# Haggai (חגי, Chaggai) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Haggai 1 _De oproep om het huis van Yahweh te bouwen_ ### Het woord van Yahweh door Haggai **1:1** In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van Yahweh door Haggai, de profeet. Het kwam tot Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, de landvoogd van Juda, en tot Jozua, de zoon van Jehozadak, de hogepriester: Brontekst: בִּשְׁנַ֤ת (bishnat) = in het jaar van | שְׁתַּ֨יִם֙ (shetayim) = twee | לְדָרְיָ֣וֶשׁ (ledareyavesh) = van Darius | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | בַּחֹ֨דֶשׁ֙ (bachodesh) = in de maand | הַשִּׁשִּׁ֔י (hashishi) = de zesde | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag | אֶחָ֖ד (echad) = een | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָיָ֨ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | חַגַּ֣י (chagay) = Haggai | הַנָּבִ֗יא (hanavi) = de profeet | אֶל (el) = tot | זְרֻבָּבֶ֤ל (zerubavel) = Zerubbabel | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁאַלְתִּיאֵל֙ (shealtiel) = Sjealtiël | פַּחַ֣ת (pachat) = landvoogd van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְאֶל (veel) = en tot | יְהוֹשֻׁ֧עַ (yehoshua) = Jozua | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹצָדָ֛ק (yehotsadaq) = Jehozadak | הַכֹּהֵ֥ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַגַּי (Chaggai), ‘Haggai’: de naam hangt samen met חַג (chag), ‘feest’ (uit het geheugen, niet gecontroleerd). Haggai was profeet in de tijd na de terugkeer uit de ballingschap. Zie ook Ezra 5:1 en 6:14. Voetnoot : דָּרְיָוֶשׁ (Daryavesh), ‘Darius’: Darius I, koning van Perzië. Zijn tweede jaar wordt gewoonlijk gerekend als 520 v.Chr. (uit het geheugen, niet gecontroleerd). Zie ook Ezra 4:24 en Zach. 1:1. De zesde maand is Elloel, ongeveer augustus–september. Het boek noemt vijf data: 1:1, 1:15, 2:1, 2:10 en 2:20. Voetnoot : פַּחַת יְהוּדָה (pachat Yehudah), ‘landvoogd van Juda’: een Perzische ambtenaar die een gebied bestuurt, zoals in Ezra 5:14. Zerubbabel heet hier en in Ezra 3:2 een zoon van Sjealtiël. In 1 Kron. 3:19 heet hij een zoon van Pedaja; zie de uitleg daar. Voetnoot : יְהוֹשֻׁעַ (Yehoshua), ‘Jozua’: de hogepriester, de zoon van Jehozadak. In Ezra en Nehemia heet hij Jesua (zie Ezra 3:2), een kortere vorm van dezelfde naam. Hier schrijven wij ‘Jozua’, zoals de naam in het Hebreeuws staat; zo ook in Zach. 3:1. Voetnoot : הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל (hakkohen haggadol), ‘de hogepriester’: letterlijk ‘de grote priester’, zoals in Lev. 21:10. Zie ook: Lev 21:10; 1 Kron 3:19; Ezra 2:2; Ezra 3:2; Ezra 3:8; Ezra 4:24; Ezra 5:1; Ezra 5:14; Ezra 6:14; Hag 2:10; Zach 1:1; Zach 3:1; Neh 7:7 **1:2** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Dit volk zegt: ‘De tijd is niet gekomen, de tijd om het huis van Yahweh te bouwen.’”** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | הָעָ֤ם (haam) = het volk | הַזֶּה֙ (haze) = dit | אָֽמְר֔וּ (ameru) = zij zeggen | לֹ֥א (lo) = niet | עֶת (et) = de tijd | בֹּ֛א (bo) = is gekomen | עֶת (et) = de tijd van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְהִבָּנֽוֹת (lehibanot) = om gebouwd te worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’. Zie ook Jes. 1:9 en Zach. 1:3. Voetnoot : ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ is de inleidende formule en staat zwart. Wat daarna volgt, staat rood. Yahweh haalt hier aan wat het volk zegt; die woorden staan tussen enkele aanhalingstekens binnen de rode rede. Voetnoot : עֵת (et), ‘tijd’: het woord staat twee keer. Het volk zegt dat ‘de tijd’ voor de bouw van het huis niet gekomen is. Het huis is de tempel; zie Ezra 3:8–13 en 4:24 voor de eerdere pogingen. Zie ook: Num 13:31; Pred 9:10; Pred 11:4; Jes 1:9; Ezra 3:8–13; Ezra 4:23–5:2; Ezra 4:24; Zach 1:3; Neh 4:4 **1:3** Het woord van Yahweh kwam door Haggai, de profeet: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en kwam | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | חַגַּ֥י (chagay) = Haggai | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 5:1; Zach 1:1 ### Is het tijd om te wonen terwijl het huis verwoest is? **1:4** **„Is het voor jullie zelf tijd om te wonen in jullie huizen met houten wanden, terwijl dit huis verwoest is?”** Brontekst: הַעֵ֤ת (haet) = is het tijd | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | אַתֶּ֔ם (atem) = jullie zelf | לָשֶׁ֖בֶת (lashevet) = om te wonen | בְּבָתֵּיכֶ֣ם (bevateikhem) = in jullie huizen | סְפוּנִ֑ים (sefunim) = met houten wanden | וְהַבַּ֥יִת (vehabayit) = en dit huis | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | חָרֵֽב (charev) = verwoest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סְפוּנִים (sefunim), ‘met houten wanden’: letterlijk ‘bedekt’, dus betimmerd of bekleed met hout. Hetzelfde werkwoord staat voor het bedekken van het huis met ceder in 1 Kon. 6:9 en 7:3. Het gaat om comfortabele, afgewerkte huizen, tegenover de tempel die niet af is. Voetnoot : אַתֶּם (attem), ‘jullie zelf’: het persoonlijk voornaamwoord staat er extra, voor de nadruk. Voetnoot : חָרֵב (chareb), ‘verwoest’: het woord keert terug in vers 9. In vers 11 staat verwante חֹרֶב (chorev), ‘droogte’. Zie ook: 2 Sam 7:2; Ps 132:3–5; 1 Kon 6:9; 1 Kon 7:3; Hag 1:9; Hag 1:11; Mat 6:33; Fil 2:21 ### Let goed op jullie wegen **1:5** En nu, zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Let goed op jullie wegen.