# Habakuk (חבקוק, Chavaqquq) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Habakuk 1 _De klacht van Habakuk en het antwoord van Yahweh_ ### De last van Habakuk **1:1** De last die Habakuk, de profeet, zag. Brontekst: הַמַּשָׂא֙ (hamasa) = de last | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָזָ֔ה (chaza) = zag | חֲבַקּ֖וּק (chavaquq) = Habakuk | הַנָּבִֽיא (hanavi) = de profeet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּשָׂא (hammassa), ‘de last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord. Het komt van nasa, ‘dragen’ of ‘opheffen’. Het staat ook boven Jes. 13 en Nah. 1. Voetnoot : חֲבַקּוּק (Chavaqquq), ‘Habakuk’: de naam is waarschijnlijk afgeleid van een werkwoord voor ‘omhelzen’; dat is niet zeker. Over de profeet zelf is niets bekend. Het boek noemt geen koning en geen jaartal. Voetnoot : חָזָה (chazah), ‘zag’: de profeet ‘ziet’ het woord van Yahweh. Zie ook: Jes 22:1; Nah 1:1 ### De eerste klacht: geweld en onrecht **1:2** Hoelang nog, Yahweh, heb ik om hulp geroepen en wilt U niet horen? Hoelang schreeuw ik tot U: ‘Geweld!’ en wilt U niet redden? Brontekst: עַד (ad) = tot | אָ֧נָה (ana) = wanneer | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | שִׁוַּ֖עְתִּי (shivati) = heb ik om hulp geroepen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִשְׁמָ֑ע (tishma) = wilt U horen | אֶזְעַ֥ק (ezaq) = ik schreeuw | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = tot U | חָמָ֖ס (chamas) = geweld | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תוֹשִֽׁיעַ (toshia) = wilt U redden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁוַּעְתִּי (shiwwa'ti), ‘heb ik om hulp geroepen’: de roep van iemand in nood. חָמָס (chamas), ‘geweld’ en תוֹשִׁיעַ (toshia), ‘wilt U redden’: het werkwoord hoshia vertalen wij steeds met ‘redden’. In vers 2–4 klaagt de profeet over het geweld in Juda zelf. Het boek zegt niet uitdrukkelijk wie de daders zijn. Zie ook: Ps 13:2–3; Ps 22:2–3; Ps 94:3; Jer 14:9; Klaagl 3:8 **1:3** Waarom laat U mij onrecht zien en kijkt U toe naar ellende? Verwoesting en geweld zijn voor mij. Er ontstaat twist, en strijd steekt de kop op. Brontekst: לָ֣מָּה (lama) = waarom | תַרְאֵ֤נִי (tareni) = laat U mij zien | אָ֨וֶן֙ (aven) = onrecht | וְעָמָ֣ל (veamal) = en ellende | תַּבִּ֔יט (tabit) = kijkt U toe | וְשֹׁ֥ד (veshod) = en verwoesting | וְחָמָ֖ס (vechamas) = en geweld | לְנֶגְדִּ֑י (lenegdi) = voor mij | וַיְהִ֧י (vayhi) = en er ontstaat | רִ֦יב (riv) = twist | וּמָד֖וֹן (umadon) = en strijd | יִשָּֽׂא (yisa) = steekt de kop op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָוֶן (aven), ‘onrecht’ en וְעָמָל (amal), ‘ellende’: twee woorden voor wat mensen aandoen en wat zij moeten dragen. Dezelfde woorden staan in vers 13 en in Ps. 10:7. Voetnoot : וְשֹׁד (shod), ‘verwoesting’ en וְחָמָס (chamas), ‘geweld’: zie vers 2. Zie ook: Ps 10:7; Ps 55:10–12; Pred 5:7; Mi 7:1–4; Jer 9:1–5; Jer 20:8; Hab 1:2; Hab 1:13 **1:4** Daarom is de Torah verslapt en komt het recht nooit tevoorschijn. Want de goddeloze omringt de rechtvaardige. Daarom komt het recht verdraaid tevoorschijn. Brontekst: עַל (al) = wegens | כֵּן֙ (ken) = dit | תָּפ֣וּג (tafug) = is verslapt | תּוֹרָ֔ה (tora) = Torah | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֵצֵ֥א (yetse) = komt tevoorschijn | לָנֶ֖צַח (lanetsach) = nooit | מִשְׁפָּ֑ט (mishpat) = recht | כִּ֤י (ki) = want | רָשָׁע֙ (rasha) = de goddeloze | מַכְתִּ֣יר (makhtir) = omringt | אֶת (et) = (obj.) | הַצַּדִּ֔יק (hatsadiq) = de rechtvaardige | עַל (al) = wegens | כֵּ֛ן (ken) = dit | יֵצֵ֥א (yetse) = komt tevoorschijn | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | מְעֻקָּֽל (meuqal) = verdraaid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָה (torah), ‘Torah’: hier het onderricht van Yahweh. Het recht wordt niet meer toegepast. Voetnoot : תָּפוּג (tafug), ‘is verslapt’: letterlijk ‘wordt verlamd’ of ‘wordt koud’ (zoals in Gen. 45:26, van het hart van Jakob). Voetnoot : לָנֶצַח (lanetsach), ‘nooit’: letterlijk ‘voor altijd’ of ‘blijvend’. De zin zegt dat het recht niet tot zijn doel komt. Voetnoot : מְעֻקָּל (me'uqqal), ‘verdraaid’: een zeldzaam woord, afgeleid van aqal, ‘krom’. Zie ook: Gen 45:26; Job 21:7; Ps 94:20–21; Ps 119:126; Jes 1:21–23; Jer 12:1 ### Yahweh antwoordt: de Chaldeeën komen **1:5** **„Kijk onder de volken en zie, wees verbaasd en sta versteld. Want Ik verricht een werk in jullie dagen. Jullie zouden het niet geloven als het verteld werd.** Brontekst: רְא֤וּ (reu) = kijk | בַגּוֹיִם֙ (bagoyim) = onder de volken | וְֽהַבִּ֔יטוּ (vehabitu) = en zie | וְהִֽתַּמְּה֖וּ (vehitamehu) = en wees verbaasd | תְּמָ֑הוּ (temahu) = sta versteld | כִּי (ki) = want | פֹ֨עַל֙ (poal) = een werk | פֹּעֵ֣ל (poel) = Ik verricht | בִּֽימֵיכֶ֔ם (bimeikhem) = in jullie dagen | לֹ֥א (lo) = niet | תַאֲמִ֖ינוּ (taaminu) = zouden jullie geloven | כִּ֥י (ki) = als | יְסֻפָּֽר (yesupar) = het verteld wordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is in het Hebreeuws meervoud: ‘jullie’. Het Nieuwe Testament haalt het aan (Hand. 13:41). Voetnoot : בַגּוֹיִם (bagoyim), ‘onder de volken’: sommige oude vertalingen lezen hier een ander woord, namelijk ‘trouwelozen’ (vergelijk vers 13). Voetnoot : Vanaf hier tot en met vers 11 spreekt Yahweh in de eerste persoon. Het antwoord begint zonder inleiding. Zie ook: Jes 29:14; Jer 5:12–13; Jer 18:18; Hab 1:11; Hab 1:13; Klaagl 4:12; Hand 13:40–41; Hand 13:41 **1:6** **Want zie, Ik laat de Chaldeeën opstaan, dat bittere en onstuimige volk. Het trekt door de breedten van de aarde om woonplaatsen in bezit te nemen die niet van hem zijn.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Mij | מֵקִים֙ (meqim) = Ik laat opstaan | אֶת (et) = (obj.) | הַכַּשְׂדִּ֔ים (hakasdim) = de Chaldeeën | הַגּ֖וֹי (hagoy) = het volk | הַמַּ֣ר (hamar) = bittere | וְהַנִּמְהָ֑ר (vehanimhar) = en onstuimige | הַֽהוֹלֵךְ֙ (haholekh) = dat trekt | לְמֶרְחֲבֵי (lemerchavei) = door de breedten van | אֶ֔רֶץ (erets) = aarde | לָרֶ֖שֶׁת (lareshet) = om in bezit te nemen | מִשְׁכָּנ֥וֹת (mishkanot) = woonplaatsen | לֹּא (lo) = niet | לֽוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכַּשְׂדִּים (haKasdim), ‘de Chaldeeën’: de bewoners van Babel, de grote macht van die tijd (2 Kon. 24–25). Hier wordt het volk door Yahweh gewekt. Het Hebreeuws noemt geen koning. Voetnoot : הַמַּר וְהַנִּמְהָר (hamar vehannimhar), ‘bitter en onstuimig’: het woord mar betekent ‘bitter’; nimhar komt van mahar, ‘haasten’, en is hier ‘onstuimig’. Zie ook: Deut 28:49–52; 2 Kon 24:2; 2 Kron 36:6; 2 Kron 36:17; Jer 5:15 **1:7** **Schrikwekkend en ontzagwekkend is het. Van hemzelf gaan zijn recht en zijn hoogheid uit.** Brontekst: אָיֹ֥ם (ayom) = schrikwekkend | וְנוֹרָ֖א (venora) = en ontzagwekkend | ה֑וּא (hu) = is het | מִמֶּ֕נּוּ (mimenu) = van hemzelf | מִשְׁפָּט֥וֹ (mishpato) = zijn recht | וּשְׂאֵת֖וֹ (useeto) = en zijn hoogheid | יֵצֵֽא (yetse) = gaan uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָיֹם (ayom), ‘schrikwekkend’ en וְנוֹרָא (venora), ‘ontzagwekkend’: het tweede woord wordt elders van Yahweh gezegd (Ps. 66:3). Voetnoot : מִשְׁפָּטוֹ (mishpato), ‘zijn recht’ en וּשְׂאֵתוֹ (se'eto), ‘zijn hoogheid’: het volk stelt zelf zijn wet en zijn waardigheid vast. Het erkent niemand boven zich. Zie ook: Deut 5:19; Deut 5:27; Ps 66:3; Jes 18:7; Jer 39:5–9; Jer 52:9–11 **1:8** **Sneller dan luipaarden zijn zijn paarden, scherper dan avondwolven. Zijn ruiters springen voort. Zijn ruiters komen van ver; zij vliegen als een arend die zich haast om te eten.