# Hosea (הושע, Hoshea) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Hosea 1 _Hosea, Gomer en de drie kinderen met een naam_ **1:1** Het woord van Yahweh dat tot Hosea, de zoon van Beëri, kwam in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël. Brontekst: דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיָ֗ה (haya) = kwam | אֶל (el) = tot | הוֹשֵׁ֨עַ֙ (hoshea) = Hosea | בֶּן (ben) = zoon van | בְּאֵרִ֔י (beeri) = Beëri | בִּימֵ֨י (bimei) = in de dagen van | עֻזִּיָּ֥ה (uziya) = Uzzia | יוֹתָ֛ם (yotam) = Jotam | אָחָ֥ז (achaz) = Achaz | יְחִזְקִיָּ֖ה (yechizqiya) = Hizkia | מַלְכֵ֣י (malkhei) = koningen van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וּבִימֵ֛י (uvimei) = en in de dagen van | יָרָבְעָ֥ם (yaraveam) = Jerobeam | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹאָ֖שׁ (yoash) = Joas | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹשֵׁעַ (Hoshea), ‘Hosea’: de naam betekent ‘redding’. Het is dezelfde naam als die van de laatste koning van Israël (2 Kon. 17:1). Voetnoot : Uzzia is dezelfde koning als Azaria in 2 Kon. 15:1; zie ook 2 Kron. 26:1. Voor Jotam zie 2 Kon. 15:32, voor Achaz 2 Kon. 16:1 en voor Hizkia 2 Kon. 18:1. Jerobeam, de zoon van Joas, regeerde in Israël (2 Kon. 14:23). Voetnoot : Het boek noemt vier koningen van Juda en één van Israël. Zie ook: 2 Kon 14:23; 2 Kon 15:1; 2 Kon 15:32; 2 Kon 16:1; 2 Kon 17:1; 2 Kon 18:1; 2 Kron 26:1; Amos 1:1; Jes 1:1; Mi 1:1; Rom 9:25; 2 Petr 1:21 ### Neem een vrouw van hoererij **1:2** Het begin van wat Yahweh sprak door Hosea. Yahweh zei tegen Hosea: **„Ga, neem voor jezelf een vrouw van hoererij en kinderen van hoererij. Want het land hoert zonder ophouden, weg van Yahweh.”** Brontekst: תְּחִלַּ֥ת (techilat) = het begin van | דִּבֶּר (diber) = sprak | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּהוֹשֵׁ֑עַ (behoshea) = door Hosea | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | הוֹשֵׁ֗עַ (hoshea) = Hosea | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | קַח (qach) = neem | לְךָ֞ (lekha) = voor jezelf | אֵ֤שֶׁת (eshet) = een vrouw van | זְנוּנִים֙ (zenunim) = hoererij | וְיַלְדֵ֣י (veyaldei) = en kinderen van | זְנוּנִ֔ים (zenunim) = hoererij | כִּֽי (ki) = want | זָנֹ֤ה (zano) = hoerend | תִזְנֶה֙ (tizne) = hoert | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | מֵֽאַחֲרֵ֖י (meacharei) = weg van achter | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּהוֹשֵׁעַ (behoshea), ‘door Hosea’: letterlijk ‘in Hosea’ of ‘bij Hosea’. Hier begint Yahweh te spreken; Zijn woorden staan rood. Voetnoot : אֵשֶׁת זְנוּנִים (eshet zenunim), ‘een vrouw van hoererij’: letterlijk ‘een vrouw van hoererijen’. Het Hebreeuws zegt niet of Gomer al hoerde toen Hosea haar nam, of later ontrouw werd. Wij laten dat open. Ook de kinderen heten ‘kinderen van hoererij’; zie 2:6. Voetnoot : זָנֹה תִזְנֶה (zanoh tizneh), ‘het land hoert zonder ophouden’: letterlijk ‘hoerend hoert het land’. Het herhaalde werkwoord maakt de zin sterk, zoals bij ‘sterven zul je sterven’. Hoererij is hier het beeld van ontrouw aan Yahweh. In Exod. 34:15–16 staat hetzelfde werkwoord; daar vertalen wij ‘zich overgeven aan’. Zie ook: Ex 34:15–16; Deut 31:16; Ps 106:39; Hos 2:6–7; Hos 3:1; Openb 17:1–2 **1:3** Hij ging en nam Gomer, de dochter van Diblaïm. Zij werd zwanger en beviel hem van een zoon. Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ֙ (vayelekh) = en hij ging | וַיִּקַּ֔ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | גֹּ֖מֶר (gomer) = Gomer | בַּת (bat) = dochter van | דִּבְלָ֑יִם (divlayim) = Diblaïm | וַתַּ֥הַר (vatahar) = en zij werd zwanger | וַתֵּֽלֶד (vateled) = en beviel | ל֖וֹ (lo) = hem | בֵּֽן (ben) = van een zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּמֶר (Gomer) en דִּבְלָיִם (Diblayim, ‘Diblaïm’): de betekenis van beide namen is onzeker. Verder worden zij niet genoemd. Zie ook: Jes 8:1–3 ### Jizreël **1:4** Yahweh zei tegen hem: **„Noem hem Jizreël, want nog even, en Ik zal het huis van Jehu straffen voor het bloed van Jizreël. Ik maak een einde aan het koningschap van het huis van Israël.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֔יו (elav) = tegen hem | קְרָ֥א (qera) = noem | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | יִזְרְעֶ֑אל (yizreel) = Jizreël | כִּי (ki) = want | ע֣וֹד (od) = nog | מְעַ֗ט (meat) = even | וּפָ֨קַדְתִּ֜י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | אֶת (et) = (obj.) | דְּמֵ֤י (demei) = het bloed van | יִזְרְעֶאל֙ (yizreel) = Jizreël | עַל (al) = over | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יֵה֔וּא (yehu) = Jehu | וְהִ֨שְׁבַּתִּ֔י (vehishbati) = en Ik zal laten ophouden | מַמְלְכ֖וּת (mamlekhut) = het koningschap van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Hier is de stad of de vallei bedoeld, niet de symbolische naam van het kind. Voetnoot Uitleg: יִזְרְעֶאל (Yizre’el), ‘Jizreël’: letterlijk ‘El zaait’. Jizreël is ook een stad en een dal in het noorden van het land (zie vers 5). Voetnoot : Het ‘bloed van Jizreël’ verwijst naar het bloed dat Jehu daar vergoot: zie 2 Kon. 9:25–26, 9:30–37 en 10:1–11. Yahweh had Jehu beloofd dat zonen van de vierde generatie op de troon zouden zitten (2 Kon. 10:30). Zacharia was de vierde en laatste van zijn huis (2 Kon. 15:8–12). Voetnoot : פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken aan’. Het betekent hier: ter verantwoording roepen. Hetzelfde werkwoord staat in 2:15. Voetnoot : מַמְלְכוּת בֵּית יִשְׂרָאֵל (mamlekhut bet Yisra’el), ‘het koningschap van het huis van Israël’: het noordelijke koninkrijk. Zie ook: 2 Kon 9:24–25; 2 Kon 9:25–26; 2 Kon 9:30; 2 Kon 10:7–8; 2 Kon 10:10–11; 2 Kon 10:30; 2 Kon 15:8–12; 2 Kon 17:6–23; Hos 1:5; Jer 3:8 **1:5** **Het zal gebeuren op die dag: Ik zal de boog van Israël breken in het dal van Jizreël.”** Brontekst: וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֑וּא (hahu) = die | וְשָֽׁבַרְתִּי֙ (veshavarti) = en Ik zal breken | אֶת (et) = (obj.) | קֶ֣שֶׁת (qeshet) = de boog van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּעֵ֖מֶק (beemeq) = in het dal van | יִזְרְעֶֽאל (yizreel) = Jizreël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan. Hier is de stad of de vallei bedoeld, niet de symbolische naam van het kind. Voetnoot Uitleg: קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’: het wapen als beeld van kracht in de oorlog. In het dal van Jizreël werd eerder gestreden; zie Richt. 6:33. Zie ook: Joz 17:16; Re 6:33; Ps 37:15; Hos 2:20; Jer 51:56 ### Lo-Ruchama **1:6** Zij werd opnieuw zwanger en beviel van een dochter. Hij zei tegen hem: **„Noem haar Lo-Ruchama, want Ik zal Mij niet meer ontfermen over het huis van Israël. Maar Ik zal hen zeker wegnemen.** Brontekst: וַתַּ֤הַר (vatahar) = en zij werd zwanger | עוֹד֙ (od) = opnieuw | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en beviel | בַּ֔ת (bat) = van een dochter | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | ל֔וֹ (lo) = tegen hem | קְרָ֥א (qera) = noem | שְׁמָ֖הּ (shemah) = haar naam | לֹ֣א (lo) = Lo | רֻחָ֑מָה (ruchama) = Ruchama | כִּי֩ (ki) = want | לֹ֨א (lo) = niet | אוֹסִ֜יף (osif) = Ik zal toevoegen | ע֗וֹד (od) = nog | אֲרַחֵם֙ (arachem) = Ik zal Mij ontfermen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּֽי (ki) = maar | נָשֹׂ֥א (naso) = wegnemen | אֶשָּׂ֖א (esa) = Ik zal wegnemen | לָהֶֽם (lahem) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא רֻחָמָה (lo ruchamah), ‘Lo-Ruchama’: letterlijk ‘niet ontferming ontvangen’, dus ‘Niet-ontferming’. Het woord is verwant met רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’. Voetnoot : נָשֹׂא אֶשָּׂא (naso essa), ‘Ik zal hen zeker wegnemen’: letterlijk ‘wegnemen zal Ik wegnemen’. Het werkwoord נָשָׂא (nasa) betekent ‘dragen’, ‘wegnemen’ en ook ‘vergeven’ (zoals in Exod. 34:7). Voetnoot Lezing: Het tweede ‘want’ (כִּי, ki) kan ook ‘maar’ zijn. Het Hebreeuws is hier moeilijk. Mogelijk betekent de zin: ‘Ik zal hen zeker wegnemen’ of: ‘dat Ik hun ooit zou vergeven’. Wij kiezen ‘maar Ik zal hen zeker wegnemen’. Zie ook: Ex 34:7; 2 Kon 17:6; Hos 2:6; Hos 2:25; Jes 27:11; 1 Petr 2:10 **1:7** **En over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen. Ik zal hen redden door Yahweh, hun Elohim. Ik zal hen niet redden door boog, zwaard of oorlog, door paarden of ruiters.”** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | אֲרַחֵ֔ם (arachem) = Ik zal Mij ontfermen | וְהֽוֹשַׁעְתִּ֖ים (vehoshatim) = en Ik zal hen redden | בַּיהוָ֣ה (baYahweh) = door Yahweh | אֱלֹֽהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֽוֹשִׁיעֵ֗ם (oshiem) = Ik zal hen redden | בְּקֶ֤שֶׁת (beqeshet) = door boog | וּבְחֶ֨רֶב֙ (uvecherev) = en door zwaard | וּבְמִלְחָמָ֔ה (uvemilchama) = en door oorlog | בְּסוּסִ֖ים (besusim) = door paarden | וּבְפָרָשִֽׁים (uvefarashim) = en door ruiters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt hier in de derde persoon over Zichzelf: ‘door Yahweh, hun Elohim’. Het zijn Zijn eigen woorden; daarom blijven ze rood. Voetnoot : Vergelijk Ps. 20:8: ‘Dezen met wagens en dezen met paarden. Maar wij vermelden de naam van Yahweh, onze Elohim.’ Zie ook: Ps 20:8; Ps 44:4–7; 2 Kon 19:35; Hos 12:1; Jes 12:2; Zach 4:6 ### Lo-Ammi **1:8** Zij speende Lo-Ruchama, werd zwanger en beviel van een zoon. Brontekst: וַתִּגְמֹ֖ל (vatigmol) = en zij speende | אֶת (et) = (obj.) | לֹ֣א (lo) = Lo | רֻחָ֑מָה (ruchama) = Ruchama | וַתַּ֖הַר (vatahar) = en zij werd zwanger | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en beviel | בֵּֽן (ben) = van een zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּמַל (gamal), ‘spenen’: het kind krijgt geen moedermelk meer. Vergelijk Gen. 21:8. Zie ook: Gen 21:8 **1:9** Hij zei: **„Noem hem Lo-Ammi, want jullie zijn niet Mijn volk, en Ik ben er niet voor jullie.”** Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en Hij zei | קְרָ֥א (qera) = noem | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | לֹ֣א (lo) = Lo | עַמִּ֑י (ami) = Ammi | כִּ֤י (ki) = want | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | לֹ֣א (lo) = niet | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en Ik | לֹֽא (lo) = niet | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = Ik zal zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא עַמִּי (lo ammi), ‘Lo-Ammi’: letterlijk ‘niet mijn volk’, dus ‘Niet-Mijn-volk’. Dit is het omgekeerde van de belofte in Exod. 6:7: ‘Ik zal jullie tot Mijn volk nemen en jullie Elohim zijn.’ Voetnoot : אֶהְיֶה (ehyeh), ‘Ik ben’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 3:14, ‘Ik ben die Ik ben’. Hier staat: ‘Ik ben er niet voor jullie’. Zie ook: Ex 3:14; Ex 6:7; Jer 15:1 ## Hosea 2 _Van Niet-Mijn-volk tot Mijn volk: oordeel en verloving_ ### Het volk wordt weer talrijk **2:1** Het getal van de zonen van Israël zal zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En op de plaats waar tot hen gezegd werd: ‘Jullie zijn niet Mijn volk’, zal tot hen gezegd worden: ‘Zonen van de levende El.’ Brontekst: וְֽ֠הָיָה (vehaya) = en het zal zijn | מִסְפַּ֤ר (mispar) = het getal van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | כְּח֣וֹל (kechol) = als het zand van | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יִמַּ֖ד (yimad) = gemeten wordt | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִסָּפֵ֑ר (yisafer) = geteld wordt | וְֽ֠הָיָה (vehaya) = en het zal zijn | בִּמְק֞וֹם (bimqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | יֵאָמֵ֤ר (yeamer) = gezegd werd | לָהֶם֙ (lahem) = tegen hen | לֹֽא (lo) = niet | עַמִּ֣י (ami) = mijn volk | אַתֶּ֔ם (atem) = jullie | יֵאָמֵ֥ר (yeamer) = gezegd zal worden | לָהֶ֖ם (lahem) = tegen hen | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אֵֽל (el) = El | חָֽי (chay) = levend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier telt de Nederlandse bijbel anders. Hebr. 2:1–2 is NL 1:10–11, en Hebr. 2:3–25 is NL 2:1–23. De app zet de kruisverwijzingen zelf om. Voetnoot : Dit vers keert de naam Lo-Ammi (1:9) om. Het zand van de zee: zie Gen. 22:17 en 32:13. Voetnoot : בְּנֵי אֵל חָי (bene El chai), ‘zonen van de levende El’. Dit vers wordt in het Nieuwe Testament aangehaald: Rom. 9:26. Zie ook: Gen 22:17; Gen 32:13; Joh 1:12; Gal 4:6–7; 2 Kor 6:18; Rom 9:25–28; Rom 9:26; 1 Petr 2:9–10; Heb 2:1–2; Heb 2:3–25 **2:2** De zonen van Juda en de zonen van Israël zullen zich samen verzamelen. Zij stellen één hoofd over zich aan en trekken op uit het land. Want groot is de dag van Jizreël. Brontekst: וְ֠נִקְבְּצוּ (veniqbetsu) = en zullen zich verzamelen | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָ֤ה (yehuda) = Juda | וּבְנֵֽי (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יַחְדָּ֔ו (yachdav) = samen | וְשָׂמ֥וּ (vesamu) = en zullen stellen | לָהֶ֛ם (lahem) = over zich | רֹ֥אשׁ (rosh) = hoofd | אֶחָ֖ד (echad) = één | וְעָל֣וּ (vealu) = en zullen optrekken | מִן (min) = uit | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | כִּ֥י (ki) = want | גָד֖וֹל (gadol) = groot | י֥וֹם (yom) = de dag van | יִזְרְעֶֽאל (yizreel) = Jizreël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹאשׁ אֶחָד (rosh echad), ‘één hoofd’: één leider voor Juda en Israël samen. Voetnoot : וְעָלוּ מִן הָאָרֶץ (ve’alu min ha’arets), ‘zij trekken op uit het land’: dit kan het wegtrekken uit het land van ballingschap betekenen. Het werkwoord kan ook ‘opkomen’ betekenen, zoals zaad uit de grond komt. Dat past bij de naam Jizreël, ‘El zaait’ (vers 25). Het Hebreeuws kiest niet. Zie ook: Hos 2:25; Hos 3:5; Jes 11:12–13; Jer 23:5–8; Jer 50:4–5; Ezech 37:16–25 **2:3** Zeg tegen jullie broers: ‘Ammi’, en tegen jullie zusters: ‘Ruchama’. Brontekst: אִמְר֥וּ (imru) = zegt | לַאֲחֵיכֶ֖ם (laacheikhem) = tegen jullie broers | עַמִּ֑י (ami) = mijn volk | וְלַאֲחֽוֹתֵיכֶ֖ם (velaachoteikhem) = en tegen jullie zusters | רֻחָֽמָה (ruchama) = ontfermd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hebr. 2:3 is NL 2:1. Vanaf hier loopt de Nederlandse telling twee verzen achter op de Hebreeuwse. Voetnoot : עַמִּי (ammi), ‘mijn volk’, en רֻחָמָה (ruchamah), ‘ontfermd’: dit zijn de tegenovergestelden van Lo-Ammi (1:9) en Lo-Ruchama (1:6). De aangesprokene ‘jullie’ is dezelfde als in vers 4: zij die ‘jullie moeder’ hebben. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie hier spreekt. Wij laten dit vers zwart. Vanaf vers 4 spreekt Yahweh duidelijk in de eerste persoon. Zie ook: Hos 2:4; Hos 2:25; Ezech 37:27; Rom 11:30–31; 1 Tim 1:13; 1 Petr 2:10; Heb 2:3 ### De rechtszaak tegen de moeder **2:4** **„Voer een rechtszaak tegen jullie moeder, voer een rechtszaak! Want zij is Mijn vrouw niet, en Ik ben haar man niet. Laat zij haar hoererij van haar gezicht wegdoen en haar overspel van tussen haar borsten.** Brontekst: רִ֤יבוּ (rivu) = voert een rechtszaak | בְאִמְּכֶם֙ (beimekhem) = tegen jullie moeder | רִ֔יבוּ (rivu) = voert een rechtszaak | כִּֽי (ki) = want | הִיא֙ (hi) = zij | לֹ֣א (lo) = niet | אִשְׁתִּ֔י (ishti) = Mijn vrouw | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en Ik | לֹ֣א (lo) = niet | אִישָׁ֑הּ (ishah) = haar man | וְתָסֵ֤ר (vetaser) = en laat wegdoen | זְנוּנֶ֨יהָ֙ (zenuneiha) = haar hoererij | מִפָּנֶ֔יה (mipanei) = van haar gezicht | וְנַאֲפוּפֶ֖יהָ (venaafufeiha) = en haar overspel | מִבֵּ֥ין (mibein) = van tussen | שָׁדֶֽיהָ (shadeiha) = haar borsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִיבוּ (rivu), ‘voer een rechtszaak’: de taal van de rechtbank. Het gaat om een aanklacht. Voetnoot : De woorden ‘zij is Mijn vrouw niet en Ik ben haar man niet’ zijn de taal van een verbroken huwelijk. Vergelijk Deut. 24:1–4. Voetnoot : זְנוּנֶיהָ (zenuneha), ‘haar hoererij’, en נַאֲפוּפֶיהָ (na’afufeha), ‘haar overspel’: het laatste woord is zeldzaam. Zie ook: Deut 24:1–4; Jes 50:1; Jer 3:1; Jer 3:13; Ezech 16:25; Ezech 23:45 **2:5** **Anders kleed Ik haar naakt uit en zet haar neer zoals op de dag dat zij geboren werd. Ik maak haar tot een woestijn, zet haar als een dor land en laat haar sterven van de dorst.** Brontekst: פֶּן (pen) = anders | אַפְשִׁיטֶ֣נָּה (afshitena) = Ik zal haar uitkleden | עֲרֻמָּ֔ה (aruma) = naakt | וְהִ֨צַּגְתִּ֔יהָ (vehitsagtiha) = en Ik zal haar neerzetten | כְּי֖וֹם (keyom) = zoals de dag van | הִוָּֽלְדָ֑הּ (hivaledah) = haar geboorte | וְשַׂמְתִּ֣יהָ (vesamtiha) = en Ik zal haar maken | כַמִּדְבָּ֗ר (kamidbar) = als de woestijn | וְשַׁתִּ֨הָ֙ (veshatiha) = en Ik zal haar zetten | כְּאֶ֣רֶץ (keerets) = als een land van | צִיָּ֔ה (tsiya) = dorheid | וַהֲמִתִּ֖יהָ (vahamitiha) = en Ik zal haar doden | בַּצָּמָֽא (batsama) = met dorst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּן (pen), ‘anders’: een dreiging die kan worden afgewend, als zij de hoererij wegdoet (vers 4). Voetnoot : צִיָּה (tsiyah), ‘dor land’: grond zonder water. De beelden van woestijn en dorst keren terug in vers 11–12 en 14. Zie ook: Amos 8:11–13; Hos 2:4; Hos 2:11–12; Hos 2:14; Jes 32:13–14; Jer 13:22; Ezech 16:22; Ezech 19:13 **2:6** **Over haar zonen zal Ik Mij niet ontfermen, want het zijn zonen van hoererij.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | בָּנֶ֖יהָ (baneiha) = haar zonen | לֹ֣א (lo) = niet | אֲרַחֵ֑ם (arachem) = Ik zal Mij ontfermen | כִּֽי (ki) = want | בְנֵ֥י (benei) = zonen van | זְנוּנִ֖ים (zenunim) = hoererij | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 1:2; Hos 1:6; Jer 13:14; Jer 16:5; Ezech 8:18 **2:7** **Want hun moeder heeft gehoereerd. Zij die hen ontving, heeft zich schandelijk gedragen. Want zij zei: ‘Ik wil mijn minnaars achternagaan. Zij geven mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank.’** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | זָֽנְתָה֙ (zaneta) = zij heeft gehoereerd | אִמָּ֔ם (imam) = hun moeder | הֹבִ֖ישָׁה (hovisha) = zij heeft zich schandelijk gedragen | הֽוֹרָתָ֑ם (horatam) = zij die hen ontving | כִּ֣י (ki) = want | אָמְרָ֗ה (amera) = zij zei | אֵלְכָ֞ה (elekha) = ik wil gaan | אַחֲרֵ֤י (acharei) = achter | מְאַהֲבַי֙ (meahavay) = mijn minnaars | נֹתְנֵ֤י (notenei) = gevers van | לַחְמִי֙ (lachmi) = mijn brood | וּמֵימַ֔י (umeimay) = en mijn water | צַמְרִ֣י (tsamri) = mijn wol | וּפִשְׁתִּ֔י (ufishti) = en mijn vlas | שַׁמְנִ֖י (shamni) = mijn olie | וְשִׁקּוּיָֽי (veshiquyay) = en mijn drank Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְאַהֲבַי (me’ahavai), ‘mijn minnaars’: letterlijk ‘mijn liefhebbers’. Wat zij noemt (brood, water, wol, vlas, olie, drank) blijkt in vers 10 van Yahweh te komen. Voetnoot : הֹבִישָׁה (hovisha), ‘zij heeft zich schandelijk gedragen’: letterlijk ‘zij heeft beschaamd gehandeld’. Voetnoot : הוֹרָתָם (horatam), ‘zij die hen ontving’: van het werkwoord הָרָה (harah), ‘zwanger worden’. Zie ook: Hos 2:10; Hos 3:1; Jes 1:21; Jer 3:1–9; Jer 44:17–18 ### De weg wordt versperd **2:8** **Daarom, zie, Ik versper je weg met doornen. Ik zet een muur om haar heen, en haar paden zal zij niet vinden.** Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | הִנְנִי (hinni) = zie Ik | שָׂ֥ךְ (sakh) = versper | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכֵּ֖ךְ (darkekh) = je weg | בַּסִּירִ֑ים (basirim) = met doornen | וְגָֽדַרְתִּי֙ (vegadarti) = en Ik zal ommuren | אֶת (et) = (obj.) | גְּדֵרָ֔הּ (gederah) = haar muur | וּנְתִיבוֹתֶ֖יהָ (unetivoteiha) = en haar paden | לֹ֥א (lo) = niet | תִמְצָֽא (timtsa) = zal zij vinden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂךְ (sach), ‘afsluiten met een haag van doornen’: wij vertalen ‘versper’. In dit vers wisselt de aanspreking van ‘je weg’ (tweede persoon) naar ‘haar muur’ (derde persoon). Voetnoot : וְגָדַרְתִּי אֶת גְּדֵרָהּ (vegadarti et gederah), ‘Ik zet een muur om haar heen’: letterlijk ‘Ik ommuur haar muur’. Zie ook: Job 3:23; Job 19:8; Klaagl 3:7–9; Luc 15:14–16; Luc 19:43 **2:9** **Zij zal haar minnaars najagen, maar ze niet inhalen. Zij zal hen zoeken, maar niet vinden. Dan zal zij zeggen: ‘Ik ga terug naar mijn eerste man, want toen ging het mij beter dan nu.’** Brontekst: וְרִדְּפָ֤ה (veridefa) = en zij zal najagen | אֶת (et) = (obj.) | מְאַהֲבֶ֨יהָ֙ (meahaveiha) = haar minnaars | וְלֹֽא (velo) = en niet | תַשִּׂ֣יג (tasig) = zal zij inhalen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | וּבִקְשָׁ֖תַם (uviqshatam) = en zij zal zoeken hen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִמְצָ֑א (timtsa) = zal zij vinden | וְאָמְרָ֗ה (veamera) = en zij zal zeggen | אֵלְכָ֤ה (elekha) = ik wil gaan | וְאָשׁ֨וּבָה֙ (veashuva) = en ik wil terugkeren | אֶל (el) = naar | אִישִׁ֣י (ishi) = mijn man | הָֽרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | כִּ֣י (ki) = want | ט֥וֹב (tov) = goed | לִ֛י (li) = voor mij | אָ֖ז (az) = toen | מֵעָֽתָּה (meata) = dan nu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 5:13; Jer 2:2; Jer 14:22; Ezech 23:4; Luc 15:17–20 **2:10** **Zij heeft niet geweten dat Ik haar het graan, de most en de olie gaf. Zilver heb Ik haar in overvloed gegeven, en goud: zij hebben het voor de Baäl gemaakt.** Brontekst: וְהִיא֙ (vehi) = en zij | לֹ֣א (lo) = niet | יָֽדְעָ֔ה (yadea) = heeft geweten | כִּ֤י (ki) = dat | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | נָתַ֣תִּי (natati) = gaf | לָ֔הּ (lah) = haar | הַדָּגָ֖ן (hadagan) = het graan | וְהַתִּיר֣וֹשׁ (vehatirosh) = en de most | וְהַיִּצְהָ֑ר (vehayitshar) = en de olie | וְכֶ֨סֶף (vekhesef) = en zilver | הִרְבֵּ֥יתִי (hirbeiti) = Ik heb vermeerderd | לָ֛הּ (lah) = haar | וְזָהָ֖ב (vezahav) = en goud | עָשׂ֥וּ (asu) = zij maakten | לַבָּֽעַל (labaal) = voor de Baäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּגָן (dagan), ‘graan’, תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’, en יִצְהָר (yitshar), ‘olie’: de drie vruchten van het land; zie ook Deut. 7:13. Voetnoot : הַבַּעַל (ha-ba’al), ‘de Baäl’: de god die in Kanaän werd vereerd. Het woord betekent ook ‘heer’, ‘eigenaar’ en ‘echtgenoot’; zie vers 18. Voetnoot : עָשׂוּ (asu), ‘zij maakten’: dit staat in het meervoud, terwijl het daarvoor om ‘zij’ in het enkelvoud ging (de vrouw). Het Hebreeuws zegt niet wat zij van het goud maakten. Zie ook: Deut 7:13; Hos 2:18; Hos 4:11; Hos 8:4; Hos 13:2; Jes 1:3; Rom 1:28 **2:11** **Daarom keer Ik terug en neem Mijn graan weg op zijn tijd en Mijn most op de vastgestelde tijd. Ik ontruk Mijn wol en Mijn vlas aan haar, die haar naaktheid moesten bedekken.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | אָשׁ֔וּב (ashuv) = Ik zal terugkeren | וְלָקַחְתִּ֤י (velaqachti) = en Ik zal nemen | דְגָנִי֙ (degani) = Mijn graan | בְּעִתּ֔וֹ (beito) = op zijn tijd | וְתִירוֹשִׁ֖י (vetiroshi) = en Mijn most | בְּמֽוֹעֲד֑וֹ (bemoado) = op zijn vastgestelde tijd | וְהִצַּלְתִּי֙ (vehitsalti) = en Ik zal ontrukken | צַמְרִ֣י (tsamri) = Mijn wol | וּפִשְׁתִּ֔י (ufishti) = en Mijn vlas | לְכַסּ֖וֹת (lekhasot) = om te bedekken | אֶת (et) = (obj.) | עֶרְוָתָֽהּ (ervatah) = haar naaktheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִצַּלְתִּי (vehitsalti), ‘Ik ontruk’: hetzelfde werkwoord (נָצַל, natsal) als ‘bevrijden’ in vers 12. Hier gaat het om het wegnemen van wat van Yahweh is. Voetnoot : מוֹעֲדוֹ (mo’ado), ‘de vastgestelde tijd’: het tijdstip dat voor de oogst of de vrucht bepaald is. Zie ook: Hos 2:5; Hos 2:12; Jes 17:10–11; Ezech 23:26; Hag 1:6–11; Mal 3:18 **2:12** **Nu leg Ik haar schaamte bloot voor de ogen van haar minnaars. Niemand zal haar uit Mijn hand bevrijden.** Brontekst: וְעַתָּ֛ה (veata) = en nu | אֲגַלֶּ֥ה (agale) = Ik zal blootleggen | אֶת (et) = (obj.) | נַבְלֻתָ֖הּ (navlutah) = haar schaamte | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | מְאַהֲבֶ֑יהָ (meahaveiha) = haar minnaars | וְאִ֖ישׁ (veish) = en man | לֹֽא (lo) = niet | יַצִּילֶ֥נָּה (yatsilena) = zal haar bevrijden | מִיָּדִֽי (miyadi) = uit Mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַבְלֻת (nablut), ‘schaamte’: een zeldzaam woord dat alleen hier voorkomt. De betekenis is onzeker; het gaat om iets beschamends of schandelijks. Zie ook: Ps 50:22; Mi 5:7; Ezech 23:29; Luc 12:2–3; 1 Kor 4:5 **2:13** **Ik maak een einde aan al haar vreugde: haar feest, haar nieuwe maan, haar sabbat en al haar vaste feesttijden.