** Brontekst: וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שִׂ֥ימוּ (simu) = richt | לְבַבְכֶ֖ם (levavkhem) = jullie hart | עַל (al) = op | דַּרְכֵיכֶֽם (darkheikhem) = jullie wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׂימוּ לְבַבְכֶם עַל דַּרְכֵיכֶם (simu levavkhem al darkheikhem), ‘let goed op jullie wegen’: letterlijk ‘zet jullie hart op jullie wegen’. Het is een refrein in dit boek (1:7; 2:15 en 2:18). Wij vertalen het steeds met ‘let goed op’. ‘Wegen’ is hier de manier van leven en wat daar het gevolg van is. Zie ook: Klaagl 3:40; Hag 1:7; Hag 2:15–18; Luc 15:17; 2 Kor 13:5 **1:6** **Jullie hebben veel gezaaid, maar weinig binnengehaald. Jullie eten, maar worden niet verzadigd. Jullie drinken, maar het is niet genoeg om er dronken van te worden. Jullie kleden je, maar niemand wordt warm. En wie loon verdient, verdient het voor een beurs vol gaten.”** Brontekst: זְרַעְתֶּ֨ם (zeratem) = jullie hebben gezaaid | הַרְבֵּ֜ה (harbe) = veel | וְהָבֵ֣א (vehave) = en binnengehaald | מְעָ֗ט (meat) = weinig | אָכ֤וֹל (akhol) = eten | וְאֵין (veein) = en niet | לְשָׂבְעָה֙ (lesavea) = tot verzadiging | שָׁת֣וֹ (shato) = drinken | וְאֵין (veein) = en niet | לְשָׁכְרָ֔ה (leshakhera) = tot dronkenschap | לָב֖וֹשׁ (lavosh) = zich kleden | וְאֵין (veein) = en niet | לְחֹ֣ם (lechom) = warmte | ל֑וֹ (lo) = voor hem | וְהַ֨מִּשְׂתַּכֵּ֔ר (vehamistaker) = en wie loon verdient | מִשְׂתַּכֵּ֖ר (mistaker) = verdient loon | אֶל (el) = voor | צְר֥וֹר (tseror) = een buidel | נָקֽוּב (naquv) = doorboord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְשָׂבְעָה (lesov’ah), ‘tot verzadiging’, en לְשָׁכְרָה (leshokhrah), ‘tot dronkenschap’: het werkwoord שָׁכַר (shakhar) betekent ‘dronken worden’, hier in de zin van ‘genoeg drinken’. De tekst zegt dat het gedronken drank nooit genoeg is. Vergelijk Micha 6:14. Voetnoot : צְרוֹר נָקוּב (tseror naqub), ‘doorboorde buidel’: een geldbuidel met gaten (vergelijk Gen. 42:35 voor ‘buidel’). Het loon loopt er onmiddellijk uit. Voetnoot : Vergelijk Deut. 28:38–40 en Amos 4:6–9. Zie ook: Gen 42:35; Deut 28:38–40; Amos 4:6–9; Hos 4:10; Mi 6:14; Hag 1:9; Hag 2:16; Mal 3:9–11 **1:7** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Let goed op jullie wegen.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שִׂ֥ימוּ (simu) = richt | לְבַבְכֶ֖ם (levavkhem) = jullie hart | עַל (al) = op | דַּרְכֵיכֶֽם (darkheikhem) = jullie wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 119:59–60; Jes 28:10; Hag 1:5; Fil 3:1 ### Trek naar het gebergte en bouw het huis **1:8** **Trek naar het gebergte, breng hout en bouw het huis. Dan zal Ik er behagen in hebben en verheerlijkt worden, zegt Yahweh.** Brontekst: עֲל֥וּ (alu) = trek omhoog | הָהָ֛ר (hahar) = het gebergte | וַהֲבֵאתֶ֥ם (vahavetem) = en breng | עֵ֖ץ (ets) = hout | וּבְנ֣וּ (uvenu) = en bouw | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וְאֶרְצֶה (veertse) = en Ik zal behagen hebben | בּ֥וֹ (bo) = erin | וְאֶכָּבְדָ֖ה (veekaveda) = en Ik zal verheerlijkt worden | אָמַ֥ר (amar) = zegt | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָהָר (hahar), ‘het gebergte’: letterlijk ‘de berg’, met het lidwoord. Het is niet de tempelberg, maar waarschijnlijk het bergland waar hout te halen is. De tekst zegt het niet. Zie Ezra 3:7 voor het hout dat de bouwers uit Libanon lieten komen. Voetnoot : וְאֶכָּבְדָה (ve’ekkavdah), ‘en Ik zal verheerlijkt worden’: van כָּבֵד (kavod), ‘gewicht, heerlijkheid’. Het werkwoord kan ook ‘eer ontvangen’ betekenen. Zie ook: Ex 29:43; Ps 132:13–14; 2 Kron 2:7–9; 2 Kron 7:16; Ezra 3:7; Hag 2:7 **1:9** **Jullie keken uit naar veel, maar zie: het werd weinig. Jullie brachten het naar huis, en Ik blies erop. Waarom? Godsspraak van Yahweh van de legermachten. Vanwege Mijn huis, dat verwoest is, terwijl jullie ieder naar zijn eigen huis rennen.** Brontekst: פָּנֹ֤ה (pano) = er werd uitgekeken | אֶל (el) = naar | הַרְבֵּה֙ (harbe) = veel | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | לִמְעָ֔ט (limat) = weinig | וַהֲבֵאתֶ֥ם (vahavetem) = en jullie brachten | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis in | וְנָפַ֣חְתִּי (venafachti) = en Ik blies | ב֑וֹ (bo) = erop | יַ֣עַן (yaan) = om | מֶ֗ה (me) = wat | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | יַ֗עַן (yaan) = om | בֵּיתִי֙ (beiti) = Mijn huis | אֲשֶׁר (asher) = dat | ה֣וּא (hu) = het | חָרֵ֔ב (charev) = verwoest is | וְאַתֶּ֥ם (veatem) = en jullie | רָצִ֖ים (ratsim) = rennen | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְבֵיתֽוֹ (leveito) = naar zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: een vaste formule in de profeten (ne’um Yahweh, ‘godsspraak van Yahweh’). Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt. Wij zetten de formule in rood wanneer ze midden in Zijn woorden staat. Voor de volgende vermeldingen verwijzen wij naar dit vers. Voetnoot : וְנָפַחְתִּי בוֹ (venafachti vo), ‘en Ik blies erop’: Yahweh blaast op wat zij binnenbrengen, en het verdwijnt. Voetnoot : יַעַן מֶה (ya’an meh), ‘waarom’: letterlijk ‘vanwege wat’. Het antwoord volgt in de tweede helft van het vers: ‘vanwege Mijn huis’. Voetnoot : רָצִים (ratsim), ‘rennen’: ieder haast zich naar zijn eigen huis. Zie ook: Jes 40:7; Hag 1:4; Hag 2:16–17; Mal 2:2; Openb 3:19 **1:10** **Daarom heeft de hemel boven jullie de dauw ingehouden, en de aarde heeft haar opbrengst ingehouden.** Brontekst: עַל (al) = om | כֵּ֣ן (ken) = dit | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = boven jullie | כָּלְא֥וּ (kaleu) = hielden in | שָמַ֖יִם (shamayim) = de hemel | מִטָּ֑ל (mital) = de dauw | וְהָאָ֖רֶץ (vehaarets) = en de aarde | כָּלְאָ֥ה (kalea) = hield in | יְבוּלָֽהּ (yevulah) = haar opbrengst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲלֵיכֶם (alekhem), ‘boven jullie’: het voorzetsel kan ook ‘vanwege jullie’ betekenen. Wij kiezen ‘boven jullie’; het beeld is de hemel die zijn dauw vasthoudt. Zie ook: Lev 26:19; Deut 28:23–24; 1 Kon 8:35; 1 Kon 17:1; Joël 1:18–20 **1:11** **Ik heb een droogte opgeroepen over het land en over de bergen, over het graan, de most en de olie, over alles wat de grond voortbrengt, over mens en dier en over al het zwoegen van de handen.”** Brontekst: וָאֶקְרָ֨א (vaeqra) = en Ik riep | חֹ֜רֶב (chorev) = droogte | עַל (al) = over | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | וְעַל (veal) = en over | הֶהָרִ֗ים (heharim) = de bergen | וְעַל (veal) = en over | הַדָּגָן֙ (hadagan) = het graan | וְעַל (veal) = en over | הַתִּיר֣וֹשׁ (hatirosh) = de most | וְעַל (veal) = en over | הַיִּצְהָ֔ר (hayitshar) = de olie | וְעַ֛ל (veal) = en over | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תּוֹצִ֖יא (totsi) = voortbrengt | הָאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | וְעַל (veal) = en over | הָֽאָדָם֙ (haadam) = de mens | וְעַל (veal) = en over | הַבְּהֵמָ֔ה (habehema) = het dier | וְעַ֖ל (veal) = en over | כָּל (kal) = al | יְגִ֥יעַ (yegia) = het zwoegen van | כַּפָּֽיִם (kapayim) = de handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹרֶב (chorev), ‘droogte’: hetzelfde woord als חָרֵב (chareb), ‘verwoest’ in vers 4 en 9, met een andere klinker. Yahweh roept de droogte op tegen een land dat Zijn huis laat verwoest staan. Voetnoot : דָּגָן (dagan), ‘graan’, תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’, en יִצְהָר (yitshar), ‘olie’: de drie vruchten van het land, zoals in Joël 1:10. Voetnoot : יְגִיעַ כַּפַּיִם (yegia kappayim), ‘het zwoegen van de handen’: de zware arbeid en wat die oplevert. Zie ook: Deut 28:22; 1 Kon 17:1; 2 Kon 8:1; Joël 1:10; Amos 9:6; Hag 1:4; Hag 1:9; Hag 2:17 ### Het volk luistert **1:12** Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en Jozua, de zoon van Jehozadak, de hogepriester, en alle overgeblevenen van het volk luisterden naar de stem van Yahweh, hun Elohim. Zij luisterden naar de woorden van Haggai, de profeet, zoals Yahweh, hun Elohim, hem had gestuurd. Het volk kreeg ontzag voor Yahweh. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en luisterde | זְרֻבָּבֶ֣ל (zerubavel) = Zerubbabel | בֶּֽן (ben) = zoon van | שַׁלְתִּיאֵ֡ל (shaltiel) = Sjealtiël | וִיהוֹשֻׁ֣עַ (vihoshua) = en Jozua | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹצָדָק֩ (yehotsadaq) = Jehozadak | הַכֹּהֵ֨ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֜וֹל (hagadol) = de grote | וְכֹ֣ל (vekhol) = en heel | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = de overgeblevenen van | הָעָ֗ם (haam) = het volk | בְּקוֹל֙ (beqol) = naar de stem van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun Elohim | וְעַל (veal) = en naar | דִּבְרֵי֙ (divrei) = de woorden van | חַגַּ֣י (chagay) = Haggai | הַנָּבִ֔יא (hanavi) = de profeet | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | שְׁלָח֖וֹ (shelacho) = had gestuurd hem | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | וַיִּֽירְא֥וּ (vayireu) = en kreeg ontzag | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overgeblevenen’: het deel van het volk dat uit de ballingschap is teruggekeerd. Vergelijk Ezra 9:8. Voetnoot : שְׁלַתִּיאֵל (Shelatiel), ‘Sjealtiël’: in dit vers staat de naam zonder א, net als in 1:14 en 2:2. In 1:1 en 2:23 staat hij met א. Het is dezelfde man. Voetnoot : וַיִּירְאוּ הָעָם מִפְּנֵי יְהוָה (vayyire’u ha’am mipnei Yahweh), ‘het volk kreeg ontzag voor Yahweh’: letterlijk ‘vreesde vanwege het aangezicht van Yahweh’. Zie ook: Ps 112:1; Pred 12:13; Jes 50:10; Ezra 5:2; Ezra 9:8; Hag 1:14 **1:13** Haggai, de bode van Yahweh, zei met de boodschap van Yahweh tot het volk: **„Ik ben met jullie, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וַ֠יֹּאמֶר (vayomer) = en zei | חַגַּ֞י (chagay) = Haggai | מַלְאַ֧ךְ (malakh) = de bode van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | בְּמַלְאֲכ֥וּת (bemalakhut) = met de boodschap van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לָעָ֣ם (laam) = tot het volk | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אֲנִ֥י (ani) = Ik | אִתְּכֶ֖ם (itekhem) = met jullie | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘bode van Yahweh’: hetzelfde woord als ‘engel van Yahweh’ (zie Zach. 1:11). Het betekent ‘iemand die gezonden is’. Hier is het de profeet, die Yahweh’s boodschap brengt. Voetnoot : בְּמַלְאֲכוּת יְהוָה (bemal’akhut Yahweh), ‘met de boodschap van Yahweh’: een zeldzaam woord, afgeleid van hetzelfde stamwoord. Voetnoot : De woorden ‘Ik ben met jullie’ staan rood: Yahweh spreekt zelf, door de mond van Haggai. Zie ook: Jes 43:2; Hag 2:4; Zach 1:11; Mal 3:1; Mat 28:20; Rom 8:31 ### Het werk begint **1:14** Yahweh wekte de geest op van Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, de landvoogd van Juda. Hij wekte ook de geest op van Jozua, de zoon van Jehozadak, de hogepriester, en de geest van alle overgeblevenen van het volk. Zij kwamen en deden het werk aan het huis van Yahweh van de legermachten, hun Elohim, Brontekst: וַיָּ֣עַר (vayaar) = en wekte op | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | רוּחַ֩ (ruach) = de geest van | זְרֻבָּבֶ֨ל (zerubavel) = Zerubbabel | בֶּן (ben) = zoon van | שַׁלְתִּיאֵ֜ל (shaltiel) = Sjealtiël | פַּחַ֣ת (pachat) = landvoogd van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וְאֶת (veet) = en (obj.) | ר֨וּחַ֙ (ruach) = de geest van | יְהוֹשֻׁ֤עַ (yehoshua) = Jozua | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹצָדָק֙ (yehotsadaq) = Jehozadak | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | וְֽאֶת (veet) = en (obj.) | ר֔וּחַ (ruach) = de geest van | כֹּ֖ל (kol) = heel | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = de overgeblevenen van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | וַיַּעֲשׂ֣וּ (vayaasu) = en deden | מְלָאכָ֔ה (melakha) = werk | בְּבֵית (beveit) = aan het huis van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֖וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּעַר יְהוָה אֶת רוּחַ (vayya’ar Yahweh et ruach), ‘Yahweh wekte de geest op’: zoals in Ezra 1:1 en 1:5. Het werkwoord betekent ‘wakker maken, opwekken’. De geest van de leiders en van het volk wordt tot de bouw bewogen. Voetnoot : De zin loopt door in vers 15: de datum hoort bij het begin van het werk. Zie ook: 2 Kron 36:22; Ezra 1:1; Ezra 1:5; Hag 1:15; Hag 2:21; Heb 13:21 **1:15** op de vierentwintigste dag van de zesde maand, in het tweede jaar van koning Darius. Brontekst: בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag | עֶשְׂרִ֧ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֛ה (vearbaa) = en vier | לַחֹ֖דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | בַּשִּׁשִּׁ֑י (bashishi) = in de zesde | בִּשְׁנַ֥ת (bishnat) = in het jaar | שְׁתַּ֖יִם (shetayim) = twee | לְדָרְיָ֥וֶשׁ (ledareyavesh) = van Darius | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De datum, de vierentwintigste dag van de zesde maand, ligt ruim drie weken na het woord van 1:1. Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord; het vers hoort bij vers 14. Zie ook: Hag 1:1; Hag 1:14; Hag 2:1; Hag 2:10; Hag 2:20 ## Haggai 2 _De heerlijkheid van het nieuwe huis en de zegen vanaf deze dag_ ### Het huis lijkt als niets **2:1** In de zevende maand, op de eenentwintigste dag van de maand, kwam het woord van Yahweh door Haggai, de profeet: Brontekst: בַּשְּׁבִיעִ֕י (bashevii) = in de zevende | בְּעֶשְׂרִ֥ים (beesrim) = op twintig | וְאֶחָ֖ד (veechad) = en een | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָיָה֙ (haya) = kwam | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיַד (beyad) = door de hand van | חַגַּ֥י (chagay) = Haggai | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zevende maand is Etanim of Tisjri, ongeveer september–oktober (uit het geheugen, niet gecontroleerd). Het feest van de hutten valt in die maand, vanaf de vijftiende dag (Lev. 23:34). Zie ook: Lev 23:34; Hag 1:1; Hag 1:15; Hag 2:10; Hag 2:20; 2 Petr 1:21 **2:2** **„Zeg toch tegen Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, de landvoogd van Juda, en tegen Jozua, de zoon van Jehozadak, de hogepriester, en tegen de overgeblevenen van het volk:** Brontekst: אֱמָר (emar) = zeg | נָ֗א (na) = toch | אֶל (el) = tegen | זְרֻבָּבֶ֤ל (zerubavel) = Zerubbabel | בֶּן (ben) = zoon van | שַׁלְתִּיאֵל֙ (shaltiel) = Sjealtiël | פַּחַ֣ת (pachat) = landvoogd van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וְאֶל (veel) = en tegen | יְהוֹשֻׁ֥עַ (yehoshua) = Jozua | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹצָדָ֖ק (yehotsadaq) = Jehozadak | הַכֹּהֵ֣ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֑וֹל (hagadol) = de grote | וְאֶל (veel) = en tegen | שְׁאֵרִ֥ית (sheerit) = de overgeblevenen van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית הָעָם (she’erit ha’am), ‘de overgeblevenen van het volk’: zoals in 1:12 en 1:14. Voetnoot : Ook hier staat alles wat Haggai moet zeggen rood, omdat het Yahweh’s eigen woorden zijn. De woorden die Haggai tegen de leiders moet zeggen, staan binnen enkele aanhalingstekens en lopen door tot en met vers 9. Zie ook: Ezra 1:8; Ezra 2:63; Hag 1:1; Hag 1:14; Hag 2:9; Neh 8:9 **2:3** **‘Wie van jullie is nog overgebleven die dit huis in zijn eerste heerlijkheid heeft gezien? En hoe zien jullie het nu? Is het in jullie ogen niet als niets?** Brontekst: מִ֤י (mi) = wie | בָכֶם֙ (bakhem) = onder jullie | הַנִּשְׁאָ֔ר (hanishar) = de overgeblevene | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | רָאָה֙ (raa) = heeft gezien | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֣יִת (habayit) = het huis | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | בִּכְבוֹד֖וֹ (bikhvodo) = in zijn heerlijkheid | הָרִאשׁ֑וֹן (harishon) = de eerste | וּמָ֨ה (uma) = en wat | אַתֶּ֜ם (atem) = jullie | רֹאִ֤ים (roim) = zien | אֹתוֹ֙ (oto) = het | עַ֔תָּה (ata) = nu | הֲל֥וֹא (halo) = niet waar | כָמֹ֛הוּ (kamohu) = zoals het | כְּאַ֖יִן (keayin) = als niets | בְּעֵינֵיכֶֽם (beeineikhem) = in jullie ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנִּשְׁאָר (hannish’ar), ‘de overgebleven’: wie de eerste tempel nog heeft gekend. De eerste tempel werd rond 586 v.Chr. verwoest, dat is ongeveer zeventig jaar eerder (uit het geheugen, niet gecontroleerd). Zie ook Ezra 3:12. Voetnoot : כְּמֹהוּ כְּאַיִן (kemohu ke’ayin), ‘zoals het, als niets’: letterlijk ‘is het niet als hetzelfde: als niets?’ De vraag verwacht het antwoord: ja, het lijkt op niets. Zie ook: Ezech 7:20; Ezra 3:12; Hag 2:9; Zach 4:9–10; Luc 21:5–6 ### Wees sterk en werk **2:4** **En nu, wees sterk, Zerubbabel, godsspraak van Yahweh. Wees sterk, Jozua, zoon van Jehozadak, de hogepriester. Wees sterk, heel het volk van het land, godsspraak van Yahweh. En werk, want Ik ben met jullie, godsspraak van Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | חֲזַ֣ק (chazaq) = wees sterk | זְרֻבָּבֶ֣ל (zerubavel) = Zerubbabel | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֡ה (Yahweh) = Yahweh | וַחֲזַ֣ק (vachazaq) = en wees sterk | יְהוֹשֻׁ֣עַ (yehoshua) = Jozua | בֶּן (ben) = zoon van | יְהוֹצָדָק֩ (yehotsadaq) = Jehozadak | הַכֹּהֵ֨ן (hakohen) = de priester | הַגָּד֜וֹל (hagadol) = de grote | וַחֲזַ֨ק (vachazaq) = en wees sterk | כָּל (kal) = heel | עַ֥ם (am) = het volk van | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽעֲשׂ֑וּ (vaasu) = en werk | כִּֽי (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = Ik | אִתְּכֶ֔ם (itekhem) = met jullie | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲזַק (chazaq), ‘wees sterk’: het woord staat drie keer, tot Zerubbabel, tot Jozua en tot het hele volk. Het is een bemoediging, zoals in Joz. 1:6. Voetnoot : עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: hier de gewone mensen van Juda. In Ezra 4:4 betekent dezelfde uitdrukking de bewoners van het land die het werk tegenwerkten. Voetnoot : וַעֲשׂוּ (va’asu), ‘en werk’: letterlijk ‘en doe’. De tekst noemt het werk niet; het gaat om de bouw van het huis. Zie ook: Deut 31:23; Joz 1:6; Joz 1:9; 2 Sam 5:10; 1 Kron 28:20; Ezra 4:4; Zach 8:9 **2:5** **Het woord dat Ik met jullie sloot toen jullie uit Egypte trokken: Mijn Geest staat in jullie midden. Wees niet bang.** Brontekst: אֶֽת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֞ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁר (asher) = dat | כָּרַ֤תִּי (karati) = Ik sloot | אִתְּכֶם֙ (itekhem) = met jullie | בְּצֵאתְכֶ֣ם (betsetkhem) = bij jullie uittocht | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וְרוּחִ֖י (veruchi) = en Mijn Geest | עֹמֶ֣דֶת (omedet) = staat | בְּתוֹכְכֶ֑ם (betokhekhem) = in jullie midden | אַל (al) = niet | תִּירָֽאוּ (tirau) = wees bang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft in de eerste helft van dit vers geen werkwoord: ‘het woord dat Ik met jullie sloot (כָּרַתִּי, karati, letterlijk ‘Ik sneed’) toen jullie uit Egypte trokken’. Het is een verwijzing naar het verbond bij de Sinaï (Exod. 19:5–6; 24:7–8). Het sluit aan bij ‘Ik ben met jullie’ in vers 4. Wij laten het open en zetten een dubbele punt. Voetnoot : רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: de Geest van Yahweh, die in hun midden blijft staan. Vergelijk Jes. 63:11 en Neh. 9:20. Zie ook: Ex 19:5–6; Ex 24:7; Ex 29:45–46; Ex 33:12–14; Ex 34:10; Jes 41:13; Jes 63:11; Hag 2:4; Neh 9:20 ### Nog eenmaal schud Ik de hemel **2:6** **Want zo zegt Yahweh van de legermachten: Nog één keer, binnen korte tijd, schud Ik de hemel en de aarde, de zee en het droge.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֔וֹת (tsevaot) = van de legermachten | ע֥וֹד (od) = nog | אַחַ֖ת (achat) = eenmaal | מְעַ֣ט (meat) = weinig | הִ֑יא (hi) = het is | וַאֲנִ֗י (vaani) = en Ik | מַרְעִישׁ֙ (marish) = schud | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֣יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הֶחָרָבָֽה (hecharava) = het droge Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat hier midden in een rode rede en is daarom rood. Voetnoot : Hebr. 12:26 haalt dit vers aan. Voetnoot : עוֹד אַחַת מְעַט הִיא (od achat me’at hi), ‘nog eenmaal, het is weinig’: letterlijk ‘nog eenmaal, een kleinigheid is het’. Het Hebreeuws zegt niet wat er ‘weinig’ is; wij nemen dat als ‘korte tijd’. Voetnoot : חָרָבָה (charavah), ‘het droge’: het droge land, tegenover de zee. Zie ook Exod. 14:21. Zie ook: Ex 14:21; Jes 10:25; Mar 13:24–26; Luc 21:25–27; Hand 2:19; Heb 12:26–28 **2:7** **Ik zal alle volken schudden. De kostbaarheden van alle volken zullen komen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vullen, zegt Yahweh van de legermachten.** Brontekst: וְהִרְעַשְׁתִּי֙ (vehirashti) = en Ik zal schudden | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וּבָ֖אוּ (uvau) = en zij zullen komen | חֶמְדַּ֣ת (chemdat) = het kostbaarste van | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וּמִלֵּאתִ֞י (umileti) = en Ik zal vullen | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֤יִת (habayit) = het huis | הַזֶּה֙ (haze) = dit | כָּב֔וֹד (kavod) = met heerlijkheid | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶמְדַּת כָּל הַגּוֹיִם (chemdat kol haggoyim), ‘het kostbaarste van alle volken’: het zelfstandig naamwoord staat in het enkelvoud, het werkwoord ‘zullen komen’ in het meervoud. Daarom lezen wij ‘de kostbaarheden’ (de schatten die de volken brengen; vergelijk vers 8). Sommige lezers verstaan het woord als een persoon, ‘het Begeerde van alle volken’. De tekst zegt dat niet. Wij laten het open. Voetnoot : כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: de zichtbare grootheid van Yahweh. Hij vult het huis, zoals in Exod. 40:34–35 en 1 Kon. 8:10–11. Zie ook: Ex 40:34–35; 1 Kon 8:10–11; 1 Kon 8:11; Dan 2:44–45; Hag 2:8; Mal 3:1; Luc 2:10–11; Joh 7:37–39 **2:8** **Van Mij is het zilver en van Mij is het goud, godsspraak van Yahweh van de legermachten.** Brontekst: לִ֥י (li) = van Mij | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het zilver | וְלִ֣י (veli) = en van Mij | הַזָּהָ֑ב (hazahav) = het goud | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 29:14–16; Ps 24:1; Ps 50:10–12; Jes 60:13; Jes 60:17 **2:9** **De laatste heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de eerste, zegt Yahweh van de legermachten. Op deze plaats zal Ik vrede geven, godsspraak van Yahweh van de legermachten.’”