# Genesis (בראשית, Bereshith) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Genesis 1 _Schepping_ ### Het begin **1:1** In het begin schiep Elohim de hemel en de aarde. Brontekst: בְּרֵאשִׁ֖ית (bereshith) = in het begin | בָּרָ֣א (bara) = schiep | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | אֵ֥ת (et) = (lijdend voorwerp) | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֵ֥ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים (Elohim) heeft een meervoudsvorm (de uitgang -im), maar het werkwoord בָּרָא (bara), ‘schiep’, staat in het enkelvoud. Eén God, met een meervoudsvorm. Veel christenen zien hierin een aanwijzing voor de drie-eenheid: Elohim als de ene God in drie personen, die in dit hoofdstuk samen optreden: Elohim (vers 1), de Geest van Elohim (vers 2) en het Woord waarmee Hij spreekt (vers 3; zie Joh. 1:1–3). Dat sluit aan bij ‘Laten Wij’ in vers 26, een meervoud dat wordt verklaard als de drie-eenheid of als overleg van Elohim met de hemelse raad. Zie ook: Gen 1:2; Gen 1:3; Gen 1:26; Jub 2:1; Jub 2:2–3; Jes 45:18; Joh 1:1–3; Heb 1:10; Heb 11:3; Openb 4:11 **1:2** De aarde was woest en leeg. Het was donker boven de watermassa. De Geest van Elohim zweefde boven het water. Brontekst: וְהָאָ֗רֶץ (vehaarets) = en de aarde | הָיְתָ֥ה (hayeta) = was | תֹ֨הוּ֙ (tohu) = woest | וָבֹ֔הוּ (vavohu) = en leeg | וְחֹ֖שֶׁךְ (vechoshekh) = en duisternis | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = oppervlak | תְה֑וֹם (tehom) = watermassa | וְר֣וּחַ (veruach) = en geest | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | מְרַחֶ֖פֶת (merachefet) = zwevend | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = oppervlak | הַמָּֽיִם (hamayim) = het water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ אֱלֹהִים (ruach Elohim): ‘Geest van Elohim’. מְרַחֶפֶת (merachefet) is een deelwoord: ‘zwevend, broedend, zich bewegend’. תְהוֹם (tehom) is de grote watermassa waarmee de aarde bedekt was; het woord komt ook voor in Genesis 7:11 en 8:2. ‘Watermassa’ is gekozen omdat ‘diepte’ in het Nederlands een maat aanduidt en niet een plaats vol water. Vers 2 beschrijft de aarde als woest, leeg, donker en vol water. De tekst vermeldt niet hoelang de hier beschreven toestand duurde. Zie ook: Gen 1:5; Gen 7:11; Gen 8:2; Hen 108:3; Jub 2:2; Job 26:7; Ps 33:6; Ps 104:30; Jes 45:18; Jer 4:23 ### Dag één: licht **1:3** Elohim zei: **„Laat er licht zijn.”** En er was licht. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | יְהִ֣י (yehi) = laat zijn | א֑וֹר (or) = licht | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | אֽוֹר (or) = licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De bron van dit licht is nog niet de zon, de maan of de sterren: die worden pas in vers 16 geplaatst. Later zegt de Schrift dat Yahweh zelf het eeuwige licht is, in plaats van zon en maan (Jes. 60:19; vgl. Openb. 21:23 en 22:5). Hij is hier mogelijk de bron van het licht. Zie ook: Gen 1:16; Jub 2:2; Jes 45:7; Jes 60:19; Joh 1:5; 2 Kor 4:6; 1 Joh 1:5; Openb 21:23; Openb 22:5 **1:4** Elohim zag dat het licht goed was, en Elohim scheidde het licht van de duisternis. Brontekst: וַיַּ֧רְא (vayar) = en Hij zag | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָא֖וֹר (haor) = het licht | כִּי (ki) = dat | ט֑וֹב (tov) = goed | וַיַּבְדֵּ֣ל (vayavdel) = en Hij scheidde | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָא֖וֹר (haor) = het licht | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הַחֹֽשֶׁךְ (hachoshekh) = de duisternis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:12; Gen 1:18; Gen 1:31; Jub 2:2; Pred 2:13; Pred 11:7 **1:5** Elohim noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd morgen: dag één. Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en Hij noemde | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | לָאוֹר֙ (laor) = aan het licht | י֔וֹם (yom) = dag | וְלַחֹ֖שֶׁךְ (velachoshekh) = en aan de duisternis | קָ֣רָא (qara) = Hij noemde | לָ֑יְלָה (layela) = nacht | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | עֶ֥רֶב (erev) = avond | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | בֹ֖קֶר (boqer) = morgen | י֥וֹם (yom) = dag | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶרֶב (erev), ‘avond’, en בֹּקֶר (boqer), ‘morgen’, staan samen voor één volledige dag. יוֹם אֶחָד (yom echad) is letterlijk ‘dag één’: hier staat het hoofdtelwoord ‘één’, bij de volgende dagen een rangtelwoord (‘de tweede dag’, ‘de derde dag’…). Elohim bepaalt hier het ritme van dag en nacht, nog vóór de zon en de maan (vers 16) worden gemaakt. Voetnoot : Na vers 16 telt Elohim een dag van zonsondergang tot zonsondergang, zoals ook in Lev. 23:32 (‘van avond tot avond’). Zie ook: Gen 1:16; Gen 8:22; Jub 2:2; Lev 23:32; Ps 74:16; Ps 104:20; Jes 45:7; 1 Tess 5:5 ### Dag twee: het uitspansel **1:6** Elohim zei: **„Laat er een uitspansel komen midden in het water, dat water van water scheidt.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | יְהִ֥י (yehi) = laat zijn | רָקִ֖יעַ (raqia) = uitspansel | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | וִיהִ֣י (vihi) = en laat zijn | מַבְדִּ֔יל (mavdil) = scheidend | בֵּ֥ין (bein) = tussen | מַ֖יִם (mayim) = water | לָמָֽיִם (lamayim) = en water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָקִיעַ (raqia) komt van רָקַע (raqa), ‘uitkloppen, uitspreiden’, en is dus ‘iets dat is uitgespreid’. Het Hebreeuws noemt geen vorm. De Bijbel gebruikt voor de hemel verschillende beelden: een uitgespannen tentdoek (Jes. 40:22; Ps. 104:2), een uitgeklopte metalen plaat (Ex. 39:3, met dezelfde wortel), een gegoten spiegel (Job 37:18) en een boekrol die wordt opgerold (Jes. 34:4). ‘Uitspansel’ is het traditionele Nederlandse woord en noemt geen vorm. Overal in dit hoofdstuk vertaald als ‘uitspansel’. Zie ook: Jub 2:4; Job 26:7–8; Job 37:18; Ex 39:3; Ps 33:6; Ps 104:2; Jes 34:4; Jes 40:22; Jer 10:12–13; Jer 51:15 **1:7** Elohim maakte het uitspansel en scheidde het water onder het uitspansel van het water boven het uitspansel. En zo gebeurde het. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en Hij maakte | אֱלֹהִים֮ (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָרָקִיעַ֒ (haraqia) = het uitspansel | וַיַּבְדֵּ֗ל (vayavdel) = en hij scheidde | בֵּ֤ין (bein) = tussen | הַמַּ֨יִם֙ (hamayim) = het water | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | מִתַּ֣חַת (mitachat) = onder | לָרָקִ֔יעַ (laraqia) = het uitspansel | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | מֵעַ֣ל (meal) = boven | לָרָקִ֑יעַ (laraqia) = het uitspansel | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:9; Jub 2:4; Job 38:8–11; Ps 148:4; Spr 8:28–29; Mat 8:27 **1:8** Elohim noemde het uitspansel hemel. Het werd avond en het werd morgen: de tweede dag. Brontekst: וַיִּקְרָ֧א (vayiqra) = en Hij noemde | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | לָֽרָקִ֖יעַ (laraqia) = aan het uitspansel | שָׁמָ֑יִם (shamayim) = hemel | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | עֶ֥רֶב (erev) = avond | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | בֹ֖קֶר (boqer) = morgen | י֥וֹם (yom) = dag | שֵׁנִֽי (sheni) = tweede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:5; Gen 1:13; Gen 1:19; Gen 1:31; Gen 5:2; Jub 2:4 ### Dag drie: land en planten **1:9** Elohim zei: **„Laat het water onder de hemel zich verzamelen op één plaats, en laat het droge zichtbaar worden.”** En zo gebeurde het. Het water onder de hemel kwam samen op zijn plaatsen en het droge werd zichtbaar. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | יִקָּו֨וּ (yiqavu) = laat zich verzamelen | הַמַּ֜יִם (hamayim) = het water | מִתַּ֤חַת (mitachat) = onder | הַשָּׁמַ֨יִם֙ (hashamayim) = de hemel | אֶל (el) = naar | מָק֣וֹם (maqom) = plaats | אֶחָ֔ד (echad) = één | וְתֵרָאֶ֖ה (veterae) = en laat zichtbaar worden | הַיַּבָּשָׁ֑ה (hayabasha) = het droge | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | כֵֽן (ken) = zo | ויקוו (vayyiqqavu) = en het kwam samen | המים (hammayim) = het water | מתחת (mittachat) = onder | השמים (hashamayim) = de hemel | אל (el) = naar | מקויהם (miqvehem) = hun plaatsen | ותראה (vatere) = en werd zichtbaar | היבשה (hayabbashah) = het droge Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta Voetnoot Uitleg: De Septuaginta heeft hier een extra zin: ‘en het water onder de hemel kwam samen op zijn plaatsen en het droge werd zichtbaar’. Voetnoot : Vers 9 zegt eerst ‘op één plaats’. De Septuaginta noemt hier ‘plaatsen’, zoals ook vers 10 het ene verzamelde water ‘zeeën’ noemt. Voetnoot : Het Qumran-handschrift 4QGen-k heeft hier waarschijnlijk dezelfde extra zin. Voetnoot : De Masoretische tekst heeft die zin niet; deze vertaling volgt hier de Septuaginta. Zie ook: Gen 1:10; Jub 2:5; Ps 95:5; Pred 1:7; Jona 1:9; Jer 5:22; 2 Petr 3:5 **1:10** Elohim noemde het droge aarde, en het verzamelde water noemde Hij zeeën. Elohim zag dat het goed was. Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en Hij noemde | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | לַיַּבָּשָׁה֙ (layabasha) = aan het droge | אֶ֔רֶץ (erets) = aarde | וּלְמִקְוֵ֥ה (ulemiqve) = en aan de verzameling van | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | קָרָ֣א (qara) = Hij noemde | יַמִּ֑ים (yamim) = zeeën | וַיַּ֥רְא (vayar) = en Hij zag | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | כִּי (ki) = dat | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:4; Jub 2:5; Deut 32:4; Ps 104:31 **1:11** Elohim zei: **„Laat de aarde jong groen voortbrengen: planten die zaad dragen, en vruchtbomen die vrucht dragen, ieder naar zijn soort, met het zaad erin, op de aarde.”** En zo gebeurde het. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | תַּֽדְשֵׁ֤א (tadshe) = laat uitspruiten | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | דֶּ֔שֶׁא (deshe) = jong groen | עֵ֚שֶׂב (esev) = plant | מַזְרִ֣יעַ (mazria) = zaad voortbrengend | זֶ֔רַע (zera) = zaad | עֵ֣ץ (ets) = boom | פְּרִ֞י (peri) = vrucht | עֹ֤שֶׂה (ose) = makend | פְּרִי֙ (peri) = vrucht | לְמִינ֔וֹ (lemino) = naar zijn soort | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | זַרְעוֹ (zaro) = zijn zaad | ב֖וֹ (bo) = erin | עַל (al) = op | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:29; Ps 65:10–14; Ps 104:14–17; Ps 147:8; Heb 6:7 **1:12** De aarde bracht jong groen voort: planten die zaad dragen, ieder naar zijn soort, en bomen die vrucht dragen, met het zaad erin, ieder naar zijn soort. Elohim zag dat het goed was. Brontekst: וַתּוֹצֵ֨א (vatotse) = en zij bracht voort | הָאָ֜רֶץ (haarets) = de aarde | דֶּ֠שֶׁא (deshe) = jong groen | עֵ֣שֶׂב (esev) = plant | מַזְרִ֤יעַ (mazria) = zaad voortbrengend | זֶ֨רַע֙ (zera) = zaad | לְמִינֵ֔הוּ (leminehu) = naar zijn soort | וְעֵ֧ץ (veets) = en boom | עֹֽשֶׂה (ose) = makend | פְּרִ֛י (peri) = vrucht | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | זַרְעוֹ (zaro) = zijn zaad | ב֖וֹ (bo) = erin | לְמִינֵ֑הוּ (leminehu) = naar zijn soort | וַיַּ֥רְא (vayar) = en Hij zag | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | כִּי (ki) = dat | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 55:10–11; Mat 13:24–26; Mar 4:28; Luc 6:44; Gal 6:7 **1:13** Het werd avond en het werd morgen: de derde dag. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | עֶ֥רֶב (erev) = avond | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | בֹ֖קֶר (boqer) = morgen | י֥וֹם (yom) = dag | שְׁלִישִֽׁי (shelishi) = derde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Dag vier: lichten aan het uitspansel **1:14** Elohim zei: **„Laat er lichten komen aan het uitspansel van de hemel, om de dag van de nacht te scheiden. Ze moeten dienen als tekens: voor de vaste tijden, voor dagen en jaren.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | יְהִ֤י (yehi) = laat zijn | מְאֹרֹת֙ (meorot) = lichten | בִּרְקִ֣יעַ (birqia) = in het uitspansel | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | לְהַבְדִּ֕יל (lehavdil) = om te scheiden | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הַיּ֖וֹם (hayom) = de dag | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = de nacht | וְהָי֤וּ (vehayu) = en laat ze zijn | לְאֹתֹת֙ (leotot) = tot tekens | וּלְמ֣וֹעֲדִ֔ים (ulemoadim) = en tot vaste tijden | וּלְיָמִ֖ים (uleyamim) = en tot dagen | וְשָׁנִֽים (veshanim) = en jaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 75:3; Jub 2:8; Deut 4:19; Ps 74:16–17; Ps 104:19–20; Ps 148:3; Jer 31:35 **1:15** **Ze moeten dienen als lichten aan het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde.”** En zo gebeurde het. Brontekst: וְהָי֤וּ (vehayu) = en laat ze zijn | לִמְאוֹרֹת֙ (limorot) = tot lichten | בִּרְקִ֣יעַ (birqia) = in het uitspansel | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | לְהָאִ֖יר (lehair) = om te verlichten | עַל (al) = op | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 2:8 **1:16** Elohim maakte de twee grote lichten: het grote licht om over de dag te regeren, het kleine licht om over de nacht te regeren. Ook de sterren. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en Hij maakte | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הַמְּאֹרֹ֖ת (hameorot) = de lichten | הַגְּדֹלִ֑ים (hagedolim) = de grote | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמָּא֤וֹר (hamaor) = het licht | הַגָּדֹל֙ (hagadol) = het grote | לְמֶמְשֶׁ֣לֶת (lememshelet) = tot heerschappij van | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַמָּא֤וֹר (hamaor) = het licht | הַקָּטֹן֙ (haqaton) = het kleine | לְמֶמְשֶׁ֣לֶת (lememshelet) = tot heerschappij van | הַלַּ֔יְלָה (halayla) = de nacht | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַכּוֹכָבִֽים (hakokhavim) = de sterren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zon en maan worden hier niet bij naam genoemd: het Hebreeuws zegt מָאוֹר (ma’or), ‘lichtgever’: ‘het grote licht’ en ‘het kleine licht’. De woorden voor zon, שֶׁמֶשׁ (shemesh), en maan, יָרֵחַ (yareach), komen in dit hoofdstuk niet voor. Zie ook: Hen 72:36; Hen 73:4; Jub 2:8; Deut 4:19; Ps 8:4; Ps 74:16; Ps 136:7–9; Ps 148:5 **1:17** Elohim zette ze aan het uitspansel van de hemel om licht te geven op de aarde, Brontekst: וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en Hij zette | אֹתָ֛ם (otam) = hen | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בִּרְקִ֣יעַ (birqia) = in het uitspansel | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | לְהָאִ֖יר (lehair) = om te verlichten | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:13; Jub 2:8; Job 38:12; Ps 8:2; Ps 8:4; Hand 13:47 **1:18** om te regeren over de dag en de nacht en het licht van de duisternis te scheiden. Elohim zag dat het goed was. Brontekst: וְלִמְשֹׁל֙ (velimshol) = en om te heersen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = in de dag | וּבַלַּ֔יְלָה (uvalayla) = en in de nacht | וּֽלֲהַבְדִּ֔יל (ulahavdil) = en om te scheiden | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הָא֖וֹר (haor) = het licht | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַחֹ֑שֶׁךְ (hachoshekh) = de duisternis | וַיַּ֥רְא (vayar) = en Hij zag | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | כִּי (ki) = dat | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 2:8; Ps 19:7; Jer 31:35 **1:19** Het werd avond en het werd morgen: de vierde dag. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | עֶ֥רֶב (erev) = avond | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | בֹ֖קֶר (boqer) = morgen | י֥וֹם (yom) = dag | רְבִיעִֽי (revii) = vierde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 2:8 ### Dag vijf: vissen en vogels **1:20** Elohim zei: **„Laat het water wemelen van levende wezens, en laat vogels vliegen boven de aarde, langs het uitspansel van de hemel.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | יִשְׁרְצ֣וּ (yishretsu) = laat wemelen | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | שֶׁ֖רֶץ (sherets) = gewemel | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = wezen | חַיָּ֑ה (chaya) = levend | וְעוֹף֙ (veof) = en gevogelte | יְעוֹפֵ֣ף (yeofef) = laat vliegen | עַל (al) = boven | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | עַל (al) = op | פְּנֵ֖י (penei) = oppervlak | רְקִ֥יעַ (reqia) = uitspansel | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:30; Gen 2:19; Jub 2:11; Ps 104:24–25; Ps 148:10; 1 Kon 5:13 **1:21** Elohim schiep de grote zeedieren en alle levende wezens die zich voortbewegen, waarvan het water wemelt, ieder naar zijn soort. Ook schiep Hij alle vogels, ieder naar zijn soort. Elohim zag dat het goed was. Brontekst: וַיִּבְרָ֣א (vayivra) = en Hij schiep | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַתַּנִּינִ֖ם (hataninim) = de zeedieren | הַגְּדֹלִ֑ים (hagedolim) = de grote | וְאֵ֣ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = wezen | הַֽחַיָּ֣ה (hachaya) = het levende | הָֽרֹמֶ֡שֶׂת (haromeset) = het zich voortbewegende | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | שָׁרְצ֨וּ (sharetsu) = wemelden | הַמַּ֜יִם (hamayim) = het water | לְמִֽינֵהֶ֗ם (leminehem) = naar hun soort | וְאֵ֨ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | ע֤וֹף (of) = vogel | כָּנָף֙ (kanaf) = vleugel | לְמִינֵ֔הוּ (leminehu) = naar zijn soort | וַיַּ֥רְא (vayar) = en Hij zag | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | כִּי (ki) = dat | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתַּנִּינִם (hatanninim), ‘de grote zeedieren’. In andere teksten is de tannin een slang of zeemonster, een symbool van chaos (Ps. 74:13; Jes. 27:1). Hier zijn het gewoon grote schepselen die Elohim zelf maakt. Daarom staat er ‘zeedieren’ en niet ‘zeemonsters’. Zie ook: Gen 1:25; Gen 8:17; Gen 8:19; Jub 2:11; Ex 7:28; Ps 74:13; Ps 104:24–26; Jes 27:1 **1:22** Elohim zegende ze en zei: **„Wees vruchtbaar en word talrijk, vul het water in de zeeën. Laat de vogels talrijk worden op de aarde.”** Brontekst: וַיְבָ֧רֶךְ (vayvarekh) = en Hij zegende | אֹתָ֛ם (otam) = hen | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לֵאמֹ֑ר (lemor) = om te zeggen | פְּר֣וּ (peru) = wees vruchtbaar | וּרְב֗וּ (urevu) = en word talrijk | וּמִלְא֤וּ (umilu) = en vul | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמַּ֨יִם֙ (hamayim) = het water | בַּיַּמִּ֔ים (bayamim) = in de zeeën | וְהָע֖וֹף (vehaof) = en het gevogelte | יִ֥רֶב (yirev) = laat talrijk worden | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:28; Gen 8:17; Gen 9:1; Jub 2:11; Job 40:15; Ps 107:38 **1:23** Het werd avond en het werd morgen: de vijfde dag. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | עֶ֥רֶב (erev) = avond | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | בֹ֖קֶר (boqer) = morgen | י֥וֹם (yom) = dag | חֲמִישִֽׁי (chamishi) = vijfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 2:11 ### Dag zes: de dieren op het land **1:24** Elohim zei: **„Laat de aarde levende wezens voortbrengen, ieder naar zijn soort: vee, kruipende dieren en wilde dieren van de aarde, ieder naar zijn soort.”** En zo gebeurde het. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | תּוֹצֵ֨א (totse) = laat voortbrengen | הָאָ֜רֶץ (haarets) = de aarde | נֶ֤פֶשׁ (nefesh) = wezen | חַיָּה֙ (chaya) = levend | לְמִינָ֔הּ (leminah) = naar haar soort | בְּהֵמָ֥ה (behema) = vee | וָרֶ֛מֶשׂ (varemes) = en kruipend dier | וְחַֽיְתוֹ (vechayto) = en dier van | אֶ֖רֶץ (erets) = aarde | לְמִינָ֑הּ (leminah) = naar haar soort | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְמִינָהּ (leminah), ‘naar haar soort’, staat in enkelvoud, omdat נֶפֶשׁ חַיָּה (nefesh chayah), ‘levend wezen’, een verzameling is. ‘Ieder naar zijn soort’ geeft dat enkelvoud weer: elke diersoort brengt zijn eigen soort voort. Zie ook: Gen 6:20; Gen 8:19; Jub 2:13; Job 40:15; Ps 50:9–10; Ps 148:10 **1:25** Elohim maakte de wilde dieren van de aarde naar zijn soort, het vee naar zijn soort, en alle kruipende dieren van de grond naar zijn soort. Elohim zag dat het goed was. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en Hij maakte | אֱלֹהִים֩ (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חַיַּ֨ת (chayat) = dier van | הָאָ֜רֶץ (haarets) = de aarde | לְמִינָ֗הּ (leminah) = naar haar soort | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַבְּהֵמָה֙ (habehema) = het vee | לְמִינָ֔הּ (leminah) = naar haar soort | וְאֵ֛ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | רֶ֥מֶשׂ (remes) = kruipend dier | הָֽאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | לְמִינֵ֑הוּ (leminehu) = naar zijn soort | וַיַּ֥רְא (vayar) = en Hij zag | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | כִּי (ki) = dat | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:19–20; Jub 2:13; Job 12:8–10; Job 26:13; Jer 27:5 ### De mens naar het beeld van Elohim **1:26** Elohim zei: **„Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. Zij moeten heersen over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee en de hele aarde, en over alles wat zich over de aarde voortbeweegt.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | נַֽעֲשֶׂ֥ה (naase) = laten wij maken | אָדָ֛ם (adam) = mens | בְּצַלְמֵ֖נוּ (betsalmenu) = in ons beeld | כִּדְמוּתֵ֑נוּ (kidmutenu) = naar onze gelijkenis | וְיִרְדּוּ֩ (veyirdu) = en laat ze heersen | בִדְגַ֨ת (bidgat) = over de vis van | הַיָּ֜ם (hayam) = de zee | וּבְע֣וֹף (uveof) = en over het gevogelte van | הַשָּׁמַ֗יִם (hashamayim) = de hemel | וּבַבְּהֵמָה֙ (uvabehema) = en over het vee | וּבְכָל (uvekhal) = en over al | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וּבְכָל (uvekhal) = en over al | הָרֶ֖מֶשׂ (haremes) = het kruipende dier | הָֽרֹמֵ֥שׂ (haromes) = het zich voortbewegende | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָדָם (adam) staat hier zonder lidwoord. Dat wijst elders op de eigennaam Adam (zie 2:20; 3:17; 4:25), maar hier niet: de persoon Adam wordt pas vanaf 2:16 genoemd, en het meervoud ‘Zij moeten heersen’ laat zien dat de mensheid als geheel bedoeld is. Daarom staat er ‘mensen’. In vers 27 staat het met lidwoord (הָאָדָם, ha’adam), daar vertaald als ‘de mens’. נַעֲשֶׂה (na’aseh), ‘laten Wij maken’, is een meervoud, net als in 3:22 en 11:7. בְּצַלְמֵנוּ כִּדְמוּתֵנוּ (betsalmenu kidmutenu), ‘naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis’, heeft hetzelfde meervoud; in vers 27 staat het enkelvoud: בְּצַלְמוֹ (betsalmo), ‘naar Zijn beeld’. Hier is niet de persoon Adam bedoeld; de naam Adam staat pas vanaf Gen. 2:16 (zie de voetnoot daar). Het meervoud ‘Laten Wij’ wordt verklaard als de drie-eenheid (zie de voetnoot bij vers 1) of als overleg van Elohim met de hemelse raad. Zie ook: Gen 1:1; Gen 1:27; Gen 2:16; Gen 2:20; Gen 3:17; Gen 3:22; Gen 4:1; Gen 4:25; Gen 5:1; Gen 11:7; Jub 2:14; Ps 8:5–9; Ef 4:24; Kol 3:10 **1:27** Elohim schiep de mens naar Zijn beeld. Hij schiep hem naar het beeld van Elohim. Hij schiep hen mannelijk en vrouwelijk. Brontekst: וַיִּבְרָ֨א (vayivra) = en Hij schiep | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָֽאָדָם֙ (haadam) = de mens | בְּצַלְמ֔וֹ (betsalmo) = in Zijn beeld | בְּצֶ֥לֶם (betselem) = in het beeld van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בָּרָ֣א (bara) = schiep | אֹת֑וֹ (oto) = hem | זָכָ֥ר (zakhar) = mannelijk | וּנְקֵבָ֖ה (uneqeva) = en vrouwelijk | בָּרָ֥א (bara) = schiep | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאָדָם (ha’adam) is ‘de mens’ als soort. In dit vers wisselen ‘hem’ en ‘hen’. Zie ook: Gen 2:21–25; Gen 5:1–2; Jub 2:14; Jas 1:1; Mat 19:4; Mar 10:6; Ef 2:10 **1:28** Elohim zegende hen, en Elohim zei tegen hen: **„Wees vruchtbaar en word talrijk, vul de aarde en onderwerp haar. Heers over de vissen van de zee, de vogels van de hemel en alle levende wezens die zich over de aarde voortbewegen.”** Brontekst: וַיְבָ֣רֶךְ (vayvarekh) = en Hij zegende | אֹתָם֮ (otam) = hen | אֱלֹהִים֒ (Elohim) = Elohim | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֜ם (lahem) = tot hen | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | פְּר֥וּ (peru) = wees vruchtbaar | וּרְב֛וּ (urevu) = en word talrijk | וּמִלְא֥וּ (umilu) = en vul | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וְכִבְשֻׁ֑הָ (vekhivshuha) = en onderwerp haar | וּרְד֞וּ (uredu) = en heers | בִּדְגַ֤ת (bidgat) = over de vis van | הַיָּם֙ (hayam) = de zee | וּבְע֣וֹף (uveof) = en over het gevogelte van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וּבְכָל (uvekhal) = en over al | חַיָּ֖ה (chaya) = levend wezen | הָֽרֹמֶ֥שֶׂת (haromeset) = het zich voortbewegende | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֹמֶשֶׂת (haromeset), ‘wat zich voortbeweegt’, is het werkwoord רמשׂ (ramas), ‘zich voortbewegen’. Het zelfstandig naamwoord רֶמֶשׂ (remes), ‘kruipend dier’, in 1:24–25 en 6:20 wijst op een eigen groep naast het vee en de wilde dieren. Het slaat op alle levende wezens op aarde, niet alleen op dieren die kruipen. Dit werkwoord komt ook voor in 1:26 en 1:30, 7:8, 7:14, 7:21, 8:17, 8:19 en 9:2. Zie ook: Gen 1:24–25; Gen 1:26; Gen 1:30; Gen 6:20; Gen 7:8; Gen 7:14; Gen 7:21; Gen 8:17; Gen 8:19; Gen 9:1; Gen 9:2; Gen 9:7; Gen 22:17–18; Jub 2:14; Lev 26:9; Ps 128:3–4 **1:29** Elohim zei: **„Zie, Ik geef jullie alle planten die zaad dragen, overal op de aarde, en alle bomen met vruchten die zaad dragen. Dat zal jullie voedsel zijn.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | הִנֵּה֩ (hine) = zie | נָתַ֨תִּי (natati) = ik heb gegeven | לָכֶ֜ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | עֵ֣שֶׂב (esev) = plant | זֹרֵ֣עַ (zorea) = zaad zaaiend | זֶ֗רַע (zera) = zaad | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = oppervlak | כָל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | הָעֵ֛ץ (haets) = de boom | אֲשֶׁר (asher) = die | בּ֥וֹ (bo) = erin | פְרִי (peri) = vrucht van | עֵ֖ץ (ets) = boom | זֹרֵ֣עַ (zorea) = zaad zaaiend | זָ֑רַע (zara) = zaad | לָכֶ֥ם (lakhem) = aan jullie | יִֽהְיֶ֖ה (yihye) = het zal zijn | לְאָכְלָֽה (leakhela) = tot voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:3; Ps 104:14–15; Ps 104:27–28; Ps 145:15–16; Ps 147:9 **1:30** **En alle wilde dieren van de aarde, alle vogels van de hemel en alles wat zich over de aarde voortbeweegt, alles waarin leven is: voor hen geef Ik alle groene planten tot voedsel.”** En zo gebeurde het. Brontekst: וּֽלְכָל (ulekhal) = en aan al | חַיַּ֣ת (chayat) = dier van | הָ֠אָרֶץ (haarets) = de aarde | וּלְכָל (ulekhal) = en aan al | ע֨וֹף (of) = vogel van | הַשָּׁמַ֜יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְכֹ֣ל (ulekhol) = en aan al | רוֹמֵ֣שׂ (romes) = wat zich voortbeweegt | עַל (al) = op | הָאָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | אֲשֶׁר (asher) = die | בּוֹ֙ (bo) = erin | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = wezen | חַיָּ֔ה (chaya) = levend | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | יֶ֥רֶק (yereq) = groen | עֵ֖שֶׂב (esev) = plant | לְאָכְלָ֑ה (leakhela) = tot voedsel | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:15; Job 40:20; Ps 104:14; Ps 145:15–16; Ps 147:9 **1:31** En Elohim keek naar alles wat Hij gemaakt had, en zie: het was zeer goed. Het werd avond en het werd morgen: de zesde dag. Brontekst: וַיַּ֤רְא (vayar) = en Hij zag | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֔ה (asa) = Hij had gemaakt | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | ט֖וֹב (tov) = goed | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | עֶ֥רֶב (erev) = avond | וַֽיְהִי (vayhi) = en het werd | בֹ֖קֶר (boqer) = morgen | י֥וֹם (yom) = dag | הַשִּׁשִּֽׁי (hashishi) = de zesde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 20:11; Ps 19:2–3; Ps 104:24; Ps 104:31; 1 Tim 4:4 ## Genesis 2 _De tuin in Eden_ ### De zevende dag: rust **2:1** Zo waren de hemel en de aarde klaar, met alles wat daarin is. Brontekst: וַיְכֻלּ֛וּ (vaykhulu) = en ze werden voltooid | הַשָּׁמַ֥יִם (hashamayim) = de hemel | וְהָאָ֖רֶץ (vehaarets) = en de aarde | וְכָל (vekhal) = en al | צְבָאָֽם (tsevaam) = hun leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:1; Ex 20:11; Ex 31:17; Ps 33:6; Jes 45:18 **2:2** Op de zesde dag maakte Elohim het werk af dat Hij gedaan had. Op de zevende dag rustte Hij van al het werk dat Hij had gedaan. Brontekst: וַיְכַ֤ל (vaykhal) = en Hij voltooide | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הששי (hashishshi) = de zesde | מְלַאכְתּ֖וֹ (melakhto) = Zijn werk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֑ה (asa) = Hij had gedaan | וַיִּשְׁבֹּת֙ (vayishbot) = en Hij rustte | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | מִכָּל (mikal) = van al | מְלַאכְתּ֖וֹ (melakhto) = Zijn werk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָֽׂה (asa) = Hij had gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Samaritaanse Pentateuch Voetnoot Uitleg: עָשָׂה (asah) betekent ‘maken’ en ‘doen’. In 1:31 staat ‘gemaakt’ voor wat Elohim schiep, in 2:2 ‘gedaan’ voor het werk zelf: het is hetzelfde werkwoord. Het werk is af op de zesde dag en Elohim rust op de zevende (Gen. 1:31–2:3). De Masoretische tekst heeft beide keren ‘zevende dag’. De Septuaginta, de Samaritaanse Pentateuch en de Peshitta hebben: voltooid op de zesde dag. Jubileeën 2:16 bevestigt dit. Dit vers volgt hen, en de gang van 1:31–2:3. Zie ook: Gen 1:31–2:3; Gen 2:3; Jub 2:16–18; Ex 20:8–11; Ex 23:12; Ex 31:17; Deut 5:14; Heb 4:4 **2:3** Elohim zegende de zevende dag en verklaarde die heilig. Want op die dag rustte Hij van al Zijn werk, dat Elohim scheppend tot stand had gebracht. Brontekst: וַיְבָ֤רֶךְ (vayvarekh) = en Hij zegende | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | י֣וֹם (yom) = dag | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | וַיְקַדֵּ֖שׁ (vayqadesh) = en Hij heiligde | אֹת֑וֹ (oto) = hem | כִּ֣י (ki) = want | ב֤וֹ (bo) = erin | שָׁבַת֙ (shavat) = Hij rustte | מִכָּל (mikal) = van al | מְלַאכְתּ֔וֹ (melakhto) = Zijn werk | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּרָ֥א (bara) = schiep | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = om te maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 31:13–17; Lev 23:3; Ezech 20:12; Mar 2:27; Luc 23:56 ### De zesde dag, ingezoomd: Yahweh en de mens **2:4** Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, bij hun schepping. Toen Yahweh Elohim aarde en hemel maakte, Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit zijn | תוֹלְד֧וֹת (toledot) = voortbrengselen van | הַשָּׁמַ֛יִם (hashamayim) = de hemel | וְהָאָ֖רֶץ (vehaarets) = en de aarde | בְּהִבָּֽרְאָ֑ם (behibaream) = bij hun geschapen worden | בְּי֗וֹם (beyom) = op de dag | עֲשׂ֛וֹת (asot) = het maken door | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶ֥רֶץ (erets) = aarde | וְשָׁמָֽיִם (veshamayim) = en hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹלְדוֹת (toledot): ‘voortbrengselen, geslachten, geschiedenis’; dit woord verdeelt Genesis in onderdelen. יהוה (Yahweh, JHWH) staat hier voor het eerst in de Bijbel. Het is de Naam die Elohim aan Mozes openbaart in Exodus 3:14–15. Hij komt van het werkwoord הָיָה (hayah), ‘zijn’, en wordt gewoonlijk verstaan als ‘Hij is’ of ‘Hij die er is’; het kan ook als toekomst gelezen worden: ‘Hij zal er zijn’. In Exodus 3:14 zegt Elohim: אֶהְיֶה אֲשֶׁר אֶהְיֶה (ehyeh asher ehyeh), ‘Ik ben die Ik ben’ of ‘Ik zal zijn die Ik zal zijn’. De klinkers van de Naam zijn niet overgeleverd: de Joodse traditie spreekt hem niet uit en leest אֲדֹנָי (Adonai), ‘Heer’. ‘Yahweh’ is de gangbare wetenschappelijke weergave. Doordat de Naam hier aan Elohim wordt toegevoegd, is Yahweh dezelfde als Elohim uit hoofdstuk 1. יֵשׁוּעַ (Yeshua) betekent ‘Yahweh redt’ (Matt. 1:21). Vanaf hier staat de godsnaam bij Elohim: ‘Yahweh Elohim’. Openbaring 1:8 vat de Naam samen als ‘Hij die is, die was en die komt’. Zie ook: Gen 1; Gen 1:4; Gen 1:31; Gen 5:1; Gen 36:1; Ex 3:14–15; Mat 1:21; Luc 1:31; Openb 1:8 **2:5** was er op aarde nog geen struik of plant van het veld gegroeid, want Yahweh Elohim had het nog niet laten regenen op de aarde. Ook was er geen mens om de grond te bewerken. Brontekst: וְכֹ֣ל (vekhol) = en al | שִׂ֣יחַ (siach) = struik | הַשָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | טֶ֚רֶם (terem) = nog niet | יִֽהְיֶ֣ה (yihye) = was er | בָאָ֔רֶץ (baarets) = op de aarde | וְכָל (vekhal) = en al | עֵ֥שֶׂב (esev) = plant | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | טֶ֣רֶם (terem) = nog niet | יִצְמָ֑ח (yitsmach) = ontsproot | כִּי֩ (ki) = want | לֹ֨א (lo) = niet | הִמְטִ֜יר (himtir) = liet regenen | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | עַל (al) = op | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וְאָדָ֣ם (veadam) = en mens | אַ֔יִן (ayin) = er was niet | לַֽעֲבֹ֖ד (laavod) = om te bewerken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָֽאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְאָדָם (ve’adam) staat zonder lidwoord, omdat het de mens als soort noemt: er was nog niemand die de grond kon bewerken. Het woord klinkt aan op אֲדָמָה (adamah), ‘grond’. De persoon Adam komt pas in Gen. 2:16 in beeld (zie de voetnoot daar). Zie ook: Gen 1:11–12; Gen 2:16; Gen 3:23; Gen 4:1; Gen 4:12; Job 5:10; Heb 6:7 **2:6** Maar uit de aarde steeg een damp op, die heel het oppervlak van de grond bevochtigde. Brontekst: וְאֵ֖ד (veed) = en damp | יַֽעֲלֶ֣ה (yaale) = steeg op | מִן (min) = uit | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְהִשְׁקָ֖ה (vehishqa) = en besproeide | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | פְּנֵֽי (penei) = oppervlak | הָֽאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵד (ed), ‘damp’, komt in de Bijbel maar één andere keer voor (Job 36:27, daar ‘nevel’ of ‘damp’). Het is niet zeker of het een opstijgende mist is of water dat uit de aarde welt; beide zijn mogelijk. Het beeld is: vóór de regen werd de grond al vochtig. Zie ook: Job 36:27 **2:7** Yahweh Elohim vormde de mens uit stof van de grond. Hij blies in zijn neus de adem van leven, en de mens werd een levend wezen. Brontekst: וַיִּיצֶר֩ (vayitser) = en Hij vormde | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָֽאָדָ֗ם (haadam) = de mens | עָפָר֙ (afar) = stof | מִן (min) = uit | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | וַיִּפַּ֥ח (vayipach) = en hij blies | בְּאַפָּ֖יו (beapav) = in zijn neus | נִשְׁמַ֣ת (nishmat) = adem van | חַיִּ֑ים (chayim) = leven | וַֽיְהִ֥י (vayhi) = en het werd | הָֽאָדָ֖ם (haadam) = de mens | לְנֶ֥פֶשׁ (lenefesh) = tot wezen | חַיָּֽה (chaya) = levend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאָדָם (ha’adam), ‘de mens’, is een klankspel met הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’. נִשְׁמַת חַיִּים (nishmat chayim): ‘adem van leven’. וַיִּפַּח (vayipach), ‘en Hij blies’, in zijn neus: Yahweh Elohim geeft zelf de adem. Met lidwoord, dus geen eigennaam: ‘de mens’. De mens wordt vanaf Gen. 2:16 ‘Adam’ genoemd (zie de voetnoot daar). Zie ook: Gen 2:16; Gen 4:1; Gen 4:25; Gen 5:3–5; Jas 1:2; Job 33:4; Pred 12:7; Jes 64:7; Hand 17:25; 1 Kor 15:45 ### De tuin in Eden **2:8** Yahweh Elohim plantte een tuin in Eden, in het oosten, en plaatste daar de mens die Hij gevormd had. Brontekst: וַיִּטַּ֞ע (vayita) = en Hij plantte | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | גַּן (gan) = tuin | בְעֵ֖דֶן (beeden) = in Eden | מִקֶּ֑דֶם (miqedem) = van het oosten | וַיָּ֣שֶׂם (vayasem) = en Hij plaatste | שָׁ֔ם (sham) = daar | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָֽאָדָ֖ם (haadam) = de mens | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָצָֽר (yatsar) = Hij had gevormd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: עֵדֶן (Eden): de exacte ligging is onbekend, maar waarschijnlijk nabij het Ararat gebergte. Het oosten is gezien vanuit Kanaän. Voetnoot Uitleg: מִקֶּדֶם (miqqedem) betekent ‘in het oosten’ of ‘van oudsher’. הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’. Met lidwoord, dus geen eigennaam; de naam Adam volgt vanaf 2:16 (zie de voetnoot daar). Volgens vers 10 komt er één rivier uit Eden die zich daarna in vier splitst, dus Eden ligt bij de bron. De Eufraat, die ook na de zondvloed wordt genoemd (Gen. 15:18), is daarvoor het vaste punt. De zondvloed (Gen. 7:11) kan de loop van de rivieren veranderd hebben. De ark komt tot rust op de bergen van Ararat (Gen. 8:4), hetzelfde bergland. Dat past bij een nieuw begin in hetzelfde gebied: Elohim geeft Noach dan ook dezelfde opdracht tot vermenigvuldiging als de mens in Gen. 1:28 (Gen. 9:1). Voetnoot Lezing: Hier wordt aangenomen dat Eden in het Armeense hoogland lag, het gebied van Ararat in Oost-Turkije en Armenië, en dat alle vier de rivieren (vers 11–14) daar in Eden ontspringen. Zie ook: Gen 1:28; Gen 2:10; Gen 2:11–14; Gen 2:16; Gen 3:24; Gen 7:11; Gen 8:4; Gen 9:1; Gen 13:10; Gen 15:18; Hen 32:3; Hen 77:3; Jub 3:9; Joël 2:3; Ezech 28:13; Ezech 31:8–9 **2:9** Yahweh Elohim liet uit de grond allerlei bomen groeien, begeerlijk om te zien en goed om van te eten. Ook liet Hij, midden in de tuin, de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad groeien. Brontekst: וַיַּצְמַ֞ח (vayatsmach) = en Hij liet ontspruiten | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | מִן (min) = uit | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | כָּל (kal) = al | עֵ֛ץ (ets) = boom | נֶחְמָ֥ד (nechmad) = begeerlijk | לְמַרְאֶ֖ה (lemare) = voor het zicht | וְט֣וֹב (vetov) = en goed | לְמַאֲכָ֑ל (lemaakhal) = voor voedsel | וְעֵ֤ץ (veets) = en boom | הַֽחַיִּים֙ (hachayim) = het leven | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הַגָּ֔ן (hagan) = de tuin | וְעֵ֕ץ (veets) = en boom | הַדַּ֖עַת (hadaat) = de kennis | ט֥וֹב (tov) = goed | וָרָֽע (vara) = en kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 3:22; Hen 25:4; Hen 32:3; Hen 61:12; Ezech 47:12; Openb 2:7; Openb 22:2; Openb 22:14 **2:10** Een rivier kwam uit Eden om de tuin water te geven, en vandaar splitste ze zich en werd tot vier takken. Brontekst: וְנָהָרּ֙ (venahar) = en een rivier | יֹצֵ֣א (yotse) = uitgaand | מֵעֵ֔דֶן (meeden) = uit Eden | לְהַשְׁק֖וֹת (lehashqot) = om te besproeien | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַגָּ֑ן (hagan) = de tuin | וּמִשָּׁם֙ (umisham) = en vandaar | יִפָּרֵ֔ד (yipared) = scheidde zich | וְהָיָ֖ה (vehaya) = en werd | לְאַרְבָּעָ֥ה (learbaa) = tot vier | רָאשִֽׁים (rashim) = hoofden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Alle vier de rivieren ontspringen volgens deze lezing in Eden (zie de voetnoot bij Gen. 2:8). Voetnoot Uitleg: רָאשִׁים (rashim) is letterlijk ‘hoofden’; bij een rivier kan het ‘takken’ of ‘bronnen’ betekenen. Hier vertaald met ‘takken’, omdat de rivier uit Eden komt en zich daarna splitst. Tigris en Eufraat lopen nu stroomafwaarts apart. De zondvloed kan hun loop veranderd hebben (zie de voetnoot bij Gen. 2:8). Zie ook: Gen 2:8; Ps 46:5; Openb 22:1 **2:11** De eerste heet Pison; die loopt om het hele land Havila heen, waar het goud is. Brontekst: שֵׁ֥ם (shem) = naam van | הָֽאֶחָ֖ד (haechad) = de eerste | פִּישׁ֑וֹן (pishon) = Pison | ה֣וּא (hu) = hij | הַסֹּבֵ֗ב (hasovev) = die omringt | אֵ֚ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | הַֽחֲוִילָ֔ה (hachavila) = Havila | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁ֖ם (sham) = daar | הַזָּהָֽב (hazahav) = het goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Als Eden in het Armeense hoogland lag, dan lag Havila daar ook: het land rond de Pison, in de buurt van Eden. Een voorstel binnen deze lezing: de Pison is de Koera of de Rioni (de oude Phasis), en Havila is dan het oude Kolchis aan de Zwarte Zee, in het huidige Georgië. Zeker is dat niet. Voetnoot Uitleg: פִּישׁוֹן (Pison) en חֲוִילָה (Chavila; in de tekst: Havila): De rivier Pison bestaat nu niet meer onder die naam. Havila is het land dat de Pison omringt. Elders in de Schrift komt Havila als plaats voor als het ene uiteinde van een lijn tot Sur (ten oosten van Egypte), in de richting van Assur (Gen. 25:18; 1 Sam. 15:7). Daar vestigden de nakomelingen van Ismaël zich ‘tegenover al zijn broers’. Volgens sommigen wijst dat eerder naar Arabië dan naar het Armeense hoogland. Havila is ook de naam van twee personen: een zoon van Kus (Gen. 10:7) en een zoon van Joktan (Gen. 10:29). Zie ook: Gen 10:7; Gen 10:29; Gen 25:18; 1 Sam 15:7 **2:12** Het goud van dat land is goed; daar zijn ook bdellium en sjohamsteen. Brontekst: וּֽזֲהַ֛ב (uzahav) = en goud van | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַהִ֖וא (hahi) = dat | ט֑וֹב (tov) = goed | שָׁ֥ם (sham) = daar | הַבְּדֹ֖לַח (habedolach) = het bdellium | וְאֶ֥בֶן (veeven) = en steen | הַשֹּֽׁהַם (hashoham) = de sjoham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het goud van Havila ligt volgens deze lezing in het Armeense hoogland, rond Eden (zie de voetnoot bij Gen. 2:11). Het goud zou kunnen passen bij het oude Kolchis, aan de Rioni. Voetnoot Uitleg: בְּדֹלַח (bedolach), ‘bdellium’, is een geurige, doorschijnende hars van balsemachtige bomen uit Arabië en India, ook gebruikt als wierook; sommigen lezen het als edelsteen. שֹׁהַם (shoham), ‘sjohamsteen’, is een kostbare edelsteen; welke precies, is onzeker: onyx, kornalijn of beril worden genoemd. In Numeri 11:7 wordt de manna ermee vergeleken: het zag eruit als bdellium. Twee stenen van sjoham zaten op de schouderstukken van de efod van de hogepriester, met de namen van de stammen erin gegraveerd (Exodus 28:9–12); ook de borstplaat had een steen van sjoham (Exodus 28:20). Voetnoot Lezing: ‘Het goud van dat land’ wordt hier gezocht in het Armeense hoogland, het land rond de Pison. Zie ook: Gen 2:11; Job 28:16; Ex 28:9–12; Ex 28:20; Ex 39:13; Num 11:7; Ezech 28:13 **2:13** De tweede rivier heet Gihon; die loopt om het hele land Kush heen. Brontekst: וְשֵֽׁם (veshem) = en naam van | הַנָּהָ֥ר (hanahar) = de rivier | הַשֵּׁנִ֖י (hasheni) = de tweede | גִּיח֑וֹן (gichon) = Gihon | ה֣וּא (hu) = hij | הַסּוֹבֵ֔ב (hasovev) = die omringt | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | כּֽוּשׁ (kush) = Kush Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Volgens deze lezing ontspringt ook de Gihon in Eden (zie de voetnoot bij Gen. 2:8). Een voorstel binnen deze lezing: de Gihon is de Aras. Voetnoot Uitleg: גִּיחוֹן (Gichon; in de tekst: Gihon) is hier niet de bron bij Jeruzalem. Kush (כּוּשׁ) is het land dat de Gihon omringt. Waar Kush precies lag, is onzeker. Zie ook: Gen 2:8; Gen 10:6; Jub 8:22; Jes 11:11 **2:14** De derde rivier heet Tigris; die loopt ten oosten van Assur. De vierde rivier is de Eufraat. Brontekst: וְשֵׁ֨ם (veshem) = en naam van | הַנָּהָ֤ר (hanahar) = de rivier | הַשְּׁלִישִׁי֙ (hashelishi) = de derde | חִדֶּ֔קֶל (chideqel) = Tigris | ה֥וּא (hu) = hij | הַֽהֹלֵ֖ךְ (haholekh) = die gaat | קִדְמַ֣ת (qidmat) = ten oosten van | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assur | וְהַנָּהָ֥ר (vehanahar) = en de rivier | הָֽרְבִיעִ֖י (harevii) = de vierde | ה֥וּא (hu) = hij | פְרָֽת (perat) = Eufraat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: אַשּׁוּר (Assur) ligt aan de westoever van de Tigris, ten zuiden van het huidige Mosul (Noord-Irak); de Tigris loopt dus ‘ten oosten van Assur’. Beide rivieren ontspringen volgens deze lezing in Eden, in het Armeense hoogland. De lijnen vanuit Eden naar de Tigris op de kaart zijn schematisch. Voetnoot Uitleg: חִדֶּקֶל (Chiddeqel; in de tekst: Tigris) is de Tigris, פְּרָת (Perat; in de tekst: Eufraat) de Eufraat. Omdat de Eufraat ook na de zondvloed wordt genoemd (Gen. 15:18), dient zijn bovenloop als vast punt. Beide rivieren komen uit het Armeense hoogland, en hun bovenlopen liggen dicht bij elkaar. Zie ook: Gen 10:22; Gen 15:18; Gen 25:18; Deut 1:7; Dan 10:4 ### Het gebod **2:15** Yahweh Elohim nam de mens en plaatste hem in de tuin van Eden om die te bewerken en te bewaren. Brontekst: וַיִּקַּ֛ח (vayiqach) = en Hij nam | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָֽאָדָ֑ם (haadam) = de mens | וַיַּנִּחֵ֣הוּ (vayanichehu) = en hij liet hem rusten | בְגַן (began) = in de tuin van | עֵ֔דֶן (eden) = Eden | לְעָבְדָ֖הּ (leavedah) = om die te bewerken | וּלְשָׁמְרָֽהּ (uleshamerah) = en om die te bewaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eden: Eden wordt in deze uitgave vermoedelijk in het Armeense hoogland gezocht, waar de vier rivieren ontspringen. Voetnoot Uitleg: הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’. Met lidwoord, dus geen eigennaam; de naam Adam volgt vanaf 2:16 (zie de voetnoot daar). Zie ook: Gen 2:2; Gen 2:8; Gen 2:16; Jub 3:9; Jub 3:15–16; Job 31:33; Ps 128:2; Ef 4:28 **2:16** Yahweh Elohim gaf Adam dit gebod: **„Van alle bomen van de tuin mag je vrij eten,** Brontekst: וַיְצַו֙ (vaytsav) = en Hij gebood | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | עַל (al) = over | הָֽאָדָ֖ם (haadam) = Adam | לֵאמֹ֑ר (lemor) = om te zeggen | מִכֹּ֥ל (mikol) = van al | עֵֽץ (ets) = boom van | הַגָּ֖ן (hagan) = de tuin | אָכֹ֥ל (akhol) = eten | תֹּאכֵֽל (tokhel) = je zult eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers staat ‘Adam’ waar het Hebreeuws הָאָדָם heeft en de persoon bedoeld is. Hier wordt hij in de Septuaginta voor het eerst Αδαμ genoemd, vanaf 2:19 ook in de Vulgaat; daarvoor (2:7, 2:8, 2:15) hebben beide ‘mens’, en dat volgt deze vertaling. Yahweh Elohim, de nabije vorm van Elohim, handelt persoonlijk met hem. In 2:18 hebben de Septuaginta en de Vulgaat ook ‘mens’ (algemeen), in 3:22 ‘Adam’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 3:1–9 en Jasher 1:4 noemen hem Adam in het verhaal van de tuin; Henoch 60:8 noemt hem ‘Adam, de eerste van de mensen’ en Gen. 5:2 zegt: ‘Hij noemde hun naam Adam’. Zie ook: Gen 2:7; Gen 2:8; Gen 2:9; Gen 2:15; Gen 2:18; Gen 2:19; Gen 3:1–2; Gen 3:22; Gen 5:2; Hen 60:8; Jub 3:1–9; Jas 1:4; 1 Sam 15:22; 1 Tim 4:4; 1 Tim 6:17 **2:17** **maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag je niet eten, want wanneer je daarvan eet, zul je zeker sterven.”** Brontekst: וּמֵעֵ֗ץ (umeets) = en van boom | הַדַּ֨עַת֙ (hadaat) = de kennis | ט֣וֹב (tov) = goed | וָרָ֔ע (vara) = en kwaad | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכַ֖ל (tokhal) = zul je eten | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = ervan | כִּ֗י (ki) = want | בְּי֛וֹם (beyom) = op de dag | אֲכָלְךָ֥ (akhalekha) = dat je eet | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | מ֥וֹת (mot) = sterven | תָּמֽוּת (tamut) = zul je sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּיוֹם (beyom) is letterlijk ‘op de dag dat’, maar het is een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘wanneer, op het moment dat’; het staat zo ook in 2:4 (‘toen Yahweh Elohim aarde en hemel maakte’). מוֹת תָּמוּת (mot tamut) is ‘sterven, je zult sterven’: de dood is het zekere gevolg. Adam stierf niet op dezelfde dag van 24 uur, maar wel binnen de dag van 1000 jaar, zoals beschreven in Jubileeën 4:29–30 en 2 Petrus 3:8, op 930-jarige leeftijd (Gen. 5:5). Vanaf dat moment verandert de mens dus in een sterfelijk wezen; daarvoor was hij dat dus niet. Het sterven van Eva wordt niet vermeld. Zie ook: Gen 2:4; Gen 3:19; Gen 5:5; Jub 4:29–30; Jub 4:30; Jak 1:15; Gal 3:10; 1 Kor 15:56; Rom 6:23; 2 Petr 3:8 ### Een helper voor de mens **2:18** Yahweh Elohim zei: **„Het is niet goed dat de mens alleen is. Ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | לֹא (lo) = niet | ט֛וֹב (tov) = goed | הֱי֥וֹת (heyot) = het zijn van | הָֽאָדָ֖ם (haadam) = de mens | לְבַדּ֑וֹ (levado) = alleen | אֶֽעֱשֶׂהּ (eeseh) = laat Ik maken | לּ֥וֹ (lo) = voor hem | עֵ֖זֶר (ezer) = hulp | כְּנֶגְדּֽוֹ (kenegdo) = als zijn tegenover Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵזֶר כְּנֶגְדּוֹ (ezer kenegdo): ‘een hulp als tegenover hem’, dat wil zeggen iemand die hem gelijkwaardig is. עֵזֶר (ezer) wordt elders ook van God gezegd (Ps. 33:20; Exod. 18:4). הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’. Hier ‘de mens’ in het algemeen; ook de Septuaginta en de Vulgaat hebben hier ‘mens’. Zie de voetnoot bij Gen. 2:16. Zie ook: Gen 2:16; Jub 3:4; Jas 1:3; Ex 18:4; Ps 33:20; Spr 18:22; Pred 4:9–12; 1 Kor 11:7–12; 1 Tim 2:11–13; 1 Petr 3:7 **2:19** Uit de grond vormde Yahweh Elohim alle wilde dieren van het veld en alle vogels van de hemel. Hij bracht ze bij Adam om te zien hoe hij ze zou noemen. En elk levend wezen kreeg de naam die Adam het gaf. Brontekst: וַיִּצֶר֩ (vayitser) = en Hij vormde | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | מִן (min) = uit | הָֽאֲדָמָ֗ה (haadama) = de grond | כָּל (kal) = al | חַיַּ֤ת (chayat) = dier van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | וְאֵת֙ (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | ע֣וֹף (of) = vogel van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַיָּבֵא֙ (vayave) = en hij bracht | אֶל (el) = naar | הָ֣אָדָ֔ם (haadam) = Adam | לִרְא֖וֹת (lirot) = om te zien | מַה (ma) = wat | יִּקְרָא (yiqra) = hij zou noemen | ל֑וֹ (lo) = aan hem | וְכֹל֩ (vekhol) = en al | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | יִקְרָא (yiqra) = hij zou noemen | ל֧וֹ (lo) = aan hem | הָֽאָדָ֛ם (haadam) = Adam | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = wezen | חַיָּ֖ה (chaya) = levend | ה֥וּא (hu) = dat | שְׁמֽוֹ (shemo) = zijn naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Lezing: De Otiot (de pictografische letters) kunnen hier als moedertaal in gebruik zijn gekomen, getekend in zand of klei. Zie ook: Gen 1:20–26; Gen 1:28; Gen 6:20; Gen 9:2; Jub 3:1–2; Jub 3:2; Ps 8:5–9 **2:20** Adam gaf namen aan al het vee, aan de vogels van de hemel en aan alle wilde dieren van het veld. Maar voor Adam zelf werd geen helper gevonden die bij hem paste. Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij noemde | הָֽאָדָ֜ם (haadam) = Adam | שֵׁמ֗וֹת (shemot) = namen | לְכָל (lekhal) = aan al | הַבְּהֵמָה֙ (habehema) = het vee | וּלְע֣וֹף (uleof) = en aan vogel van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וּלְכֹ֖ל (ulekhol) = en aan al | חַיַּ֣ת (chayat) = dier van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | וּלְאָדָ֕ם (uleadam) = en voor Adam | לֹֽא (lo) = niet | מָצָ֥א (matsa) = hij vond | עֵ֖זֶר (ezer) = hulp | כְּנֶגְדּֽוֹ (kenegdo) = als zijn tegenover Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: וּלְאָדָם (ule’adam) staat hier zonder lidwoord: dit is onmiskenbaar een eigennaam. Het woord in de eerste zin, הָאָדָם (ha-adam), is hier ook ‘Adam’; zie de voetnoot bij Gen. 2:16. לֹא־מָצָא (lo matsa), ‘hij vond niet’: het onderwerp staat er niet. Het kan Yahweh Elohim uit 2:19 zijn, of Adam. Daarom: ‘werd niet gevonden’. Zie ook: Gen 2:16; Gen 2:18; Gen 2:19; Gen 3:17; Gen 4:25; Jub 3:1–2; Jub 3:2; Jub 3:3 **2:21** Yahweh Elohim liet een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep. Hij nam een van zijn ribben en sloot de plek met vlees. Brontekst: וַיַּפֵּל֩ (vayapel) = en Hij liet vallen | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֧ים (Elohim) = Elohim | תַּרְדֵּמָ֛ה (tardema) = diepe slaap | עַל (al) = op | הָאָדָ֖ם (haadam) = Adam | וַיִּישָׁ֑ן (vayishan) = en hij sliep | וַיִּקַּ֗ח (vayiqach) = en hij nam | אַחַת֙ (achat) = een | מִצַּלְעֹתָ֔יו (mitsalotav) = van zijn ribben | וַיִּסְגֹּ֥ר (vayisgor) = en hij sloot | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | תַּחְתֶּֽנָּה (tachtena) = in haar plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: צֵלָע (tsela) betekent ‘zijde’; ook van een gebouw of van de ark (Exod. 25:12). De Septuaginta en de Vulgaat hebben ‘rib’. Dat volgt deze vertaling. תַּרְדֵּמָה (tardemah): diepe slaap. Voetnoot Aanvullend: Jasher 1:4 en Jubileeën 3:8 hebben ook ‘rib’. Zie ook: Gen 15:12; Jub 3:5; Jub 3:8; Jas 1:4; Job 4:13; Job 33:15; Ex 25:12; 1 Sam 26:12; Dan 8:18 **2:22** Yahweh Elohim bouwde de rib die Hij uit Adam genomen had tot een vrouw. Hij bracht haar bij Adam. Brontekst: וַיִּבֶן֩ (vayiven) = en Hij bouwde | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֧ים (Elohim) = Elohim | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | הַצֵּלָ֛ע (hatsela) = de zijde | אֲשֶׁר (asher) = die | לָקַ֥ח (laqach) = Hij had genomen | מִן (min) = uit | הָֽאָדָ֖ם (haadam) = Adam | לְאִשָּׁ֑ה (leisha) = tot vrouw | וַיְבִאֶ֖הָ (vayvieha) = en Hij bracht haar | אֶל (el) = naar | הָֽאָדָֽם (haadam) = Adam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Zie ook: Jub 3:5–12; Jub 3:6; Jas 1:4; Spr 18:22; Spr 19:14; 1 Kor 11:8–9; 1 Tim 2:13; Heb 13:4 **2:23** Adam zei: „Deze keer is het bot van mijn botten en vlees van mijn vlees. Zij zal vrouw heten, want uit de man is zij genomen.” Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en hij zei | הָֽאָדָם֒ (haadam) = Adam | זֹ֣את (zot) = deze | הַפַּ֗עַם (hapaam) = de keer | עֶ֚צֶם (etsem) = been | מֵֽעֲצָמַ֔י (meatsamay) = van mijn gebeente | וּבָשָׂ֖ר (uvasar) = en vlees | מִבְּשָׂרִ֑י (mibesari) = van mijn vlees | לְזֹאת֙ (lezot) = voor deze | יִקָּרֵ֣א (yiqare) = zal heten | אִשָּׁ֔ה (isha) = vrouw | כִּ֥י (ki) = want | מֵאִ֖ישׁ (meish) = uit man | לֻֽקֳחָה (luqocha) = is genomen | זֹּֽאת (zot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: הַפַּעַם (hapa’am) is letterlijk ‘de keer’, ‘deze keer’: na alle dieren (vers 20) is dit nu het wezen dat bij hem past. זֹאת (zot), ‘deze’ (vrouwelijk), staat vooraan en achteraan in de uitspraak. אִישׁ (ish), ‘man’, en אִשָּׁה (ishah), ‘vrouw’, klinken op elkaar; dat woordspel is in het Nederlands niet te horen. De vrouw heeft nog geen eigen naam: Eva (Gen. 3:20) volgt later. Zie ook: Gen 2:20; Gen 3:20; Gen 29:14; Jub 3:6; Re 9:2; 2 Sam 5:1; 1 Kor 11:8–9; Ef 5:28–30 ### Eén vlees **2:24** Daarom verlaat een man zijn vader en zijn moeder, hecht hij zich aan zijn vrouw en worden zij tot één vlees. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּן֙ (ken) = (samen: daarom) | יַֽעֲזָב (yaazav) = verlaat | אִ֔ישׁ (ish) = man | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אִמּ֑וֹ (imo) = zijn moeder | וְדָבַ֣ק (vedavaq) = en hij hecht zich | בְּאִשְׁתּ֔וֹ (beishto) = aan zijn vrouw | וְהָי֖וּ (vehayu) = en ze worden | לְבָשָׂ֥ר (levasar) = tot vlees | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is een opmerking van de verteller. Yeshua schrijft het toe aan de Schepper en gebruikt het als grondslag voor het huwelijk (Matt. 19:4–5). Adam heeft zijn uitspraak in 2:23 afgerond. Zie ook: Gen 2:23; Jub 3:7; Mat 19:3–9; Mat 19:4–5; Mar 10:6–12; Rom 7:2; Ef 5:28–31; 1 Petr 3:1–7 **2:25** Zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw, en ze schaamden zich niet. Brontekst: וַיִּֽהְי֤וּ (vayihyu) = en ze waren | שְׁנֵיהֶם֙ (sheneihem) = hun beiden | עֲרוּמִּ֔ים (arumim) = naakt | הָֽאָדָ֖ם (haadam) = Adam | וְאִשְׁתּ֑וֹ (veishto) = en zijn vrouw | וְלֹ֖א (velo) = en niet | יִתְבֹּשָֽׁשׁוּ (yitboshashu) = ze schaamden zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Zie ook: Gen 3:7; Gen 3:10–11; Jub 3:16; Joël 2:26; Jer 17:13; Rom 10:11 ## Genesis 3 _De val van de mens_ ### De slang **3:1** De slang was listiger dan alle wilde dieren van het veld die Yahweh Elohim gemaakt had. Hij zei tegen de vrouw: _„Heeft Elohim echt gezegd: ‘Jullie mogen van geen enkele boom in de tuin eten’?”_ Brontekst: וְהַנָּחָשׁ֙ (vehanachash) = en de slang | הָיָ֣ה (haya) = was | עָר֔וּם (arum) = sluw | מִכֹּל֙ (mikol) = dan alle | חַיַּ֣ת (chayat) = wilde dieren van | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָׂ֖ה (asa) = maakte | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tegen | הָ֣אִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | אַ֚ף (af) = ook | כִּֽי (ki) = dat (samen: is het zo dat) | אָמַ֣ר (amar) = zei | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | לֹ֣א (lo) = niet | תֹֽאכְל֔וּ (tokhlu) = jullie zullen eten | מִכֹּ֖ל (mikol) = van elke | עֵ֥ץ (ets) = boom van | הַגָּֽן (hagan) = de tuin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנָּחָשׁ (hanachash), ‘de slang’, is hier een dier van het veld, door Yahweh Elohim gemaakt. שָׂטָן (satan) betekent ‘tegenstander’; in het Grieks Σατανᾶς (Satanas), Openb. 12:9. Later in de Schrift wordt de slang geïdentificeerd: ‘de oude slang, die de duivel en satan wordt genoemd’ (Openbaring 12:9; 20:2), en Yeshua noemt de duivel ‘een leugenaar vanaf het begin’ (Johannes 8:44). Hier begint dat met een verdraaiing van wat Yahweh Elohim gezegd heeft: Hij zei ‘van alle bomen mag je eten, behalve één’ (2:16–17), de slang maakt er ‘van geen enkele boom’ van. In zijn vraag noemt hij Hem alleen ‘Elohim’ en laat de naam Yahweh weg; zo laat hij de persoonlijke naam en het gezag van Yahweh, die de Schrift met Yeshua verbindt, buiten beeld. De tekst zegt niets over een andere gedaante vóór de vloek in vers 14. De slang verdraait het gebod, ontkent de dood en belooft dat zij als Elohim zullen worden. De verteller noemt Yahweh Elohim; de slang noemt Hem alleen Elohim, en de vrouw volgt hem daarin (3:3). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 3:17–19 laat de slang en de vrouw hetzelfde gesprek voeren. Zie ook: Gen 2:16–17; Gen 3:3; Gen 3:14; Hen 69:6; Jub 3:17–19; Jub 3:28; Jas 1:9; Mat 4:3; Joh 8:44; 2 Kor 11:3; 2 Kor 11:14; Openb 12:9; Openb 20:2 **3:2** De vrouw zei tegen de slang: „Van de vrucht van de bomen in de tuin mogen we eten, Brontekst: וַתֹּ֥אמֶר (vatomer) = en ze zei | הָֽאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | אֶל (el) = tegen | הַנָּחָ֑שׁ (hanachash) = de slang | מִפְּרִ֥י (miperi) = van de vrucht van | עֵֽץ (ets) = boom van | הַגָּ֖ן (hagan) = de tuin | נֹאכֵֽל (nokhel) = we eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 69:6; Jub 3:18; Ps 58:5 **3:3** maar over de vrucht van de boom midden in de tuin heeft Elohim gezegd: ‘Jullie mogen er niet van eten. Jullie mogen hem niet aanraken, anders sterven jullie.’” Brontekst: וּמִפְּרִ֣י (umiperi) = en van de vrucht van | הָעֵץ֮ (haets) = de boom | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּתוֹךְ (betokh) = midden in | הַגָּן֒ (hagan) = de tuin | אָמַ֣ר (amar) = zei | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | לֹ֤א (lo) = niet | תֹֽאכְלוּ֙ (tokhlu) = jullie zullen eten | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = ervan | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִגְּע֖וּ (tigeu) = jullie zullen aanraken | בּ֑וֹ (bo) = hem | פֶּן (pen) = opdat niet | תְּמֻתֽוּן (temutun) = jullie sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:16–17; Gen 20:6; Hen 69:6; Jub 3:18; Job 1:11; Ex 19:12–13; 2 Kor 6:17 **3:4** De slang zei tegen de vrouw: _„Jullie zullen zeker niet sterven,_ Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַנָּחָ֖שׁ (hanachash) = de slang | אֶל (el) = tegen | הָֽאִשָּׁ֑ה (haisha) = de vrouw | לֹֽא (lo) = niet | מ֖וֹת (mot) = sterven | תְּמֻתֽוּן (temutun) = jullie zullen sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא־מוֹת תְּמֻתוּן (lo mot temutun), ‘jullie zullen zeker niet sterven’, spreekt het woord van Yahweh Elohim in 2:17 (‘je zult zeker sterven’) rechtstreeks tegen. Dit is de eerste leugen in de Schrift, uitgesproken door de slang, de duivel en satan: Yeshua noemt hem ‘een leugenaar vanaf het begin’ (Johannes 8:44). Zie ook: Gen 2:17; Gen 3:13; Hen 69:6; Jub 3:19; Joh 8:44; 2 Kor 2:11; 2 Kor 11:3; 1 Tim 2:14; Openb 12:9 **3:5** _want Elohim weet dat jullie ogen opengaan wanneer jullie daarvan eten. Dan zijn jullie als Elohim, kenners van goed en kwaad.”_ Brontekst: כִּ֚י (ki) = want | יֹדֵ֣עַ (yodea) = weet | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | כִּ֗י (ki) = dat | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag | אֲכָלְכֶ֣ם (akhalekhem) = jullie eten | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = ervan | וְנִפְקְח֖וּ (venifqechu) = en ze gaan open | עֵֽינֵיכֶ֑ם (eineikhem) = jullie ogen | וִהְיִיתֶם֙ (vihyitem) = en jullie zullen zijn | כֵּֽאלֹהִ֔ים (kelohim) = als Elohim | יֹדְעֵ֖י (yodeei) = kenners van | ט֥וֹב (tov) = goed | וָרָֽע (vara) = en kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֵּאלֹהִים (ke-Elohim) betekent ‘als Elohim’ of ‘als goden’. אֱלֹהִים (Elohim) is hier hetzelfde woord als in het eerste deel van de zin. De slang belooft twee dingen: goddelijk zijn, ‘als Elohim’, en kennis, יֹדְעֵי טוֹב וָרָע (yode’ei tov vara), ‘kenners van goed en kwaad’. De kennis komt uit (3:22: ‘Adam is als een van Ons geworden, in het kennen van goed en kwaad’). Het goddelijk zijn komt niet uit: de mens blijft schepsel en sterfelijk (3:19), mag niet eten van de boom van het leven en wordt uit de tuin gezet (3:22–24). Zie ook: Gen 3:19; Gen 3:22; Hen 32:6; Hen 69:6; Jub 3:19; Ezech 28:2; Hand 26:18; 2 Tess 2:4; 2 Kor 4:4; 2 Kor 11:13–15 ### De zondeval **3:6** De vrouw zag dat de boom goed was om van te eten en dat hij een lust was voor de ogen. De boom was begeerlijk om er inzicht door te krijgen. Ze nam van zijn vrucht en at. Ze gaf ook aan haar man, die bij haar was, en hij at. Brontekst: וַתֵּ֣רֶא (vatere) = en ze zag | הָֽאִשָּׁ֡ה (haisha) = de vrouw | כִּ֣י (ki) = dat | טוֹב֩ (tov) = goed | הָעֵ֨ץ (haets) = de boom | לְמַאֲכָ֜ל (lemaakhal) = om te eten | וְכִ֧י (vekhi) = en dat | תַֽאֲוָה (taava) = lust | ה֣וּא (hu) = hij | לָעֵינַ֗יִם (laeinayim) = voor de ogen | וְנֶחְמָ֤ד (venechmad) = en begerenswaardig | הָעֵץ֙ (haets) = de boom | לְהַשְׂכִּ֔יל (lehaskil) = om inzicht te geven | וַתִּקַּ֥ח (vatiqach) = en ze nam | מִפִּרְי֖וֹ (mipiryo) = van zijn vrucht | וַתֹּאכַ֑ל (vatokhal) = en ze at | וַתִּתֵּ֧ן (vatiten) = en ze gaf | גַּם (gam) = ook | לְאִישָׁ֛הּ (leishah) = aan haar man | עִמָּ֖הּ (imah) = bij haar | וַיֹּאכַֽל (vayokhal) = en hij at Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de eerste ongehoorzaamheid van de mens aan Yahweh Elohim: de mens doet wat Hij in 2:17 verboden heeft. Dit is de eerste zonde. Hierdoor raakt de directe omgang met Yahweh Elohim verbroken, met de dood als gevolg (3:19). Zie ook: Gen 2:17; Gen 3:19; Hen 32:6; Hen 69:6; Jub 3:20–21; Jas 1:10; 2 Sam 11:2; Jak 1:14–15; Rom 5:12–19; 1 Tim 2:14; 1 Joh 2:16; 1 Joh 3:4 **3:7** Toen gingen hun ogen allebei open en wisten ze dat ze naakt waren. Ze regen bladeren van de vijgenboom aan elkaar en maakten schorten voor zichzelf. Brontekst: וַתִּפָּקַ֨חְנָה֙ (vatipaqachna) = en ze gingen open | עֵינֵ֣י (einei) = ogen van | שְׁנֵיהֶ֔ם (sheneihem) = hun beiden | וַיֵּ֣דְע֔וּ (vayedeu) = en ze wisten | כִּ֥י (ki) = dat | עֵֽירֻמִּ֖ם (eirumim) = naakt | הֵ֑ם (hem) = ze zijn | וַֽיִּתְפְּרוּ֙ (vayitperu) = en ze regen aan elkaar | עֲלֵ֣ה (ale) = blad van | תְאֵנָ֔ה (teena) = vijg | וַיַּעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en ze maakten | לָהֶ֖ם (lahem) = voor zichzelf | חֲגֹרֹֽת (chagorot) = lendenschorten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּתְפְּרוּ (vayyitperu), ‘ze regen aan elkaar’, komt van תפר (tafar), ‘aan elkaar hechten’. חֲגֹרֹת (chagorot), ‘schorten’, zijn letterlijk ‘omgordels’: een doek om het middel. De vijgenboom (תְּאֵנָה, te’enah) heeft grote, brede bladeren. Zie ook: Gen 2:25; Gen 3:5; Gen 3:10–11; Hen 32:6; Jub 3:21; Jub 3:22; Job 9:29–31; Jes 59:6 ### Yahweh Elohim zoekt Adam **3:8** Ze hoorden de stem van Yahweh Elohim, die in de koelte van de dag in de tuin wandelde. Adam en zijn vrouw verborgen zich voor Yahweh Elohim, midden tussen de bomen van de tuin. Brontekst: וַֽיִּשְׁמְע֞וּ (vayishmeu) = en ze hoorden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | ק֨וֹל (qol) = stem van | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | מִתְהַלֵּ֥ךְ (mithalekh) = rondwandelend | בַּגָּ֖ן (bagan) = in de tuin | לְר֣וּחַ (leruach) = bij de koelte van | הַיּ֑וֹם (hayom) = de dag | וַיִּתְחַבֵּ֨א (vayitchabe) = en hij verborg zich | הָֽאָדָ֜ם (haadam) = Adam | וְאִשְׁתּ֗וֹ (veishto) = en zijn vrouw | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = van het gezicht van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | בְּת֖וֹךְ (betokh) = midden in | עֵ֥ץ (ets) = bomen van | הַגָּֽן (hagan) = de tuin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: קוֹל (qol) betekent ‘stem’ en ‘geluid’. אֶהְיֶה (ehyeh), ‘Ik ben’ of ‘Ik zal zijn’, is de Naam uit Exodus 3:14. הָיָה (hayah), ‘zijn’, betekent met het voorzetsel עִם (im), ‘met’, of לְ (le), ‘voor’: ‘bij iemand zijn, er zijn voor iemand’. אֶהְיֶה עִמָּךְ (ehyeh immakh), ‘Ik zal met je zijn’ (Exodus 3:12). Dat is nabijheid. מִפְּנֵי (mipnei), ‘van het aangezicht van’: Adam verbergt zich voor de nabijheid van Yahweh Elohim. מִתְהַלֵּךְ (mithalekh) is ‘wandelend’: Yahweh Elohim wandelt door de tuin. Johannes 1:18 zegt: ‘Niemand heeft Elohim (de Vader) ooit gezien.’ Hier lijkt het erop dat Yahweh Elohim (de Zoon) fysiek aanwezig was in de tuin. Yeshua zegt van zichzelf: ‘Voordat Abraham er was, ben Ik’ (Johannes 8:58). Dit is de eerste keer dat de tekst Hem in de ruimte plaatst. Zie ook: Job 34:21–22; Ex 3:12; Ex 3:14; Ps 139:1–12; Spr 15:3; Jer 23:24; Joh 1:18; Joh 8:58; Heb 4:13 **3:9** Yahweh Elohim riep Adam en zei tegen hem: **„Waar ben je?”** Brontekst: וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en Hij riep | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | הָֽאָדָ֑ם (haadam) = Adam | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֖וֹ (lo) = tot hem | אַיֶּֽכָּה (ayeka) = waar ben je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Zie ook: Gen 4:9; Gen 11:5; Gen 16:8; Gen 18:20–21; Joz 7:17–19 **3:10** Adam zei: „Ik hoorde Uw stem in de tuin. Ik werd bang, want ik ben naakt, en ik verborg me.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | קֹלְךָ֥ (qolekha) = Uw stem | שָׁמַ֖עְתִּי (shamati) = ik hoorde | בַּגָּ֑ן (bagan) = in de tuin | וָאִירָ֛א (vaira) = en ik werd bang | כִּֽי (ki) = omdat | עֵירֹ֥ם (eirom) = naakt | אָנֹ֖כִי (anokhi) = ik | וָאֵחָבֵֽא (vaechave) = en ik verborg me Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier spreekt Adam Yahweh Elohim aan met hoofdletter-U (U, Uw), omdat een van de drie goddelijke personen wordt aangesproken. In het Hebreeuws staat alleen ‘en hij zei’. ‘Adam’ is ter verduidelijking ingevuld: het antwoord komt van Adam, aan wie Yahweh Elohim in vers 9 vroeg waar hij was. Zie ook: Gen 2:25; Gen 3:9; Ex 3:6; Ps 119:120; Jes 47:3; Jes 57:11 **3:11** Hij zei: **„Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je gegeten van de boom waarvan Ik je geboden had er niet van te eten?”** Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en Hij zei | מִ֚י (mi) = wie | הִגִּ֣יד (higid) = heeft verteld | לְךָ֔ (lekha) = aan jou | כִּ֥י (ki) = dat | עֵירֹ֖ם (eirom) = naakt | אָ֑תָּה (ata) = jij | הֲמִן (hamin) = is het van | הָעֵ֗ץ (haets) = de boom | אֲשֶׁ֧ר (asher) = die | צִוִּיתִ֛יךָ (tsivitikha) = Ik gebood jou | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = om niet | אֲכָל (akhal) = te eten | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = ervan | אָכָֽלְתָּ (akhalta) = je hebt gegeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:10; Ps 50:21; Rom 3:20 **3:12** Adam zei: „De vrouw die U bij mij hebt gezet, die heeft mij van de boom gegeven, en ik at.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | הָֽאָדָ֑ם (haadam) = Adam | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נָתַ֣תָּה (natata) = U hebt gegeven | עִמָּדִ֔י (imadi) = bij mij | הִ֛וא (hi) = zij | נָֽתְנָה (natena) = heeft gegeven | לִּ֥י (li) = aan mij | מִן (min) = van | הָעֵ֖ץ (haets) = de boom | וָאֹכֵֽל (vaokhel) = en ik at Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: עִמָּדִי (immadi): ‘bij mij’, ‘naast mij’. De man schuift de schuld af op de vrouw en indirect op Yahweh Elohim zelf. Zie ook: Job 31:33; Spr 19:3; Spr 28:13; Jak 1:13–15; Rom 10:3 **3:13** Yahweh Elohim zei tegen de vrouw: **„Wat heb je gedaan?”** De vrouw zei: „De slang heeft mij misleid, en ik at.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | לָאִשָּׁ֖ה (laisha) = tegen de vrouw | מַה (ma) = wat | זֹּ֣את (zot) = dit | עָשִׂ֑ית (asit) = heb je gedaan | וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en ze zei | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | הַנָּחָ֥שׁ (hanachash) = de slang | הִשִּׁיאַ֖נִי (hishiani) = heeft misleid mij | וָאֹכֵֽל (vaokhel) = en ik at Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 3:4–6; Gen 4:10–12; Joh 18:35; 2 Kor 11:3; 1 Tim 2:14 ### De oordelen **3:14** Yahweh Elohim zei tegen de slang: **„Omdat je dit gedaan hebt, ben je vervloekt boven al het vee en boven alle wilde dieren van het veld. Op je buik zul je gaan en stof zul je eten, alle dagen van je leven.** Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en Hij zei | יְהֹוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | אֶֽל (el) = tegen | הַנָּחָשׁ֮ (hanachash) = de slang | כִּ֣י (ki) = omdat | עָשִׂ֣יתָ (asita) = je hebt gedaan | זֹּאת֒ (zot) = dit | אָר֤וּר (arur) = vervloekt | אַתָּה֙ (ata) = jij | מִכָּל (mikal) = boven al | הַבְּהֵמָ֔ה (habehema) = het vee | וּמִכֹּ֖ל (umikol) = en boven al | חַיַּ֣ת (chayat) = wilde dieren van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | עַל (al) = op | גְּחֹנְךָ֣ (gechonekha) = je buik | תֵלֵ֔ךְ (telekh) = zul je gaan | וְעָפָ֥ר (veafar) = en stof | תֹּאכַ֖ל (tokhal) = zul je eten | כָּל (kal) = al | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | חַיֶּֽיךָ (chayeikha) = je leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 3:23; Deut 28:15–20; Ps 72:9; Jes 29:4; Jes 65:25; Mi 7:17 **3:15** **Vijandschap zet Ik tussen jou en de vrouw, en tussen jouw nageslacht en haar nageslacht. Hij zal jouw kop vermorzelen en jij zult zijn hiel vermorzelen.”** Brontekst: וְאֵיבָ֣ה (veeiva) = en vijandschap | אָשִׁ֗ית (ashit) = Ik zet | בֵּֽינְךָ֙ (beinekha) = tussen jou | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | זַרְעֲךָ֖ (zarakha) = je nageslacht | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | זַרְעָ֑הּ (zarah) = haar nageslacht | ה֚וּא (hu) = hij | יְשׁוּפְךָ֣ (yeshufekha) = zal vermorzelen jou | רֹ֔אשׁ (rosh) = kop | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | תְּשׁוּפֶ֥נּוּ (teshufenu) = zult vermorzelen hem | עָקֵֽב (aqev) = hiel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוּא (hu) verwijst grammaticaal naar זֶרַע (zera), ‘nageslacht’ (mannelijk enkelvoud): collectief (alle nakomelingen) of een enkele nakomeling. Voetnoot Lezing: Het ‘nageslacht van de vrouw’ is te lezen als het nageslacht van Eva, later Israël, en uiteindelijk Yeshua, de Zoon geboren uit een vrouw (Gal. 4:4). Voetnoot : De slang en zijn nageslacht en/of volgelingen zullen het nageslacht van de vrouw, Israël, Yeshua én zijn volgelingen vervolgen (‘jij zult zijn hiel vermorzelen’). Voetnoot : Zij zullen door Yeshua worden verslagen en vernietigd (‘Hij zal jouw kop vermorzelen’). Zie ook: Jes 7:14; Jes 53:1–12; Gal 4:4; Rom 16:20; Heb 2:14–15; 1 Joh 3:8; Openb 12:17 **3:16** Tegen de vrouw zei Hij: **„Ik zal de moeite van je zwangerschap sterk vermeerderen. Met pijn zul je kinderen krijgen. Naar je man zal je verlangen uitgaan, en hij zal over je heersen.”** Brontekst: אֶֽל (el) = tegen | הָאִשָּׁ֣ה (haisha) = de vrouw | אָמַ֗ר (amar) = zei Hij | הַרְבָּ֤ה (harba) = zeer | אַרְבֶּה֙ (arbe) = Ik zal vermeerderen | עִצְּבוֹנֵ֣ךְ (itsevonekh) = je moeite | וְהֵֽרֹנֵ֔ךְ (veheronekh) = en je zwangerschap | בְּעֶ֖צֶב (beetsev) = met pijn | תֵּֽלְדִ֣י (teledi) = je zult baren | בָנִ֑ים (banim) = kinderen | וְאֶל (veel) = en naar | אִישֵׁךְ֙ (ishekh) = je man | תְּשׁ֣וּקָתֵ֔ךְ (teshuqatekh) = je verlangen | וְה֖וּא (vehu) = en hij | יִמְשָׁל (yimshal) = zal heersen | בָּֽךְ (bakh) = over jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַרְבָּה אַרְבֶּה (harbeh arbeh), ‘Ik zal sterk vermeerderen’: het werkwoord רבה met zijn eigen versterking. עִצְּבוֹן (itsvon), ‘moeite, pijn’, en עֶצֶב (etsev), ‘pijn’, komen van dezelfde stam; הֵרוֹן (heron), ‘zwangerschap’, kan samen met ‘moeite’ als één begrip worden gelezen: ‘de moeite van je zwangerschap’. תְּשׁוּקָה (teshuqah): ‘verlangen’ of ‘drang’; vgl. מָשַׁל (mashal): ‘heersen’. Gen. 4:7 en Hoogl. 7:11. Zie ook: Gen 4:7; Jub 3:24; Hoogl 7:11; 1 Kor 11:3; 1 Kor 14:34; Kol 3:18; 1 Tim 2:15; Tit 2:5 **3:17** Tegen Adam zei Hij: **„Je hebt geluisterd naar de stem van je vrouw en gegeten van de boom waarvan Ik je geboden had er niet van te eten. Daarom is de grond vanwege jou vervloekt. Met zwoegen zul je daarvan eten, alle dagen van je leven.** Brontekst: וּלְאָדָ֣ם (uleadam) = en tegen Adam | אָמַ֗ר (amar) = zei Hij | כִּֽי (ki) = omdat | שָׁמַעְתָּ֮ (shamata) = je hebt geluisterd | לְק֣וֹל (leqol) = naar de stem van | אִשְׁתֶּךָ֒ (ishtekha) = je vrouw | וַתֹּ֨אכַל֙ (vatokhal) = en je at | מִן (min) = van | הָעֵ֔ץ (haets) = de boom | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | צִוִּיתִ֨יךָ֙ (tsivitikha) = Ik gebood jou | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכַ֖ל (tokhal) = je zult eten | מִמֶּ֑נּוּ (mimenu) = ervan | אֲרוּרָ֤ה (arura) = vervloekt | הָֽאֲדָמָה֙ (haadama) = de grond | בַּֽעֲבוּרֶ֔ךָ (baavurekha) = vanwege jou | בְּעִצָּבוֹן֙ (beitsavon) = met zwoegen | תֹּֽאכֲלֶ֔נָּה (tokhalena) = je zult ervan eten | כֹּ֖ל (kol) = al | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | חַיֶּֽיךָ (chayeikha) = je leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: לְאָדָם (le-adam) staat hier zonder lidwoord, dus ‘Adam’ is hier een eigennaam. בַּעֲבוּרֶךָ (ba’avurekha): ‘vanwege jou’, ‘op jouw rekening’: jouw daad is de aanleiding. Hetzelfde woord staat in Gen. 8:21. בְּעִצָּבוֹן (be’itsavon): ‘met zwoegen’, pijnlijke inspanning bij het werk op de grond; zelfde wortel als de pijn in 3:16. Letterlijk staat er een aanhaling: ‘waarover Ik je geboden had: Je mag er niet van eten’. Zie ook: Gen 3:16; Gen 4:1; Gen 4:25; Gen 5:29; Gen 8:21; Jub 3:25; Pred 2:22–23; Jes 24:5–6; Joh 16:33; Rom 8:20–22 **3:18** **Doorns en distels zal ze voor je laten opkomen, en je zult het gewas van het veld eten.** Brontekst: וְק֥וֹץ (veqots) = en doorn | וְדַרְדַּ֖ר (vedardar) = en distel | תַּצְמִ֣יחַֽ (tatsmiach) = zal ze laten opkomen | לָ֑ךְ (lakh) = voor jou | וְאָכַלְתָּ֖ (veakhalta) = en je zult eten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵ֥שֶׂב (esev) = gewas van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קוֹץ (qots) en דַּרְדַּר (dardar) zijn twee stekelige planten: ‘doorns’ en ‘distels’. עֵשֶׂב (eseb): groen gewas, planten van het veld; het is het eetbare groen, dus geen onkruid (zie Gen. 1:29 en Ps. 104:14). Samen staan ze voor onkruid dat de akker overwoekert. Zie ook: Gen 1:29; Jub 3:25; Job 5:5; Ps 104:14–15; Jes 7:23; Jer 4:3; Mat 13:7 **3:19** **Met zweet op je gezicht zul je aan je brood komen, totdat je terugkeert naar de grond. Want daaruit ben je genomen, want stof ben je, en tot stof zul je terugkeren.”** Brontekst: בְּזֵעַ֤ת (bezeat) = in het zweet van | אַפֶּ֨יךָ֙ (apeikha) = je gezicht | תֹּ֣אכַל (tokhal) = je zult eten | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | עַ֤ד (ad) = tot | שֽׁוּבְךָ֙ (shuvekha) = je terugkeer | אֶל (el) = naar | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | כִּ֥י (ki) = want | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = daaruit | לֻקָּ֑חְתָּ (luqachta) = je bent genomen | כִּֽי (ki) = want | עָפָ֣ר (afar) = stof | אַ֔תָּה (ata) = jij | וְאֶל (veel) = en tot | עָפָ֖ר (afar) = stof | תָּשֽׁוּב (tashuv) = je zult terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּזֵעַת אַפֶּיךָ תֹּאכַל לֶחֶם (bezeat appekha tokhal lechem): letterlijk ‘in het zweet van je gezicht zul je brood eten’. ‘Brood eten’ is een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘in je levensonderhoud voorzien’; het zweet hoort bij het werk waarmee je het brood verdient. אַפַּיִם (appayim) is letterlijk ‘neusgaten’, hier ‘gezicht’. Het zweet hoort bij het winnen van het brood, niet bij het kauwen. ‘Tot stof’ wordt voltrokken in 5:5. Zie ook: Gen 2:7; Gen 5:5; Jub 3:25; Job 34:15; Ps 90:3; Ps 104:29; Pred 12:7 ### Adam, Eva en de kleding van huid **3:20** Adam noemde zijn vrouw Eva, want zij werd de moeder van alle levenden. Brontekst: וַיִּקְרָ֧א (vayiqra) = en hij noemde | הָֽאָדָ֛ם (haadam) = Adam | שֵׁ֥ם (shem) = naam van | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | חַוָּ֑ה (chava) = Eva | כִּ֛י (ki) = want | הִ֥וא (hi) = zij | הָֽיְתָ֖ה (hayeta) = werd | אֵ֥ם (em) = moeder van | כָּל (kal) = al | חָֽי (chay) = levend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: חַוָּה (Chavvah, Eva) komt van de stam ‘leven’ en klinkt aan op כָּל־חָי (kol chai), ‘alle levenden’. Dit is de eerste keer dat de naam Eva voorkomt. Adam geeft zijn vrouw haar naam. Zie ook: Gen 2:20; Gen 2:23; Gen 5:29; Gen 16:11; Jub 3:33; Mat 1:23 **3:21** Yahweh Elohim maakte voor Adam en zijn vrouw kleding van huid en kleedde hen daarin. Brontekst: וַיַּעַשׂ֩ (vayaas) = en Hij maakte | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | לְאָדָ֧ם (leadam) = voor Adam | וּלְאִשְׁתּ֛וֹ (uleishto) = en voor zijn vrouw | כָּתְנ֥וֹת (katenot) = kleden van | ע֖וֹר (or) = huid | וַיַּלְבִּשֵֽׁם (vayalbishem) = en hij kleedde hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: כָּתְנוֹת עוֹר (kotnot or), ‘kleding van huid’. Opvallend is dat Yahweh Elohim zelf de kleding maakt (וַיַּעַשׂ, vaya’as) en hen kleedt (וַיַּלְבִּשֵׁם, vayalbishem). לְאָדָם (le-adam) staat hier zonder lidwoord, dus ‘Adam’ is hier een eigennaam. Het maken van kleding van huid kan gelezen worden als het eerste dierenoffer na de zondeval. De prijs van de zonde is de dood (Gen. 2:17; Rom. 6:23), in dit geval de dood van een plaatsvervangend dier. Dit wijst vooruit naar de ultieme plaatsvervangende dood van Yeshua, het Lam van Elohim (Joh. 1:29). De tekst noemt alleen kleding van huid; daaruit volgt dat er een dier is gestorven. Een offer noemt de tekst niet. Voetnoot Lezing: Dit dier is het eerste slachtoffer, een vooruitwijzing naar Yeshua, het Lam (Joh. 1:29). Zie ook: Gen 2:17; Gen 3:7; Gen 3:17; Gen 4:4; Gen 22:8; Jub 3:26–27; Jes 61:10; Joh 1:29; 2 Kor 5:2–3; 2 Kor 5:21; Rom 3:22; Rom 6:23; Heb 9:22 ### Uit de tuin verdreven **3:22** Yahweh Elohim zei: **„Zie, Adam is als een van Ons geworden, in het kennen van goed en kwaad. En nu, om te voorkomen dat hij zijn hand uitsteekt, ook van de boom van het leven neemt, eet en voor altijd zal leven—”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | הֵ֤ן (hen) = zie | הָֽאָדָם֙ (haadam) = Adam | הָיָה֙ (haya) = is geworden | כְּאַחַ֣ד (keachad) = als een | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = van Ons | לָדַ֖עַת (ladaat) = om te kennen | ט֣וֹב (tov) = goed | וָרָ֑ע (vara) = en kwaad | וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | פֶּן (pen) = opdat niet | יִשְׁלַ֣ח (yishlach) = hij zal uitsteken | יָד֗וֹ (yado) = zijn hand | וְלָקַח֙ (velaqach) = en nemen | גַּ֚ם (gam) = ook | מֵעֵ֣ץ (meets) = van de boom van | הַֽחַיִּ֔ים (hachayim) = het leven | וְאָכַ֖ל (veakhal) = en eten | וָחַ֥י (vachay) = en leven | לְעֹלָֽם (leolam) = voor altijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: De zin breekt in het Hebreeuws af: פֶּן (pen), ‘opdat niet’, heeft geen hoofdzin; vers 23 is het vervolg. ‘Om te voorkomen dat’ geeft pen weer. ‘Leven voor altijd’: לְעֹלָם (le’olam). Hier staat ‘Adam’; ook de Septuaginta en de Vulgaat hebben hier de naam (zie de voetnoot bij Gen. 2:16). ‘Ons’ staat in het meervoud, net als in Gen. 1:26; verklaard als meerstemmigheid, hemelse raad of de volheid van Elohim. Zie ook: Gen 1:26; Gen 2:16; Gen 3:23; Gen 11:6–7; Spr 3:18; Openb 2:7; Openb 22:2; Openb 22:14 **3:23** Daarom stuurde Yahweh Elohim hem weg uit de tuin van Eden, om de grond te bewerken waaruit hij genomen was. Brontekst: וַֽיְשַׁלְּחֵ֛הוּ (vayshalechehu) = en Hij zond hem weg | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | מִגַּן (migan) = uit de tuin van | עֵ֑דֶן (eden) = Eden | לַֽעֲבֹד֙ (laavod) = om te bewerken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waaruit | לֻקַּ֖ח (luqach) = hij was genomen | מִשָּֽׁם (misham) = vandaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Eden: Eden wordt in deze uitgave vermoedelijk in het Armeense hoogland gezocht, waar de vier rivieren ontspringen. Voetnoot Uitleg: וַיְשַׁלְּחֵהוּ (vayeshalchehu), ‘en Hij stuurde hem weg’. Het Hebreeuws heeft alleen ‘en’; ‘Daarom’ verbindt dit vers met de afgebroken zin van vers 22. ‘Hem’ staat in het enkelvoud: het vers volgt הָאָדָם (ha’adam), waarin Eva is inbegrepen (vgl. 5:2), zoals ook 3:24. Zie ook: Gen 2:5; Gen 3:19; Gen 3:22; Gen 3:24; Gen 4:2; Gen 4:12; Gen 5:2; Pred 5:8 **3:24** Hij verdreef Adam. Aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de cherubs en het vlammende, zwaaiende zwaard. Zij moesten de weg naar de boom van het leven bewaken. Brontekst: וַיְגָ֖רֶשׁ (vaygaresh) = en Hij verdreef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָֽאָדָ֑ם (haadam) = Adam | וַיַּשְׁכֵּן֩ (vayashken) = en Hij liet wonen | מִקֶּ֨דֶם (miqedem) = aan de oostkant van | לְגַן (legan) = de tuin van | עֵ֜דֶן (eden) = Eden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַכְּרֻבִ֗ים (hakeruvim) = de cherubs | וְאֵ֨ת (veet) = en | לַ֤הַט (lahat) = vlam van | הַחֶ֨רֶב֙ (hacherev) = het zwaard | הַמִּתְהַפֶּ֔כֶת (hamithapekhet) = dat zich omdraait | לִשְׁמֹ֕ר (lishmor) = om te bewaken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = weg van | עֵ֥ץ (ets) = boom van | הַֽחַיִּֽים (hachayim) = het leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Plaats: Zie Eden: Eden wordt in deze uitgave vermoedelijk in het Armeense hoogland gezocht, waar de vier rivieren ontspringen. Voetnoot Uitleg: וַיַּשְׁכֵּן (vayashkén), letterlijk ‘en Hij liet wonen’, heeft dezelfde wortel als מִשְׁכָּן (mishkan), ‘woning’. כְּרֻבִים (cherubim) zijn hemelwezens; hier bewaken ze de weg naar de boom van het leven. לַהַט הַחֶרֶב הַמִּתְהַפֶּכֶת (lahat ha-cherev ha-mithapekhet): ‘de vlam van het zwaard dat zich omkeert’. הַמִּתְהַפֶּכֶת (hamithapekhet): ‘dat zich omkeert’; ‘zwaaiend’ is een weergave van die beweging. קֶדֶם (qedem): ‘oost’; zie de voetnoot bij Gen. 2:8. Hier: ‘plaatsen, laten verblijven’. Vergelijk de cherubs op het verzoendeksel (Ex. 25:18–22). Zie ook: Gen 2:8; Hen 20:7; Hen 24:3–25:7; Hen 32:3–6; Ex 25:18–22; 1 Kron 21:16–17; Ps 104:4; Heb 1:7; Heb 10:18–22 ## Genesis 4 _Kaïn en Abel_ ### Kaïn en Abel **4:1** Adam had gemeenschap met Eva, zijn vrouw. Ze werd zwanger en beviel van Kaïn. Ze zei: „Ik heb een jongen gekregen, met behulp van Yahweh.” Brontekst: וְהָ֣אָדָ֔ם (vehaadam) = en Adam | יָדַ֖ע (yada) = kende | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חַוָּ֣ה (chava) = Eva | אִשְׁתּ֑וֹ (ishto) = zijn vrouw | וַתַּ֨הַר֙ (vatahar) = en ze werd zwanger | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | קַ֔יִן (qayin) = Kaïn | וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en ze zei | קָנִ֥יתִי (qaniti) = ik heb verworven | אִ֖ישׁ (ish) = een man | אֶת (et) = met | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: יָדַע (yada), ‘kennen’, is hier lichamelijke gemeenschap; zo ook in 4:17 en 4:25. וְהָאָדָם (vehaadam), letterlijk ‘en de mens’, met lidwoord. Hier staat ‘Adam’, omdat het om de man van Eva gaat. Ook de Septuaginta en de Vulgaat hebben hier de naam; zie de voetnoot bij Gen. 2:16. קָנִיתִי (qaniti) is ‘ik heb verworven, gekregen’; het klinkt aan op קַיִן (Qayin), ‘Kaïn’. ‘Gekregen’ geeft de geboorte weer; dezelfde wortel betekent in 14:19 ‘bezitten’ (‘bezitter van hemel en aarde’). אִישׁ (ish), ‘man’, is hier weergegeven als ‘jongen’, omdat het om een pasgeboren kind gaat. אֶת־יהוה (et-YHWH): letterlijk ‘met Yahweh’; ‘met behulp van Yahweh’ is een weergave. Er staat אֶת (et), ‘met’, en niet מִן (min), ‘van’: Yahweh is niet de vader. De vader is Adam. Het kan zijn dat zij daadwerkelijk de bijstand heeft ervaren van Yahweh, omdat niemand tot dan enige ervaring had met een geboorte. ‘Met behulp van Yahweh’ past dan goed als weergave. Voetnoot Lezing: Eva is de eerste vrouw ooit die een kind baart. Zie ook: Gen 2:16; Gen 3:15; Gen 3:16; Gen 3:20; Gen 4:17; Gen 4:25; Gen 5:29; Gen 14:19; Hen 85:3–5; Jub 3:34; Jub 4:1; Jas 1:12–13; Num 31:17; 1 Joh 3:12 **4:2** Daarna beviel ze ook van zijn broer Abel. Abel werd herder van schapen en geiten en Kaïn werd een bewerker van de grond. Brontekst: וַתֹּ֣סֶף (vatosef) = en ze voegde toe | לָלֶ֔דֶת (laledet) = te baren | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָ֑בֶל (havel) = Abel | וַֽיְהִי (vayhi) = en hij was | הֶ֨בֶל֙ (hevel) = Abel | רֹ֣עֵה (roe) = herder van | צֹ֔אן (tson) = kleinvee | וְקַ֕יִן (veqayin) = en Kaïn | הָיָ֖ה (haya) = was | עֹבֵ֥ד (oved) = bewerker van | אֲדָמָֽה (adama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 47:3; Hen 85:3; Jub 4:1; Jas 1:13–14; Luc 11:51; Joh 8:44; 1 Joh 3:12; 1 Joh 3:15 ### De offergaven **4:3** Na verloop van tijd bracht Kaïn een offergave aan Yahweh, van de vrucht van de grond. Brontekst: וַֽיְהִ֖י (vayhi) = en het gebeurde | מִקֵּ֣ץ (miqets) = aan het einde van | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וַיָּבֵ֨א (vayave) = en hij bracht | קַ֜יִן (qayin) = Kaïn | מִפְּרִ֧י (miperi) = van de vrucht van | הָֽאֲדָמָ֛ה (haadama) = de grond | מִנְחָ֖ה (mincha) = offergave | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘offergave’, is hier een algemeen woord voor een gave aan Yahweh. In de wet van Mozes wordt het later de naam van het graanoffer (Leviticus 2). De tekst zegt niet waarom Yahweh de gave van Abel wel aannam en die van Kaïn niet; vers 4 noemt de eerstgeborenen en het vet van de kudde, de beste delen. Zie ook: Gen 4:4; Lev 2:1–11; Num 18:12; 1 Kon 17:7; Neh 13:6 **4:4** Ook Abel bracht iets: van de eerstgeborenen van zijn kudde en van hun vet. Yahweh keek vriendelijk naar Abel en zijn offergave, Brontekst: וְהֶ֨בֶל (vehevel) = en Abel | הֵבִ֥יא (hevi) = bracht | גַם (gam) = ook | ה֛וּא (hu) = hij | מִבְּכֹר֥וֹת (mibekhorot) = van de eerstgeborenen van | צֹאנ֖וֹ (tsono) = zijn kleinvee | וּמֵֽחֶלְבֵהֶ֑ן (umechelvehen) = en van hun vet | וַיִּ֣שַׁע (vayisha) = en Hij keek met welgevallen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | הֶ֖בֶל (hevel) = Abel | וְאֶל (veel) = en naar | מִנְחָתֽוֹ (minchato) = zijn offergave Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jas 1:15; Ex 13:12; Num 18:17; Spr 3:9; 1 Petr 1:19–20; Heb 11:4 **4:5** maar naar Kaïn en zijn offergave keek Hij niet om. Kaïn werd zeer kwaad en zijn gezicht werd somber. Brontekst: וְאֶל (veel) = en naar | קַ֥יִן (qayin) = Kaïn | וְאֶל (veel) = en naar | מִנְחָת֖וֹ (minchato) = zijn offergave | לֹ֣א (lo) = niet | שָׁעָ֑ה (shaa) = Hij keek met welgevallen | וַיִּ֤חַר (vayichar) = en het ontbrandde | לְקַ֨יִן֙ (leqayin) = voor Kaïn | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַֽיִּפְּל֖וּ (vayipelu) = en ze vielen | פָּנָֽיו (panav) = zijn gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kaïn bracht wel de vrucht van zijn grond, maar misschien niet specifiek het beste deel. Hebr. 11:4 zegt dat Abel door geloof een beter offer bracht, en 1 Joh. 3:12 zegt dat Kaïns werken boos waren. Het kan dus ook om Kaïns hartgesteldheid gaan, die niet goed was. Dat hij boos werd toen Yahweh zijn offer niet aanzag, en direct daarna, ondanks Yahweh’s waarschuwing (4:7), zijn broer doodsloeg, wijst op een fundamenteel verkeerde houding. Voetnoot Lezing: Abel bracht het beste van zijn opbrengst: de eerstgeborenen van zijn kudde en hun vet. Zie ook: Gen 4:7; Gen 4:8; Jas 1:16; Job 5:2; Lev 3:16; Jes 3:10–11; Mat 20:15; Luc 15:28–30; Heb 11:4; 1 Joh 3:12 **4:6** Yahweh zei tegen Kaïn: **„Waarom ben je kwaad, en waarom is je gezicht somber geworden?** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | קָ֑יִן (qayin) = Kaïn | לָ֚מָּה (lama) = waarom | חָ֣רָה (chara) = is het ontbrand | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | וְלָ֖מָּה (velama) = en waarom | נָפְל֥וּ (nafelu) = zijn ze gevallen | פָנֶֽיךָ (paneikha) = je gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרָה לָךְ (charah lakh), ‘het brandt in je’, staat voor ‘ben je kwaad’. נָפְלוּ פָנֶיךָ (nafelu fanekha), ‘je gezicht is gevallen’, staat voor ‘is je gezicht somber geworden’: donker kijken. Zie ook: Job 5:2; Jes 1:18; Mi 6:3–5; Jer 2:31; Luc 15:31–32 **4:7** **Is het niet zo dat je, als je het goede doet, je gezicht kunt opheffen? Maar als je het goede niet doet, ligt de zonde aan de deur op de loer. Naar jou gaat zijn verlangen uit, maar jij moet over hem heersen.”** Brontekst: הֲל֤וֹא (halo) = is het niet | אִם (im) = als | תֵּיטִיב֙ (teitiv) = je goed doet | שְׂאֵ֔ת (seet) = opheffing | וְאִם֙ (veim) = en als | לֹ֣א (lo) = niet | תֵיטִ֔יב (teitiv) = je goed doet | לַפֶּ֖תַח (lapetach) = bij de deur | חַטָּ֣את (chatat) = zonde | רֹבֵ֑ץ (rovets) = neerliggend | וְאֵלֶ֨יךָ֙ (veeleikha) = en naar jou | תְּשׁ֣וּקָת֔וֹ (teshuqato) = zijn verlangen | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | תִּמְשָׁל (timshal) = zult heersen | בּֽוֹ (bo) = over hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּשׁוּקָה (teshuqah), ‘verlangen’, en מָשַׁל (mashal), ‘heersen’, staan ook in Gen. 3:16. ‘Zijn’ en ‘hem’ zijn de zonde: חַטָּאת (chatat) is vrouwelijk, maar de zonde wordt voorgesteld als een roofdier, en רֹבֵץ (rovets), ‘neerliggend’, is mannelijk. שְׂאֵת (se’et) betekent ‘opheffing’: een opgeheven gezicht, aanvaarding of vergeving. תִּמְשָׁל (timshal) is letterlijk ‘jij zult heersen’; de vorm kan ook een opdracht (‘moet’) of mogelijkheid (‘kunt’) uitdrukken. Hier: ‘moet’, omdat Yahweh Kaïn waarschuwt. ‘Opheffen’ staat tegenover het gevallen gezicht in 4:6. Zie ook: Gen 3:16; Gen 4:6; Jes 3:10–11; Jak 1:15; Rom 2:6–10; Rom 6:16; Heb 11:4 ### De moord op Abel **4:8** Kaïn zei tegen zijn broer Abel: „Laten we naar het veld gaan.” Toen ze op het veld waren, stond Kaïn op tegen zijn broer Abel en doodde hem. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | קַ֖יִן (qayin) = Kaïn | אֶל (el) = tegen | הֶ֣בֶל (hevel) = Abel | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | נלכה (nelkhah) = laten we gaan | השדה (hasadeh) = naar het veld | וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het gebeurde | בִּהְיוֹתָ֣ם (bihyotam) = toen ze waren | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = op het veld | וַיָּ֥קָם (vayaqam) = en hij stond op | קַ֛יִן (qayin) = Kaïn | אֶל (el) = tegen | הֶ֥בֶל (hevel) = Abel | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | וַיַּהַרְגֵֽהוּ (vayahargehu) = en hij doodde hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Samaritaanse Pentateuch Voetnoot Uitleg: In de Masoretische tekst zegt Kaïn iets, maar de woorden ontbreken. De Septuaginta, de Samaritaanse Pentateuch en de Peshitta hebben: ‘Laten we naar het veld gaan.’ Dit vers volgt hen. Vergelijk 1 Joh. 3:12. Voetnoot Aanvullend: Jasher 1:17–25 vertelt een uitgebreider gesprek tussen Kaïn en Abel, over de kudde op Kaïns land, waarna Kaïn Abel met het ijzeren deel van zijn ploeg slaat; dat staat niet in Genesis. Zie ook: Hen 22:7; Hen 85:3–5; Hen 85:4; Jub 4:2–3; Jas 1:17–25; Spr 26:24–26; Mat 23:35; Luc 11:51; Jud 1:11; 1 Joh 3:12–15 **4:9** Yahweh zei tegen Kaïn: **„Waar is Abel, je broer?”** Kaïn zei: „Ik weet het niet. Ben ik soms de hoeder van mijn broer?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tegen | קַ֔יִן (qayin) = Kaïn | אֵ֖י (ei) = waar | הֶ֣בֶל (hevel) = Abel | אָחִ֑יךָ (achikha) = je broer | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = ik weet | הֲשֹׁמֵ֥ר (hashomer) = (vraag) hoeder | אָחִ֖י (achi) = mijn broer | אָנֹֽכִי (anokhi) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat alleen ‘en hij zei’. ‘Kaïn’ is ter verduidelijking ingevuld: het antwoord komt van Kaïn, aan wie Yahweh vroeg waar Abel was. Zie ook: Hen 22:7; Ps 9:13; Ps 10:13–14; Spr 28:13; Joh 8:44; Hand 5:4–9 **4:10** Hij zei: **„Wat heb je gedaan? Luister: het bloed van je broer schreeuwt naar Mij vanuit de grond.** Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en Hij zei | מֶ֣ה (me) = wat | עָשִׂ֑יתָ (asita) = heb je gedaan | ק֚וֹל (qol) = stem van | דְּמֵ֣י (demei) = bloed van | אָחִ֔יךָ (achikha) = je broer | צֹעֲקִ֥ים (tsoaqim) = schreeuwend | אֵלַ֖י (elay) = naar Mij | מִן (min) = vanuit | הָֽאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 22:5–7; Hen 22:7; Hen 47:1; Jub 4:3; Jas 1:28–29; Ps 72:14; Jes 5:7; Jak 5:4; Heb 11:4; Heb 12:24 ### De vloek over Kaïn **4:11** **Nu ben je vervloekt, weg van de grond die haar mond geopend heeft om het bloed van je broer uit jouw hand te ontvangen.** Brontekst: וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | אָר֣וּר (arur) = vervloekt | אָ֑תָּה (ata) = jij | מִן (min) = van | הָֽאֲדָמָה֙ (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | פָּצְתָ֣ה (patseta) = ze heeft geopend | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פִּ֔יהָ (piha) = haar mond | לָקַ֛חַת (laqachat) = om te ontvangen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דְּמֵ֥י (demei) = bloed van | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | מִיָּדֶֽךָ (miyadekha) = uit je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדָמָה (adamah) is de vruchtbare grond, anders dan אֶרֶץ (erets), ‘land, aarde’. Kaïn wordt van de grond vervloekt waarop hij werkte. ‘Van de grond’ is hier van déze akker, het perceel dat het bloed opnam. In 4:12 geeft de grond hem haar kracht niet meer; de aarde is waarop hij zwerft. Zie ook: Gen 3:14; Gen 4:12; Jub 4:4; Jas 1:31–32; Job 16:18; Deut 28:15–20; Jes 26:21; Gal 3:10 **4:12** **Als je deze grond bewerkt, zal ze je haar kracht niet meer geven. Een onrustige zwerver zul je zijn op de aarde.”** Brontekst: כִּ֤י (ki) = wanneer | תַֽעֲבֹד֙ (taavod) = je bewerkt | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | לֹֽא (lo) = niet | תֹסֵ֥ף (tosef) = ze zal toevoegen | תֵּת (tet) = te geven | כֹּחָ֖הּ (kochah) = haar kracht | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | נָ֥ע (na) = zwervend | וָנָ֖ד (vanad) = en rusteloos | תִּֽהְיֶ֥ה (tihye) = je zult zijn | בָאָֽרֶץ (baarets) = op de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּי תַעֲבֹד אֶת־הָאֲדָמָה (ki ta’avod et-ha’adamah): letterlijk ‘wanneer je de grond bewerkt’. הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’, is de grond die het bloed van Abel ontving (4:10–11): hetzelfde veld (שָׂדֶה, sadeh) als in 4:8, waar Kaïn hem doodde. Het lidwoord wijst terug naar die grond; daarom ‘deze’. Ze geeft Kaïn haar kracht niet meer, want hij is vervloekt (4:11). Zie ook: Gen 4:8; Gen 4:10–11; Gen 4:11; Jub 4:4; Jas 1:31–32; Lev 26:20; Lev 26:36; Deut 28:23–24; Ps 109:10; Hos 9:17 **4:13** Kaïn zei tegen Yahweh: „Mijn schuld is te groot om te dragen. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | קַ֖יִן (qayin) = Kaïn | אֶל (el) = tegen | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | גָּד֥וֹל (gadol) = groot | עֲוֺנִ֖י (avoni) = mijn schuld | מִנְּשֹֽׂא (mineso) = om te dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָוֹן (avon) betekent ‘schuld’ en ook ‘straf voor schuld’. נְשֹׂא (nso) komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ en ‘vergeven’: ‘te groot om te dragen’ of ‘te groot om vergeven te worden’. Zie ook: Job 15:22; Openb 16:9; Openb 16:11; Openb 16:21 **4:14** Zie, U hebt mij vandaag verdreven van mijn grond, en ik kan niet meer in Uw nabijheid zijn. Een onrustige zwerver zal ik zijn op de aarde, en ieder die mij vindt, kan mij doden.” Brontekst: הֵן֩ (hen) = zie | גֵּרַ֨שְׁתָּ (gerashta) = U hebt verdreven | אֹתִ֜י (oti) = mij | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | מֵעַל֙ (meal) = van op | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | וּמִפָּנֶ֖יךָ (umipaneikha) = en van Uw gezicht | אֶסָּתֵ֑ר (esater) = zal ik mij verbergen | וְהָיִ֜יתִי (vehayiti) = en ik zal zijn | נָ֤ע (na) = zwervend | וָנָד֙ (vanad) = en rusteloos | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = op de aarde | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | כָל (kal) = ieder | מֹצְאִ֖י (motsei) = die mij vindt | יַֽהַרְגֵֽנִי (yahargeni) = hij zal mij doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵעַל פְּנֵי הָאֲדָמָה (me’al penei ha’adamah): letterlijk ‘van boven op het gezicht van de grond’. וּמִפָּנֶיךָ אֶסָּתֵר (umipanekha essater) is letterlijk ‘en van Uw gezicht zal ik verborgen zijn’: buiten Uw aanwezigheid; zie 4:16. יַהַרְגֵנִי (yaharegeni), letterlijk ‘zal mij doden’, is een onvoltooide tijd en kan ook een mogelijkheid uitdrukken: ‘kan mij doden’. Het is de grond die Kaïn heeft bewoond en bewerkt (4:2; 4:11–12). ‘Mijn’ staat niet in het Hebreeuws; het geeft weer dat het om de grond gaat waar hij leefde en werkte. Kaïn spreekt zijn angst uit. Zie ook: Gen 4:2; Gen 4:11–12; Gen 4:16; Job 15:20–24; Num 35:19; Deut 28:65; Ps 143:7; 2 Tess 1:9 **4:15** Yahweh zei tegen hem: **„Niet zomaar! Er zal zeven keer wraak genomen worden op ieder die Kaïn doodt.”** Yahweh plaatste een teken op Kaïn, zodat niemand die hem vond, hem zou durven doden. Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en Hij zei | ל֣וֹ (lo) = tot hem | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לא (lo) = niet | כן (ken) = zo | כָּל (kal) = ieder | הֹרֵ֣ג (horeg) = die doodt | קַ֔יִן (qayin) = Kaïn | שִׁבְעָתַ֖יִם (shivatayim) = zevenvoudig | יֻקָּ֑ם (yuqam) = hij zal gewroken worden | וַיָּ֨שֶׂם (vayasem) = en Hij zette | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | לְקַ֨יִן֙ (leqayin) = voor Kaïn | א֔וֹת (ot) = een teken | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = opdat niet | הַכּוֹת (hakot) = zou slaan | אֹת֖וֹ (oto) = hem | כָּל (kal) = ieder | מֹצְאֽוֹ (motseo) = die hem vond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta, Vulgaat en Syrische vertaling Voetnoot Uitleg: לְבִלְתִּי הַכּוֹת־אֹתוֹ (levilti hakkot-oto): letterlijk ‘om hem niet te slaan’. ‘Zou durven doden’ is een weergave: het teken (אוֹת, ot) houdt niemand lichamelijk tegen, maar maakt dat niemand het aandurft, door de zevenvoudige wraak van de zin ervoor. ‘Niet zomaar!’ geeft de bedoeling weer: Yahweh wijst Kaïns verwachting af dat hij gedood zal worden. In de Hebreeuwse tekst staat ‘daarom’ (לָכֵן, lakhen). Zie ook: Gen 4:24; Ps 79:12; Ezech 9:4; Ezech 9:6; Openb 14:11 ### Kaïn in het gebied Nod **4:16** Kaïn ging weg uit de nabijheid van Yahweh en vestigde zich in het gebied Nod, ten oosten van Eden. Brontekst: וַיֵּ֥צֵא (vayetse) = en hij ging uit | קַ֖יִן (qayin) = Kaïn | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = van voor het gezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land | נ֖וֹד (nod) = Nod | קִדְמַת (qidmat) = ten oosten van | עֵֽדֶן (eden) = Eden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging is ten oosten van Eden: zie de voetnoot bij Gen. 2:8. Een plaats met de naam Nod is niet teruggevonden. Voetnoot Uitleg: נוֹד (Nod), ‘zwerven’. אֶרֶץ (erets) is ‘land, gebied’; hier ‘gebied’, omdat ‘land’ aan een staat met bestuur doet denken. נוֹד (nod) heeft dezelfde stam als ‘zwerver’ in 4:12. Zie ook: Gen 2:8; Gen 4:12; Gen 4:14; Jas 1:33; Job 2:7; Ex 20:18; 2 Kon 24:20; Jer 52:3 ### De nakomelingen van Kaïn **4:17** Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw. Ze werd zwanger en beviel van Henoch. Kaïn bouwde een nederzetting en noemde de nederzetting naar de naam van zijn zoon: Henoch. Brontekst: וַיֵּ֤דַע (vayeda) = en hij kende | קַ֨יִן֙ (qayin) = Kaïn | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | וַתַּ֖הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֲנ֑וֹךְ (chanokh) = Henoch | וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en hij was | בֹּ֣נֶה (bone) = bouwer van | עִ֔יר (ir) = een nederzetting | וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en hij noemde | שֵׁ֣ם (shem) = naam van | הָעִ֔יר (hair) = de nederzetting | כְּשֵׁ֖ם (keshem) = naar de naam van | בְּנ֥וֹ (beno) = zijn zoon | חֲנֽוֹךְ (chanokh) = Henoch Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van Kaïns nederzetting חֲנוֹךְ (Chanoch; in de tekst: Henoch) is onbekend. Als Eden in het bergland van Oost-Turkije en Armenië lag (zie de voetnoot bij Gen. 2:8), dan lag de nederzetting ten oosten van dat bergland. Voetnoot Uitleg: עִיר (ir) is een omheinde woonplaats, hier vertaald als ‘nederzetting’ omdat het niet noodzakelijk een stad is zoals wij die kennen. Volgens 4:16 woonde Kaïn ten oosten van Eden, dus de nederzetting lag waarschijnlijk ook daar. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 4:9 noemt Kaïns vrouw Awan, zijn zuster. Zie ook: Gen 2:8; Gen 4:16; Gen 5:22; Jub 4:9; Jas 1:34–35; 2 Sam 18:18; Ps 49:12; Pred 2:4–11; Dan 4:27 **4:18** Henoch kreeg een zoon, Irad. Irad was de vader van Mechujaël, Mechujaël de vader van Metusaël, en Metusaël de vader van Lemech. Brontekst: וַיִּוָּלֵ֤ד (vayivaled) = en er werd geboren | לַֽחֲנוֹךְ֙ (lachanokh) = aan Henoch | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עִירָ֔ד (irad) = Irad | וְעִירָ֕ד (veirad) = en Irad | יָלַ֖ד (yalad) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מְחֽוּיָאֵ֑ל (mechuyael) = Mechujaël | וּמְחִיּיָאֵ֗ל (umechiyyael) = en Mechujaël | יָלַד֙ (yalad) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מְת֣וּשָׁאֵ֔ל (metushael) = Metusaël | וּמְתוּשָׁאֵ֖ל (umetushael) = en Metusaël | יָלַ֥ד (yalad) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לָֽמֶךְ (lamekh) = Lemech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 5:21; Gen 36:2 **4:19** Lemech nam twee vrouwen. De ene heette Ada, de tweede Zilla. Brontekst: וַיִּֽקַּֽח (vayiqach) = en hij nam | ל֥וֹ (lo) = voor zich | לֶ֖מֶךְ (lemekh) = Lemech | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | נָשִׁ֑ים (nashim) = vrouwen | שֵׁ֤ם (shem) = naam van | הָֽאַחַת֙ (haachat) = de ene | עָדָ֔ה (ada) = Ada | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | הַשֵּׁנִ֖ית (hashenit) = de tweede | צִלָּֽה (tsila) = Zilla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶמֶךְ (Lemech) is de eerste man in de Schrift met twee vrouwen. Tot hier was het één man en één vrouw (2:24). Voetnoot Aanvullend: Jasher 2:16–18 noemt Ada en Zilla dochters van Kenan; dat staat niet in Genesis. Zie ook: Gen 2:18; Gen 2:24; Jas 2:16–18; Mat 19:4–6; Mat 19:8 **4:20** Ada beviel van Jabal. Hij was de vader van hen die in tenten wonen en vee houden. Brontekst: וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en ze baarde | עָדָ֖ה (ada) = Ada | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יָבָ֑ל (yaval) = Jabal | ה֣וּא (hu) = hij | הָיָ֔ה (haya) = was | אֲבִ֕י (avi) = vader van | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = bewoner van | אֹ֖הֶל (ohel) = tent | וּמִקְנֶֽה (umiqne) = en vee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:27; 1 Kron 2:50–52; 1 Kron 4:4–5; Jer 35:9–10; Joh 8:44 **4:21** Zijn broer heette Jubal. Hij was de vader van allen die lier en fluit bespelen. Brontekst: וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | יוּבָ֑ל (yuval) = Jubal | ה֣וּא (hu) = hij | הָיָ֔ה (haya) = was | אֲבִ֕י (avi) = vader van | כָּל (kal) = ieder | תֹּפֵ֥שׂ (tofes) = die hanteert | כִּנּ֖וֹר (kinor) = lier | וְעוּגָֽב (veugav) = en fluit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:27; Job 21:12; Amos 6:5; Jes 5:12; Rom 4:11–12 **4:22** Ook Zilla kreeg een zoon: Tubal-Kaïn, die allerlei gereedschap van brons en ijzer smeedde. De zus van Tubal-Kaïn was Naäma. Brontekst: וְצִלָּ֣ה (vetsila) = en Zilla | גַם (gam) = ook | הִ֗וא (hi) = zij | יָֽלְדָה֙ (yaleda) = baarde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | תּ֣וּבַל (tuval) = Tubal | קַ֔יִן (qayin) = Kaïn | לֹטֵ֕שׁ (lotesh) = hamerend | כָּל (kal) = ieder | חֹרֵ֥שׁ (choresh) = bewerker van | נְחֹ֖שֶׁת (nechoshet) = brons | וּבַרְזֶ֑ל (uvarzel) = en ijzer | וַֽאֲח֥וֹת (vaachot) = en zuster van | תּֽוּבַל (tuval) = Tubal | קַ֖יִן (qayin) = Kaïn | נַֽעֲמָֽה (naama) = Naäma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹטֵשׁ (lotesh) is een onzeker woord: ‘hamerend, scherp makend’. חֹרֵשׁ (choresh) is een bewerker of ambachtsman en נְחֹשֶׁת (nechoshet) is brons of koper. De vertaling ‘allerlei gereedschap smeedde’ is een verklaring van deze onzekere zin. Zie ook: Ex 25:3; Num 31:22; Deut 8:9; Deut 33:25; 2 Kron 2:6 ### Het lied van Lemech **4:23** Lemech zei tegen zijn vrouwen: „Ada en Zilla, luister naar mijn stem. Vrouwen van Lemech, hoor wat ik zeg: een man heb ik gedood vanwege mijn wond, een jongen vanwege mijn striem. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֶ֜מֶךְ (lemekh) = Lemech | לְנָשָׁ֗יו (lenashav) = tot zijn vrouwen | עָדָ֤ה (ada) = Ada | וְצִלָּה֙ (vetsila) = en Zilla | שְׁמַ֣עַן (shemaan) = hoor | קוֹלִ֔י (qoli) = mijn stem | נְשֵׁ֣י (neshei) = vrouwen van | לֶ֔מֶךְ (lemekh) = Lemech | הַאְזֵ֖נָּה (hazena) = luister | אִמְרָתִ֑י (imrati) = mijn spraak | כִּ֣י (ki) = want | אִ֤ישׁ (ish) = een man | הָרַ֨גְתִּי֙ (haragti) = ik heb gedood | לְפִצְעִ֔י (lefitsi) = voor mijn wond | וְיֶ֖לֶד (veyeled) = en een jongen | לְחַבֻּרָתִֽי (lechaburati) = voor mijn striem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָרַגְתִּי לְפִצְעִי וְיֶלֶד לְחַבֻּרָתִי (ish haragti lefitsi’i veyeled lechaburati): letterlijk ‘een man heb ik gedood voor mijn wond, en een jongen voor mijn striem’. Het voorzetsel לְ (le) is hier vertaald met ‘vanwege’; het kan ook ‘zodra’ of ‘tot (mijn) schade’ betekenen. Lemechs woorden zijn een lied: dichtregels met parallelle halve regels (4:23–24). De tekst zegt niet of het om één of twee personen gaat. Lezingen: 1. Lemech schept op over een buitensporige wraakactie (vgl. 4:24). 2. Het is een vraag aan zijn vrouwen: ‘Heb ik een man gedood…?’ 3. Hij verdedigt zich of is bang voor de gevolgen (vgl. 4:15). Voetnoot Aanvullend: Jasher 2:26–36 vertelt dat de blinde Lemech Kaïn voor een dier aanzag en doodde, en daarna zijn zoon; dat staat niet in Genesis. Jubileeën 4:31 laat Kaïn omkomen doordat zijn huis instort. Zie ook: Gen 4:15; Gen 4:24; Jub 4:31; Jas 2:26–36; Ex 20:13; Lev 19:18; Num 23:18; Re 9:7 **4:24** Als er voor Kaïn zeven keer wraak genomen wordt, dan voor Lemech 77 keer.” Brontekst: כִּ֥י (ki) = want | שִׁבְעָתַ֖יִם (shivatayim) = zevenvoudig | יֻקַּם (yuqam) = wordt gewroken | קָ֑יִן (qayin) = Kaïn | וְלֶ֖מֶךְ (velemekh) = en Lemech | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | וְשִׁבְעָֽה (veshiva) = en zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּי שִׁבְעָתַיִם יֻקַּם־קָיִן וְלֶמֶךְ שִׁבְעִים וְשִׁבְעָה (ki shiv'atayim yuqqam-Qayin veLemech shiv'im veshiv'ah). שִׁבְעָתַיִם (shiv'atayim) is ‘zevenvoudig’. Het voorzetsel כִּי (ki) is hier vertaald met ‘als’; het kan ook ‘want’ of ‘omdat’ betekenen. שִׁבְעִים וְשִׁבְעָה (shiv'im veshiv'ah) is letterlijk ‘zeventig en zeven’, dus 77. Zeven staat voor volheid en zeventig voor overmaat; Lemech stelt zich boven Kaïns bescherming (4:15). Het Griekse ἑβδομηκοντάκις ἑπτά (Septuaginta; Mattheüs 18:22) kan ook als ‘zeventig maal zeven’ (490) worden gelezen. Vgl. Dan. 9:24. Zie ook: Gen 4:15; Dan 9:24; Mat 18:22 ### Seth en Enosh **4:25** Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw. Ze kreeg een zoon en noemde hem Seth, want, zei ze: „Elohim heeft mij een andere nakomeling gegeven in plaats van Abel, omdat Kaïn hem gedood heeft.” Brontekst: וַיֵּ֨דַע (vayeda) = en hij kende | אָדָ֥ם (adam) = Adam | עוֹד֙ (od) = weer | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | בֵּ֔ן (ben) = een zoon | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | שֵׁ֑ת (shet) = Seth | כִּ֣י (ki) = want | שָֽׁת (shat) = heeft gesteld | לִ֤י (li) = mij | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | זֶ֣רַע (zera) = nageslacht | אַחֵ֔ר (acher) = ander | תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | הֶ֔בֶל (hevel) = Abel | כִּ֥י (ki) = want | הֲרָג֖וֹ (harago) = hij doodde hem | קָֽיִן (qayin) = Kaïn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat Voetnoot Uitleg: אָדָם (Adam) staat hier zonder lidwoord en is dus met zekerheid een eigennaam. In 4:1 stond het met lidwoord; ook daar is ‘Adam’ gekozen. שֵׁת (Seth) klinkt aan op שָׁת (shat), ‘hij heeft gesteld, gegeven’. זֶרַע (zera) is ‘nageslacht’, hetzelfde woord als in Gen. 3:15; hier als één nakomeling weergegeven, omdat het over Seth gaat. Zie de voetnoot bij Gen. 2:16. Seth is de zoon die Abel vervangt. Zie ook: Gen 2:16; Gen 3:15; Gen 3:17; Gen 4:1–3; Gen 4:8; Gen 5:3–4; Hen 85:8–9; Jub 4:7; Jub 4:11; Jas 2:1; 1 Kron 1:1; Luc 3:38 **4:26** Ook Seth kreeg een zoon, en hij noemde hem Enosh. Toen begon men de naam van Yahweh aan te roepen. Brontekst: וּלְשֵׁ֤ת (uleshet) = en aan Seth | גַּם (gam) = ook | הוּא֙ (hu) = hij | יֻלַּד (yulad) = werd geboren | בֵּ֔ן (ben) = een zoon | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | אֱנ֑וֹשׁ (enosh) = Enosh | אָ֣ז (az) = toen | הוּחַ֔ל (huchal) = werd begonnen | לִקְרֹ֖א (liqro) = aan te roepen | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = de naam van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱנוֹשׁ (Enosh) betekent ‘mens’, het sterfelijke mens-zijn. Het aanroepen van de Naam kan hier openbare aanbidding of individuele aanbidding van Seth of van Enosh betekenen. De tekst laat dat open. De Naam was al bekend: zie de voetnoot bij Gen. 2:4. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 4:11–12 zegt dat Enosh de naam van Yahweh begon aan te roepen. Zie ook: Gen 2:4; Jub 4:11–12; Jub 4:12; Ps 116:17; 1 Kon 18:24; Joël 3:5; Sef 3:9; Luc 3:38 ## Genesis 5 _Van Adam tot Noach_ ### Het boek van Adams geslachten **5:1** Dit is het boek van de geschiedenis van Adam. Toen Elohim Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis van Elohim. Brontekst: זֶ֣ה (ze) = dit | סֵ֔פֶר (sefer) = boek van | תּוֹלְדֹ֖ת (toledot) = geschiedenis van | אָדָ֑ם (adam) = Adam | בְּי֗וֹם (beyom) = op de dag van | בְּרֹ֤א (bero) = het scheppen van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אָדָ֔ם (adam) = Adam | בִּדְמ֥וּת (bidmut) = naar de gelijkenis van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | עָשָׂ֥ה (asa) = Hij maakte | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹלְדֹת (toledot), ‘geschiedenis, geslachten’, is hetzelfde woord als in 2:4. Hier loopt de lijn van Adam via Seth tot Noach: tien namen. In Genesis 11 volgen er weer tien tot Abram. אָדָם (adam) staat in dit vers twee keer zonder lidwoord. In ‘het boek van de geschiedenis van Adam’ is het de eerste persoon van de lijn die in vers 3–5 verder gaat, dus de eigennaam. In ‘Toen Elohim Adam schiep’ staat dezelfde vorm; ook hier is ‘Adam’ gekozen, omdat de Septuaginta hier de naam heeft (zie de voetnoot bij Gen. 2:16). Het gaat om de mens als soort, zoals in 1:27. Zie ook: Gen 1:26–27; Gen 1:27; Gen 2:4; Gen 2:16; Gen 5:3–5; Gen 11; 1 Kor 11:7; Ef 4:24; Kol 3:10; Heb 1:3 **5:2** Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. Hij zegende hen en noemde hun naam: Adam, toen ze geschapen werden. Brontekst: זָכָ֥ר (zakhar) = mannelijk | וּנְקֵבָ֖ה (uneqeva) = en vrouwelijk | בְּרָאָ֑ם (beraam) = Hij schiep hen | וַיְבָ֣רֶךְ (vayvarekh) = en Hij zegende | אֹתָ֗ם (otam) = hen | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en Hij noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמָם֙ (shemam) = hun naam | אָדָ֔ם (adam) = Adam | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | הִבָּֽרְאָֽם (hibaream) = hun geschapen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָדָם (adam), ‘mens’, is hier de naam voor beiden: Elohim noemt man en vrouw samen ‘Adam’, ‘mens’. Zie ook: Gen 1:27; Gen 2:23; Mal 2:15; Mat 19:4; Mar 10:6 **5:3** Adam leefde 130 jaar en kreeg een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn beeld. Hij noemde hem Seth. Brontekst: וַֽיְחִ֣י (vaychi) = en hij leefde | אָדָ֗ם (adam) = Adam | שְׁלֹשִׁ֤ים (sheloshim) = dertig | וּמְאַת֙ (umeat) = en honderd | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בִּדְמוּת֖וֹ (bidmuto) = naar zijn gelijkenis | כְּצַלְמ֑וֹ (ketsalmo) = als zijn beeld | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | שֵֽׁת (shet) = Seth Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat geen woord voor ‘zoon’; dat is aangevuld. De Septuaginta en de Samaritaanse Pentateuch hebben in dit hoofdstuk andere getallen. אָדָם (Adam) is hier de eigennaam: het gaat om één persoon met een leeftijd en kinderen (zie 4:25). Zie ook: Gen 4:25; Hen 37:1; Hen 85:8; Jub 4:7; Jas 2:1; Job 15:14–16; Job 25:4; Ps 14:2–3; 1 Kor 15:39 **5:4** Na de geboorte van Seth leefde Adam nog 800 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַיִּֽהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | יְמֵי (yemei) = dagen van | אָדָ֗ם (adam) = Adam | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֵׁ֔ת (shet) = Seth | שְׁמֹנֶ֥ה (shemone) = acht | מֵאֹ֖ת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּנִים וּבָנוֹת (banim uvanot), ‘zonen en dochters’: Adam had meer kinderen dan Kaïn, Abel en Seth. Genesis noemt ze niet. אָדָם (Adam) is hier de eigennaam (zie 4:25). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 4:8–10 noemen de dochter Azura, Kaïns vrouw Awan (zijn zuster) en negen andere zonen. Jubileeën 4:11 zegt dat Seth met zijn zuster Azura trouwt. Zie ook: Gen 4:25; Gen 5:10; Gen 5:19; Gen 5:30; Hen 37:1; Jub 4:1; Jub 4:8–11; Jub 4:10; Jub 4:11; 1 Kron 1:1–3; Luc 3:36–38 **5:5** Adam werd in totaal 930 jaar oud. Toen stierf hij. Brontekst: וַיִּֽהְי֞וּ (vayihyu) = en waren | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֤י (yemei) = dagen van | אָדָם֙ (adam) = Adam | אֲשֶׁר (asher) = die | חַ֔י (chay) = hij leefde | תְּשַׁ֤ע (tesha) = negen | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּמֹת (vayamot), ‘en hij stierf’, is het refrein van dit hoofdstuk, behalve bij Henoch (vers 24). Hier gebeurt wat Yahweh Elohim zei in 2:17. אָדָם (Adam) is hier de eigennaam (zie 4:25). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 4:29–30 zegt dat Adam 70 jaar tekortkwam aan 1000 jaar: duizend jaar is als één dag, en zo wordt ‘op de dag dat je eet’ (2:17) gelezen. Jasher 3:14 zegt dat Seth, Henoch en Metuselach Adam met grote eer begroeven; Genesis vertelt niets over zijn begrafenis. Zie ook: Gen 2:17; Gen 3:19; Gen 4:25; Gen 5:8; Gen 5:11; Gen 5:24; Hen 37:1; Jub 4:29–30; Jas 3:14; 2 Sam 14:14; 1 Kor 15:21–22 **5:6** Seth leefde 105 jaar en werd de vader van Enosh. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en hij leefde | שֵׁ֕ת (shet) = Seth | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaar | וּמְאַ֣ת (umeat) = en honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֱנֽוֹשׁ (enosh) = Enosh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:26; Hen 37:1; Jub 4:11–12; Jas 2:2 **5:7** Na de geboorte van Enosh leefde Seth nog 807 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en hij leefde | שֵׁ֗ת (shet) = Seth | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֱנ֔וֹשׁ (enosh) = Enosh | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | וּשְׁמֹנֶ֥ה (ushemone) = en acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 37:1 **5:8** Seth werd in totaal 912 jaar oud. Toen stierf hij. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | כָּל (kal) = alle | יְמֵי (yemei) = dagen van | שֵׁ֔ת (shet) = Seth | שְׁתֵּ֤ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּתְשַׁ֥ע (utesha) = en negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 37:1; Jas 4:10 **5:9** Enosh leefde 90 jaar en werd de vader van Kenan. Brontekst: וַֽיְחִ֥י (vaychi) = en hij leefde | אֱנ֖וֹשׁ (enosh) = Enosh | תִּשְׁעִ֣ים (tishim) = negentig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | קֵינָֽן (qeinan) = Kenan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 4:13; Jas 2:10; 1 Kron 1:2; Luc 3:37 **5:10** Na de geboorte van Kenan leefde Enosh nog 815 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִ֣י (vaychi) = en hij leefde | אֱנ֗וֹשׁ (enosh) = Enosh | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | קֵינָ֔ן (qeinan) = Kenan | חֲמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּשְׁמֹנֶ֥ה (ushemone) = en acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:11** Enosh werd in totaal 905 jaar oud. Toen stierf hij. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | אֱנ֔וֹשׁ (enosh) = Enosh | חָמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | וּתְשַׁ֥ע (utesha) = en negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jas 5:1 **5:12** Kenan leefde 70 jaar en werd de vader van Mahalalël. Brontekst: וַֽיְחִ֥י (vaychi) = en hij leefde | קֵינָ֖ן (qeinan) = Kenan | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מַֽהֲלַלְאֵֽל (mahalalel) = Mahalalël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 4:14; Jas 2:15–16; Luc 3:37 **5:13** Na de geboorte van Mahalalël leefde Kenan nog 840 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַיְחִ֣י (vaychi) = en hij leefde | קֵינָ֗ן (qeinan) = Kenan | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מַֽהֲלַלְאֵ֔ל (mahalalel) = Mahalalël | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּשְׁמֹנֶ֥ה (ushemone) = en acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:14** Kenan werd in totaal 910 jaar oud. Toen stierf hij. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | קֵינָ֔ן (qeinan) = Kenan | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | וּתְשַׁ֥ע (utesha) = en negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jas 5:2 **5:15** Mahalalël leefde 65 jaar en werd de vader van Jered. Brontekst: וַֽיְחִ֣י (vaychi) = en hij leefde | מַֽהֲלַלְאֵ֔ל (mahalalel) = Mahalalël | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaar | וְשִׁשִּׁ֣ים (veshishim) = en zestig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יָֽרֶד (yared) = Jered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 83:3; Jub 4:15; 1 Kron 1:2 **5:16** Na de geboorte van Jered leefde Mahalalël nog 830 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִ֣י (vaychi) = en hij leefde | מַֽהֲלַלְאֵ֗ל (mahalalel) = Mahalalël | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יֶ֔רֶד (yered) = Jered | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּשְׁמֹנֶ֥ה (ushemone) = en acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 83:3 **5:17** Mahalalël werd in totaal 895 jaar oud. Toen stierf hij. Brontekst: וַיִּהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | מַהֲלַלְאֵ֔ל (mahalalel) = Mahalalël | חָמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | וְתִשְׁעִים֙ (vetishim) = en negentig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּשְׁמֹנֶ֥ה (ushemone) = en acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 83:3; Jas 5:3 **5:18** Jered leefde 162 jaar en werd de vader van Henoch. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en hij leefde | יֶ֕רֶד (yered) = Jered | שְׁתַּ֧יִם (shetayim) = twee | וְשִׁשִּׁ֛ים (veshishim) = en zestig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וּמְאַ֣ת (umeat) = en honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֲנֽוֹךְ (chanokh) = Henoch Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֶרֶד (Jered) komt van יָרַד (yarad), ‘afdalen’. Genesis zegt dat niet. Voetnoot Aanvullend: Henoch 6:6 laat de wachters afdalen op de berg Hermon; Henoch 106:13 plaatst die overtreding ‘in het geslacht van Jered’. Zie ook: Gen 4:17; Hen 6:6; Hen 83:3; Hen 93:3; Hen 106:13; Jub 4:15; Jub 4:16; 1 Kron 1:3; Luc 3:37; Jud 1:14–15 **5:19** Na de geboorte van Henoch leefde Jered nog 800 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en hij leefde | יֶ֗רֶד (yered) = Jered | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֲנ֔וֹךְ (chanokh) = Henoch | שְׁמֹנֶ֥ה (shemone) = acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 93:3 **5:20** Jered werd in totaal 962 jaar oud. Toen stierf hij. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | כָּל (kal) = alle | יְמֵי (yemei) = dagen van | יֶ֔רֶד (yered) = Jered | שְׁתַּ֤יִם (shetayim) = twee | וְשִׁשִּׁים֙ (veshishim) = en zestig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּתְשַׁ֥ע (utesha) = en negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 93:3; Jas 5:4 ### Henoch wandelt met Elohim **5:21** Henoch leefde 65 jaar en werd de vader van Metuselach. Brontekst: וַֽיְחִ֣י (vaychi) = en hij leefde | חֲנ֔וֹךְ (chanokh) = Henoch | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | וְשִׁשִּׁ֖ים (veshishim) = en zestig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מְתוּשָֽׁלַח (metushalach) = Metuselach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 60:8; Hen 65:2; Hen 93:3; Jub 4:17–19; Jub 4:20; Jas 3:1; Luc 3:37 **5:22** Na de geboorte van Metuselach wandelde Henoch 300 jaar met Elohim. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַיִּתְהַלֵּ֨ךְ (vayithalekh) = en hij wandelde | חֲנ֜וֹךְ (chanokh) = Henoch | אֶת (et) = met | הָֽאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מְתוּשֶׁ֔לַח (metushelach) = Metuselach | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:9; Gen 17:1; Hen 60:8; Hen 65:2; Hen 93:3; Jub 4:20; Mal 2:6; Luc 1:6; 1 Tess 2:12 **5:23** Henoch werd in totaal 365 jaar oud. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en waren | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | חֲנ֑וֹךְ (chanokh) = Henoch | חָמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | וְשִׁשִּׁים֙ (veshishim) = en zestig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּשְׁלֹ֥שׁ (ushelosh) = en drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 60:8; Hen 65:2; Hen 93:3 **5:24** Henoch wandelde met Elohim, en hij was er niet meer, want Elohim nam hem weg. Brontekst: וַיִּתְהַלֵּ֥ךְ (vayithalekh) = en hij wandelde | חֲנ֖וֹךְ (chanokh) = Henoch | אֶת (et) = met | הָֽאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וְאֵינֶ֕נּוּ (veeinenu) = en niet hij | כִּֽי (ki) = want | לָקַ֥ח (laqach) = Hij nam | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּתְהַלֵּךְ (vayithalekh), ‘en hij wandelde’, is hetzelfde werkwoord als in 3:8, waar Yahweh Elohim door de tuin wandelt. וְאֵינֶנּוּ (we’enennu) is ‘en hij was er niet meer’, כִּי־לָקַח אֹתוֹ אֱלֹהִים (ki laqach oto Elohim) ‘want Elohim nam hem’. Henoch sterft niet: Heb. 11:5. Dat staat niet in Genesis. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 4:17–19 noemt Henoch de eerste die schreef en 4:21–23 vertelt over zijn verblijf bij de engelen en zijn opneming naar de tuin van Eden; ook Henoch 12:1 en 70:1–2 spreken daarover. Volgens Jasher 3–4 regeerde hij als koning en werd hij na 365 jaar naar de hemel opgenomen. Zie ook: Gen 3:8; Gen 4:21–23; Gen 5:22; Hen 12:1; Hen 60:8; Hen 65:2; Hen 70:1–2; Hen 70:2; Hen 71:1; Jub 4:17–19; Jub 4:21; Jub 4:23; Jas 3:1–10; Jas 4:1–2; 2 Kon 2:11; Luc 23:43; Heb 11:5–6; 1 Joh 1:7 **5:25** Metuselach leefde 187 jaar en werd de vader van Lemech. Brontekst: וַיְחִ֣י (vaychi) = en hij leefde | מְתוּשֶׁ֔לַח (metushelach) = Metuselach | שֶׁ֧בַע (sheva) = zeven | וּשְׁמֹנִ֛ים (ushemonim) = en tachtig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וּמְאַ֣ת (umeat) = en honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לָֽמֶךְ (lamekh) = Lemech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:18; Hen 60:8; Hen 65:2; Jub 4:20; Jub 4:27 **5:26** Na de geboorte van Lemech leefde Metuselach nog 782 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִ֣י (vaychi) = en hij leefde | מְתוּשֶׁ֗לַח (metushelach) = Metuselach | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לֶ֔מֶךְ (lemekh) = Lemech | שְׁתַּ֤יִם (shetayim) = twee | וּשְׁמוֹנִים֙ (ushemonim) = en tachtig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּשְׁבַ֥ע (usheva) = en zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 60:8; Hen 65:2; Jub 4:27 **5:27** Metuselach werd in totaal 969 jaar oud. Toen stierf hij. Brontekst: וַיִּהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | מְתוּשֶׁ֔לַח (metushelach) = Metuselach | תֵּ֤שַׁע (tesha) = negen | וְשִׁשִּׁים֙ (veshishim) = en zestig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּתְשַׁ֥ע (utesha) = en negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Met 969 jaar is Metuselach de oudste in de Schrift. Reken je de jaren van dit hoofdstuk door, dan sterft hij in het jaar van de vloed; zie 7:11. Zie ook: Gen 7:11 ### Lemech en Noach **5:28** Lemech leefde 182 jaar en kreeg een zoon. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en hij leefde | לֶ֕מֶךְ (lemekh) = Lemech | שְׁתַּ֧יִם (shetayim) = twee | וּשְׁמֹנִ֛ים (ushemonim) = en tachtig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וּמְאַ֣ת (umeat) = en honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בֵּֽן (ben) = zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 10:1; Hen 106:1; Jub 4:27–28; Jas 4:11 **5:29** Hij noemde hem Noach en zei: „Deze zal ons troosten in ons werk en in de moeite van onze handen, op de grond die Yahweh vervloekt heeft.” Brontekst: וַיִּקְרָ֧א (vayiqra) = en hij noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֛וֹ (shemo) = zijn naam | נֹ֖חַ (noach) = Noach | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | זֶ֞֠ה (ze) = deze | יְנַחֲמֵ֤נוּ (yenachamenu) = hij zal ons troosten | מִֽמַּעֲשֵׂ֨נוּ֙ (mimaasenu) = van ons werk | וּמֵעִצְּב֣וֹן (umeitsevon) = en van de moeite van | יָדֵ֔ינוּ (yadeinu) = onze handen | מִן (min) = van | הָ֣אֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אֵֽרְרָ֖הּ (ererah) = vervloekte haar | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹחַ (Noach), ‘rust’, klinkt aan op יְנַחֲמֵנוּ (yenachamenu), ‘hij zal ons troosten’. מִן (min) kan ‘van’ of ‘in’ betekenen: troost van het werk, of troost in het werk. De grond die Yahweh vervloekt heeft, is die van 3:17. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 4:28 geeft dezelfde woorden van Lemech en noemt zijn vrouw Betenos; Jasher 4:11 noemt haar Ashmua. Henoch 106 vertelt over Noachs geboorte. Zie ook: Gen 3:17; Hen 10:1; Hen 106:1–3; Hen 106:18; Hen 107:3; Jub 4:28; Jas 4:11; Jes 54:9; Ezech 14:20; Mat 24:37; 2 Petr 2:5; Heb 11:7 **5:30** Na de geboorte van Noach leefde Lemech nog 595 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en hij leefde | לֶ֗מֶךְ (lemekh) = Lemech | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נֹ֔חַ (noach) = Noach | חָמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | וְתִשְׁעִים֙ (vetishim) = en negentig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וַחֲמֵ֥שׁ (vachamesh) = en vijf | מֵאֹ֖ת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:31** Lemech werd in totaal 777 jaar oud. Toen stierf hij. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en waren | כָּל (kal) = alle | יְמֵי (yemei) = dagen van | לֶ֔מֶךְ (lemekh) = Lemech | שֶׁ֤בַע (sheva) = zeven | וְשִׁבְעִים֙ (veshivim) = en zeventig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וּשְׁבַ֥ע (usheva) = en zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en hij stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **5:32** Toen Noach 500 jaar oud was, werd hij de vader van Sem, Cham en Jafeth. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en hij was | נֹ֕חַ (noach) = Noach | בֶּן (ben) = zoon van | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֣וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | נֹ֔חַ (noach) = Noach | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֵׁ֖ם (shem) = Sem | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חָ֥ם (cham) = Cham | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יָֽפֶת (yafet) = Jafeth Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen in dit hoofdstuk: אָדָם (Adam) ‘mens’, שֵׁת (Seth) ‘gezet’, אֱנוֹשׁ (Enosh) ‘sterveling’, מַהֲלַלְאֵל (Mahalalël) ‘lof van El’, יֶרֶד (Jered) ‘afdaling’, חֲנוֹךְ (Henoch) ‘ingewijd’, נֹחַ (Noach) ‘rust’, שֵׁם (Sem) ‘naam’, יֶפֶת (Jafeth) ‘ruimte’ (zie 9:27). De betekenis van קֵינָן (Kenan), מְתוּשֶׁלַח (Metuselach), לֶמֶךְ (Lemech) en חָם (Cham) is onzeker. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 4:33 noemt Noachs vrouw Emzara; Jasher 5:16 noemt haar Naäma. Zie ook: Gen 6:10; Gen 9:18–19; Gen 9:22–27; Gen 9:27; Gen 10:21; Hen 106:16; Jub 4:33; Jas 5:16–18; 1 Kron 1:4–28 ## Genesis 6 _Het kwaad vóór de vloed_ ### De zonen van Elohim en de dochters van de mens **6:1** Toen de mens zich op de grond begon te vermenigvuldigen en er dochters aan hen geboren werden, Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כִּֽי (ki) = toen | הֵחֵ֣ל (hechel) = begon | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mens | לָרֹ֖ב (larov) = te vermenigvuldigen | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | הָֽאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | וּבָנ֖וֹת (uvanot) = en dochters | יֻלְּד֥וּ (yuledu) = werden geboren | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: de mensheid als geheel. Met lidwoord, dus geen eigennaam. Zie ook: Gen 1:28; Hen 6:1–2; Hen 6:2; Hen 7:1–2; Hen 64:2; Hen 86:3; Hen 106:14; Jub 5:1 **6:2** zagen de zonen van Elohim dat de dochters van de mens mooi waren. Zij namen zich vrouwen uit allen die zij kozen. Brontekst: וַיִּרְא֤וּ (vayiru) = en zagen | בְנֵי (benei) = zonen van | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mens | כִּ֥י (ki) = dat | טֹבֹ֖ת (tovot) = goed | הֵ֑נָּה (hena) = zij | וַיִּקְח֤וּ (vayiqchu) = en namen | לָהֶם֙ (lahem) = voor zichzelf | נָשִׁ֔ים (nashim) = vrouwen | מִכֹּ֖ל (mikol) = uit alle | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בָּחָֽרוּ (bacharu) = zij kozen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הָאֱלֹהִים (bene ha’Elohim), ‘zonen van Elohim’, wordt op drie manieren gelezen: hemelse wezens (zo ook in Job 1:6, 2:1 en 38:7), mannen uit de lijn van Seth, of heersers. הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: de mensheid als geheel. Met lidwoord, dus geen eigennaam. Voetnoot Lezing: Wie dat zo leest, verbindt het met 2 Petr. 2:4 en Jud. 6; dat is een lezing. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 7:21 en Henoch 6:2 lezen: engelen die zich vrouwen kozen. Jubileeën 4:22 zegt dat Henoch tegen deze Wachters optrad; volgens 5:10 worden zij gebonden. Henoch 7:1–2 beschrijft hoe zij zich vrouwen nemen. Jasher 4:19 zegt dat de rechters en beambten van de mensen met geweld vrouwen namen van onder hun echtgenoten vandaan; Genesis noemt de zonen van Elohim. Zie ook: Gen 5:10; Hen 6:2; Hen 7:1–2; Hen 15:3; Hen 39:1; Hen 64:2; Hen 86:3; Hen 106:14; Jub 4:22; Jub 5:1; Jub 5:6; Jub 7:21; Jas 4:19; Job 1:6; Job 2:1; Job 38:7; 2 Sam 11:2; Ps 82:6–7; Neh 13:24–27; Rom 9:7–8; 2 Petr 2:4; 1 Joh 2:16 **6:3** Yahweh zei: **„Mijn Geest zal niet voor altijd in de mens blijven, want hij is vlees. Zijn dagen zullen 120 jaar zijn.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | לֹֽא (lo) = niet | יָד֨וֹן (yadon) = zal oordelen | רוּחִ֤י (ruchi) = Mijn Geest | בָֽאָדָם֙ (baadam) = in de mens | לְעֹלָ֔ם (leolam) = voor altijd | בְּשַׁגַּ֖ם (beshagam) = omdat ook | ה֣וּא (hu) = hij | בָשָׂ֑ר (basar) = vlees | וְהָי֣וּ (vehayu) = en zullen zijn | יָמָ֔יו (yamav) = zijn dagen | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָדוֹן (yadon) is onzeker: ‘blijven’, ‘oordelen’ of ‘twisten’. Ook בְּשַׁגַּם (beshagam) is onzeker; het staat hier als ‘want hij is vlees’. De 120 jaar kan de termijn tot de vloed zijn of de bovengrens van het leven; beide kan. בָּאָדָם (ba’adam) is voorzetsel + lidwoord (‘in de mens’) en betekent hier de mensheid: het gaat om alle mensen, die ‘vlees’ zijn. De persoon Adam is niet bedoeld. Voetnoot Aanvullend: Jasher 5:8 en 5:11 maken van de honderdtwintig jaar een termijn die Yahweh de mensen geeft om zich te bekeren. Zie ook: Hen 6:2; Hen 15:3; Hen 64:2; Hen 86:3; Hen 106:14; Jub 5:8; Jas 5:8; Jas 5:11; Ps 78:39; Jes 63:10; Jer 11:11; Neh 9:30; 1 Petr 3:18–20 **6:4** De Nefilim waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen van Elohim tot de dochters van de mens kwamen en zij hun kinderen kregen. Dat waren de helden van vroeger, mannen met een naam. Brontekst: הַנְּפִלִ֞ים (hanefilim) = de Nefilim | הָי֣וּ (hayu) = waren | בָאָרֶץ֮ (baarets) = op de aarde | בַּיָּמִ֣ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵם֒ (hahem) = die | וְגַ֣ם (vegam) = en ook | אַֽחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֗ן (ken) = dit | אֲשֶׁ֨ר (asher) = toen | יָבֹ֜אוּ (yavou) = kwamen | בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mens | וְיָלְד֖וּ (veyaledu) = en ze baarden | לָהֶ֑ם (lahem) = aan hen | הֵ֧מָּה (hema) = zij | הַגִּבֹּרִ֛ים (hagiborim) = de helden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מֵעוֹלָ֖ם (meolam) = van oudsher | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | הַשֵּֽׁם (hashem) = de naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנְּפִלִים (ha-Nefilim) komt van נָפַל (nafal), ‘vallen’: ‘gevallenen’. De Septuaginta vertaalt ‘reuzen’. Num. 13:33 noemt de Nefilim opnieuw. הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: de mensheid als geheel. Met lidwoord, dus geen eigennaam. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 7:21–22 noemt de Nafidim, de zonen van de Wachters; Henoch 7:2–6 noemt de reuzen en beschrijft hun geweld. Zie ook: Hen 6:2; Hen 7:2–6; Hen 15:3; Hen 15:8; Hen 64:2; Hen 86:3; Hen 106:14; Hen 106:17; Jub 5:1; Jub 7:21–22; Jub 7:22; Num 13:33; Deut 2:20–21; Deut 3:11; 1 Sam 17:4; 2 Sam 21:15–22 ### Het kwaad en het berouw van Yahweh **6:5** Yahweh zag dat de slechtheid van de mens groot was op de aarde, en dat elke neiging van de gedachten van zijn hart de hele dag alleen maar slecht was. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en zag | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֥י (ki) = dat | רַבָּ֛ה (raba) = groot was | רָעַ֥ת (raat) = kwaad van | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mens | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = op de aarde | וְכָל (vekhal) = en alle | יֵ֨צֶר֙ (yetser) = neiging van | מַחְשְׁבֹ֣ת (machshevot) = gedachten van | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | רַ֥ק (raq) = alleen maar | רַ֖ע (ra) = kwaad | כָּל (kal) = de hele | הַיּֽוֹם (hayom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: de mensheid als geheel. Met lidwoord, dus geen eigennaam. Zie ook: Jub 5:2; Jub 7:24; Jas 4:16–17; Jer 4:14; Jer 17:9; Mat 15:19; Mar 7:21–23; Rom 1:28–31 **6:6** Yahweh had berouw dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en Hij werd verdrietig in Zijn hart. Brontekst: וַיִּנָּ֣חֶם (vayinachem) = en had berouw | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = dat | עָשָׂ֥ה (asa) = Hij maakte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָֽאָדָ֖ם (haadam) = de mens | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = op de aarde | וַיִּתְעַצֵּ֖ב (vayitatsev) = en Hij werd bedroefd | אֶל (el) = in | לִבּֽוֹ (libo) = Zijn hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּנָּחֶם (vayinnachem), ‘en Hij had berouw’, is menselijke taal voor Yahweh’s verdriet. וַיִּתְעַצֵּב (vayitatsev), ‘en Hij werd verdrietig’, heeft dezelfde wortel als עִצָּבוֹן (itsavon), de ‘moeite’ in 3:16 en 5:29. הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: de mensheid als geheel. Met lidwoord, dus geen eigennaam. Zie ook: Gen 3:16; Gen 5:29; Hen 55:1; Jub 5:4; Jas 4:19; 1 Sam 15:11; 1 Sam 15:29; Jes 63:10; Ef 4:30; Heb 3:10 **6:7** Yahweh zei: **„Ik zal de mens die Ik geschapen heb van de grond wegvegen, van mens tot vee, tot kruipende dieren en tot de vogels van de hemel. Want Ik heb er berouw van dat Ik hen gemaakt heb.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶמְחֶ֨ה (emche) = Ik zal uitwissen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָדָ֤ם (haadam) = de mens | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּרָ֨אתִי֙ (barati) = Ik schiep | מֵעַל֙ (meal) = van op | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | מֵֽאָדָם֙ (meadam) = van mens | עַד (ad) = tot | בְּהֵמָ֔ה (behema) = vee | עַד (ad) = tot | רֶ֖מֶשׂ (remes) = kruipend gedierte | וְעַד (vead) = en tot | ע֣וֹף (of) = vogel van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | כִּ֥י (ki) = want | נִחַ֖מְתִּי (nichamti) = Ik heb berouw | כִּ֥י (ki) = dat | עֲשִׂיתִֽם (asitim) = Ik hen maakte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָדָם (adam) in ‘van mens tot vee’ staat zonder lidwoord en noemt de mens als soort, tegenover de dieren. De persoon Adam is niet bedoeld. Zie ook: Hen 55:1; Jub 5:4; Jub 5:20; Jub 7:25; Ps 37:20; Spr 16:4; Sef 1:3; Jer 12:3–4; Rom 3:20–22 **6:8** Maar Noach vond gunst in de ogen van Yahweh. Brontekst: וְנֹ֕חַ (venoach) = en Noach | מָ֥צָא (matsa) = vond | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:19; Hen 65:12; Hen 67:1; Hen 84:6; Jub 5:5; Jas 4:21; Ps 84:12; Ps 145:20; Luc 1:30; Heb 4:16 ### Noach wandelt met Elohim **6:9** Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtvaardig man, onberispelijk onder de mensen van zijn tijd. Noach wandelde met Elohim. Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit | תּוֹלְדֹ֣ת (toledot) = geschiedenis van | נֹ֔חַ (noach) = Noach | נֹ֗חַ (noach) = Noach | אִ֥ישׁ (ish) = man | צַדִּ֛יק (tsadiq) = rechtvaardig | תָּמִ֥ים (tamim) = onberispelijk | הָיָ֖ה (haya) = hij was | בְּדֹֽרֹתָ֑יו (bedorotav) = in zijn geslachten | אֶת (et) = met | הָֽאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | הִֽתְהַלֶּךְ (hithalekh) = wandelde | נֹֽחַ (noach) = Noach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּמִים (tamim) is ‘onberispelijk, volkomen’. בְּדֹרֹתָיו (bedorotav): onder zijn tijdgenoten, of: in zijn afstamming. הִתְהַלֶּךְ (hithalekh), ‘wandelen’, is hetzelfde werkwoord als bij Henoch (5:24) en bij Yahweh Elohim in de tuin (3:8). ‘Onder de mensen van zijn tijd’ staat in het Hebreeuws als בְּדֹרֹתָיו (bedorotav), ‘in zijn generaties’; het woord ‘mensen’ is ter verduidelijking toegevoegd. Zie ook: Gen 3:8; Gen 5:24; Hen 65:12; Jub 5:19; Jas 5:13; Luc 1:6; Gal 3:11; 2 Petr 2:5; Heb 11:7 **6:10** Noach kreeg drie zonen: Sem, Cham en Jafeth. Brontekst: וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en hij verwekte | נֹ֖חַ (noach) = Noach | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | בָנִ֑ים (banim) = zonen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֵׁ֖ם (shem) = Sem | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חָ֥ם (cham) = Cham | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יָֽפֶת (yafet) = Jafeth Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 5:32; Jub 4:33; Jas 5:17–18 **6:11** De aarde was verdorven voor het aangezicht van Elohim, en de aarde was vol geweld. Brontekst: וַתִּשָּׁחֵ֥ת (vatishachet) = en werd verdorven | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָֽאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וַתִּמָּלֵ֥א (vatimale) = en werd vol | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | חָמָֽס (chamas) = geweld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 7:3–6; Hen 65:1; Hen 91:5; Hen 93:4; Jub 5:2–3; Jas 4:18; Hos 4:1–2; Hab 2:8; Ezech 8:17; Rom 2:13; Rom 3:19 **6:12** Elohim zag de aarde, en zie: ze was verdorven, want alle vlees had zijn weg op de aarde verdorven. Brontekst: וַיַּ֧רְא (vayar) = en zag | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | נִשְׁחָ֑תָה (nishchata) = ze was verdorven | כִּֽי (ki) = want | הִשְׁחִ֧ית (hishchit) = verdorven had | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֛ר (basar) = vlees | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דַּרְכּ֖וֹ (darko) = zijn weg | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 65:1; Hen 91:5; Hen 93:4; Jub 5:2–3; Jub 5:3; Job 22:15–17; Ps 14:1–3; Ps 53:3–4; Spr 15:3; 2 Petr 2:5 ### De opdracht om een ark te bouwen **6:13** Elohim zei tegen Noach: **„Het einde van alle vlees is voor Mij gekomen. Want door hen is de aarde vol geweld. Zie, Ik ga hen vernietigen, met de aarde.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | לְנֹ֗חַ (lenoach) = tot Noach | קֵ֤ץ (qets) = einde van | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂר֙ (basar) = vlees | בָּ֣א (ba) = is gekomen | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor Mij | כִּֽי (ki) = want | מָלְאָ֥ה (malea) = is vol | הָאָ֛רֶץ (haarets) = de aarde | חָמָ֖ס (chamas) = geweld | מִפְּנֵיהֶ֑ם (mipeneihem) = vanwege hen | וְהִנְנִ֥י (vehinni) = en zie Ik | מַשְׁחִיתָ֖ם (mashchitam) = ga hen vernietigen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:11–12; Hen 65:1; Hen 67:2–3; Hen 91:5; Hen 93:4; Jub 5:21; Jas 5:25–26; Hos 4:1–2; Ezech 7:2–6; 1 Petr 4:7; 2 Petr 3:10–12 **6:14** **Maak voor jezelf een ark van goferhout. Maak kamers in de ark en bestrijk haar van binnen en van buiten met pek.** Brontekst: עֲשֵׂ֤ה (ase) = maak | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | תֵּבַ֣ת (tevat) = ark van | עֲצֵי (atsei) = hout van | גֹ֔פֶר (gofer) = gofer | קִנִּ֖ים (qinim) = kamers | תַּֽעֲשֶׂ֣ה (taase) = je zult maken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַתֵּבָ֑ה (hateva) = de ark | וְכָֽפַרְתָּ֥ (vekhafarta) = en je zult bestrijken | אֹתָ֛הּ (otah) = haar | מִבַּ֥יִת (mibayit) = van binnen | וּמִח֖וּץ (umichuts) = en van buiten | בַּכֹּֽפֶר (bakofer) = met pek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹפֶר (gofer) is een houtsoort die verder niet voorkomt, waarschijnlijk een harsrijk hout zoals cipres. תֵּבָה (tevah), ‘ark’, betekent ‘kist’ en is ook het woord voor het mandje van Mozes (Ex. 2:3). כֹּפֶר (kofer), ‘pek’, hangt samen met כָּפַר (kafar), ‘bedekken’, later ook ‘verzoenen’. Zie ook: Hen 67:2; Hen 89:1; Jub 5:21; Jas 5:26; Ex 2:3; Mat 24:38; Luc 17:27; 1 Petr 3:20 **6:15** **Zo moet je haar maken: 300 el lang, 50 el breed en 30 el hoog.