** Brontekst: וְהִשְׁבַּתִּי֙ (vehishbati) = en Ik zal laten ophouden | כָּל (kal) = al | מְשׂוֹשָׂ֔הּ (mesosah) = haar vreugde | חַגָּ֖הּ (chagah) = haar feest | חָדְשָׁ֣הּ (chadeshah) = haar nieuwe maan | וְשַׁבַּתָּ֑הּ (veshabatah) = en haar sabbat | וְכֹ֖ל (vekhol) = en al | מוֹעֲדָֽהּ (moadah) = haar feesttijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַגָּהּ (chaggah), ‘haar feest’; חָדְשָׁהּ (chodshah), ‘haar nieuwe maan’; שַׁבַּתָּהּ (shabbatah), ‘haar sabbat’; מוֹעֲדָהּ (mo’adah), ‘haar feesttijd’: de vaste feesten van Israël (vergelijk Lev. 23). Yahweh noemt ze ‘haar’ feesten. Zie ook: Amos 5:21; Amos 8:5; Jes 1:13–14; Jer 7:34; Jer 16:9 **2:14** **Ik verwoest haar wijnstok en haar vijgenboom, waarvan zij zei: ‘Zij zijn mijn loon, dat mijn minnaars mij gegeven hebben.’ Ik maak ze tot een woud, en de wilde dieren van het veld zullen ze opeten.** Brontekst: וַהֲשִׁמֹּתִ֗י (vahashimoti) = en Ik zal verwoesten | גַּפְנָהּ֙ (gafnah) = haar wijnstok | וּתְאֵ֣נָתָ֔הּ (uteenatah) = en haar vijgenboom | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarvan | אָמְרָ֗ה (amera) = zij zei | אֶתְנָ֥ה (etna) = loon | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | לִ֔י (li) = voor mij | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָֽתְנוּ (natenu) = gaven | לִ֖י (li) = mij | מְאַֽהֲבָ֑י (meahavay) = mijn minnaars | וְשַׂמְתִּ֣ים (vesamtim) = en Ik zal ze maken | לְיַ֔עַר (leyaar) = tot een woud | וַאֲכָלָ֖תַם (vaakhalatam) = en zullen ze eten | חַיַּ֥ת (chayat) = de wilde dieren van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶתְנָה (etnah), ‘loon’: het gaat om een hoerenloon; vergelijk Deut. 23:19. Het woord klinkt als תְּאֵנָה (te’enah), ‘vijgenboom’. Voetnoot : חַיַּת הַשָּׂדֶה (chayyat hasadeh), ‘de wilde dieren van het veld’. Zie ook: Deut 23:19; Hos 2:7; Hos 9:1; Hos 13:8; Jes 5:5; Jes 7:23 **2:15** **Ik straf haar voor de dagen van de Baäls, waarop zij voor hen offerrook liet opgaan. Zij deed haar neusring en haar sieraad om, ging haar minnaars achterna, en Mij vergat zij, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: וּפָקַדְתִּ֣י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עָלֶ֗יהָ (aleiha) = over haar | אֶת (et) = (obj.) | יְמֵ֤י (yemei) = de dagen van | הַבְּעָלִים֙ (habealim) = de Baäls | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarop | תַּקְטִ֣יר (taqtir) = zij liet opgaan als offerrook | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | וַתַּ֤עַד (vataad) = en zij deed zich om | נִזְמָהּ֙ (nizmah) = haar neusring | וְחֶלְיָתָ֔הּ (vechelyatah) = en haar sieraad | וַתֵּ֖לֶךְ (vatelekh) = en zij ging | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | מְאַהֲבֶ֑יהָ (meahaveiha) = haar minnaars | וְאֹתִ֥י (veoti) = en Mij | שָׁכְחָ֖ה (shakhecha) = vergat zij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten. Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt. Wij zetten de formule in rood als ze midden in Zijn woorden staat. Voetnoot : פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: zie 1:4. Voetnoot : הַבְּעָלִים (hab-be’alim), ‘de Baäls’: het meervoud van Baäl; vergelijk het enkelvoud in vers 10. Voetnoot : תַּקְטִיר (taqtir), ‘offerrook laten opgaan’: reukoffers branden. Voetnoot : נִזְמָהּ (nizmah), ‘haar neusring’: zo ook Gen. 24:47. Het woord kan ook een oorring zijn. Zie ook: Gen 24:47; Re 3:7; Hos 2:10; Hos 11:2; Hos 13:1; Hos 13:6; Jer 7:9 ### Yahweh verleidt haar in de woestijn **2:16** **Daarom, zie, Ik zal haar verleiden. Ik breng haar naar de woestijn en spreek tot haar hart.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | מְפַתֶּ֔יהָ (mefateiha) = verleid haar | וְהֹֽלַכְתִּ֖יהָ (veholakhtiha) = en Ik zal haar laten gaan | הַמִּדְבָּ֑ר (hamidbar) = naar de woestijn | וְדִבַּרְתִּ֖י (vedibarti) = en Ik zal spreken | עַל (al) = tot | לִבָּֽהּ (libah) = haar hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְפַתֶּיהָ (mefatteha), ‘Ik verleid haar’: het werkwoord (פָּתָה, patah) staat ook voor overhalen en verleiden, zoals in Exod. 22:15. Voetnoot : דִּבַּרְתִּי עַל לִבָּהּ (dibbarti al libbah), ‘Ik spreek tot haar hart’: vriendelijk en geruststellend spreken. Vergelijk Gen. 34:3 en Rut 2:13. Zie ook: Gen 34:3; Ex 22:15; Ruth 2:13; Jes 30:18; Jes 40:1–2; Ezech 20:35–36; Joh 6:44; Openb 12:6 **2:17** **Van daaruit geef Ik haar haar wijngaarden, en het dal van Achor als een poort van hoop. Daar zal zij antwoorden zoals in de dagen van haar jeugd, zoals op de dag dat zij uit het land Egypte optrok.** Brontekst: וְנָתַ֨תִּי (venatati) = en Ik zal geven | לָ֤הּ (lah) = haar | אֶת (et) = (obj.) | כְּרָמֶ֨יהָ֙ (kerameiha) = haar wijngaarden | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֵ֥מֶק (emeq) = het dal van | עָכ֖וֹר (akhor) = Achor | לְפֶ֣תַח (lefetach) = als een poort van | תִּקְוָ֑ה (tiqva) = hoop | וְעָ֤נְתָה (veaneta) = en zij zal antwoorden | שָּׁ֨מָּה֙ (shama) = daar | כִּימֵ֣י (kimei) = als de dagen van | נְעוּרֶ֔יהָ (neureiha) = haar jeugd | וִּכְי֖וֹם (vikhyom) = en als de dag van | עֲלֹתָ֥הּ (alotah) = haar optrekken | מֵאֶֽרֶץ (meerets) = uit het land | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Joz. 15:7 noemt de vallei van Achor bij de noordgrens van Juda. De ligging is onzeker. Zie Dal van Achor (ligging onzeker): Het dal van Achor lag bij Jericho, aan de noordgrens van Juda. De precieze plaats is niet zeker. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: עֵמֶק עָכוֹר (emeq Achor), ‘het dal van Achor’: daar werd Achan gestenigd (Joz. 7:24–26). De naam Achor hoort bij het werkwoord ‘in ongeluk brengen’ (Joz. 7:25). Nu wordt de plaats ‘een poort van hoop’ (פֶּתַח תִּקְוָה, petach tiqvah). Voetnoot : וְעָנְתָה (ve’antah), ‘zij zal antwoorden’: het werkwoord ענה (anah) betekent ‘antwoorden’, zoals Mirjam ‘antwoordde’ met een lied (Exod. 15:21). Zie ook: Ex 15:21; Joz 7:24–26; Joz 7:25; Joz 7:26; Joz 15:7; Hos 11:1; Jer 2:2; Ezech 28:26; Hand 14:27 **2:18** **Het zal gebeuren op die dag, godsspraak van Yahweh: je zult Mij ‘mijn man’ noemen en Mij niet meer ‘mijn Baäl’ noemen.** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | בַיּוֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֙ (hahu) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | תִּקְרְאִ֖י (tiqrei) = je zult noemen | אִישִׁ֑י (ishi) = mijn man | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִקְרְאִי (tiqrei) = je zult noemen | לִ֥י (li) = Mij | ע֖וֹד (od) = nog | בַּעְלִֽי (bali) = mijn Baäl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישִׁי (ishi), ‘mijn man’, en בַּעְלִי (ba’ali), ‘mijn Baäl’: beide woorden kunnen ‘echtgenoot’ betekenen. Het tweede is ook letterlijk ‘mijn heer’ of ‘mijn eigenaar’ en klinkt als de naam van de god Baäl (vers 10, 15, 19). Het eerste is het woord van liefde en nabijheid. Zie ook: Hos 2:9; Hos 2:10; Hos 2:15; Hos 2:19; Jes 54:5; Jer 3:14; Joh 3:29; Openb 19:7 **2:19** **Ik haal de namen van de Baäls uit haar mond, en zij worden niet meer genoemd bij hun naam.** Brontekst: וַהֲסִרֹתִ֛י (vahasiroti) = en Ik zal verwijderen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמ֥וֹת (shemot) = de namen van | הַבְּעָלִ֖ים (habealim) = de Baäls | מִפִּ֑יהָ (mipiha) = uit haar mond | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִזָּכְר֥וּ (yizakheru) = zullen genoemd worden | ע֖וֹד (od) = nog | בִּשְׁמָֽם (bishmam) = bij hun naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Exod. 23:13: ‘De namen van andere goden mogen jullie niet noemen; ze mogen niet uit je mond gehoord worden.’ Zie ook: Ex 23:13; Joz 23:7; Ps 16:4; Jer 10:11; Zach 13:2 ### Het verbond en de verloving **2:20** **Op die dag sluit Ik voor hen een verbond met de wilde dieren van het veld, met de vogels van de hemel en met de kruipende dieren van de grond. Boog, zwaard en oorlog breek Ik af uit het land. Ik laat hen veilig liggen.** Brontekst: וְכָרַתִּ֨י (vekharati) = en Ik zal sluiten | לָהֶ֤ם (lahem) = voor hen | בְּרִית֙ (berit) = een verbond | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | עִם (im) = met | חַיַּ֤ת (chayat) = de wilde dieren van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | וְעִם (veim) = en met | ע֣וֹף (of) = de vogels van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְרֶ֖מֶשׂ (veremes) = en de kruipende dieren van | הָֽאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | וְקֶ֨שֶׁת (veqeshet) = en boog | וְחֶ֤רֶב (vecherev) = en zwaard | וּמִלְחָמָה֙ (umilchama) = en oorlog | אֶשְׁבּ֣וֹר (eshbor) = Ik zal breken | מִן (min) = uit | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְהִשְׁכַּבְתִּ֖ים (vehishkavtim) = en Ik zal hen laten liggen | לָבֶֽטַח (lavetach) = in veiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een verbond met de dieren: vergelijk Gen. 9:9–10. Boog, zwaard en oorlog komen ook voor in 1:5 en 1:7. Voetnoot : לָבֶטַח (lavetach), ‘veilig’: zonder gevaar of angst. Zie ook: Gen 9:9–10; Ps 46:10; Jes 11:6–9; Jes 65:25; Ezech 34:25; Ezech 39:9–10 **2:21** **Ik verloof je aan Mij voor eeuwig. Ik verloof je aan Mij in gerechtigheid en recht, in trouw en ontferming.** Brontekst: וְאֵרַשְׂתִּ֥יךְ (veerastikh) = en Ik zal je verloven | לִ֖י (li) = aan Mij | לְעוֹלָ֑ם (leolam) = voor eeuwig | וְאֵרַשְׂתִּ֥יךְ (veerastikh) = en Ik zal je verloven | לִי֙ (li) = aan Mij | בְּצֶ֣דֶק (betsedeq) = in gerechtigheid | וּבְמִשְׁפָּ֔ט (uvemishpat) = en in recht | וּבְחֶ֖סֶד (uvechesed) = en in trouw | וּֽבְרַחֲמִֽים (uverachamim) = en in ontferming Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאֵרַשְׂתִּיךְ (ve’erastikh), ‘Ik verloof je’: verloving gaat aan het huwelijk vooraf. Het woord komt drie keer voor (vers 21 en 22). Voetnoot : Vijf woorden beschrijven hoe Yahweh dit doet: צֶדֶק (tsedeq), ‘gerechtigheid’; מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’; חֶסֶד (chesed), ‘trouw’; רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’; en in vers 22 אֱמוּנָה (emunah), ‘betrouwbaarheid’. ‘Ontferming’ sluit aan bij Lo-Ruchama. Zie ook: Hos 2:22; Jes 54:8–10; Jes 54:14; 2 Kor 11:2; Openb 19:7–9; Openb 21:2 **2:22** **Ik verloof je aan Mij in betrouwbaarheid, en je zult Yahweh kennen.** Brontekst: וְאֵרַשְׂתִּ֥יךְ (veerastikh) = en Ik zal je verloven | לִ֖י (li) = aan Mij | בֶּאֱמוּנָ֑ה (beemuna) = in betrouwbaarheid | וְיָדַ֖עַתְּ (veyadaat) = en je zult kennen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיָדַעַתְּ (veyada’t), ‘en je zult kennen’: ‘kennen’ is hier persoonlijk en dichtbij, zoals in een huwelijk. Zie ook: Jer 24:7; Joh 17:3; Kol 1:10; 1 Joh 4:6; 1 Joh 5:20 ### Yahweh antwoordt **2:23** **Het zal gebeuren op die dag: Ik zal antwoorden, godsspraak van Yahweh. Ik zal de hemel antwoorden, en zij zullen de aarde antwoorden.** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | אֶֽעֱנֶה֙ (eene) = Ik zal antwoorden | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶעֱנֶ֖ה (eene) = Ik zal antwoorden | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וְהֵ֖ם (vehem) = en zij | יַעֲנ֥וּ (yaanu) = zullen antwoorden | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶעֱנֶה (e’eneh), ‘Ik zal antwoorden’: een keten van antwoorden. Yahweh antwoordt de hemel, de hemel de aarde, de aarde het graan, de most en de olie, en zij antwoorden Jizreël. Het werkwoord kan ook ‘verhoren’ betekenen. Zie ook: Jes 55:10; Jes 65:24; Zach 8:12; Mat 6:33; Rom 8:32 **2:24** **De aarde zal het graan, de most en de olie antwoorden, en zij zullen Jizreël antwoorden.** Brontekst: וְהָאָ֣רֶץ (vehaarets) = en de aarde | תַּעֲנֶ֔ה (taane) = zal antwoorden | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּגָ֖ן (hadagan) = het graan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַתִּיר֣וֹשׁ (hatirosh) = de most | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיִּצְהָ֑ר (hayitshar) = de olie | וְהֵ֖ם (vehem) = en zij | יַעֲנ֥וּ (yaanu) = zullen antwoorden | אֶֽת (et) = (obj.) | יִזְרְעֶֽאל (yizreel) = Jizreël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jizreël, ‘El zaait’: de keten van antwoorden eindigt bij de naam van de zoon van 1:4. Zie ook: Joël 2:19; Hos 1:4; Hos 2:2; Jer 31:12 **2:25** **Ik zal haar voor Mij in het land zaaien. Ik zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama. Ik zal tegen Lo-Ammi zeggen: ‘Mijn volk ben jij’, en hij zal zeggen: ‘Mijn Elohim!’”** Brontekst: וּזְרַעְתִּ֤יהָ (uzeratiha) = en Ik zal haar zaaien | לִּי֙ (li) = voor Mij | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | וְרִֽחַמְתִּ֖י (verichamti) = en Ik zal Mij ontfermen | אֶת (et) = (obj.) | לֹ֣א (lo) = Lo | רֻחָ֑מָה (ruchama) = Ruchama | וְאָמַרְתִּ֤י (veamarti) = en Ik zal zeggen | לְלֹֽא (lelo) = tegen Lo | עַמִּי֙ (ami) = Ammi | עַמִּי (ami) = mijn volk | אַ֔תָּה (ata) = jij | וְה֖וּא (vehu) = en hij | יֹאמַ֥ר (yomar) = zal zeggen | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De drie namen van hoofdstuk 1 worden omgekeerd. Jizreël: ‘Ik zal haar zaaien’. Lo-Ruchama: ‘Ik zal Mij ontfermen’. Lo-Ammi: ‘Mijn volk ben jij’. Voetnoot : אֱלֹהָי (Elohai), ‘Mijn Elohim’: het antwoord van het volk. Voetnoot : Dit vers wordt in het Nieuwe Testament aangehaald: Rom. 9:25–26 en 1 Petr. 2:10. Zie ook: Hos 1:9–2:1; Zach 13:9; Rom 3:29; Rom 9:25–26; 1 Petr 2:9–10; 1 Petr 2:10 ## Hosea 3 _De vrouw die overspel pleegt en de lange tijd zonder koning_ ### Heb opnieuw lief **3:1** Yahweh zei tegen mij: **„Ga opnieuw. Heb een vrouw lief die door een ander bemind wordt en overspel pleegt, zoals Yahweh de zonen van Israël liefheeft. Zij keren zich tot andere goden en hebben rozijnenkoeken lief.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | ע֚וֹד (od) = nog | לֵ֣ךְ (lekh) = ga | אֱֽהַב (ehav) = heb lief | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | אֲהֻ֥בַת (ahuvat) = bemind door | רֵ֖עַ (rea) = een ander | וּמְנָאָ֑פֶת (umenaafet) = en overspel plegend | כְּאַהֲבַ֤ת (keahavat) = zoals de liefde van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְהֵ֗ם (vehem) = en zij | פֹּנִים֙ (ponim) = zich keren | אֶל (el) = tot | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = goden | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וְאֹהֲבֵ֖י (veohavei) = en liefhebbers van | אֲשִׁישֵׁ֥י (ashishei) = koeken van | עֲנָבִֽים (anavim) = druiven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit hoofdstuk vertelt Hosea in de eerste persoon (‘tegen mij’). Zijn eigen woorden zijn zwart; de woorden van Yahweh zijn rood. Voetnoot : עוֹד (od), ‘opnieuw’: het Hebreeuws zegt niet of deze vrouw Gomer (1:3) is of een andere vrouw. Wij laten dat open. Voetnoot : אֲהֻבַת רֵעַ (ahuvat re’a), ‘door een ander bemind’: רֵעַ (re’a) is ‘metgezel’ of ‘ander’. Het gaat om een vrouw die bij een ander hoort en overspel pleegt. Voetnoot : אֲשִׁישֵׁי עֲנָבִים (ashishe anavim), ‘rozijnenkoeken’: letterlijk ‘koeken van druiven’; zie ook 2 Sam. 6:19. Hier staan ze naast ‘andere goden’. Zie ook: 2 Sam 6:19; Hos 1:2–3; Jes 45:22; Mi 7:18–20; Jer 3:12–14; Jer 31:20 **3:2** Ik kocht haar voor mij voor vijftien zilverstukken, een homer gerst en een letech gerst. Brontekst: וָאֶכְּרֶ֣הָ (vaekereha) = en ik kocht haar | לִּ֔י (li) = voor mij | בַּחֲמִשָּׁ֥ה (bachamisha) = voor vijf | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וְחֹ֥מֶר (vechomer) = en een homer van | שְׂעֹרִ֖ים (seorim) = gerst | וְלֵ֥תֶךְ (veletekh) = en een letech van | שְׂעֹרִֽים (seorim) = gerst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָאֶכְּרֶהָ (va’ekkereha), ‘Ik kocht haar’. Het Hebreeuws noemt bij ‘vijftien zilver’ geen munteenheid; ‘zilverstukken’ is een kleine aanvulling van ons. Waarschijnlijk zijn het sikkels. 15 sikkels zijn ongeveer 171 gram zilver (een sikkel is ongeveer 11,4 gram). Voetnoot : חֹמֶר (chomer), ‘homer’: ongeveer 220 liter (tien efa; een efa is ongeveer 22 liter). לֵתֶךְ (letech), ‘letech’: een maat die alleen hier voorkomt; waarschijnlijk een halve homer, ongeveer 110 liter. De omrekening is onzeker. Zie ook: Gen 31:41; Gen 34:12; Lev 27:16; 1 Sam 18:25; Ezech 45:11 **3:3** Ik zei tegen haar: „Vele dagen zul je voor mij blijven zitten. Je zult niet hoereren en niet van een man zijn. Zo zal ook ik zijn tegenover jou.” Brontekst: וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en ik zei | אֵלֶ֗יהָ (eleiha) = tegen haar | יָמִ֤ים (yamim) = dagen | רַבִּים֙ (rabim) = vele | תֵּ֣שְׁבִי (teshevi) = zul je blijven zitten | לִ֔י (li) = voor mij | לֹ֣א (lo) = niet | תִזְנִ֔י (tizni) = zul je hoereren | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִֽהְיִ֖י (tihyi) = zul je zijn | לְאִ֑ישׁ (leish) = van een man | וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֖י (ani) = ik | אֵלָֽיִךְ (elayikh) = tegenover jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּם אֲנִי אֵלָיִךְ (gam ani elayikh), ‘ook ik tegenover jou’: het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord. Wij vullen ‘zal zo zijn’ aan. De zin wordt meestal zo begrepen dat ook Hosea zich in die tijd van haar afhoudt. Het Hebreeuws zegt dat niet uitdrukkelijk. Voetnoot : De ‘vele dagen’ van dit vers komen terug in vers 4. Zie ook: Deut 21:13; Hos 3:4 ### Israël zonder koning en zonder offer **3:4** Want vele dagen zullen de zonen van Israël blijven zitten zonder koning en zonder overste, zonder slachtoffer en zonder gewijde steen, zonder efod en terafim. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | רַבִּ֗ים (rabim) = vele | יֵֽשְׁבוּ֙ (yeshevu) = zullen blijven zitten | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֵ֥ין (ein) = zonder | מֶ֨לֶךְ֙ (melekh) = koning | וְאֵ֣ין (veein) = en zonder | שָׂ֔ר (sar) = overste | וְאֵ֥ין (veein) = en zonder | זֶ֖בַח (zevach) = slachtoffer | וְאֵ֣ין (veein) = en zonder | מַצֵּבָ֑ה (matseva) = gewijde steen | וְאֵ֥ין (veein) = en zonder | אֵפ֖וֹד (efod) = efod | וּתְרָפִֽים (uterafim) = en terafim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֶלֶךְ (melekh), ‘koning’, en שָׂר (sar), ‘overste’: de leiders van het volk. Voetnoot : זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’: een dier dat geslacht wordt voor een offermaaltijd. Voetnoot : מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde steen’: een steen die bij een heiligdom wordt opgericht. Voetnoot : אֵפוֹד (efod): een priesterlijk kleed, waarmee ook raad aan Yahweh werd gevraagd (zie 1 Sam. 23:9 en 30:7). Voetnoot : תְּרָפִים (terafim): huisgoden of beeldjes (zie Richt. 17:5). Het rijtje noemt dingen die bij de dienst van Yahweh horen, en dingen die erbuiten vallen. Het Hebreeuws zegt niet welke bedoeld zijn. Zie ook: Gen 31:19; Ex 28:4; Re 17:5; 1 Sam 23:9; 1 Sam 30:7; 2 Kron 15:2; Heb 10:26 **3:5** Daarna zullen de zonen van Israël terugkeren en Yahweh, hun Elohim, zoeken, en David, hun koning. Sidderend zullen zij naar Yahweh en naar Zijn goedheid komen, in de laatste dagen. Brontekst: אַחַ֗ר (achar) = daarna | יָשֻׁ֨בוּ֙ (yashuvu) = zullen terugkeren | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּבִקְשׁוּ֙ (uviqshu) = en zullen zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun Elohim | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | דָּוִ֣ד (david) = David | מַלְכָּ֑ם (malkam) = hun koning | וּפָחֲד֧וּ (ufachadu) = en zullen sidderend komen | אֶל (el) = naar | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וְאֶל (veel) = en naar | טוּב֖וֹ (tuvo) = Zijn goedheid | בְּאַחֲרִ֥ית (beacharit) = in de laatste | הַיָּמִֽים (hayamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּחֲדוּ אֶל (pachadu el), ‘zullen sidderend komen naar’: het werkwoord (פָּחַד, pachad) is ‘beven’ of ‘vrezen’. Met אֶל (el), ‘naar’, krijgt het de betekenis van sidderend naderen. Voetnoot : דָּוִד מַלְכָּם (David malkam), ‘David, hun koning’: de koning David zelf was toen al gestorven. De naam wijst op een koning uit zijn huis. Vergelijk Jer. 30:9. Voetnoot : בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de tijd in de toekomst; zie Gen. 49:1. Zie ook: Gen 49:1; Jes 2:2; Jer 30:9; Jer 50:4–5; Ezech 34:23–24; Ezech 37:22–25 ## Hosea 4 _De rechtszaak van Yahweh tegen priesters en volk_ ### Een rechtszaak tegen het land **4:1** Hoor het woord van Yahweh, zonen van Israël. Want Yahweh heeft een rechtszaak met de bewoners van het land: er is geen waarheid, geen trouw en geen kennis van Elohim in het land. Brontekst: שִׁמְע֥וּ (shimu) = hoor | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּ֣י (ki) = want | רִ֤יב (riv) = rechtszaak | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | עִם (im) = met | יוֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | כִּ֠י (ki) = want | אֵין (ein) = er is niet | אֱמֶ֧ת (emet) = waarheid | וְֽאֵין (veein) = en er is niet | חֶ֛סֶד (chesed) = trouw | וְאֵֽין (veein) = en niet | דַּ֥עַת (daat) = kennis van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִיב (riv), ‘rechtszaak’: Yahweh treedt op als aanklager tegen Zijn volk. Voetnoot : אֱמֶת (emet), ‘waarheid’; חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw; דַּעַת אֱלֹהִים (da'at Elohim), ‘kennis van Elohim’: Elohim kennen en doen wat Hij zegt, niet alleen over Hem weten. Het woord ‘kennis’ komt ook voor in vers 6. Zie ook: Hos 4:6; Jes 3:13–14; Jes 34:1; Mi 6:2; Jer 4:22; 1 Kor 15:34 **4:2** Er is vervloeking en leugen, moord, diefstal en overspel. Zij breken door alle grenzen, en bloedvergieten raakt aan bloedvergieten. Brontekst: אָלֹ֣ה (alo) = vervloeking | וְכַחֵ֔שׁ (vekhachesh) = en liegen | וְרָצֹ֥חַ (veratsoach) = en moorden | וְגָנֹ֖ב (veganov) = en stelen | וְנָאֹ֑ף (venaof) = en overspel plegen | פָּרָ֕צוּ (paratsu) = zij breken door | וְדָמִ֥ים (vedamim) = en bloedvergieten | בְּדָמִ֖ים (bedamim) = aan bloedvergieten | נָגָֽעוּ (nagau) = raakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 6:9; Mi 7:2; Jer 5:7–9; Jer 6:7; 1 Tess 2:15 **4:3** Daarom treurt het land, en elke bewoner ervan kwijnt weg, met de dieren van het veld en de vogels van de hemel. Ook de vissen van de zee worden weggenomen. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֣ן (ken) = (zo) | תֶּאֱבַ֣ל (teeval) = treurt | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | וְאֻמְלַל֙ (veumlal) = en kwijnt weg | כָּל (kal) = elke | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = bewoner van | בָּ֔הּ (bah) = daarin | בְּחַיַּ֥ת (bechayat) = met de dieren van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | וּבְע֣וֹף (uveof) = en met de vogels van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וְגַם (vegam) = en ook | דְּגֵ֥י (degei) = de vissen van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | יֵאָסֵֽפוּ (yeasefu) = worden weggenomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 24:4–12; Nah 1:4; Sef 1:3; Jer 12:4; Ezech 38:20 ### Tegen de priesters **4:4** **„Maar laat niemand twisten, en laat niemand een ander terechtwijzen. Jouw volk is als wie met de priester twist.** Brontekst: אַ֥ךְ (akh) = maar | אִ֛ישׁ (ish) = man | אַל (al) = niet | יָרֵ֖ב (yarev) = laat twisten | וְאַל (veal) = en niet | יוֹכַ֣ח (yokhach) = laat terechtwijzen | אִ֑ישׁ (ish) = man | וְעַמְּךָ֖ (veamekha) = en jouw volk | כִּמְרִיבֵ֥י (kimrivei) = is als twisters met | כֹהֵֽן (kohen) = de priester Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Hebreeuwse tekst van dit vers is moeilijk. Letterlijk staat er: ‘jouw volk is als twisters met een priester’. Wij begrijpen: het volk is zo ver van Yahweh dat het zelfs twist met de priester, die het zou moeten onderwijzen. Voetnoot : Vanaf dit vers nemen wij aan dat Yahweh zelf spreekt: in vers 5 zegt de spreker ‘Ik breng je moeder tot zwijgen’ en dit sluit aan op ‘jouw volk’ in vers 4. Vers 10 spreekt over Yahweh in de derde persoon; vers 10 en 11 staan daarom zwart. Zie ook: Deut 17:12; Amos 5:13; Hos 4:5; Hos 4:10; Hos 4:11; Hos 4:17; Ezech 3:26; Mat 7:3–6 **4:5** **Overdag zul je struikelen, en 's nachts struikelt ook de profeet met je mee. Ik breng je moeder tot zwijgen.