** Brontekst: וְקַלּ֨וּ (veqalu) = en zijn sneller | מִנְּמֵרִ֜ים (minemerim) = dan luipaarden | סוּסָ֗יו (susav) = zijn paarden | וְחַדּוּ֙ (vechadu) = en scherper | מִזְּאֵ֣בֵי (mizeevei) = dan wolven van | עֶ֔רֶב (erev) = de avond | וּפָ֖שׁוּ (ufashu) = en springen voort | פָּֽרָשָׁ֑יו (parashav) = zijn ruiters | וּפָֽרָשָׁיו֙ (ufarashav) = en zijn ruiters | מֵרָח֣וֹק (merachoq) = van ver | יָבֹ֔אוּ (yavou) = komen | יָעֻ֕פוּ (yaufu) = zij vliegen | כְּנֶ֖שֶׁר (kenesher) = als een arend | חָ֥שׁ (chash) = die zich haast | לֶאֱכֽוֹל (leekhol) = om te eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִזְּאֵבֵי עֶרֶב (ze'evei erev), ‘avondwolven’: wolven die in de avond hongerig jagen. Zie ook Sef. 3:3. Voetnoot : וּפָשׁוּ (ufashu), ‘springen voort’: de betekenis is onzeker; het werkwoord kan ‘stampen’ of ‘springen’ zijn. Voetnoot : כְּנֶשֶׁר (kenesher), ‘als een arend’: een beeld van de vijand die snel toeslaat (Deut. 28:49; Jer. 48:40). Zie ook: Deut 28:49; Sef 3:3; Jer 4:13; Jer 5:6; Jer 48:40; Ezech 17:3 **1:9** **Ieder komt voor geweld. De drang van hun gezichten is voorwaarts, en hij verzamelt gevangenen als zand.** Brontekst: כֻּלֹּה֙ (kulo) = ieder | לְחָמָ֣ס (lechamas) = voor geweld | יָב֔וֹא (yavo) = komt | מְגַמַּ֥ת (megamat) = drang van | פְּנֵיהֶ֖ם (peneihem) = hun gezichten | קָדִ֑ימָה (qadima) = voorwaarts | וַיֶּאֱסֹ֥ף (vayeesof) = en hij verzamelt | כַּח֖וֹל (kachol) = als zand | שֶֽׁבִי (shevi) = gevangenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְגַמַּת (megammat), ‘drang’: een zeldzaam woord, dat nergens anders voorkomt. De betekenis is onzeker. Sommigen denken aan ‘het streven van hun gezichten’, anderen aan ‘de oostenwind’. Wij kiezen ‘drang’. Voetnoot : קָדִימָה (qadimah), ‘voorwaarts’: het woord kan ook ‘oostwaarts’ betekenen. Voetnoot : כַּחוֹל שֶׁבִי (kachol shevi), ‘gevangenen als zand’: ontelbaar veel (Gen. 22:17). Zie ook: Gen 22:17; Hos 13:15; Jer 5:15–17; Jer 25:9; Jer 34:22; Rom 9:27 **1:10** **Hij bespot koningen, en heersers zijn voor hem een lachertje. Hij lacht om elke vesting; hij stort stof op en neemt haar in.** Brontekst: וְהוּא֙ (vehu) = en hij | בַּמְּלָכִ֣ים (bamelakhim) = koningen | יִתְקַלָּ֔ס (yitqalas) = bespot | וְרֹזְנִ֖ים (verozenim) = en heersers | מִשְׂחָ֣ק (mischaq) = lachertje | ל֑וֹ (lo) = zijn voor hem | ה֚וּא (hu) = hij | לְכָל (lekhal) = om elke | מִבְצָ֣ר (mivtsar) = vesting | יִשְׂחָ֔ק (yischaq) = lacht | וַיִּצְבֹּ֥ר (vayitsbor) = en hij stort op | עָפָ֖ר (afar) = stof | וַֽיִּלְכְּדָֽהּ (vayilkedah) = en neemt haar in Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִתְקַלָּס (yitqallas), ‘bespot’: het werkwoord qalas betekent ‘bespotten’. וְרֹזְנִים (rozenim), ‘heersers’: wie over anderen regeert (Spr. 8:15). Voetnoot : עָפָר (afar), ‘stof’: de belegeraar stort een wal van aarde op, waarlangs hij de stad inneemt (2 Sam. 20:15). Zie ook: 2 Sam 20:15; Spr 8:15; 2 Kon 24:12; 2 Kron 36:6; 2 Kron 36:10; Jes 14:16; Jer 32:24 **1:11** **Dan trekt de wind voorbij en hij gaat over. Hij maakt zich schuldig, hij wiens kracht zijn god is.”** Brontekst: אָ֣ז (az) = dan | חָלַ֥ף (chalaf) = trekt voorbij | ר֛וּחַ (ruach) = wind | וַֽיַּעֲבֹ֖ר (vayaavor) = en gaat over | וְאָשֵׁ֑ם (veashem) = en maakt zich schuldig | ז֥וּ (zu) = deze | כֹח֖וֹ (kocho) = zijn kracht | לֵאלֹהֽוֹ (leloho) = voor zijn god Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. רוּחַ (ruach) kan ‘wind’, ‘geest’ of ‘gezindheid’ betekenen. Mogelijk gaat het om de vijand die als een wind voorbijtrekt. Mogelijk gaat het om de gezindheid van de vijand die verandert en hem schuldig maakt. Voetnoot : וְאָשֵׁם (ve'asham), ‘en hij maakt zich schuldig’: zijn schuld is dat hij zijn eigen kracht aanbidt. Voetnoot : זוּ כֹחוֹ לֵאלֹהוֹ (zu kocho lelohav), ‘zijn kracht is zijn god’: vergelijk Job 12:6. Zie ook: Job 12:6; Jer 4:11–12; Dan 4:27–31; Dan 5:3–4; Dan 5:20 ### De tweede klacht: waarom zwijgt U? **1:12** Bent U niet van oudsher, Yahweh, mijn Elohim, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven. Yahweh, U hebt hem gesteld tot oordeel; Rots, U hebt hem gevestigd om te straffen. Brontekst: הֲל֧וֹא (halo) = niet | אַתָּ֣ה (ata) = U | מִקֶּ֗דֶם (miqedem) = van oudsher | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהַ֛י (elohay) = mijn Elohim | קְדֹשִׁ֖י (qedoshi) = mijn Heilige | לֹ֣א (lo) = niet | נָמ֑וּת (namut) = zullen wij sterven | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְמִשְׁפָּ֣ט (lemishpat) = tot oordeel | שַׂמְתּ֔וֹ (samto) = hebt U hem gesteld | וְצ֖וּר (vetsur) = en Rots | לְהוֹכִ֥יחַ (lehokhiach) = om te straffen | יְסַדְתּֽוֹ (yesadto) = hebt U hem gevestigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה אֱלֹהַי קְדֹשִׁי (Yahweh elohai qedoshi), ‘Yahweh, mijn Elohim, mijn Heilige’: de profeet spreekt Yahweh persoonlijk aan, zonder een volk te noemen. Van hieraf is de profeet weer de spreker. Voetnoot : לֹא נָמוּת (lo namut), ‘wij zullen niet sterven’: sommige oude vertalingen lezen anders, namelijk ‘U sterft niet’. Voetnoot : וְצוּר (vetsur), ‘Rots’: een titel van Yahweh (Deut. 32:4). Voetnoot : לְמִשְׁפָּט (lemishpat), ‘tot oordeel’: mishpat is meestal ‘recht’. Hier gaat het om het oordeel dat de Chaldeeën voor Yahweh uitvoeren. Voetnoot : לְהוֹכִיחַ (lehokhiach), ‘om te straffen’: het werkwoord yakach betekent ‘terechtwijzen’ of ‘straffen’. Zie ook: Deut 32:4; Deut 33:27; Ps 90:2; Jer 30:11; Jer 46:28 **1:13** Te rein van ogen bent U om het kwade te zien; ellende kunt U niet aanschouwen. Waarom kijkt U toe naar de trouwelozen? Waarom zwijgt U als een goddeloze iemand verslindt die rechtvaardiger is dan hij? Brontekst: טְה֤וֹר (tehor) = rein | עֵינַ֨יִם֙ (einayim) = van ogen | מֵרְא֣וֹת (mereot) = om te zien | רָ֔ע (ra) = het kwade | וְהַבִּ֥יט (vehabit) = en kijken | אֶל (el) = naar | עָמָ֖ל (amal) = ellende | לֹ֣א (lo) = niet | תוּכָ֑ל (tukhal) = kunt U | לָ֤מָּה (lama) = waarom | תַבִּיט֙ (tabit) = kijkt U toe | בּֽוֹגְדִ֔ים (bogedim) = naar de trouwelozen | תַּחֲרִ֕ישׁ (tacharish) = zwijgt U | בְּבַלַּ֥ע (bevala) = als verslindt | רָשָׁ֖ע (rasha) = een goddeloze | צַדִּ֥יק (tsadiq) = een rechtvaardige | מִמֶּֽנּוּ (mimenu) = dan hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טְהוֹר עֵינַיִם (tahor einayim), ‘rein van ogen’: Yahweh kan geen kwaad aanschouwen. רָע (ra), ‘het kwade’ en עָמָל (amal), ‘ellende’: zie vers 3. Voetnoot : בּוֹגְדִים (bogedim), ‘de trouwelozen’: wie het verbond verbreekt; zie ook vers 5. Voetnoot : רָשָׁע צַדִּיק מִמֶּנּוּ (rasha tsaddiq mimmenu), ‘een goddeloze … die rechtvaardiger is dan hij’: de Chaldeeën zijn goddeloos, maar degenen die zij verslinden zijn rechtvaardiger dan zij. Zie ook: Ps 5:5–6; Ps 34:16–17; Spr 31:8–9; Jer 12:1–2; Hab 1:3–4; Hab 1:5 **1:14** U maakt de mens als de vissen van de zee, als kruipend gedierte dat geen heerser heeft. Brontekst: וַתַּעֲשֶׂ֥ה (vataase) = en U maakt | אָדָ֖ם (adam) = de mens | כִּדְגֵ֣י (kidgei) = als vissen van | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | כְּרֶ֖מֶשׂ (keremes) = als kruipend gedierte | לֹא (lo) = niet | מֹשֵׁ֥ל (moshel) = heerser | בּֽוֹ (bo) = in hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּרֶמֶשׂ (remes), ‘kruipend gedierte’: de dieren die op de grond kruipen (Gen. 1:24). De mens wordt behandeld als dier zonder heerser, dat naar believen wordt gevangen. Zie ook: Gen 1:24; Spr 6:7 **1:15** Hij haalt ze allemaal omhoog met de haak, sleept ze weg met zijn net en verzamelt ze in zijn vangnet. Daarom is hij blij en jubelt hij. Brontekst: כֻּלֹּה֙ (kulo) = heel | בְּחַכָּ֣ה (bechaka) = met de haak | הֵֽעֲלָ֔ה (heala) = haalt hij omhoog | יְגֹרֵ֣הוּ (yegorehu) = sleept ze weg | בְחֶרְמ֔וֹ (bechermo) = met zijn net | וְיַאַסְפֵ֖הוּ (veyaasfehu) = en verzamelt ze | בְּמִכְמַרְתּ֑וֹ (bemikhmarto) = in zijn vangnet | עַל (al) = wegens | כֵּ֖ן (ken) = dit | יִשְׂמַ֥ח (yismach) = is hij blij | וְיָגִֽיל (veyagil) = en jubelt hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְחֶרְמוֹ (becharmo), ‘met zijn net’: het woord cherem betekent elders ‘ban’ (zoals in Jer. 50:21). Hier is het een visnet. בְּמִכְמַרְתּוֹ (vemikhmarto), ‘in zijn vangnet’: een net om te vangen. Zie ook: Ps 10:9; Amos 4:2; Jer 16:16; Jer 50:21; Ezech 26:2; Joh 21:6–11 **1:16** Daarom slacht hij offers voor zijn net en laat hij offerrook opgaan voor zijn vangnet. Want door die twee is zijn deel vet en zijn voedsel overvloedig. Brontekst: עַל (al) = wegens | כֵּן֙ (ken) = dit | יְזַבֵּ֣חַ (yezabeach) = slacht hij offers | לְחֶרְמ֔וֹ (lechermo) = voor zijn net | וִֽיקַטֵּ֖ר (viqater) = en laat offerrook opgaan | לְמִכְמַרְתּ֑וֹ (lemikhmarto) = voor zijn vangnet | כִּ֤י (ki) = want | בָהֵ֨מָּה֙ (bahema) = door die twee | שָׁמֵ֣ן (shamen) = vet | חֶלְק֔וֹ (chelqo) = is zijn deel | וּמַאֲכָל֖וֹ (umaakhalo) = en zijn voedsel | בְּרִאָֽה (beria) = overvloedig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְזַבֵּחַ (yezabbeach), ‘slacht hij offers’ en וִיקַטֵּר (veyqatter), ‘laat hij offerrook opgaan’: de vijand vereert zijn eigen net, het middel van zijn macht. Voetnoot : וּמַאֲכָלוֹ (shamen chelqo), ‘vet is zijn deel’: het beeld van een rijke maaltijd. Zie ook: Deut 8:17; Jes 37:24; Hab 1:11; Ezech 28:3; Dan 4:27 **1:17** Zal hij daarom steeds zijn net legen en voortdurend volken doden zonder te sparen? Brontekst: הַ֥עַל (haal) = zal | כֵּ֖ן (ken) = daarom | יָרִ֣יק (yariq) = hij legen | חֶרְמ֑וֹ (chermo) = zijn net | וְתָמִ֛יד (vetamid) = en voortdurend | לַהֲרֹ֥ג (laharog) = doden | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | לֹ֥א (lo) = niet | יַחְמֽוֹל (yachmol) = sparen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָרִיק חֶרְמוֹ (yarik charmo), ‘zal hij zijn net legen’: de profeet vraagt of de vijand zonder einde doorgaat met vangen. Het hoofdstuk eindigt met de vraag; het antwoord van Yahweh volgt in hoofdstuk 2. Zie ook: Jes 14:6; Jes 14:16–17; Jes 19:8; Jer 46:1–28; Hab 2:5–8 ## Habakuk 2 _Het visioen en de vijf wee-roepen_ ### De profeet wacht op antwoord **2:1** Op mijn wachtpost wil ik staan en mij opstellen op de vestingmuur. Ik wil uitkijken om te zien wat Hij tegen mij zal zeggen en wat ik moet antwoorden op mijn bezwaar. Brontekst: עַל (al) = op | מִשְׁמַרְתִּ֣י (mishmarti) = mijn wachtpost | אֶעֱמֹ֔דָה (eemoda) = wil ik staan | וְאֶֽתְיַצְּבָ֖ה (veetyatseva) = en wil mij opstellen | עַל (al) = op | מָצ֑וֹר (matsor) = de vestingmuur | וַאֲצַפֶּ֗ה (vaatsape) = en wil uitkijken | לִרְאוֹת֙ (lirot) = om te zien | מַה (ma) = wat | יְדַבֶּר (yedaber) = Hij zal spreken | בִּ֔י (bi) = tegen mij | וּמָ֥ה (uma) = en wat | אָשִׁ֖יב (ashiv) = ik moet antwoorden | עַל (al) = op | תּוֹכַחְתִּֽי (tokhachti) = mijn bezwaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמַרְתִּי (mishmarti), ‘mijn wachtpost’ en מָצוֹר (matsor), ‘de vestingmuur’: de profeet doet alsof hij een wachter is op de muur van een stad. Hij wacht op een antwoord van Yahweh. Vergelijk Jes. 21:8. Voetnoot : תּוֹכַחְתִּי (tokhachti), ‘mijn bezwaar’: het woord betekent ‘terechtwijzing’ of ‘aanklacht’. Het kan zijn klacht tegen Yahweh zijn (zoals in hoofdstuk 1), maar ook de terechtwijzing die hij zelf ontvangt. Sommige oude vertalingen lezen ‘hun’ of ‘zijn’; wij volgen de Hebreeuwse tekst. Zie ook: 2 Sam 18:24; Ps 73:16–17; Ps 85:9; Jes 21:8; Jes 62:6 ### Het antwoord van Yahweh: het visioen **2:2** Yahweh antwoordde mij en zei: **„Schrijf het visioen op en maak het duidelijk op tafelen, zodat wie het leest erdoor kan rennen.** Brontekst: וַיַּעֲנֵ֤נִי (vayaaneni) = en antwoordde mij | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en zei | כְּת֣וֹב (ketov) = schrijf op | חָז֔וֹן (chazon) = visioen | וּבָאֵ֖ר (uvaer) = en maak duidelijk | עַל (al) = op | הַלֻּח֑וֹת (haluchot) = de tafelen | לְמַ֥עַן (lemaan) = zodat | יָר֖וּץ (yaruts) = kan rennen | ק֥וֹרֵא (qore) = wie leest | בֽוֹ (bo) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Yahweh zelf, tot en met vers 5. ‘Yahweh antwoordde mij en zei’ staat zwart; de rede is rood. Voetnoot : חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: het woord van Yahweh dat de profeet te zien kreeg. Voetnoot : הַלֻּחוֹת (haluchot), ‘de tafelen’: vlakke stukken steen of hout om op te schrijven (zoals Exod. 24:12). Voetnoot : יָרוּץ קוֹרֵא בוֹ (yarutz qore bo), ‘zodat wie het leest erdoor kan rennen’: het Hebreeuws kan zijn dat de lezer er snel doorheen kan lezen. Het kan ook zijn dat de lezer ermee wegrent om het te vertellen. Wij laten beide open. Zie ook: Ex 24:12; Deut 31:22; Jes 30:8; Hab 2:5; Openb 1:18–19; Openb 14:13; Openb 21:5–8 **2:3** **Want het visioen is nog bestemd voor de vastgestelde tijd. Het snakt naar het einde en liegt niet. Als het draalt, wacht erop, want het komt zeker, het komt niet te laat.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | ע֤וֹד (od) = nog | חָזוֹן֙ (chazon) = visioen | לַמּוֹעֵ֔ד (lamoed) = voor de vastgestelde tijd | וְיָפֵ֥חַ (veyafeach) = en het snakt | לַקֵּ֖ץ (laqets) = naar het einde | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְכַזֵּ֑ב (yekhazev) = liegt het | אִם (im) = als | יִתְמַהְמָהּ֙ (yitmahmah) = het draalt | חַכֵּה (chake) = wacht | ל֔וֹ (lo) = erop | כִּֽי (ki) = want | בֹ֥א (bo) = komen | יָבֹ֖א (yavo) = zal het komen | לֹ֥א (lo) = niet | יְאַחֵֽר (yeacher) = zal het te laat zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַמּוֹעֵד (lamo'ed), ‘voor de vastgestelde tijd’: mo'ed is een tijd die Yahweh bepaalt. Voetnoot : וְיָפֵחַ (veyafeach), ‘het snakt’: een zeldzaam werkwoord; het is eigenlijk ‘hijgen’ of ‘blazen’. Het visioen verlangt naar zijn vervulling. Voetnoot : לַקֵּץ (laqetz), ‘naar het einde’: qets is het einde van de tijd van wachten. Voetnoot : בֹא יָבֹא (bo yavo), ‘het komt zeker’: een nadrukkelijke vorm, letterlijk ‘komen zal het komen’. Hebr. 10:37 haalt dit aan. Zie ook: Ps 27:14; Ps 102:14; Klaagl 3:25–26; Ezech 12:25; Heb 10:36–37; Heb 10:37 **2:4** **Zie, opgeblazen, niet recht is zijn ziel in hem. Maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw.** Brontekst: הִנֵּ֣ה (hine) = zie | עֻפְּלָ֔ה (upela) = opgeblazen | לֹא (lo) = niet | יָשְׁרָ֥ה (yashera) = is recht | נַפְשׁ֖וֹ (nafsho) = zijn ziel | בּ֑וֹ (bo) = in hem | וְצַדִּ֖יק (vetsadiq) = maar de rechtvaardige | בֶּאֱמוּנָת֥וֹ (beemunato) = door zijn trouw | יִחְיֶֽה (yichye) = zal leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֻפְּלָה (uphelah), ‘opgeblazen’: een zeldzame vorm, afgeleid van het werkwoord afal, ‘opzwellen’. Zo wordt de trotse beschreven die zich boven recht en zwakte verheft. Vergelijk Num. 14:44. Voetnoot : בֶּאֱמוּנָתוֹ (be'emunato), ‘door zijn trouw’: emunah betekent vastheid en betrouwbaarheid. Het is een trouw die blijft staan, ook als de tijd lang wordt. Wij vertalen ‘trouw’. De vrijheid van de rechtvaardige ligt in het vasthouden aan Yahweh. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Het Nieuwe Testament haalt dit vers aan (Rom. 1:17; Gal. 3:11; Hebr. 10:38). Voetnoot : יִחְיֶה (yichyeh), ‘zal leven’: ook ‘zal in leven blijven’. Zie ook: Num 14:44; Joh 3:36; Gal 2:16; Gal 3:11–12; Rom 1:17; Heb 10:38 **2:5** **Ook is de wijn trouweloos: een hoogmoedige man blijft niet rustig. Hij sperrt zijn keel wijd open als de Sjeol, en hij is als de dood en wordt niet verzadigd. Hij verzamelt alle volken bij zich en brengt alle volkeren bij zich bijeen.”