** Brontekst: וְזֶ֕ה (veze) = en dit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | תַּֽעֲשֶׂ֖ה (taase) = je zult maken | אֹתָ֑הּ (otah) = haar | שְׁלֹ֧שׁ (shelosh) = drie | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | אַמָּ֗ה (ama) = el | אֹ֚רֶךְ (orekh) = lengte van | הַתֵּבָ֔ה (hateva) = de ark | חֲמִשִּׁ֤ים (chamishim) = vijftig | אַמָּה֙ (ama) = el | רָחְבָּ֔הּ (rachbah) = haar breedte | וּשְׁלֹשִׁ֥ים (usheloshim) = en dertig | אַמָּ֖ה (ama) = el | קוֹמָתָֽהּ (qomatah) = haar hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַמָּה (amah), ‘el’: ongeveer 45 cm (korte el) of 52 cm (koningsel). De ark is dan ongeveer 135 × 22,5 × 13,5 m, of ongeveer 156 × 26 × 15,6 m. Zie ook: Gen 7:20; Hen 67:2; Hen 89:1; Jas 5:27; Deut 3:11 **6:16** **Maak een lichtopening voor de ark en maak die af tot op een el van boven. Zet de ingang van de ark in haar zijkant. Maak een onderste, een tweede en een derde verdieping.** Brontekst: צֹ֣הַר (tsohar) = lichtopening | תַּֽעֲשֶׂ֣ה (taase) = je zult maken | לַתֵּבָ֗ה (lateva) = voor de ark | וְאֶל (veel) = en tot | אַמָּה֙ (ama) = een el | תְּכַלֶ֣נָּה (tekhalena) = je zult haar voltooien | מִלְמַ֔עְלָה (milmala) = van boven | וּפֶ֥תַח (ufetach) = en ingang van | הַתֵּבָ֖ה (hateva) = de ark | בְּצִדָּ֣הּ (betsidah) = in haar zijkant | תָּשִׂ֑ים (tasim) = je zult zetten | תַּחְתִּיִּ֛ם (tachtiyim) = onderste | שְׁנִיִּ֥ם (sheniyim) = tweede | וּשְׁלִשִׁ֖ים (ushelishim) = en derde | תַּֽעֲשֶֽׂהָ (taaseha) = je zult haar maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹהַר (tsohar) is onzeker: ‘lichtopening’, ‘raam’ of ‘dak’. De bijzin ‘maak het af tot op een el van boven’ is onduidelijk. Een el is ongeveer 45–52 cm. Zie ook: Gen 7:16; Gen 8:6; Hen 67:2; Hen 89:1; Jas 5:28; 2 Kon 9:30; Ezech 41:16; Ezech 42:3 **6:17** **Zie, Ik zelf breng de vloed over de aarde, water, om alle vlees waarin de levensgeest is, onder de hemel te vernietigen. Alles wat op de aarde is, zal sterven.** Brontekst: וַאֲנִ֗י (vaani) = en Ik | הִנְנִי֩ (hinni) = zie Ik | מֵבִ֨יא (mevi) = breng | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמַּבּ֥וּל (hamabul) = de vloed | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | עַל (al) = over | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | לְשַׁחֵ֣ת (leshachet) = om te vernietigen | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֗ר (basar) = vlees | אֲשֶׁר (asher) = dat | בּוֹ֙ (bo) = in hem | ר֣וּחַ (ruach) = geest van | חַיִּ֔ים (chayim) = leven | מִתַּ֖חַת (mitachat) = onder | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | כֹּ֥ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = op de aarde | יִגְוָֽע (yigva) = zal sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּבּוּל (hamabul), ‘de vloed’, komt in de Schrift alleen voor bij deze vloed en in Ps. 29:10. Zie ook: Gen 7:4; Gen 7:21–23; Jub 5:20; Jas 5:29; Ps 29:10; 1 Petr 3:20; 2 Petr 2:5; Heb 11:7 **6:18** **Maar Mijn verbond zal Ik oprichten met jou. Je zult de ark ingaan, jij, je zonen, je vrouw en de vrouwen van je zonen met je.** Brontekst: וַהֲקִמֹתִ֥י (vahaqimoti) = en Ik zal oprichten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met jou | וּבָאתָ֙ (uvata) = en je zult komen | אֶל (el) = in | הַתֵּבָ֔ה (hateva) = de ark | אַתָּ֕ה (ata) = jij | וּבָנֶ֛יךָ (uvaneikha) = en je zonen | וְאִשְׁתְּךָ֥ (veishtekha) = en je vrouw | וּנְשֵֽׁי (uneshei) = en vrouwen van | בָנֶ֖יךָ (baneikha) = je zonen | אִתָּֽךְ (itakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית (berit), ‘verbond’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor. Het wordt uitgewerkt in 9:9–17. Voetnoot Aanvullend: Jasher 5:38 noemt de vrouwen van Noachs zonen: de drie dochters van Eljakim, de zoon van Metuselach; Genesis noemt geen namen. Zie ook: Gen 7:7; Gen 7:13; Gen 9:9–17; Gen 17:7; Hen 93:4; Jas 5:32; Jas 5:35; Jas 5:38; Jes 26:20; Heb 11:7 **6:19** **Van alles wat leeft, van alle vlees, moet je twee van elk in de ark brengen om ze met jou in leven te houden. Mannelijk en vrouwelijk moeten ze zijn.** Brontekst: וּמִכָּל (umikal) = en van alles | הָ֠חַי (hachay) = het levende | מִֽכָּל (mikal) = van alle | בָּשָׂ֞ר (basar) = vlees | שְׁנַ֧יִם (shenayim) = twee | מִכֹּ֛ל (mikol) = van elk | תָּבִ֥יא (tavi) = je zult brengen | אֶל (el) = in | הַתֵּבָ֖ה (hateva) = de ark | לְהַחֲיֹ֣ת (lehachayot) = om in leven te houden | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met jou | זָכָ֥ר (zakhar) = mannelijk | וּנְקֵבָ֖ה (uneqeva) = en vrouwelijk | יִֽהְיֽוּ (yihyu) = ze zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:2–3; Gen 7:8–9; Gen 7:15–16; Gen 8:17; Jas 5:30; Ps 36:7 **6:20** **Van de vogels naar zijn soort, van het vee naar zijn soort en van alle kruipende dieren van de grond naar zijn soort: twee van elk zullen naar je toe komen. Zo blijven ze in leven.** Brontekst: מֵהָע֣וֹף (mehaof) = van de vogel | לְמִינֵ֗הוּ (leminehu) = naar zijn soort | וּמִן (umin) = en van | הַבְּהֵמָה֙ (habehema) = het vee | לְמִינָ֔הּ (leminah) = naar haar soort | מִכֹּ֛ל (mikol) = van alle | רֶ֥מֶשׂ (remes) = kruipend gedierte van | הָֽאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | לְמִינֵ֑הוּ (leminehu) = naar zijn soort | שְׁנַ֧יִם (shenayim) = twee | מִכֹּ֛ל (mikol) = van elk | יָבֹ֥אוּ (yavou) = zullen komen | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = naar jou | לְהַֽחֲיֽוֹת (lehachayot) = om in leven te blijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:20–24; Gen 2:19; Gen 7:8–16; Joh 5:40; Hand 10:11–12 **6:21** **En jij, neem voor jezelf van al het voedsel dat gegeten wordt, en leg een voorraad bij je aan. Het zal voor jou en voor hen tot voedsel zijn.”** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | קַח (qach) = neem | לְךָ֗ (lekha) = voor jou | מִכָּל (mikal) = van alle | מַֽאֲכָל֙ (maakhal) = voedsel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יֵֽאָכֵ֔ל (yeakhel) = gegeten wordt | וְאָסַפְתָּ֖ (veasafta) = en je zult verzamelen | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = bij jou | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | וְלָהֶ֖ם (velahem) = en voor hen | לְאָכְלָֽה (leakhela) = tot voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:29–30; Jas 5:31; Job 40:20; Ps 136:25; Ps 145:16; Mat 6:26 **6:22** Noach deed het. Alles wat Elohim hem geboden had, zo deed hij. Brontekst: וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en deed | נֹ֑חַ (noach) = Noach | כְּ֠כֹל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | אֹת֛וֹ (oto) = hem | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | כֵּ֥ן (ken) = zo | עָשָֽׂה (asa) = hij deed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:5; Jub 5:22; Jas 5:33; Ex 40:16; Mat 7:24–27; Joh 2:5; Joh 15:14 ## Genesis 7 _De vloed_ ### Ga de ark in **7:1** Yahweh zei tegen Noach: **„Ga de ark in, jij en heel je huis, want Ik heb gezien dat jij rechtvaardig bent voor Mijn aangezicht, in deze generatie.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | לְנֹ֔חַ (lenoach) = tot Noach | בֹּֽא (bo) = ga | אַתָּ֥ה (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּיתְךָ֖ (beitekha) = je huis | אֶל (el) = in | הַתֵּבָ֑ה (hateva) = de ark | כִּֽי (ki) = want | אֹתְךָ֥ (otekha) = jou | רָאִ֛יתִי (raiti) = Ik heb gezien | צַדִּ֥יק (tsadiq) = rechtvaardig | לְפָנַ֖י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | בַּדּ֥וֹר (bador) = in de generatie | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:9; Hen 84:6; Jub 5:19; Jas 6:1; Mat 24:37–39; 1 Petr 3:20; 2 Petr 2:5–9; Heb 11:7 **7:2** **Van alle reine dieren moet je telkens zeven nemen, een mannetje met zijn vrouwtje. En van de dieren die niet rein zijn: twee, een mannetje met zijn vrouwtje.** Brontekst: מִכֹּ֣ל (mikol) = van alle | הַבְּהֵמָ֣ה (habehema) = het dier | הַטְּהוֹרָ֗ה (hatehora) = het reine | תִּֽקַּח (tiqach) = je zult nemen | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | שִׁבְעָ֥ה (shiva) = zeven | שִׁבְעָ֖ה (shiva) = zeven | אִ֣ישׁ (ish) = man | וְאִשְׁתּ֑וֹ (veishto) = en zijn vrouw | וּמִן (umin) = en van | הַבְּהֵמָ֡ה (habehema) = het dier | אֲ֠שֶׁר (asher) = dat | לֹ֣א (lo) = niet | טְהֹרָ֥ה (tehora) = rein | הִ֛וא (hi) = het is | שְׁנַ֖יִם (shenayim) = twee | אִ֥ישׁ (ish) = man | וְאִשְׁתּֽוֹ (veishto) = en zijn vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁבְעָה שִׁבְעָה (shiv’ah shiv’ah), ‘zeven, zeven’: zeven paren, of zeven dieren per soort; het Hebreeuws zegt het niet. טְהוֹרָה (tehorah), ‘rein’, komt hier voor het eerst voor; de regels van Lev. 11 volgen later. In 8:20 brengt Noach offers van de reine dieren. Zie ook: Gen 7:8; Gen 8:20; Jas 6:9; Lev 10:10; Lev 11:1–47; Hand 10:11–15 **7:3** **Ook van de vogels van de hemel telkens zeven, mannelijk en vrouwelijk, om nageslacht in leven te houden op de hele aarde.** Brontekst: גַּ֣ם (gam) = ook | מֵע֧וֹף (meof) = van de vogel van | הַשָּׁמַ֛יִם (hashamayim) = de hemel | שִׁבְעָ֥ה (shiva) = zeven | שִׁבְעָ֖ה (shiva) = zeven | זָכָ֣ר (zakhar) = mannelijk | וּנְקֵבָ֑ה (uneqeva) = en vrouwelijk | לְחַיּ֥וֹת (lechayot) = om in leven te houden | זֶ֖רַע (zera) = nageslacht | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | כָל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jas 6:9 **7:4** **Want over nog zeven dagen laat Ik zelf het regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten. Ik zal alles wat bestaat, wat Ik gemaakt heb, van de grond wegvegen.”** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | לְיָמִ֨ים (leyamim) = over dagen | ע֜וֹד (od) = nog | שִׁבְעָ֗ה (shiva) = zeven | אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | מַמְטִ֣יר (mamtir) = laat regenen | עַל (al) = op | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | י֔וֹם (yom) = dag | וְאַרְבָּעִ֖ים (vearbaim) = en veertig | לָ֑יְלָה (layela) = nacht | וּמָחִ֗יתִי (umachiti) = en Ik zal uitwissen | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | הַיְקוּם֙ (hayqum) = wat bestaat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = Ik maakte | מֵעַ֖ל (meal) = van op | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | הָֽאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:7; Gen 6:13; Gen 6:17; Gen 7:12; Gen 7:17; Jub 5:24–25; Jub 7:25 **7:5** Noach deed alles wat Yahweh hem geboden had. Brontekst: וַיַּ֖עַשׂ (vayaas) = en deed | נֹ֑חַ (noach) = Noach | כְּכֹ֥ל (kekhol) = naar alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | צִוָּ֖הוּ (tsivahu) = Hij gebood hem | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:22; Ex 39:32; Ex 39:42–43; Ps 119:6; Luc 8:21 **7:6** Noach was 600 jaar oud toen de vloed kwam, water over de aarde. Brontekst: וְנֹ֕חַ (venoach) = en Noach | בֶּן (ben) = zoon van | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וְהַמַּבּ֣וּל (vehamabul) = en de vloed | הָיָ֔ה (haya) = was | מַ֖יִם (mayim) = water | עַל (al) = over | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 5:32; Gen 8:13 **7:7** Noach ging de ark in, met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen, vanwege het water van de vloed. Brontekst: וַיָּ֣בֹא (vayavo) = en kwam | נֹ֗חַ (noach) = Noach | וּ֠בָנָיו (uvanav) = en zijn zonen | וְאִשְׁתּ֧וֹ (veishto) = en zijn vrouw | וּנְשֵֽׁי (uneshei) = en vrouwen van | בָנָ֛יו (banav) = zijn zonen | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | אֶל (el) = in | הַתֵּבָ֑ה (hateva) = de ark | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | מֵ֥י (mei) = water van | הַמַּבּֽוּל (hamabul) = de vloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:18; Gen 7:1; Jub 5:23; Jub 10:3; Mat 24:38; Luc 17:27; 2 Petr 2:5 **7:8** Van de reine dieren, van de dieren die niet rein zijn, van de vogels en van alles wat zich op de grond voortbeweegt, Brontekst: מִן (min) = van | הַבְּהֵמָה֙ (habehema) = het dier | הַטְּהוֹרָ֔ה (hatehora) = het reine | וּמִן (umin) = en van | הַ֨בְּהֵמָ֔ה (habehema) = het dier | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֵינֶ֖נָּה (einena) = niet is | טְהֹרָ֑ה (tehora) = rein | וּמִ֨ן (umin) = en van | הָע֔וֹף (haof) = het gevogelte | וְכֹ֥ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | רֹמֵ֖שׂ (romes) = zich voortbeweegt | עַל (al) = op | הָֽאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:9** kwamen er twee aan twee naar Noach in de ark, mannelijk en vrouwelijk, zoals Elohim Noach geboden had. Brontekst: שְׁנַ֨יִם (shenayim) = twee | שְׁנַ֜יִם (shenayim) = twee | בָּ֧אוּ (bau) = kwamen | אֶל (el) = naar | נֹ֛חַ (noach) = Noach | אֶל (el) = in | הַתֵּבָ֖ה (hateva) = de ark | זָכָ֣ר (zakhar) = mannelijk | וּנְקֵבָ֑ה (uneqeva) = en vrouwelijk | כַּֽאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = gebood | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נֹֽחַ (noach) = Noach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:19; Gen 7:16; Jes 65:25; Hand 10:11–12; Kol 3:11 **7:10** Na die zeven dagen kwam het water van de vloed over de aarde. Brontekst: וַֽיְהִ֖י (vayhi) = en het was | לְשִׁבְעַ֣ת (leshivat) = na de zeven van | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = de dagen | וּמֵ֣י (umei) = en water van | הַמַּבּ֔וּל (hamabul) = de vloed | הָי֖וּ (hayu) = waren | עַל (al) = over | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:17; Gen 7:4; Gen 7:17–20; Mat 24:38–39; Luc 17:27 ### De vloed breekt los **7:11** Toen Noach 600 jaar oud was, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand: op die dag barstten alle bronnen van de grote watermassa open. De luiken van de hemel gingen open. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar van | שֵׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֤וֹת (meot) = honderd | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | לְחַיֵּי (lechayei) = van het leven van | נֹ֔חַ (noach) = Noach | בַּחֹ֨דֶשׁ֙ (bachodesh) = in de maand | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | בְּשִׁבְעָֽה (beshiva) = op zeven | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | י֖וֹם (yom) = dag | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | נִבְקְעוּ֙ (nivqeu) = werden gespleten | כָּֽל (kal) = alle | מַעְיְנֹת֙ (mayenot) = bronnen van | תְּה֣וֹם (tehom) = watermassa | רַבָּ֔ה (raba) = grote | וַאֲרֻבֹּ֥ת (vaarubot) = en vensters van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | נִפְתָּֽחוּ (niftachu) = werden geopend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tweede maand is volgens de herfstkalender (nieuwjaar in Tisjri) ongeveer 17 november, volgens de lentekalender (nieuwjaar in Nisan) ongeveer 17 mei. Het jaar is volgens de getallen van Genesis 5 het jaar 1656 na Adam. תְּהוֹם (tehom), ‘diepte’, is hetzelfde woord als in 1:2. אֲרֻבֹּת (arubbot) is letterlijk ‘vensters’ of ‘luiken’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 5:24 noemt zeven sluizen van de hemel en zeven monden van de bronnen van de grote diepte; Henoch 54:7–10 noemt de waterkamers boven de hemelen en de bronnen onder de hemelen en onder de aarde. Zie ook: Gen 1:2; Gen 5; Gen 8:2; Hen 54:7–10; Hen 66:1; Hen 83:11; Hen 89:2; Hen 101:2; Hen 106:15; Jub 5:23–24; Jub 5:24; Spr 8:28–29; Amos 9:5–6; Jer 51:16; Mal 3:10 **7:12** Het regende op de aarde, veertig dagen en veertig nachten. Brontekst: וַֽיְהִ֥י (vayhi) = en het was | הַגֶּ֖שֶׁם (hageshem) = de regen | עַל (al) = over | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | י֔וֹם (yom) = dag | וְאַרְבָּעִ֖ים (vearbaim) = en veertig | לָֽיְלָה (layela) = nacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:4; Gen 7:17; Jub 5:25; Deut 9:9; Deut 10:10; Mat 4:2 **7:13** Op diezelfde dag gingen Noach, Sem, Cham en Jafeth, de zonen van Noach, de ark in, samen met de vrouw van Noach en de drie vrouwen van zijn zonen. Brontekst: בְּעֶ֨צֶם (beetsem) = juist op | הַיּ֤וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּה֙ (haze) = deze | בָּ֣א (ba) = kwam | נֹ֔חַ (noach) = Noach | וְשֵׁם (veshem) = en Sem | וְחָ֥ם (vecham) = en Cham | וָיֶ֖פֶת (vayefet) = en Jafeth | בְּנֵי (benei) = zonen van | נֹ֑חַ (noach) = Noach | וְאֵ֣שֶׁת (veeshet) = en vrouw van | נֹ֗חַ (noach) = Noach | וּשְׁלֹ֧שֶׁת (usheloshet) = en drie van | נְשֵֽׁי (neshei) = vrouwen van | בָנָ֛יו (banav) = zijn zonen | אִתָּ֖ם (itam) = met hen | אֶל (el) = in | הַתֵּבָֽה (hateva) = de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:18; Gen 7:1; Gen 7:7–9; Gen 9:18–19; Hen 106:16; Jub 5:23; Heb 11:7 **7:14** Zij en alle wilde dieren naar zijn soort, al het vee naar zijn soort en alles wat zich over de aarde voortbeweegt naar zijn soort. Ook alle vogels naar zijn soort, elke vogel, elk wezen met vleugels. Brontekst: הֵ֜מָּה (hema) = zij | וְכָל (vekhal) = en alle | הַֽחַיָּ֣ה (hachaya) = het wilde dier | לְמִינָ֗הּ (leminah) = naar haar soort | וְכָל (vekhal) = en alle | הַבְּהֵמָה֙ (habehema) = het vee | לְמִינָ֔הּ (leminah) = naar haar soort | וְכָל (vekhal) = en alle | הָרֶ֛מֶשׂ (haremes) = het kruipende | הָרֹמֵ֥שׂ (haromes) = dat zich voortbeweegt | עַל (al) = op | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | לְמִינֵ֑הוּ (leminehu) = naar zijn soort | וְכָל (vekhal) = en alle | הָע֣וֹף (haof) = het gevogelte | לְמִינֵ֔הוּ (leminehu) = naar zijn soort | כֹּ֖ל (kol) = alle | צִפּ֥וֹר (tsipor) = vogel | כָּל (kal) = alle | כָּנָֽף (kanaf) = vleugel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:2–3; Gen 7:8–9 **7:15** Ze kwamen bij Noach in de ark, twee aan twee, van alle vlees waarin de levensgeest is. Brontekst: וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en kwamen | אֶל (el) = naar | נֹ֖חַ (noach) = Noach | אֶל (el) = in | הַתֵּבָ֑ה (hateva) = de ark | שְׁנַ֤יִם (shenayim) = twee | שְׁנַ֨יִם֙ (shenayim) = twee | מִכָּל (mikal) = van alle | הַבָּשָׂ֔ר (habasar) = het vlees | אֲשֶׁר (asher) = dat | בּ֖וֹ (bo) = in hem | ר֥וּחַ (ruach) = geest van | חַיִּֽים (chayim) = leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:19–20; Jes 11:6 **7:16** Wie kwamen, kwamen als mannelijk en vrouwelijk van alle vlees, zoals Elohim hem geboden had. En Yahweh sloot achter hem af. Brontekst: וְהַבָּאִ֗ים (vehabaim) = en de komenden | זָכָ֨ר (zakhar) = mannelijk | וּנְקֵבָ֤ה (uneqeva) = en vrouwelijk | מִכָּל (mikal) = van alle | בָּשָׂר֙ (basar) = vlees | בָּ֔אוּ (bau) = kwamen | כַּֽאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = Hij gebood | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וַיִּסְגֹּ֥ר (vayisgor) = en sloot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בַּֽעֲדֽוֹ (baado) = achter hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Twee namen in één zin: Elohim geeft het bevel, Yahweh sluit achter hem af. Yahweh doet hier iets zichtbaars, zoals in 3:8 en 3:21. Zie ook: Gen 3:8; Gen 3:21; Gen 7:2–3; Hen 89:1; Jub 5:23; Ps 91:1–10; 2 Kon 4:4–5; Mat 25:10; Luc 13:25 ### Het water neemt toe **7:17** De vloed was veertig dagen over de aarde. Het water nam toe en tilde de ark op, en ze werd van de aarde opgeheven. Brontekst: וַֽיְהִ֧י (vayhi) = en was | הַמַּבּ֛וּל (hamabul) = de vloed | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | י֖וֹם (yom) = dag | עַל (al) = over | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וַיִּרְבּ֣וּ (vayirbu) = en namen toe | הַמַּ֗יִם (hamayim) = het water | וַיִּשְׂאוּ֙ (vayisu) = en tilden op | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַתֵּבָ֔ה (hateva) = de ark | וַתָּ֖רָם (vataram) = en ze werd opgeheven | מֵעַ֥ל (meal) = van boven | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:4; Gen 7:12; Hen 89:2–6; Jub 5:25–26; Jub 5:26 **7:18** Het water werd machtig en nam sterk toe over de aarde, en de ark dreef op het water. Brontekst: וַיִּגְבְּר֥וּ (vayigberu) = en werden machtig | הַמַּ֛יִם (hamayim) = het water | וַיִּרְבּ֥וּ (vayirbu) = en namen toe | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | עַל (al) = over | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וַתֵּ֥לֶךְ (vatelekh) = en ging | הַתֵּבָ֖ה (hateva) = de ark | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | הַמָּֽיִם (hamayim) = het water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 5:26; Job 22:16; Ex 14:28; Ps 69:16; Ps 104:26 **7:19** Het water werd uitermate machtig over de aarde, en alle hoge bergen onder de hele hemel werden bedekt. Brontekst: וְהַמַּ֗יִם (vehamayim) = en het water | גָּֽבְר֛וּ (gaveru) = werd machtig | מְאֹ֥ד (meod) = zeer | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | עַל (al) = over | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וַיְכֻסּ֗וּ (vaykhusu) = en werden bedekt | כָּל (kal) = alle | הֶֽהָרִים֙ (heharim) = de bergen | הַגְּבֹהִ֔ים (hagevohim) = de hoge | אֲשֶׁר (asher) = die | תַּ֖חַת (tachat) = onder | כָּל (kal) = heel | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 5:26; Job 12:15; Ps 46:3–4; Ps 104:6–9; Jer 3:23; 2 Petr 3:6 **7:20** Vijftien el naar boven werd het water machtig, en de bergen werden bedekt. Brontekst: חֲמֵ֨שׁ (chamesh) = vijf | עֶשְׂרֵ֤ה (esre) = tien | אַמָּה֙ (ama) = el | מִלְמַ֔עְלָה (milmala) = naar boven toe | גָּבְר֖וּ (gaveru) = werden machtig | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | וַיְכֻסּ֖וּ (vaykhusu) = en werden bedekt | הֶהָרִֽים (heharim) = de bergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vijftien el is ongeveer 6,75 m (korte el) of 7,8 m (koningsel). Zie ook: Jub 5:26; Ps 104:6; Jer 3:23 **7:21** Al het vlees dat zich op de aarde voortbewoog, stierf: vogels, vee, wilde dieren, alles wat op de aarde wemelde, en alle mensen. Brontekst: וַיִּגְוַ֞ע (vayigva) = en stierf | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֣ר (basar) = vlees | הָרֹמֵ֣שׂ (haromes) = het kruipende | עַל (al) = op | הָאָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | בָּע֤וֹף (baof) = onder het gevogelte | וּבַבְּהֵמָה֙ (uvabehema) = en onder het vee | וּבַ֣חַיָּ֔ה (uvachaya) = en onder het wilde dier | וּבְכָל (uvekhal) = en onder alle | הַשֶּׁ֖רֶץ (hasherets) = het gewemel | הַשֹּׁרֵ֣ץ (hashorets) = het wemelende | עַל (al) = op | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | הָאָדָֽם (haadam) = de mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: alle mensen. Met lidwoord, dus geen eigennaam. Zie ook: Gen 6:6–7; Gen 6:13; Gen 6:17; Gen 7:4; Rom 8:20 **7:22** Alles wat de adem van de levensgeest in zijn neus had, van alles wat op het droge land was, stierf. Brontekst: כֹּ֡ל (kol) = alles | אֲשֶׁר֩ (asher) = wat | נִשְׁמַת (nishmat) = adem van | ר֨וּחַ (ruach) = geest van | חַיִּ֜ים (chayim) = leven | בְּאַפָּ֗יו (beapav) = in zijn neus | מִכֹּ֛ל (mikol) = van alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | בֶּחָֽרָבָ֖ה (becharava) = op het droge | מֵֽתוּ (metu) = stierven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁמַת רוּחַ חַיִּים (nishmat ruach chayim), ‘adem van de geest van leven’, verbindt de ‘adem van leven’ van 2:7 met de ‘levensgeest’ van 6:17 en 7:15. Zie ook: Gen 2:7; Gen 6:17; Gen 7:15 **7:23** Hij veegde alles weg wat op de grond bestond: van mens tot vee, tot kruipende dieren en tot de vogels van de hemel. Zij werden van de aarde weggeveegd. Alleen Noach bleef over, en wie met hem in de ark was. Brontekst: וַיִּ֜מַח (vayimach) = en Hij wiste uit | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | הַיְק֣וּם (hayqum) = wat bestaat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | הָֽאֲדָמָ֗ה (haadama) = de grond | מֵאָדָ֤ם (meadam) = van mens | עַד (ad) = tot | בְּהֵמָה֙ (behema) = vee | עַד (ad) = tot | רֶ֨מֶשׂ֙ (remes) = kruipend gedierte | וְעַד (vead) = en tot | ע֣וֹף (of) = vogel van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַיִּמָּח֖וּ (vayimachu) = en ze werden uitgewist | מִן (min) = van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וַיִשָּׁ֧אֶר (vayishaer) = en bleef over | אַךְ (akh) = alleen | נֹ֛חַ (noach) = Noach | וַֽאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wat | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | בַּתֵּבָֽה (bateva) = in de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּמַח (vayimach), ‘en Hij wiste uit’, heeft dezelfde wortel als אֶמְחֶה (emcheh) in 6:7: wat Yahweh daar aankondigde, gebeurt hier. Het onderwerp wordt niet genoemd. מֵאָדָם (me’adam), ‘van mens’, staat zonder lidwoord en noemt de mens als soort in de rij mens, vee, kruipende dieren en vogels. De persoon Adam is niet bedoeld. Zie ook: Gen 6:7; Mat 24:37–39; Luc 17:26–27; 1 Petr 3:20; 2 Petr 2:5; Heb 11:7 **7:24** Het water bleef 150 dagen machtig over de aarde. Brontekst: וַיִּגְבְּר֥וּ (vayigberu) = en werden machtig | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | עַל (al) = over | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּמְאַ֖ת (umeat) = en honderd | יֽוֹם (yom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:3–4; Jub 5:27 ## Genesis 8 _Het water zakt_ ### Elohim denkt aan Noach **8:1** Elohim dacht aan Noach en aan alle wilde dieren en al het vee dat bij hem in de ark was. Elohim liet een wind over de aarde gaan, en het water zakte. Brontekst: וַיִּזְכֹּ֤ר (vayizkor) = en dacht | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נֹ֔חַ (noach) = Noach | וְאֵ֤ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | הַֽחַיָּה֙ (hachaya) = het wilde dier | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | הַבְּהֵמָ֔ה (habehema) = het vee | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | בַּתֵּבָ֑ה (bateva) = in de ark | וַיַּעֲבֵ֨ר (vayaaver) = en liet voorbijgaan | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | ר֨וּחַ֙ (ruach) = wind | עַל (al) = over | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וַיָּשֹׁ֖כּוּ (vayashoku) = en zakten | הַמָּֽיִם (hamayim) = het water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach) is ‘wind’ of ‘Geest’, hetzelfde woord als in 1:2. Hier staat het zonder ‘van Elohim’ en is het vertaald als ‘wind’. Zie ook: Gen 1:2; Gen 19:29; Gen 30:22; Hen 89:7; Ex 2:24; 1 Sam 1:19; Ps 136:23 **8:2** De bronnen van de watermassa en de luiken van de hemel werden gesloten. De regen uit de hemel werd tegengehouden. Brontekst: וַיִּסָּֽכְרוּ֙ (vayisakheru) = en werden gesloten | מַעְיְנֹ֣ת (mayenot) = bronnen van | תְּה֔וֹם (tehom) = watermassa | וַֽאֲרֻבֹּ֖ת (vaarubot) = en vensters van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וַיִּכָּלֵ֥א (vayikale) = en werd tegengehouden | הַגֶּ֖שֶׁם (hageshem) = de regen | מִן (min) = van | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:11; Hen 89:7; Hen 101:2; Jub 5:29; Jub 6:26; Job 37:11–13; Job 38:37; Spr 8:28; Mat 8:26–27 **8:3** Het water week steeds verder van de aarde terug. Na 150 dagen was het water afgenomen. Brontekst: וַיָּשֻׁ֧בוּ (vayashuvu) = en keerden terug | הַמַּ֛יִם (hamayim) = het water | מֵעַ֥ל (meal) = van op | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | הָל֣וֹךְ (halokh) = gaand | וָשׁ֑וֹב (vashov) = en terugkerend | וַיַּחְסְר֣וּ (vayachseru) = en namen af | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | מִקְצֵ֕ה (miqtse) = aan het einde van | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּמְאַ֖ת (umeat) = en honderd | יֽוֹם (yom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:11; Gen 7:24; Jub 5:29; Jub 6:26 **8:4** In de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, kwam de ark tot rust op de bergen van Ararat. Brontekst: וַתָּ֤נַח (vatanach) = en kwam tot rust | הַתֵּבָה֙ (hateva) = de ark | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = de zevende | בְּשִׁבְעָה (beshiva) = op zeven | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | י֖וֹם (yom) = dag | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | עַ֖ל (al) = op | הָרֵ֥י (harei) = bergen van | אֲרָרָֽט (ararat) = Ararat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: אֲרָרָט (Ararat) is het gebied Urartu, nu in het oosten van Turkije. Het Hebreeuws zegt ‘de bergen van Ararat’, niet één berg. Voetnoot Uitleg: וַתָּנַח (vatanach), ‘en ze kwam tot rust’, klinkt aan op נֹחַ (Noach), ‘rust’; ook מָנוֹחַ (manoach), ‘rustplaats’, in vers 9. Voetnoot Lezing: Dit is hetzelfde bergland waar volgens de voetnoot bij Gen. 2:8 vermoedelijk Eden lag. Dat past bij het nieuwe begin: in Gen. 9:1 krijgt Noach dezelfde opdracht tot vermenigvuldiging als de mens in Gen. 1:28. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 5:28 noemt de berg Lubar, een van de bergen van Ararat. Zie ook: Gen 1:28; Gen 2:8; Gen 7:17–19; Gen 8:9; Gen 9:1; Jub 5:28; 2 Kon 19:37; Jes 37:38; Jer 51:27 **8:5** Het water nam steeds verder af tot de tiende maand. In de tiende maand, op de eerste dag van de maand, werden de toppen van de bergen zichtbaar. Brontekst: וְהַמַּ֗יִם (vehamayim) = en het water | הָיוּ֙ (hayu) = was | הָל֣וֹךְ (halokh) = gaand | וְחָס֔וֹר (vechasor) = en afnemend | עַ֖ד (ad) = tot | הַחֹ֣דֶשׁ (hachodesh) = de maand | הָֽעֲשִׂירִ֑י (haasiri) = de tiende | בָּֽעֲשִׂירִי֙ (baasiri) = in de tiende | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op één | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | נִרְא֖וּ (niru) = werden gezien | רָאשֵׁ֥י (rashei) = toppen van | הֶֽהָרִֽים (heharim) = de bergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zevende maand (vers 4) is volgens de herfstkalender ongeveer april, volgens de lentekalender ongeveer oktober. De eerste dag van de tiende maand is ongeveer 1 juli of 1 januari. Van 7:11 tot 8:4 zijn het vijf maanden, 150 dagen (7:24; 8:3), als elke maand 30 dagen heeft. Zie ook: Gen 7:11; Gen 7:24; Gen 8:3; Gen 8:4; Jub 5:30; Jub 6:27 ### De raaf en de duif **8:6** Na veertig dagen opende Noach het venster van de ark dat hij gemaakt had. Brontekst: וַֽיְהִ֕י (vayhi) = en het was | מִקֵּ֖ץ (miqets) = aan het einde van | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | י֑וֹם (yom) = dag | וַיִּפְתַּ֣ח (vayiftach) = en opende | נֹ֔חַ (noach) = Noach | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חַלּ֥וֹן (chalon) = venster van | הַתֵּבָ֖ה (hateva) = de ark | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עָשָֽׂה (asa) = hij maakte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:16; Dan 6:11 **8:7** Hij liet de raaf uitvliegen. Die vloog heen en weer tot het water van de aarde was opgedroogd. Brontekst: וַיְשַׁלַּ֖ח (vayshalach) = en hij zond | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָֽעֹרֵ֑ב (haorev) = de raaf | וַיֵּצֵ֤א (vayetse) = en ze ging uit | יָצוֹא֙ (yatso) = uitgaand | וָשׁ֔וֹב (vashov) = en terugkerend | עַד (ad) = tot | יְבֹ֥שֶׁת (yevoshet) = drogen van | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | מֵעַ֥ל (meal) = van op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 38:41; Lev 11:15; Ps 147:9; 1 Kon 17:4; 1 Kon 17:6 **8:8** Daarna liet hij de duif van zich uitvliegen, om te zien of het water van het oppervlak van de grond was afgenomen. Brontekst: וַיְשַׁלַּ֥ח (vayshalach) = en hij zond | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַיּוֹנָ֖ה (hayona) = de duif | מֵאִתּ֑וֹ (meito) = van bij hem | לִרְאוֹת֙ (lirot) = om te zien | הֲקַ֣לּוּ (haqalu) = waren afgenomen | הַמַּ֔יִם (hamayim) = het water | מֵעַ֖ל (meal) = van op | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | הָֽאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:10–12; Hoogl 1:15; Hoogl 2:11–12; Hoogl 2:14; Mat 10:16 **8:9** Maar de duif vond geen rustplaats voor haar voet en keerde bij hem terug in de ark. Want er was water over heel de aarde. Hij stak zijn hand uit, nam haar en haalde haar bij zich in de ark. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | מָצְאָה֩ (matsea) = vond | הַיּוֹנָ֨ה (hayona) = de duif | מָנ֜וֹחַ (manoach) = rustplaats | לְכַף (lekhaf) = voor de zool van | רַגְלָ֗הּ (raglah) = haar voet | וַתָּ֤שָׁב (vatashav) = en ze keerde terug | אֵלָיו֙ (elav) = naar hem | אֶל (el) = in | הַתֵּבָ֔ה (hateva) = de ark | כִּי (ki) = want | מַ֖יִם (mayim) = water | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | כָל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en hij stak uit | יָדוֹ֙ (yado) = zijn hand | וַיִּקָּחֶ֔הָ (vayiqacheha) = en nam haar | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en bracht | אֹתָ֛הּ (otah) = haar | אֵלָ֖יו (elav) = naar zich | אֶל (el) = in | הַתֵּבָֽה (hateva) = de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:65; Ps 116:7; Jes 60:8; Mat 11:28; Joh 16:33 **8:10** Hij wachtte nog zeven andere dagen en liet de duif opnieuw uit de ark vliegen. Brontekst: וַיָּ֣חֶל (vayachel) = en hij wachtte | ע֔וֹד (od) = nog | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | וַיֹּ֛סֶף (vayosef) = en hij voegde toe | שַׁלַּ֥ח (shalach) = te zenden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַיּוֹנָ֖ה (hayona) = de duif | מִן (min) = uit | הַתֵּבָֽה (hateva) = de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:4; Gen 7:10; Gen 8:12; Jes 8:17; Rom 8:25 **8:11** Tegen de avond kwam de duif bij hem terug, en zie: een vers blad van een olijfboom in haar bek. Zo wist Noach dat het water van de aarde was afgenomen. Brontekst: וַתָּבֹ֨א (vatavo) = en kwam | אֵלָ֤יו (elav) = naar hem | הַיּוֹנָה֙ (hayona) = de duif | לְעֵ֣ת (leet) = op de tijd van | עֶ֔רֶב (erev) = avond | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | עֲלֵה (ale) = blad van | זַ֖יִת (zayit) = olijf | טָרָ֣ף (taraf) = vers | בְּפִ֑יהָ (befiha) = in haar bek | וַיֵּ֣דַע (vayeda) = en wist | נֹ֔חַ (noach) = Noach | כִּי (ki) = dat | קַ֥לּוּ (qalu) = waren afgenomen | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | מֵעַ֥ל (meal) = van op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זַיִת (zayit), ‘olijfboom’: een vers olijfblad laat zien dat het water zo ver gezakt is dat de bomen weer boven water staan. Zie ook: Jub 5:31; Zach 4:12–14; Neh 8:15; Rom 10:15 **8:12** Hij wachtte nog zeven andere dagen en liet de duif uitvliegen. Ze kwam niet meer bij hem terug. Brontekst: וַיִּיָּ֣חֶל (vayiyachel) = en hij wachtte | ע֔וֹד (od) = nog | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | אֲחֵרִ֑ים (acherim) = andere | וַיְשַׁלַּח֙ (vayshalach) = en hij zond | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַיּוֹנָ֔ה (hayona) = de duif | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָסְפָ֥ה (yasefa) = voegde toe | שׁוּב (shuv) = terug te keren | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 8:10; Jub 5:31; Ps 27:14; Jes 25:9; Jes 26:8; Jes 30:18 **8:13** In het jaar 601, op de eerste dag van de eerste maand, was het water van de aarde opgedroogd. Noach verwijderde het dek van de ark en keek: het oppervlak van de grond was drooggevallen. Brontekst: וַֽ֠יְהִי (vayhi) = en het was | בְּאַחַ֨ת (beachat) = in één | וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | מֵא֜וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | בָּֽרִאשׁוֹן֙ (barishon) = in de eerste | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op één | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | חָֽרְב֥וּ (charevu) = waren opgedroogd | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | מֵעַ֣ל (meal) = van op | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וַיָּ֤סַר (vayasar) = en verwijderde | נֹ֨חַ֙ (noach) = Noach | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מִכְסֵ֣ה (mikhse) = dek van | הַתֵּבָ֔ה (hateva) = de ark | וַיַּ֕רְא (vayar) = en zag | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | חָֽרְב֖וּ (charevu) = waren opgedroogd | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | הָֽאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De eerste dag van de eerste maand in het jaar 601 is volgens de herfstkalender ongeveer 1 oktober, volgens de lentekalender ongeveer 1 april. Zie ook: Gen 7:11; Jub 5:30; Jub 5:31; Jub 6:25–26 **8:14** In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, was de aarde droog. Brontekst: וּבַחֹ֨דֶשׁ֙ (uvachodesh) = en in de maand | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | בְּשִׁבְעָ֧ה (beshiva) = op zeven | וְעֶשְׂרִ֛ים (veesrim) = en twintig | י֖וֹם (yom) = dag | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | יָבְשָׁ֖ה (yavesha) = was droog | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zevenentwintigste dag van de tweede maand is ongeveer 27 november of 27 mei. Van 7:11 tot hier is het een jaar en tien dagen. חָרְבוּ (charevu), ‘opgedroogd’, in vers 13 en יָבְשָׁה (yaveshah), ‘droog’, in vers 14: eerst is het water weg, daarna is de grond helemaal droog. Zie ook: Gen 7:11; Gen 7:13–14; Gen 8:13; Hen 106:15; Jub 5:31; Jub 5:32 ### Uit de ark **8:15** Elohim sprak tot Noach en zei: Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en sprak | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | נֹ֥חַ (noach) = Noach | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 5:32 **8:16** **„Ga uit de ark, jij, je vrouw, je zonen en de vrouwen van je zonen met je.** Brontekst: צֵ֖א (tse) = ga uit | מִן (min) = uit | הַתֵּבָ֑ה (hateva) = de ark | אַתָּ֕ה (ata) = jij | וְאִשְׁתְּךָ֛ (veishtekha) = en je vrouw | וּבָנֶ֥יךָ (uvaneikha) = en je zonen | וּנְשֵֽׁי (uneshei) = en vrouwen van | בָנֶ֖יךָ (baneikha) = je zonen | אִתָּֽךְ (itakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:1; Gen 7:13; Jub 5:32; Ps 121:8; Zach 9:11; Hand 16:37–39 **8:17** **Laat alle dieren die bij je zijn met je naar buiten gaan, van alle vlees: vogels, vee en alles wat zich over de aarde voortbeweegt. Laat ze op de aarde wemelen, vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.”** Brontekst: כָּל (kal) = alle | הַחַיָּ֨ה (hachaya) = het wilde dier | אֲשֶֽׁר (asher) = dat | אִתְּךָ֜ (itekha) = met jou | מִכָּל (mikal) = van alle | בָּשָׂ֗ר (basar) = vlees | בָּע֧וֹף (baof) = onder het gevogelte | וּבַבְּהֵמָ֛ה (uvabehema) = en onder het vee | וּבְכָל (uvekhal) = en onder alle | הָרֶ֛מֶשׂ (haremes) = het kruipende | הָרֹמֵ֥שׂ (haromes) = dat zich voortbeweegt | עַל (al) = op | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | הוצא (hotse) = breng uit (geschreven) | הַיְצֵ֣א (haytse) = laat uitgaan (voorgelezen) | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met jou | וְשָֽׁרְצ֣וּ (vesharetsu) = en laat wemelen | בָאָ֔רֶץ (baarets) = in de aarde | וּפָר֥וּ (ufaru) = en wees vruchtbaar | וְרָב֖וּ (veravu) = en word talrijk | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de Hebreeuwse tekst staan hier twee lezingen naast elkaar: הוצא (hotse), ‘breng uit’ (geschreven), en הַיְצֵא (hayetse), ‘laat uitgaan’ (voorgelezen). Ze geven dezelfde zin. Zie ook: Gen 1:22; Gen 1:28; Gen 9:1; Jub 5:32; Ps 107:38; Jer 31:27–28 **8:18** Noach ging naar buiten, met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. Brontekst: וַיֵּ֖צֵא (vayetse) = en ging uit | נֹ֑חַ (noach) = Noach | וּבָנָ֛יו (uvanav) = en zijn zonen | וְאִשְׁתּ֥וֹ (veishto) = en zijn vrouw | וּנְשֵֽׁי (uneshei) = en vrouwen van | בָנָ֖יו (banav) = zijn zonen | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 89:9; Jub 5:32; Jub 6:1; Ps 121:8 **8:19** Alle wilde dieren, alle kruipende dieren, alle vogels, alles wat zich op de aarde voortbeweegt, gingen volgens hun families de ark uit. Brontekst: כָּל (kal) = alle | הַֽחַיָּ֗ה (hachaya) = het wilde dier | כָּל (kal) = alle | הָרֶ֨מֶשׂ֙ (haremes) = het kruipende | וְכָל (vekhal) = en alle | הָע֔וֹף (haof) = het gevogelte | כֹּ֖ל (kol) = alles | רוֹמֵ֣שׂ (romes) = wat zich voortbeweegt | עַל (al) = op | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | לְמִשְׁפְּחֹ֣תֵיהֶ֔ם (lemishpechoteihem) = naar hun families | יָצְא֖וּ (yatseu) = gingen uit | מִן (min) = uit | הַתֵּבָֽה (hateva) = de ark Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 5:32; Jub 6:1 ### Noachs offer en Yahweh’s belofte **8:20** Noach bouwde een altaar voor Yahweh. Hij nam van alle reine dieren en van alle reine vogels en bracht brandoffers op het altaar. Brontekst: וַיִּ֥בֶן (vayiven) = en bouwde | נֹ֛חַ (noach) = Noach | מִזְבֵּ֖חַ (mizbeach) = altaar | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en nam | מִכֹּ֣ל (mikol) = van alle | הַבְּהֵמָ֣ה (habehema) = het dier | הַטְּהוֹרָ֗ה (hatehora) = het reine | וּמִכֹּל֙ (umikol) = en van alle | הָע֣וֹף (haof) = het gevogelte | הַטָּהֹ֔ר (hatahor) = het reine | וַיַּ֥עַל (vayaal) = en liet opgaan | עֹלֹ֖ת (olot) = opgaande offers | בַּמִּזְבֵּֽחַ (bamizbeach) = op het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִזְבֵּחַ (mizbeach), ‘altaar’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor. עֹלֹת (olot), ‘brandoffers’, zijn letterlijk ‘opgaande offers’: het hele dier gaat in de rook omhoog. Noach neemt van de reine dieren van 7:2. Voetnoot Aanvullend: Volgens Jubileeën 6:1–3 gaat Noach uit de ark, brengt hij offers en doet hij met het bloed van een bokje verzoening voor de aarde. Zie ook: Gen 7:2; Gen 12:7–8; Gen 22:9; Jub 6:1–3; Jub 6:2; Jub 6:3; Lev 11:1–47; Rom 12:1; Heb 13:15–16 **8:21** Yahweh rook de rustgevende geur, en Yahweh zei in Zijn hart: **„Ik zal de grond niet opnieuw vervloeken vanwege de mens. Want de neiging van het hart van de mens is slecht vanaf zijn jeugd. Ik zal niet opnieuw alles wat leeft slaan, zoals Ik gedaan heb.** Brontekst: וַיָּ֣רַח (vayarach) = en rook | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רֵ֣יחַ (reiach) = geur van | הַנִּיחֹחַ֒ (hanichoach) = de rustgevende | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | לִבּ֗וֹ (libo) = Zijn hart | לֹֽא (lo) = niet | אֹ֠סִף (osif) = Ik zal toevoegen | לְקַלֵּ֨ל (leqalel) = te vervloeken | ע֤וֹד (od) = nog | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָֽאֲדָמָה֙ (haadama) = de grond | בַּעֲב֣וּר (baavur) = vanwege | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mens | כִּ֠י (ki) = want | יֵ֣צֶר (yetser) = neiging van | לֵ֧ב (lev) = hart van | הָאָדָ֛ם (haadam) = de mens | רַ֖ע (ra) = kwaad | מִנְּעֻרָ֑יו (mineurav) = vanaf zijn jeugd | וְלֹֽא (velo) = en niet | אֹסִ֥ף (osif) = Ik zal toevoegen | ע֛וֹד (od) = nog | לְהַכּ֥וֹת (lehakot) = te slaan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | חַ֖י (chay) = levend | כַּֽאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עָשִֽׂיתִי (asiti) = Ik deed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵיחַ הַנִּיחֹחַ (reach hanichoach), ‘de rustgevende geur’, heeft dezelfde wortel als נֹחַ (Noach), ‘rust’. כִּי (ki) kan ‘want’ of ‘ook al’ betekenen: omdat, of hoewel, de neiging van het hart slecht is. Het is dezelfde neiging (יֵצֶר, yetser) als in 6:5. הָאָדָם (ha-adam) staat twee keer in dit vers: ‘de mens’ als soort. Met lidwoord, dus geen eigennaam. Zie ook: Gen 6:5; Jub 6:2; Jub 6:4; Jes 54:9–10; Jer 17:9; 2 Kor 2:15; Ef 5:2 **8:22** **Zolang de aarde bestaat, zullen zaaitijd en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.”** Brontekst: עֹ֖ד (od) = nog | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | זֶ֡רַע (zera) = zaaitijd | וְ֠קָצִיר (veqatsir) = en oogst | וְקֹ֨ר (veqor) = en koude | וָחֹ֜ם (vachom) = en hitte | וְקַ֧יִץ (veqayits) = en zomer | וָחֹ֛רֶף (vachoref) = en winter | וְי֥וֹם (veyom) = en dag | וָלַ֖יְלָה (valayla) = en nacht | לֹ֥א (lo) = niet | יִשְׁבֹּֽתוּ (yishbotu) = zullen ophouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 6:4; Ps 74:16–17; Hoogl 2:11–12; Jer 5:24; Jer 31:35; Jak 5:7 ## Genesis 9 _Het verbond met Noach_ ### Elohim zegent Noach **9:1** Elohim zegende Noach en zijn zonen en zei tot hen: **„Wees vruchtbaar en word talrijk, vul de aarde.** Brontekst: וַיְבָ֣רֶךְ (vayvarekh) = en zegende | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נֹ֖חַ (noach) = Noach | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בָּנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en zei | לָהֶ֛ם (lahem) = tot hen | פְּר֥וּ (peru) = wees vruchtbaar | וּרְב֖וּ (urevu) = en word talrijk | וּמִלְא֥וּ (umilu) = en vul | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dezelfde opdracht als aan de mens in 1:28, maar zonder ‘onderwerp haar’ en ‘heers’. Daarvoor in de plaats komt in vers 2 de vrees van de dieren. Voetnoot Aanvullend: Jasher 6:35 laat Yahweh zelf Noach zegenen; in Genesis staat Elohim. Zie ook: Gen 1:22; Gen 1:28; Gen 8:17; Gen 9:2; Gen 9:7; Hen 67:3; Jub 6:5; Jas 6:35; Jes 51:2 **9:2** **Vrees en schrik voor jullie zullen komen over alle wilde dieren van de aarde en over alle vogels van de hemel. Ze komen ook over alles wat zich over de grond voortbeweegt en over alle vissen van de zee. In jullie hand zijn ze gegeven.** Brontekst: וּמוֹרַאֲכֶ֤ם (umoraakhem) = en vrees voor jullie | וְחִתְּכֶם֙ (vechitekhem) = en schrik voor jullie | יִֽהְיֶ֔ה (yihye) = zal zijn | עַ֚ל (al) = over | כָּל (kal) = alle | חַיַּ֣ת (chayat) = wild dier van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וְעַ֖ל (veal) = en over | כָּל (kal) = alle | ע֣וֹף (of) = vogel van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | בְּכֹל֩ (bekhol) = in alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | תִּרְמֹ֧שׂ (tirmos) = zich voortbeweegt | הָֽאֲדָמָ֛ה (haadama) = de grond | וּֽבְכָל (uvekhal) = en in alle | דְּגֵ֥י (degei) = vissen van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | בְּיֶדְכֶ֥ם (beyedkhem) = in jullie hand | נִתָּֽנוּ (nitanu) = zijn gegeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:28; Jub 6:5; Jub 6:6; Lev 26:6; Ps 8:5–9; Hos 2:20; Jak 3:7 **9:3** **Alles wat zich voortbeweegt en leeft, zal jullie tot voedsel zijn. Ook het groene gewas heb Ik jullie gegeven; nu geef Ik jullie alles.** Brontekst: כָּל (kal) = alles | רֶ֨מֶשׂ֙ (remes) = wat zich voortbeweegt | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הוּא (hu) = het | חַ֔י (chay) = levend | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | לְאָכְלָ֑ה (leakhela) = tot voedsel | כְּיֶ֣רֶק (keyereq) = als groen | עֵ֔שֶׂב (esev) = gewas | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כֹּֽל (kol) = alles Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In 1:29 gaf Elohim alleen planten tot voedsel. Nu mag de mens ook dieren eten, maar niet met het bloed erin (vers 4). כְּיֶרֶק עֵשֶׂב (keyereq eseb) staat er letterlijk: ‘als groen gewas’; in de tekst staat ‘ook het groene gewas’. Zie ook: Gen 1:29; Gen 9:4; Jub 6:6; Deut 12:15; 1 Kor 10:31; Rom 14:14; Kol 2:21–22; 1 Tim 4:3–5 **9:4** **Alleen vlees met zijn leven erin, dat is zijn bloed, mogen jullie niet eten.** Brontekst: אַךְ (akh) = alleen | בָּשָׂ֕ר (basar) = vlees | בְּנַפְשׁ֥וֹ (benafsho) = met zijn leven | דָמ֖וֹ (damo) = zijn bloed | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכֵֽלוּ (tokhelu) = zullen jullie eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנַפְשׁוֹ דָמוֹ (benafsho damo), letterlijk ‘in zijn leven, zijn bloed’: het bloed is het leven van het vlees (Lev. 17:11). נֶפֶשׁ (nefesh) is ‘leven’, ‘adem’, ook ‘ziel’. Zie ook: Hen 98:11; Jub 6:7; Jub 6:10; Jub 7:28; Jub 7:32; Jub 21:6; Lev 7:26; Lev 17:11; Deut 12:16; Deut 12:23; Deut 15:23; Hand 15:20 **9:5** **Maar ook jullie bloed, jullie leven, zal Ik terugeisen. Van elk dier eis Ik het terug. Van de mens, van ieder mens voor zijn medemens, eis Ik het leven van de mens terug.** Brontekst: וְאַ֨ךְ (veakh) = en alleen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּמְכֶ֤ם (dimkhem) = jullie bloed | לְנַפְשֹֽׁתֵיכֶם֙ (lenafshoteikhem) = voor jullie levens | אֶדְרֹ֔שׁ (edrosh) = Ik zal terugeisen | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | כָּל (kal) = elk | חַיָּ֖ה (chaya) = dier | אֶדְרְשֶׁ֑נּוּ (edreshenu) = Ik zal het terugeisen | וּמִיַּ֣ד (umiyad) = en uit de hand van | הָֽאָדָ֗ם (haadam) = de mens | מִיַּד֙ (miyad) = uit de hand van | אִ֣ישׁ (ish) = man | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | אֶדְרֹ֖שׁ (edrosh) = Ik zal terugeisen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = leven van | הָֽאָדָֽם (haadam) = de mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶדְרֹשׁ (edrosh) is ‘Ik zal eisen’, ‘terugeisen’: Elohim eist genoegdoening en vraagt rekenschap voor vergoten bloed, ook van een dier en van de mens zelf. מִיַּד אִישׁ אָחִיו (miyad ish achiv): letterlijk ‘uit de hand van een man, zijn broer’. In de tekst staat ‘medemens’: ieder mens is de broer van de ander, en wie het leven van de ander neemt, treft een broer. Vergelijk Gen. 4:9–10. הָאָדָם (ha-adam) staat twee keer in dit vers: ‘de mens’. Met lidwoord, dus geen eigennaam. Zie ook: Gen 4:9–10; Jub 6:7–8; Jub 7:28; Jub 7:32; Ex 21:12; Ex 21:28–29; Num 35:31–33; Ps 9:13 **9:6** **Wie het bloed van de mens vergiet, door de mens zal zijn bloed vergoten worden. Want naar het beeld van Elohim heeft Hij de mens gemaakt.** Brontekst: שֹׁפֵךְ֙ (shofekh) = vergietend | דַּ֣ם (dam) = bloed van | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mens | בָּֽאָדָ֖ם (baadam) = door de mens | דָּמ֣וֹ (damo) = zijn bloed | יִשָּׁפֵ֑ךְ (yishafekh) = zal vergoten worden | כִּ֚י (ki) = want | בְּצֶ֣לֶם (betselem) = naar het beeld van | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | עָשָׂ֖ה (asa) = Hij maakte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָדָֽם (haadam) = de mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּצֶלֶם אֱלֹהִים (betselem Elohim), ‘naar het beeld van Elohim’, zoals in 1:26–27. Het verbod op moord rust op dat beeld. Het voorzetsel in בָּאָדָם (ba’adam) kan ‘door de mens’ betekenen of ‘in ruil voor de mens’. בָּאָדָם (ba’adam) is voorzetsel + lidwoord (‘door de mens’): de mens in het algemeen, niet de persoon Adam. Zie ook: Gen 1:26–27; Jub 6:8; Jub 7:28; Ex 21:12–14; Lev 24:17; Num 35:33; Mat 26:52; Openb 13:10 **9:7** **Jullie dan: wees vruchtbaar en word talrijk, wemel over de aarde en word er talrijk.”** Brontekst: וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | פְּר֣וּ (peru) = wees vruchtbaar | וּרְב֑וּ (urevu) = en word talrijk | שִׁרְצ֥וּ (shirtsu) = wemel | בָאָ֖רֶץ (baarets) = op de aarde | וּרְבוּ (urevu) = en word talrijk | בָֽהּ (bah) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:28; Gen 8:17; Gen 9:1; Gen 9:19; Jub 6:9 ### Het verbond en de boog **9:8** Elohim zei tot Noach en tot zijn zonen met hem: Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | נֹ֔חַ (noach) = Noach | וְאֶל (veel) = en tot | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **9:9** **„Zie, Ik zelf richt Mijn verbond op met jullie en met jullie nageslacht na jullie,** Brontekst: וַאֲנִ֕י (vaani) = en Ik | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Ik | מֵקִ֛ים (meqim) = oprichtend | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = met jullie | וְאֶֽת (veet) = en (lijdend voorwerp) | זַרְעֲכֶ֖ם (zarakhem) = jullie nageslacht | אַֽחֲרֵיכֶֽם (achareikhem) = na jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:18; Gen 9:17; Gen 17:7–8; Jub 6:10; Jes 54:9–10; Rom 1:3 **9:10** **en met elk levend wezen dat bij jullie is: de vogels, het vee en alle wilde dieren van de aarde bij jullie. Met allen die uit de ark zijn gegaan, met elk wild dier van de aarde.** Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = elk | נֶ֤פֶשׁ (nefesh) = wezen van | הַֽחַיָּה֙ (hachaya) = het levende | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִתְּכֶ֔ם (itekhem) = met jullie | בָּע֧וֹף (baof) = onder het gevogelte | בַּבְּהֵמָ֛ה (babehema) = onder het vee | וּֽבְכָל (uvekhal) = en onder alle | חַיַּ֥ת (chayat) = wild dier van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = met jullie | מִכֹּל֙ (mikol) = van alle | יֹצְאֵ֣י (yotseei) = uitgaanders van | הַתֵּבָ֔ה (hateva) = de ark | לְכֹ֖ל (lekhol) = tot alle | חַיַּ֥ת (chayat) = wild dier van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:15–16; Job 38:1–41; Job 41:1–34; Ps 36:6–7; Ps 145:9 **9:11** **Ik richt Mijn verbond met jullie op: nooit meer zal alle vlees worden uitgeroeid door het water van de vloed. Nooit meer komt er een vloed om de aarde te vernietigen.”** Brontekst: וַהֲקִמֹתִ֤י (vahaqimoti) = en Ik zal oprichten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּרִיתִי֙ (beriti) = Mijn verbond | אִתְּכֶ֔ם (itekhem) = met jullie | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִכָּרֵ֧ת (yikaret) = zal worden afgesneden | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֛ר (basar) = vlees | ע֖וֹד (od) = nog | מִמֵּ֣י (mimei) = van het water van | הַמַּבּ֑וּל (hamabul) = de vloed | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | ע֛וֹד (od) = nog | מַבּ֖וּל (mabul) = vloed | לְשַׁחֵ֥ת (leshachet) = om te vernietigen | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:21–23; Gen 8:21–22; Hen 10:22; Hen 55:2; Jub 6:4; Jes 54:9; 2 Petr 3:7; 2 Petr 3:11 **9:12** Elohim zei: **„Dit is het teken van het verbond dat Ik geef tussen Mij en jullie en elk levend wezen bij jullie, voor alle generaties, voor altijd.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | זֹ֤את (zot) = dit | אֽוֹת (ot) = teken van | הַבְּרִית֙ (haberit) = het verbond | אֲשֶׁר (asher) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | נֹתֵ֗ן (noten) = gevend | בֵּינִי֙ (beini) = tussen Mij | וּבֵ֣ינֵיכֶ֔ם (uveineikhem) = en tussen jullie | וּבֵ֛ין (uvein) = en tussen | כָּל (kal) = elk | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = wezen | חַיָּ֖ה (chaya) = levend | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = met jullie | לְדֹרֹ֖ת (ledorot) = voor generaties van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:11; Hen 55:2; Jub 6:15; Ex 12:13; Ex 13:16; Mat 26:26–28; 1 Kor 11:23–25 **9:13** **Mijn boog heb Ik in de wolk gezet. Die zal een teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde.** Brontekst: אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | קַשְׁתִּ֕י (qashti) = Mijn boog | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik heb gegeven | בֶּֽעָנָ֑ן (beanan) = in de wolk | וְהָֽיְתָה֙ (vehayeta) = en zal zijn | לְא֣וֹת (leot) = tot teken van | בְּרִ֔ית (berit) = verbond | בֵּינִ֖י (beini) = tussen Mij | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַשְׁתִּי (qashti), ‘Mijn boog’, is hetzelfde woord als voor de oorlogsboog. Het woord ‘regenboog’ staat er niet. Elohim hangt Zijn boog in de wolk, als teken dat het geweld voorbij is. Zie ook: Hen 55:2; Jub 6:15–16; Jub 6:16; Ezech 1:28; Openb 4:3; Openb 10:1 **9:14** **Als Ik wolken boven de aarde laat samenkomen, wordt de boog zichtbaar in de wolk.** Brontekst: וְהָיָ֕ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּעַֽנְנִ֥י (beanni) = als Ik bewolk | עָנָ֖ן (anan) = wolk | עַל (al) = boven | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְנִרְאֲתָ֥ה (venirata) = en zal gezien worden | הַקֶּ֖שֶׁת (haqeshet) = de boog | בֶּעָנָֽן (beanan) = in de wolk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 55:2; Jub 6:16 **9:15** **Dan zal Ik denken aan Mijn verbond tussen Mij en jullie en elk levend wezen, onder al het vlees. Nooit meer worden de wateren een vloed die al het vlees vernietigt.** Brontekst: וְזָכַרְתִּ֣י (vezakharti) = en Ik zal denken aan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּרִיתִ֗י (beriti) = Mijn verbond | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | בֵּינִי֙ (beini) = tussen Mij | וּבֵ֣ינֵיכֶ֔ם (uveineikhem) = en tussen jullie | וּבֵ֛ין (uvein) = en tussen | כָּל (kal) = elk | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = wezen | חַיָּ֖ה (chaya) = levend | בְּכָל (bekhal) = in alle | בָּשָׂ֑ר (basar) = vlees | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִֽהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | ע֤וֹד (od) = nog | הַמַּ֨יִם֙ (hamayim) = het water | לְמַבּ֔וּל (lemabul) = tot vloed | לְשַׁחֵ֖ת (leshachet) = om te vernietigen | כָּל (kal) = alle | בָּשָֽׂר (basar) = vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 55:2; Jub 6:16; Ex 28:12; Lev 26:42–45; Deut 7:9; Jes 54:8–10; Ezech 16:60 **9:16** **De boog zal in de wolk staan. Ik zal hem zien en denken aan het eeuwige verbond tussen Elohim en elk levend wezen, onder al het vlees dat op de aarde is.”** Brontekst: וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en zal zijn | הַקֶּ֖שֶׁת (haqeshet) = de boog | בֶּֽעָנָ֑ן (beanan) = in de wolk | וּרְאִיתִ֗יהָ (ureitiha) = en Ik zal hem zien | לִזְכֹּר֙ (lizkor) = om te denken aan | בְּרִ֣ית (berit) = verbond | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwig | בֵּ֣ין (bein) = tussen | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | וּבֵין֙ (uvein) = en tussen | כָּל (kal) = elk | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = wezen | חַיָּ֔ה (chaya) = levend | בְּכָל (bekhal) = in alle | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elohim noemt Zichzelf hier bij naam: ‘tussen Elohim en elk levend wezen’. Zie ook: Gen 17:13; Gen 17:19; Hen 55:2; 2 Sam 23:5; Jes 54:8–10; Jer 32:40 **9:17** Elohim zei tot Noach: **„Dit is het teken van het verbond dat Ik heb opgericht tussen Mij en al het vlees dat op de aarde is.”** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | נֹ֑חַ (noach) = Noach | זֹ֤את (zot) = dit | אֽוֹת (ot) = teken van | הַבְּרִית֙ (haberit) = het verbond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הֲקִמֹ֔תִי (haqimoti) = Ik heb opgericht | בֵּינִ֕י (beini) = tussen Mij | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De zonen van Noach **9:18** De zonen van Noach die uit de ark kwamen, waren Sem, Cham en Jafeth. Cham was de vader van Kanaän. Brontekst: וַיִּֽהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | בְנֵי (benei) = zonen van | נֹ֗חַ (noach) = Noach | הַיֹּֽצְאִים֙ (hayotseim) = de uitgaanders | מִן (min) = uit | הַתֵּבָ֔ה (hateva) = de ark | שֵׁ֖ם (shem) = Sem | וְחָ֣ם (vecham) = en Cham | וָיָ֑פֶת (vayafet) = en Jafeth | וְחָ֕ם (vecham) = en Cham | ה֖וּא (hu) = hij | אֲבִ֥י (avi) = vader van | כְנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:23; Gen 9:25–27; Gen 10:1; Gen 10:6; Hen 89:9; Jub 7:13; 1 Kron 1:4 **9:19** Deze drie waren de zonen van Noach. Van hen uit is heel de aarde verspreid. Brontekst: שְׁלֹשָׁ֥ה (shelosha) = drie | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | בְּנֵי (benei) = zonen van | נֹ֑חַ (noach) = Noach | וּמֵאֵ֖לֶּה (umeele) = en van dezen | נָֽפְצָ֥ה (nafetsa) = werd verspreid | כָל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָפְצָה (nafetsa), ‘werd verspreid’, heeft een verwante stam als in 11:4 en 11:8, 9 (daar staat פּוּץ, puts), waar de mensen zich over de aarde verspreiden. Zie ook: Gen 5:32; Gen 8:17; Gen 10:2–32; Gen 11:4; Gen 11:8; Gen 11:9; 1 Kron 1:4–28 ### De wijngaard **9:20** Noach, een man van de grond, begon een wijngaard te planten. Brontekst: וַיָּ֥חֶל (vayachel) = en begon | נֹ֖חַ (noach) = Noach | אִ֣ישׁ (ish) = man van | הָֽאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | וַיִּטַּ֖ע (vayita) = en plantte | כָּֽרֶם (karem) = wijngaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ הָאֲדָמָה (ish ha’adamah), ‘man van de grond’, doet denken aan 5:29, waar Lemech zegt dat Noach troost zal brengen bij het werk van de grond. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 7:1 zegt dat Noach de wijngaard plantte op de berg Lubar. Zie ook: Gen 3:23; Gen 5:29; Jub 7:1; Spr 10:11; Spr 12:11; Jes 28:24–26 **9:21** Hij dronk van de wijn en werd dronken. Hij ontblootte zich in zijn tent. Brontekst: וַיֵּ֥שְׁתְּ (vayesht) = en dronk | מִן (min) = van | הַיַּ֖יִן (hayayin) = de wijn | וַיִּשְׁכָּ֑ר (vayishkar) = en werd dronken | וַיִּתְגַּ֖ל (vayitgal) = en ontblootte zich | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | אָהֳלֹֽה (aholo) = zijn tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de eerste vermelding van wijn en dronkenschap in de Schrift. וַיִּתְגַּל (vayitgal) is wederkerend: ‘hij ontblootte zichzelf’. Zie ook: Jub 7:6–7; Jub 7:7; Spr 20:1; Spr 23:31–32; Hab 2:15–16; Gal 5:21; Tit 2:2 **9:22** Cham, de vader van Kanaän, zag de naaktheid van zijn vader. Hij vertelde het buiten aan zijn twee broers. Brontekst: וַיַּ֗רְא (vayar) = en zag | חָ֚ם (cham) = Cham | אֲבִ֣י (avi) = vader van | כְנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | עֶרְוַ֣ת (ervat) = naaktheid van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיַּגֵּ֥ד (vayaged) = en vertelde | לִשְׁנֵֽי (lishnei) = aan twee van | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | בַּחֽוּץ (bachuts) = buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶרְוַת (ervat), ‘naaktheid’. De tekst zegt alleen dat Cham zag en het buiten vertelde; wat dat ‘zien’ inhield, staat er niet. In Leviticus 18:7–8 en 20:11 staat ‘de naaktheid van je vader’ voor de vrouw van die man: ‘de naaktheid van je vader, dat is de naaktheid van je moeder’. Sommige uitleggers lezen Genesis 9:22 daarom als seksuele omgang van Cham met Noachs vrouw (zijn eigen moeder), met Kanaän als kind daarvan; dat zou verklaren waarom de vloek Kanaän treft (vers 25). Anderen houden het bij het zien van een ontblote vader, een schending van eerbied. Tegen de eerste lezing pleit dat Sem en Jafeth in vers 23 een kleed over hun vader leggen en dat Noachs vrouw in het verhaal niet genoemd wordt. Zie ook: Gen 9:23; Gen 9:25; Jub 7:8; Lev 18:7–8; Lev 20:11; Ps 40:16; Spr 30:17; Mat 18:15; Gal 6:1; 1 Kor 13:6 **9:23** Sem en Jafeth namen het kleed en legden het op hun schouders. Ze liepen achterwaarts en bedekten de naaktheid van hun vader. Hun gezicht was afgewend; de naaktheid van hun vader zagen ze niet. Brontekst: וַיִּקַּח֩ (vayiqach) = en nam | שֵׁ֨ם (shem) = Sem | וָיֶ֜פֶת (vayefet) = en Jafeth | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַשִּׂמְלָ֗ה (hasimla) = het kleed | וַיָּשִׂ֨ימוּ֙ (vayasimu) = en zij legden | עַל (al) = op | שְׁכֶ֣ם (shekhem) = schouder | שְׁנֵיהֶ֔ם (sheneihem) = hun beider | וַיֵּֽלְכוּ֙ (vayelekhu) = en zij gingen | אֲחֹ֣רַנִּ֔ית (achoranit) = achterwaarts | וַיְכַסּ֕וּ (vaykhasu) = en zij bedekten | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | עֶרְוַ֣ת (ervat) = naaktheid van | אֲבִיהֶ֑ם (avihem) = hun vader | וּפְנֵיהֶם֙ (ufeneihem) = en hun gezichten | אֲחֹ֣רַנִּ֔ית (achoranit) = achterwaarts | וְעֶרְוַ֥ת (veervat) = en naaktheid van | אֲבִיהֶ֖ם (avihem) = hun vader | לֹ֥א (lo) = niet | רָאֽוּ (rau) = zagen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 7:9; Ex 20:12; Lev 19:32; Gal 6:1; 1 Petr 2:17; 1 Petr 4:8 ### Vloek en zegen **9:24** Noach werd wakker uit zijn roes en wist wat zijn jongste zoon hem had aangedaan. Brontekst: וַיִּ֥יקֶץ (vayiqets) = en werd wakker | נֹ֖חַ (noach) = Noach | מִיֵּינ֑וֹ (miyeino) = van zijn wijn | וַיֵּ֕דַע (vayeda) = en wist | אֵ֛ת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָ֥שָׂה (asa) = had gedaan | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בְּנ֥וֹ (beno) = zijn zoon | הַקָּטָֽן (haqatan) = de kleine Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקָּטָן (haqatan), ‘de kleine’, kan ‘de jongste’ of ‘de geringere’ betekenen. ‘Zoon’ kan ook ‘kleinzoon’ zijn; sommige uitleggers denken daarom aan Kanaän. מִיֵּינוֹ (miyeno) is letterlijk ‘van zijn wijn’. Zie ook: Jub 7:10 **9:25** Daarop zei hij: „Vervloekt is Kanaän! Een slaaf van slaven zal hij zijn voor zijn broers.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en zei | אָר֣וּר (arur) = vervloekt | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | עֶ֥בֶד (eved) = slaaf van | עֲבָדִ֖ים (avadim) = slaven | יִֽהְיֶ֥ה (yihye) = hij zal zijn | לְאֶחָֽיו (leechav) = voor zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vloek treft Kanaän, niet Cham zelf. Kanaän is de stamvader van de Kanaänitische volken (10:15–19). De tekst noemt geen andere volken. Zie ook: Gen 10:15–19; Jub 7:10; Deut 27:16; Joz 9:23; Re 1:28–30; 1 Kon 9:20–21; Joh 8:34 **9:26** Ook zei hij: „Gezegend zij Yahweh, de Elohim van Sem! Kanaän zij een slaaf voor hen. Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | יְהֹוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹ֣הֵי (elohei) = Elohim van | שֵׁ֑ם (shem) = Sem | וִיהִ֥י (vihi) = en laat zijn | כְנַ֖עַן (kenaan) = Kanaän | עֶ֥בֶד (eved) = slaaf | לָֽמוֹ (lamo) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:1–3; Gen 27:37; Jub 7:11; Deut 33:26; Ps 144:15; Heb 11:16 **9:27** Moge Elohim Jafeth ruimte geven. Moge hij wonen in de tenten van Sem, en Kanaän zij een slaaf voor hen.” Brontekst: יַ֤פְתְּ (yaft) = moge verruimen | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | לְיֶ֔פֶת (leyefet) = voor Jafeth | וְיִשְׁכֹּ֖ן (veyishkon) = en moge wonen | בְּאָֽהֳלֵי (beaholei) = in de tenten van | שֵׁ֑ם (shem) = Sem | וִיהִ֥י (vihi) = en laat zijn | כְנַ֖עַן (kenaan) = Kanaän | עֶ֥בֶד (eved) = slaaf | לָֽמוֹ (lamo) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַפְתְּ (yaft), ‘moge Hij ruimte geven’, speelt met de naam יֶפֶת (Yefet, Jafeth). Het Hebreeuws laat open wie ‘wonen in de tenten van Sem’: Jafeth of Elohim. Daarom staat hier ‘hij’ met een kleine letter. Zie ook: Jub 7:12; Rom 11:12; Rom 15:12; Ef 2:13–14; Ef 3:6; Heb 11:9–10 **9:28** Noach leefde na de vloed nog 350 jaar. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en leefde | נֹ֖חַ (noach) = Noach | אַחַ֣ר (achar) = na | הַמַּבּ֑וּל (hamabul) = de vloed | שְׁלֹ֤שׁ (shelosh) = drie | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וַֽחֲמִשִּׁ֖ים (vachamishim) = en vijftig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 6:18 **9:29** Noach werd in totaal 950 jaar oud. Toen stierf hij. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ֙ (vayihyu) = en waren | כָּל (kal) = alle | יְמֵי (yemei) = dagen van | נֹ֔חַ (noach) = Noach | תְּשַׁ֤ע (tesha) = negen | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וַחֲמִשִּׁ֖ים (vachamishim) = en vijftig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּמֹֽת (vayamot) = en stierf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: 600 jaar bij de vloed (7:6) plus 350 jaar is 950 jaar. Zie ook: Gen 5:20; Gen 5:27; Gen 5:32; Gen 7:6; Gen 11:11–25; Jub 10:15–16; Ps 90:10 ## Genesis 10 _De volkerenlijst_ ### De zonen van Jafeth **10:1** Dit is de geschiedenis van de zonen van Noach: Sem, Cham en Jafeth. Na de vloed werden hun zonen geboren. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dezen | תּוֹלְדֹ֣ת (toledot) = geschiedenis van | בְּנֵי (benei) = zonen van | נֹ֔חַ (noach) = Noach | שֵׁ֖ם (shem) = Sem | חָ֣ם (cham) = Cham | וָיָ֑פֶת (vayafet) = en Jafeth | וַיִּוָּלְד֥וּ (vayivaledu) = en werden geboren | לָהֶ֛ם (lahem) = aan hen | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | אַחַ֥ר (achar) = na | הַמַּבּֽוּל (hamabul) = de vloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 8:10–9:15 vertelt hoe Noach de aarde onder zijn zonen verdeelt; Jasher 7:1 noemt dezelfde namen. Zie ook: Gen 2:4; Gen 5:1; Gen 6:9; Gen 9:7; Gen 9:15; Jub 7:18–19; Jub 8:10–9:15; Jas 7:1; Mat 1:1 **10:2** De zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יֶ֔פֶת (yefet) = Jafeth | גֹּ֣מֶר (gomer) = Gomer | וּמָג֔וֹג (umagog) = en Magog | וּמָדַ֖י (umaday) = en Madai | וְיָוָ֣ן (veyavan) = en Javan | וְתֻבָ֑ל (vetuval) = en Tubal | וּמֶ֖שֶׁךְ (umeshekh) = en Mesech | וְתִירָֽס (vetiras) = en Tiras Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Madai zijn de Meden, in het noordwesten van het huidige Iran. Javan zijn de Ioniërs, aan de westkust van het huidige Turkije en in Griekenland. Tubal en Mesech worden gewoonlijk gezocht in het midden en oosten van het huidige Turkije. De ligging van Gomer en Magog is onzeker. Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk noemt namen van mensen die ook namen van volken zijn. Voetnoot Aanvullend: Jasher 17:1 vertelt van een oorlog tussen de zonen van Kittim en de zonen van Tubal; Genesis noemt die niet. Zie ook: Jub 7:19; Jub 8:5; Jub 9:7; Jub 10:35; Jub 10:36; Jas 7:2; Jas 17:1; 1 Kron 1:5–7; Jes 66:19; Ezech 38:2; Ezech 38:6; Openb 20:8 **10:3** De zonen van Gomer waren Askenaz, Rifat en Togarma. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | גֹּ֑מֶר (gomer) = Gomer | אַשְׁכֲּנַ֥ז (ashkanaz) = Askenaz | וְרִיפַ֖ת (verifat) = en Rifat | וְתֹגַרְמָֽה (vetogarma) = en Togarma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 9:7; Jer 51:27; Ezech 27:14 **10:4** De zonen van Javan waren Elisa, Tarsis, de Kittim en de Dodanim. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en zonen van | יָוָ֖ן (yavan) = Javan | אֱלִישָׁ֣ה (elisha) = Elisa | וְתַרְשִׁ֑ישׁ (vetarshish) = en Tarsis | כִּתִּ֖ים (kitim) = Kittim | וְדֹדָנִֽים (vedodanim) = en Dodanim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: כִּתִּים (Kittim) is Cyprus, genoemd naar de stad Kition, bij het huidige Larnaka. אֱלִישָׁה (Elisa) wordt vaak gelijkgesteld met Alasia, waarschijnlijk ook Cyprus. תַּרְשִׁישׁ (Tarsis) is waarschijnlijk Tarsus in Cilicia, in het zuidoosten van het huidige Turkije; zeker is dat niet. Voetnoot Uitleg: דֹּדָנִים (Dodanim) staat hier; in 1 Kronieken 1:7 staat רֹדָנִים (Rodanim), vermoedelijk de bewoners van Rodos. Zie ook: Jub 9:7; Num 24:24; 1 Kron 1:7; Jes 23:1; Jes 23:12; Ezech 27:25; Dan 11:30 **10:5** Van hen uit scheidden zich de kustlanden van de volken af, in hun landen: ieder naar zijn taal, volgens hun families, in hun volken. Brontekst: מֵ֠אֵלֶּה (meele) = van dezen | נִפְרְד֞וּ (nifredu) = scheidden zich af | אִיֵּ֤י (iyei) = eilanden van | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | בְּאַרְצֹתָ֔ם (beartsotam) = in hun landen | אִ֖ישׁ (ish) = man | לִלְשֹׁנ֑וֹ (lilshono) = naar zijn taal | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | בְּגוֹיֵהֶֽם (begoyehem) = in hun volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִיֵּי הַגּוֹיִם (iyei hagoyim), ‘kustlanden’ of ‘eilanden van de volken’: de gebieden aan de zee, aan de rand van de bekende wereld. נִפְרְדוּ (nifredu) betekent ‘zich afscheiden’, ‘zich verspreiden’. Zie ook: Gen 10:20; Jub 9:7; Jas 10:2–4; Jes 42:4; Sef 2:11; Jer 2:10; Jer 25:22 ### De zonen van Cham **10:6** De zonen van Cham waren Kush, Misraïm, Put en Kanaän. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | חָ֑ם (cham) = Cham | כּ֥וּשׁ (kush) = Kush | וּמִצְרַ֖יִם (umitsrayim) = en Misraïm | וּפ֥וּט (ufut) = en Put | וּכְנָֽעַן (ukhenaan) = en Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: כּוּשׁ (Kush) is het gebied ten zuiden van Egypte, ongeveer het huidige Soedan. מִצְרַיִם (Misraïm) is Egypte. פּוּט (Put) wordt gewoonlijk bij Libië geplaatst. כְּנַעַן (Kanaän) is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee. Zie ook: Jub 7:13; Jub 9:1; Jub 10:29; Jas 7:10; 1 Kron 1:8–16; 1 Kron 4:40; Ps 105:23; Ps 106:22; Jer 46:9 **10:7** De zonen van Kush waren Seba, Havila, Sabta, Raäma en Sabteka. De zonen van Raäma waren Sjeba en Dedan. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | כ֔וּשׁ (kush) = Kush | סְבָא֙ (seva) = Seba | וַֽחֲוִילָ֔ה (vachavila) = en Havila | וְסַבְתָּ֥ה (vesavta) = en Sabta | וְרַעְמָ֖ה (verama) = en Raäma | וְסַבְתְּכָ֑א (vesavtekha) = en Sabteka | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en zonen van | רַעְמָ֖ה (rama) = Raäma | שְׁבָ֥א (sheva) = Sjeba | וּדְדָֽן (udedan) = en Dedan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:11; Jas 7:10–12; Ps 72:10; 1 Kon 10:1; Ezech 27:15; Ezech 27:22 **10:8** Kush werd de vader van Nimrod. Hij begon een held te zijn op de aarde. Brontekst: וְכ֖וּשׁ (vekhush) = en Kush | יָלַ֣ד (yalad) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נִמְרֹ֑ד (nimrod) = Nimrod | ה֣וּא (hu) = hij | הֵחֵ֔ל (hechel) = begon | לִֽהְי֥וֹת (lihyot) = te zijn | גִּבֹּ֖ר (gibor) = held | בָּאָֽרֶץ (baarets) = op de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבֹּר (gibbor), ‘held’, ‘machtig man’, is hetzelfde woord als in 6:4. הֵחֵל (hechel), ‘hij begon’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 7:23–25 noemt Nimrod de zoon van Kush en vertelt over de huiden die Elohim voor Adam maakte (Gen. 3:21). Zie ook: Gen 3:21; Gen 6:4; Jas 7:23–25; Mi 5:5 **10:9** Hij was een machtig jager voor het aangezicht van Yahweh. Daarom zegt men: „Zoals Nimrod, een machtig jager voor het aangezicht van Yahweh.” Brontekst: הֽוּא (hu) = hij | הָיָ֥ה (haya) = was | גִבֹּֽר (gibor) = held van | צַ֖יִד (tsayid) = jacht | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = op | כֵּן֙ (ken) = zo | יֵֽאָמַ֔ר (yeamar) = wordt gezegd | כְּנִמְרֹ֛ד (kenimrod) = zoals Nimrod | גִּבּ֥וֹר (gibor) = held van | צַ֖יִד (tsayid) = jacht | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִפְנֵי יְהוָה (lifnei Yahweh) is letterlijk ‘voor het aangezicht van Yahweh’. Dat kan ‘in Yahweh’s ogen’ betekenen, maar ook ‘tegenover Yahweh’. Het Hebreeuws kiest geen van beide. Zie ook: Gen 6:11; Gen 13:13; Gen 25:27; Gen 27:30; 2 Kron 28:22 **10:10** Het begin van zijn koninkrijk was Babel, Erech, Akkad en Kalne, in het land Sinear. Brontekst: וַתְּהִ֨י (vatehi) = en was | רֵאשִׁ֤ית (reshit) = begin van | מַמְלַכְתּוֹ֙ (mamlakhto) = zijn koninkrijk | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְאֶ֖רֶךְ (veerekh) = en Erech | וְאַכַּ֣ד (veakad) = en Akkad | וְכַלְנֵ֑ה (vekhalne) = en Kalne | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land van | שִׁנְעָֽר (shinar) = Sinear Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Babel ligt aan de Eufraat in het huidige Irak. Erech is Uruk (Warka, Irak). Akkad is niet teruggevonden; Kalne is onzeker. Sinear (Shinar) is de streek Sumer en Babylonië, het zuiden van het huidige Irak. Zie ook: Gen 11:2; Gen 11:9; Gen 14:1; Jas 9:20; Mi 4:10; Jer 50:21 **10:11** Uit dat land ging Assur uit en bouwde Nineve, Rechobot-Ir en Kalach, Brontekst: מִן (min) = uit | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַהִ֖וא (hahi) = dat | יָצָ֣א (yatsa) = ging uit | אַשּׁ֑וּר (ashur) = Assur | וַיִּ֨בֶן֙ (vayiven) = en bouwde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נִ֣ינְוֵ֔ה (nineve) = Nineve | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | רְחֹבֹ֥ת (rechovot) = Rechobot | עִ֖יר (ir) = Ir | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּֽלַח (kalach) = Kalach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Nineve ligt bij het huidige Mosul (Irak), Kalach is Nimrud (Irak). Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws laat open of Assur hier een persoon is (‘Assur ging uit’) of het land (‘hij ging uit naar Assur’). רְחֹבֹת עִיר (Rechobot-Ir) is ‘pleinen van de stad’ en is waarschijnlijk een naam. Zie ook: Jub 9:3; Ps 83:9; Jona 1:2; Hos 14:4; Mi 5:5; Nah 1:1 **10:12** en Resen, tussen Nineve en Kalach. Dat is de grote stad. Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | רֶ֔סֶן (resen) = Resen | בֵּ֥ין (bein) = tussen | נִֽינְוֵ֖ה (nineve) = Nineve | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | כָּ֑לַח (kalach) = Kalach | הִ֖וא (hi) = zij | הָעִ֥יר (hair) = de stad | הַגְּדֹלָֽה (hagedola) = de grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Resen is niet teruggevonden. Voetnoot Uitleg: הִוא הָעִיר הַגְּדֹלָה (hi ha’ir hagedolah), ‘dat is de grote stad’, kan op Resen slaan of op Nineve, Resen en Kalach samen. **10:13** Misraïm werd de vader van de Ludim, de Anamim, de Lehabim en de Naftuchim, Brontekst: וּמִצְרַ֡יִם (umitsrayim) = en Misraïm | יָלַ֞ד (yalad) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לוּדִ֧ים (ludim) = Ludim | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | עֲנָמִ֛ים (anamim) = Anamim | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | לְהָבִ֖ים (lehavim) = Lehabim | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | נַפְתֻּחִֽים (naftuchim) = Naftuchim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De namen op -im (Ludim, Anamim, Lehabim, Naftuchim) zijn meervouden: het gaat om volken. Misraïm zelf heeft een dubbele vorm, voor Boven- en Beneden-Egypte. Zie ook: 1 Kron 1:11–12; Jer 46:9; Ezech 30:5 **10:14** de Patrusim, de Kasluchim, waaruit de Filistijnen zijn voortgekomen, en de Kaftorim. Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | פַּתְרֻסִ֞ים (patrusim) = Patrusim | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כַּסְלֻחִ֗ים (kasluchim) = Kasluchim | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waaruit | יָצְא֥וּ (yatseu) = kwamen | מִשָּׁ֛ם (misham) = vandaar | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = Filistijnen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כַּפְתֹּרִֽים (kaftorim) = Kaftorim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dat de Filistijnen ‘waaruit’ voortkomen kan slaan op de Kasluchim of op de Kaftorim. Amos 9:7 en Jeremia 47:4 laten de Filistijnen uit Kaftor komen, gewoonlijk gelezen als Kreta. Zie ook: Deut 2:23; 1 Kron 1:12; Amos 9:7; Jes 11:11; Jer 47:4 **10:15** Kanaän werd de vader van Sidon, zijn eerstgeborene, en van Het, Brontekst: וּכְנַ֗עַן (ukhenaan) = en Kanaän | יָלַ֛ד (yalad) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | צִידֹ֥ן (tsidon) = Sidon | בְּכֹר֖וֹ (bekhoro) = zijn eerstgeborene | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | חֵֽת (chet) = Het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: צִידֹן (Sidon) is de oude havenstad aan de kust van het huidige Libanon (Saida). Voetnoot Uitleg: חֵת (Het) is de stamvader van de Hettieten. Zie ook: Gen 15:18–21; Gen 23:3; Jas 7:13; Ex 34:11; Num 34:2–15; 1 Kron 1:13 **10:16** de Jebusiet, de Amoriet en de Girgasiet, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַיְבוּסִי֙ (hayvusi) = de Jebusiet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָ֣אֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַגִּרְגָּשִֽׁי (hagirgashi) = de Girgasiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 1:21; 2 Sam 24:18; Zach 9:7 **10:17** de Chiviet, de Arkiet en de Siniet, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַֽחִוִּ֥י (hachivi) = de Chiviet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַֽעַרְקִ֖י (haarqi) = de Arkiet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַסִּינִֽי (hasini) = de Siniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 34:2 **10:18** de Arvadiet, de Zemariet en de Chamatiet. Daarna verspreidden de families van de Kanaänieten zich. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָֽאַרְוָדִ֥י (haarvadi) = de Arvadiet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַצְּמָרִ֖י (hatsemari) = de Zemariet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַֽחֲמָתִ֑י (hachamati) = de Chamatiet | וְאַחַ֣ר (veachar) = en daarna | נָפֹ֔צוּ (nafotsu) = verspreidden zich | מִשְׁפְּח֖וֹת (mishpechot) = families van | הַֽכְּנַעֲנִֽי (hakenaani) = de Kanaäniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָפֹצוּ (nafotsu), ‘verspreidden zich’, is van פּוּץ (puts), zoals in 11:4 en 11:8–9; in 9:19 staat de verwante stam נפץ. Zie ook: Gen 9:19; Gen 11:4; Gen 11:8–9; Jub 10:28–34; 2 Sam 8:9; 2 Kon 17:24; Ezech 27:8; Ezech 47:16–17; Zach 9:2 **10:19** De grens van de Kanaänieten liep van Sidon, in de richting van Gerar, tot Gaza; in de richting van Sodom, Gomorra, Adma en Zeboïm, tot Lesa. Brontekst: וַֽיְהִ֞י (vayhi) = en was | גְּב֤וּל (gevul) = grens van | הַֽכְּנַעֲנִי֙ (hakenaani) = de Kanaäniet | מִצִּידֹ֔ן (mitsidon) = van Sidon | בֹּאֲכָ֥ה (boakha) = als je komt naar | גְרָ֖רָה (gerara) = Gerar | עַד (ad) = tot | עַזָּ֑ה (aza) = Gaza | בֹּאֲכָ֞ה (boakha) = als je komt naar | סְדֹ֧מָה (sedoma) = Sodom | וַעֲמֹרָ֛ה (vaamora) = en Gomorra | וְאַדְמָ֥ה (veadma) = en Adma | וּצְבֹיִ֖ם (utsevoyim) = en Zeboïm | עַד (ad) = tot | לָֽשַׁע (lasha) = Lesa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Gerar ligt in de Negev, ten zuidoosten van het huidige Gaza. Lesa is niet teruggevonden. Voetnoot Uitleg: De ligging van Sodom, Gomorra, Adma en Zeboïm is onzeker: gezocht wordt in de Jordaanvallei ten noorden van de Dode Zee (voorgesteld wordt Tall el-Hammam) of ten zuiden ervan. בֹּאֲכָה (bo’akha) is letterlijk ‘als je komt naar’. Zie ook: Gen 13:10–17; Gen 14:2; Gen 19:24–25; Joz 12:7–8; Re 16:1 **10:20** Dit zijn de zonen van Cham, volgens hun families, hun talen, hun landen en hun volken. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | בְנֵי (benei) = zonen van | חָ֔ם (cham) = Cham | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לִלְשֹֽׁנֹתָ֑ם (lilshonotam) = naar hun talen | בְּאַרְצֹתָ֖ם (beartsotam) = in hun landen | בְּגוֹיֵהֶֽם (begoyehem) = in hun volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 10:6; Gen 11:1–9 ### De zonen van Sem **10:21** Ook aan Sem, de vader van alle zonen van Eber, werden nakomelingen geboren. Hij was de oudere broer van Jafeth. Brontekst: וּלְשֵׁ֥ם (uleshem) = en voor Sem | יֻלַּ֖ד (yulad) = werd geboren | גַּם (gam) = ook | ה֑וּא (hu) = hij | אֲבִי֙ (avi) = vader van | כָּל (kal) = alle | בְּנֵי (benei) = zonen van | עֵ֔בֶר (ever) = Eber | אֲחִ֖י (achi) = broer van | יֶ֥פֶת (yefet) = Jafeth | הַגָּדֽוֹל (hagadol) = de grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen יֻלַּד (yullad), ‘er werd geboren’. ‘Nakomelingen’ is toegevoegd. הַגָּדוֹל (hagadol), ‘de grote’, kan slaan op Sem (de oudere broer van Jafeth) of op Jafeth (de oudste broer). Hier is gekozen voor het eerste. עֵבֶר (Eber) wordt vaak verbonden met het woord ‘Hebreeën’. Zie ook: Gen 11:10–26; Jub 8:21; Num 24:24 **10:22** De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | שֵׁ֖ם (shem) = Sem | עֵילָ֣ם (eilam) = Elam | וְאַשּׁ֑וּר (veashur) = en Assur | וְאַרְפַּכְשַׁ֖ד (vearpakhshad) = en Arpachsad | וְל֥וּד (velud) = en Lud | וַֽאֲרָֽם (vaaram) = en Aram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: עֵילָם (Elam) ligt in het zuidwesten van het huidige Iran. אַשּׁוּר (Assur) is het noorden van het huidige Irak, rond de oude stad Assur aan de Tigris. אֲרָם (Aram) is het gebied van het huidige Syrië. De ligging van Arpachsad is onzeker. Lud wordt gewoonlijk bij Lydië gezocht, in het westen van het huidige Turkije. Zie ook: Jub 7:18; Jub 8:21; Jub 9:2; Jub 9:4; Jub 9:5; Jub 9:6; Jas 7:15; Job 1:17; Jes 11:11; Jes 22:6; Jes 66:19; Jer 25:25 **10:23** De zonen van Aram waren Us, Chul, Gether en Mas. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | ע֥וּץ (uts) = Us | וְח֖וּל (vechul) = en Chul | וְגֶ֥תֶר (vegeter) = en Gether | וָמַֽשׁ (vamash) = en Mas Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 8:21; Job 1:1; Jer 25:20 **10:24** Arpachsad werd de vader van Selach, en Selach werd de vader van Eber. Brontekst: וְאַרְפַּכְשַׁ֖ד (vearpakhshad) = en Arpachsad | יָלַ֣ד (yalad) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שָׁ֑לַח (shalach) = Selach | וְשֶׁ֖לַח (veshelach) = en Selach | יָלַ֥ד (yalad) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵֽבֶר (ever) = Eber Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 11:12–15; Jub 8:5; Jub 8:6; Jub 8:21; Luc 3:35 **10:25** Aan Eber werden twee zonen geboren. De naam van de ene was Peleg, want in zijn dagen werd de aarde verdeeld. De naam van zijn broer was Joktan. Brontekst: וּלְעֵ֥בֶר (uleever) = en voor Eber | יֻלַּ֖ד (yulad) = werd geboren | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | בָנִ֑ים (banim) = zonen | שֵׁ֣ם (shem) = naam van | הָֽאֶחָ֞ד (haechad) = de ene | פֶּ֗לֶג (peleg) = Peleg | כִּ֤י (ki) = want | בְיָמָיו֙ (beyamav) = in zijn dagen | נִפְלְגָ֣ה (niflega) = werd verdeeld | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | יָקְטָֽן (yaqetan) = Joktan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּלֶג (Peleg) betekent ‘verdeling’. נִפְלְגָה (niflegah), ‘werd verdeeld’, speelt daarmee. Het gaat om de verdeling van de aarde of de volken, waarover hoofdstuk 11 vertelt. Zie ook: Gen 10:32; Gen 11; Jub 8:7; Jub 8:8; Jub 8:10; Jub 8:21; Deut 32:8; 1 Kron 1:19; Luc 3:35–36; Hand 17:26 **10:26** Joktan werd de vader van Almodad, Sjelef, Chazarmaveth, Jerach, Brontekst: וְיָקְטָ֣ן (veyaqetan) = en Joktan | יָלַ֔ד (yalad) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַלְמוֹדָ֖ד (almodad) = Almodad | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שָׁ֑לֶף (shalef) = Sjelef | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | חֲצַרְמָ֖וֶת (chatsarmavet) = Chazarmaveth | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יָֽרַח (yarach) = Jerach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 8:21; 1 Kron 1:20–28 **10:27** Hadoram, Uzal, Dikla, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הֲדוֹרָ֥ם (hadoram) = Hadoram | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אוּזָ֖ל (uzal) = Uzal | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | דִּקְלָֽה (diqla) = Dikla Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 1:20–28 **10:28** Obal, Abimaël, Sjeba, Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | עוֹבָ֥ל (oval) = Obal | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֲבִֽימָאֵ֖ל (avimael) = Abimaël | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שְׁבָֽא (sheva) = Sjeba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:3; 1 Kron 1:20–28; 1 Kon 10:1 **10:29** Ofir, Havila en Jobab. Al deze waren zonen van Joktan. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אוֹפִ֥ר (ofir) = Ofir | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | חֲוִילָ֖ה (chavila) = Havila | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יוֹבָ֑ב (yovav) = Jobab | כָּל (kal) = alle | אֵ֖לֶּה (ele) = dezen | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יָקְטָֽן (yaqetan) = Joktan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:24; Job 28:16; 1 Kron 9:13; 1 Kon 9:28; Jes 13:12 **10:30** Hun woongebied liep van Mesa, in de richting van Sefar, de oostelijke berg. Brontekst: וַֽיְהִ֥י (vayhi) = en was | מוֹשָׁבָ֖ם (moshavam) = hun woonplaats | מִמֵּשָׁ֑א (mimesha) = van Mesa | בֹּאֲכָ֥ה (boakha) = als je komt naar | סְפָ֖רָה (sefara) = Sefar | הַ֥ר (har) = berg van | הַקֶּֽדֶם (haqedem) = het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mesa en Sefar zijn niet zeker te plaatsen. Het gaat om het zuiden van het Arabische schiereiland. Sefar is mogelijk Zafar in Jemen. Zie ook: Num 23:7 **10:31** Dit zijn de zonen van Sem, volgens hun families, hun talen, hun landen en hun volken. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | בְנֵי (benei) = zonen van | שֵׁ֔ם (shem) = Sem | לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם (lemishpechotam) = naar hun families | לִלְשֹׁנֹתָ֑ם (lilshonotam) = naar hun talen | בְּאַרְצֹתָ֖ם (beartsotam) = in hun landen | לְגוֹיֵהֶֽם (legoyehem) = in hun volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 10:5; Gen 10:20; Hand 17:26 **10:32** Dit zijn de families van de zonen van Noach, volgens hun geslachten, in hun volken. Van hen uit scheidden de volken zich af op de aarde, na de vloed. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | מִשְׁפְּחֹ֧ת (mishpechot) = families van | בְּנֵי (benei) = zonen van | נֹ֛חַ (noach) = Noach | לְתוֹלְדֹתָ֖ם (letoledotam) = naar hun geslachten | בְּגוֹיֵהֶ֑ם (begoyehem) = in hun volken | וּמֵאֵ֜לֶּה (umeele) = en van dezen | נִפְרְד֧וּ (nifredu) = scheidden zich af | הַגּוֹיִ֛ם (hagoyim) = de volken | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = op de aarde | אַחַ֥ר (achar) = na | הַמַּבּֽוּל (hamabul) = de vloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:1; Gen 9:19; Gen 10:1; Gen 10:25; Jub 9:15; Hand 17:26 ## Genesis 11 _Babel en Terach_ ### Eén taal en één volk **11:1** Heel de aarde had één taal en dezelfde woorden. Brontekst: וַֽיְהִ֥י (vayhi) = en was | כָל (kal) = heel | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | שָׂפָ֣ה (safa) = taal | אֶחָ֑ת (echat) = één | וּדְבָרִ֖ים (udevarim) = en woorden | אֲחָדִֽים (achadim) = dezelfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 10:18; Jas 9:20; Jes 19:18; Sef 3:9; Hand 2:6 **11:2** Toen ze uit het oosten vertrokken, vonden ze een vlakte in het land Sinear. Daar gingen ze wonen. Brontekst: וַֽיְהִ֖י (vayhi) = en het was | בְּנָסְעָ֣ם (benaseam) = bij hun optrekken | מִקֶּ֑דֶם (miqedem) = van het oosten | וַֽיִּמְצְא֥וּ (vayimtseu) = en ze vonden | בִקְעָ֛ה (biqa) = vlakte | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | שִׁנְעָ֖ר (shinar) = Sinear | וַיֵּ֥שְׁבוּ (vayeshevu) = en ze woonden | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sinear is Babylonië, het zuiden van het huidige Irak (zie 10:10). Voetnoot Uitleg: מִקֶּדֶם (miqqedem) kan ‘uit het oosten’ of ‘oostwaarts’ betekenen. Zie ook: Gen 10:10; Gen 14:1; Jub 10:18; Jub 10:19; Jes 11:11; Dan 1:2; Zach 5:11 **11:3** Ze zeiden tegen elkaar: „Kom, laten we stenen vormen en ze hard bakken.” Zo werd de baksteen hun steen en het asfalt hun mortel. Brontekst: וַיֹּאמְר֞וּ (vayomru) = en ze zeiden | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶל (el) = tot | רֵעֵ֗הוּ (reehu) = zijn naaste | הָ֚בָה (hava) = kom | נִלְבְּנָ֣ה (nilbena) = laten we baksteen vormen | לְבֵנִ֔ים (levenim) = bakstenen | וְנִשְׂרְפָ֖ה (venisrefa) = en laten we branden | לִשְׂרֵפָ֑ה (lisrefa) = tot branding | וַתְּהִ֨י (vatehi) = en werd | לָהֶ֤ם (lahem) = voor hen | הַלְּבֵנָה֙ (halevena) = de baksteen | לְאָ֔בֶן (leaven) = tot steen | וְהַ֣חֵמָ֔ר (vehachemar) = en het asfalt | הָיָ֥ה (haya) = was | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לַחֹֽמֶר (lachomer) = tot mortel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַחֵמָר (hachemar) is ‘het asfalt’ (bitumen). In Mesopotamië bouwde men met gebakken stenen en asfalt; in Kanaän met natuursteen en kalkmortel. Zie ook: Gen 14:10; Jub 10:18; Jub 10:19; Jub 10:20; Ex 1:14; Ex 2:3; Jak 5:1; Heb 10:24 **11:4** Ze zeiden: „Kom, laten we een stad bouwen en een toren met zijn top in de hemel. Laten we ons een naam maken, anders worden we verspreid over heel de aarde.” Brontekst: וַיֹּאמְר֞וּ (vayomru) = en ze zeiden | הָ֣בָה (hava) = kom | נִבְנֶה (nivne) = laten we bouwen | לָּ֣נוּ (lanu) = voor ons | עִ֗יר (ir) = stad | וּמִגְדָּל֙ (umigdal) = en toren | וְרֹאשׁ֣וֹ (verosho) = en zijn top | בַשָּׁמַ֔יִם (bashamayim) = in de hemel | וְנַֽעֲשֶׂה (venaase) = en laten we maken | לָּ֖נוּ (lanu) = voor ons | שֵׁ֑ם (shem) = naam | פֶּן (pen) = opdat niet | נָפ֖וּץ (nafuts) = we verspreid worden | עַל (al) = over | פְּנֵ֥י (penei) = oppervlak van | כָל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh had in 9:1 gezegd: ‘vul de aarde’. De mensen willen hier juist bij elkaar blijven. שֵׁם (shem), ‘naam’, is hetzelfde woord als de naam van Sem. Zie ook: Gen 9:1; Jub 10:18; Jub 10:19; Jas 9:21; Deut 1:28; Deut 9:1; Dan 4:27; Luc 1:51; Joh 5:44 ### Yahweh daalt af **11:5** Yahweh daalde af om de stad en de toren te zien die de zonen van de mens bouwden. Brontekst: וַיֵּ֣רֶד (vayered) = en daalde af | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לִרְאֹ֥ת (lirot) = om te zien | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַמִּגְדָּ֑ל (hamigdal) = de toren | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בָּנ֖וּ (banu) = bouwden | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | הָאָדָֽם (haadam) = de mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hoog in de hemel willen de mensen reiken, maar Yahweh moet afdalen om te zien wat ze gebouwd hebben. בְּנֵי הָאָדָם (bene ha-adam), ‘zonen van de mens’, is ‘mensen’ in het algemeen. Met lidwoord, dus geen eigennaam. Zie ook: Gen 18:21; Jub 10:18; Jub 10:22–23; Jub 10:23; Ps 33:13–14; Jer 23:23–24; Joh 3:13; Heb 4:13 **11:6** Yahweh zei: **„Zie, één volk met één taal voor hen allen. En dit is pas het begin van wat ze doen. Nu zal niets voor hen onmogelijk zijn van wat ze zich voornemen te doen.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הֵ֣ן (hen) = zie | עַ֤ם (am) = volk | אֶחָד֙ (echad) = één | וְשָׂפָ֤ה (vesafa) = en taal | אַחַת֙ (achat) = één | לְכֻלָּ֔ם (lekhulam) = voor hen allen | וְזֶ֖ה (veze) = en dit | הַחִלָּ֣ם (hachilam) = hun beginnen | לַעֲשׂ֑וֹת (laasot) = om te doen | וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | לֹֽא (lo) = niet | יִבָּצֵ֣ר (yibatser) = zal onmogelijk zijn | מֵהֶ֔ם (mehem) = voor hen | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | יָזְמ֖וּ (yazemu) = ze zich voornemen | לַֽעֲשֽׂוֹת (laasot) = om te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 3:22; Gen 11:1; Jub 10:18; Jub 10:22; Ps 2:1–4; Pred 11:9; Luc 1:51 **11:7** **Kom, laten Wij afdalen en daar hun taal verwarren, zodat ze elkaars taal niet meer verstaan.”** Brontekst: הָ֚בָה (hava) = kom | נֵֽרְדָ֔ה (nereda) = laten Wij afdalen | וְנָבְלָ֥ה (venavela) = en laten Wij verwarren | שָׁ֖ם (sham) = daar | שְׂפָתָ֑ם (sefatam) = hun taal | אֲשֶׁר֙ (asher) = zodat | לֹ֣א (lo) = niet | יִשְׁמְע֔וּ (yishmeu) = ze zullen horen | אִ֖ישׁ (ish) = man | שְׂפַ֥ת (sefat) = taal van | רֵעֵֽהוּ (reehu) = zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Laten wij’ klinkt zoals in 1:26 en 3:22: Elohim spreekt in het meervoud. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 10:22–23 laat Yahweh zeggen dat het volk één is en vertelt dat Hij neerdaalde, en dat de engelen met Hem neerdaalden; Jasher 9:32 noemt zeventig engelen. Zie ook: Gen 1:26; Gen 3:22; Jub 10:22; Jub 10:24; Jas 9:32; Job 5:12–13; Ps 33:10; Ps 55:10; 1 Kor 14:2–11 **11:8** Yahweh verspreidde hen vandaar over heel de aarde, en ze hielden op met het bouwen van de stad. Brontekst: וַיָּ֨פֶץ (vayafets) = en verspreidde | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֹתָ֛ם (otam) = hen | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | עַל (al) = over | פְּנֵ֣י (penei) = oppervlak van | כָל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וַֽיַּחְדְּל֖וּ (vayachdelu) = en ze hielden op | לִבְנֹ֥ת (livnot) = om te bouwen | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 10:25; Gen 10:32; Gen 11:9; Jub 10:24–27; Jub 10:26; Deut 32:8; Luc 1:51 **11:9** Daarom noemde men haar naam Babel. Want daar verwarde Yahweh de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde Yahweh hen over heel de aarde. Brontekst: עַל (al) = op | כֵּ֞ן (ken) = zo | קָרָ֤א (qara) = men noemde | שְׁמָהּ֙ (shemah) = haar naam | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | כִּי (ki) = want | שָׁ֛ם (sham) = daar | בָּלַ֥ל (balal) = verwarde | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | שְׂפַ֣ת (sefat) = taal van | כָּל (kal) = heel | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וּמִשָּׁם֙ (umisham) = en vandaar | הֱפִיצָ֣ם (hefitsam) = verspreidde hen | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | פְּנֵ֖י (penei) = oppervlak van | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Babel ligt in het huidige Irak (zie 10:10). Voetnoot Uitleg: בָּבֶל (Bavel; in de tekst: Babel), ‘Babel’, klinkt als בָּלַל (balal), ‘verwarren’. In het Akkadisch betekent Babel ‘poort van god’. Het Hebreeuws zegt ‘hij noemde’; ‘men noemde’ is een vrije weergave van die onbepaalde vorm. Zie ook: Gen 10:5; Gen 10:10; Gen 10:20; Jub 10:25; Jub 10:26; Hand 17:26; 1 Kor 14:23 ### Van Sem tot Terach **11:10** Dit is de geschiedenis van Sem. Sem was 100 jaar oud toen hij de vader van Arpachsad werd, twee jaar na de vloed. Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dezen | תּוֹלְדֹ֣ת (toledot) = geschiedenis van | שֵׁ֔ם (shem) = Sem | שֵׁ֚ם (shem) = Sem | בֶּן (ben) = zoon van | מְאַ֣ת (meat) = honderd | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַרְפַּכְשָׁ֑ד (arpakhshad) = Arpachsad | שְׁנָתַ֖יִם (shenatayim) = twee jaar | אַחַ֥ר (achar) = na | הַמַּבּֽוּל (hamabul) = de vloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Septuaginta en de Samaritaanse Pentateuch geven andere getallen dan de Hebreeuwse tekst. De Hebreeuwse tekst heeft hier nog geen totaal van de levensjaren, zoals in hoofdstuk 5. Zie ook: Gen 5; Gen 10:21–22; Gen 11:27; 1 Kron 1:17–27; Luc 3:34–36 **11:11** Na de geboorte van Arpachsad leefde Sem nog 500 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en leefde | שֵׁ֗ם (shem) = Sem | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַרְפַּכְשָׁ֔ד (arpakhshad) = Arpachsad | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:28; Gen 5:4–32; Gen 9:7; Ps 127:3–4; Ps 144:12 **11:12** Arpachsad leefde 35 jaar en werd de vader van Selach. Brontekst: וְאַרְפַּכְשַׁ֣ד (vearpakhshad) = en Arpachsad | חַ֔י (chay) = leefde | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שָֽׁלַח (shalach) = Selach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Septuaginta voegt hier tussen Arpachsad en Selach een Kainan toe, die ook in Lukas 3:36 staat. De Hebreeuwse tekst heeft hem niet. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 8:1–4 noemt hem Kainam, de zoon van Arpachsad. Zie ook: Jub 8:1–4; Luc 3:36 **11:13** Na de geboorte van Selach leefde Arpachsad nog 403 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִ֣י (vaychi) = en leefde | אַרְפַּכְשַׁ֗ד (arpakhshad) = Arpachsad | אַֽחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֶׁ֔לַח (shelach) = Selach | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 8:1 **11:14** Selach leefde 30 jaar en werd de vader van Eber. Brontekst: וְשֶׁ֥לַח (veshelach) = en Selach | חַ֖י (chay) = leefde | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵֽבֶר (ever) = Eber Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 8:5; Jub 8:6; Jub 8:7 **11:15** Na de geboorte van Eber leefde Selach nog 403 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en leefde | שֶׁ֗לַח (shelach) = Selach | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵ֔בֶר (ever) = Eber | שָׁלֹ֣שׁ (shalosh) = drie | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 8:7 **11:16** Eber leefde 34 jaar en werd de vader van Peleg. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en leefde | עֵ֕בֶר (ever) = Eber | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פָּֽלֶג (paleg) = Peleg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 10:21; Gen 10:25; Jub 8:7; Num 24:24; 1 Kron 1:19; Luc 3:35 **11:17** Na de geboorte van Peleg leefde Eber nog 430 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en leefde | עֵ֗בֶר (ever) = Eber | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פֶּ֔לֶג (peleg) = Peleg | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:18** Peleg leefde 30 jaar en werd de vader van Reü. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en leefde | פֶ֖לֶג (peleg) = Peleg | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רְעֽוּ (reu) = Reü Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 10:18; Luc 3:35 **11:19** Na de geboorte van Reü leefde Peleg nog 209 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en leefde | פֶ֗לֶג (peleg) = Peleg | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רְע֔וּ (reu) = Reü | תֵּ֥שַׁע (tesha) = negen | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaar | וּמָאתַ֣יִם (umatayim) = en tweehonderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:20** Reü leefde 32 jaar en werd de vader van Serug. Brontekst: וַיְחִ֣י (vaychi) = en leefde | רְע֔וּ (reu) = Reü | שְׁתַּ֥יִם (shetayim) = twee | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׂרֽוּג (serug) = Serug Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 11:1; Luc 3:35 **11:21** Na de geboorte van Serug leefde Reü nog 207 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַיְחִ֣י (vaychi) = en leefde | רְע֗וּ (reu) = Reü | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׂר֔וּג (serug) = Serug | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaar | וּמָאתַ֣יִם (umatayim) = en tweehonderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 11:1 **11:22** Serug leefde 30 jaar en werd de vader van Nachor. Brontekst: וַיְחִ֥י (vaychi) = en leefde | שְׂר֖וּג (serug) = Serug | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נָחֽוֹר (nachor) = Nachor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 11:1; Jub 11:7–8; Joz 24:2 **11:23** Na de geboorte van Nachor leefde Serug nog 200 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַיְחִ֣י (vaychi) = en leefde | שְׂר֗וּג (serug) = Serug | אַחֲרֵ֛י (acharei) = na | הוֹלִיד֥וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נָח֖וֹר (nachor) = Nachor | מָאתַ֣יִם (matayim) = tweehonderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 11:1 **11:24** Nachor leefde 29 jaar en werd de vader van Terach. Brontekst: וַיְחִ֣י (vaychi) = en leefde | נָח֔וֹר (nachor) = Nachor | תֵּ֥שַׁע (tesha) = negen | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֖וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | תָּֽרַח (tarach) = Terach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 11:8; Jub 11:9–10; Jub 11:10; Joz 24:2; Luc 3:34 **11:25** Na de geboorte van Terach leefde Nachor nog 119 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. Brontekst: וַיְחִ֣י (vaychi) = en leefde | נָח֗וֹר (nachor) = Nachor | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | הוֹלִיד֣וֹ (holido) = zijn verwekken van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | תֶּ֔רַח (terach) = Terach | תְּשַֽׁע (tesha) = negen | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וּמְאַ֣ת (umeat) = en honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֥וֹלֶד (vayoled) = en verwekte | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | וּבָנֽוֹת (uvanot) = en dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 11:8 **11:26** Terach leefde 70 jaar en werd de vader van Abram, Nachor en Haran. Brontekst: וַֽיְחִי (vaychi) = en leefde | תֶ֖רַח (terach) = Terach | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיּ֨וֹלֶד֙ (vayoled) = en verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נָח֖וֹר (nachor) = Nachor | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָרָֽן (haran) = Haran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַבְרָם (Avram; in de tekst: Abram) betekent ‘verheven vader’. In 17:5 verandert Elohim zijn naam in Abraham. De volgorde Abram, Nachor, Haran zegt niet dat Abram de oudste is. Voetnoot Aanvullend: Jasher 7:51 zegt dat Terach zeventig jaar was bij de geboorte van Abram en noemt hem Abram omdat de koning hem had verheven; volgens Jasher 7:22 waren Haran en Nachor geboren toen Terach achtendertig was. Zie ook: Gen 12:4–5; Gen 17:5; Gen 22:20–24; Gen 29:4–5; Jub 11:8; Jub 11:15; Jas 7:22; Jas 7:50–51; Jas 7:51; Joz 24:2; 1 Kron 1:26–27 ### De familie van Terach **11:27** Dit is de geschiedenis van Terach. Terach werd de vader van Abram, Nachor en Haran. Haran werd de vader van Lot. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dezen | תּוֹלְדֹ֣ת (toledot) = geschiedenis van | תֶּ֔רַח (terach) = Terach | תֶּ֚רַח (terach) = Terach | הוֹלִ֣יד (holid) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נָח֖וֹר (nachor) = Nachor | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָרָ֑ן (haran) = Haran | וְהָרָ֖ן (veharan) = en Haran | הוֹלִ֥יד (holid) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לֽוֹט (lot) = Lot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 11:31; Gen 12:4; Gen 14:12; Gen 19:1–29; Jub 12:9–11; Jub 12:10; 2 Petr 2:7 **11:28** Haran stierf nog tijdens het leven van zijn vader Terach, in het land van zijn geboorte, in Ur van de Chaldeeën. Brontekst: וַיָּ֣מָת (vayamat) = en stierf | הָרָ֔ן (haran) = Haran | עַל (al) = op | פְּנֵ֖י (penei) = aangezicht van | תֶּ֣רַח (terach) = Terach | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מוֹלַדְתּ֖וֹ (moladto) = zijn geboorte | בְּא֥וּר (beur) = in Ur van | כַּשְׂדִּֽים (kasdim) = de Chaldeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ur ligt in het zuiden van het huidige Irak (Tell el-Muqayyar). Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt עַל פְּנֵי (al penei), ‘voor het aangezicht van’ zijn vader: dus tijdens het leven van Terach. Chaldeeën is de naam van het volk dat later in Babylonië woonde. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 12:12–14 vertelt dat Haran omkwam in het vuur toen hij de afgodsbeelden wilde redden. Jasher 12:21–26 vertelt dat Haran stierf toen hij in het vuur werd geworpen. Jasher 35:7 zegt dat Nimrod Abraham in het vuur wierp en dat Elohim hem daaruit redde. Zie ook: Gen 11:31; Gen 15:7; Jub 11:3; Jub 11:7; Jub 12:10; Jub 12:12–14; Jub 12:13; Jub 12:14; Jas 12:17–18; Jas 12:21–26; Jas 35:7; Neh 9:7; Hand 7:2–4 **11:29** Abram en Nachor namen zich vrouwen. De vrouw van Abram heette Sarai. De vrouw van Nachor heette Milka, de dochter van Haran, die de vader was van Milka en van Jiska. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | אַבְרָ֧ם (avram) = Abram | וְנָח֛וֹר (venachor) = en Nachor | לָהֶ֖ם (lahem) = voor zich | נָשִׁ֑ים (nashim) = vrouwen | שֵׁ֤ם (shem) = naam van | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | אַבְרָם֙ (avram) = Abram | שָׂרָ֔י (saray) = Sarai | וְשֵׁ֤ם (veshem) = en naam van | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | נָחוֹר֙ (nachor) = Nachor | מִלְכָּ֔ה (milka) = Milka | בַּת (bat) = dochter van | הָרָ֥ן (haran) = Haran | אֲבִֽי (avi) = vader van | מִלְכָּ֖ה (milka) = Milka | וַֽאֲבִ֥י (vaavi) = en vader van | יִסְכָּֽה (yiska) = Jiska Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Sommige oude uitleggers zien in Jiska een andere naam voor Sarai. De tekst zegt dat niet. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 12:9 noemt Sarai ‘de dochter van zijn vader’: een halfzus, zoals Abram zelf zegt in Gen. 20:12. Zie ook: Gen 17:15; Gen 20:12; Gen 22:20; Gen 24:15; Jub 11:9; Jub 12:9; Jub 12:11 **11:30** Sarai was onvruchtbaar; ze had geen kind. Brontekst: וַתְּהִ֥י (vatehi) = en was | שָׂרַ֖י (saray) = Sarai | עֲקָרָ֑ה (aqara) = onvruchtbaar | אֵ֥ין (ein) = er is niet | לָ֖הּ (lah) = voor haar | וָלָֽד (valad) = kind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 21:1–2; Re 13:2; Ps 113:9; Luc 1:7; Luc 1:36 **11:31** Terach nam zijn zoon Abram, zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram. Samen vertrokken ze uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan. Ze kwamen tot Charan en gingen daar wonen. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en nam | תֶּ֜רַח (terach) = Terach | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָ֣ם (avram) = Abram | בְּנ֗וֹ (beno) = zijn zoon | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | ל֤וֹט (lot) = Lot | בֶּן (ben) = zoon van | הָרָן֙ (haran) = Haran | בֶּן (ben) = zoon van | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | וְאֵת֙ (veet) = en (lijdend voorwerp) | שָׂרַ֣י (saray) = Sarai | כַּלָּת֔וֹ (kalato) = zijn schoondochter | אֵ֖שֶׁת (eshet) = vrouw van | אַבְרָ֣ם (avram) = Abram | בְּנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | וַיֵּצְא֨וּ (vayetseu) = en ze gingen uit | אִתָּ֜ם (itam) = met hen | מֵא֣וּר (meur) = uit Ur van | כַּשְׂדִּ֗ים (kasdim) = de Chaldeeën | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = om te gaan | אַ֣רְצָה (artsa) = naar het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en ze kwamen | עַד (ad) = tot | חָרָ֖ן (charan) = Charan | וַיֵּ֥שְׁבוּ (vayeshevu) = en ze woonden | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Charan (חָרָן) is de stad bij het huidige Harran in het zuidoosten van Turkije. Voetnoot Uitleg: Haran (הָרָן) is de naam van de man, in het Hebreeuws met een andere eerste letter. Zie ook: Gen 12:4; Gen 15:7; Jub 12:15; Jub 13:7; Jas 13:1; Joz 24:2–3; Neh 9:7; Hand 7:2–4 **11:32** De dagen van Terach waren 205 jaar. Terach stierf in Charan. Brontekst: וַיִּהְי֣וּ (vayihyu) = en waren | יְמֵי (yemei) = dagen van | תֶ֔רַח (terach) = Terach | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaar | וּמָאתַ֣יִם (umatayim) = en tweehonderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיָּ֥מָת (vayamat) = en stierf | תֶּ֖רַח (terach) = Terach | בְּחָרָֽן (becharan) = in Charan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Voetnoot Uitleg: In de Hebreeuwse tekst zijn het 205 jaar. De Samaritaanse Pentateuch heeft 145. Dat past bij Handelingen 7:4, waar Abram na de dood van zijn vader uit Charan vertrekt (zie 12:4: Abram is dan 75). Zie ook: Gen 12:4; Jub 12:16; Hand 7:4 ## Genesis 12 _De roeping van Abram_ ### De roeping van Abram **12:1** Yahweh zei tegen Abram: **„Ga weg uit je land, uit je familie en uit het huis van je vader, naar het land dat Ik je zal tonen.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | לֶךְ (lekh) = ga | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | מֵאַרְצְךָ֥ (meartsekha) = uit jouw land | וּמִמּֽוֹלַדְתְּךָ֖ (umimoladtekha) = en uit je familie | וּמִבֵּ֣ית (umibeit) = en uit het huis van | אָבִ֑יךָ (avikha) = je vader | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אַרְאֶֽךָּ (areka) = Ik zal je tonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֶךְ לְךָ (lech lecha) is letterlijk ‘ga voor jezelf’. Dezelfde woorden staan in 22:2. Handelingen 7:2–3 zegt dat de roeping al in Ur begon, voordat Abram in Charan woonde. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 12:19–24 vertelt dat Abram in de nacht bad en dat Yahweh daarna zelf tot hem sprak: Hij zou hem zegenen en zijn naam groot maken. Jasher 13:3 zegt dat Abram eerst drie jaar in Charan bleef voordat Yahweh hem riep; Jasher 13:23 geeft de roeping in woorden die op Genesis 12:1–3 lijken. Zie ook: Gen 22:2; Hen 93:5; Jub 12:19–24; Jub 12:22–24; Jub 12:28; Jas 13:3; Jas 13:23; Jas 13:24; Joz 24:2–3; Jes 51:2; Neh 9:7; Hand 7:2–6; Heb 11:8 **12:2** **Ik zal je tot een groot volk maken. Ik zal je zegenen en je naam groot maken. Wees een zegen.** Brontekst: וְאֶֽעֶשְׂךָ֙ (veeeskha) = en Ik zal je maken | לְג֣וֹי (legoy) = tot volk | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | וַאֲבָ֣רֶכְךָ֔ (vaavarekhkha) = en Ik zal je zegenen | וַאֲגַדְּלָ֖ה (vaagadela) = en Ik zal groot maken | שְׁמֶ֑ךָ (shemekha) = je naam | וֶהְיֵ֖ה (vehye) = en wees | בְּרָכָֽה (berakha) = zegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וֶהְיֵה בְּרָכָה (vehyeh bracha), ‘wees een zegen’, is een gebod. Het kan ook als gevolg gelezen worden: ‘zodat je een zegen zult zijn’. Zie ook: Gen 17:4–6; Gen 18:18; Gen 28:3–4; Hen 93:5; Jub 12:23; Jub 12:28; Jub 20:10; 2 Sam 7:9; Gal 3:14 **12:3** **Ik zal hen zegenen die jou zegenen, en wie jou gering acht, zal Ik vervloeken. In jou zullen alle families van de grond gezegend worden.”** Brontekst: וַאֲבָֽרֲכָה֙ (vaavarakha) = en Ik zal zegenen | מְבָ֣רְכֶ֔יךָ (mevarekheikha) = zij die jou zegenen | וּמְקַלֶּלְךָ֖ (umeqalelkha) = en wie jou gering acht | אָאֹ֑ר (aor) = Ik zal vervloeken | וְנִבְרְכ֣וּ (venivrekhu) = en zullen gezegend worden | בְךָ֔ (bekha) = in jou | כֹּ֖ל (kol) = alle | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְקַלֶּלְךָ (meqallelcha), ‘wie jou gering acht’, en אָאֹר (a’or), ‘Ik zal vervloeken’, zijn twee verschillende woorden. וְנִבְרְכוּ (venivrechu) kan ‘zullen gezegend worden’ betekenen, of wederkerend ‘zullen zich zegenen’ (zo ook 22:18). Zie ook: Gen 22:18; Gen 27:29; Hen 93:5; Jub 12:23; Jub 12:28; Num 24:9; Hand 3:25–26; Gal 3:8 ### Naar Kanaän **12:4** Abram ging, zoals Yahweh tegen hem gesproken had, en Lot ging met hem mee. Abram was 75 jaar oud toen hij uit Charan vertrok. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | אַבְרָ֗ם (avram) = Abram | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֤ר (diber) = Hij had gesproken | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en ging | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | ל֑וֹט (lot) = Lot | וְאַבְרָ֗ם (veavram) = en Abram | בֶּן (ben) = zoon van | חָמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | שָׁנִים֙ (shanim) = jaar | וְשִׁבְעִ֣ים (veshivim) = en zeventig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | בְּצֵאת֖וֹ (betseto) = bij zijn uittocht | מֵחָרָֽן (mecharan) = uit Charan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie ook: Gen 11:27; Gen 11:31; Jub 12:28–31; Heb 11:8 **12:5** Abram nam zijn vrouw Sarai en Lot, de zoon van zijn broer. Hij nam ook alle bezittingen die ze verzameld hadden en de mensen die ze in Charan gewonnen hadden. Ze trokken weg om naar het land Kanaän te gaan. Ze kwamen in het land Kanaän. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en nam | אַבְרָם֩ (avram) = Abram | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שָׂרַ֨י (saray) = Sarai | אִשְׁתּ֜וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | ל֣וֹט (lot) = Lot | בֶּן (ben) = zoon van | אָחִ֗יו (achiv) = zijn broer | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | רְכוּשָׁם֙ (rekhusham) = hun bezit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | רָכָ֔שׁוּ (rakhashu) = ze hadden verzameld | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַנֶּ֖פֶשׁ (hanefesh) = de levens | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשׂ֣וּ (asu) = ze hadden gemaakt | בְחָרָ֑ן (becharan) = in Charan | וַיֵּצְא֗וּ (vayetseu) = en ze gingen uit | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = om te gaan | אַ֣רְצָה (artsa) = naar het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en ze kwamen | אַ֥רְצָה (artsa) = naar het land | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het land Kanaän is hier het gebied van Sidon langs de kust tot Gaza en Gerar, en vandaar naar de Dode Zee en de Jordaan (zie Gen. 10:19). Voetnoot Uitleg: הַנֶּפֶשׁ אֲשֶׁר עָשׂוּ (hanefesh asher asu) is letterlijk ‘de levens die ze gemaakt hadden’: de mensen die ze in Charan verworven hadden, gewoonlijk gelezen als slaven en slavinnen. Het woord nefesh, ‘leven’, is niet het woord adam. Zie ook: Gen 10:19; Gen 11:31; Gen 14:14; Jub 13:1; Hand 7:4; Heb 11:8–9 **12:6** Abram trok door het land tot de plaats Sichem, tot de eik van More. De Kanaänieten woonden toen in het land. Brontekst: וַיַּעֲבֹ֤ר (vayaavor) = en trok door | אַבְרָם֙ (avram) = Abram | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = door het land | עַ֚ד (ad) = tot | מְק֣וֹם (meqom) = plaats van | שְׁכֶ֔ם (shekhem) = Sichem | עַ֖ד (ad) = tot | אֵל֣וֹן (elon) = eik van | מוֹרֶ֑ה (more) = More | וְהַֽכְּנַעֲנִ֖י (vehakenaani) = en de Kanaäniet | אָ֥ז (az) = toen | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sichem ligt bij het huidige Nabloes op de Westelijke Jordaanoever (Tell Balata). Voetnoot Uitleg: אֵלוֹן (elon) is een grote boom: eik of terebint. מוֹרֶה (More) betekent ‘leraar’. Zie ook: Gen 13:7; Gen 35:4; Jub 13:1; Jub 13:2; Deut 11:30; Re 7:1; Heb 11:9 **12:7** Yahweh verscheen aan Abram en zei: **„Aan je nageslacht zal Ik dit land geven.”** Daar bouwde hij een altaar voor Yahweh, die aan hem verschenen was. Brontekst: וַיֵּרָ֤א (vayera) = en verscheen | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = aan | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | לְזַ֨רְעֲךָ֔ (lezarakha) = aan je nageslacht | אֶתֵּ֖ן (eten) = Ik zal geven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | וַיִּ֤בֶן (vayiven) = en bouwde | שָׁם֙ (sham) = daar | מִזְבֵּ֔חַ (mizbeach) = altaar | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | הַנִּרְאֶ֥ה (hanire) = die verscheen | אֵלָֽיו (elav) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶרַע (zera), ‘zaad’, ‘nageslacht’, is een enkelvoud met collectieve betekenis. Dit is de eerste belofte van het land. Zie ook: Gen 13:15; Gen 17:1; Gen 17:8; Gen 18:1; Jub 13:3–4; Gal 3:16 **12:8** Vandaar trok hij naar het bergland ten oosten van Betel. Hij sloeg zijn tent op, met Betel in het westen en Ai in het oosten. Daar bouwde hij een altaar voor Yahweh en riep de naam van Yahweh aan. Brontekst: וַיַּעְתֵּ֨ק (vayateq) = en trok verder | מִשָּׁ֜ם (misham) = vandaar | הָהָ֗רָה (hahara) = naar het gebergte | מִקֶּ֛דֶם (miqedem) = ten oosten van | לְבֵֽית (leveit) = Bet | אֵ֖ל (el) = El | וַיֵּ֣ט (vayet) = en sloeg op | אָהֳלֹ֑ה (aholo) = zijn tent | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֤ל (el) = El | מִיָּם֙ (miyam) = in het westen | וְהָעַ֣י (vehaay) = en Ai | מִקֶּ֔דֶם (miqedem) = in het oosten | וַיִּֽבֶן (vayiven) = en bouwde | שָׁ֤ם (sham) = daar | מִזְבֵּ֨חַ֙ (mizbeach) = altaar | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וַיִּקְרָ֖א (vayiqra) = en riep | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = bij de naam van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Betel ligt bij het huidige Beitin, ten noorden van Jeruzalem. De ligging van Ai is onzeker (misschien et-Tell). Voetnoot Uitleg: בֵּית אֵל (Bet-El; in de tekst: Betel), ‘huis van El’, wordt pas in 28:19 zo genoemd; de verteller gebruikt hier al de latere naam. וַיִּקְרָא בְּשֵׁם יְהוָה (vayiqra beshem Yahweh), ‘riep de naam van Yahweh aan’: hij riep Hem aan in aanbidding. Zie ook: Gen 4:26; Gen 21:33; Gen 28:19; Jub 13:5–9; Jub 13:8; Neh 11:31; 1 Kor 1:2 **12:9** Abram brak op en trok steeds verder, naar de Negev. Brontekst: וַיִּסַּ֣ע (vayisa) = en brak op | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | הָל֥וֹךְ (halokh) = gaande | וְנָס֖וֹעַ (venasoa) = en trekkend | הַנֶּֽגְבָּה (hanegba) = naar de Negev Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De Negev (נֶגֶב) is het dorre zuiden van Kanaän, rond het huidige Beër-Sjeba. Zie ook: Gen 13:1; Gen 13:3; Gen 24:62; Jub 13:10; Ps 105:13; Heb 11:13–14 ### Abram in Egypte **12:10** Er kwam hongersnood in het land. Abram ging naar Egypte om daar als vreemdeling te verblijven, want de hongersnood in het land was zwaar. Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en was | רָעָ֖ב (raav) = hongersnood | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | וַיֵּ֨רֶד (vayered) = en daalde af | אַבְרָ֤ם (avram) = Abram | מִצְרַ֨יְמָה֙ (mitsrayma) = naar Egypte | לָג֣וּר (lagur) = om te verblijven | שָׁ֔ם (sham) = daar | כִּֽי (ki) = want | כָבֵ֥ד (kaved) = zwaar was | הָרָעָ֖ב (haraav) = de hongersnood | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 26:1–3; Gen 43:1; Jub 13:10–11; Jub 13:11; Jub 24:2; Jas 15:1–2; 2 Sam 21:1; Ps 105:13; 2 Kon 4:38 **12:11** Toen hij dicht bij Egypte kwam, zei hij tegen zijn vrouw Sarai: „Zie toch, ik weet dat je een mooie vrouw bent. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = toen | הִקְרִ֖יב (hiqriv) = hij dichtbij kwam | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | מִצְרָ֑יְמָה (mitsrayema) = naar Egypte | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tot | שָׂרַ֣י (saray) = Sarai | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֣א (na) = toch | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = ik weet | כִּ֛י (ki) = dat | אִשָּׁ֥ה (isha) = vrouw | יְפַת (yefat) = mooi van | מַרְאֶ֖ה (mare) = uiterlijk | אָֽתְּ (at) = jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 12:14; Gen 26:7; Gen 29:17; Jas 15:3–4; Hoogl 1:14; Spr 21:30 **12:12** Als de Egyptenaren je zien, zullen ze zeggen: ‘Dit is zijn vrouw.’ Dan zullen ze mij doden en jou laten leven. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יִרְא֤וּ (yiru) = ze zien | אֹתָךְ֙ (otakh) = jou | הַמִּצְרִ֔ים (hamitsrim) = de Egyptenaren | וְאָמְר֖וּ (veameru) = en ze zullen zeggen | אִשְׁתּ֣וֹ (ishto) = zijn vrouw | זֹ֑את (zot) = deze | וְהָרְג֥וּ (veharegu) = en ze zullen doden | אֹתִ֖י (oti) = mij | וְאֹתָ֥ךְ (veotakh) = en jou | יְחַיּֽוּ (yechayu) = ze laten leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:11; Gen 26:7; Spr 29:25; Mat 10:28; 1 Joh 1:8–10 **12:13** Zeg toch dat je mijn zus bent. Dan gaat het mij goed omwille van jou, en mijn leven blijft gespaard door jou.” Brontekst: אִמְרִי (imri) = zeg | נָ֖א (na) = toch | אֲחֹ֣תִי (achoti) = mijn zus | אָ֑תְּ (at) = jij | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | יִֽיטַב (yitav) = het goed gaat | לִ֣י (li) = met mij | בַעֲבוּרֵ֔ךְ (baavurekh) = omwille van jou | וְחָיְתָ֥ה (vechayeta) = en zal leven | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn leven | בִּגְלָלֵֽךְ (biglalekh) = door jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲחֹתִי (achoti), ‘mijn zus’. In 20:12 zegt Abraham dat Sarai zijn halfzus is. Zie ook: Gen 20:2; Gen 20:5; Gen 20:12–13; Gen 26:7; Jer 17:5–8 **12:14** Toen Abram in Egypte kwam, zagen de Egyptenaren dat de vrouw zeer mooi was. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כְּב֥וֹא (kevo) = bij het komen van | אַבְרָ֖ם (avram) = Abram | מִצְרָ֑יְמָה (mitsrayema) = naar Egypte | וַיִּרְא֤וּ (vayiru) = en zagen | הַמִּצְרִים֙ (hamitsrim) = de Egyptenaren | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָ֣אִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | כִּֽי (ki) = dat | יָפָ֥ה (yafa) = mooi | הִ֖וא (hi) = zij | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 3:6; Gen 6:2; Gen 39:7; Mat 5:28 **12:15** De hoge ambtenaren van de farao zagen haar en roemden haar bij de farao. De vrouw werd weggehaald naar het huis van de farao. Brontekst: וַיִּרְא֤וּ (vayiru) = en zagen | אֹתָהּ֙ (otah) = haar | שָׂרֵ֣י (sarei) = vorsten van | פַרְעֹ֔ה (paro) = farao | וַיְהַֽלְל֥וּ (vayhallu) = en prezen | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | אֶל (el) = bij | פַּרְעֹ֑ה (paro) = farao | וַתֻּקַּ֥ח (vatuqach) = en werd genomen | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | בֵּ֥ית (beit) = huis van | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Farao’ komt van een Egyptische titel die ‘groot huis’ betekent. Zie ook: Gen 20:2; Jub 13:13; 1 Kon 3:1; Hos 7:4–5; Est 2:2–16; Heb 13:4 **12:16** Om haar behandelde hij Abram goed. Abram kreeg schapen en geiten, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen. Brontekst: וּלְאַבְרָ֥ם (uleavram) = en voor Abram | הֵיטִ֖יב (heitiv) = deed goed | בַּעֲבוּרָ֑הּ (baavurah) = omwille van haar | וַֽיְהִי (vayhi) = en werd | ל֤וֹ (lo) = aan hem | צֹאן (tson) = kleinvee | וּבָקָר֙ (uvaqar) = en rundvee | וַחֲמֹרִ֔ים (vachamorim) = en ezels | וַעֲבָדִים֙ (vaavadim) = en slaven | וּשְׁפָחֹ֔ת (ushefachot) = en slavinnen | וַאֲתֹנֹ֖ת (vaatonot) = en ezelinnen | וּגְמַלִּֽים (ugemalim) = en kamelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 13:2; Gen 20:14; Gen 32:5; Gen 32:13–15; Jub 13:13; Job 42:12 **12:17** Yahweh trof de farao en zijn huis met zware plagen, vanwege Sarai, de vrouw van Abram. Brontekst: וַיְנַגַּ֨ע (vaynaga) = en trof | יְהוָ֧ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פַּרְעֹ֛ה (paro) = farao | נְגָעִ֥ים (negaim) = plagen | גְּדֹלִ֖ים (gedolim) = grote | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | עַל (al) = vanwege | דְּבַ֥ר (devar) = zaak van | שָׂרַ֖י (saray) = Sarai | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | אַבְרָֽם (avram) = Abram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְגָעִים גְּדֹלִים (nega’im gedolim), ‘zware plagen’. De tekst zegt niet om welke ziekte of ramp het ging. Een vergelijkbaar verhaal staat in 20:1–18 en 26:6–11. Voetnoot Aanvullend: Jasher 15:20 zegt dat een engel van Yahweh Sarai verscheen en haar zei niet bang te zijn; Genesis zegt alleen dat Yahweh de farao met plagen sloeg. Zie ook: Gen 20:1–18; Gen 20:18; Gen 26:6–11; Jub 13:13; Jas 15:19–20; Jas 15:20; 1 Kron 16:21; 1 Kron 21:22; Ps 105:14–15; Heb 13:4 **12:18** De farao riep Abram en zei: „Wat heb je mij aangedaan! Waarom heb je me niet verteld dat ze je vrouw is? Brontekst: וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en riep | פַרְעֹה֙ (paro) = farao | לְאַבְרָ֔ם (leavram) = Abram | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en zei | מַה (ma) = wat | זֹּ֖את (zot) = dit | עָשִׂ֣יתָ (asita) = heb je gedaan | לִּ֑י (li) = aan mij | לָ֚מָּה (lama) = waarom | לֹא (lo) = niet | הִגַּ֣דְתָּ (higadta) = heb je verteld | לִּ֔י (li) = aan mij | כִּ֥י (ki) = dat | אִשְׁתְּךָ֖ (ishtekha) = je vrouw | הִֽוא (hi) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:9–10; Gen 26:9–11; Gen 31:26; Jub 13:13; 1 Sam 14:43; Spr 21:1 **12:19** Waarom zei je: ‘Ze is mijn zus’, zodat ik haar tot vrouw nam? Nu, hier is je vrouw. Neem haar en ga!” Brontekst: לָמָ֤ה (lama) = waarom | אָמַ֨רְתָּ֙ (amarta) = zei je | אֲחֹ֣תִי (achoti) = mijn zus | הִ֔וא (hi) = zij | וָאֶקַּ֥ח (vaeqach) = en ik nam | אֹתָ֛הּ (otah) = haar | לִ֖י (li) = voor mij | לְאִשָּׁ֑ה (leisha) = tot vrouw | וְעַתָּ֕ה (veata) = en nu | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | אִשְׁתְּךָ֖ (ishtekha) = je vrouw | קַ֥ח (qach) = neem | וָלֵֽךְ (valekh) = en ga Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:20** De farao gaf mannen bevel over hem, en die lieten hem gaan, met zijn vrouw en alles wat hij had. Brontekst: וַיְצַ֥ו (vaytsav) = en gaf bevel | עָלָ֛יו (alav) = over hem | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | אֲנָשִׁ֑ים (anashim) = mannen | וַֽיְשַׁלְּח֥וּ (vayshalechu) = en ze lieten gaan | אֹת֛וֹ (oto) = (lijdend voorwerp) hem | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לֽוֹ (lo) = aan hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 13:15; Ex 18:27; 1 Sam 29:6–11; Ps 105:14–15; Spr 21:1 ## Genesis 13 _Abram en Lot scheiden_ ### Terug naar Betel **13:1** Abram ging uit Egypte omhoog naar de Negev, hij en zijn vrouw met alles wat hij had, en Lot met hem. Brontekst: וַיַּעַל֩ (vayaal) = en ging omhoog | אַבְרָ֨ם (avram) = Abram | מִמִּצְרַ֜יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | ה֠וּא (hu) = hij | וְאִשְׁתּ֧וֹ (veishto) = en zijn vrouw | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֛וֹ (lo) = aan hem | וְל֥וֹט (velot) = en Lot | עִמּ֖וֹ (imo) = met hem | הַנֶּֽגְבָּה (hanegba) = naar de Negev Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie ook: Gen 12:9–20; Jub 13:15; Joz 10:40; Joz 18:5; 1 Sam 27:10; 2 Sam 24:7 **13:2** Abram was zeer rijk aan vee, zilver en goud. Brontekst: וְאַבְרָ֖ם (veavram) = en Abram | כָּבֵ֣ד (kaved) = zwaar | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | בַּמִּקְנֶ֕ה (bamiqne) = in vee | בַּכֶּ֖סֶף (bakesef) = in zilver | וּבַזָּהָֽב (uvazahav) = en in goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:35; Gen 26:12–13; Jub 13:14; Job 22:21–25; Ps 112:1–3; Spr 10:22 **13:3** Hij trok etappe na etappe van de Negev tot Betel, tot de plek waar zijn tent eerst gestaan had, tussen Betel en Ai, Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ֙ (vayelekh) = en ging | לְמַסָּעָ֔יו (lemasaav) = naar zijn etappes | מִנֶּ֖גֶב (minegev) = van de Negev | וְעַד (vead) = en tot | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֑ל (el) = El | עַד (ad) = tot | הַמָּק֗וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | הָ֨יָה (haya) = was | שָׁ֤ם (sham) = daar | אהלה (ohalah) = zijn tent (geschreven) | אָֽהֳלוֹ֙ (aholo) = zijn tent (voorgelezen) | בַּתְּחִלָּ֔ה (batechila) = in het begin | בֵּ֥ין (bein) = tussen | בֵּֽית (beit) = Bet | אֵ֖ל (el) = El | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הָעָֽי (haay) = Ai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: לְמַסָּעָיו (lemasa’av) is ‘naar zijn etappes’: het woord voor de tochtstappen van een nomade. In dit vers staan twee lezingen naast elkaar: אהלה (geschreven) en אָהֳלוֹ (voorgelezen). Beide betekenen ‘zijn tent’. Betel en Ai: zie 12:8. Zie ook: Gen 12:6; Gen 12:8–9; Jub 13:15 **13:4** bij de plaats van het altaar dat hij daar eerder gemaakt had. Daar riep Abram de naam van Yahweh aan. Brontekst: אֶל (el) = naar | מְקוֹם֙ (meqom) = plaats van | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָ֥שָׂה (asa) = hij maakte | שָׁ֖ם (sham) = daar | בָּרִאשֹׁנָ֑ה (barishona) = eerder | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en riep | שָׁ֛ם (sham) = daar | אַבְרָ֖ם (avram) = Abram | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = bij de naam van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:7–8; Jub 13:15; Jub 13:16; Ps 65:2–3; Jes 58:9; Jer 29:12; Ef 6:18–19 ### Het land is te klein **13:5** Ook Lot, die met Abram meeging, had schapen en geiten, runderen en tenten. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | לְל֔וֹט (lelot) = aan Lot | הַהֹלֵ֖ךְ (haholekh) = die ging met | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָ֑ם (avram) = Abram | הָיָ֥ה (haya) = was | צֹאן (tson) = kleinvee | וּבָקָ֖ר (uvaqar) = en rundvee | וְאֹהָלִֽים (veohalim) = en tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:20; Gen 25:27; Jer 49:29 **13:6** Het land kon hen niet dragen om samen te wonen, want hun bezit was groot. Ze konden niet samen wonen. Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | נָשָׂ֥א (nasa) = droeg | אֹתָ֛ם (otam) = hen | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om te wonen | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֤ה (haya) = was | רְכוּשָׁם֙ (rekhusham) = hun bezit | רָ֔ב (rav) = groot | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָֽכְל֖וּ (yakhelu) = ze konden | לָשֶׁ֥בֶת (lashevet) = om te wonen | יַחְדָּֽו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:6–7; Pred 5:9–10; Luc 12:17–18; 1 Tim 6:9 **13:7** Er ontstond twist tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee. De Kanaänieten en de Perizzieten woonden toen in het land. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en was | רִ֗יב (riv) = twist | בֵּ֚ין (bein) = tussen | רֹעֵ֣י (roei) = herders van | מִקְנֵֽה (miqne) = vee van | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | רֹעֵ֣י (roei) = herders van | מִקְנֵה (miqne) = vee van | ל֑וֹט (lot) = Lot | וְהַֽכְּנַעֲנִי֙ (vehakenaani) = en de Kanaäniet | וְהַפְּרִזִּ֔י (vehaperizi) = en de Perizziet | אָ֖ז (az) = toen | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = woonde | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַפְּרִזִּי (happerizzi), ‘de Perizziet’, is een volk in Kanaän. De naam is mogelijk verwant met פְּרָזוֹת (prazot), ‘open dorpen’. Zie ook: Gen 12:6; Gen 26:20; Jak 3:16; Jak 4:1; 1 Petr 2:12 ### Abram en Lot scheiden **13:8** Abram zei tegen Lot: „Laat er toch geen twist zijn tussen mij en jou, en tussen mijn herders en jouw herders, want wij zijn broers. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אַבְרָ֜ם (avram) = Abram | אֶל (el) = tot | ל֗וֹט (lot) = Lot | אַל (al) = niet | נָ֨א (na) = toch | תְהִ֤י (tehi) = laat zijn | מְרִיבָה֙ (meriva) = twist | בֵּינִ֣י (beini) = tussen mij | וּבֵינֶ֔יךָ (uveineikha) = en tussen jou | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | רֹעַ֖י (roay) = mijn herders | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | רֹעֶ֑יךָ (roeikha) = jouw herders | כִּֽי (ki) = want | אֲנָשִׁ֥ים (anashim) = mannen | אַחִ֖ים (achim) = broers | אֲנָֽחְנוּ (anachenu) = wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲנָשִׁים אַחִים (anashim achim) is letterlijk ‘mannen, broers’. Lot is de zoon van Abrams broer (11:27); ‘broers’ staat hier voor ‘verwanten’. Zie ook: Gen 11:27; Gen 45:24; Ps 133:1; Spr 15:1; Hand 7:26; 1 Kor 6:6–7 **13:9** Ligt niet heel het land voor je? Scheid je toch van mij af. Als jij naar links gaat, ga ik naar rechts. Als jij naar rechts gaat, ga ik naar links.” Brontekst: הֲלֹ֤א (halo) = niet | כָל (kal) = heel | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je | הִפָּ֥רֶד (hipared) = scheid je | נָ֖א (na) = toch | מֵעָלָ֑י (mealay) = van mij | אִם (im) = als | הַשְּׂמֹ֣אל (hasemol) = links | וְאֵימִ֔נָה (veeimina) = dan ga ik rechts | וְאִם (veim) = en als | הַיָּמִ֖ין (hayamin) = rechts | וְאַשְׂמְאִֽילָה (veasmeila) = dan ga ik links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:15; Gen 34:10; Rom 12:18; 1 Petr 3:8–12; Heb 12:14 **13:10** Lot sloeg zijn ogen op en zag heel de Jordaanvlakte. Voordat Yahweh Sodom en Gomorra vernietigde, was die overal goed van water voorzien: als de tuin van Yahweh, als het land Egypte, in de richting van Zoar. Brontekst: וַיִּשָּׂא (vayisa) = en sloeg op | ל֣וֹט (lot) = Lot | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵינָ֗יו (einav) = zijn ogen | וַיַּרְא֙ (vayar) = en zag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | כִּכַּ֣ר (kikar) = vlakte van | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | כִּ֥י (ki) = want | כֻלָּ֖הּ (kulah) = helemaal | מַשְׁקֶ֑ה (mashqe) = waterrijk | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | שַׁחֵ֣ת (shachet) = vernietigen | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | סְדֹם֙ (sedom) = Sodom | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | עֲמֹרָ֔ה (amora) = Gomorra | כְּגַן (kegan) = als de tuin van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כְּאֶ֣רֶץ (keerets) = als het land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בֹּאֲכָ֖ה (boakha) = als je komt naar | צֹֽעַר (tsoar) = Zoar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sodom en Gomorra lagen waarschijnlijk in de Jordaanvallei, ten noorden van de Dode Zee; anderen zoeken ze ten zuiden ervan (zie 10:19). Zoar was een kleine stad in de buurt van Sodom (zie 14:2; 19:20); de precieze ligging is onzeker. Voetnoot Uitleg: כִּכַּר (kikkar), ‘ronde vlakte’, is hier de vlakte rond de Jordaan en de Dode Zee. ‘Als de tuin van Yahweh’ doet denken aan Eden (2:8–10). De vernietiging van Sodom en Gomorra staat in hoofdstuk 19. Zie ook: Gen 2:8–10; Gen 10:19; Gen 14:2; Gen 14:8; Gen 19; Gen 19:20; Deut 34:3; Jes 51:3; Ezech 28:13 **13:11** Lot koos voor zichzelf heel de Jordaanvlakte en trok naar het oosten. Ze scheidden zich van elkaar. Brontekst: וַיִּבְחַר (vayivchar) = en koos | ל֣וֹ (lo) = voor zich | ל֗וֹט (lot) = Lot | אֵ֚ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | כִּכַּ֣ר (kikar) = vlakte van | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | וַיִּסַּ֥ע (vayisa) = en trok | ל֖וֹט (lot) = Lot | מִקֶּ֑דֶם (miqedem) = naar het oosten | וַיִּפָּ֣רְד֔וּ (vayiparedu) = en ze scheidden zich | אִ֖ישׁ (ish) = man | מֵעַ֥ל (meal) = van | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 13:9; Jub 13:17; Ps 119:63; Spr 27:10; 1 Petr 2:17; Heb 10:25 **13:12** Abram woonde in het land Kanaän. Lot woonde in de steden van de vlakte en sloeg zijn tent op tot bij Sodom. Brontekst: אַבְרָ֖ם (avram) = Abram | יָשַׁ֣ב (yashav) = woonde | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וְל֗וֹט (velot) = en Lot | יָשַׁב֙ (yashav) = woonde | בְּעָרֵ֣י (bearei) = in de steden van | הַכִּכָּ֔ר (hakikar) = de vlakte | וַיֶּאֱהַ֖ל (vayeehal) = en sloeg zijn tent op | עַד (ad) = tot | סְדֹֽם (sedom) = Sodom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het land Kanaän is hier het gebied van Sidon langs de kust tot Gaza en Gerar, en vandaar naar de Dode Zee en de Jordaan (zie Gen. 10:19). Zie ook: Gen 10:19; Gen 14:12; Gen 19:1; Gen 19:25; Gen 19:29; Jub 13:17; Jas 15:46; 1 Kor 15:33 **13:13** De mannen van Sodom waren slecht, grote zondaars tegen Yahweh. Brontekst: וְאַנְשֵׁ֣י (veanshei) = en mannen van | סְדֹ֔ם (sedom) = Sodom | רָעִ֖ים (raim) = slecht | וְחַטָּאִ֑ים (vechataim) = en zondaars | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Jub 13:17; Jes 3:8–9; Rom 1:27; 2 Petr 2:6–8; 2 Petr 2:10; Jud 1:7 ### Yahweh herhaalt de belofte **13:14** Yahweh zei tegen Abram, nadat Lot zich van hem had gescheiden: **„Sla je ogen op. Kijk vanaf de plaats waar je bent naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen.** Brontekst: וַֽיהוָ֞ה (vaYahweh) = en Yahweh | אָמַ֣ר (amar) = zei | אֶל (el) = tot | אַבְרָ֗ם (avram) = Abram | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | הִפָּֽרֶד (hipared) = zich afscheiden | ל֣וֹט (lot) = Lot | מֵֽעִמּ֔וֹ (meimo) = van hem | שָׂ֣א (sa) = sla op | נָ֤א (na) = toch | עֵינֶ֨יךָ֙ (eineikha) = je ogen | וּרְאֵ֔ה (uree) = en kijk | מִן (min) = vanaf | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | אַתָּ֣ה (ata) = jij | שָׁ֑ם (sham) = daar | צָפֹ֥נָה (tsafona) = naar het noorden | וָנֶ֖גְבָּה (vanegba) = en naar het zuiden | וָקֵ֥דְמָה (vaqedema) = en naar het oosten | וָיָֽמָּה (vayama) = en naar het westen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחֲרֵי הִפָּרֶד לוֹט (acharei hipared Lot), ‘nadat Lot zich had afgescheiden’: Yahweh spreekt pas nadat Lot is weggegaan. Zie ook: Gen 13:10; Gen 28:14; Jub 13:18; Jub 13:19–21; Jub 17:3; Deut 3:27; Jes 49:18; Jes 60:4 **13:15** **Want heel het land dat je ziet, zal Ik aan jou geven, en aan je nageslacht voor altijd.** Brontekst: כִּ֧י (ki) = want | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | אַתָּ֥ה (ata) = jij | רֹאֶ֖ה (roe) = ziet | לְךָ֣ (lekha) = aan jou | אֶתְּנֶ֑נָּה (etenena) = Ik zal het geven | וּֽלְזַרְעֲךָ֖ (ulezarakha) = en aan je nageslacht | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַד עוֹלָם (ad olam), ‘tot in lengte van tijd’, ‘voor altijd’. Zie ook: Gen 12:7; Gen 15:18; Gen 35:12; Jub 13:18; Jub 13:20; Jub 17:3; 2 Kron 20:7; Hand 7:5 **13:16** **Ik zal je nageslacht maken als het stof van de aarde. Als iemand het stof van de aarde kan tellen, dan zal ook je nageslacht geteld worden.** Brontekst: וְשַׂמְתִּ֥י (vesamti) = en Ik zal maken | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | זַרְעֲךָ֖ (zarakha) = je nageslacht | כַּעֲפַ֣ר (kaafar) = als het stof van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = zoals | אִם (im) = als | יוּכַ֣ל (yukhal) = kan | אִ֗ישׁ (ish) = man | לִמְנוֹת֙ (limnot) = om te tellen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֲפַ֣ר (afar) = stof van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | גַּֽם (gam) = ook | זַרְעֲךָ֖ (zarakha) = je nageslacht | יִמָּנֶֽה (yimane) = zal geteld worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 15:5 (sterren), 22:17 (sterren en zand) en 28:14 (stof). Zie ook: Gen 15:5; Gen 22:17; Gen 28:14; Gen 32:12; Jub 13:18; Jub 13:20; Jub 17:3; Jub 19:22; Ex 32:13; Num 23:10 **13:17** **Sta op en loop het land door, in zijn lengte en zijn breedte, want aan jou zal Ik het geven.”** Brontekst: ק֚וּם (qum) = sta op | הִתְהַלֵּ֣ךְ (hithalekh) = doorloop | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = het land | לְאָרְכָּ֖הּ (learkah) = in zijn lengte | וּלְרָחְבָּ֑הּ (ulerachbah) = en in zijn breedte | כִּ֥י (ki) = want | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | אֶתְּנֶֽנָּה (etenena) = Ik zal het geven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 13:15; Jub 13:18; Jub 13:21; Jub 17:3; Num 13:17–24 **13:18** Abram sloeg zijn tent op en kwam te wonen bij de eiken van Mamre, die bij Hebron liggen. Daar bouwde hij een altaar voor Yahweh. Brontekst: וַיֶּאֱהַ֣ל (vayeehal) = en sloeg zijn tent op | אַבְרָ֗ם (avram) = Abram | וַיָּבֹ֛א (vayavo) = en kwam | וַיֵּ֛שֶׁב (vayeshev) = en woonde | בְּאֵלֹנֵ֥י (beelonei) = bij de eiken van | מַמְרֵ֖א (mamre) = Mamre | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּחֶבְר֑וֹן (bechevron) = bij Hebron | וַיִּֽבֶן (vayiven) = en bouwde | שָׁ֥ם (sham) = daar | מִזְבֵּ֖חַ (mizbeach) = altaar | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Mamre ligt bij Hebron, het huidige Al-Chalil op de Westelijke Jordaanoever. Voetnoot Uitleg: אֵלֹנֵי מַמְרֵא (eloney Mamre) zijn ‘de grote bomen van Mamre’: eiken of terebinten. Zie ook: Gen 8:20; Gen 12:7–8; Gen 14:13; Gen 18:1; Gen 35:27; Jub 13:21; Jub 14:10; Jub 22:3; Jas 15:47 ## Genesis 14 _Oorlog en Melchisedek_ ### De oorlog van de koningen **14:1** Het was in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedorlaomer, de koning van Elam, en van Tidal, de koning van Goïm. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בִּימֵי֙ (bimei) = in de dagen van | אַמְרָפֶ֣ל (amrafel) = Amrafel | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | שִׁנְעָ֔ר (shinar) = Sinear | אַרְי֖וֹךְ (aryokh) = Arioch | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֶלָּסָ֑ר (elasar) = Ellasar | כְּדָרְלָעֹ֨מֶר֙ (kedarelaomer) = Kedorlaomer | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | עֵילָ֔ם (eilam) = Elam | וְתִדְעָ֖ל (vetidal) = en Tidal | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | גּוֹיִֽם (goyim) = Goïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De vier koningen uit het oosten: Sinear is Babylonië (10:10), Elam ligt in het zuidwesten van het huidige Iran. De ligging van Ellasar en Goïm is onzeker. Voetnoot Uitleg: Amrafel wordt soms met Hammoerabi vergeleken, maar dat is omstreden. Voetnoot Aanvullend: Jasher 11:6 zegt dat Nimrod ook Amrafel heette. Zie ook: Gen 10:10; Gen 10:22; Gen 11:2; Jub 13:22; Jas 11:6; Jas 16:1; Jes 11:11; Jes 37:12 **14:2** Zij voerden oorlog tegen Bera, de koning van Sodom, Birsa, de koning van Gomorra, Sinab, de koning van Adma, Semeber, de koning van Zeboïm, en de koning van Bela, dat is Zoar. Brontekst: עָשׂ֣וּ (asu) = ze maakten | מִלְחָמָ֗ה (milchama) = oorlog | אֶת (et) = tegen | בֶּ֨רַע֙ (bera) = Bera | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | סְדֹ֔ם (sedom) = Sodom | וְאֶת (veet) = en tegen | בִּרְשַׁ֖ע (birsha) = Birsa | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | עֲמֹרָ֑ה (amora) = Gomorra | שִׁנְאָ֣ב (shinav) = Sinab | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַדְמָ֗ה (adma) = Adma | וְשֶׁמְאֵ֨בֶר֙ (veshemever) = en Semeber | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | צביים (tsvyym) = Zeboïm (geschreven) | צְבוֹיִ֔ים (tsevoyim) = Zeboïm (voorgelezen) | וּמֶ֥לֶךְ (umelekh) = en koning van | בֶּ֖לַע (bela) = Bela | הִיא (hi) = zij | צֹֽעַר (tsoar) = Zoar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: In dit vers staan twee lezingen naast elkaar: צביים (geschreven) en צְבוֹיִים (voorgelezen); beide betekenen Zeboïm. Bela is een oudere naam van Zoar (zie 13:10). Zie ook: Gen 10:19; Gen 13:10; Jub 13:22; Deut 29:22; Hos 11:8; Jes 1:9–10 **14:3** Al deze koningen bundelden hun krachten in het dal van Siddim, dat is de Zoutzee. Brontekst: כָּל (kal) = alle | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = dezen | חָֽבְר֔וּ (chaveru) = sloten zich aaneen | אֶל (el) = naar | עֵ֖מֶק (emeq) = dal van | הַשִּׂדִּ֑ים (hasidim) = Siddim | ה֖וּא (hu) = dat | יָ֥ם (yam) = zee van | הַמֶּֽלַח (hamelach) = het zout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: עֵמֶק הַשִּׂדִּים (emeq hassiddim), ‘dal van Siddim’, lag waarschijnlijk in de Jordaanvallei, bij het noordelijke deel van de Dode Zee (anderen zoeken het ten zuiden van de Dode Zee). יָם הַמֶּלַח (yam hamelach), ‘zee van het zout’, is de Dode Zee. Zie ook: Gen 19:24; Jub 13:22; Num 34:12; Deut 3:17; Joz 3:16; Ps 107:34 **14:4** Twaalf jaar lang waren ze Kedorlaomer onderdanig, maar in het dertiende jaar kwamen ze in opstand. Brontekst: שְׁתֵּ֤ים (sheteim) = twee (twaalf) | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | עָבְד֖וּ (avedu) = dienden ze | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כְּדָרְלָעֹ֑מֶר (kedarelaomer) = Kedorlaomer | וּשְׁלֹשׁ (ushelosh) = en drie (dertien) | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = tien | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | מָרָֽדוּ (maradu) = kwamen ze in opstand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 9:25–26; Jub 13:22; Ezech 17:15 **14:5** In het veertiende jaar kwam Kedorlaomer met de koningen die bij hem waren. Ze versloegen de Rafaïeten in Asterot-Karnaïm, de Zuzieten in Ham en de Emieten in Sawe-Kirjataïm, Brontekst: וּבְאַרְבַּע֩ (uvearba) = en in vier (veertien) | עֶשְׂרֵ֨ה (esre) = tien | שָׁנָ֜ה (shana) = jaar | בָּ֣א (ba) = kwam | כְדָרְלָעֹ֗מֶר (kedarelaomer) = Kedorlaomer | וְהַמְּלָכִים֙ (vehamelakhim) = en de koningen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | וַיַּכּ֤וּ (vayaku) = en ze sloegen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רְפָאִים֙ (refaim) = de Rafaïeten | בְּעַשְׁתְּרֹ֣ת (beashterot) = in Asterot | קַרְנַ֔יִם (qarnayim) = Karnaïm | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַזּוּזִ֖ים (hazuzim) = de Zuzieten | בְּהָ֑ם (beham) = in Ham | וְאֵת֙ (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָֽאֵימִ֔ים (haeimim) = de Emieten | בְּשָׁוֵ֖ה (beshave) = in Sawe | קִרְיָתָֽיִם (qiryatayim) = Kirjataïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Asterot-Karnaïm lag waarschijnlijk in Basan (het zuiden van het huidige Syrië). Voetnoot Uitleg: De Rafaïeten, Zuzieten en Emieten zijn oude volken die ook in Deuteronomium 2:10–11 en 2:20–21 genoemd worden. Zie ook: Gen 15:20; Jub 13:22; Jub 29:9; Jub 29:10; Deut 1:4; Deut 2:10–11; Deut 2:20; Deut 3:11; Deut 3:22 **14:6** en de Chorieten in hun bergland Seïr, tot El-Paran, dat aan de woestijn ligt. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַחֹרִ֖י (hachori) = de Choriet | בְּהַרְרָ֣ם (beharram) = in hun gebergte | שֵׂעִ֑יר (seir) = Seïr | עַ֚ד (ad) = tot | אֵ֣יל (eil) = El | פָּארָ֔ן (paran) = Paran | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = aan | הַמִּדְבָּֽר (hamidbar) = de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Seïr is het bergland van Edom, ten oosten van de Wadi Araba (het zuiden van het huidige Jordanië). De ligging van El-Paran is onzeker. Zie ook: Gen 21:21; Jub 13:22; Num 12:16; Num 13:3; Deut 2:12; Deut 2:22 **14:7** Daarna keerden ze terug en kwamen bij En-Mispat, dat is Kades. Ze versloegen heel het gebied van de Amalekieten en ook de Amorieten die in Chasason-Tamar woonden. Brontekst: וַ֠יָּשֻׁבוּ (vayashuvu) = en ze keerden terug | וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en ze kwamen | אֶל (el) = naar | עֵ֤ין (ein) = bron van | מִשְׁפָּט֙ (mishpat) = recht | הִ֣וא (hi) = zij | קָדֵ֔שׁ (qadesh) = Kades | וַיַּכּ֕וּ (vayaku) = en ze sloegen | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | שְׂדֵ֖ה (sede) = gebied van | הָעֲמָלֵקִ֑י (haamaleqi) = de Amalekiet | וְגַם֙ (vegam) = en ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָ֣אֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | הַיֹּשֵׁ֖ב (hayoshev) = die woonde | בְּחַֽצְצֹ֥ן (bechatstson) = in Chasason | תָּמָֽר (tamar) = Tamar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kades (Kades-Barnea) ligt in de Negev, op de grens met de Sinaï. Chasason-Tamar is En-Gedi (2 Kronieken 20:2), aan de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: Amalek wordt pas in 36:12 geboren; ‘het gebied van de Amalekieten’ is dus een latere naam voor deze streek. Zie ook: Gen 16:14; Gen 20:1; Gen 36:12; Num 24:20; 1 Sam 30:1–31; 2 Kron 20:2 **14:8** De koning van Sodom, de koning van Gomorra, de koning van Adma, de koning van Zeboïm en de koning van Bela, dat is Zoar, trokken uit. Ze stelden zich op om tegen hen te strijden in het dal van Siddim, Brontekst: וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en trok uit | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | סְדֹ֜ם (sedom) = Sodom | וּמֶ֣לֶךְ (umelekh) = en koning van | עֲמֹרָ֗ה (amora) = Gomorra | וּמֶ֤לֶךְ (umelekh) = en koning van | אַדְמָה֙ (adma) = Adma | וּמֶ֣לֶךְ (umelekh) = en koning van | צביים (tsvyym) = Zeboïm (geschreven) | צְבוֹיִ֔ם (tsevoyim) = Zeboïm (voorgelezen) | וּמֶ֥לֶךְ (umelekh) = en koning van | בֶּ֖לַע (bela) = Bela | הִוא (hi) = zij | צֹ֑עַר (tsoar) = Zoar | וַיַּֽעַרְכ֤וּ (vayaarkhu) = en ze stelden op | אִתָּם֙ (itam) = met hen | מִלְחָמָ֔ה (milchama) = oorlog | בְּעֵ֖מֶק (beemeq) = in het dal van | הַשִּׂדִּֽים (hasidim) = Siddim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 13:10; Gen 14:2–3; Gen 14:10; Gen 19:20; Gen 19:22 **14:9** tegen Kedorlaomer, de koning van Elam, Tidal, de koning van Goïm, Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar: vier koningen tegen de vijf. Brontekst: אֵ֣ת (et) = (lijdend voorwerp) | כְּדָרְלָעֹ֜מֶר (kedarelaomer) = Kedorlaomer | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | עֵילָ֗ם (eilam) = Elam | וְתִדְעָל֙ (vetidal) = en Tidal | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | גּוֹיִ֔ם (goyim) = Goïm | וְאַמְרָפֶל֙ (veamrafel) = en Amrafel | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | שִׁנְעָ֔ר (shinar) = Sinear | וְאַרְי֖וֹךְ (vearyokh) = en Arioch | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אֶלָּסָ֑ר (elasar) = Ellasar | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | מְלָכִ֖ים (melakhim) = koningen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַחֲמִשָּֽׁה (hachamisha) = de vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran. Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië. **14:10** Het dal van Siddim lag vol asfaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht en vielen daarin. De anderen vluchtten naar het bergland. Brontekst: וְעֵ֣מֶק (veemeq) = en dal van | הַשִׂדִּ֗ים (hasidim) = Siddim | בֶּֽאֱרֹ֤ת (beerot) = putten | בֶּאֱרֹת֙ (beerot) = putten | חֵמָ֔ר (chemar) = van asfalt | וַיָּנֻ֛סוּ (vayanusu) = en ze vluchtten | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | סְדֹ֥ם (sedom) = Sodom | וַעֲמֹרָ֖ה (vaamora) = en Gomorra | וַיִּפְּלוּ (vayipelu) = en ze vielen | שָׁ֑מָּה (shama) = daarheen | וְהַנִּשְׁאָרִ֖ים (vehanisharim) = en de overgeblevenen | הֶ֥רָה (hera) = naar het gebergte | נָּֽסוּ (nasu) = vluchtten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: בֶּאֱרֹת בֶּאֱרֹת חֵמָר (be’erot be’erot chemar), ‘putten, putten van asfalt’: de herhaling betekent ‘vol putten’. חֵמָר is hetzelfde woord als in 11:3. הֶרָה (harah) is ‘naar het gebergte’. Zie ook: Gen 11:3; Gen 19:17; Gen 19:30; Jes 24:18; Jer 48:44 **14:11** Ze namen alle bezittingen van Sodom en Gomorra en al hun voedsel en gingen weg. Brontekst: וַ֠יִּקְחוּ (vayiqchu) = en ze namen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | רְכֻ֨שׁ (rekhush) = bezit van | סְדֹ֧ם (sedom) = Sodom | וַעֲמֹרָ֛ה (vaamora) = en Gomorra | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | אָכְלָ֖ם (akhelam) = hun voedsel | וַיֵּלֵֽכוּ (vayelekhu) = en ze gingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 14:16; Gen 14:21; Jub 13:23; Deut 28:31; Deut 28:35; Deut 28:51 **14:12** Ze namen Lot, de zoon van Abrams broer, en zijn bezittingen en gingen weg. Hij woonde in Sodom. Brontekst: וַיִּקְח֨וּ (vayiqchu) = en ze namen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | ל֧וֹט (lot) = Lot | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | רְכֻשׁ֛וֹ (rekhusho) = zijn bezit | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִ֥י (achi) = broer van | אַבְרָ֖ם (avram) = Abram | וַיֵּלֵ֑כוּ (vayelekhu) = en ze gingen | וְה֥וּא (vehu) = en hij | יֹשֵׁ֖ב (yoshev) = woonde | בִּסְדֹֽם (bisdom) = in Sodom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Gen 11:27; Gen 12:5; Jub 13:23; Job 9:23; 1 Tim 6:9–11; Openb 3:19 ### Abram redt Lot **14:13** Een vluchteling kwam het vertellen aan Abram de Hebreeër. Die woonde bij de eiken van Mamre de Amoriet, de broer van Eskol en van Aner. Zij hadden een verbond met Abram. Brontekst: וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en kwam | הַפָּלִ֔יט (hapalit) = de ontsnapte | וַיַּגֵּ֖ד (vayaged) = en vertelde | לְאַבְרָ֣ם (leavram) = aan Abram | הָעִבְרִ֑י (haivri) = de Hebreeër | וְהוּא֩ (vehu) = en hij | שֹׁכֵ֨ן (shokhen) = woonde | בְּאֵֽלֹנֵ֜י (beelonei) = bij de eiken van | מַמְרֵ֣א (mamre) = Mamre | הָאֱמֹרִ֗י (haemori) = de Amoriet | אֲחִ֤י (achi) = broer van | אֶשְׁכֹּל֙ (eshkol) = Eskol | וַאֲחִ֣י (vaachi) = en broer van | עָנֵ֔ר (aner) = Aner | וְהֵ֖ם (vehem) = en zij | בַּעֲלֵ֥י (baalei) = heren van | בְרִית (berit) = verbond | אַבְרָֽם (avram) = Abram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Voetnoot Uitleg: הָעִבְרִי (ha’Ivri), ‘de Hebreeër’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor. Het wordt verbonden met Eber (10:21) of met het woord ‘overkant’ (עֵבֶר). בַּעֲלֵי בְרִית (ba’alei berit) is letterlijk ‘heren van een verbond’: mensen met wie Abram een verbond had. Voetnoot Aanvullend: Jasher 24:14 noemt Aner, Eskol en Mamre onder hen die Sarahs baar volgden. Zie ook: Gen 10:21; Gen 13:18; Gen 14:24; Gen 40:15; Jub 13:23; Jub 13:24; Jas 24:14; 2 Kor 11:22; Fil 2:5 **14:14** Abram hoorde dat zijn verwant gevangen was genomen. Hij riep zijn getrainde mannen op, 318 mannen die in zijn huis geboren waren, en achtervolgde de vijand tot Dan. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hoorde | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | כִּ֥י (ki) = dat | נִשְׁבָּ֖ה (nishba) = gevangen was genomen | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | וַיָּ֨רֶק (vayareq) = en riep op | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֲנִיכָ֜יו (chanikhav) = zijn getrainde mannen | יְלִידֵ֣י (yelidei) = geborenen van | בֵית֗וֹ (beito) = zijn huis | שְׁמֹנָ֤ה (shemona) = acht | עָשָׂר֙ (asar) = tien | וּשְׁלֹ֣שׁ (ushelosh) = en drie | מֵא֔וֹת (meot) = honderd | וַיִּרְדֹּ֖ף (vayirdof) = en achtervolgde | עַד (ad) = tot | דָּֽן (dan) = Dan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Dan is een latere naam; de plaats heette eerst Lais (Richteren 18:29) en lag in het uiterste noorden van het land (Tel Dan). Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt אָחִיו (achiv), ‘zijn broer’. Lot is de zoon van Abrams broer (11:27); ‘verwant’ geeft dat weer. חֲנִיכָיו (chanikhav), ‘zijn getrainde mannen’, komt alleen hier voor. Zie ook: Gen 11:27; Gen 15:3; Gen 17:12; Hen 13:7; Jub 13:23; Jub 13:24; Jub 13:25; Jas 16:7; Re 18:29; Spr 24:11–12; Pred 2:7 **14:15** Hij en zijn dienaren verdeelden zich 's nachts en vielen hen aan. Ze versloegen hen en achtervolgden hen tot Choba, ten noorden van Damascus. Brontekst: וַיֵּחָלֵ֨ק (vayechaleq) = en verdeelde zich | עֲלֵיהֶ֧ם (aleihem) = tegen hen | לַ֛יְלָה (layla) = nacht | ה֥וּא (hu) = hij | וַעֲבָדָ֖יו (vaavadav) = en zijn dienaren | וַיַּכֵּ֑ם (vayakem) = en sloeg hen | וַֽיִּרְדְּפֵם֙ (vayirdefem) = en achtervolgde hen | עַד (ad) = tot | חוֹבָ֔ה (chova) = Choba | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מִשְּׂמֹ֖אל (misemol) = links van | לְדַמָּֽשֶׂק (ledamaseq) = Damascus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: De ligging van Choba is onzeker; volgens dit vers lag het ten noorden van Damascus, de hoofdstad van het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: מִשְּׂמֹאל (mismol) is letterlijk ‘links van’. Wie naar het oosten kijkt, heeft het noorden links. Zie ook: Jub 13:25; Deut 15:2; Ps 112:5; 1 Kon 15:18; Jes 41:2–3; Hand 9:2 **14:16** Hij haalde alle bezittingen terug. Ook zijn verwant Lot met zijn bezittingen haalde hij terug, en ook de vrouwen en het volk. Brontekst: וַיָּ֕שֶׁב (vayashev) = en bracht terug | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | הָרְכֻ֑שׁ (harekhush) = het bezit | וְגַם֩ (vegam) = en ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | ל֨וֹט (lot) = Lot | אָחִ֤יו (achiv) = zijn broer | וּרְכֻשׁוֹ֙ (urekhusho) = en zijn bezit | הֵשִׁ֔יב (heshiv) = bracht hij terug | וְגַ֥ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַנָּשִׁ֖ים (hanashim) = de vrouwen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:2; Gen 14:11–12; Jub 13:25; 1 Sam 30:8; 1 Sam 30:18–19; Jes 41:2 **14:17** Abram kwam terug van zijn overwinning op Kedorlaomer en de koningen die bij hem waren. De koning van Sodom ging hem tegemoet in het dal van Sawe, dat is het Koningsdal. Brontekst: וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en ging uit | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | סְדֹם֮ (sedom) = Sodom | לִקְרָאתוֹ֒ (liqrato) = hem tegemoet | אַחֲרֵ֣י (acharei) = na | שׁוּב֗וֹ (shuvo) = zijn terugkeer | מֵֽהַכּוֹת֙ (mehakot) = van het slaan van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כְּדָרלָעֹ֔מֶר (kedarlaomer) = Kedorlaomer | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַמְּלָכִ֖ים (hamelakhim) = de koningen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | אֶל (el) = naar | עֵ֣מֶק (emeq) = dal van | שָׁוֵ֔ה (shave) = Sawe | ה֖וּא (hu) = dat | עֵ֥מֶק (emeq) = dal van | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Koningsdal wordt ook genoemd in 2 Samuël 18:18. Zie ook: Jub 13:25; 1 Sam 18:6; 2 Sam 18:18; Spr 14:20; Spr 19:4; Heb 7:1 ### Melchisedek zegent Abram **14:18** Melchisedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn. Hij was priester van El, de Allerhoogste. Brontekst: וּמַלְכִּי (umalki) = en Malki | צֶ֨דֶק֙ (tsedeq) = Tsedek (Melchisedek) | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | שָׁלֵ֔ם (shalem) = Salem | הוֹצִ֖יא (hotsi) = bracht uit | לֶ֣חֶם (lechem) = brood | וָיָ֑יִן (vayayin) = en wijn | וְה֥וּא (vehu) = en hij | כֹהֵ֖ן (kohen) = priester | לְאֵ֥ל (leel) = van El | עֶלְיֽוֹן (elyon) = Allerhoogste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Salem wordt gelezen als Jeruzalem (Psalm 76:3). Voetnoot Uitleg: מַלְכִּי־צֶדֶק (Malki-tsedek; in de tekst: Melchisedek) betekent ‘mijn koning is gerechtigheid’ of ‘koning van gerechtigheid’ (Hebreeën 7:2). Melchisedek wordt beschreven als koning van Salem en priester van El Elyon. Hebreeën 7:1–3 vergelijkt hem met de Zoon van Elohim. Zijn identiteit wordt verschillend uitgelegd. De cursieve tekst markeert zijn bijzondere positie, zonder een specifieke interpretatie vast te leggen. Voetnoot Aanvullend: Jasher 16:11–12 noemt hem Adonizedek, koning van Jeruzalem, en zegt: ‘dat was Sem’; Abram gaf hem de tiende. Zie ook: Jub 12:19; Jub 13:25; Jub 32:1; Jas 16:11–12; Ps 76:3; Ps 76:4; Ps 110:4; Heb 5:6; Heb 5:10; Heb 6:20–7:3; Heb 7:1–3; Heb 7:2 **14:19** Daarop zegende hij hem en zei: _„Gezegend zij Abram door El, de Allerhoogste, de bezitter van hemel en aarde,_ Brontekst: וַֽיְבָרְכֵ֖הוּ (vayvarekhehu) = en zegende hem | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en zei | בָּר֤וּךְ (barukh) = gezegend | אַבְרָם֙ (avram) = Abram | לְאֵ֣ל (leel) = door El | עֶלְי֔וֹן (elyon) = Allerhoogste | קֹנֵ֖ה (qone) = bezitter van | שָׁמַ֥יִם (shamayim) = hemel | וָאָֽרֶץ (vaarets) = en aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל עֶלְיוֹן (El Elyon): אֵל (El) is een kortere vorm van Elohim, en עֶלְיוֹן (Elyon) is ‘Allerhoogste’. קֹנֵה (qoneh) kan ‘bezitter’ of ‘schepper’ betekenen. Het Hebreeuws zegt niet wie ‘hij’ is die zegent; het is Melchisedek. Zie ook: Gen 14:22; Jub 12:19; Jub 13:25; Jub 32:1; Jas 16:12; Num 6:23–27; Ruth 3:10; Ps 24:1; Heb 7:6–7 **14:20** _en gezegend zij El, de Allerhoogste, die je vijanden in je hand heeft gegeven.”_ En hij gaf hem een tiende van alles. Brontekst: וּבָרוּךְ֙ (uvarukh) = en gezegend | אֵ֣ל (el) = El | עֶלְי֔וֹן (elyon) = Allerhoogste | אֲשֶׁר (asher) = die | מִגֵּ֥ן (migen) = heeft overgeleverd | צָרֶ֖יךָ (tsareikha) = je vijanden | בְּיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in je hand | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | ל֥וֹ (lo) = hem | מַעֲשֵׂ֖ר (maaser) = tiende | מִכֹּֽל (mikol) = van alles Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende’. Het Hebreeuws zegt alleen ‘en hij gaf hem’; Hebreeën 7:4 leest hier dat Abram de tiende gaf. Zie ook: Gen 28:22; Jub 12:19; Jub 13:25–27; Jub 32:1; Jas 16:12; Deut 14:28; Neh 13:12; Mal 3:10; Heb 7:4–9 ### Abram en de koning van Sodom **14:21** De koning van Sodom zei tegen Abram: „Geef mij de mensen. De bezittingen mag je zelf houden.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | סְדֹ֖ם (sedom) = Sodom | אֶל (el) = tot | אַבְרָ֑ם (avram) = Abram | תֶּן (ten) = geef | לִ֣י (li) = mij | הַנֶּ֔פֶשׁ (hanefesh) = de mensen | וְהָרְכֻ֖שׁ (veharekhush) = en het bezit | קַֽח (qach) = neem | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: הַנֶּפֶשׁ (hanefesh), letterlijk ‘de ziel’ of ‘het leven’, is hier ‘de mensen’: de gevangen personen. Het is dus niet het woord adam. Zie ook: Jub 13:28 **14:22** Abram zei tegen de koning van Sodom: „Ik heb mijn hand opgeheven tot Yahweh, El, de Allerhoogste, de bezitter van hemel en aarde: Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en zei | אַבְרָ֖ם (avram) = Abram | אֶל (el) = tot | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | סְדֹ֑ם (sedom) = Sodom | הֲרִימֹ֨תִי (harimoti) = ik heb opgeheven | יָדִ֤י (yadi) = mijn hand | אֶל (el) = tot | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵ֣ל (el) = El | עֶלְי֔וֹן (elyon) = Allerhoogste | קֹנֵ֖ה (qone) = bezitter van | שָׁמַ֥יִם (shamayim) = hemel | וָאָֽרֶץ (vaarets) = en aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: הֲרִימֹתִי יָדִי (harimoti yadi), ‘ik heb mijn hand opgeheven’, is een eed. Abram noemt Yahweh hier El Elyon: voor hem is Yahweh de Allerhoogste van Melchisedek. Zie ook: Jub 13:29; Jas 16:16; Ex 6:8; Re 11:35; Ps 24:1; Ps 83:19; Dan 12:7 **14:23** ik zal niets nemen, geen draad en geen schoenriem, niets van wat van jou is. Dan kun je niet zeggen: ‘Ik heb Abram rijk gemaakt.’ Brontekst: אִם (im) = als | מִחוּט֙ (michut) = van draad | וְעַ֣ד (vead) = en tot | שְׂרֽוֹךְ (serokh) = riem van | נַ֔עַל (naal) = sandaal | וְאִם (veim) = en als | אֶקַּ֖ח (eqach) = ik neem | מִכָּל (mikal) = van alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לָ֑ךְ (lakh) = van jou | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תֹאמַ֔ר (tomar) = je zult zeggen | אֲנִ֖י (ani) = ik | הֶעֱשַׁ֥רְתִּי (heesharti) = heb rijk gemaakt | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָֽם (avram) = Abram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Van een draad tot een schoenriem’ betekent: niets, zelfs het kleinste niet. Het Hebreeuws begint met אִם (im), ‘als’: de vorm van een eed. Zie ook: Jub 13:29; 2 Kon 5:16; 2 Kon 5:20; Est 9:15–16; 2 Kor 11:9–12; Heb 13:5 **14:24** Niets voor mij, alleen wat de jongens hebben opgegeten. En het deel van de mannen die met mij zijn meegegaan: Aner, Eskol en Mamre. Zij mogen hun deel nemen.” Brontekst: בִּלְעָדַ֗י (biladay) = behalve mij | רַ֚ק (raq) = alleen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | אָֽכְל֣וּ (akhelu) = hebben gegeten | הַנְּעָרִ֔ים (hanearim) = de jongens | וְחֵ֨לֶק֙ (vecheleq) = en deel van | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָלְכ֖וּ (halekhu) = gingen | אִתִּ֑י (iti) = met mij | עָנֵר֙ (aner) = Aner | אֶשְׁכֹּ֣ל (eshkol) = Eskol | וּמַמְרֵ֔א (umamre) = en Mamre | הֵ֖ם (hem) = zij | יִקְח֥וּ (yiqchu) = zullen nemen | חֶלְקָֽם (chelqam) = hun deel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנְּעָרִים (hane’arim), ‘de jongens’: Abrams jonge mannen, zijn gevolg (vers 14–15). נַעַר (na’ar) betekent ‘jongen’ of ‘jongeman’ en is overal als ‘jongen’ weergegeven (zie ook 18:7). Zie ook: Gen 14:13; Gen 14:14–15; Gen 18:7; Jub 13:29; Jas 16:16; Spr 3:27; Mat 7:12; 1 Kor 9:14–15; Rom 13:7–8 ## Genesis 15 _Het verbond tussen de stukken_ ### Een zoon beloofd **15:1** Na deze dingen kwam het woord van Yahweh tot Abram in een visioen en zei: **„Wees niet bang, Abram. Ik ben een schild voor je. Je loon is zeer groot.”** Brontekst: אַחַ֣ר (achar) = na | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de dingen | הָאֵ֗לֶּה (haele) = deze | הָיָ֤ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | בַּֽמַּחֲזֶ֖ה (bamachaze) = in een visioen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אַל (al) = niet | תִּירָ֣א (tira) = wees bang | אַבְרָ֗ם (avram) = Abram | אָנֹכִי֙ (anokhi) = Ik | מָגֵ֣ן (magen) = schild | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | שְׂכָרְךָ֖ (sekharekha) = je loon | הַרְבֵּ֥ה (harbe) = veel | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּמַּחֲזֶה (bamachazeh), ‘in een visioen’: een zien met de ogen van de geest. Het woord komt in de Tora nog voor in Num. 24:4 en 24:16. דְבַר יְהוָה (devar Yahweh), ‘het woord van Yahweh’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor. מָגֵן (magen) is ‘schild’: een beschermer. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:1 spreekt van een droom; Jasher 16:20 zegt dat Yahweh Abram opnieuw verscheen in Hebron. Zie ook: Gen 26:24; Jub 14:1; Jas 16:20; Num 24:4; Num 24:16; Ps 84:12; Ps 119:114; Jes 41:10; Heb 13:5–6 **15:2** Abram zei: „Mijn Heer Yahweh, wat zult U mij geven? Ik ga kinderloos heen, en de zoon van Mesjek, uit mijn huis, is Eliëzer uit Damascus.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַבְרָ֗ם (avram) = Abram | אֲדֹנָ֤י (adonay) = mijn Heer | יֱהוִה֙ (Yahweh) = Yahweh | מַה (ma) = wat | תִּתֶּן (titen) = zult U geven | לִ֔י (li) = aan mij | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en ik | הוֹלֵ֣ךְ (holekh) = ga heen | עֲרִירִ֑י (ariri) = kinderloos | וּבֶן (uven) = en zoon van | מֶ֣שֶׁק (mesheq) = Mesjek | בֵּיתִ֔י (beiti) = mijn huis | ה֖וּא (hu) = hij | דַּמֶּ֥שֶׂק (dameseq) = Damascus | אֱלִיעֶֽזֶר (eliezer) = Eliëzer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יֱהוִה (Adonai Yahweh), ‘mijn Heer Yahweh’: Adonai is hier de aanspreekvorm tot Yahweh zelf. De klinkers bij de Naam (יֱהוִה) zijn die van Elohim, zodat de lezer ‘Adonai Elohim’ zegt en niet twee keer Adonai. עֲרִירִי (ariri), ‘kinderloos’ (ook Lev. 20:20–21). וּבֶן מֶשֶׁק בֵּיתִי (ben meshek beti), ‘zoon van Mesjek, van mijn huis’: meshek komt alleen hier voor. Het is hier waarschijnlijk een naam, zoals ook de Septuaginta (‘zoon van Masek’) leest. Het woord kan ook ‘beheer’ betekenen: ‘het hoofd van mijn huishouden’. Eliëzer was waarschijnlijk zijn dienaar of slaaf, die erft omdat Abram geen zoon heeft (15:3–4; vergelijk 24:2, ‘de oudste dienaar van zijn huis’). Uit de Nuzi-tabletten (15e eeuw v.Chr.) is bekend dat een kinderloze man soms zo iemand als erfgenaam aanwees. Er is een woordspel tussen מֶשֶׁק (meshek) en דַּמֶּשֶׂק (Dammesek, Damascus). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:2 heeft Abrams klacht in vrijwel dezelfde woorden, met Eliëzer van Damascus als zoon van Masek, Abrams dienares; Yahwehs antwoord staat in Jubileeën 14:3. Zie ook: Gen 12:1–3; Gen 15:3–4; Gen 24:2; Gen 25:21; Jub 14:2; Jub 14:3; Lev 20:20–21; 1 Sam 1:11; Jes 56:5; Hand 7:5 **15:3** Abram zei: „Zie, U hebt mij geen nageslacht gegeven, en zie, iemand uit mijn huis wordt mijn erfgenaam.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | הֵ֣ן (hen) = zie | לִ֔י (li) = voor mij | לֹ֥א (lo) = niet | נָתַ֖תָּה (natata) = U hebt gegeven | זָ֑רַע (zara) = nageslacht | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | בֶן (ben) = zoon van | בֵּיתִ֖י (beiti) = mijn huis | יוֹרֵ֥שׁ (yoresh) = erfgenaam | אֹתִֽי (oti) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵן (hen), ‘zie’, vestigt de aandacht. בֶן בֵּיתִי (ben beti), ‘een zoon van mijn huis’: iemand die in het huis geboren is, geen eigen kind (zie 14:14; vergelijk 17:12). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:3 geeft Yahwehs antwoord op Abrams klacht: ‘Deze zal je niet beërven’. Zie ook: Gen 14:14; Gen 17:12; Jub 14:2–3; Jub 14:3; Spr 29:21; Pred 2:7; Jer 12:1; Heb 10:35–36 **15:4** En zie, het woord van Yahweh kwam tot hem en zei: **„Deze zal jou niet beërven. Maar wie uit jouw lichaam voortkomt, die zal jou beërven.”** Brontekst: וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | לֹ֥א (lo) = niet | יִֽירָשְׁךָ֖ (yirashekha) = zal je beërven | זֶ֑ה (ze) = deze | כִּי (ki) = maar | אִם֙ (im) = alleen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wie | יֵצֵ֣א (yetse) = voortkomt | מִמֵּעֶ֔יךָ (mimeeikha) = uit je lichaam | ה֖וּא (hu) = die | יִֽירָשֶֽׁךָ (yirashekha) = zal je beërven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִמֵּעֶיךָ (mimme’ekha), ‘uit je ingewanden’, is ‘uit je eigen lichaam’: een kind van Abram zelf. De erfgenaam uit zijn huis wordt dus afgewezen. Zie ook: Gen 17:16; Gen 21:12; Jub 14:3; 2 Sam 7:12; 2 Kron 32:21; Gal 4:28 **15:5** Hij bracht hem naar buiten en zei: **„Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als je ze kunt tellen.”** En Hij zei tegen hem: **„Zo zal je nageslacht zijn.”** Brontekst: וַיּוֹצֵ֨א (vayotse) = en Hij leidde naar buiten | אֹת֜וֹ (oto) = hem | הַח֗וּצָה (hachutsa) = naar buiten | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | הַבֶּט (habet) = kijk | נָ֣א (na) = toch | הַשָּׁמַ֗יְמָה (hashamayma) = naar de hemel | וּסְפֹר֙ (usefor) = en tel | הַכּ֣וֹכָבִ֔ים (hakokhavim) = de sterren | אִם (im) = als | תּוּכַ֖ל (tukhal) = je kunt | לִסְפֹּ֣ר (lispor) = tellen | אֹתָ֑ם (otam) = ze | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | ל֔וֹ (lo) = tegen hem | כֹּ֥ה (ko) = zo | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | זַרְעֶֽךָ (zarekha) = je nageslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיּוֹצֵא אֹתוֹ הַחוּצָה (vayotse oto hachutsah), ‘Hij bracht hem naar buiten’. כֹּה יִהְיֶה זַרְעֶךָ (koh yihyeh zar’ekha), ‘zo zal je nageslacht zijn’. Zie 13:16 (stof). Vergelijk 22:17 (sterren en zand). Paulus noemt dit de hoop tegen alle hoop in (Rom. 4:18). Zie ook: Gen 13:16; Gen 22:17; Jub 14:4–5; Ex 32:13; Deut 1:10; Rom 4:18; Heb 11:12 **15:6** Abram geloofde Yahweh, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid. Brontekst: וְהֶאֱמִ֖ן (veheemin) = en Hij geloofde | בַּֽיהוָ֑ה (baYahweh) = Yahweh | וַיַּחְשְׁבֶ֥הָ (vayachsheveha) = en Hij rekende het | לּ֖וֹ (lo) = aan hem | צְדָקָֽה (tsedaqa) = gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהֶאֱמִן (veheemin), van de stam אמן (aman), waar ook ‘amen’ vandaan komt: ‘hij vertrouwde, hij hield zich vast aan’. צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’. Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij geloofde’ en ‘hij rekende het hem toe’; de naam Abram is voor de duidelijkheid toegevoegd. In het Nieuwe Testament: Rom. 4:3, Gal. 3:6 en Jak. 2:23. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:6 heeft dezelfde zin. Zie ook: Jub 14:6; Jak 2:23; Gal 3:6–14; Rom 4:3–6; Rom 4:9; Rom 4:20–25 ### Het land beloofd **15:7** Hij zei tegen hem: **„Ik ben Yahweh, die jou uit Ur van de Chaldeeën heeft geleid om jou dit land te geven als bezit.”** Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֑יו (elav) = tegen hem | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הוֹצֵאתִ֨יךָ֙ (hotsetikha) = Ik leidde je uit | מֵא֣וּר (meur) = uit Ur van | כַּשְׂדִּ֔ים (kasdim) = de Chaldeeën | לָ֧תֶת (latet) = om te geven | לְךָ֛ (lekha) = aan jou | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָ֥רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | לְרִשְׁתָּֽהּ (lerishtah) = om het te bezitten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ur: Ur lag in het zuiden van Mesopotamië, bij het huidige Tell el-Mukajjar in Irak, ten westen van de oude loop van de Eufraat. Voetnoot Uitleg: מֵאוּר כַּשְׂדִּים (me’ur Kasdim), ‘uit Ur van de Chaldeeën’ (zie 11:28; vergelijk 11:31). הוֹצֵאתִיךָ (hotseti’kha), ‘Ik leidde je uit’, heeft dezelfde stam als ‘naar buiten brengen’ in vers 5. Het doel is niet alleen vertrek, maar ook ontvangen: ‘om jou dit land te geven’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:7 en Jasher 16:21 geven de belofte van het land op dezelfde plaats. Jasher 12:1 vertelt dat Abram tien dagen gevangen zat, en Jasher 12:21–25 dat hij in de oven werd geworpen en door Yahweh werd gered; Genesis zegt alleen dat Yahweh hem uit Ur van de Chaldeeën heeft geleid. Zie ook: Gen 11:28; Gen 11:31; Gen 12:1; Gen 13:15–17; Gen 15:5; Jub 14:7; Jub 22:27; Jas 12:1; Jas 12:21–25; Jas 16:21; Ps 105:44; Neh 9:7–8; Hand 7:2–4 **15:8** Abram zei: „Mijn Heer Yahweh, waaraan zal ik weten dat ik het zal bezitten?” Brontekst: וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | אֲדֹנָ֣י (adonay) = mijn Heer | יֱהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בַּמָּ֥ה (bama) = waaraan | אֵדַ֖ע (eda) = zal ik weten | כִּ֥י (ki) = dat | אִֽירָשֶֽׁנָּה (irashena) = ik het zal bezitten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּמָּה אֵדַע (bammah eda), ‘waaraan zal ik weten?’. Abram vraagt hier waaraan hij het zal weten; het antwoord is het verbond in vers 9–21. In vers 6, 8 en 10 staat in het Hebreeuws alleen ‘hij’ (‘hij geloofde’, ‘hij zei’, ‘hij nam’); de naam Abram is daar voor de duidelijkheid toegevoegd. Zie ook: Gen 15:6; Gen 15:9–21; Gen 15:10; Jub 14:8; Re 6:17–24; 2 Kon 20:8; Jes 7:11; Luc 1:18; Luc 1:34 ### Het verbond tussen de stukken **15:9** Hij zei tegen hem: **„Neem voor Mij een driejarige koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | קְחָ֥ה (qecha) = neem | לִי֙ (li) = voor Mij | עֶגְלָ֣ה (egla) = een koe | מְשֻׁלֶּ֔שֶׁת (meshuleshet) = driejarige | וְעֵ֥ז (veez) = en een geit | מְשֻׁלֶּ֖שֶׁת (meshuleshet) = driejarige | וְאַ֣יִל (veayil) = en een ram | מְשֻׁלָּ֑שׁ (meshulash) = driejarige | וְתֹ֖ר (vetor) = en een tortelduif | וְגוֹזָֽל (vegozal) = en een jonge duif Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְשֻׁלֶּשֶׁת (meshulleshet) kan ‘driejarig’ of ‘driedelig’ betekenen; hier staat ‘driejarig’ (zo ook Jubileeën 14:9). De dieren zijn dezelfde soorten als later in de offerwet (Lev. 1:2, Lev. 1:10 en Lev. 1:14). Zie ook: Jub 14:9; Lev 1:2; Lev 1:10; Lev 1:14; Lev 3:1; Lev 3:6; Lev 14:22; Lev 14:30; Luc 2:24 **15:10** Abram nam al deze dieren, sneed ze door het midden en legde elke helft tegenover de andere. De vogels sneed hij niet door. Brontekst: וַיִּֽקַּֽח (vayiqach) = en hij nam | ל֣וֹ (lo) = voor zich | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | אֵ֗לֶּה (ele) = deze | וַיְבַתֵּ֤ר (vayvater) = en hij sneed door | אֹתָם֙ (otam) = ze | בַּתָּ֔וֶךְ (batavekh) = in het midden | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en hij legde | אִישׁ (ish) = elk | בִּתְר֖וֹ (bitro) = zijn helft | לִקְרַ֣את (liqrat) = tegenover | רֵעֵ֑הוּ (reehu) = de ander | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַצִפֹּ֖ר (hatsipor) = de vogel | לֹ֥א (lo) = niet | בָתָֽר (batar) = sneed hij door Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְבַתֵּר (vayvatter), ‘hij sneed door’, van בָתָר (batar), ‘in tweeën hakken’. Dit is de handeling achter de uitdrukking כָּרַת יְהוָה אֶת אַבְרָם בְּרִית (karat berit), ‘een verbond snijden’ (vers 18). Zie ook Jer. 34:18–19, waar mensen een verbond sluiten door tussen de helften van een kalf door te gaan. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:10–11 laat Abram het bij de eik van Mamre doen. Zie ook: Gen 15:17; Gen 15:18; Jub 14:10–11; Jub 14:11; Lev 1:17; Jer 34:18–19; 2 Tim 2:15 **15:11** Roofvogels daalden neer op de kadavers, en Abram joeg ze weg. Brontekst: וַיֵּ֥רֶד (vayered) = en hij daalde neer | הָעַ֖יִט (haayit) = de roofvogel | עַל (al) = op | הַפְּגָרִ֑ים (hapegarim) = de kadavers | וַיַּשֵּׁ֥ב (vayashev) = en hij joeg weg | אֹתָ֖ם (otam) = ze | אַבְרָֽם (avram) = Abram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעַיִט (ha’ayit), ‘de roofvogel’, is een verzamelnaam: roofvogels in het algemeen. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:12 zegt dat Abram de vogels niet liet aanraken. Zie ook: Jub 14:12; Ps 119:13; Ezech 17:3; Ezech 17:7; Mat 13:4 ### Vierhonderd jaar **15:12** Toen de zon bijna onderging, viel een diepe slaap op Abram. En zie, een schrik, een grote duisternis, viel op hem. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙ (hashemesh) = de zon | לָב֔וֹא (lavo) = om onder te gaan | וְתַרְדֵּמָ֖ה (vetardema) = en een diepe slaap | נָפְלָ֣ה (nafela) = viel | עַל (al) = op | אַבְרָ֑ם (avram) = Abram | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | אֵימָ֛ה (eima) = schrik | חֲשֵׁכָ֥ה (chashekha) = duisternis | גְדֹלָ֖ה (gedola) = grote | נֹפֶ֥לֶת (nofelet) = vallend | עָלָֽיו (alav) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְתַרְדֵּמָה (tardemah), ‘diepe slaap’, is hetzelfde woord als in 2:21. אֵימָה חֲשֵׁכָה גְדֹלָה (eimah chashekhah gedolah), ‘een schrik, een grote duisternis’: schrik en duisternis staan naast elkaar. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:13 noemt het een ‘ontzetting’ die op Abram viel, met een ‘verschrikking van duisternis’. Zie ook: Gen 2:21; Jub 14:13; Job 4:13–14; Job 33:15; Dan 10:8–9; Hand 9:8–9 **15:13** Hij zei tegen Abram: **„Weet zeker dat je nageslacht een vreemdeling zal zijn in een land dat niet van hen is. Ze zullen hen dienen en hen onderdrukken, 400 jaar lang.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לְאַבְרָ֗ם (leavram) = tegen Abram | יָדֹ֨עַ (yadoa) = weten | תֵּדַ֜ע (teda) = zul je weten | כִּי (ki) = dat | גֵ֣ר (ger) = vreemdeling | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | זַרְעֲךָ֗ (zarakha) = je nageslacht | בְּאֶ֨רֶץ֙ (beerets) = in een land | לֹ֣א (lo) = niet | לָהֶ֔ם (lahem) = van hen | וַעֲבָד֖וּם (vaavadum) = en ze zullen hen dienen | וְעִנּ֣וּ (veinu) = en ze zullen onderdrukken | אֹתָ֑ם (otam) = hen | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַרְבַּע מֵאוֹת שָׁנָה (arba me’ot shanah), ‘vierhonderd jaar’, is een ronde tijdsaanduiding. Exodus 12:40 noemt 430 jaar voor het verblijf in Egypte; Stefanus zegt 400 jaar (Hand. 7:6) en Paulus rekent 430 jaar van de belofte tot de wet (Gal. 3:17). Het Hebreeuws zegt ‘ze zullen hen dienen’ zonder het volk te noemen; het is het volk van het land waar het nageslacht vreemdeling is (zie vers 14). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:13 heeft ook 400 jaar. Zie ook: Gen 15:14; Jub 14:13; Jub 48:8; Ex 1:1–2; Ex 1:11; Ex 12:40–41; Hand 7:6–7; Hand 7:17; Gal 3:17 **15:14** **Maar ook het volk dat zij zullen dienen, zal Ik zelf oordelen. Daarna zullen ze uittrekken met grote bezittingen.** Brontekst: וְגַ֧ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַגּ֛וֹי (hagoy) = het volk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יַעֲבֹ֖דוּ (yaavodu) = ze zullen dienen | דָּ֣ן (dan) = oordelend | אָנֹ֑כִי (anokhi) = Ik | וְאַחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֥ן (ken) = zo | יֵצְא֖וּ (yetseu) = zullen ze uittrekken | בִּרְכֻ֥שׁ (birkhush) = met bezit | גָּדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּן אָנֹכִי (dan anokhi), ‘Ik zelf oordeel’. Zie Ex. 12:12. בִּרְכֻשׁ גָּדוֹל (birkhush gadol), ‘met grote bezittingen’: vergelijk Ex. 12:35–36. Zie ook: Jub 14:14; Jub 48:8; Ex 6:5–6; Ex 12:12; Ex 12:32–38; Ex 12:35–36; Joz 24:4–7; Ps 135:14; Neh 9:9–11 **15:15** **En jij zult in vrede tot je vaderen komen. Je zult begraven worden in een goede ouderdom.** Brontekst: וְאַתָּ֛ה (veata) = en jij | תָּב֥וֹא (tavo) = zult komen | אֶל (el) = tot | אֲבֹתֶ֖יךָ (avoteikha) = je vaderen | בְּשָׁל֑וֹם (beshalom) = in vrede | תִּקָּבֵ֖ר (tiqaver) = zult begraven worden | בְּשֵׂיבָ֥ה (beseiva) = in ouderdom | טוֹבָֽה (tova) = goede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּבוֹא אֶל אֲבֹתֶיךָ (tavo el avotekha), ‘je zult tot je vaderen komen’: een omschrijving voor sterven. בְּשֵׂיבָה טוֹבָה (beseivah tovah), ‘in goede ouderdom’. Vergelijk 25:8. Zie ook: Gen 25:7–9; Gen 25:8; Jub 14:15; Job 5:26; Num 27:13; 2 Kron 34:28; Dan 12:13 **15:16** **In de vierde generatie zullen ze hierheen terugkeren, want de schuld van de Amorieten is tot nu toe nog niet vol.”** Brontekst: וְד֥וֹר (vedor) = en generatie | רְבִיעִ֖י (revii) = vierde | יָשׁ֣וּבוּ (yashuvu) = zullen ze terugkeren | הֵ֑נָּה (hena) = hierheen | כִּ֧י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | שָׁלֵ֛ם (shalem) = vol | עֲוֺ֥ן (avon) = schuld van | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amoriet | עַד (ad) = tot | הֵֽנָּה (hena) = hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲוֺן הָאֱמֹרִי (avon ha’Emori), ‘de schuld van de Amorieten’: de Amorieten staan hier voor de bewoners van Kanaän (zie vers 21). Hun schuld is nog niet ‘vol’ (שָׁלֵם, shalem, ‘volledig’). Dat is de reden van het wachten. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:16 heeft dezelfde zin. Zie ook: Gen 15:21; Jub 14:16; Ex 12:40; 1 Kon 21:26; Dan 8:23; Mat 23:32–35; 1 Tess 2:16 ### De rokende oven **15:17** Toen de zon was ondergegaan en het stikdonker was geworden, zie, een rokende oven en een vurige fakkel gingen tussen deze stukken door. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙ (hashemesh) = de zon | בָּ֔אָה (baa) = was ondergegaan | וַעֲלָטָ֖ה (vaalata) = en stikdonker | הָיָ֑ה (haya) = was | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | תַנּ֤וּר (tanur) = een oven van | עָשָׁן֙ (ashan) = rook | וְלַפִּ֣יד (velapid) = en een fakkel van | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָבַ֔ר (avar) = ging voorbij | בֵּ֖ין (bein) = tussen | הַגְּזָרִ֥ים (hagezarim) = de stukken | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַנּוּר עָשָׁן (tannur ashan), ‘een rokende oven’, en וְלַפִּיד אֵשׁ (lappid esh), ‘een fakkel van vuur’. De tekst zegt niet wie of wat de oven en de fakkel zijn. Rook en vuur komen later terug bij de aanwezigheid van Yahweh (Ex. 3:2, Ex. 13:21 en Ex. 19:18). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:17 heeft dezelfde twee tekenen. Zie ook: Jub 14:17; Ex 3:2–3; Ex 13:21; Ex 19:18; Re 6:21; 1 Kron 21:26; Jer 11:4; Jer 34:18–19 **15:18** Op die dag sloot Yahweh een verbond met Abram en zei: **„Aan jouw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat:** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | כָּרַ֧ת (karat) = sloot (sneed) | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָ֖ם (avram) = Abram | בְּרִ֣ית (berit) = een verbond | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | לְזַרְעֲךָ֗ (lezarakha) = aan je nageslacht | נָתַ֨תִּי֙ (natati) = heb Ik gegeven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | מִנְּהַ֣ר (minehar) = van de rivier van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | עַד (ad) = tot | הַנָּהָ֥ר (hanahar) = de rivier | הַגָּדֹ֖ל (hagadol) = de grote | נְהַר (nehar) = rivier van | פְּרָֽת (perat) = Eufraat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: מִנְּהַר מִצְרַיִם (nehar Mitsrayim), ‘de rivier van Egypte’, is de Nijl of de Wadi el-Arisj (in het noorden van de Sinaï, bij het huidige El-Arisj). פְּרָת (Perat) is de Eufraat (zie 2:14). Voetnoot Uitleg: בְּרִית (berit), ‘verbond’; כָּרַת (karat) betekent letterlijk ‘snijden’ (vergelijk vers 10). נָתַתִּי (natati) staat in de voltooide tijd: ‘Ik heb gegeven’; wat Yahweh belooft, is al zeker. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:18 heeft dezelfde belofte. Zie ook: Gen 2:14; Gen 12:7; Gen 13:15; Gen 15:10; Gen 24:7; Jub 14:18; Deut 11:24; Joz 1:3–4 **15:19** **de Kenieten, de Kenizzieten, de Kadmonieten,** Brontekst: אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַקֵּינִי֙ (haqeini) = de Keniet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַקְּנִזִּ֔י (haqenizi) = de Kenizziet | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַקַּדְמֹנִֽי (haqadmoni) = de Kadmoniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 14:18; Num 24:21–22 **15:20** **de Hettieten, de Perizzieten, de Rafaïeten,** Brontekst: וְאֶת (veet) = (lijdend voorwerp) | הַחִתִּ֥י (hachiti) = de Hettiet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַפְּרִזִּ֖י (haperizi) = de Perizziet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָרְפָאִֽים (harefaim) = de Rafaïeten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 14:5; Jub 14:18; Jes 17:5 **15:21** **de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.”** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָֽאֱמֹרִי֙ (haemori) = de Amoriet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַֽכְּנַעֲנִ֔י (hakenaani) = de Kanaäniet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַגִּרְגָּשִׁ֖י (hagirgashi) = de Girgasiet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַיְבוּסִֽי (hayvusi) = de Jebusiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt tien volken. De Hettieten, Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten komen ook voor in de volkerenlijst (zie 10:15; vergelijk 10:16). Vergelijk 14:5 voor de Rafaïeten. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:18 heeft een iets andere lijst: de Hettieten ontbreken en de Fakorieten en Chiwwieten zijn toegevoegd. Zie ook: Gen 10:15–19; Gen 10:16; Gen 14:5; Jub 14:18; Ex 33:2; Ex 34:11; Deut 7:1; Mat 8:28 ## Genesis 16 _Hagar en Ismaël_ ### Sarai en Hagar **16:1** Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen gebaard. Ze had een Egyptische slavin, en haar naam was Hagar. Brontekst: וְשָׂרַי֙ (vesaray) = en Sarai | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | לֹ֥א (lo) = niet | יָלְדָ֖ה (yaleda) = had gebaard | ל֑וֹ (lo) = aan hem | וְלָ֛הּ (velah) = en voor haar | שִׁפְחָ֥ה (shifcha) = een slavin | מִצְרִ֖ית (mitsrit) = Egyptische | וּשְׁמָ֥הּ (ushemah) = en haar naam | הָגָֽר (hagar) = Hagar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁפְחָה (shifchah), ‘slavin’: een vrouwelijke slaaf, in eigendom van Sarai. In 12:16 staat het meervoud, ‘slavinnen’. Genesis zegt niet hoe Hagar bij Sarai kwam. Voetnoot Aanvullend: Jasher 16:24 zegt dat de farao haar aan Sarai gaf. Jubileeën 14:22 noemt haar ‘mijn Egyptische dienares’. Zie ook: Gen 12:16; Gen 15:2–3; Gen 21:9–10; Jub 14:22; Jas 16:24; Luc 1:36; Gal 4:24 **16:2** Sarai zei tegen Abram: „Zie toch, Yahweh heeft mij belet kinderen te baren. Ga toch naar mijn slavin. Misschien krijg ik door haar kinderen.” En Abram luisterde naar de stem van Sarai. Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר (vatomer) = en ze zei | שָׂרַ֜י (saray) = Sarai | אֶל (el) = tegen | אַבְרָ֗ם (avram) = Abram | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֞א (na) = toch | עֲצָרַ֤נִי (atsarani) = heeft mij belet | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִלֶּ֔דֶת (miledet) = te baren | בֹּא (bo) = ga binnen | נָא֙ (na) = toch | אֶל (el) = naar | שִׁפְחָתִ֔י (shifchati) = mijn slavin | אוּלַ֥י (ulay) = misschien | אִבָּנֶ֖ה (ibane) = word ik opgebouwd | מִמֶּ֑נָּה (mimena) = door haar | וַיִּשְׁמַ֥ע (vayishma) = en hij luisterde | אַבְרָ֖ם (avram) = Abram | לְק֥וֹל (leqol) = naar de stem van | שָׂרָֽי (saray) = Sarai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲצָרַנִי יְהוָה מִלֶּדֶת (atsarani Yahweh milledet), ‘Yahweh heeft mij belet te baren’. אִבָּנֶה (ibbaneh), ‘ik word opgebouwd’, van בנה (banah), ‘bouwen’; het klinkt als בן (ben), ‘zoon’. Zie 30:3. Hier vertaald als ‘kinderen krijgen’. בֹּא נָא אֶל (bo na el), ‘ga toch binnen bij’: gemeenschap. Dat Abram ‘luisterde naar de stem’ van Sarai is dezelfde uitdrukking als in 3:17 (zie 3:17). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:22–23 en Jasher 16:26–28 vertellen hetzelfde. Zie ook: Gen 3:12; Gen 3:17; Gen 18:10; Gen 30:3; Gen 30:9–10; Jub 14:22–23; Jub 14:23; Jas 16:26–28; Ex 21:4 **16:3** Nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, nam Sarai, de vrouw van Abram, haar Egyptische slavin Hagar en gaf haar aan haar man Abram als vrouw. Brontekst: וַתִּקַּ֞ח (vatiqach) = en ze nam | שָׂרַ֣י (saray) = Sarai | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | אַבְרָ֗ם (avram) = Abram | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָגָ֤ר (hagar) = Hagar | הַמִּצְרִית֙ (hamitsrit) = de Egyptische | שִׁפְחָתָ֔הּ (shifchatah) = haar slavin | מִקֵּץ֙ (miqets) = na het einde van | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | לְשֶׁ֥בֶת (leshevet) = van het wonen van | אַבְרָ֖ם (avram) = Abram | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וַתִּתֵּ֥ן (vatiten) = en ze gaf | אֹתָ֛הּ (otah) = haar | לְאַבְרָ֥ם (leavram) = aan Abram | אִישָׁ֖הּ (ishah) = haar man | ל֥וֹ (lo) = hem | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het land Kanaän is hier het gebied van Sidon langs de kust tot Gaza en Gerar, en vandaar naar de Dode Zee en de Jordaan (zie Gen. 10:19). Voetnoot Uitleg: מִקֵּץ עֶשֶׂר שָׁנִים (miqets eser shanim), ‘na tien jaar’: gerekend vanaf de komst in Kanaän (zie 12:4). Abram was toen 85. לְאִשָּׁה (le’ishah), ‘tot vrouw’: Hagar wordt hier niet alleen slavin, maar echtgenote van Abram. Voetnoot Aanvullend: Jasher 16:27 noemt dit het 85e levensjaar van Abram. Zie ook: Gen 10:19; Gen 12:4–5; Gen 16:5; Gen 30:4; Jub 14:23; Jas 16:24; Jas 16:27; 2 Sam 5:13; 1 Kon 11:3 **16:4** Hij ging naar Hagar en ze werd zwanger. Toen ze zag dat ze zwanger was, werd haar meesteres gering in haar ogen. Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij ging binnen | אֶל (el) = naar | הָגָ֖ר (hagar) = Hagar | וַתַּ֑הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | וַתֵּ֨רֶא֙ (vatere) = en ze zag | כִּ֣י (ki) = dat | הָרָ֔תָה (harata) = ze zwanger was | וַתֵּקַ֥ל (vateqal) = en ze werd gering | גְּבִרְתָּ֖הּ (gevirtah) = haar meesteres | בְּעֵינֶֽיהָ (beeineiha) = in haar ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתֵּקַל גְּבִרְתָּהּ בְּעֵינֶיהָ (vatteqal gevirtah be’eneyha), ‘haar meesteres werd gering in haar ogen’: het werkwoord is dezelfde stam als in 12:3 (zie 12:3: ‘wie jou gering acht’). גְּבִרְתָּהּ (gevirtah), ‘haar meesteres’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 16:29 laat Hagar denken dat zij beter is voor Yahweh dan Sarai. Zie ook: Gen 12:3; Jub 14:24; Jas 16:29–30; 1 Sam 1:6–8; 2 Sam 6:16; Spr 30:23; 1 Kor 4:6; 1 Kor 13:4–5 **16:5** Sarai zei tegen Abram: „Het geweld dat mij is aangedaan, komt op jou. Ik zelf heb mijn slavin in jouw schoot gegeven. Toen ze zag dat ze zwanger was, werd ik gering in haar ogen. Moge Yahweh recht spreken tussen mij en jou.” Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר (vatomer) = en ze zei | שָׂרַ֣י (saray) = Sarai | אֶל (el) = tegen | אַבְרָם֮ (avram) = Abram | חֲמָסִ֣י (chamasi) = mijn geweld | עָלֶיךָ֒ (aleikha) = op jou | אָנֹכִ֗י (anokhi) = ik | נָתַ֤תִּי (natati) = heb gegeven | שִׁפְחָתִי֙ (shifchati) = mijn slavin | בְּחֵיקֶ֔ךָ (becheiqekha) = in je schoot | וַתֵּ֨רֶא֙ (vatere) = en ze zag | כִּ֣י (ki) = dat | הָרָ֔תָה (harata) = ze zwanger was | וָאֵקַ֖ל (vaeqal) = en ik werd gering | בְּעֵינֶ֑יהָ (beeineiha) = in haar ogen | יִשְׁפֹּ֥ט (yishpot) = moge oordelen | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בֵּינִ֥י (beini) = tussen mij | וּבֵינֶֽיׄךָ (uveineikha) = en tussen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲמָסִי עָלֶיךָ (chamasi alekha), ‘mijn geweld op jou’: het geweld dat mij is aangedaan, valt op jou terug. חמס (chamas), ‘geweld’, is hetzelfde woord als in 6:11 en 6:13 (zie 6:11; vergelijk 6:13). יִשְׁפֹּט (yishpot), ‘moge Hij oordelen’, heeft dezelfde stam als משפט (mishpat), ‘recht’. Boven de yod in וּבֵינֶיׄךָ (uvenekha), ‘en tussen jou’, staat een bijzonder punt (puncta extraordinaria); de betekenis van dit teken is niet bekend. Voetnoot Aanvullend: Jasher 16:31–32 geeft Sarai’s woorden uitgebreider. Zie ook: Gen 6:11; Gen 6:13; Gen 31:53; Jas 16:31–32; Ex 5:21; 1 Sam 24:13–16; Ps 7:9; Luc 10:40–41 **16:6** Abram zei tegen Sarai: „Zie, je slavin is in je hand. Doe met haar wat goed is in je ogen.” Toen onderdrukte Sarai haar, en ze vluchtte voor haar weg. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַבְרָ֜ם (avram) = Abram | אֶל (el) = tegen | שָׂרַ֗י (saray) = Sarai | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | שִׁפְחָתֵךְ֙ (shifchatekh) = je slavin | בְּיָדֵ֔ךְ (beyadekh) = in je hand | עֲשִׂי (asi) = doe | לָ֖הּ (lah) = met haar | הַטּ֣וֹב (hatov) = het goede | בְּעֵינָ֑יִךְ (beeinayikh) = in je ogen | וַתְּעַנֶּ֣הָ (vateaneha) = en ze onderdrukte haar | שָׂרַ֔י (saray) = Sarai | וַתִּבְרַ֖ח (vativrach) = en ze vluchtte | מִפָּנֶֽיהָ (mipaneiha) = voor haar gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתְּעַנֶּהָ (vatte’anneha), ‘ze onderdrukte haar’: dezelfde stam ענה (anah) als in 15:13 (‘ze zullen hen onderdrukken’) en in vers 11 (‘je ellende’). Zie 15:13. מִפָּנֶיהָ (mipaneha), ‘van haar gezicht’, is ‘voor haar weg’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 16:33 vertelt hetzelfde. Zie ook: Gen 15:13; Gen 16:11; Jas 16:33; Ps 106:41–42; Spr 15:1; Spr 15:17–18; Jer 38:5; 1 Petr 3:7 ### De engel van Yahweh bij de bron **16:7** De engel van Yahweh vond haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur. Brontekst: וַֽיִּמְצָאָ֞הּ (vayimtsaah) = en hij vond haar | מַלְאַ֧ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = bij | עֵ֥ין (ein) = bron van | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | עַל (al) = bij | הָעַ֖יִן (haayin) = de bron | בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = aan de weg | שֽׁוּר (shur) = Sur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: שׁוּר (Shur), Sur, ligt in het noordwesten van de Sinaï, ten oosten van Egypte (vergelijk 25:18). Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ יְהוָה (malakh Yahweh), ‘de engel van Yahweh’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor; מלאך (malakh) betekent ‘afgezant’. De engel van Yahweh spreekt in verschillende passages namens Yahweh, soms in de eerste persoon (‘Ik zal je nageslacht vermenigvuldigen’, vers 10). Sommige uitleggers zien hierin een verschijning van Yahweh of van Yeshua vóór Zijn menswording. Anderen beschouwen hem als een hemelse boodschapper die met goddelijk gezag spreekt. De cursieve tekst laat deze interpretaties open. Hagar noemt Yahweh, die tot haar sprak, bij de naam El Roï (vers 13). Voetnoot Aanvullend: Jasher 16:34 heeft ook de engel van Yahweh. Zie ook: Gen 16:10; Gen 16:13; Gen 21:17; Gen 22:15; Gen 25:18; Jas 16:34; Ex 15:22; Spr 15:3 **16:8** Hij zei: _„Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?”_ Ze zei: „Ik ben op de vlucht voor Sarai, mijn meesteres.” Brontekst: וַיֹּאמַ֗ר (vayomar) = en Hij zei | הָגָ֞ר (hagar) = Hagar | שִׁפְחַ֥ת (shifchat) = slavin van | שָׂרַ֛י (saray) = Sarai | אֵֽי (ei) = waar | מִזֶּ֥ה (mize) = vandaan | בָ֖את (bat) = ben je gekomen | וְאָ֣נָה (veana) = en waarheen | תֵלֵ֑כִי (telekhi) = ga je | וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en ze zei | מִפְּנֵי֙ (mipenei) = voor het gezicht van | שָׂרַ֣י (saray) = Sarai | גְּבִרְתִּ֔י (gevirti) = mijn meesteres | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | בֹּרַֽחַת (borachat) = ben op de vlucht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵי מִזֶּה בָאת (ei mizeh va’t), ‘waar kom je vandaan?’: de engel noemt Hagar bij haar naam en haar plaats in het huis. Hagar beantwoordt alleen de eerste vraag; waarheen ze gaat, zegt ze niet. Zie ook: Gen 3:9; Gen 4:10; 1 Sam 26:19; Pred 10:4; Jer 2:17–18 **16:9** De engel van Yahweh zei tegen haar: _„Keer terug naar je meesteres en onderwerp je aan haar.”_ Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לָהּ֙ (lah) = tegen haar | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שׁ֖וּבִי (shuvi) = keer terug | אֶל (el) = naar | גְּבִרְתֵּ֑ךְ (gevirtekh) = je meesteres | וְהִתְעַנִּ֖י (vehitani) = en onderwerp je | תַּ֥חַת (tachat) = onder | יָדֶֽיהָ (yadeiha) = haar handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִתְעַנִּי (vehit’anni), ‘onderwerp je’, is de wederkerige vorm van dezelfde stam ענה (anah) als ‘onderdrukken’ in vers 6. Zie ook: Gen 16:6; Jas 16:34; Pred 10:4; Ef 5:21; Tit 2:9; 1 Petr 2:18–25; 1 Petr 5:5–6 **16:10** De engel van Yahweh zei tegen haar: _„Ik zal je nageslacht sterk vermeerderen, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden.”_ Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לָהּ֙ (lah) = tegen haar | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַרְבָּ֥ה (harba) = sterk | אַרְבֶּ֖ה (arbe) = zal Ik vermeerderen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | זַרְעֵ֑ךְ (zarekh) = je nageslacht | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִסָּפֵ֖ר (yisafer) = kan geteld worden | מֵרֹֽב (merov) = vanwege de menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַרְבָּה אַרְבֶּה (harbeh arbeh), ‘vermeerderen zal Ik vermeerderen’: de herhaling van het werkwoord versterkt. De belofte lijkt op die aan Abram (zie 15:5), maar de engel zegt ‘Ik zal’. Zie ook: Gen 15:5; Gen 17:20; Gen 21:18; Gen 22:15–18; Gen 25:12–18; Ps 83:7–8 **16:11** De engel van Yahweh zei tegen haar: _„Zie, je bent zwanger en je zult een zoon baren. Je zult hem Ismaël noemen, want Yahweh heeft je ellende gehoord._ Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לָהּ֙ (lah) = tegen haar | מַלְאַ֣ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנָּ֥ךְ (hinakh) = zie, jij | הָרָ֖ה (hara) = zwanger | וְיֹלַ֣דְתְּ (veyoladt) = en je zult baren | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | וְקָרָ֤את (veqarat) = en je zult noemen | שְׁמוֹ֙ (shemo) = zijn naam | יִשְׁמָעֵ֔אל (yishmael) = Ismaël | כִּֽי (ki) = want | שָׁמַ֥ע (shama) = heeft gehoord | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = naar | עָנְיֵֽךְ (aneyekh) = je ellende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִשְׁמָעֵאל (Yishma’el), ‘El hoort’: שמע (shama), ‘horen’, en אל (El). עָנְיֵךְ (onyekh), ‘je ellende’, van עני (oni); vergelijk 29:32 en Ex. 3:7. Voetnoot Aanvullend: Jasher 16:34 geeft de naam ook voor de geboorte. Zie ook: Gen 17:19; Gen 29:32; Gen 41:51–52; Hen 89:11; Jas 16:34; Ex 2:23–24; Ex 3:7; Jes 7:14 **16:12** _Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: zijn hand tegen allen en de hand van allen tegen hem. En tegenover al zijn broers zal hij wonen.”_ Brontekst: וְה֤וּא (vehu) = en hij | יִהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | פֶּ֣רֶא (pere) = wilde ezel van | אָדָ֔ם (adam) = een mens | יָד֣וֹ (yado) = zijn hand | בַכֹּ֔ל (bakol) = tegen allen | וְיַ֥ד (veyad) = en de hand van | כֹּ֖ל (kol) = allen | בּ֑וֹ (bo) = tegen hem | וְעַל (veal) = en tegenover | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | כָל (kal) = al | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | יִשְׁכֹּֽן (yishkon) = zal hij wonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּרֶא אָדָם (pere adam), ‘een wilde ezel van een mens’: de wilde ezel trekt vrij door de woestijn (Job 39:5–8). Adam is hier niet de eigennaam, maar ‘mens’. וְעַל פְּנֵי כָל אֶחָיו יִשְׁכֹּן (ve’al penei kol echav yishkon), ‘tegenover al zijn broers zal hij wonen’. Vergelijk 25:18, waar bijna dezelfde uitdrukking staat met ‘hij viel’ (נפל). Zie ook: Gen 21:20; Gen 25:18; Gen 27:40; Hen 89:11; Job 11:12; Job 39:5–8 **16:13** Ze gaf Yahweh, die tot haar sprak, een naam: „U bent El Roï”, want ze zei: „Heb ik ook hier gezien, Hem die mij ziet?” Brontekst: וַתִּקְרָ֤א (vatiqra) = en ze noemde | שֵׁם (shem) = de naam van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הַדֹּבֵ֣ר (hadover) = die sprak | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = tot haar | אַתָּ֖ה (ata) = U | אֵ֣ל (el) = El | רֳאִ֑י (roi) = Roï (die mij ziet) | כִּ֣י (ki) = want | אָֽמְרָ֗ה (amera) = ze zei | הֲגַ֥ם (hagam) = heb ik ook | הֲלֹ֛ם (halom) = hier | רָאִ֖יתִי (raiti) = gezien | אַחֲרֵ֥י (acharei) = na | רֹאִֽי (roi) = Hem die mij ziet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל רֳאִי (El Ro’i), ‘El die mij ziet’: Hagar geeft Yahweh, die tot haar sprak, deze naam. Het laatste deel, הֲגַם הֲלֹם רָאִיתִי אַחֲרֵי רֹאִי (hagam halom ra’iti acharei ro’i), is moeilijk. Letterlijk: ‘heb ik ook hier gezien achter [of: na] Hem die mij ziet?’. De vertaling blijft dicht bij het Hebreeuws: ‘Heb ik ook hier gezien, Hem die mij ziet?’ Hagar noemt Hem de El die naar haar omziet, zoals Hij in vers 11 naar haar ellende luisterde. Een andere lezing is: ‘Heb ik hier ook de achterkant gezien van Hem die mij ziet?’ (vergelijk Ex. 33:23). Zie ook: Gen 16:7; Gen 16:11; Gen 32:30; Ex 33:23; Ps 139:1–12; Spr 5:21; Spr 15:3 **16:14** Daarom noemde men de put Beër-Lachai-Roï. Zie, ze ligt tussen Kades en Bered. Brontekst: עַל (al) = op | כֵּן֙ (ken) = zo | קָרָ֣א (qara) = noemde men | לַבְּאֵ֔ר (labeer) = de put | בְּאֵ֥ר (beer) = put van | לַחַ֖י (lachay) = de Levende | רֹאִ֑י (roi) = die mij ziet | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | בֵין (bein) = tussen | קָדֵ֖שׁ (qadesh) = Kades | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | בָּֽרֶד (bared) = Bered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Kades (קָדֵשׁ) ligt in de Negev; de ligging van Bered (בָּרֶד) is onbekend. Voetnoot Uitleg: בְּאֵר לַחַי רֹאִי (Be’er Lachai Ro’i), ‘put van de Levende die mij ziet’. De put komt later terug bij Isaak (zie 24:62; vergelijk 25:11). Voetnoot Aanvullend: Jasher 16:35 noemt dezelfde plaats. Zie ook: Gen 14:7; Gen 21:31; Gen 24:62; Gen 25:11; Jas 16:35; Num 13:26 ### Ismaël geboren **16:15** Hagar baarde Abram een zoon, en Abram noemde de zoon die Hagar baarde Ismaël. Brontekst: וַתֵּ֧לֶד (vateled) = en ze baarde | הָגָ֛ר (hagar) = Hagar | לְאַבְרָ֖ם (leavram) = aan Abram | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij noemde | אַבְרָ֧ם (avram) = Abram | שֶׁם (shem) = de naam van | בְּנ֛וֹ (beno) = zijn zoon | אֲשֶׁר (asher) = die | יָלְדָ֥ה (yaleda) = baarde | הָגָ֖ר (hagar) = Hagar | יִשְׁמָעֵֽאל (yishmael) = Ismaël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ismaël draagt de naam die de engel gaf (zie vers 11). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:24 en Jasher 16:36 melden de geboorte op dezelfde plaats. Zie ook: Gen 16:11; Gen 21:9–21; Gen 25:9; Gen 25:12; Gen 37:27; Jub 14:24; Jas 16:36 **16:16** Abram was 86 jaar oud toen Hagar Ismaël voor Abram baarde. Brontekst: וְאַבְרָ֕ם (veavram) = en Abram | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁמֹנִ֥ים (shemonim) = tachtig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וְשֵׁ֣שׁ (veshesh) = en zes | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaar | בְּלֶֽדֶת (beledet) = bij het baren van | הָגָ֥ר (hagar) = Hagar | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִשְׁמָעֵ֖אל (yishmael) = Ismaël | לְאַבְרָֽם (leavram) = aan Abram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Abram was 75 bij de reis uit Charan (zie 12:4), 99 bij de besnijdenis (vergelijk 17:1) en 100 bij de geboorte van Isaak (vergelijk 21:5). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 14:24 vertelt de geboorte van de zoon, maar noemt het jaartal niet. Zie ook: Gen 12:4; Gen 17:1; Gen 21:5; Jub 14:24; Jas 16:36 ## Genesis 17 _Besnijdenis en verbond_ ### El Sjaddai en het verbond **17:1** Toen Abram 99 jaar oud was, verscheen Yahweh aan Abram en zei tegen hem: **„Ik ben El Sjaddai. Wandel voor Mijn aangezicht en wees onberispelijk.** Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | אַבְרָ֔ם (avram) = Abram | בֶּן (ben) = zoon van | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וְתֵ֣שַׁע (vetesha) = en negen | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaar | וַיֵּרָ֨א (vayera) = en Hij verscheen | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = aan | אַבְרָ֗ם (avram) = Abram | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָיו֙ (elav) = tegen hem | אֲנִי (ani) = Ik | אֵ֣ל (el) = El | שַׁדַּ֔י (shaday) = Sjaddai | הִתְהַלֵּ֥ךְ (hithalekh) = wandel | לְפָנַ֖י (lefanay) = voor Mijn aangezicht | וֶהְיֵ֥ה (vehye) = en wees | תָמִֽים (tamim) = onberispelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵל שַׁדַּי (El Shaddai), ‘El Sjaddai’, wordt vaak vertaald als ‘Elohim de Almachtige’; de betekenis van שַׁדַּי (Shaddai) is niet zeker. Onder deze naam maakt Elohim zich aan de aartsvaders bekend (Ex. 6:3). הִתְהַלֵּךְ לְפָנַי (hithalekh lefanai), ‘wandel voor Mijn aangezicht’, is de uitdrukking van Henoch en Noach (zie 5:24; vergelijk 6:9). תָמִים (tamim), ‘onberispelijk’, is het woord dat ook Noach kenmerkt (zie 6:9). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:3 heeft dezelfde woorden. Jasher 17:16–17 noemt ook de leeftijd van 99 jaar; Jasher 16:21 heeft hetzelfde gebod eerder. Zie ook: Gen 5:24; Gen 6:9; Gen 18:14; Jub 15:3; Jas 16:21; Jas 17:16–17; Ex 6:3; Luc 1:6; Ef 3:20; Fil 4:13 **17:2** **Ik zal Mijn verbond geven tussen Mij en jou, en Ik zal je zeer, zeer talrijk maken.”** Brontekst: וְאֶתְּנָ֥ה (veetena) = en Ik zal geven | בְרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | בֵּינִ֣י (beini) = tussen Mij | וּבֵינֶ֑ךָ (uveinekha) = en tussen jou | וְאַרְבֶּ֥ה (vearbe) = en Ik zal vermenigvuldigen | אוֹתְךָ֖ (otekha) = jou | בִּמְאֹ֥ד (bimod) = zeer | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In vers 2 staat ‘geven’ (וְאֶתְּנָה, ve’ettenah), in vers 7 ‘oprichten’, zoals bij Noach (zie 9:9). בִּמְאֹד מְאֹד (bime’od me’od), ‘zeer, zeer’: een dubbele versterking die in dit hoofdstuk drie keer terugkomt (vers 2, 6 en 20). Zie ook: Gen 9:9; Gen 12:2; Gen 13:16; Gen 15:18; Gen 17:4–6; Gen 17:6; Gen 17:7; Gen 17:20; Jub 15:3–4; Ps 105:8–11 **17:3** Abram viel op zijn gezicht, en Elohim sprak met hem en zei: Brontekst: וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en hij viel | אַבְרָ֖ם (avram) = Abram | עַל (al) = op | פָּנָ֑יו (panav) = zijn gezicht | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en Hij sprak | אִתּ֛וֹ (ito) = met hem | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּפֹּל אַבְרָם עַל פָּנָיו (vayippol Avram al panav), ‘Abram viel op zijn gezicht’: een houding van eerbied, ook in vers 17. Vanaf hier spreekt Elohim; in vers 1 was het Yahweh. Zie ook: Gen 17:1; Gen 17:17; Jub 15:5; Num 17:10; Re 13:20; 1 Kon 18:39; Mat 17:6 **17:4** **„Wat Mij betreft: zie, Mijn verbond is met jou. Je zult de vader worden van een menigte volken.** Brontekst: אֲנִ֕י (ani) = Ik | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | בְרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met jou | וְהָיִ֕יתָ (vehayita) = en je zult worden | לְאַ֖ב (leav) = tot vader van | הֲמ֥וֹן (hamon) = een menigte van | גּוֹיִֽם (goyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲנִי הִנֵּה בְרִיתִי אִתָּךְ (ani hinneh veriti ittakh), ‘Wat Mij betreft: zie, Mijn verbond is met jou’. הֲמוֹן גּוֹיִם (hamon goyim), ‘een menigte van volken’. Vergelijk 12:2. Zie ook: Gen 12:2; Gen 16:10; Gen 35:11; Jub 15:6; Gal 3:28–29; Rom 4:11–18 **17:5** **Je naam zal niet meer Abram heten, maar je naam zal Abraham zijn, want tot vader van een menigte volken heb Ik je gemaakt.** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יִקָּרֵ֥א (yiqare) = zal worden genoemd | ע֛וֹד (od) = nog | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שִׁמְךָ֖ (shimkha) = je naam | אַבְרָ֑ם (avram) = Abram | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal zijn | שִׁמְךָ֙ (shimkha) = je naam | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | כִּ֛י (ki) = want | אַב (av) = vader van | הֲמ֥וֹן (hamon) = een menigte van | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | נְתַתִּֽיךָ (netatikha) = heb Ik je gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַבְרָם (Avram), ‘verheven vader’, wordt אַבְרָהָם (Avraham). Het Hebreeuws legt de klank uit met אַב הֲמוֹן (av hamon), ‘vader van een menigte’. De ה (he, ‘hey’) is aan de naam toegevoegd. Vanaf hier heet hij in deze vertaling Abraham. נְתַתִּיךָ (netatikha) is letterlijk ‘Ik heb je gegeven’: Ik heb je als zodanig aangesteld. Paulus citeert deze woorden in Rom. 4:17. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:7 heeft dezelfde naamsverandering. Zie ook: Gen 17:15; Gen 32:28; Jub 15:7; Jas 17:19; Neh 9:7; Mat 1:21–23; Rom 4:17 **17:6** **Ik zal je zeer, zeer vruchtbaar maken, Ik zal je tot volken maken, en koningen zullen uit jou voortkomen.** Brontekst: וְהִפְרֵתִ֤י (vehifreti) = en Ik zal vruchtbaar maken | אֹֽתְךָ֙ (otekha) = jou | בִּמְאֹ֣ד (bimod) = zeer | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וּנְתַתִּ֖יךָ (unetatikha) = en Ik zal je maken | לְגוֹיִ֑ם (legoyim) = tot volken | וּמְלָכִ֖ים (umelakhim) = en koningen | מִמְּךָ֥ (mimekha) = uit jou | יֵצֵֽאוּ (yetseu) = zullen voortkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִפְרֵתִי (vehifreti), ‘Ik zal vruchtbaar maken’, heeft dezelfde stam als ‘wees vruchtbaar’ in 1:28 (zie 1:28) en in 9:1 (vergelijk 9:1). Uit deze koningen loopt de bloedlijn naar Yeshua, de Messias (Matt. 1:1; Lukas 3:23–38). Zie ook: Gen 1:28; Gen 9:1; Gen 17:4; Gen 17:16; Gen 17:20; Gen 35:11; Jub 15:8; Mat 1:1; Mat 1:6–17; Luc 3:23–38 **17:7** **Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en jou en jouw nageslacht na jou, in hun generaties, als een eeuwig verbond: om voor jou Elohim te zijn en voor jouw nageslacht na jou.** Brontekst: וַהֲקִמֹתִ֨י (vahaqimoti) = en Ik zal oprichten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּרִיתִ֜י (beriti) = Mijn verbond | בֵּינִ֣י (beini) = tussen Mij | וּבֵינֶ֗ךָ (uveinekha) = en tussen jou | וּבֵ֨ין (uvein) = en tussen | זַרְעֲךָ֧ (zarakha) = je nageslacht | אַחֲרֶ֛יךָ (achareikha) = na jou | לְדֹרֹתָ֖ם (ledorotam) = in hun generaties | לִבְרִ֣ית (livrit) = tot een verbond | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | לִהְי֤וֹת (lihyot) = om te zijn | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | לֵֽאלֹהִ֔ים (lElohim) = tot Elohim | וּֽלְזַרְעֲךָ֖ (ulezarakha) = en voor je nageslacht | אַחֲרֶֽיךָ (achareikha) = na jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַהֲקִמֹתִי (vahaqimoti), ‘Ik zal oprichten’, is het werkwoord van 9:9 (zie 9:9), en לִבְרִית עוֹלָם (livrit olam), ‘tot een eeuwig verbond’, komt ook voor in 9:16 (vergelijk 9:16). ‘Elohim zijn voor jou en je nageslacht’ is de kern van het verbond; vergelijk Ex. 6:7, Jer. 31:33 en Openb. 21:3. Zie ook: Gen 9:9; Gen 9:16; Gen 15:18; Gen 26:24; Jub 12:24; Jub 15:9; Ex 6:7; Jer 31:33; Hand 2:39; Rom 9:7–9; Heb 8:10; Openb 21:3 **17:8** **Ik zal aan jou en aan jouw nageslacht na jou het land geven waar je als vreemdeling woont, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit. En Ik zal voor hen Elohim zijn.”** Brontekst: וְנָתַתִּ֣י (venatati) = en Ik zal geven | לְ֠ךָ (lekha) = aan jou | וּלְזַרְעֲךָ֨ (ulezarakha) = en aan je nageslacht | אַחֲרֶ֜יךָ (achareikha) = na jou | אֵ֣ת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | מְגֻרֶ֗יךָ (megureikha) = je vreemdelingschap | אֵ֚ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | לַאֲחֻזַּ֖ת (laachuzat) = tot bezit | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | וְהָיִ֥יתִי (vehayiti) = en Ik zal zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het land Kanaän is hier het gebied van Sidon langs de kust tot Gaza en Gerar, en vandaar naar de Dode Zee en de Jordaan (zie Gen. 10:19). Voetnoot Uitleg: אֶרֶץ מְגֻרֶיךָ (erets megureykha), ‘het land van je vreemdelingschap’: het land waar Abraham als vreemdeling woont. לַאֲחֻזַּת עוֹלָם (la’achuzzat olam), ‘tot eeuwig bezit’. Vergelijk 12:7; vergelijk 15:18. Zie ook: Gen 10:19; Gen 12:7; Gen 13:15; Gen 15:18; Jub 15:10; Ex 6:7; Lev 26:12; Ps 105:11 ### Het teken van de besnijdenis **17:9** Elohim zei tegen Abraham: **„Jij zult Mijn verbond onderhouden, jij en jouw nageslacht na jou, in hun generaties.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tegen | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּרִיתִ֣י (beriti) = Mijn verbond | תִשְׁמֹ֑ר (tishmor) = zult onderhouden | אַתָּ֛ה (ata) = jij | וְזַרְעֲךָ֥ (vezarakha) = en je nageslacht | אַֽחֲרֶ֖יךָ (achareikha) = na jou | לְדֹרֹתָֽם (ledorotam) = in hun generaties Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het verbond van vers 2–8 is een belofte van Elohim; in vers 9–14 volgt wat Abraham en zijn nageslacht moeten doen. תִשְׁמֹר (tishmor), ‘onderhouden’ of ‘bewaren’. Zie ook: Gen 17:2–8; Jub 15:11; Ps 25:10; Ps 103:18; Jes 56:4–5 **17:10** **Dit is Mijn verbond dat jullie zullen onderhouden, tussen Mij en jullie en jouw nageslacht na jou: bij jullie moet alles wat mannelijk is besneden worden.** Brontekst: זֹ֣את (zot) = dit | בְּרִיתִ֞י (beriti) = Mijn verbond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תִּשְׁמְר֗וּ (tishmeru) = jullie zullen onderhouden | בֵּינִי֙ (beini) = tussen Mij | וּבֵ֣ינֵיכֶ֔ם (uveineikhem) = en tussen jullie | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | זַרְעֲךָ֖ (zarakha) = je nageslacht | אַחֲרֶ֑יךָ (achareikha) = na jou | הִמּ֥וֹל (himol) = besneden worden | לָכֶ֖ם (lakhem) = bij jullie | כָּל (kal) = alles | זָכָֽר (zakhar) = mannelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּל זָכָר (kol zakhar), ‘alles wat mannelijk is’: זכר (zakhar) is hetzelfde woord als in 1:27 (zie 1:27) en 5:2 (vergelijk 5:2). הִמּוֹל (himmol), ‘besneden worden’, van מול (mul), ‘afsnijden, besnijden’. Zie ook: Gen 1:27; Gen 5:2; Jub 15:11; Jub 15:28; Jub 20:3; Jas 17:17; Hand 7:8; Gal 5:3–6; Rom 4:9–11; Fil 3:3; Kol 2:11–12 **17:11** **Jullie zullen het vlees van jullie voorhuid besnijden. Dat zal het teken van het verbond zijn tussen Mij en jullie.** Brontekst: וּנְמַלְתֶּ֕ם (unemaltem) = en jullie zullen besnijden | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּשַׂ֣ר (besar) = vlees van | עָרְלַתְכֶ֑ם (arelatkhem) = jullie voorhuid | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | לְא֣וֹת (leot) = tot een teken van | בְּרִ֔ית (berit) = verbond | בֵּינִ֖י (beini) = tussen Mij | וּבֵינֵיכֶֽם (uveineikhem) = en tussen jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרְלַתְכֶם (orlatkhem), ‘jullie voorhuid’. לְאוֹת (le’ot), ‘tot een teken’: een teken van het verbond, zoals de regenboog dat was (vergelijk 9:12). Zie ook: Gen 9:12; Jub 15:11; Jub 20:3; Ex 4:25; Deut 10:16; 1 Sam 18:25–27; Hand 7:8; Rom 4:11 **17:12** **Wie acht dagen oud is, moet bij jullie besneden worden, alles wat mannelijk is, in al jullie generaties: wie in het huis geboren is en wie met geld is gekocht van welke zoon van een vreemde ook, die niet van jouw nageslacht is.** Brontekst: וּבֶן (uven) = en een zoon van | שְׁמֹנַ֣ת (shemonat) = acht | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | יִמּ֥וֹל (yimol) = moet besneden worden | לָכֶ֛ם (lakhem) = bij jullie | כָּל (kal) = alles | זָכָ֖ר (zakhar) = mannelijk | לְדֹרֹתֵיכֶ֑ם (ledoroteikhem) = in jullie generaties | יְלִ֣יד (yelid) = geborene van | בָּ֔יִת (bayit) = het huis | וּמִקְנַת (umiqnat) = en gekochte met | כֶּ֨סֶף֙ (kesef) = geld | מִכֹּ֣ל (mikol) = van elke | בֶּן (ben) = zoon van | נֵכָ֔ר (nekhar) = een vreemde | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֹ֥א (lo) = niet | מִֽזַּרְעֲךָ֖ (mizarakha) = van je nageslacht | הֽוּא (hu) = hij is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּבֶן שְׁמֹנַת יָמִים (uven shemonat yamim), ‘een zoon van acht dagen’. יְלִיד בָּיִת (yelid bayit), ‘in het huis geboren’, en וּמִקְנַת כֶּסֶף (umiqnat kesef), ‘met geld gekocht’: ook de slaven in het huis en hun zonen horen bij het verbond. Lev. 12:3 herhaalt de achtste dag. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:12 en Jasher 17:18 noemen de achtste dag ook. Zie ook: Jub 15:12; Jub 20:3; Jas 17:18; Ex 12:48–49; Lev 12:3; Luc 1:59; Luc 2:21; Fil 3:5 **17:13** **Wie in jouw huis geboren is en wie met jouw geld is gekocht, moet zeker besneden worden. Zo zal Mijn verbond in jullie vlees zijn als een eeuwig verbond.** Brontekst: הִמּ֧וֹל (himol) = besneden worden | יִמּ֛וֹל (yimol) = zal besneden worden | יְלִ֥יד (yelid) = geborene van | בֵּֽיתְךָ֖ (beitekha) = je huis | וּמִקְנַ֣ת (umiqnat) = en gekochte met | כַּסְפֶּ֑ךָ (kaspekha) = je geld | וְהָיְתָ֧ה (vehayeta) = en zal zijn | בְרִיתִ֛י (beriti) = Mijn verbond | בִּבְשַׂרְכֶ֖ם (bivsarkhem) = in jullie vlees | לִבְרִ֥ית (livrit) = tot een verbond | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִמּוֹל יִמּוֹל (hamol yimmol), ‘zeker besneden worden’: het onbepaalde werkwoord vooraf versterkt, zoals bij ‘zeker sterven’ in 2:17 (zie 2:17). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:13 heeft hetzelfde. Zie ook: Gen 2:17; Gen 37:36; Jub 15:13; Jub 20:3; Ex 12:44; Ex 21:4; Neh 5:8; Mat 18:25 **17:14** **Een onbesneden mannelijk persoon, die in het vlees van zijn voorhuid niet besneden wordt – die persoon zal worden afgesneden uit zijn volk. Hij heeft Mijn verbond gebroken.”** Brontekst: וְעָרֵ֣ל (vearel) = en onbesneden | זָכָ֗ר (zakhar) = mannelijk | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יִמּוֹל֙ (yimol) = besneden zal worden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּשַׂ֣ר (besar) = vlees van | עָרְלָת֔וֹ (arelato) = zijn voorhuid | וְנִכְרְתָ֛ה (venikhreta) = en zal afgesneden worden | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de nefesh (persoon) | הַהִ֖וא (hahi) = die | מֵעַמֶּ֑יהָ (meameiha) = uit haar volken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | הֵפַֽר (hefar) = heeft gebroken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִכְרְתָה (venikhreta), ‘en zal worden afgesneden’, heeft dezelfde stam כרת (karat) als ‘een verbond sluiten (snijden)’ in 15:18 (zie 15:18). הֵפַר (hefar), ‘hij heeft verbroken’. Het afsnijden doet Yahweh zelf: in Lev. 20:2–5 moet het volk de overtreder stenigen, en daarnaast zegt Yahweh dat Hij hem uit zijn volk afsnijdt. Ex. 31:14 noemt doden en afsnijden naast elkaar, en Num. 15:30–31 zegt: ‘zijn ongerechtigheid is op hem’. Het vers zegt niet dat mensen hem doden of wegsturen, en ook niet wat het afsnijden inhoudt: de joodse traditie noemt een vroege dood, kinderloosheid of verlies van het hiernamaals. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:26 zegt dat wie niet op de achtste dag besneden is, bij ‘de kinderen van het verderf’ hoort. Zie ook: Gen 15:18; Jub 15:14; Jub 15:26; Jub 20:3; Ex 4:24–26; Ex 31:14; Lev 20:2–5; Num 15:30–31; Ps 55:21 ### Sarai wordt Sarah **17:15** Elohim zei tegen Abraham: **„Sarai, je vrouw: je zult haar niet Sarai noemen, want Sarah is haar naam.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tegen | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | שָׂרַ֣י (saray) = Sarai | אִשְׁתְּךָ֔ (ishtekha) = je vrouw | לֹא (lo) = niet | תִקְרָ֥א (tiqra) = zul je noemen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמָ֖הּ (shemah) = haar naam | שָׂרָ֑י (saray) = Sarai | כִּ֥י (ki) = want | שָׂרָ֖ה (sara) = Sarah | שְׁמָֽהּ (shemah) = haar naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרַי (Sarai) wordt שָׂרָה (Sarah). De י (yod) aan het slot wordt een ה (he, in het Nederlands ‘hey’). שָׂרָה (sarah) betekent ‘vorstin’. Ook bij haar verandert de naam. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:15 en Jasher 17:19 noemen de nieuwe naam ook. Zie ook: Gen 17:5; Gen 32:28; Jub 15:15; Jas 17:19; 2 Sam 12:25 **17:16** **Ik zal haar zegenen, en Ik zal je ook een zoon uit haar geven. Ik zal hem zegenen, en hij zal tot volken worden: koningen van volken zullen uit hem voortkomen.”** Brontekst: וּבֵרַכְתִּ֣י (uverakhti) = en Ik zal zegenen | אֹתָ֔הּ (otah) = haar | וְגַ֨ם (vegam) = en ook | נָתַ֧תִּי (natati) = zal Ik geven | מִמֶּ֛נָּה (mimena) = uit haar | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | וברכתיו (vvrkhtyv) = en Ik zal hem zegenen | והיה (vehayah) = en hij zal worden | לגוים (lgvym) = tot volken | מלכי (malkhei) = koningen van | עמים (ammim) = volken | ממנו (mimmennu) = uit hem | יִהְיֽוּ (yihyu) = zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta, Samaritaanse Pentateuch, Syrische vertaling en Vulgaat Voetnoot Uitleg: וּבֵרַכְתִּי (uverakhti), ‘en Ik zal zegenen’, staat twee keer. In de tweede helft staat hier ‘hem’ (‘Ik zal hem zegenen, en hij zal tot volken worden’). De belofte van volken en koningen loopt zo door de lijn van Abraham, Isaak en Jakob, vergelijk 17:20 en 35:11. Sarah blijft in de eerste helft de moeder (zie 17:19). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:16 heeft ook ‘hem’. Jasher 17:20 spreekt over beiden: ‘Ik zal jullie beiden zegenen’. Zie ook: Gen 17:19; Gen 17:20; Gen 18:10–14; Gen 35:11; Jub 15:16; Jas 17:20; Jes 49:23; Gal 4:26–31; 1 Petr 3:6 **17:17** Abraham viel op zijn gezicht en lachte. Hij zei in zijn hart: „Zal aan een man van 100 jaar een kind geboren worden? En zal Sarah, een vrouw van 90 jaar, baren?” Brontekst: וַיִּפֹּ֧ל (vayipol) = en hij viel | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | עַל (al) = op | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | וַיִּצְחָ֑ק (vayitschaq) = en hij lachte | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | בְּלִבּ֗וֹ (belibo) = in zijn hart | הַלְּבֶ֤ן (haleven) = (vraag) aan een zoon van | מֵאָֽה (mea) = honderd | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | יִוָּלֵ֔ד (yivaled) = zal geboren worden | וְאִ֨ם (veim) = en of | שָׂרָ֔ה (sara) = Sarah | הֲבַת (havat) = dochter van | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | תֵּלֵֽד (teled) = zal ze baren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּצְחָק (vayitschaq), ‘en hij lachte’, heeft dezelfde stam צחק (tsachaq) als de naam Isaak (vers 19). Zie ook 18:12 (Sarah lacht). ‘In zijn hart’ (בְּלִבּוֹ, belibbo): het lachen blijft verborgen. Vergelijk Rom. 4:19–20. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:17 zegt dat Abraham zich verheugde. Zie ook: Gen 17:3; Gen 17:19; Gen 18:12; Gen 21:6; Jub 15:17; Joh 8:56; Rom 4:19–20 **17:18** Abraham zei tegen Elohim: „Mocht Ismaël maar leven voor Uw aangezicht!” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | אֶל (el) = tegen | הָֽאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | ל֥וּ (lu) = mocht maar | יִשְׁמָעֵ֖אל (yishmael) = Ismaël | יִחְיֶ֥ה (yichye) = leven | לְפָנֶֽיךָ (lefaneikha) = voor Uw aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לוּ (lu), ‘mocht toch’: een wens. Abraham pleit voor Ismaël, die al dertien is (vers 25). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:18 heeft dezelfde wens. Zie ook: Gen 4:14; Gen 17:25; Jub 15:18; Ps 4:7; Ps 41:13; Jer 32:39; Hand 2:39 **17:19** Elohim zei: **„Nee, maar Sarah, je vrouw, zal je een zoon baren. Je zult hem Isaak noemen, en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten als een eeuwig verbond voor zijn nageslacht na hem.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | אֲבָל֙ (aval) = nee, maar | שָׂרָ֣ה (sara) = Sarah | אִשְׁתְּךָ֗ (ishtekha) = je vrouw | יֹלֶ֤דֶת (yoledet) = baart | לְךָ֙ (lekha) = aan jou | בֵּ֔ן (ben) = een zoon | וְקָרָ֥אתָ (veqarata) = en je zult noemen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | יִצְחָ֑ק (yitschaq) = Isaak | וַהֲקִמֹתִ֨י (vahaqimoti) = en Ik zal oprichten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּרִיתִ֥י (beriti) = Mijn verbond | אִתּ֛וֹ (ito) = met hem | לִבְרִ֥ית (livrit) = tot een verbond | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwig | לְזַרְע֥וֹ (lezaro) = voor zijn nageslacht | אַחֲרָֽיו (acharav) = na hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲבָל (aval), ‘nee, maar’ of ‘inderdaad’. Elohim wijst Abrahams wens voor Ismaël niet af, maar het verbond gaat via Isaak. יִצְחָק (Yitschaq), ‘hij lacht’ (zie vers 17). Zie 21:3; vergelijk 21:6. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:19 heeft dezelfde belofte. Zie ook: Gen 17:17; Gen 18:10–14; Gen 21:2–3; Gen 21:3; Gen 21:6; Jub 15:19; Jub 16:3; 2 Kon 4:16–17; Luc 1:13–20 **17:20** **En wat Ismaël betreft: Ik heb je gehoord. Zie, Ik heb hem gezegend. Ik zal hem vruchtbaar maken en hem zeer, zeer talrijk maken. Twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk maken.** Brontekst: וּֽלְיִשְׁמָעֵ֘אל (uleyishmael) = en wat Ismaël betreft | שְׁמַעְתִּיךָ֒ (shematikha) = heb Ik je gehoord | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | בֵּרַ֣כְתִּי (berakhti) = heb Ik gezegend | אֹת֗וֹ (oto) = hem | וְהִפְרֵיתִ֥י (vehifreiti) = en Ik zal vruchtbaar maken | אֹת֛וֹ (oto) = hem | וְהִרְבֵּיתִ֥י (vehirbeiti) = en Ik zal vermenigvuldigen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בִּמְאֹ֣ד (bimod) = zeer | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | שְׁנֵים (sheneim) = twee | עָשָׂ֤ר (asar) = tien | נְשִׂיאִם֙ (nesiim) = vorsten | יוֹלִ֔יד (yolid) = zal hij verwekken | וּנְתַתִּ֖יו (unetativ) = en Ik zal hem maken | לְג֥וֹי (legoy) = tot een volk | גָּדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשִׂיאִם (nesi’im), ‘vorsten’: de twaalf worden genoemd in 25:13–16. Zie 25:13. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:20 heeft het antwoord van Elohim over Ismaël, maar noemt de twaalf vorsten niet. Zie ook: Gen 16:10–12; Gen 21:13; Gen 21:18; Gen 25:12–18; Gen 25:13–16; Jub 15:20 **17:21** **Maar Mijn verbond zal Ik oprichten met Isaak, die Sarah je zal baren op deze vastgestelde tijd, volgend jaar.”** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בְּרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | אָקִ֣ים (aqim) = zal Ik oprichten | אֶת (et) = met | יִצְחָ֑ק (yitschaq) = Isaak | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | תֵּלֵ֨ד (teled) = zal baren | לְךָ֤ (lekha) = aan jou | שָׂרָה֙ (sara) = Sarah | לַמּוֹעֵ֣ד (lamoed) = op de vastgestelde tijd | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | בַּשָּׁנָ֖ה (bashana) = in het jaar | הָאַחֶֽרֶת (haacheret) = volgende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַמּוֹעֵד (lamo’ed), ‘op de vastgestelde tijd’, zoals in 18:14 (zie 18:14). בַּשָּׁנָה הָאַחֶרֶת (bashanah ha’acheret), ‘in het volgende jaar’. Zie 21:2. Zie ook: Gen 18:10; Gen 18:14; Gen 21:2–3; Gen 26:2–5; Jub 15:21; Gal 3:29; Rom 9:5–6 **17:22** Toen Hij klaar was met spreken met hem, ging Elohim van Abraham omhoog. Brontekst: וַיְכַ֖ל (vaykhal) = en Hij maakte een einde | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = aan het spreken | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | וַיַּ֣עַל (vayaal) = en Hij ging omhoog | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | מֵעַ֖ל (meal) = van boven | אַבְרָהָֽם (avraham) = Abraham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּעַל אֱלֹהִים מֵעַל אַבְרָהָם (vaya’al Elohim me’al Avraham), ‘Elohim ging van Abraham omhoog’: het einde van de verschijning. Vergelijk 35:13. Zie ook: Gen 18:33; Gen 35:9–15; Gen 35:13; Jub 15:22; Ex 20:22; Num 12:6–8; Re 13:20 ### Abraham besnijdt zijn huis **17:23** Abraham nam zijn zoon Ismaël, al wie in zijn huis geboren was en al wie met zijn geld gekocht was, alles wat mannelijk was onder de mannen van het huis van Abraham. Hij besneed het vlees van hun voorhuid op diezelfde dag, zoals Elohim met hem had gesproken. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en hij nam | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִשְׁמָעֵ֣אל (yishmael) = Ismaël | בְּנ֗וֹ (beno) = zijn zoon | וְאֵ֨ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | יְלִידֵ֤י (yelidei) = geborenen van | בֵיתוֹ֙ (beito) = zijn huis | וְאֵת֙ (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | מִקְנַ֣ת (miqnat) = gekochten met | כַּסְפּ֔וֹ (kaspo) = zijn geld | כָּל (kal) = alles | זָכָ֕ר (zakhar) = mannelijk | בְּאַנְשֵׁ֖י (beanshei) = onder de mannen van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | וַיָּ֜מָל (vayamal) = en hij besneed | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּשַׂ֣ר (besar) = vlees van | עָרְלָתָ֗ם (arelatam) = hun voorhuid | בְּעֶ֨צֶם֙ (beetsem) = op het zelfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = had gesproken | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּעֶצֶם הַיּוֹם הַזֶּה (be’etsem hayom hazeh), ‘op diezelfde dag’: Abraham stelt het niet uit (vergelijk 7:13). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 15:23–24 heeft dit ook. Zie ook: Gen 7:13; Gen 17:10–14; Gen 17:26–27; Gen 18:19; Jub 15:23–24; Ps 119:60; Spr 27:1 **17:24** Abraham was 99 jaar oud toen hij besneden werd, in het vlees van zijn voorhuid. Brontekst: וְאַ֨בְרָהָ֔ם (veavraham) = en Abraham | בֶּן (ben) = zoon van | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | וָתֵ֖שַׁע (vatesha) = en negen | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | בְּהִמֹּל֖וֹ (behimolo) = bij zijn besneden worden | בְּשַׂ֥ר (besar) = vlees van | עָרְלָתֽוֹ (arelato) = zijn voorhuid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Abraham was 99 (vers 1); Ismaël was dertien, want hij werd geboren toen Abram 86 was (zie 16:16). Zie ook: Gen 12:4; Gen 16:16; Gen 17:1; Gen 17:17; Jub 15:24; Rom 4:11; Rom 4:19–20 **17:25** En zijn zoon Ismaël was 13 jaar oud toen hij besneden werd, in het vlees van zijn voorhuid. Brontekst: וְיִשְׁמָעֵ֣אל (veyishmael) = en Ismaël | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | בְּהִ֨מֹּל֔וֹ (behimolo) = bij zijn besneden worden | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּשַׂ֥ר (besar) = vlees van | עָרְלָתֽוֹ (arelato) = zijn voorhuid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 15:24 **17:26** Op diezelfde dag werden Abraham en zijn zoon Ismaël besneden. Brontekst: בְּעֶ֨צֶם֙ (beetsem) = op het zelfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | נִמּ֖וֹל (nimol) = werd besneden | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | וְיִשְׁמָעֵ֖אל (veyishmael) = en Ismaël | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:4; Gen 22:3–4; Jub 15:24; Ps 119:60 **17:27** En alle mannen van zijn huis, wie in het huis geboren was en wie met geld van een vreemde gekocht was, werden met hem besneden. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | בֵיתוֹ֙ (beito) = zijn huis | יְלִ֣יד (yelid) = geborene van | בָּ֔יִת (bayit) = het huis | וּמִקְנַת (umiqnat) = en gekochte met | כֶּ֖סֶף (kesef) = geld | מֵאֵ֣ת (meet) = van | בֶּן (ben) = zoon van | נֵכָ֑ר (nekhar) = een vreemde | נִמֹּ֖לוּ (nimolu) = werden besneden | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:19; Jub 15:24 ## Genesis 18 _Yahweh bij de eiken van Mamre_ ### Drie bezoekers bij Mamre **18:1** Yahweh verscheen aan Abraham bij de eiken van Mamre. Abraham zat in de opening van zijn tent, toen de dag op zijn heetst was. Brontekst: וַיֵּרָ֤א (vayera) = en hij verscheen | אֵלָיו֙ (elav) = aan hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּאֵלֹנֵ֖י (beelonei) = bij de eiken van | מַמְרֵ֑א (mamre) = Mamre | וְה֛וּא (vehu) = en hij | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = zittend | פֶּֽתַח (petach) = ingang van | הָאֹ֖הֶל (haohel) = de tent | כְּחֹ֥ם (kechom) = in de hitte van | הַיּֽוֹם (hayom) = de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: מַמְרֵא (Mamre) lag bij Hebron (nu Al-Chalil, Westelijke Jordaanoever); de plek wordt gewoonlijk gezocht bij Ramat al-Chalil, zo’n 3 km ten noorden van de stad. Voetnoot Uitleg: אֵלֹנֵי מַמְרֵא (elonei Mamre): ‘de eiken van Mamre’, of: terebinten. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 16:1 en Jasher 18:4 zeggen dat de drie bezoekers engelen waren. Zie ook: Gen 13:18; Gen 14:13; Gen 17:22; Gen 48:3; Jub 16:1; Jas 18:4; Hand 7:2 **18:2** Abraham keek op en zag, en zie: drie mannen stonden vlak bij hem. Zodra hij ze zag, rende hij vanuit de tentopening naar hen toe en wierp zich voor hen neer op de grond. Brontekst: וַיִּשָּׂ֤א (vayisa) = en hij sloeg op | עֵינָיו֙ (einav) = zijn ogen | וַיַּ֔רְא (vayar) = en hij zag | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | נִצָּבִ֖ים (nitsavim) = staand | עָלָ֑יו (alav) = bij hem | וַיַּ֗רְא (vayar) = en hij zag | וַיָּ֤רָץ (vayarats) = en hij rende | לִקְרָאתָם֙ (liqratam) = hun tegemoet | מִפֶּ֣תַח (mipetach) = van de ingang van | הָאֹ֔הֶל (haohel) = de tent | וַיִּשְׁתַּ֖חוּ (vayishtachu) = en hij boog zich neer | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:22; Gen 19:1; Gen 23:7; Jas 18:4; Re 13:3; Heb 13:2 **18:3** Abraham zei: „Mijn Heer, als ik gunst in Uw ogen gevonden heb, ga dan toch niet aan Uw dienaar voorbij. Brontekst: וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | אֲדֹנָ֗י (adonay) = mijn Heer | אִם (im) = als | נָ֨א (na) = toch | מָצָ֤אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵן֙ (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = in Uw ogen | אַל (al) = niet | נָ֥א (na) = toch | תַעֲבֹ֖ר (taavor) = ga voorbij | מֵעַ֥ל (meal) = van bij | עַבְדֶּֽךָ (avdekha) = Uw dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), in de Masoretische tekst gepunteerd als aanspreekvorm voor Elohim (zo ook vers 27 en 30–32). Vers 3 richt zich tot één persoon, vers 4–5 tot alle drie. Hoofdletter-U in vers 3–5 omdat Yahweh een van de drie is; de twee anderen zijn engelen. Dit is een keuze. Zie ook: Gen 18:4–5; Gen 18:27; Gen 18:30; Gen 32:5; Jas 18:5 **18:4** Laat er een beetje water gehaald worden. Dan kunt U Uw voeten wassen en uitrusten onder de boom. Brontekst: יֻקַּֽח (yuqach) = laat gehaald worden | נָ֣א (na) = toch | מְעַט (meat) = een beetje | מַ֔יִם (mayim) = water | וְרַחֲצ֖וּ (verachatsu) = en wast | רַגְלֵיכֶ֑ם (ragleikhem) = Uw voeten | וְהִֽשָּׁעֲנ֖וּ (vehishaanu) = en rust uit | תַּ֥חַת (tachat) = onder | הָעֵֽץ (haets) = de boom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:2; Gen 24:32; Gen 43:24; 1 Sam 25:41; Luc 7:44 **18:5** Ik haal intussen een stuk brood, zodat U op krachten komt. Daarna kunt U verder, want daarom bent U immers bij Uw dienaar langsgekomen.” Zij zeiden: „Doe zoals je gezegd hebt.” Brontekst: וְאֶקְחָ֨ה (veeqcha) = en ik zal halen | פַת (pat) = een stuk | לֶ֜חֶם (lechem) = brood | וְסַעֲד֤וּ (vesaadu) = en sterkt | לִבְּכֶם֙ (libekhem) = Uw hart | אַחַ֣ר (achar) = daarna | תַּעֲבֹ֔רוּ (taavoru) = gaat U verder | כִּֽי (ki) = want | עַל (al) = daarom | כֵּ֥ן (ken) = daarom | עֲבַרְתֶּ֖ם (avartem) = bent U gekomen | עַֽל (al) = bij | עַבְדְּכֶ֑ם (avdekhem) = Uw dienaar | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en ze zeiden | כֵּ֥ן (ken) = zo | תַּעֲשֶׂ֖ה (taase) = doe maar | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבַּֽרְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סַעֲדוּ לִבְּכֶם (sa’adu libbekhem), letterlijk: ‘om jullie hart te sterken’. Het antwoord van de drie samen is niet rood: daar spreken ook de twee engelen mee. Zie ook: Gen 19:8; Re 6:18; Re 13:15; Ps 104:15; Mat 6:11 **18:6** Abraham haastte zich de tent in, naar Sarah, en zei: „Vlug, neem drie maten meel, het fijnste, kneed het en bak er ronde broden van.” Brontekst: וַיְמַהֵ֧ר (vaymaher) = en hij haastte zich | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | הָאֹ֖הֱלָה (haohela) = naar de tent | אֶל (el) = naar | שָׂרָ֑ה (sara) = Sarah | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | מַהֲרִ֞י (mahari) = haast je | שְׁלֹ֤שׁ (shelosh) = drie | סְאִים֙ (seim) = maten | קֶ֣מַח (qemach) = meel | סֹ֔לֶת (solet) = fijn meel | ל֖וּשִׁי (lushi) = kneed | וַעֲשִׂ֥י (vaasi) = en maak | עֻגֽוֹת (ugot) = broden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een סְאָה (se’a) is ongeveer 7 tot 8 liter, dus drie maten is ongeveer 22 liter: een grote hoeveelheid. Zie ook: Jas 18:7; Mat 13:33; Luc 10:38–40; Gal 5:13; Rom 12:13; 1 Petr 4:9 **18:7** Abraham rende naar de kudde, koos een mals en goed kalf en gaf het aan de jongen, die zich haastte het klaar te maken. Brontekst: וְאֶל (veel) = en naar | הַבָּקָ֖ר (habaqar) = de kudde | רָ֣ץ (rats) = rende | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en hij nam | בֶּן (ben) = jong van | בָּקָ֜ר (baqar) = rund | רַ֤ךְ (rakh) = mals | וָטוֹב֙ (vatov) = en goed | וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en hij gaf | אֶל (el) = aan | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | וַיְמַהֵ֖ר (vaymaher) = en hij haastte zich | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te bereiden | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנַּעַר (hanna’ar), ‘de jongen’, is hier de jonge knecht. Voetnoot Aanvullend: Jasher 18:6 noemt hem Eliëzer. Zie ook: Gen 19:3; Jas 18:6; Re 13:15–16; Mal 1:14; Luc 15:23; Luc 15:30 **18:8** Daarna nam hij dikke melk en melk, en het kalf dat klaargemaakt was, en zette het hun voor. Zelf bleef hij onder de boom bij hen staan terwijl zij aten. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en hij nam | חֶמְאָ֜ה (chema) = dikke melk | וְחָלָ֗ב (vechalav) = en melk | וּבֶן (uven) = en jong van | הַבָּקָר֙ (habaqar) = het rund | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשָׂ֔ה (asa) = hij had bereid | וַיִּתֵּ֖ן (vayiten) = en hij zette voor | לִפְנֵיהֶ֑ם (lifneihem) = hen | וְהֽוּא (vehu) = en hij | עֹמֵ֧ד (omed) = staand | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = bij hen | תַּ֥חַת (tachat) = onder | הָעֵ֖ץ (haets) = de boom | וַיֹּאכֵֽלוּ (vayokhelu) = en ze aten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶמְאָה (chem’ah), ‘dikke melk’. Het woord is onzeker: ook ‘room’ of ‘boter’ is mogelijk. Zie ook: Gen 19:3; Jas 18:8; Neh 12:44; Luc 17:8; Hand 10:41; Openb 3:20 ### De belofte van een zoon **18:9** Zij vroegen hem: „Waar is Sarah, je vrouw?” Abraham zei: „Daar, in de tent.” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeiden | אֵׄלָׄ֔יׄוׄ (elav) = tot hem | אַיֵּ֖ה (aye) = waar | שָׂרָ֣ה (sara) = Sarah | אִשְׁתֶּ֑ךָ (ishtekha) = je vrouw | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | בָאֹֽהֶל (baohel) = in de tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:9; Gen 24:67; Gen 31:33; Jas 18:9; Tit 2:5 **18:10** Een van hen zei: **„Ik kom zeker bij je terug, wanneer de tijd van het leven aanbreekt, en dan heeft Sarah, je vrouw, een zoon.”** Sarah stond te luisteren bij de tentopening, die achter Hem lag. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en Hij zei | שׁ֣וֹב (shov) = terugkeren | אָשׁ֤וּב (ashuv) = Ik zal terugkeren | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = naar je | כָּעֵ֣ת (kaet) = op de tijd | חַיָּ֔ה (chaya) = levend | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | בֵ֖ן (ben) = een zoon | לְשָׂרָ֣ה (lesara) = voor Sarah | אִשְׁתֶּ֑ךָ (ishtekha) = je vrouw | וְשָׂרָ֥ה (vesara) = en Sarah | שֹׁמַ֛עַת (shomaat) = luisterend | פֶּ֥תַח (petach) = ingang van | הָאֹ֖הֶל (haohel) = de tent | וְה֥וּא (vehu) = en Hij | אַחֲרָֽיו (acharav) = achter Hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּעֵת חַיָּה (ka’et chayah) is een onzekere uitdrukking; meestal opgevat als ‘volgend jaar om deze tijd’ (vgl. Gen. 17:21). ‘Een van hen’ is Yahweh (zie vers 13). ‘Achter Hem’: het Hebreeuws heeft alleen ‘achter hem’, de spreker. Zie ook: Gen 17:16; Gen 17:19; Gen 17:21; Gen 18:13; Gen 21:2; Jub 16:1; Jub 16:4; Jas 18:9; Rom 9:8–9 **18:11** Abraham en Sarah waren oud, hoogbejaard; het ging Sarah niet meer zoals het vrouwen gewoonlijk gaat. Brontekst: וְאַבְרָהָ֤ם (veavraham) = en Abraham | וְשָׂרָה֙ (vesara) = en Sarah | זְקֵנִ֔ים (zeqenim) = oud | בָּאִ֖ים (baim) = gevorderd | בַּיָּמִ֑ים (bayamim) = in dagen | חָדַל֙ (chadal) = opgehouden | לִהְי֣וֹת (lihyot) = te zijn | לְשָׂרָ֔ה (lesara) = voor Sarah | אֹ֖רַח (orach) = gewoonte | כַּנָּשִֽׁים (kanashim) = zoals vrouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:17; Luc 1:36; Rom 4:18–21; Heb 11:11–12; Heb 11:19 **18:12** Sarah lachte in zichzelf en zei: „Nu ik versleten ben, zou ik nog genot kennen? En mijn heer is oud!” Brontekst: וַתִּצְחַ֥ק (vatitschaq) = en ze lachte | שָׂרָ֖ה (sara) = Sarah | בְּקִרְבָּ֣הּ (beqirbah) = in haar binnenste | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אַחֲרֵ֤י (acharei) = nadat | בְלֹתִי֙ (beloti) = vergaan zijn | הָֽיְתָה (hayeta) = is geweest | לִּ֣י (li) = voor mij | עֶדְנָ֔ה (edna) = genot | וַֽאדֹנִ֖י (vadoni) = en mijn heer | זָקֵֽן (zaqen) = oud is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: Sarah noemt Abraham zo; vgl. 1 Petr. 3:6. Zie ook: Gen 17:17; Gen 18:13; Gen 21:6–7; Jub 16:2; Luc 1:18–20; 1 Petr 3:6 **18:13** Yahweh zei tegen Abraham: **„Waarom lachte Sarah en zei: ‘Zal ik werkelijk baren, nu ik oud ben?’** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | לָ֣מָּה (lama) = waarom | זֶּה֩ (ze) = dit | צָחֲקָ֨ה (tsachaqa) = lachte | שָׂרָ֜ה (sara) = Sarah | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | הַאַ֥ף (haaf) = zal ik werkelijk | אֻמְנָ֛ם (umnam) = inderdaad | אֵלֵ֖ד (eled) = baren | וַאֲנִ֥י (vaani) = terwijl ik | זָקַֽנְתִּי (zaqanti) = oud ben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 16:2; Joh 2:25 **18:14** **Is er iets te wonderlijk voor Yahweh? Op de vastgestelde tijd kom Ik bij je terug, wanneer de tijd van het leven aanbreekt, en dan heeft Sarah een zoon.”** Brontekst: הֲיִפָּלֵ֥א (hayipale) = is te wonderbaarlijk | מֵיְהוָ֖ה (meYahweh) = voor Yahweh | דָּבָ֑ר (davar) = iets | לַמּוֹעֵ֞ד (lamoed) = op de vastgestelde tijd | אָשׁ֥וּב (ashuv) = Ik zal terugkeren | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = naar je | כָּעֵ֥ת (kaet) = op de tijd | חַיָּ֖ה (chaya) = levend | וּלְשָׂרָ֥ה (ulesara) = en voor Sarah | בֵֽן (ben) = een zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 84:3; Jub 16:2; Jer 32:27; Mat 19:26; Mar 10:27; Luc 1:37; Ef 3:20 **18:15** Sarah ontkende het: „Ik heb niet gelachen”, want ze was bang. Maar Hij zei: **„Nee, je hebt wel gelachen.”** Brontekst: וַתְּכַחֵ֨שׁ (vatekhachesh) = en ze ontkende | שָׂרָ֧ה (sara) = Sarah | לֵאמֹ֛ר (lemor) = zeggend | לֹ֥א (lo) = niet | צָחַ֖קְתִּי (tsachaqti) = ik heb gelachen | כִּ֣י (ki) = want | יָרֵ֑אָה (yarea) = ze was bang | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לֹ֖א (lo) = nee | כִּ֥י (ki) = maar | צָחָֽקְתְּ (tsachaqt) = je hebt gelachen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 16:2–3; Ps 44:22; Spr 12:19; Spr 28:13; Ef 4:23; 1 Joh 1:8 ### Yahweh en Sodom **18:16** De mannen stonden op en keken van daar neer op Sodom. Abraham liep met hen mee om hen uit te geleiden. Brontekst: וַיָּקֻ֤מוּ (vayaqumu) = en ze stonden op | מִשָּׁם֙ (misham) = vanaf daar | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | וַיַּשְׁקִ֖פוּ (vayashqifu) = en ze keken uit | עַל (al) = over | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | סְדֹ֑ם (sedom) = Sodom | וְאַ֨בְרָהָ֔ם (veavraham) = en Abraham | הֹלֵ֥ךְ (holekh) = gaand | עִמָּ֖ם (imam) = met hen | לְשַׁלְּחָֽם (leshalecham) = om hen uit te laten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: סְדֹם (Sodom) lag waarschijnlijk in de Jordaanvallei, ten noorden van de Dode Zee (anderen zoeken het ten zuiden van de Dode Zee). De precieze plek is onzeker; voorgesteld wordt Tall el-Hammam. Zie ook: Hand 15:3; Hand 20:38; Hand 21:5; Rom 15:24; 3 Joh 1:6 **18:17** Yahweh zei: **„Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik op het punt sta te doen?** Brontekst: וַֽיהֹוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | אָמָ֑ר (amar) = zei | הַֽמְכַסֶּ֤ה (hamkhase) = zal Ik verbergen | אֲנִי֙ (ani) = Ik | מֵֽאַבְרָהָ֔ם (meavraham) = voor Abraham | אֲשֶׁ֖ר (asher) = wat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | עֹשֶֽׂה (ose) = doe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:24; Ps 25:14; Amos 3:7; Joh 15:15; Jak 2:23 **18:18** **Abraham zal immers zeker een groot en machtig volk worden, en alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.** Brontekst: וְאַ֨בְרָהָ֔ם (veavraham) = en Abraham | הָי֧וֹ (hayo) = zijn | יִֽהְיֶ֛ה (yihye) = zal worden | לְג֥וֹי (legoy) = tot een volk | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | וְעָצ֑וּם (veatsum) = en machtig | וְנִ֨בְרְכוּ (venivrekhu) = en zullen gezegend worden | ב֔וֹ (bo) = in hem | כֹּ֖ל (kol) = alle | גּוֹיֵ֥י (goyei) = volken van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:2–3; Gen 22:17–18; Gen 26:4; Gal 3:8; Gal 3:14 **18:19** **Want Ik heb hem gekend: hij zal zijn zonen en zijn huis na hem opdragen de weg van Yahweh te bewaren door gerechtigheid en recht te doen. Zo laat Yahweh over Abraham komen wat Hij over hem gesproken heeft.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | יְדַעְתִּ֗יו (yedativ) = Ik heb hem gekend | לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יְצַוֶּ֜ה (yetsave) = hij zal bevelen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בָּנָ֤יו (banav) = zijn zonen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בֵּיתוֹ֙ (beito) = zijn huis | אַחֲרָ֔יו (acharav) = na hem | וְשָֽׁמְרוּ֙ (veshameru) = en ze zullen bewaren | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | צְדָקָ֖ה (tsedaqa) = gerechtigheid | וּמִשְׁפָּ֑ט (umishpat) = en recht | לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | הָבִ֤יא (havi) = brengt | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = over | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | אֵ֥ת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁר (asher) = wat | דִּבֶּ֖ר (diber) = Hij heeft gesproken | עָלָֽיו (alav) = over hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְדַעְתִּיו (yedatiw), ‘Ik heb hem gekend’, kan hier ‘uitgekozen’ betekenen; vgl. Amos 3:2 en Jer. 1:5. Zie ook: Deut 4:9–10; Deut 6:6–7; Amos 3:2; Jer 1:5; Ef 6:4; 1 Tim 3:4–5; 2 Tim 3:15 **18:20** Yahweh zei: **„De noodkreet over Sodom en Gomorra is werkelijk groot, en hun zonde is zeer zwaar.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | זַעֲקַ֛ת (zaaqat) = noodkreet van | סְדֹ֥ם (sedom) = Sodom | וַעֲמֹרָ֖ה (vaamora) = en Gomorra | כִּי (ki) = want | רָ֑בָּה (raba) = is groot | וְחַ֨טָּאתָ֔ם (vechatatam) = en hun zonde | כִּ֥י (ki) = want | כָבְדָ֖ה (kaveda) = is zwaar | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: עֲמֹרָה (Amora; in de tekst: Gomorra): de ligging is onbekend; het lag in dezelfde streek als Sodom, waarschijnlijk in de Jordaanvallei ten noorden van de Dode Zee (anderen zoeken het ten zuiden ervan). Voetnoot Aanvullend: Jasher 19:1 noemt vier rechters voor Sodom, Gomorra, Adma en Zeboïm (Sarak, Sarkar, Zebanak en Menon); Genesis noemt hen niet. Zie ook: Gen 4:10; Gen 13:13; Gen 19:13; Jub 16:5; Jas 18:11; Jas 19:1; Jes 3:9; Ezech 16:49–50 **18:21** **Ik daal nu af om te zien of zij het helemaal zo gedaan hebben als de noodkreet die tot Mij gekomen is. En zo niet, dan weet Ik het.”** Brontekst: אֵֽרֲדָה (erada) = laat Mij afdalen | נָּ֣א (na) = toch | וְאֶרְאֶ֔ה (veere) = en laat Mij zien | הַכְּצַעֲקָתָ֛הּ (haketsaaqatah) = is het naar haar noodkreet | הַבָּ֥אָה (habaa) = die gekomen is | אֵלַ֖י (elay) = tot Mij | עָשׂ֣וּ (asu) = hebben ze gedaan | כָּלָ֑ה (kala) = helemaal | וְאִם (veim) = en zo | לֹ֖א (lo) = niet | אֵדָֽעָה (edaa) = laat Mij het weten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּלָה (kalah) kan ‘helemaal’ of ‘tot vernietiging’ betekenen. Wij vertalen ‘helemaal’. Zie ook: Gen 11:5; Jub 16:5; Ex 3:8; Ex 33:5; Joz 22:22; Jer 17:10 ### Abraham pleit voor Sodom **18:22** De mannen keerden zich daarvandaan en gingen naar Sodom, maar Abraham bleef nog staan voor Yahweh. Brontekst: וַיִּפְנ֤וּ (vayifnu) = en ze keerden zich | מִשָּׁם֙ (misham) = vandaar | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en ze gingen | סְדֹ֑מָה (sedoma) = naar Sodom | וְאַ֨בְרָהָ֔ם (veavraham) = en Abraham | עוֹדֶ֥נּוּ (odenu) = nog | עֹמֵ֖ד (omed) = staand | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: Een van de תִּקּוּנֵי סוֹפְרִים (tikkune soferim), scribale correcties. De oorspronkelijke lezing was waarschijnlijk: ‘Yahweh bleef nog staan voor Abraham.’ Zie ook: Gen 19:1; Ps 106:23; Ezech 22:30; Hand 7:55; 1 Tim 2:1 **18:23** Abraham kwam naderbij en zei: „Zult U een rechtvaardige samen met een goddeloze wegvagen? Brontekst: וַיִּגַּ֥שׁ (vayigash) = en hij trad naderbij | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | הַאַ֣ף (haaf) = zult U werkelijk | תִּסְפֶּ֔ה (tispe) = wegvagen | צַדִּ֖יק (tsadiq) = een rechtvaardige | עִם (im) = met | רָשָֽׁע (rasha) = een goddeloze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:4; Num 16:22; 2 Sam 24:17; Ps 11:4–7; Rom 3:5–6 **18:24** Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad. Zult U dan toch wegvagen, en de plaats niet vergeven omwille van de vijftig rechtvaardigen die erin zijn? Brontekst: אוּלַ֥י (ulay) = misschien | יֵ֛שׁ (yesh) = zijn er | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | צַדִּיקִ֖ם (tsadiqim) = rechtvaardigen | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | הַאַ֤ף (haaf) = zult U werkelijk | תִּסְפֶּה֙ (tispe) = wegvagen | וְלֹא (velo) = en niet | תִשָּׂ֣א (tisa) = vergeven | לַמָּק֔וֹם (lamaqom) = aan de plaats | לְמַ֛עַן (lemaan) = omwille van | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | הַצַּדִּיקִ֖ם (hatsadiqim) = de rechtvaardigen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּקִרְבָּֽהּ (beqirbah) = in haar midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂא (nasa) betekent letterlijk ‘dragen’ en ook ‘vergeven’. Hetzelfde woord staat in vers 26. Zie ook: Gen 18:26; Gen 18:32; Jes 1:9; Jer 5:1; Mat 7:13–14; Hand 27:24 **18:25** Het is ondenkbaar dat U zoiets doet: een rechtvaardige doden samen met een goddeloze, zodat het de rechtvaardige vergaat als de goddeloze. Dat is ondenkbaar! Zou de Rechter van heel de aarde geen recht doen?” Brontekst: חָלִ֨לָה (chalila) = ver zij het | לְּךָ֜ (lekha) = van U | מֵעֲשֹׂ֣ת (measot) = om te doen | כַּדָּבָ֣ר (kadavar) = zoals de zaak | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | לְהָמִ֤ית (lehamit) = om te doden | צַדִּיק֙ (tsadiq) = een rechtvaardige | עִם (im) = met | רָשָׁ֔ע (rasha) = een goddeloze | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en dat zou zijn | כַצַּדִּ֖יק (katsadiq) = als de rechtvaardige | כָּרָשָׁ֑ע (karasha) = als de goddeloze | חָלִ֣לָה (chalila) = ver zij het | לָּ֔ךְ (lakh) = van U | הֲשֹׁפֵט֙ (hashofet) = zou de rechter van | כָּל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | לֹ֥א (lo) = niet | יַעֲשֶׂ֖ה (yaase) = doen | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 8:3; Job 8:20; Deut 32:4; Ps 58:12; Jes 3:10–11 **18:26** Yahweh zei: **„Als Ik in Sodom, in de stad, vijftig rechtvaardigen vind, dan zal Ik de hele plaats vergeven omwille van hen.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | אֶמְצָ֥א (emtsa) = Ik vind | בִסְדֹ֛ם (bisdom) = in Sodom | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | צַדִּיקִ֖ם (tsadiqim) = rechtvaardigen | בְּת֣וֹךְ (betokh) = in het midden van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וְנָשָׂ֥אתִי (venasati) = dan zal Ik vergeven | לְכָל (lekhal) = aan heel | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | בַּעֲבוּרָֽם (baavuram) = om hunnentwil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie ook: Jes 6:13; Jes 65:8; Jer 5:1; Ezech 22:30; Mat 24:22 **18:27** Abraham antwoordde: „Zie, ik heb het gewaagd tot mijn Heer te spreken, ik die stof en as ben. Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en hij antwoordde | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֤א (na) = toch | הוֹאַ֨לְתִּי֙ (hoalti) = ik heb het gewaagd | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = te spreken | אֶל (el) = tot | אֲדֹנָ֔י (adonay) = mijn Heer | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en ik | עָפָ֥ר (afar) = stof | וָאֵֽפֶר (vaefer) = en as Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 3:19; Job 30:19; Jes 6:5; Luc 5:8; 1 Kor 15:47–48 **18:28** Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf. Zult U om die vijf de hele stad vernietigen?” Hij zei: **„Ik zal haar niet vernietigen als Ik er vijfenveertig vind.”** Brontekst: א֠וּלַי (ulay) = misschien | יַחְסְר֞וּן (yachserun) = ontbreken er | חֲמִשִּׁ֤ים (chamishim) = vijftig | הַצַּדִּיקִם֙ (hatsadiqim) = de rechtvaardigen | חֲמִשָּׁ֔ה (chamisha) = vijf | הֲתַשְׁחִ֥ית (hatashchit) = zult U verderven | בַּחֲמִשָּׁ֖ה (bachamisha) = om de vijf | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | אַשְׁחִ֔ית (ashchit) = Ik zal verderven | אִם (im) = als | אֶמְצָ֣א (emtsa) = Ik vind | שָׁ֔ם (sham) = daar | אַרְבָּעִ֖ים (arbaim) = veertig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In vers 28–32 staat in het Hebreeuws alleen ‘hij zei’; de namen zijn toegevoegd voor de leesbaarheid. Zie ook: Gen 18:26; Gen 18:29; Job 23:3–4; Num 14:17–19; 1 Kon 20:32–33 **18:29** Abraham ging nog verder en zei tegen Hem: „Misschien worden er veertig gevonden.” Hij zei: **„Dan zal Ik het niet doen, omwille van de veertig.”** Brontekst: וַיֹּ֨סֶף (vayosef) = en hij ging voort | ע֜וֹד (od) = nog | לְדַבֵּ֤ר (ledaber) = te spreken | אֵלָיו֙ (elav) = tot Hem | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en hij zei | אוּלַ֛י (ulay) = misschien | יִמָּצְא֥וּן (yimatseun) = worden gevonden | שָׁ֖ם (sham) = daar | אַרְבָּעִ֑ים (arbaim) = veertig | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | אֶֽעֱשֶׂ֔ה (eese) = Ik zal doen | בַּעֲב֖וּר (baavur) = omwille van | הָאַרְבָּעִֽים (haarbaim) = de veertig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ef 6:18; Heb 4:16 **18:30** Abraham zei: „Laat mijn Heer toch niet kwaad worden als ik spreek. Misschien worden er dertig gevonden.” Hij zei: **„Ik zal het niet doen als Ik er dertig vind.”** Brontekst: וַ֠יֹּאמֶר (vayomer) = en hij zei | אַל (al) = niet | נָ֞א (na) = toch | יִ֤חַר (yichar) = moge branden | לַֽאדֹנָי֙ (ladonay) = voor mijn Heer | וַאֲדַבֵּ֔רָה (vaadabera) = en laat mij spreken | אוּלַ֛י (ulay) = misschien | יִמָּצְא֥וּן (yimatseun) = worden gevonden | שָׁ֖ם (sham) = daar | שְׁלֹשִׁ֑ים (sheloshim) = dertig | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | אֶֽעֱשֶׂ֔ה (eese) = Ik zal doen | אִם (im) = als | אֶמְצָ֥א (emtsa) = Ik vind | שָׁ֖ם (sham) = daar | שְׁלֹשִֽׁים (sheloshim) = dertig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 44:18; Job 40:4; Ps 9:13; Ps 10:17; Jes 55:8–9 **18:31** Abraham zei: „Zie, ik heb het gewaagd tot mijn Heer te spreken. Misschien worden er twintig gevonden.” Hij zei: **„Ik zal niet vernietigen omwille van de twintig.”** Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּֽה (hine) = zie | נָ֤א (na) = toch | הוֹאַ֨לְתִּי֙ (hoalti) = ik heb het gewaagd | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = te spreken | אֶל (el) = tot | אֲדֹנָ֔י (adonay) = mijn Heer | אוּלַ֛י (ulay) = misschien | יִמָּצְא֥וּן (yimatseun) = worden gevonden | שָׁ֖ם (sham) = daar | עֶשְׂרִ֑ים (esrim) = twintig | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | אַשְׁחִ֔ית (ashchit) = Ik zal verderven | בַּעֲב֖וּר (baavur) = omwille van | הָֽעֶשְׂרִֽים (haesrim) = de twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mat 7:11; Luc 11:8; Luc 18:1; Heb 4:16; Heb 10:20–22 **18:32** Abraham zei: „Laat mijn Heer toch niet kwaad worden als ik nog alleen deze ene keer spreek. Misschien worden er tien gevonden.” Hij zei: **„Ik zal niet vernietigen omwille van de tien.”** Brontekst: וַ֠יֹּאמֶר (vayomer) = en hij zei | אַל (al) = niet | נָ֞א (na) = toch | יִ֤חַר (yichar) = moge branden | לַֽאדֹנָי֙ (ladonay) = voor mijn Heer | וַאֲדַבְּרָ֣ה (vaadabera) = en laat mij spreken | אַךְ (akh) = maar | הַפַּ֔עַם (hapaam) = deze keer | אוּלַ֛י (ulay) = misschien | יִמָּצְא֥וּן (yimatseun) = worden gevonden | שָׁ֖ם (sham) = daar | עֲשָׂרָ֑ה (asara) = tien | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en Hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | אַשְׁחִ֔ית (ashchit) = Ik zal verderven | בַּעֲב֖וּר (baavur) = omwille van | הָעֲשָׂרָֽה (haasara) = de tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 6:39; Mi 7:18; Mat 7:7; Jak 5:15–17; 1 Joh 5:15–16 **18:33** Toen Yahweh klaar was met spreken tot Abraham, ging Hij weg. En Abraham keerde terug naar zijn plaats. Brontekst: וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en ging | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = toen | כִּלָּ֔ה (kila) = Hij klaar was | לְדַבֵּ֖ר (ledaber) = met spreken | אֶל (el) = tot | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | וְאַבְרָהָ֖ם (veavraham) = en Abraham | שָׁ֥ב (shav) = keerde terug | לִמְקֹמֽוֹ (limqomo) = naar zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:16; Gen 18:22; Gen 31:55; Gen 32:26 ## Genesis 19 _Sodom en Gomorra worden vernietigd_ ### Twee engelen bij Lot in Sodom **19:1** De twee engelen kwamen 's avonds in Sodom. Lot zat in de poort van Sodom. Toen hij hen zag, stond hij op om hen tegemoet te gaan en wierp zich neer met zijn gezicht op de grond. Brontekst: וַ֠יָּבֹאוּ (vayavou) = en kwamen | שְׁנֵ֨י (shenei) = twee van | הַמַּלְאָכִ֤ים (hamalakhim) = de engelen | סְדֹ֨מָה֙ (sedoma) = naar Sodom | בָּעֶ֔רֶב (baerev) = in de avond | וְל֖וֹט (velot) = en Lot | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = zittend | בְּשַֽׁעַר (beshaar) = in de poort van | סְדֹ֑ם (sedom) = Sodom | וַיַּרְא (vayar) = en hij zag | לוֹט֙ (lot) = Lot | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en hij stond op | לִקְרָאתָ֔ם (liqratam) = hun tegemoet | וַיִּשְׁתַּ֥חוּ (vayishtachu) = en hij boog zich neer | אַפַּ֖יִם (apayim) = gezicht | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Sodom lag in de vlakte van de Jordaan; de precieze plek is niet zeker (zie 13:10; 18:16). Voetnoot Uitleg: הַמַּלְאָכִים (hamal’akhim), ‘de engelen’: de twee bezoekers die in 18:22 naar Sodom gingen. Het woord mal’ak betekent ‘gezant’. בְּשַׁעַר (bash’ar), ‘in de poort’: bij de stadspoort werd recht gesproken en zaken gedaan (zie Deut. 21:19). Voetnoot Aanvullend: Jasher 19:46–47 vertelt dat de engelen na de maaltijd bij Abraham ’s avonds Sodom bereikten en dat Lot hen in huis nam. Zie ook: Gen 13:10; Gen 18:1–5; Gen 18:16; Gen 18:22; Jas 19:46–47; Job 31:32; Deut 21:19; Heb 13:2 **19:2** Hij zei: „Zie toch, mijn heren, kom toch binnen in het huis van uw dienaar. Blijf er slapen en was uw voeten. Dan kunt u morgenvroeg weer verder gaan.” Maar zij zeiden: „Nee, wij blijven de nacht op het plein.” Brontekst: וַיֹּ֜אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֶּ֣ה (hine) = zie | נָּא (na) = toch | אֲדֹנַ֗י (adonay) = mijn heren | ס֣וּרוּ (suru) = wijkt af | נָ֠א (na) = toch | אֶל (el) = naar | בֵּ֨ית (beit) = huis van | עַבְדְּכֶ֤ם (avdekhem) = uw dienaar | וְלִ֨ינוּ֙ (velinu) = en overnacht | וְרַחֲצ֣וּ (verachatsu) = en wast | רַגְלֵיכֶ֔ם (ragleikhem) = uw voeten | וְהִשְׁכַּמְתֶּ֖ם (vehishkamtem) = en staat vroeg op | וַהֲלַכְתֶּ֣ם (vahalakhtem) = en gaat | לְדַרְכְּכֶ֑ם (ledarkekhem) = uw weg | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeiden | לֹּ֔א (lo) = nee | כִּ֥י (ki) = maar | בָרְח֖וֹב (barechov) = op het plein | נָלִֽין (nalin) = wij zullen overnachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנַי (adonay), ‘mijn heren’: de gewone meervoudsvorm, uitgesproken met een a. Lot spreekt hen aan als gasten. In vers 18 staat een andere vorm (zie 19:18). בָרְחוֹב (birchov), ‘op het plein’: de open ruimte bij de poort, waar reizigers overnachtten als niemand hen opnam (zie Richt. 19:15). Zie ook: Gen 18:4; Gen 19:18; Re 19:15; Re 19:17–21; Luc 24:28–29; Hand 16:15; Heb 13:2 **19:3** Lot drong sterk bij hen aan. Ze gingen met hem mee en kwamen in zijn huis. Hij maakte een maaltijd voor hen klaar en bakte ongezuurde broden, en zij aten. Brontekst: וַיִּפְצַר (vayiftsar) = en hij drong aan | בָּ֣ם (bam) = bij hen | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַיָּסֻ֣רוּ (vayasuru) = en ze weken af | אֵלָ֔יו (elav) = naar hem | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en ze kwamen | אֶל (el) = naar | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | מִשְׁתֶּ֔ה (mishte) = maaltijd | וּמַצּ֥וֹת (umatsot) = en ongezuurde broden | אָפָ֖ה (afa) = hij bakte | וַיֹּאכֵֽלוּ (vayokhelu) = en ze aten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמַצּוֹת (matsot), ‘ongezuurde broden’: brood zonder zuurdeeg, dat snel gebakken is (zie Ex. 12:39). Zie ook: Gen 18:6–8; Ex 12:39; Re 6:19; 1 Sam 28:24; Heb 13:2 **19:4** Ze waren nog niet gaan slapen, of de mannen van de stad, de mannen van Sodom, omringden het huis, van jong tot oud, het hele volk, van alle kanten. Brontekst: טֶרֶם֮ (terem) = nog niet | יִשְׁכָּבוּ֒ (yishkavu) = ze gingen liggen | וְאַנְשֵׁ֨י (veanshei) = en de mannen van | הָעִ֜יר (hair) = de stad | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | סְדֹם֙ (sedom) = Sodom | נָסַ֣בּוּ (nasabu) = omringden | עַל (al) = rond | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | מִנַּ֖עַר (minaar) = van jong | וְעַד (vead) = tot | זָקֵ֑ן (zaqen) = oud | כָּל (kal) = heel | הָעָ֖ם (haam) = het volk | מִקָּצֶֽה (miqatse) = van de uiterste rand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: מִקָּצֶה (miqtseh), ‘van de uiterste rand’: de mannen kwamen van alle kanten, uit heel de stad. Voetnoot Aanvullend: Jasher 19:44 noemt de zonden van Sodom. Jubileeën 16:6 noemt de onreinheid van Sodom. Zie ook: Gen 13:13; Gen 18:20; Jub 16:6; Jas 19:44; Ex 23:2; Spr 4:16; Mat 27:20–25 **19:5** Ze riepen Lot en zeiden tegen hem: „Waar zijn de mannen die vannacht bij je gekomen zijn? Breng ze naar buiten, naar ons toe, dan hebben wij gemeenschap met hen.” Brontekst: וַיִּקְרְא֤וּ (vayiqreu) = en ze riepen | אֶל (el) = naar | לוֹט֙ (lot) = Lot | וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en ze zeiden | ל֔וֹ (lo) = tegen hem | אַיֵּ֧ה (aye) = waar | הָאֲנָשִׁ֛ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֥אוּ (bau) = kwamen | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = naar jou | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = vannacht | הוֹצִיאֵ֣ם (hotsiem) = breng ze naar buiten | אֵלֵ֔ינוּ (eleinu) = naar ons | וְנֵדְעָ֖ה (venedea) = opdat we kennen | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנֵדְעָה (venede’ah), ‘dan kunnen wij hen kennen’: yada, ‘kennen’, betekent hier geslachtsgemeenschap, zoals in 4:1. Hier vertaald als ‘gemeenschap hebben met’. De mannen willen de gasten seksueel geweld aandoen. Ezech. 16:49–50 noemt als zonde van Sodom hoogmoed, overvloed en geen hulp aan de arme en behoeftige; Judas 1:7 noemt hun ontucht. Zie ook: Gen 4:1; Lev 18:22; Re 19:22; Jes 3:9; Ezech 16:49–50; Rom 1:26–27; Jud 1:7 **19:6** Lot ging naar buiten, naar hen toe, bij de ingang, en sloot de deur achter zich. Brontekst: וַיֵּצֵ֧א (vayetse) = en hij ging naar buiten | אֲלֵהֶ֛ם (alehem) = naar hen | ל֖וֹט (lot) = Lot | הַפֶּ֑תְחָה (hapetcha) = naar de ingang | וְהַדֶּ֖לֶת (vehadelet) = en de deur | סָגַ֥ר (sagar) = sloot hij | אַחֲרָֽיו (acharav) = achter zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Re 19:23 **19:7** Hij zei: „Mijn broeders, doe toch geen kwaad. Brontekst: וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | אַל (al) = nee | נָ֥א (na) = toch | אַחַ֖י (achay) = mijn broeders | תָּרֵֽעוּ (tareu) = doe kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 18:22; Lev 20:13; Re 19:23; 1 Sam 30:23–24; Hand 17:26 **19:8** Zie toch, ik heb twee dochters die nog nooit gemeenschap met een man gehad hebben. Laat mij hen naar buiten brengen, naar u toe. Doe met hen wat goed is in uw ogen. Maar doe deze mannen niets, want zij zijn onder de schaduw van mijn dak gekomen.” Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | נָ֨א (na) = toch | לִ֜י (li) = voor mij | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | בָנ֗וֹת (banot) = dochters | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָדְעוּ֙ (yadeu) = hebben gekend | אִ֔ישׁ (ish) = man | אוֹצִֽיאָה (otsia) = laat mij naar buiten brengen | נָּ֤א (na) = toch | אֶתְהֶן֙ (ethen) = hen | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = naar u | וַעֲשׂ֣וּ (vaasu) = en doe | לָהֶ֔ן (lahen) = met hen | כַּטּ֖וֹב (katov) = zoals het goed is | בְּעֵינֵיכֶ֑ם (beeineikhem) = in uw ogen | רַ֠ק (raq) = alleen | לָֽאֲנָשִׁ֤ים (laanashim) = aan de mannen | הָאֵל֙ (hael) = deze | אַל (al) = niet | תַּעֲשׂ֣וּ (taasu) = doe | דָבָ֔ר (davar) = iets | כִּֽי (ki) = want | עַל (al) = daarom | כֵּ֥ן (ken) = daarom | בָּ֖אוּ (bau) = zijn gekomen | בְּצֵ֥ל (betsel) = in de schaduw van | קֹרָתִֽי (qorati) = mijn dak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָדְעוּ (yade’u), ‘zij hebben gekend’: hier ook geslachtsgemeenschap, vertaald als ‘gemeenschap gehad hebben’ (zie 19:5). בְּצֵל קֹרָתִי (betsel qorati), ‘in de schaduw van mijn balken’: wie onder iemands dak is, staat onder zijn bescherming. Lot biedt zijn dochters aan; de tekst oordeelt hier niet over. Een vergelijkbaar verhaal staat in Richt. 19:22–25. Zie ook: Gen 18:5; Gen 19:5; Gen 19:31–38; Re 9:15; Re 19:22–25; Re 19:24; Mar 9:6 **19:9** Maar ze zeiden: „Ga opzij!” En ze zeiden: „Die ene is hier als vreemdeling komen wonen, en nu wil hij rechter zijn! Nu zullen wij jou meer kwaad doen dan hun.” Ze drongen hard op tegen Lot en kwamen dichterbij om de deur te breken. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeiden | גֶּשׁ (gesh) = kom naar voren | הָ֗לְאָה (halea) = verder weg | וַיֹּֽאמְרוּ֙ (vayomru) = en ze zeiden | הָאֶחָ֤ד (haechad) = die ene | בָּֽא (ba) = kwam | לָגוּר֙ (lagur) = om te verblijven | וַיִּשְׁפֹּ֣ט (vayishpot) = en hij oordeelt | שָׁפ֔וֹט (shafot) = oordelend | עַתָּ֕ה (ata) = nu | נָרַ֥ע (nara) = zullen we kwaad doen | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | מֵהֶ֑ם (mehem) = dan aan hen | וַיִּפְצְר֨וּ (vayiftseru) = en ze drongen aan | בָאִ֤ישׁ (baish) = op de man | בְּלוֹט֙ (belot) = op Lot | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַֽיִּגְּשׁ֖וּ (vayigeshu) = en ze kwamen dichterbij | לִשְׁבֹּ֥ר (lishbor) = om te breken | הַדָּֽלֶת (hadalet) = de deur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּשְׁפֹּט שָׁפוֹט (vayyishpot shafot), ‘en hij oordeelt, oordelend’: een nadrukkelijke vorm. De mannen verwijten Lot, de vreemdeling (לָגוּר, lagur), dat hij hen de les leest. Lot kwam in Sodom wonen in 13:12 (zie 13:12). Zie ook: Gen 13:12; Ex 2:14; Pred 9:3; Mat 7:6; 2 Petr 2:7–8 **19:10** Maar de mannen in het huis strekten hun hand uit, trokken Lot bij zich naar binnen en sloten de deur. Brontekst: וַיִּשְׁלְח֤וּ (vayishlechu) = en ze strekten uit | הָֽאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = de mannen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יָדָ֔ם (yadam) = hun hand | וַיָּבִ֧יאוּ (vayaviu) = en ze brachten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | ל֛וֹט (lot) = Lot | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = naar hen | הַבָּ֑יְתָה (habayeta) = het huis in | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַדֶּ֖לֶת (hadelet) = de deur | סָגָֽרוּ (sagaru) = ze sloten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **19:11** Zij sloegen de mannen die voor de ingang van het huis stonden met verblinding, van klein tot groot. Die mannen werden moe van het zoeken naar de ingang. Brontekst: וְֽאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָאֲנָשִׁ֞ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | הַבַּ֗יִת (habayit) = het huis | הִכּוּ֙ (hiku) = ze sloegen | בַּסַּנְוֵרִ֔ים (basanverim) = met verblinding | מִקָּטֹ֖ן (miqaton) = van klein | וְעַד (vead) = tot | גָּד֑וֹל (gadol) = groot | וַיִּלְא֖וּ (vayilu) = en ze werden moe | לִמְצֹ֥א (limtso) = om te vinden | הַפָּֽתַח (hapatach) = de ingang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּסַּנְוֵרִים (basanverim), ‘met verblinding’: een zeldzaam woord, dat ook voorkomt in 2 Koningen 6:18 voor het leger van Aram. Het gaat niet om volledige blindheid: de mannen blijven de ingang zoeken. Zie ook: Deut 28:28–29; Pred 10:15; 2 Kon 6:18; Jer 2:36; Hand 13:11 ### De vlucht uit Sodom **19:12** De mannen zeiden tegen Lot: „Wie heb je hier nog meer? Een schoonzoon, je zonen, je dochters, iedereen die van jou is in de stad: breng hen weg van deze plaats. Brontekst: וַיֹּאמְר֨וּ (vayomru) = en ze zeiden | הָאֲנָשִׁ֜ים (haanashim) = de mannen | אֶל (el) = tot | ל֗וֹט (lot) = Lot | עֹ֚ד (od) = nog | מִֽי (mi) = wie | לְךָ֣ (lekha) = voor jou | פֹ֔ה (po) = hier | חָתָן֙ (chatan) = schoonzoon | וּבָנֶ֣יךָ (uvaneikha) = en je zonen | וּבְנֹתֶ֔יךָ (uvenoteikha) = en je dochters | וְכֹ֥ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | בָּעִ֑יר (bair) = in de stad | הוֹצֵ֖א (hotse) = breng weg | מִן (min) = van | הַמָּקֽוֹם (hamaqom) = de plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 7:1; Num 16:26; 2 Petr 2:7; 2 Petr 2:9; Openb 18:4 **19:13** Want wij gaan deze plaats vernietigen. Hun noodkreet is groot geworden voor het aangezicht van Yahweh, en Yahweh heeft ons gezonden om haar te vernietigen.” Brontekst: כִּֽי (ki) = want | מַשְׁחִתִ֣ים (mashchitim) = vernietigers | אֲנַ֔חְנוּ (anachnu) = wij | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּֽי (ki) = want | גָֽדְלָ֤ה (gadela) = is groot geworden | צַעֲקָתָם֙ (tsaaqatam) = hun noodkreet | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְשַׁלְּחֵ֥נוּ (vayshalechenu) = en heeft ons gezonden | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְשַׁחֲתָֽהּ (leshachatah) = om te vernietigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַעֲקָתָם (tsa’aqatam), ‘hun noodkreet’: de roep van wie onrecht lijdt, zoals in 18:20–21 (zie 18:20). מַשְׁחִתִים (mashchitim), ‘vernietigers’: het werkwoord shachat is hetzelfde als in 6:13 en 6:17. Zie ook: Gen 6:13; Gen 6:17; Gen 18:20; Mat 13:49–50; Hand 12:23; Jud 1:7; Openb 16:1–12 **19:14** Lot ging naar buiten en sprak met zijn schoonzoons, die zijn dochters zouden nemen. Hij zei: „Sta op, ga weg van deze plaats, want Yahweh gaat de stad vernietigen!” Maar in de ogen van zijn schoonzoons leek hij te grappen. Brontekst: וַיֵּצֵ֨א (vayetse) = en hij ging naar buiten | ל֜וֹט (lot) = Lot | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en hij sprak | אֶל (el) = tot | חֲתָנָ֣יו (chatanav) = zijn schoonzonen | לֹקְחֵ֣י (loqechei) = die namen van | בְנֹתָ֗יו (benotav) = zijn dochters | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | ק֤וּמוּ (qumu) = sta op | צְּאוּ֙ (tseu) = ga weg | מִן (min) = uit | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | כִּֽי (ki) = want | מַשְׁחִ֥ית (mashchit) = vernietigend is | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיְהִ֥י (vayhi) = en hij was | כִמְצַחֵ֖ק (kimtsacheq) = als een grappenmaker | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | חֲתָנָֽיו (chatanav) = zijn schoonzonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹקְחֵי בְנֹתָיו (loqchei benotav), ‘die zijn dochters zouden nemen’: loqchei is een deelwoord. Anderen lezen ‘die zijn dochters genomen hadden’; dan zouden dit twee andere dochters zijn. כִמְצַחֵק (kimtsacheq), ‘als een grappenmaker’, heeft dezelfde stam als tsachaq in 18:12 (zie 18:12). Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘die zijn dochters zouden nemen’ (verloofd), omdat de dochters volgens vers 8 nog geen man gekend hebben. Zie ook: Gen 18:12; Gen 19:8; Num 16:21; Num 16:26; Num 17:10; 2 Kron 30:10; Jer 51:6 **19:15** Toen de dageraad aanbrak, drongen de engelen bij Lot aan: „Sta op, neem je vrouw en je twee dochters die hier zijn, anders word je weggevaagd in de schuld van de stad.” Brontekst: וּכְמוֹ֙ (ukhemo) = en zoals | הַשַּׁ֣חַר (hashachar) = de dageraad | עָלָ֔ה (ala) = opkwam | וַיָּאִ֥יצוּ (vayaitsu) = en ze drongen aan | הַמַּלְאָכִ֖ים (hamalakhim) = de engelen | בְּל֣וֹט (belot) = op Lot | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | קוּם֩ (qum) = sta op | קַ֨ח (qach) = neem | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | אִשְׁתְּךָ֜ (ishtekha) = je vrouw | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שְׁתֵּ֤י (shetei) = twee van | בְנֹתֶ֨יךָ֙ (benoteikha) = je dochters | הַנִּמְצָאֹ֔ת (hanimtsaot) = de aanwezige | פֶּן (pen) = anders | תִּסָּפֶ֖ה (tisafe) = word je weggevaagd | בַּעֲוֺ֥ן (baavon) = in de schuld van | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּעֲוֺן הָעִיר (ba’avon ha’ir), ‘in de schuld van de stad’: avon is ‘schuld’ en ook ‘de straf voor schuld’. Wie bleef, zou meegesleept worden in het oordeel. Zie ook: Gen 19:22; Num 16:24–27; Spr 6:4–5; Luc 13:24–25; Openb 18:4 **19:16** Hij talmde. Toen namen de mannen hem bij de hand, en ook zijn vrouw en zijn twee dochters, omdat Yahweh medelijden met hem had. Ze brachten hem naar buiten en lieten hem buiten de stad achter. Brontekst: וַֽיִּתְמַהְמָ֓הּ (vayitmahmah) = en hij talmde | וַיַּחֲזִ֨קוּ (vayachaziqu) = en ze grepen | הָאֲנָשִׁ֜ים (haanashim) = de mannen | בְּיָד֣וֹ (beyado) = bij zijn hand | וּבְיַד (uveyad) = en bij de hand van | אִשְׁתּ֗וֹ (ishto) = zijn vrouw | וּבְיַד֙ (uveyad) = en bij de hand van | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee van | בְנֹתָ֔יו (benotav) = zijn dochters | בְּחֶמְלַ֥ת (bechemlat) = in het medelijden van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | עָלָ֑יו (alav) = met hem | וַיֹּצִאֻ֥הוּ (vayotsiuhu) = en ze brachten hem naar buiten | וַיַּנִּחֻ֖הוּ (vayanichuhu) = en ze lieten hem rusten | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לָעִֽיר (lair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּחֶמְלַת יְהוָה עָלָיו (bechemlat Yahweh alav), ‘in het medelijden van Yahweh met hem’: chemlah, ‘medelijden’, komt in het Oude Testament maar twee keer voor (ook Jes. 63:9). Voetnoot Aanvullend: Jasher 19:48–50 vertelt dat de engelen Lot en zijn gezin bij de hand namen en buiten de steden zetten. Zie ook: Jas 19:48–50; Ps 111:4; Jes 63:9; Luc 6:35–36; Joh 6:44; Rom 9:15–16; Tit 3:5 **19:17** Toen ze hen naar buiten hadden gebracht, zei een van hen: „Red je leven! Kijk niet achter je en blijf nergens in de vlakte staan. Vlucht naar het gebergte, anders word je weggevaagd.” Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כְהוֹצִיאָ֨ם (kehotsiam) = toen ze naar buiten brachten | אֹתָ֜ם (otam) = hen | הַח֗וּצָה (hachutsa) = naar buiten | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | הִמָּלֵ֣ט (himalet) = red | עַל (al) = om | נַפְשֶׁ֔ךָ (nafshekha) = je leven | אַל (al) = niet | תַּבִּ֣יט (tabit) = kijk | אַחֲרֶ֔יךָ (achareikha) = achter je | וְאַֽל (veal) = en niet | תַּעֲמֹ֖ד (taamod) = blijf staan | בְּכָל (bekhal) = in heel | הַכִּכָּ֑ר (hakikar) = de vlakte | הָהָ֥רָה (hahara) = naar het gebergte | הִמָּלֵ֖ט (himalet) = red je | פֶּן (pen) = anders | תִּסָּפֶֽה (tisafe) = word je weggevaagd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: הַכִּכָּר (hakikkar), ‘de vlakte’: de vlakte van de Jordaan (zie 13:10). Voetnoot Uitleg: וַיֹּאמֶר (vayomer), ‘hij zei’: het werkwoord staat in het enkelvoud; één van de twee spreekt. Zie ook: Gen 13:10; Gen 19:22; Gen 19:26; Mat 24:16–18; Luc 9:62; Fil 3:13–14 **19:18** Lot zei tegen hen: „Nee, mijn Heer, toch niet. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֖וֹט (lot) = Lot | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | אַל (al) = nee | נָ֖א (na) = toch | אֲדֹנָֽי (adonay) = mijn Heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (adonay), ‘mijn Heer’: hier met de klinkers van de goddelijke aanspreekvorm Adonai, anders dan ‘mijn heren’ in vers 2. Lot spreekt nu in het enkelvoud. Hij richt zich tot degene die namens Yahweh spreekt (zie 18:3). Zie ook: Gen 18:3; Gen 19:2; Gen 32:26; 2 Kon 5:11–12; Jes 45:11; Hand 9:13; Hand 10:14 **19:19** Zie toch, Uw dienaar heeft gunst in Uw ogen gevonden. U hebt mij grote trouw bewezen door mijn leven te sparen. Maar ik kan niet naar het gebergte vluchten. Het onheil zou mij achterhalen en dan sterf ik. Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | נָ֠א (na) = toch | מָצָ֨א (matsa) = heeft gevonden | עַבְדְּךָ֣ (avdekha) = Uw dienaar | חֵן֮ (chen) = gunst | בְּעֵינֶיךָ֒ (beeineikha) = in Uw ogen | וַתַּגְדֵּ֣ל (vatagdel) = en U hebt groot gemaakt | חַסְדְּךָ֗ (chasdekha) = Uw trouw | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | עָשִׂ֨יתָ֙ (asita) = U hebt gedaan | עִמָּדִ֔י (imadi) = met mij | לְהַחֲי֖וֹת (lehachayot) = om in leven te houden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = mijn leven | וְאָנֹכִ֗י (veanokhi) = en ik | לֹ֤א (lo) = niet | אוּכַל֙ (ukhal) = kan | לְהִמָּלֵ֣ט (lehimalet) = om te ontkomen | הָהָ֔רָה (hahara) = naar het gebergte | פֶּן (pen) = anders | תִּדְבָּקַ֥נִי (tidbaqani) = achterhaalt mij | הָרָעָ֖ה (haraa) = het onheil | וָמַֽתִּי (vamati) = en ik sterf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַסְדְּךָ (chasdeka), ‘Uw trouw’: chesed is trouw die uit liefde voortkomt. Hier vertaald als ‘trouw’. Lot erkent dat zijn leven gespaard is. Zie ook: Deut 31:17; Ps 18:2–51; Ps 103:1–22; Mat 8:25–26; 1 Tim 1:14–16 **19:20** Zie toch, die stad is dichtbij om daarheen te vluchten, en ze is klein. Laat mij daarheen ontkomen. Is ze niet klein? Dan blijf ik leven.” Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | נָ֠א (na) = toch | הָעִ֨יר (hair) = de stad | הַזֹּ֧את (hazot) = deze | קְרֹבָ֛ה (qerova) = dichtbij | לָנ֥וּס (lanus) = om te vluchten | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | וְהִ֣יא (vehi) = en zij | מִצְעָ֑ר (mitsar) = klein | אִמָּלְטָ֨ה (imaleta) = laat mij ontkomen | נָּ֜א (na) = toch | שָׁ֗מָּה (shama) = daarheen | הֲלֹ֥א (halo) = is niet | מִצְעָ֛ר (mitsar) = klein | הִ֖וא (hi) = zij | וּתְחִ֥י (utechi) = dan leeft | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Het ligt dicht bij Sodom, want Lot kan er heen vluchten. Voetnoot Uitleg: מִצְעָר (mitsar), ‘klein’: het woord klinkt als de naam Zoar (tsoar) in vers 22. Waar het lag, is onzeker. Zie ook: Gen 12:13; Gen 19:22; Gen 19:30; Ps 119:175; Spr 3:5–7; Amos 3:6 **19:21** Hij zei tegen hem: „Zie, ook in dit opzicht neem ik je verzoek aan: ik zal de stad waarover je sprak niet omkeren. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | הִנֵּה֙ (hine) = zie | נָשָׂ֣אתִי (nasati) = ik heb aangenomen | פָנֶ֔יךָ (paneikha) = jouw gezicht | גַּ֖ם (gam) = ook | לַדָּבָ֣ר (ladavar) = in het woord | הַזֶּ֑ה (haze) = dit | לְבִלְתִּ֛י (levilti) = opdat niet | הָפְכִּ֥י (hafki) = ik omkeer | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָעִ֖יר (hair) = de stad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarover | דִּבַּֽרְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 42:8–9; Ps 34:16; Ps 102:18; Ps 145:19; Mat 12:20 **19:22** Haast je, red je daarheen, want ik kan niets doen voordat je daar aankomt.” Daarom noemde men de naam van de stad Zoar. Brontekst: מַהֵר֙ (maher) = haast je | הִמָּלֵ֣ט (himalet) = red je | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | אוּכַל֙ (ukhal) = ik kan | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | דָּבָ֔ר (davar) = iets | עַד (ad) = totdat | בֹּאֲךָ֖ (boakha) = jouw komst | שָׁ֑מָּה (shama) = daarheen | עַל (al) = daarom | כֵּ֛ן (ken) = daarom | קָרָ֥א (qara) = hij noemde | שֵׁם (shem) = naam van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | צֽוֹעַר (tsoar) = Zoar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Eerder heette de plaats Bela (14:2; zie 14:2). Voetnoot Uitleg: צוֹעַר (tso’ar), ‘Zoar’: de naam is afgeleid van mitsar, ‘klein’ (vers 20). Zie ook: Gen 13:10; Gen 14:2; Gen 19:20; Gen 32:25–28; Ex 32:10; Deut 9:14 **19:23** De zon kwam op over het land toen Lot in Zoar aankwam. Brontekst: הַשֶּׁ֖מֶשׁ (hashemesh) = de zon | יָצָ֣א (yatsa) = ging uit | עַל (al) = over | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְל֖וֹט (velot) = en Lot | בָּ֥א (ba) = kwam | צֹֽעֲרָה (tsoara) = naar Zoar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht. ### Sodom en Gomorra worden vernietigd **19:24** Toen liet Yahweh zwavel en vuur regenen over Sodom en over Gomorra, van Yahweh, uit de hemel. Brontekst: וַֽיהוָ֗ה (vaYahweh) = en Yahweh | הִמְטִ֧יר (himtir) = liet regenen | עַל (al) = over | סְדֹ֛ם (sedom) = Sodom | וְעַל (veal) = en over | עֲמֹרָ֖ה (amora) = Gomorra | גָּפְרִ֣ית (gaferit) = zwavel | וָאֵ֑שׁ (vaesh) = en vuur | מֵאֵ֥ת (meet) = van bij | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִן (min) = uit | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 16:5–6 vertelt dat Yahweh dit oordeel in dezelfde maand uitvoerde waarin de engelen Abraham bezochten. Jasher 19:51–52 vertelt dat Yahweh zwavel en vuur uit de hemel liet regenen. Zie ook: Jub 16:5–6; Jub 36:10; Jas 19:51–52; Deut 29:22; Amos 4:11; Jes 13:19; 2 Petr 2:6; Jud 1:7 **19:25** Hij keerde deze steden om, heel de vlakte, alle bewoners van de steden en wat er op de grond groeide. Brontekst: וַֽיַּהֲפֹךְ֙ (vayahafokh) = en Hij keerde om | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הֶעָרִ֣ים (hearim) = de steden | הָאֵ֔ל (hael) = deze | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | הַכִּכָּ֑ר (hakikar) = de vlakte | וְאֵת֙ (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | הֶעָרִ֔ים (hearim) = de steden | וְצֶ֖מַח (vetsemach) = en het groeiende | הָאֲדָמָֽה (haadama) = van de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּהֲפֹךְ (vayahafokh), ‘en hij keerde om’: het werkwoord haphakh, ‘omkeren’, staat ook in vers 21 en 29 (zie 19:21; 19:29). Zie ook: Gen 13:10; Gen 14:3; Gen 19:21; Gen 19:29; Jub 16:5; Jub 36:10; Ps 107:34 **19:26** Zijn vrouw keek achterom, vanachter hem, en ze werd een zoutpilaar. Brontekst: וַתַּבֵּ֥ט (vatabet) = en ze keek | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | מֵאַחֲרָ֑יו (meacharav) = van achter hem | וַתְּהִ֖י (vatehi) = en ze werd | נְצִ֥יב (netsiv) = pilaar van | מֶֽלַח (melach) = zout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתַּבֵּט (vattabet), ‘zij keek’: het werkwoord ‘kijken’ met de betekenis ‘omkijken’. Zie ook Luc. 17:32. Voetnoot Aanvullend: Jasher 19:52–53 vertelt dat zij omkeek uit medelijden met haar dochters en dat de zoutpilaar er nog staat. Zie ook: Gen 19:17; Jas 19:52–53; Num 17:3; Spr 14:14; Luc 17:31–32; Luc 17:32; Heb 10:38 **19:27** Abraham stond 's morgens vroeg op en ging naar de plaats waar hij voor Yahweh had gestaan. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֥ם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | בַּבֹּ֑קֶר (baboqer) = in de morgen | אֶל (el) = naar | הַ֨מָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | עָ֥מַד (amad) = hij had gestaan | שָׁ֖ם (sham) = daar | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 19:56 vertelt dat Abraham de rook van de steden zag opstijgen als de rook van een oven. Zie ook: Gen 18:22–33; Jas 19:56; Ps 5:4; Hab 2:1; Ezech 16:49–50; Heb 2:1 **19:28** Hij keek uit over Sodom en Gomorra en over heel de vlakte, en zie: er steeg rook op van het land, als de rook van een smeltoven. Brontekst: וַיַּשְׁקֵ֗ף (vayashqef) = en hij keek neer | עַל (al) = over | פְּנֵ֤י (penei) = het aangezicht van | סְדֹם֙ (sedom) = Sodom | וַעֲמֹרָ֔ה (vaamora) = en Gomorra | וְעַֽל (veal) = en over | כָּל (kal) = heel | פְּנֵ֖י (penei) = het aangezicht van | אֶ֣רֶץ (erets) = het land van | הַכִּכָּ֑ר (hakikar) = de vlakte | וַיַּ֗רְא (vayar) = en hij zag | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | עָלָה֙ (ala) = opsteeg | קִיטֹ֣ר (qitor) = rook van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | כְּקִיטֹ֖ר (keqitor) = als rook van | הַכִּבְשָֽׁן (hakivshan) = de smeltoven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: קִיטֹר הָאָרֶץ כְּקִיטֹר הַכִּבְשָׁן (qitor ha’arets keqitor hakkivshan), ‘de rook van het land als de rook van een smeltoven’: rook van een kalkoven of smeltoven, zwaar en zwart. Ex. 19:18 gebruikt hetzelfde beeld voor de berg Sinaï. Zie ook: Ex 19:18; Jud 1:7; Openb 9:2; Openb 18:9; Openb 18:18; Openb 21:8 **19:29** Toen Elohim de steden van de vlakte vernietigde, dacht Elohim aan Abraham. Hij zond Lot uit het midden van de omkering weg, toen Hij de steden omkeerde waarin Lot woonde. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בְּשַׁחֵ֤ת (beshachet) = bij het vernietigen van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עָרֵ֣י (arei) = de steden van | הַכִּכָּ֔ר (hakikar) = de vlakte | וַיִּזְכֹּ֥ר (vayizkor) = en Hij dacht aan | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | וַיְשַׁלַּ֤ח (vayshalach) = en Hij zond | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לוֹט֙ (lot) = Lot | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הַהֲפֵכָ֔ה (hahafekha) = de omkering | בַּהֲפֹךְ֙ (bahafokh) = bij het omkeren van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הֶ֣עָרִ֔ים (hearim) = de steden | אֲשֶׁר (asher) = die | יָשַׁ֥ב (yashav) = woonde | בָּהֵ֖ן (bahen) = in hen | לֽוֹט (lot) = Lot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַהֲפֵכָה (hahafekhah), ‘de omkering’: het hele gebeuren wordt zo genoemd (zie 19:25). Dat Elohim ‘aan Abraham dacht’ (zie 8:1) betekent dat Hij Lot spaarde om Abrahams wil. Zie ook: Gen 8:1; Gen 18:23–33; Gen 19:25; Jub 16:7; Deut 9:5; Ps 25:7; 2 Petr 2:7 ### Lot en zijn dochters **19:30** Lot trok van Zoar omhoog en ging in het gebergte wonen, met zijn twee dochters, want hij was bang om in Zoar te wonen. Hij woonde in een grot, hij en zijn twee dochters. Brontekst: וַיַּעַל֩ (vayaal) = en hij ging omhoog | ל֨וֹט (lot) = Lot | מִצּ֜וֹעַר (mitsoar) = uit Zoar | וַיֵּ֣שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | בָּהָ֗ר (bahar) = in het gebergte | וּשְׁתֵּ֤י (ushtei) = en twee van | בְנֹתָיו֙ (benotav) = zijn dochters | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | כִּ֥י (ki) = want | יָרֵ֖א (yare) = hij was bang | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om te wonen | בְּצ֑וֹעַר (betsoar) = in Zoar | וַיֵּ֨שֶׁב֙ (vayeshev) = en hij woonde | בַּמְּעָרָ֔ה (bameara) = in de grot | ה֖וּא (hu) = hij | וּשְׁתֵּ֥י (ushtei) = en twee van | בְנֹתָֽיו (benotav) = zijn dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Zoar: De ligging van Zoar is niet zeker; de plaats wordt ten zuidoosten van de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: בַּמְּעָרָה (bamme’arah), ‘in de grot’: Jasher 19:55 noemt dit de grot van Adullam. Voetnoot Aanvullend: Jasher 19:57–59 vertelt het verhaal van Lots dochters en de afkomst van Moab en Ammon. Jubileeën 16:8–9 oordeelt hard over wat daar gebeurde. Zie ook: Gen 19:17; Gen 19:19; Gen 49:4; Jub 16:8–9; Jas 19:55; Jas 19:57–59; Jer 48:34; Jak 1:8 **19:31** De oudste zei tegen de jongste: „Onze vader is oud, en er is geen man in het land om bij ons te komen, zoals overal op aarde gebruikelijk is. Brontekst: וַתֹּ֧אמֶר (vatomer) = en ze zei | הַבְּכִירָ֛ה (habekhira) = de oudste | אֶל (el) = tegen | הַצְּעִירָ֖ה (hatseira) = de jongste | אָבִ֣ינוּ (avinu) = onze vader | זָקֵ֑ן (zaqen) = is oud | וְאִ֨ישׁ (veish) = en man | אֵ֤ין (ein) = er is niet | בָּאָ֨רֶץ֙ (baarets) = in het land | לָב֣וֹא (lavo) = om binnen te gaan | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = bij ons | כְּדֶ֖רֶךְ (kederekh) = naar de gewoonte van | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:1; Gen 6:4; Gen 16:2; Gen 16:4; Jub 16:8; Deut 25:5 **19:32** Kom, laten wij onze vader wijn te drinken geven en bij hem slapen. Zo houden wij door onze vader nageslacht in leven.” Brontekst: לְכָ֨ה (lekha) = kom | נַשְׁקֶ֧ה (nashqe) = laten we te drinken geven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֛ינוּ (avinu) = onze vader | יַ֖יִן (yayin) = wijn | וְנִשְׁכְּבָ֣ה (venishkeva) = en laten we liggen | עִמּ֑וֹ (imo) = met hem | וּנְחַיֶּ֥ה (unechaye) = en laten we in leven houden | מֵאָבִ֖ינוּ (meavinu) = uit onze vader | זָֽרַע (zara) = nageslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זָרַע (zera), ‘nageslacht’, letterlijk ‘zaad’. De dochters denken dat er in het land geen man meer is. Daarom zorgen zij zelf voor nageslacht, anders sterft de familie uit. Zie ook: Gen 9:21; Gen 11:3; Jub 16:8; Lev 18:6–7; Hab 2:15–16; Mar 12:19 **19:33** Die nacht gaven ze hun vader wijn te drinken. De oudste ging naar binnen en sliep bij haar vader. Hij merkte niet wanneer ze ging liggen en wanneer ze opstond. Brontekst: וַתַּשְׁקֶ֧יןָ (vatashqeina) = en ze gaven te drinken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲבִיהֶ֛ן (avihen) = hun vader | יַ֖יִן (yayin) = wijn | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | ה֑וּא (hu) = die | וַתָּבֹ֤א (vatavo) = en ze kwam | הַבְּכִירָה֙ (habekhira) = de oudste | וַתִּשְׁכַּ֣ב (vatishkav) = en ze lag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֔יהָ (aviha) = haar vader | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָדַ֥ע (yada) = hij wist | בְּשִׁכְבָ֖הּ (beshikhvah) = bij haar liggen | וּבְקׄוּמָֽהּ (uvequmah) = en bij haar opstaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְלֹא יָדַע (velo yada), ‘en hij wist niet’: Lot was door de wijn niet bij bewustzijn. De tekst zegt niet dat hij schuldig is. Zie ook: Jub 16:8; Lev 18:6–7; Spr 20:1; Spr 23:29–35; Hab 2:15–16 **19:34** De volgende dag zei de oudste tegen de jongste: „Zie, gisteravond heb ik bij mijn vader geslapen. Laten we hem ook vannacht wijn te drinken geven. Ga dan naar binnen en slaap bij hem. Zo houden wij door onze vader nageslacht in leven.” Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | מִֽמָּחֳרָ֔ת (mimachorat) = de volgende dag | וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en ze zei | הַבְּכִירָה֙ (habekhira) = de oudste | אֶל (el) = tegen | הַצְּעִירָ֔ה (hatseira) = de jongste | הֵן (hen) = zie | שָׁכַ֥בְתִּי (shakhavti) = ik lag | אֶ֖מֶשׁ (emesh) = gisteravond | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | נַשְׁקֶ֨נּוּ (nashqenu) = laten we hem te drinken geven | יַ֜יִן (yayin) = wijn | גַּם (gam) = ook | הַלַּ֗יְלָה (halayla) = vannacht | וּבֹ֨אִי֙ (uvoi) = en kom | שִׁכְבִ֣י (shikhvi) = lig | עִמּ֔וֹ (imo) = bij hem | וּנְחַיֶּ֥ה (unechaye) = en laten we in leven houden | מֵאָבִ֖ינוּ (meavinu) = uit onze vader | זָֽרַע (zara) = nageslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 16:8; Jes 3:9; Jer 3:3; Jer 5:3; Jer 6:15; Jer 8:12 **19:35** Ook die nacht gaven ze hun vader wijn te drinken. De jongste stond op en sliep bij hem. Hij merkte niet wanneer ze ging liggen en wanneer ze opstond. Brontekst: וַתַּשְׁקֶ֜יןָ (vatashqeina) = en ze gaven te drinken | גַּ֣ם (gam) = ook | בַּלַּ֧יְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֛וּא (hahu) = die | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲבִיהֶ֖ן (avihen) = hun vader | יָ֑יִן (yayin) = wijn | וַתָּ֤קָם (vataqam) = en ze stond op | הַצְּעִירָה֙ (hatseira) = de jongste | וַתִּשְׁכַּ֣ב (vatishkav) = en ze lag | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָדַ֥ע (yada) = hij wist | בְּשִׁכְבָ֖הּ (beshikhvah) = bij haar liggen | וּבְקֻמָֽהּ (uvequmah) = en bij haar opstaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 16:8; Spr 24:16; Pred 7:26; Luc 21:34; 1 Kor 10:11–12; 1 Petr 4:7 **19:36** Zo werden de twee dochters van Lot zwanger van hun vader. Brontekst: וַֽתַּהֲרֶ֛יןָ (vatahareina) = en ze werden zwanger | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee van | בְנֽוֹת (benot) = dochters van | ל֖וֹט (lot) = Lot | מֵאֲבִיהֶֽן (meavihen) = van hun vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:8; Re 1:7; 1 Sam 15:33; Hab 2:15; Mat 7:2 **19:37** De oudste beviel van een zoon en noemde hem Moab. Hij is de vader van de Moabieten tot op deze dag. Brontekst: וַתֵּ֤לֶד (vateled) = en ze baarde | הַבְּכִירָה֙ (habekhira) = de oudste | בֵּ֔ן (ben) = een zoon | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | מוֹאָ֑ב (moav) = Moab | ה֥וּא (hu) = hij | אֲבִֽי (avi) = vader van | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | עַד (ad) = tot | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Moab woonde ten oosten van de Dode Zee (zie Deut. 2:9). Voetnoot Uitleg: מוֹאָב (Mo’av), ‘Moab’, klinkt als me’av, ‘van de vader’; de volksetymologie stelt dat de naam dit betekent. Voetnoot Aanvullend: Jasher 19:58 zegt dat zij de naam gaf omdat zij van haar vader zwanger was. Zie ook: Jas 19:58; Deut 2:9; Deut 23:4; Re 3:1–31; Ruth 4:10; 2 Kon 3:1–27 **19:38** De jongste beviel ook van een zoon en noemde hem Ben-Ammi. Hij is de vader van de Ammonieten tot op deze dag. Brontekst: וְהַצְּעִירָ֤ה (vehatseira) = en de jongste | גַם (gam) = ook | הִוא֙ (hi) = zij | יָ֣לְדָה (yaleda) = baarde | בֵּ֔ן (ben) = een zoon | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | בֶּן (ben) = Ben | עַמִּ֑י (ami) = Ammi | ה֛וּא (hu) = hij | אֲבִ֥י (avi) = vader van | בְנֵֽי (benei) = zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | עַד (ad) = tot | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Ammon woonde ten oosten van de Jordaan, bij de bovenloop van de Jabbok (zie Deut. 2:19). Voetnoot Uitleg: בֶּן עַמִּי (Ben-Ammi), ‘zoon van mijn volk’ of ‘zoon van mijn verwant’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 19:59 noemt hem de vader van de Ammonieten. Zie ook: Jas 19:59; Deut 2:19; Deut 23:4; 1 Sam 11:1–15; 2 Sam 10:1–19; Neh 13:1–3 ## Genesis 20 _Abraham en Abimelech in Gerar_ ### Abraham en Sarah in Gerar **20:1** Abraham trok vandaar naar het land van de Negev en woonde tussen Kades en Sur. Hij verbleef als vreemdeling in Gerar. Brontekst: וַיִּסַּ֨ע (vayisa) = en hij trok | מִשָּׁ֤ם (misham) = vandaar | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | אַ֣רְצָה (artsa) = naar het land | הַנֶּ֔גֶב (hanegev) = de Negev | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | בֵּין (bein) = tussen | קָדֵ֖שׁ (qadesh) = Kades | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | שׁ֑וּר (shur) = Sur | וַיָּ֖גָר (vayagar) = en hij verbleef als vreemdeling | בִּגְרָֽר (bigrar) = in Gerar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: הַנֶּגֶב (hanegev), ‘de Negev’: het dorre zuiden van Kanaän (zie 12:9). Kades (קָדֵשׁ) ligt in de Negev; Sur (שׁוּר) ligt aan de weg naar Egypte (zie 16:7). Gerar (בִּגְרָר) ligt in de Negev, ten zuidoosten van het huidige Gaza (zie 10:19). Voetnoot Uitleg: וַיָּגָר (vayyagar), ‘hij verbleef als vreemdeling’: een ger is een vreemdeling zonder eigen grond (zie 19:9). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 16:10 zegt dat Abraham van Hebron vertrok en tussen Kades en Sur woonde, in het gebergte van Gerar. Jasher 20:1 zegt dat hij naar het land van de Filistijnen ging en zich in Gerar vestigde. Zie ook: Gen 10:19; Gen 12:9; Gen 16:7; Gen 18:1; Gen 19:9; Gen 26:1; Gen 26:6; Jub 16:10; Jas 20:1; Ps 29:8; 2 Kron 14:12–13 **20:2** Abraham zei over zijn vrouw Sarah: „Zij is mijn zus.” Abimelech, de koning van Gerar, liet Sarah halen en nam haar. Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | אֶל (el) = over | שָׂרָ֥ה (sara) = Sarah | אִשְׁתּ֖וֹ (ishto) = zijn vrouw | אֲחֹ֣תִי (achoti) = mijn zus | הִ֑וא (hi) = zij | וַיִּשְׁלַ֗ח (vayishlach) = en hij zond | אֲבִימֶ֨לֶךְ֙ (avimelekh) = Abimelech | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | גְּרָ֔ר (gerar) = Gerar | וַיִּקַּ֖ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שָׂרָֽה (sara) = Sarah Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Voetnoot Uitleg: אֲחֹתִי (achoti), ‘mijn zus’: Abraham zegt hetzelfde als eerder in Egypte (zie 12:13). אֲבִימֶלֶךְ (Avimelekh), ‘mijn vader is koning’: dat kan een titel zijn; ook de koning van Gerar in Isaaks tijd heet zo (zie 26:1). Voetnoot Aanvullend: Jasher 20:2–8 vertelt dat Abraham Sarah dit liet zeggen en dat de dienaren van Abimelech haar schoonheid zagen. Zie ook: Gen 12:11–13; Gen 12:13; Gen 12:15; Gen 26:1; Gen 26:7; Jas 20:2–8; Spr 24:16; 2 Kron 19:2 ### Elohim waarschuwt Abimelech **20:3** Maar Elohim kwam 's nachts in een droom tot Abimelech en zei tegen hem: **„Zie, je sterft vanwege de vrouw die je genomen hebt, want zij is de vrouw van een man.”** Brontekst: וַיָּבֹ֧א (vayavo) = en Hij kwam | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | אֲבִימֶ֖לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | בַּחֲל֣וֹם (bachalom) = in een droom | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = van de nacht | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | ל֗וֹ (lo) = tot hem | הִנְּךָ֥ (hinekha) = zie jou | מֵת֙ (met) = dood | עַל (al) = vanwege | הָאִשָּׁ֣ה (haisha) = de vrouw | אֲשֶׁר (asher) = die | לָקַ֔חְתָּ (laqachta) = je hebt genomen | וְהִ֖וא (vehi) = en zij | בְּעֻ֥לַת (beulat) = gehuwd met | בָּֽעַל (baal) = een man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּבֹא אֱלֹהִים אֶל אֲבִימֶלֶךְ בַּחֲלוֹם הַלָּיְלָה (vayavo Elohim el Avimelekh bachalom halaylah), ‘Elohim kwam tot Abimelech in een droom van de nacht’: Elohim spreekt hier tot iemand die niet bij Abrahams familie hoort, zoals ook tot Laban in 31:24 (zie 31:24). בְּעֻלַת בָּעַל (be’ulat ba’al), ‘in het bezit van een eigenaar’: een gehuwde vrouw. Voetnoot Aanvullend: Jasher 20:12–14 vertelt dezelfde droom, met een engel van Yahweh met een getrokken zwaard. Zie ook: Gen 20:7; Gen 28:12; Gen 31:24; Jas 20:12–14; Job 33:15; Ps 105:14; Mat 27:19 **20:4** Abimelech was haar nog niet genaderd. Hij zei: „Mijn Heer, zult U zelfs een rechtvaardig volk doden? Brontekst: וַאֲבִימֶ֕לֶךְ (vaavimelekh) = en Abimelech | לֹ֥א (lo) = niet | קָרַ֖ב (qarav) = was genaderd | אֵלֶ֑יהָ (eleiha) = tot haar | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en hij zei | אֲדֹנָ֕י (adonay) = mijn Heer | הֲג֥וֹי (hagoy) = het volk | גַּם (gam) = ook | צַדִּ֖יק (tsadiq) = rechtvaardig | תַּהֲרֹֽג (taharog) = zult U doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (adonay), ‘mijn Heer’: met de klinkers van Adonai, als aanspreking van Elohim (zie 18:3; 19:18). הֲגוֹי גַּם צַדִּיק תַּהֲרֹג (hagoy gam tsaddiq taharog), ‘zult U zelfs een rechtvaardig volk doden?’: Abimelech pleit voor zijn volk, zoals Abraham deed voor Sodom (zie 18:23–25). Zie ook: Gen 18:3; Gen 18:23–25; Gen 19:18; Gen 19:24; Gen 20:6; 2 Sam 4:11; 1 Kron 21:17 **20:5** Heeft hij zelf niet tegen mij gezegd: ‘Zij is mijn zus’? En zij zelf heeft ook gezegd: ‘Hij is mijn broer.’ Ik heb dit gedaan met een oprecht hart en met schone handen.” Brontekst: הֲלֹ֨א (halo) = niet | ה֤וּא (hu) = hij | אָֽמַר (amar) = heeft gezegd | לִי֙ (li) = tegen mij | אֲחֹ֣תִי (achoti) = mijn zus | הִ֔וא (hi) = zij | וְהִֽיא (vehi) = en zij | גַם (gam) = ook | הִ֥וא (hi) = zij | אָֽמְרָ֖ה (amera) = heeft gezegd | אָחִ֣י (achi) = mijn broer | ה֑וּא (hu) = hij | בְּתָם (betam) = in oprechtheid van | לְבָבִ֛י (levavi) = mijn hart | וּבְנִקְיֹ֥ן (uveniqyon) = en in reinheid van | כַּפַּ֖י (kapay) = mijn handen | עָשִׂ֥יתִי (asiti) = ik heb gedaan | זֹֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּתָם לְבָבִי וּבְנִקְיֹן כַּפַּי (betom levavi uvenikyon kappay), ‘in oprechtheid van mijn hart en in reinheid van mijn handen’: tom is ‘onschuld, ongeschondenheid’; ‘reine handen’ komt ook voor in Ps. 26:6. Zie ook: Job 33:9; Ps 7:9; Ps 26:6; Ps 78:72; 1 Kon 9:4; 2 Kor 1:12 **20:6** Elohim zei tegen hem in de droom: **„Ook Ik weet dat je dit met een oprecht hart gedaan hebt. Ik heb je ook zelf weerhouden om tegen Mij te zondigen. Daarom heb Ik niet toegelaten dat je haar aanraakte.** Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֨יו (elav) = tot hem | הָֽאֱלֹהִ֜ים (haElohim) = Elohim | בַּחֲלֹ֗ם (bachalom) = in de droom | גַּ֣ם (gam) = ook | אָנֹכִ֤י (anokhi) = Ik | יָדַ֨עְתִּי֙ (yadati) = Ik heb geweten | כִּ֤י (ki) = dat | בְתָם (betam) = in oprechtheid van | לְבָבְךָ֙ (levavekha) = je hart | עָשִׂ֣יתָ (asita) = je hebt gedaan | זֹּ֔את (zot) = dit | וָאֶחְשֹׂ֧ךְ (vaechsokh) = en Ik heb weerhouden | גַּם (gam) = ook | אָנֹכִ֛י (anokhi) = Ik | אֽוֹתְךָ֖ (otekha) = jou | מֵחֲטוֹ (mechato) = van zondigen | לִ֑י (li) = tegen Mij | עַל (al) = daarom | כֵּ֥ן (ken) = daarom | לֹא (lo) = niet | נְתַתִּ֖יךָ (netatikha) = Ik heb je gegeven | לִנְגֹּ֥עַ (lingoa) = om aan te raken | אֵלֶֽיהָ (eleiha) = haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וָאֶחְשֹׂךְ גַּם אָנֹכִי אוֹתְךָ (vaechsokh gam anokhi otekha), ‘en Ik heb jou ook weerhouden’: het is Elohim zelf die Abimelech ervan weerhoudt. De zonde (chet) zou tegen Elohim gericht zijn geweest (zie 39:9). Zie ook: Gen 31:7; Gen 35:5; Gen 39:9; 1 Sam 25:26; 1 Sam 25:34; Spr 21:1 **20:7** **Geef nu de vrouw van de man terug, want hij is een profeet. Hij zal voor je bidden en dan blijf je leven. Maar als je haar niet teruggeeft, weet dan dat je zeker zult sterven, jij en allen die van jou zijn.”** Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הָשֵׁ֤ב (hashev) = geef terug | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | כִּֽי (ki) = want | נָבִ֣יא (navi) = profeet | ה֔וּא (hu) = hij | וְיִתְפַּלֵּ֥ל (veyitpalel) = en hij zal bidden | בַּֽעַדְךָ֖ (baadkha) = voor jou | וֶֽחְיֵ֑ה (vechye) = en leef | וְאִם (veim) = en als | אֵֽינְךָ֣ (einekha) = niet jij | מֵשִׁ֗יב (meshiv) = teruggevend | דַּ֚ע (da) = weet | כִּי (ki) = dat | מ֣וֹת (mot) = sterven | תָּמ֔וּת (tamut) = je zult sterven | אַתָּ֖ה (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לָֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָבִיא (navi), ‘profeet’: dit is het eerste voorkomen van het woord in de Schrift. Abraham is profeet omdat Elohim met hem spreekt (zie 15:1; Ps. 105:15). מוֹת תָּמוּת (mot tamut), ‘je zult zeker sterven’, dezelfde nadrukkelijke vorm als in 2:17 (zie 2:17). Zie ook: Gen 2:17; Gen 15:1; Job 42:8; 1 Sam 7:5; 2 Sam 24:17; Ps 105:15; Heb 13:4; Openb 11:5–6 **20:8** Abimelech stond 's morgens vroeg op, riep al zijn dienaren en vertelde hun al deze dingen. De mannen werden zeer bang. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֨ם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | אֲבִימֶ֜לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | בַּבֹּ֗קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en hij riep | לְכָל (lekhal) = alle | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | וַיְדַבֵּ֛ר (vaydaber) = en hij sprak | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֥ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | בְּאָזְנֵיהֶ֑ם (beazeneihem) = in hun oren | וַיִּֽירְא֥וּ (vayireu) = en ze waren bang | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Abimelech spreekt Abraham aan **20:9** Abimelech riep Abraham en zei tegen hem: „Wat heb je ons aangedaan? Waarmee heb ik tegen jou gezondigd, dat je een grote zonde over mij en mijn koninkrijk gebracht hebt? Je hebt dingen met mij gedaan die niet gedaan mogen worden.” Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij riep | אֲבִימֶ֜לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | לְאַבְרָהָ֗ם (leavraham) = tot Abraham | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֜וֹ (lo) = tot hem | מֶֽה (me) = wat | עָשִׂ֤יתָ (asita) = heb je gedaan | לָּ֨נוּ֙ (lanu) = aan ons | וּמֶֽה (ume) = en wat | חָטָ֣אתִי (chatati) = heb ik gezondigd | לָ֔ךְ (lakh) = tegen jou | כִּֽי (ki) = dat | הֵבֵ֧אתָ (heveta) = je hebt gebracht | עָלַ֛י (alay) = over mij | וְעַל (veal) = en over | מַמְלַכְתִּ֖י (mamlakhti) = mijn koninkrijk | חֲטָאָ֣ה (chataa) = zonde | גְדֹלָ֑ה (gedola) = grote | מַעֲשִׂים֙ (maasim) = daden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | יֵֽעָשׂ֔וּ (yeasu) = gedaan worden | עָשִׂ֖יתָ (asita) = je hebt gedaan | עִמָּדִֽי (imadi) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:18; Gen 26:10; Gen 39:9; Lev 20:10; Rom 2:11 **20:10** Abimelech zei tegen Abraham: „Wat zag je dan, dat je dit gedaan hebt?” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲבִימֶ֖לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | אֶל (el) = tot | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | מָ֣ה (ma) = wat | רָאִ֔יתָ (raita) = zag je | כִּ֥י (ki) = dat | עָשִׂ֖יתָ (asita) = je hebt gedaan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַדָּבָ֥ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **20:11** Abraham zei: „Ik dacht: er is zeker geen ontzag voor Elohim op deze plaats, en ze zullen mij doden vanwege mijn vrouw. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | כִּ֣י (ki) = want | אָמַ֗רְתִּי (amarti) = ik dacht | רַ֚ק (raq) = alleen | אֵין (ein) = niet is | יִרְאַ֣ת (yirat) = vrees voor | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | בַּמָּק֖וֹם (bamaqom) = op de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַהֲרָג֖וּנִי (vaharaguni) = en ze zullen mij doden | עַל (al) = vanwege | דְּבַ֥ר (devar) = zaak van | אִשְׁתִּֽי (ishti) = mijn vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִרְאַת אֱלֹהִים (yirat Elohim), ‘ontzag voor Elohim’: eerbied voor Elohim, die zich uit in rechtvaardig handelen (zie 22:12; 42:18). Abrahams inschatting blijkt onjuist: Abimelech en zijn mannen vrezen Elohim wel (vers 8). Zie ook: Gen 12:12; Gen 20:8; Gen 22:12; Gen 26:7; Gen 42:18; Job 28:28; Spr 16:6 **20:12** Ze is ook werkelijk mijn zus: ze is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder. Zo is ze mijn vrouw geworden. Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אָמְנָ֗ה (amena) = werkelijk | אֲחֹתִ֤י (achoti) = mijn zus | בַת (bat) = dochter van | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | הִ֔וא (hi) = zij | אַ֖ךְ (akh) = maar | לֹ֣א (lo) = niet | בַת (bat) = dochter van | אִמִּ֑י (imi) = mijn moeder | וַתְּהִי (vatehi) = en ze werd | לִ֖י (li) = voor mij | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַת אָבִי (bat avi), ‘dochter van mijn vader’: Sarah is dan een halfzus van Abraham. Later verbiedt de wet zo’n huwelijk (Lev. 18:9; 20:17). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 12:9 zegt ook dat Sarai ‘de dochter van zijn vader’ was. Zie ook: Gen 11:29; Gen 12:13; Jub 12:9; Lev 18:9; Lev 20:17; 1 Tess 5:22 **20:13** Toen Elohim mij liet zwerven weg uit het huis van mijn vader, zei ik tegen haar: ‘Dit is de trouw die je mij moet bewijzen: overal waar wij komen, zeg over mij: Hij is mijn broer.’” Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֧ר (kaasher) = toen | הִתְע֣וּ (hitu) = lieten zwerven | אֹתִ֗י (oti) = mij | אֱלֹהִים֮ (Elohim) = Elohim | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | אָבִי֒ (avi) = mijn vader | וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en ik zei | לָ֔הּ (lah) = tot haar | זֶ֣ה (ze) = dit | חַסְדֵּ֔ךְ (chasdekh) = je trouw | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תַּעֲשִׂ֖י (taasi) = je zult doen | עִמָּדִ֑י (imadi) = met mij | אֶ֤ל (el) = naar | כָּל (kal) = elke | הַמָּקוֹם֙ (hamaqom) = plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | נָב֣וֹא (navo) = we komen | שָׁ֔מָּה (shama) = daarheen | אִמְרִי (imri) = zeg | לִ֖י (li) = voor mij | אָחִ֥י (achi) = mijn broer | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְעוּ אֹתִי אֱלֹהִים (hit’u oti Elohim), ‘Elohim liet mij zwerven’: het werkwoord staat bij Elohim hier in het meervoud, terwijl het bij Elohim bijna overal in het enkelvoud staat (zie 1:1). Hetzelfde komt voor in 35:7 (zie 35:7). חַסְדֵּךְ (chasdekh), ‘je trouw’: chesed, zie 19:19. Zie ook: Gen 1:1; Gen 12:1; Gen 12:9; Gen 19:19; Gen 35:7; 1 Sam 23:21; Hand 7:3–5; Heb 11:8 ### Sarah wordt teruggegeven **20:14** Abimelech nam schapen en runderen, dienaren en slavinnen en gaf ze aan Abraham. Hij gaf hem zijn vrouw Sarah terug. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en hij nam | אֲבִימֶ֜לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | צֹ֣אן (tson) = kleinvee | וּבָקָ֗ר (uvaqar) = en rundvee | וַעֲבָדִים֙ (vaavadim) = en dienaren | וּשְׁפָחֹ֔ת (ushefachot) = en slavinnen | וַיִּתֵּ֖ן (vayiten) = en hij gaf | לְאַבְרָהָ֑ם (leavraham) = aan Abraham | וַיָּ֣שֶׁב (vayashev) = en hij gaf terug | ל֔וֹ (lo) = aan hem | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | שָׂרָ֥ה (sara) = Sarah | אִשְׁתּֽוֹ (ishto) = zijn vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:16; Gen 12:19–20; Gen 20:2; Gen 20:7; Gen 20:11 **20:15** Abimelech zei: „Zie, mijn land ligt open voor je. Woon waar het goed is in je ogen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲבִימֶ֔לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | אַרְצִ֖י (artsi) = mijn land | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor jou | בַּטּ֥וֹב (batov) = naar het goede | בְּעֵינֶ֖יךָ (beeineikha) = in je ogen | שֵֽׁב (shev) = woon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 13:9; Gen 34:10; Gen 47:6 **20:16** Tegen Sarah zei hij: „Zie, ik heb je broer duizend zilverstukken gegeven. Dat is voor jou een schadevergoeding voor de ogen van allen die bij je zijn. Zo ben je vrijgepleit.” Brontekst: וּלְשָׂרָ֣ה (ulesara) = en tot Sarah | אָמַ֗ר (amar) = hij zei | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | נָתַ֜תִּי (natati) = ik heb gegeven | אֶ֤לֶף (elef) = duizend | כֶּ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | לְאָחִ֔יךְ (leachikh) = aan je broer | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הוּא (hu) = het | לָךְ֙ (lakh) = voor jou | כְּס֣וּת (kesut) = bedekking van | עֵינַ֔יִם (einayim) = ogen | לְכֹ֖ל (lekhol) = voor allen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met jou | וְאֵ֥ת (veet) = en bij | כֹּ֖ל (kol) = iedereen | וְנֹכָֽחַת (venokhachat) = en je bent vrijgepleit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶלֶף כֶּסֶף (elef kesef), ‘duizend zilverstukken’: duizend sjekel, ongeveer 11 kilo zilver. כְּסוּת עֵינַיִם (kesut einayim), ‘een bedekking van de ogen’: een uitdrukking met onzekere betekenis. וְנֹכָחַת (venokhachat), ‘en je bent vrijgepleit’: van yakach, ‘vaststellen wie gelijk heeft’. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘een schadevergoeding voor de ogen van allen’: het geld is een zichtbare vergoeding, zodat iedereen kan zien dat Sarah recht is gedaan. Anderen lezen ‘een bedekking van de ogen voor allen’: het geld bedekt de schande, zodat niemand haar nog iets kan verwijten. Zie ook: Gen 20:5; Gen 24:65; 1 Kron 21:3–6; Spr 25:12; Spr 27:5 **20:17** Abraham bad tot Elohim, en Elohim genas Abimelech, zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij weer kinderen kregen. Brontekst: וַיִּתְפַּלֵּ֥ל (vayitpalel) = en hij bad | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | אֶל (el) = tot | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וַיִּרְפָּ֨א (vayirpa) = en Hij genas | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲבִימֶ֧לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אִשְׁתּ֛וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְאַמְהֹתָ֖יו (veamhotav) = en zijn slavinnen | וַיֵּלֵֽדוּ (vayeledu) = en ze baarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּרְפָּא (vayirpa), ‘en hij genas’: Abraham bidt als profeet (zie 20:7). Voetnoot Aanvullend: Jasher 20:29–30 vertelt dat Abimelech Abraham liet bidden en dat Yahweh Abimelech en zijn onderdanen genas. Zie ook: Gen 20:7; Jas 20:29–30; Job 42:9–10; Spr 15:8; Jak 5:16; 1 Tess 5:25; Fil 4:6 **20:18** Want Yahweh had elke baarmoeder in het huis van Abimelech gesloten, vanwege Sarah, de vrouw van Abraham. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עָצֹ֤ר (atsor) = sluiten | עָצַר֙ (atsar) = Hij sloot | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּעַ֥ד (bead) = om heen van | כָּל (kal) = elke | רֶ֖חֶם (rechem) = baarmoeder | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | אֲבִימֶ֑לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | עַל (al) = vanwege | דְּבַ֥ר (devar) = zaak van | שָׂרָ֖ה (sara) = Sarah | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | אַבְרָהָֽם (avraham) = Abraham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָצֹר עָצַר (atsor atsar), ‘Hij sloot werkelijk’: een nadrukkelijke vorm. In dit hele verhaal staat Elohim; alleen hier staat Yahweh, als Degene die de baarmoeders sloot, zoals in 16:2 (zie 16:2). Voetnoot Aanvullend: Jasher 20:17 zegt dat al hun kracht en al hun uitgang werd tegengehouden. Zie ook: Gen 12:17; Gen 16:2; Gen 30:2; Jas 20:17; 1 Sam 1:6; 1 Sam 5:10 ## Genesis 21 _Isaak geboren, Hagar weggestuurd_ ### Isaak wordt geboren **21:1** Yahweh dacht aan Sarah en ontfermde zich over haar, zoals Hij gezegd had, en Yahweh deed met Sarah zoals Hij gesproken had. Brontekst: וַֽיהוָ֛ה (vaYahweh) = en Yahweh | פָּקַ֥ד (paqad) = Hij zag om | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שָׂרָ֖ה (sara) = Sarah | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | אָמָ֑ר (amar) = Hij had gezegd | וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en Hij deed | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לְשָׂרָ֖ה (lesara) = aan Sarah | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבֵּֽר (diber) = Hij had gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּקַד (paqad), ‘hij zag om naar’: paqad is ‘bezoeken, zich over iemand ontfermen’ (zie 50:24). Hier vertaald als ‘dacht aan en ontfermde zich over’. Het is een ander werkwoord dan zakhar, ‘denken aan’ (zie 8:1; 19:29). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 16:12–13 zegt dat Isaak in de derde maand werd geboren, op het feest van de eerstelingen van de oogst. Jasher 21:1–2 zegt dat Yahweh Sarah bezocht na een jaar en vier maanden in Gerar. Zie ook: Gen 8:1; Gen 17:19; Gen 18:10; Gen 18:14; Gen 19:29; Gen 50:24; Jub 16:12–13; Jas 21:1–2; Ps 12:7; Gal 4:23 **21:2** Sarah werd zwanger en baarde Abraham een zoon op zijn oude dag, op de vastgestelde tijd waarover Elohim met hem had gesproken. Brontekst: וַתַּהַר֩ (vatahar) = en ze werd zwanger | וַתֵּ֨לֶד (vateled) = en ze baarde | שָׂרָ֧ה (sara) = Sarah | לְאַבְרָהָ֛ם (leavraham) = aan Abraham | בֵּ֖ן (ben) = een zoon | לִזְקֻנָ֑יו (lizqunav) = in zijn ouderdom | לַמּוֹעֵ֕ד (lamoed) = op de tijd | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij had gesproken | אֹת֖וֹ (oto) = met hem | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִזְקֻנָיו (lizqenav), ‘op zijn oude dag’; לַמּוֹעֵד (lamo’ed), ‘op de vastgestelde tijd’: zie 17:21 en 18:14 (zie 17:21; 18:14). Zie ook: Gen 17:19; Gen 17:21; Gen 18:10; Gen 18:14; Hen 89:11; Jub 16:13; Luc 1:36; Gal 4:22; Heb 11:11 **21:3** Abraham noemde zijn zoon, die Sarah hem gebaard had, Isaak. Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij noemde | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | שֶׁם (shem) = naam van | בְּנ֧וֹ (beno) = zijn zoon | הַנּֽוֹלַד (hanolad) = die geboren was | ל֛וֹ (lo) = aan hem | אֲשֶׁר (asher) = die | יָלְדָה (yaleda) = baarde | לּ֥וֹ (lo) = aan hem | שָׂרָ֖ה (sara) = Sarah | יִצְחָֽק (yitschaq) = Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִצְחָק (Yitschaq), ‘Isaak’: van tsachaq, ‘lachen’ (zie 17:17; 18:12; 21:6). Zie ook: Gen 17:17; Gen 17:19; Gen 18:12; Gen 21:6; Hen 89:11; Jub 16:13; Joz 24:3; Rom 9:7; Heb 11:18 **21:4** Abraham besneed zijn zoon Isaak toen hij acht dagen oud was, zoals Elohim hem geboden had. Brontekst: וַיָּ֤מָל (vayamal) = en hij besneed | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁמֹנַ֖ת (shemonat) = acht | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = Hij had geboden | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיָּמָל (vayyamol), ‘hij besneed’: op de achtste dag, zoals in 17:12 (zie 17:12). Zie ook: Gen 17:10–12; Gen 17:12; Jub 16:14; Ex 12:48; Lev 12:3; Joh 7:22–23; Hand 7:8 **21:5** Abraham was 100 jaar oud toen zijn zoon Isaak hem geboren werd. Brontekst: וְאַבְרָהָ֖ם (veavraham) = en Abraham | בֶּן (ben) = zoon van | מְאַ֣ת (meat) = honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | בְּהִוָּ֣לֶד (behivaled) = bij het geboren worden | ל֔וֹ (lo) = hem | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | יִצְחָ֥ק (yitschaq) = Isaak | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְאַת שָׁנָה (me’at shanah), ‘honderd jaar’: Abraham was 100 en Sarah 90 (zie 17:17). Zie ook: Gen 17:1; Gen 17:17; Jub 14:16; Rom 4:19 **21:6** Sarah zei: „Elohim heeft mij aan het lachen gemaakt. Iedereen die het hoort, zal mij uitlachen.” Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | שָׂרָ֔ה (sara) = Sarah | צְחֹ֕ק (tsechoq) = gelach | עָ֥שָׂה (asa) = heeft gemaakt | לִ֖י (li) = voor mij | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | כָּל (kal) = iedereen | הַשֹּׁמֵ֖עַ (hashomea) = die hoort | יִֽצְחַק (yitschaq) = zal lachen | לִֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְחֹק (tsechoq), ‘gelach’: hetzelfde woord als in Isaaks naam. יִצְחַק לִי (yitschaq li), ‘zal mij uitlachen’: li betekent ‘voor mij’; het Hebreeuws laat open of het gelach met of om haar is. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘mij uitlachen’; anderen lezen ‘met mij meelachen’. Zie ook: Gen 17:17; Ps 113:9; Ps 126:2; Jes 54:1; Luc 1:58 **21:7** Ze zei: „Wie had tegen Abraham gezegd: ‘Sarah geeft kinderen de borst’? Want ik heb hem een zoon gebaard op zijn oude dag.” Brontekst: וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en ze zei | מִ֤י (mi) = wie | מִלֵּל֙ (milel) = heeft gezegd | לְאַבְרָהָ֔ם (leavraham) = aan Abraham | הֵינִ֥יקָה (heiniqa) = zoogt | בָנִ֖ים (banim) = kinderen | שָׂרָ֑ה (sara) = Sarah | כִּֽי (ki) = want | יָלַ֥דְתִּי (yaladti) = ik heb gebaard | בֵ֖ן (ben) = een zoon | לִזְקֻנָֽיו (lizqunav) = in zijn ouderdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:11–12; Num 23:23; Deut 4:32–34; Jes 66:8; Ef 3:10 **21:8** Het kind groeide op en werd gespeend. Abraham gaf een groot feest op de dag dat Isaak gespeend werd. Brontekst: וַיִּגְדַּ֥ל (vayigdal) = en hij groeide | הַיֶּ֖לֶד (hayeled) = het kind | וַיִּגָּמַ֑ל (vayigamal) = en hij werd gespeend | וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | מִשְׁתֶּ֣ה (mishte) = feest | גָד֔וֹל (gadol) = groot | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | הִגָּמֵ֥ל (higamel) = het spenen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִצְחָֽק (yitschaq) = Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּגָּמַל (vayyigamal), ‘hij werd gespeend’: een kind werd in het Oude Oosten vaak pas na twee of drie jaar gespeend (zie 1 Sam. 1:22–24). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 17:1 noemt de derde maand. Jasher 21:4–5 zegt dat Sem, Eber en Abimelech met Pichol naar het feest kwamen. Zie ook: Gen 19:3; Gen 40:20; Jub 17:1; Jas 21:4–5; 1 Sam 1:22; 2 Sam 3:20; Hos 1:8 ### Hagar en Ismaël worden weggestuurd **21:9** Sarah zag de zoon die Hagar, de Egyptische, aan Abraham gebaard had, treiteren. Brontekst: וַתֵּ֨רֶא (vatere) = en ze zag | שָׂרָ֜ה (sara) = Sarah | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | בֶּן (ben) = zoon van | הָגָ֧ר (hagar) = Hagar | הַמִּצְרִ֛ית (hamitsrit) = de Egyptische | אֲשֶׁר (asher) = die | יָלְדָ֥ה (yaleda) = ze had gebaard | לְאַבְרָהָ֖ם (leavraham) = aan Abraham | מְצַחֵֽק (metsacheq) = treiterend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְצַחֵק (metsacheq), ‘treiterend’: van tsachaq, ‘lachen’, dezelfde stam als Isaaks naam. Het woord kan ‘spelen’, ‘lachen’, ‘spotten’ of ‘treiteren’ betekenen (zie 19:14; 26:8). Paulus noemt het ‘vervolgen’ (Gal. 4:29). Ismaël was bij Isaaks geboorte veertien (zie 16:16; 21:5) en dus bij het spenen zestien of zeventien. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘treiteren’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 17:4 zegt dat Sarah Ismaël zag spelen en dansen terwijl Abraham zich verheugde. Jasher 21:13–15 vertelt dat Ismaël Isaak met pijl en boog wilde doden. Zie ook: Gen 16:1; Gen 16:15; Gen 16:16; Gen 19:14; Gen 21:5; Gen 26:8; Jub 17:2; Jub 17:4; Jas 21:13–15; Ps 44:14–15; Gal 4:22; Gal 4:29 **21:10** Ze zei tegen Abraham: „Jaag deze slavin weg, en haar zoon, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaak.” Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en ze zei | לְאַבְרָהָ֔ם (leavraham) = aan Abraham | גָּרֵ֛שׁ (garesh) = verjaag | הָאָמָ֥ה (haama) = de slavin | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בְּנָ֑הּ (benah) = haar zoon | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | יִירַשׁ֙ (yirash) = zal erven | בֶּן (ben) = zoon van | הָאָמָ֣ה (haama) = de slavin | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | עִם (im) = met | בְּנִ֖י (beni) = mijn zoon | עִם (im) = met | יִצְחָֽק (yitschaq) = Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָּרֵשׁ (garesh), ‘jaag weg’: Paulus haalt deze woorden aan in Gal. 4:30. Zie ook: Gen 36:6–7; Joh 8:35; Gal 4:22–31; Gal 4:30; 1 Petr 1:4; 1 Joh 2:19 **21:11** Dit woord was zeer kwalijk in de ogen van Abraham, vanwege zijn zoon. Brontekst: וַיֵּ֧רַע (vayera) = en het was kwalijk | הַדָּבָ֛ר (hadavar) = het woord | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | עַ֖ל (al) = vanwege | אוֹדֹ֥ת (odot) = de zaak van | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:18; Gen 22:1–2; Jub 17:5; 2 Sam 19:1; Mat 10:37; Heb 12:11 **21:12** Maar Elohim zei tegen Abraham: **„Laat het niet kwalijk zijn in je ogen, vanwege de jongen en je slavin. Luister naar alles wat Sarah tegen je zegt, want door Isaak zal jouw nageslacht genoemd worden.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | אַבְרָהָ֗ם (avraham) = Abraham | אַל (al) = niet | יֵרַ֤ע (yera) = laat zijn kwalijk | בְּעֵינֶ֨יךָ֙ (beeineikha) = in je ogen | עַל (al) = vanwege | הַנַּ֣עַר (hanaar) = de jongen | וְעַל (veal) = en vanwege | אֲמָתֶ֔ךָ (amatekha) = je slavin | כֹּל֩ (kol) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | תֹּאמַ֥ר (tomar) = zal zeggen | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = tot jou | שָׂרָ֖ה (sara) = Sarah | שְׁמַ֣ע (shema) = luister | בְּקֹלָ֑הּ (beqolah) = naar haar stem | כִּ֣י (ki) = want | בְיִצְחָ֔ק (beyitschaq) = door Isaak | יִקָּרֵ֥א (yiqare) = zal genoemd worden | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | זָֽרַע (zara) = nageslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּי בְיִצְחָק יִקָּרֵא לְךָ זָרַע (ki veYitschaq yiqqare lekha zara), ‘want door Isaak zal jouw nageslacht genoemd worden’: alleen Isaaks lijn draagt de belofte; Rom. 9:7 en Heb. 11:18 halen dit aan. ‘Luister naar haar stem’ is dezelfde uitdrukking als in 3:17 en 16:2 (zie 3:17; 16:2). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 17:6–7 geeft hetzelfde antwoord van Elohim. Zie ook: Gen 3:17; Gen 16:2; Gen 17:19; Jub 16:17; Jub 17:6–7; Jub 19:16; 1 Sam 8:7; 1 Sam 8:9; Rom 9:7–8; Heb 11:18 **21:13** **Ook de zoon van de slavin zal Ik tot een volk maken, want hij is jouw nageslacht.”** Brontekst: וְגַ֥ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בֶּן (ben) = zoon van | הָאָמָ֖ה (haama) = de slavin | לְג֣וֹי (legoy) = tot een volk | אֲשִׂימֶ֑נּוּ (asimenu) = Ik zal hem maken | כִּ֥י (ki) = want | זַרְעֲךָ֖ (zarakha) = je nageslacht | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 16:10; Gen 17:20; Gen 21:18; Gen 25:12–18; Jub 17:7 **21:14** Abraham stond 's morgens vroeg op, nam brood en een waterzak en gaf dat aan Hagar. Hij legde het op haar schouder, gaf haar het kind en stuurde haar weg. Zij ging weg en dwaalde rond in de woestijn van Beër-Sjeba. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֣ם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | אַבְרָהָ֣ם (avraham) = Abraham | בַּבֹּ֡קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיִּֽקַּֽח (vayiqach) = en hij nam | לֶחֶם֩ (lechem) = brood | וְחֵ֨מַת (vechemat) = en een waterzak van | מַ֜יִם (mayim) = water | וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en hij gaf | אֶל (el) = aan | הָ֠גָר (hagar) = Hagar | שָׂ֧ם (sam) = leggend | עַל (al) = op | שִׁכְמָ֛הּ (shikhmah) = haar schouder | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַיֶּ֖לֶד (hayeled) = het kind | וַֽיְשַׁלְּחֶ֑הָ (vayshalecheha) = en hij zond haar weg | וַתֵּ֣לֶךְ (vatelekh) = en ze ging | וַתֵּ֔תַע (vateta) = en ze dwaalde | בְּמִדְבַּ֖ר (bemidbar) = in de woestijn van | בְּאֵ֥ר (beer) = put van | שָֽׁבַע (shava) = zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: בְּאֵר שָׁבַע (Be’er Sheva), ‘Beër-Sjeba’, ‘put van zeven’ of ‘put van de eed’ (zie 21:31). Voetnoot Uitleg: Beër-Sjeba ligt in het noorden van de Negev, ongeveer 70 km ten zuidwesten van Jeruzalem. וְחֵמַת מַיִם (chemet mayim), ‘waterzak’: een dierenhuid die als zak werd gebruikt. Het kind (yeled) is geen kleuter: Ismaël is zestien of zeventien (zie 21:9). Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘legde het op haar schouder en gaf haar het kind’. Anderen lezen ‘legde het op haar schouder, samen met het kind’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 17:8–9 en Jasher 21:16 vertellen dat Abraham brood en water meegaf. Zie ook: Gen 21:9; Gen 21:31; Gen 25:6; Jub 17:8–9; Jub 17:9; Jas 21:16; Ps 107:4; Ps 119:60; Spr 27:14; Joh 8:35 **21:15** Toen het water in de waterzak op was, wierp ze het kind onder een van de struiken. Brontekst: וַיִּכְל֥וּ (vayikhlu) = en op was | הַמַּ֖יִם (hamayim) = het water | מִן (min) = uit | הַחֵ֑מֶת (hachemet) = de waterzak | וַתַּשְׁלֵ֣ךְ (vatashlekh) = en ze wierp | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַיֶּ֔לֶד (hayeled) = het kind | תַּ֖חַת (tachat) = onder | אַחַ֥ד (achad) = een | הַשִּׂיחִֽם (hasichim) = van de struiken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשִּׂיחִם (hasiachim), ‘de struiken’: laag, dichtbegroeid struikgewas. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 17:10 spreekt van ‘een olijfboom’. Zie ook: Jub 17:9; Jub 17:10; Ex 15:22–25; Ps 63:2; 2 Kon 3:9; Jes 44:12; Jer 14:3 **21:16** Ze ging weg en zat tegenover hem, op een afstand van ongeveer een boogschot, want ze zei: „Ik wil de dood van het kind niet zien.” Zo zat ze tegenover hem. Het kind huilde luid. Brontekst: וַתֵּלֶךְ֩ (vatelekh) = en ze ging | וַתֵּ֨שֶׁב (vateshev) = en ze zat | לָ֜הּ (lah) = voor zich | מִנֶּ֗גֶד (mineged) = tegenover | הַרְחֵק֙ (harcheq) = ver | כִּמְטַחֲוֵ֣י (kimtachavei) = als de afstand van een schot van | קֶ֔שֶׁת (qeshet) = boog | כִּ֣י (ki) = want | אָֽמְרָ֔ה (amera) = ze had gezegd | אַל (al) = niet | אֶרְאֶ֖ה (ere) = laat mij zien | בְּמ֣וֹת (bemot) = de dood van | הַיָּ֑לֶד (hayaled) = het kind | וַתֵּ֣שֶׁב (vateshev) = en ze zat | מִנֶּ֔גֶד (mineged) = tegenover | וַתִּשָּׂ֥א (vatisa) = en ze verhief | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | קֹלָ֖הּ (qolah) = haar stem | וַתֵּֽבְךְּ (vatevek) = en ze huilde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּמְטַחֲוֵי קֶשֶׁת (kemattachavei qeshet), ‘als een boogschot afstand’: een boogschot is geen vaste maat, ruwweg honderd meter. וַתִּשָּׂא אֶת קֹלָהּ וַתֵּבְךְּ (vattisa et qolah vattevk), ‘zij verhief haar stem en huilde’: zo staat het in de Hebreeuwse tekst, met Hagar als onderwerp. Dat past bij vers 17, waar Elohim ‘de stem van de jongen’ hoort. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘het kind huilde luid’ (letterlijk ‘verhief zijn stem en huilde’), zoals de oude Griekse vertaling het heeft. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 17:10 zegt dat Hagar ‘zittend weende’. Zie ook: Gen 21:17; Gen 29:11; Jub 17:10; Ruth 1:9; 1 Sam 30:4; 1 Kon 3:26; Jes 49:15 **21:17** Elohim hoorde de stem van de jongen. De engel van Elohim riep Hagar vanuit de hemel toe: _„Wat is er met je, Hagar? Wees niet bang, want Elohim heeft de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is._ Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en Hij hoorde | אֱלֹהִים֮ (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | ק֣וֹל (qol) = stem van | הַנַּעַר֒ (hanaar) = de jongen | וַיִּקְרָא֩ (vayiqra) = en hij riep | מַלְאַ֨ךְ (malakh) = engel van | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | הָגָר֙ (hagar) = Hagar | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָ֖הּ (lah) = tot haar | מַה (ma) = wat | לָּ֣ךְ (lakh) = voor jou | הָגָ֑ר (hagar) = Hagar | אַל (al) = niet | תִּ֣ירְאִ֔י (tirei) = wees bang | כִּֽי (ki) = want | שָׁמַ֧ע (shama) = heeft gehoord | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | ק֥וֹל (qol) = stem van | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | בַּאֲשֶׁ֥ר (baasher) = waar | הוּא (hu) = hij | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ אֱלֹהִים (mal’akh Elohim), ‘engel van Elohim’: Hij roept Hagar ‘vanuit de hemel’, zoals de engel Abraham toeroept in 22:11 (zie 22:11). In 16:7 was het de engel van Yahweh (zie 16:7). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 17:11 zegt dat deze engel ‘een van de heiligen’ was. Zie ook: Gen 15:1; Gen 16:7; Gen 16:11; Gen 22:11; Jub 17:11; Ex 3:7; Ps 50:15; Ps 91:15 **21:18** _Sta op, til de jongen op en houd hem stevig vast, want Ik zal hem tot een groot volk maken.”_ Brontekst: ק֚וּמִי (qumi) = sta op | שְׂאִ֣י (sei) = til op | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | וְהַחֲזִ֥יקִי (vehachaziqi) = en houd vast | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יָדֵ֖ךְ (yadekh) = je hand | בּ֑וֹ (bo) = aan hem | כִּֽי (ki) = want | לְג֥וֹי (legoy) = tot een volk | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | אֲשִׂימֶֽנּוּ (asimenu) = Ik zal hem maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 16:10; Gen 17:20; Gen 21:13; Gen 25:12–18; Jub 17:11; 1 Kron 1:29–31 **21:19** Elohim opende haar ogen, en ze zag een put met water. Ze ging erheen, vulde de waterzak met water en gaf de jongen te drinken. Brontekst: וַיִּפְקַ֤ח (vayifqach) = en Hij opende | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵינֶ֔יהָ (eineiha) = haar ogen | וַתֵּ֖רֶא (vatere) = en ze zag | בְּאֵ֣ר (beer) = put van | מָ֑יִם (mayim) = water | וַתֵּ֜לֶךְ (vatelekh) = en ze ging | וַתְּמַלֵּ֤א (vatemale) = en ze vulde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַחֵ֨מֶת֙ (hachemet) = de waterzak | מַ֔יִם (mayim) = water | וַתַּ֖שְׁקְ (vatashq) = en ze gaf te drinken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַנָּֽעַר (hanaar) = de jongen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאֵר מָיִם (be’er mayim), ‘een put met water’: Elohim opent haar ogen; de put was er al. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 17:12 vertelt hetzelfde: zij zag een put met water en gaf haar kind te drinken. Zie ook: Jub 17:12; Num 22:31; 2 Kon 6:17–20; Jes 35:5–6; Luc 24:16–31 **21:20** Elohim was met de jongen. Hij groeide op, woonde in de woestijn en werd een boogschutter. Brontekst: וַיְהִ֧י (vayhi) = en Hij was | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | וַיִּגְדָּ֑ל (vayigdal) = en hij groeide | וַיֵּ֨שֶׁב֙ (vayeshev) = en hij woonde | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | וַיְהִ֖י (vayhi) = en hij werd | רֹבֶ֥ה (rove) = schutter | קַשָּֽׁת (qashat) = boog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹבֶה קַשָּׁת (rovveh qeshet), ‘boogschutter’: roveh is een zeldzaam woord, waarschijnlijk van ‘schieten’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 17:13 en Jasher 21:12 noemen hem ook een boogschutter. Zie ook: Gen 16:12; Gen 28:15; Gen 39:21; Jub 17:13; Jas 21:12; Re 13:24–25; Luc 1:80 **21:21** Hij woonde in de woestijn van Paran. Zijn moeder nam een vrouw voor hem uit het land Egypte. Brontekst: וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | בְּמִדְבַּ֣ר (bemidbar) = in de woestijn van | פָּארָ֑ן (paran) = Paran | וַתִּֽקַּֽח (vatiqach) = en ze nam | ל֥וֹ (lo) = voor hem | אִמּ֛וֹ (imo) = zijn moeder | אִשָּׁ֖ה (isha) = een vrouw | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: פָּארָן (Pa’ran), ‘Paran’: de woestijn van Paran ligt in het noorden van de Sinaï, ten zuiden van de Negev; de grenzen zijn niet vast (zie 14:6). Voetnoot Aanvullend: Jasher 21:16–17 zegt dat Ismaël daar woonde, later in Egypte was en een vrouw uit Egypte nam. Zie ook: Gen 14:6; Gen 27:46–28:2; Jub 17:13; Jas 21:16–17; Num 13:3; Num 13:26; 1 Sam 25:1; 1 Kor 7:38 ### Het verbond met Abimelech **21:22** In die tijd zeiden Abimelech en Pichol, de bevelhebber van zijn leger, tegen Abraham: „Elohim is met je in alles wat je doet. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֔וא (hahi) = die | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲבִימֶ֗לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וּפִיכֹל֙ (ufikhol) = en Pichol | שַׂר (sar) = bevelhebber van | צְבָא֔וֹ (tsevao) = zijn leger | אֶל (el) = tot | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = Elohim | עִמְּךָ֔ (imekha) = met jou | בְּכֹ֥ל (bekhol) = in alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אַתָּ֖ה (ata) = jij | עֹשֶֽׂה (ose) = doet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּפִיכֹל שַׂר צְבָאוֹ (Pikhol sar tseva’o), ‘Pichol, de bevelhebber van zijn leger’: hij komt ook voor in 26:26 (zie 26:26). Zie ook: Gen 20:2; Gen 26:26; Gen 26:28; Joz 3:7; Rom 8:31 **21:23** Zweer mij nu hier bij Elohim dat je niet vals zult zijn tegenover mij, mijn kinderen en mijn nakomelingen. Zoals ik jou trouw bewezen heb, zul je mij en het land waarin je als vreemdeling woont, trouw bewijzen.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | הִשָּׁ֨בְעָה (hishavea) = zweer | לִּ֤י (li) = mij | בֵֽאלֹהִים֙ (bElohim) = bij Elohim | הֵ֔נָּה (hena) = hier | אִם (im) = dat niet | תִּשְׁקֹ֣ר (tishqor) = je zult liegen | לִ֔י (li) = tegen mij | וּלְנִינִ֖י (ulenini) = en tegen mijn kinderen | וּלְנֶכְדִּ֑י (ulenekhdi) = en tegen mijn nakomelingen | כַּחֶ֜סֶד (kachesed) = naar de trouw | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשִׂ֤יתִי (asiti) = ik heb gedaan | עִמְּךָ֙ (imekha) = met jou | תַּעֲשֶׂ֣ה (taase) = zul je doen | עִמָּדִ֔י (imadi) = met mij | וְעִם (veim) = en met | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = waarin | גַּ֥רְתָּה (garta) = je hebt gewoond als vreemdeling | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כַּחֶסֶד (kechesed), ‘zoals de trouw’: chesed, zie 19:19 en 20:13 (zie 19:19; 20:13). וּלְנִינִי וּלְנֶכְדִּי (lenini ulenekhdi), ‘mijn kinderen en mijn nakomelingen’: nin en nekhed zijn twee zeldzame woorden voor ‘nageslacht’ (ook Jes. 14:22; Job 18:19). Zie ook: Gen 19:19; Gen 20:13; Gen 20:14; Gen 26:28; Job 18:19; Deut 6:13; Joz 2:12; Jes 14:22; Jer 4:2 **21:24** Abraham zei: „Ik zweer het.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | אִשָּׁבֵֽעַ (ishavea) = ik zal zweren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 14:13; Rom 12:18; Heb 6:16 **21:25** Maar Abraham sprak Abimelech aan op de waterput die de dienaren van Abimelech met geweld in bezit genomen hadden. Brontekst: וְהוֹכִ֥חַ (vehokhiach) = en hij berispte | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲבִימֶ֑לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | עַל (al) = over | אֹדוֹת֙ (odot) = de zaak van | בְּאֵ֣ר (beer) = put van | הַמַּ֔יִם (hamayim) = water | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | גָּזְל֖וּ (gazelu) = hadden geroofd | עַבְדֵ֥י (avdei) = dienaren van | אֲבִימֶֽלֶךְ (avimelekh) = Abimelech Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהוֹכִחַ (vehokhiach), ‘hij berispte’: van yakach, zoals ‘vrijgepleit’ in 20:16 (zie 20:16). גָּזְלוּ (gazelu), ‘met geweld in bezit genomen’: ook later is er twist om putten (zie 26:15; 26:20). Voetnoot Aanvullend: Jasher 22:4–6 vertelt dat Abrahams dienaren een grote put hadden gegraven die de dienaren van Abimelech roofden. Zie ook: Gen 13:7; Gen 20:16; Gen 26:15–22; Gen 26:20; Jas 22:4–6; Re 1:15; Spr 27:5; Mat 18:15 **21:26** Abimelech zei: „Ik weet niet wie dit gedaan heeft. Jij hebt het mij ook niet verteld, en ik heb er tot vandaag niets over gehoord.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲבִימֶ֔לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = ik wist | מִ֥י (mi) = wie | עָשָׂ֖ה (asa) = heeft gedaan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְגַם (vegam) = en ook | אַתָּ֞ה (ata) = jij | לֹא (lo) = niet | הִגַּ֣דְתָּ (higadta) = je hebt verteld | לִּ֗י (li) = aan mij | וְגַ֧ם (vegam) = en ook | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | לֹ֥א (lo) = niet | שָׁמַ֖עְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | בִּלְתִּ֥י (bilti) = behalve | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 13:7; 2 Kon 5:20–24 **21:27** Abraham nam schapen en runderen en gaf ze aan Abimelech. Zo sloten de twee een verbond. Brontekst: וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | צֹ֣אן (tson) = kleinvee | וּבָקָ֔ר (uvaqar) = en rundvee | וַיִּתֵּ֖ן (vayiten) = en hij gaf | לַאֲבִימֶ֑לֶךְ (laavimelekh) = aan Abimelech | וַיִּכְרְת֥וּ (vayikhretu) = en ze sloten | שְׁנֵיהֶ֖ם (sheneihem) = hen beiden | בְּרִֽית (berit) = een verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 14:22–23; 1 Sam 18:3; Spr 18:16; Spr 21:14; Gal 3:15 **21:28** Abraham zette zeven jonge ooien van de kudde apart. Brontekst: וַיַּצֵּ֣ב (vayatsev) = en hij zette neer | אַבְרָהָ֗ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֶׁ֛בַע (sheva) = zeven | כִּבְשֹׂ֥ת (kivsot) = jonge ooien van | הַצֹּ֖אן (hatson) = de kudde | לְבַדְּהֶֽן (levadehen) = apart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:29** Abimelech zei tegen Abraham: „Wat betekenen deze zeven jonge ooien die je apart gezet hebt?” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲבִימֶ֖לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | אֶל (el) = tot | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | מָ֣ה (ma) = wat | הֵ֗נָּה (hena) = zie hier | שֶׁ֤בַע (sheva) = zeven | כְּבָשֹׂת֙ (kevasot) = jonge ooien | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הִצַּ֖בְתָּ (hitsavta) = je hebt neergezet | לְבַדָּֽנָה (levadana) = apart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 33:8; Ex 12:26; 1 Sam 15:14 **21:30** Hij zei: „Neem deze zeven jonge ooien aan uit mijn hand. Dan zijn ze een bewijs voor mij dat ik deze put gegraven heb.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | כִּ֚י (ki) = dat | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | כְּבָשֹׂ֔ת (kevasot) = jonge ooien | תִּקַּ֖ח (tiqach) = je zult nemen | מִיָּדִ֑י (miyadi) = uit mijn hand | בַּעֲבוּר֙ (baavur) = opdat | תִּֽהְיֶה (tihye) = zij zullen zijn | לִּ֣י (li) = voor mij | לְעֵדָ֔ה (leeda) = tot bewijs | כִּ֥י (ki) = dat | חָפַ֖רְתִּי (chafarti) = ik heb gegraven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַבְּאֵ֥ר (habeer) = de put | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעֵדָה (le’edah), ‘tot bewijs’: de zeven jonge ooien zijn het bewijs dat Abraham de put gegraven heeft. Voetnoot Aanvullend: Jasher 22:8 zegt hetzelfde. Zie ook: Gen 31:44–48; Gen 31:52; Jas 22:8; Joz 22:27–28; Joz 24:27 **21:31** Daarom noemde men die plaats Beër-Sjeba, want daar zwoeren zij beiden. Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּ֗ן (ken) = daarom | קָרָ֛א (qara) = hij noemde | לַמָּק֥וֹם (lamaqom) = de plaats | הַה֖וּא (hahu) = die | בְּאֵ֣ר (beer) = put van | שָׁ֑בַע (shava) = zeven | כִּ֛י (ki) = want | שָׁ֥ם (sham) = daar | נִשְׁבְּע֖וּ (nishbeu) = ze zwoeren | שְׁנֵיהֶֽם (sheneihem) = hen beiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Beër-Sjeba ligt in het noorden van de Negev (zie 21:14). Voetnoot Uitleg: בְּאֵר שָׁבַע (Be’er Sheva), ‘put van zeven’ en ‘put van de eed’: sheva is ‘zeven’ en klinkt als nishbe’u, ‘zij zwoeren’ (vers 28–30). Voetnoot Aanvullend: Jasher 22:9–10 zegt dat Abimelech en Abraham daar een verbond sloten. Zie ook: Gen 21:14; Gen 21:28–30; Gen 26:33; Jub 16:11; Jub 17:9; Jub 22:1; Jub 24:21; Jub 36:12; Jub 44:1; Jas 22:9–10; Re 20:1; 2 Sam 17:11; 1 Kon 5:5 **21:32** Zo sloten ze een verbond in Beër-Sjeba. Daarna stonden Abimelech en Pichol, de bevelhebber van zijn leger, op en keerden terug naar het land van de Filistijnen. Brontekst: וַיִּכְרְת֥וּ (vayikhretu) = en ze sloten | בְרִ֖ית (berit) = een verbond | בִּבְאֵ֣ר (biver) = in Beër | שָׁ֑בַע (shava) = Sjeba | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en hij stond op | אֲבִימֶ֗לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | וּפִיכֹל֙ (ufikhol) = en Pichol | שַׂר (sar) = bevelhebber van | צְבָא֔וֹ (tsevao) = zijn leger | וַיָּשֻׁ֖בוּ (vayashuvu) = en ze keerden terug | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = het land van | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: פְּלִשְׁתִּים (erets Pelishtim), ‘het land van de Filistijnen’: de kuststreek rond Gerar en Gaza (zie 10:19; 20:1). Zie ook: Gen 10:14; Gen 10:19; Gen 20:1; Gen 26:8; Gen 31:53; Ex 13:17; 1 Sam 18:3 **21:33** Abraham plantte een tamarisk in Beër-Sjeba en riep daar de naam van Yahweh aan, El Olam. Brontekst: וַיִּטַּ֥ע (vayita) = en hij plantte | אֶ֖שֶׁל (eshel) = tamarisk | בִּבְאֵ֣ר (biver) = in Beër | שָׁ֑בַע (shava) = Sjeba | וַיִּ֨קְרָא (vayiqra) = en hij riep aan | שָׁ֔ם (sham) = daar | בְּשֵׁ֥ם (beshem) = bij de naam van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֥ל (el) = El | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: אֵל עוֹלָם (El Olam), ‘de eeuwige El’: El is een oude Godsnaam (zie 14:18; 17:1). אֶשֶׁל (eshel), ‘tamarisk’: een boom die in de woestijn goed groeit. Voetnoot Aanvullend: Jasher 22:11 vertelt dat Abraham daar een grote tamarisk met vier poorten en een wijngaard plantte, zodat reizigers er konden binnengaan. Zie ook: Gen 14:18; Gen 17:1; Jas 22:11; Ps 90:2; Jes 40:28; Jer 10:10; Rom 16:26; 1 Tim 1:17 **21:34** Abraham verbleef lange tijd als vreemdeling in het land van de Filistijnen. Brontekst: וַיָּ֧גָר (vayagar) = en hij verbleef als vreemdeling | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = Filistijnen | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | רַבִּֽים (rabim) = vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:1; 1 Kron 29:15; Ps 39:13; Heb 11:9; Heb 11:13 ## Genesis 22 _De binding van Isaak_ ### Elohim stelt Abraham op de proef **22:1** Na deze dingen stelde Elohim Abraham op de proef. Hij zei tegen hem: **„Abraham!”** Hij zei: „Hier ben ik.” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַחַר֙ (achar) = na | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וְהָ֣אֱלֹהִ֔ים (vehaelohim) = en de Elohim | נִסָּ֖ה (nisa) = stelde op de proef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּֽנִי (hineni) = hier ben ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִסָּה (nissah), ‘Hij stelde op de proef’: een beproeving laat zien wat in iemand leeft (zie Heb. 11:17). הִנֵּנִי (hinneni), ‘hier ben ik’: Abrahams antwoord als hij geroepen wordt, ook in vers 7 en 11 (zie 22:7; 22:11). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 17:15–18 vertelt dat Mastema, de aanklager, bij Elohim voorstelde Abraham te beproeven. Jasher 23:1–2 zegt dat het woord van Yahweh tot Abraham kwam. Zie ook: Gen 22:7; Gen 22:11; Jub 17:15–18; Jub 17:16; Jub 18:1; Jas 23:1–2; Deut 8:2; Jak 1:12–14; Jak 2:21; 1 Petr 1:7; Heb 11:17 **22:2** Hij zei: **„Neem toch je zoon, je enige, die je liefhebt, Isaak. Ga naar het land Moria en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik je zal noemen.”** Brontekst: וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en Hij zei | קַח (qach) = neem | נָ֠א (na) = toch | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּנְךָ֨ (binkha) = je zoon | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְחִֽידְךָ֤ (yechidekha) = je enige | אֲשֶׁר (asher) = die | אָהַ֨בְתָּ֙ (ahavta) = je liefhebt | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | וְלֶךְ (velekh) = en ga | לְךָ֔ (lekha) = jezelf | אֶל (el) = naar | אֶ֖רֶץ (erets) = land van | הַמֹּרִיָּ֑ה (hamoriya) = Moria | וְהַעֲלֵ֤הוּ (vehaalehu) = en offer hem op | שָׁם֙ (sham) = daar | לְעֹלָ֔ה (leola) = als brandoffer | עַ֚ל (al) = op | אַחַ֣ד (achad) = een van | הֶֽהָרִ֔ים (heharim) = de bergen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | אֹמַ֥ר (omar) = Ik zal zeggen | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = tot jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: הַמֹּרִיָּה (haMoriyyah), ‘Moria’: de berg Moria wordt in 2 Kron. 3:1 gelijkgesteld met de berg waarop de tempel in Jeruzalem stond. Jeruzalem ligt ongeveer 70 km ten noordoosten van Beër-Sjeba. De Samaritanen zoeken de plaats bij de berg Gerizim. Voetnoot Uitleg: יְחִידְךָ (yechidkha), ‘je enige’: Isaak is de enige zoon van Sarah en de erfgenaam van de belofte (zie 21:12). Abraham heeft ook Ismaël (zie 16:15). וְלֶךְ לְךָ (lekh lekha), ‘ga jezelf’: dezelfde woorden als bij Abrahams eerste roeping (zie 12:1). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 18:13 noemt de plaats ‘de berg Sion’. Jasher 23:3–19 vertelt dat Abraham tegen Sarah zei dat hij Isaak naar Sem en Eber bracht om te leren, en dat zij hen met tranen uitgeleide deed. Zie ook: Gen 12:1; Gen 16:15; Gen 21:12; Gen 22:12; Jub 18:2; Jub 18:13; Jas 23:3–19; 2 Kron 3:1; Joh 3:16; Rom 8:32; Heb 11:17; 1 Joh 4:9–10 **22:3** Abraham stond 's morgens vroeg op en zadelde zijn ezel. Hij nam twee van zijn jonge bedienden met zich mee, en zijn zoon Isaak. Hij kloofde hout voor het brandoffer. Daarna maakte hij zich op en ging naar de plaats die Elohim hem genoemd had. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֨ם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | בַּבֹּ֗קֶר (baboqer) = in de morgen | וַֽיַּחֲבֹשׁ֙ (vayachavosh) = en hij zadelde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֲמֹר֔וֹ (chamoro) = zijn ezel | וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁנֵ֤י (shenei) = twee van | נְעָרָיו֙ (nearav) = zijn jonge bedienden | אִתּ֔וֹ (ito) = met zich | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | בְּנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | וַיְבַקַּע֙ (vayvaqa) = en hij kloofde | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | עֹלָ֔ה (ola) = brandoffer | וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en hij stond op | וַיֵּ֔לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | אֶל (el) = naar | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = die | אָֽמַר (amar) = Hij had gezegd | ל֥וֹ (lo) = tot hem | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְעָרָיו (ne’arav), ‘zijn jonge bedienden’: zie 18:7. Voetnoot Aanvullend: Jasher 23:21 noemt de twee Ismaël en Eliëzer. Zie ook: Gen 18:7; Jub 18:3; Jas 23:21; Ps 119:60; Jes 26:3–4; Mat 10:37; Luc 14:26; Heb 11:17–19 **22:4** Op de derde dag sloeg Abraham zijn ogen op en zag de plaats van ver. Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֗י (hashelishi) = de derde | וַיִּשָּׂ֨א (vayisa) = en hij sloeg op | אַבְרָהָ֧ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵינָ֛יו (einav) = zijn ogen | וַיַּ֥רְא (vayar) = en hij zag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | מֵרָחֹֽק (merachoq) = van ver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי (bayom hashelishi), ‘op de derde dag’: de reis van Beër-Sjeba naar de berg duurt drie dagen (zie 22:19). Voetnoot Aanvullend: Jasher 23:41–42 vertelt dat Abraham de plaats van ver zag, met een vuurkolom en een wolk. Zie ook: Gen 22:19; Jub 18:3; Jas 23:41–42; 2 Kon 20:5; Hos 6:2; Mat 17:23; Luc 13:32; 1 Kor 15:4 **22:5** Abraham zei tegen zijn jonge bedienden: „Blijf hier met de ezel. De jongen en ik gaan daarheen. Wij zullen ons neerbuigen en dan komen wij weer naar jullie terug.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | אֶל (el) = tot | נְעָרָ֗יו (nearav) = zijn jonge bedienden | שְׁבוּ (shevu) = blijf | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | פֹּה֙ (po) = hier | עִֽם (im) = met | הַחֲמ֔וֹר (hachamor) = de ezel | וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | וְהַנַּ֔עַר (vehanaar) = en de jongen | נֵלְכָ֖ה (nelekha) = laten we gaan | עַד (ad) = tot | כֹּ֑ה (ko) = daar | וְנִֽשְׁתַּחֲוֶ֖ה (venishtachave) = en laten we ons neerbuigen | וְנָשׁ֥וּבָה (venashuva) = en laten we terugkeren | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = naar jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִשְׁתַּחֲוֶה וְנָשׁוּבָה (venishtachaveh venashuvah), ‘wij zullen ons neerbuigen en terugkeren’: Abraham spreekt in het meervoud: ook Isaak komt terug. Heb. 11:19 zegt dat Abraham rekende op Elohim, die zelfs uit de doden kan opwekken. Zie ook: Jub 18:4; Heb 11:19; Heb 12:1 **22:6** Abraham nam het hout voor het brandoffer en legde het op zijn zoon Isaak. Hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij gingen beiden samen verder. Brontekst: וַיִּקַּ֨ח (vayiqach) = en hij nam | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֲצֵ֣י (atsei) = hout van | הָעֹלָ֗ה (haola) = het brandoffer | וַיָּ֨שֶׂם֙ (vayasem) = en hij legde | עַל (al) = op | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en hij nam | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֵ֖שׁ (haesh) = het vuur | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַֽמַּאֲכֶ֑לֶת (hamaakhelet) = het mes | וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en ze gingen | שְׁנֵיהֶ֖ם (sheneihem) = beiden | יַחְדָּֽו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּאֲכֶלֶת (hamma’akhelet), ‘het mes’: een slachtmes, ook in vers 10 (zie Richt. 19:29). Zie ook: Gen 22:10; Jub 18:5; Re 19:29; Jes 53:6; Mat 8:17; Luc 24:26–27; Joh 19:17; 1 Petr 2:24 **22:7** Isaak zei tegen zijn vader Abraham: „Mijn vader!” Hij zei: „Hier ben ik, mijn zoon.” Hij zei: „Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִצְחָ֜ק (yitschaq) = Isaak | אֶל (el) = tot | אַבְרָהָ֤ם (avraham) = Abraham | אָבִיו֙ (aviv) = zijn vader | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֶּ֣נִּֽי (hineni) = hier ben ik | בְנִ֑י (beni) = mijn zoon | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | הָאֵשׁ֙ (haesh) = het vuur | וְהָ֣עֵצִ֔ים (vehaetsim) = en het hout | וְאַיֵּ֥ה (veaye) = en waar | הַשֶּׂ֖ה (hase) = het lam | לְעֹלָֽה (leola) = voor brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:2–4; Jub 18:6; Ex 12:3; Mat 26:39; Mat 26:42; Rom 8:15 **22:8** Abraham zei: „Elohim zal voor Zich het lam voor het brandoffer voorzien, mijn zoon.” Zij gingen beiden samen verder. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | אֱלֹהִ֞ים (Elohim) = Elohim | יִרְאֶה (yire) = zal zien | לּ֥וֹ (lo) = voor Zich | הַשֶּׂ֛ה (hase) = het lam | לְעֹלָ֖ה (leola) = voor brandoffer | בְּנִ֑י (beni) = mijn zoon | וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en ze gingen | שְׁנֵיהֶ֖ם (sheneihem) = beiden | יַחְדָּֽו (yachdav) = samen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱלֹהִים יִרְאֶה לּוֹ (Elohim yireh lo), ‘Elohim zal voor Zich zien’: yireh, ‘zal zien’, betekent hier ‘voorzien’, zorgen voor wat nodig is. Hetzelfde werkwoord staat in vers 14 (zie 22:14). Zie ook: Gen 18:14; Gen 22:14; Jub 18:7; Joh 1:29; Joh 1:36; Openb 5:12; Openb 13:8 ### De binding van Isaak **22:9** Zij kwamen bij de plaats die Elohim hem genoemd had. Abraham bouwde daar het altaar, schikte het hout, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, bovenop het hout. Brontekst: וַיָּבֹ֗אוּ (vayavou) = en ze kwamen | אֶֽל (el) = naar | הַמָּקוֹם֮ (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָֽמַר (amar) = Hij had gezegd | ל֣וֹ (lo) = tot hem | הָאֱלֹהִים֒ (haElohim) = de Elohim | וַיִּ֨בֶן (vayiven) = en hij bouwde | שָׁ֤ם (sham) = daar | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | וַֽיַּעֲרֹ֖ךְ (vayaarokh) = en hij schikte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָעֵצִ֑ים (haetsim) = het hout | וַֽיַּעֲקֹד֙ (vayaaqod) = en hij bond | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en hij legde | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | מִמַּ֖עַל (mimaal) = bovenop | לָעֵצִֽים (laetsim) = het hout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּעֲקֹד (vaya’aqod), ‘en hij bond’: een zeldzaam werkwoord. In de Joodse overlevering heet dit verhaal de Aqedah, ‘de binding’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 18:8 en Jasher 23:58–65 vertellen dat Abraham het altaar bouwde en Isaak vastbond; volgens Jasher vroeg Isaak zelf om stevig gebonden te worden. Zie ook: Jub 18:8; Jas 23:58–65; Hand 8:32; Jak 2:21; Ef 5:2; Fil 2:7–8; Heb 11:17–19 **22:10** Abraham strekte zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en hij strekte uit | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | וַיִּקַּ֖ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַֽמַּאֲכֶ֑לֶת (hamaakhelet) = het mes | לִשְׁחֹ֖ט (lishchot) = om te slachten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 53:6–12; Jak 2:21–23; Heb 11:17–19 ### De engel houdt Abraham tegen **22:11** Toen riep de engel van Yahweh hem vanuit de hemel toe: _„Abraham, Abraham!”_ Hij zei: „Hier ben ik.” Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij riep | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | מַלְאַ֤ךְ (malakh) = engel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מִן (min) = uit | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַבְרָהָ֣ם (avraham) = Abraham | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּֽנִי (hineni) = hier ben ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘engel van Yahweh’: zie 16:7. In dit hoofdstuk wisselt de naam van Elohim (vers 1–9) naar Yahweh (vers 11–16). אַבְרָהָם אַבְרָהָם (Avraham Avraham), de naam tweemaal: ook bij Jakob in 46:2 en bij Mozes in Ex. 3:4. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 18:9–10 zegt dat de engel riep terwijl Mastema beschaamd werd. Zie ook: Gen 16:7; Gen 16:9–10; Gen 21:17; Gen 22:1–9; Gen 22:16; Gen 46:2; Jub 18:9–10; Ex 3:4 **22:12** Hij zei: _„Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets. Nu weet Ik dat je Elohim vreest, want je hebt je zoon, je enige, niet voor Mij achtergehouden.”_ Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַל (al) = niet | תִּשְׁלַ֤ח (tishlach) = strek uit | יָֽדְךָ֙ (yadekha) = je hand | אֶל (el) = naar | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | וְאַל (veal) = en niet | תַּ֥עַשׂ (taas) = doe | ל֖וֹ (lo) = hem | מְא֑וּמָּה (meuma) = iets | כִּ֣י (ki) = want | עַתָּ֣ה (ata) = nu | יָדַ֗עְתִּי (yadati) = Ik weet | כִּֽי (ki) = dat | יְרֵ֤א (yere) = vrezend | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אַ֔תָּה (ata) = jij | וְלֹ֥א (velo) = en niet | חָשַׂ֛כְתָּ (chasakhta) = je hebt achtergehouden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּנְךָ֥ (binkha) = je zoon | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְחִידְךָ֖ (yechidekha) = je enige | מִמֶּֽנִּי (mimeni) = van Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְרֵא אֱלֹהִים (yere Elohim), ‘Elohim vrezend’: ontzag voor Elohim (zie 20:11). De engel spreekt hier als Elohim zelf: ‘voor Mij’ (mimmeni). Abrahams gehoorzaamheid maakt zijn vertrouwen zichtbaar (zie Jak. 2:21–22). Zie ook: Gen 20:11; Jub 18:9; Jub 18:11; 1 Sam 15:22; Mat 10:37–38; Jak 2:18; Jak 2:21–22; Rom 8:32 **22:13** Abraham sloeg zijn ogen op en zag, en zie: achter hem hing een ram met zijn hoorns vast in het struikgewas. Abraham ging erheen, nam de ram en offerde hem als brandoffer in de plaats van zijn zoon. Brontekst: וַיִּשָּׂ֨א (vayisa) = en hij sloeg op | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵינָ֗יו (einav) = zijn ogen | וַיַּרְא֙ (vayar) = en hij zag | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | אַ֔יִל (ayil) = ram | אַחַ֕ר (achar) = achter | נֶאֱחַ֥ז (neechaz) = vastgegrepen | בַּסְּבַ֖ךְ (basevakh) = in het struikgewas | בְּקַרְנָ֑יו (beqarnav) = met zijn hoorns | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאַ֔יִל (haayil) = de ram | וַיַּעֲלֵ֥הוּ (vayaalehu) = en hij offerde hem op | לְעֹלָ֖ה (leola) = als brandoffer | תַּ֥חַת (tachat) = in plaats van | בְּנֽוֹ (beno) = zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחַר (acher), ‘achter’: een ram, achter hem. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen zoals de Hebreeuwse tekst. Veel handschriften, de Samaritaanse tekst en de oude vertalingen hebben echad, ‘één ram’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 18:12 en Jasher 23:70–73 vertellen over de ram; volgens Jasher hield Satan hem vast in het struikgewas. Zie ook: Jub 18:12; Jas 23:70–73; Ps 40:7–9; Jes 30:21; 1 Kor 10:13; 2 Kor 1:9–10; 1 Petr 1:19–20 **22:14** Abraham noemde die plaats „Yahweh zal erin voorzien”. Daarom zegt men tot op deze dag: „Op de berg van Yahweh wordt erin voorzien.” Brontekst: וַיִּקְרָ֧א (vayiqra) = en hij noemde | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | שֵֽׁם (shem) = naam van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַה֖וּא (hahu) = die | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | יִרְאֶ֑ה (yire) = zal zien | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | יֵאָמֵ֣ר (yeamer) = wordt gezegd | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | יֵרָאֶֽה (yerae) = zal gezien worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה יִרְאֶה (Yahweh yireh), ‘Yahweh zal zien’, hier ‘Yahweh zal erin voorzien’ (zie 22:8). בְּהַר יְהוָה יֵרָאֶה (behar Yahweh yera’eh), ‘op de berg van Yahweh wordt erin voorzien’: een gezegde dat tot ‘vandaag’ gebruikt werd; zie ‘de berg van Yahweh’ in Ps. 24:3 en Jes. 2:3. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 18:13 noemt het ‘Yahweh heeft gezien’ en zegt dat dit de berg Sion is. Zie ook: Gen 16:13–14; Gen 22:8; Gen 22:13; Jub 18:13; Ex 17:15; Re 6:24; Ps 24:3; Jes 2:3 ### De belofte onder ede **22:15** De engel van Yahweh riep Abraham een tweede keer vanuit de hemel toe Brontekst: וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en hij riep | מַלְאַ֥ךְ (malakh) = engel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | שֵׁנִ֖ית (shenit) = tweede keer | מִן (min) = uit | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 18:14 **22:16** en zei: _„Ik zweer bij Mijzelf, spreekt Yahweh: omdat je dit gedaan hebt en je zoon, je enige, niet achtergehouden hebt,_ Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | בִּ֥י (bi) = bij Mijzelf | נִשְׁבַּ֖עְתִּי (nishbati) = Ik zweer | נְאֻם (neum) = spreking van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּ֗י (ki) = want | יַ֚עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | עָשִׂ֨יתָ֙ (asita) = je hebt gedaan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וְלֹ֥א (velo) = en niet | חָשַׂ֖כְתָּ (chasakhta) = je hebt achtergehouden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּנְךָ֥ (binkha) = je zoon | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְחִידֶֽךָ (yechidekha) = je enige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁבַּעְתִּי (nishba’ti), ‘ik heb gezworen’: Elohim zweert bij Zichzelf, omdat niemand groter is (zie Heb. 6:13–14). נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘spreking van Yahweh’: een profetische formule. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 18:15 geeft dezelfde belofte. Zie ook: Jub 18:15; Ps 105:9; Jer 51:14; Luc 1:73; Rom 4:13–14; Heb 6:13–14 **22:17** _zal Ik je rijkelijk zegenen en je nageslacht sterk vermeerderen, als de sterren aan de hemel en als het zand aan de oever van de zee. Je nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit nemen._ Brontekst: כִּֽי (ki) = dat | בָרֵ֣ךְ (barekh) = zegenen | אֲבָרֶכְךָ֗ (avarekhkha) = Ik zal je zegenen | וְהַרְבָּ֨ה (veharba) = en vermeerderen | אַרְבֶּ֤ה (arbe) = Ik zal vermeerderen | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | זַרְעֲךָ֙ (zarakha) = je nageslacht | כְּכוֹכְבֵ֣י (kekhokhevei) = als de sterren van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְכַח֕וֹל (vekhachol) = en als het zand | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = aan | שְׂפַ֣ת (sefat) = oever van | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | וְיִרַ֣שׁ (veyirash) = en zal bezitten | זַרְעֲךָ֔ (zarakha) = je nageslacht | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | אֹיְבָֽיו (oyevav) = zijn vijanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַר אֹיְבָיו (sha’ar oyevav), ‘de poort van zijn vijanden’: de stadspoort staat voor de stad; ‘in bezit nemen’ betekent de steden van de vijanden veroveren (zie 24:60). De sterren en het zand: zie 15:5. Zie ook: Gen 13:16; Gen 15:5; Gen 24:60; Gen 26:4; Jer 33:22 **22:18** _In je nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat je naar Mijn stem geluisterd hebt.”_ Brontekst: וְהִתְבָּרֲכ֣וּ (vehitbarakhu) = en zullen zich gezegend noemen | בְזַרְעֲךָ֔ (bezarakha) = in je nageslacht | כֹּ֖ל (kol) = alle | גּוֹיֵ֣י (goyei) = volken van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | עֵ֕קֶב (eqev) = omdat | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | שָׁמַ֖עְתָּ (shamata) = je hebt geluisterd | בְּקֹלִֽי (beqoli) = naar Mijn stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִתְבָּרֲכוּ (vehitbarakhu), ‘zullen gezegend worden’: de werkwoordsvorm kan ook ‘zich gezegend noemen’ betekenen (zie 12:3; 18:18). Hand. 3:25 haalt dit vers aan. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 18:16 geeft dezelfde belofte. Zie ook: Gen 12:3; Gen 18:18; Gen 26:4–5; Jub 18:16; Hand 3:25; Gal 3:16 **22:19** Abraham ging terug naar zijn jonge bedienden. Ze maakten zich op en gingen samen naar Beër-Sjeba. Abraham woonde in Beër-Sjeba. Brontekst: וַיָּ֤שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | אֶל (el) = tot | נְעָרָ֔יו (nearav) = zijn jonge bedienden | וַיָּקֻ֛מוּ (vayaqumu) = en ze stonden op | וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en ze gingen | יַחְדָּ֖ו (yachdav) = samen | אֶל (el) = naar | בְּאֵ֣ר (beer) = put van | שָׁ֑בַע (shava) = zeven | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | בִּבְאֵ֥ר (biver) = in Beër | שָֽׁבַע (shava) = Sjeba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 18:17–19 vertelt dat Abraham bij de Put van de Eed woonde en elk jaar zeven dagen feest vierde. Zie ook: Gen 21:31; Jub 18:17–19; Joz 15:28; Re 20:1 ### De zonen van Nachor **22:20** Na deze dingen werd aan Abraham verteld: „Zie, ook Milka heeft zonen gebaard aan Nachor, je broer: Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וַיֻּגַּ֥ד (vayugad) = en het werd verteld | לְאַבְרָהָ֖ם (leavraham) = aan Abraham | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | הִ֠נֵּה (hine) = zie | יָלְדָ֨ה (yaleda) = heeft gebaard | מִלְכָּ֥ה (milka) = Milka | גַם (gam) = ook | הִ֛וא (hi) = zij | בָּנִ֖ים (banim) = zonen | לְנָח֥וֹר (lenachor) = aan Nachor | אָחִֽיךָ (achikha) = je broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָלְדָה מִלְכָּה (yaldah Milkah), ‘Milka heeft gebaard’: Milka was Nachors vrouw en de dochter van Haran (zie 11:29). Dit bericht bereidt de komst van Rebekka voor (zie 24:15). Zie ook: Gen 11:29; Gen 24:15; Gen 24:24; Gen 31:53; Spr 25:25 **22:21** Us, zijn eerstgeborene, Bus, zijn broer, Kemuël, de vader van Aram, Brontekst: אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | ע֥וּץ (uts) = Us | בְּכֹר֖וֹ (bekhoro) = zijn eerstgeborene | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בּ֣וּז (buz) = Bus | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | קְמוּאֵ֖ל (qemuel) = Kemuël | אֲבִ֥י (avi) = vader van | אֲרָֽם (aram) = Aram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עוּץ (Uts), ‘Us’: ook een zoon van Aram heet Us (zie 10:23). בּוּז (Buz), ‘Bus’: later een stam of streek (zie Jer. 25:23). קְמוּאֵל אֲבִי אֲרָם (Qemu’el avi Aram), ‘Kemuël, de vader van Aram’: een andere Aram dan de zoon van Sem (zie 10:22). Zie ook: Gen 10:22; Gen 10:23; Gen 24:10; Job 1:1; Job 32:2; Num 23:7; Ps 60:3–14; Jer 25:23 **22:22** Kesed, Chazo, Pildasj, Jidlaf en Betuël.” Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כֶּ֣שֶׂד (kesed) = Kesed | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | חֲז֔וֹ (chazo) = Chazo | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | פִּלְדָּ֖שׁ (pildash) = Pildasj | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יִדְלָ֑ף (yidlaf) = Jidlaf | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בְּתוּאֵֽל (betuel) = Betuël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֶּשֶׂד (Kesed), ‘Kesed’: de naam klinkt als Kasdim, ‘Chaldeeën’ (zie 11:28). בְּתוּאֵל (Betu’el), ‘Betuël’: vader van Rebekka (vers 23) en Laban (zie 24:29). Zie ook: Gen 11:28; Gen 22:23; Gen 24:29 **22:23** Betuël werd de vader van Rebekka. Deze acht heeft Milka aan Nachor, de broer van Abraham, gebaard. Brontekst: וּבְתוּאֵ֖ל (uvetuel) = en Betuël | יָלַ֣ד (yalad) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רִבְקָ֑ה (rivqa) = Rebekka | שְׁמֹנָ֥ה (shemona) = acht | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = deze | יָלְדָ֣ה (yaleda) = heeft gebaard | מִלְכָּ֔ה (milka) = Milka | לְנָח֖וֹר (lenachor) = aan Nachor | אֲחִ֥י (achi) = broer van | אַבְרָהָֽם (avraham) = Abraham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִבְקָה (Rivqah), ‘Rebekka’: zij wordt Isaaks vrouw (zie 24:15). Zie ook: Gen 24:15; Gen 24:24; Gen 24:47; Gen 24:51; Gen 28:5 **22:24** Zijn bijvrouw, die Reüma heette, baarde ook: Tebach, Gacham, Tachasj en Maächa. Brontekst: וּפִֽילַגְשׁ֖וֹ (ufilagsho) = en zijn bijvrouw | וּשְׁמָ֣הּ (ushemah) = en haar naam | רְאוּמָ֑ה (reuma) = Reüma | וַתֵּ֤לֶד (vateled) = en ze baarde | גַּם (gam) = ook | הִוא֙ (hi) = zij | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | טֶ֣בַח (tevach) = Tebach | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | גַּ֔חַם (gacham) = Gacham | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | תַּ֖חַשׁ (tachash) = Tachasj | וְאֶֽת (veet) = en (lijdend voorwerp) | מַעֲכָֽה (maakha) = Maächa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּפִילַגְשׁוֹ (pilagsho), ‘zijn bijvrouw’: een pilegesh is een vrouw met een lagere status dan de echtgenote (zie 25:6; 35:22). Voetnoot Aanvullend: Jasher 22:18 heeft als tweede naam Nacham waar Genesis Gacham heeft. Zie ook: Gen 16:3; Gen 25:6; Gen 35:22; Jas 22:18; Spr 15:25 ## Genesis 23 _Sarah sterft en wordt begraven_ ### Sarah sterft **23:1** Sarah werd 127 jaar oud. Dat waren de jaren van Sarahs leven. Brontekst: וַיִּהְיוּ֙ (vayihyu) = en ze waren | חַיֵּ֣י (chayei) = jaren van | שָׂרָ֔ה (sara) = Sarah | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | שָׁנָ֛ה (shana) = jaar | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וְשֶׁ֣בַע (vesheva) = en zeven | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaren | שְׁנֵ֖י (shenei) = jaren van | חַיֵּ֥י (chayei) = leven van | שָׂרָֽה (sara) = Sarah Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵאָה שָׁנָה וְעֶשְׂרִים שָׁנָה וְשֶׁבַע שָׁנִים (me’ah shanah ve’esrim shanah ve’sheva shanim), ‘honderd jaar en twintig jaar en zeven jaar’: samen 127. Sarah was 90 toen Isaak werd geboren (zie 17:17; 21:5), dus Isaak was nu 37. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 19:7 geeft dezelfde leeftijd. Zie ook: Gen 17:17; Gen 21:5; Jub 19:2; Jub 19:7 **23:2** Sarah stierf in Kirjat-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaän. Abraham kwam om over Sarah te rouwen en haar te beweinen. Brontekst: וַתָּ֣מָת (vatamat) = en ze stierf | שָׂרָ֗ה (sara) = Sarah | בְּקִרְיַ֥ת (beqiryat) = in Kirjat | אַרְבַּ֛ע (arba) = Arba | הִ֥וא (hi) = zij | חֶבְר֖וֹן (chevron) = Hebron | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en hij kwam | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | לִסְפֹּ֥ד (lispod) = om te rouwen | לְשָׂרָ֖ה (lesara) = over Sarah | וְלִבְכֹּתָֽהּ (velivkotah) = en om haar te beweinen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: בְּקִרְיַת אַרְבַּע הִוא חֶבְרוֹן (beQiryat Arba hi Chevron), ‘in Kirjat-Arba, dat is Hebron’: Kirjat-Arba betekent ‘stad van Arba’ (zie Joz. 14:15). Voetnoot Uitleg: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem, dicht bij Mamre (zie 13:18; 18:1). Voetnoot Aanvullend: Jasher 23:88–90 vertelt dat Abraham en Isaak Sarah dood vonden in Hebron. Jubileeën 19:1–2 zegt dat Abraham tegenover Hebron woonde toen zij stierf. Zie ook: Gen 13:18; Gen 18:1; Gen 23:19; Jub 19:1–2; Jub 19:2; Jub 19:3; Jas 23:88–90; Joz 14:15; Re 1:10; 1 Kron 6:42; Joh 11:31 ### Abraham vraagt om een graf **23:3** Abraham stond op van de plaats waar zijn dode lag en zei tegen de zonen van Het: Brontekst: וַיָּ֨קָם֙ (vayaqam) = en hij stond op | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | מֵעַ֖ל (meal) = van | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | מֵת֑וֹ (meto) = zijn dode | וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | אֶל (el) = tot | בְּנֵי (benei) = zonen van | חֵ֖ת (chet) = Het | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי חֵת (bene Chet), ‘de zonen van Chet’: de nakomelingen van Het, de zoon van Kanaän (zie 10:15). Zie ook: Gen 10:15; Gen 23:7; Gen 27:46; Jub 19:4; Jub 19:9; 1 Sam 26:6; 2 Sam 23:39 **23:4** „Ik ben een vreemdeling en bijwoner bij jullie. Geef mij bij jullie grond als erfelijk bezit voor een graf, zodat ik mijn dode uit mijn zicht kan begraven.” Brontekst: גֵּר (ger) = vreemdeling | וְתוֹשָׁ֥ב (vetoshav) = en bijwoner | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | עִמָּכֶ֑ם (imakhem) = bij jullie | תְּנ֨וּ (tenu) = geef | לִ֤י (li) = aan mij | אֲחֻזַּת (achuzat) = bezit van | קֶ֨בֶר֙ (qever) = graf | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = bij jullie | וְאֶקְבְּרָ֥ה (veeqbera) = en laat mij begraven | מֵתִ֖י (meti) = mijn dode | מִלְּפָנָֽי (milefanay) = van voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּר וְתוֹשָׁב (ger vetoshav), ‘vreemdeling en bijwoner’: een inwoner zonder eigen grond en met beperkte rechten (zie 19:9; 20:1). אֲחֻזַּת קֶבֶר (achuzzat qever), ‘erfelijk bezit voor een graf’: grond die blijvend van Abraham wordt. Het is het eerste stuk land in Kanaän dat Abraham bezit. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 19:3–5 zegt dat Abraham de zonen van Het met ‘geduld van geest’ sprak, om een plaats te krijgen om zijn dode te begraven. Zie ook: Gen 17:8; Gen 19:9; Gen 20:1; Jub 19:3–5; Jub 19:4; Jub 19:9; 1 Kron 29:15; Ps 119:19; Heb 11:9; Heb 11:13–16 **23:5** De zonen van Het antwoordden Abraham en zeiden tegen hem: Brontekst: וַיַּעֲנ֧וּ (vayaanu) = en ze antwoordden | בְנֵי (benei) = zonen van | חֵ֛ת (chet) = Het | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | לֵאמֹ֥ר (lemor) = zeggend | לֽוֹ (lo) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 19:9 **23:6** „Luister naar ons, mijn heer: u bent een vorst van Elohim in ons midden. Begraaf uw dode in het beste van onze graven. Niemand van ons zal u zijn graf weigeren om uw dode te begraven.” Brontekst: שְׁמָעֵ֣נוּ (shemaenu) = luister naar ons | אֲדֹנִ֗י (adoni) = mijn heer | נְשִׂ֨יא (nesi) = vorst van | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | אַתָּה֙ (ata) = u | בְּתוֹכֵ֔נוּ (betokhenu) = in ons midden | בְּמִבְחַ֣ר (bemivchar) = in het beste van | קְבָרֵ֔ינוּ (qevareinu) = onze graven | קְבֹ֖ר (qevor) = begraaf | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מֵתֶ֑ךָ (metekha) = uw dode | אִ֣ישׁ (ish) = man | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = van ons | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | קִבְר֛וֹ (qivro) = zijn graf | לֹֽא (lo) = niet | יִכְלֶ֥ה (yikhle) = zal weigeren | מִמְּךָ֖ (mimekha) = van u | מִקְּבֹ֥ר (miqevor) = van een graf | מֵתֶֽךָ (metekha) = uw dode Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְשִׂיא אֱלֹהִים (nesi Elohim), ‘een vorst van Elohim’: Elohim kan hier betekenen: een vorst die door Elohim is gesteld, of dienen als overtreffende trap (‘een machtig vorst’). Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘een vorst van Elohim’. Zie ook: Gen 14:14; Gen 24:35; Gen 32:4–5; Gen 44:5; Jub 19:5; Jub 19:9; Ex 32:22 **23:7** Abraham stond op en boog zich neer voor het volk van het land, voor de zonen van Het. Brontekst: וַיָּ֧קָם (vayaqam) = en hij stond op | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | וַיִּשְׁתַּ֥חוּ (vayishtachu) = en hij boog zich neer | לְעַם (leam) = voor het volk van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לִבְנֵי (livnei) = voor zonen van | חֵֽת (chet) = Het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:2; Gen 19:1; Jub 19:5; Jub 19:9; Spr 18:24; Rom 12:17–18; Heb 12:14 **23:8** Hij zei tegen hen: „Als het jullie wil is dat ik mijn dode uit mijn zicht begraaf, luister dan naar mij en pleit voor mij bij Efron, de zoon van Sochar, Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | אִתָּ֖ם (itam) = met hen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אִם (im) = als | יֵ֣שׁ (yesh) = er is | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | נַפְשְׁכֶ֗ם (nafshekhem) = jullie wil | לִקְבֹּ֤ר (liqbor) = om te begraven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מֵתִי֙ (meti) = mijn dode | מִלְּפָנַ֔י (milefanay) = van voor mij | שְׁמָע֕וּנִי (shemauni) = luister naar mij | וּפִגְעוּ (ufigu) = en pleit | לִ֖י (li) = voor mij | בְּעֶפְר֥וֹן (beefron) = bij Efron | בֶּן (ben) = zoon van | צֹֽחַר (tsochar) = Sochar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:9; Jub 19:5; Jub 19:9; 1 Kon 2:17; Luc 7:3–4; Heb 7:26; 1 Joh 2:1–2 **23:9** dat hij mij de grot van Machpela geeft, die van hem is, aan het einde van zijn akker. Voor de volle prijs in zilver zal hij haar mij geven, in jullie midden, als erfelijk bezit voor een graf.” Brontekst: וְיִתֶּן (veyiten) = en hij geeft | לִ֗י (li) = aan mij | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מְעָרַ֤ת (mearat) = grot van | הַמַּכְפֵּלָה֙ (hamakhpela) = de Machpela | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֔וֹ (lo) = van hem | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בִּקְצֵ֣ה (biqtse) = aan het einde van | שָׂדֵ֑הוּ (sadehu) = zijn akker | בְּכֶ֨סֶף (bekhesef) = voor geld | מָלֵ֜א (male) = volle | יִתְּנֶ֥נָּה (yitenena) = hij zal haar geven | לִ֛י (li) = aan mij | בְּתוֹכְכֶ֖ם (betokhekhem) = in jullie midden | לַאֲחֻזַּת (laachuzat) = tot bezit van | קָֽבֶר (qaver) = graf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Machpela ligt tegenover Mamre, bij Hebron (zie 23:17; 23:19). Voetnoot Uitleg: מְעָרַת הַמַּכְפֵּלָה (me’arat hammakhpelah), ‘de grot van Machpela’: de naam komt van kafal, ‘verdubbelen’; Jubileeën 23:7 noemt haar ‘de dubbele spelonk’. Later worden hier Abraham, Isaak, Rebekka, Jakob en Lea begraven (zie 25:9; 49:29–32). Zie ook: Gen 23:17; Gen 23:19; Gen 25:9; Gen 49:29–32; Jub 19:5; Jub 23:7; Rom 12:17; Rom 13:8 ### Efron en de akker **23:10** Efron zat te midden van de zonen van Het. Efron, de Hetiet, antwoordde Abraham in het bijzijn van de zonen van Het, van allen die door de poort van zijn stad kwamen: Brontekst: וְעֶפְר֥וֹן (veefron) = en Efron | יֹשֵׁ֖ב (yoshev) = zittend | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵי (benei) = zonen van | חֵ֑ת (chet) = Het | וַיַּעַן֩ (vayaan) = en hij antwoordde | עֶפְר֨וֹן (efron) = Efron | הַחִתִּ֤י (hachiti) = de Hetiet | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | בְנֵי (benei) = zonen van | חֵ֔ת (chet) = Het | לְכֹ֛ל (lekhol) = van allen | בָּאֵ֥י (baei) = die binnengingen door | שַֽׁעַר (shaar) = poort van | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַר עִירוֹ (sha’ar iro), ‘de poort van zijn stad’: bij de stadspoort werd recht gesproken en handel gedreven (zie 19:1). Zie ook: Gen 19:1; Gen 23:18; Gen 34:20; Gen 34:24; Jub 19:5; Job 29:7; Jes 28:6 **23:11** „Nee, mijn heer, luister naar mij. De akker geef ik u, en de grot die erin is, geef ik u. Ten overstaan van de zonen van mijn volk geef ik haar u. Begraaf uw dode.” Brontekst: לֹֽא (lo) = nee | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | שְׁמָעֵ֔נִי (shemaeni) = luister naar mij | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = de akker | נָתַ֣תִּי (natati) = ik geef | לָ֔ךְ (lakh) = aan u | וְהַמְּעָרָ֥ה (vehameara) = en de grot | אֲשֶׁר (asher) = die | בּ֖וֹ (bo) = erin | לְךָ֣ (lekha) = aan u | נְתַתִּ֑יהָ (netatiha) = ik geef haar | לְעֵינֵ֧י (leeinei) = voor de ogen van | בְנֵי (benei) = zonen van | עַמִּ֛י (ami) = mijn volk | נְתַתִּ֥יהָ (netatiha) = ik geef haar | לָּ֖ךְ (lakh) = aan u | קְבֹ֥ר (qevor) = graf | מֵתֶֽךָ (metekha) = uw dode Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 23:6; Jub 19:5; Jub 19:6; Deut 17:6; Ruth 4:11; Jes 32:8; Luc 19:24 **23:12** Abraham boog zich neer voor het volk van het land Brontekst: וַיִּשְׁתַּ֨חוּ֙ (vayishtachu) = en hij boog zich neer | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | עַ֥ם (am) = volk van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:2; Gen 19:1; Gen 23:7; Jub 19:6 **23:13** en zei tegen Efron, in het bijzijn van het volk van het land: „Maar luister toch naar mij: ik geef het geld voor de akker. Neem het van mij aan, dan zal ik mijn dode daar begraven.” Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en hij sprak | אֶל (el) = tot | עֶפְר֜וֹן (efron) = Efron | בְּאָזְנֵ֤י (beazenei) = in de oren van | עַם (am) = volk van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | אַ֛ךְ (akh) = maar | אִם (im) = als | אַתָּ֥ה (ata) = jij | ל֖וּ (lu) = dat | שְׁמָעֵ֑נִי (shemaeni) = luister naar mij | נָתַ֜תִּי (natati) = ik geef | כֶּ֤סֶף (kesef) = geld van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = de akker | קַ֣ח (qach) = neem | מִמֶּ֔נִּי (mimeni) = van mij | וְאֶקְבְּרָ֥ה (veeqbera) = en ik zal begraven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מֵתִ֖י (meti) = mijn dode | שָֽׁמָּה (shama) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 14:22–23; Jub 19:6; 2 Sam 24:24; Hand 20:35; Rom 13:8; Kol 4:5 **23:14** Efron antwoordde Abraham en zei tegen hem: Brontekst: וַיַּ֧עַן (vayaan) = en hij antwoordde | עֶפְר֛וֹן (efron) = Efron | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | לֵאמֹ֥ר (lemor) = zeggend | לֽוֹ (lo) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 19:6 **23:15** „Mijn heer, luister naar mij: een stuk land van 400 sjekel zilver, wat is dat tussen mij en u? Begraaf uw dode.” Brontekst: אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | שְׁמָעֵ֔נִי (shemaeni) = luister naar mij | אֶרֶץ֩ (erets) = land van | אַרְבַּ֨ע (arba) = vier | מֵאֹ֧ת (meot) = honderd | שֶֽׁקֶל (sheqel) = sjekel | כֶּ֛סֶף (kesef) = zilver | בֵּינִ֥י (beini) = tussen mij | וּבֵֽינְךָ֖ (uveinekha) = en tussen jou | מַה (ma) = wat | הִ֑וא (hi) = het is | וְאֶת (veet) = en | מֵתְךָ֖ (metekha) = uw dode | קְבֹֽר (qevor) = begraaf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַרְבַּע מֵאֹת שֶׁקֶל כֶּסֶף (arba me’ot shekel kesef), ‘vierhonderd sjekel zilver’: ongeveer 4,5 kg zilver. Efron noemt de prijs terloops, ‘wat is dat tussen mij en u?’, en laat zo begrijpen dat Abraham die moet betalen. Zie ook: Jub 19:6; Ex 30:13; Ex 30:15; Ezech 45:12 **23:16** Abraham luisterde naar Efron. Hij woog voor Efron het zilver af dat hij genoemd had in het bijzijn van de zonen van Het: 400 sjekel zilver, gangbaar bij de kooplieden. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hij luisterde | אַבְרָהָם֮ (avraham) = Abraham | אֶל (el) = naar | עֶפְרוֹן֒ (efron) = Efron | וַיִּשְׁקֹ֤ל (vayishqol) = en hij woog af | אַבְרָהָם֙ (avraham) = Abraham | לְעֶפְרֹ֔ן (leefron) = aan Efron | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַכֶּ֕סֶף (hakesef) = het zilver | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבֶּ֖ר (diber) = hij had gesproken | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | בְנֵי (benei) = zonen van | חֵ֑ת (chet) = Het | אַרְבַּ֤ע (arba) = vier | מֵאוֹת֙ (meot) = honderd | שֶׁ֣קֶל (sheqel) = sjekel | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | עֹבֵ֖ר (over) = gangbaar | לַסֹּחֵֽר (lasocher) = voor de koopman Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹבֵר לַסֹּחֵר (over lasoker), ‘gangbaar bij de kooplieden’: zilver van erkend gewicht en kwaliteit; geslagen munten bestonden nog niet. Voetnoot Aanvullend: Jasher 24:3–10 vertelt dat Abraham de koop liet opschrijven en door vier getuigen liet bevestigen. Jubileeën 19:6 zegt dat hij het niet om niet wilde aannemen, maar de prijs van de plaats volledig betaalde. Zie ook: Gen 43:21; Jub 19:6; Jas 24:3–10; Ex 30:13; Jer 32:9; Zach 11:12; 1 Tess 4:6 **23:17** Zo ging de akker van Efron, die in Machpela lag, tegenover Mamre, de akker en de grot erin, en alle bomen op de akker, binnen heel zijn grens rondom, Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en het ging over | שְׂדֵ֣ה (sede) = akker van | עֶפְר֗וֹן (efron) = Efron | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בַּמַּכְפֵּלָ֔ה (bamakhpela) = in Machpela | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | מַמְרֵ֑א (mamre) = Mamre | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = de akker | וְהַמְּעָרָ֣ה (vehameara) = en de grot | אֲשֶׁר (asher) = die | בּ֔וֹ (bo) = erin | וְכָל (vekhal) = en alle | הָעֵץ֙ (haets) = de bomen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in de akker | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּכָל (bekhal) = in heel | גְּבֻל֖וֹ (gevulo) = zijn grens | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie ook: Gen 23:20; Gen 25:9; Gen 49:29–32; Gen 50:13; Jub 36:2; Hand 7:16 **23:18** over op Abraham als bezit, ten overstaan van de zonen van Het, van allen die door de poort van zijn stad kwamen. Brontekst: לְאַבְרָהָ֥ם (leavraham) = aan Abraham | לְמִקְנָ֖ה (lemiqna) = tot bezit | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | בְנֵי (benei) = zonen van | חֵ֑ת (chet) = Het | בְּכֹ֖ל (bekhol) = bij alle | בָּאֵ֥י (baei) = die binnengingen door | שַֽׁעַר (shaar) = poort van | עִירֽוֹ (iro) = zijn stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 34:20; Jub 36:2; Ruth 4:1; Jer 32:12 ### Sarah wordt begraven **23:19** Daarna begroef Abraham zijn vrouw Sarah in de grot van de akker van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän. Brontekst: וְאַחֲרֵי (veacharei) = en na | כֵן֩ (ken) = dit | קָבַ֨ר (qavar) = begroef | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שָׂרָ֣ה (sara) = Sarah | אִשְׁתּ֗וֹ (ishto) = zijn vrouw | אֶל (el) = naar | מְעָרַ֞ת (mearat) = grot van | שְׂדֵ֧ה (sede) = akker van | הַמַּכְפֵּלָ֛ה (hamakhpela) = de Machpela | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | מַמְרֵ֖א (mamre) = Mamre | הִ֣וא (hi) = dat | חֶבְר֑וֹן (chevron) = Hebron | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: אֶל מְעָרַת שְׂדֵה הַמַּכְפֵּלָה (el me’arat sedeh hammakhpelah), ‘in de grot van de akker van Machpela’: zie vers 9. Voetnoot Aanvullend: Jasher 24:12–16 vertelt dat Abraham Sarah met koninklijke eer begroef, met onder meer Sem, Eber en Abimelech bij de baar, en dat hij zeven dagen rouwde. Zie ook: Gen 3:19; Gen 23:9; Gen 47:30; Gen 50:25; Jub 35:20; Jub 35:21; Jub 36:2; Jub 45:15; Jub 46:10; Jas 24:12–16; Job 30:23; Pred 12:5 **23:20** Zo ging de akker met de grot erin van de zonen van Het over op Abraham als erfelijk bezit voor een graf. Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en het ging over | הַשָּׂדֶ֜ה (hasade) = de akker | וְהַמְּעָרָ֧ה (vehameara) = en de grot | אֲשֶׁר (asher) = die | בּ֛וֹ (bo) = erin | לְאַבְרָהָ֖ם (leavraham) = aan Abraham | לַאֲחֻזַּת (laachuzat) = tot bezit van | קָ֑בֶר (qaver) = graf | מֵאֵ֖ת (meet) = van | בְּנֵי (benei) = zonen van | חֵֽת (chet) = Het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 50:13; Gen 50:24–25; Jub 36:2; Ruth 4:7–10; 2 Kon 21:18; Jer 32:10–14 ## Genesis 24 _Een vrouw voor Isaak_ ### Abraham zendt zijn dienaar **24:1** Abraham was oud geworden, hoogbejaard. Yahweh had Abraham in alles gezegend. Brontekst: וְאַבְרָהָ֣ם (veavraham) = en Abraham | זָקֵ֔ן (zaqen) = oud | בָּ֖א (ba) = gekomen | בַּיָּמִ֑ים (bayamim) = in dagen | וַֽיהוָ֛ה (vaYahweh) = en Yahweh | בֵּרַ֥ךְ (berakh) = Hij zegende | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | בַּכֹּֽל (bakol) = in alles Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בא בימים (ba bayamim), ‘gekomen in dagen’: een vaste uitdrukking voor hoge leeftijd (zie 18:11). Abraham was nu ongeveer 140 jaar: hij was 100 bij Isaaks geboorte (zie 21:5) en Isaak was 40 bij zijn huwelijk (zie 25:20). Zie ook: Gen 13:2; Gen 18:11; Gen 21:5; Gen 25:20; Ps 112:1–3; Spr 10:22; Mat 6:33; Gal 3:9 **24:2** Abraham zei tegen zijn dienaar, de oudste van zijn huis, die over alles heerste wat hij had: „Leg toch je hand onder mijn heup. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַבְרָהָ֗ם (avraham) = Abraham | אֶל (el) = tot | עַבְדּוֹ֙ (avdo) = zijn dienaar | זְקַ֣ן (zeqan) = oudste van | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | הַמֹּשֵׁ֖ל (hamoshel) = die heerst | בְּכָל (bekhal) = over alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֑וֹ (lo) = van hem | שִֽׂים (sim) = leg | נָ֥א (na) = toch | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | תַּ֥חַת (tachat) = onder | יְרֵכִֽי (yerekhi) = mijn heup Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עבדו זקן ביתו (avdo zeqen beto), ‘zijn dienaar, de oudste van zijn huis’: de man die over alles van Abraham heerst. ידך תחת ירכי (sim na yadkha tachat yereki), ‘leg toch je hand onder mijn heup’: een plechtig gebaar bij een eed. Jakob vraagt Jozef hetzelfde (zie 47:29). Voetnoot Aanvullend: Jasher 24:29 noemt hem Eliëzer (zie ook 15:2). Zie ook: Gen 15:2; Gen 24:9–10; Gen 39:4–6; Gen 39:8–9; Gen 47:29; Jas 24:29 **24:3** Dan laat ik je zweren bij Yahweh, de Elohim van de hemel en de Elohim van de aarde: je zult voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters van de Kanaänieten, te midden van wie ik woon, Brontekst: וְאַשְׁבִּ֣יעֲךָ֔ (veashbiakha) = en laat mij je zweren | בַּֽיהוָה֙ (baYahweh) = bij Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וֵֽאלֹהֵ֖י (velohei) = en Elohim van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | תִקַּ֤ח (tiqach) = je zult nemen | אִשָּׁה֙ (isha) = een vrouw | לִבְנִ֔י (livni) = voor mijn zoon | מִבְּנוֹת֙ (mibenot) = van de dochters van | הַֽכְּנַעֲנִ֔י (hakenaani) = de Kanaänieten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = bij wie | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | יוֹשֵׁ֥ב (yoshev) = woon | בְּקִרְבּֽוֹ (beqirbo) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ביהוה אלהי השׁמים ואלהי הארץ (beYHWH Elohei hashamayim ve’Elohei ha’arets), ‘bij Yahweh, de Elohim van de hemel en de Elohim van de aarde’: Abraham laat zweren bij de Elohim die over alles heerst, ook over het land van de Kanaänieten (zie 10:15–19). Zie ook: Gen 10:15–19; Gen 26:34–35; Gen 28:8; Jub 25:5; Deut 7:3–4; Neh 13:25; 2 Kor 6:14–17 **24:4** maar je zult naar mijn land en naar mijn geboorteland gaan en daar een vrouw nemen voor mijn zoon Isaak.” Brontekst: כִּ֧י (ki) = maar | אֶל (el) = naar | אַרְצִ֛י (artsi) = mijn land | וְאֶל (veel) = en naar | מוֹלַדְתִּ֖י (moladti) = mijn geboorteland | תֵּלֵ֑ךְ (telekh) = je zult gaan | וְלָקַחְתָּ֥ (velaqachta) = en je zult nemen | אִשָּׁ֖ה (isha) = een vrouw | לִבְנִ֥י (livni) = voor mijn zoon | לְיִצְחָֽק (leyitschaq) = voor Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ארצי ואל מולדתי (el artsi ve’el moladeti), ‘naar mijn land en naar mijn geboorteland’: het land van Abrahams familie, Aram-Naharaim (zie vers 10; 11:31; 12:1). Zie ook: Gen 11:25–12:1; Gen 11:31; Gen 12:1; Gen 12:7; Gen 22:20–23; Gen 24:10; Gen 28:2; Jub 25:5 **24:5** De dienaar zei tegen hem: „Misschien wil de vrouw mij niet volgen naar dit land. Moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land waaruit u bent weggegaan?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | הָעֶ֔בֶד (haeved) = de dienaar | אוּלַי֙ (ulay) = misschien | לֹא (lo) = niet | תֹאבֶ֣ה (tove) = wil | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | לָלֶ֥כֶת (lalekhet) = om te gaan | אַחֲרַ֖י (acharay) = achter mij | אֶל (el) = naar | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | הֶֽהָשֵׁ֤ב (hehashev) = terugbrengen | אָשִׁיב֙ (ashiv) = zal ik terugbrengen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּנְךָ֔ (binkha) = uw zoon | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = waaruit | יָצָ֥אתָ (yatsata) = u bent uitgegaan | מִשָּֽׁם (misham) = vandaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:58; Ex 9:2; Ex 20:7; Spr 13:16; Jer 4:2 **24:6** Abraham zei tegen hem: „Pas op dat je mijn zoon niet daarheen terugbrengt. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | הִשָּׁ֣מֶר (hishamer) = pas op | לְךָ֔ (lekha) = voor jou | פֶּן (pen) = dat niet | תָּשִׁ֥יב (tashiv) = je terugbrengt | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנִ֖י (beni) = mijn zoon | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gal 5:1; 2 Petr 2:20–22; Heb 10:39; Heb 11:9; Heb 11:13–16 **24:7** Yahweh, de Elohim van de hemel, heeft mij uit het huis van mijn vader en uit het land waar ik geboren ben weggehaald. Hij heeft tot mij gesproken en mij gezworen: **‘Aan jouw nageslacht zal Ik dit land geven.’** Hij zal Zijn engel voor je uit sturen, en je zult daar een vrouw nemen voor mijn zoon. Brontekst: יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | הַשָּׁמַ֗יִם (hashamayim) = de hemel | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | לְקָחַ֜נִי (leqachani) = Hij nam mij | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | אָבִי֮ (avi) = mijn vader | וּמֵאֶ֣רֶץ (umeerets) = en uit het land van | מֽוֹלַדְתִּי֒ (moladti) = mijn geboorte | וַאֲשֶׁ֨ר (vaasher) = en die | דִּבֶּר (diber) = Hij sprak | לִ֜י (li) = tot mij | וַאֲשֶׁ֤ר (vaasher) = en die | נִֽשְׁבַּֽע (nishba) = Hij zwoer | לִי֙ (li) = aan mij | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | לְזַ֨רְעֲךָ֔ (lezarakha) = aan je nageslacht | אֶתֵּ֖ן (eten) = zal ik geven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֑את (hazot) = dit | ה֗וּא (hu) = Hij | יִשְׁלַ֤ח (yishlach) = zal sturen | מַלְאָכוֹ֙ (malakho) = Zijn engel | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor je uit | וְלָקַחְתָּ֥ (velaqachta) = en je zult nemen | אִשָּׁ֛ה (isha) = een vrouw | לִבְנִ֖י (livni) = voor mijn zoon | מִשָּֽׁם (misham) = vandaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מלאכו (mal’akho), ‘zijn engel’: Yahweh zendt Zijn boodschapper voor de dienaar uit (zie vers 40; 16:7). Abraham haalt Yahwehs belofte aan uit 12:7 (zie ook 15:18). Zie ook: Gen 12:7; Gen 13:15; Gen 15:18; Gen 16:7; Gen 24:40; Ex 23:20–23; Ex 33:2; Ps 34:8; Heb 1:14 **24:8** Als de vrouw je niet wil volgen, dan ben je vrij van deze eed aan mij. Alleen mijn zoon mag je niet daarheen terugbrengen.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֨א (lo) = niet | תֹאבֶ֤ה (tove) = wil | הָֽאִשָּׁה֙ (haisha) = de vrouw | לָלֶ֣כֶת (lalekhet) = om te gaan | אַחֲרֶ֔יךָ (achareikha) = achter je | וְנִקִּ֕יתָ (veniqita) = dan ben je vrij | מִשְּׁבֻעָתִ֖י (mishevuati) = van mijn eed | זֹ֑את (zot) = deze | רַ֣ק (raq) = alleen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנִ֔י (beni) = mijn zoon | לֹ֥א (lo) = niet | תָשֵׁ֖ב (tashev) = zul je terugbrengen | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ונקית משׁבעתי זאת (venikita mishvu’ati zot), ‘dan ben je vrij van deze eed’: Abraham maakt één uitzondering: Isaak mag niet terug naar het land van de familie (zie vers 6), want het beloofde land is voor Isaak en zijn nageslacht (zie 12:1; 26:2–3). Zie ook: Gen 12:1; Gen 24:4–6; Gen 24:6; Gen 26:2–3; Num 30:6; Num 30:9; Joz 2:17–20; Hand 7:2 **24:9** De dienaar legde zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en zwoer hem over deze zaak. Brontekst: וַיָּ֤שֶׂם (vayasem) = en hij legde | הָעֶ֨בֶד֙ (haeved) = de dienaar | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | תַּ֛חַת (tachat) = onder | יֶ֥רֶךְ (yerekh) = heup van | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | אֲדֹנָ֑יו (adonav) = zijn heer | וַיִּשָּׁ֣בַֽע (vayishava) = en hij zwoer | ל֔וֹ (lo) = aan hem | עַל (al) = over | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:2 ### De dienaar bij de bron **24:10** De dienaar nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer en vertrok, met allerlei kostbaarheden van zijn heer in zijn hand. Hij stond op en ging naar Aram-Naharaim, naar de stad van Nachor. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en hij nam | הָ֠עֶבֶד (haeved) = de dienaar | עֲשָׂרָ֨ה (asara) = tien | גְמַלִּ֜ים (gemalim) = kamelen | מִגְּמַלֵּ֤י (migemalei) = van de kamelen van | אֲדֹנָיו֙ (adonav) = zijn heer | וַיֵּ֔לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | וְכָל (vekhal) = en alles | ט֥וּב (tuv) = goeds van | אֲדֹנָ֖יו (adonav) = zijn heer | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיָּ֗קָם (vayaqam) = en hij stond op | וַיֵּ֛לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | אֶל (el) = naar | אֲרַ֥ם (aram) = Aram | נַֽהֲרַ֖יִם (naharayim) = Naharaim | אֶל (el) = naar | עִ֥יר (ir) = stad van | נָחֽוֹר (nachor) = Nachor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ארם נהרים (Aram Naharayim), ‘Aram-Naharaim’: ‘Aram van de twee rivieren’, het gebied rond de bovenloop van de Eufraat, in het noorden van Mesopotamië (zie Richteren 3:8). עיר נחור (ir Nachor), ‘de stad van Nachor’: waarschijnlijk Charan (zie 11:31; 27:43), in het zuidoosten van het huidige Turkije, ongeveer 700 km van Hebron. Voetnoot Aanvullend: Jasher 24:34 zegt dat Eliëzer tien kamelen en tien mannen van Abrahams dienaren meenam, en dat Abraham intussen Isaak liet halen uit het huis van Sem en Eber. Zie ook: Gen 11:31; Gen 27:43; Gen 39:8–9; Gen 39:22–23; Jas 24:34; Deut 23:5; Re 3:8; 1 Kron 19:6 **24:11** Buiten de stad liet hij de kamelen knielen bij de waterbron, tegen de avond, het tijdstip waarop de vrouwen water komen putten. Brontekst: וַיַּבְרֵ֧ךְ (vayavrekh) = en hij liet knielen | הַגְּמַלִּ֛ים (hagemalim) = de kamelen | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לָעִ֖יר (lair) = de stad | אֶל (el) = bij | בְּאֵ֣ר (beer) = bron van | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | לְעֵ֣ת (leet) = tegen de tijd van | עֶ֔רֶב (erev) = avond | לְעֵ֖ת (leet) = tegen de tijd van | צֵ֥את (tset) = uitgaan van | הַשֹּׁאֲבֹֽת (hashoavot) = de waterputsters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:13–20; Gen 33:13–14; Ex 2:16; 1 Sam 9:11; Joh 4:7 **24:12** Hij zei: „Yahweh, Elohim van mijn heer Abraham, laat het mij vandaag goed treffen en bewijs trouw aan mijn heer Abraham. Brontekst: וַיֹּאמַ֓ר (vayomar) = en Hij zei | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = Elohim van | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | הַקְרֵה (haqre) = laat treffen | נָ֥א (na) = toch | לְפָנַ֖י (lefanay) = voor mij | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | וַעֲשֵׂה (vaase) = en doe | חֶ֕סֶד (chesed) = trouw | עִ֖ם (im) = met | אֲדֹנִ֥י (adoni) = mijn heer | אַבְרָהָֽם (avraham) = Abraham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הקרה (haqreh), ‘laat treffen’: van de wortel qarah, ‘gebeuren, tegenkomen’. De dienaar vraagt dat hij vandaag de juiste vrouw tegenkomt. חסד (chesed), ‘trouw’: trouw aan Abraham en aan Yahwehs belofte aan hem. Zie ook: Gen 24:27; Gen 24:48; Gen 26:24; Ex 3:6; Ex 3:15 **24:13** Zie, ik sta bij de waterbron, en de dochters van de mannen van de stad komen naar buiten om water te putten. Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | נִצָּ֖ב (nitsav) = staand | עַל (al) = bij | עֵ֣ין (ein) = bron van | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | וּבְנוֹת֙ (uvenot) = en de dochters van | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | יֹצְאֹ֖ת (yotseot) = komend uit | לִשְׁאֹ֥ב (lishov) = om te putten | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:43; Gen 29:9–10; Ex 2:16; 1 Sam 9:11; Ps 37:5 **24:14** Laat het zo zijn: het meisje tegen wie ik zeg: ‘Laat toch je kruik zakken, dan drink ik’, en dat zegt: ‘Drink, en ook uw kamelen zal ik te drinken geven’ — laat haar degene zijn die U voor Uw dienaar Isaak bestemd hebt. Hieraan zal ik weten dat U trouw hebt bewezen aan mijn heer.” Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | הַֽנַּעֲרָ֗ (hanaara) = het meisje | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אֹמַ֤ר (omar) = ik zal zeggen | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = tot haar | הַטִּי (hati) = laat zakken | נָ֤א (na) = toch | כַדֵּךְ֙ (kadekh) = je kruik | וְאֶשְׁתֶּ֔ה (veeshte) = dat ik drink | וְאָמְרָ֣ה (veamera) = en ze zal zeggen | שְׁתֵ֔ה (shete) = drink | וְגַם (vegam) = en ook | גְּמַלֶּ֖יךָ (gemaleikha) = uw kamelen | אַשְׁקֶ֑ה (ashqe) = zal ik laten drinken | אֹתָ֤הּ (otah) = haar | הֹכַ֨חְתָּ֙ (hokhachta) = U hebt bestemd | לְעַבְדְּךָ֣ (leavdekha) = voor Uw dienaar | לְיִצְחָ֔ק (leyitschaq) = voor Isaak | וּבָ֣הּ (uvah) = en daardoor | אֵדַ֔ע (eda) = zal ik weten | כִּי (ki) = dat | עָשִׂ֥יתָ (asita) = U hebt gedaan | חֶ֖סֶד (chesed) = trouw | עִם (im) = met | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הנער (hanna’ar), ‘het meisje’: na’ar betekent meestal ‘jongen’, maar staat in dit hoofdstuk ook voor een meisje (zie vers 28; 55; 57). De dienaar vraagt een teken en laat Yahweh zelf de vrouw aanwijzen. Een dorstige kameel kan in één keer tientallen liters drinken, dus tien kamelen water geven is veel werk. הכחת (hokhachta), ‘U hebt bestemd’: letterlijk ‘U hebt vastgesteld’. Zie ook: Gen 15:8; Gen 24:28; Re 6:17; Re 6:37; 2 Sam 5:24; 2 Kon 20:8–11 ### Rebekka **24:15** Hij had nog niet uitgesproken, of zie, Rebekka kwam naar buiten. Zij was een dochter van Betuël, de zoon van Milka, de vrouw van Nachor, de broer van Abraham. Haar kruik droeg ze op haar schouder. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en het was | ה֗וּא (hu) = hij | טֶרֶם֮ (terem) = nog niet | כִּלָּ֣ה (kila) = hij had geëindigd | לְדַבֵּר֒ (ledaber) = met spreken | וְהִנֵּ֧ה (vehine) = en zie | רִבְקָ֣ה (rivqa) = Rebekka | יֹצֵ֗את (yotset) = komend uit | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יֻלְּדָה֙ (yuleda) = geboren was | לִבְתוּאֵ֣ל (livtuel) = aan Betuël | בֶּן (ben) = zoon van | מִלְכָּ֔ה (milka) = Milka | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | נָח֖וֹר (nachor) = Nachor | אֲחִ֣י (achi) = broer van | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | וְכַדָּ֖הּ (vekhadah) = en haar kruik | עַל (al) = op | שִׁכְמָֽהּ (shikhmah) = haar schouder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רבקה (Rivqah), ‘Rebekka’: de kleindochter van Nachor en Milka (zie 22:20–23), dus een achternicht van Isaak. Zie ook: Gen 11:29; Gen 22:20–23; Gen 24:45; Jub 19:10; Ps 65:3; Jes 65:24; Dan 9:20–23 **24:16** Het meisje was zeer mooi om te zien, een maagd, geen man had haar gekend. Ze daalde af naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer omhoog. Brontekst: וְהַֽנַּעֲרָ֗ (vehanaara) = en het meisje | טֹבַ֤ת (tovat) = goed | מַרְאֶה֙ (mare) = van uiterlijk | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | בְּתוּלָ֕ה (betula) = maagd | וְאִ֖ישׁ (veish) = en man | לֹ֣א (lo) = niet | יְדָעָ֑הּ (yedaah) = had haar gekend | וַתֵּ֣רֶד (vatered) = en ze daalde af | הָעַ֔יְנָה (haayna) = naar de bron | וַתְּמַלֵּ֥א (vatemale) = en ze vulde | כַדָּ֖הּ (kadah) = haar kruik | וַתָּֽעַל (vataal) = en ze kwam omhoog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בתולה (betulah), ‘maagd’: een jonge vrouw die nog geen gemeenschap heeft gehad; de tekst zegt het nog eens: ‘geen man had haar gekend’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 24:40 zegt dat Rebekka toen tien jaar oud was. Zie ook: Gen 4:1; Gen 26:7; Gen 39:6; Jas 24:40; Num 31:17–18; Hoogl 5:2 **24:17** De dienaar rende haar tegemoet en zei: „Laat mij toch een slokje water drinken uit je kruik.” Brontekst: וַיָּ֥רָץ (vayarats) = en hij rende | הָעֶ֖בֶד (haeved) = de dienaar | לִקְרָאתָ֑הּ (liqratah) = haar tegemoet | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַגְמִיאִ֥ינִי (hagmiini) = laat mij drinken | נָ֛א (na) = toch | מְעַט (meat) = een beetje | מַ֖יִם (mayim) = water | מִכַּדֵּֽךְ (mikadekh) = uit je kruik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 26:1–35; 1 Kon 17:10; Jes 21:14; Jes 30:25; Joh 4:7 **24:18** Ze zei: „Drink, mijn heer.” Snel liet ze haar kruik op haar hand zakken en gaf hem te drinken. Brontekst: וַתֹּ֖אמֶר (vatomer) = en ze zei | שְׁתֵ֣ה (shete) = drink | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | וַתְּמַהֵ֗ר (vatemaher) = en ze haastte zich | וַתֹּ֧רֶד (vatored) = en ze liet zakken | כַּדָּ֛הּ (kadah) = haar kruik | עַל (al) = op | יָדָ֖הּ (yadah) = haar hand | וַתַּשְׁקֵֽהוּ (vatashqehu) = en ze gaf hem te drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:14; Spr 31:26; 1 Petr 3:8; 1 Petr 4:8–9 **24:19** Toen ze hem genoeg te drinken had gegeven, zei ze: „Ook voor uw kamelen zal ik water putten, tot ze genoeg gedronken hebben.” Brontekst: וַתְּכַ֖ל (vatekhal) = en ze had voltooid | לְהַשְׁקֹת֑וֹ (lehashqoto) = hem te drinken geven | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en ze zei | גַּ֤ם (gam) = ook | לִגְמַלֶּ֨יךָ֙ (ligmaleikha) = voor uw kamelen | אֶשְׁאָ֔ב (eshav) = zal ik putten | עַ֥ד (ad) = tot | אִם (im) = dat | כִּלּ֖וּ (kilu) = ze klaar zijn | לִשְׁתֹּֽת (lishtot) = met drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:14; Gen 24:45–46; 1 Petr 4:9 **24:20** Snel goot ze haar kruik leeg in de drinkbak, rende weer naar de put om te putten en putte voor al zijn kamelen. Brontekst: וַתְּמַהֵ֗ר (vatemaher) = en ze haastte zich | וַתְּעַ֤ר (vatear) = en ze leegde | כַּדָּהּ֙ (kadah) = haar kruik | אֶל (el) = in | הַשֹּׁ֔קֶת (hashoqet) = de drinkbak | וַתָּ֥רָץ (vatarats) = en ze rende | ע֛וֹד (od) = weer | אֶֽל (el) = naar | הַבְּאֵ֖ר (habeer) = de put | לִשְׁאֹ֑ב (lishov) = om te putten | וַתִּשְׁאַ֖ב (vatishav) = en ze putte | לְכָל (lekhal) = voor alle | גְּמַלָּֽיו (gemalav) = zijn kamelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:21** De man keek haar verbaasd en zwijgend aan. Hij wilde weten of Yahweh zijn reis had laten slagen of niet. Brontekst: וְהָאִ֥ישׁ (vehaish) = en de man | מִשְׁתָּאֵ֖ה (mishtae) = starend | לָ֑הּ (lah) = naar haar | מַחֲרִ֕ישׁ (macharish) = zwijgend | לָדַ֗עַת (ladaat) = om te weten | הַֽהִצְלִ֧יחַ (hahitsliach) = of Hij had laten slagen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | דַּרְכּ֖וֹ (darko) = zijn weg | אִם (im) = of | לֹֽא (lo) = niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:12; 2 Sam 7:18–20; Ps 107:43; Luc 2:19; Luc 2:51 **24:22** Toen de kamelen genoeg gedronken hadden, nam de man een gouden neusring van een halve sjekel en twee armbanden voor haar armen, van tien sjekel goud. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = toen | כִּלּ֤וּ (kilu) = ze klaar waren | הַגְּמַלִּים֙ (hagemalim) = de kamelen | לִשְׁתּ֔וֹת (lishtot) = met drinken | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | נֶ֣זֶם (nezem) = ring van | זָהָ֔ב (zahav) = goud | בֶּ֖קַע (beqa) = een halve sjekel | מִשְׁקָל֑וֹ (mishqalo) = zijn gewicht | וּשְׁנֵ֤י (ushenei) = en twee | צְמִידִים֙ (tsemidim) = armbanden | עַל (al) = op | יָדֶ֔יהָ (yadeiha) = haar handen | עֲשָׂרָ֥ה (asara) = tien | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מִשְׁקָלָֽם (mishqalam) = hun gewicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נזם (nezem), ‘neusring’: een ring voor de neus (zie vers 47) of voor het oor (zie 35:4). בקע משׁקלו (beqa mishqalo), ‘een beqa is zijn gewicht’: een beqa is een halve sjekel (zie Ex. 38:26), ongeveer 6 gram. De twee armbanden wegen samen tien sjekel, ongeveer 115 gram (zie 23:15). Zie ook: Gen 23:15–16; Gen 24:30; Gen 24:47; Gen 35:4; Ex 32:2–3; Ex 38:26; Jer 2:32; Ezech 16:11–12 **24:23** Hij zei: „Wiens dochter ben je? Zeg het mij toch. Is er in het huis van je vader plaats voor ons om te overnachten?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | בַּת (bat) = dochter van | מִ֣י (mi) = wie | אַ֔תְּ (at) = ben jij | הַגִּ֥ידִי (hagidi) = vertel | נָ֖א (na) = toch | לִ֑י (li) = mij | הֲיֵ֧שׁ (hayesh) = is er | בֵּית (beit) = huis van | אָבִ֛יךְ (avikh) = je vader | מָק֥וֹם (maqom) = plaats | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | לָלִֽין (lalin) = om te overnachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:24** Ze zei tegen hem: „Ik ben de dochter van Betuël, de zoon van Milka, die zij aan Nachor heeft gebaard.” Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | בַּת (bat) = dochter van | בְּתוּאֵ֖ל (betuel) = Betuël | אָנֹ֑כִי (anokhi) = ik | בֶּן (ben) = zoon van | מִלְכָּ֕ה (milka) = Milka | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָלְדָ֖ה (yaleda) = ze baarde | לְנָחֽוֹר (lenachor) = aan Nachor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 11:29; Gen 22:20; Gen 22:23; Gen 24:15 **24:25** Ze zei ook tegen hem: „Er is bij ons stro en veel voer, en ook plaats om te overnachten.” Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | גַּם (gam) = ook | תֶּ֥בֶן (teven) = stro | גַּם (gam) = ook | מִסְפּ֖וֹא (mispo) = voer | רַ֣ב (rav) = veel | עִמָּ֑נוּ (imanu) = bij ons | גַּם (gam) = ook | מָק֖וֹם (maqom) = plaats | לָלֽוּן (lalun) = om te overnachten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:4–8; Re 19:19–21; Jes 32:8; 1 Petr 4:9 **24:26** De man boog zijn hoofd en wierp zich neer voor Yahweh. Brontekst: וַיִּקֹּ֣ד (vayiqod) = en hij boog | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | וַיִּשְׁתַּ֖חוּ (vayishtachu) = en hij wierp zich neer | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:48; Gen 24:52; Ex 4:31; Ex 12:27; Ps 66:4 **24:27** Hij zei: „Gezegend is Yahweh, de Elohim van mijn heer Abraham, die Zijn trouw en Zijn betrouwbaarheid niet van mijn heer heeft laten varen. Yahweh heeft mij op de weg geleid naar het huis van de broers van mijn heer.” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | בָּר֤וּךְ (barukh) = gezegend | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = Elohim van | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | אֲ֠שֶׁר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | עָזַ֥ב (azav) = Hij liet varen | חַסְדּ֛וֹ (chasdo) = Zijn trouw | וַאֲמִתּ֖וֹ (vaamito) = en Zijn betrouwbaarheid | מֵעִ֣ם (meim) = van bij | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | אָנֹכִ֗י (anokhi) = ik | בַּדֶּ֨רֶךְ֙ (baderekh) = op de weg | נָחַ֣נִי (nachani) = heeft geleid mij | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בֵּ֖ית (beit) = naar het huis van | אֲחֵ֥י (achei) = broers van | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חסדו ואמתו (chasdo ve’amito), ‘Zijn trouw en Zijn betrouwbaarheid’: chesed is trouw aan een verbond (zie vers 12). Emet komt van een woord voor ‘vast en betrouwbaar zijn’ (zie vers 48; 49). Zie ook: Gen 24:12; Gen 24:48; Gen 32:10; Ruth 4:14; Ps 98:3 ### Bij Rebekka's familie **24:28** Het meisje liep weg en vertelde in het huis van haar moeder over deze dingen. Brontekst: וַתָּ֨רָץ֙ (vatarats) = en ze rende | הַֽנַּעֲרָ֔ (hanaara) = het meisje | וַתַּגֵּ֖ד (vataged) = en ze vertelde | לְבֵ֣ית (leveit) = aan het huis van | אִמָּ֑הּ (imah) = haar moeder | כַּדְּבָרִ֖ים (kadevarim) = zoals deze | הָאֵֽלֶּה (haele) = woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:48; Gen 24:55; Gen 24:67; Gen 31:33 **24:29** Rebekka had een broer, die Laban heette. Laban rende naar buiten, naar de man bij de bron. Brontekst: וּלְרִבְקָ֥ה (ulerivqa) = en aan Rebekka | אָ֖ח (ach) = een broer | וּשְׁמ֣וֹ (ushemo) = en zijn naam | לָבָ֑ן (lavan) = Laban | וַיָּ֨רָץ (vayarats) = en hij rende | לָבָ֧ן (lavan) = Laban | אֶל (el) = naar | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | הַח֖וּצָה (hachutsa) = naar buiten | אֶל (el) = naar | הָעָֽיִן (haayin) = de bron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לבן (Lavan), ‘Laban’: Rebekka's broer, later de vader van Lea en Rachel (zie 29:16). Zie ook: Gen 24:55; Gen 24:60; Gen 29:5; Gen 29:13; Gen 29:16 **24:30** Hij had de neusring en de armbanden aan de armen van zijn zus gezien. Hij had Rebekka, zijn zus, ook horen zeggen: „Zo heeft de man tot mij gesproken.” Hij ging naar de man. Zie, die stond nog bij de kamelen, bij de bron. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כִּרְאֹ֣ת (kirot) = toen hij zag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַנֶּ֗זֶם (hanezem) = de ring | וְֽאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַצְּמִדִים֮ (hatsemidim) = de armbanden | עַל (al) = op | יְדֵ֣י (yedei) = handen van | אֲחֹתוֹ֒ (achoto) = zijn zus | וּכְשָׁמְע֗וֹ (ukheshameo) = en toen hij hoorde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּבְרֵ֞י (divrei) = woorden van | רִבְקָ֤ה (rivqa) = Rebekka | אֲחֹתוֹ֙ (achoto) = zijn zus | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | כֹּֽה (ko) = zo | דִבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | הָאִ֑ישׁ (haish) = de man | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en hij kwam | אֶל (el) = naar | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | עֹמֵ֥ד (omed) = staand | עַל (al) = bij | הַגְּמַלִּ֖ים (hagemalim) = de kamelen | עַל (al) = bij | הָעָֽיִן (haayin) = de bron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:31** Hij zei: „Kom binnen, gezegende van Yahweh. Waarom blijft u buiten staan? Ik heb het huis klaargemaakt, en er is plaats voor de kamelen.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | בּ֖וֹא (bo) = kom | בְּר֣וּךְ (berukh) = gezegende van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֤מָּה (lama) = waarom | תַעֲמֹד֙ (taamod) = sta je | בַּח֔וּץ (bachuts) = buiten | וְאָנֹכִי֙ (veanokhi) = terwijl ik | פִּנִּ֣יתִי (piniti) = ik heb vrijgemaakt | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וּמָק֖וֹם (umaqom) = en plaats | לַגְּמַלִּֽים (lagemalim) = voor de kamelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 26:29; Re 17:2; Ruth 3:10; Ps 115:15; Spr 18:16 **24:32** De man ging het huis in. Laban maakte de kamelen los, gaf stro en voer aan de kamelen en gaf water om zijn voeten te wassen en de voeten van de mannen die bij hem waren. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en hij kwam | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | הַבַּ֔יְתָה (habayta) = naar huis | וַיְפַתַּ֖ח (vayfatach) = en hij maakte los | הַגְּמַלִּ֑ים (hagemalim) = de kamelen | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en hij gaf | תֶּ֤בֶן (teven) = stro | וּמִסְפּוֹא֙ (umispo) = en voer | לַגְּמַלִּ֔ים (lagemalim) = aan de kamelen | וּמַ֨יִם֙ (umayim) = en water | לִרְחֹ֣ץ (lirchots) = om te wassen | רַגְלָ֔יו (raglav) = zijn voeten | וְרַגְלֵ֥י (veraglei) = en voeten van | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויפתח (vayefatach), ‘en hij maakte los’: letterlijk ‘en hij opende’; de kamelen worden van hun last bevrijd. Het onderwerp is Laban. Zie ook: Gen 18:4; Gen 19:2; Gen 43:24; Re 19:21; Luc 7:44 **24:33** Er werd hem eten voorgezet, maar hij zei: „Ik eet niet, voordat ik mijn boodschap gesproken heb.” Laban zei: „Spreek.” Brontekst: ויישם (vyyshm) = en hij zette voor (geschreven) | וַיּוּשַׂ֤ם (vayusam) = en er werd voorgezet (gelezen) | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor hem | לֶאֱכֹ֔ל (leekhol) = om te eten | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | אֹכַ֔ל (okhal) = zal ik eten | עַ֥ד (ad) = tot | אִם (im) = dat | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = ik gesproken heb | דְּבָרָ֑י (devaray) = mijn woorden | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | דַּבֵּֽר (daber) = spreek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויישם (vayisem) en ויושׂם (vayusam): Lezing: geschreven staat ‘en hij zette voor’, gelezen wordt ‘en er werd voorgezet’, hier gelezen als ‘er werd voorgezet’. Zie ook: Job 23:12; Ps 132:3–5; Spr 22:29; Ef 6:5–8; 1 Tim 6:2 **24:34** Hij zei: „Ik ben de dienaar van Abraham. Brontekst: וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | עֶ֥בֶד (eved) = dienaar van | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | אָנֹֽכִי (anokhi) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:35** Yahweh heeft mijn heer zeer gezegend, en hij is groot geworden. Hij heeft hem schapen en runderen gegeven, zilver en goud, dienaren en dienaressen, kamelen en ezels. Brontekst: וַיהוָ֞ה (vaYahweh) = en Yahweh | בֵּרַ֧ךְ (berakh) = Hij zegende | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲדֹנִ֛י (adoni) = mijn heer | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | וַיִּגְדָּ֑ל (vayigdal) = en hij werd groot | וַיִּתֶּן (vayiten) = en Hij gaf | ל֞וֹ (lo) = aan hem | צֹ֤אן (tson) = kleinvee | וּבָקָר֙ (uvaqar) = en runderen | וְכֶ֣סֶף (vekhesef) = en zilver | וְזָהָ֔ב (vezahav) = en goud | וַעֲבָדִם֙ (vaavadim) = en dienaren | וּשְׁפָחֹ֔ת (ushefachot) = en dienaressen | וּגְמַלִּ֖ים (ugemalim) = en kamelen | וַחֲמֹרִֽים (vachamorim) = en ezels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:16; Gen 13:2; Gen 24:1; Ps 107:38; Spr 10:22 **24:36** Sarah, de vrouw van mijn heer, heeft aan mijn heer een zoon gebaard toen zij oud was. Aan hem heeft hij alles gegeven wat hij heeft. Brontekst: וַתֵּ֡לֶד (vateled) = en ze baarde | שָׂרָה֩ (sara) = Sarah | אֵ֨שֶׁת (eshet) = vrouw van | אֲדֹנִ֥י (adoni) = mijn heer | בֵן֙ (ben) = een zoon | לַֽאדֹנִ֔י (ladoni) = aan mijn heer | אַחֲרֵ֖י (acharei) = na | זִקְנָתָ֑הּ (ziqnatah) = haar ouderdom | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | לּ֖וֹ (lo) = aan hem | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לֽוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:10–14; Gen 21:1–7; Gen 21:10; Gen 25:5; Rom 4:19 **24:37** Mijn heer heeft mij laten zweren: ‘Je zult voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters van de Kanaänieten, in wier land ik woon, Brontekst: וַיַּשְׁבִּעֵ֥נִי (vayashbieni) = en hij liet mij zweren | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | לֹא (lo) = niet | תִקַּ֤ח (tiqach) = zul je nemen | אִשָּׁה֙ (isha) = een vrouw | לִבְנִ֔י (livni) = voor mijn zoon | מִבְּנוֹת֙ (mibenot) = van de dochters van | הַֽכְּנַעֲנִ֔י (hakenaani) = de Kanaänieten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = bij wie | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | יֹשֵׁ֥ב (yoshev) = woon | בְּאַרְצֽוֹ (beartso) = in hun land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:2; Gen 24:2–9; Gen 27:46; Ezra 9:1–3 **24:38** maar je zult naar het huis van mijn vader en naar mijn familie gaan en een vrouw nemen voor mijn zoon.’ Brontekst: אִם (im) = als | לֹ֧א (lo) = niet | אֶל (el) = naar | בֵּית (beit) = huis van | אָבִ֛י (avi) = mijn vader | תֵּלֵ֖ךְ (telekh) = zul je gaan | וְאֶל (veel) = en naar | מִשְׁפַּחְתִּ֑י (mishpachti) = mijn familie | וְלָקַחְתָּ֥ (velaqachta) = en je zult nemen | אִשָּׁ֖ה (isha) = een vrouw | לִבְנִֽי (livni) = voor mijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:1; Gen 24:4; Gen 31:19 **24:39** Ik zei tegen mijn heer: ‘Misschien wil de vrouw mij niet volgen.’ Brontekst: וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | אֶל (el) = tot | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | אֻלַ֛י (ulay) = misschien | לֹא (lo) = niet | תֵלֵ֥ךְ (telekh) = zal gaan | הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | אַחֲרָֽי (acharay) = achter mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אלי (ali), ‘misschien’: een korte spelling van ulay (zie vers 5). Zie ook: Gen 24:5 **24:40** Hij zei tegen mij: ‘Yahweh, voor wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn engel met je meesturen en je reis laten slagen. Dan zul je voor mijn zoon een vrouw nemen uit mijn familie en uit het huis van mijn vader. Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁר (asher) = voor wie | הִתְהַלַּ֣כְתִּי (hithalakhti) = ik heb gewandeld | לְפָנָ֗יו (lefanav) = voor Zijn aangezicht | יִשְׁלַ֨ח (yishlach) = Hij zal sturen | מַלְאָכ֤וֹ (malakho) = Zijn engel | אִתָּךְ֙ (itakh) = met je | וְהִצְלִ֣יחַ (vehitsliach) = en Hij zal laten slagen | דַּרְכֶּ֔ךָ (darkekha) = je weg | וְלָקַחְתָּ֤ (velaqachta) = en je zult nemen | אִשָּׁה֙ (isha) = een vrouw | לִבְנִ֔י (livni) = voor mijn zoon | מִמִּשְׁפַּחְתִּ֖י (mimishpachti) = uit mijn familie | וּמִבֵּ֥ית (umibeit) = en uit het huis van | אָבִֽי (avi) = mijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: התהלכתי לפניו (hithalakhti lefanav), ‘voor wiens aangezicht ik gewandeld heb’: leven in Yahwehs nabijheid en gehoorzaamheid (zie 5:22; 6:9; 17:1). Zie ook: Gen 5:22; Gen 5:24; Gen 6:9; Gen 17:1; Ex 23:20; Ex 33:2; Ps 16:8 **24:41** Dan ben je vrij van mijn eed, wanneer je bij mijn familie komt. Als zij haar niet aan je geven, ben je vrij van mijn eed.’ Brontekst: אָ֤ז (az) = dan | תִּנָּקֶה֙ (tinaqe) = zul je vrij zijn | מֵאָ֣לָתִ֔י (mealati) = van mijn eed | כִּ֥י (ki) = want | תָב֖וֹא (tavo) = je zult komen | אֶל (el) = naar | מִשְׁפַּחְתִּ֑י (mishpachti) = mijn familie | וְאִם (veim) = en als | לֹ֤א (lo) = niet | יִתְּנוּ֙ (yitenu) = zij zullen geven | לָ֔ךְ (lakh) = aan je | וְהָיִ֥יתָ (vehayita) = dan zul je zijn | נָקִ֖י (naqi) = vrij | מֵאָלָתִֽי (mealati) = van mijn eed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:8; Deut 29:11 **24:42** Vandaag kwam ik bij de bron en zei: ‘Yahweh, Elohim van mijn heer Abraham, als U mijn reis toch wilt laten slagen, de reis die ik nu maak — Brontekst: וָאָבֹ֥א (vaavo) = en ik kwam | הַיּ֖וֹם (hayom) = vandaag | אֶל (el) = naar | הָעָ֑יִן (haayin) = de bron | וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en ik zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = Elohim van | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | אִם (im) = als | יֶשְׁךָ (yeshkha) = U bent | נָּא֙ (na) = toch | מַצְלִ֣יחַ (matsliach) = die laat slagen | דַּרְכִּ֔י (darki) = mijn weg | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarop | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | הֹלֵ֥ךְ (holekh) = gaande | עָלֶֽיהָ (aleiha) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:12–14; Ps 37:5; Ps 90:17; Neh 1:11; Rom 1:10 **24:43** zie, ik sta bij de waterbron. Laat het zo zijn: het jonge meisje dat naar buiten komt om te putten en tegen wie ik zeg: „Geef mij toch een slokje water uit je kruik”, Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | נִצָּ֖ב (nitsav) = staand | עַל (al) = bij | עֵ֣ין (ein) = bron van | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | הָֽעַלְמָה֙ (haalma) = het jonge meisje | הַיֹּצֵ֣את (hayotset) = degene die uitgaat | לִשְׁאֹ֔ב (lishov) = om te putten | וְאָמַרְתִּ֣י (veamarti) = en ik zal zeggen | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = tot haar | הַשְׁקִֽינִי (hashqini) = geef mij te drinken | נָ֥א (na) = toch | מְעַט (meat) = een beetje | מַ֖יִם (mayim) = water | מִכַּדֵּֽךְ (mikadekh) = uit je kruik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: העלמה (ha’almah), ‘het jonge meisje’: een jonge vrouw van huwbare leeftijd. In vers 16 staat betulah, ‘maagd’. Zie ook: Gen 24:13–14; Gen 24:16 **24:44** en dat tegen mij zegt: „Drink zelf ook, en ook voor uw kamelen zal ik putten” — laat dat de vrouw zijn die Yahweh voor de zoon van mijn heer bestemd heeft.’ Brontekst: וְאָמְרָ֤ה (veamera) = en ze zal zeggen | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | גַּם (gam) = ook | אַתָּ֣ה (ata) = jij | שְׁתֵ֔ה (shete) = drink | וְגַ֥ם (vegam) = en ook | לִגְמַלֶּ֖יךָ (ligmaleikha) = voor uw kamelen | אֶשְׁאָ֑ב (eshav) = zal ik putten | הִ֣וא (hi) = zij | הָֽאִשָּׁ֔ה (haisha) = de vrouw | אֲשֶׁר (asher) = die | הֹכִ֥יחַ (hokhiach) = Hij heeft bestemd | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְבֶן (leven) = voor de zoon van | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:14; Spr 16:33; Spr 18:22; Jes 32:8; Heb 13:2 **24:45** Ik had nog niet uitgesproken in mijn hart, of zie, Rebekka kwam naar buiten, met haar kruik op haar schouder. Ze daalde af naar de bron en putte. Ik zei tegen haar: ‘Geef mij toch te drinken.’ Brontekst: אֲנִי֩ (ani) = ik | טֶ֨רֶם (terem) = nog niet | אֲכַלֶּ֜ה (akhale) = had geëindigd | לְדַבֵּ֣ר (ledaber) = te spreken | אֶל (el) = tot | לִבִּ֗י (libi) = mijn hart | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | רִבְקָ֤ה (rivqa) = Rebekka | יֹצֵאת֙ (yotset) = komend uit | וְכַדָּ֣הּ (vekhadah) = met haar kruik | עַל (al) = op | שִׁכְמָ֔הּ (shikhmah) = haar schouder | וַתֵּ֥רֶד (vatered) = en ze daalde af | הָעַ֖יְנָה (haayna) = naar de bron | וַתִּשְׁאָ֑ב (vatishav) = en ze putte | וָאֹמַ֥ר (vaomar) = en ik zei | אֵלֶ֖יהָ (eleiha) = tot haar | הַשְׁקִ֥ינִי (hashqini) = geef mij te drinken | נָֽא (na) = toch Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לדבר אל לבי (ledabber el libbi), ‘spreken tot mijn hart’: in stilte bidden, in gedachten (zie 1 Samuël 1:13). Zie ook: Gen 24:15–20; 1 Sam 1:13; Dan 9:23; Mat 7:7; Hand 10:30; Hand 12:12–17 **24:46** Snel liet ze haar kruik van zich af zakken en zei: ‘Drink, en ook uw kamelen zal ik te drinken geven.’ Ik dronk, en ze gaf ook de kamelen te drinken. Brontekst: וַתְּמַהֵ֗ר (vatemaher) = en ze haastte zich | וַתּ֤וֹרֶד (vatored) = en ze liet zakken | כַּדָּהּ֙ (kadah) = haar kruik | מֵֽעָלֶ֔יהָ (mealeiha) = van zich af | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | שְׁתֵ֔ה (shete) = drink | וְגַם (vegam) = en ook | גְּמַלֶּ֖יךָ (gemaleikha) = uw kamelen | אַשְׁקֶ֑ה (ashqe) = zal ik laten drinken | וָאֵ֕שְׁתְּ (vaesht) = en ik dronk | וְגַ֥ם (vegam) = en ook | הַגְּמַלִּ֖ים (hagemalim) = de kamelen | הִשְׁקָֽתָה (hishqata) = ze liet drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:18–19 **24:47** Ik vroeg haar: ‘Wiens dochter ben je?’ Ze zei: ‘De dochter van Betuël, de zoon van Nachor, die Milka aan hem heeft gebaard.’ Toen deed ik de neusring aan haar neus en de armbanden om haar armen. Brontekst: וָאֶשְׁאַ֣ל (vaeshal) = en ik vroeg | אֹתָ֗הּ (otah) = haar | וָאֹמַר֮ (vaomar) = en ik zei | בַּת (bat) = dochter van | מִ֣י (mi) = wie | אַתְּ֒ (at) = ben jij | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en ze zei | בַּת (bat) = dochter van | בְּתוּאֵל֙ (betuel) = Betuël | בֶּן (ben) = zoon van | נָח֔וֹר (nachor) = Nachor | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָֽלְדָה (yaleda) = ze baarde | לּ֖וֹ (lo) = aan hem | מִלְכָּ֑ה (milka) = Milka | וָאָשִׂ֤ם (vaasim) = en ik legde | הַנֶּ֨זֶם֙ (hanezem) = de ring | עַל (al) = op | אַפָּ֔הּ (apah) = haar neus | וְהַצְּמִידִ֖ים (vehatsemidim) = en de armbanden | עַל (al) = op | יָדֶֽיהָ (yadeiha) = haar handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:22–24; Gen 24:53; Ps 45:14–15; Jes 62:3–5; Ezech 16:10–13 **24:48** Ik boog mijn hoofd, wierp me neer voor Yahweh en zegende Yahweh, de Elohim van mijn heer Abraham, die mij op een betrouwbare weg heeft geleid om de dochter van de broer van mijn heer voor zijn zoon te nemen. Brontekst: וָאֶקֹּ֥ד (vaeqod) = en ik boog | וָֽאֶשְׁתַּחֲוֶ֖ה (vaeshtachave) = en ik wierp me neer | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = voor Yahweh | וָאֲבָרֵ֗ךְ (vaavarekh) = en ik zegende | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = Elohim van | אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הִנְחַ֨נִי֙ (hinchani) = heeft geleid mij | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op een weg van | אֱמֶ֔ת (emet) = waarheid | לָקַ֛חַת (laqachat) = om te nemen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בַּת (bat) = dochter van | אֲחִ֥י (achi) = broer van | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | לִבְנֽוֹ (livno) = voor zijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:26–27; Gen 24:52; Ps 32:8; Ps 48:15; Spr 3:5–6 **24:49** Vertel mij nu: als u trouw en betrouwbaarheid aan mijn heer wilt bewijzen, vertel het mij. En zo niet, vertel het mij ook, dan kan ik mij naar rechts of naar links wenden.” Brontekst: וְ֠עַתָּה (veata) = en nu | אִם (im) = als | יֶשְׁכֶ֨ם (yeshkhem) = bent u | עֹשִׂ֜ים (osim) = doende | חֶ֧סֶד (chesed) = trouw | וֶֽאֱמֶ֛ת (veemet) = en betrouwbaarheid | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | הַגִּ֣ידוּ (hagidu) = vertel | לִ֑י (li) = mij | וְאִם (veim) = en als | לֹ֕א (lo) = niet | הַגִּ֣ידוּ (hagidu) = vertel | לִ֔י (li) = mij | וְאֶפְנֶ֥ה (veefne) = en ik zal me wenden | עַל (al) = naar | יָמִ֖ין (yamin) = rechts | א֥וֹ (o) = of | עַל (al) = naar | שְׂמֹֽאל (semol) = links Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואפנה על ימין או על שׂמאל (ve’ifneh al yamin o al semol), ‘dan kan ik mij naar rechts of naar links wenden’: dan zoek ik elders verder. Zie ook: Gen 32:10; Gen 47:29; Num 20:17; Joz 2:14; Spr 3:3 ### Rebekka's toestemming **24:50** Laban en Betuël antwoordden: „Van Yahweh is deze zaak uitgegaan. Wij kunnen u niets zeggen, geen kwaad en geen goed. Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en hij antwoordde | לָבָ֤ן (lavan) = Laban | וּבְתוּאֵל֙ (uvetuel) = en Betuël | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en ze zeiden | מֵיְהוָ֖ה (meYahweh) = van Yahweh | יָצָ֣א (yatsa) = is uitgegaan | הַדָּבָ֑ר (hadavar) = de zaak | לֹ֥א (lo) = niet | נוּכַ֛ל (nukhal) = kunnen wij | דַּבֵּ֥ר (daber) = spreken | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot u | רַ֥ע (ra) = kwaad | אוֹ (o) = of | טֽוֹב (tov) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מיהוה יצא הדבר (meYHWH yatsa hadavar), ‘van Yahweh is deze zaak uitgegaan’: Laban en Betuël erkennen Yahwehs leiding. Zie ook: Gen 31:24; Gen 31:29; 2 Sam 13:22; Ps 118:23; Mar 12:11 **24:51** Zie, Rebekka staat voor u. Neem haar mee en ga. Laat haar de vrouw worden van de zoon van uw heer, zoals Yahweh gesproken heeft.” Brontekst: הִנֵּֽה (hine) = zie | רִבְקָ֥ה (rivqa) = Rebekka | לְפָנֶ֖יךָ (lefaneikha) = voor u | קַ֣ח (qach) = neem | וָלֵ֑ךְ (valekh) = en ga | וּתְהִ֤י (utehi) = en laat zijn | אִשָּׁה֙ (isha) = vrouw | לְבֶן (leven) = voor de zoon van | אֲדֹנֶ֔יךָ (adoneikha) = uw heer | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | דִּבֶּ֥ר (diber) = heeft gesproken | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:15; Gen 24:15; 2 Sam 16:10 **24:52** Toen de dienaar van Abraham hun woorden hoorde, wierp hij zich op de grond neer voor Yahweh. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = toen | שָׁמַ֛ע (shama) = hoorde | עֶ֥בֶד (eved) = dienaar van | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּבְרֵיהֶ֑ם (divreihem) = hun woorden | וַיִּשְׁתַּ֥חוּ (vayishtachu) = en hij wierp zich neer | אַ֖רְצָה (artsa) = naar de grond | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:26; Gen 24:48; Ps 34:2–3; Ps 95:6; Ps 116:1–2 **24:53** De dienaar haalde zilveren en gouden voorwerpen en kleren tevoorschijn en gaf ze aan Rebekka. Ook aan haar broer en haar moeder gaf hij kostbare geschenken. Brontekst: וַיּוֹצֵ֨א (vayotse) = en hij bracht tevoorschijn | הָעֶ֜בֶד (haeved) = de dienaar | כְּלֵי (kelei) = voorwerpen van | כֶ֨סֶף (kesef) = zilver | וּכְלֵ֤י (ukhelei) = en voorwerpen van | זָהָב֙ (zahav) = goud | וּבְגָדִ֔ים (uvegadim) = en kleren | וַיִּתֵּ֖ן (vayiten) = en hij gaf | לְרִבְקָ֑ה (lerivqa) = aan Rebekka | וּמִ֨גְדָּנֹ֔ת (umigdanot) = en kostbaarheden | נָתַ֥ן (natan) = hij gaf | לְאָחִ֖יהָ (leachiha) = aan haar broer | וּלְאִמָּֽהּ (uleimah) = en aan haar moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ומגדנת (migdanot), ‘kostbare geschenken’: dure gaven voor de broer en de moeder, de bruidsgave. Zie ook: Gen 24:10; Gen 24:22; Ex 3:22; Ex 11:2; Ex 12:35 **24:54** Hij en de mannen die bij hem waren, aten en dronken en bleven daar de nacht over. 's Morgens stonden ze op, en hij zei: „Laat mij gaan naar mijn heer.” Brontekst: וַיֹּאכְל֣וּ (vayokhlu) = en ze aten | וַיִּשְׁתּ֗וּ (vayishtu) = en ze dronken | ה֛וּא (hu) = hij | וְהָאֲנָשִׁ֥ים (vehaanashim) = en de mannen | אֲשֶׁר (asher) = die | עִמּ֖וֹ (imo) = met hem | וַיָּלִ֑ינוּ (vayalinu) = en ze overnachtten | וַיָּק֣וּמוּ (vayaqumu) = en ze stonden op | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | שַׁלְּחֻ֥נִי (shalechuni) = laat mij gaan | לַֽאדֹנִֽי (ladoni) = naar mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:56; Gen 24:59; Gen 45:24; Spr 22:29; Pred 7:10 **24:55** Haar broer en haar moeder zeiden: „Laat het meisje nog enige tijd bij ons blijven, een dag of tien. Daarna kan ze gaan.