** Brontekst: וְכָשַׁלְתָּ֣ (vekhashalta) = en je zult struikelen | הַיּ֔וֹם (hayom) = overdag | וְכָשַׁ֧ל (vekhashal) = en zal struikelen | גַּם (gam) = ook | נָבִ֛יא (navi) = profeet | עִמְּךָ֖ (imekha) = met jou | לָ֑יְלָה (layela) = 's nachts | וְדָמִ֖יתִי (vedamiti) = en Ik breng tot zwijgen | אִמֶּֽךָ (imekha) = je moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Je moeder’ is het volk als geheel (vergelijk Hos. 2:4). Zie ook: Hos 2:4; Jer 15:8; Ezech 14:7–10; Zach 13:2; Gal 4:26 **4:6** **Mijn volk wordt tot zwijgen gebracht door gebrek aan kennis. Omdat jij de kennis hebt verworpen, verwerp Ik jou als priester voor Mij. Je bent de wet van je Elohim vergeten; ook Ik vergeet je zonen.** Brontekst: נִדְמ֥וּ (nidmu) = zijn tot zwijgen gebracht | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | מִבְּלִ֣י (mibeli) = zonder | הַדָּ֑עַת (hadaat) = de kennis | כִּֽי (ki) = want | אַתָּ֞ה (ata) = jij | הַדַּ֣עַת (hadaat) = de kennis | מָאַ֗סְתָּ (maasta) = hebt verworpen | וְאֶמְאָֽסְאךָ֙ (veemasekha) = en Ik verwerp jou | מִכַּהֵ֣ן (mikahen) = als priester | לִ֔י (li) = voor Mij | וַתִּשְׁכַּח֙ (vatishkach) = en je vergat | תּוֹרַ֣ת (torat) = wet van | אֱלֹהֶ֔יךָ (eloheikha) = je Elohim | אֶשְׁכַּ֥ח (eshkach) = Ik zal vergeten | בָּנֶ֖יךָ (baneikha) = je zonen | גַּם (gam) = ook | אָֽנִי (ani) = Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּמָה (damah), ‘tot zwijgen brengen’: ook ‘vernietigen, ten onder laten gaan’. Hetzelfde werkwoord staat in vers 5. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’. De priesters moesten het volk onderwijzen. Zie ook: Spr 19:2; Hos 4:1; Hos 4:5; Hos 6:6; Jes 5:13; 2 Kor 4:3–6 **4:7** **Naarmate zij talrijker werden, zondigden zij zo meer tegen Mij. Hun eer verander Ik in schande.** Brontekst: כְּרֻבָּ֖ם (kerubam) = naarmate zij talrijk werden | כֵּ֣ן (ken) = zo | חָֽטְאוּ (chateu) = zij zondigden | לִ֑י (li) = tegen Mij | כְּבוֹדָ֖ם (kevodam) = hun eer | בְּקָל֥וֹן (beqalon) = in schande | אָמִֽיר (amir) = Ik verander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De overgeleverde tekst leest ‘Ik verander’ (אָמִיר, amir). Sommige oude vertalingen lezen anders: ‘zij hebben hun eer verwisseld voor schande’. Wij volgen de overgeleverde tekst. Zie ook: 1 Sam 2:30; Hos 4:10; Hos 10:1; Hos 13:6; Fil 3:19 **4:8** **Zij eten de zonde van Mijn volk, en elk van hen richt zijn begeerte op hun schuld.** Brontekst: חַטַּ֥את (chatat) = zonde van | עַמִּ֖י (ami) = Mijn volk | יֹאכֵ֑לוּ (yokhelu) = zij eten | וְאֶל (veel) = en naar | עֲוֺנָ֖ם (avonam) = hun schuld | יִשְׂא֥וּ (yisu) = verheffen zij | נַפְשֽׁוֹ (nafsho) = zijn begeerte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַטָּאת (chatat), ‘zonde’: het woord betekent ook ‘zondoffer’. De priesters aten van de zondoffers (Lev. 6:19). Het kan betekenen dat zij van de zonde van het volk leven en daarom willen dat het volk schuldig blijft. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘begeerte’: het woord betekent ook ‘ziel’ of ‘leven’. Zie ook: Lev 6:19; 1 Sam 2:29; Jes 56:11; Mi 3:11; Tit 1:11 **4:9** **Het zal gaan met het volk zoals met de priester. Ik zal hem straffen voor zijn wegen en zijn daden aan hem vergelden.”** Brontekst: וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | כָעָ֖ם (kaam) = als het volk | כַּכֹּהֵ֑ן (kakohen) = als de priester | וּפָקַדְתִּ֤י (ufaqadti) = en Ik zal straffen | עָלָיו֙ (alav) = over hem | דְּרָכָ֔יו (derakhav) = zijn wegen | וּמַעֲלָלָ֖יו (umaalalav) = en zijn daden | אָשִׁ֥יב (ashiv) = Ik zal terugbetalen | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 1:4; Jes 24:2; Jer 5:31; Jer 23:11–12; Mat 15:14 ### Hoererij en afgoderij **4:10** Zij zullen eten, maar niet verzadigd worden. Zij hebben gehoereerd, maar zullen zich niet vermenigvuldigen. Want zij hebben Yahweh verlaten, zonder nog op Hem te letten. Brontekst: וְאָֽכְלוּ֙ (veakhelu) = en zij zullen eten | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִשְׂבָּ֔עוּ (yisbau) = verzadigd worden | הִזְנ֖וּ (hiznu) = zij hoereerden | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִפְרֹ֑צוּ (yifrotsu) = zij zullen zich vermenigvuldigen | כִּֽי (ki) = want | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | עָזְב֖וּ (azevu) = zij verlieten | לִשְׁמֹֽר (lishmor) = om te letten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִשְׁמֹר (lishmor), ‘om te letten’: het voorwerp ontbreekt. Wij vertalen vrij ‘zonder nog op Hem te letten’. Sommigen verbinden het werkwoord met het begin van vers 11. Zie ook: Lev 26:26; Ps 125:5; Spr 13:25; Hos 4:11; Mi 6:14; Hag 1:6 **4:11** Hoererij, wijn en most nemen het hart weg. Brontekst: זְנ֛וּת (zenut) = hoererij | וְיַ֥יִן (veyayin) = en wijn | וְתִיר֖וֹשׁ (vetirosh) = en most | יִֽקַּֽח (yiqach) = neemt weg | לֵֽב (lev) = hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 6:32; Spr 20:1; Spr 23:27–35; Jes 28:7; Luc 21:34 **4:12** **„Mijn volk raadpleegt zijn houtblok, en zijn staf geeft hem uitleg. Want een geest van hoererij heeft hen laten dwalen; zij hebben gehoereerd en zijn weggegaan van hun Elohim.** Brontekst: עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | בְּעֵצ֣וֹ (beetso) = bij zijn hout | יִשְׁאָ֔ל (yishal) = vraagt | וּמַקְל֖וֹ (umaqlo) = en zijn staf | יַגִּ֣יד (yagid) = maakt bekend | ל֑וֹ (lo) = hem | כִּ֣י (ki) = want | ר֤וּחַ (ruach) = geest van | זְנוּנִים֙ (zenunim) = hoererijen | הִתְעָ֔ה (hita) = heeft laten dwalen | וַיִּזְנ֖וּ (vayiznu) = en zij hoereerden | מִתַּ֥חַת (mitachat) = van onder | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Houtblok’ en ‘staf’: waarschijnlijk een houten afgodsbeeld en een waarzeggersstaf. Het volk vraagt raad aan hout in plaats van aan Yahweh. Voetnoot : רוּחַ (ruach), ‘geest’: ook ‘wind’. Hier is het een geest die tot hoererij brengt. Zie ook: Num 15:39; Deut 31:16; Hos 5:4; Jer 2:27; Hab 2:19 **4:13** **Op de toppen van de bergen brengen zij offers. Op de heuvels laten zij offerrook opstijgen, onder eik, populier en terebint, want hun schaduw is goed. Daarom hoereren jullie dochters en plegen jullie schoondochters overspel.** Brontekst: עַל (al) = op | רָאשֵׁ֨י (rashei) = toppen van | הֶהָרִ֜ים (heharim) = de bergen | יְזַבֵּ֗חוּ (yezabechu) = zij offeren | וְעַל (veal) = en op | הַגְּבָעוֹת֙ (hagevaot) = de heuvels | יְקַטֵּ֔רוּ (yeqateru) = zij laten rook opgaan | תַּ֣חַת (tachat) = onder | אַלּ֧וֹן (alon) = eik | וְלִבְנֶ֛ה (velivne) = en populier | וְאֵלָ֖ה (veela) = en terebint | כִּ֣י (ki) = want | ט֣וֹב (tov) = goed | צִלָּ֑הּ (tsilah) = zijn schaduw | עַל (al) = op | כֵּ֗ן (ken) = zo | תִּזְנֶ֨ינָה֙ (tizneina) = hoereren | בְּנ֣וֹתֵיכֶ֔ם (benoteikhem) = jullie dochters | וְכַלּוֹתֵיכֶ֖ם (vekhaloteikhem) = en jullie schoondochters | תְּנָאַֽפְנָה (tenaafna) = plegen overspel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen van de bomen zijn niet zeker: אַלּוֹן (allon), ‘eik’; לִבְנֶה (livneh), ‘populier’; אֵלָה (elah), ‘terebint’. De offers op bergen en heuvels doen denken aan de verboden hoogten (Deut. 12:2). Zie ook: Deut 12:2; Amos 7:17; Jes 1:29; Jer 2:20; Jer 3:6; Ezech 6:13 **4:14** **Ik zal jullie dochters niet straffen wanneer zij hoereren, en jullie schoondochters niet wanneer zij overspel plegen. Want de mannen zelf gaan apart met de hoeren en offeren met de tempelhoeren. Een volk zonder inzicht komt ten val.”** Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | אֶפְק֨וֹד (efqod) = Ik zal straffen | עַל (al) = over | בְּנוֹתֵיכֶ֜ם (benoteikhem) = jullie dochters | כִּ֣י (ki) = want | תִזְנֶ֗ינָה (tizneina) = zij hoereren | וְעַל (veal) = en over | כַּלּֽוֹתֵיכֶם֙ (kaloteikhem) = jullie schoondochters | כִּ֣י (ki) = want | תְנָאַ֔פְנָה (tenaafna) = zij plegen overspel | כִּי (ki) = want | הֵם֙ (hem) = zij | עִם (im) = met | הַזֹּנ֣וֹת (hazonot) = de hoeren | יְפָרֵ֔דוּ (yefaredu) = gaan apart | וְעִם (veim) = en met | הַקְּדֵשׁ֖וֹת (haqedeshot) = de tempelhoeren | יְזַבֵּ֑חוּ (yezabechu) = offeren | וְעָ֥ם (veam) = en een volk | לֹֽא (lo) = niet | יָבִ֖ין (yavin) = inzicht heeft | יִלָּבֵֽט (yilavet) = komt ten val Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְדֵשׁוֹת (qedeshot), ‘tempelhoeren’: letterlijk ‘gewijde vrouwen’, vrouwen die bij de eredienst van afgoden hoorden. Zie ook: Hos 4:1; Hos 14:10; 1 Kor 6:16; Rom 3:11; Ef 4:18 ### Een waarschuwing aan Juda **4:15** Als jij, Israël, hoereert, laat Juda zich dan niet schuldig maken. Ga niet naar Gilgal, trek niet op naar Bet-Awen, en zweer niet: ‘Zo waar Yahweh leeft!’ Brontekst: אִם (im) = als | זֹנֶ֤ה (zone) = hoerend | אַתָּה֙ (ata) = jij | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אַל (al) = niet | יֶאְשַׁ֖ם (yesham) = laat schuldig worden | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְאַל (veal) = en niet | תָּבֹ֣אוּ (tavou) = komt | הַגִּלְגָּ֗ל (hagilgal) = naar Gilgal | וְאַֽל (veal) = en niet | תַּעֲלוּ֙ (taalu) = trek op | בֵּ֣ית (beit) = huis van | אָ֔וֶן (aven) = onheil | וְאַל (veal) = en niet | תִּשָּׁבְע֖וּ (tishaveu) = zweer | חַי (chay) = levend is | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal (bij Jericho?; ligging onzeker): Het is niet zeker welk Gilgal hier bedoeld is. Een mogelijkheid is het Gilgal bij Jericho (Jozua 4:19). Dit is niet zeker. Zie Gilgal (bij Betel?; ligging onzeker): Een andere mogelijkheid is een Gilgal in het bergland bij Betel, vermoedelijk bij het huidige Jiljilya. Dit is niet zeker. Zie Bet-Aven (ligging onzeker): Bet-Aven (Bet-Awen) lag ten oosten van Betel, bij Ai. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: בֵּית אָוֶן (Bet-Awen), ‘huis van onheil’: spottende naam voor Betel, ‘huis van El’, waar Jerobeam een gouden kalf plaatste (1 Kon. 12:29). Zie ook: 1 Kon 12:29; Amos 4:4; Amos 5:5; Hos 9:15; Hos 12:12; Jer 5:2 **4:16** Want Israël is weerspannig als een weerspannige koe. Zal Yahweh hen nu weiden als een lam in de ruime weide? Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | כְּפָרָ֣ה (kefara) = als koe | סֹֽרֵרָ֔ה (sorera) = weerspannig | סָרַ֖ר (sarar) = is weerspannig | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עַתָּה֙ (ata) = nu | יִרְעֵ֣ם (yirem) = zal Hem weiden | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כְּכֶ֖בֶשׂ (kekheves) = als lam | בַּמֶּרְחָֽב (bamerchav) = in ruimte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin kan een vraag zijn (zo vertalen wij) of een stelling: ‘nu zal Yahweh hen weiden als een lam’. Zie ook: 1 Sam 15:11; Hos 11:7; Jes 22:18; Jer 5:6; Jer 8:5 **4:17** Efraïm is verbonden met afgodsbeelden. Laat hem met rust. Brontekst: חֲב֧וּר (chavur) = verbonden met | עֲצַבִּ֛ים (atsabim) = afgodsbeelden | אֶפְרָ֖יִם (efrayim) = Efraïm | הַֽנַּֽח (hanach) = laat | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶפְרַיִם (Efraïm): de grootste stam van het Noordrijk. Hosea gebruikt de naam voor het hele Noordrijk Israël. Zie ook: Ps 81:13; Hos 11:2; Hos 13:2; Mat 15:14; Openb 22:11 **4:18** Als hun drank op is, blijven zij hoereren. Haar beschermers beminnen schande: ‘Geef!’ Brontekst: סָ֖ר (sar) = is voorbij | סָבְאָ֑ם (saveam) = hun drank | הַזְנֵ֣ה (hazne) = hoerend | הִזְנ֔וּ (hiznu) = zij hoereren | אָהֲב֥וּ (ahavu) = zij beminnen | הֵב֛וּ (hevu) = geef | קָל֖וֹן (qalon) = schande | מָגִנֶּֽיהָ (magineiha) = haar beschermers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De tekst van dit vers is moeilijk. Letterlijk staat er: ‘voorbij is hun drank; hoererij hoereren zij; zij beminnen, geef, schande, haar schilden’. ‘Schilden’ zijn hier de beschermers, de leiders. Wij houden de woorden in de volgorde van het Hebreeuws en lezen ‘Geef!’ als hun roep. Zie ook: Deut 16:19; Deut 32:32–33; Spr 30:15–16; Hos 4:2; Mi 3:11 **4:19** De wind heeft haar in zijn vleugels gewikkeld, en zij zullen beschaamd worden door hun offers. Brontekst: צָרַ֥ר (tsarar) = heeft gewikkeld | ר֛וּחַ (ruach) = wind | אוֹתָ֖הּ (otah) = haar | בִּכְנָפֶ֑יהָ (bikhnafeiha) = in haar vleugels | וְיֵבֹ֖שׁוּ (veyevoshu) = en zij zullen beschaamd worden | מִזִּבְחוֹתָֽם (mizivchotam) = om hun offers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘wind’: ook ‘geest’. ‘Haar’ slaat waarschijnlijk op het volk, Efraïm. Zie ook: Hos 12:2; Hos 13:15; Jes 1:29; Jer 4:11–12; Jer 51:1 ## Hosea 5 _Oordeel over priesters, volk en koning_ ### Hoor dit, priesters en koninklijk huis **5:1** **„Hoor dit, priesters. Let op, huis van Israël. Luister, huis van de koning. Want voor jullie is het recht: jullie zijn een strik geworden voor Mizpa en een uitgespreid net op de Tabor.** Brontekst: שִׁמְעוּ (shimu) = hoor | זֹ֨את (zot) = dit | הַכֹּהֲנִ֜ים (hakohanim) = de priesters | וְהַקְשִׁ֣יבוּ (vehaqshivu) = en let op | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וּבֵ֤ית (uveit) = en huis van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הַאֲזִ֔ינוּ (haazinu) = luister | כִּ֥י (ki) = want | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | הַמִּשְׁפָּ֑ט (hamishpat) = het recht | כִּֽי (ki) = want | פַח֙ (pach) = strik | הֱיִיתֶ֣ם (heyitem) = jullie zijn geworden | לְמִצְפָּ֔ה (lemitspa) = voor Mizpa | וְרֶ֖שֶׁת (vereshet) = en net | פְּרוּשָׂ֥ה (perusa) = uitgespreid | עַל (al) = op | תָּבֽוֹר (tavor) = Tabor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan. Zie Tabor: De Tabor is een berg in het zuiden van Galilea, ten oosten van Nazaret. Voetnoot Uitleg: Wij nemen aan dat Yahweh hier al spreekt: in vers 2 en 3 zegt de spreker ‘Ik’. Vanaf vers 4 spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon; daar staat de tekst zwart. Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: ‘voor jullie is het recht’ kan betekenen dat het oordeel jullie treft, of dat jullie verantwoordelijk zijn voor het recht in het land. Voetnoot : Strik en net zijn beelden uit de jacht. Zie ook: Hos 5:2; Hos 5:3; Hos 5:4; Hos 6:9; Hos 9:8; Mi 3:9; Mi 7:2; Hab 1:15–17 **5:2** **De afvalligen hebben de slachting diep gemaakt. Ik ben een tuchtiging voor hen allen.** Brontekst: וְשַׁחֲטָ֥ה (veshachata) = en slachting | שֵׂטִ֖ים (setim) = afvalligen | הֶעְמִ֑יקוּ (hemiqu) = hebben diep gemaakt | וַאֲנִ֖י (vaani) = en Ik | מוּסָ֥ר (musar) = tuchtiging | לְכֻלָּֽם (lekhulam) = voor hen allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst van dit vers is moeilijk. שֵׂטִים (setim) kan ‘afvalligen’ betekenen (zo vertalen wij), of de plaatsnaam Sittim zijn (Num. 25:1). Voetnoot : מוּסָר (musar), ‘tucht’: tuchtiging die het volk moet terugbrengen. Zie ook: Num 25:1; Amos 4:6–12; Hos 6:9; Hos 9:15; Jes 29:15; Jer 18:18 **5:3** **Ik ken Efraïm, en Israël is niet voor Mij verborgen. Want nu heb je gehoereerd, Efraïm; Israël is onrein geworden.”** Brontekst: אֲנִי֙ (ani) = Ik | יָדַ֣עְתִּי (yadati) = ken | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וְיִשְׂרָאֵ֖ל (veyisrael) = en Israël | לֹֽא (lo) = niet | נִכְחַ֣ד (nikhchad) = is verborgen | מִמֶּ֑נִּי (mimeni) = voor Mij | כִּ֤י (ki) = want | עַתָּה֙ (ata) = nu | הִזְנֵ֣יתָ (hizneita) = je hebt gehoereerd | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | נִטְמָ֖א (nitma) = is onrein geworden | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 14:14–16; Amos 3:2; Amos 5:12; Heb 4:13; Openb 3:15 ### Zij kennen Yahweh niet **5:4** Hun daden laten hen niet terugkeren tot hun Elohim. Want een geest van hoererij is in hun binnenste, en Yahweh kennen zij niet. Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | יִתְּנוּ֙ (yitenu) = zij geven | מַ֣עַלְלֵיהֶ֔ם (maalleihem) = hun daden | לָשׁ֖וּב (lashuv) = om terug te keren | אֶל (el) = tot | אֱלֹֽהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | כִּ֣י (ki) = want | ר֤וּחַ (ruach) = geest van | זְנוּנִים֙ (zenunim) = hoererijen | בְּקִרְבָּ֔ם (beqirbam) = in hun binnenste | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | יָדָֽעוּ (yadau) = zij kennen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 4:1; Hos 4:12; Jer 50:38; Joh 8:55; 1 Joh 2:3–4 **5:5** De trots van Israël getuigt tegen hem, recht in zijn gezicht. Israël en Efraïm struikelen door hun schuld, en ook Juda struikelt met hen mee. Brontekst: וְעָנָ֥ה (veana) = en getuigt | גְאֽוֹן (geon) = trots van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּפָנָ֑יו (befanav) = in zijn gezicht | וְיִשְׂרָאֵ֣ל (veyisrael) = en Israël | וְאֶפְרַ֗יִם (veefrayim) = en Efraïm | יִכָּֽשְׁלוּ֙ (yikashelu) = zullen struikelen | בַּעֲוֺנָ֔ם (baavonam) = in hun schuld | כָּשַׁ֥ל (kashal) = struikelde | גַּם (gam) = ook | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | עִמָּֽם (imam) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּאוֹן יִשְׂרָאֵל (ge'on Yisra'el), ‘trots van Israël’: de hoogmoed van het volk zelf. Zie ook: Spr 24:16; Amos 5:2; Hos 7:10; Ezech 23:31–35; Luc 19:22 **5:6** Met hun schapen en hun runderen gaan zij Yahweh zoeken, maar zij vinden Hem niet. Hij heeft Zich aan hen onttrokken. Brontekst: בְּצֹאנָ֣ם (betsonam) = met hun schapen | וּבִבְקָרָ֗ם (uvivqaram) = en met hun runderen | יֵֽלְכ֛וּ (yelekhu) = zij gaan | לְבַקֵּ֥שׁ (levaqesh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִמְצָ֑אוּ (yimtsau) = zij vinden | חָלַ֖ץ (chalats) = Hij heeft Zich onttrokken | מֵהֶֽם (mehem) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 1:28; Spr 15:8; Jes 1:11–15; Mi 6:6–7; Joh 7:34 **5:7** Zij zijn Yahweh ontrouw geweest, want zij hebben vreemde kinderen gekregen. Nu zal een maand hen verslinden, samen met hun erfdelen. Brontekst: בַּיהוָ֣ה (baYahweh) = tegen Yahweh | בָּגָ֔דוּ (bagadu) = zij handelden trouweloos | כִּֽי (ki) = want | בָנִ֥ים (banim) = zonen | זָרִ֖ים (zarim) = vreemde | יָלָ֑דוּ (yaladu) = zij kregen | עַתָּ֛ה (ata) = nu | יֹאכְלֵ֥ם (yokhlem) = zal hen verslinden | חֹ֖דֶשׁ (chodesh) = maand | אֶת (et) = (obj.) | חֶלְקֵיהֶֽם (chelqeihem) = hun erfdelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹדֶשׁ (chodesh), ‘maand’: het woord betekent ook ‘nieuwe maan’, het feest waarop het volk offers bracht. Een maand is een korte tijd: het oordeel komt snel. Voetnoot : חֵלֶק (chelek), ‘erfdeel’: het stuk land dat een familie in bezit had. Zie ook: Ps 144:7; Ps 144:11; Hos 2:6; Hos 6:7; Ezech 12:28 ### Alarm in Benjamin **5:8** Blaas de ramshoorn in Gibea, de trompet in Rama. Roep luid in Bet-Awen: ‘Achter je aan, Benjamin!’ Brontekst: תִּקְע֤וּ (tiqu) = blaas | שׁוֹפָר֙ (shofar) = ramshoorn | בַּגִּבְעָ֔ה (bagiva) = in Gibea | חֲצֹצְרָ֖ה (chatsotsera) = trompet | בָּרָמָ֑ה (barama) = in Rama | הָרִ֨יעוּ֙ (hariu) = roep luid | בֵּ֣ית (beit) = huis van | אָ֔וֶן (aven) = onheil | אַחֲרֶ֖יךָ (achareikha) = achter je aan | בִּנְיָמִֽין (binyamin) = Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Zie Bet-Aven (ligging onzeker): Bet-Aven (Bet-Awen) lag ten oosten van Betel, bij Ai. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Gibea en Rama liggen in Benjamin, vlak bij de grens met Juda. ‘Achter je aan, Benjamin’ is een oude strijdkreet (Richt. 5:14). Voetnoot : בֵּית אָוֶן (Bet-Awen), ‘huis van onheil’: spottende naam voor Betel; zie 4:15. Zie ook: Re 5:14; 1 Sam 15:34; Joël 2:1; Hos 4:15; Hos 9:9; Jer 4:5 ### Efraïm en Juda onder het oordeel **5:9** **„Efraïm zal een woestenij worden op de dag van de afrekening. Onder de stammen van Israël heb Ik bekendgemaakt wat zeker is.** Brontekst: אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | לְשַׁמָּ֣ה (leshama) = tot woestenij | תִֽהְיֶ֔ה (tihye) = zal zijn | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | תּֽוֹכֵחָ֑ה (tokhecha) = afrekening | בְּשִׁבְטֵי֙ (beshivtei) = onder de stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הוֹדַ֖עְתִּי (hodati) = Ik heb bekendgemaakt | נֶאֱמָנָֽה (neemana) = wat zeker is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 9:11–17; Jes 28:1–4; Jes 46:10; Zach 1:6; Joh 16:4 **5:10** **De oversten van Juda zijn als wie een grens verlegt. Over hen giet Ik Mijn toorn uit als water.** Brontekst: הָיוּ֙ (hayu) = zij zijn | שָׂרֵ֣י (sarei) = oversten van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | כְּמַסִּיגֵ֖י (kemasigei) = als verleggers van | גְּב֑וּל (gevul) = grens | עֲלֵיהֶ֕ם (aleihem) = over hen | אֶשְׁפּ֥וֹךְ (eshpokh) = Ik zal uitgieten | כַּמַּ֖יִם (kamayim) = als water | עֶבְרָתִֽי (evrati) = Mijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 19:14; Deut 27:17; Ps 32:6; Ps 93:3–4; Spr 22:28 **5:11** **Efraïm is onderdrukt, vermorzeld in het recht, want hij koos ervoor achter een bevel aan te lopen.** Brontekst: עָשׁ֥וּק (ashuq) = onderdrukt | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | רְצ֣וּץ (retsuts) = vermorzeld | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | כִּ֣י (ki) = want | הוֹאִ֔יל (hoil) = hij koos | הָלַ֖ךְ (halakh) = hij ging | אַחֲרֵי (acharei) = achter | צָֽו (tsav) = bevel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: צָו (tsav), ‘bevel’: de betekenis van dit woord is onzeker. Het kan ook een waardeloos ding of een afgod zijn. Zie ook: Deut 28:33; 1 Kon 12:26–33; 2 Kon 15:16–20; Amos 5:11–12; Mi 6:16 **5:12** **Ik ben als een mot voor Efraïm en als verrotting voor het huis van Juda.** Brontekst: וַאֲנִ֥י (vaani) = en Ik | כָעָ֖שׁ (kaash) = als mot | לְאֶפְרָ֑יִם (leefrayim) = voor Efraïm | וְכָרָקָ֖ב (vekharaqav) = en als verrotting | לְבֵ֥ית (leveit) = voor huis van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָקָב (raqav), ‘verrotting’: wat van binnenuit verteert, zoals houtrot. Zie ook: Job 13:28; Spr 12:4; Jona 4:7; Jes 50:9; Jes 51:8 **5:13** **Efraïm zag zijn ziekte en Juda zijn wond. Toen ging Efraïm naar Assyrië en stuurde boden naar koning Jareb. Maar hij kan jullie niet genezen; jullie wond geneest hij niet.** Brontekst: וַיַּ֨רְא (vayar) = en zag | אֶפְרַ֜יִם (efrayim) = Efraïm | אֶת (et) = (obj.) | חָלְי֗וֹ (chaleyo) = zijn ziekte | וִֽיהוּדָה֙ (vihuda) = en Juda | אֶת (et) = (obj.) | מְזֹר֔וֹ (mezoro) = zijn wond | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | אֶל (el) = naar | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | וַיִּשְׁלַ֖ח (vayishlach) = en stuurde | אֶל (el) = naar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning | יָרֵ֑ב (yarev) = Jareb | וְה֗וּא (vehu) = maar hij | לֹ֤א (lo) = niet | יוּכַל֙ (yukhal) = kan | לִרְפֹּ֣א (lirpo) = genezen | לָכֶ֔ם (lakhem) = jullie | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִגְהֶ֥ה (yighe) = geneest hij | מִכֶּ֖ם (mikem) = van jullie | מָזֽוֹר (mazor) = wond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: מֶלֶךְ יָרֵב (melek Yarev), ‘koning Jareb’: wie met deze naam of titel bedoeld wordt, is onzeker. De naam betekent misschien ‘strijdlustige’ of ‘twister’. Bedoeld is waarschijnlijk de koning van Assyrië. Voetnoot : מָזוֹר (mazor), ‘wond’: ook ‘verband’; de betekenis is niet zeker. Zie ook: 2 Kon 15:19; Hos 7:11; Hos 10:6; Hos 12:2; Jer 30:12 ### Yahweh als leeuw **5:14** **Want Ik ben als een leeuw voor Efraïm en als een jonge leeuw voor het huis van Juda. Ik, Ik verscheur en ga weg. Ik neem mee, en niemand redt.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אָנֹכִ֤י (anokhi) = Ik | כַשַּׁ֨חַל֙ (kashachal) = als leeuw | לְאֶפְרַ֔יִם (leefrayim) = voor Efraïm | וְכַכְּפִ֖יר (vekhakefir) = en als jonge leeuw | לְבֵ֣ית (leveit) = voor huis van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | אֲנִ֨י (ani) = Ik | אֲנִ֤י (ani) = Ik | אֶטְרֹף֙ (etrof) = verscheur | וְאֵלֵ֔ךְ (veelekh) = en ga weg | אֶשָּׂ֖א (esa) = Ik neem mee | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מַצִּֽיל (matsil) = redt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 7:3; Ps 50:22; Hos 13:7–8; Jes 5:29; Mi 5:7 **5:15** **Ik ga weg en keer terug naar Mijn plaats, tot zij hun schuld erkennen en Mijn aangezicht zoeken. Als zij in nood zijn, zoeken zij Mij ernstig.”