** Brontekst: וְאַף֙ (veaf) = en ook | כִּֽי (ki) = want | הַיַּ֣יִן (hayayin) = de wijn | בּוֹגֵ֔ד (boged) = is trouweloos | גֶּ֥בֶר (gever) = man | יָהִ֖יר (yahir) = hoogmoedig | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִנְוֶ֑ה (yinve) = blijft rustig | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | הִרְחִ֨יב (hirchiv) = sperrt wijd open | כִּשְׁא֜וֹל (kishol) = als de Sjeol | נַפְשׁ֗וֹ (nafsho) = zijn keel | וְה֤וּא (vehu) = en hij | כַמָּ֨וֶת֙ (kamavet) = als de dood | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִשְׂבָּ֔ע (yisba) = wordt verzadigd | וַיֶּאֱסֹ֤ף (vayeesof) = en verzamelt | אֵלָיו֙ (elav) = bij zich | כָּל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וַיִּקְבֹּ֥ץ (vayiqbots) = en brengt bijeen | אֵלָ֖יו (elav) = bij zich | כָּל (kal) = alle | הָעַמִּֽים (haamim) = de volkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַיַּיִן בּוֹגֵד (hayayin boged), ‘de wijn is trouweloos’: sommige oude vertalingen lezen anders, namelijk ‘rijkdom’ in plaats van ‘wijn’. De wijn staat hier voor het genot waarmee de machtige zich verdooft. Voetnoot : יִנְוֶה (yinveh), ‘blijft rustig’: het werkwoord navah betekent ‘thuis blijven’ of ‘rustig wonen’. De betekenis is hier niet zeker. Voetnoot : הִרְחִיב כִּשְׁאוֹל נַפְשׁוֹ (hirchiv kisheol nafsho), ‘hij sperrt zijn keel wijd open als de Sjeol’: nefesh is hier ‘keel’ of ‘begeerte’. De Sjeol, het dodenrijk, krijgt nooit genoeg (Spr. 27:20; 30:16). Voetnoot : Hiermee eindigt de rode rede. Zie ook: Spr 20:1; Spr 27:20; Spr 30:16; Spr 31:4–5; Jes 5:11–12; Jes 10:7–13 ### Wee-roepen over de onderdrukker **2:6** Zullen al deze niet een spotvers over hem aanheffen, een spotlied met raadsels over hem? Zij zeggen: „Wee wie opstapelt wat niet van hem is, hoelang nog, en zich laadt met pandgoed! Brontekst: הֲלוֹא (halo) = niet | אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | כֻלָּ֗ם (kulam) = allen | עָלָיו֙ (alav) = over hem | מָשָׁ֣ל (mashal) = spotvers | יִשָּׂ֔אוּ (yisau) = zullen aanheffen | וּמְלִיצָ֖ה (umelitsa) = en spotlied | חִיד֣וֹת (chidot) = raadsels | ל֑וֹ (lo) = op hem | וְיֹאמַ֗ר (veyomar) = en zegt | ה֚וֹי (hoy) = wee | הַמַּרְבֶּ֣ה (hamarbe) = wie vermeerdert | לֹּא (lo) = niet | ל֔וֹ (lo) = van hem | עַד (ad) = tot | מָתַ֕י (matay) = wanneer | וּמַכְבִּ֥יד (umakhbid) = en zich beladen | עָלָ֖יו (alav) = op zich | עַבְטִֽיט (avtit) = pandgoed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier begint het spotvers over de onderdrukker, tot en met vers 19. Er zijn vijf wee-roepen: vers 6, 9, 12, 15 en 19. Wij zetten de verzen zwart. Het Hebreeuws zegt niet uitdrukkelijk wie het spotvers uitspreekt: de volken, de profeet of Yahweh. Voetnoot : מָשָׁל (mashal), ‘spotvers’ en וּמְלִיצָה (melitsah), ‘spotlied’: een spreekwoordelijke spotrede. חִידוֹת (chidot), ‘raadsels’: scherpe, verborgen woorden. Voetnoot : הוֹי (hoy), ‘wee’: een roep die klaagt en aanklaagt. Zie ook Jes. 5:8–23. Voetnoot : עַבְטִיט (avtit), ‘pandgoed’: een zeldzaam woord, dat elders niet voorkomt. De betekenis is onzeker. Het kan ‘zware pandgoederen’ of ‘schuld’ zijn. Zie ook: Job 20:15–29; Num 23:7; Jes 5:8–23; Jes 14:4–19; Mi 2:4; Jer 50:13; Hab 2:9; Hab 2:12; Hab 2:15; Hab 2:19 **2:7** Zullen je bijters niet plotseling opstaan, en zij die je wakker schudden ontwaken? Dan word je hun buit. Brontekst: הֲל֣וֹא (halo) = niet | פֶ֗תַע (peta) = plotseling | יָק֨וּמוּ֙ (yaqumu) = staan op | נֹשְׁכֶ֔יךָ (noshekheikha) = je bijters | וְיִקְצ֖וּ (veyiqtsu) = en ontwaken | מְזַעְזְעֶ֑יךָ (mezazeeikha) = zij die je wakker schudden | וְהָיִ֥יתָ (vehayita) = en je wordt | לִמְשִׁסּ֖וֹת (limshisot) = een buit | לָֽמוֹ (lamo) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹשְׁכֶיךָ (noshekha), ‘je bijters’: het werkwoord nashach betekent ‘bijten’. Het woord is verwant aan neshech, ‘rente’ (Deut. 23:20; NL 23:19). Het gaat om schuldeisers die toebijten. Voetnoot : מְזַעְזְעֶיךָ (meza'ze'ekha), ‘zij die je wakker schudden’: het werkwoord zua betekent ‘beven’ en ‘doen beven’. Voetnoot : לִמְשִׁסּוֹת (limshissot), ‘een buit’: wie geplunderd wordt. Zie ook: Deut 23:20; Spr 29:1; Pred 10:8; Jer 50:21–32; Jer 51:27–28; Jer 51:57 **2:8** Omdat jij veel volken hebt geplunderd, zullen alle overigen van de volkeren jou plunderen. Dat is wegens het bloed van mensen en het geweld aan het land, de stad en al haar bewoners. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אַתָּ֤ה (ata) = jij | שַׁלּ֨וֹתָ֙ (shalota) = hebt geplunderd | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = veel | יְשָׁלּ֖וּךָ (yeshalukha) = zullen jou plunderen | כָּל (kal) = alle | יֶ֣תֶר (yeter) = overigen van | עַמִּ֑ים (amim) = volkeren | מִדְּמֵ֤י (midemei) = om het bloed van | אָדָם֙ (adam) = mensen | וַחֲמַס (vachamas) = en geweld aan | אֶ֔רֶץ (erets) = het land | קִרְיָ֖ה (qirya) = de stad | וְכָל (vekhal) = en alle | יֹ֥שְׁבֵי (yoshevei) = bewoners van | בָֽהּ (bah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶתֶר עַמִּים (yeter ammim), ‘de overigen van de volkeren’: de volken die overblijven na de plundering. Voetnoot : De slotwoorden van dit vers staan gelijk in vers 17. Zie ook: Jes 33:1; Jer 27:7; Jer 51:13; Hab 2:17; Zach 12:2–4 **2:9** Wee wie kwade winst maakt voor zijn huis, om zijn nest hoog te zetten, om zich te ontrukken aan de greep van het kwaad! Brontekst: ה֗וֹי (hoy) = wee | בֹּצֵ֛עַ (botsea) = wie winst maakt | בֶּ֥צַע (betsa) = winst | רָ֖ע (ra) = kwaad | לְבֵית֑וֹ (leveito) = voor zijn huis | לָשׂ֤וּם (lasum) = om te zetten | בַּמָּרוֹם֙ (bamarom) = op de hoogte | קִנּ֔וֹ (qino) = zijn nest | לְהִנָּצֵ֖ל (lehinatsel) = om zich te ontrukken | מִכַּף (mikaf) = aan de greep van | רָֽע (ra) = het kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּצַע רָע (betsa ra), ‘kwade winst’: winst die ten koste van anderen gaat. Voetnoot : קִנּוֹ (qinno), ‘zijn nest’: het beeld van de hoogte komt ook voor in Obad. 4 en Jer. 49:16, waar Edom zijn nest hoog maakt en toch wordt neergehaald. Voetnoot : מִכַּף רָע (mikkaf ra), ‘aan de greep van het kwaad’: letterlijk ‘uit de palm van het kwaad’. Zie ook: Ps 52:9; Jer 22:13–19; Jer 49:16; Zach 5:1–4; Jud 1:11 **2:10** Je hebt schande beraamd voor je huis door veel volkeren te vernietigen, en je hebt tegen jezelf gezondigd. Brontekst: יָעַ֥צְתָּ (yaatsta) = je hebt beraamd | בֹּ֖שֶׁת (boshet) = schande | לְבֵיתֶ֑ךָ (leveitekha) = voor je huis | קְצוֹת (qetsot) = vernietigen van | עַמִּ֥ים (amim) = volkeren | רַבִּ֖ים (rabim) = veel | וְחוֹטֵ֥א (vechote) = en zondigen | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = tegen jezelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָעַצְתָּ (ya'atsta), ‘je hebt beraamd’: van etsah, ‘raad’. Een etsah van mensen vertalen wij met ‘raad’; hier is het werkwoord ‘beramen’. Voetnoot : קְצוֹת (qetsot), ‘vernietigen’: letterlijk ‘afsnijden’. Voetnoot : נַפְשֶׁךָ (nafshekha), ‘jezelf’: letterlijk ‘je ziel’. Zie ook: Spr 8:36; 1 Kon 2:23; 2 Kon 9:26; Nah 1:14; Jer 36:31 **2:11** Want de steen roept vanuit de muur, en de balk uit het hout antwoordt hem. Brontekst: כִּי (ki) = want | אֶ֖בֶן (even) = steen | מִקִּ֣יר (miqir) = uit de muur | תִּזְעָ֑ק (tizaq) = roept | וְכָפִ֖יס (vekhafis) = en balk | מֵעֵ֥ץ (meets) = uit hout | יַעֲנֶֽנָּה (yaanena) = antwoordt hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְכָפִיס (kafis), ‘balk’: een zeldzaam woord, dat nergens anders voorkomt. De betekenis ‘balk’ of ‘dwarsbalk’ is niet zeker. Voetnoot : De stenen en balken van het gebouw getuigen tegen de bouwer. Het onrecht zit in de muren. Zie ook: Gen 4:10; Job 31:38–40; Joz 24:27; Luc 19:40; Jak 5:3–4 **2:12** Wee wie een stad bouwt