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָחִ֨יהָ֙ (achiha) = haar broer | וְאִמָּ֔הּ (veimah) = en haar moeder | תֵּשֵׁ֨ב (teshev) = laat blijven | הַנַּעֲרָ֥ (hanaara) = het meisje | אִתָּ֛נוּ (itanu) = bij ons | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | א֣וֹ (o) = of | עָשׂ֑וֹר (asor) = tien | אַחַ֖ר (achar) = daarna | תֵּלֵֽךְ (telekh) = zal ze gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ימים או עשׂור (yamim o asor), ‘dagen of tien’: de uitdrukking is onduidelijk. Yamim kan ‘enkele dagen’ zijn, maar ook ‘een jaar’ (zie Lev. 25:29), en asor kan ‘tien dagen’ of ‘tien maanden’ bedoelen. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘een dag of tien’. Zie ook: Gen 4:3; Lev 25:29; Re 14:8 **24:56** Hij zei tegen hen: „Houd mij niet op, nu Yahweh mijn reis heeft laten slagen. Laat mij gaan, zodat ik naar mijn heer kan.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | אַל (al) = niet | תְּאַחֲר֣וּ (teacharu) = houd op | אֹתִ֔י (oti) = mij | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | הִצְלִ֣יחַ (hitsliach) = heeft laten slagen | דַּרְכִּ֑י (darki) = mijn weg | שַׁלְּח֕וּנִי (shalechuni) = laat mij gaan | וְאֵלְכָ֖ה (veelekha) = dat ik ga | לַֽאדֹנִֽי (ladoni) = naar mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 45:9–13; Joz 1:8; Spr 25:25; Jes 48:15 **24:57** Ze zeiden: „Laten we het meisje roepen en haar zelf vragen.” Brontekst: וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en ze zeiden | נִקְרָ֣א (niqra) = laten we roepen | לַֽנַּעֲרָ֑ (lanaara) = het meisje | וְנִשְׁאֲלָ֖ה (venishala) = en laten we vragen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פִּֽיהָ (piha) = haar mond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:58** Ze riepen Rebekka en zeiden tegen haar: „Ga je met deze man mee?” Ze zei: „Ik ga.” Brontekst: וַיִּקְרְא֤וּ (vayiqreu) = en ze riepen | לְרִבְקָה֙ (lerivqa) = Rebekka | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeiden | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = tot haar | הֲתֵלְכִ֖י (hatelekhi) = ga je | עִם (im) = met | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וַתֹּ֖אמֶר (vatomer) = en ze zei | אֵלֵֽךְ (elekh) = ik ga Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 45:11–12; Luc 1:38 **24:59** Zo lieten ze hun zus Rebekka gaan, met haar min, met de dienaar van Abraham en met zijn mannen. Brontekst: וַֽיְשַׁלְּח֛וּ (vayshalechu) = en ze lieten gaan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רִבְקָ֥ה (rivqa) = Rebekka | אֲחֹתָ֖ם (achotam) = hun zus | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | מֵנִקְתָּ֑הּ (meniqtah) = haar min | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | עֶ֥בֶד (eved) = dienaar van | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֲנָשָֽׁיו (anashav) = zijn mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מנקתה (menigtah), ‘haar min’: de verzorgster van Rebekka, Debora (zie 35:8). Voetnoot Aanvullend: Jasher 24:42 noemt Debora, de dochter van Us, en zegt dat Rebekka zilver, goud en dienaren meekreeg. Zie ook: Gen 24:50; Gen 24:53; Gen 35:8; Jas 24:42; Num 11:12; 1 Tess 2:5 **24:60** Ze zegenden Rebekka en zeiden tegen haar: „Onze zus, word duizenden maal tienduizend. Moge je nageslacht de poort van zijn haters in bezit nemen.” Brontekst: וַיְבָרֲכ֤וּ (vayvarakhu) = en ze zegenden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רִבְקָה֙ (rivqa) = Rebekka | וַיֹּ֣אמְרוּ (vayomru) = en ze zeiden | לָ֔הּ (lah) = tot haar | אֲחֹתֵ֕נוּ (achotenu) = onze zus | אַ֥תְּ (at) = jij | הֲיִ֖י (hayi) = word | לְאַלְפֵ֣י (lealfei) = tot duizenden van | רְבָבָ֑ה (revava) = tienduizendtallen | וְיִירַ֣שׁ (veyirash) = en laat in bezit nemen | זַרְעֵ֔ךְ (zarekh) = je nageslacht | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | שֹׂנְאָֽיו (soneav) = zijn haters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לאלפי רבבה (le’alfe revavah), ‘duizenden van tienduizendtallen’: een zegen met veel nakomelingen (zie 22:17; 15:5). את שׁער שׂנאיו (shaar sone’av), ‘de poort van zijn haters’: dezelfde woorden als in 22:17. Zie ook: Gen 15:5; Gen 17:16; Gen 22:17; Gen 28:3; Gen 48:15–16; Ruth 4:11–12 **24:61** Rebekka stond op met haar meisjes. Ze stegen op de kamelen en volgden de man. De dienaar nam Rebekka mee en vertrok. Brontekst: וַתָּ֨קָם (vataqam) = en ze stond op | רִבְקָ֜ה (rivqa) = Rebekka | וְנַעֲרֹתֶ֗יהָ (venaaroteiha) = en haar meisjes | וַתִּרְכַּ֨בְנָה֙ (vatirkavna) = en ze besteeg | עַל (al) = op | הַגְּמַלִּ֔ים (hagemalim) = de kamelen | וַתֵּלַ֖כְנָה (vatelakhna) = en ze gingen | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | הָאִ֑ישׁ (haish) = de man | וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en hij nam | הָעֶ֛בֶד (haeved) = de dienaar | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רִבְקָ֖ה (rivqa) = Rebekka | וַיֵּלַֽךְ (vayelakh) = en hij ging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:24; 1 Sam 30:17; Ps 45:11; Est 8:10; Est 8:14 ### Isaak en Rebekka **24:62** Isaak kwam uit de richting van Beër-Lachai-Roï. Hij woonde namelijk in het land van de Negev. Brontekst: וְיִצְחָק֙ (veyitschaq) = en Isaak | בָּ֣א (ba) = hij was gekomen | מִבּ֔וֹא (mibo) = van de komst naar | בְּאֵ֥ר (beer) = bron van | לַחַ֖י (lachay) = Lachai | רֹאִ֑י (roi) = Roï | וְה֥וּא (vehu) = en hij | יוֹשֵׁ֖ב (yoshev) = wonend | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | הַנֶּֽגֶב (hanegev) = de Negev Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: באר לחי ראי (be’er lachay ro’i), ‘Beër-Lachai-Roï’: de bron waar Hagar Yahweh zag (zie 16:14; 25:11). De bron lag in de Negev, bij Kades, maar de precieze ligging is onzeker (zie 16:14). Voetnoot Uitleg: מבוא (mevo), ‘van het komen naar’: de woorden kunnen ook ‘uit de richting van’ betekenen. De Negev is het dorre zuiden van Kanaän (zie 12:9; 20:1). Zie ook: Gen 12:9; Gen 16:14; Gen 20:1; Gen 25:11 **24:63** Tegen de avond was Isaak naar buiten gegaan om in het veld te mediteren. Hij keek op en zag kamelen naderen. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en hij ging uit | יִצְחָ֛ק (yitschaq) = Isaak | לָשׂ֥וּחַ (lasuach) = om te mediteren | בַּשָּׂדֶ֖ה (basade) = in het veld | לִפְנ֣וֹת (lifnot) = tegen het keren van | עָ֑רֶב (arev) = avond | וַיִּשָּׂ֤א (vayisa) = en hij sloeg op | עֵינָיו֙ (einav) = zijn ogen | וַיַּ֔רְא (vayar) = en hij zag | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | גְמַלִּ֖ים (gemalim) = kamelen | בָּאִֽים (baim) = komend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לשׂוח (lasuach), ‘mediteren’: een woord dat alleen hier voorkomt; de betekenis is onzeker. Vertalingen kiezen ‘mediteren, nadenken’ of ‘wandelen’. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘mediteren’. Zie ook: Joz 1:8; Ps 1:2; Ps 104:34; Ps 119:15; Ps 143:5–6 **24:64** Rebekka keek op en zag Isaak. Ze liet zich van de kameel glijden. Brontekst: וַתִּשָּׂ֤א (vatisa) = en ze sloeg op | רִבְקָה֙ (rivqa) = Rebekka | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵינֶ֔יהָ (eineiha) = haar ogen | וַתֵּ֖רֶא (vatere) = en ze zag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִצְחָ֑ק (yitschaq) = Isaak | וַתִּפֹּ֖ל (vatipol) = en ze viel | מֵעַ֥ל (meal) = van op | הַגָּמָֽל (hagamal) = de kameel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותפל (vatipol), ‘ze viel’: het werkwoord betekent ‘vallen’; Rebekka stijgt haastig en uit eerbied af. Zie ook: Joz 15:18; Re 1:14 **24:65** Ze zei tegen de dienaar: „Wie is die man die ons in het veld tegemoet loopt?” De dienaar zei: „Dat is mijn heer.” Toen nam ze haar sluier en bedekte zich. Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | אֶל (el) = tot | הָעֶ֗בֶד (haeved) = de dienaar | מִֽי (mi) = wie | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | הַלָּזֶה֙ (halaze) = die daar | הַהֹלֵ֤ךְ (haholekh) = die wandelt | בַּשָּׂדֶה֙ (basade) = in het veld | לִקְרָאתֵ֔נוּ (liqratenu) = ons tegemoet | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | הָעֶ֖בֶד (haeved) = de dienaar | ה֣וּא (hu) = hij | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | וַתִּקַּ֥ח (vatiqach) = en ze nam | הַצָּעִ֖יף (hatsaif) = de sluier | וַתִּתְכָּֽס (vatitkas) = en ze bedekte zich Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הצעיף (hatsa’if), ‘de sluier’: Rebekka bedekt zich bij de eerste ontmoeting met haar bruidegom (zie 38:14). Zie ook: Gen 20:16; Gen 38:14; 1 Kor 11:5–6; 1 Kor 11:10; 1 Tim 2:9 **24:66** De dienaar vertelde Isaak alles wat hij gedaan had. Brontekst: וַיְסַפֵּ֥ר (vaysaper) = en hij vertelde | הָעֶ֖בֶד (haeved) = de dienaar | לְיִצְחָ֑ק (leyitschaq) = aan Isaak | אֵ֥ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de dingen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשָֽׂה (asa) = hij had gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Mar 6:30 **24:67** Isaak bracht haar in de tent van zijn moeder Sarah. Hij nam Rebekka, zij werd zijn vrouw, en hij hield van haar. Zo vond Isaak troost na de dood van zijn moeder. Brontekst: וַיְבִאֶ֣הָ (vayvieha) = en hij bracht haar | יִצְחָ֗ק (yitschaq) = Isaak | הָאֹ֨הֱלָה֙ (haohela) = naar de tent | שָׂרָ֣ה (sara) = Sarah | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | וַיִּקַּ֧ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רִבְקָ֛ה (rivqa) = Rebekka | וַתְּהִי (vatehi) = en ze werd | ל֥וֹ (lo) = voor hem | לְאִשָּׁ֖ה (leisha) = tot vrouw | וַיֶּאֱהָבֶ֑הָ (vayeehaveha) = en hij hield van haar | וַיִּנָּחֵ֥ם (vayinachem) = en hij werd getroost | יִצְחָ֖ק (yitschaq) = Isaak | אַחֲרֵ֥י (acharei) = na | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׂרה אמו (Sarah immo), ‘Sarah, zijn moeder’: Rebekka neemt Sarahs plaats in de tent in. Isaak was 37 toen Sarah stierf (zie 23:1) en 40 toen hij trouwde (zie 25:20). Voetnoot Aanvullend: Jasher 24:44–45 zegt dat Isaak haar in de tent bracht en veertig jaar oud was. Jubileeën 19:10 noemt het huwelijk kort. Zie ook: Gen 23:1; Gen 25:20; Gen 29:18; Jub 19:10; Jas 24:44–45; Hoogl 8:2; 2 Kor 11:1–2; Ef 5:22–33 ## Genesis 25 _Abrahams dood, Ismaël en de tweeling_ ### Abraham en Ketura **25:1** Abraham nam nog een vrouw; haar naam was Ketura. Brontekst: וַיֹּ֧סֶף (vayosef) = en hij voegde toe | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en hij nam | אִשָּׁ֖ה (isha) = vrouw | וּשְׁמָ֥הּ (ushemah) = en haar naam | קְטוּרָֽה (qetura) = Ketura Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קטורה (Qeturah), ‘Ketura’: de naam hangt samen met qetoret, ‘wierook’ (zie Ex. 30:7). In 1 Kronieken 1:32 heet zij Abrahams bijvrouw (zie vers 6). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 19:11 zegt dat zij uit de huisgeborenen van zijn huis kwam. Jasher 25:1 noemt haar een vrouw uit het land Kanaän. Zie ook: Gen 23:1–2; Gen 25:6; Gen 28:1; Jub 16:16; Jub 19:11; Jas 25:1; Ex 30:7; 1 Kron 1:32–33 **25:2** Zij baarde hem Zimran, Joksjan, Medan, Midian, Jisjbak en Sjuach. Brontekst: וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | ל֗וֹ (lo) = aan hem | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | זִמְרָן֙ (zimran) = Zimran | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יָקְשָׁ֔ן (yaqeshan) = Joksjan | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | מְדָ֖ן (medan) = Medan | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | מִדְיָ֑ן (midyan) = Midian | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יִשְׁבָּ֖ק (yishbaq) = Jisjbak | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שֽׁוּחַ (shuach) = Sjuach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מדין (Midyan), ‘Midian’: de stamvader van de Midianieten, een volk in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba (zie 37:28; Ex. 2:15). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 19:12 noemt dezelfde zes zonen. Jasher 25:9 zegt dat de zonen van Midian naar het oosten van het land Kush trokken en daar een stad bouwden. Zie ook: Gen 36:35; Gen 37:28; Jub 16:16; Jub 19:12; Jas 25:9; Ex 2:15–16; Num 22:4; Num 31:2; 1 Kron 1:32–33 **25:3** Joksjan werd de vader van Sjeba en Dedan. De zonen van Dedan waren de Asjurim, de Letusjim en de Leümmim. Brontekst: וְיָקְשָׁ֣ן (veyaqeshan) = en Joksjan | יָלַ֔ד (yalad) = hij verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁבָ֖א (sheva) = Sjeba | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | דְּדָ֑ן (dedan) = Dedan | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | דְדָ֔ן (dedan) = Dedan | הָי֛וּ (hayu) = waren | אַשּׁוּרִ֥ם (ashurim) = Asjurim | וּלְטוּשִׁ֖ים (uletushim) = en Letusjim | וּלְאֻמִּֽים (uleumim) = en Leümmim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁבא (Shva), ‘Sjeba’: Sjeba en Dedan komen ook voor als nakomelingen van Raäma (zie 10:7); dezelfde naam kan dus meer dan één volk aanduiden. אשׁורם ולטושׁים ולאמים (Ashurim uLetushim uLe’ummim), ‘Asjurim, Letusjim en Leümmim’: namen van stammen die van Dedan afstammen; verder zijn ze niet bekend. Zie ook: Gen 10:7; Job 6:19; 1 Kon 10:1; Jer 25:23; Ezech 25:13; Ezech 27:6 **25:4** De zonen van Midian waren Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Al deze mensen waren zonen van Ketura. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | מִדְיָ֗ן (midyan) = Midian | עֵיפָ֤ה (eifa) = Efa | וָעֵ֨פֶר֙ (vaefer) = en Efer | וַחֲנֹ֔ךְ (vachanokh) = en Chanoch | וַאֲבִידָ֖ע (vaavida) = en Abida | וְאֶלְדָּעָ֑ה (veeldaa) = en Eldaä | כָּל (kal) = alle | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | קְטוּרָֽה (qetura) = Ketura Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 60:6 **25:5** Abraham gaf alles wat hij had aan Isaak. Brontekst: וַיִּתֵּ֧ן (vayiten) = en hij gaf | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֖וֹ (lo) = van hem | לְיִצְחָֽק (leyitschaq) = aan Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 21:10–12; Gen 24:36; Jub 20:11; Joh 3:35; Gal 3:29; Heb 1:2 **25:6** Aan de zonen van de bijvrouwen van Abraham gaf Abraham geschenken. Terwijl hij nog leefde, stuurde hij hen weg van zijn zoon Isaak, oostwaarts, naar het land van het oosten. Brontekst: וְלִבְנֵ֤י (velivnei) = en aan de zonen van | הַפִּֽילַגְשִׁים֙ (hapilagshim) = de bijvrouwen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְאַבְרָהָ֔ם (leavraham) = van Abraham | נָתַ֥ן (natan) = gaf | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | מַתָּנֹ֑ת (matanot) = geschenken | וַֽיְשַׁלְּחֵ֞ם (vayshalechem) = en hij zond hen weg | מֵעַ֨ל (meal) = van naast | יִצְחָ֤ק (yitschaq) = Isaak | בְּנוֹ֙ (beno) = zijn zoon | בְּעוֹדֶ֣נּוּ (beodenu) = terwijl hij nog | חַ֔י (chay) = levend | קֵ֖דְמָה (qedema) = oostwaarts | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | קֶֽדֶם (qedem) = het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הפילגשׁים (hapilagshim), ‘de bijvrouwen’: het meervoud verwijst naar Ketura, die in 1 Kronieken 1:32 een bijvrouw heet, en mogelijk naar Hagar. קדמה אל ארץ קדם (qedmah el eretz qedem), ‘oostwaarts, naar het land van het oosten’: het gebied ten oosten van Kanaän, voorbij de Syrisch-Arabische woestijn (zie 29:1). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 20:11 zegt dat Abraham de zonen van Ismaël en Ketura met geschenken van Isaak wegzond. Jasher 25:6–7 zegt dat zij naar het gebergte in het oosten gingen en zes steden bouwden. Zie ook: Gen 16:3; Gen 21:14; Gen 29:1; Jub 20:11; Jub 20:12; Jas 25:6–7; Job 1:1; Re 6:3; 1 Kron 1:32; Hand 14:17 ### Abrahams dood **25:7** Dit zijn de levensjaren van Abraham: 175 jaar. Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dit | יְמֵ֛י (yemei) = dagen van | שְׁנֵֽי (shenei) = jaren van | חַיֵּ֥י (chayei) = leven van | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | אֲשֶׁר (asher) = die | חָ֑י (chay) = hij leefde | מְאַ֥ת (meat) = honderd | שָׁנָ֛ה (shana) = jaar | וְשִׁבְעִ֥ים (veshivim) = en zeventig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וְחָמֵ֥שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנִֽים (shanim) = jaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מאת שׁנה ושׁבעים שׁנה וחמשׁ שׁנים (me’at shanah veshiv’im shanah vechamesh shanim), ‘honderd jaar en zeventig jaar en vijf jaar’: samen 175. Abraham was 100 bij Isaaks geboorte (zie 21:5), dus Isaak was nu 75, en de tweeling was 15 (zie vers 26). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 23:8 geeft dezelfde leeftijd. Jasher 26:29 zegt dat Abraham stierf in het vijftiende jaar van Jakob en Ezau. Zie ook: Gen 12:4; Gen 21:5; Gen 25:26; Jub 21:2; Jub 22:7; Jub 23:8; Jas 26:29 **25:8** Abraham gaf de geest en stierf, in een goede ouderdom, oud en verzadigd. Hij werd verzameld bij zijn volk. Brontekst: וַיִּגְוַ֨ע (vayigva) = en hij gaf de geest | וַיָּ֧מָת (vayamat) = en hij stierf | אַבְרָהָ֛ם (avraham) = Abraham | בְּשֵׂיבָ֥ה (beseiva) = in grijsheid | טוֹבָ֖ה (tova) = goede | זָקֵ֣ן (zaqen) = oud | וְשָׂבֵ֑עַ (vesavea) = en verzadigd | וַיֵּאָ֖סֶף (vayeasef) = en hij werd verzameld | אֶל (el) = bij | עַמָּֽיו (amav) = zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויגוע (vayigva), ‘hij gaf de geest’: letterlijk ‘hij ademde uit’, een woord voor sterven (zie 6:17). בשׂיבה טובה (beseivah tovah), ‘in een goede ouderdom’: zie 15:15. ויאסף אל עמיו (vayye’asef el ammav), ‘hij werd verzameld bij zijn volk’: een vaste uitdrukking voor sterven, los van het begraven (zie 25:17; 35:29; 49:33). Zie ook: Gen 6:17; Gen 15:15; Gen 25:17; Gen 35:28–29; Gen 35:29; Gen 49:33; Jub 21:1; Jub 22:7; Jub 23:1; Jub 23:8; Job 5:26; 1 Kron 29:28 **25:9** Zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem in de grot van Machpela, op het veld van Efron, de zoon van Sochar, de Hetiet, tegenover Mamre, Brontekst: וַיִּקְבְּר֨וּ (vayiqberu) = en ze begroeven | אֹת֜וֹ (oto) = hem | יִצְחָ֤ק (yitschaq) = Isaak | וְיִשְׁמָעֵאל֙ (veyishmael) = en Ismaël | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | אֶל (el) = in | מְעָרַ֖ת (mearat) = grot van | הַמַּכְפֵּלָ֑ה (hamakhpela) = de Machpela | אֶל (el) = in | שְׂדֵ֞ה (sede) = veld van | עֶפְרֹ֤ן (efron) = Efron | בֶּן (ben) = zoon van | צֹ֨חַר֙ (tsochar) = Sochar | הַֽחִתִּ֔י (hachiti) = de Hetiet | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = tegenover | פְּנֵ֥י (penei) = aangezicht van | מַמְרֵֽא (mamre) = Mamre Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Voetnoot Uitleg: מערת המכפלה (me’arat hammakhpelah), ‘de grot van Machpela’: zie 23:9; 23:17–20. Ismaël wordt hier genoemd als broer van Isaak, hoewel hij was weggestuurd (zie 21:14). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 23:7 zegt dat zijn zonen Isaak en Ismaël hem begroeven. Jasher 26:29–31 vertelt dat ook de inwoners van Kanaän en Charan en de zonen van de bijvrouwen kwamen. Zie ook: Gen 21:9–10; Gen 21:14; Gen 23:9–20; Gen 23:17–20; Gen 35:29; Gen 49:29–30; Gen 50:13; Jub 23:7; Jas 26:29–31 **25:10** het veld dat Abraham van de zonen van Het gekocht had. Daar werden Abraham en zijn vrouw Sarah begraven. Brontekst: הַשָּׂדֶ֛ה (hasade) = het veld | אֲשֶׁר (asher) = dat | קָנָ֥ה (qana) = hij kocht | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | מֵאֵ֣ת (meet) = van | בְּנֵי (benei) = zonen van | חֵ֑ת (chet) = Het | שָׁ֛מָּה (shama) = daar | קֻבַּ֥ר (qubar) = werd begraven | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | וְשָׂרָ֥ה (vesara) = en Sarah | אִשְׁתּֽוֹ (ishto) = zijn vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 23:16; Gen 49:31 **25:11** Na de dood van Abraham zegende Elohim zijn zoon Isaak. Isaak woonde bij Beër-Lachai-Roï. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | מ֣וֹת (mot) = dood van | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | וַיְבָ֥רֶךְ (vayvarekh) = en Hij zegende | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | בְּנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | וַיֵּ֣שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | עִם (im) = bij | בְּאֵ֥ר (beer) = bron van | לַחַ֖י (lachay) = Lachai | רֹאִֽי (roi) = Roï Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: באר לחי ראי (be’er lachay ro’i), ‘Beër-Lachai-Roï’: zie 16:14; 24:62. Na Abrahams dood zet Elohim de zegen voort bij Isaak (zie 12:2; 26:3). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:1 zegt dat Isaak na Abrahams dood van Hebron naar de Put van het Zien trok. Zie ook: Gen 12:2; Gen 16:14; Gen 17:19; Gen 22:17; Gen 24:62; Gen 26:3; Jub 24:1 ### Ismaëls nakomelingen **25:12** Dit is de geschiedenis van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, de dienares van Sarah, aan Abraham baarde. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit | תֹּלְדֹ֥ת (toledot) = geschiedenis van | יִשְׁמָעֵ֖אל (yishmael) = Ismaël | בֶּן (ben) = zoon van | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יָלְדָ֜ה (yaleda) = ze baarde | הָגָ֧ר (hagar) = Hagar | הַמִּצְרִ֛ית (hamitsrit) = de Egyptische | שִׁפְחַ֥ת (shifchat) = dienares van | שָׂרָ֖ה (sara) = Sarah | לְאַבְרָהָֽם (leavraham) = aan Abraham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תלדת (toledot), ‘geschiedenis’: zie 2:4; 6:9; 10:1. הגר המצרית (Hagar hamitsrit), ‘Hagar, de Egyptische’: zie 16:1; 21:9. Ismaëls twaalf zonen vervullen de belofte uit 17:20. Zie ook: Gen 2:4; Gen 6:9; Gen 10:1; Gen 16:1; Gen 16:10–15; Gen 17:20; Gen 21:9; Gen 21:13; Ps 83:7 **25:13** Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, in de volgorde van hun geboorte: Nebajot, de oudste van Ismaël, dan Kedar, Adbeël, Mibsam, Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dit | שְׁמוֹת֙ (shemot) = namen van | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׁמָעֵ֔אל (yishmael) = Ismaël | בִּשְׁמֹתָ֖ם (bishmotam) = met hun namen | לְתוֹלְדֹתָ֑ם (letoledotam) = naar hun geslachten | בְּכֹ֤ר (bekhor) = eerstgeborene van | יִשְׁמָעֵאל֙ (yishmael) = Ismaël | נְבָיֹ֔ת (nevayot) = Nebajot | וְקֵדָ֥ר (veqedar) = en Kedar | וְאַדְבְּאֵ֖ל (veadbeel) = en Adbeël | וּמִבְשָֽׂם (umivsam) = en Mibsam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נבית וקדר ואדבאל ומבשׂם (Nevayot, Qedar, Adbe’el, Mivsam), ‘Nebajot, Kedar, Adbeël, Mibsam’: stamvaders van Arabische stammen. Kedar woonde in de woestijn ten oosten van Kanaän (zie Jes. 21:16–17; Ps. 120:5). Nebajot wordt in Jes. 60:7 samen met Kedar genoemd. Voetnoot Aanvullend: Jasher 25:15–18 zegt dat Ismaël eerst trouwde met Riba uit Egypte, die hem Nebajot, Kedar, Adbeël, Mibsam en een dochter baarde, en daarna met Malkit uit Kanaän, die de overige zonen baarde. Zie ook: Jub 17:14; Jub 20:1; Jas 25:15–18; 1 Kron 1:29–31; Ps 120:5; Hoogl 1:5; Jes 21:16–17; Jes 42:11; Jes 60:7 **25:14** Misjma, Duma, Massa, Brontekst: וּמִשְׁמָ֥ע (umishma) = en Misjma | וְדוּמָ֖ה (veduma) = en Duma | וּמַשָּֽׂא (umasa) = en Massa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 20:1; Jes 21:11; Jes 21:16 **25:15** Chadad, Tema, Jetur, Nafisj en Kedma. Brontekst: חֲדַ֣ד (chadad) = Chadad | וְתֵימָ֔א (veteima) = en Tema | יְט֥וּר (yetur) = Jetur | נָפִ֖ישׁ (nafish) = Nafisj | וָקֵֽדְמָה (vaqedema) = en Kedma Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 20:1; Job 2:11; 1 Kron 5:19 **25:16** Dit zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, naar hun dorpen en hun kampen: twaalf vorsten voor hun stammen. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit | הֵ֞ם (hem) = zij | בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | יִשְׁמָעֵאל֙ (yishmael) = Ismaël | וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit | שְׁמֹתָ֔ם (shemotam) = hun namen | בְּחַצְרֵיהֶ֖ם (bechatsreihem) = in hun dorpen | וּבְטִֽירֹתָ֑ם (uvetirotam) = en in hun kampen | שְׁנֵים (sheneim) = twee | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | נְשִׂיאִ֖ם (nesiim) = vorsten | לְאֻמֹּתָֽם (leumotam) = voor hun stammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בחצריהם ובטירתם (bechatsereihem uvetirotam), ‘in hun dorpen en in hun kampen’: een chatser is een open nederzetting zonder muur, een tirah een kamp of tentenkring (zie Num. 31:10). נשׂיאם (nesi’im), ‘vorsten’: stamhoofden, zoals beloofd in 17:20. Zie ook: Gen 17:20; Gen 17:23; Num 31:10 **25:17** Dit zijn de levensjaren van Ismaël: 137 jaar. Hij gaf de geest, stierf en werd verzameld bij zijn volk. Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dit | שְׁנֵי֙ (shenei) = jaren van | חַיֵּ֣י (chayei) = leven van | יִשְׁמָעֵ֔אל (yishmael) = Ismaël | מְאַ֥ת (meat) = honderd | שָׁנָ֛ה (shana) = jaar | וּשְׁלֹשִׁ֥ים (usheloshim) = en dertig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וְשֶׁ֣בַע (vesheva) = en zeven | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaren | וַיִּגְוַ֣ע (vayigva) = en hij gaf de geest | וַיָּ֔מָת (vayamat) = en hij stierf | וַיֵּאָ֖סֶף (vayeasef) = en hij werd verzameld | אֶל (el) = bij | עַמָּֽיו (amav) = zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מאת שׁנה ושׁלשׁים שׁנה ושׁבע שׁנים (me’at shanah veshloshim shanah veshev shanim), ‘honderd jaar en dertig jaar en zeven jaar’: samen 137. Voor ‘verzameld bij zijn volk’ zie vers 8. Zie ook: Gen 15:15; Gen 25:7–8; Gen 25:8 **25:18** Zij woonden van Havila tot Sur, dat tegenover Egypte ligt, in de richting van Assur. Hij vestigde zich tegenover al zijn broers. Brontekst: וַיִּשְׁכְּנ֨וּ (vayishkenu) = en ze woonden | מֵֽחֲוִילָ֜ה (mechavila) = van Havila | עַד (ad) = tot | שׁ֗וּר (shur) = Sur | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | עַל (al) = voor | פְּנֵ֣י (penei) = het aangezicht van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בֹּאֲכָ֖ה (boakha) = naar | אַשּׁ֑וּרָה (ashura) = Assur | עַל (al) = voor | פְּנֵ֥י (penei) = het aangezicht van | כָל (kal) = alle | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | נָפָֽל (nafal) = hij is neergestreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: מחוילה עד שׁור (mechavilah ad Shur), ‘van Havila tot Sur’: een lijn van het ene uiteinde naar het andere. Sur lag ten oosten van Egypte (zie 16:7; 20:1). De nakomelingen van Ismaël wonen ten oosten van die lijn, in de woestijn, in de richting van Assur (zie 16:12). Voetnoot Uitleg: Havila: zie 2:11; de ligging is onzeker. אשׁורה (ashurah), ‘naar Assur’: Assur is hier waarschijnlijk Assyrië, het land aan de Tigris (zie 10:11). נפל (nafal), ‘hij vestigde zich’: letterlijk ‘hij is gevallen’, dus ‘hij liet zich neer’. Bij 16:12 staat bij dezelfde woorden ‘tegenover al zijn broers’ het werkwoord yishkon, ‘hij zal wonen’; dit vers laat zien dat die woorden zijn uitgekomen. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 20:12 zegt dat de zonen van Ismaël en Ketura samen woonden van Paran tot de ingang van Babylon, in het land dat naar het oosten ligt, tegenover de woestijn. Jasher 25:20 zegt dat zij woonden van Havila tot Sur, dat voor Egypte ligt als je naar Assyrië gaat. Zie ook: Gen 2:11; Gen 10:11; Gen 13:10; Gen 16:7; Gen 16:12; Gen 20:1; Jub 20:12; Jas 25:20; 2 Kon 23:29; Jes 19:23–24 ### De geboorte van Ezau en Jakob **25:19** Dit is de geschiedenis van Isaak, de zoon van Abraham: Abraham werd de vader van Isaak. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit | תּוֹלְדֹ֥ת (toledot) = geschiedenis van | יִצְחָ֖ק (yitschaq) = Isaak | בֶּן (ben) = zoon van | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | הוֹלִ֥יד (holid) = verwekte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִצְחָֽק (yitschaq) = Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תולדת (toledot), ‘geschiedenis’: zie vers 12. Hier begint het verhaal van Isaaks zonen. Zie ook: Gen 25:12; 1 Kron 1:32; Mat 1:2; Luc 3:34; Hand 7:8 **25:20** Isaak was 40 jaar oud toen hij Rebekka tot vrouw nam, de dochter van Betuël, de Arameeër uit Paddan-Aram, de zus van Laban, de Arameeër. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | יִצְחָק֙ (yitschaq) = Isaak | בֶּן (ben) = zoon van | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | בְּקַחְתּ֣וֹ (beqachto) = bij zijn nemen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רִבְקָ֗ה (rivqa) = Rebekka | בַּת (bat) = dochter van | בְּתוּאֵל֙ (betuel) = Betuël | הָֽאֲרַמִּ֔י (haarami) = de Arameeër | מִפַּדַּ֖ן (mipadan) = uit Paddan | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | אֲח֛וֹת (achot) = zus van | לָבָ֥ן (lavan) = Laban | הָאֲרַמִּ֖י (haarami) = de Arameeër | ל֥וֹ (lo) = voor hem | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Voetnoot Uitleg: ארבעים שׁנה (arba’im shanah), ‘40 jaar’: Isaak was 37 toen Sarah stierf (zie 23:1; 24:67). מפדן ארם (miPadan Aram), ‘uit Paddan-Aram’: paddan betekent ‘vlakte’ of ‘weg’. Paddan-Aram is het gebied rond Charan, ook genoemd Aram-Naharaim (zie 24:10; 28:2). Voetnoot Aanvullend: Jasher 24:45 zegt ook dat Isaak 40 was toen hij Rebekka nam. Zie ook: Gen 22:23; Gen 23:1; Gen 24:10; Gen 24:29; Gen 24:67; Gen 28:2; Gen 31:24; Jas 24:45; Deut 26:5 **25:21** Isaak bad tot Yahweh voor zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar. Yahweh liet Zich door hem verbidden, en zijn vrouw Rebekka werd zwanger. Brontekst: וַיֶּעְתַּ֨ר (vayetar) = en hij bad | יִצְחָ֤ק (yitschaq) = Isaak | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = tot Yahweh | לְנֹ֣כַח (lenokhach) = tegenover | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | כִּ֥י (ki) = want | עֲקָרָ֖ה (aqara) = onvruchtbaar | הִ֑וא (hi) = zij | וַיֵּעָ֤תֶר (vayeater) = en Hij liet Zich verbidden | לוֹ֙ (lo) = door hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַתַּ֖הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | רִבְקָ֥ה (rivqa) = Rebekka | אִשְׁתּֽוֹ (ishto) = zijn vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויעתר (vaye’tar), ‘hij bad’: dringend bidden, smeken; hetzelfde werkwoord staat bij Yahweh in ‘Hij liet Zich verbidden’. Rebekka was twintig jaar onvruchtbaar: Isaak was 40 bij zijn huwelijk (vers 20) en 60 bij de geboorte van de tweeling (vers 26). Voetnoot Aanvullend: Jasher 26:5–8 vertelt dat Isaak en Rebekka naar Moria gingen om te bidden, en dat Yahweh het gebed van Isaak verhoorde. Zie ook: Gen 25:20; Gen 25:26; Jas 26:5–8; 1 Kron 5:20; 2 Kron 33:13; Jes 58:9; Ezra 8:23; Luc 1:13 **25:22** De kinderen stootten elkaar in haar. Ze zei: „Als het zo gaat, waarom overkomt mij dit dan?” Ze ging Yahweh raadplegen. Brontekst: וַיִּתְרֹֽצֲצ֤וּ (vayitrotsatsu) = en ze stootten elkaar | הַבָּנִים֙ (habanim) = de zonen | בְּקִרְבָּ֔הּ (beqirbah) = in haar binnenste | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | אִם (im) = als | כֵּ֔ן (ken) = zo | לָ֥מָּה (lama) = waarom | זֶּ֖ה (ze) = dit | אָנֹ֑כִי (anokhi) = ik | וַתֵּ֖לֶךְ (vatelekh) = en ze ging | לִדְרֹ֥שׁ (lidrosh) = om te raadplegen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויתרצצו (vayitrotsatsu), ‘ze stootten elkaar’: van ratsats, ‘breken, verpletteren’; hier: ze drukten en stootten tegen elkaar. אם כן למה זה אנכי (im ken lamah ze anokhi), ‘als het zo gaat, waarom ben ik dan dit?’: de zin is kort en afgebroken. Er zijn meer lezingen: ‘waarom overkomt mij dit’, ‘waarom leef ik nog’ of ‘waarom ben ik zwanger geworden’. לדרשׁ את יהוה (lidrosh et YHWH), ‘Yahweh raadplegen’: Yahweh om een antwoord vragen. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘waarom overkomt mij dit dan?’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 26:10–12 zegt dat zij naar Moria ging, naar Sem en Eber, en ook Abraham vroeg Yahweh te raadplegen, en dat zij haar het antwoord brachten. Zie ook: Jas 26:10–12; 1 Sam 9:9; 1 Sam 10:22; 1 Sam 28:6; 1 Sam 30:8; Ezech 20:31 **25:23** Yahweh zei tegen haar: **„Twee volken zijn in je buik, en twee stammen zullen uit je schoot gescheiden worden. De ene stam zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienen.”** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֗הּ (lah) = tot haar | שְׁנֵ֤י (shenei) = twee | גיים (gyym) = volken (geschreven) | גוֹיִם֙ (goyim) = volken (gelezen) | בְּבִטְנֵ֔ךְ (bevitnekh) = in je buik | וּשְׁנֵ֣י (ushenei) = en twee | לְאֻמִּ֔ים (leumim) = stammen | מִמֵּעַ֖יִךְ (mimeayikh) = uit je ingewanden | יִפָּרֵ֑דוּ (yiparedu) = zullen gescheiden worden | וּלְאֹם֙ (uleom) = en een stam | מִלְאֹ֣ם (milom) = dan een stam | יֶֽאֱמָ֔ץ (yeemats) = zal sterker zijn | וְרַ֖ב (verav) = en de oudste | יַעֲבֹ֥ד (yaavod) = zal dienen | צָעִֽיר (tsair) = de jongste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גיים גוים (gayim goyim), ‘volken’: geschreven staat gayim, gelezen wordt goyim; beide betekenen ‘volken’. ורב יעבד צעיר (verav ya’avod tsa’ir), ‘de oudste zal de jongste dienen’: een omkering van de gewone volgorde; rav is ‘groot, talrijk, oud’ en tsa’ir is ‘klein, jong’. Paulus haalt dit aan in Rom. 9:12. Edom werd later onderworpen (zie 27:40; 2 Sam. 8:14). Zie ook: Gen 27:29; Gen 27:40; 2 Sam 8:14; Mal 1:2–5; Rom 9:10–13; Rom 9:12 **25:24** Toen haar dagen om waren om te baren, zie, er waren tweelingen in haar buik. Brontekst: וַיִּמְלְא֥וּ (vayimleu) = en ze werden vol | יָמֶ֖יהָ (yameiha) = haar dagen | לָלֶ֑דֶת (laledet) = om te baren | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | תוֹמִ֖ם (tomim) = tweelingen | בְּבִטְנָֽהּ (bevitnah) = in haar buik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hen 89:12; Jub 19:13 **25:25** De eerste kwam eruit, roodachtig, helemaal als een mantel van haar. Ze noemden hem Ezau. Brontekst: וַיֵּצֵ֤א (vayetse) = en hij kwam uit | הָרִאשׁוֹן֙ (harishon) = de eerste | אַדְמוֹנִ֔י (admoni) = roodachtig | כֻּלּ֖וֹ (kulo) = geheel | כְּאַדֶּ֣רֶת (keaderet) = als mantel van | שֵׂעָ֑ר (sear) = haar | וַיִּקְרְא֥וּ (vayiqreu) = en ze noemden | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | עֵשָֽׂו (esav) = Ezau Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אדמוני (admoni), ‘roodachtig’: van adom, ‘rood’; zie Edom in vers 30. כאדרת שׂער (ke’aderet se’ar), ‘als een mantel van haar’: se’ar, ‘haar’, klinkt als Seïr, het gebied van Edom (zie 32:3; 36:8). Voetnoot Aanvullend: Jasher 26:14 zegt dat de mensen hem Ezau noemden omdat hij ‘volledig gemaakt’ uit de moederschoot kwam. Zie ook: Gen 25:30; Gen 27:11; Gen 27:16; Gen 27:23; Gen 32:3; Gen 36:8; Hen 89:12; Jub 19:13; Jas 26:14 **25:26** Daarna kwam zijn broer eruit, met zijn hand vast aan de hiel van Ezau. Hij noemde hem Jakob. Isaak was 60 jaar oud toen zij hen baarde. Brontekst: וְאַֽחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֞ן (ken) = zo | יָצָ֣א (yatsa) = kwam uit | אָחִ֗יו (achiv) = zijn broer | וְיָד֤וֹ (veyado) = en zijn hand | אֹחֶ֨זֶת֙ (ochezet) = vasthoudend | בַּעֲקֵ֣ב (baaqev) = aan hiel van | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וְיִצְחָ֛ק (veyitschaq) = en Isaak | בֶּן (ben) = zoon van | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | בְּלֶ֥דֶת (beledet) = bij haar baren | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וידו אחזת בעקב עשׂו (veyado ochezet ba’aqev Esav), ‘zijn hand hield de hiel van Ezau vast’: aqev is ‘hiel’; Jakob (Ya’aqov) betekent daarom ‘hij houdt de hiel’, en ook ‘hij bedriegt’ (zie 27:36). ויצחק בן שׁשׁים שׁנה (veYitschaq ben shishim shanah), ‘Isaak was 60 jaar’: zie vers 20. Voetnoot Aanvullend: Jasher 26:15–16 zegt dat zij hem daarom Jakob noemden. Zie ook: Gen 25:20; Gen 27:36; Gen 38:28–30; Hen 89:12; Jub 19:13; Jas 26:15–16; Hos 12:4 **25:27** De jongens groeiden op. Ezau werd een man die het jagen verstond, een man van het veld. Jakob was een onberispelijke man, die in tenten woonde. Brontekst: וַֽיִּגְדְּלוּ֙ (vayigdelu) = en ze werden groot | הַנְּעָרִ֔ים (hanearim) = de jongens | וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | עֵשָׂ֗ו (esav) = Ezau | אִ֛ישׁ (ish) = man | יֹדֵ֥עַ (yodea) = kenner van | צַ֖יִד (tsayid) = jacht | אִ֣ישׁ (ish) = man van | שָׂדֶ֑ה (sade) = veld | וְיַעֲקֹב֙ (veyaaqov) = en Jakob | אִ֣ישׁ (ish) = man | תָּ֔ם (tam) = onberispelijk | יֹשֵׁ֖ב (yoshev) = wonend | אֹהָלִֽים (ohalim) = tenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אישׁ תם (ish tam), ‘een onberispelijke man’: tam is ‘volledig, oprecht’, hetzelfde woord als tamim (zie 6:9; 17:1). ישׁב אהלים (yoshev ohalim), ‘wonend in tenten’: het leven van een herder, anders dan Ezau in het veld (zie 4:20). Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘onberispelijk’, naast ‘rustig’ of ‘eenvoudig’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 19:13–14 zegt dat Jakob leerde schrijven en Ezau niet. Jasher 26:17 zegt dat Jakob ‘onberispelijk en wijs’ was en de leringen van Yahweh leerde. Zie ook: Gen 4:20; Gen 6:9; Gen 10:9; Gen 17:1; Gen 21:20; Gen 28:10–11; Jub 19:13–14; Jub 19:14; Jas 26:17; Heb 11:9 **25:28** Isaak had Ezau lief, omdat hij graag van zijn wild at. Rebekka had Jakob lief. Brontekst: וַיֶּאֱהַ֥ב (vayeehav) = en hij hield van | יִצְחָ֛ק (yitschaq) = Isaak | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | כִּי (ki) = want | צַ֣יִד (tsayid) = wild | בְּפִ֑יו (befiv) = in zijn mond | וְרִבְקָ֖ה (verivqa) = en Rebekka | אֹהֶ֥בֶת (ohevet) = liefhebbend | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ציד בפיו (tsayid befiv), ‘wild in zijn mond’: Isaak hield van het wild dat Ezau bracht. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 19:15 zegt dat Abraham Jakob liefhad en Isaak Ezau. Zie ook: Gen 27:4; Gen 27:9; Gen 27:19; Gen 27:25; Gen 27:31; Jub 19:15; Jub 19:31 ### Ezau verkoopt zijn eerstgeboorterecht **25:29** Jakob kookte eens een gerecht. Ezau kwam uit het veld, en hij was uitgeput. Brontekst: וַיָּ֥זֶד (vayazed) = en hij kookte | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | נָזִ֑יד (nazid) = een gerecht | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij kwam | עֵשָׂ֛ו (esav) = Ezau | מִן (min) = van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | וְה֥וּא (vehu) = en hij | עָיֵֽף (ayef) = uitgeput Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נזיד (nazid), ‘gerecht’: een gekookt gerecht, hier van linzen (vers 34). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:3 zegt dat Jakob linzen kookte en Ezau hongerig uit het veld kwam. Jasher 27:1–12 zegt dat Ezau uitgeput was nadat hij Nimrod had gedood. Zie ook: Gen 25:34; Jub 24:3; Jub 37:3; Jas 27:1–12; Re 8:4–5; 1 Sam 14:28; 1 Sam 14:31; Spr 13:25; Jes 40:30–31 **25:30** Ezau zei tegen Jakob: „Laat mij toch slokken van dat rode, dat rode daar, want ik ben uitgeput.” Daarom noemde men zijn naam Edom. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | עֵשָׂ֜ו (esav) = Ezau | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | הַלְעִיטֵ֤נִי (haliteni) = laat mij slokken | נָא֙ (na) = toch | מִן (min) = van | הָאָדֹ֤ם (haadom) = het rode | הָאָדֹם֙ (haadom) = het rode | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | כִּ֥י (ki) = want | עָיֵ֖ף (ayef) = uitgeput | אָנֹ֑כִי (anokhi) = ik | עַל (al) = op | כֵּ֥ן (ken) = zo | קָרָֽא (qara) = men noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הלעיטני (hal’iteni), ‘laat mij slokken’: een woord dat alleen hier voorkomt; het betekent ‘laat mij gulzig eten’. האדם האדם הזה (ha’adom ha’adom hazeh), ‘van dat rode, dat rode daar’: Ezau noemt het gerecht niet bij zijn naam. אדום (Edom), ‘Edom’: ‘rood’, de naam van Ezau's nakomelingen en hun land (zie 36:1; 36:8). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:6 verklaart de naam Edom ook uit de rode linzen. Zie ook: Gen 36:1; Gen 36:8; Gen 36:43; Jub 24:3; Jub 24:6; Jub 37:3; Ex 15:15; Num 20:14–21; 2 Kon 8:20 **25:31** Jakob zei: „Verkoop mij nu meteen je eerstgeboorterecht.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | מִכְרָ֥ה (mikhra) = verkoop | כַיּ֛וֹם (kayom) = als op deze dag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּכֹֽרָתְךָ֖ (bekhoratekha) = je eerstgeboorterecht | לִֽי (li) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כיום (kayom), ‘nu meteen’: letterlijk ‘als op deze dag’, dus op staande voet. בכרתך (bekhoratkha), ‘je eerstgeboorterecht’: het recht van de oudste zoon op een dubbel erfdeel en op het leiderschap van de familie (zie Deut. 21:17). Zie ook: Jub 24:3; Jub 37:3; Deut 21:17 **25:32** Ezau zei: „Zie, ik ga sterven. Wat heb ik aan een eerstgeboorterecht?” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | הוֹלֵ֖ךְ (holekh) = gaande | לָמ֑וּת (lamut) = om te sterven | וְלָמָּה (velama) = en waarom | זֶּ֥ה (ze) = dit | לִ֖י (li) = voor mij | בְּכֹרָֽה (bekhora) = eerstgeboorterecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 24:3; Jub 24:4; Jub 37:3; Job 21:15; Job 22:17; Job 34:9; Ex 22:8; Mal 3:14 **25:33** Jakob zei: „Zweer het mij nu meteen.” Hij zwoer het hem en verkocht zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | הִשָּׁ֤בְעָה (hishavea) = zweer | לִּי֙ (li) = aan mij | כַּיּ֔וֹם (kayom) = als op deze dag | וַיִּשָּׁבַ֖ע (vayishava) = en hij zwoer | ל֑וֹ (lo) = aan hem | וַיִּמְכֹּ֥ר (vayimkor) = en hij verkocht | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּכֹרָת֖וֹ (bekhorato) = zijn eerstgeboorterecht | לְיַעֲקֹֽב (leyaaqov) = aan Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: השׁבעה (hishava), ‘zweer’: een eed maakt de verkoop bindend. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:5 zegt dat Jakob hem liet zweren. Jasher 27:12–14 zegt dat Ezau ook zijn deel in de grot van Machpela aan Jakob verkocht, en dat Jakob dit opschreef en door getuigen liet bevestigen. Zie ook: Gen 24:3; Gen 27:36; Gen 36:6–7; Jub 24:3; Jub 24:5; Jub 37:3; Jas 27:12–14; Heb 6:16; Heb 12:16 **25:34** Jakob gaf Ezau brood en linzengerecht. Hij at en dronk, stond op en ging weg. Zo minachtte Ezau het eerstgeboorterecht. Brontekst: וְיַעֲקֹ֞ב (veyaaqov) = en Jakob | נָתַ֣ן (natan) = gaf | לְעֵשָׂ֗ו (leesav) = aan Ezau | לֶ֚חֶם (lechem) = brood | וּנְזִ֣יד (unezid) = en gerecht van | עֲדָשִׁ֔ים (adashim) = linzen | וַיֹּ֣אכַל (vayokhal) = en hij at | וַיֵּ֔שְׁתְּ (vayesht) = en hij dronk | וַיָּ֖קָם (vayaqam) = en hij stond op | וַיֵּלַ֑ךְ (vayelakh) = en hij ging | וַיִּ֥בֶז (vayivez) = en hij minachtte | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַבְּכֹרָֽה (habekhora) = het eerstgeboorterecht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויבז (vayivez), ‘hij minachtte’: Ezau nam het eerstgeboorterecht niet serieus. Hebr. 12:16 noemt hem daarom ‘onheilig’. Zie ook: Jub 24:3; Jub 24:6; Jub 24:7; Jub 37:3; Jes 22:13; Mat 26:15; 1 Kor 15:32; Fil 3:18–19; Heb 12:16–17 ## Genesis 26 _Isaak in Gerar en Beër-Sjeba_ ### Isaak in Gerar **26:1** Er kwam hongersnood in het land, een andere dan de eerste hongersnood in de dagen van Abraham. Isaak ging naar Abimelech, de koning van de Filistijnen, in Gerar. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | רָעָב֙ (raav) = hongersnood | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | מִלְּבַד֙ (milevad) = behalve | הָרָעָ֣ב (haraav) = de hongersnood | הָרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָיָ֖ה (haya) = was | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | וַיֵּ֧לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | יִצְחָ֛ק (yitschaq) = Isaak | אֶל (el) = naar | אֲבִימֶּ֥לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = Filistijnen | גְּרָֽרָה (gerara) = naar Gerar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: גררה (Gerarah), ‘naar Gerar’: Gerar lag in de Negev, ten zuidoosten van het huidige Gaza (zie 20:1). Voetnoot Uitleg: רעב (ra’av), ‘hongersnood’: het vers noemt dit uitdrukkelijk een andere hongersnood dan die in Abrahams dagen (zie 12:10). Abimelech heet hier ‘koning van de Filistijnen’ (zie 21:32); het kan dezelfde koning zijn als in 20:2 of een latere koning met dezelfde titel. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:8 en Jasher 28:1–3 vertellen dat Isaak naar Egypte wilde gaan, zoals Abraham deed. Zie ook: Gen 12:10; Gen 20:1–2; Gen 20:2; Gen 21:22–32; Gen 21:32; Gen 25:11; Jub 24:2; Jub 24:8; Jas 28:1–3 **26:2** Yahweh verscheen aan hem en zei: **„Ga niet af naar Egypte. Blijf wonen in het land dat Ik je zal noemen.** Brontekst: וַיֵּרָ֤א (vayera) = en hij verscheen | אֵלָיו֙ (elav) = aan hem | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אַל (al) = niet | תֵּרֵ֣ד (tered) = ga af | מִצְרָ֑יְמָה (mitsrayema) = naar Egypte | שְׁכֹ֣ן (shekhon) = woon | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | אֹמַ֥ר (omar) = Ik zal zeggen | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = tot je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: תרד מצרימה (tered mitsrayemah), ‘ga niet af naar Egypte’: vanuit Kanaän ‘ga je af’ naar Egypte (zie 12:10). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:9–11 geeft dezelfde waarschuwing. Jasher 28:2 zegt dat Yahweh hem in die nacht verscheen. Zie ook: Gen 12:1; Gen 12:7; Gen 12:10; Gen 17:1; Gen 18:1; Jub 24:9–11; Jas 28:2; Ps 37:3 **26:3** **Verblijf als vreemdeling in dit land. Ik zal met je zijn en je zegenen, want aan jou en aan je nageslacht zal Ik al deze landen geven. Zo zal Ik de eed bevestigen die Ik aan je vader Abraham gezworen heb.** Brontekst: גּ֚וּר (gur) = verblijf als vreemdeling | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וְאֶֽהְיֶ֥ה (veehye) = en Ik zal zijn | עִמְּךָ֖ (imekha) = met je | וַאֲבָרְכֶ֑ךָּ (vaavarekheka) = en Ik zal je zegenen | כִּֽי (ki) = want | לְךָ֣ (lekha) = aan je | וּֽלְזַרְעֲךָ֗ (ulezarakha) = en aan je nageslacht | אֶתֵּן֙ (eten) = zal Ik geven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | הָֽאֲרָצֹ֣ת (haaratsot) = de landen | הָאֵ֔ל (hael) = deze | וַהֲקִֽמֹתִי֙ (vahaqimoti) = en Ik zal bevestigen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַשְּׁבֻעָ֔ה (hashevua) = de eed | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נִשְׁבַּ֖עְתִּי (nishbati) = Ik heb gezworen | לְאַבְרָהָ֥ם (leavraham) = aan Abraham | אָבִֽיךָ (avikha) = je vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גור (gur), ‘verblijf als vreemdeling’: zie 12:10; 20:1. הארצת האל (ha’aratsot ha’el), ‘al deze landen’: een oude vorm van ‘deze’ (el in plaats van elleh); het meervoud ‘landen’ wijst op de streken van het beloofde land (zie 15:18–21). את השׁבעה (et hashevu’ah), ‘de eed’: zie 22:16–18; 24:7. Zie ook: Gen 12:10; Gen 15:18–21; Gen 17:8; Gen 20:1; Gen 22:16–18; Gen 24:7; Gen 28:15; Jub 24:9; Jub 24:10; Ps 105:9 **26:4** **Ik zal je nageslacht talrijk maken als de sterren van de hemel. Aan je nageslacht zal Ik al deze landen geven, en in je nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,** Brontekst: וְהִרְבֵּיתִ֤י (vehirbeiti) = en Ik zal vermenigvuldigen | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | זַרְעֲךָ֙ (zarakha) = je nageslacht | כְּכוֹכְבֵ֣י (kekhokhevei) = als sterren van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְנָתַתִּ֣י (venatati) = en Ik zal geven | לְזַרְעֲךָ֔ (lezarakha) = aan je nageslacht | אֵ֥ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | הָאֲרָצֹ֖ת (haaratsot) = de landen | הָאֵ֑ל (hael) = deze | וְהִתְבָּרֲכ֣וּ (vehitbarakhu) = en ze zullen gezegend worden | בְזַרְעֲךָ֔ (bezarakha) = in je nageslacht | כֹּ֖ל (kol) = alle | גּוֹיֵ֥י (goyei) = volken van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ככוכבי השׁמים (keKokhve hashamayim), ‘als de sterren van de hemel’: zie 15:5; 22:17. והתברכו (vehitbarkhu), ‘ze zullen gezegend worden’: zie 12:3; 22:18. Zie ook: Gen 12:2–3; Gen 12:3; Gen 13:16; Gen 15:5; Gen 22:17–18; Gen 22:18; Jub 24:10; Jub 24:11; Hand 3:25 **26:5** **omdat Abraham naar Mijn stem geluisterd heeft en zich gehouden heeft aan Mijn opdracht, Mijn geboden, Mijn voorschriften en Mijn wetten.”** Brontekst: עֵ֕קֶב (eqev) = omdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | שָׁמַ֥ע (shama) = hij luisterde | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | בְּקֹלִ֑י (beqoli) = naar Mijn stem | וַיִּשְׁמֹר֙ (vayishmor) = en hij hield | מִשְׁמַרְתִּ֔י (mishmarti) = Mijn opdracht | מִצְוֺתַ֖י (mitsvotay) = Mijn geboden | חֻקּוֹתַ֥י (chuqotay) = Mijn voorschriften | וְתוֹרֹתָֽי (vetorotay) = en Mijn wetten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישׁמר משׁמרתי מצותי חקותי ותורתי (vayishmor mishmarti mitsvotai chuqotai vetorotai), ‘hij hield Mijn opdracht, Mijn geboden, Mijn voorschriften en Mijn wetten’: woorden die later de Wet beschrijven (zie Deut. 11:1). Hier staan ze al bij Abraham, lang voor de wet van de Sinaï. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:11 geeft dezelfde opsomming. Zie ook: Gen 22:16; Gen 22:18; Jub 24:11; Deut 11:1; Ps 112:1–2; Mat 7:24; Jak 2:21 **26:6** Isaak woonde in Gerar. Brontekst: וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | יִצְחָ֖ק (yitschaq) = Isaak | בִּגְרָֽר (bigrar) = in Gerar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Zie ook: Gen 20:1; Jub 24:12 ### Rebekka, zijn zus **26:7** De mannen van die plaats vroegen naar zijn vrouw. Hij zei: „Zij is mijn zus.” Hij was namelijk bang om te zeggen: „Mijn vrouw.” De mannen van deze plaats zouden hem anders doden vanwege Rebekka, want zij was mooi om te zien. Brontekst: וַֽיִּשְׁאֲל֞וּ (vayishalu) = en ze vroegen | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | הַמָּקוֹם֙ (hamaqom) = de plaats | לְאִשְׁתּ֔וֹ (leishto) = naar zijn vrouw | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲחֹ֣תִי (achoti) = mijn zus | הִ֑וא (hi) = zij | כִּ֤י (ki) = want | יָרֵא֙ (yare) = hij was bang | לֵאמֹ֣ר (lemor) = om te zeggen | אִשְׁתִּ֔י (ishti) = mijn vrouw | פֶּן (pen) = opdat niet | יַֽהַרְגֻ֜נִי (yaharguni) = ze zullen doden mij | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | הַמָּקוֹם֙ (hamaqom) = de plaats | עַל (al) = om | רִבְקָ֔ה (rivqa) = Rebekka | כִּֽי (ki) = want | טוֹבַ֥ת (tovat) = goed van | מַרְאֶ֖ה (mare) = aanzien | הִֽיא (hi) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויאמר אחתי הוא (achoti hi), ‘zij is mijn zus’: Isaak herhaalt wat zijn vader deed (zie 12:13; 20:2). Anders dan Sarah, die Abrahams halfzus was (zie 20:12), is Rebekka niet Isaaks zus. Zij is zijn achternicht (zie 24:15). Voetnoot Aanvullend: Jasher 28:4 zegt dat Isaak dit zei uit angst. Zie ook: Gen 12:13; Gen 20:2; Gen 20:12–13; Gen 24:15; Gen 24:16; Jub 24:13; Jas 28:4; Spr 29:25 **26:8** Toen hij daar al lang woonde, keek Abimelech, de koning van de Filistijnen, door het raam naar buiten. Hij zag, en zie: Isaak was aan het schertsen met zijn vrouw Rebekka. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כִּ֣י (ki) = toen | אָֽרְכוּ (arekhu) = waren lang geworden | ל֥וֹ (lo) = voor hem | שָׁם֙ (sham) = daar | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | וַיַּשְׁקֵ֗ף (vayashqef) = en hij keek | אֲבִימֶ֨לֶךְ֙ (avimelekh) = Abimelech | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | בְּעַ֖ד (bead) = door | הַֽחַלּ֑וֹן (hachalon) = het raam | וַיַּ֗רְא (vayar) = en hij zag | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | יִצְחָק֙ (yitschaq) = Isaak | מְצַחֵ֔ק (metsacheq) = schertsend | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | רִבְקָ֥ה (rivqa) = Rebekka | אִשְׁתּֽוֹ (ishto) = zijn vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מצחק (metsacheq), ‘schertsend’: van tsachaq, ‘lachen, spelen’, dezelfde stam als Isaaks naam (zie 21:9). Hier wijst het woord op een liefkozing waaraan Abimelech ziet dat zij man en vrouw zijn. Voetnoot Aanvullend: Jasher 28:7 zegt dat Abimelech dit na drie maanden door het raam zag en dat Isaaks huis tegenover dat van de koning stond. Zie ook: Gen 21:9; Jub 24:13; Jas 28:7; Re 5:28; Hoogl 2:9; Spr 5:18–19; Spr 7:6; Jes 62:5 **26:9** Abimelech riep Isaak en zei: „Zie, zij is toch je vrouw! Hoe kon je dan zeggen: ‘Zij is mijn zus’?” Isaak zei tegen hem: „Omdat ik dacht: ‘Straks sterf ik om haar.’” Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij riep | אֲבִימֶ֜לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | לְיִצְחָ֗ק (leyitschaq) = Isaak | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אַ֣ךְ (akh) = maar | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | אִשְׁתְּךָ֙ (ishtekha) = je vrouw | הִ֔וא (hi) = zij | וְאֵ֥יךְ (veeikh) = en hoe | אָמַ֖רְתָּ (amarta) = je zei | אֲחֹ֣תִי (achoti) = mijn zus | הִ֑וא (hi) = zij | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | כִּ֣י (ki) = want | אָמַ֔רְתִּי (amarti) = ik zei | פֶּן (pen) = opdat niet | אָמ֖וּת (amut) = ik zal sterven | עָלֶֽיהָ (aleiha) = om haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 24:13 **26:10** Abimelech zei: „Wat heb je ons aangedaan? Het had maar weinig gescheeld of iemand van het volk had met je vrouw geslapen. Dan had je schuld over ons gebracht.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲבִימֶ֔לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | מַה (ma) = wat | זֹּ֖את (zot) = dit | עָשִׂ֣יתָ (asita) = je hebt gedaan | לָּ֑נוּ (lanu) = aan ons | כִּ֠מְעַט (kimat) = bijna | שָׁכַ֞ב (shakhav) = had gelegen | אַחַ֤ד (achad) = een | הָעָם֙ (haam) = van het volk | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אִשְׁתֶּ֔ךָ (ishtekha) = je vrouw | וְהֵבֵאתָ֥ (veheveta) = en je zou hebben gebracht | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = over ons | אָשָֽׁם (asham) = schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אשׁם (asham), ‘schuld’: een schuld die als straf over het volk kan komen (zie 20:9). Voetnoot Aanvullend: Jasher 28:8 geeft dezelfde verwijten van de koning. Zie ook: Gen 12:18–19; Gen 20:9–10; Jub 24:13; Jas 28:8 **26:11** Abimelech gaf het hele volk dit bevel: „Wie deze man of zijn vrouw aanraakt, moet gedood worden.” Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en hij beval | אֲבִימֶ֔לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | הָעָ֖ם (haam) = het volk | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | הַנֹּגֵ֜עַ (hanogea) = wie aanraakt | בָּאִ֥ישׁ (baish) = aan de man | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | וּבְאִשְׁתּ֖וֹ (uveishto) = en aan zijn vrouw | מ֥וֹת (mot) = dood | יוּמָֽת (yumat) = hij zal gedood worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מות יומת (mot yumat), ‘moet gedood worden’: letterlijk ‘sterven, hij zal gedood worden’: een doodstraf (zie 2:17). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:13 en Jasher 28:11 vertellen dezelfde bescherming; Jasher 28:11 zegt dat Isaak in koninklijke kleren door de stad reed. Zie ook: Gen 2:17; Gen 20:6; Jub 24:13; Jas 28:11; Ps 105:15; Spr 6:29; Zach 2:12 ### Isaak wordt rijk **26:12** Isaak zaaide in dat land en oogstte in datzelfde jaar het honderdvoudige. Yahweh zegende hem. Brontekst: וַיִּזְרַ֤ע (vayizra) = en hij zaaide | יִצְחָק֙ (yitschaq) = Isaak | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in het land | הַהִ֔וא (hahi) = dat | וַיִּמְצָ֛א (vayimtsa) = en hij vond | בַּשָּׁנָ֥ה (bashana) = in jaar | הַהִ֖וא (hahi) = dat | מֵאָ֣ה (mea) = honderd | שְׁעָרִ֑ים (shearim) = maten | וַֽיְבָרֲכֵ֖הוּ (vayvarakhehu) = en Hij zegende Hem | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מאה שׁערים (me’ah she’arim), ‘honderd maten’: een honderdvoudige oogst; she’arim kan ‘maten’ of ‘schattingen’ betekenen. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:15 zegt alleen dat hij in het land van de Filistijnen zaaide. Jasher 28:14 noemt ook het honderdvoud. Zie ook: Gen 24:1; Gen 26:3; Jub 24:15; Jas 28:14; Zach 8:12; Mar 4:8; 2 Kor 9:10–11 **26:13** De man werd groot. Hij werd steeds groter, tot hij zeer groot was. Brontekst: וַיִּגְדַּ֖ל (vayigdal) = en hij werd groot | הָאִ֑ישׁ (haish) = de man | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | הָלוֹךְ֙ (halokh) = gaande | וְגָדֵ֔ל (vegadel) = en groot worden | עַ֥ד (ad) = tot | כִּֽי (ki) = dat | גָדַ֖ל (gadal) = hij was groot | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:35; Jub 24:14; Ps 112:3; Spr 10:22 **26:14** Hij had bezit aan schapen en runderen en veel dienstvolk. De Filistijnen werden jaloers op hem. Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en het was | ל֤וֹ (lo) = aan hem | מִקְנֵה (miqne) = bezit van | צֹאן֙ (tson) = kleinvee | וּמִקְנֵ֣ה (umiqne) = en bezit van | בָקָ֔ר (baqar) = runderen | וַעֲבֻדָּ֖ה (vaavuda) = en dienstvolk | רַבָּ֑ה (raba) = veel | וַיְקַנְא֥וּ (vayqanu) = en ze werden jaloers | אֹת֖וֹ (oto) = op hem | פְּלִשְׁתִּֽים (pelishtim) = Filistijnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 37:11; Jub 24:14; Job 42:12; Ps 144:13–14; Spr 27:4; Pred 4:4 **26:15** De Filistijnen hadden alle putten dichtgegooid die de dienaren van zijn vader Abraham in de dagen van Abraham gegraven hadden. Ze hadden ze met aarde gevuld. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en alle | הַבְּאֵרֹ֗ת (habeerot) = de putten | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | חָֽפְרוּ֙ (chaferu) = ze hadden gegraven | עַבְדֵ֣י (avdei) = dienaren van | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | בִּימֵ֖י (bimei) = in dagen van | אַבְרָהָ֣ם (avraham) = Abraham | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | סִתְּמ֣וּם (sitemum) = ze hadden dichtgegooid | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | וַיְמַלְא֖וּם (vaymalum) = en ze vulden | עָפָֽר (afar) = met aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סתמום (sitamum), ‘dichtgegooid’: putten waren schaarse waterbronnen in het droge land; ze dichtgooien was een daad van vijandschap (zie 2 Kon. 3:25). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:16 vertelt dat de Filistijnen ze na Abrahams dood vulden. Zie ook: Gen 21:25; Gen 21:30; Jub 24:16; 2 Kon 3:25 **26:16** Abimelech zei tegen Isaak: „Ga bij ons weg, want je bent veel machtiger geworden dan wij.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲבִימֶ֖לֶךְ (avimelekh) = Abimelech | אֶל (el) = tot | יִצְחָ֑ק (yitschaq) = Isaak | לֵ֚ךְ (lekh) = ga | מֵֽעִמָּ֔נוּ (meimanu) = van bij ons | כִּֽי (ki) = want | עָצַֽמְתָּ (atsamta) = je bent machtiger geworden | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = dan wij | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:17 geeft dezelfde woorden van Abimelech weer. Jasher 67:34 zegt dat bij Isaaks vertrek uit Gerar alle bronnen van Gerar droog werden en de bomen geen vrucht gaven. Zie ook: Jub 24:17; Jas 67:34; Ex 1:9 ### De putten **26:17** Isaak vertrok daar, sloeg zijn kamp op in het beekdal van Gerar en woonde daar. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | יִצְחָ֑ק (yitschaq) = Isaak | וַיִּ֥חַן (vayichan) = en hij sloeg zijn kamp op | בְּנַֽחַל (benachal) = in het beekdal van | גְּרָ֖ר (gerar) = Gerar | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Voetnoot Uitleg: בנחל גרר (benachal Gerar), ‘in het beekdal van Gerar’: een nachal is een wadi, een beekbedding die alleen na regen water voert. Het beekdal van Gerar loopt vanuit de Negev naar de kust bij Gaza. Zie ook: Jub 24:17 **26:18** Isaak groef de waterputten opnieuw uit. Ze waren in de dagen van zijn vader Abraham gegraven, maar de Filistijnen hadden ze na Abrahams dood dichtgegooid. Hij gaf ze dezelfde namen als zijn vader ze gegeven had. Brontekst: וַיָּ֨שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | יִצְחָ֜ק (yitschaq) = Isaak | וַיַּחְפֹּ֣ר (vayachpor) = en hij groef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּאֵרֹ֣ת (beerot) = putten van | הַמַּ֗יִם (hamayim) = het water | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | חָֽפְרוּ֙ (chaferu) = ze hadden gegraven | בִּימֵי֙ (bimei) = in dagen van | אַבְרָהָ֣ם (avraham) = Abraham | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וַיְסַתְּמ֣וּם (vaysatemum) = en ze hadden dichtgegooid | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | אַחֲרֵ֖י (acharei) = na | מ֣וֹת (mot) = dood van | אַבְרָהָ֑ם (avraham) = Abraham | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en hij noemde | לָהֶן֙ (lahen) = aan hen | שֵׁמ֔וֹת (shemot) = namen | כַּשֵּׁמֹ֕ת (kashemot) = zoals de namen | אֲשֶׁר (asher) = die | קָרָ֥א (qara) = hij had genoemd | לָהֶ֖ן (lahen) = aan hen | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Isaak herstelt wat zijn vader deed: de putten krijgen weer de namen die Abraham ze gaf. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:18 vertelt ook dat zij de putten opnieuw groeven. Zie ook: Gen 21:31; Jub 24:18; Num 32:38; Ps 16:4; Hos 2:19; Zach 13:2 **26:19** Isaaks dienaren groeven in het beekdal en vonden daar een put met levend water. Brontekst: וַיַּחְפְּר֥וּ (vayachperu) = en ze groeven | עַבְדֵֽי (avdei) = dienaren van | יִצְחָ֖ק (yitschaq) = Isaak | בַּנָּ֑חַל (banachal) = in het beekdal | וַיִּ֨מְצְאוּ (vayimtseu) = en ze vonden | שָׁ֔ם (sham) = daar | בְּאֵ֖ר (beer) = put van | מַ֥יִם (mayim) = water | חַיִּֽים (chayim) = levend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: באר מים חיים (be’er mayim chayyim), ‘een put met levend water’: levend water is stromend, vers water uit een bron, niet opgevangen regenwater. Zie ook: Jub 24:19; Hoogl 4:15; Joh 4:10–11; Joh 7:38 **26:20** De herders van Gerar maakten ruzie met de herders van Isaak. Ze zeiden: „Het water is van ons.” Hij noemde de put Esek, dat is ‘Twist’, omdat ze met hem getwist hadden. Brontekst: וַיָּרִ֜יבוּ (vayarivu) = en ze maakten ruzie | רֹעֵ֣י (roei) = herders van | גְרָ֗ר (gerar) = Gerar | עִם (im) = met | רֹעֵ֥י (roei) = herders van | יִצְחָ֛ק (yitschaq) = Isaak | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggend | לָ֣נוּ (lanu) = van ons | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en hij noemde | שֵֽׁם (shem) = naam van | הַבְּאֵר֙ (habeer) = de put | עֵ֔שֶׂק (eseq) = Esek | כִּ֥י (ki) = want | הִֽתְעַשְּׂק֖וּ (hitasequ) = ze twistten | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Voetnoot Uitleg: עשׂק (Esek), ‘Esek’: ‘Twist’, van het werkwoord hit’assequ, ‘ze twistten’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:19–20 noemt de tweede put ‘Smal’ en de derde ‘Wijd’; Isaak zegt: ‘Nu heeft Yahweh ons ruimte gegeven’. Zie ook: Gen 21:25; Jub 24:19–20 **26:21** Ze groeven een andere put, en ook daarover maakten ze ruzie. Hij noemde die Sitna, dat is ‘Vijandschap’. Brontekst: וַֽיַּחְפְּרוּ֙ (vayachperu) = en ze groeven | בְּאֵ֣ר (beer) = put | אַחֶ֔רֶת (acheret) = andere | וַיָּרִ֖יבוּ (vayarivu) = en ze maakten ruzie | גַּם (gam) = ook | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = erom | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | שְׁמָ֖הּ (shemah) = haar naam | שִׂטְנָֽה (sitna) = Sitna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׂטנה (Sitnah), ‘Sitna’: ‘Vijandschap’ of ‘beschuldiging’, van dezelfde stam als satan, ‘tegenstander’ (zie Job 1:6). Zie ook: Jub 24:20; Job 1:6; Ezra 4:6 **26:22** Hij trok vandaar weg en groef weer een andere put. Daarover maakten ze geen ruzie. Hij noemde die Rechobot, dat is ‘Ruimte’. Hij zei: „Nu heeft Yahweh ons ruimte gegeven, en we zullen vruchtbaar zijn in het land.” Brontekst: וַיַּעְתֵּ֣ק (vayateq) = en hij trok weg | מִשָּׁ֗ם (misham) = vandaar | וַיַּחְפֹּר֙ (vayachpor) = en hij groef | בְּאֵ֣ר (beer) = put | אַחֶ֔רֶת (acheret) = andere | וְלֹ֥א (velo) = en niet | רָב֖וּ (ravu) = ze maakten ruzie | עָלֶ֑יהָ (aleiha) = erom | וַיִּקְרָ֤א (vayiqra) = en hij noemde | שְׁמָהּ֙ (shemah) = haar naam | רְחֹב֔וֹת (rechovot) = Rechobot | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | כִּֽי (ki) = want | עַתָּ֞ה (ata) = nu | הִרְחִ֧יב (hirchiv) = heeft ruimte gegeven | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֖נוּ (lanu) = aan ons | וּפָרִ֥ינוּ (ufarinu) = en we zullen vruchtbaar zijn | בָאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רחבות (Rechovot), ‘Rechobot’: ‘ruimten’, van rachav, ‘wijd zijn’. ופרינו (ufarinu), ‘we zullen vruchtbaar zijn’: zie 1:28; 17:6. Zie ook: Gen 1:28; Gen 17:6; Gen 28:3; Gen 41:52; Jub 24:20; Ex 1:7; Ps 118:5 **26:23** Vandaar trok hij op naar Beër-Sjeba. Brontekst: וַיַּ֥עַל (vayaal) = en hij ging op | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | בְּאֵ֥ר (beer) = put | שָֽׁבַע (shava) = Sjeba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: באר שׁבע (be’er sheva), ‘Beër-Sjeba’: ‘put van zeven’ en ‘put van de eed’ (zie 21:31). Voetnoot Uitleg: Beër-Sjeba ligt in het noorden van de Negev, ongeveer 25 km ten oosten van Gerar. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:21 zegt dat Isaak naar de Put van de Eed optrok. Zie ook: Gen 21:31; Gen 46:1; Jub 24:21; Re 20:1 **26:24** Yahweh verscheen aan hem in die nacht en zei: **„Ik ben de Elohim van je vader Abraham. Wees niet bang, want Ik ben met je. Ik zal je zegenen en je nageslacht talrijk maken, omwille van Mijn dienaar Abraham.”** Brontekst: וַיֵּרָ֨א (vayera) = en hij verscheen | אֵלָ֤יו (elav) = aan hem | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֔וּא (hahu) = die | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אָנֹכִ֕י (anokhi) = Ik | אֱלֹהֵ֖י (elohei) = Elohim van | אַבְרָהָ֣ם (avraham) = Abraham | אָבִ֑יךָ (avikha) = je vader | אַל (al) = niet | תִּירָא֙ (tira) = wees bang | כִּֽי (ki) = want | אִתְּךָ֣ (itekha) = met je | אָנֹ֔כִי (anokhi) = Ik | וּבֵֽרַכְתִּ֨יךָ֙ (uverakhtikha) = en Ik zal je zegenen | וְהִרְבֵּיתִ֣י (vehirbeiti) = en Ik zal vermenigvuldigen | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | זַרְעֲךָ֔ (zarakha) = je nageslacht | בַּעֲב֖וּר (baavur) = omwille van | אַבְרָהָ֥ם (avraham) = Abraham | עַבְדִּֽי (avdi) = Mijn dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אנכי אלהי אברהם אביך (anokhi Elohei Avraham avikha), ‘Ik ben de Elohim van je vader Abraham’: zie 17:1; 28:13. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:22 zegt dat Yahweh hem die nacht verscheen, bij nieuwe maan van de eerste maand. Zie ook: Gen 15:1; Gen 17:1; Gen 17:7; Gen 24:12; Gen 28:13; Jub 24:22; Ex 3:6; Jes 43:1–2 **26:25** Hij bouwde daar een altaar en riep de naam van Yahweh aan. Hij sloeg daar zijn tent op, en Isaaks dienaren groeven daar een put. Brontekst: וַיִּ֧בֶן (vayiven) = en hij bouwde | שָׁ֣ם (sham) = daar | מִזְבֵּ֗חַ (mizbeach) = altaar | וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en hij riep | בְּשֵׁ֣ם (beshem) = bij de naam van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֶּט (vayet) = en hij spande uit | שָׁ֖ם (sham) = daar | אָהֳל֑וֹ (aholo) = zijn tent | וַיִּכְרוּ (vayikhru) = en ze groeven | שָׁ֥ם (sham) = daar | עַבְדֵי (avdei) = dienaren van | יִצְחָ֖ק (yitschaq) = Isaak | בְּאֵֽר (beer) = put Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מזבח (mizbe’ach), ‘altaar’: Isaak bouwt een altaar, zoals Abraham deed (zie 12:7; 13:18; 21:33). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:23 zegt dat het altaar was dat Abraham daar eerder had gebouwd. Zie ook: Gen 12:7–8; Gen 13:18; Gen 21:33; Gen 33:20; Gen 35:1; Jub 24:23; Jub 24:24; Ps 116:17 ### Het verbond met Abimelech **26:26** Abimelech kwam uit Gerar naar hem toe, met Achuzat, zijn vriend, en Pichol, de bevelhebber van zijn leger. Brontekst: וַאֲבִימֶ֕לֶךְ (vaavimelekh) = en Abimelech | הָלַ֥ךְ (halakh) = gegaan | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | מִגְּרָ֑ר (migerar) = uit Gerar | וַאֲחֻזַּת֙ (vaachuzat) = en Achuzat | מֵֽרֵעֵ֔הוּ (mereehu) = van zijn vriend | וּפִיכֹ֖ל (ufikhol) = en Pichol | שַׂר (sar) = bevelhebber van | צְבָאֽוֹ (tsevao) = zijn leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza. Voetnoot Uitleg: ואחזת מרעהו (va’achuzat merei’ehu), ‘Achuzat, zijn vriend’: een raadsman of vertrouweling van de koning. Pichol heeft dezelfde titel als in 21:22. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:26 noemt dezelfde drie mannen. Zie ook: Gen 20:3; Gen 21:22–32; Jub 24:26 **26:27** Isaak zei tegen hen: „Waarom komen jullie naar mij toe? Jullie haten mij toch en hebben mij bij jullie weggestuurd?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | מַדּ֖וּעַ (madua) = waarom | בָּאתֶ֣ם (batem) = jullie zijn gekomen | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | שְׂנֵאתֶ֣ם (senetem) = haten | אֹתִ֔י (oti) = mij | וַתְּשַׁלְּח֖וּנִי (vateshalechuni) = en jullie hebben mij weggestuurd | מֵאִתְּכֶֽם (meitekhem) = van bij jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 26:16; Jub 24:26; Re 11:7; Hand 7:14; Hand 7:35; Openb 3:9 **26:28** Ze zeiden: „We hebben duidelijk gezien dat Yahweh met je is. Daarom zeiden we: ‘Laat er een eed zijn tussen ons, tussen ons en jou, en laten we een verbond met je sluiten: Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en ze zeiden | רָא֣וֹ (rao) = zien | רָאִינוּ֮ (rainu) = we hebben gezien | כִּֽי (ki) = dat | הָיָ֣ה (haya) = Hij was | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | עִמָּךְ֒ (imakh) = met je | וַנֹּ֗אמֶר (vanomer) = en we zeiden | תְּהִ֨י (tehi) = laat zijn | נָ֥א (na) = toch | אָלָ֛ה (ala) = een eed | בֵּינוֹתֵ֖ינוּ (beinoteinu) = tussen ons | בֵּינֵ֣ינוּ (beineinu) = tussen ons | וּבֵינֶ֑ךָ (uveinekha) = en tussen jou | וְנִכְרְתָ֥ה (venikhreta) = en laat ons sluiten | בְרִ֖ית (berit) = verbond | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אלה (alah), ‘eed’: een eed met een vloek erbij bij schending (zie 24:41). Zie ook: Gen 21:22–23; Gen 24:41; Gen 39:5; Jub 24:26; Jub 24:27; Joz 3:7; Jes 45:14; Jes 61:9 **26:29** dat je ons geen kwaad zult doen, zoals wij jou niet aangeraakt hebben, en zoals wij alleen goed met je gedaan hebben en je in vrede hebben laten gaan.’ Nu ben jij de gezegende van Yahweh.” Brontekst: אִם (im) = als | תַּעֲשֵׂ֨ה (taase) = je doet | עִמָּ֜נוּ (imanu) = met ons | רָעָ֗ה (raa) = kwaad | כַּאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zoals | לֹ֣א (lo) = niet | נְגַֽעֲנ֔וּךָ (negaanukha) = we hebben je aangeraakt | וְכַאֲשֶׁ֨ר (vekhaasher) = en zoals | עָשִׂ֤ינוּ (asinu) = we hebben gedaan | עִמְּךָ֙ (imekha) = met je | רַק (raq) = alleen | ט֔וֹב (tov) = goed | וַנְּשַׁלֵּֽחֲךָ֖ (vaneshalechakha) = en we lieten je gaan | בְּשָׁל֑וֹם (beshalom) = in vrede | אַתָּ֥ה (ata) = jij | עַתָּ֖ה (ata) = nu | בְּר֥וּךְ (berukh) = gezegende van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ברוך יהוה (atah berukh YHWH), ‘nu ben jij de gezegende van Yahweh’: de Filistijnen erkennen Yahwehs zegen op Isaak (zie vers 28; 24:31). Zie ook: Gen 12:2; Gen 21:22; Gen 22:17; Gen 24:31; Gen 26:28; Jub 24:26; Jub 24:27; Ps 115:15 **26:30** Hij maakte een maaltijd voor hen, en ze aten en dronken. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | מִשְׁתֶּ֔ה (mishte) = maaltijd | וַיֹּאכְל֖וּ (vayokhlu) = en ze aten | וַיִּשְׁתּֽוּ (vayishtu) = en ze dronken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:3; Gen 31:54; Jub 24:26; Jub 24:27; Rom 12:18; 1 Petr 4:9; Heb 12:14 **26:31** 's Morgens vroeg zwoeren ze elkaar een eed. Isaak liet hen gaan, en ze vertrokken in vrede bij hem. Brontekst: וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ (vayashkimu) = en ze stonden vroeg op | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיִּשָּׁבְע֖וּ (vayishaveu) = en ze zwoeren | אִ֣ישׁ (ish) = man | לְאָחִ֑יו (leachiv) = aan zijn broer | וַיְשַׁלְּחֵ֣ם (vayshalechem) = en hij liet hen gaan | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | וַיֵּלְכ֥וּ (vayelekhu) = en ze gingen | מֵאִתּ֖וֹ (meito) = van bij hem | בְּשָׁלֽוֹם (beshalom) = in vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 21:31–32; Gen 25:33; Gen 31:44; Jub 24:26; Jub 24:27; 1 Sam 20:16–17; 1 Sam 30:15 **26:32** Op diezelfde dag kwamen Isaaks dienaren hem vertellen over de put die ze gegraven hadden. Ze zeiden tegen hem: „We hebben water gevonden.” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en ze kwamen | עַבְדֵ֣י (avdei) = dienaren van | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | וַיַּגִּ֣דוּ (vayagidu) = en ze vertelden | ל֔וֹ (lo) = aan hem | עַל (al) = over | אֹד֥וֹת (odot) = zaak van | הַבְּאֵ֖ר (habeer) = de put | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָפָ֑רוּ (chafaru) = ze hadden gegraven | וַיֹּ֥אמְרוּ (vayomru) = en ze zeiden | ל֖וֹ (lo) = aan hem | מָצָ֥אנוּ (matsanu) = we hebben gevonden | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 26:25; Jub 24:25; Spr 2:4–5; Spr 10:4; Spr 13:4; Mat 7:7 **26:33** Hij noemde die Sjiba. Daarom heet de stad tot op deze dag Beër-Sjeba. Brontekst: וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | שִׁבְעָ֑ה (shiva) = Sjiba | עַל (al) = daarom | כֵּ֤ן (ken) = zo | שֵׁם (shem) = naam van | הָעִיר֙ (hair) = de stad | בְּאֵ֣ר (beer) = Beër | שֶׁ֔בַע (sheva) = Sjeba | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: שׁבעה (Shiv’ah), ‘Sjiba’: ‘zeven’ of ‘eed’, en klinkt als Sjeba. Dezelfde plaats kreeg haar naam al bij Abraham (zie 21:31). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 24:26 noemt de plaats ‘Put van de Eed’. Zie ook: Gen 21:31; Gen 26:28; Jub 24:26 ### Ezaus vrouwen **26:34** Ezau was 40 jaar oud toen hij Jehudit tot vrouw nam, de dochter van Beëri de Hetiet, en Basemat, de dochter van Elon de Hetiet. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | עֵשָׂו֙ (esav) = Ezau | בֶּן (ben) = zoon van | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | אִשָּׁה֙ (isha) = vrouw | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְהוּדִ֔ית (yehudit) = Jehudit | בַּת (bat) = dochter van | בְּאֵרִ֖י (beeri) = Beëri | הַֽחִתִּ֑י (hachiti) = de Hetiet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בָּ֣שְׂמַ֔ת (basemat) = Basemat | בַּת (bat) = dochter van | אֵילֹ֖ן (eilon) = Elon | הַֽחִתִּֽי (hachiti) = de Hetiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יהודית (Yehudit), ‘Jehudit’: Ezau's vrouwen heten in 36:2–3 anders; zie daar. Voetnoot Aanvullend: Jasher 28:22–23 noemt Jehudit, de dochter van Beëri, en zegt dat Ezau veertig was toen hij haar nam. Jasher 29:12 zegt dat Ezau aan zijn vrouw Basmat de naam Ada gaf. Zie ook: Gen 24:3; Gen 28:9; Gen 36:2; Gen 36:13; Jub 25:1; Jub 25:8; Jub 27:8; Jas 28:22–23; Jas 29:12; Ex 34:16 **26:35** Zij werden een bittere zorg voor Isaak en Rebekka. Brontekst: וַתִּהְיֶ֖יןָ (vatihyeina) = en ze waren | מֹ֣רַת (morat) = bitterheid van | ר֑וּחַ (ruach) = geest | לְיִצְחָ֖ק (leyitschaq) = voor Isaak | וּלְרִבְקָֽה (ulerivqa) = en voor Rebekka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מרת רוח (morat ruach), ‘een bittere zorg’: letterlijk ‘bitterheid van geest’: de Hetitische vrouwen maken het leven zwaar voor Isaak en Rebekka (zie 27:46). Zie ook: Gen 6:2; Gen 27:46–28:2; Gen 28:8; Jub 25:1; Jub 27:8 ## Genesis 27 _De zegen van Isaak_ ### Isaak wil Ezau zegenen **27:1** Isaak was oud geworden, en zijn ogen waren te zwak om te zien. Hij riep Ezau, zijn oudste zoon, en zei tegen hem: „Mijn zoon.” Hij zei tegen hem: „Hier ben ik.” Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כִּֽי (ki) = toen | זָקֵ֣ן (zaqen) = oud | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | וַתִּכְהֶ֥יןָ (vatikhheina) = en ze werden dof | עֵינָ֖יו (einav) = zijn ogen | מֵרְאֹ֑ת (mereot) = van het zien | וַיִּקְרָ֞א (vayiqra) = en hij riep | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵשָׂ֣ו (esav) = Ezau | בְּנ֣וֹ (beno) = zijn zoon | הַגָּדֹ֗ל (hagadol) = de oudste | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | בְּנִ֔י (beni) = mijn zoon | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | הִנֵּֽנִי (hineni) = hier ben ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותכהין עיניו מראת (vatikhhena eynav mereot), ‘zijn ogen werden dof, zodat hij niet kon zien’: Isaaks blindheid maakt de misleiding mogelijk (zie ook 48:10). Voetnoot Aanvullend: Jasher 29:1–2 zegt hetzelfde: Isaak werd oud en zijn ogen werden dof. Zie ook: Gen 25:23–25; Gen 48:10; Jub 26:1; Jas 29:1–2; 1 Sam 3:2; Pred 12:3; Joh 9:3 **27:2** Hij zei: „Zie toch, ik ben oud geworden. Ik weet de dag van mijn dood niet. Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּה (hine) = zie | נָ֖א (na) = toch | זָקַ֑נְתִּי (zaqanti) = ik ben oud geworden | לֹ֥א (lo) = niet | יָדַ֖עְתִּי (yadati) = ik weet | י֥וֹם (yom) = dag van | מוֹתִֽי (moti) = mijn dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 48:21; Jub 21:1; Jub 26:1; Spr 27:1; Pred 9:10; Mar 13:35; Jak 4:14 **27:3** Neem nu je gerei, je pijlkoker en je boog, ga het veld in en jaag wild voor mij. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | שָׂא (sa) = neem | נָ֣א (na) = toch | כֵלֶ֔יךָ (keleikha) = je gerei | תֶּלְיְךָ֖ (telyekha) = je pijlkoker | וְקַשְׁתֶּ֑ךָ (veqashtekha) = en je boog | וְצֵא֙ (vetse) = en ga uit | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | וְצ֥וּדָה (vetsuda) = en jaag | לִּ֖י (li) = voor mij | צידה (tsedah) = jachtbuit | צָֽיִד (tsayid) = wild Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כליך תליך (keleikha teleykha), ‘je gerei, je pijlkoker’: teli komt alleen hier voor; ‘pijlkoker’ is de gangbare vertaling, maar het kan ook ‘zwaard’ of ‘wapen’ betekenen. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘pijlkoker’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:2 en Jasher 29:2 noemen ‘wapens, pijlkoker en boog’. Zie ook: Gen 10:9; Gen 25:27–28; Jub 26:2; Jas 29:2; 1 Kor 6:12 **27:4** Maak er een smakelijk gerecht van, zoals ik graag heb, en breng het mij. Dan eet ik, zodat ik je met heel mijn ziel zegen voordat ik sterf.” Brontekst: וַעֲשֵׂה (vaase) = en maak | לִ֨י (li) = voor mij | מַטְעַמִּ֜ים (matamim) = smakelijke gerechten | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | אָהַ֛בְתִּי (ahavti) = ik heb liefgehad | וְהָבִ֥יאָה (vehavia) = en breng | לִּ֖י (li) = aan mij | וְאֹכֵ֑לָה (veokhela) = en ik zal eten | בַּעֲב֛וּר (baavur) = opdat | תְּבָרֶכְךָ֥ (tevarekhkha) = zal zegenen jou | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn ziel | בְּטֶ֥רֶם (beterem) = voordat | אָמֽוּת (amut) = ik sterf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מטעמים (matammim), ‘smakelijke gerechten’: een gerecht met veel smaak, van taam, ‘smaak’; Isaak wil een feestmaal. תברכך נפשׁי (tevarekhekha nafshi), ‘dat mijn ziel je zegent’: nefesh, ‘ziel’, is het hele wezen; Isaak wil zegenen met alles wat hij heeft. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:2 heeft hier ook ‘zodat mijn ziel je zegent voordat ik sterf’. Zie ook: Gen 27:25; Gen 48:9; Gen 49:28; Jub 26:2; Luc 24:51; Heb 11:20 ### Rebekka's plan **27:5** Rebekka luisterde mee toen Isaak tegen zijn zoon Ezau sprak. Ezau ging het veld in om wild te jagen en te brengen. Brontekst: וְרִבְקָ֣ה (verivqa) = en Rebekka | שֹׁמַ֔עַת (shomaat) = luisterde | בְּדַבֵּ֣ר (bedaber) = naar het spreken van | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | אֶל (el) = tot | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | בְּנ֑וֹ (beno) = zijn zoon | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | עֵשָׂו֙ (esav) = Ezau | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | לָצ֥וּד (latsud) = om te jagen | צַ֖יִד (tsayid) = wild | לְהָבִֽיא (lehavi) = om te brengen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 26:3; Jub 26:4 **27:6** Rebekka zei tegen haar zoon Jakob: „Zie, ik heb je vader tegen je broer Ezau horen zeggen: Brontekst: וְרִבְקָה֙ (verivqa) = en Rebekka | אָֽמְרָ֔ה (amera) = zei | אֶל (el) = tot | יַעֲקֹ֥ב (yaaqov) = Jakob | בְּנָ֖הּ (benah) = haar zoon | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | שָׁמַ֨עְתִּי֙ (shamati) = ik heb gehoord | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | מְדַבֵּ֛ר (medaber) = sprekend | אֶל (el) = tot | עֵשָׂ֥ו (esav) = Ezau | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:28; Jub 26:5 **27:7** ‘Breng mij wild en maak mij een smakelijk gerecht. Dan eet ik, en zal ik je zegenen voor het aangezicht van Yahweh, voordat ik sterf.’ Brontekst: הָבִ֨יאָה (havia) = breng | לִּ֥י (li) = aan mij | צַ֛יִד (tsayid) = wild | וַעֲשֵׂה (vaase) = en maak | לִ֥י (li) = voor mij | מַטְעַמִּ֖ים (matamim) = smakelijke gerechten | וְאֹכֵ֑לָה (veokhela) = en ik zal eten | וַאֲבָרֶכְכָ֛ה (vaavarekhkha) = en ik zal je zegenen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | מוֹתִֽי (moti) = mijn dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לפני יהוה (lifnei YHWH), ‘voor het aangezicht van Yahweh’: Rebekka voegt dit toe aan wat Isaak zei (vers 4): zij legt de zegen in Yahwehs tegenwoordigheid. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:5 heeft ook ‘voor het aangezicht van Yahweh’. Zie ook: Gen 27:4; Jub 26:5; Deut 33:1; Joz 6:26; 1 Sam 24:20 **27:8** Nu dan, mijn zoon, luister naar mij en doe wat ik je opdraag. Brontekst: וְעַתָּ֥ה (veata) = en nu | בְנִ֖י (beni) = mijn zoon | שְׁמַ֣ע (shema) = luister | בְּקֹלִ֑י (beqoli) = naar mijn stem | לַאֲשֶׁ֥ר (laasher) = naar wat | אֲנִ֖י (ani) = ik | מְצַוָּ֥ה (metsava) = gebiedend | אֹתָֽךְ (otakh) = je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:23; Gen 27:13; Jub 26:6; Hand 4:19; Hand 5:29; Ef 6:1 **27:9** Ga toch naar de kudde en haal daar twee mooie geitenbokjes voor mij. Ik maak er een smakelijk gerecht van voor je vader, zoals hij graag heeft. Brontekst: לֶךְ (lekh) = ga | נָא֙ (na) = toch | אֶל (el) = naar | הַצֹּ֔אן (hatson) = de kudde | וְקַֽח (veqach) = en neem | לִ֣י (li) = voor mij | מִשָּׁ֗ם (misham) = vandaar | שְׁנֵ֛י (shenei) = twee | גְּדָיֵ֥י (gedayei) = bokjes van | עִזִּ֖ים (izim) = geiten | טֹבִ֑ים (tovim) = goede | וְאֶֽעֱשֶׂ֨ה (veeese) = en ik zal maken | אֹתָ֧ם (otam) = hen | מַטְעַמִּ֛ים (matamim) = smakelijke gerechten | לְאָבִ֖יךָ (leavikha) = voor je vader | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | אָהֵֽב (ahev) = hij heeft liefgehad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁני גדיי עזים טבים (shnei gediyei izim tovim), ‘twee mooie geitenbokjes’: twee bokjes voor één gerecht, genoeg voor een feestmaal (zie 18:7). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:6 en Jasher 29:5 noemen ook twee bokjes. Zie ook: Gen 18:7; Jub 26:6; Jas 29:5; Re 13:15; 1 Sam 16:20 **27:10** Dan breng jij het naar je vader en eet hij, zodat hij je zegent voordat hij sterft.” Brontekst: וְהֵבֵאתָ֥ (veheveta) = en je zult brengen | לְאָבִ֖יךָ (leavikha) = aan je vader | וְאָכָ֑ל (veakhal) = en hij zal eten | בַּעֲבֻ֛ר (baavur) = omwille van | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יְבָרֶכְךָ֖ (yevarekhkha) = hij zal je zegenen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | מוֹתֽוֹ (moto) = zijn dood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 26:6 **27:11** Jakob zei tegen zijn moeder Rebekka: „Zie, mijn broer Ezau is een harige man, en ik ben een gladde man. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | רִבְקָ֖ה (rivqa) = Rebekka | אִמּ֑וֹ (imo) = zijn moeder | הֵ֣ן (hen) = zie | עֵשָׂ֤ו (esav) = Ezau | אָחִי֙ (achi) = mijn broer | אִ֣ישׁ (ish) = man | שָׂעִ֔ר (sair) = harig | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en ik | אִ֥ישׁ (ish) = man | חָלָֽק (chalaq) = glad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׂער (sa’ir), ‘harig’ en חלק (chalaq), ‘glad’: Ezau werd geboren ‘als een mantel van haar’ (zie 25:25). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:8 geeft dezelfde tegenwerping van Jakob. Zie ook: Gen 25:25; Jub 26:7; Jub 26:8 **27:12** Misschien betast mijn vader mij. Dan lijk ik in zijn ogen een bedrieger, en haal ik een vloek over mij in plaats van een zegen.” Brontekst: אוּלַ֤י (ulay) = misschien | יְמֻשֵּׁ֨נִי֙ (yemusheni) = zal betasten mij | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | וְהָיִ֥יתִי (vehayiti) = en ik zal zijn | בְעֵינָ֖יו (beeinav) = in zijn ogen | כִּמְתַעְתֵּ֑עַ (kimtatea) = als bedrieger | וְהֵבֵאתִ֥י (veheveti) = en ik zal brengen | עָלַ֛י (alay) = over mij | קְלָלָ֖ה (qelala) = vloek | וְלֹ֥א (velo) = en niet | בְרָכָֽה (berakha) = zegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כמתעתע (kemetate’a), ‘als een bedrieger’: een woord dat ‘spotten, misleiden’ betekent. Jakob vreest een vloek in plaats van een zegen. Zie ook: Jub 26:7; Jub 26:8; Job 12:16; Deut 27:18; Mal 1:14; 1 Tess 5:22; 2 Kor 6:8 **27:13** Zijn moeder zei tegen hem: „Jouw vloek komt op mij, mijn zoon. Luister alleen naar mij en ga ze voor mij halen.” Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en ze zei | לוֹ֙ (lo) = tegen hem | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | עָלַ֥י (alay) = op mij | קִלְלָתְךָ֖ (qillatekha) = je vloek | בְּנִ֑י (beni) = mijn zoon | אַ֛ךְ (akh) = alleen | שְׁמַ֥ע (shema) = luister | בְּקֹלִ֖י (beqoli) = naar mijn stem | וְלֵ֥ךְ (velekh) = en ga | קַֽח (qach) = haal | לִֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עלי קללתך (alai qilatkha), ‘jouw vloek komt op mij’: Rebekka neemt het gevolg op zich (zie 1 Sam. 25:24). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:9 heeft dezelfde woorden. Zie ook: Gen 25:33; Gen 43:9; Jub 26:9; 1 Sam 25:24; 2 Sam 14:9; Mat 27:25 **27:14** Hij ging, nam ze en bracht ze naar zijn moeder. Zijn moeder maakte een smakelijk gerecht, zoals zijn vader graag had. Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ֙ (vayelekh) = en hij ging | וַיִּקַּ֔ח (vayiqach) = en hij nam | וַיָּבֵ֖א (vayave) = en hij bracht | לְאִמּ֑וֹ (leimo) = aan zijn moeder | וַתַּ֤עַשׂ (vataas) = en ze maakte | אִמּוֹ֙ (imo) = zijn moeder | מַטְעַמִּ֔ים (matamim) = smakelijke gerechten | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | אָהֵ֥ב (ahev) = hij had liefgehad | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 25:28; Gen 27:9; Gen 27:17; Jub 26:10; Ps 141:4; Luc 21:34 **27:15** Rebekka nam de kostbare kleren van Ezau, haar oudste zoon, die ze bij zich in huis had, en liet haar jongste zoon Jakob ze aantrekken. Brontekst: וַתִּקַּ֣ח (vatiqach) = en ze nam | רִ֠בְקָה (rivqa) = Rebekka | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּגְדֵ֨י (bigdei) = kleren van | עֵשָׂ֜ו (esav) = Ezau | בְּנָ֤הּ (benah) = haar zoon | הַגָּדֹל֙ (hagadol) = de oudste | הַחֲמֻדֹ֔ת (hachamudot) = de kostbare | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אִתָּ֖הּ (itah) = bij haar | בַּבָּ֑יִת (babayit) = in het huis | וַתַּלְבֵּ֥שׁ (vatalbesh) = en ze kleedde | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | בְּנָ֥הּ (benah) = haar zoon | הַקָּטָֽן (haqatan) = de jongste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: החמדת (hachamudot), ‘de kostbare’: de feestkleding van Ezau, die bij Rebekka in huis bewaard werd. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:11 noemt dezelfde kleren. Zie ook: Gen 27:27; Jub 26:11; Luc 15:22; Luc 20:46 **27:16** De huiden van de geitenbokjes legde ze om zijn handen en om het gladde deel van zijn hals. Brontekst: וְאֵ֗ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | עֹרֹת֙ (orot) = huiden van | גְּדָיֵ֣י (gedayei) = bokjes van | הָֽעִזִּ֔ים (haizim) = de geiten | הִלְבִּ֖ישָׁה (hilbisha) = ze legde aan | עַל (al) = op | יָדָ֑יו (yadav) = zijn handen | וְעַ֖ל (veal) = en op | חֶלְקַ֥ת (chelqat) = gladde deel van | צַוָּארָֽיו (tsavarav) = zijn hals Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ערת גדיי העזים (orot gediyei ha’izim), ‘de huiden van de geitenbokjes’: de behaarde huid op Jakobs handen en hals moet Ezau's haren nabootsen. **27:17** Ze gaf het smakelijke gerecht en het brood dat ze gemaakt had, aan haar zoon Jakob. Brontekst: וַתִּתֵּ֧ן (vatiten) = en ze gaf | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמַּטְעַמִּ֛ים (hamatamim) = de smakelijke gerechten | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַלֶּ֖חֶם (halechem) = het brood | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשָׂ֑תָה (asata) = ze had gemaakt | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | יַעֲקֹ֥ב (yaaqov) = Jakob | בְּנָֽהּ (benah) = haar zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 26:12 ### Jakob bij Isaak **27:18** Hij ging naar zijn vader en zei: „Mijn vader.” Hij zei: „Hier ben ik. Wie ben je, mijn zoon?” Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij kwam | אֶל (el) = naar | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֶּ֔נִּי (hineni) = hier ben ik | מִ֥י (mi) = wie | אַתָּ֖ה (ata) = jij | בְּנִֽי (beni) = mijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 26:13 **27:19** Jakob zei tegen zijn vader: „Ik ben Ezau, je oudste zoon. Ik heb gedaan wat je tegen mij gezegd hebt. Ga toch zitten en eet van mijn wild, zodat je mij met heel je ziel zegent.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | אָבִ֗יו (aviv) = zijn vader | אָנֹכִי֙ (anokhi) = ik | עֵשָׂ֣ו (esav) = Ezau | בְּכֹרֶ֔ךָ (bekhorekha) = je eerstgeborene | עָשִׂ֕יתִי (asiti) = ik heb gedaan | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | דִּבַּ֖רְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | קֽוּם (qum) = sta op | נָ֣א (na) = toch | שְׁבָ֗ה (sheva) = ga zitten | וְאָכְלָה֙ (veakhela) = en eet | מִצֵּידִ֔י (mitseidi) = van mijn wild | בַּעֲב֖וּר (baavur) = opdat | תְּבָרֲכַ֥נִּי (tevarakhani) = zal zegenen mij | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אנכי עשׂו (anokhi Esav bekhorekha), ‘Ik ben Ezau, je oudste’: Jakob liegt. Voetnoot Aanvullend: Jasher 29:7 geeft dezelfde leugen. Jubileeën 26:13 heeft alleen: ‘Ik ben uw zoon’. Zie ook: Gen 25:25; Gen 27:4; Jub 26:13; Jas 29:7; Jes 28:15; Zach 13:3–4; Mat 26:70–74 **27:20** Isaak zei tegen zijn zoon: „Hoe heb je zo snel iets kunnen vinden, mijn zoon?” Hij zei: „Yahweh, jouw Elohim, liet het mij tegenkomen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִצְחָק֙ (yitschaq) = Isaak | אֶל (el) = tot | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | מַה (ma) = wat | זֶּ֛ה (ze) = dit | מִהַ֥רְתָּ (miharta) = je haastte je | לִמְצֹ֖א (limtso) = om te vinden | בְּנִ֑י (beni) = mijn zoon | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | כִּ֥י (ki) = want | הִקְרָ֛ה (hiqra) = liet treffen | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֶ֖יךָ (eloheikha) = je Elohim | לְפָנָֽי (lefanay) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויאמר כי הקרה יהוה אלהיך לפני (ki hiqrah YHWH Elohekha lefanai), ‘Yahweh, jouw Elohim, liet het mij tegenkomen’: Jakob zegt ‘jouw Elohim’, niet ‘mijn Elohim’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:15 heeft hier: ‘Omdat uw Elohim het mij heeft laten vinden.’ Zie ook: Gen 24:12; Jub 26:14; Jub 26:15; Job 13:7; Ex 20:7 **27:21** Isaak zei tegen Jakob: „Kom toch dichterbij, dan kan ik je betasten, mijn zoon. Ben jij werkelijk mijn zoon Ezau of niet?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִצְחָק֙ (yitschaq) = Isaak | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | גְּשָׁה (gesha) = kom dichterbij | נָּ֥א (na) = toch | וַאֲמֻֽשְׁךָ֖ (vaamushkha) = en ik zal je betasten | בְּנִ֑י (beni) = mijn zoon | הַֽאַתָּ֥ה (haata) = of jij | זֶ֛ה (ze) = dit | בְּנִ֥י (beni) = mijn zoon | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | אִם (im) = of | לֹֽא (lo) = niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:12; Jub 26:16; Ps 73:28; Jes 57:19; Jak 4:8 **27:22** Jakob kwam dicht bij zijn vader Isaak. Die betastte hem en zei: „De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Ezau.” Brontekst: וַיִּגַּ֧שׁ (vayigash) = en hij kwam dichterbij | יַעֲקֹ֛ב (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | יִצְחָ֥ק (yitschaq) = Isaak | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | וַיְמֻשֵּׁ֑הוּ (vaymushehu) = en hij betastte hem | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַקֹּל֙ (haqol) = de stem | ק֣וֹל (qol) = stem van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְהַיָּדַ֖יִם (vehayadayim) = en de handen | יְדֵ֥י (yedei) = handen van | עֵשָֽׂו (esav) = Ezau Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הקל קול יעקב והידים ידי עשׂו (haqol qol Ya’aqov vehayadayim yedei Esav), ‘de stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Ezau’: Isaak twijfelt, maar de tast wint het van het gehoor. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:18 zegt dat Isaak hem niet herkende omdat het een wending vanuit de hemel was. Zie ook: Jub 26:17; Jub 26:18 **27:23** Hij herkende hem niet, want zijn handen waren harig als de handen van zijn broer Ezau. Hij zegende hem. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | הִכִּיר֔וֹ (hikiro) = hij herkende hem | כִּֽי (ki) = want | הָי֣וּ (hayu) = ze waren | יָדָ֗יו (yadav) = zijn handen | כִּידֵ֛י (kidei) = als handen van | עֵשָׂ֥ו (esav) = Ezau | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | שְׂעִרֹ֑ת (seirot) = harig | וַֽיְבָרְכֵֽהוּ (vayvarekhehu) = en hij zegende hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הכירו (hikiro), ‘herkende’: hetzelfde werkwoord keert terug in 37:32 en 38:25, waar Jakob en Juda zelf met bedrog te maken krijgen. Zie ook: Gen 27:16; Gen 37:32; Gen 38:25; Jub 26:18; Rom 9:11–12; Heb 11:20 **27:24** Hij zei: „Ben jij werkelijk mijn zoon Ezau?” Hij zei: „Ik ben het.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אַתָּ֥ה (ata) = jij | זֶ֖ה (ze) = dit | בְּנִ֣י (beni) = mijn zoon | עֵשָׂ֑ו (esav) = Ezau | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 26:19; 1 Sam 21:14; Spr 12:22; Rom 3:7–8; Ef 4:25; Kol 3:9 **27:25** Hij zei: „Breng het mij, dan eet ik van het wild van mijn zoon, zodat ik je met heel mijn ziel zegen.” Hij bracht het hem, en hij at. Hij bracht hem ook wijn, en hij dronk. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הַגִּ֤שָׁה (hagisha) = breng dichterbij | לִּי֙ (li) = aan mij | וְאֹֽכְלָה֙ (veokhela) = en ik zal eten | מִצֵּ֣יד (mitseid) = van wild van | בְּנִ֔י (beni) = mijn zoon | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | תְּבָֽרֶכְךָ֖ (tevarekhkha) = zal zegenen jou | נַפְשִׁ֑י (nafshi) = mijn ziel | וַיַּגֶּשׁ (vayagesh) = en hij bracht dichterbij | לוֹ֙ (lo) = aan hem | וַיֹּאכַ֔ל (vayokhal) = en hij at | וַיָּ֧בֵא (vayave) = en hij bracht | ל֦וֹ (lo) = aan hem | יַ֖יִן (yayin) = wijn | וַיֵּֽשְׁתְּ (vayesht) = en hij dronk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:4; Jub 26:19; Jub 26:20 **27:26** Zijn vader Isaak zei tegen hem: „Kom toch dichterbij en kus mij, mijn zoon.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | גְּשָׁה (gesha) = kom dichterbij | נָּ֥א (na) = toch | וּשְׁקָה (usheqa) = en kus | לִּ֖י (li) = mij | בְּנִֽי (beni) = mijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 22:11; Jub 26:21 **27:27** Hij kwam dichterbij en kuste hem. Isaak rook de geur van zijn kleren en zegende hem. Hij zei: „Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van een veld dat Yahweh gezegend heeft. Brontekst: וַיִּגַּשׁ֙ (vayigash) = en hij kwam dichterbij | וַיִּשַּׁק (vayishaq) = en hij kuste | ל֔וֹ (lo) = hem | וַיָּ֛רַח (vayarach) = en hij rook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רֵ֥יחַ (reiach) = geur van | בְּגָדָ֖יו (begadav) = zijn kleren | וַֽיְבָרֲכֵ֑הוּ (vayvarakhehu) = en hij zegende hem | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | רְאֵה֙ (ree) = zie | רֵ֣יחַ (reiach) = geur van | בְּנִ֔י (beni) = mijn zoon | כְּרֵ֣יחַ (kereiach) = als geur van | שָׂדֶ֔ה (sade) = een veld | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בֵּרֲכ֖וֹ (berakho) = heeft gezegend | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ריח בני כריח שׂדה (reach beni kerei’ach sadeh), ‘de geur van mijn zoon is als de geur van een veld’: de zegen begint met een geur; de kleren van Ezau, de man van het veld (zie 25:27), ruiken naar het veld. Zie ook: Gen 25:27; Gen 26:12; Jub 22:11; Jub 26:22; Ps 65:11; Hos 14:7–8; Heb 6:7; Heb 11:20 **27:28** Moge Elohim je geven van de dauw van de hemel en van de vruchtbaarheid van de aarde, veel graan en nieuwe wijn. Brontekst: וְיִֽתֶּן (veyiten) = en moge geven | לְךָ֙ (lekha) = aan je | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | מִטַּל֙ (mital) = van dauw van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וּמִשְׁמַנֵּ֖י (umishmanei) = en van vruchtbaarheid van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = de aarde | וְרֹ֥ב (verov) = en veel | דָּגָ֖ן (dagan) = graan | וְתִירֹֽשׁ (vetirosh) = en nieuwe wijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מטל השׁמים ומשׁמני הארץ (mital hashamayim umishmanne ha’arets), ‘van de dauw van de hemel en van de vruchtbaarheid van de aarde’: een zegen met regen en vruchtbaar land. Ezau krijgt in vers 39 bijna dezelfde woorden. Zie ook: Gen 27:39; Jub 22:11; Jub 26:23; Deut 33:13; Deut 33:28; Ps 133:3; Hos 14:6–8; Zach 8:12 **27:29** Mogen volken je dienen, en mogen stammen zich voor je neerbuigen. Wees heer over je broers, en mogen de zonen van je moeder zich voor je neerbuigen. Vervloekt zijn zij die jou vervloeken, gezegend zijn zij die jou zegenen.” Brontekst: יַֽעַבְד֣וּךָ (yaavdukha) = laten dienen je | עַמִּ֗ים (amim) = volken | וישתחו (vayishtachu) = en laten zich neerbuigen (geschreven) | וְיִֽשְׁתַּחֲו֤וּ (veyishtachavu) = en laten zich neerbuigen (gelezen) | לְךָ֙ (lekha) = voor je | לְאֻמִּ֔ים (leumim) = stammen | הֱוֵ֤ה (heve) = wees | גְבִיר֙ (gevir) = heer | לְאַחֶ֔יךָ (leacheikha) = over je broers | וְיִשְׁתַּחֲוּ֥וּ (veyishtachauu) = en laten zich neerbuigen | לְךָ֖ (lekha) = voor je | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אִמֶּ֑ךָ (imekha) = je moeder | אֹרְרֶ֣יךָ (orereikha) = wie jou vervloeken | אָר֔וּר (arur) = vervloekt | וּֽמְבָרֲכֶ֖יךָ (umevarakheikha) = en wie jou zegenen | בָּרֽוּךְ (barukh) = gezegend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישתחו (vayishtachu) en וישׁתחוו (vayishtachavu): geschreven staat de korte vorm, gelezen wordt de lange; de betekenis is gelijk. גביר (gevir), ‘heer’: een leidende positie (zie vers 37). ארריך ארור ומברכיך ברוך (orerekha arur umevarakhekha barukh), ‘vervloekt zijn zij die jou vervloeken, gezegend zijn zij die jou zegenen’: zie 12:3; Num. 24:9. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:24 geeft dezelfde zegen. Zie ook: Gen 9:25–26; Gen 12:3; Gen 27:37; Jub 22:11; Jub 25:22; Jub 26:24; Num 24:9; Jes 49:23; Rom 9:12 ### Ezau komt te laat **27:30** Isaak was net klaar met het zegenen van Jakob, en Jakob was nauwelijks bij zijn vader Isaak weggegaan, of zijn broer Ezau kwam terug van zijn jacht. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֨ר (kaasher) = toen | כִּלָּ֣ה (kila) = had geëindigd | יִצְחָק֮ (yitschaq) = Isaak | לְבָרֵ֣ךְ (levarekh) = om te zegenen | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | יַעֲקֹב֒ (yaaqov) = Jakob | וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַ֣ךְ (akh) = nauwelijks | יָצֹ֤א (yatso) = hij was uitgegaan | יָצָא֙ (yatsa) = hij ging uit | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | מֵאֵ֥ת (meet) = van | פְּנֵ֖י (penei) = het aangezicht van | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וְעֵשָׂ֣ו (veesav) = en Ezau | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | בָּ֖א (ba) = kwam | מִצֵּידֽוֹ (mitseido) = van zijn jacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אך יצא יצא (akh yatso yatsa), ‘nauwelijks was hij uitgegaan’: letterlijk ‘nog maar net, hij ging uit, hij ging uit’; de herhaling laat zien hoe weinig er aan tijd scheelde. Zie ook: Jub 26:25 **27:31** Ook hij maakte een smakelijk gerecht en bracht het naar zijn vader. Hij zei tegen zijn vader: „Laat mijn vader opstaan en eten van het wild van zijn zoon, zodat u mij met heel uw ziel zegent.” Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | גַּם (gam) = ook | הוּא֙ (hu) = hij | מַטְעַמִּ֔ים (matamim) = smakelijke gerechten | וַיָּבֵ֖א (vayave) = en hij bracht | לְאָבִ֑יו (leaviv) = aan zijn vader | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְאָבִ֗יו (leaviv) = aan zijn vader | יָקֻ֤ם (yaqum) = laat opstaan | אָבִי֙ (avi) = mijn vader | וְיֹאכַל֙ (veyokhal) = en laat eten | מִצֵּ֣יד (mitseid) = van wild van | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | בַּעֲב֖וּר (baavur) = opdat | תְּבָרֲכַ֥נִּי (tevarakhani) = je zal zegenen mij | נַפְשֶֽׁךָ (nafshekha) = je ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:4; Jub 26:26 **27:32** Zijn vader Isaak zei tegen hem: „Wie ben jij?” Hij zei: „Ik ben uw zoon, uw oudste, Ezau.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֛וֹ (lo) = tot hem | יִצְחָ֥ק (yitschaq) = Isaak | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | מִי (mi) = wie | אָ֑תָּה (ata) = jij | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲנִ֛י (ani) = ik | בִּנְךָ֥ (binkha) = je zoon | בְכֹֽרְךָ֖ (bekhorekha) = je eerstgeborene | עֵשָֽׂו (esav) = Ezau Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:18; Jub 26:27 **27:33** Isaak beefde hevig, ontzettend. Hij zei: „Wie was het dan die wild gejaagd en het mij gebracht heeft? Ik heb van alles gegeten voordat jij kwam, en ik heb hem gezegend. Hij zal ook gezegend blijven.” Brontekst: וַיֶּחֱרַ֨ד (vayecherad) = en hij beefde | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | חֲרָדָה֮ (charada) = beving | גְּדֹלָ֣ה (gedola) = grote | עַד (ad) = tot | מְאֹד֒ (meod) = zeer | וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en hij zei | מִֽי (mi) = wie | אֵפ֡וֹא (efo) = dan | ה֣וּא (hu) = hij | הַצָּֽד (hatsad) = degene die jaagde | צַיִד֩ (tsayid) = wild | וַיָּ֨בֵא (vayave) = en hij bracht | לִ֜י (li) = aan mij | וָאֹכַ֥ל (vaokhal) = en ik at | מִכֹּ֛ל (mikol) = van alles | בְּטֶ֥רֶם (beterem) = voordat | תָּב֖וֹא (tavo) = je kwam | וָאֲבָרֲכֵ֑הוּ (vaavarakhehu) = en ik zegende hem | גַּם (gam) = ook | בָּר֖וּךְ (barukh) = gezegend | יִהְיֶֽה (yihye) = zal hij zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויחרד יצחק חרדה גדלה (vayecherad Yitschaq charadah gedolah), ‘Isaak beefde met grote siddering’: een schok. ואברכהו גם ברוך יהיה (va’avarekhehu gam barukh yihyeh), ‘ik heb hem gezegend, hij zal ook gezegend blijven’: Isaak erkent dat de zegen niet terug te nemen is. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:28 geeft zijn verbazing ook. Zie ook: Gen 28:3–4; Jub 26:28; Job 21:6; Joh 10:28–29; Rom 11:29; Ef 1:3 **27:34** Toen Ezau de woorden van zijn vader hoorde, schreeuwde hij het uit, zeer luid en bitter. Hij zei tegen zijn vader: „Zegen mij ook, mijn vader!” Brontekst: כִּשְׁמֹ֤עַ (kishmoa) = toen hij hoorde | עֵשָׂו֙ (esav) = Ezau | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וַיִּצְעַ֣ק (vayitsaq) = en hij schreeuwde | צְעָקָ֔ה (tseaqa) = schreeuw | גְּדֹלָ֥ה (gedola) = grote | וּמָרָ֖ה (umara) = en bittere | עַד (ad) = tot | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְאָבִ֔יו (leaviv) = tot zijn vader | בָּרֲכֵ֥נִי (barakheni) = zegen mij | גַם (gam) = ook | אָ֖נִי (ani) = ik | אָבִֽי (avi) = mijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 26:29; 1 Sam 30:4; Spr 1:24–28; Spr 1:31; Spr 19:3; Heb 12:17 **27:35** Hij zei: „Je broer is met bedrog gekomen en heeft je zegen genomen.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | בָּ֥א (ba) = kwam | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | בְּמִרְמָ֑ה (bemirma) = met bedrog | וַיִּקַּ֖ח (vayiqach) = en hij nam | בִּרְכָתֶֽךָ (birkhatekha) = je zegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: במרמה (bemirmah), ‘met bedrog’: hetzelfde woord als in 34:13, waar Jakobs zonen Sichem bedriegen. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:30 zegt: ‘Je broer is gekomen met list.’ Zie ook: Gen 34:13; Jub 26:30; Job 13:7; 2 Kon 10:19; Mal 2:10; 1 Tess 4:6; Rom 3:7–8 **27:36** Hij zei: „Is hij daarom Jakob genoemd? Hij heeft mij nu al twee keer bedrogen: mijn eerstgeboorterecht heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen.” Hij zei: „Hebt u dan geen zegen voor mij bewaard?” Brontekst: וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en hij zei | הֲכִי֩ (hakhi) = is het zo dat | קָרָ֨א (qara) = hij is genoemd | שְׁמ֜וֹ (shemo) = zijn naam | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | וַֽיַּעְקְבֵ֨נִי֙ (vayaqeveni) = en hij heeft mij bedrogen | זֶ֣ה (ze) = dit | פַעֲמַ֔יִם (paamayim) = keer | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּכֹרָתִ֣י (bekhorati) = mijn eerstgeboorterecht | לָקָ֔ח (laqach) = hij nam | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | עַתָּ֖ה (ata) = nu | לָקַ֣ח (laqach) = hij nam | בִּרְכָתִ֑י (birkhati) = mijn zegen | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en hij zei | הֲלֹא (halo) = niet | אָצַ֥לְתָּ (atsalta) = hebt u bewaard | לִּ֖י (li) = voor mij | בְּרָכָֽה (berakha) = zegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הכי קרא שׁמו יעקב ויעקבני (hakhi qara shemo Ya’aqov vaya’qveni), ‘is hij daarom Jakob genoemd, en heeft hij mij bedrogen’: een woordspeling: Ya’aqov klinkt als aqav, ‘bij de hiel grijpen’ en ‘bedriegen’ (zie 25:26). בכרתי (bekhorati) en ברכתי (birkhati): ‘eerstgeboorterecht’ en ‘zegen’ hebben dezelfde letters in andere volgorde. Voetnoot Aanvullend: Jasher 29:10 heeft dezelfde woorden van Ezau. Zie ook: Gen 25:26; Gen 25:31–34; Gen 32:28; Jub 26:31; Jas 29:10; Joh 1:47 **27:37** Isaak antwoordde en zei tegen Ezau: „Zie, ik heb hem tot heer over je gemaakt, en al zijn broers heb ik hem als dienaren gegeven. Ik heb hem ondersteund met graan en nieuwe wijn. Wat kan ik dan nog voor jou doen, mijn zoon?” Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en hij antwoordde | יִצְחָ֜ק (yitschaq) = Isaak | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְעֵשָׂ֗ו (leesav) = aan Ezau | הֵ֣ן (hen) = zie | גְּבִ֞יר (gevir) = heer | שַׂמְתִּ֥יו (samtiv) = ik heb hem gesteld | לָךְ֙ (lakh) = over je | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | אֶחָ֗יו (echav) = zijn broers | נָתַ֤תִּי (natati) = ik heb gegeven | לוֹ֙ (lo) = aan hem | לַעֲבָדִ֔ים (laavadim) = tot dienaren | וְדָגָ֥ן (vedagan) = en graan | וְתִירֹ֖שׁ (vetirosh) = en nieuwe wijn | סְמַכְתִּ֑יו (semakhtiv) = ik heb hem ondersteund | וּלְכָ֣ה (ulekha) = en voor jou | אֵפ֔וֹא (efo) = dan | מָ֥ה (ma) = wat | אֶֽעֱשֶׂ֖ה (eese) = kan ik doen | בְּנִֽי (beni) = mijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גביר (gevir), ‘heer’: zie vers 29. Zie ook: Gen 25:23; Gen 27:28–29; Gen 27:29; 2 Sam 8:14; Rom 9:10–12 **27:38** Ezau zei tegen zijn vader: „Hebt u maar één zegen, mijn vader? Zegen mij ook, mijn vader!” Ezau verhief zijn stem en weende. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | עֵשָׂ֜ו (esav) = Ezau | אֶל (el) = tot | אָבִ֗יו (aviv) = zijn vader | הַֽבְרָכָ֨ה (havrakha) = de zegen | אַחַ֤ת (achat) = één | הִֽוא (hi) = ze is | לְךָ֙ (lekha) = voor u | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | בָּרֲכֵ֥נִי (barakheni) = zegen mij | גַם (gam) = ook | אָ֖נִי (ani) = ik | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hij verhief | עֵשָׂ֛ו (esav) = Ezau | קֹל֖וֹ (qolo) = zijn stem | וַיֵּֽבְךְּ (vayevek) = en hij weende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:34; Gen 49:28; Jub 26:32; Spr 1:24–26; Jes 65:14; Heb 12:17 **27:39** Zijn vader Isaak antwoordde en zei tegen hem: „Zie, je woonplaats zal ver van de vruchtbaarheid van de aarde zijn, en ver van de dauw van de hemel boven. Brontekst: וַיַּ֛עַן (vayaan) = en hij antwoordde | יִצְחָ֥ק (yitschaq) = Isaak | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֑יו (elav) = tot hem | הִנֵּ֞ה (hine) = zie | מִשְׁמַנֵּ֤י (mishmanei) = van vruchtbaarheid van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | מֽוֹשָׁבֶ֔ךָ (moshavekha) = je woonplaats | וּמִטַּ֥ל (umital) = en van dauw van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | מֵעָֽל (meal) = van boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: משׁמני הארץ (mishmanne ha’arets), ‘van de vruchtbaarheid van de aarde’: het voorzetsel min kan ‘van’ of ‘ver van’ betekenen. De andere lezing is ‘van de vruchtbaarheid van de aarde zal je woonplaats zijn’, wat bij vers 28 past. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘ver van’, omdat Ezau later in het droge Seïr woont (zie 36:8). Zie ook: Gen 27:28; Gen 36:6–8; Gen 36:8; Jub 26:34; Joz 24:4; Heb 11:20 **27:40** Van je zwaard zul je leven, en je broer zul je dienen. Maar wanneer je rusteloos wordt, zul je zijn juk van je hals rukken.” Brontekst: וְעַל (veal) = en op | חַרְבְּךָ֣ (charbekha) = je zwaard | תִֽחְיֶ֔ה (tichye) = zul je leven | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | תַּעֲבֹ֑ד (taavod) = zul je dienen | וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = wanneer | תָּרִ֔יד (tarid) = je rusteloos bent | וּפָרַקְתָּ֥ (ufaraqta) = en je zult afrukken | עֻלּ֖וֹ (ulo) = zijn juk | מֵעַ֥ל (meal) = van op | צַוָּארֶֽךָ (tsavarekha) = je hals Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חרבך תחיה (al charbekha techyeh), ‘van je zwaard zul je leven’: Edom als volk van krijgers. תריד (tarid), ‘wanneer je rusteloos wordt’: een woord dat alleen hier voorkomt; het kan ‘rondzwerven’, ‘rusteloos zijn’ of ‘je losrukken’ betekenen. Edom maakte zich later los van Juda (zie 2 Kon. 8:20–22). Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘rusteloos zijn’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:34 heeft de woorden van vers 40a: ‘met uw zwaard zult u leven, en uw broer zult u dienen’. Zie ook: Gen 25:23; Jub 26:34; Jub 38:12; 2 Sam 8:14; 2 Kon 8:20–22; 2 Kron 21:10; 2 Kron 25:11–12 ### Ezau wil Jakob doden **27:41** Ezau koesterde wrok tegen Jakob om de zegen waarmee zijn vader hem gezegend had. Ezau zei in zijn hart: „De dagen van rouw om mijn vader komen dichtbij. Dan zal ik mijn broer Jakob doden.” Brontekst: וַיִּשְׂטֹ֤ם (vayistom) = en hij koesterde wrok | עֵשָׂו֙ (esav) = Ezau | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | עַל (al) = om | הַ֨בְּרָכָ֔ה (haberakha) = de zegen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | בֵּרֲכ֖וֹ (berakho) = hij zegende hem | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | עֵשָׂ֜ו (esav) = Ezau | בְּלִבּ֗וֹ (belibo) = in zijn hart | יִקְרְבוּ֙ (yiqrevu) = laten naderen | יְמֵי֙ (yemei) = dagen van | אֵ֣בֶל (evel) = rouw om | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | וְאַֽהַרְגָ֖ה (veaharga) = en ik zal doden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יַעֲקֹ֥ב (yaaqov) = Jakob | אָחִֽי (achi) = mijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישׂטם (vayistom), ‘hij koesterde wrok’: het werkwoord wijst op blijvende vijandschap (zie 49:23; 50:15). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 26:35 geeft dezelfde woorden van Ezau over de dagen van rouw. Zie ook: Gen 32:6; Gen 37:4; Gen 37:8; Gen 49:23; Gen 50:3–4; Gen 50:15; Jub 26:35; 1 Joh 3:12–15 **27:42** Aan Rebekka werden de woorden van Ezau, haar oudste zoon, verteld. Ze liet Jakob, haar jongste zoon, roepen en zei tegen hem: „Zie, je broer Ezau troost zich met het plan om je te doden. Brontekst: וַיֻּגַּ֣ד (vayugad) = en het werd verteld | לְרִבְקָ֔ה (lerivqa) = aan Rebekka | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | בְּנָ֣הּ (benah) = haar zoon | הַגָּדֹ֑ל (hagadol) = de oudste | וַתִּשְׁלַ֞ח (vatishlach) = en ze zond | וַתִּקְרָ֤א (vatiqra) = en ze riep | לְיַעֲקֹב֙ (leyaaqov) = aan Jakob | בְּנָ֣הּ (benah) = haar zoon | הַקָּטָ֔ן (haqatan) = de jongste | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | הִנֵּה֙ (hine) = zie | עֵשָׂ֣ו (esav) = Ezau | אָחִ֔יךָ (achikha) = je broer | מִתְנַחֵ֥ם (mitnachem) = troost zich | לְךָ֖ (lekha) = over je | לְהָרְגֶֽךָ (leharegekha) = om je te doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מתנחם (mitnachem), ‘troost zich’: het werkwoord nacham kan ‘troosten’ en ‘wraak nemen’ betekenen; Ezau troost zich met het plan om Jakob te doden. Zie ook: Gen 37:18–20; Gen 42:21–22; Jub 27:1; Jub 27:2; 1 Sam 30:5; Ps 64:6; Spr 2:14 **27:43** Nu dan, mijn zoon, luister naar mij: sta op en vlucht naar mijn broer Laban in Charan, Brontekst: וְעַתָּ֥ה (veata) = en nu | בְנִ֖י (beni) = mijn zoon | שְׁמַ֣ע (shema) = luister | בְּקֹלִ֑י (beqoli) = naar mijn stem | וְק֧וּם (vequm) = en sta op | בְּרַח (berach) = vlucht | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | אֶל (el) = naar | לָבָ֥ן (lavan) = Laban | אָחִ֖י (achi) = mijn broer | חָרָֽנָה (charana) = naar Charan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Voetnoot Uitleg: לבן אחי חרנה (el Lavan achi Charanah), ‘naar mijn broer Laban in Charan’: Charan, zie 11:31; 24:10. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:3 en Jasher 29:23 vertellen ook dat Rebekka Jakob naar Laban in Charan stuurde. Jasher 29:11 zegt dat Jakob 63 jaar oud was toen hij uit Hebron wegging en veertien jaar in het huis van Eber verborgen bleef; Jasher 29:30 zegt dat hij 77 was toen hij naar Paddan-Aram vertrok. Zie ook: Gen 11:31; Gen 12:4–5; Gen 24:10; Gen 27:8; Gen 27:13; Jub 25:3; Jub 27:3; Jub 35:10; Jas 29:11; Jas 29:23; Jas 29:30; Jer 35:14 **27:44** en blijf een tijdje bij hem, tot de woede van je broer bedaard is, Brontekst: וְיָשַׁבְתָּ֥ (veyashavta) = en blijf | עִמּ֖וֹ (imo) = bij hem | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | אֲחָדִ֑ים (achadim) = enkele | עַ֥ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | תָּשׁ֖וּב (tashuv) = terugkeert | חֲמַ֥ת (chamat) = woede van | אָחִֽיךָ (achikha) = je broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ימים אחדים (yamim achadim), ‘enkele dagen’: Rebekka denkt aan korte tijd; het worden twintig jaar (zie 31:41). Zie ook: Gen 31:38; Gen 31:41; Jub 27:3 **27:45** tot de toorn van je broer tegen jou weg is en hij vergeten is wat je hem aangedaan hebt. Dan zal ik iemand sturen om je daar vandaan te halen. Waarom zou ik jullie allebei op één dag verliezen?” Brontekst: עַד (ad) = tot | שׁ֨וּב (shuv) = terugkeren van | אַף (af) = toorn van | אָחִ֜יךָ (achikha) = je broer | מִמְּךָ֗ (mimekha) = van je | וְשָׁכַח֙ (veshakhach) = en hij vergeet | אֵ֣ת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשִׂ֣יתָ (asita) = je hebt gedaan | לּ֔וֹ (lo) = aan hem | וְשָׁלַחְתִּ֖י (veshalachti) = en ik zal sturen | וּלְקַחְתִּ֣יךָ (uleqachtikha) = en ik zal je halen | מִשָּׁ֑ם (misham) = vandaar | לָמָ֥ה (lama) = waarom | אֶשְׁכַּ֛ל (eshkal) = zal ik beroofd worden | גַּם (gam) = ook | שְׁנֵיכֶ֖ם (sheneikhem) = jullie beiden | י֥וֹם (yom) = dag | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: למה אשׁכל גם שׁניכם יום אחד (lamah eshkal gam shnekhem yom echad), ‘waarom zou ik jullie beiden op één dag verliezen?’: als Ezau Jakob doodt, wordt hijzelf de moordenaar die sterft (zie 9:6). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:5 heeft dezelfde woorden. Zie ook: Gen 4:8–16; Gen 9:5–6; Gen 9:6; Jub 27:3; Jub 27:5; 2 Sam 14:6–7; Spr 19:21; Hand 28:4 **27:46** Rebekka zei tegen Isaak: „Ik heb genoeg van mijn leven vanwege de dochters van Het. Als Jakob een vrouw neemt uit de dochters van Het, zoals deze, uit de dochters van het land, wat heb ik dan nog aan het leven?” Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en ze zei | רִבְקָה֙ (rivqa) = Rebekka | אֶל (el) = tot | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | קַ֣צְתִּי (qatsti) = ik heb genoeg | בְחַיַּ֔י (bechayay) = van mijn leven | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | חֵ֑ת (chet) = Het | אִם (im) = als | לֹקֵ֣חַ (loqeach) = neemt | יַ֠עֲקֹב (yaaqov) = Jakob | אִשָּׁ֨ה (isha) = vrouw | מִבְּנֽוֹת (mibenot) = van dochters van | חֵ֤ת (chet) = Het | כָּאֵ֨לֶּה֙ (kaele) = zoals deze | מִבְּנ֣וֹת (mibenot) = van dochters van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | לָ֥מָּה (lama) = waarom | לִּ֖י (li) = voor mij | חַיִּֽים (chayim) = leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קצתי בחיי (qatsti bechayyay), ‘ik heb genoeg van mijn leven’: letterlijk ‘ik walg van mijn leven’. Rebekka geeft Isaak een tweede reden voor Jakobs vertrek, die hem aanspreekt (zie 26:35). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:8 en Jasher 29:16 hebben dezelfde woorden. Jubileeën 25:1–3 zegt dat Rebekka Jakob al eerder waarschuwde geen Kanaänitische vrouw te nemen. Zie ook: Gen 24:3; Gen 26:34–35; Gen 26:35; Gen 28:8; Gen 34:1–2; Jub 25:1–3; Jub 27:7; Jub 27:8; Jas 29:16; Job 3:20–22 ## Genesis 28 _Jakob op weg naar Charan; Betel_ ### Jakob wordt weggestuurd **28:1** Isaak riep Jakob, zegende hem en gaf hem het bevel: „Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän. Brontekst: וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij riep | יִצְחָ֛ק (yitschaq) = Isaak | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | וַיְבָ֣רֶךְ (vayvarekh) = en hij zegende | אֹת֑וֹ (oto) = hem | וַיְצַוֵּ֨הוּ֙ (vaytsavehu) = en hij gebood hem | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֔וֹ (lo) = tot hem | לֹֽא (lo) = niet | תִקַּ֥ח (tiqach) = je zult nemen | אִשָּׁ֖ה (isha) = vrouw | מִבְּנ֥וֹת (mibenot) = van dochters van | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 6:2; Gen 24:3; Gen 26:34–35; Gen 27:46; Gen 28:3–4; Jub 22:20; Jub 25:9; Jub 27:10 **28:2** Sta op, ga naar Paddan-Aram, naar het huis van Betuël, de vader van je moeder, en neem daar een vrouw uit de dochters van Laban, de broer van je moeder. Brontekst: ק֥וּם (qum) = sta op | לֵךְ֙ (lekh) = ga | פַּדֶּ֣נָֽה (padena) = naar Paddan | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | בֵּ֥יתָה (beita) = naar het huis van | בְתוּאֵ֖ל (betuel) = Betuël | אֲבִ֣י (avi) = vader van | אִמֶּ֑ךָ (imekha) = je moeder | וְקַח (veqach) = en neem | לְךָ֤ (lekha) = voor je | מִשָּׁם֙ (misham) = vandaar | אִשָּׁ֔ה (isha) = vrouw | מִבְּנ֥וֹת (mibenot) = van dochters van | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | אֲחִ֥י (achi) = broer van | אִמֶּֽךָ (imekha) = je moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Voetnoot Uitleg: פדנה ארם (Paddanah Aram), ‘naar Paddan-Aram’: zie 25:20. Betuël is Rebekka's vader (zie 24:15). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:10 heeft dezelfde opdracht van Isaak. Zie ook: Gen 24:15–24; Gen 25:20; Gen 28:5; Gen 46:15; Jub 27:10; Hos 12:13 **28:3** El Sjaddai zal je zegenen, je vruchtbaar en talrijk maken, zodat je een gemeenschap van volken wordt. Brontekst: וְאֵ֤ל (veel) = en El | שַׁדַּי֙ (shaday) = Sjaddai | יְבָרֵ֣ךְ (yevarekh) = zal je zegenen | אֹֽתְךָ֔ (otekha) = jou | וְיַפְרְךָ֖ (veyafrekha) = en Hij zal je vruchtbaar maken | וְיַרְבֶּ֑ךָ (veyarbekha) = en Hij zal je talrijk maken | וְהָיִ֖יתָ (vehayita) = en je zult zijn | לִקְהַ֥ל (liqhal) = tot gemeenschap van | עַמִּֽים (amim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואל שׁדי (veEl Shaddai), ‘El Sjaddai’: de Godsnaam uit 17:1. לקהל עמים (liqhal amim), ‘een gemeenschap van volken’: letterlijk ‘een vergadering van volken’; zie 35:11 en 48:4, en verwant met ‘een menigte van volken’ in 17:4–6. Zie ook: Gen 1:28; Gen 17:1–6; Gen 17:4–6; Gen 22:17–18; Gen 35:11; Gen 48:3; Gen 48:4; Jub 27:11 **28:4** Hij zal je de zegen van Abraham geven, aan jou en aan je nageslacht met je. Zo krijg je het land in bezit waar je als vreemdeling verblijft, het land dat Elohim aan Abraham gegeven heeft.” Brontekst: וְיִֽתֶּן (veyiten) = en Hij zal geven | לְךָ֙ (lekha) = aan je | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּרְכַּ֣ת (birkat) = zegen van | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | לְךָ֖ (lekha) = aan je | וּלְזַרְעֲךָ֣ (ulezarakha) = en aan je nageslacht | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met je | לְרִשְׁתְּךָ֙ (lerishtekha) = om je te laten bezitten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מְגֻרֶ֔יךָ (megureikha) = je vreemdelingschap | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֥ן (natan) = Hij gaf | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לְאַבְרָהָֽם (leavraham) = aan Abraham Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ברכת אברהם (birkat Avraham), ‘de zegen van Abraham’: het land en het nageslacht (zie 12:2–3; 22:17–18). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:11 geeft dezelfde zegen. Zie ook: Gen 12:2–3; Gen 12:7; Gen 15:18–21; Gen 17:6–8; Gen 22:17–18; Jub 27:11; Gal 3:14; Ef 1:3 **28:5** Isaak liet Jakob gaan, en hij ging naar Paddan-Aram, naar Laban, de zoon van Betuël, de Arameeër, de broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Ezau. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en hij zond | יִצְחָק֙ (yitschaq) = Isaak | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | פַּדֶּ֣נָֽה (padena) = naar Paddan | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | אֶל (el) = naar | לָבָ֤ן (lavan) = Laban | בֶּן (ben) = zoon van | בְּתוּאֵל֙ (betuel) = Betuël | הָֽאֲרַמִּ֔י (haarami) = de Arameeër | אֲחִ֣י (achi) = broer van | רִבְקָ֔ה (rivqa) = Rebekka | אֵ֥ם (em) = moeder van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | וְעֵשָֽׂו (veesav) = en Ezau Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Zie ook: Jub 27:12 **28:6** Ezau zag dat Isaak Jakob gezegend had en naar Paddan-Aram had gestuurd om daar een vrouw te nemen, en dat hij hem bij zijn zegen bevolen had: „Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän.” Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en hij zag | עֵשָׂ֗ו (esav) = Ezau | כִּֽי (ki) = dat | בֵרַ֣ךְ (berakh) = hij zegende | יִצְחָק֮ (yitschaq) = Isaak | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | יַעֲקֹב֒ (yaaqov) = Jakob | וְשִׁלַּ֤ח (veshilach) = en hij zond | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | פַּדֶּ֣נָֽה (padena) = naar Paddan | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | לָקַֽחַת (laqachat) = om te nemen | ל֥וֹ (lo) = voor hem | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | אִשָּׁ֑ה (isha) = vrouw | בְּבָרֲכ֣וֹ (bevarakho) = bij zijn zegenen | אֹת֔וֹ (oto) = hem | וַיְצַ֤ו (vaytsav) = en hij gebood | עָלָיו֙ (alav) = over hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | לֹֽא (lo) = niet | תִקַּ֥ח (tiqach) = je zult nemen | אִשָּׁ֖ה (isha) = vrouw | מִבְּנ֥וֹת (mibenot) = van dochters van | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Voetnoot Aanvullend: Jasher 29:42–43 zegt dat Ezau zag dat Isaak Jakob had gezegend en bevolen had geen Kanaänitische vrouw te nemen, en dat Ezau daarna naar Ismaël ging. Zie ook: Gen 27:33; Gen 28:1; Jas 29:42–43 **28:7** Jakob had naar zijn vader en zijn moeder geluisterd en was naar Paddan-Aram gegaan. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hij luisterde | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = naar | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | וְאֶל (veel) = en naar | אִמּ֑וֹ (imo) = zijn moeder | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | פַּדֶּ֥נָֽה (padena) = naar Paddan | אֲרָֽם (aram) = Aram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Zie ook: Lev 19:3; Spr 1:8; Spr 30:17; Ef 6:1; Ef 6:3 **28:8** Ezau zag dat de dochters van Kanaän slecht waren in de ogen van zijn vader Isaak. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en hij zag | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | כִּ֥י (ki) = dat | רָע֖וֹת (raot) = slecht | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | יִצְחָ֥ק (yitschaq) = Isaak | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:3; Gen 26:34–35; Gen 28:1; 1 Sam 8:6 **28:9** Ezau ging naar Ismaël en nam Machalat, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zus van Nebajot, tot vrouw, naast zijn andere vrouwen. Brontekst: וַיֵּ֥לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | אֶל (el) = naar | יִשְׁמָעֵ֑אל (yishmael) = Ismaël | וַיִּקַּ֡ח (vayiqach) = en hij nam | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | מָחֲלַ֣ת (machalat) = Machalat | בַּת (bat) = dochter van | יִשְׁמָעֵ֨אל (yishmael) = Ismaël | בֶּן (ben) = zoon van | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | אֲח֧וֹת (achot) = zus van | נְבָי֛וֹת (nevayot) = Nebajot | עַל (al) = bij | נָשָׁ֖יו (nashav) = zijn vrouwen | ל֥וֹ (lo) = voor hem | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מחלת (Machalat), ‘Machalat’: dochter van Ismaël, de zus van Nebajot (zie 25:13). In 36:3 heet zij Basemat. Voetnoot Aanvullend: Jasher 29:43 noemt haar ook Machalat. Zie ook: Gen 25:13–17; Gen 26:34; Gen 36:3; Gen 36:13; Gen 36:18; Jub 29:18; Jas 29:43 ### De droom bij Betel **28:10** Jakob vertrok uit Beër-Sjeba en ging naar Charan. Brontekst: וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en hij ging uit | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | מִבְּאֵ֣ר (mibeer) = uit put | שָׁ֑בַע (shava) = Sjeba | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | חָרָֽנָה (charana) = naar Charan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: מבאר שׁבע (miBe’er Sheva), ‘uit Beër-Sjeba’: Isaak woonde daar (zie 26:23–33). Charan ligt in het zuidoosten van het huidige Turkije, ongeveer 750 km hemelsbreed ten noordoosten van Beër-Sjeba (zie 11:31). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:19 zegt dat Jakob van de Bron van de Eed vertrok. Zie ook: Gen 11:31; Gen 26:23–33; Gen 32:10; Jub 27:19; Hos 12:13; Hand 7:2; Hand 25:13 **28:11** Hij kwam op een plaats en bleef daar overnachten, want de zon was ondergegaan. Hij nam een van de stenen van die plaats, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen. Brontekst: וַיִּפְגַּ֨ע (vayifga) = en hij trof | בַּמָּק֜וֹם (bamaqom) = op een plaats | וַיָּ֤לֶן (vayalen) = en hij overnachtte | שָׁם֙ (sham) = daar | כִּי (ki) = want | בָ֣א (ba) = was ondergegaan | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en hij nam | מֵאַבְנֵ֣י (meavnei) = van stenen van | הַמָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | וַיָּ֖שֶׂם (vayasem) = en hij legde | מְרַֽאֲשֹׁתָ֑יו (meraashotav) = onder zijn hoofd | וַיִּשְׁכַּ֖ב (vayishkav) = en hij lag neer | בַּמָּק֥וֹם (bamaqom) = op plaats | הַהֽוּא (hahu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויפגע (vayifga), ‘hij trof’: het werkwoord paga betekent ‘ontmoeten, treffen’. Het woord ‘plaats’ (maqom) keert in dit verhaal steeds terug; pas in vers 19 krijgt de plaats een naam. Zie ook: Gen 28:18; Gen 28:19; Gen 31:46; Jub 27:19; Mat 8:20; 2 Kor 1:5 **28:12** Hij droomde: zie, er stond een trap op de aarde, met zijn top reikend tot in de hemel. Zie, de engelen van Elohim gingen erop omhoog en omlaag. Brontekst: וַֽיַּחֲלֹ֗ם (vayachalom) = en hij droomde | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | סֻלָּם֙ (sulam) = trap | מֻצָּ֣ב (mutsav) = gesteld | אַ֔רְצָה (artsa) = op aarde | וְרֹאשׁ֖וֹ (verosho) = en zijn top | מַגִּ֣יעַ (magia) = reikend | הַשָּׁמָ֑יְמָה (hashamayema) = naar de hemel | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | מַלְאֲכֵ֣י (malakhei) = engelen van | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | עֹלִ֥ים (olim) = opgaand | וְיֹרְדִ֖ים (veyoredim) = en neerdalend | בּֽוֹ (bo) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סלם (sullam), ‘trap’: een woord dat alleen hier voorkomt. Het wijst op een trap of opgang; vaak wordt het ‘ladder’ vertaald. מלאכי אלהים (mal’akhei Elohim), ‘engelen van Elohim’: boodschappers van Elohim (zie 32:2). Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘trap’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:21 noemt de ladder, die op de aarde stond en met haar top de hemel raakte; de engelen worden daar niet genoemd. Zie ook: Gen 15:1; Gen 32:1–2; Gen 32:2; Jub 27:21; Job 33:15–16; Num 12:6; Joh 1:51 **28:13** En zie, Yahweh stond boven hem en zei: **„Ik ben Yahweh, de Elohim van je vader Abraham en de Elohim van Isaak. Het land waarop je ligt, aan jou zal Ik het geven, en aan je nageslacht.** Brontekst: וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | יְהוָ֜ה (Yahweh) = Yahweh | נִצָּ֣ב (nitsav) = staand | עָלָיו֮ (alav) = boven hem | וַיֹּאמַר֒ (vayomar) = en hij zei | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = Elohim van | אַבְרָהָ֣ם (avraham) = Abraham | אָבִ֔יךָ (avikha) = je vader | וֵאלֹהֵ֖י (velohei) = en Elohim van | יִצְחָ֑ק (yitschaq) = Isaak | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | אַתָּה֙ (ata) = jij | שֹׁכֵ֣ב (shokhev) = liggend | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = erop | לְךָ֥ (lekha) = aan je | אֶתְּנֶ֖נָּה (etenena) = zal Ik het geven | וּלְזַרְעֶֽךָ (ulezarekha) = en aan je nageslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יהוה נצב עליו (YHWH nitsav alav), ‘Yahweh stond boven hem’: alav kan ‘boven hem’, ‘naast hem’ of ‘erboven’ (boven de trap) betekenen. Yahweh stelt Zich voor als de Elohim van Jakobs vaderen (zie 26:24; 31:42). Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘boven hem’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:22 geeft dezelfde woorden. Jasher 30:1 zegt dat Jakob bij de berg Moria bij de stad Luz overnachtte en dat Yahweh hem daar verscheen. Zie ook: Gen 13:15; Gen 26:24; Gen 31:42; Gen 35:1; Gen 35:12; Gen 48:3; Jub 27:22; Jas 30:1 **28:14** **Je nageslacht zal zijn als het stof van de aarde. Je zult je uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. In jou en in je nageslacht zullen alle families van de grond gezegend worden.** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal zijn | זַרְעֲךָ֙ (zarakha) = je nageslacht | כַּעֲפַ֣ר (kaafar) = als stof van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | וּפָרַצְתָּ֛ (ufaratsta) = en je zult je uitbreiden | יָ֥מָּה (yama) = naar het westen | וָקֵ֖דְמָה (vaqedema) = en naar het oosten | וְצָפֹ֣נָה (vetsafona) = en naar het noorden | וָנֶ֑גְבָּה (vanegba) = en naar het zuiden | וְנִבְרֲכ֥וּ (venivrakhu) = en ze zullen gezegend worden | בְךָ֛ (bekha) = in jou | כָּל (kal) = alle | מִשְׁפְּחֹ֥ת (mishpechot) = families van | הָאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | וּבְזַרְעֶֽךָ (uvezarekha) = en in je nageslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כעפר הארץ (ke’afar ha’arets), ‘als het stof van de aarde’: zie 13:16. ופרצת (ufaratsta), ‘je zult je uitbreiden’: letterlijk ‘je zult doorbreken’ (zie 30:30). כל משׁפחת האדמה (kol mishpechot ha’adamah), ‘alle families van de grond’: zie 12:3. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:23 heeft dezelfde belofte. Zie ook: Gen 12:3; Gen 13:16; Gen 18:18; Gen 22:18; Gen 30:30; Jub 27:23; Hand 3:25 **28:15** **Zie, Ik ben met je. Ik zal je behoeden overal waar je gaat, en Ik zal je terugbrengen naar deze grond. Ik zal je niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tegen je gezegd heb.”** Brontekst: וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | אָנֹכִ֜י (anokhi) = Ik | עִמָּ֗ךְ (imakh) = met je | וּשְׁמַרְתִּ֨יךָ֙ (ushemartikha) = en Ik zal je behoeden | בְּכֹ֣ל (bekhol) = in alles | אֲשֶׁר (asher) = waar | תֵּלֵ֔ךְ (telekh) = je gaat | וַהֲשִׁ֣בֹתִ֔יךָ (vahashivotikha) = en Ik zal je terugbrengen | אֶל (el) = naar | הָאֲדָמָ֖ה (haadama) = de grond | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | כִּ֚י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | אֶֽעֱזָבְךָ֔ (eezavekha) = Ik zal je verlaten | עַ֚ד (ad) = tot | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִם (im) = als | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | אֵ֥ת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁר (asher) = wat | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | לָֽךְ (lakh) = tot je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ושׁמרתיך (ushmartikha), ‘Ik zal je behoeden’: dezelfde stam als in de zegen van Num. 6:24. והשׁבתיך אל האדמה הזאת (vahashivotikha el ha’adamah hazot), ‘Ik zal je terugbrengen naar deze grond’: Yahweh belooft Jakob dat hij terugkomt (zie 31:3; 35:6). לא אעזבך (lo e’ezovkha), ‘Ik zal je niet verlaten’: zie Deut. 31:6; Joz. 1:5. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:24 geeft dezelfde belofte. Zie ook: Gen 26:24; Gen 31:3; Gen 35:6; Jub 27:24; Num 6:24; Deut 31:6; Joz 1:5; Jes 41:10; Jer 1:19 **28:16** Jakob werd wakker uit zijn slaap en zei: „Waarlijk, Yahweh is op deze plaats, en ik wist het niet.” Brontekst: וַיִּיקַ֣ץ (vayiqats) = en hij werd wakker | יַעֲקֹב֮ (yaaqov) = Jakob | מִשְּׁנָתוֹ֒ (mishenato) = uit zijn slaap | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָכֵן֙ (akhen) = waarlijk | יֵ֣שׁ (yesh) = er is | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בַּמָּק֖וֹם (bamaqom) = op plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en ik | לֹ֥א (lo) = niet | יָדָֽעְתִּי (yadati) = ik wist Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אכן ישׁ יהוה במקום הזה (akhen yesh YHWH bamaqom hazeh), ‘waarlijk, Yahweh is op deze plaats’: Jakob ontdekt Yahwehs aanwezigheid op een plek waar hij die niet verwachtte. Zie ook: Jub 27:25; Job 9:11; Job 33:14; Ex 3:5; Ex 15:11; Joz 5:15 **28:17** Hij werd bang en zei: „Wat is deze plaats ontzagwekkend! Dit is niets anders dan het huis van Elohim, en dit is de poort van de hemel.” Brontekst: וַיִּירָא֙ (vayira) = en hij werd bang | וַיֹּאמַ֔ר (vayomar) = en hij zei | מַה (ma) = hoe | נּוֹרָ֖א (nora) = ontzagwekkend | הַמָּק֣וֹם (hamaqom) = de plaats | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | אֵ֣ין (ein) = niets | זֶ֗ה (ze) = dit | כִּ֚י (ki) = maar | אִם (im) = als | בֵּ֣ית (beit) = huis van | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | וְזֶ֖ה (veze) = en dit | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | הַשָּׁמָֽיִם (hashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נורא (nora), ‘ontzagwekkend’: ‘vreeswekkend’, van yare, ‘vrezen’; dezelfde stam als ‘hij werd bang’. בית אלהים (beit Elohim), ‘huis van Elohim’: zie vers 19. שׁער השׁמים (sha’ar hashamayim), ‘poort van de hemel’: een plaats waar hemel en aarde elkaar raken. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:25 geeft dezelfde woorden. Zie ook: Gen 28:19; Gen 35:1–13; Jub 27:25; Ex 3:6; Pred 4:17; 2 Kron 5:14; 1 Tim 3:15 **28:18** Jakob stond 's morgens vroeg op, nam de steen die hij onder zijn hoofd gelegd had, richtte hem op als gedenkzuil en goot olie over de top. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֨ם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | בַּבֹּ֗קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֶ֨בֶן֙ (haeven) = de steen | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׂ֣ם (sam) = hij had gelegd | מְרַֽאֲשֹׁתָ֔יו (meraashotav) = onder zijn hoofd | וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en hij richtte op | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | מַצֵּבָ֑ה (matseva) = gedenkzuil | וַיִּצֹ֥ק (vayitsoq) = en hij goot | שֶׁ֖מֶן (shemen) = olie | עַל (al) = op | רֹאשָֽׁהּ (roshah) = haar top Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מצבה (matsevah), ‘gedenkzuil’: een rechtopstaande steen als teken (zie 31:13; 35:14). De olie over de top maakt de steen tot een gewijde plaats (zie 35:14). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:26 noemt ook de olie. Zie ook: Gen 31:13; Gen 31:45; Gen 35:14; Gen 35:20; Jub 27:26; Lev 8:10–12 **28:19** Hij noemde die plaats Betel, maar de naam van de stad was eerst Luz. Brontekst: וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en hij noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֵֽׁם (shem) = naam van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַה֖וּא (hahu) = die | בֵּֽית (beit) = huis van | אֵ֑ל (el) = El | וְאוּלָ֛ם (veulam) = maar | ל֥וּז (luz) = Luz | שֵׁם (shem) = naam van | הָעִ֖יר (hair) = de stad | לָרִאשֹׁנָֽה (larishona) = eerst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: בית אל (Beit El), ‘Betel’: ‘huis van El’. Voetnoot Uitleg: Betel ligt in het bergland ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem (zie 12:8; 13:3). לוז (Luz), ‘Luz’: de oudere naam van de stad (zie 35:6; 48:3). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:26 en Jasher 30:3 zeggen ook dat Jakob de plaats Betel noemde. Zie ook: Gen 12:8; Gen 13:3; Gen 35:1; Gen 35:6; Gen 48:3; Jub 27:26; Jub 44:2; Jas 30:3; Re 1:22–26; Hos 12:5–6 ### Jakobs gelofte **28:20** Jakob deed een gelofte: „Als Elohim met mij is, mij behoedt op deze weg waarop ik ga, en mij brood te eten geeft en kleren om aan te trekken, Brontekst: וַיִּדַּ֥ר (vayidar) = en hij beloofde | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | נֶ֣דֶר (neder) = een gelofte | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אִם (im) = als | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | עִמָּדִ֗י (imadi) = met mij | וּשְׁמָרַ֨נִי֙ (ushemarani) = en Hij zal mij behoeden | בַּדֶּ֤רֶךְ (baderekh) = op de weg | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarop | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | הוֹלֵ֔ךְ (holekh) = gaande | וְנָֽתַן (venatan) = en Hij zal geven | לִ֥י (li) = aan mij | לֶ֛חֶם (lechem) = brood | לֶאֱכֹ֖ל (leekhol) = om te eten | וּבֶ֥גֶד (uveged) = en kleding | לִלְבֹּֽשׁ (lilbosh) = om aan te trekken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נדר (neder), ‘gelofte’: een plechtige belofte aan God (zie 31:13). אם יהיה אלהים (im yihyeh Elohim immadi), ‘als Elohim met mij is’: Jakob noemt hier Elohim; Yahweh volgt pas in vers 21. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:27 geeft dezelfde gelofte. Zie ook: Gen 28:21; Gen 31:13; Jub 27:27; Jub 31:1; 2 Sam 15:8; Ps 66:13; Joh 1:16; 1 Tim 6:8 **28:21** en ik in vrede terugkeer naar het huis van mijn vader, dan zal Yahweh mijn Elohim zijn. Brontekst: וְשַׁבְתִּ֥י (veshavti) = en ik zal terugkeren | בְשָׁל֖וֹם (beshalom) = in vrede | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = huis van | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | וְהָיָ֧ה (vehaya) = en zal zijn | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לִ֖י (li) = voor mij | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: והיה יהוה לי לאלהים (vehayah YHWH li le’Elohim), ‘dan zal Yahweh mijn Elohim zijn’: de als-zin begint in vers 20 en loopt tot ‘en ik in vrede terugkeer’; de dan-zin begint hier of pas in vers 22. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als begin van de dan-zin. Zie ook: Gen 28:20; Gen 28:22; Jub 27:27; Jub 31:1; Ex 15:2; Deut 26:17; Re 11:31; 2 Sam 15:8; 2 Sam 19:25 **28:22** Deze steen, die ik als gedenkzuil opgericht heb, zal een huis van Elohim zijn. Van alles wat U mij geeft, zal ik U zeker een tiende geven.” Brontekst: וְהָאֶ֣בֶן (vehaeven) = en de steen | הַזֹּ֗את (hazot) = deze | אֲשֶׁר (asher) = die | שַׂ֨מְתִּי֙ (samti) = ik heb gezet | מַצֵּבָ֔ה (matseva) = als gedenkzuil | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | בֵּ֣ית (beit) = huis van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וְכֹל֙ (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | תִּתֶּן (titen) = U zult geven | לִ֔י (li) = aan mij | עַשֵּׂ֖ר (aser) = een tiende | אֲעַשְּׂרֶ֥נּוּ (aaserenu) = ik zal een tiende geven | לָֽךְ (lakh) = aan U Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עשׂר אעשׂרנו (asser a’asrenu lakh), ‘ik zal U zeker een tiende geven’: ma’aser is ‘tiende’. Eerder gaf Abraham een tiende aan Melchisedek (zie 14:20). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 27:27 geeft Jakobs gelofte tot en met zijn terugkeer in vrede; de tiende wordt daar niet genoemd. Zie ook: Gen 14:20; Gen 35:1; Gen 35:7; Jub 27:27; Jub 31:1; Jub 32:1; Lev 27:30–33; Deut 14:22–23 ## Genesis 29 _Jakob bij Laban_ ### Jakob bij de put **29:1** Jakob ging weer op weg en kwam in het land van de zonen van het oosten. Brontekst: וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hij hief op | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | רַגְלָ֑יו (raglav) = zijn voeten | וַיֵּ֖לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | אַ֥רְצָה (artsa) = naar het land | בְנֵי (benei) = zonen van | קֶֽדֶם (qedem) = het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישׂא יעקב רגליו (vayissa Ya’aqov raglav), ‘Jakob hief zijn voeten op’: een uitdrukking voor ‘op weg gaan’, met nieuwe kracht na de droom (zie 28:12–15). בני קדם (benei qedem), ‘zonen van het oosten’: de stammen ten oosten van Kanaän (zie 25:6). Voetnoot Aanvullend: Jasher 30:4 zegt dat Jakob terugkeerde naar Charan en bij de herdersput ging zitten. Zie ook: Gen 25:6; Gen 28:12–15; Jub 28:1; Jas 30:4; Num 23:7; Re 6:3; Re 6:33; Ps 119:32; Hos 12:13 **29:2** Hij keek, en zie, er was een put in het veld. En zie, er lagen drie kudden schapen bij, want uit die put werden de kudden gedrenkt. De steen op de opening van de put was groot. Brontekst: וַיַּ֞רְא (vayar) = en hij zag | וְהִנֵּ֧ה (vehine) = en zie | בְאֵ֣ר (beer) = put | בַּשָּׂדֶ֗ה (basade) = in het veld | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | שָׁ֞ם (sham) = daar | שְׁלֹשָׁ֤ה (shelosha) = drie | עֶדְרֵי (edrei) = kudden van | צֹאן֙ (tson) = kleinvee | רֹבְצִ֣ים (rovetsim) = liggend | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = erbij | כִּ֚י (ki) = want | מִן (min) = uit | הַבְּאֵ֣ר (habeer) = de put | הַהִ֔וא (hahi) = die | יַשְׁק֖וּ (yashqu) = laten drinken | הָעֲדָרִ֑ים (haadarim) = de kudden | וְהָאֶ֥בֶן (vehaeven) = en de steen | גְּדֹלָ֖ה (gedola) = groot | עַל (al) = op | פִּ֥י (pi) = opening van | הַבְּאֵֽר (habeer) = de put Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:11; Hoogl 1:6–7; Jes 49:10; Joh 4:6; Joh 4:14 **29:3** Daar werden alle kudden bijeengebracht. Dan rolden de herders de steen van de opening van de put en gaven de schapen te drinken. Ze legden de steen weer op de opening van de put, op zijn plaats. Brontekst: וְנֶאֶסְפוּ (veneesfu) = en ze werden verzameld | שָׁ֣מָּה (shama) = daarheen | כָל (kal) = alle | הָעֲדָרִ֗ים (haadarim) = de kudden | וְגָלֲל֤וּ (vegalalu) = en ze rolden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֶ֨בֶן֙ (haeven) = de steen | מֵעַל֙ (meal) = van op | פִּ֣י (pi) = opening van | הַבְּאֵ֔ר (habeer) = de put | וְהִשְׁק֖וּ (vehishqu) = en ze lieten drinken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַצֹּ֑אן (hatson) = het kleinvee | וְהֵשִׁ֧יבוּ (veheshivu) = en ze brachten terug | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֶ֛בֶן (haeven) = de steen | עַל (al) = op | פִּ֥י (pi) = opening van | הַבְּאֵ֖ר (habeer) = de put | לִמְקֹמָֽהּ (limqomah) = op zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וגללו את האבן (vegalelu et ha’even), ‘ze rolden de steen’: de steen sloot de put af en beschermde het water (zie vers 8). Zie ook: Gen 29:8 **29:4** Jakob zei tegen hen: „Mijn broers, waar komen jullie vandaan?” Ze zeiden: „Uit Charan.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | אַחַ֖י (achay) = mijn broers | מֵאַ֣יִן (meayin) = vanwaar | אַתֶּ֑ם (atem) = jullie | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en ze zeiden | מֵחָרָ֖ן (mecharan) = uit Charan | אֲנָֽחְנוּ (anachenu) = wij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Voetnoot Uitleg: מחרן (miCharan), ‘uit Charan’: zie 11:31; 28:10. Voetnoot Aanvullend: Jasher 30:5–6 vertelt hetzelfde gesprek met de herders. Zie ook: Gen 11:31; Gen 24:10; Gen 27:43; Gen 28:10; Jas 30:5–6; Hand 7:4 **29:5** Hij zei tegen hen: „Kennen jullie Laban, de zoon van Nachor?” Ze zeiden: „We kennen hem.