouw en mijn vesting, mijn burcht, een nieuw lied zal ik U zingen; met dankzegging zal ik U bezingen, U bent de sterkte van mijn redding. Brontekst: חסדי (chasdei) = mijn trouw | ומצודתי (umetsudati) = en mijn vesting | משגבי (misgabi) = mijn burcht | שיר (shir) = een lied | חדש (khadash) = nieuw | אשירה (ashirah) = zal ik zingen | לך (lekha) = voor U | בתודה (betodah) = met dankzegging | לך (lekha) = voor U | אזמרה (azamrah) = zal ik bezingen | אתה (attah) = U bent | עוז (oz) = sterkte van | ישועתי (yeshuati) = mijn redding Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:4** Alle koningen van de aarde zullen U loven, sela, de vorsten van de wereld zullen U bezingen; de zonen van Israël zullen jubelen in Uw redding, zij zullen zingen en Uw kracht bezingen. Brontekst: כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | ארץ (erets) = de aarde | יודוך (yodukha) = zullen U loven | סלה (selah) = sela | רוזני (roznei) = de vorsten van | תבל (tevel) = de wereld | לך (lekha) = U | יזמרו (yezamru) = zullen bezingen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ירננו (yeranenu) = zullen jubelen | בישועתך (bishuatekha) = in Uw redding | ישירו (yashiru) = zullen zingen | ויזמרו (veyezamru) = en bezingen | גבורתך (gevuratekha) = Uw kracht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:5** Op U hebben wij vertrouwd, Yahweh, wij zeiden: U bent onze Elohim; want U bent ons tot een toevlucht geweest, tot een toren van sterkte tegen onze vijanden. Brontekst: עליך (aleikha) = op U | בטחנו (batachnu) = hebben wij vertrouwd | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אמרנו (amarnu) = zeiden wij | אתה (attah) = U bent | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | כי (ki) = want | היית (hayita) = bent U geweest | לנו (lanu) = voor ons | למחסה (lemakhseh) = tot een toevlucht | למגדל (lemigdal) = tot een toren | עוז (oz) = van sterkte | מפני (mippenei) = tegen | אויבינו (oyeveinu) = onze vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:6** Tot U riepen wij en wij werden niet beschaamd, op U vertrouwden wij en wij ontkwamen; toen wij tot U om hulp riepen, hebt U onze stem gehoord en onze zielen van het zwaard gered; U hebt ons Uw trouw laten zien, ons Uw redding gegeven en ons hart verblijd met Uw kracht. Brontekst: אליך (elekha) = tot U | זעקנו (zaaknu) = riepen wij | ולא (velo) = en niet | בושנו (boshnu) = werden wij beschaamd | בך (bekha) = op U | בטחנו (batachnu) = vertrouwden wij | ונמלטנו (venimmalatnu) = en ontkwamen wij | בשועתנו (beshavatenu) = toen wij om hulp riepen | אליך (elekha) = tot U | שמעת (shamata) = hebt U gehoord | קולנו (kolenu) = onze stem | הצלת (hitsalta) = hebt U gered | מחרב (mekherev) = van het zwaard | נפשינו (nafsheinu) = onze zielen | הראית (hare'ita) = hebt U laten zien | לנו (lanu) = ons | חסדיך (khasadekha) = Uw trouw | נתת (natata) = hebt U gegeven | לנו (lanu) = ons | ישועתך (yeshuatekha) = Uw redding | שמחת (simakhta) = hebt U verblijd | לבנו (libenu) = ons hart | בגבורתך (bigvuratekha) = met Uw kracht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:7** U bent uitgetrokken tot onze redding, met de arm hebt U Uw volk verlost; U hebt ons geantwoord uit de hemelen van Uw heiligheid, uit tienduizenden van een volk hebt U ons gered. Brontekst: יצאת (yatsata) = bent U uitgetrokken | לישע (leyesha) = tot redding | לנו (lanu) = voor ons | גאלת (gaalta) = hebt U verlost | בזרוע (bizroa) = met de arm | את (et) = (lijdend voorwerp) | עמך (immekha) = Uw volk | עניתנו (anitanu) = hebt U ons geantwoord | משמי (mishmei) = uit de hemelen van | קדשך (kodshekha) = Uw heiligheid | מרבבות (merivavot) = uit tienduizenden van | עם (im) = volk | הושעתנו (hoshatanu) = hebt U ons gered Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:8** Zon en maan stonden stil in de hoge woning, en U stond in Uw toorn tegen onze belagers en gebood Uw oordelen over hen. Brontekst: שמש (shemesh) = de zon | וירח (veyareakh) = en de maan | בזבול (bizvul) = in de hoge woning | עמדו (imdu) = stonden stil | ותעמוד (vata'amod) = en stond U | באפך (be'apekha) = in Uw toorn | אל (el) = tegen | צוררנו (tsorerenu) = onze belagers | ותצו (vatetsav) = en gebood U | אלימו (alemo) = over hen | משפטיך (mishpatekha) = Uw oordelen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:9** Alle vorsten van de aarde stonden op, de koningen van de volken verzamelden zich samen; voor Uw aangezicht weken zij niet, naar Uw oorlogen verlangden zij. Brontekst: כל (kol) = alle | רוזני (roznei) = de vorsten van | ארץ (erets) = de aarde | עמדו (imdu) = stonden op | מלכי (malkhei) = koningen van | גוים (goyim) = volken | נקבצו (niqbetsu) = verzamelden zich | יחד (yachad) = samen | מפניך (mipanekha) = voor Uw aangezicht | לא (lo) = niet | נעו (nau) = bewogen zij zich | אל (el) = naar | מלחמותיך (milchamotekha) = Uw oorlogen | חפצו (cheftso) = verlangden zij Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:10** U stond op tegen hen in Uw toorn en deed Uw gramschap over hen neerdalen; U vernietigde hen in Uw gloed en roeide hen uit in Uw wijsheid. Brontekst: קמת (kamta) = stond U op | אלימו (alemo) = tegen hen | באפך (be'apekha) = in Uw toorn | ותורד (vatored) = en deed U neerdalen | עלימו (alemo) = over hen | זעמך (zaamekha) = Uw gramschap | אבדתם (ibadtam) = vernietigde U hen | בחרונך (bekharonekha) = in Uw gloed | ותצמיתם (vatatsmitem) = en roeide U hen uit | בחכמתך (bechokhmatekha) = in Uw wijsheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:11** Volken bruisden van Uw schrik, koninkrijken wankelden vanwege Uw woede; U hebt koningen verbrijzeld op de dag van Uw toorn. Brontekst: המו (hamu) = bruisden | גוים (goyim) = volken | מפחדך (mipakhdekha) = door Uw schrik | מטו (matu) = wankelden | ממלכות (mamlekhot) = koninkrijken | מרוגזך (merogzekha) = vanwege Uw woede | מחצת (makhatsta) = hebt U verbrijzeld | מלכים (melakhim) = koningen | ביום (beyom) = op de dag van | אפך (appekha) = Uw toorn Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:12** U hebt Uw gramschap over hen uitgegoten, de gloed van Uw toorn haalde hen in; U deed hun onrecht op hen terugkeren en roeide hen uit in hun boosheid. Brontekst: שפכת (shafakhta) = hebt U uitgegoten | עלימו (alemo) = over hen | זעמך (zaamekha) = Uw gramschap | חרון (charon) = de gloed van | אפך (appekha) = Uw toorn | השיגמו (hesigum) = haalde hen in | השבת (heshevota) = hebt U doen terugkeren | עלימו (alemo) = over hen | אונם (onam) = hun onrecht | ואצמיתם (vatsmitem) = en roeide U hen uit | בר (bar) = in hun boosheid | עתם (attah) = — Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft בר עתם; gelezen als ברעתם (‘in hun boosheid’), zoals de Engelse vertaling ‘in their wickedness’. **89:13** Een kuil spreidden zij uit, daarin vielen zij; in het net dat zij verborgen, werd hun voet gevangen. Brontekst: שחת (shichet) = een kuil | פרשו (parsu) = spreidden zij | בה (bah) = daarin | נפלו (naflu) = vielen zij | ברשת (beresheth) = in het net | טמנו (tamenu) = verborgen zij | נלכדה (nilkedah) = werd gevangen | רגלם (raglam) = hun voet Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:14** Uw hand trof al Uw vijanden, die zeiden dat zij door hun zwaard het land zouden bezitten en door hun arm een stad zouden bewonen. U vervulde hun aangezichten met schande, U deed hun hoorns tot de aarde reiken, U deed hen verschrikken door Uw wijsheid en deed hen vergaan voor Uw aangezicht. Brontekst: מצאת (matsa) = trof | ידך (yadekha) = Uw hand | לכל (lekhol) = alle | אויביך (oyvekha) = Uw vijanden | אשר (asher) = die | אמרו (ameru) = zeiden | בחרבם (bacharvam) = door hun zwaard | ירשו (yareshu) = zullen zij bezitten | ארץ (erets) = het land | בזרועם (bizroam) = door hun arm | שכנו (shakhenu) = zullen zij bewonen | עיר (ir) = een stad | מלאת (melot) = vervulde U | פניהם (penehem) = hun aangezichten | קלון (kalon) = schande | הגעת (higata) = hebt U doen reiken | לארץ (la'arets) = tot de aarde | קרנותם (karnotam) = hun hoorns | ותבהלמו (vatevahalem) = en deed U hen verschrikken | בחכמתך (bechokhmatekha) = door Uw wijsheid | ותאבדמו (vataavdem) = en deed U hen vergaan | מפניך (mipanekha) = voor Uw aangezicht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:15** De aarde beefde en schudde door het geluid van Uw donder over hen; U hebt hun zielen niet van de dood ingehouden en hun leven tot de Sjeool laten reiken. Brontekst: רגזה (ragzah) = beefde | ארץ (erets) = de aarde | ותרעש (vatir'ash) = en schudde | מקול (miqqol) = door het geluid van | רעמך (raamekha) = Uw donder | עליהם (aleihem) = over hen | לא (lo) = niet | חשכת (chasakhta) = hebt U ingehouden | ממות (mimavet) = van de dood | נפשם (nafsham) = hun ziel | וחייתם (vechiyitem) = en hun leven | לשאול (lish'ol) = tot de Sjeool | הגעת (higata) = hebt U doen reiken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:16** U hebt hen achtervolgd in Uw storm, hen vernietigd in Uw wervelwind; U hebt hun regen tot hagel gemaakt, zij vielen in kuilen, zodat zij niet kunnen opstaan. Brontekst: הרדפתמו (hardaftem) = hebt U hen achtervolgd | בסערתך (bisaaratekha) = in Uw storm | כליתמו (killitem) = hebt U hen vernietigd | בסופתך (besufatekha) = in Uw wervelwind | נתת (natata) = hebt U gemaakt | גשמיהם (gishmeihem) = hun regen | ברד (bered) = tot hagel | נפלו (naflu) = vielen zij | במהמורות (bamahamorot) = in kuilen | בל (bal) = niet | יקומו (yaqumu) = kunnen opstaan Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:17** Hun lijken waren als afval, midden in de straten weggeworpen. Brontekst: נבלתם (nivlatam) = hun lijken | כסוחה (kesukhah) = als afval | היתה (hayetah) = was | בקרב (beqerev) = midden in | חוצות (khutsot) = straten | הושלכה (hushlekhah) = werd weggeworpen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:18** Zij zijn verteerd, zij zijn ten einde voor Uw aangezicht; U hebt Uw volk gered met Uw kracht. Brontekst: ספו (safu) = zijn verteerd | תמו (tammu) = zijn ten einde | מפניך (mipanekha) = voor Uw aangezicht | הושעת (hoshata) = hebt U gered | עמך (immekha) = Uw volk | בגבורתך (bigvuratekha) = met Uw kracht Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:19** Daarom verheugt ons hart zich in U, onze ziel juicht in Uw redding. Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = — | בך (bekha) = in U | ישיש (yasis) = zal zich verheugen | לבנו (libenu) = ons hart | תגיל (tagel) = zal juichen | נפשנו (nafsheinu) = onze ziel | בישועתך (bishuatekha) = in Uw redding Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:20** Onze tong zal Uw kracht vertellen, wij zullen zingen en Uw wonderen bezingen. Brontekst: לשוננו (leshonenu) = onze tong | תספר (tesaper) = zal vertellen | גבורתך (gevuratekha) = Uw kracht | נשירה (nashirah) = zullen wij zingen | ונזמרה (venezamrah) = en bezingen | בנפלאותיך (beniflaotekha) = Uw wonderen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:21** Want U hebt ons gered van onze benauwers, ons doen ontkomen aan hen die tegen ons opstonden; U vernietigde hen voor ons en dreef hen weg onder onze voeten. Brontekst: כי (ki) = want | הושעתנו (hoshatanu) = hebt U ons gered | מצרינו (mitsarenu) = onze benauwers | מלטתנו (millatetanu) = hebt U ons doen ontkomen | מקמינו (mikamenu) = van hen die tegen ons opstonden | אבדתם (ibadtam) = vernietigde U hen | מפנינו (mippenenu) = voor ons | ותהדפם (vatehdefem) = en dreef U hen weg | תחת (tachat) = onder | רגלינו (raglenu) = onze voeten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:22** Zo zullen al Uw vijanden vergaan, Yahweh, en de goddelozen zullen zijn als kaf dat de wind najaagt, en Uw liefhebbers als een boom, geplant bij het water.” Brontekst: כן (ken) = zo | יאבדו (yovdu) = zullen vergaan | כל (kol) = alle | אויביך (oyvekha) = Uw vijanden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ורשעים (ureshaim) = en de goddelozen | כמוץ (kemots) = als kaf | ירדוף (yirdof) = dat najaagt | רוח (ruach) = de wind | ואוהביך (veohavekha) = en Uw liefhebbers | כעץ (keets) = als een boom | עלי (alay) = bij | מים (mayim) = het water | שתולים (shetulim) = geplant Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft עלי מים (‘bij het water’); gelezen als ‘geplant bij het water’. Zie Ps. 1:3. Zie ook: Ps 1:3 ### De vijf koningen in de grot **89:23** En Jozua en heel Israël met hem keerden terug naar het kamp te Gilgal, nadat hij alle koningen had geslagen, totdat hun geen overlevende overbleef. Brontekst: וישב (vayyashev) = en keerde terug | יהושע (yehoshua) = Jozua | וכל (vekhol) = en alle | ישראל (yisra'el) = Israël | עמו (immo) = met hem | אל (el) = naar | המחנה (hammachaneh) = het kamp | הגלגלה (haggilgalah) = naar Gilgal | אחרי (acharei) = na | הכות (hakkot) = het slaan van | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | עד (ad) = totdat | בלתי (bilti) = niet | השאיר (hish'ir) = overbleef | להם (lahem) = hun | שריד (sarid) = een overlevende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:15. Zie ook: Joz 10:15 **89:24** En de vijf koningen vluchtten alleen, te voet, uit de strijd en verborgen zich in de grot; en Jozua zocht hen midden in de strijd en vond hen niet. Brontekst: וחמשת (vachamishshat) = en de vijf | המלכים (hammelakhim) = de koningen | נסו (nasu) = vluchtten | לבדם (levaddam) = alleen | ברגלם (beraglam) = te voet | מהמלחמה (mehammilchamah) = uit de strijd | ויתחבאו (vayitchabe'u) = en verborgen zich | במערה (bama'arah) = in de grot | ויבקשם (vayevakshem) = en zocht hen | יהושע (yehoshua) = Jozua | בתוך (betokh) = midden in | המלחמה (hammilchamah) = de strijd | ולא (velo) = en niet | מצאם (metsa'am) = vond hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:16. Zie ook: Joz 10:16 **89:25** En daarna werd aan Jozua verteld: „De koningen zijn gevonden, en zie, zij zijn verborgen in de grot.” Brontekst: ויוגד (vayugad) = en men vertelde | ליהושע (lihoshua) = aan Jozua | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | לאמור (lemor) = zeggende | נמצאו (nimtse'u) = werden gevonden | המלכים (hammelakhim) = de koningen | והנם (vehinam) = en zie, zij | נחבאים (nekhbaim) = zijn verborgen | במערה (bama'arah) = in de grot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:26** En Jozua zei: „Stel mannen aan bij de ingang van de grot om hen te bewaken, opdat zij niet ontsnappen.” En de zonen van Israël deden zo. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהושע (yehoshua) = Jozua | הפקידו (hafkidu) = stelt aan | אנשים (anashim) = mannen | על (al) = bij | פי (pi) = de ingang van | המערה (hamme'arah) = de grot | לשמרם (leshomram) = om hen te bewaken | פן (pen) = opdat niet | יצאו (yatse'u) = zij ontsnappen | להם (lahem) = zich | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:17–18. Zie ook: Joz 10:17–18 **89:27** En Jozua beëindigde het slaan van de Amorieten en gebood, en zij brachten de vijf koningen uit de grot. En Jozua riep heel Israël en zei tot de bevelhebbers van de oorlog: „Zet jullie voeten op de nekken van deze koningen, wees niet bang en wees niet ontzet.” En alle bevelhebbers van de oorlog deden zo en zetten ieder zijn voet op de nekken van deze koningen. En Jozua zei: „Zo zal Yahweh doen met al jullie vijanden.” Brontekst: ויכל (vayekhal) = en voleindigde | יהושע (yehoshua) = Jozua | להכות (lehakkot) = te slaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | ויצו (vayetsav) = en hij gebood | ויוציאו (vayotsi'u) = en zij brachten uit | את (et) = (lijdend voorwerp) | חמשת (chamishat) = vijf | המלכים (hammelakhim) = de koningen | מהמערה (hammearah) = uit de grot | ויקרא (vayikra) = en riep | יהושע (yehoshua) = Jozua | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | ויאמר (vayomer) = en hij zei | אל (el) = tot | קציני (ketsinei) = de bevelhebbers van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | שימו (simu) = zet | את (et) = (lijdend voorwerp) | רגליכם (raglekhem) = jullie voeten | על (al) = op | צוארי (tsavarei) = de nekken van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ואל (ve'el) = en niet | תיראו (tire'u) = bang zijn | ואל (ve'el) = en niet | תעריצו (taaritsu) = ontzet zijn | ויעשו (vaya'asu) = en zij deden | כן (ken) = zo | כל (kol) = alle | קציני (ketsinei) = de bevelhebbers van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | וישימו (vayasimu) = en zij zetten | איש (ish) = ieder | רגלו (raglo) = zijn voet | על (al) = op | צוארי (tsavarei) = de nekken van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהושע (yehoshua) = Jozua | כך (kakh) = zo | יעשה (ya'aseh) = zal doen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לכל (lekhol) = met al | אויביכם (oyveikhem) = jullie vijanden Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:24–25. Zie ook: Joz 10:24–25 **89:28** En daarna gebood Jozua, en zij doodden de koningen en wierpen hen in de grot, en legden grote stenen voor de mond van de grot. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יהושע (yehoshua) = Jozua | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | ויהרגו (vayaharegu) = en zij doodden | את (et) = (lijdend voorwerp) | המלכים (hammelakhim) = de koningen | וישליכו (vayashlikhu) = en zij wierpen | אותם (otam) = hen | אל (el) = in | המערה (hamme'arah) = de grot | וישימו (vayasimu) = en zij legden | אבנים (avanim) = stenen | גדולות (gedolot) = grote | אל (el) = voor | פי (pi) = de mond van | המערה (hamme'arah) = de grot Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:26–27. Zie ook: Joz 10:26–27 **89:29** En daarna ging Jozua met heel het volk dat bij hem was op die dag naar Mekkeda, en hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וילך (vayelekh) = en hij ging | יהושע (yehoshua) = Jozua | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | וכל (vekhol) = en alle | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | איתו (ito) = bij hem | אל (el) = naar | מקדה (maqqedah) = Mekkeda | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | ויכה (vayyakh) = en sloeg | אותה (otah) = haar | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:28. Zie ook: Joz 10:28 **89:30** En hij sloeg elke ziel en alles wat daarin was met de ban, en hij deed met haar, met haar koning en met haar volk, zoals hij met Jericho had gedaan. Brontekst: ויחרם (vayakharem) = en sloeg met de ban | את (et) = (lijdend voorwerp) | הנפש (hannefesh) = elke ziel | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | בה (bah) = daarin | ויעש (vayya'as) = en deed | לה (lah) = met haar | למלכה (lemalkah) = met haar koning | ולעמה (velaamah) = en met haar volk | כאשר (ka'asher) = zoals | עשה (asah) = hij had gedaan | ליריחו (liyrikho) = met Jericho Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. **89:31** En hij trok vandaar naar Libna en streed tegen haar, en Yahweh gaf haar in zijn hand; en Jozua sloeg elke ziel daarin met de scherpte van het zwaard, en hij deed met haar en haar koning zoals hij met de stad Jericho had gedaan. Brontekst: ויעבור (vaya'avor) = en trok | משם (misham) = vandaar | אל (el) = naar | לבנה (levenah) = Libna | וילחם (vayillachem) = en hij streed | בה (bah) = tegen haar | ויתנה (vayittenah) = en gaf haar | יהוה (Yahweh) = Yahweh | בידו (beyado) = in zijn hand | ויכה (vayyakh) = en sloeg | יהושע (yehoshua) = Jozua | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הנפש (hannefesh) = elke ziel | אשר (asher) = die | בה (bah) = daarin | ויעש (vayya'as) = en deed | לה (lah) = met haar | ולמלכה (ulemalkah) = en met haar koning | כאשר (ka'asher) = zoals | עשה (asah) = hij had gedaan | לעיר (la'ir) = met de stad | יריחו (yerikho) = Jericho Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:29–30. Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 10:29–30 **89:32** En vandaar trok hij naar Lachis om tegen haar te strijden; en Horam, de koning van Gezer, trok op om de mannen van Lachis te helpen, en Jozua sloeg hem en zijn volk totdat hem geen overlevende overbleef. Brontekst: ומשם (umisham) = en vandaar | עבר (Ever) = trok hij | לכישה (lakhishah) = naar Lachis | להילחם (lehillachem) = te strijden | בה (bah) = tegen haar | ויעל (vayya'al) = en trok op | הורם (horam) = Horam | מלך (malakh) = koning van | גזר (gezer) = Gezer | לעזור (la'azor) = om te helpen | את (et) = (lijdend voorwerp) | אנשי (anshei) = de mannen van | לכיש (lakhish) = Lachis | ויכהו (vayakehu) = en sloeg hem | יהושע (yehoshua) = Jozua | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | עמו (immo) = zijn volk | עד (ad) = totdat | בלתי (bilti) = niet | השאיר (hish'ir) = overbleef | לו (lo) = hem | שריד (sarid) = een overlevende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft גזר (‘Gezer’); de Engelse vertaling heeft ‘Gaza’. Zie Joz. 10:31–33. Zie ook: Joz 10:31–33 **89:33** En Jozua nam Lachis in met heel haar volk, en hij deed met haar volgens alles wat hij met Libna had gedaan. Brontekst: וילכוד (vayilkod) = en nam in | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | לכיש (lakhish) = Lachis | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עמה (immah) = haar volk | ויעש (vayya'as) = en deed | לה (lah) = met haar | ככל (kekhol) = volgens alles | אשר (asher) = die | עשה (asah) = hij had gedaan | ללבנה (lelivnah) = met Libna Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:34** En Jozua trok vandaar naar Eglon en nam ook haar in, en hij sloeg haar en heel haar volk met de scherpte van het zwaard. Brontekst: ויעבור (vaya'avor) = en trok | יהושע (yehoshua) = Jozua | משם (misham) = vandaar | עגלונה (eglonah) = naar Eglon | וילכדה (vayilkedah) = en nam haar in | גם (gam) = ook | היא (hi) = zij | ויך (vayyakh) = en sloeg | אותה (otah) = haar | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | עמה (immah) = haar volk | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:34–35. Zie ook: Joz 10:34–35 **89:35** En vandaar trok hij naar Hebron en streed tegen haar en nam haar in en sloeg haar met de ban. En vandaar keerde hij terug, hij en heel Israël met hem, naar Debir, en streed tegen haar en sloeg haar met de scherpte van het zwaard. Brontekst: ומשם (umisham) = en vandaar | עבר (Ever) = trok hij | חברונה (chevronah) = naar Hebron | וילחם (vayillachem) = en hij streed | בה (bah) = tegen haar | וילכדה (vayilkedah) = en nam haar in | ויחרם (vayakharem) = en sloeg met de ban | אותה (otah) = haar | וישב (vayyashev) = en keerde terug | משם (misham) = vandaar | הוא (hu) = hij | וכל (vekhol) = en alle | ישראל (yisra'el) = Israël | עמו (immo) = met hem | דבירה (devirah) = naar Debir | וילחם (vayillachem) = en hij streed | בה (bah) = tegen haar | ויכה (vayyakh) = en sloeg | אותה (otah) = haar | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:36–39. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Joz 10:36–39 **89:36** En hij sloeg elke ziel daarin met de ban, hij liet geen overlevende over; en hij deed met haar en met haar koning zoals hij met Jericho had gedaan. Brontekst: ויחרם (vayakharem) = en sloeg met de ban | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הנפש (hannefesh) = elke ziel | אשר (asher) = die | בה (bah) = daarin | לא (lo) = niet | השאיר (hish'ir) = liet hij over | שריד (sarid) = een overlevende | ויעש (vayya'as) = en deed | לה (lah) = met haar | ולמלכה (ulemalkah) = en met haar koning | כאשר (ka'asher) = zoals | עשה (asah) = hij had gedaan | ליריחו (liyrikho) = met Jericho Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. **89:37** En Jozua sloeg alle koningen van de Amorieten, van Kades-Barnea tot Gaza, en hij nam hun land in één keer in, want Yahweh streed voor Israël. Brontekst: ויכה (vayyakh) = en sloeg | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | אשר (asher) = die | מקדש (miqadesh) = van Kades | ברנע (barnea) = Barnea | ועד (ve'ad) = tot | עזה (azzah) = Gaza | וילכוד (vayilkod) = en hij veroverde | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארצם (artsam) = hun land | פעם (pa'am) = keer | אחת (achat) = één | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | נלחם (nilcham) = streed | לישראל (leyisra'el) = voor Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 10:40–41. Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land. Zie ook: Joz 10:40–41 **89:38** En Jozua keerde terug met heel Israël naar het kamp te Gilgal. Brontekst: וישב (vayyashev) = en keerde terug | יהושע (yehoshua) = Jozua | וכל (vekhol) = en alle | ישראל (yisra'el) = Israël | עמו (immo) = met hem | אל (el) = naar | המחנה (hammachaneh) = het kamp | הגלגלה (haggilgalah) = naar Gilgal Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Chasor en de koning Jabin **89:39** In die tijd, toen Jabin, de koning van Chasor, hoorde alles wat Jozua alle koningen van de Amorieten had aangedaan, zond Jabin naar Jobab, de koning van Madon, en naar Laban, de koning van Simron, en naar Jafeil, de koning van Achsaf, en naar alle koningen van de Amorieten, met de woorden: Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | כשמוע (kishmo'a) = toen hij hoorde | יבין (yavin) = Jabin | מלך (malakh) = koning van | חצור (chatsor) = Chasor | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gedaan | יהושע (yehoshua) = Jozua | לכל (lekhol) = aan alle | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | וישלח (vayishlach) = en zond | יבין (yavin) = Jabin | אל (el) = naar | יובב (Yovav) = Jobab | מלך (malakh) = koning van | מדון (madon) = Madon | ואל (ve'el) = en naar | לבן (Lavan) = Laban | מלך (malakh) = koning van | שמרון (shimron) = Simron | ואל (ve'el) = en naar | יפעיל (yafeil) = Jafeil | מלך (malakh) = koning van | אכשף (akhshaf) = Achsaf | ואל (ve'el) = en naar | כל (kol) = alle | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | לאמור (lemor) = zeggende Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 11:1–3. Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Zie ook: Joz 11:1–3 **89:40** „Kom snel naar ons en help ons, dan zullen wij de zonen van Israël slaan, voordat zij over ons komen en met ons doen zoals zij met de overige koningen van de Amorieten hebben gedaan.” Brontekst: בואו (bo'o) = komt | מהרה (maherah) = snel | אלינו (elenu) = naar ons | ועזרונו (ve'azruno) = en help ons | ונכה (venakkeh) = opdat wij slaan | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | טרם (terem) = voordat | יבואו (yavo'u) = zij komen | עלינו (aleinu) = over ons | ויעשו (vaya'asu) = en zij doen | לנו (lanu) = met ons | כאשר (ka'asher) = zoals | עשו (asu) = zij hebben gedaan | ליתר (leyeter) = met de overige | מלכי (malkhei) = koningen van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:41** En al deze koningen luisterden naar de woorden van Jabin, de koning van Chasor, en zij trokken uit, zij en al hun legerkampen, zeventien koningen, en met hen een talrijk volk, als het zand aan de oever van de zee, en paarden en wagens, zeer talrijk, zonder getal. En zij kwamen en legerden zich samen bij de wateren van Merom, en kwamen samen om tegen Israël te strijden. Brontekst: וישמעו (vayishme'u) = en luisterden | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | אל (el) = naar | דברי (divrei) = de woorden van | יובב (Yovav) = Jabin | מלך (malakh) = koning van | חצור (chatsor) = Chasor | ויצאו (vayyetse'u) = en trokken uit | הם (hem) = zij | וכל (vekhol) = en alle | מחניהם (machanehem) = hun legerkampen | שבע (sheva) = zeventien | עשרה (esreh) = — | מלכים (melakhim) = koningen | ועמם (ve'imam) = en met hen | עם (im) = een volk | רב (rav) = talrijk | כחול (kachol) = als het zand | אשר (asher) = die | על (al) = aan | שפת (sefat) = de oever van | הים (hayyam) = de zee | וסוס (vesus) = en paarden | ורכב (varekhev) = en wagens | רב (rav) = talrijke | מאוד (me'od) = zeer | אשר (asher) = die | אין (ein) = geen | להם (lahem) = hun | מספר (mispar) = aantal | ויבואו (vayavo'u) = en zij kwamen | ויחנו (vayachanu) = en zij legerden zich | יחד (yachad) = samen | על (al) = bij | מי (mi) = de wateren van | מרום (marom) = Merom | ויועדו (vayivvaadu) = en kwamen samen | להילחם (lehillachem) = te strijden | עם (im) = tegen | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Voetnoot Lezing: De tekst heeft יובב מלך חצור (‘Jobab’), maar de koning van Chasor heet in vers 39 Jabin; gelezen als יבין (‘Jabin’), zoals de Engelse vertaling. Zie Joz. 11:4–5. Zie ook: Joz 11:4–5 **89:42** En Yahweh zei tot Jozua: **„Wees niet bang voor hen, want morgen omstreeks deze tijd zal Ik hen allen gesneuveld voor jullie geven; hun paarden zul je de pezen doorsnijden en hun strijdwagens zul je met vuur verbranden.”** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | אל (el) = niet | תירא (tira) = vrees | מהם (mehem) = voor hen | כי (ki) = want | כעת (ke'et) = omstreeks de tijd | מחר (machar) = morgen | אתן (etten) = zal Ik geven | את (et) = (lijdend voorwerp) | כולם (kullam) = hen allen | חללים (chalalim) = als gesneuvelden | לפניכם (lifnekhem) = voor jullie | את (et) = (lijdend voorwerp) | סוסיהם (susehem) = hun paarden | תעקר (teaker) = zul je de pezen doorsnijden | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מרכבותיהם (merkavoteihem) = hun strijdwagens | תשרוף (tisrof) = zul je verbranden | באש (ba'esh) = in vuur Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 11:6. Zie ook: Joz 11:6 **89:43** En Jozua en alle krijgslieden kwamen plotseling over hen en sloegen hen, en zij vielen in hun handen, en Yahweh gaf hen in de hand van de zonen van Israël. Brontekst: ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | יהושע (yehoshua) = Jozua | וכל (vekhol) = en alle | אנשי (anshei) = de mannen van | המלחמה (hammilchamah) = de oorlog | עליהם (aleihem) = over hen | פתאום (pit'om) = plotseling | ויכו (vayakku) = en sloegen | בהם (bahem) = hen | ויפלו (vayippelu) = en zij vielen | בידם (beyadam) = in hun handen | ויתנם (vayittenem) = en gaf hen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ביד (beyad) = in de hand van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 11:7–8. Zie ook: Joz 11:7–8 **89:44** En de zonen van Israël achtervolgden al deze koningen en hun legerkampen en sloegen hen en verbrijzelden hen totdat hun geen overlevende overbleef; en Jozua deed zoals Yahweh tot hem had gesproken. Brontekst: וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | מחניהם (machanehem) = hun legerkampen | ויכום (vayakkum) = en zij sloegen hen | ויכתום (vayekhatum) = en verbrijzelden hen | עד (ad) = totdat | בלתי (bilti) = niet | השאיר (hish'ir) = overbleef | להם (lahem) = hun | שריד (sarid) = een overlevende | ויעש (vayya'as) = en deed | יהושע (yehoshua) = Jozua | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | אליו (elav) = tegen hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:45** En Jozua keerde in die tijd terug naar Chasor en sloeg met het zwaard; en elke ziel daarin sloeg hij met de ban, en hij verbrandde haar in vuur. En Jozua trok van Chasor naar Simron, en hij sloeg haar en sloeg haar met de ban. Brontekst: וישב (vayyashev) = en keerde terug | יהושע (yehoshua) = Jozua | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | אל (el) = naar | חצור (chatsor) = Chasor | ויכה (vayyakh) = en sloeg | בחרב (bacherev) = met het zwaard | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | הנפש (hannefesh) = elke ziel | אשר (asher) = die | בה (bah) = daarin | החרים (hekherim) = sloeg hij met de ban | וישרפה (vayisrefah) = en verbrandde haar | באש (ba'esh) = in vuur | ויעבור (vaya'avor) = en trok | יהושע (yehoshua) = Jozua | מחצור (mechatsor) = uit Chasor | אל (el) = naar | שמרון (shimron) = Simron | ויכה (vayyakh) = en sloeg | ויחרם (vayakharem) = en sloeg met de ban | אותה (otah) = haar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 11:10–11. Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor). Zie ook: Joz 11:10–11 **89:46** En vandaar trok hij naar Achsaf en deed met haar zoals hij met Simron had gedaan. Brontekst: ומשם (umisham) = en vandaar | עבר (Ever) = trok hij | אל (el) = naar | אכשף (akhshaf) = Achsaf | ויעש (vayya'as) = en deed | לה (lah) = met haar | כאשר (ka'asher) = zoals | עשה (asah) = hij had gedaan | לשמרון (lishimron) = met Simron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:47** En hij trok vandaar naar Adullam en sloeg al het volk daarin, en hij deed met Adullam zoals hij met Achsaf en met Simron had gedaan. Brontekst: ויעבור (vaya'avor) = en trok | משם (misham) = vandaar | אל (el) = naar | עדולם (adullam) = Adullam | ויך (vayyakh) = en sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | בה (bah) = daarin | ויעש (vayya'as) = en deed | לעדולם (le adulam) = met Adullam | כאשר (ka'asher) = zoals | עשה (asah) = hij had gedaan | לאכשף (leakhshaf) = met Achsaf | ולשמרון (ulishimron) = en met Simron Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem. **89:48** En hij trok vandaar naar alle steden van de koningen die hij had geslagen, en hij sloeg al het volk dat daarin was overgebleven en sloeg hen met de ban. Brontekst: ויעבור (vaya'avor) = en trok | משם (misham) = vandaar | אל (el) = naar | כל (kol) = alle | ערי ('eri) = steden van | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | הכה (hikkah) = hij had geslagen | ויכה (vayyakh) = en sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | העם (ha'am) = het volk | אשר (asher) = die | נשאר (nish'ar) = overbleef | בהן (bahen) = daarin | ויחרם (vayakharem) = en sloeg met de ban | אתהן (ottehen) = ze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:49** Alleen hun buit en hun vee plunderden de zonen van Israël voor zich, maar alle mensen sloegen zij en zij lieten geen enkele ziel in leven. Brontekst: אך (akh) = alleen | שללם (shelalam) = hun buit | ובהמתם (uvehemtam) = en hun vee | בזזו (bazezu) = plunderden | להם (lahem) = voor zich | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וכל (vekhol) = en alle | האדם (ha'adam) = de mensen | הכו (hiku) = sloegen zij | ולא (velo) = en niet | החיו (hechyu) = lieten zij leven | כל (kol) = enige | נשמה (neshama) = ziel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **89:50** Zoals Yahweh Mozes had geboden, zo deed Jozua en heel Israël; zij lieten niets vallen. Brontekst: כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = aan | משה (moshe) = Mozes | כן (ken) = zo | עשה (asah) = deed | יהושע (yehoshua) = Jozua | וכל (vekhol) = en alle | ישראל (yisra'el) = Israël | לא (lo) = niet | הפילו (hipilu) = lieten zij vallen | דבר (davar) = iets Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ### Het land verdeeld **89:51** En Jozua en de zonen van Israël sloegen het hele land van de Kanaänieten, zoals Yahweh hun had geboden, en zij doodden al hun koningen, eenendertig koningen, en de zonen van Israël namen heel hun land in bezit. Brontekst: ויכו (vayakku) = en sloegen | יהושע (yehoshua) = Jozua | ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = land van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להם (lahem) = hun | ויהרגו (vayaharegu) = en doodden | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | מלכיהם (malkheihem) = hun koningen | שלושים (sheloshim) = dertig | ואחד (ve'echad) = en één | מלכים (melakhim) = koningen | ויקחו (vayyiqchu) = en zij namen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארצם (artsam) = hun land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 11:23. Zie ook: Joz 11:23 **89:52** Behalve de koninkrijken van Sihon en Og, aan de overzijde van de Jordaan, die Mozes had geslagen; ook dat waren vele steden, en Mozes gaf ze aan de Rubenieten en aan de Gadieten en aan de helft van de stam van de Manassieten. Brontekst: מלבד (milvad) = behalve | ממלכות (mamlekhot) = de koninkrijken van | סיחון (sikhon) = Sihon | ועוג (ve'og) = en Og | אשר (asher) = die | בעבר (be'ever) = aan de overzijde van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | אשר (asher) = die | הכה (hikkah) = had geslagen | משה (moshe) = Mozes | גם (gam) = ook | הם (hem) = waren | ערים (arim) = steden | רבים (rabbim) = vele | ויתנם (vayittenem) = en gaf ze | משה (moshe) = Mozes | לראובני (lareuveni) = aan de Rubenieten | ולגדי (velagadi) = en aan de Gadieten | ולחצי (ulakhatsi) = en aan de helft van | שבט (shevet) = de stam | המנשי (hamenashi) = van Manasse Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 12:1–6. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie ook: Joz 12:1–6 **89:53** En Jozua sloeg alle koningen aan de westzijde van de Jordaan, en hij gaf ze als erfdeel aan de negen stammen en de helft van de stam. Brontekst: ויהושע (vihoshua) = en Jozua | הכה (hikkah) = sloeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | אשר (asher) = die | מעבר (me'ever) = aan de zijde van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | ימה (yammah) = westwaarts | ויתנם (vayittenem) = en gaf ze | לנחלה (lenachala) = als erfdeel | לתשעת (latishat) = aan de negen | המטות (hamatot) = stammen | וחצי (vachatsi) = en de helft van | המטה (hammateh) = de stam Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 12:7. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: מעבר ימה (me’ever yammah), ‘aan de westzijde’: letterlijk ‘van de overkant, naar de zee’; bedoeld is ten westen van de Jordaan. Zie ook: Joz 12:7 **89:54** Vijf jaar voerde Jozua oorlog tegen al deze koningen en gaf hun steden aan Israël; en het land kwam tot rust van de oorlog in alle steden van de Amorieten en de Kanaänieten. Brontekst: חמש (chamesh) = vijf | שנים (shanim) = jaar | עשה (asah) = voerde | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = tegen | כל (kol) = alle | המלכים (hammelakhim) = de koningen | האלה (ha'elleh) = deze | מלחמה (milchamah) = oorlog | ויתן (vayitten) = en gaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | עריהם (arehem) = hun steden | לישראל (leyisra'el) = voor Israël | והארץ (vehaarets) = en het land | שקטה (shaqetah) = kwam tot rust | מהמלחמה (mehammilchamah) = van de oorlog | בכל (bekhol) = in heel | ערי ('eri) = steden van | האמורי (ha'emori) = de Amorieten | והכנענים (vehakenaanim) = en de Kanaänieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) ## Jasher 90 _Jozua's afscheid en dood_ ### Edom en Kittim **90:1** In die tijd, in het vijfde jaar na de overtocht van de zonen van Israël over de Jordaan, nadat de zonen van Israël rust hadden gekregen van hun strijd tegen de Kanaänieten, ontstonden in die tijd grote, sterke en machtige oorlogen tussen Edom en de zonen van Kittim; en de zonen van Kittim streden tegen Edom. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | בשנת (bishnat) = in het jaar van | חמש (chamesh) = vijf | שנים (shanim) = jaren | לעבור (la'avor) = bij het oversteken door | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | אחרי (acharei) = na | אשר (asher) = die | שקטו (shaketu) = rust hadden gekregen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממלחמתם (mimilkhamtam) = van hun strijd | את (et) = tegen | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | ויקומו (vayaqumu) = en er ontstonden | בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | מלחמות (milchamot) = de oorlogen van | גדולות (gedolot) = grote | חזקות (khazakot) = sterke | ועצומות (veatsumot) = en machtige | בין (bein) = tussen | אדום (Edom) = Edom | ובין (uvein) = en tussen | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | את (et) = tegen | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. **90:2** En Abianus, de koning van Kittim, trok in dat jaar uit, in het eenendertigste jaar van zijn regering, en een sterke hand met hem van de helden van de zonen van Kittim; en hij trok naar Seïr om te strijden tegen de zonen van Ezau. Brontekst: ויצא (vayetse) = en trok uit | אביאנוס (aviyanus) = Abianus | מלך (malakh) = koning van | כתימה (kitima) = Kittim | בשנה (bashanah) = in het jaar | ההיא (hahi) = die | שנת (shenat) = het jaar | שלושים (sheloshim) = dertig | ואחת (ve'achat) = en één | למלכו (lemalko) = van zijn regering | ויד (vayad) = en een hand | חזקה (chazaqah) = sterke | עמו (immo) = met hem | מגיבורי (migiborei) = van de helden van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | וילך (vayelekh) = en trok | שעירה (se'irah) = naar Seïr | להילחם (lehillachem) = te strijden | את (et) = tegen | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **90:3** En Hadad, de koning van Edom, hoorde zijn roem en trok hem tegemoet met een zwaar volk en een sterke hand, en voerde met hem oorlog op het veld van Edom. Brontekst: וישמע (vayishma) = en hoorde | הדד (hadad) = Hadad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | את (et) = (lijdend voorwerp) | שומעו (shom'o) = zijn roem | ויצא (vayetse) = en trok uit | לקראתו (liqrato) = hem tegemoet | בעם (be'am) = met een | כבד (kaved) = volk — zwaar | וביד (uvyad) = en met een hand | חזקה (chazaqah) = sterke | ויערוך (vaya'arokh) = en voerde | איתו (ito) = met hem | מלחמה (milchamah) = oorlog | בשדה (bassadeh) = op het veld van | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **90:4** En de hand van Kittim werd sterker dan de zonen van Ezau, en de zonen van Kittim doodden van de zonen van Ezau tweeëntwintigduizend; en alle zonen van Ezau vluchtten voor hen. Brontekst: ותגבר (vatigbar) = en werd sterker | יד (yad) = de hand van | כיתים (kitim) = Kittim | על (al) = dan | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | ויהרגו (vayaharegu) = en doodden | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | מבני (mibbnei) = van de zonen van | עשו (asu) = Ezau | שניים (shenayim) = twee | ועשרים (ve'esrim) = en twintig | אלף (elef) = duizend | וינוסו (vayanusu) = en vluchtten | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | עשו (asu) = Ezau | לפניהם (lifneihem) = voor hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:5** En de zonen van Kittim achtervolgden hen en haalden Hadad, de koning van Edom, in, die rennend voor hen uit liep; en zij grepen hem levend en brachten hem tot Abianus, de koning van Kittim. Brontekst: וירדפו (vayyirdefu) = en achtervolgden | אחריהם (acharehem) = hen | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | וידביקו (vayadbiku) = en haalden in | את (et) = (lijdend voorwerp) | הדד (hadad) = Hadad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | רץ (ruts) = rennend | לפניהם (lifneihem) = voor hen uit | ויתפשוהו (vayitpesuhu) = en zij grepen hem | חי (chai) = levend | ויביאו (vayavi'u) = en zij brachten | אותו (oto) = hem | אל (el) = tot | אביאנוס (aviyanus) = Abianus | מלך (malakh) = koning van | כיתים (kitim) = Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **90:6** En Abianus gebood, en zij doodden hem; en Hadad, de koning van Edom, stierf in het achtenveertigste jaar van zijn regering. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | אביאנוס (aviyanus) = Abianus | ויהרגוהו (vayahargu) = en zij doodden hem | וימת (vayamot) = en hij stierf | הדד (hadad) = Hadad | מלך (malakh) = koning van | אדום (Edom) = Edom | בשנת (bishnat) = in het jaar | ארבעים (arba'im) = veertig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנה (shanah) = jaar | למלכו (lemalko) = van zijn regering Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **90:7** En de zonen van Kittim achtervolgden Edom nog verder en sloegen hen met een zware slag, en Edom onderwierp zich aan de zonen van Kittim. Brontekst: וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | עוד (od) = nog | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | את (et) = (lijdend voorwerp) | אדום (Edom) = Edom | ויכו (vayakku) = en sloegen | בהם (bahem) = hen | מכה (makkah) = een slag | רבה (rabbah) = zware | ויכנע (vayikkana) = en onderwierp zich | אדום (Edom) = Edom | לפני (lifnei) = voor | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:8** En de zonen van Kittim heersten over Edom, en Edom kwam onder het gezag van de zonen van Kittim; en zij werden tot één koninkrijk vanaf die dag. Brontekst: וימשלו (vayimshelu) = en heersten | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | על (al) = over | אדום (Edom) = Edom | ויהי (vayehi) = en werd | אדום (Edom) = Edom | תחת (tachat) = onder | יד (yad) = de hand van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ויהיו (vayihyu) = en werden | לממלכה (lemamlakhah) = tot een koninkrijk | אחת (achat) = één | מהיום (mehayyom) = vanaf die dag | ההוא (hahu) = — | והלאה (vehal'ah) = — Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **90:9** En sinds die dagen konden zij hun hoofd niet meer opheffen, en hun koninkrijk werd één met de zonen van Kittim. Brontekst: ולא (velo) = en niet | יספו (yosifu) = voegden toe | עוד (od) = meer | לשאת (laset) = op te heffen | ראשם (rosham) = hun hoofd | מימים (miyyamim) = sinds de dagen | ההם (hahem) = die | ותהי (vatehi) = en werd | ממלכתם (mamlakhtam) = hun koninkrijk | אחת (achat) = één | עם (im) = met | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:10** En Abianus zette bestuurders in Edom, en alle zonen van Edom werden knechten, cijnsplichtig aan Abianus; en Abianus keerde zich om en keerde terug naar zijn land, Kittim. Brontekst: וישם (vayasem) = en hij zette | אביאנוס (aviyanus) = Abianus | נציבים (netsivim) = bestuurders | באדום (be'edom) = in Edom | ויהיו (vayihyu) = en werden | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | אדום (Edom) = Edom | עבדים (avadim) = knechten | למס (lamas) = tot cijnsplichtigen | עובד (oved) = dienend | לאביאנוס (leaviyanus) = aan Abianus | ויפן (vayyifen) = en keerde zich om | אביאנוס (aviyanus) = Abianus | וישב (vayyashev) = en keerde terug | אל (el) = naar | ארצו (artso) = zijn land | כתימה (kitima) = Kittim Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **90:11** En toen hij terugkeerde, vernieuwde hij zijn koningschap en bouwde voor zich een groot en machtig paleis tot zetel van het koningschap, en hij regeerde in veiligheid over de zonen van Kittim en over Edom. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשובו (beshuvo) = toen hij terugkeerde | ויחדש (vayechadesh) = en vernieuwde | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלכותו (malkhuto) = zijn koningschap | ויבן (vayiven) = en bouwde | לו (lo) = voor zich | היכל (heikhal) = een paleis | גדול (gadol) = grote | ועצום (ve'atsum) = en machtig | למושב (lemoshav) = tot zetel | המלוכה (hammelukhah) = van het koningschap | וימלוך (vayemlokh) = en regeerde | לבטח (lavetach) = in veiligheid | על (al) = over | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ועל (ve'al) = en over | אדום (Edom) = Edom Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. ### De verdeling van het land **90:12** In die dagen, nadat de zonen van Israël alle Kanaänieten en Amorieten hadden verdreven, was Jozua oud, gevorderd in jaren. Brontekst: בימים (bayyamim) = in die dagen | ההם (hahem) = die | כאשר (ka'asher) = nadat | הורישו (horisho) = hadden verdreven | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | והאמורי (vehaemori) = en de Amorieten | ויהושע (vihoshua) = en Jozua | זקן (zaqen) = was oud | בא (ba) = gevorderd | בימים (bayyamim) = in jaren Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 13:1. Zie ook: Joz 13:1 **90:13** En Yahweh zei tot Jozua: **„Je bent oud, gevorderd in jaren, en het land is zeer veel overgebleven om in bezit te nemen.** Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | יהושע (yehoshua) = Jozua | אתה (attah) = jij | זקנת (ziqnat) = bent oud | באת (ba'ta) = gevorderd | בימים (bayyamim) = in jaren | והארץ (vehaarets) = en het land | נשארה (nisharah) = is overgebleven | הרבה (harbeh) = veel | מאוד (me'od) = zeer | לרשתה (lerishtah) = om in bezit te nemen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:14** **En nu, verdeel heel dit land als erfdeel onder de negen stammen en de helft van de stam Manasse.”** En Jozua stond op en deed zoals Yahweh tot hem had gesproken. Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | חלק (cheleq) = verdeel | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | בנחלה (banakhalah) = als erfdeel | לתשעת (latishat) = aan de negen | השבטים (hashevatim) = de stammen | וחצי (vachatsi) = en de helft van | שבט (shevet) = de stam | המנשי (hamenashi) = Manasse | ויקם (vayyaqom) = en stond op | יהושע (yehoshua) = Jozua | ויעש (vayya'as) = en deed | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | אליו (elav) = tegen hem | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 13:7. Zie ook: Joz 13:7 **90:15** En hij verdeelde heel het land onder de stammen van Israël als bezit, naar hun afdelingen. Brontekst: ויחלק (vayechalleq) = en verdeelde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | לשבטי (leshivtei) = aan de stammen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ירושה (yerushah) = als bezit | במחלקותם (bemakhlekotam) = naar hun afdelingen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:16** Alleen aan de stam Levi gaf hij geen erfdeel; de vuuroffers van Yahweh zijn zijn erfdeel, zoals Yahweh door de hand van Mozes tot hem had gesproken. Brontekst: רק (raq) = alleen | לשבט (leshevet) = aan de stam | הלוי (halevi) = Levi | לא (lo) = niet | נתן (natan) = hij gaf | נחלה (nakhalah) = erfdeel | אשי (ishei) = de vuuroffers van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הוא (hu) = dat | נחלתו (nachalato) = zijn bezit | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ביד (beyad) = door de hand van | משה (moshe) = Mozes | לו (lo) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 13:14, 33. Zie ook: Joz 13:14 **90:17** En Jozua gaf het gebergte van Hebron aan Kaleb, de zoon van Jefunne, één deel boven zijn broers, zoals Yahweh door de hand van Mozes had gesproken. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | הר (har) = het gebergte van | חברון (Chevron) = Hebron | לכלב (lekhalev) = aan Kaleb | בן (ben) = zoon van | יפונה (yefunneh) = Jefunne | שכם (Shekhem) = deel | אחד (echad) = één | על (al) = boven | אחיו (achiv) = zijn broers | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | ביד (beyad) = door de hand van | משה (moshe) = Mozes Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 14:13; Gen. 48:22. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 48:22; Joz 14:13 **90:18** Daarom werd Hebron een erfdeel voor Kaleb, de zoon van Jefunne, en voor zijn zonen tot op deze dag. Brontekst: על (al) = daarom | כן (ken) = — | היתה (hayetah) = werd | חברון (Chevron) = Hebron | לכלב (lekhalev) = aan Kaleb | בן (ben) = zoon van | יפונה (yefunneh) = Jefunne | ולבניו (ulevanav) = en voor zijn zonen | לנחלה (lenachala) = als erfdeel | עד (ad) = tot op | היום (hayyom) = de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. **90:19** En Jozua verdeelde heel het land bij loting aan heel Israël als erfdeel, zoals Yahweh hem had geboden. Brontekst: ויחלק (vayechalleq) = en hij verdeelde | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | בגורל (bagoral) = door het lot | לכל (lekhol) = aan heel | ישראל (yisra'el) = Israël | לנחלה (lenachala) = als erfdeel | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אותו (oto) = hem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:20** En de zonen van Israël gaven van hun erfdeel steden aan de Levieten om in te wonen, en hun weidegronden voor hun vee en voor hun bezit. Zoals Yahweh Mozes had geboden, zo deden de zonen van Israël, en zij verdeelden het land bij loting, groot of klein. Brontekst: ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מנחלתם (minakhalatam) = van hun erfdeel | ללוים (laleviyim) = aan de Levieten | ערים (arim) = steden | לשבת (lashevet) = om in te wonen | ומגרשיהם (umigrasheihem) = en hun weidegronden | למקניהם (lemiqnehem) = voor hun vee | ולקניינם (ulikinyanam) = en voor hun bezit | כאשר (ka'asher) = zoals | ציוה (tsiwwah) = had geboden | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = aan | משה (moshe) = Mozes | כן (ken) = zo | עשו (asu) = deden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויחלקו (vayachaleqo) = en zij verdeelden | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | בגורל (bagoral) = door het lot | בין (bein) = of | רב (rav) = groot | למעט (lamaat) = klein Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 21:1–3. Zie ook: Joz 21:1–3 **90:21** En zij gingen om het land te erven volgens zijn grenzen, en de zonen van Israël gaven een erfdeel aan Jozua, de zoon van Nun, in hun midden. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | לנחול (linkhol) = om te erven | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land | לגבולותיה (ligvulotehah) = volgens haar grenzen | ויתנו (vayittenu) = en zij gaven | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | נחלה (nakhalah) = een erfdeel | ליהושע (lihoshua) = aan Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun | בתוכם (betokham) = onder hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:22** Op bevel van Yahweh gaven zij hem de stad die hij had gevraagd, Timnat-Serach op het gebergte van Efraïm; en hij bouwde de stad en woonde daarin. Brontekst: על (al) = op | פי (pi) = bevel van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | נתנו (netano) = gaven zij | לו (lo) = hem | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de stad | אשר (asher) = die | שאל (shaal) = hij vroeg | את (et) = (lijdend voorwerp) | תמנת (timnat) = Timnat- | סרח (serach) = Serach | בהר (bahar) = op het gebergte van | אפרים (efrayim) = Efraïm | ויבנה (vayiven) = en hij bouwde | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de stad | וישב (vayyashev) = en woonde | בה (bah) = daarin Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 19:49–50. Zie ook: Joz 19:49–50 **90:23** Dit zijn de erfdelen die Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden van de vaderen van de stammen aan de zonen van Israël verdeelden bij loting in Silo, voor het aangezicht van Yahweh, bij de ingang van de tent van samenkomst; en zij voltooiden het verdelen van het land. Brontekst: אלה (elleh) = dit zijn | הנחלות (hanakhalot) = de erfdelen | אשר (asher) = die | נחלו (nakhalu) = verdeelden | אלעזר (el'azar) = Eleazar | הכהן (hakohen) = de priester | ויהושע (vihoshua) = en Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun | וראשי (verashei) = en de hoofden van | אבות (avot) = de vaderen | המטות (hamatot) = stammen | לבני (livnei) = aan de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בגורל (bagoral) = door het lot | בשילה (beshilo) = in Silo | לפני (lifnei) = voor | יהוה (Yahweh) = Yahweh | פתח (petach) = de ingang van | אוהל (ohel) = de tent van | מועד (mo'ed) = samenkomst | ויכלו (vayekhalu) = en zij voltooiden | מחלק (mekhalek) = met het verdelen van | את (et) = (lijdend voorwerp) | הארץ (ha'arets) = het land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 19:51. Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Joz 19:51 **90:24** En Yahweh gaf heel het land aan Israël, en zij namen het in bezit, zoals Yahweh hun had gesproken en zoals Yahweh hun vaders had gezworen. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לישראל (leyisra'el) = aan Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הארץ (ha'arets) = het land | וירשו (vayireshu) = en zij namen in bezit | אותה (otah) = haar | כאשר (ka'asher) = zoals | דיבר (dibber) = had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להם (lahem) = hun | וכאשר (vekha'asher) = en zoals | נשבע (nishba) = had gezworen | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לאבותיהם (laavotehem) = aan hun vaders Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 21:43–44. Zie ook: Joz 21:43–44 **90:25** En Yahweh gaf de zonen van Israël rust rondom van al hun vijanden, en niemand hield stand tegen hen, en Hij gaf al hun vijanden in hun hand. En geen woord viel van al het goede dat Yahweh tot de zonen van Israël had gesproken; alles vervulde Yahweh. Brontekst: וינח (vayanach) = en gaf rust | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לבני (livnei) = aan de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מסביב (missaviv) = rondom | מכל (mikkol) = van elke | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden | ולא (velo) = en niet | עמד (amad) = hield stand | בפניהם (befnehem) = voor hen | איש (ish) = iemand | ויתן (vayitten) = en gaf | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | אויביהם (oyeveihem) = hun vijanden | בידם (beyadam) = in hun hand | ולא (velo) = en niet | נפל (nafal) = viel | דבר (davar) = woord | אחד (echad) = één | מכל (mikkol) = van elke | הטוב (hattov) = het goede | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | הכל (hakkol) = alles | הקים (hekim) = vervulde | יהוה (Yahweh) = Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 21:44–45. Zie ook: Joz 21:44–45 **90:26** En Jozua riep heel Israël en zegende hen en gebood hun Yahweh te dienen; en daarna zond hij hen weg, en zij gingen, ieder naar zijn stad en ieder naar zijn erfdeel. Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | יהושע (yehoshua) = Jozua | אל (el) = tot | כל (kol) = alle | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ויברכם (vayevarekhem) = en zegende hen | ויצום (vayetsavvem) = en gebood hun | לעבוד (la'avod) = te dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | וישלחם (vayishlachem) = en zond hen weg | אחרי (acharei) = daarna | כן (ken) = — | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | איש (ish) = ieder | לעירו (le'iro) = naar zijn stad | ואיש (ve'ish) = en ieder | לנחלתו (lenakhalato) = naar zijn erfdeel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:27** En de zonen van Israël dienden Yahweh al de dagen van Jozua, en Yahweh gaf hun rust rondom, en zij woonden in hun steden in veiligheid. Brontekst: ויעבדו (vaya'avdu) = en dienden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | יהושע (yehoshua) = Jozua | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | הניח (henich) = gaf rust | להם (lahem) = hun | מסביב (missaviv) = rondom | וישבו (vayeshvu) = en woonden | בעריהם (be'areihem) = in hun steden | לבטח (lavetach) = in veiligheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 24:31. Zie ook: Joz 24:31 **90:28** En het gebeurde in die dagen dat Abianus, de koning van Kittim, stierf, in het achtendertigste jaar van zijn regering, dat is het zevende jaar van zijn regering over Edom; en zij begroeven hem in zijn paleis dat hij voor zichzelf had gebouwd, en Latinus regeerde in zijn plaats vijftig jaar. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in die dagen | ההם (hahem) = die | וימת (vayamot) = en hij stierf | אביאנוס (aviyanus) = Abianus | מלך (malakh) = koning van | כיתים (kitim) = Kittim | בשנת (bishnat) = in het jaar | שלושים (sheloshim) = dertig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | למלכו (lemalko) = van zijn regering | היא (hi) = dat is | השנה (hashanah) = het jaar | השביעית (hashevi'it) = zevende | למלכו (lemalko) = van zijn regering | על (al) = over | אדום (Edom) = Edom | ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | אותו (oto) = hem | בהיכלו (beheikhalo) = in zijn paleis | אשר (asher) = die | בנה (Benah) = had gebouwd | לו (lo) = voor zichzelf | וימלוך (vayemlokh) = en regeerde | תחתיו (tachtav) = in zijn plaats | לטינוס (letinus) = Latinus | חמישים (chamishim) = vijftig | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **90:29** En tijdens zijn regering liet hij een leger uittrekken en trok op en streed tegen de bewoners van Brantia en Mania, de zonen van Elisa, de zoon van Javan, en hij overwon hen en maakte hen cijnsplichtig. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | במלכו (bemalko) = tijdens zijn regering | ויוצא (vayotse) = liet hij uittrekken | צבא (tsava) = een leger | וילך (vayelekh) = en trok | וילחם (vayillachem) = en streed | עם (im) = tegen | יושבי (yoshvei) = de bewoners van | ברנטיא (brantya) = Brantia | ובמניא (uvemanya) = en Mania | בני (bnei) = zonen van | אלישה (Elishah) = Elisa | בן (ben) = zoon van | יון (Yavan) = Javan | ויגבר (vayigbar) = en overwon | עליהם (aleihem) = hen | וישימם (vayesimem) = en maakte hen | למס (lamas) = tot cijnsplichtigen | עובד (oved) = dienend Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Uitleg: ברנטיא ובמניא (‘Brantia en Mania’): de Engelse vertaling heeft ‘Britannia en Kernania’. Zie Gen. 10:4 voor Elisa en Javan. Zie ook: Gen 10:4 **90:30** Toen hoorde hij dat Edom in opstand was gekomen van onder het gezag van de zonen van Kittim, en Latinus trok naar hen toe en sloeg hen en onderwierp hen, en zij werden teruggebracht onder het gezag van de zonen van Kittim; en Edom werd al de dagen één koninkrijk met de zonen van Kittim. Brontekst: אז (az) = toen | שמע (shema) = hoorde hij | כי (ki) = dat | פשע (pasha) = in opstand was gekomen | אדום (Edom) = Edom | מתחת (mittachat) = van onder | יד (yad) = de hand van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | וילך (vayelekh) = en hij ging | אליהם (aleihem) = naar hen | לטינוס (letinus) = Latinus | ויך (vayyakh) = en sloeg | בהם (bahem) = hen | ויכניעם (vayakhni'em) = en onderwierp hen | וישיבו (vayashivu) = en zij brachten hen terug | תחת (tachat) = onder | יד (yad) = de hand van | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ויהי (vayehi) = en werd | אדום (Edom) = Edom | לממלכה (lemamlakhah) = tot een koninkrijk | אחת (achat) = één | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | כל (kol) = al | הימים (hayyamim) = de dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:31** Vele dagen was er geen koning in Edom, en heel hun koninkrijk was met de zonen van Kittim en met hun koningen. Brontekst: ימים (yamim) = dagen | רבים (rabbim) = vele | אין (ein) = was geen | מלך (malakh) = koning | באדום (be'edom) = in Edom | ותהי (vatehi) = en was | כל (kol) = alle | ממלכתם (mamlakhtam) = hun koninkrijk | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | כיתים (kitim) = Kittim | ואת (ve'et) = en met | מלכיהם (malkheihem) = hun koningen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. ### Jozua's afscheid **90:32** En het gebeurde in het zesentwintigste jaar na de overtocht van de zonen van Israël over de Jordaan, dat is het zesenzestigste jaar na de uittocht van de zonen van Israël uit Egypte, dat Jozua, de zoon van Nun, oud was, gevorderd in jaren; hij was in die dagen honderdacht jaar oud. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בשנת (bishnat) = in het jaar | עשרים (esrim) = twintig | ושש (veshesh) = en zes | שנה (shanah) = jaar | לעבור (la'avor) = na het oversteken door | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | היא (hi) = dat is | שנת (shenat) = het jaar van | שישים (shishim) = zestig | ושש (veshesh) = en zes | שנים (shanim) = jaren | לצאת (latset) = na de uittocht van | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | ויהושע (vihoshua) = en Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun | זקן (zaqen) = was oud | בא (ba) = gevorderd | בימים (bayyamim) = in jaren | בן (ben) = was | מאה (me'ah) = honderd | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנה (shanah) = jaar | היה (hayah) = was hij | בימים (bayyamim) = in die dagen | ההם (hahem) = die Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 23:1–2. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Joz 23:1–2 **90:33** En Jozua riep heel Israël, zijn oudsten en zijn rechters en zijn opzichters, nadat Yahweh heel Israël rust had gegeven van hun vijanden rondom. En Jozua zei tot de oudsten van Israël en tot zijn rechters: „Zie, ik ben oud geworden, gevorderd in jaren, en jullie hebben gezien wat Yahweh heeft gedaan met alle volken die Hij voor jullie uit heeft verdreven, want Hij is het die voor jullie strijdt. Brontekst: ויקרא (vayikra) = en riep | יהושע (yehoshua) = Jozua | לכל (lekhol) = aan heel | ישראל (yisra'el) = Israël | לזקניו (lizkenav) = zijn oudsten | ולשופטיו (velishoftav) = en zijn rechters | ולשוטריו (velishotrav) = en zijn opzichters | אחרי (acharei) = nadat | אשר (asher) = die | הניח (henich) = rust had gegeven | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אל (el) = aan | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | מאויביהם (me'oyvehem) = van hun vijanden | מסביב (missaviv) = rondom | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהושע (yehoshua) = Jozua | אל (el) = tot | זקני (ziqnei) = de oudsten van | ישראל (yisra'el) = Israël | ואל (ve'el) = en tot | שופטיו (shoftav) = zijn rechters | הנה (hinneh) = zie | אנוכי (anokhi) = ik | זקנתי (zaqanti) = ben oud geworden | באתי (ba'ti) = gevorderd | בימים (bayyamim) = in jaren | ואתם (ve'atem) = en jullie | ראיתם (re'item) = hebben gezien | את (et) = (lijdend voorwerp) | אשר (asher) = die | עשה (asah) = heeft gedaan | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לכל (lekhol) = aan alle | הגוים (hagoyim) = de volken | אשר (asher) = die | הוריש (horish) = heeft verdreven | מפניכם (mipnekhem) = voor jullie uit | כי (ki) = want | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הוא (hu) = Hij | הנלחם (hanilkham) = die strijdt | לכם (lakhem) = voor jullie Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 23:2–3. Zie ook: Joz 23:2–3 **90:34** En nu, wees zeer sterk om alle woorden van de wet van Mozes te onderhouden en te doen, zonder ervan af te wijken, naar rechts of naar links, en zonder onder deze volken te komen die in het land zijn overgebleven; en de naam van hun goden zullen jullie niet noemen. Maar aan Yahweh, jullie Elohim, zullen jullie vasthouden, zoals jullie tot op deze dag hebben gedaan.” Brontekst: ועתה (ve'attah) = en nu | חזקו (chizqu) = weest sterk | מאוד (me'od) = zeer | לשמור (lishmor) = om te onderhouden | ולעשות (vela'asot) = en te doen | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | דברי (divrei) = woorden van | תורת (torat) = de wet van | משה (moshe) = Mozes | לבלתי (levilti) = zonder | סור (sur) = af te wijken | ממנה (mimmenah) = van haar | ימין (yamin) = rechts | ושמאל (usmol) = en links | ולבלתי (velivlti) = en niet | בוא (bo) = te komen | בגוים (bagoyim) = onder de volken | האלה (ha'elleh) = deze | אשר (asher) = die | נשארו (nish'aru) = zijn overgebleven | בארץ (ba'arets) = in het land | ובשם (uveshem) = en bij de naam van | אלוקיהם (elohehem) = hun goden | לא (lo) = niet | תזכירו (tazkiru) = zult jullie noemen | כי (ki) = maar | אם (em) = — | ביהוה (bYahweh) = aan Yahweh | אלוקיכם (elohekhem) = jullie Elohim | תדבקו (tidbaku) = zult jullie vasthouden | כאשר (ka'asher) = zoals | עשיתם (asitem) = hebben gedaan | עד (ad) = tot op | היום (hayyom) = de dag | הזה (hazzeh) = deze Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 23:6–8. Voetnoot Uitleg: אלוקיהם (Elohehem), ‘hun goden’: het meervoud is hier, bij de volken in het land, als ‘goden’ vertaald. Zie ook: Joz 23:6–8 **90:35** En Jozua gebood de zonen van Israël sterk Yahweh te dienen al hun dagen. Brontekst: ויצו (vayetsav) = en hij gebood | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | מאוד (me'od) = sterk | לעבוד (la'avod) = te dienen | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כל (kol) = alle | ימיהם (yemeihem) = hun dagen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:36** En heel Israël zei: „Yahweh, onze Elohim, zullen wij dienen al onze dagen, wij en onze zonen en de zonen van onze zonen en ons zaad, tot in eeuwigheid.” Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אלוקינו (elohenu) = onze Elohim | נעבוד (naavod) = zullen wij dienen | כל (kol) = alle | ימינו (yameinu) = onze dagen | אנחנו (anachnu) = wij | ובנינו (uvaneinu) = en onze zonen | ובני (uvnei) = en de zonen van | בנינו (baneinu) = onze zonen | וזרענו (vezar'enu) = en ons zaad | עד (ad) = tot | עולם (olam) = in eeuwigheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 24:16–24. Zie ook: Joz 24:16–24 **90:37** En Jozua sloot op die dag een verbond met het volk en zond de zonen van Israël weg, en zij gingen, ieder naar zijn erfdeel en naar zijn stad. Brontekst: ויכרות (vayikhrot) = en sloot | יהושע (yehoshua) = Jozua | ברית (berit) = een verbond | את (et) = met | העם (ha'am) = het volk | ביום (beyom) = op de dag | ההוא (hahu) = die | וישלח (vayishlach) = en zond weg | את (et) = (lijdend voorwerp) | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וילכו (vayelkhu) = en zij gingen | איש (ish) = ieder | לנחלתו (lenakhalato) = naar zijn erfdeel | ולעירו (ulairo) = en naar zijn stad Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 24:25, 28. Zie ook: Joz 24:25 ### De graven van de twaalf zonen **90:38** En het gebeurde in die dagen, toen de zonen van Israël veilig in hun steden woonden, dat zij de kisten van de stammen van hun vaders begroeven die zij uit Egypte hadden opgebracht, ieder in het erfdeel van zijn zonen. De twaalf zonen van Jakob begroeven de zonen van Israël, ieder in het bezit van zijn zonen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | בימים (bayyamim) = in die dagen | ההם (hahem) = die | בשבת (bishvet) = toen zij woonden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בעריהם (be'areihem) = in hun steden | לבטח (lavetach) = in veiligheid | ויקברו (vayiqberu) = en begroeven | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארונות (aronot) = de kisten van | מטות (matot) = de stammen van | אבותיהם (avoteihem) = hun vaderen | אשר (asher) = die | העלו (he'elu) = hadden opgebracht | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte | איש (ish) = ieder | בנחלת (benakhalat) = in het erfdeel van | בניו (banav) = zijn zonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = — | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | קברו (qivru) = begroeven zij | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | איש (ish) = ieder | באחוזת (baakhuzat) = in het bezit van | בניו (banav) = zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Ex. 13:19; Joz. 24:32. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 13:19; Joz 24:32 **90:39** En dit zijn de namen van de steden waarin zij de twaalf zonen van Jakob begroeven, die de zonen van Israël uit Egypte hadden opgebracht. Brontekst: ואלה (ve'elleh) = en dit zijn | שמות (shemot) = de namen van | הערים (he'arim) = de steden | אשר (asher) = die | קברו (qivru) = begroeven zij | בהם (bahem) = in welke | את (et) = (lijdend voorwerp) | שנים (shanim) = twaalf | עשר (esar) = — | בני (bnei) = zonen van | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | אשר (asher) = die | העלו (he'elu) = hadden opgebracht | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ממצרים (mimmitsrayim) = uit Egypte Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **90:40** En zij begroeven Ruben en Gad aan de overzijde van de Jordaan, in Rumia, dat Mozes hun voor hun zonen gaf. Brontekst: ויקברו (vayiqberu) = en begroeven | את (et) = (lijdend voorwerp) | ראובן (Re'uven) = Ruben | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | גד (Gad) = Gad | בעבר (be'ever) = aan de overzijde van | הירדן (hayyarden) = de Jordaan | ברומיא (beromya) = in Rumia | אשר (asher) = die | נתן (natan) = gaf | להם (lahem) = hun | משה (moshe) = Mozes | לבניהם (livneihem) = voor hun zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. **90:41** En Simeon en Levi begroeven zij in de stad Manda, die aan de zonen van Simeon gegeven was; en het weideland van de stad was voor de zonen van Levi. Brontekst: ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | שמעון (Shim'on) = Simeon | ולוי (uLevi) = en Levi | קברו (qivru) = begroeven zij | בעיר (ba'ir) = in de stad | מנדא (manda) = Manda | אשר (asher) = die | ניתנה (nittenah) = gegeven was | לבני (livnei) = aan de zonen van | שמעון (Shim'on) = Simeon | ויהי (vayehi) = en was | מגרש (migrash) = het weideland van | העיר (ha'ir) = de stad | לבני (livnei) = voor de zonen van | לוי (Levi) = Levi Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Lezing: De tekst heeft מנדא (‘Manda’); de Engelse vertaling heeft ‘Mauda’. **90:42** En Juda begroeven zij in de stad Bebia, tegenover Betlehem. Brontekst: ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | יהודה (Yehudah) = Juda | קברו (qivru) = begroeven zij | בעיר (ba'ir) = in de stad | בביא (bebiyah) = Bebia | נגד (neged) = tegenover | בית (bet) = Bet- | לחם (lechem) = lehem Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. **90:43** En de beenderen van Issachar en Zebulon begroeven zij in Sidon, in het deel dat aan hun zonen viel. Brontekst: ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | עצמות (atsamot) = de beenderen van | יששכר (Yissakhar) = Issachar | וזבולון (uzvulun) = en Zebulon | קברו (qivru) = begroeven zij | אותם (otam) = hen | בצידון (betsidon) = in Sidon | בחלק (bekhelek) = in het deel | אשר (asher) = die | נפל (nafal) = viel | לבניהם (livneihem) = aan hun zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. **90:44** En Dan werd begraven in de stad van zijn zonen, in Estaol; en Naftali en Aser begroeven zij in Kedesj-Naftali, ieder op zijn plaats, die aan zijn zonen gegeven was. Brontekst: ודן (vedan) = en Dan | נקבר (niqbar) = werd begraven | בעיר (ba'ir) = in de stad van | בניו (banav) = zijn zonen | באשתאול (beeshtaol) = in Estaol | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | נפתלי (Naftali) = Naftali | ואשר (va'asher) = en Aser | קברו (qivru) = begroeven zij | אותם (otam) = hen | בקדש (beqadesh) = in Kedesj | נפתלי (Naftali) = Naftali | איש (ish) = ieder | איש (ish) = — | במקומו (bimqomo) = op zijn plaats | אשר (asher) = die | ניתן (nitten) = gegeven was | לבניו (livanav) = aan zijn zonen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:45** En de beenderen van Jozef begroeven zij in Sichem, in het stuk van het veld dat Jakob van Chamor had gekocht, en het werd een erfdeel voor de zonen van Jozef. Brontekst: ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | עצמות (atsamot) = de beenderen van | יוסף (Yosef) = Jozef | קברו (qivru) = begroeven zij | בשכם (bishkhem) = in Sichem | בחלקת (bechelqat) = in het stuk van | השדה (hasadeh) = het veld | אשר (asher) = die | קנה (qoneh) = had gekocht | יעקב (Ya'aqov) = Jakob | מאת (me'et) = van | חמור (chamor) = Chamor | ויהיו (vayihyu) = en werden | לבני (livnei) = voor de zonen van | יוסף (Yosef) = Jozef | לנחלה (lenachala) = als erfdeel Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 24:32; Gen. 33:19. Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Zie ook: Gen 33:19; Joz 24:32 **90:46** En Benjamin begroeven zij in Jeruzalem, tegenover de Jebusiet, dat aan de zonen van Benjamin gegeven was. Ieder in de stad van zijn zonen begroeven de zonen van Israël hun vaders. Brontekst: ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | בנימין (binyamin) = Benjamin | קברו (qivru) = begroeven | בירושלים (biyerushalayim) = in Jeruzalem | נגד (neged) = tegenover | היבוסי (hayevusi) = de Jebusiet | אשר (asher) = die | ניתן (nitten) = gegeven was | לבני (livnei) = aan de zonen van | בנימין (binyamin) = Benjamin | איש (ish) = ieder | בעיר (ba'ir) = in de stad van | בניו (banav) = zijn zonen | קברו (qivru) = begroeven zij | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | אבותם (avotam) = hun vaders Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. ### De dood van Jozua **90:47** En na verloop van twee jaar stierf Jozua, de zoon van Nun, honderdtien jaar oud. En de dagen dat Jozua over Israël oordeelde waren achtentwintig jaar, en Israël diende Yahweh al de dagen van zijn leven. Brontekst: ויהי (vayehi) = en het gebeurde | מקץ (miqqets) = na verloop van | שנתיים (shenatayim) = twee | ימים (yamim) = dagen | וימת (vayamot) = en hij stierf | יהושע (yehoshua) = Jozua | בן (ben) = zoon van | נון (nun) = Nun | בן (ben) = was | מאה (me'ah) = honderd | ועשר (va'asar) = en tien | שנים (shanim) = jaar | והימים (vehayyamim) = en de dagen | אשר (asher) = die | שפט (shafat) = oordeelde | יהושע (yehoshua) = Jozua | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | עשרים (esrim) = twintig | ושמונה (ushmoneh) = en acht | שנה (shanah) = jaar | ויעבוד (vaya'avod) = en diende | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | חייו (chayav) = zijn leven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 24:29. Zie ook: Joz 24:29 **90:48** En de overige zaken van Jozua en zijn oorlogen tegen de Kanaänieten en al zijn vermaningen waarmee hij Israël vermaande, en wat hij hun gebood, en de namen van de steden die de zonen van Israël in zijn dagen erfden, zie, zij zijn geschreven in het boek van de woorden van Jozua en in het boek van de oorlogen van Yahweh, dat Mozes en Jozua en de zonen van Israël hebben geschreven. Brontekst: ויתר (veyeter) = en de overige | דברי (divrei) = zaken van | יהושע (yehoshua) = Jozua | ומלחמותיו (umilkhamotav) = en zijn oorlogen | בכנעני (bakena'ani) = tegen de Kanaänieten | וכל (vekhol) = en alle | תוכחותיו (tokhakhotav) = zijn vermaningen | אשר (asher) = die | הוכיח (hokhiach) = vermaande | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | ואשר (va'asher) = en wat | צום (tsivvam) = hij hun gebood | ושמות (ushemot) = en de namen van | הערים (he'arim) = de steden | אשר (asher) = die | ירשו (yareshu) = zij erfden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בימיו (bimav) = in zijn dagen | הנם (hennah) = zie, zij zijn | כתובים (ketuvim) = geschreven | על (al) = in | ספר (sefer) = het boek van | דברי (divrei) = de woorden van | יהושע (yehoshua) = Jozua | ועל (ve'al) = en in | ספר (sefer) = het boek van | מלחמות (milchamot) = de oorlogen van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | אשר (asher) = die | כתב (katav) = hebben geschreven | משה (moshe) = Mozes | ויהושע (vihoshua) = en Jozua | ובני (uvnei) = en de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **90:49** En de zonen van Israël begroeven Jozua op het gebied van zijn erfdeel, in Timnat-Serach, dat hem gegeven was op het gebergte van Efraïm. Brontekst: ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהושע (yehoshua) = Jozua | בגבול (bigvul) = op het gebied van | נחלתו (nachalato) = zijn erfdeel | בתמנת (betimnat) = in Timnat- | סרח (serach) = Serach | אשר (asher) = die | ניתן (nitten) = gegeven was | לו (lo) = hem | בהר (bahar) = op het gebergte van | אפרים (efrayim) = Efraïm Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 24:30. Zie ook: Joz 24:30 **90:50** En Eleazar, de zoon van Aäron, stierf in die dagen, en zij begroeven hem op de heuvel van Pinechas, zijn zoon, die hem gegeven was op het gebergte van Efraïm. Brontekst: ואלעזר (ve'el'azar) = en Eleazar | בן (ben) = zoon van | אהרון (aharon) = Aäron | מת (met) = stierf | בימים (bayyamim) = in die dagen | ההם (hahem) = die | ויקברו (vayiqberu) = en zij begroeven | אותו (oto) = hem | בגבעת (begivat) = op de heuvel van | פנחס (pinkhas) = Pinechas | בנו (beno) = zijn zoon | אשר (asher) = die | ניתן (nitten) = gegeven was | לו (lo) = hem | בהר (bahar) = op het gebergte van | אפרים (efrayim) = Efraïm Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Joz. 24:33. Zie ook: Joz 24:33 ## Jasher 91 _Na Jozua_ ### Juda trekt op **91:1** In die tijd, na de dood van Jozua, terwijl de Kanaänieten nog in het land waren, besloot heel Israël hen te verdrijven. Brontekst: בעת (be'et) = in de tijd | ההיא (hahi) = die | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | יהושע (yehoshua) = Jozua | ועוד (ve'od) = terwijl nog | בני (bnei) = zonen van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | בארץ (ba'arets) = in het land | ויאמרו (vayomeru) = en zij besloten | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | להורישם (lehorisham) = om hen te verdrijven Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Richt. 1:1. Voetnoot Uitleg: ויאמרו (vayyomeru), letterlijk ‘en zij zeiden’: hier als ‘besloot’ vertaald, omdat het om een gezamenlijk besluit van Israël gaat. Zie ook: Re 1:1 **91:2** En de zonen van Israël vroegen aan Yahweh: „Wie zal eerst voor ons optrekken tegen de Kanaänieten om tegen hen te strijden?” En Yahweh zei: **„Juda zal optrekken.”** Brontekst: וישאלו (vayish'alu) = en vroegen | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | ביהוה (bYahweh) = aan Yahweh | לאמור (lemor) = zeggende | מי (mi) = wie | יעלה (ya'aleh) = zal optrekken | לנו (lanu) = voor ons | אל (el) = tegen | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | בתחילה (battechillah) = eerst | להילחם (lehillachem) = te strijden | בו (bo) = tegen hen | ויאמר (vayomer) = en hij zei | יהוה (Yahweh) = Yahweh | יהודה (Yehudah) = Juda | יעלה (ya'aleh) = zal optrekken Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Richt. 1:1–2. Zie ook: Re 1:1–2 **91:3** En de zonen van Juda zeiden tot de zonen van Simeon: „Trek met ons op in ons lot, dan zullen wij strijden tegen de Kanaänieten, en wij zullen ook met jullie gaan in jullie lot.” En de zonen van Simeon gingen met de zonen van Juda. Brontekst: ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | בני (bnei) = zonen van | יהודה (Yehudah) = Juda | אל (el) = tot | בני (bnei) = zonen van | שמעון (Shim'on) = Simeon | עלו (alu) = trek op | איתנו (ittanu) = met ons | בגורלנו (begoralenu) = in ons lot | ונלחמה (venillachamah) = dan zullen wij strijden | בכנעני (bakena'ani) = tegen de Kanaänieten | והלכנו (vehalakhnu) = dan zullen wij gaan | גם (gam) = ook | אנחנו (anachnu) = wij | עמכם (immakhem) = met jullie | בגורלכם (begoralekhem) = in jullie lot | וילכו (vayelkhu) = en gingen | בני (bnei) = zonen van | שמעון (Shim'on) = Simeon | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | יהודה (Yehudah) = Juda Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Richt. 