# Jesaja (ישעיהו, Yeshayahu) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Jesaja 1 _Yahweh klaagt Zijn volk aan en roept tot recht en reiniging_ **1:1** Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia, koningen van Juda. Brontekst: חֲזוֹן֙ (chazon) = het visioen van | יְשַֽׁעְיָ֣הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶן (ben) = zoon van | אָמ֔וֹץ (amots) = Amoz | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | חָזָ֔ה (chaza) = hij zag | עַל (al) = over | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָ֑ם (virushalaim) = en Jeruzalem | בִּימֵ֨י (bimei) = in de dagen van | עֻזִּיָּ֧הוּ (uziyahu) = Uzzia | יוֹתָ֛ם (yotam) = Jotam | אָחָ֥ז (achaz) = Achaz | יְחִזְקִיָּ֖הוּ (yechizqiyahu) = Hizkia | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: iets wat de profeet ‘ziet’. Het werkwoord ‘zien’ (חָזָה, chazah) staat in hetzelfde vers. Voetnoot : יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: de naam betekent ‘Yahweh redt’. Voetnoot : Dezelfde vier koningen staan in Hos. 1:1. Voor Uzzia zie 2 Kon. 15:1 en 2 Kron. 26:1, voor Jotam 2 Kon. 15:32, voor Achaz 2 Kon. 16:1 en voor Hizkia 2 Kon. 18:1. Jesaja is dus profeet in dezelfde eeuw als Hosea. Zie ook: Num 24:16; Ps 89:20; 2 Kon 15:1; 2 Kon 15:32; 2 Kon 16:1; 2 Kon 18:1–20:21; 2 Kron 26:1–32:33; Hos 1:1; Jes 2:1 ### Kinderen die in opstand kwamen **1:2** Hoor, hemel, en luister, aarde, want Yahweh heeft gesproken: **„Kinderen heb Ik grootgebracht en verheven, maar zij zijn tegen Mij in opstand gekomen.** Brontekst: שִׁמְע֤וּ (shimu) = hoort | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = hemel | וְהַאֲזִ֣ינִי (vehaazini) = en luister | אֶ֔רֶץ (erets) = aarde | כִּ֥י (ki) = want | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֵּ֑ר (diber) = heeft gesproken | בָּנִים֙ (banim) = kinderen | גִּדַּ֣לְתִּי (gidalti) = Ik heb grootgebracht | וְרוֹמַ֔מְתִּי (veromamti) = en verheven | וְהֵ֖ם (vehem) = en zij | פָּ֥שְׁעוּ (pasheu) = zijn in opstand gekomen | בִֽי (bi) = tegen Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hemel en aarde worden opgeroepen als getuigen in een rechtszaak, zoals in Deut. 4:26, 30:19 en 32:1. Yahweh bepleit Zijn zaak tegen Zijn eigen volk. Voetnoot : גִּדַּלְתִּי וְרוֹמַמְתִּי (giddalti verommamti), ‘Ik heb grootgebracht en verheven’: Yahweh heeft Zijn kinderen groot gemaakt en hoog geplaatst. Voetnoot : פָּשְׁעוּ בִי (pash’u vi), ‘zij zijn tegen Mij in opstand gekomen’: het werkwoord פָּשַׁע (pasha) betekent ‘in opstand komen’. Het zelfstandig naamwoord פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’, is er een afleiding van. Voetnoot : Hier begint Yahweh te spreken; Zijn woorden staan rood. Het begin van het vers (‘Hoor, hemel’) is de oproep van de profeet. Zie ook: Deut 4:26; Deut 30:19; Deut 32:1; Ps 50:4; Mi 1:2 **1:3** **De os kent zijn bezitter en de ezel de krib van zijn eigenaar. Israël weet het niet. Mijn volk heeft geen inzicht.”** Brontekst: יָדַ֥ע (yada) = kent | שׁוֹר֙ (shor) = os | קֹנֵ֔הוּ (qonehu) = zijn bezitter | וַחֲמ֖וֹר (vachamor) = en ezel | אֵב֣וּס (evus) = krib van | בְּעָלָ֑יו (bealav) = zijn eigenaar | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔ע (yada) = weet | עַמִּ֖י (ami) = mijn volk | לֹ֥א (lo) = niet | הִתְבּוֹנָֽן (hitbonan) = heeft inzicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵבוּס (evus), ‘krib’: de voerbak van het vee, zoals in Spr. 14:4 en Job 39:9. Zelfs het dier weet bij wie het hoort. Israël weet het niet. Voetnoot : עַמִּי (ammi), ‘Mijn volk’: Yahweh noemt Israël nog steeds zo. Zie ook: Job 39:9; Spr 14:4; Jes 5:12; Jes 44:18; Jer 4:22; Jer 8:7; Mat 13:13–15 ### Een volk vol wonden **1:4** Wee, zondig volk, volk zwaar van schuld, nageslacht van kwaaddoeners, kinderen die verderf brengen! Zij hebben Yahweh verlaten. Zij hebben de Heilige van Israël veracht. Zij hebben zich afgekeerd en zijn teruggeweken. Brontekst: ה֣וֹי (hoy) = wee | גּ֣וֹי (goy) = volk | חֹטֵ֗א (chote) = zondig | עַ֚ם (am) = volk | כֶּ֣בֶד (keved) = zwaar van | עָוֺ֔ן (avon) = schuld | זֶ֣רַע (zera) = nageslacht van | מְרֵעִ֔ים (mereim) = kwaaddoeners | בָּנִ֖ים (banim) = kinderen | מַשְׁחִיתִ֑ים (mashchitim) = die verderf brengen | עָזְב֣וּ (azevu) = zij hebben verlaten | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | נִֽאֲצ֛וּ (niatsu) = zij hebben veracht | אֶת (et) = (obj.) | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | נָזֹ֥רוּ (nazoru) = zij hebben zich afgekeerd | אָחֽוֹר (achor) = achterwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van schrik of aanklacht. Het is de eerste van vele kreten van ‘wee’ in dit boek. Voetnoot : קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een titel van Yahweh die Jesaja vaak gebruikt. Voetnoot : נָזֹרוּ אָחוֹר (nazoru achor), ‘zij zijn teruggeweken’: letterlijk ‘zij zijn achterwaarts vreemd geworden’. Ze hebben Yahweh de rug toegekeerd. Zie ook: Jes 5:24; Jer 2:13; Jer 2:17; Jer 2:19; Rom 8:7 **1:5** Waarom zouden jullie nog geslagen worden? Jullie gaan door met afvalligheid. Heel het hoofd is ziek en heel het hart is zwak. Brontekst: עַ֣ל (al) = op | מֶ֥ה (me) = wat | תֻכּ֛וּ (tuku) = zouden jullie geslagen worden | ע֖וֹד (od) = nog | תּוֹסִ֣יפוּ (tosifu) = jullie gaan door | סָרָ֑ה (sara) = met afvalligheid | כָּל (kal) = heel | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd | לָחֳלִ֔י (lacholi) = is ziek | וְכָל (vekhal) = en heel | לֵבָ֖ב (levav) = hart | דַּוָּֽי (davay) = is zwak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָרָה (sarah), ‘afvalligheid’: opstand, een afwijken van Yahweh. Het woord is verwant met סוּר (sur), ‘afwijken’. Voetnoot : Het beeld van een geslagen lichaam loopt door tot en met vers 6. Het lichaam is het volk. Zie ook: Jes 1:6; Sef 3:1–4; Jer 5:3; Ezech 24:13; Dan 9:8–11; Openb 16:8–11 **1:6** Van de voetzool tot het hoofd is er niets heel aan hem: wond, striem en verse slagwond. Ze zijn niet uitgedrukt, niet verbonden en niet verzacht met olie. Brontekst: מִכַּף (mikaf) = van de zool van | רֶ֤גֶל (regel) = de voet | וְעַד (vead) = en tot | רֹאשׁ֙ (rosh) = het hoofd | אֵֽין (ein) = niet | בּ֣וֹ (bo) = in hem | מְתֹ֔ם (metom) = heel | פֶּ֥צַע (petsa) = wond | וְחַבּוּרָ֖ה (vechabura) = en striem | וּמַכָּ֣ה (umaka) = en slagwond | טְרִיָּ֑ה (teriya) = vers | לֹא (lo) = niet | זֹ֨רוּ֙ (zoru) = zijn uitgedrukt | וְלֹ֣א (velo) = en niet | חֻבָּ֔שׁוּ (chubashu) = zijn verbonden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | רֻכְּכָ֖ה (rukekha) = zijn verzacht | בַּשָּֽׁמֶן (bashamen) = met olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֹרוּ (zoru), ‘uitgedrukt’: de etter wordt uit de wond gedrukt. חֻבָּשׁוּ (chubbashu) betekent ‘verbonden’ en רֻכְּכָה (rukkekhah) ‘verzacht’. Voetnoot : פֶּצַע (petsa), ‘wond’, חַבּוּרָה (chabburah), ‘striem’, en מַכָּה טְרִיָּה (makkah teriyyah), ‘verse slagwond’: drie woorden voor verwondingen. Zie ook: Ps 77:3; Jer 6:14; Jer 33:6; Mal 3:20; Mat 9:12 **1:7** Jullie land is een woestenij. Jullie steden zijn met vuur verbrand. Jullie grond: vreemden eten haar op, voor jullie ogen. Het is een woestenij, zoals bij de omkering door vreemden. Brontekst: אַרְצְכֶ֣ם (artsekhem) = jullie land | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = woestenij | עָרֵיכֶ֖ם (areikhem) = jullie steden | שְׂרֻפ֣וֹת (serufot) = verbrand met | אֵ֑שׁ (esh) = vuur | אַדְמַתְכֶ֗ם (admatkhem) = jullie grond | לְנֶגְדְּכֶם֙ (lenegdekhem) = voor jullie ogen | זָרִים֙ (zarim) = vreemden | אֹכְלִ֣ים (okhelim) = eten | אֹתָ֔הּ (otah) = haar op | וּשְׁמָמָ֖ה (ushemama) = en woestenij | כְּמַהְפֵּכַ֥ת (kemahpekhat) = zoals de omkering door | זָרִֽים (zarim) = vreemden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַהְפֵּכָה (mahpekhah), ‘omkering’: hetzelfde woord als in Deut. 29:22, ‘de omkering van Sodom en Gomorra’. Het land is verwoest als na een ramp. Voetnoot : Sommige oude vertalingen lezen aan het slot van het vers anders. Voetnoot : אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: het land als akkergrond. Zie ook: Deut 28:33; Deut 28:43; Deut 29:22; Hos 7:9; Klaagl 5:2; Ezech 30:12 **1:8** Dochter Sion blijft over als een hut in een wijngaard, als een nachthut in een komkommerveld, als een belegerde stad. Brontekst: וְנוֹתְרָ֥ה (venotera) = en blijft over | בַת (bat) = dochter van | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | כְּסֻכָּ֣ה (kesuka) = als een hut | בְכָ֑רֶם (bekharem) = in een wijngaard | כִּמְלוּנָ֥ה (kimluna) = als een nachthut | בְמִקְשָׁ֖ה (bemiqsha) = in een komkommerveld | כְּעִ֥יר (keir) = als een stad | נְצוּרָֽה (netsura) = belegerde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem en haar inwoners als een jonge vrouw voorgesteld; zie ook 2 Kon. 19:21. Wij houden ‘Dochter Sion’ als vaste naam. Voetnoot : סֻכָּה (sukkah), ‘hut’, מְלוּנָה (melunah), ‘nachthut’, en מִקְשָׁה (miqshah), ‘komkommerveld’: een tijdelijk hutje van een veldwachter. Na de oogst blijft het alleen en leeg achter. Voetnoot : נְצוּרָה (netsurah), ‘belegerde’: het woord kan ook ‘bewaakte’ betekenen. Zie ook: 2 Kon 19:21; Jes 10:32; Jes 62:11; Zach 2:14; Zach 9:9; Joh 12:15 **1:9** Als Yahweh van de legermachten ons niet een klein aantal overlevenden had laten overblijven, dan waren wij als Sodom geworden en gelijk aan Gomorra. Brontekst: לוּלֵי֙ (lulei) = als niet | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הוֹתִ֥יר (hotir) = had laten overblijven | לָ֛נוּ (lanu) = voor ons | שָׂרִ֖יד (sarid) = een overlevende | כִּמְעָ֑ט (kimat) = een klein aantal | כִּסְדֹ֣ם (kisdom) = als Sodom | הָיִ֔ינוּ (hayinu) = waren wij geworden | לַעֲמֹרָ֖ה (laamora) = aan Gomorra | דָּמִֽינוּ (daminu) = waren wij gelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’. Zie ook Ps. 24:10. Voetnoot : שָׂרִיד (sarid), ‘overlevende’: iemand die aan een ramp ontkomt. Het is een ander woord dan שְׁאָר (she’ar), ‘wat overblijft’. Voetnoot : Sodom en Gomorra: de steden die Yahweh verwoestte (Gen. 19:24–25). Zie ook: Gen 19:24; Ps 24:10; Amos 4:11; Jes 37:31–32; Klaagl 3:22; Rom 9:29 ### Hoor het woord van Yahweh **1:10** Hoor het woord van Yahweh, aanvoerders van Sodom. Luister naar de wet van onze Elohim, volk van Gomorra. Brontekst: שִׁמְע֥וּ (shimu) = hoort | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | קְצִינֵ֣י (qetsinei) = aanvoerders van | סְדֹ֑ם (sedom) = Sodom | הַאֲזִ֛ינוּ (haazinu) = luistert | תּוֹרַ֥ת (torat) = wet van | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | עַ֥ם (am) = volk van | עֲמֹרָֽה (amora) = Gomorra Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְצִינֵי (qetsinei), ‘aanvoerders’: zoals in Richt. 11:6. Jesaja noemt de leiders van Jeruzalem ‘aanvoerders van Sodom’ en het volk ‘volk van Gomorra’. Dat is een scherpe vergelijking. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’. Het is hier de leer van Yahweh, door de profeet gebracht. Zie ook: Gen 13:13; Deut 32:32; Re 11:6; Jes 3:9; Ezech 16:49; Openb 11:8 ### Wat Yahweh haat: lege offers **1:11** **„Wat heb Ik aan jullie vele slachtoffers, zegt Yahweh? Ik ben verzadigd van brandoffers van rammen en van het vet van gemeste dieren. In het bloed van stieren, lammeren en bokken heb Ik geen behagen.** Brontekst: לָמָּה (lama) = waartoe | לִּ֤י (li) = voor Mij | רֹב (rov) = menigte van | זִבְחֵיכֶם֙ (zivcheikhem) = jullie slachtoffers | יֹאמַ֣ר (yomar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שָׂבַ֛עְתִּי (savati) = Ik ben verzadigd | עֹל֥וֹת (olot) = brandoffers van | אֵילִ֖ים (eilim) = rammen | וְחֵ֣לֶב (vechelev) = en vet van | מְרִיאִ֑ים (meriim) = gemeste dieren | וְדַ֨ם (vedam) = en bloed van | פָּרִ֧ים (parim) = stieren | וּכְבָשִׂ֛ים (ukhevasim) = en lammeren | וְעַתּוּדִ֖ים (veatudim) = en bokken | לֹ֥א (lo) = niet | חָפָֽצְתִּי (chafatsti) = heb Ik behagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֹאמַר יְהוָה (yomar Yahweh), ‘zegt Yahweh’: Yahweh spreekt hier zelf. Hij verwerpt de offers niet omdat ze verboden zijn, maar omdat de mensen die ze brengen onrecht doen (vers 15–17). Voetnoot : זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’: een dier dat geslacht en gegeten wordt. עֹלָה (olah) is het ‘brandoffer’. Voetnoot : מְרִיאִים (meri’im), ‘gemeste dieren’: zoals in Amos 5:22. Voetnoot : חָפָצְתִּי (chafatsti), ‘Ik heb behagen’: zoals in Amos 5:22. Vergelijk Hos. 6:6. Zie ook: 1 Sam 15:22; Amos 5:21; Amos 5:22; Hos 6:6; Jes 1:15–17; Jes 66:3; Mi 6:7; Jer 6:20 **1:12** **Wanneer jullie komen om voor Mijn aangezicht te verschijnen: wie heeft dit van jullie gevraagd, het vertrappen van Mijn voorhoven?** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | תָבֹ֔אוּ (tavou) = jullie komen | לֵרָא֖וֹת (leraot) = om te verschijnen | פָּנָ֑י (panay) = voor Mijn aangezicht | מִי (mi) = wie | בִקֵּ֥שׁ (biqesh) = heeft gevraagd | זֹ֛את (zot) = dit | מִיֶּדְכֶ֖ם (miyedkhem) = van jullie hand | רְמֹ֥ס (remos) = het vertrappen van | חֲצֵרָֽי (chatseray) = Mijn voorhoven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵרָאוֹת פָּנָי (lera’ot panai), ‘om voor Mijn aangezicht te verschijnen’: letterlijk ‘om gezien te worden’. Zo noemt men het bezoek aan de tempel op de feesten. Voetnoot : חֲצֵרָי (chatserai), ‘Mijn voorhoven’: de ruimte rond het heiligdom. Zie ook: Ex 23:17; Ex 34:23; Ps 40:7; Pred 4:17; Jes 58:1–2 **1:13** **Breng niet langer een nutteloos graanoffer. Wierook is een gruwel voor Mij. Nieuwe maan en sabbat, het uitroepen van een samenkomst: onrecht en slotsamenkomst kan Ik niet verdragen.** Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | תוֹסִ֗יפוּ (tosifu) = jullie zullen voortgaan | הָבִיא֙ (havi) = te brengen | מִנְחַת (minchat) = graanoffer van | שָׁ֔וְא (shave) = leegte | קְטֹ֧רֶת (qetoret) = wierook van | תּוֹעֵבָ֛ה (toeva) = gruwel | הִ֖יא (hi) = het is | לִ֑י (li) = voor Mij | חֹ֤דֶשׁ (chodesh) = nieuwe maan | וְשַׁבָּת֙ (veshabat) = en sabbat | קְרֹ֣א (qero) = het uitroepen van | מִקְרָ֔א (miqra) = samenkomst | לֹא (lo) = niet | אוּכַ֥ל (ukhal) = kan Ik verdragen | אָ֖וֶן (aven) = onrecht | וַעֲצָרָֽה (vaatsara) = en slotsamenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחַת שָׁוְא (minchat shav), ‘nutteloos graanoffer’: letterlijk ‘graanoffer van leegte’. Voetnoot : קְטֹרֶת (qetoret), ‘wierook’: zoals in Exod. 30:1–10. Het offer zelf is geboden, maar nu is het een gruwel. Voetnoot : חֹדֶשׁ (chodesh), ‘nieuwe maan’: de eerste dag van de maand; zie Num. 28:11. שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’. Voetnoot : אָוֶן (aven), ‘onrecht’: ook ‘onheil’, zoals in Bet-Awen (Hos. 4:15). Voetnoot : עֲצָרָה (atsarah), ‘slotsamenkomst’: zoals Lev. 23:36 en Amos 5:21. Voetnoot : Het Hebreeuws is kort: ‘onrecht en slotsamenkomst’. Bedoeld is: Yahweh kan onrecht niet verdragen, zeker niet als het samengaat met een plechtige samenkomst. Zie ook: Ex 30:1–10; Lev 23:36; Num 28:11; Amos 5:21; Hos 4:15; Jes 66:3; Klaagl 2:6; Ezech 20:39; Mal 1:10; Mat 15:9 **1:14** **Jullie nieuwe manen en jullie feesttijden haat Mijn ziel. Ze zijn Mij tot last geworden. Ik ben het moe ze te dragen.** Brontekst: חָדְשֵׁיכֶ֤ם (chadesheikhem) = jullie nieuwe manen | וּמוֹעֲדֵיכֶם֙ (umoadeikhem) = en jullie feesttijden | שָׂנְאָ֣ה (sanea) = haat | נַפְשִׁ֔י (nafshi) = Mijn ziel | הָי֥וּ (hayu) = zij zijn geworden | עָלַ֖י (alay) = voor Mij | לָטֹ֑רַח (latorach) = tot last | נִלְאֵ֖יתִי (nileiti) = Ik ben het moe | נְשֹֽׂא (neso) = te dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: Yahweh spreekt over Zichzelf. Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) staat voor het innerlijk, het zelf. Voetnoot : מוֹעֲדֵיכֶם (mo’adeikhem), ‘jullie feesttijden’: de vaste tijden van de feesten, zoals in Lev. 23. Voetnoot : נָשֹׂא (naso), ‘dragen’: het gewicht van hun offers is Hem te zwaar geworden. Zie ook: Amos 5:21; Jes 7:13; Jes 29:1; Jes 43:24; Jes 61:8 **1:15** **Wanneer jullie jullie handen uitspreiden, verberg Ik Mijn ogen voor jullie. Ook als jullie veel bidden, luister Ik niet. Jullie handen zijn vol bloed.** Brontekst: וּבְפָרִשְׂכֶ֣ם (uvefariskhem) = en wanneer jullie uitspreiden | כַּפֵּיכֶ֗ם (kapeikhem) = jullie handen | אַעְלִ֤ים (alim) = verberg Ik | עֵינַי֙ (einay) = Mijn ogen | מִכֶּ֔ם (mikem) = voor jullie | גַּ֛ם (gam) = ook | כִּֽי (ki) = als | תַרְבּ֥וּ (tarbu) = jullie maken veel | תְפִלָּ֖ה (tefila) = gebed | אֵינֶ֣נִּי (eineni) = niet ben Ik | שֹׁמֵ֑עַ (shomea) = luisterend | יְדֵיכֶ֖ם (yedeikhem) = jullie handen | דָּמִ֥ים (damim) = bloed | מָלֵֽאוּ (maleu) = zijn vol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּפָרִשְׂכֶם כַּפֵּיכֶם (befarisakhem kappeikhem), ‘wanneer jullie jullie handen uitspreiden’: de houding van het gebed. Voetnoot : דָּמִים (damim), ‘bloed’: het meervoud wijst op bloedvergieten, geweld tegen mensen. Zie ook: Spr 1:28; Jes 59:2–3; Mi 3:4; Jer 7:8–10; Zach 7:13 ### Was jullie en doe wat goed is **1:16** **Was jullie, reinig jullie. Doe het kwaad van jullie daden weg, van voor Mijn ogen. Houd op kwaad te doen.** Brontekst: רַחֲצוּ֙ (rachatsu) = wast jullie | הִזַּכּ֔וּ (hizaku) = reinigt jullie | הָסִ֛ירוּ (hasiru) = doet weg | רֹ֥עַ (roa) = het kwaad van | מַעַלְלֵיכֶ֖ם (maalleikhem) = jullie daden | מִנֶּ֣גֶד (mineged) = van voor | עֵינָ֑י (einay) = Mijn ogen | חִדְל֖וּ (chidlu) = houdt op | הָרֵֽעַ (harea) = kwaad te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 55:6–7; Jak 4:8; 2 Kor 7:1; 1 Petr 2:1; 1 Petr 3:11 **1:17** **Leer goed te doen. Zoek recht. Help de onderdrukte. Verschaf de wees recht. Verdedig de zaak van de weduwe.** Brontekst: לִמְד֥וּ (limdu) = leert | הֵיטֵ֛ב (heitev) = goed te doen | דִּרְשׁ֥וּ (dirshu) = zoekt | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | אַשְּׁר֣וּ (asheru) = helpt | חָמ֑וֹץ (chamots) = de onderdrukte | שִׁפְט֣וּ (shiftu) = verschaft recht aan | יָת֔וֹם (yatom) = de wees | רִ֖יבוּ (rivu) = verdedigt de zaak van | אַלְמָנָֽה (almana) = de weduwe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַשְּׁרוּ חָמוֹץ (ashru chamots), ‘help de onderdrukte’: het woord חָמוֹץ (chamots) is onzeker. Het kan ‘de onderdrukte’ zijn, of ‘de onderdrukker’ (‘wijs de onderdrukker terecht’). Wij kiezen ‘de onderdrukte’. Voetnoot : ריבוּ (rivu), ‘verdedig de zaak’: een rechtszaak voeren voor iemand. Zie ook: Ps 82:3–4; Spr 31:9; Jes 1:23; Mi 6:8; Jer 22:3 ### Kom, laten wij het uitpraten **1:18** **Kom nu, laten wij het samen uitpraten, zegt Yahweh. Al zijn jullie zonden als scharlaken, ze worden wit als sneeuw. Al zijn ze rood als karmozijn, ze worden als wol.** Brontekst: לְכוּ (lekhu) = komt | נָ֛א (na) = nu | וְנִוָּֽכְחָ֖ה (venivakhecha) = en laten wij uitpraten | יֹאמַ֣ר (yomar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = al | יִֽהְי֨וּ (yihyu) = zijn | חֲטָאֵיכֶ֤ם (chataeikhem) = jullie zonden | כַּשָּׁנִים֙ (kashanim) = als scharlaken | כַּשֶּׁ֣לֶג (kasheleg) = als sneeuw | יַלְבִּ֔ינוּ (yalbinu) = worden ze wit | אִם (im) = al | יַאְדִּ֥ימוּ (yadimu) = zijn ze rood | כַתּוֹלָ֖ע (katola) = als karmozijn | כַּצֶּ֥מֶר (katsemer) = als wol | יִהְיֽוּ (yihyu) = worden ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִוָּכְחָה (venivvakhechah), ‘laten wij het uitpraten’: het werkwoord hoort bij het rechtsgeding en betekent ‘de zaak bepleiten, elkaar terechtwijzen’. Yahweh nodigt Zijn volk uit voor een gesprek. Voetnoot : שָׁנִים (shanim), ‘scharlaken’, en תוֹלָע (tola), ‘karmozijn’: diepe rode kleuren. Het rood is hier het beeld van bloedschuld (vers 15). Zie ook: Ps 51:9; Jes 1:15; Jes 43:24–26; Jes 44:22; Mi 7:18–19; Openb 7:14 **1:19** **Als jullie bereid zijn en luisteren, zullen jullie het goede van het land eten.** Brontekst: אִם (im) = als | תֹּאב֖וּ (tovu) = jullie bereid zijn | וּשְׁמַעְתֶּ֑ם (ushematem) = en jullie luisteren | ט֥וּב (tuv) = het goede van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | תֹּאכֵֽלוּ (tokhelu) = zullen jullie eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 30:15–16; Joël 2:26; Jes 3:10; Jes 55:6–7; Heb 5:9 **1:20** **Maar als jullie weigeren en weerspannig zijn, zullen jullie door het zwaard verslonden worden.”** Want de mond van Yahweh heeft gesproken. Brontekst: וְאִם (veim) = en als | תְּמָאֲנ֖וּ (temaanu) = jullie weigeren | וּמְרִיתֶ֑ם (umeritem) = en jullie weerspannig zijn | חֶ֣רֶב (cherev) = door het zwaard | תְּאֻכְּל֔וּ (teukelu) = zullen jullie verslonden worden | כִּ֛י (ki) = want | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֵּֽר (diber) = heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּי יְהוָה (pi Yahweh), ‘de mond van Yahweh’: een afsluiting die de profeet erbij zegt. Yahweh heeft het gezegd. Dit slot staat zwart, omdat het over Yahweh in de derde persoon gaat. Zie ook: Num 23:19; Jes 3:11; Jes 40:5; Jes 58:14; Jes 65:12 ### De trouwe stad is een hoer geworden **1:21** Hoe is de trouwe stad een hoer geworden! Zij was vol recht. Gerechtigheid overnachtte in haar. Maar nu: moordenaars. Brontekst: אֵיכָה֙ (eikha) = hoe | הָיְתָ֣ה (hayeta) = is geworden | לְזוֹנָ֔ה (lezona) = tot een hoer | קִרְיָ֖ה (qirya) = stad | נֶאֱמָנָ֑ה (neemana) = trouwe | מְלֵאֲתִ֣י (meleati) = vol van | מִשְׁפָּ֗ט (mishpat) = recht | צֶ֛דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | יָלִ֥ין (yalin) = overnachtte | בָּ֖הּ (bah) = in haar | וְעַתָּ֥ה (veata) = en nu | מְרַצְּחִֽים (meratsechim) = moordenaars Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵיכָה (eikhah), ‘hoe’: het begin van een klaagzang. Hetzelfde woord opent Klaagl. 1:1. Voetnoot : קִרְיָה נֶאֱמָנָה (qiryah ne’emanah), ‘trouwe stad’: de stad waarop men kon vertrouwen. Zie vers 26, waar zij weer zo zal heten. Voetnoot : זוֹנָה (zonah), ‘hoer’: het beeld van ontrouw, zoals in Hos. 1:2. Zie ook: Hos 1:2; Jes 1:26; Jes 57:3–9; Sef 3:1–3; Klaagl 1:1; Ezech 22:1–23; Zach 8:3; Hand 7:52 **1:22** Je zilver is tot slakken geworden. Je wijn is verdund met water. Brontekst: כַּסְפֵּ֖ךְ (kaspekh) = je zilver | הָיָ֣ה (haya) = is geworden | לְסִיגִ֑ים (lesigim) = tot slakken | סָבְאֵ֖ךְ (saveekh) = je wijn | מָה֥וּל (mahul) = is verdund | בַּמָּֽיִם (bamayim) = met water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סִיגִים (sigim), ‘slakken’: het afval dat bij het smelten van zilver naar boven komt. Zilver dat slakken is geworden, is waardeloos. Voetnoot : סָבְאֵךְ (sovekh), ‘je wijn’: sterke drank. Hij is met water verdund en dus waardeloos. Zie ook: Hos 4:18; Jer 6:28–30; Klaagl 4:1–2; Ezech 22:18–22; 2 Kor 2:17 **1:23** Je oversten zijn weerspannig en metgezellen van dieven. Ieder van hen houdt van omkoopgeld en jaagt geschenken na. Zij doen de wees geen recht, en de zaak van de weduwe komt niet bij hen. Brontekst: שָׂרַ֣יִךְ (sarayikh) = je oversten | סוֹרְרִ֗ים (sorerim) = weerspannig | וְחַבְרֵי֙ (vechavrei) = en metgezellen van | גַּנָּבִ֔ים (ganavim) = dieven | כֻּלּוֹ֙ (kulo) = ieder van hen | אֹהֵ֣ב (ohev) = houdt van | שֹׁ֔חַד (shochad) = omkoopgeld | וְרֹדֵ֖ף (verodef) = en jaagt na | שַׁלְמֹנִ֑ים (shalmonim) = geschenken | יָתוֹם֙ (yatom) = de wees | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁפֹּ֔טוּ (yishpotu) = zij doen recht | וְרִ֥יב (veriv) = en de zaak van | אַלְמָנָ֖ה (almana) = de weduwe | לֹֽא (lo) = niet | יָב֥וֹא (yavo) = komt | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = bij hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁלְמֹנִים (shalmonim), ‘geschenken’: dit woord komt alleen hier voor. Het betekent waarschijnlijk ‘beloningen, steekpenningen’. Voetnoot : שַׂר (sar), ‘overste’: een leider of ambtenaar. Voetnoot : De wees en de weduwe zijn de zwakke mensen zonder beschermer. Zie vers 17. Zie ook: Ex 23:8; Jes 1:17; Mi 7:3; Zach 7:10; Luc 18:2–5; Hand 4:5–11 ### Yahweh zuivert Sion **1:24** Daarom, godsspraak van de Heer, Yahweh van de legermachten, de Machtige van Israël: **„Ach, Ik zal Mij verlichting verschaffen op Mijn tegenstanders. Ik zal Mij wreken op Mijn vijanden.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | נְאֻ֤ם (neum) = godsspraak van | הָֽאָדוֹן֙ (haadon) = de Heer | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֲבִ֖יר (avir) = de Machtige van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | ה֚וֹי (hoy) = ach | אֶנָּחֵ֣ם (enachem) = Ik zal Mij verlichting verschaffen | מִצָּרַ֔י (mitsaray) = op Mijn tegenstanders | וְאִנָּקְמָ֖ה (veinaqema) = en Ik zal Mij wreken | מֵאוֹיְבָֽי (meoyevay) = op Mijn vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: een vaste formule in de profeten (ne’um Yahweh, ‘godsspraak van Yahweh’). Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt. Wij zetten de formule in rood als ze midden in Zijn woorden staat. Hier is ze de aanhef van de toespraak en staat ze zwart, zoals de inleiding ‘Zo zegt Yahweh’. Voetnoot : הָאָדוֹן (ha’adon), ‘de Heer’: met lidwoord, een titel voor Yahweh. Zie ook Jes. 3:1. Voetnoot : אֲבִיר יִשְׂרָאֵל (avir Yisra’el), ‘de Machtige van Israël’: een oude titel van Yahweh, zoals ‘de Machtige van Jakob’ in Gen. 49:24 en Ps. 132:2. Voetnoot : אֶנָּחֵם (ennachem), ‘Ik zal Mij verlichting verschaffen’: het werkwoord נָחַם (nacham) betekent hier dat Yahweh opluchting krijgt doordat Hij Zijn vijanden straft. Elders betekent het ‘Zich laten rouwen’ of ‘troosten’. Zie ook: Gen 49:24; Deut 28:63; Ps 132:2; Jes 3:1; Jes 49:26; Jes 60:16; Jes 61:2; Ezech 5:13 **1:25** **Ik zal Mijn hand tegen je keren. Ik zal je slakken wegsmelten als met loog en al je tin verwijderen.** Brontekst: וְאָשִׁ֤יבָה (veashiva) = en Ik zal keren | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = tegen je | וְאֶצְרֹ֥ף (veetsrof) = en Ik zal wegsmelten | כַּבֹּ֖ר (kabor) = als met loog | סִיגָ֑יִךְ (sigayikh) = je slakken | וְאָסִ֖ירָה (veasira) = en Ik zal verwijderen | כָּל (kal) = al | בְּדִילָֽיִךְ (bedilayikh) = je tin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּבֹּר (kabbor), ‘als met loog’: loog is een scherpe, uit as gemaakte stof die bij het zuiveren van metaal werd gebruikt. De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook ‘geheel en al’ betekenen. Voetnoot : בְּדִילַיִךְ (bedilayikh), ‘je tin’: een onzuiver metaal dat bij het zilver zit. Het beeld: Yahweh zuivert Jeruzalem zoals een smelter zilver zuivert. Zie ook: Jes 1:22; Jes 4:4; Jer 6:29; Jer 9:6; Mal 3:3 **1:26** **Ik zal je rechters terugbrengen zoals vroeger en je raadgevers zoals in het begin. Daarna zal men je noemen: ‘Stad van gerechtigheid’, ‘Trouwe stad’.”** Brontekst: וְאָשִׁ֤יבָה (veashiva) = en Ik zal terugbrengen | שֹׁפְטַ֨יִךְ֙ (shofetayikh) = je rechters | כְּבָרִ֣אשֹׁנָ֔ה (kevarishona) = zoals vroeger | וְיֹעֲצַ֖יִךְ (veyoatsayikh) = en je raadgevers | כְּבַתְּחִלָּ֑ה (kevatechila) = zoals in het begin | אַחֲרֵי (acharei) = daarna | כֵ֗ן (ken) = dit | יִקָּ֤רֵא (yiqare) = zal genoemd worden | לָךְ֙ (lakh) = voor je | עִ֣יר (ir) = stad van | הַצֶּ֔דֶק (hatsedeq) = de gerechtigheid | קִרְיָ֖ה (qirya) = stad | נֶאֱמָנָֽה (neemana) = trouwe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִיר הַצֶּדֶק (ir hatsedeq), ‘Stad van gerechtigheid’: een eernaam voor Jeruzalem. Het is het omgekeerde van vers 21, waar de stad een hoer is geworden en de gerechtigheid er niet meer woont. Zie ook: Jes 1:21; Jes 60:21; Jes 62:1–2; Jer 33:7; Zach 8:3; Zach 8:8 **1:27** Sion zal door recht vrijgekocht worden, en haar terugkerenden door gerechtigheid. Brontekst: צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | בְּמִשְׁפָּ֣ט (bemishpat) = door recht | תִּפָּדֶ֑ה (tipade) = zal vrijgekocht worden | וְשָׁבֶ֖יהָ (veshaveiha) = en haar terugkerenden | בִּצְדָקָֽה (bitsdaqa) = door gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: תִּפָּדֶה (tippadeh), ‘zal vrijgekocht worden’: het werkwoord פָּדָה (padah) betekent ‘vrijkopen’, zoals in Deut. 7:8. Voetnoot : שָׁבֶיהָ (shaveha), ‘haar terugkerenden’: wie zich bekeert. Het woord kan ook ‘haar gevangenen’ betekenen. Zie ook: Deut 7:8; Jes 5:16; Jes 45:21–25; Jes 62:12; Jes 63:4; Tit 2:14 **1:28** De ondergang van overtreders en zondaars komt tegelijk, en wie Yahweh verlaten, zullen omkomen. Brontekst: וְשֶׁ֧בֶר (veshever) = en ondergang van | פֹּשְׁעִ֛ים (posheim) = overtreders | וְחַטָּאִ֖ים (vechataim) = en zondaars | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = tegelijk | וְעֹזְבֵ֥י (veozevei) = en die verlaten | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יִכְלֽוּ (yikhlu) = zullen omkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:3; Ps 1:6; Jes 30:13; 2 Tess 1:8–9; Openb 21:8 ### Beschaamd om de terebinten **1:29** Want zij zullen zich schamen voor de terebinten die jullie begeerd hebben. En jullie zullen beschaamd zijn voor de tuinen die jullie hebben uitgekozen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | יֵבֹ֔שׁוּ (yevoshu) = zij zullen zich schamen | מֵאֵילִ֖ים (meeilim) = voor de terebinten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חֲמַדְתֶּ֑ם (chamadtem) = jullie hebben begeerd | וְתַ֨חְפְּר֔וּ (vetachperu) = en jullie zullen beschaamd zijn | מֵהַגַּנּ֖וֹת (mehaganot) = voor de tuinen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּחַרְתֶּֽם (bechartem) = jullie hebben uitgekozen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵילִים (eilim), ‘terebinten’: grote bomen, in vers 30 אֵלָה (elah). Onder zulke bomen werd afgodsdienst bedreven; zie Hos. 4:13. Ook de ‘tuinen’ zijn plaatsen van afgodsdienst, zie Jes. 65:3. Zie ook: Hos 4:13; Jes 1:30; Jes 57:5; Jes 65:3; Jes 66:17; Ezech 16:63 **1:30** Want jullie zullen zijn als een terebint waarvan het blad verwelkt, en als een tuin waarin geen water is. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | תִֽהְי֔וּ (tihyu) = jullie zullen zijn | כְּאֵלָ֖ה (keela) = als een terebint | נֹבֶ֣לֶת (novelet) = verwelkend | עָלֶ֑הָ (aleha) = blad ervan | וּֽכְגַנָּ֔ה (ukhegana) = en als een tuin | אֲשֶׁר (asher) = waarin | מַ֖יִם (mayim) = water | אֵ֥ין (ein) = niet is | לָֽהּ (lah) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 5:6; Jes 58:11; Jer 17:5–6; Ezech 17:9–10; Mat 21:19 **1:31** De sterke zal tot een prop vlas worden en zijn werk tot een vonk. Beiden zullen samen branden, en niemand blust. Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal zijn | הֶחָסֹן֙ (hechason) = de sterke | לִנְעֹ֔רֶת (linoret) = tot een prop vlas | וּפֹעֲל֖וֹ (ufoalo) = en zijn werk | לְנִיצ֑וֹץ (lenitsots) = tot een vonk | וּבָעֲר֧וּ (uvaaru) = en zullen branden | שְׁנֵיהֶ֛ם (sheneihem) = beiden | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = tegelijk | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | מְכַבֶּֽה (mekhabe) = een blusser Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחָסֹן (hechason), ‘de sterke’: een machtig man. Voetnoot : נְעֹרֶת (ne’oret), ‘prop vlas’: het afval van vlas, dat licht vlam vat. Voetnoot : פֹעֲלוֹ (fo’alo), ‘zijn werk’: het kan ook ‘zijn maker’ betekenen. Wij volgen ‘zijn werk’. Zie ook: Jes 33:14; Jes 66:24; Ezech 21:3–4; Ezech 32:21; Mal 3:19 ## Jesaja 2 _De berg van Yahweh en de dag tegen alle hoogmoed_ **2:1** Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, zag over Juda en Jeruzalem. Brontekst: הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | חָזָ֔ה (chaza) = zag | יְשַֽׁעְיָ֖הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶּן (ben) = zoon van | אָמ֑וֹץ (amots) = Amoz | עַל (al) = over | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָֽם (virushalaim) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit is een tweede opschrift, dicht bij Jes. 1:1. Hier staat דָּבָר (davar), ‘woord’, daar חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: beide zijn wat de profeet ‘zag’. Zie ook: Amos 1:1; Jes 1:1; Jes 13:1; Mi 1:1; Hab 1:1 ### De berg van het huis van Yahweh **2:2** Het zal gebeuren in de laatste dagen. De berg van het huis van Yahweh zal vaststaan op de top van de bergen en verheven zijn boven de heuvels. Alle volken zullen naar hem toe stromen. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּאַחֲרִ֣ית (beacharit) = in het laatste van | הַיָּמִ֗ים (hayamim) = de dagen | נָכ֨וֹן (nakhon) = vaststaand | יִֽהְיֶ֜ה (yihye) = zal zijn | הַ֤ר (har) = de berg van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = op de top van | הֶהָרִ֔ים (heharim) = de bergen | וְנִשָּׂ֖א (venisa) = en verheven | מִגְּבָע֑וֹת (migevaot) = boven heuvels | וְנָהֲר֥וּ (venaharu) = en zullen stromen | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem toe | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de toekomst die nog komt, zoals in Hos. 3:5. Het gaat om een tijd waarin Yahweh Zijn plan voltooit. Voetnoot : Deze drie verzen (2:2–4) staan met dezelfde Hebreeuwse woorden in Micha 4:1–3. Wij houden de vertaling gelijk. Voetnoot : נָכוֹן (nakhon), ‘vaststaan’: onwrikbaar gegrondvest. De berg van het huis van Yahweh is de tempelberg in Jeruzalem; zij wordt de belangrijkste berg, hoewel zij niet de hoogste is. Voetnoot : נָהֲרוּ (naharu), ‘zij zullen stromen’: de volken komen als een rivier omhoog naar de berg. Zie ook: Hos 3:5; Jes 27:13; Jes 56:7; Mi 4:1–3; Zach 8:3; Openb 11:15 **2:3** Vele volken zullen gaan en zeggen: „Kom, laten wij opgaan naar de berg van Yahweh, naar het huis van de Elohim van Jakob. Hij zal ons onderwijzen over Zijn wegen, en wij zullen op Zijn paden gaan. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van Yahweh uit Jeruzalem.” Brontekst: וְֽהָלְכ֞וּ (vehalekhu) = en zullen gaan | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֗ים (rabim) = vele | וְאָמְרוּ֙ (veameru) = en zullen zeggen | לְכ֣וּ (lekhu) = komt | וְנַעֲלֶ֣ה (venaale) = en laten wij opgaan | אֶל (el) = naar | הַר (har) = de berg van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | בֵּית֙ (beit) = het huis van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְיֹרֵ֨נוּ֙ (veyorenu) = en Hij zal ons onderwijzen | מִדְּרָכָ֔יו (miderakhav) = over Zijn wegen | וְנֵלְכָ֖ה (venelekha) = en laten wij gaan | בְּאֹרְחֹתָ֑יו (beorechotav) = op Zijn paden | כִּ֤י (ki) = want | מִצִּיּוֹן֙ (mitsiyon) = uit Sion | תֵּצֵ֣א (tetse) = zal uitgaan | תוֹרָ֔ה (tora) = wet | וּדְבַר (udevar) = en het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִירוּשָׁלִָֽם (mirushalaim) = uit Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’. Uit Sion komt het onderwijs van Yahweh, voor alle volken. Voetnoot : וְיֹרֵנוּ (veyorenu), ‘Hij zal ons onderwijzen’: van hetzelfde werkwoord als torah. Voetnoot : De volken spreken hier zelf; hun woorden staan in aanhalingstekens. Zie ook: Ps 25:8–9; Jes 51:4–5; Jer 50:4–5; Zach 8:20–23; Luc 24:47 **2:4** Hij zal rechtspreken tussen de volken en vele volken terechtwijzen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Volk zal tegen volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. Brontekst: וְשָׁפַט֙ (veshafat) = en Hij zal rechtspreken | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וְהוֹכִ֖יחַ (vehokhiach) = en zal terechtwijzen | לְעַמִּ֣ים (leamim) = volken | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | וְכִתְּת֨וּ (vekhitetu) = en zij zullen omsmeden | חַרְבוֹתָ֜ם (charvotam) = hun zwaarden | לְאִתִּ֗ים (leitim) = tot ploegscharen | וַחֲנִיתֽוֹתֵיהֶם֙ (vachanitoteihem) = en hun speren | לְמַזְמֵר֔וֹת (lemazmerot) = tot snoeimessen | לֹא (lo) = niet | יִשָּׂ֨א (yisa) = zal opheffen | ג֤וֹי (goy) = volk | אֶל (el) = tegen | גּוֹי֙ (goy) = volk | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וְלֹא (velo) = en niet | יִלְמְד֥וּ (yilmedu) = zullen leren | ע֖וֹד (od) = meer | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְשָׁפַט (veshafat), ‘Hij zal rechtspreken’, en וְהוֹכִיחַ (vehokhiach), ‘terechtwijzen’: Yahweh is de rechter tussen de volken. Zij leggen hun geschillen bij Hem neer in plaats van bij de wapens. Voetnoot : אִתִּים (ittim), ‘ploegscharen’, en מַזְמֵרוֹת (mazmerot), ‘snoeimessen’: werktuigen voor akker en wijngaard. In Joël 4:10 staat het omgekeerde: ploegscharen worden zwaarden. Zie ook: Joël 4:10; Hos 2:20; Jes 11:6–9; Jes 60:17–18; Mi 4:3; Zach 9:10 ### Kom, laten wij gaan in het licht van Yahweh **2:5** Huis van Jakob, kom, laten wij gaan in het licht van Yahweh. Brontekst: בֵּ֖ית (beit) = huis van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | לְכ֥וּ (lekhu) = komt | וְנֵלְכָ֖ה (venelekha) = en laten wij gaan | בְּא֥וֹר (beor) = in het licht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 60:19–20; Luc 1:79; Joh 12:35–36; Ef 5:8; 1 Joh 1:7 ### Een land vol nietige goden **2:6** Want U hebt Uw volk verlaten, het huis van Jakob. Want zij zijn vol van het oosten. Zij zijn tekenduiders zoals de Filistijnen en slaan de handen ineen met kinderen van vreemden. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | נָטַ֗שְׁתָּה (natashta) = U hebt verlaten | עַמְּךָ֙ (amekha) = Uw volk | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | כִּ֤י (ki) = want | מָלְאוּ֙ (maleu) = zij zijn vol | מִקֶּ֔דֶם (miqedem) = van het oosten | וְעֹֽנְנִ֖ים (veonenim) = en tekenduiders | כַּפְּלִשְׁתִּ֑ים (kapelishtim) = zoals de Filistijnen | וּבְיַלְדֵ֥י (uveyaldei) = en met kinderen van | נָכְרִ֖ים (nakherim) = vreemden | יַשְׂפִּֽיקוּ (yaspiqu) = slaan zij de handen ineen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt de profeet tot Yahweh. Daarom staat er ‘U’ en ‘Uw’. Voetnoot : מִקֶּדֶם (miqqedem), ‘van het oosten’: het Hebreeuws zegt niet waarvan zij vol zijn. Men denkt aan gebruiken en waarzeggerij uit het oosten. Voetnoot : עֹנְנִים (onenim), ‘tekenduiders’: zoals in Deut. 18:10. Voetnoot : יַשְׂפִּיקוּ (yaspiqu), ‘zij slaan de handen ineen’: de betekenis is onzeker. Mogelijk gaat het om een verbond of om zich overgeven aan vreemde gebruiken. Zie ook: Lev 20:6; Deut 18:10–14; Deut 31:16–17; 2 Kon 1:2; Rom 11:20 **2:7** Zijn land is vol zilver en goud, en aan zijn schatten is geen einde. Zijn land is vol paarden, en aan zijn wagens is geen einde. Brontekst: וַתִּמָּלֵ֤א (vatimale) = en is vol | אַרְצוֹ֙ (artso) = zijn land | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָ֔ב (vezahav) = en goud | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | קֵ֖צֶה (qetse) = einde | לְאֹצְרֹתָ֑יו (leotserotav) = aan zijn schatten | וַתִּמָּלֵ֤א (vatimale) = en is vol | אַרְצוֹ֙ (artso) = zijn land | סוּסִ֔ים (susim) = paarden | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | קֵ֖צֶה (qetse) = einde | לְמַרְכְּבֹתָֽיו (lemarkevotav) = aan zijn wagens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 17:16–17; Ps 20:8; Jes 30:16; Jes 31:1; Mi 5:9 **2:8** Zijn land is vol nietige goden. Voor het werk van zijn handen buigen zij zich neer, voor wat zijn vingers hebben gemaakt. Brontekst: וַתִּמָּלֵ֥א (vatimale) = en is vol | אַרְצ֖וֹ (artso) = zijn land | אֱלִילִ֑ים (elilim) = nietige goden | לְמַעֲשֵׂ֤ה (lemaase) = voor het werk van | יָדָיו֙ (yadav) = zijn handen | יִֽשְׁתַּחֲו֔וּ (yishtachavu) = zij buigen zich neer | לַאֲשֶׁ֥ר (laasher) = voor wat | עָשׂ֖וּ (asu) = zij hebben gemaakt | אֶצְבְּעֹתָֽיו (etsbeotav) = zijn vingers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלִילִים (elilim), ‘nietige goden’: zoals in Lev. 19:4 en 26:1. Het woord klinkt als אַל (al), ‘niet’; het zijn ‘niets-goden’. Zie ook: Lev 19:4; Lev 26:1; Ps 115:4–8; Jes 37:19; Jes 57:5; Jer 2:28; Openb 9:20 **2:9** De mens wordt gebogen en de man wordt vernederd. Vergeef hun niet! Brontekst: וַיִּשַּׁ֥ח (vayishach) = en wordt gebogen | אָדָ֖ם (adam) = mens | וַיִּשְׁפַּל (vayishpal) = en wordt vernederd | אִ֑ישׁ (ish) = man | וְאַל (veal) = en niet | תִּשָּׂ֖א (tisa) = vergeef | לָהֶֽם (lahem) = hun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאַל־תִּשָּׂא לָהֶם (ve’al tissa lahem), ‘Vergeef hun niet’: het werkwoord נָשָׂא (nasa) betekent ‘dragen’, ‘optillen’ en ‘vergeven’. Hier kan het ook zijn: ‘Til hen niet op’. Wij kiezen ‘vergeef’, met de aanspreking van de profeet tot Yahweh. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt אָדָם (adam), ‘mens’, en אִישׁ (ish), ‘man’: twee woorden voor iedereen. Zie ook: Jes 5:15; Jes 27:11; Neh 3:37; Mar 3:29; Rom 3:23 **2:10** Ga de rots in en verberg je in het stof, voor de schrik van Yahweh en voor de luister van Zijn majesteit. Brontekst: בּ֣וֹא (bo) = ga | בַצּ֔וּר (batsur) = in de rots | וְהִטָּמֵ֖ן (vehitamen) = en verberg je | בֶּֽעָפָ֑ר (beafar) = in het stof | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = voor | פַּ֣חַד (pachad) = de schrik van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּמֵהֲדַ֖ר (umehadar) = en voor de luister van | גְּאֹנֽוֹ (geono) = Zijn majesteit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers volgt het oordeel over de hoogmoed. De oproep om zich in de rots te verbergen komt terug in vers 19 en 21. Voetnoot : פַּחַד יְהוָה (pachad Yahweh), ‘de schrik van Yahweh’: de schrik die Hij bij mensen wekt. Voetnoot : הֲדַר גְּאֹנוֹ (hadar ge’ono), ‘de luister van Zijn majesteit’: Zijn verheven aanwezigheid. Zie ook: Re 6:1–2; Hos 10:8; Jes 2:19–21; Jes 2:21; Luc 23:30; Openb 6:15–16 **2:11** De hoogmoedige ogen van de mens zijn neergeslagen en de trots van de mensen is gebogen. Yahweh alleen zal verheven zijn op die dag. Brontekst: עֵינֵ֞י (einei) = ogen van | גַּבְה֤וּת (gavhut) = hoogmoed van | אָדָם֙ (adam) = de mens | שָׁפֵ֔ל (shafel) = zijn neergeslagen | וְשַׁ֖ח (veshach) = en gebogen | ר֣וּם (rum) = trots van | אֲנָשִׁ֑ים (anashim) = mensen | וְנִשְׂגַּ֧ב (venisgav) = en verheven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לְבַדּ֖וֹ (levado) = alleen | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 18:28; Jes 2:17; Jes 5:15–16; Jes 12:4; Mal 3:19 ### Een dag tegen alle hoogmoed **2:12** Want er is een dag van Yahweh van de legermachten tegen alles wat trots en hoog is, en tegen alles wat verheven en laag is, Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | י֞וֹם (yom) = dag | לַיהוָ֧ה (laYahweh) = van Yahweh | צְבָא֛וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עַ֥ל (al) = tegen | כָּל (kal) = alles | גֵּאֶ֖ה (gee) = wat trots is | וָרָ֑ם (varam) = en hoog | וְעַ֖ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alles | נִשָּׂ֥א (nisa) = wat verheven is | וְשָׁפֵֽל (veshafel) = en laag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹם לַיהוָה צְבָאוֹת (yom la-Yahweh Tsevaot), ‘een dag van Yahweh van de legermachten’: de dag van Yahweh, waarop Hij ingrijpt; zie Amos 5:18–20 en Joël 2:1. Hier richt de dag zich tegen alle hoogmoed. Voetnoot : וְשָׁפֵל (veshafel), ‘en laag’: het Hebreeuws zegt hier ‘laag’, bedoeld wordt wat verheven is en laag gemaakt wordt. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Spr 16:5; Joël 2:1; Amos 5:18–20; Jes 23:9; Dan 4:34; Mal 3:19; Luc 14:11 **2:13** en tegen alle cederen van de Libanon, de hoge en verheven cederen, en tegen alle eiken van Basan, Brontekst: וְעַל֙ (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | אַרְזֵ֣י (arzei) = cederen van | הַלְּבָנ֔וֹן (halevanon) = de Libanon | הָרָמִ֖ים (haramim) = de hoge | וְהַנִּשָּׂאִ֑ים (vehanisaim) = en verheven | וְעַ֖ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | אַלּוֹנֵ֥י (alonei) = eiken van | הַבָּשָֽׁן (habashan) = Basan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De cederen van de Libanon en de eiken van Basan zijn de grootste en sterkste bomen van het land. Zij zijn hier het beeld van de trotse en machtige mensen. Zie ook: Amos 2:5; Jes 10:33–34; Jes 14:8; Ezech 31:3–12; Zach 11:1–2 **2:14** en tegen alle hoge bergen en tegen alle verheven heuvels, Brontekst: וְעַ֖ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | הֶהָרִ֣ים (heharim) = de bergen | הָרָמִ֑ים (haramim) = de hoge | וְעַ֖ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | הַגְּבָע֥וֹת (hagevaot) = de heuvels | הַנִּשָּׂאֽוֹת (hanisaot) = de verheven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 68:17; Ps 110:5–6; Jes 30:25; Jes 40:4; 2 Kor 10:5 **2:15** en tegen elke hoge toren en tegen elke versterkte muur, Brontekst: וְעַ֖ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | מִגְדָּ֣ל (migdal) = torens | גָּבֹ֑הַ (gavoha) = hoge | וְעַ֖ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | חוֹמָ֥ה (choma) = muur | בְצוּרָֽה (betsura) = versterkte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 25:12 **2:16** en tegen alle schepen van Tarsis en tegen alle kostbare pronkstukken. Brontekst: וְעַ֖ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | אֳנִיּ֣וֹת (oniyot) = schepen van | תַּרְשִׁ֑ישׁ (tarshish) = Tarsis | וְעַ֖ל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = alle | שְׂכִיּ֥וֹת (sekhiyot) = pronkstukken | הַחֶמְדָּֽה (hachemda) = de kostbare Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Voetnoot Uitleg: אָנִיּוֹת תַּרְשִׁישׁ (oniyyot Tarshish), ‘schepen van Tarsis’: grote zeeschepen; zie 1 Kon. 10:22 en Jona 1:3. De ligging van Tarsis is onzeker. Voetnoot : שְׂכִיּוֹת הַחֶמְדָּה (sekhiyyot hachemdah), ‘kostbare pronkstukken’: het woord שְׂכִיּוֹת (sekhiyyot) komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Sommigen denken aan ‘schepen’, anderen aan ‘kunstwerken, beelden’. Zie ook: 1 Kon 10:22; 1 Kon 22:49–50; Jona 1:3; Jes 23:1; Jes 60:9; Openb 18:17–19 **2:17** De hoogmoed van de mens zal gebogen worden en de trots van de mensen zal vernederd worden. Yahweh alleen zal verheven zijn op die dag. Brontekst: וְשַׁח֙ (veshach) = en wordt gebogen | גַּבְה֣וּת (gavhut) = hoogmoed van | הָאָדָ֔ם (haadam) = de mens | וְשָׁפֵ֖ל (veshafel) = en wordt vernederd | ר֣וּם (rum) = trots van | אֲנָשִׁ֑ים (anashim) = mensen | וְנִשְׂגַּ֧ב (venisgav) = en verheven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לְבַדּ֖וֹ (levado) = alleen | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 2:11; Jes 13:11; Jer 48:29–30; Ezech 28:2–7 **2:18** En de nietige goden zullen helemaal verdwijnen. Brontekst: וְהָאֱלִילִ֖ים (vehaelilim) = en de nietige goden | כָּלִ֥יל (kalil) = geheel | יַחֲלֹֽף (yachalof) = verdwijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 21:9; Jes 27:9; Sef 1:3; Ezech 37:23; Zach 13:2 **2:19** Zij zullen gaan in de grotten van de rotsen en in de gaten van het stof, voor de schrik van Yahweh en voor de luister van Zijn majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te doen beven. Brontekst: וּבָ֨אוּ֙ (uvau) = en zij zullen komen | בִּמְעָר֣וֹת (bimarot) = in grotten van | צֻרִ֔ים (tsurim) = rotsen | וּבִמְחִלּ֖וֹת (uvimchilot) = en in gaten van | עָפָ֑ר (afar) = stof | מִפְּנֵ֞י (mipenei) = voor | פַּ֤חַד (pachad) = de schrik van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וּמֵהֲדַ֣ר (umehadar) = en voor de luister van | גְּאוֹנ֔וֹ (geono) = Zijn majesteit | בְּקוּמ֖וֹ (bequmo) = wanneer Hij opstaat | לַעֲרֹ֥ץ (laarots) = om te doen beven | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 10:8; Jes 2:10; Jes 2:21; Luc 23:30; Heb 12:26 **2:20** Op die dag zal de mens zijn zilveren nietige goden en zijn gouden nietige goden, die men voor hem gemaakt had om zich ervoor neer te buigen, weggooien voor de mollen en de vleermuizen, Brontekst: בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | יַשְׁלִ֣יךְ (yashlikh) = zal weggooien | הָאָדָ֔ם (haadam) = de mens | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֱלִילֵ֣י (elilei) = nietige goden van | כַסְפּ֔וֹ (kaspo) = zijn zilver | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | אֱלִילֵ֣י (elilei) = nietige goden van | זְהָב֑וֹ (zehavo) = zijn goud | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | עָֽשׂוּ (asu) = men maakte | לוֹ֙ (lo) = voor hem | לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֔ת (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | לַחְפֹּ֥ר (lachpor) = naar graven | פֵּר֖וֹת (perot) = gaten | וְלָעֲטַלֵּפִֽים (velaatalefim) = en de vleermuizen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַחְפֹּר פֵּרוֹת (lachpor perot), ‘voor de mollen’: de betekenis van de beide woorden is onzeker. Vaak worden ze gelezen als één woord voor een dier dat in de grond graaft, de mol. Zie ook: Lev 11:19; Hos 14:9; Jes 30:22; Jes 31:7; Jes 46:1 **2:21** om te gaan in de spleten van de rotsen en in de kloven van de klippen, voor de schrik van Yahweh en voor de luister van Zijn majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te doen beven. Brontekst: לָבוֹא֙ (lavo) = om te gaan | בְּנִקְר֣וֹת (beniqrot) = in spleten van | הַצֻּרִ֔ים (hatsurim) = de rotsen | וּבִסְעִפֵ֖י (uvisifei) = en in kloven van | הַסְּלָעִ֑ים (haselaim) = de klippen | מִפְּנֵ֞י (mipenei) = voor | פַּ֤חַד (pachad) = de schrik van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וּמֵהֲדַ֣ר (umehadar) = en voor de luister van | גְּאוֹנ֔וֹ (geono) = Zijn majesteit | בְּקוּמ֖וֹ (bequmo) = wanneer Hij opstaat | לַעֲרֹ֥ץ (laarots) = om te doen beven | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 30:6; Ex 33:22; Hoogl 2:14; Jes 2:10; Jes 2:19 ### Laat af van de mens **2:22** Laat af van de mens, wiens adem in zijn neus is. Want waarvoor wordt hij gehouden? Brontekst: חִדְל֤וּ (chidlu) = laat af | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | מִן (min) = van | הָ֣אָדָ֔ם (haadam) = de mens | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wiens | נְשָׁמָ֖ה (neshama) = adem | בְּאַפּ֑וֹ (beapo) = in zijn neus | כִּֽי (ki) = want | בַמֶּ֥ה (bame) = waarvoor | נֶחְשָׁ֖ב (nechshav) = wordt gehouden | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשָׁמָה (neshamah), ‘adem’: zoals in Gen. 2:7, waar Elohim ‘de adem van leven’ in de neus van de mens blaast. De mens leeft maar zolang hij ademt. Voetnoot : בַּמֶּה נֶחְשָׁב הוּא (bameh nechshav hu), ‘waarvoor wordt hij gehouden?’: de vraag kan ook ‘waarin is hij te rekenen?’ of ‘waar is hij waard om te vertrouwen?’ betekenen. Het Hebreeuws is kort. Zie ook: Gen 2:7; Ps 8:5; Ps 144:3–4; Ps 146:3; Jer 17:5; Jak 4:14 ## Jesaja 3 _Yahweh neemt de steun weg uit Jeruzalem en Juda_ ### Yahweh neemt de steun weg **3:1** Want zie, de Heer, Yahweh van de legermachten, neemt uit Jeruzalem en uit Juda de steun en de stut weg. Elke steun van brood en elke steun van water. Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | הָאָד֜וֹן (haadon) = de Heer | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | מֵסִ֤יר (mesir) = neemt weg | מִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (mirushalaim) = uit Jeruzalem | וּמִ֣יהוּדָ֔ה (umihuda) = en uit Juda | מַשְׁעֵ֖ן (mashen) = steun | וּמַשְׁעֵנָ֑ה (umashena) = en stut | כֹּ֚ל (kol) = elke | מִשְׁעַן (mishan) = steun van | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | וְכֹ֖ל (vekhol) = en elke | מִשְׁעַן (mishan) = steun van | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: הָאָדוֹן (ha’adon), ‘de Heer’: met lidwoord, een titel voor Yahweh; zie Jes. 1:24. Voetnoot : מַשְׁעֵן וּמַשְׁעֵנָה (mash’en umash’enah), ‘steun en stut’: twee verwante woorden, het eerste mannelijk en het tweede vrouwelijk. Zo wordt alles bedoeld waarop men steunt: ‘elke steun van brood en elke steun van water’. Brood en water zijn het levensnoodzakelijke. Voetnoot : Dit en de volgende twee verzen zijn woorden van de profeet. Yahweh wordt in de derde persoon genoemd. Zie ook: Lev 26:26; Ps 105:16; Jes 1:24; Ezech 4:16–17; Ezech 14:13 **3:2** De held en de krijgsman, de rechter en de profeet, de waarzegger en de oudste, Brontekst: גִּבּ֖וֹר (gibor) = held | וְאִ֣ישׁ (veish) = en man van | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | שׁוֹפֵ֥ט (shofet) = rechter | וְנָבִ֖יא (venavi) = en profeet | וְקֹסֵ֥ם (veqosem) = en waarzegger | וְזָקֵֽן (vezaqen) = en oudste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 2 en 3 noemen mensen op wie een stad steunt: de held en de krijgsman, de rechter en de profeet, en vele anderen. Zij worden door Yahweh weggenomen. Voetnoot : קֹסֵם (qosem), ‘waarzegger’: zoals in Joz. 13:22. Het is iemand die de toekomst probeert te lezen. Zie ook: Joz 13:22; 2 Kon 24:14–16; Jes 9:13–14; Ezech 8:12; Ezech 9:5; Ezech 17:13 **3:3** de aanvoerder van vijftig en de man van aanzien, de raadsman, de man die kundig is in toverkunst en de kenner van bezweringen. Brontekst: שַׂר (sar) = aanvoerder van | חֲמִשִּׁ֖ים (chamishim) = vijftig | וּנְשׂ֣וּא (unesu) = en man van | פָנִ֑ים (panim) = aanzien | וְיוֹעֵ֛ץ (veyoets) = en raadsman | וַחֲכַ֥ם (vachakham) = en kundige in | חֲרָשִׁ֖ים (charashim) = toverkunst | וּנְב֥וֹן (unevon) = en kenner van | לָֽחַשׁ (lachash) = bezweringen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשׂוּא פָנִים (nesu fanim), ‘man van aanzien’: letterlijk ‘iemand wiens gezicht wordt opgeheven’. Voetnoot : חֲכַם חֲרָשִׁים (chakham charashim), ‘kundig in toverkunst’: het woord חֲרָשִׁים (charashim) kan ‘vakmanschap’ of ‘toverkunst’ betekenen. Wij kiezen ‘toverkunst’ vanwege de samenhang met ‘bezweringen’. Voetnoot : לָחַשׁ (lachash), ‘bezwering’: een fluisterende spreuk. De betekenis is hier onzeker. Zie ook: Ex 4:10; Ex 18:21; Deut 1:15; Re 8:18; 1 Sam 8:12 **3:4** **„Ik zal jongens als hun oversten geven, en wispelturige mensen zullen over hen heersen.”** Brontekst: וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | נְעָרִ֖ים (nearim) = jongens | שָׂרֵיהֶ֑ם (sareihem) = tot hun oversten | וְתַעֲלוּלִ֖ים (vetaalulim) = en wispelturigen | יִמְשְׁלוּ (yimshelu) = zullen heersen | בָֽם (bam) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt Yahweh in de eerste persoon (‘Ik zal geven’); Zijn woorden staan rood. Daarvoor sprak de profeet over Hem in de derde persoon. Voetnoot : נְעָרִים (ne’arim), ‘jongens’: jonge mannen, of kinderen. Voetnoot : תַּעֲלוּלִים (ta’alulim), ‘wispelturige mensen’: het woord komt zelden voor en de betekenis is onzeker. Het kan ‘kinderachtige grillen’ zijn, of ‘willekeur’. Zie ook: Pred 10:16; 1 Kon 3:7–9; 2 Kron 33:1; 2 Kron 36:5; 2 Kron 36:9 **3:5** Het volk zal onderdrukt worden, de een door de ander en ieder door zijn naaste. De jongen zal brutaal zijn tegen de oude, en de geminachte tegen de aanzienlijke. Brontekst: וְנִגַּ֣שׂ (venigas) = en zal onderdrukt worden | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אִ֥ישׁ (ish) = man | בְּאִ֖ישׁ (beish) = door man | וְאִ֣ישׁ (veish) = en man | בְּרֵעֵ֑הוּ (bereehu) = door zijn naaste | יִרְהֲב֗וּ (yirhavu) = zal brutaal zijn | הַנַּ֨עַר֙ (hanaar) = de jongen | בַּזָּקֵ֔ן (bazaqen) = tegen de oude | וְהַנִּקְלֶ֖ה (vehaniqle) = en de geminachte | בַּנִּכְבָּֽד (banikhbad) = tegen de aanzienlijke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְהֲבוּ (yirhavu), ‘zal brutaal zijn’: het werkwoord betekent ‘zich verheffen, vermetel optreden’. Voetnoot : De orde wordt omgekeerd: de jongen tegenover de oude, de geminachte tegenover de aanzienlijke. Zie ook: Job 30:1–12; Amos 4:1; Jer 9:2–7; Jer 22:17; Mal 3:5 **3:6** Wanneer iemand zijn broer vastgrijpt in het huis van zijn vader: „Je hebt een mantel. Wees onze aanvoerder! Deze puinhoop moet onder jouw hand zijn.” Brontekst: כִּֽי (ki) = wanneer | יִתְפֹּ֨שׂ (yitpos) = grijpt vast | אִ֤ישׁ (ish) = man | בְּאָחִיו֙ (beachiv) = zijn broer | בֵּ֣ית (beit) = in het huis van | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | שִׂמְלָ֣ה (simla) = mantel | לְכָ֔ה (lekha) = voor jou | קָצִ֖ין (qatsin) = aanvoerder | תִּֽהְיֶה (tihye) = je zult zijn | לָּ֑נוּ (lanu) = voor ons | וְהַמַּכְשֵׁלָ֥ה (vehamakhshela) = en puinhoop | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | תַּ֥חַת (tachat) = onder | יָדֶֽךָ (yadekha) = jouw hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׂמְלָה (simlah), ‘mantel’: wie een mantel heeft, heeft nog iets bezit; hij wordt daarom gevraagd leider te zijn. Het volk is zo arm dat iemand met een mantel al als rijk geldt. Voetnoot : מַכְשֵׁלָה (makhshelah), ‘puinhoop’: letterlijk ‘wat doet struikelen’; hier de ruïne van de stad. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft geen werkwoord ‘zeggen’; wij laten de woorden direct volgen. Zie ook: Re 11:6–8; Jes 4:1; Joh 6:15 **3:7** Op die dag zal hij zijn stem verheffen en zeggen: „Ik wil geen wondverbinder zijn. In mijn huis is geen brood en geen mantel. Maak mij niet tot aanvoerder van het volk.” Brontekst: יִשָּׂא֩ (yisa) = zal opheffen | בַיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֤וּא (hahu) = die | לֵאמֹר֙ (lemor) = zeggende | לֹא (lo) = niet | אֶהְיֶ֣ה (ehye) = zal ik zijn | חֹבֵ֔שׁ (chovesh) = verbinder | וּבְבֵיתִ֕י (uveveiti) = en in mijn huis | אֵ֥ין (ein) = niet is | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | שִׂמְלָ֑ה (simla) = mantel | לֹ֥א (lo) = niet | תְשִׂימֻ֖נִי (tesimuni) = maakt mij | קְצִ֥ין (qetsin) = aanvoerder van | עָֽם (am) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִשָּׂא (yissa), ‘zal opheffen’: in het Hebreeuws staat hier geen voorwerp. Bedoeld is: hij zal zijn stem opheffen. Het woord ‘stem’ staat er niet; wij voegen het toe. Voetnoot : חֹבֵשׁ (chovesh), ‘wondverbinder’: iemand die wonden verbindt; hier iemand die de wonden van de stad heelt. Zie ook Jes. 1:6. Zie ook: Deut 32:40; Hos 5:13; Jes 1:6; Jer 14:19; Ezech 34:4; Openb 10:5–6 ### Jeruzalem is gestruikeld **3:8** Want Jeruzalem is gestruikeld en Juda is gevallen, omdat hun tong en hun daden tegen Yahweh zijn, om de ogen van Zijn heerlijkheid te tarten. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | כָשְׁלָה֙ (kashela) = is gestruikeld | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וִיהוּדָ֖ה (vihuda) = en Juda | נָפָ֑ל (nafal) = is gevallen | כִּֽי (ki) = omdat | לְשׁוֹנָ֤ם (leshonam) = hun tong | וּמַֽעַלְלֵיהֶם֙ (umaalleihem) = en hun daden | אֶל (el) = tegen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לַמְר֖וֹת (lamrot) = om te tarten | עֵנֵ֥י (enei) = de ogen van | כְבוֹדֽוֹ (kevodo) = Zijn heerlijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כְּבוֹדוֹ (khevodo), ‘Zijn heerlijkheid’: Yahweh in Zijn gewicht en luister. Hun tong en hun daden zijn een uitdaging aan Zijn ogen. Zie ook: Hos 7:16; Jer 26:6; Ezech 9:9; Mal 3:13–15; 1 Kor 10:22 **3:9** De uitdrukking van hun gezicht getuigt tegen hen. Hun zonde maken zij bekend zoals Sodom, zij verbergen haar niet. Wee hun ziel, want zij hebben zichzelf kwaad vergolden. Brontekst: הַכָּרַ֤ת (hakarat) = de uitdrukking van | פְּנֵיהֶם֙ (peneihem) = hun gezicht | עָ֣נְתָה (aneta) = getuigt | בָּ֔ם (bam) = tegen hen | וְחַטָּאתָ֛ם (vechatatam) = en hun zonde | כִּסְדֹ֥ם (kisdom) = zoals Sodom | הִגִּ֖ידוּ (higidu) = maken zij bekend | לֹ֣א (lo) = niet | כִחֵ֑דוּ (kichedu) = verbergen zij | א֣וֹי (oy) = wee | לְנַפְשָׁ֔ם (lenafsham) = hun ziel | כִּֽי (ki) = want | גָמְל֥וּ (gamelu) = zij hebben vergolden | לָהֶ֖ם (lahem) = zichzelf | רָעָֽה (raa) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכָּרַת פְּנֵיהֶם (hakkarat peneihem), ‘de uitdrukking van hun gezicht’: het woord הַכָּרָה (hakkarah) komt alleen hier voor. Het kan ‘blik, uitdrukking’ of ‘partijdigheid’ betekenen. Wij kiezen ‘uitdrukking’. Voetnoot : כִּסְדֹם (kisdom), ‘zoals Sodom’: zie Jes. 1:9–10. Sodom verborg zijn zonde niet; zie Gen. 19:4–9. Voetnoot : גָּמְלוּ (gamelu), ‘zij hebben vergolden’: het werkwoord גָּמַל (gamal) is ‘vergelden’, zowel in het goede als in het kwade. Het zelfstandig naamwoord גְּמוּל (gemul), ‘vergelding’, staat in vers 11. Zie ook: Gen 13:13; Gen 18:20–21; Gen 19:4–9; Spr 30:13; Jes 1:9–10; Jes 3:11; Jer 6:15; Jer 44:16–17 **3:10** Zeg van de rechtvaardige dat het goed met hem gaat, want zij zullen de vrucht van hun daden eten. Brontekst: אִמְר֥וּ (imru) = zegt | צַדִּ֖יק (tsadiq) = rechtvaardige | כִּי (ki) = dat | ט֑וֹב (tov) = goed | כִּֽי (ki) = want | פְרִ֥י (peri) = vrucht van | מַעַלְלֵיהֶ֖ם (maalleihem) = hun daden | יֹאכֵֽלוּ (yokhelu) = zullen zij eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Wij lezen: ‘Zeg van de rechtvaardige dat het goed met hem gaat’. Het Hebreeuws is kort. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Ps 128:1–2; Pred 8:12; Ezech 18:9–19; Gal 6:7–8; Heb 6:10 **3:11** Wee de goddeloze! Het gaat hem slecht, want de vergelding van zijn handen wordt hem aangedaan. Brontekst: א֖וֹי (oy) = wee | לְרָשָׁ֣ע (lerasha) = de goddeloze | רָ֑ע (ra) = slecht | כִּֽי (ki) = want | גְמ֥וּל (gemul) = vergelding van | יָדָ֖יו (yadav) = zijn handen | יֵעָ֥שֶׂה (yease) = wordt gedaan | לּֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 28:4; Ps 120:3–4; Spr 1:31; Pred 8:13; Jak 2:13 **3:12** Mijn volk, zijn drijvers zijn kinderen, en vrouwen heersen over hem. Mijn volk, je leiders misleiden je, en de weg van je paden hebben zij verslonden. Brontekst: עַמִּי֙ (ami) = mijn volk | נֹגְשָׂ֣יו (nogesav) = zijn drijvers | מְעוֹלֵ֔ל (meolel) = kind | וְנָשִׁ֖ים (venashim) = en vrouwen | מָ֣שְׁלוּ (mashelu) = heersen | ב֑וֹ (bo) = over hem | עַמִּי֙ (ami) = mijn volk | מְאַשְּׁרֶ֣יךָ (meashereikha) = je leiders | מַתְעִ֔ים (matim) = misleiden | וְדֶ֥רֶךְ (vederekh) = en de weg van | אֹֽרְחֹתֶ֖יךָ (orechoteikha) = je paden | בִּלֵּֽעוּ (bileu) = hebben zij verslonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַמִּי (ammi), ‘Mijn volk’: het is niet duidelijk of hier de profeet of Yahweh spreekt. Wij laten het zwart, omdat Yahweh in vers 13 in de derde persoon wordt genoemd. Voetnoot : מְעוֹלֵל (me’olel), ‘kind’: het woord is enkelvoud. Het kan ook ‘plunderaar’ betekenen. Wij vertalen ‘kinderen’, in het verband met ‘vrouwen’. Voetnoot : בִּלֵּעוּ (bille’u), ‘zij hebben verslonden’: letterlijk ‘ingeslikt’. De leiders laten de goede weg verdwijnen. Zie ook: 2 Kon 11:1; Jes 3:4; Jes 3:13; Jes 28:14–15; Nah 3:13; Jer 5:31 ### Yahweh voert een rechtszaak **3:13** Yahweh staat klaar om een rechtszaak te voeren, en Hij staat op om volken te richten. Brontekst: נִצָּ֥ב (nitsav) = staat klaar | לָרִ֖יב (lariv) = om een rechtszaak te voeren | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְעֹמֵ֖ד (veomed) = en staat | לָדִ֥ין (ladin) = om te richten | עַמִּֽים (amim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַמִּים (ammim), ‘volken’: sommige oude vertalingen hebben hier ‘Zijn volk’, zoals in het volgende vers. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : נִצָּב לָרִיב (nitsav larriv), ‘staat klaar voor een rechtszaak’: Yahweh treedt op als aanklager en rechter. Zie ook: Ps 12:6; Spr 22:22–23; Spr 23:10–11; Hos 4:1–2; Mi 6:2 **3:14** Yahweh komt in het gericht met de oudsten van Zijn volk en met hun oversten. **„Jullie, jullie hebben de wijngaard kaalgevreten! De roof van de arme is in jullie huizen.** Brontekst: יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּמִשְׁפָּ֣ט (bemishpat) = in het gericht | יָב֔וֹא (yavo) = komt | עִם (im) = met | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = oudsten van | עַמּ֖וֹ (amo) = Zijn volk | וְשָׂרָ֑יו (vesarav) = en zijn oversten | וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | בִּֽעַרְתֶּ֣ם (biartem) = jullie hebben kaalgevreten | הַכֶּ֔רֶם (hakerem) = de wijngaard | גְּזֵלַ֥ת (gezelat) = roof van | הֶֽעָנִ֖י (heani) = de arme | בְּבָתֵּיכֶֽם (bevateikhem) = in jullie huizen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמִשְׁפָּט (bemishpat), ‘in het gericht’: letterlijk ‘in recht’. Yahweh gaat in het rechtsgeding met de oudsten en oversten. Voetnoot : בִּעַרְתֶּם (bi’artem), ‘jullie hebben kaalgevreten’: het werkwoord betekent ‘afweiden, kaal vreten’ en ook ‘in brand steken’. De leiders hebben de wijngaard, het volk, kaalgevreten. Voetnoot : Hier begint Yahweh zelf te spreken; Zijn woorden staan rood. Zie ook: Job 22:4; Job 24:9; Amos 4:1; Jer 5:27; Jak 2:6 **3:15** **Wat bedoelen jullie, dat jullie Mijn volk vermorzelen en het gezicht van de armen vermalen? Godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: מַה (ma) = wat | לָּכֶם֙ (lakhem) = is er met jullie | תְּדַכְּא֣וּ (tedakeu) = vermorzelen jullie | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | וּפְנֵ֥י (ufenei) = en het gezicht van | עֲנִיִּ֖ים (aniyim) = armen | תִּטְחָ֑נוּ (titchanu) = vermalen jullie | נְאֻם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = de Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַה לָּכֶם (mah lakhem), ‘wat bedoelen jullie’: letterlijk ‘wat is er met jullie’. Het is een verwijtende vraag. Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (ne’um Adonai Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten’: Adonai betekent ‘mijn Heer’. Als naam voor Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’. Zie ook Jes. 1:24 voor de formule ne’um. Voetnoot : De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat מלכם (mlkm), als één woord; de overlevering leest dat als twee woorden: מַה לָּכֶם (mah lakhem). Wij volgen de lezing. Zie ook: Ps 94:5; Amos 2:6–7; Amos 8:4–6; Jes 1:24; Mi 3:2–3; Ezech 18:2 ### De dochters van Sion **3:16** En Yahweh zei: **„Omdat de dochters van Sion hoogmoedig zijn: zij lopen met uitgestrekte hals en lonkende ogen. Zij gaan trippelend voort, en met hun voeten laten zij enkelringen rinkelen.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֚עַן (yaan) = omdat | כִּ֤י (ki) = dat | גָֽבְהוּ֙ (gavehu) = zijn hoogmoedig | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | וַתֵּלַ֨כְנָה֙ (vatelakhna) = en zij lopen | נְטוּי֣וֹת (netuyot) = uitgestrekt | גָּר֔וֹן (garon) = hals | וּֽמְשַׂקְּר֖וֹת (umesaqerot) = en lonkend | עֵינָ֑יִם (einayim) = ogen | הָל֤וֹךְ (halokh) = lopend | וְטָפֹף֙ (vetafof) = en trippelend | תֵּלַ֔כְנָה (telakhna) = gaan zij | וּבְרַגְלֵיהֶ֖ם (uveragleihem) = en met hun voeten | תְּעַכַּֽסְנָה (teakasna) = laten zij rinkelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וַיֹּאמֶר יְהוָה (vayyomer Yahweh), ‘En Yahweh zei’: deze inleiding staat zwart; de woorden die erop volgen staan rood. Yahweh spreekt hier ook in de derde persoon over Zichzelf (‘de Heer’, ‘Yahweh’), zoals in Hos. 1:7. Voetnoot : מְשַׂקְּרוֹת עֵינָיִם (mesaqqerot einayim), ‘lonkende ogen’: het werkwoord is onzeker; het kan ‘schuin kijken’, ‘lonken’ of ‘bedrieglijk’ betekenen. Voetnoot : תְּעַכַּסְנָה (te’akkasnah), ‘laten zij enkelringen rinkelen’: het werkwoord is verwant met het woord ‘enkelringen’ in vers 18. De vrouwen lopen zo dat hun sieraden rinkelen. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat נטוות (netuvot); de overlevering leest נְטוּיוֹת (netuyot), ‘uitgestrekte’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Spr 30:13; Hos 1:7; Jes 3:18; Jes 4:4; Jes 32:9–11; Ezech 16:49–50; Luc 23:28 **3:17** **Dan zal de Heer de schedel van de dochters van Sion schurftig maken, en Yahweh zal hun schaamte ontbloten.** Brontekst: וְשִׂפַּ֣ח (vesipach) = en zal schurftig maken | אֲדֹנָ֔י (adonay) = de Heer | קָדְקֹ֖ד (qadeqod) = schedel van | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | צִיּ֑וֹן (tsiyon) = Sion | וַיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | פָּתְהֵ֥ן (patehen) = hun schaamte | יְעָרֶֽה (yeare) = zal ontbloten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פָּתְהֶן (potehen), ‘hun schaamte’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; men denkt aan ‘schaamdelen’ of ‘voorhoofd’. Voetnoot : סִפַּח (sippach), ‘schurftig maken’: een ziekte van de huid. Het woord is verwant met ‘uitslag’ in Lev. 13:2. Zie ook: Lev 13:2; Lev 13:29–30; Lev 13:43–44; Jes 20:4; Mi 1:11; Jer 13:22 **3:18** **Op die dag zal de Heer de pracht wegnemen van de enkelringen, de hoofdbanden en de maantjes,** Brontekst: בַּיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | יָסִ֣יר (yasir) = zal wegnemen | אֲדֹנָ֗י (adonay) = de Heer | אֵ֣ת (et) = (obj.) | תִּפְאֶ֧רֶת (tiferet) = de pracht van | הָעֲכָסִ֛ים (haakhasim) = de enkelringen | וְהַשְּׁבִיסִ֖ים (vehashevisim) = en de hoofdbanden | וְהַשַּׂהֲרֹנִֽים (vehasaharonim) = en de maantjes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De verzen 18–23 sommen sieraden en kleren op. De betekenis van veel woorden is onzeker. Wij kiezen de gangbare weergave: עֲכָסִים (akasim), ‘enkelringen’; שְׁבִיסִים (shevisim), ‘hoofdbanden’; שַׂהֲרֹנִים (saharonim), ‘maantjes’; נְטִיפוֹת (netifot), ‘oorhangers’; שֵׁירוֹת (sherot), ‘armbanden’; רְעָלוֹת (re’alot), ‘sluiers’; פְּאֵרִים (pe’erim), ‘hoofdtooien’; צְעָדוֹת (tse’adot), ‘enkelkettinkjes’; קִשֻּׁרִים (qishurim), ‘sjerpen’; בָּתֵּי הַנֶּפֶשׁ (battei hannefesh), ‘reukflesjes’, letterlijk ‘huisjes van de ziel’; לְחָשִׁים (lechashim), ‘amuletten’. Zie ook: Re 8:21; Re 8:26 **3:19** **de oorhangers, de armbanden en de sluiers,** Brontekst: הַנְּטִיפ֥וֹת (hanetifot) = de oorhangers | וְהַשֵּׁיר֖וֹת (vehasheirot) = en de armbanden | וְהָֽרְעָלֽוֹת (veharealot) = en de sluiers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:22; Gen 24:53; Gen 38:18; Ex 35:22; Ezech 16:11 **3:20** **de hoofdtooien, de enkelkettinkjes en de sjerpen, de reukflesjes en de amuletten,** Brontekst: הַפְּאֵרִ֤ים (hapeerim) = de hoofdtooien | וְהַצְּעָדוֹת֙ (vehatseadot) = en de enkelkettinkjes | וְהַקִּשֻּׁרִ֔ים (vehaqishurim) = en de sjerpen | וּבָתֵּ֥י (uvatei) = en de reukflesjes (huisjes van | הַנֶּ֖פֶשׁ (hanefesh) = de ziel) | וְהַלְּחָשִֽׁים (vehalechashim) = en de amuletten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:4; Ex 32:2; Ex 39:28; Hos 2:15; Ezech 16:12 **3:21** **de zegelringen en de neusringen,** Brontekst: הַטַּבָּע֖וֹת (hatabaot) = de zegelringen | וְנִזְמֵ֥י (venizmei) = en de ringen van | הָאָֽף (haaf) = de neus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:47; Ezech 16:12; Est 8:12; Luc 15:22; 1 Petr 3:3–4 **3:22** **de feestkleren, de overkleden, de mantels en de beurzen,** Brontekst: הַמַּֽחֲלָצוֹת֙ (hamachalatsot) = de feestkleren | וְהַמַּ֣עֲטָפ֔וֹת (vehamaatafot) = en de overkleden | וְהַמִּטְפָּח֖וֹת (vehamitpachot) = en de mantels | וְהָחֲרִיטִֽים (vehacharitim) = en de beurzen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחֲלָצוֹת (machalatsot), ‘feestkleren’; מַעֲטָפוֹת (ma’atafot), ‘overkleden’; מִטְפָּחוֹת (mitpachot), ‘mantels’ (zoals in Ruth 3:15); חֲרִיטִים (charitim), ‘beurzen’. De betekenis van deze woorden is onzeker. Zie ook: Ruth 3:15 **3:23** **de spiegels, het fijne linnen, de tulbanden en de omslagdoeken.** Brontekst: וְהַגִּלְיֹנִים֙ (vehagilyonim) = en de spiegels | וְהַסְּדִינִ֔ים (vehasedinim) = en het fijne linnen | וְהַצְּנִיפ֖וֹת (vehatsenifot) = en de tulbanden | וְהָרְדִידִֽים (veharedidim) = en de omslagdoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּלְיֹנִים (gilyonim), ‘spiegels’: ook ‘doorzichtige kleren’; סְדִינִים (sedinim), ‘fijn linnen’; צְנִיפוֹת (tsenifot), ‘tulbanden’; רְדִידִים (redidim), ‘omslagdoeken’, zoals in Hoogl. 5:7. Zie ook: Gen 24:65; Ex 38:8; 1 Kron 15:27; Hoogl 5:7; Luc 16:19; Openb 19:14 **3:24** **In plaats van balsem zal er verrotting zijn. In plaats van een gordel een touw. In plaats van gevlochten haar kaalheid. In plaats van een feestkleed een omgording van zak. Ja, in plaats van schoonheid!** Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | תַ֨חַת (tachat) = in plaats van | בֹּ֜שֶׂם (bosem) = balsem | מַ֣ק (maq) = verrotting | יִֽהְיֶ֗ה (yihye) = zal zijn | וְתַ֨חַת (vetachat) = en in plaats van | חֲגוֹרָ֤ה (chagora) = gordel | נִקְפָּה֙ (niqpa) = touw | וְתַ֨חַת (vetachat) = en in plaats van | מַעֲשֶׂ֤ה (maase) = werk van | מִקְשֶׁה֙ (miqshe) = vlechten | קָרְחָ֔ה (qarecha) = kaalheid | וְתַ֥חַת (vetachat) = en in plaats van | פְּתִיגִ֖יל (petigil) = feestkleed | מַחֲגֹ֣רֶת (machagoret) = omgording van | שָׂ֑ק (saq) = zak | כִּי (ki) = ja | תַ֖חַת (tachat) = in plaats van | יֹֽפִי (yofi) = schoonheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּשֶׂם (bosem), ‘balsem’: een geurige hars, tegenover מָק (maq), ‘verrotting’. Voetnoot : נִקְפָּה (niqpah), ‘touw’: de betekenis is onzeker; het kan ook ‘wond’ of ‘scheur’ zijn. Voetnoot : מַעֲשֵׂה מִקְשֶׁה (ma’aseh miqsheh), ‘gevlochten werk’: letterlijk ‘kunstig gevlochten werk’. Bedoeld is het gevlochten haar. Het woord ‘haar’ staat er niet; wij voegen het toe voor de duidelijkheid. Voetnoot : פְּתִיגִיל (petigil), ‘feestkleed’: dit woord komt alleen hier voor. Voetnoot : כִּי תַחַת יֹפִי (ki tachat yofi), ‘ja, in plaats van schoonheid’: het slot is kort en moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Jes 15:3; Mi 1:16; Klaagl 2:10; Ezech 27:31; 1 Petr 3:3 **3:25** **Je mannen zullen door het zwaard vallen en je helden in de oorlog.** Brontekst: מְתַ֖יִךְ (metayikh) = je mannen | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = door het zwaard | יִפֹּ֑לוּ (yipolu) = zullen vallen | וּגְבוּרָתֵ֖ךְ (ugevuratekh) = en je helden | בַּמִּלְחָמָֽה (bamilchama) = in de oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 29:9; Amos 9:10; Jes 1:20; Jer 11:22; Jer 14:18 **3:26** **Haar poorten zullen klagen en rouwen. Leeggeroofd zal zij op de grond zitten.”** Brontekst: וְאָנ֥וּ (veanu) = en zullen klagen | וְאָבְל֖וּ (veavelu) = en zullen rouwen | פְּתָחֶ֑יהָ (petacheiha) = haar poorten | וְנִקָּ֖תָה (veniqata) = en leeggeroofd | לָאָ֥רֶץ (laarets) = op de grond | תֵּשֵֽׁב (teshev) = zal zij zitten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִקָּתָה (veniqqatah), ‘leeggeroofd’: het werkwoord נָקָה (naqah) betekent ‘leeg zijn, schoon zijn’. Jeruzalem zit als een vrouw die alles is kwijtgeraakt op de grond. Voetnoot : Hier eindigt de toespraak van Yahweh die in vers 16 begon. Zie ook: Job 2:8; Job 2:13; Jes 3:16; Jer 14:2; Klaagl 1:4; Klaagl 2:10 ## Jesaja 4 _Een heilig overblijfsel in Sion_ ### Zeven vrouwen en één man **4:1** Zeven vrouwen grijpen op die dag één man vast. Zij zeggen: „Ons brood eten wij en onze kleren dragen wij. Laat alleen jouw naam over ons uitgeroepen worden. Neem onze smaad weg.” Brontekst: וְהֶחֱזִיקוּ֩ (vehecheziqu) = en zullen vastgrijpen | שֶׁ֨בַע (sheva) = zeven | נָשִׁ֜ים (nashim) = vrouwen | בְּאִ֣ישׁ (beish) = een man | אֶחָ֗ד (echad) = één | בַּיּ֤וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | לַחְמֵ֣נוּ (lachmenu) = ons brood | נֹאכֵ֔ל (nokhel) = eten wij | וְשִׂמְלָתֵ֖נוּ (vesimlatenu) = en onze kleren | נִלְבָּ֑שׁ (nilbash) = dragen wij | רַ֗ק (raq) = alleen | יִקָּרֵ֤א (yiqare) = laat uitgeroepen worden | שִׁמְךָ֙ (shimkha) = jouw naam | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = over ons | אֱסֹ֖ף (esof) = neem weg | חֶרְפָּתֵֽנוּ (cherpatenu) = onze smaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers sluit aan op het einde van hoofdstuk 3, waar de mannen vallen (Jes. 3:25–26). Er zijn dan veel meer vrouwen dan mannen. Voetnoot : יִקָּרֵא שִׁמְךָ עָלֵינוּ (yikkare shimkha aleinu), ‘laat jouw naam over ons uitgeroepen worden’: de vrouwen willen met de naam van de man genoemd worden, dus zijn vrouw zijn. Voetnoot : חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad’: schande. Hier is het de schande van ongehuwd en kinderloos te zijn. Zie ook: Gen 30:23; Jes 2:17; Jes 3:25–26; Jes 13:12; Luc 1:25; Luc 21:22 ### De spruit van Yahweh **4:2** Op die dag zal de spruit van Yahweh tot sieraad en heerlijkheid zijn. De vrucht van het land zal tot trots en luister zijn voor de ontkomenen van Israël. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | צֶ֣מַח (tsemach) = de spruit van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לִצְבִ֖י (litsvi) = tot sieraad | וּלְכָב֑וֹד (ulekhavod) = en tot heerlijkheid | וּפְרִ֤י (uferi) = en de vrucht van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | לְגָא֣וֹן (legaon) = tot trots | וּלְתִפְאֶ֔רֶת (uletiferet) = en tot luister | לִפְלֵיטַ֖ת (lifleitat) = voor de ontkomenen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֶמַח יְהוָה (tsemach Yahweh), ‘spruit van Yahweh’: tsemach is wat uit de grond opkomt. Het staat naast ‘de vrucht van het land’, en daarom kan het gaan om de groei van het land zelf. Later wordt ‘Spruit’ een naam voor een koning uit het huis van David (Jer. 23:5, 33:15 en Zach. 3:8, 6:12). Wij schrijven ‘spruit’ met een kleine letter en laten de keuze open. Voetnoot : פְּלֵיטָה (peletah), ‘ontkomenen’: wie aan een ramp ontsnapt. Dit is een ander woord dan שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overblijfsel’. Zie ook: Joël 3:5; Jes 27:6; Jer 23:5; Jer 33:15; Zach 3:8; Zach 6:12 **4:3** Wie in Sion overblijft en wie in Jeruzalem achterblijft, zal heilig worden genoemd: ieder die voor het leven is opgeschreven in Jeruzalem. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | הַנִּשְׁאָ֣ר (hanishar) = wie overblijft | בְּצִיּ֗וֹן (betsiyon) = in Sion | וְהַנּוֹתָר֙ (vehanotar) = en wie achterblijft | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushalaim) = in Jeruzalem | קָד֖וֹשׁ (qadosh) = heilig | יֵאָ֣מֶר (yeamer) = zal worden genoemd | ל֑וֹ (lo) = hem | כָּל (kal) = ieder | הַכָּת֥וּב (hakatuv) = die is opgeschreven | לַחַיִּ֖ים (lachayim) = voor het leven | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הַנִּשְׁאָר (hannish’ar) en הַנּוֹתָר (hannotar), ‘wie overblijft’ en ‘wie achterblijft’: twee werkwoorden voor ‘overblijven’. Het gaat om de rest die de ramp overleeft. Voetnoot : הַכָּתוּב לַחַיִּים (hakkatuv lachayyim), ‘ieder die voor het leven is opgeschreven’: ingeschreven in de lijst van de levenden. Vergelijk het boek in Exod. 32:32 en Ps. 69:29. Het Hebreeuws laat open of ‘in Jeruzalem’ bij ‘opgeschreven’ hoort of bij ‘het leven’. Zie ook: Ex 32:32; Ps 69:29; Jes 52:1; Jes 60:21; Luc 10:20; Openb 21:27 **4:4** Wanneer de Heer het vuil van de dochters van Sion heeft afgewassen en de bloedschuld van Jeruzalem uit haar midden heeft weggespoeld, door een geest van recht en een geest van verbranding, Brontekst: אִ֣ם (im) = wanneer | רָחַ֣ץ (rachats) = heeft afgewassen | אֲדֹנָ֗י (adonay) = de Heer | אֵ֚ת (et) = (obj.) | צֹאַ֣ת (tsoat) = het vuil van | בְּנוֹת (benot) = de dochters van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דְּמֵ֥י (demei) = de bloedschuld van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | יָדִ֣יחַ (yadiach) = heeft weggespoeld | מִקִּרְבָּ֑הּ (miqirbah) = uit haar midden | בְּר֥וּחַ (beruach) = door een geest van | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | וּבְר֥וּחַ (uveruach) = en door een geest van | בָּעֵֽר (baer) = verbranding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: צֹאָה (tso’ah), ‘vuil’: een sterk woord voor viezigheid die onrein maakt. Voetnoot : דָּמִים (damim), ‘bloed’ in het meervoud: vergoten bloed, dus bloedschuld. Voetnoot : רוּחַ (ruach), ‘geest’: het woord kan ook ‘wind’ of ‘adem’ zijn. Voetnoot : בָּעֵר (be’er), ‘verbranding’: het werkwoord בער (ba’ar) betekent ‘branden’ en ‘verteren’. Het keert terug in 5:5 en 6:13. Voetnoot : אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel van Yahweh. De zin met ‘wanneer’ loopt door in vers 5. Zie ook: Jes 4:5; Ezech 22:18–22; Ezech 36:25; Zach 13:9; Mal 3:2–3; Mat 3:11–12 ### Wolk en vuur boven Sion **4:5** dan schept Yahweh boven elke woonplaats op de berg Sion en boven haar samenkomsten overdag een wolk en rook, en 's nachts de glans van een vlammend vuur. Want over alle heerlijkheid is een overdekking. Brontekst: וּבָרָ֣א (uvara) = en Hij zal scheppen | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | עַל֩ (al) = over | כָּל (kal) = elke | מְכ֨וֹן (mekhon) = woonplaats van | הַר (har) = de berg | צִיּ֜וֹן (tsiyon) = Sion | וְעַל (veal) = en over | מִקְרָאֶ֗הָ (miqraeha) = haar samenkomsten | עָנָ֤ן (anan) = een wolk | יוֹמָם֙ (yomam) = overdag | וְעָשָׁ֔ן (veashan) = en rook | וְנֹ֛גַהּ (venogah) = en de glans van | אֵ֥שׁ (esh) = een vuur | לֶהָבָ֖ה (lehava) = vlammend | לָ֑יְלָה (layela) = 's nachts | כִּ֥י (ki) = want | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | כָּב֖וֹד (kavod) = heerlijkheid | חֻפָּֽה (chupa) = een overdekking Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בָּרָא (bara), ‘scheppen’: hetzelfde werkwoord als in Gen. 1:1. Voetnoot : עָנָן (anan), ‘wolk’, en אֵשׁ (esh), ‘vuur’: zoals de wolkkolom en de vuurkolom in de woestijn (Exod. 13:21–22). De heerlijkheid van Yahweh vulde ook de tabernakel (Exod. 40:34–35). Voetnoot : מִקְרָא (miqra), ‘samenkomst’: een bijeenkomst van het volk, zoals bij de feesten. Voetnoot : חֻפָּה (chuppah), ‘overdekking’: een dak of baldakijn. Elders staat het woord voor de ‘bruidskamer’ (Joël 2:16 en Ps. 19:6). Zie ook: Gen 1:1; Ex 13:21–22; Ex 40:34–38; Num 9:15–22; Ps 19:6; Ps 78:14; Joël 2:16; Neh 9:12 **4:6** En een hut zal er zijn als schaduw overdag tegen de hitte, en als toevlucht en schuilplaats tegen de stortbui en de regen. Brontekst: וְסֻכָּ֛ה (vesuka) = en een hut | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | לְצֵל (letsel) = tot schaduw | יוֹמָ֖ם (yomam) = overdag | מֵחֹ֑רֶב (mechorev) = tegen de hitte | וּלְמַחְסֶה֙ (ulemachse) = en tot toevlucht | וּלְמִסְתּ֔וֹר (ulemistor) = en tot schuilplaats | מִזֶּ֖רֶם (mizerem) = tegen de stortbui | וּמִמָּטָֽר (umimatar) = en tegen de regen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֻכָּה (sukkah), ‘hut’: een tijdelijk onderkomen van takken, zoals bij het feest van de hutten (Lev. 23:42). Voetnoot : חֹרֶב (chorev), ‘hitte’: de droge hitte van de dag. Voetnoot : זֶרֶם (zerem), ‘stortbui’: een hevige regenbui. Zie ook: Lev 23:42; Ps 27:5; Spr 18:10; Jes 8:14; Jes 25:4; Jes 32:2 ## Jesaja 5 _Het lied van de wijngaard en de wee-roepen_ ### Het lied van de wijngaard **5:1** Laat mij zingen voor mijn beminde, een lied van mijn geliefde over zijn wijngaard. Mijn beminde had een wijngaard op een vruchtbare heuvel. Brontekst: אָשִׁ֤ירָה (ashira) = laat mij zingen | נָּא֙ (na) = toch | לִֽידִידִ֔י (lididi) = voor mijn beminde | שִׁירַ֥ת (shirat) = het lied van | דּוֹדִ֖י (dodi) = mijn geliefde | לְכַרְמ֑וֹ (lekharmo) = over zijn wijngaard | כֶּ֛רֶם (kerem) = een wijngaard | הָיָ֥ה (haya) = was | לִֽידִידִ֖י (lididi) = voor mijn beminde | בְּקֶ֥רֶן (beqeren) = op een heuvel | בֶּן (ben) = zoon van | שָֽׁמֶן (shamen) = olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָדִיד (yadid), ‘beminde’, en דּוֹד (dod), ‘geliefde’: twee woorden voor een geliefde. Wie de beminde is, blijkt in vers 7: Yahweh van de legermachten. Voetnoot : שִׁירַת דּוֹדִי לְכַרְמוֹ (shirat dodi lekharmo), ‘een lied van mijn geliefde over zijn wijngaard’: het Hebreeuws laat open of het een lied is van de geliefde of over hem. Wij laten dat ook open. Voetnoot : בְּקֶרֶן בֶּן שָׁמֶן (beqeren ben shamen), ‘op een vruchtbare heuvel’: letterlijk ‘op een hoorn, een zoon van olie’. Een ‘hoorn’ is een heuvel met een spitse top, en ‘zoon van olie’ is een beeld voor vruchtbaar land. Voetnoot : Het beeld van de wijngaard komt ook voor in Ps. 80:9–17 en Hos. 10:1; zie ook Jer. 2:21 en Matt. 21:33. Zie ook: Ps 80:9; Hos 10:1; Jes 5:7; Jer 2:21; Mat 21:33; Mar 12:1; Luc 20:9; Joh 15:1 **5:2** Hij spitte hem om, ontdeed hem van stenen en plantte er edele wijnstokken in. Hij bouwde een toren in het midden ervan en hakte er ook een wijnpers in uit. Hij hoopte dat de wijngaard druiven zou voortbrengen, maar die bracht bedorven druiven voort. Brontekst: וַֽיְעַזְּקֵ֣הוּ (vayazeqehu) = en hij spitte hem om | וַֽיְסַקְּלֵ֗הוּ (vaysaqelehu) = en ontdeed hem van stenen | וַיִּטָּעֵ֨הוּ֙ (vayitaehu) = en plantte hem | שֹׂרֵ֔ק (soreq) = met edele wijnstok | וַיִּ֤בֶן (vayiven) = en hij bouwde | מִגְדָּל֙ (migdal) = een toren | בְּתוֹכ֔וֹ (betokho) = in het midden ervan | וְגַם (vegam) = en ook | יֶ֖קֶב (yeqev) = een wijnpers | חָצֵ֣ב (chatsev) = hakte hij uit | בּ֑וֹ (bo) = daarin | וַיְקַ֛ו (vayqav) = en hij hoopte | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = te brengen | עֲנָבִ֖ים (anavim) = druiven | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = maar het bracht voort | בְּאֻשִֽׁים (beushim) = bedorven druiven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָזַק (azaq), ‘omspitten’: een zeldzaam werkwoord. Het kan ook ‘omheinen’ betekenen. Voetnoot : שֹׂרֵק (soreq), ‘edele wijnstok’: een bijzonder goede soort wijnstok. Voetnoot : קָוָה (qavah), ‘hopen’: met verwachting uitzien naar iets. Voetnoot : בְּאֻשִׁים (be’ushim), ‘bedorven druiven’: het woord komt van een werkwoord voor ‘stinken’. Het zijn druiven die niet te eten zijn. Voetnoot : Het Hebreeuws noemt bij ‘bracht voort’ het onderwerp niet. Wij nemen aan dat het de wijngaard is. Zie ook: Deut 32:32–33; Jes 1:2–4; Jer 2:21; Mar 11:13; Luc 13:6–7 ### Oordeel tussen Mij en Mijn wijngaard **5:3** **„En nu, bewoners van Jeruzalem en mannen van Juda: oordeel toch tussen Mij en Mijn wijngaard.** Brontekst: וְעַתָּ֛ה (veata) = en nu | יוֹשֵׁ֥ב (yoshev) = bewoner van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְאִ֣ישׁ (veish) = en man van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | שִׁפְטוּ (shiftu) = oordeelt | נָ֕א (na) = toch | בֵּינִ֖י (beini) = tussen Mij | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | כַּרְמִֽי (karmi) = Mijn wijngaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Hier spreekt de eigenaar van de wijngaard in de eerste persoon. Uit vers 7 blijkt dat de eigenaar Yahweh is. Daarom staat vers 3–6 rood. Het lied zelf (vers 1–2) en de uitleg ervan (vers 7) zijn van de profeet en staan zwart. Voetnoot : יוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִַם (yoshev Yerushalayim), ‘bewoner van Jeruzalem’, en אִישׁ יְהוּדָה (ish Yehudah), ‘man van Juda’: het Hebreeuws heeft het enkelvoud als verzamelnaam. Wij vertalen het meervoud, omdat het werkwoord ‘oordeel’ in het meervoud staat. Voetnoot : שִׁפְטוּ (shiftu), ‘oordeel’: van שָׁפַט (shafat), ‘recht spreken’. Zie ook: Ps 51:6; Jes 5:1–2; Jes 5:7; Mat 21:40–41; Luc 20:15–16; Rom 2:5; Rom 3:4 **5:4** **Wat was er nog te doen voor Mijn wijngaard dat Ik er niet aan gedaan heb? Waarom hoopte Ik dat hij druiven zou voortbrengen, en bracht hij bedorven druiven voort?** Brontekst: מַה (ma) = wat | לַּעֲשׂ֥וֹת (laasot) = te doen | עוֹד֙ (od) = nog | לְכַרְמִ֔י (lekharmi) = voor Mijn wijngaard | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = heb Ik gedaan | בּ֑וֹ (bo) = eraan | מַדּ֧וּעַ (madua) = waarom | קִוֵּ֛יתִי (qiveiti) = hoopte Ik | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = te brengen | עֲנָבִ֖ים (anavim) = druiven | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en het bracht voort | בְּאֻשִֽׁים (beushim) = bedorven druiven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mi 6:3–4; Jer 2:5; Jer 6:29–30; Mat 23:37; Hand 7:51–60 **5:5** **Nu dan, laat Mij jullie bekendmaken wat Ik met Mijn wijngaard doe. Ik neem zijn heg weg, en hij wordt verteerd. Ik breek zijn muur af, en hij wordt vertrapt.** Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | אוֹדִֽיעָה (odia) = laat Mij bekendmaken | נָּ֣א (na) = toch | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = aan jullie | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | עֹשֶׂ֖ה (ose) = doe | לְכַרְמִ֑י (lekharmi) = aan Mijn wijngaard | הָסֵ֤ר (haser) = wegnemen | מְשׂוּכָּתוֹ֙ (mesukato) = zijn heg | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en hij zal zijn | לְבָעֵ֔ר (levaer) = om verteerd te worden | פָּרֹ֥ץ (parots) = afbreken | גְּדֵר֖וֹ (gedero) = zijn muur | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en hij zal zijn | לְמִרְמָֽס (lemirmas) = om vertrapt te worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשׂוּכָּה (mesukkah), ‘heg’, en גָּדֵר (gader), ‘muur’: de omheining van de wijngaard. Voetnoot : לְבָעֵר (leva’er), ‘om verteerd te worden’: de wortel בער (ba’ar) betekent ‘branden’ en ‘verteren’; ook ‘afgegraasd worden’ door vee is mogelijk. Zie ook 4:4 en 6:13. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier werkwoorden zonder persoon: ‘wegnemen … afbreken’. Wij zetten ze in de eerste persoon. Zie ook: Gen 11:7; Jes 28:3; Jes 28:18; Klaagl 1:15; Luc 21:24 **5:6** **Ik maak hem tot een woestenij. Hij wordt niet gesnoeid en niet gewied. Doornstruiken en doornen komen erop op. En de wolken gebied Ik geen regen over hem te laten vallen.”** Brontekst: וַאֲשִׁיתֵ֣הוּ (vaashitehu) = en Ik zal hem maken | בָתָ֗ה (bata) = tot woestenij | לֹ֤א (lo) = niet | יִזָּמֵר֙ (yizamer) = wordt gesnoeid | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יֵעָדֵ֔ר (yeader) = wordt gewied | וְעָלָ֥ה (veala) = en er komen op | שָׁמִ֖יר (shamir) = doornstruiken | וָשָׁ֑יִת (vashayit) = en doornen | וְעַ֤ל (veal) = en aan | הֶעָבִים֙ (heavim) = de wolken | אֲצַוֶּ֔ה (atsave) = gebied Ik | מֵהַמְטִ֥יר (mehamtir) = dat zij niet laten regenen | עָלָ֖יו (alav) = op hem | מָטָֽר (matar) = regen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּתָה (batah), ‘woestenij’: een woord dat alleen hier voorkomt. De betekenis volgt uit het verband. Voetnoot : שָׁמִיר וָשָׁיִת (shamir vashayit), ‘doornstruiken en doornen’: twee woorden voor doornig struikgewas. Ze staan vaker samen (Jes. 7:23–25, 9:17 en 10:17). Voetnoot : Op het eind zegt de eigenaar dat Hij de wolken gebiedt. Dat kan alleen Yahweh. Zie ook: Hos 3:4; Jes 7:23–25; Jes 9:17; Jes 10:17; Jes 24:1–3; Jer 14:22; Jer 25:11 ### De wijngaard is het huis van Israël **5:7** Want de wijngaard van Yahweh van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn de plant van Zijn vreugde. Hij hoopte op recht, en zie: bloedvergieten. Op gerechtigheid, en zie: een noodkreet. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֶ֜רֶם (kerem) = de wijngaard van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאִ֣ישׁ (veish) = en de mannen van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | נְטַ֖ע (neta) = de plant van | שַׁעֲשׁוּעָ֑יו (shaashuav) = Zijn vreugde | וַיְקַ֤ו (vayqav) = en Hij hoopte | לְמִשְׁפָּט֙ (lemishpat) = op recht | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | מִשְׂפָּ֔ח (mispach) = bloedvergieten | לִצְדָקָ֖ה (litsdaqa) = op gerechtigheid | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | צְעָקָֽה (tseaqa) = een noodkreet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier legt de profeet het lied uit. De wijngaard is ‘het huis van Israël’, en ‘de mannen van Juda’ zijn de plant van Zijn vreugde. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’, en מִשְׂפָּח (mispach), ‘bloedvergieten’; צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, en צְעָקָה (tse’aqah), ‘noodkreet’: een woordspel met bijna gelijke klanken. Het woord mispach komt alleen hier voor. De betekenis ‘bloedvergieten’ is niet zeker. Voetnoot : צְעָקָה (tse’aqah) is de schreeuw van wie onrecht wordt aangedaan; vergelijk Gen. 18:20–21. Voetnoot : שַׁעֲשׁוּעִים (sha’ashu’im), ‘vreugde’: wat iemand met plezier doet of bezit. Zie ook: Gen 18:20–21; Ps 80:9–12; Jer 12:10; Neh 5:1–5; Mat 3:8–10; Jak 5:4 ### Wee over huizen en velden **5:8** Wee hen die huis aan huis laten grenzen en veld bij veld voegen, tot er geen plaats meer is. Jullie alleen worden neergezet midden in het land! Brontekst: ה֗וֹי (hoy) = wee | מַגִּיעֵ֥י (magiei) = die laten grenzen | בַ֨יִת֙ (bayit) = huis | בְּבַ֔יִת (bevayit) = aan huis | שָׂדֶ֥ה (sade) = veld | בְשָׂדֶ֖ה (besade) = aan veld | יַקְרִ֑יבוּ (yaqrivu) = voegen zij samen | עַ֚ד (ad) = tot | אֶ֣פֶס (efes) = geen | מָק֔וֹם (maqom) = plaats | וְהֽוּשַׁבְתֶּ֥ם (vehushavtem) = en jullie worden neergezet | לְבַדְּכֶ֖ם (levadekhem) = alleen | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = midden in | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van klacht. In dit hoofdstuk leidt hij zes aanklachten in (vers 8, 11, 18, 20, 21 en 22). Voetnoot : Het land was bedoeld om in de familie te blijven (Lev. 25:23–28). Vergelijk 1 Kon. 21 (Naboth) en Micha 2:2. Voetnoot : Het Hebreeuws wisselt hier van ‘zij’ naar ‘jullie’: wij laten dat zo. Zie ook: Lev 25:23–28; 1 Kon 21:16–20; Jes 5:11; Jes 5:18; Jes 5:20; Jes 5:21; Jes 5:22; Mi 2:2; Jer 22:13–17; Hab 2:9–12; Luc 12:16–24 **5:9** In mijn oren heeft Yahweh van de legermachten gezworen: „Voorwaar, vele huizen zullen een woestenij worden, grote en goede, zonder bewoner.” Brontekst: בְּאָזְנָ֖י (beazenay) = in mijn oren | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אִם (im) = voorwaar | לֹ֞א (lo) = niet | בָּתִּ֤ים (batim) = huizen | רַבִּים֙ (rabim) = vele | לְשַׁמָּ֣ה (leshama) = tot woestenij | יִֽהְי֔וּ (yihyu) = zullen zijn | גְּדֹלִ֥ים (gedolim) = grote | וְטוֹבִ֖ים (vetovim) = en goede | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | יוֹשֵֽׁב (yoshev) = bewoner Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאָזְנָי (be’ozni), ‘in mijn oren’: de profeet heeft het zelf gehoord. Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord. Wij vullen ‘heeft gezworen’ aan, want אִם לֹא (im lo), letterlijk ‘als niet’, is de vorm van een eed: ‘voorwaar’. Voetnoot : De woorden van de eed staan zwart: de profeet geeft ze door met Yahweh in de derde persoon. Zie ook: Amos 3:7; Amos 5:11; Jes 22:14; Jes 27:10; Mat 23:38 **5:10** Want tien jukken wijngaard brengen één bath op, en een homer zaad brengt een efa op. Brontekst: כִּ֗י (ki) = want | עֲשֶׂ֨רֶת֙ (aseret) = tien | צִמְדֵּי (tsimdei) = jukken van | כֶ֔רֶם (kerem) = wijngaard | יַעֲשׂ֖וּ (yaasu) = zullen opbrengen | בַּ֣ת (bat) = bath | אֶחָ֑ת (echat) = één | וְזֶ֥רַע (vezera) = en zaad van | חֹ֖מֶר (chomer) = homer | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = zal opbrengen | אֵיפָֽה (eifa) = efa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֶמֶד (tsemed), ‘juk’: een oppervlaktemaat, de grond die een span ossen in een dag kan ploegen. De grootte is niet precies bekend. Voetnoot : בַּת (bat), ‘bath’: een inhoudsmaat, ongeveer 22 liter, even groot als een efa. חֹמֶר (chomer), ‘homer’: tien efa, ongeveer 220 liter. אֵיפָה (efa): ongeveer 22 liter. Voetnoot : De oogst is dus maar een tiende van het zaad, en de wijngaarden geven bijna niets. Zie ook: Lev 26:26; Joël 1:17; Hag 1:6; Hag 1:9–11; Hag 2:16 ### Wee over de drinkers **5:11** Wee hen die 's morgens vroeg opstaan en sterke drank najagen! Zij blijven hangen tot in de avondschemering, en de wijn steekt hen in brand. Brontekst: ה֛וֹי (hoy) = wee | מַשְׁכִּימֵ֥י (mashkimei) = die vroeg opstaan | בַבֹּ֖קֶר (baboqer) = in de morgen | שֵׁכָ֣ר (shekhar) = sterke drank | יִרְדֹּ֑פוּ (yirdofu) = najagen zij | מְאַחֲרֵ֣י (meacharei) = die blijven hangen | בַנֶּ֔שֶׁף (baneshef) = in de avondschemering | יַ֖יִן (yayin) = wijn | יַדְלִיקֵֽם (yadliqem) = steekt hen in brand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁכָר (shekhar), ‘sterke drank’: gegiste drank, anders dan wijn. Voetnoot : נֶשֶׁף (nesheph), ‘avondschemering’: de tijd tussen zonsondergang en het donker. Vergelijk Spr. 23:29–35. Zie ook: Spr 20:1; Spr 23:29–30; Pred 10:16–17; Jes 5:22; Rom 13:13 **5:12** Lier en harp, tamboerijn en fluit en wijn zijn er op hun feestmalen. Maar naar het werk van Yahweh kijken zij niet, en het maaksel van Zijn handen zien zij niet. Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en er zijn | כִנּ֜וֹר (kinor) = lier | וָנֶ֗בֶל (vanevel) = en harp | תֹּ֧ף (tof) = tamboerijn | וְחָלִ֛יל (vechalil) = en fluit | וָיַ֖יִן (vayayin) = en wijn | מִשְׁתֵּיהֶ֑ם (mishteihem) = hun feestmalen | וְאֵ֨ת (veet) = maar (obj.) | פֹּ֤עַל (poal) = het werk van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | יַבִּ֔יטוּ (yabitu) = kijken zij | וּמַעֲשֵׂ֥ה (umaase) = en het maaksel van | יָדָ֖יו (yadav) = Zijn handen | לֹ֥א (lo) = niet | רָאֽוּ (rau) = zien zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’, נֵבֶל (nevel), ‘harp’, תֹּף (tof), ‘tamboerijn’ en חָלִיל (chalil), ‘fluit’: de muziekinstrumenten bij het feest. Zij zijn op zichzelf niet fout; het gaat erom dat men Yahweh niet ziet. Zie ook: Job 21:11–14; Job 34:27; Ps 28:5; Amos 6:4–6; Jud 1:12 ### Daarom: ballingschap **5:13** Daarom gaat mijn volk in ballingschap uit gebrek aan kennis. Zijn aanzienlijken zijn uitgehongerd, en zijn menigte is verdord van dorst. Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | גָּלָ֥ה (gala) = gaat in ballingschap | עַמִּ֖י (ami) = mijn volk | מִבְּלִי (mibeli) = uit gebrek aan | דָ֑עַת (daat) = kennis | וּכְבוֹדוֹ֙ (ukhevodo) = en zijn aanzienlijken | מְתֵ֣י (metei) = mannen van | רָעָ֔ב (raav) = honger | וַהֲמוֹנ֖וֹ (vahamono) = en zijn menigte | צִחֵ֥ה (tsiche) = is verdord | צָמָֽא (tsama) = van dorst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַמִּי (ammi), ‘mijn volk’: het Hebreeuws laat open of hier Yahweh of de profeet spreekt. Wij houden het zwart, zoals vers 9 (‘in mijn oren’). Voetnoot : דַּעַת (da’at), ‘kennis’: zie ook Hos. 4:1 en 4:6. Voetnoot : וּכְבוֹדוֹ (ukhevodo), ‘zijn aanzienlijken’: letterlijk ‘zijn heerlijkheid’, dus de mensen met aanzien. Voetnoot : מְתֵי רָעָב (metei ra’av), ‘uitgehongerd’: letterlijk ‘mannen van honger’. Zie ook: Hos 4:1; Hos 4:6; Jes 1:3; Jes 1:7; Jes 5:9; Jes 27:11; Rom 1:28 **5:14** Daarom heeft Sjeol haar keel verwijd en haar mond zonder grens opengesperd. Haar pracht daalt af, haar menigte en haar rumoer, en wie daarin juicht. Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | הִרְחִ֤יבָה (hirchiva) = heeft verwijd | שְּׁאוֹל֙ (sheol) = Sjeol | נַפְשָׁ֔הּ (nafshah) = haar keel | וּפָעֲרָ֥ה (ufaara) = en heeft opengesperd | פִ֖יהָ (piha) = haar mond | לִבְלִי (livli) = zonder | חֹ֑ק (choq) = grens | וְיָרַ֨ד (veyarad) = en daalt af | הֲדָרָ֧הּ (hadarah) = haar pracht | וַהֲמוֹנָ֛הּ (vahamonah) = en haar menigte | וּשְׁאוֹנָ֖הּ (usheonah) = en haar rumoer | וְעָלֵ֥ז (vealez) = en wie juicht | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (She’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk. Het woord is vrouwelijk in het Hebreeuws, vandaar ‘haar keel’. Vergelijk Spr. 27:20 en Hab. 2:5. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘keel’: ook ‘verlangen’. Voetnoot : Het Hebreeuws laat open of ‘haar pracht’ bij Sjeol of bij Jeruzalem hoort. Wij laten ‘haar’ staan. Zie ook: Ps 55:16; Spr 27:20; Spr 30:16; Hab 2:5; Mat 7:13; Luc 21:34 **5:15** Zo wordt de mens gebogen en de man verlaagd, en de ogen van de hoogmoedigen worden verlaagd. Brontekst: וַיִּשַּׁ֥ח (vayishach) = en wordt gebogen | אָדָ֖ם (adam) = de mens | וַיִּשְׁפַּל (vayishpal) = en wordt verlaagd | אִ֑ישׁ (ish) = de man | וְעֵינֵ֥י (veeinei) = en de ogen van | גְבֹהִ֖ים (gevohim) = hoogmoedigen | תִּשְׁפַּֽלְנָה (tishpalna) = worden verlaagd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 2:9; Jes 2:11; Jes 9:13–16; Jes 37:29; Jer 5:4–5 **5:16** Yahweh van de legermachten wordt verheven door het recht, en de heilige El toont Zich heilig door gerechtigheid. Brontekst: וַיִּגְבַּ֛ה (vayigba) = en wordt verheven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בַּמִּשְׁפָּ֑ט (bamishpat) = door het recht | וְהָאֵל֙ (vehael) = en de El | הַקָּד֔וֹשׁ (haqadosh) = de heilige | נִקְדָּ֖שׁ (niqdash) = toont Zich heilig | בִּצְדָקָֽה (bitsdaqa) = door gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֵל הַקָּדוֹשׁ (ha’El haqqadosh), ‘de heilige El’: El is een naam voor Elohim. Vergelijk ‘de Heilige van Israël’ in vers 19 en 24. Voetnoot : נִקְדָּשׁ (niqdash), ‘toont Zich heilig’: Hij laat zien dat Hij heilig is. Zie ook: 1 Kron 29:11; Ps 46:11; Jes 5:19; Jes 5:24; Jes 12:4; Jes 29:23; Ezech 36:23 **5:17** Lammeren weiden als op hun weide, en vreemdelingen eten de puinhopen van de vetgemesten. Brontekst: וְרָע֥וּ (verau) = en zullen weiden | כְבָשִׂ֖ים (kevasim) = lammeren | כְּדָבְרָ֑ם (kedaveram) = als op hun weide | וְחָרְב֥וֹת (vecharevot) = en puinhopen van | מֵחִ֖ים (mechim) = vetgemesten | גָּרִ֥ים (garim) = vreemdelingen | יֹאכֵֽלוּ (yokhelu) = zullen eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּדָבְרָם (kedovram), ‘als op hun weide’: een moeilijk woord. De betekenis ‘weide’ is een aanname. Voetnoot : מֵחִים (mechim), ‘vetgemesten’: het woord komt alleen hier voor. Het kunnen vette dieren zijn of rijke mensen. Voetnoot : גָּרִים (garim), ‘vreemdelingen’: mensen die tijdelijk in het land wonen. Voetnoot Lezing: Dit vers is moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Hos 8:7; Jes 7:21–22; Jes 7:25; Sef 2:6; Sef 2:14 ### Wee over wie het recht verdraait **5:18** Wee hen die de schuld trekken met koorden van ijdelheid, en de zonde als met de touwen van een wagen! Brontekst: ה֛וֹי (hoy) = wee | מֹשְׁכֵ֥י (moshekhei) = die trekken | הֶֽעָוֺ֖ן (heavon) = de schuld | בְּחַבְלֵ֣י (bechavlei) = met koorden van | הַשָּׁ֑וְא (hashave) = de ijdelheid | וְכַעֲב֥וֹת (vekhaavot) = en als met touwen van | הָעֲגָלָ֖ה (haagala) = de wagen | חַטָּאָֽה (chataa) = zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָוֺן (avon), ‘schuld’, en שָׁוְא (shaw’), ‘ijdelheid’: leegte, het nutteloze. Het beeld is dat zij hun schuld als een last achter zich aan trekken. Zie ook: Ps 36:3; Jer 5:31; Jer 23:10; Jer 23:14; Ezech 13:22 **5:19** Zij die zeggen: „Laat Hij Zich haasten, laat Hij Zijn werk spoedig doen, zodat wij het zien. Laat het besluit van de Heilige van Israël naderen en komen, zodat wij het weten.” Brontekst: הָאֹמְרִ֗ים (haomerim) = die zeggen | יְמַהֵ֧ר (yemaher) = laat Hij Zich haasten | יָחִ֛ישָׁה (yachisha) = laat Hij snel doen | מַעֲשֵׂ֖הוּ (maasehu) = Zijn werk | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | נִרְאֶ֑ה (nire) = wij zien | וְתִקְרַ֣ב (vetiqrav) = en laat naderen | וְתָב֗וֹאָה (vetavoa) = en laat komen | עֲצַ֛ת (atsat) = het besluit van | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְנֵדָֽעָה (venedaa) = opdat wij weten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers hoort bij het ‘wee’ van vers 18. Zij bespotten Yahweh. Voetnoot : עֲצַת (atsat), ‘besluit’: wat Yahweh Zich voorgenomen heeft. Het woord עֵצָה (etsah) vertalen wij met ‘besluit’ als het om Yahweh gaat en met ‘raad’ als het om mensen gaat. Voetnoot : קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een vaste naam voor Yahweh in Jesaja (ook in vers 24). Zie ook: Jes 5:18; Jes 5:24; Jes 66:5; Jer 5:12–13; Jer 17:15; Jer 23:36; Ezech 12:22 **5:20** Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die duisternis tot licht maken en licht tot duisternis, die bitter tot zoet maken en zoet tot bitter! Brontekst: ה֣וֹי (hoy) = wee | הָאֹמְרִ֥ים (haomerim) = die zeggen | לָרַ֛ע (lara) = tegen het kwade | ט֖וֹב (tov) = goed | וְלַטּ֣וֹב (velatov) = en tegen het goede | רָ֑ע (ra) = kwaad | שָׂמִ֨ים (samim) = die maken | חֹ֤שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | לְאוֹר֙ (leor) = tot licht | וְא֣וֹר (veor) = en licht | לְחֹ֔שֶׁךְ (lechoshekh) = tot duisternis | שָׂמִ֥ים (samim) = die maken | מַ֛ר (mar) = bitter | לְמָת֖וֹק (lematoq) = tot zoet | וּמָת֥וֹק (umatoq) = en zoet | לְמָֽר (lemar) = tot bitter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 17:12; Spr 17:15; Mal 2:17; Luc 16:15; 2 Tim 3:1–5 **5:21** Wee hen die wijs zijn in hun eigen ogen en verstandig voor hun eigen gezicht! Brontekst: ה֖וֹי (hoy) = wee | חֲכָמִ֣ים (chakhamim) = wijzen | בְּעֵֽינֵיהֶ֑ם (beeineihem) = in hun ogen | וְנֶ֥גֶד (veneged) = en vlak voor | פְּנֵיהֶ֖ם (peneihem) = hun gezicht | נְבֹנִֽים (nevonim) = verstandigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Spr. 3:7 en 26:12. Zie ook: Spr 3:7; Spr 26:12; Spr 26:16; 1 Kor 3:18–20; Rom 12:16 **5:22** Wee de helden in het drinken van wijn en de dappere mannen in het mengen van sterke drank! Brontekst: ה֕וֹי (hoy) = wee | גִּבּוֹרִ֖ים (giborim) = helden | לִשְׁתּ֣וֹת (lishtot) = in het drinken van | יָ֑יִן (yayin) = wijn | וְאַנְשֵׁי (veanshei) = en mannen van | חַ֖יִל (chayil) = kracht | לִמְסֹ֥ךְ (limsokh) = in het mengen van | שֵׁכָֽר (shekhar) = sterke drank Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 23:19–20; Jes 5:11; Jes 28:7; Jes 56:12; Hab 2:15 **5:23** Zij die de goddeloze rechtvaardig verklaren voor een steekpenning en de gerechtigheid van de rechtvaardigen van hen wegnemen! Brontekst: מַצְדִּיקֵ֥י (matsdiqei) = die rechtvaardig verklaren | רָשָׁ֖ע (rasha) = de goddeloze | עֵ֣קֶב (eqev) = voor | שֹׁ֑חַד (shochad) = een steekpenning | וְצִדְקַ֥ת (vetsidqat) = en de gerechtigheid van | צַדִּיקִ֖ים (tsadiqim) = de rechtvaardigen | יָסִ֥ירוּ (yasiru) = nemen zij weg | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: omkoping van een rechter. Vergelijk Spr. 17:15. Zie ook: Ps 94:21; Spr 17:15; Jes 10:2; Mi 3:11; Jak 5:6 ### Daarom: het vuur en een volk uit de verte **5:24** Daarom: zoals een vuurtong stro verteert en droog gras in de vlam wegzakt, zo wordt hun wortel als rotting. Hun bloesem stijgt op als stof. Want zij hebben de wet van Yahweh van de legermachten verworpen en het woord van de Heilige van Israël versmaad. Brontekst: לָכֵן֩ (lakhen) = daarom | כֶּאֱכֹ֨ל (keekhol) = zoals verteert | קַ֜שׁ (qash) = stro | לְשׁ֣וֹן (leshon) = een tong van | אֵ֗שׁ (esh) = vuur | וַחֲשַׁ֤שׁ (vachashash) = en droog gras | לֶֽהָבָה֙ (lehava) = in de vlam | יִרְפֶּ֔ה (yirpe) = zakt weg | שָׁרְשָׁם֙ (sharesham) = hun wortel | כַּמָּ֣ק (kamaq) = als rotting | יִֽהְיֶ֔ה (yihye) = zal zijn | וּפִרְחָ֖ם (ufircham) = en hun bloesem | כָּאָבָ֣ק (kaavaq) = als stof | יַעֲלֶ֑ה (yaale) = stijgt op | כִּ֣י (ki) = want | מָאֲס֗וּ (maasu) = zij hebben verworpen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | תּוֹרַת֙ (torat) = de wet van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | אִמְרַ֥ת (imrat) = het woord van | קְדֽוֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | נִאֵֽצוּ (nietsu) = hebben zij versmaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְשׁוֹן אֵשׁ (leshon esh), ‘vuurtong’: letterlijk ‘tong van vuur’. Voetnoot : חֲשַׁשׁ (chashash), ‘droog gras’: een zeldzaam woord. Voetnoot : מָק (maq), ‘rotting’: wat verrot en zacht wordt. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’; wat Yahweh Zijn volk leert en gebiedt. Voetnoot : אִמְרָה (imrah), ‘woord’: wat Hij heeft gezegd. Zie ook: Job 18:16; Joël 2:5; Jes 30:12; Jes 47:14; Luc 3:17 **5:25** Daarom is de toorn van Yahweh tegen Zijn volk ontbrand. Hij strekte Zijn hand tegen hen uit en sloeg hen. De bergen beefden, en hun lijken werden als vuilnis midden op de straten. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt. Brontekst: עַל (al) = over | כֵּ֡ן (ken) = dit | חָרָה֩ (chara) = ontbrandde | אַף (af) = de toorn van | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | בְּעַמּ֜וֹ (beamo) = tegen Zijn volk | וַיֵּ֣ט (vayet) = en Hij strekte uit | יָד֧וֹ (yado) = Zijn hand | עָלָ֣יו (alav) = tegen hen | וַיַּכֵּ֗הוּ (vayakehu) = en sloeg hen | וַֽיִּרְגְּזוּ֙ (vayirgezu) = en beefden | הֶֽהָרִ֔ים (heharim) = de bergen | וַתְּהִ֧י (vatehi) = en werd | נִבְלָתָ֛ם (nivlatam) = hun lijk | כַּסּוּחָ֖ה (kasucha) = als vuilnis | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = midden in | חוּצ֑וֹת (chutsot) = de straten | בְּכָל (bekhal) = in al | זֹאת֙ (zot) = dit | לֹא (lo) = niet | שָׁ֣ב (shav) = keerde terug | אַפּ֔וֹ (apo) = Zijn toorn | וְע֖וֹד (veod) = en nog | יָד֥וֹ (yado) = Zijn hand | נְטוּיָֽה (netuya) = uitgestrekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het slot van dit vers is een refrein: ‘Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt.’ Het keert terug in 9:11, 9:16, 9:20 en 10:4. Voetnoot : סוּחָה (suchah), ‘vuilnis’: wat bij het vegen overblijft; het woord komt alleen hier voor. Zie ook: 2 Kon 9:37; Jes 9:16; Jes 9:20; Jes 10:4; Jer 4:24 **5:26** Hij heft een banier op voor volken in de verte en fluit hen toe vanaf het einde van de aarde. En zie, haastig en snel komen zij. Brontekst: וְנָֽשָׂא (venasa) = en Hij heft op | נֵ֤ס (nes) = een banier | לַגּוֹיִם֙ (lagoyim) = voor volken | מֵרָח֔וֹק (merachoq) = uit de verte | וְשָׁ֥רַק (vesharaq) = en Hij fluit | ל֖וֹ (lo) = hen toe | מִקְצֵ֣ה (miqtse) = vanaf het einde van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | מְהֵרָ֖ה (mehera) = haastig | קַ֥ל (qal) = snel | יָבֽוֹא (yavo) = komen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵס (nes), ‘banier’: een teken op een heuvel waar het volk zich verzamelt. Vergelijk Exod. 17:15. Voetnoot : Het Hebreeuws gebruikt hier het enkelvoud (‘hem toe’, ‘hij komt’) als verzamelnaam voor een volk. Wij vertalen het meervoud. Het hoofdstuk noemt dit volk niet bij naam. Vergelijk Deut. 28:49. Zie ook: Ex 17:15; Deut 28:49; Jes 7:18; Jes 11:12; Jes 18:3; Zach 10:8 **5:27** Niemand onder hen is moe en niemand struikelt. Niemand sluimert en niemand slaapt. De gordel om hun heupen wordt niet losgemaakt, en de riem van hun sandalen wordt niet doorgebroken. Brontekst: אֵין (ein) = niet is | עָיֵ֤ף (ayef) = vermoeid | וְאֵין (veein) = en niet is | כּוֹשֵׁל֙ (koshel) = struikelend | בּ֔וֹ (bo) = onder hen | לֹ֥א (lo) = niet | יָנ֖וּם (yanum) = sluimeren zij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִישָׁ֑ן (yishan) = slapen zij | וְלֹ֤א (velo) = en niet | נִפְתַּח֙ (niftach) = wordt losgemaakt | אֵז֣וֹר (ezor) = de gordel van | חֲלָצָ֔יו (chalatsav) = hun heupen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נִתַּ֖ק (nitaq) = wordt doorgebroken | שְׂר֥וֹךְ (serokh) = de riem van | נְעָלָֽיו (nealav) = hun sandalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:18; Job 12:21; Ps 18:33; Ps 93:1; Joël 2:7–8 **5:28** Hun pijlen zijn scherp, en al hun bogen zijn gespannen. De hoeven van hun paarden worden gerekend als vuursteen, en hun wielen als een stormwind. Brontekst: אֲשֶׁ֤ר (asher) = wier | חִצָּיו֙ (chitsav) = pijlen | שְׁנוּנִ֔ים (shenunim) = scherp | וְכָל (vekhal) = en al | קַשְּׁתֹתָ֖יו (qashetotav) = hun bogen | דְּרֻכ֑וֹת (derukhot) = gespannen | פַּרְס֤וֹת (parsot) = hoeven van | סוּסָיו֙ (susav) = hun paarden | כַּצַּ֣ר (katsar) = als vuursteen | נֶחְשָׁ֔בוּ (nechshavu) = worden gerekend | וְגַלְגִּלָּ֖יו (vegalgilav) = en hun wielen | כַּסּוּפָֽה (kasufa) = als een stormwind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 45:6; Mi 4:13; Nah 2:4–5; Jer 5:16; Ezech 21:14–16 **5:29** Hun gebrul is als dat van een leeuwin. Zij brullen als jonge leeuwen. Zij grommen, grijpen de prooi en brengen die in veiligheid, en er is geen bevrijder. Brontekst: שְׁאָגָ֥ה (sheaga) = gebrul | ל֖וֹ (lo) = hun | כַּלָּבִ֑יא (kalavi) = als een leeuwin | יִשְׁאַ֨ג (yishag) = zij brullen | כַּכְּפִירִ֤ים (kakefirim) = als jonge leeuwen | וְיִנְהֹם֙ (veyinhom) = en zij grommen | וְיֹאחֵ֣ז (veyochez) = en zij grijpen | טֶ֔רֶף (teref) = prooi | וְיַפְלִ֖יט (veyaflit) = en brengen in veiligheid | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | מַצִּֽיל (matsil) = bevrijder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָבִיא (lavi), ‘leeuwin’, en כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: twee woorden voor leeuwen. Voetnoot : נָהַם (naham), ‘grommen’: het diepe geluid van een leeuw. In vers 30 staat het ook van de zee. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is וְשָׁאַג (vesha’ag), ‘en hij brult’. De te lezen vorm (qere) is יִשְׁאַג (yish’ag), ‘hij brult’. Wij volgen de qere. Zie ook: Jes 5:30; Jes 42:22; Jes 49:24–25; Mi 5:7; Jer 4:7; Zach 11:3 **5:30** Op die dag grommen zij over hen als het gegrom van de zee. Men kijkt naar het land, en zie: duisternis en benauwdheid. Het licht is donker geworden door haar wolken. Brontekst: וְיִנְהֹ֥ם (veyinhom) = en zij grommen | עָלָ֛יו (alav) = over hen | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | כְּנַהֲמַת (kenahamat) = als het gegrom van | יָ֑ם (yam) = de zee | וְנִבַּ֤ט (venibat) = en men kijkt | לָאָ֨רֶץ֙ (laarets) = naar het land | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | חֹ֔שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | צַ֣ר (tsar) = benauwdheid | וָא֔וֹר (vaor) = en het licht | חָשַׁ֖ךְ (chashakh) = is donker geworden | בַּעֲרִיפֶֽיהָ (baarifeiha) = door haar wolken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעֲרִיפֶיהָ (ba’arifeha), ‘door haar wolken’: het woord is zeldzaam en betekent waarschijnlijk ‘wolken’ (letterlijk wat druipt). De zin kan ook zijn: ‘het licht is donker, in haar wolken’. Zie ook: Joël 2:10; Jes 8:22; Jes 13:10; Jer 4:23–28; Openb 16:10–11 ## Jesaja 6 _De roeping van Jesaja_ ### Ik zag de Heer **6:1** In het jaar van de dood van koning Uzzia zag ik de Heer. Hij zat op een hoge en verheven troon. De slippen van Zijn gewaad vulden de tempel. Brontekst: בִּשְׁנַת (bishnat) = in het jaar van | מוֹת֙ (mot) = de dood van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = koning | עֻזִּיָּ֔הוּ (uziyahu) = Uzzia | וָאֶרְאֶ֧ה (vaere) = en ik zag | אֶת (et) = (obj.) | אֲדֹנָ֛י (adonay) = de Heer | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = zittend | עַל (al) = op | כִּסֵּ֖א (kise) = een troon | רָ֣ם (ram) = hoog | וְנִשָּׂ֑א (venisa) = en verheven | וְשׁוּלָ֖יו (veshulav) = en de slippen van Zijn gewaad | מְלֵאִ֥ים (meleim) = vullend | אֶת (et) = (obj.) | הַהֵיכָֽל (haheikhal) = de tempel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel van Yahweh. In vers 5 heet Hij ‘de Koning, Yahweh van de legermachten’. Als aanspreking staat er ‘mijn Heer’ (vers 11). Zie ook Joh. 12:41. Voetnoot : Uzzia is dezelfde koning als Azaria (2 Kon. 15:1–7; 2 Kron. 26:1–23). Zijn geschiedenis is door Jesaja opgeschreven (2 Kron. 26:22). Voetnoot : הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: oorspronkelijk een groot gebouw of paleis. In 1 Kon. 6–8 staat voor hetzelfde woord ‘hoofdzaal’, omdat het daar één ruimte van het huis is. Voetnoot : וְשׁוּלָיו (shulav), ‘Zijn slippen’: het Hebreeuws zegt alleen ‘Zijn zomen’. Het woord ‘gewaad’ voegen wij toe voor de duidelijkheid. Voetnoot : רָם וְנִשָּׂא (ram venissa), ‘hoog en verheven’: het kan bij de troon staan of bij Hem. Wij verbinden het met de troon. Zie ook: Ps 113:5; 2 Kon 15:1–7; 2 Kron 26:1–23; 2 Kron 26:22; Jes 6:5; Jes 6:11; Dan 7:9; Joh 12:41; Openb 7:15–17; Openb 15:8 **6:2** Serafs stonden boven Hem. Elk van hen had zes vleugels. Met twee bedekte hij zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. Brontekst: שְׂרָפִ֨ים (serafim) = Serafs | עֹמְדִ֤ים (omedim) = staande | מִמַּ֨עַל֙ (mimaal) = boven | ל֔וֹ (lo) = Hem | שֵׁ֧שׁ (shesh) = zes | כְּנָפַ֛יִם (kenafayim) = vleugels | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | כְּנָפַ֖יִם (kenafayim) = vleugels | לְאֶחָ֑ד (leechad) = voor de een | בִּשְׁתַּ֣יִם (bishtayim) = met twee | יְכַסֶּ֣ה (yekhase) = bedekte hij | פָנָ֗יו (panav) = zijn gezicht | וּבִשְׁתַּ֛יִם (uvishtayim) = en met twee | יְכַסֶּ֥ה (yekhase) = bedekte hij | רַגְלָ֖יו (raglav) = zijn voeten | וּבִשְׁתַּ֥יִם (uvishtayim) = en met twee | יְעוֹפֵֽף (yeofef) = vloog hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרָף (saraf), ‘Seraf’: van het werkwoord ‘branden’, dus ‘brandende’. Hetzelfde woord staat voor de ‘vurige slangen’ in Num. 21:6. Wij laten open hoe de Serafs eruitzagen. Voetnoot : שֵׁשׁ כְּנָפַיִם שֵׁשׁ כְּנָפַיִם (shesh kenafayim shesh kenafayim): letterlijk ‘zes vleugels, zes vleugels voor de een’. Zo zegt het Hebreeuws dat elk zes vleugels had. Zie ook: Num 21:6; Ps 18:11; Ps 103:20; Ps 104:4; Ezech 1:11; Openb 4:8 **6:3** De een riep naar de ander en zei: „Heilig, heilig, heilig is Yahweh van de legermachten. Heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid.” Brontekst: וְקָרָ֨א (veqara) = en riep | זֶ֤ה (ze) = de een | אֶל (el) = tot | זֶה֙ (ze) = de ander | וְאָמַ֔ר (veamar) = en zei | קָד֧וֹשׁ (qadosh) = heilig | קָד֛וֹשׁ (qadosh) = heilig | קָד֖וֹשׁ (qadosh) = heilig | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | מְלֹ֥א (melo) = de volheid van | כָל (kal) = heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | כְּבוֹדֽוֹ (kevodo) = Zijn heerlijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָדוֹשׁ קָדוֹשׁ קָדוֹשׁ (qadosh qadosh qadosh), ‘heilig, heilig, heilig’: drie keer herhaald, met de grootste nadruk. Vergelijk Ps. 99:3, 5 en 9. Zie ook Openb. 4:8. Voetnoot : מְלֹא כָל הָאָרֶץ כְּבוֹדוֹ (melo khol ha’arets kevodo): letterlijk ‘de volheid van heel de aarde is Zijn heerlijkheid’. Voetnoot : כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: de zichtbare grootheid van Yahweh, zoals in Exod. 40:34–35. Zie ook: Ex 15:11; Ex 40:34–35; Num 14:21; Ps 72:19; Ps 99:3; Ezra 3:11; Openb 4:8–9 **6:4** De fundamenten van de drempels trilden van de stem van wie riep, en het huis werd vol rook. Brontekst: וַיָּנֻ֨עוּ֙ (vayanuu) = en trilden | אַמּ֣וֹת (amot) = fundamenten van | הַסִּפִּ֔ים (hasipim) = de drempels | מִקּ֖וֹל (miqol) = van de stem van | הַקּוֹרֵ֑א (haqore) = hem die riep | וְהַבַּ֖יִת (vehabayit) = en het huis | יִמָּלֵ֥א (yimale) = werd gevuld | עָשָֽׁן (ashan) = met rook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַמּוֹת הַסִּפִּים (ammot hassippim), ‘de fundamenten van de drempels’: letterlijk ‘de ellen van de drempels’. Het gaat waarschijnlijk om de draaipunten of de onderste delen van de drempel. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Het huis vol rook of wolk: vergelijk Exod. 40:34–35 en 1 Kon. 8:10–11. Zie ook: Ex 40:34; 1 Kon 8:10–12; 2 Kron 5:13–6:1; Openb 11:19; Openb 15:8 ### Wee mij: onreine lippen **6:5** Toen zei ik: „Wee mij, want ik ben verloren! Want ik ben een man met onreine lippen, en te midden van een volk met onreine lippen woon ik. Want mijn ogen hebben de Koning gezien, Yahweh van de legermachten.” Brontekst: וָאֹמַ֞ר (vaomar) = en ik zei | אֽוֹי (oy) = wee | לִ֣י (li) = mij | כִֽי (ki) = want | נִדְמֵ֗יתִי (nidmeiti) = ik ben verloren | כִּ֣י (ki) = want | אִ֤ישׁ (ish) = een man | טְמֵֽא (teme) = onrein van | שְׂפָתַ֨יִם֙ (sefatayim) = lippen | אָנֹ֔כִי (anokhi) = ik | וּבְתוֹךְ֙ (uvetokh) = en te midden van | עַם (am) = een volk | טְמֵ֣א (teme) = onrein van | שְׂפָתַ֔יִם (sefatayim) = lippen | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | יוֹשֵׁ֑ב (yoshev) = woon | כִּ֗י (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | הַמֶּ֛לֶךְ (hamelekh) = de Koning | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | רָא֥וּ (rau) = hebben gezien | עֵינָֽי (einay) = mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדְמֵיתִי (nidmeti), ‘ik ben verloren’: het werkwoord kan ‘tot zwijgen gebracht zijn’ en ‘weggenomen zijn’ betekenen. Voetnoot : טְמֵא שְׂפָתַיִם (temé sefatayim), ‘onrein van lippen’: ‘onrein’ is het woord uit de wetten over rein en onrein (Lev. 11–15). Jesaja noemt zijn mond en de mond van zijn volk onrein. Zie ook: Jer 1:6; Jer 9:2–7; Mat 12:34–37; Luc 5:8–9; Jak 3:6–10 **6:6** Toen vloog een van de Serafs naar mij toe. In zijn hand had hij een gloeiende steen, die hij met een tang van het altaar had genomen. Brontekst: וַיָּ֣עָף (vayaaf) = en vloog | אֵלַ֗י (elay) = naar mij | אֶחָד֙ (echad) = een | מִן (min) = van | הַשְּׂרָפִ֔ים (haserafim) = de Serafs | וּבְיָד֖וֹ (uveyado) = en in zijn hand | רִצְפָּ֑ה (ritspa) = een gloeiende steen | בְּמֶ֨לְקַחַ֔יִם (bemelqachayim) = met een tang | לָקַ֖ח (laqach) = had genomen | מֵעַ֥ל (meal) = van op | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִצְפָּה (ritspah), ‘gloeiende steen’: een steen die in het vuur heet is gemaakt. Het wordt vaak vertaald als ‘gloeiende kool’. Verwant is de ‘hete stenen’ in 1 Kon. 19:6. Voetnoot : מֶלְקָחַיִם (melqachayim), ‘tang’. Zie ook: Lev 16:12; 1 Kon 19:6; Ezech 10:2; Heb 9:22–26; Heb 13:10; Openb 8:3–5 **6:7** Hij raakte mijn mond aan en zei: „Zie, dit heeft je lippen aangeraakt. Je schuld is weggenomen en voor je zonde is verzoening gedaan.” Brontekst: וַיַּגַּ֣ע (vayaga) = en raakte aan | עַל (al) = op | פִּ֔י (pi) = mijn mond | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | נָגַ֥ע (naga) = heeft aangeraakt | זֶ֖ה (ze) = dit | עַל (al) = aan | שְׂפָתֶ֑יךָ (sefateikha) = je lippen | וְסָ֣ר (vesar) = en is weggegaan | עֲוֺנֶ֔ךָ (avonekha) = je schuld | וְחַטָּאתְךָ֖ (vechatatkha) = en je zonde | תְּכֻפָּֽר (tekhupar) = is verzoend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָוֺן (avon), ‘schuld’, en חַטָּאת (chatat), ‘zonde’. Voetnoot : כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: het werkwoord van de offers en van de verzoendag (Lev. 16). Hier staat het in de lijdende vorm: ‘voor je zonde is verzoening gedaan’. Zie ook: Jes 43:25; Jes 53:10; Jer 1:9; Dan 10:16; 1 Joh 1:7 ### Wie zal Ik zenden? **6:8** Toen hoorde ik de stem van de Heer zeggen: **„Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons gaan?”** En ik zei: „Hier ben ik. Zend mij.” Brontekst: וָאֶשְׁמַ֞ע (vaeshma) = en ik hoorde | אֶת (et) = (obj.) | ק֤וֹל (qol) = de stem van | אֲדֹנָי֙ (adonay) = de Heer | אֹמֵ֔ר (omer) = zeggend | אֶת (et) = (obj.) | מִ֥י (mi) = wie | אֶשְׁלַ֖ח (eshlach) = zal Ik zenden | וּמִ֣י (umi) = en wie | יֵֽלֶךְ (yelekh) = zal gaan | לָ֑נוּ (lanu) = voor Ons | וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | הִנְנִ֥י (hinni) = hier ben ik | שְׁלָחֵֽנִי (shelacheni) = zend mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָנוּ (lanu), ‘voor Ons’: Yahweh spreekt hier in het meervoud. Vergelijk Gen. 1:26, 3:22 en 11:7. Voetnoot : הִנְנִי (hinneni), ‘hier ben ik’: zoals het antwoord van Abraham in Gen. 22:1. Voetnoot : De woorden van de stem van de Heer staan rood. Zie ook: Gen 1:26; Gen 3:22; Gen 11:7; Gen 22:1; Ex 4:10–13; Jes 65:1; Hand 22:21; Hand 26:16–17; Ef 3:8 ### De opdracht aan Jesaja **6:9** Hij zei: **„Ga en zeg tegen dit volk: ‘Luister en luister, maar begrijp niet. Kijk en kijk, maar weet niet.’** Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לֵ֥ךְ (lekh) = ga | וְאָמַרְתָּ֖ (veamarta) = en zeg | לָעָ֣ם (laam) = tot het volk | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | שִׁמְע֤וּ (shimu) = luistert | שָׁמ֨וֹעַ֙ (shamoa) = voortdurend | וְאַל (veal) = en niet | תָּבִ֔ינוּ (tavinu) = begrijpt | וּרְא֥וּ (ureu) = en kijkt | רָא֖וֹ (rao) = voortdurend | וְאַל (veal) = en niet | תֵּדָֽעוּ (tedau) = weet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁמְעוּ שָׁמוֹעַ וְאַל תָּבִינוּ (shim’u shamo’a ve’al tavinu): het werkwoord wordt herhaald, dus ‘blijf luisteren’. Het Hebreeuws gebruikt de gebiedende wijs. Wij laten die staan. Voetnoot : Zie ook Matt. 13:14–15, Joh. 12:40 en Hand. 28:26–27. Zie ook: Mat 13:14–15; Mar 4:12; Luc 8:10; Joh 12:40; Hand 28:26–27 **6:10** **Maak het hart van dit volk vet. Maak zijn oren zwaar en smeer zijn ogen dicht, zodat het niet met zijn ogen ziet, niet met zijn oren hoort en niet met zijn hart begrijpt, en niet terugkeert en niet genezen wordt.”** Brontekst: הַשְׁמֵן֙ (hashmen) = maak vet | לֵב (lev) = het hart van | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְאָזְנָ֥יו (veazenav) = en zijn oren | הַכְבֵּ֖ד (hakhbed) = maak zwaar | וְעֵינָ֣יו (veeinav) = en zijn ogen | הָשַׁ֑ע (hasha) = smeer dicht | פֶּן (pen) = opdat niet | יִרְאֶ֨ה (yire) = het ziet | בְעֵינָ֜יו (beeinav) = met zijn ogen | וּבְאָזְנָ֣יו (uveazenav) = en met zijn oren | יִשְׁמָ֗ע (yishma) = het hoort | וּלְבָב֥וֹ (ulevavo) = en zijn hart | יָבִ֛ין (yavin) = het begrijpt | וָשָׁ֖ב (vashav) = en het keert terug | וְרָ֥פָא (verafa) = en wordt genezen | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׁמֵן (hashmen), ‘maak vet’: een vet hart is een gevoelloos hart. הַכְבֵּד (hakhbed), ‘maak zwaar’: zware oren horen niet. הָשַׁע (hasha’), ‘smeer dicht’: de ogen worden als met pleisterwerk dichtgesmeerd. Voetnoot : וָשָׁב וְרָפָא לוֹ (vashav verafa lo), ‘en terugkeert en genezen wordt’: שׁוּב (shuv) is ‘terugkeren’, hier tot Yahweh. Letterlijk staat er: ‘en genezing is voor hem’. Zie ook: Jer 5:21; Jer 6:10; Mat 13:15; Joh 3:19–20; Hand 28:27 ### Tot wanneer? **6:11** Toen zei ik: „Tot wanneer, mijn Heer?” En Hij zei: **„Tot steden verwoest zijn, zonder bewoner, en huizen zonder mens, en de grond verwoest is tot een woestenij,** Brontekst: וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | עַד (ad) = tot | מָתַ֖י (matay) = wanneer | אֲדֹנָ֑י (adonay) = mijn Heer | וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en Hij zei | עַ֣ד (ad) = tot | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | אִם (im) = als | שָׁא֨וּ (shau) = verwoest zijn | עָרִ֜ים (arim) = steden | מֵאֵ֣ין (meein) = zonder | יוֹשֵׁ֗ב (yoshev) = bewoner | וּבָתִּים֙ (uvatim) = en huizen | מֵאֵ֣ין (meein) = zonder | אָדָ֔ם (adam) = mens | וְהָאֲדָמָ֖ה (vehaadama) = en de grond | תִּשָּׁאֶ֥ה (tishae) = is verwoest | שְׁמָמָֽה (shemama) = tot woestenij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: aanspreking van Yahweh. Voetnoot : שָׁאוּ (sha’u), ‘verwoest zijn’, en שְׁמָמָה (shemamah), ‘woestenij’: dezelfde woorden voor een kaal en leeg land. Voetnoot : Hier spreekt Yahweh weer; Zijn woorden staan rood. Zie ook: Ps 90:13; Ps 94:3; Jes 1:7; Jes 3:26; Jes 24:1–12 **6:12** **en Yahweh de mensen ver weg heeft gebracht, en de verlatenheid groot is midden in het land.** Brontekst: וְרִחַ֥ק (verichaq) = en heeft ver weg gebracht | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הָאָדָ֑ם (haadam) = de mensen | וְרַבָּ֥ה (veraba) = en groot is | הָעֲזוּבָ֖ה (haazuva) = de verlatenheid | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = midden in | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon, in Zijn eigen woorden; daarom blijft het rood (vergelijk Hos. 1:7). Voetnoot : וְרִחַק (verichaq), ‘ver weg heeft gebracht’: letterlijk ‘ver gemaakt’. Het gaat om ballingschap. Zie ook: Deut 28:64; 2 Kon 25:11; Hos 1:7; Jer 4:29; Jer 52:28–30; Rom 11:1–2 **6:13** **Is er daarin nog een tiende deel, dan keert ook dat terug en wordt het verteerd. Zoals een terebint en zoals een eik, die, wanneer ze geveld worden, een stronk in zich hebben: een heilig zaad is haar stronk.”** Brontekst: וְע֥וֹד (veod) = en nog | בָּהּ֙ (bah) = daarin | עֲשִׂ֣רִיָּ֔ה (asiriya) = een tiende deel | וְשָׁ֖בָה (veshava) = en het keert terug | וְהָיְתָ֣ה (vehayeta) = en wordt | לְבָעֵ֑ר (levaer) = om verteerd te worden | כָּאֵלָ֣ה (kaela) = zoals een terebint | וְכָאַלּ֗וֹן (vekhaalon) = en zoals een eik | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בְּשַׁלֶּ֨כֶת֙ (beshalekhet) = wanneer ze geveld worden | מַצֶּ֣בֶת (matsevet) = een stronk | בָּ֔ם (bam) = in hen | זֶ֥רַע (zera) = een zaad | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | מַצַּבְתָּֽהּ (matsavtah) = haar stronk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲשִׂרִיָּה (asiriyyah), ‘een tiende deel’: een tiende van wat er was. Voetnoot : וְשָׁבָה (veshavah), ‘dan keert het terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv) staat ook in vers 10. Het kan hier ook ‘weer’ betekenen. Voetnoot : לְבָעֵר (leva’er), ‘om verteerd te worden’: zie 4:4 en 5:5. Voetnoot : אֵלָה (elah), ‘terebint’, en אַלּוֹן (allon), ‘eik’: grote bomen. Voetnoot : מַצֶּבֶת (matstevet), ‘stronk’: bijna hetzelfde woord als מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde steen’, maar hier is het wat blijft staan als een boom is geveld. Voetnoot Lezing: De laatste woorden, ‘een heilig zaad is haar stronk’, ontbreken in sommige oude vertalingen. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 22:18; Job 14:7–9; Jes 6:10; Jes 65:8–9; Rom 11:5–6; Rom 11:16–29 ## Jesaja 7 _Achaz, Jesaja en het teken Immanuel_ ### Rezin en Pekach trekken tegen Jeruzalem op **7:1** Het gebeurde in de dagen van Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, de koning van Juda. Rezin, de koning van Aram, en Pekach, de zoon van Remalja, de koning van Israël, trokken op naar Jeruzalem om tegen haar te strijden. Maar hij kon geen strijd tegen haar leveren. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het gebeurde | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | אָ֠חָז (achaz) = Achaz | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹתָ֨ם (yotam) = Jotam | בֶּן (ben) = zoon van | עֻזִּיָּ֜הוּ (uziyahu) = Uzzia | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | עָלָ֣ה (ala) = trok op | רְצִ֣ין (retsin) = Rezin | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אֲ֠רָם (aram) = Aram | וּפֶ֨קַח (ufeqach) = en Pekach | בֶּן (ben) = zoon van | רְמַלְיָ֤הוּ (remalyahu) = Remalja | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = naar Jeruzalem | לַמִּלְחָמָ֖ה (lamilchama) = om te strijden | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = tegen haar | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | יָכֹ֖ל (yakhol) = hij kon | לְהִלָּחֵ֥ם (lehilachem) = strijden | עָלֶֽיהָ (aleiha) = tegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Achaz regeerde over Juda (2 Kon. 16:1–20; 2 Kron. 28:1–27). Rezin, de koning van Aram, en Pekach, de koning van Israël, trokken samen tegen Juda op (2 Kon. 15:37; 16:5; 2 Kron. 28:5–8). Voetnoot : Het Hebreeuws zegt aan het eind ‘hij kon niet’, in het enkelvoud. In 2 Kon. 16:5 staat ‘zij konden niet’. Voetnoot : רְמַלְיָהוּ (Remalyahu), ‘Remalja’: dezelfde naam als in 2 Kon. 15:25. Wij gebruiken dezelfde spelling. Zie ook: Ps 83:4–6; 2 Kon 15:25; 2 Kon 15:37; 2 Kon 16:1; 2 Kon 16:5; 2 Kron 28:1–27; 2 Kron 28:5–8; Jes 7:4–9; Jes 8:6 **7:2** Er werd gemeld aan het huis van David: „Aram heeft zich gelegerd bij Efraïm.” Toen beefde zijn hart en het hart van zijn volk, zoals de bomen van het woud beven voor de wind. Brontekst: וַיֻּגַּ֗ד (vayugad) = en het werd gemeld | לְבֵ֤ית (leveit) = aan het huis van | דָּוִד֙ (david) = David | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | נָ֥חָֽה (nacha) = heeft zich gelegerd | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | עַל (al) = bij | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | וַיָּ֤נַע (vayana) = en het beefde | לְבָבוֹ֙ (levavo) = zijn hart | וּלְבַ֣ב (ulevav) = en het hart van | עַמּ֔וֹ (amo) = zijn volk | כְּנ֥וֹעַ (kenoa) = zoals beven | עֲצֵי (atsei) = de bomen van | יַ֖עַר (yaar) = het woud | מִפְּנֵי (mipenei) = voor | רֽוּחַ (ruach) = de wind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: ‘Het huis van David’ is de koning met zijn familie en hof. Hier zijn dat Achaz en de zijnen. Ook in 7:13 en 7:17 wordt het huis aangesproken. Voetnoot : נָחָה (nachah), ‘zich gelegerd hebben’: letterlijk ‘rusten’ of ‘zich neerlaten’. Het Hebreeuws zegt niet of Aram zijn leger in Efraïm legerde of zich met Efraïm verbond. Beide passen bij de tekst. Voetnoot : ‘Efraïm’ is hier het noordelijke koninkrijk Israël, dat de naam van zijn grootste stam draagt. Zie ook: Spr 28:1; Jes 7:13; Jes 8:12; Jes 9:8; Jer 21:12 ### Jesaja ontmoet Achaz **7:3** Toen zei Yahweh tegen Jesaja: **„Ga toch uit, Achaz tegemoet, jij en je zoon Sjear-Jasjoev. Ga naar het einde van de waterleiding van de bovenste vijver, bij de weg naar het veld van de voller.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tegen | יְשַׁעְיָהוּ֒ (yeshayahu) = Jesaja | צֵא (tse) = ga uit | נָא֙ (na) = toch | לִקְרַ֣את (liqrat) = om te ontmoeten | אָחָ֔ז (achaz) = Achaz | אַתָּ֕ה (ata) = jij | וּשְׁאָ֖ר (ushear) = en Sjear | יָשׁ֣וּב (yashuv) = Jasjoev | בְּנֶ֑ךָ (benekha) = je zoon | אֶל (el) = naar | קְצֵ֗ה (qetse) = het einde van | תְּעָלַת֙ (tealat) = de waterleiding van | הַבְּרֵכָ֣ה (haberekha) = de vijver | הָעֶלְיוֹנָ֔ה (haelyona) = de bovenste | אֶל (el) = naar | מְסִלַּ֖ת (mesilat) = de weg van | שְׂדֵ֥ה (sede) = het veld van | כוֹבֵֽס (koves) = de voller Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Waterleiding van de bovenste vijver (ligging onzeker): De waterleiding van de bovenste vijver lag bij Jeruzalem, buiten de stadsmuur. De precieze plaats is niet zeker. Zie Veld van de voller (ligging onzeker): Het veld van de voller lag bij Jeruzalem, aan de weg langs de bovenste vijver. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שְׁאָר יָשׁוּב (Shear Yashuv), ‘Sjear-Jasjoev’: letterlijk ‘een rest keert terug’, of ‘overgeblevenen keren terug’. Het werkwoord kan ook ‘zich bekeren’ betekenen. De naam van de zoon is zelf een boodschap. Zie ook 10:21. Voetnoot : הַבְּרֵכָה הָעֶלְיוֹנָה (habberekhah ha’elyonah), ‘de bovenste vijver’, en ‘het veld van de voller’: plaatsen bij Jeruzalem. Een voller reinigde en bleekte stoffen. Dezelfde plek staat in 2 Kon. 18:17. Wij houden dezelfde woorden aan. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier één zin. Wij splitsen hem en herhalen ‘Ga’. Zie ook: 2 Kon 18:17; Jes 6:13; Jes 10:21; Jes 36:2; Rom 9:27 **7:4** **Zeg tegen hem: Wees op je hoede en blijf rustig. Wees niet bang. Je hart moet niet week worden vanwege deze twee staarten van rokende stukken brandhout. Dat is de brandende toorn van Rezin en Aram en van de zoon van Remalja.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֵ֠לָיו (elav) = tegen hem | הִשָּׁמֵ֨ר (hishamer) = neem je in acht | וְהַשְׁקֵ֜ט (vehashqet) = en wees rustig | אַל (al) = niet | תִּירָ֗א (tira) = wees bang | וּלְבָבְךָ֙ (ulevavekha) = en je hart | אַל (al) = niet | יֵרַ֔ךְ (yerakh) = worde week | מִשְּׁנֵ֨י (mishenei) = vanwege twee | זַנְב֧וֹת (zanvot) = staarten van | הָאוּדִ֛ים (haudim) = de stukken brandhout | הָעֲשֵׁנִ֖ים (haashenim) = de rokende | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | בָּחֳרִי (bachori) = in de gloed van | אַ֛ף (af) = toorn | רְצִ֥ין (retsin) = Rezin | וַאֲרָ֖ם (vaaram) = en Aram | וּבֶן (uven) = en de zoon van | רְמַלְיָֽהוּ (remalyahu) = Remalja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: אוּד (ud), ‘stuk brandhout’: een stuk hout dat uit het vuur is gehaald en nog rookt. Het is bijna uitgebrand. Zo ziet Yahweh de twee koningen. ‘Staarten’ (zenavot) zijn de uiteinden van die stukken hout. Voetnoot : De naam Pekach staat er niet; de tekst zegt alleen ‘de zoon van Remalja’. Hij is de koning van Israël (vers 1). Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier één zin. Wij splitsen hem en beginnen de tweede zin met ‘Dat is’. Zie ook: Deut 20:3; Jes 7:1; Jes 30:15; Jes 35:4; Klaagl 3:26; Mat 24:6 **7:5** **Omdat Aram kwaad tegen je heeft beraamd, samen met Efraïm en de zoon van Remalja. Zij hebben gezegd:** Brontekst: יַ֗עַן (yaan) = omdat | כִּֽי (ki) = dat | יָעַ֥ץ (yaats) = heeft beraamd | עָלֶ֛יךָ (aleikha) = tegen je | אֲרָ֖ם (aram) = Aram | רָעָ֑ה (raa) = kwaad | אֶפְרַ֥יִם (efrayim) = Efraïm | וּבֶן (uven) = en de zoon van | רְמַלְיָ֖הוּ (remalyahu) = Remalja | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: יַעַן כִּי (yaan ki), ‘omdat’: dit geeft de reden voor ‘wees niet bang’ in vers 4. De zin loopt door tot en met vers 6. Zie ook: Ps 2:2; Ps 83:4–5; Jes 7:4; Jes 7:6; Nah 1:11; Zach 1:15 **7:6** **‘Laten wij optrekken tegen Juda en haar bang maken. Laten wij haar voor ons openbreken en een koning in haar midden aanstellen, de zoon van Tabeël.’** Brontekst: נַעֲלֶ֤ה (naale) = laten wij optrekken | בִֽיהוּדָה֙ (bihuda) = tegen Juda | וּנְקִיצֶ֔נָּה (uneqitsena) = en laten wij haar bang maken | וְנַבְקִעֶ֖נָּה (venavqiena) = en laten wij haar openbreken | אֵלֵ֑ינוּ (eleinu) = voor ons | וְנַמְלִ֥יךְ (venamlikh) = en laten wij aanstellen | מֶ֨לֶךְ֙ (melekh) = koning | בְּתוֹכָ֔הּ (betokhah) = in haar midden | אֵ֖ת (et) = (obj.) | בֶּן (ben) = de zoon van | טָֽבְאַֽל (taveal) = Tabeël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: נְקִיצֶנָּה (neqitsennah), ‘laten wij haar bang maken’: het werkwoord is zeldzaam en de betekenis is niet helemaal zeker. Het kan ook ‘uiteenscheuren’ betekenen. Voetnoot : טָבְאַל (Tav’el), ‘Tabeël’: een onbekende man. Rezin en Pekach willen hem in plaats van het huis van David koning maken. **7:7** Zo zegt Heer Yahweh: **Het zal niet standhouden. Het zal niet gebeuren.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | תָק֖וּם (taqum) = zal standhouden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִֽהְיֶֽה (tihye) = zal gebeuren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’. Zie Jes. 3:15, waar de uitleg bij deze naam staat. Voetnoot : ‘Zo zegt Heer Yahweh’ is een inleidende formule en staat zwart, zoals in Amos 5:3. De woorden erna staan rood: Yahweh spreekt hier tegen Jesaja, en wat Jesaja aan Achaz moet zeggen, is Zijn woord. Zie ook: Ps 33:11; Spr 21:30; Amos 5:3; Jes 3:15; Jes 8:10; Jes 46:10–11; Klaagl 3:37 **7:8** **Want het hoofd van Aram is Damascus, en het hoofd van Damascus is Rezin. En binnen 65 jaar wordt Efraïm zo gebroken dat het geen volk meer is.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | רֹ֤אשׁ (rosh) = het hoofd van | אֲרָם֙ (aram) = Aram | דַּמֶּ֔שֶׂק (dameseq) = Damascus | וְרֹ֥אשׁ (verosh) = en het hoofd van | דַּמֶּ֖שֶׂק (dameseq) = Damascus | רְצִ֑ין (retsin) = Rezin | וּבְע֗וֹד (uveod) = en binnen | שִׁשִּׁ֤ים (shishim) = 60 | וְחָמֵשׁ֙ (vechamesh) = en 5 | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | יֵחַ֥ת (yechat) = zal gebroken worden | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | מֵעָֽם (meam) = van een volk zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: ‘Het hoofd van Aram is Damascus’: Aram is niet meer dan Damascus, en Damascus niet meer dan Rezin. Hetzelfde geldt voor Efraïm, Samaria en Pekach (vers 9). Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet vanaf wanneer de 65 jaar tellen. Voor het wegvoeren van Israël zie 2 Kon. 15:29 en 17:6. Zie ook: Gen 14:15; 2 Sam 8:6; 2 Kon 15:29; 2 Kon 17:6; Hos 1:6–2:1; Jes 7:9; Jes 8:4; Jes 17:1–3 **7:9** **En het hoofd van Efraïm is Samaria, en het hoofd van Samaria is de zoon van Remalja. Als jullie niet geloven, dan zullen jullie niet standhouden.”** Brontekst: וְרֹ֤אשׁ (verosh) = en het hoofd van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | שֹׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | וְרֹ֥אשׁ (verosh) = en het hoofd van | שֹׁמְר֖וֹן (shomeron) = Samaria | בֶּן (ben) = de zoon van | רְמַלְיָ֑הוּ (remalyahu) = Remalja | אִ֚ם (im) = als | לֹ֣א (lo) = niet | תַאֲמִ֔ינוּ (taaminu) = jullie geloven | כִּ֖י (ki) = dan | לֹ֥א (lo) = niet | תֵאָמֵֽנוּ (teamenu) = zullen jullie standhouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: אִם לֹא תַאֲמִינוּ כִּי לֹא תֵאָמֵנוּ (im lo taaminu ki lo teamenu), ‘als jullie niet geloven, dan zullen jullie niet standhouden’: een woordspel. ‘Geloven’ en ‘standhouden’ komen van hetzelfde grondwoord אמן (aman), ‘vast staan’. Dat woordspel is in het Nederlands niet weer te geven. Voetnoot : Het werkwoord staat in het meervoud: Achaz en het huis van David worden aangesproken. Zie ook: 2 Kron 20:20; Hand 27:25; Rom 11:20; Heb 11:6; 1 Joh 5:10 ### Het teken: Immanuel **7:10** Yahweh sprak opnieuw tot Achaz: Brontekst: וַיּ֣וֹסֶף (vayosef) = en Hij voegde toe | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | דַּבֵּ֥ר (daber) = te spreken | אֶל (el) = tot | אָחָ֖ז (achaz) = Achaz | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיֹּסֶף יְהוָה דַּבֵּר (vayosef Yahweh dabber), ‘Yahweh sprak opnieuw’: letterlijk ‘Yahweh voegde toe te spreken’. Zie ook: Hos 13:2; Jes 1:5; Jes 1:13; Jes 8:5; Jes 10:20 **7:11** **„Vraag voor jezelf een teken van Yahweh, je Elohim. Vraag het diep, of hoog naar boven.”** Brontekst: שְׁאַל (sheal) = vraag | לְךָ֣ (lekha) = voor jezelf | א֔וֹת (ot) = een teken | מֵעִ֖ם (meim) = van bij | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | הַעְמֵ֣ק (hameq) = maak diep | שְׁאָ֔לָה (sheala) = vraag | א֖וֹ (o) = of | הַגְבֵּ֥הַּ (hagbeha) = maak hoog | לְמָֽעְלָה (lemaela) = naar boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹת (ot), ‘teken’: een zichtbaar bewijs dat Yahweh Zijn woord houdt. Het woord staat ook in vers 14. Voetnoot : הַעְמֵק שְׁאָלָה (haamek shealah), ‘vraag het diep’: letterlijk ‘maak diep, vraag’. Voetnoot Lezing: De medeklinkers van שאלה kunnen ook gelezen worden als שְׁאֹלָה (sheolah), ‘naar Sjeol’. Dan staat er: ‘Maak het diep, naar Sjeol, of maak het hoog, naar boven.’ Wij volgen de klinkers van de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Kon 19:29; 2 Kon 20:8–11; Jes 7:14; Jes 37:30; Jes 38:7–8; Jes 38:22 **7:12** Achaz zei: „Ik zal niet vragen. Ik zal Yahweh niet op de proef stellen.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | אָחָ֑ז (achaz) = Achaz | לֹא (lo) = niet | אֶשְׁאַ֥ל (eshal) = ik zal vragen | וְלֹֽא (velo) = en niet | אֲנַסֶּ֖ה (anase) = ik zal op de proef stellen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Achaz noemt Deut. 6:16 niet, maar zijn woorden doen eraan denken: ‘Je mag Yahweh, je Elohim, niet op de proef stellen.’ Hier heeft Yahweh het teken zelf aangeboden. Zie ook: Deut 6:16; 2 Kon 16:15; Mal 3:15; Hand 5:9; 1 Kor 10:9 **7:13** Hij zei: „Hoor toch, huis van David. Is het voor jullie te weinig om mensen te vermoeien, dat jullie ook mijn Elohim vermoeien? Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | שִׁמְעוּ (shimu) = hoort | נָ֖א (na) = toch | בֵּ֣ית (beit) = huis van | דָּוִ֑ד (david) = David | הַמְעַ֤ט (hamat) = is het weinig | מִכֶּם֙ (mikem) = voor jullie | הַלְא֣וֹת (halot) = te vermoeien | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mensen | כִּ֥י (ki) = dat | תַלְא֖וּ (talu) = jullie vermoeien | גַּ֥ם (gam) = ook | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie spreekt. Het is Jesaja: hij zegt ‘mijn Elohim’. Hij spreekt tot het hele huis van David, in het meervoud. Voetnoot : הַלְאוֹת (hal’ot), ‘vermoeien’: ook ‘uitputten’. Zie ook: Jes 43:24; Jer 6:11; Ezech 34:18; Mal 2:17; Heb 3:10 **7:14** Daarom zal de Heer zelf jullie een teken geven. Zie, de jonge vrouw is zwanger en zal een zoon baren, en zij zal hem Immanuel noemen. Brontekst: לָ֠כֵן (lakhen) = daarom | יִתֵּ֨ן (yiten) = zal geven | אֲדֹנָ֥י (adonay) = de Heer | ה֛וּא (hu) = Hijzelf | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | א֑וֹת (ot) = een teken | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | הָעַלְמָ֗ה (haalma) = de jonge vrouw | הָרָה֙ (hara) = zwanger | וְיֹלֶ֣דֶת (veyoledet) = en zij zal baren | בֵּ֔ן (ben) = een zoon | וְקָרָ֥את (veqarat) = en zij zal noemen | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | עִמָּ֥נוּ (imanu) = met ons | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַלְמָה (almah), ‘jonge vrouw’: een vrouw van huwbare leeftijd. Het woord voor ‘maagd’ in strikte zin is בְּתוּלָה (betulah), en dat staat hier niet. Het lidwoord (‘de jonge vrouw’) wijst op een bepaalde vrouw. De tekst noemt haar naam niet. Voetnoot : הָרָה (harah), ‘zwanger’: een bijvoeglijk naamwoord, zonder werkwoord. Of het gaat om nu of straks, staat niet vast. Wij vertalen ‘is zwanger’ en ‘zal baren’. Voetnoot : עִמָּנוּ אֵל (Immanu El), ‘Immanuel’: ‘El is met ons’. De naam komt terug in 8:8 en 8:10. Zie ook Matt. 1:23. Voetnoot : אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier zonder ‘Yahweh’. Voetnoot Lezing: וְקָרָאת (vekara’t), ‘en zij zal noemen’: het Hebreeuws heeft hier een vorm die ook anders gelezen kan worden. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Jes 9:5; Mat 1:23; Luc 1:31; Joh 1:1–2; Joh 1:14 **7:15** Dikke melk en honing zal hij eten, wanneer hij het kwade weet te verwerpen en het goede weet te kiezen. Brontekst: חֶמְאָ֥ה (chema) = dikke melk | וּדְבַ֖שׁ (udevash) = en honing | יֹאכֵ֑ל (yokhel) = hij zal eten | לְדַעְתּ֛וֹ (ledato) = bij zijn weten | מָא֥וֹס (maos) = te verwerpen | בָּרָ֖ע (bara) = het kwade | וּבָח֥וֹר (uvachor) = en te kiezen | בַּטּֽוֹב (batov) = het goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶמְאָה (chem’ah), ‘dikke melk’: zoals in Gen. 18:8. Het woord kan ook ‘room’ of ‘boter’ betekenen. Dikke melk en honing is het voedsel van wie in een verlaten land overblijft (vers 21–22). Voetnoot Lezing: לְדַעְתּוֹ (leda’to), ‘wanneer hij weet’: letterlijk ‘bij zijn weten’. Het kan ook ‘tot hij weet’ betekenen. Wij kiezen ‘wanneer’. Zie ook: Gen 18:8; Ps 51:7; Amos 5:15; Jes 7:21–22; Jes 7:22; Mat 3:4; Fil 1:9–10 **7:16** Want voordat de jongen weet het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, wordt de grond verlaten. Jij bent beducht voor haar twee koningen. Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | בְּטֶ֨רֶם (beterem) = voordat | יֵדַ֥ע (yeda) = weet | הַנַּ֛עַר (hanaar) = de jongen | מָאֹ֥ס (maos) = te verwerpen | בָּרָ֖ע (bara) = het kwade | וּבָחֹ֣ר (uvachor) = en te kiezen | בַּטּ֑וֹב (batov) = het goede | תֵּעָזֵ֤ב (teazev) = wordt verlaten | הָאֲדָמָה֙ (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אַתָּ֣ה (ata) = jij | קָ֔ץ (qats) = bent beducht | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor | שְׁנֵ֥י (shenei) = de twee | מְלָכֶֽיהָ (melakheiha) = haar koningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’: het land van de twee koningen, Aram en Israël. Nog voordat het kind kan kiezen tussen goed en kwaad, is de dreiging weg. Zie 2 Kon. 15:29–30 en 16:9. Voetnoot : קָץ (qats), ‘beducht zijn’: het werkwoord betekent ook ‘huiveren’ of ‘walgen’. Zie ook: Deut 1:39; 2 Kon 15:29–30; 2 Kon 16:9; Jona 4:11; Jes 8:4; Jes 9:10 **7:17** Yahweh zal over jou, over je volk en over het huis van je vader dagen laten komen. Zulke dagen zijn er niet geweest sinds de dag dat Efraïm van Juda wegging. Hij brengt de koning van Assyrië.” Brontekst: יָבִ֨יא (yavi) = zal laten komen | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | עָלֶ֗יךָ (aleikha) = over jou | וְעַֽל (veal) = en over | עַמְּךָ֮ (amekha) = je volk | וְעַל (veal) = en over | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִיךָ֒ (avikha) = je vader | יָמִים֙ (yamim) = dagen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | בָ֔אוּ (bau) = zijn gekomen | לְמִיּ֥וֹם (lemiyom) = sinds de dag van | סוּר (sur) = het wegwijken van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | מֵעַ֣ל (meal) = van op | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: ‘Sinds de dag dat Efraïm van Juda wegging’ gaat over de scheuring van het rijk na Salomo (1 Kon. 12:16–20). De koning van Assyrië komt op de hulp die Achaz zelf had ingeroepen (2 Kon. 16:7–9; 2 Kron. 28:16–21). Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier één zin, die doorloopt tot ‘de koning van Assyrië’ als aanvulling bij ‘dagen laten komen’. Wij splitsen hem en herhalen daarom: ‘Zulke dagen’ en ‘Hij brengt’. Zie ook: 1 Kon 12:16–20; 2 Kon 16:7–9; 2 Kron 10:16–19; 2 Kron 28:16–21; 2 Kron 28:19–21; 2 Kron 32:1–33; Jes 8:7–8; Jes 10:5–6 ### Op die dag **7:18** Het zal gebeuren op die dag. Yahweh zal fluiten naar de vlieg aan het uiteinde van de Nijlarmen van Egypte en naar de bij in het land Assyrië. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִשְׁרֹ֤ק (yishroq) = zal fluiten | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לַזְּב֔וּב (lazevuv) = naar de vlieg | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בִּקְצֵ֖ה (biqtse) = aan het uiteinde van | יְאֹרֵ֣י (yeorei) = de Nijlarmen van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְלַ֨דְּבוֹרָ֔ה (veladevora) = en naar de bij | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: שָׁרַק (sharaq), ‘fluiten’: zoals men bijen roept. De vlieg komt uit Egypte, de bij uit Assyrië. Voetnoot : יְאֹרֵי מִצְרַיִם (ye’orey Mitsrayim), ‘de Nijlarmen van Egypte’: יְאֹר (ye’or) is de Nijl. Het meervoud wijst op de vele armen en kanalen van de Nijl. Zie ook: Deut 1:44; Deut 7:20; Joz 24:12; Jes 5:26; Jes 31:1 **7:19** Zij komen en laten zich allemaal neer in de steile beekdalen, in de spleten van de rotsen, in alle doornhagen en bij alle drinkplaatsen. Brontekst: וּבָ֨אוּ (uvau) = en zij zullen komen | וְנָח֤וּ (venachu) = en zich neerlaten | כֻלָּם֙ (kulam) = allen | בְּנַחֲלֵ֣י (benachalei) = in de beekdalen van | הַבַּתּ֔וֹת (habatot) = de steile plaatsen | וּבִנְקִיקֵ֖י (uvinqiqei) = en in de spleten van | הַסְּלָעִ֑ים (haselaim) = de rotsen | וּבְכֹל֙ (uvekhol) = en in alle | הַנַּ֣עֲצוּצִ֔ים (hanaatsutsim) = de doornhagen | וּבְכֹ֖ל (uvekhol) = en in alle | הַנַּהֲלֹלִֽים (hanahalolim) = de drinkplaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחֲלֵי הַבַּתּוֹת (nachaley habbatot), ‘steile beekdalen’, הַנַּעֲצוּצִים (hannaatsutsim), ‘doornhagen’, en הַנַּהֲלֹלִים (hannahalolim), ‘drinkplaatsen’: deze woorden komen zelden voor. De betekenis is onzeker. Ook ‘steile ravijnen’, ‘struikgewas’ en ‘weiden’ zijn mogelijk. Zie ook: 2 Kron 33:11; Jes 2:19; Jes 2:21; Mi 7:17; Jer 16:16 **7:20** Op die dag zal de Heer scheren met een scheermes dat aan de overkant van de rivier is gehuurd, met de koning van Assyrië. Hij scheert het hoofd en het haar van de voeten. Ook de baard zal het wegnemen. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֡וּא (hahu) = die | יְגַלַּ֣ח (yegalach) = zal scheren | אֲדֹנָי֩ (adonay) = de Heer | בְּתַ֨עַר (betaar) = met een scheermes | הַשְּׂכִירָ֜ה (hasekhira) = het gehuurde | בְּעֶבְרֵ֤י (beevrei) = aan de overkant van | נָהָר֙ (nahar) = de rivier | בְּמֶ֣לֶךְ (bemelekh) = met de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | אֶת (et) = (obj.) | הָרֹ֖אשׁ (harosh) = het hoofd | וְשַׂ֣עַר (vesaar) = en het haar van | הָרַגְלָ֑יִם (haraglayim) = de voeten | וְגַ֥ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | הַזָּקָ֖ן (hazaqan) = de baard | תִּסְפֶּֽה (tispe) = zal wegnemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land. De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: ‘Het haar van de voeten’ is een omschrijving voor het haar op het onderlichaam. Hoofd, onderlichaam en baard: Assyrië scheert alles weg. Het Hebreeuws heeft één zin; wij splitsen hem en zeggen: ‘Hij scheert’. Voetnoot : הַנָּהָר (hannahar), ‘de rivier’: de Eufraat. Aan de overkant ligt Assyrië. Zie ook: Jes 8:7; Jes 10:15; Jes 11:15; Ezech 5:1–4; Ezech 29:18 **7:21** Het zal gebeuren op die dag: een man zal een jonge koe en twee schapen in leven houden. Brontekst: וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | יְחַיֶּה (yechaye) = zal in leven houden | אִ֛ישׁ (ish) = een man | עֶגְלַ֥ת (eglat) = een jonge koe van | בָּקָ֖ר (baqar) = het rund | וּשְׁתֵּי (ushtei) = en twee | צֹֽאן (tson) = schapen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹאן (tson), ‘kleinvee’: schapen en geiten. Wij vertalen ‘schapen’. Een man houdt er nog maar twee in leven, en één jonge koe: heel weinig. Zie ook: Jes 5:17; Jes 7:25; Jes 17:2; Jes 37:30; Jer 39:10 **7:22** Het zal gebeuren: door de overvloed aan melk die zij geven, eet hij dikke melk. Want dikke melk en honing eet ieder die is overgebleven in het land. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | מֵרֹ֛ב (merov) = vanwege de overvloed van | עֲשׂ֥וֹת (asot) = het geven van | חָלָ֖ב (chalav) = melk | יֹאכַ֣ל (yokhal) = hij zal eten | חֶמְאָ֑ה (chema) = dikke melk | כִּֽי (ki) = want | חֶמְאָ֤ה (chema) = dikke melk | וּדְבַשׁ֙ (udevash) = en honing | יֹאכֵ֔ל (yokhel) = zal eten | כָּל (kal) = ieder | הַנּוֹתָ֖ר (hanotar) = die overblijft | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = in het midden van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er zijn weinig mensen over, en weinig vee. Dikke melk en honing zijn dan het voedsel van wie overblijft, zoals in vers 15. Zie ook: 2 Sam 17:29; Jes 7:15; Mat 3:4 **7:23** Het zal gebeuren op die dag: elke plaats waar duizend wijnstokken zijn, ter waarde van duizend zilverstukken, zal doornstruiken en doornen zijn. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | כָל (kal) = elke | מָק֗וֹם (maqom) = plaats | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waar | יִֽהְיֶה (yihye) = zullen zijn | שָּׁ֛ם (sham) = daar | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | גֶּ֖פֶן (gefen) = wijnstok | בְּאֶ֣לֶף (beelef) = voor duizend | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | לַשָּׁמִ֥יר (lashamir) = tot doornstruiken | וְלַשַּׁ֖יִת (velashayit) = en tot doornen | יִֽהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶלֶף כֶּסֶף (elef kesef), ‘duizend zilver’: duizend sikkel zilver, gewogen zilver (vergelijk Gen. 23:16). Het woord ‘stukken’ is onze aanvulling. Een wijngaard van duizend wijnstokken was veel waard. Voetnoot : שָׁמִיר וָשַׁיִת (shamir vashayit), ‘doornstruiken en doornen’: twee woorden voor onkruid en wild struikgewas. Zo vertalen wij ook in Jes. 5:6, 9:17 en 10:17. Ze komen ook voor in vers 24 en 25. Zie ook: Gen 23:16; Hoogl 8:11–12; Jes 5:6; Jes 7:24; Jes 7:25; Jes 9:17; Jes 10:17; Jer 4:26; Mat 21:33; Heb 6:8 **7:24** Met pijlen en boog komt men daarheen, want doornstruiken en doornen zal heel het land zijn. Brontekst: בַּחִצִּ֥ים (bachitsim) = met pijlen | וּבַקֶּ֖שֶׁת (uvaqeshet) = en met een boog | יָ֣בוֹא (yavo) = zal komen | שָׁ֑מָּה (shama) = daarheen | כִּי (ki) = want | שָׁמִ֥יר (shamir) = doornstruiken | וָשַׁ֖יִת (vashayit) = en doornen | תִּֽהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | כָל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:3 **7:25** En alle bergen die men met de hak bewerkte: daarheen komt de vrees voor doornstruiken en doornen niet. Ze worden een plek waar men runderen loslaat en waar schapen rondtrappen. Brontekst: וְכֹ֣ל (vekhol) = en alle | הֶהָרִ֗ים (heharim) = de bergen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בַּמַּעְדֵּר֙ (bamader) = met de hak | יֵעָ֣דֵר֔וּן (yeaderun) = werden bewerkt | לֹֽא (lo) = niet | תָב֣וֹא (tavo) = zal komen | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | יִרְאַ֖ת (yirat) = de vrees voor | שָׁמִ֣יר (shamir) = doornstruiken | וָשָׁ֑יִת (vashayit) = en doornen | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | לְמִשְׁלַ֣ח (lemishlach) = tot een plaats van loslaten van | שׁ֔וֹר (shor) = een rund | וּלְמִרְמַ֖ס (ulemirmas) = en tot een plaats van vertrappen van | שֶֽׂה (se) = een schaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעְדֵּר (ma’der), ‘hak’: een werktuig om de grond mee los te hakken. De bergen die vroeger bewerkt werden, zijn nu zo verwilderd dat niemand er nog komt. Alleen vee loopt er rond. Zie ook: Jes 5:17; Jes 7:21–22; Jes 13:20–22; Jes 17:2; Sef 2:6 ## Jesaja 8 _Maher-Sjalal-Chasj-Baz, de wateren van de Rivier en de getuigenis_ ### Maher-Sjalal-Chasj-Baz **8:1** Yahweh zei tegen mij: **„Neem voor jezelf een grote schrijfplaat en schrijf erop met een gewone stift: ‘Voor Maher-Sjalal-Chasj-Baz.’”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | קַח (qach) = neem | לְךָ֖ (lekha) = voor jezelf | גִּלָּי֣וֹן (gilayon) = een schrijfplaat | גָּד֑וֹל (gadol) = grote | וּכְתֹ֤ב (ukhetov) = en schrijf | עָלָיו֙ (alav) = daarop | בְּחֶ֣רֶט (becheret) = met een stift van | אֱנ֔וֹשׁ (enosh) = een mens | לְמַהֵ֥ר (lemaher) = voor Maher | שָׁלָ֖ל (shalal) = Sjalal | חָ֥שׁ (chash) = Chasj | בַּֽז (baz) = Baz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּלָּיוֹן (gillayon), ‘schrijfplaat’: een groot, glad vlak om op te schrijven. De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook een rol zijn. Voetnoot : בְּחֶרֶט אֱנוֹשׁ (bechéret enosh), ‘met een gewone stift’: letterlijk ‘met een stift van een mens’. Het gaat om gewoon, leesbaar schrift. Voetnoot : מַהֵר שָׁלָל חָשׁ בַּז (Maher Shalal Chash Baz), ‘Maher-Sjalal-Chasj-Baz’: letterlijk ‘snel is de buit, haastig is de roof’. De naam kondigt de plundering van Damascus en Samaria aan (vers 4). Zie ook: Job 19:23–24; Jes 8:3; Jes 8:4; Jes 30:8; Jer 36:28; Hab 2:2–3 **8:2** Ik riep betrouwbare getuigen voor mij op: Uria, de priester, en Zacharia, de zoon van Jeberechja. Brontekst: וְאָעִ֣ידָה (veaida) = en ik riep op | לִּ֔י (li) = voor mij | עֵדִ֖ים (edim) = getuigen | נֶאֱמָנִ֑ים (neemanim) = betrouwbare | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אוּרִיָּ֣ה (uriya) = Uria | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זְכַרְיָ֖הוּ (zekharyahu) = Zacharia | בֶּ֥ן (ben) = zoon van | יְבֶרֶכְיָֽהוּ (yeverekhyahu) = Jeberechja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוּרִיָּה (Uriyah), ‘Uria’: de tekst zegt niet welke priester dit is. Mogelijk is het de priester die voor Achaz het altaar bouwde (2 Kon. 16:10–16). Zacharia, de zoon van Jeberechja, is verder onbekend. Voetnoot Lezing: וְאָעִידָה (vaaidah), ‘ik riep op’: de vorm kan ook een wens of voornemen zijn: ‘laat Mij getuigen oproepen’. Dan zijn het woorden van Yahweh. Wij nemen Jesaja als spreker, zoals in vers 3. Zie ook: Ruth 4:2; 2 Kon 16:10–11; 2 Kon 16:15–16; 2 Kon 18:2; Jes 8:3; 2 Kor 13:1 **8:3** Ik ging naar de profetes toe. Zij werd zwanger en beviel van een zoon. Yahweh zei tegen mij: **„Noem hem Maher-Sjalal-Chasj-Baz.** Brontekst: וָאֶקְרַב֙ (vaeqrav) = en ik naderde | אֶל (el) = tot | הַנְּבִיאָ֔ה (hanevia) = de profetes | וַתַּ֖הַר (vatahar) = en zij werd zwanger | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en zij beviel | בֵּ֑ן (ben) = van een zoon | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | קְרָ֣א (qera) = noem | שְׁמ֔וֹ (shemo) = zijn naam | מַהֵ֥ר (maher) = Maher | שָׁלָ֖ל (shalal) = Sjalal | חָ֥שׁ (chash) = Chasj | בַּֽז (baz) = Baz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנְּבִיאָה (hannevi’ah), ‘de profetes’: de tekst noemt haar naam niet. Waarschijnlijk is zij de vrouw van Jesaja, maar het Hebreeuws zegt dat niet. Voetnoot : קָרַב אֶל (qarav el), ‘naderen tot’: een omschrijving voor het samenkomen van man en vrouw, zoals in Gen. 20:4. Zie ook: Gen 20:4; Re 4:4; 2 Kon 22:14; Hos 1:3–9; Jes 7:13–14 **8:4** **Want voordat de jongen kan roepen: ‘Mijn vader!’ en ‘Mijn moeder!’, wordt de rijkdom van Damascus en de buit van Samaria weggedragen voor de koning van Assyrië.”** Brontekst: כִּ֗י (ki) = want | בְּטֶ֨רֶם֙ (beterem) = voordat | יֵדַ֣ע (yeda) = weet | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | קְרֹ֖א (qero) = te roepen | אָבִ֣י (avi) = mijn vader | וְאִמִּ֑י (veimi) = en mijn moeder | יִשָּׂ֣א (yisa) = zal men wegdragen | אֶת (et) = (obj.) | חֵ֣יל (cheil) = de rijkdom van | דַּמֶּ֗שֶׂק (dameseq) = Damascus | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | שְׁלַ֣ל (shelal) = de buit van | שֹׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: חֵיל דַּמֶּשֶׂק (chel Dammesek), ‘de rijkdom van Damascus’: ‘rijkdom’ kan ook ‘macht’ of ‘leger’ betekenen. Voetnoot : לִפְנֵי (lifney), ‘voor’: letterlijk ‘voor het aangezicht van’. De buit wordt in zijn aanwezigheid, door hem, weggedragen. Voetnoot : Een kind leert pas na enige tijd ‘vader’ en ‘moeder’ zeggen. De profetie noemt dus een korte tijd. Zie ook: 2 Kon 17:3; 2 Kon 17:5–6; Jes 7:8–9; Jes 7:15–16; Rom 9:11 ### De wateren van de Rivier **8:5** Yahweh sprak nog eens tegen mij: Brontekst: וַיֹּ֣סֶף (vayosef) = en Hij voegde toe | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | דַּבֵּ֥ר (daber) = te spreken | אֵלַ֛י (elay) = tegen mij | ע֖וֹד (od) = nog | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 7:10 **8:6** **„Omdat dit volk het water van de Siloah heeft verworpen, dat zachtjes stroomt, en blij is met Rezin en de zoon van Remalja.** Brontekst: יַ֗עַן (yaan) = omdat | כִּ֤י (ki) = dat | מָאַס֙ (maas) = heeft verworpen | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֵ֚ת (et) = (obj.) | מֵ֣י (mei) = de wateren van | הַשִּׁלֹ֔חַ (hashiloach) = de Siloah | הַהֹלְכִ֖ים (haholekhim) = die gaan | לְאַ֑ט (leat) = zachtjes | וּמְשׂ֥וֹשׂ (umesos) = en blijdschap | אֶת (et) = met | רְצִ֖ין (retsin) = Rezin | וּבֶן (uven) = en de zoon van | רְמַלְיָֽהוּ (remalyahu) = Remalja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Siloah (waterleiding van de Gihon): Siloah (Siloam) is de waterleiding die het water van de Gihon naar de zuidkant van de oude stad van Jeruzalem voerde. De naam ‘water van de Siloah’ wijst op dit zachtjes stromende water. Voetnoot Uitleg: הַשִּׁלֹחַ (hashShiloach), ‘de Siloah’: een waterleiding bij Jeruzalem die zachtjes stroomt. Zij staat tegenover de machtige wateren van de Rivier in vers 7. Voetnoot : מְשׂוֹשׂ אֶת־רְצִין (mesos et Retsin), ‘blij met Rezin’: letterlijk ‘blijdschap met Rezin’. ‘Dit volk’ keert terug in vers 11. Voetnoot Lezing: De tekst is moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Re 9:16–20; 1 Kon 7:16; Jes 7:6; Jes 8:7; Jes 8:11; Neh 3:15; Joh 9:7 **8:7** **Daarom, zie, de Heer laat de machtige en vele wateren van de Rivier over hen komen: de koning van Assyrië met heel zijn heerlijkheid. Het stijgt boven al zijn beddingen uit en gaat over al zijn oevers.** Brontekst: וְלָכֵ֡ן (velakhen) = en daarom | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אֲדֹנָי֩ (adonay) = de Heer | מַעֲלֶ֨ה (maale) = laat opkomen | עֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = over hen | אֶת (et) = (obj.) | מֵ֣י (mei) = de wateren van | הַנָּהָ֗ר (hanahar) = de Rivier | הָעֲצוּמִים֙ (haatsumim) = de machtige | וְהָ֣רַבִּ֔ים (veharabim) = en de vele | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | כְּבוֹד֑וֹ (kevodo) = zijn heerlijkheid | וְעָלָה֙ (veala) = en het zal stijgen | עַל (al) = boven | כָּל (kal) = al | אֲפִיקָ֔יו (afiqav) = zijn beddingen | וְהָלַ֖ךְ (vehalakh) = en het zal gaan | עַל (al) = over | כָּל (kal) = al | גְּדוֹתָֽיו (gedotav) = zijn oevers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land. De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat. Het water is het beeld van het leger van Assyrië. Voetnoot : כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: hier de pracht en macht van de koning. Zie ook: Gen 6:17; Amos 8:8; Jes 7:17; Jes 7:20; Jes 17:12–13 **8:8** **Het trekt door Juda, overstroomt en gaat erdoorheen. Tot aan de hals reikt het. De uitgespreide vleugels ervan vullen de breedte van je land, Immanuel.”** Brontekst: וְחָלַ֤ף (vechalaf) = en het zal doortrekken | בִּֽיהוּדָה֙ (bihuda) = door Juda | שָׁטַ֣ף (shataf) = overstromend | וְעָבַ֔ר (veavar) = en overgaand | עַד (ad) = tot | צַוָּ֖אר (tsavar) = de hals | יַגִּ֑יעַ (yagia) = reikt het | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | מֻטּ֣וֹת (mutot) = de uitgespreide delen van | כְּנָפָ֔יו (kenafav) = zijn vleugels | מְלֹ֥א (melo) = vullend | רֹֽחַב (rochav) = de breedte van | אַרְצְךָ֖ (artsekha) = je land | עִמָּ֥נוּ (imanu) = met ons | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: ‘Tot aan de hals’: het water komt tot vlak onder de mond. Juda wordt niet weggespoeld, maar het is bijna te laat. Voetnoot : עִמָּנוּ אֵל (Immanu El), ‘Immanuel’: hier wordt het land ‘het land van Immanuel’ genoemd. Zie 7:14. Zie ook: Jes 7:14; Jes 22:1–7; Jes 28:14–22; Jes 30:28; Mat 1:23 **8:9** Wees verbrijzeld, volken, en wees ontzet. Luister, alle verre streken van de aarde. Gord je en wees ontzet. Gord je en wees ontzet. Brontekst: רֹ֤עוּ (rou) = wees verbrijzeld | עַמִּים֙ (amim) = volken | וָחֹ֔תּוּ (vachotu) = en wees ontzet | וְהַֽאֲזִ֔ינוּ (vehaazinu) = en luistert | כֹּ֖ל (kol) = alle | מֶרְחַקֵּי (merchaqei) = de verre streken van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | הִתְאַזְּר֣וּ (hitazeru) = gordt je | וָחֹ֔תּוּ (vachotu) = en wees ontzet | הִֽתְאַזְּר֖וּ (hitazeru) = gordt je | וָחֹֽתּוּ (vachotu) = en wees ontzet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹעוּ (ro’u), ‘wees verbrijzeld’: de betekenis is niet zeker. Het kan ook ‘roep een strijdkreet’ betekenen. חַתּוּ (chattu), ‘wees ontzet’: ook ‘wees verbijsterd’. Dit werkwoord staat drie keer. Zie ook: Ps 37:14–15; Spr 11:21; 1 Kon 20:11; Jes 7:1–2; Jes 14:5–6 **8:10** Neem raad, en het wordt verijdeld. Spreek een woord, en het houdt niet stand. Want El is met ons. Brontekst: עֻ֥צוּ (utsu) = neemt | עֵצָ֖ה (etsa) = raad | וְתֻפָ֑ר (vetufar) = en het wordt verijdeld | דַּבְּר֤וּ (daberu) = spreekt | דָבָר֙ (davar) = een woord | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָק֔וּם (yaqum) = zal standhouden | כִּ֥י (ki) = want | עִמָּ֖נוּ (imanu) = met ons | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵצָה (etsah), ‘raad’: zo vertalen wij etsah als het om mensen gaat. Bij Yahweh heet het ‘besluit’, zoals in Jes. 5:19. Voetnoot : כִּי עִמָּנוּ אֵל (ki immanu El), ‘want El is met ons’: dit is de naam Immanuel uit 7:14 en 8:8, nu als belijdenis. Het is het antwoord aan de volken. Zie ook: Job 5:12; Ps 46:12; Spr 21:30; Jes 5:19; Klaagl 3:37; Rom 8:31 ### Houd Yahweh van de legermachten heilig **8:11** Want zo zei Yahweh tegen mij, terwijl Zijn hand sterk op mij was. Hij waarschuwde mij om niet op de weg van dit volk te gaan: Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֧ר (amar) = zei | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֖י (elay) = tegen mij | כְּחֶזְקַ֣ת (kechezqat) = als sterk was | הַיָּ֑ד (hayad) = de hand | וְיִסְּרֵ֕נִי (veyisereni) = en Hij waarschuwde mij | מִלֶּ֛כֶת (milekhet) = om te gaan | בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = op de weg van | הָֽעָם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּחֶזְקַת הַיָּד (kechezqat hayad), ‘terwijl de hand sterk was’: het Hebreeuws zegt alleen ‘de hand’. Het woord ‘Zijn’ is onze aanvulling: het is de hand van Yahweh. Voetnoot : וַיְיַסְּרֵנִי (vayyasserení), ‘Hij waarschuwde mij’: het werkwoord יָסַר (yasar) betekent ‘onderrichten’, ‘waarschuwen’ en ‘tuchtigen’. Zie ook: Ps 32:8; Spr 1:15; Jer 20:7; Jer 20:9; Ezech 3:14 **8:12** **„Noem niet ‘samenzwering’ alles wat dit volk ‘samenzwering’ noemt. Vrees niet wat zij vrezen, en sidder er niet voor.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | תֹאמְר֣וּן (tomrun) = zegt | קֶ֔שֶׁר (qesher) = samenzwering | לְכֹ֧ל (lekhol) = tot alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יֹאמַ֛ר (yomar) = zegt | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | קָ֑שֶׁר (qasher) = samenzwering | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מוֹרָא֥וֹ (morao) = wat het vreest | לֹֽא (lo) = niet | תִֽירְא֖וּ (tireu) = vreest | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַעֲרִֽיצוּ (taaritsu) = siddert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: ook ‘verbond’ of ‘bondgenootschap’. Het Hebreeuws zegt niet welk plan bedoeld is. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : מוֹרָא (mora), ‘wat zij vrezen’: het voorwerp van hun vrees. Het woord keert terug in vers 13. Zie ook: Ps 53:6; Jes 8:13; Jes 51:12–13; Luc 12:4–5; Luc 21:9; 1 Petr 3:14–15 **8:13** **Yahweh van de legermachten, Hem moeten jullie heilig houden. Hij is jullie vrees en Hij is jullie schrik.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֹת֣וֹ (oto) = Hem | תַקְדִּ֑ישׁוּ (taqdishu) = moeten jullie heilig houden | וְה֥וּא (vehu) = en Hij | מוֹרַאֲכֶ֖ם (moraakhem) = jullie vrees | וְה֥וּא (vehu) = en Hij | מַֽעֲרִֽצְכֶֽם (maaritskhem) = jullie schrik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּקְדִּישׁוּ (taqdishu), ‘jullie moeten heilig houden’: letterlijk ‘heilig verklaren’, dat is Hem behandelen als de Heilige. Zie ook: Ps 76:8; Jes 26:3–4; Mat 10:28; Luc 12:5; Openb 15:4 **8:14** **Hij zal een heiligdom zijn, een steen om aan te stoten en een rots om over te struikelen voor de twee huizen van Israël. Hij zal een strik en een valstrik zijn voor wie in Jeruzalem woont.