** Brontekst: אֵלֵ֤ךְ (elekh) = Ik ga | אָשׁ֨וּבָה֙ (ashuva) = Ik keer terug | אֶל (el) = naar | מְקוֹמִ֔י (meqomi) = Mijn plaats | עַ֥ד (ad) = totdat | אֲשֶֽׁר (asher) = dat | יֶאְשְׁמ֖וּ (yeshemu) = zij hun schuld erkennen | וּבִקְשׁ֣וּ (uviqshu) = en zoeken | פָנָ֑י (panay) = Mijn aangezicht | בַּצַּ֥ר (batsar) = in nood | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | יְשַׁחֲרֻֽנְנִי (yeshacharunni) = zij zoeken Mij ernstig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:40–42; Deut 4:29–31; Ps 78:34; Jes 26:16; Jer 29:12–14 ## Hosea 6 _Een oproep tot terugkeer en het antwoord van Yahweh_ ### Laten wij terugkeren **6:1** „Kom, laten wij terugkeren tot Yahweh. Want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen. Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden. Brontekst: לְכוּ֙ (lekhu) = gaat | וְנָשׁ֣וּבָה (venashuva) = en laten wij terugkeren | אֶל (el) = tot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֛י (ki) = want | ה֥וּא (hu) = Hij | טָרָ֖ף (taraf) = heeft verscheurd | וְיִרְפָּאֵ֑נוּ (veyirpaenu) = en Hij zal ons genezen | יַ֖ךְ (yakh) = Hij heeft geslagen | וְיַחְבְּשֵֽׁנוּ (veyachbeshenu) = en Hij zal ons verbinden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wij nemen aan dat het volk spreekt, of de profeet namens het volk: dit is een oproep tot terugkeer. De woorden staan daarom zwart tussen aanhalingstekens. Yahweh antwoordt in vers 4. Voetnoot : טָרָף (taraf), ‘verscheuren’: hetzelfde werkwoord als in 5:14, waar Yahweh zegt: ‘Ik verscheur’. Zie ook: Job 5:18; Deut 32:39; 1 Sam 2:6; Hos 6:4; Hos 14:5; Klaagl 3:40–41 **6:2** Na twee dagen doet Hij ons herleven; op de derde dag richt Hij ons op, en wij zullen leven voor Zijn aangezicht. Brontekst: יְחַיֵּ֖נוּ (yechayenu) = Hij zal ons doen herleven | מִיֹּמָ֑יִם (miyomayim) = na twee dagen | בַּיּוֹם֙ (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | יְקִמֵ֖נוּ (yeqimenu) = Hij zal ons oprichten | וְנִחְיֶ֥ה (venichye) = en wij zullen leven | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor Zijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Na twee dagen … op de derde dag’ betekent een korte tijd: het volk verwacht snel herstel. Zie ook: 2 Kon 20:5; Hos 13:14; Jes 26:19; Ezech 37:11–13; 1 Kor 15:4 **6:3** Laten wij kennen, laten wij najagen om Yahweh te kennen. Zijn opgang is vast als de dageraad. Hij komt tot ons als de regen, als de late regen die de aarde bevochtigt.” Brontekst: וְנֵדְעָ֣ה (venedea) = en laten wij kennen | נִרְדְּפָ֗ה (nirdefa) = laten wij najagen | לָדַ֨עַת֙ (ladaat) = om te kennen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כְּשַׁ֖חַר (keshachar) = als de dageraad | נָכ֣וֹן (nakhon) = vast | מֽוֹצָא֑וֹ (motsao) = Zijn opgang | וְיָב֤וֹא (veyavo) = en Hij zal komen | כַגֶּ֨שֶׁם֙ (kageshem) = als de regen | לָ֔נוּ (lanu) = tot ons | כְּמַלְק֖וֹשׁ (kemalqosh) = als de late regen | י֥וֹרֶה (yore) = die bevochtigt | אָֽרֶץ (arets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘late regen’: de regen in het voorjaar, in maart en april, die de oogst laat rijpen. Zie ook: Ps 72:6; Spr 2:1–5; Hos 14:6; Jer 24:7; Fil 3:13–15 ### Wat moet Ik met je doen? **6:4** **„Wat moet Ik met je doen, Efraïm? Wat moet Ik met je doen, Juda? Jullie trouw is als een wolk in de morgen, als de dauw die vroeg verdwijnt.** Brontekst: מָ֤ה (ma) = wat | אֶֽעֱשֶׂה (eese) = zal Ik doen | לְּךָ֙ (lekha) = met jou | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | מָ֥ה (ma) = wat | אֶעֱשֶׂה (eese) = zal Ik doen | לְּךָ֖ (lekha) = met jou | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְחַסְדְּכֶם֙ (vechasdekhem) = en jullie trouw | כַּֽעֲנַן (kaanan) = als een wolk van | בֹּ֔קֶר (boqer) = de morgen | וְכַטַּ֖ל (vekhatal) = en als de dauw | מַשְׁכִּ֥ים (mashkim) = vroeg | הֹלֵֽךְ (holekh) = gaat weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw. Yahweh zegt dat de trouw van het volk niet duurt, zoals een wolk en dauw in de morgen verdwijnen. Zie ook: Ps 78:34–37; Ps 106:12–13; Hos 11:8; Hos 13:3; 2 Petr 2:20–22 **6:5** **Daarom heb Ik hen neergehouwen door de profeten; Ik heb hen gedood met de woorden van Mijn mond. En de oordelen over jou gaan uit als het licht.** Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = (zo) | חָצַ֨בְתִּי֙ (chatsavti) = Ik heb neergehouwen | בַּנְּבִיאִ֔ים (baneviim) = door de profeten | הֲרַגְתִּ֖ים (haragtim) = Ik heb hen gedood | בְּאִמְרֵי (beimrei) = met woorden van | פִ֑י (pi) = Mijn mond | וּמִשְׁפָּטֶ֖יךָ (umishpateikha) = en de oordelen over jou | א֥וֹר (or) = licht | יֵצֵֽא (yetse) = gaan uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De overgeleverde tekst leest ‘jouw oordelen’ (וּמִשְׁפָּטֶיךָ, umishpatekha); het woord ‘als’ vóór ‘licht’ staat er niet. Sommige oude vertalingen lezen anders: ‘Mijn oordeel gaat uit als het licht’. Wij volgen de overgeleverde tekst. Zie ook: Jes 11:4; Jer 1:10; Jer 5:14; Jer 23:29; Heb 4:12 **6:6** **Want Ik heb behagen in trouw en niet in slachtoffers, en in kennis van Elohim meer dan in brandoffers.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | חֶ֥סֶד (chesed) = trouw | חָפַ֖צְתִּי (chafatsti) = Ik heb behagen | וְלֹא (velo) = en niet | זָ֑בַח (zavach) = in slachtoffer | וְדַ֥עַת (vedaat) = en kennis van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | מֵעֹלֽוֹת (meolot) = meer dan brandoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’; זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’; דַּעַת אֱלֹהִים (da'at Elohim), ‘kennis van Elohim’ (vergelijk 4:1 en 4:6). Voetnoot : Yahweh zegt niet dat offers verkeerd zijn, maar dat trouw en kennis van Elohim voorgaan. Vergelijk Matt. 9:13 en 12:7. Zie ook: 1 Sam 15:22; Spr 21:3; Amos 5:21; Mat 9:13; Mat 12:7 ### Trouweloos als Adam **6:7** **Maar zij hebben, als Adam, het verbond overtreden. Daar zijn zij trouweloos tegen Mij geweest.** Brontekst: וְהֵ֕מָּה (vehema) = en zij | כְּאָדָ֖ם (keadam) = als Adam | עָבְר֣וּ (averu) = zij overtraden | בְרִ֑ית (berit) = verbond | שָׁ֖ם (sham) = daar | בָּ֥גְדוּ (bagedu) = zij handelden trouweloos | בִֽי (bi) = tegen Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּאָדָם (ke'adam) is onzeker: ‘als Adam’ (zo vertalen wij), ‘als mensen’ of ‘bij Adam’. Adam is ook een stad aan de Jordaan (Joz. 3:16). Voetnoot Lezing: Wij lezen ‘als Adam’: net als de eerste mens overtraden zij het gebod van Yahweh (Gen. 2:16–17). De klinkers van het Hebreeuws zijn later toegevoegd; de medeklinkers laten de andere lezingen toe. Zie ook: Gen 2:16–17; Gen 3:11; Job 31:33; Joz 3:16; Hos 5:7; Hos 8:1; Jer 9:5 **6:8** **Gilead is een stad van boosdoeners, bevlekt met bloed.** Brontekst: גִּלְעָ֕ד (gilad) = Gilead | קִרְיַ֖ת (qiryat) = stad van | פֹּ֣עֲלֵי (poalei) = werkers van | אָ֑וֶן (aven) = onheil | עֲקֻבָּ֖ה (aquba) = bevlekt | מִדָּֽם (midam) = met bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: עֲקֻבָּה (aqubbah), ‘bevlekt’: het woord komt van ‘hiel’, ‘voetspoor’. Wij begrijpen: vol bloedsporen. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Ps 59:3; 1 Kon 2:5; Hos 4:2; Hos 12:12; Mi 7:2 **6:9** **Als rovers die iemand opwachten, zo is de bende van de priesters: op de weg naar Sichem moorden zij. Want zij hebben schanddaden gedaan.** Brontekst: וּכְחַכֵּ֨י (ukhechakei) = en als het wachten van | אִ֜ישׁ (ish) = man | גְּדוּדִ֗ים (gedudim) = bendes | חֶ֚בֶר (chever) = gezelschap van | כֹּֽהֲנִ֔ים (kohanim) = priesters | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = weg | יְרַצְּחוּ (yeratsechu) = zij moorden | שֶׁ֑כְמָה (shekhma) = naar Sichem | כִּ֥י (ki) = want | זִמָּ֖ה (zima) = schanddaad | עָשֽׂוּ (asu) = zij hebben gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Uitleg: De tekst is moeilijk. Letterlijk: ‘als het wachten van een man van bendes, een gezelschap van priesters’. Sichem was een vluchtstad (Joz. 20:7). Voetnoot : זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: een schandelijke daad, soms ook seksueel van aard. Zie ook: Joz 20:7; Spr 1:11–19; Hos 5:1; Hos 7:1; Sef 3:3; Joh 11:47 **6:10** **In het huis van Israël heb Ik iets afschuwelijks gezien. Daar is de hoererij van Efraïm; Israël is onrein geworden.** Brontekst: בְּבֵית֙ (beveit) = in het huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | רָאִ֖יתִי (raiti) = Ik heb gezien | שַׁעֲרֽוּרִיָּ֑ה (shaaruriya) = iets afschuwelijks | שָׁ֚ם (sham) = daar | זְנ֣וּת (zenut) = hoererij van | לְאֶפְרַ֔יִם (leefrayim) = Efraïm | נִטְמָ֖א (nitma) = is onrein geworden | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is שעריריה (sha'arirya); het voorgelezen woord (qere) is שַׁעֲרוּרִיָּה (sha'arurya). Wij volgen de qere. Beide woorden betekenen ‘iets afschuwelijks’. Zie ook: Hos 5:3; Jer 3:6; Jer 5:30–31; Jer 23:14; Ezech 23:5 **6:11** **Ook voor jou, Juda, is een oogst bestemd, wanneer Ik het lot van Mijn volk keer.** Brontekst: גַּם (gam) = ook | יְהוּדָ֕ה (yehuda) = Juda | שָׁ֥ת (shat) = is bestemd | קָצִ֖יר (qatsir) = oogst | לָ֑ךְ (lakh) = voor jou | בְּשׁוּבִ֖י (beshuvi) = als Ik keer | שְׁב֥וּת (shevut) = lot van | עַמִּֽי (ami) = Mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut), ‘het lot keren’: het herstel van het volk na het oordeel, ook ‘terugbrengen van de ballingen’. Voetnoot : De toespraak van Yahweh loopt door in 7:1. Zie ook: Job 42:10; Joël 4:13; Mi 4:12; Jer 51:33; Openb 14:15 ## Hosea 7 _Efraïm, de oven en de onnozele duif_ ### Het kwaad van Efraïm komt aan het licht **7:1** **Wanneer Ik Israël genees, komt de ongerechtigheid van Efraïm aan het licht, en het kwaad van Samaria. Want zij doen bedrog. De dief komt binnen en buiten plundert een bende.** Brontekst: כְּרָפְאִ֣י (kerafei) = als Ik genees | לְיִשְׂרָאֵ֗ל (leyisrael) = Israël | וְנִגְלָ֞ה (venigla) = dan komt aan het licht | עֲוֺ֤ן (avon) = de ongerechtigheid van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | וְרָע֣וֹת (veraot) = en het kwaad van | שֹֽׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | כִּ֥י (ki) = want | פָעֲל֖וּ (paalu) = zij doen | שָׁ֑קֶר (shaqer) = bedrog | וְגַנָּ֣ב (veganav) = en een dief | יָב֔וֹא (yavo) = komt binnen | פָּשַׁ֥ט (pashat) = plundert | גְּד֖וּד (gedud) = een bende | בַּחֽוּץ (bachuts) = buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: אֶפְרַיִם (Efrayim), ‘Efraïm’: de grootste stam van het Noordrijk. Hosea gebruikt de naam voor het hele Noordrijk Israël, met Samaria als hoofdstad. Voetnoot : כְּרָפְאִי (kerofi), ‘wanneer Ik genees’: het is een werkwoordsvorm zonder tijd. Het kan ook ‘telkens als Ik wil genezen’ betekenen. Voetnoot : Zodra Yahweh wil genezen, komt de schuld aan het licht. Daarom zeggen wij ‘komt aan het licht’. Voetnoot : Het rood in dit hoofdstuk markeert de woorden waarin Yahweh zelf spreekt, ook als de profeet ze brengt. Zie ook: Hos 6:4; Hos 7:13; Mi 7:3–7; Luc 13:34; Luc 19:42 **7:2** **Zij zeggen niet tegen hun hart dat Ik al hun kwaad gedenk. Nu omringen hun daden hen. Zij zijn voor Mijn aangezicht.** Brontekst: וּבַל (uval) = en niet | יֹֽאמְרוּ֙ (yomru) = zij zeggen | לִלְבָבָ֔ם (lilvavam) = tegen hun hart | כָּל (kal) = al | רָעָתָ֖ם (raatam) = hun kwaad | זָכָ֑רְתִּי (zakharti) = Ik gedenk | עַתָּה֙ (ata) = nu | סְבָב֣וּם (sevavum) = omringen hen | מַֽעַלְלֵיהֶ֔ם (maalleihem) = hun daden | נֶ֥גֶד (neged) = tegenover | פָּנַ֖י (panay) = Mijn aangezicht | הָיֽוּ (hayu) = zijn zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 90:8; Amos 8:7; Jer 2:19; Jer 14:10; Luc 12:2 ### De oven van hun hart **7:3** **Met hun kwaad maken zij de koning blij, en met hun leugens de oversten.** Brontekst: בְּרָעָתָ֖ם (beraatam) = met hun kwaad | יְשַׂמְּחוּ (yesamechu) = maken zij blij | מֶ֑לֶךְ (melekh) = de koning | וּבְכַחֲשֵׁיהֶ֖ם (uvekhachasheihem) = en met hun leugens | שָׂרִֽים (sarim) = de oversten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 22:6; Mi 7:3; Jer 28:1–4; Jer 37:19; Rom 1:32 **7:4** **Zij allen zijn overspelers, als een oven die brandt door de bakker. Hij laat het opstoken rusten, vanaf het kneden van het deeg tot het gerezen is.** Brontekst: כֻּלָּם֙ (kulam) = zij allen | מְנָ֣אֲפִ֔ים (menaafim) = overspelers | כְּמ֣וֹ (kemo) = als | תַנּ֔וּר (tanur) = een oven | בֹּעֵ֖רָה (boera) = die brandt | מֵֽאֹפֶ֑ה (meofe) = door de bakker | יִשְׁבּ֣וֹת (yishbot) = hij laat rusten | מֵעִ֔יר (meir) = het opstoken | מִלּ֥וּשׁ (milush) = vanaf het kneden van | בָּצֵ֖ק (batseq) = deeg | עַד (ad) = tot | חֻמְצָתֽוֹ (chumtsato) = het gerezen is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De oven is het beeld van hun hart (vers 6, 7). Zij gloeien van verlangen en kwaad, zoals een oven die de bakker heeft opgestookt. Voetnoot : מְנָאֲפִים (menaafim), ‘overspelers’: het gaat hier om overspel, ook in de zin van trouweloosheid aan Yahweh. Voetnoot : מֵעִיר (me’ir), ‘het opstoken’: de bakker houdt op met het vuur te roeren. De oven blijft heet tot het deeg gerezen is. Zie ook: Hos 4:2; Hos 4:12; Hos 7:6; Hos 7:7; Jer 5:7–8; Jer 9:1; Jak 4:4 **7:5** **Op de dag van onze koning worden de oversten ziek van de gloed van wijn. Hij steekt zijn hand uit naar de spotters.** Brontekst: י֣וֹם (yom) = de dag van | מַלְכֵּ֔נוּ (malkenu) = onze koning | הֶחֱל֥וּ (hechelu) = worden ziek | שָׂרִ֖ים (sarim) = oversten | חֲמַ֣ת (chamat) = van de gloed van | מִיָּ֑יִן (miyayin) = wijn | מָשַׁ֥ךְ (mashakh) = hij steekt uit | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | אֶת (et) = naar | לֹצְצִֽים (lotsetsim) = spotters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחֱלוּ (hechelu), ‘zij worden ziek’: van חָלָה (chalah), ‘ziek worden’. Het kan ook van חָלַל (chalal) komen, ‘beginnen’. Wij volgen ‘ziek worden’. Voetnoot : מָשַׁךְ יָדוֹ אֶת (mashach yado et), ‘hij steekt zijn hand uit naar’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘hij gaat samen met’ betekenen. De koning sluit zich aan bij de spotters. Voetnoot : לֹצְצִים (lotsetsim), ‘spotters’: mensen die niets serieus nemen. Zie ook: Gen 40:20; Ps 1:1; Jes 28:1; Dan 5:23; 1 Petr 4:3–4 **7:6** **Want zij brengen hun hart dichtbij als een oven, terwijl zij op de loer liggen. De hele nacht slaapt hun bakker. 's Morgens brandt het als een vlammend vuur.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | קֵרְב֧וּ (qerevu) = zij brengen dichtbij | כַתַּנּ֛וּר (katanur) = als een oven | לִבָּ֖ם (libam) = hun hart | בְּאָרְבָּ֑ם (bearbam) = terwijl zij op de loer liggen | כָּל (kal) = heel | הַלַּ֨יְלָה֙ (halayla) = de nacht | יָשֵׁ֣ן (yashen) = slaapt | אֹֽפֵהֶ֔ם (ofehem) = hun bakker | בֹּ֕קֶר (boqer) = 's morgens | ה֥וּא (hu) = het | בֹעֵ֖ר (boer) = brandt | כְּאֵ֥שׁ (keesh) = als een vuur van | לֶהָבָֽה (lehava) = vlam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאָרְבָּם (be’orbam), ‘terwijl zij op de loer liggen’: in hun hinderlaag. De bedoeling is een aanslag in het geheim. Voetnoot Lezing: אֹפֵהֶם (ofehem), ‘hun bakker’: zo staat het in de tekst. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de tekst zoals die er staat. Zie ook: 1 Sam 19:11–15; 2 Sam 13:28–29; Ps 10:8–9; Spr 4:16; Mi 2:1 **7:7** **Zij allen gloeien als een oven en verteren hun rechters. Al hun koningen zijn gevallen. Niemand onder hen roept tot Mij.** Brontekst: כֻּלָּ֤ם (kulam) = zij allen | יֵחַ֨מּוּ֙ (yechamu) = gloeien | כַּתַּנּ֔וּר (katanur) = als een oven | וְאָכְל֖וּ (veakhelu) = en verteren | אֶת (et) = (obj.) | שֹֽׁפְטֵיהֶ֑ם (shofeteihem) = hun rechters | כָּל (kal) = al | מַלְכֵיהֶ֣ם (malkheihem) = hun koningen | נָפָ֔לוּ (nafalu) = zijn gevallen | אֵין (ein) = niemand | קֹרֵ֥א (qore) = roept | בָהֶ֖ם (bahem) = onder hen | אֵלָֽי (elay) = tot Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 36:13; 2 Kon 15:10; 2 Kon 15:14; 2 Kon 15:25; 2 Kon 15:30 ### Efraïm onder de volken **7:8** **Efraïm mengt zich onder de volken. Efraïm is een koek geworden die niet is omgekeerd.** Brontekst: אֶפְרַ֕יִם (efrayim) = Efraïm | בָּעַמִּ֖ים (baamim) = onder de volken | ה֣וּא (hu) = hij | יִתְבּוֹלָ֑ל (yitbolal) = mengt zich | אֶפְרַ֛יִם (efrayim) = Efraïm | הָיָ֥ה (haya) = is geworden | עֻגָ֖ה (uga) = een koek | בְּלִ֥י (beli) = niet | הֲפוּכָֽה (hafukha) = omgekeerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֻגָה (ugah), ‘een koek’: een plat brood dat op hete stenen wordt gebakken. Als het niet wordt omgedraaid, is het aan één kant verbrand en aan de andere kant rauw. Zie ook: Ps 106:35; Ezra 9:1; Ezra 9:12; Neh 13:23–25; Mal 2:11 **7:9** **Vreemden hebben zijn kracht opgegeten, maar hij weet het niet. Ook grijs haar is over hem uitgestrooid, maar hij weet het niet.”** Brontekst: אָכְל֤וּ (akhelu) = hebben opgegeten | זָרִים֙ (zarim) = vreemden | כֹּח֔וֹ (kocho) = zijn kracht | וְה֖וּא (vehu) = maar hij | לֹ֣א (lo) = niet | יָדָ֑ע (yada) = weet het | גַּם (gam) = ook | שֵׂיבָה֙ (seiva) = grijs haar | זָ֣רְקָה (zareqa) = is uitgestrooid | בּ֔וֹ (bo) = over hem | וְה֖וּא (vehu) = maar hij | לֹ֥א (lo) = niet | יָדָֽע (yada) = weet het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׂיבָה (seivah), ‘grijs haar’: teken van verval en ouderdom. Efraïm merkt niet dat hij zwakker wordt. Zie ook: 2 Kon 13:3–7; 2 Kon 13:22; Hos 8:7; Jes 1:7; Jes 42:22–25 ### Zij zoeken Yahweh niet **7:10** De hoogmoed van Israël getuigt hem in het gezicht. Toch zijn zij niet teruggekeerd naar Yahweh, hun Elohim. Zij hebben Hem bij dit alles niet gezocht. Brontekst: וְעָנָ֥ה (veana) = en getuigt | גְאֽוֹן (geon) = de hoogmoed van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּפָנָ֑יו (befanav) = in zijn gezicht | וְלֹֽא (velo) = en niet | שָׁ֨בוּ֙ (shavu) = zij zijn teruggekeerd | אֶל (el) = naar | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun Elohim | וְלֹ֥א (velo) = en niet | בִקְשֻׁ֖הוּ (biqshuhu) = zij hebben Hem gezocht | בְּכָל (bekhal) = bij al | זֹֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit vers en in vers 11 spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon (‘Yahweh, hun Elohim’). Daarom staan deze twee verzen niet rood. Vanaf vers 12 spreekt Yahweh weer zelf. Voetnoot : וְעָנָה (ve’anah), ‘en getuigt’: letterlijk ‘en antwoordt’. De hoogmoed van Israël getuigt tegen hem. Zie ook: Ps 53:3; Amos 4:6–13; Hos 5:5; Hos 7:11; Hos 7:12; Jes 9:12; Jer 8:5–6 **7:11** Efraïm is geworden als een duif: onnozel, zonder verstand. Egypte hebben zij geroepen, naar Assyrië zijn zij gegaan. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en is geworden | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | כְּיוֹנָ֥ה (keyona) = als een duif | פוֹתָ֖ה (pota) = onnozel | אֵ֣ין (ein) = zonder | לֵ֑ב (lev) = verstand | מִצְרַ֥יִם (mitsrayim) = Egypte | קָרָ֖אוּ (qarau) = zij hebben geroepen | אַשּׁ֥וּר (ashur) = Assyrië | הָלָֽכוּ (halakhu) = zij zijn gegaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אֵין לֵב (ein lev), ‘zonder verstand’: letterlijk ‘zonder hart’. In het Hebreeuws is het hart de plaats van het denken. Voetnoot : Egypte en Assyrië zijn de twee grootmachten waar Efraïm steun zocht, zoals een duif heen en weer vliegt. Zie ook: Hos 4:11; Hos 5:13; Hos 11:11; Hos 12:2; Jer 2:18 ### Het net van Yahweh **7:12** **„Terwijl zij gaan, spreid Ik Mijn net over hen uit. Zoals vogels van de hemel haal Ik hen omlaag. Ik tuchtig hen volgens het bericht aan hun gemeenschap.** Brontekst: כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = terwijl | יֵלֵ֗כוּ (yelekhu) = zij gaan | אֶפְר֤וֹשׂ (efros) = Ik spreid uit | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = over hen | רִשְׁתִּ֔י (rishti) = Mijn net | כְּע֥וֹף (keof) = zoals vogels van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | אֽוֹרִידֵ֑ם (oridem) = Ik haal hen omlaag | אַיְסִרֵ֕ם (aysirem) = Ik tuchtig hen | כְּשֵׁ֖מַע (keshema) = volgens het bericht | לַעֲדָתָֽם (laadatam) = aan hun gemeenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּשֵׁמַע לַעֲדָתָם (keshema la’adatam), ‘volgens het bericht aan hun gemeenschap’: de betekenis is onzeker. Het kan verwijzen naar wat de gemeenschap eerder heeft gehoord over de gevolgen van ontrouw. Voetnoot : אַיְסִרֵם (aysirem), ‘Ik tuchtig hen’: het woord betekent ook ‘onderwijzen’ en ‘terechtwijzen’. Zie ook: Deut 28:15–68; Deut 29:21–27; 2 Kon 17:13–18; Jer 16:16; Ezech 12:13 ### Wee hen **7:13** **Wee hen, want zij zijn van Mij weggedwaald. Verwoesting over hen, want zij zijn tegen Mij in opstand gekomen. Ik zou hen vrijkopen, maar zij spreken leugens over Mij.** Brontekst: א֤וֹי (oy) = wee | לָהֶם֙ (lahem) = hun | כִּֽי (ki) = want | נָדְד֣וּ (nadedu) = zij zijn weggedwaald | מִמֶּ֔נִּי (mimeni) = van Mij | שֹׁ֥ד (shod) = verwoesting | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | כִּֽי (ki) = want | פָ֣שְׁעוּ (pasheu) = zij zijn in opstand gekomen | בִ֑י (bi) = tegen Mij | וְאָנֹכִ֣י (veanokhi) = en Ik | אֶפְדֵּ֔ם (efdem) = zou hen vrijkopen | וְהֵ֕מָּה (vehema) = maar zij | דִּבְּר֥וּ (diberu) = spreken | עָלַ֖י (alay) = over Mij | כְּזָבִֽים (kezavim) = leugens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶפְדֵּם (efdem), ‘Ik zou hen vrijkopen’: פָּדָה (padah) is vrijkopen, zoals een slaaf of een eerstgeborene wordt vrijgekocht. Yahweh wil hen vrijkopen, maar zij spreken leugens over Hem. Zie ook: Hos 9:12; Hos 12:1; Jes 41:14; Klaagl 5:16; Mat 23:13–29 **7:14** **Zij roepen niet met hun hart tot Mij, maar jammeren op hun bedden. Om koren en most verzamelen zij zich. Zij wijken af van Mij.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | זָעֲק֤וּ (zaaqu) = zij roepen | אֵלַי֙ (elay) = tot Mij | בְּלִבָּ֔ם (belibam) = met hun hart | כִּ֥י (ki) = maar | יְיֵלִ֖ילוּ (yeyelilu) = zij jammeren | עַל (al) = op | מִשְׁכְּבוֹתָ֑ם (mishkevotam) = hun bedden | עַל (al) = om | דָּגָ֧ן (dagan) = koren | וְתִיר֛וֹשׁ (vetirosh) = en most | יִתְגּוֹרָ֖רוּ (yitgoraru) = zij verzamelen zich | יָס֥וּרוּ (yasuru) = zij wijken af | בִֽי (bi) = van Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִתְגּוֹרָרוּ (yitgoraru), ‘zij verzamelen zich’: de betekenis is onzeker. Het werkwoord kan ook ‘zij snijden zich open’ betekenen. Voetnoot Lezing: בִי (bi), ‘in/tegen Mij’: bij het werkwoord ‘afwijken’ verwachten wij ‘van Mij’. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij vertalen ‘van Mij’. Zie ook: Job 35:9–10; Ps 78:34–37; Jer 3:10; Jak 4:3; Fil 3:19 **7:15** **Ik heb hen getuchtigd en hun armen sterk gemaakt. Maar tegen Mij beramen zij kwaad.** Brontekst: וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | יִסַּ֔רְתִּי (yisarti) = heb getuchtigd | חִזַּ֖קְתִּי (chizaqti) = heb sterk gemaakt | זְרֽוֹעֹתָ֑ם (zerootam) = hun armen | וְאֵלַ֖י (veelay) = maar tegen Mij | יְחַשְּׁבוּ (yechashevu) = beramen zij | רָֽע (ra) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 5:17; Ps 2:1; Ps 94:12; 2 Kon 13:23; Nah 1:9 **7:16** **Zij keren terug, maar niet omhoog. Zij zijn als een bedrieglijke boog. Hun oversten vallen door het zwaard, vanwege de woede van hun tong. Dit is hun spot in het land Egypte.”** Brontekst: יָשׁ֣וּבוּ (yashuvu) = zij keren terug | לֹ֣א (lo) = niet | עָ֗ל (al) = omhoog | הָיוּ֙ (hayu) = zij zijn geworden | כְּקֶ֣שֶׁת (keqeshet) = als een boog | רְמִיָּ֔ה (remiya) = van bedrog | יִפְּל֥וּ (yipelu) = vallen | בַחֶ֛רֶב (bacherev) = door het zwaard | שָׂרֵיהֶ֖ם (sareihem) = hun oversten | מִזַּ֣עַם (mizaam) = vanwege de woede van | לְשׁוֹנָ֑ם (leshonam) = hun tong | ז֥וֹ (zo) = dit | לַעְגָּ֖ם (lagam) = hun spot | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: לֹא עָל (lo al), ‘niet omhoog’: de betekenis is onzeker. Het kan ‘niet naar de Allerhoogste’ betekenen, of ‘niet omhoog’. Voetnoot : קֶשֶׁת רְמִיָּה (qeshet remiyyah), ‘bedrieglijke boog’: een boog die het doel mist. Zie ook: Ps 73:9; Ps 78:57; Hos 9:3; Ezech 23:32; Mat 12:36 ## Hosea 8 _De ramshoorn en het kalf van Samaria_ ### De ramshoorn klinkt **8:1** **„De ramshoorn aan je mond! Als een arend over het huis van Yahweh, omdat zij Mijn verbond hebben overtreden en tegen Mijn wet in opstand zijn gekomen.