met bloed en een stad grondvest met onrecht! Brontekst: ה֛וֹי (hoy) = wee | בֹּנֶ֥ה (bone) = die bouwt | עִ֖יר (ir) = stad | בְּדָמִ֑ים (bedamim) = met bloed | וְכוֹנֵ֥ן (vekhonen) = en die grondvest | קִרְיָ֖ה (qirya) = stad | בְּעַוְלָֽה (beavla) = met onrecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּדָמִים (bedamim), ‘met bloed’: bloedvergieten. בְּעַוְלָה (be'avlah), ‘met onrecht’: avlah is onrecht. Vergelijk Jer. 22:13 en Micha 3:10. Zie ook: Mi 3:10; Nah 3:1; Jer 22:13–17; Dan 4:24–28; Openb 17:6 **2:13** Zie, komt dit niet van Yahweh van de legermachten? Volken sloven zich af voor het vuur, en natiën raken uitgeput voor niets. Brontekst: הֲל֣וֹא (halo) = niet | הִנֵּ֔ה (hine) = zie | מֵאֵ֖ת (meet) = van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | צְבָא֑וֹת (tsevaot) = van de legermachten | וְיִֽיגְע֤וּ (veyigeu) = en sloven zich af | עַמִּים֙ (amim) = volken | בְּדֵי (bedei) = voor | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | וּלְאֻמִּ֖ים (uleumim) = en natiën | בְּדֵי (bedei) = voor | רִ֥יק (riq) = niets | יִעָֽפוּ (yiafu) = raken uitgeput Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): tsevaot betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’. Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’. Zie ook Ps. 24:10 en Jes. 1:9. Voetnoot : וְיִיגְעוּ עַמִּים בְּדֵי אֵשׁ וּלְאֻמִּים בְּדֵי רִיק יִעָפוּ (vayyig'u amim bedei esh ule'ummim bedei rik ya'afu), ‘volken sloven zich af voor het vuur, en natiën raken uitgeput voor niets’: dezelfde woorden staan, in omgekeerde volgorde, in Jer. 51:58. Zie ook: Ps 24:10; Spr 21:30; Jes 1:9; Jes 41:5–8; Jes 50:11; Jes 55:2; Jer 51:58 **2:14** Want de aarde zal vol worden van de kennis van de heerlijkheid van Yahweh, zoals de wateren de zee bedekken. Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | תִּמָּלֵ֣א (timale) = zal vol worden | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | לָדַ֖עַת (ladaat) = van kennis | אֶת (et) = (obj.) | כְּב֣וֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כַּמַּ֖יִם (kamayim) = zoals wateren | יְכַסּ֥וּ (yekhasu) = bedekken | עַל (al) = over | יָֽם (yam) = zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers lijkt op Jes. 11:9, ‘de aarde is vol van de kennis van Yahweh, zoals de wateren de zee bedekken’. Hier staat ‘de kennis van de heerlijkheid van Yahweh’ (kavod Yahweh). Zie ook Num. 14:21. Voetnoot : Het vers staat tegenover de vijand die zich verheft: uiteindelijk bedekt de heerlijkheid van Yahweh de aarde. Zie ook: Num 14:21; Ps 22:28; Ps 72:19; Ps 86:9; Jes 6:3; Jes 11:9 **2:15** Wee wie zijn naaste te drinken geeft, wie zijn grimmigheid erbij uitstort en hem ook dronken maakt, om naar hun naaktheid te kijken! Brontekst: ה֚וֹי (hoy) = wee | מַשְׁקֵ֣ה (mashqe) = die te drinken geeft | רֵעֵ֔הוּ (reehu) = zijn naaste | מְסַפֵּ֥חַ (mesapeach) = die erbij uitstort | חֲמָתְךָ֖ (chamatekha) = je grimmigheid | וְאַ֣ף (veaf) = en ook | שַׁכֵּ֑ר (shaker) = maakt dronken | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | הַבִּ֖יט (habit) = kijken | עַל (al) = naar | מְעוֹרֵיהֶֽם (meoreihem) = hun naaktheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְסַפֵּחַ (mesapeach), ‘wie erbij uitstort’: een zeldzame vorm van het werkwoord safach. חֲמָתְךָ (chamatkha), ‘je grimmigheid’: het woord chamah betekent ‘woede’. Sommigen lezen hier chemet, ‘waterzak’: ‘die je waterzak uitgiet’. Wij volgen ‘grimmigheid’. Voetnoot : מְעוֹרֵיהֶם (me'oreihem), ‘hun naaktheid’: zoals Noach dronken werd en bloot lag (Gen. 9:21–22). Zie ook: Gen 9:21–22; Gen 9:22; Hos 7:5; Jer 51:7; Openb 17:2; Openb 17:6 **2:16** Je bent verzadigd van schande in plaats van eer. Drink ook jij en toon je voorhuid. De beker in de rechterhand van Yahweh keert zich naar je toe, en walgelijke schande komt over je eer. Brontekst: שָׂבַ֤עְתָּ (savata) = je bent verzadigd | קָלוֹן֙ (qalon) = van schande | מִכָּב֔וֹד (mikavod) = in plaats van eer | שְׁתֵ֥ה (shete) = drink | גַם (gam) = ook | אַ֖תָּה (ata) = jij | וְהֵֽעָרֵ֑ל (vehearel) = en toon je voorhuid | תִּסּ֣וֹב (tisov) = keert zich | עָלֶ֗יךָ (aleikha) = naar je toe | כּ֚וֹס (kos) = beker van | יְמִ֣ין (yemin) = de rechterhand van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְקִיקָל֖וֹן (veqiqalon) = en walgelijke schande | עַל (al) = over | כְּבוֹדֶֽךָ (kevodekha) = je eer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהֵעָרֵל (vehe'arel), ‘en toon je voorhuid’: de onbesneden. Sommige oude vertalingen lezen anders, namelijk ‘en waggel’. Beide passen bij de dronkenschap. Voetnoot : כּוֹס יְמִין יְהוָה (kos yemin Yahweh), ‘de beker in de rechterhand van Yahweh’: de beker van Yahweh’s toorn (Jer. 25:15; Ps. 75:9, NL 75:8). Voetnoot : וְקִיקָלוֹן (veqiqalon), ‘walgelijke schande’: een zeldzaam woord, dat elders niet voorkomt. De betekenis is niet zeker; mogelijk gaat het om braaksel. Zie ook: Ps 75:9; Spr 3:35; Hos 4:7; Jes 20:4; Jes 47:3; Nah 3:5–6; Jer 25:15 **2:17** Want het geweld aan Libanon overdekt je, en de verwoesting van de dieren doet hen schrikken. Dat is wegens het bloed van mensen en het geweld aan het land, de stad en al haar bewoners. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | חֲמַ֤ס (chamas) = geweld aan | לְבָנוֹן֙ (levanon) = Libanon | יְכַסֶּ֔ךָּ (yekhaseka) = zal je overdekken | וְשֹׁ֥ד (veshod) = en verwoesting van | בְּהֵמ֖וֹת (behemot) = dieren | יְחִיתַ֑ן (yechitan) = doet hen schrikken | מִדְּמֵ֤י (midemei) = om het bloed van | אָדָם֙ (adam) = mensen | וַחֲמַס (vachamas) = en geweld aan | אֶ֔רֶץ (erets) = het land | קִרְיָ֖ה (qirya) = de stad | וְכָל (vekhal) = en alle | יֹ֥שְׁבֵי (yoshevei) = bewoners van | בָֽהּ (bah) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבָנוֹן (Levanon), ‘Libanon’: het gebergte met zijn cederbossen, dat door de Chaldeeën werd geplunderd (zie ook Jes. 14:8). Het kan ook gaan om de tempel, die van Libanons hout was gebouwd. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : יְחִיתַן (yechitan), ‘doet hen schrikken’: van chatat, ‘ontzet zijn’. De dieren schrikken van wie hen verwoest. Voetnoot : De laatste woorden staan gelijk in vers 8. Zie ook: Ps 55:24; Ps 137:8; Jes 14:8; Jer 50:33–34; Hab 2:8; Zach 11:1 **2:18** Wat baat een gesneden beeld, dat zijn maker heeft uitgehouwen, een gegoten beeld en een leraar van leugen? Want de maker vertrouwt op wat hij zelf maakte, door stomme nietige goden te maken. Brontekst: מָֽה (ma) = wat | הוֹעִ֣יל (hoil) = baat | פֶּ֗סֶל (pesel) = gesneden beeld | כִּ֤י (ki) = dat | פְסָלוֹ֙ (pesalo) = heeft uitgehouwen | יֹֽצְר֔וֹ (yotsero) = zijn maker | מַסֵּכָ֖ה (masekha) = gegoten beeld | וּמ֣וֹרֶה (umore) = en leraar van | שָּׁ֑קֶר (shaqer) = leugen | כִּ֣י (ki) = want | בָטַ֞ח (batach) = vertrouwt | יֹצֵ֤ר (yotser) = de maker | יִצְרוֹ֙ (yitsro) = van zijn maaksel | עָלָ֔יו (alav) = daarop | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te maken | אֱלִילִ֥ים (elilim) = nietige goden | אִלְּמִֽים (ilemim) = stomme Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּסֶל (fesel), ‘gesneden beeld’ en מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’: afgodsbeelden, uit hout gesneden of uit metaal gegoten. Voetnoot : וּמוֹרֶה שָּׁקֶר (moreh sheqer), ‘leraar van leugen’: het beeld leert niets dan leugen. Voetnoot : אֱלִילִים אִלְּמִים (elilim illemim), ‘stomme nietige goden’: elil is een ‘nietig god’. Het woord illem betekent ‘stom’; het beeld kan niet spreken. Zie ook: Jes 44:9–10; Jer 2:27–28; Jer 10:8; Zach 10:2; 1 Kor 12:2 **2:19** Wee wie tegen hout zegt: ‘Word wakker!’ en tegen een zwijgende steen: ‘Sta op!’ Zou die onderwijzen? Zie, hij is met goud en zilver overtrokken, maar er is helemaal geen adem in zijn binnenste.” Brontekst: ה֣וֹי (hoy) = wee | אֹמֵ֤ר (omer) = die zegt | לָעֵץ֙ (laets) = tegen hout | הָקִ֔יצָה (haqitsa) = word wakker | ע֖וּרִי (uri) = word wakker | לְאֶ֣בֶן (leeven) = tegen steen | דּוּמָ֑ם (dumam) = zwijgende | ה֣וּא (hu) = die | יוֹרֶ֔ה (yore) = onderwijst | הִנֵּה (hine) = zie | ה֗וּא (hu) = die | תָּפוּשׂ֙ (tafus) = overtrokken | זָהָ֣ב (zahav) = goud | וָכֶ֔סֶף (vakhesef) = en zilver | וְכָל (vekhal) = en alle | ר֖וּחַ (ruach) = adem | אֵ֥ין (ein) = er is niet | בְּקִרְבּֽוֹ (beqirbo) = in zijn binnenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹרֶה (hu yoreh), ‘zou die onderwijzen?’: letterlijk ‘hij zal onderwijzen’. Het is een retorische vraag; het beeld leert niets (vers 18). Voetnoot : תָּפוּשׂ (tafus), ‘overtrokken’: het hout of de steen heeft een laag goud en zilver. Voetnoot : רוּחַ (ruach), ‘adem’: er is geen levensadem in. Vergelijk Ps. 135:17. Zie ook: Ps 135:17; 1 Kon 18:26–29; Jer 10:4; Jer 10:9; Hab 2:18; Dan 3:1 ### Yahweh in Zijn heilige tempel **2:20** Maar Yahweh is in Zijn heilige tempel. Wees stil voor Zijn aangezicht, heel de aarde. Brontekst: וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = maar Yahweh | בְּהֵיכַ֣ל (beheikhal) = in tempel van | קָדְשׁ֑וֹ (qadesho) = Zijn heiligheid | הַ֥ס (has) = wees stil | מִפָּנָ֖יו (mipanav) = voor Zijn aangezicht | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיהוָה בְּהֵיכַל קָדְשׁוֹ (veYahweh beheikhal qodsho), ‘maar Yahweh is in Zijn heilige tempel’: tegenover de beelden die niets zijn, is Yahweh aanwezig. Het kan de tempel in Jeruzalem zijn, maar ook de hemel (Ps. 11:4). Voetnoot : הַס (has), ‘wees stil’: een roep tot zwijgen, als voor een koning. Zie ook Zef. 1:7 en Zach. 2:17 (NL 2:13). Zie ook: Ps 11:4; Ps 46:11; Jes 6:1; Sef 1:7; Zach 2:17 ## Habakuk 3 _Het gebed van Habakuk_ ### Opschrift **3:1** Een gebed van Habakuk, de profeet, op Sjiggajonot. Brontekst: תְּפִלָּ֖ה (tefila) = gebed | לַחֲבַקּ֣וּק (lachavaquq) = van Habakuk | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | עַ֖ל (al) = op | שִׁגְיֹנֽוֹת (shigyonot) = Sjiggajonot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּפִלָּה (tefillah), ‘gebed’: hetzelfde woord staat boven Ps. 17, 86, 90, 102 en 142. Het hoofdstuk is een gebed dat tegelijk een lied is, met aanwijzingen voor de zang (vers 3, 9, 13 en 19). Voetnoot : שִׁגְיֹנוֹת (shigyonot), ‘Sjiggajonot’: het meervoud van Sjiggajon (Ps. 7:1). De betekenis is onzeker. Het is een soort lied of muzikale aanduiding, misschien een lied met wisselende toon. Voetnoot : Het hele hoofdstuk is een gebed van de profeet en staat zwart. Yahweh wordt in de derde persoon beschreven of rechtstreeks aangesproken met ‘U’. Zie ook: Ps 7:1; Ps 7:2–18; Ps 86:1–17; Ps 90:1–17; Hab 3:3; Hab 3:9; Hab 3:13; Hab 3:19 ### Bede om Yahweh’s werk **3:2** Yahweh, ik heb het bericht over U gehoord; ik ben bevreesd, Yahweh, voor Uw werk. Maak het levend te midden van de jaren, maak het bekend te midden van de jaren. Gedenk ontferming in de beroering. Brontekst: יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | שָׁמַ֣עְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | שִׁמְעֲךָ֮ (shimakha) = het bericht over U | יָרֵאתִי֒ (yareti) = ik ben bevreesd | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | פָּֽעָלְךָ֙ (paalekha) = Uw werk | בְּקֶ֤רֶב (beqerev) = te midden van | שָׁנִים֙ (shanim) = jaren | חַיֵּ֔יהוּ (chayeihu) = maak het levend | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = te midden van | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | תּוֹדִ֑יעַ (todia) = maak bekend | בְּרֹ֖גֶז (berogez) = in beroering | רַחֵ֥ם (rachem) = ontferming | תִּזְכּֽוֹר (tizkor) = gedenk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁמְעֲךָ (shim'akha), ‘het bericht over U’: wat de profeet over Yahweh’s daden heeft gehoord, vermoedelijk van vroeger tijd. Het kan ook ‘Uw gerucht’ zijn. Voetnoot : בְּקֶרֶב שָׁנִים (bekerev shanim), ‘te midden van de jaren’: in de loop van de tijd, in onze dagen. Voetnoot : חַיֵּיהוּ (chayyehu), ‘maak het levend’: laat Uw werk opnieuw gebeuren. Voetnoot : בְּרֹגֶז רַחֵם תִּזְכּוֹר (berogez rachem tizkor), ‘gedenk ontferming in de beroering’: rachem, ‘ontferming’, komt van het woord voor ‘baarmoeder’. De profeet vraagt dat Yahweh, ook in Zijn toorn, ontferming niet vergeet. Zie ook: Ps 85:7; Ps 90:13–17; Hos 6:2–3; Jes 51:9–11; Klaagl 3:32 ### Eloah komt uit Teman **3:3** Eloah komt uit Teman, en de Heilige van het gebergte Paran. Sela. Zijn majesteit bedekt de hemel, en de aarde is vol van Zijn lof. Brontekst: אֱל֨וֹהַ֙ (eloha) = Eloah | מִתֵּימָ֣ן (miteiman) = uit Teman | יָב֔וֹא (yavo) = komt | וְקָד֥וֹשׁ (veqadosh) = en de Heilige | מֵֽהַר (mehar) = van het gebergte | פָּארָ֖ן (paran) = Paran | סֶ֑לָה (sela) = Sela | כִּסָּ֤ה (kisa) = bedekt | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = de hemel | הוֹד֔וֹ (hodo) = Zijn majesteit | וּתְהִלָּת֖וֹ (utehilato) = en Zijn lof | מָלְאָ֥ה (malea) = is vol | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië). Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev. Voetnoot Uitleg: אֱלוֹהַ (Eloah), ‘Eloah’: een oude, enkelvoudige vorm van Elohim, vooral in poëzie (Deut. 32:15; Job). Wij laten het woord staan. Voetnoot : מִתֵּימָן (miTeman), ‘uit Teman’ en פָּארָן (Paran), ‘Paran’: streken in het zuiden, bij Edom en de Sinaï. Vergelijk Deut. 33:2 en Richt. 5:4. Yahweh trekt uit het zuiden op. Voetnoot : סֶלָה (sela), ‘Sela’: de betekenis is onzeker; waarschijnlijk een muzikaal teken of een pauze. Het staat in dit hoofdstuk drie keer (vers 3, 9 en 13), net als in de Psalmen. Voetnoot : הוֹדוֹ (hodo), ‘Zijn majesteit’: hod is glans en luister. Zie ook: Deut 32:15; Deut 33:2; Re 5:4; Ps 4:5; Amos 1:12; Hab 3:9; Hab 3:13; Ob 1:9; Openb 5:13–14 **3:4** Een glans is als het licht; stralen komen uit Zijn hand. Daar is de verberging van Zijn kracht. Brontekst: וְנֹ֨גַהּ֙ (venogah) = en glans | כָּא֣וֹר (kaor) = als het licht | תִּֽהְיֶ֔ה (tihye) = is | קַרְנַ֥יִם (qarnayim) = stralen | מִיָּד֖וֹ (miyado) = uit Zijn hand | ל֑וֹ (lo) = voor Hem | וְשָׁ֖ם (vesham) = en daar | חֶבְי֥וֹן (chevyon) = verberging van | עֻזֹּֽה (uzo) = Zijn kracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנֹגַהּ (nogah), ‘glans’: het licht dat Yahweh uitstraalt. קַרְנַיִם (qarnayim), ‘stralen’: letterlijk ‘hoorns’ (van qeren). Stralen komen als hoorns uit Zijn hand; vergelijk Exod. 34:29, waar het gezicht van Mozes ‘straalt’ (qaran). Voetnoot : חֶבְיוֹן (chevyon), ‘verberging’: een zeldzaam woord. Zijn kracht blijft verborgen, ondanks Zijn glans. Zie ook: Job 26:14; Ex 14:20; Ex 34:29; Jes 60:19–20; Mat 17:2; Openb 22:5 **3:5** Voor Zijn aangezicht gaat de pest, en gloed gaat uit bij Zijn voeten. Brontekst: לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | יֵ֣לֶךְ (yelekh) = gaat | דָּ֑בֶר (daver) = pest | וְיֵצֵ֥א (veyetse) = en gaat uit | רֶ֖שֶׁף (reshef) = gloed | לְרַגְלָֽיו (leraglav) = bij Zijn voeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּבֶר (davar), ‘pest’: ziekte die volken treft. רֶשֶׁף (reshef), ‘gloed’: letterlijk ‘vlam’ of ‘koorts’, zoals in Deut. 32:24. Pest en gloed zijn Yahweh’s gevolg. Zij volgen Hem als een gevolg. Zie ook: Ex 12:29–30; Num 17:11–14; Deut 32:24; Ps 18:8–14; Ps 78:50–51; Nah 1:2–3 **3:6** Hij stond stil en mat de aarde; Hij zag en deed volken opschrikken. De bergen die voor altijd stonden, werden verbrijzeld; de eeuwige heuvels zakten in. Zijn wegen zijn eeuwig. Brontekst: עָמַ֣ד (amad) = Hij stond stil | וַיְמֹ֣דֶד (vaymoded) = en mat | אֶ֗רֶץ (erets) = de