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֔ם (lahem) = tot hen | הַיְדַעְתֶּ֖ם (haydatem) = kennen jullie | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לָבָ֣ן (lavan) = Laban | בֶּן (ben) = zoon van | נָח֑וֹר (nachor) = Nachor | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en ze zeiden | יָדָֽעְנוּ (yadaenu) = we kennen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 24:24; Gen 24:29; Gen 31:53 **29:6** Hij zei tegen hen: „Gaat het goed met hem?” Ze zeiden: „Het gaat goed. En zie, daar komt zijn dochter Rachel met de schapen.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֖ם (lahem) = tot hen | הֲשָׁל֣וֹם (hashalom) = vrede | ל֑וֹ (lo) = met hem | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeiden | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | רָחֵ֣ל (rachel) = Rachel | בִּתּ֔וֹ (bito) = zijn dochter | בָּאָ֖ה (baa) = komend | עִם (im) = met | הַצֹּֽאן (hatson) = het kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: השׁלום (hashalom lo), ‘gaat het goed met hem?’: letterlijk ‘is er vrede voor hem?’. Zie ook: Gen 43:27; Ex 18:7; 1 Sam 17:22; 1 Sam 25:5; 2 Sam 20:9 **29:7** Hij zei: „Zie, het is nog hoog dag, het is geen tijd om de kudden bijeen te brengen. Geef de schapen te drinken en ga ze weiden.” Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הֵ֥ן (hen) = zie | עוֹד֙ (od) = nog | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | לֹא (lo) = niet | עֵ֖ת (et) = tijd van | הֵאָסֵ֣ף (heasef) = bijeenbrengen van | הַמִּקְנֶ֑ה (hamiqne) = de kudde | הַשְׁק֥וּ (hashqu) = laat drinken | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | וּלְכ֥וּ (ulekhu) = en ga | רְעֽוּ (reu) = weid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gal 6:9–10; Ef 5:16 **29:8** Ze zeiden: „Dat kunnen we niet, voordat alle kudden bijeengebracht zijn en men de steen van de opening van de put gerold heeft. Dan geven we de schapen te drinken.” Brontekst: וַיֹּאמְרוּ֮ (vayomru) = en ze zeiden | לֹ֣א (lo) = niet | נוּכַל֒ (nukhal) = we kunnen | עַ֣ד (ad) = tot | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | יֵאָֽסְפוּ֙ (yeasefu) = ze bijeengebracht zijn | כָּל (kal) = alle | הָ֣עֲדָרִ֔ים (haadarim) = de kudden | וְגָֽלֲלוּ֙ (vegalalu) = en men rolt | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֶ֔בֶן (haeven) = de steen | מֵעַ֖ל (meal) = van op | פִּ֣י (pi) = opening van | הַבְּאֵ֑ר (habeer) = de put | וְהִשְׁקִ֖ינוּ (vehishqinu) = en we laten drinken | הַצֹּֽאן (hatson) = het kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:3; Gen 34:14; Gen 43:32; Mar 16:3; Luc 24:2 **29:9** Hij sprak nog met hen toen Rachel kwam met de schapen van haar vader, want zij was herderin. Brontekst: עוֹדֶ֖נּוּ (odenu) = nog | מְדַבֵּ֣ר (medaber) = hij sprak | עִמָּ֑ם (imam) = met hen | וְרָחֵ֣ל (verachel) = en Rachel | בָּ֗אָה (baa) = kwam | עִם (im) = met | הַצֹּאן֙ (hatson) = het kleinvee | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לְאָבִ֔יהָ (leaviha) = van haar vader | כִּ֥י (ki) = want | רֹעָ֖ה (roa) = herderin | הִֽוא (hi) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רעה (ro’ah), ‘herderin’: Rachel hoedt de schapen van haar vader (zie Ex. 2:16). Voetnoot Aanvullend: Jasher 30:7 zegt dat zij als herderin kwam. Zie ook: Gen 24:15; Jas 30:7; Ex 2:15–16; Ex 2:16; Ex 2:21; Hoogl 1:7–8 **29:10** Toen Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, de broer van zijn moeder, en de schapen van Laban, de broer van zijn moeder, ging Jakob naar voren. Hij rolde de steen van de opening van de put en gaf de schapen van Laban, de broer van zijn moeder, te drinken. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁר֩ (kaasher) = toen | רָאָ֨ה (raa) = zag | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רָחֵ֗ל (rachel) = Rachel | בַּת (bat) = dochter van | לָבָן֙ (lavan) = Laban | אֲחִ֣י (achi) = broer van | אִמּ֔וֹ (imo) = zijn moeder | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | צֹ֥אן (tson) = kleinvee van | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | אֲחִ֣י (achi) = broer van | אִמּ֑וֹ (imo) = zijn moeder | וַיִּגַּ֣שׁ (vayigash) = en hij kwam naar voren | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | וַיָּ֤גֶל (vayagel) = en hij rolde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֶ֨בֶן֙ (haeven) = de steen | מֵעַל֙ (meal) = van op | פִּ֣י (pi) = opening van | הַבְּאֵ֔ר (habeer) = de put | וַיַּ֕שְׁקְ (vayashq) = en hij liet drinken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | צֹ֥אן (tson) = kleinvee van | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | אֲחִ֥י (achi) = broer van | אִמּֽוֹ (imo) = zijn moeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יעקב ויגל את האבן מעל פי הבאר (vayigash Ya’aqov vayegel et ha’even), ‘Jakob ging naar voren en rolde de steen weg’: de herders wachtten tot alle kudden er waren (zie vers 8); Jakob rolt de steen alleen weg. Zie ook: Gen 29:8; Ex 2:17 **29:11** Jakob kuste Rachel, verhief zijn stem en weende. Brontekst: וַיִּשַּׁ֥ק (vayishaq) = en hij kuste | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | לְרָחֵ֑ל (lerachel) = Rachel | וַיִּשָּׂ֥א (vayisa) = en hij verhief | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | קֹל֖וֹ (qolo) = zijn stem | וַיֵּֽבְךְּ (vayevek) = en hij weende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:26; Gen 33:4; Gen 43:30; Gen 45:2; Gen 45:14–15 **29:12** Jakob vertelde Rachel dat hij een verwant van haar vader was en dat hij de zoon van Rebekka was. Ze rende weg en vertelde het aan haar vader. Brontekst: וַיַּגֵּ֨ד (vayaged) = en hij vertelde | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | לְרָחֵ֗ל (lerachel) = aan Rachel | כִּ֣י (ki) = dat | אֲחִ֤י (achi) = verwant van | אָבִ֨יהָ֙ (aviha) = haar vader | ה֔וּא (hu) = hij | וְכִ֥י (vekhi) = en dat | בֶן (ben) = zoon van | רִבְקָ֖ה (rivqa) = Rebekka | ה֑וּא (hu) = hij | וַתָּ֖רָץ (vatarats) = en ze rende | וַתַּגֵּ֥ד (vataged) = en ze vertelde | לְאָבִֽיהָ (leaviha) = aan haar vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אחי אביה (achi aviha), ‘een verwant van haar vader’: letterlijk ‘een broer van haar vader’. Ach, ‘broer’, betekent ook ‘verwant’ (zie 13:8; 14:14). Jakob is Labans neef: zijn moeder is Labans zus. Zie ook: Gen 13:8; Gen 14:14–16; Gen 24:28 ### Laban ontvangt Jakob **29:13** Toen Laban hoorde over Jakob, de zoon van zijn zus, rende hij hem tegemoet. Hij omhelsde hem, kuste hem en bracht hem naar zijn huis. Jakob vertelde Laban al deze dingen. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כִשְׁמֹ֨עַ (kishmoa) = toen hij hoorde | לָבָ֜ן (lavan) = Laban | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֵׁ֣מַע (shema) = bericht over | יַעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחֹת֗וֹ (achoto) = zijn zus | וַיָּ֤רָץ (vayarats) = en hij rende | לִקְרָאתוֹ֙ (liqrato) = hem tegemoet | וַיְחַבֶּק (vaychabeq) = en hij omhelsde | לוֹ֙ (lo) = hem | וַיְנַשֶּׁק (vaynasheq) = en hij kuste | ל֔וֹ (lo) = hem | וַיְבִיאֵ֖הוּ (vayviehu) = en hij bracht hem | אֶל (el) = naar | בֵּית֑וֹ (beito) = zijn huis | וַיְסַפֵּ֣ר (vaysaper) = en hij vertelde | לְלָבָ֔ן (lelavan) = aan Laban | אֵ֥ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de dingen | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויחבק לו וינשׁק (vayechabeq lo vayenashheq lo), ‘hij omhelsde hem en kuste hem’: een warme ontvangst, zoals Ezau later Jakob ontvangt (zie 33:4). Voetnoot Aanvullend: Jasher 30:10 zegt dat Laban hem tegemoetliep, kuste en omhelsde. Zie ook: Gen 24:29; Gen 33:4; Jas 30:10; Ex 4:27; Ex 18:7; Luc 7:45; Rom 16:16 **29:14** Laban zei tegen hem: „Jij bent werkelijk van mijn eigen vlees en bloed.” Hij bleef een maand bij hem. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | לָבָ֔ן (lavan) = Laban | אַ֛ךְ (akh) = immers | עַצְמִ֥י (atsmi) = mijn gebeente | וּבְשָׂרִ֖י (uvesari) = en mijn vlees | אָ֑תָּה (ata) = jij | וַיֵּ֥שֶׁב (vayeshev) = en hij bleef | עִמּ֖וֹ (imo) = bij hem | חֹ֥דֶשׁ (chodesh) = maand van | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עצמי ובשׂרי (atsmi uvesari), ‘mijn gebeente en mijn vlees’: een uitdrukking voor naaste bloedverwantschap (zie 2:23; 2 Sam. 5:1). חדשׁ ימים (chodesh yamim), ‘een maand’: letterlijk ‘een maand aan dagen’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 30:12 zegt ook dat Jakob een maand bij Laban verbleef. Zie ook: Gen 2:23; Gen 29:15; Jas 30:12; Re 9:2; 2 Sam 5:1; 2 Sam 19:13–14 **29:15** Laban zei tegen Jakob: „Moet je mij soms voor niets dienen, omdat je mijn verwant bent? Zeg mij wat je loon moet zijn.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָבָן֙ (lavan) = Laban | לְיַעֲקֹ֔ב (leyaaqov) = aan Jakob | הֲכִי (hakhi) = is het omdat | אָחִ֣י (achi) = mijn broer | אַ֔תָּה (ata) = jij | וַעֲבַדְתַּ֖נִי (vaavadtani) = en je zou dienen mij | חִנָּ֑ם (chinam) = voor niets | הַגִּ֥ידָה (hagida) = vertel | לִּ֖י (li) = mij | מַה (ma) = wat | מַּשְׂכֻּרְתֶּֽךָ (maskurtekha) = je loon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ועבדתני חנם (va’avadtani chinam), ‘zou je mij voor niets dienen?’: Laban wil een loon afspreken. Voetnoot Aanvullend: Jasher 30:12 heeft dezelfde vraag. Zie ook: Gen 30:28; Gen 31:7; Jas 30:12 **29:16** Laban had twee dochters. De oudste heette Lea, en de jongste heette Rachel. Brontekst: וּלְלָבָ֖ן (ulelavan) = en aan Laban | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | בָנ֑וֹת (banot) = dochters | שֵׁ֤ם (shem) = naam van | הַגְּדֹלָה֙ (hagedola) = de oudste | לֵאָ֔ה (lea) = Lea | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | הַקְּטַנָּ֖ה (haqetana) = de jongste | רָחֵֽל (rachel) = Rachel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הגדלה לאה (hagedolah Leah), ‘de oudste, Lea’: Jasher 30:13 zegt dat Laban geen zonen had, alleen dochters, en noemt zijn vrouw Adina. Zie ook: Gen 29:17; Gen 30:19; Gen 46:15; Gen 49:31; Jub 25:6; Jas 30:13; Ruth 4:11 **29:17** Lea had zwakke ogen, maar Rachel had een mooie gestalte en een mooi uiterlijk. Brontekst: וְעֵינֵ֥י (veeinei) = en ogen van | לֵאָ֖ה (lea) = Lea | רַכּ֑וֹת (rakot) = zwak | וְרָחֵל֙ (verachel) = en Rachel | הָֽיְתָ֔ה (hayeta) = was | יְפַת (yefat) = mooi van | תֹּ֖אַר (toar) = gestalte | וִיפַ֥ת (vifat) = en mooi van | מַרְאֶֽה (mare) = uiterlijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רכות (rakkot), ‘zwak’: rakkot betekent ‘zacht’, ‘teer’ of ‘zwak’. Het kan schoonheid aanduiden (zachte ogen) of een gebrek. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘zwak’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:5 zegt dat Lea's ogen zwak waren, maar haar gestalte heel mooi. Zie ook: Gen 12:11; Gen 29:18; Gen 46:19–22; Gen 48:7; Jub 28:5; Mat 2:18 ### Zeven jaar voor Rachel **29:18** Jakob hield van Rachel. Hij zei: „Ik zal u zeven jaar dienen voor Rachel, uw jongste dochter.” Brontekst: וַיֶּאֱהַ֥ב (vayeehav) = en hij hield van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רָחֵ֑ל (rachel) = Rachel | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶֽעֱבָדְךָ֙ (eevadekha) = ik zal je dienen | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaar | בְּרָחֵ֥ל (berachel) = voor Rachel | בִּתְּךָ֖ (bitekha) = je dochter | הַקְּטַנָּֽה (haqetana) = de jongste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אעבדך שׁבע שׁנים (e’evdekha sheva shanim), ‘ik zal u zeven jaar dienen’: de bruidsprijs in arbeid (zie 31:15). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:1 zegt dat Jakob een jaarweek, zeven jaar, voor Rachel diende. Jasher 30:14 noemt dezelfde afspraak. Zie ook: Gen 29:20; Gen 31:15; Gen 34:12; Jub 28:1; Jub 28:5; Jas 30:14; Ex 22:15–16; 2 Sam 3:14; Hos 12:13 **29:19** Laban zei: „Het is beter dat ik haar aan jou geef dan dat ik haar aan een andere man geef. Blijf bij mij.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָבָ֗ן (lavan) = Laban | ט֚וֹב (tov) = beter | תִּתִּ֣י (titi) = mijn geven | אֹתָ֣הּ (otah) = haar | לָ֔ךְ (lakh) = aan je | מִתִּתִּ֥י (mititi) = dan mijn geven | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | לְאִ֣ישׁ (leish) = aan man | אַחֵ֑ר (acher) = andere | שְׁבָ֖ה (sheva) = blijf | עִמָּדִֽי (imadi) = bij mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 12:3; Jes 6:5; Jes 6:11 **29:20** Jakob diende zeven jaar voor Rachel. In zijn ogen waren ze als een paar dagen, omdat hij van haar hield. Brontekst: וַיַּעֲבֹ֧ד (vayaavod) = en hij diende | יַעֲקֹ֛ב (yaaqov) = Jakob | בְּרָחֵ֖ל (berachel) = voor Rachel | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaren | וַיִּהְי֤וּ (vayihyu) = en ze waren | בְעֵינָיו֙ (beeinav) = in zijn ogen | כְּיָמִ֣ים (keyamim) = als dagen | אֲחָדִ֔ים (achadim) = enkele | בְּאַהֲבָת֖וֹ (beahavato) = uit zijn liefde | אֹתָֽהּ (otah) = voor haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כימים אחדים (keyamim achadim), ‘als enkele dagen’: de tijd gaat snel voorbij door zijn liefde. Zie ook: Gen 24:67; Jub 28:2; Hoogl 8:6–7; Hos 12:13; 1 Kor 13:7; Ef 5:2 ### Het bedrog van Laban **29:21** Jakob zei tegen Laban: „Geef mij mijn vrouw, want mijn dagen zijn vol, dan kan ik bij haar komen.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹ֤ב (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | לָבָן֙ (lavan) = Laban | הָבָ֣ה (hava) = geef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אִשְׁתִּ֔י (ishti) = mijn vrouw | כִּ֥י (ki) = want | מָלְא֖וּ (maleu) = zijn vol | יָמָ֑י (yamay) = mijn dagen | וְאָב֖וֹאָה (veavoa) = en ik zal binnengaan | אֵלֶֽיהָ (eleiha) = tot haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואבואה אליה (ve’avo’ah eleha), ‘dan kan ik bij haar komen’: een vaste uitdrukking voor het huwelijk voltrekken. Zie ook: Gen 4:1; Gen 29:20; Gen 31:41; Jub 28:2; Re 15:1; Mat 1:18 **29:22** Laban riep alle mannen van die plaats bijeen en gaf een feestmaal. Brontekst: וַיֶּאֱסֹ֥ף (vayeesof) = en hij verzamelde | לָבָ֛ן (lavan) = Laban | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | מִשְׁתֶּֽה (mishte) = maaltijd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: משׁתה (mishteh), ‘feestmaal’: de bruiloft duurde een week (zie vers 27; Richt. 14:12). Zie ook: Gen 29:27; Jub 28:3; Re 14:10–18; Re 14:12; Ruth 4:10–13; Mat 22:2–10; Mat 25:1–10; Openb 19:9 **29:23** 's Avonds nam hij zijn dochter Lea en bracht haar naar hem. Hij ging naar haar toe. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בָעֶ֔רֶב (baerev) = in de avond | וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לֵאָ֣ה (lea) = Lea | בִתּ֔וֹ (bito) = zijn dochter | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en hij bracht | אֹתָ֖הּ (otah) = haar | אֵלָ֑יו (elav) = tot hem | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij ging binnen | אֵלֶֽיהָ (eleiha) = tot haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בערב ויקח את לאה (ba’erev vayiqach et Leah), ‘'s avonds nam hij Lea’: in het donker herkende Jakob haar niet. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:2–4 zegt dat Laban alle lichten uitdoofde. Jasher 31:7–10 zegt dat de buren riepen ‘Hi-Lea, Hi-Lea’ (‘zij is Lea’), en dat Jakob dit pas 's morgens begreep. Zie ook: Gen 24:65; Gen 38:14–15; Jub 28:3; Jub 28:4; Jas 31:2–4; Jas 31:7–10; Mi 7:5 **29:24** Laban gaf zijn dienares Zilpa aan zijn dochter Lea als dienares. Brontekst: וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en hij gaf | לָבָן֙ (lavan) = Laban | לָ֔הּ (lah) = aan haar | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | זִלְפָּ֖ה (zilpa) = Zilpa | שִׁפְחָת֑וֹ (shifchato) = zijn dienares | לְלֵאָ֥ה (lelea) = aan Lea | בִתּ֖וֹ (bito) = zijn dochter | שִׁפְחָֽה (shifcha) = dienares Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זלפה שׁפחתו (Zilpah shifchato), ‘Zilpa, zijn dienares’: Jubileeën 28:3 noemt Zilpa ook. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:9 noemt Bilha, de zus van Zilpa. Zie ook: Gen 16:1; Gen 24:59; Gen 30:9–12; Gen 46:18; Jub 28:3; Jub 28:4; Jub 28:9 **29:25** 's Morgens, zie, het was Lea! Hij zei tegen Laban: „Wat hebt u mij aangedaan? Heb ik niet voor Rachel bij u gediend? Waarom hebt u mij bedrogen?” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | הִ֖וא (hi) = zij | לֵאָ֑ה (lea) = Lea | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | לָבָ֗ן (lavan) = Laban | מַה (ma) = wat | זֹּאת֙ (zot) = dit | עָשִׂ֣יתָ (asita) = je hebt gedaan | לִּ֔י (li) = aan mij | הֲלֹ֤א (halo) = immers | בְרָחֵל֙ (berachel) = voor Rachel | עָבַ֣דְתִּי (avadti) = ik diende | עִמָּ֔ךְ (imakh) = bij je | וְלָ֖מָּה (velama) = en waarom | רִמִּיתָֽנִי (rimitani) = je hebt mij bedrogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ולמה רמיתני (velamah remitani), ‘waarom hebt u mij bedrogen?’: ramah, ‘bedriegen’, is verwant aan mirmah, ‘bedrog’, in 27:35. Jakob wordt bedrogen zoals hij zijn vader bedroog. Zie ook: Gen 12:18; Gen 27:35; Jub 28:3; Jub 28:4; Re 1:7; Spr 11:31; Mat 7:2; Openb 3:19 **29:26** Laban zei: „Zo doet men dat niet bij ons: de jongste geven vóór de oudste. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָבָ֔ן (lavan) = Laban | לֹא (lo) = niet | יֵעָשֶׂ֥ה (yease) = wordt gedaan | כֵ֖ן (ken) = zo | בִּמְקוֹמֵ֑נוּ (bimqomenu) = in onze plaats | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | הַצְּעִירָ֖ה (hatseira) = de jongste | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הַבְּכִירָֽה (habekhira) = de oudste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לתת הצעירה לפני הבכירה (latet hatse’irah lifnei habekhirah), ‘de jongste geven vóór de oudste’: Laban beroept zich op een gewoonte van de plaats. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:6 heeft dezelfde woorden van Laban: ‘Het is niet zo in ons land, de jongere te geven vóór de oudere’. Jasher 31:12 geeft hetzelfde antwoord van Laban. Zie ook: Jub 28:6; Jas 31:12 **29:27** Maak de bruiloftsweek van deze vol. Dan geven we je ook de andere, voor het werk dat je nog zeven jaar bij mij zult doen.” Brontekst: מַלֵּ֖א (male) = vul vol | שְׁבֻ֣עַ (shevua) = week van | זֹ֑את (zot) = deze | וְנִתְּנָ֨ה (venitena) = en we zullen geven | לְךָ֜ (lekha) = aan je | גַּם (gam) = ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | זֹ֗את (zot) = deze | בַּעֲבֹדָה֙ (baavoda) = voor het werk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תַּעֲבֹ֣ד (taavod) = je zult doen | עִמָּדִ֔י (imadi) = bij mij | ע֖וֹד (od) = nog | שֶֽׁבַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֥ים (shanim) = jaren | אֲחֵרֽוֹת (acherot) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מלא שׁבע זאת (male shevua zot), ‘maak deze week vol’: de bruiloftsweek van Lea. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:8–9 zegt dat Rachel na de zeven dagen van het feest werd gegeven en dat Jakob daarna nog zeven jaar diende. Jasher 31:12–13 noemt dezelfde tweede zeven jaar. Zie ook: Gen 2:2–3; Jub 28:8–9; Jas 31:12–13; Lev 18:18; Re 14:10; Re 14:12; Mal 2:15 **29:28** Jakob deed dat en maakte de week met haar vol. Toen gaf hij hem zijn dochter Rachel tot vrouw. Brontekst: וַיַּ֤עַשׂ (vayaas) = en hij deed | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | כֵּ֔ן (ken) = zo | וַיְמַלֵּ֖א (vaymale) = en hij vulde vol | שְׁבֻ֣עַ (shevua) = week van | זֹ֑את (zot) = deze | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | ל֛וֹ (lo) = aan hem | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רָחֵ֥ל (rachel) = Rachel | בִּתּ֖וֹ (bito) = zijn dochter | ל֥וֹ (lo) = aan hem | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 28:9 **29:29** Laban gaf zijn dienares Bilha aan zijn dochter Rachel als dienares. Brontekst: וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en hij gaf | לָבָן֙ (lavan) = Laban | לְרָחֵ֣ל (lerachel) = aan Rachel | בִּתּ֔וֹ (bito) = zijn dochter | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּלְהָ֖ה (bilha) = Bilha | שִׁפְחָת֑וֹ (shifchato) = zijn dienares | לָ֖הּ (lah) = aan haar | לְשִׁפְחָֽה (leshifcha) = tot dienares Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:24; Gen 30:3–8; Gen 35:22; Gen 35:25; Gen 37:2; Jub 28:9 **29:30** Hij ging ook naar Rachel toe, en hij hield meer van Rachel dan van Lea. Hij diende bij hem nog zeven jaar. Brontekst: וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en hij ging binnen | גַּ֣ם (gam) = ook | אֶל (el) = tot | רָחֵ֔ל (rachel) = Rachel | וַיֶּאֱהַ֥ב (vayeehav) = en hij hield van | גַּֽם (gam) = ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רָחֵ֖ל (rachel) = Rachel | מִלֵּאָ֑ה (milea) = meer dan Lea | וַיַּעֲבֹ֣ד (vayaavod) = en hij diende | עִמּ֔וֹ (imo) = bij hem | ע֖וֹד (od) = nog | שֶֽׁבַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֥ים (shanim) = jaren | אֲחֵרֽוֹת (acherot) = andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מלאה (mile’ah), ‘meer dan Lea’: de voorkeur voor Rachel, die vers 31 verklaart. Zie ook: Gen 29:18; Gen 29:20; Gen 29:31; Gen 31:41; Gen 44:27; Jub 28:10; Jub 36:23; Mat 10:37 ### De zonen van Lea **29:31** Yahweh zag dat Lea niet bemind was en opende haar baarmoeder, maar Rachel was onvruchtbaar. Brontekst: וַיַּ֤רְא (vayar) = en Hij zag | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = dat | שְׂנוּאָ֣ה (senua) = niet bemind | לֵאָ֔ה (lea) = Lea | וַיִּפְתַּ֖ח (vayiftach) = en Hij opende | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רַחְמָ֑הּ (rachmah) = haar baarmoeder | וְרָחֵ֖ל (verachel) = en Rachel | עֲקָרָֽה (aqara) = onvruchtbaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׂנואה (snu’ah), ‘niet bemind’: letterlijk ‘gehaat’; hier ‘achtergesteld’, want vers 30 zegt dat hij meer van Rachel hield (zie Deut. 21:15). עקרה (aqarah), ‘onvruchtbaar’: zie 11:30; 25:21. Voetnoot Lezing: Lezing: hier gelezen als ‘niet bemind’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:12 en Jasher 31:14 gebruiken ‘gehaat’. Zie ook: Gen 11:30; Gen 25:21; Gen 29:30; Jub 28:12; Jub 36:23; Jas 31:14; Deut 21:15; 1 Sam 1:5; 1 Sam 2:21; Ps 127:3; Mat 10:37 **29:32** Lea werd zwanger en baarde een zoon. Ze noemde hem Ruben, want ze zei: „Yahweh heeft mijn ellende gezien. Nu zal mijn man van mij houden.” Brontekst: וַתַּ֤הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | לֵאָה֙ (lea) = Lea | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | בֵּ֔ן (ben) = zoon | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | רְאוּבֵ֑ן (reuven) = Ruben | כִּ֣י (ki) = want | אָֽמְרָ֗ה (amera) = ze zei | כִּֽי (ki) = want | רָאָ֤ה (raa) = Hij heeft gezien | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּעָנְיִ֔י (beaneyi) = mijn ellende | כִּ֥י (ki) = want | עַתָּ֖ה (ata) = nu | יֶאֱהָבַ֥נִי (yeehavani) = zal liefhebben mij | אִישִֽׁי (ishi) = mijn man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ראובן (Re’uven), ‘Ruben’: ‘zie, een zoon’ (re’u ben); Lea verbindt de naam met ra’ah, ‘zien’. בעניי (be’onyi), ‘mijn ellende’: zie 16:11. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:14–15 noemt de vier zonen van Lea: Ruben, Levi, Simeon en Juda. Jubileeën 28:11 heeft ‘hij noemde’ (Jakob) waar Genesis ‘zij noemde’ (Lea) heeft. Zie ook: Gen 16:11; Gen 42:22; Jub 28:11; Jas 31:14–15; Ex 3:7; Ex 4:31; Deut 26:7; 2 Sam 16:12 **29:33** Ze werd opnieuw zwanger en baarde een zoon. Ze zei: „Yahweh heeft gehoord dat ik niet bemind ben, en heeft mij ook deze gegeven.” Ze noemde hem Simeon. Brontekst: וַתַּ֣הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | עוֹד֮ (od) = opnieuw | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | בֵּן֒ (ben) = zoon | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en ze zei | כִּֽי (ki) = want | שָׁמַ֤ע (shama) = Hij heeft gehoord | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = dat | שְׂנוּאָ֣ה (senua) = niet bemind | אָנֹ֔כִי (anokhi) = ik | וַיִּתֶּן (vayiten) = en Hij gaf | לִ֖י (li) = aan mij | גַּם (gam) = ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | זֶ֑ה (ze) = deze | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | שִׁמְעֽוֹן (shimon) = Simeon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁמע יהוה (shama YHWH), ‘Yahweh heeft gehoord’: Shim’on klinkt als shama, ‘horen’. Zie ook: Gen 30:8; Gen 30:18; Gen 30:20; Gen 34:25; Gen 34:30; Jub 28:13 **29:34** Ze werd opnieuw zwanger en baarde een zoon. Ze zei: „Nu zal mijn man zich deze keer aan mij verbinden, want ik heb hem drie zonen gebaard.” Daarom noemde men hem Levi. Brontekst: וַתַּ֣הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | עוֹד֮ (od) = opnieuw | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | בֵּן֒ (ben) = zoon | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en ze zei | עַתָּ֤ה (ata) = nu | הַפַּ֨עַם֙ (hapaam) = deze keer | יִלָּוֶ֤ה (yilave) = zal zich verbinden | אִישִׁי֙ (ishi) = mijn man | אֵלַ֔י (elay) = aan mij | כִּֽי (ki) = want | יָלַ֥דְתִּי (yaladti) = ik heb gebaard | ל֖וֹ (lo) = aan hem | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | בָנִ֑ים (banim) = zonen | עַל (al) = op | כֵּ֥ן (ken) = zo | קָרָֽא (qara) = men noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | לֵוִֽי (levi) = Levi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ילוה (yillaveh), ‘zal zich verbinden’: Levi klinkt als lavah, ‘zich verbinden’. Zie ook: Gen 46:11; Gen 49:5–7; Jub 28:14; Jub 31:16; Ex 32:26–29; Num 18:2–4; Deut 33:8–10 **29:35** Ze werd opnieuw zwanger en baarde een zoon. Ze zei: „Deze keer zal ik Yahweh danken.” Daarom noemde zij hem Juda. Toen hield ze op met baren. Brontekst: וַתַּ֨הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | ע֜וֹד (od) = opnieuw | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | בֵּ֗ן (ben) = zoon | וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en ze zei | הַפַּ֨עַם֙ (hapaam) = deze keer | אוֹדֶ֣ה (ode) = ik zal danken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = op | כֵּ֛ן (ken) = zo | קָרְאָ֥ה (qarea) = ze noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַֽתַּעֲמֹ֖ד (vataamod) = en ze hield op | מִלֶּֽדֶת (miledet) = met baren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אודה (odeh), ‘ik zal danken’: Yehudah klinkt als hodah, ‘danken, loven’. ותעמד מלדת (vata’amod miledet), ‘ze hield op met baren’: voorlopig (zie 30:17). Zie ook: Gen 30:17; Gen 35:26; Gen 49:8–12; Jub 28:15; Deut 33:7; 1 Kron 5:2; Mat 1:2 ## Genesis 30 _Kinderen van Jakob; Jakobs kudden_ ### Kinderen door Bilha **30:1** Toen Rachel zag dat zij Jakob geen kinderen baarde, werd zij jaloers op haar zus. Ze zei tegen Jakob: „Geef mij zonen, anders ben ik dood.” Brontekst: וַתֵּ֣רֶא (vatere) = en ze zag | רָחֵ֗ל (rachel) = Rachel | כִּ֣י (ki) = dat | לֹ֤א (lo) = niet | יָֽלְדָה֙ (yaleda) = ze had gebaard | לְיַעֲקֹ֔ב (leyaaqov) = aan Jakob | וַתְּקַנֵּ֥א (vateqane) = en ze was jaloers | רָחֵ֖ל (rachel) = Rachel | בַּאֲחֹתָ֑הּ (baachotah) = op haar zus | וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en ze zei | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | הָֽבָה (hava) = geef | לִּ֣י (li) = mij | בָנִ֔ים (banim) = zonen | וְאִם (veim) = en als | אַ֖יִן (ayin) = niet | מֵתָ֥ה (meta) = dood | אָנֹֽכִי (anokhi) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותקנא רחל באחתה (vatqanne Rachel be’achotah), ‘ze was jaloers op haar zus’. אין מתה אנכי (ein metah anochi), ‘anders ben ik dood’: zonder kinderen is haar leven leeg. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:16 zegt dat Rachel jaloers was op Lea toen zij Jakob geen kinderen baarde. Zie ook: Gen 29:31; Gen 37:11; Jub 28:16; Jas 31:16; Job 5:2; 1 Kor 3:3; 2 Kor 7:10 **30:2** Jakob werd kwaad op Rachel en zei: „Ben ik soms in de plaats van Elohim, die jou de vrucht van de baarmoeder heeft onthouden?” Brontekst: וַיִּֽחַר (vayichar) = en ontbrandde | אַ֥ף (af) = neus | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | בְּרָחֵ֑ל (berachel) = tegen Rachel | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הֲתַ֤חַת (hatachat) = in de plaats van | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אָנֹ֔כִי (anokhi) = ik | אֲשֶׁר (asher) = die | מָנַ֥ע (mana) = heeft onthouden | מִמֵּ֖ךְ (mimekh) = van jou | פְּרִי (peri) = vrucht van | בָֽטֶן (baten) = buik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: התחת אלהים אנכי (hatachat Elohim anochi), ‘ben ik in de plaats van Elohim?’: Jakob wijst erop dat alleen Elohim kinderen geeft (zie 29:31). Zie ook: Gen 16:2; Gen 29:31; Gen 31:36; Gen 50:19; Ps 127:3; 2 Kon 5:7 **30:3** Ze zei: „Zie, daar is mijn dienares Bilha. Ga naar haar toe. Zij zal baren op mijn knieën, en zo word ook ik door haar opgebouwd.” Brontekst: וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en ze zei | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | אֲמָתִ֥י (amati) = mijn dienares | בִלְהָ֖ה (bilha) = Bilha | בֹּ֣א (bo) = ga binnen | אֵלֶ֑יהָ (eleiha) = tot haar | וְתֵלֵד֙ (veteled) = opdat ze baart | עַל (al) = op | בִּרְכַּ֔י (birkay) = mijn knieën | וְאִבָּנֶ֥ה (veibane) = en laat mij opgebouwd worden | גַם (gam) = ook | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | מִמֶּֽנָּה (mimena) = uit haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותלד על ברכי (vateled al birkai), ‘zij zal baren op mijn knieën’: het kind op de knieën leggen is het erkennen als eigen kind (zie 50:23). ואבנה (ve’ivaneh), ‘en laat mij opgebouwd worden’: het woord klinkt als ben, ‘zoon’ (zie 16:2). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:16–19 zegt dat Rachel jaloers was op Lea en dat Jakob, na de vier zonen van Lea, bij Bilha binnenging. Zie ook: Gen 16:2–3; Gen 30:9; Gen 50:23; Jub 28:16–19; Jub 28:17; Job 3:12; Ruth 4:11 **30:4** Ze gaf hem haar dienares Bilha tot vrouw, en Jakob ging naar haar toe. Brontekst: וַתִּתֶּן (vatiten) = en ze gaf | ל֛וֹ (lo) = aan hem | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּלְהָ֥ה (bilha) = Bilha | שִׁפְחָתָ֖הּ (shifchatah) = haar dienares | לְאִשָּׁ֑ה (leisha) = tot vrouw | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij ging binnen | אֵלֶ֖יהָ (eleiha) = tot haar | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 16:3–4; Gen 21:10; Gen 22:24; Gen 33:2; Gen 35:22; Jub 28:18 **30:5** Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon. Brontekst: וַתַּ֣הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | בִּלְהָ֔ה (bilha) = Bilha | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en ze baarde | לְיַעֲקֹ֖ב (leyaaqov) = aan Jakob | בֵּֽן (ben) = zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 28:18 **30:6** Rachel zei: „Elohim heeft mij recht gedaan. Hij heeft ook naar mijn stem geluisterd en mij een zoon gegeven.” Daarom noemde zij hem Dan. Brontekst: וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en ze zei | רָחֵל֙ (rachel) = Rachel | דָּנַ֣נִּי (danani) = heeft mij recht gedaan | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | וְגַם֙ (vegam) = en ook | שָׁמַ֣ע (shama) = heeft gehoord | בְּקֹלִ֔י (beqoli) = naar mijn stem | וַיִּתֶּן (vayiten) = en Hij gaf | לִ֖י (li) = aan mij | בֵּ֑ן (ben) = zoon | עַל (al) = op | כֵּ֛ן (ken) = zo | קָרְאָ֥ה (qarea) = ze noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | דָּֽן (dan) = Dan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דנני (danani), ‘heeft mij recht gedaan’: Dan klinkt als dan, ‘recht doen’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:18 vertelt de geboorte van Bilha’s eerste zoon, maar noemt de naam Dan niet. Zie ook: Gen 29:32–35; Gen 49:16–17; Jub 28:18; Ps 35:24; Ps 43:1; Klaagl 3:59 **30:7** Bilha, de dienares van Rachel, werd opnieuw zwanger en baarde Jakob een tweede zoon. Brontekst: וַתַּ֣הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | ע֔וֹד (od) = opnieuw | וַתֵּ֕לֶד (vateled) = en ze baarde | בִּלְהָ֖ה (bilha) = Bilha | שִׁפְחַ֣ת (shifchat) = dienares van | רָחֵ֑ל (rachel) = Rachel | בֵּ֥ן (ben) = zoon | שֵׁנִ֖י (sheni) = tweede | לְיַעֲקֹֽב (leyaaqov) = aan Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 28:19 **30:8** Rachel zei: „Een zware worsteling heb ik gevoerd met mijn zus, en ik heb gewonnen.” Ze noemde hem Naftali. Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | רָחֵ֗ל (rachel) = Rachel | נַפְתּוּלֵ֨י (naftulei) = worstelingen van | אֱלֹהִ֧ים (Elohim) = Elohim | נִפְתַּ֛לְתִּי (niftalti) = ik heb gestreden | עִם (im) = met | אֲחֹתִ֖י (achoti) = mijn zus | גַּם (gam) = ook | יָכֹ֑לְתִּי (yakholti) = ik heb overwonnen | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | נַפְתָּלִֽי (naftali) = Naftali Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נפתולי אלהים (naftulei Elohim niftalti), ‘een worsteling van Elohim heb ik gevoerd’: ‘van Elohim’ kan ook ‘geweldig’ betekenen, dus ‘een zware worsteling’. Naftali klinkt als niftal, ‘worstelen’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:19 noemt Naftali. Zie ook: Gen 23:6; Gen 32:24–25; Gen 49:21; Jub 28:19; Ex 9:28; Mat 4:13 ### Kinderen door Zilpa **30:9** Toen Lea zag dat zij niet meer baarde, nam zij haar dienares Zilpa en gaf haar aan Jakob tot vrouw. Brontekst: וַתֵּ֣רֶא (vatere) = en ze zag | לֵאָ֔ה (lea) = Lea | כִּ֥י (ki) = dat | עָמְדָ֖ה (ameda) = ze was blijven staan | מִלֶּ֑דֶת (miledet) = met baren | וַתִּקַּח֙ (vatiqach) = en ze nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | זִלְפָּ֣ה (zilpa) = Zilpa | שִׁפְחָתָ֔הּ (shifchatah) = haar dienares | וַתִּתֵּ֥ן (vatiten) = en ze gaf | אֹתָ֛הּ (otah) = haar | לְיַעֲקֹ֖ב (leyaaqov) = aan Jakob | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עמדה מלדת (amedah miledet), ‘ze was blijven staan met baren’: zie 29:35. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:20 en Jasher 31:17 zeggen dat Lea Zilpa aan Jakob gaf toen zij zelf niet meer baarde. Zie ook: Gen 16:3; Gen 29:35; Gen 30:4; Gen 30:17; Jub 28:20; Jas 31:17 **30:10** Zilpa, de dienares van Lea, baarde Jakob een zoon. Brontekst: וַתֵּ֗לֶד (vateled) = en ze baarde | זִלְפָּ֛ה (zilpa) = Zilpa | שִׁפְחַ֥ת (shifchat) = dienares van | לֵאָ֖ה (lea) = Lea | לְיַעֲקֹ֥ב (leyaaqov) = aan Jakob | בֵּֽן (ben) = zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 28:20 **30:11** Lea zei: „Geluk is gekomen!” En ze noemde hem Gad. Brontekst: וַתֹּ֥אמֶר (vatomer) = en ze zei | לֵאָ֖ה (lea) = Lea | בגד (beged) = met geluk (geschreven) | בָּ֣א (ba) = komt | גָ֑ד (gad) = geluk | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | גָּֽד (gad) = Gad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Masoreten laten het lezen als בא גד (ba gad), ‘geluk is gekomen’. Hier is de gelezen vorm gevolgd. Gad klinkt als gad, ‘geluk’. Voetnoot Lezing: Lezing: het geschreven woord is בגד (bagad), ‘met geluk’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:20 noemt Gad. Zie ook: Gen 35:26; Gen 46:16; Gen 49:19; Jub 28:20; Deut 33:20–21; Jes 65:11 **30:12** Zilpa, de dienares van Lea, baarde Jakob een tweede zoon. Brontekst: וַתֵּ֗לֶד (vateled) = en ze baarde | זִלְפָּה֙ (zilpa) = Zilpa | שִׁפְחַ֣ת (shifchat) = dienares van | לֵאָ֔ה (lea) = Lea | בֵּ֥ן (ben) = zoon | שֵׁנִ֖י (sheni) = tweede | לְיַעֲקֹֽב (leyaaqov) = aan Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 28:21 **30:13** Lea zei: „Wat een geluk! Want de dochters zullen mij gelukkig noemen.” Ze noemde hem Aser. Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | לֵאָ֔ה (lea) = Lea | בְּאָשְׁרִ֕י (beasheri) = tot mijn geluk | כִּ֥י (ki) = want | אִשְּׁר֖וּנִי (isheruni) = zullen mij gelukkig noemen | בָּנ֑וֹת (banot) = dochters | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | אָשֵֽׁר (asher) = Aser Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: באשׁרי (be’oshri), ‘tot mijn geluk’, en אשׁרוני (ishsheruni), ‘zullen mij gelukkig noemen’: Aser klinkt als osher, ‘geluk’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 28:21 noemt Aser. Zie ook: Gen 35:26; Gen 49:20; Jub 28:21; Hoogl 6:9; Spr 31:28; Luc 1:48 ### De dudaïm **30:14** In de dagen van de tarweoogst ging Ruben naar het veld en vond dudaïm. Hij bracht ze naar zijn moeder Lea. Rachel zei tegen Lea: „Geef mij toch iets van de dudaïm van je zoon.” Brontekst: וַיֵּ֨לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | רְאוּבֵ֜ן (reuven) = Ruben | בִּימֵ֣י (bimei) = in dagen van | קְצִיר (qetsir) = oogst van | חִטִּ֗ים (chitim) = tarwe | וַיִּמְצָ֤א (vayimtsa) = en hij vond | דֽוּדָאִים֙ (dudaim) = dudaïm | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = in het veld | וַיָּבֵ֣א (vayave) = en hij bracht | אֹתָ֔ם (otam) = hen | אֶל (el) = tot | לֵאָ֖ה (lea) = Lea | אִמּ֑וֹ (imo) = zijn moeder | וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en ze zei | רָחֵל֙ (rachel) = Rachel | אֶל (el) = tot | לֵאָ֔ה (lea) = Lea | תְּנִי (teni) = geef | נָ֣א (na) = alsjeblieft | לִ֔י (li) = aan mij | מִדּוּדָאֵ֖י (midudaei) = van de dudaïm van | בְּנֵֽךְ (benekh) = je zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בימי קציר חטים (bimei qetsir chittim), ‘in de dagen van de tarweoogst’: eind mei of begin juni. דודאים (duda’im), ‘dudaïm’: een plant met geurige vruchten, die als middel voor vruchtbaarheid golden; vaak vertaald als ‘alruinen’ of ‘liefdesappels’. Zie ook: Gen 25:30; Hoogl 7:14 **30:15** Lea zei tegen haar: „Is het niet genoeg dat je mijn man hebt genomen? Wil je ook de dudaïm van mijn zoon nemen?” Rachel zei: „Daarom mag hij vannacht bij jou slapen, in ruil voor de dudaïm van je zoon.” Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | לָ֗הּ (lah) = tot haar | הַמְעַט֙ (hamat) = is het weinig | קַחְתֵּ֣ךְ (qachtekh) = dat je nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אִישִׁ֔י (ishi) = mijn man | וְלָקַ֕חַת (velaqachat) = en wil je nemen | גַּ֥ם (gam) = ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דּוּדָאֵ֖י (dudaei) = de dudaïm van | בְּנִ֑י (beni) = mijn zoon | וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | רָחֵ֗ל (rachel) = Rachel | לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | יִשְׁכַּ֤ב (yishkav) = hij zal liggen | עִמָּךְ֙ (imakh) = bij jou | הַלַּ֔יְלָה (halayla) = vannacht | תַּ֖חַת (tachat) = in ruil voor | דּוּדָאֵ֥י (dudaei) = de dudaïm van | בְנֵֽךְ (benekh) = je zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: המעט קחתך את אישׁי (hame’at qachtech et ishi), ‘is het niet genoeg dat je mijn man hebt genomen?’: Lea ziet Rachel als de bevoorrechte vrouw (zie 29:30). Zie ook: Gen 29:30; Num 16:9–10; Num 16:13; Jes 7:13; Ezech 16:47; 1 Kor 4:3 **30:16** 's Avonds kwam Jakob van het veld. Lea ging hem tegemoet en zei: „Je moet bij mij komen, want ik heb je werkelijk gehuurd met de dudaïm van mijn zoon.” Die nacht sliep hij bij haar. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en hij kwam | יַעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | מִן (min) = van | הַשָּׂדֶה֮ (hasade) = het veld | בָּעֶרֶב֒ (baerev) = in de avond | וַתֵּצֵ֨א (vatetse) = en ze ging uit | לֵאָ֜ה (lea) = Lea | לִקְרָאת֗וֹ (liqrato) = hem tegemoet | וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en ze zei | אֵלַ֣י (elay) = tot mij | תָּב֔וֹא (tavo) = je zult komen | כִּ֚י (ki) = want | שָׂכֹ֣ר (sakhor) = loon betalen | שְׂכַרְתִּ֔יךָ (sekhartikha) = ik heb je gehuurd | בְּדוּדָאֵ֖י (bedudaei) = met de dudaïm van | בְּנִ֑י (beni) = mijn zoon | וַיִּשְׁכַּ֥ב (vayishkav) = en hij lag | עִמָּ֖הּ (imah) = bij haar | בַּלַּ֥יְלָה (balayla) = in de nacht | הֽוּא (hu) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׂכר שׂכרתיך (sachor sechartich), ‘ik heb je werkelijk gehuurd’: het woord sachar, ‘loon, huur’, komt terug in de naam van vers 18. Zie ook: Gen 30:18 **30:17** Elohim luisterde naar Lea. Ze werd zwanger en baarde Jakob een vijfde zoon. Brontekst: וַיִּשְׁמַ֥ע (vayishma) = en Hij hoorde | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | לֵאָ֑ה (lea) = Lea | וַתַּ֛הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en ze baarde | לְיַעֲקֹ֖ב (leyaaqov) = aan Jakob | בֵּ֥ן (ben) = zoon | חֲמִישִֽׁי (chamishi) = vijfde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישׁמע אלהים אל לאה (vayishma Elohim el Leah), ‘Elohim luisterde naar Lea’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:18 en Jubileeën 28:22–23 noemen Issachar, Zebulon en Dina. Zie ook: Gen 30:22; Jub 28:22–23; Jas 31:18; Ex 3:7; 1 Sam 1:20; 1 Sam 1:26–27; Luc 1:13 **30:18** Lea zei: „Elohim heeft mij mijn loon gegeven, omdat ik mijn dienares aan mijn man heb gegeven.” Ze noemde hem Issachar. Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | לֵאָ֗ה (lea) = Lea | נָתַ֤ן (natan) = heeft gegeven | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | שְׂכָרִ֔י (sekhari) = mijn loon | אֲשֶׁר (asher) = omdat | נָתַ֥תִּי (natati) = ik heb gegeven | שִׁפְחָתִ֖י (shifchati) = mijn dienares | לְאִישִׁ֑י (leishi) = aan mijn man | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | יִשָּׂשכָֽר (yisashkhar) = Issachar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ישׂשכר (Yissaskhar), ‘Issachar’: klinkt als sachar, ‘loon’ (zie vers 16). Zie ook: Gen 30:16; Gen 35:23; Gen 46:13; Gen 49:14–15; Jub 28:22; Deut 33:18; 1 Kron 12:33 **30:19** Lea werd opnieuw zwanger en baarde Jakob een zesde zoon. Brontekst: וַתַּ֤הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | עוֹד֙ (od) = opnieuw | לֵאָ֔ה (lea) = Lea | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en ze baarde | בֵּן (ben) = zoon | שִׁשִּׁ֖י (shishi) = zesde | לְּיַעֲקֹֽב (leyaaqov) = aan Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 28:23 **30:20** Lea zei: „Elohim heeft mij een goede gave gegeven. Nu zal mijn man mij in ere houden, want ik heb hem zes zonen gebaard.” Ze noemde hem Zebulon. Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | לֵאָ֗ה (lea) = Lea | זְבָדַ֨נִי (zevadani) = heeft begiftigd | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | אֹתִי֮ (oti) = mij | זֵ֣בֶד (zeved) = met een gave | טוֹב֒ (tov) = goed | הַפַּ֨עַם֙ (hapaam) = de keer | יִזְבְּלֵ֣נִי (yizbeleni) = zal mij eren | אִישִׁ֔י (ishi) = mijn man | כִּֽי (ki) = want | יָלַ֥דְתִּי (yaladti) = ik heb gebaard | ל֖וֹ (lo) = aan hem | שִׁשָּׁ֣ה (shisha) = zes | בָנִ֑ים (banim) = zonen | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | זְבֻלֽוּן (zevulun) = Zebulon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זבדני (zevadani), ‘heeft mij begiftigd’, en יזבלני (yizbeleni), ‘zal mij in ere houden’: Zebulon klinkt als zaval, ‘eren’. Zie ook: Gen 35:23; Gen 49:13; Jub 28:23; Re 4:10; Re 5:14; Mat 4:13 **30:21** Daarna baarde zij een dochter, en ze noemde haar Dina. Brontekst: וְאַחַ֖ר (veachar) = en daarna | יָ֣לְדָה (yaleda) = ze baarde | בַּ֑ת (bat) = dochter | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמָ֖הּ (shemah) = haar naam | דִּינָֽה (dina) = Dina Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותקרא את שׁמה דינה (vatiqra et shemah Dinah), ‘ze noemde haar Dina’: bij Dina staat geen uitleg van de naam. Haar verhaal staat in hoofdstuk 34. Zie ook: Gen 34:1–3; Gen 34:26; Gen 46:15; Jub 28:23 ### De geboorte van Jozef **30:22** Elohim dacht aan Rachel. Elohim luisterde naar haar en opende haar baarmoeder. Brontekst: וַיִּזְכֹּ֥ר (vayizkor) = en Hij dacht | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רָחֵ֑ל (rachel) = Rachel | וַיִּשְׁמַ֤ע (vayishma) = en Hij hoorde | אֵלֶ֨יהָ֙ (eleiha) = naar haar | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | וַיִּפְתַּ֖ח (vayiftach) = en Hij opende | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רַחְמָֽהּ (rachmah) = haar baarmoeder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויזכר אלהים את רחל (vayizkor Elohim et Rachel), ‘Elohim dacht aan Rachel’: zie 8:1; 19:29. ויפתח את רחמה (vayiftach et rachmah), ‘hij opende haar baarmoeder’: zie 29:31. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:19–21 vertelt dat Rachel tot Yahweh bad dat Hij aan haar zou denken. Zie ook: Gen 8:1; Gen 19:29; Gen 25:21; Gen 29:31; Jub 28:24; Jas 31:19–21; 1 Sam 1:19–20; Ps 113:9 **30:23** Ze werd zwanger en baarde een zoon. Ze zei: „Elohim heeft mijn schande weggenomen.” Brontekst: וַתַּ֖הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | בֵּ֑ן (ben) = zoon | וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en ze zei | אָסַ֥ף (asaf) = heeft weggenomen | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֶרְפָּתִֽי (cherpati) = mijn schande Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אסף אלהים את חרפתי (asaf Elohim et cherpati), ‘Elohim heeft mijn schande weggenomen’: asaf, ‘wegnemen’, klinkt als Yosef. Onvruchtbaarheid gold als schande (zie Luc. 1:25). Zie ook: Gen 29:31; Jub 28:24; 1 Sam 1:5–6; Jes 4:1; Luc 1:25; Luc 1:27 **30:24** Ze noemde hem Jozef en zei: „Moge Yahweh mij nog een zoon toevoegen.” Brontekst: וַתִּקְרָ֧א (vatiqra) = en ze noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֛וֹ (shemo) = zijn naam | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | יֹסֵ֧ף (yosef) = moge toevoegen | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לִ֖י (li) = aan mij | בֵּ֥ן (ben) = zoon | אַחֵֽר (acher) = ander Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוסף (Yosef), ‘Jozef’: ‘hij voegt toe’ (yasaf). Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:21 zegt dat Jakob eenennegentig was toen Jozef werd geboren. Jubileeën 28:24 zegt dat Yahweh Rachel genadig was en haar schoot opende. Zie ook: Gen 35:24; Gen 37:2; Gen 39:1–23; Gen 49:22–26; Jub 28:24; Jas 31:21; Openb 7:8 ### Jakobs loon **30:25** Toen Rachel Jozef had gebaard, zei Jakob tegen Laban: „Laat mij gaan, naar mijn eigen plaats en naar mijn land. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = toen | יָלְדָ֥ה (yaleda) = had gebaard | רָחֵ֖ל (rachel) = Rachel | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | לָבָ֔ן (lavan) = Laban | שַׁלְּחֵ֨נִי֙ (shalecheni) = stuur mij weg | וְאֵ֣לְכָ֔ה (veelekha) = dat ik ga | אֶל (el) = naar | מְקוֹמִ֖י (meqomi) = mijn plaats | וּלְאַרְצִֽי (uleartsi) = en naar mijn land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁלחני ואלכה אל מקומי ולארצי (shalcheni ve’elchah el meqomi ule’artsi), ‘laat mij gaan naar mijn plaats en mijn land’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:22–24 zegt dat Rebekka haar min Debora naar Jakob stuurde met het bericht dat hij naar huis moest terugkeren. Jubileeën 28:25 heeft dezelfde vraag van Jakob. Zie ook: Gen 18:33; Gen 24:54; Gen 24:56; Gen 26:3; Gen 28:13; Jub 28:25; Jas 31:22–24 **30:26** Geef mij mijn vrouwen en mijn kinderen, voor wie ik u gediend heb, dan ga ik. U weet zelf welk werk ik voor u heb gedaan.” Brontekst: תְּנָ֞ה (tena) = geef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נָשַׁ֣י (nashay) = mijn vrouwen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יְלָדַ֗י (yeladay) = mijn kinderen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = voor wie | עָבַ֧דְתִּי (avadti) = ik heb gediend | אֹֽתְךָ֛ (otekha) = bij jou | בָּהֵ֖ן (bahen) = om hen | וְאֵלֵ֑כָה (veelekha) = dat ik ga | כִּ֚י (ki) = want | אַתָּ֣ה (ata) = jij | יָדַ֔עְתָּ (yadata) = weet | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֲבֹדָתִ֖י (avodati) = mijn dienst | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עֲבַדְתִּֽיךָ (avadtikha) = ik heb je gediend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:30; Gen 31:6; Gen 31:31; Gen 31:38–41; Jub 28:25; Hos 12:13 **30:27** Laban zei tegen hem: „Als ik gunst in je ogen heb gevonden… Ik heb voortekenen geraadpleegd en gemerkt dat Yahweh mij gezegend heeft omwille van jou.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | לָבָ֔ן (lavan) = Laban | אִם (im) = als | נָ֛א (na) = alsjeblieft | מָצָ֥אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֑יךָ (beeineikha) = in je ogen | נִחַ֕שְׁתִּי (nichashti) = ik heb voortekenen geraadpleegd | וַיְבָרֲכֵ֥נִי (vayvarakheni) = en heeft mij gezegend | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בִּגְלָלֶֽךָ (biglalekha) = omwille van jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נחשׁתי (nichashti), ‘ik heb voortekenen geraadpleegd’: het woord hoort bij nachash, ‘waarzeggen’ (zie 44:5, 15). Laban merkt dat Yahweh hem zegent door Jakob. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:25 geeft Labans antwoord als: blijf bij mij en noem je loon. Zie ook: Gen 12:3; Gen 26:24; Gen 44:5; Gen 44:15; Jub 28:26; Jas 31:25; Ruth 2:13; Jes 61:9; Hand 7:10 **30:28** Hij zei: „Noem je loon, dan geef ik het.” Brontekst: וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | נָקְבָ֧ה (naqeva) = noem | שְׂכָרְךָ֛ (sekharekha) = je loon | עָלַ֖י (alay) = aan mij | וְאֶתֵּֽנָה (veetena) = en ik zal geven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נקבה (nakvah), ‘noem’: van naqav, ‘aanwijzen, bepalen’. Zie ook: Gen 29:15; Gen 29:19; Jub 28:26 **30:29** Jakob zei tegen hem: „U weet zelf hoe ik u gediend heb en hoe het uw vee bij mij is vergaan. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | אַתָּ֣ה (ata) = jij | יָדַ֔עְתָּ (yadata) = weet | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = hoe | עֲבַדְתִּ֑יךָ (avadtikha) = ik heb je gediend | וְאֵ֛ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁר (asher) = hoe | הָיָ֥ה (haya) = was | מִקְנְךָ֖ (miqnekha) = je vee | אִתִּֽי (iti) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:6; Gen 31:38–40; Mat 24:45; Tit 2:9–10; 1 Petr 2:18 **30:30** Het was weinig wat u had voordat ik kwam. Het is enorm toegenomen, en Yahweh heeft u gezegend sinds ik hier ben. Maar wanneer mag ik ook iets doen voor mijn eigen huis?” Brontekst: כִּ֡י (ki) = want | מְעַט֩ (meat) = weinig | אֲשֶׁר (asher) = wat | הָיָ֨ה (haya) = was | לְךָ֤ (lekha) = aan jou | לְפָנַי֙ (lefanay) = vóór mij | וַיִּפְרֹ֣ץ (vayifrots) = en het breidde uit | לָרֹ֔ב (larov) = tot menigte | וַיְבָ֧רֶךְ (vayvarekh) = en heeft gezegend | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֹתְךָ֖ (otekha) = je | לְרַגְלִ֑י (leragli) = bij mijn voet | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | מָתַ֛י (matay) = wanneer | אֶֽעֱשֶׂ֥ה (eese) = zal ik doen | גַם (gam) = ook | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | לְבֵיתִֽי (leveiti) = voor mijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לרגלי (leragli), ‘sinds ik hier ben’: letterlijk ‘op mijn voet’, dus ‘door mijn komst’. ויפרץ (vayifrots), ‘het is toegenomen’: letterlijk ‘het brak door’, dezelfde stam als in vers 43 (zie ook 28:14). Zie ook: Gen 28:14; Gen 30:43; Deut 11:10; 2 Kor 12:14; 1 Tim 5:8 **30:31** Hij zei: „Wat moet ik je geven?” Jakob zei: „U hoeft mij niets te geven. Als u dit voor mij wilt doen, dan zal ik weer uw kudde weiden en bewaken. Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | מָ֣ה (ma) = wat | אֶתֶּן (eten) = zal ik geven | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | לֹא (lo) = niet | תִתֶּן (titen) = je zult geven | לִ֣י (li) = aan mij | מְא֔וּמָה (meuma) = iets | אִם (im) = als | תַּֽעֲשֶׂה (taase) = je zult doen | לִּי֙ (li) = voor mij | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | אָשׁ֛וּבָה (ashuva) = ik zal terugkeren | אֶרְעֶ֥ה (ere) = ik zal weiden | צֹֽאנְךָ֖ (tsonkha) = je kleinvee | אֶשְׁמֹֽר (eshmor) = ik zal bewaken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 28:27; 2 Sam 21:4–6; Ps 118:8; Heb 13:5 **30:32** Laat mij vandaag door heel uw kudde gaan. Haal daaruit elk gespikkeld en gevlekt dier weg, en elk donker dier onder de schapen, en onder de geiten elk gevlekt en gespikkeld dier. Dat zal mijn loon zijn. Brontekst: אֶֽעֱבֹ֨ר (eevor) = ik zal gaan | בְּכָל (bekhal) = door al | צֹֽאנְךָ֜ (tsonkha) = je kleinvee | הַיּ֗וֹם (hayom) = vandaag | הָסֵ֨ר (haser) = verwijder | מִשָּׁ֜ם (misham) = vandaar | כָּל (kal) = elk | שֶׂ֣ה (se) = stuk kleinvee | נָקֹ֣ד (naqod) = gespikkeld | וְטָל֗וּא (vetalu) = en gevlekt | וְכָל (vekhal) = en elk | שֶׂה (se) = stuk kleinvee | חוּם֙ (chum) = donker | בַּכְּשָׂבִ֔ים (bakesavim) = onder de schapen | וְטָל֥וּא (vetalu) = en gevlekt | וְנָקֹ֖ד (venaqod) = en gespikkeld | בָּעִזִּ֑ים (baizim) = onder de geiten | וְהָיָ֖ה (vehaya) = en het zal zijn | שְׂכָרִֽי (sekhari) = mijn loon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נקד וטלוא (naqod vetalu), ‘gespikkeld en gevlekt’, en חום (chum), ‘donker’: donkerbruin tot zwart. De meeste schapen waren wit en de meeste geiten zwart; Jakob vraagt om de uitzonderingen. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:26 zegt hetzelfde. Jubileeën 28:27 geeft de afspraak als ‘donker, gevlekt en gespikkeld met wit’. Zie ook: Gen 30:35; Gen 31:8; Gen 31:10; Jub 28:27; Jas 31:26 **30:33** Mijn rechtvaardigheid zal morgen voor mij antwoorden, wanneer u mijn loon komt bekijken. Alles wat onder de geiten niet gespikkeld en gevlekt is, en onder de schapen niet donker, is bij mij gestolen.” Brontekst: וְעָֽנְתָה (veaneta) = en zal antwoorden | בִּ֤י (bi) = tegen mij | צִדְקָתִי֙ (tsidqati) = mijn rechtvaardigheid | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag | מָחָ֔ר (machar) = morgen | כִּֽי (ki) = wanneer | תָב֥וֹא (tavo) = je zult komen | עַל (al) = over | שְׂכָרִ֖י (sekhari) = mijn loon | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor je gezicht | כֹּ֣ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אֵינֶנּוּ֩ (einenu) = niet is | נָקֹ֨ד (naqod) = gespikkeld | וְטָל֜וּא (vetalu) = en gevlekt | בָּֽעִזִּ֗ים (baizim) = onder de geiten | וְחוּם֙ (vechum) = en donker | בַּכְּשָׂבִ֔ים (bakesavim) = onder de schapen | גָּנ֥וּב (ganuv) = gestolen | ה֖וּא (hu) = dat is | אִתִּֽי (iti) = bij mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וענתה בי צדקתי (ve’anetah bi tsidqati), ‘mijn rechtvaardigheid zal voor mij antwoorden’: wie bij Jakob een ander dier vindt, heeft het bewijs van diefstal. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:27 zegt dat Laban deed zoals Jakob had gezegd. Zie ook: Gen 31:37; Jub 28:27; Jas 31:27; 1 Sam 26:23; 2 Sam 22:21; Ps 37:6; Jes 59:12 **30:34** Laban zei: „Goed, laat het zijn zoals je zegt.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | הֵ֑ן (hen) = zie | ל֖וּ (lu) = o dat | יְהִ֥י (yehi) = het zij | כִדְבָרֶֽךָ (kidvarekha) = naar je woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 28:27; Num 22:29; Gal 5:12; 1 Kor 7:7; 1 Kor 14:5 **30:35** Die dag haalde hij de gestreepte en gevlekte bokken weg, en alle gespikkelde en gevlekte geiten, alles waar wit aan zat, en alle donkere schapen. Hij gaf ze in de hand van zijn zonen. Brontekst: וַיָּ֣סַר (vayasar) = en hij verwijderde | בַּיּוֹם֩ (bayom) = op de dag | הַה֨וּא (hahu) = die | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַתְּיָשִׁ֜ים (hateyashim) = de bokken | הָֽעֲקֻדִּ֣ים (haaqudim) = de gestreepte | וְהַטְּלֻאִ֗ים (vehateluim) = en de gevlekte | וְאֵ֤ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | הָֽעִזִּים֙ (haizim) = de geiten | הַנְּקֻדּ֣וֹת (hanequdot) = de gespikkelde | וְהַטְּלֻאֹ֔ת (vehateluot) = en de gevlekte | כֹּ֤ל (kol) = alle | אֲשֶׁר (asher) = wat | לָבָן֙ (lavan) = wit | בּ֔וֹ (bo) = daarin | וְכָל (vekhal) = en alle | ח֖וּם (chum) = donker | בַּכְּשָׂבִ֑ים (bakesavim) = onder de schapen | וַיִּתֵּ֖ן (vayiten) = en hij gaf | בְּיַד (beyad) = in de hand van | בָּנָֽיו (banav) = zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: התישׁים העקדים (hateyashim ha’aqudim), ‘de gestreepte bokken’: aqud, ‘gestreept’, komt van aqad, ‘binden’. Voetnoot Lezing: Lezing: ‘zijn zonen’ is hier gelezen als de zonen van Laban (zie vers 36). Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:28 leest de zonen van Jakob. Zie ook: Gen 30:36; Gen 31:9; Jas 31:28 **30:36** Hij legde een afstand van drie dagreizen tussen zichzelf en Jakob. Jakob weidde de rest van Labans kudde. Brontekst: וַיָּ֗שֶׂם (vayasem) = en hij zette | דֶּ֚רֶךְ (derekh) = weg van | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | בֵּינ֖וֹ (beino) = tussen hem | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וְיַעֲקֹ֗ב (veyaaqov) = en Jakob | רֹעֶ֛ה (roe) = weidde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | צֹ֥אן (tson) = kleinvee van | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | הַנּוֹתָרֹֽת (hanotarot) = de overgebleven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דרך שׁלשׁת ימים (derekh sheloshet yamim), ‘een afstand van drie dagen’: zie 31:22. Zie ook: Gen 31:22 ### Jakobs kudden **30:37** Jakob nam verse staken van populier, amandel en plataan. Hij schilde er witte strepen in, zodat het witte van de staken bloot kwam. Brontekst: וַיִּֽקַּֽח (vayiqach) = en hij nam | ל֣וֹ (lo) = voor zich | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | מַקַּ֥ל (maqal) = staf van | לִבְנֶ֛ה (livne) = populier | לַ֖ח (lach) = vers | וְל֣וּז (veluz) = en amandel | וְעֶרְמ֑וֹן (veermon) = en plataan | וַיְפַצֵּ֤ל (vayfatsel) = en hij schilde | בָּהֵן֙ (bahen) = in ze | פְּצָל֣וֹת (petsalot) = strepen | לְבָנ֔וֹת (levanot) = witte | מַחְשֹׂף֙ (machsof) = het bloot leggen van | הַלָּבָ֔ן (halavan) = het witte | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = op | הַמַּקְלֽוֹת (hamaqlot) = de staven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לבנה (livneh), ‘populier’: ook vertaald als ‘storaxboom’; het woord betekent ‘wit’. ולוז (luz), ‘amandel’: zie ook 28:19, waar Luz de oude naam van Betel is. וערמון (armon), ‘plataan’. Zie ook: Gen 28:19; Gen 31:9–13; Ezech 31:8 **30:38** Hij zette de geschilde staken in de troggen, in de drinkbakken waar de kudden water kwamen drinken, recht tegenover de kudden. Zo raakten ze bronstig als ze kwamen drinken. Brontekst: וַיַּצֵּ֗ג (vayatseg) = en hij plaatste | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמַּקְלוֹת֙ (hamaqlot) = de staven | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | פִּצֵּ֔ל (pitsel) = hij had geschild | בָּרֳהָטִ֖ים (barohatim) = in de troggen | בְּשִֽׁקֲת֣וֹת (beshiqatot) = in de drinkbakken van | הַמָּ֑יִם (hamayim) = het water | אֲשֶׁר֩ (asher) = waar | תָּבֹ֨אןָ (tavona) = komen | הַצֹּ֤אן (hatson) = het kleinvee | לִשְׁתּוֹת֙ (lishtot) = om te drinken | לְנֹ֣כַח (lenokhach) = tegenover | הַצֹּ֔אן (hatson) = het kleinvee | וַיֵּחַ֖מְנָה (vayechamna) = en ze raakten in bronst | בְּבֹאָ֥ן (bevoan) = bij hun komen | לִשְׁתּֽוֹת (lishtot) = om te drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ברהטים (berehatim), ‘in de troggen’: zie Ex. 2:16. בשׁקתות (bishqatot), ‘in de drinkbakken’: zie 24:20. Zie ook: Gen 24:20; Ex 2:16 **30:39** De dieren paarden bij de staken en wierpen gestreepte, gespikkelde en gevlekte jongen. Brontekst: וַיֶּחֱמ֥וּ (vayechemu) = en ze raakten in bronst | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | אֶל (el) = bij | הַמַּקְל֑וֹת (hamaqlot) = de staven | וַתֵּלַ֣דְןָ (vateladna) = en ze baarden | הַצֹּ֔אן (hatson) = het kleinvee | עֲקֻדִּ֥ים (aqudim) = gestreepte | נְקֻדִּ֖ים (nequdim) = gespikkelde | וּטְלֻאִֽים (uteluim) = en gevlekte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:9–12; Gen 31:38; Gen 31:40; Gen 31:42; Jub 28:28; Ex 12:35–36 **30:40** Jakob scheidde de lammeren af en liet de dieren kijken naar het gestreepte en naar alles wat donker was in de kudde van Laban. Zo maakte hij aparte kudden voor zichzelf en voegde ze niet bij de kudde van Laban. Brontekst: וְהַכְּשָׂבִים֮ (vehakesavim) = en de lammeren | הִפְרִ֣יד (hifrid) = hij scheidde af | יַעֲקֹב֒ (yaaqov) = Jakob | וַ֠יִּתֵּן (vayiten) = en hij richtte | פְּנֵ֨י (penei) = gezichten van | הַצֹּ֧אן (hatson) = het kleinvee | אֶל (el) = naar | עָקֹ֛ד (aqod) = gestreept | וְכָל (vekhal) = en alle | ח֖וּם (chum) = donker | בְּצֹ֣אן (betson) = in het kleinvee van | לָבָ֑ן (lavan) = Laban | וַיָּֽשֶׁת (vayashet) = en hij zette | ל֤וֹ (lo) = voor zich | עֲדָרִים֙ (adarim) = kudden | לְבַדּ֔וֹ (levado) = alleen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | שָׁתָ֖ם (shatam) = hij zette ze | עַל (al) = bij | צֹ֥אן (tson) = kleinvee van | לָבָֽן (lavan) = Laban Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **30:41** Telkens als de sterke dieren bronstig waren, legde Jakob de staken in de troggen, voor de ogen van de dieren, zodat ze bij de staken bronstig werden. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het gebeurde | בְּכָל (bekhal) = telkens als | יַחֵם֮ (yachem) = bronst van | הַצֹּ֣אן (hatson) = het kleinvee | הַמְקֻשָּׁרוֹת֒ (hamqusharot) = de sterke | וְשָׂ֨ם (vesam) = en plaatste | יַעֲקֹ֧ב (yaaqov) = Jakob | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמַּקְל֛וֹת (hamaqlot) = de staven | לְעֵינֵ֥י (leeinei) = voor de ogen van | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | בָּרֳהָטִ֑ים (barohatim) = in de troggen | לְיַחְמֵ֖נָּה (leyachmena) = opdat ze in bronst raakten | בַּמַּקְלֽוֹת (bamaqlot) = bij de staven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: המקשׁרות (hamqushshorot), ‘de sterke’: letterlijk ‘de vastgebonden’, dus de stevige. Het tegenovergestelde is ‘de zwakke’ in vers 42. Zie ook: Gen 30:42 **30:42** Maar bij de zwakke dieren legde hij ze niet neer. Zo werden de zwakke voor Laban en de sterke voor Jakob. Brontekst: וּבְהַעֲטִ֥יף (uvehaatif) = en bij het zwak zijn van | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | לֹ֣א (lo) = niet | יָשִׂ֑ים (yasim) = hij legde ze neer | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het werd | הָעֲטֻפִים֙ (haatufim) = de zwakke | לְלָבָ֔ן (lelavan) = aan Laban | וְהַקְּשֻׁרִ֖ים (vehaqeshurim) = en de sterke | לְיַעֲקֹֽב (leyaaqov) = aan Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: העטפים ללבן והקשׁרים ליעקב (ha’utafim leLavan vehaqeshurim leYa’aqov), ‘de zwakke voor Laban en de sterke voor Jakob’. **30:43** De man werd buitengewoon rijk. Hij kreeg veel kleinvee, dienaressen en dienaren, kamelen en ezels. Brontekst: וַיִּפְרֹ֥ץ (vayifrots) = en hij brak door | הָאִ֖ישׁ (haish) = de man | מְאֹ֣ד (meod) = zeer | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַֽיְהִי (vayhi) = en er was | לוֹ֙ (lo) = aan hem | צֹ֣אן (tson) = kleinvee | רַבּ֔וֹת (rabot) = veel | וּשְׁפָחוֹת֙ (ushefachot) = en dienaressen | וַעֲבָדִ֔ים (vaavadim) = en dienaren | וּגְמַלִּ֖ים (ugemalim) = en kamelen | וַחֲמֹרִֽים (vachamorim) = en ezels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויפרץ האישׁ מאד מאד (vayifrots ha’ish me’od me’od), ‘de man brak buitengewoon door’: zie 28:14 en vers 30. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:31–33 zegt dat Jakob zes jaar langer bij Laban diende en zeer rijk werd. Jubileeën 28:29 noemt zijn bezit aan runderen, schapen, ezels, kamelen, knechten en meiden. Zie ook: Gen 13:2; Gen 24:35; Gen 26:13–14; Gen 28:14; Gen 28:15; Gen 30:30; Jub 28:29; Jas 31:31–33 ## Genesis 31 _Jakob verlaat Laban; Gilead_ ### Jakob wil terug **31:1** Jakob hoorde de woorden van de zonen van Laban. Zij zeiden: „Jakob heeft alles genomen wat van onze vader was. Van wat van onze vader was heeft hij al deze rijkdom gemaakt.” Brontekst: וַיִּשְׁמַ֗ע (vayishma) = en hij hoorde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּבְרֵ֤י (divrei) = woorden van | בְנֵֽי (benei) = zonen van | לָבָן֙ (lavan) = Laban | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | לָקַ֣ח (laqach) = heeft genomen | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לְאָבִ֑ינוּ (leavinu) = van onze vader | וּמֵאֲשֶׁ֣ר (umeasher) = en van wat | לְאָבִ֔ינוּ (leavinu) = van onze vader | עָשָׂ֕ה (asa) = heeft gemaakt | אֵ֥ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | הַכָּבֹ֖ד (hakavod) = de rijkdom | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הכבד הזה (hakavod hazeh), ‘al deze rijkdom’: kavod betekent letterlijk ‘gewicht’ en ook ‘eer’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:35 zegt dat de zonen van Laban Jakob zijn eer misgunden. Zie ook: Gen 45:13; Jub 28:30; Jas 31:35; Job 31:31; Pred 4:4; Ezech 16:44; 1 Tim 6:4 **31:2** Jakob zag het gezicht van Laban, en zie, het stond hem niet meer zo gunstig als vroeger. Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en hij zag | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פְּנֵ֣י (penei) = gezicht van | לָבָ֑ן (lavan) = Laban | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | אֵינֶ֛נּוּ (einenu) = niet | עִמּ֖וֹ (imo) = jegens hem | כִּתְמ֥וֹל (kitmol) = zoals gisteren | שִׁלְשֽׁוֹם (shilshom) = eergisteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 4:5; Gen 30:27; Jub 28:30; 1 Sam 18:9–11; 1 Sam 19:7; Dan 3:19 **31:3** Yahweh zei tegen Jakob: **„Keer terug naar het land van je vaderen en naar je geboorteland. Ik zal met je zijn.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | שׁ֛וּב (shuv) = keer terug | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | אֲבוֹתֶ֖יךָ (avoteikha) = je vaderen | וּלְמוֹלַדְתֶּ֑ךָ (ulemoladtekha) = en naar je geboorteland | וְאֶֽהְיֶ֖ה (veehye) = en Ik zal zijn | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוב אל ארץ אבותיך (shuv el eretz avotekha), ‘keer terug naar het land van je vaderen’: zie 28:15. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:37 zegt dat Yahweh aan het eind van de zes jaar aan Jakob verscheen. Zie ook: Gen 28:15; Gen 31:13; Gen 32:9; Jas 31:37; Jes 41:10; Heb 13:5 **31:4** Jakob liet Rachel en Lea naar het veld bij zijn kudde roepen. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֣ח (vayishlach) = en hij zond | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וַיִּקְרָ֖א (vayiqra) = en hij riep | לְרָחֵ֣ל (lerachel) = naar Rachel | וּלְלֵאָ֑ה (ulelea) = en naar Lea | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | אֶל (el) = naar | צֹאנֽוֹ (tsono) = zijn kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 29:2; Jub 29:3 **31:5** Hij zei tegen hen: „Ik zie dat het gezicht van jullie vader niet meer zo gunstig tegenover mij staat als vroeger. Maar de Elohim van mijn vader is met mij geweest. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶ֗ן (lahen) = tot hen | רֹאֶ֤ה (roe) = ziende | אָנֹכִי֙ (anokhi) = ik | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פְּנֵ֣י (penei) = gezicht van | אֲבִיכֶ֔ן (avikhen) = jullie vader | כִּֽי (ki) = dat | אֵינֶ֥נּוּ (einenu) = niet | אֵלַ֖י (elay) = jegens mij | כִּתְמֹ֣ל (kitmol) = zoals gisteren | שִׁלְשֹׁ֑ם (shilshom) = eergisteren | וֵֽאלֹהֵ֣י (velohei) = en Elohim van | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | הָיָ֖ה (haya) = is geweest | עִמָּדִֽי (imadi) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואלהי אבי היה עמדי (ve’Elohei avi hayah immadi), ‘de Elohim van mijn vader is met mij geweest’: zie 28:13; 31:42. Zie ook: Gen 28:13; Gen 31:2–3; Gen 31:42; Gen 31:53; Gen 48:15; Gen 50:17; Jub 29:3 **31:6** Jullie weten zelf dat ik jullie vader met al mijn kracht gediend heb. Brontekst: וְאַתֵּ֖נָה (veatena) = en jullie | יְדַעְתֶּ֑ן (yedaten) = weten | כִּ֚י (ki) = dat | בְּכָל (bekhal) = met heel | כֹּחִ֔י (kochi) = mijn kracht | עָבַ֖דְתִּי (avadti) = ik heb gediend | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲבִיכֶֽן (avikhen) = jullie vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:29; Gen 31:38–42; Jub 29:3; Ef 6:5–8; Kol 3:22–25; Tit 2:9–10 **31:7** Jullie vader heeft mij bedrogen en mijn loon tien keer veranderd, maar Elohim heeft hem niet toegestaan mij kwaad te doen. Brontekst: וַאֲבִיכֶן֙ (vaavikhen) = en jullie vader | הֵ֣תֶל (hetel) = heeft bedrogen | בִּ֔י (bi) = mij | וְהֶחֱלִ֥ף (vehechelif) = en hij veranderde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מַשְׂכֻּרְתִּ֖י (maskurti) = mijn loon | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien | מֹנִ֑ים (monim) = keer | וְלֹֽא (velo) = en niet | נְתָנ֣וֹ (netano) = heeft toegestaan | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | לְהָרַ֖ע (lehara) = om kwaad te doen | עִמָּדִֽי (imadi) = bij mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עשׂרת מנים (aseret monim), ‘tien keer’: ‘tien’ kan een vol getal zijn voor ‘vaak’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:3 zegt dat Laban Jakobs loon tien keer veranderde. Zie ook: Gen 31:41; Jub 29:3; Jas 32:3; Num 14:22; Ps 37:28; Zach 8:23; Neh 4:6 **31:8** Als hij zei dat de gespikkelde dieren je loon zouden zijn, dan wierp heel de kudde gespikkelde jongen. En als hij zei dat de gestreepte je loon zouden zijn, dan wierp heel de kudde gestreepte jongen. Brontekst: אִם (im) = als | כֹּ֣ה (ko) = zo | יֹאמַ֗ר (yomar) = hij zou zeggen | נְקֻדִּים֙ (nequdim) = gespikkelde | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zullen zijn | שְׂכָרֶ֔ךָ (sekharekha) = je loon | וְיָלְד֥וּ (veyaledu) = en ze baarden | כָל (kal) = heel | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | נְקֻדִּ֑ים (nequdim) = gespikkelde | וְאִם (veim) = en als | כֹּ֣ה (ko) = zo | יֹאמַ֗ר (yomar) = hij zou zeggen | עֲקֻדִּים֙ (aqudim) = gestreepte | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zullen zijn | שְׂכָרֶ֔ךָ (sekharekha) = je loon | וְיָלְד֥וּ (veyaledu) = en ze baarden | כָל (kal) = heel | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | עֲקֻדִּֽים (aqudim) = gestreepte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:32; Jub 29:3 **31:9** Zo heeft Elohim het vee van jullie vader afgenomen en aan mij gegeven. Brontekst: וַיַּצֵּ֧ל (vayatsel) = en Hij nam weg | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מִקְנֵ֥ה (miqne) = vee van | אֲבִיכֶ֖ם (avikhem) = jullie vader | וַיִּתֶּן (vayiten) = en Hij gaf | לִֽי (li) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויצל (vayyatsel), ‘hij nam weg’: van natsal, ‘wegnemen, redden’ (zie Ex. 12:36). Zie ook: Gen 31:1; Gen 31:16; Jub 29:3; Ex 12:36; Ps 50:10; Spr 13:22; Mat 20:15 **31:10** In de tijd dat de kudde bronstig was, sloeg ik mijn ogen op en zag in een droom. Zie, de bokken die de kudde besprongen, waren gestreept, gespikkeld en bont. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בְּעֵת֙ (beet) = in tijd van | יַחֵ֣ם (yachem) = bronst van | הַצֹּ֔אן (hatson) = het kleinvee | וָאֶשָּׂ֥א (vaesa) = en ik hief op | עֵינַ֛י (einay) = mijn ogen | וָאֵ֖רֶא (vaere) = en ik zag | בַּחֲל֑וֹם (bachalom) = in een droom | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | הָֽעַתֻּדִים֙ (haatudim) = de bokken | הָעֹלִ֣ים (haolim) = die besprongen | עַל (al) = op | הַצֹּ֔אן (hatson) = het kleinvee | עֲקֻדִּ֥ים (aqudim) = gestreepte | נְקֻדִּ֖ים (nequdim) = gespikkelde | וּבְרֻדִּֽים (uverudim) = en bonte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וברדים (uvrudim), ‘en bonte’: barud, ‘bont’, hangt samen met barad, ‘hagel’: gevlekt als met hagelkorrels. Deze droom wordt hier voor het eerst verteld; in hoofdstuk 30 staat hij niet. Zie ook: Gen 30; Gen 30:39; Gen 31:24; Num 12:6; Deut 13:2; 1 Kon 3:5 **31:11** De boodschapper van Elohim zei in de droom tegen mij: ‘Jakob!’ En ik zei: ‘Hier ben ik.’ Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֜י (elay) = tot mij | מַלְאַ֧ךְ (malakh) = boodschapper van | הָאֱלֹהִ֛ים (haElohim) = de Elohim | בַּחֲל֖וֹם (bachalom) = in de droom | יַֽעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | הִנֵּֽנִי (hineni) = Hier ben ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מלאך האלהים (mal’akh haElohim), ‘de boodschapper van Elohim’. הנני (hineni), ‘Hier ben ik’: zie 22:1. Zie ook: Gen 18:17; Gen 22:1; Gen 31:5; Gen 31:13; Gen 48:15–16; Jes 58:9 **31:12** Hij zei: _‘Sla toch je ogen op en zie: alle bokken die de kudde bespringen, zijn gestreept, gespikkeld en bont. Want Ik heb gezien wat Laban je aandoet._ Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en Hij zei | שָׂא (sa) = hef op | נָ֨א (na) = alsjeblieft | עֵינֶ֤יךָ (eineikha) = je ogen | וּרְאֵה֙ (uree) = en zie | כָּל (kal) = alle | הָֽעַתֻּדִים֙ (haatudim) = de bokken | הָעֹלִ֣ים (haolim) = die besprongen | עַל (al) = op | הַצֹּ֔אן (hatson) = het kleinvee | עֲקֻדִּ֥ים (aqudim) = gestreepte | נְקֻדִּ֖ים (nequdim) = gespikkelde | וּבְרֻדִּ֑ים (uverudim) = en bonte | כִּ֣י (ki) = want | רָאִ֔יתִי (raiti) = Ik heb gezien | אֵ֛ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | עֹ֥שֶׂה (ose) = doet | לָּֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:42; Ex 3:7; Deut 24:15; Pred 5:7; Hand 7:34 **31:13** _Ik ben de El van Betel, waar je een gedenkzuil gezalfd hebt en waar je Mij een gelofte gedaan hebt. Sta nu op, ga weg uit dit land en keer terug naar het land waar je geboren bent.’_” Brontekst: אָנֹכִ֤י (anokhi) = Ik | הָאֵל֙ (hael) = de El | בֵּֽית (beit) = huis van | אֵ֔ל (el) = El | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | מָשַׁ֤חְתָּ (mashachta) = je zalfde | שָּׁם֙ (sham) = daar | מַצֵּבָ֔ה (matseva) = een gedenkzuil | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | נָדַ֥רְתָּ (nadarta) = je beloofde | לִּ֛י (li) = aan Mij | שָׁ֖ם (sham) = daar | נֶ֑דֶר (neder) = een gelofte | עַתָּ֗ה (ata) = nu | ק֥וּם (qum) = sta op | צֵא֙ (tse) = ga uit | מִן (min) = uit | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וְשׁ֖וּב (veshuv) = en keer terug | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מוֹלַדְתֶּֽךָ (moladtekha) = je geboorte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: אנכי האל בית אל (anokhi ha’El Beit El), ‘Ik ben de El van Betel’: zie 28:13–22. Het zalven van de gedenkzuil staat in 28:18. Zie ook: Gen 28:12–22; Gen 28:13–22; Gen 28:18; Gen 31:3; Gen 32:9; Gen 35:7 **31:14** Rachel en Lea antwoordden hem: „Hebben wij nog een deel en een erfenis in het huis van onze vader? Brontekst: וַתַּ֤עַן (vataan) = en ze antwoordde | רָחֵל֙ (rachel) = Rachel | וְלֵאָ֔ה (velea) = en Lea | וַתֹּאמַ֖רְנָה (vatomarna) = en ze zeiden | ל֑וֹ (lo) = tot hem | הַע֥וֹד (haod) = nog | לָ֛נוּ (lanu) = voor ons | חֵ֥לֶק (cheleq) = deel | וְנַחֲלָ֖ה (venachala) = en erfdeel | בְּבֵ֥ית (beveit) = in huis van | אָבִֽינוּ (avinu) = onze vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חלק ונחלה (cheleq venachalah), ‘een deel en een erfenis’: dochters erfden gewoonlijk niet van hun vader (zie Num. 27:1–8). Zie ook: Gen 2:24; Gen 29:24; Gen 29:29; Num 27:1–8; Ruth 4:11 **31:15** Worden wij door hem niet als vreemden beschouwd? Want hij heeft ons verkocht, en ons geld heeft hij helemaal opgegeten. Brontekst: הֲל֧וֹא (halo) = is het niet | נָכְרִיּ֛וֹת (nakheriyot) = vreemden | נֶחְשַׁ֥בְנוּ (nechshavnu) = we zijn beschouwd | ל֖וֹ (lo) = door hem | כִּ֣י (ki) = want | מְכָרָ֑נוּ (mekharanu) = hij verkocht ons | וַיֹּ֥אכַל (vayokhal) = en hij at | גַּם (gam) = ook | אָכ֖וֹל (akhol) = opeten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כַּסְפֵּֽנוּ (kaspenu) = ons geld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מכרנו (mekharanu), ‘hij heeft ons verkocht’: Jakobs dienst gold als bruidsprijs voor Rachel en Lea (zie 29:18, 27), maar Laban hield de opbrengst voor zichzelf. Zie ook: Gen 29:15–20; Gen 29:18; Gen 29:27–30; Gen 30:26; Gen 31:41; Neh 5:8 **31:16** Alle rijkdom die Elohim van onze vader heeft afgenomen, is van ons en van onze kinderen. Doe nu alles wat Elohim tegen je gezegd heeft.” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כָל (kal) = heel | הָעֹ֗שֶׁר (haosher) = de rijkdom | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הִצִּ֤יל (hitsil) = Hij nam weg | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | מֵֽאָבִ֔ינוּ (meavinu) = van onze vader | לָ֥נוּ (lanu) = van ons | ה֖וּא (hu) = is | וּלְבָנֵ֑ינוּ (ulevaneinu) = en van onze zonen | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | כֹּל֩ (kol) = alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | אָמַ֧ר (amar) = Hij zei | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot jou | עֲשֵֽׂה (ase) = doe Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:35–31:1; Gen 31:9; Ps 45:11 ### De vlucht **31:17** Jakob stond op en zette zijn zonen en zijn vrouwen op de kamelen. Brontekst: וַיָּ֖קָם (vayaqam) = en hij stond op | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וַיִּשָּׂ֛א (vayisa) = en hij tilde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בָּנָ֥יו (banav) = zijn zonen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | נָשָׁ֖יו (nashav) = zijn vrouwen | עַל (al) = op | הַגְּמַלִּֽים (hagemalim) = de kamelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:38 zegt ook dat Jakob zijn vrouwen en kinderen op kamelen zette. Zie ook: Gen 24:10; Gen 24:61; Jas 31:38; 1 Sam 30:17 **31:18** Hij dreef al zijn vee weg en nam al zijn bezit mee dat hij had verworven, het vee dat hij in Paddan-Aram had verworven, om naar zijn vader Isaak te gaan, naar het land Kanaän. Brontekst: וַיִּנְהַ֣ג (vayinhag) = en hij dreef weg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | מִקְנֵ֗הוּ (miqnehu) = zijn vee | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | רְכֻשׁוֹ֙ (rekhusho) = zijn bezit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | רָכָ֔שׁ (rakhash) = hij had verworven | מִקְנֵה֙ (miqne) = vee van | קִנְיָנ֔וֹ (qinyano) = zijn bezit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | רָכַ֖שׁ (rakhash) = hij had verworven | בְּפַדַּ֣ן (befadan) = in Paddan | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | לָב֛וֹא (lavo) = om te komen | אֶל (el) = naar | יִצְחָ֥ק (yitschaq) = Isaak | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | אַ֥רְצָה (artsa) = naar het land | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: בפדן ארם (Paddan Aram), ‘Paddan-Aram’: zie 25:20; 28:2. Zie ook: Gen 25:20; Gen 27:1–2; Gen 27:41; Gen 28:2; Gen 28:21; Gen 35:27–29 **31:19** Laban was zijn schapen gaan scheren. Rachel stal de huisgoden van haar vader. Brontekst: וְלָבָ֣ן (velavan) = en Laban | הָלַ֔ךְ (halakh) = was gegaan | לִגְזֹ֖ז (ligzoz) = om te scheren | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | צֹאנ֑וֹ (tsono) = zijn kleinvee | וַתִּגְנֹ֣ב (vatignov) = en ze stal | רָחֵ֔ל (rachel) = Rachel | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַתְּרָפִ֖ים (haterafim) = de terafim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לְאָבִֽיהָ (leaviha) = van haar vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: התרפים (hatraphim), ‘de terafim’: kleine beelden die als huisgoden dienden; mogelijk gaven ze ook recht op de erfenis van het huis (zie vers 30). Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:40–44 zegt dat Rachel ze nam opdat Laban er niet in zou kunnen zien waarheen Jakob was gegaan. Zie ook: Gen 31:30; Gen 35:2; Jub 29:1; Jub 31:2; Jas 31:40–44; 1 Sam 19:13; Hos 3:4; Ezech 21:26 **31:20** Jakob misleidde Laban, de Arameeër: hij vertelde hem niet dat hij vluchtte. Brontekst: וַיִּגְנֹ֣ב (vayignov) = en hij stal | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לֵ֥ב (lev) = hart van | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | הָאֲרַמִּ֑י (haarami) = de Arameeër | עַל (al) = op | בְּלִי֙ (beli) = zonder | הִגִּ֣יד (higid) = te vertellen | ל֔וֹ (lo) = aan hem | כִּ֥י (ki) = dat | בֹרֵ֖חַ (boreach) = vluchtend | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לב לבן (lev Lavan), ‘het hart van Laban’: letterlijk ‘hij stal het hart van Laban’, dus ‘hij misleidde hem’ (zie ook vers 26). הארמי (haArami), ‘de Arameeër’: Laban komt uit Aram (zie 25:20). Zie ook: Gen 25:20; Gen 31:26 **31:21** Hij vluchtte met alles wat hij had. Hij stond op, stak de rivier over en richtte zijn gezicht naar het gebergte Gilead. Brontekst: וַיִּבְרַ֥ח (vayivrach) = en hij vluchtte | הוּא֙ (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֔וֹ (lo) = aan hem | וַיָּ֖קָם (vayaqam) = en hij stond op | וַיַּעֲבֹ֣ר (vayaavor) = en hij stak over | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַנָּהָ֑ר (hanahar) = de rivier | וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en hij richtte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | הַ֥ר (har) = berg van | הַגִּלְעָֽד (hagilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: הר הגלעד (har haGil’ad), ‘het gebergte Gilead’: ‘de rivier’ is de Eufraat (zie 15:18). Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, ten zuiden van de Jarmoek, ongeveer 600 km hemelsbreed van Charan. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 29:4–5 zegt dat Jakob zich naar Gilead keerde en dat Laban hem op de berg Gilead inhaalde. Zie ook: Gen 15:18; Gen 37:25; Jub 29:4–5; Jub 29:5; Num 24:1; Joz 24:2–3; 2 Kon 12:18; Luc 9:51–53 **31:22** Op de derde dag werd Laban verteld dat Jakob gevlucht was. Brontekst: וַיֻּגַּ֥ד (vayugad) = en men vertelde | לְלָבָ֖ן (lelavan) = aan Laban | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op dag | הַשְּׁלִישִׁ֑י (hashelishi) = de derde | כִּ֥י (ki) = dat | בָרַ֖ח (barach) = hij was gevlucht | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:36; Jub 29:5; Job 5:12–13; Ex 14:5–31 **31:23** Hij nam zijn verwanten met zich mee en achtervolgde hem, zeven dagreizen ver. Op het gebergte Gilead haalde hij hem in. Brontekst: וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶחָיו֙ (echav) = zijn broers | עִמּ֔וֹ (imo) = met zich | וַיִּרְדֹּ֣ף (vayirdof) = en hij achtervolgde | אַחֲרָ֔יו (acharav) = achter hem | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = weg van | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וַיַּדְבֵּ֥ק (vayadbeq) = en hij haalde in | אֹת֖וֹ (oto) = hem | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | הַגִּלְעָֽד (hagilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: דרך שׁבעת ימים (derekh shiv’at yamim), ‘zeven dagreizen’: een ver stuk. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:46 zegt dat Laban zijn verwanten en dienaren meenam. Zie ook: Gen 13:8; Gen 24:27; Jub 29:5; Jas 31:46; Ex 2:11; Ex 2:13 **31:24** Elohim kwam 's nachts in een droom naar Laban, de Arameeër, en zei tegen hem: **„Pas op dat je niets zegt tegen Jakob, goed noch slecht.”** Brontekst: וַיָּבֹ֧א (vayavo) = en Hij kwam | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = tot | לָבָ֥ן (lavan) = Laban | הָאֲרַמִּ֖י (haarami) = de Arameeër | בַּחֲלֹ֣ם (bachalom) = in een droom | הַלָּ֑יְלָה (halayela) = de nacht | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | ל֗וֹ (lo) = tegen hem | הִשָּׁ֧מֶר (hishamer) = neem je in acht | לְךָ֛ (lekha) = voor jezelf | פֶּן (pen) = opdat niet | תְּדַבֵּ֥ר (tedaber) = je spreekt | עִֽם (im) = met | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | מִטּ֥וֹב (mitov) = van goed | עַד (ad) = tot | רָֽע (ra) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: השׁמר לך פן תדבר עם יעקב מטוב עד רע (hishamer lekha pen tedaber im Ya’aqov mitov ad ra), ‘pas op dat je niets zegt tegen Jakob, goed noch slecht’: letterlijk ‘van goed tot kwaad’, een uitdrukking voor ‘wat dan ook’ (zie 24:50). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 29:6 zegt dat Yahweh Laban in een droom verscheen. Zie ook: Gen 20:3; Gen 24:50; Gen 31:29; Gen 31:42; Jub 29:5; Jub 29:6; Num 24:13 ### Laban haalt Jakob in **31:25** Laban haalde Jakob in. Jakob had zijn tent opgeslagen op het gebergte, en Laban sloeg met zijn verwanten zijn tent op, op het gebergte Gilead. Brontekst: וַיַּשֵּׂ֥ג (vayaseg) = en hij haalde in | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וְיַעֲקֹ֗ב (veyaaqov) = en Jakob | תָּקַ֤ע (taqa) = had geslagen | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | אָהֳלוֹ֙ (aholo) = zijn tent | בָּהָ֔ר (bahar) = op de berg | וְלָבָ֛ן (velavan) = en Laban | תָּקַ֥ע (taqa) = sloeg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | בְּהַ֥ר (behar) = op de berg | הַגִּלְעָֽד (hagilad) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Gen 12:8; Gen 33:18; Jub 29:5; Heb 11:9 **31:26** Laban zei tegen Jakob: „Wat heb je gedaan? Je hebt mij misleid en mijn dochters meegevoerd als krijgsgevangenen. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָבָן֙ (lavan) = Laban | לְיַעֲקֹ֔ב (leyaaqov) = aan Jakob | מֶ֣ה (me) = wat | עָשִׂ֔יתָ (asita) = je hebt gedaan | וַתִּגְנֹ֖ב (vatignov) = en je stal | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לְבָבִ֑י (levavi) = mijn hart | וַתְּנַהֵג֙ (vatenaheg) = en je voerde weg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנֹתַ֔י (benotay) = mijn dochters | כִּשְׁבֻי֖וֹת (kishvuyot) = als gevangenen van | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותגנב את לבבי (vatignov et levavi), ‘je hebt mijn hart gestolen’: zie vers 20. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:47 heeft dezelfde verwijten. Zie ook: Gen 3:13; Gen 4:10; Gen 20:9–10; Gen 31:20; Jas 31:47; 1 Sam 14:43; 1 Sam 30:2 **31:27** Waarom ben je heimelijk gevlucht en heb je mij misleid? Je hebt het mij niet gezegd. Dan had ik je laten gaan met vreugde en liederen, met tamboerijn en lier. Brontekst: לָ֤מָּה (lama) = waarom | נַחְבֵּ֨אתָ֙ (nachbeta) = je hebt je verborgen | לִבְרֹ֔חַ (livroach) = om te vluchten | וַתִּגְנֹ֖ב (vatignov) = en je stal | אֹתִ֑י (oti) = mij | וְלֹא (velo) = en niet | הִגַּ֣דְתָּ (higadta) = je vertelde | לִּ֔י (li) = aan mij | וָֽאֲשַׁלֵּחֲךָ֛ (vaashalechakha) = dan had ik je laten gaan | בְּשִׂמְחָ֥ה (besimcha) = met vreugde | וּבְשִׁרִ֖ים (uveshirim) = en met liederen | בְּתֹ֥ף (betof) = met tamboerijn | וּבְכִנּֽוֹר (uvekhinor) = en met lier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בתף ובכנור (betof uvkhinnor), ‘met tamboerijn en lier’: de muziek bij afscheid en feest. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:48 noemt hetzelfde afscheid. Zie ook: Gen 4:21; Gen 24:59–60; Gen 31:20–21; Jas 31:48; Ex 15:20; Spr 26:23–26 **31:28** Je hebt mij niet eens toegestaan mijn kleinkinderen en mijn dochters te kussen. Wat je gedaan hebt, was dwaas. Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | נְטַשְׁתַּ֔נִי (netashtani) = je liet mij toe | לְנַשֵּׁ֥ק (lenasheq) = om te kussen | לְבָנַ֖י (levanay) = mijn zonen | וְלִבְנֹתָ֑י (velivnotay) = en mijn dochters | עַתָּ֖ה (ata) = nu | הִסְכַּ֥לְתָּֽ (hiskalta) = je hebt dwaas gedaan | עֲשֽׂוֹ (aso) = doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:3; Gen 31:55; Ruth 1:14; 1 Kon 19:20; Hand 20:37 **31:29** Het ligt in mijn macht jullie kwaad te doen. Maar de Elohim van jullie vader heeft gisteravond tegen mij gezegd: **‘Pas op dat je niets zegt tegen Jakob, goed noch slecht.’** Brontekst: יֶשׁ (yesh) = er is | לְאֵ֣ל (leel) = voor de macht van | יָדִ֔י (yadi) = mijn hand | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | עִמָּכֶ֖ם (imakhem) = met jullie | רָ֑ע (ra) = kwaad | וֵֽאלֹהֵ֨י (velohei) = en Elohim van | אֲבִיכֶ֜ם (avikhem) = jullie vader | אֶ֣מֶשׁ (emesh) = gisteravond | אָמַ֧ר (amar) = Hij zei | אֵלַ֣י (elay) = tot mij | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | הִשָּׁ֧מֶר (hishamer) = neem je in acht | לְךָ֛ (lekha) = voor jezelf | מִדַּבֵּ֥ר (midaber) = van spreken | עִֽם (im) = met | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | מִטּ֥וֹב (mitov) = van goed | עַד (ad) = tot | רָֽע (ra) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 28:13; Gen 31:24; Gen 31:42; Gen 31:53; Joz 24:2–3 **31:30** Nu, je bent weggegaan omdat je zo verlangde naar het huis van je vader. Maar waarom heb je mijn goden gestolen?” Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | הָלֹ֣ךְ (halokh) = gaand | הָלַ֔כְתָּ (halakhta) = je bent gegaan | כִּֽי (ki) = want | נִכְסֹ֥ף (nikhsof) = verlangend | נִכְסַ֖פְתָּה (nikhsafta) = je verlangde | לְבֵ֣ית (leveit) = naar het huis van | אָבִ֑יךָ (avikha) = je vader | לָ֥מָּה (lama) = waarom | גָנַ֖בְתָּ (ganavta) = je stal | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn goden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אלהי (elohai), ‘mijn goden’: Labans eigen goden, de terafim van vers 19. Zie ook: Gen 31:19; Re 18:24; 1 Sam 5:2–6; Jer 10:11; Jer 43:12 **31:31** Jakob antwoordde Laban: „Ik was bang, want ik dacht: misschien neem je je dochters met geweld van mij af. Brontekst: וַיַּ֥עַן (vayaan) = en hij antwoordde | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְלָבָ֑ן (lelavan) = aan Laban | כִּ֣י (ki) = dat | יָרֵ֔אתִי (yareti) = ik was bang | כִּ֣י (ki) = want | אָמַ֔רְתִּי (amarti) = ik zei | פֶּן (pen) = misschien | תִּגְזֹ֥ל (tigzol) = je zult roven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנוֹתֶ֖יךָ (benoteikha) = je dochters | מֵעִמִּֽי (meimi) = van mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:11; Gen 31:26–27; Spr 29:25 **31:32** Bij wie je je goden vindt, die zal niet leven. Onderzoek in het bijzijn van onze verwanten wat van jou bij mij is, en neem het.” Jakob wist niet dat Rachel ze had gestolen. Brontekst: עִ֠ם (im) = bij | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wie | תִּמְצָ֣א (timtsa) = je zult vinden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֱלֹהֶיךָ֮ (eloheikha) = je goden | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽחְיֶה֒ (yichye) = hij zal leven | נֶ֣גֶד (neged) = tegenover | אַחֵ֧ינוּ (acheinu) = onze broers | הַֽכֶּר (haker) = onderzoek | לְךָ֛ (lekha) = voor jezelf | מָ֥ה (ma) = wat | עִמָּדִ֖י (imadi) = bij mij | וְקַֽח (veqach) = en neem | לָ֑ךְ (lakh) = voor jezelf | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָדַ֣ע (yada) = wist | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | כִּ֥י (ki) = dat | רָחֵ֖ל (rachel) = Rachel | גְּנָבָֽתַם (genavatam) = ze had gestolen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jakob wist niet dat Rachel de huisgoden had genomen. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:49 heeft ook Jakobs vloek over wie ze heeft. Zie ook: Gen 31:19; Gen 31:23; Gen 31:30; Gen 44:9–12; Jas 31:49; 1 Sam 12:3–5 ### De zoektocht naar de huisgoden **31:33** Laban ging de tent van Jakob in, de tent van Lea en de tent van de twee dienaressen, maar hij vond niets. Hij ging de tent van Lea uit en kwam in de tent van Rachel. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en hij kwam | לָבָ֜ן (lavan) = Laban | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | יַעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | וּבְאֹ֣הֶל (uveohel) = en in de tent van | לֵאָ֗ה (lea) = Lea | וּבְאֹ֛הֶל (uveohel) = en in de tent van | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee | הָאֲמָהֹ֖ת (haamahot) = de dienaressen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | מָצָ֑א (matsa) = hij vond | וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en hij ging uit | מֵאֹ֣הֶל (meohel) = uit de tent van | לֵאָ֔ה (lea) = Lea | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij kwam | בְּאֹ֥הֶל (beohel) = in de tent van | רָחֵֽל (rachel) = Rachel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ובאהל שׁתי האמהת (uvohel shetei ha’amahot), ‘de tent van de twee dienaressen’: Bilha en Zilpa (zie 29:24, 29). Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:50 zegt dat Laban in alle tenten en bij alle spullen zocht. Zie ook: Gen 24:28; Gen 24:67; Gen 29:24; Gen 29:29; Jas 31:50 **31:34** Rachel had de huisgoden genomen, in het kameelzadel gelegd en was erop gaan zitten. Laban doorzocht heel de tent, maar vond niets. Brontekst: וְרָחֵ֞ל (verachel) = en Rachel | לָקְחָ֣ה (laqecha) = had genomen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַתְּרָפִ֗ים (haterafim) = de terafim | וַתְּשִׂמֵ֛ם (vatesimem) = en ze legde ze | בְּכַ֥ר (bekhar) = in zadelmand van | הַגָּמָ֖ל (hagamal) = de kameel | וַתֵּ֣שֶׁב (vateshev) = en ze zat | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = op ze | וַיְמַשֵּׁ֥שׁ (vaymashesh) = en hij betastte | לָבָ֛ן (lavan) = Laban | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | הָאֹ֖הֶל (haohel) = de tent | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מָצָֽא (matsa) = hij vond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בכר הגמל (bechar hagamal), ‘in het kameelzadel’: kar is een zadelmand of zadelkorf. Zie ook: Gen 31:17; Gen 31:19 **31:35** Ze zei tegen haar vader: „Laat mijn heer niet kwaad worden dat ik niet voor u kan opstaan, want het gaat mij zoals het vrouwen gaat.” Hij zocht, maar vond de huisgoden niet. Brontekst: וַתֹּ֣אמֶר (vatomer) = en ze zei | אֶל (el) = tot | אָבִ֗יהָ (aviha) = haar vader | אַל (al) = niet | יִ֨חַר֙ (yichar) = laat ontbranden | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | כִּ֣י (ki) = dat | ל֤וֹא (lo) = niet | אוּכַל֙ (ukhal) = ik kan | לָק֣וּם (laqum) = opstaan | מִפָּנֶ֔יךָ (mipaneikha) = voor jouw gezicht | כִּי (ki) = want | דֶ֥רֶךְ (derekh) = weg van | נָשִׁ֖ים (nashim) = vrouwen | לִ֑י (li) = bij mij | וַיְחַפֵּ֕שׂ (vaychapes) = en hij zocht | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מָצָ֖א (matsa) = hij vond | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַתְּרָפִֽים (haterafim) = de terafim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כי דרך נשׁים לי (ki derekh nashim li), ‘want het gaat mij zoals het vrouwen gaat’: een omschrijving van haar maandelijkse onreinheid (zie Lev. 15:19–20). Zie ook: Ex 20:12; Lev 15:19; Lev 19:32; 1 Kon 2:19; 1 Petr 3:6 **31:36** Nu werd Jakob kwaad en maakte Laban verwijten. Jakob antwoordde en zei tegen Laban: „Wat is mijn misdaad? Wat is mijn zonde, dat u mij zo fel achtervolgt? Brontekst: וַיִּ֥חַר (vayichar) = en hij ontbrandde | לְיַעֲקֹ֖ב (leyaaqov) = aan Jakob | וַיָּ֣רֶב (vayarev) = en hij kibbelde | בְּלָבָ֑ן (belavan) = met Laban | וַיַּ֤עַן (vayaan) = en hij antwoordde | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְלָבָ֔ן (lelavan) = aan Laban | מַה (ma) = wat | פִּשְׁעִי֙ (pishi) = mijn overtreding | מַ֣ה (ma) = wat | חַטָּאתִ֔י (chatati) = mijn zonde | כִּ֥י (ki) = dat | דָלַ֖קְתָּ (dalaqta) = u hebt vurig vervolgd | אַחֲרָֽי (acharay) = achter mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:2; 2 Kon 5:11; 2 Kon 13:19; Jak 1:19–20; Ef 4:26 **31:37** U hebt al mijn spullen doorzocht. Wat hebt u gevonden van alles wat van uw huis is? Leg het hier voor mijn verwanten en uw verwanten, en laat hen tussen ons tweeën oordelen. Brontekst: כִּֽי (ki) = dat | מִשַּׁ֣שְׁתָּ (mishashta) = je betastte | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | כֵּלַ֗י (kelay) = spullen van mij | מַה (ma) = wat | מָּצָ֨אתָ֙ (matsata) = je vond | מִכֹּ֣ל (mikol) = van alle | כְּלֵי (kelei) = spullen van | בֵיתֶ֔ךָ (beitekha) = je huis | שִׂ֣ים (sim) = leg | כֹּ֔ה (ko) = hier | נֶ֥גֶד (neged) = tegenover | אַחַ֖י (achay) = mijn broers | וְאַחֶ֑יךָ (veacheikha) = en je broers | וְיוֹכִ֖יחוּ (veyokhichu) = en laat hen beslissen | בֵּ֥ין (bein) = tussen | שְׁנֵֽינוּ (sheneinu) = ons tweeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:32; Joz 7:23; 1 Tess 2:10; 1 Petr 2:12; Heb 13:18 **31:38** Twintig jaar ben ik nu bij u. Uw ooien en uw geiten hebben hun jongen niet verloren, en de rammen van uw kudde heb ik niet opgegeten. Brontekst: זֶה֩ (ze) = dit | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | שָׁנָ֤ה (shana) = jaar | אָנֹכִי֙ (anokhi) = ik | עִמָּ֔ךְ (imakh) = bij jou | רְחֵלֶ֥יךָ (recheleikha) = je ooien | וְעִזֶּ֖יךָ (veizeikha) = en je geiten | לֹ֣א (lo) = niet | שִׁכֵּ֑לוּ (shikelu) = verloren hun jongen | וְאֵילֵ֥י (veeilei) = en de rammen van | צֹאנְךָ֖ (tsonkha) = je kleinvee | לֹ֥א (lo) = niet | אָכָֽלְתִּי (akhalti) = ik at Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁכלו (shikkelu), ‘hebben hun jongen verloren’: zie Ex. 23:26. Zie ook: Gen 30:27; Gen 30:30; Ex 23:26; Deut 28:4; Ezech 34:2–4 **31:39** Wat door wilde dieren verscheurd was, bracht ik niet bij u. Ik droeg het verlies zelf. Wat overdag gestolen was en wat 's nachts gestolen was, eiste u van mij. Brontekst: טְרֵפָה֙ (terefa) = verscheurd | לֹא (lo) = niet | הֵבֵ֣אתִי (heveti) = ik bracht | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot jou | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | אֲחַטֶּ֔נָּה (achatena) = ik maakte goed | מִיָּדִ֖י (miyadi) = uit mijn hand | תְּבַקְשֶׁ֑נָּה (tevaqshena) = je eiste het | גְּנֻֽבְתִ֣י (genuvti) = gestolen | י֔וֹם (yom) = dag | וּגְנֻֽבְתִ֖י (ugenuvti) = en gestolen | לָֽיְלָה (layela) = nacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טרפה (terefah), ‘wat verscheurd was’: een door wilde dieren gedood dier. Volgens Ex. 22:12 hoefde een herder dat niet te vergoeden als hij het als bewijs liet zien; Jakob droeg het verlies toch zelf. Zie ook: Ex 22:9–12; Ex 22:11; Ex 22:30; Lev 22:8; 1 Sam 17:34–35; Luc 2:8 **31:40** Overdag verteerde de hitte mij en 's nachts de kou, en de slaap week van mijn ogen. Brontekst: הָיִ֧יתִי (hayiti) = ik was | בַיּ֛וֹם (bayom) = overdag | אֲכָלַ֥נִי (akhalani) = verteerde mij | חֹ֖רֶב (chorev) = hitte | וְקֶ֣רַח (veqerach) = en kou | בַּלָּ֑יְלָה (balayela) = 's nachts | וַתִּדַּ֥ד (vatidad) = en vluchtte | שְׁנָתִ֖י (shenati) = mijn slaap | מֵֽעֵינָֽי (meeinay) = van mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 3:1; Hos 12:13; Luc 2:8; 1 Petr 5:2–4; Heb 13:7 **31:41** Zo ben ik nu twintig jaar in uw huis geweest. Veertien jaar heb ik u gediend voor uw twee dochters en zes jaar voor uw kudde, en u hebt mijn loon tien keer veranderd. Brontekst: זֶה (ze) = dit | לִּ֞י (li) = voor mij | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֮ (shana) = jaar | בְּבֵיתֶךָ֒ (beveitekha) = in je huis | עֲבַדְתִּ֜יךָ (avadtikha) = ik heb je gediend | אַרְבַּֽע (arba) = vier | עֶשְׂרֵ֤ה (esre) = tien | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | בִּשְׁתֵּ֣י (bishtei) = voor je twee | בְנֹתֶ֔יךָ (benoteikha) = dochters | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | בְּצֹאנֶ֑ךָ (betsonekha) = voor je kleinvee | וַתַּחֲלֵ֥ף (vatachalef) = en je veranderde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מַשְׂכֻּרְתִּ֖י (maskurti) = mijn loon | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien | מֹנִֽים (monim) = keer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ארבע עשׂרה שׁנה (arba esreh shanah), ‘veertien jaar’: zie 29:20, 27–30. Zie ook: Gen 29:20; Gen 29:27; Gen 30:33–40; Gen 31:7; Gen 31:38; 1 Kor 15:10; 2 Kor 11:26 **31:42** Als de Elohim van mijn vader, de Elohim van Abraham en het Ontzag van Isaak, niet bij mij was geweest, dan had u mij nu met lege handen weggestuurd. Elohim heeft mijn ellende en het werk van mijn handen gezien, en gisteravond heeft Hij recht gesproken.” Brontekst: לוּלֵ֡י (lulei) = als niet | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אָבִי֩ (avi) = mijn vader | אֱלֹהֵ֨י (elohei) = Elohim van | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | וּפַ֤חַד (ufachad) = en ontzag van | יִצְחָק֙ (yitschaq) = Isaak | הָ֣יָה (haya) = was | לִ֔י (li) = aan mij | כִּ֥י (ki) = want | עַתָּ֖ה (ata) = nu | רֵיקָ֣ם (reiqam) = met lege handen | שִׁלַּחְתָּ֑נִי (shilachtani) = je had weggestuurd mij | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עָנְיִ֞י (aneyi) = mijn ellende | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יְגִ֧יעַ (yegia) = inspanning van | כַּפַּ֛י (kapay) = mijn handen | רָאָ֥ה (raa) = Hij zag | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וַיּ֥וֹכַח (vayokhach) = en Hij sprak recht | אָֽמֶשׁ (amesh) = gisteravond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ופחד יצחק (ufachad Yitschaq), ‘het Ontzag van Isaak’: pachad betekent ‘ontzag, schrik’. Het is een naam voor de God die Isaak vreesde; Jakob zweert er in vers 53 bij. Zie ook: Gen 31:29; Gen 31:53; Ps 31:8; Ps 124:1–3; Jes 8:13 ### Het verbond bij Gilead **31:43** Laban antwoordde en zei tegen Jakob: „De dochters zijn mijn dochters, de kinderen zijn mijn kinderen en de kudde is mijn kudde. Alles wat je ziet, is van mij. Maar wat kan ik vandaag doen voor deze dochters van mij of voor hun kinderen die ze gebaard hebben? Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en hij antwoordde | לָבָ֜ן (lavan) = Laban | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | הַבָּנ֨וֹת (habanot) = de dochters | בְּנֹתַ֜י (benotay) = mijn dochters | וְהַבָּנִ֤ים (vehabanim) = en de zonen | בָּנַי֙ (banay) = mijn zonen | וְהַצֹּ֣אן (vehatson) = en de kudde | צֹאנִ֔י (tsoni) = mijn kudde | וְכֹ֛ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אַתָּ֥ה (ata) = jij | רֹאֶ֖ה (roe) = ziet | לִי (li) = van mij | ה֑וּא (hu) = het is | וְלִבְנֹתַ֞י (velivnotay) = en aan mijn dochters | מָֽה (ma) = wat | אֶֽעֱשֶׂ֤ה (eese) = zal ik doen | לָאֵ֨לֶּה֙ (laele) = aan deze | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | א֥וֹ (o) = of | לִבְנֵיהֶ֖ן (livneihen) = aan hun zonen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָלָֽדוּ (yaladu) = ze baarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:44** Kom nu, laten wij een verbond sluiten, jij en ik, en laat het een getuige zijn tussen mij en jou.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | לְכָ֛ה (lekha) = kom | נִכְרְתָ֥ה (nikhreta) = laten we sluiten | בְרִ֖ית (berit) = verbond | אֲנִ֣י (ani) = ik | וָאָ֑תָּה (vaata) = en jij | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | לְעֵ֖ד (leed) = tot getuige | בֵּינִ֥י (beini) = tussen mij | וּבֵינֶֽךָ (uveinekha) = en tussen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לכה נכרתה ברית (lekhah nikhretah verit), ‘laten wij een verbond sluiten’: zie 21:27, 32. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:51 noemt de afspraak dat Jakob Labans dochters niet zou mishandelen. Jasher 36:7 zegt dat Laban kort daarna stierf, omdat hij het verbond met Jakob had overtreden. Zie ook: Gen 15:18; Gen 21:27; Gen 21:32; Gen 31:48; Jub 29:7; Jas 31:51; Jas 36:7; Deut 31:19; Joz 24:25–27; 1 Sam 20:14–17 **31:45** Jakob nam een steen en richtte hem op als gedenkzuil. Brontekst: וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en hij nam | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | אָ֑בֶן (aven) = steen | וַיְרִימֶ֖הָ (vayrimeha) = en hij richtte hem op | מַצֵּבָֽה (matseva) = gedenkzuil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 28:18–22; Jub 29:7 **31:46** Jakob zei tegen zijn verwanten: „Verzamel stenen.” Ze namen stenen, maakten er een steenhoop van en aten daar op de steenhoop. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹ֤ב (yaaqov) = Jakob | לְאֶחָיו֙ (leechav) = tot zijn broers | לִקְט֣וּ (liqtu) = verzamel | אֲבָנִ֔ים (avanim) = stenen | וַיִּקְח֥וּ (vayiqchu) = en ze namen | אֲבָנִ֖ים (avanim) = stenen | וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en ze maakten | גָ֑ל (gal) = steenhoop | וַיֹּ֥אכְלוּ (vayokhlu) = en ze aten | שָׁ֖ם (sham) = daar | עַל (al) = op | הַגָּֽל (hagal) = de steenhoop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:23; Gen 31:32; Gen 31:37; Jub 29:7; Jub 29:8; Joz 4:5–9; Pred 3:5 **31:47** Laban noemde hem Jegar-Sahaduta, en Jakob noemde hem Gilead. Brontekst: וַיִּקְרָא (vayiqra) = en hij noemde | ל֣וֹ (lo) = hem | לָבָ֔ן (lavan) = Laban | יְגַ֖ר (yegar) = steenhoop | שָׂהֲדוּתָ֑א (sahaduta) = van getuigenis (Aramees) | וְיַֽעֲקֹ֔ב (veyaaqov) = en Jakob | קָ֥רָא (qara) = noemde | ל֖וֹ (lo) = hem | גַּלְעֵֽד (galed) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: יגר שׂהדותא (Yegar Sahaduta), ‘Jegar-Sahaduta’: Aramees voor ‘steenhoop van getuigenis’. גלעד (Gal’ed), ‘Gilead’: Hebreeuws voor hetzelfde: gal, ‘hoop’, en ed, ‘getuige’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:52 geeft ook de naam Gilead; Jubileeën 29:8 noemt de plaats ‘de hoop van het getuigenis’. Zie ook: Jub 29:7; Jub 29:8; Jas 31:52; Heb 12:1 **31:48** Laban zei: „Deze steenhoop is vandaag een getuige tussen mij en jou.” Daarom noemde men hem Gilead. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָבָ֔ן (lavan) = Laban | הַגַּ֨ל (hagal) = de steenhoop | הַזֶּ֥ה (haze) = deze | עֵ֛ד (ed) = getuige | בֵּינִ֥י (beini) = tussen mij | וּבֵינְךָ֖ (uveinekha) = en tussen jou | הַיּ֑וֹם (hayom) = vandaag | עַל (al) = op | כֵּ֥ן (ken) = zo | קָרָֽא (qara) = hij noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | גַּלְעֵֽד (galed) = Gilead Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie ook: Gen 31:23; Jub 29:7; Jub 29:8; Deut 2:36; Deut 3:16; Joz 13:8–9; Joz 24:27 **31:49** Hij heet ook Mizpa, want hij zei: „Yahweh houde de wacht tussen mij en jou, als we elkaar niet meer zien. Brontekst: וְהַמִּצְפָּה֙ (vehamitspa) = en de wachttoren | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | יִ֥צֶף (yitsef) = houde de wacht | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בֵּינִ֣י (beini) = tussen mij | וּבֵינֶ֑ךָ (uveinekha) = en tussen jou | כִּ֥י (ki) = want | נִסָּתֵ֖ר (nisater) = verborgen | אִ֥ישׁ (ish) = man | מֵרֵעֵֽהוּ (mereehu) = van zijn naaste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: והמצפה (hamitspah), ‘Mizpa’: ‘de wachttoren’. Zie ook: Jub 29:7; Re 10:17; Re 11:11; Re 11:29; 1 Sam 7:5–6; 1 Kon 15:22 **31:50** Als je mijn dochters slecht behandelt, of als je andere vrouwen neemt naast mijn dochters, dan is er niemand bij ons. Maar zie, Elohim is getuige tussen mij en jou.” Brontekst: אִם (im) = als | תְּעַנֶּ֣ה (teane) = je zult onderdrukken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנֹתַ֗י (benotay) = mijn dochters | וְאִם (veim) = en als | תִּקַּ֤ח (tiqach) = je zult nemen | נָשִׁים֙ (nashim) = vrouwen | עַל (al) = boven | בְּנֹתַ֔י (benotay) = mijn dochters | אֵ֥ין (ein) = niet | אִ֖ישׁ (ish) = man | עִמָּ֑נוּ (imanu) = bij ons | רְאֵ֕ה (ree) = zie | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | עֵ֖ד (ed) = getuige | בֵּינִ֥י (beini) = tussen mij | וּבֵינֶֽךָ (uveinekha) = en tussen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ראה אלהים עד (ra’ah Elohim ed), ‘zie, Elohim is getuige’: zie vers 44. Zie ook: Gen 31:44; Lev 18:18; Re 11:10; Mi 1:2; Jer 29:23; Jer 42:5 **31:51** Laban zei tegen Jakob: „Zie deze steenhoop en zie de gedenkzuil die ik tussen mij en jou heb opgericht. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | לְיַעֲקֹ֑ב (leyaaqov) = aan Jakob | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | הַגַּ֣ל (hagal) = de steenhoop | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | הַמַצֵּבָ֔ה (hamatseva) = de gedenkzuil | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָרִ֖יתִי (yariti) = ik heb opgericht | בֵּינִ֥י (beini) = tussen mij | וּבֵינֶֽךָ (uveinekha) = en tussen jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:52** Deze steenhoop is getuige en de gedenkzuil is getuige. Ik zal niet naar jou voorbij deze steenhoop gaan, en jij zult niet naar mij voorbij deze steenhoop en deze gedenkzuil gaan om kwaad te doen. Brontekst: עֵ֚ד (ed) = getuige | הַגַּ֣ל (hagal) = de steenhoop | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וְעֵדָ֖ה (veeda) = en getuige | הַמַּצֵּבָ֑ה (hamatseva) = de gedenkzuil | אִם (im) = als | אָ֗נִי (ani) = ik | לֹֽא (lo) = niet | אֶֽעֱבֹ֤ר (eevor) = ik zal overgaan | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = naar jou | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַגַּ֣ל (hagal) = de steenhoop | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וְאִם (veim) = en als | אַ֠תָּה (ata) = jij | לֹא (lo) = niet | תַעֲבֹ֨ר (taavor) = je zult overgaan | אֵלַ֜י (elay) = naar mij | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַגַּ֥ל (hagal) = de steenhoop | הַזֶּ֛ה (haze) = deze | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַמַּצֵּבָ֥ה (hamatseva) = de gedenkzuil | הַזֹּ֖את (hazot) = deze | לְרָעָֽה (leraa) = tot kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 31:44–45; Gen 31:48 **31:53** De Elohim van Abraham en de Elohim van Nachor, de Elohim van hun vader, zullen oordelen tussen ons.” Jakob zwoer bij het Ontzag van zijn vader Isaak. Brontekst: אֱלֹהֵ֨י (elohei) = Elohim van | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | וֵֽאלֹהֵ֤י (velohei) = en Elohim van | נָחוֹר֙ (nachor) = Nachor | יִשְׁפְּט֣וּ (yishpetu) = laten oordelen | בֵינֵ֔ינוּ (beineinu) = tussen ons | אֱלֹהֵ֖י (elohei) = Elohim van | אֲבִיהֶ֑ם (avihem) = hun vader | וַיִּשָּׁבַ֣ע (vayishava) = en hij zwoer | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | בְּפַ֖חַד (befachad) = bij ontzag van | אָבִ֥יו (aviv) = zijn vader | יִצְחָֽק (yitschaq) = Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בפחד אביו יצחק (befachad aviv Yitschaq), ‘bij het Ontzag van zijn vader Isaak’: zie vers 42. De werkwoordsvorm yishpetu is meervoud: Laban noemt de Elohim van Abraham en van Nachor samen. Zie ook: Gen 11:24–29; Gen 16:5; Gen 31:42; Ex 3:6; Joz 24:2 **31:54** Jakob bracht een offer op het gebergte en nodigde zijn verwanten uit om te eten. Ze aten brood en overnachtten op het gebergte. Brontekst: וַיִּזְבַּ֨ח (vayizbach) = en hij slachtte | יַעֲקֹ֥ב (yaaqov) = Jakob | זֶ֨בַח֙ (zevach) = offer | בָּהָ֔ר (bahar) = op de berg | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij riep | לְאֶחָ֖יו (leechav) = tot zijn broers | לֶאֱכָל (leekhal) = om te eten | לָ֑חֶם (lachem) = brood | וַיֹּ֣אכְלוּ (vayokhlu) = en ze aten | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | וַיָּלִ֖ינוּ (vayalinu) = en ze overnachtten | בָּהָֽר (bahar) = op de berg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:53 zegt dat Jakob en Laban offerden, daar aten en de nacht doorbrachten. Zie ook: Gen 21:8; Gen 26:30; Gen 37:25; Jas 31:53; Ex 18:12; 2 Sam 3:20–21 ## Genesis 32 _Jakob en Ezau; de worsteling bij de Jabbok_ ### Het afscheid van Laban **32:1** Laban stond 's morgens vroeg op, kuste zijn kleinkinderen en zijn dochters en zegende hen. Daarna ging Laban weg en keerde terug naar zijn plaats. Brontekst: וַיַּשְׁכֵּ֨ם (vayashkem) = en hij stond vroeg op | לָבָ֜ן (lavan) = Laban | בַּבֹּ֗קֶר (baboqer) = in de ochtend | וַיְנַשֵּׁ֧ק (vaynasheq) = en hij kuste | לְבָנָ֛יו (levanav) = zijn zonen | וְלִבְנוֹתָ֖יו (velivnotav) = en zijn dochters | וַיְבָ֣רֶךְ (vayvarekh) = en hij zegende | אֶתְהֶ֑ם (ethem) = hen | וַיֵּ֛לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | וַיָּ֥שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | לִמְקֹמֽוֹ (limqomo) = naar zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויברך אתהם (vayevarekh otam), ‘hij zegende hen’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:53 zegt dat Laban vroeg opstond, met zijn dochters weende en hen kuste. Zie ook: Jub 29:12; Jas 31:53; Ps 34:8; Ps 91:11; 2 Kon 6:16–17; Ef 3:10; Heb 1:4 **32:2** Jakob ging verder op zijn weg, en boodschappers van Elohim ontmoetten hem. Brontekst: וְיַעֲקֹ֖ב (veyaaqov) = en Jakob | הָלַ֣ךְ (halakh) = ging | לְדַרְכּ֑וֹ (ledarko) = op zijn weg | וַיִּפְגְּעוּ (vayifgeu) = en ze ontmoetten | ב֖וֹ (bo) = hem | מַלְאֲכֵ֥י (malakhei) = boodschappers van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מלאכי אלהים (mal’akhei Elohim), ‘boodschappers van Elohim’: hetzelfde woord mal’akh betekent ‘boodschapper’ en ‘engel’ (zie 16:7; 28:12). Zie ook: Gen 16:7; Gen 28:12; Joz 5:14; Joz 21:38; 2 Sam 2:8; 2 Sam 17:24; Luc 2:13 **32:3** Toen Jakob hen zag, zei hij: „Dit is het kamp van Elohim.” Hij noemde die plaats Machanajim. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = toen | רָאָ֔ם (raam) = hij zag ze | מַחֲנֵ֥ה (machane) = kamp van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | זֶ֑ה (ze) = dit | וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en hij noemde | שֵֽׁם (shem) = naam van | הַמָּק֥וֹם (hamaqom) = de plaats | הַה֖וּא (hahu) = die | מַֽחֲנָֽיִם (machanayim) = Machanajim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מחנים (Machanayim), ‘Machanajim’: ‘twee kampen’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 31:72 zegt dat Jakob de plaats zo noemde toen hij de mannen van Isaak ontmoette. Zie ook: Gen 14:6; Gen 25:30; Gen 33:14; Jas 31:72; Deut 2:5; Joz 24:4 ### Jakob stuurt boodschappers naar Ezau **32:4** Jakob stuurde boodschappers voor zich uit naar zijn broer Ezau, naar het land Seïr, het veld van Edom. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en hij zond | יַעֲקֹ֤ב (yaaqov) = Jakob | מַלְאָכִים֙ (malakhim) = boodschappers | לְפָנָ֔יו (lefanav) = voor zich uit | אֶל (el) = naar | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | אַ֥רְצָה (artsa) = naar het land | שֵׂעִ֖יר (seir) = Seïr | שְׂדֵ֥ה (sede) = veld van | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: ארצה שׂעיר שׂדה אדום (artsah Se’ir sedeh Edom), ‘naar het land Seïr, het veld van Edom’: Edom is Ezau (zie 25:30; 36:8). Seïr ligt in het bergland ten zuiden van de Dode Zee, ruim 200 km hemelsbreed van de Jabbok. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 29:18 zegt dat Ezau al op het gebergte Seïr woonde. Zie ook: Gen 23:6; Gen 25:30; Gen 27:37; Gen 36:8; Jub 29:18; Spr 6:3; Pred 10:4; 1 Petr 3:6 **32:5** Hij droeg hun op: „Zo zullen jullie zeggen tegen mijn heer Ezau: ‘Zo zegt uw dienaar Jakob: Ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven. Brontekst: וַיְצַ֤ו (vaytsav) = en hij gebood | אֹתָם֙ (otam) = hen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | כֹּ֣ה (ko) = zo | תֹאמְר֔וּן (tomrun) = jullie zullen zeggen | לַֽאדֹנִ֖י (ladoni) = aan mijn heer | לְעֵשָׂ֑ו (leesav) = aan Ezau | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | עַבְדְּךָ֣ (avdekha) = uw dienaar | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | עִם (im) = met | לָבָ֣ן (lavan) = Laban | גַּ֔רְתִּי (garti) = ik heb als vreemdeling gewoond | וָאֵחַ֖ר (vaechar) = en ik bleef | עַד (ad) = tot | עָֽתָּה (ata) = nu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עם לבן גרתי (im Lavan garti), ‘ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond’: van ger, ‘vreemdeling’. לאדני (ladoni), ‘mijn heer’: hier een beleefde aanspreking van Ezau, niet van Elohim. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:2–6 geeft dezelfde boodschap. Zie ook: Gen 33:8; Gen 33:11; Gen 33:15; Gen 47:25; Jas 32:2–6; 2 Sam 16:4 **32:6** Ik heb ossen, ezels, kleinvee, dienaren en dienaressen. Ik stuur dit bericht aan mijn heer om gunst in uw ogen te vinden.’” Brontekst: וַֽיְהִי (vayhi) = en er is | לִי֙ (li) = voor mij | שׁ֣וֹר (shor) = rund | וַחֲמ֔וֹר (vachamor) = en ezel | צֹ֖אן (tson) = kleinvee | וְעֶ֣בֶד (veeved) = en dienaar | וְשִׁפְחָ֑ה (veshifcha) = en dienares | וָֽאֶשְׁלְחָה֙ (vaeshlecha) = en ik stuur | לְהַגִּ֣יד (lehagid) = om te vertellen | לַֽאדֹנִ֔י (ladoni) = aan mijn heer | לִמְצֹא (limtso) = om te vinden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֶֽיךָ (beeineikha) = in je ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:40–41; Gen 32:8; Gen 32:11; Gen 33:1; Amos 5:19 **32:7** De boodschappers kwamen terug bij Jakob en zeiden: „We zijn bij je broer Ezau geweest. Hij komt je ook tegemoet, met vierhonderd man.” Brontekst: וַיָּשֻׁ֨בוּ֙ (vayashuvu) = en ze keerden terug | הַמַּלְאָכִ֔ים (hamalakhim) = de boodschappers | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | בָּ֤אנוּ (banu) = we kwamen | אֶל (el) = naar | אָחִ֨יךָ֙ (achikha) = je broer | אֶל (el) = naar | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | וְגַם֙ (vegam) = en ook | הֹלֵ֣ךְ (holekh) = hij gaat | לִקְרָֽאתְךָ֔ (liqratkha) = je tegemoet | וְאַרְבַּע (vearba) = en vier | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | אִ֖ישׁ (ish) = man | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וארבע מאות אישׁ עמו (ve’arba me’ot ish immo), ‘vierhonderd man met hem’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:7, 13 zegt dat Ezau met vierhonderd man tegen Jakob optrok. Zie ook: Gen 35:3; Jas 32:7; Jas 32:13; Ps 142:5; Spr 2:11; 2 Kor 1:8–10; 2 Tim 3:12 **32:8** Jakob werd erg bang en voelde zich benauwd. Hij verdeelde het volk dat bij hem was, en het kleinvee, het rundvee en de kamelen, in twee kampen. Brontekst: וַיִּירָ֧א (vayira) = en hij vreesde | יַעֲקֹ֛ב (yaaqov) = Jakob | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | וַיֵּ֣צֶר (vayetser) = en hij werd benauwd | ל֑וֹ (lo) = aan hem | וַיַּ֜חַץ (vayachats) = en hij verdeelde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָעָ֣ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | אִתּ֗וֹ (ito) = met hem | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַצֹּ֧אן (hatson) = het kleinvee | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַבָּקָ֛ר (habaqar) = het rundvee | וְהַגְּמַלִּ֖ים (vehagemalim) = en de kamelen | לִשְׁנֵ֥י (lishnei) = in twee | מַחֲנֽוֹת (machanot) = kampen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 33:1–3; Mat 10:16 **32:9** Hij zei: „Als Ezau naar het ene kamp komt en het verslaat, dan zal het kamp dat overblijft kunnen ontsnappen.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אִם (im) = als | יָב֥וֹא (yavo) = hij komt | עֵשָׂ֛ו (esav) = Ezau | אֶל (el) = naar | הַמַּחֲנֶ֥ה (hamachane) = het kamp | הָאַחַ֖ת (haachat) = het ene | וְהִכָּ֑הוּ (vehikahu) = en hij slaat het | וְהָיָ֛ה (vehaya) = en het zal zijn | הַמַּחֲנֶ֥ה (hamachane) = het kamp | הַנִּשְׁאָ֖ר (hanishar) = dat overblijft | לִפְלֵיטָֽה (lifleita) = tot ontkoming Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 28:13; Gen 31:3; Gen 31:13; Gen 31:42; Ps 34:5–7 **32:10** Jakob zei: „Elohim van mijn vader Abraham en Elohim van mijn vader Isaak, Yahweh, U hebt tegen mij gezegd: **‘Keer terug naar je land en naar je geboorteland, en Ik zal het je goed doen.’** Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹב֒ (yaaqov) = Jakob | אֱלֹהֵי֙ (elohei) = Elohim van | אָבִ֣י (avi) = mijn vader | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | וֵאלֹהֵ֖י (velohei) = en Elohim van | אָבִ֣י (avi) = mijn vader | יִצְחָ֑ק (yitschaq) = Isaak | יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | הָאֹמֵ֣ר (haomer) = die zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | שׁ֧וּב (shuv) = keer terug | לְאַרְצְךָ֛ (leartsekha) = naar je land | וּלְמוֹלַדְתְּךָ֖ (ulemoladtekha) = en naar je geboorteland | וְאֵיטִ֥יבָה (veeitiva) = en Ik zal het goed maken | עִמָּֽךְ (imakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אלהי אבי אברהם ואלהי אבי יצחק יהוה (Elohei avi Avraham ve’Elohei avi Yitschaq YHWH), ‘Elohim van mijn vader Abraham en Elohim van mijn vader Isaak, Yahweh’: Jakob roept God aan met de namen van zijn vaderen. שׁוב לארצך ולמולדתך ואיטיבה עמך (shuv le’artsekha ulemoladtekha ve’etivah immakh), ‘keer terug naar je land en naar je geboorteland, en Ik zal het je goed doen’: zie 31:3. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:16–23 geeft Jakobs gebed. Zie ook: Gen 24:27; Gen 31:3; Jas 32:16–23; 2 Sam 7:18; Ps 18:36; Jes 63:7; 1 Tim 1:12–15 **32:11** Ik ben te gering voor alle daden van trouw en voor alle betrouwbaarheid die U aan Uw dienaar hebt bewezen. Want met alleen mijn staf stak ik deze Jordaan over, en nu ben ik tot twee kampen geworden. Brontekst: קָטֹ֜נְתִּי (qatonti) = ik ben te klein | מִכֹּ֤ל (mikol) = van alle | הַחֲסָדִים֙ (hachasadim) = de daden van trouw | וּמִכָּל (umikal) = en van alle | הָ֣אֱמֶ֔ת (haemet) = de betrouwbaarheid | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשִׂ֖יתָ (asita) = U hebt gedaan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עַבְדֶּ֑ךָ (avdekha) = Uw dienaar | כִּ֣י (ki) = want | בְמַקְלִ֗י (bemaqli) = met mijn staf | עָבַ֨רְתִּי֙ (avarti) = ik stak over | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַיַּרְדֵּ֣ן (hayarden) = de Jordaan | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וְעַתָּ֥ה (veata) = en nu | הָיִ֖יתִי (hayiti) = ik ben geworden | לִשְׁנֵ֥י (lishnei) = tot twee | מַחֲנֽוֹת (machanot) = kampen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: החסדים (hachasadim), ‘de daden van trouw’: chesed, ‘trouw’. האמת (ha’emet), ‘de betrouwbaarheid’: zie 24:27. לשׁני מחנות (lishnei machanot), ‘tot twee kampen’: de woorden klinken als Machanajim (vers 3). Zie ook: Gen 24:27; Gen 32:3; Ps 25:20; Ps 59:2–3; Spr 18:19; Hos 10:14; Mat 6:13 **32:12** Red mij toch uit de hand van mijn broer, uit de hand van Ezau, want ik ben bang voor hem. Straks komt hij en slaat hij mij neer, de moeder met de kinderen. Brontekst: הַצִּילֵ֥נִי (hatsileni) = red mij | נָ֛א (na) = alsjeblieft | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | אָחִ֖י (achi) = mijn broer | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | עֵשָׂ֑ו (esav) = Ezau | כִּֽי (ki) = want | יָרֵ֤א (yare) = bang | אָנֹכִי֙ (anokhi) = ik | אֹת֔וֹ (oto) = hem | פֶּן (pen) = opdat niet | יָב֣וֹא (yavo) = hij komt | וְהִכַּ֔נִי (vehikani) = en hij slaat mij | אֵ֖ם (em) = moeder | עַל (al) = met | בָּנִֽים (banim) = kinderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: והכני אם על בנים (vehikkani em al banim), ‘hij slaat mij neer, de moeder met de kinderen’: letterlijk ‘moeder over kinderen’, een uitdrukking voor volledige vernietiging (zie Hos. 10:14). Zie ook: Gen 28:13–15; Gen 46:3–4; Hos 10:14; Mat 24:35; Tit 1:2; Heb 6:17 **32:13** U hebt gezegd: **‘Ik zal het je zeker goed doen en Ik zal je nageslacht maken als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden.’**” Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | אָמַ֔רְתָּ (amarta) = je hebt gezegd | הֵיטֵ֥ב (heitev) = goed | אֵיטִ֖יב (eitiv) = Ik zal goed maken | עִמָּ֑ךְ (imakh) = met je | וְשַׂמְתִּ֤י (vesamti) = en Ik zal zetten | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | זַרְעֲךָ֙ (zarakha) = je nageslacht | כְּח֣וֹל (kechol) = als zand van | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יִסָּפֵ֖ר (yisafer) = het wordt geteld | מֵרֹֽב (merov) = van menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כחול הים (kechol hayam), ‘als het zand van de zee’: zie 22:17; vergelijk 28:14 (‘als het stof van de aarde’). Zie ook: Gen 22:17; Gen 28:14; Gen 43:11; Gen 43:26; Spr 18:16; Spr 19:6; Spr 21:14 ### Het geschenk voor Ezau **32:14** Hij overnachtte daar. Van wat hij bij zich had, nam hij een geschenk voor zijn broer Ezau: Brontekst: וַיָּ֥לֶן (vayalen) = en hij overnachtte | שָׁ֖ם (sham) = daar | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֑וּא (hahu) = die | וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en hij nam | מִן (min) = van | הַבָּ֧א (haba) = wat gekomen was | בְיָד֛וֹ (beyado) = in zijn hand | מִנְחָ֖ה (mincha) = geschenk | לְעֵשָׂ֥ו (leesav) = voor Ezau | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מנחה (minchah), ‘geschenk’: hetzelfde woord als voor het graanoffer. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:41–43 noemt het geschenk uit de kudden van Jakob. Zie ook: Gen 31:9; Jas 32:41–43; Job 1:3; Job 42:12; Deut 8:18; 1 Sam 25:2 **32:15** tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, Brontekst: עִזִּ֣ים (izim) = geiten | מָאתַ֔יִם (matayim) = tweehonderd | וּתְיָשִׁ֖ים (uteyashim) = en bokken | עֶשְׂרִ֑ים (esrim) = twintig | רְחֵלִ֥ים (rechelim) = ooien | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | וְאֵילִ֥ים (veeilim) = en rammen | עֶשְׂרִֽים (esrim) = twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **32:16** dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezels. Brontekst: גְּמַלִּ֧ים (gemalim) = kamelen | מֵינִיק֛וֹת (meiniqot) = zogende | וּבְנֵיהֶ֖ם (uveneihem) = en hun jongen | שְׁלֹשִׁ֑ים (sheloshim) = dertig | פָּר֤וֹת (parot) = koeien | אַרְבָּעִים֙ (arbaim) = veertig | וּפָרִ֣ים (ufarim) = en stieren | עֲשָׂרָ֔ה (asara) = tien | אֲתֹנֹ֣ת (atonot) = ezelinnen | עֶשְׂרִ֔ים (esrim) = twintig | וַעְיָרִ֖ם (vayarim) = en ezels | עֲשָׂרָֽה (asara) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מיניקות (meniqot), ‘zogende’: kamelinnen met jongen. Samen zijn de dieren in vers 15–16 550 stuks. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:42 noemt andere aantallen. Zie ook: Gen 32:15–16; Gen 32:20; Gen 33:8–9; Jas 32:42; Ps 112:5; Jes 28:26; Mat 10:16 **32:17** Hij gaf ze in de hand van zijn dienaren, elke kudde apart, en zei tegen zijn dienaren: „Ga voor mij uit en laat ruimte tussen de ene kudde en de andere.” Brontekst: וַיִּתֵּן֙ (vayiten) = en hij gaf | בְּיַד (beyad) = in de hand van | עֲבָדָ֔יו (avadav) = zijn dienaren | עֵ֥דֶר (eder) = kudde | עֵ֖דֶר (eder) = kudde | לְבַדּ֑וֹ (levado) = apart | וַ֤יֹּאמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | עֲבָדָיו֙ (avadav) = zijn dienaren | עִבְר֣וּ (ivru) = gaat over | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor mij | וְרֶ֣וַח (verevach) = en ruimte | תָּשִׂ֔ימוּ (tasimu) = jullie zullen zetten | בֵּ֥ין (bein) = tussen | עֵ֖דֶר (eder) = kudde | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | עֵֽדֶר (eder) = kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 33:3 **32:18** Hij droeg de eerste op: „Als mijn broer Ezau je ontmoet en je vraagt: ‘Van wie ben je, waar ga je heen, en van wie zijn deze dieren voor je?’ Brontekst: וַיְצַ֥ו (vaytsav) = en hij gebood | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָרִאשׁ֖וֹן (harishon) = de eerste | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | כִּ֣י (ki) = wanneer | יִֽפְגָּשְׁךָ֞ (yifgashekha) = hij ontmoet je | עֵשָׂ֣ו (esav) = Ezau | אָחִ֗י (achi) = mijn broer | וִשְׁאֵֽלְךָ֙ (vishelekha) = en hij vraagt je | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | לְמִי (lemi) = van wie | אַ֨תָּה֙ (ata) = jij | וְאָ֣נָה (veana) = en waarheen | תֵלֵ֔ךְ (telekh) = je gaat | וּלְמִ֖י (ulemi) = en van wie | אֵ֥לֶּה (ele) = deze | לְפָנֶֽיךָ (lefaneikha) = voor je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 32:4–5 **32:19** dan zeg je: ‘Ze zijn van uw dienaar Jakob. Het is een geschenk, gestuurd aan mijn heer Ezau. En zie, hijzelf komt ook achter ons aan.’” Brontekst: וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en je zult zeggen | לְעַבְדְּךָ֣ (leavdekha) = aan uw dienaar | לְיַעֲקֹ֔ב (leyaaqov) = aan Jakob | מִנְחָ֥ה (mincha) = geschenk | הִוא֙ (hi) = het | שְׁלוּחָ֔ה (shelucha) = gestuurd | לַֽאדֹנִ֖י (ladoni) = aan mijn heer | לְעֵשָׂ֑ו (leesav) = aan Ezau | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | גַם (gam) = ook | ה֖וּא (hu) = hij | אַחֲרֵֽינוּ (achareinu) = achter ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **32:20** Ook de tweede, de derde en allen die achter de kudden aan gingen, gaf hij dezelfde opdracht: „Zo moeten jullie tegen Ezau spreken wanneer jullie hem vinden. Brontekst: וַיְצַ֞ו (vaytsav) = en hij gebood | גַּ֣ם (gam) = ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַשֵּׁנִ֗י (hasheni) = de tweede | גַּ֚ם (gam) = ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | גַּ֚ם (gam) = ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | הַהֹ֣לְכִ֔ים (haholekhim) = die gaan | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | הָעֲדָרִ֖ים (haadarim) = de kudden | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | כַּדָּבָ֤ר (kadavar) = volgens woord | הַזֶּה֙ (haze) = dit | תְּדַבְּר֣וּן (tedaberun) = jullie zullen spreken | אֶל (el) = tot | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | בְּמֹצַאֲכֶ֖ם (bemotsaakhem) = wanneer jullie vinden | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 42:8–9; 1 Sam 25:17–35; Spr 6:35; Spr 15:18; Spr 21:14 **32:21** Jullie zeggen ook: ‘Zie, uw dienaar Jakob komt achter ons aan.’” Want hij dacht: „Ik zal zijn gezicht verzoenen met het geschenk dat voor mij uit gaat. Daarna zal ik zijn gezicht zien. Misschien neemt hij mij gunstig op.” Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֕ם (vaamartem) = en jullie zullen zeggen | גַּ֗ם (gam) = ook | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | עַבְדְּךָ֥ (avdekha) = uw dienaar | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | אַחֲרֵ֑ינוּ (achareinu) = achter ons | כִּֽי (ki) = want | אָמַ֞ר (amar) = hij zei | אֲכַפְּרָ֣ה (akhapera) = ik zal verzoenen | פָנָ֗יו (panav) = zijn gezicht | בַּמִּנְחָה֙ (bamincha) = met het geschenk | הַהֹלֶ֣כֶת (haholekhet) = die gaat | לְפָנָ֔י (lefanay) = voor mij | וְאַחֲרֵי (veacharei) = en na | כֵן֙ (ken) = dit | אֶרְאֶ֣ה (ere) = ik zal zien | פָנָ֔יו (panav) = zijn gezicht | אוּלַ֖י (ulay) = misschien | יִשָּׂ֥א (yisa) = hij zal opheffen | פָנָֽי (panay) = mijn gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אכפרה פניו (akhapperah fanav), ‘ik zal zijn gezicht verzoenen’: kaphar, ‘bedekken, verzoenen’ (zie 6:14). ישׂא פני (yissa fanai), ‘hij zal mijn gezicht opheffen’: ‘mij gunstig ontvangen’ (zie 19:21). Zie ook: Gen 6:14; Gen 19:21 **32:22** Het geschenk ging voor hem uit, en hij zelf overnachtte die nacht in het kamp. Brontekst: וַתַּעֲבֹ֥ר (vataavor) = en het ging over | הַמִּנְחָ֖ה (hamincha) = het geschenk | עַל (al) = op | פָּנָ֑יו (panav) = zijn gezicht | וְה֛וּא (vehu) = en hij | לָ֥ן (lan) = overnachtte | בַּלַּֽיְלָה (balayla) = in de nacht | הַה֖וּא (hahu) = die | בַּֽמַּחֲנֶֽה (bamachane) = in het kamp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:22–26; Deut 2:37; Deut 3:16; Joz 12:2; 1 Tim 5:8 ### De worsteling bij de Jabbok **32:23** In die nacht stond hij op. Hij nam zijn twee vrouwen, zijn twee dienaressen en zijn elf kinderen en stak de doorwaadbare plaats van de Jabbok over. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en hij stond op | בַּלַּ֣יְלָה (balayla) = in de nacht | ה֗וּא (hu) = die | וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁתֵּ֤י (shetei) = twee | נָשָׁיו֙ (nashav) = zijn vrouwen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שְׁתֵּ֣י (shetei) = twee | שִׁפְחֹתָ֔יו (shifchotav) = zijn dienaressen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אַחַ֥ד (achad) = een | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | יְלָדָ֑יו (yeladav) = zijn kinderen | וַֽיַּעֲבֹ֔ר (vayaavor) = en hij stak over | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | מַעֲבַ֥ר (maavar) = doorwaadbare plaats van | יַבֹּֽק (yaboq) = Jabbok Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jabbok: De Jabbok is een zijrivier van de Jordaan, ten oosten van de rivier. Voetnoot Uitleg: אחד עשׂר ילדיו (achad asar yeladav), ‘elf kinderen’: de elf zonen; Dina wordt hier niet apart genoemd (zie 30:21). Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:53 zegt dat Jakob Dina in een kist verborg. Zie ook: Gen 30:21; Jub 29:13; Jas 32:53 **32:24** Hij nam hen en liet hen de beek oversteken, en hij liet ook alles wat hij had overgaan. Brontekst: וַיִּקָּחֵ֔ם (vayiqachem) = en hij nam hen | וַיַּֽעֲבִרֵ֖ם (vayaavirem) = en hij liet hen oversteken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַנָּ֑חַל (hanachal) = de beek | וַֽיַּעֲבֵ֖ר (vayaaver) = en hij liet oversteken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁר (asher) = wat | לוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 32:28; Gen 32:30; Hos 12:4–6; Luc 13:24; Ef 6:12 **32:25** Jakob bleef alleen achter. Toen worstelde een man met hem tot het opkomen van de dageraad. Brontekst: וַיִּוָּתֵ֥ר (vayivater) = en hij bleef over | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | לְבַדּ֑וֹ (levado) = alleen | וַיֵּאָבֵ֥ק (vayeaveq) = en hij worstelde | אִישׁ֙ (ish) = man | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | עַ֖ד (ad) = tot | עֲל֥וֹת (alot) = het opkomen van | הַשָּֽׁחַר (hashachar) = de dageraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויאבק אישׁ עמו (vayye’avek ish immo), ‘een man worstelde met hem’: het woord klinkt als Yabboq, ‘Jabbok’, en als Ya’aqov, ‘Jakob’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:48 zegt dat een man Jakob ontmoette en met hem worstelde tot het aanbreken van de dag (zie ook Hos. 12:4–5). Zie ook: Gen 32:32; Jas 32:48; Hos 12:4–5; Hos 12:5–6; Jes 41:14; Jes 45:11; 2 Kor 12:7–9 **32:26** Toen de man zag dat hij hem niet kon overmeesteren, raakte hij het gewricht van Jakobs heup aan. Het gewricht van Jakobs heup raakte ontwricht terwijl hij met hem worstelde. Brontekst: וַיַּ֗רְא (vayar) = en hij zag | כִּ֣י (ki) = dat | לֹ֤א (lo) = niet | יָכֹל֙ (yakhol) = hij kon | ל֔וֹ (lo) = hem | וַיִּגַּ֖ע (vayiga) = en hij raakte aan | בְּכַף (bekhaf) = in holte van | יְרֵכ֑וֹ (yerekho) = zijn heup | וַתֵּ֨קַע֙ (vateqa) = en ze werd ontwricht | כַּף (kaf) = holte van | יֶ֣רֶךְ (yerekh) = heup van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | בְּהֵֽאָבְק֖וֹ (beheaveqo) = in zijn worstelen | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בכף ירכו (bechaf yerekho), ‘aan het gewricht van zijn heup’: de heupkom. Zie ook: 1 Kron 4:10; Ps 67:2; Ps 115:12–13; Hos 12:5; 2 Kor 12:8–9 **32:27** Hij zei: **„Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.”** Jakob zei: „Ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | שַׁלְּחֵ֔נִי (shalecheni) = laat mij gaan | כִּ֥י (ki) = want | עָלָ֖ה (ala) = is opgekomen | הַשָּׁ֑חַר (hashachar) = de dageraad | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | אֲשַֽׁלֵּחֲךָ֔ (ashalechakha) = ik laat je gaan | כִּ֖י (ki) = want | אִם (im) = tenzij | בֵּרַכְתָּֽנִי (berakhtani) = je mij hebt gezegend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אם ברכתני (im berakhtani), ‘tenzij U mij zegent’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:49 zegt dat de man Jakob verliet en hem zegende. Zie ook: Jas 32:49 **32:28** Hij zei tegen hem: **„Wat is je naam?”** Hij zei: „Jakob.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | מַה (ma) = wat | שְּׁמֶ֑ךָ (shemekha) = je naam | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מה שׁמך (mah shemekha), ‘wat is je naam?’: Jakob moet zijn naam noemen, die ‘hielgrijper’ en ‘bedrieger’ betekent (zie 25:26; 27:36). Zie ook: Gen 25:26; Gen 27:33–36; Gen 27:36; Gen 35:10; Hos 12:4–6; Jes 62:2–4; Openb 2:17 **32:29** Hij zei: **„Je naam zal niet meer Jakob heten, maar Israël, want je hebt gestreden met Elohim en met mensen, en je hebt overwonnen.”** Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לֹ֤א (lo) = niet | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | יֵאָמֵ֥ר (yeamer) = hij zal gezegd worden | עוֹד֙ (od) = meer | שִׁמְךָ֔ (shimkha) = je naam | כִּ֖י (ki) = want | אִם (im) = tenzij | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּֽי (ki) = want | שָׂרִ֧יתָ (sarita) = je hebt gestreden | עִם (im) = met | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | וְעִם (veim) = en met | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mensen | וַתּוּכָֽל (vatukhal) = en je hebt overwonnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ישׂראל (Yisra’el), ‘Israël’: ‘hij strijdt met Elohim’ (van sarah, ‘strijden’). שׂרית עם אלהים (sarita im Elohim), ‘je hebt gestreden met Elohim’: zie 35:10 en Hos. 12:4–5. Zie ook: Gen 28:13–14; Gen 35:10; Job 11:7; Re 13:16–18; Hos 6:1; Hos 12:5–6; Jes 9:5 **32:30** Jakob vroeg: „Zeg mij toch Uw naam.” Hij zei: **„Waarom vraag je naar mijn naam?”** En Hij zegende hem daar. Brontekst: וַיִּשְׁאַ֣ל (vayishal) = en hij vroeg | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | הַגִּֽידָה (hagida) = vertel | נָּ֣א (na) = alsjeblieft | שְׁמֶ֔ךָ (shemekha) = je naam | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en Hij zei | לָ֥מָּה (lama) = waarom | זֶּ֖ה (ze) = dit | תִּשְׁאַ֣ל (tishal) = je vraagt | לִשְׁמִ֑י (lishmi) = naar mijn naam | וַיְבָ֥רֶךְ (vayvarekh) = en Hij zegende | אֹת֖וֹ (oto) = hem | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: למה זה תשׁאל לשׁמי (lamah zeh tish’al lishmi), ‘waarom vraag je naar mijn naam?’: de man noemt zijn naam niet (zie Richteren 13:17–18). Zie ook: Gen 16:13; Ex 24:10–11; Num 12:8; Deut 5:24; Re 13:17–18; Jes 6:5 **32:31** Jakob noemde die plaats Peniël: „Want ik heb Elohim gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is gered.” Brontekst: וַיִּקְרָ֧א (vayiqra) = en hij noemde | יַעֲקֹ֛ב (yaaqov) = Jakob | שֵׁ֥ם (shem) = naam van | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | פְּנִיאֵ֑ל (peniel) = Peniël | כִּֽי (ki) = want | רָאִ֤יתִי (raiti) = ik heb gezien | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | פָּנִ֣ים (panim) = gezicht | אֶל (el) = naar | פָּנִ֔ים (panim) = gezicht | וַתִּנָּצֵ֖ל (vatinatsel) = en ze werd gered | נַפְשִֽׁי (nafshi) = mijn leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: פניאל (Peniel), ‘Peniël’: ‘gezicht van El’. Peniël lag aan de Jabbok, waarschijnlijk bij de heuvels Tulul edh-Dhahab, ongeveer 60 km ten noordoosten van Jeruzalem; de precieze plek is onzeker. Voetnoot Uitleg: ראיתי אלהים פנים אל פנים (ra’iti Elohim panim el panim), ‘ik heb Elohim gezien van aangezicht tot aangezicht’: zie Ex. 33:11; Deut. 5:4. Zie ook: Gen 19:15; Gen 32:25; Ex 33:11; Deut 5:4; Ps 38:18; Mal 3:20; 2 Kor 12:7 **32:32** De zon ging voor hem op toen hij Penuël voorbij was, en hij hinkte aan zijn heup. Brontekst: וַיִּֽזְרַֽח (vayizrach) = en ze scheen | ל֣וֹ (lo) = over hem | הַשֶּׁ֔מֶשׁ (hashemesh) = de zon | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = toen | עָבַ֖ר (avar) = hij trok voorbij | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פְּנוּאֵ֑ל (penuel) = Penuël | וְה֥וּא (vehu) = en hij | צֹלֵ֖עַ (tsolea) = hinkend | עַל (al) = op | יְרֵכֽוֹ (yerekho) = zijn heup Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Peniël: De ligging van Peniël is niet zeker; de plaats lag bij de Jabbok. Voetnoot Uitleg: פנואל (Penu’el), ‘Penuël’: dezelfde plaats als Peniël in vers 31. צלע (tsole’a), ‘hinkend’. Zie ook: Gen 32:31; 1 Sam 5:5 **32:33** Daarom eten de Israëlieten tot op de dag van vandaag de heuppees niet die op het heupgewricht zit. Want hij raakte Jakobs heupgewricht aan bij de heuppees. Brontekst: עַל (al) = op | כֵּ֡ן (ken) = zo | לֹֽא (lo) = niet | יֹאכְל֨וּ (yokhlu) = ze eten | בְנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | גִּ֣יד (gid) = pees van | הַנָּשֶׁ֗ה (hanashe) = de nasheh | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | עַל (al) = op | כַּ֣ף (kaf) = holte van | הַיָּרֵ֔ךְ (hayarekh) = de heup | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | כִּ֤י (ki) = want | נָגַע֙ (naga) = hij raakte aan | בְּכַף (bekhaf) = in holte van | יֶ֣רֶךְ (yerekh) = heup van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | בְּגִ֖יד (begid) = in pees van | הַנָּשֶֽׁה (hanashe) = de nasheh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גיד הנשׁה (gid hanasheh), ‘de heuppees’: een pees of zenuw bij de heup. Deze gewoonte wordt alleen hier genoemd. ## Genesis 33 _Jakob en Ezau; Sukkot en Sichem_ ### De ontmoeting met Ezau **33:1** Jakob sloeg zijn ogen op en zag, en zie, Ezau kwam, en met hem vierhonderd man. Hij verdeelde de kinderen over Lea, Rachel en de twee dienaressen. Brontekst: וַיִּשָּׂ֨א (vayisa) = en hij hief op | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | עֵינָ֗יו (einav) = zijn ogen | וַיַּרְא֙ (vayar) = en hij zag | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | עֵשָׂ֣ו (esav) = Ezau | בָּ֔א (ba) = komend | וְעִמּ֕וֹ (veimo) = en met hem | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אִ֑ישׁ (ish) = man | וַיַּ֣חַץ (vayachats) = en hij verdeelde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַיְלָדִ֗ים (hayladim) = de kinderen | עַל (al) = over | לֵאָה֙ (lea) = Lea | וְעַל (veal) = en over | רָחֵ֔ל (rachel) = Rachel | וְעַ֖ל (veal) = en over | שְׁתֵּ֥י (shetei) = twee | הַשְּׁפָחֽוֹת (hashefachot) = de dienaressen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ארבע מאות אישׁ (arba me’ot ish), ‘vierhonderd man’: zie 32:7. Zie ook: Gen 27:41–42; Gen 32:6–7; Gen 32:7; Gen 32:16 **33:2** Hij zette de dienaressen met hun kinderen vooraan, Lea met haar kinderen daarachter, en Rachel en Jozef helemaal achteraan. Brontekst: וַיָּ֧שֶׂם (vayasem) = en hij zette | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַשְּׁפָח֛וֹת (hashefachot) = de dienaressen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יַלְדֵיהֶ֖ן (yaldeihen) = hun kinderen | רִֽאשֹׁנָ֑ה (rishona) = vooraan | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | לֵאָ֤ה (lea) = Lea | וִֽילָדֶ֨יהָ֙ (viladeiha) = en haar kinderen | אַחֲרֹנִ֔ים (acharonim) = daarachter | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | רָחֵ֥ל (rachel) = Rachel | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | אַחֲרֹנִֽים (acharonim) = helemaal achteraan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:30; Gen 30:22–24; Gen 37:3; Mal 3:17 **33:3** Hijzelf trok voor hen uit en boog zich zeven keer tot op de grond, totdat hij bij zijn broer was. Brontekst: וְה֖וּא (vehu) = en hij | עָבַ֣ר (avar) = trok voorbij | לִפְנֵיהֶ֑ם (lifneihem) = voor hen | וַיִּשְׁתַּ֤חוּ (vayishtachu) = en hij boog zich neer | אַ֨רְצָה֙ (artsa) = naar de grond | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פְּעָמִ֔ים (peamim) = keer | עַד (ad) = tot | גִּשְׁתּ֖וֹ (gishto) = zijn nadering | עַד (ad) = tot | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישׁתחו ארצה שׁבע פעמים (vayishtachu artsah sheva pe’amim), ‘hij boog zich zeven keer tot de grond’: de buiging van een vazal voor zijn heer. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:54 zegt dat Jakob zich zeven keer boog. Zie ook: Gen 18:2; Gen 42:6; Gen 43:26; Jas 32:54; Luc 14:11; Joh 10:4 **33:4** Ezau rende hem tegemoet, omhelsde hem, viel hem om de hals en kuste hem. Ze huilden. Brontekst: וַיָּ֨רָץ (vayarats) = en hij rende | עֵשָׂ֤ו (esav) = Ezau | לִקְרָאתוֹ֙ (liqrato) = hem tegemoet | וַֽיְחַבְּקֵ֔הוּ (vaychabeqehu) = en hij omhelsde hem | וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en hij viel | עַל (al) = op | צַוָּארָ֖ו (tsavarav) = zijn hals | וַׄיִּׄשָּׁׄקֵ֑ׄהׄוּׄ (vayishaqehu) = en hij kuste hem | וַיִּבְכּֽוּ (vayivku) = en ze weenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישׁקהו (vayishaqehu), ‘hij kuste hem’: de Masoreten hebben stippen boven dit woord gezet (zie ook 19:33; 37:12); de betekenis daarvan is onzeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:55–56 zegt dat Ezau’s toorn in vriendelijkheid veranderde en dat ze elkaar omhelsden en kusten. Zie ook: Gen 19:33; Gen 32:28; Gen 37:12; Gen 45:2; Gen 45:14–15; Jas 32:55–56; Ps 34:5; Luc 15:20 **33:5** Hij sloeg zijn ogen op, zag de vrouwen en de kinderen en zei: „Wie zijn zij die bij je zijn?” Hij zei: „De kinderen die Elohim uit gunst aan uw dienaar heeft gegeven.” Brontekst: וַיִּשָּׂ֣א (vayisa) = en hij hief op | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵינָ֗יו (einav) = zijn ogen | וַיַּ֤רְא (vayar) = en hij zag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַנָּשִׁים֙ (hanashim) = de vrouwen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַיְלָדִ֔ים (hayladim) = de kinderen | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | מִי (mi) = wie | אֵ֣לֶּה (ele) = dezen | לָּ֑ךְ (lakh) = bij jou | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en hij zei | הַיְלָדִ֕ים (hayladim) = de kinderen | אֲשֶׁר (asher) = die | חָנַ֥ן (chanan) = heeft begunstigd | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עַבְדֶּֽךָ (avdekha) = uw dienaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אשׁר חנן אלהים (asher chanan Elohim), ‘die Elohim uit gunst gegeven heeft’: van chanan, ‘gunst bewijzen’, hetzelfde woord als chen, ‘gunst’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:60 zegt dat Jakob antwoordde dat het de kinderen waren die Elohim uit gunst aan hem had gegeven. Zie ook: Gen 48:9; Jas 32:60; Ruth 4:13; Ps 127:3; Jes 8:18; Heb 2:13 **33:6** De dienaressen kwamen naderbij, zij en hun kinderen, en bogen zich neer. Brontekst: וַתִּגַּ֧שְׁןָ (vatigashna) = en ze kwamen dichtbij | הַשְּׁפָח֛וֹת (hashefachot) = de dienaressen | הֵ֥נָּה (hena) = zij | וְיַלְדֵיהֶ֖ן (veyaldeihen) = en hun kinderen | וַתִּֽשְׁתַּחֲוֶֽיןָ (vatishtachaveina) = en ze bogen zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:7** Ook Lea kwam naderbij met haar kinderen, en ze bogen zich neer. Daarna kwamen Jozef en Rachel naderbij, en ook zij bogen zich neer. Brontekst: וַתִּגַּ֧שׁ (vatigash) = en ze kwam dichtbij | גַּם (gam) = ook | לֵאָ֛ה (lea) = Lea | וִילָדֶ֖יהָ (viladeiha) = en haar kinderen | וַיִּֽשְׁתַּחֲו֑וּ (vayishtachavu) = en ze bogen zich neer | וְאַחַ֗ר (veachar) = en daarna | נִגַּ֥שׁ (nigash) = kwam dichtbij | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | וְרָחֵ֖ל (verachel) = en Rachel | וַיִּֽשְׁתַּחֲוֽוּ (vayishtachavu) = en ze bogen zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:8** Hij zei: „Wat bedoel je met heel dit kamp dat ik ontmoet heb?” Hij zei: „Om gunst te vinden in de ogen van mijn heer.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | מִ֥י (mi) = wat | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | כָּל (kal) = heel | הַמַּחֲנֶ֥ה (hamachane) = het kamp | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | פָּגָ֑שְׁתִּי (pagashti) = ik ontmoette | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | לִמְצֹא (limtso) = om te vinden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: למצא חן בעיני אדני (limtso chen be’einei adoni), ‘om gunst te vinden in de ogen van mijn heer’: Jakob noemt Ezau steeds ‘mijn heer’ (zie 32:5). Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:61 geeft Ezau’s vraag naar het kamp. Zie ook: Gen 32:5; Gen 32:13–20; Gen 39:5; Jas 32:61; Est 2:17 **33:9** Ezau zei: „Ik heb genoeg, mijn broer. Houd wat van jou is.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | יֶשׁ (yesh) = er is | לִ֣י (li) = aan mij | רָ֑ב (rav) = veel | אָחִ֕י (achi) = mijn broer | יְהִ֥י (yehi) = het zij | לְךָ֖ (lekha) = aan jou | אֲשֶׁר (asher) = wat | לָֽךְ (lakh) = aan jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רב אחי (rav achi), ‘ik heb genoeg, mijn broer’: letterlijk ‘ik heb veel’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:62 zegt dat Ezau het geschenk eerst weigerde. Zie ook: Gen 4:9; Gen 27:39; Jas 32:62; Spr 16:7; Hand 9:17; Filem 1:7 **33:10** Jakob zei: „Nee, alstublieft, als ik gunst in uw ogen gevonden heb, neem dan mijn geschenk uit mijn hand aan. Want daarom heb ik uw gezicht gezien, als het zien van het gezicht van Elohim, en u hebt mij gunstig ontvangen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | אַל (al) = niet | נָא֙ (na) = alsjeblieft | אִם (im) = als | נָ֨א (na) = alsjeblieft | מָצָ֤אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵן֙ (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = in je ogen | וְלָקַחְתָּ֥ (velaqachta) = en je neemt | מִנְחָתִ֖י (minchati) = mijn geschenk | מִיָּדִ֑י (miyadi) = uit mijn hand | כִּ֣י (ki) = want | עַל (al) = op | כֵּ֞ן (ken) = zo | רָאִ֣יתִי (raiti) = ik heb gezien | פָנֶ֗יךָ (paneikha) = je gezicht | כִּרְאֹ֛ת (kirot) = als zien van | פְּנֵ֥י (penei) = gezicht van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וַתִּרְצֵֽנִי (vatirtseni) = en je hebt mij gunstig ontvangen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ראיתי פניך כראת פני אלהים ותרצני (ra’iti fanekha kir’ot penei Elohim vatirtseni), ‘ik heb uw gezicht gezien als het zien van het gezicht van Elohim, en u hebt mij gunstig ontvangen’: Jakob heeft in Peniël Elohim gezien (zie 32:31) en nu ziet hij zo in Ezau’s gezicht de gunst. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:63–64 heeft een vergelijkbaar antwoord. Zie ook: Gen 32:30; Gen 32:31; Jas 32:63–64; Job 33:26; Ex 33:12–13; Jer 31:2; Openb 22:4 **33:11** Neem toch mijn zegengeschenk aan dat ik u gebracht heb, want Elohim heeft mij gunst bewezen en ik heb alles.” Hij drong bij hem aan, en hij nam het aan. Brontekst: קַח (qach) = neem | נָ֤א (na) = alsjeblieft | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּרְכָתִי֙ (birkhati) = mijn zegengeschenk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הֻבָ֣את (huvat) = is gebracht | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | כִּֽי (ki) = want | חַנַּ֥נִי (chanani) = heeft begunstigd mij | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | וְכִ֣י (vekhi) = en want | יֶשׁ (yesh) = er is | לִי (li) = aan mij | כֹ֑ל (kol) = alles | וַיִּפְצַר (vayiftsar) = en hij drong aan | בּ֖וֹ (bo) = bij hem | וַיִּקָּֽח (vayiqach) = en hij nam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ברכתי (birkhati), ‘mijn zegengeschenk’: een geschenk als teken van zegen (zie 1 Sam. 25:27; 2 Kon. 5:15). Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:65 zegt dat Jakob ook zilver, goud en bdellium gaf. Zie ook: Gen 30:43; Gen 33:9; Jas 32:65; 1 Sam 25:27; 2 Kon 5:15; 2 Kon 5:23; Fil 4:18 **33:12** Ezau zei: „Laten we vertrekken en doorreizen. Ik zal naast je gaan.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | נִסְעָ֣ה (nisa) = laten we opbreken | וְנֵלֵ֑כָה (venelekha) = en laten we gaan | וְאֵלְכָ֖ה (veelekha) = en ik zal gaan | לְנֶגְדֶּֽךָ (lenegdekha) = naast je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **33:13** Hij zei tegen hem: „Mijn heer weet dat de kinderen zwak zijn, en dat ik zorg moet dragen voor de zogende schapen en koeien. Als ze maar één dag te hard gedreven worden, sterft heel de kudde. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | אֲדֹנִ֤י (adoni) = mijn heer | יֹדֵ֨עַ֙ (yodea) = weet | כִּֽי (ki) = dat | הַיְלָדִ֣ים (hayladim) = de kinderen | רַכִּ֔ים (rakim) = zwak | וְהַצֹּ֥אן (vehatson) = en het kleinvee | וְהַבָּקָ֖ר (vehabaqar) = en het rundvee | עָל֣וֹת (alot) = zogende | עָלָ֑י (alay) = op mij | וּדְפָקוּם֙ (udefaqum) = en ze zullen hen te hard drijven | י֣וֹם (yom) = dag | אֶחָ֔ד (echad) = één | וָמֵ֖תוּ (vametu) = en ze zullen sterven | כָּל (kal) = heel | הַצֹּֽאן (hatson) = de kudde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רכים (rakkim), ‘zwak’: ‘teer’; עלות (olot), ‘zogende’: zie 32:16. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:68 geeft dezelfde reden: de kinderen en de dieren met jongen kunnen niet snel reizen. Zie ook: Gen 32:16; Jas 32:68; Spr 12:10; Jes 40:11; Ezech 34:15–16; Ezech 34:23–25; Joh 21:15–17 **33:14** Laat mijn heer toch voor zijn dienaar uit gaan. Ik zal rustig voortgaan, op het tempo van het vee dat voor mij is en op het tempo van de kinderen, totdat ik bij mijn heer in Seïr kom.” Brontekst: יַעֲבָר (yaavar) = hij zal overgaan | נָ֥א (na) = alsjeblieft | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | עַבְדּ֑וֹ (avdo) = zijn dienaar | וַאֲנִ֞י (vaani) = en ik | אֶֽתְנָהֲלָ֣ה (etnahala) = ik zal voortgaan | לְאִטִּ֗י (leiti) = langzaam | לְרֶ֨גֶל (leregel) = naar de voet van | הַמְּלָאכָ֤ה (hamelakha) = het vee | אֲשֶׁר (asher) = dat | לְפָנַי֙ (lefanay) = voor mij | וּלְרֶ֣גֶל (uleregel) = en naar de voet van | הַיְלָדִ֔ים (hayladim) = de kinderen | עַ֛ד (ad) = tot | אֲשֶׁר (asher) = dat | אָבֹ֥א (avo) = ik kom | אֶל (el) = tot | אֲדֹנִ֖י (adoni) = mijn heer | שֵׂעִֽירָה (seira) = naar Seïr Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: אתנהלה לאטי (etnahalah le’iti), ‘ik zal rustig voortgaan’: letterlijk ‘ik zal langzaam leiden’. שׂעירה (Se’irah), ‘naar Seïr’: zie 32:4. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:69–72 zegt dat Jakob dit zei om Ezau en zijn mannen van zich te verwijderen. Zie ook: Gen 32:3; Gen 32:4; Jas 32:69–72; 2 Kron 20:10; Jes 40:11; Ezech 35:2–3; Rom 15:1 **33:15** Ezau zei: „Laat mij dan enkele mensen van het volk dat bij mij is bij je achterlaten.” Hij zei: „Waarom dat? Laat mij gunst vinden in de ogen van mijn heer.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | אַצִּֽיגָה (atsiga) = ik zal laten staan | נָּ֣א (na) = alsjeblieft | עִמְּךָ֔ (imekha) = bij jou | מִן (min) = van | הָעָ֖ם (haam) = het volk | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אִתִּ֑י (iti) = bij mij | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | לָ֣מָּה (lama) = waarom | זֶּ֔ה (ze) = dit | אֶמְצָא (emtsa) = ik zal vinden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:70–71 zegt dat Ezau aanbood mannen bij Jakob te laten om hem onderweg te helpen. Zie ook: Gen 34:11; Gen 47:25; Jas 32:70–71; Ruth 2:13; 1 Sam 25:8; 2 Sam 16:4 **33:16** Ezau keerde die dag terug op zijn weg naar Seïr. Brontekst: וַיָּשָׁב֩ (vayashav) = en hij keerde terug | בַּיּ֨וֹם (bayom) = op dag | הַה֥וּא (hahu) = die | עֵשָׂ֛ו (esav) = Ezau | לְדַרְכּ֖וֹ (ledarko) = op zijn weg | שֵׂעִֽירָה (seira) = naar Seïr Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Aanvullend: Jasher 32:73 zegt dat Ezau met zijn vierhonderd man naar Seïr terugkeerde. Zie ook: Jas 32:73 ### Jakob in Sukkot en Sichem **33:17** Jakob trok verder naar Sukkot. Hij bouwde een huis voor zich en maakte hutten voor zijn vee. Daarom noemde men die plaats Sukkot. Brontekst: וְיַעֲקֹב֙ (veyaaqov) = en Jakob | נָסַ֣ע (nasa) = trok | סֻכֹּ֔תָה (sukota) = naar Sukkot | וַיִּ֥בֶן (vayiven) = en hij bouwde | ל֖וֹ (lo) = voor zich | בָּ֑יִת (bayit) = huis | וּלְמִקְנֵ֨הוּ֙ (ulemiqnehu) = en voor zijn vee | עָשָׂ֣ה (asa) = hij maakte | סֻכֹּ֔ת (sukot) = hutten | עַל (al) = op | כֵּ֛ן (ken) = zo | קָרָ֥א (qara) = hij noemde | שֵׁם (shem) = naam van | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | סֻכּֽוֹת (sukot) = Sukkot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: סכתה (Sukkotah), ‘naar Sukkot’: ‘hutten’. Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, vermoedelijk bij Tell Deir Alla, ongeveer 30 km ten oosten van Sichem. Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:3 zegt dat Jakob daar een huis bouwde en hutten maakte voor zijn vee. Zie ook: Jas 33:3; Joz 13:27; Re 8:5; Re 8:8; Re 8:16; Ps 60:8 **33:18** Jakob kwam heelhuids aan bij de stad Sichem in het land Kanaän, toen hij uit Paddan-Aram kwam. Hij sloeg zijn kamp op voor de stad. Brontekst: וַיָּבֹא֩ (vayavo) = en hij kwam | יַעֲקֹ֨ב (yaaqov) = Jakob | שָׁלֵ֜ם (shalem) = heelhuids | עִ֣יר (ir) = stad van | שְׁכֶ֗ם (shekhem) = Sichem | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | בְּבֹא֖וֹ (bevoo) = bij zijn komen | מִפַּדַּ֣ן (mipadan) = uit Paddan | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַיִּ֖חַן (vayichan) = en hij legerde zich | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: שׁלם עיר שׁכם (shalem ir Shekhem), ‘heelhuids naar de stad Sichem’: shalem kan ook de plaatsnaam Salem zijn. Sichem lag ongeveer 50 km ten noorden van Jeruzalem, in het bergland van Efraïm, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 30:1 zegt dat Jakob naar Salem, ten oosten van Sichem, ging, en Jasher 33:1 dat hij kwam in het land Salem, dat is de stad Sichem. Zie ook: Gen 25:20; Jub 30:1; Jas 33:1; Joz 24:1; Re 9:1; Joh 4:5; Hand 7:16 **33:19** Hij kocht het stuk land waar hij zijn tent had opgeslagen van de zonen van Hamor, de vader van Sichem, voor honderd kesita’s. Brontekst: וַיִּ֜קֶן (vayiqen) = en hij kocht | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֶלְקַ֣ת (chelqat) = stuk van | הַשָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | נָֽטָה (nata) = hij had opgeslagen | שָׁם֙ (sham) = daar | אָהֳל֔וֹ (aholo) = zijn tent | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | חֲמ֖וֹר (chamor) = Hamor | אֲבִ֣י (avi) = vader van | שְׁכֶ֑ם (shekhem) = Sichem | בְּמֵאָ֖ה (bemea) = voor honderd | קְשִׂיטָֽה (qesita) = kesita Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: במאה קשׂיטה (bemeah qesitah), ‘voor honderd kesita’s’: een betaalmiddel van onbekende waarde (zie Joz. 24:32; Job 42:11). Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:2 zegt dat het stuk land vijf sjekel kostte. Zie ook: Gen 34:2–31; Gen 49:30–32; Jub 30:1; Jas 33:2; Job 42:11; Joz 24:32; Joh 4:5; Hand 7:16 **33:20** Daar richtte hij een altaar op en noemde het El-Elohe-Israël. Brontekst: וַיַּצֶּב (vayatsev) = en hij richtte op | שָׁ֖ם (sham) = daar | מִזְבֵּ֑חַ (mizbeach) = altaar | וַיִּ֨קְרָא (vayiqra) = en hij noemde | ל֔וֹ (lo) = het | אֵ֖ל (el) = El | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אל אלהי ישׂראל (El Elohei Yisra’el), ‘El, Elohim van Israël’: de naam geeft de Elohim van Jakob, die hem de naam Israël gaf (zie 32:29), een eigen plaats. Zie ook: Gen 8:20; Gen 13:18; Gen 21:33; Gen 32:28; Gen 32:29; Gen 35:7; Jub 30:1 ## Genesis 34 _Dina in Sichem_ ### Dina en Sichem **34:1** Dina, de dochter van Lea, die zij aan Jakob had gebaard, ging naar buiten om de dochters van het land te bezoeken. Brontekst: וַתֵּצֵ֤א (vatetse) = en ze ging uit | דִינָה֙ (dina) = Dina | בַּת (bat) = dochter van | לֵאָ֔ה (lea) = Lea | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יָלְדָ֖ה (yaleda) = ze had gebaard | לְיַעֲקֹ֑ב (leyaaqov) = aan Jakob | לִרְא֖וֹת (lirot) = om te zien | בִּבְנ֥וֹת (bivnot) = naar de dochters van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותצא דינה בת לאה (vatetse Dinah bat Leah), ‘Dina, de dochter van Lea’: zie 30:21. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 30:2 vertelt dat Dina naar het huis van Sichem werd geroofd. Jasher 33:5–6 zegt dat zij met haar moeder en andere vrouwen naar het feest van de dochters van de stad ging. Zie ook: Gen 27:46; Gen 28:6; Gen 30:13; Gen 30:21; Jub 30:2; Jas 33:5–6; Jer 2:36 **34:2** Sichem, de zoon van Hamor, de Chiviet, de vorst van het land, zag haar. Hij nam haar, lag met haar en vernederde haar. Brontekst: וַיַּ֨רְא (vayar) = en hij zag | אֹתָ֜הּ (otah) = haar | שְׁכֶ֧ם (shekhem) = Sichem | בֶּן (ben) = zoon van | חֲמ֛וֹר (chamor) = Hamor | הַֽחִוִּ֖י (hachivi) = de Chiviet | נְשִׂ֣יא (nesi) = vorst van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיִּקַּ֥ח (vayiqach) = en hij nam | אֹתָ֛הּ (otah) = haar | וַיִּשְׁכַּ֥ב (vayishkav) = en hij lag | אֹתָ֖הּ (otah) = met haar | וַיְעַנֶּֽהָ (vayaneha) = en hij vernederde haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נשׂיא הארץ (nesi ha’arets), ‘vorst van het land’: een leider van de Chivieten (zie 10:17). וישׁכב אתה ויענה (vayishkav otah vaye’anneha), ‘hij lag met haar en vernederde haar’: het werkwoord inna, ‘vernederen’, wijst op geweld en wordt ook gebruikt voor het geweld tegen Tamar (zie 2 Sam. 13:12) en tegen de vrouw in Richteren 19:24. Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:11 zegt dat Sichem haar met geweld liet halen. Zie ook: Gen 10:17; Jub 30:2; Jas 33:11; Job 31:1; Job 31:9; Re 14:1; Re 19:24; 2 Sam 13:12; Spr 13:20; Mat 5:28 **34:3** Zijn ziel hechtte zich aan Dina, de dochter van Jakob. Hij werd verliefd op het meisje en sprak vriendelijk tot haar. Brontekst: וַתִּדְבַּ֣ק (vatidbaq) = en ze hechtte zich | נַפְשׁ֔וֹ (nafsho) = zijn ziel | בְּדִינָ֖ה (bedina) = aan Dina | בַּֽת (bat) = dochter van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וַיֶּֽאֱהַב֙ (vayeehav) = en hij hield van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַֽנַּעֲרָ֔ (hanaara) = het meisje | וַיְדַבֵּ֖ר (vaydaber) = en hij sprak | עַל (al) = tot | לֵ֥ב (lev) = hart van | הַֽנַּעֲרָֽ (hanaara) = het meisje Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נפשׁו בדינה (nafsho beDinah), ‘zijn ziel hechtte zich aan Dina’. וידבר על לב הנער (vaydaber al lev hana’ar), ‘hij sprak tot het hart van het meisje’: een uitdrukking voor vriendelijk, bemoedigend spreken (zie 50:21). Zie ook: Gen 50:21; Ruth 1:14; 1 Sam 18:1; 2 Kron 30:22; Hos 2:16; Jes 40:2 **34:4** Sichem zei tegen zijn vader Hamor: „Neem dit meisje voor mij tot vrouw.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁכֶ֔ם (shekhem) = Sichem | אֶל (el) = tot | חֲמ֥וֹר (chamor) = Hamor | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | קַֽח (qach) = neem | לִ֛י (li) = voor mij | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַיַּלְדָּ֥ה (hayalda) = het meisje | הַזֹּ֖את (hazot) = dit | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 21:21; Jub 30:3; Re 14:2; 2 Sam 13:13 **34:5** Jakob hoorde dat Sichem zijn dochter Dina had onteerd. Zijn zonen waren met zijn vee in het veld, en Jakob zweeg tot zij thuiskwamen. Brontekst: וְיַעֲקֹ֣ב (veyaaqov) = en Jakob | שָׁמַ֗ע (shama) = hij hoorde | כִּ֤י (ki) = dat | טִמֵּא֙ (time) = hij had verontreinigd | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּינָ֣ה (dina) = Dina | בִתּ֔וֹ (bito) = zijn dochter | וּבָנָ֛יו (uvanav) = en zijn zonen | הָי֥וּ (hayu) = waren | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מִקְנֵ֖הוּ (miqnehu) = zijn vee | בַּשָּׂדֶ֑ה (basade) = in het veld | וְהֶחֱרִ֥שׁ (vehecherish) = en hij zweeg | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | עַד (ad) = tot | בֹּאָֽם (boam) = hun komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טמא את דינה (timme et Dinah), ‘hij had Dina verontreinigd’ (in de tekst staat alleen ‘hij’; wij noemen in de vertaling Sichem ter verduidelijking): timme betekent ‘onrein maken’; het gaat om de schande voor haar en voor het huis. והחרשׁ יעקב (vehecheresh Ya’aqov), ‘Jakob zweeg’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:15 zegt ook dat Jakob zweeg tot zijn zonen terugkwamen. Zie ook: Gen 30:35; Gen 37:13–14; Jub 30:3; Jas 33:15; Lev 10:3; 2 Sam 13:22; Luc 15:25 ### Hamor komt bij Jakob **34:6** Hamor, de vader van Sichem, ging naar Jakob om met hem te spreken. Brontekst: וַיֵּצֵ֛א (vayetse) = en hij ging uit | חֲמ֥וֹר (chamor) = Hamor | אֲבִֽי (avi) = vader van | שְׁכֶ֖ם (shekhem) = Sichem | אֶֽל (el) = naar | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | לְדַבֵּ֖ר (ledaber) = om te spreken | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 30:3 **34:7** De zonen van Jakob kwamen uit het veld toen zij het hoorden. De mannen waren diep gekwetst en zeer boos, want hij had een schanddaad in Israël begaan door met de dochter van Jakob te slapen. Zoiets hoort men niet te doen. Brontekst: וּבְנֵ֨י (uvenei) = en zonen van | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | בָּ֤אוּ (bau) = ze kwamen | מִן (min) = uit | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | כְּשָׁמְעָ֔ם (keshameam) = bij hun horen | וַיִּֽתְעַצְּבוּ֙ (vayitatsevu) = en ze werden gekwetst | הָֽאֲנָשִׁ֔ים (haanashim) = de mannen | וַיִּ֥חַר (vayichar) = en het ontbrandde | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | כִּֽי (ki) = want | נְבָלָ֞ה (nevala) = schanddaad | עָשָׂ֣ה (asa) = hij had gedaan | בְיִשְׂרָאֵ֗ל (beyisrael) = in Israël | לִשְׁכַּב֙ (lishkav) = om te liggen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בַּֽת (bat) = dochter van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְכֵ֖ן (vekhen) = en zo | לֹ֥א (lo) = niet | יֵעָשֶֽׂה (yease) = men zal doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נבלה עשׂה בישׂראל (nevalah asah beYisra’el), ‘een schanddaad in Israël’: nevalah is een daad die de orde van het volk schendt (zie Deut. 22:21; Richteren 20:6). ‘Israël’ is hier het huis van Jakob. Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:20–22 zegt dat de zonen van Jakob woedend waren en zeiden dat de doodstraf op de man stond. Zie ook: Gen 20:9; Jub 30:3; Jas 33:20–22; Deut 22:21; Joz 7:15; Re 20:6; Heb 13:4 **34:8** Hamor sprak met hen: „Mijn zoon Sichem verlangt met heel zijn ziel naar jullie dochter. Geef haar hem toch tot vrouw. Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | חֲמ֖וֹר (chamor) = Hamor | אִתָּ֣ם (itam) = met hen | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | שְׁכֶ֣ם (shekhem) = Sichem | בְּנִ֗י (beni) = mijn zoon | חָֽשְׁקָ֤ה (chasheqa) = verlangt | נַפְשׁוֹ֙ (nafsho) = zijn ziel | בְּבִתְּכֶ֔ם (bevitekhem) = naar jullie dochter | תְּנ֨וּ (tenu) = geef | נָ֥א (na) = alsjeblieft | אֹתָ֛הּ (otah) = haar | ל֖וֹ (lo) = aan hem | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חשׁקה נפשׁו (chashqah nafsho), ‘zijn ziel verlangt’: chashaq betekent ‘vurig verlangen’ (zie Deut. 21:11). Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:24–25 geeft Hamors voorstel in dezelfde bewoordingen. Zie ook: Gen 34:3; Jub 30:3; Jas 33:24–25; Deut 21:11; Ps 63:2; Ps 84:3; Ps 119:20; 1 Kon 11:2 **34:9** Verbind jullie met ons door huwelijk: geef ons jullie dochters en neem onze dochters voor jullie. Brontekst: וְהִֽתְחַתְּנ֖וּ (vehitchatenu) = en verzwager jullie | אֹתָ֑נוּ (otanu) = met ons | בְּנֹֽתֵיכֶם֙ (benoteikhem) = jullie dochters | תִּתְּנוּ (titenu) = jullie zullen geven | לָ֔נוּ (lanu) = aan ons | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בְּנֹתֵ֖ינוּ (benoteinu) = onze dochters | תִּקְח֥וּ (tiqchu) = jullie zullen nemen | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: והתחתנו (vehitchatnu), ‘verbind jullie door huwelijk’: zie Deut. 7:3, waar zulke huwelijken worden verboden. Zie ook: Gen 6:2; Gen 24:3; Gen 26:34–35; Gen 27:46; Jub 30:3; Deut 7:3 **34:10** Blijf bij ons wonen. Het land staat voor jullie open: woon erin, handel erin en verwerf bezit erin.” Brontekst: וְאִתָּ֖נוּ (veitanu) = en met ons | תֵּשֵׁ֑בוּ (teshevu) = jullie zullen wonen | וְהָאָ֨רֶץ֙ (vehaarets) = en het land | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = het zal zijn | לִפְנֵיכֶ֔ם (lifneikhem) = voor jullie | שְׁבוּ֙ (shevu) = woont | וּסְחָר֔וּהָ (usecharuha) = en handelt erin | וְהֵֽאָחֲז֖וּ (veheachazu) = en verwerft bezit | בָּֽהּ (bah) = erin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וסחרוה והאחזו (vesecharuha ve’echazu), ‘handel erin en verwerf bezit’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:25 noemt ook handel en bezit. Zie ook: Gen 13:9; Gen 20:15; Gen 34:21–23; Gen 42:34; Gen 47:27; Jas 33:25 **34:11** Sichem zei tegen haar vader en haar broers: „Laat mij gunst vinden in jullie ogen. Wat jullie ook tegen mij zeggen, dat zal ik geven. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | שְׁכֶם֙ (shekhem) = Sichem | אֶל (el) = tot | אָבִ֣יה (avi) = haar vader | וְאֶל (veel) = en tot | אַחֶ֔יהָ (acheiha) = haar broers | אֶמְצָא (emtsa) = ik zal vinden | חֵ֖ן (chen) = gunst | בְּעֵינֵיכֶ֑ם (beeineikhem) = in jullie ogen | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wat | תֹּאמְר֛וּ (tomru) = jullie zullen zeggen | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | אֶתֵּֽן (eten) = ik zal geven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:3; Gen 33:15 **34:12** Vraag van mij een hoge bruidsprijs en geschenken, ik geef zoveel als jullie zeggen. Maar geef mij het meisje tot vrouw.” Brontekst: הַרְבּ֨וּ (harbu) = maakt groot | עָלַ֤י (alay) = op mij | מְאֹד֙ (meod) = zeer | מֹ֣הַר (mohar) = bruidsprijs | וּמַתָּ֔ן (umatan) = en geschenk | וְאֶ֨תְּנָ֔ה (veetena) = en ik zal geven | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | תֹּאמְר֖וּ (tomru) = jullie zullen zeggen | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וּתְנוּ (utenu) = en geef | לִ֥י (li) = aan mij | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַֽנַּעֲרָ֖ (hanaara) = het meisje | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מהר ומתן (mohar umattan), ‘bruidsprijs en geschenk’: zie Ex. 22:15–16; Deut. 22:28–29. Zie ook: Ex 22:14–15; Ex 22:15–16; Deut 22:28–29; 1 Sam 18:25–27; 2 Sam 3:14; Mat 14:17 ### Het antwoord van de zonen van Jakob **34:13** De zonen van Jakob antwoordden Sichem en zijn vader Hamor met list, want hij had hun zus Dina onteerd. Brontekst: וַיַּעֲנ֨וּ (vayaanu) = en ze antwoordden | בְנֵֽי (benei) = zonen van | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁכֶ֨ם (shekhem) = Sichem | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | חֲמ֥וֹר (chamor) = Hamor | אָבִ֛יו (aviv) = zijn vader | בְּמִרְמָ֖ה (bemirma) = met list | וַיְדַבֵּ֑רוּ (vaydaberu) = en ze spraken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = omdat | טִמֵּ֔א (time) = hij had verontreinigd | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּינָ֥ה (dina) = Dina | אֲחֹתָֽם (achotam) = hun zus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: במרמה (bemirmah), ‘met list’: hetzelfde woord als in 27:35. Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:29, 41 zegt ook dat de zonen van Jakob hen met list antwoordden. Zie ook: Gen 27:35; Jas 33:29; Jas 33:41; Ps 12:3; Spr 24:28–29; Spr 26:24–26; Mat 28:13; Rom 12:19 **34:14** Ze zeiden tegen hen: „Dat kunnen we niet doen: onze zus geven aan een man die niet besneden is, want dat is een schande voor ons. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeiden | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | לֹ֤א (lo) = niet | נוּכַל֙ (nukhal) = we kunnen | לַעֲשׂוֹת֙ (laasot) = om te doen | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | לָתֵת֙ (latet) = om te geven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲחֹתֵ֔נוּ (achotenu) = onze zus | לְאִ֖ישׁ (leish) = aan een man | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֣וֹ (lo) = aan hem | עָרְלָ֑ה (arela) = voorhuid | כִּֽי (ki) = want | חֶרְפָּ֥ה (cherpa) = schande | הִ֖וא (hi) = het | לָֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ערלה (arelah), ‘voorhuid’: de besnijdenis is het teken van het verbond (zie 17:10–14). חרפה (cherpah), ‘schande’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:42–43 laat de zonen van Jakob zeggen dat het een schande is een dochter aan een onbesneden man te geven. Zie ook: Gen 17:10–14; Gen 17:11; Jub 30:12; Jas 33:42–43; Joz 5:2–9; 1 Sam 17:36; 1 Kon 21:9; Mat 23:1–39 **34:15** Alleen onder deze voorwaarde stemmen we met jullie in: als jullie worden zoals wij, door bij jullie iedere man te laten besnijden. Brontekst: אַךְ (akh) = alleen | בְּזֹ֖את (bezot) = hierin | נֵא֣וֹת (neot) = zullen we instemmen | לָכֶ֑ם (lakhem) = met jullie | אִ֚ם (im) = als | תִּהְי֣וּ (tihyu) = jullie zullen zijn | כָמֹ֔נוּ (kamonu) = zoals wij | לְהִמֹּ֥ל (lehimol) = om besneden te worden | לָכֶ֖ם (lakhem) = bij jullie | כָּל (kal) = alle | זָכָֽר (zakhar) = mannelijke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כמנו להמל לכם כל זכר (kamonu lehimol lakhem kol zakhar), ‘zoals wij, door bij jullie iedere man te laten besnijden’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:37–38 zegt dat Simeon dit plan voorstelde. Zie ook: Jas 33:37–38; Gal 4:12 **34:16** Dan geven wij onze dochters aan jullie en nemen we jullie dochters voor ons. We zullen bij jullie wonen en één volk worden. Brontekst: וְנָתַ֤נּוּ (venatanu) = en we zullen geven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנֹתֵ֨ינוּ֙ (benoteinu) = onze dochters | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בְּנֹתֵיכֶ֖ם (benoteikhem) = jullie dochters | נִֽקַּֽח (niqach) = we zullen nemen | לָ֑נוּ (lanu) = voor ons | וְיָשַׁ֣בְנוּ (veyashavnu) = en we zullen wonen | אִתְּכֶ֔ם (itekhem) = met jullie | וְהָיִ֖ינוּ (vehayinu) = en we zullen worden | לְעַ֥ם (leam) = tot volk | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:17** Maar als jullie niet naar ons luisteren en jullie je niet laten besnijden, dan nemen we onze dochter en gaan we weg.” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | לֹ֧א (lo) = niet | תִשְׁמְע֛וּ (tishmeu) = jullie zullen luisteren | אֵלֵ֖ינוּ (eleinu) = naar ons | לְהִמּ֑וֹל (lehimol) = om besneden te worden | וְלָקַ֥חְנוּ (velaqachnu) = en we zullen nemen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּתֵּ֖נוּ (bitenu) = onze dochter | וְהָלָֽכְנוּ (vehalakhenu) = en we zullen gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:18** Hun woorden waren goed in de ogen van Hamor en van Sichem, de zoon van Hamor. Brontekst: וַיִּֽיטְב֥וּ (vayitevu) = en ze waren goed | דִבְרֵיהֶ֖ם (divreihem) = hun woorden | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | חֲמ֑וֹר (chamor) = Hamor | וּבְעֵינֵ֖י (uveeinei) = en in de ogen van | שְׁכֶ֥ם (shekhem) = Sichem | בֶּן (ben) = zoon van | חֲמֽוֹר (chamor) = Hamor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:46 zegt dat Sichem en Hamor zich haastten te doen wat de zonen van Jakob wilden, want Sichem was zeer gesteld op Dina. Zie ook: Jas 33:46 **34:19** De jongeman aarzelde niet om dit te doen, want hij had groot behagen in Jakobs dochter. Hij was de meest geachte van heel het huis van zijn vader. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | אֵחַ֤ר (echar) = hij vertraagde | הַנַּ֨עַר֙ (hanaar) = de jongen | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = de zaak | כִּ֥י (ki) = want | חָפֵ֖ץ (chafets) = hij had behagen | בְּבַֽת (bevat) = in dochter van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וְה֣וּא (vehu) = en hij | נִכְבָּ֔ד (nikhbad) = geëerd | מִכֹּ֖ל (mikol) = boven heel | בֵּ֥ית (beit) = huis van | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:20; Num 22:15; Jes 23:8–9; Hand 13:50; Hand 17:12 ### De besnijdenis in Sichem **34:20** Hamor en zijn zoon Sichem gingen naar de poort van hun stad en spraken tot de mannen van hun stad: Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij kwam | חֲמ֛וֹר (chamor) = Hamor | וּשְׁכֶ֥ם (ushekhem) = en Sichem | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | אֶל (el) = naar | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | עִירָ֑ם (iram) = hun stad | וַֽיְדַבְּר֛וּ (vaydaberu) = en ze spraken | אֶל (el) = tot | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | עִירָ֖ם (iram) = hun stad | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁער עירם (sha’ar iram), ‘de poort van hun stad’: de plaats van bestuur en rechtspraak (zie 23:10, 18). Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:47–50 zegt dat zij de mannen daar bijeenriepen en dat die instemden. Zie ook: Gen 22:17; Gen 23:10; Gen 23:18; Jas 33:47–50; Ruth 4:1; 2 Sam 15:2; Amos 5:15 **34:21** „Deze mannen zijn vredelievend tegenover ons. Laten ze in het land wonen en erin handel drijven. Het land is ruim genoeg voor hen. Laten wij hun dochters tot vrouw nemen en onze dochters aan hen geven. Brontekst: הָאֲנָשִׁ֨ים (haanashim) = de mannen | הָאֵ֜לֶּה (haele) = deze | שְֽׁלֵמִ֧ים (shelemim) = vredelievend | הֵ֣ם (hem) = zij | אִתָּ֗נוּ (itanu) = met ons | וְיֵשְׁב֤וּ (veyeshevu) = en ze zullen wonen | בָאָ֨רֶץ֙ (baarets) = in het land | וְיִסְחֲר֣וּ (veyischaru) = en ze zullen handelen | אֹתָ֔הּ (otah) = erin | וְהָאָ֛רֶץ (vehaarets) = en het land | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | רַֽחֲבַת (rachavat) = wijd van | יָדַ֖יִם (yadayim) = handen | לִפְנֵיהֶ֑ם (lifneihem) = voor hen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנֹתָם֙ (benotam) = hun dochters | נִקַּֽח (niqach) = we zullen nemen | לָ֣נוּ (lanu) = voor ons | לְנָשִׁ֔ים (lenashim) = tot vrouwen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בְּנֹתֵ֖ינוּ (benoteinu) = onze dochters | נִתֵּ֥ן (niten) = we zullen geven | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:22** Maar alleen op één voorwaarde stemmen de mannen erin toe bij ons te wonen en één volk te worden: dat bij ons elke man wordt besneden, zoals zij besneden zijn. Brontekst: אַךְ (akh) = alleen | בְּ֠זֹאת (bezot) = hierin | יֵאֹ֨תוּ (yeotu) = zullen ze instemmen | לָ֤נוּ (lanu) = met ons | הָאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = de mannen | לָשֶׁ֣בֶת (lashevet) = om te wonen | אִתָּ֔נוּ (itanu) = bij ons | לִהְי֖וֹת (lihyot) = om te zijn | לְעַ֣ם (leam) = tot volk | אֶחָ֑ד (echad) = één | בְּהִמּ֥וֹל (behimol) = bij het besneden worden | לָ֨נוּ֙ (lanu) = bij ons | כָּל (kal) = alle | זָכָ֔ר (zakhar) = mannelijke | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | הֵ֥ם (hem) = zij | נִמֹּלִֽים (nimolim) = besneden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:23** Hun vee, hun bezit en al hun dieren, zullen die niet van ons worden? Laten wij alleen met hen instemmen, dan blijven ze bij ons wonen.” Brontekst: מִקְנֵהֶ֤ם (miqnehem) = hun vee | וְקִנְיָנָם֙ (veqinyanam) = en hun bezit | וְכָל (vekhal) = en alle | בְּהֶמְתָּ֔ם (behemtam) = hun dieren | הֲל֥וֹא (halo) = is het niet | לָ֖נוּ (lanu) = voor ons | הֵ֑ם (hem) = zij | אַ֚ךְ (akh) = alleen | נֵא֣וֹתָה (neota) = laten we instemmen | לָהֶ֔ם (lahem) = met hen | וְיֵשְׁב֖וּ (veyeshevu) = en ze zullen wonen | אִתָּֽנוּ (itanu) = bij ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 1:12–13; Spr 23:4–5; Joh 2:16; Hand 19:24–26; 1 Tim 6:6–10 **34:24** Allen die door de poort van zijn stad uitgingen, luisterden naar Hamor en naar zijn zoon Sichem. Alle mannen die door de poort van zijn stad uitgingen, werden besneden. Brontekst: וַיִּשְׁמְע֤וּ (vayishmeu) = en ze luisterden | אֶל (el) = naar | חֲמוֹר֙ (chamor) = Hamor | וְאֶל (veel) = en naar | שְׁכֶ֣ם (shekhem) = Sichem | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | כָּל (kal) = alle | יֹצְאֵ֖י (yotseei) = uitgaanden van | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | עִיר֑וֹ (iro) = zijn stad | וַיִּמֹּ֨לוּ֙ (vayimolu) = en ze werden besneden | כָּל (kal) = alle | זָכָ֔ר (zakhar) = mannelijke | כָּל (kal) = alle | יֹצְאֵ֖י (yotseei) = uitgaanden van | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | עִירֽוֹ (iro) = zijn stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 33:51–52 en 34:1 geven aantallen van de besneden mannen en kinderen. Zie ook: Gen 17:23; Gen 23:10; Jas 33:51–52; Jas 34:1; Jes 1:10–16; 1 Kor 7:19; Rom 2:28–29 ### De wraak van Simeon en Levi **34:25** Op de derde dag, toen ze pijn hadden, namen twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, de broers van Dina, ieder zijn zwaard. Ze kwamen onbevreesd over de stad en doodden alle mannen. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | בַיּ֨וֹם (bayom) = op dag | הַשְּׁלִישִׁ֜י (hashelishi) = de derde | בִּֽהְיוֹתָ֣ם (bihyotam) = bij hun zijn | כֹּֽאֲבִ֗ים (koavim) = pijn hebbend | וַיִּקְח֣וּ (vayiqchu) = en ze namen | שְׁנֵֽי (shenei) = twee | בְנֵי (benei) = zonen van | יַ֠עֲקֹב (yaaqov) = Jakob | שִׁמְע֨וֹן (shimon) = Simeon | וְלֵוִ֜י (velevi) = en Levi | אֲחֵ֤י (achei) = broers van | דִינָה֙ (dina) = Dina | אִ֣ישׁ (ish) = man | חַרְבּ֔וֹ (charbo) = zijn zwaard | וַיָּבֹ֥אוּ (vayavou) = en ze kwamen | עַל (al) = over | הָעִ֖יר (hair) = de stad | בֶּ֑טַח (betach) = zeker | וַיַּֽהַרְג֖וּ (vayahargu) = en ze doodden | כָּל (kal) = alle | זָכָֽר (zakhar) = mannelijke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בהיותם כאבים (bihyotam ko’avim), ‘toen ze pijn hadden’: de derde dag na een besnijdenis. שׁמעון ולוי אחי דינה (Shim’on veLevi achei Dinah), ‘Simeon en Levi, de broers van Dina’: zonen van Lea, dus volle broers van Dina (zie 29:33–34; 30:21). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 30:4 zegt dat zij onverwacht in Sichem kwamen en alle mannen doodden, en keurt hun daad goed; Genesis 49:5–7 veroordeelt hun woede. Jasher 34:23–25 laat hen zweren dat er de volgende dag om deze tijd niemand zou overblijven. Jasher 52:36 noemt acht steden van de Amorieten en Jasher 54:5 naast Sichem zeven steden die Simeon en Levi om Dina verwoestten; Genesis 34 noemt alleen Sichem. Zie ook: Gen 29:33–34; Gen 30:21; Gen 49:5–7; Jub 30:4; Jas 34:23–25; Jas 52:36; Jas 54:5; Joz 5:8; Spr 4:16; 2 Kron 32:25 **34:26** Ook Hamor en zijn zoon Sichem doodden ze met de scherpte van het zwaard. Ze namen Dina uit het huis van Sichem en gingen weg. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | חֲמוֹר֙ (chamor) = Hamor | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שְׁכֶ֣ם (shekhem) = Sichem | בְּנ֔וֹ (beno) = zijn zoon | הָרְג֖וּ (haregu) = ze doodden | לְפִי (lefi) = naar de mond van | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | וַיִּקְח֧וּ (vayiqchu) = en ze namen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּינָ֛ה (dina) = Dina | מִבֵּ֥ית (mibeit) = uit huis van | שְׁכֶ֖ם (shekhem) = Sichem | וַיֵּצֵֽאוּ (vayetseu) = en ze gingen uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הרגו לפי חרב (hargu lefi charev), ‘ze doodden met de scherpte van het zwaard’: letterlijk ‘naar de mond van het zwaard’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 34:28 zegt dat zij Dina uit het huis van Sichem haalden. Zie ook: Jub 30:4; Jas 34:28; Deut 32:42; 2 Sam 2:26; Jes 31:8 **34:27** De zonen van Jakob kwamen over de gevallenen en plunderden de stad, omdat zij hun zus hadden onteerd. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | בָּ֚אוּ (bau) = ze kwamen | עַל (al) = over | הַ֣חֲלָלִ֔ים (hachalalim) = de gedoden | וַיָּבֹ֖זּוּ (vayavozu) = en ze plunderden | הָעִ֑יר (hair) = de stad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | טִמְּא֖וּ (timeu) = ze hadden verontreinigd | אֲחוֹתָֽם (achotam) = hun zus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 34:2; Jub 30:24; Ex 2:14; Joz 7:13; Est 9:16; 1 Tim 6:10 **34:28** Hun kleinvee, hun rundvee, hun ezels, alles wat in de stad en wat in het veld was, namen ze mee. Brontekst: אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | צֹאנָ֥ם (tsonam) = hun kleinvee | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בְּקָרָ֖ם (beqaram) = hun rundvee | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | חֲמֹרֵיהֶּ֑ם (chamoreihem) = hun ezels | וְאֵ֧ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁר (asher) = wat | בָּעִ֛יר (bair) = in de stad | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | בַּשָּׂדֶ֖ה (basade) = in het veld | לָקָֽחוּ (laqachu) = ze namen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 30:24; Job 1:15–16; Job 20:5; Num 31:17; Deut 8:17–18 **34:29** Heel hun vermogen, al hun kinderen en hun vrouwen voerden ze weg als buit, en ze plunderden alles wat in de huizen was. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | חֵילָ֤ם (cheilam) = hun vermogen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | טַפָּם֙ (tapam) = hun kinderen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | נְשֵׁיהֶ֔ם (nesheihem) = hun vrouwen | שָׁב֖וּ (shavu) = ze namen gevangen | וַיָּבֹ֑זּוּ (vayavozu) = en ze plunderden | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | בַּבָּֽיִת (babayit) = in het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 34:31, 35–37 noemt de gevangenen en de buit. Zie ook: Jub 30:24; Jas 34:31; Jas 34:35 **34:30** Jakob zei tegen Simeon en Levi: „Jullie hebben mij in het ongeluk gestort. Jullie hebben mij stinkend gemaakt bij de bewoners van het land, bij de Kanaänieten en de Perizzieten. Ik heb maar weinig mannen. Als ze zich tegen mij verzamelen en mij slaan, word ik vernietigd, ik en mijn huis.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | שִׁמְע֣וֹן (shimon) = Simeon | וְאֶל (veel) = en tot | לֵוִי֮ (levi) = Levi | עֲכַרְתֶּ֣ם (akhartem) = jullie hebben in het ongeluk gestort | אֹתִי֒ (oti) = mij | לְהַבְאִישֵׁ֨נִי֙ (lehavisheni) = om mij te laten stinken | בְּיֹשֵׁ֣ב (beyoshev) = in het wonen van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | בַּֽכְּנַעֲנִ֖י (bakenaani) = bij de Kanaänieten | וּבַפְּרִזִּ֑י (uvaperizi) = en bij de Perizzieten | וַאֲנִי֙ (vaani) = en ik | מְתֵ֣י (metei) = mannen van | מִסְפָּ֔ר (mispar) = aantal | וְנֶאֶסְפ֤וּ (veneesfu) = en ze zullen zich verzamelen | עָלַי֙ (alay) = tegen mij | וְהִכּ֔וּנִי (vehikuni) = en ze zullen mij slaan | וְנִשְׁמַדְתִּ֖י (venishmadti) = en ik word vernietigd | אֲנִ֥י (ani) = ik | וּבֵיתִֽי (uveiti) = en mijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עכרתם אתי להבאישׁני (akhartem oti lehav’ishani), ‘jullie hebben mij in het ongeluk gestort, mij stinkend gemaakt’: akhar, ‘onheil brengen’ (zie Joz. 7:25), en baash, ‘stinken’: Jakobs naam is bij de buren besmet. בכנעני ובפרזי (bakena’ani uvaPerizzi), ‘bij de Kanaänieten en de Perizzieten’: zie 13:7; 15:20. Op zijn sterfbed komt hij hierop terug (zie 49:5–7). Voetnoot Aanvullend: Jasher 34:32–33 geeft hetzelfde verwijt van Jakob. Zie ook: Gen 13:7; Gen 15:20; Gen 49:5–7; Jub 30:25; Jas 34:32–33; Ex 5:21; Joz 7:25; 1 Sam 13:4; 1 Kron 19:6; Ps 105:12 **34:31** Ze zeiden: „Mag hij onze zus behandelen als een hoer?” Brontekst: וַיֹּאמְר֑וּ (vayomru) = en ze zeiden | הַכְזוֹנָ֕ה (hakhzona) = als de hoer | יַעֲשֶׂ֖ה (yaase) = hij mag doen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲחוֹתֵֽנוּ (achotenu) = onze zus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הכזונה (hakhezonah), ‘als de hoer’: zie 38:15. Voetnoot Aanvullend: Jasher 34:34 geeft hetzelfde antwoord. Zie ook: Gen 34:13; Gen 38:15; Gen 49:7; Jas 34:34; Spr 6:34 ## Genesis 35 _Betel; Rachels dood; Isaaks dood_ ### Terug naar Betel **35:1** Elohim zei tegen Jakob: **„Sta op, ga naar Betel en woon daar. Richt daar een altaar op voor El, die aan je verscheen toen je vluchtte voor je broer Ezau.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | ק֛וּם (qum) = sta op | עֲלֵ֥ה (ale) = ga op | בֵֽית (beit) = huis van | אֵ֖ל (el) = El | וְשֶׁב (veshev) = en woon | שָׁ֑ם (sham) = daar | וַעֲשֵׂה (vaase) = en maak | שָׁ֣ם (sham) = daar | מִזְבֵּ֔חַ (mizbeach) = altaar | לָאֵל֙ (lael) = voor El | הַנִּרְאֶ֣ה (hanire) = die verscheen | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = aan jou | בְּבָרְחֲךָ֔ (bevarechakha) = bij je vluchten | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor | עֵשָׂ֥ו (esav) = Ezau | אָחִֽיךָ (achikha) = je broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: קום עלה בית אל (qum aleh Beit El), ‘sta op, ga naar Betel’: zie 28:10–22; 31:13. Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:1–2 zegt dat Yahweh Jakob beval naar Betel te gaan en daar een altaar te bouwen, en dat Jakob dat deed. Jubileeën 31:3 zegt dat hij op de nieuwemaansdag van de zevende maand naar Betel optrok. Zie ook: Gen 28:10–22; Gen 31:13; Gen 35:7; Jub 31:1; Jub 31:3; Jas 36:1–2; Deut 32:36; Ps 91:15; Hos 12:5 **35:2** Jakob zei tegen zijn huisgenoten en tegen allen die bij hem waren: „Doe de vreemde goden weg die onder jullie zijn, reinig jullie en trek andere kleren aan. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | וְאֶ֖ל (veel) = en tot | כָּל (kal) = allen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עִמּ֑וֹ (imo) = bij hem | הָסִ֜רוּ (hasiru) = doe weg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = goden van | הַנֵּכָר֙ (hanekhar) = het vreemde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּתֹכְכֶ֔ם (betokhekhem) = in jullie midden | וְהִֽטַּהֲר֔וּ (vehitaharu) = en reinig jullie | וְהַחֲלִ֖יפוּ (vehachalifu) = en verwissel | שִׂמְלֹתֵיכֶֽם (simloteikhem) = jullie kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הסרו את אלהי הנכר (hasiru et elohei hanekhar), ‘doe de vreemde goden weg’: daaronder waarschijnlijk Labans terafim (zie 31:19) en de buit uit Sichem (zie 34:27–29). והטהרו והחליפו שׂמלתיכם (vehitaharu vehachalifu simlotekhem), ‘reinig jullie en verwissel jullie kleren’: zie Ex. 19:10. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 31:1–2 zegt dat Jakob zijn huis liet reinigen en dat Rachel de beelden van Laban aan Jakob gaf. Zie ook: Gen 18:19; Gen 31:19; Gen 34:27–29; Jub 31:1–2; Ex 19:10; Ex 19:14; Ezech 18:31; Jak 4:8 **35:3** Laten wij opstaan en naar Betel gaan. Daar zal ik een altaar maken voor El, die mij antwoordde op de dag van mijn nood en die met mij was op de weg die ik ging.” Brontekst: וְנָק֥וּמָה (venaquma) = en laten we opstaan | וְנַעֲלֶ֖ה (venaale) = en laten we opgaan | בֵּֽית (beit) = huis van | אֵ֑ל (el) = El | וְאֶֽעֱשֶׂה (veeese) = en ik zal maken | שָּׁ֣ם (sham) = daar | מִזְבֵּ֗חַ (mizbeach) = altaar | לָאֵ֞ל (lael) = voor El | הָעֹנֶ֤ה (haone) = die antwoordde | אֹתִי֙ (oti) = mij | בְּי֣וֹם (beyom) = op dag van | צָֽרָתִ֔י (tsarati) = mijn nood | וַיְהִי֙ (vayhi) = en Hij was | עִמָּדִ֔י (imadi) = met mij | בַּדֶּ֖רֶךְ (baderekh) = op de weg | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָלָֽכְתִּי (halakhti) = ik ging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 31:3; Gen 31:42; Gen 32:7; Jub 31:1; Spr 3:6; Jes 43:2 **35:4** Ze gaven Jakob alle vreemde goden die ze hadden en de ringen die in hun oren zaten. Jakob begroef ze onder de eik die bij Sichem staat. Brontekst: וַיִּתְּנ֣וּ (vayitenu) = en ze gaven | אֶֽל (el) = aan | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | אֵ֣ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = goden van | הַנֵּכָר֙ (hanekhar) = het vreemde | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּיָדָ֔ם (beyadam) = in hun hand | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַנְּזָמִ֖ים (hanezamim) = de ringen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּאָזְנֵיהֶ֑ם (beazeneihem) = in hun oren | וַיִּטְמֹ֤ן (vayitmon) = en hij begroef | אֹתָם֙ (otam) = ze | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | תַּ֥חַת (tachat) = onder | הָאֵלָ֖ה (haela) = de eik | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עִם (im) = bij | שְׁכֶֽם (shekhem) = Sichem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Uitleg: הנזמים (hanezamim), ‘de ringen’: oorringen. האלה אשׁר עם שׁכם (ha’elah asher im Shekhem), ‘de eik die bij Sichem staat’: zie 12:6. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 31:2 zegt dat Jakob de beelden verbrandde, brak en onder de eik verborg. Zie ook: Gen 12:6; Jub 31:2; Ex 32:2–4; Ex 32:20; Deut 7:25; Re 9:6; Jes 30:22 **35:5** Ze braken op. Een schrik van Elohim kwam over de steden rondom hen, en zij achtervolgden de zonen van Jakob niet. Brontekst: וַיִּסָּ֑עוּ (vayisau) = en ze braken op | וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | חִתַּ֣ת (chitat) = schrik van | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | עַל (al) = over | הֶֽעָרִים֙ (hearim) = de steden | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | סְבִיבֹ֣תֵיהֶ֔ם (sevivoteihem) = om hen heen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | רָֽדְפ֔וּ (radefu) = ze achtervolgden | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יַעֲקֹֽב (yaaqov) = Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חתת אלהים (chittat Elohim), ‘een schrik van Elohim’: Elohim zelf beschermt Jakob na het geweld in Sichem (zie 34:30; Ex. 23:27). Voetnoot Aanvullend: Jasher 35:1–24 vertelt dat de koningen van de Amorieten zich verzamelden maar uit angst niet streden. Zie ook: Gen 34:30; Jub 30:26; Jas 35:1–24; Ex 23:27; Joz 2:9–11; Joz 5:1; Ps 14:5; 2 Kron 17:10 **35:6** Jakob kwam in Luz, dat in het land Kanaän ligt, dat is Betel, hij en al het volk dat bij hem was. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en hij kwam | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | ל֗וּזָה (luza) = naar Luz | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | הִ֖וא (hi) = het | בֵּֽית (beit) = huis van | אֵ֑ל (el) = El | ה֖וּא (hu) = hij | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֥ם (haam) = het volk | אֲשֶׁר (asher) = dat | עִמּֽוֹ (imo) = bij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: לוזה (Luzah), ‘naar Luz’: de oude naam van Betel (zie 28:19). Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:3 zegt dat Jakob negenennegentig was en dat hij met zijn zonen zes maanden in Betel bleef. Zie ook: Gen 12:8; Gen 28:19; Gen 28:22; Gen 48:3; Jub 31:3; Jas 36:3; Re 1:22–26 **35:7** Daar bouwde hij een altaar en noemde die plaats El-Betel, want daar had Elohim zich aan hem geopenbaard toen hij voor zijn broer vluchtte. Brontekst: וַיִּ֤בֶן (vayiven) = en hij bouwde | שָׁם֙ (sham) = daar | מִזְבֵּ֔חַ (mizbeach) = altaar | וַיִּקְרָא֙ (vayiqra) = en hij noemde | לַמָּק֔וֹם (lamaqom) = de plaats | אֵ֖ל (el) = El | בֵּֽית (beit) = huis van | אֵ֑ל (el) = El | כִּ֣י (ki) = want | שָׁ֗ם (sham) = daar | נִגְל֤וּ (niglu) = hadden zich geopenbaard | אֵלָיו֙ (elav) = aan hem | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | בְּבָרְח֖וֹ (bevarecho) = bij zijn vluchten | מִפְּנֵ֥י (mipenei) = voor | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אל בית אל (El Beit El), ‘El-Betel’: ‘de El van Betel’ (zie 31:13). נגלו (niglu), ‘hadden zich geopenbaard’: het werkwoord is meervoud bij ha’Elohim (zie 20:13). Zie ook: Gen 20:13; Gen 28:13; Gen 31:13; Gen 35:1; Gen 35:3; Jub 31:3; Ex 17:15; Re 6:24 **35:8** Debora, de min van Rebekka, stierf. Ze werd begraven beneden Betel, onder de eik. Men noemde die Allon-Bachut. Brontekst: וַתָּ֤מָת (vatamat) = en ze stierf | דְּבֹרָה֙ (devora) = Debora | מֵינֶ֣קֶת (meineqet) = min van | רִבְקָ֔ה (rivqa) = Rebekka | וַתִּקָּבֵ֛ר (vatiqaver) = en ze werd begraven | מִתַּ֥חַת (mitachat) = onder | לְבֵֽית (leveit) = van het huis van | אֵ֖ל (el) = El | תַּ֣חַת (tachat) = onder | הָֽאַלּ֑וֹן (haalon) = de eik | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | אַלּ֥וֹן (alon) = eik van | בָּכֽוּת (bakhut) = wenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: ותמת דברה מינקת רבקה (vatamot Devorah meineqet Rivqah), ‘Debora, de min van Rebekka, stierf’: zie 24:59. Rebekka wordt hier niet genoemd. אלון בכות (Allon Bakhut), ‘Eik van het wenen’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:4 en Jubileeën 32:30 noemen ook Deboras dood en begrafenis onder de eik. Zie ook: Gen 24:59; Jub 31:30; Jub 32:30; Jas 36:4; Re 2:1; Re 2:5; 1 Sam 31:13 ### Elohim zegent Jakob opnieuw **35:9** Elohim verscheen nogmaals aan Jakob, toen hij uit Paddan-Aram kwam, en zegende hem. Brontekst: וַיֵּרָ֨א (vayera) = en Hij verscheen | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | ע֔וֹד (od) = opnieuw | בְּבֹא֖וֹ (bevoo) = bij zijn komen | מִפַּדַּ֣ן (mipadan) = uit Paddan | אֲרָ֑ם (aram) = Aram | וַיְבָ֖רֶךְ (vayvarekh) = en Hij zegende | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Voetnoot Uitleg: Zie 32:29–30 voor de eerdere naamgeving. Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:8 zegt dat Yahweh Jakob toen zegende en Israël noemde. Zie ook: Gen 12:7; Gen 18:1; Gen 26:2; Gen 31:3; Gen 32:29–30; Gen 35:1; Jas 36:8 **35:10** Elohim zei tegen hem: **„Je naam is Jakob. Je zult niet meer Jakob genoemd worden, maar Israël zal je naam zijn.”** Zo noemde Hij hem Israël. Brontekst: וַיֹּֽאמֶר (vayomer) = en Hij zei | ל֥וֹ (lo) = tot hem | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | שִׁמְךָ֣ (shimkha) = je naam | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | לֹֽא (lo) = niet | יִקָּרֵא֩ (yiqare) = hij zal genoemd worden | שִׁמְךָ֨ (shimkha) = je naam | ע֜וֹד (od) = nog | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | כִּ֤י (ki) = want | אִם (im) = tenzij | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יִהְיֶ֣ה (yihye) = hij zal zijn | שְׁמֶ֔ךָ (shemekha) = je naam | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en Hij noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 17:5; Gen 17:15; Gen 32:27–28; Jub 32:17; 1 Kon 18:31; 2 Kon 17:34 **35:11** Elohim zei tegen hem: **„Ik ben El Sjaddai. Wees vruchtbaar en word talrijk. Een volk en een gemeenschap van volken zal uit je voortkomen, en koningen zullen uit je lendenen voortkomen.** Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en Hij zei | ל֨וֹ (lo) = tot hem | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | אֲנִ֨י (ani) = Ik | אֵ֤ל (el) = El | שַׁדַּי֙ (shaday) = Sjaddai | פְּרֵ֣ה (pere) = wees vruchtbaar | וּרְבֵ֔ה (ureve) = en word talrijk | גּ֛וֹי (goy) = volk | וּקְהַ֥ל (uqehal) = en gemeenschap van | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | יִהְיֶ֣ה (yihye) = hij zal zijn | מִמֶּ֑ךָּ (mimeka) = uit jou | וּמְלָכִ֖ים (umelakhim) = en koningen | מֵחֲלָצֶ֥יךָ (mechalatseikha) = uit je lendenen | יֵצֵֽאוּ (yetseu) = ze zullen uitgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אני אל שׁדי (ani El Shaddai), ‘Ik ben El Sjaddai’: zie 17:1; 28:3. גוי וקהל גוים (goy uqehal goyim), ‘een volk en een gemeenschap van volken’: zie 17:4–6; 28:3. ומלכים מחלציך יצאו (umelakhim mechalatsekha yetse’u), ‘koningen zullen uit je lendenen voortkomen’: zie 17:6, 16. Zie ook: Gen 9:1; Gen 17:1; Gen 17:4–6; Gen 17:5–7; Gen 17:6; Gen 17:16; Gen 22:17; Gen 28:3; Jub 32:18; Ex 6:3 **35:12** **Het land dat Ik aan Abraham en aan Isaak gegeven heb, aan jou zal Ik het geven, en aan je nageslacht na jou zal Ik het land geven.”** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָתַ֛תִּי (natati) = Ik gaf | לְאַבְרָהָ֥ם (leavraham) = aan Abraham | וּלְיִצְחָ֖ק (uleyitschaq) = en aan Isaak | לְךָ֣ (lekha) = aan jou | אֶתְּנֶ֑נָּה (etenena) = Ik zal het geven | וּֽלְזַרְעֲךָ֥ (ulezarakha) = en aan je nageslacht | אַחֲרֶ֖יךָ (achareikha) = na jou | אֶתֵּ֥ן (eten) = Ik zal geven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie 12:7; 13:15; 26:3 voor dezelfde belofte van het land. Zie ook: Gen 12:7; Gen 13:14–17; Gen 13:15; Gen 26:3–4; Gen 28:13; Gen 48:4; Jub 32:18; Jub 32:19 **35:13** Elohim steeg van hem op, van de plaats waar Hij met hem gesproken had. Brontekst: וַיַּ֥עַל (vayaal) = en Hij ging op | מֵעָלָ֖יו (mealav) = van hem | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | בַּמָּק֖וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij had gesproken | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 11:5; Gen 17:22; Gen 18:33; Jub 32:20; Re 6:21; Re 13:20 **35:14** Jakob richtte op de plaats waar Hij met hem gesproken had een gedenkzuil op, een gedenkzuil van steen. Hij goot er een plengoffer over uit en goot er olie over. Brontekst: וַיַּצֵּ֨ב (vayatsev) = en hij richtte op | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | מַצֵּבָ֗ה (matseva) = gedenkzuil | בַּמָּק֛וֹם (bamaqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | דִּבֶּ֥ר (diber) = Hij had gesproken | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | מַצֶּ֣בֶת (matsevet) = gedenkzuil van | אָ֑בֶן (aven) = steen | וַיַּסֵּ֤ךְ (vayasekh) = en hij goot uit | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = erover | נֶ֔סֶךְ (nesekh) = plengoffer | וַיִּצֹ֥ק (vayitsoq) = en hij goot | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = erover | שָֽׁמֶן (shamen) = olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נסך (nesekh), ‘plengoffer’: zie Ex. 29:40. ויצק עליה שׁמן (vayitsoq alehah shamen), ‘hij goot er olie over’: zie 28:18. Zie ook: Gen 28:18–19; Gen 31:45; Gen 35:20; Ex 17:15; Ex 29:40; 1 Sam 7:12 **35:15** Jakob noemde de plaats waar Elohim met hem gesproken had Betel. Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij noemde | יַעֲקֹ֜ב (yaaqov) = Jakob | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֵׁ֣ם (shem) = naam van | הַמָּק֗וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר֩ (asher) = waar | דִּבֶּ֨ר (diber) = Hij had gesproken | אִתּ֥וֹ (ito) = met hem | שָׁ֛ם (sham) = daar | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בֵּֽית (beit) = huis van | אֵֽל (el) = El Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie ook: Gen 28:19 ### De dood van Rachel **35:16** Ze braken op van Betel. Er was nog een eind te gaan tot Efrata, toen Rachel beviel. Ze had een zware bevalling. Brontekst: וַיִּסְעוּ֙ (vayisu) = en ze braken op | מִבֵּ֣ית (mibeit) = van huis van | אֵ֔ל (el) = El | וַֽיְהִי (vayhi) = en het was | ע֥וֹד (od) = nog | כִּבְרַת (kivrat) = een eind van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | אֶפְרָ֑תָה (efrata) = naar Efrata | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en ze baarde | רָחֵ֖ל (rachel) = Rachel | וַתְּקַ֥שׁ (vateqash) = en ze had het zwaar | בְּלִדְתָּֽהּ (belidtah) = bij haar baren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: כברת הארץ (kivrat ha’arets), ‘een eind van het land’: een niet nader bepaalde afstand (zie 48:7; 2 Kon. 5:19). אפרתה (Efratah), ‘naar Efrata’: de streek rond Betlehem (zie vers 19). Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:10 vertelt ook dat Rachel onderweg beviel; Jubileeën 32:33 zegt dat zij ’s nachts beviel. Zie ook: Gen 3:16; Gen 35:19; Gen 48:7; Jub 32:3; Jub 32:32; Jub 32:33; Jub 34:15; Jas 36:10; Ps 132:6; 2 Kon 5:19; Mi 5:1; Mat 2:18 **35:17** Tijdens de zware bevalling zei de vroedvrouw tegen haar: „Wees niet bang, want ook deze is een zoon voor je.” Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | בְהַקְשֹׁתָ֖הּ (behaqshotah) = bij haar zwaar hebben | בְּלִדְתָּ֑הּ (belidtah) = in haar baren | וַתֹּ֨אמֶר (vatomer) = en ze zei | לָ֤הּ (lah) = tot haar | הַמְיַלֶּ֨דֶת֙ (hamyaledet) = de vroedvrouw | אַל (al) = niet | תִּ֣ירְאִ֔י (tirei) = wees bang | כִּֽי (ki) = want | גַם (gam) = ook | זֶ֥ה (ze) = deze | לָ֖ךְ (lakh) = voor jou | בֵּֽן (ben) = zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:24; Jub 32:3; Jub 32:33; Jub 34:15; 1 Sam 4:19–21 **35:18** Toen haar ziel uitging, want ze stierf, noemde ze hem Ben-Oni. Maar zijn vader noemde hem Benjamin. Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het was | בְּצֵ֤את (betset) = bij uitgaan van | נַפְשָׁהּ֙ (nafshah) = haar ziel | כִּ֣י (ki) = want | מֵ֔תָה (meta) = ze stierf | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | בֶּן (ben) = zoon van | אוֹנִ֑י (oni) = mijn smart | וְאָבִ֖יו (veaviv) = en zijn vader | קָֽרָא (qara) = hij noemde | ל֥וֹ (lo) = hem | בִנְיָמִֽין (binyamin) = Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בן אוני (ben oni), ‘Ben-Oni’: ‘zoon van mijn smart’. בנימין (Binyamin), ‘Benjamin’: ‘zoon van de rechterhand’, mogelijk ook ‘zoon van het zuiden’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:12 zegt dat hij zo heet omdat hij in het land ‘aan de rechterhand’ werd geboren. Jubileeën 32:33 geeft beide namen. Zie ook: Jub 32:3; Jub 32:33; Jub 34:15; Jas 36:12; 1 Sam 4:20–21; 1 Kron 4:9; Luc 12:20; Luc 23:46; Hand 7:59 **35:19** Rachel stierf en werd begraven langs de weg naar Efrata, dat is Betlehem. Brontekst: וַתָּ֖מָת (vatamat) = en ze stierf | רָחֵ֑ל (rachel) = Rachel | וַתִּקָּבֵר֙ (vatiqaver) = en ze werd begraven | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op de weg | אֶפְרָ֔תָה (efrata) = naar Efrata | הִ֖וא (hi) = het | בֵּ֥ית (beit) = huis van | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: הוא בית לחם (hu Beit Lechem), ‘dat is Betlehem’: ‘huis van brood’. Betlehem ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem, ongeveer 25 km ten zuiden van Betel en ongeveer 20 km ten noorden van Hebron. Voetnoot Uitleg: Een andere overlevering plaatst Rachels graf noordelijker, bij Rama (zie 1 Sam. 10:2; Jer. 31:15). Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:11 zegt dat Jakob een gedenkzuil op haar graf zette; Jubileeën 32:34 zegt dat zij in het land Efrata, dat is Betlehem, werd begraven. Zie ook: Gen 48:7; Jub 32:34; Jub 34:15; Jub 34:16; Jas 36:11; Ruth 1:2; Ruth 4:11; 1 Sam 10:2; Mi 5:1; Jer 31:15; Mat 2:6 **35:20** Jakob richtte een gedenkzuil op boven haar graf. Dat is de gedenkzuil van Rachels graf tot op de dag van vandaag. Brontekst: וַיַּצֵּ֧ב (vayatsev) = en hij richtte op | יַעֲקֹ֛ב (yaaqov) = Jakob | מַצֵּבָ֖ה (matseva) = gedenkzuil | עַל (al) = boven | קְבֻרָתָ֑הּ (qevuratah) = haar graf | הִ֛וא (hi) = het | מַצֶּ֥בֶת (matsevet) = gedenkzuil van | קְבֻֽרַת (qevurat) = graf van | רָחֵ֖ל (rachel) = Rachel | עַד (ad) = tot | הַיּֽוֹם (hayom) = de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:9; Gen 35:14; Jub 32:34; Jub 34:15; Jub 34:16; 1 Sam 10:2; 2 Sam 18:17–18 **35:21** Israël brak op en sloeg zijn tent op voorbij Migdal-Eder. Brontekst: וַיִּסַּ֖ע (vayisa) = en hij brak op | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֵּ֣ט (vayet) = en hij spande uit | אָֽהֳלֹ֔ה (aholo) = zijn tent | מֵהָ֖לְאָה (mehalea) = verder dan | לְמִגְדַּל (lemigdal) = naar de toren van | עֵֽדֶר (eder) = Eder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מהלאה למגדל עדר (meahalah leMigdal Eder), ‘voorbij Migdal-Eder’: ‘toren van de kudde’, een herderstoren bij Betlehem. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 33:1 noemt de plaats Magdaladraef. Zie ook: Jub 33:1; Mi 4:8; Luc 2:8 ### Ruben en Bilha; de twaalf zonen **35:22** Toen Israël in dat land woonde, ging Ruben en sliep met Bilha, de bijvrouw van zijn vader. Israël hoorde het. De zonen van Jakob waren twaalf. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בִּשְׁכֹּ֤ן (bishkon) = bij het wonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בָּאָ֣רֶץ (baarets) = in het land | הַהִ֔וא (hahi) = dat | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | רְאוּבֵ֔ן (reuven) = Ruben | וַיִּשְׁכַּב֙ (vayishkav) = en hij lag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּלְהָה֙ (bilha) = Bilha | פִּילֶ֣גֶשׁ (pilegesh) = bijvrouw van | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וַיִּשְׁמַ֖ע (vayishma) = en hij hoorde | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּֽהְי֥וּ (vayihyu) = en ze waren | בְנֵֽי (benei) = zonen van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | שְׁנֵ֥ים (sheneim) = twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישׁכב את בלהה פילגשׁ אביו (vayishkav et Bilhah pilegesh aviv), ‘hij sliep met Bilha, de bijvrouw van zijn vader’: Ruben verliest daardoor zijn eerstgeboorterecht (zie 49:3–4; 1 Kronieken 5:1). Na ‘Israël hoorde het’ staat in de Hebreeuwse tekst een open ruimte; de zin breekt af. שׁנים עשׂר (shenaim asar), ‘twaalf’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 33:2–9 en Jasher 36:13–15 vertellen over deze daad en haar gevolgen. Zie ook: Gen 49:1–28; Gen 49:3–4; Hen 89:12; Jub 33:1; Jub 33:2–9; Jub 33:22; Jas 36:13–15; Lev 18:8; 2 Sam 20:3; 1 Kron 5:1; 1 Kor 5:1 **35:23** De zonen van Lea: Ruben, de eerstgeborene van Jakob, Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | לֵאָ֔ה (lea) = Lea | בְּכ֥וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | רְאוּבֵ֑ן (reuven) = Ruben | וְשִׁמְעוֹן֙ (veshimon) = en Simeon | וְלֵוִ֣י (velevi) = en Levi | וִֽיהוּדָ֔ה (vihuda) = en Juda | וְיִשָּׂשכָ֖ר (veyisashkhar) = en Issachar | וּזְבוּלֻֽן (uzevulun) = en Zebulon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:32–35; Gen 30:18–20; Gen 33:2; Gen 46:8–15; Hen 89:12; Jub 33:22; Ex 1:2–4 **35:24** De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | רָחֵ֔ל (rachel) = Rachel | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | וּבִנְיָמִֽן (uvinyamin) = en Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:22–24; Gen 35:16–18; Gen 46:19–22; Hen 89:12; Jub 33:22 **35:25** De zonen van Bilha, de dienares van Rachel: Dan en Naftali. Brontekst: וּבְנֵ֤י (uvenei) = en zonen van | בִלְהָה֙ (bilha) = Bilha | שִׁפְחַ֣ת (shifchat) = dienares van | רָחֵ֔ל (rachel) = Rachel | דָּ֖ן (dan) = Dan | וְנַפְתָּלִֽי (venaftali) = en Naftali Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:4–8; Gen 37:2; Gen 46:23–25; Hen 89:12; Jub 33:22 **35:26** De zonen van Zilpa, de dienares van Lea: Gad en Aser. Dit zijn de zonen van Jakob die hem in Paddan-Aram geboren zijn. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en zonen van | זִלְפָּ֛ה (zilpa) = Zilpa | שִׁפְחַ֥ת (shifchat) = dienares van | לֵאָ֖ה (lea) = Lea | גָּ֣ד (gad) = Gad | וְאָשֵׁ֑ר (veasher) = en Aser | אֵ֚לֶּה (ele) = dit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יֻלַּד (yulad) = hij werd geboren | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בְּפַדַּ֥ן (befadan) = in Paddan | אֲרָֽם (aram) = Aram Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Voetnoot Uitleg: אשׁר ילד לו בפדן ארם (asher yullad lo bePaddan Aram), ‘die hem in Paddan-Aram geboren zijn’: een samenvatting; Benjamin werd in Kanaän geboren (zie vers 16–18). Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:16–18 geeft dezelfde lijst van de twaalf zonen. Zie ook: Gen 25:20; Gen 30:9–13; Gen 31:18; Gen 35:16–18; Gen 35:18; Gen 46:16–18; Hen 89:12; Jub 33:22; Jas 36:16–18 ### De dood van Isaak **35:27** Jakob kwam bij zijn vader Isaak in Mamre, in Kirjat-Arba, dat is Hebron, waar Abraham en Isaak als vreemdelingen hadden gewoond. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en hij kwam | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | יִצְחָ֣ק (yitschaq) = Isaak | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | מַמְרֵ֖א (mamre) = naar Mamre | קִרְיַ֣ת (qiryat) = Kirjat | הָֽאַרְבַּ֑ע (haarba) = de Arba | הִ֣וא (hi) = het | חֶבְר֔וֹן (chevron) = Hebron | אֲשֶׁר (asher) = waar | גָּֽר (gar) = hij woonde als vreemdeling | שָׁ֥ם (sham) = daar | אַבְרָהָ֖ם (avraham) = Abraham | וְיִצְחָֽק (veyitschaq) = en Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: ממרא קרית הארבע הוא חברון (Mamre Qiryat ha’Arba hi Chevron), ‘Mamre, Kirjat-Arba, dat is Hebron’: zie 13:18; 23:2. Hebron ligt ongeveer 20 km ten zuiden van Betlehem. Zie ook: Gen 13:18; Gen 18:1; Gen 23:2; Gen 23:19; Jub 29:19; Jub 31:4; Jub 33:21; Jub 36:20; Jub 37:15; Joz 15:13 **35:28** De dagen van Isaak waren 180 jaar. Brontekst: וַיִּֽהְי֖וּ (vayihyu) = en ze waren | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | יִצְחָ֑ק (yitschaq) = Isaak | מְאַ֥ת (meat) = honderd | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | וּשְׁמֹנִ֥ים (ushemonim) = en tachtig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מאת שׁנה ושׁמנים שׁנה (me’at shanah ushemonim shanah), ‘honderdtachtig jaar’: Isaak was zestig bij de geboorte van Jakob (zie 25:26), dus Jakob was 120 toen Isaak stierf. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 36:18 vertelt Isaaks dood; zijn leeftijd van honderdtachtig jaar staat daar niet. Zie ook: Gen 25:7; Gen 25:26; Gen 47:28; Gen 50:26; Jub 36:18 **35:29** Isaak gaf de geest en stierf. Hij werd verzameld bij zijn volk, oud en verzadigd van dagen. Zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem. Brontekst: וַיִּגְוַ֨ע (vayigva) = en hij gaf de geest | יִצְחָ֤ק (yitschaq) = Isaak | וַיָּ֨מָת֙ (vayamat) = en hij stierf | וַיֵּאָ֣סֶף (vayeasef) = en hij werd verzameld | אֶל (el) = tot | עַמָּ֔יו (amav) = zijn volk | זָקֵ֖ן (zaqen) = oud | וּשְׂבַ֣ע (useva) = en verzadigd van | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וַיִּקְבְּר֣וּ (vayiqberu) = en ze begroeven | אֹת֔וֹ (oto) = hem | עֵשָׂ֥ו (esav) = Ezau | וְיַעֲקֹ֖ב (veyaaqov) = en Jakob | בָּנָֽיו (banav) = zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויגוע יצחק וימת (vayigva Yitschaq vayamot), ‘Isaak gaf de geest en stierf’: zie 25:8, 17. Isaaks dood wordt hier vooruitlopend verteld: hij stierf pas ongeveer twaalf jaar nadat Jozef was verkocht (zie 25:26; 37:2; 41:46; 47:9). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 36:18–19 vertelt Isaaks dood en dat Ezau daarna naar het gebergte Seïr ging; de begrafenis wordt daar niet genoemd. Zie ook: Gen 3:19; Gen 15:15; Gen 25:7–9; Gen 25:8; Gen 25:17; Gen 25:26; Gen 37:2; Gen 41:46; Gen 47:9; Gen 49:31; Gen 49:33; Jub 36:18–19; Jub 37:1 ## Genesis 36 _Ezau en Edom_ ### Ezau en zijn vrouwen **36:1** Dit is de geschiedenis van Ezau, dat is Edom. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit | תֹּלְד֥וֹת (toledot) = geschiedenis van | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | ה֥וּא (hu) = hij | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תלדות עשׂו (toledot Esav), ‘de geschiedenis van Ezau’: zie 25:12, 19. הוא אדום (hu Edom), ‘dat is Edom’: zie 25:30. Zie ook: Gen 22:17; Gen 25:12; Gen 25:19; Gen 25:24–34; Gen 25:30; Num 20:14–21; 1 Kron 1:35; Jes 63:1 **36:2** Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän: Ada, de dochter van Elon, de Hetiet, en Oholibama, de dochter van Ana, de kleindochter van Sibeon, de Chiviet, Brontekst: עֵשָׂ֛ו (esav) = Ezau | לָקַ֥ח (laqach) = hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נָשָׁ֖יו (nashav) = zijn vrouwen | מִבְּנ֣וֹת (mibenot) = van de dochters van | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עָדָ֗ה (ada) = Ada | בַּת (bat) = dochter van | אֵילוֹן֙ (eilon) = Elon | הַֽחִתִּ֔י (hachiti) = de Hetiet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אָהֳלִֽיבָמָה֙ (aholivama) = Oholibama | בַּת (bat) = dochter van | עֲנָ֔ה (ana) = Ana | בַּת (bat) = dochter van | צִבְע֖וֹן (tsivon) = Sibeon | הַֽחִוִּֽי (hachivi) = de Chiviet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואת אהליבמה בת ענה בת צבעון החוי (ve’et Oholivamah bat Anah bat Tsiv’on haChivi), ‘Oholibama, de dochter van Ana, de kleindochter van Sibeon, de Chiviet’: Ana is volgens vers 24 en 25 een zoon van Sibeon; ‘dochter van Sibeon’ is dus ‘kleindochter’. Sibeon heet in vers 20 en 29 een Choriet. De vrouwen van Ezau heten hier anders dan in 26:34 en 28:9: Ada, Oholibama en Basemat, tegenover Jehudit, Basemat en Machalat. Mogelijk droegen zij meer dan één naam. Zie ook: Gen 9:25; Gen 26:34–35; Gen 27:46; Gen 28:9; Gen 36:20; Gen 36:24; Gen 36:25; Gen 36:29 **36:3** en Basemat, de dochter van Ismaël, de zus van Nebajot. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בָּשְׂמַ֥ת (basemat) = Basemat | בַּת (bat) = dochter van | יִשְׁמָעֵ֖אל (yishmael) = Ismaël | אֲח֥וֹת (achot) = zus van | נְבָיֽוֹת (nevayot) = Nebajot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בשׂמת בת ישׁמעאל אחות נביות (Basemat bat Yishma’el achot Nevayot), ‘Basemat, de dochter van Ismaël, de zus van Nebajot’: zij heet in 28:9 Machalat. Nebajot is Ismaëls oudste zoon (zie 25:13). Zie ook: Gen 25:13; Gen 28:9 **36:4** Ada baarde Ezau Elifaz, en Basemat baarde Reüel. Brontekst: וַתֵּ֧לֶד (vateled) = en ze baarde | עָדָ֛ה (ada) = Ada | לְעֵשָׂ֖ו (leesav) = aan Ezau | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֱלִיפָ֑ז (elifaz) = Elifaz | וּבָ֣שְׂמַ֔ת (uvasemat) = en Basemat | יָלְדָ֖ה (yaleda) = ze baarde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רְעוּאֵֽל (reuel) = Reüel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 2:11; Ex 2:18; Num 10:29; 1 Kron 1:35 **36:5** Oholibama baarde Jeüs, Jaëlam en Korach. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem in het land Kanaän geboren zijn. Brontekst: וְאָהֳלִֽיבָמָה֙ (veaholivama) = en Oholibama | יָֽלְדָ֔ה (yaleda) = ze baarde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יעיש (ye'ush) = Jeïsj (geschreven) | יְע֥וּשׁ (yeush) = Jeüs | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יַעְלָ֖ם (yalam) = Jaëlam | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | קֹ֑רַח (qorach) = Korach | אֵ֚לֶּה (ele) = dit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יֻלְּדוּ (yuledu) = ze werden geboren | ל֖וֹ (lo) = aan hem | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: Hier is de gelezen vorm gevolgd. Voetnoot Lezing: Lezing: het geschreven woord is יעיש (Ye’ish), ‘Jeïsj’; de Masoreten laten het lezen als יעושׁ (Ye’ush), ‘Jeüs’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:22 noemt Ezau’s eerste zonen en zijn drie zonen bij Oholibama. Zie ook: Gen 35:29; Jas 36:22 **36:6** Ezau nam zijn vrouwen, zijn zonen en zijn dochters, alle personen van zijn huis, zijn kudden, al zijn dieren en al zijn bezit dat hij in het land Kanaän had verworven. Hij ging naar een ander land, weg van zijn broer Jakob. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en hij nam | עֵשָׂ֡ו (esav) = Ezau | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | נָ֠שָׁיו (nashav) = zijn vrouwen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בָּנָ֣יו (banav) = zijn zonen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בְּנֹתָיו֮ (benotav) = zijn dochters | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | נַפְשׁ֣וֹת (nafshot) = zielen van | בֵּיתוֹ֒ (beito) = zijn huis | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | מִקְנֵ֣הוּ (miqnehu) = zijn vee | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | בְּהֶמְתּ֗וֹ (behemto) = zijn dieren | וְאֵת֙ (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | קִנְיָנ֔וֹ (qinyano) = zijn bezit | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | רָכַ֖שׁ (rakhash) = hij had verworven | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | אֶל (el) = naar | אֶ֔רֶץ (erets) = land | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = voor het gezicht van | יַעֲקֹ֥ב (yaaqov) = Jakob | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: וילך אל ארץ מפני (vayelekh el erets mipnei), ‘ging naar een land, weg van’: het land wordt niet genoemd; vers 8 noemt Seïr. Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:20 zegt dat Ezau met zijn zonen naar het land Seïr trok. Jubileeën 29:18 zegt dat Ezau al naar het gebergte Seïr was gegaan toen Jakob naar Mesopotamië vertrok. Zie ook: Gen 12:5; Gen 13:6; Gen 17:8; Gen 25:23; Gen 32:3; Gen 36:8; Jub 29:18; Jas 36:20 **36:7** Want hun bezit was te groot om samen te wonen, en het land waar ze als vreemdelingen woonden, kon hen vanwege hun kudden niet dragen. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | הָיָ֧ה (haya) = was | רְכוּשָׁ֛ם (rekhusham) = hun bezit | רָ֖ב (rav) = groot | מִשֶּׁ֣בֶת (mishevet) = om te wonen | יַחְדָּ֑ו (yachdav) = samen | וְלֹ֨א (velo) = en niet | יָֽכְלָ֜ה (yakhela) = kon | אֶ֤רֶץ (erets) = het land | מְגֽוּרֵיהֶם֙ (megureihem) = van hun vreemdelingschap | לָשֵׂ֣את (laset) = om te dragen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | מִקְנֵיהֶֽם (miqneihem) = hun kudden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: היה רכושׁם רב (hayah rekhusham rav), ‘hun bezit was groot’: dezelfde reden als bij Abraham en Lot (zie 13:6). Zie ook: Gen 13:6; Gen 13:11; Gen 17:8; Gen 28:4; Heb 11:9 **36:8** Ezau woonde in het bergland Seïr. Ezau is Edom. Brontekst: וַיֵּ֤שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | עֵשָׂו֙ (esav) = Ezau | בְּהַ֣ר (behar) = op het gebergte | שֵׂעִ֔יר (seir) = Seïr | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | ה֥וּא (hu) = hij | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: בהר שׂעיר (behar Se’ir), ‘in het bergland Seïr’: zie 32:4. Zie ook: Gen 32:3; Gen 32:4; Gen 36:19–20; Jub 36:19; Jub 38:9; Joz 24:4; Ezech 35:2–7; Mal 1:3 ### De zonen van Ezau **36:9** Dit is de geschiedenis van Ezau, de vader van Edom, in het bergland Seïr. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit | תֹּלְד֥וֹת (toledot) = geschiedenis van | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | אֲבִ֣י (avi) = vader van | אֱד֑וֹם (edom) = Edom | בְּהַ֖ר (behar) = op het gebergte | שֵׂעִֽיר (seir) = Seïr Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 19:37 **36:10** Dit zijn de namen van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, de vrouw van Ezau; Reüel, de zoon van Basemat, de vrouw van Ezau. Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dit | שְׁמ֣וֹת (shemot) = namen van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | עֵשָׂ֑ו (esav) = Ezau | אֱלִיפַ֗ז (elifaz) = Elifaz | בֶּן (ben) = zoon van | עָדָה֙ (ada) = Ada | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | רְעוּאֵ֕ל (reuel) = Reüel | בֶּן (ben) = zoon van | בָּשְׂמַ֖ת (basemat) = Basemat | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | עֵשָֽׂו (esav) = Ezau Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:3–4; 1 Kron 1:35–54 **36:11** De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Zefo, Gatam en Kenaz. Brontekst: וַיִּהְי֖וּ (vayihyu) = en ze waren | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אֱלִיפָ֑ז (elifaz) = Elifaz | תֵּימָ֣ן (teiman) = Teman | אוֹמָ֔ר (omar) = Omar | צְפ֥וֹ (tsefo) = Zefo | וְגַעְתָּ֖ם (vegatam) = en Gatam | וּקְנַֽז (uqenaz) = en Kenaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 57:2 laat Zefo, een zoon van Elifaz, door Jozef gevangen worden. Zie ook: Gen 36:15–16; Jas 57:2; 1 Kron 1:35–36 **36:12** Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau. Zij baarde Elifaz Amalek. Dit zijn de zonen van Ada, de vrouw van Ezau. Brontekst: וְתִמְנַ֣ע (vetimna) = en Timna | הָיְתָ֣ה (hayeta) = ze was | פִילֶ֗גֶשׁ (pilegesh) = bijvrouw | לֶֽאֱלִיפַז֙ (leelifaz) = aan Elifaz | בֶּן (ben) = zoon van | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | וַתֵּ֥לֶד (vateled) = en ze baarde | לֶאֱלִיפַ֖ז (leelifaz) = aan Elifaz | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֲמָלֵ֑ק (amaleq) = Amalek | אֵ֕לֶּה (ele) = dit | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עָדָ֖ה (ada) = Ada | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | עֵשָֽׂו (esav) = Ezau Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותמנע היתה פילגשׁ (veTimna hayetah pilegesh), ‘Timna was een bijvrouw’: in vers 22 is Timna de zus van Lotan. עמלק (Amaleq), ‘Amalek’: het volk dat later Israël aanvalt (zie Ex. 17:8). Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:27 vertelt dat Timna eerst naar Jakob en zijn zonen kwam, maar dat zij niet naar haar luisterden, waarna zij bijvrouw van Elifaz werd. Zie ook: Gen 14:7; Gen 36:22; Jas 36:27; Ex 17:8–16; Num 24:18–20; Deut 25:17–19; 1 Sam 15:2–9 **36:13** Dit zijn de zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Missa. Dit waren de zonen van Basemat, de vrouw van Ezau. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | רְעוּאֵ֔ל (reuel) = Reüel | נַ֥חַת (nachat) = Nachat | וָזֶ֖רַח (vazerach) = en Zerach | שַׁמָּ֣ה (shama) = Samma | וּמִזָּ֑ה (umiza) = en Missa | אֵ֣לֶּ֣ה (ele) = dit | הָי֔וּ (hayu) = ze waren | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | בָשְׂמַ֖ת (basemat) = Basemat | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | עֵשָֽׂו (esav) = Ezau Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:17; 1 Kron 1:37 **36:14** Dit waren de zonen van Oholibama, de dochter van Ana, de kleindochter van Sibeon, de vrouw van Ezau. Zij baarde Ezau Jeüs, Jaëlam en Korach. Brontekst: וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit | הָי֗וּ (hayu) = ze waren | בְּנֵ֨י (benei) = zonen van | אָהֳלִיבָמָ֧ה (aholivama) = Oholibama | בַת (bat) = dochter van | עֲנָ֛ה (ana) = Ana | בַּת (bat) = dochter van | צִבְע֖וֹן (tsivon) = Sibeon | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | עֵשָׂ֑ו (esav) = Ezau | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | לְעֵשָׂ֔ו (leesav) = aan Ezau | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יעיש (ye'ush) = Jeïsj (geschreven) | יְע֥וּשׁ (yeush) = Jeüs | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יַעְלָ֖ם (yalam) = Jaëlam | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | קֹֽרַח (qorach) = Korach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier is de gelezen vorm gevolgd (zie vers 5). Voetnoot Lezing: Lezing: het geschreven woord is יעיש (Ye’ish), ‘Jeïsj’; de gelezen vorm is יעושׁ (Ye’ush), ‘Jeüs’. Zie ook: Gen 36:2; Gen 36:5; Gen 36:18; 1 Kron 1:35 **36:15** Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Ezau. De zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau: stamhoofd Teman, stamhoofd Omar, stamhoofd Zefo, stamhoofd Kenaz, Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dit | אַלּוּפֵ֣י (alufei) = stamhoofden van | בְנֵֽי (benei) = zonen van | עֵשָׂ֑ו (esav) = Ezau | בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | אֱלִיפַז֙ (elifaz) = Elifaz | בְּכ֣וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | אַלּ֤וּף (aluf) = stamhoofd | תֵּימָן֙ (teiman) = Teman | אַלּ֣וּף (aluf) = stamhoofd | אוֹמָ֔ר (omar) = Omar | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | צְפ֖וֹ (tsefo) = Zefo | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | קְנַֽז (qenaz) = Kenaz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אלופי (alufei), ‘stamhoofden’: aluf, ‘stamhoofd’ (zie Ex. 15:15). Het woord hangt samen met elef, ‘duizend’, een groep of clan. Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:23–25 geeft een eigen lijst van Ezau’s nakomelingen. Zie ook: Gen 36:11–12; Jas 36:23–25; Job 2:11; Ex 15:15; 1 Kron 1:35–36; 1 Kron 1:45; Ob 1:9 **36:16** stamhoofd Korach, stamhoofd Gatam, stamhoofd Amalek. Dit zijn de stamhoofden van Elifaz in het land Edom. Dit zijn de zonen van Ada. Brontekst: אַלּֽוּף (aluf) = stamhoofd | קֹ֛רַח (qorach) = Korach | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | גַּעְתָּ֖ם (gatam) = Gatam | אַלּ֣וּף (aluf) = stamhoofd | עֲמָלֵ֑ק (amaleq) = Amalek | אֵ֣לֶּה (ele) = dit | אַלּוּפֵ֤י (alufei) = stamhoofden van | אֱלִיפַז֙ (elifaz) = Elifaz | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | אֵ֖לֶּה (ele) = dit | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עָדָֽה (ada) = Ada Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Korach staat hier bij de zonen van Elifaz, maar in vers 5, 14 en 18 is hij een zoon van Oholibama. Het kan een latere toevoeging zijn. Zie ook: Gen 36:5; Gen 36:14; Gen 36:18; Ex 15:15 **36:17** Dit zijn de zonen van Reüel, de zoon van Ezau: stamhoofd Nachat, stamhoofd Zerach, stamhoofd Samma, stamhoofd Missa. Dit zijn de stamhoofden van Reüel in het land Edom. Dit zijn de zonen van Basemat, de vrouw van Ezau. Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dit | בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | רְעוּאֵל֙ (reuel) = Reüel | בֶּן (ben) = zoon van | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | נַ֨חַת֙ (nachat) = Nachat | אַלּ֣וּף (aluf) = stamhoofd | זֶ֔רַח (zerach) = Zerach | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | שַׁמָּ֖ה (shama) = Samma | אַלּ֣וּף (aluf) = stamhoofd | מִזָּ֑ה (miza) = Missa | אֵ֣לֶּה (ele) = dit | אַלּוּפֵ֤י (alufei) = stamhoofden van | רְעוּאֵל֙ (reuel) = Reüel | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | אֵ֕לֶּה (ele) = dit | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | בָשְׂמַ֖ת (basemat) = Basemat | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | עֵשָֽׂו (esav) = Ezau Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: Gen 36:4; Gen 36:13; 1 Kron 1:37 **36:18** Dit zijn de zonen van Oholibama, de vrouw van Ezau: stamhoofd Jeüs, stamhoofd Jaëlam, stamhoofd Korach. Dit zijn de stamhoofden van Oholibama, de dochter van Ana, de vrouw van Ezau. Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dit | בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | אָהֳלִֽיבָמָה֙ (aholivama) = Oholibama | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | עֵשָׂ֔ו (esav) = Ezau | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | יְע֛וּשׁ (yeush) = Jeüs | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | יַעְלָ֖ם (yalam) = Jaëlam | אַלּ֣וּף (aluf) = stamhoofd | קֹ֑רַח (qorach) = Korach | אֵ֣לֶּה (ele) = dit | אַלּוּפֵ֞י (alufei) = stamhoofden van | אָֽהֳלִיבָמָ֛ה (aholivama) = Oholibama | בַּת (bat) = dochter van | עֲנָ֖ה (ana) = Ana | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | עֵשָֽׂו (esav) = Ezau Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:5; Gen 36:14; 1 Kron 1:35 **36:19** Dit zijn de zonen van Ezau, en dit zijn hun stamhoofden. Hij is Edom. Brontekst: אֵ֧לֶּה (ele) = dit | בְנֵי (benei) = zonen van | עֵשָׂ֛ו (esav) = Ezau | וְאֵ֥לֶּה (veele) = en dit | אַלּוּפֵיהֶ֖ם (alufeihem) = hun stamhoofden | ה֥וּא (hu) = hij | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De zonen van Seïr, de Choriet **36:20** Dit zijn de zonen van Seïr, de Choriet, de bewoners van het land: Lotan, Sobal, Sibeon, Ana, Brontekst: אֵ֤לֶּה (ele) = dit | בְנֵֽי (benei) = zonen van | שֵׂעִיר֙ (seir) = Seïr | הַחֹרִ֔י (hachori) = de Choriet | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = bewoners van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | לוֹטָ֥ן (lotan) = Lotan | וְשׁוֹבָ֖ל (veshoval) = en Sobal | וְצִבְע֥וֹן (vetsivon) = en Sibeon | וַעֲנָֽה (vaana) = en Ana Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: החרי (haChori), ‘de Choriet’: de oorspronkelijke bewoners van Seïr (zie 14:6; Deut. 2:12). Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:26 noemt Seïrs zeven zonen. Zie ook: Gen 14:6; Gen 36:2; Jas 36:26; Deut 2:12; Deut 2:22; 1 Kron 1:38–42 **36:21** Dison, Eser en Disan. Dit zijn de stamhoofden van de Chorieten, de zonen van Seïr, in het land Edom. Brontekst: וְדִשׁ֥וֹן (vedishon) = en Dison | וְאֵ֖צֶר (veetser) = en Eser | וְדִישָׁ֑ן (vedishan) = en Disan | אֵ֣לֶּה (ele) = dit | אַלּוּפֵ֧י (alufei) = stamhoofden van | הַחֹרִ֛י (hachori) = de Chorieten | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | שֵׂעִ֖יר (seir) = Seïr | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. **36:22** De zonen van Lotan waren Hori en Heman. De zus van Lotan was Timna. Brontekst: וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en ze waren | בְנֵי (benei) = zonen van | לוֹטָ֖ן (lotan) = Lotan | חֹרִ֣י (chori) = Hori | וְהֵימָ֑ם (veheimam) = en Heman | וַאֲח֥וֹת (vaachot) = en zus van | לוֹטָ֖ן (lotan) = Lotan | תִּמְנָֽע (timna) = Timna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואחות לוטן תמנע (va’achot Lotan Timna), ‘de zus van Lotan was Timna’: zie vers 12. Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:27 zegt hetzelfde. Zie ook: Gen 36:12; Jas 36:27; 1 Kron 1:39 **36:23** Dit zijn de zonen van Sobal: Alvan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | שׁוֹבָ֔ל (shoval) = Sobal | עַלְוָ֥ן (alvan) = Alvan | וּמָנַ֖חַת (umanachat) = en Manachat | וְעֵיבָ֑ל (veeival) = en Ebal | שְׁפ֖וֹ (shefo) = Sefo | וְאוֹנָֽם (veonam) = en Onam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 1:40 **36:24** Dit zijn de zonen van Sibeon: Ajja en Ana. Dat is de Ana die de yemim vond in de woestijn toen hij de ezels van zijn vader Sibeon hoedde. Brontekst: וְאֵ֥לֶּה (veele) = en dit | בְנֵֽי (benei) = zonen van | צִבְע֖וֹן (tsivon) = Sibeon | וְאַיָּ֣ה (veaya) = en Ajja | וַעֲנָ֑ה (vaana) = en Ana | ה֣וּא (hu) = hij | עֲנָ֗ה (ana) = Ana | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | מָצָ֤א (matsa) = hij vond | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַיֵּמִם֙ (hayemim) = de yemim | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | בִּרְעֹת֥וֹ (biroto) = bij zijn hoeden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַחֲמֹרִ֖ים (hachamorim) = de ezels | לְצִבְע֥וֹן (letsivon) = van Sibeon | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הימם (hayemim), ‘de yemim’: een woord dat verder niet voorkomt en waarvan de betekenis onzeker is. Vertalingen kiezen ‘warme bronnen’, ‘muildieren’ of ‘reuzen’. Hier is het niet vertaald. Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:28–35 vertelt dat Ana in de woestijn vreemde wezens zag die zijn ezels meenamen. Zie ook: Jas 36:28–35; Lev 19:19; 2 Sam 13:29; 1 Kon 1:38; 1 Kon 1:44; 1 Kon 5:8 **36:25** Dit zijn de kinderen van Ana: Dison en Oholibama, de dochter van Ana. Brontekst: וְאֵ֥לֶּה (veele) = en dit | בְנֵֽי (benei) = zonen van | עֲנָ֖ה (ana) = Ana | דִּשֹׁ֑ן (dishon) = Dison | וְאָהֳלִיבָמָ֖ה (veaholivama) = en Oholibama | בַּת (bat) = dochter van | עֲנָֽה (ana) = Ana Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:2; Gen 36:5; Gen 36:14; Gen 36:18; 1 Kron 1:41 **36:26** Dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, Esban, Jitran en Keran. Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | דִישָׁ֑ן (dishan) = Dison | חֶמְדָּ֥ן (chemdan) = Hemdan | וְאֶשְׁבָּ֖ן (veeshban) = en Esban | וְיִתְרָ֥ן (veyitran) = en Jitran | וּכְרָֽן (ukheran) = en Keran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:36 noemt als zonen van Ana: Dison en Oholibama, en als zonen van Dison: Us en Aran (Genesis 36:28 noemt Us en Aran bij Disan). Zie ook: Gen 36:28; Jas 36:36; 1 Kron 1:41 **36:27** Dit zijn de zonen van Eser: Bilhan, Saävan en Akan. Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dit | בְּנֵי (benei) = zonen van | אֵ֑צֶר (etser) = Eser | בִּלְהָ֥ן (bilhan) = Bilhan | וְזַעֲוָ֖ן (vezaavan) = en Saävan | וַעֲקָֽן (vaaqan) = en Akan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:21; 1 Kron 1:38; 1 Kron 1:42 **36:28** Dit zijn de zonen van Disan: Us en Aran. Brontekst: אֵ֥לֶּה (ele) = dit | בְנֵֽי (benei) = zonen van | דִישָׁ֖ן (dishan) = Disan | ע֥וּץ (uts) = Us | וַאֲרָֽן (vaaran) = en Aran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 1:1; Jer 25:20; Klaagl 4:21 **36:29** Dit zijn de stamhoofden van de Chorieten: stamhoofd Lotan, stamhoofd Sobal, stamhoofd Sibeon, stamhoofd Ana, Brontekst: אֵ֖לֶּה (ele) = dit | אַלּוּפֵ֣י (alufei) = stamhoofden van | הַחֹרִ֑י (hachori) = de Chorieten | אַלּ֤וּף (aluf) = stamhoofd | לוֹטָן֙ (lotan) = Lotan | אַלּ֣וּף (aluf) = stamhoofd | שׁוֹבָ֔ל (shoval) = Sobal | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | צִבְע֖וֹן (tsivon) = Sibeon | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | עֲנָֽה (ana) = Ana Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:20; Gen 36:28; 1 Kron 1:38; 1 Kron 1:41–42 **36:30** stamhoofd Dison, stamhoofd Eser, stamhoofd Disan. Dit zijn de stamhoofden van de Chorieten, volgens hun stamhoofden in het land Seïr. Brontekst: אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | דִּשֹׁ֛ן (dishon) = Dison | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | אֵ֖צֶר (etser) = Eser | אַלּ֣וּף (aluf) = stamhoofd | דִּישָׁ֑ן (dishan) = Disan | אֵ֣לֶּה (ele) = dit | אַלּוּפֵ֧י (alufei) = stamhoofden van | הַחֹרִ֛י (hachori) = de Chorieten | לְאַלֻּפֵיהֶ֖ם (lealufeihem) = volgens hun stamhoofden | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | שֵׂעִֽיר (seir) = Seïr Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie ook: 2 Kon 11:19; Jes 23:15; Dan 7:17; Dan 7:23 ### De koningen van Edom **36:31** Dit zijn de koningen die in het land Edom regeerden, voordat een koning regeerde over de Israëlieten. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit | הַמְּלָכִ֔ים (hamelakhim) = de koningen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מָלְכ֖וּ (malekhu) = ze regeerden | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | אֱד֑וֹם (edom) = Edom | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voordat | מְלָךְ (melakh) = regeerde | מֶ֖לֶךְ (melekh) = een koning | לִבְנֵ֥י (livnei) = over de zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: לפני מלך מלך לבני ישׂראל (lifnei melekh melekh livnei Yisra’el), ‘voordat een koning regeerde over de Israëlieten’: de woorden wijzen op een tijd waarin Israël al koningen had; de lijst is dus later opgesteld of aangevuld. Zie ook: Gen 17:6; Gen 17:16; Jub 38:15; Num 20:14; Num 24:17–18; 1 Kron 1:43–50 **36:32** In Edom regeerde Bela, de zoon van Beor. De naam van zijn stad was Dinhaba. Brontekst: וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | בֶּאֱד֔וֹם (beedom) = in Edom | בֶּ֖לַע (bela) = Bela | בֶּן (ben) = zoon van | בְּע֑וֹר (beor) = Beor | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | דִּנְהָֽבָה (dinhava) = Dinhaba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בלע בן בעור (Bela ben Be’or), ‘Bela, de zoon van Beor’: de lijst staat ook in 1 Kronieken 1:43–50. דנהבה (Dinhavah), ‘Dinhaba’: een stad in Edom, niet nader te plaatsen. Voetnoot Aanvullend: Jasher 57:17 zegt dat Dinhaba de stad van Angeas, de koning van Afrika, was; Genesis noemt Bela, de zoon van Beor, als koning in Dinhaba. Zie ook: Jub 38:15; Jub 38:16; Jas 57:17; 1 Kron 1:43–50 **36:33** Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerach, uit Bozra, regeerde in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en hij stierf | בָּ֑לַע (bala) = Bela | וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | יוֹבָ֥ב (yovav) = Jobab | בֶּן (ben) = zoon van | זֶ֖רַח (zerach) = Zerach | מִבָּצְרָֽה (mibatsera) = uit Bozra Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Bozra: Bozra (Buseirah) lag in het zuiden van het huidige Jordanië, in het gebied van Edom. Zie ook: Jub 38:15; Jub 38:17; Amos 1:12; Jes 63:1; Mi 2:12; Jer 49:13; Jer 49:22 **36:34** Jobab stierf, en Husam uit het land van de Temanieten regeerde in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en hij stierf | יוֹבָ֑ב (yovav) = Jobab | וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | חֻשָׁ֖ם (chusham) = Husam | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | הַתֵּימָנִֽי (hateimani) = de Temaniet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:11; Gen 36:15; Jub 38:15; Jub 38:18; Job 2:11; Jer 49:7 **36:35** Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg op het veld van Moab, regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Avit. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en hij stierf | חֻשָׁ֑ם (chusham) = Husam | וַיִּמְלֹ֨ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | תַּחְתָּ֜יו (tachtav) = in zijn plaats | הֲדַ֣ד (hadad) = Hadad | בֶּן (ben) = zoon van | בְּדַ֗ד (bedad) = Bedad | הַמַּכֶּ֤ה (hamake) = die versloeg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מִדְיָן֙ (midyan) = Midian | בִּשְׂדֵ֣ה (bisde) = op het veld van | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | עֲוִֽית (avit) = Avit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: מדין בשׂדה מואב (Midyan besedeh Mo’av), ‘Midian op het veld van Moab’: zie 25:2; Num. 22:4. Zie ook: Gen 25:2; Jub 38:15; Jub 38:19; Num 22:4 **36:36** Hadad stierf, en Samla uit Masreka regeerde in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en hij stierf | הֲדָ֑ד (hadad) = Hadad | וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | שַׂמְלָ֖ה (samla) = Samla | מִמַּשְׂרֵקָֽה (mimasreqa) = uit Masreka Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 38:15; Jub 38:20; 1 Kron 1:47 **36:37** Samla stierf, en Saul uit Rechobot aan de rivier regeerde in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en hij stierf | שַׂמְלָ֑ה (samla) = Samla | וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | שָׁא֖וּל (shaul) = Saul | מֵרְחֹב֥וֹת (merechovot) = uit Rechobot | הַנָּהָֽר (hanahar) = aan de rivier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מרחבות הנהר (merechovot hanahar), ‘uit Rechobot aan de rivier’: welke rivier bedoeld is, is onzeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 69:2 laat Saul uit Petora aan de rivier komen; Genesis noemt Rechobot aan de rivier. Zie ook: Gen 10:11; Jub 38:21; Jas 69:2; 1 Kron 1:48 **36:38** Saul stierf, en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. Brontekst: וַיָּ֖מָת (vayamat) = en hij stierf | שָׁא֑וּל (shaul) = Saul | וַיִּמְלֹ֣ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | תַּחְתָּ֔יו (tachtav) = in zijn plaats | בַּ֥עַל (baal) = Baäl | חָנָ֖ן (chanan) = Hanan | בֶּן (ben) = zoon van | עַכְבּֽוֹר (akhbor) = Achbor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 38:22 **36:39** Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Pau, en de naam van zijn vrouw was Mehetabel, de dochter van Matred, de dochter van Me-Zahab. Brontekst: וַיָּמָת֮ (vayamat) = en hij stierf | בַּ֣עַל (baal) = Baäl | חָנָ֣ן (chanan) = Hanan | בֶּן (ben) = zoon van | עַכְבּוֹר֒ (akhbor) = Achbor | וַיִּמְלֹ֤ךְ (vayimlokh) = en hij regeerde | תַּחְתָּיו֙ (tachtav) = in zijn plaats | הֲדַ֔ר (hadar) = Hadar | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en naam van | עִיר֖וֹ (iro) = zijn stad | פָּ֑עוּ (pau) = Pau | וְשֵׁ֨ם (veshem) = en naam van | אִשְׁתּ֤וֹ (ishto) = zijn vrouw | מְהֵֽיטַבְאֵל֙ (meheitavel) = Mehetabel | בַּת (bat) = dochter van | מַטְרֵ֔ד (matred) = Matred | בַּ֖ת (bat) = dochter van | מֵ֥י (mei) = water van | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 38:23; Ex 15:15; 1 Kron 1:50 ### De stamhoofden van Edom **36:40** Dit zijn de namen van de stamhoofden van Ezau, volgens hun families, hun woonplaatsen en hun namen: stamhoofd Timna, stamhoofd Alwa, stamhoofd Jetet, Brontekst: וְ֠אֵלֶּה (veele) = en dit | שְׁמ֞וֹת (shemot) = namen van | אַלּוּפֵ֤י (alufei) = stamhoofden van | עֵשָׂו֙ (esav) = Ezau | לְמִשְׁפְּחֹתָ֔ם (lemishpechotam) = volgens hun families | לִמְקֹמֹתָ֖ם (limqomotam) = volgens hun woonplaatsen | בִּשְׁמֹתָ֑ם (bishmotam) = bij hun namen | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | תִּמְנָ֛ע (timna) = Timna | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | עַֽלְוָ֖ה (alva) = Alwa | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | יְתֵֽת (yetet) = Jetet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 36:15–16; Gen 36:31; Ex 15:15; 1 Kron 1:51–54 **36:41** stamhoofd Oholibama, stamhoofd Ela, stamhoofd Pinon, Brontekst: אַלּ֧וּף (aluf) = stamhoofd | אָהֳלִיבָמָ֛ה (aholivama) = Oholibama | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | אֵלָ֖ה (ela) = Ela | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | פִּינֹֽן (pinon) = Pinon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:42** stamhoofd Kenaz, stamhoofd Teman, stamhoofd Mibsar, Brontekst: אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | קְנַ֛ז (qenaz) = Kenaz | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | תֵּימָ֖ן (teiman) = Teman | אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | מִבְצָֽר (mivtsar) = Mibsar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:43** stamhoofd Magdiël, stamhoofd Iram. Dit zijn de stamhoofden van Edom, volgens hun woonplaatsen in het land van hun bezit. Dat is Ezau, de vader van Edom. Brontekst: אַלּ֥וּף (aluf) = stamhoofd | מַגְדִּיאֵ֖ל (magdiel) = Magdiël | אַלּ֣וּף (aluf) = stamhoofd | עִירָ֑ם (iram) = Iram | אֵ֣לֶּה (ele) = dit | אַלּוּפֵ֣י (alufei) = stamhoofden van | אֱד֗וֹם (edom) = Edom | לְמֹֽשְׁבֹתָם֙ (lemoshevotam) = volgens hun woonplaatsen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | אֲחֻזָּתָ֔ם (achuzatam) = van hun bezit | ה֥וּא (hu) = hij | עֵשָׂ֖ו (esav) = Ezau | אֲבִ֥י (avi) = vader van | אֱדֽוֹם (edom) = Edom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בארץ אחזתם (be’erets achuzatam), ‘in het land van hun bezit’. הוא עשׂו אבי אדום (hu Esav avi Edom), ‘dat is Ezau, de vader van Edom’. Zie ook: Gen 36:7–8; Gen 45:8; Num 20:14; Deut 2:5; 1 Kron 4:14 ## Genesis 37 _Jozef verkocht; Dotan_ ### Jozef en zijn broers **37:1** Jakob woonde in het land waar zijn vader als vreemdeling had gewoond, in het land Kanaän. Brontekst: וַיֵּ֣שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land van | מְגוּרֵ֣י (megurei) = verblijf van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in het land van | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: מגורי אביו (megurei aviv), ‘waar zijn vader als vreemdeling had gewoond’: zie 17:8; 35:27. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:1 zegt dat Jakob en zijn huis in het dal van Hebron woonden en dat hun kudden dagelijks in Sichem graasden. Zie ook: Gen 17:8; Gen 23:4; Gen 28:4; Gen 35:27; Gen 36:7; Jub 39:1; Jas 41:1; Heb 11:9–16 **37:2** Dit is de geschiedenis van Jakob. Jozef, 17 jaar oud, weidde met zijn broers de kudde. Hij was nog een jongen bij de zonen van Bilha en bij de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader. Jozef bracht een kwaad gerucht over hen bij hun vader. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit | תֹּלְד֣וֹת (toledot) = geschiedenis van | יַעֲקֹ֗ב (yaaqov) = Jakob | יוֹסֵ֞ף (yosef) = Jozef | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁבַֽע (sheva) = zeven | עֶשְׂרֵ֤ה (esre) = tien | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | הָיָ֨ה (haya) = hij was | רֹעֶ֤ה (roe) = weidend | אֶת (et) = met | אֶחָיו֙ (echav) = zijn broers | בַּצֹּ֔אן (batson) = bij het kleinvee | וְה֣וּא (vehu) = en hij | נַ֗עַר (naar) = jongen | אֶת (et) = met | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | בִלְהָ֛ה (bilha) = Bilha | וְאֶת (veet) = en met | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | זִלְפָּ֖ה (zilpa) = Zilpa | נְשֵׁ֣י (neshei) = vrouwen van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en hij bracht | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּבָּתָ֥ם (dibatam) = hun gerucht | רָעָ֖ה (raa) = slecht | אֶל (el) = tot | אֲבִיהֶֽם (avihem) = hun vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אלה תלדות יעקב (eleh toledot Yaakov), ‘dit is de geschiedenis van Jakob’: zie 2:4; 6:9; 36:1. Het verhaal gaat nu over Jakobs zonen, vooral over Jozef. נער (na’ar), ‘jongen’: ook ‘jonge bediende’. Jozef is zeventien. דבתם רעה (dibbatam ra’ah), ‘hun kwade gerucht’: wat Jozef precies meldde, zegt de tekst niet (zie Num. 13:32; 14:36–37). Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:5–9 zegt dat Jozef en Benjamin nog te jong waren om met hun broers te vechten, dat Jozef zich boven zijn broers verhief en dat hij kwaad over hen aan zijn vader bracht. Zie ook: Gen 2:4; Gen 6:9; Gen 35:22; Gen 35:25–26; Gen 36:1; Jub 39:2; Jub 46:3; Jas 41:5–9; Num 13:32; Num 14:36; 1 Sam 2:22–24; 1 Kor 5:1; 1 Kor 11:18 **37:3** Israël hield meer van Jozef dan van al zijn zonen, want hij was een zoon van zijn oude dag. Hij liet een jas met lange mouwen voor hem maken. Brontekst: וְיִשְׂרָאֵ֗ל (veyisrael) = en Israël | אָהַ֤ב (ahav) = hij hield van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | מִכָּל (mikal) = meer dan alle | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | כִּֽי (ki) = want | בֶן (ben) = zoon van | זְקֻנִ֥ים (zequnim) = oude dag | ה֖וּא (hu) = hij | ל֑וֹ (lo) = voor hem | וְעָ֥שָׂה (veasa) = en hij maakte | ל֖וֹ (lo) = voor hem | כְּתֹ֥נֶת (ketonet) = jas van | פַּסִּֽים (pasim) = lange mouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זקנים (zeqenim), ‘oude dag’: Benjamin is jonger (zie 44:20). כתנת פסים (ketonet passim), ‘jas met lange mouwen’: de betekenis van passim is onzeker. Het woord komt ook voor in 2 Sam. 13:18–19, voor het kleed van Tamar, de dochter van de koning. Het kan ‘lang’ betekenen, tot de polsen en de enkels, of ‘veelkleurig’; zo vertaalt de Septuagint. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:6 zegt dat Jakob hem uit liefde een jas met lange mouwen maakte. Zie ook: Gen 37:23; Gen 37:32; Gen 44:20; Jas 41:6; 2 Sam 13:18; Joh 3:35; Joh 13:22–23 **37:4** Zijn broers zagen dat hun vader meer van hem hield dan van al zijn broers. Ze haatten hem en konden hem niet in vrede toespreken. Brontekst: וַיִּרְא֣וּ (vayiru) = en ze zagen | אֶחָ֗יו (echav) = zijn broers | כִּֽי (ki) = dat | אֹת֞וֹ (oto) = hem | אָהַ֤ב (ahav) = hij hield van | אֲבִיהֶם֙ (avihem) = hun vader | מִכָּל (mikal) = meer dan alle | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | וַֽיִּשְׂנְא֖וּ (vayisneu) = en ze haatten | אֹת֑וֹ (oto) = hem | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָכְל֖וּ (yakhelu) = ze konden | דַּבְּר֥וֹ (dabero) = hem toespreken | לְשָׁלֹֽם (leshalom) = in vrede Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דברו לשׁלם (dabbero leshalom), ‘hem in vrede toespreken’: shalom is hier de vriendelijke groet en het goede woord; zie ook vers 14. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:8 zegt dat ze hem al zijn dagen niet vredig konden toespreken. Zie ook: Gen 27:41; Gen 37:14; Jas 41:8; Ps 69:5; 1 Joh 2:11; 1 Joh 3:12; 1 Joh 4:20 **37:5** Jozef had een droom en vertelde die aan zijn broers. Ze haatten hem nog meer. Brontekst: וַיַּחֲלֹ֤ם (vayachalom) = en hij droomde | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | חֲל֔וֹם (chalom) = een droom | וַיַּגֵּ֖ד (vayaged) = en hij vertelde | לְאֶחָ֑יו (leechav) = aan zijn broers | וַיּוֹסִ֥פוּ (vayosifu) = en ze voegden toe | ע֖וֹד (od) = nog | שְׂנֹ֥א (seno) = haten | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חלום (chalom), ‘droom’: dromen in Genesis, zie 20:3; 28:12; 31:10–11, 24; 40:5; 41:1. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:10–13 vertelt de droom van de schoven; vers 12–13 voegt toe dat Jakob Jozef kuste en zegende, waardoor de broers nog jaloerser werden. Zie ook: Gen 20:3; Gen 28:12; Gen 31:10–11; Gen 31:24; Gen 37:4; Gen 37:12–13; Gen 40:5; Gen 41:1; Gen 42:9; Jas 41:10–13; Dan 4:2; Joh 17:14 **37:6** Hij zei tegen hen: „Luister toch naar deze droom die ik gedroomd heb. Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = tot hen | שִׁמְעוּ (shimu) = hoor | נָ֕א (na) = toch | הַחֲל֥וֹם (hachalom) = de droom | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חָלָֽמְתִּי (chalamti) = ik heb gedroomd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 44:18; Re 9:7 **37:7** Zie, wij waren schoven aan het binden midden op het veld. En zie, mijn schoof stond op en bleef ook rechtop staan, en zie, jullie schoven omringden haar en bogen zich neer voor mijn schoof.” Brontekst: וְ֠הִנֵּה (vehine) = en zie | אֲנַ֜חְנוּ (anachnu) = wij | מְאַלְּמִ֤ים (mealemim) = bindend | אֲלֻמִּים֙ (alumim) = schoven | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | קָ֥מָה (qama) = stond op | אֲלֻמָּתִ֖י (alumati) = mijn schoof | וְגַם (vegam) = en ook | נִצָּ֑בָה (nitsava) = stond rechtop | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | תְסֻבֶּ֨ינָה֙ (tesubeina) = ze omringden | אֲלֻמֹּ֣תֵיכֶ֔ם (alumoteikhem) = jullie schoven | וַתִּֽשְׁתַּחֲוֶ֖יןָ (vatishtachaveina) = en ze bogen zich neer | לַאֲלֻמָּתִֽי (laalumati) = voor mijn schoof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מאלמים אלמים (me’allemim alummim), ‘schoven aan het binden’: het woord voor ‘schoof’ komt verder alleen voor in Ps. 126:6. תסבינה אלמתיכם ותשׁתחוין (tesubbenah alummoteikhem vattishtachaveyn), ‘jullie schoven omringden haar en bogen zich neer’: zie 42:6; 43:26, 28 voor de vervulling. Zie ook: Gen 42:6; Gen 42:9; Gen 43:26; Gen 43:28; Gen 44:14; Ps 126:6; Kol 1:18 **37:8** Zijn broers zeiden tegen hem: „Zul jij dan koning over ons worden? Of zul jij ons werkelijk beheersen?” Ze haatten hem nog meer om zijn dromen en om zijn woorden. Brontekst: וַיֹּ֤אמְרוּ (vayomru) = en ze zeiden | לוֹ֙ (lo) = tot hem | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | הֲמָלֹ֤ךְ (hamalokh) = zul je dan koning zijn | תִּמְלֹךְ֙ (timlokh) = je zult koning zijn | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = over ons | אִם (im) = of | מָשׁ֥וֹל (mashol) = heersen | תִּמְשֹׁ֖ל (timshol) = je zult heersen | בָּ֑נוּ (banu) = over ons | וַיּוֹסִ֤פוּ (vayosifu) = en ze voegden toe | עוֹד֙ (od) = nog | שְׂנֹ֣א (seno) = haten | אֹת֔וֹ (oto) = hem | עַל (al) = om | חֲלֹמֹתָ֖יו (chalomotav) = zijn dromen | וְעַל (veal) = en om | דְּבָרָֽיו (devarav) = zijn woorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: המלך תמלך עלינו (hamalokh timlokh aleinu), ‘zul je koning over ons worden’: de eerste keer dat in Genesis een koningschap over Jakobs kinderen wordt genoemd; zie 36:31; 49:10. Zie ook: Gen 36:31; Gen 49:10; Gen 49:26; Ex 2:14; 1 Sam 10:27; Luc 19:14; Hand 7:35 **37:9** Hij had nog een andere droom en vertelde die aan zijn broers. Hij zei: „Zie, ik heb nog een droom gedroomd, en zie, de zon en de maan en elf sterren bogen zich neer voor mij.” Brontekst: וַיַּחֲלֹ֥ם (vayachalom) = en hij droomde | עוֹד֙ (od) = nog | חֲל֣וֹם (chalom) = een droom | אַחֵ֔ר (acher) = andere | וַיְסַפֵּ֥ר (vaysaper) = en hij vertelde | אֹת֖וֹ (oto) = hem | לְאֶחָ֑יו (leechav) = aan zijn broers | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | חָלַ֤מְתִּֽי (chalamti) = ik heb gedroomd | חֲלוֹם֙ (chalom) = een droom | ע֔וֹד (od) = nog | וְהִנֵּ֧ה (vehine) = en zie | הַשֶּׁ֣מֶשׁ (hashemesh) = de zon | וְהַיָּרֵ֗חַ (vehayareach) = en de maan | וְאַחַ֤ד (veachad) = en een | עָשָׂר֙ (asar) = tien | כּֽוֹכָבִ֔ים (kokhavim) = sterren | מִֽשְׁתַּחֲוִ֖ים (mishtachavim) = zich neerbuigend | לִֽי (li) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: השׁמשׁ והירח ואחד עשׂר כוכבים (hashemesh vehayareach ve’achad asar kokhavim), ‘de zon en de maan en elf sterren’: vader, moeder en elf broers (zie vers 10). Zie ook 15:5 voor sterren als beeld van nageslacht. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:14 vertelt dezelfde droom. Zie ook: Gen 15:5; Gen 37:7; Gen 37:10; Gen 45:9; Gen 46:29; Jas 41:14; Dan 8:10; Hand 7:9–14 **37:10** Hij vertelde het aan zijn vader en aan zijn broers. Zijn vader berispte hem en zei tegen hem: „Wat is dit voor een droom die je gedroomd hebt? Zullen wij dan komen, ik, je moeder en je broers, om ons voor je neer te buigen tot op de grond?” Brontekst: וַיְסַפֵּ֣ר (vaysaper) = en hij vertelde | אֶל (el) = aan | אָבִיו֮ (aviv) = zijn vader | וְאֶל (veel) = en aan | אֶחָיו֒ (echav) = zijn broers | וַיִּגְעַר (vayigar) = en hij berispte | בּ֣וֹ (bo) = hem | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֔וֹ (lo) = tot hem | מָ֛ה (ma) = wat | הַחֲל֥וֹם (hachalom) = de droom | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָלָ֑מְתָּ (chalamta) = je hebt gedroomd | הֲב֣וֹא (havo) = zullen komen | נָב֗וֹא (navo) = wij zullen komen | אֲנִי֙ (ani) = ik | וְאִמְּךָ֣ (veimekha) = en je moeder | וְאַחֶ֔יךָ (veacheikha) = en je broers | לְהִשְׁתַּחֲוֺ֥ת (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | אָֽרְצָה (aretsa) = ter aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואמך (ve’immekha), ‘en je moeder’: Rachel was al gestorven (zie 35:19). Een oude uitleg denkt aan Bilha, die Jozef grootbracht (zie 35:22). להשׁתחות לך ארצה (lehishtachavot lekha artsah), ‘om ons voor je neer te buigen tot op de grond’: zie 33:3; 42:6. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 34:15 zegt dat Bilha stierf toen ze hoorde dat Jozef verdwenen was. Jasher 41:15–16 geeft Jakobs berisping in dezelfde bewoordingen weer. Zie ook: Gen 27:29; Gen 33:3; Gen 35:19; Gen 35:22; Gen 37:7; Gen 42:6; Jub 34:15; Jas 41:15–16; Jes 60:14; Fil 2:10–11 **37:11** Zijn broers waren jaloers op hem, maar zijn vader bewaarde de zaak. Brontekst: וַיְקַנְאוּ (vayqanu) = en ze werden jaloers | ב֖וֹ (bo) = op hem | אֶחָ֑יו (echav) = zijn broers | וְאָבִ֖יו (veaviv) = en zijn vader | שָׁמַ֥ר (shamar) = hij bewaarde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַדָּבָֽר (hadavar) = de zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויקנאו (vayqan’u), ‘werden jaloers’: zie 26:14; 30:1. שׁמר את הדבר (shamar et hadavar), ‘bewaarde de zaak’: Jakob onthield het in zijn hart. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:17 zegt dat Jakob de dromen in zijn hart bewaarde. Zie ook: Gen 26:14; Gen 30:1; Jas 41:17; Dan 7:28; Luc 2:19; Luc 2:51; Hand 7:9; Hand 13:45 ### Jozef wordt naar zijn broers gestuurd **37:12** Zijn broers gingen de kudde van hun vader weiden in Sichem. Brontekst: וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en ze gingen | אֶחָ֑יו (echav) = zijn broers | לִרְע֛וֹת (lirot) = om te weiden | אֶׄתׄ (et) = (lijdend voorwerp) | צֹ֥אן (tson) = kleinvee van | אֲבִיהֶ֖ם (avihem) = hun vader | בִּשְׁכֶֽם (bishkhem) = in Sichem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Uitleg: את (et), ‘(lijdend voorwerp)’: boven dit woord staan stippen, een teken dat de schrijvers het bijzonder merkten. Oude uitleggers lezen daarin dat de broers zichzelf weidden en niet de kudde. בשׁכם (bishkhem), ‘in Sichem’: de plaats van de gebeurtenissen van hoofdstuk 34. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:18–19 zegt dat Jakob zich zorgen maakte toen zijn zonen te lang wegbleven, uit vrees dat de inwoners van Sichem tegen hen waren opgestaan. Jubileeën 34:1–9 vertelt dat Jakob zeven koningen van de Amorieten versloeg die zijn zonen en hun kudden bij Sichem aanvielen. Zie ook: Gen 33:18; Gen 34; Gen 34:25–31; Gen 37:1; Jub 34:1–9; Jub 34:7; Jas 41:18–19 **37:13** Israël zei tegen Jozef: „Weiden je broers niet bij Sichem? Kom, ik zal je naar hen toe sturen.” Hij zei tegen hem: „Hier ben ik.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֗ף (yosef) = Jozef | הֲל֤וֹא (halo) = niet | אַחֶ֨יךָ֙ (acheikha) = je broers | רֹעִ֣ים (roim) = weidend | בִּשְׁכֶ֔ם (bishkhem) = in Sichem | לְכָ֖ה (lekha) = ga | וְאֶשְׁלָחֲךָ֣ (veeshlachakha) = en ik zal je sturen | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = naar hen | וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֖וֹ (lo) = tot hem | הִנֵּֽנִי (hineni) = hier ben ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal. Voetnoot Uitleg: ואשׁלחך (ve’eshlachakha), ‘en ik zal je sturen’: zie Ps. 105:17. הנני (hineni), ‘Hier ben ik’: zie 22:1, 7, 11; 27:1; 31:11; 46:2. Zie ook: Gen 22:1; Gen 22:7; Gen 22:11; Gen 27:1; Gen 31:11; Gen 46:2; 1 Sam 3:8; 1 Sam 17:17–20; Ps 105:17; Mat 10:16; Ef 6:1–3 **37:14** Hij zei tegen hem: „Ga toch kijken hoe het met je broers gaat en hoe het met de kudde gaat, en breng mij bericht.” Zo stuurde hij hem uit het dal van Hebron, en hij kwam bij Sichem. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֗וֹ (lo) = tot hem | לֶךְ (lekh) = ga | נָ֨א (na) = toch | רְאֵ֜ה (ree) = zie | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁל֤וֹם (shelom) = welzijn van | אַחֶ֨יךָ֙ (acheikha) = je broers | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שְׁל֣וֹם (shelom) = welzijn van | הַצֹּ֔אן (hatson) = de kudde | וַהֲשִׁבֵ֖נִי (vahashiveni) = en breng mij terug | דָּבָ֑ר (davar) = bericht | וַיִּשְׁלָחֵ֨הוּ֙ (vayishlachehu) = en hij stuurde hem | מֵעֵ֣מֶק (meemeq) = uit het dal van | חֶבְר֔וֹן (chevron) = Hebron | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij kwam | שְׁכֶֽמָה (shekhema) = naar Sichem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: מעמק חברון (me’emeq Chevron), ‘uit het dal van Hebron’: zie 13:18; 23:2. Van Hebron naar Sichem is het ongeveer 80 km. Voetnoot Uitleg: שׁלום אחיך (shelom acheikha), ‘het welzijn van je broers’: zie vers 4. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:20–21 zegt dat Jakob Jozef uit het dal van Hebron stuurde en dat Jozef zijn broers in Sichem niet vond en op het veld verdwaalde. Zie ook: Gen 13:18; Gen 23:2; Gen 35:27; Gen 37:4; Jub 34:10; Jas 41:20–21; Num 13:22; Joz 14:13; Ps 125:5; Luc 19:42 **37:15** Een man vond hem, en zie, hij dwaalde rond op het veld. De man vroeg hem: „Wat zoek je?” Brontekst: וַיִּמְצָאֵ֣הוּ (vayimtsaehu) = en hij vond hem | אִ֔ישׁ (ish) = een man | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | תֹעֶ֖ה (toe) = dwalend | בַּשָּׂדֶ֑ה (basade) = op het veld | וַיִּשְׁאָלֵ֧הוּ (vayishalehu) = en hij vroeg hem | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggend | מַה (ma) = wat | תְּבַקֵּֽשׁ (tevaqesh) = zoek je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אישׁ (ish), ‘een man’: een niet bij naam genoemde man. תעה (to’eh), ‘dwalend’: ‘verdwaald’; zie 21:14. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:22 zegt dat het een engel van Yahweh was. Zie ook: Gen 21:14; Jub 34:10; Jas 41:22; Re 4:22; 2 Kon 6:19; Joh 1:38; Joh 4:27 **37:16** Hij zei: „Mijn broers zoek ik. Zeg me toch waar zij de kudde weiden.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַחַ֖י (achay) = mijn broers | אָנֹכִ֣י (anokhi) = ik | מְבַקֵּ֑שׁ (mevaqesh) = zoekend | הַגִּֽידָה (hagida) = vertel | נָּ֣א (na) = toch | לִ֔י (li) = mij | אֵיפֹ֖ה (eifo) = waar | הֵ֥ם (hem) = zij | רֹעִֽים (roim) = weidend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 34:10; Hoogl 1:7; Luc 19:10 **37:17** De man zei: „Ze zijn vertrokken, want ik hoorde hen zeggen: ‘Laten wij naar Dotan gaan.’” Jozef ging zijn broers achterna en vond hen in Dotan. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | נָסְע֣וּ (naseu) = ze zijn vertrokken | מִזֶּ֔ה (mize) = van hier | כִּ֤י (ki) = want | שָׁמַ֨עְתִּי֙ (shamati) = ik hoorde | אֹֽמְרִ֔ים (omerim) = zeggend | נֵלְכָ֖ה (nelekha) = laten we gaan | דֹּתָ֑יְנָה (dotayena) = naar Dotan | וַיֵּ֤לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אַחַ֣ר (achar) = achter | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | וַיִּמְצָאֵ֖ם (vayimtsaem) = en hij vond hen | בְּדֹתָֽן (bedotan) = in Dotan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: דתינה (Dotaynah), ‘naar Dotan’: Dotan ligt ongeveer 20 km ten noorden van Sichem, op de oude handelsweg naar Egypte (zie vers 25). Voetnoot Uitleg: Zie ook 2 Kon. 6:13. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:22–23 zegt dat de engel Jozef de weg naar Dotan wees. Zie ook: Gen 37:25; Jub 34:10; Jas 41:22–23; 2 Kon 6:13 ### De samenzwering **37:18** Ze zagen hem van verre, en voordat hij bij hen was, smeedden ze een plan tegen hem om hem te doden. Brontekst: וַיִּרְא֥וּ (vayiru) = en ze zagen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | מֵרָחֹ֑ק (merachoq) = van verre | וּבְטֶ֨רֶם֙ (uveterem) = en voordat | יִקְרַ֣ב (yiqrav) = hij naderde | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | וַיִּֽתְנַכְּל֥וּ (vayitnakelu) = en ze smeedden listig plannen | אֹת֖וֹ (oto) = tegen hem | לַהֲמִיתֽוֹ (lahamito) = om hem te doden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויתנכלו (vayitnakkelu), ‘smeedden listig een plan’: zie Num. 25:18; Ps. 105:25. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:24 zegt dat ze al besloten hadden hem te doden voordat hij bij hen was. Zie ook: Jas 41:24; Num 25:18; 1 Sam 19:1; Ps 37:12; Ps 37:32; Ps 105:25; Mar 14:1; Hand 23:12 **37:19** Ze zeiden tegen elkaar: „Kijk, daar komt die meester van de dromen. Brontekst: וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en ze zeiden | אִ֣ישׁ (ish) = man | אֶל (el) = tot | אָחִ֑יו (achiv) = zijn broer | הִנֵּ֗ה (hine) = zie | בַּ֛עַל (baal) = meester van | הַחֲלֹמ֥וֹת (hachalomot) = de dromen | הַלָּזֶ֖ה (halaze) = die daar | בָּֽא (ba) = komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בעל החלמות (ba’al hachalomot), ‘meester van de dromen’: spottend bedoeld. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:25 legt deze woorden in de mond van Simeon, die zegt dat ze hem moeten doden en in een van de putten gooien. Zie ook: Gen 28:12; Gen 37:5; Gen 37:11; Gen 49:23; Jas 41:25 **37:20** Kom nu, laten wij hem doden en in een van de putten gooien. Dan zullen wij zeggen: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten.’ Dan zien wij wat van zijn dromen zal worden.” Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | לְכ֣וּ (lekhu) = kom | וְנַֽהַרְגֵ֗הוּ (venahargehu) = en laten we hem doden | וְנַשְׁלִכֵ֨הוּ֙ (venashlikhehu) = en laten we hem werpen | בְּאַחַ֣ד (beachad) = in een van | הַבֹּר֔וֹת (haborot) = de putten | וְאָמַ֕רְנוּ (veamarnu) = en we zullen zeggen | חַיָּ֥ה (chaya) = dier | רָעָ֖ה (raa) = wild | אֲכָלָ֑תְהוּ (akhalatehu) = heeft hem opgegeten | וְנִרְאֶ֕ה (venire) = en laten we zien | מַה (ma) = wat | יִּהְי֖וּ (yihyu) = ze zullen worden | חֲלֹמֹתָֽיו (chalomotav) = zijn dromen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חיה רעה (chayah ra’ah), ‘een wild dier’: zie vers 33; Lev. 26:6. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:25 heeft hier hetzelfde: een kwaad dier. Zie ook: Gen 37:33; Jas 41:25; Lev 26:6; Spr 1:11–12; Spr 27:4; 2 Kon 2:24; Mat 2:2–16; Tit 3:3 **37:21** Ruben hoorde het en redde hem uit hun hand. Hij zei: „Laten wij hem het leven niet ontnemen.” Brontekst: וַיִּשְׁמַ֣ע (vayishma) = en hij hoorde | רְאוּבֵ֔ן (reuven) = Ruben | וַיַּצִּלֵ֖הוּ (vayatsilehu) = en hij redde hem | מִיָּדָ֑ם (miyadam) = uit hun hand | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֹ֥א (lo) = niet | נַכֶּ֖נּוּ (nakenu) = laten we hem slaan | נָֽפֶשׁ (nafesh) = het leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויצלהו (vayyatsilehu), ‘redde hem’: Ruben, de eerstgeborene (zie 35:23), voelt zich verantwoordelijk (zie 42:22, 37). נכנו נפשׁ (nakkenu nafesh), ‘laten wij hem het leven niet ontnemen’: letterlijk ‘laten wij hem niet slaan wat het leven betreft’; zie Deut. 19:6, 11. Zie ook: Gen 9:5; Gen 35:22; Gen 35:23; Gen 42:22; Gen 42:37; Deut 19:6; Deut 19:11; Joz 10:28; Mat 10:28 **37:22** Ruben zei tegen hen: „Vergiet geen bloed. Gooi hem in deze put in de woestijn, maar leg de hand niet aan hem.” Hij wilde hem uit hun hand redden en hem terugbrengen naar zijn vader. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֣ם (alehem) = tot hen | רְאוּבֵן֮ (reuven) = Ruben | אַל (al) = niet | תִּשְׁפְּכוּ (tishpekhu) = vergiet | דָם֒ (dam) = bloed | הַשְׁלִ֣יכוּ (hashlikhu) = werp | אֹת֗וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = in | הַבּ֤וֹר (habor) = de put | הַזֶּה֙ (haze) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | וְיָ֖ד (veyad) = en hand | אַל (al) = niet | תִּשְׁלְחוּ (tishlechu) = leg | ב֑וֹ (bo) = aan hem | לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | הַצִּ֤יל (hatsil) = om te redden | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | מִיָּדָ֔ם (miyadam) = uit hun hand | לַהֲשִׁיב֖וֹ (lahashivo) = om hem terug te brengen | אֶל (el) = naar | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תשׁפכו דם (tishpekhu dam), ‘vergiet geen bloed’: zie 9:6. במדבר (bamidbar), ‘in de woestijn’: het onbewoonde weideland buiten de akkers, niet een zandwoestijn. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:26 geeft Rubens woorden en zegt dat hij dit zei om Jozef uit hun hand te redden en hem naar zijn vader terug te brengen. Zie ook: Gen 9:6; Gen 22:12; Gen 42:22; Jas 41:26; Ex 24:11; Mat 27:24; Hand 12:1 **37:23** Toen Jozef bij zijn broers kwam, trokken ze Jozef het kleed uit, de jas met lange mouwen die hij aanhad. Brontekst: וַֽיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כַּֽאֲשֶׁר (kaasher) = toen | בָּ֥א (ba) = kwam | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | אֶל (el) = bij | אֶחָ֑יו (echav) = zijn broers | וַיַּפְשִׁ֤יטוּ (vayafshitu) = en ze trokken uit | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כֻּתָּנְתּ֔וֹ (kutanto) = zijn kleed | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כְּתֹ֥נֶת (ketonet) = jas van | הַפַּסִּ֖ים (hapasim) = de lange mouwen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָלָֽיו (alav) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כתנת הפסים (ketonet happassim), ‘de jas met lange mouwen’: zie vers 3. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:27 zegt dat ze hem op de grond sloegen en de jas uittrokken. Zie ook: Gen 37:3; Gen 37:31–33; Gen 42:21; Jas 41:27; Ps 22:19; Mat 27:28 **37:24** Ze namen hem en gooiden hem in de put. De put was leeg, er was geen water in. Brontekst: וַיִּ֨קָּחֻ֔הוּ (vayiqachuhu) = en ze namen hem | וַיַּשְׁלִ֥כוּ (vayashlikhu) = en ze wierpen | אֹת֖וֹ (oto) = hem | הַבֹּ֑רָה (habora) = in de put | וְהַבּ֣וֹר (vehabor) = en de put | רֵ֔ק (req) = leeg | אֵ֥ין (ein) = er was geen | בּ֖וֹ (bo) = in hem | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: והבור רק (vehabbor req), ‘de put was leeg’: een uitgegraven regenwaterput; zie Jer. 38:6. Voetnoot Aanvullend: Jasher 41:28 zegt dat er wel slangen en schorpioenen in waren, die Yahweh in de wanden verborg zodat ze Jozef niet deerden. Jasher 41:29–34 geeft Jozefs smeekbede uit de put. Zie ook: Jas 41:28; Jas 41:29–34; Ps 35:7; Ps 88:7; Ps 130:1–2; Jer 38:6; Zach 9:11 ### Jozef wordt verkocht **37:25** Daarna gingen ze zitten om brood te eten. Ze sloegen hun ogen op en zagen een karavaan van Ismaëlieten die uit Gilead kwam. Hun kamelen droegen kruidengom, balsem en hars, op weg om het naar Egypte te brengen. Brontekst: וַיֵּשְׁבוּ֮ (vayeshevu) = en ze zaten | לֶֽאֱכָל (leekhal) = om te eten | לֶחֶם֒ (lechem) = brood | וַיִּשְׂא֤וּ (vayisu) = en ze sloegen op | עֵֽינֵיהֶם֙ (eineihem) = hun ogen | וַיִּרְא֔וּ (vayiru) = en ze zagen | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | אֹרְחַ֣ת (orechat) = karavaan van | יִשְׁמְעֵאלִ֔ים (yishmeelim) = Ismaëlieten | בָּאָ֖ה (baa) = komend | מִגִּלְעָ֑ד (migilad) = uit Gilead | וּגְמַלֵּיהֶ֣ם (ugemaleihem) = en hun kamelen | נֹֽשְׂאִ֗ים (noseim) = dragend | נְכֹאת֙ (nekhot) = kruidengom | וּצְרִ֣י (utseri) = en balsem | וָלֹ֔ט (valot) = en hars | הוֹלְכִ֖ים (holekhim) = gaand | לְהוֹרִ֥יד (lehorid) = om af te voeren | מִצְרָֽיְמָה (mitsrayema) = naar Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וישׁבו לאכל לחם (vayyeshvu le’ekhol lachem), ‘gingen zitten om brood te eten’: zie 42:21, waar de broers zich herinneren hoe Jozef smeekte. ארחת ישׁמעאלים (orchat yishme’elim), ‘karavaan van Ismaëlieten’: zie 39:1. נכאת וצרי ולט (nekhot utseri valot), ‘kruidengom, balsem en hars’: nekot is waarschijnlijk tragantgom, tseri balsem (zie Jer. 8:22; 46:11) en lot ladanum, een hars. Gilead ligt oostelijk van de Jordaan. Voetnoot Aanvullend: Jasher 42:1–2 zegt dat de broers zaten te beraadslagen toen ze de karavaan zagen. Zie ook: Gen 16:11–12; Gen 37:28; Gen 39:1; Gen 42:21; Gen 43:11; Jub 34:11; Jas 42:1–2; Jer 8:22; Jer 46:11 **37:26** Juda zei tegen zijn broers: „Wat winnen wij ermee dat we onze broer doden en zijn bloed verbergen? Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = tot | אֶחָ֑יו (echav) = zijn broers | מַה (ma) = wat | בֶּ֗צַע (betsa) = winst | כִּ֤י (ki) = als | נַהֲרֹג֙ (naharog) = we doden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָחִ֔ינוּ (achinu) = onze broer | וְכִסִּ֖ינוּ (vekhisinu) = en we bedekken | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דָּמֽוֹ (damo) = zijn bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מה בצע (mah betsa), ‘wat winnen wij’: Jasher 42:3 zegt dat Juda zei dat Elohim Jozef misschien van hen zou eisen. וכסינו את דמו (vekhissinu et damo), ‘en zijn bloed verbergen’: zie 4:10; Job 16:18. Zie ook: Gen 4:10; Gen 25:32; Gen 37:20; Jub 34:11; Jas 42:3; Job 16:18; Deut 17:8; Mat 16:26 **37:27** Kom, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen, en laat onze hand niet aan hem zijn, want hij is onze broer, ons vlees.” Zijn broers luisterden. Brontekst: לְכ֞וּ (lekhu) = kom | וְנִמְכְּרֶ֣נּוּ (venimkerenu) = en laten we hem verkopen | לַיִּשְׁמְעֵאלִ֗ים (layishmeelim) = aan de Ismaëlieten | וְיָדֵ֨נוּ֙ (veyadenu) = en onze hand | אַל (al) = niet | תְּהִי (tehi) = laat zijn | ב֔וֹ (bo) = aan hem | כִּֽי (ki) = want | אָחִ֥ינוּ (achinu) = onze broer | בְשָׂרֵ֖נוּ (besarenu) = ons vlees | ה֑וּא (hu) = hij | וַֽיִּשְׁמְע֖וּ (vayishmeu) = en ze luisterden | אֶחָֽיו (echav) = zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ונמכרנו (venimkerennu), ‘laten wij hem verkopen’: zie Ex. 21:16; Deut. 24:7. בשׂרנו (besarenu), ‘ons vlees’: zie 2:23; 29:14. Voetnoot Aanvullend: Jasher 42:4 zegt dat het voorstel de broers beviel. Zie ook: Gen 2:23; Gen 29:14; Gen 42:21; Jub 34:11; Jas 42:4; Ex 21:16; Deut 24:7; 1 Sam 18:17; Neh 5:8; Mat 16:26; 1 Tim 1:10 **37:28** Midianitische kooplieden trokken voorbij. Ze trokken Jozef omhoog en haalden hem uit de put, en verkochten Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten. Ze brachten Jozef naar Egypte. Brontekst: וַיַּֽעַבְרוּ֩ (vayaavru) = en ze trokken voorbij | אֲנָשִׁ֨ים (anashim) = mannen | מִדְיָנִ֜ים (midyanim) = Midianitische | סֹֽחֲרִ֗ים (socharim) = kooplieden | וַֽיִּמְשְׁכוּ֙ (vayimshekhu) = en ze trokken | וַיַּֽעֲל֤וּ (vayaalu) = en ze haalden omhoog | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | מִן (min) = uit | הַבּ֔וֹר (habor) = de put | וַיִּמְכְּר֧וּ (vayimkeru) = en ze verkochten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | לַיִּשְׁמְעֵאלִ֖ים (layishmeelim) = aan de Ismaëlieten | בְּעֶשְׂרִ֣ים (beesrim) = voor twintig | כָּ֑סֶף (kasef) = zilver | וַיָּבִ֥יאוּ (vayaviu) = en ze brachten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | מִצְרָֽיְמָה (mitsrayema) = naar Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אנשׁים מדינים סחרים (anashim Midyanim socharim), ‘Midianitische kooplieden’: zie 25:2. וימכרו (vayimkeru), ‘verkochten’: wie hier handelt, is niet duidelijk. Vers 27 bedoelt de broers, vers 36 noemt de Medanieten, en 39:1 zegt dat de Ismaëlieten hem naar Egypte brachten. Jozef zegt later: ‘die jullie naar Egypte verkocht hebben’ (zie 45:4–5). בעשׂרים כסף (be’esrim kasef), ‘voor twintig zilverstukken’: zie Lev. 27:5, waar twintig sikkel de waarde is van een jongen tussen vijf en twintig jaar. Voetnoot Aanvullend: Jasher 42:5–19 vertelt dat zeven Midianitische kooplieden Jozef uit de put haalden, dat de broers hem na een twist voor twintig zilverstukken aan hen verkochten, zonder Ruben, en dat de Midianieten hem aan de Ismaëlieten doorverkochten voor hetzelfde bedrag (Jasher 42:23–25). Jasher 42:29–40 vertelt dat Jozef onderweg op Rachels graf viel en daar een stem hoorde. Jubileeën 34:10–11 zegt dat Jakob Jozef zond en dat zijn broers een plan tegen hem smeedden om hem te doden; over de verkoop zegt Jubileeën daar niets. Zie ook: Gen 25:2; Gen 37:25; Gen 37:27; Gen 37:36; Gen 39:1; Gen 45:4–5; Hen 89:13; Jub 34:10–11; Jub 34:11; Jas 42:5–19; Jas 42:23–25; Jas 42:29–40; Lev 27:5; Ps 105:17; Hand 7:9 **37:29** Ruben keerde terug naar de put, en zie, Jozef was niet in de put. Hij scheurde zijn kleren. Brontekst: וַיָּ֤שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | רְאוּבֵן֙ (reuven) = Ruben | אֶל (el) = naar | הַבּ֔וֹר (habor) = de put | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | אֵין (ein) = er was niet | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | בַּבּ֑וֹר (babor) = in de put | וַיִּקְרַ֖ע (vayiqra) = en hij scheurde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּגָדָֽיו (begadav) = zijn kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויקרע את בגדיו (vayyiqra et begadav), ‘hij scheurde zijn kleren’: rouwgebaar; zie vers 34; 44:13. Voetnoot Aanvullend: Jasher 43:2–4 vertelt dat Ruben bij de put terugkwam, in de put afdaalde en Jozef niet vond, en dat hij zijn kleren scheurde. Zie ook: Gen 37:34; Gen 44:13; Jub 34:11; Jas 43:2–4; Job 1:20; Num 14:6; Joël 2:13; Hand 14:14 **37:30** Hij ging terug naar zijn broers en zei: „De jongen is er niet meer, en ik, waar moet ik heen?” Brontekst: וַיָּ֥שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | אֶל (el) = tot | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en hij zei | הַיֶּ֣לֶד (hayeled) = de jongen | אֵינֶ֔נּוּ (einenu) = niet meer | וַאֲנִ֖י (vaani) = en ik | אָ֥נָה (ana) = waar | אֲנִי (ani) = ik | בָֽא (ba) = kom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואני אנה אני בא (va’ani anah ani va), ‘en ik, waar moet ik heen’: zie 42:22, 37. Voetnoot Aanvullend: Jasher 43:5–8 zegt dat de broers vertelden wat ze gedaan hadden en elkaar zwoeren Jakob niets te vertellen. Zie ook: Gen 37:20; Gen 42:13; Gen 42:22; Gen 42:32; Gen 42:35–36; Gen 42:37; Jub 34:11; Jas 43:5–8; Jer 31:15 ### De jas en Jakobs rouw **37:31** Ze namen Jozefs jas, slachtten een geitenbok en doopten de jas in het bloed. Brontekst: וַיִּקְח֖וּ (vayiqchu) = en ze namen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כְּתֹ֣נֶת (ketonet) = jas van | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַֽיִּשְׁחֲטוּ֙ (vayishchatu) = en ze slachtten | שְׂעִ֣יר (seir) = bok van | עִזִּ֔ים (izim) = geiten | וַיִּטְבְּל֥וּ (vayitbelu) = en ze doopten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַכֻּתֹּ֖נֶת (hakutonet) = de jas | בַּדָּֽם (badam) = in het bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׂעיר עזים (se’ir izzim), ‘geitenbok’: zie ook 27:9, 16; 38:17, 20. Voetnoot Aanvullend: Jasher 43:10–13 zegt dat Issachar dit voorstelde: de jas scheuren, een bok slachten en de jas in het bloed dopen. Jubileeën 34:12 zegt dat ze de jas stuurden op de tiende van de zevende maand. Zie ook: Gen 27:9; Gen 27:16; Gen 37:3; Gen 37:23; Gen 38:17; Gen 38:20; Jub 34:12; Jas 43:10–13; Spr 28:13 **37:32** Ze stuurden de jas met lange mouwen weg en brachten die naar hun vader. Ze zeiden: „Dit hebben we gevonden. Herken toch of het de jas van je zoon is of niet.” Brontekst: וַֽיְשַׁלְּח֞וּ (vayshalechu) = en ze stuurden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כְּתֹ֣נֶת (ketonet) = jas van | הַפַּסִּ֗ים (hapasim) = de lange mouwen | וַיָּבִ֨יאוּ֙ (vayaviu) = en ze brachten | אֶל (el) = naar | אֲבִיהֶ֔ם (avihem) = hun vader | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en ze zeiden | זֹ֣את (zot) = dit | מָצָ֑אנוּ (matsanu) = we hebben gevonden | הַכֶּר (haker) = herken | נָ֗א (na) = toch | הַכְּתֹ֧נֶת (haketonet) = de jas | בִּנְךָ֛ (binkha) = je zoon | הִ֖וא (hi) = zij | אִם (im) = of | לֹֽא (lo) = niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הכר נא (hakker na), ‘herken toch’: hetzelfde werkwoord als in 27:23 en 38:25. Voetnoot Aanvullend: Jasher 43:13–15 zegt dat de broers de jas door Naftali lieten brengen, met de woorden dat ze hem op de weg gevonden hadden. Zie ook: Gen 27:23; Gen 37:3; Gen 38:25; Gen 44:20–23; Jub 34:12; Jas 43:13–15; Luc 15:30 **37:33** Hij herkende hem en zei: „De jas van mijn zoon! Een wild dier heeft hem opgegeten. Jozef is zeker verscheurd.” Brontekst: וַיַּכִּירָ֤הּ (vayakirah) = en hij herkende haar | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | כְּתֹ֣נֶת (ketonet) = jas van | בְּנִ֔י (beni) = mijn zoon | חַיָּ֥ה (chaya) = dier | רָעָ֖ה (raa) = wild | אֲכָלָ֑תְהוּ (akhalatehu) = heeft hem opgegeten | טָרֹ֥ף (tarof) = verscheuren | טֹרַ֖ף (toraf) = is verscheurd | יוֹסֵֽף (yosef) = Jozef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויכירה (vayyakkirah), ‘herkende hem’: zie 38:25. טרף טרף (taroph toraph), ‘zeker verscheurd’: zie vers 20. Voetnoot Aanvullend: Jasher 43:16 zegt dat Jakob op zijn gezicht viel, stil als een steen, en daarna luid riep dat het Jozefs jas was. Zie ook: Gen 37:20; Gen 38:25; Gen 44:28; Jub 34:12; Jas 43:16; Spr 14:15; 2 Kon 2:24; Joh 13:7 **37:34** Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om zijn heupen en rouwde vele dagen om zijn zoon. Brontekst: וַיִּקְרַ֤ע (vayiqra) = en hij scheurde | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | שִׂמְלֹתָ֔יו (simlotav) = zijn kleren | וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en hij legde | שַׂ֖ק (saq) = rouwkleed | בְּמָתְנָ֑יו (bematenav) = om zijn heupen | וַיִּתְאַבֵּ֥ל (vayitabel) = en hij rouwde | עַל (al) = om | בְּנ֖וֹ (beno) = zijn zoon | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | רַבִּֽים (rabim) = vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grof gewaad, vaak van haar; zie 2 Sam. 3:31; 1 Kon. 21:27. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 34:12–13 zegt dat het bericht Jakob in de avond bereikte en dat hij die nacht rouwde, en dat het hele huis met hem rouwde. Zie ook: Gen 37:29; Jub 34:12–13; Job 1:20; 2 Sam 3:31; 1 Kon 21:27; Est 4:1–3 **37:35** Al zijn zonen en al zijn dochters stonden op om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten. Hij zei: „Nee, rouwend zal ik naar mijn zoon afdalen in de Sjeol.” Zijn vader beweende hem. Brontekst: וַיָּקֻמוּ֩ (vayaqumu) = en ze stonden op | כָל (kal) = al | בָּנָ֨יו (banav) = zijn zonen | וְכָל (vekhal) = en al | בְּנֹתָ֜יו (benotav) = zijn dochters | לְנַחֲמ֗וֹ (lenachamo) = om hem te troosten | וַיְמָאֵן֙ (vaymaen) = en hij weigerde | לְהִתְנַחֵ֔ם (lehitnachem) = zich te laten troosten | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | כִּֽי (ki) = want | אֵרֵ֧ד (ered) = ik zal afdalen | אֶל (el) = naar | בְּנִ֛י (beni) = mijn zoon | אָבֵ֖ל (avel) = rouwend | שְׁאֹ֑לָה (sheola) = naar de Sjeol | וַיֵּ֥בְךְּ (vayevek) = en hij weende | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כל בניו וכל בנתיו (kol banav vekhol benotav), ‘al zijn zonen en al zijn dochters’: ook Dina en de schoondochters. כי ארד אל בני אבל שׁאלה (ki ered el beni avel she’olah), ‘want ik zal rouwend naar mijn zoon afdalen in de Sjeol’: she’ol is het dodenrijk, de plaats van de gestorvenen; zie 42:38; 44:29, 31; Num. 16:30. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 34:14 spreekt van zijn zonen en zijn dochter. Jubileeën 34:17 zegt dat hij een jaar om Jozef rouwde en niet ophield. Zie ook: Gen 31:43; Gen 42:38; Gen 44:29; Gen 44:31; Gen 45:28; Jub 34:14; Jub 34:17; Job 2:11; Num 16:30; 2 Sam 12:17 **37:36** De Medanieten verkochten hem in Egypte aan Potifar, een hofdienaar van de farao, de bevelhebber van de lijfwacht. Brontekst: וְהַ֨מְּדָנִ֔ים (vehamedanim) = en de Medanieten | מָכְר֥וּ (makheru) = ze verkochten | אֹת֖וֹ (oto) = hem | אֶל (el) = naar | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | לְפֽוֹטִיפַר֙ (lefotifar) = aan Potifar | סְרִ֣יס (seris) = hofdienaar van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | שַׂ֖ר (sar) = overste van | הַטַּבָּחִֽים (hatabachim) = de slachters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: והמדנים (vehamedanim), ‘de Medanieten’: zo staat het in de Hebreeuwse tekst; Medan was een zoon van Abraham en Ketura (zie 25:2), een broer van Midian. Oude vertalingen lezen hier Midianieten. לפוטיפר סריס פרעה (lePotifar seris Par’oh), ‘aan Potifar, hofdienaar van de farao’: saris is ‘hofdienaar’, soms ‘eunuch’; Potifar is getrouwd (zie 39:7). שׂר הטבחים (sar hattabbachim), ‘bevelhebber van de lijfwacht’: letterlijk ‘overste van de slachters’; zie 39:1; 40:3–4; 2 Kon. 25:8. Voetnoot Aanvullend: Jasher 42:53 zegt dat de Ismaëlieten Jozef verder naar Egypte brachten. Zie ook: Gen 25:1–2; Gen 25:2; Gen 37:28; Gen 39:1–23; Gen 39:7; Gen 40:3–4; Gen 40:4; Jub 40:10; Jas 42:53; 2 Kon 25:8; Jes 56:3 ## Genesis 38 _Juda en Tamar_ ### Juda en zijn zonen **38:1** In die tijd daalde Juda af van zijn broers en trok naar een man uit Adullam, die Hira heette. Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het was | בָּעֵ֣ת (baet) = in de tijd | הַהִ֔וא (hahi) = die | וַיֵּ֥רֶד (vayered) = en hij daalde af | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | מֵאֵ֣ת (meet) = van | אֶחָ֑יו (echav) = zijn broers | וַיֵּ֛ט (vayet) = en hij boog af | עַד (ad) = tot | אִ֥ישׁ (ish) = een man | עֲדֻלָּמִ֖י (adulami) = uit Adullam | וּשְׁמ֥וֹ (ushemo) = en zijn naam | חִירָֽה (chira) = Hira Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: וירד יהודה (vayered Yehudah), ‘Juda daalde af’: hoofdstuk 38 onderbreekt het verhaal van Jozef. אישׁ עדלמי (ish Adullami), ‘een man uit Adullam’: Adullam ligt in de Sefela, ongeveer 20 km ten noordwesten van Hebron (zie Joz. 15:35). De man, Hira, komt terug in vers 12 en 20. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 41:1 plaatst dit in het tweede jaar van de tweede jubeljaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar. Zie ook: Gen 19:2–3; Gen 38:12; Gen 38:20; Jub 41:1; Joz 15:35; 1 Sam 22:1; 2 Kon 4:8; Mi 1:15 **38:2** Daar zag Juda de dochter van een Kanaänitische man, die Sua heette. Hij nam haar en ging tot haar in. Brontekst: וַיַּרְא (vayar) = en hij zag | שָׁ֧ם (sham) = daar | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | בַּת (bat) = dochter van | אִ֥ישׁ (ish) = een man | כְּנַעֲנִ֖י (kenaani) = Kanaänitische | וּשְׁמ֣וֹ (ushemo) = en zijn naam | שׁ֑וּעַ (shua) = Sua | וַיִּקָּחֶ֖הָ (vayiqacheha) = en hij nam haar | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij ging in | אֵלֶֽיהָ (eleiha) = tot haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בת אישׁ כנעני (bat ish Kena’ani), ‘de dochter van een Kanaänitische man’: zie 24:3; 28:1. Alleen de naam van haar vader, Sua, staat in de tekst. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 41:7 noemt haar Bedsuel; Jasher 45:29 noemt haar Alit. Zie ook: Gen 3:6; Gen 6:4; Gen 24:3; Gen 28:1; Jub 41:2; Jub 41:7; Jas 45:29; 1 Kron 2:3; 2 Kor 6:14 **38:3** Ze werd zwanger en baarde een zoon, en hij noemde hem Er. Brontekst: וַתַּ֖הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | עֵֽר (er) = Er Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויקרא (vayyiqra), ‘en hij noemde’: in vers 3 geeft Juda de naam, in vers 4–5 geeft zijn vrouw de naam (zie 4:1, 25; 29:32–35). Zie ook: Gen 4:1; Gen 4:25; Gen 29:32–35; Gen 38:4–5; Gen 46:12; Num 26:19 **38:4** Ze werd opnieuw zwanger en baarde een zoon, en ze noemde hem Onan. Brontekst: וַתַּ֥הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | ע֖וֹד (od) = opnieuw | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | בֵּ֑ן (ben) = een zoon | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | אוֹנָֽן (onan) = Onan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:12; Num 26:19 **38:5** Ze kreeg nog een zoon en noemde hem Sela. Hij was in Kezib toen ze hem baarde. Brontekst: וַתֹּ֤סֶף (vatosef) = en ze voegde toe | עוֹד֙ (od) = nog | וַתֵּ֣לֶד (vateled) = en ze baarde | בֵּ֔ן (ben) = een zoon | וַתִּקְרָ֥א (vatiqra) = en ze noemde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | שֵׁלָ֑ה (shela) = Sela | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en hij was | בִכְזִ֖יב (bikhziv) = in Kezib | בְּלִדְתָּ֥הּ (belidtah) = bij haar baren | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בכזיב (bekhziv), ‘in Kezib’: waarschijnlijk hetzelfde als Achzib in de Sefela (zie Joz. 15:44; Mi 1:14). Wie ‘hij’ is die in Kezib was, zegt de tekst niet: Juda of het kind. Zie ook: Gen 38:11; Gen 38:26; Gen 46:12; Num 26:20; Joz 15:44; 1 Kron 4:21; Mi 1:14 **38:6** Juda nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene. Haar naam was Tamar. Brontekst: וַיִּקַּ֧ח (vayiqach) = en hij nam | יְהוּדָ֛ה (yehuda) = Juda | אִשָּׁ֖ה (isha) = een vrouw | לְעֵ֣ר (leer) = voor Er | בְּכוֹר֑וֹ (bekhoro) = zijn eerstgeborene | וּשְׁמָ֖הּ (ushemah) = en haar naam | תָּמָֽר (tamar) = Tamar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ושׁמה תמר (ushmah Tamar), ‘en haar naam was Tamar’: ‘dadelpalm’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 45:23 zegt dat Juda naar het huis van Sem ging en Tamar nam, de dochter van Elam, de zoon van Sem. Jubileeën 41:1 zegt dat ze een dochter van Aram was. Jasher 54:25 laat Jozef zeggen dat Tamar de zonen van Juda doodde; Genesis 38:7 en 38:10 zeggen dat Yahweh hen doodde. Zie ook: Gen 21:21; Gen 24:3; Gen 38:7; Gen 38:10; Jub 41:1; Jub 41:17; Jas 45:23; Jas 54:25; Mat 1:3 **38:7** Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de ogen van Yahweh, en Yahweh deed hem sterven. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | עֵ֚ר (er) = Er | בְּכ֣וֹר (bekhor) = eerstgeborene van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | רַ֖ע (ra) = slecht | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְמִתֵ֖הוּ (vaymitehu) = en Hij deed Hem sterven | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רע בעיני יהוה וימתהו יהוה (ra be’einei YHWH vayemitehu YHWH), ‘slecht in de ogen van Yahweh; Yahweh deed hem sterven’: zie 46:12; Num. 26:19. Waarin Ers slechtheid bestond, staat er niet. Voetnoot Aanvullend: Jasher 45:24 zegt dat hij zijn zaad verdierf. Jubileeën 41:2 zegt dat Er Tamar haatte en niet bij haar lag, omdat zijn moeder een Kanaänitische was en hij een vrouw uit haar verwanten wilde. Zie ook: Gen 13:13; Gen 19:13; Gen 46:12; Jub 41:2; Jub 41:3; Jub 44:34; Jas 45:24; Num 26:19; 1 Kron 2:3 **38:8** Juda zei tegen Onan: „Ga tot de vrouw van je broer, vervul tegenover haar de plicht van een zwager en wek nageslacht op voor je broer.