** Brontekst: וְהָיָ֖ה (vehaya) = en Hij zal zijn | לְמִקְדָּ֑שׁ (lemiqdash) = tot een heiligdom | וּלְאֶ֣בֶן (uleeven) = en tot een steen van | נֶ֠גֶף (negef) = het stoten | וּלְצ֨וּר (uletsur) = en tot een rots van | מִכְשׁ֜וֹל (mikhshol) = het struikelen | לִשְׁנֵ֨י (lishnei) = voor de twee | בָתֵּ֤י (batei) = huizen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לְפַ֣ח (lefach) = tot een strik | וּלְמוֹקֵ֔שׁ (ulemoqesh) = en tot een valstrik | לְיוֹשֵׁ֖ב (leyoshev) = voor de bewoner van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: een heilige plaats, een toevlucht. Voor wie Hem heilig houdt, is Hij dat. Voor wie dat niet doet, is Hij een steen waarover men struikelt. Voetnoot : שְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל (shney battey Yisrael), ‘de twee huizen van Israël’: het noordelijke Israël en Juda. Zie ook: Jes 28:16; Ezech 11:16; Luc 2:34; Rom 9:32–33; 1 Petr 2:8 **8:15** **Velen zullen erover struikelen. Zij vallen, worden verbrijzeld, verstrikt en gevangen.”** Brontekst: וְכָ֥שְׁלוּ (vekhashelu) = en zullen struikelen | בָ֖ם (bam) = erover | רַבִּ֑ים (rabim) = velen | וְנָפְל֣וּ (venafelu) = en zullen vallen | וְנִשְׁבָּ֔רוּ (venishbaru) = en zullen verbrijzeld worden | וְנוֹקְשׁ֖וּ (venoqeshu) = en zullen verstrikt worden | וְנִלְכָּֽדוּ (venilkadu) = en zullen gevangen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 28:13; Jes 59:10; Mat 21:44; Luc 20:17–18; Joh 6:66 ### Bind de getuigenis dicht **8:16** Bind de getuigenis dicht. Verzegel de wet bij mijn leerlingen. Brontekst: צ֖וֹר (tsor) = bind dicht | תְּעוּדָ֑ה (teuda) = getuigenis | חֲת֥וֹם (chatom) = verzegel | תּוֹרָ֖ה (tora) = wet | בְּלִמֻּדָֽי (belimuday) = bij mijn leerlingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderricht’. Hier is het het onderricht dat Jesaja heeft gegeven. תְּעוּדָה (te’udah), ‘getuigenis’: wat als getuige dient (zie vers 2 en 20). Voetnoot : De rol wordt dichtgebonden en verzegeld, zodat de woorden bewaard blijven tot ze uitkomen. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt niet wie hier spreekt: Yahweh tegen Jesaja, of Jesaja tegen zijn leerlingen. Wij nemen Jesaja, omdat vers 17 in de eerste persoon verdergaat. Zie ook: Deut 4:45; Jes 8:2; Jes 8:17; Jes 8:20; Jes 29:11–12; Dan 12:4; Mar 4:34; Heb 3:5 **8:17** Ik zal wachten op Yahweh, die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob. Ik zal op Hem hopen. Brontekst: וְחִכִּ֨יתִי֙ (vechikiti) = en ik zal wachten | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = op Yahweh | הַמַּסְתִּ֥יר (hamastir) = die verbergt | פָּנָ֖יו (panav) = Zijn aangezicht | מִבֵּ֣ית (mibeit) = voor het huis van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וְקִוֵּ֖יתִֽי (veqiveiti) = en ik zal hopen | לֽוֹ (lo) = op Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zijn aangezicht verbergen’: Yahweh keert Zich van hen af. Vergelijk Deut. 31:17–18. Zie ook: Deut 31:17–18; Ps 33:20; Jes 25:9; Hab 2:3; Klaagl 3:25–26; Heb 10:36–39 **8:18** Zie, ik en de kinderen die Yahweh mij heeft gegeven, zijn tekenen en wonderen in Israël, van Yahweh van de legermachten, die op de berg Sion woont. Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אָנֹכִ֗י (anokhi) = ik | וְהַיְלָדִים֙ (vehayladim) = en de kinderen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נָֽתַן (natan) = heeft gegeven | לִ֣י (li) = mij | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לְאֹת֥וֹת (leotot) = tot tekenen | וּלְמוֹפְתִ֖ים (ulemofetim) = en tot wonderen | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | מֵעִם֙ (meim) = van bij | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הַשֹּׁכֵ֖ן (hashokhen) = die woont | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | צִיּֽוֹן (tsiyon) = Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: ‘Yahweh is redding’. De namen van zijn zonen zijn tekenen: Sjear-Jasjoev (7:3) en Maher-Sjalal-Chasj-Baz (8:1–3). Zie ook Hebr. 2:13. Zie ook: Ps 71:7; Zach 8:3; Luc 2:34; Heb 2:13–14; Heb 12:22 ### Naar de wet en naar het getuigenis **8:19** En als zij tegen jullie zeggen: „Raadpleeg de dodengeesten en de waarzeggers, die fluisteren en prevelen”, zal een volk dan niet zijn Elohim raadplegen? Moet het voor de levenden de doden raadplegen? Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יֹאמְר֣וּ (yomru) = zij zullen zeggen | אֲלֵיכֶ֗ם (aleikhem) = tegen jullie | דִּרְשׁ֤וּ (dirshu) = raadpleegt | אֶל (el) = tot | הָאֹבוֹת֙ (haovot) = de dodengeesten | וְאֶל (veel) = en tot | הַיִּדְּעֹנִ֔ים (hayideonim) = de waarzeggers | הַֽמְצַפְצְפִ֖ים (hamtsaftsefim) = die fluisteren | וְהַמַּהְגִּ֑ים (vehamahgim) = en die prevelen | הֲלוֹא (halo) = zal dan niet | עַם֙ (am) = een volk | אֶל (el) = tot | אֱלֹהָ֣יו (elohav) = zijn Elohim | יִדְרֹ֔שׁ (yidrosh) = raadplegen | בְּעַ֥ד (bead) = ten behoeve van | הַחַיִּ֖ים (hachayim) = de levenden | אֶל (el) = tot | הַמֵּתִֽים (hametim) = de doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹבוֹת (ovot), ‘dodengeesten’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’: zoals in Lev. 19:31, Lev. 20:6 en Deut. 18:11. Voetnoot : הַמְצַפְצְפִים (hamtsaftsefim), ‘die fluisteren’, en הַמַּהְגִּים (hammahgim), ‘die prevelen’: de zachte, geheimzinnige klanken van de waarzeggers. Zie ook: Lev 19:31; Lev 20:6; Deut 18:11; 1 Kron 10:13; Ps 106:28; 2 Kron 33:6 **8:20** Naar de wet en naar het getuigenis! Zeggen zij niet volgens dit woord, dan is er voor hem geen dageraad. Brontekst: לְתוֹרָ֖ה (letora) = naar de wet | וְלִתְעוּדָ֑ה (velituda) = en naar het getuigenis | אִם (im) = als | לֹ֤א (lo) = niet | יֹֽאמְרוּ֙ (yomru) = zij zeggen | כַּדָּבָ֣ר (kadavar) = volgens het woord | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֵֽין (ein) = niet is | ל֖וֹ (lo) = voor hem | שָֽׁחַר (shachar) = dageraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְתוֹרָה וְלִתְעוּדָה (letorah velitudah), ‘naar de wet en naar het getuigenis’: een uitroep. Wie raad zoekt, moet terug naar wat Jesaja heeft laten vastleggen (vers 16). Voetnoot : שָׁחַר (shachar), ‘dageraad’: het begin van het licht. Wie niet naar dit woord spreekt, heeft geen toekomst. Voetnoot Lezing: De zin is moeilijk. Het woord ‘voor hem’ (lo) is enkelvoud. Het kan ook betekenen: ‘zij spreken een woord waarin geen licht is’. Wij vertalen: ‘dan is er voor hem geen dageraad’. Zie ook: Ps 119:130; Jes 8:16; Joh 5:39; Hand 17:11; 2 Tim 3:15–17; 2 Petr 1:19 **8:21** Hij trekt daarin rond, hard bedrukt en hongerig. Het zal gebeuren: als hij honger heeft, wordt hij woedend en vervloekt hij zijn koning en zijn Elohim. Hij keert zich omhoog. Brontekst: וְעָ֥בַר (veavar) = en hij trekt rond | בָּ֖הּ (bah) = daarin | נִקְשֶׁ֣ה (niqshe) = hard bedrukt | וְרָעֵ֑ב (veraev) = en hongerig | וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | כִֽי (ki) = wanneer | יִרְעַ֜ב (yirav) = hij honger heeft | וְהִתְקַצַּ֗ף (vehitqatsaf) = dan is hij woedend | וְקִלֵּ֧ל (veqilel) = en vervloekt | בְּמַלְכּ֛וֹ (bemalko) = zijn koning | וּבֵאלֹהָ֖יו (uvelohav) = en zijn Elohim | וּפָנָ֥ה (ufana) = en hij keert zich | לְמָֽעְלָה (lemaela) = omhoog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie hier rondtrekt, is niet genoemd: het is ieder die door de ramp getroffen wordt. Hij vervloekt in zijn woede zijn koning en zijn Elohim. Daarna kijkt hij omhoog en naar de aarde (vers 22), maar hij vindt geen uitweg. Zie ook: Ex 22:27; Deut 28:53–57; Spr 19:3; Jes 8:7–8; Jes 8:22; Jes 9:19 **8:22** Hij kijkt naar de aarde, en zie: benauwdheid en duisternis, de somberheid van nood, en donkerte waarin men wordt weggedreven. Brontekst: וְאֶל (veel) = en naar | אֶ֖רֶץ (erets) = de aarde | יַבִּ֑יט (yabit) = kijkt hij | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | צָרָ֤ה (tsara) = benauwdheid | וַחֲשֵׁכָה֙ (vachashekha) = en duisternis | מְע֣וּף (meuf) = somberheid van | צוּקָ֔ה (tsuqa) = nood | וַאֲפֵלָ֖ה (vaafela) = en donkerte | מְנֻדָּֽח (menudach) = verdreven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּעָף (mu’af), ‘somberheid’, en מְנֻדָּח (menuddach), ‘weggedreven’: zeldzame woorden. De betekenis is niet zeker. Zie ook: Jes 5:30; Jer 13:16; Mat 8:12; Mat 22:13; Jud 1:13 ### Maar geen somberheid meer **8:23** Maar er is geen somberheid voor haar die in nood was. In de eerste tijd heeft Hij het land Zebulon en het land Naftali in minachting gebracht. In de laatste tijd heeft Hij het tot eer gebracht: de weg langs de zee, het gebied aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de volken. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | מוּעָף֮ (muaf) = somberheid | לַאֲשֶׁ֣ר (laasher) = voor haar die | מוּצָ֣ק (mutsaq) = in nood was | לָהּ֒ (lah) = haar | כָּעֵ֣ת (kaet) = zoals in de tijd | הָרִאשׁ֗וֹן (harishon) = de eerste | הֵקַ֞ל (heqal) = heeft in minachting gebracht | אַ֤רְצָה (artsa) = het land van | זְבֻלוּן֙ (zevulun) = Zebulon | וְאַ֣רְצָה (veartsa) = en het land van | נַפְתָּלִ֔י (naftali) = Naftali | וְהָאַחֲר֖וֹן (vehaacharon) = en de laatste | הִכְבִּ֑יד (hikhbid) = heeft tot eer gebracht | דֶּ֤רֶךְ (derekh) = de weg van | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | עֵ֣בֶר (ever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | גְּלִ֖יל (gelil) = Galilea van | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Zebulon (stamgebied): Zebulon is het stamgebied in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea. Zie Naftali: Naftali is het stamgebied in het noorden van Galilea, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea. Welke twintig steden Salomo aan Hiram gaf, is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Dit vers is in de Nederlandse telling Jes. 9:1. Hebr. 8:23 = NL 9:1, en Hebr. 9:1–20 = NL 9:2–21. Wij volgen de Hebreeuwse telling. Voetnoot : הֵקַל (heqal), ‘in minachting brengen’: letterlijk ‘licht maken’. הִכְבִּיד (hikbid), ‘tot eer brengen’: letterlijk ‘zwaar maken’. Het woord ‘eer’ (kavod) komt van hetzelfde grondwoord als ‘zwaar’. Het is een woordspel. Voetnoot : Zebulon, Naftali, de weg langs de zee en Galilea zijn de noordelijke gebieden die het eerst door Assyrië werden getroffen (2 Kon. 15:29). ‘Galilea van de volken’ is het gebied met veel niet-Israëlitische bewoners. Zie ook Matt. 4:15–16. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier de verleden tijd. Waarschijnlijk is het een profetisch verleden: de profeet spreekt over de toekomst alsof ze al gebeurd is. Wij laten de verleden tijd staan. Het eerste woord (כִּי, ki) is hier tegenstellend: ‘maar’. Zie ook: 1 Kron 5:26; 2 Kon 15:29; 2 Kon 17:5–6; Jes 8:22; Jes 9:1; Mat 4:15–16; Heb 8:23; Heb 9:1–20 ## Jesaja 9 _Een groot licht, een kind is ons geboren, en de hand die uitgestrekt blijft_ ### Een groot licht **9:1** Het volk dat in de duisternis liep, heeft een groot licht gezien. Wie in het land van diepe schaduw woonden: over hen heeft licht geschenen. Brontekst: הָעָם֙ (haam) = het volk | הַהֹלְכִ֣ים (haholekhim) = dat liep | בַּחֹ֔שֶׁךְ (bachoshekh) = in duisternis | רָא֖וּ (rau) = heeft gezien | א֣וֹר (or) = een licht | גָּד֑וֹל (gadol) = groot | יֹשְׁבֵי֙ (yoshevei) = die woonden | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | צַלְמָ֔וֶת (tsalmavet) = diepe schaduw | א֖וֹר (or) = licht | נָגַ֥הּ (nagah) = heeft geschenen | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is in de Nederlandse telling Jes. 9:2. Hebr. 8:23 = NL 9:1, en Hebr. 9:1–20 = NL 9:2–21. Wij volgen de Hebreeuwse telling. Zie ook Matt. 4:15–16. Voetnoot : צַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’: ook ‘schaduw van de dood’. Vergelijk Amos 5:8 en Ps. 23:4. Voetnoot : De werkwoorden staan in de verleden tijd (‘heeft gezien’, ‘heeft geschenen’). Dat blijft zo tot en met vers 5. Zie ook: Ps 23:4; Amos 5:8; Jes 9:2; Jes 9:5; Mat 4:15–16; Mat 4:16; Luc 1:78–79; Joh 8:12; Joh 12:46; Ef 5:8; Heb 8:23; Heb 9:1–20 **9:2** U hebt het volk talrijk gemaakt, U hebt voor hem de vreugde groot gemaakt. Zij verheugen zich voor Uw aangezicht, zoals men zich verheugt in de oogst, zoals men juicht wanneer men de buit verdeelt. Brontekst: הִרְבִּ֣יתָ (hirbita) = U hebt talrijk gemaakt | הַגּ֔וֹי (hagoy) = het volk | ל֖וֹ (lo) = voor hem | הִגְדַּ֣לְתָּ (higdalta) = U hebt groot gemaakt | הַשִּׂמְחָ֑ה (hasimcha) = de vreugde | שָׂמְח֤וּ (samechu) = zij verheugen zich | לְפָנֶ֨יךָ֙ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht | כְּשִׂמְחַ֣ת (kesimchat) = zoals de vreugde bij | בַּקָּצִ֔יר (baqatsir) = de oogst | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | יָגִ֖ילוּ (yagilu) = men juicht | בְּחַלְּקָ֥ם (bechaleqam) = bij hun verdelen van | שָׁלָֽל (shalal) = buit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft לֹא (lo), ‘niet’: ‘U hebt het volk talrijk gemaakt, maar de vreugde niet groot’. De voorgelezen tekst (qere) heeft לוֹ (lo), ‘voor hem’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 119:162; Jes 26:15; Jes 35:10; Jes 65:18; Jes 66:10 **9:3** Want het juk van zijn last, de staf op zijn schouder en de knuppel van zijn drijver: die hebt U verbrijzeld, zoals op de dag van Midian. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | עֹ֣ל (ol) = het juk van | סֻבֳּל֗וֹ (subolo) = zijn last | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | מַטֵּ֣ה (mate) = de staf van | שִׁכְמ֔וֹ (shikhmo) = zijn schouder | שֵׁ֖בֶט (shevet) = de knuppel van | הַנֹּגֵ֣שׂ (hanoges) = de drijver | בּ֑וֹ (bo) = over hem | הַחִתֹּ֖תָ (hachitota) = U hebt verbrijzeld | כְּי֥וֹם (keyom) = zoals op de dag van | מִדְיָֽן (midyan) = Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹל (ol), ‘juk’, מַטֵּה (matteh), ‘staf’, en שֵׁבֶט (shevet), ‘knuppel’: drie beelden van onderdrukking. נֹגֵשׂ (noges), ‘drijver’: zoals de drijvers in Egypte (Exod. 3:7). Voetnoot : ‘De dag van Midian’ verwijst naar de overwinning van Gideon (Richt. 7:15–25). Zie ook: Ex 3:7; Re 7:15–25; Jes 10:26–27; Jes 14:25; Jes 54:14; Nah 1:13; Jer 30:8 **9:4** Want elke laars die dreunend stampt en elke mantel die in bloed is gerold, zal tot brand worden, tot voedsel voor het vuur. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | כָל (kal) = elke | סְאוֹן֙ (seon) = laars van | סֹאֵ֣ן (soen) = de stampende | בְּרַ֔עַשׁ (beraash) = met dreun | וְשִׂמְלָ֖ה (vesimla) = en mantel | מְגוֹלָלָ֣ה (megolala) = gerold | בְדָמִ֑ים (bedamim) = in bloed | וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en zij zal zijn | לִשְׂרֵפָ֖ה (lisrefa) = tot brand | מַאֲכֹ֥לֶת (maakholet) = voedsel van | אֵֽשׁ (esh) = vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְאוֹן (se’on), ‘laars’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet zeker. Het gaat om het schoeisel van een soldaat die stampend marcheert. De hele oorlogsuitrusting gaat in het vuur. Zie ook: Ps 46:10; Jes 10:16–17; Jes 30:33; Ezech 39:8–10; 2 Tess 1:8 ### Een kind is ons geboren **9:5** Want een kind is ons geboren. Een zoon is ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouder. Zijn naam wordt genoemd: Wonderbare Raadsman, Sterke El, Vader van de Eeuwigheid, Overste van de Vrede. Brontekst: כִּי (ki) = want | יֶ֣לֶד (yeled) = een kind | יֻלַּד (yulad) = is geboren | לָ֗נוּ (lanu) = ons | בֵּ֚ן (ben) = een zoon | נִתַּן (nitan) = is gegeven | לָ֔נוּ (lanu) = ons | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en zal zijn | הַמִּשְׂרָ֖ה (hamisra) = de heerschappij | עַל (al) = op | שִׁכְמ֑וֹ (shikhmo) = zijn schouder | וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en genoemd wordt | שְׁמ֜וֹ (shemo) = zijn naam | פֶּ֠לֶא (pele) = Wonder | יוֹעֵץ֙ (yoets) = Raadsman | אֵ֣ל (el) = El | גִּבּ֔וֹר (gibor) = Sterke | אֲבִי (avi) = Vader van | עַ֖ד (ad) = de eeuwigheid | שַׂר (sar) = Overste van | שָׁלֽוֹם (shalom) = de vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De naam heeft vier delen: פֶּלֶא יוֹעֵץ (Pele Yoetz), ‘Wonderbare Raadsman’, letterlijk ‘wonder, raadsman’; אֵל גִּבּוֹר (El Gibbor), ‘Sterke El’, zoals in Deut. 10:17; אֲבִי עַד (Avi Ad), ‘Vader van de Eeuwigheid’; en שַׂר שָׁלוֹם (Sar Shalom), ‘Overste van de Vrede’. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘zijn naam’ in het enkelvoud: één naam met vier delen. Voetnoot Lezing: וַיִּקְרָא (vayyiqra), letterlijk ‘en hij riep’ of ‘men riep’. Wie noemt, staat er niet. Wij vertalen: ‘wordt genoemd’. Zie ook: Deut 10:17; Jes 7:14; Jer 23:5–6; Mat 1:23; Mat 28:18; Luc 2:11 **9:6** Aan de groei van de heerschappij en aan de vrede komt geen einde, op de troon van David en over zijn koninkrijk. Om het vast te stellen en te steunen met recht en gerechtigheid, van nu af en voor eeuwig. De ijver van Yahweh van de legermachten zal dit doen. Brontekst: לְמַרְבֵּ֨ה (lemarbe) = tot de groei van | הַמִּשְׂרָ֜ה (hamisra) = de heerschappij | וּלְשָׁל֣וֹם (uleshalom) = en tot de vrede | אֵֽין (ein) = geen | קֵ֗ץ (qets) = einde | עַל (al) = op | כִּסֵּ֤א (kise) = de troon van | דָוִד֙ (david) = David | וְעַל (veal) = en over | מַמְלַכְתּ֔וֹ (mamlakhto) = zijn koninkrijk | לְהָכִ֤ין (lehakhin) = om vast te stellen | אֹתָהּ֙ (otah) = het | וּֽלְסַעֲדָ֔הּ (ulesaadah) = en om het te steunen | בְּמִשְׁפָּ֖ט (bemishpat) = door recht | וּבִצְדָקָ֑ה (uvitsdaqa) = en door gerechtigheid | מֵעַתָּה֙ (meata) = van nu af | וְעַד (vead) = en tot | עוֹלָ֔ם (olam) = voor eeuwig | קִנְאַ֛ת (qinat) = de ijver van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | תַּעֲשֶׂה (taase) = zal doen | זֹּֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂר (sar), ‘overste’: zoals in Amos 1:15. מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’, en צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, zijn de grondslag van deze heerschappij. De belofte aan David staat in 2 Sam. 7:13 en 7:16. Voetnoot : קִנְאַת (qin’at), ‘ijver’: ook ‘naijver’. Het is de ijver van Yahweh voor Zijn volk en Zijn naam. Dezelfde zin staat in Jes. 37:32; vergelijk 2 Kon. 19:31 (daar zonder Tsevaot). Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier één lange zin. Wij splitsen hem na ‘koninkrijk’. ‘Om het vast te stellen en te steunen’ staat daarna als aparte zin. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat in het eerste woord, לםרבה, een gesloten mem (ם) midden in het woord. De voorgelezen tekst (qere) leest לְמַרְבֵּה (lemarbeh), ‘tot de groei van’. Wij volgen de qere. Zie ook: 2 Sam 7:13; 2 Sam 7:16; Ps 45:5–7; 2 Kon 19:31; Amos 1:15; Jes 37:32; Dan 2:44; Dan 7:14; Luc 1:32–33 ### Het woord tegen Jakob **9:7** De Heer heeft een woord gestuurd tegen Jakob. Het is neergevallen in Israël. Brontekst: דָּבָ֛ר (davar) = een woord | שָׁלַ֥ח (shalach) = heeft gestuurd | אֲדֹנָ֖י (adonay) = de Heer | בְּיַעֲקֹ֑ב (beyaaqov) = tegen Jakob | וְנָפַ֖ל (venafal) = en het is neergevallen | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Jakob’ en ‘Israël’ zijn hier het noordelijke rijk. In vers 8 heet het ‘Efraïm’ en ‘Samaria’. Zie ook: Jes 7:7–8; Jes 8:4–8; Jes 9:8; Mi 1:1–9; Zach 1:6; Zach 5:1–4 **9:8** Heel het volk zal het weten: Efraïm en wie in Samaria woont. Zij zeggen in hoogmoed en met een trots hart: Brontekst: וְיָדְעוּ֙ (veyadeu) = en zullen weten | הָעָ֣ם (haam) = het volk | כֻּלּ֔וֹ (kulo) = geheel | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | וְיוֹשֵׁ֣ב (veyoshev) = en de bewoner van | שֹׁמְר֑וֹן (shomeron) = Samaria | בְּגַאֲוָ֛ה (begaava) = in hoogmoed | וּבְגֹ֥דֶל (uvegodel) = en in grootheid van | לֵבָ֖ב (levav) = hart | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie ook: Spr 16:18; Jes 10:9–11; Jes 26:11; Jes 46:12; Ezech 33:33 **9:9** „Bakstenen zijn gevallen. Wij zullen bouwen met gehouwen steen. Wilde vijgenbomen zijn omgehakt. Wij zullen ze door cederbomen vervangen.” Brontekst: לְבֵנִ֥ים (levenim) = bakstenen | נָפָ֖לוּ (nafalu) = zijn gevallen | וְגָזִ֣ית (vegazit) = en gehouwen steen | נִבְנֶ֑ה (nivne) = wij zullen bouwen | שִׁקְמִ֣ים (shiqmim) = wilde vijgenbomen | גֻּדָּ֔עוּ (gudau) = zijn omgehakt | וַאֲרָזִ֖ים (vaarazim) = en cederbomen | נַחֲלִֽיף (nachalif) = wij zullen verwisselen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּזִית (gazit), ‘gehouwen steen’: duurzame bouwsteen. שִׁקְמִים (shiqmim), ‘wilde vijgenbomen’: zoals in Amos 7:14. Cederhout is veel kostbaarder. Men wil beter herbouwen dan het was; dat is hoogmoed. Zie ook: 1 Kon 7:9–12; 1 Kon 10:27; Amos 7:14; Mal 1:4 **9:10** Yahweh heeft de tegenstanders van Rezin tegen hem verheven. Zijn vijanden zal Hij opruien. Brontekst: וַיְשַׂגֵּ֧ב (vaysagev) = en heeft verheven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | צָרֵ֥י (tsarei) = de tegenstanders van | רְצִ֖ין (retsin) = Rezin | עָלָ֑יו (alav) = tegen hem | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֹיְבָ֖יו (oyevav) = zijn vijanden | יְסַכְסֵֽךְ (yesakhsekh) = zal opruien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סִכְסֵךְ (sikhsekh), ‘opruien’: een zeldzaam werkwoord. De betekenis is onzeker. Voetnoot Lezing: Wie met ‘hem’ en ‘zijn vijanden’ bedoeld is, staat er niet bij. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: 2 Kon 16:9; Jes 7:8; Jes 8:4–7; Jes 10:9–11; Jes 17:1–5 **9:11** Aram van voren en de Filistijnen van achteren: zij verslinden Israël met volle mond. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt. Brontekst: אֲרָ֣ם (aram) = Aram | מִקֶּ֗דֶם (miqedem) = van voren | וּפְלִשְׁתִּים֙ (ufelishtim) = en Filistijnen | מֵֽאָח֔וֹר (meachor) = van achteren | וַיֹּאכְל֥וּ (vayokhlu) = en zij verslinden | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּכָל (bekhal) = met heel | פֶּ֑ה (pe) = de mond | בְּכָל (bekhal) = bij heel | זֹאת֙ (zot) = dit | לֹא (lo) = niet | שָׁ֣ב (shav) = is afgewend | אַפּ֔וֹ (apo) = Zijn toorn | וְע֖וֹד (veod) = en nog | יָד֥וֹ (yado) = Zijn hand | נְטוּיָֽה (netuya) = uitgestrekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: מִקֶּדֶם (miqqedem), ‘van voren’: letterlijk ‘van het oosten’. Wie naar het oosten kijkt, heeft het oosten voor zich en het westen achter zich. Aram ligt ten noordoosten van Israël, de Filistijnen liggen in het westen. Voetnoot : בְּכָל פֶּה (bechol peh), ‘met volle mond’: letterlijk ‘met heel de mond’. Voetnoot : בְּכָל זֹאת לֹא שָׁב אַפּוֹ וְעוֹד יָדוֹ נְטוּיָה (bechol zot lo shav appo veod yado netuyah), ‘Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt’: een refrein. Het staat ook in Jes. 5:25 en keert terug in 9:16, 9:20 en 10:4. Zie ook: Ps 79:7; 2 Kon 16:6; 2 Kron 28:18; Jes 5:25; Jes 9:16 **9:12** Maar het volk keerde niet terug tot Hem die het sloeg. Yahweh van de legermachten zochten zij niet. Brontekst: וְהָעָ֥ם (vehaam) = en het volk | לֹא (lo) = niet | שָׁ֖ב (shav) = is teruggekeerd | עַד (ad) = tot | הַמַּכֵּ֑הוּ (hamakehu) = Hem die het sloeg | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לֹ֥א (lo) = niet | דָרָֽשׁוּ (darashu) = hebben zij gezocht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּרַשׁ (darash), ‘zoeken’: zich tot Yahweh wenden en Hem raadplegen. Zie ook Amos 5:4. Zie ook: Amos 5:4; Hos 7:10; Jes 1:5; Jes 26:11; Jes 31:1; Jer 5:3 ### Hoofd en staart **9:13** Yahweh sneed van Israël hoofd en staart af, palmtak en bies, op één dag. Brontekst: וַיַּכְרֵ֨ת (vayakhret) = en sneed af | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | מִיִּשְׂרָאֵ֗ל (miyisrael) = van Israël | רֹ֧אשׁ (rosh) = hoofd | וְזָנָ֛ב (vezanav) = en staart | כִּפָּ֥ה (kipa) = palmtak | וְאַגְמ֖וֹן (veagmon) = en bies | י֥וֹם (yom) = dag | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּפָּה (kippah), ‘palmtak’, en אַגְמוֹן (agmon), ‘bies’: de bovenkant en onderkant van het riet. Het is een ander beeld voor ‘hoog en laag’, zoals ‘hoofd en staart’. Zie ook: Amos 3:12; Amos 6:11; Amos 7:17; Jes 19:15; Openb 18:8 **9:14** De oudste en wie in aanzien staat: dat is het hoofd. De profeet die leugen onderwijst: dat is de staart. Brontekst: זָקֵ֥ן (zaqen) = de oudste | וּנְשׂוּא (unesu) = en hij die opgeheven is van | פָנִ֖ים (panim) = aangezicht | ה֣וּא (hu) = hij | הָרֹ֑אשׁ (harosh) = het hoofd | וְנָבִ֥יא (venavi) = en de profeet | מֽוֹרֶה (more) = die onderwijst | שֶּׁ֖קֶר (sheqer) = leugen | ה֥וּא (hu) = hij | הַזָּנָֽב (hazanav) = de staart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשׂוּא פָנִים (nesu panim), ‘wie in aanzien staat’: letterlijk ‘opgeheven van gezicht’. Zie ook: Jes 3:2–3; Jes 29:10; Jer 29:21–22; Mat 24:24; 2 Tim 4:2–3 **9:15** De leiders van dit volk laten het dwalen, en wie door hen geleid worden, worden verslonden. Brontekst: וַיִּֽהְי֛וּ (vayihyu) = en zijn | מְאַשְּׁרֵ֥י (measherei) = de leiders van | הָֽעָם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | מַתְעִ֑ים (matim) = die laten dwalen | וּמְאֻשָּׁרָ֖יו (umeusharav) = en wie door hen geleid worden | מְבֻלָּעִֽים (mevulaim) = verslonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְאַשְּׁרֵי (me’ashsherey), ‘de leiders’: het werkwoord אָשַׁר (ashar) betekent ‘leiden’ en ook ‘gelukkig prijzen’. Het woordspel wijst op leiders die het volk gelukkig noemen terwijl zij het op een dwaalspoor brengen. Voetnoot : מְבֻלָּעִים (mevulla’im), ‘verslonden’: ook ‘in verwarring gebracht’. Zie ook: Num 6:23–26; 1 Kon 8:55–56; Jes 3:12; Mat 15:14; Mat 23:16–36 **9:16** Daarom verheugt de Heer Zich niet over zijn jongemannen. Hij ontfermt Zich niet over zijn wezen en zijn weduwen. Want zij zijn allemaal goddeloos en kwaaddoeners, en elke mond spreekt dwaasheid. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֨ן (ken) = (zo) | עַל (al) = over | בַּחוּרָ֜יו (bachurav) = zijn jongemannen | לֹֽא (lo) = niet | יִשְׂמַ֣ח (yismach) = verheugt Zich | אֲדֹנָ֗י (adonay) = de Heer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְתֹמָ֤יו (yetomav) = zijn wezen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַלְמְנֹתָיו֙ (almenotav) = zijn weduwen | לֹ֣א (lo) = niet | יְרַחֵ֔ם (yerachem) = ontfermt Hij Zich | כִּ֤י (ki) = want | כֻלּוֹ֙ (kulo) = allen | חָנֵ֣ף (chanef) = goddeloos | וּמֵרַ֔ע (umera) = en kwaaddoener | וְכָל (vekhal) = en elke | פֶּ֖ה (pe) = mond | דֹּבֵ֣ר (dover) = spreekt | נְבָלָ֑ה (nevala) = dwaasheid | בְּכָל (bekhal) = bij heel | זֹאת֙ (zot) = dit | לֹא (lo) = niet | שָׁ֣ב (shav) = is afgewend | אַפּ֔וֹ (apo) = Zijn toorn | וְע֖וֹד (veod) = en nog | יָד֥וֹ (yado) = Zijn hand | נְטוּיָֽה (netuya) = uitgestrekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zijn jongemannen’, ‘zijn wezen’ en ‘zijn weduwen’: ‘zijn’ gaat hier over het volk van vers 15, niet over de Heer. Voetnoot : Wezen en weduwen zijn de weerlozen die Yahweh beschermt (Exod. 22:21–23). Voetnoot : חָנֵף (chanef), ‘goddeloos’: ook ‘ontrouw’ of ‘vervuild’. נְבָלָה (nevalah), ‘dwaasheid’: ook ‘schandelijkheid’. Zie ook: Ex 22:21–23; Jes 5:25; Jes 9:15; Jes 10:6; Jes 27:11; Jer 18:21; Mat 12:34 ### De goddeloosheid brandt als vuur **9:17** Want de goddeloosheid brandt als vuur. Ze verteert doornstruiken en doornen. Ze steekt het dichte struikgewas van het woud in brand, en het rolt omhoog als een kolom van rook. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | בָעֲרָ֤ה (baara) = brandt | כָאֵשׁ֙ (kaesh) = als vuur | רִשְׁעָ֔ה (risha) = goddeloosheid | שָׁמִ֥יר (shamir) = doornstruiken | וָשַׁ֖יִת (vashayit) = en doornen | תֹּאכֵ֑ל (tokhel) = verteert het | וַתִּצַּת֙ (vatitsat) = en steekt het in brand | בְּסִֽבְכֵ֣י (besivkhei) = in de dichtste struiken van | הַיַּ֔עַר (hayaar) = het woud | וַיִּֽתְאַבְּכ֖וּ (vayitabekhu) = en zij rollen omhoog | גֵּא֥וּת (geut) = opstijgende kolom van | עָשָֽׁן (ashan) = rook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִשְׁעָה (rish’ah), ‘goddeloosheid’: ook ‘kwaad’. Het beeld: het kwaad brandt als een vuur. Eerst verteert het onkruid (doornstruiken en doornen) en dan het hele woud. Voetnoot : גֵּאוּת עָשָׁן (ge’ut ashan), ‘kolom van rook’: de uitdrukking is onzeker. Zie ook: Ps 83:15; Jes 5:24; Jes 34:8–10; Nah 1:10; Mal 3:19 **9:18** Door de woede van Yahweh van de legermachten staat het land in brand, en het volk is als voedsel voor het vuur. Niemand spaart zijn broer. Brontekst: בְּעֶבְרַ֛ת (beevrat) = in de woede van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | נֶעְתַּ֣ם (netam) = is in brand | אָ֑רֶץ (arets) = het land | וַיְהִ֤י (vayhi) = en is | הָעָם֙ (haam) = het volk | כְּמַאֲכֹ֣לֶת (kemaakholet) = als voedsel van | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | אִ֥ישׁ (ish) = man | אֶל (el) = tegen | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | לֹ֥א (lo) = niet | יַחְמֹֽלוּ (yachmolu) = spaart hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶעְתַּם (ne’tam), ‘staat in brand’: dit werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; ook ‘is verduisterd’ of ‘is verschroeid’ is mogelijk. Voetnoot : עֶבְרָה (evrah), ‘woede’: een uitbarsting van toorn. Zie ook: Amos 5:18; Jes 60:2; Mi 7:2; Mi 7:6; Jer 13:16 **9:19** Men snijdt af aan de rechterkant en blijft hongerig. Men eet aan de linkerkant en wordt niet verzadigd. Ieder eet het vlees van zijn arm. Brontekst: וַיִּגְזֹ֤ר (vayigzor) = en men snijdt af | עַל (al) = aan | יָמִין֙ (yamin) = de rechterkant | וְרָעֵ֔ב (veraev) = en is hongerig | וַיֹּ֥אכַל (vayokhal) = en men eet | עַל (al) = aan | שְׂמֹ֖אול (semovl) = de linkerkant | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שָׂבֵ֑עוּ (saveu) = zijn verzadigd | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | בְּשַׂר (besar) = het vlees van | זְרֹע֖וֹ (zeroo) = zijn arm | יֹאכֵֽלוּ (yokhelu) = eet men Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּגְזֹר (vayigzor), ‘men snijdt af’: ook ‘men grijpt’ of ‘men hapt’. Rechts en links betekent: overal. Voetnoot Lezing: זְרֹעוֹ (zero’o), ‘zijn arm’. Met andere klinkers staat er ‘zijn nakomeling’. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Lev 26:26–29; Jes 8:21; Jes 49:26; Jer 19:9; Klaagl 4:10 **9:20** Manasse verslindt Efraïm, en Efraïm Manasse. Samen zijn zij tegen Juda. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt. Brontekst: מְנַשֶּׁ֣ה (menashe) = Manasse | אֶת (et) = (obj.) | אֶפְרַ֗יִם (efrayim) = Efraïm | וְאֶפְרַ֨יִם֙ (veefrayim) = en Efraïm | אֶת (et) = (obj.) | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | יַחְדָּ֥ו (yachdav) = samen | הֵ֖מָּה (hema) = zij | עַל (al) = tegen | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | בְּכָל (bekhal) = bij heel | זֹאת֙ (zot) = dit | לֹא (lo) = niet | שָׁ֣ב (shav) = is afgewend | אַפּ֔וֹ (apo) = Zijn toorn | וְע֖וֹד (veod) = en nog | יָד֥וֹ (yado) = Zijn hand | נְטוּיָֽה (netuya) = uitgestrekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Manasse en Efraïm zijn de twee zonen van Jozef (Gen. 48:5). Hun stammen vormen samen het hart van het noordelijke rijk. Nu keren zij zich tegen elkaar. Zie ook: Gen 48:5; 2 Kron 28:6–8; Jes 5:25; Jes 9:11; Mat 24:10; Gal 5:15 ## Jesaja 10 _Wee over onrecht, Assyrië als knuppel van Yahweh en de terugkeer van de overgeblevenen_ ### Wee over onrechtvaardige wetten **10:1** Wee hen die verordeningen van onheil vaststellen, en de schrijvers die ellende voorschrijven. Brontekst: ה֥וֹי (hoy) = wee | הַחֹֽקְקִ֖ים (hachoqeqim) = die vaststellen | חִקְקֵי (chiqqei) = verordeningen van | אָ֑וֶן (aven) = onheil | וּֽמְכַתְּבִ֥ים (umekhatevim) = en schrijvers | עָמָ֖ל (amal) = ellende | כִּתֵּֽבוּ (kitevu) = zij schrijven voor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִקְקֵי אָוֶן (chiqqei aven), ‘verordeningen van onheil’: voorschriften die onheil brengen. Het woord אָוֶן (aven) staat ook in de naam Bet-Awen, ‘huis van onheil’ (Hos. 4:15). Voetnoot : עָמָל (amal), ‘ellende’: ook ‘moeite’, ‘last’ of ‘leed’. Zie ook: Ps 94:20–21; Hos 4:15; Mi 3:1–4; Mat 23:23; Luc 11:52; Joh 19:6 **10:2** Zij willen de armen van het recht afdringen en het recht van de ellendigen van mijn volk roven. Weduwen zullen hun buit zijn, en de wezen zullen zij plunderen. Brontekst: לְהַטּ֤וֹת (lehatot) = om af te dringen | מִדִּין֙ (midin) = van het recht | דַּלִּ֔ים (dalim) = armen | וְלִגְזֹ֕ל (veligzol) = en om te roven | מִשְׁפַּ֖ט (mishpat) = het recht van | עֲנִיֵּ֣י (aniyei) = de ellendigen van | עַמִּ֑י (ami) = mijn volk | לִהְי֤וֹת (lihyot) = opdat zij zijn | אַלְמָנוֹת֙ (almanot) = weduwen | שְׁלָלָ֔ם (shelalam) = hun buit | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְתוֹמִ֖ים (yetomim) = wezen | יָבֹֽזּוּ (yavozu) = plunderen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַמִּי (ammi), ‘mijn volk’: het Hebreeuws zegt niet uitdrukkelijk of Yahweh of Jesaja hier spreekt. Wij laten het zwart staan, als woord van de profeet. Zie ook: Jes 3:14; Jes 5:23; Jes 29:21; Ezech 22:7; Mal 3:5 **10:3** Wat zullen jullie doen op de dag van de bestraffing, bij de ondergang die van ver komt? Naar wie vluchten jullie om hulp, en waar laten jullie jullie heerlijkheid achter? Brontekst: וּמַֽה (uma) = en wat | תַּעֲשׂוּ֙ (taasu) = zullen jullie doen | לְי֣וֹם (leyom) = op de dag van | פְּקֻדָּ֔ה (pequda) = de bestraffing | וּלְשׁוֹאָ֖ה (uleshoa) = en bij de ondergang | מִמֶּרְחָ֣ק (mimerchaq) = van ver | תָּב֑וֹא (tavo) = die komt | עַל (al) = op | מִי֙ (mi) = wie | תָּנ֣וּסוּ (tanusu) = zullen jullie vluchten | לְעֶזְרָ֔ה (leezra) = om hulp | וְאָ֥נָה (veana) = en waar | תַעַזְב֖וּ (taazvu) = laten jullie achter | כְּבוֹדְכֶֽם (kevodekhem) = jullie heerlijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּקֻדָּה (pequddah), ‘bestraffing’: de dag waarop Yahweh komt kijken en ter verantwoording roept. Zo vertalen wij ook in Hos. 9:7. Het werkwoord פָּקַד (paqad), ‘straffen’, staat in vers 12. Voetnoot : כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: hier het aanzien en de rijkdom waar zij op vertrouwen. Zie ook: Job 31:14; Hos 9:7; Jes 5:26; Jes 10:12; Jes 26:21; Luc 19:44 **10:4** Er blijft niets over dan zich te bukken onder de gevangenen, of te vallen onder de gedoden. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt. Brontekst: בִּלְתִּ֤י (bilti) = behalve | כָרַע֙ (kara) = zich bukken | תַּ֣חַת (tachat) = onder | אַסִּ֔יר (asir) = een gevangene | וְתַ֥חַת (vetachat) = en onder | הֲרוּגִ֖ים (harugim) = gedoden | יִפֹּ֑לוּ (yipolu) = vallen zij | בְּכָל (bekhal) = bij | זֹאת֙ (zot) = dit alles | לֹא (lo) = niet | שָׁ֣ב (shav) = is afgewend | אַפּ֔וֹ (apo) = Zijn toorn | וְע֖וֹד (veod) = en nog | יָד֥וֹ (yado) = Zijn hand | נְטוּיָֽה (netuya) = uitgestrekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּלְתִּי (bilti), ‘behalve’: dit begin van het vers is kort en moeilijk. Wij vertalen zo dicht mogelijk bij de woorden: er blijft niets over dan buigen of vallen. Voetnoot : ‘Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt’ is een refrein dat in Jesaja steeds terugkomt: Jes. 5:25, 9:11, 9:16 en 9:20 (overal ‘Ondanks dit alles’). Zie ook: Deut 32:30; Jes 5:25; Jes 9:11; Jes 9:16; Jes 9:20; Jes 66:16; Jer 37:10 ### Wee Assyrië, de knuppel van Mijn toorn **10:5** **„Wee Assyrië, de knuppel van Mijn toorn. De staf in hun hand is Mijn gramschap.** Brontekst: ה֥וֹי (hoy) = wee | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | שֵׁ֣בֶט (shevet) = knuppel van | אַפִּ֑י (api) = Mijn toorn | וּמַטֶּה (umate) = en een staf | ה֥וּא (hu) = hij | בְיָדָ֖ם (beyadam) = in hun hand | זַעְמִֽי (zami) = Mijn gramschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אַשּׁוּר (Ashur), ‘Assyrië’: het rijk dat Israël wegvoerde (2 Kon. 18:11) en daarna Juda bedreigde (2 Kon. 19:35–37). Voetnoot : שֵׁבֶט (shevet) en מַטֶּה (matteh): wij vertalen shevet met ‘knuppel’ (zoals in Jes. 9:3) en matteh met ‘staf’. Yahweh noemt Assyrië Zijn knuppel, het werktuig van Zijn toorn. Hier begint Yahweh te spreken; Zijn woorden staan rood. Zie ook: 2 Kon 18:11; 2 Kon 19:35–37; Jes 9:3; Jes 10:15; Jes 14:25; Jes 30:30; Sef 2:13; Jer 51:20–24 **10:6** **Ik stuur hem tegen een goddeloos volk. Tegen het volk van Mijn woede geef Ik hem bevel: buit te roven en roof te nemen, en het te vertrappen als modder van de straten.** Brontekst: בְּג֤וֹי (begoy) = tegen een volk | חָנֵף֙ (chanef) = goddeloos | אֲשַׁלְּחֶ֔נּוּ (ashalechenu) = Ik stuur hem | וְעַל (veal) = en tegen | עַ֥ם (am) = het volk van | עֶבְרָתִ֖י (evrati) = Mijn woede | אֲצַוֶּ֑נּוּ (atsavenu) = geef Ik hem bevel | לִשְׁלֹ֤ל (lishlol) = om te roven | שָׁלָל֙ (shalal) = buit | וְלָבֹ֣ז (velavoz) = en om te nemen | בַּ֔ז (baz) = roof | וּלְשׂוּמ֥וֹ (ulesumo) = en om het te maken | מִרְמָ֖ס (mirmas) = tot vertrapping | כְּחֹ֥מֶר (kechomer) = als modder van | חוּצֽוֹת (chutsot) = straten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָנֵף (chanef), ‘goddeloos’: wie Elohim ontwijdt of zich van Hem afkeert. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וּלְשׂוּמוֹ (ulsumo), ‘en om het te maken’. De geschreven tekst (ketiv) heeft een andere vorm van hetzelfde werkwoord, met dezelfde betekenis. Zie ook: Jes 9:16; Jer 25:9; Jer 34:22; Jer 47:6–7; Zach 10:5 **10:7** **Maar zo bedoelt hij het niet, en zo denkt zijn hart het niet. Want in zijn hart wil hij vernietigen en volken uitroeien, niet weinige.** Brontekst: וְהוּא֙ (vehu) = en hij | לֹא (lo) = niet | כֵ֣ן (ken) = zo | יְדַמֶּ֔ה (yedame) = bedoelt hij | וּלְבָב֖וֹ (ulevavo) = en zijn hart | לֹא (lo) = niet | כֵ֣ן (ken) = zo | יַחְשֹׁ֑ב (yachshov) = denkt het | כִּ֚י (ki) = want | לְהַשְׁמִ֣יד (lehashmid) = om te vernietigen | בִּלְבָב֔וֹ (bilvavo) = in zijn hart | וּלְהַכְרִ֥ית (ulehakhrit) = en om uit te roeien | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | לֹ֥א (lo) = niet | מְעָֽט (meat) = weinig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 50:20; Jes 36:18–20; Jes 37:11–13; Mi 4:11–12; Hand 2:23 **10:8** **Want hij zegt: ‘Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?** Brontekst: כִּ֖י (ki) = want | יֹאמַ֑ר (yomar) = hij zegt | הֲלֹ֥א (halo) = niet | שָׂרַ֛י (saray) = mijn vorsten | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | מְלָכִֽים (melakhim) = koningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de verzen 8–11 en 13–14 citeert Yahweh de woorden van de koning van Assyrië. Daarom staan zij tussen enkele aanhalingstekens, binnen de rode toespraak van Yahweh. Met ‘mijn’ en ‘ik’ in die verzen is de koning van Assyrië bedoeld. Zie ook: 2 Kon 18:24; 2 Kon 19:10; Jes 36:8; Ezech 26:7; Dan 2:37 **10:9** **Is Kalno niet als Karkemis? Is Chamat niet als Arpad? Is Samaria niet als Damascus?** Brontekst: הֲלֹ֥א (halo) = niet | כְּכַרְכְּמִ֖ישׁ (kekharkemish) = zoals Karkemis | כַּלְנ֑וֹ (kalno) = Kalno | אִם (im) = of | לֹ֤א (lo) = niet | כְאַרְפַּד֙ (kearpad) = zoals Arpad | חֲמָ֔ת (chamat) = Chamat | אִם (im) = of | לֹ֥א (lo) = niet | כְדַמֶּ֖שֶׂק (kedameseq) = zoals Damascus | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kalno (Kalne, Tell Tayinat?; ligging onzeker): Kalno (ook Kalne, Amos 6:2) wordt meestal gezocht bij Tell Tayinat, in de Amuq-vlakte in het zuidoosten van Turkije. Dit is niet zeker. Zie Karkemis (Jerablus): Karkemis lag aan de Eufraat, bij het huidige Jerablus, op de grens van Syrië en Turkije. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Arpad (Tell Rifaat): Arpad wordt gezocht bij Tell Rifaat, ten noorden van Aleppo, in het noorden van Syrië. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Kalno (כַּלְנוֹ), Karkemis, Chamat en Arpad: steden in het noorden, in Syrië en aan de Eufraat, die Assyrië had veroverd. Het Hebreeuws schrijft hier Kalno, maar in Amos 6:2 en Gen. 10:10 Kalne (כַּלְנֵה). Het is waarschijnlijk dezelfde stad; wij laten beide spellingen staan. Voor Chamat en Arpad zie 2 Kon. 18:34 en 19:13. Voetnoot : De koning ziet Samaria als even zwak als Damascus: beide waren al gevallen. Zie ook: Gen 10:10; 2 Kon 16:9; 2 Kon 18:34; 2 Kon 19:13; 2 Kron 35:20; Amos 6:2; Jes 17:3; Jer 46:2 **10:10** **Zoals mijn hand de koninkrijken van de afgoden heeft bereikt, wier gesneden beelden talrijker waren dan die van Jeruzalem en Samaria,** Brontekst: כַּאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | מָצְאָ֣ה (matsea) = heeft bereikt | יָדִ֔י (yadi) = mijn hand | לְמַמְלְכֹ֖ת (lemamlekhot) = de koninkrijken van | הָאֱלִ֑יל (haelil) = de afgoden | וּפְסִ֣ילֵיהֶ֔ם (ufesileihem) = en hun gesneden beelden | מִירֽוּשָׁלִַ֖ם (mirushalaim) = meer dan Jeruzalem | וּמִשֹּׁמְרֽוֹן (umishomeron) = en dan Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: אֱלִיל (elil), ‘afgod’: letterlijk ‘nietigheid’. פְּסִיל (pesil), ‘gesneden beeld’. In vers 11 staat עָצָב (atsav), ‘afgodsbeeld’. De koning zegt: de goden van Jeruzalem en Samaria zijn niet sterker dan die van de volken die hij al verslagen heeft. Zie ook: 2 Kon 19:12–13; 2 Kon 19:17–19; 2 Kron 32:12–16; 2 Kron 32:19; Jes 10:11; Jes 10:14 **10:11** **zal ik niet, zoals ik Samaria en haar afgoden heb aangedaan, zo ook Jeruzalem en haar afgodsbeelden aandoen?’** Brontekst: הֲלֹ֗א (halo) = niet | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֛יתִי (asiti) = ik heb gedaan | לְשֹׁמְר֖וֹן (leshomeron) = aan Samaria | וְלֶאֱלִילֶ֑יהָ (veleelileiha) = en aan haar afgoden | כֵּ֛ן (ken) = zo | אֶעֱשֶׂ֥ה (eese) = zal ik doen | לִירוּשָׁלִַ֖ם (lirushalaim) = aan Jeruzalem | וְלַעֲצַבֶּֽיהָ (velaatsabeiha) = en aan haar afgodsbeelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Jes 2:8; Jes 36:19–20; Jes 37:10–13 ### Yahweh straft de trots van de koning van Assyrië **10:12** **Het zal gebeuren wanneer de Heer al Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem heeft voltooid. Dan zal Ik de vrucht van het overmoedige hart van de koning van Assyrië straffen, en de pracht van zijn hooghartige ogen.** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יְבַצַּ֤ע (yevatsa) = voltooit | אֲדֹנָי֙ (adonay) = de Heer | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | מַֽעֲשֵׂ֔הוּ (maasehu) = Zijn werk | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | וּבִירוּשָׁלִָ֑ם (uvirushalaim) = en in Jeruzalem | אֶפְקֹ֗ד (efqod) = zal Ik straffen | עַל (al) = over | פְּרִי (peri) = de vrucht van | גֹ֨דֶל֙ (godel) = de grootheid van | לְבַ֣ב (levav) = het hart van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וְעַל (veal) = en over | תִּפְאֶ֖רֶת (tiferet) = de pracht van | ר֥וּם (rum) = de hoogheid van | עֵינָֽיו (einav) = zijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel staat hier zonder de naam Yahweh. Zie verder bij vers 16. Voetnoot : פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: zie vers 3. Voetnoot : Eerst voltooit Yahweh Zijn werk op de berg Sion; daarna straft Hij de koning van Assyrië. Vergelijk 2 Kon. 19:35–37. Zie ook: 2 Kon 19:35–37; Jes 2:11; Jes 10:3; Jes 10:16; Jes 27:9; Jes 50:11; Jer 50:18; Ezech 31:14 **10:13** **Want hij heeft gezegd: ‘Met de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en met mijn wijsheid, want ik ben verstandig. Ik heb de grenzen van de volken verlegd en hun schatten geplunderd. Als een machtige heb ik de bewoners neergehaald.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אָמַ֗ר (amar) = hij heeft gezegd | בְּכֹ֤חַ (bekhoach) = met de kracht van | יָדִי֙ (yadi) = mijn hand | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = heb ik gedaan | וּבְחָכְמָתִ֖י (uvechakhemati) = en met mijn wijsheid | כִּ֣י (ki) = want | נְבֻנ֑וֹתִי (nevunoti) = ik ben verstandig | וְאָסִ֣יר (veasir) = en ik verlegde | גְּבוּלֹ֣ת (gevulot) = de grenzen van | עַמִּ֗ים (amim) = volken | וַעֲתוּדֽוֹתֵיהֶם֙ (vaatudoteihem) = en hun schatten | שׁוֹשֵׂ֔תִי (shoseti) = heb ik geplunderd | וְאוֹרִ֥יד (veorid) = en ik haalde neer | כַּאבִּ֖יר (kabir) = als een machtige | יוֹשְׁבִֽים (yoshevim) = de bewoners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹשְׁבִים (yoshevim), ‘de bewoners’: het kan ook ‘zij die op tronen zitten’ betekenen. אַבִּיר (abbir), ‘machtige’: het woord kan ook ‘stier’ betekenen. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וַעֲתוּדוֹתֵיהֶם (va'atudoteihem), ‘en hun schatten’. De geschreven tekst (ketiv) heeft een iets andere spelling van hetzelfde woord, met dezelfde betekenis. Zie ook: Deut 8:17; 2 Kon 15:29; 2 Kon 17:24; Hos 13:15–14:1; Dan 4:27 **10:14** **Als bij een nest heeft mijn hand de rijkdom van de volken gevonden. Zoals men verlaten eieren verzamelt, zo heb ik heel de aarde verzameld. Er was niemand die met de vleugel bewoog, de mond opende of piepte.’** Brontekst: וַתִּמְצָ֨א (vatimtsa) = en vond | כַקֵּ֤ן (kaqen) = als een nest | יָדִי֙ (yadi) = mijn hand | לְחֵ֣יל (lecheil) = de rijkdom van | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | וְכֶאֱסֹף֙ (vekheesof) = en zoals men verzamelt | בֵּיצִ֣ים (beitsim) = eieren | עֲזֻב֔וֹת (azuvot) = verlaten | כָּל (kal) = heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | אֲנִ֣י (ani) = ik | אָסָ֑פְתִּי (asafti) = heb verzameld | וְלֹ֤א (velo) = en niet | הָיָה֙ (haya) = was er | נֹדֵ֣ד (noded) = beweger van | כָּנָ֔ף (kanaf) = vleugel | וּפֹצֶ֥ה (ufotse) = en opener van | פֶ֖ה (pe) = mond | וּמְצַפְצֵֽף (umetsaftsef) = en piepende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:25; Spr 18:12; Hos 12:8–9; Nah 2:10–3:1; Jer 49:16 **10:15** **Zal de bijl zich verheffen boven wie ermee hakt? Zal de zaag zich groter maken dan wie haar zwaait? Alsof een knuppel zwaait wie hem opheft, alsof een staf optilt wie geen hout is!”** Brontekst: הֲיִתְפָּאֵר֙ (hayitpaer) = zal zich verheffen | הַגַּרְזֶ֔ן (hagarzen) = de bijl | עַ֖ל (al) = boven | הַחֹצֵ֣ב (hachotsev) = wie hakt | בּ֑וֹ (bo) = met hem | אִם (im) = of | יִתְגַּדֵּ֤ל (yitgadel) = zal zich groter maken | הַמַּשּׂוֹר֙ (hamasor) = de zaag | עַל (al) = boven | מְנִיפ֔וֹ (menifo) = wie haar zwaait | כְּהָנִ֥יף (kehanif) = zoals het zwaaien van | שֵׁ֨בֶט֙ (shevet) = een knuppel | וְאֶת (veet) = (obj.) | מְרִימָ֔יו (merimav) = die hem opheffen | כְּהָרִ֥ים (keharim) = zoals het opheffen van | מַטֶּ֖ה (mate) = een staf | לֹא (lo) = niet | עֵֽץ (ets) = hout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 10:5; Jes 29:16; Jes 45:9; Ezech 28:9; Rom 9:20–21 ### Het vuur van de Heilige van Israël **10:16** Daarom zal de Heer, Yahweh van de legermachten, magerheid zenden onder zijn welgevoeden. En onder zijn heerlijkheid zal een brand ontbranden, zoals vuur brandt. Brontekst: לָ֠כֵן (lakhen) = daarom | יְשַׁלַּ֨ח (yeshalach) = zal zenden | הָאָד֜וֹן (haadon) = de Heer | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֛וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בְּמִשְׁמַנָּ֖יו (bemishmanav) = onder zijn welgevoeden | רָז֑וֹן (razon) = magerheid | וְתַ֧חַת (vetachat) = en onder | כְּבֹד֛וֹ (kevodo) = zijn heerlijkheid | יֵקַ֥ד (yeqad) = zal ontbranden | יְקֹ֖ד (yeqod) = een brand | כִּיק֥וֹד (kiqod) = als de brand van | אֵֽשׁ (esh) = vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jes. 1:9, waar de uitleg bij deze naam staat. Voetnoot : הָאָדוֹן (ha'adon), ‘de Heer’: een titel van Yahweh, verwant met אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’. Voor ‘Heer Yahweh’ en ‘Heer Yahweh van de legermachten’ zie Jes. 3:15. Voetnoot : רָזוֹן (razon), ‘magerheid’: uitputting en kwijnen, het tegenovergestelde van ‘welgevoed’. Zie ook: Ps 106:15; 2 Kron 32:21; Jes 1:9; Jes 3:15; Jes 10:18; Jes 37:36; Hand 12:23 **10:17** Het Licht van Israël zal een vuur worden, en zijn Heilige een vlam. Het zal branden en zijn doornen en zijn doornstruiken verteren, in één dag. Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | אֽוֹר (or) = het licht van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לְאֵ֔שׁ (leesh) = tot een vuur | וּקְדוֹשׁ֖וֹ (uqedosho) = en zijn Heilige | לְלֶהָבָ֑ה (lelehava) = tot een vlam | וּבָעֲרָ֗ה (uvaara) = en het zal branden | וְאָֽכְלָ֛ה (veakhela) = en verteren | שִׁית֥וֹ (shito) = zijn doornen | וּשְׁמִיר֖וֹ (ushemiro) = en zijn doornstruiken | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹר יִשְׂרָאֵל (or Yisra'el), ‘het Licht van Israël’, en קְדוֹשׁוֹ (qedosho), ‘zijn Heilige’: namen van Yahweh. ‘Zijn’ verwijst hier naar Israël. Vergelijk ‘de Heilige van Israël’ in vers 20. Voetnoot : שַׁיִת (shayit), ‘doornen’, en שָׁמִיר (shamir), ‘doornstruiken’: begroeiing van verwilderd land. Zo vertalen wij ook in Jes. 5:6, daar in omgekeerde volgorde (‘doornstruiken en doornen’), en in Jes. 7:23–25 en 9:17. Het is hier een beeld voor het leger van Assyrië. Zie ook: Num 11:1–3; Jes 5:6; Jes 7:23–25; Jes 9:17; Jes 10:20; Jes 27:4; Jes 37:23; Jer 7:20; Openb 22:5 **10:18** De heerlijkheid van zijn woud en van zijn boomgaardland zal Hij geheel vernietigen, van ziel tot vlees. Het zal zijn zoals wanneer een zieke wegkwijnt. Brontekst: וּכְב֤וֹד (ukhevod) = en de heerlijkheid van | יַעְרוֹ֙ (yaro) = zijn woud | וְכַרְמִלּ֔וֹ (vekharmilo) = en zijn boomgaardland | מִנֶּ֥פֶשׁ (minefesh) = van ziel | וְעַד (vead) = en tot | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | יְכַלֶּ֑ה (yekhale) = zal Hij vernietigen | וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּמְסֹ֥ס (kimsos) = als het wegkwijnen van | נֹסֵֽס (noses) = een wegkwijnende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּרְמֶל (karmel), ‘boomgaardland’: vruchtbaar land met bomen en wijnstokken. Het is hier geen naam; zo ook in Jes. 16:10. Voetnoot : מִנֶּפֶשׁ וְעַד בָּשָׂר (minnefesh ve'ad basar), ‘van ziel tot vlees’: helemaal, door en door. Voetnoot : כִּמְסֹס נֹסֵס (kimsos noses): het Hebreeuws is hier moeilijk. Wij vertalen ‘zoals wanneer een zieke wegkwijnt’. Het woord kan ook ‘vaandeldrager’ betekenen. Zie ook: 2 Kon 19:23; 2 Kon 19:28; Jes 9:17; Jes 10:33–34; Jes 16:10; Jer 21:14 **10:19** De overgebleven bomen van zijn woud zijn te tellen. Een jongen kan ze opschrijven. Brontekst: וּשְׁאָ֥ר (ushear) = en de overgebleven | עֵ֛ץ (ets) = bomen van | יַעְר֖וֹ (yaro) = zijn woud | מִסְפָּ֣ר (mispar) = te tellen | יִֽהְי֑וּ (yihyu) = zullen zijn | וְנַ֖עַר (venaar) = en een jongen | יִכְתְּבֵֽם (yikhtevem) = zal ze opschrijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het woud is een beeld voor Assyrië. Er blijven zo weinig bomen over dat een jongen ze kan opschrijven. Voetnoot : שְׁאָר (she'ar), ‘overgeblevenen’: hetzelfde woord als in de verzen 20–22. Hier gaat het om de bomen die overblijven. Zie ook: Jes 21:17; Jes 37:36 ### De overgeblevenen keren terug **10:20** Het zal gebeuren op die dag. De overgeblevenen van Israël en de ontkomenen van het huis van Jakob zullen niet meer steunen op wie hen sloeg. Zij zullen steunen op Yahweh, de Heilige van Israël, in waarheid. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | לֹֽא (lo) = niet | יוֹסִ֨יף (yosif) = zullen voortgaan | ע֜וֹד (od) = meer | שְׁאָ֤ר (shear) = de overgeblevenen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וּפְלֵיטַ֣ת (ufeleitat) = en de ontkomenen van | בֵּֽית (beit) = het huis van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | לְהִשָּׁעֵ֖ן (lehishaen) = om te steunen | עַל (al) = op | מַכֵּ֑הוּ (makehu) = wie hen sloeg | וְנִשְׁעַ֗ן (venishan) = maar zullen steunen | עַל (al) = op | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בֶּאֱמֶֽת (beemet) = in waarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאָר (she'ar), ‘de overgeblevenen’: wie na het oordeel overblijft. Wij vertalen dit woord overal zo. פְּלֵיטָה (peleitah) is ‘wie ontkomen is’. Voetnoot : קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra'el), ‘de Heilige van Israël’: een vaste naam voor Yahweh in Jesaja. Zie ook: 2 Kron 28:20; Jes 1:9; Jes 17:7–8; Jes 37:31–32; Jes 50:10 **10:21** De overgeblevenen zullen terugkeren, de overgeblevenen van Jakob, naar de Sterke El. Brontekst: שְׁאָ֥ר (shear) = de overgeblevenen | יָשׁ֖וּב (yashuv) = zullen terugkeren | שְׁאָ֣ר (shear) = de overgeblevenen van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = naar | אֵ֖ל (el) = El | גִּבּֽוֹר (gibor) = Sterke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאָר יָשׁוּב (she'ar yashuv), ‘de overgeblevenen zullen terugkeren’: dit zijn ook de woorden van de naam van de zoon van Jesaja, Sjear-Jasjoev (Jes. 7:3). Voetnoot : אֵל גִּבּוֹר (El gibbor), ‘de Sterke El’: een deel van de naam in Jes. 9:5. Het vers zegt dat de overgeblevenen terugkeren naar Hem. Zie ook: Hos 6:1; Hos 7:10; Jes 7:3; Jes 9:5; Jes 9:12; 2 Kor 3:14–16 **10:22** Want al is je volk, Israël, als het zand van de zee: de overgeblevenen ervan zullen terugkeren. Een vernietiging is besloten, overvloeiend van gerechtigheid. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אִם (im) = al | יִהְיֶ֞ה (yihye) = is | עַמְּךָ֤ (amekha) = jouw volk | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | כְּח֣וֹל (kechol) = als het zand van | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | שְׁאָ֖ר (shear) = de overgeblevenen | יָשׁ֣וּב (yashuv) = zullen terugkeren | בּ֑וֹ (bo) = ervan | כִּלָּי֥וֹן (kilayon) = vernietiging | חָר֖וּץ (charuts) = is besloten | שׁוֹטֵ֥ף (shotef) = overvloeiend | צְדָקָֽה (tsedaqa) = van gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַמְּךָ (ammekha), ‘jouw volk’: het Hebreeuws noemt niet wie wordt aangesproken. Wij laten het zo: ‘je volk, Israël’. Voetnoot : כִּלָּיוֹן (killayon), ‘vernietiging’: dezelfde stam als in vers 23 (kalah) en in vers 25 (tavlit). Voetnoot : Vers 22–23 wordt aangehaald in Rom. 9:27–28. Zie ook: Jes 6:13; Jes 10:23; Jes 10:25; Dan 9:27; Rom 9:27–28; Rom 11:5–6; Openb 20:8 **10:23** Want een einde en een vastgesteld besluit voert Heer Yahweh van de legermachten uit, midden in heel het land. Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | כָלָ֖ה (kala) = een einde | וְנֶחֱרָצָ֑ה (venecheratsa) = en een vastgesteld besluit | אֲדֹנָ֤י (adonay) = Heer | יְהוִה֙ (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עֹשֶׂ֖ה (ose) = voert uit | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = in het midden van | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (Adonai Yahweh Tsevaot), ‘Heer Yahweh van de legermachten’: zie Jes. 3:15. Voetnoot : הָאָרֶץ (ha'arets) betekent ‘het land’ en ‘de aarde’. In vers 14 vertalen wij ‘de aarde’, hier ‘het land’. Zie ook: Jes 3:15; Jes 10:14; Jes 14:26–27; Jes 24:1–23; Jes 28:22; Dan 4:32; Rom 9:28 ### Wees niet bang voor Assyrië **10:24** Daarom, zo zegt Heer Yahweh van de legermachten: **„Mijn volk, dat in Sion woont, wees niet bang voor Assyrië. Hij zal je met de knuppel slaan en zijn staf tegen je opheffen, op de wijze van Egypte.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֤י (adonay) = Heer | יְהוִה֙ (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אַל (al) = niet | תִּירָ֥א (tira) = wees bang | עַמִּ֛י (ami) = mijn volk | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = dat woont in | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | מֵֽאַשּׁ֑וּר (meashur) = voor Assyrië | בַּשֵּׁ֣בֶט (bashevet) = met de knuppel | יַכֶּ֔כָּה (yakeka) = slaat hij je | וּמַטֵּ֥הוּ (umatehu) = en zijn staf | יִשָּֽׂא (yisa) = heft hij op | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = tegen jou | בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = op de wijze van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בְּדֶרֶךְ מִצְרָיִם (bederekh Mitsrayim), ‘op de wijze van Egypte’: derekh betekent ‘weg’ en ook ‘wijze’. Assyrië onderdrukt Israël zoals Egypte vroeger deed (Exod. 1:11–14). Het kan ook betekenen: ‘op de weg naar Egypte’. Voetnoot : Dit is het begin van een tweede rode toespraak; de eerste liep van vers 5 tot en met vers 15. Zie ook: Ex 1:11–14; Ex 5:14; Jes 10:5; Jes 10:15; Jes 30:19; Jes 37:6; Jes 61:3; Heb 12:22–24 **10:25** **Want nog maar even, heel even, dan komt de gramschap ten einde, en Mijn toorn richt zich op hun vernietiging.** Brontekst: כִּי (ki) = want | ע֖וֹד (od) = nog | מְעַ֣ט (meat) = een weinig | מִזְעָ֑ר (mizar) = een heel klein beetje | וְכָ֣לָה (vekhala) = en komt ten einde | זַ֔עַם (zaam) = de gramschap | וְאַפִּ֖י (veapi) = en Mijn toorn | עַל (al) = op | תַּבְלִיתָֽם (tavlitam) = hun vernietiging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּבְלִית (tavlit), ‘vernietiging’: het woord komt alleen hier voor. Het is verwant met het werkwoord kalah, ‘ten einde komen’. De betekenis is dus onzeker. Zie ook: 2 Kon 19:35; Jes 10:5; Jes 10:33–34; Dan 11:36; Heb 10:37 **10:26** **Yahweh van de legermachten zal een gesel tegen hem zwaaien, zoals de slag tegen Midian bij de rots van Oreb. Zijn staf zal over de zee zijn, en Hij zal die opheffen, op de wijze van Egypte.** Brontekst: וְעוֹרֵ֨ר (veorer) = en zal zwaaien | עָלָ֜יו (alav) = tegen hem | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | שׁ֔וֹט (shot) = een gesel | כְּמַכַּ֥ת (kemakat) = zoals de slag van | מִדְיָ֖ן (midyan) = Midian | בְּצ֣וּר (betsur) = bij de rots van | עוֹרֵ֑ב (orev) = Oreb | וּמַטֵּ֨הוּ֙ (umatehu) = en Zijn staf | עַל (al) = over | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | וּנְשָׂא֖וֹ (unesao) = en Hij zal die opheffen | בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = op de wijze van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Voor de slag tegen Midian bij de rots van Oreb zie Richt. 7:25. Voor de staf over de zee zie Exod. 14:16. Zie ook: Ex 14:16; Re 7:25; Ps 35:23; 2 Kon 19:35; Jes 9:3 **10:27** **Het zal gebeuren op die dag: zijn last zal van je schouder wijken en zijn juk van je nek. En het juk zal vernield worden vanwege de olie.”** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יָס֤וּר (yasur) = zal wijken | סֻבֳּלוֹ֙ (subolo) = zijn last | מֵעַ֣ל (meal) = van op | שִׁכְמֶ֔ךָ (shikhmekha) = je schouder | וְעֻלּ֖וֹ (veulo) = en zijn juk | מֵעַ֣ל (meal) = van op | צַוָּארֶ֑ךָ (tsavarekha) = je nek | וְחֻבַּ֥ל (vechubal) = en wordt vernield | עֹ֖ל (ol) = juk | מִפְּנֵי (mipenei) = vanwege | שָֽׁמֶן (shamen) = olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִפְּנֵי שָׁמֶן (mippenei shamen), ‘vanwege de olie’: het Hebreeuws is moeilijk. ‘Olie’ kan hier staan voor vetheid, kracht of zalving. Wij laten de woorden letterlijk staan. Zie ook: Ps 105:15; Jes 9:3; Jes 14:25; Luc 4:18; 1 Joh 2:20 ### De vijand trekt naar Jeruzalem **10:28** Hij is tegen Ajjat opgerukt. Hij is door Migron getrokken. In Mikmas legt hij zijn bagage neer. Brontekst: בָּ֥א (ba) = hij is gekomen | עַל (al) = tegen | עַיַּ֖ת (ayat) = Ajjat | עָבַ֣ר (avar) = hij is doorgetrokken | בְּמִגְר֑וֹן (bemigron) = door Migron | לְמִכְמָ֖שׂ (lemikhmas) = in Mikmas | יַפְקִ֥יד (yafqid) = legt hij neer | כֵּלָֽיו (kelav) = zijn bagage Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ajjat (Ai; ligging onzeker): Ajjat is waarschijnlijk Ai, bij et-Tell of Khirbet el-Maqatir, ten noorden van Jeruzalem. De precieze plaats is niet zeker. Zie Migron (ligging onzeker): Migron lag bij Gibea in Benjamin. De precieze plaats is niet bekend. Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba. De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen. Voetnoot Uitleg: In de verzen 28–32 trekt een vijand vanuit het noorden naar Jeruzalem. De plaatsen liggen ten noorden van Jeruzalem, in het gebied van Benjamin. Mikmas en Geba komen ook voor in 1 Sam. 13:16. Voetnoot : עַיַּת (Ayyat), ‘Ajjat’: waarschijnlijk een andere vorm van de naam Ai (Joz. 7:2). Zie ook: Joz 7:2; Re 18:21; 1 Sam 13:2; 1 Sam 13:5; 1 Sam 13:16; 1 Sam 14:2; 1 Sam 14:31 **10:29** Zij zijn de pas overgetrokken: „Geba is ons nachtverblijf!” Rama beeft. Gibea van Saul is gevlucht. Brontekst: עָֽבְרוּ֙ (averu) = zij zijn overgetrokken | מַעְבָּרָ֔ה (mabara) = de pas | גֶּ֖בַע (geva) = Geba | מָל֣וֹן (malon) = nachtverblijf | לָ֑נוּ (lanu) = voor ons | חָֽרְדָה֙ (chareda) = beeft | הָֽרָמָ֔ה (harama) = Rama | גִּבְעַ֥ת (givat) = Gibea van | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | נָֽסָה (nasa) = is gevlucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: ‘Geba is ons nachtverblijf’: het Hebreeuws zegt hier ‘voor ons’. Wij nemen aan dat het de woorden van de vijand zijn. Voetnoot : Gibea van Saul: zie 1 Sam. 11:4. Zie ook: Joz 21:17; 1 Sam 7:17; 1 Sam 11:4; 1 Sam 13:23; Jer 31:15 **10:30** Laat je stem schallen, dochter van Gallim. Luister, Laïsa. Arm Anatot. Brontekst: צַהֲלִ֥י (tsahali) = laat schallen | קוֹלֵ֖ךְ (qolekh) = je stem | בַּת (bat) = dochter van | גַּלִּ֑ים (galim) = Gallim | הַקְשִׁ֥יבִי (haqshivi) = luister | לַ֖יְשָׁה (laysha) = Laïsa | עֲנִיָּ֥ה (aniya) = arm | עֲנָתֽוֹת (anatot) = Anatot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gallim (ligging onzeker): Gallim lag bij Gibea, ten noorden van Jeruzalem (Jesaja 10:30). De precieze plaats is niet zeker. Zie Laïsa (ligging onzeker): Laïsa lag bij Anatot en Gallim, ten noorden van Jeruzalem, op de weg van de Assyrische opmars. De precieze plaats is niet bekend. Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: בַּת גַּלִּים (bat Gallim), ‘dochter van Gallim’: de plaats wordt als een vrouw aangesproken. Gallim, Laïsa (לַיְשָׁה, Layshah) en Anatot liggen ten noorden van Jeruzalem. De ligging van Gallim en Laïsa is niet zeker. Anatot: zie 1 Kon. 2:26. Voetnoot : עֲנִיָּה (aniyyah), ‘arm’: het woord kan ook ‘antwoord haar’ betekenen. Wij kiezen ‘arm’. Zie ook: Joz 21:18; 1 Sam 25:44; 1 Kon 2:26; Jer 1:1; Jer 32:8 **10:31** Madmena is gevlucht. De inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid. Brontekst: נָדְדָ֖ה (nadeda) = is gevlucht | מַדְמֵנָ֑ה (madmena) = Madmena | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = inwoners van | הַגֵּבִ֖ים (hagevim) = Gebim | הֵעִֽיזוּ (heizu) = brengen zich in veiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Madmena (ligging onzeker): Madmena lag ten noorden van Jeruzalem, op de weg van de Assyrische opmars. De precieze plaats is niet bekend. Zie Gebim (ligging onzeker): Gebim lag ten noorden van Jeruzalem, op de weg van de Assyrische opmars. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Madmena en Gebim zijn kleine plaatsen bij Jeruzalem. Hun ligging is onzeker. Zie ook: Joz 15:31 **10:32** Nog vandaag blijft hij in Nob staan. Hij zwaait met zijn hand naar de berg van Dochter Sion, de heuvel van Jeruzalem. Brontekst: ע֥וֹד (od) = nog | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | בְּנֹ֣ב (benov) = in Nob | לַֽעֲמֹ֑ד (laamod) = om te blijven staan | יְנֹפֵ֤ף (yenofef) = zwaait hij | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | הַ֣ר (har) = berg van | בַּת (bat) = Dochter | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | גִּבְעַ֖ת (givat) = heuvel van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nob (ligging onzeker): Nob, de stad van de priesters, lag vermoedelijk op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem (Scopusberg). Dit is niet zeker. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Nob was de stad van de priesters (1 Sam. 21:2). Zij lag vermoedelijk op de bergrug ten noorden van Jeruzalem, in het zicht van de stad. Voetnoot : בַּת צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem als een vrouw. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) בַּת (bat), ‘dochter’. De geschreven tekst (ketiv) heeft בית (beit), ‘huis van Sion’. Zie ook: 1 Sam 21:2; 1 Sam 22:19; Jes 19:16; Jes 37:22; Zach 2:13 ### Yahweh hakt het woud om **10:33** Zie, de Heer, Yahweh van de legermachten, kapt de takken af met schrikwekkende kracht. De hooggegroeiden worden omgehouwen, en de verhevenen worden neergehaald. Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הָאָדוֹן֙ (haadon) = de Heer | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | מְסָעֵ֥ף (mesaef) = kapt af | פֻּארָ֖ה (pura) = de takken | בְּמַעֲרָצָ֑ה (bemaaratsa) = met schrikwekkende kracht | וְרָמֵ֤י (veramei) = en de hoogsten van | הַקּוֹמָה֙ (haqoma) = gestalte | גְּדוּעִ֔ים (geduim) = omgehouwen | וְהַגְּבֹהִ֖ים (vehagevohim) = en de verhevenen | יִשְׁפָּֽלוּ (yishpalu) = worden neergehaald Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲרָצָה (ma'aratsah), ‘met schrikwekkende kracht’: het woord komt alleen hier voor en hangt samen met ‘doen schrikken’. Zie ook: Amos 2:9; Jes 2:11–17; Jes 10:16–19; Jes 37:38; Dan 4:34 **10:34** Het struikgewas van het woud wordt met ijzer weggehakt, en de Libanon valt door een machtige. Brontekst: וְנִקַּ֛ף (veniqaf) = en wordt weggehakt | סִֽבְכֵ֥י (sivkhei) = het struikgewas van | הַיַּ֖עַר (hayaar) = het woud | בַּבַּרְזֶ֑ל (babarzel) = met ijzer | וְהַלְּבָנ֖וֹן (vehalevanon) = en de Libanon | בְּאַדִּ֥יר (beadir) = door een machtige | יִפּֽוֹל (yipol) = valt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַדִּיר (addir), ‘een machtige’: het Hebreeuws zegt niet wie bedoeld wordt. Het kan Yahweh zijn, maar ook de machtige bomen zelf. De Libanon met zijn hoge bomen is hier een beeld van de trotse machthebbers. Zie ook: Jes 31:8; Jes 37:24; Nah 1:12; 2 Petr 2:11; Openb 18:21 ## Jesaja 11 _De twijg uit Isaï, de vrede in de schepping en de terugkeer van Gods volk_ ### Een twijg uit de stronk van Isaï **11:1** Er komt een twijg voort uit de stronk van Isaï, en een scheut uit zijn wortels zal vrucht dragen. Brontekst: וְיָצָ֥א (veyatsa) = en komt voort | חֹ֖טֶר (choter) = twijg | מִגֵּ֣זַע (migeza) = uit de stronk van | יִשָׁ֑י (yishay) = Isaï | וְנֵ֖צֶר (venetser) = en een scheut | מִשָּׁרָשָׁ֥יו (misharashav) = uit zijn wortels | יִפְרֶֽה (yifre) = zal vrucht dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹטֶר (choter), ‘twijg’, גֵּזַע (geza), ‘stronk’, en נֵצֶר (netser), ‘scheut’: de stronk is wat overblijft van een omgehakte boom. Het beeld sluit aan bij het omhakken van het woud in 10:33–34. Voetnoot : יִשַׁי (Yishai), ‘Isaï’: de vader van David (Ruth 4:22; 1 Sam. 16:1). Vers 10 wordt aangehaald in Rom. 15:12. Zie ook: Ruth 4:22; 1 Sam 16:1; Jes 11:10; Jer 23:5; Zach 6:12; Hand 13:22–23; Rom 15:12; Openb 5:5; Openb 22:16 **11:2** De Geest van Yahweh zal op hem rusten: de Geest van wijsheid en inzicht, de Geest van raad en kracht, de Geest van kennis en van de vrees voor Yahweh. Brontekst: וְנָחָ֥ה (venacha) = en zal rusten | עָלָ֖יו (alav) = op hem | ר֣וּחַ (ruach) = Geest van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | ר֧וּחַ (ruach) = Geest van | חָכְמָ֣ה (chakhema) = wijsheid | וּבִינָ֗ה (uvina) = en inzicht | ר֤וּחַ (ruach) = Geest van | עֵצָה֙ (etsa) = raad | וּגְבוּרָ֔ה (ugevura) = en kracht | ר֥וּחַ (ruach) = Geest van | דַּ֖עַת (daat) = kennis | וְיִרְאַ֥ת (veyirat) = en vrees voor | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘Geest’: wij schrijven het woord in alle zes delen met een hoofdletter, omdat het Hebreeuws deze delen naast ‘de Geest van Yahweh’ zet: de Geest die op hem rust, is een Geest van wijsheid, inzicht, raad, kracht, kennis en vrees voor Yahweh. Voetnoot : יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ontzag voor Hem. Het woord keert terug in vers 3. Voetnoot : עֵצָה (etsah), ‘raad’: zo vertalen wij etsah als het om mensen gaat, en ook hier als gave van de Geest. Bij Yahweh heet het ‘besluit’, zoals in Jes. 5:19. Zie ook: Jes 5:19; Jes 11:3; Jes 42:1; Jes 61:1; Joh 16:13; Ef 1:17–18; 2 Tim 1:7 **11:3** Zijn welbehagen zal zijn in de vrees voor Yahweh. Hij zal niet rechtspreken naar wat zijn ogen zien, en niet beslissen naar wat zijn oren horen. Brontekst: וַהֲרִיח֖וֹ (vaharicho) = en zijn welbehagen | בְּיִרְאַ֣ת (beyirat) = in de vrees voor | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹֽא (velo) = en niet | לְמַרְאֵ֤ה (lemare) = naar wat zichtbaar is voor | עֵינָיו֙ (einav) = zijn ogen | יִשְׁפּ֔וֹט (yishpot) = zal hij rechtspreken | וְלֹֽא (velo) = en niet | לְמִשְׁמַ֥ע (lemishma) = naar wat hoorbaar is voor | אָזְנָ֖יו (azenav) = zijn oren | יוֹכִֽיחַ (yokhiach) = zal hij beslissen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַהֲרִיחוֹ (vaharicho), ‘zijn welbehagen zal zijn’: het werkwoord betekent letterlijk ‘doen ruiken’. Hier gaat het om zijn lust en vreugde. Vergelijk de ‘aangename geur’ van het offer in Lev. 1:9. Voetnoot : יוֹכִיחַ (yokhiach), ‘beslissen’: zie bij vers 4. Zie ook: Lev 1:9; 1 Sam 16:7; Spr 2:5; Jes 11:4; Luc 2:52; Joh 7:24; Joh 8:15–16 **11:4** Hij zal met gerechtigheid rechtspreken over de armen en met eerlijkheid beslissen voor de ootmoedigen van het land. Hij zal de aarde slaan met de knuppel van zijn mond, en met de adem van zijn lippen zal hij de goddeloze doden. Brontekst: וְשָׁפַ֤ט (veshafat) = en zal rechtspreken | בְּצֶ֨דֶק֙ (betsedeq) = met gerechtigheid | דַּלִּ֔ים (dalim) = over de armen | וְהוֹכִ֥יחַ (vehokhiach) = en zal beslissen | בְּמִישׁ֖וֹר (bemishor) = met eerlijkheid | לְעַנְוֵי (leanvei) = voor de ootmoedigen van | אָ֑רֶץ (arets) = het land | וְהִֽכָּה (vehika) = en zal slaan | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = de aarde | בְּשֵׁ֣בֶט (beshevet) = met de knuppel van | פִּ֔יו (piv) = zijn mond | וּבְר֥וּחַ (uveruach) = en met de adem van | שְׂפָתָ֖יו (sefatav) = zijn lippen | יָמִ֥ית (yamit) = zal hij doden | רָשָֽׁע (rasha) = de goddeloze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹכִיחַ (hokiach), ‘beslissen’: een zaak beslissen, terechtwijzen. In Amos 5:10 vertalen wij hetzelfde werkwoord met ‘terechtwijzen’, want daar gaat het om wie in de poort iemand aanspreekt. Hier gaat het om een uitspraak in een rechtszaak. Voetnoot : אֶרֶץ (arets) betekent ‘land’ en ‘aarde’. In dit vers staat het woord twee keer: ‘het land’ bij de ootmoedigen en ‘de aarde’ bij het slaan. Voetnoot : שֵׁבֶט (shevet), ‘knuppel’: zo vertalen wij ook in Jes. 10:5. De knuppel van zijn mond is zijn woord. Zie ook: Job 4:9; Spr 31:8–9; Amos 5:10; Jes 10:5; Mal 3:24; 2 Tess 2:8; Openb 19:15 **11:5** Gerechtigheid zal de gordel van zijn heupen zijn, en betrouwbaarheid de gordel van zijn lendenen. Brontekst: וְהָ֥יָה (vehaya) = en zal zijn | צֶ֖דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | אֵז֣וֹר (ezor) = gordel van | מָתְנָ֑יו (matenav) = zijn heupen | וְהָאֱמוּנָ֖ה (vehaemuna) = en de betrouwbaarheid | אֵז֥וֹר (ezor) = gordel van | חֲלָצָֽיו (chalatsav) = zijn lendenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱמוּנָה (emunah), ‘betrouwbaarheid’: wat vast en te vertrouwen is. Zie ook: Jes 25:1; Jes 59:17; 2 Kor 6:7; Ef 6:14; 1 Joh 1:9 ### De wolf bij het lam **11:6** De wolf verblijft als gast bij het lam, en het luipaard ligt bij het bokje. Het kalf, de jonge leeuw en het gemeste dier zijn samen, en een kleine jongen leidt hen. Brontekst: וְגָ֤ר (vegar) = en zal als gast verblijven | זְאֵב֙ (zeev) = wolf | עִם (im) = bij | כֶּ֔בֶשׂ (keves) = lam | וְנָמֵ֖ר (venamer) = en luipaard | עִם (im) = bij | גְּדִ֣י (gedi) = bokje | יִרְבָּ֑ץ (yirbats) = zal liggen | וְעֵ֨גֶל (veegel) = en kalf | וּכְפִ֤יר (ukhefir) = en jonge leeuw | וּמְרִיא֙ (umeri) = en gemest dier | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | וְנַ֥עַר (venaar) = en jongen | קָטֹ֖ן (qaton) = klein | נֹהֵ֥ג (noheg) = leidt | בָּֽם (bam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָמֵר (namer), ‘luipaard’: zo vertalen wij ook in Hos. 13:7. Voetnoot : מְרִיא (meri), ‘gemest dier’: een gemest kalf of lam. Voetnoot : Dit beeld komt terug in Jes. 65:25. Zie ook: Hos 2:20; Hos 13:7; Jes 65:25; Ezech 34:25; Gal 3:26–27; Openb 5:9–10 **11:7** De koe en de beer grazen samen, hun jongen liggen samen neer, en de leeuw eet stro als het rund. Brontekst: וּפָרָ֤ה (ufara) = en koe | וָדֹב֙ (vadov) = en beer | תִּרְעֶ֔ינָה (tireina) = zullen grazen | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | יִרְבְּצ֣וּ (yirbetsu) = zullen liggen | יַלְדֵיהֶ֑ן (yaldeihen) = hun jongen | וְאַרְיֵ֖ה (vearye) = en leeuw | כַּבָּקָ֥ר (kabaqar) = als het rund | יֹֽאכַל (yokhal) = zal eten | תֶּֽבֶן (teven) = stro Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:8** De zuigeling speelt bij het gat van de adder, en het gespeende kind steekt zijn hand uit naar het hol van de giftige slang. Brontekst: וְשִֽׁעֲשַׁ֥ע (veshiasha) = en zal spelen | יוֹנֵ֖ק (yoneq) = zuigeling | עַל (al) = bij | חֻ֣ר (chur) = gat van | פָּ֑תֶן (paten) = adder | וְעַל֙ (veal) = en bij | מְאוּרַ֣ת (meurat) = hol van | צִפְעוֹנִ֔י (tsifoni) = giftige slang | גָּמ֖וּל (gamul) = gespeend kind | יָד֥וֹ (yado) = zijn hand | הָדָֽה (hada) = steekt uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּתֶן (pethen), ‘adder’: zo vertalen wij ook in Ps. 58:5. צִפְעוֹנִי (tsif'oni), ‘giftige slang’. Voetnoot : הָדָה (hadah), ‘steekt uit’: het werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Zie ook: Ps 58:5; Ps 140:4; Jes 59:5 **11:9** **„Zij zullen geen kwaad doen en geen verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg.”** Want de aarde is vol van de kennis van Yahweh, zoals de wateren de zee bedekken. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יָרֵ֥עוּ (yareu) = zullen kwaad doen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַשְׁחִ֖יתוּ (yashchitu) = zullen verderf aanrichten | בְּכָל (bekhal) = op heel | הַ֣ר (har) = berg van | קָדְשִׁ֑י (qadeshi) = Mijn heiligheid | כִּֽי (ki) = want | מָלְאָ֣ה (malea) = is vol geworden | הָאָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | דֵּעָה֙ (dea) = kennis van | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּמַּ֖יִם (kamayim) = zoals de wateren | לַיָּ֥ם (layam) = de zee | מְכַסִּֽים (mekhasim) = bedekkend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Yahweh zelf: ‘Mijn heilige berg’. Daarom staat deze zin rood. De rest van het vers is een woord van de profeet over Yahweh. Voetnoot : Dezelfde woorden staan in Jes. 65:25 (daar rood, met ‘zegt Yahweh’). Voetnoot : דֵּעָה אֶת יְהוָה (de'ah et Yahweh), ‘kennis van Yahweh’: Yahweh kennen. Vergelijk Hab. 2:14. Zie ook: Job 5:23; Ps 98:2–3; Jes 52:10; Jes 65:25; Mi 4:2–4; Hab 2:14 ### De wortel van Isaï, een banier voor de volken **11:10** Het zal gebeuren op die dag: de wortel van Isaï, die als banier voor de volken staat, hem zullen de volken zoeken. En zijn rustplaats zal heerlijkheid zijn. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | שֹׁ֣רֶשׁ (shoresh) = wortel van | יִשַׁ֗י (yishay) = Isaï | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | עֹמֵד֙ (omed) = staat | לְנֵ֣ס (lenes) = als banier van | עַמִּ֔ים (amim) = volken | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | יִדְרֹ֑שׁוּ (yidroshu) = zullen zoeken | וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en zal zijn | מְנֻחָת֖וֹ (menuchato) = zijn rustplaats | כָּבֽוֹד (kavod) = heerlijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁרֶשׁ יִשַׁי (shoresh Yishai), ‘de wortel van Isaï’: de oorsprong van het koningshuis; vergelijk vers 1. Voetnoot : נֵס (nes), ‘banier’: een teken op een hoogte, waar mensen zich om verzamelen. Vergelijk de slang op een paal in Num. 21:8. Voetnoot : יִדְרֹשׁוּ (yidroshu), ‘zullen zoeken’: darash, ‘zoeken’ of ‘raadplegen’; zie Amos 5:4. Voetnoot : מְנֻחָתוֹ (menuchato), ‘zijn rustplaats’: de plaats waar hij woont en regeert. Zie ook: Num 21:8; Amos 5:4; Jes 11:1; Mat 2:1–2; Luc 2:32; Joh 12:32; Rom 15:9–12 ### Yahweh haalt de overgeblevenen terug **11:11** Het zal gebeuren op die dag: de Heer zal voor de tweede keer Zijn hand uitstrekken. Hij zal de overgeblevenen van Zijn volk verwerven. Zij blijven over uit Assyrië, uit Egypte, uit Patros, uit Kush, uit Elam, uit Sinear, uit Chamat en uit de eilanden van de zee. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יוֹסִ֨יף (yosif) = zal toevoegen | אֲדֹנָ֤י (adonay) = de Heer | שֵׁנִית֙ (shenit) = voor de tweede keer | יָד֔וֹ (yado) = Zijn hand | לִקְנ֖וֹת (liqnot) = om te verwerven | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאָ֣ר (shear) = de overgeblevenen van | עַמּ֑וֹ (amo) = Zijn volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִשָּׁאֵר֩ (yishaer) = overblijven | מֵאַשּׁ֨וּר (meashur) = uit Assyrië | וּמִמִּצְרַ֜יִם (umimitsrayim) = en uit Egypte | וּמִפַּתְר֣וֹס (umipatros) = en uit Patros | וּמִכּ֗וּשׁ (umikush) = en uit Kush | וּמֵעֵילָ֤ם (umeeilam) = en uit Elam | וּמִשִּׁנְעָר֙ (umishinar) = en uit Sinear | וּמֵ֣חֲמָ֔ת (umechamat) = en uit Chamat | וּמֵאִיֵּ֖י (umeiyei) = en uit de eilanden van | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Patros (Opper-Egypte): Patros is Opper-Egypte, het zuiden van Egypte langs de Nijl, ten zuiden van de delta. De grenzen zijn niet scherp te trekken. Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel staat hier zonder de naam Yahweh. Voetnoot : יוֹסִיף שֵׁנִית יָדוֹ (yosif shenit yado), ‘voor de tweede keer Zijn hand uitstrekken’: letterlijk ‘zal Zijn hand voor de tweede keer toevoegen’. De eerste keer was de uittocht uit Egypte; zie Exod. 15:16, waar Yahweh Zijn volk ‘verwerft’. Voetnoot : פַּתְרוֹס (Patros) is het zuiden van Egypte. כּוּשׁ (Kush) ligt ten zuiden van Egypte. עֵילָם (Elam) ligt in het oosten, שִׁנְעָר (Sinear) is Babylonië (Gen. 10:10). Voetnoot : אִיֵּי הַיָּם (iyyei hayyam), ‘de eilanden van de zee’: ook ‘de kustlanden van de zee’; het gaat om de landen aan de Middellandse Zee. Zie ook: Gen 10:10; Ex 15:16; Hos 3:4–5; Jes 10:20; Mi 7:12; Zach 10:8–12; Rom 11:26 **11:12** Hij zal een banier opheffen voor de volken. Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooiden van Juda bijeenbrengen, uit de vier uithoeken van de aarde. Brontekst: וְנָשָׂ֥א (venasa) = en zal opheffen | נֵס֙ (nes) = banier | לַגּוֹיִ֔ם (lagoyim) = voor de volken | וְאָסַ֖ף (veasaf) = en zal verzamelen | נִדְחֵ֣י (nidchei) = verdrevenen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּנְפֻצ֤וֹת (unefutsot) = en verstrooiden van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | יְקַבֵּ֔ץ (yeqabets) = zal bijeenbrengen | מֵאַרְבַּ֖ע (mearba) = uit vier | כַּנְפ֥וֹת (kanfot) = uithoeken van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּנְפוֹת (kanfot), ‘uithoeken’: letterlijk ‘vleugels’. ‘De vier uithoeken van de aarde’ betekent: van overal. Zie ook: Ps 147:2; Jes 11:10; Jes 43:6; Jes 56:8; Sef 3:10 **11:13** De afgunst van Efraïm zal wijken, en de benauwers van Juda zullen worden uitgeroeid. Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen. Brontekst: וְסָ֨רָה֙ (vesara) = en zal wijken | קִנְאַ֣ת (qinat) = afgunst van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וְצֹרְרֵ֥י (vetsorerei) = en benauwers van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | יִכָּרֵ֑תוּ (yikaretu) = zullen worden uitgeroeid | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | לֹֽא (lo) = niet | יְקַנֵּ֣א (yeqane) = zal benijden | אֶת (et) = (obj.) | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וִֽיהוּדָ֖ה (vihuda) = en Juda | לֹֽא (lo) = niet | יָצֹ֥ר (yatsor) = zal benauwen | אֶת (et) = (obj.) | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Efraïm is het noordelijke koninkrijk Israël, Juda het zuidelijke. Sinds de scheiding (1 Kon. 12:16–19) waren zij vijanden. Het werkwoord צָרַר (tsarar), ‘benauwen’, staat ook in Amos 5:12. Zie ook: 1 Kon 12:16–19; Amos 5:12; Hos 2:2; Jes 7:1–6; Jes 9:20; Jer 3:18; Ezech 37:16–24 **11:14** Zij zullen vliegen op de schouder van de Filistijnen, naar het westen. Samen zullen zij de zonen van het oosten plunderen. Naar Edom en Moab zullen zij hun hand uitstrekken, en de zonen van Ammon zullen hun gehoorzamen. Brontekst: וְעָפ֨וּ (veafu) = en zij zullen vliegen | בְכָתֵ֤ף (bekhatef) = op de schouder van | פְּלִשְׁתִּים֙ (pelishtim) = de Filistijnen | יָ֔מָּה (yama) = naar het westen | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | יָבֹ֣זּוּ (yavozu) = zullen plunderen | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵי (benei) = de zonen van | קֶ֑דֶם (qedem) = het oosten | אֱד֤וֹם (edom) = Edom | וּמוֹאָב֙ (umoav) = en Moab | מִשְׁל֣וֹח (mishloch) = uitstrekking van | יָדָ֔ם (yadam) = hun hand | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | מִשְׁמַעְתָּֽם (mishmatam) = hun gehoorzaamheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië. Voetnoot Uitleg: בְכָתֵף (bekhatef), ‘op de schouder’: de schouder is de helling of flank van het land. Het werkwoord עוּף (uf), ‘vliegen’, wekt het beeld van een vogel die neerstrijkt. Voetnoot : מִשְׁמַעְתָּם (mishma'tam), ‘hun gehoorzaamheid’: Ammon wordt hun onderdaan. Zie ook: Joël 4:19; Amos 9:12; Jes 25:10; Jer 49:28; Dan 11:41 ### Een weg door de Rivier **11:15** Yahweh zal de tong van de zee van Egypte met de ban slaan. Hij zal Zijn hand over de Rivier zwaaien met de gloed van Zijn adem, en haar slaan tot zeven beken. Hij zal hen in sandalen laten doortrekken. Brontekst: וְהֶחֱרִ֣ים (vehecherim) = en zal met de ban slaan | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֚ת (et) = (obj.) | לְשׁ֣וֹן (leshon) = de tong van | יָם (yam) = zee van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהֵנִ֥יף (vehenif) = en zal zwaaien | יָד֛וֹ (yado) = Zijn hand | עַל (al) = over | הַנָּהָ֖ר (hanahar) = de Rivier | בַּעְיָ֣ם (bayam) = met de gloed van | רוּח֑וֹ (rucho) = Zijn adem | וְהִכָּ֨הוּ֙ (vehikahu) = en zal haar slaan | לְשִׁבְעָ֣ה (leshiva) = tot zeven | נְחָלִ֔ים (nechalim) = beken | וְהִדְרִ֖יךְ (vehidrikh) = en zal laten doortrekken | בַּנְּעָלִֽים (banealim) = in sandalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Zee van Egypte (Golf van Suez?; ligging onzeker): De ‘tong van de zee van Egypte’ is waarschijnlijk de Golf van Suez, de westelijke tak van de Rode Zee. Dit is niet zeker. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land. De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Voetnoot Uitleg: הֶחֱרִים (hecherim), ‘met de ban slaan’: aan Yahweh wijden en daardoor vernietigen (Joz. 6:17). Voetnoot : לְשׁוֹן יָם מִצְרַיִם (leshon yam Mitsrayim), ‘de tong van de zee van Egypte’: waarschijnlijk de Golf van Suez, een arm van de Rode Zee. Dit is niet zeker. Voetnoot : הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat. Voetnoot : בַּעְיָם (ba'yam), ‘met de gloed van’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; ook ‘met geweld van’ is mogelijk. Zie ook: Joz 6:17; Jes 7:20; Jes 19:16; Jes 50:2; Zach 10:11; Openb 16:12 **11:16** Er komt een gebaande weg voor de overgeblevenen van Zijn volk die overblijven uit Assyrië. Zo was er ook een voor Israël op de dag dat het uit het land Egypte optrok. Brontekst: וְהָיְתָ֣ה (vehayeta) = en zal zijn | מְסִלָּ֔ה (mesila) = gebaande weg | לִשְׁאָ֣ר (lishar) = voor de overgeblevenen van | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יִשָּׁאֵ֖ר (yishaer) = overblijven | מֵֽאַשּׁ֑וּר (meashur) = uit Assyrië | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | הָֽיְתָה֙ (hayeta) = was | לְיִשְׂרָאֵ֔ל (leyisrael) = voor Israël | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | עֲלֹת֖וֹ (aloto) = zijn optrekken | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מְסִלָּה (mesillah), ‘gebaande weg’: een weg die is opgehoogd en vrijgemaakt. Vergelijk de doortocht door de zee in Exod. 14:22. Zie ook: Ex 14:22; Ex 14:26–29; Jes 11:11; Jes 19:23; Jes 35:8–10; Jes 62:10 ## Jesaja 12 _Het lied van dank op die dag_ ### Ik dank U, Yahweh **12:1** Op die dag zul je zeggen: „Ik dank U, Yahweh, want U was toornig op mij. Uw toorn heeft zich afgewend en U hebt mij getroost. Brontekst: וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en je zult zeggen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | אוֹדְךָ֣ (odekha) = ik dank U | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | אָנַ֖פְתָּ (anafta) = U was toornig | בִּ֑י (bi) = op mij | יָשֹׁ֥ב (yashov) = heeft zich afgewend | אַפְּךָ֖ (apekha) = Uw toorn | וּֽתְנַחֲמֵֽנִי (utenachameni) = en U troost mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit korte hoofdstuk is een lied voor ‘die dag’, de dag waarop Yahweh Zijn volk herstelt (11:10–16). Het eerste lied (verzen 1–2) is voor één persoon: ‘je zult zeggen’. Het tweede lied (verzen 4–6) is voor allen: ‘jullie zullen zeggen’. Voetnoot : אוֹדְךָ (odekha), ‘Ik dank U’: het werkwoord yadah, ‘danken’ en ook ‘belijden’, zoals in de Psalmen. Voetnoot : וּתְנַחֲמֵנִי (utenachameni), ‘en U hebt mij getroost’: het werkwoord nicham betekent hier ‘troosten’. In andere vormen betekent het ‘Zich laten rouwen’, zoals in Joël 2:13. Zie ook: Ps 30:6; Joël 2:13; Jes 25:1; Jes 40:1–2; Jes 54:8; Zach 14:9 **12:2** Zie, El is mijn redding. Ik vertrouw en ben niet bang. Want mijn kracht en mijn lied is Jah, Yahweh. Hij is mij tot redding geworden.” Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אֵ֧ל (el) = El | יְשׁוּעָתִ֛י (yeshuati) = mijn redding | אֶבְטַ֖ח (evtach) = ik vertrouw | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶפְחָ֑ד (efchad) = ben ik bang | כִּֽי (ki) = want | עָזִּ֤י (azi) = mijn kracht | וְזִמְרָת֙ (vezimrat) = en lied van | יָ֣הּ (yah) = Jah | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיְהִי (vayhi) = en Hij is geworden | לִ֖י (li) = voor mij | לִֽישׁוּעָֽה (lishua) = tot redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers staat bijna letterlijk in Exod. 15:2 en Ps. 118:14. Voetnoot : יָהּ (Yah), ‘Jah’: een korte vorm van de naam Yahweh. Wij schrijven het zoals in Exod. 15:2. Voetnoot : יְשׁוּעָה (yeshuah), ‘redding’: dezelfde stam als in de naam Jesaja (Yesha'yahu), ‘redding van Yahweh’. Zie ook: Ex 15:2; Ps 27:1; Ps 118:14; Jes 26:3–4; Openb 7:10 ### Water uit de bronnen van de redding **12:3** Met vreugde zullen jullie water scheppen uit de bronnen van de redding. Brontekst: וּשְׁאַבְתֶּם (usheavtem) = en jullie zullen scheppen | מַ֖יִם (mayim) = water | בְּשָׂשׂ֑וֹן (besason) = met vreugde | מִמַּעַיְנֵ֖י (mimaaynei) = uit de bronnen van | הַיְשׁוּעָֽה (hayshua) = de redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Jullie’ staat hier in het meervoud, anders dan ‘je’ in vers 1. Het water uit de bronnen is een beeld van de redding die Yahweh geeft. Zie ook: Jes 12:1; Jer 2:13; Joh 4:10–14; Openb 7:17; Openb 22:1; Openb 22:17 ### Dank Yahweh en maak Zijn daden bekend **12:4** Op die dag zullen jullie zeggen: „Dank Yahweh, roep Zijn naam aan, maak Zijn daden bekend onder de volken. Vermeld dat Zijn naam verheven is. Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֞ם (vaamartem) = en jullie zullen zeggen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | הוֹד֤וּ (hodu) = dank | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = Yahweh | קִרְא֣וּ (qiru) = roep aan | בִשְׁמ֔וֹ (bishmo) = Zijn naam | הוֹדִ֥יעוּ (hodiu) = maak bekend | בָֽעַמִּ֖ים (baamim) = onder de volken | עֲלִֽילֹתָ֑יו (alilotav) = Zijn daden | הַזְכִּ֕ירוּ (hazkiru) = vermeld | כִּ֥י (ki) = dat | נִשְׂגָּ֖ב (nisgav) = verheven is | שְׁמֽוֹ (shemo) = Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers staat letterlijk in Ps. 105:1 en 1 Kron. 16:8 (het laatste deel, ‘Vermeld dat Zijn naam verheven is’, staat daar niet). Voetnoot : הַזְכִּירוּ (hazkiru), ‘vermeld’: letterlijk ‘doe gedenken’. Voetnoot : נִשְׂגָּב (nisgav), ‘verheven’: zo vertalen wij ook in Ps. 148:13. Zie ook: 1 Kron 16:8; 1 Kron 29:11; Ps 105:1; Ps 117:1–2; Ps 145:4–6; Ps 148:13; Fil 2:9–11 **12:5** Speel voor Yahweh, want Hij heeft verheven daden gedaan. Laat dit bekend zijn op heel de aarde. Brontekst: זַמְּר֣וּ (zameru) = speel | יְהוָ֔ה (Yahweh) = voor Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | גֵא֖וּת (geut) = verheven daden | עָשָׂ֑ה (asa) = heeft Hij gedaan | מוּדַ֥עַת (mudaat) = bekend | זֹ֖את (zot) = dit | בְּכָל (bekhal) = op heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זַמְּרוּ (zammeru), ‘speel’: zingen met muziek. Zo vertalen wij het werkwoord ook in Ps. 105:2. Voetnoot : גֵּאוּת (ge'ut), ‘verheven daden’: wat hoog en machtig is. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) מוּדַעַת (mudaat), ‘bekend’. De geschreven tekst (ketiv) heeft een andere spelling van hetzelfde woord, met dezelfde betekenis. Zie ook: Ex 15:1; Ps 98:1; Ps 105:2; Jes 40:9; Hab 2:14; Openb 15:3 **12:6** Juich en jubel, bewoonster van Sion, want groot is in jouw midden de Heilige van Israël.” Brontekst: צַהֲלִ֥י (tsahali) = juich | וָרֹ֖נִּי (varoni) = en jubel | יוֹשֶׁ֣בֶת (yoshevet) = bewoonster van | צִיּ֑וֹן (tsiyon) = Sion | כִּֽי (ki) = want | גָד֥וֹל (gadol) = groot | בְּקִרְבֵּ֖ךְ (beqirbekh) = in jouw midden | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יוֹשֶׁבֶת צִיּוֹן (yoshevet Tsiyyon), ‘bewoonster van Sion’: de stad Sion als een vrouw, zoals ‘Dochter Sion’. Voetnoot : קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra'el), ‘de Heilige van Israël’: zie Jes. 10:20. Zie ook: Ps 9:12; Jes 10:20; Jes 41:14; Sef 3:14–17; Zach 2:9; Zach 2:14–15 ## Jesaja 13 _Last over Babel: de dag van Yahweh komt_ ### Last over Babel **13:1** Last over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, zag. Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = last van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָזָ֔ה (chaza) = zag | יְשַׁעְיָ֖הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶּן (ben) = zoon van | אָמֽוֹץ (amots) = Amoz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord over een volk. Het komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ of ‘opheffen’. De hoofdstukken 13–23 bevatten zulke ‘lasten’ over volken. Voetnoot : יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: de naam betekent ‘Yahweh redt’. Voetnoot : De val van Babel komt ook voor in Jer. 50–51. Zie ook: Jes 1:1; Jes 47:1–15; Jer 50:1–51:64; Dan 5:6; Openb 17:1–18 ### Een banier op de kale berg **13:2** Hef op een kale berg een banier op. Roep hen luid toe. Zwaai met de hand, zodat zij door de poorten van de edelen binnenkomen. Brontekst: עַ֤ל (al) = op | הַר (har) = berg | נִשְׁפֶּה֙ (nishpe) = kale | שְֽׂאוּ (seu) = hef op | נֵ֔ס (nes) = banier | הָרִ֥ימוּ (harimu) = verhef | ק֖וֹל (qol) = stem | לָהֶ֑ם (lahem) = tot hen | הָנִ֣יפוּ (hanifu) = zwaai | יָ֔ד (yad) = hand | וְיָבֹ֖אוּ (veyavou) = en laat binnenkomen | פִּתְחֵ֥י (pitchei) = poorten van | נְדִיבִֽים (nedivim) = edelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁפֶּה (nishpeh), ‘kale’: een berg zonder bomen, zodat de banier van ver te zien is. נֵס (nes), ‘banier’: een teken om mensen te verzamelen. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie hier spreekt en tegen wie de bevelen gericht zijn. In vers 3 spreekt Yahweh zelf. Zie ook: Jes 5:26; Jes 13:3; Jes 45:1–3; Jer 50:2; Jer 51:25; Jer 51:58 **13:3** **„Ik heb Mijn geheiligden opdracht gegeven. Ook heb Ik Mijn helden geroepen voor Mijn toorn, hen die juichen in Mijn hoogheid.”** Brontekst: אֲנִ֥י (ani) = Ik | צִוֵּ֖יתִי (tsiveiti) = Ik heb opdracht gegeven | לִמְקֻדָּשָׁ֑י (limqudashay) = aan Mijn geheiligden | גַּ֣ם (gam) = ook | קָרָ֤אתִי (qarati) = Ik heb geroepen | גִבּוֹרַי֙ (giboray) = Mijn helden | לְאַפִּ֔י (leapi) = voor Mijn toorn | עַלִּיזֵ֖י (alizei) = juichenden van | גַּאֲוָתִֽי (gaavati) = Mijn hoogheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְקֻדָּשָׁי (mequddashai), ‘Mijn geheiligden’: mensen die door Yahweh voor een taak zijn afgezonderd, hier voor de strijd. Vergelijk Joël 4:9: ‘Heilig een oorlog.’ Voetnoot : גַּאֲוָתִי (ga’avati), ‘Mijn hoogheid’: hetzelfde woord als ‘hoogmoed’ in vers 11. Hier gaat het om de majesteit van Yahweh zelf. Zie ook: Joël 4:9; Joël 4:11; Jes 13:11; Jes 45:4–5; Jer 51:20–24; Ezra 1:1–11; Openb 17:12–18 **13:4** Een geluid van een menigte in de bergen, als van een talrijk volk! Een geluid van gedreun van koninkrijken, van volken die zich verzamelen! Yahweh van de legermachten houdt inspectie over het leger voor de strijd. Brontekst: ק֥וֹל (qol) = geluid van | הָמ֛וֹן (hamon) = menigte | בֶּֽהָרִ֖ים (beharim) = in de bergen | דְּמ֣וּת (demut) = gelijkenis van | עַם (am) = volk | רָ֑ב (rav) = talrijk | ק֠וֹל (qol) = geluid van | שְׁא֞וֹן (sheon) = gedreun van | מַמְלְכ֤וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | גּוֹיִם֙ (goyim) = volken | נֶֽאֱסָפִ֔ים (neesafim) = die zich verzamelen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | מְפַקֵּ֖ד (mefaqed) = die inspectie houdt | צְבָ֥א (tseva) = leger van | מִלְחָמָֽה (milchama) = strijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְפַקֵּד (mefaqed), ‘houdt inspectie over’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘tellen’ en ‘monsteren’, en ook ‘straffen’ (zie vers 11). Voetnoot : צְבָאוֹת (Tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Voor Yahweh van de legermachten zie Jes. 1:9. Hier past het goed: Yahweh monstert Zijn leger. Zie ook: Joël 2:1–11; Joël 2:25; Joël 4:14; Jes 1:9; Jes 13:11; Ezech 38:3–23; Openb 19:11–21 **13:5** Zij komen uit een ver land, van het einde van de hemel: Yahweh en de wapens van Zijn verontwaardiging, om heel de aarde te verwoesten. Brontekst: בָּאִ֛ים (baim) = zij komen | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit een land | מֶרְחָ֖ק (merchaq) = ver weg | מִקְצֵ֣ה (miqtse) = van het einde van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וּכְלֵ֣י (ukhelei) = en wapens van | זַעְמ֔וֹ (zamo) = Zijn verontwaardiging | לְחַבֵּ֖ל (lechabel) = om te verwoesten | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלֵי זַעְמוֹ (kelei za’mo), ‘de wapens van Zijn verontwaardiging’: de werktuigen waarmee Yahweh Zijn oordeel uitvoert. Vers 17 noemt wie dat zijn: de Meden. Zie ook: Jes 5:26; Jes 13:17; Jer 50:9; Jer 51:11; Jer 51:20–46; Mat 24:31 ### De dag van Yahweh komt **13:6** Jammer, want de dag van Yahweh is nabij! Als een verwoesting van Sjaddai komt hij. Brontekst: הֵילִ֕ילוּ (heililu) = jammer | כִּ֥י (ki) = want | קָר֖וֹב (qarov) = nabij | י֣וֹם (yom) = dag van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כְּשֹׁ֖ד (keshod) = als verwoesting | מִשַּׁדַּ֥י (mishaday) = van Sjaddai | יָבֽוֹא (yavo) = hij komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh ingrijpt en oordeelt. Zie Joël 1:15 en 2:1, en Amos 5:18. Voetnoot : כְּשֹׁד מִשַּׁדַּי (keshod mishaddai), ‘als een verwoesting van Sjaddai’: ‘verwoesting’ (shod) en ‘Sjaddai’ klinken bijna hetzelfde. Zo ook in Joël 1:15. Zie ook: Joël 1:15; Joël 2:1; Amos 5:18; Jes 13:9; Sef 1:7; 1 Tess 5:2–3 **13:7** Daarom worden alle handen slap, en het hart van elke sterveling smelt. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֖ן (ken) = (zo) | כָּל (kal) = alle | יָדַ֣יִם (yadayim) = handen | תִּרְפֶּ֑ינָה (tirpeina) = worden slap | וְכָל (vekhal) = en alle | לְבַ֥ב (levav) = hart van | אֱנ֖וֹשׁ (enosh) = sterveling | יִמָּס (yimas) = smelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 19:1; Nah 1:6; Nah 2:11; Ezech 7:17; Ezech 21:12 **13:8** Zij worden door schrik overmand. Pijnscheuten en weeën grijpen hen. Zij krimpen ineen als een barende. Ieder staart verbijsterd naar zijn naaste. Hun gezichten zijn gezichten van vlammen. Brontekst: וְֽנִבְהָ֓לוּ (venivhalu) = en zij worden overmand door schrik | צִירִ֤ים (tsirim) = pijnscheuten | וַֽחֲבָלִים֙ (vachavalim) = en weeën | יֹֽאחֵז֔וּן (yochezun) = zij grijpen | כַּיּוֹלֵדָ֖ה (kayoleda) = als een barende | יְחִיל֑וּן (yechilun) = zij krimpen ineen | אִ֤ישׁ (ish) = man | אֶל (el) = naar | רֵעֵ֨הוּ֙ (reehu) = zijn naaste | יִתְמָ֔הוּ (yitmahu) = zij staren verbijsterd | פְּנֵ֥י (penei) = gezichten van | לְהָבִ֖ים (lehavim) = vlammen | פְּנֵיהֶֽם (peneihem) = hun gezichten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 48:6–7; Jes 21:3–4; Jes 26:17; Nah 2:11; 1 Tess 5:3 **13:9** Zie, de dag van Yahweh komt, wreed, met woede en brandende toorn, om de aarde tot een woestenij te maken. Haar zondaars zal Hij daaruit uitroeien. Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | יוֹם (yom) = dag van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּ֔א (ba) = komt | אַכְזָרִ֥י (akhzari) = wreed | וְעֶבְרָ֖ה (veevra) = en woede | וַחֲר֣וֹן (vacharon) = en brandende | אָ֑ף (af) = toorn | לָשׂ֤וּם (lasum) = om te maken | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | לְשַׁמָּ֔ה (leshama) = tot woestenij | וְחַטָּאֶ֖יהָ (vechataeiha) = en haar zondaars | יַשְׁמִ֥יד (yashmid) = Hij zal uitroeien | מִמֶּֽנָּה (mimena) = daaruit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַכְזָרִי (akhzari), ‘wreed’: de dag zelf kent geen medelijden. Voetnoot : עֶבְרָה (evrah), ‘woede’, en חֲרוֹן אָף (charon af), ‘brandende toorn’: wij houden deze woorden in dit hoofdstuk gelijk (zie ook vers 13). Zie ook: Jes 13:6; Jes 13:13; Jes 13:15–18; Nah 1:6; Jer 50:40–42; Mal 3:19 **13:10** Want de sterren van de hemel en hun sterrenbeelden geven hun licht niet. De zon is duister als zij opkomt, en de maan laat haar licht niet schijnen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כוֹכְבֵ֤י (kokhevei) = sterren van | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | וּכְסִ֣ילֵיהֶ֔ם (ukhesileihem) = en hun sterrenbeelden | לֹ֥א (lo) = niet | יָהֵ֖לּוּ (yahelu) = geven licht | אוֹרָ֑ם (oram) = hun licht | חָשַׁ֤ךְ (chashakh) = is duister | הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙ (hashemesh) = de zon | בְּצֵאת֔וֹ (betseto) = bij haar opkomst | וְיָרֵ֖חַ (veyareach) = en de maan | לֹֽא (lo) = niet | יַגִּ֥יהַ (yagiha) = laat schijnen | אוֹרֽוֹ (oro) = haar licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּסִילֵיהֶם (kesileyhem), ‘hun sterrenbeelden’: letterlijk ‘hun Orions’. כְּסִיל (kesil) is de naam van het sterrenbeeld Orion (Amos 5:8). Het meervoud met ‘hun’ wijst hier op de sterrenbeelden in het algemeen. Voetnoot : Vergelijk Joël 2:10 en 4:15. Zie ook: Joël 2:10; Joël 3:4; Joël 4:15; Amos 5:8; Jes 5:30; Ezech 32:7–8; Mat 24:29; Mar 13:24 ### Ik straf de wereld **13:11** **„Ik straf de wereld voor haar kwaad en de goddelozen voor hun schuld. Ik maak een einde aan de trots van de overmoedigen. De hoogmoed van de geweldenaars verneder Ik.** Brontekst: וּפָקַדְתִּ֤י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עַל (al) = voor | תֵּבֵל֙ (tevel) = wereld | רָעָ֔ה (raa) = kwaad | וְעַל (veal) = en voor | רְשָׁעִ֖ים (reshaim) = goddelozen | עֲוֺנָ֑ם (avonam) = hun schuld | וְהִשְׁבַּתִּי֙ (vehishbati) = en Ik zal doen ophouden | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | זֵדִ֔ים (zedim) = overmoedigen | וְגַאֲוַ֥ת (vegaavat) = en hoogmoed van | עָרִיצִ֖ים (aritsim) = geweldenaars | אַשְׁפִּֽיל (ashpil) = Ik zal vernederen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: zoals in Hos. 1:4. Het woord betekent ook ‘monsteren’ (vers 4). Voetnoot : זֵדִים (zedim), ‘overmoedigen’: mensen die zich te groot voelen en tegen Elohim in opstand komen. עָרִיצִים (aritsim), ‘geweldenaars’: harde, gewelddadige heersers. Zie ook: Hos 1:4; Jes 2:11; Jes 5:15; Jes 11:4; Jes 13:4; Jer 50:29–32; Dan 5:22–23 **13:12** **Ik maak de sterveling zeldzamer dan fijn goud, en de mens dan goud van Ofir.** Brontekst: אוֹקִ֥יר (oqir) = Ik zal zeldzamer maken | אֱנ֖וֹשׁ (enosh) = sterveling | מִפָּ֑ז (mipaz) = dan fijn goud | וְאָדָ֖ם (veadam) = en mens | מִכֶּ֥תֶם (miketem) = dan goud van | אוֹפִֽיר (ofir) = Ofir Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ofir (Arabië?): De ligging van Ofir is onzeker. Eén voorstel is het zuidwesten van Arabië. Zie Ofir (Oost-Afrika?): Een ander voorstel voor Ofir is de kust van Oost-Afrika (de Hoorn van Afrika); ook India is voorgesteld. Voetnoot Uitleg: אֱנוֹשׁ (enosh), ‘sterveling’, en אָדָם (adam), ‘mens’: twee woorden voor mensen. Er blijven zo weinig mensen over dat zij zeldzamer zijn dan goud. Voetnoot : פָּז (paz), ‘fijn goud’, en כֶּתֶם אוֹפִיר (ketem Ofir), ‘goud van Ofir’: goud van de beste soort. Ofir was een land dat bekend was om zijn goud; zie 1 Kon. 9:28. De ligging is onzeker. Zie ook: Job 28:16; Ps 137:9; 1 Kon 9:28; Jes 4:1; Jes 13:15–18; Jes 24:6 **13:13** **Daarom laat Ik de hemel beven. De aarde schudt van haar plaats, in de woede van Yahweh van de legermachten, op de dag van Zijn brandende toorn.”** Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּן֙ (ken) = (zo) | שָׁמַ֣יִם (shamayim) = hemel | אַרְגִּ֔יז (argiz) = Ik zal doen beven | וְתִרְעַ֥שׁ (vetirash) = en zal schudden | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | מִמְּקוֹמָ֑הּ (mimeqomah) = van haar plaats | בְּעֶבְרַת֙ (beevrat) = in de woede van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וּבְי֖וֹם (uveyom) = en op de dag van | חֲר֥וֹן (charon) = brandende | אַפּֽוֹ (apo) = Zijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘In de woede van Yahweh van de legermachten’: Yahweh spreekt hier in de derde persoon over Zichzelf. Het zijn Zijn eigen woorden; daarom blijft ook dit rood (vergelijk Hos. 1:7). Zie ook: Joël 4:16; Hos 1:7; Nah 1:4–6; Hag 2:6–7; Mat 24:29; Heb 12:26–27 **13:14** Zij worden als een opgejaagde gazelle en als schapen die niemand bijeenbrengt. Ieder keert zich naar zijn volk, en ieder vlucht naar zijn land. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כִּצְבִ֣י (kitsvi) = als een gazelle | מֻדָּ֔ח (mudach) = opgejaagde | וּכְצֹ֖אן (ukhetson) = en als schapen | וְאֵ֣ין (veein) = en niemand | מְקַבֵּ֑ץ (meqabets) = die bijeenbrengt | אִ֤ישׁ (ish) = man | אֶל (el) = naar | עַמּוֹ֙ (amo) = zijn volk | יִפְנ֔וּ (yifnu) = zij keren zich | וְאִ֥ישׁ (veish) = en man | אֶל (el) = naar | אַרְצ֖וֹ (artso) = zijn land | יָנֽוּסוּ (yanusu) = zij vluchten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְבִי (tsevi), ‘gazelle’: dit woord wordt hetzelfde geschreven als ‘sieraad’ in vers 19. Zie ook: 1 Kon 22:17; 1 Kon 22:36; Jes 13:19; Jes 47:15; Jer 50:16; Jer 51:9 **13:15** Ieder die wordt gevonden, wordt doorstoken. Ieder die wordt meegesleurd, valt door het zwaard. Brontekst: כָּל (kal) = ieder | הַנִּמְצָ֖א (hanimtsa) = die gevonden wordt | יִדָּקֵ֑ר (yidaqer) = wordt doorstoken | וְכָל (vekhal) = en ieder | הַנִּסְפֶּ֖ה (hanispe) = die wordt meegesleurd | יִפּ֥וֹל (yipol) = valt | בֶּחָֽרֶב (becharev) = door het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 14:19–22; Jes 47:9–14; Jer 50:25; Jer 50:35–42; Jer 51:3–4 **13:16** Hun kleine kinderen worden voor hun ogen verpletterd. Hun huizen worden geplunderd en hun vrouwen worden verkracht. Brontekst: וְעֹלְלֵיהֶ֥ם (veoleleihem) = en hun kleine kinderen | יְרֻטְּשׁ֖וּ (yeruteshu) = worden verpletterd | לְעֵֽינֵיהֶ֑ם (leeineihem) = voor hun ogen | יִשַּׁ֨סּוּ֙ (yishasu) = worden geplunderd | בָּֽתֵּיהֶ֔ם (bateihem) = hun huizen | וּנְשֵׁיהֶ֖ם (unesheihem) = en hun vrouwen | תִּשָּׁכַֽבְנָה (tishakhavna) = worden verkracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹלְלֵיהֶם (olleleyhem), ‘hun kleine kinderen’: zuigelingen en peuters. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat תשגלנה (tishgalnah), een grof woord. De voorgelezen tekst (qere) is תִּשָּׁכַבְנָה (tishakhavnah), ‘zij worden beslapen’. Wij volgen de qere. Het werkwoord שָׁכַב (shakhav) betekent ‘liggen met’; in dit oorlogsbeeld gaat het om geweld, daarom vertalen wij ‘verkracht’. Zie ook: Ps 137:8–9; Hos 10:14; Jes 13:18; Nah 3:10; Klaagl 5:11 ### Ik wek de Meden op **13:17** **„Zie, Ik wek de Meden tegen hen op. Zij achten zilver niet en hebben geen behagen in goud.** Brontekst: הִנְנִ֛י (hinni) = zie Ik | מֵעִ֥יר (meir) = die opwekt | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tegen hen | אֶת (et) = (obj.) | מָדָ֑י (maday) = de Meden | אֲשֶׁר (asher) = die | כֶּ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | לֹ֣א (lo) = niet | יַחְשֹׁ֔בוּ (yachshovu) = zij achten | וְזָהָ֖ב (vezahav) = en goud | לֹ֥א (lo) = niet | יַחְפְּצוּ (yachpetsu) = zij hebben behagen | בֽוֹ (bo) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָדַי (Maday), ‘de Meden’: een volk in het oosten, in Medië. Yahweh wekt hen op. Voetnoot : Dat zij zilver en goud niet achten, betekent waarschijnlijk dat zij zich niet laten omkopen. Zie ook: Jes 41:25; Jer 50:9; Jer 51:11; Jer 51:27–28; Dan 5:28–6:1 **13:18** **Hun bogen verpletteren de jongens. Zij ontfermen zich niet over de vrucht van de schoot. Hun oog spaart de kinderen niet.”** Brontekst: וּקְשָׁת֖וֹת (uqeshatot) = en bogen | נְעָרִ֣ים (nearim) = jongens | תְּרַטַּ֑שְׁנָה (teratashna) = verpletteren | וּפְרִי (uferi) = en de vrucht van | בֶ֨טֶן֙ (beten) = schoot | לֹ֣א (lo) = niet | יְרַחֵ֔מוּ (yerachemu) = zij ontfermen zich | עַל (al) = over | בָּנִ֖ים (banim) = kinderen | לֹֽא (lo) = niet | תָח֥וּס (tachus) = spaart | עֵינָֽם (einam) = hun oog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִחֵם (richem), ‘zich ontfermen’: hetzelfde werkwoord als in Hos. 1:6 (‘Lo-Ruchama’). Zie ook: 2 Kon 8:12; 2 Kron 36:17; Hos 1:6; Hos 14:1; Ezech 9:5–6; Ezech 9:10 ### Babel wordt een woestenij **13:19** Babel, het sieraad van de koninkrijken, de pracht, de trots van de Chaldeeën, zal worden zoals Sodom en Gomorra toen Elohim ze omkeerde. Brontekst: וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zij zal zijn | בָבֶל֙ (bavel) = Babel | צְבִ֣י (tsevi) = sieraad van | מַמְלָכ֔וֹת (mamlakhot) = koninkrijken | תִּפְאֶ֖רֶת (tiferet) = pracht van | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | כַּשְׂדִּ֑ים (kasdim) = Chaldeeën | כְּמַהְפֵּכַ֣ת (kemahpekhat) = als de omkering door | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | סְדֹ֖ם (sedom) = Sodom | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲמֹרָֽה (amora) = Gomorra Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: צְבִי מַמְלָכוֹת (tsevi mamlakhot), ‘het sieraad van de koninkrijken’: Babel was de schitterendste stad van zijn tijd. כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘Chaldeeën’: het volk van Babel. Voetnoot : Sodom en Gomorra: zie Gen. 19:24–25 en Amos 4:11. Zie ook: Gen 19:24; Deut 29:22; Amos 4:11; Jer 50:40; Jer 51:41; Dan 4:27 **13:20** Zij wordt voor altijd niet meer bewoond en van generatie op generatie niet bevolkt. Geen Arabier slaat daar zijn tent op, en herders laten er hun kudden niet neerliggen. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תֵשֵׁ֣ב (teshev) = zij zal bewoond worden | לָנֶ֔צַח (lanetsach) = voor altijd | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִשְׁכֹּ֖ן (tishkon) = zij zal bevolkt worden | עַד (ad) = tot | דּ֣וֹר (dor) = generatie | וָד֑וֹר (vador) = en generatie | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַהֵ֥ל (yahel) = zal zijn tent opslaan | שָׁם֙ (sham) = daar | עֲרָבִ֔י (aravi) = Arabier | וְרֹעִ֖ים (veroim) = en herders | לֹא (lo) = niet | יַרְבִּ֥צוּ (yarbitsu) = zullen laten neerliggen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲרָבִי (aravi), ‘Arabier’: iemand uit de woestijn, die in tenten woont. Voetnoot : יַהֵל (yahel), ‘zijn tent opslaan’: het woord komt zo alleen hier voor en hangt waarschijnlijk samen met אֹהֶל (ohel), ‘tent’. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt alleen ‘herders laten niet neerliggen’. De woorden ‘hun kudden’ vullen wij aan. Voetnoot : Vergelijk Jer. 50:39–40. Zie ook: 2 Kron 17:11; Jes 14:23; Jer 50:39; Jer 51:25; Jer 51:43 **13:21** Woestijndieren zullen daar neerliggen, en hun huizen zullen vol zijn van huilende dieren. Struisvogels zullen daar wonen, en bokgeesten zullen daar dansen. Brontekst: וְרָבְצוּ (veravetsu) = en zullen neerliggen | שָׁ֣ם (sham) = daar | צִיִּ֔ים (tsiyim) = woestijndieren | וּמָלְא֥וּ (umaleu) = en zullen vol zijn | בָתֵּיהֶ֖ם (bateihem) = hun huizen | אֹחִ֑ים (ochim) = huilende dieren | וְשָׁ֤כְנוּ (veshakhenu) = en zullen wonen | שָׁם֙ (sham) = daar | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | יַֽעֲנָ֔ה (yaana) = struisvogel | וּשְׂעִירִ֖ים (useirim) = en bokgeesten | יְרַקְּדוּ (yeraqedu) = zullen dansen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִיִּים (tsiyyim), ‘woestijndieren’: letterlijk ‘dieren van de dorre streken’. Elders, zoals in Ps. 74:14, vertalen wij ‘woestijnbewoners’; hier gaat het om dieren, zoals bij de andere namen in dit vers. Voetnoot : אֹחִים (ochim), ‘huilende dieren’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Het gaat waarschijnlijk om dieren die jammerend roepen. Voetnoot : בְּנוֹת יַעֲנָה (benot ya’anah), ‘struisvogels’: letterlijk ‘dochters van de struisvogel’ (zie Lev. 11:16). Voetnoot : שְׂעִירִים (se’irim), ‘bokgeesten’: letterlijk ‘harigen’; zie Lev. 17:7. Het zijn spookachtige wezens in verlaten streken. Wat zij precies zijn, is niet zeker. Zie ook: Lev 11:16; Lev 17:7; Ps 74:14; Jes 34:11–15; Openb 18:2 **13:22** Hyena's zullen roepen in zijn burchten en jakhalzen in de paleizen van genot. Haar tijd is bijna aangebroken, en haar dagen worden niet verlengd. Brontekst: וְעָנָ֤ה (veana) = en zullen roepen | אִיִּים֙ (iyim) = hyena's | בְּאַלְמנוֹתָ֔יו (bealmnotav) = in zijn burchten | וְתַנִּ֖ים (vetanim) = en jakhalzen | בְּהֵ֣יכְלֵי (beheikhelei) = in paleizen van | עֹ֑נֶג (oneg) = genot | וְקָר֤וֹב (veqarov) = en nabij | לָבוֹא֙ (lavo) = om te komen | עִתָּ֔הּ (itah) = haar tijd | וְיָמֶ֖יהָ (veyameiha) = en haar dagen | לֹ֥א (lo) = niet | יִמָּשֵֽׁכוּ (yimashekhu) = worden verlengd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִיִּים (iyyim), ‘hyena’s’: letterlijk ‘huilers’; de vertaling is onzeker. Dezelfde letters kunnen ook ‘eilanden’ betekenen. תַּנִּים (tannim), ‘jakhalzen’. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft אַלְמְנוֹתָיו (almenotav), ‘zijn weduwen’. Dat past niet naast ‘paleizen van genot’. Sommige oude vertalingen lezen hier een ander woord, met de betekenis ‘burchten’. Wij vertalen ‘burchten’. Zie ook: Jes 25:2; Jes 34:13; Jes 35:7; Jer 51:33; 2 Petr 2:3 ## Jesaja 14 _Spotlied over de koning van Babel en de last over Filistea_ ### Yahweh ontfermt Zich over Jakob **14:1** Want Yahweh zal Zich ontfermen over Jakob. Hij zal Israël opnieuw kiezen en hen laten rusten op hun eigen grond. De vreemdeling zal zich bij hen voegen en zich aansluiten bij het huis van Jakob. Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | יְרַחֵ֨ם (yerachem) = Hij zal zich ontfermen | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽת (et) = (obj.) | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | וּבָחַ֥ר (uvachar) = en Hij zal kiezen | עוֹד֙ (od) = nog | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | וְהִנִּיחָ֖ם (vehinicham) = en Hij zal hen laten rusten | עַל (al) = op | אַדְמָתָ֑ם (admatam) = hun grond | וְנִלְוָ֤ה (venilva) = en zal zich voegen | הַגֵּר֙ (hager) = de vreemdeling | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = bij hen | וְנִסְפְּח֖וּ (venispechu) = en zij zullen zich aansluiten | עַל (al) = bij | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָחַם (racham), ‘zich ontfermen’: hetzelfde werkwoord als in Hos. 1:6–7. Voetnoot : הַגֵּר (hager), ‘de vreemdeling’: iemand uit een ander volk die bij Israël woont; zie Lev. 19:33. Zie ook: Lev 19:33; Ps 102:14; Hos 1:6–7; Jes 54:7–8; Zach 1:17; Zach 8:22–23; Ef 2:12–19 **14:2** Volken zullen hen nemen en naar hun plaats brengen. Het huis van Israël zal hen in bezit nemen op de grond van Yahweh, als dienaren en dienaressen. Zij zullen hun gevangenhouders gevangen nemen en heersen over hun drijvers. Brontekst: וּלְקָח֣וּם (uleqachum) = en zij zullen hen nemen | עַמִּים֮ (amim) = volken | וֶהֱבִיא֣וּם (vehevium) = en zullen hen brengen | אֶל (el) = naar | מְקוֹמָם֒ (meqomam) = hun plaats | וְהִֽתְנַחֲל֣וּם (vehitnachalum) = en zal hen in bezit nemen | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | עַ֚ל (al) = op | אַדְמַ֣ת (admat) = grond van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲבָדִ֖ים (laavadim) = tot dienaren | וְלִשְׁפָח֑וֹת (velishfachot) = en tot dienaressen | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en zij zullen zijn | שֹׁבִ֣ים (shovim) = gevangennemers | לְשֹֽׁבֵיהֶ֔ם (leshoveihem) = van hun gevangenhouders | וְרָד֖וּ (veradu) = en zij zullen heersen | בְּנֹגְשֵׂיהֶֽם (benogeseihem) = over hun drijvers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de eerste zin zijn ‘hen’ de Israëlieten: de volken brengen hen terug naar hun plaats. In de tweede zin zijn ‘hen’ de volken: Israël neemt hen in bezit. Voetnoot : שֹׁבִים לְשֹׁבֵיהֶם (shovim leshoveyhem), ‘zij zullen hun gevangenhouders gevangen nemen’: letterlijk ‘gevangenmakers van hun gevangenmakers’. De rollen worden omgekeerd. Zie ook: Jes 60:9–12; Jes 60:14; Jes 61:5; Jer 30:16; Dan 7:25–27 **14:3** Het zal gebeuren op de dag dat Yahweh je rust geeft van je pijn en je onrust en van de harde dienst die van je geëist werd, Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag | הָנִ֤יחַ (haniach) = rust geeft | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְךָ֔ (lekha) = aan jou | מֵֽעָצְבְּךָ֖ (meatsbekha) = van je pijn | וּמֵרָגְזֶ֑ךָ (umeragezekha) = en van je onrust | וּמִן (umin) = en van | הָעֲבֹדָ֥ה (haavoda) = de dienst | הַקָּשָׁ֖ה (haqasha) = de harde | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עֻבַּד (ubad) = van je geëist werd | בָּֽךְ (bakh) = van jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹצֶב (otsev), ‘pijn’, en רֹגֶז (roges), ‘onrust’. Voetnoot : הָעֲבֹדָה הַקָּשָׁה (ha’avodah haqqashah), ‘de harde dienst’: slavenwerk, zoals in Exod. 6:9 (‘zware slavernij’). Zie ook: Ex 6:9; Jes 32:18; Jer 30:10; Jer 46:27–28; Ezra 9:8–9; Zach 8:8 ### Spotlied over de koning van Babel **14:4** dan zul je dit spotlied over de koning van Babel aanheffen en zeggen: „Hoe is de drijver opgehouden! De razernij is opgehouden! Brontekst: וְנָשָׂ֜אתָ (venasata) = en je zult aanheffen | הַמָּשָׁ֥ל (hamashal) = het spotlied | הַזֶּ֛ה (haze) = dit | עַל (al) = over | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | וְאָמָ֑רְתָּ (veamarta) = en je zult zeggen | אֵ֚יךְ (eikh) = hoe | שָׁבַ֣ת (shavat) = is opgehouden | נֹגֵ֔שׂ (noges) = de drijver | שָׁבְתָ֖ה (shaveta) = is opgehouden | מַדְהֵבָֽה (madheva) = de razernij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: מָשָׁל (mashal), ‘spotlied’: een mashal is een spreuk, een vergelijking of een lied. Hier is het een lied van spot over de koning van Babel. Het loopt door tot en met vers 21. Voetnoot : נֹגֵשׂ (noges), ‘drijver’: iemand die anderen dwingt tot werk of betaling; vergelijk ‘hun drijvers’ in vers 2. Voetnoot Lezing: מַדְהֵבָה (madhebah) komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Wij vertalen ‘razernij’. Sommige oude vertalingen lezen een ander woord, met de betekenis ‘onderdrukking’. Zie ook: 2 Kron 36:18; Jes 14:2; Jes 14:21; Jes 49:26; Jer 25:9–14; Jer 27:6–7; Jer 50:22–23 **14:5** Yahweh heeft de staf van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers, Brontekst: שָׁבַ֥ר (shavar) = heeft gebroken | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מַטֵּ֣ה (mate) = staf van | רְשָׁעִ֑ים (reshaim) = goddelozen | שֵׁ֖בֶט (shevet) = scepter van | מֹשְׁלִֽים (moshelim) = heersers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַטֵּה (matteh), ‘staf’, en שֵׁבֶט (shevet), ‘scepter’: tekenen van macht en van het recht om te slaan. Zie ook: Ps 125:3; Jes 9:3; Jes 10:5; Jes 14:29; Jer 48:15–17 **14:6** die volken sloeg in woede, met slagen zonder ophouden, die in toorn over volken heerste, met een vervolging zonder terughouding. Brontekst: מַכֶּ֤ה (make) = die sloeg | עַמִּים֙ (amim) = volken | בְּעֶבְרָ֔ה (beevra) = in woede | מַכַּ֖ת (makat) = slag van | בִּלְתִּ֣י (bilti) = zonder | סָרָ֑ה (sara) = ophouden | רֹדֶ֤ה (rode) = die heerste | בָאַף֙ (baaf) = in toorn | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | מֻרְדָּ֖ף (murdaf) = vervolging | בְּלִ֥י (beli) = zonder | חָשָֽׂךְ (chasakh) = terughouding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 50:31; Dan 7:19–21; Jak 2:13; Openb 17:16–17; Openb 18:8–10 **14:7** Heel de aarde rust en is stil. Zij breken uit in gejuich. Brontekst: נָ֥חָה (nacha) = rust | שָׁקְטָ֖ה (shaqeta) = is stil | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | פָּצְח֖וּ (patsechu) = zij breken uit | רִנָּֽה (rina) = in gejuich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 96:11–13; Ps 98:7–9; Ps 126:1–3; Jes 49:13; Openb 18:20 **14:8** Zelfs de cipressen verheugen zich over jou, en de cederen van de Libanon: ‘Sinds jij neerligt, komt er geen houthakker tegen ons op.’ Brontekst: גַּם (gam) = ook | בְּרוֹשִׁ֛ים (beroshim) = cipressen | שָׂמְח֥וּ (samechu) = verheugen zich | לְךָ֖ (lekha) = over jou | אַרְזֵ֣י (arzei) = cederen van | לְבָנ֑וֹן (levanon) = de Libanon | מֵאָ֣ז (meaz) = sinds | שָׁכַ֔בְתָּ (shakhavta) = jij neerligt | לֹֽא (lo) = niet | יַעֲלֶ֥ה (yaale) = komt op | הַכֹּרֵ֖ת (hakoret) = de houthakker | עָלֵֽינוּ (aleinu) = tegen ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De bomen spreken hier alsof zij mensen zijn: zij zijn blij dat niemand ze nog omhakt. De Libanon was bekend om zijn cederen; vergelijk 2 Kon. 19:23. Zie ook: 2 Kon 19:23; Jes 55:12–13; Ezech 31:16; Zach 11:2 ### Sjeol ontvangt hem **14:9** Sjeol beneden komt in beroering over jou, om je komst tegemoet te gaan. Het wekt voor jou de schimmen op, alle leiders van de aarde. Het laat alle koningen van de volken opstaan van hun tronen. Brontekst: שְׁא֗וֹל (sheol) = Sjeol | מִתַּ֛חַת (mitachat) = beneden | רָגְזָ֥ה (rageza) = is in beroering | לְךָ֖ (lekha) = over jou | לִקְרַ֣את (liqrat) = om te ontmoeten | בּוֹאֶ֑ךָ (boekha) = je komst | עוֹרֵ֨ר (orer) = wekt op | לְךָ֤ (lekha) = voor jou | רְפָאִים֙ (refaim) = schimmen | כָּל (kal) = alle | עַתּ֣וּדֵי (atudei) = leiders van | אָ֔רֶץ (arets) = de aarde | הֵקִים֙ (heqim) = laat opstaan | מִכִּסְאוֹתָ֔ם (mikisotam) = van hun tronen | כֹּ֖ל (kol) = alle | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | גוֹיִֽם (goyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (She’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk; zie Ps. 6:6. Voetnoot : רְפָאִים (refa’im), ‘schimmen’: de doden in Sjeol; zie Ps. 88:11. Voetnoot : עַתּוּדֵי (attudei), ‘leiders’: letterlijk ‘bokken’, de bokken die de kudde aanvoeren. Zie ook: Ps 6:6; Ps 88:11; Spr 15:24; Jer 50:8; Ezech 32:21–32 **14:10** Zij allen antwoorden en zeggen tegen jou: ‘Ook jij bent krachteloos geworden zoals wij. Je bent aan ons gelijk geworden.’ Brontekst: כֻּלָּ֣ם (kulam) = zij allen | יַֽעֲנ֔וּ (yaanu) = zullen antwoorden | וְיֹאמְר֖וּ (veyomru) = en zeggen | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = tegen jou | גַּם (gam) = ook | אַתָּ֛ה (ata) = jij | חֻלֵּ֥יתָ (chuleita) = je bent krachteloos geworden | כָמ֖וֹנוּ (kamonu) = zoals wij | אֵלֵ֥ינוּ (eleinu) = aan ons | נִמְשָֽׁלְתָּ (nimshalta) = je bent gelijk geworden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 49:7–15; Ps 49:21; Ps 82:6–7; Pred 2:16; Ezech 32:21 **14:11** Je trots is neergebracht naar Sjeol, het geluid van je harpen. Onder je is een bed van maden uitgespreid, en wormen zijn je deken. Brontekst: הוּרַ֥ד (hurad) = is neergebracht | שְׁא֛וֹל (sheol) = Sjeol | גְּאוֹנֶ֖ךָ (geonekha) = je trots | הֶמְיַ֣ת (hemyat) = geluid van | נְבָלֶ֑יךָ (nevaleikha) = je harpen | תַּחְתֶּ֨יךָ֙ (tachteikha) = onder je | יֻצַּ֣ע (yutsa) = wordt uitgespreid | רִמָּ֔ה (rima) = made | וּמְכַסֶּ֖יךָ (umekhaseikha) = en je deken | תּוֹלֵעָֽה (tolea) = worm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶבֶל (nevel), ‘harp’: zoals in Amos 5:23. רִמָּה (rimmah), ‘made’, en תּוֹלֵעָה (tola’ah), ‘worm’. Zie ook: Job 17:13–14; Amos 5:23; Amos 6:3–7; Ezech 32:19–20; Dan 5:25–30; Openb 18:11–19 ### Schitterende, zoon van de dageraad **14:12** Hoe ben je uit de hemel gevallen, Schitterende, zoon van de dageraad! Je bent neergehouwen op de aarde, jij die volken versloeg. Brontekst: אֵ֛יךְ (eikh) = hoe | נָפַ֥לְתָּ (nafalta) = je bent gevallen | מִשָּׁמַ֖יִם (mishamayim) = uit de hemel | הֵילֵ֣ל (heilel) = Schitterende | בֶּן (ben) = zoon van | שָׁ֑חַר (shachar) = dageraad | נִגְדַּ֣עְתָּ (nigdata) = je bent neergehouwen | לָאָ֔רֶץ (laarets) = op de aarde | חוֹלֵ֖שׁ (cholesh) = die versloeg | עַל (al) = over | גּוֹיִֽם (goyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵילֵל בֶּן שָׁחַר (helel ben shachar), ‘Schitterende, zoon van de dageraad’: helel komt van het werkwoord הָלַל (halal), ‘schitteren’; shachar is de dageraad. Het gaat om de morgenster, die vlak voor de zon opkomt en dan verdwijnt. In de Latijnse traditie heet hij ‘Lucifer’ (‘lichtbrenger’). Hier is hij een beeld voor de koning van Babel (vers 4). Voetnoot : חוֹלֵשׁ (cholesh), ‘die versloeg’: het werkwoord betekent ‘overwinnen’ of ‘neerwerpen’; de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Vergelijk Ezech. 28:12–19. Zie ook: Jes 14:4; Ezech 28:12–19; Ezech 28:13–17; Luc 10:18; 2 Petr 1:19; Openb 8:10; Openb 12:7–10 **14:13** Jij zei in je hart: ‘Ik zal naar de hemel opstijgen. Boven de sterren van El zal ik mijn troon verheffen. Ik zal zitten op de berg van de samenkomst, in de uithoeken van het noorden. Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en jij | אָמַ֤רְתָּ (amarta) = je zei | בִֽלְבָבְךָ֙ (bilvavekha) = in je hart | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | אֶֽעֱלֶ֔ה (eele) = ik zal opstijgen | מִמַּ֥עַל (mimaal) = boven | לְכֽוֹכְבֵי (lekhokhevei) = de sterren van | אֵ֖ל (el) = El | אָרִ֣ים (arim) = ik zal verheffen | כִּסְאִ֑י (kisi) = mijn troon | וְאֵשֵׁ֥ב (veeshev) = en ik zal zitten | בְּהַר (behar) = op de berg van | מוֹעֵ֖ד (moed) = samenkomst | בְּיַרְכְּתֵ֥י (beyarketei) = in de uithoeken van | צָפֽוֹן (tsafon) = het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כּוֹכְבֵי אֵל (kokhevei El), ‘de sterren van El’: de sterren aan de hemel van Elohim. Voetnoot : הַר מוֹעֵד (har mo’ed), ‘de berg van de samenkomst’: מוֹעֵד (mo’ed) is ‘samenkomst’, zoals in ‘tent van samenkomst’ (Exod. 27:21). Voetnoot : יַרְכְּתֵי צָפוֹן (yarketei tsafon), ‘de uithoeken van het noorden’: zo staat het ook in Ps. 48:3. Zie ook: Ex 27:21; Ps 48:3; Ezech 28:2; Ezech 28:12–16; Dan 5:22–23; Dan 8:10–12; 2 Tess 2:4 **14:14** Ik zal opstijgen boven de hoogten van de wolken. Ik zal mij aan de Allerhoogste gelijk maken.’ Brontekst: אֶעֱלֶ֖ה (eele) = ik zal opstijgen | עַל (al) = boven | בָּ֣מֳתֵי (bamotei) = hoogten van | עָ֑ב (av) = wolk | אֶדַּמֶּ֖ה (edame) = ik zal mij gelijk maken | לְעֶלְיֽוֹן (leelyon) = aan de Allerhoogste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמֳתֵי עָב (bamotei av), ‘de hoogten van de wolken’: bamot zijn ‘hoogten’; hier de toppen van de wolken. Voetnoot : עֶלְיוֹן (Elyon), ‘de Allerhoogste’: een naam voor Elohim; zie Gen. 14:18–20 en Ps. 9:3. Zie ook: Gen 3:5; Gen 14:18–20; Ps 9:3; Jes 37:23–24; Jes 47:8; 2 Tess 2:4 **14:15** Maar naar Sjeol word je neergebracht, naar de uithoeken van de kuil. Brontekst: אַ֧ךְ (akh) = maar | אֶל (el) = naar | שְׁא֛וֹל (sheol) = Sjeol | תּוּרָ֖ד (turad) = je wordt neergebracht | אֶל (el) = naar | יַרְכְּתֵי (yarketei) = de uithoeken van | בֽוֹר (bor) = kuil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 32:23; Mat 11:23; Luc 10:15; Hand 12:22–23; Openb 19:20 **14:16** Wie jou zien, kijken je aandachtig aan. Zij letten goed op je: ‘Is dit de man die de aarde deed beven, die koninkrijken deed schudden, Brontekst: רֹאֶ֨יךָ֙ (roeikha) = die jou zien | אֵלֶ֣יךָ (eleikha) = naar jou | יַשְׁגִּ֔יחוּ (yashgichu) = zij kijken aandachtig | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = naar jou | יִתְבּוֹנָ֑נוּ (yitbonanu) = zij letten goed op | הֲזֶ֤ה (haze) = is dit | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | מַרְגִּ֣יז (margiz) = die doet beven | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | מַרְעִ֖ישׁ (marish) = die doet schudden | מַמְלָכֽוֹת (mamlakhot) = koninkrijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 16 en 17 vormen samen één vraag. Zij wordt gesteld door wie de gevallen koning zien liggen. Zie ook: Ps 58:11–12; Ps 64:10; Jes 14:4–5; Jes 14:17; Jer 50:23; Jer 51:20–23 **14:17** die de wereld tot een woestijn maakte en haar steden afbrak, die zijn gevangenen niet naar huis liet gaan?’ Brontekst: שָׂ֥ם (sam) = die maakte | תֵּבֵ֛ל (tevel) = wereld | כַּמִּדְבָּ֖ר (kamidbar) = als woestijn | וְעָרָ֣יו (vearav) = en haar steden | הָרָ֑ס (haras) = brak af | אֲסִירָ֖יו (asirav) = zijn gevangenen | לֹא (lo) = niet | פָ֥תַח (patach) = liet gaan | בָּֽיְתָה (bayeta) = naar huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲסִירָיו לֹא פָתַח בָּיְתָה (asirav lo patach bayetah), ‘zijn gevangenen liet hij niet naar huis gaan’: letterlijk ‘zijn gevangenen opende hij niet naar huis’. Het werkwoord ‘openen’ betekent hier ‘loslaten’. Zie ook: 2 Kron 28:8–15; Joël 2:3; Jes 13:19–22; Jes 45:13; Jes 58:6 **14:18** Alle koningen van de volken, zij allen, liggen in eer, ieder in zijn eigen huis. Brontekst: כָּל (kal) = alle | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | גוֹיִ֖ם (goyim) = volken | כֻּלָּ֑ם (kulam) = zij allen | שָׁכְב֥וּ (shakhevu) = liggen | בְכָב֖וֹד (bekhavod) = in eer | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | בְּבֵיתֽוֹ (beveito) = in zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּבֵיתוֹ (beveto), ‘in zijn huis’: hier het graf. Koningen kregen een eervol graf; vergelijk vers 19. Zie ook: Job 30:23; 2 Kron 24:16; 2 Kron 24:25; Jes 14:19; Jes 22:16; Ezech 32:18–32 **14:19** Maar jij bent uit je graf weggeworpen, als een verafschuwde loot. Je bent bedekt met gedoden, met doorstokenen door het zwaard, die neerdalen naar de stenen van de kuil. Je bent als een vertrapt lijk. Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en jij | הָשְׁלַ֤כְתָּ (hashelakhta) = bent weggeworpen | מִֽקִּבְרְךָ֙ (miqivrekha) = uit je graf | כְּנֵ֣צֶר (kenetser) = als een loot | נִתְעָ֔ב (nitav) = verafschuwde | לְב֥וּשׁ (levush) = bedekking van | הֲרֻגִ֖ים (harugim) = gedoden | מְטֹ֣עֲנֵי (metoanei) = doorstokenen van | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | יוֹרְדֵ֥י (yoredei) = die neerdalen | אֶל (el) = naar | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | ב֖וֹר (bor) = kuil | כְּפֶ֥גֶר (kefeger) = als een lijk | מוּבָֽס (muvas) = vertrapt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵצֶר (netser), ‘loot’: een jonge tak. Een afgehouwen en weggegooide tak is waardeloos en wordt verafschuwd. Voetnoot : אַבְנֵי בוֹר (avnei vor), ‘de stenen van de kuil’: waarschijnlijk de stenen in een grafkuil. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: 1 Kon 21:19; Jes 22:16–18; Jer 22:19; Jer 41:7; Jer 41:9 **14:20** Je zult niet met hen verenigd zijn in het graf, want je hebt je land verwoest en je volk gedood. Het nageslacht van de boosdoeners zal voor eeuwig niet meer worden genoemd. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | תֵחַ֤ד (techad) = je zult verenigd zijn | אִתָּם֙ (itam) = met hen | בִּקְבוּרָ֔ה (biqvura) = in het graf | כִּֽי (ki) = want | אַרְצְךָ֥ (artsekha) = je land | שִׁחַ֖תָּ (shichata) = verwoestte je | עַמְּךָ֣ (amekha) = je volk | הָרָ֑גְתָּ (haragta) = doodde je | לֹֽא (lo) = niet | יִקָּרֵ֥א (yiqare) = zal genoemd worden | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor eeuwig | זֶ֥רַע (zera) = nageslacht van | מְרֵעִֽים (mereim) = boosdoeners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶרַע מְרֵעִים (zera mere’im), ‘het nageslacht van de boosdoeners’: de familie van de koning. Hun naam zal niet meer worden genoemd. Zie ook: Job 18:19; Ps 21:11; Ps 37:28; Ps 109:13; Ps 137:8–9 **14:21** Maak voor zijn zonen een slachtplaats gereed, vanwege de schuld van hun vaderen. Zij mogen niet opstaan en de aarde erven, en het oppervlak van de wereld niet met steden vullen.” Brontekst: הָכִ֧ינוּ (hakhinu) = maakt gereed | לְבָנָ֛יו (levanav) = voor zijn zonen | מַטְבֵּ֖חַ (matbeach) = slachtplaats | בַּעֲוֺ֣ן (baavon) = wegens de schuld van | אֲבוֹתָ֑ם (avotam) = hun vaderen | בַּל (bal) = niet | יָקֻ֨מוּ֙ (yaqumu) = laat hen opstaan | וְיָ֣רְשׁוּ (veyareshu) = en erven | אָ֔רֶץ (arets) = aarde | וּמָלְא֥וּ (umaleu) = en vullen | פְנֵֽי (penei) = oppervlak van | תֵבֵ֖ל (tevel) = wereld | עָרִֽים (arim) = steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַטְבֵּחַ (matbeach), ‘slachtplaats’: een plek waar geslacht wordt. Het volk van de koning draagt de gevolgen van de schuld van zijn vaders. Zie ook: Ex 20:5; Lev 26:39; Jes 27:6; Hab 2:8–12; Mat 23:35 ### Yahweh staat op tegen Babel **14:22** **„Ik zal tegen hen opstaan, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Ik zal van Babel de naam en de overgeblevenen afsnijden, kinderen en nakomelingen, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וְקַמְתִּ֣י (veqamti) = en Ik zal opstaan | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tegen hen | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְהִכְרַתִּ֨י (vehikhrati) = en Ik zal afsnijden | לְבָבֶ֜ל (levavel) = van Babel | שֵׁ֥ם (shem) = naam | וּשְׁאָ֛ר (ushear) = en overgeblevenen | וְנִ֥ין (venin) = en kinderen | וָנֶ֖כֶד (vanekhed) = en nakomelingen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24. De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood. Voetnoot : וְנִין וָנֶכֶד (venin vanekhed), ‘kinderen en nakomelingen’: twee zeldzame woorden die samen voorkomen, zoals in Gen. 21:23. Voetnoot : Vergelijk Jer. 50–51. Zie ook: Gen 21:23; Job 18:16–19; Spr 10:7; 1 Kon 14:10; Jes 1:24; Jes 13:5; Jer 50:29–35 **14:23** **Ik maak haar tot bezit van de egel en tot waterpoelen. Ik veeg haar weg met de bezem van de verdelging, godsspraak van Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֛יהָ (vesamtiha) = en Ik zal haar maken | לְמוֹרַ֥שׁ (lemorash) = tot bezit van | קִפֹּ֖ד (qipod) = egel | וְאַגְמֵי (veagmei) = en poelen van | מָ֑יִם (mayim) = water | וְטֵֽאטֵאתִ֨יהָ֙ (vetetetiha) = en Ik zal haar wegvegen | בְּמַטְאֲטֵ֣א (bematate) = met bezem van | הַשְׁמֵ֔ד (hashmed) = de verdelging | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִפֹּד (qippod), ‘egel’: een dier dat in verlaten plaatsen leeft. De vertaling is onzeker; sommigen denken aan een vogel. Vergelijk Zef. 2:14. Voetnoot : מַטְאֲטֵא (mat’até), ‘bezem’: het woord komt alleen hier voor. Zie ook: 1 Kon 14:10; Jes 13:21–22; Jes 34:11–15; Sef 2:14; Openb 14:8 ### Yahweh heeft gezworen over Assyrië **14:24** Yahweh van de legermachten heeft gezworen: **„Zeker, zoals Ik het bedacht heb, zo is het gebeurd, en zoals Ik het besloten heb, zo zal het standhouden:** Brontekst: נִשְׁבַּ֛ע (nishba) = heeft gezworen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אִם (im) = zeker | לֹ֞א (lo) = (niet) | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | דִּמִּ֨יתִי֙ (dimiti) = Ik het bedacht heb | כֵּ֣ן (ken) = zo | הָיָ֔תָה (hayata) = is geschied | וְכַאֲשֶׁ֥ר (vekhaasher) = en zoals | יָעַ֖צְתִּי (yaatsti) = Ik het besloten heb | הִ֥יא (hi) = zij | תָקֽוּם (taqum) = zal standhouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִם לֹא (im lo), ‘zeker’: letterlijk ‘indien niet’. Zo begint een eed: wat volgt, is zeker. Voetnoot : Het Hebreeuws gebruikt de voltooide tijd (‘is gebeurd’). Wat Yahweh heeft besloten, is zo zeker alsof het al gebeurd is. Zie ook: Job 23:13; Spr 19:21; Jes 46:10–11; Jer 29:11; Hand 4:28 **14:25** **om Assyrië te breken in Mijn land en hem te vertrappen op Mijn bergen. Zijn juk zal van hen wijken, en zijn last zal van zijn schouder wijken.”** Brontekst: לִשְׁבֹּ֤ר (lishbor) = om te breken | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | בְּאַרְצִ֔י (beartsi) = in Mijn land | וְעַל (veal) = en op | הָרַ֖י (haray) = Mijn bergen | אֲבוּסֶ֑נּוּ (avusenu) = Ik zal hem vertrappen | וְסָ֤ר (vesar) = en zal wijken | מֵֽעֲלֵיהֶם֙ (mealeihem) = van hen | עֻלּ֔וֹ (ulo) = zijn juk | וְסֻ֨בֳּל֔וֹ (vesubolo) = en zijn last | מֵעַ֥ל (meal) = van | שִׁכְמ֖וֹ (shikhmo) = zijn schouder | יָסֽוּר (yasur) = zal wijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: ‘Mijn land’ en ‘Mijn bergen’: het land van Yahweh, dat is het land van Juda; vergelijk ‘de grond van Yahweh’ in vers 2. Voetnoot : Het Hebreeuws wisselt in dit vers van ‘hen’ naar ‘zijn schouder’: het volk wordt als één man gezien. Zie ook: Jes 9:3; Jes 10:12; Jes 14:2; Jes 30:30–33; Jes 37:36–38; Nah 1:13 **14:26** Dit is het besluit dat over heel de aarde is genomen, en dit is de hand die over alle volken is uitgestrekt. Brontekst: זֹ֛את (zot) = dit | הָעֵצָ֥ה (haetsa) = het besluit | הַיְּעוּצָ֖ה (hayeutsa) = het genomen | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְזֹ֛את (vezot) = en dit | הַיָּ֥ד (hayad) = de hand | הַנְּטוּיָ֖ה (hanetuya) = de uitgestrekte | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:12; Jes 5:25; Jes 23:9; Sef 3:6–8 **14:27** Want Yahweh van de legermachten heeft besloten. Wie kan het ongedaan maken? Zijn hand is uitgestrekt. Wie kan haar terugdraaien? Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֛וֹת (tsevaot) = van de legermachten | יָעָ֖ץ (yaats) = heeft besloten | וּמִ֣י (umi) = en wie | יָפֵ֑ר (yafer) = zal ongedaan maken | וְיָד֥וֹ (veyado) = en Zijn hand | הַנְּטוּיָ֖ה (hanetuya) = de uitgestrekte | וּֽמִ֥י (umi) = en wie | יְשִׁיבֶֽנָּה (yeshivena) = zal haar terugdraaien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 9:12; Job 23:13; Spr 21:30; 2 Kron 20:6; Jes 43:13 ### Last over Filistea **14:28** In het jaar waarin koning Achaz stierf, kwam deze last: Brontekst: בִּשְׁנַת (bishnat) = in het jaar van | מ֖וֹת (mot) = dood van | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אָחָ֑ז (achaz) = Achaz | הָיָ֖ה (haya) = kwam | הַמַּשָּׂ֥א (hamasa) = de last | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Koning Achaz stierf in het jaar waarin deze last werd uitgesproken; zie 2 Kon. 16:20. Voor ‘last’ (מַשָּׂא, massa) zie 13:1. Zie ook: 2 Kon 16:20; 2 Kron 28:27; Jes 6:1; Jes 13:1 **14:29** Verheug je niet, heel Filistea, omdat de staf die je sloeg is gebroken. Want uit de wortel van de slang komt een adder voort, en zijn vrucht is een vurige, vliegende slang. Brontekst: אַֽל (al) = niet | תִּשְׂמְחִ֤י (tismechi) = verheug je | פְלֶ֨שֶׁת֙ (peleshet) = Filistea | כֻּלֵּ֔ךְ (kulekh) = heel jij | כִּ֥י (ki) = want | נִשְׁבַּ֖ר (nishbar) = is gebroken | שֵׁ֣בֶט (shevet) = staf van | מַכֵּ֑ךְ (makekh) = wie jou sloeg | כִּֽי (ki) = want | מִשֹּׁ֤רֶשׁ (mishoresh) = uit wortel van | נָחָשׁ֙ (nachash) = slang | יֵ֣צֵא (yetse) = komt voort | צֶ֔פַע (tsefa) = adder | וּפִרְי֖וֹ (ufiryo) = en zijn vrucht | שָׂרָ֥ף (saraf) = vurige slang | מְעוֹפֵֽף (meofef) = vliegende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: פְּלֶשֶׁת (Peleshet), ‘Filistea’: het land van de Filistijnen, aan de zuidelijke kust. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie ‘de staf die je sloeg’ is. Wij laten dat open. Voetnoot : שָׂרָף מְעוֹפֵף (saraf me’ofef), ‘een vurige, vliegende slang’: שָׂרָף (saraf) betekent ‘brandende’. Zie ook Num. 21:6, ‘de vurige slangen’, en de Serafs in Jes. 6:2. Zie ook: Num 21:6; 2 Kron 26:6; 2 Kron 28:18; Jes 6:2; Jes 11:8; Jes 30:6; Mi 7:8 **14:30** De eerstgeborenen van de armen zullen weiden, en de behoeftigen zullen veilig neerliggen. **En Ik zal je wortel met honger doden,** en je overblijfsel zal Hij doden. Brontekst: וְרָעוּ֙ (verau) = en zullen weiden | בְּכוֹרֵ֣י (bekhorei) = eerstgeborenen van | דַלִּ֔ים (dalim) = armen | וְאֶבְיוֹנִ֖ים (veevyonim) = en behoeftigen | לָבֶ֣טַח (lavetach) = in veiligheid | יִרְבָּ֑צוּ (yirbatsu) = zullen neerliggen | וְהֵמַתִּ֤י (vehemati) = en Ik zal doden | בָֽרָעָב֙ (baraav) = met honger | שָׁרְשֵׁ֔ךְ (shareshekh) = je wortel | וּשְׁאֵרִיתֵ֖ךְ (usheeritekh) = en je overblijfsel | יַהֲרֹֽג (yaharog) = Hij zal doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכוֹרֵי דַלִּים (bekhorei dallim), ‘de eerstgeborenen van de armen’: de armsten van de armen. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft hier een derde persoon: ‘Hij zal doden’ (יַהֲרֹג, yaharog). Sommige oude vertalingen lezen ‘Ik zal doden’, zoals in het begin van de zin. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Jes 7:21–22; Jes 9:19; Jes 33:16; Jes 37:30; Sef 2:4–7 **14:31** Jammer, poort! Schreeuw, stad! Smelt weg, heel Filistea! Want uit het noorden komt rook, en niemand blijft apart op zijn vaste plaats. Brontekst: הֵילִ֤ילִֽי (heilili) = jammer | שַׁ֨עַר֙ (shaar) = poort | זַֽעֲקִי (zaaqi) = schreeuw | עִ֔יר (ir) = stad | נָמ֖וֹג (namog) = smelt weg | פְּלֶ֣שֶׁת (peleshet) = Filistea | כֻּלֵּ֑ךְ (kulekh) = heel jij | כִּ֤י (ki) = want | מִצָּפוֹן֙ (mitsafon) = uit het noorden | עָשָׁ֣ן (ashan) = rook | בָּ֔א (ba) = komt | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | בּוֹדֵ֖ד (boded) = die apart staat | בְּמוֹעָדָֽיו (bemoadav) = op zijn vaste plaatsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod. Voetnoot Uitleg: עָשָׁן (ashan), ‘rook’: het Hebreeuws zegt niet waar de rook vandaan komt. Voetnoot : בּוֹדֵד בְּמוֹעָדָיו (boded bemo’adav), ‘iemand die apart staat op zijn vaste plaatsen’: letterlijk ‘een eenling op zijn vaste tijden’. Het Hebreeuws is hier moeilijk en de betekenis is onzeker. Zie ook: Jes 13:6; Jes 14:29; Jes 20:1; Jer 1:14; Jer 25:16–20 **14:32** Wat zal men antwoorden aan de boodschappers van het volk? Dat Yahweh Sion heeft gegrondvest en dat de ellendigen van Zijn volk daarin schuilen. Brontekst: וּמַֽה (uma) = en wat | יַּעֲנֶ֖ה (yaane) = zal men antwoorden | מַלְאֲכֵי (malakhei) = boodschappers van | ג֑וֹי (goy) = volk | כִּ֤י (ki) = dat | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יִסַּ֣ד (yisad) = heeft gegrondvest | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | וּבָ֥הּ (uvah) = en daarin | יֶחֱס֖וּ (yechesu) = zullen schuilen | עֲנִיֵּ֥י (aniyei) = ellendigen van | עַמּֽוֹ (amo) = Zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ‘De boodschappers van het volk’ zijn de gezanten van Filistea. Het antwoord is: Yahweh heeft Sion gegrondvest, en daar vinden de ellendigen van Zijn volk een schuilplaats. Zie ook: Ps 87:1; Ps 87:5; Ps 102:17; Sef 3:12; Jak 2:5 ## Jesaja 15 _Last over Moab: rouw in één nacht_ ### Last over Moab **15:1** Last over Moab. Want in een nacht is Ar van Moab verwoest, het is vernietigd. Want in een nacht is Kir van Moab verwoest, het is vernietigd. Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = last van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | כִּ֠י (ki) = want | בְּלֵ֞יל (beleil) = in een nacht | שֻׁדַּ֨ד (shudad) = is verwoest | עָ֤ר (ar) = Ar | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | נִדְמָ֔ה (nidma) = is vernietigd | כִּ֗י (ki) = want | בְּלֵ֛יל (beleil) = in een nacht | שֻׁדַּ֥ד (shudad) = is verwoest | קִיר (qir) = Kir | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | נִדְמָֽה (nidma) = is vernietigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Ar van Moab (ligging onzeker): Ar (Ar-Moab) was een stad in Moab, waarschijnlijk bij de Arnon. De precieze plaats is niet bekend. Zie Kir van Moab (Kerak?; ligging onzeker): Kir van Moab is mogelijk Kir-Charaset, het huidige Kerak, ten oosten van de Zoutzee. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא מוֹאָב (massa Mo’av), ‘last over Moab’: voor ‘last’ zie 13:1. Dit hoofdstuk en Jes. 16 komen voor een groot deel overeen met Jer. 48. Voetnoot : עָר מוֹאָב (Ar Mo’av), ‘Ar van Moab’: een stad in Moab; zie Num. 21:28. קִיר מוֹאָב (Qir Mo’av), ‘Kir van Moab’: een stad in Moab, mogelijk dezelfde als Kir-Charaset (2 Kon. 3:25). De ligging van beide steden is niet helemaal zeker. Voetnoot : נִדְמָה (nidmah), ‘vernietigd’: het werkwoord kan ook ‘tot zwijgen gebracht’ betekenen. Wij kiezen ‘vernietigd’. Zie ook: Num 21:28; 2 Kon 3:25; Amos 2:1–3; Jes 11:14; Jer 48:1–47; Ezech 25:8–11 ### Moab rouwt **15:2** Het huis en Dibon zijn opgegaan naar de hoogten om te huilen. Over Nebo en over Medeba jammert Moab. Al zijn hoofden zijn kaal, elke baard is afgeschoren. Brontekst: עָלָ֨ה (ala) = is opgegaan | הַבַּ֧יִת (habayit) = het huis | וְדִיבֹ֛ן (vedivon) = en Dibon | הַבָּמ֖וֹת (habamot) = naar de hoogten | לְבֶ֑כִי (levekhi) = om te huilen | עַל (al) = over | נְב֞וֹ (nevo) = Nebo | וְעַ֤ל (veal) = en over | מֵֽידְבָא֙ (meideva) = Medeba | מוֹאָ֣ב (moav) = Moab | יְיֵלִ֔יל (yeyelil) = jammert | בְּכָל (bekhal) = op al | רֹאשָׁ֣יו (roshav) = zijn hoofden | קָרְחָ֔ה (qarecha) = kaalheid | כָּל (kal) = elke | זָקָ֖ן (zaqan) = baard | גְּרוּעָֽה (gerua) = is afgeschoren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dibon: Dibon (nu Dhiban) lag ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië. Zie Nebo (stad in Moab; ligging niet helemaal zeker): Nebo is hier een stad in Moab, bij de berg Nebo, ten westen van Medeba. De ligging is niet helemaal zeker. Zie Medeba: Medeba is het huidige Madaba, op het plateau ten oosten van de Dode Zee. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הַבַּיִת (habbayit), ‘het huis’: het is onzeker wat hier bedoeld wordt. Het kan een tempel zijn, of een plaatsnaam. Voetnoot : הַבָּמוֹת (habbamot), ‘de hoogten’: heiligdommen op heuvels. Voetnoot : Kaal scheren en een rouwkleed dragen zijn tekens van rouw; vergelijk Job 1:20. Zie ook: Job 1:20; Lev 21:5; Num 21:30; Jes 3:24; Jer 47:5; Jer 48:1 **15:3** In zijn straten omgorden zij zich met een rouwkleed. Op zijn daken en op zijn pleinen jammert ieder en zakt neer in tranen. Brontekst: בְּחוּצֹתָ֖יו (bechutsotav) = in zijn straten | חָ֣גְרוּ (chageru) = zij hebben omgord | שָׂ֑ק (saq) = rouwkleed | עַ֣ל (al) = op | גַּגּוֹתֶ֧יהָ (gagoteiha) = haar daken | וּבִרְחֹבֹתֶ֛יהָ (uvirchovoteiha) = en op haar pleinen | כֻּלֹּ֥ה (kulo) = ieder | יְיֵלִ֖יל (yeyelil) = jammert | יֹרֵ֥ד (yored) = zakt neer | בַּבֶּֽכִי (babekhi) = in tranen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂק (saq), ‘rouwkleed’: grof doek dat men bij rouw droeg; vergelijk Joël 1:13. Zie ook: Joël 1:13; Jona 3:6–8; Jes 15:2; Jes 22:1; Jer 48:38–39; Mat 11:21 **15:4** Chesbon en Elale schreeuwen; tot Jahaz wordt hun stem gehoord. Daarom slaken de gewapende mannen van Moab een alarmkreet. Zijn ziel beeft in hem. Brontekst: וַתִּזְעַ֤ק (vatizaq) = en schreeuwt | חֶשְׁבּוֹן֙ (cheshbon) = Chesbon | וְאֶלְעָלֵ֔ה (veelale) = en Elale | עַד (ad) = tot | יַ֖הַץ (yahats) = Jahaz | נִשְׁמַ֣ע (nishma) = wordt gehoord | קוֹלָ֑ם (qolam) = hun stem | עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = (zo) | חֲלֻצֵ֤י (chalutsei) = gewapenden van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | יָרִ֔יעוּ (yariu) = zij slaken een alarmkreet | נַפְשׁ֖וֹ (nafsho) = zijn ziel | יָ֥רְעָה (yarea) = beeft | לּֽוֹ (lo) = in hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Elale: Elale (nu El-Al) lag ten noorden van Chesbon, in het huidige Jordanië. Zie Jahaz: Jahaz lag op het plateau ten noorden van de Arnon. De precieze plaats is niet zeker. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: חֶשְׁבּוֹן (Cheshbon), אֶלְעָלֵה (El’aleh, ‘Elale’) en יַהַץ (Yahats, ‘Jahaz’): steden in en rond Moab. Zie Num. 21:23 voor Jahaz. Voetnoot : חֲלֻצֵי (chalutsei), ‘gewapende mannen’: letterlijk ‘de uitgeruste’. De betekenis is onzeker. Voetnoot : יָרִיעוּ (yari’u), ‘zij slaken een alarmkreet’: het werkwoord hoort bij de alarmkreet (teru’ah) van een leger; vergelijk Joël 2:1. Voetnoot : נַפְשׁוֹ יָרְעָה לּוֹ (nafsho yar’ah lo), ‘zijn ziel beeft in hem’: de laatste woorden zijn moeilijk en hun betekenis is onzeker. Zie ook: Num 21:23; Num 32:3–4; Joz 13:18; Joël 2:1; Jona 4:3; Jer 20:18; Jer 48:34 ### Mijn hart schreeuwt om Moab **15:5** Mijn hart schreeuwt om Moab. Zijn vluchtelingen zijn tot Zoar gekomen, tot Eglat-Sjelisja. Want de helling van Luchit gaan zij op onder tranen. Op de weg naar Choronajim heffen zij een noodkreet aan over de ondergang. Brontekst: לִבִּי֙ (libi) = mijn hart | לְמוֹאָ֣ב (lemoav) = om Moab | יִזְעָ֔ק (yizaq) = schreeuwt | בְּרִיחֶ֕הָ (bericheha) = zijn vluchtelingen | עַד (ad) = tot | צֹ֖עַר (tsoar) = Zoar | עֶגְלַ֣ת (eglat) = Eglat | שְׁלִשִׁיָּ֑ה (shelishiya) = Sjelisja | כִּ֣י (ki) = want | מַעֲלֵ֣ה (maale) = helling van | הַלּוּחִ֗ית (haluchit) = de Luchit | בִּבְכִי֙ (bivkhi) = onder tranen | יַֽעֲלֶה (yaale) = gaat men op | בּ֔וֹ (bo) = erop | כִּ֚י (ki) = want | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg naar | חוֹרֹנַ֔יִם (choronayim) = Choronajim | זַעֲקַת (zaaqat) = noodkreet van | שֶׁ֖בֶר (shever) = ondergang | יְעֹעֵֽרוּ (yeoeru) = zij heffen aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht. Zie Choronajim (Moab; ligging onzeker): Choronajim was een stad in het zuiden van Moab. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: לִבִּי (libbi), ‘mijn hart’: hier spreekt de profeet zelf. Hij rouwt met Moab mee. Voetnoot : בְּרִיחֶהָ (berichehah), ‘zijn vluchtelingen’: het woord komt zo alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Voetnoot : עֶגְלַת שְׁלִשִׁיָּה (eglat shelishiyyah), ‘Eglat-Sjelisja’: letterlijk ‘driejarige vaars’. Hier is het waarschijnlijk een plaatsnaam. Voetnoot : זַעֲקַת שֶׁבֶר (za’aqat shever), ‘een noodkreet over de ondergang’: letterlijk ‘een noodkreet van breuk’. Zie ook: Jes 16:14; Jer 4:20; Jer 48:5; Jer 48:31–36; Luc 19:41–44 **15:6** Want de wateren van Nimrim worden woestenijen. Want het gras is verdord, het jonge gras is verdwenen, er is niets groens meer. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מֵ֥י (mei) = wateren van | נִמְרִ֖ים (nimrim) = Nimrim | מְשַׁמּ֣וֹת (meshamot) = woestenijen | יִֽהְי֑וּ (yihyu) = zullen worden | כִּֽי (ki) = want | יָבֵ֤שׁ (yavesh) = is verdord | חָצִיר֙ (chatsir) = gras | כָּ֣לָה (kala) = is verdwenen | דֶ֔שֶׁא (deshe) = jong gras | יֶ֖רֶק (yereq) = groen | לֹ֥א (lo) = niet | הָיָֽה (haya) = is geweest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nimrim (Wadi en-Numeira?; ligging onzeker): De wateren van Nimrim worden meestal gezocht bij het Wadi en-Numeira, ten zuidoosten van de Zoutzee. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: נִמְרִים (Nimrim): een plaats in het zuiden van Moab, bekend om zijn water. Het jonge gras verdort omdat de bronnen opdrogen. Zie ook: Num 32:3; Num 32:36; Joël 1:10–12; Jes 19:5–7; Hab 3:17–18 **15:7** Daarom dragen zij het overschot dat zij hebben verworven, en wat zij hebben opgeslagen, over de beek van de wilgen. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֖ן (ken) = (zo) | יִתְרָ֣ה (yitra) = overschot | עָשָׂ֑ה (asa) = dat zij hebben verworven | וּפְקֻדָּתָ֔ם (ufequdatam) = en hun opslag | עַ֛ל (al) = over | נַ֥חַל (nachal) = beek van | הָעֲרָבִ֖ים (haaravim) = de wilgen | יִשָּׂאֽוּם (yisaum) = zij dragen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beek van de wilgen (Zered?; ligging onzeker): De beek van de wilgen lag aan de grens van Moab. Mogelijk is het de Zered (Wadi al-Hasa), ten zuiden van de Zoutzee. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: נַחַל הָעֲרָבִים (nachal ha’aravim), ‘de beek van de wilgen’: de ligging is onzeker. ‘Ha’aravim’ kan ook ‘de steppen’ of ‘de Arabieren’ betekenen. Wij volgen ‘wilgen’. Zie ook: Ps 137:1–2; Jes 5:29; Jes 10:14; Nah 2:13–14; Jer 48:36 **15:8** Want de noodkreet is rond de grens van Moab gegaan. Tot Eglaim reikt haar gejammer, en tot Beër-Elim haar gejammer. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִקִּ֥יפָה (hiqifa) = is rondgegaan | הַזְּעָקָ֖ה (hazeaqa) = de noodkreet | אֶת (et) = (obj.) | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | עַד (ad) = tot | אֶגְלַ֨יִם֙ (eglayim) = Eglaim | יִלְלָתָ֔הּ (yillatah) = haar gejammer | וּבְאֵ֥ר (uveer) = en Beër | אֵילִ֖ים (eilim) = Elim | יִלְלָתָֽהּ (yillatah) = haar gejammer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: אֶגְלַיִם (Eglayim, ‘Eglaim’) en בְּאֵר אֵילִים (Be’er Elim, ‘Beër-Elim’): plaatsen aan de grenzen van Moab. De ligging is onzeker. Zie ook: Jes 15:2–5; Jer 48:20–24; Jer 48:31–34; Ezech 47:10 ### De wateren van Dimon zijn vol bloed **15:9** Want de wateren van Dimon zijn vol bloed. **Want Ik leg nog meer op Dimon: een leeuw voor de ontkomenen van Moab en voor het overblijfsel van de grond.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | מֵ֤י (mei) = wateren van | דִימוֹן֙ (dimon) = Dimon | מָ֣לְאוּ (maleu) = zijn vol | דָ֔ם (dam) = bloed | כִּֽי (ki) = want | אָשִׁ֥ית (ashit) = Ik leg | עַל (al) = op | דִּימ֖וֹן (dimon) = Dimon | נוֹסָפ֑וֹת (nosafot) = meer | לִפְלֵיטַ֤ת (lifleitat) = voor de ontkomenen van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | אַרְיֵ֔ה (arye) = leeuw | וְלִשְׁאֵרִ֖ית (velisherit) = en voor het overblijfsel van | אֲדָמָֽה (adama) = grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dimon (Dibon?; ligging onzeker): Dimon is mogelijk een andere naam voor Dibon, ten noorden van de Arnon in Moab (Jesaja 15:2). Dit is niet zeker. Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Vanaf ‘Want Ik leg’ spreekt Yahweh weer zelf; daarom staat dit deel rood. Voetnoot : אַרְיֵה (aryeh), ‘leeuw’: een beeld voor een nieuwe vijand of een nieuwe ramp. Het Hebreeuws zegt niet wie de leeuw is. Voetnoot : אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: de grond van Moab. Voetnoot Lezing: De Masoretische tekst heeft דִּימוֹן (Dimon). Sommige oude vertalingen lezen Dibon (vers 2). Het woord klinkt als דָּם (dam), ‘bloed’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Lev 26:24; Lev 26:28; 2 Kon 17:25; Amos 5:19; Jes 15:2; Jer 50:17 ## Jesaja 16 _Moab zoekt een schuilplaats; zijn hoogmoed en zijn rouw_ ### Stuur het lam naar Sion **16:1** Zend het lam voor de heerser van het land: van Sela, door de woestijn, naar de berg van Dochter Sion. Brontekst: שִׁלְחוּ (shilchu) = zend | כַ֥ר (kar) = het lam van | מֹשֵֽׁל (moshel) = de heerser van | אֶ֖רֶץ (erets) = het land | מִסֶּ֣לַע (misela) = van Sela | מִדְבָּ֑רָה (midbara) = naar de woestijn | אֶל (el) = naar | הַ֖ר (har) = de berg van | בַּת (bat) = Dochter | צִיּֽוֹן (tsiyon) = Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sela (Petra?; ligging onzeker): Sela (‘rots’) is hier een rots of stad in het zuiden, mogelijk Petra in Edom of een rots in Moab. Het kan ook geen plaatsnaam zijn. Dit is niet zeker. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כַּר (kar), ‘lam’: een lam als schatting. Koning Mesa van Moab leverde aan Israël lammeren en rammen met wol (2 Kon. 3:4). De tekst zegt niet wie de ‘heerser van het land’ is. Waarschijnlijk is het de koning van Juda. Voetnoot : סֶלַע (Sela), ‘rots’: of een plaatsnaam, of gewoon ‘vanaf de rots’. De ligging is onzeker. Een andere stad Sela staat in 2 Kon. 14:7. Voetnoot : בַּת צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: een beeld voor Jeruzalem en haar inwoners (vergelijk Ps. 9:15). Voetnoot : Dit hoofdstuk gaat verder op Jes. 15, de last over Moab. Zie ook: 2 Sam 8:2; Ps 9:15; 2 Kon 3:4; 2 Kon 14:7; Jes 10:32; Ezra 7:17 **16:2** Het zal gebeuren: als een rondzwervende vogel, uit het nest weggestuurd, zo zullen de dochters van Moab zijn bij de oversteekplaatsen van de Arnon. Brontekst: וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | כְעוֹף (keof) = als een vogel | נוֹדֵ֖ד (noded) = rondzwervend | קֵ֣ן (qen) = uit het nest | מְשֻׁלָּ֑ח (meshulach) = weggestuurd | תִּֽהְיֶ֨ינָה֙ (tihyeina) = zullen zijn | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | מַעְבָּרֹ֖ת (mabarot) = oversteekplaatsen van | לְאַרְנֽוֹן (learnon) = de Arnon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab. Voetnoot Uitleg: מַעְבָּרֹת (ma’barot), ‘oversteekplaatsen’: plaatsen waar men door de rivier kan. De Arnon was de grens van Moab (Num. 21:13). Zie ook: Num 21:13; Deut 3:8; Deut 3:12; Re 11:18; Spr 27:8; Jer 48:20 ### Moab smeekt om een schuilplaats **16:3** Geef raad. Neem een besluit. Maak je schaduw midden op de dag als de nacht. Verberg de verdrevenen. Verraad de zwerver niet. Brontekst: הָבִ֤יאִי (havii) = breng | עֵצָה֙ (etsa) = raad | עֲשׂ֣וּ (asu) = maak | פְלִילָ֔ה (pelila) = besluit | שִׁ֧יתִי (shiti) = maak | כַלַּ֛יִל (kalayil) = als de nacht | צִלֵּ֖ךְ (tsilekh) = je schaduw | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | צָהֳרָ֑יִם (tsahorayim) = de middag | סַתְּרִי֙ (sateri) = verberg | נִדָּחִ֔ים (nidachim) = verdrevenen | נֹדֵ֖ד (noded) = zwerver | אַל (al) = niet | תְּגַלִּֽי (tegali) = verraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst zegt niet wie hier spreekt. Wij lezen het als een smeekbede van Moab aan Juda (Dochter Sion, vers 1); daarom staat er geen rood. Voetnoot : פְלִילָה (pelilah), ‘besluit’: een beslissing of een uitspraak van een rechter. Het woord is zeldzaam. Voetnoot : De ‘schaduw als de nacht’ is een beeld van bescherming tegen de hitte van de middag. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is הביאו (havi’u), ‘brengt’ (meervoud). Het voorgelezen woord (qere) is הָבִיאִי (havi’i), ‘breng’ (vrouwelijk enkelvoud). Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kon 18:4; Jes 1:17; Jes 16:1; Jes 25:4; Jes 32:2; Mat 25:35 **16:4** Laat de verdrevenen van Moab bij jou verblijven. Wees voor hen een schuilplaats voor de verwoester. Want de onderdrukker is er niet meer, de verwoesting is voorbij, en wie vertrapt, is uit het land verdwenen. Brontekst: יָג֤וּרוּ (yaguru) = laat verblijven | בָךְ֙ (bakh) = bij jou | נִדָּחַ֔י (nidachay) = verdrevenen van | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | הֱוִי (hevi) = wees | סֵ֥תֶר (seter) = schuilplaats | לָ֖מוֹ (lamo) = voor hen | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor het aangezicht van | שׁוֹדֵ֑ד (shoded) = de verwoester | כִּֽי (ki) = want | אָפֵ֤ס (afes) = is niet meer | הַמֵּץ֙ (hamets) = de onderdrukker | כָּ֣לָה (kala) = is voorbij | שֹׁ֔ד (shod) = verwoesting | תַּ֥מּוּ (tamu) = zijn verdwenen | רֹמֵ֖ס (romes) = wie vertrapt | מִן (min) = uit | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הַמֵּץ (hamets), ‘de onderdrukker’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; ze past bij ‘verwoesting’ en ‘wie vertrapt’. Zie ook: Jes 9:3; Jes 14:4; Jes 25:10; Jes 51:13; Mal 3:21 ### Een troon in trouw **16:5** Een troon wordt bevestigd in trouw. Een rechter zal er in waarheid op zitten, in de tent van David. Hij zoekt het recht en is snel in gerechtigheid. Brontekst: וְהוּכַ֤ן (vehukhan) = en wordt bevestigd | בַּחֶ֨סֶד֙ (bachesed) = in trouw | כִּסֵּ֔א (kise) = troon | וְיָשַׁ֥ב (veyashav) = en zal zitten | עָלָ֛יו (alav) = daarop | בֶּאֱמֶ֖ת (beemet) = in waarheid | בְּאֹ֣הֶל (beohel) = in de tent van | דָּוִ֑ד (david) = David | שֹׁפֵ֛ט (shofet) = rechter | וְדֹרֵ֥שׁ (vedoresh) = en zoekend | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | וּמְהִ֥ר (umehir) = en snel | צֶֽדֶק (tsedeq) = gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘tent van David’ is het huis van David, de koning uit zijn nageslacht (vergelijk 2 Sam. 7:16). Voetnoot : חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, en אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: zo vertalen wij die woorden overal. Voetnoot : מָהִיר (mahir), ‘snel’: het kan ook ‘vaardig’ of ‘bekwaam’ betekenen. Zie ook: 2 Sam 7:16; Jes 9:5–6; Jes 32:1–2; Mi 4:7; Dan 7:14; Dan 7:27 ### De hoogmoed van Moab **16:6** Wij hebben de hoogmoed van Moab gehoord. Hij is zeer hoogmoedig: zijn trots, zijn hoogmoed en zijn woede. Zijn grootspraak klopt niet. Brontekst: שָׁמַ֥עְנוּ (shamanu) = wij hebben gehoord | גְאוֹן (geon) = hoogmoed van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | גֵּ֣א (ge) = hoogmoedig | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | גַּאֲוָת֧וֹ (gaavato) = zijn trots | וּגְאוֹנ֛וֹ (ugeono) = en zijn hoogmoed | וְעֶבְרָת֖וֹ (veevrato) = en zijn woede | לֹא (lo) = niet | כֵ֥ן (ken) = zo | בַּדָּֽיו (badav) = zijn grootspraak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: גָּאוֹן (ga’on), ‘hoogmoed’, en גַּאֲוָה (ga’avah), ‘trots’: twee woorden van dezelfde stam. Het eerste woord staat ook in ‘hij is hoogmoedig’ (גֵּא, ge). Voetnoot : בַּדָּיו (baddav), ‘zijn grootspraak’: letterlijk ‘zijn lege praat’; het kan ook ‘zijn leugens’ zijn. לֹא כֵן (lo ken), ‘niet zo’: wat hij zegt, klopt niet met de werkelijkheid. Zie ook: Amos 2:1; Sef 2:8–10; Jer 48:26; Jer 48:29–30; Ob 1:3–4 **16:7** Daarom jammert Moab om Moab; helemaal jammert het. Om de rozijnenkoeken van Kir-Charaset zuchten jullie, zeker geslagen. Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | יְיֵלִ֥יל (yeyelil) = jammert | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | לְמוֹאָ֖ב (lemoav) = om Moab | כֻּלֹּ֣ה (kulo) = geheel het | יְיֵלִ֑יל (yeyelil) = jammert | לַאֲשִׁישֵׁ֧י (laashishei) = om de rozijnenkoeken van | קִיר (qir) = Kir | חֲרֶ֛שֶׂת (chareset) = Charaset | תֶּהְגּ֖וּ (tehgu) = zuchten jullie | אַךְ (akh) = zeker | נְכָאִֽים (nekhaim) = geslagenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Kir-Charaset (Kerak): Kir-Charaset wordt meestal gelijkgesteld met Kerak, in Moab, ten oosten van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: אֲשִׁישֵׁי (ashishe), ‘rozijnenkoeken’: koeken van geperste, gedroogde druiven (zo ook Hos. 3:1). De betekenis is onzeker. Voetnoot : קִיר חֲרֶשֶׂת (Qir Chareset), ‘Kir-Charaset’: een stad in Moab (2 Kon. 3:25). Voetnoot : אַךְ (akh), ‘zeker’: ook ‘alleen maar’. Zie ook: 1 Kron 16:3; 2 Kon 3:25; Hos 3:1; Jes 8:19; Jes 15:1–5; Jer 48:20 **16:8** Want de velden van Chesbon zijn verwelkt, de wijnstok van Sibma. De heersers van de volken hebben haar edele ranken neergeslagen. Zij reikten tot Jaëzer en dwaalden door de woestijn. Haar scheuten werden uitgespreid; zij trokken over de zee. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | שַׁדְמוֹת֩ (shadmot) = velden van | חֶשְׁבּ֨וֹן (cheshbon) = Chesbon | אֻמְלָ֜ל (umlal) = zijn verwelkt | גֶּ֣פֶן (gefen) = wijnstok van | שִׂבְמָ֗ה (sivma) = Sibma | בַּעֲלֵ֤י (baalei) = heersers van | גוֹיִם֙ (goyim) = volken | הָלְמ֣וּ (halemu) = hebben neergeslagen | שְׂרוּקֶּ֔יהָ (seruqeiha) = haar edele ranken | עַד (ad) = tot | יַעְזֵ֥ר (yazer) = Jaëzer | נָגָ֖עוּ (nagau) = zij reikten | תָּ֣עוּ (tau) = zij dwaalden | מִדְבָּ֑ר (midbar) = woestijn | שְׁלֻ֣חוֹתֶ֔יהָ (sheluchoteiha) = haar scheuten | נִטְּשׁ֖וּ (niteshu) = werden uitgespreid | עָ֥בְרוּ (averu) = zij trokken over | יָֽם (yam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Sibma (ligging onzeker): Sibma lag in Moab, vlak bij Chesbon. De precieze plaats is niet bekend. Zie Jaëzer: Jaëzer lag ten noorden van Chesbon, vermoedelijk in het gebied tussen Amman en As-Salt. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Chesbon (Num. 21:26), Sibma (Num. 32:38), Jaëzer (Num. 32:35) en Elale (Num. 32:3, in vers 9) zijn steden in het gebied ten oosten van de Jordaan. De wijnstok is een beeld voor het land Moab en zijn wijnbouw. Voetnoot : שְׂרוּקֶּיהָ (seruqqeha), ‘haar edele ranken’: sereq is waarschijnlijk een edele, rode druivensoort. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : De zin ‘zij reikten tot Jaëzer … zij trokken over de zee’ beschrijft hoe ver de ranken groeiden; de ‘zee’ is waarschijnlijk de Zoutzee. Zie ook: Num 21:26; Num 32:3; Num 32:35; Num 32:38; Joz 13:25; 2 Sam 1:21; Jes 15:4; Jes 16:9; Jer 27:6–7 ### Rouw om de wijnstok van Sibma **16:9** Daarom huil ik met het huilen van Jaëzer om de wijnstok van Sibma. Ik drenk je met mijn tranen, Chesbon en Elale. Want over je zomerfruit en je oogst is een jubelkreet gevallen. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֡ן (ken) = zo | אֶבְכֶּ֞ה (evke) = ik zal huilen | בִּבְכִ֤י (bivkhi) = met het huilen van | יַעְזֵר֙ (yazer) = Jaëzer | גֶּ֣פֶן (gefen) = wijnstok van | שִׂבְמָ֔ה (sivma) = Sibma | אֲרַיָּ֨וֶךְ֙ (arayavekh) = ik drenk je | דִּמְעָתִ֔י (dimati) = mijn tranen | חֶשְׁבּ֖וֹן (cheshbon) = Chesbon | וְאֶלְעָלֵ֑ה (veelale) = en Elale | כִּ֧י (ki) = want | עַל (al) = over | קֵיצֵ֛ךְ (qeitsekh) = je zomerfruit | וְעַל (veal) = en over | קְצִירֵ֖ךְ (qetsirekh) = je oogst | הֵידָ֥ד (heidad) = jubelkreet | נָפָֽל (nafal) = is gevallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jaëzer: Jaëzer lag ten noorden van Chesbon, vermoedelijk in het gebied tussen Amman en As-Salt. De precieze plaats is niet zeker. Zie Sibma (ligging onzeker): Sibma lag in Moab, vlak bij Chesbon. De precieze plaats is niet bekend. Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman. Zie Elale: Elale (nu El-Al) lag ten noorden van Chesbon, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: אֲרַיָּוֵךְ (arayavekh), ‘Ik drenk je’: letterlijk ‘Ik maak je kletsnat’. De spreker is waarschijnlijk de profeet zelf; zie ook vers 11. Voetnoot : הֵידָד (hedad), ‘jubelkreet’: de kreet van de druiventreders bij de oogst. Het woord kan ook ‘strijdkreet’ betekenen. Dan komt de kreet van de vijand in de plaats van de vreugde van de oogst. Voetnoot : קַיִץ (qayits), ‘zomerfruit’: zoals Amos 8:1. Jer. 48:32 heeft een verwante tekst. Zie ook: Amos 8:1; Jes 9:2; Jes 15:4–5; Jes 16:11; Jer 40:10; Jer 40:12; Jer 48:32–34 **16:10** Vreugde en blijdschap worden weggenomen uit het boomgaardland. In de wijngaarden wordt niet gezongen en niet gejuicht. De druiventreder treedt geen wijn in de perskuipen. **„Ik heb de jubelkreet doen ophouden.”** Brontekst: וְנֶאֱסַ֨ף (veneesaf) = en wordt weggenomen | שִׂמְחָ֤ה (simcha) = vreugde | וָגִיל֙ (vagil) = en blijdschap | מִן (min) = uit | הַכַּרְמֶ֔ל (hakarmel) = het boomgaardland | וּבַכְּרָמִ֥ים (uvakeramim) = en in de wijngaarden | לֹֽא (lo) = niet | יְרֻנָּ֖ן (yerunan) = wordt gezongen | לֹ֣א (lo) = niet | יְרֹעָ֑ע (yeroa) = wordt gejuicht | יַ֗יִן (yayin) = wijn | בַּיְקָבִ֛ים (bayqavim) = in de perskuipen | לֹֽא (lo) = niet | יִדְרֹ֥ךְ (yidrokh) = treedt | הַדֹּרֵ֖ךְ (hadorekh) = de druiventreder | הֵידָ֥ד (heidad) = jubelkreet | הִשְׁבַּֽתִּי (hishbati) = Ik heb doen ophouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכַּרְמֶל (hakkarmel), ‘het boomgaardland’: karmel betekent vruchtbaar land met tuinen. Het gaat hier niet om de berg met die naam. Voetnoot : הֵידָד (hedad), ‘jubelkreet’: zie vers 9. Voetnoot : הִשְׁבַּתִּי (hishbatti), ‘Ik heb doen ophouden’: hier spreekt Yahweh in de eerste persoon. Daarom staat dit stuk rood. De tekst noemt de spreker niet; de verzen ervoor en erna klinken als de profeet zelf. Zie ook: Re 9:27; Amos 5:11; Amos 5:17; Jes 16:9; Jes 24:7–9; Jer 48:33 **16:11** Daarom bruisen mijn ingewanden om Moab als een lier, en mijn binnenste om Kir-Cheres. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּן֙ (ken) = zo | מֵעַ֣י (meay) = mijn ingewanden | לְמוֹאָ֔ב (lemoav) = om Moab | כַּכִּנּ֖וֹר (kakinor) = als een lier | יֶֽהֱמ֑וּ (yehemu) = bruisen | וְקִרְבִּ֖י (veqirbi) = en mijn binnenste | לְקִ֥יר (leqir) = om Kir | חָֽרֶשׂ (chares) = Cheres Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Kir-Cheres (Kir-Charaset, Kerak): Kir-Cheres is dezelfde stad als Kir-Charaset (Jesaja 16:7), meestal gelijkgesteld met Kerak, in Moab, ten oosten van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: יֶהֱמוּ (yehemu), ‘bruisen’: het werkwoord wordt ook gebruikt voor zeeën en volken (17:12). Hier klinkt het als de snaren van een lier, een klaagtoon. Voetnoot : קִיר חֶרֶשׂ (Qir Cheres), ‘Kir-Cheres’: waarschijnlijk dezelfde stad als Kir-Charaset in vers 7. Zie ook: Hos 11:8; Jes 15:5; Jes 16:7; Jes 63:15; Jer 48:36; Fil 2:1 **16:12** Het zal gebeuren: wanneer Moab zich laat zien, wanneer het zich uitput op de hoogte en naar zijn heiligdom komt om te bidden, dan zal het niets kunnen bereiken. Brontekst: וְהָיָ֧ה (vehaya) = en het zal zijn | כִֽי (ki) = wanneer | נִרְאָ֛ה (nira) = zich laat zien | כִּֽי (ki) = wanneer | נִלְאָ֥ה (nila) = zich uitput | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | עַל (al) = op | הַבָּמָ֑ה (habama) = de hoogte | וּבָ֧א (uva) = en komt | אֶל (el) = naar | מִקְדָּשׁ֛וֹ (miqdasho) = zijn heiligdom | לְהִתְפַּלֵּ֖ל (lehitpalel) = om te bidden | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יוּכָֽל (yukhal) = zal hij kunnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הַבָּמָה (habbamah), ‘de hoogte’: een offerhoogte, een plaats van aanbidding op een heuvel. Voetnoot : וְלֹא יוּכָל (velo yukhal), ‘dan zal het niets kunnen bereiken’: het Hebreeuws zegt alleen ‘en hij zal niet kunnen’. Er staat geen voorwerp. Zie ook: Num 23:14; 1 Kon 18:29; Jes 15:2; Jer 48:35; Jer 48:46 ### Binnen drie jaar **16:13** Dit is het woord dat Yahweh vanouds over Moab sprak. Brontekst: זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֗ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | דִּבֶּ֧ר (diber) = sprak | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | מֵאָֽז (meaz) = vanouds Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: מֵאָז (me’az), ‘vanouds’: van vroeger. De tekst zegt niet welk eerder woord bedoeld is. Het kan de last over Moab in Jes. 15 zijn. Zie ook: Jes 44:8 **16:14** En nu heeft Yahweh gesproken: **„Binnen drie jaar, als de jaren van een dagloner, wordt de heerlijkheid van Moab veracht, met heel die grote menigte. De overgeblevenen zijn weinig, klein, niet machtig.”** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | דִּבֶּ֣ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | בְּשָׁלֹ֤שׁ (beshalosh) = binnen drie | שָׁנִים֙ (shanim) = jaar | כִּשְׁנֵ֣י (kishnei) = als de jaren van | שָׂכִ֔יר (sakhir) = een dagloner | וְנִקְלָה֙ (veniqla) = en wordt veracht | כְּב֣וֹד (kevod) = heerlijkheid van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | בְּכֹ֖ל (bekhol) = met heel | הֶהָמ֣וֹן (hehamon) = de menigte | הָרָ֑ב (harav) = grote | וּשְׁאָ֥ר (ushear) = en de overgeblevenen | מְעַ֛ט (meat) = weinig | מִזְעָ֖ר (mizar) = klein | ל֥וֹא (lo) = niet | כַבִּֽיר (kabir) = machtig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Na ‘Yahweh heeft gesproken’ volgen Zijn woorden. Daarom staan ze rood, ook al staat er geen ‘Ik’. Voetnoot : כִּשְׁנֵי שָׂכִיר (kishne sakhir), ‘als de jaren van een dagloner’: een dagloner telt zijn tijd precies. Het zijn dus precies drie jaar. Voetnoot : שְׁאָר (she’ar), ‘de overgeblevenen’: zo vertalen wij dit woord overal in Jesaja. Zie ook: Jes 17:4; Jes 21:16; Jes 23:9; Jer 48:42; Jer 48:46–47 ## Jesaja 17 _Last over Damascus en Efraïm; het gebulder van de volken_ ### Last over Damascus **17:1** Last over Damascus. Zie, Damascus houdt op een stad te zijn. Het wordt een puinhoop. Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = last | דַּמָּ֑שֶׂק (damaseq) = over Damascus | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | דַמֶּ֨שֶׂק֙ (dameseq) = Damascus | מוּסָ֣ר (musar) = is weggenomen | מֵעִ֔יר (meir) = als stad | וְהָיְתָ֖ה (vehayeta) = en het wordt | מְעִ֥י (mei) = een hoop van | מַפָּלָֽה (mapala) = ruïne Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: zie 13:1. Het is een ander woord dan נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak van Yahweh’ (zie Jes. 1:24). In Spr. 31:1 vertalen wij massa met ‘godsspraak’. Voetnoot : Damascus is de hoofdstad van Aram. De tekst spreekt over de val van de stad; vergelijk 2 Kon. 16:9. Voetnoot : מְעִי מַפָּלָה (me’i mappalah), ‘een puinhoop’: letterlijk ‘een hoop van ruïne’. Zie ook: Spr 31:1; 2 Kon 16:9; Amos 1:3–5; Jes 1:24; Jes 7:8; Jes 25:2; Zach 9:1; Hand 9:2 **17:2** De steden van Aroër zijn verlaten. Zij zijn voor kudden; die zullen er neerliggen, en niemand jaagt hen schrik aan. Brontekst: עֲזֻב֖וֹת (azuvot) = verlaten | עָרֵ֣י (arei) = steden van | עֲרֹעֵ֑ר (aroer) = Aroër | לַעֲדָרִ֣ים (laadarim) = voor kudden | תִּֽהְיֶ֔ינָה (tihyeina) = zij zullen zijn | וְרָבְצ֖וּ (veravetsu) = en zij zullen neerliggen | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מַחֲרִֽיד (macharid) = die schrik aanjaagt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲרֹעֵר (Aro’er), ‘Aroër’: de naam van meer dan één plaats (zie Deut. 2:36 en Num. 32:34). Welke hier bedoeld is, is onzeker. Voetnoot Lezing: De overgeleverde tekst heeft ‘de steden van Aroër’. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de overgeleverde tekst. Zie ook: Num 32:34; Deut 2:36; Mi 4:4; Sef 2:6; Jer 7:33; Ezech 25:5 **17:3** **„De vesting houdt op in Efraïm en het koningschap in Damascus. De overgeblevenen van Aram zullen zijn als de heerlijkheid van de zonen van Israël, godsspraak van Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: וְנִשְׁבַּ֤ת (venishbat) = en houdt op | מִבְצָר֙ (mivtsar) = vesting | מֵֽאֶפְרַ֔יִם (meefrayim) = uit Efraïm | וּמַמְלָכָ֥ה (umamlakha) = en koningschap | מִדַּמֶּ֖שֶׂק (midameseq) = uit Damascus | וּשְׁאָ֣ר (ushear) = en de overgeblevenen van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | כִּכְב֤וֹד (kikhvod) = als de heerlijkheid van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יִֽהְי֔וּ (yihyu) = zullen zij zijn | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Efraïm staat hier voor het noordelijke koninkrijk Israël. Efraïm en Damascus waren bondgenoten tegen Juda (2 Kon. 16:5). Voetnoot : מִבְצָר (mibtsar), ‘vesting’: een versterkte stad. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה צְבָאוֹת (ne’um Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’: zie Jes. 1:24 en 1:9. Yahweh zelf spreekt; daarom staat het hele vers rood, ook al staat er geen ‘Ik’. Voetnoot : שְׁאָר (she’ar), ‘de overgeblevenen’: zo vertalen wij dit woord overal in Jesaja. Voetnoot : De woorden ‘zullen zijn als de heerlijkheid van Israël’ zijn bitter: ook die heerlijkheid gaat verloren (vers 4). Zie ook: 2 Kon 16:5; Hos 9:11; Jes 1:9; Jes 1:24; Jes 7:8; Jes 7:16; Jes 8:4; Jes 17:4; Mi 1:4–9 ### Jakob wordt schraal **17:4** Op die dag wordt de heerlijkheid van Jakob schraal, en het vet van zijn lichaam wordt mager. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | יִדַּ֖ל (yidal) = wordt schraal | כְּב֣וֹד (kevod) = heerlijkheid van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וּמִשְׁמַ֥ן (umishman) = en het vet van | בְּשָׂר֖וֹ (besaro) = zijn lichaam | יֵרָזֶֽה (yeraze) = wordt mager Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jakob staat hier voor het hele volk. Het ‘vet’ is een beeld van welvaart en kracht. Wie mager wordt, verliest die kracht. Zie ook: Deut 32:15–27; Jes 10:4; Jes 10:16; Sef 2:11; Ezech 34:20 **17:5** Het zal zijn als wanneer de maaier de staande halmen bijeenbrengt en zijn arm de aren afmaait. Het zal zijn als wanneer iemand aren raapt in het dal van de Refaïeten. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כֶּֽאֱסֹף֙ (keesof) = als bijeenbrengt | קָצִ֣יר (qatsir) = de maaier | קָמָ֔ה (qama) = staande halmen | וּזְרֹע֖וֹ (uzeroo) = en zijn arm | שִׁבֳּלִ֣ים (shibolim) = aren | יִקְצ֑וֹר (yiqtsor) = maait af | וְהָיָ֛ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּמְלַקֵּ֥ט (kimlaqet) = als iemand die raapt | שִׁבֳּלִ֖ים (shibolim) = aren | בְּעֵ֥מֶק (beemeq) = in het dal van | רְפָאִֽים (refaim) = de Refaïeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dal van de Refaïeten: Het dal van de Refaïeten (Emek Refaïm) liep ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: עֵמֶק רְפָאִים (emeq Refa’im), ‘het dal van de Refaïeten’: ten zuidwesten van Jeruzalem (2 Sam. 5:18). Het beeld is een akker die bijna niets meer oplevert. Zie ook: 2 Sam 5:18; Joël 4:13; Jer 51:33; Mat 13:30; Openb 14:15–20 **17:6** **„Er blijft in hem een nalezing over, zoals bij het afkloppen van een olijfboom: 2 of 3 vruchten boven in de top; 4 of 5 aan de takken van de vruchtbare boom. Godsspraak van Yahweh, de Elohim van Israël.”** Brontekst: וְנִשְׁאַר (venishar) = en er blijft over | בּ֤וֹ (bo) = in hem | עֽוֹלֵלֹת֙ (olelot) = nalezing | כְּנֹ֣קֶף (kenoqef) = als het afkloppen van | זַ֔יִת (zayit) = een olijfboom | שְׁנַ֧יִם (shenayim) = 2 | שְׁלֹשָׁ֛ה (shelosha) = 3 | גַּרְגְּרִ֖ים (gargerim) = vruchten | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = boven in | אָמִ֑יר (amir) = de top | אַרְבָּעָ֣ה (arbaa) = 4 | חֲמִשָּׁ֗ה (chamisha) = 5 | בִּסְעִפֶ֨יהָ֙ (bisifeiha) = aan haar takken | פֹּֽרִיָּ֔ה (poriya) = de vruchtbare | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוֹלֵלֹת (olelot), ‘nalezing’: wat na de oogst achterblijft. Dat moest men voor de armen laten liggen (Lev. 19:10). Voetnoot : נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie Jes. 1:24. Hier staat het hele vers rood. Voetnoot : אָמִיר (amir), ‘de top’: het woord komt ook voor in vers 9. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : פֹּרִיָּה (poriyyah), ‘de vruchtbare’: letterlijk ‘de vruchtdragende (boom)’. Het woord staat in het vrouwelijk, zoals ‘haar takken’. Zie ook: Lev 19:10; Deut 4:27; Re 8:2; Jes 1:24; Jes 17:9; Jes 24:13; Rom 9:27; Rom 11:4–6 ### Opzien naar de Maker **17:7** Op die dag zal de mens opzien naar zijn Maker, en zijn ogen zullen kijken naar de Heilige van Israël. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | יִשְׁעֶ֥ה (yishe) = zal opzien | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mens | עַל (al) = naar | עֹשֵׂ֑הוּ (osehu) = zijn Maker | וְעֵינָ֕יו (veeinav) = en zijn ogen | אֶל (el) = naar | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | תִּרְאֶֽינָה (tireina) = zullen kijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִשְׁעֶה (yish’eh), ‘opzien’: de blik richten op iemand. Hetzelfde werkwoord staat in vers 8 (‘niet opzien naar’). Voetnoot : קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een naam voor Yahweh die in Jesaja vaak voorkomt. Wij vertalen hem overal zo. Zie ook: Hos 3:5; Hos 6:1; Jes 17:8; Jes 24:14–15; Jes 29:24; Mi 7:7 **17:8** Hij zal niet opzien naar de altaren, het werk van zijn handen. Wat zijn vingers hebben gemaakt, zal hij niet zien: de heilige palen en de wierookaltaren. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִשְׁעֶ֔ה (yishe) = zal hij opzien | אֶל (el) = naar | הַֽמִּזְבְּח֖וֹת (hamizbechot) = de altaren | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | יָדָ֑יו (yadav) = zijn handen | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en wat | עָשׂ֤וּ (asu) = hebben gemaakt | אֶצְבְּעֹתָיו֙ (etsbeotav) = zijn vingers | לֹ֣א (lo) = niet | יִרְאֶ֔ה (yire) = zal hij zien | וְהָאֲשֵׁרִ֖ים (vehaasherim) = en de heilige palen | וְהָחַמָּנִֽים (vehachamanim) = en de wierookaltaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen bij een altaar. חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook Lev. 26:30 en 2 Kron. 14:4. Zie ook: Lev 26:30; 2 Kron 14:4; Hos 10:1–2; Jes 2:8; Jes 27:9; Jes 30:22; Mi 5:12–13 **17:9** Op die dag zullen de steden van zijn burcht zijn als de verlaten plaatsen van het woud en van de top. Men verliet ze voor de zonen van Israël. Het wordt een woestenij. Brontekst: בַּיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַה֜וּא (hahu) = die | יִהְי֣וּ (yihyu) = zullen zijn | עָרֵ֣י (arei) = steden van | מָעֻזּ֗וֹ (mauzo) = zijn burcht | כַּעֲזוּבַ֤ת (kaazuvat) = als de verlatenheid van | הַחֹ֨רֶשׁ֙ (hachoresh) = het woud | וְהָ֣אָמִ֔יר (vehaamir) = en de top | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָזְב֔וּ (azevu) = men verliet | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het aangezicht van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהָיְתָ֖ה (vehayeta) = en het wordt | שְׁמָמָֽה (shemama) = woestenij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָעֻזּוֹ (ma’uzzo), ‘zijn burcht’: een sterke plaats. Het woord staat ook in vers 10. Voetnoot : הַחֹרֶשׁ וְהָאָמִיר (hachoresh vehaamir), ‘het woud en de top’: deze zin is moeilijk. De betekenis van beide woorden is onzeker. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Wij volgen de overgeleverde tekst. Zie ook: Amos 3:11–15; Jes 6:11–13; Jes 17:10; Jes 24:1–12; Jes 27:10; Mi 7:13 ### Je hebt de Elohim van je redding vergeten **17:10** Want je hebt de Elohim van je redding vergeten. Je hebt niet gedacht aan de rots van je burcht. Daarom plant je lieflijke planten en zet je er een vreemde rank in. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | שָׁכַ֨חַתְּ֙ (shakhachat) = je hebt vergeten | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׁעֵ֔ךְ (yishekh) = je redding | וְצ֥וּר (vetsur) = en rots van | מָעֻזֵּ֖ךְ (mauzekh) = je burcht | לֹ֣א (lo) = niet | זָכָ֑רְתְּ (zakhart) = je hebt gedacht | עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = zo | תִּטְּעִי֙ (titei) = je plant | נִטְעֵ֣י (nitei) = planten van | נַעֲמָנִ֔ים (naamanim) = lieflijkheden | וּזְמֹ֥רַת (uzemorat) = en een rank van | זָ֖ר (zar) = vreemde | תִּזְרָעֶֽנּוּ (tizraenu) = je zaait het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִטְעֵי נַעֲמָנִים (nit’e na’amanim), ‘lieflijke planten’: letterlijk ‘planten van lieflijkheden’. Het kan gaan om tuintjes met planten voor een vreemde god. De betekenis is onzeker. Voetnoot : זְמֹרַת זָר (zemorat zar), ‘een vreemde rank’: een rank van elders, of een rank ‘van een vreemde (god)’. Voetnoot : צוּר (tsur), ‘rots’: een beeld van Yahweh als beschermer (vergelijk Deut. 32:4). Zie ook: Deut 32:4; Deut 32:18; Ps 106:21; Hos 13:6–7; Jes 26:4; Jer 2:32 **17:11** Op de dag dat je plant, laat je het groeien, en 's morgens laat je je zaad bloeien. Een hoop is de oogst op de dag van ziekte en van ongeneeslijke pijn. Brontekst: בְּי֤וֹם (beyom) = op de dag dat | נִטְעֵךְ֙ (nitekh) = je plant | תְּשַׂגְשֵׂ֔גִי (tesagsegi) = laat je groeien | וּבַבֹּ֖קֶר (uvaboqer) = en 's morgens | זַרְעֵ֣ךְ (zarekh) = je zaad | תַּפְרִ֑יחִי (tafrichi) = laat je bloeien | נֵ֥ד (ned) = hoop van | קָצִ֛יר (qatsir) = oogst | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | נַחֲלָ֖ה (nachala) = ziekte | וּכְאֵ֥ב (ukheev) = en pijn | אָנֽוּשׁ (anush) = ongeneeslijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּשַׂגְשֵׂגִי (tesagsegi), ‘laat je groeien’: een zeldzaam werkwoord. Het kan ook ‘omheinen’ zijn. Voetnoot : נֵד (ned), ‘hoop’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘vlucht’ zijn: dan vervliegt de oogst. Voetnoot Lezing: נַחֲלָה (nachalah), ‘ziekte’: dit woord kan ook ‘erfdeel’ betekenen. Dan staat er ‘op de dag van erfdeel’. De klinkers zijn later toegevoegd. Wij lezen ‘ziekte’, omdat de zin over pijn gaat. Zie ook: Job 4:8; Ps 90:6; Hos 8:7; Hos 10:12–15; Rom 2:8–9 ### Het gebulder van de volken **17:12** Wee, het gedruis van vele volken! Zij bruisen zoals zeeën bruisen. En het gebulder van naties: zij bulderen zoals machtige wateren bulderen. Brontekst: ה֗וֹי (hoy) = wee | הֲמוֹן֙ (hamon) = gedruis van | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | כַּהֲמ֥וֹת (kahamot) = als het bruisen van | יַמִּ֖ים (yamim) = zeeën | יֶהֱמָי֑וּן (yehemayun) = zij bruisen | וּשְׁא֣וֹן (usheon) = en gebulder van | לְאֻמִּ֔ים (leumim) = naties | כִּשְׁא֛וֹן (kishon) = als het gebulder van | מַ֥יִם (mayim) = wateren | כַּבִּירִ֖ים (kabirim) = machtige | יִשָּׁאֽוּן (yishaun) = zij bulderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹי (hoy), ‘wee’: het kan ook een uitroep zijn als ‘ach’. Voetnoot : הֲמוֹן (hamon), ‘gedruis’, en שְׁאוֹן (sha’on), ‘gebulder’: geluiden van volken en water. Het werkwoord ‘bruisen’ (המה) gebruiken wij ook in Ps. 46:4 en 7. Zie ook: Ps 18:5; Ps 46:4; Jer 6:23; Ezech 43:2; Luc 21:25; Openb 17:1 **17:13** Naties bulderen zoals vele wateren bulderen. En Hij bedreigt hen, en zij vluchten ver weg. Zij worden opgejaagd als kaf van de bergen voor de wind uit, en als een rollend rad voor de storm. Brontekst: לְאֻמִּ֗ים (leumim) = naties | כִּשְׁא֞וֹן (kishon) = als het gebulder van | מַ֤יִם (mayim) = wateren | רַבִּים֙ (rabim) = vele | יִשָּׁא֔וּן (yishaun) = zij bulderen | וְגָ֥עַר (vegaar) = en Hij bedreigt | בּ֖וֹ (bo) = hen | וְנָ֣ס (venas) = en zij vluchten | מִמֶּרְחָ֑ק (mimerchaq) = van ver | וְרֻדַּ֗ף (verudaf) = en zij worden opgejaagd | כְּמֹ֤ץ (kemots) = als kaf van | הָרִים֙ (harim) = de bergen | לִפְנֵי (lifnei) = voor het aangezicht van | ר֔וּחַ (ruach) = wind | וּכְגַלְגַּ֖ל (ukhegalgal) = en als een rollend rad | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | סוּפָֽה (sufa) = storm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּעַר (ga’ar), ‘bedreigen’: het werkwoord heeft geen genoemd onderwerp. Het is Yahweh die de volken tot zwijgen brengt. Het Hebreeuws zegt ‘Hij bedreigt hem’ (enkelvoud); wij schrijven ‘hen’. Voetnoot : גַּלְגַּל (galgal), ‘rad’: een rollend rad. Zo ook Ps. 83:14. Het kan ook tuimelkruid zijn dat door de wind wordt voortgejaagd. Zie ook: Job 21:18; Ps 1:4; Ps 9:6; Ps 83:14; Jes 29:5; Jes 41:15–16 **17:14** In de avondtijd: zie, schrik! Voordat het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel van wie ons plunderen, het lot van wie ons beroven. Brontekst: לְעֵ֥ת (leet) = in de tijd van | עֶ֨רֶב֙ (erev) = avond | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | בַלָּהָ֔ה (balaha) = schrik | בְּטֶ֥רֶם (beterem) = voordat | בֹּ֖קֶר (boqer) = morgen | אֵינֶ֑נּוּ (einenu) = hij is er niet | זֶ֚ה (ze) = dit | חֵ֣לֶק (cheleq) = deel van | שׁוֹסֵ֔ינוּ (shoseinu) = wie ons plunderen | וְגוֹרָ֖ל (vegoral) = en lot van | לְבֹזְזֵֽינוּ (levozezeinu) = wie ons beroven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּלָּהָה (ballahah), ‘schrik’: een plotselinge ramp. Voetnoot : Dit vers sluit de last af. Wie ‘ons’ zijn (Juda?) en wie de plunderaars zijn, zegt de tekst niet. Wij laten dat open. Zie ook: Spr 22:23; 2 Kon 19:35; Jer 2:3; Jer 13:25; Hab 2:16–17 ## Jesaja 18 _Wee het land van gonzende vleugels; Yahweh kijkt toe_ ### Wee het land aan de rivieren van Kush **18:1** Wee, land van gonzende vleugels, dat aan gene zijde van de rivieren van Kush ligt, Brontekst: ה֥וֹי (hoy) = wee | אֶ֖רֶץ (erets) = land van | צִלְצַ֣ל (tsiltsal) = gonzen | כְּנָפָ֑יִם (kenafayim) = vleugels | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | מֵעֵ֖בֶר (meever) = aan gene zijde van | לְנַֽהֲרֵי (lenaharei) = de rivieren van | כֽוּשׁ (kush) = Kush Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: כּוּשׁ (Kush): het land ten zuiden van Egypte, in het gebied van het huidige Soedan. Zie ook 2 Kon. 19:9. Voetnoot : צִלְצַל כְּנָפָיִם (tsiltsal kenafayim), ‘gonzende vleugels’: de betekenis van tsiltsal is onzeker. Het kan ‘gonzen’ zijn, zoals van insecten, maar ook ‘schaduw’. Het kan ook gaan om schepen met zeilen als vleugels. Voetnoot : Het hoofdstuk begint met ‘Wee’ (הוֹי, hoy); het kan ook een uitroep zijn als ‘ach’. Voetnoot : Vers 1 en 2 vormen één zin: het land dat gezanten zendt. Daarom eindigt vers 1 met een komma. Zie ook: Ps 63:8; 2 Kon 19:9; Jes 18:2; Sef 2:12; Sef 3:10; Ezech 30:4–5 **18:2** dat gezanten over de zee zendt, in vaartuigen van papyrus op het water. Ga, snelle boden, naar een volk, lang en glad. Dat volk wordt gevreesd van het begin af en verder. Het is een volk van lijn op lijn en vertrapt, wiens land door rivieren wordt doorsneden. Brontekst: הַשֹּׁלֵ֨חַ (hasholeach) = dat zendt | בַּיָּ֜ם (bayam) = over zee | צִירִ֗ים (tsirim) = gezanten | וּבִכְלֵי (uvikhlei) = en in vaartuigen van | גֹמֶא֮ (gome) = papyrus | עַל (al) = op | פְּנֵי (penei) = het oppervlak van | מַיִם֒ (mayim) = water | לְכ֣וּ (lekhu) = gaat | מַלְאָכִ֣ים (malakhim) = boden | קַלִּ֗ים (qalim) = snelle | אֶל (el) = naar | גּוֹי֙ (goy) = een volk | מְמֻשָּׁ֣ךְ (memushakh) = lang | וּמוֹרָ֔ט (umorat) = en glad | אֶל (el) = naar | עַ֥ם (am) = een volk | נוֹרָ֖א (nora) = gevreesd | מִן (min) = vanaf | ה֣וּא (hu) = hij | וָהָ֑לְאָה (vahalea) = en verder | גּ֚וֹי (goy) = een volk van | קַו (qav) = lijn | קָ֣ו (qav) = lijn | וּמְבוּסָ֔ה (umevusa) = en vertrapt | אֲשֶׁר (asher) = dat | בָּזְא֥וּ (bazeu) = doorsneden hebben | נְהָרִ֖ים (neharim) = rivieren | אַרְצֽוֹ (artso) = zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִירִים (tsirim), ‘gezanten’, en מַלְאָכִים (mal’akhim), ‘boden’: twee woorden voor mensen die een boodschap brengen. Voetnoot : גֹּמֶא (gome), ‘papyrus’: zoals Exod. 2:3. Voetnoot : מְמֻשָּׁךְ וּמוֹרָט (memushakh umorat), ‘lang en glad’: de betekenis is onzeker. Het kan ‘lang van gestalte en met gladde huid’ zijn, of ‘uitgerekt en gepolijst’. Voetnoot : מִן הוּא וָהָלְאָה (min hu vahal’ah), ‘van het begin af en verder’: letterlijk ‘van hij en verder’. Het kan ook ‘ver en wijd’ betekenen. Voetnoot : קַו קָו (qav qav), ‘lijn op lijn’: onzeker. Qav is een meetsnoer; het kan ook ‘kracht’ of ‘onderdrukking’ betekenen. Voetnoot : בָּזְאוּ (baz’u), ‘doorsneden’: een zeldzaam werkwoord. Het kan ook ‘wegspoelen’ betekenen. Zie ook: Gen 10:8–9; Ex 2:3; 2 Kron 12:2–4; 2 Kron 14:8; 2 Kron 16:8; Jes 18:7 ### Zie de banier, hoor de ramshoorn **18:3** Alle bewoners van de wereld en inwoners van de aarde: zodra een banier op de bergen wordt opgericht, zullen jullie het zien. Zodra de ramshoorn wordt geblazen, zullen jullie het horen. Brontekst: כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | תֵבֵ֖ל (tevel) = de wereld | וְשֹׁ֣כְנֵי (veshokhenei) = en inwoners van | אָ֑רֶץ (arets) = de aarde | כִּנְשֹׂא (kinso) = zodra wordt opgericht | נֵ֤ס (nes) = banier | הָרִים֙ (harim) = bergen | תִּרְא֔וּ (tiru) = zullen jullie zien | וְכִתְקֹ֥עַ (vekhitqoa) = en zodra wordt geblazen | שׁוֹפָ֖ר (shofar) = ramshoorn | תִּשְׁמָֽעוּ (tishmau) = zullen jullie horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵס (nes), ‘banier’: een teken op een berg dat volken oproept. Het Hebreeuws heeft de toekomende tijd: ‘zullen jullie zien’. Het kan ook als gebod worden gelezen: ‘kijk!’. Zie ook: Ps 50:1; Jes 1:2; Jes 5:26; Jes 26:11; Mat 13:16 ### Ik kijk rustig toe **18:4** Want zo zegt Yahweh tot mij: **„Ik zal Mij rustig houden en toezien vanuit Mijn woonplaats, als heldere hitte bij licht, als een wolk van dauw in de hitte van de oogst.”** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | אֶשְׁקֳטָ֖ה (eshqota) = Ik zal rustig zijn | וְאַבִּ֣יטָה (veabita) = en Ik zal toezien | בִמְכוֹנִ֑י (bimkhoni) = in Mijn woonplaats | כְּחֹ֥ם (kechom) = als de hitte van | צַח֙ (tsach) = helder | עֲלֵי (alei) = bij | א֔וֹר (or) = licht | כְּעָ֥ב (keav) = als een wolk van | טַ֖ל (tal) = dauw | בְּחֹ֥ם (bechom) = in de hitte van | קָצִֽיר (qatsir) = oogst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Yahweh tot de profeet. Zijn woorden staan rood. De tekst zegt niet of ze in vers 5 en 6 doorlopen; wij zetten die verzen zwart, omdat ze Yahweh in de derde persoon beschrijven. Voetnoot : אֶשְׁקֳטָה (eshqetah), ‘Ik zal Mij rustig houden’: Yahweh grijpt nog niet in, Hij wacht tot de tijd rijp is. Het beeld is de stille hitte en de dauw in de oogsttijd. Voetnoot : מְכוֹנִי (mekhoni), ‘Mijn woonplaats’: een vaste plaats; vergelijk Exod. 15:17. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is אשקוטה (eshqotah). Het voorgelezen woord (qere) is אֶשְׁקֳטָה (eshqetah). Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 15:17; Ps 132:13–14; Hos 5:15; Jes 12:6; Jes 18:5; Jes 18:6; Jes 18:7; Jes 26:21 **18:5** Want vóór de oogst, als de bloei voltooid is en de bloem een rijpende zure druif wordt, snijdt Hij de ranken met snoeimessen af. De uitlopers verwijdert Hij en hakt Hij weg. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor | קָצִיר֙ (qatsir) = oogst | כְּתָם (ketam) = als voltooid is | פֶּ֔רַח (perach) = bloei | וּבֹ֥סֶר (uvoser) = en zure druif | גֹּמֵ֖ל (gomel) = rijpend | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = wordt | נִצָּ֑ה (nitsa) = bloem | וְכָרַ֤ת (vekharat) = en Hij snijdt af | הַזַּלְזַלִּים֙ (hazalzalim) = de ranken | בַּמַּזְמֵר֔וֹת (bamazmerot) = met snoeimessen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנְּטִישׁ֖וֹת (hanetishot) = de uitlopers | הֵסִ֥יר (hesir) = verwijdert Hij | הֵתַֽז (hetaz) = hakt Hij weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַזַּלְזַלִּים (hazalzallim), ‘de ranken’, en הַנְּטִישׁוֹת (hanetishot), ‘de uitlopers’: twee woorden voor delen van de wijnstok. ‘Hij’ is Yahweh. Voetnoot : בֹּסֶר (boser), ‘zure druif’: een onrijpe druif. Zie ook: Hoogl 2:13; Hoogl 2:15; Jes 17:10–11; Ezech 17:6–10 **18:6** Samen worden ze overgelaten aan de roofvogel van de bergen en aan de dieren van de aarde. De roofvogel brengt er de zomer door, en alle dieren van de aarde brengen er de winter door. Brontekst: יֵעָזְב֤וּ (yeazevu) = zij worden overgelaten | יַחְדָּו֙ (yachdav) = samen | לְעֵ֣יט (leeit) = aan de roofvogel van | הָרִ֔ים (harim) = de bergen | וּֽלְבֶהֱמַ֖ת (ulevehemat) = en aan de dieren van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְקָ֤ץ (veqats) = en zal de zomer doorbrengen | עָלָיו֙ (alav) = erop | הָעַ֔יִט (haayit) = de roofvogel | וְכָל (vekhal) = en alle | בֶּהֱמַ֥ת (behemat) = dieren van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | עָלָ֥יו (alav) = erop | תֶּחֱרָֽף (techeraf) = zullen de winter doorbrengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַיִט (ayit), ‘roofvogel’. Het Hebreeuws zegt ‘erop’ (עָלָיו): op wat is afgesneden. Zie ook: Jes 34:1–7; Jes 56:9; Jer 7:33; Ezech 32:4–6; Ezech 39:17–20 ### Een geschenk voor Yahweh van de legermachten **18:7** In die tijd wordt een geschenk gebracht aan Yahweh van de legermachten, van een volk, lang en glad. Dat volk wordt gevreesd van het begin af en verder. Het is een volk van lijn op lijn en vertrapt, wiens land door rivieren wordt doorsneden. Het geschenk wordt gebracht naar de plaats van de naam van Yahweh van de legermachten, de berg Sion. Brontekst: בָּעֵת֩ (baet) = in de tijd | הַהִ֨יא (hahi) = die | יֽוּבַל (yuval) = wordt gebracht | שַׁ֜י (shay) = geschenk | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = aan Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עַ֚ם (am) = van een volk | מְמֻשָּׁ֣ךְ (memushakh) = lang | וּמוֹרָ֔ט (umorat) = en glad | וּמֵעַ֥ם (umeam) = en van een volk | נוֹרָ֖א (nora) = gevreesd | מִן (min) = vanaf | ה֣וּא (hu) = hij | וָהָ֑לְאָה (vahalea) = en verder | גּ֣וֹי (goy) = een volk van | קַו (qav) = lijn | קָ֣ו (qav) = lijn | וּמְבוּסָ֗ה (umevusa) = en vertrapt | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | בָּזְא֤וּ (bazeu) = doorsneden hebben | נְהָרִים֙ (neharim) = rivieren | אַרְצ֔וֹ (artso) = zijn land | אֶל (el) = naar | מְק֛וֹם (meqom) = de plaats van | שֵׁם (shem) = de naam van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | הַר (har) = de berg | צִיּֽוֹן (tsiyon) = Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שַׁי (shai), ‘geschenk’: een gave als eerbetoon. Zie ook Ps. 68:30. Voetnoot : מְקוֹם שֵׁם יְהוָה (meqom shem Yahweh), ‘de plaats van de naam van Yahweh’: de plaats die Yahweh kiest om Zijn naam te laten wonen (Deut. 12:5). Dat is de berg Sion. Voetnoot : הַר צִיּוֹן (har Tsiyyon), ‘de berg Sion’. Het Hebreeuws heeft voor deze hele opsomming één werkwoord (‘wordt gebracht’). Voor de leesbaarheid hebben wij haar in zinnen verdeeld en het werkwoord in de laatste zin herhaald: ‘Het geschenk wordt gebracht’. Zie ook: Deut 12:5; Ps 68:30; 2 Kron 32:23; Mi 4:13; Sef 3:10; Zach 14:16–17; Hand 8:27–28 ## Jesaja 19 _Last over Egypte: oordeel, bekering en zegen_ ### Last over Egypte **19:1** Last over Egypte. Zie, Yahweh rijdt op een snelle wolk en komt naar Egypte. De afgoden van Egypte beven voor Zijn aangezicht, en het hart van Egypte smelt in zijn binnenste. Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = last van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | רֹכֵ֨ב (rokhev) = rijdt | עַל (al) = op | עָ֥ב (av) = een wolk | קַל֙ (qal) = snelle | וּבָ֣א (uva) = en Hij komt | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְנָע֞וּ (venau) = en beven | אֱלִילֵ֤י (elilei) = afgoden van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | מִפָּנָ֔יו (mipanav) = voor Zijn aangezicht | וּלְבַ֥ב (ulevav) = en het hart van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | יִמַּ֥ס (yimas) = smelt | בְּקִרְבּֽוֹ (beqirbo) = in zijn binnenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: zie 13:1. Voetnoot : רֹכֵב עַל עָב קַל (rokev al av qal), ‘rijdt op een snelle wolk’: Yahweh komt snel en zichtbaar. Vergelijk Ps. 104:3, waar Hij van de wolken Zijn wagen maakt. Voetnoot : אֱלִילִים (elilim), ‘afgoden’: letterlijk ‘nietigheden’. Zie ook: Ex 12:12; Joz 2:11; Ps 104:3; Joël 4:19; Ezech 30:13; Openb 1:7 **19:2** **„Ik zal Egypte ophitsen tegen Egypte. Zij zullen vechten, ieder tegen zijn broer en ieder tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk.** Brontekst: וְסִכְסַכְתִּ֤י (vesikhsakhti) = en Ik zal ophitsen | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = tegen Egypte | וְנִלְחֲמ֥וּ (venilchamu) = en zij zullen vechten | אִישׁ (ish) = man | בְּאָחִ֖יו (beachiv) = tegen zijn broer | וְאִ֣ישׁ (veish) = en man | בְּרֵעֵ֑הוּ (bereehu) = tegen zijn naaste | עִ֣יר (ir) = stad | בְּעִ֔יר (beir) = tegen stad | מַמְלָכָ֖ה (mamlakha) = koninkrijk | בְּמַמְלָכָֽה (bemamlakha) = tegen koninkrijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וְסִכְסַכְתִּי (vesikhsakhti), ‘Ik zal ophitsen’: letterlijk ‘Ik zal doen botsen’. Egypte wordt tegen zichzelf opgezet: een burgeroorlog. Voetnoot : Hier begint Yahweh zelf te spreken, in de eerste persoon. Zijn woorden staan rood tot en met vers 4. Zie ook: Re 7:22; 1 Sam 14:20; Jes 19:4; Ezech 38:21; Mat 10:21; Mat 10:36 **19:3** **De geest van Egypte raakt leeg in zijn binnenste, en zijn raad zal Ik verzwelgen. Zij zullen de afgoden raadplegen, de fluisteraars, de geesten van doden en de waarzeggers.** Brontekst: וְנָבְקָ֤ה (venaveqa) = en zal leeg raken | רֽוּחַ (ruach) = geest van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | בְּקִרְבּ֔וֹ (beqirbo) = in zijn binnenste | וַעֲצָת֖וֹ (vaatsato) = en zijn raad | אֲבַלֵּ֑עַ (avalea) = Ik zal verzwelgen | וְדָרְשׁ֤וּ (vedareshu) = en zij zullen raadplegen | אֶל (el) = bij | הָֽאֱלִילִים֙ (haelilim) = de afgoden | וְאֶל (veel) = en bij | הָ֣אִטִּ֔ים (haitim) = de fluisteraars | וְאֶל (veel) = en bij | הָאֹב֖וֹת (haovot) = de geesten van doden | וְאֶל (veel) = en bij | הַיִּדְּעֹנִֽים (hayideonim) = de waarzeggers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נָבְקָה (navqah), ‘raakt leeg’: letterlijk ‘wordt leeggemaakt’. De geest, de moed en het inzicht van Egypte lopen weg. Voetnoot : אֲבַלֵּעַ (avalle’a), ‘Ik zal verzwelgen’: letterlijk ‘Ik zal doorslikken’. Het plan van Egypte verdwijnt zonder een spoor. Voetnoot : אִטִּים (ittim), ‘fluisteraars’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; wij vertalen naar het werkwoord ‘fluisteren’. Het gaat om mensen die met geesten of doden omgaan. Voetnoot : אֹבוֹת (ovot), ‘geesten van doden’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’: zie Lev. 19:31 en Deut. 18:11. Zie ook: Lev 19:31; Deut 18:11; 1 Kron 10:13; Spr 21:30; Jes 8:19; Jes 44:25; Dan 2:2 **19:4** **Ik zal Egypte uitleveren in de hand van een harde heer. Een sterke koning zal over hen heersen, godsspraak van de Heer, Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: וְסִכַּרְתִּי֙ (vesikarti) = en Ik zal uitleveren | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | אֲדֹנִ֣ים (adonim) = een heer | קָשֶׁ֑ה (qashe) = harde | וּמֶ֤לֶךְ (umelekh) = en een koning | עַז֙ (az) = sterke | יִמְשָׁל (yimshal) = zal heersen | בָּ֔ם (bam) = over hen | נְאֻ֥ם (neum) = godsspraak van | הָאָד֖וֹן (haadon) = de Heer | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie Jes. 1:24. Hier staat de formule aan het eind van Zijn woorden en is daarom rood. Voetnoot : הָאָדוֹן (ha’adon), ‘de Heer’: hier met het lidwoord, vóór de naam Yahweh van de legermachten. Voetnoot : אֲדֹנִים קָשֶׁה (adonim qasheh), ‘een harde heer’: het woord ‘heren’ staat in het meervoud, maar het bijvoeglijk naamwoord ‘hard’ in het enkelvoud. Wij nemen één heer; het meervoud kan zijn macht onderstrepen. Wie bedoeld wordt, noemt de tekst niet. Bij Jesaja kan het om een Assyrische of een Egyptische vorst gaan. Zie ook: 1 Sam 23:7; Jes 1:24; Jes 19:2; Jes 20:4; Jer 46:26; Ezech 29:19 ### De Nijl droogt op **19:5** Het water uit de zee zal opdrogen. De rivier zal verdorren en droog worden. Brontekst: וְנִשְּׁתוּ (venishetu) = en zal opdrogen | מַ֖יִם (mayim) = water | מֵֽהַיָּ֑ם (mehayam) = uit de zee | וְנָהָ֖ר (venahar) = en de rivier | יֶחֱרַ֥ב (yecherav) = zal verdorren | וְיָבֵֽשׁ (veyavesh) = en droog worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָם (yam), ‘zee’: hier de Nijl, de grote rivier van Egypte. In Egypte heette de Nijl vaak ‘zee’; vergelijk Nah. 3:8. Zie ook: Nah 3:8; Jer 51:36; Ezech 30:12; Zach 10:11; Zach 14:18 **19:6** De rivieren gaan stinken. De Nijlarmen van Egypte zakken en drogen op. Riet en rietgras verwelken. Brontekst: וְהֶאֶזְנִ֣יחוּ (veheeznichu) = en zij zullen stinken | נְהָר֔וֹת (neharot) = rivieren | דָּלֲל֥וּ (dalalu) = zijn gezakt | וְחָרְב֖וּ (vecharevu) = en zijn opgedroogd | יְאֹרֵ֣י (yeorei) = Nijlarmen van | מָצ֑וֹר (matsor) = Egypte | קָנֶ֥ה (qane) = riet | וָס֖וּף (vasuf) = en rietgras | קָמֵֽלוּ (qamelu) = zijn verwelkt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: יְאֹרֵי מָצוֹר (ye’orei matsor), ‘de Nijlarmen van Egypte’: zoals in 2 Kon. 19:24. מָצוֹר (matsor) is een andere vorm van de naam Egypte; het kan ook ‘bolwerk’ betekenen. Wij vertalen ‘Egypte’. Voetnoot : סוּף (suf), ‘rietgras’: het woord van de Rietzee (Exod. 15:4). קָנֶה (qaneh), ‘riet’: de stengel van riet. Zie ook: Job 8:11; Ex 2:3; Ex 7:18; Ex 15:4; 2 Kon 19:24; Jes 37:25 **19:7** De weiden langs de Nijl, aan de oever van de Nijl, en alles wat langs de Nijl gezaaid is, verdort. Het waait weg en is er niet meer. Brontekst: עָר֥וֹת (arot) = weiden | עַל (al) = langs | יְא֖וֹר (yeor) = de Nijl | עַל (al) = aan | פִּ֣י (pi) = de oever van | יְא֑וֹר (yeor) = de Nijl | וְכֹל֙ (vekhol) = en alles | מִזְרַ֣ע (mizra) = wat gezaaid is van | יְא֔וֹר (yeor) = de Nijl | יִיבַ֥שׁ (yivash) = verdort | נִדַּ֖ף (nidaf) = wordt weggeblazen | וְאֵינֶֽנּוּ (veeinenu) = en is er niet meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: עָרוֹת (arot), ‘weiden’: het woord is zeldzaam en de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘kale plekken’ of ‘oevers’ zijn. Voetnoot : פִּי יְאוֹר (pi ye’or), ‘de oever van de Nijl’: letterlijk ‘de mond van de Nijl’. Zie ook: Joël 1:17–18; Jes 23:3; Jes 32:20; Jer 14:4; Ezech 19:13 **19:8** De vissers zuchten en treuren, allen die een hengel in de Nijl werpen. Wie een net over het water uitspreidt, kwijnt weg. Brontekst: וְאָנוּ֙ (veanu) = en zullen zuchten | הַדַּיָּגִ֔ים (hadayagim) = de vissers | וְאָ֣בְל֔וּ (veavelu) = en zullen treuren | כָּל (kal) = allen | מַשְׁלִיכֵ֥י (mashlikhei) = die werpen | בַיְא֖וֹר (bayor) = in de Nijl | חַכָּ֑ה (chaka) = een hengel | וּפֹרְשֵׂ֥י (uforesei) = en die uitspreiden | מִכְמֹ֛רֶת (mikhmoret) = een net | עַל (al) = over | פְּנֵי (penei) = het oppervlak van | מַ֖יִם (mayim) = water | אֻמְלָֽלוּ (umlalu) = kwijnen weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: חַכָּה (chakkah), ‘hengel’: een haak aan een lijn. מִכְמֹרֶת (mikhmoret), ‘net’: een groot net dat over het water wordt uitgespreid. Zie ook: Ex 7:21; Num 11:5; Hab 1:15; Ezech 47:10 **19:9** Beschaamd staan de bewerkers van gekamd vlas en de wevers van wit weefsel. Brontekst: וּבֹ֛שׁוּ (uvoshu) = en zij worden beschaamd | עֹבְדֵ֥י (ovedei) = bewerkers van | פִשְׁתִּ֖ים (pishtim) = vlas | שְׂרִיק֑וֹת (seriqot) = gekamd | וְאֹרְגִ֖ים (veoregim) = en wevers van | חוֹרָֽי (choray) = wit weefsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׂרִיקוֹת (seriqot), ‘gekamd’: gekamd vlas is klaar om te spinnen. חוֹרָי (chorai), ‘wit weefsel’: het woord is zeldzaam; het kan ook ‘wit linnen’ of ‘witte kleding’ betekenen. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Spr 7:16; 1 Kon 10:28; Ezech 27:7 **19:10** Haar steunpilaren worden verbrijzeld. Alle loonarbeiders zijn bedroefd in hun ziel. Brontekst: וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | שָׁתֹתֶ֖יהָ (shatoteiha) = haar steunpilaren | מְדֻכָּאִ֑ים (medukaim) = verbrijzeld | כָּל (kal) = alle | עֹ֥שֵׂי (osei) = die doen | שֶׂ֖כֶר (sekher) = loon | אַגְמֵי (agmei) = bedroefd van | נָֽפֶשׁ (nafesh) = ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁתֹתֶיהָ (shatoteyha), ‘haar steunpilaren’: letterlijk ‘haar grondvesten’; het gaat om de leiders van het land. Sommige vertalers denken aan ‘weefgetouwen’. De betekenis is onzeker. Voetnoot : אַגְמֵי נֶפֶשׁ (agmei nefesh), ‘bedroefd in hun ziel’: letterlijk ‘bedroefd van ziel’. Het woord אַגְמֵי kan ook ‘vijvers’ betekenen, dan gaat het over de makers van visvijvers. Wij kiezen de eerste betekenis, omdat deze beter bij ‘loonarbeiders’ past. Voetnoot Lezing: Dit vers is moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen het anders. Zie ook: Ex 7:19; Ex 8:1; Deut 11:10 ### De wijsheid van Egypte is dwaasheid **19:11** Slechts dwazen zijn de vorsten van Soan. De wijzen, de raadgevers van Farao: hun raad is dom geworden. Hoe kunnen jullie tegen Farao zeggen: „Ik ben een zoon van wijzen, een zoon van koningen van vroeger”? Brontekst: אַךְ (akh) = slechts | אֱוִלִים֙ (evilim) = dwazen | שָׂ֣רֵי (sarei) = vorsten van | צֹ֔עַן (tsoan) = Soan | חַכְמֵי֙ (chakhmei) = wijzen | יֹעֲצֵ֣י (yoatsei) = raadgevers van | פַרְעֹ֔ה (paro) = Farao | עֵצָ֖ה (etsa) = raad | נִבְעָרָ֑ה (nivara) = is dom geworden | אֵ֚יךְ (eikh) = hoe | תֹּאמְר֣וּ (tomru) = zullen jullie zeggen | אֶל (el) = tegen | פַּרְעֹ֔ה (paro) = Farao | בֶּן (ben) = zoon van | חֲכָמִ֥ים (chakhamim) = wijzen | אֲנִ֖י (ani) = ik | בֶּן (ben) = zoon van | מַלְכֵי (malkhei) = koningen van | קֶֽדֶם (qedem) = vroeger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Soan: Soan (Tanis) lag in de noordoostelijke Nijldelta, bij het huidige San el-Hagar. Voetnoot Uitleg: צֹעַן (Tso’an), ‘Soan’: een stad in het noordoosten van de Nijldelta, in het Grieks Tanis. Zie Num. 13:22 en Ps. 78:12. Voetnoot : בֶּן חֲכָמִים (ben chakhamim), ‘een zoon van wijzen’: iemand uit een beroemd geslacht van wijzen. De raadgevers van Farao beroemen zich op hun afkomst. Zie ook: Num 13:22; Ps 78:12; Ps 78:43; 1 Kon 5:10; Jes 30:4; Hand 7:22 **19:12** Waar zijn zij dan, je wijzen? Laat hen het je toch vertellen. Laat hen weten wat Yahweh van de legermachten over Egypte heeft besloten. Brontekst: אַיָּם֙ (ayam) = waar zijn zij | אֵפ֣וֹא (efo) = dan | חֲכָמֶ֔יךָ (chakhameikha) = je wijzen | וְיַגִּ֥ידוּ (veyagidu) = en laat hen vertellen | נָ֖א (na) = toch | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | וְיֵ֣דְע֔וּ (veyedeu) = en laat hen weten | מַה (ma) = wat | יָּעַ֛ץ (yaats) = heeft besloten | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עַל (al) = over | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: יָעַץ (ya’ats), ‘besluiten’: het werkwoord ‘raad geven’ of ‘plannen’. Het hoort bij het zelfstandig naamwoord עֵצָה (etsah), ‘raad’. Bij de wijzen van Egypte heet het ‘raad’ (vers 3, 11); bij Yahweh heet het ‘besluit’ (vers 12, 17). Zie ook: Re 9:38; Jes 19:3; Jes 19:11; Jes 19:17; Jes 40:13–14; Jes 44:7; 1 Kor 1:20; Rom 9:17 **19:13** De vorsten van Soan zijn dwaas geworden. De vorsten van Nof zijn misleid. De hoeksteen van haar stammen heeft Egypte laten dwalen. Brontekst: נֽוֹאֲלוּ֙ (noalu) = zijn dwaas geworden | שָׂ֣רֵי (sarei) = vorsten van | צֹ֔עַן (tsoan) = Soan | נִשְּׁא֖וּ (nisheu) = zijn misleid | שָׂ֣רֵי (sarei) = vorsten van | נֹ֑ף (nof) = Nof | הִתְע֥וּ (hitu) = zij hebben laten dwalen | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | פִּנַּ֥ת (pinat) = hoeksteen van | שְׁבָטֶֽיהָ (shevateiha) = haar stammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Soan: Soan (Tanis) lag in de noordoostelijke Nijldelta, bij het huidige San el-Hagar. Zie Nof (Memfis): Memfis (Mof) was een oude hoofdstad van Egypte, bij Mit Rahina, ten zuiden van het huidige Caïro, aan de Nijl. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נֹף (Nof), ‘Nof’: Memfis, de oude hoofdstad van Egypte, ten zuiden van de delta. In Hos. 9:6 staat dezelfde stad onder de naam Memfis. Voetnoot : פִּנַּת שְׁבָטֶיהָ (pinnat shevateyha), ‘de hoeksteen van haar stammen’: de leiders van de volksstammen. Zie ook: Hos 9:6; Jer 2:16; Jer 46:14; Jer 46:19; Ezech 30:13; Zach 10:4 **19:14** Yahweh heeft in haar midden een geest van verwarring ingeschonken. Zij laten Egypte dwalen in al zijn werk, zoals een dronkaard dwaalt in zijn braaksel. Brontekst: יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מָסַ֥ךְ (masakh) = heeft ingeschonken | בְּקִרְבָּ֖הּ (beqirbah) = in haar midden | ר֣וּחַ (ruach) = geest van | עִוְעִ֑ים (ivim) = verwarring | וְהִתְע֤וּ (vehitu) = en zij hebben laten dwalen | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | בְּכָֽל (bekhal) = in al | מַעֲשֵׂ֔הוּ (maasehu) = zijn werk | כְּהִתָּע֥וֹת (kehitaot) = zoals het dwalen van | שִׁכּ֖וֹר (shikor) = een dronkaard | בְּקִיאֽוֹ (beqio) = in zijn braaksel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מָסַךְ (masakh), ‘heeft ingeschonken’: het werkwoord wordt gebruikt voor het mengen en inschenken van wijn. Het past bij het beeld van de dronkaard. Voetnoot : רוּחַ עִוְעִים (ruach iv’im), ‘een geest van verwarring’: letterlijk ‘een geest van verdraaiingen’. Zie ook: Job 12:25; 1 Kon 22:20–23; Jer 25:27; Ezech 14:7–9; 2 Tess 2:11 **19:15** Er zal voor Egypte geen werk zijn dat hoofd of staart, palmtak of bies kan doen. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְמִצְרַ֖יִם (lemitsrayim) = voor Egypte | מַֽעֲשֶׂ֑ה (maase) = werk | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | יַעֲשֶׂ֛ה (yaase) = kan doen | רֹ֥אשׁ (rosh) = hoofd | וְזָנָ֖ב (vezanav) = en staart | כִּפָּ֥ה (kipa) = palmtak | וְאַגְמֽוֹן (veagmon) = en bies Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: רֹאשׁ וְזָנָב (rosh vezanav), ‘hoofd en staart’, en כִּפָּה וְאַגְמוֹן (kippah ve’agmon), ‘palmtak en bies’: de hoge en de lage, de leiders en het gewone volk. Niemand in Egypte kan nog iets doen. Zie ook: Ps 128:2; Jes 9:13–14; Hab 3:17; Hag 1:11; 1 Tess 4:11–12 ### Op die dag: Egypte beeft **19:16** Op die dag zal Egypte zijn als vrouwen. Het zal beven en bang zijn voor het zwaaien van de hand van Yahweh van de legermachten, waarmee Hij tegen hem zwaait. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | יִֽהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | כַּנָּשִׁ֑ים (kanashim) = als vrouwen | וְחָרַ֣ד (vecharad) = en het zal beven | וּפָחַ֗ד (ufachad) = en bang zijn | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = voor | תְּנוּפַת֙ (tenufat) = het zwaaien van | יַד (yad) = de hand van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֲשֶׁר (asher) = die | ה֖וּא (hu) = Hij | מֵנִ֥יף (menif) = zwaait | עָלָֽיו (alav) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: כַּנָּשִׁים (kannashim), ‘als vrouwen’: dat wil zeggen: zonder kracht en bang. Zo ook in Nah. 3:13. Voetnoot : תְּנוּפַת (tenufat), ‘het zwaaien’: hetzelfde werkwoord (נוּף, nuf) als bij het beweegoffer, waarbij de priester het offer zwaait. Zie Lev. 7:30. Zie ook: Lev 7:30; Jes 11:15; Nah 3:13; Jer 30:5–7; Jer 50:37; Jer 51:30 **19:17** Het land Juda zal voor Egypte een schrik zijn. Iedereen die het tegen hem noemt, wordt bang voor het besluit van Yahweh van de legermachten, dat Hij tegen hem neemt. Brontekst: וְ֠הָיְתָה (vehayeta) = en zal zijn | אַדְמַ֨ת (admat) = het land van | יְהוּדָ֤ה (yehuda) = Juda | לְמִצְרַ֨יִם֙ (lemitsrayim) = voor Egypte | לְחָגָּ֔א (lechaga) = tot schrik | כֹּל֩ (kol) = ieder | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יַזְכִּ֥יר (yazkir) = noemt | אֹתָ֛הּ (otah) = het | אֵלָ֖יו (elav) = tegen hem | יִפְחָ֑ד (yifchad) = wordt bang | מִפְּנֵ֗י (mipenei) = voor | עֲצַת֙ (atsat) = het besluit van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֲשֶׁר (asher) = dat | ה֖וּא (hu) = Hij | יוֹעֵ֥ץ (yoets) = besluit | עָלָֽיו (alav) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: חָגָּא (chagga), ‘schrik’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; het past bij ‘beven’. Sommige vertalers denken aan ‘reden tot schaamte’. Zie ook: Jes 14:24; Jes 14:26–27; Jes 46:10–11; Jer 25:19; Dan 4:32 ### Op die dag: Egypte kent Yahweh **19:18** Op die dag zullen er vijf steden in het land Egypte zijn die de taal van Kanaän spreken en een eed afleggen aan Yahweh van de legermachten. Van één zal gezegd worden: „Stad van de verwoesting.” Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֡וּא (hahu) = die | יִהְיוּ֩ (yihyu) = zullen zijn | חָמֵ֨שׁ (chamesh) = vijf | עָרִ֜ים (arim) = steden | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | מְדַבְּרוֹת֙ (medaberot) = sprekend | שְׂפַ֣ת (sefat) = de taal van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | וְנִשְׁבָּע֖וֹת (venishbaot) = en een eed afleggend | לַיהוָ֣ה (laYahweh) = aan Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עִ֣יר (ir) = stad van | הַהֶ֔רֶס (haheres) = de verwoesting | יֵאָמֵ֖ר (yeamer) = zal worden gezegd | לְאֶחָֽת (leechat) = van één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: שְׂפַת כְּנַעַן (sefat Kena’an), ‘de taal van Kanaän’: letterlijk ‘de lip van Kanaän’. Dat is het Hebreeuws. Voetnoot : נִשְׁבָּעוֹת לַיהוָה (nishba’ot l’Yahweh), ‘een eed afleggen aan Yahweh’: een eed van toewijding. Voetnoot Lezing: עִיר הַהֶרֶס (ir ha-heres), ‘Stad van de verwoesting’. Met één andere medeklinker (עִיר הַחֶרֶס, ir ha-cheres) staat er ‘Stad van de zon’, dat is Heliopolis, de stad On. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Jes 11:11; Jes 19:21; Sef 3:9; Jer 12:16; Zach 2:15 **19:19** Op die dag zal er midden in het land Egypte een altaar voor Yahweh zijn, en bij zijn grens een gewijde steen voor Yahweh. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִֽהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | מִזְבֵּ֨חַ֙ (mizbeach) = een altaar | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | בְּת֖וֹךְ (betokh) = in het midden van | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וּמַצֵּבָ֥ה (umatseva) = en een gewijde steen | אֵֽצֶל (etsel) = bij | גְּבוּלָ֖הּ (gevulah) = haar grens | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde steen’: een rechtopstaande steen als teken en gedenkteken. Hier staat hij in het land Egypte voor Yahweh. Zie ook: Gen 28:18; Ex 24:4; Joz 22:10; Joz 22:26; Jes 66:23 **19:20** Het zal een teken en een getuige zijn voor Yahweh van de legermachten in het land Egypte. Want zij zullen tot Yahweh roepen vanwege hun onderdrukkers. Hij zal hun een redder en een verdediger sturen, en die zal hen bevrijden. Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | לְא֥וֹת (leot) = tot een teken | וּלְעֵ֛ד (uleed) = en tot een getuige | לַֽיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּֽי (ki) = want | יִצְעֲק֤וּ (yitsaqu) = zij zullen roepen | אֶל (el) = tot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = vanwege | לֹֽחֲצִ֔ים (lochatsim) = onderdrukkers | וְיִשְׁלַ֥ח (veyishlach) = en Hij zal sturen | לָהֶ֛ם (lahem) = hun | מוֹשִׁ֥יעַ (moshia) = een redder | וָרָ֖ב (varav) = en een verdediger | וְהִצִּילָֽם (vehitsilam) = en hij zal hen bevrijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מוֹשִׁיעַ (moshia), ‘redder’: iemand die redding brengt; verwant met yeshuah, ‘redding’. Voetnoot : רָב (rav), ‘verdediger’: het woord kan ‘groot’ betekenen, dus ‘een grote’, of komen van het werkwoord ‘strijden’ (riv). De betekenis is onzeker. Zie ook: Ps 50:15; Jes 37:36; Jes 45:21–22; Luc 2:11; Tit 2:13 **19:21** Yahweh zal Zich aan Egypte bekendmaken, en Egypte zal Yahweh kennen op die dag. Zij zullen Hem dienen met slachtoffers en graanoffers. Zij zullen Yahweh een gelofte doen en die nakomen. Brontekst: וְנוֹדַ֤ע (venoda) = en zal bekend worden | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְמִצְרַ֔יִם (lemitsrayim) = aan Egypte | וְיָדְע֥וּ (veyadeu) = en zullen kennen | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וְעָֽבְדוּ֙ (veavedu) = en zij zullen dienen | זֶ֣בַח (zevach) = slachtoffer | וּמִנְחָ֔ה (umincha) = en graanoffer | וְנָדְרוּ (venaderu) = en zij zullen beloven | נֵ֥דֶר (neder) = een gelofte | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְשִׁלֵּֽמוּ (veshilemu) = en zij zullen vervullen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וְנוֹדַע יְהוָה (venoda Yahweh), ‘Yahweh zal Zich bekendmaken’: het werkwoord staat in een vorm die ‘Zich laten kennen’ betekent. De Egyptenaren leren Yahweh kennen. Voetnoot : זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’ en מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: zoals in Amos 5:25. Zie ook: Pred 5:3; 1 Kon 8:43; Amos 5:25; Jes 11:9; Mal 1:11; Rom 15:27–28 **19:22** Yahweh zal Egypte slaan; Hij zal slaan en genezen. Zij zullen terugkeren tot Yahweh, en Hij zal Zich door hen laten verbidden en hen genezen. Brontekst: וְנָגַ֧ף (venagaf) = en zal slaan | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | נָגֹ֣ף (nagof) = slaan | וְרָפ֑וֹא (verafo) = en genezen | וְשָׁ֨בוּ֙ (veshavu) = en zij zullen terugkeren | עַד (ad) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנֶעְתַּ֥ר (venetar) = en Hij zal Zich laten verbidden | לָהֶ֖ם (lahem) = door hen | וּרְפָאָֽם (urefaam) = en Hij zal hen genezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נָגֹף וְרָפוֹא (nagof verafo), ‘slaan en genezen’: letterlijk ‘slaand en genezend’. Het slaan van Yahweh leidt tot genezing. Voetnoot : וְנֶעְתַּר (venetar), ‘Hij zal Zich laten verbidden’: letterlijk ‘Hij zal Zich laten bidden’. Yahweh luistert naar hun gebed. Zie ook: Deut 32:39; Hos 6:2; Hos 14:2; Jes 6:10; Heb 12:11 ### Egypte, Assyrië en Israël **19:23** Op die dag zal er een gebaande weg zijn van Egypte naar Assyrië. Assyrië zal naar Egypte komen en Egypte naar Assyrië. Egypte zal samen met Assyrië dienen. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | תִּהְיֶ֨ה (tihye) = zal zijn | מְסִלָּ֤ה (mesila) = een gebaande weg | מִמִּצְרַ֨יִם֙ (mimitsrayim) = van Egypte | אַשּׁ֔וּרָה (ashura) = naar Assyrië | וּבָֽא (uva) = en zal komen | אַשּׁ֥וּר (ashur) = Assyrië | בְּמִצְרַ֖יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וּמִצְרַ֣יִם (umitsrayim) = en Egypte | בְּאַשּׁ֑וּר (beashur) = in Assyrië | וְעָבְד֥וּ (veavedu) = en zij zullen dienen | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | אֶת (et) = met | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: וְעָבְדוּ מִצְרַיִם אֶת אַשּׁוּר (ve’avdu Mitsrayim et Ashur), ‘Egypte zal samen met Assyrië dienen’: het woordje אֶת (et) betekent hier ‘met’. Het kan ook het lijdend voorwerp aanduiden: ‘Egypte zal Assyrië dienen’. Wij kiezen ‘samen met’, omdat vers 21 zegt dat zij Yahweh dienen. Het werkwoord ‘dienen’ (avad) heeft daar dezelfde betekenis. Zie ook: Jes 11:16; Jes 19:21; Jes 27:13; Jes 35:8–10; Jes 40:3–5; Ef 2:18–22 **19:24** Op die dag zal Israël de derde zijn naast Egypte en naast Assyrië, een zegen te midden van de aarde. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | שְׁלִ֣ישִׁיָּ֔ה (shelishiya) = de derde | לְמִצְרַ֖יִם (lemitsrayim) = naast Egypte | וּלְאַשּׁ֑וּר (uleashur) = en naast Assyrië | בְּרָכָ֖ה (berakha) = een zegen | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = te midden van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: הָאָרֶץ (ha’arets), ‘de aarde’: het woord kan ook ‘het land’ betekenen. Wij kiezen ‘aarde’, omdat Egypte en Assyrië de grote machten van de wereld zijn. Zie ook: Gen 12:2; Jes 65:8; Jes 66:19–21; Zach 8:13; Rom 10:11–13 **19:25** Yahweh van de legermachten heeft haar gezegend met de woorden: **„Gezegend zij Egypte, Mijn volk, en Assyrië, het werk van Mijn handen, en Israël, Mijn erfdeel.”** Brontekst: אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | בֵּרֲכ֛וֹ (berakho) = heeft gezegend | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | בָּר֨וּךְ (barukh) = gezegend | עַמִּ֜י (ami) = mijn volk | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | וּמַעֲשֵׂ֤ה (umaase) = en het werk van | יָדַי֙ (yaday) = Mijn handen | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וְנַחֲלָתִ֖י (venachalati) = en Mijn erfdeel | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: עַמִּי (ammi), ‘Mijn volk’, מַעֲשֵׂה יָדַי (ma’aseh yadai), ‘het werk van Mijn handen’, en נַחֲלָתִי (nachalati), ‘Mijn erfdeel’: namen die elders aan Israël gegeven worden (Exod. 6:7; Deut. 32:9). Hier zegent Yahweh ook Egypte en Assyrië zo. Voetnoot : De zegen staat in de eerste persoon van Yahweh en is daarom rood. Zie ook: Ex 6:7; Deut 32:9; Ps 138:8; Hos 2:25; Jes 29:23; Rom 9:24–25 ## Jesaja 20 _Jesaja gaat drie jaar naakt en barrevoets: een teken voor Egypte en Kush_ ### De val van Asdod **20:1** In het jaar dat de Tartan naar Asdod kwam, gestuurd door Sargon, de koning van Assyrië, streed hij tegen Asdod en nam het in. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | בֹּ֤א (bo) = komen | תַרְתָּן֙ (tartan) = Tartan | אַשְׁדּ֔וֹדָה (ashdoda) = naar Asdod | בִּשְׁלֹ֣ח (bishloch) = bij het sturen | אֹת֔וֹ (oto) = hem | סַֽרְג֖וֹן (sargon) = Sargon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וַיִּלָּ֥חֶם (vayilachem) = en hij streed | בְּאַשְׁדּ֖וֹד (beashdod) = tegen Asdod | וַֽיִּלְכְּדָֽהּ (vayilkedah) = en hij nam het in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: תַּרְתָּן (Tartan): geen eigennaam maar de titel van een hoge Assyrische legerleider, zoals in 2 Kon. 18:17. Hij wordt hier gestuurd door Sargon, de koning van Assyrië. Deze koning wordt alleen hier in de Bijbel bij naam genoemd. Voetnoot : אַשְׁדּוֹד (Ashdod), ‘Asdod’: een stad van de Filistijnen, aan de kust. Voetnoot : Het vers geeft de tijd aan: het teken van Jesaja valt in de jaren rond de val van Asdod. Zie ook: 1 Sam 6:17; 2 Kon 18:17; Amos 1:8; Jer 25:20; Jer 25:29–30 ### Jesaja gaat naakt en barrevoets **20:2** In die tijd sprak Yahweh door Jesaja, de zoon van Amoz. Hij zei: **„Ga, maak het rouwkleed van je heupen los en trek de sandalen van je voeten.”** Hij deed dat en liep naakt en barrevoets. Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֗יא (hahi) = die | דִּבֶּ֣ר (diber) = sprak | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | בְּיַ֣ד (beyad) = door de hand van | יְשַׁעְיָ֣הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶן (ben) = zoon van | אָמוֹץ֮ (amots) = Amoz | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | לֵ֗ךְ (lekh) = ga | וּפִתַּחְתָּ֤ (ufitachta) = en maak los | הַשַּׂק֙ (hasaq) = het rouwkleed | מֵעַ֣ל (meal) = van | מָתְנֶ֔יךָ (mateneikha) = je heupen | וְנַעַלְךָ֥ (venaalkha) = en je sandaal | תַחֲלֹ֖ץ (tachalots) = trek uit | מֵעַ֣ל (meal) = van | רַגְלֶ֑יךָ (ragleikha) = je voeten | וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en hij deed | כֵּ֔ן (ken) = zo | הָלֹ֖ךְ (halokh) = lopend | עָר֥וֹם (arom) = naakt | וְיָחֵֽף (veyachef) = en barrevoets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een ruw kleed dat men bij rouw en boete droeg; zie Joël 1:8 en Jona 3:5. Jesaja draagt het al en moet het nu uitdoen. Voetnoot : עָרוֹם (arom), ‘naakt’: dat kan betekenen dat hij geen bovenkleed droeg en alleen een onderkleed. Vergelijk 1 Sam. 19:24, waar Saul zijn kleren uittrekt en ‘naakt’ ligt. Voetnoot : בְּיַד יְשַׁעְיָהוּ (beyad Yesha’yahu), ‘door Jesaja’: letterlijk ‘door de hand van Jesaja’. Dit is een gewone zegswijze voor ‘door middel van’. Voetnoot : Yahweh spreekt hier tot Jesaja; Zijn opdracht staat rood. Zie ook: 1 Sam 19:24; Joël 1:8; Jona 3:5; Mi 1:8; Ezech 24:23; Zach 13:4; Mat 3:4 **20:3** Yahweh zei: **„Zoals Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets is gegaan, drie jaar lang, als teken en wonder voor Egypte en Kush,** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | הָלַ֛ךְ (halakh) = is gegaan | עַבְדִּ֥י (avdi) = Mijn knecht | יְשַׁעְיָ֖הוּ (yeshayahu) = Jesaja | עָר֣וֹם (arom) = naakt | וְיָחֵ֑ף (veyachef) = en barrevoets | שָׁלֹ֤שׁ (shalosh) = drie | שָׁנִים֙ (shanim) = jaar | א֣וֹת (ot) = teken | וּמוֹפֵ֔ת (umofet) = en wonder | עַל (al) = over | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וְעַל (veal) = en over | כּֽוּשׁ (kush) = Kush Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: Jesaja heet hier ‘Mijn knecht’, met een kleine letter bij ‘knecht’. Het is een eretitel voor iemand die Yahweh dient. Het is niet de ‘Knecht’ van de knechtsliederen verderop in het boek. Voetnoot : שָׁלֹשׁ שָׁנִים (shalosh shanim), ‘drie jaar’: het Hebreeuws laat open of Jesaja drie jaar lang naakt ging, of dat het teken drie jaar lang gold. Wij kiezen het eerste, en zetten de woorden zo dat de tweede lezing mogelijk blijft. Voetnoot : אוֹת וּמוֹפֵת (ot umofet), ‘teken en wonder’: een teken dat een gebeurtenis aankondigt. Voetnoot : כּוּשׁ (Kush) ligt ten zuiden van Egypte, in het gebied van het huidige Soedan; zie ook 2 Kon. 19:9. Zie ook: Num 14:34; 2 Kon 19:9; Jes 8:18; Jes 18:1–7; Jes 37:9; Openb 11:2–3 **20:4** **zo zal de koning van Assyrië de gevangenen van Egypte en de ballingen van Kush wegvoeren. Jongens en oude mannen gaan naakt en barrevoets, met ontblote billen, tot schande van Egypte.”** Brontekst: כֵּ֣ן (ken) = zo | יִנְהַ֣ג (yinhag) = zal wegvoeren | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַ֠שּׁוּר (ashur) = Assyrië | אֶת (et) = (obj.) | שְׁבִ֨י (shevi) = gevangenen van | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גָּל֥וּת (galut) = ballingen van | כּ֛וּשׁ (kush) = Kush | נְעָרִ֥ים (nearim) = jongens | וּזְקֵנִ֖ים (uzeqenim) = en oude mannen | עָר֣וֹם (arom) = naakt | וְיָחֵ֑ף (veyachef) = en barrevoets | וַחֲשׂוּפַ֥י (vachasufay) = en ontbloot van | שֵׁ֖ת (shet) = billen | עֶרְוַ֥ת (ervat) = schande van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: שְׁבִי (shevi), ‘gevangenen’, en גָּלוּת (galut), ‘ballingen’: mensen die in de oorlog gevangen zijn genomen en worden weggevoerd. Voetnoot : שֵׁת (shet), ‘billen’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis ‘billen’ ligt voor de hand. Voetnoot : עֶרְוַת מִצְרָיִם (ervat Mitsrayim), ‘tot schande van Egypte’: letterlijk ‘de naaktheid van Egypte’. Het slot van de zin laat zien dat het hier om schande gaat. Zie ook: 2 Sam 10:4; Jes 19:4; Mi 1:11; Jer 13:22; Jer 13:26 ### Beschaamd om hun hoop **20:5** Zij zullen ontzet en beschaamd zijn vanwege Kush, hun hoop, en vanwege Egypte, hun trots. Brontekst: וְחַתּ֖וּ (vechatu) = en zij worden ontzet | וָבֹ֑שׁוּ (vavoshu) = en beschaamd | מִכּוּשׁ֙ (mikush) = vanwege Kush | מַבָּטָ֔ם (mabatam) = hun hoop | וּמִן (umin) = en vanwege | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | תִּפְאַרְתָּֽם (tifartam) = hun trots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מַבָּט (mabbat), ‘hoop’: letterlijk ‘waar men naar uitkijkt’. Het gaat om de volken waarop men vertrouwde. Het Hebreeuws zegt niet wie met ‘zij’ bedoeld wordt; vers 6 wijst op de bewoners van de kust. Voetnoot : De woorden van vers 5 en 6 zijn van de profeet en staan zwart. Het Hebreeuws laat open of vers 5 nog bij de woorden van Yahweh hoort. Zie ook: 2 Kon 18:21; Jes 20:6; Jes 30:3; Jes 30:5; Jer 9:22–23; 1 Kor 3:21 **20:6** Op die dag zal de bewoner van deze kuststreek zeggen: „Zie, zo is het met onze hoop. Daarheen vluchtten wij om hulp, om bevrijd te worden van de koning van Assyrië. En hoe zullen wij ontkomen?” Brontekst: וְ֠אָמַר (veamar) = en zal zeggen | יֹשֵׁ֨ב (yoshev) = bewoner van | הָאִ֣י (hai) = de kuststreek | הַזֶּה֮ (haze) = deze | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֒ (hahu) = die | הִנֵּה (hine) = zie | כֹ֣ה (ko) = zo | מַבָּטֵ֗נוּ (mabatenu) = onze hoop | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | נַ֤סְנוּ (nasnu) = wij vluchtten | שָׁם֙ (sham) = daar | לְעֶזְרָ֔ה (leezra) = om hulp | לְהִ֨נָּצֵ֔ל (lehinatsel) = om bevrijd te worden | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וְאֵ֖יךְ (veeikh) = en hoe | נִמָּלֵ֥ט (nimalet) = zullen wij ontkomen | אֲנָֽחְנוּ (anachenu) = wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אִי (i), ‘kuststreek’: het woord betekent ‘eiland’ of ‘kustland’. Waarschijnlijk is de kust van het land van de Filistijnen bedoeld, bij Asdod. Dat is niet zeker. Voetnoot : De spreker is hier een bewoner van de kust. Dit is een woord van mensen en staat dus zwart. Zie ook: Jes 30:1–7; Jer 47:4; Mat 23:33; 1 Tess 5:3; Heb 2:3 ## Jesaja 21 _Drie lasten: de woestijn van de zee, Duma en Arabië_ ### Last over de woestijn van de zee **21:1** Last over de woestijn van de zee. Zoals stormwinden door de Negev trekken, zo komt het uit de woestijn, uit een gevreesd land. Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = last van | מִדְבַּר (midbar) = woestijn van | יָ֑ם (yam) = de zee | כְּסוּפ֤וֹת (kesufot) = zoals stormwinden | בַּנֶּ֨גֶב֙ (banegev) = in de Negev | לַֽחֲלֹ֔ף (lachalof) = om voorbij te trekken | מִמִּדְבָּ֣ר (mimidbar) = uit de woestijn | בָּ֔א (ba) = het komt | מֵאֶ֖רֶץ (meerets) = uit een land | נוֹרָאָֽה (noraa) = gevreesd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: zie 13:1. Voetnoot : מִדְבַּר יָם (midbar yam), ‘woestijn van de zee’: het vers noemt geen plaats. Vers 9 noemt Babel; daarom denken veel lezers aan Babel. Dat is onzeker. Wij laten de naam letterlijk staan. Voetnoot : כְּסוּפוֹת (kesufot), ‘stormwinden’: winden die met kracht voortrazen, zoals in de Negev, het droge zuiden van Juda. Zie ook: Jes 13:1; Jes 14:23; Jes 17:1; Jes 21:9; Jer 51:42; Zach 9:14 **21:2** Een hard visioen is mij meegedeeld: de verrader verraadt en de verwoester verwoest. Trek op, Elam! Sla het beleg, Medië! **„Aan al haar zuchten heb Ik een einde gemaakt.”** Brontekst: חָז֥וּת (chazut) = een visioen | קָשָׁ֖ה (qasha) = hard | הֻגַּד (hugad) = is meegedeeld | לִ֑י (li) = aan mij | הַבּוֹגֵ֤ד (haboged) = de verrader | בּוֹגֵד֙ (boged) = verraadt | וְהַשּׁוֹדֵ֣ד (vehashoded) = en de verwoester | שׁוֹדֵ֔ד (shoded) = verwoest | עֲלִ֤י (ali) = trek op | עֵילָם֙ (eilam) = Elam | צוּרִ֣י (tsuri) = beleger | מָדַ֔י (maday) = Medië | כָּל (kal) = alle | אַנְחָתָ֖ה (anchata) = haar zuchten | הִשְׁבַּֽתִּי (hishbati) = Ik heb laten ophouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: חָזוּת (chazut), ‘visioen’: iets dat de profeet te zien krijgt. Het is hard, want het kondigt verraad en verwoesting aan. Voetnoot : עֵילָם (Elam) en מָדַי (Madai), ‘Medië’: twee volken ten oosten van Babel. Zij worden opgeroepen om Babel aan te vallen. Voetnoot : כָּל אַנְחָתָהּ (kol anachatah), ‘al haar zuchten’: de zuchten van de volken die door haar werden onderdrukt. Wie met ‘haar’ bedoeld is, zegt het vers niet; vers 9 noemt Babel. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Ik’ is in de laatste zin: Yahweh of de profeet. Wij kiezen Yahweh, omdat Hij een einde maakt aan het onrecht van een volk. Daarom staat de zin rood. Zie ook: Ps 60:5; Jes 21:9; Jes 24:16; Jes 33:1; Jer 49:34; Openb 13:10 **21:3** Daarom zijn mijn heupen vol pijn. Weeën hebben mij gegrepen, als de weeën van een barende vrouw. Ik ben ineengekrompen door wat ik hoor en ontsteld door wat ik zie. Brontekst: עַל (al) = op grond | כֵּ֗ן (ken) = hiervan | מָלְא֤וּ (maleu) = zijn gevuld | מָתְנַי֙ (matenay) = mijn heupen | חַלְחָלָ֔ה (chalchala) = met pijn | צִירִ֣ים (tsirim) = weeën | אֲחָז֔וּנִי (achazuni) = hebben mij gegrepen | כְּצִירֵ֖י (ketsirei) = als de weeën van | יֽוֹלֵדָ֑ה (yoleda) = een barende vrouw | נַעֲוֵ֣יתִי (naaveiti) = ik ben ineengekrompen | מִשְּׁמֹ֔עַ (mishemoa) = van horen | נִבְהַ֖לְתִּי (nivhalti) = ik ben ontsteld | מֵרְאֽוֹת (mereot) = van zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָתְנַיִם (motnayim), ‘heupen’: de streek van het lichaam waar men pijn voelt. Zie ook 20:2. Voetnoot : צִירִים (tsirim), ‘weeën’: de pijn van een barende vrouw. Het is een beeld voor heftige angst. Zie ook: Ps 48:7; Jes 13:8; Jes 16:11; Jes 26:17; Jer 48:41 **21:4** Mijn hart dwaalt, siddering overvalt mij. De schemering waar ik naar verlangde, is mij tot huivering gemaakt. Brontekst: תָּעָ֣ה (taa) = dwaalt | לְבָבִ֔י (levavi) = mijn hart | פַּלָּצ֖וּת (palatsut) = siddering | בִּֽעֲתָ֑תְנִי (biatateni) = overvalt mij | אֵ֚ת (et) = (obj.) | נֶ֣שֶׁף (neshef) = schemering van | חִשְׁקִ֔י (chishqi) = mijn verlangen | שָׂ֥ם (sam) = is gemaakt | לִ֖י (li) = mij | לַחֲרָדָֽה (lacharada) = tot huivering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶשֶׁף חִשְׁקִי (neshef chishqi), ‘de schemering waar ik naar verlangde’: letterlijk ‘de schemering van mijn verlangen’. De schemering, de tijd van rust, wordt voor de profeet een tijd van huivering. Zie ook: 2 Sam 13:28–29; Jer 51:39; Dan 5:1; Est 7:6–10; Luc 21:34–36 **21:5** Dek de tafel! Spreid het kleed uit! Eet, drink! Sta op, aanvoerders, zalf het schild! Brontekst: עָרֹ֧ךְ (arokh) = dek | הַשֻּׁלְחָ֛ן (hashulchan) = de tafel | צָפֹ֥ה (tsafo) = spreid uit | הַצָּפִ֖ית (hatsafit) = het kleed | אָכ֣וֹל (akhol) = eet | שָׁתֹ֑ה (shato) = drink | ק֥וּמוּ (qumu) = sta op | הַשָּׂרִ֖ים (hasarim) = aanvoerders | מִשְׁח֥וּ (mishchu) = zalf | מָגֵֽן (magen) = het schild Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָפֹה הַצָּפִית (tsafoh hatsafit), ‘spreid het kleed uit’: het woord צָפִית (tsafit) komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Voetnoot Lezing: Het werkwoord צָפָה (tsafah) kan ook ‘de wacht houden’ betekenen. Dan zou het vers luiden: ‘Dek de tafel! Houd de wacht!’ Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij kiezen het maal, omdat de zin zo past bij ‘eet, drink’. Dat de feestvierders dan plotseling tot de wapens worden geroepen, vormt de wending van dit vers. Voetnoot : מִשְׁחוּ מָגֵן (mishchu magen), ‘zalf het schild’: een leren schild werd met olie ingewreven om het soepel te maken voor de strijd. Zie ook: Jes 22:13–14; Jer 51:11; Jer 51:39; Jer 51:57; Dan 5:1–5 ### De wachter **21:6** Want zo heeft de Heer tegen mij gezegd: **„Ga, zet een wachter neer. Wat hij ziet, moet hij melden.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = heeft gezegd | אֵלַ֖י (elay) = tegen mij | אֲדֹנָ֑י (adonay) = de Heer | לֵ֚ךְ (lekh) = ga | הַעֲמֵ֣ד (haamed) = zet neer | הַֽמְצַפֶּ֔ה (hamtsape) = de wachter | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | יִרְאֶ֖ה (yire) = hij ziet | יַגִּֽיד (yagid) = hij meldt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel staat hier zonder de naam Yahweh. Wij vertalen ‘de Heer’. Voetnoot : De opdracht aan de profeet is een woord van Yahweh en staat rood. Zie ook: 2 Kon 9:17–20; Jes 62:6; Hab 2:1–2; Ezech 3:17; Ezech 33:2–7 **21:7** Hij ziet een wagen met een span ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kamelen. Hij luistert aandachtig, heel aandachtig. Brontekst: וְרָ֣אָה (veraa) = en hij ziet | רֶ֗כֶב (rekhev) = wagen | צֶ֚מֶד (tsemed) = span van | פָּֽרָשִׁ֔ים (parashim) = ruiters | רֶ֥כֶב (rekhev) = wagen | חֲמ֖וֹר (chamor) = ezel | רֶ֣כֶב (rekhev) = wagen | גָּמָ֑ל (gamal) = kameel | וְהִקְשִׁ֥יב (vehiqshiv) = en hij luistert | קֶ֖שֶׁב (qeshev) = aandachtig | רַב (rav) = veel | קָֽשֶׁב (qashev) = aandacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֶכֶב (rekhev), ‘wagen’: een wagen of wagenstoet. De tekst legt niet uit wie in die wagens zitten. Het zijn mogelijk de legers die Babel aanvallen. Dat is niet zeker. Zie ook: Jes 21:9; Jes 37:24; Heb 2:1 **21:8** Toen riep hij als een leeuw: „Mijn Heer, overdag sta ik voortdurend op de uitkijk, en elke nacht blijf ik op mijn wachtpost staan. Brontekst: וַיִּקְרָ֖א (vayiqra) = en hij riep | אַרְיֵ֑ה (arye) = een leeuw | עַל (al) = op | מִצְפֶּ֣ה (mitspe) = de uitkijk | אֲדֹנָ֗י (adonay) = mijn Heer | אָנֹכִ֞י (anokhi) = ik | עֹמֵ֤ד (omed) = sta | תָּמִיד֙ (tamid) = voortdurend | יוֹמָ֔ם (yomam) = overdag | וְעַל (veal) = en op | מִ֨שְׁמַרְתִּ֔י (mishmarti) = mijn wachtpost | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | נִצָּ֖ב (nitsav) = blijf staan | כָּל (kal) = alle | הַלֵּילֽוֹת (haleilot) = nachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: de wachter spreekt Yahweh aan. Voetnoot : אַרְיֵה (aryeh), ‘leeuw’: letterlijk staat er ‘Hij riep: een leeuw’. Wij lezen ‘Hij riep als een leeuw’, dat wil zeggen: luid en krachtig. Het woord ‘als’ is onze toevoeging. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Zie ook: Ps 63:7; Jes 62:6; Jer 49:19; Jer 50:44; Hab 2:1–2 **21:9** En zie, daar komt een man in een wagen, een span ruiters.” Hij antwoordde en zei: „Gevallen, gevallen is Babel! Alle gesneden beelden van haar goden zijn tegen de grond stukgeslagen.” Brontekst: וְהִנֵּה (vehine) = en zie | זֶ֥ה (ze) = daar | בָא֙ (ba) = komt | רֶ֣כֶב (rekhev) = wagen van | אִ֔ישׁ (ish) = man | צֶ֖מֶד (tsemed) = span van | פָּֽרָשִׁ֑ים (parashim) = ruiters | וַיַּ֣עַן (vayaan) = en hij antwoordde | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | נָפְלָ֤ה (nafela) = gevallen | נָֽפְלָה֙ (nafela) = gevallen | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְכָל (vekhal) = en alle | פְּסִילֵ֥י (pesilei) = gesneden beelden van | אֱלֹהֶ֖יהָ (eloheiha) = haar goden | שִׁבַּ֥ר (shibar) = heeft verbrijzeld | לָאָֽרֶץ (laarets) = op de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie ‘antwoordde’: de wachter of de man in de wagen. Ook loopt de roep van de wachter door in de eerste helft van dit vers. Wij laten het open. Voetnoot : נָפְלָה נָפְלָה בָּבֶל (naflah naflah Bavel), ‘Gevallen, gevallen is Babel’: de herhaling maakt de val zeker. Zie ook Openb. 14:8 en 18:2. Voetnoot : שִׁבַּר (shibber), ‘zijn stukgeslagen’: het werkwoord staat in de derde persoon enkelvoud, zonder genoemd onderwerp. Wij vertalen met ‘zijn … stukgeslagen’. Voetnoot : פְּסִילֵי (pesilei), ‘gesneden beelden’: afgodsbeelden, uit hout of steen gesneden. Zie ook: Jes 13:19; Jer 51:8; Jer 51:44; Openb 14:8; Openb 18:2 **21:10** Mijn gedorste, zoon van mijn dorsvloer! Wat ik van Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël, heb gehoord, heb ik jullie verteld. Brontekst: מְדֻשָׁתִ֖י (medushati) = mijn gedorste | וּבֶן (uven) = en zoon van | גָּרְנִ֑י (gareni) = mijn dorsvloer | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | שָׁמַ֗עְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | מֵאֵ֨ת (meet) = van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֛וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הִגַּ֥דְתִּי (higadti) = ik heb verteld | לָכֶֽם (lakhem) = aan jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְדֻשָׁתִי (medushati), ‘mijn gedorste’, en בֶּן גָּרְנִי (ben gorni), ‘zoon van mijn dorsvloer’: Israël wordt geslagen als graan op de dorsvloer. Wie aangesproken wordt, noemt het vers niet; het kan Israël of Juda zijn. Het gaat om het volk van de profeet. Voetnoot : De profeet geeft door wat hij van Yahweh heeft gehoord. Zie ook: 2 Kon 13:7; Jes 41:15–16; Mi 4:13; Jer 51:33; Ezech 3:17–19 ### Last over Duma **21:11** Last over Duma. Iemand roept mij toe uit Seïr: „Wachter, hoe staat het met de nacht? Wachter, hoe staat het met de nacht?” Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = last van | דּוּמָ֑ה (duma) = Duma | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | קֹרֵ֣א (qore) = iemand roept | מִשֵּׂעִ֔יר (miseir) = uit Seïr | שֹׁמֵר֙ (shomer) = wachter | מַה (ma) = wat | מִלַּ֔יְלָה (milayla) = van de nacht | שֹׁמֵ֖ר (shomer) = wachter | מַה (ma) = wat | מִלֵּֽיל (mileil) = van de nacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Duma (Dumat al-Jandal?; ligging onzeker): De ligging van Duma is onzeker. Meestal wordt gedacht aan Dumat al-Jandal, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië. Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: דּוּמָה (Dumah), ‘Duma’: een naam die ook ‘stilte’ betekent. Duma was een zoon van Ismaël (Gen. 25:14) en de naam van een oase of streek in Arabië. De tekst noemt Seïr, het bergland van Edom. De ligging van Duma is onzeker. Voetnoot : שֹׁמֵר (shomer), ‘wachter’: iemand die op de uitkijk staat. De vraag ‘wat van de nacht?’ betekent: hoe lang duurt het nog tot de morgen? Zie ook: Gen 25:14; Joël 4:19; Amos 1:6; Ob 1:1–16; Mal 1:2–4 **21:12** De wachter zei: „De morgen komt, en ook de nacht. Als jullie willen vragen, vraag dan. Keer terug, kom!” Brontekst: אָמַ֣ר (amar) = zei | שֹׁמֵ֔ר (shomer) = de wachter | אָתָ֥ה (ata) = komt | בֹ֖קֶר (boqer) = morgen | וְגַם (vegam) = en ook | לָ֑יְלָה (layela) = nacht | אִם (im) = als | תִּבְעָי֥וּן (tivayun) = jullie willen vragen | בְּעָ֖יוּ (beayu) = vraag | שֻׁ֥בוּ (shuvu) = keer terug | אֵתָֽיוּ (etayu) = kom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wachter geeft een raadselachtig antwoord: de morgen komt, maar ook weer een nacht. Dat kan betekenen dat er bevrijding komt en daarna weer onheil. Wij laten het raadsel staan. Zie ook: Jes 55:7; Ezech 7:12; Hand 2:37–38; Hand 17:19–20; Hand 17:30–32 ### Last over Arabië **21:13** Last over Arabië. In het struikgewas van Arabië zullen jullie overnachten, karavanen van Dedan. Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = last van | בַּעְרָ֑ב (barav) = Arabië | בַּיַּ֤עַר (bayaar) = in het struikgewas | בַּעְרַב֙ (barav) = van Arabië | תָּלִ֔ינוּ (talinu) = jullie zullen overnachten | אֹֽרְח֖וֹת (orechot) = karavanen van | דְּדָנִֽים (dedanim) = Dedan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Arabië (ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël. De grenzen zijn niet scherp te trekken. Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute. Voetnoot Uitleg: בַּעְרָב (ba’arav), ‘in Arabië’: dezelfde medeklinkers kunnen ook ‘in de avond’ betekenen (ba’erev). Misschien speelt de profeet met die twee woorden. Wij vertalen ‘Arabië’. Voetnoot : דְּדָנִים (Dedanim), ‘Dedan’: de Dedanieten, een handelsvolk in Arabië (Gen. 25:3). Hun karavanen moeten uitwijken in het struikgewas. Zie ook: Gen 25:3; 1 Kron 1:32; Jes 13:20; Jer 25:23–24; Ezech 27:15 **21:14** Kom de dorstige tegemoet. Breng water, bewoners van het land Tema. Ga de vluchteling tegemoet met brood voor hem. Brontekst: לִקְרַ֥את (liqrat) = om te ontmoeten | צָמֵ֖א (tsame) = dorstige | הֵתָ֣יוּ (hetayu) = breng | מָ֑יִם (mayim) = water | יֹשְׁבֵי֙ (yoshevei) = bewoners van | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | תֵּימָ֔א (teima) = Tema | בְּלַחְמ֖וֹ (belachmo) = met zijn brood | קִדְּמ֥וּ (qidemu) = ontmoet | נֹדֵֽד (noded) = vluchteling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tema: Tema (nu Tayma) is een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, op de karavaanroute. Voetnoot Uitleg: תֵּימָא (Teima), ‘Tema’: een oase in het noorden van Arabië. Tema was een zoon van Ismaël (Gen. 25:15). Voetnoot : בְּלַחְמוֹ (belachmo), ‘met brood voor hem’: letterlijk ‘met zijn brood’. Het brood is voor de vluchteling bestemd. Zie ook: Gen 25:15; Job 6:19; 1 Kron 1:30; Spr 25:21; Rom 12:20 **21:15** Want zij zijn gevlucht voor de zwaarden, voor het getrokken zwaard, voor de gespannen boog en voor de zwaarte van de oorlog. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor | חֲרָב֖וֹת (charavot) = zwaarden | נָדָ֑דוּ (nadadu) = zijn zij gevlucht | מִפְּנֵ֣י (mipenei) = voor | חֶ֣רֶב (cherev) = zwaard | נְטוּשָׁ֗ה (netusha) = getrokken | וּמִפְּנֵי֙ (umipenei) = en voor | קֶ֣שֶׁת (qeshet) = boog | דְּרוּכָ֔ה (derukha) = gespannen | וּמִפְּנֵ֖י (umipenei) = en voor | כֹּ֥בֶד (koved) = zwaarte van | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרֶב נְטוּשָׁה (cherev netushah), ‘het getrokken zwaard’: letterlijk ‘het verlaten zwaard’. Het bijvoeglijk naamwoord betekent ‘losgelaten’ of ‘uit de schede genomen’. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : כֹּבֶד מִלְחָמָה (kovod milchamah), ‘de zwaarte van de oorlog’: hetzelfde woord als ‘luister’ in vers 16, maar hier in zijn betekenis ‘gewicht’. Zie ook: Job 6:19–20; Jes 13:14; Jes 21:16 **21:16** Want zo heeft de Heer tegen mij gezegd: **„Binnen een jaar, zoals de jaren van een loonarbeider, zal alle luister van Kedar voorbij zijn.** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹ֛ה (ko) = zo | אָמַ֥ר (amar) = heeft gezegd | אֲדֹנָ֖י (adonay) = tegen mij | אֵלָ֑י (elay) = de Heer | בְּע֤וֹד (beod) = binnen | שָׁנָה֙ (shana) = een jaar | כִּשְׁנֵ֣י (kishnei) = als de jaren van | שָׂכִ֔יר (sakhir) = een loonarbeider | וְכָלָ֖ה (vekhala) = en zal voorbij zijn | כָּל (kal) = alle | כְּב֥וֹד (kevod) = luister van | קֵדָֽר (qedar) = Kedar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië. De precieze ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: כִּשְׁנֵי שָׂכִיר (kishnei sakhir), ‘zoals de jaren van een loonarbeider’: een loonarbeider telt zijn tijd precies en laat niets over. Het jaar is dus nauwkeurig een jaar. Voetnoot : קֵדָר (Qedar), ‘Kedar’: een volk van nomaden in het noorden van Arabië, een zoon van Ismaël (Gen. 25:13). Zie ook: Gen 25:13; Ps 120:5; Hoogl 1:5; Jes 16:14; Jes 60:7; Jer 49:28 **21:17** **De overgeblevenen van het aantal bogen, de helden van de zonen van Kedar, zullen weinig zijn.”** Want Yahweh, de Elohim van Israël, heeft gesproken. Brontekst: וּשְׁאָ֧ר (ushear) = en de overgeblevenen van | מִסְפַּר (mispar) = aantal van | קֶ֛שֶׁת (qeshet) = bogen | גִּבּוֹרֵ֥י (giborei) = helden van | בְנֵֽי (benei) = zonen van | קֵדָ֖ר (qedar) = Kedar | יִמְעָ֑טוּ (yimatu) = zullen weinig zijn | כִּ֛י (ki) = want | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | דִּבֵּֽר (diber) = heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië. De precieze ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שְׁאָר (she’ar), ‘de overgeblevenen’: wie na de strijd overblijft. Voetnoot : קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’: hier met de betekenis ‘boogschutters’; de bogen staan voor wie ze hanteren. Wij houden het woord ‘bogen’. Voetnoot : De slotzin is een woord van de profeet over Yahweh in de derde persoon en staat zwart. Zie ook: Num 23:19; Jes 1:20; Jes 17:4–5; Zach 1:6; Mat 24:35 ## Jesaja 22 _Het dal van het visioen; Sjebna en Eljakim_ ### Het dal van het visioen **22:1** Last over het dal van het visioen. Wat is er toch met je, dat je helemaal naar de daken bent opgeklommen? Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = last | גֵּ֣יא (gei) = dal van | חִזָּי֑וֹן (chizayon) = visioen | מַה (ma) = wat | לָּ֣ךְ (lakh) = is er voor jou | אֵפ֔וֹא (efo) = toch | כִּֽי (ki) = dat | עָלִ֥ית (alit) = je bent opgeklommen | כֻּלָּ֖ךְ (kulakh) = helemaal | לַגַּגּֽוֹת (lagagot) = naar de daken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: zie 13:1. Zie ook vers 25. Voetnoot : גֵּיא חִזָּיוֹן (gei chizzayon), ‘dal van het visioen’: waarschijnlijk Jeruzalem, want vers 9 en 10 noemen de stad van David en de huizen van Jeruzalem. Het is onzeker waarom de stad zo heet. Voetnoot : Van oudsher waren de platte daken een plaats waar men uitkeek, rouwde of feest vierde. Zie ook: Ps 125:2; Joël 4:12; Joël 4:14; Jes 15:3; Jes 22:9; Jes 22:10; Jes 22:25; Jer 21:13 **22:2** Je bent vol rumoer, een woelige stad, een juichende stad. Je doden zijn niet door het zwaard gedood en niet in de oorlog gestorven. Brontekst: תְּשֻׁא֣וֹת (teshuot) = rumoer | מְלֵאָ֗ה (melea) = vol | עִ֚יר (ir) = stad | הֽוֹמִיָּ֔ה (homiya) = woelig | קִרְיָ֖ה (qirya) = stad | עַלִּיזָ֑ה (aliza) = juichend | חֲלָלַ֨יִךְ֙ (chalalayikh) = je doden | לֹ֣א (lo) = niet | חַלְלֵי (challei) = doden van | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וְלֹ֖א (velo) = en niet | מֵתֵ֥י (metei) = gestorvenen van | מִלְחָמָֽה (milchama) = oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 22:12–13; Jes 23:7; Jes 32:13; Jer 14:18; Klaagl 2:20 **22:3** Al je leiders zijn samen gevlucht. Zonder boog zijn ze vastgebonden. Al wie van jou gevonden werd, is samen vastgebonden. Ze zijn ver weg gevlucht. Brontekst: כָּל (kal) = heel | קְצִינַ֥יִךְ (qetsinayikh) = je leiders | נָֽדְדוּ (nadedu) = zijn gevlucht | יַ֖חַד (yachad) = samen | מִקֶּ֣שֶׁת (miqeshet) = zonder boog | אֻסָּ֑רוּ (usaru) = zijn vastgebonden | כָּל (kal) = heel | נִמְצָאַ֨יִךְ֙ (nimtsaayikh) = wie van jou gevonden werd | אֻסְּר֣וּ (useru) = zijn vastgebonden | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | מֵרָח֖וֹק (merachoq) = van ver weg | בָּרָֽחוּ (barachu) = zijn gevlucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקֶּשֶׁת (miqqeshet), ‘zonder boog’: letterlijk ‘van boog’. Het kan ook ‘door de boog’ betekenen, dat is door de boogschutters van de vijand. Het Hebreeuws is kort en de betekenis is niet zeker. Zie ook: 2 Kon 25:4–7; 2 Kon 25:18–21; Jes 3:1–8; Jer 39:4–7; Jer 52:24–27 **22:4** Daarom zeg ik: „Kijk van mij weg. Ik wil bitter huilen. Dring er niet op aan mij te troosten over de verwoesting van de Dochter van mijn volk.” Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֥ן (ken) = (zo) | אָמַ֛רְתִּי (amarti) = ik zei | שְׁע֥וּ (sheu) = kijk weg | מִנִּ֖י (mini) = van mij | אֲמָרֵ֣ר (amarer) = Ik wil bitter zijn | בַּבֶּ֑כִי (babekhi) = in huilen | אַל (al) = niet | תָּאִ֣יצוּ (taitsu) = dring aan | לְנַֽחֲמֵ֔נִי (lenachameni) = om mij te troosten | עַל (al) = over | שֹׁ֖ד (shod) = verwoesting van | בַּת (bat) = dochter van | עַמִּֽי (ami) = mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּת עַמִּי (bat ammi), ‘Dochter van mijn volk’: het volk wordt aangesproken en beschreven als een dochter. Zie ook: Ps 77:3; Mi 1:8; Jer 8:23; Jer 13:17; Mat 2:18 **22:5** Want Heer Yahweh van de legermachten heeft een dag van verwarring, vertrapping en paniek in het dal van het visioen. Er wordt een muur afgebroken, en hulpgeroep klinkt naar de berg. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | יוֹם֩ (yom) = dag van | מְהוּמָ֨ה (mehuma) = verwarring | וּמְבוּסָ֜ה (umevusa) = en vertrapping | וּמְבוּכָ֗ה (umevukha) = en paniek | לַֽאדֹנָ֧י (ladonay) = voor Heer | יְהוִ֛ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בְּגֵ֣יא (begei) = in het dal van | חִזָּי֑וֹן (chizayon) = visioen | מְקַרְקַ֥ר (meqarqar) = afbrekend | קִ֖ר (qir) = muur | וְשׁ֥וֹעַ (veshoa) = en hulpgeroep | אֶל (el) = naar | הָהָֽר (hahar) = de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (Adonai Yahweh Tsevaot), ‘Heer Yahweh van de legermachten’: zie Jes. 3:15. Voetnoot : לַאדֹנָי (la’Adonai), ‘voor Heer’: de letter lamed betekent hier ‘voor’ of ‘van’. De dag is een dag van Heer Yahweh van de legermachten. Voetnoot : מְקַרְקַר קִר (meqarqar qir), ‘een muur wordt afgebroken’: het werkwoord komt alleen hier voor en de betekenis is niet zeker. Het kan ook gaan om een gebrul tegen de muur. Voetnoot : שׁוֹעַ (shoa), ‘hulpgeroep’: een schreeuw om hulp. Zie ook: Jes 3:15; Jes 10:6; Jes 37:3; Mi 7:4; Klaagl 1:5; Luc 23:30 **22:6** Elam droeg de pijlkoker, met wagens vol mannen en met ruiters. Kir maakte het schild bloot. Brontekst: וְעֵילָם֙ (veeilam) = en Elam | נָשָׂ֣א (nasa) = droeg | אַשְׁפָּ֔ה (ashpa) = pijlkoker | בְּרֶ֥כֶב (berekhev) = in wagen | אָדָ֖ם (adam) = mannen | פָּֽרָשִׁ֑ים (parashim) = ruiters | וְקִ֥יר (veqir) = en Kir | עֵרָ֖ה (era) = maakte bloot | מָגֵֽן (magen) = schild Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: In de verzen 6 tot en met 11 vertalen wij in de verleden tijd. Het Hebreeuws laat open of het om een belegering in het verleden gaat of om een visioen van wat komt. Voetnoot : עֵילָם (Elam) en קִיר (Qir, ‘Kir’): Elam lag ten oosten van Babel, in het huidige Iran. De ligging van Kir is onzeker; Amos 1:5 en 9:7 noemen het ook. Hier zijn het waarschijnlijk bondgenoten of huurlingen van de vijand. Voetnoot : אַשְׁפָּה (ashpah), ‘pijlkoker’: de koker waarin de pijlen zitten. Voetnoot : עֵרָה מָגֵן (erah magen), ‘maakte het schild bloot’: het schild werd uit zijn hoes gehaald, klaar voor de strijd. Zie ook: 2 Kon 16:9; Amos 1:5; Amos 9:7; Jes 15:1; Jes 21:2 **22:7** De beste van je dalen werden vol wagens. De ruiters namen stelling bij de poort. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het gebeurde | מִבְחַר (mivchar) = het beste van | עֲמָקַ֖יִךְ (amaqayikh) = je dalen | מָ֣לְאוּ (maleu) = werden vol | רָ֑כֶב (rakhev) = wagens | וְהַפָּ֣רָשִׁ֔ים (vehaparashim) = en de ruiters | שֹׁ֖ת (shot) = stelling nemen | שָׁ֥תוּ (shatu) = namen stelling | הַשָּֽׁעְרָה (hashaera) = naar de poort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 8:7–8; Jes 10:28–32; Jes 37:34; Jer 39:1–3 ### Jullie keken niet naar Hem **22:8** Hij nam de dekking van Juda weg. Op die dag keek je naar de wapens in het Huis van het Woud. Brontekst: וַיְגַ֕ל (vaygal) = en Hij nam weg | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מָסַ֣ךְ (masakh) = de dekking van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַתַּבֵּט֙ (vatabet) = en je keek | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | אֶל (el) = naar | נֶ֖שֶׁק (nesheq) = de wapens van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | הַיָּֽעַר (hayaar) = het woud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָסַךְ יְהוּדָה (masakh Yehudah), ‘de dekking van Juda’: een bedekking of afscherming, hier een beeld van Juda’s bescherming. Wie het onderwerp is, zegt het Hebreeuws niet. Het kan Yahweh zijn of de vijand. Voetnoot : בֵּית הַיָּעַר (beit hayya’ar), ‘het Huis van het Woud’: de korte naam van het Huis van het Woud van de Libanon, een gebouw van Salomo waar wapens werden bewaard. Zie 1 Kon. 7:2 en 10:17. Zie ook: Hoogl 4:4; 1 Kon 7:2; 1 Kon 10:17; 1 Kon 14:27–28; Jes 36:1–3 **22:9** Jullie zagen dat de bressen in de stad van David talrijk waren. Jullie verzamelden het water van de onderste vijver. Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | בְּקִיעֵ֧י (beqiei) = bressen van | עִיר (ir) = stad van | דָּוִ֛ד (david) = David | רְאִיתֶ֖ם (reitem) = jullie zagen | כִּי (ki) = dat | רָ֑בּוּ (rabu) = ze waren talrijk | וַֽתְּקַבְּצ֔וּ (vateqabetsu) = en jullie verzamelden | אֶת (et) = (obj.) | מֵ֥י (mei) = water van | הַבְּרֵכָ֖ה (haberekha) = de vijver | הַתַּחְתּוֹנָֽה (hatachtona) = de onderste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Onderste vijver (Jeruzalem; ligging onzeker): De onderste vijver was een waterreservoir bij de stad van David, in Jeruzalem. Welke vijver precies bedoeld is, is niet zeker. Voetnoot Uitleg: עִיר דָּוִד (ir David), ‘stad van David’: het oudste deel van Jeruzalem op de zuidoostelijke heuvel. Zie ook 2 Kron. 32:5 waar Hizkia de doorbroken muur herstelt. Voetnoot : הַבְּרֵכָה הַתַּחְתּוֹנָה (habberekhah hattachtonah), ‘de onderste vijver’: een waterreservoir onder in de stad. Welke vijver bedoeld wordt, is niet zeker. Zie ook: 2 Kon 20:20; 2 Kron 32:1–6; 2 Kron 32:5; 2 Kron 32:30; Neh 3:16 **22:10** Jullie telden de huizen van Jeruzalem en braken de huizen af om de muur te versterken. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּתֵּ֥י (batei) = huizen van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | סְפַרְתֶּ֑ם (sefartem) = jullie telden | וַתִּתְֿצוּ֙ (vatittsu) = en jullie braken af | הַבָּ֣תִּ֔ים (habatim) = de huizen | לְבַצֵּ֖ר (levatser) = om te versterken | הַחוֹמָֽה (hachoma) = de muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Men brak huizen af om stenen voor de muur te hebben, of om ruimte te maken voor een tweede muur. **22:11** Jullie maakten een reservoir tussen de twee muren voor het water van de oude vijver. Maar naar Hem die het gemaakt heeft, keken jullie niet. En Hem die het van lang geleden gevormd heeft, zagen jullie niet. Brontekst: וּמִקְוָ֣ה (umiqva) = en een reservoir | עֲשִׂיתֶ֗ם (asitem) = jullie maakten | בֵּ֚ין (bein) = tussen | הַחֹ֣מֹתַ֔יִם (hachomotayim) = de twee muren | לְמֵ֖י (lemei) = voor het water van | הַבְּרֵכָ֣ה (haberekha) = de vijver | הַיְשָׁנָ֑ה (hayshana) = de oude | וְלֹ֤א (velo) = maar niet | הִבַּטְתֶּם֙ (hibattem) = jullie keken | אֶל (el) = naar | עֹשֶׂ֔יהָ (oseiha) = Hem die het maakte | וְיֹצְרָ֥הּ (veyotserah) = en Hem die het vormde | מֵֽרָח֖וֹק (merachoq) = van lang geleden | לֹ֥א (lo) = niet | רְאִיתֶֽם (reitem) = jullie zagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Oude vijver (Jeruzalem; ligging onzeker): De oude vijver was een waterreservoir tussen twee muren van Jeruzalem; mogelijk is het de vijver van Siloam. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: מִקְוֵה (miqveh), ‘reservoir’: een plaats waar water wordt verzameld. Zie 2 Kon. 20:20 en 2 Kron. 32:30 voor wat Hizkia met het water van Jeruzalem deed. Voetnoot : עֹשֶׂיהָ וְיֹצְרָהּ (oseyha veyotsrah), ‘Hem die het gemaakt heeft’ en ‘Hem die het gevormd heeft’: het Hebreeuws heeft hier een vrouwelijk ‘het’ of ‘haar’, dat naar de stad of naar het hele gebeuren verwijst. Met ‘Hem’ is Yahweh bedoeld. Voetnoot : מֵרָחוֹק (merachoq), ‘van lang geleden’: letterlijk ‘van veraf’, hier in de tijd. Hetzelfde woord staat in 2 Kon. 19:25. Zie ook: 2 Kon 19:25; 2 Kon 20:20; 2 Kon 25:4; 2 Kron 32:30; Jes 17:7; Jes 31:1; Mi 7:7; Jer 33:2–3 ### Yahweh roept tot rouw **22:12** Op die dag riep Heer Yahweh van de legermachten op tot huilen en rouwklacht, tot kaalheid en het omgorden met een rouwkleed. Brontekst: וַיִּקְרָ֗א (vayiqra) = en riep | אֲדֹנָ֧י (adonay) = Heer | יְהוִ֛ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | לִבְכִי֙ (livkhi) = tot huilen | וּלְמִסְפֵּ֔ד (ulemisped) = en tot rouwklacht | וּלְקָרְחָ֖ה (uleqarecha) = en tot kaalheid | וְלַחֲגֹ֥ר (velachagor) = en tot omgorden | שָֽׂק (saq) = rouwkleed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grof kleed van geitenhaar, gedragen bij rouw en boete. Voetnoot : קָרְחָה (qorchah), ‘kaalheid’: bij rouw schoor men het hoofd kaal. Zie ook: Joël 1:13; Joël 2:17; Amos 8:10; Mi 1:16; Jak 5:1 **22:13** Maar zie: blijdschap en vreugde! Men doodt runderen en slacht schapen. Men eet vlees en drinkt wijn. „Laten we eten en drinken, want morgen sterven we!” Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | שָׂשׂ֣וֹן (sason) = blijdschap | וְשִׂמְחָ֗ה (vesimcha) = en vreugde | הָרֹ֤ג (harog) = doden | בָּקָר֙ (baqar) = rund | וְשָׁחֹ֣ט (veshachot) = en slachten | צֹ֔אן (tson) = kleinvee | אָכֹ֥ל (akhol) = eten | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | וְשָׁת֣וֹת (veshatot) = en drinken | יָ֑יִן (yayin) = wijn | אָכ֣וֹל (akhol) = eten | וְשָׁת֔וֹ (veshato) = en drinken | כִּ֥י (ki) = want | מָחָ֖ר (machar) = morgen | נָמֽוּת (namut) = zullen we sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vreugde is een vreugde zonder berouw. Het woord ‘Zie’ (hinneh) zet haar tegenover de oproep tot rouw in vers 12. Paulus haalt de woorden ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we’ aan in 1 Kor. 15:32. Zie ook: Amos 6:3–7; Jes 22:12; Jes 56:12; Luc 17:26–29; Jak 5:5; 1 Kor 15:32 **22:14** Yahweh van de legermachten heeft Zich aan mijn oren geopenbaard: **„Deze schuld zal jullie zeker niet worden verzoend, totdat jullie sterven. Dat zegt Heer Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: וְנִגְלָ֥ה (venigla) = en is geopenbaard | בְאָזְנָ֖י (beazenay) = in mijn oren | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אִם (im) = zeker niet | יְ֠כֻפַּר (yekhupar) = zal worden verzoend | הֶעָוֺ֨ן (heavon) = de schuld | הַזֶּ֤ה (haze) = deze | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | עַד (ad) = tot | תְּמֻת֔וּן (temutun) = jullie sterven | אָמַ֛ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִגְלָה בְאָזְנָי (venigleh be’ozni), ‘Hij heeft Zich aan mijn oren geopenbaard’: Yahweh liet het Jesaja horen. Voetnoot : אִם־יְכֻפַּר (im yekhuppar), ‘zal zeker niet worden verzoend’: letterlijk ‘als dit verzoend wordt’, een vorm die in een eed voorkomt en dan ‘zeker niet’ betekent. Het werkwoord כִּפֶּר (kipper) is ‘verzoening doen’. Zie ook: 1 Sam 3:14; Jes 5:9; Jes 13:11; Jes 26:21; Ezech 24:13 ### Sjebna wordt afgezet **22:15** Zo zegt Heer Yahweh van de legermachten: **„Ga naar binnen bij deze beheerder, bij Sjebna, die over het huis is.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לֶךְ (lekh) = ga | בֹּא֙ (bo) = kom | אֶל (el) = naar | הַסֹּכֵ֣ן (hasokhen) = de beheerder | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | עַל (al) = naar | שֶׁבְנָ֖א (shevna) = Sjebna | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עַל (al) = over | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹכֵן (soken), ‘beheerder’: iemand die een koning of een huis dient en bestuurt. De vrouwelijke vorm staat in 1 Kon. 1:2. Voetnoot : שֶׁבְנָא (Shevna), ‘Sjebna’: in 2 Kon. 18:18, 18:37 en 19:2 is Sjebna de schrijver. Eljakim is dan degene die over het huis is. Sjebna is dus teruggezet, zoals dit hoofdstuk aankondigt. Voetnoot : אֲשֶׁר עַל־הַבָּיִת (asher al habbayit), ‘die over het huis is’: de hoogste hofbeambte, zoals in 2 Kon. 18:18. Zie ook: 1 Kon 1:2; 2 Kon 18:18; 2 Kon 18:37; 2 Kon 19:2; Jes 36:3; Jes 37:2 **22:16** **Wat heb je hier te zoeken? Wie heb je hier? Je hebt hier voor jezelf een graf uitgehouwen. Hij houwt zijn graf hoog uit. Hij hakt voor zichzelf een woning in de rots.** Brontekst: מַה (ma) = wat | לְּךָ֥ (lekha) = is voor jou | פֹה֙ (po) = hier | וּמִ֣י (umi) = en wie | לְךָ֣ (lekha) = is voor jou | פֹ֔ה (po) = hier | כִּֽי (ki) = dat | חָצַ֧בְתָּ (chatsavta) = je hebt uitgehouwen | לְּךָ֛ (lekha) = voor jezelf | פֹּ֖ה (po) = hier | קָ֑בֶר (qaver) = graf | חֹצְבִ֤י (chotsevi) = die uithouwt | מָרוֹם֙ (marom) = hoogte | קִבְר֔וֹ (qivro) = zijn graf | חֹקְקִ֥י (choqeqi) = die uitsnijdt | בַסֶּ֖לַע (basela) = in de rots | מִשְׁכָּ֥ן (mishkan) = woning | לֽוֹ (lo) = voor zichzelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַה־לְּךָ פֹה (mah lekha foh), ‘wat heb je hier’: dat is ‘wat heb je hier te zoeken?’. De vraag ‘wie heb je hier’ bedoelt: welke familie heb je hier, dat je hier een graf mag laten maken? Voetnoot : In vers 16 gaat het van ‘je’ over naar ‘hij’ (‘zijn graf’, ‘voor zichzelf’). Het Hebreeuws gebruikt hier twee deelwoorden: ‘de uithouwer van zijn graf’. Zie ook: Job 3:14; 2 Sam 18:18; 2 Kron 16:14; Jes 52:5; Mat 27:60 **22:17** **Zie, Yahweh zal je met een harde worp wegslingeren, man. Hij zal je stevig inwikkelen.** Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מְטַלְטֶלְךָ֔ (metaltelkha) = zal je wegslingeren | טַלְטֵלָ֖ה (taltela) = slingerend | גָּ֑בֶר (gaver) = man | וְעֹטְךָ֖ (veotekha) = en wikkelt je in | עָטֹֽה (ato) = inwikkelend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּבֶר (gaver), ‘man’: het woord kan ook ‘krachtig’ betekenen, en dan hoort het bij ‘wegslingeren’. Wij kiezen de aanspreking ‘man’. Voetnoot : וְעֹטְךָ עָטֹה (ve’otkha atoh), ‘Hij zal je stevig inwikkelen’: het werkwoord betekent ‘omhullen’. Het beeld is een kleed dat om iemand wordt gewikkeld voordat hij wordt weggegooid. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Job 9:24; Jer 14:3; Est 7:8 **22:18** **Hij zal je stevig oprollen en als een bal wegwerpen naar een ruim land. Daar zul je sterven. Daar staan de wagens van je eer, tot schande voor het huis van je heer.** Brontekst: צָנ֤וֹף (tsanof) = oprollend | יִצְנָפְךָ֙ (yitsnafekha) = Hij zal je oprollen | צְנֵפָ֔ה (tsenefa) = oprolling | כַּדּ֕וּר (kadur) = als een bal | אֶל (el) = naar | אֶ֖רֶץ (erets) = land | רַחֲבַ֣ת (rachavat) = ruim van | יָדָ֑יִם (yadayim) = handen | שָׁ֣מָּה (shama) = daar | תָמ֗וּת (tamut) = zul je sterven | וְשָׁ֨מָּה֙ (veshama) = en daar | מַרְכְּב֣וֹת (markevot) = wagens van | כְּבוֹדֶ֔ךָ (kevodekha) = je eer | קְל֖וֹן (qelon) = schande van | בֵּ֥ית (beit) = huis van | אֲדֹנֶֽיךָ (adoneikha) = je heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּדּוּר (kaddur), ‘bal’: het woord komt alleen hier voor. Het beeld is een bal die in een groot, open veld wordt gegooid. Voetnoot : רַחֲבַת יָדַיִם (rachavat yadayim), ‘ruim land’: letterlijk ‘wijd van handen’, dat is ‘groot en open aan alle kanten’. Voetnoot : כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: letterlijk ‘gewicht’. Zie ook 22:23 en 22:24. Zie ook: Amos 7:17; Jes 17:13 **22:19** **Ik zal je van je post verdrijven. Van je plaats zal Hij je neerhalen.** Brontekst: וַהֲדַפְתִּ֖יךָ (vahadaftikha) = en Ik zal je verdrijven | מִמַּצָּבֶ֑ךָ (mimatsavekha) = van je post | וּמִמַּעֲמָֽדְךָ֖ (umimaamadekha) = en van je plaats | יֶהֶרְסֶֽךָ (yehersekha) = zal Hij je neerhalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In dit vers staat eerst ‘Ik’ (‘Ik zal je verdrijven’) en dan ‘Hij’ (‘zal Hij je neerhalen’). Wij volgen de Masoretische tekst. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Job 40:11–12; Ps 75:7–8; Ezech 17:24; Luc 1:52 ### Eljakim wordt aangesteld **22:20** **Het zal gebeuren op die dag: Ik zal Mijn knecht roepen, Eljakim, de zoon van Hilkia.** Brontekst: וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וְקָרָ֣אתִי (veqarati) = en Ik zal roepen | לְעַבְדִּ֔י (leavdi) = Mijn knecht | לְאֶלְיָקִ֖ים (leelyaqim) = Eljakim | בֶּן (ben) = zoon van | חִלְקִיָּֽהוּ (chilqiyahu) = Hilkia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: Yahweh noemt Eljakim zo omdat hij Hem dient. Het is hetzelfde Hebreeuwse woord als bij ‘Mijn dienaar David’ in 37:35, dat de tekst van 2 Kon. 19:34 volgt. De naam אֶלְיָקִים (Elyaqim) betekent ‘El richt op’. Zie ook: 2 Kon 18:18; 2 Kon 18:37; 2 Kon 19:34; Jes 36:3; Jes 36:22; Jes 37:2 **22:21** **Ik zal hem jouw kleed aantrekken en hem sterk maken met jouw gordel. Jouw gezag zal Ik in zijn hand geven. Hij zal een vader zijn voor de bewoners van Jeruzalem en voor het huis van Juda.** Brontekst: וְהִלְבַּשְׁתִּ֣יו (vehilbashtiv) = en Ik zal hem kleden | כֻּתָּנְתֶּ֗ךָ (kutantekha) = in je kleed | וְאַבְנֵֽטְךָ֙ (veavnetekha) = en je gordel | אֲחַזְּקֶ֔נּוּ (achazeqenu) = Ik zal hem sterk maken | וּמֶֽמְשֶׁלְתְּךָ֖ (umemsheltekha) = en je gezag | אֶתֵּ֣ן (eten) = Ik zal geven | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en hij zal zijn | לְאָ֛ב (leav) = tot vader | לְיוֹשֵׁ֥ב (leyoshev) = voor de bewoner van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וּלְבֵ֥ית (uleveit) = en voor het huis van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כֻּתֹּנֶת (kuttonet), ‘kleed’: het lange onderkleed. אַבְנֵט (avnet), ‘gordel’: de band om het kleed, een teken van het ambt. Voetnoot : לְאָב (le’av), ‘tot vader’: een titel van een hoge ambtenaar die voor het volk zorgt. Zie ook Gen. 45:8, waar Jozef ‘vader van de farao’ heet. Zie ook: Gen 41:42–43; Gen 45:8; 1 Sam 18:4; Est 8:2; Est 8:15 **22:22** **Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen. Als hij opent, sluit niemand. Als hij sluit, opent niemand.** Brontekst: וְנָתַתִּ֛י (venatati) = en Ik zal geven | מַפְתֵּ֥חַ (mafteach) = sleutel van | בֵּית (beit) = huis van | דָּוִ֖ד (david) = David | עַל (al) = op | שִׁכְמ֑וֹ (shikhmo) = zijn schouder | וּפָתַח֙ (ufatach) = en hij zal openen | וְאֵ֣ין (veein) = en niemand | סֹגֵ֔ר (soger) = sluit | וְסָגַ֖ר (vesagar) = en hij zal sluiten | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | פֹּתֵֽחַ (poteach) = opent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַפְתֵּחַ בֵּית דָּוִד (maftei’ach beit David), ‘de sleutel van het huis van David’: het gezag om het paleis te openen en te sluiten, dat is het beheer over het koninklijk huis. Zie ook Openb. 3:7. Zie ook: Job 12:14; Mat 16:18–19; Mat 18:18–19; Openb 1:18; Openb 3:7 **22:23** **Ik zal hem als een pin vastslaan op een betrouwbare plaats. Hij zal een troon van eer zijn voor het huis van zijn vader.** Brontekst: וּתְקַעְתִּ֥יו (uteqativ) = en Ik zal hem inslaan | יָתֵ֖ד (yated) = pin | בְּמָק֣וֹם (bemaqom) = op een plaats | נֶאֱמָ֑ן (neeman) = betrouwbare | וְהָיָ֛ה (vehaya) = en hij zal zijn | לְכִסֵּ֥א (lekhise) = tot een troon van | כָב֖וֹד (kavod) = eer | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָתֵד (yated), ‘pin’: een stevige pin of haak in de muur, of een tentpin. Er kunnen dingen aan worden gehangen, zoals in vers 24. Voetnoot : נֶאֱמָן (ne’eman), ‘betrouwbaar’: een plaats die vastheid heeft. Zie ook: Job 36:7; 1 Sam 2:8; Pred 12:11; Jes 22:24; Ezra 9:8; Zach 10:4 **22:24** **Heel de eer van het huis van zijn vader zal men aan hem hangen: de nakomelingen en de uitlopers. Alle kleine vaten hangen eraan, van de schalen tot alle kruiken.** Brontekst: וְתָל֨וּ (vetalu) = en zij zullen hangen | עָלָ֜יו (alav) = aan hem | כֹּ֣ל (kol) = heel | כְּב֣וֹד (kevod) = de eer van | בֵּית (beit) = huis van | אָבִ֗יו (aviv) = zijn vader | הַצֶּֽאֱצָאִים֙ (hatseetsaim) = de nakomelingen | וְהַצְּפִע֔וֹת (vehatsefiot) = en de uitlopers | כֹּ֖ל (kol) = alle | כְּלֵ֣י (kelei) = vaten van | הַקָּטָ֑ן (haqatan) = het kleine | מִכְּלֵי֙ (mikelei) = van de vaten van | הָֽאַגָּנ֔וֹת (haaganot) = de schalen | וְעַ֖ד (vead) = en tot | כָּל (kal) = alle | כְּלֵ֥י (kelei) = vaten van | הַנְּבָלִֽים (hanevalim) = de kruiken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַצֶּאֱצָאִים וְהַצְּפִעוֹת (hatse’etsa’im vehatsefi’ot), ‘de nakomelingen en de uitlopers’: het tweede woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker; het gaat om kleinere familieleden of afhankelijken. Voetnoot : הַנְּבָלִים (hannevalim), ‘de kruiken’: het woord kan ook ‘harpen’ betekenen. Hier past ‘kruiken’ bij de reeks vaten. Zie ook: Dan 6:2–4; Mat 28:18; Joh 5:22–27; Joh 20:21–23; 2 Tim 2:20–21 **22:25** **Op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten, zal de pin die op een betrouwbare plaats is vastgeslagen, losraken. Hij zal worden afgehouwen en vallen. De last die erop hangt, zal worden weggesneden.”** Want Yahweh heeft gesproken. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | תָּמוּשׁ֙ (tamush) = zal loskomen | הַיָּתֵ֔ד (hayated) = de pin | הַתְּקוּעָ֖ה (hatequa) = die vastgeslagen is | בְּמָק֣וֹם (bemaqom) = op een plaats | נֶאֱמָ֑ן (neeman) = betrouwbare | וְנִגְדְּעָ֣ה (venigdea) = en zal worden afgehouwen | וְנָפְלָ֗ה (venafela) = en zal vallen | וְנִכְרַת֙ (venikhrat) = en zal worden weggesneden | הַמַּשָּׂ֣א (hamasa) = de last | אֲשֶׁר (asher) = die | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = erop | כִּ֥י (ki) = want | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֵּֽר (diber) = heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה צְבָאוֹת (neum Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’: zie Jes. 1:24. Hier staat de formule midden in Zijn woorden en is daarom rood. Voetnoot : הַמַּשָּׂא (hammassa), ‘de last’: hetzelfde woord als ‘last’ in vers 1, maar hier gaat het om wat aan de pin hangt. Voetnoot : In vers 23 is de pin Eljakim, in vers 25 valt hij. Het Hebreeuws zegt niet uitdrukkelijk wie of wat er valt. Voetnoot : ‘Want Yahweh heeft gesproken’ is een woord van de profeet; het staat niet in het rood. Zie ook: Ps 146:3; Jes 1:24; Jes 22:1; Jes 22:23; Jes 46:11; Jer 17:5–6; Est 9:24–25 ## Jesaja 23 _Last over Tyrus_ ### Last over Tyrus **23:1** Last over Tyrus. Jammer, schepen van Tarsis, want Tyrus is verwoest: geen huis meer, geen toegang meer. Uit het land Kittim is het hun bekendgemaakt. Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = last | צֹ֑ר (tsor) = Tyrus | הֵילִ֣ילוּ (heililu) = jammer | אֳנִיּ֣וֹת (oniyot) = schepen van | תַּרְשִׁ֗ישׁ (tarshish) = Tarsis | כִּֽי (ki) = want | שֻׁדַּ֤ד (shudad) = is verwoest | מִבַּ֨יִת֙ (mibayit) = zonder huis | מִבּ֔וֹא (mibo) = zonder toegang | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | כִּתִּ֖ים (kitim) = Kittim | נִגְלָה (nigla) = is bekendgemaakt | לָֽמוֹ (lamo) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Zie Kittim: Kittim is waarschijnlijk Cyprus, of de kusten van de Middellandse Zee in het algemeen. Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: zie 13:1. Voetnoot : צֹר (Tsor), ‘Tyrus’: de Fenicische havenstad aan de kust van het huidige Libanon. Voetnoot : אֳנִיּוֹת תַּרְשִׁישׁ (oniyot Tarshish), ‘schepen van Tarsis’: grote zeeschepen die ver weg voeren. De ligging van Tarsis is onzeker. Voetnoot : כִּתִּים (Kittim): waarschijnlijk Cyprus, het eerste land waar de schepen langs kwamen. Zie ook Num. 24:24. Voetnoot : מִבַּיִת מִבּוֹא (mibbayit mibbo), ‘geen huis meer, geen toegang meer’: letterlijk ‘zonder huis, zonder binnengaan’. Het kan ook ‘zonder huis om binnen te gaan’ betekenen, of ‘zonder haven’. Zie ook: Gen 10:4; Num 24:24; Joël 4:4–8; Amos 1:9–10; Jer 25:22; Jer 47:4 **23:2** Wees stil, bewoners van het kustland. De handelaren van Sidon, die de zee oversteken, hebben je gevuld. Brontekst: דֹּ֖מּוּ (domu) = wees stil | יֹ֣שְׁבֵי (yoshevei) = bewoners van | אִ֑י (i) = kustland | סֹחֵ֥ר (socher) = handelaar van | צִיד֛וֹן (tsidon) = Sidon | עֹבֵ֥ר (over) = die oversteekt | יָ֖ם (yam) = zee | מִלְאֽוּךְ (milukh) = hebben je gevuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: אִי (i), ‘kustland’: het woord kan ook ‘eiland’ betekenen. Het gaat om de kust en de eilanden van de Fenicische handelaren, zoals in Gen. 10:5 (‘kustlanden’). Voetnoot : מִלְאוּךְ (mil’uukh), ‘hebben je gevuld’: de handelaren van Sidon hebben de kustbewoners rijk gemaakt met hun waren. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : צִידוֹן (Tsidon), ‘Sidon’: de oude stad ten noorden van Tyrus. Zie ook: Gen 10:5; Ps 46:11; Jes 47:5; Hab 2:20; Ezech 27:8–36; Ezech 28:2 **23:3** Over grote wateren kwam het zaad van de Sihor, de oogst van de Nijl, als haar opbrengst. Zo werd zij de handel van de volken. Brontekst: וּבְמַ֤יִם (uvemayim) = en over wateren | רַבִּים֙ (rabim) = grote | זֶ֣רַע (zera) = zaad van | שִׁחֹ֔ר (shichor) = de Sihor | קְצִ֥יר (qetsir) = oogst van | יְא֖וֹר (yeor) = de Nijl | תְּבֽוּאָתָ֑הּ (tevuatah) = haar opbrengst | וַתְּהִ֖י (vatehi) = en zij werd | סְחַ֥ר (sechar) = handel van | גּוֹיִֽם (goyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sihor (Nijl; ligging onzeker): Sihor is een naam van de Nijl of van een arm van de Nijl in Egypte (Jozua 13:3). De precieze betekenis is niet zeker. Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: שִׁחֹר (Shichor), ‘Sihor’: een naam voor de Nijl of een arm van de Nijl; zie ook Joz. 13:3. יְאֹר (ye’or) is de gewone naam voor de Nijl. Voetnoot : סַחַר (sachar), ‘handel’: het woord staat ook in vers 8 (‘haar handelaars’) en in vers 18. Zie ook: Joz 13:3; 1 Kron 13:5; Jes 19:7; Jes 23:8; Jes 23:18; Jer 2:18; Ezech 28:4; Openb 18:11–13 **23:4** Schaam je, Sidon, want de zee heeft gesproken, de vesting van de zee: „Ik heb geen weeën gehad en niet gebaard. Ik heb geen jongemannen grootgebracht en geen maagden opgevoed.” Brontekst: בּ֣וֹשִׁי (boshi) = schaam je | צִיד֔וֹן (tsidon) = Sidon | כִּֽי (ki) = want | אָמַ֣ר (amar) = heeft gesproken | יָ֔ם (yam) = zee | מָע֥וֹז (maoz) = vesting van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | לֹֽא (lo) = niet | חַ֣לְתִּי (chalti) = ik had weeën | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָלַ֗דְתִּי (yaladti) = ik baarde | וְלֹ֥א (velo) = en niet | גִדַּ֛לְתִּי (gidalti) = ik bracht groot | בַּחוּרִ֖ים (bachurim) = jongemannen | רוֹמַ֥מְתִּי (romamti) = ik voedde op | בְתוּלֽוֹת (betulot) = maagden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: Wie hier spreekt, is niet helemaal duidelijk. Het is ‘de zee, de vesting van de zee’: dat wijst op Tyrus, de stad op het eiland. Zij zegt dat zij nooit kinderen heeft gebaard: haar mensen zijn er niet meer. Voetnoot : חַלְתִּי (chalti), ‘ik had weeën’: het werkwoord keert terug in vers 5 (‘zij kronkelen van weeën’). Zie ook: Gen 10:15; Hos 9:11–14; Jes 23:5; Jer 47:3–4; Ezech 26:3–6; Openb 18:23 **23:5** Zodra het bericht Egypte bereikt, zullen zij kronkelen van weeën bij het bericht over Tyrus. Brontekst: כַּֽאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | שֵׁ֖מַע (shema) = bericht | לְמִצְרָ֑יִם (lemitsrayim) = naar Egypte | יָחִ֖ילוּ (yachilu) = zullen kronkelen | כְּשֵׁ֥מַע (keshema) = bij het bericht over | צֹֽר (tsor) = Tyrus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: יָחִילוּ (yachilu), ‘zij kronkelen van weeën’: hetzelfde werkwoord als in vers 4. Het is niet zeker of het bericht over Egypte gaat of dat Egypte het bericht over Tyrus hoort. Het Hebreeuws is kort. Zie ook: Ex 15:14–16; Joz 2:9–11; Jes 23:4; Ezech 26:15–21; Ezech 27:29–36; Ezech 28:19 **23:6** Steek over naar Tarsis. Jammer, bewoners van het kustland. Brontekst: עִבְר֖וּ (ivru) = steek over | תַּרְשִׁ֑ישָׁה (tarshisha) = naar Tarsis | הֵילִ֖ילוּ (heililu) = jammer | יֹ֥שְׁבֵי (yoshevei) = bewoners van | אִֽי (i) = kustland Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Zie ook: Jes 16:7; Jes 21:15; Jes 23:1–2; Jes 23:10; Jes 23:12 **23:7** Is dit jullie jubelstad, haar oorsprong uit de dagen van vroeger? Haar voeten dragen haar ver weg, om daar als vreemdeling te wonen. Brontekst: הֲזֹ֥את (hazot) = is dit | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | עַלִּיזָ֑ה (aliza) = jubelstad | מִֽימֵי (mimei) = van de dagen van | קֶ֤דֶם (qedem) = vroeger | קַדְמָתָהּ֙ (qadmatah) = haar oorsprong | יֹבִל֣וּהָ (yoviluha) = dragen haar | רַגְלֶ֔יהָ (ragleiha) = haar voeten | מֵֽרָח֖וֹק (merachoq) = van veraf | לָגֽוּר (lagur) = om te verblijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַלִּיזָה (alizah), ‘jubelstad’: een stad die uitgelaten is. Hetzelfde woord staat in 22:2. Zie ook: Joz 19:29; Pred 10:7; Jes 22:2; Jes 32:13; Jes 47:1–2 ### Yahweh heeft het besloten **23:8** Wie heeft dit over Tyrus besloten, de stad die kronen uitdeelt? Haar handelaars zijn vorsten. Haar kooplieden zijn de aanzienlijken van de aarde. Brontekst: מִ֚י (mi) = wie | יָעַ֣ץ (yaats) = heeft besloten | זֹ֔את (zot) = dit | עַל (al) = over | צֹ֖ר (tsor) = Tyrus | הַמַּֽעֲטִירָ֑ה (hamaatira) = die kronen uitdeelt | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wier | סֹחֲרֶ֨יה֙ (socharei) = haar handelaars | שָׂרִ֔ים (sarim) = vorsten | כִּנְעָנֶ֖יהָ (kinaneiha) = haar kooplieden | נִכְבַּדֵּי (nikhbadei) = aanzienlijken van | אָֽרֶץ (arets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: הַמַּעֲטִירָה (hamma’atirah), ‘die kronen uitdeelt’: Tyrus gaf macht aan koningen en vorsten door handel. Voetnoot : כִּנְעָנֶיהָ (kin’aneyha), ‘haar kooplieden’: letterlijk ‘haar Kanaänieten’. In het Hebreeuws kan ‘Kanaänieten’ ook ‘kooplieden’ betekenen. Zie ook: Deut 29:23–27; Jes 10:8; Jer 50:44–45; Ezech 28:2–6; Ezech 28:12–18 **23:9** Yahweh van de legermachten heeft het besloten, om de trots van alle pracht te ontwijden en alle aanzienlijken van de aarde te vernederen. Brontekst: יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | יְעָצָ֑הּ (yeatsah) = heeft besloten | לְחַלֵּל֙ (lechalel) = om te ontwijden | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | כָּל (kal) = alle | צְבִ֔י (tsevi) = pracht | לְהָקֵ֖ל (lehaqel) = om te vernederen | כָּל (kal) = alle | נִכְבַּדֵּי (nikhbadei) = aanzienlijken van | אָֽרֶץ (arets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּאוֹן (ge’on), ‘trots’: ook ‘hoogheid’. In 24:14 staat hetzelfde woord voor de hoogheid van Yahweh. Zie ook: Job 40:11–12; Jes 2:11; Jes 13:11; Dan 4:34; Jak 4:6 **23:10** Trek over je land als de Nijl, Dochter van Tarsis. Er is geen gordel meer. Brontekst: עִבְרִ֥י (ivri) = trek over | אַרְצֵ֖ךְ (artsekh) = je land | כַּיְאֹ֑ר (kayor) = als de Nijl | בַּת (bat) = dochter van | תַּרְשִׁ֕ישׁ (tarshish) = Tarsis | אֵ֖ין (ein) = niet is | מֵ֥זַח (mezach) = gordel | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Voetnoot Uitleg: מֵזַח (mezach), ‘gordel’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker. Het kan een band zijn die het land bijeenhield, of een rand die het water tegenhield. Het beeld is dat Tarsis overstroomt zonder dat iets het tegenhoudt. Voetnoot : בַּת־תַּרְשִׁישׁ (bat Tarshish), ‘Dochter van Tarsis’: Tarsis als een dochter, een personificatie. Zie ook: Job 12:21; 1 Sam 28:20; Ps 18:33; Jes 23:14; Klaagl 1:6 **23:11** Hij strekte Zijn hand uit over de zee en deed koninkrijken beven. Yahweh heeft bevel gegeven over Kanaän: haar vestingen moeten worden vernietigd. Brontekst: יָדוֹ֙ (yado) = Zijn hand | נָטָ֣ה (nata) = Hij strekte uit | עַל (al) = over | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | הִרְגִּ֖יז (hirgiz) = Hij deed beven | מַמְלָכ֑וֹת (mamlakhot) = koninkrijken | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | צִוָּ֣ה (tsiva) = heeft bevolen | אֶל (el) = over | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | לַשְׁמִ֖ד (lashmid) = om te vernietigen | מָעֻזְנֶֽיהָ (mauzneiha) = haar vestingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: כְּנַעַן (Kena’an), ‘Kanaän’: hier de kuststreek van Fenicië, met Tyrus en Sidon. Zie ook: Ex 14:21; Hos 12:8–9; Jes 23:3; Ezech 31:16; Zach 9:3–4 **23:12** Hij zei: **„Je zult niet meer juichen, onderdrukte maagd, Dochter van Sidon. Sta op, steek over naar Kittim. Ook daar zul je geen rust vinden.”** Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לֹֽא (lo) = niet | תוֹסִ֥יפִי (tosifi) = je zult doorgaan | ע֖וֹד (od) = nog | לַעְל֑וֹז (laloz) = om te juichen | הַֽמְעֻשָּׁקָ֞ה (hamushaqa) = de onderdrukte | בְּתוּלַ֣ת (betulat) = maagd van | בַּת (bat) = dochter van | צִיד֗וֹן (tsidon) = Sidon | כִּתִּים֙ (kitim) = naar Kittim | ק֣וּמִי (qumi) = sta op | עֲבֹ֔רִי (avori) = steek over | גַּם (gam) = ook | שָׁ֖ם (sham) = daar | לֹא (lo) = niet | יָנ֥וּחַֽ (yanuach) = zal rust zijn | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Kittim: Kittim is waarschijnlijk Cyprus, of de kusten van de Middellandse Zee in het algemeen. Voetnoot Uitleg: בְּתוּלַת בַּת־צִידוֹן (betulat bat Tsidon), ‘maagd, Dochter van Sidon’: de stad Sidon als jonge vrouw. Voetnoot Lezing: Bij ‘Kittim’ heeft het geschreven woord (ketiv) כתיים, het qere כִּתִּים. Wij volgen het qere. Zie ook: Jes 23:1–2; Jes 47:1; Klaagl 4:15; Ezech 26:13–14; Openb 18:22 ### Het land van de Chaldeeën **23:13** Zie het land van de Chaldeeën. Dit volk bestond niet. Assyrië heeft het gesticht voor de woestijnbewoners. Zij richtten hun belegeringstorens op en legden haar paleizen bloot. Hij maakte haar tot een ruïne. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | כַּשְׂדִּ֗ים (kasdim) = Chaldeeën | זֶ֤ה (ze) = dit | הָעָם֙ (haam) = het volk | לֹ֣א (lo) = niet | הָיָ֔ה (haya) = was | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | יְסָדָ֣הּ (yesadah) = heeft het gesticht | לְצִיִּ֑ים (letsiyim) = voor woestijnbewoners | הֵקִ֣ימוּ (heqimu) = zij richtten op | בַחוּנָ֗יו (bachunav) = zijn belegeringstorens | עֹרְרוּ֙ (oreru) = zij legden bloot | אַרְמְנוֹתֶ֔יהָ (armenoteiha) = haar paleizen | שָׂמָ֖הּ (samah) = Hij maakte | לְמַפֵּלָֽה (lemapela) = tot een ruïne Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Wij vertalen letterlijk. Het zegt dat de Chaldeeën een jong volk zijn, door Assyrië gesticht voor woestijnbewoners. Wie met ‘Hij’ in de laatste zin bedoeld is, zegt het Hebreeuws niet; het kan Yahweh zijn of de belegeraar. Voetnoot : צִיִּים (tsiyyim), ‘woestijnbewoners’: mensen of dieren uit de woestijn. Sommigen denken aan ‘schepen’; de betekenis is niet zeker. Voetnoot : בַחוּנָיו (vachunav), ‘belegeringstorens’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) heeft בחיניו, het qere בַחוּנָיו. Wij volgen het qere. Het Hebreeuws heeft hier ‘zijn’ belegeringstorens; wij vertalen ‘hun’. Zie ook: Ps 72:9; Jes 13:19; Hab 1:6; Ezech 29:18; Hand 7:4 **23:14** Jammer, schepen van Tarsis, want jullie vesting is verwoest. Brontekst: הֵילִ֖ילוּ (heililu) = jammer | אֳנִיּ֣וֹת (oniyot) = schepen van | תַּרְשִׁ֑ישׁ (tarshish) = Tarsis | כִּ֥י (ki) = want | שֻׁדַּ֖ד (shudad) = is verwoest | מָעֻזְּכֶֽן (mauzekhen) = jullie vesting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Zie ook: Jes 2:16; Jes 23:1; Jes 23:6; Ezech 27:25–30; Openb 18:11–19 ### Zeventig jaar vergeten **23:15** Het zal gebeuren op die dag: Tyrus wordt 70 jaar vergeten, zoals de dagen van één koning. Na 70 jaar zal het met Tyrus gaan zoals in het lied van de hoer. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | וְנִשְׁכַּ֤חַת (venishkachat) = en zal worden vergeten | צֹר֙ (tsor) = Tyrus | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = 70 | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | כִּימֵ֖י (kimei) = als de dagen van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning | אֶחָ֑ד (echad) = één | מִקֵּ֞ץ (miqets) = na afloop van | שִׁבְעִ֤ים (shivim) = 70 | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לְצֹ֔ר (letsor) = voor Tyrus | כְּשִׁירַ֖ת (keshirat) = als het lied van | הַזּוֹנָֽה (hazona) = de hoer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: ‘Zeventig jaar’: de lengte van de vergetelheid. Dat het hier ‘de dagen van één koning’ zijn, is onzeker; het kan een mensenleven zijn of de regeertijd van een koning. Voetnoot : שִׁירַת הַזּוֹנָה (shirat hazzonah), ‘het lied van de hoer’: het lied van een vergeten hoer in de verzen 15 en 16. Het beeld van de hoer is hier handel, zoals in vers 17. Zie ook: Hos 2:17; Jes 23:17; Jer 25:22; Jer 29:10; Ezech 27:25; Dan 8:21 **23:16** Neem een harp, ga rond door de stad, vergeten hoer. Speel mooi, zing veel liederen, zodat men aan je denkt. Brontekst: קְחִ֥י (qechi) = neem | כִנּ֛וֹר (kinor) = harp | סֹ֥בִּי (sobi) = ga rond | עִ֖יר (ir) = stad | זוֹנָ֣ה (zona) = hoer | נִשְׁכָּחָ֑ה (nishkacha) = vergeten | הֵיטִ֤יבִי (heitivi) = doe goed | נַגֵּן֙ (nagen) = speel | הַרְבִּי (harbi) = maak veel | שִׁ֔יר (shir) = lied | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | תִּזָּכֵֽרִי (tizakheri) = je gedacht wordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit lied zingt een hoer die vergeten is. Zij wil dat men weer aan haar denkt. Zie ook: Spr 7:10–12; Jer 30:14 **23:17** Het zal gebeuren na 70 jaar: Yahweh zal Tyrus bezoeken. Zij zal terugkeren naar haar hoerenloon. Zij zal hoereren met alle koninkrijken van de aarde, over het hele oppervlak van de grond. Brontekst: וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het zal zijn | מִקֵּ֣ץ (miqets) = na afloop van | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = 70 | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | יִפְקֹ֤ד (yifqod) = zal bezoeken | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | צֹ֔ר (tsor) = Tyrus | וְשָׁבָ֖ה (veshava) = en zij zal terugkeren | לְאֶתְנַנָּ֑ה (leetnana) = naar haar hoerenloon | וְזָֽנְתָ֛ה (vezaneta) = en zal hoereren | אֶת (et) = met | כָּל (kal) = alle | מַמְלְכ֥וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: פָּקַד (paqad), ‘bezoeken’: Yahweh grijpt in. Dat kan ten goede of ten kwade zijn. Hier is het eerst de terugkeer van Tyrus naar haar handel. Voetnoot : אֶתְנַן (etnan), ‘hoerenloon’: het loon van een hoer. Het woord is hier een beeld voor de winst van de handel. Zie ook: Nah 3:4; Ezech 27:6–36; Hand 15:14; Openb 17:1–5; Openb 19:2 **23:18** Haar handel en haar hoerenloon zullen heilig zijn voor Yahweh. Het wordt niet opgeslagen en niet opgespaard. Want haar handel zal zijn voor wie voor het aangezicht van Yahweh wonen: om te eten tot verzadiging en voor duurzame kleding. Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | סַחְרָ֜הּ (sachrah) = haar handel | וְאֶתְנַנָּ֗הּ (veetnanah) = en haar hoerenloon | קֹ֚דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | יֵֽאָצֵ֖ר (yeatser) = wordt opgeslagen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יֵֽחָסֵ֑ן (yechasen) = wordt opgespaard | כִּ֣י (ki) = want | לַיֹּשְׁבִ֞ים (layoshevim) = voor wie wonen | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | סַחְרָ֔הּ (sachrah) = haar handel | לֶאֱכֹ֥ל (leekhol) = om te eten | לְשָׂבְעָ֖ה (lesavea) = tot verzadiging | וְלִמְכַסֶּ֥ה (velimkhase) = en voor kleding van | עָתִֽיק (atiq) = duurzaam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ לַיהוָה (qodesh laYahweh), ‘heilig voor Yahweh’: hetzelfde als op de plaat van de hogepriester (Exod. 28:36). De winst van Tyrus gaat naar wie bij Yahweh wonen. Voetnoot : עָתִיק (atiq), ‘duurzaam’: ook ‘oud’ of ‘fraai’. De betekenis is niet zeker. Zie ook: Ex 28:36; Deut 26:12–14; Ps 72:10; Gal 6:6; Fil 4:17–18 ## Jesaja 24 _Yahweh maakt de aarde leeg_ ### Yahweh maakt de aarde leeg **24:1** Zie, Yahweh maakt de aarde leeg en legt haar woest. Hij verwringt haar gezicht en verspreidt haar bewoners. Brontekst: הִנֵּ֧ה (hine) = zie | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בּוֹקֵ֥ק (boqeq) = maakt leeg | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וּבֽוֹלְקָ֑הּ (uvoleqah) = en legt haar woest | וְעִוָּ֣ה (veiva) = en Hij verwringt | פָנֶ֔יהָ (paneiha) = haar gezicht | וְהֵפִ֖יץ (vehefits) = en verspreidt | יֹשְׁבֶֽיהָ (yosheveiha) = haar bewoners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jesaja 24 tot en met 27 vormen een eigen geheel: een oordeel over de hele aarde, met daarna lofzangen en belofte. In dit hoofdstuk vertalen wij אֶרֶץ (erets) met ‘aarde’; het kan ook ‘land’ betekenen. Voetnoot : בּוֹקֵק (boqeq) en בּוֹלְקָהּ (bolqah): twee klankverwante werkwoorden, ‘leegmaken’ en ‘woest maken’. Voetnoot : פָּנֶיהָ (paneyha), ‘haar gezicht’: het oppervlak van de aarde. Zie ook: Jes 2:19; Jes 6:11–12; Jes 24:20; Jes 42:15; Nah 2:11 **24:2** Het zal gaan met het volk zoals met de priester; met de dienaar zoals met zijn heer; met de slavin zoals met haar meesteres; met de koper zoals met de verkoper; met de uitlener zoals met de lener; met de schuldeiser zoals met wie hem schuldig is. Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | כָעָם֙ (kaam) = als het volk | כַּכֹּהֵ֔ן (kakohen) = als de priester | כַּעֶ֨בֶד֙ (kaeved) = als de dienaar | כַּֽאדֹנָ֔יו (kadonav) = als zijn heer | כַּשִּׁפְחָ֖ה (kashifcha) = als de slavin | כַּגְּבִרְתָּ֑הּ (kagevirtah) = als haar meesteres | כַּקּוֹנֶה֙ (kaqone) = als de koper | כַּמּוֹכֵ֔ר (kamokher) = als de verkoper | כַּמַּלְוֶה֙ (kamalve) = als de uitlener | כַּלֹּוֶ֔ה (kalove) = als de lener | כַּנֹּשֶׁ֕ה (kanoshe) = als de schuldeiser | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | נֹשֶׁ֥א (noshe) = hij is schuldeiser | בֽוֹ (bo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het oordeel treft iedereen op dezelfde manier, hoog en laag, in alle rangen. Elk paar bestaat uit twee kanten van dezelfde verhouding. Zie ook: Gen 41:50; Hos 4:9; Jer 42:18; Klaagl 5:12–14; Ezech 7:12–13 **24:3** De aarde wordt helemaal leeggemaakt en helemaal geplunderd, want Yahweh heeft dit woord gesproken. Brontekst: הִבּ֧וֹק (hiboq) = helemaal leeggemaakt | תִּבּ֛וֹק (tiboq) = wordt leeggemaakt | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וְהִבּ֣וֹז (vehiboz) = en helemaal geplunderd | תִּבּ֑וֹז (tiboz) = wordt geplunderd | כִּ֣י (ki) = want | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֶּ֖ר (diber) = heeft gesproken | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = het woord | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִבּוֹק תִּבּוֹק (hibboq tibboq), ‘helemaal leeggemaakt’: letterlijk ‘leeggemaakt zal worden’. Het herhaalde werkwoord maakt de zin sterk, zoals bij ‘sterven zul je sterven’. Zie ook: Lev 26:30–35; 2 Kron 36:21; Jes 6:11; Jes 22:25; Jes 24:1 **24:4** De aarde treurt en verwelkt. De wereld kwijnt en verwelkt. De hoogsten van het volk van de aarde kwijnen weg. Brontekst: אָבְלָ֤ה (avela) = treurt | נָֽבְלָה֙ (navela) = verwelkt | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | אֻמְלְלָ֥ה (umlela) = kwijnt | נָבְלָ֖ה (navela) = verwelkt | תֵּבֵ֑ל (tevel) = de wereld | אֻמְלָ֖לוּ (umlalu) = kwijnen | מְר֥וֹם (merom) = de hoogsten van | עַם (am) = volk van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּבֵל (tevel), ‘wereld’: de bewoonde wereld. Voetnoot : מְרוֹם עַם־הָאָרֶץ (merom am-ha’arets), ‘de hoogsten van het volk van de aarde’: de leiders. Anders: ‘de hoogte van het volk’. Zie ook: Hos 4:3; Jes 2:11–12; Jes 3:26; Jes 33:9; Jes 64:5 **24:5** De aarde is bezoedeld onder haar bewoners, want zij hebben de wetten overtreden, het voorschrift veranderd en het eeuwige verbond verbroken. Brontekst: וְהָאָ֥רֶץ (vehaarets) = en de aarde | חָנְפָ֖ה (chanefa) = is bezoedeld | תַּ֣חַת (tachat) = onder | יֹשְׁבֶ֑יהָ (yosheveiha) = haar bewoners | כִּֽי (ki) = want | עָבְר֤וּ (averu) = zij overtraden | תוֹרֹת֙ (torot) = wetten | חָ֣לְפוּ (chalefu) = zij veranderden | חֹ֔ק (choq) = voorschrift | הֵפֵ֖רוּ (heferu) = zij verbraken | בְּרִ֥ית (berit) = verbond | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרֹת (torot), ‘wetten’: meervoud van תּוֹרָה (torah), ‘onderwijzing’ of ‘wet’. Voetnoot : בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘eeuwig verbond’: zie Gen. 17:7. Welk verbond bedoeld is, zegt het Hebreeuws niet. Zie ook: Gen 17:7; 2 Kon 22:13–17; Dan 7:25; Rom 8:20–21; Heb 9:1; Heb 13:20 **24:6** Daarom heeft een vloek de aarde verteerd, en de bewoners ervan boeten. Daarom zijn de bewoners van de aarde verschroeid, en weinig mensen blijven over. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = (zo) | אָלָה֙ (ala) = vloek | אָ֣כְלָה (akhela) = heeft verteerd | אֶ֔רֶץ (erets) = aarde | וַֽיֶּאְשְׁמ֖וּ (vayeshemu) = en zij boeten | יֹ֣שְׁבֵי (yoshevei) = bewoners van | בָ֑הּ (bah) = daarin | עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = (zo) | חָרוּ֙ (charu) = zijn verschroeid | יֹ֣שְׁבֵי (yoshevei) = bewoners van | אֶ֔רֶץ (erets) = aarde | וְנִשְׁאַ֥ר (venishar) = en blijft over | אֱנ֖וֹשׁ (enosh) = mens | מִזְעָֽר (mizar) = weinig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלָה (alah), ‘vloek’: het woord kan ook ‘eed’ betekenen, een eed met een vloek voor wie hem breekt. Voetnoot : חָרוּ (charu), ‘zijn verschroeid’: het werkwoord betekent ‘gloeien’ of ‘branden’. Het beeld is een land dat uitgedroogd is door vuur of hitte. Zie ook: Lev 26:22; Zach 5:3–4; Mal 3:19; Mat 7:14; Rom 9:27 ### Het feest is voorbij **24:7** De most treurt, de wijnstok kwijnt. Alle vrolijke harten zuchten. Brontekst: אָבַ֥ל (aval) = treurt | תִּיר֖וֹשׁ (tirosh) = most | אֻמְלְלָה (umlela) = kwijnt | גָ֑פֶן (gafen) = wijnstok | נֶאֶנְח֖וּ (neenchu) = zuchten | כָּל (kal) = alle | שִׂמְחֵי (simchei) = vrolijken van | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joël 1:10–12; Hos 9:1–2; Jes 16:8; Jes 16:10; Jes 32:9–13 **24:8** De blijdschap van de tamboerijnen is opgehouden. Het geraas van de feestvierders is gestopt. De blijdschap van de harp is opgehouden. Brontekst: שָׁבַת֙ (shavat) = is opgehouden | מְשׂ֣וֹשׂ (mesos) = blijdschap van | תֻּפִּ֔ים (tupim) = tamboerijnen | חָדַ֖ל (chadal) = is gestopt | שְׁא֣וֹן (sheon) = geraas van | עַלִּיזִ֑ים (alizim) = feestvierders | שָׁבַ֖ת (shavat) = is opgehouden | מְשׂ֥וֹשׂ (mesos) = blijdschap van | כִּנּֽוֹר (kinor) = harp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁבַת (shavat), ‘is opgehouden’: hetzelfde werkwoord als in ‘sabbat’. Het feest hoort niet meer bij de stad. Zie ook: Hos 2:13; Jer 7:34; Jer 25:10; Ezech 26:13; Openb 18:22 **24:9** Met zang drinken zij geen wijn meer. Bitter is de sterke drank voor wie hem drinken. Brontekst: בַּשִּׁ֖יר (bashir) = met lied | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁתּוּ (yishtu) = zij drinken | יָ֑יִן (yayin) = wijn | יֵמַ֥ר (yemar) = is bitter | שֵׁכָ֖ר (shekhar) = sterke drank | לְשֹׁתָֽיו (leshotav) = voor wie hem drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Pred 9:7; Amos 8:10; Jes 5:11–12; Jes 5:22; Ef 5:18–19 **24:10** De stad van de leegte is verbroken. Elk huis is gesloten, niemand kan er binnengaan. Brontekst: נִשְׁבְּרָ֖ה (nishbera) = is verbroken | קִרְיַת (qiryat) = stad van | תֹּ֑הוּ (tohu) = leegte | סֻגַּ֥ר (sugar) = is gesloten | כָּל (kal) = elk | בַּ֖יִת (bayit) = huis | מִבּֽוֹא (mibo) = zonder binnengaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִרְיַת־תֹּהוּ (qiryat tohu), ‘stad van de leegte’: תֹּהוּ (tohu) is het woord uit ‘woest en leeg’ in Gen. 1:2. Welke stad bedoeld is, zegt het Hebreeuws niet. Het kan elke stad zijn die onder het oordeel valt. Zie ook: Gen 1:2; Gen 11:9; Jes 23:1; Mi 2:13; Openb 17:5–6; Openb 18:2 **24:11** Op de straten klinkt geschreeuw om de wijn. Alle vreugde is donker geworden. De blijdschap van de aarde is in ballingschap gegaan. Brontekst: צְוָחָ֥ה (tsevacha) = geschreeuw | עַל (al) = om | הַיַּ֖יִן (hayayin) = de wijn | בַּֽחוּצ֑וֹת (bachutsot) = op de straten | עָֽרְבָה֙ (areva) = is donker geworden | כָּל (kal) = alle | שִׂמְחָ֔ה (simcha) = vreugde | גָּלָ֖ה (gala) = is in ballingschap gegaan | מְשׂ֥וֹשׂ (mesos) = blijdschap van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרְבָה (arvah), ‘is donker geworden’: van het woord ‘avond’. גָּלָה (galah), ‘is in ballingschap gegaan’: de vreugde wordt weggevoerd zoals een volk. Zie ook: Hos 7:14; Jes 9:18; Jes 24:7–9; Klaagl 5:14–15; Luc 16:25 **24:12** In de stad blijft alleen verwoesting over. De poort is tot puin verbrijzeld. Brontekst: נִשְׁאַ֥ר (nishar) = blijft over | בָּעִ֖יר (bair) = in de stad | שַׁמָּ֑ה (shama) = verwoesting | וּשְׁאִיָּ֖ה (usheiya) = en puin | יֻכַּת (yukat) = wordt verbrijzeld | שָֽׁעַר (shaar) = poort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mi 1:9; Mi 1:12; Jer 9:10; Klaagl 1:4; Klaagl 5:18 ### Een nalezing onder de volken **24:13** Want zo zal het zijn midden op de aarde, te midden van de volken. Het is als bij het afkloppen van de olijfboom, als bij de nalezing wanneer de druivenoogst is afgelopen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֥ה (ko) = zo | יִהְיֶ֛ה (yihye) = zal zijn | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = te midden van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָֽעַמִּ֑ים (haamim) = de volken | כְּנֹ֣קֶף (kenoqef) = als het afkloppen van | זַ֔יִת (zayit) = olijfboom | כְּעוֹלֵלֹ֖ת (keolelot) = als de nalezing | אִם (im) = wanneer | כָּלָ֥ה (kala) = is voltooid | בָצִֽיר (batsir) = druivenoogst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹקֶף (noqef), ‘het afkloppen’: bij de olijfoogst sloeg men de takken met een stok. עֹלֵלֹת (olelot), ‘nalezing’: wat na de oogst nog aan de wijnstok hangt. Er blijft maar weinig over. Zie ook: Jes 1:9; Jes 6:13; Ezech 6:8–11; Ezech 7:16; Rom 11:2–6 ### Lofzang vanuit de verte **24:14** Zij heffen hun stem op, zij jubelen. Om de hoogheid van Yahweh roepen zij luid vanaf de zee. Brontekst: הֵ֛מָּה (hema) = zij | יִשְׂא֥וּ (yisu) = heffen op | קוֹלָ֖ם (qolam) = hun stem | יָרֹ֑נּוּ (yaronu) = zij jubelen | בִּגְא֣וֹן (bigon) = om de hoogheid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | צָהֲל֖וּ (tsahalu) = roepen luid | מִיָּֽם (miyam) = vanaf de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּאוֹן (ge’on), ‘hoogheid’: hetzelfde woord als ‘trots’ in 23:9. Hier gaat het om de hoogheid van Yahweh. Voetnoot : מִיָּם (miyyam), ‘vanaf de zee’: de Middellandse Zee, dus het westen. Zie ook: Jes 25:1; Jes 35:2; Jes 35:10; Jes 44:23; Jes 54:1 **24:15** Eer daarom Yahweh in het oosten, en op de kustlanden van de zee de naam van Yahweh, de Elohim van Israël. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֥ן (ken) = (zo) | בָּאֻרִ֖ים (baurim) = in de lichten | כַּבְּד֣וּ (kabedu) = eert | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בְּאִיֵּ֣י (beiyei) = op de kustlanden van | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | שֵׁ֥ם (shem) = de naam van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּאֻרִים (ba’urim), ‘in het oosten’: letterlijk ‘in de lichten’. De betekenis is niet zeker. Het staat tegenover ‘de kustlanden van de zee’, het westen. Zie ook: Jes 42:4; Jes 42:10; Jes 49:1; Jes 60:9; Mal 1:11 ### Wee mij: verraders **24:16** Van de uiteinden van de aarde horen wij liederen: „Pracht voor de rechtvaardige!” Maar ik zeg: „Ik kwijn weg, ik kwijn weg! Wee mij! Verraders hebben verraad gepleegd, ja, met verraad hebben verraders verraad gepleegd.” Brontekst: מִכְּנַ֨ף (mikenaf) = van de vleugel van | הָאָ֜רֶץ (haarets) = de aarde | זְמִרֹ֤ת (zemirot) = liederen | שָׁמַ֨עְנוּ֙ (shamanu) = wij horen | צְבִ֣י (tsevi) = pracht | לַצַּדִּ֔יק (latsadiq) = voor de rechtvaardige | וָאֹמַ֛ר (vaomar) = en ik zeg | רָזִי (razi) = mijn kwijnen | לִ֥י (li) = voor mij | רָֽזִי (razi) = mijn kwijnen | לִ֖י (li) = voor mij | א֣וֹי (oy) = wee | לִ֑י (li) = mij | בֹּגְדִ֣ים (bogedim) = verraders | בָּגָ֔דוּ (bagadu) = hebben verraden | וּבֶ֥גֶד (uveged) = en met verraad van | בּוֹגְדִ֖ים (bogedim) = verraders | בָּגָֽדוּ (bagadu) = hebben verraden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְבִי לַצַּדִּיק (tsevi latsaddiq), ‘pracht voor de rechtvaardige’: ‘de rechtvaardige’ kan Yahweh zijn, of het rechtvaardige volk. Het Hebreeuws laat dat open. Voetnoot : רָזִי־לִי (razi li), ‘ik kwijn weg’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘mijn geheim is voor mij’ betekenen. Voetnoot : בֹּגְדִים בָּגָדוּ (bogedim bagadu), ‘verraders hebben verraad gepleegd’: het werkwoord בָּגַד (bagad) staat vijf keer in dit vers (met het zelfstandig naamwoord ‘verraad’). Zie ook: Jes 21:2; Jes 28:5; Jes 33:1; Jer 3:20; Jer 5:11 ### Schrik, kuil en strik **24:17** Schrik, kuil en strik zijn over je, bewoner van de aarde. Brontekst: פַּ֥חַד (pachad) = schrik | וָפַ֖חַת (vafachat) = en kuil | וָפָ֑ח (vafach) = en strik | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = over je | יוֹשֵׁ֥ב (yoshev) = bewoner van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחַד וָפַחַת וָפָח (pachad vafachat vafach), ‘schrik, kuil en strik’: drie woorden die op elkaar lijken in klank. Zij zijn hier een woordspel. Zie ook: Lev 26:21–22; 1 Kon 19:17; Amos 5:19; Jer 48:43–44; Ezech 14:21 **24:18** Wie vlucht voor het geluid van de schrik, valt in de kuil. Wie uit de kuil omhoog komt, wordt gevangen in de strik. Want de vensters uit de hoogte zijn geopend, en de fundamenten van de aarde beven. Brontekst: וְֽ֠הָיָה (vehaya) = en het zal zijn | הַנָּ֞ס (hanas) = wie vlucht | מִקּ֤וֹל (miqol) = voor het geluid van | הַפַּ֨חַד֙ (hapachad) = de schrik | יִפֹּ֣ל (yipol) = valt | אֶל (el) = in | הַפַּ֔חַת (hapachat) = de kuil | וְהָֽעוֹלֶה֙ (vehaole) = en wie omhoog komt | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַפַּ֔חַת (hapachat) = de kuil | יִלָּכֵ֖ד (yilakhed) = wordt gevangen | בַּפָּ֑ח (bapach) = in de strik | כִּֽי (ki) = want | אֲרֻבּ֤וֹת (arubot) = vensters | מִמָּרוֹם֙ (mimarom) = uit de hoogte | נִפְתָּ֔חוּ (niftachu) = zijn geopend | וַֽיִּרְעֲשׁ֖וּ (vayirashu) = en beven | מ֥וֹסְדֵי (mosedei) = fundamenten van | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרֻבּוֹת (arubbot), ‘vensters’: dezelfde woorden als bij de vloed in Gen. 7:11, waar de vensters van de hemel geopend worden. Het beeld is dat het water of het oordeel van boven komt. Zie ook: Gen 7:11; Ps 18:8; Ps 18:16; Ps 46:3–4; Amos 5:19 **24:19** De aarde breekt helemaal. De aarde valt helemaal uiteen. De aarde wankelt hevig. Brontekst: רֹ֥עָה (roa) = breken | הִֽתְרֹעֲעָ֖ה (hitroaa) = zij breekt | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | פּ֤וֹר (por) = barsten | הִֽתְפּוֹרְרָה֙ (hitporera) = zij barst | אֶ֔רֶץ (erets) = aarde | מ֥וֹט (mot) = schudden | הִֽתְמוֹטְטָ֖ה (hitmoteta) = zij schudt | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 11:6; Jes 34:4–10; Nah 1:5; Jer 4:23–28; Openb 20:11 **24:20** De aarde waggelt als een dronkaard en slingert heen en weer als een hut. Haar overtreding drukt zwaar op haar. Zij valt en staat niet meer op. Brontekst: נ֣וֹעַ (noa) = waggelen | תָּנ֤וּעַ (tanua) = zij waggelt | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = aarde | כַּשִּׁכּ֔וֹר (kashikor) = als een dronkaard | וְהִֽתְנוֹדְדָ֖ה (vehitnodeda) = en slingert heen en weer | כַּמְּלוּנָ֑ה (kameluna) = als een hut | וְכָבַ֤ד (vekhavad) = en zwaar is | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = op haar | פִּשְׁעָ֔הּ (pishah) = haar overtreding | וְנָפְלָ֖ה (venafela) = en zij valt | וְלֹא (velo) = en niet | תֹסִ֥יף (tosif) = zij gaat door | קֽוּם (qum) = opstaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְלוּנָה (melunah), ‘hut’: een eenvoudige schuilplaats voor de nacht, zoals in een veld. Zij zwaait in de wind. Zie ook: Amos 8:14; Hos 4:1–5; Jes 19:14; Jes 29:9; Dan 11:19 ### Yahweh straft de hoogte en de aarde **24:21** Het zal gebeuren op die dag. Yahweh zal het leger van de hoogte straffen, in de hoogte, en de koningen van de grond op de grond. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | יִפְקֹ֧ד (yifqod) = zal straffen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | צְבָ֥א (tseva) = leger van | הַמָּר֖וֹם (hamarom) = de hoogte | בַּמָּר֑וֹם (bamarom) = in de hoogte | וְעַל (veal) = en over | מַלְכֵ֥י (malkhei) = koningen van | הָאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | עַל (al) = op | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken aan’, zoals in Hos. 1:4. Voetnoot : צְבָא הַמָּרוֹם (tseva hammarom), ‘het leger van de hoogte’: machten in de hoogte. Het Hebreeuws zegt niet wie het zijn. Voetnoot : הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’: de koningen van de grond zijn de koningen van de aarde. Wij vertalen adamah overal met ‘grond’. Zie ook: Ps 76:13; Ps 149:6–9; Hos 1:4; Jes 34:2–17; Zach 14:12–19; Openb 18:9 **24:22** Zij worden verzameld, bijeengebracht als gevangenen in een put. Zij worden opgesloten in een kerker. Na vele dagen worden zij bezocht. Brontekst: וְאֻסְּפ֨וּ (veusefu) = en zij worden verzameld | אֲסֵפָ֤ה (asefa) = verzameling | אַסִּיר֙ (asir) = gevangenen | עַל (al) = in | בּ֔וֹר (bor) = put | וְסֻגְּר֖וּ (vesugeru) = en worden opgesloten | עַל (al) = in | מַסְגֵּ֑ר (masger) = kerker | וּמֵרֹ֥ב (umerov) = en na vele | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | יִפָּקֵֽדוּ (yipaqedu) = worden zij bezocht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִפָּקֵדוּ (yippaqedu), ‘worden zij bezocht’: hetzelfde werkwoord als in vers 21. Het is niet zeker of zij gestraft worden of dat er naar hen wordt omgezien. Voetnoot : בּוֹר (bor), ‘put’: een kuil of waterput, hier gebruikt als gevangenis. Zie ook: Jes 2:19; Jes 10:4; Jes 24:21; Jes 42:22; Jer 38:6–13; Zach 9:11 **24:23** De maan zal zich schamen en de zon zal beschaamd zijn, want Yahweh van de legermachten is koning op de berg Sion en in Jeruzalem. Voor Zijn oudsten is er heerlijkheid. Brontekst: וְחָֽפְרָה֙ (vechafera) = en zal zich schamen | הַלְּבָנָ֔ה (halevana) = de maan | וּבוֹשָׁ֖ה (uvosha) = en zal beschaamd zijn | הַֽחַמָּ֑ה (hachama) = de zon | כִּֽי (ki) = want | מָלַ֞ךְ (malakh) = is koning | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֗וֹת (tsevaot) = van de legermachten | בְּהַ֤ר (behar) = op de berg | צִיּוֹן֙ (tsiyon) = Sion | וּבִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (uvirushalaim) = en in Jeruzalem | וְנֶ֥גֶד (veneged) = en voor | זְקֵנָ֖יו (zeqenav) = zijn oudsten | כָּבֽוֹד (kavod) = heerlijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חַמָּה (chammah), ‘de zon’: letterlijk ‘de gloeiende’. לְבָנָה (levanah), ‘de maan’: letterlijk ‘de witte’. Voetnoot : מָלַךְ יְהוָה (malakh Yahweh), ‘Yahweh is koning’: zie Ps. 93:1. Voetnoot : נֶגֶד זְקֵנָיו כָּבוֹד (neged zekenav kavod), ‘voor Zijn oudsten is er heerlijkheid’: zie Exod. 24:9–11, waar de oudsten van Israël Elohim zien. Zie ook: Ex 24:9–11; Ps 93:1; Jes 13:10; Jes 60:19; Heb 12:22; Openb 21:23; Openb 22:5 ## Jesaja 25 _Lofzang op Yahweh, het feestmaal op de berg en het einde van de dood_ ### Lofzang op Yahweh **25:1** Yahweh, U bent mijn Elohim. Ik wil U verheffen. Ik wil Uw naam loven. Want U hebt een wonder gedaan: besluiten van lang geleden, betrouwbaar en zeker. Brontekst: יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהַי֙ (elohay) = mijn Elohim | אַתָּ֔ה (ata) = U | אֲרֽוֹמִמְךָ֙ (aromimkha) = ik zal U verheffen | אוֹדֶ֣ה (ode) = ik zal loven | שִׁמְךָ֔ (shimkha) = Uw naam | כִּ֥י (ki) = want | עָשִׂ֖יתָ (asita) = U hebt gedaan | פֶּ֑לֶא (pele) = wonder | עֵצ֥וֹת (etsot) = besluiten van | מֵֽרָח֖וֹק (merachoq) = van lang geleden | אֱמ֥וּנָה (emuna) = betrouwbaarheid | אֹֽמֶן (omen) = zekerheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱמוּנָה אֹמֶן (emunah omen), ‘betrouwbaar en zeker’: twee verwante woorden naast elkaar. Ze versterken elkaar: volkomen betrouwbaar. Het tweede woord is verwant aan ‘amen’. Voetnoot : פֶּלֶא (pele), ‘wonder’: iets dat boven het gewone uitgaat. Voetnoot : עֵצוֹת (etsot), ‘besluiten’: meervoud van עֵצָה (etsah). Bij Yahweh vertalen wij etsah als ‘besluit’, bij mensen als ‘raad’; zie Jes. 28:29. Zie ook: Ex 15:2; Num 23:19; Ps 40:6; Ps 98:1; Ps 118:28; Jes 28:29 **25:2** Want U hebt de stad tot een steenhoop gemaakt, de versterkte stad tot een puinhoop. De burcht van de vreemden is geen stad meer. Voor eeuwig zal hij niet worden opgebouwd. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | שַׂ֤מְתָּ (samta) = U hebt gemaakt | מֵעִיר֙ (meir) = van een stad | לַגָּ֔ל (lagal) = tot een steenhoop | קִרְיָ֥ה (qirya) = een stad | בְצוּרָ֖ה (betsura) = versterkte | לְמַפֵּלָ֑ה (lemapela) = tot een puinhoop | אַרְמ֤וֹן (armon) = burcht van | זָרִים֙ (zarim) = vreemden | מֵעִ֔יר (meir) = van een stad | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor eeuwig | לֹ֥א (lo) = niet | יִבָּנֶֽה (yibane) = hij wordt opgebouwd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵעִיר (me’ir), ‘geen stad meer’: letterlijk ‘van een stad’ of ‘uit een stad’. De stad is zo verwoest dat zij geen stad meer is. Voetnoot : גַּל (gal), ‘steenhoop’: een hoop stenen van een verwoeste stad. Voetnoot : Welke stad bedoeld wordt, zegt de tekst niet. In vers 10 wordt Moab genoemd. Zie ook: Jes 13:22; Jes 17:1; Jes 23:13; Jes 25:10; Jes 25:12; Jer 51:26 **25:3** Daarom zal een sterk volk U eren. De stad van de meedogenloze volken zal U vrezen. Brontekst: עַל (al) = over | כֵּ֖ן (ken) = zo | יְכַבְּד֣וּךָ (yekhabedukha) = zij zullen U eren | עַם (am) = volk | עָ֑ז (az) = sterk | קִרְיַ֛ת (qiryat) = stad van | גּוֹיִ֥ם (goyim) = volken | עָרִיצִ֖ים (aritsim) = meedogenlozen | יִירָאֽוּךָ (yiraukha) = zij zullen U vrezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרִיצִים (aritsim), ‘meedogenlozen’: mensen die met geweld heersen. Het woord staat ook in de verzen 4 en 5. Zie ook: Ps 46:11–12; Ps 66:3; Jes 49:23–26; Zach 14:9; Zach 14:16 **25:4** Want U bent een toevlucht geweest voor de geringe, een toevlucht voor de arme in zijn nood. U was een schuilplaats tegen de stortregen en een schaduw tegen de hitte. Want de adem van de meedogenlozen is als een stortregen tegen een muur. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הָיִ֨יתָ (hayita) = U bent geweest | מָע֥וֹז (maoz) = toevlucht | לַדָּ֛ל (ladal) = voor de geringe | מָע֥וֹז (maoz) = toevlucht | לָאֶבְי֖וֹן (laevyon) = voor de arme | בַּצַּר (batsar) = in nood | ל֑וֹ (lo) = voor hem | מַחְסֶ֤ה (machse) = schuilplaats | מִזֶּ֨רֶם֙ (mizerem) = tegen stortregen | צֵ֣ל (tsel) = schaduw | מֵחֹ֔רֶב (mechorev) = tegen hitte | כִּ֛י (ki) = want | ר֥וּחַ (ruach) = adem van | עָרִיצִ֖ים (aritsim) = meedogenlozen | כְּזֶ֥רֶם (kezerem) = als stortregen | קִֽיר (qir) = muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶרֶם (zerem), ‘stortregen’: een zware, plotselinge regenbui. Een stortregen tegen een muur doet de muur niet bezwijken, maar slaat er hard tegenaan. De betekenis van het slot van het vers is niet zeker. Voetnoot : חֹרֶב (chorev), ‘hitte’: de droge hitte van de zon. Het woord staat ook in vers 5. Zie ook: Job 5:15–16; Jes 25:5; Jes 32:2; Sef 3:12; Mat 7:25–27; Jak 2:5 **25:5** Zoals de hitte in een dorre streek, bedwingt U het gedruis van de vreemden. Zoals de hitte door de schaduw van een wolk, wordt het lied van de meedogenlozen tot zwijgen gebracht. Brontekst: כְּחֹ֣רֶב (kechorev) = zoals hitte | בְּצָי֔וֹן (betsayon) = in een dorre streek | שְׁא֥וֹן (sheon) = gedruis van | זָרִ֖ים (zarim) = vreemden | תַּכְנִ֑יעַ (takhnia) = U bedwingt | חֹ֚רֶב (chorev) = hitte | בְּצֵ֣ל (betsel) = door schaduw van | עָ֔ב (av) = wolk | זְמִ֥יר (zemir) = lied van | עָֽרִיצִ֖ים (aritsim) = meedogenlozen | יַעֲנֶֽה (yaane) = het wordt tot zwijgen gebracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַעֲנֶה (ya’aneh), ‘wordt tot zwijgen gebracht’: letterlijk ‘wordt neergebogen’. Het werkwoord kan ook ‘antwoorden’ betekenen. Wij volgen ‘neerbuigen’. Voetnoot : בְּצָיּוֹן (betsayyon), ‘in een dorre streek’: een droog land. Het klinkt als Sion (tsiyyon), maar de klinkers wijzen op ‘dorre grond’. Zie ook: Jes 30:30–33; Jes 49:10; Jes 54:15–17; Jer 50:11–15; Openb 16:1–19 ### Het feestmaal op de berg **25:6** Yahweh van de legermachten zal voor alle volken op deze berg een feestmaal bereiden. Een feestmaal van vette gerechten, een feestmaal van gerijpte wijn: vette gerechten vol merg, gerijpte wijn, gezuiverd. Brontekst: וְעָשָׂה֩ (veasa) = en Hij zal bereiden | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לְכָל (lekhal) = voor alle | הָֽעַמִּים֙ (haamim) = volken | בָּהָ֣ר (bahar) = op de berg | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | מִשְׁתֵּ֥ה (mishte) = feestmaal van | שְׁמָנִ֖ים (shemanim) = vette gerechten | מִשְׁתֵּ֣ה (mishte) = feestmaal van | שְׁמָרִ֑ים (shemarim) = gerijpte wijn | שְׁמָנִים֙ (shemanim) = vette gerechten | מְמֻ֣חָיִ֔ם (memuchayim) = vol merg | שְׁמָרִ֖ים (shemarim) = gerijpte wijn | מְזֻקָּקִֽים (mezuqaqim) = gezuiverd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁתֶּה (mishteh), ‘feestmaal’: letterlijk een maaltijd waarbij gedronken wordt. Voetnoot : שְׁמָרִים (shemarim), ‘gerijpte wijn’: letterlijk ‘droesem’, het bezinksel van wijn. Wijn die lang op de droesem heeft gelegen, is rijk van smaak. Daarna wordt hij gezuiverd. Voetnoot : מְמֻחָיִם (mamuchayim), ‘vol merg’: het beste en vetste vlees. Voetnoot : De ‘berg’ is hier de berg Sion, de tempelberg van Jeruzalem. Zie ook: Ps 63:6; Jer 31:12–13; Zach 9:16–17; Mat 8:11; Openb 19:9 **25:7** Op deze berg zal Hij de sluier verslinden, de sluier die alle volken bedekt, en het kleed dat over alle volken is uitgespreid. Brontekst: וּבִלַּע֙ (uvila) = en Hij zal verslinden | בָּהָ֣ר (bahar) = op de berg | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | פְּנֵֽי (penei) = het aangezicht van | הַלּ֥וֹט (halot) = de sluier | הַלּ֖וֹט (halot) = de sluier | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | הָֽעַמִּ֑ים (haamim) = volken | וְהַמַּסֵּכָ֥ה (vehamasekha) = en het kleed | הַנְּסוּכָ֖ה (hanesukha) = dat uitgespreid is | עַל (al) = over | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּנֵי הַלּוֹט (penei halot), ‘de sluier’: letterlijk ‘het gezicht van de bedekking’. Het is een doek die over de volken ligt, zoals over rouwenden. Voetnoot : מַסֵּכָה (massekhah), ‘kleed’: een geweven of gegoten bedekking. Het woord kan ook ‘geweven stof’ betekenen. Zie ook: Jes 60:1–3; Mat 27:51; 2 Kor 3:13–18; Ef 4:18; Heb 10:19–21 **25:8** Hij zal de dood voor altijd verslinden. Heer Yahweh zal de tranen van alle gezichten wissen. De smaad van Zijn volk zal Hij van heel de aarde wegnemen. Want Yahweh heeft gesproken. Brontekst: בִּלַּ֤ע (bila) = Hij zal verslinden | הַמָּ֨וֶת֙ (hamavet) = de dood | לָנֶ֔צַח (lanetsach) = voor altijd | וּמָחָ֨ה (umacha) = en Hij zal wissen | אֲדֹנָ֧י (adonay) = Heer | יְהוִ֛ה (Yahweh) = Yahweh | דִּמְעָ֖ה (dima) = tranen | מֵעַ֣ל (meal) = van | כָּל (kal) = alle | פָּנִ֑ים (panim) = gezichten | וְחֶרְפַּ֣ת (vecherpat) = en de smaad van | עַמּ֗וֹ (amo) = Zijn volk | יָסִיר֙ (yasir) = Hij zal wegnemen | מֵעַ֣ל (meal) = van | כָּל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | כִּ֥י (ki) = want | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֵּֽר (diber) = heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15. Voetnoot : בִּלַּע הַמָּוֶת לָנֶצַח (billa hamavet lanetsach), ‘Hij zal de dood voor altijd verslinden’: het werkwoord staat hier in de voltooide tijd. De profeet ziet het als al gebeurd. Het woord נֶצַח (netsach) betekent ‘voor altijd’, maar ook ‘overwinning’. Zie ook Hos. 13:14 en 1 Kor. 15:54. Vergelijk Openb. 21:4. Voetnoot : כִּי יְהוָה דִּבֵּר (ki Yahweh dibber), ‘want Yahweh heeft gesproken’: een slotformule die de belofte bevestigt. Zie ook: Hos 13:14; Jes 3:15; 1 Kor 15:26; 1 Kor 15:54; Openb 7:17; Openb 21:4 ### Wij hebben op Hem gewacht **25:9** Op die dag zal men zeggen: „Zie, dit is onze Elohim. Wij hebben op Hem gewacht, en Hij heeft ons gered. Dit is Yahweh. Wij hebben op Hem gewacht. Laten wij juichen en ons verheugen in Zijn redding.” Brontekst: וְאָמַר֙ (veamar) = en hij zal zeggen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אֱלֹהֵ֥ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | זֶ֛ה (ze) = dit is | קִוִּ֥ינוּ (qivinu) = wij hebben gewacht | ל֖וֹ (lo) = op Hem | וְיֽוֹשִׁיעֵ֑נוּ (veyoshienu) = en Hij heeft ons gered | זֶ֤ה (ze) = dit is | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | קִוִּ֣ינוּ (qivinu) = wij hebben gewacht | ל֔וֹ (lo) = op Hem | נָגִ֥ילָה (nagila) = laten wij juichen | וְנִשְׂמְחָ֖ה (venismecha) = en laten wij ons verheugen | בִּישׁוּעָתֽוֹ (bishuato) = in Zijn redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden in dit vers zijn niet van Yahweh maar van het volk dat op die dag spreekt. Voetnoot : קִוִּינוּ (qivvinu), ‘wij hebben gewacht’: wachten met verwachting. Het werkwoord staat twee keer in dit vers. Voetnoot : וְיֽוֹשִׁיעֵנוּ (veyoshi’enu), ‘en Hij heeft ons gered’: de vorm kan ook ‘zodat Hij ons redt’ betekenen. Zie ook: Gen 49:18; Ps 27:14; Jes 26:8–9; Jes 35:2; Mi 7:7 ### Moab wordt vertrapt **25:10** Want de hand van Yahweh zal op deze berg rusten. Maar Moab wordt vertrapt, daar waar het staat, zoals stro wordt vertrapt in een mestput. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | תָנ֥וּחַ (tanuach) = zal rusten | יַד (yad) = hand van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בָּהָ֣ר (bahar) = op de berg | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְנָ֤דוֹשׁ (venadosh) = en wordt vertrapt | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = onder zich | כְּהִדּ֥וּשׁ (kehidush) = zoals vertrapt wordt | מַתְבֵּ֖ן (matben) = stro | בְּמ֥וֹ (bemo) = in | מַדְמֵנָֽה (madmena) = mestput Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: מוֹאָב (Moav), ‘Moab’: het volk ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Moab staat hier voor de trotse vijanden van Yahweh. Voetnoot : מַדְמֵנָה (madmenah), ‘mestput’: een plaats waar mest ligt. Het woord kan ook de naam van een plaats zijn. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft במי (bemei), ‘in het water van’. De voorgelezen tekst (qere) heeft בְּמוֹ (bemo), ‘in’. Wij volgen de qere. Zie ook: Amos 2:1–3; Jes 18:4; Jes 26:6; Sef 2:9; Jer 48:2 **25:11** Midden daarin spreidt hij zijn handen uit, zoals een zwemmer ze uitspreidt om te zwemmen. Maar Hij zal zijn trots neerhalen, ondanks de behendigheid van zijn handen. Brontekst: וּפֵרַ֤שׂ (uferas) = en hij spreidt uit | יָדָיו֙ (yadav) = zijn handen | בְּקִרְבּ֔וֹ (beqirbo) = in zijn midden | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | יְפָרֵ֥שׂ (yefares) = hij spreidt uit | הַשֹּׂחֶ֖ה (hasoche) = de zwemmer | לִשְׂח֑וֹת (lischot) = om te zwemmen | וְהִשְׁפִּיל֙ (vehishpil) = en Hij zal neerhalen | גַּֽאֲוָת֔וֹ (gaavato) = zijn trots | עִ֖ם (im) = ondanks | אָרְבּ֥וֹת (arbot) = behendigheid van | יָדָֽיו (yadav) = zijn handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie zijn handen uitspreidt. Wij lezen Moab: het worstelt in de mest als een zwemmer. Het kan ook Yahweh zijn, die Zijn handen uitspreidt om neer te halen. Voetnoot : אָרְבּוֹת (arbot), ‘behendigheid’: het woord komt alleen hier voor en de betekenis is niet zeker. Zie ook: Jes 2:11; Jes 5:25; Jes 14:26; Jes 16:6; Jes 16:14 **25:12** Het bolwerk van je hoge muren zal Hij neerbuigen. Hij zal het omlaag halen en laten neerkomen op de aarde, tot in het stof. Brontekst: וּמִבְצַ֞ר (umivtsar) = en het bolwerk van | מִשְׂגַּ֣ב (misgav) = hoogte van | חוֹמֹתֶ֗יךָ (chomoteikha) = je muren | הֵשַׁ֥ח (heshach) = Hij zal neerbuigen | הִשְׁפִּ֛יל (hishpil) = Hij zal omlaag halen | הִגִּ֥יעַ (higia) = Hij zal laten raken | לָאָ֖רֶץ (laarets) = aan de aarde | עַד (ad) = tot | עָפָֽר (afar) = stof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוֹמֹתֶיךָ (chomotekha), ‘je muren’: het Hebreeuws spreekt hier opeens één persoon aan, waarschijnlijk Moab. Een trotse, hoge stad wordt tot het stof teruggebracht. Vergelijk Jes. 26:5. Zie ook: Jes 13:19–22; Jes 26:5; Jer 51:58; Heb 11:30; Openb 18:21 ## Jesaja 26 _Het lied in Juda: een sterke stad, de weg van de rechtvaardige en de doden die leven_ ### Het lied in het land Juda **26:1** Op die dag zal dit lied worden gezongen in het land Juda: „Wij hebben een sterke stad. Redding zet Hij als muren en wal. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | יוּשַׁ֥ר (yushar) = wordt gezongen | הַשִּׁיר (hashir) = het lied | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | עִ֣יר (ir) = stad | עָז (az) = sterk | לָ֔נוּ (lanu) = voor ons | יְשׁוּעָ֥ה (yeshua) = redding | יָשִׁ֖ית (yashit) = Hij zet | חוֹמ֥וֹת (chomot) = muren | וָחֵֽל (vachel) = en wal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: Het lied loopt van vers 1 tot en met vers 19. Het is een lied van het volk. Het is niet Yahweh die hier spreekt. Voetnoot : יְשׁוּעָה (yeshuah), ‘redding’: Yahweh zelf is de muur en de wal van de stad. De muren zijn geen stenen, maar redding. Voetnoot : יְהוּדָה (Yehudah), ‘Juda’: het land van de stam Juda, in het zuiden van het land. Zie ook: Ps 31:22; Jes 26:19; Jes 60:18; Jes 62:11; Zach 2:9; Ef 5:19–20 **26:2** Open de poorten. Laat het rechtvaardige volk binnenkomen, dat de betrouwbaarheid bewaart. Brontekst: פִּתְח֖וּ (pitchu) = open | שְׁעָרִ֑ים (shearim) = poorten | וְיָבֹ֥א (veyavo) = en laat binnenkomen | גוֹי (goy) = volk | צַדִּ֖יק (tsadiq) = rechtvaardig | שֹׁמֵ֥ר (shomer) = bewaarder van | אֱמֻנִֽים (emunim) = betrouwbaarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱמֻנִים (emunim), ‘betrouwbaarheid’: meervoud van אֱמוּנָה (emunah). Het woord staat ook in Jes. 25:1. Het volk dat binnenkomt is trouw en betrouwbaar. Zie ook: Ps 118:20; Jes 25:1; Jes 60:11; Jes 62:10; 1 Petr 2:9; Openb 5:9 **26:3** Een standvastig gemoed bewaart U in vrede, in vrede. Want het vertrouwt op U. Brontekst: יֵ֣צֶר (yetser) = gemoed | סָמ֔וּךְ (samukh) = standvastig | תִּצֹּ֖ר (titsor) = U bewaart | שָׁל֣וֹם (shalom) = vrede | שָׁל֑וֹם (shalom) = vrede | כִּ֥י (ki) = want | בְךָ֖ (bekha) = op U | בָּטֽוּחַ (batuach) = vertrouwend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵצֶר (yetser), ‘gemoed’: letterlijk ‘gevormd’, dus wat in iemand gevormd is: zijn gedachten en zijn wil. Voetnoot : שָׁלוֹם שָׁלוֹם (shalom shalom), ‘in vrede, in vrede’: de herhaling maakt het sterk, zoals ‘volkomen vrede’. Zie ook: Ps 9:11; Jer 17:7–8; Joh 14:27; Joh 16:33; Fil 4:7 **26:4** Vertrouw voor altijd op Yahweh. Want Jah, Yahweh, is een rots voor eeuwig. Brontekst: בִּטְח֥וּ (bitchu) = vertrouw | בַֽיהוָ֖ה (baYahweh) = op Yahweh | עֲדֵי (adei) = tot | עַ֑ד (ad) = altijd | כִּ֚י (ki) = want | בְּיָ֣הּ (beyah) = in Jah | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | צ֖וּר (tsur) = rots van | עוֹלָמִֽים (olamim) = eeuwigheden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָהּ (Yah), ‘Jah’: een korte vorm van de naam Yahweh. Zie ook Exod. 15:2. Voetnoot : צוּר עוֹלָמִים (tsur olamim), ‘een rots voor eeuwig’: letterlijk ‘een rots van eeuwigheden’. Zie ook: Ex 15:2; Ps 18:3; Ps 55:23; Ps 62:9; Jes 12:2; Fil 4:13 **26:5** Want Hij heeft de bewoners van de hoogte neergebogen, de hooggelegen stad. Hij haalt haar omlaag, Hij haalt haar omlaag tot op de aarde. Hij laat haar tot in het stof reiken. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | הֵשַׁח֙ (heshach) = Hij heeft neergebogen | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | מָר֔וֹם (marom) = hoogte | קִרְיָ֖ה (qirya) = stad | נִשְׂגָּבָ֑ה (nisgava) = hooggelegen | יַשְׁפִּילֶ֤נָּה (yashpilena) = Hij haalt haar omlaag | יַשְׁפִּילָהּ֙ (yashpilah) = Hij haalt haar omlaag | עַד (ad) = tot | אֶ֔רֶץ (erets) = aarde | יַגִּיעֶ֖נָּה (yagiena) = Hij laat haar reiken | עַד (ad) = tot | עָפָֽר (afar) = stof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘hooggelegen stad’ is waarschijnlijk dezelfde stad als de burcht van de vreemden in Jes. 25:2. Haar bewoners worden neergebogen. Voetnoot : Het Hebreeuws herhaalt ‘Hij haalt haar omlaag’. Dat doet de zin sterker klinken. Zie ook: Job 40:11–13; Jes 13:11; Jes 25:2; Jer 51:25–26; Jer 51:37; Openb 18:2 **26:6** De voet vertrapt haar: de voeten van de ellendige, de stappen van de geringen. Brontekst: תִּרְמְסֶ֖נָּה (tirmesena) = zij vertrapt haar | רָ֑גֶל (ragel) = voet | רַגְלֵ֥י (raglei) = voeten van | עָנִ֖י (ani) = ellendige | פַּעֲמֵ֥י (paamei) = stappen van | דַלִּֽים (dalim) = geringen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָנִי (ani), ‘ellendige’ en דַּלִּים (dallim), ‘geringen’: zij die door de trotse stad werden onderdrukt. Nu vertrappen zij haar. Zie ook: Joz 10:24; Luc 10:19; Jak 2:5; Rom 16:20; Openb 2:26 ### Het pad van de rechtvaardige **26:7** Het pad van de rechtvaardige is vlak. U, die recht bent, effent het spoor van de rechtvaardige. Brontekst: אֹ֥רַח (orach) = pad | לַצַּדִּ֖יק (latsadiq) = voor de rechtvaardige | מֵֽישָׁרִ֑ים (meisharim) = vlakheid | יָשָׁ֕ר (yashar) = recht | מַעְגַּ֥ל (magal) = spoor van | צַדִּ֖יק (tsadiq) = rechtvaardige | תְּפַלֵּֽס (tefales) = U effent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵישָׁרִים (meisharim), ‘vlak’: letterlijk ‘recht, effen’. Het pad van de rechtvaardige ligt open, zonder hindernis. Voetnoot : יָשָׁר (yashar), ‘die recht bent’: letterlijk ‘recht’ of ‘Rechte’. Wij lezen dit als een aanspreking van Yahweh. Voetnoot : תְּפַלֵּס (tefalles), ‘U effent’: het werkwoord kan ook ‘U weegt’ betekenen. Zie ook: Jes 42:16; 2 Kor 1:12; Ef 2:10; 1 Joh 3:7; 1 Joh 3:10 **26:8** Ook op het pad van Uw rechtsbesluiten, Yahweh, hebben wij op U gewacht. Uw naam en Uw gedachtenis zijn het verlangen van de ziel. Brontekst: אַ֣ף (af) = ook | אֹ֧רַח (orach) = pad van | מִשְׁפָּטֶ֛יךָ (mishpateikha) = Uw rechtsbesluiten | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | קִוִּינ֑וּךָ (qivinukha) = wij hebben op U gewacht | לְשִׁמְךָ֥ (leshimkha) = naar Uw naam | וּֽלְזִכְרְךָ֖ (ulezikhrekha) = en naar Uw gedachtenis | תַּאֲוַת (taavat) = verlangen van | נָֽפֶשׁ (nafesh) = ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּטֶיךָ (mishpatekha), ‘Uw rechtsbesluiten’: de uitspraken waarmee Yahweh recht doet. Het woord mishpat vertalen wij overal met ‘recht’; in het meervoud ‘rechtsbesluiten’. Voetnoot : זִכְרְךָ (zikhrekha), ‘Uw gedachtenis’: de naam waaronder Yahweh herinnerd wordt (vergelijk Exod. 3:15). Zie ook: Ex 3:15; Ps 37:3–7; Jes 33:2; Jak 5:7–11; 2 Tess 3:5 **26:9** Mijn ziel verlangt naar U in de nacht. Ook mijn geest in mijn binnenste zoekt U vroeg. Want wanneer Uw rechtsbesluiten de aarde treffen, leren de bewoners van de wereld gerechtigheid. Brontekst: נַפְשִׁ֤י (nafshi) = mijn ziel | אִוִּיתִ֨יךָ֙ (ivitikha) = ik verlang naar U | בַּלַּ֔יְלָה (balayla) = in de nacht | אַף (af) = ook | רוּחִ֥י (ruchi) = mijn geest | בְקִרְבִּ֖י (beqirbi) = in mijn binnenste | אֲשַֽׁחֲרֶ֑ךָּ (ashachareka) = ik zoek U vroeg | כִּ֞י (ki) = want | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = wanneer | מִשְׁפָּטֶ֨יךָ֙ (mishpateikha) = Uw rechtsbesluiten | לָאָ֔רֶץ (laarets) = voor de aarde | צֶ֥דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | לָמְד֖וּ (lamedu) = zij leren | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | תֵבֵֽל (tevel) = wereld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, en רוּחַ (ruach), ‘geest’: het hele innerlijk verlangt naar Yahweh. Voetnoot : אֲשַׁחֲרֶךָּ (ashacharekka), ‘ik zoek U vroeg’: het werkwoord is verwant aan שַׁחַר (shachar), ‘dageraad’. Het betekent: ik zoek U met ernst, al in de vroegte. Zie ook: Ps 63:2; Ps 63:7–8; Ps 119:62; Hoogl 3:1–4; Mat 6:33 **26:10** Als de goddeloze gunst wordt bewezen, leert hij geen gerechtigheid. In een land van rechtschapenheid doet hij onrecht. De hoogheid van Yahweh ziet hij niet. Brontekst: יֻחַ֤ן (yuchan) = wordt gunst bewezen | רָשָׁע֙ (rasha) = de goddeloze | בַּל (bal) = niet | לָמַ֣ד (lamad) = hij leert | צֶ֔דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | נְכֹח֖וֹת (nekhochot) = rechtschapenheid | יְעַוֵּ֑ל (yeavel) = hij doet onrecht | וּבַל (uval) = en niet | יִרְאֶ֖ה (yire) = hij ziet | גֵּא֥וּת (geut) = hoogheid van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֻחַן (yuchan), ‘gunst wordt bewezen’: van חָנַן (chanan), ‘genadig zijn’. Als de goddeloze alleen gunst krijgt en geen oordeel, leert hij niets. Voetnoot : נְכֹחוֹת (nekhochot), ‘rechtschapenheid’: letterlijk ‘wat recht voor zich uit is’. Het is een land waar het recht heerst, en toch doet de goddeloze daar onrecht. Zie ook: Ps 106:43; Hos 11:7; Jer 2:7; Joh 5:37–38; Rom 2:4–5 **26:11** Yahweh, Uw hand is opgeheven, maar zij zien het niet. Laat hen de ijver voor het volk zien en laat hen beschaamd worden. Ja, het vuur voor Uw vijanden zal hen verteren. Brontekst: יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | רָ֥מָה (rama) = opgeheven | יָדְךָ֖ (yadekha) = Uw hand | בַּל (bal) = niet | יֶחֱזָי֑וּן (yechezayun) = zij zien het | יֶחֱז֤וּ (yechezu) = laat hen zien | וְיֵבֹ֨שׁוּ֙ (veyevoshu) = en laat hen beschaamd worden | קִנְאַת (qinat) = ijver voor | עָ֔ם (am) = volk | אַף (af) = ook | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | צָרֶ֥יךָ (tsareikha) = Uw vijanden | תֹאכְלֵֽם (tokhlem) = het verteert hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִנְאַת עָם (qinat am), ‘de ijver voor het volk’: Yahweh is vurig voor Zijn volk. De zin kan ook betekenen: ‘de ijver van het volk’. Wij lezen: Yahweh zet Zich vurig in voor Zijn volk. Voetnoot : אֵשׁ צָרֶיךָ (esh tsarekha), ‘het vuur voor Uw vijanden’: het vuur dat voor hen bestemd is. De woorden kunnen ook betekenen: ‘het vuur van Uw vijanden’. Zie ook: Jes 5:24; Mi 5:8; Mal 3:19; Hand 28:27; Heb 10:27 ### Yahweh geeft ons vrede **26:12** Yahweh, U zult vrede voor ons vestigen. Want ook al onze werken hebt U voor ons verricht. Brontekst: יְהוָ֕ה (Yahweh) = Yahweh | תִּשְׁפֹּ֥ת (tishpot) = U zult vestigen | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | לָ֑נוּ (lanu) = voor ons | כִּ֛י (ki) = want | גַּ֥ם (gam) = ook | כָּֽל (kal) = al | מַעֲשֵׂ֖ינוּ (maaseinu) = onze werken | פָּעַ֥לְתָּ (paalta) = U hebt verricht | לָּֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּשְׁפֹּת (tishpot), ‘U zult vestigen’: letterlijk ‘U zult neerzetten’. Yahweh geeft vrede en stelt die vast. Zie ook: Deut 30:6; Ps 29:11; Ps 57:3; Ezech 20:14; Ef 2:10 **26:13** Yahweh, onze Elohim, andere heren dan U hebben ons beheerst. Alleen in U vermelden wij Uw naam. Brontekst: יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | בְּעָל֥וּנוּ (bealunu) = hebben ons beheerst | אֲדֹנִ֖ים (adonim) = heren | זֽוּלָתֶ֑ךָ (zulatekha) = buiten U | לְבַד (levad) = alleen | בְּךָ֖ (bekha) = in U | נַזְכִּ֥יר (nazkir) = wij vermelden | שְׁמֶֽךָ (shemekha) = Uw naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּעָלוּנוּ (be’alunu), ‘hebben ons beheerst’: van בָּעַל (ba’al), ‘heer zijn over’, ‘bezitten’. Het is verwant aan de naam Baäl. Voetnoot : אֲדֹנִים (adonim), ‘heren’: dit zijn andere heersers dan Yahweh. Het is niet de titel Adonai voor Yahweh. Voetnoot : בְּךָ (bekha), ‘in U’: kan ook ‘door U’ of ‘alleen U’ betekenen. Zie ook: Joz 23:7; Jes 2:8; Jes 51:22; Jes 63:7; Rom 6:22 **26:14** Doden zullen niet leven. Schimmen zullen niet opstaan. Daarom hebt U hen gestraft en vernietigd, en U hebt elke herinnering aan hen laten verdwijnen. Brontekst: מֵתִים֙ (metim) = doden | בַּל (bal) = niet | יִחְי֔וּ (yichyu) = zij zullen leven | רְפָאִ֖ים (refaim) = schimmen | בַּל (bal) = niet | יָקֻ֑מוּ (yaqumu) = zij zullen opstaan | לָכֵ֤ן (lakhen) = daarom | פָּקַ֨דְתָּ֙ (paqadta) = U hebt gestraft | וַתַּשְׁמִידֵ֔ם (vatashmidem) = en U hebt vernietigd hen | וַתְּאַבֵּ֥ד (vateabed) = en U hebt laten verdwijnen | כָּל (kal) = alle | זֵ֖כֶר (zekher) = herinnering | לָֽמוֹ (lamo) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְפָאִים (refa’im), ‘schimmen’: de doden in het dodenrijk. Zie ook Job 26:5, Ps. 88:11 en Spr. 9:18. Voetnoot : De heersers van vers 13 zijn dood en komen niet terug. Dat staat tegenover vers 19, waar de doden van Yahweh wel opstaan. Zie ook: Job 26:5; Ps 88:11; Spr 9:18; Spr 10:7; Jes 8:19; Jes 14:19–22; Jes 26:13; Jes 26:19; Hab 2:18–20; Openb 18:2–3 **26:15** U hebt het volk vermeerderd, Yahweh. U hebt het volk vermeerderd. U bent verheerlijkt. U hebt alle uiteinden van de aarde ver weggeschoven. Brontekst: יָסַ֤פְתָּ (yasafta) = U hebt vermeerderd | לַגּוֹי֙ (lagoy) = het volk | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יָסַ֥פְתָּ (yasafta) = U hebt vermeerderd | לַגּ֖וֹי (lagoy) = het volk | נִכְבָּ֑דְתָּ (nikhbadta) = U bent verheerlijkt | רִחַ֖קְתָּ (richaqta) = U hebt ver weggeschoven | כָּל (kal) = alle | קַצְוֵי (qatsvei) = uiteinden van | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִחַקְתָּ (richaqta), ‘U hebt ver weggeschoven’: de grenzen van het land worden ver naar buiten verlegd. Het Hebreeuws kan ook ‘U hebt hen ver weggebracht’ betekenen, de vijanden naar de uiteinden van de aarde. Voetnoot : אֶרֶץ (erets) kan ‘aarde’ of ‘land’ zijn. Wij houden ‘aarde’. Zie ook: Jes 9:2; Jes 54:2–3; Joh 15:8; Joh 17:1; Openb 11:15–18 ### Als een vrouw in barensnood **26:16** Yahweh, in de nood zochten zij U op. Zij stortten een fluistergebed uit toen Uw tucht over hen kwam. Brontekst: יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּצַּ֣ר (batsar) = in nood | פְּקָד֑וּךָ (peqadukha) = zij zochten U op | צָק֣וּן (tsaqun) = zij stortten uit | לַ֔חַשׁ (lachash) = fluistergebed | מוּסָרְךָ֖ (musarekha) = Uw tucht | לָֽמוֹ (lamo) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּקָדוּךָ (pequdukha), ‘zij zochten U op’: letterlijk ‘zij bezochten U’. Zij kwamen tot U in hun nood. Voetnoot : לָחַשׁ (lachash), ‘fluistergebed’: een zacht gefluisterd gebed. Het kan ook een toverspreuk zijn; hier is het een stil gebed. Voetnoot : מוּסָר (musar), ‘tucht’: onderwijzing door straf. Zie ook: Re 10:9–10; 1 Sam 1:15; Ps 50:15; Hos 5:15; Jer 22:23 **26:17** Zoals een zwangere vrouw die bijna moet bevallen, weeën krijgt en schreeuwt van haar barensnood: zo waren wij voor Uw aangezicht, Yahweh. Brontekst: כְּמ֤וֹ (kemo) = zoals | הָרָה֙ (hara) = zwangere | תַּקְרִ֣יב (taqriv) = zij komt dichtbij | לָלֶ֔דֶת (laledet) = om te baren | תָּחִ֥יל (tachil) = zij krijgt weeën | תִּזְעַ֖ק (tizaq) = zij schreeuwt | בַּחֲבָלֶ֑יהָ (bachavaleiha) = in haar barensnood | כֵּ֛ן (ken) = zo | הָיִ֥ינוּ (hayinu) = wij waren | מִפָּנֶ֖יךָ (mipaneikha) = voor Uw aangezicht | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk vergelijkt zichzelf met een vrouw die bijna moet bevallen. Haar weeën zijn pijnlijk, maar het kind komt niet (vers 18). Zie ook: Jes 13:8; Jes 21:3; Jes 26:18; Jer 4:31; Joh 16:21; 1 Tess 5:3 **26:18** Wij werden zwanger, wij kregen weeën, alsof wij wind hebben gebaard. Redding brengen wij op aarde niet teweeg. En de bewoners van de wereld vallen niet. Brontekst: הָרִ֣ינוּ (harinu) = wij werden zwanger | חַ֔לְנוּ (chalnu) = wij kregen weeën | כְּמ֖וֹ (kemo) = alsof | יָלַ֣דְנוּ (yaladnu) = wij hebben gebaard | ר֑וּחַ (ruach) = wind | יְשׁוּעֹת֙ (yeshuot) = reddingen | בַּל (bal) = niet | נַ֣עֲשֶׂה (naase) = wij brengen teweeg | אֶ֔רֶץ (erets) = aarde | וּבַֽל (uval) = en niet | יִפְּל֖וּ (yipelu) = zij vallen | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = bewoners van | תֵבֵֽל (tevel) = wereld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִפְּלוּ (yippelu), ‘zij vallen’: het werkwoord betekent ‘vallen’. Hier kan het ook ‘ter wereld komen’ betekenen, zoals bij een geboorte. Het kan ook betekenen dat de bewoners niet vallen, dus dat de vijanden niet zijn verslagen. Wij laten de letterlijke vorm staan. Voetnoot : יְשׁוּעֹת (yeshuot), ‘redding’: meervoud van yeshuah. Het woord staat ook in vers 1. Zie ook: Ps 17:14; 2 Kon 19:3; Hos 13:13; Jes 26:1; Jes 37:3; Jes 59:4 ### Uw doden zullen leven **26:19** Uw doden zullen leven. Mijn lijk, zij zullen opstaan. Word wakker en jubel, bewoners van het stof! Want Uw dauw is een dauw van lichten, en de aarde laat de schimmen vallen.” Brontekst: יִֽחְי֣וּ (yichyu) = zij zullen leven | מֵתֶ֔יךָ (meteikha) = Uw doden | נְבֵלָתִ֖י (nevelati) = mijn lijk | יְקוּמ֑וּן (yequmun) = zij zullen opstaan | הָקִ֨יצוּ (haqitsu) = word wakker | וְרַנְּנ֜וּ (veranenu) = en jubel | שֹׁכְנֵ֣י (shokhenei) = bewoners van | עָפָ֗ר (afar) = stof | כִּ֣י (ki) = want | טַ֤ל (tal) = dauw van | אוֹרֹת֙ (orot) = lichten | טַלֶּ֔ךָ (talekha) = Uw dauw | וָאָ֖רֶץ (vaarets) = en de aarde | רְפָאִ֥ים (refaim) = schimmen | תַּפִּֽיל (tapil) = zij laat vallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבֵלָתִי (nevelati), ‘mijn lijk’: een enkelvoud met ‘mijn’. Het woord wordt hier als verzamelwoord gebruikt: de lijken van het volk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : אוֹרֹת (orot), ‘lichten’: het woord kan ook ‘kruiden’ betekenen, zoals in 2 Kon. 4:39. De dauw van Yahweh geeft nieuw leven, zoals dauw het gras doet groeien. Voetnoot : רְפָאִים (refa’im), ‘schimmen’: zie vers 14. Voetnoot : תַּפִּיל (tappil), ‘laat vallen’: dit is hetzelfde werkwoord als ‘vallen’ in vers 18. De aarde laat de doden ‘vallen’, dat wil zeggen: zij brengt ze voort zoals een vrouw een kind baart. Voetnoot : Het lied eindigt hier. In vers 20 spreekt Yahweh zelf. Zie ook: 2 Kon 4:39; Hos 13:14; Jes 26:14; Jes 26:18; Jes 26:20; Ezech 37:1–14; Dan 12:2; Mat 27:52; Ef 5:14 ### Verberg je even **26:20** **„Ga, mijn volk, ga je kamers binnen en sluit je deur achter je. Verberg je voor heel even, tot de gramschap voorbij is.”