aarde | רָאָה֙ (raa) = Hij zag | וַיַּתֵּ֣ר (vayater) = en deed opschrikken | גּוֹיִ֔ם (goyim) = volken | וַיִּתְפֹּֽצְצוּ֙ (vayitpotsetsu) = en werden verbrijzeld | הַרְרֵי (harrei) = bergen van | עַ֔ד (ad) = voor altijd | שַׁח֖וּ (shachu) = zakten in | גִּבְע֣וֹת (givot) = heuvels van | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | הֲלִיכ֥וֹת (halikhot) = wegen van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | לֽוֹ (lo) = voor Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְמֹדֶד (vayemodd), ‘en mat’: van madad, ‘meten’. De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘schudde’ zijn (van mud). Voetnoot : וַיַּתֵּר (vayyatter), ‘deed opschrikken’: het werkwoord nathar betekent ‘doen opspringen’ of ‘doen beven’. Voetnoot : הַרְרֵי עַד (harerei ad), ‘de bergen die voor altijd stonden’: letterlijk ‘bergen van altijd’ (ad vertalen wij met ‘voor altijd’). גִּבְעוֹת עוֹלָם (gib'ot olam), ‘de eeuwige heuvels’: zoals in Deut. 33:15. Zelfs de oudste bergen buigen voor Yahweh. Voetnoot : הֲלִיכוֹת עוֹלָם לוֹ (halikhot olam lo), ‘Zijn wegen zijn eeuwig’: letterlijk ‘gangen van eeuwigheid zijn Hem’. Het kan ook een uitroep zijn: ‘eeuwige gangen zijn van Hem’. Zie ook: Gen 49:26; Deut 33:15; Jes 51:6; Mi 5:7; Nah 1:5 **3:7** Ik zag de tenten van Kusan onder onheil; de tentdoeken van het land Midian beefden. Brontekst: תַּ֣חַת (tachat) = onder | אָ֔וֶן (aven) = onheil | רָאִ֖יתִי (raiti) = zag ik | אָהֳלֵ֣י (aholei) = tenten van | כוּשָׁ֑ן (kushan) = Kusan | יִרְגְּז֕וּן (yirgezun) = beefden | יְרִיע֖וֹת (yeriot) = tentdoeken van | אֶ֥רֶץ (erets) = het land | מִדְיָֽן (midyan) = Midian Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: אָוֶן (aven), ‘onheil’: hetzelfde woord als ‘onrecht’ in 1:3. Hier gaat het om de ellende die de tegenstanders van Yahweh treft. Voetnoot : כוּשָׁן (Kushan), ‘Kusan’: een zeldzame naam. Hij lijkt op Kusan-Risataïm, een koning uit Richt. 3:8, en op Kush. De betekenis is hier onzeker. Voetnoot : מִדְיָן (Midyan), ‘Midian’: het volk uit het zuiden, dat Gideon versloeg (Richt. 6–8). Zie ook: Gen 25:1–4; Ex 15:14–16; Num 31:2–12; Joz 9:24; Re 3:8; Re 7:24–25 ### Yahweh in de strijd **3:8** Was het tegen de rivieren, Yahweh, dat U ontbrandde? Was Uw toorn tegen de rivieren, of Uw woede tegen de zee, dat U op Uw paarden reed, op Uw strijdwagens ter redding? Brontekst: הֲבִנְהָרִים֙ (havinharim) = was het tegen de rivieren | חָרָ֣ה (chara) = ontbrandde | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִ֤ם (im) = of | בַּנְּהָרִים֙ (baneharim) = tegen de rivieren | אַפֶּ֔ךָ (apekha) = Uw toorn | אִם (im) = of | בַּיָּ֖ם (bayam) = tegen de zee | עֶבְרָתֶ֑ךָ (evratekha) = Uw woede | כִּ֤י (ki) = dat | תִרְכַּב֙ (tirkav) = U reed | עַל (al) = op | סוּסֶ֔יךָ (suseikha) = Uw paarden | מַרְכְּבֹתֶ֖יךָ (markevoteikha) = Uw strijdwagens | יְשׁוּעָֽה (yeshua) = redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲבִנְהָרִים (habinharim), ‘was het tegen de rivieren’: rivieren en zee zijn hier de krachten van chaos, zoals in de overlevering van de uittocht (Exod. 14–15; Joz. 3). Voetnoot : יְשׁוּעָה (yeshuah), ‘redding’: zie 1:2. Zie ook: Ex 14:21–22; Deut 33:26–27; Ps 68:18; Ps 114:3; Ps 114:5 **3:9** Uw boog wordt geheel ontbloot; de eden aan de stammen zijn een woord. Sela. U splijt de aarde met rivieren. Brontekst: עֶרְיָ֤ה (erya) = naakt | תֵעוֹר֙ (teor) = wordt ontbloot | קַשְׁתֶּ֔ךָ (qashtekha) = Uw boog | שְׁבֻע֥וֹת (shevuot) = eden van | מַטּ֖וֹת (matot) = stammen | אֹ֣מֶר (omer) = woord | סֶ֑לָה (sela) = Sela | נְהָר֖וֹת (neharot) = rivieren | תְּבַקַּע (tevaqa) = U splijt | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. עֶרְיָה תֵעוֹר (eryah te'or), ‘geheel ontbloot’: de boog wordt uit zijn omhulsel gehaald. De woorden שְׁבֻעוֹת מַטּוֹת אֹמֶר (shevu'ot mattot omer), ‘de eden aan de stammen zijn een woord’, zijn onzeker. De eden kunnen de beloften van Yahweh aan de stammen van Israël zijn. Een andere lezing is mogelijk. Voetnoot : נְהָרוֹת תְּבַקַּע אָרֶץ (naharot tevaqqa arets), ‘U splijt de aarde met rivieren’: ook ‘U splijt rivieren van de aarde’. Zie ook: Ps 7:13–14; Ps 78:15–16; Ps 105:41; Klaagl 2:4; Luc 1:72–75 **3:10** De bergen zagen U en beefden. Een stortvloed van water trok voorbij. De diepte liet haar stem horen; zij hief haar handen omhoog. Brontekst: רָא֤וּךָ (raukha) = zagen U | יָחִ֨ילוּ֙ (yachilu) = beefden | הָרִ֔ים (harim) = bergen | זֶ֥רֶם (zerem) = stortvloed van | מַ֖יִם (mayim) = water | עָבָ֑ר (avar) = trok voorbij | נָתַ֤ן (natan) = liet horen | תְּהוֹם֙ (tehom) = de diepte | קוֹל֔וֹ (qolo) = haar stem | ר֖וֹם (rom) = hoog | יָדֵ֥יהוּ (yadeihu) = haar handen | נָשָֽׂא (nasa) = hief op Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶרֶם מַיִם (zerem mayim), ‘een stortvloed van water’: een plotselinge, stromende regenvloed. תְּהוֹם (tehom), ‘de diepte’: de oerdiepte (Gen. 1:2), hier met stem en handen. De diepte reageert op Yahweh als een mens die zijn handen opheft in ontzag. Zie ook: Gen 1:2; Joz 4:23–24; Ps 93:3; Ps 98:7–8; Jes 43:20; Jer 4:24 **3:11** Zon en maan bleven staan in hun woning. Bij het licht van Uw pijlen gaan zij, bij de glans van de bliksem van Uw speer. Brontekst: שֶׁ֥מֶשׁ (shemesh) = zon | יָרֵ֖חַ (yareach) = maan | עָ֣מַד (amad) = bleven staan | זְבֻ֑לָה (zevula) = in hun woning | לְא֤וֹר (leor) = bij het licht van | חִצֶּ֨יךָ֙ (chitseikha) = Uw pijlen | יְהַלֵּ֔כוּ (yehalekhu) = gaan zij | לְנֹ֖גַהּ (lenogah) = bij de glans van | בְּרַ֥ק (beraq) = bliksem van | חֲנִיתֶֽךָ (chanitekha) = Uw speer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁמֶשׁ יָרֵחַ (shemesh yareach amad zevulah), ‘zon en maan bleven staan in hun woning’: Yahweh grijpt in in de loop van de hemellichamen. Vergelijk Joz. 10:12–13, waar de zon stilstaat. Het Hebreeuws kan ook zijn dat zon en maan zich terugtrekken in hun verblijf. Voetnoot : חִצֶּיךָ (chitsekha), ‘Uw pijlen’ en חֲנִיתֶךָ (chanitekha), ‘Uw speer’: het licht van de bliksem wordt voorgesteld als wapen van Yahweh (Ps. 18:15, NL 18:14). Zie ook: Joz 10:11–13; Joz 10:12–13; Ps 18:13–15; Ps 18:15; Ps 77:18–19; Ps 144:5–6; Jes 28:21 **3:12** In gramschap schrijdt U over de aarde; in toorn dorst U de volken. Brontekst: בְּזַ֖עַם (bezaam) = in gramschap | תִּצְעַד (titsad) = schrijdt U | אָ֑רֶץ (arets) = over de aarde | בְּאַ֖ף (beaf) = in toorn | תָּד֥וּשׁ (tadush) = dorst U | גּוֹיִֽם (goyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּדוּשׁ (tadush), ‘dorst U’: van dush, ‘dorsen’. Het beeld is dat Yahweh de volken vertrapt als graan op de dorsvloer (Jes. 41:15; Amos 1:3). Zie ook: Ps 44:2–4; Amos 1:3; Jes 41:15; Mi 4:12–13; Jer 51:33; Neh 9:22–24 **3:13** U bent uitgegaan ter redding van Uw volk, ter redding van Uw gezalfde. U hebt het hoofd verbrijzeld uit het huis van de goddeloze, door het fundament bloot te leggen tot aan de hals. Sela. Brontekst: יָצָ֨אתָ֙ (yatsata) = U bent uitgegaan | לְיֵ֣שַׁע (leyesha) = ter redding van | עַמֶּ֔ךָ (amekha) = Uw volk | לְיֵ֖שַׁע (leyesha) = ter redding | אֶת (et) = met | מְשִׁיחֶ֑ךָ (meshichekha) = Uw gezalfde | מָחַ֤צְתָּ (machatsta) = U hebt verbrijzeld | רֹּאשׁ֙ (rosh) = hoofd | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | רָשָׁ֔ע (rasha) = de goddeloze | עָר֛וֹת (arot) = bloot te leggen | יְס֥וֹד (yesod) = fundament | עַד (ad) = tot | צַוָּ֖אר (tsavar) = hals | סֶֽלָה (sela) = Sela Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָצָאתָ לְיֵשַׁע (yatsata leyesha), ‘U bent uitgegaan ter redding’: Yahweh trekt uit om te redden. Voetnoot : אֶת מְשִׁיחֶךָ (et meshichekha), ‘Uw gezalfde’: het kan de koning van Juda zijn, maar ook het