** Brontekst: אֶל (el) = naar | חִכְּךָ֣ (chikekha) = je gehemelte | שֹׁפָ֔ר (shofar) = de ramshoorn | כַּנֶּ֖שֶׁר (kanesher) = als een arend | עַל (al) = over | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֚עַן (yaan) = omdat | עָבְר֣וּ (averu) = zij hebben overtreden | בְרִיתִ֔י (beriti) = Mijn verbond | וְעַל (veal) = en tegen | תּוֹרָתִ֖י (torati) = Mijn wet | פָּשָֽׁעוּ (pashau) = zijn zij in opstand gekomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die als alarmsignaal wordt geblazen. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft in dit vers geen werkwoord: ‘de ramshoorn aan je mond’. Wie wordt aangesproken, staat er niet bij. Wij laten de zin zo staan. Voetnoot : נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’: het woord kan ook een gier aanduiden. Het beeld is dat van een roofvogel die neerduikt. Voetnoot : בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘het huis van Yahweh’: de betekenis is onzeker. Het kan de tempel zijn, het land of het volk (vergelijk ‘Mijn huis’ in Hos. 9:15). Voetnoot : Het hele vers is rood: ook de zin over ‘het huis van Yahweh’ hoort bij Zijn eigen woorden (‘Mijn verbond’, ‘Mijn wet’). Zie ook: Deut 28:49; Hos 5:8; Hos 6:7; Hos 9:15; Jer 4:13; Hab 1:8 **8:2** **Tot Mij roepen zij: ‘Mijn Elohim, wij kennen U, wij, Israël!’** Brontekst: לִ֖י (li) = tot Mij | יִזְעָ֑קוּ (yizaqu) = roepen zij | אֱלֹהַ֥י (elohay) = mijn Elohim | יְֽדַעֲנ֖וּךָ (yedaanukha) = wij kennen U | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 10:16; 2 Kon 10:29; Mat 7:21; Tit 1:16; 1 Joh 2:4 **8:3** **Israël heeft het goede verworpen. Een vijand achtervolgt hem.** Brontekst: זָנַ֥ח (zanach) = heeft verworpen | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | ט֑וֹב (tov) = het goede | אוֹיֵ֖ב (oyev) = een vijand | יִרְדְּֽפוֹ (yirdefo) = achtervolgt hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:25; Ps 81:11–12; Amos 1:11; Klaagl 3:66; Klaagl 4:19 ### Koningen en afgodsbeelden **8:4** **Zij hebben koningen gemaakt, maar niet van Mij uit. Zij hebben oversten aangesteld, maar Ik wist het niet. Van hun zilver en hun goud hebben zij afgodsbeelden voor zichzelf gemaakt, zodat het wordt afgesneden.** Brontekst: הֵ֤ם (hem) = zij | הִמְלִיכוּ֙ (himlikhu) = hebben koningen gemaakt | וְלֹ֣א (velo) = en niet | מִמֶּ֔נִּי (mimeni) = van Mij uit | הֵשִׂ֖ירוּ (hesiru) = hebben oversten aangesteld | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יָדָ֑עְתִּי (yadati) = wist Ik het | כַּסְפָּ֣ם (kaspam) = hun zilver | וּזְהָבָ֗ם (uzehavam) = en hun goud | עָשׂ֤וּ (asu) = hebben gemaakt | לָהֶם֙ (lahem) = voor zichzelf | עֲצַבִּ֔ים (atsabim) = afgodsbeelden | לְמַ֖עַן (lemaan) = zodat | יִכָּרֵֽת (yikaret) = het wordt afgesneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵשִׂירוּ (hesiru), ‘zij hebben oversten aangesteld’: van שָׂרַר (sarar), ‘heersen’. Het woord is verwant aan שָׂרִים (sarim), ‘oversten’. Voetnoot : עֲצַבִּים (atsabbim), ‘afgodsbeelden’: figuren die met de hand gemaakt zijn. Voetnoot : יִכָּרֵת (yikkaret), ‘het wordt afgesneden’: het onderwerp staat er niet bij. Het kan het zilver en het goud zijn, de afgodsbeelden of het volk zelf. Zie ook: 1 Kon 12:16–20; 1 Kon 16:31; 2 Kon 15:10–30; Hos 2:10; Hos 13:9–10 **8:5** **Je kalf is verworpen, Samaria. Mijn toorn is tegen hen ontbrand. Hoelang nog zijn zij niet in staat tot onschuld?** Brontekst: זָנַח֙ (zanach) = verworpen is | עֶגְלֵ֣ךְ (eglekh) = je kalf | שֹֽׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | חָרָ֥ה (chara) = is ontbrand | אַפִּ֖י (api) = Mijn toorn | בָּ֑ם (bam) = tegen hen | עַד (ad) = tot | מָתַ֕י (matay) = wanneer | לֹ֥א (lo) = niet | יוּכְל֖וּ (yukhelu) = zijn zij in staat | נִקָּיֹֽן (niqayon) = tot onschuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: זָנַח (zanach), ‘hij/het heeft verworpen’: het onderwerp staat er niet bij. Het kan Yahweh zijn (‘Hij heeft je kalf verworpen’), of Israël (dat zijn kalf verwerpt). Wij vertalen ‘je kalf is verworpen’ en laten de dader open. Voetnoot : עֶגְלֵךְ (eglekh), ‘je kalf’: het stierkalf van Samaria is een beeld dat Israël vereerde (vergelijk 1 Kon. 12:28–30). Zie ook: Deut 32:22; Spr 1:22; 1 Kon 12:28–30; 2 Kon 17:21–23; Hos 10:5; Jer 13:27 **8:6** **Want het komt uit Israël: een ambachtsman heeft het gemaakt, en het is geen god. Want het kalf van Samaria wordt tot splinters.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מִיִּשְׂרָאֵל֙ (miyisrael) = uit Israël | וְה֔וּא (vehu) = is het | חָרָ֣שׁ (charash) = een ambachtsman | עָשָׂ֔הוּ (asahu) = heeft het gemaakt | וְלֹ֥א (velo) = en geen | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = god | ה֑וּא (hu) = is het | כִּֽי (ki) = want | שְׁבָבִ֣ים (shevavim) = in splinters | יִֽהְיֶ֔ה (yihye) = zal zijn | עֵ֖גֶל (egel) = het kalf van | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: שְׁבָבִים (shevavim), ‘splinters’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Voetnoot : לֹא אֱלֹהִים (lo Elohim), ‘geen god’: het kalf is een gemaakt beeld. Het woord ‘Elohim’ staat hier voor een god in het algemeen. Zie ook: Ps 106:19–20; Ps 115:4–8; Jes 44:9–20; Jer 10:14; Hab 2:18 ### Zij zaaien wind **8:7** **Want zij zaaien wind en oogsten wervelwind. Het staande graan heeft geen aar. Het geeft geen meel. Als het toch iets geeft, slokken vreemden het op.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | ר֥וּחַ (ruach) = wind | יִזְרָ֖עוּ (yizrau) = zaaien zij | וְסוּפָ֣תָה (vesufata) = en wervelwind | יִקְצֹ֑רוּ (yiqtsoru) = oogsten zij | קָמָ֣ה (qama) = staand graan | אֵֽין (ein) = geen | ל֗וֹ (lo) = heeft het | צֶ֚מַח (tsemach) = aar | בְּלִ֣י (beli) = niet | יַֽעֲשֶׂה (yaase) = geeft het | קֶּ֔מַח (qemach) = meel | אוּלַ֣י (ulay) = misschien | יַֽעֲשֶׂ֔ה (yaase) = geeft het toch | זָרִ֖ים (zarim) = vreemden | יִבְלָעֻֽהוּ (yivlauhu) = slokken het op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘wind’: het woord betekent ook ‘geest’. Hier staat de wind tegenover de ‘wervelwind’ (סוּפָה, sufah). Wie wind zaait, oogst een storm. Voetnoot : קָמָה (qamah), ‘staand graan’: graan op de halm, vóór de oogst. Het geeft geen aar en dus geen meel. Zie ook: Job 4:8; Spr 22:8; Hos 7:9; Nah 1:3; Gal 6:7 **8:8** **Israël is verslonden. Nu zijn zij onder de volken als een vat waarin niemand behagen heeft.** Brontekst: נִבְלַ֖ע (nivla) = is verslonden | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | עַתָּה֙ (ata) = nu | הָי֣וּ (hayu) = zijn zij | בַגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | כִּכְלִ֖י (kikhli) = als een vat | אֵֽין (ein) = geen | חֵ֥פֶץ (chefets) = behagen | בּֽוֹ (bo) = in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּכְלִי אֵין חֵפֶץ בּוֹ (kikhli ein chefets bo), ‘als een vat waarin niemand behagen heeft’: een vat dat niemand wil gebruiken. Zie ook: Deut 28:64; 2 Kon 18:11; Jer 22:28; Jer 51:34; 2 Tim 2:20–21 ### Efraïm huurt geliefden **8:9** **Want zij zijn naar Assyrië opgetrokken, een wilde ezel die alleen voor zichzelf is. Efraïm heeft geliefden gehuurd.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | עָל֣וּ (alu) = zijn opgetrokken | אַשּׁ֔וּר (ashur) = naar Assyrië | פֶּ֖רֶא (pere) = een wilde ezel | בּוֹדֵ֣ד (boded) = alleen | ל֑וֹ (lo) = voor zichzelf | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | הִתְנ֥וּ (hitnu) = heeft gehuurd | אֲהָבִֽים (ahavim) = geliefden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: פֶּרֶא (pere), ‘wilde ezel’: een dier dat zijn eigen weg gaat en niet te temmen is. Voetnoot : הִתְנוּ (hitnu), ‘zij hebben gehuurd’: de betekenis is onzeker. Het gaat om betalen voor bondgenoten. Efraïm betaalt de grootmachten voor hun hulp. Zie ook: 2 Kon 15:19; Hos 5:13; Hos 7:11; Jer 2:24; Ezech 16:33–34 **8:10** **Ook als zij onder de volken geschenken geven, verzamel Ik hen nu. Dan beginnen zij een beetje te verminderen onder de last van de koning van oversten.** Brontekst: גַּ֛ם (gam) = ook | כִּֽי (ki) = als | יִתְנ֥וּ (yitnu) = zij geven | בַגּוֹיִ֖ם (bagoyim) = onder de volken | עַתָּ֣ה (ata) = nu | אֲקַבְּצֵ֑ם (aqabetsem) = verzamel Ik hen | וַיָּחֵ֣לּוּ (vayachelu) = dan beginnen zij | מְּעָ֔ט (meat) = een beetje | מִמַּשָּׂ֖א (mimasa) = onder de last van | מֶ֥לֶךְ (melekh) = de koning van | שָׂרִֽים (sarim) = oversten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij geven’. Wat zij geven, staat er niet bij. De zin sluit aan bij vers 9: Efraïm betaalt de volken voor hun steun. Voetnoot : וַיָּחֵלּוּ מְּעָט (vayachellu me’at), ‘dan beginnen zij een beetje’: de betekenis is onzeker. Wij vertalen ‘dan beginnen zij een beetje te verminderen’. Voetnoot : מֶלֶךְ שָׂרִים (melekh sarim), ‘koning van oversten’: waarschijnlijk de koning van Assyrië (vers 9). Zie ook: Hos 8:9; Jes 10:8; Ezech 16:37; Ezech 23:22–26; Ezech 26:7; Hag 2:6 ### Altaren om te zondigen **8:11** **Want Efraïm heeft veel altaren gemaakt om te zondigen. Altaren zijn voor hem geworden om te zondigen.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִרְבָּ֥ה (hirba) = heeft vermenigvuldigd | אֶפְרַ֛יִם (efrayim) = Efraïm | מִזְבְּחֹ֖ת (mizbechot) = altaren | לַחֲטֹ֑א (lachato) = om te zondigen | הָיוּ (hayu) = zijn geworden | ל֥וֹ (lo) = voor hem | מִזְבְּח֖וֹת (mizbechot) = altaren | לַחֲטֹֽא (lachato) = om te zondigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:28; Hos 10:8; Hos 12:12; Jes 10:10–11; Jer 16:13 **8:12** **Al schrijf Ik hem de talloze dingen van Mijn wet, zij worden beschouwd als iets vreemds.** Brontekst: אֶ֨כְתָּב (ekhtav) = schrijf Ik | ל֔וֹ (lo) = hem | רֻבֵּ֖י (rubei) = de talloze dingen van | תּֽוֹרָתִ֑י (torati) = Mijn wet | כְּמוֹ (kemo) = als | זָ֖ר (zar) = iets vreemds | נֶחְשָֽׁבוּ (nechshavu) = worden zij beschouwd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֻבֵּי (ruvvei), ‘de talloze dingen van’: het Hebreeuws heeft alleen ‘de tienduizenden van Mijn wet’. Het woord ‘dingen’ vullen wij aan. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staan אכתוב (ektov), ‘ik schrijf’, en רבו (rbw), ‘tienduizenden’. De voorgelezen tekst (qere) heeft אֶכְתָּב (ekhtav), ‘Ik schrijf’, en רֻבֵּי (ruvvei), ‘de tienduizenden van’. Wij volgen de qere. Zie ook: Deut 4:6–8; Ps 147:19–20; Hos 4:6; Ezech 20:11; Rom 7:12 **8:13** **Als offers van Mijn gaven slachten zij vlees en eten het.”** Yahweh heeft geen behagen in hen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken en hun zonden straffen. Zij zullen naar Egypte terugkeren. Brontekst: זִבְחֵ֣י (zivchei) = de offers van | הַבְהָבַ֗י (havhavay) = Mijn gaven | יִזְבְּח֤וּ (yizbechu) = slachten zij | בָשָׂר֙ (basar) = vlees | וַיֹּאכֵ֔לוּ (vayokhelu) = en eten het | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | רָצָ֑ם (ratsam) = heeft behagen in hen | עַתָּ֞ה (ata) = nu | יִזְכֹּ֤ר (yizkor) = zal Hij gedenken | עֲוֺנָם֙ (avonam) = hun ongerechtigheid | וְיִפְקֹ֣ד (veyifqod) = en straffen | חַטֹּאותָ֔ם (chatovtam) = hun zonden | הֵ֖מָּה (hema) = zij | מִצְרַ֥יִם (mitsrayim) = naar Egypte | יָשֽׁוּבוּ (yashuvu) = zullen terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הַבְהָבַי (havhavai), ‘Mijn gaven’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Voetnoot : Vanaf ‘Yahweh heeft geen behagen’ spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon. Daarom is dat deel niet rood. Voetnoot : וְיִפְקֹד (veyifqod), ‘en straffen’: letterlijk ‘bezoeken’. Hier gaat het om het bezoeken van schuld, dus om straffen. Voetnoot : מִצְרַיִם יָשׁוּבוּ (mitsrayim yashuvu), ‘zij zullen naar Egypte terugkeren’: Egypte is het land van de slavernij, waaruit Yahweh hen eens heeft geleid. Zie ook: Amos 5:22; Amos 8:7; Hos 9:3–4; Hos 9:6; Hos 9:9 ### Israël vergeet zijn Maker **8:14** Israël heeft zijn Maker vergeten en paleizen gebouwd. Juda heeft veel versterkte steden gemaakt. **„Maar Ik zend vuur in zijn steden. Het verteert haar burchten.”** Brontekst: וַיִּשְׁכַּ֨ח (vayishkach) = en heeft vergeten | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | עֹשֵׂ֗הוּ (osehu) = zijn Maker | וַיִּ֨בֶן֙ (vayiven) = en heeft gebouwd | הֵֽיכָל֔וֹת (heikhalot) = paleizen | וִֽיהוּדָ֕ה (vihuda) = en Juda | הִרְבָּ֖ה (hirba) = heeft vermenigvuldigd | עָרִ֣ים (arim) = steden | בְּצֻר֑וֹת (betsurot) = versterkte | וְשִׁלַּחְתִּי (veshilachti) = maar Ik zend | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | בְּעָרָ֔יו (bearav) = in zijn steden | וְאָכְלָ֖ה (veakhela) = dat verteert | אַרְמְנֹתֶֽיהָ (armenoteiha) = haar burchten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵיכָלוֹת (heikhalot), ‘paleizen’: het woord hekal betekent ‘groot gebouw’; het kan een paleis of een tempel zijn. Hier past ‘paleizen’. Voetnoot : אַרְמְנֹתֶיהָ (armenoteha), ‘haar burchten’: de verwijzing wisselt van ‘zijn steden’ naar ‘haar burchten’. Wij laten dat zo staan. Voetnoot : Vanaf ‘Maar Ik zend vuur’ spreekt Yahweh weer zelf. Zie ook: Deut 32:18; Amos 2:5; Hos 13:6; Jes 17:10; Jer 17:27 ## Hosea 9 _Geen jubel meer voor Israël_ ### Geen feest voor Israël **9:1** Verheug je niet, Israël, tot jubelen toe zoals de volken. Want je hebt gehoereerd, weg van je Elohim. Je hebt hoerenloon liefgehad op alle dorsvloeren van het koren. Brontekst: אַל (al) = niet | תִּשְׂמַ֨ח (tismach) = verheug je | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | גִּיל֙ (gil) = jubelen | כָּֽעַמִּ֔ים (kaamim) = zoals de volken | כִּ֥י (ki) = want | זָנִ֖יתָ (zanita) = je hebt gehoereerd | מֵעַ֣ל (meal) = weg van | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | אָהַ֣בְתָּ (ahavta) = je hebt liefgehad | אֶתְנָ֔ן (etnan) = hoerenloon | עַ֖ל (al) = op | כָּל (kal) = alle | גָּרְנ֥וֹת (garenot) = dorsvloeren van | דָּגָֽן (dagan) = koren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָנִיתָ (zanita), ‘je hebt gehoereerd’: het beeld van hoererij staat voor ontrouw aan Yahweh. Wij laten het woord letterlijk staan. Voetnoot : אֶתְנָן (etnan), ‘hoerenloon’: de betaling voor een hoer. Israël ziet de oogst als loon van andere goden, niet van Yahweh. Zie ook: Hos 4:12; Hos 10:5; Jes 17:11; Jer 44:17; Jak 4:16 **9:2** Dorsvloer en wijnpers zullen hen niet voeden. De most zal haar teleurstellen. Brontekst: גֹּ֥רֶן (goren) = dorsvloer | וָיֶ֖קֶב (vayeqev) = en wijnpers | לֹ֣א (lo) = niet | יִרְעֵ֑ם (yirem) = zullen hen voeden | וְתִיר֖וֹשׁ (vetirosh) = en most | יְכַ֥חֶשׁ (yekhachesh) = zal teleurstellen | בָּֽהּ (bah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּהּ (bah), ‘haar’: het is niet duidelijk waarnaar het vrouwelijke woord verwijst. Het kan het land of Israël zijn. Wij vertalen ‘haar’. Voetnoot : תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’: nieuwe wijn, nog niet gegist. Zie ook: Joël 1:9–13; Hos 2:11; Hos 2:14; Mi 6:13–16; Hag 1:9 ### Terug naar Egypte en Assyrië **9:3** Zij zullen niet wonen in het land van Yahweh. Efraïm keert terug naar Egypte. In Assyrië eten zij onrein voedsel. Brontekst: לֹ֥א (lo) = niet | יֵשְׁב֖וּ (yeshevu) = zullen zij wonen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְשָׁ֤ב (veshav) = maar keert terug | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = naar Egypte | וּבְאַשּׁ֖וּר (uveashur) = en in Assyrië | טָמֵ֥א (tame) = onrein | יֹאכֵֽלוּ (yokhelu) = zullen zij eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: טָמֵא (tame), ‘onrein’: voedsel dat een Israëliet volgens de wet van Mozes niet mag eten of aan Yahweh mag brengen. In een vreemd land is alles onrein. Zie ook: Lev 25:23; Hos 7:11; Hos 8:13; Jer 2:7; Ezech 4:13 **9:4** Zij zullen Yahweh geen wijn plengen. Hun slachtoffers zullen Hem niet behagen. Voor hen is het als brood van rouwenden: allen die ervan eten, worden onrein. Want hun brood is voor hun ziel. Het komt het huis van Yahweh niet binnen. Brontekst: לֹא (lo) = niet | יִסְּכ֨וּ (yisekhu) = zullen zij plengen | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | יַיִן֮ (yayin) = wijn | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יֶֽעֶרְבוּ (yeervu) = zullen zij behagen | לוֹ֒ (lo) = Hem | זִבְחֵיהֶ֗ם (zivcheihem) = hun slachtoffers | כְּלֶ֤חֶם (kelechem) = als brood van | אוֹנִים֙ (onim) = rouwenden | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | כָּל (kal) = allen | אֹכְלָ֖יו (okhelav) = die ervan eten | יִטַמָּ֑אוּ (yitamau) = worden onrein | כִּֽי (ki) = want | לַחְמָ֣ם (lachmam) = hun brood | לְנַפְשָׁ֔ם (lenafsham) = is voor hun ziel | לֹ֥א (lo) = niet | יָב֖וֹא (yavo) = komt binnen | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִסְּכוּ (yissekhu), ‘zij zullen plengen’: van נֶסֶךְ (nesekh), ‘plengoffer’. Wijn werd bij het offer uitgegoten. Voetnoot : לֶחֶם אוֹנִים (lechem onim), ‘brood van rouwenden’: het brood van mensen die rouwen. Wie in een huis van een dode eet, wordt onrein. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het woord betekent ook ‘leven’, ‘persoon’ en ‘eetlust’. ‘Voor hun ziel’ betekent: alleen voor henzelf, om hun honger te stillen. Zie ook: Deut 26:14; Hos 8:13; Jer 6:20; Ezech 24:17; Hag 2:13–14 **9:5** Wat zullen jullie doen op de dag van de samenkomst en op de dag van het feest van Yahweh? Brontekst: מַֽה (ma) = wat | תַּעֲשׂ֖וּ (taasu) = zullen jullie doen | לְי֣וֹם (leyom) = op de dag van | מוֹעֵ֑ד (moed) = de samenkomst | וּלְי֖וֹם (uleyom) = en op de dag van | חַג (chag) = het feest van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹעֵד (mo’ed), ‘samenkomst’: een vastgestelde tijd of ontmoeting. Het is hetzelfde woord als in ‘tent van samenkomst’. Hier gaat het om de vaste feesten. Zie ook: Joël 1:13; Hos 2:13; Jes 10:3; Jer 5:31 **9:6** Want zie, zij zijn gegaan voor de verwoesting uit. Egypte zal hen verzamelen, Memfis zal hen begraven. Het kostbare van hun zilver: netels nemen het in bezit. Doornen zullen in hun tenten zijn. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הָֽלְכוּ֙ (halekhu) = zij zijn gegaan | מִשֹּׁ֔ד (mishod) = voor de verwoesting uit | מִצְרַ֥יִם (mitsrayim) = Egypte | תְּקַבְּצֵ֖ם (teqabetsem) = zal hen verzamelen | מֹ֣ף (mof) = Memfis | תְּקַבְּרֵ֑ם (teqaberem) = zal hen begraven | מַחְמַ֣ד (machmad) = het kostbare van | לְכַסְפָּ֗ם (lekhaspam) = hun zilver | קִמּוֹשׂ֙ (qimos) = netels | יִֽירָשֵׁ֔ם (yirashem) = nemen het in bezit | ח֖וֹחַ (choach) = doornen | בְּאָהֳלֵיהֶֽם (beaholeihem) = in hun tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Memfis (Mit Rahina): Memfis (Mof) was een oude hoofdstad van Egypte, bij Mit Rahina, ten zuiden van het huidige Caïro, aan de Nijl. Voetnoot Uitleg: מֹף (Mof), ‘Memfis’: een oude hoofdstad van Egypte, met grote begraafplaatsen. Voetnoot : קִמּוֹשׂ (qimmosh), ‘netels’, en חוֹחַ (choach), ‘doornen’: onkruid dat groeit op verlaten plaatsen. Voetnoot : מִשֹּׁד (mishod), ‘voor de verwoesting uit’: letterlijk ‘van verwoesting’. Zij zijn ervoor gevlucht. Zie ook: Hos 7:16; Hos 9:3; Hos 10:8; Jes 5:6; Jes 7:23 ### De dagen van de bestraffing **9:7** De dagen van de bestraffing zijn gekomen, de dagen van de vergelding zijn gekomen. Israël zal het weten. „De profeet is een zot, de man van de geest is waanzinnig,” vanwege de grootte van je ongerechtigheid en omdat de vijandschap groot is. Brontekst: בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | יְמֵ֣י (yemei) = de dagen van | הַפְּקֻדָּ֗ה (hapequda) = de bestraffing | בָּ֚אוּ (bau) = zijn gekomen | יְמֵ֣י (yemei) = de dagen van | הַשִׁלֻּ֔ם (hashilum) = de vergelding | יֵדְע֖וּ (yedeu) = zullen weten | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֱוִ֣יל (evil) = een zot | הַנָּבִ֗יא (hanavi) = de profeet | מְשֻׁגָּע֙ (meshuga) = waanzinnig | אִ֣ישׁ (ish) = de man van | הָר֔וּחַ (haruach) = de geest | עַ֚ל (al) = vanwege | רֹ֣ב (rov) = de grootte van | עֲוֺנְךָ֔ (avonekha) = je ongerechtigheid | וְרַבָּ֖ה (veraba) = en groot is | מַשְׂטֵמָֽה (mastema) = de vijandschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden tussen aanhalingstekens zijn waarschijnlijk wat het volk over de profeet zegt. Het Hebreeuws heeft geen inleiding; de aanhalingstekens zijn van ons. Voetnoot : אֱוִיל (evil), ‘zot’: iemand die geen wijsheid wil horen. Voetnoot : אִישׁ הָרוּחַ (ish haruach), ‘de man van de geest’: iemand die door de geest van Yahweh spreekt. Het volk noemt hem waanzinnig. Voetnoot : הַפְּקֻדָּה (happequddah), ‘de bestraffing’: van פָּקַד (paqad), ‘bezoeken’. De dag waarop Yahweh komt kijken en straft. Zie ook: 2 Kon 9:11; Mi 7:4; Ezech 14:9–10; Mar 3:21; Hand 26:24–25 **9:8** Efraïm is een wachter bij mijn Elohim. De profeet: een vogelaarsstrik is op al zijn wegen, vijandschap in het huis van zijn Elohim. Brontekst: צֹפֶ֥ה (tsofe) = een wachter | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | עִם (im) = bij | אֱלֹהָ֑י (elohay) = mijn Elohim | נָבִ֞יא (navi) = de profeet | פַּ֤ח (pach) = een strik van | יָקוֹשׁ֙ (yaqosh) = een vogelvanger | עַל (al) = op | כָּל (kal) = al | דְּרָכָ֔יו (derakhav) = zijn wegen | מַשְׂטֵמָ֖ה (mastema) = vijandschap | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | אֱלֹהָֽיו (elohav) = zijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. De betekenis is onzeker. Het kan ook zijn dat Efraïm de wachter van mijn Elohim is, of dat Efraïm op de profeet loert. Wij volgen de woordvolgorde van het Hebreeuws. Voetnoot : פַּח יָקוֹשׁ (pach yaqosh), ‘een vogelaarsstrik’: de strik van een vogelvanger. Zie ook: Hos 5:1; Klaagl 4:13; Ezech 3:17; Ezech 33:7; Joh 15:24 **9:9** Zij hebben zich diep verdorven, zoals in de dagen van Gibea. Hij zal hun ongerechtigheid gedenken en hun zonden straffen. Brontekst: הֶעְמִֽיקוּ (hemiqu) = zij hebben diep | שִׁחֵ֖תוּ (shichetu) = verdorven | כִּימֵ֣י (kimei) = zoals in de dagen van | הַגִּבְעָ֑ה (hagiva) = Gibea | יִזְכּ֣וֹר (yizkor) = Hij zal gedenken | עֲוֺנָ֔ם (avonam) = hun ongerechtigheid | יִפְק֖וֹד (yifqod) = Hij zal straffen | חַטֹּאותָֽם (chatovtam) = hun zonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: כִּימֵי הַגִּבְעָה (kimei haggiv’ah), ‘zoals in de dagen van Gibea’: verwijzing naar het schandelijke geweld in Gibea (Richt. 19:22–30). Voetnoot : יִפְקוֹד (yifqod), ‘Hij zal straffen’: letterlijk ‘Hij zal bezoeken’. Hier gaat het om het bezoeken van schuld. Zie ook: Re 19:16–20:21; Re 19:22–30; Hos 8:13; Hos 10:9; Jes 24:5; Jes 31:6 ### Yahweh blikt terug **9:10** **„Als druiven in de woestijn vond Ik Israël. Als de eerste vrucht aan de vijgenboom, in haar eerste tijd, zag Ik jullie vaderen. Zij zijn naar Baäl-Peor gekomen en hebben zich aan de schande gewijd. Zij werden gruwelen, net zoals dat waar zij van hielden.** Brontekst: כַּעֲנָבִ֣ים (kaanavim) = als druiven | בַּמִּדְבָּ֗ר (bamidbar) = in de woestijn | מָצָ֨אתִי֙ (matsati) = vond Ik | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כְּבִכּוּרָ֤ה (kevikura) = als de eerste vrucht | בִתְאֵנָה֙ (bitena) = aan de vijgenboom | בְּרֵ֣אשִׁיתָ֔הּ (bereshitah) = in haar eerste tijd | רָאִ֖יתִי (raiti) = zag Ik | אֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם (avoteikhem) = jullie vaderen | הֵ֜מָּה (hema) = zij | בָּ֣אוּ (bau) = zijn gekomen | בַֽעַל (baal) = naar Baäl | פְּע֗וֹר (peor) = Peor | וַיִּנָּֽזְרוּ֙ (vayinazeru) = en wijdden zich | לַבֹּ֔שֶׁת (laboshet) = aan de schande | וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en werden | שִׁקּוּצִ֖ים (shiqutsim) = gruwelen | כְּאָהֳבָֽם (keahovam) = zoals hun liefde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Baäl-Peor (ligging onzeker): Baäl-Peor lag in Moab, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho (Numeri 25:3). De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt Yahweh weer zelf: Hij blikt terug op de tijd in de woestijn. Voetnoot : בַּעַל פְּעוֹר (Baal Peor), ‘Baäl-Peor’: de plaats en de afgod waar Israël zich aan hechtte (Num. 25:1–5). Voetnoot : בֹּשֶׁת (bosheth), ‘schande’: het woord staat hier voor de afgod zelf. Zie ook: Num 25:1–18; Ps 106:28–29; Hos 4:14; Jer 11:13; Ezech 20:8 **9:11** **Efraïm: als een vogel vliegt hun heerlijkheid weg, vanaf de geboorte, vanaf de baarmoeder en vanaf de zwangerschap.