** Brontekst: לֵ֤ךְ (lekh) = ga | עַמִּי֙ (ami) = mijn volk | בֹּ֣א (bo) = kom binnen | בַחֲדָרֶ֔יךָ (bachadareikha) = in je kamers | וּֽסְגֹ֥ר (usegor) = en sluit | דְּלָתְךָ֖ (delatekha) = je deur | בַּעֲדֶ֑ךָ (baadekha) = achter je | חֲבִ֥י (chavi) = verberg je | כִמְעַט (kimat) = als een weinig | רֶ֖גַע (rega) = ogenblik | עַד (ad) = tot | יַעֲבָר (yaavar) = het voorbij is | זָֽעַם (zaam) = gramschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Yahweh Zelf. Hij noemt Israël ‘mijn volk’. Voetnoot : חֲבִי (chavi), ‘verberg je’: blijf verborgen in je kamer, tot het oordeel is voorbijgegaan. Vergelijk Exod. 12:22. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft דלתיך (delatekha), ‘je deuren’. De voorgelezen tekst (qere) heeft דְּלָתְךָ (delatkha), ‘je deur’. Wij volgen de qere. Voor het slot geldt iets dergelijks: de geschreven tekst (ketiv) heeft יעבור (ya’avor), ‘hij gaat voorbij’; de voorgelezen tekst (qere) heeft יַעֲבָר (ya’avar), ‘hij is voorbij’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 12:22; Ps 27:5; Ps 30:6; Ps 91:4; Jes 54:7–8; Mat 6:6 **26:21** Want zie, Yahweh komt uit Zijn plaats om de schuld van de bewoners van de aarde over hen te straffen. De aarde zal haar bloed blootleggen en haar gedoden niet meer bedekken. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יֹצֵ֣א (yotse) = komt uit | מִמְּקוֹמ֔וֹ (mimeqomo) = van Zijn plaats | לִפְקֹ֛ד (lifqod) = om te straffen | עֲוֺ֥ן (avon) = schuld van | יֹֽשֵׁב (yoshev) = bewoner van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | עָלָ֑יו (alav) = over hem | וְגִלְּתָ֤ה (vegileta) = en zal blootleggen | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | אֶת (et) = (obj.) | דָּמֶ֔יהָ (dameiha) = haar bloed | וְלֹֽא (velo) = en niet | תְכַסֶּ֥ה (tekhase) = zij zal bedekken | ע֖וֹד (od) = meer | עַל (al) = over | הֲרוּגֶֽיהָ (harugeiha) = haar gedoden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִמְּקוֹמוֹ (mimmeqomo), ‘uit Zijn plaats’: Yahweh komt uit de plaats waar Hij woont. Vergelijk Mi. 1:3. Voetnoot : עֲוֺן (avon), ‘schuld’: het woord betekent zowel de overtreding als de straf die erop volgt. Voetnoot : דָּמֶיהָ (dameha), ‘haar bloed’: het meervoud van dam, dus bloed dat is vergoten. De aarde heeft het bloed van de vermoorden opgenomen en laat het nu zien. Zie ook: Job 16:18; Jes 13:11; Jes 18:4; Mi 1:3; Jud 1:14–15; Openb 6:9–11 ## Jesaja 27 _De Leviatan, de wijngaard van Yahweh en het verspreide volk dat terugkeert_ ### Yahweh straft de Leviatan **27:1** Op die dag zal Yahweh met Zijn zwaard straffen, het harde, het grote en het sterke. Hij zal de Leviatan straffen, de vluchtende slang, en de Leviatan, de kronkelende slang. Hij zal het zeemonster doden dat in de zee is. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֡וּא (hahu) = die | יִפְקֹ֣ד (yifqod) = Hij zal straffen | יְהוָה֩ (Yahweh) = Yahweh | בְּחַרְב֨וֹ (becharvo) = met Zijn zwaard | הַקָּשָׁ֜ה (haqasha) = het harde | וְהַגְּדוֹלָ֣ה (vehagedola) = en het grote | וְהַֽחֲזָקָ֗ה (vehachazaqa) = en het sterke | עַ֤ל (al) = over | לִוְיָתָן֙ (livyatan) = Leviatan | נָחָ֣שׁ (nachash) = slang | בָּרִ֔חַ (bariach) = vluchtende | וְעַל֙ (veal) = en over | לִוְיָתָ֔ן (livyatan) = Leviatan | נָחָ֖שׁ (nachash) = slang | עֲקַלָּת֑וֹן (aqalaton) = kronkelende | וְהָרַ֥ג (veharag) = en Hij zal doden | אֶת (et) = (obj.) | הַתַּנִּ֖ין (hatanin) = het zeemonster | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בַּיָּֽם (bayam) = in de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִוְיָתָן (livyatan), ‘Leviatan’: een zeemonster. Zie ook Job 40:25–32 en Ps. 104:26 (vergelijk Job 3:8). Voetnoot : נָחָשׁ (nachash), ‘slang’ en תַּנִּין (tannin), ‘zeemonster’: beelden van een macht die tegen Yahweh en Zijn volk staat. De tekst zegt niet welke macht of welk volk bedoeld wordt. Voetnoot : בָּרִחַ (bariach), ‘vluchtend’: het woord kan ook ‘slingerend’ of ‘ontsnappend’ betekenen. עֲקַלָּתוֹן (aqallaton), ‘kronkelend’: een zeldzaam woord, het betekent ‘gedraaid’. Voetnoot : יִפְקֹד (yifqod), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken’, zoals in Hos. 1:4. Zie ook: Job 3:8; Job 26:13; Job 40:25–32; Ps 104:26; Hos 1:4; Jes 51:9; Jes 66:16; Ezech 29:3; Openb 12:3–13:2 ### De wijngaard van Yahweh **27:2** Op die dag: een lieflijke wijngaard! Zing erover. Brontekst: בַּיּ֖וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | כֶּ֥רֶם (kerem) = wijngaard van | חֶ֖מֶד (chemed) = lieflijkheid | עַנּוּ (anu) = zing | לָֽהּ (lah) = erover Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֶּרֶם חֶמֶד (kerem chemed), ‘een lieflijke wijngaard’: vergelijk Amos 5:11, waar ‘lieflijke wijngaarden’ staat. Hier is de wijngaard Israël, zoals in Jes. 5:1–7. Voetnoot : עַנּוּ לָהּ (annu lah), ‘zing erover’: letterlijk ‘antwoord haar’ of ‘zing tegen haar’. Het werkwoord kan ook ‘zingen’ betekenen. Voetnoot : Dit vers heeft geen ‘Ik’. De ‘Ik’ van Yahweh begint in vers 3. Zie ook: Num 21:17; Ps 80:9–20; Amos 5:11; Jes 5:1–7; Jes 27:3; Jer 2:21; Mat 21:33–46 **27:3** **„Ik, Yahweh, bewaak haar. Elk ogenblik geef Ik haar water. Opdat niemand haar schade toebrengt, bewaak Ik haar nacht en dag.** Brontekst: אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | נֹֽצְרָ֔הּ (notserah) = bewaker ervan | לִרְגָעִ֖ים (lirgaim) = elk ogenblik | אַשְׁקֶ֑נָּה (ashqena) = Ik geef haar te drinken | פֶּ֚ן (pen) = opdat niet | יִפְקֹ֣ד (yifqod) = iemand straft | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = haar | לַ֥יְלָה (layla) = nacht | וָי֖וֹם (vayom) = en dag | אֶצֳּרֶֽנָּה (etsorena) = Ik bewaak haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Yahweh zelf. Het is Zijn lied over de wijngaard. Voetnoot : יִפְקֹד עָלֶיהָ (yifqod aleha), ‘haar schade toebrengen’: letterlijk ‘over haar bezoeken’, dus iemand die haar straft of aantast. Zie ook: 1 Sam 2:9; Ps 121:3–5; Jes 58:11; Ezech 34:11; Joh 15:1–2 **27:4** **Woede heb Ik niet. Wie geeft Mij doornstruiken en doornen in de strijd? Ik zou erop losgaan. Ik zou ze allemaal tegelijk in brand steken.** Brontekst: חֵמָ֖ה (chema) = woede | אֵ֣ין (ein) = er is niet | לִ֑י (li) = bij Mij | מִֽי (mi) = wie | יִתְּנֵ֜נִי (yiteneni) = geeft Mij | שָׁמִ֥יר (shamir) = doornstruik | שַׁ֨יִת֙ (shayit) = doorn | בַּמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = in de strijd | אֶפְשְׂעָ֥ה (efsea) = Ik zou erop losgaan | בָ֖הּ (bah) = ertegen | אֲצִיתֶ֥נָּה (atsitena) = Ik zou ze aansteken | יָּֽחַד (yachad) = tegelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁמִיר שַׁיִת (shamir shayit), ‘doornstruiken en doornen’: wild, stekelig onkruid. Zij zijn het beeld van de vijanden van de wijngaard. Voetnoot : אֶפְשְׂעָה (efse’ah), ‘Ik zou erop losgaan’: het woord komt alleen hier voor en de betekenis is niet zeker. Zie ook: 2 Sam 23:6; Ps 85:4; Jes 10:17; Mat 3:12; Heb 6:8 **27:5** **Of laat hij Mijn toevlucht vasthouden. Laat hij vrede met Mij sluiten, vrede sluiten met Mij.”** Brontekst: א֚וֹ (o) = of | יַחֲזֵ֣ק (yachazeq) = hij houdt vast | בְּמָעוּזִּ֔י (bemauzi) = aan Mijn toevlucht | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = hij sluit | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | לִ֑י (li) = met Mij | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | יַֽעֲשֶׂה (yaase) = hij sluit | לִּֽי (li) = met Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמָעוּזִּי (bema’uzzi), ‘Mijn toevlucht’: het woord ma’oz staat ook in Jes. 25:4. Yahweh nodigt de vijand uit om bij Hem schuilplaats te zoeken. Voetnoot : שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: staat twee keer in dit vers. Zie ook: Job 22:21; Jes 25:4; Jes 57:19; 2 Kor 5:19–21; Ef 2:16–17 ### Jakob zal bloeien **27:6** In de komende tijd zal Jakob wortel schieten. Israël zal bloeien en uitbotten. Zij zullen het oppervlak van de wereld vullen met vrucht. Brontekst: הַבָּאִים֙ (habaim) = de komenden | יַשְׁרֵ֣שׁ (yashresh) = zal wortel schieten | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | יָצִ֥יץ (yatsits) = zal bloeien | וּפָרַ֖ח (ufarach) = en zal uitbotten | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּמָלְא֥וּ (umaleu) = en zij zullen vullen | פְנֵי (penei) = oppervlak van | תֵבֵ֖ל (tevel) = wereld | תְּנוּבָֽה (tenuva) = met vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבָּאִים (habba’im), ‘de komenden’: de tijd die komt. Wij vertalen ‘in de komende tijd’. Zie ook: Hos 14:6–7; Jes 37:31; Jes 54:1–3; Zach 2:15; Rom 11:16–26 ### Verzoening voor Jakob **27:7** Heeft Hij hem getroffen zoals Hij hen trof die hem sloegen? Of is hij gedood zoals zijn gedoden zijn gedood? Brontekst: הַכְּמַכַּ֥ת (hakemakat) = is het als de slag van | מַכֵּ֖הוּ (makehu) = die hem sloeg | הִכָּ֑הוּ (hikahu) = heeft Hij hem getroffen | אִם (im) = of | כְּהֶ֥רֶג (kehereg) = zoals de moord op | הֲרֻגָ֖יו (harugav) = zijn gedoden | הֹרָֽג (horag) = is hij gedood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vraag verwacht het antwoord nee: Yahweh heeft Israël niet zo zwaar getroffen als de volken die Israël sloegen. De zin kan ook anders worden gelezen; het Hebreeuws zegt niet wie ‘hem’ is. Wij lezen Jakob uit vers 6. Zie ook: Jes 10:20–25; Jes 17:3; Jes 27:6; Jes 37:36–38; Jer 50:40; Jer 51:24 **27:8** Met mate, door haar weg te sturen, twist Hij met haar. Hij verdrijft haar met Zijn harde wind op de dag van de oostenwind. Brontekst: בְּסַּאסְּאָ֖ה (besasa) = met mate | בְּשַׁלְחָ֣הּ (beshalchah) = door haar weg te sturen | תְּרִיבֶ֑נָּה (terivena) = Hij twist met haar | הָגָ֛ה (haga) = Hij verdrijft | בְּרוּח֥וֹ (berucho) = met Zijn wind | הַקָּשָׁ֖ה (haqasha) = de harde | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | קָדִֽים (qadim) = oostenwind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סַאסְּאָה (sa’se’ah), ‘met mate’: het woord komt alleen hier voor en de betekenis is niet zeker. Het kan een maat zijn. Voetnoot : הָגָה (hagah), ‘verdrijven’: de betekenis is hier niet zeker. Voetnoot : De vorm van ‘twist’ kan ook ‘U twist’ of ‘zij twist’ zijn. Wij lezen Yahweh in de derde persoon. Voetnoot : קָדִים (qadim), ‘oostenwind’: de hete, droge wind uit de woestijn. Zie ook: Hos 4:1; Jer 4:11; Jer 10:24; Jer 30:11; Ezech 19:12 **27:9** Daarom wordt hierdoor de schuld van Jakob verzoend. Dit is de hele vrucht van het wegnemen van zijn zonde: dat hij alle stenen van het altaar maakt tot verbrijzelde kalksteen. Heilige palen en wierookaltaren zullen niet meer opstaan. Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | בְּזֹאת֙ (bezot) = hierdoor | יְכֻפַּ֣ר (yekhupar) = wordt verzoend | עֲוֺֽן (avon) = schuld van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְזֶ֕ה (veze) = en dit | כָּל (kal) = hele | פְּרִ֖י (peri) = vrucht van | הָסִ֣ר (hasir) = het wegnemen van | חַטָּאת֑וֹ (chatato) = zijn zonde | בְּשׂוּמ֣וֹ (besumo) = als hij maakt | כָּל (kal) = alle | אַבְנֵ֣י (avnei) = stenen van | מִזְבֵּ֗חַ (mizbeach) = altaar | כְּאַבְנֵי (keavnei) = als stenen van | גִר֙ (gir) = kalk | מְנֻפָּצ֔וֹת (menupatsot) = verbrijzelde | לֹֽא (lo) = niet | יָקֻ֥מוּ (yaqumu) = zij zullen opstaan | אֲשֵׁרִ֖ים (asherim) = heilige palen | וְחַמָּנִֽים (vechamanim) = en wierookaltaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּפֶּר (kipper), ‘verzoenen’: hetzelfde werkwoord als bij het verzoeningsoffer in de wet, zoals in Lev. 16:30. Hier is de schuld verzoend doordat de afgodsaltaren worden vernield. Voetnoot : אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’ en חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: de betekenis van het tweede woord is niet helemaal zeker. Zie ook Lev. 26:30. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie de altaarstenen verbrijzelt. Wij lezen: Jakob zelf. Zie ook: Lev 16:30; Lev 26:30; Jes 4:4; Jes 17:8; Jes 48:10; Dan 11:35; Rom 11:27 **27:10** Want de versterkte stad is eenzaam. De woonplaats is weggestuurd en verlaten als de woestijn. Daar graast het kalf, daar ligt het neer en eet het haar takken op. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | עִ֤יר (ir) = stad | בְּצוּרָה֙ (betsura) = versterkte | בָּדָ֔ד (badad) = eenzaam | נָוֶ֕ה (nave) = woonplaats | מְשֻׁלָּ֥ח (meshulach) = weggestuurd | וְנֶעֱזָ֖ב (veneezav) = en verlaten | כַּמִּדְבָּ֑ר (kamidbar) = als de woestijn | שָׁ֣ם (sham) = daar | יִרְעֶ֥ה (yire) = graast | עֵ֛גֶל (egel) = kalf | וְשָׁ֥ם (vesham) = en daar | יִרְבָּ֖ץ (yirbats) = ligt neer | וְכִלָּ֥ה (vekhila) = en eet op | סְעִפֶֽיהָ (seifeiha) = haar takken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָוֶה (naveh), ‘woonplaats’: het woord kan ook ‘weide’ betekenen. Voetnoot : De ‘versterkte stad’ is dezelfde als in Jes. 25:2 en 26:5, of een andere stad. De tekst zegt het niet. Zie ook: Jes 17:2; Jes 17:9; Jes 25:2; Jes 26:5; Jes 32:13–14; Mi 3:12; Jer 26:18 **27:11** Als haar twijgen droog zijn, worden ze afgebroken. Vrouwen komen en steken ze aan. Want het is geen volk met inzicht. Daarom ontfermt zijn Maker Zich niet over hem, en zijn Vormer is hem niet genadig. Brontekst: בִּיבֹ֤שׁ (bivosh) = als verdord | קְצִירָהּ֙ (qetsirah) = haar twijgen | תִּשָּׁבַ֔רְנָה (tishavarna) = zij worden afgebroken | נָשִׁ֕ים (nashim) = vrouwen | בָּא֖וֹת (baot) = komend | מְאִיר֣וֹת (meirot) = steken aan | אוֹתָ֑הּ (otah) = het | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | עַם (am) = volk van | בִּינוֹת֙ (binot) = inzicht | ה֔וּא (hu) = het | עַל (al) = over | כֵּן֙ (ken) = zo | לֹֽא (lo) = niet | יְרַחֲמֶ֣נּוּ (yerachamenu) = ontfermt Zich over hem | עֹשֵׂ֔הוּ (osehu) = zijn Maker | וְיֹצְר֖וֹ (veyotsero) = en zijn Vormer | לֹ֥א (lo) = niet | יְחֻנֶּֽנּוּ (yechunenu) = is hem genadig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְצִירָהּ (qetsirah), ‘haar twijgen’: het woord betekent meestal ‘oogst’ of ‘tak’. Wij lezen ‘twijgen’ omdat de zin gaat over afbreken en aansteken. Voetnoot : עֹשֵׂהוּ (osehu), ‘zijn Maker’ en יֹצְרוֹ (yotsro), ‘zijn Vormer’: titels van Yahweh als Schepper. Voetnoot : רִחַם (richem), ‘zich ontfermen’ en חָנַן (chanan), ‘genadig zijn’: de beide woorden staan naast elkaar. Yahweh toont dit volk geen ontferming. Zie ook: Jes 1:3; Jes 43:1; Jes 43:7; Jes 44:24; Jer 8:7 ### Het verspreide volk komt terug **27:12** Op die dag zal Yahweh afkloppen, vanaf de stroom van de Rivier tot de beek van Egypte. En jullie, zonen van Israël, zullen een voor een worden opgeraapt. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | יַחְבֹּ֧ט (yachbot) = zal afkloppen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | מִשִּׁבֹּ֥לֶת (mishibolet) = vanaf de stroom van | הַנָּהָ֖ר (hanahar) = de Rivier | עַד (ad) = tot | נַ֣חַל (nachal) = beek van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאַתֶּ֧ם (veatem) = en jullie | תְּלֻקְּט֛וּ (teluqetu) = zullen worden opgeraapt | לְאַחַ֥ד (leachad) = een voor | אֶחָ֖ד (echad) = een | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land. De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. Zie Beek van Egypte: De beek van Egypte wordt gezocht bij het Wadi el-Arisj, in het noorden van het schiereiland Sinaï. Dit is de zuidwestgrens van het land. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שִׁבֹּלֶת הַנָּהָר (shibboleth hannahar), ‘de stroom van de Rivier’: het woord shibboleth betekent ‘aar’ en ook ‘stroom’. ‘De Rivier’ is de Eufraat, zoals in 1 Kon. 5:4. De beek van Egypte is de zuidgrens van het land. Voetnoot : יַחְבֹּט (yachbot), ‘afkloppen’: zoals olijven van de boom worden geslagen (Deut. 24:20). Yahweh klopt Zijn volk als vruchten bijeen en raapt hen één voor één op. Zie ook: Gen 15:18; Deut 24:20; Deut 30:3–4; 1 Kon 5:4; Amos 9:9; Jes 56:8; Neh 1:9 **27:13** Op die dag wordt er op een grote ramshoorn geblazen. Dan komen de verlorenen in het land Assyrië, en de verdrevenen in het land Egypte. Zij zullen zich neerbuigen voor Yahweh op de heilige berg in Jeruzalem. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִתָּקַע֮ (yitaqa) = wordt geblazen | בְּשׁוֹפָ֣ר (beshofar) = op een ramshoorn | גָּדוֹל֒ (gadol) = grote | וּבָ֗אוּ (uvau) = en zij zullen komen | הָאֹֽבְדִים֙ (haovedim) = de verlorenen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וְהַנִּדָּחִ֖ים (vehanidachim) = en de verdrevenen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהִשְׁתַּחֲו֧וּ (vehishtachavu) = en zij zullen zich neerbuigen | לַיהוָ֛ה (laYahweh) = voor Yahweh | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = de heilige | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר גָּדוֹל (shofar gadol), ‘een grote ramshoorn’: een signaal voor de terugkeer van de verspreide Israëlieten. Vergelijk Joël 2:1. Voetnoot : הָאֹבְדִים (ha’ovedim), ‘de verlorenen’: zij die omgekomen zijn in een ver land of verloren zijn gegaan. Voetnoot : הִשְׁתַּחֲווּ (hishtachavu), ‘zij zullen zich neerbuigen’: voor Yahweh buigen zij zich diep. Zie ook: Lev 25:9; Joël 2:1; Jes 19:23–25; Mat 24:31; Luc 4:18; Heb 12:22 ## Jesaja 28 _Wee Efraïm en de spotters in Jeruzalem; de steen in Sion en de landman_ ### Wee de dronkaards van Efraïm **28:1** Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm. Zijn prachtige sieraad is een verwelkende bloem op het hoofd van het vruchtbare dal, van hen die door wijn overmand zijn. Brontekst: ה֗וֹי (hoy) = wee | עֲטֶ֤רֶת (ateret) = kroon van | גֵּאוּת֙ (geut) = trots | שִׁכֹּרֵ֣י (shikorei) = dronkaards van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וְצִ֥יץ (vetsits) = en bloem van | נֹבֵ֖ל (novel) = verwelkend | צְבִ֣י (tsevi) = sieraad van | תִפְאַרְתּ֑וֹ (tifarto) = zijn pracht | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = hoofd van | גֵּֽיא (gei) = dal van | שְׁמָנִ֖ים (shemanim) = vruchtbare streken | הֲל֥וּמֵי (halumei) = overmand door | יָֽיִן (yayin) = wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van klacht en waarschuwing. Voetnoot : גֵּיא שְׁמָנִים (gei shemanim), ‘dal van vette streken’: een vruchtbaar dal. Met de kroon op het hoofd van dat dal is waarschijnlijk Samaria bedoeld, de hoofdstad van Efraïm. Efraïm is hier het noordelijke rijk; zie ook Hos. 4:17. Zie ook: 2 Kon 14:25–27; Hos 4:17; Hos 7:5; Jes 9:8; Jes 28:3–4; Jes 28:7 **28:2** Zie, de Heer heeft er een die sterk en machtig is. Als een stortbui van hagel, een verwoestende storm, als een stortvloed van geweldige, overstromende wateren, werpt hij neer op de aarde, met de hand. Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | חָזָ֤ק (chazaq) = sterk | וְאַמִּץ֙ (veamits) = en machtig | לַֽאדֹנָ֔י (ladonay) = voor de Heer | כְּזֶ֥רֶם (kezerem) = als een stortbui van | בָּרָ֖ד (barad) = hagel | שַׂ֣עַר (saar) = storm van | קָ֑טֶב (qatev) = verwoesting | כְּ֠זֶרֶם (kezerem) = als een stortbui van | מַ֣יִם (mayim) = water | כַּבִּירִ֥ים (kabirim) = geweldig | שֹׁטְפִ֛ים (shotefim) = overstromend | הִנִּ֥יחַ (hiniach) = werpt hij neer | לָאָ֖רֶץ (laarets) = op de aarde | בְּיָֽד (beyad) = met de hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’. Het Hebreeuws zegt niet wie de sterke en machtige is die de Heer heeft. Voetnoot : בְּיָד (beyad), ‘met de hand’: met kracht. Zie ook: Jes 27:1; Jes 29:6; Jes 30:30; Nah 1:8; Ezech 13:11 **28:3** Met voeten wordt de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm vertrapt. Brontekst: בְּרַגְלַ֖יִם (beraglayim) = met voeten | תֵּֽרָמַ֑סְנָה (teramasna) = wordt vertrapt | עֲטֶ֥רֶת (ateret) = kroon van | גֵּא֖וּת (geut) = trots | שִׁכּוֹרֵ֥י (shikorei) = dronkaards van | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 9:33; Jes 26:6; Jes 28:1; Dan 8:13; Heb 10:29 **28:4** De verwelkende bloem van zijn prachtige sieraad, op het hoofd van het vruchtbare dal, zal worden als een eerste vrucht vóór de zomer. Zodra iemand haar ziet, slokt hij haar op, terwijl ze nog in zijn hand is. Brontekst: וְֽהָ֨יְתָ֜ה (vehayeta) = en zal worden | צִיצַ֤ת (tsitsat) = bloem van | נֹבֵל֙ (novel) = verwelkend | צְבִ֣י (tsevi) = sieraad van | תִפְאַרְתּ֔וֹ (tifarto) = zijn pracht | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עַל (al) = op | רֹ֖אשׁ (rosh) = hoofd van | גֵּ֣יא (gei) = dal van | שְׁמָנִ֑ים (shemanim) = vruchtbare streken | כְּבִכּוּרָהּ֙ (kevikurah) = als een eerste vrucht | בְּטֶ֣רֶם (beterem) = vóór | קַ֔יִץ (qayits) = zomer | אֲשֶׁ֨ר (asher) = zodra | יִרְאֶ֤ה (yire) = ziet | הָֽרֹאֶה֙ (haroe) = wie ziet | אוֹתָ֔הּ (otah) = haar | בְּעוֹדָ֥הּ (beodah) = terwijl ze nog is | בְּכַפּ֖וֹ (bekhapo) = in zijn hand | יִבְלָעֶֽנָּה (yivlaena) = slokt hij haar op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּכּוּרָה (bikkurah), ‘eerste vrucht’: een vroeg rijpe vrucht die men meteen opeet. Hetzelfde woord staat in Hos. 9:10. Zie ook: Hos 6:4; Hos 9:10; Hos 13:15; Jes 28:1; Mi 7:1; Nah 3:12 ### Yahweh van de legermachten wordt een kroon **28:5** Op die dag zal Yahweh van de legermachten een sierlijke kroon zijn en een prachtige tooi voor de overgeblevenen van Zijn volk. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לַעֲטֶ֣רֶת (laateret) = tot een kroon van | צְבִ֔י (tsevi) = sieraad | וְלִצְפִירַ֖ת (velitsfirat) = en tot een tooi van | תִּפְאָרָ֑ה (tifara) = pracht | לִשְׁאָ֖ר (lishar) = voor de overgeblevenen van | עַמּֽוֹ (amo) = Zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאָר (she'ar), ‘de overgeblevenen’: zij die na het oordeel overblijven. Yahweh Zelf wordt de kroon van hen die overblijven. Voetnoot : צְפִירָה (tsefirah), ‘tooi’: een zeldzaam woord. De betekenis is niet helemaal zeker; het hoort bij een sierlijke krans. Zie ook: Jes 41:16; Jes 60:19; Jes 62:3; Rom 11:5–6; 1 Petr 5:4 **28:6** Hij zal een geest van recht zijn voor wie recht spreekt, en kracht voor hen die de strijd terugdrijven naar de poort. Brontekst: וּלְר֖וּחַ (uleruach) = en tot een geest van | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | לַיּוֹשֵׁב֙ (layoshev) = voor wie zit | עַל (al) = op | הַמִּשְׁפָּ֔ט (hamishpat) = het recht | וְלִ֨גְבוּרָ֔ה (veligvura) = en tot kracht | מְשִׁיבֵ֥י (meshivei) = voor wie terugdrijven | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = strijd | שָֽׁעְרָה (shaera) = naar de poort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל־הַמִּשְׁפָּט (al hammishpat), ‘op het recht’: voor wie zit om recht te spreken. Voetnoot : מְשִׁיבֵי מִלְחָמָה שָׁעְרָה (meshivei milchamah shaarah), ‘die de strijd naar de poort terugdrijven’: de aanval wordt tot aan de poort teruggedreven. Het Hebreeuws zegt niet van wie de poort is. Zie ook: Num 11:16–17; Joz 1:9; Ps 18:33–35; Jes 11:2–4; Joh 5:30 ### Priester en profeet zwalken **28:7** Ook dezen dwalen door wijn en zwalken door sterke drank. Priester en profeet dwalen door sterke drank. Zij zijn verslonden door de wijn en zwalken door de sterke drank. Zij dwalen in het visioen en wankelen bij het oordeel. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = dezen | בַּיַּ֣יִן (bayayin) = door wijn | שָׁג֔וּ (shagu) = dwalen | וּבַשֵּׁכָ֖ר (uvashekhar) = en door sterke drank | תָּע֑וּ (tau) = zwalken | כֹּהֵ֣ן (kohen) = priester | וְנָבִיא֩ (venavi) = en profeet | שָׁג֨וּ (shagu) = dwalen | בַשֵּׁכָ֜ר (bashekhar) = door sterke drank | נִבְלְע֣וּ (nivleu) = zijn verslonden | מִן (min) = door | הַיַּ֗יִן (hayayin) = de wijn | תָּעוּ֙ (tau) = zwalken | מִן (min) = door | הַשֵּׁכָ֔ר (hashekhar) = de sterke drank | שָׁגוּ֙ (shagu) = dwalen | בָּֽרֹאֶ֔ה (baroe) = in het visioen | פָּק֖וּ (paqu) = wankelen | פְּלִילִיָּֽה (peliliya) = bij het oordeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁכָר (shekar), ‘sterke drank’: een gegiste drank, anders dan wijn. Voetnoot : פָּקוּ (paqu), ‘zij wankelen’: een zeldzaam werkwoord; de betekenis is onzeker. Voetnoot : פְּלִילִיָּה (peliliyyah), ‘het oordeel’: de uitspraak van de rechter. Voetnoot : ‘Ook dezen’ wijst waarschijnlijk naar de leiders van Juda, na de dronkaards van Efraïm. Zie ook: Spr 20:1; Pred 10:17; Jes 19:14; Jes 56:10–12; Luc 21:34 **28:8** Want alle tafels zijn vol braaksel en vuil. Er is geen plaats. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | כָּל (kal) = alle | שֻׁלְחָנ֔וֹת (shulchanot) = tafels | מָלְא֖וּ (maleu) = zijn vol | קִ֣יא (qi) = braaksel | צֹאָ֑ה (tsoa) = vuil | בְּלִ֖י (beli) = zonder | מָקֽוֹם (maqom) = plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִי מָקוֹם (bli maqom), ‘zonder plaats’: er is geen schone plek meer. Zie ook: Spr 26:11; Jer 48:26; Hab 2:15–16 **28:9** Wie wil hij kennis leren? En wie wil hij het bericht laten begrijpen? Kinderen die van de melk zijn gespeend, van de borsten zijn weggenomen? Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | מִי֙ (mi) = wie | יוֹרֶ֣ה (yore) = hij leert | דֵעָ֔ה (dea) = kennis | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִ֖י (mi) = wie | יָבִ֣ין (yavin) = hij doet begrijpen | שְׁמוּעָ֑ה (shemua) = het bericht | גְּמוּלֵי֙ (gemulei) = gespeend van | מֵֽחָלָ֔ב (mechalav) = melk | עַתִּיקֵ֖י (atiqei) = weggenomen van | מִשָּׁדָֽיִם (mishadayim) = borsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie hier spreekt. Het zijn waarschijnlijk de priesters en profeten uit vers 7, die de profeet bespotten. ‘Hij’ is in die lezing de profeet. Ze noemen hem iemand die kleine kinderen onderwijst. Zie ook: Ps 131:2; Jes 28:7; Jer 6:10; Mat 11:25; Mat 21:15–16; Joh 12:38 **28:10** Want: gebod op gebod, gebod op gebod; lijn op lijn, lijn op lijn; een beetje daar, een beetje daar. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | צַ֤ו (tsav) = gebod | לָצָו֙ (latsav) = op gebod | צַ֣ו (tsav) = gebod | לָצָ֔ו (latsav) = op gebod | קַ֥ו (qav) = lijn | לָקָ֖ו (laqav) = op lijn | קַ֣ו (qav) = lijn | לָקָ֑ו (laqav) = op lijn | זְעֵ֥יר (zeeir) = een beetje | שָׁ֖ם (sham) = daar | זְעֵ֥יר (zeeir) = een beetje | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַו לָצָו (tsav latsav) en קַו לָקָו (qav laqav): de klanken lijken op kinderspraak. Waarschijnlijk bootsen de spotters zo het onderwijs van de profeet na. צַו (tsav) betekent ‘gebod’ of ‘bevel’; קַו (qav) is een ‘meetlijn’ of ‘regel’. זְעֵיר שָׁם (ze'er sham) betekent ‘een beetje daar’. Zie ook vers 13. Zie ook: Jes 28:13; Jer 11:7; Jer 25:3–7; 2 Tim 3:7; Heb 5:12 **28:11** Want met stamelende lippen en met een andere tong zal Hij spreken tot dit volk. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | בְּלַעֲגֵ֣י (belaagei) = met stamelen van | שָׂפָ֔ה (safa) = lip | וּבְלָשׁ֖וֹן (uvelashon) = en met tong | אַחֶ֑רֶת (acheret) = andere | יְדַבֵּ֖ר (yedaber) = zal Hij spreken | אֶל (el) = tot | הָעָ֥ם (haam) = het volk | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלַעֲגֵי שָׂפָה (bilageh safah), ‘met stamelende lippen’: het woord kan ook ‘spottende lippen’ betekenen. ‘Een andere tong’ is een vreemde taal. Zie ook 1 Kor. 14:21. Zie ook: Deut 28:49; Jes 33:19; Jer 5:15; 1 Kor 14:21 **28:12** Hij zei tegen hen: **„Dit is de rust. Geef de vermoeide rust. En dit is de verkwikking.”** Maar zij wilden niet horen. Brontekst: אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָמַ֣ר (amar) = zei | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tegen hen | זֹ֤את (zot) = dit | הַמְּנוּחָה֙ (hamenucha) = de rust | הָנִ֣יחוּ (hanichu) = geef rust | לֶֽעָיֵ֔ף (leayef) = aan de vermoeide | וְזֹ֖את (vezot) = en dit | הַמַּרְגֵּעָ֑ה (hamargea) = de verkwikking | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | אָב֖וּא (avu) = wilden zij | שְׁמֽוֹעַ (shemoa) = horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De profeet haalt hier woorden van Yahweh Zelf aan. Voetnoot : מַרְגֵּעָה (margea), ‘verkwikking’: een zeldzaam woord, verwant aan ‘rust’. Zie ook: Jes 11:10; Jes 30:15; Jer 6:16; Zach 7:14; Mat 11:28–29 **28:13** Het woord van Yahweh zal voor hen zijn: gebod op gebod, gebod op gebod; lijn op lijn, lijn op lijn; een beetje daar, een beetje daar. Zo zullen zij gaan en achterover struikelen, gebroken worden, verstrikt raken en gevangen worden. Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en zal zijn | לָהֶ֜ם (lahem) = voor hen | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | צַ֣ו (tsav) = gebod | לָצָ֞ו (latsav) = op gebod | צַ֤ו (tsav) = gebod | לָצָו֙ (latsav) = op gebod | קַ֤ו (qav) = lijn | לָקָו֙ (laqav) = op lijn | קַ֣ו (qav) = lijn | לָקָ֔ו (laqav) = op lijn | זְעֵ֥יר (zeeir) = een beetje | שָׁ֖ם (sham) = daar | זְעֵ֣יר (zeeir) = een beetje | שָׁ֑ם (sham) = daar | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | יֵלְכ֜וּ (yelekhu) = zij gaan | וְכָשְׁל֤וּ (vekhashelu) = en struikelen | אָחוֹר֙ (achor) = achterover | וְנִשְׁבָּ֔רוּ (venishbaru) = en gebroken worden | וְנוֹקְשׁ֖וּ (venoqeshu) = en verstrikt raken | וְנִלְכָּֽדוּ (venilkadu) = en gevangen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het woord van Yahweh wordt voor hen wat zij zelf spottend zeiden (vers 10): klanken die zij niet begrijpen. Zo struikelen zij erover. Zie ook: Ps 69:23; Jes 6:9–10; Jes 28:10; Mat 13:14; Mat 21:44; 2 Petr 3:16 ### Het verbond met de dood **28:14** Daarom, hoor het woord van Yahweh, spotters, heersers over dit volk dat in Jeruzalem is. Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | שִׁמְע֥וּ (shimu) = hoort | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | לָצ֑וֹן (latson) = spot | מֹֽשְׁלֵי֙ (moshelei) = heersers over | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אַנְשֵׁי לָצוֹן (anshei latson), ‘mannen van spot’. Voetnoot : מֹשְׁלֵי (moshlei), ‘heersers over’: met andere klinkers kan het ook ‘makers van spreuken’ zijn. Wij volgen de klinkers. Zie ook: Hos 7:5; Jes 1:10; Jes 28:22; Jes 29:20; Hand 13:41 **28:15** Want jullie hebben gezegd: „Wij hebben een verbond gesloten met de dood en een overeenkomst gemaakt met Sjeol. Als de overspoelende gesel voorbijtrekt, zal hij ons niet bereiken. Want wij hebben de leugen tot onze toevlucht gemaakt en ons in bedrog verborgen.” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אֲמַרְתֶּ֗ם (amartem) = jullie hebben gezegd | כָּרַ֤תְנֽוּ (karatnu) = wij hebben gesloten | בְרִית֙ (berit) = verbond | אֶת (et) = met | מָ֔וֶת (mavet) = de dood | וְעִם (veim) = en met | שְׁא֖וֹל (sheol) = Sjeol | עָשִׂ֣ינוּ (asinu) = wij hebben gemaakt | חֹזֶ֑ה (choze) = overeenkomst | שׁ֣וֹט (shot) = gesel | שׁוֹטֵ֤ף (shotef) = overspoelend | כִּֽי (ki) = als | יַֽעֲבֹר֙ (yaavor) = hij voorbijtrekt | לֹ֣א (lo) = niet | יְבוֹאֵ֔נוּ (yevoenu) = zal hij ons bereiken | כִּ֣י (ki) = want | שַׂ֧מְנוּ (samnu) = wij hebben gemaakt | כָזָ֛ב (kazav) = leugen | מַחְסֵ֖נוּ (machsenu) = onze toevlucht | וּבַשֶּׁ֥קֶר (uvasheqer) = en in bedrog | נִסְתָּֽרְנוּ (nistarenu) = wij hebben ons verborgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹזֶה (chozeh), ‘overeenkomst’: letterlijk ‘iets wat men ziet’; het woord staat naast ‘verbond’. In vers 18 staat het als חָזוּת (chazut). Voetnoot : שׁוֹט שׁוֹטֵף (shot shotef), ‘overspoelende gesel’: een beeld voor een ramp die als een vloed komt. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staan hier andere medeklinkers: שיט (shit) en עבר (avar). De lezing (qere) is שׁוֹט (shot, ‘gesel’) en יַעֲבֹר (ya'avor, ‘hij trekt voorbij’). Wij volgen de lezing. Zie ook: Amos 2:4; Hos 2:20; Jes 8:7–8; Jes 28:18; Ezech 13:22 ### De steen in Sion **28:16** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Ik ben het die in Sion een steen legt, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen, een hecht fundament. Wie gelooft, zal zich niet haasten.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֛י (hinni) = zie Ik ben | יִסַּ֥ד (yisad) = het die legt | בְּצִיּ֖וֹן (betsiyon) = in Sion | אָ֑בֶן (aven) = steen | אֶ֣בֶן (even) = steen | בֹּ֜חַן (bochan) = beproefde | פִּנַּ֤ת (pinat) = hoeksteen van | יִקְרַת֙ (yiqrat) = kostbaarheid | מוּסָ֣ד (musad) = fundament | מוּסָּ֔ד (musad) = fundament | הַֽמַּאֲמִ֖ין (hamaamin) = wie gelooft | לֹ֥א (lo) = niet | יָחִֽישׁ (yachish) = zal zich haasten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יֱהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15. Vanaf hier spreekt Yahweh zelf. Voetnoot : אֶבֶן בֹּחַן (even bochan), ‘beproefde steen’: een steen die gekeurd is en standhoudt. Een hoeksteen draagt het gebouw. Voetnoot : מוּסָּד מוּסָּד (musad musad): het woord staat twee keer, ‘een fundament, een stevig gegrondveste’. Wij vertalen ‘een hecht fundament’. Voetnoot : הַמַּאֲמִין (hamamin), ‘wie gelooft’: van אָמַן (aman), ‘vast zijn’, ‘vertrouwen’. Voetnoot : יָחִישׁ (yachish), ‘zich haasten’: wie op de steen vertrouwt, jaagt niet in angst weg. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Zie ook Rom. 9:33 en 1 Petr. 2:6. Zie ook: Ps 118:22; Jes 3:15; Luc 20:17–18; Hand 4:11–12; Rom 9:33; 1 Petr 2:6–8 **28:17** **Ik zal het recht tot meetlijn maken en de gerechtigheid tot paslood. Hagel zal de toevlucht van de leugen wegvagen, en water zal de schuilplaats overspoelen.** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֤י (vesamti) = en Ik zal maken | מִשְׁפָּט֙ (mishpat) = recht | לְקָ֔ו (leqav) = tot meetlijn | וּצְדָקָ֖ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | לְמִשְׁקָ֑לֶת (lemishqalet) = tot paslood | וְיָעָ֤ה (veyaa) = en zal wegvagen | בָרָד֙ (barad) = hagel | מַחְסֵ֣ה (machse) = toevlucht van | כָזָ֔ב (kazav) = leugen | וְסֵ֥תֶר (veseter) = en schuilplaats | מַ֖יִם (mayim) = water | יִשְׁטֹֽפוּ (yishtofu) = zal overspoelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַו (qav), ‘meetlijn’: het touw waarmee men een bouwwerk uitmeet. מִשְׁקֶלֶת (mishqelet), ‘paslood’: een lood aan een touw om te meten of een muur recht staat. Zie ook: 2 Kon 21:13; Amos 7:7–9; Rom 2:5; Openb 11:19; Openb 16:21 **28:18** **Jullie verbond met de dood wordt ontbonden, en jullie overeenkomst met Sjeol houdt geen stand. Als de overspoelende gesel voorbijtrekt, zullen jullie door hem worden vertrapt.** Brontekst: וְכֻפַּ֤ר (vekhupar) = en zal worden ontbonden | בְּרִֽיתְכֶם֙ (beritekhem) = jullie verbond | אֶת (et) = met | מָ֔וֶת (mavet) = de dood | וְחָזוּתְכֶ֥ם (vechazutekhem) = en jullie overeenkomst | אֶת (et) = met | שְׁא֖וֹל (sheol) = Sjeol | לֹ֣א (lo) = niet | תָק֑וּם (taqum) = zal standhouden | שׁ֤וֹט (shot) = gesel | שׁוֹטֵף֙ (shotef) = overspoelend | כִּ֣י (ki) = als | יַֽעֲבֹ֔ר (yaavor) = hij voorbijtrekt | וִהְיִ֥יתֶם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | ל֖וֹ (lo) = voor hem | לְמִרְמָֽס (lemirmas) = tot vertrapping Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְכֻפַּר (vechuppar), ‘wordt ontbonden’: het werkwoord is verwant aan כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’, letterlijk ‘bedekken’. Hier betekent het dat het verbond wordt weggenomen. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Jes 7:7; Jes 8:10; Jes 28:3; Jes 28:15; Dan 11:40 **28:19** **Telkens als hij voorbijtrekt, neemt hij jullie mee. Want morgen na morgen trekt hij voorbij, overdag en ’s nachts. Het zal louter verschrikking zijn om het bericht te begrijpen.** Brontekst: מִדֵּ֤י (midei) = telkens als | עָבְרוֹ֙ (avero) = hij voorbijtrekt | יִקַּ֣ח (yiqach) = neemt hij mee | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | כִּֽי (ki) = want | בַבֹּ֧קֶר (baboqer) = morgen | בַּבֹּ֛קֶר (baboqer) = na morgen | יַעֲבֹ֖ר (yaavor) = trekt hij voorbij | בַּיּ֣וֹם (bayom) = overdag | וּבַלָּ֑יְלָה (uvalayela) = en ’s nachts | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | רַק (raq) = louter | זְוָעָ֖ה (zevaa) = verschrikking | הָבִ֥ין (havin) = begrijpen | שְׁמוּעָֽה (shemua) = het bericht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 10:5–6; Jes 33:7; Hab 3:16; Dan 8:27; Luc 21:25–26 **28:20** **Want het bed is te kort om zich uit te strekken, en de deken is te smal om zich in te wikkelen.”** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | קָצַ֥ר (qatsar) = te kort is | הַמַּצָּ֖ע (hamatsa) = het bed | מֵֽהִשְׂתָּרֵ֑עַ (mehistarea) = om zich uit te strekken | וְהַמַּסֵּכָ֥ה (vehamasekha) = en de deken | צָ֖רָה (tsara) = te smal | כְּהִתְכַּנֵּֽס (kehitkanes) = om zich in te wikkelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een gezegde: de schuilplaats van de leugen biedt geen rust. Een bed dat te kort is en een deken die te smal is geven geen bescherming. Voetnoot : Hier eindigen de woorden van Yahweh. Zie ook: Jes 57:12–13; Jes 59:5–6; Jes 64:5; 1 Kor 1:18–31; Rom 9:30–32 **28:21** Want Yahweh zal opstaan zoals op de berg Perazim. Hij zal in beroering komen zoals in het dal bij Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn vreemde werk, en om Zijn arbeid te verrichten, Zijn vreemde arbeid. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | כְהַר (kehar) = zoals op de berg | פְּרָצִים֙ (peratsim) = Perazim | יָק֣וּם (yaqum) = zal opstaan | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כְּעֵ֖מֶק (keemeq) = zoals in het dal | בְּגִבְע֣וֹן (begivon) = bij Gibeon | יִרְגָּ֑ז (yirgaz) = zal Hij in beroering komen | לַעֲשׂ֤וֹת (laasot) = om te doen | מַעֲשֵׂ֨הוּ֙ (maasehu) = Zijn werk | זָ֣ר (zar) = vreemd | מַעֲשֵׂ֔הוּ (maasehu) = Zijn werk | וְלַֽעֲבֹד֙ (velaavod) = en om te verrichten | עֲבֹ֣דָת֔וֹ (avodato) = Zijn arbeid | נָכְרִיָּ֖ה (nakheriya) = vreemd | עֲבֹדָתֽוֹ (avodato) = Zijn arbeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Berg Perazim (Baäl-Perazim?; ligging onzeker): De berg Perazim is waarschijnlijk Baäl-Perazim, in de buurt van Jeruzalem, in het dal van de Refaïeten (2 Samuël 5:20). De precieze plaats is niet zeker. Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: De berg Perazim herinnert aan Baäl-Perazim, waar Yahweh Davids vijanden doorbrak (2 Sam. 5:20). Het dal bij Gibeon herinnert aan een strijd bij Gibeon (Joz. 10:10–12; zie ook 1 Kron. 14:16). Nu richt Yahweh Zich tegen Zijn eigen volk. Daarom noemt de profeet het Zijn ‘vreemde werk’. Voetnoot : יִרְגָּז (yirgaz), ‘zal in beroering komen’: letterlijk ‘beven’, ‘onrustig zijn’. Voetnoot : עֲבֹדָה (avodah), ‘arbeid’: werk dat men doet. Zie ook: Joz 10:10; Joz 10:12; 2 Sam 5:20; 2 Sam 5:25; 1 Kron 14:11; 1 Kron 14:16 **28:22** En nu: spot niet, anders worden jullie boeien sterker. Want ik heb van Heer Yahweh van de legermachten gehoord: een volledig einde, vast besloten, over het hele land. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | אַל (al) = niet | תִּתְלוֹצָ֔צוּ (titlotsatsu) = spot | פֶּֽן (pen) = anders | יֶחְזְק֖וּ (yechzequ) = worden sterker | מֽוֹסְרֵיכֶ֑ם (mosereikhem) = jullie boeien | כִּֽי (ki) = want | כָלָ֨ה (kala) = volledig einde | וְנֶחֱרָצָ֜ה (venecheratsa) = en vast besloten | שָׁמַ֗עְתִּי (shamati) = heb ik gehoord | מֵאֵ֨ת (meet) = van | אֲדֹנָ֧י (adonay) = Heer | יְהוִ֛ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹסֵרוֹת (moserot), ‘boeien’: banden of touwen. Voetnoot : הָאָרֶץ (haarets), ‘het land’: het kan ook ‘de aarde’ betekenen. Zie ook vers 2. Zie ook: Jes 10:22–23; Jes 24:1–23; Jes 28:2; Klaagl 1:14; Dan 9:26–27; Hand 17:32 ### Luister naar de gelijkenis van de landman **28:23** Luister en hoor mijn stem. Let op en hoor mijn woorden. Brontekst: הַאֲזִ֥ינוּ (haazinu) = luistert | וְשִׁמְע֖וּ (veshimu) = en hoort | קוֹלִ֑י (qoli) = mijn stem | הַקְשִׁ֥יבוּ (haqshivu) = let op | וְשִׁמְע֖וּ (veshimu) = en hoort | אִמְרָתִֽי (imrati) = mijn woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 1:2; Jer 22:29; Openb 2:7; Openb 2:11; Openb 2:29 **28:24** Ploegt de ploeger de hele dag om te zaaien, opent en eggt hij zijn grond? Brontekst: הֲכֹ֣ל (hakhol) = is het hele | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | יַחֲרֹ֥שׁ (yacharosh) = ploegt | הַחֹרֵ֖שׁ (hachoresh) = de ploeger | לִזְרֹ֑עַ (lizroa) = om te zaaien | יְפַתַּ֥ח (yefatach) = opent hij | וִֽישַׂדֵּ֖ד (visaded) = en eggt hij | אַדְמָתֽוֹ (admato) = zijn grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier begint een gelijkenis over de landman. Hij ploegt en zaait niet zonder ophouden, maar doet elk werk op zijn tijd. Voetnoot : אֲדָמָה (adamah), ‘grond’. Zie ook: Hos 10:11–12; Jer 4:3 **28:25** Is het niet zo? Als hij het oppervlak gelijk heeft gemaakt, strooit hij zwarte komijn uit en zaait hij komijn. Hij legt tarwe in rijen, gerst op de aangewezen plek en spelt aan de rand. Brontekst: הֲלוֹא֙ (halo) = is niet | אִם (im) = als | שִׁוָּ֣ה (shiva) = hij gelijk heeft gemaakt | פָנֶ֔יהָ (paneiha) = haar oppervlak | וְהֵפִ֥יץ (vehefits) = strooit hij uit | קֶ֖צַח (qetsach) = zwarte komijn | וְכַמֹּ֣ן (vekhamon) = en komijn | יִזְרֹ֑ק (yizroq) = zaait hij | וְשָׂ֨ם (vesam) = en legt hij | חִטָּ֤ה (chita) = tarwe | שׂוֹרָה֙ (sora) = in rijen | וּשְׂעֹרָ֣ה (useora) = en gerst | נִסְמָ֔ן (nisman) = op de aangewezen plek | וְכֻסֶּ֖מֶת (vekhusemet) = en spelt | גְּבֻלָתֽוֹ (gevulato) = aan zijn rand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶצַח (qetsach), ‘zwarte komijn’: een klein zaad, gebruikt als kruid. כַּמֹּן (kammon), ‘komijn’. כֻּסֶּמֶת (kussemet), ‘spelt’: een graansoort. Voetnoot : שׂוֹרָה (sorah) en נִסְמָן (nisman) komen alleen hier voor. De betekenis is onzeker; wij vertalen ‘in rijen’ en ‘op de aangewezen plek’. Zie ook: Ex 9:31–32; Ezech 4:9; Mat 23:23 **28:26** Hij onderwijst hem tot het recht, zijn Elohim leert hem. Brontekst: וְיִסְּר֥וֹ (veyisero) = en Hij onderwijst hem | לַמִּשְׁפָּ֖ט (lamishpat) = tot het recht | אֱלֹהָ֥יו (elohav) = zijn Elohim | יוֹרֶֽנּוּ (yorenu) = leert hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘zijn Elohim’, de Elohim van de landman. De landman weet wat hij moet doen, omdat hij het geleerd heeft. Zo past ook Yahweh Zijn handelen aan; zie vers 29. Zie ook: Job 35:11; Job 39:17; Ex 31:3–6; Ex 36:2; Jes 28:29; Dan 1:17 **28:27** Want zwarte komijn wordt niet met een dorsslede gedorst, en het wiel van een kar wordt niet over komijn gedraaid. Maar zwarte komijn wordt met een staf uitgeklopt, en komijn met een stok. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | בֶֽחָרוּץ֙ (becharuts) = met dorsslede | י֣וּדַשׁ (yudash) = wordt gedorst | קֶ֔צַח (qetsach) = zwarte komijn | וְאוֹפַ֣ן (veofan) = en wiel van | עֲגָלָ֔ה (agala) = kar | עַל (al) = over | כַּמֹּ֖ן (kamon) = komijn | יוּסָּ֑ב (yusav) = wordt gedraaid | כִּ֧י (ki) = maar | בַמַּטֶּ֛ה (bamate) = met staf | יֵחָ֥בֶט (yechavet) = wordt uitgeklopt | קֶ֖צַח (qetsach) = zwarte komijn | וְכַמֹּ֥ן (vekhamon) = en komijn | בַּשָּֽׁבֶט (bashavet) = met stok Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרוּץ (charuts), ‘dorsslede’: een zware slede met scherpe stenen of ijzer, die over het graan wordt getrokken. Zie ook: 2 Kon 13:7; Jes 27:7–8; Jes 41:15; Jer 10:24; Jer 46:28 **28:28** Wordt broodgraan fijngemalen? Hij dorst het immers niet eindeloos. Hij brengt het wiel van zijn kar erover heen, met zijn paarden, maar hij maalt het niet fijn. Brontekst: לֶ֣חֶם (lechem) = broodgraan | יוּדָ֔ק (yudaq) = wordt fijngemalen | כִּ֛י (ki) = immers | לֹ֥א (lo) = niet | לָנֶ֖צַח (lanetsach) = eindeloos | אָד֣וֹשׁ (adosh) = dorsend | יְדוּשֶׁ֑נּוּ (yedushenu) = dorst hij het | וְ֠הָמַם (vehamam) = en hij brengt in beweging | גִּלְגַּ֧ל (gilgal) = wiel van | עֶגְלָת֛וֹ (eglato) = zijn kar | וּפָרָשָׁ֖יו (ufarashav) = en zijn paarden | לֹֽא (lo) = niet | יְדֻקֶּֽנּוּ (yeduqenu) = maalt hij het fijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws is hier moeilijk. De zin begint met een korte mededeling, ‘broodgraan wordt fijngemalen’. Wij lezen die als vraag. Voetnoot : פָּרָשׁ (parash), ‘paard’ of ‘ruiter’: hier ‘paarden’. Voetnoot Lezing: De eerste zin kan ook een gewone mededeling zijn: ‘Broodgraan wordt fijngemalen, maar men dorst het niet eindeloos.’ Wij kiezen de vraag. Zie ook: Amos 9:9; Jes 21:10; Mat 3:12; Joh 12:24; 1 Kor 3:9 **28:29** Ook dit komt van Yahweh van de legermachten. Hij maakt Zijn besluit wonderbaarlijk en Zijn degelijk beleid groot. Brontekst: גַּם (gam) = ook | זֹ֕את (zot) = dit | מֵעִ֛ם (meim) = van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | יָצָ֑אָה (yatsaa) = komt voort | הִפְלִ֣יא (hifli) = Hij maakt wonderbaarlijk | עֵצָ֔ה (etsa) = besluit | הִגְדִּ֖יל (higdil) = Hij maakt groot | תּוּשִׁיָּֽה (tushiya) = degelijk beleid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵצָה (etsah), ‘besluit’: bij Yahweh heet de etsah ‘besluit’, bij mensen ‘raad’ (zie 29:15 en 30:1). Voetnoot : תּוּשִׁיָּה (tushiyyah), ‘degelijk beleid’: hetzelfde woord als in Spr. 2:7. Zie ook: Job 5:9; Ps 92:6; Spr 2:7; Jes 9:5; Jer 32:19; Rom 11:33 ## Jesaja 29 _Wee Ariël; een verzegelde boekrol; de pottenbakker en de klei_ ### Wee Ariël **29:1** Wee Ariël, Ariël, de stad waar David zijn kamp opsloeg. Voeg jaar bij jaar toe en laat de feesten rondgaan. Brontekst: ה֚וֹי (hoy) = wee | אֲרִיאֵ֣ל (ariel) = Ariël | אֲרִיאֵ֔ל (ariel) = Ariël | קִרְיַ֖ת (qiryat) = stad waar | חָנָ֣ה (chana) = kampeerde | דָוִ֑ד (david) = David | סְפ֥וּ (sefu) = voegt toe | שָׁנָ֛ה (shana) = jaar | עַל (al) = bij | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | חַגִּ֥ים (chagim) = feesten | יִנְקֹֽפוּ (yinqofu) = laat rondgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ariël (Jeruzalem): Ariël is hier een dichterlijke naam voor Jeruzalem, ‘de stad waar David zijn kamp opsloeg’. Voetnoot Uitleg: אֲרִיאֵל (Ariel), ‘Ariël’: een naam voor Jeruzalem. De betekenis is onzeker: ‘leeuw van El’ of ‘haard van El’, de offerhaard van het altaar (vergelijk Ezech. 43:15). Zie ook vers 2. Voetnoot : קִרְיַת חָנָה דָוִד (qiryat chanah David), ‘de stad waar David zijn kamp opsloeg’: Jeruzalem, de stad die David veroverde (2 Sam. 5:7–9). Voetnoot : יִנְקְפוּ (yinqofu), ‘laat rondgaan’: de feesten keren elk jaar terug. Zie ook: 2 Sam 5:7–9; 2 Sam 5:9; Amos 4:4–5; Hos 5:6; Hos 8:13; Jes 29:2; Mi 6:6–7; Ezech 43:15 **29:2** **„Dan zal Ik Ariël benauwen. Er zal rouw en klacht zijn, en zij zal voor Mij zijn als een Ariël.** Brontekst: וַהֲצִיק֖וֹתִי (vahatsiqoti) = en Ik zal benauwen | לַֽאֲרִיאֵ֑ל (laariel) = Ariël | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zij zal zijn | תַֽאֲנִיָּה֙ (taaniya) = rouw | וַֽאֲנִיָּ֔ה (vaaniya) = en klacht | וְהָ֥יְתָה (vehayeta) = en zij zal zijn | לִּ֖י (li) = voor Mij | כַּאֲרִיאֵֽל (kaariel) = als Ariël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ariël (Jeruzalem): Ariël is hier een dichterlijke naam voor Jeruzalem, ‘de stad waar David zijn kamp opsloeg’. Voetnoot Uitleg: Hier begint Yahweh te spreken. Het Hebreeuws heeft geen inleiding. Voetnoot : תַאֲנִיָּה וַאֲנִיָּה (ta'aniyyah va'aniyyah), ‘rouw en klacht’: twee verwante woorden die samen klinken als een jammerklacht. Voetnoot : ‘Zij zal voor Mij zijn als een Ariël’: de stad wordt een haard waarop gedood wordt en vuur brandt. Dit is de waarschijnlijke betekenis. Zie ook: Jes 3:26; Jes 5:25–30; Jes 10:32; Jes 37:3; Klaagl 2:5 **29:3** **Ik zal als een kring tegen je kamperen, Ik zal je insluiten met wachtposten en Ik zal belegeringswerken tegen je oprichten.** Brontekst: וְחָנִ֥יתִי (vechaniti) = en Ik zal kamperen | כַדּ֖וּר (kadur) = als een kring | עָלָ֑יִךְ (alayikh) = tegen je | וְצַרְתִּ֤י (vetsarti) = en Ik zal insluiten | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = tegen je | מֻצָּ֔ב (mutsav) = met wachtposten | וַהֲקִֽימֹתִ֥י (vahaqimoti) = en Ik zal oprichten | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = tegen je | מְצֻרֹֽת (metsurot) = belegeringswerken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּדּוּר (khaddur), ‘als een kring’: het kan ook ‘als een bal’ betekenen. De betekenis is onzeker. Voetnoot : מֻצָּב (mutsav), ‘wachtposten’: een zeldzaam woord. Het kan ook ‘wal’ of ‘schans’ betekenen. Voetnoot : מְצֻרוֹת (metsurot), ‘belegeringswerken’: torens of wallen waarmee een stad wordt belegerd. Zie ook: 2 Kon 18:17; 2 Kon 24:11–12; 2 Kon 25:1–4; Ezech 21:27; Luc 19:43–44 **29:4** **Vernederd zul je uit de aarde spreken, en uit het stof zal je spraak gedempt klinken. Je stem zal uit de aarde komen als die van een geest van doden, en uit het stof zal je spraak fluisteren.** Brontekst: וְשָׁפַלְתְּ֙ (veshafalt) = en je zult vernederd zijn | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit de aarde | תְּדַבֵּ֔רִי (tedaberi) = zult spreken | וּמֵֽעָפָ֖ר (umeafar) = en uit het stof | תִּשַּׁ֣ח (tishach) = zal gedempt klinken | אִמְרָתֵ֑ךְ (imratekh) = je spraak | וְֽ֠הָיָה (vehaya) = en zal zijn | כְּא֤וֹב (keov) = als een geest van doden | מֵאֶ֨רֶץ֙ (meerets) = uit de aarde | קוֹלֵ֔ךְ (qolekh) = je stem | וּמֵעָפָ֖ר (umeafar) = en uit het stof | אִמְרָתֵ֥ךְ (imratekh) = je spraak | תְּצַפְצֵֽף (tetsaftsef) = zal fluisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹב (ov), ‘geest van doden’: iemand die de doden raadpleegt, of de geest zelf; zie Lev. 19:31. De stem van Ariël klinkt zacht en hol, alsof ze uit de grond komt. Zie ook: Lev 19:31; Ps 44:26; Jes 2:11–21; Jes 3:8; Jes 8:19; Klaagl 1:9 **29:5** **De menigte van je vreemden zal zijn als fijn stof, en de menigte van de geweldenaars als kaf dat wegwaait. Het zal gebeuren plotseling, in een oogwenk.”** Brontekst: וְהָיָ֛ה (vehaya) = en zal zijn | כְּאָבָ֥ק (keavaq) = als stof | דַּ֖ק (daq) = fijn | הֲמ֣וֹן (hamon) = menigte van | זָרָ֑יִךְ (zarayikh) = je vreemden | וּכְמֹ֤ץ (ukhemots) = en als kaf | עֹבֵר֙ (over) = dat wegwaait | הֲמ֣וֹן (hamon) = menigte van | עָֽרִיצִ֔ים (aritsim) = geweldenaars | וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het zal zijn | לְפֶ֥תַע (lefeta) = plotseling | פִּתְאֹֽם (pitom) = in een oogwenk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָרַיִךְ (zarayikh), ‘je vreemden’: vreemde volken die tegen haar optrekken. Voetnoot : In vers 6 spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon. Zie ook: Jes 17:13–14; Jes 29:6; Jes 30:13; Jes 31:3; Jes 37:36; 1 Tess 5:3 **29:6** Van Yahweh van de legermachten zul je bezocht worden met donder, aardbeving en een groot geluid, met wervelwind en storm en de vlam van een verterend vuur. Brontekst: מֵעִ֨ם (meim) = van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאוֹת֙ (tsevaot) = van de legermachten | תִּפָּקֵ֔ד (tipaqed) = zul je bezocht worden | בְּרַ֥עַם (beraam) = met donder | וּבְרַ֖עַשׁ (uveraash) = en met aardbeving | וְק֣וֹל (veqol) = en geluid | גָּד֑וֹל (gadol) = groot | סוּפָה֙ (sufa) = wervelwind | וּסְעָרָ֔ה (useara) = en storm | וְלַ֖הַב (velahav) = en vlam van | אֵ֥שׁ (esh) = vuur | אוֹכֵלָֽה (okhela) = verterend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּפָּקֵד (tippaqed), ‘je zult bezocht worden’: פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’ en ook ‘ter verantwoording roepen’, zoals in Hos. 1:4. Voetnoot : רַעַשׁ (ra'ash), ‘aardbeving’: het kan ook ‘gedreun’ betekenen. Zie ook: 1 Sam 2:10; Hos 1:4; Mat 24:7; Mar 13:8; Openb 11:19; Openb 16:18 **29:7** Als een droom, een nachtelijk visioen, zal de menigte van alle volken zijn die tegen Ariël ten strijde trekken. Het zijn allen die haar en haar vesting bestrijden en haar benauwen. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en zal zijn | כַּֽחֲלוֹם֙ (kachalom) = als een droom | חֲז֣וֹן (chazon) = visioen van | לַ֔יְלָה (layla) = de nacht | הֲמוֹן֙ (hamon) = menigte van | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | הַצֹּבְאִ֖ים (hatsoveim) = die ten strijde trekken | עַל (al) = tegen | אֲרִיאֵ֑ל (ariel) = Ariël | וְכָל (vekhal) = en allen | צֹבֶ֨יהָ֙ (tsoveiha) = die haar bestrijden | וּמְצֹ֣דָתָ֔הּ (umetsodatah) = en haar vesting | וְהַמְּצִיקִ֖ים (vehametsiqim) = en die benauwen | לָֽהּ (lah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ariël (Jeruzalem): Ariël is hier een dichterlijke naam voor Jeruzalem, ‘de stad waar David zijn kamp opsloeg’. Voetnoot Uitleg: צֹבֶיהָ (tsoveha), ‘die haar bestrijden’: letterlijk ‘haar strijders’, zij die tegen haar ten strijde trekken. מְצֹדָתָהּ (metsodatah), ‘haar vesting’. Zie ook: Job 20:8; Mi 4:11–12; Zach 12:9; Zach 14:12–15; Openb 20:8–9 **29:8** Het zal zijn zoals wanneer een hongerige droomt: zie, hij eet! Maar hij wordt wakker en zijn ziel is leeg. En zoals wanneer een dorstige droomt: zie, hij drinkt! Maar hij wordt wakker en zie, hij is moe en zijn ziel smacht. Zo zal de menigte van alle volken zijn die tegen de berg Sion ten strijde trekken. Brontekst: וְהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = zoals wanneer | יַחֲלֹ֨ם (yachalom) = droomt | הָרָעֵ֜ב (haraev) = de hongerige | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | אוֹכֵ֗ל (okhel) = eet | וְהֵקִיץ֮ (veheqits) = maar hij wordt wakker | וְרֵיקָ֣ה (vereiqa) = en leeg is | נַפְשׁוֹ֒ (nafsho) = zijn ziel | וְכַאֲשֶׁ֨ר (vekhaasher) = en zoals wanneer | יַחֲלֹ֤ם (yachalom) = droomt | הַצָּמֵא֙ (hatsame) = de dorstige | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | שֹׁתֶ֔ה (shote) = drinkt | וְהֵקִיץ֙ (veheqits) = maar hij wordt wakker | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | עָיֵ֔ף (ayef) = is moe | וְנַפְשׁ֖וֹ (venafsho) = en zijn ziel | שׁוֹקֵקָ֑ה (shoqeqa) = smacht | כֵּ֣ן (ken) = zo | יִֽהְיֶ֗ה (yihye) = zal zijn | הֲמוֹן֙ (hamon) = menigte van | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | הַצֹּבְאִ֖ים (hatsoveim) = die ten strijde trekken | עַל (al) = tegen | הַ֥ר (har) = berg | צִיּֽוֹן (tsiyon) = Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier het levende wezen met zijn honger en dorst. Voetnoot : שׁוֹקֵקָה (shoqeqah), ‘smacht’: sterk verlangen. Zo gaat het ook de volken: hun verlangen blijft onvervuld. Zie ook: Ps 73:20; 2 Kron 32:21; Jes 10:7–16; Jes 44:12 ### Dronken, maar niet van wijn **29:9** Blijf talmen en wees verbaasd. Verblind jezelf en word blind. Zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterke drank. Brontekst: הִתְמַהְמְה֣וּ (hitmahmehu) = talmt | וּתְמָ֔הוּ (utemahu) = en weest verbaasd | הִשְׁתַּֽעַשְׁע֖וּ (hishtaashu) = verblindt uzelf | וָשֹׁ֑עוּ (vashou) = en wordt blind | שָֽׁכְר֣וּ (shakheru) = zij zijn dronken | וְלֹא (velo) = maar niet | יַ֔יִן (yayin) = van wijn | נָע֖וּ (nau) = zij waggelen | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | שֵׁכָֽר (shekhar) = van sterke drank Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִשְׁתַּעַשְׁעוּ וָשֹׁעוּ (hishta'ashe'u vasho'u): de betekenis is onzeker. Wij vertalen ‘verblind jezelf en word blind’. Het kan ook ‘vermaak jezelf en wees verblind’ betekenen. Zie ook: Jes 19:14; Jes 33:13–14; Jes 49:26; Jes 51:21–22; Openb 17:6 **29:10** Want Yahweh heeft over jullie een geest van diepe slaap uitgegoten. Hij heeft jullie ogen gesloten, de profeten, en jullie hoofden, de visioenzieners, heeft Hij bedekt. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | נָסַ֨ךְ (nasakh) = heeft uitgegoten | עֲלֵיכֶ֤ם (aleikhem) = over jullie | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | ר֣וּחַ (ruach) = geest van | תַּרְדֵּמָ֔ה (tardema) = diepe slaap | וַיְעַצֵּ֖ם (vayatsem) = en Hij heeft gesloten | אֶת (et) = (obj.) | עֵֽינֵיכֶ֑ם (eineikhem) = jullie ogen | אֶת (et) = (obj.) | הַנְּבִיאִ֛ים (haneviim) = de profeten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רָאשֵׁיכֶ֥ם (rasheikhem) = jullie hoofden | הַחֹזִ֖ים (hachozim) = de visioenzieners | כִּסָּֽה (kisa) = heeft Hij bedekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ תַּרְדֵּמָה (ruach tardemah), ‘geest van diepe slaap’: dezelfde diepe slaap als in Gen. 2:21. Zie ook Rom. 11:8. Voetnoot : ‘De profeten’ en ‘de visioenzieners’ verklaren wie met ‘jullie ogen’ en ‘jullie hoofden’ bedoeld wordt. Voetnoot : חֹזֶה (chozeh), ‘visioenziener’: iemand die visioenen ziet. Het is een ander woord dan רֹאֶה (ro'eh), ‘ziener’. Zie ook: Gen 2:21; Jes 6:9–10; Jes 44:18; Hand 28:26–27; 2 Tess 2:9–12; Rom 11:8 **29:11** Het hele visioen is voor jullie geworden als de woorden van een verzegelde boekrol. Men geeft die aan iemand die kan lezen en zegt: „Lees dit toch.” Dan zegt hij: „Ik kan het niet, want hij is verzegeld.” Brontekst: וַתְּהִ֨י (vatehi) = en is geworden | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | חָז֣וּת (chazut) = visioen van | הַכֹּ֗ל (hakol) = het geheel | כְּדִבְרֵי֮ (kedivrei) = als woorden van | הַסֵּ֣פֶר (hasefer) = de boekrol | הֶֽחָתוּם֒ (hechatum) = de verzegelde | אֲשֶֽׁר (asher) = die | יִתְּנ֣וּ (yitenu) = men geeft | אֹת֗וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = aan | יוֹדֵ֥עַ (yodea) = iemand die kent | סֵ֛פֶר (sefer) = boekrol | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggend | קְרָ֣א (qera) = lees | נָא (na) = toch | זֶ֑ה (ze) = dit | וְאָמַר֙ (veamar) = en hij zegt | לֹ֣א (lo) = niet | אוּכַ֔ל (ukhal) = kan ik | כִּ֥י (ki) = want | חָת֖וּם (chatum) = verzegeld | הֽוּא (hu) = is hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָזוּת הַכֹּל (chazut hakol), ‘het visioen van het geheel’: het hele visioen, alles wat de profeet ziet. Voetnoot : סֵפֶר (sefer), ‘boekrol’: een geschrift in de vorm van een rol. יוֹדֵעַ סֵפֶר (yode'a sefer) is letterlijk ‘iemand die een boekrol kent’: iemand die kan lezen. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat hier הַסֵּפֶר (hasefer), ‘de boekrol’, met lidwoord. De lezing (qere) is סֵפֶר (sefer), zonder lidwoord. Wij volgen de lezing. Zie ook: Jes 8:16; Dan 12:4; Dan 12:9; Mat 11:25; Mat 13:11 **29:12** Of men geeft de boekrol aan iemand die niet kan lezen en zegt: „Lees dit toch.” Dan zegt hij: „Ik kan niet lezen.” Brontekst: וְנִתַּ֣ן (venitan) = en wordt gegeven | הַסֵּ֗פֶר (hasefer) = de boekrol | עַל֩ (al) = aan | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wie | לֹֽא (lo) = niet | יָדַ֥ע (yada) = kent | סֵ֛פֶר (sefer) = boekrol | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggend | קְרָ֣א (qera) = lees | נָא (na) = toch | זֶ֑ה (ze) = dit | וְאָמַ֕ר (veamar) = en hij zegt | לֹ֥א (lo) = niet | יָדַ֖עְתִּי (yadati) = ken ik | סֵֽפֶר (sefer) = boekrol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא יָדַעְתִּי סֵפֶר (lo yadati sefer), ‘ik kan niet lezen’: letterlijk ‘ik ken geen boekrol’. Zie ook: Hos 4:6; Jes 28:12–13; Jes 29:18; Jer 5:4; Joh 7:15–16 ### Met de mond, niet met het hart **29:13** De Heer zei: **„Omdat dit volk Mij met zijn mond nadert en Mij met zijn lippen eert, terwijl zijn hart ver van Mij is, en hun ontzag voor Mij een aangeleerd gebod van mensen is geworden,** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲדֹנָ֗י (adonay) = de Heer | יַ֚עַן (yaan) = omdat | כִּ֤י (ki) = dat | נִגַּשׁ֙ (nigash) = nadert | הָעָ֣ם (haam) = het volk | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | בְּפִ֤יו (befiv) = met zijn mond | וּבִשְׂפָתָיו֙ (uvisfatav) = en met zijn lippen | כִּבְּד֔וּנִי (kibeduni) = eren zij Mij | וְלִבּ֖וֹ (velibo) = en zijn hart | רִחַ֣ק (richaq) = is ver | מִמֶּ֑נִּי (mimeni) = van Mij | וַתְּהִ֤י (vatehi) = en is geworden | יִרְאָתָם֙ (yiratam) = hun ontzag | אֹתִ֔י (oti) = voor Mij | מִצְוַ֥ת (mitsvat) = gebod van | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mensen | מְלֻמָּדָֽה (melumada) = aangeleerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’. Hier begint Yahweh opnieuw te spreken. Voetnoot : מִצְוַת אֲנָשִׁים מְלֻמָּדָה (mitsvat anashim melummadah), ‘een aangeleerd gebod van mensen’: hun ontzag is een aangeleerde gewoonte, geen gebod van Yahweh zelf. Zie ook Matt. 15:8–9 en Mark. 7:6–7. Zie ook: Jer 3:10; Jer 12:2; Ezech 33:31–33; Mat 15:2–9; Mat 15:8–9; Mar 7:2–13; Mar 7:6–7 **29:14** **daarom, zie, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonder op wonder. De wijsheid van zijn wijzen zal vergaan en het inzicht van zijn verstandigen zal zich verbergen.”** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Ik | יוֹסִ֛ף (yosif) = zal voortgaan | לְהַפְלִ֥יא (lehafli) = wonderlijk te handelen | אֶת (et) = met | הָֽעָם (haam) = het volk | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | הַפְלֵ֣א (hafle) = wonder | וָפֶ֑לֶא (vafele) = en wonder | וְאָֽבְדָה֙ (veaveda) = en zal vergaan | חָכְמַ֣ת (chakhemat) = wijsheid van | חֲכָמָ֔יו (chakhamav) = zijn wijzen | וּבִינַ֥ת (uvinat) = en inzicht van | נְבֹנָ֖יו (nevonav) = zijn verstandigen | תִּסְתַּתָּֽר (tistatar) = zal zich verbergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַפְלֵא וָפֶלֶא (hafle vafele), ‘wonder op wonder’: letterlijk ‘wonderlijk handelen, en een wonder’. Zie ook 1 Kor. 1:19. Voetnoot : Hier eindigen de woorden van Yahweh. Zie ook: Jes 28:21; Jer 49:7; Hab 1:5; Joh 9:39–41; 1 Kor 1:19–24 ### Wee hen die zich voor Yahweh verbergen **29:15** Wee hen die diep gaan om hun raad voor Yahweh te verbergen. Hun daden zijn in het duister, en zij zeggen: „Wie ziet ons? En wie kent ons?” Brontekst: ה֛וֹי (hoy) = wee | הַמַּעֲמִיקִ֥ים (hamaamiqim) = die diep maken | מֵֽיהוָ֖ה (meYahweh) = voor Yahweh | לַסְתִּ֣ר (lastir) = om te verbergen | עֵצָ֑ה (etsa) = raad | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zijn | בְמַחְשָׁךְ֙ (bemachshakh) = in duisternis | מַֽעֲשֵׂיהֶ֔ם (maaseihem) = hun daden | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en zij zeggen | מִ֥י (mi) = wie | רֹאֵ֖נוּ (roenu) = ziet ons | וּמִ֥י (umi) = en wie | יוֹדְעֵֽנוּ (yodeenu) = kent ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּעֲמִיקִים (hamma'amiqim), ‘die diep gaan’: letterlijk ‘die diep maken’. Zij gaan diep en ver weg om niet gezien te worden. Voetnoot : עֵצָה (etsah), ‘raad’: zo heet het plan van mensen. Bij Yahweh heet het ‘besluit’, zoals in 28:29. Zie ook: Ps 94:7–9; Jes 28:15; Jes 30:1; Jes 47:10; Ezech 8:12 **29:16** Wat een verdraaiing van jullie! Wordt de pottenbakker soms als klei gerekend? Zou het werk van zijn maker zeggen: „Hij heeft mij niet gemaakt”? Zou het gevormde van zijn pottenbakker zeggen: „Hij begrijpt het niet”? Brontekst: הַ֨פְכְּכֶ֔ם (hafkekhem) = jullie verdraaiing | אִם (im) = of | כְּחֹ֥מֶר (kechomer) = als klei | הַיֹּצֵ֖ר (hayotser) = de pottenbakker | יֵֽחָשֵׁ֑ב (yechashev) = wordt gerekend | כִּֽי (ki) = dat | יֹאמַ֨ר (yomar) = zou zeggen | מַעֲשֶׂ֤ה (maase) = werk | לְעֹשֵׂ֨הוּ֙ (leosehu) = van zijn maker | לֹ֣א (lo) = niet | עָשָׂ֔נִי (asani) = heeft hij mij gemaakt | וְיֵ֛צֶר (veyetser) = en gevormde | אָמַ֥ר (amar) = zou zeggen | לְיוֹצְר֖וֹ (leyotsero) = van zijn pottenbakker | לֹ֥א (lo) = niet | הֵבִֽין (hevin) = begrijpt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַפְכְּכֶם (hafkekhem), ‘jullie verdraaiing’: jullie draaien alles om. Voetnoot : יוֹצֵר (yotser), ‘pottenbakker’, en יֵצֶר (yetser), ‘het gevormde’: beide woorden komen van hetzelfde werkwoord, ‘vormen’. Zie ook Jes. 45:9; Rom. 9:20. Zie ook: Ps 94:8–9; Jes 45:9–11; Jes 64:7; Jer 18:1–10; Rom 9:19–21; Rom 9:20 ### De wending **29:17** Duurt het niet nog maar heel kort, en dan verandert de Libanon in een boomgaard, en wordt de boomgaard als een woud gerekend? Brontekst: הֲלוֹא (halo) = is niet | עוֹד֙ (od) = nog | מְעַ֣ט (meat) = weinig | מִזְעָ֔ר (mizar) = klein | וְשָׁ֥ב (veshav) = en zal veranderen | לְבָנ֖וֹן (levanon) = Libanon | לַכַּרְמֶ֑ל (lakarmel) = in boomgaard | וְהַכַּרְמֶ֖ל (vehakarmel) = en de boomgaard | לַיַּ֥עַר (layaar) = tot woud | יֵחָשֵֽׁב (yechashev) = zal worden gerekend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּרְמֶל (karmel), ‘boomgaard’: vruchtbaar land met fruitbomen. Het is ook de naam van een berg; hier gaat het om het gewone woord. Wat woest was, wordt vruchtbaar, en wat vruchtbaar was, wordt als een woud. Zie ook: Ps 84:7; Jes 32:15; Mat 19:30; Mat 21:18–19; Heb 10:37 **29:18** Op die dag zullen de doven de woorden van de boekrol horen, en de ogen van de blinden zullen uit donker en duisternis zien. Brontekst: וְשָׁמְע֧וּ (veshameu) = en zullen horen | בַיּוֹם (bayom) = op de dag | הַה֛וּא (hahu) = die | הַחֵרְשִׁ֖ים (hachereshim) = de doven | דִּבְרֵי (divrei) = woorden van | סֵ֑פֶר (sefer) = boekrol | וּמֵאֹ֣פֶל (umeofel) = en uit donker | וּמֵחֹ֔שֶׁךְ (umechoshekh) = en uit duisternis | עֵינֵ֥י (einei) = ogen van | עִוְרִ֖ים (ivrim) = blinden | תִּרְאֶֽינָה (tireina) = zullen zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De woorden van de boekrol’ zijn de woorden uit de verzegelde rol van vers 11 en 12. Zie ook: Spr 20:12; Jes 29:11; Jes 29:12; Jes 32:3; Jes 35:5; Mat 11:5; Mar 7:37 **29:19** De nederigen zullen opnieuw vreugde hebben in Yahweh, en de armen onder de mensen zullen jubelen in de Heilige van Israël. Brontekst: וְיָסְפ֧וּ (veyasefu) = en zullen opnieuw hebben | עֲנָוִ֛ים (anavim) = nederigen | בַּֽיהוָ֖ה (baYahweh) = in Yahweh | שִׂמְחָ֑ה (simcha) = vreugde | וְאֶבְיוֹנֵ֣י (veevyonei) = en armen van | אָדָ֔ם (adam) = mensen | בִּקְד֥וֹשׁ (biqdosh) = in de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | יָגִֽילוּ (yagilu) = zullen jubelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲנָוִים (anavim), ‘nederigen’: wie zich klein maakt voor Yahweh. Voetnoot : אֶבְיוֹנֵי אָדָם (evyonei adam), ‘de armen onder de mensen’: de armsten. Het woord staat ook in Amos 5:12. Zie ook: Ps 25:9; Amos 5:12; Jes 61:1; Mat 5:5; Mat 11:29; Jak 2:5 **29:20** Want de geweldenaar is verdwenen, de spotter is vergaan, en allen die op de loer liggen voor onheil, zijn uitgeroeid. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אָפֵ֥ס (afes) = is verdwenen | עָרִ֖יץ (arits) = de geweldenaar | וְכָ֣לָה (vekhala) = en is vergaan | לֵ֑ץ (lets) = de spotter | וְנִכְרְת֖וּ (venikhretu) = en zijn uitgeroeid | כָּל (kal) = allen | שֹׁ֥קְדֵי (shoqedei) = die waken voor | אָֽוֶן (aven) = onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁקְדֵי אָוֶן (shoqedei aven), ‘die op de loer liggen voor onheil’: letterlijk ‘die waken voor onheil’. Zie ook: Jes 13:3; Jes 28:14–22; Jes 29:5; Jes 59:4; Mi 2:1 **29:21** Zij verklaren een mens schuldig om een woord, leggen een strik voor wie in de poort terechtwijst en duwen de rechtvaardige met leegheid opzij. Brontekst: מַחֲטִיאֵ֤י (machatiei) = die schuldig verklaren | אָדָם֙ (adam) = mens | בְּדָבָ֔ר (bedavar) = om een woord | וְלַמּוֹכִ֥יחַ (velamokhiach) = en voor wie terechtwijst | בַּשַּׁ֖עַר (bashaar) = in de poort | יְקֹשׁ֑וּן (yeqoshun) = leggen een strik | וַיַּטּ֥וּ (vayatu) = en duwen opzij | בַתֹּ֖הוּ (batohu) = met leegheid | צַדִּֽיק (tsadiq) = rechtvaardige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers gaat verder over de geweldenaar en de spotter van vers 20. Voetnoot : תֹּהוּ (tohu), ‘leegheid’: een leeg, nietig argument. Voetnoot : ‘De poort’ is de plaats van het recht; zie ook Amos 5:10 en 5:12. Zie ook: Amos 5:10–12; Amos 5:12; Jes 29:20; Mal 3:5; Mat 22:15; Hand 3:14; Jak 5:6 ### Jakob zal niet meer beschaamd worden **29:22** Daarom, zo zegt Yahweh tot het huis van Jakob, Hij die Abraham heeft vrijgekocht: **„Jakob zal nu niet meer beschaamd worden. Zijn gezicht zal nu niet meer bleek worden.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | פָּדָ֖ה (pada) = heeft vrijgekocht | אֶת (et) = (obj.) | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | לֹֽא (lo) = niet | עַתָּ֤ה (ata) = nu | יֵבוֹשׁ֙ (yevosh) = zal beschaamd worden | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עַתָּ֖ה (ata) = nu | פָּנָ֥יו (panav) = zijn gezicht | יֶחֱוָֽרוּ (yechevaru) = zal bleek worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’: zoals iemand uit slavernij wordt vrijgekocht; zie Hos. 13:14. Het Hebreeuws zegt niet wanneer Yahweh Abraham vrijkocht. Voetnoot : Hier begint Yahweh opnieuw te spreken. Zie ook: Joël 2:27; Hos 13:14; Jes 45:17; Jes 51:2; Jes 54:4; Jer 30:10 **29:23** **Want wanneer hij zijn kinderen ziet, het werk van Mijn handen, in zijn midden, zullen zij Mijn naam heiligen. Zij zullen de Heilige van Jakob heiligen en ontzag hebben voor de Elohim van Israël.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בִ֠רְאֹתוֹ (biroto) = wanneer hij ziet | יְלָדָ֞יו (yeladav) = zijn kinderen | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | יָדַ֛י (yaday) = Mijn handen | בְּקִרְבּ֖וֹ (beqirbo) = in zijn midden | יַקְדִּ֣ישֽׁוּ (yaqdishu) = zullen heiligen | שְׁמִ֑י (shemi) = Mijn naam | וְהִקְדִּ֨ישׁוּ֙ (vehiqdishu) = en zij zullen heiligen | אֶת (et) = (obj.) | קְד֣וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | יַעֲרִֽיצוּ (yaaritsu) = zullen zij ontzag hebben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Het werk van Mijn handen’: de kinderen van Jakob, het volk. ‘De Heilige van Jakob’ en ‘de Elohim van Israël’ staan in de woorden van Yahweh Zelf. Voetnoot : יַעֲרִיצוּ (ya'aritsu), ‘zij zullen ontzag hebben’: het werkwoord betekent ook ‘beven voor’. Zie ook: Jes 8:13; Jes 19:25; Jes 45:11; Jes 49:20–26; Ef 2:10 **29:24** **Wie in geest dwalen, zullen inzicht leren kennen, en wie morren, zullen lering aannemen.”** Brontekst: וְיָדְע֥וּ (veyadeu) = en zullen kennen | תֹֽעֵי (toei) = die dwalen van | ר֖וּחַ (ruach) = geest | בִּינָ֑ה (bina) = inzicht | וְרוֹגְנִ֖ים (verogenim) = en zij die morren | יִלְמְדוּ (yilmedu) = zullen leren | לֶֽקַח (leqach) = lering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוֹגְנִים (rogenim), ‘wie morren’: wie klaagt en mokt. Voetnoot : Hier eindigen de woorden van Yahweh. Zie ook: Jes 28:7; Luc 15:17–19; 1 Tim 1:13–15; Heb 5:2; Openb 20:2–3 ## Jesaja 30 _Het verbond met Egypte; in terugkeer en rust; Yahweh komt van ver_ ### Wee de weerspannige kinderen **30:1** **„Wee de weerspannige kinderen, godsspraak van Yahweh! Zij handelen naar een raad die niet van Mij komt. Zij sluiten een verbond dat niet naar Mijn Geest is, zodat zij zonde op zonde stapelen.** Brontekst: ה֣וֹי (hoy) = wee | בָּנִ֤ים (banim) = kinderen | סֽוֹרְרִים֙ (sorerim) = weerspannige | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשׂ֤וֹת (laasot) = om te handelen naar | עֵצָה֙ (etsa) = raad | וְלֹ֣א (velo) = en niet | מִנִּ֔י (mini) = van Mij | וְלִנְסֹ֥ךְ (velinsokh) = en om te sluiten | מַסֵּכָ֖ה (masekha) = verbond | וְלֹ֣א (velo) = en niet | רוּחִ֑י (ruchi) = Mijn Geest | לְמַ֛עַן (lemaan) = zodat | סְפ֥וֹת (sefot) = zij toevoegen | חַטָּ֖את (chatat) = zonde | עַל (al) = op | חַטָּֽאת (chatat) = zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם־יְהוָה (neum Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24. Hier begint Yahweh te spreken. Voetnoot : סוֹרְרִים (sorerim), ‘weerspannige’: wie zich verzet en niet wil luisteren. Voetnoot : נָסַךְ מַסֵּכָה (nasakh massekhah), ‘een verbond sluiten’: letterlijk ‘een gietoffer uitgieten’ of ‘een gietsel gieten’. Waarschijnlijk is een verbond bedoeld, dat met een gietoffer werd bezegeld. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’. Zie ook: Hos 7:13; Jes 1:2; Jes 1:24; Jes 63:10; Jes 65:2; Rom 2:5 **30:2** **Zij gaan op weg om naar Egypte af te dalen, maar Mijn mond hebben zij niet gevraagd. Zij zoeken sterkte in de toevlucht van Farao en schuilen in de schaduw van Egypte.** Brontekst: הַהֹלְכִים֙ (haholekhim) = die gaan | לָרֶ֣דֶת (laredet) = om af te dalen | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = naar Egypte | וּפִ֖י (ufi) = en Mijn mond | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁאָ֑לוּ (shaalu) = hebben zij gevraagd | לָעוֹז֙ (laoz) = om sterk te worden | בְּמָע֣וֹז (bemaoz) = in de toevlucht van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = Farao | וְלַחְס֖וֹת (velachsot) = en om te schuilen | בְּצֵ֥ל (betsel) = in de schaduw van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ‘Afdalen naar Egypte’: in het Hebreeuws gaat men naar Egypte ‘af’; zie ook Gen. 12:10. Voetnoot : פִּי (pi), ‘Mijn mond’: zij hebben Yahweh niet om een woord gevraagd. Voetnoot : מָעוֹז (ma'oz), ‘toevlucht’: een sterke burcht. Zie ook Jes. 25:4 en 27:5. Zie ook: Gen 12:10; Num 27:21; Deut 28:68; Jes 25:4; Jes 27:5; Jes 36:6; Klaagl 4:20; Ezech 29:6–7 **30:3** **Maar de toevlucht van Farao zal voor jullie tot schaamte zijn, en het schuilen in de schaduw van Egypte tot vernedering.** Brontekst: וְהָיָ֥ה (vehaya) = en zal zijn | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | מָע֥וֹז (maoz) = toevlucht van | פַּרְעֹ֖ה (paro) = Farao | לְבֹ֑שֶׁת (levoshet) = tot schaamte | וְהֶחָס֥וּת (vehechasut) = en het schuilen | בְּצֵל (betsel) = in de schaduw van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לִכְלִמָּֽה (likhlima) = tot vernedering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Jes 20:5; Jes 30:5–7; Jer 17:5–6; Rom 5:5; Rom 10:11 **30:4** **Want zijn vorsten zijn in Soan en zijn boodschappers bereiken Chanes.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הָי֥וּ (hayu) = zijn | בְצֹ֖עַן (betsoan) = in Soan | שָׂרָ֑יו (sarav) = zijn vorsten | וּמַלְאָכָ֖יו (umalakhav) = en zijn boodschappers | חָנֵ֥ס (chanes) = Chanes | יַגִּֽיעוּ (yagiu) = bereiken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Soan: Soan (Tanis) lag in de noordoostelijke Nijldelta, bij het huidige San el-Hagar. Zie Chanes (Herakleopolis?; ligging onzeker): Chanes wordt meestal gelijkgesteld met Herakleopolis Magna, bij het huidige Ihnasya el-Medina, ten zuiden van Memfis in Egypte. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: צֹעַן (Tso'an), ‘Soan’: een stad in het noordoosten van Egypte. חָנֵס (Chanes): een stad in Egypte; de ligging is onzeker. Voetnoot : ‘Zijn vorsten’ en ‘zijn boodschappers’: het Hebreeuws zegt niet van wie. Het kunnen de vorsten van Farao zijn, of de boodschappers van Juda die naar Egypte zijn gegaan. Zie ook: 2 Kon 17:4; Hos 7:11–12; Jes 19:11; Jes 57:9; Jer 43:7 **30:5** **Ieder wordt beschaamd om een volk dat hun niet baat. Het is geen hulp en geen baat, maar schaamte en ook smaad.”** Brontekst: כֹּ֣ל (kol) = ieder | הֹבִ֔ישׁ (hovish) = wordt beschaamd | עַל (al) = om | עַ֖ם (am) = een volk | לֹא (lo) = niet | יוֹעִ֣ילוּ (yoilu) = baat | לָ֑מוֹ (lamo) = hun | לֹ֤א (lo) = niet | לְעֵ֨זֶר֙ (leezer) = tot hulp | וְלֹ֣א (velo) = en niet | לְהוֹעִ֔יל (lehoil) = tot baat | כִּ֥י (ki) = maar | לְבֹ֖שֶׁת (levoshet) = tot schaamte | וְגַם (vegam) = en ook | לְחֶרְפָּֽה (lecherpa) = tot smaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier eindigen de woorden van Yahweh. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat הבאיש (hive'ish), ‘liet stinken’. De lezing (qere) is הֹבִישׁ (hovish), ‘wordt beschaamd’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Jes 20:5–6; Jes 30:7; Jes 30:16; Jes 31:1–3; Jer 2:36 ### Last over de dieren van de Negev **30:6** Last over de dieren van de Negev. Door een land van nood en benauwdheid, waaruit leeuwin en leeuw komen, de adder en de vurige, vliegende slang, dragen zij hun rijkdom op de rug van jonge ezels. Hun schatten dragen zij op de bulten van kamelen, naar een volk dat hun niet baat. Brontekst: מַשָּׂ֖א (masa) = last | בַּהֲמ֣וֹת (bahamot) = dieren van | נֶ֑גֶב (negev) = de Negev | בְּאֶרֶץ֩ (beerets) = door een land van | צָרָ֨ה (tsara) = nood | וְצוּקָ֜ה (vetsuqa) = en benauwdheid | לָבִ֧יא (lavi) = leeuwin | וָלַ֣יִשׁ (valayish) = en leeuw | מֵהֶ֗ם (mehem) = waaruit | אֶפְעֶה֙ (efe) = adder | וְשָׂרָ֣ף (vesaraf) = en slang | מְעוֹפֵ֔ף (meofef) = vliegend | יִשְׂאוּ֩ (yisu) = dragen zij | עַל (al) = op | כֶּ֨תֶף (ketef) = rug van | עֲיָרִ֜ים (ayarim) = jonge ezels | חֵֽילֵהֶ֗ם (cheilehem) = hun rijkdom | וְעַל (veal) = en op | דַּבֶּ֤שֶׁת (dabeshet) = bulten van | גְּמַלִּים֙ (gemalim) = kamelen | אֽוֹצְרֹתָ֔ם (otserotam) = hun schatten | עַל (al) = naar | עַ֖ם (am) = een volk | לֹ֥א (lo) = niet | יוֹעִֽילוּ (yoilu) = baat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: מַשָּׂא (massa), ‘last’: zie Jes. 13:1. Voetnoot : נֶגֶב (negev), ‘de Negev’: de dorre streek ten zuiden van Juda, aan de weg naar Egypte. Voetnoot : שָׂרָף (saraf), ‘vurige slang’: het woord betekent ‘brandende’. Vergelijk Num. 21:6. Zie ook: Num 21:6; Deut 4:20; Deut 8:15; 1 Kon 10:2; Jes 13:1; Jes 46:1–2; Jer 11:4 **30:7** Egypte helpt ijdel en vergeefs. Daarom heb ik dit genoemd: „Rahab, zij die stilzit.” Brontekst: וּמִצְרַ֕יִם (umitsrayim) = en Egypte | הֶ֥בֶל (hevel) = ijdel | וָרִ֖יק (variq) = en vergeefs | יַעְזֹ֑רוּ (yazoru) = helpt | לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | קָרָ֣אתִי (qarati) = heb ik genoemd | לָזֹ֔את (lazot) = dit | רַ֥הַב (rahav) = Rahab | הֵ֖ם (hem) = zij | שָֽׁבֶת (shavet) = die stilzit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: רַהַב (Rahav), ‘Rahab’: een zeemonster uit oude verhalen. Hier is het een naam voor Egypte; zie ook Ps. 87:4. De betekenis van ‘Rahab, zij die stilzit’ is onzeker. Waarschijnlijk is het een spotnaam: groot in woorden, maar het doet niets. Voetnoot : הֶבֶל (hevel), ‘ijdel’: letterlijk ‘damp’, zoals in Prediker. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘Ik heb genoemd’. Wij nemen de profeet als spreker. Zie ook: Ps 87:4; Ps 118:8–9; Hos 5:13; Jes 2:22; Jes 31:1–5; Klaagl 3:26 ### Schrijf het op **30:8** **„Ga nu, schrijf het bij hen op een tafel en teken het op in een boekrol. Het zal dienen voor een latere dag, voor altijd, voor eeuwig.** Brontekst: עַתָּ֗ה (ata) = nu | בּ֣וֹא (bo) = ga | כָתְבָ֥הּ (katevah) = schrijf het | עַל (al) = op | ל֛וּחַ (luach) = tafel | אִתָּ֖ם (itam) = bij hen | וְעַל (veal) = en op | סֵ֣פֶר (sefer) = boekrol | חֻקָּ֑הּ (chuqah) = teken het | וּתְהִי֙ (utehi) = en het zal zijn | לְי֣וֹם (leyom) = voor een dag | אַחֲר֔וֹן (acharon) = latere | לָעַ֖ד (laad) = voor altijd | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Yahweh opnieuw, waarschijnlijk tot Jesaja. Voetnoot : לוּחַ (luach), ‘tafel’: een plaat om op te schrijven. חֻקָּהּ (chuqqah), ‘teken het op’: letterlijk ‘kerf het in’; het blijft staan. Voetnoot Lezing: לָעַד (la'ad), ‘voor altijd’. Met andere klinkers is het לְעֵד (le'ed), ‘tot getuige’. Wij volgen de klinkers van de Masoretische tekst. Zie ook: Deut 31:22; Jes 8:1; Jer 36:28–32; Jer 51:60; Hab 2:2 **30:9** **Want het is een opstandig volk, leugenachtige kinderen, kinderen die de wet van Yahweh niet willen horen.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | עַ֤ם (am) = volk van | מְרִי֙ (meri) = opstand | ה֔וּא (hu) = het is | בָּנִ֖ים (banim) = kinderen | כֶּחָשִׁ֑ים (kechashim) = leugenaars | בָּנִ֕ים (banim) = kinderen | לֹֽא (lo) = niet | אָב֥וּ (avu) = willen | שְׁמ֖וֹעַ (shemoa) = horen | תּוֹרַ֥ת (torat) = wet van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרַת יְהוָה (torat Yahweh), ‘de wet van Yahweh’: torah betekent ‘onderwijs’ en ‘wet’. Voetnoot : מְרִי (meri), ‘opstand’: verwant aan het werkwoord ‘zich verzetten’. In vers 1 staat een ander woord, סוֹרְרִים (sorerim), ‘weerspannige’. Zie ook: Jes 1:4; Jes 30:1; Zach 7:11–12; Hand 7:51; Openb 21:8 **30:10** **Zij zeggen tegen de zieners: ‘Zie niet!’, en tegen de visioenzieners: ‘Zie voor ons niets wat rechtuit is. Spreek gladde woorden tot ons. Zie misleidingen.** Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אָמְר֤וּ (ameru) = zeggen | לָֽרֹאִים֙ (laroim) = tegen de zieners | לֹ֣א (lo) = niet | תִרְא֔וּ (tiru) = zie | וְלַ֣חֹזִ֔ים (velachozim) = en tegen de visioenzieners | לֹ֥א (lo) = niet | תֶחֱזוּ (techezu) = zie | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | נְכֹח֑וֹת (nekhochot) = wat rechtuit is | דַּבְּרוּ (daberu) = spreek | לָ֣נוּ (lanu) = tot ons | חֲלָק֔וֹת (chalaqot) = gladde dingen | חֲז֖וּ (chazu) = zie | מַהֲתַלּֽוֹת (mahatalot) = misleidingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹאִים (ro'im), ‘zieners’, en חֹזִים (chozim), ‘visioenzieners’: twee verschillende woorden voor wie visioenen ziet. Voetnoot : חֲזוּ (chazu), ‘zie’: het werkwoord betekent ook ‘profeteren’. Voetnoot : מַהֲתַלּוֹת (mahatallot), ‘misleidingen’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker. Zie ook: Amos 2:12; Amos 7:13; Jer 11:21; Ezech 13:7–10; Rom 16:18 **30:11** **Wijk af van de weg. Buig af van het pad. Laat de Heilige van Israël ophouden voor ons aangezicht.’”** Brontekst: ס֚וּרוּ (suru) = wijkt af | מִנֵּי (minei) = van | דֶ֔רֶךְ (derekh) = weg | הַטּ֖וּ (hatu) = buigt af | מִנֵּי (minei) = van | אֹ֑רַח (orach) = pad | הַשְׁבִּ֥יתוּ (hashbitu) = laat ophouden | מִפָּנֵ֖ינוּ (mipaneinu) = voor ons aangezicht | אֶת (et) = (obj.) | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׁבִּיתוּ (hashbitu), ‘laat ophouden’: zij willen dat de profeet niet meer over de Heilige van Israël spreekt. Voetnoot : קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisrael), ‘de Heilige van Israël’: een vaste naam voor Yahweh bij Jesaja. Voetnoot : Hier eindigen de woorden van Yahweh. Zie ook: Job 21:14; Amos 7:13; Joh 15:23–24; Rom 8:7; Ef 4:18 ### Jullie verwerpen dit woord **30:12** Daarom, zo zegt de Heilige van Israël: **„Omdat jullie dit woord verwerpen en vertrouwen op onderdrukking en verdraaidheid en daarop steunen,** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | קְד֣וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | יַ֥עַן (yaan) = omdat | מָֽאָסְכֶ֖ם (maasekhem) = jullie verwerpen | בַּדָּבָ֣ר (badavar) = in het woord | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | וַֽתִּבְטְחוּ֙ (vativtechu) = en jullie vertrouwen | בְּעֹ֣שֶׁק (beosheq) = op onderdrukking | וְנָל֔וֹז (venaloz) = en verdraaidheid | וַתִּֽשָּׁעֲנ֖וּ (vatishaanu) = en jullie steunen | עָלָֽיו (alav) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf ‘Omdat’ spreekt de Heilige van Israël Zelf. Voetnoot : נָלוֹז (naloz), ‘verdraaidheid’: letterlijk ‘het kromme’. Zie ook: Amos 2:4; Jes 5:24; Jes 31:1–3; Luc 10:16; 1 Tess 4:8 **30:13** **daarom zal deze ongerechtigheid voor jullie zijn als een scheur die valt, een uitpuilende bult in een hoge muur. De instorting ervan komt plotseling, in een oogwenk.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | יִֽהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | הֶעָוֺ֣ן (heavon) = de ongerechtigheid | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | כְּפֶ֣רֶץ (keferets) = als een scheur | נֹפֵ֔ל (nofel) = die valt | נִבְעֶ֖ה (nive) = uitpuilend | בְּחוֹמָ֣ה (bechoma) = in muur | נִשְׂגָּבָ֑ה (nisgava) = hoge | אֲשֶׁר (asher) = waarvan | פִּתְאֹ֥ם (pitom) = plotseling | לְפֶ֖תַע (lefeta) = in een oogwenk | יָב֥וֹא (yavo) = komt | שִׁבְרָֽהּ (shivrah) = haar instorting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּרֶץ (perets), ‘scheur’: een barst in een muur. Voetnoot : נִבְעֶה (niv'eh), ‘uitpuilend’: een bult in de muur die elk moment kan vallen. Zie ook: Ps 62:4; Spr 29:1; 1 Kon 20:30; Jes 29:5; Ezech 13:10–15 **30:14** **Haar breuk is als de breuk van een kruik van pottenbakkers. Men slaat haar stuk zonder te sparen. In haar brokstukken wordt geen scherf gevonden om vuur van de haard te halen of water uit de poel te scheppen.”** Brontekst: וּ֠שְׁבָרָהּ (ushevarah) = en haar breuk | כְּשֵׁ֨בֶר (keshever) = is als de breuk van | נֵ֧בֶל (nevel) = kruik van | יוֹצְרִ֛ים (yotserim) = pottenbakkers | כָּת֖וּת (katut) = stukgeslagen | לֹ֣א (lo) = niet | יַחְמֹ֑ל (yachmol) = spaart men | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִמָּצֵ֤א (yimatse) = wordt gevonden | בִמְכִתָּתוֹ֙ (bimkhitato) = in haar brokstukken | חֶ֔רֶשׂ (cheres) = scherf | לַחְתּ֥וֹת (lachtot) = om te halen | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | מִיָּק֔וּד (miyaqud) = van de haard | וְלַחְשֹׂ֥ף (velachsof) = en om te scheppen | מַ֖יִם (mayim) = water | מִגֶּֽבֶא (migeve) = uit de poel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֶּבֶא (geve), ‘poel’: een put waarin regenwater wordt verzameld. Voetnoot : Hier eindigen de woorden van Yahweh. Zie ook: Ps 2:9; Jer 19:10–11; Rom 11:21; 2 Petr 2:4–5; Openb 2:27 ### In terugkeer en rust **30:15** Want zo zegt Heer Yahweh, de Heilige van Israël: **„In terugkeer en rust zullen jullie gered worden. In stilte en vertrouwen zal jullie kracht zijn. Maar jullie wilden niet.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹֽה (ko) = zo | אָמַר֩ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֨י (adonay) = Heer | יְהוִ֜ה (Yahweh) = Yahweh | קְד֣וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | בְּשׁוּבָ֤ה (beshuva) = in terugkeer | וָנַ֨חַת֙ (vanachat) = en rust | תִּוָּ֣שֵׁע֔וּן (tivasheun) = zullen jullie gered worden | בְּהַשְׁקֵט֙ (behashqet) = in stilte | וּבְבִטְחָ֔ה (uvevitcha) = en vertrouwen | תִּהְיֶ֖ה (tihye) = zal zijn | גְּבֽוּרַתְכֶ֑ם (gevuratkhem) = jullie kracht | וְלֹ֖א (velo) = maar niet | אֲבִיתֶֽם (avitem) = wilden jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יֱהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15. Hier begint Yahweh opnieuw te spreken. Voetnoot : שׁוּבָה (shuvah), ‘terugkeer’: van het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, ook ‘zich bekeren’. Zie ook: Ps 125:1–2; Jes 3:15; Jes 26:3–4; Jes 32:17; Jer 3:22–23; Joh 5:40 **30:16** **Jullie zeiden: ‘Nee, maar op paarden zullen wij vluchten.’ Daarom zullen jullie vluchten. En: ‘Op snelle dieren zullen wij rijden.’ Daarom zullen jullie achtervolgers snel zijn.** Brontekst: וַתֹּ֨אמְר֥וּ (vatomru) = en jullie zeiden | לֹא (lo) = nee | כִ֛י (ki) = maar | עַל (al) = op | ס֥וּס (sus) = paarden | נָנ֖וּס (nanus) = zullen wij vluchten | עַל (al) = om | כֵּ֣ן (ken) = dat | תְּנוּס֑וּן (tenusun) = zullen jullie vluchten | וְעַל (veal) = en op | קַ֣ל (qal) = snelle dieren | נִרְכָּ֔ב (nirkav) = zullen wij rijden | עַל (al) = om | כֵּ֖ן (ken) = dat | יִקַּ֥לּוּ (yiqalu) = zullen snel zijn | רֹדְפֵיכֶֽם (rodefeikhem) = jullie achtervolgers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַל (qal), ‘snel’: een snel dier. Het werkwoord יִקַּלּוּ (yiqallu), ‘zullen snel zijn’, klinkt er sterk op: een woordspel. Zie ook: Deut 28:25; Ps 33:17; Amos 9:1; Jes 31:1; Jer 4:13 **30:17** **Duizend zullen vluchten voor de bestraffing van één. Voor de bestraffing van vijf zullen jullie vluchten, totdat jullie overblijven als een mast op de bergtop en als een vaandel op de heuvel.”** Brontekst: אֶ֣לֶף (elef) = duizend | אֶחָ֗ד (echad) = één | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = voor | גַּעֲרַ֣ת (gaarat) = bestraffing van | אֶחָ֔ד (echad) = één | מִפְּנֵ֛י (mipenei) = voor | גַּעֲרַ֥ת (gaarat) = bestraffing van | חֲמִשָּׁ֖ה (chamisha) = vijf | תָּנֻ֑סוּ (tanusu) = zullen jullie vluchten | עַ֣ד (ad) = totdat | אִם (im) = dat | נוֹתַרְתֶּ֗ם (notartem) = jullie overblijven | כַּתֹּ֨רֶן֙ (katoren) = als een mast | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = top van | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | וְכַנֵּ֖ס (vekhanes) = en als een vaandel | עַל (al) = op | הַגִּבְעָֽה (hagiva) = de heuvel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּעָרָה (ge'arah), ‘bestraffing’: een dreigende terechtwijzing; hetzelfde woord als in Ps. 18:16. Voetnoot : תֹּרֶן (toren), ‘mast’, en נֵס (nes), ‘vaandel’: een enkele paal, alleen op de top van een berg. Voetnoot : Hier eindigen de woorden van Yahweh. Zie ook: Lev 26:8; Lev 26:36; Deut 28:25; Deut 32:30; Joz 23:10; Ps 18:16 ### Yahweh wacht om genadig te zijn **30:18** En daarom wacht Yahweh om jullie genadig te zijn, en daarom verheft Hij Zich om Zich over jullie te ontfermen. Want Yahweh is een Elohim van recht. Gelukkig allen die op Hem wachten. Brontekst: וְלָכֵ֞ן (velakhen) = en daarom | יְחַכֶּ֤ה (yechake) = wacht | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לַֽחֲנַנְכֶ֔ם (lachanankhem) = om jullie genadig te zijn | וְלָכֵ֥ן (velakhen) = en daarom | יָר֖וּם (yarum) = verheft Hij Zich | לְרַֽחֶמְכֶ֑ם (lerachemkhem) = om Zich over jullie te ontfermen | כִּֽי (ki) = want | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | מִשְׁפָּט֙ (mishpat) = recht | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אַשְׁרֵ֖י (ashrei) = gelukkig | כָּל (kal) = allen | ח֥וֹכֵי (chokhei) = die wachten | לֽוֹ (lo) = op Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een woord van de profeet over Yahweh, in de derde persoon; het hoort niet meer bij de woorden die Yahweh Zelf spreekt. Voetnoot : אַשְׁרֵי (ashrei), ‘gelukkig’: zoals in Ps. 1:1. Zie ook: Ps 1:1; Spr 16:20; Jes 8:17; Jes 25:9; Klaagl 3:25–26; 2 Petr 3:9 **30:19** Want een volk zal in Sion wonen, in Jeruzalem. Je zult beslist niet wenen. Hij zal je zeker genadig zijn bij het geluid van je noodkreet. Zodra Hij het hoort, antwoordt Hij je. Brontekst: כִּי (ki) = want | עַ֛ם (am) = volk | בְּצִיּ֥וֹן (betsiyon) = in Sion | יֵשֵׁ֖ב (yeshev) = zal wonen | בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם (birushalaim) = in Jeruzalem | בָּכ֣וֹ (bakho) = wenend | לֹֽא (lo) = niet | תִבְכֶּ֗ה (tivke) = zul je wenen | חָנ֤וֹן (chanon) = zeker genadig | יָחְנְךָ֙ (yachenekha) = zal Hij je genadig zijn | לְק֣וֹל (leqol) = bij het geluid van | זַעֲקֶ֔ךָ (zaaqekha) = je noodkreet | כְּשָׁמְעָת֖וֹ (keshameato) = zodra Hij het hoort | עָנָֽךְ (anakh) = antwoordt Hij je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בָּכוֹ לֹא תִבְכֶּה (bakho lo tivkeh), ‘je zult beslist niet wenen’: letterlijk ‘wenend zul je niet wenen’. Voetnoot : זַעֲקָה (za'aqah), ‘noodkreet’. Zie ook: Ps 50:15; Jes 58:9; Jes 60:20; Jes 65:24; Mat 7:7–11 **30:20** De Heer zal jullie brood van benauwdheid en water van druk geven. Maar je leraar zal zich niet meer verbergen, en je ogen zullen je leraar zien. Brontekst: וְנָתַ֨ן (venatan) = en zal geven | לָכֶ֧ם (lakhem) = aan jullie | אֲדֹנָ֛י (adonay) = de Heer | לֶ֥חֶם (lechem) = brood van | צָ֖ר (tsar) = benauwdheid | וּמַ֣יִם (umayim) = en water van | לָ֑חַץ (lachats) = druk | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִכָּנֵ֥ף (yikanef) = zal zich verbergen | עוֹד֙ (od) = meer | מוֹרֶ֔יךָ (moreikha) = je leraar | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zullen zijn | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = je ogen | רֹא֥וֹת (root) = die zien | אֶת (et) = (obj.) | מוֹרֶֽיךָ (moreikha) = je leraar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’. Voetnoot : לֶחֶם צָר וּמַיִם לַחַץ (lechem tsar umayim lachats), ‘brood van benauwdheid en water van druk’: schaars brood en water in tijden van nood. Voetnoot : מוֹרֶיךָ (moreikha), ‘je leraar’: het Hebreeuws heeft een meervoudsvorm met een enkelvoudig werkwoord. Het kan één leraar zijn, misschien Yahweh Zelf, of meer leraren. Wij vertalen ‘leraar’. Zie ook: Ps 80:6; Ps 127:2; 1 Kon 22:27; Amos 8:11–12; Hand 14:22 **30:21** Je oren zullen achter je een woord horen dat zegt: „Dit is de weg. Ga erop”, wanneer jullie naar rechts afwijken en wanneer jullie naar links afwijken. Brontekst: וְאָזְנֶ֨יךָ֙ (veazeneikha) = en je oren | תִּשְׁמַ֣עְנָה (tishmana) = zullen horen | דָבָ֔ר (davar) = woord | מֵֽאַחֲרֶ֖יךָ (meachareikha) = achter je | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | זֶ֤ה (ze) = dit | הַדֶּ֨רֶךְ֙ (haderekh) = de weg | לְכ֣וּ (lekhu) = gaat | ב֔וֹ (bo) = erop | כִּ֥י (ki) = als | תַאֲמִ֖ינוּ (taaminu) = jullie naar rechts afwijken | וְכִ֥י (vekhi) = en als | תַשְׂמְאִֽילוּ (tasmeilu) = jullie naar links afwijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַאֲמִינוּ (ta'aminu) en תַשְׂמְאִילוּ (tasme'ilu), ‘naar rechts afwijken’ en ‘naar links afwijken’: van de weg afwijken, naar de ene of de andere kant. Zie ook: Deut 5:32; Ps 32:8; Spr 3:5–6; Jes 42:16; Jes 58:11 **30:22** Jullie zullen de zilveren bekleding van je gesneden beelden en de gouden overtrek van je gegoten beeld onrein maken. Je werpt ze weg als iets onreins en zegt tegen het beeld: „Ga weg!” Brontekst: וְטִמֵּאתֶ֗ם (vetimetem) = en jullie zullen onrein maken | אֶת (et) = (obj.) | צִפּוּי֙ (tsipuy) = bekleding van | פְּסִילֵ֣י (pesilei) = gesneden beelden van | כַסְפֶּ֔ךָ (kaspekha) = je zilver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֲפֻדַּ֖ת (afudat) = overtrek van | מַסֵּכַ֣ת (masekhat) = gegoten beeld van | זְהָבֶ֑ךָ (zehavekha) = je goud | תִּזְרֵם֙ (tizrem) = je werpt ze weg | כְּמ֣וֹ (kemo) = als | דָוָ֔ה (dava) = iets onreins | צֵ֖א (tse) = ga weg | תֹּ֥אמַר (tomar) = zeg je | לֽוֹ (lo) = tegen het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִפּוּי (tsippui), ‘bekleding’, en אֲפֻדָּה (afuddah), ‘overtrek’: een laagje zilver en een laagje goud over de beelden. Voetnoot : דָּוָה (davah), ‘iets onreins’: het woord wordt gebruikt voor een vrouw in haar maandstonden; zie Lev. 15:33. Zie ook: Lev 15:33; Re 17:3–4; Hos 14:9; Jes 31:7; Jes 46:6; Zach 13:2 **30:23** Hij zal regen geven voor je zaad dat je op de grond zaait. En het brood van de opbrengst van de grond zal rijk en vet zijn. Op die dag zal je vee grazen op een wijde weide. Brontekst: וְנָתַן֩ (venatan) = en Hij zal geven | מְטַ֨ר (metar) = regen voor | זַרְעֲךָ֜ (zarakha) = je zaad | אֲשֶׁר (asher) = dat | תִּזְרַ֣ע (tizra) = je zaait | אֶת (et) = (obj.) | הָאֲדָמָ֗ה (haadama) = de grond | וְלֶ֨חֶם֙ (velechem) = en brood van | תְּבוּאַ֣ת (tevuat) = opbrengst van | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | דָשֵׁ֖ן (dashen) = rijk | וְשָׁמֵ֑ן (veshamen) = en vet | יִרְעֶ֥ה (yire) = zal grazen | מִקְנֶ֛יךָ (miqneikha) = je vee | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | כַּ֥ר (kar) = weide | נִרְחָֽב (nirchav) = wijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדָמָה (adamah), ‘grond’. כַּר (kar), ‘weide’: een open grasland. Zie ook: Ps 65:10–14; Jes 32:20; Jes 58:11; Zach 8:11–12; Zach 10:1 **30:24** De ossen en de jonge ezels die de grond bewerken, zullen gezuurd mengvoer eten, dat met de schop en de vork is gewand. Brontekst: וְהָאֲלָפִ֣ים (vehaalafim) = en de ossen | וְהָעֲיָרִ֗ים (vehaayarim) = en de jonge ezels | עֹֽבְדֵי֙ (ovedei) = die bewerken | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | בְּלִ֥יל (belil) = gemengd voer | חָמִ֖יץ (chamits) = gezuurd | יֹאכֵ֑לוּ (yokhelu) = zullen eten | אֲשֶׁר (asher) = dat | זֹרֶ֥ה (zore) = gewand is | בָרַ֖חַת (barachat) = met de schop | וּבַמִּזְרֶֽה (uvamizre) = en met de vork Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּלִיל חָמִיץ (belil chamits), ‘gezuurd mengvoer’: voer van gemengd en gezuurd graan. De betekenis van chamits is onzeker. Voetnoot : רַחַת (rachat), ‘schop’, en מִזְרֶה (mizreh), ‘vork’: werktuigen om het graan op te gooien tegen de wind. Zie ook: Gen 45:6; Deut 21:4; Deut 25:4; 1 Sam 8:12; Mat 3:12 **30:25** Op elke hoge berg en op elke verheven heuvel zullen beken zijn, waterstromen, op de dag van de grote slachting, wanneer torens vallen. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en zal zijn | עַל (al) = op | כָּל (kal) = elke | הַ֣ר (har) = berg | גָּבֹ֗הַ (gavoha) = hoge | וְעַל֙ (veal) = en op | כָּל (kal) = elke | גִּבְעָ֣ה (giva) = heuvel | נִשָּׂאָ֔ה (nisaa) = verheven | פְּלָגִ֖ים (pelagim) = beken | יִבְלֵי (yivlei) = stromen van | מָ֑יִם (mayim) = water | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag van | הֶ֣רֶג (hereg) = slachting | רָ֔ב (rav) = grote | בִּנְפֹ֖ל (binfol) = wanneer vallen | מִגְדָּלִֽים (migdalim) = torens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶרֶג רָב (hereg rav), ‘grote slachting’. Wie of wat met de torens bedoeld wordt, zegt het Hebreeuws niet. Zie ook: Jes 2:14–15; Jes 35:6–7; Jes 43:19–20; Nah 3:12; Openb 22:1 **30:26** Het licht van de maan zal zijn als het licht van de zon. Het licht van de zon zal zevenvoudig zijn, als het licht van zeven dagen. Dat zal zijn op de dag dat Yahweh de breuk van Zijn volk verbindt en de wond van Zijn slag heelt. Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal zijn | אֽוֹר (or) = licht van | הַלְּבָנָה֙ (halevana) = de maan | כְּא֣וֹר (keor) = als licht van | הַֽחַמָּ֔ה (hachama) = de zon | וְא֤וֹר (veor) = en licht van | הַֽחַמָּה֙ (hachama) = de zon | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | שִׁבְעָתַ֔יִם (shivatayim) = zevenvoudig | כְּא֖וֹר (keor) = als licht van | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = de dagen | בְּי֗וֹם (beyom) = op de dag | חֲבֹ֤שׁ (chavosh) = dat verbindt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | שֶׁ֣בֶר (shever) = breuk van | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | וּמַ֥חַץ (umachats) = en wond van | מַכָּת֖וֹ (makato) = Zijn slag | יִרְפָּֽא (yirpa) = Hij heelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁבְעָתַיִם (shiv'atayim), ‘zevenvoudig’. ‘Als het licht van zeven dagen’: het licht van zeven dagen in één dag. Voetnoot : מַחַץ (machats), ‘wond’: letterlijk ‘verbrijzeling’. Zie ook: Job 5:18; Deut 32:39; Jes 60:19–20; Openb 21:23; Openb 22:5 ### De naam van Yahweh komt van ver **30:27** Zie, de naam van Yahweh komt van ver. Zijn toorn brandt en zwaar is de last. Zijn lippen zijn vol verontwaardiging en Zijn tong is als een verterend vuur. Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | שֵׁם (shem) = naam van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּ֣א (ba) = komt | מִמֶּרְחָ֔ק (mimerchaq) = van ver | בֹּעֵ֣ר (boer) = brandend | אַפּ֔וֹ (apo) = Zijn toorn | וְכֹ֖בֶד (vekhoved) = en zwaar | מַשָּׂאָ֑ה (masaa) = last | שְׂפָתָיו֙ (sefatav) = Zijn lippen | מָ֣לְאוּ (maleu) = zijn vol van | זַ֔עַם (zaam) = verontwaardiging | וּלְשׁוֹנ֖וֹ (uleshono) = en Zijn tong | כְּאֵ֥שׁ (keesh) = als vuur | אֹכָֽלֶת (okhalet) = verterend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁם־יְהוָה (shem Yahweh), ‘de naam van Yahweh’: de naam staat voor Yahweh Zelf. Voetnoot : מַשָּׂאָה (massa'ah), ‘last’: een zeldzaam woord. De betekenis is onzeker; het kan ook ‘opstijgende rook’ betekenen. Zie ook: Ps 18:8–10; Ps 79:5; Jes 59:19; Sef 3:8; 2 Tess 2:8 **30:28** Zijn Geest is als een overstromende beek, die tot aan de hals reikt. Hij zeeft de volken met een zeef van ijdelheid, en een toom die doet dwalen is op de kaken van de volken. Brontekst: וְרוּח֞וֹ (verucho) = en Zijn Geest | כְּנַ֤חַל (kenachal) = als een beek | שׁוֹטֵף֙ (shotef) = overstromend | עַד (ad) = tot | צַוָּ֣אר (tsavar) = hals | יֶֽחֱצֶ֔ה (yechetse) = reikt | לַהֲנָפָ֥ה (lahanafa) = om te zeven | גוֹיִ֖ם (goyim) = volken | בְּנָ֣פַת (benafat) = met een zeef van | שָׁ֑וְא (shave) = ijdelheid | וְרֶ֣סֶן (veresen) = en een toom | מַתְעֶ֔ה (mate) = die doet dwalen | עַ֖ל (al) = op | לְחָיֵ֥י (lechayei) = kaken van | עַמִּֽים (amim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחוֹ (rucho), ‘Zijn Geest’: het kan ook ‘Zijn adem’ betekenen. Voetnoot : יֶחֱצֶה (yechetseh), ‘reikt’: letterlijk ‘verdeelt’, ‘splijt’. De stroom komt tot de hals. Voetnoot : בְּנָפַת שָׁוְא (benafat shav), ‘met een zeef van ijdelheid’: een zeef die de volken doet verdwijnen. De betekenis van ‘zeef’ is niet helemaal zeker. Zie ook: 2 Kon 19:28; Jes 8:8; Jes 11:4; Jes 37:29; 2 Tess 2:8 **30:29** Er zal voor jullie een lied zijn als in de nacht dat een feest wordt geheiligd. Er zal vreugde van hart zijn, als van iemand die met de fluit gaat. Hij komt naar de berg van Yahweh, naar de Rots van Israël. Brontekst: הַשִּׁיר֙ (hashir) = het lied | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | כְּלֵ֖יל (keleil) = als in de nacht | הִתְקַדֶּשׁ (hitqadesh) = wordt geheiligd | חָ֑ג (chag) = feest | וְשִׂמְחַ֣ת (vesimchat) = en vreugde van | לֵבָ֗ב (levav) = hart | כַּֽהוֹלֵךְ֙ (kaholekh) = als van iemand die gaat | בֶּֽחָלִ֔יל (bechalil) = met de fluit | לָב֥וֹא (lavo) = om te komen | בְהַר (behar) = naar de berg van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | צ֥וּר (tsur) = de Rots van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלִיל (chalil), ‘fluit’. Voetnoot : צוּר יִשְׂרָאֵל (tsur Yisrael), ‘de Rots van Israël’: een naam voor Yahweh; zie ook 2 Sam. 23:3. Zie ook: Ex 15:1–21; Deut 16:6; Deut 32:4; 2 Sam 23:3; Ps 42:5; Ps 95:1–2 **30:30** Yahweh zal de majesteit van Zijn stem laten horen. Hij zal het neerkomen van Zijn arm laten zien, in woede van toorn en met een vlam van verterend vuur, met stortregen, wolkbreuk en hagelstenen. Brontekst: וְהִשְׁמִ֨יעַ (vehishmia) = en laat horen | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | ה֣וֹד (hod) = majesteit van | קוֹל֗וֹ (qolo) = Zijn stem | וְנַ֤חַת (venachat) = en het neerkomen van | זְרוֹעוֹ֙ (zeroo) = Zijn arm | יַרְאֶ֔ה (yare) = laat Hij zien | בְּזַ֣עַף (bezaaf) = in woede van | אַ֔ף (af) = toorn | וְלַ֖הַב (velahav) = en vlam van | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | אוֹכֵלָ֑ה (okhela) = verterend | נֶ֥פֶץ (nefets) = stortregen | וָזֶ֖רֶם (vazerem) = en wolkbreuk | וְאֶ֥בֶן (veeven) = en steen van | בָּרָֽד (barad) = hagel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶץ (nefets), ‘stortregen’, en זֶרֶם (zerem), ‘wolkbreuk’: beide woorden zijn zeldzaam; de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : נַחַת זְרוֹעוֹ (nachat zero'o), ‘het neerkomen van Zijn arm’: de slag van Zijn arm. Zie ook: Joz 10:11; Ps 18:14–15; Jes 29:6; Ezech 38:19–22; Openb 16:18–21 **30:31** Want door de stem van Yahweh zal Assyrië verschrikt worden. Met de stok slaat Hij hem. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מִקּ֥וֹל (miqol) = door de stem van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יֵחַ֣ת (yechat) = zal verschrikt worden | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | בַּשֵּׁ֖בֶט (bashevet) = met de stok | יַכֶּֽה (yake) = slaat Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אַשּׁוּר (Ashshur), ‘Assyrië’: het rijk dat Juda bedreigde. Assyrië was zelf een knuppel in de hand van Yahweh, zie Jes. 10:5. Zie ook: Ps 17:13–14; Jes 9:3; Jes 10:5; Jes 11:4; Mi 5:4–5 **30:32** Bij elke slag van de vastgestelde staf, die Yahweh op hem laat neerkomen, zijn er tamboerijnen en lieren. Met zwaaiende gevechten strijdt Hij tegen hen. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en zal zijn | כֹּ֤ל (kol) = elke | מַֽעֲבַר֙ (maavar) = slag van | מַטֵּ֣ה (mate) = staf | מֽוּסָדָ֔ה (musada) = de vastgestelde | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יָנִ֤יחַ (yaniach) = zal laten neerkomen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עָלָ֔יו (alav) = op hem | בְּתֻפִּ֖ים (betupim) = met tamboerijnen | וּבְכִנֹּר֑וֹת (uvekhinorot) = en met lieren | וּבְמִלְחֲמ֥וֹת (uvemilchamot) = en met gevechten van | תְּנוּפָ֖ה (tenufa) = zwaaien | נִלְחַם (nilcham) = strijdt Hij | בָּֽם (bam) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַטֵּה מוּסָדָה (matteh musadah), ‘de vastgestelde staf’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘staf van het fundament’ betekenen. Voetnoot : תְּנוּפָה (tenufah), ‘zwaaien’: hetzelfde woord als in ‘beweegoffer’ (Lev. 7:30). Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat ‘tegen haar’ (בָּהּ). De lezing (qere) is ‘tegen hen’ (בָּם). Wij volgen de lezing. Zie ook: Lev 7:30; Ps 81:2–3; Jes 2:19; Jes 11:15; Jes 19:16; Ezech 32:10 **30:33** Want Tofet is al lang klaargelegd. Ook voor de koning is het gereedgemaakt. Hij heeft het diep en breed gemaakt. De brandstapel is vuur en veel hout. De adem van Yahweh steekt het aan als een stroom van zwavel. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עָר֤וּךְ (arukh) = is klaargelegd | מֵֽאֶתְמוּל֙ (meetmul) = sinds gisteren | תָּפְתֶּ֔ה (tafte) = Tofet | גַּם (gam) = ook | הִ֛יא (hi) = zij | לַמֶּ֥לֶךְ (lamelekh) = voor de koning | הוּכָ֖ן (hukhan) = is gereedgemaakt | הֶעְמִ֣יק (hemiq) = Hij heeft diep gemaakt | הִרְחִ֑ב (hirchiv) = Hij heeft breed gemaakt | מְדֻרָתָ֗הּ (meduratah) = haar brandstapel | אֵ֤שׁ (esh) = vuur | וְעֵצִים֙ (veetsim) = en hout | הַרְבֵּ֔ה (harbe) = veel | נִשְׁמַ֤ת (nishmat) = adem van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כְּנַ֣חַל (kenachal) = als een stroom van | גָּפְרִ֔ית (gaferit) = zwavel | בֹּעֲרָ֖ה (boara) = steekt aan | בָּֽהּ (bah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: תָּפְתֶּה (Tofet), ‘Tofet’: de offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, bij Jeruzalem, waar kinderen aan Molech werden geofferd (2 Kon. 23:10). Hier is het een beeld voor een grote brandstapel. Voetnoot : מֵאֶתְמוּל (me'etmol), ‘al lang’: letterlijk ‘sinds gisteren’. Voetnoot : לַמֶּלֶךְ (lammelekh), ‘voor de koning’: de koning van Assyrië. Met andere klinkers kan het ook ‘voor Molech’ zijn. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat הוא (hu), ‘het’ (mannelijk). De lezing (qere) is הִיא (hi), ‘zij’ (vrouwelijk). Wij volgen de lezing. Zie ook: Gen 19:24; 2 Kon 23:10; Jer 19:6; 1 Petr 1:8; Heb 13:8 ## Jesaja 31 _Egypte helpt niet; Yahweh van de legermachten beschermt Jeruzalem_ ### Wee wie op Egypte steunt **31:1** Wee hen die naar Egypte afdalen voor hulp en steunen op paarden. Zij vertrouwen op wagens, want die zijn talrijk, en op ruiters, want zij zijn zeer sterk. Maar naar de Heilige van Israël kijken zij niet, en Yahweh zoeken zij niet. Brontekst: ה֣וֹי (hoy) = wee | הַיֹּרְדִ֤ים (hayoredim) = die afdalen | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = naar Egypte | לְעֶזְרָ֔ה (leezra) = voor hulp | עַל (al) = op | סוּסִ֖ים (susim) = paarden | יִשָּׁעֵ֑נוּ (yishaenu) = zij steunen | וַיִּבְטְח֨וּ (vayivtechu) = en zij vertrouwen | עַל (al) = op | רֶ֜כֶב (rekhev) = wagens | כִּ֣י (ki) = want | רָ֗ב (rav) = talrijk | וְעַ֤ל (veal) = en op | פָּֽרָשִׁים֙ (parashim) = ruiters | כִּֽי (ki) = want | עָצְמ֣וּ (atsemu) = zij zijn sterk | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וְלֹ֤א (velo) = en niet | שָׁעוּ֙ (shau) = zij kijken | עַל (al) = naar | קְד֣וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | דָרָֽשׁוּ (darashu) = zij zoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הַיֹּרְדִים מִצְרַיִם (yordim Mitsrayim), ‘die naar Egypte afdalen’: wie naar Egypte trekt, ‘daalt af’. Egypte gold als bondgenoot met paarden en wagens. De koning mocht geen paarden uit Egypte halen (Deut. 17:16); vergelijk ook de woorden van de Rabsake over Egypte in 2 Kon. 18:21 en Ps. 20:8 en 33:17. Voetnoot : קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een vaste naam voor Yahweh bij Jesaja. Zie ook: Deut 17:16; Ps 20:8; Ps 33:17; 2 Kon 18:21; Jes 36:9; Jer 2:13; Jer 17:5 **31:2** Ook Hij is wijs. Hij laat onheil komen en neemt Zijn woorden niet terug. Hij staat op tegen het huis van de kwaaddoeners en tegen de hulp van hen die onrecht doen. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | ה֤וּא (hu) = Hij | חָכָם֙ (chakham) = wijs | וַיָּ֣בֵא (vayave) = en Hij laat komen | רָ֔ע (ra) = onheil | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דְּבָרָ֖יו (devarav) = Zijn woorden | לֹ֣א (lo) = niet | הֵסִ֑יר (hesir) = Hij neemt weg | וְקָם֙ (veqam) = en Hij staat op | עַל (al) = tegen | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | מְרֵעִ֔ים (mereim) = kwaaddoeners | וְעַל (veal) = en tegen | עֶזְרַ֖ת (ezrat) = de hulp van | פֹּ֥עֲלֵי (poalei) = hen die doen | אָֽוֶן (aven) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְגַם הוּא חָכָם (vegam hu chakham), ‘ook Hij is wijs’: wie hulp zoekt in Egypte denkt wijs te handelen. Jesaja zegt dat ook Yahweh wijs is. Voetnoot : דְּבָרָיו לֹא הֵסִיר (devarav lo hesir), ‘Hij neemt Zijn woorden niet terug’: letterlijk ‘Zijn woorden verwijdert Hij niet’. Vergelijk Num. 23:19. Voetnoot : פֹּעֲלֵי אָוֶן (poalei aven), ‘hen die onrecht doen’: letterlijk ‘werkers van onrecht’. Zie ook: Num 23:19; Jes 45:7; Sef 3:8; Mat 24:35; Rom 16:27 **31:3** De Egyptenaren zijn mensen en geen El. Hun paarden zijn vlees en geen geest. Yahweh zal Zijn hand uitstrekken. Dan struikelt de helper en valt hij die geholpen wordt. Samen gaan zij allen ten onder. Brontekst: וּמִצְרַ֤יִם (umitsrayim) = en Egypte | אָדָם֙ (adam) = mens | וְֽלֹא (velo) = en niet | אֵ֔ל (el) = El | וְסוּסֵיהֶ֥ם (vesuseihem) = en hun paarden | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | וְלֹא (velo) = en niet | ר֑וּחַ (ruach) = geest | וַֽיהוָ֞ה (vaYahweh) = en Yahweh | יַטֶּ֣ה (yate) = Hij zal uitstrekken | יָד֗וֹ (yado) = Zijn hand | וְכָשַׁ֤ל (vekhashal) = en struikelt | עוֹזֵר֙ (ozer) = de helper | וְנָפַ֣ל (venafal) = en valt | עָזֻ֔ר (azur) = die geholpen wordt | וְיַחְדָּ֖ו (veyachdav) = en samen | כֻּלָּ֥ם (kulam) = zij allen | יִכְלָיֽוּן (yikhlayun) = gaan ten onder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמִצְרַיִם אָדָם וְלֹא אֵל (u-Mitsrayim adam velo El), ‘de Egyptenaren zijn mensen en geen El’: het Hebreeuws heeft ‘Egypte’. Mensen sterven, El niet; vergelijk Num. 23:19. Voetnoot : וְסוּסֵיהֶם בָּשָׂר וְלֹא רוּחַ (susehem basar velo ruach), ‘hun paarden zijn vlees en geen geest’: ‘vlees’ is zwak en vergankelijk, ‘ruach’ (geest, ook ‘wind’) is levenskracht. Voetnoot : עוֹזֵר (ozer), ‘de helper’, en עָזֻר (azur), ‘hij die geholpen wordt’: Egypte, dat helpt, en Juda, dat hulp zoekt. Beiden vallen. Zie ook: Num 23:19; Ps 33:17; Jes 9:16; Jer 15:6; Ezech 20:33–34; Ezech 28:9 ### Yahweh strijdt voor Sion **31:4** Want zo heeft Yahweh tegen mij gezegd: **„Zoals de leeuw en de jonge leeuw gromt over zijn prooi, terwijl een menigte herders tegen hem wordt opgeroepen: hij schrikt niet van hun stem en bezwijkt niet voor hun gedruis. Zo zal Yahweh van de legermachten neerdalen om te strijden op de berg Sion en op haar heuvel.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָֽמַר (amar) = heeft gezegd | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֡י (elay) = tegen mij | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | יֶהְגֶּה֩ (yehge) = gromt | הָאַרְיֵ֨ה (haarye) = de leeuw | וְהַכְּפִ֜יר (vehakefir) = en de jonge leeuw | עַל (al) = over | טַרְפּ֗וֹ (tarpo) = zijn prooi | אֲשֶׁ֨ר (asher) = tegen wie | יִקָּרֵ֤א (yiqare) = wordt opgeroepen | עָלָיו֙ (alav) = tegen hem | מְלֹ֣א (melo) = een menigte van | רֹעִ֔ים (roim) = herders | מִקּוֹלָם֙ (miqolam) = voor hun stem | לֹ֣א (lo) = niet | יֵחָ֔ת (yechat) = schrikt hij | וּמֵֽהֲמוֹנָ֖ם (umehamonam) = en voor hun gedruis | לֹ֣א (lo) = niet | יַֽעֲנֶ֑ה (yaane) = bezwijkt hij | כֵּ֗ן (ken) = zo | יֵרֵד֙ (yered) = zal neerdalen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לִצְבֹּ֥א (litsbo) = om te strijden | עַל (al) = op | הַר (har) = de berg | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | וְעַל (veal) = en op | גִּבְעָתָֽהּ (givatah) = haar heuvel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jes. 1:9. Voetnoot : יֶהְגֶּה (yehgeh), ‘gromt’: het werkwoord betekent eigenlijk ‘mompelen’ of ‘kreunen’; zo klinkt een leeuw boven zijn prooi. Vergelijk Hos. 5:14 en Am. 3:8, waar Yahweh en Zijn woord met een leeuw worden vergeleken. Voetnoot : יַעֲנֶה (yaaneh), ‘bezwijkt’: het werkwoord kan ‘antwoorden’ of ‘zich laten kleinmaken’ betekenen. De betekenis hier is niet helemaal zeker. Voetnoot Lezing: לִצְבֹּא עַל (lits’bo al), ‘om te strijden op’: het woordje ‘al’ kan ‘op’, ‘voor’ of ‘tegen’ betekenen. Het kan dus ‘om te strijden voor de berg Sion’ zijn, zoals het volgende vers dat zegt (beschermen), maar ook ‘om op de berg Sion te strijden’. Wij laten het open met ‘op’. Zie ook: Amos 3:8; Hos 5:14; Hos 11:10; Jes 1:9; Jes 42:13; Zach 2:9; Zach 12:8 **31:5** Als vogels die vliegen, zo zal Yahweh van de legermachten Jeruzalem beschermen. Hij zal beschermen en bevrijden, voorbijgaan en laten ontkomen. Brontekst: כְּצִפֳּרִ֣ים (ketsiporim) = als vogels | עָפ֔וֹת (afot) = vliegend | כֵּ֗ן (ken) = zo | יָגֵ֛ן (yagen) = zal beschermen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | עַל (al) = over | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | גָּנ֥וֹן (ganon) = beschermend | וְהִצִּ֖יל (vehitsil) = en bevrijdend | פָּסֹ֥חַ (pasoach) = voorbijgaand | וְהִמְלִֽיט (vehimlit) = en laten ontkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פָּסֹחַ (pasoach), ‘voorbijgaan’: hetzelfde werkwoord als bij het Pesach, toen Yahweh de huizen van Israël voorbijging (Exod. 12:13, 12:23 en 12:27). Hier spaart Hij Jeruzalem. Voetnoot : גָּנוֹן (ganon), ‘beschermen’: hetzelfde werkwoord als in 2 Kon. 19:34, waar Yahweh zegt dat Hij de stad zal beschermen en redden. Daar staat voor ‘redden’ het werkwoord hoshia; hier staat hitsil, ‘bevrijden’. Zie ook: Ex 12:13; Ex 12:23; Ex 12:27; Deut 32:11; Ps 37:40; Ps 91:4; 2 Kon 19:34; Jes 37:35; Jes 38:6 ### Keer terug tot Hem **31:6** Keer terug tot Hem van wie de kinderen van Israël diep zijn afgevallen. Brontekst: שׁ֗וּבוּ (shuvu) = keert terug | לַאֲשֶׁ֛ר (laasher) = tot Hem van wie | הֶעְמִ֥יקוּ (hemiqu) = zij hebben verdiept | סָרָ֖ה (sara) = afval | בְּנֵ֥י (benei) = de kinderen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָרָה (sarah), ‘afval’: letterlijk ‘afwijking’. Hetzelfde woord staat in Deut. 13:6, waar wij ‘opstand’ hebben. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws wisselt van ‘keer terug’ (jullie) naar ‘zij’. Wij lezen ‘de kinderen van Israël’ als onderwerp van ‘zijn afgevallen’. Het kan ook zijn: ‘Keer terug, kinderen van Israël, tot Hem van wie zij diep zijn afgevallen.’ ‘Hem’ is Yahweh uit vers 1. Zie ook: Deut 13:6; Hos 9:9; Jes 31:1; Jes 55:7; Jer 3:10; Jer 3:14; Jer 3:22 **31:7** Want op die dag zal ieder zijn zilveren nietige goden verwerpen en zijn gouden nietige goden, die jullie handen voor jullie hebben gemaakt tot zonde. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | יִמְאָס֗וּן (yimasun) = zij zullen verwerpen | אִ֚ישׁ (ish) = ieder | אֱלִילֵ֣י (elilei) = nietige goden van | כַסְפּ֔וֹ (kaspo) = zijn zilver | וֶאֱלִילֵ֖י (veelilei) = en nietige goden van | זְהָב֑וֹ (zehavo) = zijn goud | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | עָשׂ֥וּ (asu) = hebben gemaakt | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | יְדֵיכֶ֖ם (yedeikhem) = jullie handen | חֵֽטְא (chete) = zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלִילֵי (elilei), ‘nietige goden’: zie Jes. 2:8 en vooral Jes. 2:20, waar dezelfde uitdrukking staat (‘zijn zilveren nietige goden en zijn gouden nietige goden’). Voetnoot : חֵטְא (chet), ‘zonde’: de beelden zelf zijn de zonde, want mensenhanden hebben ze gemaakt. Zie ook: Deut 7:25; Hos 14:9; Jes 2:8; Jes 2:20; Jes 30:22; Ezech 36:25 ### Assyrië zal vallen **31:8** Assyrië zal vallen door een zwaard dat niet van een man is. Een zwaard dat niet van een mens is, zal hem verslinden. Hij zal vluchten voor het zwaard, en zijn jonge mannen zullen dwangarbeiders worden. Brontekst: וְנָפַ֤ל (venafal) = en zal vallen | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | בְּחֶ֣רֶב (becherev) = door een zwaard | לֹא (lo) = niet | אִ֔ישׁ (ish) = van een man | וְחֶ֥רֶב (vecherev) = en een zwaard | לֹֽא (lo) = niet | אָדָ֖ם (adam) = van een mens | תֹּֽאכֲלֶ֑נּוּ (tokhalenu) = zal hem verslinden | וְנָ֥ס (venas) = en hij zal vluchten | לוֹ֙ (lo) = voor zich | מִפְּנֵי (mipenei) = voor | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וּבַחוּרָ֖יו (uvachurav) = en zijn jonge mannen | לָמַ֥ס (lamas) = tot dwangarbeid | יִהְיֽוּ (yihyu) = zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אַשּׁוּר (Ashur), ‘Assyrië’: het Hebreeuws heeft Assur; wij schrijven Assyrië, zoals in Koningen. Voetnoot : בְּחֶרֶב לֹא אִישׁ וְחֶרֶב (bechereb lo ish), ‘door een zwaard dat niet van een man is’: het zwaard komt niet van mensen. Vergelijk 2 Kon. 19:35, waar de engel van Yahweh het kamp van Assyrië sloeg. Voetnoot : לָמַס (lamas), ‘tot dwangarbeid’: zie Joz. 16:10 en 17:13. Zie ook: Gen 49:15; Joz 16:10; Joz 17:13; 2 Kon 19:34–37; 2 Kon 19:35; Jes 10:16–19; Jes 14:25; Jes 37:35–38 **31:9** Zijn rots zal van schrik verdwijnen, en zijn oversten zullen ontzet zijn voor de banier. **Godsspraak van Yahweh**, die in Sion een vuur heeft en in Jeruzalem een oven. Brontekst: וְסַלְעוֹ֙ (vesalo) = en zijn rots | מִמָּג֣וֹר (mimagor) = van schrik | יַֽעֲב֔וֹר (yaavor) = zal verdwijnen | וְחַתּ֥וּ (vechatu) = en zij zullen ontzet zijn | מִנֵּ֖ס (mines) = voor de banier | שָׂרָ֑יו (sarav) = zijn oversten | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = die | א֥וּר (ur) = vuur | לוֹ֙ (lo) = voor Hem | בְּצִיּ֔וֹן (betsiyon) = in Sion | וְתַנּ֥וּר (vetanur) = en oven | ל֖וֹ (lo) = voor Hem | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushalaim) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (neum Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24. Ook hier staat de formule rood, hoewel ze in de woorden van de profeet staat. Voetnoot : וְסַלְעוֹ (sal’o), ‘zijn rots’: onzeker wat ermee bedoeld wordt, zijn vesting, zijn koning of zijn god. Voetnoot : מִמָּגוֹר (magor), ‘schrik’, en מִנֵּס (nes), ‘banier’: een teken van een leger. Vuur en oven in Sion en Jeruzalem zijn beelden van Yahweh als wie oordeelt; vergelijk 33:14. Zie ook: Lev 6:6; Jes 1:24; Jes 4:4; Jes 10:17; Jes 29:6; Mal 3:19 ## Jesaja 32 _Een koning van gerechtigheid; de Geest wordt uitgestort_ ### Een koning in gerechtigheid **32:1** Zie, een koning zal in gerechtigheid regeren, en oversten zullen met recht heersen. Brontekst: הֵ֥ן (hen) = zie | לְצֶ֖דֶק (letsedeq) = in gerechtigheid | יִמְלָךְ (yimlakh) = zal regeren | מֶ֑לֶךְ (melekh) = een koning | וּלְשָׂרִ֖ים (ulesarim) = en oversten | לְמִשְׁפָּ֥ט (lemishpat) = met recht | יָשֹֽׂרוּ (yasoru) = zullen heersen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵן (hen), ‘zie’: een uitroep die de aandacht vraagt. Wij vertalen ‘zie’. Voetnoot : וּלְשָׂרִים (sarim), ‘oversten’: bestuurders onder de koning. Zie ook: 2 Sam 23:3; Jes 9:5–6; Jer 33:15; Heb 1:8–9; Openb 19:11 **32:2** Een man zal zijn als een schuilplaats tegen de wind en een toevlucht tegen de stortregen. Hij zal zijn als waterbeken in dorre grond, als de schaduw van een zware rots in een vermoeid land. Brontekst: וְהָיָה (vehaya) = en zal zijn | אִ֥ישׁ (ish) = een man | כְּמַֽחֲבֵא (kemachave) = als een schuilplaats | ר֖וּחַ (ruach) = wind | וְסֵ֣תֶר (veseter) = en een toevlucht | זָ֑רֶם (zarem) = stortregen | כְּפַלְגֵי (kefalgei) = als waterbeken van | מַ֣יִם (mayim) = water | בְּצָי֔וֹן (betsayon) = in dorre grond | כְּצֵ֥ל (ketsel) = als schaduw van | סֶֽלַע (sela) = rots | כָּבֵ֖ד (kaved) = zware | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in een land | עֲיֵפָֽה (ayefa) = vermoeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ (ish), ‘een man’: het Hebreeuws zegt niet wie. Het kan de koning zijn of ieder van de oversten uit vers 1. Voetnoot : בְּצָיוֹן (betsayon), ‘in dorre grond’: tsayon is een droge streek. Het woord lijkt op Sion (tsiyyon), maar het is een ander woord. Zie ook: Jes 9:5; Jes 25:4; Jes 32:1; Jes 43:20; Jes 44:3; Mi 5:3–4 **32:3** De ogen van wie zien zullen niet meer gesloten zijn, en de oren van wie horen zullen opletten. Brontekst: וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִשְׁעֶ֖ינָה (tisheina) = zullen gesloten zijn | עֵינֵ֣י (einei) = de ogen van | רֹאִ֑ים (roim) = zienden | וְאָזְנֵ֥י (veazenei) = en de oren van | שֹׁמְעִ֖ים (shomeim) = horenden | תִּקְשַֽׁבְנָה (tiqshavna) = zullen opletten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִשְׁעֶינָה (tisha’ena), ‘zullen gesloten zijn’: de betekenis van dit werkwoord is onzeker. Het kan ook ‘wegkijken’ betekenen. Zie ook: Jes 29:18; Jes 35:5–6; Hand 26:18; 2 Kor 4:6; 1 Joh 2:20–21 **32:4** Het hart van de haastigen zal inzicht hebben om te weten. De tong van de stamelaars zal er snel bij zijn om helder te spreken. Brontekst: וּלְבַ֥ב (ulevav) = en het hart van | נִמְהָרִ֖ים (nimharim) = haastigen | יָבִ֣ין (yavin) = zal inzicht hebben | לָדָ֑עַת (ladaat) = om te weten | וּלְשׁ֣וֹן (uleshon) = en de tong van | עִלְּגִ֔ים (ilegim) = stamelaars | תְּמַהֵ֖ר (temaher) = zal snel zijn | לְדַבֵּ֥ר (ledaber) = om te spreken | צָחֽוֹת (tsachot) = helder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִמְהָרִים (nimharim), ‘haastigen’: mensen die overhaast oordelen. Voetnoot : עִלְּגִים (illegim), ‘stamelaars’: wie moeilijk spreekt. Voetnoot : צָחוֹת (tsachot), ‘helder’: duidelijk en zuiver gesproken. Zie ook: Jes 29:24; Luc 21:14–15; Hand 2:4–12; Hand 6:7; Gal 1:23 ### De dwaas en de edele **32:5** De dwaas zal niet meer edel worden genoemd, en de schurk zal niet meer voornaam worden genoemd. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יִקָּרֵ֥א (yiqare) = zal worden genoemd | ע֛וֹד (od) = meer | לְנָבָ֖ל (lenaval) = de dwaas | נָדִ֑יב (nadiv) = edel | וּלְכִילַ֕י (ulekhilay) = en de schurk | לֹ֥א (lo) = niet | יֵֽאָמֵ֖ר (yeamer) = zal worden gezegd | שֽׁוֹעַ (shoa) = voornaam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְנָבָל (naval), ‘dwaas’: wie Elohim niet in rekening brengt; zie Ps. 14:1. Voetnoot : נָדִיב (nadiv), ‘edel’: wie edelmoedig is. Voetnoot : וּלְכִילַי (kilai), ‘schurk’: een zeldzaam woord. De betekenis is onzeker; het staat opnieuw in vers 7. Voetnoot : שׁוֹעַ (shoa), ‘voornaam’: wie hoog in aanzien staat. Zie ook: 1 Sam 25:3–8; 1 Sam 25:25; Ps 14:1; Ps 15:4; Jes 5:20; Jes 32:7; Mal 3:18 **32:6** Want de dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet onrecht. Hij bedrijft goddeloosheid en spreekt verkeerdheid over Yahweh. Hij laat de hongerige ziel leeg achter en onthoudt de dorstige drank. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | נָבָל֙ (naval) = de dwaas | נְבָלָ֣ה (nevala) = dwaasheid | יְדַבֵּ֔ר (yedaber) = spreekt | וְלִבּ֖וֹ (velibo) = en zijn hart | יַעֲשֶׂה (yaase) = doet | אָ֑וֶן (aven) = onrecht | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te bedrijven | חֹ֗נֶף (chonef) = goddeloosheid | וּלְדַבֵּ֤ר (uledaber) = en om te spreken | אֶל (el) = over | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | תּוֹעָ֔ה (toa) = verkeerdheid | לְהָרִיק֙ (lehariq) = om leeg te laten | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = de ziel van | רָעֵ֔ב (raev) = hongerige | וּמַשְׁקֶ֥ה (umashqe) = en drank | צָמֵ֖א (tsame) = dorstige | יַחְסִֽיר (yachsir) = hij onthoudt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹנֶף (chonef), ‘goddeloosheid’, en תּוֹעָה (toah), ‘verkeerdheid’: het tweede woord is zeldzaam. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : אָוֶן (aven), ‘onrecht’: ook ‘onheil’. Zie ook: 1 Sam 24:14; Jes 3:15; Mat 15:19; Mat 23:13; Hand 5:3–4 **32:7** De wapens van de schurk zijn kwaad. Hij bedenkt snode plannen om de armen te gronde te richten met leugenwoorden, ook wanneer de behoeftige recht spreekt. Brontekst: וְכֵלַ֖י (vekhelay) = en de schurk | כֵּלָ֣יו (kelav) = zijn wapens | רָעִ֑ים (raim) = kwaad | ה֚וּא (hu) = hij | זִמּ֣וֹת (zimot) = plannen | יָעָ֔ץ (yaats) = bedenkt | לְחַבֵּ֤ל (lechabel) = om te gronde te richten | עֲנִיִּים֙ (aniyim) = armen | בְּאִמְרֵי (beimrei) = met woorden van | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = leugen | וּבְדַבֵּ֥ר (uvedaber) = en wanneer spreekt | אֶבְי֖וֹן (evyon) = de behoeftige | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְכֵלַי (vekhelai), ‘en de schurk’: waarschijnlijk hetzelfde woord als kilai in vers 5. De betekenis is onzeker. Voetnoot : זִמּוֹת (zimmot), ‘plannen’: hier plannen met een slecht doel. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is ענוים (anavim), ‘ootmoedigen’. De voorgelezen tekst (qere) is עֲנִיִּים (aniyyim), ‘armen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 64:5–7; Jes 5:23; Jes 32:5; Jer 5:26–28; Mat 26:59–60; Hand 6:11–13 **32:8** Maar de edele bedenkt wat edel is, en bij wat edel is houdt hij stand. Brontekst: וְנָדִ֖יב (venadiv) = maar de edele | נְדִיב֣וֹת (nedivot) = edele dingen | יָעָ֑ץ (yaats) = bedenkt | וְה֖וּא (vehu) = en hij | עַל (al) = bij | נְדִיב֥וֹת (nedivot) = edele dingen | יָקֽוּם (yaqum) = houdt stand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְדִיבוֹת (nedivot), ‘edele dingen’: plannen en daden van een edelmoedig mens. יָקוּם (yaqum), ‘houdt stand’: letterlijk ‘staat op’. Zie ook: Job 31:16–21; 2 Sam 9:1–13; Ps 112:9; Spr 11:24–25; Hand 11:29–30 ### Zorgeloze vrouwen, beef **32:9** Zorgeloze vrouwen, sta op en hoor mijn stem. Zelfverzekerde dochters, luister naar mijn woord. Brontekst: נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | שַֽׁאֲנַנּ֔וֹת (shaananot) = zorgeloze | קֹ֖מְנָה (qomena) = staat op | שְׁמַ֣עְנָה (shemana) = hoort | קוֹלִ֑י (qoli) = mijn stem | בָּנוֹת֙ (banot) = dochters | בֹּֽטח֔וֹת (botchot) = zelfverzekerde | הַאְזֵ֖נָּה (hazena) = luistert | אִמְרָתִֽי (imrati) = naar mijn woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁאֲנַנּוֹת (shaananot), ‘zorgeloze’, en בֹּטחוֹת (betachot), ‘zelfverzekerde’: beide woorden staan in de vrouwelijke vorm. Het gaat om gemak en gevoel van veiligheid. Zie ook Am. 6:1. Zie ook: Re 9:7; Jes 3:16; Jes 28:23; Klaagl 4:5; Mat 13:9 **32:10** Over een jaar en enkele dagen zullen jullie beven, zelfverzekerden. Want de druivenpluk is afgelopen, en de oogst komt niet. Brontekst: יָמִים֙ (yamim) = dagen | עַל (al) = boven | שָׁנָ֔ה (shana) = een jaar | תִּרְגַּ֖זְנָה (tirgazna) = zullen jullie beven | בֹּֽטְח֑וֹת (botechot) = zelfverzekerden | כִּ֚י (ki) = want | כָּלָ֣ה (kala) = is afgelopen | בָצִ֔יר (batsir) = de druivenpluk | אֹ֖סֶף (osef) = de oogst | בְּלִ֥י (beli) = zonder | יָבֽוֹא (yavo) = komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָמִים עַל שָׁנָה (yamim al shanah), ‘over een jaar en enkele dagen’: letterlijk ‘dagen boven een jaar’. Het is dus iets meer dan een jaar. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : בָצִיר (batsir), ‘de druivenpluk’, en אֹסֶף (asif), ‘de oogst’: de oogst van wijn en van andere vruchten. Zie ook: Hos 3:4; Jes 7:23; Jes 24:7–12; Sef 1:13; Jer 8:13 **32:11** Beef, zorgelozen. Sidder, zelfverzekerden. Kleed je uit, ontbloot je en gord je om de heupen. Brontekst: חִרְדוּ֙ (chirdu) = beeft | שַֽׁאֲנַנּ֔וֹת (shaananot) = zorgelozen | רְגָ֖זָה (regaza) = sidder | בֹּֽטְח֑וֹת (botechot) = zelfverzekerden | פְּשֹׁ֣טָֽה (peshota) = kleedt je uit | וְעֹ֔רָה (veora) = en ontbloot je | וַחֲג֖וֹרָה (vachagora) = en gordt je | עַל (al) = om | חֲלָצָֽיִם (chalatsayim) = heupen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַחֲגוֹרָה (vachgora), ‘en gord je’: het Hebreeuws noemt niet wat men omgordt. Bedoeld is een rouwkleed, zoals in Am. 8:10. Zie ook: Deut 28:48; Jes 2:21; Jes 3:24; Mi 1:8–11; Jer 6:26 **32:12** Zij slaan zich rouwend op de borst om de heerlijke velden, om de vruchtbare wijnstok. Brontekst: עַל (al) = op | שָׁדַ֖יִם (shadayim) = borsten | סֹֽפְדִ֑ים (sofedim) = rouwend | עַל (al) = om | שְׂדֵי (sedei) = velden van | חֶ֕מֶד (chemed) = heerlijkheid | עַל (al) = om | גֶּ֖פֶן (gefen) = wijnstok | פֹּרִיָּֽה (poriya) = vruchtbare Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹפְדִים (sofdim), ‘rouwend’: het werkwoord betekent ‘rouwen’, ‘een klaaglied zingen’. Het slaan op de borst hoort bij de rouw. Zie ook: Deut 8:7–8; Nah 2:8; Klaagl 2:11; Klaagl 4:3–4; Ezech 20:6 **32:13** Op de grond van mijn volk komen doornen en doornstruiken op, ja, boven alle huizen van vreugde in de uitgelaten stad. Brontekst: עַ֚ל (al) = op | אַדְמַ֣ת (admat) = de grond van | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | ק֥וֹץ (qots) = doorn | שָׁמִ֖יר (shamir) = doornstruik | תַּֽעֲלֶ֑ה (taale) = zal opkomen | כִּ֚י (ki) = ja | עַל (al) = boven | כָּל (kal) = alle | בָּתֵּ֣י (batei) = huizen van | מָשׂ֔וֹשׂ (masos) = vreugde | קִרְיָ֖ה (qirya) = stad | עַלִּיזָֽה (aliza) = uitgelaten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹץ שָׁמִיר (qots shamir), ‘doornen en doornstruiken’: twee woorden voor stekelig onkruid; zie ook Jes. 5:6 en 10:17. In Gen. 3:18 staan andere woorden (‘doorns en distels’). Voetnoot : מָשׂוֹשׂ קִרְיָה עַלִּיזָה (masos qiryah alizah), ‘vreugde’ en ‘uitgelaten stad’: de stad wordt niet genoemd. Waarschijnlijk is het Jeruzalem. Zie ook: Gen 3:18; Hos 9:6; Jes 5:6; Jes 7:23; Jes 10:17; Jes 22:2; Jes 34:13 **32:14** Want het paleis is verlaten, het gedruis van de stad is achtergelaten. Ofel en wachttoren zijn voor eeuwig grotten geworden, een vreugde voor wilde ezels, een weide voor kudden. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אַרְמ֣וֹן (armon) = paleis | נֻטָּ֔שׁ (nutash) = is verlaten | הֲמ֥וֹן (hamon) = gedruis van | עִ֖יר (ir) = stad | עֻזָּ֑ב (uzav) = is achtergelaten | עֹ֣פֶל (ofel) = Ofel | וָבַ֜חַן (vavachan) = en wachttoren | הָיָ֨ה (haya) = zijn geworden | בְעַ֤ד (bead) = tot | מְעָרוֹת֙ (mearot) = grotten | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwig | מְשׂ֥וֹשׂ (mesos) = vreugde van | פְּרָאִ֖ים (peraim) = wilde ezels | מִרְעֵ֥ה (mire) = weide van | עֲדָרִֽים (adarim) = kudden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ofel (Jeruzalem): De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg in Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: עֹפֶל (Ofel): de heuvel ten zuiden van de tempelberg in Jeruzalem; zie 2 Kron. 27:3 en 33:14. Voetnoot : וָבַחַן (bachan), ‘wachttoren’: een zeldzaam woord. De betekenis is onzeker. Voetnoot : בְעַד (ba’ad): het woordje betekent eigenlijk ‘achter’ of ‘voor’. De zin is moeilijk; wij kiezen ‘zijn … grotten geworden’. Voetnoot : פְּרָאִים (pera’im), ‘wilde ezels’: dieren van de woestijn. Zie ook: Ps 104:11; 2 Kron 27:3; 2 Kron 33:14; Jes 24:10; Jes 24:12; Jes 25:2; Jes 27:10 ### Totdat de Geest wordt uitgestort **32:15** Totdat de Geest over ons wordt uitgestort uit de hoogte. Dan wordt de woestijn vruchtbaar land, en het vruchtbare land wordt als een bos gerekend. Brontekst: עַד (ad) = totdat | יֵ֨עָרֶ֥ה (yeare) = wordt uitgestort | עָלֵ֛ינוּ (aleinu) = over ons | ר֖וּחַ (ruach) = Geest | מִמָּר֑וֹם (mimarom) = uit de hoogte | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en wordt | מִדְבָּר֙ (midbar) = woestijn | לַכַּרְמֶ֔ל (lakarmel) = tot vruchtbaar land | וְהַכַּרְמֶ֖ל (vehakarmel) = en het vruchtbare land | לַיַּ֥עַר (layaar) = tot bos | יֵחָשֵֽׁב (yechashev) = wordt gerekend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘Geest’: het woord betekent ook ‘wind’. Hier is het de Geest van Yahweh, die ‘uit de hoogte’ komt. Vergelijk de belofte in Joël 3:1 (Hebr.): ‘Ik stort Mijn Geest uit’. Daar staat een ander werkwoord. Voetnoot : לַכַּרְמֶל (karmel), ‘vruchtbaar land’: het woord is ook de naam van de berg Karmel. Door de tegenstelling met ‘woestijn’ en ‘bos’ is hier ‘vruchtbaar land’ bedoeld. De keuze is niet zeker. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is וכרמל (vekarmel), ‘en vruchtbaar land’. De voorgelezen tekst (qere) is וְהַכַּרְמֶל (vehakarmel), ‘en het vruchtbare land’. Wij volgen de qere. Zie ook: Joël 3:1; Jes 29:17; Jes 44:3; Ezech 39:29; Luc 24:49; Tit 3:5–6 **32:16** Dan zal recht wonen in de woestijn, en gerechtigheid zal verblijven in het vruchtbare land. Brontekst: וְשָׁכַ֥ן (veshakhan) = en zal wonen | בַּמִּדְבָּ֖ר (bamidbar) = in de woestijn | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֖ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | בַּכַּרְמֶ֥ל (bakarmel) = in het vruchtbare land | תֵּשֵֽׁב (teshev) = zal verblijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּכַּרְמֶל (karmel), ‘vruchtbaar land’: zie vers 15. Zie ook: Hos 3:5; Jes 32:15; Jes 35:8; Jes 42:4; 1 Petr 2:9–12; 1 Petr 4:1–4 **32:17** Het werk van de gerechtigheid zal vrede zijn, en de arbeid van de gerechtigheid rust en veiligheid voor eeuwig. Brontekst: וְהָיָ֛ה (vehaya) = en zal zijn | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = het werk van | הַצְּדָקָ֖ה (hatsedaqa) = de gerechtigheid | שָׁל֑וֹם (shalom) = vrede | וַֽעֲבֹדַת֙ (vaavodat) = en de arbeid van | הַצְּדָקָ֔ה (hatsedaqa) = de gerechtigheid | הַשְׁקֵ֥ט (hashqet) = rust | וָבֶ֖טַח (vavetach) = en veiligheid | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: ook heelheid en welzijn. Voetnoot : הַשְׁקֵט (hashqet), ‘rust’, en וָבֶטַח (vavetach), ‘veiligheid’: de vrucht van gerechtigheid. Zie ook: Ps 119:165; Jes 26:3; Jak 3:17–18; Rom 14:17; Fil 4:6–9 **32:18** Mijn volk zal wonen in een woning van vrede, in veilige verblijven en op rustplaatsen vol zorgeloosheid. Brontekst: וְיָשַׁ֥ב (veyashav) = en zal wonen | עַמִּ֖י (ami) = mijn volk | בִּנְוֵ֣ה (binve) = in een woning van | שָׁל֑וֹם (shalom) = vrede | וּֽבְמִשְׁכְּנוֹת֙ (uvemishkenot) = en in verblijven | מִבְטַחִ֔ים (mivtachim) = van veiligheid | וּבִמְנוּחֹ֖ת (uvimnuchot) = en op rustplaatsen van | שַׁאֲנַנּֽוֹת (shaananot) = zorgeloosheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 2:20–25; Jes 35:9–10; Jer 33:16; Ezech 34:25–26; Zach 2:9 **32:19** Maar hagel zal vallen terwijl het woud neerstort, en de stad wordt diep vernederd. Brontekst: וּבָרַ֖ד (uvarad) = en hagel | בְּרֶ֣דֶת (beredet) = bij het neerdalen van | הַיָּ֑עַר (hayaar) = het woud | וּבַשִּׁפְלָ֖ה (uvashifla) = en in de laagte | תִּשְׁפַּ֥ל (tishpal) = wordt vernederd | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. בְּרֶדֶת (beredet) komt van het werkwoord yarad, ‘dalen’. Het kan ook betekenen: ‘Als het woud neerstort in hagel’ of ‘Het zal hagelen als het woud valt’. Ook is niet zeker wat het ‘woud’ en de ‘stad’ voorstellen. Wij kiezen de meest letterlijke weergave. Zie ook: Jes 26:5; Jes 28:2; Jes 28:17; Jes 30:30; Zach 11:2 **32:20** Gelukkig jullie die zaaien langs alle wateren en de ossen en de ezels vrij laten gaan. Brontekst: אַשְׁרֵיכֶ֕ם (ashreikhem) = gelukkig jullie | זֹרְעֵ֖י (zoreei) = zaaiers | עַל (al) = aan | כָּל (kal) = alle | מָ֑יִם (mayim) = wateren | מְשַׁלְּחֵ֥י (meshalechei) = die vrij laten | רֶֽגֶל (regel) = de voet van | הַשּׁ֖וֹר (hashor) = de os | וְהַחֲמֽוֹר (vehachamor) = en de ezel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשַׁלְּחֵי רֶגֶל הַשּׁוֹר וְהַחֲמוֹר (meshalechei regel hashor vehachamor), ‘die de ossen en de ezels vrij laten gaan’: letterlijk ‘die de voet van de os en de ezel loslaten’. Men laat de dieren vrij lopen, om te grazen of om het land te bewerken. Zie ook: Pred 11:1; Jes 30:23–24; Jes 55:10–11; Hand 5:14; 1 Kor 9:9–11 ## Jesaja 33 _Wee de verwoester; Yahweh is onze rechter, wetgever en koning_ ### Wee de verwoester **33:1** Wee jou, verwoester, terwijl jij zelf niet verwoest bent. Wee jou, trouweloze, tegen wie men niet trouweloos is geweest. Zodra jij klaar bent met verwoesten, word je verwoest. Zodra jij ophoudt met trouweloos zijn, zal men trouweloos zijn tegen jou. Brontekst: ה֣וֹי (hoy) = wee | שׁוֹדֵ֗ד (shoded) = verwoester | וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁד֔וּד (shadud) = verwoest | וּבוֹגֵ֖ד (uvoged) = en trouweloze | וְלֹא (velo) = en niet | בָ֣גְדוּ (bagedu) = waren trouweloos | ב֑וֹ (bo) = tegen hem | כַּהֲתִֽמְךָ֤ (kahatimkha) = zodra je klaar bent | שׁוֹדֵד֙ (shoded) = met verwoesten | תּוּשַּׁ֔ד (tushad) = word je verwoest | כַּנְּלֹתְךָ֥ (kanelotekha) = zodra je ophoudt | לִבְגֹּ֖ד (livgod) = met trouweloos zijn | יִבְגְּדוּ (yivgedu) = zullen zij trouweloos zijn | בָֽךְ (bakh) = tegen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹדֵד (shoded), ‘verwoester’: het Hebreeuws noemt niet wie dit is. Vergelijk Assyrië in 31:8. Voetnoot : כַּהֲתִמְךָ (kehatimkha) en כַּנְּלֹתְךָ (kenilotekha): twee zeldzame werkwoorden. De betekenis is onzeker; wij vertalen ‘zodra jij klaar bent’ en ‘zodra jij ophoudt’. Voetnoot : Het Hebreeuws wisselt tussen ‘jij’ en ‘hij’. Wij schrijven overal ‘jij’ en ‘jou’. Zie ook: Jes 21:2; Jes 24:16; Jer 25:12–14; Mat 7:2; Openb 17:17 ### Yahweh, wees ons genadig **33:2** Yahweh, wees ons genadig. Op U hopen wij. Wees hun arm elke ochtend, ja, onze redding in tijd van nood. Brontekst: יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | חָנֵּ֖נוּ (chanenu) = wees ons genadig | לְךָ֣ (lekha) = op U | קִוִּ֑ינוּ (qivinu) = hopen wij | הֱיֵ֤ה (heye) = wees | זְרֹעָם֙ (zeroam) = hun arm | לַבְּקָרִ֔ים (labeqarim) = elke ochtend | אַף (af) = ja | יְשׁוּעָתֵ֖נוּ (yeshuatenu) = onze redding | בְּעֵ֥ת (beet) = in tijd van | צָרָֽה (tsara) = nood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָנֵּנוּ (chonnenu), ‘wees ons genadig’: Het is een gebed. De profeet en het volk spreken Yahweh aan met ‘U’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft זְרֹעָם (zeroam), ‘hun arm’. Wij volgen de Masoretische tekst. Sommige oude vertalingen lezen ‘onze arm’, wat past bij ‘onze redding’. Zie ook: Ps 60:13; Ps 62:9; Jes 30:18–19; Jes 59:16; 2 Kor 1:3–4 **33:3** Bij het geluid van het gedruis vluchten de naties. Wanneer U Zich verheft, worden de volken verstrooid. Brontekst: מִקּ֣וֹל (miqol) = bij het geluid van | הָמ֔וֹן (hamon) = gedruis | נָדְד֖וּ (nadedu) = vluchten | עַמִּ֑ים (amim) = naties | מֵר֣וֹמְמֻתֶ֔ךָ (meromemutekha) = bij Uw verheffing | נָפְצ֖וּ (nafetsu) = worden verstrooid | גּוֹיִֽם (goyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wij vertalen עַמִּים (ammim) ‘naties’ en גּוֹיִם (goyim) ‘volken’, zoals in Ps. 33:10. Zie ook: Ps 33:10; Ps 46:7; Jes 10:13–14; Jes 10:32–34; Jes 17:12–14; Jes 37:11–18 **33:4** Jullie buit wordt weggeraapt zoals de kaalvreter alles wegraapt. Zoals sprinkhanen rennen, rent men erop af. Brontekst: וְאֻסַּ֣ף (veusaf) = en wordt verzameld | שְׁלַלְכֶ֔ם (shelalkhem) = jullie buit | אֹ֖סֶף (osef) = verzamelen van | הֶֽחָסִ֑יל (hechasil) = de kaalvreter | כְּמַשַּׁ֥ק (kemashaq) = zoals het rennen van | גֵּבִ֖ים (gevim) = sprinkhanen | שׁוֹקֵ֥ק (shoqeq) = rent hij | בּֽוֹ (bo) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחָסִיל (hechasil), ‘de kaalvreter’: een van de vier namen voor sprinkhanen; zie Joël 1:4. Voetnoot : גֵּבִים (gevim), ‘sprinkhanen’: een ander woord voor sprinkhanen. שׁוֹקֵק (shoqeq), ‘rent’: stormt erop af. Zie ook: 2 Kron 14:12; 2 Kron 20:25; Joël 1:4; Joël 2:9; Joël 2:25; Jes 33:23 **33:5** Yahweh is hoog verheven, want Hij woont in de hoogte. Hij vervult Sion met recht en gerechtigheid. Brontekst: נִשְׂגָּ֣ב (nisgav) = hoog verheven | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = want | שֹׁכֵ֖ן (shokhen) = Hij woont | מָר֑וֹם (marom) = in de hoogte | מִלֵּ֣א (mile) = Hij vervult | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = met recht | וּצְדָקָֽה (utsedaqa) = en gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Jes 2:17; Dan 4:34; Rom 11:26; Ef 1:20–21; Openb 19:2–6 **33:6** Dan zal er zekerheid zijn in jouw tijden: een schat van redding, wijsheid en kennis. De vrees voor Yahweh is zijn schat. Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en zal zijn | אֱמוּנַ֣ת (emunat) = zekerheid van | עִתֶּ֔יךָ (iteikha) = jouw tijden | חֹ֥סֶן (chosen) = schat | יְשׁוּעֹ֖ת (yeshuot) = redding van | חָכְמַ֣ת (chakhemat) = wijsheid | וָדָ֑עַת (vadaat) = en kennis | יִרְאַ֥ת (yirat) = de vrees voor | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הִ֥יא (hi) = zij | אוֹצָרֽוֹ (otsaro) = zijn schat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱמוּנַת (emunat), ‘zekerheid’: vastheid, betrouwbaarheid. Voetnoot : חֹסֶן (chosen), ‘schat’, en אוֹצָרוֹ (otsaro), ‘zijn schat’: twee woorden voor rijkdom. Het Hebreeuws zegt niet wiens schat het is. Voetnoot : יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘de vrees voor Yahweh’: zoals in Spr. 1:7. Zie ook: Ps 112:1–3; Spr 1:7; Spr 14:27; Spr 19:23; Mat 6:33; 1 Tim 4:8 ### Het land rouwt **33:7** Zie, hun helden schreeuwen buiten. De boden van vrede huilen bitter. Brontekst: הֵ֚ן (hen) = zie | אֶרְאֶלָּ֔ם (erelam) = hun helden | צָעֲק֖וּ (tsaaqu) = schreeuwen | חֻ֑צָה (chutsa) = buiten | מַלְאֲכֵ֣י (malakhei) = boden van | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | מַ֖ר (mar) = bitter | יִבְכָּיֽוּן (yivkayun) = huilen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶרְאֶלָּם (er’ellam), ‘hun helden’: een zeldzaam woord. De betekenis is onzeker. Voetnoot Lezing: Wij volgen de Masoretische tekst. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: 2 Kon 18:18; 2 Kon 18:37–19:3; Jes 36:3; Jes 36:22 **33:8** De wegen liggen woest. De voorbijganger op het pad is opgehouden. Hij heeft het verbond verbroken en de steden verworpen. Hij acht geen sterveling. Brontekst: נָשַׁ֣מּוּ (nashamu) = zijn woest | מְסִלּ֔וֹת (mesilot) = wegen | שָׁבַ֖ת (shavat) = is opgehouden | עֹבֵ֣ר (over) = voorbijganger | אֹ֑רַח (orach) = pad | הֵפֵ֤ר (hefer) = hij heeft verbroken | בְּרִית֙ (berit) = verbond | מָאַ֣ס (maas) = hij heeft verworpen | עָרִ֔ים (arim) = steden | לֹ֥א (lo) = niet | חָשַׁ֖ב (chashav) = hij acht | אֱנֽוֹשׁ (enosh) = sterveling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱנוֹשׁ (enosh), ‘sterveling’: de mens in zijn zwakte. Voetnoot Lezing: Wij volgen de Masoretische tekst: עָרִים (arim), ‘steden’. Sommige oude vertalingen lezen hier een ander woord. Zie ook: Re 5:6; 1 Sam 17:10; 2 Kon 18:13–17; Jes 35:8; Luc 18:2–4 **33:9** Het land rouwt en kwijnt weg. De Libanon staat beschaamd en verwelkt. De Saron is een steppe geworden. Basan en de Karmel laten hun bladeren vallen. Brontekst: אָבַ֤ל (aval) = rouwt | אֻמְלְלָה֙ (umlela) = kwijnt weg | אָ֔רֶץ (arets) = het land | הֶחְפִּ֥יר (hechpir) = staat beschaamd | לְבָנ֖וֹן (levanon) = Libanon | קָמַ֑ל (qamal) = verwelkt | הָיָ֤ה (haya) = is geworden | הַשָּׁרוֹן֙ (hasharon) = de Saron | כָּֽעֲרָבָ֔ה (kaarava) = als een steppe | וְנֹעֵ֥ר (venoer) = en schudt af | בָּשָׁ֖ן (bashan) = Basan | וְכַרְמֶֽל (vekharmel) = en de Karmel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Libanon, Saron, Basan en de Karmel zijn vruchtbare of bosrijke streken. Dat ze verwelken, is een beeld van verwoesting. Zie ook: Jes 35:2; Jes 37:24; Jes 65:10; Mi 7:14; Nah 1:4 ### Nu sta Ik op **33:10** **„Nu sta Ik op, zegt Yahweh. Nu verhef Ik Mij. Nu word Ik opgeheven.** Brontekst: עַתָּ֥ה (ata) = nu | אָק֖וּם (aqum) = sta Ik op | יֹאמַ֣ר (yomar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עַתָּה֙ (ata) = nu | אֵֽרוֹמָ֔ם (eromam) = verhef Ik Mij | עַתָּ֖ה (ata) = nu | אֶנָּשֵֽׂא (enase) = word Ik opgeheven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֹאמַר (yomar), ‘zegt’: letterlijk ‘zal zeggen’. Hier begint Yahweh zelf te spreken; Zijn woorden lopen door tot en met vers 13 en staan rood. Zie ook: Ps 12:6; Ps 102:14–19; Amos 6:1; Jes 33:13; Jes 42:13–14; Jes 59:16–17 **33:11** **Jullie gaan zwanger van dor gras en baren stoppels. Jullie adem is een vuur dat jullie verteert.** Brontekst: תַּהֲר֥וּ (taharu) = jullie gaan zwanger | חֲשַׁ֖שׁ (chashash) = van dor gras | תֵּ֣לְדוּ (teledu) = jullie baren | קַ֑שׁ (qash) = stoppels | רוּחֲכֶ֕ם (ruchakhem) = jullie adem | אֵ֖שׁ (esh) = een vuur | תֹּאכַלְכֶֽם (tokhalkhem) = dat jullie verteert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲשַׁשׁ (chashash), ‘dor gras’, en קַשׁ (qash), ‘stoppels’: wat niets waard is en snel brandt. רוּחֲכֶם (ruachkhem), ‘jullie adem’: het woord betekent ook ‘geest’. Zie ook: Ps 7:15; Jes 10:7–14; Jes 59:4; Hand 5:4; Jak 1:15 **33:12** **De naties worden als verbrande kalk, als afgehakte doorns die in het vuur worden aangestoken.** Brontekst: וְהָי֥וּ (vehayu) = en zullen worden | עַמִּ֖ים (amim) = naties | מִשְׂרְפ֣וֹת (misrefot) = verbrandingen van | שִׂ֑יד (sid) = kalk | קוֹצִ֥ים (qotsim) = doorns | כְּסוּחִ֖ים (kesuchim) = afgehakte | בָּאֵ֥שׁ (baesh) = in vuur | יִצַּֽתּוּ (yitsatu) = worden aangestoken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׂרְפוֹת שִׂיד (misrefot sid), ‘verbrande kalk’: kalk wordt gemaakt door kalksteen te branden. Zie ook: 2 Sam 23:6–7; Amos 2:1; Jes 9:17; Jes 27:4; Jes 37:36 **33:13** **Jullie die ver zijn, hoor wat Ik heb gedaan. Jullie die dichtbij zijn, weet Mijn kracht.”** Brontekst: שִׁמְע֥וּ (shimu) = hoort | רְחוֹקִ֖ים (rechoqim) = verren | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשִׂ֑יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | וּדְע֥וּ (udeu) = en weet | קְרוֹבִ֖ים (qerovim) = nabijen | גְּבֻרָתִֽי (gevurati) = Mijn kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 17:46; Ps 48:11; Jes 49:1; Dan 3:27–33; Ef 2:11–18 ### Wie kan wonen bij het verterende vuur? **33:14** In Sion zijn de zondaars bevreesd, beving grijpt de goddelozen: „Wie van ons kan wonen bij een verterend vuur? Wie van ons kan wonen bij eeuwige gloed?” Brontekst: פָּחֲד֤וּ (pachadu) = zijn bevreesd | בְצִיּוֹן֙ (betsiyon) = in Sion | חַטָּאִ֔ים (chataim) = zondaars | אָחֲזָ֥ה (achaza) = grijpt | רְעָדָ֖ה (reada) = beving | חֲנֵפִ֑ים (chanefim) = goddelozen | מִ֣י (mi) = wie | יָג֣וּר (yagur) = kan wonen | לָ֗נוּ (lanu) = van ons | אֵ֚שׁ (esh) = bij vuur | אוֹכֵלָ֔ה (okhela) = verterend | מִי (mi) = wie | יָג֥וּר (yagur) = kan wonen | לָ֖נוּ (lanu) = van ons | מוֹקְדֵ֥י (moqedei) = bij haarden van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֲנֵפִים (chanefim), ‘goddelozen’: hetzelfde woord als in 32:6. Voetnoot : אֵשׁ אוֹכֵלָה (esh okhelah), ‘verterend vuur’: zie Deut. 4:24. Voetnoot : מוֹקְדֵי עוֹלָם (moqdei olam), ‘eeuwige gloed’: letterlijk ‘haarden van eeuwigheid’. Voetnoot : De vraag wordt beantwoord in vers 15 en 16. Zie ook: Deut 4:24; Jes 33:15; Jes 33:16; Jes 66:24; Mat 18:8; Mat 25:46; Heb 12:29; Openb 14:10 **33:15** Wie in gerechtigheid wandelt en oprecht spreekt, wie de winst van afpersing verwerpt, wie zijn handen uitschudt zodat ze geen omkoopgeld vasthouden, wie zijn oor sluit voor het horen van bloedvergieten en zijn ogen dichtdoet om geen kwaad te zien. Brontekst: הֹלֵ֣ךְ (holekh) = wie wandelt | צְדָק֔וֹת (tsedaqot) = in gerechtigheden | וְדֹבֵ֖ר (vedover) = en wie spreekt | מֵֽישָׁרִ֑ים (meisharim) = oprechtheid | מֹאֵ֞ס (moes) = wie verwerpt | בְּבֶ֣צַע (bevetsa) = winst van | מַעֲשַׁקּ֗וֹת (maashaqot) = afpersingen | נֹעֵ֤ר (noer) = wie uitschudt | כַּפָּיו֙ (kapav) = zijn handen | מִתְּמֹ֣ךְ (mitemokh) = van vasthouden | בַּשֹּׁ֔חַד (bashochad) = omkoopgeld | אֹטֵ֤ם (otem) = wie dichtstopt | אָזְנוֹ֙ (azeno) = zijn oor | מִשְּׁמֹ֣עַ (mishemoa) = voor het horen van | דָּמִ֔ים (damim) = bloedvergieten | וְעֹצֵ֥ם (veotsem) = en wie sluit | עֵינָ֖יו (einav) = zijn ogen | מֵרְא֥וֹת (mereot) = voor het zien van | בְּרָֽע (bera) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Ps. 15:2–3 en Ps. 24:4, waar hetzelfde wordt gevraagd en beantwoord. Voetnoot : מַעֲשַׁקּוֹת (maashaqqot), ‘afpersing’: geld dat men met dwang van zwakkeren neemt. Voetnoot : נֹעֵר כַּפָּיו (noer kappav), ‘wie zijn handen uitschudt’: hij schudt ze zo dat er niets in blijft hangen. Zie ook: Ps 15:2–3; Ps 24:4; Ps 106:3; Ps 119:37; Jes 56:1–2; Ef 5:11–13; 1 Joh 3:7 **33:16** Hij zal op de hoogten wonen. Rotsvestingen zijn zijn burcht. Zijn brood wordt hem gegeven, zijn water is zeker. Brontekst: ה֚וּא (hu) = hij | מְרוֹמִ֣ים (meromim) = hoogten | יִשְׁכֹּ֔ן (yishkon) = zal wonen | מְצָד֥וֹת (metsadot) = vestingen van | סְלָעִ֖ים (selaim) = rotsen | מִשְׂגַּבּ֑וֹ (misgabo) = zijn burcht | לַחְמ֣וֹ (lachmo) = zijn brood | נִתָּ֔ן (nitan) = is gegeven | מֵימָ֖יו (meimav) = zijn water | נֶאֱמָנִֽים (neemanim) = is zeker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 90:1; Spr 1:33; Jes 32:18; Jes 49:10; Luc 12:29–31 ### De koning in zijn pracht **33:17** Je ogen zullen de koning zien in zijn pracht. Zij zullen een wijd uitgestrekt land aanschouwen. Brontekst: מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning | בְּיָפְי֖וֹ (beyafeyo) = in zijn pracht | תֶּחֱזֶ֣ינָה (techezeina) = zullen zien | עֵינֶ֑יךָ (eineikha) = je ogen | תִּרְאֶ֖ינָה (tireina) = zullen aanschouwen | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מַרְחַקִּֽים (marchaqim) = verten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt niet welke koning wordt bedoeld. Vergelijk 32:1 en vers 22. Voetnoot : אֶרֶץ מַרְחַקִּים (erets merchaqqim), ‘een wijd uitgestrekt land’: letterlijk ‘een land van verten’. Zie ook: Jes 33:22; Zach 9:17; Joh 14:21; Joh 17:24; 2 Kor 4:18; 1 Joh 3:2 **33:18** Je hart zal nadenken over de schrik: „Waar is de schrijver? Waar is hij die woog? Waar is hij die de torens telde?” Brontekst: לִבְּךָ֖ (libekha) = je hart | יֶהְגֶּ֣ה (yehge) = zal nadenken over | אֵימָ֑ה (eima) = schrik | אַיֵּ֤ה (aye) = waar is | סֹפֵר֙ (sofer) = de schrijver | אַיֵּ֣ה (aye) = waar is | שֹׁקֵ֔ל (shoqel) = hij die woog | אַיֵּ֖ה (aye) = waar is | סֹפֵ֥ר (sofer) = hij die telde | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּגְדָּלִֽים (hamigdalim) = de torens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹפֵר (sofer), ‘schrijver’: ook wie telt of boekhoudt. De vragen noemen mensen die tellen en wegen. Mogelijk zijn dat de vijandelijke beambten die schatting eisten en de torens telden. Zie ook: 1 Sam 25:33–36; Ps 31:8–9; 2 Kon 18:31; Jes 38:9–22; 1 Kor 1:20 **33:19** Je zult het onstuimige volk niet meer zien. Het is een volk met een taal die te diep is om te verstaan, met een stamelende tong zonder begrip. Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | עַ֥ם (am) = volk | נוֹעָ֖ז (noaz) = onstuimig | לֹ֣א (lo) = niet | תִרְאֶ֑ה (tire) = zul je zien | עַ֣ם (am) = volk van | עִמְקֵ֤י (imqei) = diepe | שָׂפָה֙ (safa) = taal | מִשְּׁמ֔וֹעַ (mishemoa) = om te verstaan | נִלְעַ֥ג (nilag) = stamelende | לָשׁ֖וֹן (lashon) = tong | אֵ֥ין (ein) = zonder | בִּינָֽה (bina) = begrip Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נוֹעָז (noaz), ‘onstuimig’: een zeldzaam woord. De betekenis is onzeker. Voetnoot : Een volk met een taal die je niet verstaat komt ook voor in Deut. 28:49. Voetnoot : נִלְעַג לָשׁוֹן (nilag lashon), ‘een stamelende tong’: letterlijk ‘een tong die stamelt’. Zie ook: Ex 14:13; Deut 28:49–50; Jes 28:11; Jer 5:15; Ezech 3:5–6 **33:20** Aanschouw Sion, de stad van onze vastgestelde tijden. Je ogen zullen Jeruzalem zien: een rustige woning, een tent die niet wordt verplaatst. Nooit worden de pinnen ervan uitgetrokken, en geen van de touwen ervan wordt losgerukt. Brontekst: חֲזֵ֣ה (chaze) = aanschouw | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | קִרְיַ֖ת (qiryat) = stad van | מֽוֹעֲדֵ֑נוּ (moadenu) = onze vastgestelde tijden | עֵינֶיךָ֩ (eineikha) = je ogen | תִרְאֶ֨ינָה (tireina) = zullen zien | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushalaim) = Jeruzalem | נָוֶ֣ה (nave) = woning | שַׁאֲנָ֗ן (shaanan) = rustig | אֹ֤הֶל (ohel) = tent | בַּל (bal) = niet | יִצְעָן֙ (yitsan) = wordt verplaatst | בַּל (bal) = niet | יִסַּ֤ע (yisa) = worden uitgetrokken | יְתֵֽדֹתָיו֙ (yetedotav) = zijn pinnen | לָנֶ֔צַח (lanetsach) = voor altijd | וְכָל (vekhal) = en geen van | חֲבָלָ֖יו (chavalav) = zijn touwen | בַּל (bal) = niet | יִנָּתֵֽקוּ (yinatequ) = worden losgerukt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מוֹעֲדֵנוּ (moedenu), ‘onze vastgestelde tijden’: de feesten en samenkomsten die Yahweh vaststelt; zie Lev. 23:2. Voetnoot : אֹהֶל בַּל יִצְעָן (ohel bal yitsan), ‘een tent die niet wordt verplaatst’: Jeruzalem blijft staan als een tent die niet meer verhuist. Zie ook: Lev 23:2; Ps 46:6; Ps 128:5; Jes 32:18; Jes 54:2; Ezech 48:35 **33:21** Maar daar is Yahweh machtig voor ons, in een plaats van rivieren, brede stromen. Geen roeiboot gaat erover, en geen machtig schip vaart erdoor. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אִם (im) = maar | שָׁ֞ם (sham) = daar | אַדִּ֤יר (adir) = machtig | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לָ֔נוּ (lanu) = voor ons | מְקוֹם (meqom) = plaats van | נְהָרִ֥ים (neharim) = rivieren | יְאֹרִ֖ים (yeorim) = stromen | רַחֲבֵ֣י (rachavei) = breed van | יָדָ֑יִם (yadayim) = handen | בַּל (bal) = niet | תֵּ֤לֶךְ (telekh) = gaat | בּוֹ֙ (bo) = erover | אֳנִי (oni) = roeiboot | שַׁ֔יִט (shayit) = roei- | וְצִ֥י (vetsi) = en schip | אַדִּ֖יר (adir) = machtig | לֹ֥א (lo) = niet | יַעַבְרֶֽנּוּ (yaavrenu) = zal het oversteken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jeruzalem ligt niet aan een rivier. De rivieren en brede stromen zijn een beeld: Yahweh is voor de stad wat een brede rivier is, een bescherming tegen vijandelijke schepen. Voetnoot : יְאֹרִים (yeorim), ‘stromen’: het woord wordt vooral voor de Nijl en haar armen gebruikt. Zie ook: Ps 46:5–6; Jes 41:18; Jes 48:18; Jes 66:12; Hand 7:2 ### Yahweh is onze koning **33:22** Want Yahweh is onze rechter, Yahweh is onze wetgever, Yahweh is onze koning. Hij zal ons redden. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | שֹׁפְטֵ֔נוּ (shofetenu) = onze rechter | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְחֹקְקֵ֑נוּ (mechoqeqenu) = onze wetgever | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | מַלְכֵּ֖נוּ (malkenu) = onze koning | ה֥וּא (hu) = Hij | יוֹשִׁיעֵֽנוּ (yoshienu) = zal ons redden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Drie titels van Yahweh: שֹׁפְטֵנוּ (shofetenu), ‘onze rechter’, מְחֹקְקֵנוּ (mechoqqenu), ‘onze wetgever’, en מַלְכֵּנוּ (malkenu), ‘onze koning’. Het woord mechoqeq komt van choq, ‘voorschrift’. Zie ook Deut. 33:21; in Num. 21:18 betekent het woord ‘scepter’. Zie ook: Num 21:18; Deut 33:21; Jes 12:2; Jes 25:9; Sef 3:15–17; Hand 5:31; Jak 4:12 **33:23** Je touwen hangen slap. Ze houden de voet van de mast niet stevig en spreiden het zeil niet uit. Dan wordt een grote buit als prooi verdeeld. Zelfs kreupelen plunderen de buit. Brontekst: נִטְּשׁ֖וּ (niteshu) = zijn losgelaten | חֲבָלָ֑יִךְ (chavalayikh) = je touwen | בַּל (bal) = niet | יְחַזְּק֤וּ (yechazequ) = houden stevig | כֵן (ken) = de voet van | תָּרְנָם֙ (tarenam) = hun mast | בַּל (bal) = niet | פָּ֣רְשׂוּ (paresu) = zij hebben uitgespreid | נֵ֔ס (nes) = zeil | אָ֣ז (az) = dan | חֻלַּ֤ק (chulaq) = wordt verdeeld | עַֽד (ad) = prooi van | שָׁלָל֙ (shalal) = buit | מַרְבֶּ֔ה (marbe) = veel | פִּסְחִ֖ים (pischim) = kreupelen | בָּ֥זְזוּ (bazezu) = plunderen | בַֽז (baz) = de buit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld is een schip waarvan de touwen slap hangen. Het Hebreeuws heeft כֵן (ken), ‘voet’ of ‘basis’, en תָּרְנָם (tornam), ‘hun mast’. נֵס (nes), ‘zeil’: het woord kan ook ‘vlag’ of ‘banier’ betekenen, zoals in 31:9. Zie ook: 1 Sam 30:22–24; Ps 68:13; 2 Kon 7:8; 2 Kron 20:25; 1 Kor 1:27 **33:24** Geen inwoner zal zeggen: „Ik ben ziek.” Het volk dat daarin woont, is de schuld vergeven. Brontekst: וּבַל (uval) = en niet | יֹאמַ֥ר (yomar) = zal zeggen | שָׁכֵ֖ן (shakhen) = inwoner | חָלִ֑יתִי (chaliti) = ik ben ziek | הָעָ֛ם (haam) = het volk | הַיֹּשֵׁ֥ב (hayoshev) = dat woont | בָּ֖הּ (bah) = daarin | נְשֻׂ֥א (nesu) = vergeven | עָוֺֽן (avon) = schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשֻׂא עָוֺן (nesu avon), ‘de schuld vergeven’: letterlijk ‘gedragen wat schuld betreft’. Het werkwoord nasa betekent ‘dragen’ en ook ‘vergeven’. Hier is het ‘vergeven’; vergelijk Exod. 34:7. Zie ook: Ex 15:26; Ex 34:7; Jer 50:20; Jak 5:14; 1 Joh 1:7–9; Openb 21:4 ## Jesaja 34 _Het oordeel over de volken en over Edom_ ### Oproep aan de volken **34:1** Kom dichterbij, volken, om te horen. Naties, luister goed. Laat de aarde horen en alles wat haar vult, de wereld en alles wat uit haar voortkomt. Brontekst: קִרְב֤וּ (qirvu) = kom dichterbij | גוֹיִם֙ (goyim) = volken | לִשְׁמֹ֔עַ (lishmoa) = om te horen | וּלְאֻמִּ֖ים (uleumim) = en naties | הַקְשִׁ֑יבוּ (haqshivu) = luister goed | תִּשְׁמַ֤ע (tishma) = laat horen | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | וּמְלֹאָ֔הּ (umeloah) = en haar volheid | תֵּבֵ֖ל (tevel) = de wereld | וְכָל (vekhal) = en alles | צֶאֱצָאֶֽיהָ (tseetsaeiha) = wat uit haar voortkomt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּבֵל (tevel), ‘wereld’: de bewoonde aarde. Jesaja 34 en 35 horen bij elkaar: eerst het oordeel over de volken en over Edom, daarna de belofte voor Yahweh’s volk. Wie hier gaat horen, zijn de volken zelf en de hele aarde. Zie ook: Jes 1:2; Jes 41:1; Jes 43:9; Jer 22:29; 1 Kor 10:26 **34:2** Want Yahweh heeft gramschap tegen alle volken en woede tegen heel hun leger. Hij heeft hen met de ban geslagen. Hij heeft hen overgegeven aan de slachting. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | קֶ֤צֶף (qetsef) = gramschap | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | עַל (al) = tegen | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וְחֵמָ֖ה (vechema) = en woede | עַל (al) = tegen | כָּל (kal) = heel | צְבָאָ֑ם (tsevaam) = hun leger | הֶחֱרִימָ֖ם (hecherimam) = Hij heeft hen met de ban geslagen | נְתָנָ֥ם (netanam) = Hij heeft hen overgegeven | לַטָּֽבַח (latavach) = aan de slachting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵרֶם (cherem), ‘ban’: de ban betekent dat iets aan Yahweh wordt overgegeven en volledig vernietigd wordt. Wij vertalen het werkwoord met ‘met de ban slaan’, zoals in 2 Kon. 19:11. Zie ook Joz. 6:17. Voetnoot : צָבָא (tsava), ‘leger’: de legermacht van de volken. Voetnoot : קֶצֶף (qetsef), ‘gramschap’, en חֵמָה (chemah), ‘woede’: twee woorden voor Yahweh’s toorn. Vergelijk Deut. 29:22. Zie ook: Deut 29:22; Joz 6:17; 2 Kon 19:11; Jes 13:5; Jes 30:25; Sef 3:8; Jer 25:15–29; Zach 14:12–16 **34:3** Hun gesneuvelden worden weggeworpen. Van hun lijken stijgt hun stank op. De bergen smelten van hun bloed. Brontekst: וְחַלְלֵיהֶ֣ם (vechalleihem) = en hun gesneuvelden | יֻשְׁלָ֔כוּ (yushlakhu) = worden weggeworpen | וּפִגְרֵיהֶ֖ם (ufigreihem) = en hun lijken | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = stijgt op | בָאְשָׁ֑ם (baesham) = hun stank | וְנָמַ֥סּוּ (venamasu) = en zullen smelten | הָרִ֖ים (harim) = bergen | מִדָּמָֽם (midamam) = van hun bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joël 2:20; Jes 34:7; Ezech 14:19; Ezech 39:4; Openb 16:3–4 **34:4** Heel het leger van de hemel vergaat. De hemel wordt opgerold als een boekrol. Heel hun leger verwelkt, zoals een blad van de wijnstok verwelkt, en zoals wat verwelkt aan de vijgenboom. Brontekst: וְנָמַ֨קּוּ֙ (venamaqu) = en zullen vergaan | כָּל (kal) = heel | צְבָ֣א (tseva) = het leger van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְנָגֹ֥לּוּ (venagolu) = en worden opgerold | כַסֵּ֖פֶר (kasefer) = als een boekrol | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וְכָל (vekhal) = en heel | צְבָאָ֣ם (tsevaam) = hun leger | יִבּ֔וֹל (yibol) = verwelkt | כִּנְבֹ֤ל (kinvol) = zoals het verwelken van | עָלֶה֙ (ale) = een blad | מִגֶּ֔פֶן (migefen) = van de wijnstok | וּכְנֹבֶ֖לֶת (ukhenovelet) = en zoals het verwelkte | מִתְּאֵנָֽה (miteena) = aan de vijgenboom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de sterren en andere hemellichamen, zoals in Deut. 4:19. Voetnoot : נָגֹלּוּ (nagollu), ‘zij worden opgerold’: de hemel wordt opgerold zoals men een boekrol oprolt. Vergelijk Openb. 6:14. Voetnoot : נֹבֶלֶת (nevelet), ‘wat verwelkt’: het Hebreeuws zegt niet of het om een blad of om een vrucht gaat. Wij laten het open. Zie ook: Deut 4:19; Joël 4:15; Ezech 32:7–8; Mat 24:29; Mar 13:24–25; Openb 6:13–14; Openb 6:14 ### Het zwaard van Yahweh over Edom **34:5** **„Want Mijn zwaard is in de hemel doordrenkt. Zie, op Edom komt het neer, op het volk van Mijn ban, om recht te spreken.”** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | רִוְּתָ֥ה (riveta) = is doordrenkt | בַשָּׁמַ֖יִם (bashamayim) = in de hemel | חַרְבִּ֑י (charbi) = Mijn zwaard | הִנֵּה֙ (hine) = zie | עַל (al) = op | אֱד֣וֹם (edom) = Edom | תֵּרֵ֔ד (tered) = komt het neer | וְעַל (veal) = en op | עַ֥ם (am) = het volk van | חֶרְמִ֖י (chermi) = Mijn ban | לְמִשְׁפָּֽט (lemishpat) = om recht te spreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh Zelf: ‘Mijn zwaard’ en ‘het volk van Mijn ban’. Daarom staat vers 5 rood. Vanaf vers 6 spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon. Voetnoot : רִוְּתָה (rivvetah), ‘is doordrenkt’: van רָוָה (ravah), ‘drinken tot men verzadigd is’. Het beeld is een zwaard dat zich met bloed volzuigt, zoals in vers 6 en 7. Dat het zwaard ‘in de hemel’ is doordrenkt, geeft aan dat het oordeel daar al besloten is voordat het op de aarde neerkomt. Voetnoot : אֱדוֹם (Edom): het bergland ten zuiden van de Dode Zee, het volk van Ezau (Gen. 36:1). Edom staat hier voor de vijandelijke volken. Vergelijk Amos 1:11–12. Voetnoot : עַם חֶרְמִי (am chermi), ‘het volk van Mijn ban’: het volk dat Yahweh aan de ban heeft gewijd; zie vers 2. Voetnoot : לְמִשְׁפָּט (lemishpat), ‘om recht te spreken’: mishpat is ‘recht’; hier gaat het om het uitspreken en uitvoeren van het vonnis. Zie ook: Gen 36:1; Amos 1:11–12; Jes 34:2; Jes 34:6; Jes 34:7; Jes 63:1; Jer 46:10; Jer 49:7–22; Mal 1:4 **34:6** Yahweh heeft een zwaard. Het is vol bloed. Het is vet geworden van vet, van het bloed van lammeren en bokken, van het vet van de nieren van rammen. Want Yahweh heeft een slachtoffer in Bozra, een grote slachting in het land Edom. Brontekst: חֶ֣רֶב (cherev) = een zwaard | לַיהוָ֞ה (laYahweh) = heeft Yahweh | מָלְאָ֥ה (malea) = het is vol | דָם֙ (dam) = bloed | הֻדַּ֣שְׁנָה (hudashna) = het is vet geworden | מֵחֵ֔לֶב (mechelev) = van vet | מִדַּ֤ם (midam) = van het bloed van | כָּרִים֙ (karim) = lammeren | וְעַתּוּדִ֔ים (veatudim) = en bokken | מֵחֵ֖לֶב (mechelev) = van het vet van | כִּלְי֣וֹת (kilyot) = de nieren van | אֵילִ֑ים (eilim) = rammen | כִּ֣י (ki) = want | זֶ֤בַח (zevach) = een slachtoffer | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | בְּבָצְרָ֔ה (bevatsera) = in Bozra | וְטֶ֥בַח (vetevach) = en een slachting | גָּד֖וֹל (gadol) = grote | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bozra: Bozra (Buseirah) lag in het zuiden van het huidige Jordanië, in het gebied van Edom. Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Het offer is hier een beeld: Yahweh houdt een slachtmaal, en de dieren zijn de mensen. כָּרִים (karim), ‘lammeren’; עַתּוּדִים (attudim), ‘bokken’; אֵילִים (eilim), ‘rammen’. Het vet van de nieren hoort bij de offers (Lev. 3:4). Voetnoot : בָּצְרָה (Botsrah), ‘Bozra’: een belangrijke stad van Edom; zie Amos 1:12. Het woord betekent ook ‘schaapskooi’. Zie ook: Lev 3:4; Deut 32:14; Amos 1:12; Jes 63:1; Jer 49:13; Ezech 21:9–10; Openb 19:17–18 **34:7** Wilde stieren dalen met hen neer, jonge stieren met de machtigen. Hun land wordt dronken van bloed, en hun stof wordt vet van vet. Brontekst: וְיָרְד֤וּ (veyaredu) = en dalen neer | רְאֵמִים֙ (reemim) = wilde stieren | עִמָּ֔ם (imam) = met hen | וּפָרִ֖ים (ufarim) = en jonge stieren | עִם (im) = met | אַבִּירִ֑ים (abirim) = de machtigen | וְרִוְּתָ֤ה (veriveta) = en wordt dronken | אַרְצָם֙ (artsam) = hun land | מִדָּ֔ם (midam) = van bloed | וַעֲפָרָ֖ם (vaafaram) = en hun stof | מֵחֵ֥לֶב (mechelev) = van vet | יְדֻשָּֽׁן (yedushan) = wordt vet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְאֵמִים (re’emim), ‘wilde stieren’: het sterke, ongetemde rund; zie Job 39:9. פָּרִים (parim), ‘jonge stieren’, en אַבִּירִים (abbirim), ‘machtigen’: het woord kan ook sterke stieren betekenen. Vergelijk Ps. 22:13, waar wij ‘de machtigen van Basan’ vertalen. Zie ook: Job 39:9; Num 23:22; Deut 33:17; Ps 22:13; Ps 68:31; Ps 92:11; Jer 50:27 ### De dag van wraak **34:8** Want het is een dag van wraak voor Yahweh, een jaar van vergelding voor de rechtszaak van Sion. Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | י֥וֹם (yom) = een dag van | נָקָ֖ם (naqam) = wraak | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | שְׁנַ֥ת (shenat) = een jaar van | שִׁלּוּמִ֖ים (shilumim) = vergelding | לְרִ֥יב (leriv) = voor de rechtszaak van | צִיּֽוֹן (tsiyon) = Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נָקָם (naqam), ‘wraak’: Yahweh die het recht herstelt en het kwaad vergeldt. שִׁלּוּמִים (shillumim), ‘vergelding’: zie Hos. 9:7. Vergelijk Jes. 61:2, waar ‘een dag van wraak voor onze Elohim’ staat. Voetnoot : לְרִיב צִיּוֹן (lerib Tsiyyon), ‘voor de rechtszaak van Sion’: Yahweh voert de zaak van Sion tegen haar vijanden. Zie ook: Ps 94:1; Hos 9:7; Jes 35:4; Jes 61:2; Jes 63:4; Jer 46:10 ### Edom wordt een woestenij **34:9** Haar beken worden veranderd in pek en haar stof in zwavel. Haar land wordt brandende pek. Brontekst: וְנֶהֶפְכ֤וּ (venehefkhu) = en worden veranderd | נְחָלֶ֨יהָ֙ (nechaleiha) = haar beken | לְזֶ֔פֶת (lezefet) = in pek | וַעֲפָרָ֖הּ (vaafarah) = en haar stof | לְגָפְרִ֑ית (legaferit) = in zwavel | וְהָיְתָ֣ה (vehayeta) = en wordt | אַרְצָ֔הּ (artsah) = haar land | לְזֶ֖פֶת (lezefet) = tot pek | בֹּעֵרָֽה (boera) = brandende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zwavel en brandend pek doen denken aan de ondergang van Sodom (Gen. 19:24, 28) en aan Deut. 29:22. נְחָלֶיהָ (nechaleha), ‘haar beken’: de beken van Edom. Het land wordt als één brandende poel. Zie ook: Gen 19:24; Gen 19:28; Job 18:15; Deut 29:22; Ps 11:6; Openb 21:8 **34:10** Nacht en dag wordt het niet gedoofd. Voor eeuwig stijgt haar rook op. Van generatie op generatie ligt zij verwoest. Voor altijd en altijd gaat niemand erdoor. Brontekst: לַ֤יְלָה (layla) = nacht | וְיוֹמָם֙ (veyomam) = en dag | לֹ֣א (lo) = niet | תִכְבֶּ֔ה (tikhbe) = wordt gedoofd | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor eeuwig | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = stijgt op | עֲשָׁנָ֑הּ (ashanah) = haar rook | מִדּ֤וֹר (midor) = van generatie | לָדוֹר֙ (lador) = op generatie | תֶּחֱרָ֔ב (techerav) = ligt zij verwoest | לְנֵ֣צַח (lenetsach) = voor altijd | נְצָחִ֔ים (netsachim) = en altijd | אֵ֥ין (ein) = niemand | עֹבֵ֖ר (over) = gaat | בָּֽהּ (bah) = erdoor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוֹלָם (olam), ‘voor eeuwig’; לְנֵצַח נְצָחִים (lenetsach netsachim), ‘voor altijd en altijd’: een versterkte uitdrukking, letterlijk ‘tot het eindeloze van het eindeloze’. Voetnoot : Vergelijk Openb. 