volk. Het woord et kan ook ‘met’ betekenen (‘ter redding met Uw gezalfde’). Wij laten beide open. Voetnoot : עָרוֹת יְסוֹד עַד צַוָּאר (arot yesod ad tsavvar), ‘door het fundament bloot te leggen tot aan de hals’: het huis van de goddeloze wordt gesloopt van dak tot fundament. Het beeld is dat van een lichaam: van het hoofd tot de hals. Zie ook: Joz 10:11; Joz 11:12; Ps 68:20–24; Ps 105:15; Ps 110:6 **3:14** U hebt met zijn eigen staven het hoofd van zijn krijgers doorboord. Zij stormden aan om mij te verstrooien; hun jubel was alsof zij de arme in het verborgene verslonden. Brontekst: נָקַ֤בְתָּ (naqavta) = U doorboorde | בְמַטָּיו֙ (bematav) = met zijn staven | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd van | פְּרָזָ֔יו (perazav) = zijn krijgers | יִסְעֲר֖וּ (yisaru) = stormen aan | לַהֲפִיצֵ֑נִי (lahafitseni) = om mij te verstrooien | עֲלִ֣יצֻתָ֔ם (alitsutam) = hun jubel | כְּמוֹ (kemo) = als | לֶאֱכֹ֥ל (leekhol) = om te verslinden | עָנִ֖י (ani) = arme | בַּמִּסְתָּֽר (bamistar) = in het verborgene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De betekenis van perazim is niet zeker. Het kan ‘krijgers’, ‘leiders’ of ‘dorpelingen’ zijn (zoals in Richt. 5:7). Voetnoot : נָקַבְתָּ (niqavta), ‘U doorboorde’: van naqav, ‘doorboren’. לַהֲפִיצֵנִי (lehafitsheni), ‘om mij te verstrooien’: de profeet spreekt voor het volk. Een vijand valt aan en wil het volk uiteenjagen. Voetnoot : עָנִי בַּמִּסְתָּר (ani bamistar), ‘de arme in het verborgene’: de vijand overvalt de weerloze in het geheim. Voetnoot Lezing: Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) פְּרָזָיו (perazav), ‘zijn krijgers’. De geschreven tekst (ketiv) heeft פרזו (parzo), dat ook als enkelvoud gelezen kan worden: ‘zijn krijger’. Zie ook: Ex 15:9–10; Re 5:7; Ps 10:8; Ps 118:10–12; Dan 11:40; Zach 9:14 **3:15** U trad met Uw paarden door de zee, door de opgehoopte grote wateren. Brontekst: דָּרַ֥כְתָּ (darakhta) = U trad | בַיָּ֖ם (bayam) = in de zee | סוּסֶ֑יךָ (suseikha) = Uw paarden | חֹ֖מֶר (chomer) = hoop van | מַ֥יִם (mayim) = wateren | רַבִּֽים (rabim) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹמֶר (chomer), ‘hoop’: het woord betekent ‘modder’ of ‘hoop’. De ‘opgehoopte grote wateren’ lijken op de opgetaste golven van Exod. 15:8. De uittocht door de Rietzee is bedoeld. Zie ook: Ex 15:8; Ps 77:20; Hab 3:8 ### Rustig wachten **3:16** Ik heb het gehoord, en mijn binnenste beeft; bij het geluid sidderen mijn lippen. Verrotting dringt mijn beenderen binnen, en onder mij beef ik. Ik wil rustig wachten op de dag van de benauwdheid, tot hij opkomt tegen het volk dat ons aanvalt. Brontekst: שָׁמַ֣עְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | וַתִּרְגַּ֣ז (vatirgaz) = en beeft | בִּטְנִ֗י (bitni) = mijn binnenste | לְקוֹל֙ (leqol) = bij het geluid | צָלֲל֣וּ (tsalalu) = sidderen | שְׂפָתַ֔י (sefatay) = mijn lippen | יָב֥וֹא (yavo) = komt | רָקָ֛ב (raqav) = verrotting | בַּעֲצָמַ֖י (baatsamay) = in mijn beenderen | וְתַחְתַּ֣י (vetachtay) = en onder mij | אֶרְגָּ֑ז (ergaz) = beef ik | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | אָנ֨וּחַ֙ (anuach) = ik wil rusten | לְי֣וֹם (leyom) = op de dag van | צָרָ֔ה (tsara) = benauwdheid | לַעֲל֖וֹת (laalot) = om op te komen | לְעַ֥ם (leam) = tegen het volk | יְגוּדֶֽנּוּ (yegudenu) = dat ons aanvalt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּטְנִי (bitni), ‘mijn binnenste’: letterlijk ‘mijn buik’. צָלֲלוּ (tsalelu), ‘sidderen’: het werkwoord tsalal betekent ‘tintelen’ of ‘klinken’. Voetnoot : רָקָב (raqav), ‘verrotting’: de beenderen worden zwak (zoals in Spr. 12:4). Voetnoot : אָנוּחַ (anuach), ‘ik wil rustig wachten’: letterlijk ‘ik zal rusten’. De profeet kiest voor kalm afwachten. Voetnoot : לְיוֹם צָרָה (leyom tsarah), ‘op de dag van de benauwdheid’: zoals in Obad. 12 en 14. Voetnoot : יְגוּדֶנּוּ (yeguddenu), ‘dat ons aanvalt’: van gud, ‘aanvallen’. Het is de vijand uit hoofdstuk 1. Zie ook: Spr 12:4; Jer 23:9; Hab 1:5–11; Hab 3:2; Dan 10:8; 2 Tess 1:6–9 ### Toch zal ik juichen in Yahweh **3:17** Want de vijgenboom bloeit niet, en er is geen opbrengst aan de wijnstokken. De opbrengst van de olijfboom valt tegen, en de akkers brengen geen voedsel voort. De kudde is uit de kraal weggesneden, en er is geen rund in de stallen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | תְאֵנָ֣ה (teena) = de vijgenboom | לֹֽא (lo) = niet | תִפְרָ֗ח (tifrach) = bloeit | וְאֵ֤ין (veein) = en niet is er | יְבוּל֙ (yevul) = opbrengst | בַּגְּפָנִ֔ים (bagefanim) = aan de wijnstokken | כִּחֵשׁ֙ (kichesh) = valt tegen | מַעֲשֵׂה (maase) = werk van | זַ֔יִת (zayit) = de olijfboom | וּשְׁדֵמ֖וֹת (ushedemot) = en de akkers | לֹא (lo) = niet | עָ֣שָׂה (asa) = brengen voort | אֹ֑כֶל (okhel) = voedsel | גָּזַ֤ר (gazar) = is weggesneden | מִמִּכְלָה֙ (mimikhla) = uit de kraal | צֹ֔אן (tson) = kudde | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is er | בָּקָ֖ר (baqar) = rund | בָּרְפָתִֽים (barefatim) = in de stallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De profeet noemt het verlies van alle voedsel: vijg, druif, olijf, graan, kleinvee en rundvee. Dat is de volledige ramp van een belegerd land (Deut. 28:38–42). Voetnoot : כִּחֵשׁ (kichesh), ‘valt tegen’: letterlijk ‘liegt’. De olijfboom geeft niet wat hij belooft. Voetnoot : מִמִּכְלָה (mimmikhlah), ‘uit de kraal’ en בָּרְפָתִים (birfatim), ‘in de stallen’: twee zeldzame woorden voor dierenverblijven. Zie ook: Deut 28:30–41; Deut 28:38–42; Joël 1:16–18; Amos 4:6–10; Jer 5:17; Hag 2:16–17 **3:18** Maar ik, ik zal juichen in Yahweh, ik zal jubelen in de Elohim van mijn redding. Brontekst: וַאֲנִ֖י (vaani) = en ik | בַּיהוָ֣ה (baYahweh) = in Yahweh | אֶעְל֑וֹזָה (eloza) = zal juichen | אָגִ֖ילָה (agila) = zal jubelen | בֵּאלֹהֵ֥י (belohei) = in de Elohim van | יִשְׁעִֽי (yishi) = mijn redding Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶעְלוֹזָה אָגִילָה (e'elozah agilah), ‘ik zal juichen, ik zal jubelen’: twee werkwoorden voor uitbundige vreugde. בֵּאלֹהֵי יִשְׁעִי (belohei yish'i), ‘in de Elohim van mijn redding’: yesha, ‘redding’; zie ook vers 13. Zie ook: Job 13:15; Jes 12:2; Jes 61:10; Mi 7:7; Hab 3:13; Fil 4:4 **3:19** Heer Yahweh is mijn kracht. Hij maakt mijn voeten als die van hinden en laat mij treden op mijn hoogten. Voor de koorleider, bij mijn snarenspel. Brontekst: יְהוִ֤הּ (Yahweh) = Yahweh | אֲדֹנָי֙ (adonay) = Heer | חֵילִ֔י (cheili) = mijn kracht | וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en Hij maakt | רַגְלַי֙ (raglay) = mijn voeten | כָּֽאַיָּל֔וֹת (kaayalot) = als hinden | וְעַ֥ל (veal) = en op | בָּמוֹתַ֖י (bamotay) = mijn hoogten | יַדְרִכֵ֑נִי (yadrikheni) = laat Hij mij treden | לַמְנַצֵּ֖חַ (lamnatseach) = voor de koorleider | בִּנְגִינוֹתָֽי (binginotay) = bij mijn snarenspel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוִהּ אֲדֹנָי (Yahweh Adonai), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’. Als aanspreking en naam van Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’. Hier staat het in omgekeerde volgorde: Yahweh Adonai. Voetnoot : כָּאַיָּלוֹת (ka'ayyalot), ‘als hinden’: snel en veilig op steile hellingen. Dezelfde zin staat in Ps. 18:34 (NL 18:33) en 2 Sam. 22:34. Voetnoot : בָּמוֹתַי (bamotai), ‘mijn hoogten’: de hoge plaatsen van het land, bergen. Zie ook Deut. 32:13. Voetnoot : לַמְנַצֵּחַ בִּנְגִינוֹתָי (lamnatseach binginotai), ‘voor de koorleider, bij mijn snarenspel’: een liturgische aanwijzing, zoals boven veel Psalmen (Ps. 4:1). Het gebed werd dus in de tempel gezongen, met snaarinstrumenten. Zie ook: Deut 32:13; 2 Sam 22:34; Ps 4:1; Ps 18:34; Ps 46:2; Fil 4:13