** Brontekst: אֶפְרַ֕יִם (efrayim) = Efraïm | כָּע֖וֹף (kaof) = als een vogel | יִתְעוֹפֵ֣ף (yitofef) = vliegt weg | כְּבוֹדָ֑ם (kevodam) = hun heerlijkheid | מִלֵּדָ֥ה (mileda) = vanaf de geboorte | וּמִבֶּ֖טֶן (umibeten) = en vanaf de baarmoeder | וּמֵהֵרָיֽוֹן (umeherayon) = en vanaf de zwangerschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk verliest zijn heerlijkheid (kavod) in de vorm van kinderen. Zij worden niet meer geboren, niet meer gedragen en niet meer verwekt. Vergelijk vers 12 en 16. Zie ook: Gen 41:52; Deut 28:18; Hos 4:7; Hos 9:12; Hos 9:14; Hos 9:16; Hos 10:5 **9:12** **Ook als zij hun zonen groot brengen, maak Ik hen kinderloos, zodat er geen mens meer is. Ja, wee ook hen als Ik van hen wegga.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | אִם (im) = als | יְגַדְּלוּ֙ (yegadelu) = zij brengen groot | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶ֔ם (beneihem) = hun zonen | וְשִׁכַּלְתִּ֖ים (veshikaltim) = dan maak Ik hen kinderloos | מֵֽאָדָ֑ם (meadam) = zodat er geen mens is | כִּֽי (ki) = ja | גַם (gam) = ook | א֥וֹי (oy) = wee | לָהֶ֖ם (lahem) = hun | בְּשׂוּרִ֥י (besuri) = als Ik wegga | מֵהֶֽם (mehem) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵאָדָם (me’adam), ‘zodat er geen mens meer is’: letterlijk ‘van mens af’. Voetnoot : בְּשׂוּרִי (besuri), ‘als Ik wegga’: de vorm is zeldzaam. De betekenis is onzeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Deut 31:17; Deut 32:25; 2 Kon 17:18; Hos 7:13; Hos 9:16 **9:13** **Efraïm was, zoals Ik zag, als Tyrus, geplant op een weide. Maar Efraïm zal zijn zonen naar de moordenaar brengen.”** Brontekst: אֶפְרַ֛יִם (efrayim) = Efraïm | כַּאֲשֶׁר (kaasher) = zoals | רָאִ֥יתִי (raiti) = Ik zag | לְצ֖וֹר (letsor) = als Tyrus | שְׁתוּלָ֣ה (shetula) = geplant | בְנָוֶ֑ה (benave) = op een weide | וְאֶפְרַ֕יִם (veefrayim) = maar Efraïm | לְהוֹצִ֥יא (lehotsi) = zal brengen | אֶל (el) = naar | הֹרֵ֖ג (horeg) = de moordenaar | בָּנָֽיו (banav) = zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: לְצוֹר (letsor), ‘als Tyrus’: de betekenis is onzeker. Het kan ‘naar Tyrus toe’ of ‘tot een rots’ betekenen. Wij vertalen ‘als Tyrus’; de stad lag op een eiland, veilig en rijk. Voetnoot : הֹרֵג (horeg), ‘moordenaar’: iemand die doodt. Zie ook: Amos 7:17; Hos 9:16; Hos 14:1; Ezech 26:1–21; Ezech 27:3 ### Gebed van de profeet **9:14** Geef hun, Yahweh, wat zult U geven? Geef hun een baarmoeder die kinderen verliest en borsten die opdrogen. Brontekst: תֵּן (ten) = geef | לָהֶ֥ם (lahem) = hun | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מַה (ma) = wat | תִּתֵּ֑ן (titen) = zult U geven | תֵּן (ten) = geef | לָהֶם֙ (lahem) = hun | רֶ֣חֶם (rechem) = een baarmoeder | מַשְׁכִּ֔יל (mashkil) = die kinderen verliest | וְשָׁדַ֖יִם (veshadayim) = en borsten | צֹמְקִֽים (tsomeqim) = die opdrogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gebed van de profeet staat tussen twee woorden van Yahweh. Het is zwart. Voetnoot : מַשְׁכִּיל (mashkil), ‘die kinderen verliest’: letterlijk ‘kinderloos makend’. De betekenis is onzeker. Zie ook: Job 21:10; Mat 24:19; Luc 21:23; Luc 23:29; 1 Kor 7:26 ### Het kwaad in Gilgal **9:15** **„Al hun kwaad is in Gilgal, want daar heb Ik hen gehaat. Om het kwaad van hun daden verjaag Ik hen uit Mijn huis. Ik zal hen niet meer liefhebben. Al hun oversten zijn weerspannig.** Brontekst: כָּל (kal) = al | רָעָתָ֤ם (raatam) = hun kwaad | בַּגִּלְגָּל֙ (bagilgal) = is in Gilgal | כִּֽי (ki) = want | שָׁ֣ם (sham) = daar | שְׂנֵאתִ֔ים (senetim) = heb Ik hen gehaat | עַ֚ל (al) = om | רֹ֣עַ (roa) = het kwaad van | מַֽעַלְלֵיהֶ֔ם (maalleihem) = hun daden | מִבֵּיתִ֖י (mibeiti) = uit Mijn huis | אֲגָרְשֵׁ֑ם (agareshem) = verjaag Ik hen | לֹ֤א (lo) = niet | אוֹסֵף֙ (osef) = Ik zal voortgaan | אַהֲבָתָ֔ם (ahavatam) = hen lief te hebben | כָּל (kal) = al | שָׂרֵיהֶ֖ם (sareihem) = hun oversten | סֹרְרִֽים (sorerim) = zijn weerspannig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilgal (bij Jericho?; ligging onzeker): Het is niet zeker welk Gilgal hier bedoeld is. Een mogelijkheid is het Gilgal bij Jericho (Jozua 4:19). Dit is niet zeker. Zie Gilgal (bij Betel?; ligging onzeker): Een andere mogelijkheid is een Gilgal in het bergland bij Betel, vermoedelijk bij het huidige Jiljilya. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Hier spreekt Yahweh weer zelf. Voetnoot : בַּגִּלְגָּל (baggilgal), ‘in Gilgal’: een plaats van de afgodendienst. Er waren meer plaatsen met die naam; het is onzeker welke hier bedoeld is. Voetnoot : מִבֵּיתִי (mibeiti), ‘uit Mijn huis’: het land, waar Yahweh Zijn volk liet wonen. Vergelijk Hos. 8:1. Voetnoot : סֹרְרִים (sorerim), ‘weerspannig’: eigenzinnig, als een koppige os. Zie ook: Joz 4:19–24; 1 Sam 7:16; Hos 4:15; Hos 8:1; Hos 12:12; Jes 1:23 **9:16** **Efraïm is geslagen. Hun wortel is verdord, vrucht brengen zij niet voort. Ook als zij kinderen baren, dood Ik de kostbaren van hun schoot.”** Brontekst: הֻכָּ֣ה (huka) = is geslagen | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | שָׁרְשָׁ֥ם (sharesham) = hun wortel | יָבֵ֖שׁ (yavesh) = is verdord | פְּרִ֣י (peri) = vrucht | בַֽל (bal) = niet | יַעֲשׂ֑וּן (yaasun) = brengen zij voort | גַּ֚ם (gam) = ook | כִּ֣י (ki) = als | יֵֽלֵד֔וּן (yeledun) = zij baren | וְהֵמַתִּ֖י (vehemati) = dood Ik | מַחֲמַדֵּ֥י (machamadei) = de kostbaren van | בִטְנָֽם (bitnam) = hun schoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat בלי (bli), ‘zonder’. De voorgelezen tekst (qere) is בַל (bal), ‘niet’. De zin betekent in beide gevallen dat zij geen vrucht dragen. Wij volgen de qere. Zie ook: Hos 5:11; Hos 9:11–13; Jes 5:24; Ezech 24:21; Mal 3:19 **9:17** Mijn Elohim verwerpt hen, want zij hebben niet naar Hem geluisterd. Zij zullen zwervers zijn onder de volken. Brontekst: יִמְאָסֵ֣ם (yimasem) = verwerpt hen | אֱלֹהַ֔י (elohay) = mijn Elohim | כִּ֛י (ki) = want | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁמְע֖וּ (shameu) = zij hebben geluisterd | ל֑וֹ (lo) = naar Hem | וְיִהְי֥וּ (veyihyu) = en zij zullen zijn | נֹדְדִ֖ים (nodedim) = zwervers | בַּגּוֹיִֽם (bagoyim) = onder de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is weer de profeet die over Yahweh spreekt (‘mijn Elohim’, ‘Hem’). Het is zwart. Zie ook: Deut 28:64–65; Hos 7:13; Mi 7:7; Zach 7:11–14; Hand 3:23 ## Hosea 10 _Israëls altaren, de vaars Efraïm en de oogst van onrecht_ ### Een weelderige wijnstok met altaren **10:1** Israël is een weelderige wijnstok; hij draagt vrucht voor zichzelf. Naarmate zijn vrucht groter werd, maakte hij meer altaren. Naarmate zijn land beter werd, maakten zij de gewijde stenen mooier. Brontekst: גֶּ֤פֶן (gefen) = wijnstok | בּוֹקֵק֙ (boqeq) = weelderige | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | פְּרִ֖י (peri) = vrucht | יְשַׁוֶּה (yeshave) = hij draagt | לּ֑וֹ (lo) = voor zichzelf | כְּרֹ֣ב (kerov) = naarmate de menigte van | לְפִרְי֗וֹ (lefiryo) = zijn vrucht | הִרְבָּה֙ (hirba) = hij maakte veel | לַֽמִּזְבְּח֔וֹת (lamizbechot) = aan altaren | כְּט֣וֹב (ketov) = naarmate het goed was voor | לְאַרְצ֔וֹ (leartso) = zijn land | הֵיטִ֖יבוּ (heitivu) = zij maakten mooi | מַצֵּבֽוֹת (matsevot) = gewijde stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בּוֹקֵק (boqeq), ‘weelderig’: hetzelfde werkwoord kan ook ‘leegplunderen’ betekenen. Wij kiezen ‘weelderig’. Voetnoot : יְשַׁוֶּה (yeshavveh), ‘hij draagt (vrucht)’: letterlijk ‘hij zet, hij legt’; de betekenis is hier niet zeker. Voetnoot : מַצֵּבוֹת (matsevot), ‘gewijde stenen’: staande stenen bij een heiligdom. Zie ook Exod. 23:24; Deut. 16:22. Zie ook: Ex 23:24; Lev 26:1; Deut 16:22; Hos 8:11; Hos 12:12; Jes 5:1–7; Fil 2:21 **10:2** Hun hart is verdeeld. Nu zullen zij hun schuld dragen. Hij zal hun altaren de nek breken en hun gewijde stenen verwoesten. Brontekst: חָלַ֥ק (chalaq) = verdeeld is | לִבָּ֖ם (libam) = hun hart | עַתָּ֣ה (ata) = nu | יֶאְשָׁ֑מוּ (yeshamu) = zullen zij schuld dragen | ה֚וּא (hu) = Hij | יַעֲרֹ֣ף (yaarof) = zal de nek breken van | מִזְבְּחוֹתָ֔ם (mizbechotam) = hun altaren | יְשֹׁדֵ֖ד (yeshoded) = zal verwoesten | מַצֵּבוֹתָֽם (matsevotam) = hun gewijde stenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלַק (chalaq), ‘verdeeld’: het woord kan ook ‘glad, vleiend’ betekenen. Het hart is dan verdeeld tussen Yahweh en andere goden, of onoprecht. Voetnoot : יַעֲרֹף (ya’arof), ‘de nek breken’: zie ook Exod. 13:13. De handelende is Yahweh. Zie ook: Ex 13:13; 1 Kon 18:21; Mi 5:12; Jak 1:8; Jak 4:4; Openb 3:15–16 ### Zonder koning **10:3** Want nu zullen zij zeggen: „Wij hebben geen koning, want wij hebben Yahweh niet gevreesd. En de koning, wat kan hij voor ons doen?” Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | עַתָּה֙ (ata) = nu | יֹֽאמְר֔וּ (yomru) = zullen zij zeggen | אֵ֥ין (ein) = er is niet | מֶ֖לֶךְ (melekh) = koning | לָ֑נוּ (lanu) = voor ons | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יָרֵ֨אנוּ֙ (yarenu) = wij vreesden | אֶת (et) = (obj.) | יְהֹוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְהַמֶּ֖לֶךְ (vehamelekh) = en de koning | מַה (ma) = wat | יַּֽעֲשֶׂה (yaase) = kan hij doen | לָּֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:10; Hos 10:7; Hos 10:15; Hos 13:11; Mi 4:9 **10:4** Zij spreken woorden, zij zweren valse eden en sluiten een verbond. En het recht schiet op als gifkruid in de voren van het veld. Brontekst: דִּבְּר֣וּ (diberu) = zij spreken | דְבָרִ֔ים (devarim) = woorden | אָל֥וֹת (alot) = zweren van | שָׁ֖וְא (shave) = valsheid | כָּרֹ֣ת (karot) = sluiten van | בְּרִ֑ית (berit) = verbond | וּפָרַ֤ח (ufarach) = en het schiet op | כָּרֹאשׁ֙ (karosh) = als gifkruid | מִשְׁפָּ֔ט (mishpat) = recht | עַ֖ל (al) = op | תַּלְמֵ֥י (talmei) = voren van | שָׂדָֽי (saday) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלוֹת שָׁוְא (alot shav), ‘valse eden’: zweren zonder het te menen. Voetnoot : רֹאשׁ (rosh), ‘gifkruid’: een giftige, bittere plant. Zie ook Deut. 29:17; 32:32. Zie ook: Deut 29:17; Deut 32:32; Amos 5:7; Amos 6:12; Hos 4:2; Ezech 17:13–19 ### Het kalf van Samaria **10:5** Voor de kalveren van Bet-Awen zullen de inwoners van Samaria vrezen. Want zijn volk rouwt erover. Zijn afgodspriesters jubelen erover, om zijn heerlijkheid, want die is van hem weggevoerd. Brontekst: לְעֶגְלוֹת֙ (leeglot) = voor de kalveren van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | אָ֔וֶן (aven) = onheil | יָג֖וּרוּ (yaguru) = zullen vrezen | שְׁכַ֣ן (shekhan) = inwoner van | שֹֽׁמְר֑וֹן (shomeron) = Samaria | כִּי (ki) = want | אָבַ֨ל (aval) = rouwt | עָלָ֜יו (alav) = erover | עַמּ֗וֹ (amo) = zijn volk | וּכְמָרָיו֙ (ukhemarav) = en zijn afgodspriesters | עָלָ֣יו (alav) = erover | יָגִ֔ילוּ (yagilu) = zij jubelen | עַל (al) = om | כְּבוֹד֖וֹ (kevodo) = zijn heerlijkheid | כִּֽי (ki) = want | גָלָ֥ה (gala) = is weggevoerd | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Aven (ligging onzeker): Bet-Aven (Bet-Awen) lag ten oosten van Betel, bij Ai. De precieze plaats is niet bekend. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: בֵּית אָוֶן (Bet-Awen), ‘huis van onheil’: spotnaam voor Betel (zie 4:15). Voetnoot : עֶגְלוֹת (eglot), ‘kalveren’: een vrouwelijke meervoudsvorm voor het stierbeeld in Betel. Zie ook 1 Kon. 12:28–29. Voetnoot : כְּמָרִים (kemarim), ‘afgodspriesters’: zie ook 2 Kon. 23:5. Voetnoot : יָגִילוּ (yagilu), ‘zij jubelen’: hetzelfde werkwoord kan ook ‘beven’ betekenen. Zie ook: 1 Kon 12:28–29; 2 Kon 23:5; Hos 4:15; Hos 5:8; Hos 8:5–6; Hos 9:11 **10:6** Ook hem zal men naar Assyrië brengen, als geschenk voor koning Jareb. Efraïm zal schande ontvangen, en Israël zal zich schamen over zijn raad. Brontekst: גַּם (gam) = ook | אוֹתוֹ֙ (oto) = hem | לְאַשּׁ֣וּר (leashur) = naar Assyrië | יוּבָ֔ל (yuval) = wordt gebracht | מִנְחָ֖ה (mincha) = geschenk | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = voor koning | יָרֵ֑ב (yarev) = Jareb | בָּשְׁנָה֙ (bashena) = schande | אֶפְרַ֣יִם (efrayim) = Efraïm | יִקָּ֔ח (yiqach) = zal ontvangen | וְיֵב֥וֹשׁ (veyevosh) = en zal zich schamen | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵעֲצָתֽוֹ (meatsato) = over zijn raad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: ‘Hem’ is het kalfbeeld uit vers 5. Voetnoot : מֶלֶךְ יָרֵב (melech Yareb), ‘koning Jareb’: of de naam of een titel van de koning van Assyrië, of ‘een koning die twist’. Dezelfde woorden staan in Hos. 5:13. Zie ook 2 Kon. 17:3–4. Voetnoot : בָּשְׁנָה (boshnah), ‘schande’. Zie ook: 2 Kon 17:3–4; Hos 5:13; Hos 10:5; Jes 30:3; Jer 2:36–37; Jer 7:24; Dan 11:8 **10:7** Samaria is vernietigd, haar koning is als een takje op het water. Brontekst: נִדְמֶ֥ה (nidme) = vernietigd is | שֹׁמְר֖וֹן (shomeron) = Samaria | מַלְכָּ֑הּ (malkah) = haar koning | כְּקֶ֖צֶף (keqetsef) = als een takje | עַל (al) = op | פְּנֵי (penei) = het oppervlak van | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: נִדְמֶה (nidmeh), ‘is vernietigd’: letterlijk ‘is weggesneden’. Het werkwoord komt terug in vers 15. Voetnoot : קֶצֶף (qetsef), ‘takje’: het woord kan ook ‘schuim’ betekenen. Zie ook: 1 Kon 21:1; 2 Kon 1:3; Hos 10:3; Hos 10:15; Jud 1:13 **10:8** De hoogten van Awen, de zonde van Israël, worden vernietigd. Doorn en distel schieten op over hun altaren. En zij zeggen tegen de bergen: „Bedek ons!” en tegen de heuvels: „Val op ons!” Brontekst: וְנִשְׁמְד֞וּ (venishmedu) = en zij worden vernietigd | בָּמ֣וֹת (bamot) = hoogten van | אָ֗וֶן (aven) = Awen | חַטַּאת֙ (chatat) = zonde van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | ק֣וֹץ (qots) = doorn | וְדַרְדַּ֔ר (vedardar) = en distel | יַעֲלֶ֖ה (yaale) = zal opschieten | עַל (al) = op | מִזְבְּחוֹתָ֑ם (mizbechotam) = hun altaren | וְאָמְר֤וּ (veameru) = en zij zeggen | לֶֽהָרִים֙ (leharim) = tegen de bergen | כַּסּ֔וּנוּ (kasunu) = bedek ons | וְלַגְּבָע֖וֹת (velagevaot) = en tegen de heuvels | נִפְל֥וּ (niflu) = val | עָלֵֽינוּ (aleinu) = op ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Awen (hoogten van Awen; ligging onzeker): ‘De hoogten van Awen’ is een korte vorm van Bet-Awen (‘huis van onheil’), een spottende naam voor Betel (Hosea 4:15). De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת אָוֶן (bamot Aven), ‘hoogten van Awen’: Awen is hier de korte vorm van Bet-Awen (vers 5), dus Betel. Voetnoot : Vergelijk de woorden ‘Bedek ons’ en ‘Val op ons’ met Luc. 23:30. Zie ook: 1 Kon 12:28–30; Hos 9:6; Hos 10:5; Jes 2:19; Luc 23:30; Openb 6:16 ### De dagen van Gibea **10:9** Sinds de dagen van Gibea heb je gezondigd, Israël. Daar zijn zij blijven staan. Zal de oorlog tegen de zonen van het onrecht hen niet inhalen in Gibea? Brontekst: מִימֵי֙ (mimei) = sinds de dagen van | הַגִּבְעָ֔ה (hagiva) = Gibea | חָטָ֖אתָ (chatata) = je zondigde | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | שָׁ֣ם (sham) = daar | עָמָ֔דוּ (amadu) = zij bleven staan | לֹֽא (lo) = niet | תַשִּׂיגֵ֧ם (tasigem) = zal hen inhalen | בַּגִּבְעָ֛ה (bagiva) = in Gibea | מִלְחָמָ֖ה (milchama) = oorlog | עַל (al) = tegen | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עַֽלְוָֽה (alva) = onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda. Voetnoot Uitleg: De ‘dagen van Gibea’ zijn de dagen van de gruwelijke misdaad in Gibea. Zie ook Richt. 19:22–30; 20:13. Voetnoot : עַלְוָה (alvah), ‘onrecht’: een spelling van עַוְלָה (avlah). Voetnoot : לֹא תַשִּׂיגֵם (lo tasigem), ‘zal de oorlog hen niet inhalen?’: wij lezen een vraag. De zin kan ook een mededeling zijn: ‘de oorlog haalde hen niet in’. Zie ook: Re 19:22–30; Re 20:5; Re 20:13; Re 20:17–48; Hos 9:9; Mat 23:31–32 **10:10** **„Wanneer Ik dat wil, tucht Ik hen. Volken worden tegen hen verzameld, wanneer zij worden gebonden aan hun twee ongerechtigheden.** Brontekst: בְּאַוָּתִ֖י (beavati) = wanneer Ik wil | וְאֶסֳּרֵ֑ם (veesorem) = en Ik tucht hen | וְאֻסְּפ֤וּ (veusefu) = en zij worden verzameld | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tegen hen | עַמִּ֔ים (amim) = volken | בְּאָסְרָ֖ם (beaseram) = wanneer zij worden gebonden | לִשְׁתֵּ֥י (lishtei) = aan twee | עוֹנֹתָֽם (onotam) = hun ongerechtigheden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָסְרָם (osram), ‘wanneer zij worden gebonden’: van het werkwoord ‘binden’. Wat de ‘twee ongerechtigheden’ zijn, is niet zeker: misschien de twee stierbeelden (Betel en Dan, 1 Kon. 12:29). Sommigen denken aan ‘twee voren’ (vergelijk vers 11). Voetnoot Lezing: Het geschreven woord (ketiv) is עינתם (eynotam), ‘hun twee ogen’. De te lezen vorm (qere) is עונתם (avonotam), ‘hun ongerechtigheden’. Wij volgen de qere. Zie ook: 1 Kon 12:29; Hos 4:9; Hos 10:11; Jer 16:16; Jer 21:4; Ezech 5:13; Ezech 23:46 ### De vaars Efraïm **10:11** **Efraïm is een afgerichte vaars die graag dorst. Ik zelf ging over haar mooie hals heen. Ik zal Efraïm laten rijden. Juda zal ploegen, Jakob zal voor zichzelf eggen.”** Brontekst: וְאֶפְרַ֜יִם (veefrayim) = en Efraïm | עֶגְלָ֤ה (egla) = vaars | מְלֻמָּדָה֙ (melumada) = afgerichte | אֹהַ֣בְתִּי (ohavti) = liefhebbend | לָד֔וּשׁ (ladush) = om te dorsen | וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | עָבַ֔רְתִּי (avarti) = Ik ging | עַל (al) = over | ט֖וּב (tuv) = het mooie van | צַוָּארָ֑הּ (tsavarah) = haar hals | אַרְכִּ֤יב (arkiv) = Ik laat rijden | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | יַחֲר֣וֹשׁ (yacharosh) = zal ploegen | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | יְשַׂדֶּד (yesaded) = zal eggen | ל֖וֹ (lo) = voor zichzelf | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶגְלָה מְלֻמָּדָה (eglah melummadah), ‘afgerichte vaars’: een vaars die gewend is aan het werk. Een dorsend dier ging vrij rond; vergelijk Deut. 25:4. Voetnoot : אֹהַבְתִּי (ohavti), ‘liefhebbend’: het woord is een vrouwelijk deelwoord. Het gaat over de vaars, die graag dorst. Voetnoot : עָבַרְתִּי עַל־טוּב צַוָּארָהּ (avarti al tov tsavvarah), ‘Ik ging over haar mooie hals heen’: Ik spaarde haar hals en legde er geen juk op. Nu verandert dat. Voetnoot : אַרְכִּיב (arkiv), ‘Ik zal laten rijden’: letterlijk. De betekenis in dit beeld is onzeker: Efraïm wordt bereden of voor het werk ingespannen. Zie ook: Deut 25:4; 2 Kron 28:5–8; Hos 2:7; Hos 4:16; Jer 50:11 ### Zaai gerechtigheid **10:12** Zaai voor jullie gerechtigheid, oogst naar de maat van trouw. Ontgin voor jullie braakland. Het is tijd om Yahweh te zoeken, totdat Hij komt en over jullie gerechtigheid laat regenen. Brontekst: זִרְע֨וּ (ziru) = zaai | לָכֶ֤ם (lakhem) = voor jullie | לִצְדָקָה֙ (litsdaqa) = in gerechtigheid | קִצְר֣וּ (qitsru) = oogst | לְפִי (lefi) = naar de maat van | חֶ֔סֶד (chesed) = trouw | נִ֥ירוּ (niru) = ontgin | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | נִ֑יר (nir) = braakland | וְעֵת֙ (veet) = en het is tijd | לִדְר֣וֹשׁ (lidrosh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַד (ad) = totdat | יָב֕וֹא (yavo) = Hij komt | וְיֹרֶ֥ה (veyore) = en Hij laat regenen | צֶ֖דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | לָכֶֽם (lakhem) = over jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְדָקָה (tsedaqah) en צֶדֶק (tsedeq), ‘gerechtigheid’; חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Voetnoot : נִיר (nir), ‘braakland’: grond die nog niet bewerkt is. Voetnoot : יֹרֶה (yoreh), ‘Hij laat regenen’: hetzelfde woord kan ook ‘Hij onderwijst’ betekenen. Wij kiezen ‘laat regenen’, passend bij het beeld van zaaien en oogsten. Zie ook: Spr 11:18; Jes 45:8; Jes 55:6; Jer 4:3–4; Jak 3:18 ### De oogst van onrecht **10:13** Jullie hebben goddeloosheid geploegd, onrecht geoogst en de vrucht van leugen gegeten. Want je vertrouwde op je eigen weg, op het grote aantal van je helden. Brontekst: חֲרַשְׁתֶּם (charashtem) = jullie ploegden | רֶ֛שַׁע (resha) = goddeloosheid | עַוְלָ֥תָה (avlata) = onrecht | קְצַרְתֶּ֖ם (qetsartem) = jullie oogstten | אֲכַלְתֶּ֣ם (akhaltem) = jullie aten | פְּרִי (peri) = vrucht van | כָ֑חַשׁ (kachash) = leugen | כִּֽי (ki) = want | בָטַ֥חְתָּ (batachta) = je vertrouwde | בְדַרְכְּךָ֖ (bedarkekha) = op je weg | בְּרֹ֥ב (berov) = op de menigte van | גִּבּוֹרֶֽיךָ (giboreikha) = je helden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 4:8; Spr 1:31; Spr 22:8; Hos 8:7; Gal 6:7–8 **10:14** Krijgsgeraas zal opstaan onder je volk, en al je vestingen worden verwoest, zoals Salman Bet-Arbel verwoestte op de dag van de strijd. Een moeder werd verpletterd boven op haar kinderen. Brontekst: וְקָ֣אם (veqam) = en zal opstaan | שָׁאוֹן֮ (shaon) = krijgsgeraas | בְּעַמֶּךָ֒ (beamekha) = onder je volk | וְכָל (vekhal) = en al | מִבְצָרֶ֣יךָ (mivtsareikha) = je vestingen | יוּשַּׁ֔ד (yushad) = worden verwoest | כְּשֹׁ֧ד (keshod) = zoals het verwoesten door | שַֽׁלְמַ֛ן (shalman) = Salman | בֵּ֥ית (beit) = Bet | אַֽרְבֵ֖אל (arvel) = Arbel | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = strijd | אֵ֥ם (em) = moeder | עַל (al) = bovenop | בָּנִ֖ים (banim) = kinderen | רֻטָּֽשָׁה (rutasha) = werd verpletterd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bet-Arbel (ligging onzeker): De ligging van Bet-Arbel is niet bekend. Voorgesteld worden Arbela bij het meer van Galilea (Irbid, Israël) en Irbid in Gilead (Jordanië). Hier staat de eerste mogelijkheid. Voetnoot Uitleg: שַׁלְמַן (Salman) en בֵּית אַרְבֵאל (Bet-Arbel): de gebeurtenis die hier bedoeld wordt, kennen wij niet. Salman is misschien een korte vorm van Salmaneser (2 Kon. 17:3); dat is niet zeker. Voetnoot : רֻטָּשָׁה (rutashah), ‘werd verpletterd’: zie ook 2 Kon. 8:12. Zie ook: 2 Kon 8:12; 2 Kon 17:3; 2 Kon 18:9–10; 2 Kon 19:11–13; Hos 14:1; Jes 33:14; Hab 1:10 **10:15** Zo heeft Betel met jullie gedaan, vanwege jullie ergste kwaad. Bij de dageraad is de koning van Israël volkomen vernietigd. Brontekst: כָּ֗כָה (kakha) = zo | עָשָׂ֤ה (asa) = heeft gedaan | לָכֶם֙ (lakhem) = aan jullie | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֔ל (el) = El | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | רָעַ֣ת (raat) = het kwaad van | רָֽעַתְכֶ֑ם (raatkhem) = jullie kwaad | בַּשַּׁ֕חַר (bashachar) = bij de dageraad | נִדְמֹ֥ה (nidmo) = vernietigd | נִדְמָ֖ה (nidma) = vernietigd | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: רָעַת רָעַתְכֶם (ra’at ra’atkhem), letterlijk ‘het kwaad van jullie kwaad’: dat is jullie ergste kwaad. Voetnoot : נִדְמֹה נִדְמָה (nidmoh nidmah), ‘volkomen vernietigd’: de onbepaalde wijs versterkt het werkwoord. Zie ook: Amos 7:9–17; Hos 10:3; Hos 10:5; Hos 10:7; Rom 7:13 ## Hosea 11 _Yahweh en Zijn zoon Efraïm_ ### Uit Egypte geroepen **11:1** **„Toen Israël een jongen was, had Ik hem lief, en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = toen | נַ֥עַר (naar) = jongen | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | וָאֹהֲבֵ֑הוּ (vaohavehu) = en Ik had hem lief | וּמִמִּצְרַ֖יִם (umimitsrayim) = en uit Egypte | קָרָ֥אתִי (qarati) = Ik riep | לִבְנִֽי (livni) = Mijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נַעַר (na’ar), ‘jongen’: Israël als jong volk, toen het uit Egypte werd geroepen. Zie ook Exod. 4:22–23. Voetnoot : Zie ook Matt. 2:15. Zie ook: Ex 4:22; Hos 2:17; Hos 13:4; Jer 2:2; Mat 2:15 **11:2** **Men riep hen; zo gingen zij van hen weg. Aan de Baäls offeren zij, en aan de gesneden beelden laten zij offerrook opgaan.