19:3. Zie ook: Jes 13:20; Jes 66:24; Mal 1:3–4; Openb 18:18; Openb 19:3 **34:11** Pelikaan en egel nemen haar in bezit. Ooruil en raaf wonen erin. Hij spant over haar het meetsnoer van de woestheid uit, en de stenen van de leegte. Brontekst: וִירֵשׁ֨וּהָ֙ (vireshuha) = en nemen haar in bezit | קָאַ֣ת (qaat) = pelikaan | וְקִפּ֔וֹד (veqipod) = en egel | וְיַנְשׁ֥וֹף (veyanshof) = en ooruil | וְעֹרֵ֖ב (veorev) = en raaf | יִשְׁכְּנוּ (yishkenu) = wonen | בָ֑הּ (bah) = erin | וְנָטָ֥ה (venata) = en Hij spant uit | עָלֶ֛יהָ (aleiha) = over haar | קַֽו (qav) = het meetsnoer van | תֹ֖הוּ (tohu) = woestheid | וְאַבְנֵי (veavnei) = en de stenen van | בֹֽהוּ (bohu) = leegte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָאָת (qa’at), ‘pelikaan’, יַנְשׁוּף (yanshuf), ‘ooruil’ en עֹרֵב (orev), ‘raaf’: vogels van verlaten plaatsen. Vergelijk Lev. 11:13–19 en Ps. 102:7. קִפּוֹד (qippod), ‘egel’: de betekenis is onzeker; ook ‘stekelvarken’ of ‘roerdomp’ worden voorgesteld. Voetnoot : תֹהוּ (tohu), ‘woestheid’, en בֹהוּ (bohu), ‘leegte’: dezelfde twee woorden als in Gen. 1:2, ‘woest en leeg’. Het land wordt teruggebracht tot de toestand van vóór de schepping. Voetnoot : קָו (qav), ‘meetsnoer’: zoals in 2 Kon. 21:13. Het meetsnoer wordt hier niet gebruikt om te bouwen, maar om af te meten wat verwoest moet worden. אַבְנֵי (avnei), ‘de stenen van’: lodenstenen van een schietlood. Wij laten het bij ‘de stenen van de leegte’. Zie ook: Gen 1:2; Lev 11:13–19; Ps 102:7; 2 Kon 21:13; Jes 14:23; Sef 2:14; Klaagl 2:8; Openb 18:2 **34:12** Haar edelen: daar is geen koningschap om uit te roepen. En al haar vorsten zijn niets. Brontekst: חֹרֶ֥יהָ (choreiha) = haar edelen | וְאֵֽין (veein) = en niet | שָׁ֖ם (sham) = daar | מְלוּכָ֣ה (melukha) = koningschap | יִקְרָ֑אוּ (yiqrau) = om uit te roepen | וְכָל (vekhal) = en al | שָׂרֶ֖יהָ (sareiha) = haar vorsten | יִ֥הְיוּ (yihyu) = zijn | אָֽפֶס (afes) = niets Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk. Letterlijk: ‘Haar edelen: er is daar geen koningschap, zij roepen uit’. Wij lezen: ‘Haar edelen: daar is geen koningschap om uit te roepen.’ Anders gelezen: ‘Zij roepen haar edelen niet meer tot het koningschap.’ Beide lezingen hebben dezelfde betekenis: Edom heeft geen koning en geen bestuur meer. Zie ook: Jes 3:6–8; Jes 41:11–12; Jes 41:24; Jer 27:20; 1 Kor 8:4 **34:13** In haar paleizen schieten doornstruiken op, netels en doornen in haar vestingen. Zij wordt een woonplaats voor jakhalzen, gras voor struisvogels. Brontekst: וְעָלְתָ֤ה (vealeta) = en schieten op | אַרְמְנֹתֶ֨יהָ֙ (armenoteiha) = in haar paleizen | סִירִ֔ים (sirim) = doornstruiken | קִמּ֥וֹשׂ (qimos) = netels | וָח֖וֹחַ (vachoach) = en doornen | בְּמִבְצָרֶ֑יהָ (bemivtsareiha) = in haar vestingen | וְהָיְתָה֙ (vehayeta) = en zij wordt | נְוֵ֣ה (neve) = een woonplaats voor | תַנִּ֔ים (tanim) = jakhalzen | חָצִ֖יר (chatsir) = gras | לִבְנ֥וֹת (livnot) = voor de dochters van | יַעֲנָֽה (yaana) = de struis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סִירִים (sirim), ‘doornstruiken’; קִמּוֹשׂ (qimmosh), ‘netels’; חוֹחַ (choach), ‘doornen’: onkruid op verlaten plaatsen, zoals in Hos. 9:6. Voetnoot : בְּנוֹת יַעֲנָה (benot ya’anah), ‘struisvogels’: letterlijk ‘dochters van de struis’; zie Lev. 11:16. Voetnoot : חָצִיר (chatsir), ‘gras’: het woord kan ook als ‘hof, omheind terrein’ worden gelezen. Hetzelfde woord staat in 35:7. Zie ook: Lev 11:16; Ps 44:20; Hos 9:6; Jes 32:13–14; Jer 9:10; Jer 10:22; Mal 1:3 **34:14** Woestijnbewoners ontmoeten hyena’s, en de bokgeest roept naar zijn makker. Ja, daar komt Lilit tot rust en vindt zij een rustplaats voor zichzelf. Brontekst: וּפָגְשׁ֤וּ (ufageshu) = en ontmoeten | צִיִּים֙ (tsiyim) = woestijnbewoners | אֶת (et) = (obj.) | אִיִּ֔ים (iyim) = hyena’s | וְשָׂעִ֖יר (vesair) = en de bokgeest | עַל (al) = naar | רֵעֵ֣הוּ (reehu) = zijn makker | יִקְרָ֑א (yiqra) = roept | אַךְ (akh) = ja | שָׁם֙ (sham) = daar | הִרְגִּ֣יעָה (hirgia) = vindt rust | לִּילִ֔ית (lilit) = Lilit | וּמָצְאָ֥ה (umatsea) = en vindt | לָ֖הּ (lah) = voor zich | מָנֽוֹחַ (manoach) = een rustplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִיִּים (tsiyyim), ‘woestijnbewoners’: dieren of wezens van de woestijn; zie Ps. 72:9. אִיִּים (iyyim), ‘hyena’s’: letterlijk ‘huilers’; de betekenis is onzeker. Voetnoot : שָׂעִיר (sa’ir), ‘bokgeest’: letterlijk ‘harige’, zoals in Lev. 17:7. Het is een geest- of demonenwezen in de gedaante van een bok. Voetnoot : לִּילִית (Lilit), ‘Lilit’: een naam die alleen hier staat. Hij hangt samen met het woord voor ‘nacht’ (laylah). De betekenis is onzeker: een nachtwezen of een nachtdier. Wij laten de naam staan. Zie ook: Lev 17:7; Ps 72:9; Jes 13:21–22 **34:15** Daar nestelt de pijlslang. Zij legt eieren, laat ze openbreken en verzamelt ze in haar schaduw. Ja, daar komen de zwarte wouwen bijeen, ieder bij haar gezellin. Brontekst: שָׁ֣מָּה (shama) = daar | קִנְּנָ֤ה (qinena) = nestelt | קִפּוֹז֙ (qipoz) = de pijlslang | וַתְּמַלֵּ֔ט (vatemalet) = en legt eieren | וּבָקְעָ֖ה (uvaqea) = en laat openbreken | וְדָגְרָ֣ה (vedagera) = en verzamelt | בְצִלָּ֑הּ (betsilah) = in haar schaduw | אַךְ (akh) = ja | שָׁ֛ם (sham) = daar | נִקְבְּצ֥וּ (niqbetsu) = komen bijeen | דַיּ֖וֹת (dayot) = zwarte wouwen | אִשָּׁ֥ה (isha) = ieder | רְעוּתָֽהּ (reutah) = bij haar gezellin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִפּוֹז (qippoz), ‘pijlslang’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; ook ‘uil’ of ‘springslang’ worden voorgesteld. De werkwoorden ‘legt eieren’, ‘laat openbreken’ en ‘verzamelt’ horen bij een nestelend dier; ook die betekenissen zijn onzeker. Voetnoot : דַּיּוֹת (dayyot), ‘zwarte wouwen’: meervoud van דַּיָּה (dayyah), ‘zwarte wouw’, zoals in Deut. 14:13. De weergave is onzeker. Zie ook: Deut 14:13 ### Zoek in het boek van Yahweh **34:16** Zoek in het boek van Yahweh en lees. Niet één van hen ontbreekt. Geen van hen mist haar gezellin. Want mijn mond, die heeft het bevolen, en Zijn Geest, die heeft hen verzameld. Brontekst: דִּרְשׁ֨וּ (dirshu) = zoekt | מֵֽעַל (meal) = in | סֵ֤פֶר (sefer) = het boek van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וּֽקְרָ֔אוּ (uqerau) = en leest | אַחַ֤ת (achat) = één | מֵהֵ֨נָּה֙ (mehena) = van hen | לֹ֣א (lo) = niet | נֶעְדָּ֔רָה (nedara) = ontbreekt | אִשָּׁ֥ה (isha) = ieder | רְעוּתָ֖הּ (reutah) = haar gezellin | לֹ֣א (lo) = niet | פָקָ֑דוּ (paqadu) = mist zij | כִּֽי (ki) = want | פִי֙ (pi) = mijn mond | ה֣וּא (hu) = die | צִוָּ֔ה (tsiva) = heeft bevolen | וְרוּח֖וֹ (verucho) = en Zijn Geest | ה֥וּא (hu) = die | קִבְּצָֽן (qibetsan) = heeft hen verzameld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Het boek van Yahweh’: de tekst zegt niet welk boek het is. Het kan gaan om de profetie zelf, die op schrift staat, of om het boek waarin Yahweh Zijn besluiten vastlegt. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft hier ‘mijn mond’ (פִי, pi). Sommige oude vertalingen lezen ‘de mond van Yahweh’. Wij volgen het Hebreeuws zoals het staat: de profeet verwijst naar zijn eigen woord, naast ‘Zijn Geest’. Zie ook: Joz 1:8; Ps 33:6; Ps 33:9; Jes 30:8; Mat 5:18 **34:17** Hij zelf heeft voor hen het lot geworpen. Zijn hand heeft het land onder hen verdeeld met het meetsnoer. Voor eeuwig nemen zij het in bezit. Van generatie op generatie wonen zij erin. Brontekst: וְהֽוּא (vehu) = en Hij zelf | הִפִּ֤יל (hipil) = heeft geworpen | לָהֶן֙ (lahen) = voor hen | גּוֹרָ֔ל (goral) = het lot | וְיָד֛וֹ (veyado) = en Zijn hand | חִלְּקַ֥תָּה (chileqata) = heeft het verdeeld | לָהֶ֖ם (lahem) = onder hen | בַּקָּ֑ו (baqav) = met het meetsnoer | עַד (ad) = tot | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwig | יִֽירָשׁ֔וּהָ (yirashuha) = nemen zij het in bezit | לְד֥וֹר (ledor) = van generatie | וָד֖וֹר (vador) = op generatie | יִשְׁכְּנוּ (yishkenu) = wonen zij | בָֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹרָל (goral), ‘lot’: het land wordt aan de dieren toebedeeld zoals Kanaän aan de stammen van Israël werd toebedeeld (Num. 26:55). Zo draait de uitdrukking om: de dieren erven wat verwoest is. Zie ook: Num 26:55; Joz 18:8; Ps 78:55; Jes 13:20–22; Jes 34:10; Hand 17:26 ## Jesaja 35 _De woestijn bloeit en de vrijgekochten keren terug_ ### De woestijn zal bloeien **35:1** De woestijn en het dorre land zullen zich verheugen. De steppe zal juichen en bloeien als een krokus. Brontekst: יְשֻׂשׂ֥וּם (yesusum) = zullen zich verheugen | מִדְבָּ֖ר (midbar) = woestijn | וְצִיָּ֑ה (vetsiya) = en dorre land | וְתָגֵ֧ל (vetagel) = en zal juichen | עֲרָבָ֛ה (arava) = steppe | וְתִפְרַ֖ח (vetifrach) = en zal bloeien | כַּחֲבַצָּֽלֶת (kachavatsalet) = als een krokus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jesaja 35 volgt op het oordeel over Edom in hoofdstuk 34. De woestenij van Edom (34:9–15) en de bloeiende woestijn hier staan tegenover elkaar. Voetnoot : חֲבַצֶּלֶת (chavatselet), ‘krokus’: een bloem van het veld, misschien een krokus of narcis. De soort is onzeker; zie Hoogl. 2:1. Voetnoot : עֲרָבָה (arabah), ‘steppe’: de dorre vlakte. Het is hier geen eigennaam. Voetnoot Lezing: De vorm יְשֻׂשׂוּם (yesusum) heeft een extra letter aan het eind. Wij lezen het als een gewoon werkwoord: ‘zullen zich verheugen’. Zie ook: Hoogl 2:1; Jes 27:6; Jes 51:3; Jes 52:9–10; Jes 55:12–13; Ezech 36:35 **35:2** Zij zal volop bloeien en juichen. Ja, zij zal juichen en jubelen. De heerlijkheid van de Libanon is haar gegeven, de pracht van de Karmel en de Saron. Zij zullen de heerlijkheid van Yahweh zien, de pracht van onze Elohim. Brontekst: פָּרֹ֨חַ (paroach) = volop | תִּפְרַ֜ח (tifrach) = zal zij bloeien | וְתָגֵ֗ל (vetagel) = en zal juichen | אַ֚ף (af) = ja | גִּילַ֣ת (gilat) = in juichen | וְרַנֵּ֔ן (veranen) = en jubelen | כְּב֤וֹד (kevod) = de heerlijkheid van | הַלְּבָנוֹן֙ (halevanon) = de Libanon | נִתַּן (nitan) = is gegeven | לָ֔הּ (lah) = haar | הֲדַ֥ר (hadar) = de pracht van | הַכַּרְמֶ֖ל (hakarmel) = de Karmel | וְהַשָּׁר֑וֹן (vehasharon) = en de Saron | הֵ֛מָּה (hema) = zij | יִרְא֥וּ (yiru) = zullen zien | כְבוֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הֲדַ֥ר (hadar) = de pracht van | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַלְּבָנוֹן (haLevanon), ‘de Libanon’: het gebergte met zijn cederbossen. הַכַּרְמֶל (haKarmel), ‘de Karmel’: de bergrug aan de kust. הַשָּׁרוֹן (haSharon), ‘de Saron’: de vruchtbare kustvlakte. Zij staan voor vruchtbaarheid en pracht; nu krijgt de woestijn die pracht. Vergelijk Hoogl. 2:1. Voetnoot : כָּבוֹד יְהוָה (kevod Yahweh), ‘de heerlijkheid van Yahweh’: wat de mensen te zien krijgen, is Yahweh Zelf in Zijn glans. Zie ook: Hoogl 2:1; Amos 9:13–15; Jes 25:9; Jes 60:13; Hab 2:14; Rom 10:15 ### Versterk de slappe handen **35:3** Versterk de slappe handen. Maak de struikelende knieën sterk. Brontekst: חַזְּק֖וּ (chazequ) = versterk | יָדַ֣יִם (yadayim) = handen | רָפ֑וֹת (rafot) = slappe | וּבִרְכַּ֥יִם (uvirkayim) = en knieën | כֹּשְׁל֖וֹת (koshelot) = struikelende | אַמֵּֽצוּ (ametsu) = maak sterk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De oproep in vers 3 en 4 is gericht aan wie moedeloos is. Het zijn de handen en knieën van de mensen die moeten wachten op Yahweh’s komst. Vergelijk Job 4:3–4. Zie ook: Job 4:3–4; Job 16:5; Jes 35:4; Jes 57:14–16; Luc 22:32; Heb 12:12 **35:4** Zeg tegen wie onrustig van hart is: „Wees sterk. Wees niet bang. Zie, jullie Elohim! Wraak komt, de vergelding van Elohim. Hij zelf komt en redt jullie.” Brontekst: אִמְרוּ֙ (imru) = zegt | לְנִמְהֲרֵי (lenimharei) = tegen wie onrustig is van | לֵ֔ב (lev) = hart | חִזְק֖וּ (chizqu) = wees sterk | אַל (al) = niet | תִּירָ֑אוּ (tirau) = wees bang | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אֱלֹֽהֵיכֶם֙ (eloheikhem) = jullie Elohim | נָקָ֣ם (naqam) = wraak | יָב֔וֹא (yavo) = komt | גְּמ֣וּל (gemul) = de vergelding van | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | ה֥וּא (hu) = Hij zelf | יָב֖וֹא (yavo) = komt | וְיֹשַׁעֲכֶֽם (veyoshaakhem) = en redt jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִמְהֲרֵי לֵב (nimharei lev), ‘onrustig van hart’: letterlijk ‘haastig van hart’; wie door angst overhaast of bevend is. Voetnoot : נָקָם (naqam), ‘wraak’, en גְּמוּל (gemul), ‘vergelding’: vergelijk 34:8. Hier betekent de komst van Elohim redding voor wie bang is, en oordeel voor zijn vijanden. Zie ook: Jes 34:8; Jes 41:10–14; Sef 3:16–17; Jak 5:7–9; Ef 6:10 ### Blinden zien en kreupelen springen **35:5** Dan worden de ogen van blinden geopend en gaan de oren van doven open. Brontekst: אָ֥ז (az) = dan | תִּפָּקַ֖חְנָה (tipaqachna) = worden geopend | עֵינֵ֣י (einei) = de ogen van | עִוְרִ֑ים (ivrim) = blinden | וְאָזְנֵ֥י (veazenei) = en de oren van | חֵרְשִׁ֖ים (chereshim) = doven | תִּפָּתַֽחְנָה (tipatachna) = gaan open Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Blinden die zien, doven die horen, kreupelen die springen en stommen die jubelen: tekenen van de komst van Elohim. Vergelijk Matt. 11:5. Zie ook: Jes 29:18; Jes 32:3–4; Jes 42:6–7; Mat 11:3–5; Mat 11:5; Luc 7:20–23 **35:6** Dan springt de kreupele als een hert, en de tong van de stomme jubelt. Want in de woestijn breken wateren los, en beken in de steppe. Brontekst: אָ֣ז (az) = dan | יְדַלֵּ֤ג (yedaleg) = springt | כָּֽאַיָּל֙ (kaayal) = als een hert | פִּסֵּ֔חַ (piseach) = de kreupele | וְתָרֹ֖ן (vetaron) = en jubelt | לְשׁ֣וֹן (leshon) = de tong van | אִלֵּ֑ם (ilem) = de stomme | כִּֽי (ki) = want | נִבְקְע֤וּ (nivqeu) = breken los | בַמִּדְבָּר֙ (bamidbar) = in de woestijn | מַ֔יִם (mayim) = wateren | וּנְחָלִ֖ים (unechalim) = en beken | בָּעֲרָבָֽה (baarava) = in de steppe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּסֵּחַ (pisseach), ‘kreupele’: wie niet goed kan lopen, zoals in Lev. 21:18. Het water dat losbreekt in de woestijn is een beeld voor het nieuwe leven; vergelijk Jes. 41:18. Zie ook: Lev 21:18; Jes 32:4; Jes 41:18; Mat 12:22; Luc 11:14; Joh 5:8–9; Joh 7:37–39 **35:7** Het verzengde land wordt een poel en het dorstige land waterbronnen. Op de woonplaats van de jakhalzen, hun rustplaats, wordt gras tot riet en bies. Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en wordt | הַשָּׁרָב֙ (hasharav) = het verzengde land | לַאֲגַ֔ם (laagam) = tot een poel | וְצִמָּא֖וֹן (vetsimaon) = en het dorstige land | לְמַבּ֣וּעֵי (lemabuei) = tot bronnen van | מָ֑יִם (mayim) = water | בִּנְוֵ֤ה (binve) = op de woonplaats van | תַנִּים֙ (tanim) = jakhalzen | רִבְצָ֔הּ (rivtsah) = hun rustplaats | חָצִ֖יר (chatsir) = gras | לְקָנֶ֥ה (leqane) = tot riet | וָגֹֽמֶא (vagome) = en bies Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁרָב (sharav), ‘het verzengde land’: de gloeiende hitte of het hete zand. Sommigen vertalen ‘luchtspiegeling’. De betekenis is onzeker. Voetnoot : צִמָּאוֹן (tsimma’on), ‘het dorstige land’: zoals in Deut. 8:15. אֲגַם (agam), ‘poel’: ondiep water met riet. Voetnoot : חָצִיר (chatsir), ‘gras’: zoals in 34:13. Waar eerst jakhalzen lagen, groeit nu gras, riet en bies. Het ‘gras’ wordt ‘tot riet’: het groeit uit tot waterplanten. Zie ook: Deut 8:15; Jes 34:13; Jes 49:10; Joh 4:14; Hand 26:18; Openb 18:2 ### De Weg van de Heiligheid **35:8** Daar komt een gebaande weg, een weg. De Weg van de Heiligheid zal men haar noemen. Wie onrein is, gaat er niet overheen. Hij is voor hen bestemd die de weg gaan. Dwazen zullen er niet dwalen. Brontekst: וְהָיָה (vehaya) = en komt | שָׁ֞ם (sham) = daar | מַסְל֣וּל (maslul) = een gebaande weg | וָדֶ֗רֶךְ (vaderekh) = en een weg | וְדֶ֤רֶךְ (vederekh) = en weg van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = de heiligheid | יִקָּ֣רֵא (yiqare) = zal men noemen | לָ֔הּ (lah) = haar | לֹֽא (lo) = niet | יַעַבְרֶ֥נּוּ (yaavrenu) = gaat erover | טָמֵ֖א (tame) = wie onrein is | וְהוּא (vehu) = en Hij | לָ֑מוֹ (lamo) = voor hen | הֹלֵ֥ךְ (holekh) = die gaan | דֶּ֛רֶךְ (derekh) = de weg | וֶאֱוִילִ֖ים (veevilim) = en dwazen | לֹ֥א (lo) = niet | יִתְעֽוּ (yitu) = dwalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַסְלוּל (maslul), ‘gebaande weg’: een weg die is aangelegd, opgehoogd en vrijgemaakt. דֶּרֶךְ הַקֹּדֶשׁ (derekh haqodesh), ‘de Weg van de Heiligheid’: een weg die bij Yahweh hoort. Wie onrein is, kan er niet op komen; zie Lev. 11–15 voor de wetten over rein en onrein. Voetnoot Lezing: ‘Hij is voor hen bestemd die de weg gaan’ is een moeilijke zin: וְהוּא לָמוֹ (vehu lamo), letterlijk ‘en hij is voor hen’. Het kan zijn dat ‘hij’ Yahweh is en dat de zin betekent: ‘Hij zelf gaat met hen mee’. Het kan ook zijn dat ‘hij’ de weg is. Wij kiezen de laatste lezing. Zie ook: Jes 42:16; Mat 7:13–14; Joh 14:6; 1 Petr 1:14–15; Openb 21:27 **35:9** Daar is geen leeuw, en geen woest roofdier gaat erop. Het wordt daar niet gevonden. De verlosten lopen erop. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִהְיֶ֨ה (yihye) = is | שָׁ֜ם (sham) = daar | אַרְיֵ֗ה (arye) = een leeuw | וּפְרִ֤יץ (uferits) = en een woest roofdier | חַיּוֹת֙ (chayot) = onder de dieren | בַּֽל (bal) = niet | יַעֲלֶ֔נָּה (yaalena) = gaat erop | לֹ֥א (lo) = niet | תִמָּצֵ֖א (timatse) = wordt gevonden | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְהָלְכ֖וּ (vehalekhu) = en lopen | גְּאוּלִֽים (geulim) = de verlosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּרִיץ חַיּוֹת (peritz chayyot), ‘woest roofdier’: letterlijk ‘geweldenaar onder de dieren’. גְּאוּלִים (ge’ulim), ‘de verlosten’: van גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’. De verlosten zijn de mensen die Yahweh Zelf, hun Verlosser, vrij heeft gemaakt. Zie ook: Ex 15:13; Ps 107:2; Hos 2:20; Jes 62:12; Ezech 34:25 ### De vrijgekochten komen naar Sion **35:10** De vrijgekochten van Yahweh keren terug. Zij komen met gejuich naar Sion, met eeuwige vreugde op hun hoofd. Blijdschap en vreugde grijpen zij, en verdriet en zuchten vluchten weg. Brontekst: וּפְדוּיֵ֨י (ufeduyei) = en de vrijgekochten van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | יְשֻׁב֗וּן (yeshuvun) = keren terug | וּבָ֤אוּ (uvau) = en komen | צִיּוֹן֙ (tsiyon) = naar Sion | בְּרִנָּ֔ה (berina) = met gejuich | וְשִׂמְחַ֥ת (vesimchat) = en vreugde van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwig | עַל (al) = op | רֹאשָׁ֑ם (rosham) = hun hoofd | שָׂשׂ֤וֹן (sason) = blijdschap | וְשִׂמְחָה֙ (vesimcha) = en vreugde | יַשִּׂ֔יגוּ (yasigu) = grijpen zij | וְנָ֖סוּ (venasu) = en vluchten weg | יָג֥וֹן (yagon) = verdriet | וַאֲנָחָֽה (vaanacha) = en zuchten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פְּדוּיֵי יְהוָה (peduyei Yahweh), ‘de vrijgekochten van Yahweh’: van פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’. Zij zijn dezelfde mensen als de ‘verlosten’ in vers 9. Dit vers staat bijna gelijk in Jes. 51:11. Voetnoot : עוֹלָם (olam), ‘eeuwig’: de vreugde heeft geen einde. Voetnoot : שִׂמְחַת עוֹלָם עַל רֹאשָׁם (simchat olam al roshām), ‘eeuwige vreugde op hun hoofd’: vreugde als sieraad, als een krans. Zie ook: Jes 25:8; Jes 30:19; Jes 35:9; Jes 51:10–11; Jes 51:11; Jes 65:19; Openb 21:4 ## Jesaja 36 _Sanherib en de Rabsake bij Jeruzalem_ ### Sanherib trekt tegen Juda op **36:1** Het gebeurde in het veertiende jaar van koning Hizkia: Sanherib, de koning van Assyrië, trok op tegen alle versterkte steden van Juda. Hij nam ze in. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het gebeurde | בְּאַרְבַּע֩ (bearba) = in het vier | עֶשְׂרֵ֨ה (esre) = tiende | שָׁנָ֜ה (shana) = jaar | לַמֶּ֣לֶךְ (lamelekh) = van koning | חִזְקִיָּ֗הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | עָלָ֞ה (ala) = trok op | סַנְחֵרִ֤יב (sancheriv) = Sanherib | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | עַ֣ל (al) = tegen | כָּל (kal) = alle | עָרֵ֧י (arei) = steden van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | הַבְּצֻר֖וֹת (habetsurot) = de versterkte | וַֽיִּתְפְּשֵֽׂם (vayitpesem) = en nam ze in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: Jes. 36–39 loopt grotendeels parallel met 2 Kon. 18:13–20:19; zie ook 2 Kron. 32. Waar het Hebreeuws gelijk is, is onze vertaling gelijk. Waar het verschilt, melden wij dat in de voetnoten. Voetnoot : Het verhaal in 2 Kon. 18:14–16, waarin Hizkia zilver en goud aan Sanherib geeft, staat niet in Jesaja. Voetnoot : חִזְקִיָּהוּ (Chizqiyyahu), ‘Hizkia’: in Jesaja staat de langere vorm van de naam; in 2 Kon. 18 de kortere vorm. Wij vertalen beide met ‘Hizkia’. Voetnoot : וַיְהִי (vayehi), ‘het gebeurde’: dit woord staat niet in 2 Kon. 18:13. Het ‘veertiende jaar’ geven wij letterlijk, zoals daar. Zie ook: 2 Kon 18:13; 2 Kon 18:14–16; 2 Kon 18:17; 2 Kron 32:1; Jes 10:28–32; Jes 33:7–8 ### De Rabsake bij Jeruzalem **36:2** De koning van Assyrië stuurde de Rabsake vanuit Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een groot leger. Hij bleef staan bij de waterleiding van de bovenste vijver, op de weg naar het veld van de voller. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֣וּר (ashur) = Assyrië | אֶת (et) = (obj.) | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֨ה (shaqe) = de schenkers | מִלָּכִ֧ישׁ (milakhish) = vanuit Lachis | יְרוּשָׁלְַ֛מָה (yerushalaema) = naar Jeruzalem | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | בְּחֵ֣יל (becheil) = met een leger | כָּבֵ֑ד (kaved) = zwaar | וַֽיַּעֲמֹ֗ד (vayaamod) = en bleef staan | בִּתְעָלַת֙ (bitalat) = bij de waterleiding van | הַבְּרֵכָ֣ה (haberekha) = de vijver | הָעֶלְיוֹנָ֔ה (haelyona) = de bovenste | בִּמְסִלַּ֖ת (bimsilat) = op de weg naar | שְׂדֵ֥ה (sede) = het veld van | כוֹבֵֽס (koves) = de voller Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Waterleiding van de bovenste vijver (ligging onzeker): De waterleiding van de bovenste vijver lag bij Jeruzalem, buiten de stadsmuur. De precieze plaats is niet zeker. Zie Veld van de voller (ligging onzeker): Het veld van de voller lag bij Jeruzalem, aan de weg langs de bovenste vijver. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: In 2 Kon. 18:17 stuurt de koning van Assyrië drie hoge ambtenaren, de Tartan, de Rabsaris en de Rabsake. Jesaja noemt alleen de Rabsake. Voetnoot : רַב שָׁקֵה (rav shaqeh), ‘Rabsake’, letterlijk ‘overste van de schenkers’: een Assyrische titel van een hoge ambtenaar en legerleider. Wij laten hem staan als naam. Voetnoot : Lachis ligt in de Sjefela, in het zuidwesten van Juda (zie 2 Kon. 18:14). De waterleiding van de bovenste vijver en het veld van de voller lagen bij Jeruzalem, buiten de stad. De precieze ligging is onzeker. Voetnoot : כוֹבֵס (kovess), ‘voller’: iemand die kleren wast en bleekt. Zie ook: 2 Kon 18:14; 2 Kon 18:17–37; 2 Kron 32:9–23; Jes 7:3; Jes 22:9–11 **36:3** Naar hem ging uit Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was. Ook gingen Sjebna, de schrijver, en Joach, de zoon van Asaf, de archivaris, naar hem uit. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en ging uit | אֵלָ֛יו (elav) = naar hem | אֶלְיָקִ֥ים (elyaqim) = Eljakim | בֶּן (ben) = zoon van | חִלְקִיָּ֖הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = over | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וְשֶׁבְנָא֙ (veshevna) = en Sjebna | הַסֹּפֵ֔ר (hasofer) = de schrijver | וְיוֹאָ֥ח (veyoach) = en Joach | בֶּן (ben) = zoon van | אָסָ֖ף (asaf) = Asaf | הַמַּזְכִּֽיר (hamazkir) = de archivaris Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל הַבַּיִת (al habbayit), ‘over het huis’: de man die het paleis beheert, zoals in 1 Kon. 4:6. סֹפֵר (sofer), ‘schrijver’, en מַזְכִּיר (mazkir), ‘archivaris’: zie 1 Kon. 4:3. Voetnoot : שֶׁבְנָא (Shevna), ‘Sjebna’: in 2 Kon. 18:18 staat de naam als שֶׁבְנָה (Shevnah). Het is dezelfde man. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier één werkwoord (‘ging uit’) voor drie mannen en zegt ‘naar hem’ (de Rabsake). In 2 Kon. 18:18 staat ‘naar hen’. Wij splitsen de zin zoals daar en herhalen ‘gingen … uit’. Zie ook: 2 Sam 8:16–17; 2 Sam 20:24–25; 1 Kon 4:3; 1 Kon 4:6; 2 Kon 18:18; Jes 22:15–21 ### De woorden van de Rabsake **36:4** De Rabsake zei tegen hen: „Zeg toch tegen Hizkia. Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor een vertrouwen waarmee je vertrouwt? Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֔ה (shaqe) = de schenkers | אִמְרוּ (imru) = zeg | נָ֖א (na) = toch | אֶל (el) = tot | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | הַמֶּ֤לֶךְ (hamelekh) = de koning | הַגָּדוֹל֙ (hagadol) = de grote | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | מָ֧ה (ma) = wat | הַבִּטָּח֛וֹן (habitachon) = het vertrouwen | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarop | בָּטָֽחְתָּ (batachta) = je vertrouwt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: בָּטַח (batach), ‘vertrouwen’: het sleutelwoord van de hoofdstukken 36–37, zoals in 2 Kon. 18:5. Wij vertalen het steeds met ‘vertrouwen’. Voetnoot : De vaste formule van een bode: ‘Zo zegt de grote koning’. ‘De grote koning’ is een titel van Assyrische koningen. Dit vers staat gelijk in 2 Kon. 18:19. Zie ook: Ps 42:11; Ps 71:10–11; Spr 16:18; 2 Kon 18:5; 2 Kon 18:19–37; Jud 1:16 **36:5** Ik zeg: Het zijn slechts woorden van de lippen, raad en kracht voor de oorlog. Nu, op wie vertrouw je, dat je in opstand bent gekomen tegen mij? Brontekst: אָמַ֨רְתִּי֙ (amarti) = ik zeg | אַךְ (akh) = maar | דְּבַר (devar) = woord van | שְׂפָתַ֔יִם (sefatayim) = lippen | עֵצָ֥ה (etsa) = raad | וּגְבוּרָ֖ה (ugevura) = en kracht | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = voor de oorlog | עַתָּה֙ (ata) = nu | עַל (al) = op | מִ֣י (mi) = wie | בָטַ֔חְתָּ (batachta) = vertrouw je | כִּ֥י (ki) = dat | מָרַ֖דְתָּ (maradta) = je bent in opstand gekomen | בִּֽי (bi) = tegen mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָמַרְתִּי (amarti), ‘ik zeg’: het Hebreeuws van Jesaja heeft hier ‘ik zeg’. In 2 Kon. 18:20 staat אָמַרְתָּ (amarta), ‘je zegt’. De rest van het vers is gelijk. Wij vertalen elke vorm zoals hij staat. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws van de eerste helft is kort en moeilijk: ‘ik zeg: slechts een woord van lippen, raad en kracht voor de oorlog’. Het heeft geen werkwoord bij ‘raad en kracht’. Wij lezen: ‘Ik zeg: Het zijn slechts woorden van de lippen, raad en kracht voor de oorlog.’ De Rabsake bedoelt: Hizkia’s plannen zijn praatjes. Zie ook: Spr 21:30–31; Spr 24:5–6; 2 Kon 18:7; 2 Kon 18:20; 2 Kon 24:1; Ezech 17:15 **36:6** Zie, je vertrouwt op Egypte, die steunstaf van een gebroken riet. Als een man erop leunt, gaat het in zijn hand en doorboort die. Zo is farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen. Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | בָטַ֡חְתָּ (batachta) = je vertrouwt | עַל (al) = op | מִשְׁעֶנֶת֩ (mishenet) = steunstaf van | הַקָּנֶ֨ה (haqane) = het riet | הָרָצ֤וּץ (haratsuts) = het gebroken | הַזֶּה֙ (haze) = dit | עַל (al) = op | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יִסָּמֵ֥ךְ (yisamekh) = steunt | אִישׁ֙ (ish) = een man | עָלָ֔יו (alav) = erop | וּבָ֥א (uva) = en het komt | בְכַפּ֖וֹ (bekhapo) = in zijn hand | וּנְקָבָ֑הּ (uneqavah) = en doorboort haar | כֵּ֚ן (ken) = zo | פַּרְעֹ֣ה (paro) = farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לְכָֽל (lekhal) = voor allen | הַבֹּטְחִ֖ים (habotechim) = die vertrouwen | עָלָֽיו (alav) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מִשְׁעֶנֶת (mish’enet), ‘steunstaf’: een stok om op te leunen. De Rabsake noemt Egypte een stok van gebroken riet die in de hand binnendringt en haar doorboort. Zo kon Hizkia zeker niet op Egypte rekenen. Dit vers staat gelijk in 2 Kon. 18:21; daar staat ‘Zie nu’, hier ‘Zie’. Zie ook: 2 Kon 18:21; Jes 20:5–6; Jes 31:3; Jer 37:5–8; Ezech 29:6–7 **36:7** En als je tegen mij zegt: ‘Op Yahweh, onze Elohim, vertrouwen wij’, is Hij het dan niet wiens hoogten en altaren Hizkia heeft weggenomen? Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd: ‘Voor dit altaar moeten jullie je neerbuigen.’ Brontekst: וְכִי (vekhi) = en als | תֹאמַ֣ר (tomar) = je zegt | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | אֶל (el) = op | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | בָּטָ֑חְנוּ (batachenu) = vertrouwen wij | הֲלוֹא (halo) = is het niet | ה֗וּא (hu) = Hij | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wiens | הֵסִ֤יר (hesir) = nam weg | חִזְקִיָּ֨הוּ֙ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶת (et) = (obj.) | בָּמֹתָ֣יו (bamotav) = Zijn hoogten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִזְבְּחֹתָ֔יו (mizbechotav) = Zijn altaren | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | לִֽיהוּדָה֙ (lihuda) = tegen Juda | וְלִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (velirushalaim) = en tegen Jeruzalem | לִפְנֵ֛י (lifnei) = voor | הַמִּזְבֵּ֥חַ (hamizbeach) = het altaar | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | תִּֽשְׁתַּחֲוֽוּ (tishtachavu) = moeten jullie je neerbuigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Met ‘Hij’ bedoelt de Rabsake Yahweh. Hij noemt de hoogten en altaren ‘Zijn’ hoogten en altaren. Hizkia had die weggenomen (2 Kon. 18:4). De Rabsake maakt daarvan een verwijt tegen Hizkia. Het tweede ‘Hij’ (‘Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd’) is Hizkia. Zie ook 2 Kron. 32:12, waar het woord anders luidt: ‘Voor één altaar moeten jullie je neerbuigen, en daarop moeten jullie wierook laten opgaan.’ Voetnoot : In 2 Kon. 18:22 staat ‘als jullie zeggen’ (meervoud) en eindigt het vers met ‘in Jeruzalem’. Jesaja heeft ‘als je zegt’ (enkelvoud) en zonder ‘in Jeruzalem’. Zie ook: Ps 22:5–6; Ps 42:6; Ps 42:11–12; 2 Kon 18:4–5; 2 Kon 18:22; 2 Kron 32:12; 1 Kor 2:15 **36:8** Ga nu toch een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië. Ik geef je 2.000 paarden, als je zelf de berijders voor hen kunt leveren. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הִתְעָ֣רֶב (hitarev) = ga een weddenschap aan | נָ֔א (na) = toch | אֶת (et) = met | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וְאֶתְּנָ֤ה (veetena) = en ik zal geven | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | אַלְפַּ֣יִם (alpayim) = tweeduizend | סוּסִ֔ים (susim) = paarden | אִם (im) = als | תּוּכַ֕ל (tukhal) = je kunt | לָ֥תֶת (latet) = geven | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | רֹכְבִ֥ים (rokhevim) = berijders | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: הִתְעָרֵב (hit’arev), ‘ga een weddenschap aan’: de stam betekent ‘zich borg stellen, inzetten, ruilen’. De betekenis hier is onzeker. Wij vertalen ‘weddenschap’. De Rabsake zegt spottend: Assyrië geeft paarden, maar Juda heeft de berijders niet. Voetnoot : אַלְפַּיִם (alpayim), ‘2.000’: het getal staat zo in de Masoretische tekst. Zie 2 Kon. 18:23. Zie ook: 1 Sam 17:40–43; Ps 20:8–9; Ps 123:3–4; 1 Kon 20:10; 2 Kon 18:23 **36:9** Hoe kun je dan één landvoogd terugdrijven, een van de geringste dienaren van mijn heer? Toch vertrouw je op Egypte, voor wagens en ruiters. Brontekst: וְאֵ֣יךְ (veeikh) = en hoe | תָּשִׁ֗יב (tashiv) = zou je terugdrijven | אֵ֠ת (et) = (obj.) | פְּנֵ֨י (penei) = het gezicht van | פַחַ֥ת (pachat) = een landvoogd | אַחַ֛ד (achad) = een | עַבְדֵ֥י (avdei) = dienaren van | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | הַקְטַנִּ֑ים (haqtanim) = de geringsten | וַתִּבְטַ֤ח (vativtach) = en je vertrouwt | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | עַל (al) = op | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | לְרֶ֖כֶב (lerekhev) = voor wagens | וּלְפָרָשִֽׁים (ulefarashim) = en voor ruiters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: פַּחַת (pachat), ‘landvoogd’: zoals in 1 Kon. 10:15. Een landvoogd is een gewestelijk bestuurder. Zelfs de geringste ervan kan Hizkia niet terugdrijven. Dit vers is gelijk aan 2 Kon. 18:24. Zie ook: Spr 21:31; 1 Kon 10:15; 2 Kon 18:24; Jes 10:8; Jes 30:2–5; Jes 30:7; Jer 2:36 **36:10** En nu, ben ik soms zonder Yahweh tegen dit land opgetrokken om het te verwoesten? Yahweh heeft tegen mij gezegd: ‘Trek op naar dit land en verwoest het.’” Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הֲמִבַּלְעֲדֵ֣י (hamibaladei) = is het zonder | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עָלִ֛יתִי (aliti) = ben ik opgetrokken | עַל (al) = tegen | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | לְהַשְׁחִיתָ֑הּ (lehashchitah) = om het te verwoesten | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אָמַ֣ר (amar) = heeft gezegd | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | עֲלֵ֛ה (ale) = trek op | אֶל (el) = naar | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | וְהַשְׁחִיתָֽהּ (vehashchitah) = en verwoest het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Rabsake beweert dat Yahweh hem heeft gestuurd. Dit zijn zijn woorden, geen woorden van Yahweh zelf. Daarom staan ze zwart, tussen enkele aanhalingstekens. De tekst zegt nergens dat dit waar is. Voetnoot : In 2 Kon. 18:25 staat ‘deze plaats’, ‘haar’ en ‘tegen dit land’. Hier staat ‘dit land’, ‘het’ en ‘naar dit land’. Zie ook: 1 Kon 13:18; 2 Kon 18:25; 2 Kron 35:21; Amos 3:6; Jes 10:5–7 ### Het verzoek om Aramees te spreken **36:11** Eljakim, Sjebna en Joach zeiden tegen de Rabsake: „Spreek toch Aramees met uw dienaren, want wij verstaan het. Spreek niet Judees tegen ons, voor de oren van het volk dat op de muur is.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֶלְיָקִים֩ (elyaqim) = Eljakim | וְשֶׁבְנָ֨א (veshevna) = en Sjebna | וְיוֹאָ֜ח (veyoach) = en Joach | אֶל (el) = tot | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֗ה (shaqe) = de schenkers | דַּבֶּר (daber) = spreek | נָ֤א (na) = toch | אֶל (el) = tot | עֲבָדֶ֨יךָ֙ (avadeikha) = uw dienaren | אֲרָמִ֔ית (aramit) = in het Aramees | כִּ֥י (ki) = want | שֹׁמְעִ֖ים (shomeim) = verstaan | אֲנָ֑חְנוּ (anachenu) = wij | וְאַל (veal) = en niet | תְּדַבֵּ֤ר (tedaber) = spreek | אֵלֵ֨ינוּ֙ (eleinu) = tot ons | יְהוּדִ֔ית (yehudit) = in het Judees | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | הָעָ֔ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַחוֹמָֽה (hachoma) = de muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרָמִית (aramit), ‘Aramees’: de taal die overheden van verschillende volken gebruikten om elkaar te verstaan. יְהוּדִית (yehudit), ‘Judees’, letterlijk ‘in de taal van Juda’: dat is hier het Hebreeuws van het volk op de muur. In 2 Kon. 18:26 staan bij Eljakim ook de naam van zijn vader (Hilkia) en ‘met ons’ in plaats van ‘tegen ons’. Zie ook: 2 Kon 18:26–27; Dan 2:4; Ezra 4:7 **36:12** De Rabsake zei: „Heeft mijn heer mij soms naar jullie heer en naar jou gestuurd om deze woorden te spreken? Is het niet naar de mannen die op de muur zitten? Zij moeten met jullie hun eigen uitwerpselen eten en hun eigen urine drinken.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֗ה (shaqe) = de schenkers | הַאֶ֨ל (hael) = is het naar | אֲדֹנֶ֤יךָ (adoneikha) = jullie heer | וְאֵלֶ֨יךָ֙ (veeleikha) = en naar jou | שְׁלָחַ֣נִי (shelachani) = heeft mij gestuurd | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | לְדַבֵּ֖ר (ledaber) = om te spreken | אֶת (et) = (obj.) | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | הֲלֹ֣א (halo) = is het niet | עַל (al) = naar | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | הַיֹּֽשְׁבִים֙ (hayoshevim) = die zitten | עַל (al) = op | הַ֣חוֹמָ֔ה (hachoma) = de muur | לֶאֱכֹ֣ל (leekhol) = om te eten | אֶת (et) = (obj.) | צוֹאָתָ֗ם (tsoatam) = hun uitwerpselen | וְלִשְׁתּ֛וֹת (velishtot) = en om te drinken | אֶת (et) = (obj.) | מֵימֵ֥י (meimei) = het water van | רַגְלֵיהֶ֖ם (ragleihem) = hun voeten | עִמָּכֶֽם (imakhem) = met jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft twee grovere woorden: ‘hun drek’ voor ‘uitwerpselen’ en ‘hun urine’ voor ‘het water van hun voeten’. De voorgelezen tekst (qere) heeft de mildere uitdrukking. Wij volgen de qere en vertalen het tweede met ‘urine’. Zo ook in 2 Kon. 18:27. Zie ook: Lev 26:29; Deut 28:53–57; 2 Kon 6:25–29; 2 Kon 18:27; Jer 19:9 ### De Rabsake roept in het Judees **36:13** De Rabsake ging staan en riep met luide stem in het Judees. Hij zei: „Luister naar de woorden van de grote koning, de koning van Assyrië. Brontekst: וַֽיַּעֲמֹד֙ (vayaamod) = en ging staan | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֔ה (shaqe) = de schenkers | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en riep | בְקוֹל (beqol) = met stem | גָּד֖וֹל (gadol) = luide | יְהוּדִ֑ית (yehudit) = in het Judees | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | שִׁמְע֗וּ (shimu) = luister | אֶת (et) = naar | דִּבְרֵ֛י (divrei) = de woorden van | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: De Rabsake spreekt het volk rechtstreeks aan, in de taal die zij verstaan. Zijn woorden gaan vanaf hier over de hoofden van de ambtenaren heen naar de mannen op de muur. In 2 Kon. 18:28 staat ‘het woord’ (enkelvoud) en daarna ‘Hij sprak en zei’; hier staat ‘de woorden’ en alleen ‘Hij zei’. Zie ook: 1 Sam 17:8–11; Ps 17:10–13; Ps 82:6–7; 2 Kon 18:28; 2 Kron 32:18; Dan 4:34 **36:14** Zo zegt de koning: Laat Hizkia jullie niet misleiden, want hij kan jullie niet redden. Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | אַל (al) = niet | יַשִּׁ֥א (yashi) = laat misleiden | לָכֶ֖ם (lakhem) = jullie | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | כִּ֥י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | יוּכַ֖ל (yukhal) = hij kan | לְהַצִּ֥יל (lehatsil) = redden | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַשִּׁא (yasshi), ‘laat misleiden’: van נָשָׁא (nasha), ‘bedriegen’. In 2 Kon. 18:29 staat dezelfde vorm anders gespeld (ישיא). Wij vertalen beide met ‘misleiden’. Daar staat achter ‘uit zijn hand’; hier niet. Zie ook: 2 Kon 18:29; 2 Kron 32:11; 2 Kron 32:13–19; Jes 37:10–13; 2 Tess 2:4; Openb 13:5–6 **36:15** Laat Hizkia jullie niet op Yahweh laten vertrouwen met de woorden: ‘Yahweh zal ons zeker redden. Deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië worden gegeven.’ Brontekst: וְאַל (veal) = en niet | יַבְטַ֨ח (yavtach) = laat laten vertrouwen | אֶתְכֶ֤ם (etkhem) = jullie | חִזְקִיָּ֨הוּ֙ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶל (el) = op | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | הַצֵּ֥ל (hatsel) = zeker redden | יַצִּילֵ֖נוּ (yatsilenu) = zal ons redden | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֤א (lo) = niet | תִנָּתֵן֙ (tinaten) = zal worden gegeven | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie ook: Ps 22:8–9; Ps 71:9–11; Jes 36:7; Jes 37:10; Mat 27:43 **36:16** Luister niet naar Hizkia. Want zo zegt de koning van Assyrië: Sluit een overeenkomst met mij en kom naar mij uit. Dan zal ieder van zijn wijnstok eten en ieder van zijn vijgenboom, en ieder het water van zijn eigen put drinken, Brontekst: אַֽל (al) = niet | תִּשְׁמְע֖וּ (tishmeu) = luister | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֜ר (amar) = zegt | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אַשּׁ֗וּר (ashur) = Assyrië | עֲשֽׂוּ (asu) = maak | אִתִּ֤י (iti) = met mij | בְרָכָה֙ (berakha) = een zegen | וּצְא֣וּ (utseu) = en kom uit | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | וְאִכְל֤וּ (veikhlu) = en eet | אִישׁ (ish) = ieder | גַּפְנוֹ֙ (gafno) = zijn wijnstok | וְאִ֣ישׁ (veish) = en ieder | תְּאֵנָת֔וֹ (teenato) = zijn vijgenboom | וּשְׁת֖וּ (ushetu) = en drink | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | מֵי (mei) = water van | בוֹרֽוֹ (boro) = zijn put Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: wij vertalen ‘overeenkomst’. Letterlijk staat er ‘maak met mij een zegen’. Het kan een verdrag of een overgave bedoelen, of een geschenk. De betekenis is onzeker. Zie 2 Kon. 18:31. Zie ook: 1 Sam 11:3; 2 Sam 8:6; 1 Kon 5:5; 2 Kon 18:31; Mi 4:4; Zach 3:10 **36:17** totdat ik kom en jullie meeneem naar een land zoals jullie eigen land. Dat is een land van koren en most, een land van brood en wijngaarden. Brontekst: עַד (ad) = totdat | בֹּאִ֕י (boi) = ik kom | וְלָקַחְתִּ֥י (velaqachti) = en ik zal nemen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = een land | כְּאַרְצְכֶ֑ם (keartsekhem) = zoals jullie land | אֶ֤רֶץ (erets) = een land van | דָּגָן֙ (dagan) = koren | וְתִיר֔וֹשׁ (vetirosh) = en most | אֶ֥רֶץ (erets) = een land van | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | וּכְרָמִֽים (ukheramim) = en wijngaarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘land zoals jullie land’ doet denken aan het beloofde land van Deut. 8:8. De Rabsake belooft het volk een nieuw land, maar het is een verbanning. Voetnoot : תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’: jonge wijn, zoals in Deut. 7:13. Voetnoot : Hier eindigt de belofte. In 2 Kon. 18:32 volgt nog: ‘een land van olijfolie en honing. Dan zullen jullie leven en niet sterven’. Zie ook: Job 20:17; Ex 3:8; Deut 7:13; Deut 8:8; Spr 12:10; 2 Kon 18:9–12; 2 Kon 18:32 **36:18** Pas op dat Hizkia jullie niet misleidt met de woorden: ‘Yahweh zal ons redden.’ Hebben de goden van de volken ieder zijn land gered uit de hand van de koning van Assyrië? Brontekst: פֶּן (pen) = opdat niet | יַסִּ֨ית (yasit) = misleidt | אֶתְכֶ֤ם (etkhem) = jullie | חִזְקִיָּ֨הוּ֙ (chizqiyahu) = Hizkia | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יַצִּילֵ֑נוּ (yatsilenu) = zal ons redden | הַהִצִּ֜ילוּ (hahitsilu) = hebben gered | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = goden van | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצ֔וֹ (artso) = zijn land | מִיַּ֖ד (miyad) = uit de hand van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: פֶּן (pen), ‘pas op dat … niet’: in 2 Kon. 18:32 staat hier een andere zin: ‘Luister niet naar Hizkia, want hij misleidt jullie’. Het vervolg ‘Hebben de goden … gered’ staat daar in vers 33 en begint met een versterkend werkwoord (‘ooit’); in Jesaja ontbreekt dat. Voetnoot : אֱלֹהֵי הַגּוֹיִם (elohei haggoyim), ‘de goden van de volken’: het meervoud van אֱלֹהִים (elohim), maar dan voor goden van andere volken. Wij schrijven ‘goden’ met een kleine letter, ook in de verzen 19–20. Zie ook: Ps 92:6–8; 2 Kon 18:32; Jes 36:10; Jes 36:15; Jes 36:33; Jes 37:10; Jes 37:17–18 **36:19** Waar zijn de goden van Chamat en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarwaïm? Hebben zij Samaria dan uit mijn hand gered? Brontekst: אַיֵּ֞ה (aye) = waar | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = goden van | חֲמָת֙ (chamat) = Chamat | וְאַרְפָּ֔ד (vearpad) = en Arpad | אַיֵּ֖ה (aye) = waar | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = goden van | סְפַרְוָ֑יִם (sefarvayim) = Sefarwaïm | וְכִֽי (vekhi) = en dat | הִצִּ֥ילוּ (hitsilu) = hebben gered | אֶת (et) = (obj.) | שֹׁמְר֖וֹן (shomeron) = Samaria | מִיָּדִֽי (miyadi) = uit mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Arpad (Tell Rifaat): Arpad wordt gezocht bij Tell Rifaat, ten noorden van Aleppo, in het noorden van Syrië. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: Chamat (het huidige Hama) ligt in Syrië, aan de Orontes. Arpad ligt in het noorden van Syrië, bij het huidige Tell Rifaat. Sefarwaïm is een stad in Syrië of Mesopotamië. De ligging is onzeker. Voetnoot : In 2 Kon. 18:34 en 19:13 staan ook Hena en Iwwa; hier ontbreken ze. Voetnoot Lezing: וְכִי (vekhi), ‘en dat’: hier leidt het woord een vraag in: ‘Hebben zij dan Samaria gered?’ Zie ook: 2 Sam 8:9; 2 Kon 17:5–7; 2 Kon 18:34; 2 Kon 19:13; Jes 10:9–11; Jes 37:11–13; Jer 49:23 **36:20** Wie onder alle goden van deze landen heeft zijn land uit mijn hand gered, dat Yahweh Jeruzalem uit mijn hand zou redden?” Brontekst: מִ֗י (mi) = wie | בְּכָל (bekhal) = onder alle | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = goden van | הָֽאֲרָצוֹת֙ (haaratsot) = de landen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁר (asher) = die | הִצִּ֥ילוּ (hitsilu) = hebben gered | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצָ֖ם (artsam) = hun land | מִיָּדִ֑י (miyadi) = uit mijn hand | כִּֽי (ki) = dat | יַצִּ֧יל (yatsil) = zal redden | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | מִיָּדִֽי (miyadi) = uit mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers is bijna gelijk aan 2 Kon. 18:35. Alleen ‘deze’ (הָאֵלֶּה, ha’elleh) staat in Jesaja bij ‘de landen’. Zie ook: Ps 50:21; 1 Kon 20:23; 2 Kon 18:35; 2 Kron 32:15; 2 Kron 32:19; Dan 3:15 ### Het volk zwijgt **36:21** Zij zwegen en antwoordden hem niet één woord. Want het gebod van de koning luidde: „Antwoord hem niet.” Brontekst: וַֽיַּחֲרִ֔ישׁוּ (vayacharishu) = en zij zwegen | וְלֹֽא (velo) = en niet | עָנ֥וּ (anu) = antwoordden zij | אֹת֖וֹ (oto) = hem | דָּבָ֑ר (davar) = een woord | כִּֽי (ki) = want | מִצְוַ֨ת (mitsvat) = gebod van | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | הִ֛יא (hi) = het | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | לֹ֥א (lo) = niet | תַעֲנֻֽהוּ (taanuhu) = antwoord hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִצְוַת (mitsvat), ‘gebod’: een bevel van de koning van Juda. De mensen op de muur gehoorzamen. In 2 Kon. 18:36 staat ‘het volk’; hier staat alleen ‘zij’. Het verhaal gaat verder met Jes. 37:1. Zie ook: Ps 38:14–16; Spr 26:4; 2 Kon 18:36; 2 Kon 18:37; Amos 5:13; Jes 37:1; Mat 7:6 **36:22** Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was, Sjebna, de schrijver, en Joach, de zoon van Asaf, de archivaris, kwamen met gescheurde kleren naar Hizkia. Zij vertelden hem de woorden van de Rabsake. Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en kwam | אֶלְיָקִ֣ים (elyaqim) = Eljakim | בֶּן (ben) = zoon van | חִלְקִיָּ֣הוּ (chilqiyahu) = Hilkia | אֲשֶׁר (asher) = die | עַל (al) = over | הַ֠בַּיִת (habayit) = het huis | וְשֶׁבְנָ֨א (veshevna) = en Sjebna | הַסּוֹפֵ֜ר (hasofer) = de schrijver | וְיוֹאָ֨ח (veyoach) = en Joach | בֶּן (ben) = zoon van | אָסָ֧ף (asaf) = Asaf | הַמַּזְכִּ֛יר (hamazkir) = de archivaris | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | קְרוּעֵ֣י (qeruei) = gescheurd van | בְגָדִ֑ים (begadim) = kleren | וַיַּגִּ֣ידוּ (vayagidu) = en zij vertelden | ל֔וֹ (lo) = hem | אֵ֖ת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵֽה (shaqe) = de schenkers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het scheuren van de kleren is een teken van rouw en ontzetting, zoals Hizkia ook doet in Jes. 37:1 en 2 Kon. 19:1. De drie mannen die de Rabsake hebben aangehoord, komen terug met gescheurde kleren. Zie ook: 2 Kon 5:7; 2 Kon 19:1; Jes 33:7; Jes 36:3; Jes 36:11; Jes 37:1; Mat 26:65 ## Jesaja 37 _Jesaja, Sanherib en de engel van Yahweh_ ### Hizkia gaat naar het huis van Yahweh **37:1** Toen koning Hizkia het hoorde, scheurde hij zijn kleren. Hij bedekte zich met een rouwkleed en ging het huis van Yahweh binnen. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כִּשְׁמֹ֨עַ֙ (kishmoa) = toen hoorde | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | חִזְקִיָּ֔הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | וַיִּקְרַ֖ע (vayiqra) = en scheurde | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֑יו (begadav) = zijn kleren | וַיִּתְכַּ֣ס (vayitkas) = en bedekte zich | בַּשָּׂ֔ק (basaq) = met een rouwkleed | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en ging | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: grove kleding als teken van rouw, zoals in 1 Kon. 21:27. Hizkia scheurt zijn kleren, zoals de mannen in 2 Kon. 18:37. Voetnoot : Jes. 36–39 vertelt dezelfde geschiedenis als 2 Kon. 18:13–20:19. Waar het Hebreeuws gelijk is, is onze Nederlandse tekst gelijk aan die van 2 Kon. 19 en 20. Zie ook 2 Kron. 32:9–23. Zie ook: Job 1:20–21; 1 Kon 21:27; 2 Kon 18:13–20:19; 2 Kon 18:37; 2 Kon 19:1–37; 2 Kron 32:9–23; Jona 3:5–6; Jes 36:22–37:38; Ezra 9:5 ### Hizkia stuurt naar Jesaja **37:2** Hij stuurde Eljakim, die over het huis was, Sjebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters naar Jesaja, de zoon van Amoz, de profeet. Zij waren bedekt met rouwkleden. Brontekst: וַ֠יִּשְׁלַח (vayishlach) = en stuurde | אֶת (et) = (obj.) | אֶלְיָקִ֨ים (elyaqim) = Eljakim | אֲשֶׁר (asher) = die | עַל (al) = over | הַבַּ֜יִת (habayit) = het huis | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | שֶׁבְנָ֣א (shevna) = Sjebna | הַסּוֹפֵ֗ר (hasofer) = de schrijver | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = de oudsten van | הַכֹּהֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | מִתְכַּסִּ֖ים (mitkasim) = bedekt | בַּשַּׂקִּ֑ים (basaqim) = met rouwkleden | אֶל (el) = naar | יְשַֽׁעְיָ֥הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶן (ben) = zoon van | אָמ֖וֹץ (amots) = Amoz | הַנָּבִֽיא (hanavi) = de profeet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: de profeet. Zijn vader heet אָמוֹץ (Amots), ‘Amoz’. Dat is niet dezelfde naam als die van de profeet Amos. Voetnoot : Eljakim en Sjebna komen ook voor in Jes. 22:15–25. Voetnoot : In 2 Kon. 19:2 staat ‘de profeet’ vóór ‘de zoon van Amoz’; hier staat het erachter. De betekenis is gelijk. Zie ook: 2 Kon 19:2; 2 Kon 22:12–14; 2 Kron 20:20; Joël 1:13; Jes 1:1; Jes 22:15–25; Jes 37:14 **37:3** Zij zeiden tegen hem: „Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van nood, van terechtwijzing en van smaad. Want kinderen zijn tot aan de geboorte gekomen, maar er is geen kracht om te baren. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en zij zeiden | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | חִזְקִיָּ֔הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | יוֹם (yom) = dag van | צָרָ֧ה (tsara) = nood | וְתוֹכֵחָ֛ה (vetokhecha) = en terechtwijzing | וּנְאָצָ֖ה (uneatsa) = en smaad | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּ֣י (ki) = want | בָ֤אוּ (bau) = zijn gekomen | בָנִים֙ (banim) = kinderen | עַד (ad) = tot | מַשְׁבֵּ֔ר (mashber) = de geboortestoel | וְכֹ֥חַ (vekhoach) = en kracht | אַ֖יִן (ayin) = er is niet | לְלֵדָֽה (leleda) = om te baren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַשְׁבֵּר (mashber), ‘geboortestoel’: de plek waar een kind geboren wordt. Het beeld: de kinderen zijn aan de geboorte toe, maar de moeder heeft geen kracht meer. Zo staat het volk machteloos. Voetnoot : תוֹכֵחָה (tokhechah), ‘terechtwijzing’, en נְאָצָה (ne’atsah), ‘smaad’: een dag waarop Elohim terechtwijst en het volk gehoond wordt. Zie ook: Ps 50:15; 2 Kon 19:3; Hos 13:13; Jes 26:17–18; Jes 66:9 **37:4** Misschien hoort Yahweh, jouw Elohim, de woorden van de Rabsake, die zijn heer, de koning van Assyrië, heeft gestuurd om de levende Elohim te smaden. Misschien straft Hij om de woorden die Yahweh, jouw Elohim, heeft gehoord. Doe dan een gebed opgaan voor het overblijfsel dat nog gevonden wordt.” Brontekst: אוּלַ֡י (ulay) = misschien | יִשְׁמַע֩ (yishma) = hoort | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֜יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | אֵ֣ת (et) = (obj.) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = de woorden van | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֗ה (shaqe) = de schenkers | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | שְׁלָח֨וֹ (shelacho) = stuurde hem | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֤וּר (ashur) = Assyrië | אֲדֹנָיו֙ (adonav) = zijn heer | לְחָרֵף֙ (lecharef) = om te smaden | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = Elohim | חַ֔י (chay) = levende | וְהוֹכִ֨יחַ֙ (vehokhiach) = en Hij zal terechtwijzen | בַּדְּבָרִ֔ים (badevarim) = om de woorden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁמַ֖ע (shama) = hoorde | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | וְנָשָׂ֣אתָ (venasata) = en doe opgaan | תְפִלָּ֔ה (tefila) = een gebed | בְּעַ֥ד (bead) = ten behoeve van | הַשְּׁאֵרִ֖ית (hasheerit) = het overblijfsel | הַנִּמְצָאָֽה (hanimtsaa) = dat gevonden wordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: רַבְשָׁקֵה (Rav-shaqeh), ‘Rabsake’: letterlijk ‘overste van de schenkers’. Het is een titel. Wij gebruiken hem als naam, zoals in 2 Kon. 18:17. Voetnoot : שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overblijfsel’: wie van Juda nog over is nadat Sanherib de steden heeft ingenomen. Voetnoot : הוֹכִיחַ (hokhiach), ‘terechtwijzen, straffen’: het Hebreeuws noemt geen voorwerp. Wij laten dat zo. Voetnoot : Anders dan 2 Kon. 19:4 heeft Jesaja hier niet het woord ‘alle’: ‘de woorden van de Rabsake’. Zie ook: Ps 106:23; 2 Kon 18:17; 2 Kon 19:4; Jes 1:9; Jes 8:7–8; Jes 10:22; Jes 36:20 **37:5** De dienaren van koning Hizkia kwamen bij Jesaja. Brontekst: וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en kwamen | עַבְדֵ֛י (avdei) = dienaren van | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = de koning | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶל (el) = naar | יְשַׁעְיָֽהוּ (yeshayahu) = Jesaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het antwoord van Jesaja **37:6** Jesaja zei tegen hen: „Zo moeten jullie zeggen tegen jullie heer. Zo zegt Yahweh: ‘Wees niet bang voor de woorden die je hebt gehoord. De jongens van de koning van Assyrië hebben Mij ermee gelasterd. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | יְשַֽׁעְיָ֔הוּ (yeshayahu) = Jesaja | כֹּ֥ה (ko) = zo | תֹאמְר֖וּן (tomrun) = moeten jullie zeggen | אֶל (el) = tegen | אֲדֹנֵיכֶ֑ם (adoneikhem) = jullie heer | כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַל (al) = niet | תִּירָא֙ (tira) = wees bang | מִפְּנֵ֤י (mipenei) = voor | הַדְּבָרִים֙ (hadevarim) = de woorden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׁמַ֔עְתָּ (shamata) = je hoorde | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waarmee | גִּדְּפ֛וּ (gidefu) = hebben gelasterd | נַעֲרֵ֥י (naarei) = de jongens van | מֶלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | אוֹתִֽי (oti) = Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Jesaja spreekt hier namens Yahweh. Zijn woorden zijn niet rood maar zwart, net als in 2 Kon. 19:6: een profeet brengt het woord van Yahweh door. De woorden van Yahweh staan tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : נְעָרִים (ne’arim), ‘jongens’: de dienaren van de koning van Assyrië. Zie ook: 2 Kon 19:5–7; 2 Kon 19:6; Jes 7:4; Jes 10:24–25; Jes 35:4; Mar 5:36 **37:7** Zie, Ik geef een geest in hem. Hij zal een bericht horen en terugkeren naar zijn land. En Ik laat hem door het zwaard vallen in zijn land.’” Brontekst: הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | נוֹתֵ֥ן (noten) = geef | בּוֹ֙ (bo) = in hem | ר֔וּחַ (ruach) = een geest | וְשָׁמַ֥ע (veshama) = en hij zal horen | שְׁמוּעָ֖ה (shemua) = een bericht | וְשָׁ֣ב (veshav) = en zal terugkeren | אֶל (el) = naar | אַרְצ֑וֹ (artso) = zijn land | וְהִפַּלְתִּ֥יו (vehipaltiv) = en Ik zal hem doen vallen | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = door het zwaard | בְּאַרְצֽוֹ (beartso) = in zijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘geest’: het woord kan ook ‘wind’, ‘adem’ of ‘gezindheid’ betekenen. Wij schrijven ‘een geest’, zoals het staat. Wat hier wordt aangekondigd, gebeurt in vers 36–38. Zie ook: 2 Kon 7:6; 2 Kron 32:21; Jes 10:16–18; Jes 31:8–9; Jes 37:36–38 ### De brief van Sanherib **37:8** De Rabsake keerde terug en vond de koning van Assyrië strijdend tegen Libna. Want hij had gehoord dat de koning uit Lachis was vertrokken. Brontekst: וַיָּ֨שָׁב֙ (vayashav) = en keerde terug | רַב (rav) = de overste van | שָׁקֵ֔ה (shaqe) = de schenkers | וַיִּמְצָא֙ (vayimtsa) = en vond | אֶת (et) = (obj.) | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | נִלְחָ֖ם (nilcham) = strijdend | עַל (al) = tegen | לִבְנָ֑ה (livna) = Libna | כִּ֣י (ki) = want | שָׁמַ֔ע (shama) = hij had gehoord | כִּ֥י (ki) = dat | נָסַ֖ע (nasa) = hij was vertrokken | מִלָּכִֽישׁ (milakhish) = uit Lachis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela. Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker. Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron. Voetnoot Uitleg: Libna lag in de Sefela, in het zuidwesten van Juda (Joz. 10:29). De precieze ligging is onzeker. Lachis staat bij 2 Kon. 18:14. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws zegt ‘want hij had gehoord dat hij uit Lachis was vertrokken’. Wij noemen ‘de koning’, zodat duidelijk is wie er vertrokken was. Zie ook: Joz 10:29; Joz 15:39; Joz 21:13; 2 Kon 8:22; 2 Kon 18:14; 2 Kron 21:10 **37:9** Hij hoorde over Tirhaka, de koning van Kush, zeggen: „Hij is uitgetrokken om tegen u te strijden.” Toen hij dat hoorde, stuurde hij boden naar Hizkia met de woorden: Brontekst: וַיִּשְׁמַ֗ע (vayishma) = en hij hoorde | עַל (al) = over | תִּרְהָ֤קָה (tirhaqa) = Tirhaka | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | כּוּשׁ֙ (kush) = Kush | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | יָצָ֖א (yatsa) = hij is uitgetrokken | לְהִלָּחֵ֣ם (lehilachem) = om te strijden | אִתָּ֑ךְ (itakh) = tegen u | וַיִּשְׁמַע֙ (vayishma) = en hij hoorde | וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en stuurde | מַלְאָכִ֔ים (malakhim) = boden | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: תִּרְהָקָה (Tirhaqah), ‘Tirhaka’: koning van Kush. Kush ligt ten zuiden van Egypte, in het gebied van het huidige Soedan. In de Egyptische bronnen heet hij Taharqa. Voetnoot Lezing: 2 Kon. 19:9 heeft ‘Zie, hij is uitgetrokken’ en ‘hij keerde terug en stuurde boden’. Jesaja heeft geen ‘zie’ en zegt twee keer ‘hij hoorde’. Wij vertalen: ‘Toen hij dat hoorde, stuurde hij boden.’ Zie ook: 1 Sam 23:27–28; 2 Kon 19:9; Jes 18:1; Jes 20:5; Jes 37:7 **37:10** „Zo moeten jullie zeggen tegen Hizkia, de koning van Juda. Laat je Elohim, op wie je vertrouwt, je niet misleiden met de woorden: ‘Jeruzalem zal niet in de hand van de koning van Assyrië worden gegeven.’ Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | תֹאמְר֗וּן (tomrun) = moeten jullie zeggen | אֶל (el) = tegen | חִזְקִיָּ֤הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אַל (al) = niet | יַשִּֽׁאֲךָ֣ (yashiakha) = laat misleiden | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = op wie | אַתָּ֛ה (ata) = jij | בּוֹטֵ֥חַ (boteach) = vertrouwt | בּ֖וֹ (bo) = op Hem | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | לֹ֤א (lo) = niet | תִנָּתֵן֙ (tinaten) = zal worden gegeven | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Sanherib stuurt boden met een tweede boodschap. Ook hier staat de formule van een bode: ‘Zo moeten jullie zeggen’. Het Hebreeuws gebruikt het woord ‘vertrouwen’ weer (בָּטַח, batach), zoals in 2 Kon. 18:5. Zie ook: Ps 22:9; 2 Kon 18:5; 2 Kon 19:10–13; 2 Kron 32:7–8; Jes 36:15 **37:11** Zie, jij hebt gehoord wat de koningen van Assyrië met alle landen hebben gedaan: zij hebben ze met de ban geslagen. En jij zou gered worden? Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אַתָּ֣ה (ata) = jij | שָׁמַ֗עְתָּ (shamata) = heb je gehoord | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | עָשׂ֜וּ (asu) = hebben gedaan | מַלְכֵ֥י (malkhei) = de koningen van | אַשּׁ֛וּר (ashur) = Assyrië | לְכָל (lekhal) = met alle | הָאֲרָצ֖וֹת (haaratsot) = de landen | לְהַחֲרִימָ֑ם (lehacharimam) = door hen met de ban te slaan | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | תִּנָּצֵֽל (tinatsel) = zou je gered worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: לְהַחֲרִימָם (lehacharimam), ‘hen met de ban slaan’: de ban (cherem) betekent dat iets volledig vernietigd wordt. Zie ook Joz. 6:17. Zie ook: Joz 6:17; 2 Kon 17:4–6; 2 Kon 18:33–35; Jes 10:7–14; Jes 14:17; Jes 36:18–20 **37:12** Hebben de goden van de volken hen gered, die mijn vaders hebben verwoest: Gozan, Haran, Rezef en de zonen van Eden die in Telassar waren? Brontekst: הַהִצִּ֨ילוּ (hahitsilu) = hebben gered | אוֹתָ֜ם (otam) = hen | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = de goden van | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הִשְׁחִ֣יתוּ (hishchitu) = verwoestten | אֲבוֹתַ֔י (avotay) = mijn vaders | אֶת (et) = (obj.) | גּוֹזָ֖ן (gozan) = Gozan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חָרָ֑ן (charan) = Haran | וְרֶ֥צֶף (veretsef) = en Rezef | וּבְנֵי (uvenei) = en de zonen van | עֶ֖דֶן (eden) = Eden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בִּתְלַשָּֽׂר (bitlasar) = in Telassar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gozan (Tell Halaf): Gozan lag aan de Chabor, bij het huidige Tell Halaf, in het noordoosten van Syrië. Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Rezef (Rusafa): Rezef wordt gezocht bij Rusafa, ten zuiden van de Eufraat, in Syrië. Voetnoot Uitleg: Gozan ligt aan de Chabor, in het noordoosten van het huidige Syrië. Haran ligt in het zuidoosten van het huidige Turkije; het is de stad uit Gen. 11:31. Rezef ligt waarschijnlijk bij het huidige Rusafa in Syrië. Telassar is onzeker, ergens in Mesopotamië. Voetnoot : בְּנֵי עֶדֶן (bene Eden), ‘de zonen van Eden’: een volk in Mesopotamië. Dit is niet de tuin van Eden uit Gen. 2:8. Voetnoot : Jesaja schrijft Telassar zonder de letter alef (תלשר); 2 Kon. 19:12 heeft תלאשר. Zie ook: Gen 2:8; Gen 11:31; 2 Kon 17:6; 2 Kon 18:11; 2 Kon 19:12; Hand 7:2 **37:13** Waar is de koning van Chamat, de koning van Arpad en de koning van de stad Sefarwaïm, van Hena en Iwwa?” Brontekst: אַיֵּ֤ה (aye) = waar | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | חֲמָת֙ (chamat) = Chamat | וּמֶ֣לֶךְ (umelekh) = en de koning van | אַרְפָּ֔ד (arpad) = Arpad | וּמֶ֖לֶךְ (umelekh) = en de koning | לָעִ֣יר (lair) = van de stad | סְפַרְוָ֑יִם (sefarvayim) = Sefarwaïm | הֵנַ֖ע (hena) = Hena | וְעִוָּֽה (veiva) = en Iwwa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Arpad (Tell Rifaat): Arpad wordt gezocht bij Tell Rifaat, ten noorden van Aleppo, in het noorden van Syrië. Voetnoot Uitleg: Chamat (het huidige Hama in Syrië) en Arpad (bij het huidige Tell Rifaat in Syrië) staan ook bij 2 Kon. 18:34. De ligging van Sefarwaïm, Hena en Iwwa is onzeker. Zie ook: 2 Kon 17:24; 2 Kon 17:30–31; 2 Kon 18:34; Jes 10:9; Jes 36:19; Jer 49:23 ### Het gebed van Hizkia **37:14** Hizkia nam de brieven uit de hand van de boden en las ze. Hij ging op naar het huis van Yahweh. Hizkia spreidde ze uit voor het aangezicht van Yahweh. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | חִזְקִיָּ֧הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶת (et) = (obj.) | הַסְּפָרִ֛ים (hasefarim) = de brieven | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | הַמַּלְאָכִ֖ים (hamalakhim) = de boden | וַיִּקְרָאֵ֑הוּ (vayiqraehu) = en las het | וַיַּ֨עַל֙ (vayaal) = en ging op | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיִּפְרְשֵׂ֥הוּ (vayifresehu) = en spreidde het uit | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hizkia brengt de brieven naar het huis van Yahweh en legt ze voor Yahweh neer. Daarna bidt hij. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘de brieven’ (meervoud) en daarna ‘hij las het’ en ‘hij spreidde het uit’ (enkelvoud). Wij vertalen beide met het meervoud: ‘ze’. In 2 Kon. 19:14 staat ‘las ze’ (meervoud) en ‘spreidde het uit’. Zie ook: Ps 62:2–4; Ps 76:2–4; Ps 123:1–4; 1 Kon 8:38; 2 Kon 19:14 **37:15** Hizkia bad tot Yahweh. Hij zei: Brontekst: וַיִּתְפַּלֵּל֙ (vayitpalel) = en bad | חִזְקִיָּ֔הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jesaja maakt van de aanhef van het gebed een eigen vers. Daardoor loopt de telling vanaf hier een vers vooruit op 2 Kon. 19: Jes. 37:16 is 2 Kon. 19:15, Jes. 37:21 is 2 Kon. 19:20, enzovoort. Zie ook: 1 Sam 7:8–9; 2 Sam 7:18–29; 2 Kon 19:15–19; 2 Kon 19:20; Jes 37:16; Jes 37:21; Dan 9:3–4; Jak 5:13 **37:16** „Yahweh van de legermachten, Elohim van Israël, die troont op de cherubs, U alleen bent de Elohim over alle koninkrijken van de aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt. Brontekst: יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֜וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = die troont | הַכְּרֻבִ֔ים (hakeruvim) = op de cherubs | אַתָּה (ata) = U | ה֤וּא (hu) = bent Hij | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = de Elohim | לְבַדְּךָ֔ (levadekha) = U alleen | לְכֹ֖ל (lekhol) = over alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | אַתָּ֣ה (ata) = U | עָשִׂ֔יתָ (asita) = hebt gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jesaja heeft hier ‘Yahweh van de legermachten’ (zie Jes. 1:9); 2 Kon. 19:15 heeft alleen ‘Yahweh, Elohim van Israël’. Voetnoot : יֹשֵׁב הַכְּרֻבִים (yoshev hakeruvim), ‘die troont op de cherubs’: zoals in 1 Sam. 4:4. De cherubs staan op de ark; Yahweh spreekt van boven het verzoendeksel (Exod. 25:22). Voetnoot : אַתָּה הוּא הָאֱלֹהִים (attah hu ha’Elohim), ‘U bent de Elohim’: met lidwoord, zoals in Deut. 4:35. Zie ook: Ex 25:22; Deut 4:35; 1 Sam 4:4; Ps 86:10; Ps 99:1; 2 Kon 19:15; Jes 1:9; Jes 44:24 **37:17** Neig Uw oor, Yahweh, en hoor. Open Uw oog, Yahweh, en zie. Hoor alle woorden van Sanherib, die hij heeft gestuurd om de levende Elohim te smaden. Brontekst: הַטֵּ֨ה (hate) = neig | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אָזְנְךָ֙ (azenekha) = Uw oor | וּֽשְׁמָ֔ע (ushema) = en hoor | פְּקַ֧ח (peqach) = open | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עֵינֶ֖ךָ (einekha) = Uw oog | וּרְאֵ֑ה (uree) = en zie | וּשְׁמַ֗ע (ushema) = en hoor | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | סַנְחֵרִ֔יב (sancheriv) = Sanherib | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׁלַ֔ח (shalach) = hij heeft gestuurd | לְחָרֵ֖ף (lecharef) = om te smaden | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | חָֽי (chay) = levende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Jesaja heeft ‘Uw oog’ (enkelvoud); 2 Kon. 19:16 heeft ‘Uw ogen’. Jesaja heeft ook ‘alle woorden’ en ‘die hij heeft gestuurd’; 2 Kon. 19:16 heeft ‘de woorden’ en ‘die hem heeft gestuurd’. Zie ook: Ps 17:6; Ps 74:22; 2 Kon 19:16; 2 Kron 6:40; Jes 37:4; 1 Petr 3:12 **37:18** Het is waar, Yahweh: de koningen van Assyrië hebben alle landen en hun land verwoest. Brontekst: אָמְנָ֖ם (amenam) = waarlijk | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הֶחֱרִ֜יבוּ (hecherivu) = hebben verwoest | מַלְכֵ֥י (malkhei) = de koningen van | אַשּׁ֛וּר (ashur) = Assyrië | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הָאֲרָצ֖וֹת (haaratsot) = de landen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אַרְצָֽם (artsam) = hun land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: 2 Kon. 19:17 zegt ‘de volken en hun land’. Jesaja zegt ‘alle landen en hun land’. Wij vertalen wat er staat. Zie ook: 1 Kron 5:26; 2 Kon 15:29; 2 Kon 17:6; 2 Kon 17:24; 2 Kon 19:17; Nah 2:12–13 **37:19** Zij hebben hun goden in het vuur geworpen. Want zij waren geen goden, maar slechts het werk van mensenhanden: hout en steen. Zij hebben ze vernietigd. Brontekst: וְנָתֹ֥ן (venaton) = en hebben geworpen | אֶת (et) = (obj.) | אֱלֹהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun goden | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = in het vuur | כִּי֩ (ki) = want | לֹ֨א (lo) = niet | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = goden | הֵ֗מָּה (hema) = zij | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = slechts | מַעֲשֵׂ֧ה (maase) = werk van | יְדֵֽי (yedei) = handen van | אָדָ֛ם (adam) = mensen | עֵ֥ץ (ets) = hout | וָאֶ֖בֶן (vaeven) = en steen | וַֽיְאַבְּדֽוּם (vayabedum) = en zij vernietigden ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hizkia zegt dat de goden van de volken geen echte goden zijn, maar ‘werk van mensenhanden, hout en steen’. Zo ook in Deut. 4:28. Zie ook: Deut 4:28; 2 Sam 5:21; Jes 26:14; Jes 41:29; Jes 44:9–10; Jer 10:3–6 **37:20** Nu dan, Yahweh, onze Elohim, red ons uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken van de aarde weten dat U Yahweh bent, U alleen.” Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הוֹשִׁיעֵ֖נוּ (hoshienu) = red ons | מִיָד֑וֹ (miyado) = uit zijn hand | וְיֵֽדְעוּ֙ (veyedeu) = en zullen weten | כָּל (kal) = alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | כִּֽי (ki) = dat | אַתָּ֥ה (ata) = U | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְבַדֶּֽךָ (levadekha) = U alleen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 1 Kon. 8:60: ‘zodat alle volken van de aarde weten dat Yahweh de Elohim is’. Voetnoot Lezing: Jesaja heeft hier niet het woord ‘Elohim’ achter ‘U, Yahweh’: ‘dat U Yahweh bent, U alleen’. 2 Kon. 19:19 heeft ‘U, Yahweh, Elohim bent’. Jesaja heeft ook niet het woordje ‘toch’ bij ‘red ons’. Zie ook: Ps 46:11; Ps 83:18–19; 1 Kon 8:60; 1 Kon 18:36–37; 2 Kon 19:19; Jes 42:8; Ezech 36:23 ### Yahweh antwoordt door Jesaja **37:21** Jesaja, de zoon van Amoz, stuurde een boodschap naar Hizkia. Hij zei: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Wat je tot Mij hebt gebeden over Sanherib, de koning van Assyrië: Brontekst: וַיִּשְׁלַח֙ (vayishlach) = en stuurde | יְשַֽׁעְיָ֣הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶן (ben) = zoon van | אָמ֔וֹץ (amots) = Amoz | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר֙ (asher) = wat | הִתְפַּלַּ֣לְתָּ (hitpalalta) = je hebt gebeden | אֵלַ֔י (elay) = tot Mij | אֶל (el) = over | סַנְחֵרִ֖יב (sancheriv) = Sanherib | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּֽׁוּר (ashur) = Assyrië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: סַנְחֵרִיב (Sancherev), ‘Sanherib’: hier staat de naam met de letter yod. In 2 Kon. 19:20 staat hij zonder yod. Het is dezelfde koning. Voetnoot : Jesaja’s woorden zijn de woorden van een profeet die Yahweh citeert. Daarom zijn ze zwart. De woorden van Yahweh staan tussen enkele aanhalingstekens. Het gedeelte tot en met vers 35 is één lange boodschap van Jesaja. Voetnoot Lezing: Jesaja heeft hier niet de woorden ‘heb Ik gehoord’ (2 Kon. 19:20). Het Hebreeuws zet ‘wat je tot Mij hebt gebeden over Sanherib’ vooraan, en vers 22 geeft het antwoord. Wij laten de zin zo staan. Zie ook: 2 Sam 15:31; 2 Sam 17:23; 2 Kon 19:20–21; Jes 37:2; Jes 37:22; Jes 37:35; Hand 4:31 ### Het spotlied op Sanherib **37:22** dit is het woord dat Yahweh over hem heeft gesproken. De maagd, de dochter van Sion, veracht je en bespot je. Achter je rug schudt de dochter van Jeruzalem het hoofd. Brontekst: זֶ֣ה (ze) = dit | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | דִּבֶּ֥ר (diber) = sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עָלָ֑יו (alav) = over hem | בָּזָ֨ה (baza) = zij veracht | לְךָ֜ (lekha) = jou | לָעֲגָ֣ה (laaga) = zij bespot | לְךָ֗ (lekha) = jou | בְּתוּלַת֙ (betulat) = de maagd | בַּת (bat) = dochter van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | אַחֲרֶ֨יךָ֙ (achareikha) = achter je rug | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd | הֵנִ֔יעָה (henia) = zij schudt | בַּ֖ת (bat) = dochter van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vanaf vers 22 volgt een gedicht, een spotlied op Sanherib. Het loopt tot en met vers 29. בְּתוּלַת בַּת צִיּוֹן (betulat bat Tsiyyon), ‘de maagd, de dochter van Sion’: een beeld voor Jeruzalem als een jonge vrouw. Het hoofd schudden is een teken van spot. Zie ook: Job 16:4; Ps 9:15; Jes 1:8; Jes 37:29; Sef 3:14; Zach 2:14 **37:23** Wie heb je gehoond en gelasterd? Tegen wie heb je je stem verheven en je ogen hoog geheven? Tegen de Heilige van Israël! Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | מִ֤י (mi) = wie | חֵרַ֨פְתָּ֙ (cherafta) = heb je gehoond | וְגִדַּ֔פְתָּ (vegidafta) = en gelasterd | וְעַל (veal) = en tegen | מִ֖י (mi) = wie | הֲרִימ֣וֹתָה (harimota) = heb je verheven | קּ֑וֹל (qol) = stem | וַתִּשָּׂ֥א (vatisa) = en je hief op | מָר֛וֹם (marom) = omhoog | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = je ogen | אֶל (el) = tegen | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een naam voor Yahweh, zoals in Ps. 71:22. Zie ook: Ps 71:22; Jes 17:7; Jes 41:16; Ezech 28:9; Ezech 39:7; Dan 5:20–23 **37:24** Door je dienaren heb je mijn Heer gehoond. Je hebt gezegd: „Met de menigte van mijn wagens ben ik de hoogte van de bergen opgetrokken, de uiterste hoeken van de Libanon. Ik hak zijn hoogste cederen om, zijn beste cypressen. Ik kom bij zijn uiterste hoogte, het woud van zijn boomgaard. Brontekst: בְּיַ֣ד (beyad) = door de hand van | עֲבָדֶיךָ֮ (avadeikha) = je dienaren | חֵרַ֣פְתָּ (cherafta) = heb je gehoond | אֲדֹנָי֒ (adonay) = mijn Heer | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en je zei | בְּרֹ֥ב (berov) = met de menigte van | רִכְבִּ֛י (rikhbi) = mijn wagens | אֲנִ֥י (ani) = ik | עָלִ֛יתִי (aliti) = ben opgetrokken | מְר֥וֹם (merom) = hoogte van | הָרִ֖ים (harim) = bergen | יַרְכְּתֵ֣י (yarketei) = uiterste hoeken van | לְבָנ֑וֹן (levanon) = Libanon | וְאֶכְרֹ֞ת (veekhrot) = en ik zal omhakken | קוֹמַ֤ת (qomat) = hoogte van | אֲרָזָיו֙ (arazav) = zijn cederen | מִבְחַ֣ר (mivchar) = beste van | בְּרֹשָׁ֔יו (beroshav) = zijn cypressen | וְאָבוֹא֙ (veavo) = en ik zal komen | מְר֣וֹם (merom) = hoogte van | קִצּ֔וֹ (qitso) = zijn uiterste | יַ֖עַר (yaar) = woud van | כַּרְמִלּֽוֹ (karmilo) = zijn boomgaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: zoals bij 1 Kon. 3:10. Het is hier de aanspreektitel van Yahweh. Voetnoot : כַּרְמֶל (Karmel), ‘boomgaard’: het woord is ook de naam van een berg. Hier gaat het om een vruchtbaar woud. Voetnoot : Vanaf ‘Met de menigte’ spreekt Sanherib. Zijn woorden zijn een citaat binnen het citaat van Yahweh, dat weer binnen Jesaja’s boodschap staat. Wij zetten ze daarom tussen „ ”, op het derde niveau. Voetnoot Lezing: Jesaja heeft ‘je dienaren’ (עֲבָדֶיךָ). 2 Kon. 19:23 heeft ‘je boden’. Jesaja heeft ook ‘ik kom bij de hoogte van zijn uiterste’ (מְרוֹם קִצּוֹ); 2 Kon. 19:23 heeft ‘ik kom bij zijn verste verblijfplaats’. Zie ook: 1 Kon 3:10; 2 Kon 19:23; Jes 10:13–14; Jes 10:18; Jes 14:8; Jes 36:9; Dan 4:5–11 **37:25** Ik heb gegraven en water gedronken. Met de zool van mijn voeten droog ik alle Nijlarmen van Egypte uit.” Brontekst: אֲנִ֥י (ani) = ik | קַ֖רְתִּי (qarti) = heb gegraven | וְשָׁתִ֣יתִי (veshatiti) = en gedronken | מָ֑יִם (mayim) = water | וְאַחְרִב֙ (veachriv) = en ik zal droogleggen | בְּכַף (bekhaf) = met de zool van | פְּעָמַ֔י (peamay) = mijn voeten | כֹּ֖ל (kol) = alle | יְאֹרֵ֥י (yeorei) = Nijlarmen van | מָצֽוֹר (matsor) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מָצוֹר (matsor), ‘Egypte’: een andere vorm van de naam Mitsrayim. Het kan ook ‘bolwerk’ betekenen. Wij vertalen ‘Egypte’, de gangbare opvatting. Dat is onzeker. Voetnoot : יְאֹרֵי (ye’orei), ‘Nijlarmen’: de kanalen en armen van de Nijl. Voetnoot Lezing: Jesaja heeft niet het woord ‘vreemde’ bij ‘wateren’. 2 Kon. 19:24 heeft ‘vreemde wateren’. Zie ook: Deut 11:10; 1 Kon 20:10; 2 Kon 19:23–24; 2 Kon 19:24; Jes 36:12 **37:26** Heb je niet gehoord? Van lang geleden heb Ik het gedaan, van de dagen van vroeger heb Ik het gevormd. Nu heb Ik het laten komen. Het diende om versterkte steden tot hopen puin te maken. Brontekst: הֲלֽוֹא (halo) = is het niet | שָׁמַ֤עְתָּ (shamata) = heb je gehoord | לְמֵֽרָחוֹק֙ (lemerachoq) = van ver | אוֹתָ֣הּ (otah) = het | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = heb Ik gedaan | מִ֥ימֵי (mimei) = van de dagen van | קֶ֖דֶם (qedem) = vroeger | וִיצַרְתִּ֑יהָ (vitsartiha) = en Ik heb het gevormd | עַתָּ֣ה (ata) = nu | הֲבֵאתִ֔יהָ (havetiha) = heb Ik het laten komen | וּתְהִ֗י (utehi) = en het werd | לְהַשְׁא֛וֹת (lehashot) = om te verwoesten | גַּלִּ֥ים (galim) = hopen | נִצִּ֖ים (nitsim) = puin | עָרִ֥ים (arim) = steden | בְּצֻרֽוֹת (betsurot) = versterkte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: וַתְּהִי (vattehi), ‘en het werd’: het Hebreeuws is hier moeilijk. Het werkwoord staat in het vrouwelijk enkelvoud en de zin heeft geen duidelijk onderwerp. Wij lezen: ‘Het diende om versterkte steden tot hopen puin te maken.’ Dat past bij wat Yahweh zegt: Hij heeft Sanherib gebruikt. Voetnoot : Jesaja schrijft להשאות (lehash’ot), ‘te verwoesten’; 2 Kon. 19:25 schrijft להשות (lehashot). Wij vertalen beide gelijk. Zie ook: 2 Kon 19:25; Jes 10:15; Jes 46:10–11; Hand 2:23; Hand 4:27–28; 1 Petr 2:8 **37:27** Hun bewoners waren machteloos, ontzet en beschaamd. Zij werden als gras van het veld, als groen jong gras, als gras op de daken en als een akker vóór het staande koren. Brontekst: וְיֹֽשְׁבֵיהֶן֙ (veyosheveihen) = en hun bewoners | קִצְרֵי (qitsrei) = kort van | יָ֔ד (yad) = hand | חַ֖תּוּ (chatu) = waren ontzet | וָבֹ֑שׁוּ (vavoshu) = en werden beschaamd | הָי֞וּ (hayu) = zij werden | עֵ֤שֶׂב (esev) = gras van | שָׂדֶה֙ (sade) = veld | וִ֣ירַק (viraq) = en groen | דֶּ֔שֶׁא (deshe) = jong gras | חֲצִ֣יר (chatsir) = gras van | גַּגּ֔וֹת (gagot) = daken | וּשְׁדֵמָ֖ה (ushedema) = en een akker | לִפְנֵ֥י (lifnei) = vóór | קָמָֽה (qama) = het staande koren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gras op de daken verdort snel omdat het geen diepe wortels heeft. Zo ook in Ps. 129:6. Voetnoot : קִצְרֵי יָד (qitsrei yad), ‘kort van hand’: machteloos. Voetnoot Lezing: Jesaja heeft hier שְׁדֵמָה (shedemah), ‘akker’. 2 Kon. 19:26 heeft שְׁדֵפָה (shedefah), ‘verschroeid koren’. Wij vertalen wat er in Jesaja staat. De tekst is hier moeilijk. Zie ook: Num 14:9; Ps 92:8; Ps 103:15; Ps 129:6; 2 Kon 19:26; Jer 5:10 **37:28** Ik ken je zitten, je uitgaan en je binnenkomen, en je razernij tegen Mij. Brontekst: וְשִׁבְתְּךָ֛ (veshivtekha) = en je zitten | וְצֵאתְךָ֥ (vetsetkha) = en je uitgaan | וּבוֹאֲךָ֖ (uvoakha) = en je binnenkomen | יָדָ֑עְתִּי (yadati) = ken Ik | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | הִֽתְרַגֶּזְךָ֥ (hitragezkha) = je razernij | אֵלָֽי (elay) = tegen Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 139:1–11; Spr 5:21; Spr 15:3; Jer 23:23–24; Openb 2:13 **37:29** Omdat je razernij tegen Mij en je overmoed tot Mijn oren zijn opgestegen, zal Ik Mijn haak in je neus leggen. Mijn bit leg Ik tussen je lippen. Ik zal je terugvoeren over de weg waarop je gekomen bent.’ Brontekst: יַ֚עַן (yaan) = omdat | הִתְרַגֶּזְךָ֣ (hitragezkha) = je razernij | אֵלַ֔י (elay) = tegen Mij | וְשַׁאֲנַנְךָ֖ (veshaanankha) = en je overmoed | עָלָ֣ה (ala) = is opgestegen | בְאָזְנָ֑י (beazenay) = in Mijn oren | וְשַׂמְתִּ֨י (vesamti) = en Ik zal leggen | חַחִ֜י (chachi) = Mijn haak | בְּאַפֶּ֗ךָ (beapekha) = in je neus | וּמִתְגִּי֙ (umitgi) = en Mijn bit | בִּשְׂפָתֶ֔יךָ (bisfateikha) = in je lippen | וַהֲשִׁ֣יבֹתִ֔יךָ (vahashivotikha) = en Ik zal je doen terugkeren | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = op de weg | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֥אתָ (bata) = je kwam | בָּֽהּ (bah) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַח (chach), ‘haak’, en מֶתֶג (meteg), ‘bit’: zo leidt men dieren en gevangenen. Yahweh behandelt Sanherib als een dier dat teruggevoerd wordt. Voetnoot : שַׁאֲנַן (sha’anan), ‘overmoed’: het woord betekent letterlijk ‘rust, zorgeloosheid’. Hier is het zorgeloze trots. Zie ook: Jes 10:12; Jes 30:28; Jes 37:34; Ezech 29:4; Ezech 38:4 ### Het teken voor Hizkia **37:30** ‘Dit is voor jou het teken: eet dit jaar wat vanzelf groeit, en in het tweede jaar wat daaruit opkomt. In het derde jaar: zaai en oogst, plant wijngaarden en eet hun vrucht. Brontekst: וְזֶה (veze) = en dit | לְּךָ֣ (lekha) = voor jou | הָא֔וֹת (haot) = het teken | אָכ֤וֹל (akhol) = eet | הַשָּׁנָה֙ (hashana) = dit jaar | סָפִ֔יחַ (safiach) = wat vanzelf groeit | וּבַשָּׁנָ֥ה (uvashana) = en in het jaar | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = tweede | שָׁחִ֑יס (shachis) = wat daaruit opkomt | וּבַשָּׁנָ֣ה (uvashana) = en in het jaar | הַשְּׁלִישִׁ֗ית (hashelishit) = derde | זִרְע֧וּ (ziru) = zaai | וְקִצְר֛וּ (veqitsru) = en oogst | וְנִטְע֥וּ (venitu) = en plant | כְרָמִ֖ים (keramim) = wijngaarden | וְאִכְל֥וּ (veikhlu) = en eet | פִרְיָֽם (piryam) = hun vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָפִיחַ (safiach), ‘wat vanzelf groeit’: wat na de oogst uit gevallen graan opkomt (Lev. 25:5). שָׁחִיס (shachis), ‘wat daaruit opkomt’: dit woord komt alleen hier voor. 2 Kon. 19:29 schrijft het סָחִישׁ (sachish). De betekenis volgt uit de samenhang. In de eerste twee jaar eet het volk wat vanzelf groeit. Pas in het derde jaar zaait en oogst het weer. Voetnoot : אוֹת (ot), ‘teken’: een teken is een zekerheid vooraf dat Yahweh zal doen wat Hij zegt. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is וְאָכוֹל (ve’akhol), ‘en eten’; het qere is וְאִכְלוּ (ve’iklu), ‘en eet’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ex 3:12; Lev 25:4–5; Lev 25:5; 1 Kon 13:3–5; 2 Kon 19:29; 2 Kon 20:9 **37:31** Wat van het huis van Juda is ontkomen en overgebleven, zal opnieuw wortel schieten naar beneden en vrucht dragen naar boven. Brontekst: וְיָ֨סְפָ֜ה (veyasefa) = en zal voortgaan | פְּלֵיטַ֧ת (peleitat) = het ontkomene van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | הַנִּשְׁאָרָ֖ה (hanishara) = het overgeblevene | שֹׁ֣רֶשׁ (shoresh) = wortel | לְמָ֑טָּה (lemata) = naar beneden | וְעָשָׂ֥ה (veasa) = en zal maken | פְרִ֖י (peri) = vrucht | לְמָֽעְלָה (lemaela) = naar boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּלֵיטַת בֵּית יְהוּדָה (peleitat beit Yehudah), ‘het ontkomene van het huis van Juda’: wie van Juda is ontkomen en overgebleven. Het beeld is een plant: wortel naar beneden, vrucht naar boven. Zie ook: Ps 80:10; 2 Kon 19:30–31; Jes 1:9; Jes 27:6; Rom 9:27 **37:32** Want uit Jeruzalem zal een overblijfsel uitgaan, en uit de berg Sion wat ontkomen is. De ijver van Yahweh van de legermachten zal dit doen.’ Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מִירֽוּשָׁלִַ֨ם֙ (mirushalaim) = uit Jeruzalem | תֵּצֵ֣א (tetse) = zal uitgaan | שְׁאֵרִ֔ית (sheerit) = een overblijfsel | וּפְלֵיטָ֖ה (ufeleita) = en wat ontkomen is | מֵהַ֣ר (mehar) = uit de berg | צִיּ֑וֹן (tsiyon) = Sion | קִנְאַ֛ת (qinat) = de ijver van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | תַּֽעֲשֶׂה (taase) = zal doen | זֹּֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: קִנְאַת יְהוָה צְבָאוֹת (qin’at Yahweh Tsevaot), ‘de ijver van Yahweh van de legermachten’: Zijn vurige betrokkenheid bij Zijn volk en Zijn stad. Jesaja heeft hier ‘Tsevaot’; 2 Kon. 19:31 niet. Zie ook: 2 Kon 19:31; Joël 2:18; Jes 9:6; Jes 59:17; Zach 1:14 ### Yahweh beschermt Jeruzalem **37:33** Daarom zegt Yahweh zo over de koning van Assyrië: ‘Hij zal deze stad niet binnenkomen. Hij zal daar geen pijl afschieten. Geen schild zal haar tegemoet komen, en geen belegeringswal zal tegen haar worden opgeworpen. Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | מֶ֣לֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | לֹ֤א (lo) = niet | יָבוֹא֙ (yavo) = zal binnenkomen | אֶל (el) = in | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | וְלֹֽא (velo) = en niet | יוֹרֶ֥ה (yore) = zal schieten | שָׁ֖ם (sham) = daar | חֵ֑ץ (chets) = pijl | וְלֹֽא (velo) = en niet | יְקַדְּמֶ֣נָּה (yeqademena) = zal tegemoet komen | מָגֵ֔ן (magen) = schild | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִשְׁפֹּ֥ךְ (yishpokh) = zal worden opgeworpen | עֳלֶ֖יהָ (oleiha) = tegen haar | סֹלְלָֽה (solela) = belegeringswal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: סֹלְלָה (sollelah), ‘belegeringswal’: een helling van aarde die tegen een stadsmuur wordt gebouwd om hem te bestormen. Zo’n helling wordt hier niet opgeworpen. Zie ook: 2 Kon 19:32–35; Jes 8:7–10; Jes 17:12; Ezech 21:27; Luc 19:43–44 **37:34** Hij zal terugkeren op de weg waarop hij gekomen is. In deze stad zal hij niet komen, spreekt Yahweh. Brontekst: בַּדֶּ֥רֶךְ (baderekh) = op de weg | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֖א (ba) = hij kwam | בָּ֣הּ (bah) = erop | יָשׁ֑וּב (yashuv) = zal hij terugkeren | וְאֶל (veel) = en naar | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֛את (hazot) = deze | לֹ֥א (lo) = niet | יָב֖וֹא (yavo) = zal hij komen | נְאֻם (neum) = spreekt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘spreekt Yahweh’: zie Jes. 1:24 voor deze formule. Wij vertalen hier ‘spreekt Yahweh’, zoals in 2 Kon. 19:33. Zie ook: Spr 21:30; 2 Kon 19:33; Jes 1:24; Jes 37:29 **37:35** Ik zal deze stad beschermen en redden, om Mijnentwil en om wille van David, Mijn dienaar.’” Brontekst: וְגַנּוֹתִ֛י (veganoti) = en Ik zal beschermen | עַל (al) = over | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | לְהֽוֹשִׁיעָ֑הּ (lehoshiah) = om haar te redden | לְמַֽעֲנִ֔י (lemaani) = om Mijnentwil | וּלְמַ֖עַן (ulemaan) = en om wille van | דָּוִ֥ד (david) = David | עַבְדִּֽי (avdi) = Mijn dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh zegt dat Hij de stad beschermt ‘om Mijnentwil en om wille van David, Mijn dienaar’. Vergelijk 1 Kon. 11:13 en 11:34, waar het ook om David gaat. Zie ook 2 Kon. 20:6. Zie ook: 1 Kon 11:13; 1 Kon 11:34; 2 Kon 20:6; Jes 31:5; Jes 38:6; Jes 43:25; Ef 1:14 ### De engel van Yahweh slaat het kamp **37:36** De engel van Yahweh ging uit. Hij sloeg 185.000 man in het kamp van Assyrië. Toen men ’s morgens vroeg opstond, zie, allen waren dode lichamen. Brontekst: וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en ging uit | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּכֶּה֙ (vayake) = en sloeg | בְּמַחֲנֵ֣ה (bemachane) = in het kamp van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | מֵאָ֛ה (mea) = honderd | וּשְׁמֹנִ֥ים (ushemonim) = en tachtig | וַחֲמִשָּׁ֖ה (vachamisha) = en vijf | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ (vayashkimu) = en men stond vroeg op | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | כֻלָּ֖ם (kulam) = allen | פְּגָרִ֥ים (pegarim) = lijken | מֵתִֽים (metim) = dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘engel van Yahweh’: wij vertalen neutraal. De tekst zegt niet wie de engel is. Zie ook 2 Sam. 24:16 en 2 Kron. 32:21. Voetnoot : Het getal 185.000 staat zo in de Masoretische tekst; het woord ‘man’ staat er niet. Voetnoot Lezing: 2 Kon. 19:35 begint met ‘In die nacht’. Jesaja heeft dat niet. Zie ook: 2 Sam 24:16; 2 Kon 19:35; 2 Kron 32:21; Jes 10:12; Jes 10:33–34; Jes 31:8 ### Het einde van Sanherib **37:37** Sanherib, de koning van Assyrië, brak op, vertrok en keerde terug. Hij bleef in Nineve wonen. Brontekst: וַיִּסַּ֣ע (vayisa) = en brak op | וַיֵּ֔לֶךְ (vayelekh) = en ging | וַיָּ֖שָׁב (vayashav) = en keerde terug | סַנְחֵרִ֣יב (sancheriv) = Sanherib | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en bleef | בְּנִֽינְוֵֽה (benineve) = in Nineve Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak. Voetnoot Uitleg: Nineve (Tell Kuyunjik, bij het huidige Mosoel in Irak) lag aan de Tigris. Het was een hoofdstad van Assyrië. Dat is zeker. Zie ook: Gen 10:11–12; Jona 1:2; Jona 3:3; Jes 37:7; Jes 37:29 **37:38** Terwijl hij zich neerboog in het huis van Nisroch, zijn god, sloegen Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard. Zij ontkwamen naar het land Ararat. Esarhaddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | ה֨וּא (hu) = hij | מִֽשְׁתַּחֲוֶ֜ה (mishtachave) = zich neerbuigend | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | נִסְרֹ֣ךְ (nisrokh) = Nisroch | אֱלֹהָ֗יו (elohav) = zijn god | וְֽאַדְרַמֶּ֨לֶךְ (veadramelekh) = en Adrammelech | וְשַׂרְאֶ֤צֶר (vesaretser) = en Sarezer | בָּנָיו֙ (banav) = zijn zonen | הִכֻּ֣הוּ (hikuhu) = sloegen hem | בַחֶ֔רֶב (bacherev) = met het zwaard | וְהֵ֥מָּה (vehema) = en zij | נִמְלְט֖וּ (nimletu) = ontkwamen | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | אֲרָרָ֑ט (ararat) = Ararat | וַיִּמְלֹ֛ךְ (vayimlokh) = en werd koning | אֵֽסַר (esar) = Esar | חַדֹּ֥ן (chadon) = Haddon | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | תַּחְתָּֽיו (tachtav) = in zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ararat: Ararat is Urartu, het bergland rond het Vanmeer in het oosten van het huidige Turkije. Voetnoot Uitleg: Het land Ararat is het bergland van Urartu, in het huidige oosten van Turkije en Armenië. Zie ook Gen. 8:4. Voetnoot : נִסְרֹךְ (Nisrokh), ‘Nisroch’: een god van wie wij niets meer weten. אֵסַר חַדֹּן (Esar-Haddon), ‘Esarhaddon’: een koning van Assyrië. Voetnoot Lezing: Jesaja heeft hier ‘zijn zonen’ (בָּנָיו) bij Adrammelech en Sarezer. 2 Kon. 19:37 heeft dat niet; sommige oude vertalingen voegen het daar toe. Zie ook: Gen 8:4; 2 Kon 19:37; 2 Kron 32:21; Jes 14:12; Jer 51:27; Ezra 4:2 ## Jesaja 38 _De ziekte van Hizkia en zijn lied_ ### De ziekte van Hizkia **38:1** In die dagen werd Hizkia ziek, tot sterven toe. De profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam bij hem. Hij zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh: ‘Geef bevel aan je huis, want je gaat sterven. Je zult niet in leven blijven.’” Brontekst: בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֔ם (hahem) = die | חָלָ֥ה (chala) = werd ziek | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | לָמ֑וּת (lamut) = om te sterven | וַיָּב֣וֹא (vayavo) = en kwam | אֵ֠לָיו (elav) = naar hem | יְשַׁעְיָ֨הוּ (yeshayahu) = Jesaja | בֶן (ben) = zoon van | אָמ֜וֹץ (amots) = Amoz | הַנָּבִ֗יא (hanavi) = de profeet | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֜יו (elav) = tegen hem | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | צַ֣ו (tsav) = geef bevel | לְבֵיתֶ֔ךָ (leveitekha) = aan je huis | כִּ֛י (ki) = want | מֵ֥ת (met) = sterven | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִֽחְיֶֽה (tichye) = zul je leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit verhaal staat ook in 2 Kon. 20:1–11. Waar het Hebreeuws gelijk is, is onze tekst gelijk aan 2 Kon. 20. Zie ook 2 Kron. 32:24–26. Voetnoot : חָלָה לָמוּת (chalah lamut), ‘ziek worden om te sterven’: een ziekte die tot de dood kan leiden. Voetnoot : צַו לְבֵיתֶךָ (tsav leveitekha), ‘geef bevel aan je huis’: regel de zaken van je huishouden. Voetnoot : De woorden van Jesaja zijn zwart: een profeet brengt het woord van Yahweh door. Zo ook in 2 Kon. 20:1. Zie ook: 2 Sam 17:23; 2 Kon 20:1–11; 2 Kron 32:24; Jona 3:10; Hand 9:37 **38:2** Hizkia draaide zijn gezicht naar de muur en bad tot Yahweh. Brontekst: וַיַּסֵּ֧ב (vayasev) = en draaide | חִזְקִיָּ֛הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | אֶל (el) = naar | הַקִּ֑יר (haqir) = de muur | וַיִּתְפַּלֵּ֖ל (vayitpalel) = en bad | אֶל (el) = tot | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 50:15; Ps 91:15; 1 Kon 8:30; Mat 6:6 **38:3** Hij zei: „Ach, Yahweh, denk toch aan wat ik gedaan heb: ik heb voor Uw aangezicht gewandeld in waarheid en met een volledig hart. Ik heb gedaan wat goed is in Uw ogen.” Hizkia huilde hevig. Brontekst: וַיֹּאמַ֗ר (vayomar) = en hij zei | אָנָּ֤ה (ana) = ach | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | זְכָר (zekhar) = gedenk | נָ֞א (na) = toch | אֵ֣ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | הִתְהַלַּ֣כְתִּי (hithalakhti) = ik heb gewandeld | לְפָנֶ֗יךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht | בֶּֽאֱמֶת֙ (beemet) = in waarheid | וּבְלֵ֣ב (uvelev) = en met hart | שָׁלֵ֔ם (shalem) = volledig | וְהַטּ֥וֹב (vehatov) = en wat goed is | בְּעֵינֶ֖יךָ (beeineikha) = in Uw ogen | עָשִׂ֑יתִי (asiti) = ik heb gedaan | וַיֵּ֥בְךְּ (vayevek) = en huilde | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | בְּכִ֥י (bekhi) = geween | גָדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: trouw en betrouwbaarheid. לֵבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: een hart dat helemaal bij Yahweh is, zoals in 1 Kon. 15:3. Voetnoot : בְּכִי גָּדוֹל (bechi gadol), ‘groot geween’: Hizkia huilt hardop. Zie ook: Ps 18:21–28; 1 Kon 15:3; 2 Kron 31:20–21; Neh 13:14; Heb 5:7; Heb 6:10 ### Yahweh voegt vijftien jaar toe **38:4** Toen kwam het woord van Yahweh tot Jesaja: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יְשַׁעְיָ֖הוּ (yeshayahu) = Jesaja | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh zelf, rechtstreeks tot Jesaja (‘het woord van Yahweh kwam tot Jesaja’). Daarom staan de verzen 5–8 rood, zoals 2 Kon. 20:5–6. De boodschap die Jesaja aan Hizkia moet doorgeven, staat daarbinnen tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : In 2 Kon. 20:4 gebeurt dit voordat Jesaja het voorhof uit is. Jesaja zegt dat niet. Zie ook: 2 Kon 20:4; 2 Kon 20:5–6 **38:5** **„Ga en zeg tegen Hizkia: ‘Zo zegt Yahweh, de Elohim van David, je vader: Ik heb je gebed gehoord. Ik heb je tranen gezien. Zie, Ik voeg 15 jaar toe aan je dagen.** Brontekst: הָל֞וֹךְ (halokh) = ga | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֶל (el) = tegen | חִזְקִיָּ֗הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = Elohim van | דָּוִ֣ד (david) = David | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | שָׁמַ֨עְתִּי֙ (shamati) = Ik heb gehoord | אֶת (et) = (obj.) | תְּפִלָּתֶ֔ךָ (tefilatekha) = je gebed | רָאִ֖יתִי (raiti) = Ik heb gezien | אֶת (et) = (obj.) | דִּמְעָתֶ֑ךָ (dimatekha) = je tranen | הִנְנִי֙ (hinni) = zie Ik | יוֹסִ֣ף (yosif) = voeg toe | עַל (al) = aan | יָמֶ֔יךָ (yameikha) = je dagen | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָלוֹךְ (halokh), ‘ga’: een werkwoord in de onbepaalde wijs dat hier als bevel dient. Voetnoot : בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘huis van Yahweh’: de tempel in Jeruzalem; zie vers 20 en 22. Voetnoot : Jesaja noemt hier niet ‘de leider van Mijn volk’ en niet ‘Ik ga je genezen’; 2 Kon. 20:5 wel. Daar staat ook de derde dag, waarop Hizkia naar het huis van Yahweh gaat. Hier staat alleen: ‘Ik voeg 15 jaar toe aan je dagen.’ Zie ook: Ps 34:6–7; Ps 147:3; 2 Kon 20:5; Jes 38:20; Jes 38:22; Luc 1:13; 1 Joh 5:14–15; Openb 7:17 **38:6** **Uit de hand van de koning van Assyrië red Ik jou en deze stad. Ik beschut deze stad.** Brontekst: וּמִכַּ֤ף (umikaf) = en uit de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | אַצִּ֣ילְךָ֔ (atsilekha) = Ik red jou | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | וְגַנּוֹתִ֖י (veganoti) = en Ik beschut | עַל (al) = over | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: גָּנַן (ganan), ‘beschutten’: omheinen en beschermen, zoals in 2 Kon. 19:34. Het Hebreeuws zegt ‘de hand’ (כַּף, kaf, letterlijk ‘handpalm’) van de koning van Assyrië. Voetnoot : Jesaja heeft hier niet de woorden ‘ter wille van Mij en ter wille van David, Mijn dienaar’ (2 Kon. 20:6). Wel staan ze in Jes. 37:35. Zie ook: 2 Kon 19:34; 2 Kon 20:6; 2 Kron 32:22; Jes 12:6; Jes 31:4–5; Jes 37:35; 2 Tim 4:17 ### Het teken van de schaduw **38:7** **Dit is voor jou het teken van Yahweh, dat Yahweh dit woord zal doen dat Hij gesproken heeft:** Brontekst: וְזֶה (veze) = en dit | לְּךָ֥ (lekha) = voor jou | הָא֖וֹת (haot) = het teken | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = zal doen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = het woord | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבֵּֽר (diber) = Hij heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹת (ot), ‘teken’: een zichtbaar bewijs dat een woord van Yahweh waar is, zoals in Exod. 3:12. Voetnoot : In 2 Kon. 20:8–10 vraagt Hizkia om een teken en kiest hij zelf. In Jesaja geeft Yahweh het teken zonder dat Hizkia erom vraagt; Hizkia’s vraag staat pas in vers 22. Voetnoot : Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon: ‘het teken van Yahweh, dat Yahweh dit woord zal doen’. Het zijn Zijn eigen woorden in de boodschap aan Hizkia; daarom blijven ze rood. Zie ook: Ex 3:12; Re 6:17–22; Re 6:37–39; 2 Kon 20:8–21; Jes 7:11–14; Jes 37:30; Jes 38:22 **38:8** **Zie, Ik laat de schaduw van de treden, die door de zon op de treden van Achaz is neergedaald, tien treden achterwaarts teruggaan.’”** En de zon ging tien treden terug, op de treden waarlangs zij was afgedaald. Brontekst: הִנְנִ֣י (hinni) = zie Ik | מֵשִׁ֣יב (meshiv) = laat terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | צֵ֣ל (tsel) = de schaduw van | הַֽמַּעֲל֡וֹת (hamaalot) = de treden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָרְדָה֩ (yareda) = is afgedaald | בְמַעֲל֨וֹת (bemaalot) = op de treden van | אָחָ֥ז (achaz) = Achaz | בַּשֶּׁ֛מֶשׁ (bashemesh) = door de zon | אֲחֹרַנִּ֖ית (achoranit) = achterwaarts | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | מַעֲל֑וֹת (maalot) = treden | וַתָּ֤שָׁב (vatashav) = en keerde terug | הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙ (hashemesh) = de zon | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | מַעֲל֔וֹת (maalot) = treden | בַּֽמַּעֲל֖וֹת (bamaalot) = op de treden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָרָֽדָה (yarada) = was afgedaald Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲלוֹת אָחָז (ma’alot Achaz), ‘de treden van Achaz’: Achaz is Hizkia’s vader. De tekst zegt niet precies hoe dit werktuig eruitzag. Mogelijk was het een trap waarop de schaduw van de zon viel. Voetnoot : Jesaja zegt dat de schaduw ‘door de zon’ is neergedaald en dat ‘de zon’ tien treden teruggaat. In 2 Kon. 20:11 gaat alleen ‘de schaduw’ terug en roept Jesaja tot Yahweh. De laatste woorden van dit vers zijn van de verteller en staan zwart. Zie ook: Joz 10:12–14; 2 Kon 20:9–11; 2 Kon 20:11; 2 Kron 32:24; 2 Kron 32:31; Mat 16:1 ### Het lied van Hizkia **38:9** Een geschrift van Hizkia, de koning van Juda, toen hij ziek was en herstelde van zijn ziekte. Brontekst: מִכְתָּ֖ב (mikhtav) = een geschrift | לְחִזְקִיָּ֣הוּ (lechizqiyahu) = van Hizkia | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | בַּחֲלֹת֕וֹ (bachaloto) = toen hij ziek was | וַיְחִ֖י (vaychi) = en hij herstelde | מֵחָלְיֽוֹ (mechaleyo) = van zijn ziekte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִכְתָּב (michtav), ‘geschrift’: een gedicht dat is opgeschreven. Het is niet hetzelfde woord als ‘mikhtam’ boven sommige psalmen (zoals Ps. 16:1). Voetnoot : Dit lied van Hizkia (verzen 9–20) staat niet in 2 Kon. 20. Het is Hizkia’s eigen woord. Het staat zwart. Zie ook: Job 5:18; Re 5:1–31; Ps 16:1; Ps 30:12–13; Ps 118:18–19; Hos 6:1–2 **38:10** Ik zei: Halverwege mijn dagen moet ik gaan naar de poorten van Sjeol. Ik ben beroofd van de rest van mijn jaren. Brontekst: אֲנִ֣י (ani) = ik | אָמַ֗רְתִּי (amarti) = zei | בִּדְמִ֥י (bidmi) = halverwege | יָמַ֛י (yamay) = mijn dagen | אֵלֵ֖כָה (elekha) = zal ik gaan | בְּשַׁעֲרֵ֣י (beshaarei) = naar de poorten van | שְׁא֑וֹל (sheol) = Sjeol | פֻּקַּ֖דְתִּי (puqadti) = ik ben beroofd | יֶ֥תֶר (yeter) = de rest van | שְׁנוֹתָֽי (shenotay) = mijn jaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk. Zie ook Gen. 37:35. Voetnoot Lezing: בִּדְמִי יָמַי (bidmi yamai), ‘halverwege mijn dagen’: het woord דְּמִי (dmi) is onzeker. Het kan ‘rust’, ‘stilte’ of ‘midden’ betekenen. Wij kiezen ‘halverwege’, naar de samenhang: de rest van zijn jaren wordt hem afgenomen. Voetnoot : פֻּקַּדְתִּי (puqqadeti), ‘ik ben beroofd’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken, aanwijzen, opeisen’. Hier lijkt het te zeggen: de rest van zijn jaren wordt niet aan hem toegewezen. Het is onzeker. Zie ook: Gen 37:35; Job 7:7; Ps 102:25; Ps 107:18; Jes 38:1; 2 Kor 1:9 **38:11** Ik zei: Ik zal Jah niet zien, Jah, in het land van de levenden. Ik zal geen mens meer aanschouwen bij de bewoners van de wereld. Brontekst: אָמַ֨רְתִּי֙ (amarti) = ik zei | לֹא (lo) = niet | אֶרְאֶ֣ה (ere) = zal ik zien | יָ֔הּ (yah) = Jah | יָ֖הּ (yah) = Jah | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | הַחַיִּ֑ים (hachayim) = de levenden | לֹא (lo) = niet | אַבִּ֥יט (abit) = zal ik aanschouwen | אָדָ֛ם (adam) = mens | ע֖וֹד (od) = meer | עִם (im) = bij | י֥וֹשְׁבֵי (yoshevei) = de bewoners van | חָֽדֶל (chadel) = de wereld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָהּ (Jah): een korte vorm van Yahweh, zoals in Ps. 68:5. ‘Yahweh zien’ betekent hier: Zijn nabijheid in de tempel beleven. Voetnoot Lezing: חָדֶל (chadel) betekent letterlijk ‘ophouden’ of ‘het einde’. Wij vertalen ‘wereld’: de bewoners van wat voorbijgaat, zoals het woord חֶלֶד (cheled), ‘wereld’, in Ps. 49:2. Dat is onzeker. Zie ook: Job 35:14–15; Ps 6:5–6; Ps 27:13; Ps 49:2; Ps 68:5; Ps 116:8–9; Pred 9:5–6 **38:12** Mijn woning is opgebroken en van mij weggehaald, als de tent van een herder. Als een wever heb ik mijn leven opgerold. Hij snijdt mij af van het weefgetouw. Van dag tot nacht maakt U een einde aan mij. Brontekst: דּוֹרִ֗י (dori) = mijn woning | נִסַּ֧ע (nisa) = is opgebroken | וְנִגְלָ֛ה (venigla) = en is weggehaald | מִנִּ֖י (mini) = van mij | כְּאֹ֣הֶל (keohel) = als een tent van | רֹעִ֑י (roi) = mijn herder | קִפַּ֨דְתִּי (qipadti) = ik rolde op | כָאֹרֵ֤ג (kaoreg) = als een wever | חַיַּי֙ (chayay) = mijn leven | מִדַּלָּ֣ה (midala) = van het weefgetouw | יְבַצְּעֵ֔נִי (yevatseeni) = Hij snijdt mij af | מִיּ֥וֹם (miyom) = van dag | עַד (ad) = tot | לַ֖יְלָה (layla) = nacht | תַּשְׁלִימֵֽנִי (tashlimeni) = maakt U een einde aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דּוֹרִי (dori), ‘mijn woning’: het woord דּוֹר (dor) betekent meestal ‘generatie’, maar hier past ‘woonplaats’ bij het beeld van een tent. Dat is onzeker. Voetnoot : קִפַּדְתִּי (qippadeti), ‘ik rolde op’: dit werkwoord komt alleen hier voor. Het beeld is een wever die een afgewerkt weefsel oprolt en afsnijdt. De betekenis is onzeker. Voetnoot : דַּלָּה (dallah), ‘weefgetouw’: eigenlijk de kettingdraden of de draadlus. Een wever snijdt het doek van het getouw. Voetnoot : Het lied wisselt tussen ‘Hij’ en ‘U’. Wij laten dat zo staan. Zie ook: Job 9:25–26; Ps 73:14; Ps 102:12; 2 Kor 5:1; Heb 1:12 **38:13** Ik hield mij stil tot de morgen. Als een leeuw, zo breekt Hij al mijn beenderen. Van dag tot nacht maakt U een einde aan mij. Brontekst: שִׁוִּ֤יתִי (shiviti) = ik hield mij stil | עַד (ad) = tot | בֹּ֨קֶר֙ (boqer) = de morgen | כָּֽאֲרִ֔י (kaari) = als een leeuw | כֵּ֥ן (ken) = zo | יְשַׁבֵּ֖ר (yeshaber) = breekt Hij | כָּל (kal) = al | עַצְמוֹתָ֑י (atsmotay) = mijn beenderen | מִיּ֥וֹם (miyom) = van dag | עַד (ad) = tot | לַ֖יְלָה (layla) = nacht | תַּשְׁלִימֵֽנִי (tashlimeni) = maakt U een einde aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁוִּיתִי (shivviti), ‘ik hield mij stil’: het werkwoord kan ook ‘zetten, leggen’ betekenen. Hizkia legt zich neer en wacht tot de morgen. Dat is onzeker. Voetnoot : De leeuw is hier een beeld van Yahweh die breekt, zoals in Hos. 13:7. Zie ook: Job 16:12–14; Ps 51:10; 1 Kon 13:24–26; Hos 5:14; Hos 13:7; Dan 6:25 **38:14** Als een zwaluw of een kraanvogel piep ik. Ik kreun als een duif. Mijn ogen zijn mat geworden van het omhoog kijken. Mijn Heer, ik word onderdrukt. Sta voor mij in. Brontekst: כְּס֤וּס (kesus) = als een zwaluw | עָגוּר֙ (agur) = een kraanvogel | כֵּ֣ן (ken) = zo | אֲצַפְצֵ֔ף (atsaftsef) = piep ik | אֶהְגֶּ֖ה (ehge) = kreun ik | כַּיּוֹנָ֑ה (kayona) = als een duif | דַּלּ֤וּ (dalu) = zijn mat geworden | עֵינַי֙ (einay) = mijn ogen | לַמָּר֔וֹם (lamarom) = naar de hoogte | אֲדֹנָ֖י (adonay) = mijn Heer | עָֽשְׁקָה (asheqa) = ik word onderdrukt | לִּ֥י (li) = voor mij | עָרְבֵֽנִי (areveni) = sta in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוּס (sus) en עָגוּר (agur): beide vogelnamen zijn onzeker. Ze worden vertaald als ‘zwaluw’ (of ‘gierzwaluw’) en ‘kraanvogel’. In het Hebreeuws staan ze zonder ‘en’ naast elkaar; het kan ook één vogel zijn. Voetnoot : אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: zoals bij 1 Kon. 3:10. Het is hier de aanspreektitel van Yahweh. Voetnoot : עָרְבֵנִי (orveni), ‘sta voor mij in’: letterlijk ‘wees mijn borg’. Een borg neemt de schuld of de zorg van een ander op zich. Zie ook: Job 30:29; Ps 69:4; 1 Kon 3:10; Jes 59:11; Nah 2:8; Ezech 7:16 **38:15** Wat zal ik zeggen? Hij heeft tot mij gesproken, en Hij heeft het gedaan. Ik zal al mijn jaren zachtjes gaan, vanwege de bitterheid van mijn ziel. Brontekst: מָֽה (ma) = wat | אֲדַבֵּ֥ר (adaber) = zal ik zeggen | וְאָֽמַר (veamar) = en Hij heeft gesproken | לִ֖י (li) = tot mij | וְה֣וּא (vehu) = en Hij | עָשָׂ֑ה (asa) = heeft gedaan | אֶדַּדֶּ֥ה (edade) = zal ik zachtjes gaan | כָל (kal) = al | שְׁנוֹתַ֖י (shenotay) = mijn jaren | עַל (al) = vanwege | מַ֥ר (mar) = de bitterheid van | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶדַּדֶּה (eddaddeh), ‘ik zal zachtjes gaan’: dit werkwoord komt weinig voor; vergelijk Ps. 42:5. Het gaat om een langzame, voorzichtige gang. De betekenis is onzeker. Zie ook: Job 7:11; Job 10:1; Job 21:25; 1 Sam 1:10; Ps 42:5; 1 Kon 21:27 **38:16** Mijn Heer, hierdoor leeft men. In dit alles is het leven van mijn geest. Maak mij weer sterk en laat mij leven. Brontekst: אֲדֹנָ֖י (adonay) = mijn Heer | עֲלֵיהֶ֣ם (aleihem) = hierdoor | יִֽחְי֑וּ (yichyu) = leeft men | וּלְכָל (ulekhal) = en in alles | בָּהֶן֙ (bahen) = in deze | חַיֵּ֣י (chayei) = het leven van | רוּחִ֔י (ruchi) = mijn geest | וְתַחֲלִימֵ֖נִי (vetachalimeni) = en maak mij sterk | וְהַחֲיֵֽנִי (vehachayeni) = en laat mij leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Dit vers is moeilijk. Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Mijn Heer, over hen leeft men, en in alle ervan is het leven van mijn geest.’ Wij nemen ‘hierdoor’ als: door wat Yahweh heeft gesproken en gedaan (vers 15). De laatste twee werkwoorden lezen wij als een bede. Zie ook: Deut 8:3; Ps 119:25; Jes 38:15; Mat 4:4; 1 Kor 11:32; Heb 12:10–11 **38:17** Zie, voor mijn vrede was het mij bitter, zeer bitter. Maar U hebt mijn ziel liefgehad en haar bewaard voor de kuil van de vernietiging. Want U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen. Brontekst: הִנֵּ֥ה (hine) = zie | לְשָׁל֖וֹם (leshalom) = voor de vrede | מַר (mar) = bitter | לִ֣י (li) = voor mij | מָ֑ר (mar) = bitter | וְאַתָּ֞ה (veata) = en U | חָשַׁ֤קְתָּ (chashaqta) = hebt liefgehad | נַפְשִׁי֙ (nafshi) = mijn ziel | מִשַּׁ֣חַת (mishachat) = uit de kuil van | בְּלִ֔י (beli) = vernietiging | כִּ֥י (ki) = want | הִשְׁלַ֛כְתָּ (hishlakhta) = U hebt geworpen | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | גֵוְךָ֖ (gevekha) = Uw rug | כָּל (kal) = al | חֲטָאָֽי (chataay) = mijn zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: heelheid en goed leven. Dat het ‘mij bitter was voor mijn vrede’ kan betekenen: de bitterheid diende tot mijn welzijn. Ook ‘in plaats van vrede kreeg ik bitterheid’ is mogelijk. Wij laten de woorden zoals ze staan. Voetnoot : חָשַׁקְתָּ (chashaqta), ‘U hebt liefgehad’: het werkwoord betekent ‘zich hechten aan, liefhebben’. Met ‘uit de kuil’ erachter ligt de gedachte voor de hand: U hebt mijn ziel liefgehad en haar bewaard voor de kuil. Het Hebreeuws heeft daar geen tweede werkwoord; wij vullen ‘bewaard’ aan. Voetnoot : גֵּו (gev), ‘rug’: het woord komt weinig voor. ‘Achter Uw rug werpen’ betekent: niet meer zien en niet meer eraan denken. Vergelijk Ps. 103:12. Zie ook: Ps 30:4; Ps 103:12; Jona 2:7; Jes 43:25; Mi 7:18–19; Jer 31:34 **38:18** Want Sjeol looft U niet, de dood prijst U niet. Wie in de kuil afdalen, hopen niet op Uw waarheid. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | שְׁא֛וֹל (sheol) = Sjeol | תּוֹדֶ֖ךָּ (todeka) = looft U | מָ֣וֶת (mavet) = de dood | יְהַלְלֶ֑ךָּ (yehalleka) = prijst U | לֹֽא (lo) = niet | יְשַׂבְּר֥וּ (yesaberu) = hopen | יֽוֹרְדֵי (yoredei) = wie afdalen in | ב֖וֹר (bor) = de kuil | אֶל (el) = op | אֲמִתֶּֽךָ (amitekha) = Uw waarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sjeol en ‘de dood’ zijn hier het dodenrijk, waar geen lofzang meer klinkt. Vergelijk Ps. 6:6 en Ps. 88:11–13. Voetnoot : אֲמִתֶּךָ (amitteka), ‘Uw waarheid’: אֱמֶת (emet), ‘waarheid’, met het bezittelijk voornaamwoord. Het gaat om Uw betrouwbaarheid. Zie ook: Ps 6:6; Ps 30:10; Ps 88:11–12; Ps 115:17–18; Pred 9:10 **38:19** De levende, de levende, hij looft U, zoals ik vandaag. Een vader maakt aan de zonen Uw waarheid bekend. Brontekst: חַ֥י (chay) = de levende | חַ֛י (chay) = de levende | ה֥וּא (hu) = hij | יוֹדֶ֖ךָ (yodekha) = looft U | כָּמ֣וֹנִי (kamoni) = zoals ik | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | אָ֣ב (av) = een vader | לְבָנִ֔ים (levanim) = aan de zonen | יוֹדִ֖יעַ (yodia) = maakt bekend | אֶל (el) = aan | אֲמִתֶּֽךָ (amitekha) = Uw waarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De levende looft Yahweh. De vader vertelt zijn zonen van Yahweh’s waarheid. Zo gaat het lof van geslacht op geslacht, zoals in Ps. 78:3–4. Zie ook: Deut 4:9; Deut 6:7; Deut 11:19; Ps 78:3–6; Ps 119:175 **38:20** Yahweh gaat mij redden. Wij zullen mijn snarenmuziek spelen, alle dagen van ons leven, in het huis van Yahweh. Brontekst: יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהוֹשִׁיעֵ֑נִי (lehoshieni) = om mij te redden | וּנְגִנוֹתַ֧י (uneginotay) = en mijn snarenmuziek | נְנַגֵּ֛ן (nenagen) = zullen wij spelen | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | חַיֵּ֖ינוּ (chayeinu) = ons leven | עַל (al) = in | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהוֹשִׁיעֵנִי (lehoshi’eni), ‘om mij te redden’: de lamed met de onbepaalde wijs zegt dat Yahweh het gaat doen. Wij vertalen ‘Yahweh gaat mij redden’. Voetnoot : נְגִינוֹת (neginot), ‘snarenmuziek’: muziek op snaarinstrumenten; vergelijk het opschrift ‘Op snarenspel’ in Ps. 61:1. Hizkia spreekt eerst over ‘mijn’ snarenmuziek en dan over ‘ons’ leven: het lied is ook voor het hele volk. Zie ook: Ps 27:5–6; Ps 61:1; Ps 116:2; Ps 145:2; Ps 150:4; Hab 3:19 ### De vijgenkoek **38:21** Jesaja zei: „Laat men een vijgenkoek nemen en die op de zweer smeren. Dan zal hij leven.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְשַׁעְיָ֔הוּ (yeshayahu) = Jesaja | יִשְׂא֖וּ (yisu) = laat men nemen | דְּבֶ֣לֶת (develet) = een koek van | תְּאֵנִ֑ים (teenim) = vijgen | וְיִמְרְח֥וּ (veyimrechu) = en laat men smeren | עַֽל (al) = op | הַשְּׁחִ֖ין (hashechin) = de zweer | וְיֶֽחִי (veyechi) = en hij zal leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers en het volgende vers staan in 2 Kon. 20:7–8 vóór het teken. Hier staan ze na het lied van Hizkia. Voetnoot : דְּבֶלֶת תְּאֵנִים (develet te’enim), ‘vijgenkoek’: samengeperste gedroogde vijgen, zoals in 1 Sam. 30:12. Voetnoot : שְׁחִין (shechin), ‘zweer’: zoals in Exod. 9:9 en Lev. 13:18–23. Voetnoot : In 2 Kon. 20:7 zegt Jesaja ‘Neem een vijgenkoek’ en legt men die ‘op de zweer’. Hier staat ‘laat men nemen’ en ‘laat men smeren’. Zie ook: Ex 9:9; Lev 13:18–23; 1 Sam 30:12; 2 Kon 20:7–8; Mar 7:33; Joh 9:6 **38:22** Hizkia zei: „Wat is het teken dat ik zal opgaan naar het huis van Yahweh?” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | חִזְקִיָּ֖הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | מָ֣ה (ma) = wat | א֑וֹת (ot) = teken | כִּ֥י (ki) = dat | אֶעֱלֶ֖ה (eele) = zal ik opgaan | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 2 Kon. 20:8, waar Hizkia vraagt: ‘Wat is het teken dat Yahweh mij zal genezen?’ Hier vraagt hij alleen naar het teken dat hij naar het huis van Yahweh zal opgaan. Zie ook: Ps 84:11–13; Ps 118:18–19; Ps 122:1; 2 Kon 20:8; Joh 5:14 ## Jesaja 39 _Gezanten uit Babel en het woord van Jesaja_ ### Gezanten uit Babel **39:1** In die tijd stuurde Merodach-Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk naar Hizkia. Hij had gehoord dat Hizkia ziek was geweest en weer sterk was geworden. Brontekst: בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֡וא (hahi) = die | שָׁלַ֡ח (shalach) = stuurde | מְרֹדַ֣ךְ (merodakh) = Merodach | בַּ֠לְאֲדָן (baladan) = Baladan | בֶּֽן (ben) = zoon van | בַּלְאֲדָ֧ן (baladan) = Baladan | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | סְפָרִ֥ים (sefarim) = brieven | וּמִנְחָ֖ה (umincha) = en een geschenk | אֶל (el) = naar | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | וַיִּשְׁמַ֕ע (vayishma) = en hij had gehoord | כִּ֥י (ki) = dat | חָלָ֖ה (chala) = hij was ziek geweest | וַֽיֶּחֱזָֽק (vayechezaq) = en was sterk geworden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Dit verhaal staat ook in 2 Kon. 20:12–19 en, korter, in 2 Kron. 32:31. Waar het Hebreeuws gelijk is, is onze tekst gelijk aan 2 Kon. 20. Voetnoot : מְרֹדַךְ בַּלְאֲדָן (Merodakh Bal’adan), ‘Merodach-Baladan’: een koning van Babel. In 2 Kon. 20:12 staat de naam als Berodach-Baladan (בְּרֹאדַךְ). Het is dezelfde koning. In Jesaja staat de naam zoals hij in andere bronnen bekend is. Voetnoot : סְפָרִים (sefarim), ‘brieven’: geschreven berichten. Voetnoot : Jesaja zegt dat Merodach-Baladan hoorde dat Hizkia ziek was geweest ‘en sterk was geworden’. 2 Kon. 20:12 zegt alleen dat hij ziek was. Voetnoot : Babel lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad, Irak. Zie ook: 2 Sam 8:10; 2 Sam 10:2; 2 Kon 20:12–19; 2 Kron 32:23; 2 Kron 32:31; Jes 13:19 **39:2** Hizkia verheugde zich over hen. Hij liet hun zijn schathuis zien: het zilver, het goud, de specerijen, de goede olie, heel zijn wapenhuis en alles wat zich in zijn schatkamers bevond. Er was niets in zijn huis en in heel zijn rijk wat Hizkia hun niet liet zien. Brontekst: וַיִּשְׂמַ֣ח (vayismach) = en verheugde zich | עֲלֵיהֶם֮ (aleihem) = over hen | חִזְקִיָּהוּ֒ (chizqiyahu) = Hizkia | וַיַּרְאֵ֣ם (vayarem) = en liet hen zien | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | נְכֹת֡וֹ (nekhoto) = zijn schatten | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּסֶף֩ (hakesef) = het zilver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַזָּהָ֨ב (hazahav) = het goud | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַבְּשָׂמִ֜ים (habesamim) = de specerijen | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | הַשֶּׁ֣מֶן (hashemen) = de olie | הַטּ֗וֹב (hatov) = de goede | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | כֵּלָ֔יו (kelav) = zijn wapens | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | נִמְצָ֖א (nimtsa) = werd gevonden | בְּאֹֽצְרֹתָ֑יו (beotserotav) = in zijn schatkamers | לֹֽא (lo) = niet | הָיָ֣ה (haya) = was | דָבָ֗ר (davar) = zaak | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | הֶרְאָ֧ם (heram) = liet hen zien | חִזְקִיָּ֛הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | בְּבֵית֖וֹ (beveito) = in zijn huis | וּבְכָל (uvekhal) = en in heel | מֶמְשַׁלְתּֽוֹ (memshalto) = zijn rijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית נְכֹתוֹ (beit nekhoto), ‘zijn schathuis’: het woord נְכֹת (nekhot) is zeldzaam; de betekenis ‘kostbaarheden, schat’ is niet zeker. Voetnoot : בֵּית כֵּלָיו (beit kelav), ‘het huis van zijn wapens’: כֶּלִי (keli) betekent ‘voorwerp, vat, wapen’. Wij kiezen ‘wapens’, omdat het huis naast de schatten staat. Voetnoot : מֶמְשַׁלְתּוֹ (memshalto), ‘zijn rijk’: het gebied waar hij over regeert. Voetnoot : Jesaja zegt dat Hizkia zich over de gezanten verheugde (וַיִּשְׂמַח, vayismach). 2 Kon. 20:13 zegt dat hij naar hen luisterde (וַיִּשְׁמַע, vayishma). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is נְכֹתָה (nekhotah), met een he aan het eind; het qere is נְכֹתוֹ (nekhoto), ‘zijn schathuis’. Wij volgen het qere. Zie ook: Job 31:25; Ps 146:3–4; 2 Kon 20:13; 2 Kron 32:25; 2 Kron 32:31; Jer 17:9 ### Jesaja vraagt Hizkia **39:3** De profeet Jesaja kwam bij koning Hizkia en zei tegen hem: „Wat hebben deze mannen gezegd? En waar komen ze vandaan, dat ze bij je zijn gekomen?” Hizkia zei: „Uit een ver land zijn ze bij mij gekomen, uit Babel.” Brontekst: וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | יְשַׁעְיָ֣הוּ (yeshayahu) = Jesaja | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = naar | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלָ֜יו (elav) = tegen hem | מָ֥ה (ma) = wat | אָמְר֣וּ (ameru) = hebben gezegd | הָאֲנָשִׁ֣ים (haanashim) = de mannen | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | וּמֵאַ֨יִן֙ (umeayin) = en vanwaar | יָבֹ֣אוּ (yavou) = zijn gekomen | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar jou | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | חִזְקִיָּ֔הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | מֵאֶ֧רֶץ (meerets) = uit land | רְחוֹקָ֛ה (rechoqa) = ver | בָּ֥אוּ (bau) = zijn gekomen | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | מִבָּבֶֽל (mibavel) = uit Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Anders dan 2 Kon. 20:14 heeft Jesaja hier ‘tot mij’ bij ‘zijn ze gekomen’: Hizkia zegt dat ze bij hem zijn gekomen. Zie ook: Deut 28:49; 2 Sam 12:1; 2 Kon 20:14; 2 Kron 16:7; Jes 38:1; Jer 5:15 **39:4** Hij zei: „Wat hebben ze in je huis gezien?” Hizkia zei: „Alles wat in mijn huis is, hebben ze gezien. Er is niets in mijn schatkamers wat ik hun niet heb laten zien.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | מָ֥ה (ma) = wat | רָא֖וּ (rau) = hebben gezien | בְּבֵיתֶ֑ךָ (beveitekha) = in je huis | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | חִזְקִיָּ֗הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | בְּבֵיתִי֙ (beveiti) = in mijn huis | רָא֔וּ (rau) = hebben gezien | לֹֽא (lo) = niet | הָיָ֥ה (haya) = was | דָבָ֛ר (davar) = zaak | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | הִרְאִיתִ֖ים (hiritim) = ik heb hen laten zien | בְּאוֹצְרֹתָֽי (beotserotay) = in mijn schatkamers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:33; Joz 7:19; Spr 23:5; Spr 28:13; 1 Joh 1:9 ### Het woord van Jesaja over Babel **39:5** Jesaja zei tegen Hizkia: „Hoor het woord van Yahweh van de legermachten: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | יְשַׁעְיָ֖הוּ (yeshayahu) = Jesaja | אֶל (el) = tot | חִזְקִיָּ֑הוּ (chizqiyahu) = Hizkia | שְׁמַ֖ע (shema) = hoor | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jesaja’s woorden zijn zwart: een profeet brengt het woord van Yahweh door, zoals in 2 Kon. 20:16–18. De woorden van Yahweh staan tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : Jesaja heeft hier ‘Yahweh van de legermachten’; 2 Kon. 20:16 heeft ‘Yahweh’. Zie ook: 1 Sam 13:13–14; 1 Sam 15:16; 2 Kon 20:16–18 **39:6** ‘Zie, er komen dagen dat alles wat in je huis is en wat je vaders tot op deze dag hebben opgeslagen, naar Babel wordt weggedragen. Er blijft niets over, zegt Yahweh. Brontekst: הִנֵּה֮ (hine) = zie | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | בָּאִים֒ (baim) = komen | וְנִשָּׂ֣א (venisa) = en zal worden weggedragen | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | בְּבֵיתֶ֗ךָ (beveitekha) = in je huis | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en wat | אָצְר֧וּ (atseru) = hebben opgeslagen | אֲבֹתֶ֛יךָ (avoteikha) = je vaders | עַד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | בָּבֶ֑ל (bavel) = naar Babel | לֹֽא (lo) = niet | יִוָּתֵ֥ר (yivater) = blijft over | דָּבָ֖ר (davar) = iets | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Dit woord kondigt aan wat in 2 Kon. 24:13 en 25:13 gebeurt: de schatten van het huis van Yahweh en het koperwerk worden naar Babel gebracht. Jesaja schrijft ‘naar Babel’ (בָּבֶל) zonder richtingsuitgang; 2 Kon. 20:17 heeft die wel (בָּבֶלָה). De betekenis is gelijk. Zie ook: 2 Kon 20:17; 2 Kon 24:13; 2 Kon 25:13–15; 2 Kron 36:18; Jer 20:5; Dan 1:2 **39:7** Van je zonen, die uit jou voortkomen en die jij zult verwekken, zullen er worden meegenomen. Zij worden hofdienaars in het paleis van de koning van Babel.’” Brontekst: וּמִבָּנֶ֜יךָ (umibaneikha) = en van je zonen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יֵצְא֧וּ (yetseu) = zullen voortkomen | מִמְּךָ֛ (mimekha) = uit jou | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תּוֹלִ֖יד (tolid) = je zult verwekken | יִקָּ֑חוּ (yiqachu) = zullen worden genomen | וְהָיוּ֙ (vehayu) = en zullen zijn | סָרִיסִ֔ים (sarisim) = hofdienaars | בְּהֵיכַ֖ל (beheikhal) = in het paleis van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: zoals in 1 Kon. 22:9. Voetnoot : הֵיכַל (heikhal), ‘paleis’: het Hebreeuwse woord is ook het woord voor ‘tempel’. Hier is het het paleis van de koning van Babel. Zie ook: 1 Kon 22:9; 2 Kon 24:12; 2 Kon 24:15; 2 Kron 36:10; Jer 39:7; Dan 1:1–7 **39:8** Hizkia zei tegen Jesaja: „Het woord van Yahweh dat je gesproken hebt, is goed.” Hij zei: „Want er zal vrede en waarheid zijn in mijn dagen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | חִזְקִיָּ֨הוּ֙ (chizqiyahu) = Hizkia | אֶֽל (el) = tot | יְשַׁעְיָ֔הוּ (yeshayahu) = Jesaja | ט֥וֹב (tov) = goed | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | דִּבַּ֑רְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | כִּ֥י (ki) = want | יִהְיֶ֛ה (yihye) = zal zijn | שָׁל֥וֹם (shalom) = vrede | וֶאֱמֶ֖ת (veemet) = en waarheid | בְּיָמָֽי (beyamay) = in mijn dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit antwoord van Hizkia is moeilijk te verstaan. In 2 Kon. 20:19 staat ‘Is het niet zo, dat er vrede en waarheid zal zijn in mijn dagen?’ Jesaja heeft hier כִּי (ki), ‘want’ of ‘omdat’: ‘Want er zal vrede en waarheid zijn in mijn dagen.’ Wij houden de woorden zoals ze staan en kiezen geen verklaring. Voetnoot : שָׁלוֹם וֶאֱמֶת (shalom ve’emet), ‘vrede en waarheid’: vrede en betrouwbaarheid. Zie ook: Ps 39:10; 2 Kon 20:19; 2 Kron 32:26; 2 Kron 34:28; Zach 8:16; 1 Petr 5:6 ## Jesaja 40 _Troost Mijn volk: de grootheid van Yahweh_ ### Troost Mijn volk **40:1** **„Troost, troost Mijn volk, zegt jullie Elohim.** Brontekst: נַחֲמ֥וּ (nachamu) = troost | נַחֲמ֖וּ (nachamu) = troost | עַמִּ֑י (ami) = Mijn volk | יֹאמַ֖ר (yomar) = zegt | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחֲמוּ נַחֲמוּ (nachamu nachamu), ‘troost, troost’: de herhaling maakt de oproep dringend. Elohim spreekt hier zelf, tot een groep die niet wordt genoemd. Zijn woorden staan daarom rood, tot en met vers 2. Voetnoot : יֹאמַר אֱלֹהֵיכֶם (yomar eloheichem), ‘zegt jullie Elohim’: een slotformule, zoals ‘godsspraak van Yahweh’. Zie ook: Jes 40:2; Jes 51:3; Jes 51:12; Sef 3:14–17; 1 Tess 4:18; 2 Kor 1:4 **40:2** **Spreek tot het hart van Jeruzalem en roep haar toe: haar dienst is vervuld, haar schuld is afgedaan. Zij heeft uit de hand van Yahweh het dubbele ontvangen voor al haar zonden.”** Brontekst: דַּבְּר֞וּ (daberu) = spreek | עַל (al) = tot | לֵ֤ב (lev) = het hart van | יְרֽוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushalaim) = Jeruzalem | וְקִרְא֣וּ (veqiru) = en roep | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = haar toe | כִּ֤י (ki) = dat | מָֽלְאָה֙ (malea) = vervuld is | צְבָאָ֔הּ (tsevaah) = haar dienst | כִּ֥י (ki) = dat | נִרְצָ֖ה (nirtsa) = afgedaan is | עֲוֺנָ֑הּ (avonah) = haar schuld | כִּ֤י (ki) = dat | לָקְחָה֙ (laqecha) = zij heeft ontvangen | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּפְלַ֖יִם (kiflayim) = het dubbele | בְּכָל (bekhal) = voor al | חַטֹּאתֶֽיהָ (chatoteiha) = haar zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: דַּבְּרוּ עַל לֵב (dabberu al lev), ‘spreek tot het hart van’: letterlijk ‘spreek op het hart’. Het betekent vriendelijk en bemoedigend spreken; zo ook Gen. 34:3 en Hos. 2:16. Voetnoot : צְבָאָהּ (tsevaah), ‘haar dienst’: letterlijk ‘haar leger’, dus een tijd van zware dienst of strijd. De betekenis is hier niet helemaal zeker. Voetnoot : נִרְצָה (nirtsah), ‘is afgedaan’: letterlijk ‘is aanvaard’, van רָצָה (ratsah), ‘gunstig aannemen’. De schuld is betaald. Voetnoot : כִּפְלַיִם (kiflayim), ‘het dubbele’: de volle maat of twee keer zoveel. Het Hebreeuws zegt dat niet nader. Voetnoot : Driemaal staat כִּי (ki), ‘dat’ of ‘want’: wij lezen het als ‘dat’. Voetnoot : Yahweh wordt hier in de derde persoon genoemd binnen Zijn eigen woorden; zie ook Hos. 1:7. Zie ook: Gen 34:3; Hos 1:7; Hos 2:16; Jes 61:7; Jer 33:8–9; Zach 9:12; Openb 18:6 ### Een stem roept in de woestijn **40:3** Een stem roept: „Baan in de woestijn de weg van Yahweh. Maak in de steppe een rechte, gebaande weg voor onze Elohim. Brontekst: ק֣וֹל (qol) = een stem | קוֹרֵ֔א (qore) = roept | בַּמִּדְבָּ֕ר (bamidbar) = in de woestijn | פַּנּ֖וּ (panu) = baan | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | יַשְּׁרוּ֙ (yasheru) = maak recht | בָּעֲרָבָ֔ה (baarava) = in de steppe | מְסִלָּ֖ה (mesila) = een gebaande weg | לֵאלֹהֵֽינוּ (leloheinu) = voor onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹל קוֹרֵא (qol qore), ‘een stem roept’: wie roept, wordt niet gezegd. Het Hebreeuws laat open of ‘in de woestijn’ bij ‘roept’ of bij ‘baan’ hoort. Wij nemen het bij ‘baan’, zoals de volgende regel (‘in de steppe’) laat zien. Matt. 3:3, Mark. 1:3 en Joh. 1:23 halen deze regel aan. Voetnoot : מִדְבָּר (midbar), ‘woestijn’ en עֲרָבָה (aravah), ‘steppe’: droog, onbewoond land. In 41:19 staan beide woorden opnieuw. Voetnoot : מְסִלָּה (mesillah), ‘gebaande weg’: een opgehoogde, aangelegde weg. Zie ook: Mal 3:1; Mat 3:1–3; Mat 3:3; Mar 1:2–5; Mar 1:3; Luc 1:16–17; Joh 1:23 **40:4** Elk dal wordt verhoogd, en elke berg en heuvel wordt verlaagd. Wat oneffen is, wordt vlak land, en de ruwe plekken worden een vlakte. Brontekst: כָּל (kal) = elk | גֶּיא֙ (gei) = dal | יִנָּשֵׂ֔א (yinase) = wordt verhoogd | וְכָל (vekhal) = en elke | הַ֥ר (har) = berg | וְגִבְעָ֖ה (vegiva) = en heuvel | יִשְׁפָּ֑לוּ (yishpalu) = worden verlaagd | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het wordt | הֶֽעָקֹב֙ (heaqov) = het oneffene | לְמִישׁ֔וֹר (lemishor) = tot vlak land | וְהָרְכָסִ֖ים (veharekhasim) = en de ruwe plekken | לְבִקְעָֽה (leviqa) = tot een vlakte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶעָקֹב (he’aqov), ‘wat oneffen is’: letterlijk ‘het kromme’ of ‘het heuvelachtige’. הָרְכָסִים (harekhasim), ‘de ruwe plekken’: de betekenis is niet zeker; misschien ‘bergruggen’. Voetnoot : בִּקְעָה (biq’ah), ‘vlakte’: een breed, open dal. Zie ook: Jes 42:15–16; Jes 45:2; Ezech 21:31; Luc 3:5; Luc 18:14 **40:5** De heerlijkheid van Yahweh wordt geopenbaard, en al het vlees ziet het samen. Want de mond van Yahweh heeft gesproken.” Brontekst: וְנִגְלָ֖ה (venigla) = en wordt geopenbaard | כְּב֣וֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְרָא֤וּ (verau) = en zien het | כָל (kal) = al | בָּשָׂר֙ (basar) = vlees | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | כִּ֛י (ki) = want | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֵּֽר (diber) = heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּבוֹד יְהוָה (kevod Yahweh), ‘de heerlijkheid van Yahweh’: zoals in Exod. 16:7 en 16:10. Voetnoot : כָּל בָּשָׂר (kol basar), ‘al het vlees’: alle levende wezens, in de eerste plaats alle mensen. Zie ook: Ex 16:7; Ex 16:10; Joël 3:1; Jes 52:10; Hab 2:14; Luc 3:6; 2 Kor 4:6 ### Alle vlees is gras **40:6** Een stem zegt: „Roep!” En hij zei: „Wat moet ik roepen?” „Al het vlees is gras, en al zijn trouw is als de bloem van het veld. Brontekst: ק֚וֹל (qol) = een stem | אֹמֵ֣ר (omer) = zegt | קְרָ֔א (qera) = roep | וְאָמַ֖ר (veamar) = en hij zei | מָ֣ה (ma) = wat | אֶקְרָ֑א (eqra) = zal ik roepen | כָּל (kal) = al | הַבָּשָׂ֣ר (habasar) = het vlees | חָצִ֔יר (chatsir) = gras | וְכָל (vekhal) = en al | חַסְדּ֖וֹ (chasdo) = zijn trouw | כְּצִ֥יץ (ketsits) = als de bloem van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt de sprekers niet. Wij lezen: de stem zegt ‘Roep!’, een tweede spreker vraagt ‘Wat moet ik roepen?’, en het antwoord (6b–8) volgt zonder aanduiding van de spreker. Voetnoot : חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: hier de trouw of standvastigheid van mensen, die vluchtig is als een bloem. Vergelijk Ps. 103:15–16 en 1 Petr. 1:24–25. Zie ook: Job 14:2; Ps 102:12; Ps 103:15–16; Jak 1:10–11; 1 Petr 1:24–25 **40:7** Het gras verdort, de bloem valt af, want de wind van Yahweh waait erover. Ja, het volk is gras. Brontekst: יָבֵ֤שׁ (yavesh) = verdort | חָצִיר֙ (chatsir) = gras | נָ֣בֵֽל (navel) = valt af | צִ֔יץ (tsits) = bloem | כִּ֛י (ki) = want | ר֥וּחַ (ruach) = wind van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נָ֣שְׁבָה (nasheva) = waait | בּ֑וֹ (bo) = erover | אָכֵ֥ן (akhen) = ja | חָצִ֖יר (chatsir) = gras | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘de wind van Yahweh’: ruach betekent ‘wind’, ‘adem’ en ‘geest’. Hier is het de wind die het gras doet verdorren. In vers 13 kiezen wij voor hetzelfde woord ‘Geest’. Zie ook: Job 41:13; Jes 40:13 **40:8** Het gras verdort, de bloem valt af. Maar het woord van onze Elohim blijft voor eeuwig bestaan.” Brontekst: יָבֵ֥שׁ (yavesh) = verdort | חָצִ֖יר (chatsir) = gras | נָ֣בֵֽל (navel) = valt af | צִ֑יץ (tsits) = bloem | וּדְבַר (udevar) = maar het woord van | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | יָק֥וּם (yaqum) = blijft bestaan | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 119:89–91; Mat 5:18; Mat 24:35; Mar 13:31; 1 Petr 1:25 ### Zie, jullie Elohim **40:9** Klim op een hoge berg, boodschapster van Sion. Verhef je stem met kracht, boodschapster van Jeruzalem. Verhef haar en wees niet bang. Zeg tegen de steden van Juda: „Zie, jullie Elohim!” Brontekst: עַ֣ל (al) = op | הַר (har) = berg | גָּבֹ֤הַ (gavoha) = hoge | עֲלִי (ali) = klim | לָךְ֙ (lakh) = voor jezelf | מְבַשֶּׂ֣רֶת (mevaseret) = boodschapster van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | הָרִ֤ימִי (harimi) = verhef | בַכֹּ֨חַ֙ (bakoach) = met kracht | קוֹלֵ֔ךְ (qolekh) = je stem | מְבַשֶּׂ֖רֶת (mevaseret) = boodschapster van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הָרִ֨ימִי֙ (harimi) = verhef | אַל (al) = niet | תִּירָ֔אִי (tirai) = wees bang | אִמְרִי֙ (imri) = zeg | לְעָרֵ֣י (learei) = tegen de steden van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | הִנֵּ֖ה (hine) = zie | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: מְבַשֶּׂרֶת (mevasseret), ‘boodschapster’: een vrouw die goed nieuws brengt. Het Hebreeuws kan ‘boodschapster van Sion’ betekenen, maar ook ‘Sion, jij die goed nieuws brengt’. Wij kiezen het eerste. Zie ook: Jes 12:2; Jes 25:9; Jes 52:7–8; Jes 61:1; Ef 6:19 **40:10** Zie, Heer Yahweh komt met kracht, en Zijn arm heerst voor Hem. Zie, Zijn loon is bij Hem, en Zijn beloning gaat voor Hem uit. Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אֲדֹנָ֤י (adonay) = Heer | יְהוִה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּחָזָ֣ק (bechazaq) = met kracht | יָב֔וֹא (yavo) = komt Hij | וּזְרֹע֖וֹ (uzeroo) = en Zijn arm | מֹ֣שְׁלָה (moshela) = heerst | ל֑וֹ (lo) = voor Hem | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | שְׂכָרוֹ֙ (sekharo) = Zijn loon | אִתּ֔וֹ (ito) = bij Hem | וּפְעֻלָּת֖וֹ (ufeulato) = en Zijn beloning | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor Hem uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15. Voetnoot : שְׂכָרוֹ (secharo), ‘Zijn loon’, en פְּעֻלָּתוֹ (pe’ulatto), ‘Zijn beloning’: beide woorden betekenen loon voor gedaan werk. Het Hebreeuws zegt niet wat dat loon is. Zie ook: Jes 3:15; Jes 49:4; Jes 62:11; Mat 28:18; Openb 17:14; Openb 22:12 **40:11** Als een herder weidt Hij Zijn kudde. Met Zijn arm brengt Hij de lammeren samen en draagt ze in Zijn schoot. De zogende ooien leidt Hij. Brontekst: כְּרֹעֶה֙ (keroe) = als een herder | עֶדְר֣וֹ (edro) = Zijn kudde | יִרְעֶ֔ה (yire) = weidt Hij | בִּזְרֹעוֹ֙ (bizroo) = met Zijn arm | יְקַבֵּ֣ץ (yeqabets) = brengt Hij samen | טְלָאִ֔ים (telaim) = lammeren | וּבְחֵיק֖וֹ (uvecheiqo) = en in Zijn schoot | יִשָּׂ֑א (yisa) = draagt Hij | עָל֖וֹת (alot) = zogende ooien | יְנַהֵֽל (yenahel) = leidt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָלוֹת (alot), ‘zogende ooien’: dieren die jongen zogen. Zie ook: Ps 23:1–6; Mi 5:3; Ezech 34:23; Joh 10:11–16; Openb 7:17 ### Wie is zo groot als Yahweh? **40:12** Wie heeft het water gemeten in de holte van Zijn hand en de hemel uitgemeten met een span? Wie heeft het stof van de aarde in een maat gevat? Wie heeft de bergen gewogen met een weegschaal en de heuvels met een balans? Brontekst: מִֽי (mi) = wie | מָדַ֨ד (madad) = heeft gemeten | בְּשָׁעֳל֜וֹ (beshaolo) = in de holte van Zijn hand | מַ֗יִם (mayim) = water | וְשָׁמַ֨יִם֙ (veshamayim) = en de hemel | בַּזֶּ֣רֶת (bazeret) = met een span | תִּכֵּ֔ן (tiken) = heeft uitgemeten | וְכָ֥ל (vekhal) = en heeft gevat | בַּשָּׁלִ֖שׁ (bashalish) = in een maat | עֲפַ֣ר (afar) = het stof van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְשָׁקַ֤ל (veshaqal) = en heeft gewogen | בַּפֶּ֨לֶס֙ (bapeles) = met een weegschaal | הָרִ֔ים (harim) = bergen | וּגְבָע֖וֹת (ugevaot) = en heuvels | בְּמֹאזְנָֽיִם (bemoznayim) = met een balans Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁעַל (sho’al), ‘holte van de hand’: de holle hand, waarin je water kunt dragen. Voetnoot : זֶרֶת (zeret), ‘span’: de afstand tussen duim en pink van een gespreide hand, ongeveer 22 centimeter. Voetnoot : שָׁלִשׁ (shalish), ‘maat’: een inhoudsmaat, misschien een derde deel van een grotere maat. De grootte is niet zeker. Zie ook: Job 38:4–11; Ps 102:26–27; Spr 30:4; Jes 48:13; Heb 1:10–12 **40:13** Wie heeft de Geest van Yahweh uitgemeten? En welke man, als Zijn raadgever, onderricht Hem? Brontekst: מִֽי (mi) = wie | תִכֵּ֥ן (tiken) = heeft uitgemeten | אֶת (et) = (obj.) | ר֖וּחַ (ruach) = de Geest van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאִ֥ישׁ (veish) = en welke man | עֲצָת֖וֹ (atsato) = Zijn raadgever | יוֹדִיעֶֽנּוּ (yodienu) = onderricht Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘de Geest van Yahweh’: ruach betekent ook ‘wind’ en ‘adem’; zie vers 7. Hier kiezen wij ‘Geest’. Vergelijk Rom. 11:34 en 1 Kor. 2:16. Zie ook: Job 21:22; Job 36:22–23; Jes 40:7; Luc 10:22; 1 Kor 2:16; Rom 11:34 **40:14** Met wie heeft Hij overlegd? Wie liet Hem begrijpen, onderwees Hem in het pad van het recht, onderwees Hem in kennis en liet Hem de weg van het verstand kennen? Brontekst: אֶת (et) = met | מִ֤י (mi) = wie | נוֹעָץ֙ (noats) = heeft Hij overlegd | וַיְבִינֵ֔הוּ (vayvinehu) = en liet begrijpen | וַֽיְלַמְּדֵ֖הוּ (vaylamedehu) = en onderwees Hem | בְּאֹ֣רַח (beorach) = in het pad van | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | וַיְלַמְּדֵ֣הוּ (vaylamedehu) = en onderwees Hem | דַ֔עַת (daat) = kennis | וְדֶ֥רֶךְ (vederekh) = en de weg van | תְּבוּנ֖וֹת (tevunot) = verstand | יוֹדִיעֶֽנּוּ (yodienu) = liet Hem kennen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 21:22; Jak 1:17; 1 Kor 12:4–6; Kol 2:3 **40:15** Zie, de volken zijn als een druppel uit een emmer. Zij worden geacht als stof op de weegschaal. Zie, de eilanden tilt Hij op als fijn stof. Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | גּוֹיִם֙ (goyim) = volken | כְּמַ֣ר (kemar) = als een druppel | מִדְּלִ֔י (mideli) = uit een emmer | וּכְשַׁ֥חַק (ukheshachaq) = en als stof van | מֹאזְנַ֖יִם (moznayim) = de weegschaal | נֶחְשָׁ֑בוּ (nechshavu) = worden geacht | הֵ֥ן (hen) = zie | אִיִּ֖ים (iyim) = eilanden | כַּדַּ֥ק (kadaq) = als fijn stof | יִטּֽוֹל (yitol) = tilt Hij op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: ook ‘kustlanden’, de verre landen aan de zee (zoals Ps. 97:1). Voetnoot : מַר מִדְּלִי (mar middeli), ‘een druppel uit een emmer’: het kleinste beetje water dat bij het scheppen overblijft. Zie ook: Job 34:14–15; Ps 97:1; Jes 11:11; Jes 29:5; Jes 40:22; Jer 10:10 **40:16** Libanon is niet genoeg om te branden, en zijn dieren zijn niet genoeg voor een brandoffer. Brontekst: וּלְבָנ֕וֹן (ulevanon) = en Libanon | אֵ֥ין (ein) = is niet | דֵּ֖י (dei) = genoeg | בָּעֵ֑ר (baer) = om te branden | וְחַיָּת֔וֹ (vechayato) = en zijn dieren | אֵ֥ין (ein) = is niet | דֵּ֖י (dei) = genoeg | עוֹלָֽה (ola) = voor een brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Libanon was beroemd om zijn cederbossen. Zelfs al zijn bomen als brandhout en al zijn dieren als offers zouden Yahweh niet genoeg eer geven. Zie ook: Ps 40:7; Ps 50:9–12; Mi 6:6–7; Heb 10:5–10 **40:17** Alle volken zijn als niets tegenover Hem. Minder dan nietigheid en leegte worden zij door Hem geacht. Brontekst: כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = volken | כְּאַ֣יִן (keayin) = als niets | נֶגְדּ֑וֹ (negdo) = tegenover Hem | מֵאֶ֥פֶס (meefes) = minder dan nietigheid | וָתֹ֖הוּ (vatohu) = en leegte | נֶחְשְׁבוּ (nechshevu) = worden geacht | לֽוֹ (lo) = door Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵאֶפֶס (me’efes), ‘minder dan nietigheid’: het voorzetsel מִן (min) kan ‘van’ of ‘minder dan’ betekenen. Wij kiezen de vergelijking. Dezelfde keuze maken wij in 41:24. Zie ook: Job 25:6; Ps 62:10; Jes 29:7; Dan 4:31–32; 2 Kor 12:11 **40:18** Met wie vergelijken jullie El? Welke gelijkenis leggen jullie naast Hem? Brontekst: וְאֶל (veel) = en met | מִ֖י (mi) = wie | תְּדַמְּי֣וּן (tedameyun) = vergelijken jullie | אֵ֑ל (el) = El | וּמַה (uma) = en welke | דְּמ֖וּת (demut) = gelijkenis | תַּ֥עַרְכוּ (taarkhu) = leggen jullie | לֽוֹ (lo) = naast Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 15:11; 1 Sam 2:2; Jes 40:25; Jes 46:5; Hand 17:29 **40:19** Het beeld: een ambachtsman giet het. De smelter beslaat het met goud en maakt zilveren kettinkjes. Brontekst: הַפֶּ֨סֶל֙ (hapesel) = het beeld | נָסַ֣ךְ (nasakh) = giet | חָרָ֔שׁ (charash) = een ambachtsman | וְצֹרֵ֖ף (vetsoref) = en een smelter | בַּזָּהָ֣ב (bazahav) = met goud | יְרַקְּעֶ֑נּוּ (yeraqeenu) = beslaat hij het | וּרְתֻק֥וֹת (uretuqot) = en kettinkjes van | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | צוֹרֵֽף (tsoref) = een smelter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּסֶל (pesel), ‘beeld’: een door mensen gemaakt godenbeeld. Wij gebruiken in dit hoofdstuk steeds dit woord. Voetnoot : רְתֻקוֹת (retuqot), ‘kettinkjes’: de betekenis is niet zeker; het woord staat zelden in de Bijbel. Voetnoot : Het Hebreeuws herhaalt aan het eind van het vers het woord צוֹרֵף (tsoref), ‘smelter’. Het zinsverband is moeilijk. Wij nemen aan dat de smelter ook de zilveren kettinkjes maakt. Zie ook: Re 17:4; Ps 115:4–8; Jes 46:6–7; Jer 10:9; Hab 2:18–19 **40:20** Wie te arm is voor een gave, kiest hout dat niet rot. Hij zoekt een bekwame ambachtsman om een beeld op te richten dat niet wankelt. Brontekst: הַֽמְסֻכָּ֣ן (hamsukan) = wie te arm is | תְּרוּמָ֔ה (teruma) = voor een gave | עֵ֥ץ (ets) = hout | לֹֽא (lo) = niet | יִרְקַ֖ב (yirqav) = rot | יִבְחָ֑ר (yivchar) = kiest hij | חָרָ֤שׁ (charash) = een ambachtsman | חָכָם֙ (chakham) = bekwame | יְבַקֶּשׁ (yevaqesh) = zoekt hij | ל֔וֹ (lo) = voor zich | לְהָכִ֥ין (lehakhin) = om op te richten | פֶּ֖סֶל (pesel) = een beeld | לֹ֥א (lo) = niet | יִמּֽוֹט (yimot) = wankelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְסֻכָּן (hamsukkan), ‘wie te arm is’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis is niet zeker. Voetnoot : תְּרוּמָה (terumah), ‘gave’: elders ‘heffing’, wat men voor een heiligdom afdraagt. Hier is het de bijdrage voor een metalen beeld, die de arme niet kan betalen. Zie ook: Jes 2:8–9; Jes 41:7; Jes 46:7; Jer 10:3–4; Dan 5:23 **40:21** Weten jullie het niet? Horen jullie het niet? Is het jullie niet van het begin af verteld? Hebben jullie de grondvesten van de aarde niet begrepen? Brontekst: הֲל֤וֹא (halo) = is het niet | תֵֽדְעוּ֙ (tedeu) = weten jullie | הֲל֣וֹא (halo) = is het niet | תִשְׁמָ֔עוּ (tishmau) = horen jullie | הֲל֛וֹא (halo) = is het niet | הֻגַּ֥ד (hugad) = is verteld | מֵרֹ֖אשׁ (merosh) = van het begin | לָכֶ֑ם (lakhem) = aan jullie | הֲלוֹא֙ (halo) = is het niet | הֲבִ֣ינֹתֶ֔ם (havinotem) = hebben jullie begrepen | מוֹסְד֖וֹת (mosedot) = grondvesten van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 50:6; Jes 46:8; Jes 48:13; Hand 14:17; Rom 1:19–21 **40:22** Hij is het die troont boven de kring van de aarde, en haar bewoners zijn als sprinkhanen. Hij spant de hemel uit als een fijn doek en spreidt hem uit als een tent om in te wonen. Brontekst: הַיֹּשֵׁב֙ (hayoshev) = Hij die troont | עַל (al) = boven | ח֣וּג (chug) = de kring van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וְיֹשְׁבֶ֖יהָ (veyosheveiha) = en haar bewoners | כַּחֲגָבִ֑ים (kachagavim) = zijn als sprinkhanen | הַנּוֹטֶ֤ה (hanote) = Hij die uitspant | כַדֹּק֙ (kadoq) = als fijn doek | שָׁמַ֔יִם (shamayim) = de hemel | וַיִּמְתָּחֵ֥ם (vayimtachem) = en spreidt hem uit | כָּאֹ֖הֶל (kaohel) = als een tent | לָשָֽׁבֶת (lashavet) = om in te wonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוּג (chug), ‘kring’: de gewelfde ronding van de aarde, de horizon. Voetnoot : דֹּק (doq), ‘fijn doek’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis is niet zeker. Vergelijk Ps. 104:2: ‘U spant de hemel uit als een tentdoek.’ Voetnoot : חֲגָבִים (chagavim), ‘sprinkhanen’: heel klein; zie ook Num. 13:33. Zie ook: Num 13:33; Ps 104:2; Spr 8:27; Jes 42:5; Jes 66:1; Jer 10:12 **40:23** Hij maakt vorsten tot niets. De rechters van de aarde maakt Hij tot leegte. Brontekst: הַנּוֹתֵ֥ן (hanoten) = Hij die maakt | רוֹזְנִ֖ים (rozenim) = vorsten | לְאָ֑יִן (leayin) = tot niets | שֹׁ֥פְטֵי (shofetei) = rechters van | אֶ֖רֶץ (erets) = de aarde | כַּתֹּ֥הוּ (katohu) = als leegte | עָשָֽׂה (asa) = maakt Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:21; Ps 107:40; Jes 24:21–22; Jes 34:12; Jer 25:18–27 **40:24** Nauwelijks zijn ze geplant. Nauwelijks zijn ze gezaaid. Nauwelijks heeft hun stam wortel geschoten in de aarde, of Hij blaast op hen. Ze verdorren, en een storm voert hen weg als stro. Brontekst: אַ֣ף (af) = zelfs | בַּל (bal) = nauwelijks | נִטָּ֗עוּ (nitau) = zijn geplant | אַ֚ף (af) = zelfs | בַּל (bal) = nauwelijks | זֹרָ֔עוּ (zorau) = zijn gezaaid | אַ֛ף (af) = zelfs | בַּל (bal) = nauwelijks | שֹׁרֵ֥שׁ (shoresh) = heeft wortel geschoten | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = in de aarde | גִּזְעָ֑ם (gizam) = hun stam | וְגַם (vegam) = en ook | נָשַׁ֤ף (nashaf) = blaast Hij | בָּהֶם֙ (bahem) = op hen | וַיִּבָ֔שׁוּ (vayivashu) = en ze verdorren | וּסְעָרָ֖ה (useara) = en een storm | כַּקַּ֥שׁ (kaqash) = als stro | תִּשָּׂאֵֽם (tisaem) = voert hen weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַף בַּל (af bal), ‘nauwelijks’: letterlijk ‘zelfs niet’. Het staat driemaal na elkaar. Wij vertalen: ‘nauwelijks zijn ze geplant’, enzovoort. Zie ook: Jes 14:21–22; Jes 17:13; Jes 41:16; Jer 23:19; Hag 1:9 **40:25** **„Met wie vergelijken jullie Mij, zodat Ik hem gelijk zou zijn?” zegt de Heilige.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en met | מִ֥י (mi) = wie | תְדַמְּי֖וּנִי (tedameyuni) = vergelijken jullie Mij | וְאֶשְׁוֶ֑ה (veeshve) = zodat Ik gelijk ben | יֹאמַ֖ר (yomar) = zegt | קָדֽוֹשׁ (qadosh) = de Heilige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָדוֹשׁ (qadosh), ‘de Heilige’: een naam voor Yahweh. Zijn woorden staan weer rood. Zie ook: Deut 4:15–18; Deut 4:33; Deut 5:8; Jes 40:18 **40:26** Sla jullie ogen omhoog en kijk: wie heeft deze geschapen? Hij voert hun leger uit, geteld bij getal. Hij roept hen allen bij naam. Door Zijn grote kracht en Zijn sterke macht ontbreekt er niet één. Brontekst: שְׂאוּ (seu) = sla op | מָר֨וֹם (marom) = omhoog | עֵינֵיכֶ֤ם (eineikhem) = jullie ogen | וּרְאוּ֙ (ureu) = en kijk | מִי (mi) = wie | בָרָ֣א (bara) = heeft geschapen | אֵ֔לֶּה (ele) = deze | הַמּוֹצִ֥יא (hamotsi) = die naar buiten voert | בְמִסְפָּ֖ר (bemispar) = bij getal | צְבָאָ֑ם (tsevaam) = hun leger | לְכֻלָּם֙ (lekhulam) = hen allen | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = bij naam | יִקְרָ֔א (yiqra) = roept Hij | מֵרֹ֤ב (merov) = door de overvloed van | אוֹנִים֙ (onim) = kracht | וְאַמִּ֣יץ (veamits) = en sterk van | כֹּ֔חַ (koach) = macht | אִ֖ישׁ (ish) = niemand | לֹ֥א (lo) = niet | נֶעְדָּֽר (nedar) = ontbreekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְבָאָם (tsevaam), ‘hun leger’: de sterren als het leger van de hemel. Zie ook Ps. 147:4. Zie ook: Ps 147:4; Jes 44:24; Jes 48:13; Jes 51:6; Jer 32:17–19; Kol 1:16–17 ### Hij geeft de vermoeide kracht **40:27** Waarom zeg je, Jakob, en spreek je, Israël: „Mijn weg is verborgen voor Yahweh, en mijn recht gaat aan mijn Elohim voorbij”? Brontekst: לָ֤מָּה (lama) = waarom | תֹאמַר֙ (tomar) = zeg je | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וּתְדַבֵּ֖ר (utedaber) = en spreek je | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | נִסְתְּרָ֤ה (nistera) = verborgen is | דַרְכִּי֙ (darki) = mijn weg | מֵֽיְהוָ֔ה (meYahweh) = voor Yahweh | וּמֵאֱלֹהַ֖י (umeelohay) = en voor mijn Elohim | מִשְׁפָּטִ֥י (mishpati) = mijn recht | יַעֲבֽוֹר (yaavor) = gaat voorbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 27:2; Jes 49:4; Jes 49:14; Luc 18:7–8 **40:28** Weet je het niet? Of heb je het niet gehoord? Yahweh is de Elohim van de eeuwigheid, de Schepper van de einden van de aarde. Hij wordt niet moe en raakt niet uitgeput. Zijn verstand is niet te doorgronden. Brontekst: הֲל֨וֹא (halo) = is het niet | יָדַ֜עְתָּ (yadata) = heb je geweten | אִם (im) = of | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁמַ֗עְתָּ (shamata) = heb je gehoord | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = de Elohim van | עוֹלָ֤ם (olam) = de eeuwigheid | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בּוֹרֵא֙ (bore) = Schepper van | קְצ֣וֹת (qetsot) = de einden van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | לֹ֥א (lo) = niet | יִיעַ֖ף (yiaf) = wordt moe | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִיגָ֑ע (yiga) = raakt uitgeput | אֵ֥ין (ein) = er is geen | חֵ֖קֶר (cheqer) = onderzoek | לִתְבוּנָתֽוֹ (litvunato) = naar Zijn verstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵי עוֹלָם (Elohe olam), ‘de Elohim van de eeuwigheid’: olam is een lange, onbegrensde tijd. Voetnoot : תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’: hetzelfde woord als in vers 14. Zie ook: Ps 147:5; Jes 40:14; Jes 55:8–9; Rom 11:33–34; Fil 1:6; 1 Tim 1:17 **40:29** Hij geeft de vermoeide kracht. Wie geen kracht heeft, geeft Hij sterkte in overvloed. Brontekst: נֹתֵ֥ן (noten) = Hij die geeft | לַיָּעֵ֖ף (layaef) = aan de vermoeide | כֹּ֑חַ (koach) = kracht | וּלְאֵ֥ין (uleein) = en aan wie geen | אוֹנִ֖ים (onim) = kracht heeft | עָצְמָ֥ה (atsema) = sterkte | יַרְבֶּֽה (yarbe) = vermeerdert Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 41:10; Zach 10:12; 2 Kor 12:9–10; Fil 4:13; Kol 1:11 **40:30** Jongens worden moe en raken uitgeput. Jonge mannen struikelen zonder ophouden. Brontekst: וְיִֽעֲפ֥וּ (veyiafu) = en worden moe | נְעָרִ֖ים (nearim) = jongens | וְיִגָ֑עוּ (veyigau) = en raken uitgeput | וּבַחוּרִ֖ים (uvachurim) = en jonge mannen | כָּשׁ֥וֹל (kashol) = struikelen | יִכָּשֵֽׁלוּ (yikashelu) = struikelen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 33:16; Ps 34:11; Pred 9:11; Amos 2:14; Jes 9:16 **40:31** Wie op Yahweh hopen, vernieuwen hun kracht. Zij stijgen op met vleugels als arenden. Zij rennen en raken niet uitgeput. Zij lopen en worden niet moe. Brontekst: וְקוֹיֵ֤ (veqoye) = en wie hopen op | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יַחֲלִ֣יפוּ (yachalifu) = vernieuwen | כֹ֔חַ (koach) = kracht | יַעֲל֥וּ (yaalu) = zij stijgen op | אֵ֖בֶר (ever) = met vleugels | כַּנְּשָׁרִ֑ים (kanesharim) = als arenden | יָר֨וּצוּ֙ (yarutsu) = zij rennen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִיגָ֔עוּ (yigau) = raken uitgeput | יֵלְכ֖וּ (yelekhu) = zij lopen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִיעָֽפוּ (yiafu) = worden moe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹיֵ יְהוָה (qoye Yahweh), ‘wie op Yahweh hopen’: het werkwoord קָוָה (qavah) betekent ‘hopen’ en ‘uitzien naar’. Voetnoot : יַחֲלִיפוּ כֹחַ (yachalifu koach), ‘zij vernieuwen hun kracht’: letterlijk ‘zij verwisselen kracht’. Dezelfde woorden staan in 41:1. Zie ook: Ps 27:13–14; Ps 103:5; Klaagl 3:25–26; 2 Kor 4:16; 2 Kor 12:9–10 ## Jesaja 41 _Yahweh roept de volken voor het gerecht en sterkt Israël_ ### De eilanden voor het gerecht **41:1** **„Wees stil voor Mij, eilanden. Laat de volkeren hun kracht vernieuwen. Laat hen naderen en dan spreken. Samen komen wij dichterbij voor de rechtszaak.** Brontekst: הַחֲרִ֤ישׁוּ (hacharishu) = wees stil | אֵלַי֙ (elay) = voor Mij | אִיִּ֔ים (iyim) = eilanden | וּלְאֻמִּ֖ים (uleumim) = en volkeren | יַחֲלִ֣יפוּ (yachalifu) = laat vernieuwen | כֹ֑חַ (koach) = kracht | יִגְּשׁוּ֙ (yigeshu) = laat naderen | אָ֣ז (az) = dan | יְדַבֵּ֔רוּ (yedaberu) = laat spreken | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | לַמִּשְׁפָּ֥ט (lamishpat) = voor de rechtszaak | נִקְרָֽבָה (niqrava) = komen wij dichterbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Yahweh tot de volken in de verte. Zijn woorden staan rood. Voetnoot : אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: ook ‘kustlanden’, de verre landen aan de zee (zoals Ps. 97:1). Voetnoot : יַחֲלִיפוּ כֹחַ (yachalifu koach), ‘zij vernieuwen hun kracht’: dezelfde woorden als in 40:31. Voetnoot : לַמִּשְׁפָּט (lamishpat), ‘voor de rechtszaak’: mishpat is ‘recht’. Hier is het het gerecht waar partijen hun zaak voorleggen. Zie ook: Ps 46:11; Ps 97:1; Jes 1:18; Jes 41:6–7; Hab 2:20; Zach 2:17 **41:2** **Wie wekte hem op uit het oosten? Bij elke stap roept de gerechtigheid hem. Wie geeft volken aan hem over en laat hem koningen onderwerpen? Wie geeft hen als stof aan zijn zwaard en als weggeblazen stro aan zijn boog?** Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | הֵעִיר֙ (heir) = heeft opgewekt | מִמִּזְרָ֔ח (mimizrach) = uit het oosten | צֶ֖דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | יִקְרָאֵ֣הוּ (yiqraehu) = roept hem | לְרַגְל֑וֹ (leraglo) = tot zijn voet | יִתֵּ֨ן (yiten) = geeft Hij | לְפָנָ֤יו (lefanav) = voor hem | גּוֹיִם֙ (goyim) = volken | וּמְלָכִ֣ים (umelakhim) = en koningen | יַ֔רְדְּ (yard) = laat Hij heersen | יִתֵּ֤ן (yiten) = geeft Hij | כֶּֽעָפָר֙ (keafar) = als stof | חַרְבּ֔וֹ (charbo) = zijn zwaard | כְּקַ֥שׁ (keqash) = als stro | נִדָּ֖ף (nidaf) = weggeblazen | קַשְׁתּֽוֹ (qashto) = zijn boog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִי הֵעִיר (mi he’ir), ‘wie wekte op’: de man die hier bedoeld wordt, krijgt geen naam. Hij komt uit het oosten (vers 2) en uit het noorden (vers 25). Voetnoot : צֶדֶק יִקְרָאֵהוּ לְרַגְלוֹ (tsedeq yiqra’ehu leraglo), letterlijk ‘gerechtigheid roept hem tot zijn voet’. De zin is moeilijk. Mogelijk betekent hij: ‘gerechtigheid roept hem om haar te volgen’ of: ‘gerechtigheid ontmoet hem bij elke stap’. Wij nemen ‘bij elke stap’. Voetnoot : De werkwoorden ‘geeft’ en ‘laat heersen’ staan in het Hebreeuws zonder onderwerp. Wij lezen ze als vervolg op de vraag ‘Wie?’. Voetnoot : יַרְדְּ (yard), ‘laat heersen’: van רָדָה (radah), ‘heersen’, ‘onderwerpen’. De vorm is ongewoon; de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: 2 Sam 22:43; Jes 40:24; Jes 41:25; Jes 45:1; Jes 46:11 **41:3** **Hij achtervolgt hen. Hij trekt veilig voorbij, over een pad dat zijn voeten niet eerder betraden.** Brontekst: יִרְדְּפֵ֖ם (yirdefem) = hij achtervolgt hen | יַעֲב֣וֹר (yaavor) = hij trekt voorbij | שָׁל֑וֹם (shalom) = in vrede | אֹ֥רַח (orach) = pad | בְּרַגְלָ֖יו (beraglav) = met zijn voeten | לֹ֥א (lo) = niet | יָבֽוֹא (yavo) = betreedt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:24; Jes 57:2 **41:4** **Wie heeft dit gedaan en tot stand gebracht? Wie riep de generaties van het begin af? Ik, Yahweh, ben de eerste, en bij de laatsten ben Ik Hij.”** Brontekst: מִֽי (mi) = wie | פָעַ֣ל (paal) = heeft gewerkt | וְעָשָׂ֔ה (veasa) = en gemaakt | קֹרֵ֥א (qore) = die roept | הַדֹּר֖וֹת (hadorot) = de generaties | מֵרֹ֑אשׁ (merosh) = van het begin | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | רִאשׁ֔וֹן (rishon) = de eerste | וְאֶת (veet) = en met | אַחֲרֹנִ֖ים (acharonim) = de laatsten | אֲנִי (ani) = Ik | הֽוּא (hu) = ben Hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲנִי הוּא (ani hu), ‘Ik ben Hij’: een vaste uitspraak van Yahweh. Vergelijk Deut. 32:39: ‘Ik, Ik ben Hij’. Voetnoot : הַדֹּרוֹת (haddorot), ‘de generaties’: de opeenvolgende geslachten van mensen. Zie ook: Deut 32:39; Jes 44:6–7; Jes 46:10; Jes 48:12; Openb 1:17; Openb 22:13 ### De volken en hun beelden **41:5** De eilanden zien het en worden bang. De einden van de aarde beven. Zij naderen en komen. Brontekst: רָא֤וּ (rau) = hebben gezien | אִיִּים֙ (iyim) = eilanden | וְיִירָ֔אוּ (veyirau) = en zijn bang | קְצ֥וֹת (qetsot) = einden van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | יֶחֱרָ֑דוּ (yecheradu) = beven | קָרְב֖וּ (qarevu) = zij naderen | וַיֶּאֱתָיֽוּן (vayeetayun) = en komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 5:1; Ps 65:9; Ps 66:3; Ps 67:8; Ezech 26:15–16 **41:6** Ieder helpt zijn naaste, en tegen zijn broer zegt hij: „Wees sterk!” Brontekst: אִ֥ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | יַעְזֹ֑רוּ (yazoru) = helpen zij | וּלְאָחִ֖יו (uleachiv) = en tegen zijn broer | יֹאמַ֥ר (yomar) = zegt hij | חֲזָֽק (chazaq) = sterk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 4:7–9; Jes 35:4; Jes 40:19; Jes 44:12; Dan 3:1–7 **41:7** De ambachtsman sterkt de smelter. Wie met de hamer glad maakt, sterkt wie het aambeeld slaat. Hij zegt over het soldeer: „Het is goed.” Dan zet hij het vast met nagels, zodat het niet wankelt. Brontekst: וַיְחַזֵּ֤ק (vaychazeq) = en sterkt | חָרָשׁ֙ (charash) = de ambachtsman | אֶת (et) = (obj.) | צֹרֵ֔ף (tsoref) = de smelter | מַחֲלִ֥יק (machaliq) = wie glad maakt | פַּטִּ֖ישׁ (patish) = met de hamer | אֶת (et) = (obj.) | ה֣וֹלֶם (holem) = wie slaat | פָּ֑עַם (paam) = het aambeeld | אֹמֵ֤ר (omer) = zegt hij | לַדֶּ֨בֶק֙ (ladeveq) = over het soldeer | ט֣וֹב (tov) = goed | ה֔וּא (hu) = het is | וַיְחַזְּקֵ֥הוּ (vaychazeqehu) = en hij zet het vast | בְמַסְמְרִ֖ים (bemasmerim) = met nagels | לֹ֥א (lo) = niet | יִמּֽוֹט (yimot) = wankelt het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּבֶק (devek), ‘soldeer’: de verbinding tussen twee delen metaal. Voetnoot : פָּעַם (pa’am), ‘aambeeld’: letterlijk ‘slag’ of ‘stap’. De betekenis is hier niet helemaal zeker. Voetnoot : De ambachtslieden spreken elkaar moed in terwijl zij een beeld maken. Het vers staat in tegenstelling tot Yahweh, die Zijn volk sterk maakt (vers 10). Zie ook: Re 18:17–18; Re 18:24; Jes 40:19–20; Jes 41:10; Jes 46:6–7; Dan 3:1–7 ### Wees niet bang, Mijn knecht **41:8** **„Maar jij, Israël, Mijn knecht, Jakob, die Ik gekozen heb, nageslacht van Abraham, die Mij liefheeft,** Brontekst: וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | עַבְדִּ֔י (avdi) = Mijn knecht | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּחַרְתִּ֑יךָ (bechartikha) = Ik heb gekozen | זֶ֖רַע (zera) = nageslacht van | אַבְרָהָ֥ם (avraham) = Abraham | אֹהֲבִֽי (ohavi) = die Mij liefheeft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: hier is Israël, ook Jakob genoemd, de knecht. Vergelijk 42:1 en 42:19. Voetnoot : אֹהֲבִי (ohavi), ‘die Mij liefheeft’: ook ‘Mijn vriend’. Vergelijk 2 Kron. 20:7: ‘Abraham, die U liefhad’. Zie ook: Ex 19:5–6; Deut 14:2; 2 Kron 20:7; Joh 15:14–15; Jak 2:23 **41:9** **jij die Ik van de einden van de aarde heb vastgegrepen en uit haar uithoeken heb geroepen. Ik zei tegen je: ‘Mijn knecht ben je.’ Ik heb je gekozen en niet verworpen.** Brontekst: אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הֶחֱזַקְתִּ֨יךָ֙ (hechezaqtikha) = Ik heb vastgegrepen | מִקְצ֣וֹת (miqtsot) = vanaf de einden van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וּמֵאֲצִילֶ֖יהָ (umeatsileiha) = en vanaf haar uithoeken | קְרָאתִ֑יךָ (qeratikha) = Ik heb je geroepen | וָאֹ֤מַר (vaomar) = en Ik zei | לְךָ֙ (lekha) = tegen je | עַבְדִּי (avdi) = Mijn knecht | אַ֔תָּה (ata) = ben je | בְּחַרְתִּ֖יךָ (bechartikha) = Ik heb je gekozen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מְאַסְתִּֽיךָ (meastikha) = Ik heb je verworpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲצִילֶיהָ (atsileiha), ‘haar uithoeken’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker; het staat naast ‘de einden van de aarde’. Zie ook: Deut 7:6–7; Joz 24:2–4; 1 Sam 12:22; Ps 94:14; Jak 2:5 **41:10** **Wees niet bang, want Ik ben met je. Kijk niet angstig om je heen, want Ik ben je Elohim. Ik maak je sterk. Ja, Ik help je. Ja, Ik steun je met de rechterhand van Mijn gerechtigheid.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּירָא֙ (tira) = wees bang | כִּ֣י (ki) = want | עִמְּךָ (imekha) = met je | אָ֔נִי (ani) = Ik | אַל (al) = niet | תִּשְׁתָּ֖ע (tishta) = kijk angstig rond | כִּֽי (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = Ik | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | אִמַּצְתִּ֨יךָ֙ (imatstikha) = Ik maak je sterk | אַף (af) = ja | עֲזַרְתִּ֔יךָ (azartikha) = Ik help je | אַף (af) = ja | תְּמַכְתִּ֖יךָ (temakhtikha) = Ik steun je | בִּימִ֥ין (bimin) = met de rechterhand van | צִדְקִֽי (tsidqi) = Mijn gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּשְׁתָּע (tishta), ‘kijk angstig rond’: dit werkwoord komt alleen hier en in vers 23 voor. Het betekent waarschijnlijk ‘angstig om je heen kijken’. Voetnoot : יְמִין צִדְקִי (yemin tsidqi), ‘de rechterhand van Mijn gerechtigheid’: de hand waarmee Yahweh recht doet en helpt. Zie ook: Deut 31:6–8; Joz 1:9; Jes 41:23; Jes 43:1–2; Rom 8:31; Fil 4:13 **41:11** **Zie, beschaamd en vernederd worden allen die tegen je woedend zijn. Zij worden als niets. De mannen die een rechtszaak tegen je voeren, komen om.** Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | יֵבֹ֨שׁוּ֙ (yevoshu) = worden beschaamd | וְיִכָּ֣לְמ֔וּ (veyikalemu) = en vernederd | כֹּ֖ל (kol) = allen | הַנֶּחֱרִ֣ים (hanecherim) = die woedend zijn | בָּ֑ךְ (bakh) = tegen je | יִֽהְי֥וּ (yihyu) = zij worden | כְאַ֛יִן (keayin) = als niets | וְיֹאבְד֖וּ (veyovdu) = en komen om | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | רִיבֶֽךָ (rivekha) = je rechtszaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַנְשֵׁי רִיבֶךָ (anshei rivekha), ‘de mannen die een rechtszaak tegen je voeren’: letterlijk ‘de mannen van je twist’. Het woord רִיב (riv) is ‘twist’ en ‘rechtszaak’; zie vers 21. Zie ook: Ex 23:22; Jes 41:21; Jes 45:24; Jes 54:17; Hand 16:39; Openb 3:9 **41:12** **Je zoekt hen en vindt hen niet, de mannen die met je twisten. De mannen die oorlog tegen je voeren, worden als niets en als nietigheid.** Brontekst: תְּבַקְשֵׁם֙ (tevaqshem) = je zoekt hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִמְצָאֵ֔ם (timtsaem) = je vindt hen | אַנְשֵׁ֖י (anshei) = mannen van | מַצֻּתֶ֑ךָ (matsutekha) = je twist | יִהְי֥וּ (yihyu) = zij worden | כְאַ֛יִן (keayin) = als niets | וּכְאֶ֖פֶס (ukheefes) = en als nietigheid | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | מִלְחַמְתֶּֽךָ (milchamtekha) = je oorlog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצֻּתֶךָ (matsutekha), ‘je twist’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Job 20:7–9; Ps 37:35–36; Jes 17:14 **41:13** **Want Ik ben Yahweh, je Elohim. Ik houd je rechterhand vast. Ik zeg tegen je: ‘Wees niet bang. Ik help je.’** Brontekst: כִּ֗י (ki) = want | אֲנִ֛י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | מַחֲזִ֣יק (machaziq) = houdt vast | יְמִינֶ֑ךָ (yeminekha) = je rechterhand | הָאֹמֵ֥ר (haomer) = Ik die zeg | לְךָ֛ (lekha) = tegen je | אַל (al) = niet | תִּירָ֖א (tira) = wees bang | אֲנִ֥י (ani) = Ik | עֲזַרְתִּֽיךָ (azartikha) = help je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 63:9; Ps 73:23; Ps 109:31; Jes 41:10; Jes 42:6 **41:14** **Wees niet bang, worm Jakob, kleine schare van Israël. Ik help je, godsspraak van Yahweh. Je Verlosser is de Heilige van Israël.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּֽירְאִי֙ (tirei) = wees bang | תּוֹלַ֣עַת (tolaat) = worm | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | מְתֵ֖י (metei) = schare van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֲנִ֤י (ani) = Ik | עֲזַרְתִּיךְ֙ (azartikh) = help je | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְגֹאֲלֵ֖ךְ (vegoalekh) = en je Verlosser | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24. Voetnoot : תּוֹלַעַת (tola’at), ‘worm’: een kleine worm, het beeld van zwakte. מְתֵי (metei), ‘schare’: letterlijk ‘mannen van’. Het woord wordt gebruikt voor een klein aantal; de betekenis is hier niet helemaal zeker. Voetnoot : גֹּאֲלֵךְ (go’alekh), ‘je Verlosser’: de go’el is de naaste verwant die iemand loskoopt of zijn recht herstelt (Lev. 25:25; Ruth 4:1–6). In eerdere boeken noemen wij hem ‘losser’; in Jesaja heet hij ‘Verlosser’. Zie ook: Lev 25:25; Ruth 4:1–6; Ps 19:15; Ps 22:7; Jes 1:24; Jes 43:14; Jes 54:5; Jer 50:34 **41:15** **Zie, Ik maak je tot een dorsslede, scherp en nieuw, met tanden. Je dorst bergen en vermaalt ze. Van heuvels maak je kaf.** Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | שַׂמְתִּ֗יךְ (samtikh) = Ik maak je | לְמוֹרַג֙ (lemorag) = tot een dorsslede | חָר֣וּץ (charuts) = scherp | חָדָ֔שׁ (chadash) = nieuw | בַּ֖עַל (baal) = bezitter van | פִּֽיפִיּ֑וֹת (pifiyot) = tanden | תָּד֤וּשׁ (tadush) = je dorst | הָרִים֙ (harim) = bergen | וְתָדֹ֔ק (vetadoq) = en je vermaalt ze | וּגְבָע֖וֹת (ugevaot) = en heuvels | כַּמֹּ֥ץ (kamots) = als kaf | תָּשִֽׂים (tasim) = maak je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹרַג (morag), ‘dorsslede’: een zware slede met scherpe stenen of ijzer eronder, die over het graan wordt getrokken. Voetnoot : בַּעַל פִּיפִיּוֹת (ba’al pifiyyot), ‘met tanden’: letterlijk ‘bezitter van monden’. Het woord פִּיפִיּוֹת komt alleen hier voor; het zijn de scherpe randen of tanden van de slede. Zie ook: Jes 21:10; Mi 4:13; Hab 3:12; Zach 4:7; 2 Kor 10:4–5 **41:16** **Je want ze, en de wind voert ze weg, en een storm verstrooit ze. Maar jij zult juichen in Yahweh. In de Heilige van Israël zul je je beroemen.** Brontekst: תִּזְרֵם֙ (tizrem) = je want ze | וְר֣וּחַ (veruach) = en de wind | תִּשָּׂאֵ֔ם (tisaem) = voert ze weg | וּסְעָרָ֖ה (useara) = en een storm | תָּפִ֣יץ (tafits) = verstrooit | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | וְאַתָּה֙ (veata) = maar jij | תָּגִ֣יל (tagil) = zult juichen | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = in Yahweh | בִּקְד֥וֹשׁ (biqdosh) = in de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | תִּתְהַלָּֽל (tithalal) = zul je je beroemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּזְרֵם (tizrem), ‘je want ze’: wannen is het graan omhoog gooien, zodat de wind het kaf wegblaast. Zie ook: Jes 45:24–25; Jes 61:10–11; Jer 9:22–23; Jer 51:2; Hab 3:18 ### Water in de woestijn **41:17** **De ellendigen en de armen zoeken water, maar er is geen. Hun tong is uitgedroogd van dorst. Ik, Yahweh, zal hen antwoorden. Ik, de Elohim van Israël, zal hen niet verlaten.** Brontekst: הָעֲנִיִּ֨ים (haaniyim) = de ellendigen | וְהָאֶבְיוֹנִ֜ים (vehaevyonim) = en de armen | מְבַקְשִׁ֥ים (mevaqshim) = zoeken | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | וָאַ֔יִן (vaayin) = en er is geen | לְשׁוֹנָ֖ם (leshonam) = hun tong | בַּצָּמָ֣א (batsama) = van dorst | נָשָׁ֑תָּה (nashata) = is uitgedroogd | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶעֱנֵ֔ם (eenem) = zal hen antwoorden | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | אֶעֶזְבֵֽם (eezvem) = zal hen verlaten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶעֱנֵם (e’enem), ‘Ik zal hen antwoorden’: van עָנָה (anah), ‘antwoorden’; zo ook in Hos. 2:23–24. Voetnoot : עֲנִיִּים (aniyyim), ‘ellendigen’, en אֶבְיוֹנִים (evyonim), ‘armen’: mensen zonder macht of bezit. Zie ook: Hos 2:23–24; Jes 30:19; Jes 44:3; Jes 55:1; Jes 61:1; Mat 5:6 **41:18** **Ik open rivieren op kale hoogten en bronnen midden in de vlakten. Ik maak de woestijn tot een waterpoel en het dorre land tot waterbronnen.** Brontekst: אֶפְתַּ֤ח (eftach) = Ik open | עַל (al) = op | שְׁפָיִים֙ (shefayim) = kale hoogten | נְהָר֔וֹת (neharot) = rivieren | וּבְת֥וֹךְ (uvetokh) = en midden in | בְּקָע֖וֹת (beqaot) = vlakten | מַעְיָנ֑וֹת (mayanot) = bronnen | אָשִׂ֤ים (asim) = Ik maak | מִדְבָּר֙ (midbar) = woestijn | לַאֲגַם (laagam) = tot een poel van | מַ֔יִם (mayim) = water | וְאֶ֥רֶץ (veerets) = en land van | צִיָּ֖ה (tsiya) = dorheid | לְמוֹצָ֥אֵי (lemotsaei) = tot bronnen van | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁפָיִים (shefayim), ‘kale hoogten’: kale heuveltoppen zonder begroeiing. Voetnoot : בְּקָעוֹת (beqa’ot), ‘vlakten’: dezelfde stam als ‘vlakte’ in 40:4. Zie ook: Ps 107:35; Jes 30:25; Jes 35:6–7; Jes 43:19–20; Jes 58:11 **41:19** **In de woestijn geef Ik ceder, acacia, mirte en olijfboom. In de steppe zet Ik samen cipres, es en buksboom.** Brontekst: אֶתֵּ֤ן (eten) = Ik geef | בַּמִּדְבָּר֙ (bamidbar) = in de woestijn | אֶ֣רֶז (erez) = ceder | שִׁטָּ֔ה (shita) = acacia | וַהֲדַ֖ס (vahadas) = en mirte | וְעֵ֣ץ (veets) = en boom van | שָׁ֑מֶן (shamen) = olie | אָשִׂ֣ים (asim) = Ik zet | בָּעֲרָבָ֗ה (baarava) = in de steppe | בְּר֛וֹשׁ (berosh) = cipres | תִּדְהָ֥ר (tidhar) = es | וּתְאַשּׁ֖וּר (uteashur) = en buksboom | יַחְדָּֽו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁטָּה (shittah), ‘acacia’: de boom van het ‘acaciahout’ (Exod. 25:5). Voetnoot : עֵץ שֶׁמֶן (ets shemen), ‘olijfboom’: letterlijk ‘boom van olie’; waarschijnlijk de olijfboom of een verwante boom. Voetnoot : תִּדְהָר (tidhar), ‘es’, en תְּאַשּׁוּר (te’ashur), ‘buksboom’: de betekenis van beide boomnamen is niet zeker. Zie ook: Ex 25:5; Jes 35:1; Jes 37:31–32; Jes 55:13; Jes 60:13; Jes 61:11 **41:20** **Zo zullen zij samen zien en weten, het ter harte nemen en begrijpen: de hand van Yahweh heeft dit gedaan. De Heilige van Israël heeft het geschapen.”** Brontekst: לְמַ֧עַן (lemaan) = opdat | יִרְא֣וּ (yiru) = zij zien | וְיֵדְע֗וּ (veyedeu) = en weten | וְיָשִׂ֤ימוּ (veyasimu) = en ter harte nemen | וְיַשְׂכִּ֨ילוּ֙ (veyaskilu) = en begrijpen | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | כִּ֥י (ki) = dat | יַד (yad) = de hand van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עָ֣שְׂתָה (aseta) = heeft gedaan | זֹּ֑את (zot) = dit | וּקְד֥וֹשׁ (uqedosh) = en de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּרָאָֽהּ (beraah) = heeft het geschapen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיָשִׂימוּ (veyasimu), ‘het ter harte nemen’: letterlijk ‘en zij leggen’; de woorden ‘ter harte’ staan er niet, maar horen bij de uitdrukking (vergelijk vers 22). Zie ook: Job 12:9; Ex 9:16; Ps 109:27; Jes 41:22; Jes 43:21; Jes 44:23 ### Dien jullie bewijzen in **41:21** **„Breng jullie rechtszaak naar voren, zegt Yahweh. Dien jullie bewijzen in, zegt de Koning van Jakob.