** Brontekst: גָּד֣וֹל (gadol) = groot | יִֽהְיֶ֡ה (yihye) = zal zijn | כְּבוֹד֩ (kevod) = de heerlijkheid van | הַבַּ֨יִת (habayit) = het huis | הַזֶּ֤ה (haze) = dit | הָאַֽחֲרוֹן֙ (haacharon) = de laatste | מִן (min) = meer dan | הָ֣רִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וּבַמָּק֤וֹם (uvamaqom) = en op de plaats | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֶתֵּ֣ן (eten) = Ik zal geven | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאַחֲרוֹן (ha’acharon), ‘de laatste’: het woord staat na ‘dit huis’ en kan bij ‘heerlijkheid’ staan of bij ‘huis’. Wij vertalen ‘de laatste heerlijkheid van dit huis’. De andere lezing is: ‘de heerlijkheid van dit laatste huis’. Het verschil is klein: het gaat om het huis dat nu wordt gebouwd, tegenover het eerste. Voetnoot : שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: heelheid en welzijn, niet alleen de afwezigheid van oorlog. Zie ook: Ps 24:7–10; Ps 85:9–10; Jes 9:5–6; 2 Kor 3:9–10; Kol 1:19–21 ### De priesters en de onreinheid **2:10** Op de vierentwintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van Yahweh tot Haggai, de profeet: Brontekst: בְּעֶשְׂרִ֤ים (beesrim) = op twintig | וְאַרְבָּעָה֙ (vearbaa) = en vier | לַתְּשִׁיעִ֔י (lateshii) = van de negende | בִּשְׁנַ֥ת (bishnat) = in het jaar | שְׁתַּ֖יִם (shetayim) = twee | לְדָרְיָ֑וֶשׁ (ledareyavesh) = van Darius | הָיָה֙ (haya) = kwam | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | חַגַּ֥י (chagay) = Haggai | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De negende maand is Kislev, ongeveer november–december (uit het geheugen, niet gecontroleerd). De datum ligt twee maanden na het woord van 2:1 en dezelfde dag als de grondlegging die in 2:18 wordt genoemd. Zie ook: Hag 1:1; Hag 1:15–2:1; Hag 2:20 **2:11** Zo zegt Yahweh van de legermachten: **„Vraag toch de priesters naar de wet:** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | שְׁאַל (sheal) = vraag | נָ֧א (na) = toch | אֶת (et) = (obj.) | הַכֹּהֲנִ֛ים (hakohanim) = de priesters | תּוֹרָ֖ה (tora) = wet | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderricht’. Hier gaat het om een uitspraak van de priesters over wat heilig en onrein is. Zie Lev. 10:10–11, waar de priesters die taak hebben, en Deut. 17:8–11. Zie ook: Lev 10:10–11; Deut 17:8–11; Deut 33:10; Ezech 44:23–24; Mal 2:7 **2:12** **‘Als iemand heilig vlees draagt in de slip van zijn kleed, en met zijn slip brood aanraakt, of gekookt gerecht, wijn, olie of enig ander voedsel: wordt dat dan heilig?’”** De priesters antwoordden en zeiden: „Nee.” Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | יִשָּׂא (yisa) = draagt | אִ֨ישׁ (ish) = een man | בְּשַׂר (besar) = vlees | קֹ֜דֶשׁ (qodesh) = heilig | בִּכְנַ֣ף (bikhnaf) = in de slip van | בִּגְד֗וֹ (bigdo) = zijn kleed | וְנָגַ֣ע (venaga) = en raakt aan | בִּ֠כְנָפוֹ (bikhnafo) = met zijn slip | אֶל (el) = aan | הַלֶּ֨חֶם (halechem) = het brood | וְאֶל (veel) = en aan | הַנָּזִ֜יד (hanazid) = het gekookte gerecht | וְאֶל (veel) = en aan | הַיַּ֧יִן (hayayin) = de wijn | וְאֶל (veel) = en aan | שֶׁ֛מֶן (shemen) = olie | וְאֶל (veel) = en aan | כָּל (kal) = alle | מַאֲכָ֖ל (maakhal) = voedsel | הֲיִקְדָּ֑שׁ (hayiqdash) = wordt het heilig | וַיַּעֲנ֧וּ (vayaanu) = en antwoordden | הַכֹּהֲנִ֛ים (hakohanim) = de priesters | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zeiden | לֹֽא (lo) = nee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּשַׂר קֹדֶשׁ (besar qodesh), ‘heilig vlees’: vlees van een offerdier dat aan Yahweh is gewijd. Vergelijk Lev. 6:20 (NL 6:27), over wat het vlees van het offer aanraakt. De priesters antwoorden: nee. De heiligheid van het vlees gaat niet over op wat de slip van het kleed raakt. Voetnoot : נָזִיד (nazid), ‘gekookt gerecht’: zoals in Gen. 25:29–34. Zie ook: Gen 25:29–34; Ex 29:37; Lev 6:20; Lev 6:22; Lev 7:6; Mat 23:19 **2:13** Haggai zei: „Als iemand die onrein is door een dode, iets van dit alles aanraakt, wordt het dan onrein?” De priesters antwoordden en zeiden: „Het wordt onrein.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | חַגַּ֔י (chagay) = Haggai | אִם (im) = als | יִגַּ֧ע (yiga) = aanraakt | טְמֵא (teme) = onrein | נֶ֛פֶשׁ (nefesh) = door een dode | בְּכָל (bekhal) = in alles | אֵ֖לֶּה (ele) = dit | הֲיִטְמָ֑א (hayitma) = wordt het onrein | וַיַּעֲנ֧וּ (vayaanu) = en antwoordden | הַכֹּהֲנִ֛ים (hakohanim) = de priesters | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zeiden | יִטְמָֽא (yitma) = het wordt onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טְמֵא נֶפֶשׁ (teme nefesh), ‘onrein door een dode’: letterlijk ‘onrein van een ziel’. Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) staat hier voor een dode, zoals in Num. 19:11–13. Wie een dode aanraakt, is zeven dagen onrein (Num. 19:11). Voetnoot : De priesters antwoorden: ja. Onreinheid gaat wél over op wat iemand aanraakt (Num. 19:22). Zie ook: Lev 22:4–6; Num 5:2–3; Num 9:6–10; Num 19:11–22; Num 19:22 **2:14** Haggai antwoordde en zei: **„Zo is dit volk, en zo is deze natie voor Mijn aangezicht, godsspraak van Yahweh. Zo is al het werk van hun handen, en wat zij daar offeren, is onrein.** Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en antwoordde | חַגַּ֜י (chagay) = Haggai | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en zei | כֵּ֣ן (ken) = zo | הָֽעָם (haam) = het volk | הַ֠זֶּה (haze) = dit | וְכֵן (vekhen) = en zo | הַגּ֨וֹי (hagoy) = de natie | הַזֶּ֤ה (haze) = deze | לְפָנַי֙ (lefanay) = voor Mijn aangezicht | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְכֵ֖ן (vekhen) = en zo | כָּל (kal) = al | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = het werk van | יְדֵיהֶ֑ם (yedeihem) = hun handen | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wat | יַקְרִ֛יבוּ (yaqrivu) = zij brengen | שָׁ֖ם (sham) = daar | טָמֵ֥א (tame) = onrein | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְפָנַי (lefanai), ‘voor Mijn aangezicht’: het Hebreeuws heeft hier de eerste persoon: Yahweh spreekt zelf, door de mond van Haggai. Daarom staat vanaf ‘Zo is dit volk’ alles rood tot en met vers 19. Voetnoot : הָעָם הַזֶּה וְהַגּוֹי הַזֶּה (ha’am hazzeh vehaggoy hazzeh), ‘dit volk en deze natie’: het kan het volk van Juda zijn, of de mensen uit het land die zich bij het werk hadden gevoegd (Ezra 4:1–3). De tekst zegt het niet. Voetnoot : שָׁם (sham), ‘daar’: waarschijnlijk op het altaar, dat al stond (Ezra 3:2–3). Het kan ook de plaats van het huis zijn. Zie ook: Spr 15:8; Spr 28:9; Jes 1:11–15; Ezra 3:2–3; Ezra 4:1–3; Hag 1:4–11; Hag 2:19; Tit 1:15 ### Let goed op: vanaf deze dag zal Ik zegenen **2:15** **En nu, let toch goed op, van deze dag terug naar de tijd voordat er steen op steen werd gelegd in de tempel van Yahweh.** Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | שִֽׂימוּ (simu) = richt | נָ֣א (na) = toch | לְבַבְכֶ֔ם (levavkhem) = jullie hart | מִן (min) = vanaf | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en verder | מִטֶּ֧רֶם (miterem) = van voordat | שֽׂוּם (sum) = het leggen van | אֶ֛בֶן (even) = steen | אֶל (el) = op | אֶ֖בֶן (even) = steen | בְּהֵיכַ֥ל (beheikhal) = in de tempel van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָמַעְלָה (uma’alah), ‘en omhoog’: het woord betekent ‘verder’ in de tijd, vooruit of ook terug. In vers 15 kijkt Yahweh terug, naar de tijd vóór de grondlegging. In vers 18 en 19 kijkt Hij vooruit, vanaf de grondlegging. Wij vertalen in vers 15 ‘terug’ en in vers 18 ‘verder’. Voetnoot : הֵיכַל (hekhal), ‘tempel’: hetzelfde woord als in vers 18. In dit boek heet de tempel ook ‘huis’ (1:2, 1:8). Zie ook: Ezra 3:10; Ezra 4:24; Hag 1:5; Hag 1:7; Hag 2:18; Hag 2:19 **2:16** **Sinds die tijd: kwam iemand bij een hoop van twintig, dan waren het er tien. Kwam iemand bij de wijnkuip om er vijftig maten te scheppen, dan waren het er twintig.** Brontekst: מִֽהְיוֹתָ֥ם (mihyotam) = vanaf hun zijn | בָּא֙ (ba) = kwam | אֶל (el) = naar | עֲרֵמַ֣ת (aremat) = een hoop van | עֶשְׂרִ֔ים (esrim) = twintig | וְהָיְתָ֖ה (vehayeta) = en het was | עֲשָׂרָ֑ה (asara) = tien | בָּ֣א (ba) = kwam | אֶל (el) = naar | הַיֶּ֗קֶב (hayeqev) = de wijnkuip | לַחְשֹׂף֙ (lachsof) = om te scheppen | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | פּוּרָ֔ה (pura) = purah | וְהָיְתָ֖ה (vehayeta) = en het was | עֶשְׂרִֽים (esrim) = twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵהֱיוֹתָם (mehhyotam), ‘sinds die tijd’: letterlijk ‘vanaf hun zijn’. Het gaat om de tijd tot de grondlegging. Het getal staat bij ‘een hoop’ en bij ‘de kuip’; het Hebreeuws noemt geen maat. Voetnoot : פּוּרָה (purah), ‘maten’: het woord betekent ‘wijnpers’ of ‘vat’ (Jes. 63:3). Hier staat het als maat achter ‘vijftig’. De betekenis is onzeker. Wij schrijven ‘maten’. Voetnoot : יֶקֶב (yeqev), ‘wijnkuip’: de kuip waarin de wijn uit de pers loopt. Zie ook: Spr 3:9–10; Jes 63:3; Hag 1:6; Hag 1:9–11; Zach 8:10–12; Mal 2:2 **2:17** **Ik sloeg jullie en al het werk van jullie handen met korenbrand, meeldauw en hagel. Maar niemand van jullie kwam tot Mij, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: הִכֵּ֨יתִי (hikeiti) = Ik sloeg | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | בַּשִּׁדָּפ֤וֹן (bashidafon) = met korenbrand | וּבַיֵּֽרָקוֹן֙ (uvayeraqon) = en met meeldauw | וּבַבָּרָ֔ד (uvabarad) = en met hagel | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = het werk van | יְדֵיכֶ֑ם (yedeikhem) = jullie handen | וְאֵין (veein) = en niet is | אֶתְכֶ֥ם (etkhem) = met jullie | אֵלַ֖י (elay) = tot Mij | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁדָּפוֹן (shiddafon), ‘korenbrand’, יֵרָקוֹן (yeraqon), ‘meeldauw’, בָּרָד (barad), ‘hagel’: de plagen van graan en oogst, zoals in Amos 4:9. Vergelijk Deut. 28:22. Voetnoot : וְאֵין אֶתְכֶם אֵלָי (ve’en etkhem elay), ‘maar niemand van jullie kwam tot Mij’: het Hebreeuws heeft geen werkwoord. In Amos 4:9 staat: ‘toch zijn jullie niet tot Mij teruggekeerd’. Wij nemen hier ‘kwam tot’. Zie ook: Deut 28:22; 1 Kon 8:37; Amos 4:8–11; Amos 4:9; Hag 1:9; Hag 1:11 **2:18** **Let toch goed op, vanaf deze dag en verder: vanaf de vierentwintigste dag van de negende maand, vanaf de dag dat de tempel van Yahweh werd gegrondvest. Let goed op.** Brontekst: שִׂימוּ (simu) = richt | נָ֣א (na) = toch | לְבַבְכֶ֔ם (levavkhem) = jullie hart | מִן (min) = vanaf | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | וָמָ֑עְלָה (vamaela) = en verder | מִיּוֹם֩ (miyom) = vanaf de dag | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | וְאַרְבָּעָ֜ה (vearbaa) = en vier | לַתְּשִׁיעִ֗י (lateshii) = van de negende | לְמִן (lemin) = vanaf | הַיּ֛וֹם (hayom) = de dag | אֲשֶׁר (asher) = dat | יֻסַּ֥ד (yusad) = werd gegrondvest | הֵֽיכַל (heikhal) = de tempel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שִׂ֥ימוּ (simu) = richt | לְבַבְכֶֽם (levavkhem) = jullie hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֻסַּד (yussad), ‘werd gegrondvest’: de grondlegging van de tempel. Ezra 3:10 vertelt van een eerdere grondlegging; Ezra 5:16 noemt Sjesbassar die de fundamenten legde. Hier gaat het om de dag waarop het werk onder Zerubbabel en Jozua begon. Wij vertalen alleen wat er staat. Voetnoot : שִׂימוּ לְבַבְכֶם (simu levavkhem): het refrein, zie de uitleg bij 1:5. In dit vers staat het twee keer, aan het begin en aan het slot. Zie ook: Deut 32:29; Ezra 3:10; Ezra 5:1–2; Ezra 5:16; Hag 2:15; Zach 8:9; Zach 8:12 **2:19** **Is er nog zaad in de graanschuur? En tot nu toe hebben de wijnstok, de vijgenboom, de granaatappelboom en de olijfboom niet gedragen. Vanaf deze dag zal Ik zegenen.”