** Brontekst: קָרְא֖וּ (qareu) = men riep | לָהֶ֑ם (lahem) = hen | כֵּ֚ן (ken) = zo | הָלְכ֣וּ (halekhu) = zij gingen | מִפְּנֵיהֶ֔ם (mipeneihem) = van hen weg | לַבְּעָלִ֣ים (labealim) = aan de Baäls | יְזַבֵּ֔חוּ (yezabechu) = zij offeren | וְלַפְּסִלִ֖ים (velapesilim) = en aan de gesneden beelden | יְקַטֵּרֽוּן (yeqaterun) = zij laten offerrook opgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָרְאוּ (qar’u), ‘men riep’: er staat niet wie roept; mogelijk zijn het de profeten. Sommige oude vertalingen lezen dit anders. Voetnoot : בְּעָלִים (be’alim), ‘Baäls’: het meervoud; de vele Baäl-beelden en -heiligdommen. Zie ook: Hos 2:15; Hos 11:7; Jes 65:7; Jer 18:15; Joh 3:19 **11:3** **Ik zelf leerde Efraïm lopen. Hij nam hen op Zijn armen, maar zij wisten niet dat Ik hen genas.** Brontekst: וְאָנֹכִ֤י (veanokhi) = en Ik zelf | תִרְגַּ֨לְתִּי֙ (tirgalti) = leerde lopen | לְאֶפְרַ֔יִם (leefrayim) = Efraïm | קָחָ֖ם (qacham) = nemend hen | עַל (al) = op | זְרֽוֹעֹתָ֑יו (zerootav) = Zijn armen | וְלֹ֥א (velo) = maar niet | יָדְע֖וּ (yadeu) = zij wisten | כִּ֥י (ki) = dat | רְפָאתִֽים (refatim) = Ik hen genas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּרְגַּלְתִּי (tirgalti), ‘Ik leerde lopen’: van het woord voor ‘voet’. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘op zijn armen’ (derde persoon) midden in Yahweh’s eigen woorden. Sommige oude vertalingen lezen ‘op Mijn armen’. Wij volgen de Masoretische tekst en lezen ‘Zijn’ als Yahweh. Zie ook: Ex 15:26; Deut 1:31; Deut 8:2; Hos 7:15; Jer 30:17 **11:4** **Met menselijke koorden trok Ik hen, met banden van liefde. Ik was voor hen als wie het juk van hun kaken optilt. Ik boog Mij naar hem toe en gaf hem te eten.** Brontekst: בְּחַבְלֵ֨י (bechavlei) = met koorden van | אָדָ֤ם (adam) = mens | אֶמְשְׁכֵם֙ (emshekhem) = Ik trok hen | בַּעֲבֹת֣וֹת (baavotot) = met banden van | אַהֲבָ֔ה (ahava) = liefde | וָאֶהְיֶ֥ה (vaehye) = en Ik was | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | כִּמְרִ֥ימֵי (kimrimei) = als wie optillen | עֹ֖ל (ol) = juk | עַ֣ל (al) = van | לְחֵיהֶ֑ם (lecheihem) = hun kaken | וְאַ֥ט (veat) = en Ik boog Mij neer | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem toe | אוֹכִֽיל (okhil) = Ik gaf te eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַבְלֵי אָדָם (chavle adam), ‘menselijke koorden’: de koorden waarmee men een mens leidt, tegenover banden voor een dier. Voetnoot : עַל־לְחֵיהֶם (al lechehem), ‘van hun kaken’: ‘al’ betekent letterlijk ‘op’ en kan ook ‘weg van’ betekenen. Wij kiezen ‘van’, omdat het juk wordt opgetild. Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders. Zie ook: Lev 26:13; Jes 63:9; Jer 31:2–3; Joh 12:32; 2 Kor 5:14 ### Het zwaard en de afval **11:5** **Hij keert niet terug naar het land Egypte, maar Assyrië, dat is zijn koning, want zij weigerden terug te keren.** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | יָשׁוּב֙ (yashuv) = hij keert terug | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאַשּׁ֖וּר (veashur) = maar Assyrië | ה֣וּא (hu) = dat | מַלְכּ֑וֹ (malko) = zijn koning | כִּ֥י (ki) = want | מֵאֲנ֖וּ (meanu) = zij weigerden | לָשֽׁוּב (lashuv) = terug te keren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’: hetzelfde werkwoord staat twee keer in dit vers (‘terugkeren naar Egypte’ en ‘weigerden terug te keren’), ook voor het zich bekeren tot Yahweh. Wij houden het woordspel. Zie ook Hos. 8:13; 9:3. Voetnoot : Sommige oude vertalingen lezen het begin van dit vers anders. Zie ook: 2 Kon 17:13–14; Hos 7:16; Hos 8:13; Hos 9:3; Hos 10:6 **11:6** **Het zwaard zal in zijn steden rondwervelen. Het vernietigt zijn grendels en verslindt, vanwege hun plannen.** Brontekst: וְחָלָ֥ה (vechala) = en zal rondwervelen | חֶ֨רֶב֙ (cherev) = zwaard | בְּעָרָ֔יו (bearav) = in zijn steden | וְכִלְּתָ֥ה (vekhileta) = en zal vernietigen | בַדָּ֖יו (badav) = zijn grendels | וְאָכָ֑לָה (veakhala) = en zal verslinden | מִֽמֹּעֲצ֖וֹתֵיהֶֽם (mimoatsoteihem) = vanwege hun plannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְחָלָה (vechalah), ‘zal rondwervelen’: of ‘zal beginnen’. Voetnoot : בַּדָּיו (baddav), ‘zijn grendels’: het woord kan ook ‘zijn takken’ of ‘zijn pochers’ betekenen. De betekenis is onzeker. Zie ook: Hos 10:6; Hos 10:14; Hos 14:1; Ezech 21:3; Mal 3:19 **11:7** **Mijn volk hangt aan de afval van Mij. Men roept hen naar omhoog, maar geen van hen verheft zich.** Brontekst: וְעַמִּ֥י (veami) = en Mijn volk | תְלוּאִ֖ים (teluim) = hangt | לִמְשֽׁוּבָתִ֑י (limshuvati) = aan afval van Mij | וְאֶל (veel) = en naar | עַל֙ (al) = omhoog | יִקְרָאֻ֔הוּ (yiqrauhu) = men roept hen | יַ֖חַד (yachad) = samen | לֹ֥א (lo) = niet | יְרוֹמֵם (yeromem) = verheft zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשׁוּבָתִי (meshuvati), ‘afval van Mij’: van hetzelfde werkwoord shuv als in vers 5. Voetnoot : וְאֶל־עַל (ve’el al), ‘naar omhoog’: al kan ook ‘de Allerhoogste’ zijn. Dit vers is moeilijk; de betekenis is onzeker. Zie ook: Spr 14:14; Amos 5:4–6; Amos 5:14–15; Hos 11:5; Hos 14:5; Jer 8:5 ### Hoe kan Ik je prijsgeven? **11:8** **Hoe kan Ik je prijsgeven, Efraïm? Hoe kan Ik je uitleveren, Israël? Hoe kan Ik je prijsgeven zoals Adma, je maken zoals Zeboïm? Mijn hart keert zich om in Mij. Al Mijn medelijden is ontvlamd.** Brontekst: אֵ֞יךְ (eikh) = hoe | אֶתֶּנְךָ֣ (etenkha) = kan Ik je prijsgeven | אֶפְרַ֗יִם (efrayim) = Efraïm | אֲמַגֶּנְךָ֙ (amagenkha) = kan Ik je uitleveren | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֵ֚יךְ (eikh) = hoe | אֶתֶּנְךָ֣ (etenkha) = kan Ik je prijsgeven | כְאַדְמָ֔ה (keadma) = zoals Adma | אֲשִֽׂימְךָ֖ (asimekha) = kan Ik je maken | כִּצְבֹאיִ֑ם (kitsvoyim) = zoals Zeboïm | נֶהְפַּ֤ךְ (nehpakh) = is omgekeerd | עָלַי֙ (alay) = in Mij | לִבִּ֔י (libi) = Mijn hart | יַ֖חַד (yachad) = samen | נִכְמְר֥וּ (nikhmeru) = zijn ontvlamd | נִחוּמָֽי (nichumay) = Mijn medelijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Adma (ligging onzeker): Adma was een van de steden van de vlakte, bij Sodom en Gomorra (Genesis 14:2; Deuteronomium 29:22), bij de Zoutzee. De ligging is niet bekend. Zie Zeboïm (ligging onzeker): Zeboïm was een van de steden van de vlakte, bij Sodom en Gomorra (Genesis 14:2; Deuteronomium 29:22), bij de Zoutzee. De ligging is niet bekend. Voetnoot Uitleg: אַדְמָה (Adma) en צְבֹאיִם (Zeboïm): steden bij Sodom en Gomorra die met hen werden verwoest. Zie ook Deut. 29:22; Gen. 14:2. Voetnoot : נִחוּמָי (nichumai), ‘Mijn medelijden’: letterlijk ‘Mijn troost’; het gaat om ontferming die het hart beweegt. Zie ook: Gen 14:2; Deut 29:22; Deut 32:36; Hos 6:4; Jer 31:20; Mat 23:37 **11:9** **Ik zal Mijn brandende toorn niet uitvoeren. Ik keer niet terug om Efraïm te verderven. Want Ik ben El en geen man, de Heilige in je midden. En Ik zal niet in een stad komen.”** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | אֶֽעֱשֶׂה֙ (eese) = Ik zal uitvoeren | חֲר֣וֹן (charon) = gloed van | אַפִּ֔י (api) = Mijn toorn | לֹ֥א (lo) = niet | אָשׁ֖וּב (ashuv) = Ik zal terugkeren | לְשַׁחֵ֣ת (leshachet) = om te verderven | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֤ל (el) = El | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik ben | וְלֹא (velo) = en niet | אִ֔ישׁ (ish) = man | בְּקִרְבְּךָ֣ (beqirbekha) = in je midden | קָד֔וֹשׁ (qadosh) = de Heilige | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אָב֖וֹא (avo) = Ik zal komen | בְּעִֽיר (beir) = in een stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל (El) en אִישׁ (ish), ‘man’: Ik ben El en geen man. Zie ook Num. 23:19. Voetnoot : קָדוֹשׁ (qadosh), ‘de Heilige’. Voetnoot : בְּעִיר (be’ir), ‘in een stad’: het woord kan ook ‘woede’ betekenen. De betekenis is onzeker. Zie ook: Num 23:19; Jes 12:6; Jes 55:8–9; Mi 7:18–20; Jer 30:11 ### Zij volgen Yahweh **11:10** Zij zullen Yahweh volgen. Hij brult als een leeuw. Want Hij brult, en zonen komen bevend van de zee. Brontekst: אַחֲרֵ֧י (acharei) = achter | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | יֵלְכ֖וּ (yelekhu) = zullen zij gaan | כְּאַרְיֵ֣ה (kearye) = als een leeuw | יִשְׁאָ֑ג (yishag) = Hij brult | כִּֽי (ki) = want | ה֣וּא (hu) = Hij | יִשְׁאַ֔ג (yishag) = Hij brult | וְיֶחֶרְד֥וּ (veyecherdu) = en zij komen bevend | בָנִ֖ים (banim) = zonen | מִיָּֽם (miyam) = van de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִיָּם (miyyam), ‘van de zee’: de zee ligt in het westen. Zie ook: Joël 4:16; Amos 1:2; Jes 31:4; Jer 25:30; Jer 31:9 **11:11** Zij komen bevend als een vogel uit Egypte en als een duif uit het land Assyrië. **„En Ik zal hen laten wonen in hun huizen — godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: יֶחֶרְד֤וּ (yecherdu) = zij komen bevend | כְצִפּוֹר֙ (ketsipor) = als een vogel | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וּכְיוֹנָ֖ה (ukheyona) = en als een duif | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assyrië | וְהוֹשַׁבְתִּ֥ים (vehoshavtim) = en Ik zal hen laten wonen | עַל (al) = in | בָּתֵּיהֶ֖ם (bateihem) = hun huizen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie ook: Amos 9:14–15; Hos 7:11; Jes 11:11; Jes 60:8; Zach 10:10 ## Hosea 12 _Jakob, de profeet en Efraïms bedrog_ ### Efraïm omringt Mij met leugen **12:1** **„Efraïm omringt Mij met leugen, en het huis van Israël met bedrog.”** Maar Juda zwerft nog met El en met de heiligen; hij is getrouw. Brontekst: סְבָבֻ֤נִי (sevavuni) = hij omringt Mij | בְכַ֨חַשׁ֙ (bekhachash) = met leugen | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וּבְמִרְמָ֖ה (uvemirma) = en met bedrog | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וִֽיהוּדָ֗ה (vihuda) = en Juda | עֹ֥ד (od) = nog | רָד֙ (rad) = zwerft | עִם (im) = met | אֵ֔ל (el) = El | וְעִם (veim) = en met | קְדוֹשִׁ֖ים (qedoshim) = heiligen | נֶאֱמָֽן (neeman) = getrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de Hebreeuwse telling begint hoofdstuk 12 met wat in Nederlandse bijbels Hos. 11:12 is. Hebr. 12:2–15 is NL 12:1–14. Voetnoot : רָד (rad), ‘zwerft’: het werkwoord kan ook ‘heersen’ betekenen of ‘ongebonden zijn’. De betekenis is onzeker. Voetnoot : קְדוֹשִׁים (qedoshim), ‘heiligen’: een meervoud. Het kan ook een meervoud van majesteit zijn voor ‘de Heilige’. Voetnoot : נֶאֱמָן (ne’eman), ‘getrouw’: het hoort bij Juda of bij de Heilige. Zie ook: Hos 11:12; Hos 12:8; Jes 29:13; Jes 44:20; 1 Kor 6:2; Heb 12:2–15; Openb 1:6 **12:2** Efraïm weidt wind en jaagt de oostenwind na. De hele dag vermeerdert hij leugen en verwoesting. Zij sluiten een verbond met Assyrië, en olie wordt naar Egypte gebracht. Brontekst: אֶפְרַ֜יִם (efrayim) = Efraïm | רֹעֶ֥ה (roe) = weidt | ר֨וּחַ֙ (ruach) = wind | וְרֹדֵ֣ף (verodef) = en jaagt na | קָדִ֔ים (qadim) = oostenwind | כָּל (kal) = heel | הַיּ֕וֹם (hayom) = de dag | כָּזָ֥ב (kazav) = leugen | וָשֹׁ֖ד (vashod) = en verwoesting | יַרְבֶּ֑ה (yarbe) = hij vermeerdert | וּבְרִית֙ (uverit) = en verbond | עִם (im) = met | אַשּׁ֣וּר (ashur) = Assyrië | יִכְרֹ֔תוּ (yikhrotu) = zij sluiten | וְשֶׁ֖מֶן (veshemen) = en olie | לְמִצְרַ֥יִם (lemitsrayim) = naar Egypte | יוּבָֽל (yuval) = wordt gebracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: קָדִים (qadim), ‘oostenwind’: een hete, droge wind uit de woestijn. ‘Wind weiden’ is een beeld voor nutteloos werk. Voetnoot : Zij zoeken steun bij Assyrië en Egypte; zie ook 2 Kon. 17:3–4. Zie ook: 2 Kon 17:3–4; Hos 5:13; Hos 8:7; Hos 12:1; Jer 22:22; Ezech 17:10 **12:3** Yahweh heeft een rechtszaak met Juda. Hij zal Jakob straffen naar zijn wegen en hem vergelden naar zijn daden. Brontekst: וְרִ֥יב (veriv) = en een rechtszaak | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | עִם (im) = met | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וְלִפְקֹ֤ד (velifqod) = en om te straffen | עַֽל (al) = over | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | כִּדְרָכָ֔יו (kidrakhav) = naar zijn wegen | כְּמַעֲלָלָ֖יו (kemaalalav) = naar zijn daden | יָשִׁ֥יב (yashiv) = Hij zal vergelden | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִיב (riv), ‘rechtszaak’: Yahweh treedt op als aanklager. Voetnoot : פָּקַד (paqad), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken’. Voetnoot : ‘Jakob’ staat hier voor het volk. Zie ook: Hos 4:1; Jes 3:11; Jes 8:7–8; Jes 10:6; Mi 6:2 ### Jakob in de buik en bij Betel **12:4** In de buik greep hij zijn broer bij de hiel, en in zijn kracht streed hij met Elohim. Brontekst: בַּבֶּ֖טֶן (babeten) = in de buik | עָקַ֣ב (aqav) = hij greep bij de hiel | אֶת (et) = (obj.) | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | וּבְאוֹנ֖וֹ (uveono) = en in zijn kracht | שָׂרָ֥ה (sara) = hij streed | אֶת (et) = met | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָקַב (aqav), ‘bij de hiel grijpen’: het woord klinkt als de naam Jakob (Ya’aqov) en kan ook ‘bedriegen’ betekenen. Zie ook Gen. 25:26; 27:36. Voetnoot : אוֹן (on), ‘kracht’: de volle kracht van een man. Voetnoot : שָׂרָה (sarah), ‘streed’: het woord klinkt als de naam Israël. Zie ook Gen. 32:25–31. Zie ook: Gen 25:26; Gen 27:36; Gen 32:24–28; Gen 32:25–31; Jak 5:16–18; Rom 9:11 **12:5** Hij streed met de engel en overwon. Hij huilde en smeekte hem om gunst. In Betel vond Hij hem, en daar sprak Hij met ons. Brontekst: וָיָּ֤שַׂר (vayasar) = en hij streed | אֶל (el) = met | מַלְאָךְ֙ (malakh) = engel | וַיֻּכָ֔ל (vayukhal) = en hij overwon | בָּכָ֖ה (bakha) = hij huilde | וַיִּתְחַנֶּן (vayitchanen) = en hij smeekte om gunst | ל֑וֹ (lo) = hem | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵל֙ (el) = El | יִמְצָאֶ֔נּוּ (yimtsaenu) = Hij vond hem | וְשָׁ֖ם (vesham) = en daar | יְדַבֵּ֥ר (yedaber) = Hij sprak | עִמָּֽנוּ (imanu) = met ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: In Genesis staat dat ‘een man’ met Jakob worstelde (Gen. 32:25–31). Hier heet hij ‘engel’, en in vers 4 ‘Elohim’. Voetnoot : בֵּית אֵל (Bet-El), ‘Betel’: zie ook Gen. 28:10–22; 35:1–15. Voetnoot Lezing: Het Hebreeuws heeft ‘met ons’ (immanu): de profeet en zijn hoorders horen erbij. Sommige oude vertalingen lezen ‘met hem’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 28:10–22; Gen 32:25–31; Gen 35:1; Gen 35:15; Ps 66:6; Hos 12:4; Jes 63:9; Mal 3:1; 1 Tess 4:17 **12:6** Yahweh, Elohim van de legermachten: Yahweh is Zijn gedachtenis. Brontekst: וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim | הַצְּבָא֑וֹת (hatsevaot) = van de legermachten | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | זִכְרֽוֹ (zikhro) = Zijn gedachtenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה אֱלֹהֵי הַצְּבָאוֹת (Yahweh Elohe hatsevaot), ‘Yahweh, Elohim van de legermachten’: wij schrijven ‘Elohim van de legermachten’ en laten Tsevaot staan. Voetnoot : זִכְרוֹ (zikro), ‘Zijn gedachtenis’: de naam waarmee Hij herinnerd wordt. Zie ook Exod. 3:15. Zie ook: Gen 28:16; Gen 32:30; Ex 3:15; Ps 135:13; Jes 42:8 **12:7** Jij dan, keer terug tot je Elohim. Bewaar trouw en recht, en wacht voortdurend op je Elohim. Brontekst: וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | בֵּאלֹהֶ֣יךָ (beloheikha) = tot je Elohim | תָשׁ֑וּב (tashuv) = keer terug | חֶ֤סֶד (chesed) = trouw | וּמִשְׁפָּט֙ (umishpat) = en recht | שְׁמֹ֔ר (shemor) = bewaar | וְקַוֵּ֥ה (veqave) = en wacht | אֶל (el) = op | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּאלֹהֶיךָ (be’Elohecha), letterlijk ‘in je Elohim’: dat kan ‘tot je Elohim’ of ‘met de hulp van je Elohim’ betekenen. Voetnoot : קַוֵּה (qavveh), ‘wacht’: verwachtend uitzien naar Hem. Zie ook: Hos 14:2; Mi 6:8; Mi 7:7; Klaagl 3:25–26; Zach 7:9 ### Efraïm de koopman **12:8** Kanaän: in zijn hand zijn weegschalen van bedrog; hij houdt ervan te onderdrukken. Brontekst: כְּנַ֗עַן (kenaan) = Kanaän | בְּיָד֛וֹ (beyado) = in zijn hand | מֹאזְנֵ֥י (moznei) = weegschalen van | מִרְמָ֖ה (mirma) = bedrog | לַעֲשֹׁ֥ק (laashoq) = om te onderdrukken | אָהֵֽב (ahev) = hij heeft lief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּנַעַן (Kena’an), ‘Kanaän’: het woord kan ook ‘handelaar’ betekenen (vergelijk Spr. 31:24). Dan is Efraïm de handelaar. Voetnoot : מֹאזְנֵי מִרְמָה (moznei mirmah), ‘weegschalen van bedrog’: zie ook Spr. 11:1. Zie ook: Spr 11:1; Spr 31:24; Amos 4:1; Amos 8:5–6; Mi 6:10–11; Zach 14:21 **12:9** Efraïm zei: „Zeker, ik ben rijk geworden. Ik heb mijzelf vermogen verworven. Men zal bij al mijn inspanningen geen ongerechtigheid bij mij vinden die zonde is.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | אַ֣ךְ (akh) = zeker | עָשַׁ֔רְתִּי (asharti) = ik ben rijk geworden | מָצָ֥אתִי (matsati) = ik heb gevonden | א֖וֹן (on) = vermogen | לִ֑י (li) = voor mij | כָּל (kal) = al | יְגִיעַ֕י (yegiay) = mijn inspanningen | לֹ֥א (lo) = niet | יִמְצְאוּ (yimtseu) = zullen zij vinden | לִ֖י (li) = bij mij | עָוֺ֥ן (avon) = ongerechtigheid | אֲשֶׁר (asher) = die | חֵֽטְא (chete) = zonde is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹן (on), ‘vermogen’: rijkdom of kracht. Het klinkt als אָוֶן (aven), ‘onheil’. Zie ook: Deut 8:17; Ps 52:9; Ps 62:11; Jes 10:13–14; Openb 3:17 ### Yahweh sinds Egypte **12:10** **„Maar Ik ben Yahweh, je Elohim, van het land Egypte af. Opnieuw zal Ik je in tenten laten wonen, zoals in de dagen van de samenkomst.** Brontekst: וְאָנֹכִ֛י (veanokhi) = en Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = van het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte af | עֹ֛ד (od) = opnieuw | אוֹשִֽׁיבְךָ֥ (oshivekha) = Ik zal je laten wonen | בָאֳהָלִ֖ים (baohalim) = in tenten | כִּימֵ֥י (kimei) = zoals de dagen van | מוֹעֵֽד (moed) = samenkomst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מוֹעֵד (mo’ed), ‘samenkomst’: het woord betekent ook ‘vaste tijd, feest’. Mogelijk gaat het om de tijd in de woestijn of om het Loofhuttenfeest. Zie ook Lev. 23:42–43. Zie ook: Lev 23:40–43; Lev 23:42–43; 2 Sam 7:2; Ps 81:11; Hos 13:4; Zach 14:16–19 **12:11** **Ik heb tot de profeten gesproken. Ik zelf heb de visioenen vermenigvuldigd, en door de hand van de profeten gebruik Ik gelijkenissen.”** Brontekst: וְדִבַּ֨רְתִּי֙ (vedibarti) = en Ik sprak | עַל (al) = tot | הַנְּבִיאִ֔ים (haneviim) = de profeten | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en Ik zelf | חָז֣וֹן (chazon) = visioen | הִרְבֵּ֑יתִי (hirbeiti) = Ik heb vermenigvuldigd | וּבְיַ֥ד (uveyad) = en door de hand van | הַנְּבִיאִ֖ים (haneviim) = de profeten | אֲדַמֶּֽה (adame) = Ik gebruik gelijkenissen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדַמֶּה (adammeh), ‘Ik gebruik gelijkenissen’: van het werkwoord ‘gelijken, vergelijken’. Zie ook: 2 Kon 17:13; Joël 3:1; Jes 20:2–5; Jer 7:25; Ezech 21:5 ### Gilead en Gilgal **12:12** Als Gilead onheil is, dan zijn zij zeker leegte geworden. In Gilgal offerden zij stieren. Ook hun altaren zijn als steenhopen op de voren van het veld. Brontekst: אִם (im) = als | גִּלְעָ֥ד (gilad) = Gilead | אָ֨וֶן֙ (aven) = onheil | אַךְ (akh) = zeker | שָׁ֣וְא (shave) = leegte | הָי֔וּ (hayu) = zij zijn geworden | בַּגִּלְגָּ֖ל (bagilgal) = in Gilgal | שְׁוָרִ֣ים (shevarim) = stieren | זִבֵּ֑חוּ (zibechu) = zij offerden | גַּ֤ם (gam) = ook | מִזְבְּחוֹתָם֙ (mizbechotam) = hun altaren | כְּגַלִּ֔ים (kegalim) = als steenhopen | עַ֖ל (al) = op | תַּלְמֵ֥י (talmei) = voren van | שָׂדָֽי (saday) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Gilgal (bij Jericho?; ligging onzeker): Het is niet zeker welk Gilgal hier bedoeld is. Een mogelijkheid is het Gilgal bij Jericho (Jozua 4:19). Dit is niet zeker. Zie Gilgal (bij Betel?; ligging onzeker): Een andere mogelijkheid is een Gilgal in het bergland bij Betel, vermoedelijk bij het huidige Jiljilya. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: אָוֶן (aven), ‘onheil’, en שָׁוְא (shav), ‘leegte’. Voetnoot : גַּלִּים (gallim), ‘steenhopen’: stenen die van het land zijn verzameld. Het klinkt als Gilgal. Zie ook: Hos 4:15; Hos 6:8; Hos 8:11; Hos 9:15; Hos 10:1 ### Jakob en de profeet **12:13** Jakob vluchtte naar het veld van Aram. Israël diende voor een vrouw, en voor een vrouw bewaakte hij. Brontekst: וַיִּבְרַ֥ח (vayivrach) = en hij vluchtte | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | שְׂדֵ֣ה (sede) = veld van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַיַּעֲבֹ֤ד (vayaavod) = en diende | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בְּאִשָּׁ֔ה (beisha) = voor een vrouw | וּבְאִשָּׁ֖ה (uveisha) = en voor een vrouw | שָׁמָֽר (shamar) = hij bewaakte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: שְׂדֵה אֲרָם (sede Aram), ‘veld van Aram’: Paddan-Aram (Gen. 28:5). Voetnoot : שָׁמָר (shamar), ‘bewaakte’: er staat niet wat; het gaat om de kudde (Gen. 29:20; 30:31). Zie ook: Gen 27:43; Gen 28:1–22; Gen 28:5; Gen 29:18–28; Gen 29:20; Gen 30:31; Gen 31:41; Gen 32:27–28 **12:14** Door een profeet liet Yahweh Israël uit Egypte optrekken, en door een profeet werd het bewaakt. Brontekst: וּבְנָבִ֕יא (uvenavi) = en door een profeet | הֶעֱלָ֧ה (heela) = liet optrekken | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וּבְנָבִ֖יא (uvenavi) = en door een profeet | נִשְׁמָֽר (nishmar) = werd bewaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Waarschijnlijk is de profeet Mozes. Zie ook Deut. 18:15; 34:10. Voetnoot : נִשְׁמָר (nishmar), ‘werd bewaakt’: hetzelfde werkwoord als in vers 13. Zie ook: Ex 12:50–51; Deut 18:15; Deut 34:10; Ps 77:21; Hos 12:13; Jes 63:11–14; Hand 3:22–23; Hand 7:35–37 **12:15** Efraïm heeft bitter getart. Zijn bloedschuld laat Hij op hem; zijn smaad geeft zijn Heer hem terug. Brontekst: הִכְעִ֥יס (hikhis) = hij tartte | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | תַּמְרוּרִ֑ים (tamrurim) = bitter | וְדָמָיו֙ (vedamav) = en zijn bloedschuld | עָלָ֣יו (alav) = op hem | יִטּ֔וֹשׁ (yitosh) = Hij laat | וְחֶ֨רְפָּת֔וֹ (vecherpato) = en zijn smaad | יָשִׁ֥יב (yashiv) = geeft terug | ל֖וֹ (lo) = hem | אֲדֹנָֽיו (adonav) = zijn Heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּמְרוּרִים (tamrurim), ‘bitter’: ook ‘bitterheid’. Voetnoot : דָּמָיו (damav), ‘zijn bloedschuld’: letterlijk ‘zijn bloeden’, het bloed dat hij vergoten heeft. Voetnoot : אֲדֹנָיו (adonav), ‘zijn Heer’: een meervoudsvorm van majesteit; hier Yahweh. Zie ook: 2 Kon 17:7–18; Hos 7:16; Ezech 18:13; Ezech 24:7–8; Dan 11:18 ## Hosea 13 _Efraïms schuld en het oordeel_ ### Efraïm sterft door de Baäl **13:1** Als Efraïm sprak, was er beving. Hij verhief zich in Israël. Maar hij werd schuldig door de Baäl en stierf. Brontekst: כְּדַבֵּ֤ר (kedaber) = als sprak | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | רְתֵ֔ת (retet) = beving | נָשָׂ֥א (nasa) = verhief zich | ה֖וּא (hu) = hij | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | וַיֶּאְשַׁ֥ם (vayesham) = en hij werd schuldig | בַּבַּ֖עַל (babaal) = door de Baäl | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶפְרַיִם (Efrayim), ‘Efraïm’: de grootste stam van het noordelijke rijk; Hosea gebruikt de naam voor het hele noordelijke Israël. Jerobeam, de eerste koning van dat rijk, was een Efratiet (1 Kon. 11:26). Voetnoot : רְתֵת (retet), ‘beving’: dit woord komt nergens anders voor, dus de betekenis is onzeker. Het gaat waarschijnlijk om ontzag voor wat Efraïm zei. Voetnoot : בַּבַּעַל (babaal), ‘door de Baäl’: letterlijk ‘in de Baäl’. Zie 1 Kon. 16:31–32 voor de verering van de Baäl in Samaria. Zie ook: Gen 2:17; Num 27:16–23; Joz 3:7; 1 Kon 11:26; 1 Kon 16:31–32; Hos 11:2; Luc 14:11 **13:2** Nu blijven zij zondigen. Zij maken zich een gegoten beeld van hun zilver, afgodsbeelden naar hun eigen vernuft, alles werk van vaklieden. Over hen zeggen zij: „Mensen die offeren, kussen kalveren.” Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | יוֹסִ֣פוּ (yosifu) = zij blijven | לַחֲטֹ֗א (lachato) = zondigen | וַיַּעְשׂ֣וּ (vayasu) = en zij maken | לָהֶם֩ (lahem) = voor zich | מַסֵּכָ֨ה (masekha) = een gegoten beeld | מִכַּסְפָּ֤ם (mikaspam) = van hun zilver | כִּתְבוּנָם֙ (kitvunam) = naar hun vernuft | עֲצַבִּ֔ים (atsabim) = afgodsbeelden | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | חָרָשִׁ֖ים (charashim) = vaklieden | כֻּלֹּ֑ה (kulo) = alles | לָהֶם֙ (lahem) = over hen | הֵ֣ם (hem) = zij | אֹמְרִ֔ים (omerim) = zeggen | זֹבְחֵ֣י (zovechei) = offeraars van | אָדָ֔ם (adam) = mensen | עֲגָלִ֖ים (agalim) = kalveren | יִשָּׁקֽוּן (yishaqun) = zij kussen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֹבְחֵי אָדָם עֲגָלִים יִשָּׁקוּן (zovche adam agalim yishaqun): letterlijk ‘offeraars van mensen, kalveren kussen zij’. De zin is kort en kan op meer manieren worden gelezen: ‘mensen die offeren, kussen kalveren’, ‘wie mensen offert, kust kalveren’ of ‘laat de offeraars kalveren kussen’. Wij houden de volgorde van het Hebreeuws. Kussen was een teken van eerbied voor een beeld (1 Kon. 19:18). Zie ook de kalveren in 1 Kon. 12:28 en Hos. 8:5–6. Voetnoot : מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’, en עֲצַבִּים (atsabbim), ‘afgodsbeelden’: wij houden deze twee woorden bij vaste weergaven. Zie ook: 1 Kon 12:28; 1 Kon 19:18; Hos 2:10; Hos 8:5–6; Jes 44:17–20; Jes 46:6; Jer 10:4 **13:3** Daarom zullen zij zijn als een wolk in de morgen en als dauw die vroeg verdwijnt. Zij zullen zijn als kaf dat van de dorsvloer wordt weggeblazen en als rook uit een luik. Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | יִֽהְיוּ֙ (yihyu) = zij zullen zijn | כַּעֲנַן (kaanan) = als een wolk van | בֹּ֔קֶר (boqer) = de morgen | וְכַטַּ֖ל (vekhatal) = en als dauw | מַשְׁכִּ֣ים (mashkim) = die vroeg | הֹלֵ֑ךְ (holekh) = verdwijnt | כְּמֹץ֙ (kemots) = als kaf | יְסֹעֵ֣ר (yesoer) = dat wordt weggeblazen | מִגֹּ֔רֶן (migoren) = van de dorsvloer | וּכְעָשָׁ֖ן (ukheashan) = en als rook | מֵאֲרֻבָּֽה (mearuba) = uit een luik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld van de wolk en de dauw die snel verdwijnen staat ook in Hos. 6:4. Voetnoot : אֲרֻבָּה (arubbah), ‘luik’: een opening waardoor de rook uit een huis trekt. Hetzelfde woord als ‘luiken’ van de hemel in Gen. 7:11. Zie ook: Gen 7:11; Ps 1:4; Ps 68:3; Hos 6:4; Jes 17:13; Dan 2:35 ### Yahweh, de enige redder **13:4** **„Maar Ik ben Yahweh, je Elohim, van het land Egypte af. Een god buiten Mij ken je niet, en een redder is er niet behalve Mij.** Brontekst: וְאָנֹכִ֛י (veanokhi) = en Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = van het land | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte af | וֵאלֹהִ֤ים (vElohim) = en een god | זֽוּלָתִי֙ (zulati) = buiten Mij | לֹ֣א (lo) = niet | תֵדָ֔ע (teda) = ken je | וּמוֹשִׁ֥יעַ (umoshia) = en een redder | אַ֖יִן (ayin) = er is niet | בִּלְתִּֽי (bilti) = behalve Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers spreekt Yahweh zelf. Vergelijk Exod. 20:2–3 en Hos. 12:10. Voetnoot : מוֹשִׁיעַ (moshia), ‘redder’: wie redt uit nood. Alleen Yahweh is dat. Voetnoot : וֵאלֹהִים (velohim), ‘een god’: hier gaat het om andere goden. Wij schrijven daarom ‘god’ met een kleine letter. Zie ook: Ex 20:2–3; Hos 12:10; Jes 43:3; Jes 43:10–13; Jes 45:21–22 **13:5** **Ik heb jou gekend in de woestijn, in het land van de droogte.** Brontekst: אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְדַעְתִּ֖יךָ (yedatikha) = heb je gekend | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land van | תַּלְאֻבֽוֹת (taluvot) = droogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְדַעְתִּיךָ (yeda’tikha), ‘Ik heb je gekend’: ‘kennen’ is hier zorg dragen voor. Vergelijk Deut. 2:7. Voetnoot : תַּלְאֻבוֹת (tal’uvot), ‘droogte’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker: ‘droogte’ of ‘verschroeiende hitte’. Zie ook: Deut 2:7; Deut 8:15; Deut 32:10; Ps 142:4; Gal 4:9 **13:6** **Zoals hun weide was, werden zij verzadigd. Zij werden verzadigd, en hun hart verhief zich. Daarom hebben zij Mij vergeten.** Brontekst: כְּמַרְעִיתָם֙ (kemaritam) = zoals hun weide | וַיִּשְׂבָּ֔עוּ (vayisbau) = en zij werden verzadigd | שָׂבְע֖וּ (saveu) = zij werden verzadigd | וַיָּ֣רָם (vayaram) = en verhief zich | לִבָּ֑ם (libam) = hun hart | עַל (al) = daarom | כֵּ֖ן (ken) = (zo) | שְׁכֵחֽוּנִי (shekhechuni) = zij hebben Mij vergeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּמַרְעִיתָם (kemar’itam), ‘zoals hun weide’: hoe rijk de weide was, zo vol werden zij. Vergelijk Deut. 8:12–14, waar een vol hart tot vergeten leidt. Zie ook: Deut 6:10–12; Deut 8:12–14; Deut 32:13–15; Ps 10:4; Neh 9:35 ### Yahweh wordt een roofdier **13:7** **Ik werd voor hen als een leeuw; als een luipaard loer Ik langs de weg.** Brontekst: וָאֱהִ֥י (vaehi) = en Ik werd | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | כְּמוֹ (kemo) = als | שָׁ֑חַל (shachal) = een leeuw | כְּנָמֵ֖ר (kenamer) = als een luipaard | עַל (al) = langs | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = de weg | אָשֽׁוּר (ashur) = Ik loer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁחַל (shachal), ‘leeuw’, en נָמֵר (namer), ‘luipaard’: roofdieren die op hun prooi wachten. Voetnoot Lezing: אָשׁוּר (ashur): de medeklinkers (אשור) zijn dezelfde als die van ‘Assyrië’. De klinkers die later zijn toegevoegd, maken er het werkwoord שׁוּר (shur), ‘loeren’ van. Wij volgen de klinkers en vertalen ‘Ik loer’. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘op de weg naar Assyrië’. Zie ook: Amos 3:8; Hos 5:14; Jes 42:13; Jer 5:6; Klaagl 3:10 **13:8** **Ik val hen aan als een berin die haar jongen kwijt is. Ik scheur open wat hun hart omsluit. Daar verslind Ik hen als een leeuwin; het dier van het veld zal hen verscheuren.** Brontekst: אֶפְגְּשֵׁם֙ (efgeshem) = Ik val hen aan | כְּדֹ֣ב (kedov) = als een beer | שַׁכּ֔וּל (shakul) = beroofd | וְאֶקְרַ֖ע (veeqra) = en Ik scheur open | סְג֣וֹר (segor) = wat omsluit | לִבָּ֑ם (libam) = hun hart | וְאֹכְלֵ֥ם (veokhelem) = en Ik verslind hen | שָׁם֙ (sham) = daar | כְּלָבִ֔יא (kelavi) = als een leeuwin | חַיַּ֥ת (chayat) = dier van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | תְּבַקְּעֵֽם (tevaqeem) = zal hen verscheuren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶפְגְּשֵׁם (efgeshem), ‘Ik val hen aan’: het werkwoord פָּגַשׁ (pagash) betekent ‘ontmoeten’, ook in vijandige zin. Voetnoot : דֹּב שַׁכּוּל (dov shakkul), ‘een beroofde beer’: de beer is van haar jongen beroofd. Vergelijk 2 Sam. 17:8. Voetnoot : סְגוֹר לִבָּם (segor libbam), ‘wat hun hart omsluit’: letterlijk ‘de sluiting van hun hart’. Wij denken aan de borstkas. Zie ook: 2 Sam 17:8; Ps 50:22; Jes 5:29; Jes 56:9; Jer 12:9 **13:9** **Je verderf, Israël, is dat je tegen Mij bent, tegen je helper.** Brontekst: שִֽׁחֶתְךָ֥ (shichetkha) = je verderf | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כִּֽי (ki) = dat | בִ֥י (bi) = tegen Mij | בְעֶזְרֶֽךָ (beezrekha) = tegen je helper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁחֶתְךָ (shichetkha): de zin is kort en de vorm kan als ‘Hij heeft je vernietigd’ of ‘Je verderf’ worden gelezen. Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Het is je verderf, Israël, want in Mij, in je helper.’ Wij vullen ‘dat je tegen Mij bent’ aan. Voetnoot : עֶזֶר (ezer), ‘helper’: een titel van Yahweh, zie Ps. 33:20. Sommige oude vertalingen lezen deze zin anders. Zie ook: Deut 33:26; Deut 33:29; Ps 33:20; Jer 2:17; Jer 2:19; Jer 5:25 ### Waar is je koning? **13:10** **Waar is dan je koning, dat hij je redt in al je steden? Waar zijn je rechters, over wie je zei: ‘Geef mij een koning en vorsten’?** Brontekst: אֱהִ֤י (ehi) = waar | מַלְכְּךָ֙ (malkekha) = je koning | אֵפ֔וֹא (efo) = dan | וְיוֹשִֽׁיעֲךָ֖ (veyoshiakha) = dat hij je redt | בְּכָל (bekhal) = in al | עָרֶ֑יךָ (areikha) = je steden | וְשֹׁ֣פְטֶ֔יךָ (veshofeteikha) = en je rechters | אֲשֶׁ֣ר (asher) = over wie | אָמַ֔רְתָּ (amarta) = je zei | תְּנָה (tena) = geef | לִּ֖י (li) = mij | מֶ֥לֶךְ (melekh) = een koning | וְשָׂרִֽים (vesarim) = en vorsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱהִי (ehi), ‘waar’: een vraagwoord, ook in vers 14. Voetnoot : שָׂרִים (sarim), ‘vorsten’: de leiders onder de koning. Voetnoot : Het verzoek om een koning staat in 1 Sam. 8:5–6. Zie ook: 1 Sam 8:5–6; Hos 8:4; Hos 10:3; Hos 13:14; Jer 8:19; Zach 14:9 **13:11** **Ik gaf je een koning in Mijn toorn, en Ik nam hem weg in Mijn woede.”** Brontekst: אֶֽתֶּן (eten) = Ik geef | לְךָ֥ (lekha) = jou | מֶ֨לֶךְ֙ (melekh) = een koning | בְּאַפִּ֔י (beapi) = in Mijn toorn | וְאֶקַּ֖ח (veeqach) = en Ik neem weg | בְּעֶבְרָתִֽי (beevrati) = in Mijn woede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De werkwoorden staan in de onvoltooide tijd: ‘Ik geef … en Ik neem’. Dat kan een steeds terugkerende gang van zaken zijn of naar het verleden verwijzen (vergelijk 1 Sam. 8 en 15). Wij vertalen in de verleden tijd. In het Hebreeuws heeft ‘Ik nam weg’ geen voorwerp; ‘hem’ is door ons aangevuld. Zie ook: 1 Sam 10:19; 1 Sam 16:1; Spr 28:2; 1 Kon 12:15–16; 1 Kon 14:7–16 ### De schuld van Efraïm **13:12** De schuld van Efraïm is vastgebonden. Zijn zonde is opgeslagen. Brontekst: צָרוּר֙ (tsarur) = vastgebonden | עֲוֺ֣ן (avon) = de schuld van | אֶפְרָ֔יִם (efrayim) = Efraïm | צְפוּנָ֖ה (tsefuna) = opgeslagen | חַטָּאתֽוֹ (chatato) = zijn zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָרוּר (tsarur), ‘vastgebonden’, en צְפוּנָה (tsefunah), ‘opgeslagen’: de schuld ligt bewaard, als in een bundel of voorraad, tot de dag van afrekening. Vergelijk Deut. 32:34. Zie ook: Job 14:17; Job 21:19; Deut 32:34–35; Rom 2:5 **13:13** De weeën van een barende vrouw komen over hem. Hij is een zoon die niet wijs is. Want als het tijd is, blijft hij niet staan in de geboorteopening van kinderen. Brontekst: חֶבְלֵ֥י (chevlei) = de weeën van | יֽוֹלֵדָ֖ה (yoleda) = een barende vrouw | יָבֹ֣אוּ (yavou) = zullen komen | ל֑וֹ (lo) = over hem | הוּא (hu) = hij | בֵן֙ (ben) = een zoon | לֹ֣א (lo) = niet | חָכָ֔ם (chakham) = wijs | כִּֽי (ki) = want | עֵ֥ת (et) = een tijd | לֹֽא (lo) = niet | יַעֲמֹ֖ד (yaamod) = blijft hij staan | בְּמִשְׁבַּ֥ר (bemishbar) = in de geboorteopening van | בָּנִֽים (banim) = kinderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁבָּר (mishbar), ‘geboorteopening’: letterlijk ‘plaats van breken’. Dezelfde uitdrukking staat in 2 Kon. 19:3: kinderen komen tot de geboorteopening, maar er is geen kracht om te baren. Efraïm is als een kind dat niet geboren wil worden. Zie ook: Ps 48:7; 2 Kon 19:3; Jes 13:8; Jes 26:17; Jes 37:3; Mi 4:9–10 ### Sjeol en de dood **13:14** **„Uit de hand van Sjeol zal Ik hen vrijkopen, van de dood zal Ik hen verlossen. Waar zijn je plagen, dood? Waar is je verderf, Sjeol? Medelijden is voor Mijn ogen verborgen.”** Brontekst: מִיַּ֤ד (miyad) = uit de hand van | שְׁאוֹל֙ (sheol) = Sjeol | אֶפְדֵּ֔ם (efdem) = Ik zal vrijkopen hen | מִמָּ֖וֶת (mimavet) = van de dood | אֶגְאָלֵ֑ם (egalem) = Ik zal verlossen hen | אֱהִ֨י (ehi) = waar | דְבָרֶיךָ֜ (devareikha) = je plagen | מָ֗וֶת (mavet) = dood | אֱהִ֤י (ehi) = waar | קָֽטָבְךָ֙ (qatavekha) = je verderf | שְׁא֔וֹל (sheol) = Sjeol | נֹ֖חַם (nocham) = medelijden | יִסָּתֵ֥ר (yisater) = is verborgen | מֵעֵינָֽי (meeinay) = voor Mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk. Zie ook Ps. 6:6. Voetnoot : פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’, en גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: woorden uit het losgeldrecht, zie Lev. 25:25. Voetnoot : דְּבָרֶיךָ (devarekha), ‘je plagen’: het Hebreeuwse dever betekent ‘pest, plaag’. קֹטֶב (qotev), ‘verderf’: vernietiging. Voetnoot : נֹחַם (nocham), ‘medelijden’: het woord kan ook ‘berouw’ of ‘troost’ betekenen. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier geen vraagwoord. De eerste twee zinnen kunnen als belofte (‘Ik zal hen vrijkopen’) of als vraag (‘Zou Ik hen vrijkopen?’) worden gelezen. Wij lezen een belofte. De aanroep aan de dood wordt aangehaald in 1 Kor. 15:55. Zie ook: Lev 25:25; Ps 6:6; Ps 49:16; Jes 25:8; Jes 26:19; 1 Kor 15:52–57; 1 Kor 15:55; Openb 21:4 ### De oostenwind **13:15** Hoewel hij vrucht draagt tussen broers, zal er een oostenwind komen, de wind van Yahweh, die uit de woestijn opstijgt. Zijn bron zal verdorren en zijn waterbron zal opdrogen. Hij zal de schat plunderen, alle kostbare voorwerpen. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | ה֔וּא (hu) = hij | בֵּ֥ן (ben) = tussen | אַחִ֖ים (achim) = broers | יַפְרִ֑יא (yafri) = draagt vrucht | יָב֣וֹא (yavo) = zal komen | קָדִים֩ (qadim) = een oostenwind | ר֨וּחַ (ruach) = wind van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | מִמִּדְבָּ֣ר (mimidbar) = uit de woestijn | עֹלֶ֗ה (ole) = opstijgend | וְיֵב֤וֹשׁ (veyevosh) = en zal verdorren | מְקוֹרוֹ֙ (meqoro) = zijn bron | וְיֶחֱרַ֣ב (veyecherav) = en zal opdrogen | מַעְיָנ֔וֹ (mayano) = zijn waterbron | ה֣וּא (hu) = hij | יִשְׁסֶ֔ה (yishse) = zal plunderen | אוֹצַ֖ר (otsar) = de schat van | כָּל (kal) = alle | כְּלִ֥י (keli) = voorwerpen van | חֶמְדָּֽה (chemda) = kostbaarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַפְרִיא (yafri), ‘draagt vrucht’: een woordspeling op Efraïm (vergelijk Gen. 41:52). Voetnoot : קָדִים (qadim), ‘oostenwind’: een hete droge wind uit de woestijn, vergelijk Exod. 14:21. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt niet wie ‘hij’ is die de schat plundert: de wind of de vijand die met de wind komt. Zie ook: Gen 41:52; Gen 48:19; Ex 14:21; Jer 4:11; Ezech 17:10; Ezech 19:12 ## Hosea 14 _Keer terug en word genezen_ ### Samaria zal boeten **14:1** Samaria zal boeten, want zij is in opstand gekomen tegen haar Elohim. Door het zwaard zullen zij vallen. Hun kleine kinderen worden verpletterd, en hun zwangere vrouwen worden opengereten. Brontekst: תֶּאְשַׁם֙ (tesham) = zij zal boeten | שֹֽׁמְר֔וֹן (shomeron) = Samaria | כִּ֥י (ki) = want | מָרְתָ֖ה (mareta) = zij is in opstand gekomen | בֵּֽאלֹהֶ֑יהָ (beloheiha) = tegen haar Elohim | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = door het zwaard | יִפֹּ֔לוּ (yipolu) = zullen vallen | עֹלְלֵיהֶ֣ם (oleleihem) = hun kleine kinderen | יְרֻטָּ֔שׁוּ (yerutashu) = worden verpletterd | וְהָרִיּוֹתָ֖יו (vehariyotav) = en zijn zwangere vrouwen | יְבֻקָּֽעוּ (yevuqau) = worden opengereten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: In de Hebreeuwse telling begint hoofdstuk 14 hier. In Nederlandse bijbels is dit Hos. 13:16, en Hebr. 14:2–10 is daar Hos. 14:1–9. Voetnoot : תֶּאְשַׁם (te’sham), ‘zij zal boeten’: letterlijk ‘zij zal schuldig zijn’, met de gevolgen van schuld. Hetzelfde werkwoord staat in 13:1. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft bij ‘zwangere vrouwen’ het enkelvoud ‘zijn’. Wij schrijven ‘hun’. Zulk geweld in oorlog komt ook voor in 2 Kon. 8:12 en 15:16. Zie ook: Ps 137:8–9; 2 Kon 8:12; 2 Kon 15:16; Amos 1:13; Hos 13:16; Jes 13:16; Heb 14:2–10 ### Keer terug naar Yahweh **14:2** Keer terug, Israël, tot Yahweh, je Elohim, want je bent gestruikeld door je schuld. Brontekst: שׁ֚וּבָה (shuva) = keer terug | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַ֖ד (ad) = tot | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֑יךָ (eloheikha) = je Elohim | כִּ֥י (ki) = want | כָשַׁ֖לְתָּ (kashalta) = je bent gestruikeld | בַּעֲוֺנֶֽךָ (baavonekha) = door je schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּבָה (shuvah), ‘keer terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv) is een sleutelwoord in dit hoofdstuk (verzen 2, 3, 5 en 8). Voetnoot : כָּשַׁלְתָּ (kashalta), ‘je bent gestruikeld’: hetzelfde werkwoord als ‘struikelen’ in vers 10. Zie ook: 2 Kron 30:6–9; Joël 2:12–13; Hos 6:1; Hos 12:7; Hos 14:10; Zach 1:3–4 **14:3** Neem woorden met jullie mee en keer terug tot Yahweh. Zeg tot Hem: „Neem alle schuld weg en ontvang het goede. Dan betalen wij de stieren van onze lippen. Brontekst: קְח֤וּ (qechu) = neem | עִמָּכֶם֙ (imakhem) = met jullie | דְּבָרִ֔ים (devarim) = woorden | וְשׁ֖וּבוּ (veshuvu) = en keer terug | אֶל (el) = tot | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אִמְר֣וּ (imru) = zeg | אֵלָ֗יו (elav) = tot Hem | כָּל (kal) = alle | תִּשָּׂ֤א (tisa) = U neemt weg | עָוֺן֙ (avon) = schuld | וְקַח (veqach) = en neem aan | ט֔וֹב (tov) = het goede | וּֽנְשַׁלְּמָ֥ה (uneshalema) = en wij zullen betalen | פָרִ֖ים (parim) = stieren van | שְׂפָתֵֽינוּ (sefateinu) = onze lippen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּשָּׂא עָוֺן (tissa avon), ‘neem schuld weg’: letterlijk ‘draag schuld’ (נָשָׂא, nasa, ‘dragen’). Wie schuld draagt, neemt haar weg: Hij vergeeft. Vergelijk Ps. 32:1 en 5. Voetnoot : וְקַח־טוֹב (vekach tov), ‘ontvang het goede’: de betekenis is niet zeker. Het kan zijn ‘neem aan wat goed is’ (wat zij brengen) of ‘ontvang ons met goedheid’. Voetnoot Lezing: פָרִים (farim), ‘stieren’: de lippen komen in de plaats van de stierenoffers. Vergelijk Ps. 51:17–19. Sommige oude vertalingen lezen ‘de vrucht van onze lippen’. Zie ook: Job 7:21; Job 34:31–32; Ps 32:1; Ps 51:4–12; Ps 51:17–19; Mi 7:18–19; Heb 13:15 **14:4** Assyrië zal ons niet redden. Op een paard zullen wij niet rijden. Wij zeggen niet meer ‘onze god’ tegen het werk van onze handen. Want bij U vindt de wees ontferming.” Brontekst: אַשּׁ֣וּר (ashur) = Assyrië | לֹ֣א (lo) = niet | יוֹשִׁיעֵ֗נוּ (yoshienu) = zal ons redden | עַל (al) = op | סוּס֙ (sus) = een paard | לֹ֣א (lo) = niet | נִרְכָּ֔ב (nirkav) = zullen wij rijden | וְלֹא (velo) = en niet | נֹ֥אמַר (nomar) = zullen wij zeggen | ע֛וֹד (od) = meer | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze god | לְמַעֲשֵׂ֣ה (lemaase) = tegen het werk van | יָדֵ֑ינוּ (yadeinu) = onze handen | אֲשֶׁר (asher) = want | בְּךָ֖ (bekha) = bij U | יְרֻחַ֥ם (yerucham) = vindt ontferming | יָתֽוֹם (yatom) = de wees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: De spreker is hier nog steeds het volk, in de woorden die de profeet hun in de mond legt. Het gebed begint in vers 3. Voetnoot : אֱלֹהֵינוּ (elohenu), ‘onze god’: de afgodsbeelden, het werk van hun handen. Wij schrijven ‘god’ met een kleine letter. Voetnoot : סוּס (sus), ‘paard’: het legermiddel van een koning. Vergelijk Deut. 17:16. Voetnoot : יָתוֹם (yatom), ‘wees’: wie niemand heeft. Vergelijk Ps. 68:6. Voetnoot : Voor het zoeken van hulp bij Assyrië zie Hos. 7:11. Zie ook: Deut 17:16; Ps 10:14; Ps 33:17; Ps 68:6; Hos 7:11; Hos 14:3; Jes 31:1; Joh 14:18 ### Yahweh geneest en laat bloeien **14:5** **„Ik zal hun afval genezen. Ik zal hen liefhebben uit vrije wil, want Mijn toorn heeft zich van hem afgekeerd.** Brontekst: אֶרְפָּא֙ (erpa) = Ik zal genezen | מְשׁ֣וּבָתָ֔ם (meshuvatam) = hun afval | אֹהֲבֵ֖ם (ohavem) = Ik zal hen liefhebben | נְדָבָ֑ה (nedava) = uit vrije wil | כִּ֛י (ki) = want | שָׁ֥ב (shav) = is afgekeerd | אַפִּ֖י (api) = Mijn toorn | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשׁוּבָה (meshuvah), ‘afval’: afgeleid van שׁוּב (shuv), hier het zich afkeren van Yahweh. Voetnoot : נְדָבָה (nedavah), ‘uit vrije wil’: letterlijk ‘als vrijwillige gave’. Yahweh houdt van hen zonder dat zij het verdienen. Voetnoot : Het Hebreeuws wisselt tussen het meervoud (‘hen’) en het enkelvoud (‘van hem’). Israël is hier zowel een volk als één man. Zie ook: Jes 12:1; Jes 57:18; Sef 3:17; Jer 3:22; Ef 2:4–9 **14:6** **Ik zal voor Israël zijn als dauw. Hij zal bloeien als een lelie en zijn wortels slaan als de Libanon.** Brontekst: אֶהְיֶ֤ה (ehye) = Ik zal zijn | כַטַּל֙ (katal) = als dauw | לְיִשְׂרָאֵ֔ל (leyisrael) = voor Israël | יִפְרַ֖ח (yifrach) = hij zal bloeien | כַּשּֽׁוֹשַׁנָּ֑ה (kashoshana) = als een lelie | וְיַ֥ךְ (veyakh) = en hij zal slaan | שָׁרָשָׁ֖יו (sharashav) = zijn wortels | כַּלְּבָנֽוֹן (kalevanon) = als de Libanon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹשַׁנָּה (shoshannah), ‘lelie’: zoals in Hoogl. 2:1–2. Voetnoot : ‘Zijn wortels slaan als de Libanon’: het Hebreeuws zegt alleen ‘als de Libanon’. Wij denken aan de cederbossen daar. Zie ook: Hoogl 2:1–2; Jes 26:19; Jes 27:6; Jes 35:2; Mat 6:28; Ef 3:17 **14:7** **Zijn scheuten zullen zich uitbreiden. Zijn pracht zal zijn als de olijfboom, en zijn geur zal zijn als die van de Libanon.** Brontekst: יֵֽלְכוּ֙ (yelekhu) = zij zullen gaan | יֹֽנְקוֹתָ֔יו (yoneqotav) = zijn scheuten | וִיהִ֥י (vihi) = en zal zijn | כַזַּ֖יִת (kazayit) = als een olijfboom | הוֹד֑וֹ (hodo) = zijn pracht | וְרֵ֥יחַֽ (vereiach) = en geur | ל֖וֹ (lo) = voor hem | כַּלְּבָנֽוֹן (kalevanon) = als de Libanon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹד (hod), ‘pracht’: de glans van de olijfboom. Vergelijk voor de geur van de Libanon Hoogl. 4:11. Zie ook: Ps 52:10; Ps 128:3; Hoogl 4:11; Joh 15:1; Rom 11:16–24; Fil 4:18 **14:8** **Zij die in zijn schaduw wonen, zullen terugkeren. Zij laten het graan opleven en zullen bloeien als de wijnstok. Zijn faam zal zijn als de wijn van de Libanon.** Brontekst: יָשֻׁ֨בוּ֙ (yashuvu) = zij zullen terugkeren | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = die wonen | בְצִלּ֔וֹ (betsilo) = in zijn schaduw | יְחַיּ֥וּ (yechayu) = zij laten leven | דָגָ֖ן (dagan) = graan | וְיִפְרְח֣וּ (veyifrechu) = en zij zullen bloeien | כַגָּ֑פֶן (kagafen) = als de wijnstok | זִכְר֖וֹ (zikhro) = zijn faam | כְּיֵ֥ין (keyein) = als de wijn van | לְבָנֽוֹן (levanon) = de Libanon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wie ‘zijn’ is. Het gaat om Israël, in het beeld van een boom (verzen 6–7). Die boom geeft schaduw. Voetnoot : יְחַיּוּ דָגָן (yechayu dagan), ‘zij laten het graan opleven’: kan ook ‘zij leven op als graan’ betekenen. Voetnoot : זִכְרוֹ (zikhro), ‘zijn faam’: letterlijk ‘zijn gedachtenis’, de naam waarmee men aan hem denkt. Zie ook: Ps 91:1; Hoogl 6:11; Hos 6:2; Ezech 17:23; Joh 11:25 ### Efraïm en de afgodsbeelden **14:9** **Efraïm, wat heb Ik nog met de afgodsbeelden te maken? Ik heb geantwoord en Ik zal op hem letten. Ik ben als een groene cipres. Van Mij wordt jouw vrucht gevonden.”** Brontekst: אֶפְרַ֕יִם (efrayim) = Efraïm | מַה (ma) = wat | לִּ֥י (li) = mij | ע֖וֹד (od) = nog | לָֽעֲצַבִּ֑ים (laatsabim) = met de afgodsbeelden | אֲנִ֧י (ani) = Ik | עָנִ֣יתִי (aniti) = heb geantwoord | וַאֲשׁוּרֶ֗נּוּ (vaashurenu) = en Ik zal letten op hem | אֲנִי֙ (ani) = Ik | כִּבְר֣וֹשׁ (kivrosh) = als een cipres | רַֽעֲנָ֔ן (raanan) = groene | מִמֶּ֖נִּי (mimeni) = van Mij | פֶּרְיְךָ֥ (peryekha) = jouw vrucht | נִמְצָֽא (nimtsa) = wordt gevonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker van de eerste zin is niet duidelijk. Wij lezen Yahweh: ‘wat heb Ik nog met de afgodsbeelden te maken?’ Het kan ook Efraïm zijn die spreekt: ‘wat heb ik nog met afgodsbeelden te maken?’ Voetnoot : אֲשׁוּרֶנּוּ (ashurennu), ‘Ik zal op hem letten’: van שׁוּר (shur), ‘kijken naar’. Hetzelfde werkwoord staat in 13:7, waar Yahweh ‘loert’. Nu let Hij zorgzaam op Efraïm. Voetnoot : Yahweh vergelijkt Zichzelf met een groene cipres: een boom die schaduw en vrucht geeft. Zie ook: Job 34:32; Jes 41:19; Luc 15:20; Jak 1:17; Fil 2:13 ### Wie is wijs? **14:10** Wie is wijs? Die moet dit begrijpen. Wie is verstandig? Die moet het kennen. Want recht zijn de wegen van Yahweh. De rechtvaardigen gaan erop, maar overtreders struikelen erover. Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | חָכָם֙ (chakham) = wijs | וְיָ֣בֵֽן (veyaven) = en hij begrijpe | אֵ֔לֶּה (ele) = deze dingen | נָב֖וֹן (navon) = verstandig | וְיֵֽדָעֵ֑ם (veyedaem) = en hij kenne ze | כִּֽי (ki) = want | יְשָׁרִ֞ים (yesharim) = recht | דַּרְכֵ֣י (darkhei) = de wegen van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְצַדִּקִים֙ (vetsadiqim) = en rechtvaardigen | יֵ֣לְכוּ (yelekhu) = zij gaan | בָ֔ם (bam) = daarop | וּפֹשְׁעִ֖ים (ufosheim) = en overtreders | יִכָּ֥שְׁלוּ (yikashelu) = zullen struikelen | בָֽם (bam) = daarover Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit slotvers is geen woord van Yahweh meer maar een slotwoord van de schrijver. Vergelijk Ps. 107:43. Voetnoot : יִכָּשְׁלוּ (yikkashelu), ‘zij struikelen’: hetzelfde werkwoord als ‘je bent gestruikeld’ in vers 2. De wegen van Yahweh zijn voor allen dezelfde; de een loopt erop, de ander struikelt. Zie ook: Ps 107:43; Spr 1:5–6; Spr 10:29; Hos 14:2; Dan 12:10; Joh 8:47