** Brontekst: קָרְב֥וּ (qarevu) = breng naar voren | רִֽיבְכֶ֖ם (rivekhem) = jullie rechtszaak | יֹאמַ֣ר (yomar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הַגִּ֨ישׁוּ֙ (hagishu) = dien in | עֲצֻמ֣וֹתֵיכֶ֔ם (atsumoteikhem) = jullie bewijzen | יֹאמַ֖ר (yomar) = zegt | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de Koning van | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצֻמוֹת (atsumot), ‘bewijzen’: eigenlijk ‘sterke gronden’; het woord komt alleen hier voor. Voetnoot : מֶלֶךְ יַעֲקֹב (melekh Ya’aqov), ‘de Koning van Jakob’: Yahweh. Zie ook: Job 23:3–4; Job 31:37; Job 38:3; Job 40:7–9; Mi 6:1–2 **41:22** **Laat hen die naar voren brengen en ons vertellen wat er zal gebeuren. De vroegere dingen: wat zijn ze? Vertel het, dan nemen wij het ter harte en kennen hun afloop. Of laat ons de komende dingen horen.** Brontekst: יַגִּ֨ישׁוּ֙ (yagishu) = laat hen naar voren brengen | וְיַגִּ֣ידוּ (veyagidu) = en vertellen | לָ֔נוּ (lanu) = ons | אֵ֖ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | תִּקְרֶ֑ינָה (tiqreina) = zal gebeuren | הָרִאשֹׁנ֣וֹת (harishonot) = de vroegere dingen | מָ֣ה (ma) = wat | הֵ֗נָּה (hena) = zijn zij | הַגִּ֜ידוּ (hagidu) = vertel | וְנָשִׂ֤ימָה (venasima) = en laten wij leggen | לִבֵּ֨נוּ֙ (libenu) = ons hart | וְנֵדְעָ֣ה (venedea) = en laten wij weten | אַחֲרִיתָ֔ן (acharitan) = hun afloop | א֥וֹ (o) = of | הַבָּא֖וֹת (habaot) = de komende dingen | הַשְׁמִיעֻֽנוּ (hashmiunu) = laat ons horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 43:9–12; Jes 44:7; Jes 45:21; Jes 46:10; Jes 48:14 **41:23** **Vertel wat later komt, dan weten wij dat jullie goden zijn. Doe iets goeds of iets kwaads, dan kijken wij elkaar verschrikt aan en zien het samen.** Brontekst: הַגִּ֨ידוּ֙ (hagidu) = vertel | הָאֹתִיּ֣וֹת (haotiyot) = de komende dingen | לְאָח֔וֹר (leachor) = in de toekomst | וְנֵ֣דְעָ֔ה (venedea) = dan weten wij | כִּ֥י (ki) = dat | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = goden | אַתֶּ֑ם (atem) = jullie zijn | אַף (af) = ja | תֵּיטִ֣יבוּ (teitivu) = doe goed | וְתָרֵ֔עוּ (vetareu) = of doe kwaad | וְנִשְׁתָּ֖עָה (venishtaa) = dan kijken wij elkaar verschrikt aan | וְנִרְאֶ֥ה (venire) = en zien wij | יַחְדָּֽו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים (elohim), ‘goden’: hier meervoud. Yahweh daagt de beelden uit te bewijzen dat zij goden zijn. Voetnoot : נִשְׁתָּעָה (nishta’ah), ‘dan kijken wij elkaar verschrikt aan’: dezelfde stam als ‘kijk angstig rond’ in vers 10. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft וְנִרְא (venir) zonder slotletter. De voorgelezen tekst (qere) heeft וְנִרְאֶה (venir’eh), ‘en wij zien’. Wij volgen de qere. De betekenis is gelijk. Zie ook: Jes 41:10; Jes 42:9; Jes 44:7–8; Jes 45:7–8; Jer 10:5; Joh 13:19 **41:24** **Zie, jullie zijn minder dan niets, en jullie werk is minder dan nietigheid. Een gruwel is wie jullie kiest.** Brontekst: הֵן (hen) = zie | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | מֵאַ֔יִן (meayin) = minder dan niets | וּפָעָלְכֶ֖ם (ufaalekhem) = en jullie werk | מֵאָ֑פַע (meafa) = minder dan nietigheid | תּוֹעֵבָ֖ה (toeva) = een gruwel | יִבְחַ֥ר (yivchar) = kiest | בָּכֶֽם (bakhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵאַיִן (me’ayin), ‘minder dan niets’: het voorzetsel min kan ‘van’ of ‘minder dan’ betekenen; zie 40:17. מֵאָפַע (me’afa), ‘minder dan nietigheid’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Ps 115:8; Jes 41:29; Jer 10:8; Jer 10:14; 1 Kor 8:4 **41:25** **Ik heb er een opgewekt uit het noorden, en hij is gekomen. Uit het opkomen van de zon roept hij Mijn naam aan. Hij komt over bestuurders als over leem en vertrapt ze, zoals een pottenbakker klei vertrapt.** Brontekst: הַעִיר֤וֹתִי (hairoti) = Ik heb opgewekt | מִצָּפוֹן֙ (mitsafon) = uit het noorden | וַיַּ֔את (vayat) = en hij is gekomen | מִמִּזְרַח (mimizrach) = uit het opkomen van | שֶׁ֖מֶשׁ (shemesh) = de zon | יִקְרָ֣א (yiqra) = roept hij aan | בִשְׁמִ֑י (bishmi) = Mijn naam | וְיָבֹ֤א (veyavo) = en hij komt | סְגָנִים֙ (seganim) = bestuurders | כְּמוֹ (kemo) = als | חֹ֔מֶר (chomer) = leem | וּכְמ֥וֹ (ukhemo) = en zoals | יוֹצֵ֖ר (yotser) = een pottenbakker | יִרְמָס (yirmas) = vertrapt hij | טִֽיט (tit) = klei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְגָנִים (seganim), ‘bestuurders’: stadhouders of hoge ambtenaren. Voetnoot : יִקְרָא בִשְׁמִי (yiqra vishmi), ‘roept Mijn naam aan’: letterlijk ‘roept bij Mijn naam’. Het kan ook ‘hij roept in Mijn naam’ betekenen. Zie ook: 2 Sam 22:43; Jes 10:6; Jes 41:2; Jes 44:28–45:6; Mi 7:10 **41:26** **Wie heeft het van het begin af verteld, zodat wij het weten, en van tevoren, zodat wij zeggen: ‘Hij is rechtvaardig’? Niemand heeft het verteld. Niemand heeft het laten horen. Niemand heeft jullie woorden gehoord.** Brontekst: מִֽי (mi) = wie | הִגִּ֤יד (higid) = heeft verteld | מֵרֹאשׁ֙ (merosh) = van het begin | וְנֵדָ֔עָה (venedaa) = dan weten wij | וּמִלְּפָנִ֖ים (umilefanim) = en van tevoren | וְנֹאמַ֣ר (venomar) = dan zeggen wij | צַדִּ֑יק (tsadiq) = rechtvaardig | אַ֣ף (af) = zelfs | אֵין (ein) = er is niet | מַגִּ֗יד (magid) = iemand die vertelt | אַ֚ף (af) = zelfs | אֵ֣ין (ein) = er is niet | מַשְׁמִ֔יעַ (mashmia) = iemand die laat horen | אַ֥ף (af) = zelfs | אֵין (ein) = er is niet | שֹׁמֵ֖עַ (shomea) = iemand die hoort | אִמְרֵיכֶֽם (imreikhem) = jullie woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: in een rechtszaak betekent het ‘in zijn recht’, ‘gelijk hebbend’. Zie ook: Jes 41:22; Jes 43:9; Jes 44:7; Jes 45:21; Hab 2:18–20 **41:27** **Als eerste zeg Ik tegen Sion: ‘Zie, daar zijn ze!’ En aan Jeruzalem geef Ik een boodschapper van goed nieuws.** Brontekst: רִאשׁ֥וֹן (rishon) = de eerste | לְצִיּ֖וֹן (letsiyon) = aan Sion | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | הִנָּ֑ם (hinam) = zie hen | וְלִירוּשָׁלִַ֖ם (velirushalaim) = en aan Jeruzalem | מְבַשֵּׂ֥ר (mevaser) = een boodschapper | אֶתֵּֽן (eten) = geef Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers is in het Hebreeuws zeer kort: letterlijk ‘de eerste aan Sion: zie, zie hen! En aan Jeruzalem geef Ik een boodschapper.’ De woorden ‘zeg Ik tegen’ vullen wij aan. Vergelijk 40:9. Zie ook: Jes 40:9; Jes 44:28; Jes 48:3; Jes 52:7; Nah 2:1 **41:28** **Ik keek, en er was niemand. Onder hen was er ook geen raadgever die een woord teruggaf als Ik hem vroeg.** Brontekst: וְאֵ֨רֶא֙ (veere) = en Ik keek | וְאֵ֣ין (veein) = en er was niet | אִ֔ישׁ (ish) = iemand | וּמֵאֵ֖לֶּה (umeele) = en onder deze | וְאֵ֣ין (veein) = en er was niet | יוֹעֵ֑ץ (yoets) = een raadgever | וְאֶשְׁאָלֵ֖ם (veeshalem) = en Ik vroeg hen | וְיָשִׁ֥יבוּ (veyashivu) = en zij gaven terug | דָבָֽר (davar) = een woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 50:2; Jes 59:16; Jes 63:5; Dan 2:10–11; Dan 4:4–5 **41:29** **Zie, zij allen zijn ijdel. Hun werken zijn niets. Hun gegoten beelden zijn wind en leegte.”** Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | כֻּלָּ֔ם (kulam) = zij allen | אָ֥וֶן (aven) = ijdel | אֶ֖פֶס (efes) = niets | מַעֲשֵׂיהֶ֑ם (maaseihem) = hun werken | ר֥וּחַ (ruach) = wind | וָתֹ֖הוּ (vatohu) = en leegte | נִסְכֵּיהֶֽם (niskeihem) = hun gegoten beelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָוֶן (aven), ‘ijdel’: ook ‘onheil’ of ‘nietigheid’. Voetnoot : נִסְכֵּיהֶם (niskeihem), ‘hun gegoten beelden’: hetzelfde woord betekent ook ‘plengoffer’. Hier staat het naast ‘hun werken’, zodat wij ‘gegoten beelden’ lezen. Zie ook: Ps 135:15–18; Jes 41:24; Jer 5:13; Jer 10:2–16; Hab 2:18 ## Jesaja 42 _Zie, Mijn Knecht; een nieuw lied; een blind en doof volk_ ### Zie, Mijn Knecht **42:1** **„Zie, Mijn Knecht, die Ik steun. Mijn uitverkorene, in wie Mijn ziel behagen heeft. Ik heb Mijn Geest op hem gelegd. Hij brengt het recht uit naar de volken.** Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | עַבְדִּי֙ (avdi) = Mijn Knecht | אֶתְמָךְ (etmakh) = Ik steun | בּ֔וֹ (bo) = op hem | בְּחִירִ֖י (bechiri) = Mijn uitverkorene | רָצְתָ֣ה (ratseta) = heeft behagen | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = Mijn ziel | נָתַ֤תִּי (natati) = Ik heb gelegd | רוּחִי֙ (ruchi) = Mijn Geest | עָלָ֔יו (alav) = op hem | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | לַגּוֹיִ֥ם (lagoyim) = aan de volken | יוֹצִֽיא (yotsi) = brengt hij uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn Knecht’: Yahweh stelt Zijn Knecht voor. Dit is het eerste van vier knechtsliederen: 42:1–4, 49:1–6, 50:4–9 en 52:13–53:12. Wie de Knecht is, zegt de tekst hier niet. In 41:8 heet Israël ‘Mijn knecht’; in vers 19 staat ‘de knecht van Yahweh’. Of de Knecht het volk Israël is of een enkele persoon, laten wij open. Matt. 12:18–21 haalt deze verzen aan. Voetnoot : נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: Zijn eigen wezen; ‘in wie Mijn ziel behagen heeft’ betekent: Hij heeft vreugde in hem. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: de rechtsorde die Yahweh wil, vaak met gerechtigheid verbonden. Zie ook: Jes 42:19; Jes 52:13; Jes 61:1; Mat 12:18–21; Luc 3:22; Fil 2:7 **42:2** **Hij roept niet en verheft zijn stem niet. Hij laat zijn stem niet horen op straat.** Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | יִצְעַ֖ק (yitsaq) = roept hij | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִשָּׂ֑א (yisa) = verheft hij | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַשְׁמִ֥יעַ (yashmia) = laat hij horen | בַּח֖וּץ (bachuts) = op straat | קוֹלֽוֹ (qolo) = zijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְלֹא יִשָּׂא (velo yissa), ‘en verheft niet’: het Hebreeuws laat het voorwerp weg. Wij vullen ‘zijn stem’ aan uit de rest van het vers. Zie ook: Mat 11:29; Mat 12:16–20; Luc 17:20; 1 Petr 2:23; 2 Tim 2:24 **42:3** **Een geknakt riet breekt hij niet af. Een zwak brandende vlaspit dooft hij niet. Naar waarheid brengt hij het recht uit.** Brontekst: קָנֶ֤ה (qane) = riet | רָצוּץ֙ (ratsuts) = geknakt | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁבּ֔וֹר (yishbor) = breekt hij | וּפִשְׁתָּ֥ה (ufishta) = en vlaspit | כֵהָ֖ה (keha) = zwak brandend | לֹ֣א (lo) = niet | יְכַבֶּ֑נָּה (yekhabena) = dooft hij het | לֶאֱמֶ֖ת (leemet) = naar waarheid | יוֹצִ֥יא (yotsi) = brengt hij uit | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּשְׁתָּה (pishtah), ‘vlaspit’: de pit van een olielamp, gemaakt van vlas. כֵּהָה (kehah), ‘zwak brandend’: bijna uitgedoofd. Voetnoot : לֶאֱמֶת (le’emet), ‘naar waarheid’: ook ‘getrouw’. Zie ook: Ps 147:3; Jes 40:11; Jer 31:25; Ezech 34:16; Mat 11:28 **42:4** **Hij zal niet zwak gaan branden en niet geknakt worden, totdat hij het recht op aarde heeft gevestigd. De eilanden wachten op zijn wet.”** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | יִכְהֶה֙ (yikhhe) = wordt hij zwak | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָר֔וּץ (yaruts) = wordt hij geknakt | עַד (ad) = totdat | יָשִׂ֥ים (yasim) = hij vestigt | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = op aarde | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | וּלְתוֹרָת֖וֹ (uletorato) = en op zijn wet | אִיִּ֥ים (iyim) = eilanden | יְיַחֵֽילוּ (yeyacheilu) = wachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִכְהֶה (yikheh), ‘zwak gaan branden’, en יָרוּץ (yarutz), ‘geknakt worden’: verwant met ‘zwak brandend’ en ‘geknakt’ in vers 3. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderwijs’, wat Yahweh de mensen wijst. Zie ook: Gen 49:10; Ps 22:28; Jes 42:3; Jes 52:13–15; Jes 53:2–12; Jes 55:5 ### Yahweh roept Zijn Knecht **42:5** Zo zegt de El, Yahweh, die de hemel geschapen en uitgespannen heeft. Hij heeft de aarde uitgespreid, met alles wat uit haar voortkomt. Hij geeft adem aan het volk op haar en geest aan wie erover lopen: Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | הָאֵ֣ל (hael) = de El | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בּוֹרֵ֤א (bore) = die schept | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | וְנ֣וֹטֵיהֶ֔ם (venoteihem) = en die haar uitspant | רֹקַ֥ע (roqa) = die uitspreidt | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וְצֶאֱצָאֶ֑יהָ (vetseetsaeiha) = en wat daaruit komt | נֹתֵ֤ן (noten) = die geeft | נְשָׁמָה֙ (neshama) = adem | לָעָ֣ם (laam) = aan het volk | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = op haar | וְר֖וּחַ (veruach) = en geest | לַהֹלְכִ֥ים (laholekhim) = aan wie lopen | בָּֽהּ (bah) = erover Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֵל (ha’el), ‘de El’: El met lidwoord, een naam voor Elohim. Met deze aanhef beginnen de woorden van vers 6–9. De aanhef zelf staat zwart. Voetnoot : נְשָׁמָה (neshamah), ‘adem’: levensadem. רוּחַ (ruach), ‘geest’: hier wat leven geeft. Zie ook: Jes 40:22; Jes 42:6–9; Jes 45:12; Jes 48:13; Jer 10:12; Zach 12:1 **42:6** **„Ik, Yahweh, heb je geroepen in gerechtigheid. Ik houd je bij de hand vast en behoed je. Ik maak je tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de volken,** Brontekst: אֲנִ֧י (ani) = Ik | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | קְרָאתִ֥יךָֽ (qeratikha) = heb je geroepen | בְצֶ֖דֶק (betsedeq) = in gerechtigheid | וְאַחְזֵ֣ק (veachzeq) = en Ik houd vast | בְּיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = bij je hand | וְאֶצָּרְךָ֗ (veetsarekha) = en Ik behoed je | וְאֶתֶּנְךָ֛ (veetenkha) = en Ik maak je | לִבְרִ֥ית (livrit) = tot een verbond van | עָ֖ם (am) = het volk | לְא֥וֹר (leor) = tot een licht van | גּוֹיִֽם (goyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met ‘je’ wordt de Knecht van vers 1 aangesproken. Voetnoot : לִבְרִית עָם (livrit am), ‘tot een verbond voor het volk’: onzeker is of ‘volk’ hier Israël is of de mensheid. אוֹר גּוֹיִם (or goyim), ‘een licht voor de volken’: zie ook Jes. 49:6 en, in het Nieuwe Testament, Luc. 2:32. Zie ook: Jes 26:3; Jes 42:1; Jes 49:6; Jes 49:8; Luc 2:32; Joh 8:12; Hand 13:47 **42:7** **om blinde ogen te openen, de gevangene uit de kerker te leiden en uit de gevangenis hen die in duisternis zitten.** Brontekst: לִפְקֹ֖חַ (lifqoach) = om te openen | עֵינַ֣יִם (einayim) = ogen | עִוְר֑וֹת (ivrot) = blinde | לְהוֹצִ֤יא (lehotsi) = om naar buiten te leiden | מִמַּסְגֵּר֙ (mimasger) = uit de kerker | אַסִּ֔יר (asir) = de gevangene | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit het huis van | כֶּ֖לֶא (kele) = de gevangenis | יֹ֥שְׁבֵי (yoshevei) = zij die zitten in | חֹֽשֶׁךְ (choshekh) = duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 35:5; Jes 49:9; Jes 61:1; Ef 1:17–18; 2 Tim 2:26 **42:8** **Ik ben Yahweh. Dat is Mijn naam. Mijn heerlijkheid geef Ik niet aan een ander, en Mijn lof niet aan de beelden.** Brontekst: אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | ה֣וּא (hu) = dat | שְׁמִ֑י (shemi) = is Mijn naam | וּכְבוֹדִי֙ (ukhevodi) = en Mijn heerlijkheid | לְאַחֵ֣ר (leacher) = aan een ander | לֹֽא (lo) = niet | אֶתֵּ֔ן (eten) = geef Ik | וּתְהִלָּתִ֖י (utehilati) = en Mijn lof | לַפְּסִילִֽים (lapesilim) = aan de beelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּבוֹדִי (kevodi), ‘Mijn heerlijkheid’: hetzelfde woord als in 40:5. Zie ook: Ex 20:3–5; Ex 34:14; Ps 83:19; Jes 43:11; Jes 48:11 **42:9** **Zie, de vroegere dingen zijn gekomen. Nieuwe dingen kondig Ik aan. Voordat ze uitspruiten, laat Ik het jullie horen.”** Brontekst: הָרִֽאשֹׁנ֖וֹת (harishonot) = de vroegere dingen | הִנֵּה (hine) = zie | בָ֑אוּ (bau) = zijn gekomen | וַֽחֲדָשׁוֹת֙ (vachadashot) = en nieuwe dingen | אֲנִ֣י (ani) = Ik | מַגִּ֔יד (magid) = kondig aan | בְּטֶ֥רֶם (beterem) = voordat | תִּצְמַ֖חְנָה (titsmachna) = zij uitspruiten | אַשְׁמִ֥יע (ashmi) = laat Ik horen | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 43:19; Jes 44:7–8; Jes 46:9–10; Joh 13:19; 2 Petr 1:19–21 ### Een nieuw lied voor Yahweh **42:10** Zing voor Yahweh een nieuw lied. Zing Zijn lof vanaf het einde van de aarde, jullie die de zee bevaren, en alles wat haar vult, de eilanden en hun bewoners. Brontekst: שִׁ֤ירוּ (shiru) = zing | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | שִׁ֣יר (shir) = een lied | חָדָ֔שׁ (chadash) = nieuw | תְּהִלָּת֖וֹ (tehilato) = Zijn lof | מִקְצֵ֣ה (miqtse) = vanaf het einde van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | יוֹרְדֵ֤י (yoredei) = die afdalen naar | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | וּמְלֹא֔וֹ (umeloo) = en wat haar vult | אִיִּ֖ים (iyim) = eilanden | וְיֹשְׁבֵיהֶֽם (veyosheveihem) = en hun bewoners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁיר חָדָשׁ (shir chadash), ‘een nieuw lied’: zo ook Ps. 96:1 en Ps. 98:1. Voetnoot : יוֹרְדֵי הַיָּם (yordei hayyam), ‘zij die de zee bevaren’: letterlijk ‘zij die afdalen naar de zee’. Zie ook: Ps 33:3; Ps 40:4; Ps 96:1; Ps 98:1–4; Jes 42:4; Rom 15:9–11 **42:11** Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, en de dorpen waar Kedar woont. Laat de bewoners van de rots jubelen. Laat hen roepen vanaf de toppen van de bergen. Brontekst: יִשְׂא֤וּ (yisu) = laten verheffen | מִדְבָּר֙ (midbar) = woestijn | וְעָרָ֔יו (vearav) = en haar steden | חֲצֵרִ֖ים (chatserim) = dorpen | תֵּשֵׁ֣ב (teshev) = woont | קֵדָ֑ר (qedar) = Kedar | יָרֹ֨נּוּ֙ (yaronu) = laten jubelen | יֹ֣שְׁבֵי (yoshevei) = bewoners van | סֶ֔לַע (sela) = de rots | מֵרֹ֥אשׁ (merosh) = vanaf de top van | הָרִ֖ים (harim) = bergen | יִצְוָֽחוּ (yitsvachu) = laten roepen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië. De precieze ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws laat bij ‘laat verheffen’ het voorwerp weg: wij vullen ‘de stem’ aan. Voetnoot : קֵדָר (Qedar), ‘Kedar’: een volk van nomaden in de woestijn ten oosten van het land (Gen. 25:13; Ps. 120:5). Voetnoot : סֶלַע (sela), ‘rots’: ook de naam van een stad in Edom (2 Kon. 14:7). Wij vertalen ‘de rots’, het woord uit het gewone spraakgebruik. Zie ook: Gen 25:13; Gen 25:23; Ps 72:8–10; Ps 120:5; 2 Kon 14:7; Jes 32:16; Jes 41:18–19; Jes 60:7 **42:12** Laat hen Yahweh heerlijkheid geven en Zijn lof vertellen op de eilanden. Brontekst: יָשִׂ֥ימוּ (yasimu) = laten geven | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | כָּב֑וֹד (kavod) = heerlijkheid | וּתְהִלָּת֖וֹ (utehilato) = en Zijn lof | בָּאִיִּ֥ים (baiyim) = op de eilanden | יַגִּֽידוּ (yagidu) = laten vertellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 22:28; Ps 117:1–2; Jes 42:4; Rom 15:9–11; Openb 7:9–12 **42:13** Yahweh trekt uit als een held. Als een krijgsman wekt Hij Zijn ijver op. Hij heft de strijdkreet aan, ja, Hij schreeuwt luid. Over Zijn vijanden toont Hij Zich machtig. Brontekst: יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כַּגִּבּ֣וֹר (kagibor) = als een held | יֵצֵ֔א (yetse) = trekt Hij uit | כְּאִ֥ישׁ (keish) = als een man van | מִלְחָמ֖וֹת (milchamot) = oorlogen | יָעִ֣יר (yair) = wekt Hij op | קִנְאָ֑ה (qina) = ijver | יָרִ֨יעַ֙ (yaria) = heft Hij de strijdkreet aan | אַף (af) = ja | יַצְרִ֔יחַ (yatsriach) = schreeuwt Hij luid | עַל (al) = tegen | אֹיְבָ֖יו (oyevav) = Zijn vijanden | יִתְגַּבָּֽר (yitgabar) = toont Hij Zich machtig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִנְאָה (qin’ah), ‘ijver’: gloeiende inzet voor wat Hem toebehoort. Zie ook: Ex 15:1–3; Ps 78:65; Ps 110:5–6; Jes 59:16–19; Sef 3:8 ### Yahweh breekt Zijn zwijgen **42:14** **„Al lange tijd heb Ik gezwegen. Ik bleef stil en hield Mij in. Als een barende vrouw schreeuw Ik het uit. Ik hijg en snak tegelijk naar adem.** Brontekst: הֶחֱשֵׁ֨יתִי֙ (hechesheiti) = Ik heb gezwegen | מֵֽעוֹלָ֔ם (meolam) = sinds lang | אַחֲרִ֖ישׁ (acharish) = Ik bleef stil | אֶתְאַפָּ֑ק (etapaq) = Ik hield Mij in | כַּיּוֹלֵדָ֣ה (kayoleda) = als een barende | אֶפְעֶ֔ה (efe) = schreeuw Ik | אֶשֹּׁ֥ם (eshom) = hijg Ik | וְאֶשְׁאַ֖ף (veeshaf) = en snak Ik | יָֽחַד (yachad) = tegelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵעוֹלָם (me’olam), ‘al lange tijd’: letterlijk ‘vanaf lang geleden’. Voetnoot : אֶשֹּׁם (eshom), ‘Ik hijg’: dit werkwoord komt alleen hier voor; de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Ps 83:2–3; Pred 8:11–12; Jer 44:22; Luc 18:7; 2 Petr 3:15 **42:15** **Ik leg bergen en heuvels droog en laat al hun planten verdrogen. Ik maak van rivieren eilanden en laat de poelen opdrogen.** Brontekst: אַחֲרִ֤יב (achariv) = Ik leg droog | הָרִים֙ (harim) = bergen | וּגְבָע֔וֹת (ugevaot) = en heuvels | וְכָל (vekhal) = en al | עֶשְׂבָּ֖ם (esbam) = hun planten | אוֹבִ֑ישׁ (ovish) = laat Ik verdrogen | וְשַׂמְתִּ֤י (vesamti) = en Ik maak | נְהָרוֹת֙ (neharot) = rivieren | לָֽאִיִּ֔ים (laiyim) = tot eilanden | וַאֲגַמִּ֖ים (vaagamim) = en poelen | אוֹבִֽישׁ (ovish) = laat Ik opdrogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 2:12–16; Jes 44:27; Jes 50:2; Nah 1:4–6; Openb 20:11 **42:16** **Ik laat blinden gaan op een weg die zij niet kennen. Over paden die zij niet kennen, laat Ik hen lopen. Ik maak de duisternis voor hen tot licht en de kromme plekken tot vlak land. Dit zijn de dingen die Ik doe. Ik verlaat ze niet.** Brontekst: וְהוֹלַכְתִּ֣י (veholakhti) = en Ik laat gaan | עִוְרִ֗ים (ivrim) = blinden | בְּדֶ֨רֶךְ֙ (bederekh) = op een weg | לֹ֣א (lo) = niet | יָדָ֔עוּ (yadau) = zij kennen | בִּנְתִיב֥וֹת (bintivot) = over paden | לֹֽא (lo) = niet | יָדְע֖וּ (yadeu) = zij kennen | אַדְרִיכֵ֑ם (adrikhem) = Ik laat hen lopen | אָשִׂים֩ (asim) = Ik maak | מַחְשָׁ֨ךְ (machshakh) = duisternis | לִפְנֵיהֶ֜ם (lifneihem) = voor hen | לָא֗וֹר (laor) = tot licht | וּמַֽעֲקַשִּׁים֙ (umaaqashim) = en kromme plekken | לְמִישׁ֔וֹר (lemishor) = tot vlak land | אֵ֚לֶּה (ele) = dit | הַדְּבָרִ֔ים (hadevarim) = de dingen | עֲשִׂיתִ֖ם (asitim) = Ik doe ze | וְלֹ֥א (velo) = en niet | עֲזַבְתִּֽים (azavtim) = Ik verlaat ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲקַשִּׁים (ma’aqashim), ‘kromme plekken’, en מִישׁוֹר (mishor), ‘vlak land’: verwant met ‘wat oneffen is’ en ‘vlak land’ in 40:4. Zie ook: Jes 30:21; Jes 35:8; Jes 60:19–20; Luc 1:78–79; Luc 3:5 **42:17** **Zij wijken achteruit en worden diep beschaamd, zij die op het beeld vertrouwen, die tegen een gegoten beeld zeggen: ‘Jullie zijn onze goden.’”** Brontekst: נָסֹ֤גוּ (nasogu) = zij wijken | אָחוֹר֙ (achor) = achteruit | יֵבֹ֣שׁוּ (yevoshu) = worden beschaamd | בֹ֔שֶׁת (boshet) = in schaamte | הַבֹּטְחִ֖ים (habotechim) = die vertrouwen | בַּפָּ֑סֶל (bapasel) = op het beeld | הָאֹמְרִ֥ים (haomerim) = die zeggen | לְמַסֵּכָ֖ה (lemasekha) = tegen het gegoten beeld | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהֵינוּ (eloheinu), ‘onze goden’: het Hebreeuws zegt ‘jullie’ in het meervoud tegen het beeld. De beelden zijn geen Elohim. Zie ook: Ps 97:7; Jes 1:29; Jes 44:11; Jes 44:17; Jes 45:16–17 ### Doven, hoor! Blinden, kijk! **42:18** **„Doven, hoor! Blinden, kijk en zie.** Brontekst: הַחֵרְשִׁ֖ים (hachereshim) = doven | שְׁמָ֑עוּ (shemau) = hoor | וְהַעִוְרִ֖ים (vehaivrim) = en blinden | הַבִּ֥יטוּ (habitu) = kijk | לִרְאֽוֹת (lirot) = om te zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 20:12; Jes 29:18; Jes 35:5; Jes 43:8; Mar 7:34–37 **42:19** **Wie is blind, behalve Mijn knecht, en doof als Mijn boodschapper die Ik zend? Wie is blind als de vertrouwde, en blind als de knecht van Yahweh?** Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | עִוֵּר֙ (iver) = blind | כִּ֣י (ki) = tenzij | אִם (im) = indien | עַבְדִּ֔י (avdi) = Mijn knecht | וְחֵרֵ֖שׁ (vecheresh) = en doof | כְּמַלְאָכִ֣י (kemalakhi) = als Mijn boodschapper | אֶשְׁלָ֑ח (eshlach) = Ik zend | מִ֤י (mi) = wie | עִוֵּר֙ (iver) = blind | כִּמְשֻׁלָּ֔ם (kimshulam) = als de vertrouwde | וְעִוֵּ֖ר (veiver) = en blind | כְּעֶ֥בֶד (keeved) = als de knecht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשֻׁלָּם (meshullam), ‘de vertrouwde’: de betekenis is niet zeker. Het woord is verwant met שָׁלֵם (shalem), ‘volledig’ en ‘in vrede’; ook ‘de beloonde’ of ‘de toegewijde’ is mogelijk. Voetnoot : Hier is de knecht blind en doof, anders dan de Knecht in vers 1–4. Wij laten de verhouding tussen beiden open. Zie ook: Jes 42:1–4; Jer 5:21; Ezech 12:2; Mat 13:14–15; 2 Kor 4:4; Rom 2:17–23 **42:20** **Je ziet veel, maar je let er niet op. Zijn oren zijn open, maar hij hoort niet.”** Brontekst: רָא֥וֹת (raot) = zien | רַבּ֖וֹת (rabot) = veel dingen | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | תִשְׁמֹ֑ר (tishmor) = je let op | פָּק֥וֹחַ (paqoach) = open | אָזְנַ֖יִם (azenayim) = oren | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | יִשְׁמָֽע (yishma) = hij hoort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws wisselt hier van ‘je’ naar ‘hij’: ‘je ziet veel’, ‘hij hoort niet’. Wij volgen dat. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft רָאִיתָ (ra’ita), ‘je hebt gezien’. De voorgelezen tekst (qere) heeft רָאוֹת (ra’ot), ‘zien’. Wij volgen de qere. Zie ook: Deut 29:1–3; Ps 106:7–13; Jer 42:2–5; Joh 9:37–40; Joh 11:37–50 **42:21** Yahweh had er behagen in, omwille van Zijn gerechtigheid, de wet groot en luisterrijk te maken. Brontekst: יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | חָפֵ֖ץ (chafets) = heeft behagen | לְמַ֣עַן (lemaan) = omwille van | צִדְק֑וֹ (tsidqo) = Zijn gerechtigheid | יַגְדִּ֥יל (yagdil) = om groot te maken | תּוֹרָ֖ה (tora) = de wet | וְיַאְדִּֽיר (veyadir) = en luisterrijk te maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderwijs’. Zie ook: Jes 1:24–27; Mat 5:17–20; Rom 3:31; Rom 7:12; Heb 8:10 **42:22** En dit is een beroofd en geplunderd volk. De jonge mannen zijn allemaal verstrikt, en in gevangenhuizen zijn zij verborgen. Zij zijn tot buit geworden, en er is niemand die bevrijdt. Zij zijn geplunderd, en er is niemand die zegt: „Geef terug!” Brontekst: וְהוּא֮ (vehu) = en dit | עַם (am) = volk | בָּז֣וּז (bazuz) = beroofd | וְשָׁסוּי֒ (veshasuy) = en geplunderd | הָפֵ֤חַ (hafeach) = verstrikt | בַּֽחוּרִים֙ (bachurim) = jonge mannen | כֻּלָּ֔ם (kulam) = allen | וּבְבָתֵּ֥י (uvevatei) = en in huizen van | כְלָאִ֖ים (kelaim) = gevangenis | הָחְבָּ֑אוּ (hachbau) = zijn verborgen | הָי֤וּ (hayu) = zij zijn geworden | לָבַז֙ (lavaz) = tot buit | וְאֵ֣ין (veein) = en er is niet | מַצִּ֔יל (matsil) = een bevrijder | מְשִׁסָּ֖ה (meshisa) = plundering | וְאֵין (veein) = en er is niet | אֹמֵ֥ר (omer) = een die zegt | הָשַֽׁב (hashav) = geef terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָפֵחַ בַּחוּרִים (hafe’ach bachurim), ‘verstrikt, jonge mannen’: het eerste woord komt alleen hier voor. Met andere klinkers kan בַּחוּרִים ook ‘in holen’ betekenen (בַּחֹרִים, bachorim). Dat past bij ‘verstrikt in kuilen’. De betekenis is niet zeker; wij volgen de klinkers van de tekst. Zie ook: Ps 50:22; Ps 102:21; Jes 24:22; Jes 51:23; Jer 50:17 **42:23** Wie van jullie luistert hiernaar? Wie let op en hoort het voor later? Brontekst: מִ֥י (mi) = wie | בָכֶ֖ם (bakhem) = onder jullie | יַאֲזִ֣ין (yaazin) = luistert | זֹ֑את (zot) = hiernaar | יַקְשִׁ֥ב (yaqshiv) = let op | וְיִשְׁמַ֖ע (veyishma) = en hoort | לְאָחֽוֹר (leachor) = voor later Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:29; Jes 1:18–20; Jes 48:18; Jer 3:13; Hand 3:22–23 ### Wie gaf Jakob aan de plunderaars? **42:24** Wie heeft Jakob als buit overgegeven, en Israël aan de plunderaars? Was het niet Yahweh? Tegen Hem hebben wij gezondigd. Zij wilden niet in Zijn wegen gaan en luisterden niet naar Zijn wet. Brontekst: מִֽי (mi) = wie | נָתַ֨ן (natan) = heeft gegeven | לִמְשִׁסָּ֧ה (limshisa) = tot plundering | יַעֲקֹ֛ב (yaaqov) = Jakob | וְיִשְׂרָאֵ֥ל (veyisrael) = en Israël | לְבֹזְזִ֖ים (levozezim) = aan plunderaars | הֲל֣וֹא (halo) = is het niet | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | ז֚וּ (zu) = Hij | חָטָ֣אנוּ (chatanu) = wij hebben gezondigd | ל֔וֹ (lo) = tegen Hem | וְלֹֽא (velo) = en niet | אָב֤וּ (avu) = wilden zij | בִדְרָכָיו֙ (bidrakhav) = in Zijn wegen | הָל֔וֹךְ (halokh) = gaan | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = luisterden zij | בְּתוֹרָתֽוֹ (betorato) = naar Zijn wet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt de profeet, namens het volk: ‘wij hebben gezondigd’. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft een iets andere vorm: לִמְשׁוֹסָה (limshosah). De voorgelezen tekst (qere) heeft לִמְשִׁסָּה (limshissah), ‘tot plundering’. Wij volgen de qere. De betekenis is gelijk. Zie ook: Re 2:14; Jes 59:1–2; Jer 5:15; Neh 9:26–27; Mat 22:7 **42:25** Hij goot de gloed van Zijn toorn over hem uit, en de kracht van de oorlog. Die zette hem rondom in vlam, maar hij wist het niet. Het brandde in hem, maar hij nam het niet ter harte. Brontekst: וַיִּשְׁפֹּ֤ךְ (vayishpokh) = en Hij goot uit | עָלָיו֙ (alav) = over hem | חֵמָ֣ה (chema) = gloed van | אַפּ֔וֹ (apo) = Zijn toorn | וֶעֱז֖וּז (veezuz) = en kracht van | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | וַתְּלַהֲטֵ֤הוּ (vatelahatehu) = en het zette hem in vlam | מִסָּבִיב֙ (misaviv) = rondom | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָדָ֔ע (yada) = wist hij | וַתִּבְעַר (vativar) = en het brandde | בּ֖וֹ (bo) = in hem | וְלֹא (velo) = en niet | יָשִׂ֥ים (yasim) = nam hij | עַל (al) = op | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵמָה אַפּוֹ (chemah appo), ‘de gloed van Zijn toorn’: letterlijk ‘de hitte van Zijn neus’; de neus staat voor de snuivende woede. Voetnoot : ‘Hem’ is Israël, in vers 24 Jakob genoemd. Zie ook: Ps 79:5–6; Hos 7:9; Jes 42:24; Jes 57:11; Ezech 7:8–9; Mal 2:2 ## Jesaja 43 _Ik heb je verlost; jullie zijn Mijn getuigen_ ### Wees niet bang, Ik heb je verlost **43:1** En nu, zo zegt Yahweh, je Schepper, Jakob, en je Vormer, Israël: **„Wees niet bang, want Ik heb je verlost. Ik heb je bij je naam geroepen; jij bent van Mij.** Brontekst: וְעַתָּ֞ה (veata) = en nu | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בֹּרַאֲךָ֣ (boraakha) = je Schepper | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְיֹצֶרְךָ֖ (veyotserkha) = en je Vormer | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אַל (al) = niet | תִּירָא֙ (tira) = wees bang | כִּ֣י (ki) = want | גְאַלְתִּ֔יךָ (gealtikha) = Ik heb je verlost | קָרָ֥אתִי (qarati) = Ik heb geroepen | בְשִׁמְךָ֖ (beshimkha) = bij je naam | לִי (li) = van Mij | אָֽתָּה (ata) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּרַאֲךָ (bor’akha), ‘je Schepper’, en יֹצֶרְךָ (yotsarkha), ‘je Vormer’: het eerste woord hoort bij בָּרָא (bara), ‘scheppen’, het tweede bij יָצַר (yatsar), ‘vormen’, zoals een pottenbakker doet (vergelijk 45:9). Voetnoot : גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: iemand terugkopen of vrijmaken, zoals een naaste verwant dat doet (vergelijk Lev. 25:25, waar wij ‘lossen’ zeggen). Wie dat doet, heet גֹּאֵל (go’el), ‘Verlosser’ (zie vers 14). Zie ook: Lev 25:25; Ps 100:3; Jes 43:7; Jes 43:14; Jes 54:4–5; Zach 13:9; Tit 2:14 **43:2** **Trek je door het water, dan ben Ik bij je. Trek je door rivieren, dan zullen ze je niet overspoelen. Ga je door het vuur, dan word je niet geschroeid. De vlam zal niet in je branden.** Brontekst: כִּֽי (ki) = als | תַעֲבֹ֤ר (taavor) = je doortrekt | בַּמַּ֨יִם֙ (bamayim) = door water | אִתְּךָ (itekha) = met je | אָ֔נִי (ani) = Ik | וּבַנְּהָר֖וֹת (uvaneharot) = en door rivieren | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁטְפ֑וּךָ (yishtefukha) = zij zullen overspoelen je | כִּֽי (ki) = als | תֵלֵ֤ךְ (telekh) = je gaat | בְּמוֹ (bemo) = door | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | לֹ֣א (lo) = niet | תִכָּוֶ֔ה (tikave) = je wordt geschroeid | וְלֶהָבָ֖ה (velehava) = en vlam | לֹ֥א (lo) = niet | תִבְעַר (tivar) = zal branden | בָּֽךְ (bakh) = in je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 1:9; Ps 23:4; Ps 66:12; Jes 41:10; Dan 3:25–27 **43:3** **Want Ik ben Yahweh, jouw Elohim, de Heilige van Israël, jouw Redder. Ik geef Egypte als losgeld voor jou, Kush en Seba in jouw plaats.** Brontekst: כִּ֗י (ki) = want | אֲנִי֙ (ani) = Ik | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מוֹשִׁיעֶ֑ךָ (moshiekha) = jouw Redder | נָתַ֤תִּי (natati) = Ik heb gegeven | כָפְרְךָ֙ (kaferekha) = als losgeld voor jou | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | כּ֥וּשׁ (kush) = Kush | וּסְבָ֖א (useva) = en Seba | תַּחְתֶּֽיךָ (tachteikha) = in jouw plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Zie Seba (ligging onzeker): Seba is een land of volk in Noordoost-Afrika, verbonden met Kush (Genesis 10:7); vermoedelijk het huidige Soedan of Ethiopië. De precieze ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: כֹּפֶר (kofer), ‘losgeld’: een betaling om iemand vrij te kopen (vergelijk Exod. 21:30). Yahweh geeft hier volken in de plaats van Israël. Voetnoot : סְבָא (Seba): een land of volk, waarschijnlijk in Noordoost-Afrika. De ligging is onzeker (vergelijk Ps. 72:10). Zie ook: Ex 20:2; Ex 21:30; Ps 72:10; 2 Kron 14:8–13; Jes 45:15; Jes 49:26; Jes 60:16 **43:4** **Omdat je kostbaar bent in Mijn ogen, geëerd wordt en Ik van je houd, geef Ik mensen in jouw plaats. Volken geef Ik in ruil voor jouw leven.** Brontekst: מֵאֲשֶׁ֨ר (measher) = omdat | יָקַ֧רְתָּ (yaqarta) = je bent kostbaar | בְעֵינַ֛י (beeinay) = in Mijn ogen | נִכְבַּ֖דְתָּ (nikhbadta) = je wordt geëerd | וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | אֲהַבְתִּ֑יךָ (ahavtikha) = houd van je | וְאֶתֵּ֤ן (veeten) = en Ik geef | אָדָם֙ (adam) = mensen | תַּחְתֶּ֔יךָ (tachteikha) = in jouw plaats | וּלְאֻמִּ֖ים (uleumim) = en volken | תַּ֥חַת (tachat) = in ruil voor | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = jouw leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָדָם (adam), ‘mensen’: hier een verzamelwoord, niet de naam Adam. Zie ook: Gen 12:2; Deut 7:6–8; Jer 31:3; 1 Petr 2:9; Openb 3:9 **43:5** **Wees niet bang, want Ik ben met je. Uit het oosten breng Ik je nageslacht, en uit het westen verzamel Ik je.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּירָ֖א (tira) = wees bang | כִּ֣י (ki) = want | אִתְּךָ (itekha) = met je | אָ֑נִי (ani) = Ik | מִמִּזְרָח֙ (mimizrach) = uit het oosten | אָבִ֣יא (avi) = Ik breng | זַרְעֶ֔ךָ (zarekha) = je nageslacht | וּמִֽמַּעֲרָ֖ב (umimaarav) = en uit het westen | אֲקַבְּצֶֽךָּ (aqabetseka) = Ik verzamel je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 30:3; Jes 49:12; Jes 60:1–11; Ezech 39:25–29; Luc 13:29 **43:6** **Ik zal tegen het noorden zeggen: ‘Geef ze!’ En tegen het zuiden: ‘Houd ze niet tegen! Breng Mijn zonen van ver en Mijn dochters van het einde van de aarde,** Brontekst: אֹמַ֤ר (omar) = Ik zal zeggen | לַצָּפוֹן֙ (latsafon) = tegen het noorden | תֵּ֔נִי (teni) = geef | וּלְתֵימָ֖ן (uleteiman) = en tegen het zuiden | אַל (al) = niet | תִּכְלָ֑אִי (tikhlai) = houd tegen | הָבִ֤יאִי (havii) = breng | בָנַי֙ (banay) = Mijn zonen | מֵרָח֔וֹק (merachoq) = van ver | וּבְנוֹתַ֖י (uvenotay) = en Mijn dochters | מִקְצֵ֥ה (miqtse) = van het einde van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּנִי (tenni), ‘Geef!’: het Hebreeuws zegt niet wie of wat gegeven moet worden. Uit het verband volgt: Mijn zonen en dochters (vers 6–7). Het woord ‘ze’ voegen wij in het Nederlands toe. Zie ook: Hos 2:1–2; Jer 3:14; Jer 3:18–19; Gal 3:26–29; 2 Kor 6:17–18 **43:7** **ieder die naar Mijn naam genoemd wordt, die Ik tot Mijn eer geschapen heb, die Ik gevormd heb, ja, die Ik gemaakt heb.’** Brontekst: כֹּ֚ל (kol) = ieder | הַנִּקְרָ֣א (haniqra) = die genoemd wordt | בִשְׁמִ֔י (bishmi) = naar Mijn naam | וְלִכְבוֹדִ֖י (velikhvodi) = en tot Mijn eer | בְּרָאתִ֑יו (berativ) = Ik heb hem geschapen | יְצַרְתִּ֖יו (yetsartiv) = Ik heb hem gevormd | אַף (af) = ja | עֲשִׂיתִֽיו (asitiv) = Ik heb hem gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 43:21; Rom 9:23; Ef 1:12; Ef 2:10; 1 Petr 2:9 ### Jullie zijn Mijn getuigen **43:8** **Breng het volk naar buiten dat blind is en toch ogen heeft, en de doven die toch oren hebben.** Brontekst: הוֹצִ֥יא (hotsi) = breng naar buiten | עַם (am) = volk | עִוֵּ֖ר (iver) = blind | וְעֵינַ֣יִם (veeinayim) = en ogen | יֵ֑שׁ (yesh) = er zijn | וְחֵרְשִׁ֖ים (vechereshim) = en doven | וְאָזְנַ֥יִם (veazenayim) = en oren | לָֽמוֹ (lamo) = zij hebben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 29:1–3; Jes 6:9; Jes 42:18–20; Ezech 12:2; 2 Kor 4:4–6 **43:9** **Laten alle volken zich samen verzamelen en de naties bijeenkomen. Wie van hen maakt dit bekend en laat ons het vroegere horen? Laten zij hun getuigen brengen, zodat zij gelijk krijgen. Laat men het horen en zeggen: ‘Het is waar.’** Brontekst: כָּֽל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֞ם (hagoyim) = de volken | נִקְבְּצ֣וּ (niqbetsu) = laten zich verzamelen | יַחְדָּ֗ו (yachdav) = samen | וְיֵאָֽסְפוּ֙ (veyeasefu) = en laten bijeenkomen | לְאֻמִּ֔ים (leumim) = de naties | מִ֤י (mi) = wie | בָהֶם֙ (bahem) = onder hen | יַגִּ֣יד (yagid) = maakt bekend | זֹ֔את (zot) = dit | וְרִֽאשֹׁנ֖וֹת (verishonot) = en het vroegere | יַשְׁמִיעֻ֑נוּ (yashmiunu) = laat ons horen | יִתְּנ֤וּ (yitenu) = laten zij brengen | עֵֽדֵיהֶם֙ (edeihem) = hun getuigen | וְיִצְדָּ֔קוּ (veyitsdaqu) = zodat zij gelijk krijgen | וְיִשְׁמְע֖וּ (veyishmeu) = en laat men horen | וְיֹאמְר֥וּ (veyomru) = en zeggen | אֱמֶֽת (emet) = waar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיִצְדָּקוּ (veyitsdaqu), ‘zodat zij gelijk krijgen’: het werkwoord צָדַק (tsadaq) hoort bij ‘gerechtigheid’. Het betekent hier: gelijk krijgen in een rechtszaak. Zo ook in vers 26 en in 45:25. Zie ook: Ps 50:1; Jes 41:1; Jes 41:21–26; Jes 43:26; Jes 44:7–9; Jes 46:10 **43:10** **Jullie zijn Mijn getuigen, godsspraak van Yahweh, en Mijn knecht die Ik gekozen heb. Zodat jullie het weten, Mij geloven en inzien dat Ik Hij ben. Vóór Mij is geen El gevormd, en na Mij zal er geen zijn.** Brontekst: אַתֶּ֤ם (atem) = jullie | עֵדַי֙ (eday) = Mijn getuigen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְעַבְדִּ֖י (veavdi) = en Mijn knecht | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בָּחָ֑רְתִּי (bacharti) = Ik heb gekozen | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תֵּ֠דְעוּ (tedeu) = jullie weten | וְתַאֲמִ֨ינוּ (vetaaminu) = en jullie geloven | לִ֤י (li) = Mij | וְתָבִ֨ינוּ֙ (vetavinu) = en jullie inzien | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | ה֔וּא (hu) = Hij | לְפָנַי֙ (lefanay) = voor Mij | לֹא (lo) = niet | נ֣וֹצַר (notsar) = is gevormd | אֵ֔ל (el) = El | וְאַחֲרַ֖י (veacharay) = en na Mij | לֹ֥א (lo) = niet | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24. Voetnoot : עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: enkelvoud. Het kan Israël zijn, dat in 44:1 ‘Mijn knecht’ heet, of een enkele. Wij laten dat open. Voetnoot : נוֹצַר (notsar), ‘gevormd’: hetzelfde werkwoord als in vers 1. Het wordt ook gebruikt voor het maken van een beeld (zie 44:10). Zie ook: Jes 1:24; Jes 40:21–22; Jes 41:4; Jes 43:1; Jes 43:12; Jes 45:6; Jes 46:8–9 **43:11** **Ik, Ik ben Yahweh, en buiten Mij is er geen redder.** Brontekst: אָנֹכִ֥י (anokhi) = Ik | אָנֹכִ֖י (anokhi) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | מִבַּלְעָדַ֖י (mibaladay) = buiten Mij | מוֹשִֽׁיעַ (moshia) = redder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 13:4; Jes 43:3; Jes 44:6; Jes 45:21–22; Hand 4:12 **43:12** **Ik heb het aangekondigd, gered en laten horen. Er was geen vreemde onder jullie. Jullie zijn Mijn getuigen, godsspraak van Yahweh, en Ik ben El.** Brontekst: אָנֹכִ֞י (anokhi) = Ik | הִגַּ֤דְתִּי (higadti) = heb aangekondigd | וְהוֹשַׁ֨עְתִּי֙ (vehoshati) = en gered | וְהִשְׁמַ֔עְתִּי (vehishmati) = en laten horen | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | בָּכֶ֖ם (bakhem) = onder jullie | זָ֑ר (zar) = vreemde | וְאַתֶּ֥ם (veatem) = en jullie | עֵדַ֛י (eday) = Mijn getuigen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽאֲנִי (vaani) = en Ik | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָר (zar), ‘vreemde’: hier een vreemde god, een god van buiten Israël (vergelijk Deut. 32:16). Zie ook: Deut 32:12; Deut 32:16; Ps 81:10–11; Jes 37:7; Jes 43:10; Jes 44:8 **43:13** **Ook sinds er dag is, ben Ik Hij. Niemand bevrijdt uit Mijn hand. Ik werk, en wie kan het terugdraaien?”** Brontekst: גַּם (gam) = ook | מִיּוֹם֙ (miyom) = sinds de dag | אֲנִ֣י (ani) = Ik | ה֔וּא (hu) = Hij | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | מִיָּדִ֖י (miyadi) = uit Mijn hand | מַצִּ֑יל (matsil) = bevrijder | אֶפְעַ֖ל (efal) = Ik zal werken | וּמִ֥י (umi) = en wie | יְשִׁיבֶֽנָּה (yeshivena) = kan het terugdraaien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִיּוֹם (miyom), ‘sinds er dag is’: letterlijk ‘vanaf de dag’. Het kan ook ‘vanaf vandaag’ betekenen. Voetnoot : הוּא (hu), ‘Hij’: ‘Ik ben Hij’ zegt dat Yahweh altijd dezelfde is (vergelijk Deut. 32:39). Zie ook: Deut 32:39; Ps 90:2; Jes 14:27; Jes 46:10; Joh 8:58; Heb 13:8 ### Ik stuur naar Babel **43:14** Zo zegt Yahweh, jullie Verlosser, de Heilige van Israël: **„Omwille van jullie heb Ik naar Babel gestuurd. Ik laat hen allemaal neerdalen als vluchtelingen, ook de Chaldeeën, in de schepen van hun jubel.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֧ר (amar) = zegt | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | גֹּאַלְכֶ֖ם (goalkhem) = jullie Verlosser | קְד֣וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לְמַעַנְכֶ֞ם (lemaankhem) = omwille van jullie | שִׁלַּ֣חְתִּי (shilachti) = Ik heb gestuurd | בָבֶ֗לָה (bavela) = naar Babel | וְהוֹרַדְתִּ֤י (vehoradti) = en Ik laat neerdalen | בָֽרִיחִים֙ (barichim) = vluchtelingen | כֻּלָּ֔ם (kulam) = allen | וְכַשְׂדִּ֖ים (vekhasdim) = en de Chaldeeën | בָּאֳנִיּ֥וֹת (baoniyot) = in de schepen van | רִנָּתָֽם (rinatam) = hun jubel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בָּרִיחִים (barichim), ‘vluchtelingen’: het woord is moeilijk. Het kan ook ‘grendels’ betekenen. Wij nemen ‘vluchtelingen’. Voetnoot : בָּאֳנִיּוֹת רִנָּתָם (ba’oniyyot rinnatam), ‘in de schepen van hun jubel’: waarschijnlijk de schepen waarop de Chaldeeën zich beroemden. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : שִׁלַּחְתִּי (shillachti), ‘Ik heb gestuurd’: het Hebreeuws gebruikt de voltooide tijd. Dat laat zien dat Yahweh het als vaststaand ziet. Voetnoot : Babel lag aan de Eufraat, in het huidige Irak. Zie ook: Jes 23:13; Jes 44:6; Jes 44:24–45:5; Jer 50:2–11; Jer 51:24 **43:15** **Ik ben Yahweh, jullie Heilige, de Schepper van Israël, jullie Koning.”** Brontekst: אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | קְדֽוֹשְׁכֶ֑ם (qedoshekhem) = jullie Heilige | בּוֹרֵ֥א (bore) = Schepper van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מַלְכְּכֶֽם (malkekhem) = jullie Koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 43:1; Jer 51:5; Hab 1:12; Mat 25:34; Openb 3:7 ### Zie, Ik doe iets nieuws **43:16** Zo zegt Yahweh, die in de zee een weg geeft en in machtige wateren een pad, Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַנּוֹתֵ֥ן (hanoten) = die geeft | בַּיָּ֖ם (bayam) = in de zee | דָּ֑רֶךְ (darekh) = een weg | וּבְמַ֥יִם (uvemayim) = en in wateren | עַזִּ֖ים (azim) = machtige | נְתִיבָֽה (netiva) = een pad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 16–17 beschrijven de doortocht door de zee en de ondergang van het leger van Egypte (vergelijk Exod. 14:21–28). Deze verzen zijn zwart, omdat ze over Yahweh in de derde persoon spreken. Zijn eigen woorden beginnen in vers 18. Zie ook: Ex 14:21–28; Ps 77:20; Jes 43:2; Jes 43:18; Jes 51:10; Jes 51:15; Jer 31:35 **43:17** die wagen en paard laat uittrekken, leger en macht tegelijk. Zij liggen neer, zij staan niet op. Zij zijn uitgedoofd, gedoofd als een lont. Brontekst: הַמּוֹצִ֥יא (hamotsi) = die laat uittrekken | רֶֽכֶב (rekhev) = wagen | וָס֖וּס (vasus) = en paard | חַ֣יִל (chayil) = leger | וְעִזּ֑וּז (veizuz) = en macht | יַחְדָּ֤ו (yachdav) = tegelijk | יִשְׁכְּבוּ֙ (yishkevu) = zij liggen neer | בַּל (bal) = niet | יָק֔וּמוּ (yaqumu) = zij staan op | דָּעֲכ֖וּ (daakhu) = zij zijn uitgedoofd | כַּפִּשְׁתָּ֥ה (kapishta) = als een lont | כָבֽוּ (kavu) = zij zijn gedoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּשְׁתָּה (pishtah), ‘lont’: letterlijk ‘vlas’. Het gaat om een lampenpit van vlas, die uitdooft. Zie ook: Ex 14:4–9; Ps 118:12; Jes 1:31; Ezech 38:8–18; Openb 20:8–9 **43:18** **„Denk niet aan het vroegere en let niet op het oude.** Brontekst: אַֽל (al) = niet | תִּזְכְּר֖וּ (tizkeru) = gedenk | רִֽאשֹׁנ֑וֹת (rishonot) = het vroegere | וְקַדְמֹנִיּ֖וֹת (veqadmoniyot) = en het oude | אַל (al) = niet | תִּתְבֹּנָֽנוּ (titbonanu) = let op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 8:2; 1 Kron 16:12; Jes 65:17; Jer 16:14–15; 2 Kor 3:10 **43:19** **Zie, Ik doe iets nieuws. Nu spruit het op. Weten jullie het niet? Ja, Ik leg een weg in de woestijn en rivieren in de wildernis.** Brontekst: הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | עֹשֶׂ֤ה (ose) = doe | חֲדָשָׁה֙ (chadasha) = iets nieuws | עַתָּ֣ה (ata) = nu | תִצְמָ֔ח (titsmach) = het spruit op | הֲל֖וֹא (halo) = is het niet | תֵֽדָע֑וּהָ (tedauha) = jullie weten het | אַ֣ף (af) = ja | אָשִׂ֤ים (asim) = Ik leg | בַּמִּדְבָּר֙ (bamidbar) = in de woestijn | דֶּ֔רֶךְ (derekh) = een weg | בִּֽישִׁמ֖וֹן (bishimon) = in de wildernis | נְהָרֽוֹת (neharot) = rivieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 41:18; Jes 42:9; Jes 48:6; 2 Kor 5:17; Openb 21:5 **43:20** **De dieren van het veld zullen Mij eren, de jakhalzen en de struisvogels. Want Ik geef water in de woestijn, rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorene, te laten drinken.** Brontekst: תְּכַבְּדֵ֨נִי֙ (tekhabedeni) = zullen Mij eren | חַיַּ֣ת (chayat) = de dieren van | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | תַּנִּ֖ים (tanim) = jakhalzen | וּבְנ֣וֹת (uvenot) = en dochters van | יַֽעֲנָ֑ה (yaana) = de struisvogel | כִּֽי (ki) = want | נָתַ֨תִּי (natati) = Ik heb gegeven | בַמִּדְבָּ֜ר (bamidbar) = in de woestijn | מַ֗יִם (mayim) = water | נְהָרוֹת֙ (neharot) = rivieren | בִּֽישִׁימֹ֔ן (bishimon) = in de wildernis | לְהַשְׁק֖וֹת (lehashqot) = om te laten drinken | עַמִּ֥י (ami) = Mijn volk | בְחִירִֽי (bechiri) = Mijn uitverkorene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנוֹת יַעֲנָה (benot ya’anah), ‘struisvogels’: letterlijk ‘dochters van de struisvogel’. Welk dier precies bedoeld is, is niet zeker. Voetnoot : בִּישִׁימֹן (bishimon), ‘in de wildernis’: dor, onbewoond land. Het is een andere spelling van het woord in vers 19. Zie ook: Jes 13:22; Jes 41:17; Jes 43:19; Jes 48:21; Jes 49:10; Joh 4:14 **43:21** **Dit volk heb Ik voor Mij gevormd. Zij zullen Mijn lof vertellen.** Brontekst: עַם (am) = volk | זוּ֙ (zu) = dit | יָצַ֣רְתִּי (yatsarti) = Ik heb gevormd | לִ֔י (li) = voor Mij | תְּהִלָּתִ֖י (tehilati) = Mijn lof | יְסַפֵּֽרוּ (yesaperu) = zij zullen vertellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 102:19; Luc 1:74–75; 1 Kor 6:19–20; 1 Petr 2:9; Heb 13:15 ### Jakob riep Mij niet aan **43:22** **Maar jij hebt Mij niet aangeroepen, Jakob. Want je bent Mij moe geworden, Israël.** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | אֹתִ֥י (oti) = Mij | קָרָ֖אתָ (qarata) = je hebt geroepen | יַֽעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | כִּֽי (ki) = want | יָגַ֥עְתָּ (yagata) = je bent moe geworden | בִּ֖י (bi) = van Mij | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָגַעְתָּ בִּי (yaga’ta bi), ‘je bent Mij moe geworden’: letterlijk ‘je bent vermoeid in Mij’. Het werkwoord יָגַע (yaga) betekent ‘moe worden’. Het hoort bij הוֹגַעְתַּנִי (hoga’tani), ‘je hebt Mij vermoeid’, in vers 24. Het kan ook betekenen: ‘je hebt je voor Mij ingespannen’. De zin in vers 23 maakt duidelijk dat Israël zich juist niet voor Yahweh inspande. Zie ook: Jes 43:23; Jes 43:24; Mi 6:3; Jer 10:25; Mal 1:13; Mal 3:14; Jak 4:2–3 **43:23** **Je hebt Mij geen lam van je brandoffers gebracht, en met je slachtoffers heb je Mij niet geëerd. Ik heb je niet laten werken met een graanoffer en je niet vermoeid met wierook.** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | הֵבֵ֤יאתָ (heveita) = je hebt gebracht | לִּי֙ (li) = Mij | שֵׂ֣ה (se) = lam | עֹלֹתֶ֔יךָ (oloteikha) = je brandoffers | וּזְבָחֶ֖יךָ (uzevacheikha) = en je slachtoffers | לֹ֣א (lo) = niet | כִבַּדְתָּ֑נִי (kibadtani) = je hebt Mij geëerd | לֹ֤א (lo) = niet | הֶעֱבַדְתִּ֨יךָ֙ (heevadtikha) = Ik heb je laten werken | בְּמִנְחָ֔ה (bemincha) = met een graanoffer | וְלֹ֥א (velo) = en niet | הוֹגַעְתִּ֖יךָ (hogatikha) = Ik heb je vermoeid | בִּלְבוֹנָֽה (bilvona) = met wierook Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׂה (seh), ‘lam’: een stuk kleinvee, schaap of geit. Wij vertalen ‘lam’, zoals in Exod. 12:3. Voetnoot : הֶעֱבַדְתִּיךָ (he’evadtikha), ‘Ik heb je laten werken’: letterlijk ‘Ik heb je laten dienen’. Zo ook in vers 24. Voetnoot : לְבוֹנָה (levonah), ‘wierook’: een hars die men verbrandt bij het offer. Zie ook: Ex 12:3; Lev 2:1; Amos 5:25; Jes 43:24; Jes 66:3; Zach 7:5–6; Mal 1:6–8 **43:24** **Je hebt voor Mij geen kalmoes met geld gekocht, en met het vet van je slachtoffers heb je Mij niet verzadigd. Maar met je zonden heb je Mij laten werken, en met je ongerechtigheden heb je Mij vermoeid.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | קָנִ֨יתָ (qanita) = je hebt gekocht | לִּ֤י (li) = voor Mij | בַכֶּ֨סֶף֙ (bakesef) = met geld | קָנֶ֔ה (qane) = kalmoes | וְחֵ֥לֶב (vechelev) = en vet van | זְבָחֶ֖יךָ (zevacheikha) = je slachtoffers | לֹ֣א (lo) = niet | הִרְוִיתָ֑נִי (hirvitani) = je hebt Mij verzadigd | אַ֗ךְ (akh) = maar | הֶעֱבַדְתַּ֨נִי֙ (heevadtani) = je hebt Mij laten werken | בְּחַטֹּאותֶ֔יךָ (bechatovteikha) = met je zonden | הוֹגַעְתַּ֖נִי (hogatani) = je hebt Mij vermoeid | בַּעֲוֺנֹתֶֽיךָ (baavonoteikha) = met je ongerechtigheden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָנֶה (qaneh), ‘kalmoes’: een welriekend riet, dat bij het heilige zalfsel hoorde (vergelijk Exod. 30:23). Voetnoot : הִרְוִיתָנִי (hirvitani), ‘je hebt Mij verzadigd’: van het werkwoord רָוָה (ravah), ‘volop drinken’ of ‘verzadigen’. Zie ook: Ex 30:23; Jes 1:14; Jes 7:13; Jes 63:10; Jer 6:20; Ezech 6:9 **43:25** **Ik, Ik ben Hij, die je overtredingen uitwist, omwille van Mijzelf. Aan je zonden denk Ik niet.** Brontekst: אָנֹכִ֨י (anokhi) = Ik | אָנֹכִ֥י (anokhi) = Ik | ה֛וּא (hu) = Hij | מֹחֶ֥ה (moche) = die uitwist | פְשָׁעֶ֖יךָ (peshaeikha) = je overtredingen | לְמַעֲנִ֑י (lemaani) = omwille van Mij | וְחַטֹּאתֶ֖יךָ (vechatoteikha) = en je zonden | לֹ֥א (lo) = niet | אֶזְכֹּֽר (ezkor) = Ik zal gedenken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 1:18; Mi 7:18–19; Jer 31:34; Heb 8:12; Heb 10:17 **43:26** **Herinner Mij eraan. Laten wij samen een rechtszaak voeren. Vertel jij het zelf, zodat je gelijk krijgt.** Brontekst: הַזְכִּירֵ֕נִי (hazkireni) = herinner Mij eraan | נִשָּׁפְטָ֖ה (nishafeta) = laten wij een rechtszaak voeren | יָ֑חַד (yachad) = samen | סַפֵּ֥ר (saper) = vertel | אַתָּ֖ה (ata) = jij | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | תִּצְדָּֽק (titsdaq) = je gelijk krijgt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשָּׁפְטָה (nishafetah), ‘laten wij een rechtszaak voeren’: van שָׁפַט (shafat), ‘recht spreken’. Yahweh nodigt Israël uit om zijn zaak voor te leggen. Zie ook: Ps 141:2; Jes 1:18; Jes 43:9; Jer 2:21–35; Rom 8:33 **43:27** **Je eerste vader heeft gezondigd, en je tolken zijn in opstand gekomen tegen Mij.** Brontekst: אָבִ֥יךָ (avikha) = je vader | הָרִאשׁ֖וֹן (harishon) = de eerste | חָטָ֑א (chata) = heeft gezondigd | וּמְלִיצֶ֖יךָ (umelitseikha) = en je tolken | פָּ֥שְׁעוּ (pasheu) = zijn in opstand gekomen | בִֽי (bi) = tegen Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָבִיךָ הָרִאשׁוֹן (avikha harishon), ‘je eerste vader’: wie bedoeld is, zegt het Hebreeuws niet. Misschien is het Jakob, misschien de eerste leider van het volk. Voetnoot : מְלִיצֶיךָ (melitsekha), ‘je tolken’: de woordvoerders of bemiddelaars van het volk. Het woord kan ook ‘spotters’ betekenen. Hetzelfde woord wordt gebruikt voor een tolk (vergelijk Gen. 42:23). Zie ook: Gen 42:23; Jes 28:7; Jer 5:31; Klaagl 4:13–14; Ezech 16:3; Ezech 22:25–28 **43:28** **Ik ontheiligde de vorsten van het heiligdom. Ik gaf Jakob over aan de ban en Israël aan smaad.”** Brontekst: וַאֲחַלֵּ֖ל (vaachalel) = en Ik ontheiligde | שָׂ֣רֵי (sarei) = vorsten van | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = het heiligdom | וְאֶתְּנָ֤ה (veetena) = en Ik gaf | לַחֵ֨רֶם֙ (lacherem) = aan de ban | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | לְגִדּוּפִֽים (legidufim) = aan smaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַאֲחַלֵּל (va’achallel), ‘Ik ontheiligde’: de verleden tijd van het Hebreeuws. Het kan ook als toekomst worden gelezen: ‘Ik zal ontheiligen’. Voetnoot : שָׂרֵי קֹדֶשׁ (sarei qodesh), ‘vorsten van het heiligdom’: de leiders die in dienst van het heiligdom stonden. Het kan ook ‘heilige vorsten’ betekenen. Voetnoot : חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wat aan Yahweh is gewijd en vernietigd moet worden (vergelijk Deut. 7:2). Zie ook: Deut 7:2; Jes 65:15; Jer 24:9; Klaagl 2:2; Zach 8:13; 1 Tess 2:16 ## Jesaja 44 _Jesurun, de Eerste en de Laatste, en Kores_ ### Mijn knecht Jakob **44:1** **„En nu, hoor, Jakob, Mijn knecht, en Israël, die Ik gekozen heb.”** Brontekst: וְעַתָּ֥ה (veata) = en nu | שְׁמַ֖ע (shema) = hoor | יַעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | עַבְדִּ֑י (avdi) = Mijn knecht | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | בָּחַ֥רְתִּי (bacharti) = Ik heb gekozen | בֽוֹ (bo) = in hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: hier is het volk bedoeld, Jakob en Israël (zie ook vers 2 en 21). Wij schrijven ‘knecht’ met een kleine letter. Zie ook: Jes 41:8; Jes 44:2; Jes 44:21; Jer 4:7; Jer 30:10; Jer 46:27–28; Rom 11:5–6 **44:2** Zo zegt Yahweh, die je gemaakt heeft, die je vanaf de moederschoot gevormd heeft en je helpt: **„Wees niet bang, Mijn knecht Jakob, en Jesurun, die Ik gekozen heb.** Brontekst: כֹּה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | עֹשֶׂ֛ךָ (osekha) = die je maakte | וְיֹצֶרְךָ֥ (veyotserkha) = en je vormde | מִבֶּ֖טֶן (mibeten) = vanaf de moederschoot | יַעְזְרֶ֑ךָּ (yazereka) = helpt je | אַל (al) = niet | תִּירָא֙ (tira) = wees bang | עַבְדִּ֣י (avdi) = Mijn knecht | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וִישֻׁר֖וּן (vishurun) = en Jesurun | בָּחַ֥רְתִּי (bacharti) = Ik heb gekozen | בֽוֹ (bo) = in hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְשֻׁרוּן (Yeshurun), ‘Jesurun’: een eervolle naam voor Israël, verwant met יָשָׁר (yashar), ‘recht’. Zie Deut. 32:15. Voetnoot : מִבֶּטֶן (mibeten), ‘vanaf de moederschoot’: letterlijk ‘vanaf de buik’. Zo ook in vers 24. Zie ook: Deut 32:15; Jes 43:1; Jes 43:7; Jes 44:24; Jes 46:3–4; Jer 1:5 **44:3** **Want Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge. Ik zal Mijn Geest gieten op je nageslacht en Mijn zegen op je nakomelingen.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אֶצָּק (etsaq) = Ik zal gieten | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | עַל (al) = op | צָמֵ֔א (tsame) = dorstige | וְנֹזְלִ֖ים (venozelim) = en stromen | עַל (al) = op | יַבָּשָׁ֑ה (yabasha) = droge | אֶצֹּ֤ק (etsoq) = Ik zal gieten | רוּחִי֙ (ruchi) = Mijn Geest | עַל (al) = op | זַרְעֶ֔ךָ (zarekha) = je nageslacht | וּבִרְכָתִ֖י (uvirkhati) = en Mijn zegen | עַל (al) = op | צֶאֱצָאֶֽיךָ (tseetsaeikha) = je nakomelingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: de Geest van Yahweh, die op het nageslacht wordt uitgegoten. Vergelijk Joël 3:1 (Hebr.). Voetnoot : צָמֵא (tsame), ‘dorstige’: dorstig land of dorstige mensen. Het beeld gaat over van water naar de Geest. Zie ook: Spr 1:23; Joël 3:1; Jes 59:21; Joh 7:37–39; Hand 2:17 **44:4** **Zij zullen opschieten tussen het gras, als wilgen langs stromend water.”** Brontekst: וְצָמְח֖וּ (vetsamechu) = en zij zullen opschieten | בְּבֵ֣ין (bevein) = tussen | חָצִ֑יר (chatsir) = gras | כַּעֲרָבִ֖ים (kaaravim) = als wilgen | עַל (al) = langs | יִבְלֵי (yivlei) = stromen van | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 1:3; Ps 92:14–16; Ps 137:1–2; Jes 58:11; Ezech 17:5 **44:5** De een zal zeggen: ‘Ik ben van Yahweh.’ Een ander zal de naam Jakob uitroepen. Weer een ander zal op zijn hand schrijven: ‘Van Yahweh’, en met de naam Israël een eernaam aannemen. Brontekst: זֶ֤ה (ze) = de een | יֹאמַר֙ (yomar) = zal zeggen | לַֽיהוָ֣ה (laYahweh) = van Yahweh | אָ֔נִי (ani) = ik | וְזֶ֖ה (veze) = en een ander | יִקְרָ֣א (yiqra) = zal uitroepen | בְשֵֽׁם (beshem) = de naam | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וְזֶ֗ה (veze) = en een ander | יִכְתֹּ֤ב (yikhtov) = zal schrijven | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = van Yahweh | וּבְשֵׁ֥ם (uveshem) = en met de naam | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | יְכַנֶּֽה (yekhane) = zal een eernaam aannemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is zwart, omdat het over Yahweh in de derde persoon spreekt. Voetnoot : יִקְרָא בְּשֵׁם יַעֲקֹב (yiqra veshem Yaakov), ‘zal de naam Jakob uitroepen’: het kan ook betekenen ‘zal zich noemen met de naam Jakob’. Voetnoot : יִכְתֹּב יָדוֹ (yikhtov yado), ‘zal op zijn hand schrijven’: letterlijk ‘zal zijn hand schrijven’. Het kan ook ‘schrijft met zijn hand’ zijn. Voetnoot : יְכַנֶּה (yekhanneh), ‘zal een eernaam aannemen’: een bijnaam of eretitel. Hetzelfde werkwoord staat in 45:4. Zie ook: Ex 13:9; Zach 13:9; Neh 10:1–30; Gal 6:16; 2 Kor 8:5 ### Ik ben de Eerste en de Laatste **44:6** Zo zegt Yahweh, de Koning van Israël en zijn Verlosser, Yahweh van de legermachten: **„Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste. Buiten Mij is er geen Elohim.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | מֶֽלֶךְ (melekh) = Koning van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | וְגֹאֲל֖וֹ (vegoalo) = en zijn Verlosser | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֲנִ֤י (ani) = Ik | רִאשׁוֹן֙ (rishon) = de Eerste | וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | אַחֲר֔וֹן (acharon) = de Laatste | וּמִבַּלְעָדַ֖י (umibaladay) = en buiten Mij | אֵ֥ין (ein) = niet is | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִאשׁוֹן (rishon), ‘de Eerste’, en אַחֲרוֹן (acharon), ‘de Laatste’: Yahweh is er vóór alles en na alles. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jes. 1:9. Zie ook: Jes 1:9; Jes 41:4; Jes 43:10–11; Jes 44:8; Openb 1:8; Openb 22:13 **44:7** **Wie is zoals Ik? Laat hem het uitroepen, het bekendmaken en het Mij uiteenzetten, sinds Ik het eeuwige volk gesteld heb. En het komende, en wat nog zal komen, laten zij hun bekendmaken.** Brontekst: וּמִֽי (umi) = en wie | כָמ֣וֹנִי (kamoni) = zoals Ik | יִקְרָ֗א (yiqra) = laat hem uitroepen | וְיַגִּידֶ֤הָ (veyagideha) = en bekendmaken het | וְיַעְרְכֶ֨הָ֙ (veyarekheha) = en uiteenzetten het | לִ֔י (li) = voor Mij | מִשּׂוּמִ֖י (misumi) = sinds Ik stel | עַם (am) = volk | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | וְאֹתִיּ֛וֹת (veotiyot) = en het komende | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wat | תָּבֹ֖אנָה (tavona) = zal komen | יַגִּ֥ידוּ (yagidu) = laten zij bekendmaken | לָֽמוֹ (lamo) = hun Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַם עוֹלָם (am olam), ‘het eeuwige volk’: letterlijk ‘volk van eeuwigheid’. Het kan ook ‘het volk van oudsher’ betekenen. De zin is moeilijk; zij kan ook betekenen: ‘sinds Ik de mensen van de oude tijd stelde’. Zie ook: Gen 17:7–8; Jes 41:22; Jes 41:26; Jes 45:21; Jes 46:9–10 **44:8** **Wees niet bang en schrik niet. Heb Ik het je niet vanouds laten horen en bekendgemaakt? Jullie zijn Mijn getuigen. Is er een Eloah buiten Mij? Er is geen Rots, Ik ken er geen.”** Brontekst: אַֽל (al) = niet | תִּפְחֲדוּ֙ (tifchadu) = wees bang | וְאַל (veal) = en niet | תִּרְה֔וּ (tirhu) = schrik | הֲלֹ֥א (halo) = is het niet | מֵאָ֛ז (meaz) = vanouds | הִשְׁמַעְתִּ֥יךָ (hishmatikha) = Ik heb je laten horen | וְהִגַּ֖דְתִּי (vehigadti) = en Ik heb bekendgemaakt | וְאַתֶּ֣ם (veatem) = en jullie | עֵדָ֑י (eday) = Mijn getuigen | הֲיֵ֤שׁ (hayesh) = is er | אֱל֨וֹהַּ֙ (eloha) = Eloah | מִבַּלְעָדַ֔י (mibaladay) = buiten Mij | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | צ֖וּר (tsur) = Rots | בַּל (bal) = niet | יָדָֽעְתִּי (yadati) = Ik ken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּרְהוּ (tirhu), ‘schrik’: het werkwoord komt zelden voor. De betekenis volgt uit het verband. Voetnoot : אֱלוֹהַּ (Eloah): zoals in Deut. 32:15. Voetnoot : צוּר (tsur), ‘Rots’: een naam voor Yahweh (vergelijk Deut. 32:4). Zie ook: Deut 4:35; Deut 4:39; Deut 32:4; Deut 32:15; 1 Sam 2:2; Jes 43:10; Joh 10:30 ### De makers van beelden **44:9** De makers van een beeld zijn allemaal leegte. Hun kostbaarheden baten niet. En hun getuigen, zij zien niet en weten niet, zodat zij beschaamd worden. Brontekst: יֹֽצְרֵי (yotserei) = makers van | פֶ֤סֶל (pesel) = beeld | כֻּלָּם֙ (kulam) = allen | תֹּ֔הוּ (tohu) = leegte | וַחֲמוּדֵיהֶ֖ם (vachamudeihem) = en hun kostbaarheden | בַּל (bal) = niet | יוֹעִ֑ילוּ (yoilu) = zij baten | וְעֵדֵיהֶ֣ם (veedeihem) = en hun getuigen | הֵׄ֗מָּׄהׄ (hema) = zij | בַּל (bal) = niet | יִרְא֛וּ (yiru) = zij zien | וּבַל (uval) = en niet | יֵדְע֖וּ (yedeu) = zij weten | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | יֵבֹֽשׁוּ (yevoshu) = zij beschaamd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹּהוּ (tohu), ‘leegte’: hetzelfde woord als in Gen. 1:2 en Deut. 32:10, daar ‘woeste leegte’. Hier betekent het: niets, zonder waarde. Voetnoot : חֲמוּדֵיהֶם (chamudeihem), ‘hun kostbaarheden’: wat men dierbaar vindt, hier de beelden zelf. Voetnoot : עֵדֵיהֶם (edeihem), ‘hun getuigen’: waarschijnlijk de beelden zelf, die niets zien en niets weten. Zie ook: Gen 1:2; Deut 32:10; Ps 97:7; Jes 41:24; Jes 41:29; Jer 10:14–15; Hab 2:18–20 **44:10** Wie vormt een god en giet een beeld, dat toch niets baat? Brontekst: מִֽי (mi) = wie | יָצַ֥ר (yatsar) = vormt | אֵ֖ל (el) = een god | וּפֶ֣סֶל (ufesel) = en een beeld | נָסָ֑ךְ (nasakh) = giet | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = om niet | הוֹעִֽיל (hoil) = te baten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 12:28; Jer 10:5; Hab 2:18; Dan 3:1; Hand 19:26 **44:11** Zie, al zijn metgezellen worden beschaamd. De ambachtslieden zijn zelf maar mensen. Laten zij zich allen verzamelen en gaan staan. Zij zullen schrikken en samen beschaamd worden. Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | כָּל (kal) = allen | חֲבֵרָיו֙ (chaverav) = zijn metgezellen | יֵבֹ֔שׁוּ (yevoshu) = zullen beschaamd worden | וְחָרָשִׁ֥ים (vecharashim) = en ambachtslieden | הֵ֖מָּה (hema) = zij | מֵֽאָדָ֑ם (meadam) = uit mensen | יִֽתְקַבְּצ֤וּ (yitqabetsu) = laten zich verzamelen | כֻלָּם֙ (kulam) = allen | יַֽעֲמֹ֔דוּ (yaamodu) = laten gaan staan | יִפְחֲד֖וּ (yifchadu) = zullen schrikken | יֵבֹ֥שׁוּ (yevoshu) = zullen beschaamd worden | יָֽחַד (yachad) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרָשִׁים (charashim), ‘ambachtslieden’: smeden en houtbewerkers; zie vers 12–13. Zie ook: Ps 97:7; Jes 1:29; Jes 42:17; Jes 44:12–13; Jes 45:16; Jer 51:17 **44:12** De ijzersmid maakt een bijl. Hij werkt in de kolen en vormt het met hamers. Hij bewerkt het met zijn sterke arm. Ook krijgt hij honger, zodat hij geen kracht meer heeft. Hij drinkt geen water en raakt uitgeput. Brontekst: חָרַ֤שׁ (charash) = smid van | בַּרְזֶל֙ (barzel) = ijzer | מַֽעֲצָ֔ד (maatsad) = bijl | וּפָעַל֙ (ufaal) = en hij werkt | בַּפֶּחָ֔ם (bapecham) = in de kolen | וּבַמַּקָּב֖וֹת (uvamaqavot) = en met hamers | יִצְּרֵ֑הוּ (yitserehu) = hij vormt het | וַיִּפְעָלֵ֨הוּ֙ (vayifalehu) = en hij bewerkt het | בִּזְר֣וֹעַ (bizroa) = met arm van | כֹּח֔וֹ (kocho) = zijn kracht | גַּם (gam) = ook | רָעֵב֙ (raev) = honger | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | כֹּ֔חַ (koach) = kracht | לֹא (lo) = niet | שָׁ֥תָה (shata) = hij drinkt | מַ֖יִם (mayim) = water | וַיִּיעָֽף (vayiaf) = en hij raakt uitgeput Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲצָד (ma’atsad), ‘bijl’: het woord is zeldzaam. Het kan ook een ander werktuig zijn, zoals een beitel. Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk. De zin is wel duidelijk: de smid werkt hard en raakt uitgeput. Zie ook: Ex 32:8; Jes 40:19; Jes 41:6–7; Jes 46:6–7; Hab 2:13 **44:13** De houtbewerker spant een meetsnoer uit en tekent het af met rood krijt. Hij maakt het met schaven en tekent het af met een passer. Hij maakt het naar de gedaante van een man, naar de schoonheid van een mens, om in een huis te wonen. Brontekst: חָרַ֣שׁ (charash) = bewerker van | עֵצִים֮ (etsim) = hout | נָ֣טָה (nata) = hij spant uit | קָו֒ (qav) = meetsnoer | יְתָאֲרֵ֣הוּ (yetaarehu) = hij tekent het af | בַשֶּׂ֔רֶד (basered) = met rood krijt | יַעֲשֵׂ֨הוּ֙ (yaasehu) = hij maakt het | בַּמַּקְצֻע֔וֹת (bamaqtsuot) = met schaven | וּבַמְּחוּגָ֖ה (uvamechuga) = en met een passer | יְתָאֳרֵ֑הוּ (yetaorehu) = hij tekent het af | וַֽיַּעֲשֵׂ֨הוּ֙ (vayaasehu) = en hij maakt het | כְּתַבְנִ֣ית (ketavnit) = naar de gedaante van | אִ֔ישׁ (ish) = man | כְּתִפְאֶ֥רֶת (ketiferet) = naar de schoonheid van | אָדָ֖ם (adam) = mens | לָשֶׁ֥בֶת (lashevet) = om te wonen | בָּֽיִת (bayit) = in een huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׂרֶד (sered), ‘rood krijt’: het woord is zeldzaam en de betekenis is niet zeker. Voetnoot : מַקְצֻעוֹת (maqtsu’ot), ‘schaven’: werktuigen om hout glad te maken. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : מְחוּגָה (mechugah), ‘passer’: een werktuig om een cirkel te trekken. Voetnoot : תִּפְאֶרֶת (tif’eret), ‘schoonheid’: elders ‘luister’ (zie 44:23). Zie ook: Deut 4:16–18; Re 17:4–5; Ps 115:5–7; Hand 17:29; Rom 1:23 **44:14** Hij kapt cederbomen voor zich. Hij neemt een tirza-boom en een eik en laat ze voor zich sterk worden tussen de bomen van het woud. Hij plant een den, en de regen laat die groeien. Brontekst: לִכְרָת (likhrat) = om te kappen | ל֣וֹ (lo) = voor zich | אֲרָזִ֔ים (arazim) = cederbomen | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij neemt | תִּרְזָה֙ (tirza) = een tirza-boom | וְאַלּ֔וֹן (vealon) = en een eik | וַיְאַמֶּץ (vayamets) = en hij laat sterk worden | ל֖וֹ (lo) = voor zich | בַּעֲצֵי (baatsei) = tussen de bomen van | יָ֑עַר (yaar) = het woud | נָטַ֥ע (nata) = hij plant | אֹ֖רֶן (oren) = een den | וְגֶ֥שֶׁם (vegeshem) = en regen | יְגַדֵּֽל (yegadel) = laat groeien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּרְזָה (tirzah): een boomsoort die wij niet met zekerheid kennen. Wij laten het woord staan. Voetnoot : אֹרֶן (oren), ‘den’: een naaldboom; de betekenis is niet zeker. Zie ook: Hos 4:12; Jes 40:20; Jer 10:3–8; Hab 2:19 **44:15** Het wordt voor de mens brandhout. Hij neemt ervan en warmt zich. Hij steekt het ook aan en bakt brood. Ook maakt hij er een god van en buigt zich neer. Hij maakt er een beeld van en buigt zich ervoor. Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het wordt | לְאָדָם֙ (leadam) = voor de mens | לְבָעֵ֔ר (levaer) = tot brandhout | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij neemt | מֵהֶם֙ (mehem) = ervan | וַיָּ֔חָם (vayacham) = en warmt zich | אַף (af) = ook | יַשִּׂ֖יק (yasiq) = hij steekt aan | וְאָ֣פָה (veafa) = en bakt | לָ֑חֶם (lachem) = brood | אַף (af) = ook | יִפְעַל (yifal) = maakt hij | אֵל֙ (el) = een god | וַיִּשְׁתָּ֔חוּ (vayishtachu) = en buigt zich neer | עָשָׂ֥הוּ (asahu) = hij maakt het | פֶ֖סֶל (pesel) = tot beeld | וַיִּסְגָּד (vayisgad) = en buigt zich | לָֽמוֹ (lamo) = voor het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft twee woorden voor zich buigen: סָגַד (sagad), ‘zich buigen’, en הִשְׁתַּחֲוָה (hishtachavah), ‘zich neerbuigen’. Zie ook: Re 2:19; 2 Kron 25:14; Jes 44:10; Jes 45:20; Openb 9:20 **44:16** De helft ervan verbrandt hij in het vuur. Bij de helft ervan eet hij vlees: hij braadt een braadstuk en wordt verzadigd. Ook warmt hij zich en zegt: ‘Aha, ik ben warm geworden, ik zie het vuur.’ Brontekst: חֶצְיוֹ֙ (chetsyo) = zijn helft | שָׂרַ֣ף (saraf) = hij verbrandt | בְּמוֹ (bemo) = in | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | עַל (al) = bij | חֶצְיוֹ֙ (chetsyo) = zijn helft | בָּשָׂ֣ר (basar) = vlees | יֹאכֵ֔ל (yokhel) = hij eet | יִצְלֶ֥ה (yitsle) = hij braadt | צָלִ֖י (tsali) = een braadstuk | וְיִשְׂבָּ֑ע (veyisba) = en hij wordt verzadigd | אַף (af) = ook | יָחֹם֙ (yachom) = hij warmt zich | וְיֹאמַ֣ר (veyomar) = en hij zegt | הֶאָ֔ח (heach) = aha | חַמּוֹתִ֖י (chamoti) = ik ben warm geworden | רָאִ֥יתִי (raiti) = ik zie | אֽוּר (ur) = vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוּר (ur), ‘vuur’: de gloed van het vuur. Het kan ook ‘licht’ betekenen. **44:17** Wat ervan overblijft, maakt hij tot een god, tot zijn beeld. Hij buigt zich ervoor, buigt zich neer en bidt tot hem. Hij zegt: ‘Bevrijd mij, want jij bent mijn god.’ Brontekst: וּשְׁאֵ֣רִית֔וֹ (usheerito) = en zijn rest | לְאֵ֥ל (leel) = tot een god | עָשָׂ֖ה (asa) = hij maakt | לְפִסְל֑וֹ (lefislo) = tot zijn beeld | יִסְגָּד (yisgad) = hij buigt zich | ל֤וֹ (lo) = voor het | וְיִשְׁתַּ֨חוּ֙ (veyishtachu) = en hij buigt zich neer | וְיִתְפַּלֵּ֣ל (veyitpalel) = en hij bidt | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | וְיֹאמַר֙ (veyomar) = en hij zegt | הַצִּילֵ֔נִי (hatsileni) = bevrijd mij | כִּ֥י (ki) = want | אֵלִ֖י (eli) = mijn god | אָֽתָּה (ata) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Geschreven staat יסגוד (yisgod); voorgelezen wordt יִסְגָּד (yisgad). Wij volgen de qere. Beide vormen betekenen ‘hij buigt zich’. Zie ook: Jes 37:38; Jes 45:20; Dan 3:17; Dan 6:21–23; Dan 6:28 **44:18** Zij weten niet en begrijpen niet. Want hun ogen zijn dichtgesmeerd, zodat ze niet zien, en hun hart, zodat het geen inzicht heeft. Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | יָדְע֖וּ (yadeu) = zij weten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָבִ֑ינוּ (yavinu) = zij begrijpen | כִּ֣י (ki) = want | טַ֤ח (tach) = is dichtgesmeerd | מֵֽרְאוֹת֙ (mereot) = van zien | עֵֽינֵיהֶ֔ם (eineihem) = hun ogen | מֵהַשְׂכִּ֖יל (mehaskil) = van inzicht hebben | לִבֹּתָֽם (libotam) = hun hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַח (tach), ‘is dichtgesmeerd’: het werkwoord staat in het enkelvoud en het Hebreeuws noemt niet wie dichtsmeert. Vergelijk Jes. 6:10. Zie ook: Jes 6:9–10; Jes 6:10; Jer 5:21; Joh 12:39–40; 2 Tess 2:9–12; 2 Kor 4:3–4 **44:19** Niemand neemt het ter harte. Er is geen kennis en geen inzicht om te zeggen: ‘De helft ervan heb ik in het vuur verbrand. Ook heb ik brood gebakken op de kolen ervan. Ik braad vlees en eet het. En wat ervan overblijft, zou ik dat tot een gruwel maken? Zou ik mij buigen voor een blok hout?’ Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יָשִׁ֣יב (yashiv) = hij brengt terug | אֶל (el) = tot | לִבּ֗וֹ (libo) = zijn hart | וְלֹ֨א (velo) = en niet | דַ֥עַת (daat) = kennis | וְלֹֽא (velo) = en niet | תְבוּנָה֮ (tevuna) = inzicht | לֵאמֹר֒ (lemor) = om te zeggen | חֶצְי֞וֹ (chetsyo) = zijn helft | שָׂרַ֣פְתִּי (sarafti) = ik heb verbrand | בְמוֹ (bemo) = in | אֵ֗שׁ (esh) = vuur | וְ֠אַף (veaf) = en ook | אָפִ֤יתִי (afiti) = ik heb gebakken | עַל (al) = op | גֶּחָלָיו֙ (gechalav) = zijn kolen | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | אֶצְלֶ֥ה (etsle) = ik braad | בָשָׂ֖ר (basar) = vlees | וְאֹכֵ֑ל (veokhel) = en ik eet | וְיִתְרוֹ֙ (veyitro) = en zijn rest | לְתוֹעֵבָ֣ה (letoeva) = tot gruwel | אֶעֱשֶׂ֔ה (eese) = zal ik maken | לְב֥וּל (levul) = voor een blok | עֵ֖ץ (ets) = hout | אֶסְגּֽוֹד (esgod) = zal ik mij buigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 27:15; 1 Kon 11:5; 1 Kon 11:7; Hos 7:2; Jes 45:20 **44:20** Hij voedt zich met as. Een bedrogen hart heeft hem op een dwaalspoor gebracht. Hij kan zijn leven niet bevrijden en zegt niet: ‘Is er geen leugen in mijn rechterhand?’ Brontekst: רֹעֶ֣ה (roe) = voedt zich met | אֵ֔פֶר (efer) = as | לֵ֥ב (lev) = hart | הוּתַ֖ל (hutal) = bedrogen | הִטָּ֑הוּ (hitahu) = heeft hem op een dwaalspoor gebracht | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַצִּ֤יל (yatsil) = hij bevrijdt | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשׁוֹ֙ (nafsho) = zijn leven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יֹאמַ֔ר (yomar) = hij zegt | הֲל֥וֹא (halo) = is niet | שֶׁ֖קֶר (sheqer) = leugen | בִּימִינִֽי (bimini) = in mijn rechterhand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 15:31; Ps 102:10; Hos 12:2; Rom 1:25; Rom 1:28 ### Denk hieraan, Jakob **44:21** **„Denk hieraan, Jakob en Israël, want jij bent Mijn knecht. Ik heb je gevormd; jij bent Mijn knecht, Israël. Ik vergeet je niet.** Brontekst: זְכָר (zekhar) = gedenk | אֵ֣לֶּה (ele) = dit | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | כִּ֣י (ki) = want | עַבְדִּי (avdi) = Mijn knecht | אָ֑תָּה (ata) = jij | יְצַרְתִּ֤יךָ (yetsartikha) = Ik heb je gevormd | עֶֽבֶד (eved) = knecht | לִי֙ (li) = voor Mij | אַ֔תָּה (ata) = jij | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | תִנָּשֵֽׁנִי (tinasheni) = je wordt door Mij vergeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִנָּשֵׁנִי (tinasheni), ‘je wordt door Mij vergeten’: een lijdende vorm van נָשָׁה (nashah), ‘vergeten’. Wij vertalen ‘Ik vergeet je niet’. Zie ook: Deut 4:23; Jes 43:15; Jes 44:1–2; Jes 46:8–9; Jes 49:15–16 **44:22** **Ik heb je overtredingen uitgewist als een dichte wolk en je zonden als een wolk. Keer terug naar Mij, want Ik heb je verlost.”** Brontekst: מָחִ֤יתִי (machiti) = Ik heb uitgewist | כָעָב֙ (kaav) = als een dichte wolk | פְּשָׁעֶ֔יךָ (peshaeikha) = je overtredingen | וְכֶעָנָ֖ן (vekheanan) = en als een wolk | חַטֹּאותֶ֑יךָ (chatovteikha) = je zonden | שׁוּבָ֥ה (shuva) = keer terug | אֵלַ֖י (elay) = naar Mij | כִּ֥י (ki) = want | גְאַלְתִּֽיךָ (gealtikha) = Ik heb je verlost Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָב (av), ‘dichte wolk’, en עָנָן (anan), ‘wolk’: twee Hebreeuwse woorden voor wolken. Zoals een wolk verdwijnt, zo verdwijnen de overtredingen. Voetnoot : שׁוּבָה אֵלַי (shuvah elay), ‘keer terug naar Mij’: de oproep om terug te keren. De verlossing komt eerst: ‘want Ik heb je verlost’. Zie ook: Jes 43:1; Jes 43:25; Hand 3:18–19; 1 Kor 6:20; 1 Petr 1:18–19 ### Jubel, hemelen **44:23** Jubel, hemelen, want Yahweh heeft het gedaan. Juich, diepten van de aarde. Barst uit in gejubel, bergen, woud en elke boom daarin. Want Yahweh heeft Jakob verlost en toont Zijn luister in Israël. Brontekst: רָנּ֨וּ (ranu) = jubelt | שָׁמַ֜יִם (shamayim) = hemelen | כִּֽי (ki) = want | עָשָׂ֣ה (asa) = heeft gedaan | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הָרִ֨יעוּ֙ (hariu) = juicht | תַּחְתִּיּ֣וֹת (tachtiyot) = diepten van | אָ֔רֶץ (arets) = aarde | פִּצְח֤וּ (pitschu) = barst uit | הָרִים֙ (harim) = bergen | רִנָּ֔ה (rina) = in gejubel | יַ֖עַר (yaar) = woud | וְכָל (vekhal) = en elke | עֵ֣ץ (ets) = boom | בּ֑וֹ (bo) = daarin | כִּֽי (ki) = want | גָאַ֤ל (gaal) = heeft verlost | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וּבְיִשְׂרָאֵ֖ל (uveyisrael) = en in Israël | יִתְפָּאָֽר (yitpaar) = toont Zijn luister Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחְתִּיּוֹת אֶרֶץ (tachtiyyot arets), ‘diepten van de aarde’: letterlijk ‘de onderste delen van de aarde’. Voetnoot : יִתְפָּאָר (yitpa’ar), ‘toont Zijn luister’: van תִּפְאֶרֶת (tif’eret), ‘luister’ (vergelijk 46:13). Zie ook: Ps 69:35; Ps 98:7–8; Jes 49:3; Ef 1:6–7; Openb 5:8–14 ### Yahweh is de Schepper, Kores is Zijn herder **44:24** Zo zegt Yahweh, je Verlosser, die je vanaf de moederschoot gevormd heeft: **„Ik ben Yahweh, die alles maakt, die de hemel uitspant, helemaal alleen, en de aarde uitbreidt, door Mijzelf;** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֤ר (amar) = zegt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | גֹּאֲלֶ֔ךָ (goalekha) = je Verlosser | וְיֹצֶרְךָ֖ (veyotserkha) = en je Vormer | מִבָּ֑טֶן (mibaten) = vanaf de moederschoot | אָנֹכִ֤י (anokhi) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עֹ֣שֶׂה (ose) = die maakt | כֹּ֔ל (kol) = alles | נֹטֶ֤ה (note) = die uitspant | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = de hemel | לְבַדִּ֔י (levadi) = alleen Ik | רֹקַ֥ע (roqa) = die uitbreidt | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | מֵאִתִּֽי (meiti) = door Mijzelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt het Hebreeuws over Yahweh in de derde persoon (‘Zijn knecht’, ‘Zijn boden’), terwijl Hij zelf spreekt. Wij houden vers 24–28 rood, omdat het één lange zin is die met ‘Ik ben Yahweh’ begint. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft מי אתי (mi itti), ‘wie was met Mij?’. De voorgelezen tekst (qere) is מֵאִתִּי (me’itti), ‘door Mijzelf’. Wij volgen de qere. Zie ook: Jes 42:5; Jes 44:2; Jes 45:12; Jes 45:18; Jes 54:5 **44:25** **die de tekens van de leugenpraters verijdelt en de waarzeggers laat razen, die de wijzen achteruit laat wijken en hun kennis dwaas maakt;** Brontekst: מֵפֵר֙ (mefer) = die verijdelt | אֹת֣וֹת (otot) = tekens van | בַּדִּ֔ים (badim) = de leugenpraters | וְקֹסְמִ֖ים (veqosemim) = en de waarzeggers | יְהוֹלֵ֑ל (yeholel) = die laat razen | מֵשִׁ֧יב (meshiv) = die laat terugkeren | חֲכָמִ֛ים (chakhamim) = wijzen | אָח֖וֹר (achor) = achteruit | וְדַעְתָּ֥ם (vedatam) = en hun kennis | יְשַׂכֵּֽל (yesakel) = die dwaas maakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּדִּים (baddim), ‘leugenpraters’: het woord komt zelden voor en de betekenis is niet zeker. Het hoort waarschijnlijk bij בַּד (bad), ‘ijdel gepraat’. Voetnoot : קֹסְמִים (qosemim), ‘waarzeggers’: zoals in Deut. 18:10. Zie ook: Job 5:12–14; Deut 18:10; 2 Sam 15:31; Ps 33:10; Jes 47:12–14; Jer 50:36 **44:26** **die het woord van Zijn knecht bevestigt en de raad van Zijn boden volbrengt; die tegen Jeruzalem zegt: ‘Je zult bewoond worden’, en tegen de steden van Juda: ‘Jullie zullen herbouwd worden, en haar ruïnes zal Ik oprichten’;** Brontekst: מֵקִים֙ (meqim) = die bevestigt | דְּבַ֣ר (devar) = het woord van | עַבְדּ֔וֹ (avdo) = Zijn knecht | וַעֲצַ֥ת (vaatsat) = en de raad van | מַלְאָכָ֖יו (malakhav) = Zijn boden | יַשְׁלִ֑ים (yashlim) = die volbrengt | הָאֹמֵ֨ר (haomer) = die zegt | לִירוּשָׁלִַ֜ם (lirushalaim) = tegen Jeruzalem | תּוּשָׁ֗ב (tushav) = je zult bewoond worden | וּלְעָרֵ֤י (ulearei) = en tegen de steden van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | תִּבָּנֶ֔ינָה (tibaneina) = jullie zullen herbouwd worden | וְחָרְבוֹתֶ֖יהָ (vecharevoteiha) = en haar ruïnes | אֲקוֹמֵֽם (aqomem) = Ik zal oprichten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: מַלְאָכָיו (mal’akhav), ‘Zijn boden’: het woord kan ook ‘Zijn engelen’ betekenen. Voetnoot : חָרְבוֹתֶיהָ (chorvoteha), ‘haar ruïnes’: de verwoeste plaatsen van de steden van Juda. Zie ook: 1 Kon 18:36–38; Jes 42:9; Dan 9:25; Hand 2:25–28; 2 Petr 1:19–21 **44:27** **die tegen de diepte zegt: ‘Wees droog, en Ik zal je rivieren laten opdrogen’;** Brontekst: הָאֹמֵ֥ר (haomer) = die zegt | לַצּוּלָ֖ה (latsula) = tegen de diepte | חֳרָ֑בִי (choravi) = wees droog | וְנַהֲרֹתַ֖יִךְ (venaharotayikh) = en je rivieren | אוֹבִֽישׁ (ovish) = Ik zal laten opdrogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 42:15; Jes 43:16; Jer 50:38; Jer 51:32; Jer 51:36 **44:28** **die tegen Kores zegt: ‘Mijn herder, hij zal heel Mijn wil volbrengen’, en tegen Jeruzalem: ‘Je wordt herbouwd’, en tegen de tempel: ‘Je wordt gegrondvest.’”** Brontekst: הָאֹמֵ֤ר (haomer) = die zegt | לְכ֨וֹרֶשׁ֙ (lekhoresh) = tegen Kores | רֹעִ֔י (roi) = Mijn herder | וְכָל (vekhal) = en heel | חֶפְצִ֖י (cheftsi) = Mijn wil | יַשְׁלִ֑ם (yashlim) = hij zal volbrengen | וְלֵאמֹ֤ר (velemor) = en om te zeggen | לִירוּשָׁלִַ֨ם֙ (lirushalaim) = tegen Jeruzalem | תִּבָּנֶ֔ה (tibane) = je wordt herbouwd | וְהֵיכָ֖ל (veheikhal) = en de tempel | תִּוָּסֵֽד (tivased) = je wordt gegrondvest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כּוֹרֶשׁ (Koresh), ‘Kores’: de koning van Perzië (vergelijk 2 Kron. 36:22–23). Yahweh noemt hem ‘Mijn herder’. Hij zal Zijn wil uitvoeren, ook bij de herbouw van Jeruzalem (zie 45:13). Voetnoot : הֵיכָל (heikhal), ‘tempel’: hier het huis van Yahweh in Jeruzalem. Zie ook: 2 Kron 36:22–1:3; Jes 45:1; Jes 45:13; Dan 10:1; Ezra 6:3–18 ## Jesaja 45 _Kores, de gezalfde van Yahweh, en Yahweh alleen_ ### Yahweh roept Kores **45:1** Zo zegt Yahweh tegen Zijn gezalfde, tegen Kores: **„Ik heb zijn rechterhand gegrepen om volken voor hem neer te werpen. Ik ontgord de heupen van koningen om voor hem deuren te openen, zodat de poorten niet gesloten blijven.** Brontekst: כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | לִמְשִׁיחוֹ֮ (limshicho) = tegen Zijn gezalfde | לְכ֣וֹרֶשׁ (lekhoresh) = tegen Kores | אֲשֶׁר (asher) = wiens | הֶחֱזַ֣קְתִּי (hechezaqti) = Ik heb gegrepen | בִֽימִינ֗וֹ (bimino) = rechterhand | לְרַד (lerad) = om neer te werpen | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor hem | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | וּמָתְנֵ֥י (umatenei) = en de heupen van | מְלָכִ֖ים (melakhim) = koningen | אֲפַתֵּ֑חַ (afateach) = Ik ontgord | לִפְתֹּ֤חַ (liftoach) = om te openen | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor hem | דְּלָתַ֔יִם (delatayim) = deuren | וּשְׁעָרִ֖ים (ushearim) = en poorten | לֹ֥א (lo) = niet | יִסָּגֵֽרוּ (yisageru) = zullen gesloten blijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָשִׁיחַ (mashiach), ‘gezalfde’: iemand die Yahweh heeft aangesteld, meestal een koning of priester (vergelijk Ps. 2:2). Hier is het een koning van buiten Israël. Voetnoot : כּוֹרֶשׁ (Koresh), ‘Kores’: de koning van Perzië (vergelijk 2 Kron. 36:22–23). Voetnoot : מָתְנֵי מְלָכִים אֲפַתֵּחַ (motnei melakhim afatteach), ‘Ik ontgord de heupen van koningen’: letterlijk ‘Ik open de heupen van koningen’. Het beeld is dat een man zijn gordel losmaakt. Het betekent: Hij neemt hun kracht weg. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier ‘wiens rechterhand Ik gegrepen heb’. Wij maken er twee zinnen van. Zie ook: Ps 2:2; Ps 73:23; 2 Kron 36:22–23; Jes 41:13; Jes 42:6; Jes 44:28; Jer 51:20–24 **45:2** **Ik ga voor je uit en maak de oneffenheden recht. Bronzen deuren breek Ik stuk, en ijzeren grendels hak Ik door.** Brontekst: אֲנִי֙ (ani) = Ik | לְפָנֶ֣יךָ (lefaneikha) = voor je | אֵלֵ֔ךְ (elekh) = Ik ga | וַהֲדוּרִ֖ים (vahadurim) = en de oneffenheden | אֲיַשֵּׁ֑ר (ayasher) = Ik maak recht | דַּלְת֤וֹת (daltot) = deuren van | נְחוּשָׁה֙ (nechusha) = brons | אֲשַׁבֵּ֔ר (ashaber) = Ik breek stuk | וּבְרִיחֵ֥י (uverichei) = en grendels van | בַרְזֶ֖ל (barzel) = ijzer | אֲגַדֵּֽעַ (agadea) = Ik hak door Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲדוּרִים (hadurim), ‘oneffenheden’: het woord is moeilijk. Het kan ook ‘bergen’ of ‘hoge plaatsen’ betekenen. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot Lezing: Geschreven staat אושר (oshar); voorgelezen wordt אֲיַשֵּׁר (ayasher), ‘Ik maak recht’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 107:16; Jes 40:4; Jes 42:16; Jer 51:30; Luc 3:5 **45:3** **Ik zal je de schatten van de duisternis geven en de verborgen rijkdommen van geheime plaatsen. Zodat je weet dat Ik Yahweh ben, die je bij je naam roept, de Elohim van Israël.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal geven | לְךָ֙ (lekha) = aan je | אוֹצְר֣וֹת (otserot) = schatten van | חֹ֔שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | וּמַטְמֻנֵ֖י (umatmunei) = en verborgen rijkdommen van | מִסְתָּרִ֑ים (mistarim) = geheime plaatsen | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תֵּדַ֗ע (teda) = je weet | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֧י (ani) = Ik | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | הַקּוֹרֵ֥א (haqore) = die roept | בְשִׁמְךָ֖ (beshimkha) = bij je naam | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַטְמֻנֵי מִסְתָּרִים (matmunei mistarim), ‘verborgen rijkdommen van geheime plaatsen’: schatten die op verborgen plaatsen liggen. Zie ook: Ex 33:12; Ex 33:17; Jes 43:1; Jes 48:15; Ezra 1:2 **45:4** **Omwille van Mijn knecht Jakob en Israël, Mijn uitverkorene, heb Ik je bij je naam geroepen. Ik heb je een eernaam gegeven, hoewel je Mij niet kende.** Brontekst: לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = omwille van | עַבְדִּ֣י (avdi) = Mijn knecht | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | בְּחִירִ֑י (bechiri) = Mijn uitverkorene | וָאֶקְרָ֤א (vaeqra) = en Ik heb geroepen | לְךָ֙ (lekha) = je | בִּשְׁמֶ֔ךָ (bishmekha) = bij je naam | אֲכַנְּךָ֖ (akhanekha) = Ik heb je een eernaam gegeven | וְלֹ֥א (velo) = hoewel niet | יְדַעְתָּֽנִי (yedatani) = je kende Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲכַנְּךָ (akhanneka), ‘Ik heb je een eernaam gegeven’: hetzelfde werkwoord als in 44:5. Voetnoot : וְלֹא יְדַעְתָּנִי (velo yeda’tani), ‘hoewel je Mij niet kende’: ook in vers 5. Kores diende Yahweh niet. Zie ook: Ex 19:5–6; Jes 41:8–9; Jes 44:1; Jes 45:5; Hand 17:23; Rom 11:7 **45:5** **Ik ben Yahweh, en er is geen ander. Buiten Mij is er geen Elohim. Ik omgord je, hoewel je Mij niet kende.** Brontekst: אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | ע֔וֹד (od) = meer | זוּלָתִ֖י (zulati) = buiten Mij | אֵ֣ין (ein) = niet is | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | אֲאַזֶּרְךָ֖ (aazerkha) = Ik omgord je | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְדַעְתָּֽנִי (yedatani) = je kende Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲאַזֶּרְךָ (a’azzerkha), ‘Ik omgord je’: Yahweh geeft kracht, zoals een gordel een man klaarmaakt voor de strijd. Zie ook: 1 Kon 8:60; Joël 2:27; Jes 44:6; Jes 44:8; Jes 46:9 **45:6** **Zodat men van het opgaan van de zon af en vanuit het westen weet dat er niets is buiten Mij. Ik ben Yahweh, en er is geen ander.** Brontekst: לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | יֵדְע֗וּ (yedeu) = zij weten | מִמִּזְרַח (mimizrach) = van het opgaan van | שֶׁ֨מֶשׁ֙ (shemesh) = zon | וּמִמַּ֣עֲרָבָ֔הּ (umimaaravah) = en van haar westen | כִּי (ki) = dat | אֶ֖פֶס (efes) = niets | בִּלְעָדָ֑י (biladay) = buiten Mij | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶפֶס (efes), ‘niets’: hier ‘er is niets buiten Mij’. Zie ook: Ps 46:11; Jes 37:20; Jes 45:5; Ezech 38:23; Mal 1:11 **45:7** **Ik vorm het licht en schep de duisternis. Ik maak de vrede en schep het onheil. Ik, Yahweh, maak dit alles.** Brontekst: יוֹצֵ֥ר (yotser) = die vormt | אוֹר֙ (or) = licht | וּבוֹרֵ֣א (uvore) = en die schept | חֹ֔שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | עֹשֶׂ֥ה (ose) = die maakt | שָׁל֖וֹם (shalom) = de vrede | וּב֣וֹרֵא (uvore) = en die schept | רָ֑ע (ra) = onheil | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עֹשֶׂ֥ה (ose) = die maakt | כָל (kal) = alles | אֵֽלֶּה (ele) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלוֹם (shalom), ‘de vrede’, tegenover רָע (ra), ‘onheil’: het woord ra kan ‘kwaad’ of ‘ramp’ betekenen. Hier gaat het om rampen die Yahweh brengt (vergelijk Amos 3:6). Yahweh is zowel bron van licht als van duisternis. Zie ook: Job 2:10; Ps 75:8; Pred 7:13–14; Amos 3:6; Jes 31:2 **45:8** **Hemelen, laat druppelen van boven, en laten de wolken gerechtigheid neerstromen. Laat de aarde zich openen, en laten zij redding voortbrengen. Laat zij tegelijk gerechtigheid laten ontspruiten. Ik, Yahweh, heb het geschapen.”** Brontekst: הַרְעִ֤יפוּ (harifu) = laat druppelen | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = hemelen | מִמַּ֔עַל (mimaal) = van boven | וּשְׁחָקִ֖ים (ushechaqim) = en wolken | יִזְּלוּ (yizelu) = laten neerstromen | צֶ֑דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | תִּפְתַּח (tiftach) = laat zich openen | אֶ֣רֶץ (erets) = aarde | וְיִפְרוּ (veyifru) = en laten zij vrucht dragen | יֶ֗שַׁע (yesha) = redding | וּצְדָקָ֤ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | תַצְמִ֨יחַ֙ (tatsmiach) = laat zij laten ontspruiten | יַ֔חַד (yachad) = tegelijk | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּרָאתִֽיו (berativ) = heb het geschapen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיִפְרוּ (veyifru), ‘en laten zij vrucht dragen’: een meervoudsvorm. Sommige oude vertalingen lezen een enkelvoud: ‘laat zij vrucht dragen’. Zie ook: Ps 72:6; Hos 10:12; Jes 61:11; 1 Kor 3:6–9; Tit 3:3–6 ### Wee wie twist met zijn Vormer **45:9** Wee wie met zijn Vormer twist, een potscherf onder de potscherven van de grond! Zal de klei tegen zijn vormer zeggen: ‘Wat maak je?’ En: ‘Je werk heeft geen handen’? Brontekst: ה֗וֹי (hoy) = wee | רָ֚ב (rav) = wie twist | אֶת (et) = met | יֹ֣צְר֔וֹ (yotsero) = zijn Vormer | חֶ֖רֶשׂ (cheres) = een potscherf | אֶת (et) = onder | חַרְשֵׂ֣י (charsei) = potscherven van | אֲדָמָ֑ה (adama) = de grond | הֲיֹאמַ֨ר (hayomar) = zal zeggen | חֹ֤מֶר (chomer) = klei | לְיֹֽצְרוֹ֙ (leyotsero) = tegen zijn vormer | מַֽה (ma) = wat | תַּעֲשֶׂ֔ה (taase) = maak je | וּפָעָלְךָ֖ (ufaalekha) = en je werk | אֵין (ein) = geen | יָדַ֥יִם (yadayim) = handen | לֽוֹ (lo) = heeft het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרֶשׂ (cheres), ‘potscherf’: een stuk gebakken aarde. Wie met zijn Vormer twist, is zelf maar een scherf uit de grond. Voetnoot : Het tweede deel, ‘Je werk heeft geen handen’, bedoelt: het gemaakte werk zegt dat de maker geen handen heeft. Vergelijk Rom. 9:20–21. Zie ook: Jes 10:15; Jes 29:16; Jes 64:7; Jer 18:6; Rom 9:20–21 **45:10** Wee wie tegen een vader zegt: ‘Wat verwek je?’ en tegen een vrouw: ‘Wat baar je?’ Brontekst: ה֛וֹי (hoy) = wee | אֹמֵ֥ר (omer) = die zegt | לְאָ֖ב (leav) = tegen een vader | מַה (ma) = wat | תּוֹלִ֑יד (tolid) = verwek je | וּלְאִשָּׁ֖ה (uleisha) = en tegen een vrouw | מַה (ma) = wat | תְּחִילִֽין (techilin) = baar je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּחִילִין (techilin), ‘baar je’: van חִיל (chil), ‘weeën hebben’ of ‘baren’. Zie ook: Deut 27:16; Mal 1:6; Heb 12:9 **45:11** Zo zegt Yahweh, de Heilige van Israël en zijn Vormer: **„Vraag Mij naar wat komt. Geven jullie Mij bevelen over Mijn zonen en over het werk van Mijn handen?** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֧ר (amar) = zegt | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וְיֹצְר֑וֹ (veyotsero) = en zijn Vormer | הָאֹתִיּ֣וֹת (haotiyot) = het komende | שְׁאָל֔וּנִי (shealuni) = vraag Mij | עַל (al) = over | בָּנַ֛י (banay) = Mijn zonen | וְעַל (veal) = en over | פֹּ֥עַל (poal) = het werk van | יָדַ֖י (yaday) = Mijn handen | תְּצַוֻּֽנִי (tetsavuni) = geven jullie Mij bevelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֹתִיּוֹת (ha’otiyyot), ‘wat komt’: zo ook in 44:7. Het Hebreeuws kan de laatste zin ook als bevel lezen: ‘Geef Mij bevelen’. Wij lezen een vraag. Zie ook: Jes 29:23; Jes 48:17; Jer 33:3; Ezech 36:37; Mar 11:24 **45:12** **Ik heb de aarde gemaakt en de mens daarop geschapen. Ik, Mijn handen hebben de hemel uitgespannen, en heel hun leger heb Ik bevolen.** Brontekst: אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | עָשִׂ֣יתִי (asiti) = Ik heb gemaakt | אֶ֔רֶץ (erets) = aarde | וְאָדָ֖ם (veadam) = en mens | עָלֶ֣יהָ (aleiha) = op haar | בָרָ֑אתִי (barati) = Ik heb geschapen | אֲנִ֗י (ani) = Ik | יָדַי֙ (yaday) = Mijn handen | נָט֣וּ (natu) = hebben uitgespannen | שָׁמַ֔יִם (shamayim) = hemel | וְכָל (vekhal) = en heel | צְבָאָ֖ם (tsevaam) = hun leger | צִוֵּֽיתִי (tsiveiti) = Ik heb bevolen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲנִי יָדַי (ani yadai), ‘Ik, Mijn handen’: een nadruk. Wij laten het Hebreeuws zo staan. Voetnoot : צְבָאָם (tsiva’am), ‘hun leger’: de sterren en de hemelse machten (vergelijk Gen. 2:1). Zie ook: Gen 2:1; Jes 42:5; Jes 44:24; Jer 27:5; Neh 9:6 **45:13** **Ik heb hem opgewekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik effenen. Hij zal Mijn stad bouwen en Mijn ballingen laten gaan, niet voor een prijs en niet voor een geschenk, zegt Yahweh van de legermachten.”** Brontekst: אָנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | הַעִירֹתִ֣הֽוּ (hairotihu) = Ik heb hem opgewekt | בְצֶ֔דֶק (betsedeq) = in gerechtigheid | וְכָל (vekhal) = en alle | דְּרָכָ֖יו (derakhav) = zijn wegen | אֲיַשֵּׁ֑ר (ayasher) = Ik zal effenen | הֽוּא (hu) = hij | יִבְנֶ֤ה (yivne) = zal bouwen | עִירִי֙ (iri) = Mijn stad | וְגָלוּתִ֣י (vegaluti) = en Mijn ballingen | יְשַׁלֵּ֔חַ (yeshaleach) = zal laten gaan | לֹ֤א (lo) = niet | בִמְחִיר֙ (bimchir) = voor een prijs | וְלֹ֣א (velo) = en niet | בְשֹׁ֔חַד (beshochad) = voor een geschenk | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַעִירֹתִהוּ (ha’irotihu), ‘Ik heb hem opgewekt’: Yahweh heeft Kores doen opstaan. Vergelijk 44:28. Voetnoot : בְּמְחִיר (bimchir), ‘voor een prijs’, en בְּשֹׁחַד (beshochad), ‘voor een geschenk’: Kores laat de ballingen gaan zonder losgeld of beloning. Voetnoot : אָמַר יְהוָה צְבָאוֹת (amar Yahweh Tsevaot), ‘zegt Yahweh van de legermachten’: wij zetten de formule in rood, omdat ze midden in Zijn eigen woorden staat. Zie ook: 2 Kron 36:22–23; Jes 13:17; Jes 41:2; Jes 41:25; Jes 49:25 ### Alleen in jou is El **45:14** Zo zegt Yahweh: **„De opbrengst van Egypte en de handelswaar van Kush, en de Sebaïeten, mannen van gestalte, zullen naar je overkomen en van jou zijn. Zij zullen achter je aan lopen; in boeien zullen zij overkomen. Zij zullen zich voor je neerbuigen en tot je bidden: ‘Alleen in jou is El, en er is geen ander. Er is geen andere Elohim.’”** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יְגִ֨יעַ (yegia) = de opbrengst van | מִצְרַ֥יִם (mitsrayim) = Egypte | וּֽסְחַר (usechar) = en handelswaar van | כּוּשׁ֮ (kush) = Kush | וּסְבָאִים֮ (usevaim) = en de Sebaïeten | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | מִדָּה֒ (mida) = gestalte | עָלַ֤יִךְ (alayikh) = naar je | יַעֲבֹ֨רוּ֙ (yaavoru) = zullen overkomen | וְלָ֣ךְ (velakh) = en van jou | יִֽהְי֔וּ (yihyu) = zullen zijn | אַחֲרַ֣יִךְ (acharayikh) = achter je | יֵלֵ֔כוּ (yelekhu) = zullen lopen | בַּזִּקִּ֖ים (baziqim) = in boeien | יַעֲבֹ֑רוּ (yaavoru) = zullen overkomen | וְאֵלַ֤יִךְ (veelayikh) = en naar je | יִֽשְׁתַּחֲוּוּ֙ (yishtachauu) = zullen zich neerbuigen | אֵלַ֣יִךְ (elayikh) = tot je | יִתְפַּלָּ֔לוּ (yitpalalu) = zullen bidden | אַ֣ךְ (akh) = alleen | בָּ֥ךְ (bakh) = in jou | אֵ֛ל (el) = El | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | ע֖וֹד (od) = meer | אֶ֥פֶס (efes) = niets | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: יְגִיעַ (yegia), ‘opbrengst’: letterlijk ‘wat door arbeid verworven is’. סְחַר (sechar), ‘handelswaar’. Voetnoot : סְבָאִים (Seva’im), ‘Sebaïeten’: het volk van Seba (zie 43:3). אַנְשֵׁי מִדָּה (anshei middah), ‘mannen van gestalte’: letterlijk ‘mannen van maat’. Het gaat om lange mannen. Voetnoot : אֶפֶס (efes), ‘helemaal niet’: wij vertalen ‘er is geen andere Elohim’. Zie ook: Jes 49:23; Jes 61:5–6; Jer 16:19; Hand 10:25–26; 1 Kor 14:25 **45:15** Waarlijk, U bent een El die Zich verborgen houdt, Elohim van Israël, Redder. Brontekst: אָכֵ֕ן (akhen) = waarlijk | אַתָּ֖ה (ata) = U | אֵ֣ל (el) = bent een El | מִסְתַּתֵּ֑ר (mistater) = die Zich verbergt | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מוֹשִֽׁיעַ (moshia) = Redder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל מִסְתַּתֵּר (El mistatter), ‘een El die Zich verborgen houdt’: Yahweh is niet altijd zichtbaar. Dit is een woord van de profeet tot Yahweh: daarom ‘U’ en zwart. Vergelijk Deut. 31:17–18. Zie ook: Deut 31:17–18; Ps 44:25; Ps 77:20; Jes 8:17; Jes 46:13; Jes 57:17 **45:16** Zij worden beschaamd en zelfs vernederd, allen samen. In schande gaan zij heen, de makers van beelden. Brontekst: בּ֥וֹשׁוּ (boshu) = zij worden beschaamd | וְגַֽם (vegam) = en ook | נִכְלְמ֖וּ (nikhlemu) = zij worden vernederd | כֻּלָּ֑ם (kulam) = allen | יַחְדָּו֙ (yachdav) = samen | הָלְכ֣וּ (halekhu) = zij gaan | בַכְּלִמָּ֔ה (bakelima) = in schande | חָרָשֵׁ֖י (charashei) = makers van | צִירִֽים (tsirim) = beelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִירִים (tsirim), ‘beelden’: het woord is zeldzaam. Het kan ook ‘vormen’ betekenen (van het werkwoord ‘vormen’). Dan zijn het de maakwerken van de beeldenmakers. Zie ook: Jes 41:19; Jes 42:17; Jes 44:9; Jes 44:11; Jes 45:20 **45:17** Israël wordt door Yahweh gered, met een redding voor eeuwig. Jullie worden niet beschaamd en niet vernederd, voor eeuwig en altijd. Brontekst: יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | נוֹשַׁ֣ע (nosha) = wordt gered | בַּיהוָ֔ה (baYahweh) = door Yahweh | תְּשׁוּעַ֖ת (teshuat) = redding van | עוֹלָמִ֑ים (olamim) = eeuwigheden | לֹא (lo) = niet | תֵבֹ֥שׁוּ (tevoshu) = jullie worden beschaamd | וְלֹא (velo) = en niet | תִכָּלְמ֖וּ (tikalemu) = jullie worden vernederd | עַד (ad) = tot | ע֥וֹלְמֵי (olemei) = eeuwigheden van | עַֽד (ad) = altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּשׁוּעַת עוֹלָמִים (teshu’at olamim), ‘een redding voor eeuwig’: letterlijk ‘een redding van eeuwigheden’. Zie ook: Ps 25:3; Joël 2:26–27; Jes 54:4; Rom 10:11; 1 Petr 2:6 ### Er is geen andere Elohim **45:18** Want zo zegt Yahweh, die de hemel geschapen heeft. Hij is de Elohim, die de aarde gevormd en gemaakt heeft. Hij heeft haar gegrondvest, en Hij heeft haar niet als woeste leegte geschapen. Hij heeft haar gevormd om bewoond te worden: **„Ik ben Yahweh, en er is geen ander.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָֽמַר (amar) = zegt | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | בּוֹרֵ֨א (bore) = die schept | הַשָּׁמַ֜יִם (hashamayim) = de hemel | ה֣וּא (hu) = Hij | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = de Elohim | יֹצֵ֨ר (yotser) = die vormt | הָאָ֤רֶץ (haarets) = de aarde | וְעֹשָׂהּ֙ (veosah) = en die maakt haar | ה֣וּא (hu) = Hij | כֽוֹנְנָ֔הּ (konenah) = heeft haar gegrondvest | לֹא (lo) = niet | תֹ֥הוּ (tohu) = als woeste leegte | בְרָאָ֖הּ (beraah) = Hij heeft haar geschapen | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om bewoond te worden | יְצָרָ֑הּ (yetsarah) = Hij heeft haar gevormd | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹהוּ (tohu), ‘woeste leegte’: hetzelfde woord als in Gen. 1:2 en Deut. 32:10. Elohim heeft de aarde niet als leegte gemaakt, maar om te bewonen. Voetnoot : הוּא הָאֱלֹהִים (hu ha’Elohim), ‘Hij is de Elohim’: Yahweh, de Schepper, is de enige Elohim. De aanhef loopt in het Hebreeuws als één lange zin tot ‘Ik ben Yahweh’; wij splitsen hem in korte zinnen. Zie ook: Gen 1:2; Deut 32:10; Ps 115:16; Jes 42:5; Jes 45:12; Jer 10:12 **45:19** **Ik heb niet in het verborgen gesproken, op een plaats in een land van duisternis. Ik heb tegen het nageslacht van Jakob niet gezegd: ‘Zoek Mij tevergeefs.’ Ik, Yahweh, spreek gerechtigheid en maak bekend wat recht is.** Brontekst: לֹ֧א (lo) = niet | בַסֵּ֣תֶר (baseter) = in het verborgen | דִּבַּ֗רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | בִּמְקוֹם֙ (bimqom) = op een plaats van | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | חֹ֔שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | לֹ֥א (lo) = niet | אָמַ֛רְתִּי (amarti) = Ik heb gezegd | לְזֶ֥רַע (lezera) = tegen het nageslacht van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | תֹּ֣הוּ (tohu) = tevergeefs | בַקְּשׁ֑וּנִי (baqeshuni) = zoekt Mij | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | דֹּבֵ֣ר (dover) = spreker van | צֶ֔דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | מַגִּ֖יד (magid) = verkondiger van | מֵישָׁרִֽים (meisharim) = wat recht is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹּהוּ (tohu), ‘tevergeefs’: hetzelfde woord als in vers 18, ‘leegte’. Hier betekent het: voor niets, zonder doel. Voetnoot : מֵישָׁרִים (meisharim), ‘wat recht is’: het woord hoort bij יָשָׁר (yashar), ‘recht’. Zie ook: Num 23:19–20; Spr 30:5; Amos 5:4; Jes 45:18; Jes 48:16; Jer 29:13–14 **45:20** **Verzamel jullie en kom. Treed samen naar voren, jullie die van de volken ontkomen zijn. Zij weten niets, die het hout van hun beeld dragen en bidden tot een god die niet redt.** Brontekst: הִקָּבְצ֥וּ (hiqavetsu) = verzamelt u | וָבֹ֛אוּ (vavou) = en komt | הִֽתְנַגְּשׁ֥וּ (hitnageshu) = treedt naar voren | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | פְּלִיטֵ֣י (pelitei) = ontkomenen van | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | לֹ֣א (lo) = niet | יָדְע֗וּ (yadeu) = zij weten | הַנֹּֽשְׂאִים֙ (hanoseim) = die dragen | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֣ץ (ets) = hout van | פִּסְלָ֔ם (pislam) = hun beeld | וּמִתְפַּלְלִ֔ים (umitpallim) = en die bidden | אֶל (el) = tot | אֵ֖ל (el) = een god | לֹ֥א (lo) = niet | יוֹשִֽׁיעַ (yoshia) = hij redt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּלִיטֵי הַגּוֹיִם (pelitei hagoyim), ‘wie van de volken ontkomen zijn’: overlevenden na het oordeel over de volken. Zie ook: Jes 4:2; Jes 43:9; Jes 44:17–20; Jes 46:1; Jer 10:5 **45:21** **Maak het bekend en breng het naar voren. Laten zij ook samen overleggen. Wie heeft dit van oudsher laten horen? Wie heeft het van toen af bekendgemaakt? Ben Ik het niet, Yahweh? Er is geen andere Elohim buiten Mij. Een rechtvaardige El en Redder, er is er geen behalve Ik.** Brontekst: הַגִּ֣ידוּ (hagidu) = maakt bekend | וְהַגִּ֔ישׁוּ (vehagishu) = en brengt naar voren | אַ֥ף (af) = ook | יִֽוָּעֲצ֖וּ (yivaatsu) = laten zij overleggen | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | מִ֣י (mi) = wie | הִשְׁמִיעַ֩ (hishmia) = heeft laten horen | זֹ֨את (zot) = dit | מִקֶּ֜דֶם (miqedem) = van oudsher | מֵאָ֣ז (meaz) = van toen af | הִגִּידָ֗הּ (higidah) = heeft het bekendgemaakt | הֲל֨וֹא (halo) = is het niet | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וְאֵֽין (veein) = en niet is | ע֤וֹד (od) = meer | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | מִבַּלְעָדַ֔י (mibaladay) = buiten Mij | אֵֽל (el) = een El | צַדִּ֣יק (tsadiq) = rechtvaardige | וּמוֹשִׁ֔יעַ (umoshia) = en Redder | אַ֖יִן (ayin) = niet is | זוּלָתִֽי (zulati) = behalve Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל צַדִּיק וּמוֹשִׁיעַ (El tsaddiq umoshia), ‘een rechtvaardige El en Redder’: de woorden ‘rechtvaardig’ en ‘Redder’ horen bij elkaar. Zie ook: Jes 43:9; Jes 43:11; Jes 45:5; Jes 46:9–10; Tit 2:13–14 ### Wend jullie naar Mij toe **45:22** **Wend jullie naar Mij toe en laat je redden, alle einden van de aarde. Want Ik ben El, en er is geen ander.** Brontekst: פְּנוּ (penu) = wendt u | אֵלַ֥י (elay) = naar Mij | וְהִוָּשְׁע֖וּ (vehivasheu) = en laat u redden | כָּל (kal) = alle | אַפְסֵי (afsei) = einden van | אָ֑רֶץ (arets) = aarde | כִּ֥י (ki) = want | אֲנִי (ani) = Ik | אֵ֖ל (el) = El | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 21:8–9; Mi 7:7; Zach 12:10; Joh 6:40; Heb 12:2 **45:23** **Bij Mijzelf heb Ik gezworen. Gerechtigheid is uit Mijn mond gegaan, een woord dat niet terugkeert: dat voor Mij elke knie zich zal buigen en elke tong zal zweren.”** Brontekst: בִּ֣י (bi) = bij Mij | נִשְׁבַּ֔עְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | יָצָ֨א (yatsa) = is uitgegaan | מִפִּ֧י (mipi) = uit Mijn mond | צְדָקָ֛ה (tsedaqa) = gerechtigheid | דָּבָ֖ר (davar) = een woord | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָשׁ֑וּב (yashuv) = het keert terug | כִּי (ki) = dat | לִי֙ (li) = voor Mij | תִּכְרַ֣ע (tikhra) = zal zich buigen | כָּל (kal) = elke | בֶּ֔רֶךְ (berekh) = knie | תִּשָּׁבַ֖ע (tishava) = zal zweren | כָּל (kal) = elke | לָשֽׁוֹן (lashon) = tong Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּי נִשְׁבַּעְתִּי (bi nishba’ti), ‘bij Mijzelf heb Ik gezworen’: zoals in Gen. 22:16. Vergelijk Rom. 14:11 en Fil. 2:10–11. Zie ook: Gen 22:16; Deut 6:13; Jes 55:11; Rom 14:10–12; Rom 14:11; Fil 2:10; Heb 6:13–18 **45:24** Alleen in Yahweh, zei men tegen mij, zijn gerechtigheid en kracht. Tot Hem zal men komen, en beschaamd worden allen die tegen Hem ontstoken waren. Brontekst: אַ֧ךְ (akh) = slechts | בַּיהוָ֛ה (baYahweh) = in Yahweh | לִ֥י (li) = tot mij | אָמַ֖ר (amar) = hij zei | צְדָק֣וֹת (tsedaqot) = gerechtigheden | וָעֹ֑ז (vaoz) = en kracht | עָדָיו֙ (adav) = tot Hem | יָב֣וֹא (yavo) = hij zal komen | וְיֵבֹ֔שׁוּ (veyevoshu) = en zij worden beschaamd | כֹּ֖ל (kol) = allen | הַנֶּחֱרִ֥ים (hanecherim) = die ontstoken waren | בּֽוֹ (bo) = tegen Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִי אָמַר (li amar), ‘zei men tegen mij’: letterlijk ‘Hij zei tegen mij’. Wie spreekt, zegt het Hebreeuws niet. Het kan ook ‘Over mij is gezegd’ zijn. Dit vers is zwart, omdat het over Yahweh in de derde persoon spreekt. Voetnoot : צְדָקוֹת (tsedaqot), ‘gerechtigheid’: een meervoud, letterlijk ‘gerechtigheden’. Zie ook: Jes 41:11; Jes 54:17; Joh 12:32; Fil 4:13; 2 Tim 4:17–18 **45:25** In Yahweh zullen zij gelijk krijgen en zich beroemen, heel het nageslacht van Israël. Brontekst: בַּיהוָ֛ה (baYahweh) = in Yahweh | יִצְדְּק֥וּ (yitsdequ) = zullen gelijk krijgen | וְיִֽתְהַלְל֖וּ (veyithallu) = en zullen zich beroemen | כָּל (kal) = alle | זֶ֥רַע (zera) = nageslacht van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִצְדְּקוּ (yitsdequ), ‘zullen gelijk krijgen’: zie 43:9. Zie ook: Jes 41:16; Gal 3:27–29; 1 Kor 6:11; Rom 8:30; Rom 9:6–8 ## Jesaja 46 _Bel en Nebo zakken in elkaar, Yahweh draagt Zijn volk_ ### De goden van Babel zakken in elkaar **46:1** Bel zakt door de knieën, Nebo kromt zich. Hun afgodsbeelden liggen op het wilde dier en op het vee. Wat jullie droegen, ligt opgeladen als vracht, een last voor het vermoeide dier. Brontekst: כָּרַ֥ע (kara) = zakt door de knieën | בֵּל֙ (bel) = Bel | קֹרֵ֣ס (qores) = kromt zich | נְב֔וֹ (nevo) = Nebo | הָיוּ֙ (hayu) = zijn | עֲצַבֵּיהֶ֔ם (atsabeihem) = hun afgodsbeelden | לַחַיָּ֖ה (lachaya) = voor het wilde dier | וְלַבְּהֵמָ֑ה (velabehema) = en voor het vee | נְשֻׂאֹתֵיכֶ֣ם (nesuoteikhem) = wat jullie droegen | עֲמוּס֔וֹת (amusot) = opgeladen | מַשָּׂ֖א (masa) = een vracht | לַעֲיֵפָֽה (laayefa) = voor het vermoeide dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּל (Bel), ‘Bel’: het woord betekent ‘heer’. Het is de naam van een hoofdgod van Babel. נְבוֹ (Nevo), ‘Nebo’: ook een god van Babel. Het is niet de berg Nebo van Deut. 32:49. Beide goden worden hier als beelden op dieren weggevoerd. Voetnoot : כֹּרֵעַ (kara), ‘door de knieën zakken’ en קֹרֵס (qores), ‘zich krommen’: het tweede werkwoord komt alleen hier en in vers 2 voor. Wij laten het verschil in beeld zien: eerst ‘door de knieën zakken’, dan ‘zich krommen’. Voetnoot : לַחַיָּה וְלַבְּהֵמָה (lachayyah velabbehemah), ‘voor het wilde dier en voor het vee’: het voorzetsel ל (le) kan ‘voor’ en ‘op’ betekenen. Wij vertalen ‘op’, omdat de beelden op de dieren worden geladen. Voetnoot : נְשֻׂאֹתֵיכֶם (nesu’otekhem), ‘wat jullie droegen’: de beelden die in een optocht werden gedragen. לַעֲיֵפָה (la’ayefah), ‘voor het vermoeide dier’: het Hebreeuwse woord is vrouwelijk en heeft geen zelfstandig naamwoord. Wij vullen ‘dier’ aan. Zie ook: Deut 32:49; 1 Sam 5:3; Jes 21:9; Jes 46:2; Jer 10:5; Jer 50:2; Jer 51:44 **46:2** Zij kromen zich, zij zakken samen door de knieën. Ze kunnen de last niet in veiligheid brengen. Zijzelf gaan in gevangenschap. Brontekst: קָרְס֤וּ (qaresu) = zij kromen zich | כָֽרְעוּ֙ (kareu) = zij zakken door de knieën | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | לֹ֥א (lo) = niet | יָכְל֖וּ (yakhelu) = zij kunnen | מַלֵּ֣ט (malet) = in veiligheid brengen | מַשָּׂ֑א (masa) = de last | וְנַפְשָׁ֖ם (venafsham) = en hun ziel | בַּשְּׁבִ֥י (bashevi) = in gevangenschap | הָלָֽכָה (halakha) = is gegaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het woord betekent ook ‘leven’ en ‘persoon’. Hier gaat het om de goden zelf; daarom vertalen wij ‘zijzelf’. Voetnoot : מַלֵּט (malet), ‘in veiligheid brengen’: hetzelfde werkwoord staat in vers 4, waar Yahweh Zijn volk in veiligheid brengt. Zie ook: Re 18:17–18; Re 18:24; 2 Sam 5:21; Jes 46:4; Jer 43:12–13; Jer 48:7 ### Yahweh draagt van de buik af **46:3** **„Luister naar Mij, huis van Jakob en alle overgeblevenen van het huis van Israël. Jullie zijn van de buik af meegedragen en van de baarmoeder af gedragen.** Brontekst: שִׁמְע֤וּ (shimu) = luistert | אֵלַי֙ (elay) = naar Mij | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְכָל (vekhal) = en alle | שְׁאֵרִ֖ית (sheerit) = overgeblevenen van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הַֽעֲמֻסִים֙ (haamusim) = jullie die zijn meegedragen | מִנִּי (mini) = van | בֶ֔טֶן (beten) = de buik | הַנְּשֻׂאִ֖ים (hanesuim) = jullie die zijn gedragen | מִנִּי (mini) = van | רָֽחַם (racham) = de baarmoeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: wie na het oordeel overblijft. Voetnoot : De drie werkwoorden voor ‘dragen’ in dit hoofdstuk: עָמַס (amas), ‘laden’, hier ‘meedragen’ (3, vergelijk vers 1); נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ (3, 4, 7); סָבַל (sabal), ‘op zich nemen’ (4 en 7). Vergelijk Exod. 19:4 en Deut. 1:31, waar Yahweh Zijn volk draagt. Zie ook: Ex 19:4; Deut 1:31; Ps 71:6; Jes 44:1–2; Jes 46:1; Jes 51:1; Jes 51:7 **46:4** **Tot in jullie ouderdom ben Ik Hij. Tot jullie grijs zijn, zal Ik jullie op Mij nemen. Ik heb het gedaan, en Ik zal jullie dragen. Ik zal jullie op Mij nemen en in veiligheid brengen.** Brontekst: וְעַד (vead) = en tot | זִקְנָה֙ (ziqna) = ouderdom | אֲנִ֣י (ani) = Ik | ה֔וּא (hu) = Hij | וְעַד (vead) = en tot | שֵיבָ֖ה (sheiva) = grijsheid | אֲנִ֣י (ani) = Ik | אֶסְבֹּ֑ל (esbol) = zal op Mij nemen | אֲנִ֤י (ani) = Ik | עָשִׂ֨יתִי֙ (asiti) = heb gedaan | וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | אֶשָּׂ֔א (esa) = zal dragen | וַאֲנִ֥י (vaani) = en Ik | אֶסְבֹּ֖ל (esbol) = zal op Mij nemen | וַאֲמַלֵּֽט (vaamalet) = en zal in veiligheid brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲנִי הוּא (ani hu), ‘Ik ben Hij’: een vaste uitdrukking waarmee Yahweh zegt dat Hij Zichzelf gelijk blijft. Zo ook Deut. 32:39 en Jes. 48:12. Voetnoot : סָבַל (sabal), ‘op zich nemen’: een last op zich nemen en torsen. Hier gebruikt Yahweh het van Zichzelf; in vers 7 doen mensen het met hun afgod. Zie ook: Deut 32:39; Ps 48:15; Ps 71:18; Ps 92:15; Jes 46:7; Jes 48:12; Jak 1:17; Heb 13:8 ### Met wie vergelijken jullie Mij? **46:5** **Met wie vergelijken jullie Mij, stellen jullie Mij gelijk en geven jullie Mij een gelijke, zodat wij op elkaar lijken?** Brontekst: לְמִ֥י (lemi) = met wie | תְדַמְי֖וּנִי (tedamyuni) = jullie vergelijken Mij | וְתַשְׁו֑וּ (vetashvu) = en jullie stellen gelijk | וְתַמְשִׁל֖וּנִי (vetamshiluni) = en jullie geven Mij een gelijke | וְנִדְמֶֽה (venidme) = zodat wij op elkaar lijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 89:7; Ps 113:5; Jes 40:18; Jes 40:25; Jer 10:6–7 **46:6** **Zij schudden goud uit de buidel en wegen zilver af met de weegbalk. Zij huren een goudsmid, en die maakt er een god van. Zij werpen zich neer, ja, zij buigen zich neer.** Brontekst: הַזָּלִ֤ים (hazalim) = zij die uitschudden | זָהָב֙ (zahav) = goud | מִכִּ֔יס (mikis) = uit de buidel | וְכֶ֖סֶף (vekhesef) = en zilver | בַּקָּנֶ֣ה (baqane) = met de weegbalk | יִשְׁקֹ֑לוּ (yishqolu) = zij wegen af | יִשְׂכְּר֤וּ (yiskeru) = zij huren | צוֹרֵף֙ (tsoref) = een goudsmid | וְיַעֲשֵׂ֣הוּ (veyaasehu) = en hij maakt het | אֵ֔ל (el) = tot god | יִסְגְּד֖וּ (yisgedu) = zij werpen zich neer | אַף (af) = ja | יִֽשְׁתַּחֲוּֽוּ (yishtachauu) = zij buigen zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָנֶה (qaneh), ‘weegbalk’: letterlijk ‘riet’ of ‘stok’. Daar hing het weegschaaltje aan. Voetnoot : אֵל (el), ‘god’: hier met kleine letter, omdat het een beeld is. Zie ook: Ex 32:2–4; 1 Kon 12:28; Jes 40:19–20; Jer 10:14; Hand 17:29 **46:7** **Zij dragen hem op de schouder, zij nemen hem op zich en zetten hem neer op zijn plaats, en hij blijft staan. Van zijn plaats komt hij niet weg. Zelfs als iemand tot hem roept, antwoordt hij niet. Hij redt hem niet uit zijn nood.** Brontekst: יִ֠שָּׂאֻהוּ (yisauhu) = zij dragen hem | עַל (al) = op | כָּתֵ֨ף (katef) = de schouder | יִסְבְּלֻ֜הוּ (yisbeluhu) = zij nemen hem op zich | וְיַנִּיחֻ֤הוּ (veyanichuhu) = en zij zetten hem neer | תַחְתָּיו֙ (tachtav) = op zijn plaats | וְיַֽעֲמֹ֔ד (veyaamod) = en hij blijft staan | מִמְּקוֹמ֖וֹ (mimeqomo) = van zijn plaats | לֹ֣א (lo) = niet | יָמִ֑ישׁ (yamish) = beweegt hij | אַף (af) = zelfs | יִצְעַ֤ק (yitsaq) = roept men | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יַעֲנֶ֔ה (yaane) = antwoordt hij | מִצָּרָת֖וֹ (mitsarato) = uit zijn nood | לֹ֥א (lo) = niet | יוֹשִׁיעֶֽנּוּ (yoshienu) = redt hij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 5:3; Jes 45:20; Jes 46:1; Jer 10:5; Dan 3:1 **46:8** **Denk hieraan en houd moed. Neem het ter harte, jullie overtreders.** Brontekst: זִכְרוּ (zikhru) = denkt | זֹ֖את (zot) = hieraan | וְהִתְאֹשָׁ֑שׁוּ (vehitoshashu) = en houdt moed | הָשִׁ֥יבוּ (hashivu) = brengt terug | פוֹשְׁעִ֖ים (posheim) = overtreders | עַל (al) = op | לֵֽב (lev) = het hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְאֹשָׁשׁוּ (hit’osheshu), ‘houd moed’: een zeldzaam woord dat alleen hier voorkomt. De betekenis is onzeker: ‘zich mannelijk tonen’, ‘standhouden’ of ‘tot inkeer komen’. Wij kiezen ‘houd moed’. Zie ook: Jes 47:7; Ezech 18:28; Hag 1:7; Luc 15:17; 1 Kor 14:20 ### Er is geen ander **46:9** **Denk aan de vroegere dingen, van oudsher. Want Ik ben El, en er is geen andere Elohim, en niemand is zoals Ik.** Brontekst: זִכְר֥וּ (zikhru) = denkt aan | רִאשֹׁנ֖וֹת (rishonot) = de vroegere dingen | מֵעוֹלָ֑ם (meolam) = van oudsher | כִּ֣י (ki) = want | אָנֹכִ֥י (anokhi) = Ik | אֵל֙ (el) = El | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is er | ע֔וֹד (od) = meer | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וְאֶ֥פֶס (veefes) = en niemand | כָּמֽוֹנִי (kamoni) = zoals Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָנֹכִי אֵל וְאֵין עוֹד אֱלֹהִים (anokhi El ve’en od Elohim), ‘Ik ben El, en er is geen andere Elohim’: vergelijk Deut. 4:35, 4:39 en 32:39. Zie ook Jes. 45:5–6 en 45:21–22. Zie ook: Deut 4:35; Deut 4:39; Deut 32:39; Deut 33:26; Ps 111:4; Jes 42:9; Jes 45:5–6; Jes 45:21–22; Jes 46:5 **46:10** **Ik maak van het begin af het einde bekend, en van tevoren wat nog niet is gedaan. Ik zeg: ‘Mijn besluit zal standhouden, en al Mijn wil zal Ik doen.’** Brontekst: מַגִּ֤יד (magid) = die bekendmaakt | מֵֽרֵאשִׁית֙ (mereshit) = van het begin af | אַחֲרִ֔ית (acharit) = het einde | וּמִקֶּ֖דֶם (umiqedem) = en van tevoren | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לֹא (lo) = niet | נַעֲשׂ֑וּ (naasu) = is gedaan | אֹמֵר֙ (omer) = Ik zeg | עֲצָתִ֣י (atsati) = Mijn besluit | תָק֔וּם (taqum) = zal standhouden | וְכָל (vekhal) = en al | חֶפְצִ֖י (cheftsi) = Mijn wil | אֶעֱשֶֽׂה (eese) = Ik zal doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצָתִי (atsati), ‘Mijn besluit’: het plan dat Yahweh heeft gemaakt. Voor mensen vertalen wij hetzelfde woord met ‘raad’. חֶפְצִי (chefsi), ‘Mijn wil’: wat Hem behaagt. Zie ook: Ps 33:11; Spr 19:21; Spr 21:30; Jes 43:13; Ef 1:9–11 **46:11** **Ik roep een roofvogel uit het oosten, uit een ver land de man van Mijn besluit. Ja, Ik heb gesproken. Ik laat het ook komen. Ik heb het gevormd. Ik doe het ook.** Brontekst: קֹרֵ֤א (qore) = Ik die roep | מִמִּזְרָח֙ (mimizrach) = uit het oosten | עַ֔יִט (ayit) = een roofvogel | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit een land van | מֶרְחָ֖ק (merchaq) = ver | אִ֣ישׁ (ish) = een man van | עֲצָתִ֑י (atsati) = Mijn besluit | אַף (af) = ja | דִּבַּ֨רְתִּי֙ (dibarti) = Ik heb gesproken | אַף (af) = ook | אֲבִיאֶ֔נָּה (aviena) = Ik zal het laten komen | יָצַ֖רְתִּי (yatsarti) = Ik heb gevormd | אַף (af) = ook | אֶעֱשֶֽׂנָּה (eesena) = Ik zal het doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַיִט (ayit), ‘roofvogel’: een beeld voor een koning die snel en onverwacht komt. Wie bedoeld wordt, noemt dit vers niet; zie Jes. 44:28 en 45:1, waar Kores genoemd wordt. Voetnoot : יָצַרְתִּי (yatsarti), ‘Ik heb gevormd’: hetzelfde werkwoord als in Gen. 2:7. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is עֲצָתוֹ (atsato), ‘zijn besluit’. Het gelezen woord (qere) is עֲצָתִי (atsati), ‘Mijn besluit’. Wij volgen het gelezen woord. Zie ook: Gen 2:7; Job 23:13; Num 23:19; Jes 14:24–27; Jes 41:2; Jes 44:28; Jes 45:1; Ef 1:11 ### Luister naar Mij, jullie die hard van hart zijn **46:12** **Luister naar Mij, jullie die hard van hart zijn, jullie die ver van gerechtigheid zijn.** Brontekst: שִׁמְע֥וּ (shimu) = luistert | אֵלַ֖י (elay) = naar Mij | אַבִּ֣ירֵי (abirei) = machtigen van | לֵ֑ב (lev) = hart | הָרְחוֹקִ֖ים (harechoqim) = de verre | מִצְּדָקָֽה (mitsedaqa) = van gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַבִּירֵי לֵב (abbirei lev), ‘machtigen van hart’: letterlijk ‘sterk van hart’. Omdat zij ver van gerechtigheid zijn, vertalen wij ‘hard van hart’: koppig. Zie ook: Ps 119:150; Spr 8:1–5; Jes 46:3; Jer 2:5; Ef 2:13 **46:13** **Ik heb Mijn gerechtigheid dichtbij gebracht. Ze is niet ver weg. Mijn redding komt niet te laat. Ik geef in Sion redding, aan Israël, Mijn luister.”** Brontekst: קֵרַ֤בְתִּי (qeravti) = Ik heb dichtbij gebracht | צִדְקָתִי֙ (tsidqati) = Mijn gerechtigheid | לֹ֣א (lo) = niet | תִרְחָ֔ק (tirchaq) = is ver | וּתְשׁוּעָתִ֖י (uteshuati) = en Mijn redding | לֹ֣א (lo) = niet | תְאַחֵ֑ר (teacher) = is laat | וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik geef | בְצִיּוֹן֙ (betsiyon) = in Sion | תְּשׁוּעָ֔ה (teshua) = redding | לְיִשְׂרָאֵ֖ל (leyisrael) = aan Israël | תִּפְאַרְתִּֽי (tifarti) = Mijn luister Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: תִּפְאַרְתִּי (tif’arti), ‘Mijn luister’: het kan een uitleg zijn bij Israël (‘Israël, Mijn luister’) of een tweede voorwerp naast ‘redding’ (‘redding … en Mijn luister’). Wij laten de woordvolgorde van het Hebreeuws staan. Zie ook: Jes 12:2; Jes 44:23; Jes 51:5; Jes 61:3; Jes 62:11 ## Jesaja 47 _Klaaglied over Babel: de Maagd valt van haar troon_ ### Kom van je troon, Dochter van Babel **47:1** Kom af en ga in het stof zitten, Maagd, Dochter van Babel. Zit op de grond, zonder troon, Dochter van de Chaldeeën. Want men zal jou niet meer ‘zacht’ en ‘verwend’ noemen. Brontekst: רְדִ֣י (redi) = kom af | וּשְׁבִ֣י (ushevi) = en ga zitten | עַל (al) = op | עָפָ֗ר (afar) = stof | בְּתוּלַת֙ (betulat) = maagd van | בַּת (bat) = dochter van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | שְׁבִי (shevi) = zit | לָאָ֥רֶץ (laarets) = op de grond | אֵין (ein) = niet is er | כִּסֵּ֖א (kise) = troon | בַּת (bat) = dochter van | כַּשְׂדִּ֑ים (kasdim) = de Chaldeeën | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | תוֹסִ֨יפִי֙ (tosifi) = je zult meer | יִקְרְאוּ (yiqreu) = zij zullen noemen | לָ֔ךְ (lakh) = jou | רַכָּ֖ה (raka) = zacht | וַעֲנֻגָּֽה (vaanuga) = en verwend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: בְּתוּלַת בַּת־בָּבֶל (betulat bat Babel), ‘Maagd, Dochter van Babel’: Babel wordt als een jonge vrouw aangesproken. ‘Maagd’ beschrijft Babel als een stad die tot nu toe onaangetast bleef. Zo heet ook Israël in Amos 5:2 ‘de maagd Israël’. Voetnoot : כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘de Chaldeeën’: de bewoners van het zuiden van Babylonië. Zij vormden het heersende volk van Babel. Voetnoot : רַכָּה וַעֲנֻגָּה (rakkah va’anuggah), ‘zacht en verwend’: de vrouw die nooit hard werk deed. Zie ook: Ps 137:8; Amos 5:2; Jer 46:11; Jer 50:42; Jer 51:33; Zach 2:11 **47:2** Neem de molenstenen en maal meel. Sla je sluier terug, til je sleep op, ontbloot je been en steek de rivieren over. Brontekst: קְחִ֥י (qechi) = neem | רֵחַ֖יִם (rechayim) = molenstenen | וְטַ֣חֲנִי (vetachani) = en maal | קָ֑מַח (qamach) = meel | גַּלִּ֨י (gali) = ontbloot | צַמָּתֵ֧ךְ (tsamatekh) = je sluier | חֶשְׂפִּי (chespi) = leg bloot | שֹׁ֛בֶל (shovel) = sleep | גַּלִּי (gali) = ontbloot | שׁ֖וֹק (shoq) = been | עִבְרִ֥י (ivri) = steek over | נְהָרֽוֹת (neharot) = rivieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵחַיִם (rechayim), ‘molenstenen’: een paar stenen, een handmolen. Graan malen was het werk van slavinnen; zie Exod. 11:5. Voetnoot : שֹׁבֶל (shovel), ‘sleep’: de zoom of onderrand van de kleding. Het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Voetnoot : צַמָּה (tsammah), ‘sluier’: het woord wordt ook voor een haarvlecht gebruikt. De betekenis is hier onzeker. Zie ook: Gen 24:65; Ex 11:5; Re 16:21; Jes 20:4; Mat 24:41 **47:3** Je naaktheid wordt ontbloot, ja, je schande wordt gezien. **„Wraak zal Ik nemen en Ik zal niemand ontzien.”** Brontekst: תִּגָּל֙ (tigal) = wordt ontbloot | עֶרְוָתֵ֔ךְ (ervatekh) = je naaktheid | גַּ֥ם (gam) = ook | תֵּרָאֶ֖ה (terae) = wordt gezien | חֶרְפָּתֵ֑ךְ (cherpatekh) = je schande | נָקָ֣ם (naqam) = wraak | אֶקָּ֔ח (eqach) = Ik zal nemen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֶפְגַּ֖ע (efga) = Ik zal ontmoeten | אָדָֽם (adam) = mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Yahweh Zelf: ‘Wraak zal Ik nemen’. Wij zetten die zin rood. De voorafgaande zin is een woord van de profeet. Voetnoot : וְלֹא אֶפְגַּע אָדָם (velo efga adam), ‘Ik zal niemand ontzien’: letterlijk ‘Ik zal geen mens ontmoeten’. Het werkwoord פָּגַע (paga) betekent ‘ontmoeten’, ‘treffen’ en ‘tussenbeide komen’. De betekenis is onzeker. Voetnoot Lezing: Dit kan ook betekenen: ‘Ik laat niemand tussenbeide komen’. Wij kiezen ‘niemand ontzien’. Zie ook: Nah 3:5; Jer 50:27–28; Jer 51:20–24; Heb 10:30–31; Openb 16:19 **47:4** Onze Verlosser, Yahweh van de legermachten is Zijn naam, is de Heilige van Israël. Brontekst: גֹּאֲלֵ֕נוּ (goalenu) = onze Verlosser | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמ֑וֹ (shemo) = is Zijn naam | קְד֖וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּאֲלֵנוּ (go’alenu), ‘onze Verlosser’: de go’el is de ‘losser’, wie een familielid vrijkoopt of beschermt (Lev. 25:25). Hier is Yahweh de Verlosser van Zijn volk. Voetnoot : קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een vaste titel van Yahweh in dit boek. Voetnoot : Dit vers is een woord van de profeet, midden in de rede van Yahweh. Daarom staat het zwart. Zie ook: Lev 25:25; Jes 41:14; Jes 43:14; Jes 44:6; Jes 49:26; Jer 50:33–34 **47:5** Zit in stilte en ga het duister in, Dochter van de Chaldeeën. Want men zal jou niet meer ‘meesteres van koninkrijken’ noemen. Brontekst: שְׁבִ֥י (shevi) = zit | דוּמָ֛ם (dumam) = in stilte | וּבֹ֥אִי (uvoi) = en kom | בַחֹ֖שֶׁךְ (bachoshekh) = in het duister | בַּת (bat) = dochter van | כַּשְׂדִּ֑ים (kasdim) = de Chaldeeën | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | תוֹסִ֨יפִי֙ (tosifi) = je zult meer | יִקְרְאוּ (yiqreu) = zij zullen noemen | לָ֔ךְ (lakh) = jou | גְּבֶ֖רֶת (geveret) = meesteres van | מַמְלָכֽוֹת (mamlakhot) = koninkrijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: גְּבֶרֶת (geveret), ‘meesteres’: de vrouw die over anderen heerst. Zie ook: Jes 13:19–20; Jes 47:7; Hab 2:20; Dan 2:37–38; Openb 18:16–19 ### Je had geen ontferming **47:6** **„Ik was toornig op Mijn volk. Ik ontheiligde Mijn erfdeel en gaf hen in jouw hand. Jij toonde hun geen ontferming. Zelfs op de oude maakte je je juk zeer zwaar.** Brontekst: קָצַ֣פְתִּי (qatsafti) = Ik was toornig | עַל (al) = op | עַמִּ֗י (ami) = Mijn volk | חִלַּ֨לְתִּי֙ (chilalti) = Ik ontheiligde | נַחֲלָתִ֔י (nachalati) = Mijn erfdeel | וָאֶתְּנֵ֖ם (vaetenem) = en Ik gaf hen | בְּיָדֵ֑ךְ (beyadekh) = in jouw hand | לֹא (lo) = niet | שַׂ֤מְתְּ (samt) = je legde | לָהֶם֙ (lahem) = hun | רַחֲמִ֔ים (rachamim) = ontferming | עַל (al) = op | זָקֵ֕ן (zaqen) = oude | הִכְבַּ֥דְתְּ (hikhbadt) = je maakte zwaar | עֻלֵּ֖ךְ (ulekh) = je juk | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt Yahweh Zelf: ‘Mijn volk’, ‘Mijn erfdeel’. De spreker is niet met een formule aangegeven; wij zetten dit rood, omdat Hij ‘Ik’ zegt. Voetnoot : נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: het volk als Yahweh’s eigendom. Voetnoot : חִלַּלְתִּי (chillalti), ‘Ik ontheiligde’: hetzelfde werkwoord als in 48:11, daar ‘ontheiligd’. Yahweh gaf Zijn volk prijs aan Babel. Voetnoot : רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’: zoals in Hos. 1:6. Zie ook: Deut 28:50; 2 Kron 28:9; Hos 1:6; Ob 1:10; Zach 1:15; Jak 2:13 **47:7** **Jij zei: ‘Voor eeuwig zal ik meesteres zijn.’ Je nam deze dingen niet ter harte. Je dacht niet aan het einde ervan.”** Brontekst: וַתֹּ֣אמְרִ֔י (vatomri) = en jij zei | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor eeuwig | אֶהְיֶ֣ה (ehye) = ik zal zijn | גְבָ֑רֶת (gevaret) = meesteres | עַ֣ד (ad) = zodat | לֹא (lo) = niet | שַׂ֥מְתְּ (samt) = je nam | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = deze dingen | עַל (al) = op | לִבֵּ֔ךְ (libekh) = je hart | לֹ֥א (lo) = niet | זָכַ֖רְתְּ (zakhart) = je dacht aan | אַחֲרִיתָֽהּ (acharitah) = haar einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעוֹלָם (le’olam), ‘voor eeuwig’: Babel zegt van zichzelf wat alleen van Yahweh geldt. Voetnoot : עַד לֹא (ad lo), ‘zodat … niet’: letterlijk ‘tot niet’. De zin zegt: Babel dacht zo zeker te zijn dat zij niet aan het einde dacht. Voetnoot : אַחֲרִיתָהּ (acharitah), ‘het einde ervan’: letterlijk ‘haar einde’. Het kan het einde van deze dingen zijn of het einde van Babel zelf. Zie ook: Deut 32:29; Jes 47:5; Jer 5:31; Ezech 28:12–14; Dan 5:18–23 ### Jij die van genot houdt **47:8** Hoor dit nu, jij die van genot houdt en onbezorgd zit en in je hart zegt: ‘Ik ben het, en niemand anders meer. Ik zal niet als weduwe zitten. Ik zal geen kinderverlies kennen.’ Brontekst: וְעַתָּ֞ה (veata) = en nu | שִׁמְעִי (shimi) = hoor | זֹ֤את (zot) = dit | עֲדִינָה֙ (adina) = genotzuchtige | הַיּוֹשֶׁ֣בֶת (hayoshevet) = die zit | לָבֶ֔טַח (lavetach) = in veiligheid | הָאֹֽמְרָה֙ (haomera) = die zegt | בִּלְבָ֔בָהּ (bilvavah) = in haar hart | אֲנִ֖י (ani) = ik | וְאַפְסִ֣י (veafsi) = en naast mij niemand | ע֑וֹד (od) = meer | לֹ֤א (lo) = niet | אֵשֵׁב֙ (eshev) = ik zal zitten | אַלְמָנָ֔ה (almana) = als weduwe | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֵדַ֖ע (eda) = ik zal kennen | שְׁכֽוֹל (shekhol) = kinderverlies Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲדִינָה (adinah), ‘jij die van genot houdt’: het woord komt van het woord voor ‘genot’. Het beschrijft een vrouw die in weelde leeft. Voetnoot : אֲנִי וְאַפְסִי עוֹד (ani ve’afsi od), ‘Ik ben het, en niemand anders meer’: bijna dezelfde woorden zegt Yahweh over Zichzelf in Jes. 45:6 en 46:9 (‘er is geen ander’). Zie ook Zef. 2:15 en Openb. 18:7. Voetnoot : שָׁכוֹל (shakhol), ‘kinderverlies’: het verlies van kinderen; zo ook in vers 9. אַלְמָנָה (almanah), ‘weduwe’: wie haar man verloor. Zie ook: Jes 32:9; Jes 45:6; Jes 46:9; Jes 47:9; Jes 47:10; Sef 2:15; Jer 50:11; Openb 18:3–8; Openb 18:7 **47:9** Deze twee zullen over je komen, in een oogwenk, op één dag: kinderverlies en weduwschap. In hun volle omvang komen ze over je, ondanks je vele toverijen en de zeer grote kracht van je bezweringen. Brontekst: וְתָבֹאנָה֩ (vetavona) = en zullen komen | לָּ֨ךְ (lakh) = over je | שְׁתֵּי (shetei) = twee | אֵ֥לֶּה (ele) = deze | רֶ֛גַע (rega) = in een oogwenk | בְּי֥וֹם (beyom) = op een dag | אֶחָ֖ד (echad) = één | שְׁכ֣וֹל (shekhol) = kinderverlies | וְאַלְמֹ֑ן (vealmon) = en weduwschap | כְּתֻמָּם֙ (ketumam) = in hun volheid | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = over je | בְּרֹ֣ב (berov) = ondanks de menigte van | כְּשָׁפַ֔יִךְ (keshafayikh) = je toverijen | בְּעָצְמַ֥ת (beatsemat) = ondanks de kracht van | חֲבָרַ֖יִךְ (chavarayikh) = je bezweringen | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַלְמוֹן (almon), ‘weduwschap’: de toestand van een weduwe. Het woord komt alleen hier voor. Voetnoot : כְּשָׁפִים (keshafim), ‘toverijen’ en חֲבָרִים (chavarim), ‘bezweringen’: bezweringen en toverkunst, zoals verboden in Deut. 18:10–11. Voetnoot : בְּרֹב … בְּעָצְמַת (berov … be’otsmat), ‘ondanks de menigte … ondanks de kracht’: het voorzetsel ב (be) betekent ‘in’ of ‘ondanks’. Wij kiezen ‘ondanks’. Zie ook: Deut 18:10–11; Ps 73:19; Jes 47:12–13; Nah 3:4; 1 Tess 5:3; Openb 18:8–10 **47:10** Je vertrouwde op je slechtheid. Je zei: ‘Niemand ziet mij.’ Je wijsheid en je kennis, die hebben je op een dwaalspoor gebracht. Je zei in je hart: ‘Ik ben het, en niemand anders meer.’ Brontekst: וַתִּבְטְחִ֣י (vativtechi) = en je vertrouwde | בְרָעָתֵ֗ךְ (beraatekh) = op je slechtheid | אָמַרְתְּ֙ (amart) = je zei | אֵ֣ין (ein) = niemand is er | רֹאָ֔נִי (roani) = ziet mij | חָכְמָתֵ֥ךְ (chakhematekh) = je wijsheid | וְדַעְתֵּ֖ךְ (vedatekh) = en je kennis | הִ֣יא (hi) = die | שׁוֹבְבָ֑תֶךְ (shovevatekh) = heeft je op een dwaalspoor gebracht | וַתֹּאמְרִ֣י (vatomri) = en je zei | בְלִבֵּ֔ךְ (belibekh) = in je hart | אֲנִ֖י (ani) = ik | וְאַפְסִ֥י (veafsi) = en naast mij niemand | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָעָה (ra’ah), ‘kwaad’ of ‘onheil’: het woord heeft beide betekenissen. In dit vers is het het kwaad dat Babel deed (‘je slechtheid’); in vers 11 is het het onheil dat komt. Voetnoot : שׁוֹבְבָתֶךְ (shovevatekh), ‘heeft je op een dwaalspoor gebracht’: van het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’; hier ‘afwenden’ of ‘misleiden’. Zie ook: Ps 52:9; Jes 5:21; Jes 29:15; Jes 47:11; Ezech 8:12; Rom 1:22 **47:11** Er komt onheil over je. Je weet niet wanneer het aanbreekt. Er valt een ramp op je. Je kunt het niet afkopen. Plotseling komt verwoesting over je, die je niet kent. Brontekst: וּבָ֧א (uva) = en zal komen | עָלַ֣יִךְ (alayikh) = over je | רָעָ֗ה (raa) = onheil | לֹ֤א (lo) = niet | תֵדְעִי֙ (tedei) = je zult weten | שַׁחְרָ֔הּ (shachrah) = haar dageraad | וְתִפֹּ֤ל (vetipol) = en zal vallen | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = op je | הֹוָ֔ה (hova) = een ramp | לֹ֥א (lo) = niet | תוּכְלִ֖י (tukheli) = je zult kunnen | כַּפְּרָ֑הּ (kaperah) = haar afkoping | וְתָבֹ֨א (vetavo) = en zal komen | עָלַ֧יִךְ (alayikh) = over je | פִּתְאֹ֛ם (pitom) = plotseling | שׁוֹאָ֖ה (shoa) = verwoesting | לֹ֥א (lo) = niet | תֵדָֽעִי (tedai) = je zult weten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁחְרָהּ (shachrah), ‘het aanbreken ervan’: letterlijk ‘haar dageraad’ (שַׁחַר, shachar). Het woord kan ook van een ander werkwoord komen, dat ‘wegbezweren’ betekent. Voetnoot Lezing: Wij kiezen ‘je weet niet wanneer het aanbreekt’. Een andere mogelijkheid is: ‘je weet niet hoe je het kunt wegbezweren’. Voetnoot : כַּפְּרָהּ (kapperah), ‘afkopen’: van het werkwoord כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’. Hier betekent het ‘afwenden met een losgeld’. Voetnoot : הֹוָה (hovah), ‘ramp’: een zeldzaam woord voor een grote ramp. Zie ook: Ex 12:29–30; Jer 51:39–42; Dan 5:25–30; 1 Tess 5:3; Openb 18:9–10 ### Je toverijen helpen niet **47:12** Houd toch stand met je bezweringen en je vele toverijen, waarvoor je je van jongs af hebt ingespannen. Misschien kun je baat hebben. Misschien kun je angst inboezemen. Brontekst: עִמְדִי (imdi) = sta | נָ֤א (na) = toch | בַחֲבָרַ֨יִךְ֙ (bachavarayikh) = met je bezweringen | וּבְרֹ֣ב (uverov) = en met de menigte van | כְּשָׁפַ֔יִךְ (keshafayikh) = je toverijen | בַּאֲשֶׁ֥ר (baasher) = waarin | יָגַ֖עַתְּ (yagaat) = je hebt je ingespannen | מִנְּעוּרָ֑יִךְ (mineurayikh) = van je jeugd af | אוּלַ֛י (ulay) = misschien | תּוּכְלִ֥י (tukheli) = je zult kunnen | הוֹעִ֖יל (hoil) = baat hebben | אוּלַ֥י (ulay) = misschien | תַּעֲרֽוֹצִי (taarotsi) = je zult angst inboezemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּעֲרוֹצִי (ta’arotsi), ‘angst inboezemen’: het werkwoord betekent ‘schrik aanjagen’ of ‘ontzag afdwingen’. De betekenis is hier onzeker. Zie ook: Jes 19:3; Jes 47:9–10; Nah 3:4; Jer 2:28; Hand 13:8–12 **47:13** Je bent moe geworden van je vele raadgevingen. Laten ze toch opstaan en je redden: zij die de hemel verdelen, die in de sterren kijken, die bij elke nieuwe maan bekendmaken wat er over je zal komen. Brontekst: נִלְאֵ֖ית (nileit) = je bent moe geworden | בְּרֹ֣ב (berov) = door de menigte van | עֲצָתָ֑יִךְ (atsatayikh) = je raadgevingen | יַעַמְדוּ (yaamdu) = laten opstaan | נָ֨א (na) = toch | וְיוֹשִׁיעֻ֜ךְ (veyoshiukh) = en laten redden jou | הֹבְרֵ֣י (hoverei) = verdelers van | שָׁמַ֗יִם (shamayim) = de hemel | הַֽחֹזִים֙ (hachozim) = die kijken | בַּכּ֣וֹכָבִ֔ים (bakokhavim) = in de sterren | מֽוֹדִיעִם֙ (modiim) = die bekendmaken | לֶחֳדָשִׁ֔ים (lechodashim) = bij de nieuwe manen | מֵאֲשֶׁ֥ר (measher) = over wat | יָבֹ֖אוּ (yavou) = zal komen | עָלָֽיִךְ (alayikh) = over je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַחֹזִים בַּכּוֹכָבִים (hachozim bakokhavim), ‘die in de sterren kijken’: sterrenwichelaars. Het woord ‘verdelen’ (חָבַר, chavar) is onzeker; het gaat om mensen die de hemel indelen en daaruit de toekomst lezen. Voetnoot : מוֹדִיעִם לֶחֳדָשִׁים (modi’im lechodashim), ‘die bij elke nieuwe maan bekendmaken’: letterlijk ‘bij de nieuwe manen’. Een nieuwe maan was het begin van een maand. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is הברו (habru). Het gelezen woord (qere) is הֹבְרֵי (hovrei), ‘verdelers van’. Wij volgen het gelezen woord. Zie ook: Jes 44:25; Jes 57:10; Jer 51:58; Ezech 24:12; Dan 2:2–10 **47:14** Zie, zij zijn als stoppels geworden. Vuur heeft hen verbrand. Ze kunnen zichzelf niet bevrijden uit de hand van de vlam. Het is geen gloeiende kool om zich aan te warmen, geen vuur om voor te zitten. Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | הָי֤וּ (hayu) = zij zijn geworden | כְקַשׁ֙ (keqash) = als stoppels | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | שְׂרָפָ֔תַם (serafatam) = heeft hen verbrand | לֹֽא (lo) = niet | יַצִּ֥ילוּ (yatsilu) = zij kunnen bevrijden | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשָׁ֖ם (nafsham) = hun ziel | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | לֶֽהָבָ֑ה (lehava) = de vlam | אֵין (ein) = niet is er | גַּחֶ֣לֶת (gachelet) = een kool | לַחְמָ֔ם (lachmam) = om hen te warmen | א֖וּר (ur) = een vuur | לָשֶׁ֥בֶת (lashevet) = om bij te zitten | נֶגְדּֽוֹ (negdo) = tegenover Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier vertalen wij ‘zichzelf’. Het gaat om hun eigen leven. Voetnoot : גַּחֶלֶת (gachelet), ‘gloeiende kool’: een kool van een vuur waaraan men zich kan warmen. Dit vuur is geen haardvuur, maar een vuur dat alles verteert. Zie ook: Jes 10:17; Jes 41:2; Nah 1:10; Ezech 15:7; Mal 3:19 **47:15** Zo zijn zij voor jou geworden, zij voor wie je je hebt ingespannen: je handelaars van jongs af. Ieder dwaalt weg, zijn eigen kant op. Er is niemand die je redt. Brontekst: כֵּ֥ן (ken) = zo | הָיוּ (hayu) = zijn geworden | לָ֖ךְ (lakh) = voor jou | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarvoor | יָגָ֑עַתְּ (yagaat) = je hebt je ingespannen | סֹחֲרַ֣יִךְ (socharayikh) = je handelaars | מִנְּעוּרַ֗יִךְ (mineurayikh) = van je jeugd af | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | לְעֶבְרוֹ֙ (leevro) = naar zijn kant | תָּע֔וּ (tau) = dwalen zij | אֵ֖ין (ein) = niet is er | מוֹשִׁיעֵֽךְ (moshiekh) = je redder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹחֲרַיִךְ (socharayikh), ‘je handelaars’: de kooplieden met wie Babel van jongs af handelde. Zij laten Babel nu in de steek. Zie ook: Jes 56:11; Jer 51:6–9; Ezech 27:12–25; Openb 18:11–19 ## Jesaja 48 _Yahweh kondigde alles vooraf aan: trek weg uit Babel_ ### Een volk dat Yahweh niet in waarheid noemt **48:1** Luister hiernaar, huis van Jakob. Jullie worden genoemd bij de naam Israël en zijn voortgekomen uit de wateren van Juda. Jullie zweren bij de naam van Yahweh en vermelden de Elohim van Israël, maar niet in waarheid en niet in gerechtigheid. Brontekst: שִׁמְעוּ (shimu) = luistert | זֹ֣את (zot) = hiernaar | בֵּֽית (beit) = huis van | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | הַנִּקְרָאִים֙ (haniqraim) = die genoemd worden | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = bij de naam | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּמִמֵּ֥י (umimei) = en uit de wateren van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | יָצָ֑אוּ (yatsau) = zijn voortgekomen | הַֽנִּשְׁבָּעִ֣ים (hanishbaim) = die zweren | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = bij de naam | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וּבֵאלֹהֵ֤י (uvelohei) = en de Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יַזְכִּ֔ירוּ (yazkiru) = zij vermelden | לֹ֥א (lo) = niet | בֶאֱמֶ֖ת (beemet) = in waarheid | וְלֹ֥א (velo) = en niet | בִצְדָקָֽה (bitsdaqa) = in gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִמֵּי יְהוּדָה (mimmei Yehudah), ‘uit de wateren van Juda’: ‘wateren’ is hier een beeld voor de bron waaruit het volk voortkomt, zijn afstamming. Voetnoot : Het vers verwijt het volk dat het de namen van Yahweh gebruikt zonder trouw. De rede begint hier nog niet in de eerste persoon van Yahweh; daarom staat het zwart. Zie ook: Gen 32:28; Ps 68:27; Jer 4:2; Jer 7:9–10; Mat 15:8–9 **48:2** Want zij worden genoemd naar de heilige stad en steunen op de Elohim van Israël. Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מֵעִ֤יר (meir) = naar de stad van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = de heiligheid | נִקְרָ֔אוּ (niqrau) = zij worden genoemd | וְעַל (veal) = en op | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | נִסְמָ֑כוּ (nismakhu) = zij steunen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמֽוֹ (shemo) = is Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִיר הַקֹּדֶשׁ (ir haqodesh), ‘de heilige stad’: Jeruzalem. Zo ook Jes. 52:1 en Neh. 11:1. Voetnoot : יְהוָה צְבָאוֹת שְׁמוֹ (Yahweh Tsevaot shemo), ‘Yahweh van de legermachten is Zijn naam’: dit is een woord van de profeet over Yahweh, in de derde persoon. Daarom staat het zwart. Zie ook: Jes 10:20; Jes 52:1; Mi 3:11; Jer 21:2; Neh 11:1; Rom 2:17 ### Het vroegere heb Ik lang geleden aangekondigd **48:3** **„De vroegere dingen heb Ik al lang geleden aangekondigd. Uit Mijn mond zijn ze uitgegaan, en Ik liet ze horen. Plotseling heb Ik het gedaan, en ze kwamen.** Brontekst: הָרִֽאשֹׁנוֹת֙ (harishonot) = de vroegere dingen | מֵאָ֣ז (meaz) = al lang geleden | הִגַּ֔דְתִּי (higadti) = Ik heb aangekondigd | וּמִפִּ֥י (umipi) = en uit Mijn mond | יָצְא֖וּ (yatseu) = zijn uitgegaan | וְאַשְׁמִיעֵ֑ם (veashmiem) = en Ik liet ze horen | פִּתְאֹ֥ם (pitom) = plotseling | עָשִׂ֖יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | וַתָּבֹֽאנָה (vatavona) = en ze kwamen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרִאשֹׁנוֹת (harishonot), ‘de vroegere dingen’: wat Yahweh al eerder aankondigde en liet gebeuren. Hier begint Yahweh Zelf te spreken (‘Ik’). Het rood loopt door tot vers 16. Zie ook: Joz 21:45; Jes 41:22; Jes 42:9; Jes 44:7–8; Jes 45:21; Jes 48:16 **48:4** **Ik wist dat je hardnekkig bent. Je nek is een ijzeren pees, en je voorhoofd is van koper.** Brontekst: מִדַּעְתִּ֕י (midati) = uit Mijn weten | כִּ֥י (ki) = dat | קָשֶׁ֖ה (qashe) = hardnekkig | אָ֑תָּה (ata) = jij | וְגִ֤יד (vegid) = en een pees van | בַּרְזֶל֙ (barzel) = ijzer | עָרְפֶּ֔ךָ (arpekha) = je nek | וּמִצְחֲךָ֖ (umitschakha) = en je voorhoofd | נְחוּשָֽׁה (nechusha) = koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּיד בַּרְזֶל (gid barzel), ‘een ijzeren pees’: een stijve nek, het beeld van koppigheid. Vergelijk Exod. 32:9. Voetnoot : נְחוּשָׁה (nechushah), ‘koper’: het woord kan ook ‘brons’ betekenen. Een voorhoofd van koper is een voorhoofd zonder schaamte. Zie ook: Ex 32:9; Spr 29:1; Zach 7:11–12; Hand 7:51; Rom 2:5 **48:5** **En Ik heb het je al lang geleden aangekondigd. Voordat het kwam, liet Ik het je horen, zodat je niet zou zeggen: ‘Mijn afgodsbeeld heeft ze gedaan. Mijn gesneden beeld en mijn gegoten beeld hebben ze bevolen.’** Brontekst: וָאַגִּ֤יד (vaagid) = en Ik heb aangekondigd | לְךָ֙ (lekha) = je | מֵאָ֔ז (meaz) = al lang geleden | בְּטֶ֥רֶם (beterem) = voordat | תָּב֖וֹא (tavo) = het zou komen | הִשְׁמַעְתִּ֑יךָ (hishmatikha) = Ik liet het je horen | פֶּן (pen) = opdat niet | תֹּאמַר֙ (tomar) = je zou zeggen | עָצְבִּ֣י (atsbi) = mijn afgodsbeeld | עָשָׂ֔ם (asam) = heeft ze gedaan | וּפִסְלִ֥י (ufisli) = en mijn gesneden beeld | וְנִסְכִּ֖י (veniski) = en mijn gegoten beeld | צִוָּֽם (tsivam) = heeft ze bevolen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶצֶב (etsev), ‘afgodsbeeld’: hetzelfde woord als in 46:1. פֶּסֶל (pesel), ‘gesneden beeld’. נֶסֶךְ (nesekh), ‘gegoten beeld’: het woord betekent ook ‘plengoffer’ (Gen. 35:14). Hier staat het naast twee beelden en betekent het een gegoten beeld. Zie ook: Gen 35:14; Jes 42:8–9; Jes 48:3; Jer 44:15–18; Luc 1:70; Hand 15:18 **48:6** **Je hebt het gehoord. Zie het allemaal. En jullie, willen jullie het niet vertellen? Vanaf nu laat Ik je nieuwe dingen horen, verborgen dingen die je niet kende.** Brontekst: שָׁמַ֤עְתָּֽ (shamata) = je hebt gehoord | חֲזֵה֙ (chaze) = zie | כֻּלָּ֔הּ (kulah) = het geheel | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | הֲל֣וֹא (halo) = toch niet | תַגִּ֑ידוּ (tagidu) = zullen jullie vertellen | הִשְׁמַעְתִּ֤יךָ (hishmatikha) = Ik laat je horen | חֲדָשׁוֹת֙ (chadashot) = nieuwe dingen | מֵעַ֔תָּה (meata) = vanaf nu | וּנְצֻר֖וֹת (unetsurot) = en verborgen dingen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יְדַעְתָּֽם (yedatam) = jullie kenden ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְצֻרוֹת (netsurot), ‘verborgen dingen’: letterlijk ‘bewaarde dingen’, dingen die tot nu toe voor je bewaard bleven. Zie ook: Jes 42:9; Jes 43:19; Mat 10:27; Rom 16:25–26; Openb 4:1 **48:7** **Nu zijn ze geschapen, en niet al lang geleden. Vóór vandaag heb je ze niet gehoord, zodat je niet zou zeggen: ‘Zie, ik wist ze al.’** Brontekst: עַתָּ֤ה (ata) = nu | נִבְרְאוּ֙ (nivreu) = zijn geschapen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | מֵאָ֔ז (meaz) = al lang geleden | וְלִפְנֵי (velifnei) = en voor | י֖וֹם (yom) = de dag | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שְׁמַעְתָּ֑ם (shematam) = je hebt ze gehoord | פֶּן (pen) = opdat niet | תֹּאמַ֖ר (tomar) = je zou zeggen | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | יְדַעְתִּֽין (yedatin) = ik wist ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִבְרְאוּ (nivre’u), ‘zijn geschapen’: het werkwoord בָּרָא (bara) staat ook in Gen. 1:1. Nieuwe dingen worden nu pas gemaakt; zij zijn niet al lang geleden aangekondigd. Voetnoot : וְלִפְנֵי יוֹם (velifnei yom), ‘vóór vandaag’: letterlijk ‘vóór een dag’, dat wil zeggen: tot vandaag toe. Voetnoot : יְדַעְתִּין (yeda’tin), ‘ik wist ze’: een ongewone vorm met een extra nun aan het einde. Zie ook: Gen 1:1 **48:8** **Je hebt het ook niet gehoord, je hebt het ook niet geweten. Ook was je oor al lang geleden niet geopend. Want Ik wist dat je zeker trouweloos zou handelen. Van de buik af werd je een overtreder genoemd.** Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | לֹֽא (lo) = niet | שָׁמַ֗עְתָּ (shamata) = je hebt gehoord | גַּ֚ם (gam) = ook | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔עְתָּ (yadata) = je hebt geweten | גַּ֕ם (gam) = ook | מֵאָ֖ז (meaz) = al lang geleden | לֹא (lo) = niet | פִתְּחָ֣ה (pitecha) = is geopend | אָזְנֶ֑ךָ (azenekha) = je oor | כִּ֤י (ki) = want | יָדַ֨עְתִּי֙ (yadati) = Ik wist | בָּג֣וֹד (bagod) = trouweloos handelen | תִּבְגּ֔וֹד (tivgod) = je zult handelen | וּפֹשֵׁ֥עַ (ufoshea) = en overtreder | מִבֶּ֖טֶן (mibeten) = van de buik af | קֹ֥רָא (qora) = men noemde | לָֽךְ (lakh) = jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּגוֹד תִּבְגּוֹד (bagod tivgod), ‘je zult zeker trouweloos handelen’: letterlijk ‘trouweloos handelend zul je trouweloos handelen’. Het herhaalde werkwoord maakt de zin sterk. Voetnoot : וּפֹשֵׁעַ (ufoshea), ‘een overtreder’: van het woord פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’. Zie ook: Ps 58:4; Hos 5:7; Jes 42:19–20; Jer 6:10; Mat 13:13–15 ### Omwille van Mijn naam **48:9** **Omwille van Mijn naam stel Ik Mijn toorn uit. Omwille van Mijn lof houd Ik Mij voor jou in, zodat Ik je niet uitroei.** Brontekst: לְמַ֤עַן (lemaan) = omwille van | שְׁמִי֙ (shemi) = Mijn naam | אַאֲרִ֣יךְ (aarikh) = Ik stel uit | אַפִּ֔י (api) = Mijn toorn | וּתְהִלָּתִ֖י (utehilati) = en Mijn lof | אֶחֱטָם (echetam) = Ik houd in | לָ֑ךְ (lakh) = voor jou | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = opdat niet | הַכְרִיתֶֽךָ (hakhritekha) = Ik je uitroei Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַאֲרִיךְ אַפִּי (a’arikh appi), ‘Ik stel Mijn toorn uit’: letterlijk ‘Ik maak Mijn neus lang’. Het is dezelfde uitdrukking als ‘langzaam tot toorn’ in Exod. 34:6. Voetnoot : אֶחֱטָם (echetam), ‘Ik houd Mij in’: een zeldzaam werkwoord dat ‘bedwingen’ of ‘beteugelen’ betekent. Zie ook: Ex 34:6; Ps 78:38; Ps 79:9; Ps 106:8; Ps 143:11; Jes 37:35 **48:10** **Zie, Ik heb je gelouterd, maar niet als zilver. Ik heb je uitgekozen in de smeltoven van ellende.** Brontekst: הִנֵּ֥ה (hine) = zie | צְרַפְתִּ֖יךָ (tseraftikha) = Ik heb je gelouterd | וְלֹ֣א (velo) = en niet | בְכָ֑סֶף (bekhasef) = als zilver | בְּחַרְתִּ֖יךָ (bechartikha) = Ik heb je uitgekozen | בְּכ֥וּר (bekhur) = in de oven van | עֹֽנִי (oni) = ellende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּחַרְתִּיךָ (bechartikha), ‘Ik heb je uitgekozen’: van het werkwoord בָּחַר (bachar). Het werkwoord kan in dit verband ook ‘beproeven’ betekenen. Wij kiezen ‘uitgekozen’. Voetnoot : וְלֹא בְכָסֶף (velo vekhasef), ‘maar niet als zilver’: het voorzetsel ב (be) is hier onzeker. Het kan ‘niet zoals zilver’, ‘niet voor zilver’ of ‘zonder zilver’ betekenen. Voetnoot : כּוּר עֹנִי (kur oni), ‘smeltoven van ellende’: de oven waarin metaal gesmolten wordt; zo ook Deut. 4:20. Zie ook: Job 23:10; Deut 4:20; Ps 66:10; Spr 17:3; 1 Petr 4:12; Heb 12:10–11 **48:11** **Omwille van Mijzelf, omwille van Mijzelf doe Ik het. Want hoe zou Mijn naam ontheiligd worden? Mijn heerlijkheid geef Ik niet aan een ander.** Brontekst: לְמַעֲנִ֧י (lemaani) = omwille van Mij | לְמַעֲנִ֛י (lemaani) = omwille van Mij | אֶעֱשֶׂ֖ה (eese) = Ik zal doen | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֣יךְ (eikh) = hoe | יֵחָ֑ל (yechal) = wordt ontheiligd | וּכְבוֹדִ֖י (ukhevodi) = en Mijn heerlijkheid | לְאַחֵ֥ר (leacher) = aan een ander | לֹֽא (lo) = niet | אֶתֵּֽן (eten) = Ik geef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws ontbreekt het onderwerp van ‘ontheiligd worden’ (yechal). Wij vullen ‘Mijn naam’ aan, op grond van vers 9. Voetnoot : כְּבוֹדִי (khevodi), ‘Mijn heerlijkheid’: zie ook Jes. 42:8, waar dezelfde woorden staan. Zie ook: 1 Sam 12:22; Jes 37:35; Jes 42:8; Jes 48:9; Ezech 20:9; Ezech 20:14 ### Ik ben de Eerste en de Laatste **48:12** **Luister naar Mij, Jakob, en Israël, die Ik geroepen heb. Ik ben Hij. Ik ben de Eerste, en Ik ben ook de Laatste.** Brontekst: שְׁמַ֤ע (shema) = luister | אֵלַי֙ (elay) = naar Mij | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | מְקֹרָאִ֑י (meqorai) = Mijn geroepene | אֲנִי (ani) = Ik | הוּא֙ (hu) = Hij | אֲנִ֣י (ani) = Ik | רִאשׁ֔וֹן (rishon) = de eerste | אַ֖ף (af) = ook | אֲנִ֥י (ani) = Ik | אַחֲרֽוֹן (acharon) = de laatste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲנִי הוּא (ani hu), ‘Ik ben Hij’: zie 46:4 en Deut. 32:39. Voetnoot : רִאשׁוֹן … אַחֲרוֹן (rishon … acharon), ‘de Eerste … de Laatste’: Yahweh is er voor alles en na alles. Vergelijk Openb. 1:17 en 22:13. Zie ook: Deut 32:39; Jes 41:4; Rom 8:28; Openb 1:8; Openb 1:17; Openb 17:14; Openb 22:13 **48:13** **Ook Mijn hand heeft de aarde gegrondvest, en Mijn rechterhand heeft de hemel uitgespannen. Als Ik hen roep, gaan ze samen staan.** Brontekst: אַף (af) = ook | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | יָ֣סְדָה (yaseda) = heeft gegrondvest | אֶ֔רֶץ (erets) = aarde | וִֽימִינִ֖י (vimini) = en Mijn rechterhand | טִפְּחָ֣ה (tipecha) = heeft uitgespannen | שָׁמָ֑יִם (shamayim) = hemel | קֹרֵ֥א (qore) = roepend | אֲנִ֛י (ani) = Ik | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = tot hen | יַעַמְד֥וּ (yaamdu) = zij gaan staan | יַחְדָּֽו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טִפְּחָה (tippechah), ‘heeft uitgespannen’: het werkwoord hangt samen met het woord voor ‘handbreedte’. Het beeld is dat Yahweh de hemel met Zijn hand heeft uitgespreid. De betekenis is onzeker. Zie ook: Ex 20:11; Ps 102:26; Jes 40:26; Jes 45:18; Heb 1:10–12 **48:14** **Kom allemaal bijeen en luister. Wie van hen heeft deze dingen aangekondigd? Yahweh heeft hem lief. Hij zal Zijn wil uitvoeren in Babel, en zijn arm zal gericht zijn tegen de Chaldeeën.** Brontekst: הִקָּבְצ֤וּ (hiqavetsu) = verzamelt | כֻלְּכֶם֙ (kulekhem) = jullie allen | וּֽשֲׁמָ֔עוּ (ushamau) = en luistert | מִ֥י (mi) = wie | בָהֶ֖ם (bahem) = onder hen | הִגִּ֣יד (higid) = heeft aangekondigd | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֑לֶּה (ele) = deze dingen | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֲהֵב֔וֹ (ahevo) = heeft hem lief | יַעֲשֶׂ֤ה (yaase) = hij zal doen | חֶפְצוֹ֙ (cheftso) = Zijn wil | בְּבָבֶ֔ל (bevavel) = in Babel | וּזְרֹע֖וֹ (uzeroo) = en zijn arm | כַּשְׂדִּֽים (kasdim) = de Chaldeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: ‘Hen’ zijn de afgodsbeelden of de volken met hun goden. ‘Hem’ is de man die Yahweh heeft liefgekregen; wij lezen hier Kores, zie Jes. 44:28 en 45:1. Het Hebreeuws noemt zijn naam hier niet. Voetnoot : יַעֲשֶׂה חֶפְצוֹ (ya’aseh chefso), ‘hij zal Zijn wil uitvoeren’: Yahweh’s wil, zoals in 44:28. Wij zetten ‘Zijn’ met hoofdletter. Voetnoot : וּזְרֹעוֹ כַּשְׂדִּים (uzero’o Kasdim), ‘en zijn arm zal gericht zijn tegen de Chaldeeën’: er staat geen werkwoord. Letterlijk staat er ‘en zijn arm: de Chaldeeën’. Wij vullen ‘zal gericht zijn tegen’ aan. De zin is moeilijk. Zie ook: Jes 13:17–18; Jes 43:9; Jes 44:28; Jes 45:1; Jes 46:10–11; Jer 50:21–29; Jer 51:20–24 **48:15** **Ik, Ik heb gesproken. Ja, Ik heb hem geroepen. Ik heb hem laten komen, en zijn weg zal slagen.** Brontekst: אֲנִ֥י (ani) = Ik | אֲנִ֛י (ani) = Ik | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | אַף (af) = ja | קְרָאתִ֑יו (qerativ) = Ik heb hem geroepen | הֲבִיאֹתִ֖יו (haviotiv) = Ik heb hem laten komen | וְהִצְלִ֥יחַ (vehitsliach) = en zal slagen | דַּרְכּֽוֹ (darko) = zijn weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִצְלִיחַ דַּרְכּוֹ (vehitslichach darko), ‘en zijn weg zal slagen’: het werkwoord kan ook betekenen: ‘en Hij laat zijn weg slagen’. Zie ook: Joz 1:8; Ps 45:5; Jes 45:1–2; Ezech 1:2 ### Kom dichter bij Mij **48:16** **Kom dichter bij Mij en luister hiernaar. Van het begin af heb Ik niet in het verborgen gesproken. Vanaf het moment dat het gebeurde, ben Ik daar.”** En nu heeft Heer Yahweh mij gezonden, en Zijn Geest. Brontekst: קִרְב֧וּ (qirvu) = komt dichtbij | אֵלַ֣י (elay) = tot Mij | שִׁמְעוּ (shimu) = luistert | זֹ֗את (zot) = hiernaar | לֹ֤א (lo) = niet | מֵרֹאשׁ֙ (merosh) = van het begin af | בַּסֵּ֣תֶר (baseter) = in het verborgen | דִּבַּ֔רְתִּי (dibarti) = heb Ik gesproken | מֵעֵ֥ת (meet) = vanaf de tijd van | הֱיוֹתָ֖הּ (heyotah) = dat het was | שָׁ֣ם (sham) = daar | אָ֑נִי (ani) = ben Ik | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | אֲדֹנָ֧י (adonay) = Heer | יְהוִ֛ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁלָחַ֖נִי (shelachani) = heeft mij gezonden | וְרוּחֽוֹ (verucho) = en Zijn Geest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15. Voetnoot : Vanaf ‘En nu’ spreekt iemand anders dan Yahweh: ‘mij gezonden’. Het Hebreeuws zegt niet wie. Het kan de profeet zijn, of de Knecht, of Kores. Wij laten dat open. Het rood sluit daarom midden in het vers. Voetnoot Lezing: וְרוּחוֹ (veruacho), ‘en Zijn Geest’: de Geest kan een tweede persoon zijn die gezonden wordt (‘Heer Yahweh heeft mij gezonden, en ook Zijn Geest’) of het middel waarmee Hij zendt (‘Heer Yahweh heeft mij gezonden met Zijn Geest’). Wij blijven dicht bij het Hebreeuws: ‘en Zijn Geest’. Zie ook: Jes 3:15; Jes 45:19; Jes 61:1–3; Joh 3:34; Joh 18:20; Joh 20:21–22 ### Had je maar geluisterd **48:17** Zo zegt Yahweh, je Verlosser, de Heilige van Israël: **„Ik ben Yahweh, je Elohim. Ik leer je wat nuttig is. Ik leid je op de weg die je moet gaan.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֧ר (amar) = zegt | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | גֹּאַלְךָ֖ (goalkha) = je Verlosser | קְד֣וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֲנִ֨י (ani) = Ik | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֨יךָ֙ (eloheikha) = je Elohim | מְלַמֶּדְךָ֣ (melamedkha) = die je leert | לְהוֹעִ֔יל (lehoil) = wat nuttig is | מַדְרִֽיכֲךָ֖ (madrikhakha) = die je leidt | בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = op de weg | תֵּלֵֽךְ (telekh) = die je zult gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּאַלְךָ (go’alkha), ‘je Verlosser’: de go’el, de ‘losser’; zie Lev. 25:25. קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een vaste titel van Yahweh in dit boek. Voetnoot : מְלַמֶּדְךָ לְהוֹעִיל (melammedkha lehoʻil), ‘die je leert wat nuttig is’: letterlijk ‘die je leert te baat te hebben’. Zie ook: Job 22:21–22; Lev 25:25; Deut 8:17–18; Ps 25:12; Ps 32:8; Jes 30:20 **48:18** **Had je maar geluisterd naar Mijn geboden! Dan zou je vrede zijn geweest als een rivier en je gerechtigheid als de golven van de zee.** Brontekst: ל֥וּא (lu) = had maar | הִקְשַׁ֖בְתָּ (hiqshavta) = je geluisterd | לְמִצְוֺתָ֑י (lemitsvotay) = naar Mijn geboden | וַיְהִ֤י (vayhi) = en het zou zijn | כַנָּהָר֙ (kanahar) = als een rivier | שְׁלוֹמֶ֔ךָ (shelomekha) = je vrede | וְצִדְקָתְךָ֖ (vetsidqatekha) = en je gerechtigheid | כְּגַלֵּ֥י (kegalei) = als golven van | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לוּא (lu), ‘had maar’: een wens die niet is uitgekomen. Het Hebreeuws zegt: ‘Dat je maar had geluisterd’. Daarom staat het vervolg in de voorwaardelijke wijs: ‘zou zijn geweest’. Voetnoot : שְׁלוֹמֶךָ (shelomekha), ‘je vrede’: shalom, ook ‘heelheid’ en ‘welzijn’. Zie ook: Deut 5:29; Deut 32:29; Ps 81:14–17; Ps 119:165; Jes 66:12 **48:19** **Je nageslacht zou zijn geweest als het zand, en de nakomelingen van je binnenste als de korrels ervan. Dan zou zijn naam niet zijn uitgeroeid en niet vernietigd zijn van voor Mijn aangezicht.”** Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het zou zijn | כַחוֹל֙ (kachol) = als het zand | זַרְעֶ֔ךָ (zarekha) = je nageslacht | וְצֶאֱצָאֵ֥י (vetseetsaei) = en de nakomelingen van | מֵעֶ֖יךָ (meeikha) = je binnenste | כִּמְעֹתָ֑יו (kimotav) = als zijn korrels | לֹֽא (lo) = niet | יִכָּרֵ֧ת (yikaret) = zou worden uitgeroeid | וְֽלֹא (velo) = en niet | יִשָּׁמֵ֛ד (yishamed) = zou worden vernietigd | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | מִלְּפָנָֽי (milefanay) = van voor Mijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּמְעֹתָיו (kim’otav), ‘als de korrels ervan’: letterlijk ‘als zijn …’. Het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Het lijkt op het woord voor ‘ingewanden’ (מֵעֶיךָ, me’ekha, ‘je binnenste’, eerder in dit vers). Wij kiezen ‘korrels’ op grond van het beeld van het zand. Voetnoot : Het beeld van het zand komt uit de belofte aan Abraham: Gen. 22:17. Zie ook Hos. 2:1. Voetnoot : ‘Zijn naam’ (shemo): de naam van het nageslacht, dus van Israël, niet van Yahweh. Daarom staat ‘zijn’ met kleine letter. Zie ook: Gen 22:17; Hos 2:1; Jes 10:22; Jer 33:22; Rom 9:27 ### Trek weg uit Babel **48:20** Trek weg uit Babel, vlucht weg van de Chaldeeën. Maak het met jubelend geluid bekend, laat het horen, draag het uit tot aan het einde van de aarde. Zeg: „Yahweh heeft Zijn knecht Jakob verlost.” Brontekst: צְא֣וּ (tseu) = trekt weg | מִבָּבֶל֮ (mibavel) = uit Babel | בִּרְח֣וּ (birchu) = vlucht | מִכַּשְׂדִּים֒ (mikasdim) = van de Chaldeeën | בְּק֣וֹל (beqol) = met geluid van | רִנָּ֗ה (rina) = gejubel | הַגִּ֤ידוּ (hagidu) = maakt bekend | הַשְׁמִ֨יעוּ֙ (hashmiu) = laat horen | זֹ֔את (zot) = dit | הוֹצִיא֖וּהָ (hotsiuha) = brengt het uit | עַד (ad) = tot | קְצֵ֣ה (qetse) = het einde van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | אִמְר֕וּ (imru) = zegt | גָּאַ֥ל (gaal) = heeft verlost | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַבְדּ֥וֹ (avdo) = Zijn knecht | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: het werkwoord bij ‘de Verlosser’ (go’el) van vers 17. Yahweh heeft Zijn volk al verlost, daarom kan het volk uit Babel wegtrekken. Vergelijk Jer. 50:8 en 51:6 en Openb. 18:4. Voetnoot : עַבְדּוֹ יַעֲקֹב (avdo Ya’aqov), ‘Zijn knecht Jakob’: hier is Jakob (het volk) de knecht van Yahweh. Dit is niet een van de vier knechtsliederen. Zie ook: Jes 48:17; Jes 52:9; Jer 50:8; Jer 51:6; Jer 51:45; Openb 18:4 **48:21** Zij hadden geen dorst, toen Hij hen door de woestenijen leidde. Water uit de rots liet Hij voor hen stromen. Hij spleet de rots, en het water vloeide eruit. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | צָמְא֗וּ (tsameu) = zij hadden dorst | בָּחֳרָבוֹת֙ (bachoravot) = in de woestenijen | הֽוֹלִיכָ֔ם (holikham) = Hij leidde hen | מַ֥יִם (mayim) = water | מִצּ֖וּר (mitsur) = uit de rots | הִזִּ֣יל (hizil) = Hij liet stromen | לָ֑מוֹ (lamo) = voor hen | וַיִּ֨בְקַע (vayivqa) = en Hij spleet | צ֔וּר (tsur) = rots | וַיָּזֻ֖בוּ (vayazuvu) = en stroomden | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers herinnert aan de tocht door de woestijn: zie Exod. 17:6, Num. 20:11 en Ps. 78:15–16. De werkwoorden staan in de verleden tijd; wij volgen het Hebreeuws. Zie ook: Ex 17:6; Num 20:11; Ps 78:15–16; Ps 78:20; Ps 105:41; Jes 41:17–18; Jes 43:19–20 **48:22** **„Er is geen vrede, zegt Yahweh, voor de goddelozen.”** Brontekst: אֵ֣ין (ein) = niet is er | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לָרְשָׁעִֽים (lareshaim) = voor de goddelozen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie Jes. 57:21, waar vrijwel dezelfde zin staat (daar: ‘zegt mijn Elohim’). Zie ook: Job 15:20–24; Jes 57:21; Luc 19:42; Rom 3:17 ## Jesaja 49 _De Knecht, een licht voor de volken, en Sion die Yahweh niet vergeet_ ### De Knecht roept de kustlanden **49:1** Luister naar mij, kustlanden, en let op, volken van ver. Yahweh heeft mij van de moederschoot af geroepen. Vanaf het lichaam van mijn moeder heeft Hij mijn naam genoemd. Brontekst: שִׁמְע֤וּ (shimu) = luistert | אִיִּים֙ (iyim) = kustlanden | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | וְהַקְשִׁ֥יבוּ (vehaqshivu) = en let op | לְאֻמִּ֖ים (leumim) = volken | מֵרָח֑וֹק (merachoq) = van ver | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִבֶּ֣טֶן (mibeten) = van de moederschoot af | קְרָאָ֔נִי (qeraani) = heeft mij geroepen | מִמְּעֵ֥י (mimeei) = vanaf het lichaam van | אִמִּ֖י (imi) = mijn moeder | הִזְכִּ֥יר (hizkir) = heeft genoemd | שְׁמִֽי (shemi) = mijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִיִּים (iyyim), ‘kustlanden’: landen aan de zee, ver weg; zie ook Gen. 10:5. Voetnoot : Hier begint het tweede knechtslied (49:1–6). De Knecht spreekt zelf en richt zich tot de volken. In vers 3 noemt Yahweh hem ‘Israël’, maar in vers 5–6 heeft hij een taak voor Israël. Het Hebreeuws laat open wie bedoeld wordt. Zie ook: Gen 10:5; Jes 44:2; Jes 49:3; Jes 49:5; Jer 1:5; Luc 1:31; Gal 1:15 **49:2** Hij heeft mijn mond gemaakt als een scherp zwaard. In de schaduw van Zijn hand heeft Hij mij verborgen. Hij heeft mij tot een gepolijste pijl gemaakt. In Zijn pijlkoker heeft Hij mij verstopt. Brontekst: וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en Hij maakte | פִּי֙ (pi) = mijn mond | כְּחֶ֣רֶב (kecherev) = als een zwaard | חַדָּ֔ה (chada) = scherp | בְּצֵ֥ל (betsel) = in de schaduw van | יָד֖וֹ (yado) = Zijn hand | הֶחְבִּיאָ֑נִי (hechbiani) = heeft Hij mij verborgen | וַיְשִׂימֵ֨נִי֙ (vaysimeni) = en Hij maakte mij | לְחֵ֣ץ (lechets) = tot een pijl | בָּר֔וּר (barur) = gepolijst | בְּאַשְׁפָּת֖וֹ (beashpato) = in Zijn pijlkoker | הִסְתִּירָֽנִי (histirani) = heeft Hij mij verstopt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּרוּר (barur), ‘gepolijst’: schoon en glad gemaakt, klaar voor gebruik. Het kan ook ‘uitgekozen’ betekenen. Zie ook: Jes 11:4; Jes 50:4; Heb 4:12; Openb 1:16; Openb 2:12 **49:3** Hij zei tegen mij: **„Mijn Knecht ben jij, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken.”** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לִ֖י (li) = tegen mij | עַבְדִּי (avdi) = Mijn Knecht | אָ֑תָּה (ata) = jij | יִשְׂרָאֵ֕ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּךָ֖ (bekha) = in jou | אֶתְפָּאָֽר (etpaar) = Ik zal Mij verheerlijken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn Knecht’: in de knechtsliederen schrijven wij ‘Knecht’ met een hoofdletter, omdat het een titel is. Yahweh noemt hem hier ‘Israël’. Voetnoot : אֶתְפָּאָר (etpa’ar), ‘Ik zal Mij verheerlijken’: het werkwoord is hier wederkerend. Yahweh wordt in de Knecht verheerlijkt. Voetnoot : De woorden die Yahweh tot de Knecht zegt, staan rood, ook al worden zij door de Knecht aangehaald. Zie ook: Jes 42:1; Jes 44:23; Jes 52:13; Joh 17:1; 1 Petr 2:9 **49:4** Maar ik zei: „Tevergeefs heb ik mij ingespannen. Voor leegte en damp heb ik mijn kracht verbruikt. Toch is mijn recht bij Yahweh en mijn loon bij mijn Elohim.” Brontekst: וַאֲנִ֤י (vaani) = en ik | אָמַ֨רְתִּי֙ (amarti) = zei ik | לְרִ֣יק (leriq) = tevergeefs | יָגַ֔עְתִּי (yagati) = heb ik mij ingespannen | לְתֹ֥הוּ (letohu) = voor leegte | וְהֶ֖בֶל (vehevel) = en damp | כֹּחִ֣י (kochi) = mijn kracht | כִלֵּ֑יתִי (kileiti) = heb ik verbruikt | אָכֵן֙ (akhen) = toch | מִשְׁפָּטִ֣י (mishpati) = mijn recht | אֶת (et) = is bij | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּפְעֻלָּתִ֖י (ufeulati) = en mijn loon | אֶת (et) = bij | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֹהוּ וָהֶבֶל (tohu vahevel), ‘leegte en damp’: tohu is het woord uit Gen. 1:2 (‘woest en leeg’), hevel is ‘damp’, zoals in Pred. 1:2. De Knecht zegt dat zijn werk niets heeft opgeleverd. Zie ook: Gen 1:2; Pred 1:2; Jes 35:4; Jes 53:10–12; Jes 65:23; Gal 4:11; 2 Kor 12:15 ### Te gering om alleen Jakob terug te brengen **49:5** En nu zegt Yahweh, die mij van de moederschoot af gevormd heeft tot Zijn Knecht, om Jakob naar Hem terug te brengen. Israël zal tot Hem verzameld worden. Ik word vereerd in de ogen van Yahweh, en mijn Elohim is mijn sterkte geworden. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יֹצְרִ֤י (yotseri) = die mij gevormd heeft | מִבֶּ֨טֶן֙ (mibeten) = van de moederschoot af | לְעֶ֣בֶד (leeved) = tot Knecht | ל֔וֹ (lo) = voor Hem | לְשׁוֹבֵ֤ב (leshovev) = om terug te brengen | יַֽעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | אֵלָ֔יו (elav) = naar Hem | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | ל֣וֹ (lo) = tot Hem | יֵאָסֵ֑ף (yeasef) = zal verzameld worden | וְאֶכָּבֵד֙ (veekaved) = en ik word vereerd | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וֵאלֹהַ֖י (velohay) = en mijn Elohim | הָיָ֥ה (haya) = is geworden | עֻזִּֽי (uzi) = mijn sterkte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat bij ‘Israël’ het woord לֹא (lo), ‘niet’: ‘en Israël wordt niet verzameld’. De gelezen tekst heeft לוֹ (lo), ‘tot Hem’. Wij volgen de gelezen tekst. Zie ook: Mat 17:5; Mat 28:18; Joh 3:35; Rom 15:8; 1 Petr 3:22 **49:6** Hij zei: **„Het is te gering dat jij Mij tot Knecht bent om de stammen van Jakob op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen. Ik maak je ook tot een licht van de volken, om Mijn redding te zijn tot het einde van de aarde.”** Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en Hij zei | נָקֵ֨ל (naqel) = te gering | מִֽהְיוֹתְךָ֥ (mihyotekha) = dat jij bent | לִי֙ (li) = voor Mij | עֶ֔בֶד (eved) = Knecht | לְהָקִים֙ (lehaqim) = om op te richten | אֶת (et) = (obj.) | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = de stammen van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וּנְצוּרֵ֥י (unetsurei) = en de bewaarden van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְהָשִׁ֑יב (lehashiv) = terug te brengen | וּנְתַתִּ֨יךָ֙ (unetatikha) = en Ik maak je | לְא֣וֹר (leor) = tot licht van | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | לִֽהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | יְשׁוּעָתִ֖י (yeshuati) = Mijn redding | עַד (ad) = tot | קְצֵ֥ה (qetse) = het einde van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹר גּוֹיִם (or goyim), ‘licht van de volken’: zie ook 42:6. Het beeld keert terug in Luc. 2:32 en Hand. 13:47. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat וּנְצִירֵי (un’tsirei), in de gelezen tekst וּנְצוּרֵי (un’tsurei). Beide vormen komen van het werkwoord ‘bewaren’ en betekenen ‘de bewaarden’. Wij volgen de gelezen tekst. Zie ook: Ps 98:2–3; Jes 42:6; Jes 52:10; Luc 2:32; Hand 13:47 ### Koningen zullen opstaan **49:7** Zo zegt Yahweh, de Verlosser van Israël, zijn Heilige, tot hem die diep veracht is, door het volk verafschuwd, tot de knecht van heersers: **„Koningen zullen het zien en opstaan. Vorsten zullen zich neerbuigen, omwille van Yahweh, die trouw is, de Heilige van Israël, die je gekozen heeft.”** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָֽמַר (amar) = zegt | יְהוָה֩ (Yahweh) = Yahweh | גֹּאֵ֨ל (goel) = de Verlosser van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | קְדוֹשׁ֗וֹ (qedosho) = zijn Heilige | לִבְזֹה (livzo) = tot hem die veracht is | נֶ֜פֶשׁ (nefesh) = diep | לִמְתָ֤עֵֽב (limtaev) = tot hem die verafschuwd wordt | גּוֹי֙ (goy) = door het volk | לְעֶ֣בֶד (leeved) = tot een knecht van | מֹשְׁלִ֔ים (moshelim) = heersers | מְלָכִים֙ (melakhim) = koningen | יִרְא֣וּ (yiru) = zullen zien | וָקָ֔מוּ (vaqamu) = en opstaan | שָׂרִ֖ים (sarim) = vorsten | וְיִֽשְׁתַּחֲוּ֑וּ (veyishtachauu) = en zich neerbuigen | לְמַ֤עַן (lemaan) = omwille van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נֶאֱמָ֔ן (neeman) = trouw is | קְדֹ֥שׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וַיִּבְחָרֶֽךָּ (vayivchareka) = en die je gekozen heeft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִבְזֹה־נֶפֶשׁ (livzoh nefesh), ‘diep veracht’: letterlijk ‘veracht van ziel’. De vorm is ongewoon en de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : לְעֶבֶד מֹשְׁלִים (le’eved moshlim), ‘voor een knecht van heersers’: hetzelfde Hebreeuwse woord als ‘Knecht’ in vers 3, 5 en 6. Hier is hij de knecht van aardse heersers. Voetnoot : De woorden na ‘Zo zegt Yahweh’ spreken over Yahweh in de derde persoon, maar zij blijven Zijn woorden. Daarom staan zij rood. Zie ook: Ps 72:10–11; Jes 48:17; Jes 49:3; Jes 49:5; Jes 49:6; Jes 53:3; Mat 26:67; 1 Petr 2:4 ### In een tijd van welbehagen **49:8** Zo zegt Yahweh: **„In een tijd van welbehagen heb Ik je geantwoord, en op een dag van redding heb Ik je geholpen. Ik heb je behoed. Ik heb je gegeven als verbond voor het volk, om het land op te richten en om verwoeste erfdelen te laten erven,** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בְּעֵ֤ת (beet) = in een tijd van | רָצוֹן֙ (ratson) = welbehagen | עֲנִיתִ֔יךָ (anitikha) = heb Ik je geantwoord | וּבְי֥וֹם (uveyom) = en op een dag van | יְשׁוּעָ֖ה (yeshua) = redding | עֲזַרְתִּ֑יךָ (azartikha) = heb Ik je geholpen | וְאֶצָּרְךָ֗ (veetsarekha) = en Ik heb je behoed | וְאֶתֶּנְךָ֙ (veetenkha) = en Ik heb je gegeven | לִבְרִ֣ית (livrit) = als verbond van | עָ֔ם (am) = volk | לְהָקִ֣ים (lehaqim) = om op te richten | אֶ֔רֶץ (erets) = land | לְהַנְחִ֖יל (lehanchil) = om te laten erven | נְחָל֥וֹת (nechalot) = erfdelen | שֹׁמֵמֽוֹת (shomemot) = verwoeste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵת רָצוֹן (et ratson), ‘tijd van welbehagen’: een tijd waarin Yahweh zich welwillend toont. Dit vers wordt aangehaald in 2 Kor. 6:2. Voetnoot : לְהַנְחִיל (lehanchil), ‘te laten erven’: het werkwoord hoort bij נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’. Zie ook: Ps 69:14; Jes 42:6; Jes 61:4; 2 Kor 6:2; Heb 12:24 **49:9** **om te zeggen tegen de gevangenen: ‘Kom naar buiten!’ En tegen wie in de duisternis zijn: ‘Laat je zien!’ Langs de wegen zullen zij grazen, en op alle kale hoogten zal hun weide zijn.** Brontekst: לֵאמֹ֤ר (lemor) = om te zeggen | לַֽאֲסוּרִים֙ (laasurim) = tegen de gevangenen | צֵ֔אוּ (tseu) = komt naar buiten | לַאֲשֶׁ֥ר (laasher) = tegen wie | בַּחֹ֖שֶׁךְ (bachoshekh) = in de duisternis | הִגָּל֑וּ (higalu) = laat u zien | עַל (al) = langs | דְּרָכִ֣ים (derakhim) = wegen | יִרְע֔וּ (yiru) = zullen zij grazen | וּבְכָל (uvekhal) = en op alle | שְׁפָיִ֖ים (shefayim) = kale hoogten | מַרְעִיתָֽם (maritam) = hun weide Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִגָּלוּ (higgalu), ‘laat je zien’: letterlijk ‘word onthuld’. Voetnoot : שְׁפָיִים (shefayim), ‘kale hoogten’: heuvels zonder begroeiing. Zie ook: Ps 102:21; Jes 42:7; Jes 42:16; Luc 4:18; 1 Petr 2:9 **49:10** **Zij zullen niet hongeren en niet dorsten. Hitte en zon zullen hen niet treffen. Want Hij die zich over hen ontfermt, zal hen leiden. Hij zal hen voeren naar bronnen van water.** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | יִרְעָ֨בוּ֙ (yiravu) = zullen zij hongeren | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִצְמָ֔אוּ (yitsmau) = zullen zij dorsten | וְלֹא (velo) = en niet | יַכֵּ֥ם (yakem) = zal hen treffen | שָׁרָ֖ב (sharav) = hitte | וָשָׁ֑מֶשׁ (vashamesh) = en zon | כִּי (ki) = want | מְרַחֲמָ֣ם (merachamam) = Hij die zich over hen ontfermt | יְנַהֲגֵ֔ם (yenahagem) = zal hen leiden | וְעַל (veal) = en naar | מַבּ֥וּעֵי (mabuei) = bronnen van | מַ֖יִם (mayim) = water | יְנַהֲלֵֽם (yenahalem) = zal Hij hen voeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld van de herder die zijn kudde naar water leidt, keert terug in Ps. 23:2 en Openb. 7:16–17. Zie ook: Ps 23:2; Ps 121:5–6; Jes 33:16; Ezech 34:23; Mat 5:6; Openb 7:16–17 **49:11** **Ik maak al Mijn bergen tot een weg, en Mijn gebaande paden worden verhoogd.** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֥י (vesamti) = en Ik maak | כָל (kal) = al | הָרַ֖י (haray) = Mijn bergen | לַדָּ֑רֶךְ (ladarekh) = tot een weg | וּמְסִלֹּתַ֖י (umesilotay) = en Mijn gebaande paden | יְרֻמֽוּן (yerumun) = worden verhoogd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 11:16; Jes 35:8–10; Jes 43:19; Jes 62:10; Luc 3:4–5 **49:12** **Zie, dezen komen van ver. Zie, dezen komen uit het noorden en van de zee, en dezen uit het land Sinim.”** Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | אֵ֕לֶּה (ele) = dezen | מֵרָח֖וֹק (merachoq) = van ver | יָבֹ֑אוּ (yavou) = komen | וְהִֽנֵּה (vehine) = en zie | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = dezen | מִצָּפ֣וֹן (mitsafon) = uit het noorden | וּמִיָּ֔ם (umiyam) = en van de zee | וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dezen | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | סִינִֽים (sinim) = Sinim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סִינִים (Sinim): de ligging van dit land is onbekend. Het is een land ver weg. Sommigen denken aan het zuiden, anderen aan het oosten. Voetnoot : מִיָּם (miyyam), ‘van de zee’: bedoeld is de Middellandse Zee, dus het westen. Zie ook: Ps 22:28; Jes 43:5–6; Jes 66:19–20; Zach 2:15; Zach 8:20–23 ### Jubel, hemelen **49:13** Jubel, hemelen, en juich, aarde. Bergen, barst uit in gejubel. Want Yahweh heeft Zijn volk getroost, en over Zijn ellendigen ontfermt Hij Zich. Brontekst: רָנּ֤וּ (ranu) = jubelt | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = hemelen | וְגִ֣ילִי (vegili) = en juich | אָ֔רֶץ (arets) = aarde | וּפִצְח֥וּ (ufitschu) = en barst uit | הָרִ֖ים (harim) = bergen | רִנָּ֑ה (rina) = in gejubel | כִּֽי (ki) = want | נִחַ֤ם (nicham) = heeft getroost | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | וַעֲנִיָּ֖ו (vaaniyav) = en Zijn ellendigen | יְרַחֵֽם (yerachem) = ontfermt Hij Zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִחַם (nicham), ‘heeft getroost’: de voltooide tijd drukt uit dat de troost zeker is. Het werkwoord is hetzelfde als in 51:3. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat יִפְצְחוּ (yifts’chu), ‘zij zullen uitbarsten’; in de gelezen tekst וּפִצְחוּ (ufits’chu), ‘en barst uit’. Wij volgen de gelezen tekst. Zie ook: Ps 96:11–13; Jes 40:1–2; Jes 44:23; Jes 51:3; Luc 2:13–14 ### Sion zegt: Yahweh is mij vergeten **49:14** Maar Sion zei: „Yahweh heeft mij verlaten, mijn Heer is mij vergeten.” Brontekst: וַתֹּ֥אמֶר (vatomer) = en zei | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | עֲזָבַ֣נִי (azavani) = heeft mij verlaten | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַאדֹנָ֖י (vadonay) = en mijn Heer | שְׁכֵחָֽנִי (shekhechani) = is mij vergeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: hier noemt Sion Yahweh zo. Zie ook: Ps 31:23; Ps 89:39–47; Jes 40:27; Klaagl 5:20; Rom 11:1–5 **49:15** **„Vergeet een vrouw haar zuigeling, zodat zij zich niet ontfermt over de zoon van haar schoot? Zelfs zij zouden kunnen vergeten. Maar Ik zal jou niet vergeten.** Brontekst: הֲתִשְׁכַּ֤ח (hatishkach) = vergeet | אִשָּׁה֙ (isha) = een vrouw | עוּלָ֔הּ (ulah) = haar zuigeling | מֵרַחֵ֖ם (merachem) = zodat zij zich niet ontfermt | בֶּן (ben) = over de zoon van | בִּטְנָ֑הּ (bitnah) = haar schoot | גַּם (gam) = zelfs | אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | תִשְׁכַּ֔חְנָה (tishkachna) = zouden vergeten | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = maar Ik | לֹ֥א (lo) = niet | אֶשְׁכָּחֵֽךְ (eshkachekh) = zal jou vergeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוּל (ul), ‘zuigeling’: een kind dat nog gezoogd wordt. Voetnoot : מֵרַחֵם (merachem), ‘zodat zij zich niet ontfermt’: het werkwoord hoort bij רֶחֶם (rechem), ‘schoot’. Het gaat om de ontferming van een moeder. Zie ook: Ps 103:13; Hos 11:1; Jes 44:21; Jer 31:20; Mat 7:11 **49:16** **Zie, op Mijn handpalmen heb Ik je ingegraveerd. Je muren zijn voortdurend voor Mij.** Brontekst: הֵ֥ן (hen) = zie | עַל (al) = op | כַּפַּ֖יִם (kapayim) = handpalmen | חַקֹּתִ֑יךְ (chaqotikh) = heb Ik je ingegraveerd | חוֹמֹתַ֥יִךְ (chomotayikh) = je muren | נֶגְדִּ֖י (negdi) = voor Mij | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַקֹּתִיךְ (chaqqotikh), ‘Ik heb je ingegraveerd’: het werkwoord wordt gebruikt voor het graveren van tekens. Sion is in Yahweh’s handpalmen gegrift, zodat Hij haar steeds ziet. Zie ook: Hoogl 8:6; Jes 26:1; Jes 60:18; Jes 62:6; Hag 2:23 **49:17** **Je zonen haasten zich. Je afbrekers en je verwoesters gaan van je weg.** Brontekst: מִֽהֲר֖וּ (miharu) = haasten zich | בָּנָ֑יִךְ (banayikh) = je zonen | מְהָֽרְסַ֥יִךְ (meharesayikh) = je afbrekers | וּמַחֲרִבַ֖יִךְ (umacharivayikh) = en je verwoesters | מִמֵּ֥ךְ (mimekh) = van jou | יֵצֵֽאוּ (yetseu) = gaan weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De medeklinkers van בָּנָיִךְ (banayikh), ‘je zonen’, laten ook de lezing ‘je bouwers’ toe. Wij volgen de klinkers van de Masoretische tekst: ‘je zonen’. Zie ook: Jes 49:19; Jes 51:13; Jes 51:22–23; Jes 62:5; Ezech 28:24 ### De kinderen komen terug **49:18** **Sla je ogen rondom op en kijk: zij allen komen bijeen, zij komen naar je toe. Zo waar Ik leef, godsspraak van Yahweh: je zult hen allen aandoen als een sieraad en hen om je binden als een bruid.** Brontekst: שְׂאִֽי (sei) = sla op | סָבִ֤יב (saviv) = rondom | עֵינַ֨יִךְ֙ (einayikh) = je ogen | וּרְאִ֔י (urei) = en kijk | כֻּלָּ֖ם (kulam) = zij allen | נִקְבְּצ֣וּ (niqbetsu) = komen bijeen | בָֽאוּ (bau) = komen | לָ֑ךְ (lakh) = naar je toe | חַי (chay) = zo waar leef | אָ֣נִי (ani) = Ik | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = want | כֻלָּם֙ (kulam) = hen allen | כָּעֲדִ֣י (kaadi) = als een sieraad | תִלְבָּ֔שִׁי (tilbashi) = zul je aandoen | וּֽתְקַשְּׁרִ֖ים (uteqasherim) = en zul je hen binden | כַּכַּלָּֽה (kakala) = als een bruid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24. Hier staat de formule midden in Yahweh’s woorden en is ze rood. Voetnoot : חַי אָנִי (chay ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh; vergelijk Num. 14:28. Zie ook: Num 14:28; Jes 1:24; Jes 43:5–6; Jes 54:1–3; Jes 54:9; Jes 61:10; Jes 66:12–13 **49:19** **Want je ruïnes, je verwoeste plaatsen en je afgebroken land: ja, nu zul je te krap zijn voor de bewoners. En je verslinders zullen ver weg zijn.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | חָרְבֹתַ֨יִךְ֙ (charevotayikh) = je ruïnes | וְשֹׁ֣מְמֹתַ֔יִךְ (veshomemotayikh) = en je verwoeste plaatsen | וְאֶ֖רֶץ (veerets) = en land van | הֲרִֽסֻתֵ֑יךְ (harisuteikh) = je afbraak | כִּ֤י (ki) = want | עַתָּה֙ (ata) = nu | תֵּצְרִ֣י (tetseri) = zul je te krap zijn | מִיּוֹשֵׁ֔ב (miyoshev) = voor de bewoner | וְרָחֲק֖וּ (verachaqu) = en zullen ver zijn | מְבַלְּעָֽיִךְ (mevaleayikh) = je verslinders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 56:2–3; Hos 2:1–2; Jes 54:1–2; Jer 30:18–19; Zach 10:10 **49:20** **Nog zullen de zonen van je kinderloosheid in je oren zeggen: ‘De plaats is te krap voor mij. Maak plaats voor mij, zodat ik kan wonen.’** Brontekst: ע֚וֹד (od) = nog | יֹאמְר֣וּ (yomru) = zullen zeggen | בְאָזְנַ֔יִךְ (beazenayikh) = in je oren | בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | שִׁכֻּלָ֑יִךְ (shikulayikh) = je kinderloosheid | צַר (tsar) = te krap | לִ֥י (li) = voor mij | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | גְּשָׁה (gesha) = maak plaats | לִּ֥י (li) = voor mij | וְאֵשֵֽׁבָה (veesheva) = zodat ik kan wonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי שִׁכֻּלָיִךְ (b’nei shikkulayikh), ‘de zonen van je kinderloosheid’: kinderen die geboren worden nadat Sion haar kinderen al kwijt was. Zie ook: Joz 17:14–16; 2 Kon 6:1; Jes 51:3; Jes 54:1–3; Gal 4:26–28 **49:21** **Dan zul je in je hart zeggen: ‘Wie heeft mij hen gebaard? Ik was kinderloos en onvruchtbaar, verbannen en verstoten. Wie heeft hen dan grootgebracht? Zie, ik was alleen achtergebleven. Zij dan, waar waren zij?’”** Brontekst: וְאָמַ֣רְתְּ (veamart) = en je zult zeggen | בִּלְבָבֵ֗ךְ (bilvavekh) = in je hart | מִ֤י (mi) = wie | יָֽלַד (yalad) = heeft gebaard | לִי֙ (li) = voor mij | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֔לֶּה (ele) = dezen | וַאֲנִ֥י (vaani) = en ik | שְׁכוּלָ֖ה (shekhula) = kinderloos | וְגַלְמוּדָ֑ה (vegalmuda) = en onvruchtbaar | גֹּלָ֣ה (gola) = verbannen | וְסוּרָ֗ה (vesura) = en verstoten | וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dezen | מִ֣י (mi) = wie | גִדֵּ֔ל (gidel) = heeft grootgebracht | הֵ֤ן (hen) = zie | אֲנִי֙ (ani) = ik | נִשְׁאַ֣רְתִּי (nisharti) = was achtergebleven | לְבַדִּ֔י (levadi) = alleen | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | אֵיפֹ֥ה (eifo) = waar | הֵֽם (hem) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּלְמוּדָה (galmudah), ‘onvruchtbaar’: het woord komt weinig voor. Het kan ook ‘eenzaam’ betekenen. Zie ook: Jes 1:8; Jer 31:15–17; Klaagl 1:1–3; Mat 24:29–30; Rom 11:11–17 ### Yahweh heft Zijn hand op naar de volken **49:22** Zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Ik zal Mijn hand opheffen naar de volken en Mijn banier omhoog brengen voor de volken. Dan zullen zij je zonen in hun armen brengen, en je dochters zullen op de schouder gedragen worden.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אֶשָּׂ֤א (esa) = Ik zal opheffen | אֶל (el) = naar | גּוֹיִם֙ (goyim) = volken | יָדִ֔י (yadi) = Mijn hand | וְאֶל (veel) = en naar | עַמִּ֖ים (amim) = volken | אָרִ֣ים (arim) = zal Ik omhoog brengen | נִסִּ֑י (nisi) = Mijn banier | וְהֵבִ֤יאוּ (veheviu) = en zij zullen brengen | בָנַ֨יִךְ֙ (banayikh) = je zonen | בְּחֹ֔צֶן (bechotsen) = in de armen | וּבְנֹתַ֖יִךְ (uvenotayikh) = en je dochters | עַל (al) = op | כָּתֵ֥ף (katef) = schouder | תִּנָּשֶֽׂאנָה (tinasena) = zullen gedragen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15. Voetnoot : נֵס (nes), ‘banier’: een teken op een hoogte waar mensen zich bij verzamelen. Voetnoot : בְּחֹצֶן (bechotsen), ‘in hun armen’: letterlijk ‘aan de boezem’. Zie ook: Ps 22:28; Ps 86:9; Jes 2:2–3; Jes 3:15; Jes 14:2; Luc 13:29 **49:23** **Koningen zullen je verzorgers zijn en hun vorstinnen je voedsters. Met het gezicht naar de grond zullen zij zich voor je neerbuigen en het stof van je voeten likken. Dan zul je weten dat Ik Yahweh ben, en dat zij die op Mij hopen niet beschaamd worden.** Brontekst: וְהָי֨וּ (vehayu) = en zullen zijn | מְלָכִ֜ים (melakhim) = koningen | אֹֽמְנַ֗יִךְ (omenayikh) = je verzorgers | וְשָׂרֽוֹתֵיהֶם֙ (vesaroteihem) = en hun vorstinnen | מֵינִ֣יקֹתַ֔יִךְ (meiniqotayikh) = je voedsters | אַפַּ֗יִם (apayim) = met het gezicht | אֶ֚רֶץ (erets) = naar de grond | יִשְׁתַּ֣חֲווּ (yishtachavu) = zullen zij zich neerbuigen | לָ֔ךְ (lakh) = voor je | וַעֲפַ֥ר (vaafar) = en het stof van | רַגְלַ֖יִךְ (raglayikh) = je voeten | יְלַחֵ֑כוּ (yelachekhu) = zullen zij likken | וְיָדַ֨עַתְּ֙ (veyadaat) = en je zult weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יֵבֹ֖שׁוּ (yevoshu) = beschaamd worden | קוָֹֽי (qoy) = die op Mij hopen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹמְנַיִךְ (omenayikh), ‘je verzorgers’: het woord is hetzelfde als ‘de verzorger’ in Num. 11:12. Voetnoot : מֵינִיקֹתַיִךְ (meniqotayikh), ‘je voedsters’: vrouwen die een kind zogen. Voetnoot : אַפַּיִם אָרֶץ (appayim arets), ‘met het gezicht naar de grond’: letterlijk ‘neus naar de aarde’. Voetnoot : קוָֹי (qovai), ‘zij die op Mij hopen’: het werkwoord is קָוָה (qavah), ‘hopen’; vergelijk 51:5. Zie ook: Num 11:12; Jes 45:14; Jes 60:3; Jes 60:14; Jes 60:16; Mi 7:17 ### Buit uit de hand van een held **49:24** **Kan de buit aan een held ontnomen worden, of kan de gevangene van een rechtvaardige ontsnappen?”** Brontekst: הֲיֻקַּ֥ח (hayuqach) = wordt ontnomen | מִגִּבּ֖וֹר (migibor) = aan een held | מַלְק֑וֹחַ (malqoach) = buit | וְאִם (veim) = of | שְׁבִ֥י (shevi) = de gevangene van | צַדִּ֖יק (tsadiq) = een rechtvaardige | יִמָּלֵֽט (yimalet) = ontsnapt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardige’: wij volgen de Masoretische tekst. Sommige oude vertalingen lezen anders. Vers 25 heeft ‘geweldenaar’. Zie ook: Ps 124:6–7; Jes 42:22; Jes 49:25; Ezech 37:3; Mat 12:29; Luc 11:21–22 **49:25** Want zo zegt Yahweh: **„Zelfs de gevangene van een held wordt ontnomen, en de buit van een geweldenaar ontsnapt. Want met wie een rechtszaak tegen jou voert, daarmee zal Ik een rechtszaak voeren, en je zonen zal Ik redden.** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | גַּם (gam) = zelfs | שְׁבִ֤י (shevi) = de gevangene van | גִבּוֹר֙ (gibor) = een held | יֻקָּ֔ח (yuqach) = wordt ontnomen | וּמַלְק֥וֹחַ (umalqoach) = en de buit van | עָרִ֖יץ (arits) = een geweldenaar | יִמָּלֵ֑ט (yimalet) = ontsnapt | וְאֶת (veet) = en met | יְרִיבֵךְ֙ (yerivekh) = wie met jou een rechtszaak voert | אָנֹכִ֣י (anokhi) = Ik | אָרִ֔יב (ariv) = zal Ik een rechtszaak voeren | וְאֶת (veet) = en | בָּנַ֖יִךְ (banayikh) = je zonen | אָנֹכִ֥י (anokhi) = Ik | אוֹשִֽׁיעַ (oshia) = zal Ik redden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרִיץ (arits), ‘geweldenaar’: iemand die met geweld heerst. Voetnoot : יָרִיב (yariv), ‘een rechtszaak voeren’: van רִיב (riv), een rechtszaak of twist. Hetzelfde werkwoord staat in 51:22. Zie ook: Jes 35:4; Jes 41:11–12; Jes 54:13; Jes 54:15–17; Jer 50:33–34 **49:26** **Ik zal je onderdrukkers hun eigen vlees laten eten. Zij zullen zich dronken drinken aan hun eigen bloed als aan most. Dan zal alle vlees weten dat Ik Yahweh ben, je Redder en je Verlosser, de Machtige van Jakob.”** Brontekst: וְהַאֲכַלְתִּ֤י (vehaakhalti) = en Ik laat eten | אֶת (et) = (obj.) | מוֹנַ֨יִךְ֙ (monayikh) = je onderdrukkers | אֶת (et) = (obj.) | בְּשָׂרָ֔ם (besaram) = hun vlees | וְכֶעָסִ֖יס (vekheasis) = en als most | דָּמָ֣ם (damam) = hun bloed | יִשְׁכָּר֑וּן (yishkarun) = zullen zij zich dronken drinken | וְיָדְע֣וּ (veyadeu) = en zullen weten | כָל (kal) = alle | בָּשָׂ֗ר (basar) = vlees | כִּ֣י (ki) = dat | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מֽוֹשִׁיעֵ֔ךְ (moshiekh) = je Redder | וְגֹאֲלֵ֖ךְ (vegoalekh) = en je Verlosser | אֲבִ֥יר (avir) = de Machtige van | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲבִיר יַעֲקֹב (avir Ya’aqov), ‘de Machtige van Jakob’: een oude titel van Yahweh, zoals in Gen. 49:24. Voetnoot : עָסִיס (asis), ‘most’: jonge, zoete wijn. Zie ook: Gen 49:24; Jes 9:3; Jes 9:19; Jes 41:14–20; Jes 60:16; Openb 16:6 ## Jesaja 50 _Verkocht om schuld en toch vrij te kopen; de Knecht die luistert_ ### De scheidingsbrief van jullie moeder **50:1** Zo zegt Yahweh: **„Waar is de scheidingsbrief van jullie moeder, waarmee Ik haar weggestuurd heb? Of wie van Mijn schuldeisers is het aan wie Ik jullie verkocht heb? Zie, om jullie ongerechtigheden zijn jullie verkocht, en om jullie overtredingen is jullie moeder weggestuurd.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֣י (ei) = waar | זֶ֠ה (ze) = is | סֵ֣פֶר (sefer) = brief van | כְּרִית֤וּת (keritut) = scheiding van | אִמְּכֶם֙ (imekhem) = jullie moeder | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | שִׁלַּחְתִּ֔יהָ (shilachtiha) = Ik haar heb weggestuurd | א֚וֹ (o) = of | מִ֣י (mi) = wie | מִנּוֹשַׁ֔י (minoshay) = van Mijn schuldeisers | אֲשֶׁר (asher) = aan wie | מָכַ֥רְתִּי (makharti) = Ik heb verkocht | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | ל֑וֹ (lo) = aan hem | הֵ֤ן (hen) = zie | בַּעֲוֺנֹֽתֵיכֶם֙ (baavonoteikhem) = om jullie ongerechtigheden | נִמְכַּרְתֶּ֔ם (nimkartem) = zijn jullie verkocht | וּבְפִשְׁעֵיכֶ֖ם (uvefisheikhem) = en om jullie overtredingen | שֻׁלְּחָ֥ה (shulecha) = is weggestuurd | אִמְּכֶֽם (imekhem) = jullie moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר כְּרִיתוּת (sefer keritut), ‘scheidingsbrief’: de brief waarmee een man zijn vrouw wegstuurt; zie Deut. 24:1. Yahweh vraagt waar zo’n brief is. Hij heeft Zijn volk, de ‘moeder’, niet voorgoed weggestuurd. Voetnoot : נוֹשַׁי (noshai), ‘Mijn schuldeisers’: iemand kon zijn kinderen verkopen om een schuld te betalen; vergelijk 2 Kon. 4:1. Yahweh heeft geen schuldeiser aan wie Hij Zijn kinderen heeft verkocht. Zij zijn verkocht om hun eigen schuld. Zie ook: Deut 24:1; Deut 32:30; 2 Kon 4:1; Jer 3:8; Neh 5:5; Mat 18:25 **50:2** **Waarom ben Ik gekomen, en was er niemand? Waarom heb Ik geroepen, en gaf niemand antwoord? Is Mijn hand te kort om vrij te kopen? Of is er in Mij geen kracht om te bevrijden? Zie, met Mijn bedreiging droog Ik de zee op. Ik maak rivieren tot woestijn. Hun vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst.** Brontekst: מַדּ֨וּעַ (madua) = waarom | בָּ֜אתִי (bati) = ben Ik gekomen | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is er | אִ֗ישׁ (ish) = iemand | קָרָֽאתִי֮ (qarati) = heb Ik geroepen | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is er | עוֹנֶה֒ (one) = die antwoordt | הֲקָצ֨וֹר (haqatsor) = is te kort | קָצְרָ֤ה (qatsera) = kort geworden | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | מִפְּד֔וּת (mipedut) = om vrij te kopen | וְאִם (veim) = of | אֵֽין (ein) = niet is er | בִּ֥י (bi) = in Mij | כֹ֖חַ (koach) = kracht | לְהַצִּ֑יל (lehatsil) = om te bevrijden | הֵ֣ן (hen) = zie | בְּגַעֲרָתִ֞י (begaarati) = met Mijn bedreiging | אַחֲרִ֣יב (achariv) = droog Ik op | יָ֗ם (yam) = zee | אָשִׂ֤ים (asim) = Ik maak | נְהָרוֹת֙ (neharot) = rivieren | מִדְבָּ֔ר (midbar) = tot woestijn | תִּבְאַ֤שׁ (tivash) = stinkt | דְּגָתָם֙ (degatam) = hun vis | מֵאֵ֣ין (meein) = omdat er niet is | מַ֔יִם (mayim) = water | וְתָמֹ֖ת (vetamot) = en sterft | בַּצָּמָֽא (batsama) = van dorst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּדוּת (pedut), ‘vrijkopen’: het werkwoord פָּדָה (padah) betekent ‘vrijkopen’, zoals in Deut. 7:8. Voetnoot : לְהַצִּיל (lehatsil), ‘bevrijden’: het werkwoord is hetzelfde als elders in dit boek voor ‘bevrijden’. Voetnoot : De verzen 2b–3 beschrijven Yahweh’s macht over zee, rivieren en hemel, zoals bij de uittocht uit Egypte. Zie ook: Gen 18:14; Num 11:23; Deut 7:8; Joz 3:16; Jes 59:1; Jes 66:4 **50:3** **Ik bekleed de hemel met duisternis, en een rouwkleed maak Ik tot zijn bedekking.”** Brontekst: אַלְבִּ֥ישׁ (albish) = Ik bekleed | שָׁמַ֖יִם (shamayim) = hemel | קַדְר֑וּת (qadrut) = met duisternis | וְשַׂ֖ק (vesaq) = en rouwkleed | אָשִׂ֥ים (asim) = maak Ik | כְּסוּתָֽם (kesutam) = hun bedekking Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 10:21; Ps 18:12–13; Mat 27:45; Openb 6:12 ### De Knecht luistert en laat zich slaan **50:4** Heer Yahweh heeft mij de tong van een leerling gegeven, zodat ik weet hoe ik de vermoeide met een woord kan ondersteunen. Elke morgen wekt Hij, elke morgen wekt Hij mijn oor, zodat ik luister als een leerling. Brontekst: אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | נָ֤תַן (natan) = heeft gegeven | לִי֙ (li) = mij | לְשׁ֣וֹן (leshon) = tong van | לִמּוּדִ֔ים (limudim) = leerlingen | לָדַ֛עַת (ladaat) = om te weten | לָע֥וּת (laut) = te ondersteunen | אֶת (et) = (obj.) | יָעֵ֖ף (yaef) = de vermoeide | דָּבָ֑ר (davar) = met een woord | יָעִ֣יר (yair) = wekt Hij | בַּבֹּ֣קֶר (baboqer) = elke morgen | בַּבֹּ֗קֶר (baboqer) = elke morgen | יָעִ֥יר (yair) = wekt Hij | לִי֙ (li) = mijn | אֹ֔זֶן (ozen) = oor | לִשְׁמֹ֖עַ (lishmoa) = om te luisteren | כַּלִּמּוּדִֽים (kalimudim) = als leerlingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint het derde knechtslied (50:4–9). De Knecht spreekt zelf. Hij noemt Yahweh ‘Heer Yahweh’ (zie Jes. 3:15). Voetnoot : לִמּוּדִים (limmudim), ‘leerlingen’: letterlijk ‘onderwezenen’. De Knecht heeft de tong en het oor van een leerling. Voetnoot : לָעוּת (la’ut), ‘te ondersteunen’: dit werkwoord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker; het kan ook ‘te bemoedigen’ of ‘te antwoorden’ betekenen. Zie ook: Ex 4:11–12; Spr 25:11; Jes 3:15; Jer 1:9; Luc 21:15; Joh 7:15–17 **50:5** Heer Yahweh heeft mijn oor geopend. Ik was niet weerspannig en ik week niet terug. Brontekst: אֲדֹנָ֤י (adonay) = Heer | יְהוִה֙ (Yahweh) = Yahweh | פָּתַֽח (patach) = heeft geopend | לִ֣י (li) = mijn | אֹ֔זֶן (ozen) = oor | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en ik | לֹ֣א (lo) = niet | מָרִ֑יתִי (mariti) = was weerspannig | אָח֖וֹר (achor) = achteruit | לֹ֥א (lo) = niet | נְסוּגֹֽתִי (nesugoti) = week ik terug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 35:5; Joh 8:29; Joh 14:31; Fil 2:8; Heb 5:8 **50:6** Mijn rug gaf ik aan wie mij sloegen, en mijn wangen aan wie het haar uittrokken. Mijn gezicht verborg ik niet voor schande en speeksel. Brontekst: גֵּוִי֙ (gevi) = mijn rug | נָתַ֣תִּי (natati) = gaf ik | לְמַכִּ֔ים (lemakim) = aan wie slaan | וּלְחָיַ֖י (ulechayay) = en mijn wangen | לְמֹֽרְטִ֑ים (lemoretim) = aan wie uittrekken | פָּנַי֙ (panay) = mijn gezicht | לֹ֣א (lo) = niet | הִסְתַּ֔רְתִּי (histarti) = verborg ik | מִכְּלִמּ֖וֹת (mikelimot) = voor schande | וָרֹֽק (varoq) = en speeksel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֹרְטִים (moretim), ‘wie het haar uittrokken’: het werkwoord מָרַט (marat) betekent ‘haar uittrekken of kaal maken’. Het Hebreeuws zegt hier niet dat het om de baard gaat. Voetnoot : כְּלִמּוֹת (kelimmot), ‘schande’: hetzelfde grondwoord als ‘te schande gemaakt’ in vers 7. Zie ook: Jes 50:7; Mat 26:67; Mat 27:30; Mar 14:65; Mar 15:19; Luc 22:63–64 **50:7** Maar Heer Yahweh helpt mij. Daarom ben ik niet te schande gemaakt. Daarom heb ik mijn gezicht als een keisteen gemaakt, en ik weet dat ik niet beschaamd zal worden. Brontekst: וַאדֹנָ֤י (vadonay) = en Heer | יְהוִה֙ (Yahweh) = Yahweh | יַֽעֲזָר (yaazar) = helpt | לִ֔י (li) = mij | עַל (al) = op | כֵּ֖ן (ken) = zo | לֹ֣א (lo) = niet | נִכְלָ֑מְתִּי (nikhlamti) = ben ik te schande gemaakt | עַל (al) = op | כֵּ֞ן (ken) = zo | שַׂ֤מְתִּי (samti) = heb ik gemaakt | פָנַי֙ (panay) = mijn gezicht | כַּֽחַלָּמִ֔ישׁ (kachalamish) = als een keisteen | וָאֵדַ֖ע (vaeda) = en ik weet | כִּי (ki) = dat | לֹ֥א (lo) = niet | אֵבֽוֹשׁ (evosh) = ik beschaamd word Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַלָּמִישׁ (challamish), ‘keisteen’: een zeer harde steen. Hetzelfde woord staat in Deut. 8:15, daar vertaald als ‘harde rots’. Zie ook: Deut 8:15; Jes 42:1; Ezech 3:8–9; Joh 16:33; Rom 1:16; Heb 13:6 **50:8** Dichtbij is Hij die mij rechtvaardig verklaart. Wie wil een rechtszaak tegen mij voeren? Laten wij samen gaan staan. Wie is mijn tegenpartij in het recht? Laat hem naar mij toe komen. Brontekst: קָרוֹב֙ (qarov) = dichtbij | מַצְדִּיקִ֔י (matsdiqi) = is Hij die mij rechtvaardig verklaart | מִֽי (mi) = wie | יָרִ֥יב (yariv) = wil een rechtszaak voeren | אִתִּ֖י (iti) = tegen mij | נַ֣עַמְדָה (naamda) = laten wij gaan staan | יָּ֑חַד (yachad) = samen | מִֽי (mi) = wie | בַ֥עַל (baal) = is tegenpartij van | מִשְׁפָּטִ֖י (mishpati) = mijn recht | יִגַּ֥שׁ (yigash) = laat hem naderen | אֵלָֽי (elay) = tot mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצְדִּיקִי (matsdiqi), ‘Hij die mij rechtvaardig verklaart’: het werkwoord is הִצְדִּיק (hitsdiq), ‘rechtvaardig verklaren’. Het tegenovergestelde staat in vers 9: הִרְשִׁיעַ (hirshia), ‘schuldig verklaren’. Voetnoot : בַּעַל מִשְׁפָּטִי (ba’al mishpati), ‘mijn tegenpartij in het recht’: letterlijk ‘de meester van mijn recht’. Zie ook: Jes 41:1; Jes 41:21; Jes 43:26; Jes 50:9; Rom 8:32–34; Openb 12:10 **50:9** Zie, Heer Yahweh helpt mij. Wie zal mij schuldig verklaren? Zie, zij allen verslijten als een kleed. De mot vreet hen op. Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | אֲדֹנָ֤י (adonay) = Heer | יְהוִה֙ (Yahweh) = Yahweh | יַֽעֲזָר (yaazar) = helpt | לִ֔י (li) = mij | מִי (mi) = wie | ה֖וּא (hu) = is hij | יַרְשִׁיעֵ֑נִי (yarshieni) = die mij schuldig verklaart | הֵ֤ן (hen) = zie | כֻּלָּם֙ (kulam) = zij allen | כַּבֶּ֣גֶד (kabeged) = als een kleed | יִבְל֔וּ (yivlu) = verslijten | עָ֖שׁ (ash) = mot | יֹאכְלֵֽם (yokhlem) = vreet hen op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 13:28; Ps 39:12; Ps 102:27; Jes 41:10; Heb 1:11–12 ### Wie in de duisternis loopt **50:10** Wie van jullie vreest Yahweh en luistert naar de stem van Zijn Knecht? Wie in de duisternis loopt en geen glans heeft, laat die vertrouwen op de naam van Yahweh en steunen op zijn Elohim. Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | בָכֶם֙ (bakhem) = onder jullie | יְרֵ֣א (yere) = vreest | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שֹׁמֵ֖עַ (shomea) = luistert | בְּק֣וֹל (beqol) = naar de stem van | עַבְדּ֑וֹ (avdo) = Zijn Knecht | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָלַ֣ךְ (halakh) = wandelt | חֲשֵׁכִ֗ים (chashekhim) = in de duisternis | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is er | נֹ֨גַהּ֙ (nogah) = glans | ל֔וֹ (lo) = voor hem | יִבְטַח֙ (yivtach) = laat hem vertrouwen | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = op de naam van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְיִשָּׁעֵ֖ן (veyishaen) = en laat hem steunen | בֵּאלֹהָֽיו (belohav) = op zijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie hier spreekt, zegt het Hebreeuws niet. Het kan de profeet zijn of Yahweh. Wij zetten het zwart, omdat Yahweh in de derde persoon genoemd wordt. Voetnoot : עַבְדּוֹ (avdo), ‘Zijn Knecht’: hier staat de Knecht van het derde lied als titel; daarom met een hoofdletter. Zie ook: Ps 23:4; Jes 26:3–4; Mi 7:7–9; Joh 8:12; Joh 12:46 ### Wie zelf vuur aansteekt **50:11** **„Zie, jullie allen die een vuur aansteken en jullie met vonken omgorden. Loop in het licht van jullie vuur en tussen de vonken die jullie hebben aangestoken. Dit krijgen jullie van Mijn hand: in smart zullen jullie neerliggen.”** Brontekst: הֵ֧ן (hen) = zie | כֻּלְּכֶ֛ם (kulekhem) = jullie allen | קֹ֥דְחֵי (qodechei) = die aansteken | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | מְאַזְּרֵ֣י (meazerei) = die omgorden | זִיק֑וֹת (ziqot) = vonken | לְכ֣וּ (lekhu) = loopt | בְּא֣וּר (beur) = in het licht van | אֶשְׁכֶ֗ם (eshkhem) = jullie vuur | וּבְזִיקוֹת֙ (uveziqot) = en in vonken | בִּֽעַרְתֶּ֔ם (biartem) = die jullie hebben aangestoken | מִיָּדִי֙ (miyadi) = van Mijn hand | הָיְתָה (hayeta) = is gekomen | זֹּ֣את (zot) = dit | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | לְמַעֲצֵבָ֖ה (lemaatseva) = in smart | תִּשְׁכָּבֽוּן (tishkavun) = zullen jullie neerliggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh zelf (‘Mijn hand’). Zijn woorden staan rood. Voetnoot : מְאַזְּרֵי (me’azzerei), ‘die omgorden’: wie zich met vonken omgordt, gebruikt vuur als wapen of verlichting. Wat bedoeld wordt, is niet helemaal zeker. De zin zegt: wie zijn eigen licht maakt, zal in smart neerliggen. Voetnoot : מַעֲצֵבָה (ma’atsevah), ‘smart’: pijn of verdriet; het woord komt alleen hier voor. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen het eerste deel van het vers anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Jer 17:5–7; Mat 15:6–8; Joh 8:24; Rom 1:21–22; Rom 10:3 ## Jesaja 51 _Luister naar Mij: Sion wordt getroost en de arm van Yahweh wordt wakker_ ### Kijk naar de rots en naar Abraham **51:1** **„Luister naar Mij, jullie die de gerechtigheid najagen, die Yahweh zoeken. Kijk naar de rots waaruit jullie gehouwen zijn, en naar de holte van de put waaruit jullie gegraven zijn.** Brontekst: שִׁמְע֥וּ (shimu) = luistert | אֵלַ֛י (elay) = naar Mij | רֹ֥דְפֵי (rodefei) = die najagen | צֶ֖דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | מְבַקְשֵׁ֣י (mevaqshei) = die zoeken | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הַבִּ֨יטוּ֙ (habitu) = kijkt | אֶל (el) = naar | צ֣וּר (tsur) = de rots | חֻצַּבְתֶּ֔ם (chutsavtem) = waaruit jullie gehouwen zijn | וְאֶל (veel) = en naar | מַקֶּ֥בֶת (maqevet) = holte van | בּ֖וֹר (bor) = put | נֻקַּרְתֶּֽם (nuqartem) = waaruit jullie gegraven zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint een toespraak van Yahweh (51:1–8). Zijn woorden staan rood. Hij spreekt tot ‘jullie die de gerechtigheid najagen’, de trouwe rest van het volk. Voetnoot : צוּר (tsur), ‘rots’, en בּוֹר (bor), ‘put’: de ‘rots’ is Abraham en de ‘put’ is Sara (vers 2). Het volk komt van hen voort, zoals steen uit een groeve komt. Voetnoot : מַקֶּבֶת (maqqevet), ‘holte’: het woord komt weinig voor en betekent een uitgeholde plek. Zie ook: Ps 94:15; Ps 105:3–4; Jes 51:2; Jes 51:7; Rom 14:19; Heb 12:14 **51:2** **Kijk naar Abraham, jullie vader, en naar Sara, die jullie met weeën gebaard heeft. Want toen hij nog alleen was, heb Ik hem geroepen. Ik heb hem gezegend en hem talrijk gemaakt.** Brontekst: הַבִּ֨יטוּ֙ (habitu) = kijkt | אֶל (el) = naar | אַבְרָהָ֣ם (avraham) = Abraham | אֲבִיכֶ֔ם (avikhem) = jullie vader | וְאֶל (veel) = en naar | שָׂרָ֖ה (sara) = Sara | תְּחוֹלֶלְכֶ֑ם (techolelkhem) = die jullie met weeën heeft gebaard | כִּי (ki) = want | אֶחָ֣ד (echad) = alleen | קְרָאתִ֔יו (qerativ) = heb Ik hem geroepen | וַאֲבָרְכֵ֖הוּ (vaavarekhehu) = en Ik heb hem gezegend | וְאַרְבֵּֽהוּ (vearbehu) = en Ik heb hem talrijk gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶחָד (echad), ‘alleen’: letterlijk ‘één’. Abraham was nog maar één man, zonder kinderen, toen Yahweh hem riep; zie Gen. 12:1–3. Voetnoot : תְּחוֹלֶלְכֶם (techolelkhem), ‘die jullie met weeën gebaard heeft’: het werkwoord חוּל (chul) betekent ‘in barensweeën zijn’. Zie ook: Gen 12:1–3; Gen 24:1; Ezech 33:24; Gal 3:9–14; Rom 4:1–5; Heb 11:8–12 **51:3** **Want Yahweh heeft Sion getroost. Hij heeft al haar ruïnes getroost. Hij heeft haar woestijn gemaakt als Eden en haar steppe als de tuin van Yahweh. Blijdschap en vreugde zullen daarin gevonden worden, dank en de klank van een lied.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | נִחַ֨ם (nicham) = heeft getroost | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | צִיּ֗וֹן (tsiyon) = Sion | נִחַם֙ (nicham) = heeft getroost | כָּל (kal) = al | חָרְבֹתֶ֔יהָ (charevoteiha) = haar ruïnes | וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en Hij heeft gemaakt | מִדְבָּרָהּ֙ (midbarah) = haar woestijn | כְּעֵ֔דֶן (keeden) = als Eden | וְעַרְבָתָ֖הּ (vearvatah) = en haar steppe | כְּגַן (kegan) = als de tuin van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | שָׂשׂ֤וֹן (sason) = blijdschap | וְשִׂמְחָה֙ (vesimcha) = en vreugde | יִמָּ֣צֵא (yimatse) = zal gevonden worden | בָ֔הּ (bah) = daarin | תּוֹדָ֖ה (toda) = dank | וְק֥וֹל (veqol) = en klank van | זִמְרָֽה (zimra) = een lied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: נִחַם (nicham), ‘heeft getroost’: de voltooide tijd drukt uit dat het zeker is; zie ook 49:13. De woorden over Yahweh in de derde persoon blijven Zijn woorden, daarom rood. Voetnoot : עֵדֶן (Eden) en גַּן־יְהוָה (gan-Yahweh), ‘de tuin van Yahweh’: vergelijk Gen. 2:8 en Gen. 13:10. De verwoeste plaats wordt weer een tuin. Zie ook: Gen 2:8; Gen 13:10; Joël 2:3; Jes 49:13; Jes 52:9; Jer 31:25; 1 Petr 1:8 ### Mijn gerechtigheid is nabij **51:4** **Let op Mij, mijn volk, en luister naar Mij, mijn natie. Want een wet zal van Mij uitgaan, en Mijn recht zal Ik vestigen als licht voor de volken.** Brontekst: הַקְשִׁ֤יבוּ (haqshivu) = let op | אֵלַי֙ (elay) = op Mij | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | וּלְאוּמִּ֖י (uleumi) = en mijn natie | אֵלַ֣י (elay) = naar Mij | הַאֲזִ֑ינוּ (haazinu) = luistert | כִּ֤י (ki) = want | תוֹרָה֙ (tora) = wet | מֵאִתִּ֣י (meiti) = van Mij | תֵצֵ֔א (tetse) = zal uitgaan | וּמִשְׁפָּטִ֔י (umishpati) = en Mijn recht | לְא֥וֹר (leor) = als licht van | עַמִּ֖ים (amim) = volken | אַרְגִּֽיעַ (argia) = zal Ik vestigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderwijs’. Voetnoot : אַרְגִּיעַ (argia), ‘Ik zal vestigen’: letterlijk ‘Ik zal doen rusten’. Yahweh laat Zijn recht neerdalen en rusten, als licht voor de volken. Vergelijk 49:6. Zie ook: Jes 2:3; Jes 42:6; Jes 49:6; 1 Kor 9:21; 1 Petr 2:9 **51:5** **Mijn gerechtigheid is nabij. Mijn redding is uitgegaan, en Mijn armen zullen recht spreken over de volken. Op Mij hopen de kustlanden, en op Mijn arm wachten zij.** Brontekst: קָר֤וֹב (qarov) = nabij | צִדְקִי֙ (tsidqi) = Mijn gerechtigheid | יָצָ֣א (yatsa) = is uitgegaan | יִשְׁעִ֔י (yishi) = Mijn redding | וּזְרֹעַ֖י (uzeroay) = en Mijn armen | עַמִּ֣ים (amim) = volken | יִשְׁפֹּ֑טוּ (yishpotu) = zullen recht spreken | אֵלַי֙ (elay) = op Mij | אִיִּ֣ים (iyim) = kustlanden | יְקַוּ֔וּ (yeqauu) = hopen | וְאֶל (veel) = en op | זְרֹעִ֖י (zeroi) = Mijn arm | יְיַחֵלֽוּן (yeyachelun) = wachten zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִשְׁפֹּטוּ (yishpotu), ‘zullen recht spreken’: zoals in 2:4. אִיִּים (iyyim), ‘kustlanden’: zie 49:1. Zie ook: Jes 42:4; Jes 46:13; Jes 60:9; Rom 10:6–10; Rom 10:17–18 **51:6** **Sla jullie ogen op naar de hemel en kijk naar de aarde beneden. Want de hemel zal als rook verdwijnen, de aarde zal als een kleed verslijten, en haar bewoners zullen evenzo sterven. Maar Mijn redding zal voor eeuwig zijn, en Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.** Brontekst: שְׂאוּ֩ (seu) = slaat op | לַשָּׁמַ֨יִם (lashamayim) = naar de hemel | עֵֽינֵיכֶ֜ם (eineikhem) = jullie ogen | וְֽהַבִּ֧יטוּ (vehabitu) = en kijkt | אֶל (el) = naar | הָאָ֣רֶץ (haarets) = de aarde | מִתַּ֗חַת (mitachat) = beneden | כִּֽי (ki) = want | שָׁמַ֜יִם (shamayim) = hemel | כֶּעָשָׁ֤ן (keashan) = als rook | נִמְלָ֨חוּ֙ (nimlachu) = zal verdwijnen | וְהָאָ֨רֶץ֙ (vehaarets) = en de aarde | כַּבֶּ֣גֶד (kabeged) = als een kleed | תִּבְלֶ֔ה (tivle) = zal verslijten | וְיֹשְׁבֶ֖יהָ (veyosheveiha) = en haar bewoners | כְּמוֹ (kemo) = zoals | כֵ֣ן (ken) = zo | יְמוּת֑וּן (yemutun) = zullen sterven | וִישֽׁוּעָתִי֙ (vishuati) = en Mijn redding | לְעוֹלָ֣ם (leolam) = voor eeuwig | תִּֽהְיֶ֔ה (tihye) = zal zijn | וְצִדְקָתִ֖י (vetsidqati) = en Mijn gerechtigheid | לֹ֥א (lo) = niet | תֵחָֽת (techat) = zal verbroken worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּמוֹ כֵן (kemo-ken), ‘evenzo’: de betekenis is niet zeker. Sommigen verstaan het als ‘als muggen’. Voetnoot : נִמְלָחוּ (nimlachu), ‘zal verdwijnen’: het werkwoord is zeldzaam. Het beeld is rook die verwaait. Zie ook: Ps 102:26–27; Jes 34:4; Mat 24:35; Heb 1:10–12; Openb 6:12–14 **51:7** **Luister naar Mij, jullie die gerechtigheid kennen, volk in wiens hart Mijn wet is. Wees niet bang voor de smaad van mensen, en word niet ontsteld door hun hoon.** Brontekst: שִׁמְע֤וּ (shimu) = luistert | אֵלַי֙ (elay) = naar Mij | יֹ֣דְעֵי (yodeei) = die kennen | צֶ֔דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | עַ֖ם (am) = volk van | תּוֹרָתִ֣י (torati) = Mijn wet | בְלִבָּ֑ם (belibam) = in hun hart | אַל (al) = niet | תִּֽירְאוּ֙ (tireu) = weest bang | חֶרְפַּ֣ת (cherpat) = voor de smaad van | אֱנ֔וֹשׁ (enosh) = mensen | וּמִגִּדֻּפֹתָ֖ם (umigidufotam) = en voor hun hoon | אַל (al) = niet | תֵּחָֽתּוּ (techatu) = wordt ontsteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱנוֹשׁ (enosh), ‘mens’: de zwakke, sterfelijke mens. Het woord keert terug in vers 12. Zie ook: Ps 37:31; Jes 51:12; Ezech 2:6; Mat 5:11; Hand 5:41; 1 Petr 4:14 **51:8** **Want de mot zal hen opeten als een kleed, en de wolmot zal hen opeten als wol. Maar Mijn gerechtigheid zal voor eeuwig zijn, en Mijn redding van geslacht tot geslacht.”** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | כַבֶּ֨גֶד֙ (kabeged) = als een kleed | יֹאכְלֵ֣ם (yokhlem) = zal hen opeten | עָ֔שׁ (ash) = mot | וְכַצֶּ֖מֶר (vekhatsemer) = en als wol | יֹאכְלֵ֣ם (yokhlem) = zal hen opeten | סָ֑ס (sas) = wolmot | וְצִדְקָתִי֙ (vetsidqati) = en Mijn gerechtigheid | לְעוֹלָ֣ם (leolam) = voor eeuwig | תִּֽהְיֶ֔ה (tihye) = zal zijn | וִישׁוּעָתִ֖י (vishuati) = en Mijn redding | לְד֥וֹר (ledor) = van geslacht tot | דּוֹרִֽים (dorim) = geslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:19; Jes 50:9; Jes 51:6; Jes 66:24; Luc 1:50 ### Word wakker, arm van Yahweh **51:9** Word wakker, word wakker, bekleed je met kracht, arm van Yahweh. Word wakker zoals in de dagen van weleer, in de geslachten van lang geleden. Ben jij niet degene die Rahab in stukken hakte en de draak doorboorde? Brontekst: עוּרִ֨י (uri) = word wakker | עוּרִ֤י (uri) = word wakker | לִבְשִׁי (livshi) = bekleed je met | עֹז֙ (oz) = kracht | זְר֣וֹעַ (zeroa) = arm van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | ע֚וּרִי (uri) = word wakker | כִּ֣ימֵי (kimei) = zoals de dagen van | קֶ֔דֶם (qedem) = weleer | דֹּר֖וֹת (dorot) = geslachten van | עוֹלָמִ֑ים (olamim) = eeuwen | הֲל֥וֹא (halo) = niet | אַתְּ (at) = jij | הִ֛יא (hi) = is het | הַמַּחְצֶ֥בֶת (hamachtsevet) = die in stukken hakte | רַ֖הַב (rahav) = Rahab | מְחוֹלֶ֥לֶת (mecholelet) = die doorboorde | תַּנִּֽין (tanin) = de draak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt de profeet (of het volk) tot de ‘arm van Yahweh’. Zijn woorden staan zwart. De arm wordt toegesproken met ‘je’ en ‘jij’. Voetnoot : רַהַב (Rahab) en תַּנִּין (tannin), ‘draak’: namen van de zeemacht uit de oude verhalen over de schepping; zie Job 26:12 en Ps. 89:11. Zie ook: Job 26:12; Ps 74:13–14; Ps 89:11; Jes 27:1; Jes 30:7; Jes 52:1 **51:10** Ben jij niet degene die de zee heeft doen opdrogen, de wateren van de grote oervloed? Die de diepten van de zee tot een weg heeft gemaakt, zodat de verlosten konden overgaan? Brontekst: הֲל֤וֹא (halo) = niet | אַתְּ (at) = jij | הִיא֙ (hi) = is het | הַמַּחֲרֶ֣בֶת (hamacharevet) = die liet opdrogen | יָ֔ם (yam) = zee | מֵ֖י (mei) = wateren van | תְּה֣וֹם (tehom) = oervloed | רַבָּ֑ה (raba) = grote | הַשָּׂ֨מָה֙ (hasama) = die maakte | מַֽעֲמַקֵּי (maamaqei) = de diepten van | יָ֔ם (yam) = zee | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = tot een weg | לַעֲבֹ֥ר (laavor) = om over te gaan | גְּאוּלִֽים (geulim) = de verlosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers verwijst naar de doortocht door de Rietzee; zie Exod. 14:21–22. Voetnoot : תְּהוֹם (tehom), ‘oervloed’: het diepe water uit Gen. 1:2. Voetnoot : גְּאוּלִים (ge’ulim), ‘de verlosten’: van גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’. Zie ook: Gen 1:2; Ex 14:21–22; Ex 15:13; Jes 43:16; Jes 50:2; Jes 63:11–12 **51:11** De vrijgekochten van Yahweh keren terug. Zij komen met gejuich naar Sion, met eeuwige vreugde op hun hoofd. Blijdschap en vreugde grijpen zij, en verdriet en zuchten vluchten weg. Brontekst: וּפְדוּיֵ֨י (ufeduyei) = en de vrijgekochten van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | יְשׁוּב֗וּן (yeshuvun) = keren terug | וּבָ֤אוּ (uvau) = en komen | צִיּוֹן֙ (tsiyon) = Sion | בְּרִנָּ֔ה (berina) = met gejuich | וְשִׂמְחַ֥ת (vesimchat) = en vreugde van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwig | עַל (al) = op | רֹאשָׁ֑ם (rosham) = hun hoofd | שָׂשׂ֤וֹן (sason) = blijdschap | וְשִׂמְחָה֙ (vesimcha) = en vreugde | יַשִּׂיג֔וּן (yasigun) = grijpen zij | נָ֖סוּ (nasu) = vluchten weg | יָג֥וֹן (yagon) = verdriet | וַאֲנָחָֽה (vaanacha) = en zuchten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dit vers is bijna gelijk aan 35:10. Daarom is ook de vertaling gelijk. Voetnoot : פְּדוּיֵי (peduyei), ‘de vrijgekochten’: van פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’; zie 50:2. Zie ook: Jes 25:8; Jes 35:10; 2 Tess 2:16; Openb 7:17; Openb 21:4 ### Ik, Ik ben het die jullie troost **51:12** **„Ik, Ik ben het die jullie troost. Wie ben jij, dat je bang bent voor een mens die sterft, en voor een mensenkind dat als gras wordt gemaakt?** Brontekst: אָנֹכִ֧י (anokhi) = Ik | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | ה֖וּא (hu) = ben het | מְנַחֶמְכֶ֑ם (menachemkhem) = die jullie troost | מִֽי (mi) = wie | אַ֤תְּ (at) = jij | וַתִּֽירְאִי֙ (vatirei) = dat je bang bent | מֵאֱנ֣וֹשׁ (meenosh) = voor een mens | יָמ֔וּת (yamut) = die sterft | וּמִבֶּן (umiben) = en voor een zoon van | אָדָ֖ם (adam) = mens | חָצִ֥יר (chatsir) = gras | יִנָּתֵֽן (yinaten) = wordt gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָנֹכִי אָנֹכִי הוּא (anokhi anokhi hu), ‘Ik, Ik ben het’: hier begint weer een toespraak van Yahweh (51:12–16). Zijn woorden staan rood. Voetnoot : אַתְּ (att), ‘jij’: vrouwelijk. Het gaat om Sion. Voetnoot : חָצִיר יִנָּתֵן (chatsir yinnaten), ‘dat als gras wordt gemaakt’: letterlijk ‘dat als gras gegeven wordt’. Het beeld is dat de mens vergaat als gras. Zie ook: Ps 118:6; Jes 2:22; Joh 14:18; Joh 14:26–27; 1 Petr 1:24 **51:13** **Je vergeet Yahweh, je Maker, die de hemel uitspant en de aarde grondvest. Je bent voortdurend bang, de hele dag, voor de woede van de onderdrukker, alsof hij klaarstaat om te vernietigen. Waar is dan de woede van de onderdrukker?** Brontekst: וַתִּשְׁכַּ֞ח (vatishkach) = en je vergeet | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | עֹשֶׂ֗ךָ (osekha) = je Maker | נוֹטֶ֣ה (note) = die uitspant | שָׁמַיִם֮ (shamayim) = hemel | וְיֹסֵ֣ד (veyosed) = en die grondvest | אָרֶץ֒ (arets) = aarde | וַתְּפַחֵ֨ד (vatefached) = en je bent bang | תָּמִ֜יד (tamid) = voortdurend | כָּל (kal) = de hele | הַיּ֗וֹם (hayom) = dag | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = voor | חֲמַ֣ת (chamat) = woede van | הַמֵּצִ֔יק (hametsiq) = de onderdrukker | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | כּוֹנֵ֖ן (konen) = hij klaarstaat | לְהַשְׁחִ֑ית (lehashchit) = om te vernietigen | וְאַיֵּ֖ה (veaye) = en waar | חֲמַ֥ת (chamat) = is de woede van | הַמֵּצִֽיק (hametsiq) = de onderdrukker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲמַת (chamat), ‘woede van’: hetzelfde woord als ‘woede van Yahweh’ in vers 17, 20 en 22. Voetnoot : עֹשֶׂךָ (osekha), ‘je Maker’: het werkwoord is עָשָׂה (asah), ‘maken’. Zie ook: Ps 104:2; Jes 17:10; Jes 40:22; Jes 44:24; Jes 45:12; Jes 51:17; Jes 51:20; Jes 51:22 **51:14** **Spoedig wordt de gebogene losgemaakt. Hij zal niet sterven in de kuil, en zijn brood zal hem niet ontbreken.** Brontekst: מִהַ֥ר (mihar) = spoedig | צֹעֶ֖ה (tsoe) = wordt losgemaakt | לְהִפָּתֵ֑חַ (lehipateach) = de gebogene | וְלֹא (velo) = en niet | יָמ֣וּת (yamut) = zal hij sterven | לַשַּׁ֔חַת (lashachat) = in de kuil | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יֶחְסַ֖ר (yechsar) = zal ontbreken | לַחְמֽוֹ (lachmo) = zijn brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹעֶה (tso’eh), ‘de gebogene’: iemand die gebukt of gebonden is, zoals een gevangene. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Jes 48:20; Jes 49:10; Jes 52:2; Zach 9:11; Hand 12:7–8 **51:15** **Ik ben Yahweh, je Elohim, die de zee in beroering brengt, zodat haar golven bruisen.** Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Brontekst: וְאָֽנֹכִי֙ (veanokhi) = en Ik | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | רֹגַ֣ע (roga) = die in beroering brengt | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | וַיֶּהֱמ֖וּ (vayehemu) = zodat bruisen | גַּלָּ֑יו (galav) = haar golven | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמֽוֹ (shemo) = is Zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹגַע (rogea), ‘die in beroering brengt’: het werkwoord kan ook ‘tot rust brengen’ betekenen. Wij kiezen ‘in beroering brengen’, vanwege het bruisen van de golven. Voetnoot : ‘Yahweh van de legermachten is Zijn naam’ is een lofwoord van de profeet over Yahweh; het is niet meer rood, zoals in Amos 5:27. Zie ook: Ps 136:13; Amos 5:27; Amos 9:5–6; Jes 51:10; Jes 54:5; Jer 31:35 **51:16** **Ik heb Mijn woorden in je mond gelegd. In de schaduw van Mijn hand heb Ik je bedekt, om de hemel te planten en de aarde te grondvesten, en om tegen Sion te zeggen: ‘Mijn volk ben jij.’”** Brontekst: וָאָשִׂ֤ים (vaasim) = en Ik heb gelegd | דְּבָרַי֙ (devaray) = Mijn woorden | בְּפִ֔יךָ (befikha) = in je mond | וּבְצֵ֥ל (uvetsel) = en in de schaduw van | יָדִ֖י (yadi) = Mijn hand | כִּסִּיתִ֑יךָ (kisitikha) = heb Ik je bedekt | לִנְטֹ֤עַ (lintoa) = om te planten | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = hemel | וְלִיסֹ֣ד (velisod) = en te grondvesten | אָ֔רֶץ (arets) = aarde | וְלֵאמֹ֥ר (velemor) = en om te zeggen | לְצִיּ֖וֹן (letsiyon) = tegen Sion | עַמִּי (ami) = mijn volk | אָֽתָּה (ata) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לִנְטֹעַ (lintoa), ‘te planten’: letterlijk ‘de hemel te planten’; dit is een beeld voor het uitspannen van de hemel, zoals in vers 13. Voetnoot Lezing: Wij volgen de Masoretische tekst. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Deut 18:18; Jes 49:2; Jes 51:13; Jes 59:21; Jer 31:33; Joh 17:8 ### Word wakker, Jeruzalem **51:17** Word wakker, word wakker, sta op, Jeruzalem, jij die uit de hand van Yahweh de beker van Zijn woede gedronken hebt. De kelk, de beker van de wankeling, heb je gedronken en leeggezogen. Brontekst: הִתְעוֹרְרִ֣י (hitoreri) = word wakker | הִֽתְעוֹרְרִ֗י (hitoreri) = word wakker | ק֚וּמִי (qumi) = sta op | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushalaim) = Jeruzalem | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁתִ֛ית (shatit) = gedronken hebt | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | כּ֣וֹס (kos) = de beker van | חֲמָת֑וֹ (chamato) = Zijn woede | אֶת (et) = (obj.) | קֻבַּ֜עַת (qubaat) = kelk van | כּ֧וֹס (kos) = beker van | הַתַּרְעֵלָ֛ה (hatarela) = de wankeling | שָׁתִ֖ית (shatit) = heb je gedronken | מָצִֽית (matsit) = heb je leeggezogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Hier spreekt de profeet tot Jeruzalem. Zijn woorden staan zwart. Voetnoot : קֻבַּעַת (qubba’at), ‘kelk’: een zeldzaam woord voor een beker. Voetnoot : תַּרְעֵלָה (tar’elah), ‘wankeling’: de beker van Yahweh’s oordeel laat wankelen als wijn. Zie ook: Ps 60:5; Jes 52:1; 1 Kor 15:34; Ef 5:14; Openb 14:10 **51:18** Er is niemand die haar leidt van al de zonen die zij gebaard heeft. Er is niemand die haar bij de hand neemt van al de zonen die zij heeft grootgebracht. Brontekst: אֵין (ein) = niet is er | מְנַהֵ֣ל (menahel) = die leidt | לָ֔הּ (lah) = haar | מִכָּל (mikal) = van al | בָּנִ֖ים (banim) = de zonen | יָלָ֑דָה (yalada) = die zij heeft gebaard | וְאֵ֤ין (veein) = en niet is er | מַחֲזִיק֙ (machaziq) = die vasthoudt | בְּיָדָ֔הּ (beyadah) = haar hand | מִכָּל (mikal) = van al | בָּנִ֖ים (banim) = de zonen | גִּדֵּֽלָה (gidela) = die zij heeft grootgebracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 88:19; Ps 142:5; Jes 45:1; Jes 49:21; Mat 15:14 **51:19** Twee dingen zijn je overkomen — wie heeft medelijden met je? — verwoesting en breuk, en honger en zwaard. Hoe zou ik je troosten? Brontekst: שְׁתַּ֤יִם (shetayim) = twee | הֵ֨נָּה֙ (hena) = zie | קֹֽרְאֹתַ֔יִךְ (qoreotayikh) = zijn je overkomen | מִ֖י (mi) = wie | יָנ֣וּד (yanud) = heeft medelijden | לָ֑ךְ (lakh) = met je | הַשֹּׁ֧ד (hashod) = verwoesting | וְהַשֶּׁ֛בֶר (vehashever) = en breuk | וְהָרָעָ֥ב (veharaav) = en honger | וְהַחֶ֖רֶב (vehacherev) = en zwaard | מִ֥י (mi) = wie | אֲנַחֲמֵֽךְ (anachamekh) = zou ik je troosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁתַּיִם הֵנָּה (shetayim hennah), ‘twee dingen’: de twee paren zijn ‘verwoesting en breuk’ en ‘honger en zwaard’. De zin staat in het Hebreeuws in deze volgorde. Voetnoot : מִי אֲנַחֲמֵךְ (mi anachamekh), ‘Hoe zou ik je troosten?’: letterlijk ‘wie zal ik je troosten’. Het Hebreeuws is ongewoon. Het kan ook gelezen worden als ‘wie kan je troosten?’. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Wij volgen de Masoretische tekst, in de eerste persoon. Zie ook: Job 42:11; Ps 69:21; Amos 7:2; Jes 47:9; 2 Kor 7:6–7 **51:20** Je zonen zijn bezweken. Zij liggen op de hoek van alle straten, als een wilde os in een net. Zij zijn vol van de woede van Yahweh, van de bestraffing van je Elohim. Brontekst: בָּנַ֜יִךְ (banayikh) = je zonen | עֻלְּפ֥וּ (ulefu) = zijn bezweken | שָׁכְב֛וּ (shakhevu) = liggen | בְּרֹ֥אשׁ (berosh) = op de hoek van | כָּל (kal) = alle | חוּצ֖וֹת (chutsot) = straten | כְּת֣וֹא (keto) = als een wilde os | מִכְמָ֑ר (mikhmar) = van een net | הַֽמְלֵאִ֥ים (hamleim) = die vol zijn | חֲמַת (chamat) = van de woede van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | גַּעֲרַ֥ת (gaarat) = bestraffing van | אֱלֹהָֽיִךְ (elohayikh) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תוֹא (to), ‘wilde os’: hetzelfde dier als in Deut. 14:5 (te’o). De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : גַּעֲרַת (ga’arat), ‘bestraffing’: van גָּעַר (ga’ar), ‘bestraffen’. Zie ook: Deut 14:5; Jes 9:18–20; Jer 14:16; Klaagl 2:11–12; Klaagl 5:13; Openb 16:9–11 **51:21** Daarom, luister hier toch naar, jij ellendige, jij die dronken bent, maar niet van wijn. Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | שִׁמְעִי (shimi) = luister | נָ֥א (na) = toch | זֹ֖את (zot) = hier naar | עֲנִיָּ֑ה (aniya) = ellendige | וּשְׁכֻרַ֖ת (ushekhurat) = en dronken | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מִיָּֽיִן (miyayin) = van wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 29:9; Jes 51:17; Jes 54:11 ### De beker gaat voorbij **51:22** Zo zegt je Heer, Yahweh, en je Elohim, die voor Zijn volk een rechtszaak voert: **„Zie, Ik neem de beker van de wankeling uit je hand, de kelk, de beker van Mijn woede. Je zult die niet meer drinken.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנַ֣יִךְ (adonayikh) = je Heer | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וֵאלֹהַ֨יִךְ֙ (velohayikh) = en je Elohim | יָרִ֣יב (yariv) = voert een rechtszaak | עַמּ֔וֹ (amo) = voor Zijn volk | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | לָקַ֛חְתִּי (laqachti) = Ik neem | מִיָּדֵ֖ךְ (miyadekh) = uit je hand | אֶת (et) = (obj.) | כּ֣וֹס (kos) = de beker van | הַתַּרְעֵלָ֑ה (hatarela) = de wankeling | אֶת (et) = (obj.) | קֻבַּ֨עַת֙ (qubaat) = kelk van | כּ֣וֹס (kos) = beker van | חֲמָתִ֔י (chamati) = Mijn woede | לֹא (lo) = niet | תוֹסִ֥יפִי (tosifi) = zul je blijven | לִשְׁתּוֹתָ֖הּ (lishtotah) = om het te drinken | עֽוֹד (od) = nog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנַיִךְ (Adonayikh), ‘je Heer’: Adonai staat hier met een achtervoegsel, tegen Jeruzalem. Het volgt op ‘Zo zegt’ en gaat voor ‘Yahweh’. Voetnoot : יָרִיב עַמּוֹ (yariv ammo), ‘die voor Zijn volk een rechtszaak voert’: Yahweh is de verdediger van Zijn volk. Het werkwoord is hetzelfde als in 49:25. Zie ook: Spr 22:23; Jes 49:25; Jes 51:17; Jes 62:8; Jer 50:34 **51:23** **Ik zal haar leggen in de hand van wie je kwellen, die tegen je zeiden: ‘Buig je neer, dan lopen wij over je heen.’ Dan maakte je je rug als de grond, als de straat voor wie eroverheen liepen.”** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֨יהָ֙ (vesamtiha) = en Ik zal haar leggen | בְּיַד (beyad) = in de hand van | מוֹגַ֔יִךְ (mogayikh) = wie je kwellen | אֲשֶׁר (asher) = die | אָמְר֥וּ (ameru) = zeiden | לְנַפְשֵׁ֖ךְ (lenafshekh) = tegen je | שְׁחִ֣י (shechi) = buig je neer | וְנַעֲבֹ֑רָה (venaavora) = en laten wij overgaan | וַתָּשִׂ֤ימִי (vatasimi) = en je maakte | כָאָ֨רֶץ֙ (kaarets) = als de grond | גֵּוֵ֔ךְ (gevekh) = je rug | וְכַח֖וּץ (vekhachuts) = en als de straat | לַעֹבְרִֽים (laoverim) = voor wie overgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 10:24; Ps 65:12–13; Spr 21:18; Zach 12:2; Openb 17:18 ## Jesaja 52 _Sion, word wakker: Yahweh keert terug en de Knecht wordt verheven_ ### Word wakker, Sion **52:1** Word wakker, word wakker, kleed je in je kracht, Sion. Kleed je in je prachtige kleren, Jeruzalem, heilige stad. Want een onbesnedene en een onreine zal voortaan niet meer bij je binnenkomen. Brontekst: עוּרִ֥י (uri) = word wakker | עוּרִ֛י (uri) = word wakker | לִבְשִׁ֥י (livshi) = kleed je | עֻזֵּ֖ךְ (uzekh) = je kracht | צִיּ֑וֹן (tsiyon) = Sion | לִבְשִׁ֣י (livshi) = kleed je | בִּגְדֵ֣י (bigdei) = de kleren van | תִפְאַרְתֵּ֗ךְ (tifartekh) = je pracht | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushalaim) = Jeruzalem | עִ֣יר (ir) = stad van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = de heiligheid | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | יוֹסִ֛יף (yosif) = zal weer | יָבֹא (yavo) = binnenkomen | בָ֥ךְ (bakh) = bij jou | ע֖וֹד (od) = nog | עָרֵ֥ל (arel) = een onbesnedene | וְטָמֵֽא (vetame) = en een onreine Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Jes 51:9; Jes 51:17; Zach 3:4; Openb 21:2; Openb 21:27 **52:2** Schud het stof van je af, sta op, ga zitten, Jeruzalem. Maak de boeien van je nek los, gevangen Dochter Sion. Brontekst: הִתְנַעֲרִ֧י (hitnaari) = schud je af | מֵעָפָ֛ר (meafar) = van stof | ק֥וּמִי (qumi) = sta op | שְּׁבִ֖י (shevi) = ga zitten | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הִֽתְפַּתְּחִי֙ (hitpatechi) = maak je los | מוֹסְרֵ֣י (moserei) = de boeien van | צַוָּארֵ֔ךְ (tsavarekh) = je nek | שְׁבִיָּ֖ה (sheviya) = gevangene | בַּת (bat) = dochter van | צִיּֽוֹן (tsiyon) = Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem en haar inwoners als een jonge vrouw voorgesteld. Wij houden ‘Dochter Sion’ als vaste naam. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft een andere vorm van het werkwoord ‘losmaken’: ‘de boeien van je nek hebben zich losgemaakt’. De voorgelezen tekst (qere) heeft de gebiedende wijs: ‘maak de boeien van je nek los’. Wij volgen de qere. Zie ook: Jes 51:14; Jes 61:1; Jer 51:45; Jer 51:50; Luc 4:18 ### Om niets verkocht, zonder geld verlost **52:3** Want zo zegt Yahweh: **„Om niets zijn jullie verkocht, en zonder geld zullen jullie verlost worden.”** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כֹה֙ (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | חִנָּ֖ם (chinam) = om niets | נִמְכַּרְתֶּ֑ם (nimkartem) = zijn jullie verkocht | וְלֹ֥א (velo) = en niet | בְכֶ֖סֶף (bekhesef) = voor geld | תִּגָּאֵֽלוּ (tigaelu) = zullen jullie verlost worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: iemand vrijkopen. Het beeld is een volk dat als slaaf is verkocht en zonder losgeld wordt vrijgemaakt. Dezelfde stam staat in ‘Verlosser’ (go’el), zie 54:5. Zie ook: Ps 44:13; Jes 45:13; Jes 50:1; Jer 15:13; 1 Petr 1:18 **52:4** Want zo zegt Heer Yahweh: **„Mijn volk daalde eerst af naar Egypte om daar als vreemdeling te wonen. En Assyrië heeft hen zonder reden onderdrukt.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = naar Egypte | יָֽרַד (yarad) = daalde af | עַמִּ֥י (ami) = Mijn volk | בָרִֽאשֹׁנָ֖ה (barishona) = eerst | לָג֣וּר (lagur) = om te verblijven | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְאַשּׁ֖וּר (veashur) = en Assyrië | בְּאֶ֥פֶס (beefes) = zonder reden | עֲשָׁקֽוֹ (ashaqo) = heeft hem onderdrukt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15. Voetnoot : בְּאֶפֶס (be’efes), ‘zonder reden’: letterlijk ‘in niets’ of ‘in een einde’. De betekenis is onzeker; het kan ook ‘tot niets’ of ‘aan het eind’ betekenen. Zie ook: Gen 46:6; Job 2:3; Ps 25:3; Ps 69:5; Jes 3:15; Hand 7:14–15 **52:5** **En nu, wat moet Ik hier, godsspraak van Yahweh? Want Mijn volk is om niets weggenomen. Zijn heersers jammeren, godsspraak van Yahweh. En voortdurend, de hele dag, wordt Mijn naam geminacht.** Brontekst: וְעַתָּ֤ה (veata) = en nu | מי (mi) = (ketiv: wie) | מַה (ma) = wat | לִּי (li) = voor Mij | פֹה֙ (po) = hier | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = want | לֻקַּ֥ח (luqach) = is weggenomen | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | חִנָּ֑ם (chinam) = om niets | מֹשְׁלָ֤יו (moshelav) = zijn heersers | יְהֵילִ֨ילוּ֙ (yeheililu) = jammeren | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְתָמִ֥יד (vetamid) = en voortdurend | כָּל (kal) = heel | הַיּ֖וֹם (hayom) = de dag | שְׁמִ֥י (shemi) = Mijn naam | מִנֹּאָֽץ (minoats) = wordt geminacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24. Hier staat de formule midden in Yahweh’s woorden en is ze rood. Voetnoot : מַה־לִּי פֹה (mah li poh), ‘wat moet Ik hier’: letterlijk ‘wat is voor Mij hier’. Yahweh vraagt wat Hij hier nog te doen heeft, nu Zijn volk om niets is weggenomen. Voetnoot : יְהֵילִילוּ (yehelilu), ‘jammeren’: het woord kan ook van een ander werkwoord komen en dan ‘juichen’ betekenen. De tekst zegt niet wie de heersers zijn. Voetnoot : נִאָץ (ni’ats), ‘minachten’: hetzelfde werkwoord als in Num. 14:11. Voetnoot Lezing: In dit vers wijkt de geschreven tekst (ketiv) twee keer af van de voorgelezen tekst (qere): bij ‘wat moet Ik hier’ en bij ‘zijn heersers’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 1:13–16; Ex 2:23–24; Num 14:11; Ps 74:10; Jes 1:24; Jes 22:16; Rom 2:24 **52:6** **Daarom zal Mijn volk Mijn naam kennen. Daarom zal het op die dag weten dat Ik het ben die spreekt. Hier ben Ik.”** Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | יֵדַ֥ע (yeda) = zal kennen | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | שְׁמִ֑י (shemi) = Mijn naam | לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִי (ani) = Ik | ה֥וּא (hu) = Hij | הַֽמְדַבֵּ֖ר (hamdaber) = die spreekt | הִנֵּֽנִי (hineni) = hier ben Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִנֵּנִי (hinneni), ‘hier ben Ik’: wat iemand zegt als hij antwoordt op een roep. Het Hebreeuws herhaalt het werkwoord ‘weten’ in de tweede zin niet; wij vullen ‘zal het weten’ aan. Zie ook: Ex 33:19; Ezech 20:44; Ezech 37:13–14; Zach 10:9–12; Heb 8:10–11 ### De boodschapper op de bergen **52:7** Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van de boodschapper die vrede laat horen. De boodschapper van het goede laat redding horen. Hij zegt tegen Sion: „Je Elohim is koning geworden!” Brontekst: מַה (ma) = hoe | נָּאו֨וּ (navu) = zijn lieflijk | עַל (al) = op | הֶהָרִ֜ים (heharim) = de bergen | רַגְלֵ֣י (raglei) = de voeten van | מְבַשֵּׂ֗ר (mevaser) = de boodschapper | מַשְׁמִ֧יעַ (mashmia) = die laat horen | שָׁל֛וֹם (shalom) = vrede | מְבַשֵּׂ֥ר (mevaser) = de boodschapper van | ט֖וֹב (tov) = het goede | מַשְׁמִ֣יעַ (mashmia) = die laat horen | יְשׁוּעָ֑ה (yeshua) = redding | אֹמֵ֥ר (omer) = die zegt | לְצִיּ֖וֹן (letsiyon) = tegen Sion | מָלַ֥ךְ (malakh) = is koning geworden | אֱלֹהָֽיִךְ (elohayikh) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מְבַשֵּׂר (mevasser), ‘boodschapper’: wie goed nieuws brengt. Het werkwoord staat ook in 2 Sam. 18:19–20, waar wij ‘goed nieuws brengen’ vertalen. Vergelijk Nah. 2:1. Voetnoot : מָלַךְ אֱלֹהָיִךְ (malakh elohayikh), ‘je Elohim is koning geworden’: het kan ook ‘je Elohim regeert’ betekenen. Vergelijk Ps. 93:1. Zie ook: 2 Sam 18:19–20; Ps 93:1; Jes 61:1–3; Nah 2:1; Mar 16:15; Rom 10:12–15 **52:8** Hoor, je wachters verheffen de stem. Samen jubelen zij. Want oog in oog zien zij hoe Yahweh naar Sion terugkeert. Brontekst: ק֥וֹל (qol) = de stem van | צֹפַ֛יִךְ (tsofayikh) = je wachters | נָ֥שְׂאוּ (naseu) = zij verheffen | ק֖וֹל (qol) = de stem | יַחְדָּ֣ו (yachdav) = samen | יְרַנֵּ֑נוּ (yeranenu) = zij jubelen | כִּ֣י (ki) = want | עַ֤יִן (ayin) = oog | בְּעַ֨יִן֙ (beayin) = in oog | יִרְא֔וּ (yiru) = zij zien | בְּשׁ֥וּב (beshuv) = bij de terugkeer van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | צִיּֽוֹן (tsiyon) = naar Sion Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: עַיִן בְּעַיִן (ayin be’ayin), ‘oog in oog’: zonder tussenpersoon, zoals in Num. 14:14. Voetnoot : בְּשׁוּב יְהוָה צִיּוֹן (beshuv Yahweh Tsiyyon): kan ‘als Yahweh naar Sion terugkeert’ betekenen, en ook ‘als Yahweh Sion doet terugkeren’. Wij kiezen het eerste. Zie ook: Num 14:14; Jes 40:9; Jes 62:6; Jer 32:39; Ezech 33:7; 1 Kor 13:12 **52:9** Breek uit in gejubel, jubel samen, ruïnes van Jeruzalem. Want Yahweh heeft Zijn volk getroost. Hij heeft Jeruzalem verlost. Brontekst: פִּצְח֤וּ (pitschu) = breek uit | רַנְּנוּ֙ (ranenu) = jubel | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | חָרְב֖וֹת (charevot) = ruïnes van | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushalaim) = Jeruzalem | כִּֽי (ki) = want | נִחַ֤ם (nicham) = heeft getroost | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַמּ֔וֹ (amo) = Zijn volk | גָּאַ֖ל (gaal) = heeft verlost | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushalaim) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Ps 98:4; Jes 44:23; Jes 48:20; Jes 51:3; Jes 55:12 **52:10** Yahweh heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken. Alle einden van de aarde zullen de redding van onze Elohim zien. Brontekst: חָשַׂ֤ף (chasaf) = heeft ontbloot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | זְר֣וֹעַ (zeroa) = arm van | קָדְשׁ֔וֹ (qadesho) = Zijn heiligheid | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וְרָאוּ֙ (verau) = en zij zullen zien | כָּל (kal) = alle | אַפְסֵי (afsei) = einden van | אָ֔רֶץ (arets) = de aarde | אֵ֖ת (et) = (obj.) | יְשׁוּעַ֥ת (yeshuat) = de redding van | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זְרוֹעַ קָדְשׁוֹ (zero’a qodsho), ‘Zijn heilige arm’: de arm is het beeld van Yahweh die ingrijpt. ‘Ontbloten’ is het beeld van een krijger die zijn mouw opstroopt. In 53:1 staat ‘de arm van Yahweh’ weer. Zie ook: Ps 98:1–3; Jes 51:9; Luc 3:6; Openb 14:6; Openb 15:4 ### Trek weg en houd je rein **52:11** Vertrek, vertrek, ga daar vandaan. Raak niets onreins aan. Ga uit haar midden weg. Houd jullie rein, jullie die de voorwerpen van Yahweh dragen. Brontekst: ס֤וּרוּ (suru) = vertrek | ס֨וּרוּ֙ (suru) = vertrek | צְא֣וּ (tseu) = ga uit | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | טָמֵ֖א (tame) = iets onreins | אַל (al) = niet | תִּגָּ֑עוּ (tigau) = raak aan | צְא֣וּ (tseu) = ga uit | מִתּוֹכָ֔הּ (mitokhah) = haar midden | הִבָּ֕רוּ (hibaru) = houd jullie rein | נֹשְׂאֵ֖י (noseei) = dragers van | כְּלֵ֥י (kelei) = de voorwerpen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלֵי יְהוָה (kelei Yahweh), ‘de voorwerpen van Yahweh’: vaten en gereedschap voor de dienst. Waarschijnlijk zijn de voorwerpen van het huis van Yahweh bedoeld (2 Kon. 25:14–15). Het kan ook een beeld zijn voor wie Yahweh dient. Zie ook: Lev 10:3; 2 Kon 25:14–15; Jes 48:20; Zach 2:10–11; 2 Kor 6:17; Ef 5:11 **52:12** Want jullie zullen niet haastig uittrekken en niet op de vlucht gaan. Want Yahweh gaat voor jullie uit, en de Elohim van Israël is jullie achterhoede. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | בְחִפָּזוֹן֙ (bechipazon) = in haast | תֵּצֵ֔אוּ (tetseu) = zullen jullie uittrekken | וּבִמְנוּסָ֖ה (uvimnusa) = en in vlucht | לֹ֣א (lo) = niet | תֵלֵכ֑וּן (telekhun) = zullen jullie gaan | כִּֽי (ki) = want | הֹלֵ֤ךְ (holekh) = gaat | לִפְנֵיכֶם֙ (lifneikhem) = voor jullie uit | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּמְאַסִּפְכֶ֖ם (umeasifkhem) = en jullie achterhoede | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְחִפָּזוֹן (bechippazon), ‘in haast’: zoals bij de uittocht uit Egypte (Exod. 12:11; Deut. 16:3). Nu hoeft het volk niet haastig te vertrekken. Zie ook: Ex 12:11; Ex 13:21–22; Ex 14:19–20; Deut 16:3; Deut 20:4; Jes 45:2; Jes 58:8 ### De Knecht van Yahweh wordt verheven **52:13** **„Zie, Mijn Knecht zal verstandig handelen. Hij zal zich verheffen, hij zal worden opgetild, en hij zal zeer hoog zijn.** Brontekst: הִנֵּ֥ה (hine) = zie | יַשְׂכִּ֖יל (yaskil) = zal verstandig handelen | עַבְדִּ֑י (avdi) = Mijn Knecht | יָר֧וּם (yarum) = zal zich verheffen | וְנִשָּׂ֛א (venisa) = en zal worden opgetild | וְגָבַ֖הּ (vegavah) = en zal hoog zijn | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn Knecht’: hier begint het vierde knechtslied (52:13–53:12). De eerste drie staan in Jes. 42:1–4, 49:1–6 en 50:4–9. Wij schrijven ‘Knecht’ met een hoofdletter waar het Hebreeuws de Knecht van Yahweh als titel bedoelt. Wie met de Knecht bedoeld wordt, laten wij open: in Jes. 49:3 heet Israël zo, en in sommige verzen lijkt het om één persoon te gaan. Voetnoot : יַשְׂכִּיל (yaskil), ‘zal verstandig handelen’: ook ‘succes hebben’. Zie Joz. 1:7–8, waar wij ‘verstandig handelen’ vertalen. Voetnoot : Hier spreekt Yahweh zelf (‘Mijn Knecht’): wij zetten 52:13–15 rood. Zie ook: Joz 1:7–8; Jes 42:1; Jes 49:1; Jes 49:3; Jer 23:5; Mat 28:18; Joh 3:31; Fil 2:7–11 **52:14** **Zoals velen over jou ontzet waren – zo misvormd was zijn uiterlijk, niet meer dat van een man, en zijn gestalte niet meer dat van de mensenkinderen –** Brontekst: כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | שָׁמְמ֤וּ (shamemu) = waren ontzet | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over jou | רַבִּ֔ים (rabim) = velen | כֵּן (ken) = zo | מִשְׁחַ֥ת (mishchat) = misvorming van | מֵאִ֖ישׁ (meish) = niet meer van een man | מַרְאֵ֑הוּ (marehu) = zijn uiterlijk | וְתֹאֲר֖וֹ (vetoaro) = en zijn gestalte | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = niet meer van de zonen van | אָדָֽם (adam) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָלֶיךָ (alekha), ‘over jou’: de tekst gaat hier plotseling over van ‘Mijn Knecht’ naar ‘jou’. De Knecht wordt even rechtstreeks aangesproken. Voetnoot : מִשְׁחַת (mishchat), ‘misvormd’: van het werkwoord ‘bederven’. מֵאִישׁ (me’ish), ‘niet meer dat van een man’: letterlijk ‘van een man af’. Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk. De zin begint met ‘zoals’ en loopt in vers 15 door met ‘zo’. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 22:7–8; Ps 22:18; Jes 50:6; Jes 52:15; Jes 53:2–5; Mat 26:67 **52:15** **zo zal hij vele volken besprenkelen. Koningen sluiten hun mond voor hem. Want wat hun niet verteld was, hebben zij gezien. En wat zij niet hadden gehoord, hebben zij begrepen.”** Brontekst: כֵּ֤ן (ken) = zo | יַזֶּה֙ (yaze) = zal hij besprenkelen | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | עָלָ֛יו (alav) = voor hem | יִקְפְּצ֥וּ (yiqpetsu) = zullen sluiten | מְלָכִ֖ים (melakhim) = koningen | פִּיהֶ֑ם (pihem) = hun mond | כִּ֠י (ki) = want | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | סֻפַּ֤ר (supar) = was verteld | לָהֶם֙ (lahem) = hun | רָא֔וּ (rau) = zij hebben gezien | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wat | לֹֽא (lo) = niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = zij hadden gehoord | הִתְבּוֹנָֽנוּ (hitbonanu) = zij hebben begrepen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַזֶּה (yazzeh), ‘zal besprenkelen’: het werkwoord wordt gebruikt voor het sprenkelen van bloed of water bij reiniging (Lev. 4:6). Hier is de betekenis onzeker; het kan ook ‘zal doen opschrikken’ betekenen. Wij laten het letterlijke woord staan. Voetnoot : יִקְפְּצוּ פִּיהֶם (yiqpetsu pihem), ‘zij sluiten hun mond’: een teken van sprakeloos ontzag. Voetnoot : Dit vers wordt aangehaald in Rom. 15:21. Zie ook: Lev 4:6; Ps 72:9–11; Jes 49:7; Ezech 36:25; Rom 15:20–21; Rom 15:21; 1 Petr 1:2 ## Jesaja 53 _Het vierde knechtslied: de Knecht draagt onze schuld_ ### Wie heeft ons bericht geloofd? **53:1** Wie heeft ons bericht geloofd? En aan wie is de arm van Yahweh geopenbaard? Brontekst: מִ֥י (mi) = wie | הֶאֱמִ֖ין (heemin) = heeft geloofd | לִשְׁמֻעָתֵ֑נוּ (lishmuatenu) = ons bericht | וּזְר֥וֹעַ (uzeroa) = en de arm van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = aan | מִ֥י (mi) = wie | נִגְלָֽתָה (niglata) = is geopenbaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Van vers 1 tot en met vers 10 spreekt een ‘wij’. De tekst zegt niet wie: het kunnen de volken en hun koningen zijn (52:15) of het volk Israël. Wij zetten dit zwart, zonder aanhalingstekens. Voetnoot : שְׁמֻעָה (shemu’ah), ‘bericht’: wat men heeft gehoord en doorvertelt. Het kan ook ‘wat wij hebben gehoord’ betekenen. Voetnoot : זְרוֹעַ יְהוָה (zero’a Yahweh), ‘de arm van Yahweh’: Yahweh die ingrijpt; zie 52:10. Dit vers wordt aangehaald in Joh. 12:38 en Rom. 10:16. Zie ook: Jes 53:10; Mat 16:17; Joh 1:12; Joh 12:38; 1 Kor 1:18; Rom 10:16–17 **53:2** Hij groeide voor Zijn aangezicht op als een scheut, als een wortel uit dor land. Hij had geen gestalte en geen luister, zodat wij naar hem zouden kijken. Hij had geen aanblik, zodat wij hem zouden begeren. Brontekst: וַיַּ֨עַל (vayaal) = en hij groeide op | כַּיּוֹנֵ֜ק (kayoneq) = als een scheut | לְפָנָ֗יו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | וְכַשֹּׁ֨רֶשׁ֙ (vekhashoresh) = en als een wortel | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit land van | צִיָּ֔ה (tsiya) = dorheid | לֹא (lo) = niet | תֹ֥אַר (toar) = gestalte | ל֖וֹ (lo) = voor hem | וְלֹ֣א (velo) = en niet | הָדָ֑ר (hadar) = luister | וְנִרְאֵ֥הוּ (venirehu) = zodat wij hem zouden zien | וְלֹֽא (velo) = en niet | מַרְאֶ֖ה (mare) = aanblik | וְנֶחְמְדֵֽהוּ (venechmedehu) = zodat wij hem zouden begeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְפָנָיו (lefanav), ‘voor Zijn aangezicht’: dat kan Yahweh zijn, zoals wij lezen, of de Knecht zelf (‘voor zich uit’). Voetnoot : יוֹנֵק (yoneq), ‘scheut’: een jonge, zwakke loot. Het woord betekent letterlijk ‘wie zuigt’, en dus ook ‘zuigeling’. Voetnoot : וְנִרְאֵהוּ (venir’ehu): letterlijk ‘en laat ons hem zien’. Wij lezen het als gevolg: ‘zodat wij naar hem zouden kijken’. Zie ook: Jes 11:1; Jes 52:14; Mar 6:3; Joh 1:10–14; Fil 2:6–7 **53:3** Hij was veracht en door de mensen gemeden, een man van pijnen, vertrouwd met ziekte. Als iemand voor wie men het gezicht verbergt, zo was hij veracht, en wij hebben hem niet geacht. Brontekst: נִבְזֶה֙ (nivze) = veracht | וַחֲדַ֣ל (vachadal) = en gemeden door | אִישִׁ֔ים (ishim) = mensen | אִ֥ישׁ (ish) = man van | מַכְאֹב֖וֹת (makhovot) = pijnen | וִיד֣וּעַ (vidua) = en bekend met | חֹ֑לִי (choli) = ziekte | וּכְמַסְתֵּ֤ר (ukhemaster) = en als een verbergen van | פָּנִים֙ (panim) = gezicht | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = voor hem | נִבְזֶ֖ה (nivze) = veracht | וְלֹ֥א (velo) = en niet | חֲשַׁבְנֻֽהוּ (chashavnuhu) = wij hebben hem geacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲדַל אִישִׁים (chadal ishim), ‘door de mensen gemeden’: van het werkwoord chadal, ‘ophouden’. Het kan ook ‘de minste van de mensen’ betekenen. Voetnoot : יְדוּעַ חֹלִי (yedua choli), ‘vertrouwd met ziekte’: letterlijk ‘bekend met ziekte’. Voetnoot : Het Hebreeuws van de tweede helft van het vers is moeilijk. Wij vertalen: ‘als iemand voor wie men het gezicht verbergt’. Zie ook: Jes 49:7; Jes 53:10; Mat 26:67; Joh 1:10–11; Heb 12:2–3 ### Onze ziekten heeft hij gedragen **53:4** Waarlijk, onze ziekten heeft hij gedragen, en onze pijnen heeft hij op zich genomen. Wij echter hielden hem voor een getroffene, door Elohim geslagen en vernederd. Brontekst: אָכֵ֤ן (akhen) = waarlijk | חֳלָיֵ֨נוּ֙ (cholayenu) = onze ziekten | ה֣וּא (hu) = hij | נָשָׂ֔א (nasa) = heeft gedragen | וּמַכְאֹבֵ֖ינוּ (umakhoveinu) = en onze pijnen | סְבָלָ֑ם (sevalam) = heeft hij op zich genomen | וַאֲנַ֣חְנוּ (vaanachnu) = en wij | חֲשַׁבְנֻ֔הוּ (chashavnuhu) = hielden hem voor | נָג֛וּעַ (nagua) = getroffene | מֻכֵּ֥ה (muke) = geslagen door | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וּמְעֻנֶּֽה (umeune) = en vernederd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא (nasa), ‘dragen’: hetzelfde werkwoord staat in vers 12 bij ‘de zonde van velen dragen’. סָבַל (saval), ‘op zich nemen’: een last torsen; zie ook vers 11. Voetnoot : נָגוּעַ (nagua), ‘getroffene’: iemand die door een slag of plaag is getroffen. Men zag in zijn lijden een straf van Elohim. Voetnoot : Dit vers wordt aangehaald in Matt. 8:17. Zie ook: Jes 53:11; Jes 53:12; Mat 8:17; Gal 3:13; 1 Petr 2:24; 1 Petr 3:18; 1 Joh 2:2 **53:5** Maar hij werd doorboord om onze overtredingen en verbrijzeld om onze schuld. De tuchtiging die ons vrede bracht, lag op hem. Door zijn striemen is er genezing voor ons. Brontekst: וְהוּא֙ (vehu) = en hij | מְחֹלָ֣ל (mecholal) = doorboord | מִפְּשָׁעֵ֔נוּ (mipeshaenu) = om onze overtredingen | מְדֻכָּ֖א (meduka) = verbrijzeld | מֵעֲוֺנֹתֵ֑ינוּ (meavonoteinu) = om onze schuld | מוּסַ֤ר (musar) = de tuchtiging van | שְׁלוֹמֵ֨נוּ֙ (shelomenu) = onze vrede | עָלָ֔יו (alav) = op hem | וּבַחֲבֻרָת֖וֹ (uvachavurato) = en door zijn striemen | נִרְפָּא (nirpa) = is er genezing | לָֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְחֹלָל (mecholal), ‘doorboord’: het kan ook ‘gewond’ betekenen. Voetnoot : מְדֻכָּא (meduka), ‘verbrijzeld’: hetzelfde werkwoord staat in vers 10 (‘hem te verbrijzelen’). Voetnoot : מוּסַר שְׁלוֹמֵנוּ (musar shlomenu), ‘de tuchtiging die ons vrede bracht’: letterlijk ‘de tuchtiging van onze vrede’. Voetnoot : חַבֻּרָה (chaburah), ‘striem’: de striem of blauwe plek van een slag. Voetnoot : Ook dit vers wordt aangehaald in 1 Petr. 2:24–25. Zie ook: Jes 53:10; Mat 20:28; 2 Kor 5:21; Rom 5:6–10; 1 Petr 2:24–25; 1 Petr 3:18 **53:6** Wij allen dwaalden af als schapen. Wij wendden ons, ieder naar zijn eigen weg. Maar Yahweh liet de schuld van ons allen op hem neerkomen. Brontekst: כֻּלָּ֨נוּ֙ (kulanu) = wij allen | כַּצֹּ֣אן (katson) = als schapen | תָּעִ֔ינוּ (tainu) = dwaalden af | אִ֥ישׁ (ish) = man | לְדַרְכּ֖וֹ (ledarko) = naar zijn weg | פָּנִ֑ינוּ (paninu) = wendden wij ons | וַֽיהוָה֙ (vaYahweh) = maar Yahweh | הִפְגִּ֣יעַ (hifgia) = liet neerkomen | בּ֔וֹ (bo) = op hem | אֵ֖ת (et) = (obj.) | עֲוֺ֥ן (avon) = de schuld van | כֻּלָּֽנוּ (kulanu) = ons allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִפְגִּיעַ (hifgia), ‘liet neerkomen’: van het werkwoord paga, ‘treffen’. In vers 12 staat dezelfde stam in ‘komt hij tussenbeide’. Zie ook: Ps 119:176; Jes 53:12; Jes 55:7; Rom 4:25; 1 Petr 2:25; 1 Petr 3:18 ### Als een lam naar de slacht **53:7** Hij werd onderdrukt en hij werd vernederd. Hij deed zijn mond niet open. Als een lam wordt hij naar de slacht geleid, en als een ooi is hij stom voor haar scheerders. Hij deed zijn mond niet open. Brontekst: נִגַּ֨שׂ (nigas) = werd onderdrukt | וְה֣וּא (vehu) = en hij | נַעֲנֶה֮ (naane) = werd vernederd | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִפְתַּח (yiftach) = opent hij | פִּיו֒ (piv) = zijn mond | כַּשֶּׂה֙ (kase) = als een lam | לַטֶּ֣בַח (latevach) = naar de slacht | יוּבָ֔ל (yuval) = wordt hij geleid | וּכְרָחֵ֕ל (ukherachel) = en als een ooi | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | גֹזְזֶ֖יהָ (gozezeiha) = haar scheerders | נֶאֱלָ֑מָה (neelama) = is stom | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִפְתַּ֖ח (yiftach) = opent hij | פִּֽיו (piv) = zijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִגַּשׂ (niggas), ‘werd onderdrukt’: het werkwoord kan ook ‘werd opgeëist’ betekenen, zoals een schuld wordt opgeëist. וְהוּא נַעֲנֶה (vehu na’aneh), ‘en hij werd vernederd’: ook ‘en hij liet zich vernederen’. Voetnoot : De verzen 7 en 8 worden aangehaald in Hand. 8:32–33. Zie ook: Mat 26:63; Mat 27:12–14; Mar 14:61; Hand 8:32–33; 1 Petr 2:23 **53:8** Door onderdrukking en rechtspraak is hij weggenomen. En wie denkt na over zijn generatie? Want hij is afgesneden uit het land van de levenden. Om de overtreding van mijn volk trof de slag hem. Brontekst: מֵעֹ֤צֶר (meotser) = uit onderdrukking | וּמִמִּשְׁפָּט֙ (umimishpat) = en uit rechtspraak | לֻקָּ֔ח (luqach) = is weggenomen | וְאֶת (veet) = en wat betreft | דּוֹר֖וֹ (doro) = zijn generatie | מִ֣י (mi) = wie | יְשׂוֹחֵ֑חַ (yesocheach) = zal nadenken | כִּ֤י (ki) = want | נִגְזַר֙ (nigzar) = is afgesneden | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | חַיִּ֔ים (chayim) = de levenden | מִפֶּ֥שַׁע (mipesha) = om de overtreding van | עַמִּ֖י (ami) = mijn volk | נֶ֥גַע (nega) = de slag | לָֽמוֹ (lamo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹצֶר (otser), ‘onderdrukking’: letterlijk ‘beknelling’, ook ‘dwang’ of ‘gevangenschap’. Het voorzetsel kan ‘uit’ of ‘door’ betekenen. Voetnoot : דּוֹר (dor), ‘generatie’: het kan ook ‘tijdgenoten’, ‘nageslacht’ of ‘woonplaats’ betekenen. De zin is moeilijk. Voetnoot : לָמוֹ (lamo), ‘voor hen’: een dichterlijke vorm, die soms ook voor ‘voor hem’ staat. Wij lezen ‘hem’, omdat de slag de Knecht trof. Voetnoot : עַמִּי (ammi), ‘mijn volk’: wie hier ‘mijn’ zegt, is niet duidelijk. Wij houden het zwart, bij de spreker van het ‘wij’. Zie ook: Ps 22:13–22; Mat 26:65–66; Joh 19:7; Hand 8:33; 1 Petr 3:18 **53:9** Men gaf hem zijn graf bij de goddelozen en bij een rijke in zijn dood. Toch had hij geen geweld gedaan, en er was geen bedrog in zijn mond. Brontekst: וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en men gaf | אֶת (et) = met | רְשָׁעִים֙ (reshaim) = goddelozen | קִבְר֔וֹ (qivro) = zijn graf | וְאֶת (veet) = en met | עָשִׁ֖יר (ashir) = een rijke | בְּמֹתָ֑יו (bemotav) = in zijn dood | עַ֚ל (al) = hoewel | לֹא (lo) = niet | חָמָ֣ס (chamas) = geweld | עָשָׂ֔ה (asa) = had hij gedaan | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מִרְמָ֖ה (mirma) = bedrog | בְּפִֽיו (befiv) = in zijn mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּתֵּן (vayyiten), ‘men gaf’: het onderwerp is niet genoemd. Het kan ook ‘hij gaf’ betekenen. Voetnoot : בְּמֹתָיו (bemotav), ‘in zijn dood’: het Hebreeuws heeft een meervoud, letterlijk ‘in zijn doden’. De betekenis is onzeker; met andere klinkers kan het ‘zijn grafheuvel’ zijn. Voetnoot : עַל לֹא (al lo), ‘omdat niet’ of ‘hoewel niet’: wij vertalen met ‘toch’. Voetnoot : Dit vers wordt aangehaald in 1 Petr. 2:22. Zie ook: Mat 27:57–60; Mar 15:43–46; 2 Kor 5:21; 1 Petr 2:22; 1 Joh 3:5 ### Yahweh had er behagen in **53:10** Maar Yahweh had er behagen in hem te verbrijzelen. Hij heeft hem ziek gemaakt. Als hij zijn ziel tot schuldoffer stelt, zal hij nageslacht zien en zijn dagen verlengen. En wat Yahweh behaagt, zal door zijn hand slagen. Brontekst: וַיהוָ֞ה (vaYahweh) = en Yahweh | חָפֵ֤ץ (chafets) = had behagen | דַּכְּאוֹ֙ (dakeo) = om hem te verbrijzelen | הֶֽחֱלִ֔י (hecheli) = heeft Hij ziek gemaakt | אִם (im) = als | תָּשִׂ֤ים (tasim) = stelt hij | אָשָׁם֙ (asham) = schuldoffer | נַפְשׁ֔וֹ (nafsho) = zijn ziel | יִרְאֶ֥ה (yire) = hij zal zien | זֶ֖רַע (zera) = nageslacht | יַאֲרִ֣יךְ (yaarikh) = hij zal verlengen | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וְחֵ֥פֶץ (vechefets) = en het behagen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיָד֥וֹ (beyado) = door zijn hand | יִצְלָֽח (yitslach) = zal slagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחֱלִי (hechli), ‘Hij heeft hem ziek gemaakt’: van het werkwoord chalah, ‘ziek zijn’. Voetnoot : אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’: het offer voor schuld (Lev. 5:15; 7:1). תָּשִׂים (tasim) kan ‘jij stelt’ of ‘zijn ziel stelt’ betekenen. Wij lezen: ‘als hij zijn ziel tot schuldoffer stelt’. Zie ook: Lev 5:15; Lev 7:1; Zach 13:7; Gal 3:13; 2 Kor 5:21; Rom 8:32; Ef 1:5 ### Mijn Knecht maakt velen rechtvaardig **53:11** **„Na de moeite van zijn ziel zal hij het zien en verzadigd worden. Door zijn kennis zal de rechtvaardige, Mijn Knecht, de velen rechtvaardig maken. En hun schuld zal hij op zich nemen.** Brontekst: מֵעֲמַ֤ל (meamal) = na de moeite van | נַפְשׁוֹ֙ (nafsho) = zijn ziel | יִרְאֶ֣ה (yire) = zal hij zien | יִשְׂבָּ֔ע (yisba) = zal hij verzadigd worden | בְּדַעְתּ֗וֹ (bedato) = door zijn kennis | יַצְדִּ֥יק (yatsdiq) = zal rechtvaardig maken | צַדִּ֛יק (tsadiq) = de rechtvaardige | עַבְדִּ֖י (avdi) = Mijn Knecht | לָֽרַבִּ֑ים (larabim) = de velen | וַעֲוֺנֹתָ֖ם (vaavonotam) = en hun schuld | ה֥וּא (hu) = hij | יִסְבֹּֽל (yisbol) = zal op zich nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh weer (vergelijk 52:13–15). ‘Mijn Knecht’ is het teken; wij zetten de verzen 11 en 12 rood. Of het al in vers 10 begint, is niet te zeggen. Voetnoot : עֲמַל (amal), ‘moeite’: zware inspanning, ook leed. Voetnoot : יִרְאֶה (yireh), ‘hij zal het zien’: het Hebreeuws noemt niet wat hij zal zien. Voetnoot : יַצְדִּיק (yatsdiq), ‘zal rechtvaardig maken’: dezelfde stam als צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardige’. De vorm kan ook ‘rechtvaardig verklaren’ betekenen. Voetnoot : בְּדַעְתּוֹ (bedaato), ‘door zijn kennis’: ook ‘door de kennis van hem’. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Jes 53:4–6; Jes 53:10; Jes 53:12; Rom 5:18–19; 1 Petr 2:24; Openb 5:9–10 **53:12** **Daarom zal Ik hem een aandeel geven onder de velen. Met de machtigen zal hij de buit verdelen, omdat hij zijn ziel tot in de dood heeft uitgestort en onder de overtreders is geteld. Hij heeft de zonde van velen gedragen, en voor de overtreders komt hij tussenbeide.”** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | אֲחַלֶּק (achaleq) = zal Ik toewijzen | ל֣וֹ (lo) = aan hem | בָרַבִּ֗ים (barabim) = onder de velen | וְאֶת (veet) = en met | עֲצוּמִים֮ (atsumim) = machtigen | יְחַלֵּ֣ק (yechaleq) = zal hij verdelen | שָׁלָל֒ (shalal) = buit | תַּ֗חַת (tachat) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | הֶעֱרָ֤ה (heera) = heeft uitgestort | לַמָּ֨וֶת֙ (lamavet) = tot de dood | נַפְשׁ֔וֹ (nafsho) = zijn ziel | וְאֶת (veet) = en met | פֹּשְׁעִ֖ים (posheim) = overtreders | נִמְנָ֑ה (nimna) = is geteld | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | חֵטְא (chete) = de zonde van | רַבִּ֣ים (rabim) = velen | נָשָׂ֔א (nasa) = heeft gedragen | וְלַפֹּשְׁעִ֖ים (velaposheim) = en voor de overtreders | יַפְגִּֽיעַ (yafgia) = komt hij tussenbeide Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצוּמִים (atsumim), ‘machtigen’: het woord אֶת (et) kan ‘met’ betekenen of het lijdend voorwerp aanduiden. Wij lezen ‘met de machtigen zal hij de buit verdelen’; het kan ook ‘de machtigen zal hij als buit verdelen’ zijn. Voetnoot : הֶעֱרָה (he’erah), ‘heeft uitgestort’: hetzelfde werkwoord staat in Ps. 141:8 (‘stort mijn ziel niet uit’). Voetnoot : יַפְגִּיעַ (yafgia), ‘komt hij tussenbeide’: dezelfde stam als ‘liet neerkomen’ in vers 6. Het werkwoord betekent ook ‘treffen’ en ‘een verzoek doen’. Voetnoot : Dit vers wordt aangehaald in Luc. 22:37. Zie ook: Ps 141:8; Jes 53:6; Mar 15:27; Luc 22:37; Luc 23:32–34; Heb 9:28; 1 Joh 2:12 ## Jesaja 54 _Jubel, onvruchtbare: Yahweh ontfermt Zich over Sion_ ### Jubel, jij die niet gebaard hebt **54:1** **„Jubel, onvruchtbare, jij die niet gebaard hebt. Breek uit in gejubel en schreeuw het uit, jij die geen weeën hebt gehad. Want de zonen van de verwoeste vrouw zijn talrijker dan de zonen van de gehuwde vrouw, zegt Yahweh.** Brontekst: רָנִּ֥י (rani) = jubel | עֲקָרָ֖ה (aqara) = onvruchtbare | לֹ֣א (lo) = niet | יָלָ֑דָה (yalada) = heeft gebaard | פִּצְחִ֨י (pitschi) = breek uit | רִנָּ֤ה (rina) = in gejubel | וְצַהֲלִי֙ (vetsahali) = en schreeuw het uit | לֹא (lo) = niet | חָ֔לָה (chala) = had weeën | כִּֽי (ki) = want | רַבִּ֧ים (rabim) = talrijker | בְּֽנֵי (benei) = zonen van | שׁוֹמֵמָ֛ה (shomema) = de verwoeste | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = dan de zonen van | בְעוּלָ֖ה (beula) = de gehuwde | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹמֵמָה (shomemah), ‘de verwoeste vrouw’: een vrouw die alleen is en zonder kinderen. Hetzelfde woord staat in 2 Sam. 13:20 bij Tamar. Voetnoot : בְעוּלָה (be’ulah), ‘de gehuwde vrouw’: de vrouw die een echtgenoot (ba’al) heeft; zie vers 5. Voetnoot : Het beeld is Sion als vrouw. Dit vers wordt aangehaald in Gal. 4:27. Zie ook: 1 Sam 2:5; 2 Sam 13:20; Jes 54:5; Jes 62:4; Zach 9:9; Gal 4:27; Heb 11:11–12 **54:2** **Maak de plaats van je tent groter. Laat de tentdoeken van je woningen uitspannen. Houd je niet in. Maak je koorden lang en je tentpinnen stevig.** Brontekst: הַרְחִ֣יבִי (harchivi) = maak ruim | מְק֣וֹם (meqom) = de plaats van | אָהֳלֵ֗ךְ (aholekh) = je tent | וִירִיע֧וֹת (viriot) = en de tentdoeken van | מִשְׁכְּנוֹתַ֛יִךְ (mishkenotayikh) = je woningen | יַטּ֖וּ (yatu) = laat uitspannen | אַל (al) = niet | תַּחְשֹׂ֑כִי (tachsokhi) = houd je in | הַאֲרִ֨יכִי֙ (haarikhi) = maak lang | מֵֽיתָרַ֔יִךְ (meitarayikh) = je koorden | וִיתֵדֹתַ֖יִךְ (vitedotayikh) = en je tentpinnen | חַזֵּֽקִי (chazeqi) = maak sterk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tent is het beeld van een volk dat groeit. De stad moet groter worden, en daarom worden doeken, koorden en pinnen verlengd en verstevigd. Zie ook: Ex 35:18; Ex 39:40; Jes 33:20; Jes 49:19–20; Jer 10:20 **54:3** **Want naar rechts en naar links zul je je uitbreiden. Je nageslacht zal volken in bezit nemen, en zij zullen verwoeste steden bevolken.** Brontekst: כִּי (ki) = want | יָמִ֥ין (yamin) = naar rechts | וּשְׂמֹ֖אול (usemovl) = en naar links | תִּפְרֹ֑צִי (tifrotsi) = zul je uitbreken | וְזַרְעֵךְ֙ (vezarekh) = en je nageslacht | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | יִירָ֔שׁ (yirash) = zal in bezit nemen | וְעָרִ֥ים (vearim) = en steden | נְשַׁמּ֖וֹת (neshamot) = verwoest | יוֹשִֽׁיבוּ (yoshivu) = zullen laten wonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹשִׁיבוּ (yoshivu), ‘zullen bevolken’: letterlijk ‘zullen doen wonen’. Zie ook: Gen 28:14; Ps 72:8–11; Jes 43:5–6; Jes 49:18–19; Ezech 36:35–36 ### Wees niet bang **54:4** **Wees niet bang, want je zult niet beschaamd worden. Word niet vernederd, want je zult niet schaamrood worden. Want de schande van je jeugd zul je vergeten. De smaad van je weduwschap zul je niet meer gedenken.** Brontekst: אַל (al) = niet | תִּֽירְאִי֙ (tirei) = wees bang | כִּי (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | תֵב֔וֹשִׁי (tevoshi) = zul je beschaamd worden | וְאַל (veal) = en niet | תִּכָּלְמִ֖י (tikalemi) = word vernederd | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | תַחְפִּ֑ירִי (tachpiri) = zul je schaamrood worden | כִּ֣י (ki) = want | בֹ֤שֶׁת (boshet) = de schande van | עֲלוּמַ֨יִךְ֙ (alumayikh) = je jeugd | תִּשְׁכָּ֔חִי (tishkachi) = zul je vergeten | וְחֶרְפַּ֥ת (vecherpat) = en de smaad van | אַלְמְנוּתַ֖יִךְ (almenutayikh) = je weduwschap | לֹ֥א (lo) = niet | תִזְכְּרִי (tizkeri) = zul je gedenken | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Drie werkwoorden voor schaamte: בּוֹשׁ (bosh), ‘beschaamd worden’, כָּלַם (kalam), ‘vernederd worden’, en חָפֵר (chafer), ‘schaamrood worden’. Wij houden ze bij hetzelfde Nederlandse woord als in Ps. 35:4. Voetnoot : עֲלוּמַיִךְ (alumayikh), ‘je jeugd’: de jonge jaren. De schande van de jeugd en de smaad van het weduwschap zijn beelden voor Sions verleden. Zie ook: Ps 35:4; Jes 41:10; Jes 51:7; Jes 61:7; Jer 31:19; 1 Petr 2:6 **54:5** Want je Echtgenoot is je Maker. Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Je Verlosser is de Heilige van Israël. Elohim van de hele aarde wordt Hij genoemd. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | בֹעֲלַ֨יִךְ֙ (boalayikh) = je Echtgenoot | עֹשַׂ֔יִךְ (osayikh) = je Maker | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁמ֑וֹ (shemo) = is Zijn naam | וְגֹֽאֲלֵךְ֙ (vegoalekh) = en je Verlosser | קְד֣וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | כָל (kal) = de hele | הָאָ֖רֶץ (haarets) = aarde | יִקָּרֵֽא (yiqare) = wordt Hij genoemd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers staat zwart: het is een lofwoord over Yahweh met de naamformule ‘Yahweh van de legermachten is Zijn naam’, zoals in 51:15 en Amos 5:27. De rest van de toespraak (54:1–17) staat rood. Voetnoot : בֹּעֲלַיִךְ עֹשַׂיִךְ (bo’alayikh osayikh), ‘je Echtgenoot is je Maker’: het Hebreeuws heeft hier meervoudsvormen, die bij Yahweh de volheid van Zijn majesteit uitdrukken. Wij vertalen in het enkelvoud. Voetnoot : גֹּאֲלֵךְ (go’alekh), ‘je Verlosser’: wie familie vrijkoopt (go’el); zie 52:3. Voetnoot : קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een naam voor Yahweh die in Jesaja vaak voorkomt. Wij vertalen hem overal zo. Zie ook: Amos 5:27; Hos 2:21–22; Jes 48:17; Ezech 16:8; 2 Kor 11:2–3; Ef 5:25–27 **54:6** **Want als een verlaten vrouw, bedroefd van geest, heeft Yahweh je geroepen, als de vrouw van de jeugd, wanneer zij verworpen is, zegt je Elohim.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כְאִשָּׁ֧ה (keisha) = als een vrouw | עֲזוּבָ֛ה (azuva) = verlaten | וַעֲצ֥וּבַת (vaatsuvat) = en bedroefd van | ר֖וּחַ (ruach) = geest | קְרָאָ֣ךְ (qeraakh) = heeft je geroepen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֵ֧שֶׁת (veeshet) = en de vrouw van | נְעוּרִ֛ים (neurim) = de jeugd | כִּ֥י (ki) = wanneer | תִמָּאֵ֖ס (timaes) = zij verworpen is | אָמַ֥ר (amar) = zegt | אֱלֹהָֽיִךְ (elohayikh) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵשֶׁת נְעוּרִים (eshet ne’urim), ‘de vrouw van de jeugd’: de vrouw met wie men als jonge man trouwde (vergelijk Spr. 5:18). Voetnoot : כִּי תִמָּאֵס (ki timma’es), ‘wanneer zij verworpen is’: het woordje ki kan ook ‘want’ of ‘hoewel’ betekenen. Zie ook: Spr 5:18; Pred 9:9; Hos 2:3–4; Hos 2:16–17; Jes 62:4 ### Een ogenblik verlaten, voor eeuwig ontferming **54:7** **Voor een kort ogenblik heb Ik je verlaten, maar met grote ontferming zal Ik je bijeenbrengen.** Brontekst: בְּרֶ֥גַע (berega) = voor een ogenblik | קָטֹ֖ן (qaton) = kort | עֲזַבְתִּ֑יךְ (azavtikh) = heb Ik je verlaten | וּבְרַחֲמִ֥ים (uverachamim) = en met ontferming | גְּדֹלִ֖ים (gedolim) = grote | אֲקַבְּצֵֽךְ (aqabetsekh) = zal Ik je bijeenbrengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 30:3; Ps 30:6; Jes 26:20; Mi 4:6; 2 Petr 3:8 **54:8** **In een golf van toorn verborg Ik even Mijn aangezicht voor je. Maar met trouw voor eeuwig heb Ik Mij over je ontfermd, zegt je Verlosser, Yahweh.** Brontekst: בְּשֶׁ֣צֶף (beshetsef) = in een golf van | קֶ֗צֶף (qetsef) = toorn | הִסְתַּ֨רְתִּי (histarti) = verborg Ik | פָנַ֥י (panay) = Mijn aangezicht | רֶ֨גַע֙ (rega) = een ogenblik | מִמֵּ֔ךְ (mimekh) = voor jou | וּבְחֶ֥סֶד (uvechesed) = en met trouw | עוֹלָ֖ם (olam) = voor eeuwig | רִֽחַמְתִּ֑יךְ (richamtikh) = heb Ik Mij ontfermd over je | אָמַ֥ר (amar) = zegt | גֹּאֲלֵ֖ךְ (goalekh) = je Verlosser | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁצֶף (shetsef), ‘golf’: een zeldzaam woord. Het betekent waarschijnlijk ‘overstroming’; wij vertalen ‘golf van toorn’. Voetnoot : חֶסֶד עוֹלָם (chesed olam), ‘trouw voor eeuwig’: de trouw van Yahweh die niet ophoudt; zie ook vers 10. Zie ook: Jes 54:10; Jes 60:10; Jer 31:3; Ezech 39:23–24; 1 Tim 1:16 **54:9** **Want dit is voor Mij als de wateren van Noach. Zoals Ik gezworen heb dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan, zo heb Ik gezworen niet meer toornig op je te zijn en je niet meer te bestraffen.** Brontekst: כִּי (ki) = want | מֵ֥י (mei) = wateren van | נֹ֨חַ֙ (noach) = Noach | זֹ֣את (zot) = dit | לִ֔י (li) = voor Mij | אֲשֶׁ֣ר (asher) = zoals | נִשְׁבַּ֗עְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | מֵעֲבֹ֥ר (meavor) = dat niet meer overgaan | מֵי (mei) = wateren van | נֹ֛חַ (noach) = Noach | ע֖וֹד (od) = meer | עַל (al) = over | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | כֵּ֥ן (ken) = zo | נִשְׁבַּ֛עְתִּי (nishbati) = heb Ik gezworen | מִקְּצֹ֥ף (miqetsof) = toornig te zijn | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = op jou | וּמִגְּעָר (umigear) = en te bestraffen | בָּֽךְ (bakh) = jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De wateren van Noach’ zijn de wateren van de vloed. Yahweh zwoer dat er geen vloed meer zou komen (Gen. 8:21; 9:11, 15). Zo zweert Hij nu dat Zijn toorn Sion niet meer zal treffen. Zie ook: Gen 8:21; Gen 9:11–16; Jes 12:1; Ezech 39:20; Heb 6:16–18 **54:10** **Want de bergen mogen wijken en de heuvels wankelen, maar Mijn trouw zal niet van je wijken. Het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen, zegt Yahweh, die zich over je ontfermt.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | הֶֽהָרִים֙ (heharim) = de bergen | יָמ֔וּשׁוּ (yamushu) = zullen wijken | וְהַגְּבָע֖וֹת (vehagevaot) = en de heuvels | תְּמוּטֶ֑נָה (temutena) = zullen wankelen | וְחַסְדִּ֞י (vechasdi) = en Mijn trouw | מֵאִתֵּ֣ךְ (meitekh) = van jou | לֹֽא (lo) = niet | יָמ֗וּשׁ (yamush) = zal wijken | וּבְרִ֤ית (uverit) = en het verbond van | שְׁלוֹמִי֙ (shelomi) = Mijn vrede | לֹ֣א (lo) = niet | תָמ֔וּט (tamut) = zal wankelen | אָמַ֥ר (amar) = zegt | מְרַחֲמֵ֖ךְ (merachamekh) = die zich over je ontfermt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית שְׁלוֹמִי (berit shlomi), ‘het verbond van Mijn vrede’: de vrede (shalom) die Yahweh zelf waarborgt. Vergelijk Num. 25:12. Zie ook: Num 25:12; Ps 46:3; Ps 89:34–35; Mat 24:35; Rom 11:29; Ef 2:4–5 ### Een stad van edelstenen **54:11** **Ellendige, door de storm geslagen, niet getroost: zie, Ik zet je stenen in antimoon en Ik leg je grondvesten met saffieren.** Brontekst: עֲנִיָּ֥ה (aniya) = ellendige | סֹעֲרָ֖ה (soara) = door de storm geslagen | לֹ֣א (lo) = niet | נֻחָ֑מָה (nuchama) = getroost | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אָנֹכִ֜י (anokhi) = Ik | מַרְבִּ֤יץ (marbits) = laat rusten | בַּפּוּךְ֙ (bapukh) = in antimoon | אֲבָנַ֔יִךְ (avanayikh) = je stenen | וִיסַדְתִּ֖יךְ (visadtikh) = en Ik vestig je | בַּסַּפִּירִֽים (basapirim) = met saffieren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פּוּךְ (puk), ‘antimoon’: een donker poeder dat vrouwen gebruikten om de ogen te omlijnen. Hier lijkt het de specie waarin de stenen worden gezet; de betekenis is onzeker. Voetnoot : סַפִּיר (sappir), ‘saffier’: een blauwe edelsteen. Het kan ook lapis lazuli zijn; zie Exod. 24:10. Vergelijk Openb. 21:18–21. Zie ook: Ex 24:10; 1 Kron 29:2; Jes 54:6; Jer 30:17; Hand 14:22; 1 Petr 2:4–6; Openb 21:18–21 **54:12** **Ik maak je kantelen van robijn, je poorten van vonkelende stenen en heel je grens van kostbare stenen.** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֤י (vesamti) = en Ik maak | כַּֽדְכֹד֙ (kadkhod) = robijn | שִׁמְשֹׁתַ֔יִךְ (shimshotayikh) = je kantelen | וּשְׁעָרַ֖יִךְ (ushearayikh) = en je poorten | לְאַבְנֵ֣י (leavnei) = tot stenen van | אֶקְדָּ֑ח (eqdach) = vonkeling | וְכָל (vekhal) = en heel | גְּבוּלֵ֖ךְ (gevulekh) = je grens | לְאַבְנֵי (leavnei) = tot stenen van | חֵֽפֶץ (chefets) = behagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּדְכֹּד (kadkod), ‘robijn’, en אֶקְדָּח (eqdach), ‘vonkelende stenen’: namen van edelstenen. Welke stenen precies bedoeld zijn, is onzeker. Voetnoot : שִׁמְשֹׁתַיִךְ (shimshotayikh), ‘je kantelen’: het woord hangt samen met ‘zon’ (shemesh); de betekenis is onzeker. Voetnoot : גְּבוּל (gevul), ‘grens’: hier de omtrek van de stad, de muur. **54:13** **Al je zonen zullen onderwezen zijn door Yahweh, en de vrede van je zonen zal groot zijn.** Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | בָּנַ֖יִךְ (banayikh) = je zonen | לִמּוּדֵ֣י (limudei) = onderwezenen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְרַ֖ב (verav) = en groot | שְׁל֥וֹם (shelom) = vrede | בָּנָֽיִךְ (banayikh) = je zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִמּוּדֵי יְהוָה (limmudei Yahweh), ‘onderwezen door Yahweh’: leerlingen van Yahweh. Yahweh wordt hier in de derde persoon genoemd; het vers blijft deel van Zijn toespraak (54:1–17) en staat rood, zoals 51:3 en 54:6. Het wordt aangehaald in Joh. 6:45. Zie ook: Ps 119:165; Jer 31:34; Joh 6:45; Fil 4:7; Heb 8:10 ### Veilig in gerechtigheid **54:14** **In gerechtigheid word je stevig gevestigd. Wees ver van onderdrukking, want je zult niet bang zijn. Wees ver van verschrikking, want zij zal niet bij je komen.** Brontekst: בִּצְדָקָ֖ה (bitsdaqa) = in gerechtigheid | תִּכּוֹנָ֑נִי (tikonani) = word je gevestigd | רַחֲקִ֤י (rachaqi) = wees ver | מֵעֹ֨שֶׁק֙ (meosheq) = van onderdrukking | כִּֽי (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | תִירָ֔אִי (tirai) = zul je bang zijn | וּמִ֨מְּחִתָּ֔ה (umimechita) = en van verschrikking | כִּ֥י (ki) = want | לֹֽא (lo) = niet | תִקְרַ֖ב (tiqrav) = zal naderen | אֵלָֽיִךְ (elayikh) = tot jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 3:25–26; Jer 30:10; Ezech 36:27–28; Zach 2:8–9; Zach 9:8 **54:15** **Zie, als men twist zoekt, dan is het niet van Mij. Wie met je twist zoekt, zal om jou vallen.** Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | גּ֥וֹר (gor) = twist zoeken | יָג֛וּר (yagur) = zal men twist zoeken | אֶ֖פֶס (efes) = niets | מֵֽאוֹתִ֑י (meoti) = van Mij | מִי (mi) = wie | גָ֥ר (gar) = twist zoekt | אִתָּ֖ךְ (itakh) = met jou | עָלַ֥יִךְ (alayikh) = om jou | יִפּֽוֹל (yipol) = zal vallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹר יָגוּר (gor yagur), ‘twist zoeken’: het werkwoord gur betekent ‘verblijven’, maar ook ‘zich verzamelen om te twisten’. De betekenis is onzeker. Voetnoot : אֶפֶס מֵאוֹתִי (efes me’oti), ‘niet van Mij’: letterlijk ‘nietigheid van Mij’. Voetnoot : עָלַיִךְ יִפּוֹל (alayikh yippol), ‘zal om jou vallen’: het kan ook ‘zal over je vallen’ of ‘zal tot jou overlopen’ betekenen. Zie ook: Ps 37:12–13; Jes 41:11–16; Jes 43:3–4; Zach 2:12; Zach 12:9 **54:16** **Zie, Ik heb de smid geschapen, die het houtskoolvuur aanblaast en een wapen voortbrengt voor zijn werk. En Ik heb de verderver geschapen om te vernietigen.** Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie (qere) | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | בָּרָ֣אתִי (barati) = heb geschapen | חָרָ֔שׁ (charash) = smid | נֹפֵ֨חַ֙ (nofeach) = die aanblaast | בְּאֵ֣שׁ (beesh) = in vuur van | פֶּחָ֔ם (pecham) = houtskool | וּמוֹצִ֥יא (umotsi) = en tevoorschijn brengt | כְלִ֖י (keli) = wapen | לְמַעֲשֵׂ֑הוּ (lemaasehu) = voor zijn werk | וְאָנֹכִ֛י (veanokhi) = en Ik | בָּרָ֥אתִי (barati) = heb geschapen | מַשְׁחִ֖ית (mashchit) = verderver | לְחַבֵּֽל (lechabel) = om te vernietigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרָשׁ (charash), ‘smid’: iemand die met metaal werkt. Voetnoot : כְּלִי (keli), ‘wapen’: eigenlijk ‘voorwerp’ of ‘gereedschap’; hier is het een wapen, zoals in vers 17. Voetnoot : מַשְׁחִית (mashchit), ‘verderver’: hetzelfde woord als in Exod. 12:23. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft הֵן (hen), ‘zie’. De voorgelezen tekst (qere) heeft הִנֵּה (hinneh), ‘zie’. De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 9:16; Ex 12:23; Spr 16:4; Jes 10:5–6; Jes 10:15; Jes 46:11; Jes 54:17 **54:17** **Geen enkel wapen dat tegen je gevormd wordt, zal slagen. En elke tong die in een rechtszaak tegen je opstaat, zul je schuldig verklaren. Dit is het erfdeel van de knechten van Yahweh, en hun gerechtigheid is van Mij, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: כָּל (kal) = elk | כְּלִ֞י (keli) = wapen | יוּצַ֤ר (yutsar) = dat gevormd wordt | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = tegen jou | לֹ֣א (lo) = niet | יִצְלָ֔ח (yitslach) = zal slagen | וְכָל (vekhal) = en elke | לָשׁ֛וֹן (lashon) = tong | תָּֽקוּם (taqum) = die opstaat | אִתָּ֥ךְ (itakh) = tegen jou | לַמִּשְׁפָּ֖ט (lamishpat) = in rechtszaak | תַּרְשִׁ֑יעִי (tarshii) = zul je schuldig verklaren | זֹ֡את (zot) = dit | נַחֲלַת֩ (nachalat) = erfdeel van | עַבְדֵ֨י (avdei) = knechten van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | וְצִדְקָתָ֛ם (vetsidqatam) = en hun gerechtigheid | מֵאִתִּ֖י (meiti) = van Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדֵי יְהוָה (avdei Yahweh), ‘de knechten van Yahweh’: het meervoud van het woord voor ‘knecht’. Het volgt op het lied over de Knecht; wie precies bedoeld wordt, noemt de tekst niet. Wij schrijven ‘knechten’ met een kleine letter. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: hier de rechtszaak waarin de tong tegen Sion optreedt. Voetnoot : תַּרְשִׁיעִי (tarshi’i), ‘zul je schuldig verklaren’: het tegenovergestelde van ‘rechtvaardig verklaren’ in 53:11. Voetnoot : צִדְקָתָם (tsidqatam), ‘hun gerechtigheid’: die komt van Yahweh zelf. Zie ook: Jes 50:8; Jes 54:15; Joh 10:28–30; Rom 8:1; Rom 8:28–39 ## Jesaja 55 _Kom zonder geld: zoek Yahweh, want Zijn woord keert niet leeg terug_ ### Kom en koop zonder geld **55:1** **„Ho, ieder die dorst heeft, kom naar het water. En wie geen geld heeft: kom, koop en eet. Kom, koop zonder geld en zonder prijs wijn en melk.** Brontekst: ה֤וֹי (hoy) = ho | כָּל (kal) = ieder | צָמֵא֙ (tsame) = die dorst heeft | לְכ֣וּ (lekhu) = kom | לַמַּ֔יִם (lamayim) = naar het water | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wie | אֵֽין (ein) = niet is | ל֖וֹ (lo) = voor hem | כָּ֑סֶף (kasef) = geld | לְכ֤וּ (lekhu) = kom | שִׁבְרוּ֙ (shivru) = koop | וֶֽאֱכֹ֔לוּ (veekholu) = en eet | וּלְכ֣וּ (ulekhu) = en kom | שִׁבְר֗וּ (shivru) = koop | בְּלוֹא (belo) = zonder | כֶ֛סֶף (kesef) = geld | וּבְל֥וֹא (uvelo) = en zonder | מְחִ֖יר (mechir) = prijs | יַ֥יִן (yayin) = wijn | וְחָלָֽב (vechalav) = en melk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint de toespraak van Yahweh; Zijn woorden staan rood. Het Hebreeuws zegt niet met een formule dat Hij spreekt, maar het ‘Mij’ in vers 2 en 3 laat het zien. Voetnoot : הוֹי (hoy), ‘ho’: elders in dit boek is dit woord een klacht en vertalen wij ‘wee’. Hier is het een roep om aandacht. Voetnoot : שִׁבְרוּ (shivru), ‘koop’: het werkwoord שָׁבַר (shavar) betekent ‘graan kopen’, zoals in Gen. 42:2. Het gaat hier om voedsel en drank die niets kosten. Zie ook: Gen 42:2; Jes 44:3; Jes 55:2; Jes 55:3; Joh 4:10–14; Joh 7:37–38; Openb 21:6; Openb 22:17 **55:2** **Waarom wegen jullie geld af voor wat geen brood is, en jullie zwoegen voor wat niet verzadigt? Luister goed naar Mij en eet het goede. Laat jullie ziel genieten van het vette.** Brontekst: לָ֤מָּה (lama) = waarom | תִשְׁקְלוּ (tishqelu) = weeg je af | כֶ֨סֶף֙ (kesef) = geld | בְּֽלוֹא (belo) = zonder | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | וִיגִיעֲכֶ֖ם (vigiakhem) = en jullie zwoegen | בְּל֣וֹא (belo) = zonder | לְשָׂבְעָ֑ה (lesavea) = verzadiging | שִׁמְע֨וּ (shimu) = luister | שָׁמ֤וֹעַ (shamoa) = goed | אֵלַי֙ (elay) = naar Mij | וְאִכְלוּ (veikhlu) = en eet | ט֔וֹב (tov) = het goede | וְתִתְעַנַּ֥ג (vetitanag) = en laat genieten | בַּדֶּ֖שֶׁן (badeshen) = in het vette | נַפְשְׁכֶֽם (nafshekhem) = jullie ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִשְׁקְלוּ (tishqelu), ‘wegen jullie af’: geld werd gewogen als betaling (vergelijk Gen. 23:16). Voetnoot : יְגִיעֲכֶם (yegi’akhem), ‘jullie zwoegen’: het woord kan het werk zelf zijn of wat het werk oplevert. Het werkwoord ‘wegen jullie af’ hoort ook bij deze helft van de zin. Zie ook: Gen 23:16; Ps 22:27; Ps 36:9; Jer 2:13; Joh 6:48–58; Rom 10:2–3 ### Een verbond voor eeuwig **55:3** **Buig jullie oor en kom naar Mij. Luister, dan zal jullie ziel leven. Ik sluit met jullie een verbond voor eeuwig: de betrouwbare blijken van trouw aan David.** Brontekst: הַטּ֤וּ (hatu) = buig | אָזְנְכֶם֙ (azenekhem) = jullie oor | וּלְכ֣וּ (ulekhu) = en kom | אֵלַ֔י (elay) = naar Mij | שִׁמְע֖וּ (shimu) = luister | וּתְחִ֣י (utechi) = dan zal leven | נַפְשְׁכֶ֑ם (nafshekhem) = jullie ziel | וְאֶכְרְתָ֤ה (veekhreta) = en Ik zal sluiten | לָכֶם֙ (lakhem) = met jullie | בְּרִ֣ית (berit) = verbond | עוֹלָ֔ם (olam) = voor eeuwig | חַֽסְדֵ֥י (chasdei) = blijken van trouw aan | דָוִ֖ד (david) = David | הַנֶּאֱמָנִֽים (haneemanim) = de betrouwbare Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַסְדֵי דָוִד (chasdei David), ‘blijken van trouw aan David’: dezelfde woorden staan in 2 Kron. 6:42. Het verbond met David staat in 2 Sam. 7:15–16. Het Hebreeuws kan ook betekenen: ‘de trouw van David’. Wij volgen 2 Kron. 6:42. Voetnoot : בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘een verbond voor eeuwig’: hier wordt het verbond met David op het volk toegepast, want ‘jullie’ is meervoud. Zie ook: 2 Sam 7:15–16; Spr 4:20; 2 Kron 6:42; Jer 32:40; Mat 11:28; Joh 10:27; Hand 13:34 **55:4** **Zie, Ik heb hem tot getuige voor de naties gegeven, tot leider en bevelhebber voor de naties.** Brontekst: הֵ֛ן (hen) = zie | עֵ֥ד (ed) = getuige | לְאוּמִּ֖ים (leumim) = voor de naties | נְתַתִּ֑יו (netativ) = Ik heb hem gegeven | נָגִ֥יד (nagid) = leider | וּמְצַוֵּ֖ה (umetsave) = en bevelhebber | לְאֻמִּֽים (leumim) = voor de naties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie ‘hem’ is. Het volgt op David in vers 3. Wij laten de vraag open. Voetnoot : נָגִיד (nagid), ‘leider’: zoals in 1 Sam. 9:16. Voetnoot : לְאֻמִּים (le’ummim), ‘naties’: zoals in 43:9. Zie ook: 1 Sam 9:16; Ps 18:44; Jes 9:5–6; Jes 55:3; Heb 2:10; Openb 1:5; Openb 3:14 **55:5** **Zie, een volk dat je niet kent, zul je roepen. En een volk dat jou niet kent, zal naar je toe rennen, omwille van Yahweh, jouw Elohim, en de Heilige van Israël. Want Hij heeft je verfraaid.”** Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | גּ֤וֹי (goy) = volk | לֹֽא (lo) = niet | תֵדַע֙ (teda) = je kent | תִּקְרָ֔א (tiqra) = je zult roepen | וְג֥וֹי (vegoy) = en volk | לֹֽא (lo) = niet | יְדָע֖וּךָ (yedaukha) = zij kennen je | אֵלֶ֣יךָ (eleikha) = naar je toe | יָר֑וּצוּ (yarutsu) = zij zullen rennen | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = omwille van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = jouw Elohim | וְלִקְד֥וֹשׁ (veliqdosh) = en de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כִּ֥י (ki) = want | פֵאֲרָֽךְ (pearakh) = Hij heeft je verfraaid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon: ‘Yahweh, jouw Elohim’. Het zijn Zijn eigen woorden; daarom blijven ze rood (zoals Hos. 1:7). Voetnoot : ‘Je’ is nu enkelvoud. Het Hebreeuws zegt niet of Israël bedoeld is of degene uit vers 4. Voetnoot : פֵּאֵר (pe’er), ‘verfraaien’: letterlijk ‘tooien’. Dezelfde woorden staan in 60:9. Zie ook: Hos 1:7; Jes 55:4; Jes 56:8; Jes 60:5; Jes 60:9; Zach 2:15; Joh 17:1 ### Zoek Yahweh **55:6** Zoek Yahweh terwijl Hij te vinden is. Roep Hem aan terwijl Hij dichtbij is. Brontekst: דִּרְשׁ֥וּ (dirshu) = zoek | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּהִמָּצְא֑וֹ (behimatseo) = terwijl Hij te vinden is | קְרָאֻ֖הוּ (qerauhu) = roep Hem aan | בִּֽהְיוֹת֥וֹ (bihyoto) = terwijl Hij is | קָרֽוֹב (qarov) = dichtbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 14:2; Ps 32:6; Ps 145:18; Jes 45:19; Jer 29:12–14 **55:7** Laat de goddeloze zijn weg verlaten en de man van onheil zijn gedachten. Laat hem terugkeren naar Yahweh, dan ontfermt Hij Zich over hem. Laat hem terugkeren naar onze Elohim, want Hij vergeeft overvloedig. Brontekst: יַעֲזֹ֤ב (yaazov) = laat verlaten | רָשָׁע֙ (rasha) = de goddeloze | דַּרְכּ֔וֹ (darko) = zijn weg | וְאִ֥ישׁ (veish) = en de man van | אָ֖וֶן (aven) = onheil | מַחְשְׁבֹתָ֑יו (machshevotav) = zijn gedachten | וְיָשֹׁ֤ב (veyashov) = en laat terugkeren | אֶל (el) = naar | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וִֽירַחֲמֵ֔הוּ (virachamehu) = dan ontfermt Hij Zich over hem | וְאֶל (veel) = en naar | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | כִּֽי (ki) = want | יַרְבֶּ֥ה (yarbe) = Hij maakt groot | לִסְלֽוֹחַ (lisloach) = om te vergeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָוֶן (aven), ‘onheil’: ook ‘kwaad’ of ‘valsheid’. Voetnoot : יַרְבֶּה לִסְלוֹחַ (yarbeh lisloach), ‘Hij vergeeft overvloedig’: letterlijk ‘Hij maakt groot om te vergeven’. Zie ook: Spr 28:13; Jes 44:22; Ezech 18:21–23; Luc 15:10; Jak 4:8–10 ### Mijn gedachten zijn niet jullie gedachten **55:8** **„Want Mijn gedachten zijn niet jullie gedachten, en jullie wegen zijn niet Mijn wegen, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | מַחְשְׁבוֹתַי֙ (machshevotay) = Mijn gedachten | מַחְשְׁב֣וֹתֵיכֶ֔ם (machshevoteikhem) = jullie gedachten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | דַרְכֵיכֶ֖ם (darkheikhem) = jullie wegen | דְּרָכָ֑י (derakhay) = Mijn wegen | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie 1:24. Midden in Zijn woorden staat de formule rood. Voetnoot : מַחְשְׁבוֹת (machshavot), ‘gedachten’: plannen en bedoelingen. Zie ook: Ps 25:10; Ps 40:6; Ps 92:6; Hos 14:10; Ezech 18:29 **55:9** **Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan jullie wegen en Mijn gedachten hoger dan jullie gedachten.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | גָבְה֥וּ (gavehu) = zijn hoog | שָׁמַ֖יִם (shamayim) = de hemel | מֵאָ֑רֶץ (mearets) = boven de aarde | כֵּ֣ן (ken) = zo | גָּבְה֤וּ (gavehu) = zijn hoog | דְרָכַי֙ (derakhay) = Mijn wegen | מִדַּרְכֵיכֶ֔ם (midarkheikhem) = boven jullie wegen | וּמַחְשְׁבֹתַ֖י (umachshevotay) = en Mijn gedachten | מִמַּחְשְׁבֹתֵיכֶֽם (mimachshevoteikhem) = boven jullie gedachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 36:6; Ps 77:20; Ps 103:11; Mat 11:25; Rom 11:31–36 ### Het woord keert niet leeg terug **55:10** **Want zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen, keren zij daar niet terug. Zij drenken de aarde, laten haar voortbrengen en laten haar uitspruiten. En zij geeft zaad aan wie zaait en brood aan wie eet.** Brontekst: כִּ֡י (ki) = want | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | יֵרֵד֩ (yered) = daalt neer | הַגֶּ֨שֶׁם (hageshem) = de regen | וְהַשֶּׁ֜לֶג (vehasheleg) = en de sneeuw | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֗יִם (hashamayim) = de hemel | וְשָׁ֨מָּה֙ (veshama) = en daarheen | לֹ֣א (lo) = niet | יָשׁ֔וּב (yashuv) = keert terug | כִּ֚י (ki) = maar | אִם (im) = tenzij | הִרְוָ֣ה (hirva) = heeft gedrenkt | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וְהוֹלִידָ֖הּ (veholidah) = en laat haar voortbrengen | וְהִצְמִיחָ֑הּ (vehitsmichah) = en laat haar uitspruiten | וְנָ֤תַן (venatan) = en geeft | זֶ֨רַע֙ (zera) = zaad | לַזֹּרֵ֔עַ (lazorea) = aan wie zaait | וְלֶ֖חֶם (velechem) = en brood | לָאֹכֵֽל (laokhel) = aan wie eet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:2; Hos 10:12; Jes 30:23; Ezech 34:26; 2 Kor 9:9–11 **55:11** **Zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat. Het keert niet leeg naar Mij terug, maar doet wat Ik wil en slaagt in waartoe Ik het gestuurd heb.”** Brontekst: כֵּ֣ן (ken) = zo | יִֽהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | דְבָרִי֙ (devari) = Mijn woord | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יֵצֵ֣א (yetse) = uitgaat | מִפִּ֔י (mipi) = uit Mijn mond | לֹֽא (lo) = niet | יָשׁ֥וּב (yashuv) = keert terug | אֵלַ֖י (elay) = naar Mij | רֵיקָ֑ם (reiqam) = leeg | כִּ֤י (ki) = maar | אִם (im) = tenzij | עָשָׂה֙ (asa) = het doet | אֶת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | חָפַ֔צְתִּי (chafatsti) = Ik heb gewild | וְהִצְלִ֖יחַ (vehitsliach) = en het slaagt | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waartoe | שְׁלַחְתִּֽיו (shelachtiv) = Ik het heb gestuurd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּבָרִי (devari), ‘Mijn woord’: het woord (דָּבָר, davar) dat Yahweh spreekt. Het gaat uit als een gezant en komt niet onverricht terug. Zie ook: Jes 45:23; Jes 46:10; Mat 24:35; Joh 6:63; Rom 10:17 ### Jullie trekken uit in vreugde **55:12** Want in vreugde zullen jullie uittrekken, en in vrede zullen jullie geleid worden. De bergen en de heuvels zullen voor jullie uit in gejubel losbarsten. En alle bomen van het veld zullen in de handen klappen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | בְשִׂמְחָ֣ה (besimcha) = in vreugde | תֵצֵ֔אוּ (tetseu) = jullie zullen uittrekken | וּבְשָׁל֖וֹם (uveshalom) = en in vrede | תּֽוּבָל֑וּן (tuvalun) = jullie zullen geleid worden | הֶהָרִ֣ים (heharim) = de bergen | וְהַגְּבָע֗וֹת (vehagevaot) = en de heuvels | יִפְצְח֤וּ (yiftsechu) = zullen losbarsten | לִפְנֵיכֶם֙ (lifneikhem) = voor jullie uit | רִנָּ֔ה (rina) = in gejubel | וְכָל (vekhal) = en alle | עֲצֵ֥י (atsei) = bomen van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | יִמְחֲאוּ (yimchau) = zullen klappen | כָֽף (kaf) = in de handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier eindigen de woorden van Yahweh en spreekt de profeet over Hem in de derde persoon (vers 13: ‘voor Yahweh’). Daarom staan vers 12 en 13 zwart. Het Hebreeuws wisselt hier niet met een formule van spreker. Voetnoot : יִפְצְחוּ רִנָּה (yifts’chu rinnah), ‘zullen in gejubel losbarsten’. Zie ook: Ps 96:11–13; Ps 105:43; Jes 44:23; Jes 55:13; Gal 5:22; Rom 15:13 **55:13** In plaats van de doornstruik zal de cipres opschieten, en in plaats van de netel zal de mirte opschieten. Het zal voor Yahweh tot een naam zijn, tot een teken voor eeuwig, dat niet wordt uitgeroeid. Brontekst: תַּ֤חַת (tachat) = in plaats van | הַֽנַּעֲצוּץ֙ (hanaatsuts) = de doornstruik | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = zal opschieten | בְר֔וֹשׁ (berosh) = cipres | וְתַ֥חַת (vetachat) = en in plaats van | הַסִּרְפַּ֖ד (hasirpad) = de netel | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = zal opschieten | הֲדַ֑ס (hadas) = mirte | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | לְשֵׁ֔ם (leshem) = tot een naam | לְא֥וֹת (leot) = tot een teken | עוֹלָ֖ם (olam) = voor eeuwig | לֹ֥א (lo) = niet | יִכָּרֵֽת (yikaret) = zal worden uitgeroeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַעֲצוּץ (na’atsuts), ‘doornstruik’, בְּרוֹשׁ (berosh), ‘cipres’, סִרְפָּד (sirpad), ‘netel’ en הֲדַס (hadas), ‘mirte’: het woord sirpad komt alleen hier voor en de namen van de planten zijn niet zeker. Berosh is een naaldboom, cipres of jeneverbes (vergelijk Hoogl. 1:17). Voetnoot : לְאוֹת עוֹלָם (le’ot olam), ‘een teken voor eeuwig’. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is תחת (tachat), ‘in plaats van’, zonder ‘en’. Het qere is וְתַחַת (vetachat), ‘en in plaats van’. Wij volgen het qere. Zie ook: Hoogl 1:17; Jes 41:19; Jes 61:3; Jer 33:9; Ef 3:20–21; 1 Petr 2:9–10 ## Jesaja 56 _Een huis van gebed voor alle volken; de blinde wachters_ ### Bewaar het recht **56:1** Zo zegt Yahweh: **„Bewaar het recht en doe gerechtigheid. Want Mijn redding is dichtbij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.”** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שִׁמְר֥וּ (shimru) = bewaar | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | וַעֲשׂ֣וּ (vaasu) = en doe | צְדָקָ֑ה (tsedaqa) = gerechtigheid | כִּֽי (ki) = want | קְרוֹבָ֤ה (qerova) = nabij | יְשֽׁוּעָתִי֙ (yeshuati) = Mijn redding | לָב֔וֹא (lavo) = om te komen | וְצִדְקָתִ֖י (vetsidqati) = en Mijn gerechtigheid | לְהִגָּלֽוֹת (lehigalot) = om geopenbaard te worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint een nieuwe toespraak van Yahweh; Zijn woorden staan rood. Voetnoot : יְשׁוּעָה (yeshuah), ‘redding’, en צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’: beide woorden staan in dit vers twee keer. Eerst vraagt Yahweh om gerechtigheid van de mensen (‘doe gerechtigheid’). Dan zegt Hij dat Zijn eigen gerechtigheid en redding zullen komen. Zie ook: Ps 85:10; Jes 1:16–19; Mat 3:2; Rom 1:17; Rom 13:11–14 **56:2** Gelukkig de mens die dit doet, en de mensenzoon die eraan vasthoudt: wie de sabbat bewaart en hem niet ontheiligt, en zijn hand bewaart om geen kwaad te doen. Brontekst: אַשְׁרֵ֤י (ashrei) = gelukkig | אֱנוֹשׁ֙ (enosh) = de mens | יַעֲשֶׂה (yaase) = die doet | זֹּ֔את (zot) = dit | וּבֶן (uven) = en de zoon van | אָדָ֖ם (adam) = de mens | יַחֲזִ֣יק (yachaziq) = die zich vasthoudt | בָּ֑הּ (bah) = eraan | שֹׁמֵ֤ר (shomer) = die bewaart | שַׁבָּת֙ (shabat) = sabbat | מֵֽחַלְּל֔וֹ (mechalelo) = zodat hij hem niet ontheiligt | וְשֹׁמֵ֥ר (veshomer) = en die bewaart | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | מֵעֲשׂ֥וֹת (measot) = om te doen | כָּל (kal) = elk | רָֽע (ra) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱנוֹשׁ (enosh), ‘mens’, en בֶּן אָדָם (ben adam), ‘mensenzoon’ (letterlijk ‘zoon van een mens’): twee woorden voor ‘mens’ naast elkaar. Hier is het geen titel. Voetnoot : שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’: de rustdag uit Exod. 20:8–11. Voetnoot : Het ‘dit’ in het eerste deel verwijst naar vers 1: het recht bewaren en gerechtigheid doen. Deze verzen staan zwart; het Hebreeuws zegt niet dat Yahweh nog spreekt. Zie ook: Ex 20:8–11; Ex 20:10; Ex 31:13–16; Ps 112:1; Jes 56:1; Jes 58:13; Ezech 20:12 ### De vreemde en de hofdienaar **56:3** Laat de vreemde die zich bij Yahweh heeft aangesloten niet zeggen: „Yahweh zal mij zeker scheiden van Zijn volk.” En laat de hofdienaar niet zeggen: „Zie, ik ben een dorre boom.” Brontekst: וְאַל (veal) = en niet | יֹאמַ֣ר (yomar) = laat zeggen | בֶּן (ben) = de zoon van | הַנֵּכָ֗ר (hanekhar) = de vreemde | הַנִּלְוָ֤ה (hanilva) = die zich heeft aangesloten | אֶל (el) = bij | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | הַבְדֵּ֧ל (havdel) = scheiden | יַבְדִּילַ֛נִי (yavdilani) = Hij zal mij scheiden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מֵעַ֣ל (meal) = van | עַמּ֑וֹ (amo) = Zijn volk | וְאַל (veal) = en niet | יֹאמַר֙ (yomar) = laat zeggen | הַסָּרִ֔יס (hasaris) = de hofdienaar | הֵ֥ן (hen) = zie | אֲנִ֖י (ani) = ik | עֵ֥ץ (ets) = boom | יָבֵֽשׁ (yavesh) = dor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן הַנֵּכָר (ben hannekhar), ‘de vreemde’: letterlijk ‘zoon van de vreemde’, zoals in Exod. 12:43. Het gaat om iemand van buiten het volk die zich bij Yahweh heeft aangesloten. Voetnoot : סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: dit kan ook een man bedoelen die onvruchtbaar is gemaakt. Zo iemand mocht volgens Deut. 23:2 niet in de vergadering van Yahweh komen. Dat verklaart het beeld van de ‘dorre boom’: hij heeft geen kinderen. Voetnoot : Beide uitspraken staan tussen aanhalingstekens, omdat het de woorden van deze mensen zijn. Zie ook: Ex 12:43; Num 18:4; Deut 23:2; Dan 1:3–21; Mat 19:12–30; Hand 10:34; 1 Kor 6:17 **56:4** Want zo zegt Yahweh tot de hofdienaars: **„Zij die Mijn sabbatten bewaren, kiezen wat Mij behaagt en vasthouden aan Mijn verbond:** Brontekst: כִּי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לַסָּֽרִיסִים֙ (lasarisim) = tot de hofdienaars | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יִשְׁמְרוּ֙ (yishmeru) = zij bewaren | אֶת (et) = (obj.) | שַׁבְּתוֹתַ֔י (shabetotay) = Mijn sabbatten | וּבָֽחֲר֖וּ (uvacharu) = en zij kiezen | בַּאֲשֶׁ֣ר (baasher) = wat | חָפָ֑צְתִּי (chafatsti) = Mij behaagt | וּמַחֲזִיקִ֖ים (umachaziqim) = en vasthouden | בִּבְרִיתִֽי (bivriti) = aan Mijn verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het woord ‘Mijn’ is van Yahweh zelf. Daarom beginnen Zijn woorden rood na ‘Want zo zegt Yahweh tot de hofdienaars:’. Het Hebreeuws heeft hier één lange zin: ‘tot de hofdienaars die Mijn sabbatten bewaren … Ik zal hun geven’ (vers 5). Wij maken er twee delen van en nemen ‘hun’ uit vers 5 over. Zie ook: Joz 24:15; 2 Sam 23:5; Ps 119:111; Jes 27:5; Jes 56:5; Luc 10:42 **56:5** **hun geef Ik in Mijn huis en binnen Mijn muren een gedenkteken en een naam, beter dan zonen en dochters. Een naam voor eeuwig geef Ik hem, die niet zal worden uitgeroeid.** Brontekst: וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal geven | לָהֶ֜ם (lahem) = aan hen | בְּבֵיתִ֤י (beveiti) = in Mijn huis | וּבְחֽוֹמֹתַי֙ (uvechomotay) = en binnen Mijn muren | יָ֣ד (yad) = gedenkteken | וָשֵׁ֔ם (vashem) = en naam | ט֖וֹב (tov) = beter | מִבָּנִ֣ים (mibanim) = dan zonen | וּמִבָּנ֑וֹת (umibanot) = en dan dochters | שֵׁ֤ם (shem) = naam | עוֹלָם֙ (olam) = voor eeuwig | אֶתֶּן (eten) = Ik zal geven | ל֔וֹ (lo) = aan hem | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לֹ֥א (lo) = niet | יִכָּרֵֽת (yikaret) = zal worden uitgeroeid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָד וָשֵׁם (yad vashem), ‘een gedenkteken en een naam’: יָד (yad) is letterlijk ‘hand’ en kan ‘gedenkteken’ betekenen, zoals in 1 Sam. 15:12 en 2 Sam. 18:18. Een hofdienaar kreeg geen nageslacht dat zijn naam droeg. Yahweh belooft hem een blijvende naam in Zijn huis. Zie ook: 1 Sam 15:12; 2 Sam 18:18; Jes 55:13; Joh 1:12; 1 Joh 3:1; Openb 3:5; Openb 3:12 **56:6** **De vreemden die zich bij Yahweh hebben aangesloten om Hem te dienen en de naam van Yahweh lief te hebben, om Zijn knechten te zijn, ieder die de sabbat bewaart en hem niet ontheiligt en vasthoudt aan Mijn verbond:** Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | הַנֵּכָ֗ר (hanekhar) = de vreemde | הַנִּלְוִ֤ים (hanilvim) = die zich hebben aangesloten | עַל (al) = bij | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְשָׁ֣רְת֔וֹ (leshareto) = om Hem te dienen | וּֽלְאַהֲבָה֙ (uleahava) = en om lief te hebben | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | ל֖וֹ (lo) = Hem | לַעֲבָדִ֑ים (laavadim) = tot knechten | כָּל (kal) = ieder | שֹׁמֵ֤ר (shomer) = die bewaart | שַׁבָּת֙ (shabat) = sabbat | מֵֽחַלְּל֔וֹ (mechalelo) = zodat hij hem niet ontheiligt | וּמַחֲזִיקִ֖ים (umachaziqim) = en vasthouden | בִּבְרִיתִֽי (bivriti) = aan Mijn verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנִּלְוִים (hannilvim), ‘die zich hebben aangesloten’: van לָוָה (lavah), ‘zich aansluiten’, zoals in Num. 18:2. Voetnoot : עֲבָדִים (avadim), ‘knechten’: zij horen bij Yahweh als dienaren. ‘Hem te dienen’ is het werkwoord שָׁרַת (sharat), ‘dienen’, vooral van de dienst in het heiligdom. Voetnoot : Het vers loopt door in vers 7: eerst staat wie bedoeld wordt, dan wat Yahweh voor hen doet. Zie ook: Num 18:2; Jes 56:2–4; Jes 56:7; Jes 58:13; Jer 50:5; Jak 2:5; Gal 5:6 **56:7** **hen zal Ik brengen naar Mijn heilige berg en hen verblijden in Mijn huis van gebed. Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen Mij behagen op Mijn altaar. Want Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken.** Brontekst: וַהֲבִיאוֹתִ֞ים (vahaviotim) = en Ik zal hen brengen | אֶל (el) = naar | הַ֣ר (har) = berg van | קָדְשִׁ֗י (qadeshi) = Mijn heiligheid | וְשִׂמַּחְתִּים֙ (vesimachtim) = en Ik zal hen verblijden | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | תְּפִלָּתִ֔י (tefilati) = Mijn gebed | עוֹלֹתֵיהֶ֧ם (oloteihem) = hun brandoffers | וְזִבְחֵיהֶ֛ם (vezivcheihem) = en hun slachtoffers | לְרָצ֖וֹן (leratson) = tot welbehagen | עַֽל (al) = op | מִזְבְּחִ֑י (mizbechi) = Mijn altaar | כִּ֣י (ki) = want | בֵיתִ֔י (beiti) = Mijn huis | בֵּית (beit) = huis van | תְּפִלָּ֥ה (tefila) = gebed | יִקָּרֵ֖א (yiqare) = zal worden genoemd | לְכָל (lekhal) = voor alle | הָעַמִּֽים (haamim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְרָצוֹן (leratson), ‘tot welbehagen’: Yahweh neemt hun offers met welbehagen aan. Voetnoot : בֵּית תְּפִלָּה (bet tefillah), ‘huis van gebed’: Yeshua haalt deze woorden aan in Matt. 21:13. Zie ook: Jes 2:2–3; Mal 1:11; Mat 21:13; Mar 11:17; Luc 19:46 **56:8** **Godsspraak van Heer Yahweh, die de verdrevenen van Israël verzamelt: nog meer zal Ik bij hem verzamelen, naast wie al bij hem verzameld zijn.”** Brontekst: נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַבֵּ֖ץ (meqabets) = die verzamelt | נִדְחֵ֣י (nidchei) = de verdrevenen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | ע֛וֹד (od) = nog | אֲקַבֵּ֥ץ (aqabets) = Ik zal verzamelen | עָלָ֖יו (alav) = bij hem | לְנִקְבָּצָֽיו (leniqbatsav) = zijn verzamelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie 3:15. Voetnoot : נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie 1:24. De formule staat hier aan het begin van de zin en blijft rood. Voetnoot : לְנִקְבָּצָיו (lenikbatsav), ‘wie al bij hem verzameld zijn’: letterlijk ‘bij zijn verzamelden’. Het Hebreeuws zegt: Yahweh voegt nog meer mensen toe aan wie al verzameld zijn. Zie ook: Jes 54:7; Jes 60:3–11; Jes 66:18–21; Zach 10:8–10; Joh 10:16 ### De wachters zijn blind **56:9** Alle wilde dieren van het veld, kom om te eten, alle wilde dieren in het bos. Brontekst: כֹּ֖ל (kol) = alle | חַיְת֣וֹ (chayto) = wilde dieren van | שָׂדָ֑י (saday) = het veld | אֵתָ֕יוּ (etayu) = kom | לֶאֱכֹ֥ל (leekhol) = om te eten | כָּל (kal) = alle | חַיְת֖וֹ (chayto) = wilde dieren in | בַּיָּֽעַר (bayaar) = het bos Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt de profeet. Hij roept de wilde dieren op om te komen eten. Het Hebreeuws zegt niet wat zij moeten eten; het volgende vers laat zien dat het volk geen wachters heeft die waarschuwen. Zie ook: Deut 28:26; Jes 18:6; Jer 12:9; Ezech 29:5; Ezech 39:17 **56:10** Zijn wachters zijn blind, allemaal. Zij weten niets. Allemaal zijn zij stomme honden, die niet kunnen blaffen. Zij dromen, liggen neer en houden van slapen. Brontekst: צֹפָ֞יו (tsofav) = zijn wachters | עִוְרִ֤ים (ivrim) = blind | כֻּלָּם֙ (kulam) = allemaal | לֹ֣א (lo) = niet | יָדָ֔עוּ (yadau) = zij weten | כֻּלָּם֙ (kulam) = allemaal | כְּלָבִ֣ים (kelavim) = honden | אִלְּמִ֔ים (ilemim) = stom | לֹ֥א (lo) = niet | יוּכְל֖וּ (yukhelu) = zij kunnen | לִנְבֹּ֑חַ (linboach) = blaffen | הֹזִים֙ (hozim) = dromend | שֹֽׁכְבִ֔ים (shokhevim) = liggend | אֹהֲבֵ֖י (ohavei) = liefhebbers van | לָנֽוּם (lanum) = slapen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹפָיו (tsofav), ‘zijn wachters’: het Hebreeuws zegt niet wiens wachters; waarschijnlijk die van het volk uit vers 8. Wachters zijn de leiders die moeten waarschuwen voor gevaar. Voetnoot : הֹזִים (hozim), ‘dromen’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is צפו (tsofu); het qere is צֹפָיו (tsofav), ‘zijn wachters’. Beide betekenen ‘wachters’. Wij volgen het qere. Zie ook: Jes 29:10; Jes 56:8; Jes 58:1; Ezech 33:6; Mat 15:14; Fil 3:2 **56:11** En de honden zijn gulzig van begeerte; zij kennen geen verzadiging. En zij zijn herders die niets begrijpen. Allemaal hebben zij zich gewend naar hun eigen weg, ieder naar zijn eigen gewin, zonder uitzondering. Brontekst: וְהַכְּלָבִ֣ים (vehakelavim) = en de honden | עַזֵּי (azei) = sterk van | נֶ֗פֶשׁ (nefesh) = begeerte | לֹ֤א (lo) = niet | יָֽדְעוּ֙ (yadeu) = zij kennen | שָׂבְעָ֔ה (savea) = verzadiging | וְהֵ֣מָּה (vehema) = en zij | רֹעִ֔ים (roim) = herders | לֹ֥א (lo) = niet | יָדְע֖וּ (yadeu) = zij weten | הָבִ֑ין (havin) = te begrijpen | כֻּלָּם֙ (kulam) = allemaal | לְדַרְכָּ֣ם (ledarkam) = naar hun weg | פָּנ֔וּ (panu) = zij hebben zich gewend | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְבִצְע֖וֹ (levitso) = naar zijn gewin | מִקָּצֵֽהוּ (miqatsehu) = vanaf zijn uiteinde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַזֵּי נֶפֶשׁ (azzei nefesh), ‘gulzig’: letterlijk ‘sterk van ziel’, dat wil zeggen sterk in begeerte. Voetnoot : מִקָּצֵהוּ (miqatsehu), ‘zonder uitzondering’: letterlijk ‘vanaf zijn uiteinde’. De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘vanuit zijn eigen hoek’ betekenen. Zie ook: Mi 3:11; Ezech 13:19; Ezech 34:2–3; Zach 11:15–17; Joh 8:43 **56:12** „Kom, ik haal wijn, en laten wij ons vol drinken aan sterke drank. Morgen zal het zijn als vandaag: groots, ja, nog veel meer.” Brontekst: אֵתָ֥יוּ (etayu) = kom | אֶקְחָה (eqcha) = ik haal | יַ֖יִן (yayin) = wijn | וְנִסְבְּאָ֣ה (venisbea) = en laten wij ons vol drinken | שֵׁכָ֑ר (shekhar) = sterke drank | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | כָזֶה֙ (kaze) = als dit | י֣וֹם (yom) = dag | מָחָ֔ר (machar) = morgen | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | יֶ֥תֶר (yeter) = overvloedig | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreken de leiders zelf. Het Hebreeuws heeft geen inleiding. Daarom staan hun woorden tussen aanhalingstekens. Voetnoot : יֶתֶר מְאֹד (yeter me’od), ‘nog veel meer’: letterlijk ‘overvloedig, zeer’. Zie ook: Ps 10:6; Spr 27:1; Jes 5:22; Luc 12:19–20; 1 Kor 15:32 ## Jesaja 57 _De rechtvaardige wordt weggenomen; Yahweh woont bij de nederigen en geeft vrede_ ### De rechtvaardige komt om **57:1** De rechtvaardige komt om, en niemand neemt het ter harte. Mensen van trouw worden weggenomen, en niemand begrijpt dat de rechtvaardige vanwege het onheil is weggenomen. Brontekst: הַצַּדִּ֣יק (hatsadiq) = de rechtvaardige | אָבָ֔ד (avad) = is omgekomen | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | אִ֖ישׁ (ish) = man | שָׂ֣ם (sam) = legt | עַל (al) = op | לֵ֑ב (lev) = hart | וְאַנְשֵׁי (veanshei) = en mensen van | חֶ֤סֶד (chesed) = trouw | נֶֽאֱסָפִים֙ (neesafim) = worden weggenomen | בְּאֵ֣ין (beein) = zonder | מֵבִ֔ין (mevin) = iemand die begrijpt | כִּֽי (ki) = want | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = vanwege | הָרָעָ֖ה (haraa) = het onheil | נֶאֱסַ֥ף (neesaf) = is weggenomen | הַצַּדִּֽיק (hatsadiq) = de rechtvaardige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶאֱסָף (ne’esaf), ‘weggenomen’: het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘verzamelen’. Het staat ook voor ‘verzameld worden bij zijn volk’ bij de dood (zoals in Gen. 25:8). Voetnoot : אַנְשֵׁי חֶסֶד (anshe chesed), ‘mensen van trouw’: wie trouw (chesed) toont. Voetnoot : מִפְּנֵי (mipenei), ‘vanwege’: letterlijk ‘vanaf het gezicht van’. Het kan betekenen: ‘vanwege het onheil’ of ‘om het onheil te ontgaan’. Het Nederlands laat beide mogelijkheden open. Zie ook: Gen 25:8; Ps 12:2; 2 Kon 22:20; 2 Kron 34:28; Jes 42:25; Mi 7:2 **57:2** Hij gaat in tot de vrede. Zij rusten op hun bedden, ieder die zijn rechte weg gaat. Brontekst: יָב֣וֹא (yavo) = hij gaat in | שָׁל֔וֹם (shalom) = de vrede | יָנ֖וּחוּ (yanuchu) = zij rusten | עַל (al) = op | מִשְׁכְּבוֹתָ֑ם (mishkevotam) = hun bedden | הֹלֵ֖ךְ (holekh) = wie gaat | נְכֹחֽוֹ (nekhocho) = zijn rechte weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָבוֹא שָׁלוֹם (yavo shalom), ‘hij gaat in tot de vrede’: letterlijk ‘hij komt vrede’. Het kan ook betekenen: ‘vrede komt’. Voetnoot : נְכֹחוֹ (nekhocho), ‘zijn rechte weg’: letterlijk ‘wat recht voor hem is’. Zie ook: Job 3:17; Pred 12:7; Luc 2:29; 2 Kor 5:1; Openb 14:13 ### Jullie, zonen van de tovenares **57:3** **„Maar jullie, kom hier, zonen van de tovenares, nageslacht van de overspeler en van de hoer.** Brontekst: וְאַתֶּ֥ם (veatem) = en jullie | קִרְבוּ (qirvu) = kom | הֵ֖נָּה (hena) = hier | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עֹנְנָ֑ה (onena) = tovenares | זֶ֥רַע (zera) = nageslacht van | מְנָאֵ֖ף (menaef) = overspeler | וַתִּזְנֶֽה (vatizne) = en hoer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint een toespraak van Yahweh tegen wie zich van Hem afkeren. Het eerste ‘Mij’ staat in vers 6. Wij zetten het hele stuk (vers 3–13) rood. Voetnoot : עֹנְנָה (onenah), ‘tovenares’: vrouw die toverij bedrijft, zoals het werkwoord in Lev. 19:26. Voetnoot : וַתִּזְנֶה (vattizneh), ‘en van de hoer’: letterlijk ‘en zij hoerde’. Het werkwoord staat in de vrouwelijke vorm. Wij lezen het als: ‘nageslacht van een overspeler en van een hoer’. Zie ook: Lev 19:26; Hos 1:2; Jes 57:6; Mat 16:4; Luc 3:7; Jak 4:4; 1 Joh 3:10 **57:4** **Over wie maken jullie je vrolijk? Tegen wie sperren jullie de mond open en steken jullie de tong uit? Zijn jullie niet kinderen van overtreding, nageslacht van leugen?** Brontekst: עַל (al) = over | מִי֙ (mi) = wie | תִּתְעַנָּ֔גוּ (titanagu) = jullie maken je vrolijk | עַל (al) = over | מִ֛י (mi) = wie | תַּרְחִ֥יבוּ (tarchivu) = jullie sperren open | פֶ֖ה (pe) = mond | תַּאֲרִ֣יכוּ (taarikhu) = jullie steken uit | לָשׁ֑וֹן (lashon) = tong | הֲלֽוֹא (halo) = niet | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | יִלְדֵי (yildei) = kinderen van | פֶ֖שַׁע (pesha) = overtreding | זֶ֥רַע (zera) = nageslacht van | שָֽׁקֶר (shaqer) = leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּתְעַנָּגוּ (titannagu), ‘maken jullie je vrolijk’: hetzelfde werkwoord als in 55:2 (‘genieten’), hier met spot. De tekst zegt niet wie bespot wordt. Het tweede ‘over wie’ (עַל מִי, al mi) vertalen wij ‘tegen wie’, omdat het om spot gaat. Voetnoot : פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’: opstand tegen Yahweh (zie 1:2). Zie ook: Ex 9:17; Ps 35:21; Jes 1:4; Jes 10:15; 2 Petr 2:13 **57:5** **Jullie staan in vuur en vlam bij de terebinten, onder elke groene boom. Jullie slachten de kinderen in de beekdalen, onder de kloven van de rotsen.** Brontekst: הַנֵּֽחָמִים֙ (hanechamim) = jullie die in vuur staan | בָּֽאֵלִ֔ים (baelim) = bij de terebinten | תַּ֖חַת (tachat) = onder | כָּל (kal) = elke | עֵ֣ץ (ets) = boom | רַעֲנָ֑ן (raanan) = groen | שֹׁחֲטֵ֤י (shochatei) = jullie die slachten | הַיְלָדִים֙ (hayladim) = de kinderen | בַּנְּחָלִ֔ים (banechalim) = in de beekdalen | תַּ֖חַת (tachat) = onder | סְעִפֵ֥י (seifei) = de kloven van | הַסְּלָעִֽים (haselaim) = de rotsen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאֵלִים (ha’elim), ‘de terebinten’: grote bomen; zie 1:29. De klinkers kunnen ook ‘de goden’ geven. Wij nemen ‘terebinten’. Voetnoot : הַנֵּחָמִים (hannechamim), ‘in vuur en vlam’: van חָמַם (chamam), ‘warm worden’; het gaat om hartstocht bij de afgodendienst. Voetnoot : שֹׁחֲטֵי הַיְלָדִים (shochatei hayeladim), ‘jullie slachten de kinderen’: kinderoffers, zoals bij Molech (Lev. 18:21). Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier deelwoorden (‘jullie die in vuur staan … die slachten’). Wij maken er zinnen van. Zie ook: Lev 18:21; 2 Kon 16:3–4; 2 Kon 23:10; Jes 1:29; Jer 2:20; Ezech 16:20 **57:6** **Bij de gladde stenen van het beekdal is je deel. Zij, zij zijn je lot. Ook voor hen heb je een plengoffer uitgegoten en een graanoffer opgebracht. Zou Ik Mij daarover laten rouwen?** Brontekst: בְּחַלְּקֵי (bechaleqei) = bij de gladde stenen van | נַ֣חַל (nachal) = beekdal | חֶלְקֵ֔ךְ (chelqekh) = je deel | הֵ֥ם (hem) = zij | הֵ֖ם (hem) = zij | גּוֹרָלֵ֑ךְ (goralekh) = je lot | גַּם (gam) = ook | לָהֶ֞ם (lahem) = voor hen | שָׁפַ֥כְתְּ (shafakht) = je hebt uitgegoten | נֶ֨סֶךְ֙ (nesekh) = plengoffer | הֶעֱלִ֣ית (heelit) = je hebt opgebracht | מִנְחָ֔ה (mincha) = graanoffer | הַ֥עַל (haal) = zou over | אֵ֖לֶּה (ele) = dit | אֶנָּחֵֽם (enachem) = Ik Mij laten rouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַלְקֵי־נַחַל (chalqei nachal), ‘gladde stenen van het beekdal’: een woordspeling met חֶלְקֵךְ (chelqekh), ‘je deel’. De tekst zegt niet waarvoor de stenen dienden; waarschijnlijk werden zij vereerd. Voetnoot : הַעַל אֵלֶּה אֶנָּחֵם (ha’al elleh enachem), ‘Zou Ik Mij daarover laten rouwen?’: het werkwoord נָחַם (nacham) betekent dat Yahweh van gedachten verandert, zoals in Jona 3:10. Het kan ook ‘getroost worden’ betekenen. Het is een vraag die ‘nee’ verwacht. Zie ook: Jona 3:10; Jer 3:9; Jer 5:9; Jer 7:18; Jer 19:13; Hab 2:19 **57:7** **Op een hoge, verheven berg heb je je bed gezet. Ook daar ben je opgegaan om een slachtoffer te slachten.** Brontekst: עַ֤ל (al) = op | הַר (har) = berg | גָּבֹ֨הַּ֙ (gavoha) = hoog | וְנִשָּׂ֔א (venisa) = en verheven | שַׂ֖מְתְּ (samt) = je hebt gezet | מִשְׁכָּבֵ֑ךְ (mishkavekh) = je bed | גַּם (gam) = ook | שָׁ֥ם (sham) = daar | עָלִ֖ית (alit) = je bent opgegaan | לִזְבֹּ֥חַ (lizboach) = om te slachten | זָֽבַח (zavach) = slachtoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 2:20; Ezech 16:16; Ezech 16:25; Ezech 20:28–29; Ezech 23:41 **57:8** **Achter de deur en de deurpost heb je je gedenkteken gezet. Want van Mij weg heb je je ontbloot en ben je opgegaan. Je hebt je bed breed gemaakt en een verbond met hen gesloten. Je hield van hun bed; je hebt de hand gezien.** Brontekst: וְאַחַ֤ר (veachar) = en achter | הַדֶּ֨לֶת֙ (hadelet) = de deur | וְהַמְּזוּזָ֔ה (vehamezuza) = en de deurpost | שַׂ֖מְתְּ (samt) = je hebt gezet | זִכְרוֹנֵ֑ךְ (zikhronekh) = je gedenkteken | כִּ֣י (ki) = want | מֵאִתִּ֞י (meiti) = van Mij weg | גִּלִּ֣ית (gilit) = je hebt je ontbloot | וַֽתַּעֲלִ֗י (vataali) = en je bent opgegaan | הִרְחַ֤בְתְּ (hirchavt) = je hebt breed gemaakt | מִשְׁכָּבֵךְ֙ (mishkavekh) = je bed | וַתִּכְרָת (vatikhrat) = en je hebt gesloten | לָ֣ךְ (lakh) = voor jezelf | מֵהֶ֔ם (mehem) = met hen | אָהַ֥בְתְּ (ahavt) = je hield van | מִשְׁכָּבָ֖ם (mishkavam) = hun bed | יָ֥ד (yad) = hand | חָזִֽית (chazit) = je hebt gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִכְרוֹנֵךְ (zikhronekh), ‘je gedenkteken’: letterlijk ‘je herinnering’. Het gaat om een teken achter de deur; wat het was, is niet zeker. Voetnoot : וַתִּכְרָת לָךְ מֵהֶם (vattikhrot lakh mehem), ‘en een verbond met hen gesloten’: het woord ‘verbond’ staat er niet. Het werkwoord כָּרַת (karat), letterlijk ‘snijden’, is de gewone uitdrukking voor ‘een verbond sluiten’. Wij voegen ‘verbond’ daarom toe. Voetnoot : יָד (yad), ‘hand’: de betekenis is onzeker. Het kan ook een teken zijn of een eufemisme voor een lichaamsdeel. Zie ook: Ezech 8:8–12; Ezech 16:25–28; Ezech 16:32; Ezech 23:2–20; Ezech 23:41 **57:9** **Je ging met olie naar de koning en maakte je zalven talrijk. Je zond je boden tot ver weg en vernederde je tot in de Sjeol.** Brontekst: וַתָּשֻׁ֤רִי (vatashuri) = en je ging | לַמֶּ֨לֶךְ֙ (lamelekh) = naar de koning | בַּשֶּׁ֔מֶן (bashemen) = met olie | וַתַּרְבִּ֖י (vatarbi) = en je maakte veel | רִקֻּחָ֑יִךְ (riquchayikh) = je zalven | וַתְּשַׁלְּחִ֤י (vateshalechi) = en je zond | צִרַ֨יִךְ֙ (tsirayikh) = je boden | עַד (ad) = tot | מֵ֣רָחֹ֔ק (merachoq) = ver weg | וַתַּשְׁפִּ֖ילִי (vatashpili) = en je vernederde je | עַד (ad) = tot | שְׁאֽוֹל (sheol) = Sjeol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַמֶּלֶךְ (lammelekh), ‘naar de koning’: de medeklinkers zijn dezelfde als die van Molech (מֹלֶךְ, zie Lev. 18:21). Het kan dus ook ‘naar Molech’ zijn. Voetnoot : תָּשֻׁרִי (tashuri), ‘je ging’: onzeker; de vorm is moeilijk. Voetnoot : שְׁאוֹל (She’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk (zoals in Hos. 13:14). Zie ook: Lev 18:21; Hos 13:14; Jes 30:1–6; Jes 31:1–3; Ezech 23:16; Ezech 23:40; Kol 2:18 **57:10** **Je werd moe van je lange weg. Je zei niet: ‘Het is hopeloos.’ Je vond nog leven in je hand. Daarom werd je niet zwak.** Brontekst: בְּרֹ֤ב (berov) = in de veelheid van | דַּרְכֵּךְ֙ (darkekh) = je weg | יָגַ֔עַתְּ (yagaat) = je werd moe | לֹ֥א (lo) = niet | אָמַ֖רְתְּ (amart) = je zei | נוֹאָ֑שׁ (noash) = hopeloos | חַיַּ֤ת (chayat) = leven van | יָדֵךְ֙ (yadekh) = je hand | מָצָ֔את (matsat) = je vond | עַל (al) = om | כֵּ֖ן (ken) = deze reden | לֹ֥א (lo) = niet | חָלִֽית (chalit) = je werd zwak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרֹב דַּרְכֵּךְ (berov darkekh), ‘van je lange weg’: letterlijk ‘in de veelheid van je weg’. Voetnoot : נוֹאָשׁ (no’ash), ‘het is hopeloos’: een uitroep waarmee iemand opgeeft. Voetnoot : חַיַּת יָדֵךְ (chayyat yadekh), ‘leven in je hand’: nieuwe kracht. Het Hebreeuws zegt dit letterlijk zo. Zie ook: 2 Kron 28:22–23; Jer 2:25; Jer 3:3; Jer 5:3; Jer 18:12 ### Heb Ik niet gezwegen? **57:11** **Voor wie was je bezorgd en bang, dat je loog? Aan Mij dacht je niet. Je nam het niet ter harte. Heb Ik niet gezwegen, en dat al heel lang? Maar Mij vrees je niet.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en | מִ֞י (mi) = wie | דָּאַ֤גְתְּ (daagt) = je was bezorgd | וַתִּֽירְאִי֙ (vatirei) = en je was bang | כִּ֣י (ki) = dat | תְכַזֵּ֔בִי (tekhazevi) = je zou liegen | וְאוֹתִי֙ (veoti) = en Mij | לֹ֣א (lo) = niet | זָכַ֔רְתְּ (zakhart) = je dacht aan | לֹא (lo) = niet | שַׂ֖מְתְּ (samt) = je legde | עַל (al) = op | לִבֵּ֑ךְ (libekh) = je hart | הֲלֹ֨א (halo) = niet | אֲנִ֤י (ani) = Ik | מַחְשֶׁה֙ (machshe) = zwijgend | וּמֵ֣עֹלָ֔ם (umeolam) = en van oudsher | וְאוֹתִ֖י (veoti) = en Mij | לֹ֥א (lo) = niet | תִירָֽאִי (tirai) = je vreest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְכַזֵּבִי (tekhazzevi), ‘loog’: het werkwoord betekent ‘liegen’ of ‘bedriegen’. Voetnoot : מַחְשֶׁה (machsheh), ‘gezwegen’: van חָשָׁה (chashah), ‘zwijgen’. Voetnoot : וּמֵעוֹלָם (umeolam), ‘en dat al heel lang’: letterlijk ‘en van eeuwigheid’. Yahweh had lang gezwegen; daarom vreesden zij Hem niet. Zie ook: Ps 50:21; Spr 29:25; Jes 51:12–13; Jes 59:3–4; Jer 3:21 **57:12** **Ik zal je gerechtigheid bekendmaken, en je werken. Zij zullen je niet baten.** Brontekst: אֲנִ֥י (ani) = Ik | אַגִּ֖יד (agid) = zal bekendmaken | צִדְקָתֵ֑ךְ (tsidqatekh) = je gerechtigheid | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | מַעֲשַׂ֖יִךְ (maasayikh) = je werken | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יוֹעִילֽוּךְ (yoilukh) = zij zullen baten je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִדְקָתֵךְ (tsidqatekh), ‘je gerechtigheid’: wat zij zelf rechtvaardig noemt. Het is bedoeld als ironie: haar werken zullen haar niet redden. Zie ook: Jes 1:11–15; Mi 3:2–4; Jer 7:4–11; Mat 23:13; Rom 3:10–20 **57:13** **Als je een noodkreet slaakt, laat je verzameling je dan redden. Een wind voert hen allemaal weg, een damp neemt hen mee. Maar wie bij Mij schuilt, zal het land erven en Mijn heilige berg in bezit nemen.”** Brontekst: בְּזַֽעֲקֵךְ֙ (bezaaqekh) = bij je noodkreet | יַצִּילֻ֣ךְ (yatsilukh) = laten redden je | קִבּוּצַ֔יִךְ (qibutsayikh) = je verzameling | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כֻּלָּ֥ם (kulam) = hen allemaal | יִשָּׂא (yisa) = zal wegvoeren | ר֖וּחַ (ruach) = wind | יִקַּח (yiqach) = zal wegnemen | הָ֑בֶל (havel) = damp | וְהַחוֹסֶ֥ה (vehachose) = maar wie schuilt | בִי֙ (bi) = bij Mij | יִנְחַל (yinchal) = zal erven | אֶ֔רֶץ (erets) = land | וְיִירַ֖שׁ (veyirash) = en zal in bezit nemen | הַר (har) = berg van | קָדְשִֽׁי (qadeshi) = Mijn heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִבּוּצַיִךְ (qibbutsayikh), ‘je verzameling’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker: wat zij bijeengebracht heeft (afgodsbeelden of bondgenoten), of haar schare. Voetnoot : הֶבֶל (hevel), ‘damp’: hetzelfde woord als in Pred. 1:2 (‘damp van dampen’). Voetnoot : הַר קָדְשִׁי (har qodshi), ‘Mijn heilige berg’: zie ook 56:7. Zie ook: Ps 37:3; Ps 37:9; Pred 1:2; Jes 56:7; Jes 65:25; Zach 7:13 ### Baan een weg **57:14** En Hij zal zeggen: **„Baan, baan een weg. Maak de weg vrij. Neem het struikelblok weg uit de weg van Mijn volk.”** Brontekst: וְאָמַ֥ר (veamar) = en Hij zal zeggen | סֹֽלּוּ (solu) = baan | סֹ֖לּוּ (solu) = baan | פַּנּוּ (panu) = maak vrij | דָ֑רֶךְ (darekh) = weg | הָרִ֥ימוּ (harimu) = verwijder | מִכְשׁ֖וֹל (mikhshol) = struikelblok | מִדֶּ֥רֶךְ (miderekh) = uit de weg van | עַמִּֽי (ami) = Mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאָמַר (veamar), ‘en Hij zal zeggen’: het onderwerp wordt niet genoemd. Omdat de woorden ‘Mijn volk’ luiden, nemen wij aan dat Yahweh spreekt. Een soortgelijke oproep staat in 40:3. Zie ook: Jes 35:8; Jes 40:3; Jes 62:10; Jer 18:15; Luc 3:5–6 ### De Hoge woont bij de nederigen **57:15** Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die voor altijd woont en wiens naam heilig is: **„In de hoogte en in heiligheid woon Ik. Ik woon ook bij wie verbrijzeld is en nederig van geest, om de geest van de nederigen te doen leven en het hart van de verbrijzelden te doen leven.** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֜ר (amar) = zegt | רָ֣ם (ram) = de Hoge | וְנִשָּׂ֗א (venisa) = en Verhevene | שֹׁכֵ֥ן (shokhen) = die woont | עַד֙ (ad) = voor altijd | וְקָד֣וֹשׁ (veqadosh) = en heilig | שְׁמ֔וֹ (shemo) = Zijn naam | מָר֥וֹם (marom) = in de hoogte | וְקָד֖וֹשׁ (veqadosh) = en heilig | אֶשְׁכּ֑וֹן (eshkon) = Ik woon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | דַּכָּא֙ (daka) = verbrijzelde | וּשְׁפַל (ushefal) = en nederige van | ר֔וּחַ (ruach) = geest | לְהַחֲיוֹת֙ (lehachayot) = om te doen leven | ר֣וּחַ (ruach) = geest van | שְׁפָלִ֔ים (shefalim) = de nederigen | וּֽלְהַחֲי֖וֹת (ulehachayot) = en om te doen leven | לֵ֥ב (lev) = hart van | נִדְכָּאִֽים (nidkaim) = de verbrijzelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָם וְנִשָּׂא (ram venissa), ‘hoog en verheven’: dezelfde woorden als in 6:1. Voetnoot : שֹׁכֵן עַד (shokhen ad), ‘die voor altijd woont’: het woord עַד (ad) kan ook ‘eeuwigheid’ betekenen. Voetnoot : דַּכָּא (dakka), ‘verbrijzeld’: wie door ellende gebroken is. Zie ook: Ex 15:11; Ps 34:19; Ps 138:6; Ps 147:3; Jes 66:1–2 **57:16** **Want Ik zal niet voor eeuwig twisten en niet voor altijd boos zijn. Want de geest zou voor Mijn aangezicht bezwijken, en de levensadem die Ik gemaakt heb.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | לְעוֹלָם֙ (leolam) = voor eeuwig | אָרִ֔יב (ariv) = Ik zal twisten | וְלֹ֥א (velo) = en niet | לָנֶ֖צַח (lanetsach) = voor altijd | אֶקְּצ֑וֹף (eqetsof) = Ik zal boos zijn | כִּי (ki) = want | ר֨וּחַ֙ (ruach) = geest | מִלְּפָנַ֣י (milefanay) = voor Mijn aangezicht | יַֽעֲט֔וֹף (yaatof) = zou bezwijken | וּנְשָׁמ֖וֹת (uneshamot) = en levensadem | אֲנִ֥י (ani) = Ik | עָשִֽׂיתִי (asiti) = heb gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעוֹלָם (le’olam), ‘voor eeuwig’, en לָנֶצַח (lanetsach), ‘voor altijd’: twee woorden voor tijdsduur naast elkaar. Voetnoot : יַעֲטוֹף (ya’atof), ‘bezwijken’: het werkwoord kan ook ‘flauwvallen’ betekenen. Zie ook: Ps 85:6; Ps 103:9–16; Mi 7:18; Jer 10:24; Heb 12:9 **57:17** **Om de ongerechtigheid van zijn winstbejag was Ik boos, en Ik sloeg hem. Ik verborg Mij en was boos. Maar hij ging afvallig verder op de weg van zijn hart.** Brontekst: בַּעֲוֺ֥ן (baavon) = om de ongerechtigheid van | בִּצְע֛וֹ (bitso) = zijn winstbejag | קָצַ֥פְתִּי (qatsafti) = Ik was boos | וְאַכֵּ֖הוּ (veakehu) = en Ik sloeg hem | הַסְתֵּ֣ר (haster) = Ik verborg Mij | וְאֶקְצֹ֑ף (veeqtsof) = en Ik was boos | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | שׁוֹבָ֖ב (shovav) = afvallig | בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = op de weg van | לִבּֽוֹ (libo) = zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּצַע (betsa), ‘winstbejag’: winst die men hebzuchtig of onrechtmatig haalt. Voetnoot : שׁוֹבָב (shovav), ‘afvallig’: wie zich afkeert. Zie ook: Jes 56:11; Jer 6:13; Ef 5:3–5; Kol 3:5; 2 Petr 2:14 **57:18** **Zijn wegen heb Ik gezien, maar Ik zal hem genezen. Ik zal hem leiden en troost teruggeven aan hem en aan zijn rouwenden.** Brontekst: דְּרָכָ֥יו (derakhav) = zijn wegen | רָאִ֖יתִי (raiti) = Ik heb gezien | וְאֶרְפָּאֵ֑הוּ (veerpaehu) = en Ik zal hem genezen | וְאַנְחֵ֕הוּ (veanchehu) = en Ik zal hem leiden | וַאֲשַׁלֵּ֧ם (vaashalem) = en Ik zal teruggeven | נִֽחֻמִ֛ים (nichumim) = troost | ל֖וֹ (lo) = aan hem | וְלַאֲבֵלָֽיו (velaavelav) = en aan zijn rouwenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁלֵּם נִחֻמִים (shallem nichumim), ‘troost teruggeven’: het werkwoord שִׁלֵּם (shillem) betekent ‘vergoeden’ of ‘teruggeven’. Zie ook: Hos 14:5–9; Jer 3:22; Jer 31:3; Jer 33:6; Openb 7:17 **57:19** **Ik schep de vrucht van de lippen: vrede, vrede voor wie ver is en voor wie dichtbij is, zegt Yahweh. Ik zal hem genezen.”** Brontekst: בּוֹרֵ֖א (bore) = scheppend | נִ֣יב (niv) = vrucht van | שְׂפָתָ֑יִם (sefatayim) = lippen | שָׁל֨וֹם (shalom) = vrede | שָׁל֜וֹם (shalom) = vrede | לָרָח֧וֹק (larachoq) = voor wie ver is | וְלַקָּר֛וֹב (velaqarov) = en voor wie dichtbij is | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וּרְפָאתִֽיו (urefativ) = en Ik zal hem genezen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בּוֹרֵא נִיב שְׂפָתָיִם (bore niv sefatayim), ‘Ik schep de vrucht van de lippen’: het woord ניב (niv) komt zelden voor. De bedoeling is waarschijnlijk dat Yahweh het woord van vrede op de lippen legt. Efeziërs 2:17 haalt dit vers aan. Voetnoot : אָמַר יְהוָה (amar Yahweh), ‘zegt Yahweh’: deze slotformule staat binnen Zijn woorden en blijft rood, zoals in Amos 5:17. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is נוב (nov). Het qere is נִיב (niv). Wij volgen het qere. Zie ook: Amos 5:17; Luc 2:14; Luc 10:5–6; Hand 2:39; Hand 10:36; Ef 2:17; Heb 13:15 ### Geen vrede voor de goddelozen **57:20** Maar de goddelozen zijn als de opgejaagde zee, want zij kan niet tot rust komen. Haar wateren woelen modder en slijk op. Brontekst: וְהָרְשָׁעִ֖ים (vehareshaim) = en de goddelozen | כַּיָּ֣ם (kayam) = als de zee | נִגְרָ֑שׁ (nigrash) = opgejaagd | כִּ֤י (ki) = want | הַשְׁקֵט֙ (hashqet) = rust | לֹ֣א (lo) = niet | יוּכָ֔ל (yukhal) = zij kan | וַיִּגְרְשׁ֥וּ (vayigreshu) = en zij werpen op | מֵימָ֖יו (meimav) = haar wateren | רֶ֥פֶשׁ (refesh) = modder | וָטִֽיט (vatit) = en slijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֶפֶשׁ וָטִיט (refesh vatit), ‘modder en slijk’: wat een onrustige zee op het strand werpt. Zie ook: Job 18:5–14; Job 20:11–29; Spr 4:16–17; Jes 3:11; Jud 1:12 **57:21** Er is geen vrede, zegt mijn Elohim, voor de goddelozen. Brontekst: אֵ֣ין (ein) = niet is | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | אָמַ֥ר (amar) = zegt | אֱלֹהַ֖י (elohay) = mijn Elohim | לָרְשָׁעִֽים (lareshaim) = tot de goddelozen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָמַר אֱלֹהָי (amar elohai), ‘zegt mijn Elohim’: de profeet sluit af met woorden van zijn Elohim in de derde persoon. Daarom staat dit vers zwart. Bijna dezelfde woorden staan in 48:22, waar Yahweh zelf spreekt. Zie ook: 2 Kon 9:22; Jes 3:11; Jes 48:22; Jes 59:8; Rom 3:16–17 ## Jesaja 58 _Het vasten dat Yahweh kiest_ ### Roep luid, maak hun zonden bekend **58:1** **„Roep luid, houd je niet in. Verhef je stem als een ramshoorn. Maak Mijn volk hun overtreding bekend en het huis van Jakob hun zonden.** Brontekst: קְרָ֤א (qera) = roep | בְגָרוֹן֙ (begaron) = met volle keel | אַל (al) = niet | תַּחְשֹׂ֔ךְ (tachsokh) = houd je in | כַּשּׁוֹפָ֖ר (kashofar) = als een ramshoorn | הָרֵ֣ם (harem) = verhef | קוֹלֶ֑ךָ (qolekha) = je stem | וְהַגֵּ֤ד (vehaged) = en maak bekend | לְעַמִּי֙ (leami) = aan Mijn volk | פִּשְׁעָ֔ם (pisham) = hun overtreding | וּלְבֵ֥ית (uleveit) = en aan het huis van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | חַטֹּאתָֽם (chatotam) = hun zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Yahweh. De tekst zegt niet wie Hij aanspreekt. Wij nemen aan dat het de profeet is, omdat de opdracht luidt: ‘Roep luid’. Zijn woorden staan rood tot en met vers 14. Waar Hij over Zichzelf in de derde persoon spreekt (vers 5, 8, 9, 11 en 14), blijft het rood: het is dezelfde toespraak. Voetnoot : בְגָרוֹן (begaron), ‘met volle keel’: letterlijk ‘met de keel’. Voetnoot : שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn waarmee men waarschuwt of oproept; zie ook Joël 2:1. Zie ook: Joël 2:1; Hos 8:1; Jes 58:5; Jes 58:8; Jes 58:9; Jes 58:11; Jes 58:14; Ezech 3:17–21; Hand 7:51–52; Hand 20:26–27; Tit 2:15 **58:2** **Dag na dag zoeken zij Mij en verlangen zij naar kennis van Mijn wegen. Zij zijn als een volk dat gerechtigheid doet en het recht van zijn Elohim niet verlaat. Zij vragen Mij om rechtvaardige uitspraken en verlangen ernaar dat Elohim dichtbij is.** Brontekst: וְאוֹתִ֗י (veoti) = en Mij | י֥וֹם (yom) = dag | יוֹם֙ (yom) = na dag | יִדְרֹשׁ֔וּן (yidroshun) = zij zoeken | וְדַ֥עַת (vedaat) = en kennis van | דְּרָכַ֖י (derakhay) = Mijn wegen | יֶחְפָּצ֑וּן (yechpatsun) = zij verlangen | כְּג֞וֹי (kegoy) = als een volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | צְדָקָ֣ה (tsedaqa) = gerechtigheid | עָשָׂ֗ה (asa) = doet | וּמִשְׁפַּ֤ט (umishpat) = en het recht van | אֱלֹהָיו֙ (elohav) = zijn Elohim | לֹ֣א (lo) = niet | עָזָ֔ב (azav) = verlaat | יִשְׁאָל֨וּנִי֙ (yishaluni) = zij vragen Mij | מִשְׁפְּטֵי (mishpetei) = uitspraken van | צֶ֔דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | קִרְבַ֥ת (qirvat) = nabijheid van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | יֶחְפָּצֽוּן (yechpatsun) = zij verlangen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפְּטֵי־צֶדֶק (mishpetei tsedeq), ‘rechtvaardige uitspraken’: letterlijk ‘rechten van gerechtigheid’. Het kan gaan om rechterlijke uitspraken of om Yahweh’s besluiten en voorschriften. Voetnoot : קִרְבַת אֱלֹהִים (qirvat Elohim), ‘nabijheid van Elohim’: zij verlangen ernaar dat Elohim dichtbij komt. Voetnoot : De zin zegt niet dat zij werkelijk gerechtigheid doen. Er staat: ‘als een volk dat gerechtigheid doet’. Zij schijnen vroom, maar de verzen hierna laten zien hoe het werkelijk is. Zie ook: Jes 29:13; Mat 15:7–9; Mar 4:16–17; Jak 1:21–22; Tit 1:16 ### Waarom hebben wij gevast? **58:3** **‘Waarom hebben wij gevast, en ziet U het niet? Wij hebben onszelf vernederd, en U weet het niet?’ Zie, op de dag van jullie vasten vinden jullie je eigen belang, en al jullie arbeiders drijven jullie aan.** Brontekst: לָ֤מָּה (lama) = waarom | צַּ֨מְנוּ֙ (tsamnu) = hebben wij gevast | וְלֹ֣א (velo) = en niet | רָאִ֔יתָ (raita) = U ziet | עִנִּ֥ינוּ (ininu) = wij hebben vernederd | נַפְשֵׁ֖נוּ (nafshenu) = ons leven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תֵדָ֑ע (teda) = U weet | הֵ֣ן (hen) = zie | בְּי֤וֹם (beyom) = op de dag van | צֹֽמְכֶם֙ (tsomekhem) = jullie vasten | תִּמְצְאוּ (timtseu) = jullie vinden | חֵ֔פֶץ (chefets) = eigen belang | וְכָל (vekhal) = en al | עַצְּבֵיכֶ֖ם (atseveikhem) = jullie arbeiders | תִּנְגֹּֽשׂוּ (tingosu) = jullie drijven aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִנִּינוּ נַפְשֵׁנוּ (inninu nafshenu), ‘wij hebben onszelf vernederd’: letterlijk ‘wij hebben ons leven vernederd’. Zo noemt men het vasten; zie Lev. 16:29, waar wij ‘jezelf kwellen’ vertalen. Voetnoot : חֵפֶץ (chefets), ‘eigen belang’: wat iemand behaagt of wil: genoegen, zaken, plannen. Zo ook in vers 13. Voetnoot : עַצְּבֵיכֶם (atsvekhem), ‘jullie arbeiders’: het woord is zeldzaam. Het kan ook ‘jullie pijnen’ of ‘jullie zware arbeid’ betekenen. Wij kiezen ‘arbeiders’. Voetnoot : תִּנְגֹּשׂוּ (tignosu), ‘jullie drijven aan’: van hetzelfde werkwoord als ‘drijvers’ in Exod. 3:7. Zie ook: Ex 3:7; Lev 16:29; Spr 28:9; Jes 58:13; Mal 3:14; Mat 20:11–12; Luc 18:9–12 **58:4** **Zie, jullie vasten voor ruzie en twist, en om met een goddeloze vuist te slaan. Jullie vasten niet zoals vandaag, om jullie stem in de hoogte te laten horen.** Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | לְרִ֤יב (leriv) = voor ruzie | וּמַצָּה֙ (umatsa) = en twist | תָּצ֔וּמוּ (tatsumu) = jullie vasten | וּלְהַכּ֖וֹת (ulehakot) = en om te slaan | בְּאֶגְרֹ֣ף (beegrof) = met een vuist | רֶ֑שַׁע (resha) = goddeloze | לֹא (lo) = niet | תָצ֣וּמוּ (tatsumu) = jullie vasten | כַיּ֔וֹם (kayom) = zoals vandaag | לְהַשְׁמִ֥יעַ (lehashmia) = om te laten horen | בַּמָּר֖וֹם (bamarom) = in de hoogte | קוֹלְכֶֽם (qolekhem) = jullie stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַצָּה (matsah), ‘twist’: de letters zijn gelijk aan die van ‘ongezuurde broden’ (Exod. 12:15), maar hier betekent het woord ‘twist’ of ‘strijd’. Voetnoot : כַּיּוֹם (kayyom), ‘zoals vandaag’: letterlijk ‘als de dag’. Bedoeld is: zoals jullie op deze dag doen. Zie ook: Ex 12:15; Spr 21:27; 1 Kon 21:9–13; Jes 59:2; Mat 6:16–18; Fil 1:14–15 **58:5** **Is dit het vasten dat Ik kies: een dag waarop een mens zichzelf vernedert? Zijn hoofd buigen als riet, en zak en as als bed spreiden? Noem je dit een vasten, een dag van welbehagen voor Yahweh?** Brontekst: הֲכָזֶ֗ה (hakhaze) = is zo iets | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | צ֣וֹם (tsom) = een vasten | אֶבְחָרֵ֔הוּ (evcharehu) = dat Ik kies | י֛וֹם (yom) = een dag van | עַנּ֥וֹת (anot) = vernederen | אָדָ֖ם (adam) = een mens | נַפְשׁ֑וֹ (nafsho) = zichzelf | הֲלָכֹ֨ף (halakhof) = is het buigen | כְּאַגְמֹ֜ן (keagmon) = als riet | רֹאשׁ֗וֹ (rosho) = zijn hoofd | וְשַׂ֤ק (vesaq) = en zak | וָאֵ֨פֶר֙ (vaefer) = en as | יַצִּ֔יעַ (yatsia) = spreidt hij als bed | הֲלָזֶה֙ (halaze) = noem je dit | תִּקְרָא (tiqra) = jij noemt | צ֔וֹם (tsom) = een vasten | וְי֥וֹם (veyom) = en een dag van | רָצ֖וֹן (ratson) = welbehagen | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַגְמֹן (agmon), ‘riet’: een plant die buigt in de wind. Voetnoot : יַצִּיעַ (yatsia), ‘spreidt als bed uit’: zak en as dienen hier als slaapplaats van wie rouwt of vast. Voetnoot : יוֹם רָצוֹן (yom ratson), ‘dag van welbehagen’: een dag waarop Yahweh iets graag aanneemt. Zo ook Jes. 61:2. Zie ook: Jes 49:8; Jes 61:2; Dan 9:3–19; Zach 7:5; Est 4:16; Rom 12:2 ### Het vasten dat Ik kies **58:6** **Is dit niet het vasten dat Ik kies: de ketenen van goddeloosheid losmaken, de banden van het juk losknopen, de onderdrukten vrij laten gaan en ieder juk verbreken?** Brontekst: הֲל֣וֹא (halo) = is niet | זֶה֮ (ze) = dit | צ֣וֹם (tsom) = het vasten | אֶבְחָרֵהוּ֒ (evcharehu) = dat Ik kies | פַּתֵּ֨חַ֙ (pateach) = losmaken | חַרְצֻבּ֣וֹת (chartsubot) = de ketenen van | רֶ֔שַׁע (resha) = goddeloosheid | הַתֵּ֖ר (hater) = losknopen | אֲגֻדּ֣וֹת (agudot) = de banden van | מוֹטָ֑ה (mota) = het juk | וְשַׁלַּ֤ח (veshalach) = en laten gaan | רְצוּצִים֙ (retsutsim) = de onderdrukten | חָפְשִׁ֔ים (chafeshim) = vrij | וְכָל (vekhal) = en ieder | מוֹטָ֖ה (mota) = juk | תְּנַתֵּֽקוּ (tenatequ) = jullie verbreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַרְצֻבּוֹת (chartsubbot), ‘ketenen’: een zeldzaam woord. De betekenis volgt uit de samenhang. Voetnoot : מוֹטָה (motah), ‘juk’: het houten juk op de nek van trekdieren; hier een beeld voor onderdrukking. Voetnoot : רְצוּצִים (retsutsim), ‘onderdrukten’: letterlijk ‘verbrijzelden’. Zie ook: Jes 58:9; Mi 3:2–4; Jer 34:8–11; Neh 5:10–12; 1 Tim 6:1 **58:7** **Is het niet: je brood breken voor de hongerige en zwervende ellendigen in huis brengen? Als je een naakte ziet, kleed hem dan, en onttrek je niet aan je eigen vlees.** Brontekst: הֲל֨וֹא (halo) = is niet | פָרֹ֤ס (paros) = het breken | לָֽרָעֵב֙ (laraev) = voor de hongerige | לַחְמֶ֔ךָ (lachmekha) = van je brood | וַעֲנִיִּ֥ים (vaaniyim) = en ellendigen | מְרוּדִ֖ים (merudim) = zwervende | תָּ֣בִיא (tavi) = je brengt | בָ֑יִת (bayit) = in huis | כִּֽי (ki) = als | תִרְאֶ֤ה (tire) = je ziet | עָרֹם֙ (arom) = een naakte | וְכִסִּית֔וֹ (vekhisito) = dan kleed je hem | וּמִבְּשָׂרְךָ֖ (umibesarekha) = en van je eigen vlees | לֹ֥א (lo) = niet | תִתְעַלָּֽם (titalam) = onttrek je je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרֹס (paros), ‘breken’: brood breken is brood delen. Voetnoot : מְרוּדִים (merudim), ‘zwervende’: mensen zonder eigen woonplaats. Voetnoot : תִתְעַלָּם (tit’allam), ‘onttrek je’: hetzelfde werkwoord als in Deut. 22:1. Voetnoot : וּמִבְּשָׂרְךָ (umibbesarkha), ‘en van je eigen vlees’: je eigen familie, je naaste verwanten. Zie ook: Deut 22:1; Spr 28:27; Ezech 18:7; Mat 25:35–45; Luc 3:11; 1 Joh 3:17–18 ### Dan breekt je licht door **58:8** **Dan breekt je licht door als de dageraad, en je genezing spruit snel op. Je gerechtigheid gaat voor je uit, en de heerlijkheid van Yahweh zal je achterhoede zijn.** Brontekst: אָ֣ז (az) = dan | יִבָּקַ֤ע (yibaqa) = breekt door | כַּשַּׁ֨חַר֙ (kashachar) = als de dageraad | אוֹרֶ֔ךָ (orekha) = je licht | וַאֲרֻכָתְךָ֖ (vaarukhatekha) = en je genezing | מְהֵרָ֣ה (mehera) = snel | תִצְמָ֑ח (titsmach) = spruit op | וְהָלַ֤ךְ (vehalakh) = en gaat | לְפָנֶ֨יךָ֙ (lefaneikha) = voor je uit | צִדְקֶ֔ךָ (tsidqekha) = je gerechtigheid | כְּב֥וֹד (kevod) = de heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יַאַסְפֶֽךָ (yaasfekha) = zal je achterhoede zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרֻכָה (arukhah), ‘genezing’: het dichtgroeien van een wond met nieuw vlees. Voetnoot : יַאַסְפֶךָ (ya’asfekha), ‘zal je achterhoede zijn’: letterlijk ‘zal je bijeenbrengen’. Het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘verzamelen’ en ook ‘de achterhoede vormen’: wie achteraan komt, dekt de rug. Zo ook Jes. 52:12. Zie ook: Ps 37:6; Jes 52:12; Jer 30:17; Jer 33:6; Mal 3:20 **58:9** **Dan roep je, en Yahweh antwoordt. Je schreeuwt om hulp, en Hij zegt: ‘Hier ben Ik.’ Als je het juk uit je midden wegdoet, het wijzen met de vinger en het spreken van onheil,** Brontekst: אָ֤ז (az) = dan | תִּקְרָא֙ (tiqra) = roep je | וַיהוָ֣ה (vaYahweh) = en Yahweh | יַעֲנֶ֔ה (yaane) = antwoordt | תְּשַׁוַּ֖ע (teshava) = je schreeuwt om hulp | וְיֹאמַ֣ר (veyomar) = en Hij zegt | הִנֵּ֑נִי (hineni) = hier ben Ik | אִם (im) = als | תָּסִ֤יר (tasir) = je wegdoet | מִתּֽוֹכְךָ֙ (mitokhekha) = uit je midden | מוֹטָ֔ה (mota) = het juk | שְׁלַ֥ח (shelach) = het uitsteken van | אֶצְבַּ֖ע (etsba) = de vinger | וְדַבֶּר (vedaber) = en het spreken van | אָֽוֶן (aven) = onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִנֵּנִי (hinneni), ‘hier ben Ik’: het antwoord van wie klaarstaat. Yahweh zegt het hier van Zichzelf. Voetnoot : שְׁלַח אֶצְבַּע (shelach etsba), ‘het wijzen met de vinger’: letterlijk ‘het uitsteken van de vinger’; spot of beschuldiging. Voetnoot : אָוֶן (aven), ‘onheil’: kwaad dat schade brengt. Zie ook: Ps 50:15; Ps 91:15; Jes 65:24; Jer 29:12–13; Mat 7:7–8 **58:10** **en je jezelf geeft aan de hongerige en de vernederde verzadigt, dan gaat je licht op in het donker. Je duisternis wordt als de middag.** Brontekst: וְתָפֵ֤ק (vetafeq) = en je geeft | לָֽרָעֵב֙ (laraev) = aan de hongerige | נַפְשֶׁ֔ךָ (nafshekha) = jezelf | וְנֶ֥פֶשׁ (venefesh) = en de mens | נַעֲנָ֖ה (naana) = die vernederd is | תַּשְׂבִּ֑יעַ (tasbia) = je verzadigt | וְזָרַ֤ח (vezarach) = dan gaat op | בַּחֹ֨שֶׁךְ֙ (bachoshekh) = in het donker | אוֹרֶ֔ךָ (orekha) = je licht | וַאֲפֵלָתְךָ֖ (vaafelatekha) = en je duisternis | כַּֽצָּהֳרָֽיִם (katsahorayim) = wordt als de middag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְתָפֵק לָרָעֵב נַפְשֶׁךָ (vetafeq laraev nafshekha), ‘en je geeft jezelf aan de hongerige’: letterlijk ‘en je laat je ziel naar de hongerige uitgaan’. Het gaat om meer dan brood: je geeft je hart en je aandacht. Voetnoot : נֶפֶשׁ נַעֲנָה (nefesh na’anah), ‘de vernederde’: letterlijk ‘een vernederde ziel’, dus iemand die gebogen gaat onder zorg of armoede. Zie ook: Job 11:17; Ps 37:6; Spr 11:24–25; Jes 42:16; Jes 58:7–8 **58:11** **Yahweh zal je altijd leiden. Hij verzadigt je in dorre streken en geeft je beenderen kracht. Je zult zijn als een bevloeide tuin en als een waterbron waarvan de wateren niet teleurstellen.** Brontekst: וְנָחֲךָ֣ (venachakha) = en leiden zal je | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | תָּמִיד֒ (tamid) = altijd | וְהִשְׂבִּ֤יעַ (vehisbia) = en Hij verzadigt | בְּצַחְצָחוֹת֙ (betsachtsachot) = in dorre streken | נַפְשֶׁ֔ךָ (nafshekha) = je leven | וְעַצְמֹתֶ֖יךָ (veatsmoteikha) = en je beenderen | יַחֲלִ֑יץ (yachalits) = Hij geeft kracht | וְהָיִ֨יתָ֙ (vehayita) = en je zult zijn | כְּגַ֣ן (kegan) = als een tuin | רָוֶ֔ה (rave) = bevloeide | וּכְמוֹצָ֣א (ukhemotsa) = en als een bron van | מַ֔יִם (mayim) = water | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarvan | לֹא (lo) = niet | יְכַזְּב֖וּ (yekhazevu) = teleurstellen | מֵימָֽיו (meimav) = zijn wateren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַחְצָחוֹת (tsachtsachot), ‘dorre streken’: een zeldzaam woord, van een stam die ‘verschroeid’ of ‘kaal’ betekent. Voetnoot : לֹא יְכַזְּבוּ (lo yekhazzevu), ‘niet teleurstellen’: letterlijk ‘niet liegen’. Een bron die niet opdroogt, laat je niet in de steek. Zie ook: Ps 32:8; Jes 49:10; Jer 31:12; Joh 4:14; Joh 16:13 **58:12** **Uit jou zullen zij eeuwenoude ruïnes herbouwen. De fundamenten van geslacht op geslacht richt je weer op. Je wordt genoemd: ‘Hersteller van de bres, hersteller van paden om in te wonen.’