1:3. Zie ook: Re 1:3 **91:4** En de zonen van Juda trokken op en streden tegen de Kanaänieten; en Yahweh gaf de Kanaänieten in de hand van de zonen van Juda, en zij sloegen hen bij Bezek, tienduizend man. Brontekst: ויעלו (vaya'alu) = en zij trokken op | בני (bnei) = zonen van | יהודה (Yehudah) = Juda | וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | בכנעני (bakena'ani) = tegen de Kanaänieten | ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | ביד (beyad) = in de hand van | בני (bnei) = zonen van | יהודה (Yehudah) = Juda | ויכום (vayakkum) = en sloegen hen | בבזק (bevezek) = in Bezek | עשרת (aseret) = tien | אלפים (alafim) = duizend | איש (ish) = man Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **91:5** En zij streden tegen Adoni-Bezek in Bezek, en hij vluchtte voor hen; en zij achtervolgden hem en grepen hem en namen hem, en hakten de duimen en grote tenen van zijn handen en voeten af. Brontekst: וילחמו (vayillachamu) = en zij streden | את (et) = tegen | אדוני (adoni) = Adoni- | בזק (bezeq) = Bezek | בבזק (bevezek) = in Bezek | וינס (vayanos) = en vluchtte | לפניהם (lifneihem) = voor hen | וירדפו (vayyirdefu) = en zij achtervolgden | אחריו (acharav) = achter hem aan | ויתפשוהו (vayitpesuhu) = en zij grepen hem | ויקחוהו (vayiqachuhu) = en namen hem | ויקצצו (vayekatsetsu) = en hakten af | את (et) = (lijdend voorwerp) | בהונות (behonot) = de duimen en grote tenen van | ידיו (yadav) = zijn handen | ורגליו (veraglav) = en zijn voeten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Richt. 1:5–6. Zie ook: Re 1:5–6 **91:6** En Adoni-Bezek zei: „Zeventig koningen met afgehakte duimen en grote tenen van hun handen en voeten lazen bijeen onder mijn tafel; zoals ik heb gedaan, zo heeft Elohim mij vergolden.” En zij brachten hem naar Jeruzalem, en hij stierf daar. Brontekst: ויאמר (vayomer) = en hij zei | אדוני (adoni) = Adoni- | בזק (bezeq) = Bezek | שבעים (shiv'im) = zeventig | מלכים (melakhim) = koningen | מקוצצים (mekutsatsim) = met afgehakte | בהונות (behonot) = de duimen en grote tenen van | ידיהם (yedeihem) = hun handen | ורגליהם (veraglehem) = en hun voeten | מלקטים (melaktim) = die bijeenlazen | תחת (tachat) = onder | שולחני (shulkhani) = mijn tafel | כאשר (ka'asher) = zoals | עשיתי (asiti) = ik heb gedaan | כן (ken) = zo | שילם (shillem) = heeft vergolden | לי (li) = mij | אלוקים (Elohim) = Elohim | ויביאוהו (vayeviuhu) = en zij brachten hem | ירושלים (yerushalayim) = Jeruzalem | וימת (vayamot) = en hij stierf | שם (shem) = daar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Richt. 1:7. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Re 1:7 **91:7** En de zonen van Simeon gingen met de zonen van Juda, en zij sloegen de Kanaänieten met de scherpte van het zwaard. Brontekst: וילכו (vayelkhu) = en gingen | בני (bnei) = zonen van | שמעון (Shim'on) = Simeon | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | יהודה (Yehudah) = Juda | ויכו (vayakku) = en sloegen | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **91:8** En Yahweh was met de zonen van Juda, en zij verdreven de bewoners van het gebergte. En ook de zonen van Jozef trokken op naar Betel, dat is Luz, en Yahweh was met hen. Brontekst: ויהי (vayehi) = en was | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = met | בני (bnei) = zonen van | יהודה (Yehudah) = Juda | ויורישו (vayorishu) = en zij verdreven | את (et) = (lijdend voorwerp) | יושבי (yoshvei) = bewoners van | ההר (hahar) = het gebergte | ויעלו (vaya'alu) = en trokken op | בני (bnei) = zonen van | יוסף (Yosef) = Jozef | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | בית (bet) = Bet- | אל (el) = El | היא (hi) = dat is | לוז (Luz) = Luz | ויהוה (vaYahweh) = en Yahweh | עמם (immam) = met hen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: ויורישו (‘en zij verdreven’): de Engelse vertaling heeft ‘zij namen het gebergte in bezit’. Zie Richt. 1:19, 22. Zie ook: Re 1:19 ### Betel **91:9** En de zonen van Jozef verspiedden Betel, en de wachters zagen een man uit de stad komen, en zij grepen hem en zeiden tot hem: „Toon ons toch de ingang van de stad, dan zullen wij je trouw bewijzen.” Brontekst: וירגלו (vayeraggelu) = en verspiedden | בני (bnei) = zonen van | יוסף (Yosef) = Jozef | את (et) = (lijdend voorwerp) | בית (bet) = Bet | אל (el) = El | ויראו (vayiru) = en zagen | השומרים (hashomrim) = de wachters | איש (ish) = een man | יוצא (yotse) = uitgaande | מן (min) = uit | העיר (ha'ir) = de stad | ויתפשוהו (vayitpesuhu) = en grepen hem | ויאמרו (vayomeru) = en zij zeiden | לו (lo) = tot hem | הראנו (harenu) = toon ons | נא (na) = toch | את (et) = (lijdend voorwerp) | מבור (mavor) = de ingang van | העיר (ha'ir) = de stad | ועשינו (ve'asinu) = dan zullen wij doen | עמך (immekha) = met jou | חסד (chesed) = trouw Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Lezing: De tekst heeft מבור העיר; gelezen als מבוא העיר (‘de ingang van de stad’), zoals in vers 10. Zie Richt. 1:24. Zie ook: Re 1:24 **91:10** En die man liet hun de ingang van de stad zien, en de zonen van Jozef kwamen en sloegen de stad met de scherpte van het zwaard. Brontekst: ויראם (vayareem) = en liet hen zien | האיש (ha'ish) = de man | ההוא (hahu) = die | את (et) = (lijdend voorwerp) | מבוא (mevo) = ingang van | העיר (ha'ir) = de stad | ויבואו (vayavo'u) = en kwamen | בני (bnei) = zonen van | יוסף (Yosef) = Jozef | ויכו (vayakku) = en sloegen | את (et) = (lijdend voorwerp) | העיר (ha'ir) = de stad | לפי (lefi) = met de scherpte van | חרב (charev) = zwaard Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **91:11** En de man en zijn familie zonden zij weg, en hij ging naar de Hethieten en bouwde een stad en noemde haar naam Luz. En heel Israël woonde in zijn steden, en de zonen van Israël dienden Yahweh al de dagen van Jozua en al de dagen van de oudsten die hun dagen verlengden na Jozua, die het grote werk van Yahweh zagen dat Hij voor Israël had gedaan. Brontekst: ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | האיש (ha'ish) = de man | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | משפחתו (mishpachto) = zijn familie | שלחו (shalchu) = zonden zij weg | וילך (vayelekh) = en hij ging | אל (el) = naar | החיתים (hakhitim) = de Hethieten | ויבן (vayiven) = en bouwde | עיר (ir) = een stad | ויקרא (vayikra) = en noemde | שמה (shemah) = haar naam | לוז (Luz) = Luz | וישבו (vayeshvu) = en woonden | כל (kol) = alle | ישראל (yisra'el) = Israël | בעריהם (be'areihem) = in hun steden | ויעבדו (vaya'avdu) = en zij dienden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | יהוה (Yahweh) = Yahweh | כל (kol) = alle | ימי (yemei) = dagen van | יהושע (yehoshua) = Jozua | וכל (vekhol) = en alle | ימי (yemei) = dagen van | הזקנים (hazkenim) = de oudsten | אשר (asher) = die | האריכו (he'erikhu) = verlengden | ימים (yamim) = hun dagen | אחרי (acharei) = na | יהושע (yehoshua) = Jozua | אשר (asher) = die | ראו (ra'u) = zij zagen | את (et) = (lijdend voorwerp) | מעשה (ma'aseh) = het werk van | יהוה (Yahweh) = Yahweh | הגדול (haggadol) = het grote | אשר (asher) = die | עשה (asah) = had gedaan | לישראל (leyisra'el) = voor Israël Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Richt. 1:26; 2:7. Zie ook: Re 1:26; Re 2:7 ### De oudsten richten Israël **91:12** En de oudsten richtten Israël na de dood van Jozua, zeventien jaar. Brontekst: וישפטו (vayishpetu) = en richtten | הזקנים (hazkenim) = de oudsten | את (et) = (lijdend voorwerp) | ישראל (yisra'el) = Israël | אחרי (acharei) = na | מות (mot) = de dood van | יהושע (yehoshua) = Jozua | שבע (sheva) = zeventien | עשרה (esreh) = — | שנה (shanah) = jaar Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Richt. 2:7. Zie ook: Re 2:7 **91:13** En ook alle oudsten voerden de oorlogen van Israël tegen de Kanaänieten, en Yahweh verdreef de Kanaänieten voor de zonen van Israël uit, en Israël woonde in hun land. Brontekst: וילחמו (vayillachamu) = en streden | כל (kol) = alle | הזקנים (hazkenim) = de oudsten | גם (gam) = ook | הם (hem) = zij | את (et) = (lijdend voorwerp) | מלחמות (milchamot) = de oorlogen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בכנעני (bakena'ani) = tegen de Kanaänieten | ויורש (vayoresh) = en verdreef | יהוה (Yahweh) = Yahweh | את (et) = (lijdend voorwerp) | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten | מפני (mippenei) = voor | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | וישב (vayyashev) = en woonde | ישראל (yisra'el) = Israël | בארצם (be'artsam) = in hun land Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **91:14** En Hij vervulde heel het woord dat Hij tot Abraham, tot Isaak en tot Jakob had gesproken, en heel de eed die Hij had gezworen om hun en hun zonen het land van de Kanaänieten te geven. Brontekst: ויקם (vayyaqom) = en vervulde | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | הדבר (haddavar) = het woord | אשר (asher) = die | דיבר (dibber) = had gesproken | לאברהם (le'avraham) = aan Abraham | ליצחק (leyitschaq) = aan Isaak | וליעקב (veleyaakov) = en aan Jakob | ואת (ve'et) = en (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | השבועה (hashshevu'ah) = de eed | אשר (asher) = die | נשבע (nishba) = had gezworen | לתת (latet) = om te geven | להם (lahem) = hun | ולבניהם (ulevaneihem) = en aan hun zonen | את (et) = (lijdend voorwerp) | ארץ (erets) = het land van | הכנעני (hakkena'ani) = de Kanaänieten Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **91:15** En Yahweh gaf de zonen van Israël heel het land Kanaän, zoals Hij aan onze vaderen had gezworen, en Yahweh gaf hun rust rondom, en de zonen van Israël woonden in al hun steden in veiligheid. Brontekst: ויתן (vayitten) = en gaf | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לבני (livnei) = aan de zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | את (et) = (lijdend voorwerp) | כל (kol) = alle | ארץ (erets) = het land van | כנען (Kena'an) = Kanaän | כאשר (ka'asher) = zoals | נשבע (nishba) = had gezworen | לאבותינו (la'avotenu) = aan onze vaderen | וינח (vayanach) = en gaf rust | יהוה (Yahweh) = Yahweh | להם (lahem) = hun | מסביב (missaviv) = rondom | וישבו (vayeshvu) = en woonden | בני (bnei) = zonen van | ישראל (yisra'el) = Israël | בכל (bekhol) = in al | עריהם (arehem) = hun steden | לבטח (lavetach) = in veiligheid Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Lezing: לאבותינו (‘aan onze vaderen’): de Engelse vertaling heeft ‘aan hun voorvaderen’. Zie Joz. 21:43–44. Zie ook: Joz 21:43–44 ### Slot **91:16** Gezegend zij Yahweh tot in eeuwigheid, amen en amen. Brontekst: ברוך (barukh) = gezegend zij | יהוה (Yahweh) = Yahweh | לעולם (le'olam) = tot in eeuwigheid | אמן (amen) = amen | ואמן (veamen) = en amen Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870) **91:17** Weest sterk, en laat jullie hart sterk zijn, allen die op Yahweh wachten. Brontekst: חזקו (chizqu) = weest sterk | ויאמץ (veyeamets) = en laat sterk zijn | לבבכם (levavkhem) = jullie hart | כל (kol) = alle | המיחלים (hamyakhalim) = die wachten | ליהוה (laYahweh) = op Yahweh Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)