** Brontekst: הַע֤וֹד (haod) = is nog | הַזֶּ֨רַע֙ (hazera) = het zaad | בַּמְּגוּרָ֔ה (bamegura) = in de schuur | וְעַד (vead) = en tot nu toe | הַגֶּ֨פֶן (hagefen) = de wijnstok | וְהַתְּאֵנָ֧ה (vehateena) = en de vijgenboom | וְהָרִמּ֛וֹן (veharimon) = en de granaatappel | וְעֵ֥ץ (veets) = en de boom van | הַזַּ֖יִת (hazayit) = de olijf | לֹ֣א (lo) = niet | נָשָׂ֑א (nasa) = heeft gedragen | מִן (min) = vanaf | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | אֲבָרֵֽךְ (avarekh) = Ik zal zegenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַעוֹד הַזֶּרַע בַּמְּגוּרָה (ha’od hazzera bammegurah), ‘is er nog zaad in de graanschuur?’: een vraag die het antwoord ‘nee’ verwacht. Het zaad is gezaaid of op, en de bomen hebben nog niet gedragen. Zie ook Joël 1:17. Voetnoot : וְעַד (ve’ad), ‘en tot nu toe’: of ‘en zelfs’. Wij kiezen ‘tot nu toe’. Voetnoot : אֲבָרֵךְ (avarekh), ‘Ik zal zegenen’: het slotwoord van de toespraak. Het is de wending: tot nu toe vloek (1:6, 1:9–11), vanaf deze dag zegen. Zie ook: Gen 26:12; Spr 3:9–10; Joël 1:17; Hab 3:17–18; Mal 3:10; Mat 6:33 ### Zerubbabel, Mijn zegelring **2:20** Het woord van Yahweh kwam een tweede keer tot Haggai, op de vierentwintigste dag van de maand: Brontekst: וַיְהִ֨י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | שֵׁנִית֙ (shenit) = een tweede keer | אֶל (el) = tot | חַגַּ֔י (chagay) = Haggai | בְּעֶשְׂרִ֧ים (beesrim) = op twintig | וְאַרְבָּעָ֛ה (vearbaa) = en vier | לַחֹ֖דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het is dezelfde dag als in 2:10: de vierentwintigste van de negende maand. Het woord van Yahweh komt voor de tweede keer op die dag (שֵׁנִית, shenit, ‘een tweede keer’). **2:21** **„Zeg tegen Zerubbabel, de landvoogd van Juda: ‘Ik schud de hemel en de aarde.** Brontekst: אֱמֹ֕ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tegen | זְרֻבָּבֶ֥ל (zerubavel) = Zerubbabel | פַּֽחַת (pachat) = landvoogd van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | אֲנִ֣י (ani) = Ik | מַרְעִ֔ישׁ (marish) = schud | אֶת (et) = (obj.) | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de tweede rede van die dag, alleen voor Zerubbabel. Wat Haggai tegen Zerubbabel moet zeggen, staat binnen enkele aanhalingstekens in de rode rede, zoals in vers 2. Zie ook: Ezra 5:2; Hag 1:1; Hag 2:2; Hag 2:6–7; Zach 4:6–10; Heb 12:26–27 **2:22** **Ik zal de troon van koninkrijken omverwerpen en de kracht van de koninkrijken van de volken vernietigen. Ik zal de wagen omverwerpen met wie erin rijden. Paarden en hun ruiters zullen neerstorten, ieder door het zwaard van zijn broer.** Brontekst: וְהָֽפַכְתִּי֙ (vehafakhti) = en Ik zal omverwerpen | כִּסֵּ֣א (kise) = de troon van | מַמְלָכ֔וֹת (mamlakhot) = koninkrijken | וְהִ֨שְׁמַדְתִּ֔י (vehishmadti) = en Ik zal vernietigen | חֹ֖זֶק (chozeq) = de kracht van | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וְהָפַכְתִּ֤י (vehafakhti) = en Ik zal omverwerpen | מֶרְכָּבָה֙ (merkava) = de wagen | וְרֹ֣כְבֶ֔יהָ (verokheveiha) = en zijn berijders | וְיָרְד֤וּ (veyaredu) = en zullen neerstorten | סוּסִים֙ (susim) = paarden | וְרֹ֣כְבֵיהֶ֔ם (verokheveihem) = en hun ruiters | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | בְּחֶ֥רֶב (becherev) = door het zwaard van | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָפַךְ (hafakh), ‘omverwerpen’: hetzelfde werkwoord als voor Sodom en Gomorra (Deut. 29:22, NL 29:23). Hier gaat het om de macht van koninkrijken. Voetnoot : אִישׁ בְּחֶרֶב אָחִיו (ish becherev achiv), ‘ieder door het zwaard van zijn broer’: vergelijk Richt. 7:22 en 2 Kron. 20:23, waar vijanden elkaar doden. Zie ook: Deut 29:22; Re 7:22; 2 Kron 20:23; Mi 5:9; Mi 5:14; Sef 3:8; Zach 4:6 **2:23** **Op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten, zal Ik je nemen, Zerubbabel, zoon van Sjealtiël, Mijn knecht, godsspraak van Yahweh. Ik zal je maken tot een zegelring. Want jou heb Ik gekozen, godsspraak van Yahweh van de legermachten.’”** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op dag | הַה֣וּא (hahu) = die | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֡וֹת (tsevaot) = van de legermachten | אֶ֠קָּחֲךָ (eqachakha) = Ik zal je nemen | זְרֻבָּבֶ֨ל (zerubavel) = Zerubbabel | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁאַלְתִּיאֵ֤ל (shealtiel) = Sjealtiël | עַבְדִּי֙ (avdi) = Mijn knecht | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְשַׂמְתִּ֖יךָ (vesamtikha) = en Ik zal je maken | כַּֽחוֹתָ֑ם (kachotam) = als een zegelring | כִּֽי (ki) = want | בְךָ֣ (bekha) = jou | בָחַ֔רְתִּי (bacharti) = heb Ik gekozen | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָאֽוֹת (tsevaot) = van de legermachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חוֹתָם (chotam), ‘zegelring’: de ring waarmee een koning zijn bevelen bezegelt. Hij is een teken van gezag en van wie het gezag draagt. Jer. 22:24 zegt over Jojachin, de grootvader van Zerubbabel (zie 1 Kron. 3:17–19): ‘ook al was hij een zegelring aan Mijn rechterhand, toch zou Ik hem daar vandaan rukken’. Hier wordt Zerubbabel tot zegelring gemaakt. Voetnoot : עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: Yahweh noemt Zerubbabel zo. Wij schrijven ‘knecht’ met een kleine letter, omdat het geen titel is. Vergelijk Zach. 3:8. Voetnoot : בָּחַרְתִּי (bacharti), ‘Ik heb gekozen’: hetzelfde werkwoord als voor Israël (Deut. 7:6) en voor David (1 Kon. 8:16). Zie ook: Deut 7:6; 1 Kron 3:17–19; Hoogl 8:6; 1 Kon 8:16; Jes 42:1; Jes 43:10; Jer 22:24; Zach 3:8; Zach 4:6–14