** Brontekst: וּבָנ֤וּ (uvanu) = en zij zullen bouwen | מִמְּךָ֙ (mimekha) = uit jou | חָרְב֣וֹת (charevot) = ruïnes van | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwen | מוֹסְדֵ֥י (mosedei) = de fundamenten van | דוֹר (dor) = geslacht | וָד֖וֹר (vador) = op geslacht | תְּקוֹמֵ֑ם (teqomem) = jij richt op | וְקֹרָ֤א (veqora) = en je wordt genoemd | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | גֹּדֵ֣ר (goder) = hersteller van | פֶּ֔רֶץ (perets) = de bres | מְשֹׁבֵ֥ב (meshovev) = hersteller van | נְתִיב֖וֹת (netivot) = paden | לָשָֽׁבֶת (lashavet) = om te wonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוֹלָם (olam), ‘eeuwenoude’: letterlijk ‘van eeuwigheid’. Hier gaat het om ruïnes die van lang geleden zijn. Elders vertalen wij olam met ‘voor eeuwig’. Voetnoot : גֹּדֵר פֶּרֶץ (gader perets), ‘hersteller van de bres’: letterlijk ‘wie de bres dichtmetselt’, een gat in de stadsmuur. Zie ook: Amos 9:11; Amos 9:14; Jes 61:4; Ezech 36:33; Neh 2:17 ### De sabbat als genot **58:13** **Als je je voet terughoudt van de sabbat, zodat je op Mijn heilige dag je eigen belangen niet doet, en je de sabbat een genot noemt, het heilige van Yahweh, vol eer, en je het eert door je eigen wegen niet te gaan, je eigen belang niet te zoeken en geen woorden te spreken,** Brontekst: אִם (im) = als | תָּשִׁ֤יב (tashiv) = je terughoudt | מִשַּׁבָּת֙ (mishabat) = van de sabbat | רַגְלֶ֔ךָ (raglekha) = je voet | עֲשׂ֥וֹת (asot) = om te doen | חֲפָצֶ֖יךָ (chafatseikha) = je eigen belangen | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | קָדְשִׁ֑י (qadeshi) = Mijn heiligheid | וְקָרָ֨אתָ (veqarata) = en je noemt | לַשַּׁבָּ֜ת (lashabat) = de sabbat | עֹ֗נֶג (oneg) = een genot | לִקְד֤וֹשׁ (liqdosh) = het heilige van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מְכֻבָּ֔ד (mekhubad) = vol eer | וְכִבַּדְתּוֹ֙ (vekhibadto) = en je eert het | מֵעֲשׂ֣וֹת (measot) = door niet te doen | דְּרָכֶ֔יךָ (derakheikha) = je eigen wegen | מִמְּצ֥וֹא (mimetso) = door niet te vinden | חֶפְצְךָ֖ (cheftsekha) = je eigen belang | וְדַבֵּ֥ר (vedaber) = en niet te spreken | דָּבָֽר (davar) = woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’: de zevende dag, de dag van rust; zie Exod. 20:8–11. Voetnoot : תָּשִׁיב רַגְלֶךָ (tashiv raglekha), ‘je voet terughouden’: je voet ervan afhouden de sabbat te vertrappen, dus er niet je eigen gang op gaan. Voetnoot : לִקְדוֹשׁ יְהוָה (liqdosh Yahweh), ‘het heilige van Yahweh’: waarschijnlijk de sabbat zelf. Voetnoot : וְדַבֵּר דָּבָר (vedabber davar), ‘en geen woorden te spreken’: letterlijk ‘en spreken een woord’. Waarschijnlijk gaat het om praten over zaken of ijdel gepraat. De betekenis is niet zeker. Zie ook: Ex 20:8–11; Ps 92:2–3; Jes 56:2–6; Jer 17:21–27; Neh 13:15–22; Openb 1:10 **58:14** **dan zul je genot vinden in Yahweh. Ik laat je rijden over de hoogten van het land en laat je eten van het erfdeel van Jakob, je vader.”** Want de mond van Yahweh heeft gesproken. Brontekst: אָ֗ז (az) = dan | תִּתְעַנַּג֙ (titanag) = zul je genot vinden | עַל (al) = in | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהִרְכַּבְתִּ֖יךָ (vehirkavtikha) = en Ik laat je rijden | עַל (al) = over | בָּ֣מֳותֵי (bamovtei) = de hoogten van | אָ֑רֶץ (arets) = het land | וְהַאֲכַלְתִּ֗יךָ (vehaakhaltikha) = en Ik laat je eten | נַחֲלַת֙ (nachalat) = het erfdeel van | יַעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | כִּ֛י (ki) = want | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבֵּֽר (diber) = heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמֳותֵי אָרֶץ (bamotei arets), ‘de hoogten van het land’: vergelijk Deut. 32:13, waar Yahweh Zijn volk over de hoogten van het land laat rijden. Vergelijk ook Deut. 33:29, waar Israël op de hoogten van zijn vijanden treedt. Voetnoot : נַחֲלַת יַעֲקֹב (nachalat Ya’aqov), ‘het erfdeel van Jakob’: het beloofde land. Voetnoot : כִּי פִּי יְהוָה דִּבֵּר (ki pi Yahweh dibber), ‘want de mond van Yahweh heeft gesproken’: dit slot staat zwart. Het is een afsluiting van de profeet over Yahweh in de derde persoon, zoals in Jes. 1:20. Zie ook: Job 22:26; Deut 32:13; Deut 33:29; Jes 1:19–20; Jes 1:20; Jes 33:16; Hab 3:18–19 ## Jesaja 59 _Jullie zonden, onze klacht en de Verlosser voor Sion_ ### De hand van Yahweh is niet te kort **59:1** Zie, de hand van Yahweh is niet te kort om te redden, en Zijn oor is niet te zwaar om te horen. Brontekst: הֵ֛ן (hen) = zie | לֹֽא (lo) = niet | קָצְרָ֥ה (qatsera) = is te kort | יַד (yad) = de hand van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מֵֽהוֹשִׁ֑יעַ (mehoshia) = om te redden | וְלֹא (velo) = en niet | כָבְדָ֥ה (kaveda) = is te zwaar | אָזְנ֖וֹ (azeno) = Zijn oor | מִשְּׁמֽוֹעַ (mishemoa) = om te horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt de profeet, tot vers 19. Zijn woorden staan zwart. Pas in vers 20 en 21 spreekt Yahweh zelf; daar staat weer rood. Voetnoot : קָצְרָה יַד (qatsrah yad), ‘de hand is te kort’: een beeld voor onmacht. Zo ook in Num. 11:23. Voetnoot : כָבְדָה אָזְנוֹ (khavdah oznu), ‘Zijn oor is te zwaar’: Hij hoort slecht. Ook dat is een beeld; Yahweh is niet doof. Zie ook: Gen 18:14; Num 11:23; Jes 50:2; Jes 59:19; Jes 59:20; Jes 59:21; Jes 65:24; Jer 32:17 **59:2** Maar jullie ongerechtigheden zijn een scheiding geworden tussen jullie en jullie Elohim. Jullie zonden hebben Zijn aangezicht voor jullie verborgen, zodat Hij niet hoort. Brontekst: כִּ֤י (ki) = maar | אִם (im) = juist | עֲוֺנֹֽתֵיכֶם֙ (avonoteikhem) = jullie ongerechtigheden | הָי֣וּ (hayu) = zijn geworden | מַבְדִּלִ֔ים (mavdilim) = scheidend | בֵּינֵכֶ֕ם (beinekhem) = tussen jullie | לְבֵ֖ין (levein) = en | אֱלֹֽהֵיכֶ֑ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וְחַטֹּֽאותֵיכֶ֗ם (vechatovteikhem) = en jullie zonden | הִסְתִּ֧ירוּ (histiru) = hebben verborgen | פָנִ֛ים (panim) = het aangezicht | מִכֶּ֖ם (mikem) = voor jullie | מִשְּׁמֽוֹעַ (mishemoa) = zodat Hij niet hoort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 31:17–18; Spr 15:29; Jes 1:15; Mi 3:4; Jer 5:25 **59:3** Want jullie handen zijn bezoedeld met bloed en jullie vingers met ongerechtigheid. Jullie lippen spreken leugen; jullie tong mompelt onrecht. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | כַפֵּיכֶם֙ (kapeikhem) = jullie handen | נְגֹאֲל֣וּ (negoalu) = zijn bezoedeld | בַדָּ֔ם (badam) = met bloed | וְאֶצְבְּעוֹתֵיכֶ֖ם (veetsbeoteikhem) = en jullie vingers | בֶּֽעָוֺ֑ן (beavon) = met ongerechtigheid | שִׂפְתֽוֹתֵיכֶם֙ (siftoteikhem) = jullie lippen | דִּבְּרוּ (diberu) = spreken | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = leugen | לְשׁוֹנְכֶ֖ם (leshonekhem) = jullie tong | עַוְלָ֥ה (avla) = onrecht | תֶהְגֶּֽה (tehge) = mompelt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְגֹאֲלוּ (nego’alu), ‘zijn bezoedeld’: van het werkwoord גָּאַל (ga’al), ‘bezoedelen’. Het klinkt als גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’, maar is een ander werkwoord. Vers 20 gebruikt het andere: de Verlosser (go’el). Voetnoot : תֶהְגֶּה (tehgeh), ‘mompelt’: zacht uitspreken of prevelen. Zo ook in vers 11 en 13. Voetnoot : עַוְלָה (avlah), ‘onrecht’: wat krom en oneerlijk is. Zie ook: Jes 1:15; Jes 1:21; Jes 59:11; Jes 59:13; Jes 59:20; Jer 2:30; Jer 2:34; Ezech 13:8 **59:4** Niemand klaagt aan in gerechtigheid, en niemand pleit in betrouwbaarheid. Zij vertrouwen op leegte en spreken ijdele woorden. Zij worden zwanger van moeite en baren onheil. Brontekst: אֵין (ein) = niemand | קֹרֵ֣א (qore) = roept aan | בְצֶ֔דֶק (betsedeq) = in gerechtigheid | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | נִשְׁפָּ֖ט (nishpat) = pleit | בֶּאֱמוּנָ֑ה (beemuna) = in betrouwbaarheid | בָּט֤וֹחַ (batoach) = vertrouwen | עַל (al) = op | תֹּ֨הוּ֙ (tohu) = leegte | וְדַבֶּר (vedaber) = en spreken | שָׁ֔וְא (shave) = ijdele woorden | הָר֥וֹ (haro) = zwanger worden | עָמָ֖ל (amal) = van moeite | וְהוֹלֵ֥יד (veholeid) = en baren | אָֽוֶן (aven) = onheil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹרֵא בְצֶדֶק (qore betsedeq), ‘klaagt aan in gerechtigheid’: letterlijk ‘roept in gerechtigheid’. Het werkwoord קָרָא (qara), ‘roepen’, kan ook betekenen: iemand voor het gerecht roepen. נִשְׁפָּט (nishpat), ‘pleit’: een rechtszaak voeren. Voetnoot : אֱמוּנָה (emunah), ‘betrouwbaarheid’: wat vast en eerlijk is. Voetnoot : תֹּהוּ (tohu), ‘leegte’: hetzelfde woord als in Gen. 1:2. Voetnoot : הָרוֹ עָמָל וְהוֹלֵיד אָוֶן (haro amal veholed aven), ‘zwanger worden van moeite en baren onheil’: vergelijk Ps. 7:15. Zie ook: Gen 1:2; Job 15:35; Ps 7:15; Mi 7:2–5; Jer 7:4; Jer 7:8; Jak 1:15 **59:5** Zij broeden adderseieren uit en weven spinnenwebben. Wie van hun eieren eet, sterft. Wordt er een ei vertrapt, dan breekt er een giftige slang uit. Brontekst: בֵּיצֵ֤י (beitsei) = eieren van | צִפְעוֹנִי֙ (tsifoni) = adders | בִּקֵּ֔עוּ (biqeu) = zij broeden uit | וְקוּרֵ֥י (vequrei) = en draden van | עַכָּבִ֖ישׁ (akavish) = spin | יֶאֱרֹ֑גוּ (yeerogu) = zij weven | הָאֹכֵ֤ל (haokhel) = wie eet | מִבֵּֽיצֵיהֶם֙ (mibeitseihem) = van hun eieren | יָמ֔וּת (yamut) = sterft | וְהַזּוּרֶ֖ה (vehazure) = en wat vertrapt wordt | תִּבָּקַ֥ע (tibaqa) = breekt open | אֶפְעֶֽה (efe) = een giftige slang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צִפְעוֹנִי (tsif’oni), ‘adder’, en אֶפְעֶה (efeh), ‘giftige slang’: twee soorten slangen. Voetnoot : וְהַזּוּרֶה (vehazzureh), ‘wat vertrapt wordt’: letterlijk ‘het geperste’. Bedoeld is een ei dat wordt stukgedrukt. Het Hebreeuws is kort; de zin betekent dat er dan een giftige slang uitkomt. Zie ook: Job 8:14; Spr 23:32; Jes 14:29; Mat 3:7; Mat 12:34 **59:6** Hun webben worden geen kleed, en met wat zij maken kunnen zij zich niet bedekken. Hun werken zijn werken van onheil, en daden van geweld zijn in hun handen. Brontekst: קֽוּרֵיהֶם֙ (qureihem) = hun webben | לֹא (lo) = niet | יִהְי֣וּ (yihyu) = worden | לְבֶ֔גֶד (leveged) = tot een kleed | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִתְכַּסּ֖וּ (yitkasu) = zij bedekken zich | בְּמַֽעֲשֵׂיהֶ֑ם (bemaaseihem) = met hun werk | מַֽעֲשֵׂיהֶם֙ (maaseihem) = hun werken | מַֽעֲשֵׂי (maasei) = werken van | אָ֔וֶן (aven) = onheil | וּפֹ֥עַל (ufoal) = en daad van | חָמָ֖ס (chamas) = geweld | בְּכַפֵּיהֶֽם (bekhapeihem) = in hun handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 30:12–14; Jes 57:12; Jer 6:7; Ezech 7:23; Openb 3:17–18 **59:7** Hun voeten rennen naar het kwaad en haasten zich om onschuldig bloed te vergieten. Hun gedachten zijn gedachten van onheil. Verwoesting en ondergang liggen op hun banen. Brontekst: רַגְלֵיהֶם֙ (ragleihem) = hun voeten | לָרַ֣ע (lara) = naar het kwaad | יָרֻ֔צוּ (yarutsu) = rennen | וִֽימַהֲר֔וּ (vimaharu) = en zij haasten zich | לִשְׁפֹּ֖ךְ (lishpokh) = om te vergieten | דָּ֣ם (dam) = bloed | נָקִ֑י (naqi) = onschuldig | מַחְשְׁבֽוֹתֵיהֶם֙ (machshevoteihem) = hun gedachten | מַחְשְׁב֣וֹת (machshevot) = gedachten van | אָ֔וֶן (aven) = onheil | שֹׁ֥ד (shod) = verwoesting | וָשֶׁ֖בֶר (vashever) = en ondergang | בִּמְסִלּוֹתָֽם (bimsilotam) = op hun banen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De eerste zin is bijna gelijk aan Spr. 1:16; daarom gebruiken wij dezelfde woorden. Vergelijk ook Rom. 3:15. Voetnoot : מְסִלּוֹת (mesillot), ‘banen’: gebaande wegen. Zie ook: Spr 1:16; Spr 6:17; Jer 22:17; Mar 7:21–22; Rom 3:15–17 **59:8** De weg van de vrede kennen zij niet, en er is geen recht in hun sporen. Hun paden hebben zij voor zichzelf krom gemaakt. Wie erop treedt, kent geen vrede. Brontekst: דֶּ֤רֶךְ (derekh) = de weg van | שָׁלוֹם֙ (shalom) = vrede | לֹ֣א (lo) = niet | יָדָ֔עוּ (yadau) = kennen zij | וְאֵ֥ין (veein) = en er is niet | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | בְּמַעְגְּלוֹתָ֑ם (bemagelotam) = in hun sporen | נְתִיבֽוֹתֵיהֶם֙ (netivoteihem) = hun paden | עִקְּשׁ֣וּ (iqeshu) = hebben zij krom gemaakt | לָהֶ֔ם (lahem) = voor zichzelf | כֹּ֚ל (kol) = ieder | דֹּרֵ֣ךְ (dorekh) = die treedt | בָּ֔הּ (bah) = erop | לֹ֥א (lo) = niet | יָדַ֖ע (yada) = kent | שָׁלֽוֹם (shalom) = vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעְגְּלוֹת (ma’gelot), ‘sporen’: de sporen van een wagenwiel, de vaste paden. Vergelijk Rom. 3:17. Zie ook: Ps 58:2–3; Jes 5:7; Jes 57:20–21; Luc 1:79; Rom 3:17 ### Wij tasten als blinden **59:9** Daarom is het recht ver van ons, en bereikt gerechtigheid ons niet. Wij hopen op licht, en zie: duisternis; op heldere stralen, maar wij wandelen in diepe duisternis. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = zo | רָחַ֤ק (rachaq) = is ver | מִשְׁפָּט֙ (mishpat) = het recht | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = van ons | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַשִּׂיגֵ֖נוּ (tasigenu) = bereikt ons | צְדָקָ֑ה (tsedaqa) = gerechtigheid | נְקַוֶּ֤ה (neqave) = wij hopen | לָאוֹר֙ (laor) = op licht | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | חֹ֔שֶׁךְ (choshekh) = duisternis | לִנְגֹה֖וֹת (lingohot) = op heldere stralen | בָּאֲפֵל֥וֹת (baafelot) = in diepe duisternis | נְהַלֵּֽךְ (nehalekh) = wij wandelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt de profeet in de wij-vorm. Hij rekent zichzelf bij het volk. Voetnoot : נְגֹהוֹת (negohot), ‘heldere stralen’: het stralende licht van de dag. אֲפֵלוֹת (afelot), ‘diepe duisternis’. Zie ook: Job 30:26; Jes 5:30; Mi 1:12; Hab 1:13; 1 Tess 5:3 **59:10** Wij tasten langs de muur als blinden, wij tasten als wie geen ogen heeft. Wij struikelen op de middag alsof het schemer is. Tussen de sterken zijn wij als doden. Brontekst: נְגַֽשְׁשָׁ֤ה (negashsha) = wij tasten | כַֽעִוְרִים֙ (kaivrim) = als blinden | קִ֔יר (qir) = langs de muur | וּכְאֵ֥ין (ukheein) = en als wie niet heeft | עֵינַ֖יִם (einayim) = ogen | נְגַשֵּׁ֑שָׁה (negashesha) = wij tasten | כָּשַׁ֤לְנוּ (kashalnu) = wij struikelen | בַֽצָּהֳרַ֨יִם֙ (batsahorayim) = op de middag | כַּנֶּ֔שֶׁף (kaneshef) = als in de schemering | בָּאַשְׁמַנִּ֖ים (baashmanim) = tussen de sterken | כַּמֵּתִֽים (kametim) = als doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶשֶׁף (neshef), ‘schemering’: de tijd van de avond of de ochtend. Het is dan niet helemaal licht. Voetnoot : בָּאַשְׁמַנִּים (ba’ashmannim), ‘tussen de sterken’: het woord is zeldzaam en onzeker. Het kan ook ‘in donkere plaatsen’ betekenen. Zie ook: Job 5:14; Deut 28:29; Klaagl 3:6; Klaagl 4:14; Joh 12:35 **59:11** Wij brommen allemaal als beren en kreunen als duiven. Wij hopen op recht, maar het is er niet; op redding, maar die is ver van ons. Brontekst: נֶהֱמֶ֤ה (neheme) = wij brommen | כַדֻּבִּים֙ (kadubim) = als beren | כֻּלָּ֔נוּ (kulanu) = allen | וְכַיּוֹנִ֖ים (vekhayonim) = en als duiven | הָגֹ֣ה (hago) = kreunend | נֶהְגֶּ֑ה (nehge) = kreunen wij | נְקַוֶּ֤ה (neqave) = wij hopen | לַמִּשְׁפָּט֙ (lamishpat) = op recht | וָאַ֔יִן (vaayin) = maar er is niet | לִֽישׁוּעָ֖ה (lishua) = op redding | רָחֲקָ֥ה (rachaqa) = is ver | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = van ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 85:10; Jes 38:14; Jes 59:9; Jer 8:15; Ezech 7:16 ### Onze overtredingen zijn bij ons **59:12** Want onze overtredingen zijn talrijk voor U, en onze zonden getuigen tegen ons. Want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij: Brontekst: כִּֽי (ki) = want | רַבּ֤וּ (rabu) = zijn talrijk | פְשָׁעֵ֨ינוּ֙ (peshaeinu) = onze overtredingen | נֶגְדֶּ֔ךָ (negdekha) = voor U | וְחַטֹּאותֵ֖ינוּ (vechatovteinu) = en onze zonden | עָ֣נְתָה (aneta) = getuigen | בָּ֑נוּ (banu) = tegen ons | כִּֽי (ki) = want | פְשָׁעֵ֣ינוּ (peshaeinu) = onze overtredingen | אִתָּ֔נוּ (itanu) = zijn bij ons | וַעֲוֺנֹתֵ֖ינוּ (vaavonoteinu) = en onze ongerechtigheden | יְדַֽעֲנֽוּם (yedaanum) = wij kennen ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt de profeet tot Yahweh; daarom staat er ‘U’. Voetnoot : עָנְתָה בָּנוּ (anetah banu), ‘getuigen tegen ons’: letterlijk ‘antwoorden in ons’. Het werkwoord betekent hier: als getuige optreden. Zie ook: Hos 4:2; Hos 5:5; Jes 1:4; Jer 14:7; Ezra 9:6 **59:13** overtreden en Yahweh verloochenen, ons afkeren van onze Elohim, spreken van onderdrukking en opstand, zwanger worden van leugenwoorden en ze uit het hart prevelen. Brontekst: פָּשֹׁ֤עַ (pashoa) = overtreden | וְכַחֵשׁ֙ (vekhachesh) = en verloochenen | בַּֽיהוָ֔ה (baYahweh) = Yahweh | וְנָס֖וֹג (venasog) = en ons afkeren | מֵאַחַ֣ר (meachar) = van achter | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | דַּבֶּר (daber) = spreken van | עֹ֣שֶׁק (osheq) = onderdrukking | וְסָרָ֔ה (vesara) = en opstand | הֹר֧וֹ (horo) = zwanger worden | וְהֹג֛וֹ (vehogo) = en prevelen | מִלֵּ֖ב (milev) = uit het hart | דִּבְרֵי (divrei) = woorden van | שָֽׁקֶר (shaqer) = leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft in dit vers werkwoorden in de onbepaalde wijs: ‘overtreden’, ‘verloochenen’, ‘zich afkeren’. Wij laten dat zo. Het vers somt op wat in vers 12 wordt beleden. Voetnoot : כָּחֵשׁ (kachesh), ‘verloochenen’: ontkennen of liegen over iemand. Voetnoot : סָרָה (sarah), ‘opstand’: letterlijk ‘afwijking’. Zo ook Deut. 13:6. Zie ook: Deut 13:6; Hos 12:1; Jes 5:7; Jes 59:12; Mar 7:21–22; Jak 3:6; Heb 3:12 **59:14** Het recht is teruggedrongen, en gerechtigheid staat op afstand. Want de waarheid struikelt op het plein, en rechtschapenheid kan niet binnenkomen. Brontekst: וְהֻסַּ֤ג (vehusag) = en is teruggedrongen | אָחוֹר֙ (achor) = achterwaarts | מִשְׁפָּ֔ט (mishpat) = het recht | וּצְדָקָ֖ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | מֵרָח֣וֹק (merachoq) = van ver | תַּעֲמֹ֑ד (taamod) = staat | כִּֽי (ki) = want | כָשְׁלָ֤ה (kashela) = struikelt | בָֽרְחוֹב֙ (barechov) = op het plein | אֱמֶ֔ת (emet) = de waarheid | וּנְכֹחָ֖ה (unekhocha) = en rechtschapenheid | לֹא (lo) = niet | תוּכַ֥ל (tukhal) = kan | לָבֽוֹא (lavo) = binnenkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְכֹחָה (nekochah), ‘rechtschapenheid’: wat recht en eerlijk is. Voetnoot : רְחוֹב (rechov), ‘plein’: de open plaats bij de stadspoort, waar men rechtsprak. Zie ook: Pred 3:16; Jes 1:21; Jes 5:23; Jer 5:31; Hab 1:4 ### Yahweh ziet het en grijpt in **59:15** De waarheid is verdwenen, en wie van het kwaad wijkt, wordt beroofd. Yahweh zag het, en het was kwaad in Zijn ogen dat er geen recht was. Brontekst: וַתְּהִ֤י (vatehi) = en is | הָֽאֱמֶת֙ (haemet) = de waarheid | נֶעְדֶּ֔רֶת (nederet) = verdwenen | וְסָ֥ר (vesar) = en wie wijkt | מֵרָ֖ע (mera) = van het kwaad | מִשְׁתּוֹלֵ֑ל (mishtolel) = wordt beroofd | וַיַּ֧רְא (vayar) = en zag | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּ֥רַע (vayera) = en het was kwaad | בְּעֵינָ֖יו (beeinav) = in Zijn ogen | כִּֽי (ki) = dat | אֵ֥ין (ein) = niet was | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁתּוֹלֵל (mishtolel), ‘wordt beroofd’: van een werkwoord dat ‘plunderen’ betekent. Het kan ook zijn: ‘maakt zichzelf tot prooi’. In beide gevallen verliest wie het kwaad mijdt, daardoor zelf. Zie ook: Mi 7:2; Jer 7:28; Rom 8:36; Heb 11:36–38; 1 Joh 3:11–12 **59:16** Hij zag dat er niemand was en was ontzet dat er niemand tussenbeide kwam. Toen bracht Zijn eigen arm Hem redding, en Zijn gerechtigheid, die steunde Hem. Brontekst: וַיַּרְא֙ (vayar) = en Hij zag | כִּֽי (ki) = dat | אֵ֣ין (ein) = niet was | אִ֔ישׁ (ish) = iemand | וַיִּשְׁתּוֹמֵ֖ם (vayishtomem) = en Hij was ontzet | כִּ֣י (ki) = dat | אֵ֣ין (ein) = niet was | מַפְגִּ֑יעַ (mafgia) = een tussenbeider | וַתּ֤וֹשַֽׁע (vatosha) = en bracht redding | לוֹ֙ (lo) = Hem | זְרֹע֔וֹ (zeroo) = Zijn arm | וְצִדְקָת֖וֹ (vetsidqato) = en Zijn gerechtigheid | הִ֥יא (hi) = zij | סְמָכָֽתְהוּ (semakhatehu) = steunde Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַפְגִּיעַ (mafgia), ‘tussenbeider’: iemand die tussenbeide komt om recht te doen. Vergelijk Jes. 63:5 en Ezech. 22:30. Voetnoot : וַתּוֹשַׁע לוֹ זְרֹעוֹ (vattoshea lo zero’o), ‘toen bracht Zijn eigen arm Hem redding’: letterlijk ‘en redde voor Hem Zijn arm’. Yahweh grijpt zelf in. Zie ook: Ps 98:1; Ps 106:23; Jes 63:3–5; Jes 63:5; Jes 64:6; Ezech 22:30 **59:17** Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en een helm van redding op Zijn hoofd. Hij trok kleren van wraak aan als gewaad en hulde Zich in ijver als in een mantel. Brontekst: וַיִּלְבַּ֤שׁ (vayilbash) = en Hij trok aan | צְדָקָה֙ (tsedaqa) = gerechtigheid | כַּשִּׁרְיָ֔ן (kashiryan) = als een pantser | וְכ֥וֹבַע (vekhova) = en een helm van | יְשׁוּעָ֖ה (yeshua) = redding | בְּרֹאשׁ֑וֹ (berosho) = op Zijn hoofd | וַיִּלְבַּ֞שׁ (vayilbash) = en Hij trok aan | בִּגְדֵ֤י (bigdei) = kleren van | נָקָם֙ (naqam) = wraak | תִּלְבֹּ֔שֶׁת (tilboshet) = als gewaad | וַיַּ֥עַט (vayaat) = en Hij hulde Zich | כַּמְעִ֖יל (kamil) = als in een mantel | קִנְאָֽה (qina) = ijver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh wordt hier beschreven als een krijger met pantser en helm. Vergelijk Ef. 6:14–17 en 1 Thess. 5:8. Voetnoot : נָקָם (naqam), ‘wraak’: het herstellen van het recht door te straffen. קִנְאָה (qin’ah), ‘ijver’: vurige inzet voor wat Hem toebehoort. Zie ook: Jes 11:5; 1 Tess 5:8; Rom 13:12–14; Ef 6:14; Ef 6:17 **59:18** Naar wat zij verdienen, zo zal Hij betalen: gloeiende toorn voor Zijn tegenstanders, vergelding voor Zijn vijanden. Ook de eilanden zal Hij vergelding betalen. Brontekst: כְּעַ֤ל (keal) = naar | גְּמֻלוֹת֙ (gemulot) = wat zij verdienen | כְּעַ֣ל (keal) = zo | יְשַׁלֵּ֔ם (yeshalem) = zal Hij betalen | חֵמָ֣ה (chema) = gloeiende toorn | לְצָרָ֔יו (letsarav) = voor Zijn tegenstanders | גְּמ֖וּל (gemul) = vergelding | לְאֹֽיְבָ֑יו (leoyevav) = voor Zijn vijanden | לָאִיִּ֖ים (laiyim) = voor de eilanden | גְּמ֥וּל (gemul) = vergelding | יְשַׁלֵּֽם (yeshalem) = zal Hij betalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּמֻלוֹת (gemulot), ‘wat zij verdienen’: letterlijk ‘vergeldingen’. Het woord gemul, ‘vergelding’, komt in dit vers twee keer voor. Voetnoot : אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: verre kustlanden over zee. Zie ook: Jes 63:6; Nah 1:2; Jer 17:10; Mat 16:27; Rom 2:6 **59:19** Dan zal men de naam van Yahweh vrezen vanuit het westen, en Zijn heerlijkheid vanuit het oosten. Want Hij komt als een samengeperste rivier, die de adem van Yahweh voortdrijft. Brontekst: וְיִֽירְא֤וּ (veyireu) = en zij zullen vrezen | מִֽמַּעֲרָב֙ (mimaarav) = vanuit het westen | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּמִמִּזְרַח (umimizrach) = en vanuit de opgang van | שֶׁ֖מֶשׁ (shemesh) = de zon | אֶת (et) = (obj.) | כְּבוֹד֑וֹ (kevodo) = Zijn heerlijkheid | כִּֽי (ki) = want | יָב֤וֹא (yavo) = Hij komt | כַנָּהָר֙ (kanahar) = als een rivier | צָ֔ר (tsar) = samengeperste | ר֥וּחַ (ruach) = de adem van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | נֹ֥סְסָה (nosesa) = drijft voort | בֽוֹ (bo) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het tweede deel van dit vers is moeilijk. צָר (tsar) betekent ‘eng’, ‘benauwd’, en ook ‘tegenstander’. נֹסְסָה (nosesah) kan ‘voortdrijven’ betekenen, maar ook ‘een banier opheffen’ (nes, ‘banier’). Voetnoot : Wij vertalen: ‘Want Hij komt als een samengeperste rivier, die de adem van Yahweh voortdrijft.’ Een andere mogelijkheid is: ‘Wanneer de tegenstander komt als een rivier, heft de adem van Yahweh een banier tegen hem op.’ Zie ook: Ps 22:28; Ps 113:3; Dan 7:27; Zach 4:6; Openb 12:15–17 ### Een Verlosser komt naar Sion **59:20** **„Een Verlosser komt naar Sion, en naar hen in Jakob die zich van overtreding afkeren, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וּבָ֤א (uva) = en hij komt | לְצִיּוֹן֙ (letsiyon) = naar Sion | גּוֹאֵ֔ל (goel) = een Verlosser | וּלְשָׁבֵ֥י (uleshavei) = en naar wie zich afkeert van | פֶ֖שַׁע (pesha) = overtreding | בְּיַֽעֲקֹ֑ב (beyaaqov) = in Jakob | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: גּוֹאֵל (go’el), ‘Verlosser’: de naaste verwant die iemand vrijkoopt en zijn recht herstelt. In Lev. 25:25 vertalen wij hetzelfde woord met ‘losser’. Hier is het een titel van Yahweh Zelf. Voetnoot : נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie 1:24. De formule zegt dat Yahweh zelf spreekt; daarom staat vers 20 in rood. Voetnoot : Rom. 11:26–27 haalt dit vers aan, met ‘uit Sion’ in plaats van ‘naar Sion’. Zie ook: Lev 25:25; Ezech 18:30–31; Hand 3:19; Rom 11:26–27; Tit 2:11–14; Heb 12:14 **59:21** **En wat Mij betreft: dit is Mijn verbond met hen, zegt Yahweh. Mijn Geest, die op je is, en Mijn woorden, die Ik in je mond gelegd heb, zullen niet wijken uit je mond. Ook niet uit de mond van je nageslacht en niet uit de mond van het nageslacht van je nageslacht, zegt Yahweh, van nu af en voor eeuwig.”** Brontekst: וַאֲנִ֗י (vaani) = en Ik | זֹ֣את (zot) = dit | בְּרִיתִ֤י (beriti) = is Mijn verbond | אוֹתָם֙ (otam) = met hen | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | רוּחִי֙ (ruchi) = Mijn Geest | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = op je is | וּדְבָרַ֖י (udevaray) = en Mijn woorden | אֲשֶׁר (asher) = die | שַׂ֣מְתִּי (samti) = Ik heb gelegd | בְּפִ֑יךָ (befikha) = in je mond | לֹֽא (lo) = niet | יָמ֡וּשׁוּ (yamushu) = zullen wijken | מִפִּיךָ֩ (mipikha) = uit je mond | וּמִפִּ֨י (umipi) = en uit de mond van | זַרְעֲךָ֜ (zarakha) = je nageslacht | וּמִפִּ֨י (umipi) = en uit de mond van | זֶ֤רַע (zera) = het nageslacht van | זַרְעֲךָ֙ (zarakha) = je nageslacht | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מֵעַתָּ֖ה (meata) = van nu af | וְעַד (vead) = en tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘je’ is enkelvoud. Het kan Sion zijn, het volk of de profeet. De tekst zegt het niet. Voetnoot : עוֹלָם (olam), ‘voor eeuwig’: zoals elders in ons boek. Voetnoot : Vergelijk Jes. 55:3 en 61:8 voor het eeuwige verbond. Zie ook: Jes 55:3; Jes 61:8; Jer 31:31–34; Jer 32:38–41; Ezech 36:25–27; Heb 8:6–13; Heb 10:16 ## Jesaja 60 _Sta op, word licht: de heerlijkheid van Yahweh over Sion_ ### Sta op, word licht **60:1** Sta op, word licht, want je licht is gekomen en de heerlijkheid van Yahweh is over je opgegaan. Brontekst: ק֥וּמִי (qumi) = sta op | א֖וֹרִי (ori) = word licht | כִּ֣י (ki) = want | בָ֣א (ba) = is gekomen | אוֹרֵ֑ךְ (orekh) = je licht | וּכְב֥וֹד (ukhevod) = en de heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עָלַ֥יִךְ (alayikh) = over je | זָרָֽח (zarach) = is opgegaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt de profeet tot Sion, vrouwelijk aangesproken: קוּמִי (qumi), ‘sta op’. Zijn woorden staan zwart, want hij spreekt over Yahweh in de derde persoon. Voetnoot : אוֹר (or), ‘licht’: het licht van Yahweh’s heerlijkheid, die over Sion opgaat. Zie ook: Jes 52:1–2; Jes 60:19–20; Joh 8:12; Ef 5:8; Ef 5:14 **60:2** Want zie, de duisternis bedekt de aarde en een donkere wolk de naties. Maar over jou gaat Yahweh op, en Zijn heerlijkheid wordt over jou gezien. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הַחֹ֨שֶׁךְ֙ (hachoshekh) = de duisternis | יְכַסֶּה (yekhase) = bedekt | אֶ֔רֶץ (erets) = de aarde | וַעֲרָפֶ֖ל (vaarafel) = en een donkere wolk | לְאֻמִּ֑ים (leumim) = de naties | וְעָלַ֨יִךְ֙ (vealayikh) = en over jou | יִזְרַ֣ח (yizrach) = gaat op | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּכְבוֹד֖וֹ (ukhevodo) = en Zijn heerlijkheid | עָלַ֥יִךְ (alayikh) = over jou | יֵרָאֶֽה (yerae) = wordt gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲרָפֶל (arafel), ‘donkere wolk’: dezelfde woorden als in Exod. 20:21. Zie ook: Ex 20:21; Hand 17:30–31; Rom 1:21–32; Ef 4:17–20; Kol 1:13; 1 Petr 2:9 **60:3** Volken trekken naar je licht en koningen naar de glans van je opgang. Brontekst: וְהָלְכ֥וּ (vehalekhu) = en zij trekken | גוֹיִ֖ם (goyim) = volken | לְאוֹרֵ֑ךְ (leorekh) = naar je licht | וּמְלָכִ֖ים (umelakhim) = en koningen | לְנֹ֥גַהּ (lenogah) = naar de glans van | זַרְחֵֽךְ (zarchekh) = je opgang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 117:1–2; Jes 49:23; Mi 4:1–2; Hand 13:47; Openb 21:24 ### Je zonen komen van ver **60:4** Sla je ogen rondom op en kijk: zij komen allen bijeen, zij komen naar je toe. Je zonen komen van ver, en je dochters worden op de heup gedragen. Brontekst: שְׂאִֽי (sei) = sla op | סָבִ֤יב (saviv) = rondom | עֵינַ֨יִךְ֙ (einayikh) = je ogen | וּרְאִ֔י (urei) = en kijk | כֻּלָּ֖ם (kulam) = allen | נִקְבְּצ֣וּ (niqbetsu) = zijn verzameld | בָֽאוּ (bau) = zij komen | לָ֑ךְ (lakh) = naar je toe | בָּנַ֨יִךְ֙ (banayikh) = je zonen | מֵרָח֣וֹק (merachoq) = van ver | יָבֹ֔אוּ (yavou) = komen | וּבְנֹתַ֖יִךְ (uvenotayikh) = en je dochters | עַל (al) = op | צַ֥ד (tsad) = de heup | תֵּאָמַֽנָה (teamana) = worden gedragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּאָמַנָה (te’amanah), ‘worden gedragen’: kleine kinderen worden op de heup of aan de zijde gedragen. Vergelijk Jes. 66:12. Zie ook: Jes 42:6; Jes 43:6; Jes 49:18; Jes 49:20–22; Jes 66:12; Gal 3:28–29 **60:5** Dan zul je het zien en stralen. Je hart zal beven en wijd worden. Want de overvloed van de zee keert zich naar je toe; de rijkdom van de volken komt naar je toe. Brontekst: אָ֤ז (az) = dan | תִּרְאִי֙ (tiri) = zie je | וְנָהַ֔רְתְּ (venahart) = en straal je | וּפָחַ֥ד (ufachad) = en beeft | וְרָחַ֖ב (verachav) = en wordt wijd | לְבָבֵ֑ךְ (levavekh) = je hart | כִּֽי (ki) = want | יֵהָפֵ֤ךְ (yehafekh) = keert zich | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = naar jou | הֲמ֣וֹן (hamon) = de overvloed van | יָ֔ם (yam) = de zee | חֵ֥יל (cheil) = de rijkdom van | גּוֹיִ֖ם (goyim) = de volken | יָבֹ֥אוּ (yavou) = komt | לָֽךְ (lakh) = naar je toe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָהַרְתְּ (naharet), ‘je zult stralen’: hetzelfde werkwoord als in Ps. 34:6, waar wij ‘straalden’ vertalen. Voetnoot : וּפָחַד (ufachad), ‘en beeft’: het werkwoord kan beven van ontzag of van vreugde zijn. Het hart wordt ‘wijd’, dus ruim en open. Voetnoot : חֵיל (chayil), ‘rijkdom’: ook ‘kracht’ en ‘leger’. Hier gaat het om wat de volken aan bezit en kostbaarheden brengen. Zie ook: Ps 34:6; Ps 98:7–9; Hos 3:5; Jes 23:18; Jes 61:6; Hand 10:45 **60:6** Een menigte kamelen bedekt je, jonge kamelen van Midian en Efa. Zij komen allen uit Sjeba. Goud en wierook dragen zij mee, en de lof van Yahweh verkondigen zij. Brontekst: שִֽׁפְעַ֨ת (shifat) = de menigte van | גְּמַלִּ֜ים (gemalim) = kamelen | תְּכַסֵּ֗ךְ (tekhasekh) = bedekt je | בִּכְרֵ֤י (bikhrei) = jonge kamelen van | מִדְיָן֙ (midyan) = Midian | וְעֵיפָ֔ה (veeifa) = en Efa | כֻּלָּ֖ם (kulam) = allen | מִשְּׁבָ֣א (misheva) = uit Sjeba | יָבֹ֑אוּ (yavou) = komen zij | זָהָ֤ב (zahav) = goud | וּלְבוֹנָה֙ (ulevona) = en wierook | יִשָּׂ֔אוּ (yisau) = dragen zij | וּתְהִלֹּ֥ת (utehilot) = en de lofzangen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יְבַשֵּֽׂרוּ (yevaseru) = verkondigen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen. Voetnoot Uitleg: בִּכְרֵי (bikhrei), ‘jonge kamelen’: kamelen die snel en sterk zijn, goed voor lange tochten. Voetnoot : מִדְיָן (Midian) en עֵיפָה (Efa): Efa is een zoon van Midian (Gen. 25:4). Voetnoot : שְׁבָא (Sjeba): een rijk in het zuiden van het Arabisch schiereiland, bekend om zijn goud en specerijen; zie 1 Kon. 10:1–2. Zie ook: Gen 25:4; Re 6:5; Ps 72:10; Ps 72:15; 1 Kon 10:1–2; Mat 2:11; 1 Petr 2:9 ### Mijn huis van luister **60:7** Alle kudden van Kedar worden voor jou verzameld; de rammen van Nebajot dienen je. **„Met welbehagen stijgen zij op Mijn altaar, en het huis van Mijn luister verfraai Ik.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | צֹ֤אן (tson) = kudden van | קֵדָר֙ (qedar) = Kedar | יִקָּ֣בְצוּ (yiqavetsu) = worden verzameld | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | אֵילֵ֥י (eilei) = rammen van | נְבָי֖וֹת (nevayot) = Nebajot | יְשָׁרְת֑וּנֶךְ (yesharetunekh) = zij dienen je | יַעֲל֤וּ (yaalu) = zij stijgen op | עַל (al) = met | רָצוֹן֙ (ratson) = welbehagen | מִזְבְּחִ֔י (mizbechi) = op Mijn altaar | וּבֵ֥ית (uveit) = en het huis van | תִּפְאַרְתִּ֖י (tifarti) = Mijn luister | אֲפָאֵֽר (afaer) = verfraai Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië. De precieze ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Vanaf het tweede deel van dit vers spreekt Yahweh zelf in de eerste persoon (‘Mijn altaar’, ‘Mijn huis’). Daarom begint hier het rood. Het blijft rood tot het einde van het hoofdstuk, ook waar Hij over Zichzelf in de derde persoon spreekt (vers 9, 14, 19 en 20). Voetnoot : קֵדָר (Kedar) en נְבָיוֹת (Nebajot): zonen van Ismaël en tevens Arabische stammen (Gen. 25:13). Zij stonden bekend om hun kudden. Voetnoot : עַל רָצוֹן (al ratson), ‘met welbehagen’: de offers worden gunstig aangenomen. Zie ook: Gen 25:13; Jes 56:7; Jes 60:9; Jes 60:14; Jes 60:19; Jes 60:20; Rom 12:1; Rom 15:16; Heb 13:15–16 **60:8** **Wie zijn dezen die als een wolk vliegen, als duiven naar hun duivenhokken?** Brontekst: מִי (mi) = wie | אֵ֖לֶּה (ele) = zijn dezen | כָּעָ֣ב (kaav) = als een wolk | תְּעוּפֶ֑ינָה (teufeina) = zij vliegen | וְכַיּוֹנִ֖ים (vekhayonim) = en als duiven | אֶל (el) = naar | אֲרֻבֹּתֵיהֶֽם (aruboteihem) = hun duivenhokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲרֻבֹּת (arubbot), ‘duivenhokken’: letterlijk ‘vensteropeningen’ of ‘roosters’, de gaten van een duiventil waarin duiven terugkeren. Zie ook: Jes 49:21; Jes 60:4; Luc 13:29; Heb 12:1; Openb 7:9 **60:9** **Want op Mij hopen de eilanden, en de schepen van Tarsis zijn de eersten. Zij brengen je zonen van ver, hun zilver en hun goud met hen, voor de naam van Yahweh, je Elohim, en voor de Heilige van Israël. Want Hij heeft je verfraaid.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | לִ֣י (li) = op Mij | אִיִּ֣ים (iyim) = de eilanden | יְקַוּ֗וּ (yeqauu) = hopen | וָאֳנִיּ֤וֹת (vaoniyot) = en de schepen van | תַּרְשִׁישׁ֙ (tarshish) = Tarsis | בָּרִ֣אשֹׁנָ֔ה (barishona) = als eersten | לְהָבִ֤יא (lehavi) = om te brengen | בָנַ֨יִךְ֙ (banayikh) = je zonen | מֵֽרָח֔וֹק (merachoq) = van ver | כַּסְפָּ֥ם (kaspam) = hun zilver | וּזְהָבָ֖ם (uzehavam) = en hun goud | אִתָּ֑ם (itam) = met hen | לְשֵׁם֙ (leshem) = voor de naam van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהַ֔יִךְ (elohayikh) = je Elohim | וְלִקְד֥וֹשׁ (veliqdosh) = en voor de Heilige van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כִּ֥י (ki) = want | פֵאֲרָֽךְ (pearakh) = Hij heeft je verfraaid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Voetnoot Uitleg: אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: verre kustlanden over zee. Voetnoot : תַּרְשִׁישׁ (Tarsis): een ver gelegen handelsplaats of land in het westen. Schepen van Tarsis zijn grote zeeschepen (1 Kon. 10:22). Voetnoot : פֵאֲרָךְ (fe’arekh), ‘Hij heeft je verfraaid’: van het werkwoord פֵּאֵר (pe’er), ‘versieren’, verwant aan תִּפְאֶרֶת (tif’eret), ‘luister’. Wij gebruiken ‘luister’ voor tif’eret en ‘verfraaien’ voor pe’er. Zie ook: 1 Kon 10:22; Jes 2:16; Jes 11:11; Jes 42:10; Jes 51:5; Jes 55:5 ### Vreemden bouwen je muren **60:10** **Vreemden zullen je muren bouwen, en hun koningen dienen je. Want in Mijn toorn heb Ik je geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over je ontfermd.** Brontekst: וּבָנ֤וּ (uvanu) = en zullen bouwen | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | נֵכָר֙ (nekhar) = de vreemde | חֹמֹתַ֔יִךְ (chomotayikh) = je muren | וּמַלְכֵיהֶ֖ם (umalkheihem) = en hun koningen | יְשָׁרְת֑וּנֶךְ (yesharetunekh) = dienen je | כִּ֤י (ki) = want | בְקִצְפִּי֙ (beqitspi) = in Mijn toorn | הִכִּיתִ֔יךְ (hikitikh) = heb Ik je geslagen | וּבִרְצוֹנִ֖י (uvirtsoni) = en in Mijn welbehagen | רִֽחַמְתִּֽיךְ (richamtikh) = heb Ik Mij over je ontfermd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי נֵכָר (bnei nekhar), ‘vreemden’: letterlijk ‘zonen van de vreemde’; mensen van buiten het volk. Voetnoot : רִחַמְתִּיךְ (richamtikh), ‘Ik heb Mij over je ontfermd’: van רִחֵם (richem), ‘zich ontfermen’; zie Hos. 1:6–7. Zie ook: Hos 1:6–7; Jes 14:1–2; Jes 49:23; Jes 61:5; Openb 21:24; Openb 21:26 **60:11** **Je poorten staan altijd open. Dag en nacht worden ze niet gesloten, om de rijkdom van de volken naar je toe te brengen, terwijl hun koningen worden meegevoerd.** Brontekst: וּפִתְּח֨וּ (ufitechu) = en zullen openstaan | שְׁעָרַ֧יִךְ (shearayikh) = je poorten | תָּמִ֛יד (tamid) = altijd | יוֹמָ֥ם (yomam) = bij dag | וָלַ֖יְלָה (valayla) = en bij nacht | לֹ֣א (lo) = niet | יִסָּגֵ֑רוּ (yisageru) = worden gesloten | לְהָבִ֤יא (lehavi) = om te brengen | אֵלַ֨יִךְ֙ (elayikh) = naar je toe | חֵ֣יל (cheil) = de rijkdom van | גּוֹיִ֔ם (goyim) = de volken | וּמַלְכֵיהֶ֖ם (umalkheihem) = en hun koningen | נְהוּגִֽים (nehugim) = meegevoerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְהוּגִים (nehugim), ‘meegevoerd’: de tekst zegt niet of de koningen als gevangenen worden meegevoerd of in een feestelijke optocht. Vers 14 laat zien dat zij zich neerbuigen. Zie ook: Ps 149:8; Jes 60:5; Jes 60:14; Jes 60:18; Jes 62:10; Openb 21:25–26 **60:12** **Want het volk en het koninkrijk dat jou niet dient, zullen omkomen. Die volken zullen volledig verwoest worden.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הַגּ֧וֹי (hagoy) = het volk | וְהַמַּמְלָכָ֛ה (vehamamlakha) = en het koninkrijk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יַעַבְד֖וּךְ (yaavdukh) = jou dient | יֹאבֵ֑דוּ (yovedu) = zullen omkomen | וְהַגּוֹיִ֖ם (vehagoyim) = en die volken | חָרֹ֥ב (charov) = verwoesting | יֶחֱרָֽבוּ (yecheravu) = zullen verwoest worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 14:2; Jes 41:11; Jes 54:15; Dan 2:44–45; Zach 14:12–19 **60:13** **De heerlijkheid van de Libanon komt naar je toe: cipres, es en buksboom samen, om de plaats van Mijn heiligdom te verfraaien. De plaats van Mijn voeten eer Ik.** Brontekst: כְּב֤וֹד (kevod) = de heerlijkheid van | הַלְּבָנוֹן֙ (halevanon) = de Libanon | אֵלַ֣יִךְ (elayikh) = naar je toe | יָב֔וֹא (yavo) = komt | בְּר֛וֹשׁ (berosh) = cipres | תִּדְהָ֥ר (tidhar) = es | וּתְאַשּׁ֖וּר (uteashur) = en buksboom | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | לְפָאֵר֙ (lefaer) = om te verfraaien | מְק֣וֹם (meqom) = de plaats van | מִקְדָּשִׁ֔י (miqdashi) = Mijn heiligdom | וּמְק֥וֹם (umeqom) = en de plaats van | רַגְלַ֖י (raglay) = Mijn voeten | אֲכַבֵּֽד (akhabed) = eer Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרוֹשׁ (berosh), תִּדְהָר (tidhar) en תְּאַשּׁוּר (te’ashshur): drie bomen of houtsoorten van de Libanon. Wat ze precies zijn, is onzeker. Wij kiezen ‘cipres’, ‘es’ en ‘buksboom’, zoals in 41:19. Voetnoot : מְקוֹם רַגְלַי (meqom raglai), ‘de plaats van Mijn voeten’: waar Yahweh’s voeten rusten; vergelijk Ps. 132:7 en Ezech. 43:7. Zie ook: 1 Kron 28:2; Ps 96:6; Ps 132:7; Hos 14:7–8; Jes 35:2; Ezech 43:7 **60:14** **De zonen van je onderdrukkers komen gebogen naar je toe. Allen die je minachten, buigen zich neer voor de zolen van je voeten. Zij noemen je ‘Stad van Yahweh’, ‘Sion van de Heilige van Israël’.** Brontekst: וְהָלְכ֨וּ (vehalekhu) = en komen | אֵלַ֤יִךְ (elayikh) = naar je toe | שְׁח֨וֹחַ֙ (shechoach) = gebogen | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מְעַנַּ֔יִךְ (meanayikh) = je onderdrukkers | וְהִֽשְׁתַּחֲו֛וּ (vehishtachavu) = en zij buigen zich neer | עַל (al) = aan | כַּפּ֥וֹת (kapot) = de zolen van | רַגְלַ֖יִךְ (raglayikh) = je voeten | כָּל (kal) = allen | מְנַֽאֲצָ֑יִךְ (menaatsayikh) = die je minachten | וְקָ֤רְאוּ (veqareu) = en zij noemen | לָךְ֙ (lakh) = je | עִ֣יר (ir) = stad van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion van | קְד֥וֹשׁ (qedosh) = de Heilige van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שָׁחוֹחַ (shachoach), ‘gebogen’: diep voorovergebogen. Voetnoot : כַּפּוֹת רַגְלַיִךְ (kappot raglayikh), ‘de zolen van je voeten’. Voetnoot : צִיּוֹן קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (Tsiyyon qedosh Yisra’el), ‘Sion van de Heilige van Israël’: dezelfde titel ‘de Heilige van Israël’ als in vers 9. Zie ook: Jes 45:14; Jes 49:23; Jes 60:9; Jes 62:12; Heb 12:22; Openb 3:9 ### Van verlaten tot trots **60:15** **Je was verlaten en gehaat, zodat niemand door je heen trok. In plaats daarvan maak Ik je tot een trots voor eeuwig, een vreugde van geslacht op geslacht.** Brontekst: תַּ֧חַת (tachat) = in plaats van | הֱיוֹתֵ֛ךְ (heyotekh) = dat je was | עֲזוּבָ֥ה (azuva) = verlaten | וּשְׂנוּאָ֖ה (usenua) = en gehaat | וְאֵ֣ין (veein) = en niemand was | עוֹבֵ֑ר (over) = doortrekkend | וְשַׂמְתִּיךְ֙ (vesamtikh) = dan maak Ik je | לִגְא֣וֹן (ligon) = tot een trots | עוֹלָ֔ם (olam) = voor eeuwig | מְשׂ֖וֹשׂ (mesos) = een vreugde van | דּ֥וֹר (dor) = geslacht | וָדֽוֹר (vador) = op geslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּאוֹן עוֹלָם (ge’on olam), ‘een trots voor eeuwig’: wat Sion eert en groot maakt, zonder einde. Zie ook: Jes 35:10; Jes 49:14–23; Jes 61:7; Jer 30:17; Jer 33:11 **60:16** **Je zult de melk van volken zuigen en aan de borst van koningen zuigen. Dan weet je dat Ik, Yahweh, je Redder ben, en je Verlosser, de Machtige van Jakob.** Brontekst: וְיָנַקְתְּ֙ (veyanaqt) = en je zult zuigen | חֲלֵ֣ב (chalev) = de melk van | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | וְשֹׁ֥ד (veshod) = en de borst van | מְלָכִ֖ים (melakhim) = koningen | תִּינָ֑קִי (tinaqi) = je zult zuigen | וְיָדַ֗עַתְּ (veyadaat) = en je zult weten | כִּ֣י (ki) = dat | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מֽוֹשִׁיעֵ֔ךְ (moshiekh) = je Redder | וְגֹאֲלֵ֖ךְ (vegoalekh) = en je Verlosser | אֲבִ֥יר (avir) = de Machtige van | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁד (shod), ‘borst’: de vorm is gelijk aan שֹׁד (shod), ‘verwoesting’ (vers 18). Hier past ‘borst’ bij ‘zuigen’ en bij de ‘melk’ van het eerste deel. De betekenis is niet helemaal zeker. Het beeld: Sion wordt gevoed door volken en koningen. Voetnoot : אֲבִיר יַעֲקֹב (avir Ya’aqov), ‘de Machtige van Jakob’: zoals in Gen. 49:24. Voetnoot : גֹּאֲלֵךְ (go’alekh), ‘je Verlosser’: zoals in Jes. 59:20. Zie ook: Gen 49:24; Jes 43:3–4; Jes 49:23; Jes 59:20; Jes 60:18; Jes 61:6; Jes 66:11–12; Jes 66:14 **60:17** **In plaats van koper breng Ik goud, in plaats van ijzer breng Ik zilver, in plaats van hout koper en in plaats van stenen ijzer. Ik maak de vrede tot je bestuur en gerechtigheid tot je drijvers.** Brontekst: תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | הַנְּחֹ֜שֶׁת (hanechoshet) = koper | אָבִ֣יא (avi) = breng Ik | זָהָ֗ב (zahav) = goud | וְתַ֤חַת (vetachat) = en in plaats van | הַבַּרְזֶל֙ (habarzel) = ijzer | אָ֣בִיא (avi) = breng Ik | כֶ֔סֶף (kesef) = zilver | וְתַ֤חַת (vetachat) = en in plaats van | הָֽעֵצִים֙ (haetsim) = hout | נְחֹ֔שֶׁת (nechoshet) = koper | וְתַ֥חַת (vetachat) = en in plaats van | הָאֲבָנִ֖ים (haavanim) = stenen | בַּרְזֶ֑ל (barzel) = ijzer | וְשַׂמְתִּ֤י (vesamti) = en Ik maak | פְקֻדָּתֵךְ֙ (pequdatekh) = je bestuur | שָׁל֔וֹם (shalom) = de vrede | וְנֹגְשַׂ֖יִךְ (venogesayikh) = en je drijvers | צְדָקָֽה (tsedaqa) = gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’: zoals in Exod. 25:3. Het woord kan ook ‘brons’ zijn. Voetnoot : פְּקֻדָּה (pequddah), ‘bestuur’: toezicht of de mensen die toezicht houden. Voetnoot : נֹגֵשׂ (noges), ‘drijver’: hetzelfde woord als ‘drijvers’ in Exod. 3:7. Meestal is het een dwingeland. Hier wordt gerechtigheid zelf je ‘drijver’: zij dwingt tot goed. Zie ook: Ex 3:7; Ex 25:3; 1 Kon 10:21–27; Jes 1:26; Jes 30:26; Zach 12:8; Heb 11:40 **60:18** **Geweld wordt niet meer gehoord in je land, verwoesting en ondergang niet binnen je grenzen. Je noemt je muren ‘Redding’ en je poorten ‘Lof’.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִשָּׁמַ֨ע (yishama) = wordt gehoord | ע֤וֹד (od) = meer | חָמָס֙ (chamas) = geweld | בְּאַרְצֵ֔ךְ (beartsekh) = in je land | שֹׁ֥ד (shod) = verwoesting | וָשֶׁ֖בֶר (vashever) = en ondergang | בִּגְבוּלָ֑יִךְ (bigvulayikh) = binnen je grenzen | וְקָרָ֤את (veqarat) = en je zult noemen | יְשׁוּעָה֙ (yeshua) = Redding | חוֹמֹתַ֔יִךְ (chomotayikh) = je muren | וּשְׁעָרַ֖יִךְ (ushearayikh) = en je poorten | תְּהִלָּֽה (tehila) = Lof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁד וָשֶׁבֶר (shod vashever), ‘verwoesting en ondergang’: zoals in Jes. 59:7. Voetnoot : יְשׁוּעָה (yeshuah), ‘redding’ en תְּהִלָּה (tehillah), ‘lof’: de muren en poorten dragen deze namen. Zie ook: Ps 72:3–7; Jes 2:4; Jes 11:9; Jes 26:1; Jes 59:7; Zach 9:8 ### Yahweh wordt je licht voor eeuwig **60:19** **De zon is overdag niet meer je licht, en met haar glans schijnt de maan je niet. Maar Yahweh wordt je licht voor eeuwig, en je Elohim je luister.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לָּ֨ךְ (lakh) = voor jou | ע֤וֹד (od) = meer | הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙ (hashemesh) = de zon | לְא֣וֹר (leor) = tot licht | יוֹמָ֔ם (yomam) = overdag | וּלְנֹ֕גַהּ (ulenogah) = en tot glans | הַיָּרֵ֖חַ (hayareach) = de maan | לֹא (lo) = niet | יָאִ֣יר (yair) = zal schijnen | לָ֑ךְ (lakh) = voor jou | וְהָיָה (vehaya) = maar zal zijn | לָ֤ךְ (lakh) = voor jou | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְא֣וֹר (leor) = tot licht | עוֹלָ֔ם (olam) = voor eeuwig | וֵאלֹהַ֖יִךְ (velohayikh) = en je Elohim | לְתִפְאַרְתֵּֽךְ (letifartekh) = tot je luister Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vers 19 en 20 lijken op Openb. 21:23 en 22:5. Zie ook: Ps 3:4; Ps 36:10; Jes 60:20; Zach 2:9; Openb 21:23; Openb 22:5 **60:20** **Je zon gaat niet meer onder, en je maan wordt niet weggenomen, want Yahweh zal je licht zijn voor eeuwig. De dagen van je rouw zijn ten einde.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | יָב֥וֹא (yavo) = gaat onder | עוֹד֙ (od) = meer | שִׁמְשֵׁ֔ךְ (shimshekh) = je zon | וִירֵחֵ֖ךְ (virechekh) = en je maan | לֹ֣א (lo) = niet | יֵאָסֵ֑ף (yeasef) = wordt weggenomen | כִּ֣י (ki) = want | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לָּךְ֙ (lakh) = voor jou | לְא֣וֹר (leor) = tot licht | עוֹלָ֔ם (olam) = voor eeuwig | וְשָׁלְמ֖וּ (veshalemu) = en zijn ten einde | יְמֵ֥י (yemei) = de dagen van | אֶבְלֵֽךְ (evlekh) = je rouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָבוֹא (yavo), ‘gaat onder’: letterlijk ‘komt’ (binnen). Van de zon zegt men dat zij ‘binnenkomt’ als ze ondergaat. Voetnoot : יֵאָסֵף (ye’asef), ‘wordt weggenomen’: van אָסַף (asaf), ‘verzamelen’, en ook ‘wegnemen’. Zie ook Jes. 58:8, waar hetzelfde werkwoord ‘achterhoede’ betekent. Zie ook: Ps 27:1; Ps 84:12; Jes 35:10; Jes 58:8; Mal 3:20; Openb 21:4 **60:21** **En je volk, zij allen zijn rechtvaardigen. Voor eeuwig zullen zij het land bezitten, een scheut van Mijn aanplant, het werk van Mijn handen, om Mijn luister te tonen.** Brontekst: וְעַמֵּךְ֙ (veamekh) = en je volk | כֻּלָּ֣ם (kulam) = allen | צַדִּיקִ֔ים (tsadiqim) = rechtvaardigen | לְעוֹלָ֖ם (leolam) = voor eeuwig | יִ֣ירְשׁוּ (yireshu) = zullen bezitten | אָ֑רֶץ (arets) = het land | נֵ֧צֶר (netser) = een scheut van | מַטָּעַ֛י (mataay) = Mijn aanplant | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = het werk van | יָדַ֖י (yaday) = Mijn handen | לְהִתְפָּאֵֽר (lehitpaer) = om Mijn luister te tonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵצֶר (netser), ‘scheut’: een jonge loot; vergelijk Jes. 11:1. Voetnoot : אֶרֶץ (arets), ‘het land’: het woord kan ook ‘aarde’ betekenen. Hier gaat het om het beloofde land. Voetnoot : לְהִתְפָּאֵר (lehitpa’er), ‘om Mijn luister te tonen’: van hetzelfde woord als ‘verfraaien’ in vers 9 en 13. Het is de wederkerige vorm: Yahweh toont daarin Zijn luister, zoals in 44:23. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is מטעו (matta’o), ‘zijn aanplant’. Het qere is מַטָּעַי (matta’ai), ‘Mijn aanplant’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 37:11; Ps 37:22; Jes 11:1; Jes 29:23; Jes 60:9; Jes 60:13; Mat 15:13; Joh 15:2 **60:22** **De kleinste wordt tot duizend en de geringste tot een machtig volk. Ik, Yahweh, zal het op zijn tijd haasten.”** Brontekst: הַקָּטֹן֙ (haqaton) = de kleinste | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = zal worden | לָאֶ֔לֶף (laelef) = tot duizend | וְהַצָּעִ֖יר (vehatsair) = en de geringste | לְג֣וֹי (legoy) = tot een volk | עָצ֑וּם (atsum) = machtig | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּעִתָּ֥הּ (beitah) = op zijn tijd | אֲחִישֶֽׁנָּה (achishena) = zal het haasten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶלֶף (elef), ‘duizend’: het woord kan ook een familiegroep of stam aanduiden. Vergelijk Micha 5:1 (Hebreeuwse telling). Voetnoot : אֲחִישֶׁנָּה (achishennah), ‘Ik zal het haasten’: Yahweh brengt het snel, maar op de tijd die Hij bepaalt: בְּעִתָּהּ (be’ittah), ‘op zijn tijd’. Zie ook: Mi 5:1; Hab 2:3; Mat 13:31–32; Luc 18:7; 2 Petr 3:8; Heb 10:36 ## Jesaja 61 _De gezalfde brengt goed nieuws en Yahweh sluit een eeuwig verbond_ ### De Geest van Heer Yahweh is op mij **61:1** De Geest van Heer Yahweh is op mij. Want Yahweh heeft mij gezalfd om goed nieuws te brengen aan de nederigen. Hij heeft mij gezonden om hen te verbinden die gebroken zijn van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen de opening van de kerker. Brontekst: ר֛וּחַ (ruach) = de Geest van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עָלָ֑י (alay) = is op mij | יַ֡עַן (yaan) = omdat | מָשַׁח֩ (mashach) = Hij heeft gezalfd | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֹתִ֜י (oti) = mij | לְבַשֵּׂ֣ר (levaser) = om goed nieuws te brengen | עֲנָוִ֗ים (anavim) = aan de nederigen | שְׁלָחַ֨נִי֙ (shelachani) = Hij heeft mij gezonden | לַחֲבֹ֣שׁ (lachavosh) = om te verbinden | לְנִשְׁבְּרֵי (lenishberei) = wie gebroken zijn van | לֵ֔ב (lev) = hart | לִקְרֹ֤א (liqro) = om uit te roepen | לִשְׁבוּיִם֙ (lishvuyim) = aan de gevangenen | דְּר֔וֹר (deror) = vrijheid | וְלַאֲסוּרִ֖ים (velaasurim) = en aan de gebondenen | פְּקַח (peqach) = opening | קֽוֹחַ (qoach) = van de kerker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15. Voetnoot : Hier spreekt iemand in de eerste persoon die door Yahweh is gezalfd en gezonden. De tekst noemt zijn naam niet; daarom staat het niet rood. Yeshua leest Jes. 61:1–2 voor in Luc. 4:18–19. Voetnoot : מָשַׁח (mashach), ‘zalven’: met olie aanstellen voor een taak, zoals bij een priester (Exod. 29:7) en een koning (1 Sam. 16:13). Voetnoot : עֲנָוִים (anavim), ‘nederigen’: mensen die arm en gebogen zijn en op Yahweh rekenen. Voetnoot : דְּרוֹר (deror), ‘vrijheid’: de uitroep van de vrijlating in het jubeljaar; zie Lev. 25:10. Voetnoot : פְּקַח־קוֹחַ (peqach-qoach), ‘opening van de kerker’: een samengesteld woord dat alleen hier voorkomt. De betekenis is onzeker; het kan ook ‘opening van de ogen’ betekenen. Wij kiezen ‘opening van de kerker’, naast ‘gevangenen’ en ‘gebondenen’. Zie ook: Ex 29:7; Lev 25:10; 1 Sam 16:13; Ps 147:3; Jes 3:15; Jes 42:7; Mat 11:5; Luc 4:18–19; Luc 7:22 **61:2** om het jaar van welbehagen voor Yahweh uit te roepen en de dag van wraak voor onze Elohim, om alle rouwenden te troosten, Brontekst: לִקְרֹ֤א (liqro) = om uit te roepen | שְׁנַת (shenat) = het jaar van | רָצוֹן֙ (ratson) = welbehagen | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְי֥וֹם (veyom) = en de dag van | נָקָ֖ם (naqam) = wraak | לֵאלֹהֵ֑ינוּ (leloheinu) = voor onze Elohim | לְנַחֵ֖ם (lenachem) = om te troosten | כָּל (kal) = alle | אֲבֵלִֽים (avelim) = rouwenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁנַת רָצוֹן (shenat ratson), ‘jaar van welbehagen’: een jaar waarin Yahweh gunstig is. Het sluit aan bij de vrijlating van vers 1 en bij het jubeljaar (Lev. 25:10). Voetnoot : יוֹם נָקָם (yom naqam), ‘dag van wraak’: Yahweh die recht herstelt en het kwaad vergeldt; zie Jes. 34:8 en 63:4. In Luc. 4:19 houdt het voorlezen op bij ‘het jaar van welbehagen’. Zie ook: Lev 25:10; Jes 34:8; Jes 57:18; Jes 61:1; Jes 63:4; Mat 5:4; Luc 4:19; 2 Tess 2:16–17 **61:3** om voor de rouwenden van Sion vast te stellen en hun te geven: een sierlijke tooi in plaats van as, olie van vreugde in plaats van rouw, een mantel van lof in plaats van een verflauwde geest. Men zal hen terebinten van gerechtigheid noemen, een planting van Yahweh, om Zijn luister te tonen. Brontekst: לָשׂ֣וּם (lasum) = om vast te stellen | לַאֲבֵלֵ֣י (laavelei) = voor de rouwenden van | צִיּ֗וֹן (tsiyon) = Sion | לָתֵת֩ (latet) = om te geven | לָהֶ֨ם (lahem) = hun | פְּאֵ֜ר (peer) = een sierlijke tooi | תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | אֵ֗פֶר (efer) = as | שֶׁ֤מֶן (shemen) = olie van | שָׂשׂוֹן֙ (sason) = vreugde | תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | אֵ֔בֶל (evel) = rouw | מַעֲטֵ֣ה (maate) = een mantel van | תְהִלָּ֔ה (tehila) = lof | תַּ֖חַת (tachat) = in plaats van | ר֣וּחַ (ruach) = een geest | כֵּהָ֑ה (keha) = verflauwde | וְקֹרָ֤א (veqora) = en men zal noemen | לָהֶם֙ (lahem) = hen | אֵילֵ֣י (eilei) = terebinten van | הַצֶּ֔דֶק (hatsedeq) = gerechtigheid | מַטַּ֥ע (mata) = een planting van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהִתְפָּאֵֽר (lehitpaer) = om Zijn luister te tonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פְּאֵר (peer), ‘sierlijke tooi’: een hoofdtooi, zoals een bruidegom die draagt (vers 10). Het is het tegenovergestelde van אֵפֶר (efer), ‘as’, het teken van rouw. Voetnoot : כֵּהָה (kehah), ‘verflauwd’: letterlijk ‘dof’ of ‘flauw’. Het gaat om een geest zonder kracht. Voetnoot : אֵילֵי הַצֶּדֶק (eilei hatsedeq), ‘terebinten van gerechtigheid’: een אֵיל (eil) is een sterke boom. Welke soort bedoeld is, is onzeker; wij kiezen ‘terebint’, zoals bij het verwante woord elah elders. Voetnoot : לְהִתְפָּאֵר (lehitpa’er), ‘om Zijn luister te tonen’: letterlijk ‘om Zich te tooien’ of ‘om Zich te verheerlijken’. Het woord is verwant met פְּאֵר (peer), ‘tooi’. De vertaling is gelijk aan Jes. 60:21. Zie ook: Ps 30:12; Ps 45:8; Jes 60:21; Jes 61:10; Jer 17:7–8; Joh 16:20 ### Ruïnes worden opgebouwd **61:4** Zij zullen de eeuwenoude ruïnes opbouwen en de verwoestingen van vroeger oprichten. Zij zullen de verwoeste steden vernieuwen, de verwoestingen van generatie op generatie. Brontekst: וּבָנוּ֙ (uvanu) = en zij zullen bouwen | חָרְב֣וֹת (charevot) = ruïnes van | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwen | שֹׁמְמ֥וֹת (shomemot) = verwoestingen van | רִֽאשֹׁנִ֖ים (rishonim) = vroeger | יְקוֹמֵ֑מוּ (yeqomemu) = zij zullen oprichten | וְחִדְּשׁוּ֙ (vechideshu) = en zij zullen vernieuwen | עָ֣רֵי (arei) = steden van | חֹ֔רֶב (chorev) = verwoesting | שֹׁמְמ֖וֹת (shomemot) = verwoestingen van | דּ֥וֹר (dor) = generatie | וָדֽוֹר (vador) = en generatie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרְבוֹת עוֹלָם (charvot olam), ‘eeuwenoude ruïnes’: het woord עוֹלָם (olam) betekent hier de verre oudheid, zoals in Amos 9:11. Dezelfde woorden staan in Jes. 58:12. Zie ook: Amos 9:11; Amos 9:14–15; Jes 49:6–8; Jes 58:12; Ezech 36:23–26; Ezech 36:33–36 **61:5** Vreemden zullen opstaan en jullie kudde weiden. Vreemdelingen zullen jullie landbouwers en wijnbouwers zijn. Brontekst: וְעָמְד֣וּ (veamedu) = en zij zullen staan | זָרִ֔ים (zarim) = vreemden | וְרָע֖וּ (verau) = en zij zullen weiden | צֹאנְכֶ֑ם (tsonkhem) = jullie kudde | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | נֵכָ֔ר (nekhar) = de vreemde | אִכָּרֵיכֶ֖ם (ikareikhem) = jullie landbouwers | וְכֹרְמֵיכֶֽם (vekhoremeikhem) = en jullie wijnbouwers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 14:1–2; Jes 60:10–14; Ef 2:12–20 **61:6** Maar jullie zullen ‘priesters van Yahweh’ worden genoemd. Men zal tegen jullie zeggen: ‘Dienaren van onze Elohim.’ Jullie zullen de rijkdom van de volken eten, en op hun heerlijkheid zullen jullie je beroemen. Brontekst: וְאַתֶּ֗ם (veatem) = en jullie | כֹּהֲנֵ֤י (kohanei) = priesters van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | תִּקָּרֵ֔אוּ (tiqareu) = zullen worden genoemd | מְשָׁרְתֵ֣י (mesharetei) = dienaren van | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | יֵאָמֵ֖ר (yeamer) = zal gezegd worden | לָכֶ֑ם (lakhem) = tegen jullie | חֵ֤יל (cheil) = rijkdom van | גּוֹיִם֙ (goyim) = volken | תֹּאכֵ֔לוּ (tokhelu) = zullen jullie eten | וּבִכְבוֹדָ֖ם (uvikhvodam) = en in hun heerlijkheid | תִּתְיַמָּֽרוּ (tityamaru) = zullen jullie je beroemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּהֲנֵי יְהוָה (kohanei Yahweh), ‘priesters van Yahweh’: vergelijk Exod. 19:6, ‘een koninkrijk van priesters’. Voetnoot : תִּתְיַמָּרוּ (tityammaru), ‘jullie zullen je beroemen’: een zeldzaam werkwoord dat alleen hier voorkomt. De betekenis is onzeker; het kan ook ‘in hun plaats treden’ betekenen. Zie ook: Ex 19:6; Jes 60:5–7; 1 Petr 2:5; 1 Petr 2:9; Openb 5:10 **61:7** In plaats van jullie schande krijgen jullie een dubbel deel. In plaats van smaad zullen zij juichen over hun deel. Daarom zullen zij in hun land het dubbele bezitten. Eeuwige vreugde zal hun deel zijn. Brontekst: תַּ֤חַת (tachat) = in plaats van | בָּשְׁתְּכֶם֙ (bashtekhem) = jullie schande | מִשְׁנֶ֔ה (mishne) = dubbel deel | וּכְלִמָּ֖ה (ukhelima) = en smaad | יָרֹ֣נּוּ (yaronu) = zij zullen juichen | חֶלְקָ֑ם (chelqam) = over hun deel | לָכֵ֤ן (lakhen) = daarom | בְּאַרְצָם֙ (beartsam) = in hun land | מִשְׁנֶ֣ה (mishne) = dubbel deel | יִירָ֔שׁוּ (yirashu) = zij zullen bezitten | שִׂמְחַ֥ת (simchat) = vreugde van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | תִּֽהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁנֶה (mishneh), ‘dubbel deel’: het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord; wij vullen ‘krijgen jullie’ aan. Het ‘dubbele deel’ doet denken aan het deel van de oudste zoon (Deut. 21:17). Het Hebreeuws wisselt van ‘jullie’ naar ‘zij’ en ‘hun’. Wij laten dat zo. Zie ook: Job 42:10; Deut 21:17; Ps 16:11; Jes 40:2; Jes 60:19–20; Zach 9:12 ### Ik, Yahweh, heb het recht lief **61:8** **„Want Ik, Yahweh, heb het recht lief. Ik haat roof met onrecht. Ik zal hun beloning in waarheid geven, en Ik sluit met hen een eeuwig verbond.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֹהֵ֣ב (ohev) = heb lief | מִשְׁפָּ֔ט (mishpat) = recht | שֹׂנֵ֥א (sone) = haat | גָזֵ֖ל (gazel) = roof | בְּעוֹלָ֑ה (beola) = met onrecht | וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal geven | פְעֻלָּתָם֙ (peulatam) = hun beloning | בֶּאֱמֶ֔ת (beemet) = in waarheid | וּבְרִ֥ית (uverit) = en een verbond van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | אֶכְר֥וֹת (ekhrot) = Ik zal sluiten | לָהֶֽם (lahem) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh zelf: ‘Ik, Yahweh’. Zijn woorden staan rood. Voetnoot : גָּזֵל בְּעוֹלָה (gazel be’olah), ‘roof met onrecht’: het woord עוֹלָה (olah) is gelijk aan het woord voor ‘brandoffer’, maar betekent hier ‘onrecht’. Voetnoot : בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘eeuwig verbond’: zie 2 Sam. 23:5 en Ps. 105:10. Zie ook: Gen 17:7; 2 Sam 23:5; Ps 11:7; Ps 105:10; Jes 55:3; Jer 9:23; Zach 8:16–17 **61:9** Hun nageslacht zal bekend worden onder de volken, en hun afstammelingen te midden van de volken. Allen die hen zien, zullen hen erkennen: zij zijn het nageslacht dat Yahweh gezegend heeft. Brontekst: וְנוֹדַ֤ע (venoda) = en bekend zal worden | בַּגּוֹיִם֙ (bagoyim) = onder de volken | זַרְעָ֔ם (zaram) = hun nageslacht | וְצֶאֱצָאֵיהֶ֖ם (vetseetsaeihem) = en hun afstammelingen | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | הָעַמִּ֑ים (haamim) = de volken | כָּל (kal) = allen | רֹֽאֵיהֶם֙ (roeihem) = die hen zien | יַכִּיר֔וּם (yakirum) = zullen hen erkennen | כִּ֛י (ki) = dat | הֵ֥ם (hem) = zij | זֶ֖רַע (zera) = het nageslacht zijn dat | בֵּרַ֥ךְ (berakh) = gezegend heeft | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 22:18; Ps 115:14; Jes 44:3; Jes 65:23; Hand 3:26 ### Ik verheug mij zeer in Yahweh **61:10** Ik verheug mij zeer in Yahweh. Mijn ziel juicht in mijn Elohim. Want Hij heeft mij gekleed in kleren van redding. Hij heeft mij gehuld in een mantel van gerechtigheid, als een bruidegom die zich tooit met een sierlijke tooi, en als een bruid die zich versiert met haar sieraden. Brontekst: שׂ֧וֹשׂ (sos) = ik zal zeer | אָשִׂ֣ישׂ (asis) = mij verheugen | בַּֽיהוָ֗ה (baYahweh) = in Yahweh | תָּגֵ֤ל (tagel) = zal juichen | נַפְשִׁי֙ (nafshi) = mijn ziel | בֵּֽאלֹהַ֔י (belohay) = in mijn Elohim | כִּ֤י (ki) = want | הִלְבִּישַׁ֨נִי֙ (hilbishani) = Hij heeft mij gekleed | בִּגְדֵי (bigdei) = in kleren van | יֶ֔שַׁע (yesha) = redding | מְעִ֥יל (meil) = een mantel van | צְדָקָ֖ה (tsedaqa) = gerechtigheid | יְעָטָ֑נִי (yeatani) = Hij heeft mij gehuld | כֶּֽחָתָן֙ (kechatan) = als een bruidegom | יְכַהֵ֣ן (yekhahen) = die zich tooit | פְּאֵ֔ר (peer) = met een tooi | וְכַכַּלָּ֖ה (vekhakala) = en als een bruid | תַּעְדֶּ֥ה (tade) = die zich versiert | כֵלֶֽיהָ (keleiha) = met haar sieraden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst noemt de spreker niet. Het kan de gezalfde van vers 1 zijn of Sion zelf. Het gedeelte is geen woord van Yahweh in de eerste persoon en staat zwart. Voetnoot : יְכַהֵן (yekhahen), ‘zich tooit’: het werkwoord is verwant met כֹּהֵן (kohen), ‘priester’. De bruidegom draagt een tooi zoals een priester. Zie ook: Ps 132:9; Ps 132:16; Jes 61:1; Fil 3:9; Openb 19:7–8; Openb 21:2 **61:11** Want zoals de aarde haar spruit voortbrengt en zoals een tuin laat ontspruiten wat erin gezaaid is, zo zal Heer Yahweh gerechtigheid en lof laten ontspruiten voor het oog van alle volken. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | כָאָ֨רֶץ֙ (kaarets) = zoals de aarde | תּוֹצִ֣יא (totsi) = voortbrengt | צִמְחָ֔הּ (tsimchah) = haar spruit | וּכְגַנָּ֖ה (ukhegana) = en zoals een tuin | זֵרוּעֶ֣יהָ (zerueiha) = wat erin gezaaid is | תַצְמִ֑יחַ (tatsmiach) = laat ontspruiten | כֵּ֣ן (ken) = zo | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יַצְמִ֤יחַ (yatsmiach) = zal laten ontspruiten | צְדָקָה֙ (tsedaqa) = gerechtigheid | וּתְהִלָּ֔ה (utehila) = en lof | נֶ֖גֶד (neged) = voor het oog van | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hoogl 4:16–5:1; Jes 55:10–11; Jes 58:11; Mar 4:26–32; 1 Petr 2:9 ## Jesaja 62 _Sion krijgt een nieuwe naam en de weg wordt vrijgemaakt_ ### Omwille van Sion zal ik niet zwijgen **62:1** Omwille van Sion zal ik niet zwijgen. Omwille van Jeruzalem zal ik niet rusten, totdat haar gerechtigheid uitgaat als stralend licht en haar redding brandt als een fakkel. Brontekst: לְמַ֤עַן (lemaan) = omwille van | צִיּוֹן֙ (tsiyon) = Sion | לֹ֣א (lo) = niet | אֶחֱשֶׁ֔ה (echeshe) = zal ik zwijgen | וּלְמַ֥עַן (ulemaan) = en omwille van | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | לֹ֣א (lo) = niet | אֶשְׁק֑וֹט (eshqot) = zal ik rusten | עַד (ad) = totdat | יֵצֵ֤א (yetse) = uitgaat | כַנֹּ֨גַהּ֙ (kanogah) = als stralend licht | צִדְקָ֔הּ (tsidqah) = haar gerechtigheid | וִישׁוּעָתָ֖הּ (vishuatah) = en haar redding | כְּלַפִּ֥יד (kelapid) = als een fakkel | יִבְעָֽר (yivar) = brandt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De tekst noemt de spreker niet. Wij lezen de profeet, omdat in vers 6–7 over Yahweh in de derde persoon wordt gesproken (‘herinneren’, ‘geef Hem geen rust’). Daarom staat dit hoofdstuk zwart, behalve de eed van Yahweh in vers 8–9. Voetnoot : כַּנֹּגַהּ (kannogah), ‘als stralend licht’: het licht dat opkomt en helder schijnt. כְּלַפִּיד (kelappid), ‘als een fakkel’: een brandend stuk hout dat in het donker licht geeft. Zie ook: Ps 102:14–17; Spr 4:18; Jes 32:15–17; Jes 62:6–7; Jes 62:8–9; 1 Petr 2:9 ### Een nieuwe naam **62:2** Volken zullen je gerechtigheid zien en alle koningen je heerlijkheid. Men zal je noemen met een nieuwe naam, die de mond van Yahweh zal bepalen. Brontekst: וְרָא֤וּ (verau) = en zullen zien | גוֹיִם֙ (goyim) = volken | צִדְקֵ֔ךְ (tsidqekh) = je gerechtigheid | וְכָל (vekhal) = en alle | מְלָכִ֖ים (melakhim) = koningen | כְּבוֹדֵ֑ךְ (kevodekh) = je heerlijkheid | וְקֹ֤רָא (veqora) = en men zal noemen | לָךְ֙ (lakh) = jou | שֵׁ֣ם (shem) = een naam | חָדָ֔שׁ (chadash) = nieuwe | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | פִּ֥י (pi) = de mond van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יִקֳּבֶֽנּוּ (yiqovenu) = zal bepalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁם חָדָשׁ (shem chadash), ‘nieuwe naam’: de nieuwe namen staan in vers 4 en vers 12. Voetnoot : יִקֳּבֶנּוּ (yiqqovennu), ‘zal bepalen’: het werkwoord נָקַב (naqav) betekent ‘met name aanwijzen’, ‘vastleggen’. Zie ook: Gen 17:5; Jes 60:1–3; Jes 62:4; Jes 62:12; Jes 65:15; Openb 2:17 **62:3** Je zult een kroon van luister zijn in de hand van Yahweh, en een tulband van koningschap in de hand van je Elohim. Brontekst: וְהָיִ֛יתְ (vehayit) = en je zult zijn | עֲטֶ֥רֶת (ateret) = een kroon van | תִּפְאֶ֖רֶת (tiferet) = luister | בְּיַד (beyad) = in de hand van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּצְנִ֥יף (utsenif) = en een tulband van | מְלוּכָ֖ה (melukha) = koningschap | בְּכַף (bekhaf) = in de palm van | אֱלֹהָֽיִךְ (elohayikh) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is וצנוף (utsenof); het gelezen woord (qere) is וּצְנִיף (utsenif). Beide betekenen ‘tulband’. Wij volgen het gelezen woord. Zie ook: Jes 28:5; Zach 9:16; Luc 2:14; 1 Tess 2:19 **62:4** Er zal niet meer tegen je gezegd worden: ‘Verlatene’. Tegen je land zal niet meer gezegd worden: ‘Verwoeste’. Maar jou zal men noemen: ‘Mijn welbehagen is in haar’, en je land: ‘Getrouwde’. Want Yahweh heeft welbehagen in jou, en je land zal getrouwd worden. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יֵאָמֵר֩ (yeamer) = zal gezegd worden | לָ֨ךְ (lakh) = tot jou | ע֜וֹד (od) = meer | עֲזוּבָ֗ה (azuva) = Verlatene | וּלְאַרְצֵךְ֙ (uleartsekh) = en tot je land | לֹא (lo) = niet | יֵאָמֵ֥ר (yeamer) = zal gezegd worden | עוֹד֙ (od) = meer | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = Verwoeste | כִּ֣י (ki) = maar | לָ֗ךְ (lakh) = jou | יִקָּרֵא֙ (yiqare) = zal men noemen | חֶפְצִי (cheftsi) = Mijn welbehagen | בָ֔הּ (bah) = is in haar | וּלְאַרְצֵ֖ךְ (uleartsekh) = en je land | בְּעוּלָ֑ה (beula) = Getrouwde | כִּֽי (ki) = want | חָפֵ֤ץ (chafets) = heeft welbehagen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּ֔ךְ (bakh) = in jou | וְאַרְצֵ֖ךְ (veartsekh) = en je land | תִּבָּעֵֽל (tibael) = zal getrouwd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲזוּבָה (azuvah), ‘Verlatene’, en שְׁמָמָה (shemamah), ‘Verwoeste’: dit zijn namen die Sion en haar land niet meer zullen dragen. Voetnoot : חֶפְצִי־בָהּ (Chefzi-Ba), ‘Mijn welbehagen is in haar’: de naam is het welbehagen van Yahweh; daarom staat ‘Mijn’ met hoofdletter. Het is ook de naam van de moeder van Manasse (2 Kon. 21:1). בְּעוּלָה (Beulah), ‘Getrouwde’: letterlijk ‘in bezit genomen’, een vrouw die een man heeft. Zie ook: 2 Kon 21:1; Hos 2:21–22; Jes 54:5–7; Jes 62:12; Sef 3:17; Jer 32:41 **62:5** Want zoals een jongeman met een maagd trouwt, zo zullen je zonen met je trouwen. En zoals een bruidegom zich verheugt over de bruid, zo zal je Elohim Zich over jou verheugen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | יִבְעַ֤ל (yival) = trouwt | בָּחוּר֙ (bachur) = een jongeman | בְּתוּלָ֔ה (betula) = met een maagd | יִבְעָל֖וּךְ (yivalukh) = zullen met je trouwen | בָּנָ֑יִךְ (banayikh) = je zonen | וּמְשׂ֤וֹשׂ (umesos) = en de vreugde van | חָתָן֙ (chatan) = een bruidegom | עַל (al) = over | כַּלָּ֔ה (kala) = de bruid | יָשִׂ֥ישׂ (yasis) = zal zich verheugen | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = over jou | אֱלֹהָֽיִךְ (elohayikh) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִבְעַל (yiv’al), ‘trouwt’: letterlijk ‘neemt in bezit’, ‘neemt tot vrouw’. Het is hetzelfde werkwoord als in ‘Getrouwde’ (vers 4). Dat een stad ‘trouwt’ met haar zonen is een beeld: de zonen nemen de stad in bezit en gaan er wonen. Voetnoot : De medeklinkers van בָּנָיִךְ (banayikh), ‘je zonen’, kunnen met andere klinkers ook ‘je Bouwer’ betekenen. Wij volgen de klinkers van de tekst: ‘je zonen’. Zie ook: Jes 49:18–22; Jes 62:4; Jes 65:19; Jer 32:41; Heb 12:2 ### Wachters op de muren **62:6** Op je muren, Jeruzalem, heb ik wachters aangesteld. De hele dag en de hele nacht zullen zij nooit zwijgen. Jullie die Yahweh herinneren, houd je niet stil. Brontekst: עַל (al) = op | חוֹמֹתַ֣יִךְ (chomotayikh) = je muren | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushalaim) = Jeruzalem | הִפְקַ֨דְתִּי֙ (hifqadti) = Ik heb aangesteld | שֹֽׁמְרִ֔ים (shomerim) = wachters | כָּל (kal) = de hele | הַיּ֧וֹם (hayom) = dag | וְכָל (vekhal) = en de hele | הַלַּ֛יְלָה (halayla) = nacht | תָּמִ֖יד (tamid) = voortdurend | לֹ֣א (lo) = niet | יֶחֱשׁ֑וּ (yecheshu) = zullen zwijgen | הַמַּזְכִּרִים֙ (hamazkirim) = zij die herinneren | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אַל (al) = niet | דֳּמִ֖י (domi) = stilte | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שֹׁמְרִים (shomerim), ‘wachters’: mannen die op de muur de stad bewaken. Voetnoot : הַמַּזְכִּרִים (hamazkirim), ‘zij die herinneren’: wie Yahweh aan Zijn beloften herinnert. Voetnoot : דֳּמִי (domi), ‘stilte’: letterlijk ‘wees niet stil’. In vers 7 staat hetzelfde woord, daar vertaald als ‘rust’. Zie ook: Ps 134:1–2; Jes 52:8; Jes 62:7; Jer 6:17; Ezech 3:17–21; 1 Tess 5:17 **62:7** En geef Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem vestigt en het tot een lof maakt op de aarde. Brontekst: וְאַֽל (veal) = en niet | תִּתְּנ֥וּ (titenu) = geef | דֳמִ֖י (domi) = rust | ל֑וֹ (lo) = aan Hem | עַד (ad) = totdat | יְכוֹנֵ֞ן (yekhonen) = Hij vestigt | וְעַד (vead) = en totdat | יָשִׂ֧ים (yasim) = Hij maakt | אֶת (et) = (obj.) | יְרֽוּשָׁלִַ֛ם (yerushalaim) = Jeruzalem | תְּהִלָּ֖ה (tehila) = tot een lof | בָּאָֽרֶץ (baarets) = op de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: דֳּמִי (domi), ‘rust’: hetzelfde woord als in vers 6, letterlijk ‘stilte’. Voetnoot : יְכוֹנֵן (yekhonen), ‘vestigt’: het werkwoord betekent ‘stevig doen staan’. Zie ook: Jes 60:18; Jes 62:6; Sef 3:19–20; Jer 33:9; Mat 6:9–10; Luc 18:1–8 ### Yahweh zweert **62:8** Yahweh heeft gezworen bij Zijn rechterhand en bij Zijn sterke arm: **„Ik zal je graan nooit meer als voedsel geven aan je vijanden. Vreemdelingen zullen je most nooit meer drinken, waarvoor je hebt gezwoegd.** Brontekst: נִשְׁבַּ֧ע (nishba) = heeft gezworen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בִּֽימִינ֖וֹ (bimino) = bij Zijn rechterhand | וּבִזְר֣וֹעַ (uvizroa) = en bij de arm van | עֻזּ֑וֹ (uzo) = Zijn kracht | אִם (im) = nooit | אֶתֵּן֩ (eten) = zal Ik geven | אֶת (et) = (obj.) | דְּגָנֵ֨ךְ (deganekh) = je graan | ע֤וֹד (od) = nog | מַֽאֲכָל֙ (maakhal) = tot voedsel | לְאֹ֣יְבַ֔יִךְ (leoyevayikh) = aan je vijanden | וְאִם (veim) = en nooit | יִשְׁתּ֤וּ (yishtu) = zullen drinken | בְנֵֽי (benei) = zonen van | נֵכָר֙ (nekhar) = de vreemde | תִּֽירוֹשֵׁ֔ךְ (tiroshekh) = je most | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarvoor | יָגַ֖עַתְּ (yagaat) = je hebt gezwoegd | בּֽוֹ (bo) = daarvoor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh in de eed zelf. Zijn woorden staan rood, tot en met vers 9. Voetnoot : אִם (im), ‘indien’: een vaste eedformule. ‘Indien Ik … geef’ betekent: ‘Ik zal nooit … geven’. Wij schrijven ‘nooit’. Voetnoot : בְּנֵי נֵכָר (benei nekhar), ‘zonen van de vreemde’: mensen uit een ander volk. Wij vertalen ‘vreemdelingen’. Zie ook: Deut 28:31; Deut 28:33; Re 6:3–6; Jes 62:9; Jes 65:21–23; Ezech 20:5 **62:9** **Maar wie het binnenhaalt, zal het eten en Yahweh loven. En wie het verzamelt, zal het drinken in de voorhoven van Mijn heiligdom.”** Brontekst: כִּ֤י (ki) = maar | מְאַסְפָיו֙ (measfav) = wie het binnenhaalt | יֹאכְלֻ֔הוּ (yokhluhu) = zal het eten | וְהִֽלְל֖וּ (vehillu) = en zij zullen loven | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וּֽמְקַבְּצָ֥יו (umeqabetsav) = en wie het verzamelt | יִשְׁתֻּ֖הוּ (yishtuhu) = zal het drinken | בְּחַצְר֥וֹת (bechatsrot) = in de voorhoven van | קָדְשִֽׁי (qadeshi) = Mijn heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַצְרוֹת קָדְשִׁי (chatsrot qodshi), ‘de voorhoven van Mijn heiligdom’: Yahweh spreekt hier over Zijn heiligdom in de eerste persoon; daarom blijft ook vers 9 rood. Hij noemt Zichzelf in dit vers ook in de derde persoon (‘Yahweh loven’), zoals in Hos. 1:7. Zie ook: Deut 12:7; Deut 12:12; Deut 14:23–29; Deut 16:11; Deut 16:14; Hos 1:7 ### Baan de weg voor het volk **62:10** Trek door, trek door de poorten! Maak de weg vrij voor het volk. Baan de gebaande weg, baan hem! Ruim de stenen weg. Hef een banier op voor de volken. Brontekst: עִבְר֤וּ (ivru) = trekt door | עִבְרוּ֙ (ivru) = trekt door | בַּשְּׁעָרִ֔ים (bashearim) = door de poorten | פַּנּ֖וּ (panu) = maakt vrij | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg voor | הָעָ֑ם (haam) = het volk | סֹ֣לּוּ (solu) = baant | סֹ֤לּוּ (solu) = baant | הַֽמְסִלָּה֙ (hamsila) = de gebaande weg | סַקְּל֣וּ (saqelu) = ruimt de stenen weg | מֵאֶ֔בֶן (meeven) = van steen | הָרִ֥ימוּ (harimu) = heft op | נֵ֖ס (nes) = een banier | עַל (al) = over | הָעַמִּֽים (haamim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹלּוּ הַמְסִלָּה (sollu hamesillah), ‘baan de gebaande weg’: een opgehoogde weg waar men op loopt. סַקְּלוּ מֵאֶבֶן (saqqelu me’even), ‘ruim de stenen weg’: letterlijk ‘steen af’ of ‘verwijder de stenen’. Voetnoot : נֵס (nes), ‘banier’: een teken dat de volken zien en waarbij zij samenkomen. Zie ook: Jes 11:10; Jes 40:3; Jes 49:22; Jes 57:14; Heb 12:13 **62:11** Zie, Yahweh laat het horen tot aan het einde van de aarde. Zeg tegen Dochter Sion: ‘Zie, je redding komt. Zie, Zijn loon is bij Hem, en Zijn beloning gaat voor Hem uit.’ Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִשְׁמִ֨יעַ֙ (hishmia) = heeft laten horen | אֶל (el) = tot | קְצֵ֣ה (qetse) = het einde van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | אִמְרוּ֙ (imru) = zegt | לְבַת (levat) = aan Dochter van | צִיּ֔וֹן (tsiyon) = Sion | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | יִשְׁעֵ֖ךְ (yishekh) = je redding | בָּ֑א (ba) = komt | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | שְׂכָרוֹ֙ (sekharo) = Zijn loon | אִתּ֔וֹ (ito) = bij Hem | וּפְעֻלָּת֖וֹ (ufeulato) = en Zijn beloning | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor Hem uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: zie Jes. 1:8. Voetnoot : שְׂכָרוֹ (secharo), ‘Zijn loon’, en פְּעֻלָּתוֹ (pe’ullato), ‘Zijn beloning’: dezelfde woorden en dezelfde vertaling als in Jes. 40:10. Zie ook: Jes 1:8; Jes 40:9–10; Jes 40:10; Zach 9:9; Mat 21:5; Joh 12:15; Openb 22:12 **62:12** Men zal hen noemen: ‘het heilige volk, de verlosten van Yahweh’. En jou zal men noemen: ‘Gezochte, stad die niet verlaten is’. Brontekst: וְקָרְא֥וּ (veqareu) = en men zal noemen | לָהֶ֛ם (lahem) = hen | עַם (am) = volk van | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = de heiligheid | גְּאוּלֵ֣י (geulei) = verlosten van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלָךְ֙ (velakh) = en jou | יִקָּרֵ֣א (yiqare) = zal men noemen | דְרוּשָׁ֔ה (derusha) = Gezochte | עִ֖יר (ir) = stad | לֹ֥א (lo) = niet | נֶעֱזָֽבָה (neezava) = verlaten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַם הַקֹּדֶשׁ (am haqqodesh), ‘het heilige volk’: vergelijk Exod. 19:6. גְּאוּלֵי יְהוָה (ge’ulei Yahweh), ‘de verlosten van Yahweh’: van גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’; zie ook Jes. 63:4. Voetnoot : דְּרוּשָׁה (derushah), ‘Gezochte’: een stad waar men naar vraagt en die men opzoekt. Zie ook: Ex 19:6; Deut 7:6; Deut 26:19; Deut 28:9; Jes 62:4; Jes 63:4; 1 Petr 2:9 ## Jesaja 63 _Yahweh komt uit Bozra; het gebed van de profeet om Zijn trouw_ ### Wie komt daar uit Edom? **63:1** Wie is Hij die uit Edom komt, in felrode kleren uit Bozra? Hij die schitterend is in Zijn gewaad en voortschrijdt in de grootheid van Zijn kracht? **„Ik, die in gerechtigheid spreek, machtig om te redden.”** Brontekst: מִי (mi) = wie | זֶ֣ה (ze) = is Hij | בָּ֣א (ba) = die komt | מֵאֱד֗וֹם (meedom) = uit Edom | חֲמ֤וּץ (chamuts) = felrood van | בְּגָדִים֙ (begadim) = kleren | מִבָּצְרָ֔ה (mibatsera) = uit Bozra | זֶ֚ה (ze) = Hij | הָד֣וּר (hadur) = die schitterend is | בִּלְבוּשׁ֔וֹ (bilvusho) = in Zijn gewaad | צֹעֶ֖ה (tsoe) = voortschrijdend | בְּרֹ֣ב (berov) = in de grootheid van | כֹּח֑וֹ (kocho) = Zijn kracht | אֲנִ֛י (ani) = Ik | מְדַבֵּ֥ר (medaber) = die spreek | בִּצְדָקָ֖ה (bitsdaqa) = in gerechtigheid | רַ֥ב (rav) = machtig | לְהוֹשִֽׁיעַ (lehoshia) = om te redden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Bozra: Bozra (Buseirah) lag in het zuiden van het huidige Jordanië, in het gebied van Edom. Voetnoot Uitleg: אֱדוֹם (Edom) en בָּצְרָה (Botsrah), ‘Bozra’: Edom ligt ten zuidoosten van de Dode Zee en Bozra was een belangrijke stad van Edom (zie Jes. 34:6). De figuur komt dus uit het land van het oordeel (vergelijk Jes. 34:5–6). Voetnoot : Wij schrijven ‘Hij’ en ‘Zijn’ met hoofdletter, omdat deze figuur in dit vers zelf als Yahweh spreekt: ‘Ik, die in gerechtigheid spreek, machtig om te redden’. Die woorden staan rood; de vraag van de profeet staat zwart. Voetnoot : חָמוּץ (chamuts), ‘felrood’: de betekenis is onzeker; het kan ook ‘gekleurd’ of ‘gevlekt’ betekenen. צֹעֶה (tso’eh), ‘voortschrijdend’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker. Zie ook: Num 23:19; Ps 137:7; Jes 34:5–6; Jes 34:6; Jes 63:2–3; Openb 19:13 **63:2** Waarom is Uw gewaad rood, en zijn Uw kleren als van iemand die in de perskuip treedt? Brontekst: מַדּ֥וּעַ (madua) = waarom | אָדֹ֖ם (adom) = rood | לִלְבוּשֶׁ֑ךָ (lilvushekha) = is Uw gewaad | וּבְגָדֶ֖יךָ (uvegadeikha) = en Uw kleren | כְּדֹרֵ֥ךְ (kedorekh) = als van iemand die treedt | בְּגַֽת (begat) = in de perskuip Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּת (gat), ‘perskuip’: de kuip waarin men druiven met de voeten treedt. Het sap spat dan op de kleren; zie vers 3. Zie ook: Jes 63:3; Openb 19:13; Openb 19:15 **63:3** **„De wijnpers heb Ik alleen getreden. Van de volken was er niemand bij Mij. Ik trad hen in Mijn toorn en stampte op hen in Mijn grimmigheid. Hun sap spatte op Mijn kleren, en heel Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.** Brontekst: פּוּרָ֣ה (pura) = een wijnpers | דָּרַ֣כְתִּי (darakhti) = heb Ik getreden | לְבַדִּ֗י (levadi) = alleen | וּמֵֽעַמִּים֙ (umeamim) = en van de volken | אֵֽין (ein) = niet is er | אִ֣ישׁ (ish) = een man | אִתִּ֔י (iti) = met Mij | וְאֶדְרְכֵ֣ם (veedrekhem) = en Ik trad hen | בְּאַפִּ֔י (beapi) = in Mijn toorn | וְאֶרְמְסֵ֖ם (veermesem) = en Ik stampte op hen | בַּחֲמָתִ֑י (bachamati) = in Mijn grimmigheid | וְיֵ֤ז (veyez) = en spatte | נִצְחָם֙ (nitscham) = hun sap | עַל (al) = op | בְּגָדַ֔י (begaday) = Mijn kleren | וְכָל (vekhal) = en heel | מַלְבּוּשַׁ֖י (malbushay) = Mijn gewaad | אֶגְאָֽלְתִּי (egalti) = heb Ik bezoedeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פּוּרָה (purah), ‘wijnpers’: de trog waarin druiven worden getreden. Het is een ander woord dan גַּת (gat) in vers 2. Voetnoot : נִצְחָם (nitsham), ‘hun sap’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker (‘sap’ of ‘bloed’). Het beeld is dat de volken als druiven worden getreden; in vers 6 komt het woord terug. Voetnoot : אֶגְאָלְתִּי (eg’alti), ‘heb Ik bezoedeld’: van גָּאַל (ga’al) II, ‘bezoedelen’. Dat is een ander werkwoord dan גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’ (vers 4, 9 en 16). Vergelijk Openb. 19:13 en 19:15. Zie ook: Jes 63:2; Jes 63:4; Jes 63:6; Jes 63:9; Jes 63:16; Mi 7:10; Klaagl 1:15; Mal 3:21; Openb 14:19–20; Openb 19:13–15; Openb 19:15 **63:4** **Want de dag van wraak was in Mijn hart, en het jaar van Mijn verlosten was gekomen.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | י֥וֹם (yom) = de dag van | נָקָ֖ם (naqam) = wraak | בְּלִבִּ֑י (belibi) = was in Mijn hart | וּשְׁנַ֥ת (ushenat) = en het jaar van | גְּאוּלַ֖י (geulay) = Mijn verlosten | בָּֽאָה (baa) = was gekomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹם נָקָם (yom naqam), ‘dag van wraak’: zie Jes. 34:8 en 61:2. Voetnoot : גְּאוּלַי (ge’ulai), ‘Mijn verlosten’: van גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’. Het kan ook ‘Mijn verlossing’ betekenen. Wij kiezen ‘Mijn verlosten’, passend bij ‘Mijn volk’ in vers 8. Zie ook: Jes 34:8; Jes 35:4; Jes 61:2; Jes 63:8; Jer 51:6; Openb 18:20 **63:5** **Ik keek, maar er was niemand die hielp. Ik stond versteld, maar er was niemand die steunde. Toen redde Mijn eigen arm Mij, en Mijn grimmigheid steunde Mij.** Brontekst: וְאַבִּיט֙ (veabit) = en Ik keek | וְאֵ֣ין (veein) = en niemand | עֹזֵ֔ר (ozer) = die hielp | וְאֶשְׁתּוֹמֵ֖ם (veeshtomem) = en Ik stond versteld | וְאֵ֣ין (veein) = en niemand | סוֹמֵ֑ךְ (somekh) = die steunde | וַתּ֤וֹשַֽׁע (vatosha) = toen redde | לִי֙ (li) = Mij | זְרֹעִ֔י (zeroi) = Mijn arm | וַחֲמָתִ֖י (vachamati) = en Mijn grimmigheid | הִ֥יא (hi) = zij | סְמָכָֽתְנִי (semakhateni) = steunde Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Jes. 59:16, waar hetzelfde beeld voorkomt: Yahweh ziet dat er niemand is. Zie ook: Ps 44:4; Hos 1:7; Jes 40:10; Jes 50:2; Jes 52:10; Jes 59:16 **63:6** **Ik vertrapte volken in Mijn toorn en maakte hen dronken in Mijn grimmigheid. Ik liet hun sap neerstromen op de aarde.”** Brontekst: וְאָב֤וּס (veavus) = en Ik vertrapte | עַמִּים֙ (amim) = volken | בְּאַפִּ֔י (beapi) = in Mijn toorn | וַאֲשַׁכְּרֵ֖ם (vaashakerem) = en Ik maakte hen dronken | בַּחֲמָתִ֑י (bachamati) = in Mijn grimmigheid | וְאוֹרִ֥יד (veorid) = en Ik liet neerstromen | לָאָ֖רֶץ (laarets) = op de aarde | נִצְחָֽם (nitscham) = hun sap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָאָבוּס (va’avus), ‘Ik vertrapte’: hetzelfde werkwoord als in vers 18, waar de tegenstanders het heiligdom ‘vertrapten’. Voetnoot : וָאֲשַׁכְּרֵם (va’ashakkerem), ‘en Ik maakte hen dronken’: het beeld van de beker van Zijn toorn. Zie ook: Jes 26:5–6; Jes 49:26; Jes 51:21–23; Jes 63:18; Openb 14:10; Openb 16:19 ### De trouw van Yahweh in het verleden **63:7** De daden van trouw van Yahweh zal ik vermelden, de lofprijzingen van Yahweh, overeenkomstig alles wat Yahweh ons heeft bewezen. Hij bewees het huis van Israël veel goeds, naar Zijn ontferming en naar de grootheid van Zijn trouw. Brontekst: חַֽסְדֵ֨י (chasdei) = de daden van trouw van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אַזְכִּיר֙ (azkir) = zal ik vermelden | תְּהִלֹּ֣ת (tehilot) = de lofprijzingen van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כְּעַ֕ל (keal) = overeenkomstig | כֹּ֥ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | גְּמָלָ֖נוּ (gemalanu) = Hij ons heeft bewezen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְרַב (verav) = en het grote | טוּב֙ (tuv) = goede | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = dat | גְּמָלָ֥ם (gemalam) = Hij hun heeft bewezen | כְּֽרַחֲמָ֖יו (kerachamav) = naar Zijn ontferming | וּכְרֹ֥ב (ukherov) = en naar de grootheid van | חֲסָדָֽיו (chasadav) = Zijn trouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint het gebed van de profeet. Het loopt door tot en met Jes. 64:11 en staat zwart; alleen de woorden van Yahweh in vers 8 zijn rood. Voetnoot : חַסְדֵי יְהוָה (chasdei Yahweh), ‘de daden van trouw van Yahweh’: het woord חֶסֶד (chesed) vertalen wij ‘trouw’. Voetnoot : גָּמַל (gamal), ‘bewijzen’: iemand iets aandoen, hier goed. Zie ook: Ps 86:5; Ps 86:15; Jes 63:8; Jes 64:11; Rom 2:4; Ef 1:6–7; Ef 2:4 **63:8** Hij zei: **„Zij zijn immers Mijn volk, zonen die niet zullen bedriegen.”** En Hij werd hun redder. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | אַךְ (akh) = zeker | עַמִּ֣י (ami) = Mijn volk | הֵ֔מָּה (hema) = zij | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | לֹ֣א (lo) = niet | יְשַׁקֵּ֑רוּ (yeshaqeru) = zullen bedriegen | וַיְהִ֥י (vayhi) = en Hij werd | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְמוֹשִֽׁיעַ (lemoshia) = tot redder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh wordt hier geciteerd binnen het gebed. Zijn woorden staan rood. Voetnoot : לֹא יְשַׁקֵּרוּ (lo yeshaqqeru), ‘die niet zullen bedriegen’: zij zullen Hem niet ontrouw zijn. Zie ook: Gen 17:7; Ex 6:7; Ps 78:36–37; Jes 12:2; Kol 3:9 **63:9** In al hun benauwdheid was het voor Hem benauwd. De engel van Zijn aangezicht redde hen. In Zijn liefde en Zijn mededogen verloste Hijzelf hen. Hij tilde hen op en droeg hen, al de dagen van lang geleden. Brontekst: בְּֽכָל (bekhal) = in al | צָרָתָ֣ם (tsaratam) = hun benauwdheid | ל֣וֹ (lo) = voor Hem | צָ֗ר (tsar) = was het benauwd | וּמַלְאַ֤ךְ (umalakh) = en de engel van | פָּנָיו֙ (panav) = Zijn aangezicht | הֽוֹשִׁיעָ֔ם (hoshiam) = redde hen | בְּאַהֲבָת֥וֹ (beahavato) = in Zijn liefde | וּבְחֶמְלָת֖וֹ (uvechemlato) = en in Zijn mededogen | ה֣וּא (hu) = Hijzelf | גְאָלָ֑ם (gealam) = verloste hen | וַֽיְנַטְּלֵ֥ם (vaynatelem) = en Hij tilde hen op | וַֽיְנַשְּׂאֵ֖ם (vaynaseem) = en Hij droeg hen | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | עוֹלָֽם (olam) = lang geleden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ פָּנָיו (malakh panav), ‘de engel van Zijn aangezicht’: de engel die uit Zijn tegenwoordigheid komt en Zijn aanwezigheid draagt. Vergelijk Exod. 23:20 en 33:14. Voetnoot : יְמֵי עוֹלָם (yemei olam), ‘de dagen van lang geleden’: zoals in Amos 9:11. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is לֹא (lo), ‘niet’; het gelezen woord (qere) is לוֹ (lo), ‘voor Hem’. Beide klinken gelijk. Wij volgen het gelezen woord: ‘voor Hem was het benauwd’. Zie ook: Ex 23:20–21; Ex 33:14; Amos 9:11; Mal 3:1; Hand 7:34–35; Hand 12:11 **63:10** Maar zij waren weerspannig en bedroefden Zijn heilige Geest. Toen werd Hij hun vijand: Hijzelf streed tegen hen. Brontekst: וְהֵ֛מָּה (vehema) = maar zij | מָר֥וּ (maru) = waren weerspannig | וְעִצְּב֖וּ (veitsevu) = en bedroefden | אֶת (et) = (obj.) | ר֣וּחַ (ruach) = de Geest van | קָדְשׁ֑וֹ (qadesho) = Zijn heiligheid | וַיֵּהָפֵ֥ךְ (vayehafekh) = toen veranderde Hij | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | לְאוֹיֵ֖ב (leoyev) = in een vijand | ה֥וּא (hu) = Hijzelf | נִלְחַם (nilcham) = streed | בָּֽם (bam) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ קָדְשׁוֹ (ruach qodsho), ‘Zijn heilige Geest’: de uitdrukking komt in het Oude Testament slechts op twee plaatsen voor, hier (en in vers 11) en in Ps. 51:13. Voetnoot : עִצְּבוּ (itstsevu), ‘zij bedroefden’: het werkwoord betekent ‘pijn doen’, ‘verdriet doen’. Zie ook: Ps 51:13; Ps 78:40; Ps 78:56; Jes 63:11; Jer 21:5; Hand 7:51; Ef 4:30 **63:11** Toen dacht men terug aan de dagen van lang geleden, aan Mozes en zijn volk. Waar is Hij die hen uit de zee deed opkomen, met de herders van Zijn kudde? Waar is Hij die Zijn heilige Geest in hun midden legde? Brontekst: וַיִּזְכֹּ֥ר (vayizkor) = en men dacht terug | יְמֵֽי (yemei) = aan de dagen van | עוֹלָ֖ם (olam) = lang geleden | מֹשֶׁ֣ה (moshe) = Mozes | עַמּ֑וֹ (amo) = zijn volk | אַיֵּ֣ה (aye) = waar is | הַֽמַּעֲלֵ֣ם (hamaalem) = Hij die hen deed opkomen | מִיָּ֗ם (miyam) = uit de zee | אֵ֚ת (et) = met | רֹעֵ֣י (roei) = de herders van | צֹאנ֔וֹ (tsono) = Zijn kudde | אַיֵּ֛ה (aye) = waar is | הַשָּׂ֥ם (hasam) = Hij die legde | בְּקִרְבּ֖וֹ (beqirbo) = in hun midden | אֶת (et) = (obj.) | ר֥וּחַ (ruach) = de Geest van | קָדְשֽׁוֹ (qadesho) = Zijn heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het onderwerp van ‘dacht terug’ (וַיִּזְכֹּר, vayizkor) is onduidelijk: het kan Yahweh zijn, het volk, of onbepaald ‘men’. De vragen die volgen (‘Waar is Hij …’) klinken als woorden van het volk. Daarom vertalen wij ‘men’. Voetnoot : מֹשֶׁה עַמּוֹ (Moshe ammo), ‘Mozes en zijn volk’: letterlijk ‘Mozes, zijn volk’. Het ‘zijn’ kan op Mozes of op Yahweh slaan. Voetnoot : רֹעֵי צֹאנוֹ (ro’ei tsono), ‘herders van Zijn kudde’: het Hebreeuws heeft hier een meervoud. Dat kunnen Mozes en Aäron zijn (zie Ps. 77:21). Voetnoot : De doortocht door de zee: Exod. 14:21 en Exod. 15. De Geest die in hun midden werd gelegd: Num. 11:17 en 11:25. Zie ook: Ex 14:21; Ex 14:22; Num 11:17; Num 11:25; Ps 77:21; Hag 2:5 **63:12** Die Zijn luisterrijke arm aan de rechterhand van Mozes liet gaan? Die het water voor hen deed splijten om Zich een naam voor eeuwig te maken? Brontekst: מוֹלִיךְ֙ (molikh) = Hij die liet gaan | לִימִ֣ין (limin) = aan de rechterhand van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | זְר֖וֹעַ (zeroa) = de arm van | תִּפְאַרְתּ֑וֹ (tifarto) = Zijn luister | בּ֤וֹקֵֽעַ (boqea) = die splijt | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | מִפְּנֵיהֶ֔ם (mipeneihem) = voor hen | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te maken | ל֖וֹ (lo) = voor Zich | שֵׁ֥ם (shem) = een naam | עוֹלָֽם (olam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זְרוֹעַ תִּפְאַרְתּוֹ (zero’a tif’arto), ‘Zijn luisterrijke arm’: letterlijk ‘de arm van Zijn luister’. Vergelijk Exod. 15:6 en 15:16. Voetnoot : שֵׁם עוֹלָם (shem olam), ‘een naam voor eeuwig’: een naam die blijft. Zie ook: Ex 15:6; Ex 15:16; Joz 3:16; Ps 78:13; Jes 55:13; Neh 9:11 **63:13** Die hen door de diepten liet gaan, als een paard in de woestijn, zonder dat zij struikelden? Brontekst: מוֹלִיכָ֖ם (molikham) = die hen liet gaan | בַּתְּהֹמ֑וֹת (batehomot) = door de diepten | כַּסּ֥וּס (kasus) = als een paard | בַּמִּדְבָּ֖ר (bamidbar) = in de woestijn | לֹ֥א (lo) = niet | יִכָּשֵֽׁלוּ (yikashelu) = zij struikelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּהֹמוֹת (tehomot), ‘diepten’: hetzelfde woord als in Exod. 15:5 en 15:8. Zie ook: Ex 15:5; Ex 15:8; Ps 106:9; Jer 31:9; Hab 3:15 **63:14** Zoals het vee dat in het dal afdaalt, liet de Geest van Yahweh hen rusten. Zo leidde U Uw volk, om voor U een luisterrijke naam te maken. Brontekst: כַּבְּהֵמָה֙ (kabehema) = zoals het vee | בַּבִּקְעָ֣ה (babiqa) = in het dal | תֵרֵ֔ד (tered) = dat afdaalt | ר֥וּחַ (ruach) = de Geest van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תְּנִיחֶ֑נּוּ (tenichenu) = liet hen rusten | כֵּ֚ן (ken) = zo | נִהַ֣גְתָּ (nihagta) = leidde U | עַמְּךָ֔ (amekha) = Uw volk | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te maken | לְךָ֖ (lekha) = voor U | שֵׁ֥ם (shem) = een naam van | תִּפְאָֽרֶת (tifaret) = luister Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּקְעָה (biq’ah), ‘dal’: een laagte of vlakte. Het beeld is vee dat afdaalt naar een dal om te rusten en te grazen. Voetnoot : Hier gaat het gebed over van ‘Hij’ naar ‘U’. Zie ook: Joz 22:4; Joz 23:1; Jes 63:12; Neh 9:5; Heb 4:8–11 ### Kijk neer uit de hemel **63:15** Kijk neer uit de hemel en zie, vanuit Uw heilige en luisterrijke woning. Waar zijn Uw ijver en Uw machtige daden? De beroering van Uw binnenste en Uw ontferming worden tegenover mij ingehouden. Brontekst: הַבֵּ֤ט (habet) = kijk neer | מִשָּׁמַ֨יִם֙ (mishamayim) = uit de hemel | וּרְאֵ֔ה (uree) = en zie | מִזְּבֻ֥ל (mizevul) = vanuit de woning van | קָדְשְׁךָ֖ (qadeshekha) = Uw heiligheid | וְתִפְאַרְתֶּ֑ךָ (vetifartekha) = en Uw luister | אַיֵּ֤ה (aye) = waar is | קִנְאָֽתְךָ֙ (qinatekha) = Uw ijver | וּגְב֣וּרֹתֶ֔ךָ (ugevurotekha) = en Uw machtige daden | הֲמ֥וֹן (hamon) = de beroering van | מֵעֶ֛יךָ (meeikha) = Uw binnenste | וְֽרַחֲמֶ֖יךָ (verachameikha) = en Uw ontferming | אֵלַ֥י (elay) = tegenover mij | הִתְאַפָּֽקוּ (hitapaqu) = worden ingehouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲמוֹן מֵעֶיךָ (hamon me’ekha), ‘de beroering van Uw binnenste’: letterlijk ‘het gedruis van Uw ingewanden’, een beeld voor diepe bewogenheid. Voetnoot : זְבֻל (zevul), ‘woning’: de verheven woonplaats van Yahweh in de hemel. Zie ook: Deut 26:15; Ps 80:15; Ps 123:1; Hos 11:8; Jer 31:20 **63:16** Want U bent onze Vader. Abraham kent ons niet, en Israël erkent ons niet. U, Yahweh, bent onze Vader. Onze Verlosser van oudsher is Uw naam. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אַתָּ֣ה (ata) = U | אָבִ֔ינוּ (avinu) = bent onze vader | כִּ֤י (ki) = want | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | לֹ֣א (lo) = niet | יְדָעָ֔נוּ (yedaanu) = kent ons | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | לֹ֣א (lo) = niet | יַכִּירָ֑נוּ (yakiranu) = erkent ons | אַתָּ֤ה (ata) = U | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אָבִ֔ינוּ (avinu) = bent onze vader | גֹּאֲלֵ֥נוּ (goalenu) = onze Verlosser | מֵֽעוֹלָ֖ם (meolam) = van oudsher | שְׁמֶֽךָ (shemekha) = is Uw naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָבִינוּ (avinu), ‘onze Vader’: Yahweh als Vader van Zijn volk; vergelijk Deut. 32:6. Voetnoot : גֹּאֲלֵנוּ (go’alenu), ‘onze Verlosser’: de go’el is de naaste verwant die loskoopt en iemands recht herstelt. Vergelijk Jes. 43:14. Voetnoot : מֵעוֹלָם (me’olam), ‘van oudsher’: letterlijk ‘van olam af’. Zie ook: Deut 32:6; Jes 41:14; Jes 43:14; Jes 64:7; Jer 3:19; Mal 2:10 **63:17** Waarom laat U ons dwalen, Yahweh, weg van Uw wegen? Waarom maakt U ons hart hard, zodat wij U niet vrezen? Keer terug omwille van Uw knechten, de stammen van Uw erfdeel. Brontekst: לָ֣מָּה (lama) = waarom | תַתְעֵ֤נוּ (tatenu) = laat U ons dwalen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִדְּרָכֶ֔יךָ (miderakheikha) = van Uw wegen | תַּקְשִׁ֥יחַ (taqshiach) = maakt U hard | לִבֵּ֖נוּ (libenu) = ons hart | מִיִּרְאָתֶ֑ךָ (miyiratekha) = zodat wij U niet vrezen | שׁ֚וּב (shuv) = keer terug | לְמַ֣עַן (lemaan) = omwille van | עֲבָדֶ֔יךָ (avadeikha) = Uw knechten | שִׁבְטֵ֖י (shivtei) = de stammen van | נַחֲלָתֶֽךָ (nachalatekha) = Uw erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּתְעֵנוּ (tat’enu), ‘laat U ons dwalen’: het werkwoord betekent ‘doen dwalen’. Voetnoot : תַּקְשִׁיחַ (taqshiach), ‘maakt U hard’: het hart wordt ongevoelig, zodat het U niet vreest. Het gebed klaagt hier Yahweh aan; het laat open waarom. Zie ook: Deut 2:30; Joz 11:20; Jes 6:10; Jes 29:13; Ezech 14:7–9 **63:18** Uw heilige volk bezat het maar kort. Onze tegenstanders hebben Uw heiligdom vertrapt. Brontekst: לַמִּצְעָ֕ר (lamitsar) = voor een korte tijd | יָרְשׁ֖וּ (yareshu) = bezat het | עַם (am) = het volk van | קָדְשֶׁ֑ךָ (qadeshekha) = Uw heiligheid | צָרֵ֕ינוּ (tsareinu) = onze tegenstanders | בּוֹסְס֖וּ (bosesu) = hebben vertrapt | מִקְדָּשֶֽׁךָ (miqdashekha) = Uw heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַמִּצְעָר (lammits’ar), ‘maar kort’: een moeilijk Hebreeuws woord. De betekenis is onzeker: ‘voor een korte tijd’ of ‘voor een klein deel’. Ook het onderwerp en het voorwerp van ‘bezat’ zijn niet genoemd. Wij lezen: Uw heilige volk bezat het land maar kort. Zie ook: Ex 19:4–6; Deut 26:19; Ps 74:3–7; Klaagl 1:10; 1 Petr 2:9 ### Och, dat U de hemel scheurde **63:19** Van oudsher zijn wij als mensen over wie U niet heerste, over wie Uw naam niet is uitgeroepen. O, dat U de hemel scheurde en neerdaalde! Voor Uw aangezicht zouden de bergen wegvloeien. Brontekst: הָיִ֗ינוּ (hayinu) = wij zijn | מֵֽעוֹלָם֙ (meolam) = van oudsher | לֹֽא (lo) = niet | מָשַׁ֣לְתָּ (mashalta) = heerste U | בָּ֔ם (bam) = over hen | לֹֽא (lo) = niet | נִקְרָ֥א (niqra) = is uitgeroepen | שִׁמְךָ֖ (shimkha) = Uw naam | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = over hen | לוּא (lu) = o, dat | קָרַ֤עְתָּ (qarata) = U scheurde | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = de hemel | יָרַ֔דְתָּ (yaradta) = U daalde neer | מִפָּנֶ֖יךָ (mipaneikha) = voor Uw aangezicht | הָרִ֥ים (harim) = bergen | נָזֹֽלּוּ (nazolu) = zouden wegvloeien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de Nederlandse telling begint Jes. 64 met de woorden ‘O, dat U de hemel scheurde’. In het Hebreeuws behoren die woorden nog tot Jes. 63:19. Daarom is Hebr. 63:19 (tweede helft) = NL 64:1, en Hebr. 64:1–11 = NL 64:2–12. Voetnoot : הָיִינוּ מֵעוֹלָם (hayinu me’olam), ‘van oudsher zijn wij’: het kan ook ‘al lang zijn wij’ betekenen. Voetnoot : לוּ (lu), ‘o, dat’: een wens die nog niet vervuld is. נָזֹלּוּ (nazollu), ‘zouden wegvloeien’: de bergen stromen weg als water. Zie ook: Ps 79:6; Ps 135:4; Amos 9:12; Hand 14:16; Rom 9:4; Heb 63:19; Heb 64:1–11 ## Jesaja 64 _Gebed om ingrijpen: wij zijn de klei, U bent onze Vormer_ ### Daal af, zoals vuur **64:1** Zoals vuur takkenbos aansteekt en vuur water doet koken: om Uw naam bekend te maken aan Uw tegenstanders, zodat de volken beven voor Uw aangezicht. Brontekst: כִּקְדֹ֧חַ (kiqdoach) = zoals aansteekt | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | הֲמָסִ֗ים (hamasim) = takkenbos | מַ֚יִם (mayim) = water | תִּבְעֶה (tive) = doet koken | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | לְהוֹדִ֥יעַ (lehodia) = om bekend te maken | שִׁמְךָ֖ (shimkha) = Uw naam | לְצָרֶ֑יךָ (letsareikha) = aan Uw tegenstanders | מִפָּנֶ֖יךָ (mipaneikha) = voor Uw aangezicht | גּוֹיִ֥ם (goyim) = volken | יִרְגָּֽזוּ (yirgazu) = zullen beven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de Hebreeuwse telling is dit het eerste vers van hoofdstuk 64. In Nederlandse Bijbels is dit vers 2: Hebr. 64:1–11 is NL 64:2–12. Zie de voetnoot bij Jes. 63:19. Wij volgen de Hebreeuwse telling; de app zet de verwijzingen om. Voetnoot : De zin loopt door uit Jes. 63:19: ‘O, dat U de hemel scheurde en neerdaalde!’ Daarom begint dit vers met ‘zoals’. Voetnoot : הֲמָסִים (hamasim), ‘takkenbos’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis ‘droge takken’ is een vermoeden. Voetnoot : תִּבְעֶה (tiv’eh), ‘doet koken’: van het werkwoord בָּעָה (ba’ah), ‘opborrelen’. Letterlijk staat er: ‘vuur laat water opborrelen’. Zie ook: Ex 14:4; Ps 99:1; Jes 63:19; Jes 64:2; Jer 5:22; Jer 33:9; Dan 6:26–28; Heb 64:1–11 **64:2** Toen U ontzagwekkende dingen deed die wij niet verwachtten, daalde U neer. Voor Uw aangezicht vloeiden de bergen weg. Brontekst: בַּעֲשׂוֹתְךָ֥ (baasotekha) = als U doet | נוֹרָא֖וֹת (noraot) = ontzagwekkende dingen | לֹ֣א (lo) = niet | נְקַוֶּ֑ה (neqave) = wij verwachtten | יָרַ֕דְתָּ (yaradta) = U daalde neer | מִפָּנֶ֖יךָ (mipaneikha) = voor Uw aangezicht | הָרִ֥ים (harim) = bergen | נָזֹֽלּוּ (nazolu) = vloeiden weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נוֹרָאוֹת (nora’ot), ‘ontzagwekkende dingen’: dingen die ontzag opwekken, zoals de daden bij de uittocht (Ps. 106:22). Voetnoot : De laatste woorden zijn in het Hebreeuws gelijk aan het slot van Jes. 63:19: ‘U daalde neer, voor Uw aangezicht vloeiden de bergen weg’. Daar staat een wens, hier een herinnering. Vergelijk Richt. 5:5. Zie ook: Ex 34:10; Re 5:5; Ps 65:6–7; Ps 66:3; Ps 106:22; Jes 63:19; Hab 3:3 **64:3** Van oudsher heeft men het niet gehoord en niet met het oor vernomen. Geen oog heeft een Elohim buiten U gezien die handelt voor wie op Hem wacht. Brontekst: וּמֵעוֹלָ֥ם (umeolam) = en van oudsher | לֹא (lo) = niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = hebben zij gehoord | לֹ֣א (lo) = niet | הֶאֱזִ֑ינוּ (heezinu) = hebben zij vernomen | עַ֣יִן (ayin) = oog | לֹֽא (lo) = niet | רָאָ֗תָה (raata) = heeft gezien | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | זוּלָ֣תְךָ֔ (zulatekha) = buiten U | יַעֲשֶׂ֖ה (yaase) = die handelt | לִמְחַכֵּה (limchake) = voor wie wacht | לֽוֹ (lo) = op Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers wordt in 1 Kor. 2:9 aangehaald, in een eigen vorm. Voetnoot : לִמְחַכֵּה לוֹ (limchakkeh lo), ‘voor wie op Hem wacht’: van חָכָה (chakah), ‘wachten’. Het is een ander woord dan ‘verwachten’ (קָוָה, qavah) in vers 2. Zie ook: Ps 31:20; Ps 130:5; Jes 25:9; Jes 64:2; Jak 5:7; 1 Kor 2:9–10 ### Wij zijn onrein geworden **64:4** U komt hem tegemoet die zich verheugt en gerechtigheid doet. Zij gedenken U op Uw wegen. Zie, U was toornig, en wij zondigden. Daarin zijn wij al lang, en zouden wij gered worden? Brontekst: פָּגַ֤עְתָּ (pagata) = U komt tegemoet | אֶת (et) = (obj.) | שָׂשׂ֙ (sas) = wie zich verheugt | וְעֹ֣שֵׂה (veose) = en wie doet | צֶ֔דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | בִּדְרָכֶ֖יךָ (bidrakheikha) = op Uw wegen | יִזְכְּר֑וּךָ (yizkerukha) = zij gedenken U | הֵן (hen) = zie | אַתָּ֤ה (ata) = U | קָצַ֨פְתָּ֙ (qatsafta) = U was toornig | וַֽנֶּחֱטָ֔א (vanecheta) = en wij zondigden | בָּהֶ֥ם (bahem) = daarin | עוֹלָ֖ם (olam) = al lang | וְנִוָּשֵֽׁעַ (venivashea) = en zouden wij gered worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Letterlijk staat er: ‘U ontmoet de verheugde en doener van gerechtigheid. Op Uw wegen gedenken zij U. Zie, U was toornig, en wij zondigden. In hen: van oudsher, en zouden wij gered worden?’ Voetnoot : פָּגַעְתָּ (paga’ta), ‘U komt tegemoet’: het werkwoord kan ook ‘treffen’ of ‘ontmoeten’ betekenen. Wij kiezen ‘tegemoetkomen’, omdat de zin spreekt over wie gerechtigheid doet. Voetnoot : בָּהֶם (bahem), ‘daarin’: letterlijk ‘in hen’. Het kan terugwijzen naar ‘Uw wegen’ of naar onze zonden. Voetnoot : עוֹלָם (olam), ‘al lang’: hier duidt het woord een lange tijd aan, niet ‘voor eeuwig’. Voetnoot : וְנִוָּשֵׁעַ (venivashea), ‘en zouden wij gered worden?’: de vorm is onzeker. Hij kan ook een wens zijn: ‘laat ons gered worden’. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 25:10; Jer 31:18–20; Hand 10:35; Fil 3:13–15; Heb 4:16 **64:5** Wij zijn allemaal geworden als een onreine. Al onze gerechtigheid is als een kleed van menstruatie. Wij verwelken allemaal als een blad. Onze ongerechtigheid draagt ons weg als de wind. Brontekst: וַנְּהִ֤י (vanehi) = en wij zijn geworden | כַטָּמֵא֙ (katame) = als een onreine | כֻּלָּ֔נוּ (kulanu) = wij allen | וּכְבֶ֥גֶד (ukheveged) = en als een kleed van | עִדִּ֖ים (idim) = menstruatie | כָּל (kal) = al | צִדְקֹתֵ֑ינוּ (tsidqoteinu) = onze gerechtigheid | וַנָּ֤בֶל (vanavel) = en wij verwelken | כֶּֽעָלֶה֙ (keale) = als een blad | כֻּלָּ֔נוּ (kulanu) = wij allen | וַעֲוֺנֵ֖נוּ (vaavonenu) = en onze ongerechtigheid | כָּר֥וּחַ (karuach) = als de wind | יִשָּׂאֻֽנוּ (yisaunu) = draagt ons weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טָמֵא (tamé), ‘onrein’: zie Lev. 13:45. Voetnoot : עִדִּים (iddim), ‘menstruatie’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij het bloed van de maandstonden (zie Lev. 15:19–24). Een kleed dat zo bevlekt is, maakt onrein. Wij vertalen het letterlijk. Voetnoot : צִדְקֹתֵינוּ (tsidqotenu), ‘onze gerechtigheid’: het woord staat in het meervoud, ‘onze gerechtigheden’. Het gaat om alles wat wij als rechtvaardig deden. Voetnoot : וַנָּבֶל (vannavel), ‘en wij verwelken’: zoals een blad verdort (zie Jes. 1:30). Zie ook: Lev 13:45; Lev 15:19–24; Jes 1:30; Zach 3:3; Rom 7:18; Rom 7:24; Ef 2:1–2; Openb 3:17–18 **64:6** Niemand roept Uw naam aan. Niemand wekt zichzelf op om zich aan U vast te klampen. Want U hebt Uw aangezicht voor ons verborgen en liet ons wegsmelten in de hand van onze ongerechtigheid. Brontekst: וְאֵין (veein) = en niet is er | קוֹרֵ֣א (qore) = wie aanroept | בְשִׁמְךָ֔ (beshimkha) = Uw naam | מִתְעוֹרֵ֖ר (mitorer) = wie zich opwekt | לְהַחֲזִ֣יק (lehachaziq) = om vast te klampen | בָּ֑ךְ (bakh) = aan U | כִּֽי (ki) = want | הִסְתַּ֤רְתָּ (histarta) = U hebt verborgen | פָנֶ֨יךָ֙ (paneikha) = Uw aangezicht | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = voor ons | וַתְּמוּגֵ֖נוּ (vatemugenu) = en U liet ons wegsmelten | בְּיַד (beyad) = in de hand van | עֲוֺנֵֽנוּ (avonenu) = onze ongerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתְּמוּגֵנוּ (vattemugenu), ‘en U liet ons wegsmelten’: van מוּג (mug), ‘smelten’. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘U hebt ons overgeleverd’ (van een ander werkwoord). Voetnoot : בְּיַד עֲוֺנֵנוּ (beyad avonenu), ‘in de hand van onze ongerechtigheid’: de ongerechtigheid houdt ons vast, zoals een hand dat doet. Zie ook: Hos 7:7; Hos 7:14; Jes 50:2; Jes 59:16; Ezech 22:30 ### U bent onze Vader **64:7** En nu, Yahweh, U bent onze Vader. Wij zijn de klei, en U bent onze Vormer. Wij allen zijn het werk van Uw hand. Brontekst: וְעַתָּ֥ה (veata) = en nu | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אָבִ֣ינוּ (avinu) = onze Vader | אָ֑תָּה (ata) = U | אֲנַ֤חְנוּ (anachnu) = wij | הַחֹ֨מֶר֙ (hachomer) = de klei | וְאַתָּ֣ה (veata) = en U | יֹצְרֵ֔נוּ (yotserenu) = onze Vormer | וּמַעֲשֵׂ֥ה (umaase) = en het werk van | יָדְךָ֖ (yadekha) = Uw hand | כֻּלָּֽנוּ (kulanu) = wij allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָבִינוּ (avinu), ‘onze Vader’: Yahweh heet Vader van Zijn volk, zoals in Deut. 32:6 en Jes. 63:16. Voetnoot : הַחֹמֶר (hachomer), ‘de klei’: het materiaal van de pottenbakker. יֹצְרֵנוּ (yotsrenu), ‘onze Vormer’: de pottenbakker zelf. Zie ook Jes. 29:16 en 45:9. Zie ook: Deut 32:6; Ps 100:3; Ps 119:73; Ps 138:8; Jes 29:16; Jes 45:9; Jes 63:16; Jer 18:2–6; Ef 2:10 **64:8** Wees niet tot het uiterste toornig, Yahweh, en gedenk de ongerechtigheid niet voor altijd. Zie, kijk toch: wij allen zijn Uw volk. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּקְצֹ֤ף (tiqtsof) = wees toornig | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = tot | מְאֹ֔ד (meod) = het uiterste | וְאַל (veal) = en niet | לָעַ֖ד (laad) = voor altijd | תִּזְכֹּ֣ר (tizkor) = gedenk | עָוֺ֑ן (avon) = ongerechtigheid | הֵ֥ן (hen) = zie | הַבֶּט (habet) = kijk | נָ֖א (na) = toch | עַמְּךָ֥ (amekha) = Uw volk | כֻלָּֽנוּ (kulanu) = wij allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַד מְאֹד (ad meod), ‘tot het uiterste’: ‘buitensporig’ of ‘tot het uiterste’. Dezelfde woorden staan in vers 11. Zie ook: Ps 74:1–2; Ps 79:13; Ps 119:94; Jes 64:11; Mi 7:18–20; Klaagl 5:20 ### Zie de verwoesting **64:9** Uw heilige steden zijn een woestijn geworden. Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem een verwoesting. Brontekst: עָרֵ֥י (arei) = steden van | קָדְשְׁךָ֖ (qadeshekha) = Uw heiligheid | הָי֣וּ (hayu) = zijn geworden | מִדְבָּ֑ר (midbar) = een woestijn | צִיּוֹן֙ (tsiyon) = Sion | מִדְבָּ֣ר (midbar) = een woestijn | הָיָ֔תָה (hayata) = is geworden | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | שְׁמָמָֽה (shemama) = een verwoesting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: עָרֵי קָדְשֶׁךָ (arei qodshekha), ‘Uw heilige steden’: letterlijk ‘steden van Uw heiligheid’. Het zijn de steden van Juda; Sion en Jeruzalem worden daarna apart genoemd. Voetnoot : מִדְבָּר (midbar), ‘woestijn’: hier een beeld van verlatenheid. שְׁמָמָה (shemamah), ‘verwoesting’: een kale, verlaten plek. Zie ook: Ps 79:1–7; Jes 1:7; Dan 9:26–27; Luc 21:24; Openb 11:1–2 **64:10** Ons heilige en luisterrijke huis, waar onze vaderen U loofden, is door vuur verbrand. En al onze kostbaarheden zijn een ruïne geworden. Brontekst: בֵּ֧ית (beit) = huis van | קָדְשֵׁ֣נוּ (qadeshenu) = onze heiligheid | וְתִפְאַרְתֵּ֗נוּ (vetifartenu) = en onze luister | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | הִֽלְל֨וּךָ֙ (hillukha) = loofden U | אֲבֹתֵ֔ינוּ (avoteinu) = onze vaderen | הָיָ֖ה (haya) = is geworden | לִשְׂרֵ֣פַת (lisrefat) = tot verbranding van | אֵ֑שׁ (esh) = vuur | וְכָל (vekhal) = en alle | מַחֲמַדֵּ֖ינוּ (machamadeinu) = onze kostbaarheden | הָיָ֥ה (haya) = zijn geworden | לְחָרְבָּֽה (lecharba) = tot een ruïne Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית קָדְשֵׁנוּ וְתִפְאַרְתֵּנוּ (beit qodshenu vetifartenu), ‘ons heilige en luisterrijke huis’: letterlijk ‘het huis van onze heiligheid en onze luister’. Het is de tempel, die door de Babyloniërs in brand werd gestoken (2 Kon. 25:9). Voetnoot : מַחֲמַדֵּינוּ (machamaddenu), ‘onze kostbaarheden’: alles wat kostbaar was, zoals tempelvaten en huizen. Zie ook: Ps 74:5–7; 2 Kon 25:9; 2 Kron 36:19; Klaagl 1:7; Klaagl 1:10–11 **64:11** Houdt U Zich in bij dit alles, Yahweh? Blijft U zwijgen en vernedert U ons tot het uiterste? Brontekst: הַעַל (haal) = is het over | אֵ֥לֶּה (ele) = deze dingen | תִתְאַפַּ֖ק (titapaq) = houdt U Zich in | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | תֶּחֱשֶׁ֥ה (techeshe) = blijft U zwijgen | וּתְעַנֵּ֖נוּ (uteanenu) = en vernedert U ons | עַד (ad) = tot | מְאֹֽד (meod) = het uiterste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִתְאַפַּק (titappaq), ‘Zich inhouden’: hetzelfde werkwoord als in Gen. 43:31 en Jes. 63:15, waar het gaat om zelfbeheersing in emotie. De vraag is: houdt U Zich nog langer in? Voetnoot : עַד מְאֹד (ad meod), ‘tot het uiterste’: zie vers 8. Zie ook: Gen 43:31; Ps 74:10–11; Ps 74:18–19; Ps 83:2; Jes 42:14; Jes 63:15; Jes 64:8; Zach 1:12 ## Jesaja 65 _Yahweh antwoordt: Ik liet Mij vinden; Mijn knechten en jullie; een nieuwe hemel en een nieuwe aarde_ ### Ik liet Mij vinden **65:1** **„Ik liet Mij zoeken door wie niet naar Mij vroeg. Ik liet Mij vinden door wie Mij niet zocht. Ik zei: ‘Hier ben Ik, hier ben Ik’, tegen een volk dat niet met Mijn naam genoemd werd.** Brontekst: נִדְרַ֨שְׁתִּי֙ (nidrashti) = Ik liet Mij zoeken | לְל֣וֹא (lelo) = door wie niet | שָׁאָ֔לוּ (shaalu) = vroegen | נִמְצֵ֖אתִי (nimtseti) = Ik liet Mij vinden | לְלֹ֣א (lelo) = door wie niet | בִקְשֻׁ֑נִי (biqshuni) = Mij zochten | אָמַ֨רְתִּי֙ (amarti) = Ik zei | הִנֵּ֣נִי (hineni) = hier ben Ik | הִנֵּ֔נִי (hineni) = hier ben Ik | אֶל (el) = tegen | גּ֖וֹי (goy) = een volk | לֹֽא (lo) = niet | קֹרָ֥א (qora) = genoemd werd | בִשְׁמִֽי (bishmi) = met Mijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh zelf; Zijn woorden staan rood. Het rood loopt, met korte onderbrekingen, door tot het einde van het hoofdstuk. Voetnoot : נִדְרַשְׁתִּי (nidrashti), ‘Ik liet Mij zoeken’: een lijdende vorm. Letterlijk ‘Ik liet Mij raadplegen’ of ‘Ik was te vinden voor wie niet vroeg’. Yahweh biedt Zich aan wie Hem niet zocht. Voetnoot : הִנֵּנִי (hinneni), ‘hier ben Ik’: wat iemand zegt die antwoordt op een roep, zoals Abraham in Gen. 22:1 en Jesaja zelf in Jes. 6:8. Het staat hier tweemaal. Voetnoot : לֹא־קֹרָא בִשְׁמִי (lo qora bishmi), ‘dat niet met Mijn naam genoemd werd’: de vorm kan ook betekenen ‘dat Mijn naam niet aanriep’. Dit vers wordt in Rom. 10:20 aangehaald. Zie ook: Gen 22:1; Hos 2:1; Jes 6:8; Rom 9:24–26; Rom 10:20; Ef 2:12–13; 1 Petr 2:10 **65:2** **De hele dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt naar een weerspannig volk, dat de weg gaat die niet goed is, achter zijn eigen gedachten aan.** Brontekst: פֵּרַ֧שְׂתִּי (perasti) = Ik heb uitgestrekt | יָדַ֛י (yaday) = Mijn handen | כָּל (kal) = heel | הַיּ֖וֹם (hayom) = de dag | אֶל (el) = naar | עַ֣ם (am) = een volk | סוֹרֵ֑ר (sorer) = weerspannig | הַהֹלְכִים֙ (haholekhim) = dat gaat | הַדֶּ֣רֶךְ (haderekh) = de weg | לֹא (lo) = niet | ט֔וֹב (tov) = goed | אַחַ֖ר (achar) = achter | מַחְשְׁבֹתֵיהֶֽם (machshevoteihem) = hun gedachten aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֵּרַשְׂתִּי יָדַי (perasti yadai), ‘Ik heb Mijn handen uitgestrekt’: het gebaar van iemand die uitnodigt of smeekt. Het vers wordt in Rom. 10:21 aangehaald. Voetnoot : סוֹרֵר (sorer), ‘weerspannig’: zie Jes. 1:23 en 30:1. Zie ook: Ps 81:12–13; Spr 1:24; Jes 1:2; Jes 1:23; Jes 30:1; Jer 4:14; Rom 10:21 **65:3** **Het is het volk dat Mij voortdurend tot toorn prikkelt, recht in Mijn gezicht. Het brengt offers in de tuinen en laat offerrook opgaan op de bakstenen.** Brontekst: הָעָ֗ם (haam) = het volk | הַמַּכְעִיסִ֥ים (hamakhisim) = dat tot toorn prikkelt | אוֹתִ֛י (oti) = Mij | עַל (al) = in | פָּנַ֖י (panay) = Mijn gezicht | תָּמִ֑יד (tamid) = voortdurend | זֹֽבְחִים֙ (zovechim) = die offers brengen | בַּגַּנּ֔וֹת (baganot) = in de tuinen | וּֽמְקַטְּרִ֖ים (umeqaterim) = en die offerrook laten opgaan | עַל (al) = op | הַלְּבֵנִֽים (halevenim) = de bakstenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּכְעִיסִים (hamakhisim), ‘die tot toorn prikkelen’: zoals in Deut. 32:16. Voetnoot : בַּגַּנּוֹת (baggannot), ‘in de tuinen’: heilige tuinen waar vreemde goden werden vereerd; zie ook Jes. 1:29 en 66:17. Voetnoot : עַל הַלְּבֵנִים (al halevenim), ‘op de bakstenen’: waarschijnlijk altaren van baksteen, anders dan het altaar van onbehouwen steen in Exod. 20:25. Zie ook: Job 1:11; Ex 20:25; Deut 32:16; Deut 32:21; Jes 1:29; Jes 3:8; Jes 66:17 **65:4** **Zij zitten in de graven en brengen de nacht door op bewaakte plaatsen. Zij eten varkensvlees, en in hun vaten is de jus van verwerpelijke dingen.** Brontekst: הַיֹּֽשְׁבִים֙ (hayoshevim) = die zitten | בַּקְּבָרִ֔ים (baqevarim) = in de graven | וּבַנְּצוּרִ֖ים (uvanetsurim) = en op bewaakte plaatsen | יָלִ֑ינוּ (yalinu) = brengen de nacht door | הָאֹֽכְלִים֙ (haokhelim) = die eten | בְּשַׂ֣ר (besar) = vlees van | הַחֲזִ֔יר (hachazir) = het varken | וּמְרַ֥ק (umeraq) = en jus van | פִּגֻּלִ֖ים (pigulim) = verwerpelijke dingen | כְּלֵיהֶֽם (keleihem) = hun vaten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּקְּבָרִים (baqqevarim), ‘in de graven’, en בַּנְּצוּרִים (bannetsurim), ‘op bewaakte plaatsen’: het is niet zeker wat bedoeld wordt. Het gaat om het raadplegen van doden of een nachtelijke dienst op afgelegen plaatsen. Vergelijk Jes. 8:19. Voetnoot : בְּשַׂר הַחֲזִיר (besar hachazir), ‘varkensvlees’: onrein volgens Lev. 11:7. Voetnoot : פִּגֻּלִים (pigulim), ‘verwerpelijke dingen’: vlees van een offer dat niet meer aanvaard wordt (Lev. 7:18; 19:7). Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) is וּפְרַק (ufraq), ‘en stukken’. De voorgelezen tekst (qere) is וּמְרַק (umerak), ‘en jus’. Wij volgen de qere, zoals in Richt. 6:19. Zie ook: Lev 7:18; Lev 11:7; Lev 19:7; Deut 14:8; Re 6:19; Jes 8:19; Jes 66:3; Jes 66:17; Ezech 4:14 **65:5** **Zij zeggen: ‘Blijf bij jezelf. Kom niet dicht bij mij, want ik ben heilig voor jou.’ Zij zijn rook in Mijn neus, een vuur dat de hele dag brandt.** Brontekst: הָאֹֽמְרִים֙ (haomerim) = die zeggen | קְרַ֣ב (qerav) = blijf | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = bij jezelf | אַל (al) = niet | תִּגַּשׁ (tigash) = kom dichtbij | בִּ֖י (bi) = Mij | כִּ֣י (ki) = want | קְדַשְׁתִּ֑יךָ (qedashtikha) = ik ben heilig voor jou | אֵ֚לֶּה (ele) = dezen | עָשָׁ֣ן (ashan) = rook | בְּאַפִּ֔י (beapi) = in Mijn neus | אֵ֥שׁ (esh) = een vuur | יֹקֶ֖דֶת (yoqedet) = dat brandt | כָּל (kal) = heel | הַיּֽוֹם (hayom) = de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְרַב אֵלֶיךָ (qerav elekha), ‘blijf bij jezelf’: letterlijk ‘kom dichtbij naar jezelf’. De spreker houdt anderen op afstand. Voetnoot : קְדַשְׁתִּיךָ (qedashtikha), ‘ik ben heilig voor jou’: letterlijk ‘ik heb je geheiligd’. De spreker zegt dat zijn heiligheid de ander zou treffen. Zie Ezech. 44:19 voor dit denkbeeld. Voetnoot : בְּאַפִּי (be’appi), ‘in Mijn neus’: het woord אַף (af) betekent ‘neus’ en ook ‘toorn’. Rook in de neus is het beeld van toorn die brandt. Zie ook: Spr 16:5; Ezech 44:19; Luc 7:39; Luc 15:28–30; Luc 18:9–12; Rom 2:17–29 **65:6** **Zie, het staat voor Mijn aangezicht opgeschreven. Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden. Ja, Ik zal vergelden in hun schoot.** Brontekst: הִנֵּ֥ה (hine) = zie | כְתוּבָ֖ה (ketuva) = het is opgeschreven | לְפָנָ֑י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | לֹ֤א (lo) = niet | אֶחֱשֶׂה֙ (echese) = zal Ik zwijgen | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = als | שִׁלַּ֔מְתִּי (shilamti) = Ik zal vergelden | וְשִׁלַּמְתִּ֖י (veshilamti) = en Ik zal vergelden | עַל (al) = in | חֵיקָֽם (cheiqam) = hun schoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁלַּמְתִּי (shillamti), ‘Ik zal vergelden’: letterlijk ‘Ik zal betalen’. Het werkwoord staat tweemaal; zo wordt het vers sterk. Voetnoot : חֵיקָם (cheiqam), ‘hun schoot’: de plooi van het kleed boven de gordel, waarin men iets draagt of ontvangt. Zie Luc. 6:38 voor dit beeld. Zie ook: Ps 50:3; Ps 50:21; Ps 79:12; Jes 42:14; Jer 16:18; Luc 6:38 **65:7** **Jullie ongerechtigheden en de ongerechtigheden van jullie vaderen samen, zegt Yahweh. Zij hebben offerrook laten opgaan op de bergen en Mij gehoond op de heuvels. Ik zal hun loon eerst in hun schoot afmeten.”** Brontekst: עֲ֠וֺנֹתֵיכֶם (avonoteikhem) = jullie ongerechtigheden | וַעֲוֺנֹ֨ת (vaavonot) = en de ongerechtigheden van | אֲבוֹתֵיכֶ֤ם (avoteikhem) = jullie vaderen | יַחְדָּו֙ (yachdav) = samen | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | קִטְּרוּ֙ (qiteru) = lieten offerrook opgaan | עַל (al) = op | הֶ֣הָרִ֔ים (heharim) = de bergen | וְעַל (veal) = en op | הַגְּבָע֖וֹת (hagevaot) = de heuvels | חֵרְפ֑וּנִי (cherefuni) = hoonden Mij | וּמַדֹּתִ֧י (umadoti) = en Ik zal afmeten | פְעֻלָּתָ֛ם (peulatam) = hun loon | רִֽאשֹׁנָ֖ה (rishona) = eerst | אֶל (el) = in | חֵיקָֽם (cheiqam) = hun schoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het eerste deel van het vers heeft in het Hebreeuws geen werkwoord. Het hangt samen met het slot: wat zij deden, wordt in hun schoot afgemeten. Voetnoot : פְעֻלָּתָם (peullatam), ‘hun loon’: het woord betekent ‘werk’ en ook ‘loon’ voor werk. רִאשֹׁנָה (rishonah), ‘eerst’: het kan ook ‘het eerste’ of ‘vroegere’ betekenen. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft עַל (al), ‘op’, de voorgelezen tekst (qere) heeft אֶל (el), ‘in’. Het verschil in betekenis is klein. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 20:5; Jes 22:14; Jes 57:7; Jes 65:6; Ezech 20:27–28 ### Omwille van Mijn knechten **65:8** Zo zegt Yahweh: **„Zoals de most in de druiventros gevonden wordt en men zegt: ‘Vernietig hem niet, want er is zegen in’, zo zal Ik doen omwille van Mijn knechten. Ik zal niet alles vernietigen.** Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | יִמָּצֵ֤א (yimatse) = wordt gevonden | הַתִּירוֹשׁ֙ (hatirosh) = de most | בָּֽאֶשְׁכּ֔וֹל (baeshkol) = in de druiventros | וְאָמַר֙ (veamar) = en men zegt | אַל (al) = niet | תַּשְׁחִיתֵ֔הוּ (tashchitehu) = vernietig hem | כִּ֥י (ki) = want | בְרָכָ֖ה (berakha) = zegen | בּ֑וֹ (bo) = in hem | כֵּ֤ן (ken) = zo | אֶֽעֱשֶׂה֙ (eese) = zal Ik doen | לְמַ֣עַן (lemaan) = omwille van | עֲבָדַ֔י (avaday) = Mijn knechten | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = opdat niet | הַֽשְׁחִ֥ית (hashchit) = Ik vernietig | הַכֹּֽל (hakol) = alles Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲבָדַי (avadai), ‘Mijn knechten’: meervoud. Het zijn de trouwe overgeblevenen van het volk, niet de ‘Knecht’ van de knechtsliederen. Daarom staat het woord met een kleine letter. Voetnoot : הַתִּירוֹשׁ (hattirosh), ‘de most’: nieuwe wijn die nog in de druif zit. Wie een druiventros met sap vindt, bewaart die om de zegen die erin zit. Zo spaart Yahweh de Zijnen. Zie ook: Amos 9:8–9; Jer 30:11; Rom 9:27–29; Rom 11:5–6; Rom 11:24–26 **65:9** **Ik laat uit Jakob nageslacht voortkomen en uit Juda een erfgenaam van Mijn bergen. Mijn uitverkorenen zullen het erven, en Mijn knechten zullen daar wonen.** Brontekst: וְהוֹצֵאתִ֤י (vehotseti) = en Ik laat voortkomen | מִֽיַּעֲקֹב֙ (miyaaqov) = uit Jakob | זֶ֔רַע (zera) = nageslacht | וּמִיהוּדָ֖ה (umihuda) = en uit Juda | יוֹרֵ֣שׁ (yoresh) = een erfgenaam van | הָרָ֑י (haray) = Mijn bergen | וִירֵשׁ֣וּהָ (vireshuha) = en zij zullen het erven | בְחִירַ֔י (bechiray) = Mijn uitverkorenen | וַעֲבָדַ֖י (vaavaday) = en Mijn knechten | יִשְׁכְּנוּ (yishkenu) = zullen wonen | שָֽׁמָּה (shama) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹרֵשׁ הָרָי (yoresh harai), ‘een erfgenaam van Mijn bergen’: de bergen zijn het land van Juda met de heilige berg. Zie vers 25. Voetnoot : בְחִירַי (bechirai), ‘Mijn uitverkorenen’: dezelfde mensen als ‘Mijn knechten’. Het woord staat ook in de verzen 15 en 22. Zie ook: Amos 9:11–15; Jes 27:6; Jes 65:15; Jes 65:25; Sef 3:20; Rom 11:5–7 **65:10** **De Saron wordt een weide voor kleinvee en het dal van Achor een rustplaats voor runderen, voor Mijn volk dat Mij gezocht heeft.** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal worden | הַשָּׁרוֹן֙ (hasharon) = de Saron | לִנְוֵה (linve) = tot een weide van | צֹ֔אן (tson) = kleinvee | וְעֵ֥מֶק (veemeq) = en het dal van | עָכ֖וֹר (akhor) = Achor | לְרֵ֣בֶץ (lerevets) = tot een rustplaats van | בָּקָ֑ר (baqar) = runderen | לְעַמִּ֖י (leami) = voor Mijn volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דְּרָשֽׁוּנִי (derashuni) = Mij zocht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Saron: Saron is de vruchtbare kustvlakte langs de Middellandse Zee, ten noorden van Jafo tot aan de Karmel. De bloem van de Saron is een bloem uit deze vlakte. Zie Dal van Achor (ligging onzeker): Het dal van Achor lag bij Jericho, aan de noordgrens van Juda. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: שָּׁרוֹן (Sharon), ‘de Saron’: de vruchtbare kustvlakte tussen Jafo en de Karmel. Het was weidegrond voor kleinvee. Voetnoot : עֵמֶק עָכוֹר (emeq Akhor), ‘het dal van Achor’: bij Jericho, waar Achan werd gestenigd (Joz. 7:24–26). Het is een dal van onheil dat tot rust komt. Zie ook Hos. 2:17. Zie ook: Joz 7:24–26; Hos 2:17; Jes 33:9; Jes 35:2; Jes 51:1 ### Wie Yahweh verlaten hebben **65:11** **Maar jullie, die Yahweh verlaten, die Mijn heilige berg vergeten, die voor Gad een tafel klaarzetten en voor Meni gemengde wijn inschenken:** Brontekst: וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | עֹזְבֵ֣י (ozevei) = die verlaten | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַשְּׁכֵחִ֖ים (hashekhechim) = die vergeten | אֶת (et) = (obj.) | הַ֣ר (har) = berg | קָדְשִׁ֑י (qadeshi) = Mijn heiligheid | הַֽעֹרְכִ֤ים (haorekhim) = die toerusten | לַגַּד֙ (lagad) = voor Gad | שֻׁלְחָ֔ן (shulchan) = een tafel | וְהַֽמְמַלְאִ֖ים (vehammalim) = en die vullen | לַמְנִ֥י (lamni) = voor Meni | מִמְסָֽךְ (mimsakh) = gemengde wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַד (Gad), ‘Gad’, en מְנִי (Meni), ‘Meni’: namen van goden van geluk en lot, die men eer bewees met een tafel en gemengde wijn. Het woord ‘Gad’ betekent ‘geluk’ (zie Gen. 30:11). ‘Meni’ is verwant aan het werkwoord ‘toewijzen’ in vers 12. Voetnoot : מִמְסָךְ (mimsakh), ‘gemengde wijn’: wijn vermengd met kruiden, voor een offerdrank. Voetnoot : הַר קָדְשִׁי (har qodshi), ‘Mijn heilige berg’: de tempelberg, Sion. Zie ook: Gen 30:11; Deut 32:17; Jes 1:28; Jes 2:2; Jes 65:12; Jes 65:25; 1 Kor 10:20–21 **65:12** **jullie wijs Ik toe aan het zwaard. Jullie allen zullen je buigen voor de slacht. Omdat Ik riep en jullie niet antwoordden, Ik sprak en jullie niet luisterden, deden jullie wat kwaad is in Mijn ogen en kozen jullie waar Ik geen behagen in had.”** Brontekst: וּמָנִ֨יתִי (umaniti) = en Ik wijs toe | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | לַחֶ֗רֶב (lacherev) = aan het zwaard | וְכֻלְּכֶם֙ (vekhulekhem) = en jullie allen | לַטֶּ֣בַח (latevach) = voor de slacht | תִּכְרָ֔עוּ (tikhrau) = zullen je buigen | יַ֤עַן (yaan) = omdat | קָרָ֨אתִי֙ (qarati) = Ik riep | וְלֹ֣א (velo) = en niet | עֲנִיתֶ֔ם (anitem) = jullie antwoordden | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = Ik sprak | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֑ם (shematem) = jullie luisterden | וַתַּעֲשׂ֤וּ (vataasu) = en jullie deden | הָרַע֙ (hara) = wat kwaad is | בְּעֵינַ֔י (beeinay) = in Mijn ogen | וּבַאֲשֶׁ֥ר (uvaasher) = en waar | לֹֽא (lo) = niet | חָפַ֖צְתִּי (chafatsti) = Ik behagen had in | בְּחַרְתֶּֽם (bechartem) = kozen jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמָנִיתִי (umaniti), ‘Ik wijs toe’: een woordspeling met ‘Meni’ in vers 11. Wie een god van het lot (‘toewijzing’) eert, krijgt van Yahweh een toewijzing: het zwaard. Voetnoot : Deze redenering staat bijna gelijk in 66:4. Vergelijk ook Jer. 7:13. Zie ook: 2 Kron 36:15–16; Jes 50:2; Jes 65:11; Jer 7:13; Zach 7:11–13; Mat 21:34–43 ### Mijn knechten en jullie **65:13** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Mijn knechten zullen eten, maar jullie zullen honger hebben. Zie, Mijn knechten zullen drinken, maar jullie zullen dorst hebben. Zie, Mijn knechten zullen blij zijn, maar jullie zullen beschaamd zijn.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | עֲבָדַ֤י (avaday) = Mijn knechten | יֹאכֵ֨לוּ֙ (yokhelu) = zullen eten | וְאַתֶּ֣ם (veatem) = en jullie | תִּרְעָ֔בוּ (tiravu) = zullen honger hebben | הִנֵּ֧ה (hine) = zie | עֲבָדַ֛י (avaday) = Mijn knechten | יִשְׁתּ֖וּ (yishtu) = zullen drinken | וְאַתֶּ֣ם (veatem) = en jullie | תִּצְמָ֑אוּ (titsmau) = zullen dorst hebben | הִנֵּ֧ה (hine) = zie | עֲבָדַ֛י (avaday) = Mijn knechten | יִשְׂמָ֖חוּ (yismachu) = zullen blij zijn | וְאַתֶּ֥ם (veatem) = en jullie | תֵּבֹֽשׁוּ (tevoshu) = zullen beschaamd zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15. Voetnoot : Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon, midden in Zijn eigen woorden; daarom blijft het rood. Voetnoot : הִנֵּה (hinneh), ‘zie’: driemaal in dit vers en eenmaal in vers 14, telkens met een tegenstelling tussen Zijn knechten en wie Hem verlaten. Zie ook: Jes 3:15; Jes 61:7; Jes 65:14; Jes 66:5; Jes 66:14; Mal 3:18; Luc 16:24–25 **65:14** **Zie, Mijn knechten zullen jubelen van een goed hart, maar jullie zullen schreeuwen van pijn in het hart en jammeren van een gebroken geest.** Brontekst: הִנֵּ֧ה (hine) = zie | עֲבָדַ֛י (avaday) = Mijn knechten | יָרֹ֖נּוּ (yaronu) = zullen jubelen | מִטּ֣וּב (mituv) = van het goede van | לֵ֑ב (lev) = het hart | וְאַתֶּ֤ם (veatem) = en jullie | תִּצְעֲקוּ֙ (titsaqu) = zullen schreeuwen | מִכְּאֵ֣ב (mikeev) = van pijn van | לֵ֔ב (lev) = het hart | וּמִשֵּׁ֥בֶר (umishever) = en van de breuk van | ר֖וּחַ (ruach) = de geest | תְּיֵלִֽילוּ (teyelilu) = zullen jullie jammeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁבֶר רוּחַ (sheber ruach), ‘een gebroken geest’: letterlijk ‘een breuk van geest’; hier de wanhoop van wie Yahweh verlaten heeft. In Jes. 66:2 is ‘gebroken van geest’ juist iemand op wie Yahweh ziet. Voetnoot : תְּיֵלִילוּ (teyelilu), ‘jammeren’: zie Jes. 13:6. Zie ook: Ps 66:4; Jes 13:6; Jes 52:8–9; Jes 66:2; Mat 8:12; Mat 13:42; Jak 5:13 **65:15** **Jullie laten jullie naam achter als een eed voor Mijn uitverkorenen. Heer Yahweh zal je doden, maar Zijn knechten zal Hij met een andere naam noemen.** Brontekst: וְהִנַּחְתֶּ֨ם (vehinachtem) = en jullie laten achter | שִׁמְכֶ֤ם (shimkhem) = jullie naam | לִשְׁבוּעָה֙ (lishvua) = als een eed | לִבְחִירַ֔י (livchiray) = voor Mijn uitverkorenen | וֶהֱמִיתְךָ֖ (vehemitekha) = en zal je doden | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְלַעֲבָדָ֥יו (velaavadav) = en Zijn knechten | יִקְרָ֖א (yiqra) = zal Hij noemen | שֵׁ֥ם (shem) = naam | אַחֵֽר (acher) = een andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִנַּחְתֶּם שִׁמְכֶם לִשְׁבוּעָה (vehinnachtem shimkhem lishvuah), ‘jullie laten jullie naam achter als een eed’: wie een eed of vloek uitspreekt, zal jullie naam gebruiken; ‘zo moge het mij vergaan als hen’ (vergelijk Jer. 29:22). Jullie naam wordt een vloekwoord. Voetnoot : וֶהֱמִיתְךָ (vehemitkha), ‘en Hij zal je doden’: ‘je’ is enkelvoud; het gaat om het volk als geheel. Voetnoot : שֵׁם אַחֵר (shem acher), ‘een andere naam’: een nieuwe naam voor wie bij Hem horen, zoals in Jes. 62:2. Zie ook: Jes 62:2; Jer 29:22; Zach 8:13; Hand 11:26; Rom 9:26 **65:16** **Wie zich zegent in het land, zal zich zegenen door de Elohim van de waarheid. Wie zweert in het land, zal zweren bij de Elohim van de waarheid. Want de vroegere nood is vergeten en voor Mijn ogen verborgen.** Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | הַמִּתְבָּרֵ֜ךְ (hamitbarekh) = wie zich zegent | בָּאָ֗רֶץ (baarets) = in het land | יִתְבָּרֵךְ֙ (yitbarekh) = zal zich zegenen | בֵּאלֹהֵ֣י (belohei) = door de Elohim van | אָמֵ֔ן (amen) = de waarheid | וְהַנִּשְׁבָּ֣ע (vehanishba) = en wie zweert | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | יִשָּׁבַ֖ע (yishava) = zal zweren | בֵּאלֹהֵ֣י (belohei) = bij de Elohim van | אָמֵ֑ן (amen) = de waarheid | כִּ֣י (ki) = want | נִשְׁכְּח֗וּ (nishkechu) = zijn vergeten | הַצָּרוֹת֙ (hatsarot) = de nood | הָרִ֣אשֹׁנ֔וֹת (harishonot) = de vroegere | וְכִ֥י (vekhi) = en want | נִסְתְּר֖וּ (nisteru) = zijn verborgen | מֵעֵינָֽי (meeinay) = voor Mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּאלֹהֵי אָמֵן (be’Elohei amen), ‘door de Elohim van de waarheid’: letterlijk ‘door de Elohim van Amen’. Het woord אָמֵן (amen) hoort bij het werkwoord אָמַן (aman), ‘vast zijn’, en betekent ‘zeker’, ‘waar’. Het is verwant met אֱמֶת (emet), ‘waarheid’. Voetnoot : הַצָּרוֹת הָרִאשֹׁנוֹת (hatsarot harishonot), ‘de vroegere nood’: de nood van de ballingschap en wat eraan voorafging. Zie ook: Ps 31:6; Jes 19:18; Jer 4:2; Fil 2:11; Heb 6:17–18 ### Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde **65:17** **Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De vroegere dingen zullen niet meer herdacht worden en niet meer in het hart opkomen.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | בוֹרֵ֛א (bore) = die schept | שָׁמַ֥יִם (shamayim) = hemel | חֲדָשִׁ֖ים (chadashim) = nieuwe | וָאָ֣רֶץ (vaarets) = en aarde | חֲדָשָׁ֑ה (chadasha) = nieuwe | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תִזָּכַ֨רְנָה֙ (tizakharna) = zullen herdacht worden | הָרִ֣אשֹׁנ֔וֹת (harishonot) = de vroegere dingen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַעֲלֶ֖ינָה (taaleina) = zullen opkomen | עַל (al) = in | לֵֽב (lev) = het hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בוֹרֵא (bore), ‘Ik schep’: hetzelfde werkwoord als in Gen. 1:1. Het is een deelwoord: Yahweh is bezig te scheppen. De ‘nieuwe hemel en nieuwe aarde’ keren terug in Jes. 66:22; zie ook 2 Petr. 3:13 en Openb. 21:1. Voetnoot : הָרִאשֹׁנוֹת (harishonot), ‘de vroegere dingen’: zoals in Jes. 43:18 en 46:9. Zie ook: Gen 1:1; Jes 43:18; Jes 46:9; Jes 66:22; Jer 3:16; 2 Petr 3:13; Openb 21:1–5 **65:18** **Maar verheug jullie en juich voor altijd om wat Ik schep. Want zie, Ik schep Jeruzalem tot gejuich en haar volk tot vreugde.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אִם (im) = maar | שִׂ֤ישׂוּ (sisu) = verheugt jullie | וְגִ֨ילוּ֙ (vegilu) = en juicht | עֲדֵי (adei) = voor | עַ֔ד (ad) = altijd | אֲשֶׁ֖ר (asher) = om wat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | בוֹרֵ֑א (bore) = schep | כִּי֩ (ki) = want | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | בוֹרֵ֧א (bore) = die schept | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֛ם (yerushalaim) = Jeruzalem | גִּילָ֖ה (gila) = tot gejuich | וְעַמָּ֥הּ (veamah) = en haar volk | מָשֽׂוֹשׂ (masos) = tot vreugde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: עֲדֵי עַד (adei ad), ‘voor altijd’: letterlijk ‘tot in eeuwigheid’. Voetnoot : גִּילָה (gilah), ‘gejuich’, en מָשׂוֹשׂ (masos), ‘vreugde’: Jeruzalem zelf wordt een bron van gejuich en vreugde. Zie ook: Ps 67:4–6; Ps 98:1–9; Jes 66:10–14; Openb 11:15–18; Openb 19:1–6 **65:19** **Ik zal juichen over Jeruzalem en Mij verheugen over Mijn volk. Er zal in haar geen geluid van wenen meer gehoord worden en geen geluid van een noodkreet.** Brontekst: וְגַלְתִּ֥י (vegalti) = en Ik zal juichen | בִירוּשָׁלִַ֖ם (birushalaim) = over Jeruzalem | וְשַׂשְׂתִּ֣י (vesasti) = en Mij verheugen | בְעַמִּ֑י (beami) = over Mijn volk | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִשָּׁמַ֥ע (yishama) = zal gehoord worden | בָּהּ֙ (bah) = in haar | ע֔וֹד (od) = meer | ק֥וֹל (qol) = geluid van | בְּכִ֖י (bekhi) = wenen | וְק֥וֹל (veqol) = en geluid van | זְעָקָֽה (zeaqa) = een noodkreet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: וְשַׂשְׂתִּי בְעַמִּי (vesasti ve’ammi), ‘Ik zal Mij verheugen over Mijn volk’: Yahweh zelf is vol vreugde. Vergelijk Zef. 3:17. Het slot van het vers staat bij Openb. 21:4. Voetnoot : זְעָקָה (zeaqah), ‘noodkreet’: een kreet om hulp. Zie ook: Jes 25:8; Jes 35:10; Sef 3:17; Jer 32:41; Openb 7:17; Openb 21:4 ### Leven in het nieuwe Jeruzalem **65:20** **Er zal daar niet meer zijn een zuigeling van enkele dagen of een oude die zijn dagen niet vervult. Want een jongen sterft als hij 100 jaar oud is, en de zondaar wordt vervloekt als hij 100 jaar oud is.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִֽהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | מִשָּׁ֜ם (misham) = daar | ע֗וֹד (od) = meer | ע֤וּל (ul) = een zuigeling van | יָמִים֙ (yamim) = dagen | וְזָקֵ֔ן (vezaqen) = en een oude | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יְמַלֵּ֖א (yemale) = vervult | אֶת (et) = (obj.) | יָמָ֑יו (yamav) = zijn dagen | כִּ֣י (ki) = want | הַנַּ֗עַר (hanaar) = de jongen | בֶּן (ben) = zoon van | מֵאָ֤ה (mea) = 100 | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | יָמ֔וּת (yamut) = sterft | וְהַ֣חוֹטֶ֔א (vehachote) = en de zondaar | בֶּן (ben) = zoon van | מֵאָ֥ה (mea) = 100 | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | יְקֻלָּֽל (yequlal) = wordt vervloekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוּל יָמִים (ul yamim), ‘een zuigeling van enkele dagen’: letterlijk ‘een zuigeling van dagen’; een kind dat nauwelijks leeft. Voetnoot : הַנַּעַר בֶּן מֵאָה שָׁנָה (hanna’ar ben me’ah shanah), ‘een jongen als hij 100 jaar oud is’: letterlijk ‘de jongen, zoon van honderd jaar’. 100 jaar geldt dan als jong sterven. Voetnoot : יְקֻלָּל (yequllal), ‘wordt vervloekt’: de zondaar sterft, ook als hij 100 jaar oud is, onder de vloek. Het werkwoord kan ook ‘gering geacht worden’ betekenen. Zie ook: Job 5:26; Deut 4:40; Ps 34:13; Pred 8:12–13; Jes 3:11 **65:21** **Zij zullen huizen bouwen en daarin wonen. Zij zullen wijngaarden planten en hun vrucht eten.** Brontekst: וּבָנ֥וּ (uvanu) = en zij zullen bouwen | בָתִּ֖ים (batim) = huizen | וְיָשָׁ֑בוּ (veyashavu) = en wonen | וְנָטְע֣וּ (venateu) = en zij zullen planten | כְרָמִ֔ים (keramim) = wijngaarden | וְאָכְל֖וּ (veakhelu) = en eten | פִּרְיָֽם (piryam) = hun vrucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Amos 9:14; Jes 32:18; Jes 37:30; Jes 62:8–9; Jer 31:4–5 **65:22** **Zij zullen niet bouwen, zodat een ander er woont. Zij zullen niet planten, zodat een ander eet. Want de dagen van Mijn volk zijn als de dagen van een boom, en het werk van hun handen zullen Mijn uitverkorenen volop genieten.** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | יִבְנוּ֙ (yivnu) = zij zullen bouwen | וְאַחֵ֣ר (veacher) = en een ander | יֵשֵׁ֔ב (yeshev) = woont | לֹ֥א (lo) = niet | יִטְּע֖וּ (yiteu) = zij zullen planten | וְאַחֵ֣ר (veacher) = en een ander | יֹאכֵ֑ל (yokhel) = eet | כִּֽי (ki) = want | כִימֵ֤י (kimei) = als de dagen van | הָעֵץ֙ (haets) = de boom | יְמֵ֣י (yemei) = de dagen van | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | וּמַעֲשֵׂ֥ה (umaase) = en het werk van | יְדֵיהֶ֖ם (yedeihem) = hun handen | יְבַלּ֥וּ (yevalu) = zullen genieten | בְחִירָֽי (bechiray) = Mijn uitverkorenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּימֵי הָעֵץ (khimei ha’ets), ‘als de dagen van een boom’: een boom kan eeuwen oud worden. Welke boom bedoeld is, laat het Hebreeuws open. Voetnoot : יְבַלּוּ (yevallu), ‘zullen volop genieten’: letterlijk ‘zullen opmaken’ of ‘verslijten’; zij gebruiken het werk van hun handen tot het op is, en niemand neemt het af. Zie ook: Ps 21:5; Ps 91:16; Ps 92:13–15; Jes 65:9; Jes 65:15 **65:23** **Zij zullen zich niet tevergeefs afmatten en niet baren voor plotselinge schrik. Want zij zijn het nageslacht van wie door Yahweh gezegend zijn, en hun nakomelingen zijn bij hen.** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | יִֽיגְעוּ֙ (yigeu) = zullen zich afmatten | לָרִ֔יק (lariq) = tevergeefs | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יֵלְד֖וּ (yeledu) = zullen baren | לַבֶּהָלָ֑ה (labehala) = voor plotselinge schrik | כִּ֣י (ki) = want | זֶ֜רַע (zera) = nageslacht van | בְּרוּכֵ֤י (berukhei) = gezegenden van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הֵ֔מָּה (hema) = zijn zij | וְצֶאֱצָאֵיהֶ֖ם (vetseetsaeihem) = en hun nakomelingen | אִתָּֽם (itam) = bij hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַבֶּהָלָה (labbehalah), ‘voor plotselinge schrik’: hetzelfde woord als in Lev. 26:16. Kinderen worden niet geboren om door een ramp te worden weggerukt. Zie ook: Lev 26:16; Deut 28:3–12; Ps 115:14–15; Jes 61:9; Jer 32:38–39; Hand 2:39 **65:24** **Het zal gebeuren: voordat zij roepen, zal Ik antwoorden. Terwijl zij nog spreken, zal Ik horen.** Brontekst: וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | טֶֽרֶם (terem) = voordat | יִקְרָ֖אוּ (yiqrau) = zij roepen | וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | אֶעֱנֶ֑ה (eene) = zal antwoorden | ע֛וֹד (od) = nog | הֵ֥ם (hem) = zij | מְדַבְּרִ֖ים (medaberim) = spreken | וַאֲנִ֥י (vaani) = en Ik | אֶשְׁמָֽע (eshma) = zal horen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 91:15; Jes 58:9; Dan 10:12; Mar 11:24; 1 Joh 5:14–15 ### Wolf en lam **65:25** **De wolf en het lam grazen samen, en de leeuw eet stro als het rund. En de slang: stof is haar brood. Zij zullen geen kwaad doen en geen verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg, zegt Yahweh.”** Brontekst: זְאֵ֨ב (zeev) = wolf | וְטָלֶ֜ה (vetale) = en lam | יִרְע֣וּ (yiru) = grazen | כְאֶחָ֗ד (keechad) = samen | וְאַרְיֵה֙ (vearye) = en leeuw | כַּבָּקָ֣ר (kabaqar) = als het rund | יֹֽאכַל (yokhal) = eet | תֶּ֔בֶן (teven) = stro | וְנָחָ֖שׁ (venachash) = en slang | עָפָ֣ר (afar) = stof | לַחְמ֑וֹ (lachmo) = is haar brood | לֹֽא (lo) = niet | יָרֵ֧עוּ (yareu) = zullen kwaad doen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַשְׁחִ֛יתוּ (yashchitu) = zullen verderf aanrichten | בְּכָל (bekhal) = op heel | הַ֥ר (har) = berg | קָדְשִׁ֖י (qadeshi) = Mijn heiligheid | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is voor een groot deel gelijk aan Jes. 11:6–9. Het Hebreeuws van ‘de leeuw eet stro als het rund’ en ‘zij zullen geen kwaad doen en geen verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg’ is gelijk; daarom staan daar dezelfde Nederlandse woorden. Voetnoot : וְנָחָשׁ עָפָר לַחְמוֹ (venachash afar lachmo), ‘en de slang: stof is haar brood’: vergelijk Gen. 3:14, waar de slang stof moet eten. Hier heeft de slang geen kracht meer om kwaad te doen. Voetnoot : אָמַר יְהוָה (amar Yahweh), ‘zegt Yahweh’: hier sluit de toespraak af. Zie ook: Gen 3:14; Jes 11:6–9; Jes 65:11; Mi 4:3; Zach 8:3; Hand 9:19–21 ## Jesaja 66 _Welk huis? Sion baart; Yahweh komt met vuur; alle volken zien Zijn heerlijkheid_ ### Welk huis bouwen jullie voor Mij? **66:1** Zo zegt Yahweh: **„De hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank van Mijn voeten. Welk huis zouden jullie voor Mij bouwen, en welke plaats is Mijn rustplaats?** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | כִּסְאִ֔י (kisi) = Mijn troon | וְהָאָ֖רֶץ (vehaarets) = en de aarde | הֲדֹ֣ם (hadom) = de voetbank van | רַגְלָ֑י (raglay) = Mijn voeten | אֵי (ei) = welk | זֶ֥ה (ze) = dit | בַ֨יִת֙ (bayit) = huis | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תִּבְנוּ (tivnu) = jullie zouden bouwen | לִ֔י (li) = voor Mij | וְאֵי (veei) = en welke | זֶ֥ה (ze) = dit | מָק֖וֹם (maqom) = plaats | מְנוּחָתִֽי (menuchati) = van Mijn rust Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh zelf; Zijn woorden staan rood. Hand. 7:49–50 haalt dit vers aan. Voetnoot : הֲדֹם רַגְלָי (hadom ragli), ‘de voetbank van Mijn voeten’: zie Ps. 99:5 en 110:1. Voetnoot : מְנוּחָתִי (menuchati), ‘Mijn rustplaats’: vergelijk Ps. 132:14. Zie ook: Ps 99:5; Ps 110:1; Ps 132:7; Ps 132:14; 1 Kon 8:27; Mat 5:34–35; Hand 7:48–50; Hand 7:49–50; Hand 17:24 **66:2** **Mijn hand heeft dit alles gemaakt, en zo is dit alles ontstaan, godsspraak van Yahweh. Maar naar deze zie Ik: naar de ellendige, gebroken van geest, die beeft voor Mijn woord.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = deze dingen | יָדִ֣י (yadi) = Mijn hand | עָשָׂ֔תָה (asata) = heeft gemaakt | וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en zijn geworden | כָל (kal) = al | אֵ֖לֶּה (ele) = deze dingen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶל (veel) = en naar | זֶ֣ה (ze) = deze | אַבִּ֔יט (abit) = zie Ik | אֶל (el) = naar | עָנִי֙ (ani) = de ellendige | וּנְכֵה (unekhe) = en gebroken van | ר֔וּחַ (ruach) = geest | וְחָרֵ֖ד (vechared) = en die beeft | עַל (al) = voor | דְּבָרִֽי (devari) = Mijn woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (neum Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24. Midden in Zijn woorden staat de formule rood. Voetnoot : נְכֵה רוּחַ (nekheh ruach), ‘gebroken van geest’: letterlijk ‘geslagen van geest’. Vergelijk Ps. 34:19. Zie ook: Ps 34:19; Ps 51:19; 2 Kron 34:27–28; Jes 1:24; Jes 57:15; Mat 5:3–4 ### Offers zonder gehoorzaamheid **66:3** **Wie een stier slacht, is als wie een mens neerslaat. Wie een lam offert, is als wie een hond de nek breekt. Wie een graanoffer brengt, is als wie varkensbloed brengt. Wie wierook als gedenkdeel brengt, is als wie onheil zegent. Ook zij hebben hun eigen wegen gekozen, en hun ziel heeft behagen in hun gruwelen.** Brontekst: שׁוֹחֵ֨ט (shochet) = wie slacht | הַשּׁ֜וֹר (hashor) = de stier | מַכֵּה (make) = slaat neer | אִ֗ישׁ (ish) = een mens | זוֹבֵ֤חַ (zoveach) = wie offert | הַשֶּׂה֙ (hase) = het lam | עֹ֣רֵֽף (oref) = breekt de nek van | כֶּ֔לֶב (kelev) = een hond | מַעֲלֵ֤ה (maale) = wie brengt | מִנְחָה֙ (mincha) = graanoffer | דַּם (dam) = bloed van | חֲזִ֔יר (chazir) = varken | מַזְכִּ֥יר (mazkir) = wie laat gedenken | לְבֹנָ֖ה (levona) = wierook | מְבָ֣רֵֽךְ (mevarekh) = wie zegent | אָ֑וֶן (aven) = onheil | גַּם (gam) = ook | הֵ֗מָּה (hema) = zij | בָּֽחֲרוּ֙ (bacharu) = hebben gekozen | בְּדַרְכֵיהֶ֔ם (bedarkheihem) = hun wegen | וּבְשִׁקּוּצֵיהֶ֖ם (uveshiqutseihem) = en in hun gruwelen | נַפְשָׁ֥ם (nafsham) = hun ziel | חָפֵֽצָה (chafetsa) = heeft behagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier geen woord voor ‘is als’; het zijn korte uitdrukkingen: ‘slachter van de stier, doodslager van een mens’. Wij vullen ‘is als wie’ aan. Voetnoot : מַזְכִּיר לְבֹנָה (mazkir levonah), ‘wie wierook als gedenkdeel brengt’: zie Lev. 2:2 en 24:7. Voetnoot : שִׁקּוּצֵיהֶם (shiqqutseihem), ‘hun gruwelen’: dingen die Yahweh verafschuwt. Voetnoot Lezing: Het vers kan ook zo gelezen worden, dat dezelfde mensen het offer brengen en de gruweldaad doen: zij slachten een stier en slaan een mens. Wij kiezen de vergelijking. Zie ook: Lev 2:2; Lev 24:7; Spr 15:8; Amos 5:21–22; Jes 1:11–15; Jes 65:12; Jes 66:17 **66:4** **Ook Ik zal hun mishandeling kiezen, en wat zij vrezen breng Ik over hen. Omdat Ik riep en niemand antwoordde, Ik sprak en zij niet luisterden, deden zij wat kwaad is in Mijn ogen en kozen zij waar Ik geen behagen in had.”** Brontekst: גַּם (gam) = ook | אֲנִ֞י (ani) = Ik | אֶבְחַ֣ר (evchar) = zal kiezen | בְּתַעֲלֻלֵיהֶ֗ם (betaaluleihem) = hun mishandeling | וּמְגֽוּרֹתָם֙ (umegurotam) = en wat zij vrezen | אָבִ֣יא (avi) = zal Ik brengen | לָהֶ֔ם (lahem) = over hen | יַ֤עַן (yaan) = omdat | קָרָ֨אתִי֙ (qarati) = Ik riep | וְאֵ֣ין (veein) = en niemand is er | עוֹנֶ֔ה (one) = die antwoordde | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = Ik sprak | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שָׁמֵ֑עוּ (shameu) = zij luisterden | וַיַּעֲשׂ֤וּ (vayaasu) = en zij deden | הָרַע֙ (hara) = wat kwaad is | בְּעֵינַ֔י (beeinay) = in Mijn ogen | וּבַאֲשֶׁ֥ר (uvaasher) = en waar | לֹֽא (lo) = niet | חָפַ֖צְתִּי (chafatsti) = Ik behagen had in | בָּחָֽרוּ (bacharu) = kozen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּעֲלֻלֵיהֶם (taalulehem), ‘hun mishandeling’: het woord is onzeker. Het hoort bij een werkwoord dat ‘iemand hard behandelen’ betekent. Het kan gaan om wat zij doen of wat hun wordt aangedaan. Voetnoot : מְגוּרֹתָם (megurotam), ‘wat zij vrezen’: hun angsten. Voetnoot : De tweede helft is gelijk aan Jes. 65:12, maar daar staat de tweede persoon. Zie ook: Spr 1:24; Spr 10:24; 2 Kon 21:6; Jes 65:12; Jer 7:13 ### Hoor het woord van Yahweh **66:5** Hoor het woord van Yahweh, jullie die beven voor Zijn woord. Jullie broeders, die jullie haten en jullie buitensluiten **omwille van Mijn naam**, hebben gezegd: „Laat Yahweh Zich verheerlijken, zodat wij jullie vreugde zien.” Maar zij zullen beschaamd worden. Brontekst: שִׁמְעוּ֙ (shimu) = hoort | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַחֲרֵדִ֖ים (hacharedim) = die beven | אֶל (el) = voor | דְּבָר֑וֹ (devaro) = Zijn woord | אָמְרוּ֩ (ameru) = hebben gezegd | אֲחֵיכֶ֨ם (acheikhem) = jullie broeders | שֹׂנְאֵיכֶ֜ם (soneeikhem) = die jullie haten | מְנַדֵּיכֶ֗ם (menadeikhem) = die jullie buitensluiten | לְמַ֤עַן (lemaan) = omwille van | שְׁמִי֙ (shemi) = Mijn naam | יִכְבַּ֣ד (yikhbad) = laat Zich verheerlijken | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנִרְאֶ֥ה (venire) = zodat wij zien | בְשִׂמְחַתְכֶ֖ם (besimchatkhem) = jullie vreugde | וְהֵ֥ם (vehem) = maar zij | יֵבֹֽשׁוּ (yevoshu) = zullen beschaamd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden ‘omwille van Mijn naam’ spreekt Yahweh zelf; daarom staan ze rood, midden in de zin van de profeet. Voetnoot : מְנַדֵּיכֶם (menaddeikhem), ‘die jullie buitensluiten’: zij sluiten jullie uit van de gemeenschap. Voetnoot : וְנִרְאֶה (venir’eh), ‘zodat wij zien’: de vorm is onzeker. Hij kan ook betekenen: ‘en Hij zal verschijnen’. Zie ook: Ps 38:21; Jes 66:2; Mat 5:10–12; Luc 6:22–23; Joh 15:18–20 **66:6** Een geluid van gebulder uit de stad! Een geluid uit de tempel! Het geluid van Yahweh, die Zijn vijanden vergelding betaalt. Brontekst: ק֤וֹל (qol) = geluid van | שָׁאוֹן֙ (shaon) = gebulder | מֵעִ֔יר (meir) = uit de stad | ק֖וֹל (qol) = geluid | מֵֽהֵיכָ֑ל (meheikhal) = uit de tempel | ק֣וֹל (qol) = geluid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מְשַׁלֵּ֥ם (meshalem) = die betaalt | גְּמ֖וּל (gemul) = vergelding | לְאֹיְבָֽיו (leoyevav) = aan Zijn vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵיכָל (heikhal), ‘tempel’: het grote huis van Yahweh in Jeruzalem. Voetnoot : שָׁאוֹן (sha’on), ‘gebulder’: zoals in Jes. 17:12. Zie ook: Joël 4:7–16; Amos 1:2; Jes 17:12; Jes 34:8; Jes 59:18; Jes 65:5–7 ### Sion baart **66:7** Voordat zij barensnood kreeg, heeft zij gebaard. Voordat de weeën haar overkwamen, is zij bevallen van een mannelijk kind. Brontekst: בְּטֶ֥רֶם (beterem) = voordat | תָּחִ֖יל (tachil) = zij barensnood kreeg | יָלָ֑דָה (yalada) = heeft zij gebaard | בְּטֶ֨רֶם (beterem) = voordat | יָב֥וֹא (yavo) = kwamen | חֵ֛בֶל (chevel) = weeën | לָ֖הּ (lah) = over haar | וְהִמְלִ֥יטָה (vehimlita) = en zij beviel | זָכָֽר (zakhar) = van een mannelijk kind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De geboorte gaat sneller dan de barensnood: Sion baart voor de pijn begint. Het vers beschrijft een wonder dat nooit eerder voorkwam. Zie ook: Jes 54:1; Gal 4:26; Openb 12:1–5 **66:8** Wie heeft zoiets gehoord? Wie heeft zulke dingen gezien? Wordt een land in één dag voortgebracht? Of wordt een volk in één keer geboren? Want zodra Sion barensnood kreeg, beviel zij ook van haar zonen. Brontekst: מִֽי (mi) = wie | שָׁמַ֣ע (shama) = heeft gehoord | כָּזֹ֗את (kazot) = zoiets | מִ֤י (mi) = wie | רָאָה֙ (raa) = heeft gezien | כָּאֵ֔לֶּה (kaele) = zulke dingen | הֲי֤וּחַל (hayuchal) = wordt voortgebracht | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = een land | בְּי֣וֹם (beyom) = op een dag | אֶחָ֔ד (echad) = één | אִם (im) = of | יִוָּ֥לֵֽד (yivaled) = wordt geboren | גּ֖וֹי (goy) = een volk | פַּ֣עַם (paam) = keer | אֶחָ֑ת (echat) = één | כִּֽי (ki) = want | חָ֛לָה (chala) = kreeg barensnood | גַּם (gam) = zodra | יָלְדָ֥ה (yaleda) = beviel | צִיּ֖וֹן (tsiyon) = Sion | אֶת (et) = (obj.) | בָּנֶֽיהָ (baneiha) = van haar zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הֲיוּחַל (hayuchal), ‘wordt voortgebracht’: een lijdende vorm van חוּל (chul), ‘barensnood hebben’, ‘voortbrengen’. Voetnoot : גַם (gam), ‘ook’: het woord geeft aan dat Sion al baarde terwijl zij nog maar barensnood kreeg. Zie ook: Jes 49:20–22; Jes 64:3; Hand 2:41; 1 Kor 2:9; Rom 15:18–21 **66:9** **„Zou Ik de geboorte laten doorbreken en niet laten baren?” zegt Yahweh. „Of zou Ik, die laat baren, het afsluiten?” zegt je Elohim.** Brontekst: הַאֲנִ֥י (haani) = zou Ik | אַשְׁבִּ֛יר (ashbir) = laten doorbreken | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אוֹלִ֖יד (olid) = laten baren | יֹאמַ֣ר (yomar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = of | אֲנִ֧י (ani) = Ik | הַמּוֹלִ֛יד (hamolid) = die laat baren | וְעָצַ֖רְתִּי (veatsarti) = zou Ik afsluiten | אָמַ֥ר (amar) = zegt | אֱלֹהָֽיִךְ (elohayikh) = je Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַאֲנִי אַשְׁבִּיר (ha’ani ashbir), ‘Zou Ik de geboorte laten doorbreken’: letterlijk ‘Zou Ik doen breken’; de geboorte breekt door, zoals in Jes. 37:3. Voetnoot : וְעָצַרְתִּי (ve’atsarti), ‘en zou Ik afsluiten’: er staat geen voorwerp; vergelijk Gen. 20:18, waar de schoot wordt gesloten. Voetnoot : אָמַר אֱלֹהָיִךְ (amar Elohayikh), ‘zegt je Elohim’: ‘je’ is vrouwelijk enkelvoud; Sion wordt aangesproken. Zie ook: Gen 18:14; Gen 20:18; Jes 37:3 ### Wees blij met Jeruzalem **66:10** Wees blij met Jeruzalem en juich in haar, allen die haar liefhebben. Verheug jullie met haar met vreugde, allen die over haar rouwen. Brontekst: שִׂמְח֧וּ (simchu) = wees blij | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֛ם (yerushalaim) = Jeruzalem | וְגִ֥ילוּ (vegilu) = en juicht | בָ֖הּ (bah) = in haar | כָּל (kal) = allen | אֹהֲבֶ֑יהָ (ohaveiha) = die haar liefhebben | שִׂ֤ישׂוּ (sisu) = verheugt jullie | אִתָּהּ֙ (itah) = met haar | מָשׂ֔וֹשׂ (masos) = met vreugde | כָּל (kal) = allen | הַמִּֽתְאַבְּלִ֖ים (hamitabelim) = die over haar rouwen | עָלֶֽיהָ (aleiha) = over haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De werkwoorden voor blijdschap zijn onderscheiden: שִׂמְחוּ (simchu), ‘wees blij’; גִּילוּ (gilu), ‘juich’; שִׂישׂוּ (sisu), ‘verheug jullie’. Zie ook Jes. 65:18. Zie ook: Deut 32:43; Ps 26:8; Ps 137:6; Jes 65:18; Ezech 9:4 **66:11** Zo zullen jullie zuigen en verzadigd worden aan de borst van haar troost. Zo zullen jullie diep drinken en genieten van de overvloed van haar heerlijkheid. Brontekst: לְמַ֤עַן (lemaan) = opdat | תִּֽינְקוּ֙ (tinequ) = jullie zuigen | וּשְׂבַעְתֶּ֔ם (usevatem) = en verzadigd worden | מִשֹּׁ֖ד (mishod) = aan de borst van | תַּנְחֻמֶ֑יהָ (tanchumeiha) = haar troost | לְמַ֧עַן (lemaan) = opdat | תָּמֹ֛צּוּ (tamotsu) = jullie diep drinken | וְהִתְעַנַּגְתֶּ֖ם (vehitanagtem) = en genieten | מִזִּ֥יז (miziz) = van de overvloed van | כְּבוֹדָֽהּ (kevodah) = haar heerlijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִזִּיז (mizziz), ‘van de overvloed’: het woord is zeldzaam; de betekenis ‘overvloed’ of ‘glans’ is onzeker. Voetnoot : Sion wordt hier voorgesteld als een moeder die haar kinderen voedt. Zie ook: Ps 36:9; Joël 4:18; Jes 60:5; Jes 60:16; 1 Petr 2:2 **66:12** Want zo zegt Yahweh: **„Zie, Ik leid de vrede naar haar toe als een rivier, en de heerlijkheid van de volken als een overstromende beek. Jullie zullen zuigen. Op de heup worden jullie gedragen, en op de knieën worden jullie gekoesterd.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | כֹ֣ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij | נֹטֶֽה (note) = die leidt | אֵ֠לֶיהָ (eleiha) = naar haar toe | כְּנָהָ֨ר (kenahar) = als een rivier | שָׁל֜וֹם (shalom) = de vrede | וּכְנַ֧חַל (ukhenachal) = en als een beek | שׁוֹטֵ֛ף (shotef) = overstromende | כְּב֥וֹד (kevod) = heerlijkheid van | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | וִֽינַקְתֶּ֑ם (vinaqtem) = en jullie zullen zuigen | עַל (al) = op | צַד֙ (tsad) = de heup | תִּנָּשֵׂ֔אוּ (tinaseu) = worden jullie gedragen | וְעַל (veal) = en op | בִּרְכַּ֖יִם (birkayim) = de knieën | תְּשָׁעֳשָֽׁעוּ (teshaoshau) = worden jullie gekoesterd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹטֶה אֵלֶיהָ (noteh eleiha), ‘Ik leid naar haar toe’: letterlijk ‘Ik strek uit naar haar’; Yahweh richt de vrede op haar, als een rivier die zijn bedding vindt. Voetnoot : שָׁלוֹם (shalom), ‘de vrede’: heelheid, welzijn. Voetnoot : תְּשָׁעֳשָׁעוּ (tesha’oshe’u), ‘worden jullie gekoesterd’: liefkozend op de knieën gewiegd. Zie ook: Jes 45:14; Jes 48:18; Jes 54:3; Jes 60:16; Jes 66:11 **66:13** **Zoals iemand die door zijn moeder getroost wordt, zo zal Ik jullie troosten. In Jeruzalem zullen jullie getroost worden.”** Brontekst: כְּאִ֕ישׁ (keish) = zoals een man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אִמּ֖וֹ (imo) = zijn moeder | תְּנַחֲמֶ֑נּוּ (tenachamenu) = hem troost | כֵּ֤ן (ken) = zo | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | אֲנַ֣חֶמְכֶ֔ם (anachemkhem) = zal jullie troosten | וּבִירֽוּשָׁלִַ֖ם (uvirushalaim) = en in Jeruzalem | תְּנֻחָֽמוּ (tenuchamu) = zullen jullie getroost worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Yahweh vergelijkt Zijn troost met die van een moeder. Vergelijk Jes. 49:15. Zie ook: Jes 40:1; Jes 49:15; Jes 51:3; Jes 65:18–19; 1 Tess 2:7; 2 Kor 1:4 ### Yahweh komt met vuur **66:14** Jullie zullen het zien, en jullie hart zal zich verheugen. Jullie beenderen zullen bloeien als jong gras. De hand van Yahweh zal bekend worden bij Zijn knechten, maar Hij zal Zijn vijanden verwensen. Brontekst: וּרְאִיתֶם֙ (ureitem) = en jullie zullen zien | וְשָׂ֣שׂ (vesas) = en zal zich verheugen | לִבְּכֶ֔ם (libekhem) = jullie hart | וְעַצְמוֹתֵיכֶ֖ם (veatsmoteikhem) = en jullie beenderen | כַּדֶּ֣שֶׁא (kadeshe) = als jong gras | תִפְרַ֑חְנָה (tifrachna) = zullen bloeien | וְנוֹדְעָ֤ה (venodea) = en zal bekend worden | יַד (yad) = de hand van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = bij | עֲבָדָ֔יו (avadav) = Zijn knechten | וְזָעַ֖ם (vezaam) = en Hij zal verwensen | אֶת (et) = (obj.) | אֹיְבָֽיו (oyevav) = Zijn vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְזָעַם (vezaam), ‘en Hij zal verwensen’: het werkwoord betekent ‘vervloeken’ of ‘toornig zijn op’; zie Num. 23:8. Voetnoot : עַצְמוֹתֵיכֶם (atsmoteikhem), ‘jullie beenderen’: het lichaam van wie getroost wordt, leeft weer op. Zie ook: Num 23:8; Spr 3:8; Ezech 37:1–14; Ezra 7:9; Ezra 8:31; Zach 10:7 **66:15** Want zie, Yahweh komt met vuur, en Zijn wagens zijn als een stormwind. Hij komt om Zijn toorn met grimmigheid neer te laten komen en Zijn bestraffing met vlammen van vuur. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בָּאֵ֣שׁ (baesh) = met vuur | יָב֔וֹא (yavo) = komt | וְכַסּוּפָ֖ה (vekhasufa) = en als een stormwind | מַרְכְּבֹתָ֑יו (markevotav) = Zijn wagens | לְהָשִׁ֤יב (lehashiv) = om neer te laten komen | בְּחֵמָה֙ (bechema) = in grimmigheid | אַפּ֔וֹ (apo) = Zijn toorn | וְגַעֲרָת֖וֹ (vegaarato) = en Zijn bestraffing | בְּלַהֲבֵי (belahavei) = met vlammen van | אֵֽשׁ (esh) = vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהָשִׁיב (lehashiv), ‘neer te laten komen’: letterlijk ‘terug te laten keren’, ook ‘te vergelden’. Voetnoot : סוּפָה (sufah), ‘stormwind’: zoals in Jes. 5:28. Zie ook: Ps 11:6; Jes 5:28; Jes 30:33; Mat 22:7; 2 Tess 1:6–9; 2 Petr 3:10–12 **66:16** Want met vuur houdt Yahweh gericht, en met Zijn zwaard over alle vlees. De door Yahweh verslagenen zullen talrijk zijn. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | בָאֵשׁ֙ (baesh) = met vuur | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | נִשְׁפָּ֔ט (nishpat) = houdt gericht | וּבְחַרְבּ֖וֹ (uvecharbo) = en met Zijn zwaard | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֑ר (basar) = vlees | וְרַבּ֖וּ (verabu) = en zullen talrijk zijn | חַֽלְלֵ֥י (challei) = verslagenen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁפָּט (nishpat), ‘houdt gericht’: Yahweh treedt op als rechter. Voetnoot : חַלְלֵי (chalelei), ‘verslagenen’: wie door het zwaard gevallen is. Zie ook: Jes 27:1; Jes 30:30; Ezech 38:21–22; Ezech 39:2–10; Openb 19:11–21 **66:17** Zij die zich heiligen en zich reinigen voor de tuinen, achter de ene aan, in het midden, die varkensvlees eten, en het afschuwelijke en de muis: samen komen zij om, **godsspraak van Yahweh.** Brontekst: הַמִּתְקַדְּשִׁ֨ים (hamitqadeshim) = die zich heiligen | וְהַמִּֽטַּהֲרִ֜ים (vehamitaharim) = en die zich reinigen | אֶל (el) = voor | הַגַּנּ֗וֹת (haganot) = de tuinen | אַחַ֤ר (achar) = achter | אַחַת֙ (achat) = de ene | בַּתָּ֔וֶךְ (batavekh) = in het midden | אֹֽכְלֵי֙ (okhelei) = die eten | בְּשַׂ֣ר (besar) = vlees van | הַחֲזִ֔יר (hachazir) = het varken | וְהַשֶּׁ֖קֶץ (vehasheqets) = en het afschuwelijke | וְהָעַכְבָּ֑ר (vehaakhbar) = en de muis | יַחְדָּ֥ו (yachdav) = samen | יָסֻ֖פוּ (yasufu) = komen zij om | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (neum Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24. Hier staat de formule alleen rood, midden in de zin van de profeet. Voetnoot : אַחַר אַחַת בַּתָּוֶךְ (achar achat battavekh), ‘achter de ene aan, in het midden’: de betekenis is onzeker. Het kan gaan om een voorganger bij een heidens ritueel. Zie Jes. 65:3 en 65:4. Voetnoot : הַשֶּׁקֶץ (hasheqets), ‘het afschuwelijke’: onrein dier; vergelijk Lev. 11:10. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft אֶחָד (echad), ‘één’ (mannelijk). De voorgelezen tekst (qere) heeft אַחַת (achat), ‘één’ (vrouwelijk). Wij volgen de qere. Zie ook: Lev 11:2–8; Lev 11:10; Deut 14:3–8; Jes 1:24; Jes 1:28–29; Jes 65:3–4; Jes 65:4 ### Alle volken zien Mijn heerlijkheid **66:18** **„En Ik ken hun daden en hun gedachten. Het komt om alle volken en talen samen te brengen. Zij zullen komen en Mijn heerlijkheid zien.** Brontekst: וְאָנֹכִ֗י (veanokhi) = en Ik | מַעֲשֵׂיהֶם֙ (maaseihem) = hun daden | וּמַחְשְׁבֹ֣תֵיהֶ֔ם (umachshevoteihem) = en hun gedachten | בָּאָ֕ה (baa) = komt | לְקַבֵּ֥ץ (leqabets) = om samen te brengen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | וְהַלְּשֹׁנ֑וֹת (vehaleshonot) = en de talen | וּבָ֖אוּ (uvau) = en zij zullen komen | וְרָא֥וּ (verau) = en zien | אֶת (et) = (obj.) | כְּבוֹדִֽי (kevodi) = Mijn heerlijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws is hier kort: ‘En Ik – hun daden en hun gedachten – het komt om alle volken en talen samen te brengen.’ Er staat geen werkwoord bij ‘Ik’. Wij vullen ‘ken’ aan en vertalen het onderwerp van ‘komt’ als ‘het’. Het is onzeker wat precies met ‘het’ bedoeld is: de tijd of het besluit. Voetnoot : וְהַלְּשֹׁנוֹת (vehalleshonot), ‘en de talen’: volken met hun taal. Zie ook: Ps 86:9; Jes 2:2; Joh 5:42; 2 Kor 4:4–6; Openb 11:15 **66:19** **Ik zal onder hen een teken stellen. Ik zal van hen ontkomenen zenden naar de volken: naar Tarsis, Pul en Lud, die de boog spannen, naar Tubal en Javan, naar de verre eilanden die Mijn faam niet hebben gehoord en Mijn heerlijkheid niet hebben gezien. Zij zullen Mijn heerlijkheid onder de volken bekendmaken.** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֨י (vesamti) = en Ik zal stellen | בָהֶ֜ם (bahem) = onder hen | א֗וֹת (ot) = een teken | וְשִׁלַּחְתִּ֣י (veshilachti) = en Ik zal zenden | מֵהֶ֣ם (mehem) = van hen | פְּ֠לֵיטִים (peleitim) = ontkomenen | אֶֽל (el) = naar | הַגּוֹיִ֞ם (hagoyim) = de volken | תַּרְשִׁ֨ישׁ (tarshish) = Tarsis | פּ֥וּל (pul) = Pul | וְל֛וּד (velud) = en Lud | מֹ֥שְׁכֵי (moshekhei) = die spannen | קֶ֖שֶׁת (qeshet) = de boog | תֻּבַ֣ל (tuval) = Tubal | וְיָוָ֑ן (veyavan) = en Javan | הָאִיִּ֣ים (haiyim) = de eilanden | הָרְחֹקִ֗ים (harechoqim) = de verre | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | שָׁמְע֤וּ (shameu) = hebben gehoord | אֶת (et) = (obj.) | שִׁמְעִי֙ (shimi) = Mijn faam | וְלֹא (velo) = en niet | רָא֣וּ (rau) = hebben gezien | אֶת (et) = (obj.) | כְּבוֹדִ֔י (kevodi) = Mijn heerlijkheid | וְהִגִּ֥ידוּ (vehigidu) = en zij zullen bekendmaken | אֶת (et) = (obj.) | כְּבוֹדִ֖י (kevodi) = Mijn heerlijkheid | בַּגּוֹיִֽם (bagoyim) = onder de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Zie Tubal (Anatolië; ligging onzeker): Tubal wordt gezocht in het oosten van Anatolië, in het huidige Turkije. De precieze ligging is niet zeker. Zie Javan (Griekenland, Ionië?; ligging onzeker): Javan is Griekenland of Ionië, aan de westkust van het huidige Turkije. De precieze begrenzing is niet zeker. Voetnoot Uitleg: אוֹת (ot), ‘teken’: waarschijnlijk een teken van Yahweh’s macht, waarmee de gezondenen worden herkend. Voetnoot : פְּלֵיטִים (peletim), ‘ontkomenen’: wie aan het oordeel ontsnapt is. Voetnoot : תַּרְשִׁישׁ (Tarshish), ‘Tarsis’: een ver land in het westen, zie 1 Kon. 10:22. פּוּל (Pul), ‘Pul’: onbekend; sommige oude vertalingen lezen hier Put. לוּד (Lud) en תֻּבַל (Tubal): zie Gen. 10:22 en 10:2. יָוָן (Yavan), ‘Javan’: Griekenland, zie Gen. 10:2. Voetnoot : מֹשְׁכֵי קֶשֶׁת (moshkhei qeshet), ‘die de boog spannen’: een kenmerk van Lud. Voetnoot : הָאִיִּים (ha’iyyim), ‘de eilanden’: verre kustlanden over de zee. Zie ook: Gen 10:2; Gen 10:22; 1 Kon 10:22; Jes 52:15; Jes 55:5; Jes 60:9; Ezech 27:10; Rom 15:21 **66:20** **Zij zullen al jullie broeders uit alle volken als graanoffer voor Yahweh brengen: op paarden, op wagens, op overdekte wagens, op muildieren en op dromedarissen, naar Mijn heilige berg, Jeruzalem, zegt Yahweh. Zo brengen de zonen van Israël het graanoffer in een rein vat naar het huis van Yahweh.** Brontekst: וְהֵבִ֣יאוּ (veheviu) = en zij zullen brengen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֲחֵיכֶ֣ם (acheikhem) = jullie broeders | מִכָּל (mikal) = uit alle | הַגּוֹיִ֣ם (hagoyim) = de volken | מִנְחָ֣ה (mincha) = als graanoffer | לַֽיהוָ֡ה (laYahweh) = voor Yahweh | בַּסּוּסִ֡ים (basusim) = op paarden | וּ֠בָרֶכֶב (uvarekhev) = en op wagens | וּבַצַּבִּ֨ים (uvatsabim) = en op overdekte wagens | וּבַפְּרָדִ֜ים (uvaperadim) = en op muildieren | וּבַכִּרְכָּר֗וֹת (uvakirkarot) = en op dromedarissen | עַ֣ל (al) = naar | הַ֥ר (har) = berg | קָדְשִׁ֛י (qadeshi) = Mijn heiligheid | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushalaim) = Jeruzalem | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | יָבִיאוּ֩ (yaviu) = brengen | בְנֵ֨י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֧ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָ֛ה (hamincha) = het graanoffer | בִּכְלִ֥י (bikhli) = in een vat | טָה֖וֹר (tahor) = rein | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: wij gebruiken hetzelfde woord als in Lev. 2. Volken brengen de broeders van Israël, de verstrooiden, als gave aan Yahweh. Voetnoot : צַבִּים (tsabbim), ‘overdekte wagens’: zoals in Num. 7:3. Voetnoot : כִּרְכָּרוֹת (kirkarot), ‘dromedarissen’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Voetnoot : בְּנֵי יִשְׂרָאֵל (benei Yisra’el), ‘de zonen van Israël’: het volk. Zie ook: Num 7:3; Jes 43:6; Jes 56:7; Jes 60:3–14; Jes 65:11; Rom 15:16 **66:21** **Ook van hen zal Ik er nemen tot priesters en levieten, zegt Yahweh.** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | מֵהֶ֥ם (mehem) = van hen | אֶקַּ֛ח (eqach) = zal Ik nemen | לַכֹּהֲנִ֥ים (lakohanim) = tot priesters | לַלְוִיִּ֖ם (lalviyim) = tot levieten | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַכֹּהֲנִים לַלְוִיִּם (lakkohanim laleviyyim), ‘tot priesters en levieten’: er staat geen ‘en’. Het kan ook ‘tot levitische priesters’ betekenen, zoals in Deut. 17:9. Zie ook: Ex 19:6; Deut 17:9; Jes 61:6; 1 Petr 2:5; 1 Petr 2:9; Openb 1:6 ### Een nieuwe hemel en aarde blijven bestaan **66:22** **Want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik maak, voor Mijn aangezicht blijven staan, godsspraak van Yahweh, zo zullen jullie nageslacht en jullie naam blijven staan.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כַאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | הַ֠חֳדָשִׁים (hachodashim) = de nieuwe | וְהָאָ֨רֶץ (vehaarets) = en de aarde | הַחֲדָשָׁ֜ה (hachadasha) = de nieuwe | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אֲנִ֥י (ani) = Ik | עֹשֶׂ֛ה (ose) = maak | עֹמְדִ֥ים (omedim) = blijven staan | לְפָנַ֖י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כֵּ֛ן (ken) = zo | יַעֲמֹ֥ד (yaamod) = zal blijven staan | זַרְעֲכֶ֖ם (zarakhem) = jullie nageslacht | וְשִׁמְכֶֽם (veshimkhem) = en jullie naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשָּׁמַיִם הַחֲדָשִׁים (hashamayim hachadashim), ‘de nieuwe hemel’: zie Jes. 65:17. Zie ook: Jes 65:17; Joh 10:27–29; 1 Petr 1:4–5; 2 Petr 3:13; Openb 21:1 **66:23** **Het zal gebeuren: van maand tot maand en van sabbat tot sabbat zal alle vlees komen om zich voor Mij neer te buigen, zegt Yahweh.** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | מִֽדֵּי (midei) = van | חֹ֨דֶשׁ֙ (chodesh) = maand | בְּחָדְשׁ֔וֹ (bechadesho) = tot zijn maand | וּמִדֵּ֥י (umidei) = en van | שַׁבָּ֖ת (shabat) = sabbat | בְּשַׁבַּתּ֑וֹ (beshabato) = tot zijn sabbat | יָב֧וֹא (yavo) = zal komen | כָל (kal) = alle | בָּשָׂ֛ר (basar) = vlees | לְהִשְׁתַּחֲוֺ֥ת (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | לְפָנַ֖י (lefanay) = voor Mij | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִדֵּי חֹדֶשׁ בְּחָדְשׁוֹ (middei chodesh bechodsho), ‘van maand tot maand’: het woord חֹדֶשׁ (chodesh) betekent ‘maand’ en ‘nieuwe maan’ (Jes. 1:13). Voetnoot : כָל בָּשָׂר (kol basar), ‘alle vlees’: alle mensen. Zie ook: Ps 86:9; Jes 1:13; Ezech 46:1; Ezech 46:6; Zach 14:16; Kol 2:16–17 **66:24** **Zij zullen naar buiten gaan en de lijken zien van de mensen die tegen Mij in opstand zijn gekomen. Want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet gedoofd worden. Zij zullen een afschuw zijn voor alle vlees.”** Brontekst: וְיָצְא֣וּ (veyatseu) = en zij zullen uitgaan | וְרָא֔וּ (verau) = en zien | בְּפִגְרֵי֙ (befigrei) = de lijken van | הָאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mensen | הַפֹּשְׁעִ֖ים (haposheim) = die in opstand zijn gekomen | בִּ֑י (bi) = tegen Mij | כִּ֣י (ki) = want | תוֹלַעְתָּ֞ם (tolatam) = hun worm | לֹ֣א (lo) = niet | תָמ֗וּת (tamut) = zal sterven | וְאִשָּׁם֙ (veisham) = en hun vuur | לֹ֣א (lo) = niet | תִכְבֶּ֔ה (tikhbe) = zal gedoofd worden | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | דֵרָא֖וֹן (deraon) = een afschuw | לְכָל (lekhal) = voor alle | בָּשָֽׂר (basar) = vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּגְרֵי (pigrei), ‘lijken’: dode lichamen. Voetnoot : הַפֹּשְׁעִים בִּי (happoshim bi), ‘die tegen Mij in opstand zijn gekomen’: zie Hos. 7:13. Voetnoot : דֵּרָאוֹן (deraon), ‘afschuw’: het woord komt ook voor in Dan. 12:2. Mark. 9:48 haalt dit vers aan. Zie ook: Hos 7:13; Jes 14:11; Dan 12:2; Mar 9:48; 1 Tess 2:15–16; Openb 14:10–11; Openb 21:8