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | לְאוֹנָ֔ן (leonan) = tot Onan | בֹּ֛א (bo) = ga in | אֶל (el) = tot | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | אָחִ֖יךָ (achikha) = je broer | וְיַבֵּ֣ם (veyabem) = en doe de zwagerplicht | אֹתָ֑הּ (otah) = haar | וְהָקֵ֥ם (vehaqem) = en wek op | זֶ֖רַע (zera) = nageslacht | לְאָחִֽיךָ (leachikha) = voor je broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויבם אתה והקם זרע לאחיך (veyabbem otah vehaqem zera le’achikha), ‘vervul de plicht van een zwager en wek nageslacht op voor je broer’: het zwagerhuwelijk, zie Deut. 25:5–10; Ruth 4:5. Voetnoot Aanvullend: Jasher 45:25 en Jubileeën 41:4 geven Judas opdracht aan Onan weer. Zie ook: Jub 41:4; Jub 44:34; Jas 45:25; Lev 18:16; Deut 25:5–10; Ruth 1:11; Ruth 4:5–11; Mat 22:23–27 **38:9** Onan wist dat het nageslacht niet het zijne zou zijn. Telkens als hij tot de vrouw van zijn broer inging, liet hij het op de grond verderven, om zijn broer geen nageslacht te geven. Brontekst: וַיֵּ֣דַע (vayeda) = en hij wist | אוֹנָ֔ן (onan) = Onan | כִּ֛י (ki) = dat | לֹּ֥א (lo) = niet | ל֖וֹ (lo) = van hem | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zou zijn | הַזָּ֑רַע (hazara) = het nageslacht | וְהָיָ֞ה (vehaya) = en het gebeurde | אִם (im) = als | בָּ֨א (ba) = hij inging | אֶל (el) = tot | אֵ֤שֶׁת (eshet) = vrouw van | אָחִיו֙ (achiv) = zijn broer | וְשִׁחֵ֣ת (veshichet) = en hij liet verderven | אַ֔רְצָה (artsa) = ter aarde | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = opdat niet | נְתָן (netan) = geven | זֶ֖רַע (zera) = nageslacht | לְאָחִֽיו (leachiv) = aan zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ושׁחת ארצה (veshichet artsah), ‘en liet het op de grond verderven’: zie vers 10. Voetnoot Aanvullend: Jasher 45:26 zegt dat Onan deed zoals zijn broer. Jubileeën 41:5 zegt dat Onan wist dat het zaad niet van hem zou zijn. Zie ook: Gen 38:10; Jub 41:5; Jub 44:34; Jas 45:26; Deut 25:6; Ruth 4:10; Jak 3:16; Jak 4:5; Tit 3:3 **38:10** Wat hij deed was slecht in de ogen van Yahweh, en Hij deed ook hem sterven. Brontekst: וַיֵּ֛רַע (vayera) = en het was slecht | בְּעֵינֵ֥י (beeinei) = in de ogen van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | וַיָּ֖מֶת (vayamet) = en Hij deed sterven | גַּם (gam) = ook | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:12; Jub 41:5; Jub 44:34; Num 11:1; Num 26:19; 1 Kron 21:7; Spr 14:32 **38:11** Juda zei tegen zijn schoondochter Tamar: „Blijf als weduwe in het huis van je vader tot mijn zoon Sela groot is.” Want hij zei: „Straks sterft ook hij nog, zoals zijn broers.” Tamar ging en woonde in het huis van haar vader. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוּדָה֩ (yehuda) = Juda | לְתָמָ֨ר (letamar) = tot Tamar | כַּלָּת֜וֹ (kalato) = zijn schoondochter | שְׁבִ֧י (shevi) = blijf | אַלְמָנָ֣ה (almana) = weduwe | בֵית (beit) = huis van | אָבִ֗יךְ (avikh) = je vader | עַד (ad) = tot | יִגְדַּל֙ (yigdal) = hij groot wordt | שֵׁלָ֣ה (shela) = Sela | בְנִ֔י (beni) = mijn zoon | כִּ֣י (ki) = want | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | פֶּן (pen) = opdat niet | יָמ֥וּת (yamut) = hij sterft | גַּם (gam) = ook | ה֖וּא (hu) = hij | כְּאֶחָ֑יו (keechav) = zoals zijn broers | וַתֵּ֣לֶךְ (vatelekh) = en ze ging | תָּמָ֔ר (tamar) = Tamar | וַתֵּ֖שֶׁב (vateshev) = en ze woonde | בֵּ֥ית (beit) = huis van | אָבִֽיהָ (aviha) = haar vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁבי אלמנה (shevi almanah), ‘blijf als weduwe’: zie Lev. 22:13. Juda houdt Sela terug uit vrees dat ook hij sterft. Voetnoot Aanvullend: Jasher 45:27 en Jubileeën 41:6–7 vertellen hetzelfde. Jubileeën 41:7 zegt dat Bedsuel, de vrouw van Juda, haar zoon Sela niet liet trouwen. Zie ook: Jub 41:6–7; Jub 41:7; Jas 45:27; Lev 22:13; Ruth 1:11–13 ### Juda en Tamar bij Enajim **38:12** Er verstreken veel dagen, en de dochter van Sua, de vrouw van Juda, stierf. Toen Juda getroost was, ging hij omhoog naar zijn schapenscheerders in Timna, hij en zijn vriend Hira uit Adullam. Brontekst: וַיִּרְבּוּ֙ (vayirbu) = en ze werden veel | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | וַתָּ֖מָת (vatamat) = en ze stierf | בַּת (bat) = dochter van | שׁ֣וּעַ (shua) = Sua | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיִּנָּ֣חֶם (vayinachem) = en hij werd getroost | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וַיַּ֜עַל (vayaal) = en hij ging op | עַל (al) = naar | גֹּֽזֲזֵ֤י (gozazei) = scheerders van | צֹאנוֹ֙ (tsono) = zijn kleinvee | ה֗וּא (hu) = hij | וְחִירָ֛ה (vechira) = en Hira | רֵעֵ֥הוּ (reehu) = zijn vriend | הָעֲדֻלָּמִ֖י (haadulami) = de Adullamiet | תִּמְנָֽתָה (timnata) = naar Timna Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: גזזי צאנו (gozzei tsono), ‘de scheerders van zijn kleinvee’: schapenscheren was een tijd van feest; zie 31:19; 1 Sam. 25:2–8, 36; 2 Sam. 13:23–24. תמנתה (Timnatah), ‘naar Timna’: Timna in het bergland van Juda (zie Joz. 15:57); de ligging is niet zeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 45:29 zegt dat Alit aan het einde van het jaar stierf en dat Juda, getroost, met Hira naar Timna ging. Jubileeën 41:8 noemt de reis naar Timna. Zie ook: Gen 24:67; Gen 31:19; Jub 41:8; Jas 45:29; Joz 15:10; Joz 15:57; Re 14:1; 1 Sam 25:2–8; 1 Sam 25:36; 2 Sam 13:23–24; 2 Sam 13:39 **38:13** Er werd aan Tamar gemeld: „Zie, je schoonvader gaat omhoog naar Timna om zijn kleinvee te scheren.” Brontekst: וַיֻּגַּ֥ד (vayugad) = en er werd gemeld | לְתָמָ֖ר (letamar) = aan Tamar | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | חָמִ֛יךְ (chamikh) = je schoonvader | עֹלֶ֥ה (ole) = gaat op | תִמְנָ֖תָה (timnata) = naar Timna | לָגֹ֥ז (lagoz) = om te scheren | צֹאנֽוֹ (tsono) = zijn kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **38:14** Ze deed de kleren van haar weduwschap uit, bedekte zich met een sluier en wikkelde zich erin. Ze ging zitten bij de ingang van Enajim, dat aan de weg naar Timna ligt, want ze zag dat Sela groot geworden was en dat zij hem niet tot vrouw was gegeven. Brontekst: וַתָּסַר֩ (vatasar) = en ze deed weg | בִּגְדֵ֨י (bigdei) = kleren van | אַלְמְנוּתָ֜הּ (almenutah) = haar weduwschap | מֵֽעָלֶ֗יהָ (mealeiha) = van zich | וַתְּכַ֤ס (vatekhas) = en ze bedekte zich | בַּצָּעִיף֙ (batsaif) = met de sluier | וַתִּתְעַלָּ֔ף (vatitalaf) = en ze wikkelde zich | וַתֵּ֨שֶׁב֙ (vateshev) = en ze zat | בְּפֶ֣תַח (befetach) = bij de ingang van | עֵינַ֔יִם (einayim) = Enajim | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | עַל (al) = aan | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg | תִּמְנָ֑תָה (timnata) = naar Timna | כִּ֤י (ki) = want | רָאֲתָה֙ (raata) = ze zag | כִּֽי (ki) = dat | גָדַ֣ל (gadal) = hij was groot geworden | שֵׁלָ֔ה (shela) = Sela | וְהִ֕וא (vehi) = en zij | לֹֽא (lo) = niet | נִתְּנָ֥ה (nitena) = ze was gegeven | ל֖וֹ (lo) = aan hem | לְאִשָּֽׁה (leisha) = tot vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותכס בצעיף ותתעלף (vattekhas batsa’if vattit’allaf), ‘bedekte zich met een sluier en wikkelde zich erin’: zie 24:65. בפתח עינים (befetach Einayim), ‘bij de ingang van Enajim’: Enajim is een plaatsnaam (‘twee bronnen’), misschien Enam in de Sefela (zie Joz. 15:34); anderen lezen ‘bij de ingang van de bronnen’ of ‘op de open weg’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 45:31 zegt dat ze zich helemaal bedekte en bij de ingang van Enajim ging zitten. Jubileeën 41:9 zegt dat ze zich versierde en in de poort langs de weg naar Timna zat. Zie ook: Gen 24:65; Gen 38:11–13; Gen 38:26; Jub 41:9; Jas 45:31; Joz 15:34; Spr 7:12; Jer 3:2 **38:15** Juda zag haar en hield haar voor een hoer, want ze had haar gezicht bedekt. Brontekst: וַיִּרְאֶ֣הָ (vayireha) = en hij zag haar | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַֽיַּחְשְׁבֶ֖הָ (vayachsheveha) = en hij hield haar | לְזוֹנָ֑ה (lezona) = voor een hoer | כִּ֥י (ki) = want | כִסְּתָ֖ה (kiseta) = ze had bedekt | פָּנֶֽיהָ (paneiha) = haar gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויחשׁבה לזונה (vayyachshevehah lezonah), ‘hield haar voor een hoer’: zie vers 21. Voetnoot Aanvullend: Jasher 45:32 en Jubileeën 41:10 vertellen hoe Juda tot haar ging. Zie ook: Gen 38:21; Jub 41:10; Jas 45:32 **38:16** Hij boog naar haar af, naar de kant van de weg, en zei: „Kom toch, laat mij tot je ingaan.” Hij wist immers niet dat ze zijn schoondochter was. Ze zei: „Wat geef je mij als je tot mij ingaat?” Brontekst: וַיֵּ֨ט (vayet) = en hij boog af | אֵלֶ֜יהָ (eleiha) = naar haar | אֶל (el) = naar | הַדֶּ֗רֶךְ (haderekh) = de weg | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | הָֽבָה (hava) = kom | נָּא֙ (na) = toch | אָב֣וֹא (avo) = laat mij ingaan | אֵלַ֔יִךְ (elayikh) = tot jou | כִּ֚י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔ע (yada) = hij wist | כִּ֥י (ki) = dat | כַלָּת֖וֹ (kalato) = zijn schoondochter | הִ֑וא (hi) = zij | וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en ze zei | מַה (ma) = wat | תִּתֶּן (titen) = geef je | לִּ֔י (li) = mij | כִּ֥י (ki) = als | תָב֖וֹא (tavo) = je ingaat | אֵלָֽי (elay) = tot mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לא ידע כי כלתו הוא (lo yada ki khallato hi), ‘hij wist niet dat ze zijn schoondochter was’: de tekst benadrukt dat hij haar niet herkende; zie vers 25. Zie ook: Gen 38:25; Jub 41:10; Jub 41:11; Deut 23:19; 2 Sam 13:11; Ezech 16:33; Mat 26:15; 1 Tim 6:10 **38:17** Hij zei: „Ik zal een geitenbokje van de kudde sturen.” Ze zei: „Als je een onderpand geeft totdat je het stuurt.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | אֲשַׁלַּ֥ח (ashalach) = ik zal sturen | גְּדִֽי (gedi) = bokje van | עִזִּ֖ים (izim) = geiten | מִן (min) = van | הַצֹּ֑אן (hatson) = de kudde | וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en ze zei | אִם (im) = als | תִּתֵּ֥ן (titen) = je geeft | עֵרָב֖וֹן (eravon) = een onderpand | עַ֥ד (ad) = tot | שָׁלְחֶֽךָ (shalechekha) = je het stuurt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אשׁלח גדי עזים (ashallach gedi izzim), ‘ik zal een geitenbokje sturen’: zie ook Richteren 15:1. ערבון (eravon), ‘onderpand’: het woord komt in de Bijbel alleen in dit hoofdstuk voor (vers 17, 18, 20). Zie ook: Gen 38:18; Gen 38:20; Gen 38:24–25; Jub 41:11; Jub 41:12; Re 15:1; Spr 20:16; Ezech 16:33; Luc 16:8 **38:18** Hij zei: „Wat voor onderpand moet ik je geven?” Ze zei: „Je zegel, je snoer en je staf die in je hand is.” Hij gaf ze haar, ging tot haar in, en ze werd zwanger van hem. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | מָ֣ה (ma) = wat | הָֽעֵרָבוֹן֮ (haeravon) = het onderpand | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אֶתֶּן (eten) = ik zal geven | לָּךְ֒ (lakh) = jou | וַתֹּ֗אמֶר (vatomer) = en ze zei | חֹתָֽמְךָ֙ (chotamekha) = je zegel | וּפְתִילֶ֔ךָ (ufetilekha) = en je snoer | וּמַטְּךָ֖ (umatekha) = en je staf | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּיָדֶ֑ךָ (beyadekha) = in je hand | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | לָּ֛הּ (lah) = aan haar | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij ging in | אֵלֶ֖יהָ (eleiha) = tot haar | וַתַּ֥הַר (vatahar) = en ze werd zwanger | לֽוֹ (lo) = van hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חתמך ופתילך ומטך (chotamekha ufetilekha umattekha), ‘je zegel, je snoer en je staf’: een rolzegel aan een snoer om de hals en een staf met een eigen kenmerk: samen zijn ze Judas legitimatie. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 41:11 noemt een ring, een halsketting en een staf. Zie ook: Gen 38:25–26; Jub 41:11; Jub 41:12; Hos 4:11; Jer 22:24; Luc 15:22 **38:19** Ze stond op en ging weg, deed haar sluier af en trok de kleren van haar weduwschap weer aan. Brontekst: וַתָּ֣קָם (vataqam) = en ze stond op | וַתֵּ֔לֶךְ (vatelekh) = en ze ging | וַתָּ֥סַר (vatasar) = en ze deed weg | צְעִיפָ֖הּ (tseifah) = haar sluier | מֵעָלֶ֑יהָ (mealeiha) = van zich | וַתִּלְבַּ֖שׁ (vatilbash) = en ze trok aan | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | אַלְמְנוּתָֽהּ (almenutah) = haar weduwschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 38:14; 2 Sam 14:2; 2 Sam 14:5 **38:20** Juda stuurde het geitenbokje door zijn vriend uit Adullam om het onderpand uit de hand van de vrouw terug te halen, maar hij vond haar niet. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֨ח (vayishlach) = en hij stuurde | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | גְּדִ֣י (gedi) = bokje van | הָֽעִזִּ֗ים (haizim) = de geiten | בְּיַד֙ (beyad) = door de hand van | רֵעֵ֣הוּ (reehu) = zijn vriend | הָֽעֲדֻלָּמִ֔י (haadulami) = de Adullamiet | לָקַ֥חַת (laqachat) = om te nemen | הָעֵרָב֖וֹן (haeravon) = het onderpand | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | הָאִשָּׁ֑ה (haisha) = de vrouw | וְלֹ֖א (velo) = en niet | מְצָאָֽהּ (metsaah) = hij vond haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem. Zie ook: Gen 20:9; Jub 41:14; Lev 19:17; Re 14:20; 2 Sam 13:3; Luc 23:12 **38:21** Hij vroeg de mannen van haar plaats: „Waar is de tempelprostituee die bij Enajim langs de weg zat?” Ze zeiden: „Hier is geen tempelprostituee geweest.” Brontekst: וַיִּשְׁאַ֞ל (vayishal) = en hij vroeg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | מְקֹמָהּ֙ (meqomah) = haar plaats | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | אַיֵּ֧ה (aye) = waar | הַקְּדֵשָׁ֛ה (haqedesha) = de gewijde | הִ֥וא (hi) = zij | בָעֵינַ֖יִם (baeinayim) = bij Enajim | עַל (al) = aan | הַדָּ֑רֶךְ (hadarekh) = de weg | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en ze zeiden | לֹא (lo) = niet | הָיְתָ֥ה (hayeta) = ze was | בָזֶ֖ה (baze) = hier | קְדֵשָֽׁה (qedesha) = gewijde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הקדשׁה (haqqedeshah), ‘de tempelprostituee’: letterlijk ‘de gewijde (vrouw)’, een vrouw verbonden aan een heiligdom; zie Deut. 23:18; Hos. 4:14. In vers 15 staat zonah, ‘hoer’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 41:14 noemt haar een hoer. Zie ook: Gen 38:15; Jub 41:14; Deut 23:19; Hos 4:14 **38:22** Hij keerde terug naar Juda en zei: „Ik heb haar niet gevonden. En ook de mannen van die plaats zeiden: ‘Hier is geen tempelprostituee geweest.’” Brontekst: וַיָּ֨שָׁב֙ (vayashav) = en hij keerde terug | אֶל (el) = naar | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֹ֣א (lo) = niet | מְצָאתִ֑יהָ (metsatiha) = ik heb haar gevonden | וְגַ֨ם (vegam) = en ook | אַנְשֵׁ֤י (anshei) = mannen van | הַמָּקוֹם֙ (hamaqom) = de plaats | אָֽמְר֔וּ (ameru) = ze zeiden | לֹא (lo) = niet | הָיְתָ֥ה (hayeta) = ze was | בָזֶ֖ה (baze) = hier | קְדֵשָֽׁה (qedesha) = gewijde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 41:14; Jub 41:15 **38:23** Juda zei: „Laat haar het houden, anders worden we belachelijk. Zie, ik heb dit bokje gestuurd, en jij hebt haar niet gevonden.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | תִּֽקַּֽח (tiqach) = laat haar nemen | לָ֔הּ (lah) = voor zichzelf | פֶּ֖ן (pen) = opdat niet | נִהְיֶ֣ה (nihye) = we worden | לָב֑וּז (lavuz) = tot spot | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | שָׁלַ֨חְתִּי֙ (shalachti) = ik heb gestuurd | הַגְּדִ֣י (hagedi) = het bokje | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | לֹ֥א (lo) = niet | מְצָאתָֽהּ (metsatah) = je hebt haar gevonden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פן נהיה לבוז (pen nihyeh lavuz), ‘anders worden we belachelijk’: letterlijk ‘anders worden wij tot spot’. Zie ook: Jub 41:15; 2 Sam 12:9; Spr 6:33; 2 Kor 4:2; Rom 6:21; Openb 16:15 ### Tamar en het onderpand **38:24** Ongeveer drie maanden later werd aan Juda gemeld: „Je schoondochter Tamar heeft gehoereerd, en zie, ze is zelfs zwanger door hoererij.” Juda zei: „Breng haar naar buiten, en laat haar verbrand worden.” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כְּמִשְׁלֹ֣שׁ (kemishlosh) = ongeveer drie | חֳדָשִׁ֗ים (chodashim) = maanden | וַיֻּגַּ֨ד (vayugad) = en er werd gemeld | לִֽיהוּדָ֤ה (lihuda) = aan Juda | לֵֽאמֹר֙ (lemor) = zeggend | זָֽנְתָה֙ (zaneta) = ze heeft gehoereerd | תָּמָ֣ר (tamar) = Tamar | כַּלָּתֶ֔ךָ (kalatekha) = je schoondochter | וְגַ֛ם (vegam) = en ook | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | הָרָ֖ה (hara) = zwanger | לִזְנוּנִ֑ים (liznunim) = door hoererij | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | הוֹצִיא֖וּהָ (hotsiuha) = breng haar naar buiten | וְתִשָּׂרֵֽף (vetisaref) = en laat haar verbrand worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כמשׁלשׁ חדשׁים (kemishlosh chodashim), ‘ongeveer drie maanden’: Jubileeën 41:16 zegt dat ze drie maanden volbracht had toen het zichtbaar werd dat ze zwanger was. הוציאוה ותשׂרף (hotsi’uha vetissaref), ‘breng haar naar buiten en laat haar verbrand worden’: Juda spreekt als hoofd van het gezin recht over haar; zie Lev. 21:9. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 41:17 zegt dat Juda naar het huis van haar vader ging en zei dat ze onreinheid in Israël had gedaan. Zie ook: Jub 41:16; Jub 41:17; Lev 21:9; Re 19:2; Hos 2:7; Ezech 23:19; Ezech 23:44 **38:25** Toen ze naar buiten werd gebracht, stuurde zij bericht naar haar schoonvader: „Van de man aan wie dit toebehoort, ben ik zwanger.” En ze zei: „Herken toch van wie dit zegel, deze snoeren en deze staf zijn.” Brontekst: הִ֣וא (hi) = zij | מוּצֵ֗את (mutset) = wordt naar buiten gebracht | וְהִ֨יא (vehi) = en zij | שָׁלְחָ֤ה (shalecha) = ze stuurde | אֶל (el) = naar | חָמִ֨יהָ֙ (chamiha) = haar schoonvader | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | לְאִישׁ֙ (leish) = van de man | אֲשֶׁר (asher) = aan wie | אֵ֣לֶּה (ele) = deze | לּ֔וֹ (lo) = toebehoren | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | הָרָ֑ה (hara) = zwanger | וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en ze zei | הַכֶּר (haker) = herken | נָ֔א (na) = toch | לְמִ֞י (lemi) = van wie | הַחֹתֶ֧מֶת (hachotemet) = het zegel | וְהַפְּתִילִ֛ים (vehapetilim) = en de snoeren | וְהַמַּטֶּ֖ה (vehamate) = en de staf | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הכר נא (hakker na), ‘herken toch’: dezelfde woorden als in 37:32. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 41:18 zegt dat ze de ring, de halsketting en de staf naar haar schoonvader stuurde. Zie ook: Gen 37:32; Gen 38:18; Jub 41:18; Ps 50:21; Jer 2:26; Openb 20:12 **38:26** Juda herkende ze en zei: „Zij is rechtvaardiger dan ik, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven.” Hij had daarna geen gemeenschap meer met haar. Brontekst: וַיַּכֵּ֣ר (vayaker) = en hij herkende | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | צָֽדְקָ֣ה (tsadeqa) = ze is rechtvaardiger | מִמֶּ֔נִּי (mimeni) = dan ik | כִּֽי (ki) = want | עַל (al) = om | כֵּ֥ן (ken) = zo | לֹא (lo) = niet | נְתַתִּ֖יהָ (netatiha) = ik gaf haar | לְשֵׁלָ֣ה (leshela) = aan Sela | בְנִ֑י (beni) = mijn zoon | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָסַ֥ף (yasaf) = hij ging voort | ע֖וֹד (od) = nog | לְדַעְתָּֽה (ledata) = haar te kennen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צדקה ממני (tsadeqah mimmenni), ‘zij is rechtvaardiger dan ik’: ook ‘zij heeft gelijk, niet ik’. ולא יסף עוד לדעתה (velo yasaf od ledat’ah), ‘hij ging haar niet meer kennen’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 41:19 zegt dat Juda Tamar rechtvaardiger noemde en haar niet liet verbranden. Jubileeën 41:23–25 zegt dat Juda zijn daad als kwaad erkende, tot Yahweh smeekte en vergeving kreeg. Zie ook: Gen 37:33; Jub 41:19; Jub 41:20; Jub 41:23–25; 1 Sam 24:18; Joh 8:9; Tit 2:11–12; 1 Petr 4:2–3 ### De geboorte van Peres en Zerach **38:27** Toen de tijd van haar bevalling kwam, zie, er waren tweelingen in haar schoot. Brontekst: וַיְהִ֖י (vayhi) = en het was | בְּעֵ֣ת (beet) = ten tijde van | לִדְתָּ֑הּ (lidtah) = haar baren | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | תְאוֹמִ֖ים (teomim) = tweelingen | בְּבִטְנָֽהּ (bevitnah) = in haar schoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תאומים (te’omim), ‘tweelingen’: zie 25:24. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 41:21 zegt dat ze Peres en Zerach baarde in het zevende jaar van de tweede jubeljaarweek. Zie ook: Gen 25:24; Jub 41:21 **38:28** Bij de bevalling stak een van hen een hand uit. De vroedvrouw nam een scharlaken draad, bond die om zijn hand en zei: „Deze is het eerst gekomen.” Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | בְלִדְתָּ֖הּ (belidtah) = bij haar baren | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | יָ֑ד (yad) = een hand | וַתִּקַּ֣ח (vatiqach) = en nam | הַמְיַלֶּ֗דֶת (hamyaledet) = de vroedvrouw | וַתִּקְשֹׁ֨ר (vatiqshor) = en ze bond | עַל (al) = om | יָד֤וֹ (yado) = zijn hand | שָׁנִי֙ (shani) = scharlaken | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | זֶ֖ה (ze) = deze | יָצָ֥א (yatsa) = kwam uit | רִאשֹׁנָֽה (rishona) = eerst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁני (shani), ‘scharlaken’: een scharlaken draad. De hand die uitgestoken wordt, doet denken aan 25:26. Zie ook: Gen 25:26; Jub 41:21 **38:29** Maar toen hij zijn hand terugtrok, zie, zijn broer kwam eruit. Ze zei: „Wat heb jij een bres geslagen, een bres op jou!” Zo kreeg hij de naam Peres. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כְּמֵשִׁ֣יב (kemeshiv) = toen hij terugtrok | יָד֗וֹ (yado) = zijn hand | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | יָצָ֣א (yatsa) = kwam uit | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | וַתֹּ֕אמֶר (vatomer) = en ze zei | מַה (ma) = wat | פָּרַ֖צְתָּ (paratsta) = heb je een bres geslagen | עָלֶ֣יךָ (aleikha) = over jou | פָּ֑רֶץ (parets) = bres | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | פָּֽרֶץ (parets) = Peres Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מה פרצת עליך פרץ (mah paratsta aleikha parets), ‘wat heb jij een bres geslagen’: parats is ‘doorbreken’; Peres betekent ‘bres’, ‘doorbraak’. Peres is een voorvader van David (zie Ruth 4:12, 18–22; 1 Kronieken 2:4–5; Matt. 1:3). Voetnoot Aanvullend: Jasher 45:32 noemt Peres en Zerach. Zie ook: Gen 46:12; Jub 41:21; Jas 45:32; Num 26:20; Ruth 4:12; Ruth 4:18; 1 Kron 2:4; Neh 11:6; Mat 1:3 **38:30** Daarna kwam zijn broer eruit, die de scharlaken draad om zijn hand had. Zo kreeg hij de naam Zerach. Brontekst: וְאַחַר֙ (veachar) = en daarna | יָצָ֣א (yatsa) = kwam uit | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עַל (al) = om | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | הַשָּׁנִ֑י (hashani) = de scharlaken | וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | שְׁמ֖וֹ (shemo) = zijn naam | זָֽרַח (zarach) = Zerach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זרח (Zarach), ‘Zerach’: ‘opgang, glans’; zie 1 Kronieken 2:4, 6; Matt. 1:3. Zie ook: Jub 41:21; 1 Kron 2:4; 1 Kron 2:6; 1 Kron 9:6; Mat 1:3 ## Genesis 39 _Jozef in Egypte_ ### Jozef in het huis van Potifar **39:1** Jozef was naar Egypte afgevoerd. Potifar, een Egyptische man, hofdienaar van de farao en bevelhebber van de lijfwacht, kocht hem van de Ismaëlieten die hem daarheen hadden gebracht. Brontekst: וְיוֹסֵ֖ף (veyosef) = en Jozef | הוּרַ֣ד (hurad) = was afgevoerd | מִצְרָ֑יְמָה (mitsrayema) = naar Egypte | וַיִּקְנֵ֡הוּ (vayiqnehu) = en hij kocht hem | פּוֹטִיפַר֩ (potifar) = Potifar | סְרִ֨יס (seris) = hofdienaar van | פַּרְעֹ֜ה (paro) = farao | שַׂ֤ר (sar) = overste van | הַטַּבָּחִים֙ (hatabachim) = de slachters | אִ֣ישׁ (ish) = een man | מִצְרִ֔י (mitsri) = Egyptische | מִיַּד֙ (miyad) = uit de hand van | הַיִּשְׁמְעֵאלִ֔ים (hayishmeelim) = de Ismaëlieten | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הוֹרִדֻ֖הוּ (horiduhu) = hadden hem afgevoerd | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ויקנהו פוטיפר סריס פרעה שׂר הטבחים (vayyiqnehu Potifar saris Par’oh sar hattabbachim), ‘Potifar, hofdienaar van de farao, bevelhebber van de lijfwacht, kocht hem’: zie 37:36. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 39:3 zegt dat de Egyptenaar Jozef over heel zijn huis zette. Jasher 44:1–11 vertelt dat de Ismaëlieten Jozef bij de grens van Egypte aan vier Medanieten verkochten, dat die hem aan Potifar verkochten voor vierhonderd zilverstukken en dat Potifar hem eerst op herkomst liet onderzoeken. Zie ook: Gen 37:25; Gen 37:28; Gen 37:36; Hen 89:13; Jub 39:3; Jas 44:1–11; Ps 105:17; Hand 7:9 **39:2** Yahweh was met Jozef, en hij werd een man die slaagde. Hij was in het huis van zijn heer, de Egyptenaar. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en was | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = met | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | וַיְהִ֖י (vayhi) = en hij werd | אִ֣ישׁ (ish) = een man | מַצְלִ֑יחַ (matsliach) = slagend | וַיְהִ֕י (vayhi) = en hij was | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | אֲדֹנָ֖יו (adonav) = zijn heer | הַמִּצְרִֽי (hamitsri) = de Egyptenaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויהי יהוה את יוסף (vayhi YHWH et Yosef), ‘Yahweh was met Jozef’: dit keert terug in vers 3, 21 en 23; zie 21:22; 26:24, 28; 28:15. אישׁ מצליח (ish matsliach), ‘een man die slaagde’: tsalach, ‘slagen, gelukken’; zie 24:21, 40, 56. Voetnoot Aanvullend: Jasher 44:12–13 zegt dat Yahweh met Jozef was en het huis van Potifar zegende. Jubileeën 39:4 zegt dat Yahweh alles liet slagen wat Jozef deed. Jasher 58:11 zegt dat Jozef veertig jaar over Egypte regeerde; Jasher 59:20 rekent tachtig jaar. Zie ook: Gen 21:22; Gen 24:21; Gen 24:40; Gen 24:56; Gen 26:24; Gen 26:28; Gen 28:15; Gen 39:3; Gen 39:21; Gen 39:23; Jub 39:4; Jas 44:12–13; Jas 58:11; Jas 59:20; 1 Sam 18:14; Ps 91:15; Jer 15:20; Hand 7:9–10 **39:3** Zijn heer zag dat Yahweh met hem was en dat Yahweh alles wat hij deed liet slagen in zijn hand. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en hij zag | אֲדֹנָ֔יו (adonav) = zijn heer | כִּ֥י (ki) = dat | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | וְכֹל֙ (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ה֣וּא (hu) = hij | עֹשֶׂ֔ה (ose) = deed | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מַצְלִ֥יחַ (matsliach) = liet slagen | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:27; Jub 39:4; 1 Sam 18:14; Ps 1:3; 2 Kron 26:5; Mat 5:16 **39:4** Jozef vond gunst in zijn ogen en diende hem. Hij stelde hem aan over zijn huis en gaf alles wat hij had in zijn hand. Brontekst: וַיִּמְצָ֨א (vayimtsa) = en hij vond | יוֹסֵ֥ף (yosef) = Jozef | חֵ֛ן (chen) = gunst | בְּעֵינָ֖יו (beeinav) = in zijn ogen | וַיְשָׁ֣רֶת (vaysharet) = en hij diende | אֹת֑וֹ (oto) = hem | וַיַּפְקִדֵ֨הוּ֙ (vayafqidehu) = en hij stelde hem aan | עַל (al) = over | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | וְכָל (vekhal) = en alles | יֶשׁ (yesh) = wat is | ל֖וֹ (lo) = aan hem | נָתַ֥ן (natan) = hij gaf | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישׁרת אתו (vayyeshret oto), ‘en hij diende hem’: sharat is ‘persoonlijk bedienen’; zie 40:4. ויפקדהו על ביתו (vayyafqideihu al beito), ‘stelde hem aan over zijn huis’: paqad, ‘aanstellen’; zie 41:34. Zie ook: Gen 19:19; Gen 24:2; Gen 39:8; Gen 39:21–22; Gen 40:4; Gen 41:34; Jub 39:4; Hand 20:28 **39:5** Vanaf het moment dat hij hem had aangesteld over zijn huis en over alles wat hij had, zegende Yahweh het huis van de Egyptenaar vanwege Jozef. De zegen van Yahweh was op alles wat hij had, in het huis en op het veld. Brontekst: וַיְהִ֡י (vayhi) = en het was | מֵאָז֩ (meaz) = vanaf toen | הִפְקִ֨יד (hifqid) = hij had aangesteld | אֹת֜וֹ (oto) = hem | בְּבֵית֗וֹ (beveito) = over zijn huis | וְעַל֙ (veal) = en over | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | יֶשׁ (yesh) = is | ל֔וֹ (lo) = aan hem | וַיְבָ֧רֶךְ (vayvarekh) = en Hij zegende | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בֵּ֥ית (beit) = huis van | הַמִּצְרִ֖י (hamitsri) = de Egyptenaar | בִּגְלַ֣ל (biglal) = omwille van | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַיְהִ֞י (vayhi) = en was | בִּרְכַּ֤ת (birkat) = zegen van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | בְּכָל (bekhal) = in alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | יֶשׁ (yesh) = is | ל֔וֹ (lo) = aan hem | בַּבַּ֖יִת (babayit) = in het huis | וּבַשָּׂדֶֽה (uvasade) = en op het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ברכת יהוה (birkat YHWH), ‘de zegen van Yahweh’: zie 12:2–3; 30:27. Zie ook: Gen 12:2; Gen 30:27; Jub 39:3; 2 Sam 6:11–12; Ps 72:17; Hand 27:24 **39:6** Hij liet alles wat hij had in de hand van Jozef, en hij bekommerde zich om niets, behalve om het brood dat hij at. Jozef was mooi van gestalte en mooi van aanzien. Brontekst: וַיַּעֲזֹ֣ב (vayaazov) = en hij liet | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לוֹ֮ (lo) = aan hem | בְּיַד (beyad) = in de hand van | יוֹסֵף֒ (yosef) = Jozef | וְלֹא (velo) = en niet | יָדַ֤ע (yada) = hij wist | אִתּוֹ֙ (ito) = met hem | מְא֔וּמָה (meuma) = iets | כִּ֥י (ki) = want | אִם (im) = tenzij | הַלֶּ֖חֶם (halechem) = het brood | אֲשֶׁר (asher) = dat | ה֣וּא (hu) = hij | אוֹכֵ֑ל (okhel) = at | וַיְהִ֣י (vayhi) = en was | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | יְפֵה (yefe) = mooi van | תֹ֖אַר (toar) = gestalte | וִיפֵ֥ה (vife) = en mooi van | מַרְאֶֽה (mare) = aanzien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כי אם הלחם אשׁר הוא אוכל (ki im halechem asher hu okhel), ‘behalve het brood dat hij at’: een uitdrukking voor zijn eigen maaltijd. Een Egyptenaar eet niet met Hebreeën (zie 43:32). יפה תאר ויפה מראה (yefeh to’ar viyfeh mar’eh), ‘mooi van gestalte en mooi van aanzien’: dezelfde woorden als bij Rachel in 29:17. Voetnoot Aanvullend: Jasher 44:14 zegt dat Jozef achttien jaar was en een jongeman met mooie ogen. Jubileeën 39:5 zegt dat Jozef mooi van aanblik was. Zie ook: Gen 29:17; Gen 43:32; Jub 39:5; Jas 44:14; 1 Sam 16:12; Spr 31:11; Luc 16:10; Luc 19:17 ### De vrouw van Potifar **39:7** Na deze gebeurtenissen sloeg de vrouw van zijn heer haar ogen op naar Jozef en zei: „Slaap met mij.” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַחַר֙ (achar) = na | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de zaken | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וַתִּשָּׂ֧א (vatisa) = en ze sloeg op | אֵֽשֶׁת (eshet) = vrouw van | אֲדֹנָ֛יו (adonav) = zijn heer | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֵינֶ֖יהָ (eineiha) = haar ogen | אֶל (el) = naar | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַתֹּ֖אמֶר (vatomer) = en ze zei | שִׁכְבָ֥ה (shikhva) = lig | עִמִּֽי (imi) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁכבה עמי (shikhvah immi), ‘slaap met mij’: letterlijk ‘lig met mij’; zie vers 12, 14; 2 Sam. 13:11. Voetnoot Aanvullend: Jasher 44:15–25 noemt haar Zelicha en vertelt hoe ze Jozef dag na dag probeerde te verleiden. Jubileeën 39:8 zegt dat ze jaar na jaar bij hem aandrong. Zie ook: Gen 39:12; Gen 39:14; Jub 39:5; Jub 39:8; Jas 44:15–25; 2 Sam 13:11; Ezech 16:34; Ezech 23:12–16; Mat 5:28; 2 Petr 2:14 **39:8** Hij weigerde en zei tegen de vrouw van zijn heer: „Zie, mijn heer weet bij mij niet wat er in het huis is, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven. Brontekst: וַיְמָאֵ֓ן (vaymaen) = en hij weigerde | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | אֲדֹנָ֔יו (adonav) = zijn heer | הֵ֣ן (hen) = zie | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | לֹא (lo) = niet | יָדַ֥ע (yada) = hij weet | אִתִּ֖י (iti) = met mij | מַה (ma) = wat | בַּבָּ֑יִת (babayit) = in het huis | וְכֹ֥ל (vekhol) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | יֶשׁ (yesh) = is | ל֖וֹ (lo) = aan hem | נָתַ֥ן (natan) = hij gaf | בְּיָדִֽי (beyadi) = in mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 44:44–46 geeft Jozefs antwoord in dezelfde zin: alles is hem toevertrouwd, behalve de vrouw van zijn heer. Zie ook: Jub 39:6; Jas 44:44–46; Spr 1:10; Spr 7:5; Spr 9:13–18; Spr 22:14; Spr 23:26–28 **39:9** Niemand in dit huis is groter dan ik, en hij heeft mij niets onthouden, behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen Elohim?” Brontekst: אֵינֶ֨נּוּ (einenu) = niet is | גָד֜וֹל (gadol) = groter | בַּבַּ֣יִת (babayit) = in het huis | הַזֶּה֮ (haze) = dit | מִמֶּנִּי֒ (mimeni) = dan ik | וְלֹֽא (velo) = en niet | חָשַׂ֤ךְ (chasakh) = hij hield achter | מִמֶּ֨נִּי֙ (mimeni) = voor mij | מְא֔וּמָה (meuma) = iets | כִּ֥י (ki) = want | אִם (im) = tenzij | אוֹתָ֖ךְ (otakh) = jou | בַּאֲשֶׁ֣ר (baasher) = omdat | אַתְּ (at) = jij | אִשְׁתּ֑וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְאֵ֨יךְ (veeikh) = en hoe | אֶֽעֱשֶׂ֜ה (eese) = zou ik doen | הָרָעָ֤ה (haraa) = het kwaad | הַגְּדֹלָה֙ (hagedola) = het grote | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וְחָטָ֖אתִי (vechatati) = en zou ik zondigen | לֵֽאלֹהִֽים (lElohim) = tegen Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אותך באשׁר את אשׁתו (otakh ba’asher att ishto), ‘u, omdat u zijn vrouw bent’. ואיך אעשׂה הרעה הגדלה הזאת וחטאתי לאלהים (ve’eikh e’eseh haraah haggedolah hazot vechatati lelohim), ‘hoe zou ik dit grote kwaad doen en zondigen tegen Elohim’: overspel is zonde tegen Elohim, zie 20:6; Exod. 20:14. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 39:6–7 zegt dat Jozef zijn ziel niet overgaf en niet bij haar wilde liggen. Zie ook: Gen 20:6; Gen 42:18; Jub 39:6–7; Ex 20:14; 2 Sam 12:13; Luc 12:48; 1 Joh 3:9 **39:10** Ze sprak dag na dag tot Jozef, maar hij luisterde niet naar haar om bij haar te liggen, om bij haar te zijn. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כְּדַבְּרָ֥הּ (kedaberah) = toen ze sprak | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | י֣וֹם (yom) = dag | י֑וֹם (yom) = dag | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁמַ֥ע (shama) = hij luisterde | אֵלֶ֛יהָ (eleiha) = naar haar | לִשְׁכַּ֥ב (lishkav) = om te liggen | אֶצְלָ֖הּ (etslah) = naast haar | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | עִמָּֽהּ (imah) = met haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יום יום (yom yom), ‘dag na dag’. Zie ook: Jub 39:8; 1 Tess 5:22; 1 Kor 6:18; 1 Kor 15:33; 1 Petr 2:11; 2 Tim 2:22 **39:11** Op zekere dag kwam hij het huis in om zijn werk te doen, en niemand van de mannen van het huis was daar in het huis. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כְּהַיּ֣וֹם (kehayom) = op de dag | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij kwam | הַבַּ֖יְתָה (habayta) = in het huis | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | מְלַאכְתּ֑וֹ (melakhto) = zijn werk | וְאֵ֨ין (veein) = en er was niet | אִ֜ישׁ (ish) = man | מֵאַנְשֵׁ֥י (meanshei) = van de mannen van | הַבַּ֛יִת (habayit) = het huis | שָׁ֖ם (sham) = daar | בַּבָּֽיִת (babayit) = in het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כהיום הזה (kehayom hazzeh), ‘op zekere dag’: letterlijk ‘als deze dag’. ואין אישׁ מאנשׁי הבית שׁם בבית (ve’ein ish me’anshei habayit sham babayit), ‘niemand van de mannen van het huis was daar’: Jasher 44:47–49 zegt dat het de dag was van het feest bij de overstroming van de rivier de Sichor, dat heel Egypte uittrok en dat Zelicha thuisbleef met de woorden dat ze ziek was. Zie ook: Jub 39:9; Jas 44:47–49; Spr 9:17; Jer 23:24; Mal 3:5; Ef 5:3; Ef 5:12 **39:12** Ze greep hem bij zijn kleed en zei: „Slaap met mij.” Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en ging naar buiten. Brontekst: וַתִּתְפְּשֵׂ֧הוּ (vatitpesehu) = en ze greep hem | בְּבִגְד֛וֹ (bevigdo) = bij zijn kleed | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggend | שִׁכְבָ֣ה (shikhva) = lig | עִמִּ֑י (imi) = met mij | וַיַּעֲזֹ֤ב (vayaazov) = en hij liet | בִּגְדוֹ֙ (bigdo) = zijn kleed | בְּיָדָ֔הּ (beyadah) = in haar hand | וַיָּ֖נָס (vayanas) = en hij vluchtte | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en hij ging | הַחֽוּצָה (hachutsa) = naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותתפשׂהו בבגדו (vattitpeseihu bevigdo), ‘greep hem bij zijn kleed’: zie 37:23, 31–33 voor Jozefs vorige kleed. Voetnoot Aanvullend: Jasher 44:53–54 zegt dat ze een zwaard op zijn nek legde en dat hij zijn kleed in haar hand achterliet. Jubileeën 39:9 zegt dat ze zich aan hem vastklampte en hem in het huis greep om hem te dwingen bij haar te liggen. Zie ook: Gen 37:23; Gen 37:31; Jub 39:9; Jas 44:53–54; Spr 5:8; Spr 6:5; Spr 7:13–27; 1 Petr 2:11; 2 Tim 2:22 **39:13** Toen ze zag dat hij zijn kleed in haar hand had achtergelaten en naar buiten was gevlucht, Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כִּרְאוֹתָ֔הּ (kirotah) = toen ze zag | כִּֽי (ki) = dat | עָזַ֥ב (azav) = hij had gelaten | בִּגְד֖וֹ (bigdo) = zijn kleed | בְּיָדָ֑הּ (beyadah) = in haar hand | וַיָּ֖נָס (vayanas) = en hij vluchtte | הַחֽוּצָה (hachutsa) = naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 39:10 **39:14** riep ze de mannen van haar huis en zei tegen hen: „Kijk, hij heeft ons een Hebreeër gebracht om met ons te spotten. Hij kwam bij mij om met mij te slapen, maar ik riep met luide stem. Brontekst: וַתִּקְרָ֞א (vatiqra) = en ze riep | לְאַנְשֵׁ֣י (leanshei) = de mannen van | בֵיתָ֗הּ (beitah) = haar huis | וַתֹּ֤אמֶר (vatomer) = en ze zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | רְא֗וּ (reu) = ziet | הֵ֥בִיא (hevi) = hij heeft gebracht | לָ֛נוּ (lanu) = voor ons | אִ֥ישׁ (ish) = een man | עִבְרִ֖י (ivri) = Hebreeuwse | לְצַ֣חֶק (letsacheq) = om te spotten | בָּ֑נוּ (banu) = met ons | בָּ֤א (ba) = hij kwam | אֵלַי֙ (elay) = tot mij | לִשְׁכַּ֣ב (lishkav) = om te liggen | עִמִּ֔י (imi) = met mij | וָאֶקְרָ֖א (vaeqra) = en ik riep | בְּק֥וֹל (beqol) = met stem | גָּדֽוֹל (gadol) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עברי (Ivri), ‘Hebreeër’: zie 14:13; 40:15; 43:32. לצחק בנו (letsachek banu), ‘om met ons te spotten’: tsachaq is ‘lachen’ of ‘spelen’, hier met een seksuele bijklank, zie 26:8. Voetnoot Aanvullend: Jasher 44:57–59 geeft haar verhaal aan het huisgezin. Zie ook: Gen 14:13; Gen 26:8; Gen 40:15; Gen 43:32; Jub 39:10; Jas 44:57–59; Ps 35:11; Jes 54:17; Mat 5:11; 1 Petr 2:20; 1 Petr 4:14–19 **39:15** Toen hij hoorde dat ik mijn stem verhief en riep, liet hij zijn kleed bij mij achter, vluchtte en ging naar buiten.” Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | כְשָׁמְע֔וֹ (keshameo) = toen hij hoorde | כִּֽי (ki) = dat | הֲרִימֹ֥תִי (harimoti) = ik verhief | קוֹלִ֖י (qoli) = mijn stem | וָאֶקְרָ֑א (vaeqra) = en ik riep | וַיַּעֲזֹ֤ב (vayaazov) = en hij liet | בִּגְדוֹ֙ (bigdo) = zijn kleed | אֶצְלִ֔י (etsli) = bij mij | וַיָּ֖נָס (vayanas) = en hij vluchtte | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en hij ging | הַחֽוּצָה (hachutsa) = naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 39:10 **39:16** Ze liet zijn kleed naast zich liggen tot zijn heer thuiskwam. Brontekst: וַתַּנַּ֥ח (vatanach) = en ze liet liggen | בִּגְד֖וֹ (bigdo) = zijn kleed | אֶצְלָ֑הּ (etslah) = naast zich | עַד (ad) = tot | בּ֥וֹא (bo) = komen van | אֲדֹנָ֖יו (adonav) = zijn heer | אֶל (el) = naar | בֵּיתֽוֹ (beito) = zijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 39:10; Ps 37:12; Ps 37:32; Jer 4:22; Jer 9:2–4; Tit 3:3 **39:17** Ze sprak tot hem met dezelfde woorden: „De Hebreeuwse slaaf die je ons gebracht hebt, kwam bij mij om met mij te spotten. Brontekst: וַתְּדַבֵּ֣ר (vatedaber) = en ze sprak | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | כַּדְּבָרִ֥ים (kadevarim) = volgens de woorden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | בָּֽא (ba) = hij kwam | אֵלַ֞י (elay) = tot mij | הָעֶ֧בֶד (haeved) = de slaaf | הָֽעִבְרִ֛י (haivri) = de Hebreeuwse | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵבֵ֥אתָ (heveta) = je hebt gebracht | לָּ֖נוּ (lanu) = voor ons | לְצַ֥חֶק (letsacheq) = om te spotten | בִּֽי (bi) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: העבד העברי (ha’eved ha’Ivri), ‘de Hebreeuwse slaaf’: tegen de huisgenoten zegt ze ‘een Hebreeër’, tegen haar man ‘slaaf’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 44:61 geeft haar klacht aan Potifar weer. Zie ook: Jub 39:10; Jas 44:61; Ex 20:16; Ex 23:1; Ps 55:4; Spr 19:9; Mat 26:65 **39:18** Maar toen ik mijn stem verhief en riep, liet hij zijn kleed bij mij achter en vluchtte naar buiten.” Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | כַּהֲרִימִ֥י (kaharimi) = toen ik verhief | קוֹלִ֖י (qoli) = mijn stem | וָאֶקְרָ֑א (vaeqra) = en ik riep | וַיַּעֲזֹ֥ב (vayaazov) = en hij liet | בִּגְד֛וֹ (bigdo) = zijn kleed | אֶצְלִ֖י (etsli) = bij mij | וַיָּ֥נָס (vayanas) = en hij vluchtte | הַחֽוּצָה (hachutsa) = naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 39:10 ### Jozef in de gevangenis **39:19** Toen zijn heer de woorden van zijn vrouw hoorde, die ze tot hem sprak: „Zo heeft je slaaf mij behandeld”, ontbrandde zijn toorn. Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en het was | כִשְׁמֹ֨עַ (kishmoa) = toen hoorde | אֲדֹנָ֜יו (adonav) = zijn heer | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּבְרֵ֣י (divrei) = woorden van | אִשְׁתּ֗וֹ (ishto) = zijn vrouw | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | דִּבְּרָ֤ה (dibera) = ze sprak | אֵלָיו֙ (elav) = tot hem | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | כַּדְּבָרִ֣ים (kadevarim) = volgens de woorden | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | עָ֥שָׂהּ (asah) = heeft gedaan | לִ֖י (li) = aan mij | עַבְדֶּ֑ךָ (avdekha) = je slaaf | וַיִּ֖חַר (vayichar) = en ontbrandde | אַפּֽוֹ (apo) = zijn neus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויחר אפו (vayichar apo), ‘zijn toorn ontbrandde’: letterlijk ‘zijn neus ontbrandde’; zie 30:2. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 39:10–12 zegt dat de vrouw Jozef bij haar heer beschuldigde, dat de Egyptenaar het kleed en de gebroken deur zag en dat Jozef in de gevangenis was. Jasher 44:62–75 vertelt dat Potifar Jozef liet slaan, dat een kind van elf maanden de waarheid sprak en dat priesters als rechters het kleed onderzochten: het was aan de voorkant gescheurd, dus ze had hem vastgegrepen. Zie ook: Gen 30:2; Jub 39:10–12; Jub 39:11; Jas 44:62–75; Job 29:16; Hoogl 8:7; Spr 18:17; Spr 29:12; 2 Tess 2:11 **39:20** Jozefs heer nam hem en zette hem in de gevangenis, de plaats waar de gevangenen van de koning gevangen zaten. Daar bleef hij in de gevangenis. Brontekst: וַיִּקַּח֩ (vayiqach) = en hij nam | אֲדֹנֵ֨י (adonei) = heer van | יוֹסֵ֜ף (yosef) = Jozef | אֹת֗וֹ (oto) = hem | וַֽיִּתְּנֵ֨הוּ֙ (vayitenehu) = en hij gaf hem | אֶל (el) = in | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַסֹּ֔הַר (hasohar) = de gevangenis | מְק֕וֹם (meqom) = plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | אסורי (svry) = gebondenen (geschreven) | אֲסִירֵ֥י (asirei) = gevangenen van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | אֲסוּרִ֑ים (asurim) = gebonden | וַֽיְהִי (vayhi) = en hij was | שָׁ֖ם (sham) = daar | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | הַסֹּֽהַר (hasohar) = de gevangenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier is de gelezen vorm gevolgd. בית הסהר (beit hassohar), ‘de gevangenis’: de betekenis van sohar is onzeker; zie 40:3, 5. Voetnoot Lezing: Lezing: het geschreven woord is אסורי (asuri), ‘gebondenen van’; de Masoreten laten het lezen als אסירי (asirei), ‘gevangenen van’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 44:76 zegt dat Jozef twaalf jaar in de gevangenis bleef. Jasher 44:77–80 vertelt dat Zelicha hem ook daar bleef bedreigen en lokken en daarna ophield. Zie ook: Gen 40:1–3; Gen 40:3; Gen 40:5; Gen 40:15; Jub 39:11; Jub 39:12; Jas 44:76; Jas 44:77–80; Ps 105:18–19; Jes 53:8; Dan 3:21–22 **39:21** Yahweh was met Jozef. Hij boog zich met trouw naar hem toe en liet hem gunst vinden in de ogen van de bevelhebber van de gevangenis. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en was | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = met | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | וַיֵּ֥ט (vayet) = en hij boog | אֵלָ֖יו (elav) = naar hem | חָ֑סֶד (chased) = trouw | וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en hij gaf | חִנּ֔וֹ (chino) = zijn gunst | בְּעֵינֵ֖י (beeinei) = in de ogen van | שַׂ֥ר (sar) = overste van | בֵּית (beit) = huis van | הַסֹּֽהַר (hasohar) = de gevangenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויט אליו חסד (vayyet elav chased), ‘boog zich met trouw naar hem toe’: chesed is ‘trouw’, zie 24:12, 14, 27. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 39:12–13 zegt dat Jozef in de gevangenis was en dat de overste van de gevangenisbewakers alles aan hem overliet. Zie ook: Gen 24:12; Gen 24:14; Gen 24:27; Jub 39:12–13; Ex 3:21; Jes 41:10; Jes 43:2; Hand 7:9–10; 1 Petr 3:17 **39:22** De bevelhebber van de gevangenis gaf alle gevangenen die in de gevangenis waren in de hand van Jozef, en alles wat ze daar deden, was door hem gedaan. Brontekst: וַיִּתֵּ֞ן (vayiten) = en hij gaf | שַׂ֤ר (sar) = overste van | בֵּית (beit) = huis van | הַסֹּ֨הַר֙ (hasohar) = de gevangenis | בְּיַד (beyad) = in de hand van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | אֵ֚ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | הָ֣אֲסִירִ֔ם (haasirim) = de gevangenen | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הַסֹּ֑הַר (hasohar) = de gevangenis | וְאֵ֨ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | עֹשִׂים֙ (osim) = ze deden | שָׁ֔ם (sham) = daar | ה֖וּא (hu) = hij | הָיָ֥ה (haya) = was | עֹשֶֽׂה (ose) = doende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוא היה עשׂה (hu hayah oseh), ‘hij was het die het deed’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 39:13 zegt dat de bevelhebber alles in zijn hand gaf en van niets wist. Zie ook: Gen 39:4; Gen 39:9; Gen 40:3–4; Jub 39:12; Jub 39:13; 1 Sam 2:30; Ps 37:11 **39:23** De bevelhebber van de gevangenis zag niets na van wat in zijn hand was, omdat Yahweh met hem was; en wat hij deed, liet Yahweh slagen. Brontekst: אֵ֣ין (ein) = niet is | שַׂ֣ר (sar) = overste van | בֵּית (beit) = huis van | הַסֹּ֗הַר (hasohar) = de gevangenis | רֹאֶ֤ה (roe) = ziend | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = enig | מְא֨וּמָה֙ (meuma) = iets | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | בַּאֲשֶׁ֥ר (baasher) = omdat | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אִתּ֑וֹ (ito) = met hem | וַֽאֲשֶׁר (vaasher) = en wat | ה֥וּא (hu) = hij | עֹשֶׂ֖ה (ose) = doende | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | מַצְלִֽיחַ (matsliach) = liet slagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 39:2–3; Gen 49:23–24; Jub 39:12; Ps 1:3; Jes 43:2; Dan 6:23 ## Genesis 40 _De schenker en de bakker_ ### De schenker en de bakker in de gevangenis **40:1** Na deze gebeurtenissen zondigden de schenker van de koning van Egypte en de bakker tegen hun heer, de koning van Egypte. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַחַר֙ (achar) = na | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de zaken | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | חָֽטְא֛וּ (chateu) = zondigden | מַשְׁקֵ֥ה (mashqe) = schenker van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהָאֹפֶ֑ה (vehaofe) = en de bakker | לַאֲדֹנֵיהֶ֖ם (laadoneihem) = tegen hun heer | לְמֶ֥לֶךְ (lemelekh) = de koning van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: חטאו משׁקה (chat’u mashqeh), ‘de schenker zondigde’: wat de twee precies misdeden, staat er niet; zie 41:10. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:2–4 vertelt dat er vliegen in de wijn en stukken loog in het brood werden gevonden. Jubileeën 39:13–14 zegt dat Jozef twee jaar in de gevangenis bleef en dat de farao toornig werd op zijn twee hovelingen. Zie ook: Gen 39:20–23; Gen 40:13; Gen 41:10; Jub 39:13–14; Jub 39:14; Jas 46:2–4; Est 6:1; Neh 1:11–2:2 **40:2** De farao werd woedend op zijn twee hofdienaren, op de overste van de schenkers en op de overste van de bakkers. Brontekst: וַיִּקְצֹ֣ף (vayiqtsof) = en hij werd woedend | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | עַ֖ל (al) = op | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee van | סָרִיסָ֑יו (sarisav) = zijn hofdienaren | עַ֚ל (al) = op | שַׂ֣ר (sar) = overste van | הַמַּשְׁקִ֔ים (hamashqim) = de schenkers | וְעַ֖ל (veal) = en op | שַׂ֥ר (sar) = overste van | הָאוֹפִֽים (haofim) = de bakkers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סריסיו (sarisav), ‘zijn hofdienaren’: zie 37:36; 39:1. Zie ook: Gen 37:36; Gen 39:1; Jub 39:14; 1 Kron 27:27; Spr 16:14; Spr 19:12; Spr 19:19; Spr 27:4 **40:3** Hij zette hen in bewaring in het huis van de bevelhebber van de lijfwacht, in de gevangenis, de plaats waar Jozef gevangen zat. Brontekst: וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en hij zette | אֹתָ֜ם (otam) = hen | בְּמִשְׁמַ֗ר (bemishmar) = in bewaring | בֵּ֛ית (beit) = huis van | שַׂ֥ר (sar) = overste van | הַטַבָּחִ֖ים (hatabachim) = de slachters | אֶל (el) = in | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַסֹּ֑הַר (hasohar) = de gevangenis | מְק֕וֹם (meqom) = plaats | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waar | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | אָס֥וּר (asur) = gebonden | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: במשׁמר בית שׂר הטבחים אל בית הסהר (bemishmar beit sar hattabbachim el beit hassohar), ‘in bewaring in het huis van de bevelhebber van de lijfwacht, in de gevangenis’: de gevangenis maakt deel uit van het huis van de bevelhebber, dus van Potifar (zie 39:1, 20). Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 39:14 zegt dat de farao hen in de gevangenis zette waar Jozef was. Zie ook: Gen 39:1; Gen 39:20; Gen 39:23; Jub 39:14 **40:4** De bevelhebber van de lijfwacht stelde Jozef over hen aan, en hij diende hen. Ze bleven een tijd lang in bewaring. Brontekst: וַ֠יִּפְקֹד (vayifqod) = en hij stelde aan | שַׂ֣ר (sar) = overste van | הַטַּבָּחִ֧ים (hatabachim) = de slachters | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | אִתָּ֖ם (itam) = bij hen | וַיְשָׁ֣רֶת (vaysharet) = en hij diende | אֹתָ֑ם (otam) = hen | וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en ze waren | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | בְּמִשְׁמָֽר (bemishmar) = in bewaring Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויפקד שׂר הטבחים (vayyifqod sar hattabbachim), ‘de bevelhebber stelde aan’: zie 39:4. וישׁרת (vayyeshret), ‘en hij diende’: zie 39:4. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:5 en Jubileeën 39:15 zeggen dat Jozef hen mocht bedienen. Jasher 46:5 zegt dat ze een jaar in bewaring waren. Zie ook: Gen 37:36; Gen 39:1; Gen 39:4; Gen 39:21–23; Jub 39:15; Jas 46:5; Ps 37:5 **40:5** Ze droomden allebei een droom in één nacht, ieder zijn eigen droom, ieder met de uitleg van zijn droom, de schenker en de bakker van de koning van Egypte, die in de gevangenis gevangen zaten. Brontekst: וַיַּֽחַלְמוּ֩ (vayachalmu) = en ze droomden | חֲל֨וֹם (chalom) = een droom | שְׁנֵיהֶ֜ם (sheneihem) = beiden | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | חֲלֹמוֹ֙ (chalomo) = zijn droom | בְּלַ֣יְלָה (belayla) = in nacht | אֶחָ֔ד (echad) = één | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | כְּפִתְר֣וֹן (kefitron) = volgens de uitleg van | חֲלֹמ֑וֹ (chalomo) = zijn droom | הַמַּשְׁקֶ֣ה (hamashqe) = de schenker | וְהָאֹפֶ֗ה (vehaofe) = en de bakker | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לְמֶ֣לֶךְ (lemelekh) = van de koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אֲסוּרִ֖ים (asurim) = gebonden | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | הַסֹּֽהַר (hasohar) = de gevangenis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: כפתרון חלמו (kefitron chalomo), ‘met de uitleg van zijn droom’: elke droom had een eigen betekenis. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:6 zegt dat ze aan het eind van het jaar beiden in één nacht droomden. Zie ook: Gen 37:5–10; Gen 41:11; Jub 39:16; Jas 46:6; Dan 4:16; Dan 7:1–8; Est 6:1 **40:6** Toen Jozef 's ochtends bij hen kwam en hen zag, zie, ze waren somber. Brontekst: וַיָּבֹ֧א (vayavo) = en hij kwam | אֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = tot hen | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | בַּבֹּ֑קֶר (baboqer) = in de ochtend | וַיַּ֣רְא (vayar) = en hij zag | אֹתָ֔ם (otam) = hen | וְהִנָּ֖ם (vehinam) = en zie hen | זֹעֲפִֽים (zoafim) = somber Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זעפים (zo’afim), ‘somber’: het woord komt ook voor in 1 Kon. 20:43; 21:4. Zie ook: Gen 40:8; Gen 41:8; Jub 39:16; 1 Kon 20:43; 1 Kon 21:4; Dan 2:1–3; Dan 5:6; Dan 7:28 **40:7** Hij vroeg de hofdienaren van de farao die met hem in bewaring waren in het huis van zijn heer: „Waarom zien jullie er vandaag zo bedrukt uit?” Brontekst: וַיִּשְׁאַ֞ל (vayishal) = en hij vroeg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | סְרִיסֵ֣י (serisei) = hofdienaren van | פַרְעֹ֗ה (paro) = farao | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אִתּ֧וֹ (ito) = met hem | בְמִשְׁמַ֛ר (bemishmar) = in bewaring | בֵּ֥ית (beit) = huis van | אֲדֹנָ֖יו (adonav) = zijn heer | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | מַדּ֛וּעַ (madua) = waarom | פְּנֵיכֶ֥ם (peneikhem) = jullie gezichten | רָעִ֖ים (raim) = slecht | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מדוע פניכם רעים (maddua peneikhem ra’im), ‘waarom zien jullie er zo bedrukt uit’: letterlijk ‘waarom zijn jullie gezichten slecht’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:6–7 geeft Jozefs vraag en hun antwoord weer. Zie ook: Jub 39:16; Jas 46:6–7; Re 18:24; 1 Sam 1:8; 2 Sam 13:4; Neh 2:2; Luc 24:17 **40:8** Ze zeiden tegen hem: „We hebben een droom gedroomd en er is niemand die hem uitlegt.” Jozef zei tegen hen: „Behoren de uitleggingen niet aan Elohim toe? Vertel het mij toch.” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeiden | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | חֲל֣וֹם (chalom) = een droom | חָלַ֔מְנוּ (chalamnu) = we hebben gedroomd | וּפֹתֵ֖ר (ufoter) = en een uitlegger | אֵ֣ין (ein) = niet is | אֹת֑וֹ (oto) = voor hem | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֜ם (alehem) = tot hen | יוֹסֵ֗ף (yosef) = Jozef | הֲל֤וֹא (halo) = niet | לֵֽאלֹהִים֙ (lElohim) = aan Elohim | פִּתְרֹנִ֔ים (pitronim) = uitleggingen | סַפְּרוּ (saperu) = vertel | נָ֖א (na) = toch | לִֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ופתר אין אתו (ufoter ein oto), ‘en er is niemand die hem uitlegt’: in Egypte legden wijzen en toverpriesters dromen uit (zie 41:8). הלוא לאלהים פתרנים (halo lElohim pitronim), ‘behoren uitleggingen niet aan Elohim toe’: zie 41:16, 25, 28, 32. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:7 zegt dat Jozef antwoordde dat Elohim hun een antwoord van vrede zou geven. Zie ook: Gen 41:8; Gen 41:15–16; Gen 41:16; Gen 41:25; Gen 41:28; Gen 41:32; Jub 39:16; Jas 46:7; Amos 3:7; Dan 2:28; Dan 2:47; 1 Kor 12:10–11 ### De droom van de schenker **40:9** De overste van de schenkers vertelde zijn droom aan Jozef. Hij zei tegen hem: „In mijn droom, zie, was er een wijnstok voor mij. Brontekst: וַיְסַפֵּ֧ר (vaysaper) = en hij vertelde | שַֽׂר (sar) = overste van | הַמַּשְׁקִ֛ים (hamashqim) = de schenkers | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֲלֹמ֖וֹ (chalomo) = zijn droom | לְיוֹסֵ֑ף (leyosef) = aan Jozef | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | ל֔וֹ (lo) = tot hem | בַּחֲלוֹמִ֕י (bachalomi) = in mijn droom | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | גֶ֖פֶן (gefen) = een wijnstok | לְפָנָֽי (lefanay) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:8–9 vertelt de droom van de schenker met dezelfde beelden. Zie ook: Gen 37:5–10; Jub 39:17; Jas 46:8–9; Re 7:13–15; Dan 2:31; Dan 4:5; Dan 4:7–15 **40:10** Aan de wijnstok waren drie ranken. Zij stond als in bloei, haar bloesem kwam op, haar trossen deden druiven rijpen. Brontekst: וּבַגֶּ֖פֶן (uvagefen) = en aan de wijnstok | שְׁלֹשָׁ֣ה (shelosha) = drie | שָׂרִיגִ֑ם (sarigim) = ranken | וְהִ֤יא (vehi) = en zij | כְפֹרַ֨חַת֙ (keforachat) = als bloeiend | עָלְתָ֣ה (aleta) = ze ging op | נִצָּ֔הּ (nitsah) = haar bloesem | הִבְשִׁ֥ילוּ (hivshilu) = ze deden rijpen | אַשְׁכְּלֹתֶ֖יהָ (ashkeloteiha) = haar trossen | עֲנָבִֽים (anavim) = druiven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 39:17 **40:11** De beker van de farao was in mijn hand. Ik nam de druiven, perste ze uit in de beker van de farao en gaf de beker in de hand van de farao.” Brontekst: וְכ֥וֹס (vekhos) = en de beker van | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | בְּיָדִ֑י (beyadi) = in mijn hand | וָאֶקַּ֣ח (vaeqach) = en ik nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָֽעֲנָבִ֗ים (haanavim) = de druiven | וָֽאֶשְׂחַ֤ט (vaeschat) = en ik perste uit | אֹתָם֙ (otam) = ze | אֶל (el) = in | כּ֣וֹס (kos) = beker van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | וָאֶתֵּ֥ן (vaeten) = en ik gaf | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַכּ֖וֹס (hakos) = de beker | עַל (al) = op | כַּ֥ף (kaf) = de handpalm van | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 40:21; Jub 39:17; Spr 3:10; 1 Kon 10:5; 2 Kron 9:4; Neh 1:11–2:1 **40:12** Jozef zei tegen hem: „Dit is de uitleg: de drie ranken zijn drie dagen. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | זֶ֖ה (ze) = dit | פִּתְרֹנ֑וֹ (pitrono) = zijn uitleg | שְׁלֹ֨שֶׁת֙ (sheloshet) = drie | הַשָּׂ֣רִגִ֔ים (hasarigim) = de ranken | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | הֵֽם (hem) = zijn ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זה פתרנו (zeh pitrono), ‘dit is de uitleg’: zie 41:12, 15–16. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:9–10 geeft Jozefs uitleg: binnen drie dagen zal de koning hem laten halen en terugzetten. Zie ook: Gen 40:18; Gen 41:12; Gen 41:15; Gen 41:25–26; Jub 39:17; Jas 46:9–10; Re 7:14; Dan 4:16–30 **40:13** Over drie dagen zal de farao je hoofd opheffen en je op je plaats terugzetten, en je zult de beker van de farao in zijn hand geven, zoals vroeger, toen je zijn schenker was. Brontekst: בְּע֣וֹד (beod) = binnen nog | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | יִשָּׂ֤א (yisa) = hij zal opheffen | פַרְעֹה֙ (paro) = farao | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רֹאשֶׁ֔ךָ (roshekha) = je hoofd | וַהֲשִֽׁיבְךָ֖ (vahashivekha) = en hij zal je terugzetten | עַל (al) = op | כַּנֶּ֑ךָ (kanekha) = je plaats | וְנָתַתָּ֤ (venatata) = en je zult geven | כוֹס (kos) = beker van | פַּרְעֹה֙ (paro) = farao | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | כַּמִּשְׁפָּט֙ (kamishpat) = volgens het recht | הָֽרִאשׁ֔וֹן (harishon) = het eerste | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הָיִ֖יתָ (hayita) = je was | מַשְׁקֵֽהוּ (mashqehu) = zijn schenker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ישׂא פרעה את ראשׁך (yissa Par’oh et roshekha), ‘de farao zal je hoofd opheffen’: hier betekent het eer en herstel, in vers 19 onthoofding; zie ook vers 20. Zie ook: Gen 7:4; Gen 40:19–22; Gen 40:20; Jub 39:17; Ps 3:4; 2 Kon 25:27; Jer 52:31 **40:14** Maar wanneer het goed met je gaat, denk dan aan mij en bewijs mij toch trouw: noem mij bij de farao en breng mij uit dit huis. Brontekst: כִּ֧י (ki) = maar | אִם (im) = als | זְכַרְתַּ֣נִי (zekhartani) = je denkt aan mij | אִתְּךָ֗ (itekha) = bij je | כַּאֲשֶׁר֙ (kaasher) = als | יִ֣יטַב (yitav) = het goed gaat | לָ֔ךְ (lakh) = met jou | וְעָשִֽׂיתָ (veasita) = en bewijs | נָּ֥א (na) = toch | עִמָּדִ֖י (imadi) = aan mij | חָ֑סֶד (chased) = trouw | וְהִזְכַּרְתַּ֨נִי֙ (vehizkartani) = en noem mij | אֶל (el) = bij | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | וְהוֹצֵאתַ֖נִי (vehotsetani) = en breng mij uit | מִן (min) = uit | הַבַּ֥יִת (habayit) = het huis | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ועשׂית נא עמדי חסד (ve’asita na immadi chesed), ‘bewijs mij toch trouw’: chesed is ‘trouw’, zie 39:21; 24:12. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:10–11 zegt dat Jozef hem vroeg aan hem te denken en vertelde dat hij uit Kanaän was weggestolen en dat wat over de vrouw van zijn heer gezegd was, vals was. Zie ook: Gen 24:12; Gen 39:21; Jub 39:17; Jas 46:10–11; Joz 2:12; 1 Sam 20:14–15; 2 Sam 9:1; 1 Kon 2:7; Luc 23:42 **40:15** Want ik ben weggestolen uit het land van de Hebreeën, en ook hier heb ik niets gedaan waarom ze mij in de put hebben gezet.” Brontekst: כִּֽי (ki) = want | גֻנֹּ֣ב (gunov) = weggestolen | גֻּנַּ֔בְתִּי (gunavti) = ik ben gestolen | מֵאֶ֖רֶץ (meerets) = uit het land van | הָעִבְרִ֑ים (haivrim) = de Hebreeën | וְגַם (vegam) = en ook | פֹּה֙ (po) = hier | לֹא (lo) = niet | עָשִׂ֣יתִֽי (asiti) = ik heb gedaan | מְא֔וּמָה (meuma) = iets | כִּֽי (ki) = dat | שָׂמ֥וּ (samu) = ze hebben gezet | אֹתִ֖י (oti) = mij | בַּבּֽוֹר (babor) = in de put Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גנבתי מארץ העברים (gunnavti me’erets ha’Ivrim), ‘ik ben weggestolen uit het land van de Hebreeën’: Jozef noemt Kanaän tegenover Egyptenaren het land van de Hebreeën (zie 39:14; 43:32). שׂמו אתי בבור (samu oti babbor), ‘ze hebben mij in de put gezet’: hetzelfde woord als in 37:24; hier de gevangenis. Zie ook: Gen 14:13; Gen 37:24; Gen 39:14; Gen 39:20; Gen 43:32; Ex 21:16; Ps 59:4–5; 1 Petr 3:17–18 ### De droom van de bakker **40:16** Toen de overste van de bakkers zag dat de uitleg goed was, zei hij tegen Jozef: „Ook ik zag in mijn droom, zie, drie manden met wit brood op mijn hoofd. Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en hij zag | שַׂר (sar) = overste van | הָאֹפִ֖ים (haofim) = de bakkers | כִּ֣י (ki) = dat | ט֣וֹב (tov) = goed | פָּתָ֑ר (patar) = hij had uitgelegd | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | אַף (af) = ook | אֲנִי֙ (ani) = ik | בַּחֲלוֹמִ֔י (bachalomi) = in mijn droom | וְהִנֵּ֗ה (vehine) = en zie | שְׁלֹשָׁ֛ה (shelosha) = drie | סַלֵּ֥י (salei) = manden van | חֹרִ֖י (chori) = wit brood | עַל (al) = op | רֹאשִֽׁי (roshi) = mijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁלשׁה סלי חרי (sheloshah salei chori), ‘drie manden met wit brood’: de betekenis van chori is onzeker: ‘wit brood’ of ‘vlechtwerk’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:12–13 vertelt de droom van de bakker. Zie ook: Gen 40:1–2; Jas 46:12–13 **40:17** In de bovenste mand zat allerlei voedsel voor de farao, bakkerswerk, maar de vogels aten ze uit de mand boven mijn hoofd.” Brontekst: וּבַסַּ֣ל (uvasal) = en in de mand | הָֽעֶלְי֔וֹן (haelyon) = de bovenste | מִכֹּ֛ל (mikol) = van alle | מַאֲכַ֥ל (maakhal) = voedsel van | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | מַעֲשֵׂ֣ה (maase) = werk van | אֹפֶ֑ה (ofe) = een bakker | וְהָע֗וֹף (vehaof) = en de vogels | אֹכֵ֥ל (okhel) = etend | אֹתָ֛ם (otam) = ze | מִן (min) = uit | הַסַּ֖ל (hasal) = de mand | מֵעַ֥ל (meal) = van boven | רֹאשִֽׁי (roshi) = mijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:20; 1 Kron 12:21 **40:18** Jozef antwoordde: „Dit is de uitleg: de drie manden zijn drie dagen. Brontekst: וַיַּ֤עַן (vayaan) = en hij antwoordde | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | וַיֹּ֔אמֶר (vayomer) = en hij zei | זֶ֖ה (ze) = dit | פִּתְרֹנ֑וֹ (pitrono) = zijn uitleg | שְׁלֹ֨שֶׁת֙ (sheloshet) = drie | הַסַּלִּ֔ים (hasalim) = de manden | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | הֵֽם (hem) = zijn ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 40:12; Gen 41:26; 1 Kor 10:4; 1 Kor 11:24 **40:19** Over drie dagen zal de farao je hoofd van je opheffen en je aan een paal hangen, en de vogels zullen je vlees van je afeten.” Brontekst: בְּע֣וֹד (beod) = binnen nog | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | יִשָּׂ֨א (yisa) = hij zal opheffen | פַרְעֹ֤ה (paro) = farao | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רֹֽאשְׁךָ֙ (roshkha) = je hoofd | מֵֽעָלֶ֔יךָ (mealeikha) = van je | וְתָלָ֥ה (vetala) = en hij zal hangen | אוֹתְךָ֖ (otekha) = je | עַל (al) = aan | עֵ֑ץ (ets) = hout | וְאָכַ֥ל (veakhal) = en zal eten | הָע֛וֹף (haof) = de vogel | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּשָׂרְךָ֖ (besarekha) = je vlees | מֵעָלֶֽיךָ (mealeikha) = van je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ישׂא פרעה את ראשׁך מעליך (yissa Par’oh et roshekha mei’aleikha), ‘de farao zal je hoofd van je opheffen’: zie vers 13. עץ (ets), ‘paal’: ‘hout’, boom of paal; zie Deut. 21:22–23. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:14 zegt dat de farao hem aan een boom zou hangen. Zie ook: Gen 40:13; Gen 40:17; Gen 40:22; Jas 46:14; Deut 21:22–23; Hand 20:27; Gal 3:13 ### Wat Jozef voorzegde, gebeurt **40:20** Op de derde dag, de verjaardag van de farao, gaf hij een maaltijd voor al zijn dienaren. Hij hief het hoofd van de overste van de schenkers en het hoofd van de overste van de bakkers op te midden van zijn dienaren. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֗י (hashelishi) = de derde | י֚וֹם (yom) = dag van | הֻלֶּ֣דֶת (huledet) = het geboren worden van | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | מִשְׁתֶּ֖ה (mishte) = een maaltijd | לְכָל (lekhal) = voor al | עֲבָדָ֑יו (avadav) = zijn dienaren | וַיִּשָּׂ֞א (vayisa) = en hij hief op | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd van | שַׂ֣ר (sar) = overste van | הַמַּשְׁקִ֗ים (hamashqim) = de schenkers | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | רֹ֛אשׁ (rosh) = hoofd van | שַׂ֥ר (sar) = overste van | הָאֹפִ֖ים (haofim) = de bakkers | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | עֲבָדָֽיו (avadav) = zijn dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יום הלדת את פרעה (yom huledet et Par’oh), ‘de dag van de geboorte van de farao’: de verjaardag van de farao. וישׂא את ראשׁ (vayyissa et rosh), ‘hij hief het hoofd op’: zie vers 13, 19. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:15–18 zegt dat de koningin een zoon baarde en dat de farao op de derde dag een feest gaf dat acht dagen duurde. Zie ook: Gen 40:13; Gen 40:19; Jas 46:15–18; Job 3:1; Mat 14:6; Mar 6:21 **40:21** Hij zette de overste van de schenkers terug in zijn schenkersambt, en die gaf de beker in de hand van de farao. Brontekst: וַיָּ֛שֶׁב (vayashev) = en hij deed terugkeren | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שַׂ֥ר (sar) = overste van | הַמַּשְׁקִ֖ים (hamashqim) = de schenkers | עַל (al) = in | מַשְׁקֵ֑הוּ (mashqehu) = zijn schenkersambt | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en hij gaf | הַכּ֖וֹס (hakos) = de beker | עַל (al) = op | כַּ֥ף (kaf) = de handpalm van | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 40:13; Neh 2:1 **40:22** Maar de overste van de bakkers liet hij ophangen, zoals Jozef hun had uitgelegd. Brontekst: וְאֵ֛ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שַׂ֥ר (sar) = overste van | הָאֹפִ֖ים (haofim) = de bakkers | תָּלָ֑ה (tala) = hij liet hangen | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | פָּתַ֛ר (patar) = hij had uitgelegd | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | יוֹסֵֽף (yosef) = Jozef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תלה (talah), ‘hij liet hangen’: Jubileeën 39:17 zegt dat het hun geschiedde zoals Jozef het uitlegde. Zie ook: Gen 40:8; Gen 40:19; Jub 39:17; Jer 23:28; Dan 2:19–23; Dan 5:12 **40:23** De overste van de schenkers dacht niet aan Jozef; hij vergat hem. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | זָכַ֧ר (zakhar) = hij dacht aan | שַֽׂר (sar) = overste van | הַמַּשְׁקִ֛ים (hamashqim) = de schenkers | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | וַיִּשְׁכָּחֵֽהוּ (vayishkachehu) = en hij vergat hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ולא זכר שׂר המשׁקים את יוסף (velo zakhar sar hammashqim et Yosef), ‘de overste van de schenkers dacht niet aan Jozef’: zie 41:9–13. וישׁכחהו (vayyishkachehu), ‘en hij vergat hem’: de tekst zegt het tweemaal. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:19–20 zegt dat Jozef daardoor nog twee jaar in de gevangenis bleef, in totaal twaalf jaar. Jubileeën 39:18 zegt dat de schenker hem vergat hoewel Jozef hem had verteld wat hem te wachten stond. Zie ook: Gen 41:9–13; Jub 39:18; Jas 46:19–20; Job 19:14; Ps 31:13; Ps 105:19; Pred 9:15–16; Amos 6:6 ## Genesis 41 _Jozef in Egypte; de hongersnood_ ### De dromen van de farao **41:1** Na twee volle jaren droomde de farao, en zie, hij stond bij de Nijl. Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | מִקֵּ֖ץ (miqets) = aan het einde van | שְׁנָתַ֣יִם (shenatayim) = twee jaren | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וּפַרְעֹ֣ה (ufaro) = en farao | חֹלֵ֔ם (cholem) = droomde | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | עֹמֵ֥ד (omed) = staande | עַל (al) = bij | הַיְאֹֽר (hayor) = de Nijl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: מקץ שׁנתים ימים (miqets shenatayim yamim), ‘na twee volle jaren’: letterlijk ‘aan het einde van twee jaren van dagen’; zie 40:23. היאר (hayye’or), ‘de Nijl’: ye’or is een Egyptisch leenwoord voor ‘rivier’; zie Ex. 7:15. Voetnoot Aanvullend: Jasher 46:20 zegt dat Jozef daardoor twee jaar langer in de gevangenis bleef. Jasher 48:2–5 vertelt de twee dromen met dezelfde beelden. Zie ook: Gen 20:3; Gen 29:14; Gen 31:21; Gen 40:5; Gen 40:23; Jub 39:13; Jub 40:1; Jas 46:20; Jas 48:2–5; Ex 7:15; Mat 27:19 **41:2** En zie, uit de Nijl kwamen zeven koeien op, mooi van aanzien en vlezig, en ze graasden in het riet. Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | מִן (min) = uit | הַיְאֹ֗ר (hayor) = de Nijl | עֹלֹת֙ (olot) = opkomend | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פָּר֔וֹת (parot) = koeien | יְפ֥וֹת (yefot) = mooi van | מַרְאֶ֖ה (mare) = aanzien | וּבְרִיאֹ֣ת (uveriot) = en vlezig | בָּשָׂ֑ר (basar) = van vlees | וַתִּרְעֶ֖ינָה (vatireina) = en ze graasden | בָּאָֽחוּ (baachu) = in het riet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: באחו (ba’achu), ‘in het riet’: achu is een Egyptisch woord voor riet of moerasgras; zie Job 8:11. Zie ook: Jub 40:1; Job 8:11; Jes 19:6 **41:3** En zie, zeven andere koeien kwamen na hen op uit de Nijl, lelijk van aanzien en mager van vlees, en ze gingen naast de andere koeien aan de oever van de Nijl staan. Brontekst: וְהִנֵּ֞ה (vehine) = en zie | שֶׁ֧בַע (sheva) = zeven | פָּר֣וֹת (parot) = koeien | אֲחֵר֗וֹת (acherot) = andere | עֹל֤וֹת (olot) = opkomend | אַחֲרֵיהֶן֙ (achareihen) = na hen | מִן (min) = uit | הַיְאֹ֔ר (hayor) = de Nijl | רָע֥וֹת (raot) = slecht | מַרְאֶ֖ה (mare) = van aanzien | וְדַקּ֣וֹת (vedaqot) = en mager | בָּשָׂ֑ר (basar) = van vlees | וַֽתַּעֲמֹ֛דְנָה (vataamodena) = en ze gingen staan | אֵ֥צֶל (etsel) = naast | הַפָּר֖וֹת (haparot) = de koeien | עַל (al) = aan | שְׂפַ֥ת (sefat) = oever van | הַיְאֹֽר (hayor) = de Nijl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Gen 41:4; Gen 41:20–21; Jub 40:1 **41:4** De koeien die lelijk van aanzien en mager van vlees waren, aten de zeven koeien op die mooi van aanzien en vlezig waren. Toen werd de farao wakker. Brontekst: וַתֹּאכַ֣לְנָה (vatokhalna) = en ze aten | הַפָּר֗וֹת (haparot) = de koeien | רָע֤וֹת (raot) = slecht | הַמַּרְאֶה֙ (hamare) = van aanzien | וְדַקֹּ֣ת (vedaqot) = en mager | הַבָּשָׂ֔ר (habasar) = van vlees | אֵ֚ת (et) = (lijdend voorwerp) | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | הַפָּר֔וֹת (haparot) = de koeien | יְפֹ֥ת (yefot) = mooi van | הַמַּרְאֶ֖ה (hamare) = aanzien | וְהַבְּרִיאֹ֑ת (vehaberiot) = en de vlezige | וַיִּיקַ֖ץ (vayiqats) = en hij werd wakker | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 40:1; 1 Kon 3:15 **41:5** Hij viel weer in slaap en droomde voor de tweede keer, en zie, zeven aren kwamen op aan één halm, vol en goed. Brontekst: וַיִּישָׁ֕ן (vayishan) = en hij sliep in | וַֽיַּחֲלֹ֖ם (vayachalom) = en hij droomde | שֵׁנִ֑ית (shenit) = een tweede keer | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שִׁבֳּלִ֗ים (shibolim) = aren | עֹל֛וֹת (olot) = opkomend | בְּקָנֶ֥ה (beqane) = aan halm | אֶחָ֖ד (echad) = één | בְּרִיא֥וֹת (beriot) = vol | וְטֹבֽוֹת (vetovot) = en goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 40:1; Deut 32:14 **41:6** En zie, zeven aren, dun en verschroeid door de oostenwind, schoten na hen op. Brontekst: וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שִׁבֳּלִ֔ים (shibolim) = aren | דַּקּ֖וֹת (daqot) = dun | וּשְׁדוּפֹ֣ת (ushedufot) = en verschroeid | קָדִ֑ים (qadim) = door de oostenwind | צֹמְח֖וֹת (tsomechot) = uitspruitend | אַחֲרֵיהֶֽן (achareihen) = na hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ושׁדופת קדים (ushdufot qadim), ‘verschroeid door de oostenwind’: de hete wind uit de woestijn; zie vers 23, 27; Ex. 10:13. Zie ook: Gen 41:23; Gen 41:27; Jub 40:1; Ex 10:13; Hos 13:15; Ezech 17:10; Ezech 19:12 **41:7** De dunne aren verslonden de zeven volle en rijpe aren. Toen werd de farao wakker, en zie, het was een droom. Brontekst: וַתִּבְלַ֨עְנָה֙ (vativlana) = en ze verslonden | הַשִּׁבֳּלִ֣ים (hashibolim) = de aren | הַדַּקּ֔וֹת (hadaqot) = de dunne | אֵ֚ת (et) = (lijdend voorwerp) | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | הַֽשִּׁבֳּלִ֔ים (hashibolim) = de aren | הַבְּרִיא֖וֹת (haberiot) = de vlezige | וְהַמְּלֵא֑וֹת (vehameleot) = en de volle | וַיִּיקַ֥ץ (vayiqats) = en hij werd wakker | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | חֲלֽוֹם (chalom) = een droom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 20:3; Gen 37:5 **41:8** Toen het ochtend werd, was zijn geest ontsteld. Hij liet alle magiërs van Egypte en al zijn wijzen roepen. De farao vertelde hun zijn droom, maar er was niemand die ze aan de farao kon uitleggen. Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | בַבֹּ֨קֶר֙ (baboqer) = in de ochtend | וַתִּפָּ֣עֶם (vatipaem) = en werd verontrust | רוּח֔וֹ (rucho) = zijn geest | וַיִּשְׁלַ֗ח (vayishlach) = en hij stuurde | וַיִּקְרָ֛א (vayiqra) = en hij riep | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | חַרְטֻמֵּ֥י (chartumei) = magiërs van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | חֲכָמֶ֑יהָ (chakhameiha) = haar wijzen | וַיְסַפֵּ֨ר (vaysaper) = en hij vertelde | פַּרְעֹ֤ה (paro) = farao | לָהֶם֙ (lahem) = aan hen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֲלֹמ֔וֹ (chalomo) = zijn droom | וְאֵין (veein) = en niet was | פּוֹתֵ֥ר (poter) = een uitlegger | אוֹתָ֖ם (otam) = ze | לְפַרְעֹֽה (lefaro) = voor farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ותפעם רוחו (vattippa’em ruacho), ‘zijn geest was ontsteld’: zie Dan. 2:1, 3. חרטמי (chartummei), ‘magiërs’: een Egyptisch woord voor schriftgeleerde priesters; zie vers 24; Exod. 7:11, 22; 8:3. Voetnoot Aanvullend: Jasher 48:6–29 vertelt dat de magiërs de droom verkeerd uitlegden, bijvoorbeeld als zeven dochters die zouden sterven, dat de farao dat afwees en dat hij alle magiërs wilde laten doden. Zie ook: Gen 8:3; Gen 41:24; Jas 48:6–29; Ex 7:11; Ex 7:22; Dan 2:1; Dan 2:3; Dan 4:2; Dan 4:4; Mat 2:1 ### De schenker denkt aan Jozef **41:9** Toen sprak de overste van de schenkers tot de farao: „Mijn zonden breng ik vandaag in herinnering. Brontekst: וַיְדַבֵּר֙ (vaydaber) = en hij sprak | שַׂ֣ר (sar) = overste van | הַמַּשְׁקִ֔ים (hamashqim) = de schenkers | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֲטָאַ֕י (chataay) = mijn zonden | אֲנִ֖י (ani) = ik | מַזְכִּ֥יר (mazkir) = herinner | הַיּֽוֹם (hayom) = vandaag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: את חטאי אני מזכיר היום (et chata’ai ani mazkir hayyom), ‘mijn zonden breng ik vandaag in herinnering’: zie 40:1, 23. Voetnoot Aanvullend: Jasher 48:30–38 noemt de schenker Mirod en laat hem de farao vertellen over Jozef, de Hebreeuwse slaaf in de gevangenis. Zie ook: Gen 40:1–3; Gen 40:14; Gen 40:23; Jub 40:2; Jas 48:30–38 **41:10** De farao was woedend op zijn dienaren en zette mij in bewaring in het huis van de bevelhebber van de lijfwacht, mij en de overste van de bakkers. Brontekst: פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | קָצַ֣ף (qatsaf) = was woedend | עַל (al) = op | עֲבָדָ֑יו (avadav) = zijn dienaren | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en hij zette | אֹתִ֜י (oti) = mij | בְּמִשְׁמַ֗ר (bemishmar) = in bewaring | בֵּ֚ית (beit) = huis van | שַׂ֣ר (sar) = overste van | הַטַּבָּחִ֔ים (hatabachim) = de slachters | אֹתִ֕י (oti) = mij | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שַׂ֥ר (sar) = overste van | הָאֹפִֽים (haofim) = de bakkers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 37:36; Gen 39:20; Gen 40:2–3; Jub 40:2 **41:11** We droomden in één nacht een droom, ik en hij; ieder droomde met de uitleg van zijn eigen droom. Brontekst: וַנַּֽחַלְמָ֥ה (vanachalma) = en we droomden | חֲל֛וֹם (chalom) = een droom | בְּלַ֥יְלָה (belayla) = in nacht | אֶחָ֖ד (echad) = één | אֲנִ֣י (ani) = ik | וָה֑וּא (vahu) = en hij | אִ֛ישׁ (ish) = ieder | כְּפִתְר֥וֹן (kefitron) = volgens de uitleg van | חֲלֹמ֖וֹ (chalomo) = zijn droom | חָלָֽמְנוּ (chalamenu) = we hadden gedroomd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 40:5–8; Jub 40:2 **41:12** Er was bij ons een Hebreeuwse jongen, een slaaf van de bevelhebber van de lijfwacht. We vertelden hem onze dromen en hij legde ze voor ons uit; ieder legde hij uit volgens zijn droom. Brontekst: וְשָׁ֨ם (vesham) = en daar | אִתָּ֜נוּ (itanu) = met ons | נַ֣עַר (naar) = jongen | עִבְרִ֗י (ivri) = Hebreeuwse | עֶ֚בֶד (eved) = slaaf | לְשַׂ֣ר (lesar) = van overste van | הַטַּבָּחִ֔ים (hatabachim) = de slachters | וַנְּ֨סַפֶּר (vanesaper) = en we vertelden | ל֔וֹ (lo) = hem | וַיִּפְתָּר (vayiftar) = en hij legde uit | לָ֖נוּ (lanu) = ons | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֲלֹמֹתֵ֑ינוּ (chalomoteinu) = onze dromen | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | כַּחֲלֹמ֖וֹ (kachalomo) = volgens zijn droom | פָּתָֽר (patar) = hij legde uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נער עברי עבד (na’ar Ivri eved), ‘een Hebreeuwse jongen, een slaaf’: zie 39:14, 17; 40:15. Zie ook: Gen 37:36; Gen 39:1; Gen 39:14; Gen 39:17; Gen 39:20; Gen 40:12–19; Gen 40:15; Jub 40:2 **41:13** Zoals hij ons uitlegde, zo is het gegaan: mij heeft hij op mijn plaats teruggezet, en hem heeft hij laten ophangen.” Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | פָּֽתַר (patar) = hij legde uit | לָ֖נוּ (lanu) = ons | כֵּ֣ן (ken) = zo | הָיָ֑ה (haya) = het was | אֹתִ֛י (oti) = mij | הֵשִׁ֥יב (heshiv) = hij liet terugkeren | עַל (al) = op | כַּנִּ֖י (kani) = mijn plaats | וְאֹת֥וֹ (veoto) = en hem | תָלָֽה (tala) = hij liet hangen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 40:12; Gen 40:20–22; Jub 40:2; Jer 1:10; Ezech 43:3 ### Jozef voor de farao **41:14** De farao stuurde en liet Jozef roepen, en men haalde hem haastig uit de put. Hij schoor zich, verwisselde zijn kleren en kwam bij de farao. Brontekst: וַיִּשְׁלַ֤ח (vayishlach) = en hij stuurde | פַּרְעֹה֙ (paro) = farao | וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en hij riep | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | וַיְרִיצֻ֖הוּ (vayritsuhu) = en ze deden hem haasten | מִן (min) = uit | הַבּ֑וֹר (habor) = de put | וַיְגַלַּח֙ (vaygalach) = en hij schoor zich | וַיְחַלֵּ֣ף (vaychalef) = en hij verwisselde | שִׂמְלֹתָ֔יו (simlotav) = zijn kleren | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij kwam | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מן הבור (min habbor), ‘uit de put’: de gevangenis; zie 40:15. ויגלח ויחלף שׂמלתיו (vayegallach vayechallef simlotav), ‘hij schoor zich en verwisselde zijn kleren’: Egyptenaren droegen geen baard. Voetnoot Aanvullend: Jasher 48:40–41 vertelt dat de dienaren hem haastig uit de kerker haalden en dat hij zijn gevangeniskleren verwisselde. Jasher 48:42–48 beschrijft de troon met zeventig treden. Zie ook: Gen 40:15; Jub 40:2; Jas 48:40–41; Jas 48:42–48; 1 Sam 2:7–8; Ps 105:19–22; Ps 113:7–8; Jes 61:3; Dan 2:25 **41:15** De farao zei tegen Jozef: „Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand die hem uitlegt. Maar ik heb over je horen zeggen dat je een droom hoort om hem uit te leggen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹה֙ (paro) = farao | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | חֲל֣וֹם (chalom) = een droom | חָלַ֔מְתִּי (chalamti) = ik heb gedroomd | וּפֹתֵ֖ר (ufoter) = en een uitlegger | אֵ֣ין (ein) = niet is | אֹת֑וֹ (oto) = voor hem | וַאֲנִ֗י (vaani) = en ik | שָׁמַ֤עְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over jou | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | תִּשְׁמַ֥ע (tishma) = je hoort | חֲל֖וֹם (chalom) = een droom | לִפְתֹּ֥ר (liftor) = om uit te leggen | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תשׁמע חלום לפתר אתו (tishma chalom liftor oto), ‘je hoort een droom om hem uit te leggen’. Zie ook: Gen 41:9–13; Ps 25:14; Dan 5:12; Dan 5:16 **41:16** Jozef antwoordde de farao: „Niet ik! Elohim zal de farao een antwoord ten goede geven.” Brontekst: וַיַּ֨עַן (vayaan) = en hij antwoordde | יוֹסֵ֧ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פַּרְעֹ֛ה (paro) = farao | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggend | בִּלְעָדָ֑י (biladay) = buiten mij | אֱלֹהִ֕ים (Elohim) = Elohim | יַעֲנֶ֖ה (yaane) = hij zal antwoorden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁל֥וֹם (shelom) = heil van | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בלעדי אלהים יענה (bil’adai Elohim ya’aneh), ‘niet ik; Elohim zal antwoorden’: zie 40:8. את שׁלום פרעה (et shelom Par’oh), ‘ten goede voor de farao’: shalom is hier ‘heil’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 48:51 zegt dat Jozef antwoordde dat de uitleggingen Elohim toebehoren. Zie ook: Gen 40:8; Jas 48:51; Num 12:6; Dan 2:47; Hand 3:12; 2 Kor 3:5 **41:17** De farao zei tegen Jozef: „In mijn droom, zie, stond ik aan de oever van de Nijl. Brontekst: וַיְדַבֵּ֥ר (vaydaber) = en hij sprak | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | בַּחֲלֹמִ֕י (bachalomi) = in mijn droom | הִנְנִ֥י (hinni) = zie mij | עֹמֵ֖ד (omed) = staande | עַל (al) = aan | שְׂפַ֥ת (sefat) = oever van | הַיְאֹֽר (hayor) = de Nijl Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. **41:18** En zie, uit de Nijl kwamen zeven koeien op, vlezig en mooi van gestalte, en ze graasden in het riet. Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | מִן (min) = uit | הַיְאֹ֗ר (hayor) = de Nijl | עֹלֹת֙ (olot) = opkomend | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | פָּר֔וֹת (parot) = koeien | בְּרִיא֥וֹת (beriot) = vlezig | בָּשָׂ֖ר (basar) = van vlees | וִיפֹ֣ת (vifot) = en mooi van | תֹּ֑אַר (toar) = gestalte | וַתִּרְעֶ֖ינָה (vatireina) = en ze graasden | בָּאָֽחוּ (baachu) = in het riet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Jer 24:1–3; Jer 24:5; Jer 24:8 **41:19** En zie, zeven andere koeien kwamen na hen op, schraal en zeer lelijk van gestalte en mager van vlees. Zulke heb ik in heel het land Egypte nooit gezien, zo slecht. Brontekst: וְהִנֵּ֞ה (vehine) = en zie | שֶֽׁבַע (sheva) = zeven | פָּר֤וֹת (parot) = koeien | אֲחֵרוֹת֙ (acherot) = andere | עֹל֣וֹת (olot) = opkomend | אַחֲרֵיהֶ֔ן (achareihen) = na hen | דַּלּ֨וֹת (dalot) = schraal | וְרָע֥וֹת (veraot) = en slecht | תֹּ֛אַר (toar) = van gestalte | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | וְרַקּ֣וֹת (veraqot) = en mager | בָּשָׂ֑ר (basar) = van vlees | לֹֽא (lo) = niet | רָאִ֧יתִי (raiti) = ik heb gezien | כָהֵ֛נָּה (kahena) = zoals zij | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לָרֹֽעַ (laroa) = in slechtheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. **41:20** De magere en lelijke koeien aten de zeven eerste, vlezige koeien op. Brontekst: וַתֹּאכַ֨לְנָה֙ (vatokhalna) = en ze aten | הַפָּר֔וֹת (haparot) = de koeien | הָרַקּ֖וֹת (haraqot) = de magere | וְהָרָע֑וֹת (veharaot) = en de slechte | אֵ֣ת (et) = (lijdend voorwerp) | שֶׁ֧בַע (sheva) = zeven | הַפָּר֛וֹת (haparot) = de koeien | הָרִאשֹׁנ֖וֹת (harishonot) = de eerste | הַבְּרִיאֹֽת (haberiot) = de vlezige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **41:21** Ze kwamen in hun buik, maar men merkte niet dat ze in hun buik gekomen waren, want hun aanzien bleef slecht als in het begin. Toen werd ik wakker. Brontekst: וַתָּבֹ֣אנָה (vatavona) = en ze kwamen | אֶל (el) = in | קִרְבֶּ֗נָה (qirbena) = hun buik | וְלֹ֤א (velo) = en niet | נוֹדַע֙ (noda) = het werd bekend | כִּי (ki) = dat | בָ֣אוּ (bau) = ze waren gekomen | אֶל (el) = in | קִרְבֶּ֔נָה (qirbena) = hun buik | וּמַרְאֵיהֶ֣ן (umareihen) = en hun aanzien | רַ֔ע (ra) = slecht | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | בַּתְּחִלָּ֑ה (batechila) = in het begin | וָאִיקָֽץ (vaiqats) = en ik werd wakker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 37:19; Jes 9:19; Ezech 3:3; Openb 10:9–10 **41:22** Ik zag in mijn droom, en zie, zeven aren kwamen op aan één halm, vol en goed. Brontekst: וָאֵ֖רֶא (vaere) = en ik zag | בַּחֲלֹמִ֑י (bachalomi) = in mijn droom | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שִׁבֳּלִ֗ים (shibolim) = aren | עֹלֹ֛ת (olot) = opkomend | בְּקָנֶ֥ה (beqane) = aan halm | אֶחָ֖ד (echad) = één | מְלֵאֹ֥ת (meleot) = vol | וְטֹבֽוֹת (vetovot) = en goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **41:23** En zie, zeven aren, dor, dun en verschroeid door de oostenwind, schoten na hen op. Brontekst: וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שִׁבֳּלִ֔ים (shibolim) = aren | צְנֻמ֥וֹת (tsenumot) = dor | דַּקּ֖וֹת (daqot) = dun | שְׁדֻפ֣וֹת (shedufot) = verschroeid | קָדִ֑ים (qadim) = door de oostenwind | צֹמְח֖וֹת (tsomechot) = uitspruitend | אַחֲרֵיהֶֽם (achareihem) = na hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 41:6; Ps 129:6–7; Hos 8:7; Hos 9:16; Hos 13:15 **41:24** De dunne aren verslonden de zeven goede aren. Ik heb het de magiërs verteld, maar niemand kon het mij verklaren.” Brontekst: וַתִּבְלַ֨עְןָ֙ (vativlana) = en ze verslonden | הָשִׁבֳּלִ֣ים (hashibolim) = de aren | הַדַּקֹּ֔ת (hadaqot) = de dunne | אֵ֛ת (et) = (lijdend voorwerp) | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | הַֽשִׁבֳּלִ֖ים (hashibolim) = de aren | הַטֹּב֑וֹת (hatovot) = de goede | וָֽאֹמַר֙ (vaomar) = en ik zei | אֶל (el) = tot | הַֽחַרְטֻמִּ֔ים (hachartumim) = de magiërs | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | מַגִּ֖יד (magid) = een verteller | לִֽי (li) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 41:8; Ex 8:15; Dan 4:4 **41:25** Jozef zei tegen de farao: „De droom van de farao is één. Wat Elohim gaat doen, heeft Hij de farao bekendgemaakt. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | חֲל֥וֹם (chalom) = droom van | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | אֶחָ֣ד (echad) = één | ה֑וּא (hu) = Hij | אֵ֣ת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | הָאֱלֹהִ֛ים (haElohim) = de Elohim | עֹשֶׂ֖ה (ose) = doende | הִגִּ֥יד (higid) = Hij heeft bekendgemaakt | לְפַרְעֹֽה (lefaro) = aan farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חלום פרעה אחד הוא (chalom Par’oh echad hu), ‘de droom van de farao is één’: zie vers 26, 32. Voetnoot Aanvullend: Jasher 48:53–56 zegt dat het één droom is en dat de herhaling betekent dat Elohim het gaat uitvoeren. Zie ook: Gen 41:26; Gen 41:32; Jub 40:3; Jas 48:53–56; Jes 41:22–23; Dan 2:28–29; Dan 2:45; Mar 13:23; Openb 4:1 **41:26** De zeven goede koeien zijn zeven jaren, en de zeven goede aren zijn zeven jaren: het is één droom. Brontekst: שֶׁ֧בַע (sheva) = zeven | פָּרֹ֣ת (parot) = koeien | הַטֹּבֹ֗ת (hatovot) = de goede | שֶׁ֤בַע (sheva) = zeven | שָׁנִים֙ (shanim) = jaren | הֵ֔נָּה (hena) = zij | וְשֶׁ֤בַע (vesheva) = en zeven | הַֽשִּׁבֳּלִים֙ (hashibolim) = de aren | הַטֹּבֹ֔ת (hatovot) = de goede | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | הֵ֑נָּה (hena) = zij | חֲל֖וֹם (chalom) = een droom | אֶחָ֥ד (echad) = één | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 41:2; Gen 41:47; Jub 40:3; Ex 12:11; 1 Kor 10:4; 1 Joh 5:7 **41:27** De zeven magere en lelijke koeien die na hen opkwamen zijn zeven jaren, en de zeven lege aren, verschroeid door de oostenwind, zullen zeven jaren van hongersnood zijn. Brontekst: וְשֶׁ֣בַע (vesheva) = en zeven | הַ֠פָּרוֹת (haparot) = de koeien | הָֽרַקּ֨וֹת (haraqot) = de magere | וְהָרָעֹ֜ת (veharaot) = en de slechte | הָעֹלֹ֣ת (haolot) = de opkomende | אַחֲרֵיהֶ֗ן (achareihen) = na hen | שֶׁ֤בַע (sheva) = zeven | שָׁנִים֙ (shanim) = jaren | הֵ֔נָּה (hena) = zij | וְשֶׁ֤בַע (vesheva) = en zeven | הַֽשִׁבֳּלִים֙ (hashibolim) = de aren | הָרֵק֔וֹת (hareqot) = de lege | שְׁדֻפ֖וֹת (shedufot) = verschroeid | הַקָּדִ֑ים (haqadim) = door de oostenwind | יִהְי֕וּ (yihyu) = ze zullen zijn | שֶׁ֖בַע (sheva) = zeven | שְׁנֵ֥י (shenei) = jaren van | רָעָֽב (raav) = honger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 40:3; 2 Sam 24:19; 2 Kon 8:1 **41:28** Dit is het woord dat ik tot de farao gesproken heb: wat Elohim gaat doen, heeft Hij de farao laten zien. Brontekst: ה֣וּא (hu) = hij | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבַּ֖רְתִּי (dibarti) = ik sprak | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֑ה (paro) = farao | אֲשֶׁ֧ר (asher) = wat | הָאֱלֹהִ֛ים (haElohim) = de Elohim | עֹשֶׂ֖ה (ose) = doende | הֶרְאָ֥ה (hera) = Hij heeft laten zien | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 41:16; Gen 41:25; Jub 40:3 **41:29** Zie, er komen zeven jaren van grote overvloed in heel het land Egypte. Brontekst: הִנֵּ֛ה (hine) = zie | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | בָּא֑וֹת (baot) = komend | שָׂבָ֥ע (sava) = overvloed | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שׂבע גדול (sava gadol), ‘grote overvloed’: Jubileeën 40:12 zegt dat de aarde in de zeven jaren van overvloed overvloedig voortbracht, één maat achttienhonderd maten. Zie ook: Gen 41:26; Gen 41:46–47; Gen 41:49; Jub 40:3; Jub 40:12 **41:30** Na hen zullen zeven jaren van hongersnood opstaan, en al die overvloed zal vergeten worden in het land Egypte, en de hongersnood zal het land verteren. Brontekst: וְ֠קָמוּ (veqamu) = en ze zullen opstaan | שֶׁ֜בַע (sheva) = zeven | שְׁנֵ֤י (shenei) = jaren van | רָעָב֙ (raav) = honger | אַחֲרֵיהֶ֔ן (achareihen) = na hen | וְנִשְׁכַּ֥ח (venishkach) = en hij zal vergeten worden | כָּל (kal) = alle | הַשָּׂבָ֖ע (hasava) = de overvloed | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְכִלָּ֥ה (vekhila) = en hij zal verteren | הָרָעָ֖ב (haraav) = de honger | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:27; Gen 41:54; Gen 47:13; Jub 40:3; Ps 105:16; Jak 5:17 **41:31** De overvloed zal in het land niet meer bekend zijn vanwege die hongersnood daarna, want hij zal zeer zwaar zijn. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יִוָּדַ֤ע (yivada) = hij zal bekend zijn | הַשָּׂבָע֙ (hasava) = de overvloed | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | מִפְּנֵ֛י (mipenei) = vanwege | הָרָעָ֥ב (haraav) = de honger | הַה֖וּא (hahu) = die | אַחֲרֵי (acharei) = na | כֵ֑ן (ken) = dit | כִּֽי (ki) = want | כָבֵ֥ד (kaved) = zwaar | ה֖וּא (hu) = hij | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 5:6; Jes 24:20 **41:32** Dat de droom twee keer aan de farao is herhaald, betekent dat de zaak vaststaat bij Elohim en dat Elohim haast maakt om haar uit te voeren. Brontekst: וְעַ֨ל (veal) = en over | הִשָּׁנ֧וֹת (hishanot) = het herhaald worden van | הַחֲל֛וֹם (hachalom) = de droom | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | פַּעֲמָ֑יִם (paamayim) = tweemaal | כִּֽי (ki) = want | נָכ֤וֹן (nakhon) = vaststaand | הַדָּבָר֙ (hadavar) = het woord | מֵעִ֣ם (meim) = van bij | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = de Elohim | וּמְמַהֵ֥ר (umemaher) = en haast makend | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | לַעֲשֹׂתֽוֹ (laasoto) = om het te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:19; Jes 14:24–27; Jes 46:10–11; Mat 24:35; 2 Kor 13:1 ### Jozefs raad **41:33** Laat de farao nu een verstandig en wijs man uitzoeken en hem over het land Egypte aanstellen. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | יֵרֶ֣א (yere) = hij zal uitzoeken | פַרְעֹ֔ה (paro) = farao | אִ֖ישׁ (ish) = een man | נָב֣וֹן (navon) = verstandig | וְחָכָ֑ם (vechakham) = en wijs | וִישִׁיתֵ֖הוּ (vishitehu) = en hij zal hem stellen | עַל (al) = over | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אישׁ נבון וחכם (ish navon vechakham), ‘een verstandig en wijs man’: zie vers 39; Deut. 1:13; 1 Kon. 3:12. Voetnoot Aanvullend: Jasher 48:57–61 geeft Jozefs raad: een man aanstellen, opzieners benoemen en het graan opslaan. Zie ook: Gen 41:39; Jub 40:4; Jas 48:57–61; Ex 18:19–22; Deut 1:13; 1 Kon 3:12; Dan 4:24; Hand 6:3 **41:34** Laat de farao opzieners over het land aanstellen en een vijfde deel van het land Egypte heffen in de zeven jaren van overvloed. Brontekst: יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = hij zal doen | פַרְעֹ֔ה (paro) = farao | וְיַפְקֵ֥ד (veyafqed) = en hij zal aanstellen | פְּקִדִ֖ים (peqidim) = opzieners | עַל (al) = over | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְחִמֵּשׁ֙ (vechimesh) = en hij zal een vijfde nemen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּשֶׁ֖בַע (besheva) = in zeven | שְׁנֵ֥י (shenei) = jaren van | הַשָּׂבָֽע (hasava) = de overvloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וחמשׁ (vechimmesh), ‘en een vijfde deel heffen’: een belasting van twintig procent; zie 47:24, 26. Voetnoot Aanvullend: Jasher 50:8–10 zegt dat Jozef de aren met wat grond van het veld liet opslaan, zodat ze niet bedierven. Zie ook: Gen 47:24; Gen 47:26; Jub 40:4; Jas 50:8–10; Job 5:20; Ps 33:19; Spr 6:6–8; Spr 22:3; Spr 27:12 **41:35** Laat hen al het voedsel van deze goede jaren die komen verzamelen en graan opslaan onder het gezag van de farao, als voedsel in de steden, en laat hen het bewaren. Brontekst: וְיִקְבְּצ֗וּ (veyiqbetsu) = en ze zullen verzamelen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | אֹ֨כֶל֙ (okhel) = voedsel van | הַשָּׁנִ֣ים (hashanim) = de jaren | הַטֹּבֹ֔ת (hatovot) = de goede | הַבָּאֹ֖ת (habaot) = die komen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וְיִצְבְּרוּ (veyitsberu) = en ze zullen opstapelen | בָ֞ר (bar) = graan | תַּ֧חַת (tachat) = onder | יַד (yad) = hand van | פַּרְעֹ֛ה (paro) = farao | אֹ֥כֶל (okhel) = voedsel | בֶּעָרִ֖ים (bearim) = in de steden | וְשָׁמָֽרוּ (veshamaru) = en ze zullen bewaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 41:48–49; Gen 41:56; Gen 45:6–7; Jub 40:4; Ex 4:13 **41:36** Het voedsel zal als voorraad dienen voor het land in de zeven jaren van hongersnood die in het land Egypte zullen komen, zodat het land niet door de hongersnood wordt weggevaagd.” Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | הָאֹ֤כֶל (haokhel) = het voedsel | לְפִקָּדוֹן֙ (lefiqadon) = tot voorraad | לָאָ֔רֶץ (laarets) = voor het land | לְשֶׁ֨בַע֙ (lesheva) = voor zeven | שְׁנֵ֣י (shenei) = jaren van | הָרָעָ֔ב (haraav) = de honger | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תִּהְיֶ֖יןָ (tihyeina) = ze zullen zijn | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִכָּרֵ֥ת (tikaret) = het zal worden afgesneden | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | בָּרָעָֽב (baraav) = door de honger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 47:13–25; Jub 40:4 ### Jozef wordt tweede man in Egypte **41:37** De zaak was goed in de ogen van de farao en in de ogen van al zijn dienaren. Brontekst: וַיִּיטַ֥ב (vayitav) = en het was goed | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = het woord | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | פַרְעֹ֑ה (paro) = farao | וּבְעֵינֵ֖י (uveeinei) = en in de ogen van | כָּל (kal) = al | עֲבָדָֽיו (avadav) = zijn dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 49:1–11 zegt dat de farao zijn hoge ambtenaren raadpleegde en dat zij bezwaar maakten, omdat niemand tweede man van Egypte kon zijn die niet alle zeventig talen sprak. Jasher 49:13–17 zegt dat een engel van Yahweh Jozef die nacht alle talen leerde en hem Jehosef noemde (zie Ps. 81:6). Zie ook: Jub 40:5; Jas 49:1–11; Jas 49:13–17; 2 Sam 3:36; Ps 81:7; Ps 105:19; Spr 10:20; Spr 25:11; Hand 7:10 **41:38** De farao zei tegen zijn dienaren: „Zullen we iemand als deze vinden, een man in wie de geest van Elohim is?” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | אֶל (el) = tot | עֲבָדָ֑יו (avadav) = zijn dienaren | הֲנִמְצָ֣א (hanimtsa) = zullen we vinden | כָזֶ֔ה (kaze) = zoals deze | אִ֕ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | ר֥וּחַ (ruach) = geest van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בּֽוֹ (bo) = in hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אשׁר רוח אלהים בו (asher ruach Elohim bo), ‘in wie de geest van Elohim is’: zie 1:2; Ex. 31:3. Zie ook: Gen 1:2; Jub 40:5; Job 32:8; Ex 31:3; Num 27:18; Dan 4:15; Dan 5:11; Dan 5:14 **41:39** De farao zei tegen Jozef: „Nu Elohim je dit alles heeft laten weten, is er niemand zo verstandig en wijs als jij. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹה֙ (paro) = farao | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | אַחֲרֵ֨י (acharei) = nadat | הוֹדִ֧יעַ (hodia) = heeft laten weten | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | אוֹתְךָ֖ (otekha) = je | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | זֹ֑את (zot) = dit | אֵין (ein) = niet is | נָב֥וֹן (navon) = verstandig | וְחָכָ֖ם (vechakham) = en wijs | כָּמֽוֹךָ (kamokha) = zoals jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 41:16; Gen 41:25; Gen 41:28; Gen 41:33; Jub 40:5 **41:40** Jij zult over mijn huis zijn, en op je woord zal heel mijn volk zich schikken. Alleen de troon zal ik groter zijn dan jij.” Brontekst: אַתָּה֙ (ata) = jij | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = je zult zijn | עַל (al) = over | בֵּיתִ֔י (beiti) = mijn huis | וְעַל (veal) = en op | פִּ֖יךָ (pikha) = je mond | יִשַּׁ֣ק (yishaq) = zal zich schikken | כָּל (kal) = heel | עַמִּ֑י (ami) = mijn volk | רַ֥ק (raq) = alleen | הַכִּסֵּ֖א (hakise) = de troon | אֶגְדַּ֥ל (egdal) = zal ik groter zijn | מִמֶּֽךָּ (mimeka) = dan jij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ועל פיך ישׁק (ve’al pikha yishshaq kol ammi), ‘en op je woord zal heel mijn volk zich schikken’: de betekenis van yishshaq is onzeker: ‘zich schikken’ of ‘kussen’. רק הכסא אגדל ממך (raq hakkisse eggdal mimmekha), ‘alleen de troon zal ik groter zijn dan jij’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 49:21–22 geeft dezelfde woorden van de farao. Zie ook: Gen 45:8–9; Jub 40:6; Jas 49:21–22; Ps 105:21–22; Spr 22:29; Dan 5:29; Hand 7:10 **41:41** De farao zei tegen Jozef: „Zie, ik stel jou aan over heel het land Egypte.” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | רְאֵה֙ (ree) = zie | נָתַ֣תִּי (natati) = ik heb gesteld | אֹֽתְךָ֔ (otekha) = jou | עַ֖ל (al) = over | כָּל (kal) = heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 42:6; Jub 40:6; Dan 3:32–33; Dan 6:4; Mat 28:18; Fil 2:9–11 **41:42** De farao trok zijn zegelring van zijn hand en deed die aan de hand van Jozef. Hij liet hem kleren van fijn linnen aantrekken en deed een gouden keten om zijn hals. Brontekst: וַיָּ֨סַר (vayasar) = en hij nam weg | פַּרְעֹ֤ה (paro) = farao | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | טַבַּעְתּוֹ֙ (tabato) = zijn zegelring | מֵעַ֣ל (meal) = van op | יָד֔וֹ (yado) = zijn hand | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en hij gaf | אֹתָ֖הּ (otah) = hem | עַל (al) = op | יַ֣ד (yad) = hand van | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַיַּלְבֵּ֤שׁ (vayalbesh) = en hij kleedde | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | בִּגְדֵי (bigdei) = kleren van | שֵׁ֔שׁ (shesh) = fijn linnen | וַיָּ֛שֶׂם (vayasem) = en hij legde | רְבִ֥ד (revid) = keten van | הַזָּהָ֖ב (hazahav) = het goud | עַל (al) = op | צַוָּארֽוֹ (tsavaro) = zijn hals Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: את טבעתו (et tabba’to), ‘zijn zegelring’: Jasher 49:23 noemt ring, kleed en gouden keten; Jubileeën 40:7 noemt kleding van fijn linnen en een gouden keten om zijn nek. בגדי שׁשׁ (bigdei shesh), ‘kleren van fijn linnen’: zie Ex. 25:4. Zie ook: Jub 40:6; Jub 40:7; Jas 49:23; Ex 25:4; Dan 5:7; Dan 5:16; Dan 5:29; Est 3:10; Est 8:2 **41:43** Hij liet hem rijden in de tweede wagen die hij had, en men riep voor hem uit: „Avrek!” Zo stelde hij hem aan over heel het land Egypte. Brontekst: וַיַּרְכֵּ֣ב (vayarkev) = en hij liet hem rijden | אֹת֗וֹ (oto) = hem | בְּמִרְכֶּ֤בֶת (bemirkevet) = in wagen van | הַמִּשְׁנֶה֙ (hamishne) = de tweede | אֲשֶׁר (asher) = die | ל֔וֹ (lo) = hij had | וַיִּקְרְא֥וּ (vayiqreu) = en ze riepen | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor hem | אַבְרֵ֑ךְ (avrekh) = Avrek | וְנָת֣וֹן (venaton) = en hij stelde | אֹת֔וֹ (oto) = hem | עַ֖ל (al) = over | כָּל (kal) = heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: במרכבת המשׁנה (bemirkevet hammishneh), ‘in de tweede wagen’: de wagen van de tweede man. אברך (avrekh), ‘Avrek’: de betekenis is onduidelijk, misschien Egyptisch voor ‘let op’, of Hebreeuws voor ‘kniel’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 49:24–29 beschrijft de optocht met paard, muziek en heralden. Zie ook: Gen 42:30; Gen 42:33; Gen 45:8; Gen 45:26; Jub 40:6; Jub 40:7; Jas 49:24–29; Hand 7:10 **41:44** De farao zei tegen Jozef: „Ik ben de farao. Zonder jou zal niemand zijn hand of voet opheffen in heel het land Egypte.” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹ֛ה (paro) = farao | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | אֲנִ֣י (ani) = ik | פַרְעֹ֑ה (paro) = farao | וּבִלְעָדֶ֗יךָ (uviladeikha) = en zonder jou | לֹֽא (lo) = niet | יָרִ֨ים (yarim) = zal opheffen | אִ֧ישׁ (ish) = man | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יָד֛וֹ (yado) = zijn hand | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | רַגְל֖וֹ (raglo) = zijn voet | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אני פרעה (ani Par’oh), ‘ik ben de farao’: Jasher 49:37 geeft dezelfde woorden. Zie ook: Jas 49:37; Ex 11:7; Ps 105:22 **41:45** De farao noemde Jozef Safnat-Paänea en gaf hem Asenat, de dochter van Potifera, de priester van On, tot vrouw. Zo trok Jozef uit over het land Egypte. Brontekst: וַיִּקְרָ֨א (vayiqra) = en hij noemde | פַרְעֹ֣ה (paro) = farao | שֵׁם (shem) = naam van | יוֹסֵף֮ (yosef) = Jozef | צָֽפְנַ֣ת (tsafenat) = Safnat | פַּעְנֵחַ֒ (paneach) = Paänea | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | ל֣וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָֽסְנַ֗ת (asenat) = Asenat | בַּת (bat) = dochter van | פּ֥וֹטִי (poti) = Poti | פֶ֛רַע (pera) = Fera | כֹּהֵ֥ן (kohen) = priester van | אֹ֖ן (on) = On | לְאִשָּׁ֑ה (leisha) = tot vrouw | וַיֵּצֵ֥א (vayetse) = en hij ging uit | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | עַל (al) = over | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie On: On (Heliopolis) lag in het noorden van Egypte, ten noordoosten van het huidige Caïro. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: צפנת פענח (Tsafnat Pa’neach), ‘Safnat-Paänea’: een Egyptische naam van onzekere betekenis; vaak uitgelegd als ‘God spreekt en leeft’. אסנת בת פוטי פרע כהן אן (Asenat bat Poti Fera kohen On), ‘Asenat, dochter van Potifera, priester van On’: On is Heliopolis, ongeveer 10 km ten noordoosten van het centrum van het huidige Caïro. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 40:10 noemt hem Sefantifans. Jasher 49:36 zegt dat de farao Potifera, de zoon van Ahiram, priester van On, liet komen en zijn jonge dochter Asenat aan Jozef gaf. Zie ook: Gen 46:20; Jub 40:10; Jub 44:24; Jas 49:36; Ex 2:16; 2 Sam 20:26; Ezech 30:17; Luc 2:1 **41:46** Jozef was dertig jaar oud toen hij voor de farao, de koning van Egypte, stond. Jozef ging van het aangezicht van de farao weg en trok door heel het land Egypte. Brontekst: וְיוֹסֵף֙ (veyosef) = en Jozef | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | בְּעָמְד֕וֹ (beamedo) = bij zijn staan | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | פַּרְעֹ֣ה (paro) = farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיֵּצֵ֤א (vayetse) = en hij ging uit | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | מִלִּפְנֵ֣י (milifnei) = van voor | פַרְעֹ֔ה (paro) = farao | וַֽיַּעְבֹ֖ר (vayavor) = en hij trok door | בְּכָל (bekhal) = heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בן שׁלשׁים שׁנה (ben sheloshim shanah), ‘dertig jaar oud’: zie 37:2. Voetnoot Aanvullend: Jasher 49:38 en Jubileeën 40:11 zeggen ook dat Jozef dertig was. Jasher 58:1 noemt Jozef eenenzeventig jaar, tweeëndertig jaar nadat Israël naar Egypte afdaalde; dat past bij Genesis 41:46 en 45:6. Zie ook: Gen 37:2; Gen 45:6; Jub 40:11; Jas 49:38; Jas 58:1; 1 Sam 16:21; 2 Sam 5:4; 1 Kon 12:6; Dan 1:19 **41:47** In de zeven jaren van overvloed bracht het land het bij handenvol voort. Brontekst: וַתַּ֣עַשׂ (vataas) = en het bracht voort | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | בְּשֶׁ֖בַע (besheva) = in zeven | שְׁנֵ֣י (shenei) = jaren van | הַשָּׂבָ֑ע (hasava) = de overvloed | לִקְמָצִֽים (liqmatsim) = bij handenvol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לקמצים (liqmatsim), ‘bij handenvol’: Jasher 50:7 zegt dat Yahweh de oogst in die zeven jaren zegende en dat men at tot verzadiging. Zie ook: Gen 26:12; Jub 40:12; Jas 50:7; Ps 72:16 **41:48** Hij verzamelde al het voedsel van de zeven jaren die er in het land Egypte waren en legde voedsel op in de steden: in elke stad het voedsel van de velden rondom die stad. Brontekst: וַיִּקְבֹּ֞ץ (vayiqbots) = en hij verzamelde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | אֹ֣כֶל (okhel) = voedsel van | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֗ים (shanim) = jaren | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הָיוּ֙ (hayu) = ze waren | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij legde | אֹ֖כֶל (okhel) = voedsel | בֶּעָרִ֑ים (bearim) = in de steden | אֹ֧כֶל (okhel) = voedsel van | שְׂדֵה (sede) = veld van | הָעִ֛יר (hair) = de stad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | סְבִיבֹתֶ֖יהָ (sevivoteiha) = rondom haar | נָתַ֥ן (natan) = hij legde | בְּתוֹכָֽהּ (betokhah) = in haar midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:34–36; Gen 47:21; Jub 40:13 **41:49** Jozef stapelde graan op als het zand van de zee, zeer veel, tot men ophield met tellen, want er was geen getal aan. Brontekst: וַיִּצְבֹּ֨ר (vayitsbor) = en hij stapelde op | יוֹסֵ֥ף (yosef) = Jozef | בָּ֛ר (bar) = graan | כְּח֥וֹל (kechol) = als zand van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | הַרְבֵּ֣ה (harbe) = zeer veel | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | עַ֛ד (ad) = tot | כִּי (ki) = dat | חָדַ֥ל (chadal) = hij ophield | לִסְפֹּ֖ר (lispor) = om te tellen | כִּי (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = niet is | מִסְפָּֽר (mispar) = getal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כחול הים (kechol hayyam), ‘als het zand van de zee’: zie 22:17; 32:13. Voetnoot Aanvullend: Jasher 50:10–14 zegt dat Jozef zoveel graan opsloeg dat het niet te tellen was, dat de Egyptenaren ook zelf opsloegen, maar niet zoals hij, en dat Jozef de schuren sloot en bewakers plaatste. Zie ook: Gen 22:17; Gen 32:13; Jub 40:13; Jas 50:10–14; Re 6:5; Re 7:12; 1 Sam 13:5; Ps 78:27 ### Manasse en Efraïm **41:50** Voordat de jaren van hongersnood kwamen, werden Jozef twee zonen geboren, die Asenat, de dochter van Potifera, de priester van On, hem baarde. Brontekst: וּלְיוֹסֵ֤ף (uleyosef) = en aan Jozef | יֻלַּד֙ (yulad) = werden geboren | שְׁנֵ֣י (shenei) = twee | בָנִ֔ים (banim) = zonen | בְּטֶ֥רֶם (beterem) = voordat | תָּב֖וֹא (tavo) = zou komen | שְׁנַ֣ת (shenat) = jaar van | הָרָעָ֑ב (haraav) = de honger | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יָֽלְדָה (yaleda) = baarde | לּוֹ֙ (lo) = hem | אָֽסְנַ֔ת (asenat) = Asenat | בַּת (bat) = dochter van | פּ֥וֹטִי (poti) = Poti | פֶ֖רַע (pera) = Fera | כֹּהֵ֥ן (kohen) = priester van | אֽוֹן (on) = On Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie On: On (Heliopolis) lag in het noorden van Egypte, ten noordoosten van het huidige Caïro. Voetnoot Aanvullend: Jasher 50:15–17 zegt dat Jozef vierendertig was toen Asenat Manasse en Efraïm baarde, en dat de jongens zijn weg volgden. Zie ook: Gen 41:45; Gen 46:20; Gen 48:5; Jas 50:15–17; 2 Sam 8:18 **41:51** Jozef noemde de eerstgeborene Manasse, „want Elohim heeft mij al mijn moeite en heel het huis van mijn vader doen vergeten.” Brontekst: וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij noemde | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֵׁ֥ם (shem) = naam van | הַבְּכ֖וֹר (habekhor) = de eerstgeborene | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | כִּֽי (ki) = want | נַשַּׁ֤נִי (nashani) = heeft doen vergeten | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | עֲמָלִ֔י (amali) = mijn moeite | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | בֵּ֥ית (beit) = huis van | אָבִֽי (avi) = mijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מנשׁה (Menasheh), ‘Manasse’: ‘hij die doet vergeten’. נשׁני (nashshani), ‘heeft mij doen vergeten’: het werkwoord nashah klinkt in de naam door. Zie ook: Gen 41:30; Deut 33:17; Ps 30:6; Ps 30:12; Spr 31:7 **41:52** De tweede noemde hij Efraïm, „want Elohim heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ellende.” Brontekst: וְאֵ֛ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שֵׁ֥ם (shem) = naam van | הַשֵּׁנִ֖י (hasheni) = de tweede | קָרָ֣א (qara) = hij noemde | אֶפְרָ֑יִם (efrayim) = Efraïm | כִּֽי (ki) = want | הִפְרַ֥נִי (hifrani) = heeft vruchtbaar gemaakt | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | עָנְיִֽי (aneyi) = mijn ellende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אפרים (Efrayim), ‘Efraïm’: verwant aan parah, ‘vruchtbaar zijn’. הפרני (hifrani), ‘heeft mij vruchtbaar gemaakt’: zie 17:6; 48:4. Zie ook: Gen 17:6; Gen 48:4; Gen 49:22; Gen 50:23; Amos 6:6; Jes 40:1–2 ### De hongersnood begint **41:53** De zeven jaren van overvloed in het land Egypte kwamen ten einde. Brontekst: וַתִּכְלֶ֕ינָה (vatikhleina) = en ze eindigden | שֶׁ֖בַע (sheva) = zeven | שְׁנֵ֣י (shenei) = jaren van | הַשָּׂבָ֑ע (hasava) = de overvloed | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָיָ֖ה (haya) = was | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:29–31; Jub 41:22; Ps 73:20; Luc 16:25 **41:54** De zeven jaren van hongersnood begonnen te komen, zoals Jozef gezegd had. Er was hongersnood in alle landen, maar in heel het land Egypte was er brood. Brontekst: וַתְּחִלֶּ֜ינָה (vatechileina) = en ze begonnen | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שְׁנֵ֤י (shenei) = jaren van | הָרָעָב֙ (haraav) = de honger | לָב֔וֹא (lavo) = om te komen | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | אָמַ֣ר (amar) = hij had gezegd | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | רָעָב֙ (raav) = honger | בְּכָל (bekhal) = in alle | הָ֣אֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | וּבְכָל (uvekhal) = en in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | הָ֥יָה (haya) = was | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ויהי רעב בכל הארצות (vayehi ra’av bekhol ha’aratsot), ‘er was hongersnood in alle landen’: zie 12:10; 26:1; 47:13. Voetnoot Aanvullend: Jasher 48:1 zegt dat Yahweh na Isaaks dood een hongersnood over de aarde beval. Jasher 50:18–24 zegt dat het voedsel dat de Egyptenaren zelf hadden opgeslagen vol ongedierte bleek te zijn. Zie ook: Gen 12:10; Gen 26:1; Gen 41:30; Gen 42:5–6; Gen 45:11; Gen 47:13; Jub 42:1; Jas 48:1; Jas 50:18–24; Ps 105:16; Hand 7:11 **41:55** Toen heel het land Egypte honger kreeg, riep het volk de farao om brood. De farao zei tegen heel Egypte: „Ga naar Jozef; wat hij jullie zegt, doe dat.” Brontekst: וַתִּרְעַב֙ (vatirav) = en het kreeg honger | כָּל (kal) = heel | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיִּצְעַ֥ק (vayitsaq) = en het riep | הָעָ֛ם (haam) = het volk | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | לַלָּ֑חֶם (lalachem) = om brood | וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹ֤ה (paro) = farao | לְכָל (lekhal) = tot heel | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | לְכ֣וּ (lekhu) = gaat | אֶל (el) = naar | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | אֲשֶׁר (asher) = wat | יֹאמַ֥ר (yomar) = hij zal zeggen | לָכֶ֖ם (lakhem) = tot jullie | תַּעֲשֽׂוּ (taasu) = jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: לכו אל יוסף אשׁר יאמר לכם תעשׂו (lekhu el Yosef asher yomar lakhem ta’asu), ‘ga naar Jozef; wat hij jullie zegt, doe dat’: Jasher 50:25 zegt dat de farao het volk naar Jozef stuurde. Zie ook: Jas 50:25; Ps 105:20–22; 2 Kon 6:25–29; Jer 14:1–6; Mat 3:17; Mat 17:5 **41:56** De hongersnood was over heel het aardoppervlak. Jozef opende alles wat daarin was en verkocht graan aan Egypte, want de hongersnood werd zwaar in het land Egypte. Brontekst: וְהָרָעָ֣ב (veharaav) = en de honger | הָיָ֔ה (haya) = was | עַ֖ל (al) = over | כָּל (kal) = heel | פְּנֵ֣י (penei) = oppervlak van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיִּפְתַּ֨ח (vayiftach) = en hij opende | יוֹסֵ֜ף (yosef) = Jozef | אֶֽת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | בָּהֶם֙ (bahem) = in hen | וַיִּשְׁבֹּ֣ר (vayishbor) = en hij verkocht graan | לְמִצְרַ֔יִם (lemitsrayim) = aan Egypte | וַיֶּחֱזַ֥ק (vayechezaq) = en hij werd sterk | הָֽרָעָ֖ב (haraav) = de honger | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ויפתח יוסף את כל אשׁר בהם (vayiftach Yosef et kol asher bahem), ‘Jozef opende alles wat daarin was’: wat geopend werd, staat er niet; gewoonlijk gelezen als de voorraadschuren. וישׁבר (vayishbor), ‘en hij verkocht graan’: shavar, ‘koopwaar verkopen’; zie 42:6. Zie ook: Gen 42:6; Gen 47:14–24; Jub 42:3; Zach 5:3; Luc 21:35; Hand 17:26 **41:57** Heel de aarde kwam naar Egypte om bij Jozef graan te kopen, want de hongersnood was zwaar over heel de aarde. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | בָּ֣אוּ (bau) = ze kwamen | מִצְרַ֔יְמָה (mitsrayma) = naar Egypte | לִשְׁבֹּ֖ר (lishbor) = om graan te kopen | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | כִּֽי (ki) = want | חָזַ֥ק (chazaq) = hij was sterk | הָרָעָ֖ב (haraav) = de honger | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 41:54; Gen 41:56; Gen 42:1; Gen 42:5; Jub 42:3; Ps 105:16–17 ## Genesis 42 _Jozefs broers in Egypte; Simeon_ ### De broers gaan naar Egypte **42:1** Jakob zag dat er graan was in Egypte, en Jakob zei tegen zijn zonen: „Waarom kijken jullie elkaar aan?” Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en hij zag | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | כִּ֥י (ki) = dat | יֶשׁ (yesh) = er is | שֶׁ֖בֶר (shever) = graan | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | לְבָנָ֔יו (levanav) = tot zijn zonen | לָ֖מָּה (lama) = waarom | תִּתְרָאֽוּ (titrau) = kijken jullie elkaar aan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שׁבר (sheber), ‘graan’: zie vers 2; 41:57. למה תתראו (lammah titra’u), ‘waarom kijken jullie elkaar aan?’: zij staan besluiteloos te kijken terwijl er elders graan is. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:1–3 laat Jakob zeggen dat zij zich niet verzadigd mogen tonen voor de ogen van de hele aarde. Jubileeën 42:1–4 zegt dat de hongersnood begon in het eerste jaar van de derde jaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar en dat er geen regen viel. Zie ook: Gen 41:54; Gen 41:57; Gen 42:2; Jub 42:1–4; Jub 42:4; Jas 51:1–3; Joz 7:10; 2 Kon 8:3–4; Hand 7:12; Gal 2:7 **42:2** En hij zei: „Zie, ik heb gehoord dat er graan is in Egypte. Ga daarheen af en koop voor ons graan vandaar, dan blijven we leven en sterven we niet.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | שָׁמַ֔עְתִּי (shamati) = ik heb gehoord | כִּ֥י (ki) = dat | יֶשׁ (yesh) = er is | שֶׁ֖בֶר (shever) = graan | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | רְדוּ (redu) = gaat af | שָׁ֨מָּה֙ (shama) = daarheen | וְשִׁבְרוּ (veshivru) = en koopt | לָ֣נוּ (lanu) = voor ons | מִשָּׁ֔ם (misham) = vandaar | וְנִחְיֶ֖ה (venichye) = dan blijven we leven | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נָמֽוּת (namut) = sterven we Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 43:2; Gen 43:8; Gen 45:9; Jub 42:4; Jes 38:1; Mat 4:4 **42:3** Tien broers van Jozef gingen af om graan te kopen uit Egypte. Brontekst: וַיֵּרְד֥וּ (vayeredu) = en ze gingen af | אֲחֵֽי (achei) = broers van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | עֲשָׂרָ֑ה (asara) = tien | לִשְׁבֹּ֥ר (lishbor) = om te kopen | בָּ֖ר (bar) = graan | מִמִּצְרָֽיִם (mimitsrayim) = uit Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אחי יוסף עשׂרה (achei Yosef asarah), ‘tien broers van Jozef’: Benjamin blijft thuis, zie vers 4. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:4 zegt dat Jakob hun gebood niet samen door één poort de stad in te gaan, vanwege de bewoners van het land. Zie ook: Gen 42:4; Gen 42:5; Gen 42:13; Jub 42:4; Jas 51:4 **42:4** Maar Benjamin, de broer van Jozef, zond Jakob niet met zijn broers mee, want hij zei: „Dat hem geen ramp treft.” Brontekst: וְאֶת (veet) = en | בִּנְיָמִין֙ (binyamin) = Benjamin | אֲחִ֣י (achi) = broer van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | לֹא (lo) = niet | שָׁלַ֥ח (shalach) = hij zond | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶחָ֑יו (echav) = zijn broers | כִּ֣י (ki) = want | אָמַ֔ר (amar) = hij zei | פֶּן (pen) = opdat niet | יִקְרָאֶ֖נּוּ (yiqraenu) = hem treft | אָסֽוֹן (ason) = een ramp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פן יקראנו אסון (pen yiqra’ennu ason), ‘dat hem geen ramp treft’: ason, ‘ramp’, komt ook voor in vers 38 en in 44:29. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:5 geeft dezelfde reden: dat hem onderweg geen ongeluk zou overkomen. Zie ook: Gen 11:4; Gen 42:38; Gen 43:14; Gen 44:20–22; Gen 44:27–34; Gen 44:29; Jub 42:4; Jas 51:5 **42:5** Zo kwamen de zonen van Israël graan kopen, te midden van de mensen die kwamen, want de honger was in het land Kanaän. Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en ze kwamen | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לִשְׁבֹּ֖ר (lishbor) = om te kopen | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | הַבָּאִ֑ים (habaim) = de komenden | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֥ה (haya) = was | הָרָעָ֖ב (haraav) = de honger | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Gen 12:10; Gen 26:1; Gen 41:57; Hand 7:11; Hand 11:28 **42:6** Jozef was de machthebber over het land; hij was het die graan verkocht aan al het volk van het land. De broers van Jozef kwamen en bogen zich voor hem neer, met het gezicht naar de aarde. Brontekst: וְיוֹסֵ֗ף (veyosef) = en Jozef | ה֚וּא (hu) = hij | הַשַּׁלִּ֣יט (hashalit) = de machthebber | עַל (al) = over | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | ה֥וּא (hu) = hij | הַמַּשְׁבִּ֖יר (hamashbir) = de verkoper | לְכָל (lekhal) = aan heel | עַ֣ם (am) = volk van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en ze kwamen | אֲחֵ֣י (achei) = broers van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | וַיִּשְׁתַּֽחֲווּ (vayishtachavu) = en ze bogen zich | ל֥וֹ (lo) = voor hem | אַפַּ֖יִם (apayim) = gezicht | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: השׁליט (hashallit), ‘de machthebber’: zie 41:40–44. וישׁתחוו לו אפים ארצה (vayishtachavu lo apayim artsah), ‘zij bogen zich voor hem neer, met het gezicht naar de aarde’: de vervulling van de dromen in 37:7, 9; zie ook 43:26; 43:28. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:6–20 vertelt dat de broers onderweg besloten Jozef te zoeken en te bevrijden, dat zij door tien poorten binnengingen, dat Jozef de namen liet noteren en alle graanschuren op één na sloot en dat zij drie dagen naar hem zochten in de huizen van de hoeren. Zie ook: Gen 19:1; Gen 37:7–10; Gen 37:9; Gen 41:40–44; Gen 43:26; Gen 43:28; Gen 44:14; Gen 45:26; Jub 42:5; Jas 51:6–20; Openb 3:9 ### Jozef zet zijn broers op de proef **42:7** Jozef zag zijn broers en herkende hen, maar hij maakte zich aan hen onbekend en sprak hard met hen. Hij zei tegen hen: „Waar komen jullie vandaan?” Zij zeiden: „Uit het land Kanaän, om voedsel te kopen.” Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en hij zag | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | וַיַּכִּרֵ֑ם (vayakirem) = en hij herkende hen | וַיִּתְנַכֵּ֨ר (vayitnaker) = en hij maakte zich onbekend | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = aan hen | וַיְדַבֵּ֧ר (vaydaber) = en hij sprak | אִתָּ֣ם (itam) = met hen | קָשׁ֗וֹת (qashot) = hard | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | מֵאַ֣יִן (meayin) = vanwaar | בָּאתֶ֔ם (batem) = zijn jullie gekomen | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en ze zeiden | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land | כְּנַ֖עַן (kenaan) = Kanaän | לִשְׁבָּר (lishbar) = om te kopen | אֹֽכֶל (okhel) = voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: ויתנכר (vayitnakker), ‘hij maakte zich onbekend’: dezelfde wortel als in het volgende vers, waar hikkir ‘herkennen’ betekent. קשׁות (qashot), ‘hard’: zie vers 30. Zie ook: Gen 42:9–12; Gen 42:14–17; Gen 42:19–20; Gen 42:30; Jub 42:5; Mat 15:23–26 **42:8** Jozef herkende zijn broers, maar zij herkenden hem niet. Brontekst: וַיַּכֵּ֥ר (vayaker) = en hij herkende | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶחָ֑יו (echav) = zijn broers | וְהֵ֖ם (vehem) = maar zij | לֹ֥א (lo) = niet | הִכִּרֻֽהוּ (hikiruhu) = herkenden hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:18–20 zegt dat Jozef in vorstelijke kleren op zijn troon zat met een grote gouden kroon, en dat zij hem daarom niet herkenden. Zie ook: Gen 37:2; Jub 42:5; Jas 51:18–20; Luc 24:16; Joh 20:14; Joh 21:4 **42:9** Jozef herinnerde zich de dromen die hij over hen gedroomd had. Hij zei tegen hen: „Spionnen zijn jullie! Jullie zijn gekomen om de blote plek van het land te zien.” Brontekst: וַיִּזְכֹּ֣ר (vayizkor) = en hij herinnerde zich | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | אֵ֚ת (et) = (lijdend voorwerp) | הַחֲלֹמ֔וֹת (hachalomot) = de dromen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חָלַ֖ם (chalam) = hij gedroomd had | לָהֶ֑ם (lahem) = over hen | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | מְרַגְּלִ֣ים (meragelim) = spionnen | אַתֶּ֔ם (atem) = jullie | לִרְא֛וֹת (lirot) = om te zien | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֶרְוַ֥ת (ervat) = de blote plek van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | בָּאתֶֽם (batem) = zijn jullie gekomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויזכר יוסף את החלמות (vayizkor Yosef et hachalomot), ‘Jozef herinnerde zich de dromen’: zie 37:5–10. לראות את ערות הארץ (lir’ot et ervat ha’arets), ‘om de blote plek van het land te zien’: ervah is ‘naaktheid’, de onbeschermde plek; zie vers 12. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:21–32 geeft een lang gesprek: Jozef verwijt hun dat zij de tien poorten namen en in de huizen van de hoeren zochten. Zie ook: Gen 37:5–9; Gen 42:12; Gen 42:30–31; Gen 42:34; Jas 51:21–32; Ex 32:35; 1 Sam 26:4 **42:10** Zij zeiden tegen hem: „Nee, mijn heer! Uw dienaren zijn gekomen om voedsel te kopen. Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en ze zeiden | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | לֹ֣א (lo) = nee | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | וַעֲבָדֶ֥יךָ (vaavadeikha) = en uw dienaren | בָּ֖אוּ (bau) = zijn gekomen | לִשְׁבָּר (lishbar) = om te kopen | אֹֽכֶל (okhel) = voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:37; Gen 37:8; Gen 44:9; 1 Sam 26:17; 1 Kon 18:7 **42:11** Wij zijn allen zonen van één man; wij zijn eerlijke mannen. Uw dienaren zijn nooit spionnen geweest.” Brontekst: כֻּלָּ֕נוּ (kulanu) = wij allen | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אִישׁ (ish) = een man | אֶחָ֖ד (echad) = één | נָ֑חְנוּ (nachenu) = wij | כֵּנִ֣ים (kenim) = eerlijk | אֲנַ֔חְנוּ (anachnu) = wij | לֹא (lo) = niet | הָי֥וּ (hayu) = zijn geweest | עֲבָדֶ֖יךָ (avadeikha) = uw dienaren | מְרַגְּלִֽים (meragelim) = spionnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כנים (kenim), ‘eerlijk’: hetzelfde woord in de verzen 19, 31, 33 en 34. Zie ook: Gen 42:19; Gen 42:33–34; Joh 7:18; 2 Kor 6:4 **42:12** Maar hij zei tegen hen: „Nee! De blote plek van het land zijn jullie komen zien.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = tot hen | לֹ֕א (lo) = nee | כִּֽי (ki) = maar | עֶרְוַ֥ת (ervat) = de blote plek van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | בָּאתֶ֥ם (batem) = zijn jullie gekomen | לִרְאֽוֹת (lirot) = om te zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **42:13** Zij zeiden: „Twaalf broers zijn wij, uw dienaren, zonen van één man in het land Kanaän. En zie, de jongste is vandaag bij onze vader, en de een is er niet meer.” Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en ze zeiden | שְׁנֵ֣ים (sheneim) = twaalf | עָשָׂר֩ (asar) = (tien) | עֲבָדֶ֨יךָ (avadeikha) = uw dienaren | אַחִ֧ים (achim) = broers | אֲנַ֛חְנוּ (anachnu) = wij | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אִישׁ (ish) = man | אֶחָ֖ד (echad) = één | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | הַקָּטֹ֤ן (haqaton) = de jongste | אֶת (et) = bij | אָבִ֨ינוּ֙ (avinu) = onze vader | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | וְהָאֶחָ֖ד (vehaechad) = en de een | אֵינֶֽנּוּ (einenu) = is er niet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: שׁנים עשׂר (shenim asar), ‘twaalf’: Jakob had twaalf zonen, zie 35:22–26. והאחד איננו (vehe’echad enennu), ‘en de een is er niet meer’: de broers zeggen dit over Jozef, voor zijn eigen ogen; zie 37:30. Zie ook: Gen 35:22–26; Gen 37:30; Gen 42:32; Gen 43:7; Gen 44:20; Num 1:1–54 **42:14** Jozef zei tegen hen: „Het is zoals ik jullie gezegd heb: spionnen zijn jullie. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֖ם (alehem) = tot hen | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | ה֗וּא (hu) = dat is het | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | דִּבַּ֧רְתִּי (dibarti) = ik gesproken heb | אֲלֵכֶ֛ם (alekhem) = tot jullie | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggend | מְרַגְּלִ֥ים (meragelim) = spionnen | אַתֶּֽם (atem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:9–11; Job 13:24; Job 19:11; Mat 15:21–28 **42:15** Hierdoor zullen jullie op de proef gesteld worden: bij het leven van de farao, jullie gaan hier niet weg, tenzij jullie jongste broer hierheen komt. Brontekst: בְּזֹ֖את (bezot) = hierdoor | תִּבָּחֵ֑נוּ (tibachenu) = zullen jullie getoetst worden | חֵ֤י (chei) = leven van | פַרְעֹה֙ (paro) = de farao | אִם (im) = als | תֵּצְא֣וּ (tetseu) = jullie weggaan | מִזֶּ֔ה (mize) = vandaar | כִּ֧י (ki) = maar | אִם (im) = als | בְּב֛וֹא (bevo) = bij het komen van | אֲחִיכֶ֥ם (achikhem) = jullie broer | הַקָּטֹ֖ן (haqaton) = de jongste | הֵֽנָּה (hena) = hierheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חי פרעה (chei Par’oh), ‘bij het leven van de farao’: een eed; zie vers 16. Zie ook: Gen 42:7; Gen 42:12; Gen 42:16; 1 Sam 17:55; Jer 5:7 **42:16** Zend één van jullie, laat hem jullie broer halen, en jullie blijven gebonden. Dan worden jullie woorden getoetst, of er waarheid bij jullie is. En zo niet, bij het leven van de farao, dan zijn jullie spionnen.” Brontekst: שִׁלְח֨וּ (shilchu) = zendt | מִכֶּ֣ם (mikem) = uit jullie midden | אֶחָד֮ (echad) = één | וְיִקַּ֣ח (veyiqach) = opdat hij haalt | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲחִיכֶם֒ (achikhem) = jullie broer | וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | הֵאָ֣סְר֔וּ (heaseru) = blijft gebonden | וְיִבָּֽחֲנוּ֙ (veyibachanu) = opdat getoetst worden | דִּבְרֵיכֶ֔ם (divreikhem) = jullie woorden | הַֽאֱמֶ֖ת (haemet) = is de waarheid | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = bij jullie | וְאִם (veim) = en als | לֹ֕א (lo) = niet | חֵ֣י (chei) = leven van | פַרְעֹ֔ה (paro) = de farao | כִּ֥י (ki) = dan | מְרַגְּלִ֖ים (meragelim) = spionnen | אַתֶּֽם (atem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויבחנו דבריכם האמת אתכם (veyibbachanu divreichem ha’emet ittekhem), ‘dan worden jullie woorden getoetst, of er waarheid bij jullie is’: de vraag is of hun verhaal klopt; zie vers 20. Zie ook: Gen 42:11; Gen 42:20 **42:17** Hij zette hen samen drie dagen in bewaring. Brontekst: וַיֶּאֱסֹ֥ף (vayeesof) = en hij verzamelde | אֹתָ֛ם (otam) = hen | אֶל (el) = in | מִשְׁמָ֖ר (mishmar) = bewaring | שְׁלֹ֥שֶׁת (sheloshet) = drie | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אל משׁמר (el mishmar), ‘in bewaring’: zie 40:3, 4, 7; 41:10. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:34–36 noemt zeventig sterke mannen van Jozef en laat de broers drie dagen in de bewaring blijven. Zie ook: Gen 40:3; Gen 40:4; Gen 40:7; Gen 41:10; Jub 42:6; Jas 51:34–36; Lev 24:12; Heb 12:10 ### Simeon wordt vastgehouden **42:18** Op de derde dag zei Jozef tegen hen: „Doe dit en blijf leven: Ik vrees Elohim. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֤ם (alehem) = tot hen | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁלִישִׁ֔י (hashelishi) = de derde | זֹ֥את (zot) = dit | עֲשׂ֖וּ (asu) = doet | וִֽחְי֑וּ (vichyu) = en blijft leven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | אֲנִ֥י (ani) = ik | יָרֵֽא (yare) = ben vrezend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: את האלהים אני ירא (et ha’Elohim ani yare), ‘Ik vrees Elohim’: letterlijk ‘Elohim vrees ik’; zie 20:11; Exod. 1:17. Een Egyptische heerser noemt Elohim, en dat past bij 41:39. Zie ook: Gen 20:11; Gen 41:39; Jub 42:6; Ex 1:17; Lev 25:43; Neh 5:15; Luc 18:2; Luc 18:4 **42:19** Als jullie eerlijke mannen zijn, laat dan één van jullie broers gebonden blijven in het huis waar jullie in bewaring zijn. En jullie, ga, breng graan tegen de honger van jullie huizen. Brontekst: אִם (im) = als | כֵּנִ֣ים (kenim) = eerlijk | אַתֶּ֔ם (atem) = jullie | אֲחִיכֶ֣ם (achikhem) = jullie broer | אֶחָ֔ד (echad) = één | יֵאָסֵ֖ר (yeaser) = zal gebonden worden | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | מִשְׁמַרְכֶ֑ם (mishmarkhem) = jullie bewaring | וְאַתֶּם֙ (veatem) = en jullie | לְכ֣וּ (lekhu) = gaat | הָבִ֔יאוּ (haviu) = brengt | שֶׁ֖בֶר (shever) = graan | רַעֲב֥וֹן (raavon) = honger van | בָּתֵּיכֶֽם (bateikhem) = jullie huizen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 40:3; Gen 41:56; Gen 45:23; Jub 42:6; Jes 42:22; Jer 37:15 **42:20** En jullie jongste broer moeten jullie bij mij brengen, dan zullen jullie woorden bevestigd worden en zullen jullie niet sterven.” En zo deden zij. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֲחִיכֶ֤ם (achikhem) = jullie broer | הַקָּטֹן֙ (haqaton) = de jongste | תָּבִ֣יאוּ (taviu) = brengt | אֵלַ֔י (elay) = naar mij | וְיֵאָמְנ֥וּ (veyeamenu) = dan zullen bevestigd worden | דִבְרֵיכֶ֖ם (divreikhem) = jullie woorden | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תָמ֑וּתוּ (tamutu) = zullen jullie sterven | וַיַּעֲשׂוּ (vayaasu) = en ze deden | כֵֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:15; Gen 42:34; Gen 43:5; Gen 43:19; Gen 44:23; Jub 42:6; Jub 42:8 **42:21** Zij zeiden tegen elkaar: „Werkelijk, schuldig zijn wij aan onze broer: wij zagen de nood van zijn ziel toen hij ons om genade smeekte, en wij hoorden niet. Daarom is deze nood over ons gekomen.” Brontekst: וַיֹּאמְר֞וּ (vayomru) = en ze zeiden | אִ֣ישׁ (ish) = een man | אֶל (el) = tot | אָחִ֗יו (achiv) = zijn broer | אֲבָל֮ (aval) = werkelijk | אֲשֵׁמִ֣ים (ashemim) = schuldig | אֲנַחְנוּ֮ (anachnu) = wij | עַל (al) = wegens | אָחִינוּ֒ (achinu) = onze broer | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | רָאִ֜ינוּ (rainu) = wij zagen | צָרַ֥ת (tsarat) = nood van | נַפְשׁ֛וֹ (nafsho) = zijn ziel | בְּהִתְחַֽנְנ֥וֹ (behitchanno) = bij zijn smeken | אֵלֵ֖ינוּ (eleinu) = tot ons | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שָׁמָ֑עְנוּ (shamaenu) = wij hoorden | עַל (al) = wegens | כֵּן֙ (ken) = zo | בָּ֣אָה (baa) = is gekomen | אֵלֵ֔ינוּ (eleinu) = over ons | הַצָּרָ֖ה (hatsara) = de nood | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צרת נפשׁו (tsarat nafsho), ‘de nood van zijn ziel’: Genesis 37 vertelt niet dat Jozef smeekte; dat komt pas hier aan het licht. Zie 37:23–24. Zie ook: Gen 37; Gen 37:23–28; Jub 42:6; Job 36:8–9; Hos 5:15; Mar 9:43–45; Jak 2:13 **42:22** Ruben antwoordde hun: „Heb ik jullie niet gezegd: ‘Zondig niet tegen het kind’? Maar jullie hoorden niet. En zie, zijn bloed wordt geëist.” Brontekst: וַיַּעַן֩ (vayaan) = en hij antwoordde | רְאוּבֵ֨ן (reuven) = Ruben | אֹתָ֜ם (otam) = hen | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | הֲלוֹא֩ (halo) = niet | אָמַ֨רְתִּי (amarti) = ik zei | אֲלֵיכֶ֧ם (aleikhem) = tot jullie | לֵאמֹ֛ר (lemor) = zeggend | אַל (al) = niet | תֶּחֶטְא֥וּ (techetu) = zondigt | בַיֶּ֖לֶד (bayeled) = tegen het kind | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שְׁמַעְתֶּ֑ם (shematem) = jullie hoorden | וְגַם (vegam) = en ook | דָּמ֖וֹ (damo) = zijn bloed | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | נִדְרָֽשׁ (nidrash) = wordt geëist Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אל תחטאו בילד (al techet’u vayyeled), ‘zondig niet tegen het kind’: zie 37:21–22. דמו הנה נדרשׁ (damo hinneh nidrash), ‘zijn bloed wordt geëist’: zie 9:5. Zie ook: Gen 9:5–6; Gen 37:21–22; Jub 42:6; Ps 9:13; 1 Kon 2:32; 2 Kron 24:22 **42:23** Zij wisten niet dat Jozef het verstond, want er was een tolk tussen hen. Brontekst: וְהֵם֙ (vehem) = en zij | לֹ֣א (lo) = niet | יָֽדְע֔וּ (yadeu) = wisten | כִּ֥י (ki) = dat | שֹׁמֵ֖עַ (shomea) = hoorde | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | כִּ֥י (ki) = want | הַמֵּלִ֖יץ (hamelits) = de tolk | בֵּינֹתָֽם (beinotam) = tussen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: המליץ (hamelits), ‘de tolk’: Jozef sprak met hen door een tolk, zodat zij niet merkten dat hij hen verstond. Zie ook: Joh 16:13–14; 2 Kor 5:20 **42:24** Hij wendde zich van hen af en weende. Toen keerde hij naar hen terug en sprak met hen. Hij nam Simeon uit hun midden en bond hem voor hun ogen. Brontekst: וַיִּסֹּ֥ב (vayisov) = en hij wendde zich af | מֵֽעֲלֵיהֶ֖ם (mealeihem) = van hen | וַיֵּ֑בְךְּ (vayevek) = en hij weende | וַיָּ֤שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en hij sprak | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en hij nam | מֵֽאִתָּם֙ (meitam) = van hen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שִׁמְע֔וֹן (shimon) = Simeon | וַיֶּאֱסֹ֥ר (vayeesor) = en hij bond | אֹת֖וֹ (oto) = hem | לְעֵינֵיהֶֽם (leeineihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁמעון (Shim’on), ‘Simeon’: de tweede zoon van Lea, zie 29:33. Jakob noemt Simeon in 49:5–7. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:37–44 vertelt dat Jozef zich terugtrok om te huilen, dat Simeon zich met een luide kreet niet wilde laten binden, dat Jozefs mannen vluchtten en dat Manasse hem met zijn vuist in de nek sloeg en hem bond. Jubileeën 42:6 laat Simeon als enige achter. Zie ook: Gen 29:33; Gen 34:25; Gen 43:30; Gen 45:14–15; Gen 49:5–7; Jub 42:6; Jas 51:37–44; Luc 19:41; Rom 12:15 **42:25** Jozef gaf bevel hun vaten met graan te vullen, ieders geld in zijn zak terug te leggen en hun reisproviand te geven. Zo deed men voor hen. Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en hij gebood | יוֹסֵ֗ף (yosef) = Jozef | וַיְמַלְא֣וּ (vaymalu) = en ze vulden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כְּלֵיהֶם֮ (keleihem) = hun vaten | בָּר֒ (bar) = met graan | וּלְהָשִׁ֤יב (ulehashiv) = en terug te leggen | כַּסְפֵּיהֶם֙ (kaspeihem) = hun geld | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = in | שַׂקּ֔וֹ (saqo) = zijn zak | וְלָתֵ֥ת (velatet) = en te geven | לָהֶ֛ם (lahem) = aan hen | צֵדָ֖ה (tseda) = reisproviand | לַדָּ֑רֶךְ (ladarekh) = voor de weg | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij deed | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | כֵּֽן (ken) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צדה לדרך (tsedah laderekh), ‘reisproviand’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:45–47 zegt dat Jozef hun verbood terug te komen zonder hun broer. Jubileeën 42:7–8 zegt dat zij het geld in hun zakken niet wisten. Zie ook: Gen 45:21; Jub 42:7–8; Jas 51:45–47; Mat 5:44; Mat 6:33; Rom 12:17–21; 1 Petr 3:9 **42:26** Zij laadden hun graan op hun ezels en gingen vandaar. Brontekst: וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en ze laadden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שִׁבְרָ֖ם (shivram) = hun graan | עַל (al) = op | חֲמֹרֵיהֶ֑ם (chamoreihem) = hun ezels | וַיֵּלְכ֖וּ (vayelekhu) = en ze gingen | מִשָּֽׁם (misham) = vandaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **42:27** Toen er een van hen in de herberg zijn zak opende om zijn ezel voer te geven, zag hij zijn geld; en zie, het lag boven in zijn zak. Brontekst: וַיִּפְתַּ֨ח (vayiftach) = en hij opende | הָאֶחָ֜ד (haechad) = de een | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שַׂקּ֗וֹ (saqo) = zijn zak | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | מִסְפּ֛וֹא (mispo) = voer | לַחֲמֹר֖וֹ (lachamoro) = aan zijn ezel | בַּמָּל֑וֹן (bamalon) = in de herberg | וַיַּרְא֙ (vayar) = en hij zag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כַּסְפּ֔וֹ (kaspo) = zijn geld | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | ה֖וּא (hu) = het | בְּפִ֥י (befi) = in de mond van | אַמְתַּחְתּֽוֹ (amtachto) = zijn zak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: במלון (bammalon), ‘in de herberg’: zie 43:21; Exod. 4:24. בפי אמתחתו (befi amtachto), ‘boven in zijn zak’: letterlijk ‘in de mond van zijn zak’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:48 zegt dat dat Levi was. Zie ook: Gen 43:21–22; Gen 44:11; Jas 51:48; Ex 4:24; Luc 2:7; Luc 10:34 **42:28** Hij zei tegen zijn broers: „Mijn geld is teruggebracht! En zie, het is zelfs in mijn zak!” Toen zonk hun hart en zij beefden, de een tegen de ander zeggend: „Wat heeft Elohim ons aangedaan?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֶל (el) = tot | אֶחָיו֙ (echav) = zijn broers | הוּשַׁ֣ב (hushav) = is teruggebracht | כַּסְפִּ֔י (kaspi) = mijn geld | וְגַ֖ם (vegam) = en ook | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | בְאַמְתַּחְתִּ֑י (beamtachti) = in mijn zak | וַיֵּצֵ֣א (vayetse) = en het ging uit | לִבָּ֗ם (libam) = hun hart | וַיֶּֽחֶרְד֞וּ (vayecherdu) = en ze beefden | אִ֤ישׁ (ish) = een man | אֶל (el) = tot | אָחִיו֙ (achiv) = zijn broer | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | מַה (ma) = wat | זֹּ֛את (zot) = dit | עָשָׂ֥ה (asa) = heeft gedaan | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לָֽנוּ (lanu) = aan ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויצא לבם ויחרדו (vayetse libbam vayecheredu), ‘hun hart ging uit en zij beefden’: zij zijn van schrik hun moed kwijt. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:49–52 laat de broers vragen waar de trouw van Yahweh bleef, waarna Juda zegt dat zij schuldig zijn en Ruben aan zijn waarschuwing herinnert. Zie ook: Jas 51:49–52; Lev 26:36; Deut 28:65; 1 Kon 10:5; Jes 45:7; Klaagl 3:37 ### Terug bij Jakob **42:29** Zij kwamen bij hun vader Jakob in het land Kanaän en vertelden hem alles wat hun overkomen was: Brontekst: וַיָּבֹ֛אוּ (vayavou) = en ze kwamen | אֶל (el) = tot | יַעֲקֹ֥ב (yaaqov) = Jakob | אֲבִיהֶ֖ם (avihem) = hun vader | אַ֣רְצָה (artsa) = naar het land | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וַיַּגִּ֣ידוּ (vayagidu) = en ze vertelden | ל֔וֹ (lo) = hem | אֵ֛ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | הַקֹּרֹ֥ת (haqorot) = wat hun overkwam | אֹתָ֖ם (otam) = hen | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Aanvullend: Jasher 51:53–54 zegt dat zij een nacht bleven en de volgende ochtend verder trokken, en dat Jakob hen tegemoet ging en Simeon miste. Zie ook: Jub 42:9; Jas 51:53–54 **42:30** „De man, de heer van het land, sprak hard met ons en hield ons voor spionnen van het land. Brontekst: דִּ֠בֶּר (diber) = sprak | הָאִ֨ישׁ (haish) = de man | אֲדֹנֵ֥י (adonei) = heer van | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | אִתָּ֖נוּ (itanu) = met ons | קָשׁ֑וֹת (qashot) = hard | וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en hij gaf | אֹתָ֔נוּ (otanu) = ons | כִּֽמְרַגְּלִ֖ים (kimragelim) = als spionnen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אתנו קשׁות (ittanu qashot), ‘hard met ons’: zie vers 7. Zie ook: Gen 42:7; Jub 42:9 **42:31** Wij zeiden tegen hem: ‘Wij zijn eerlijke mannen, wij zijn nooit spionnen geweest. Brontekst: וַנֹּ֥אמֶר (vanomer) = en we zeiden | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | כֵּנִ֣ים (kenim) = eerlijk | אֲנָ֑חְנוּ (anachenu) = wij | לֹ֥א (lo) = niet | הָיִ֖ינוּ (hayinu) = wij zijn geweest | מְרַגְּלִֽים (meragelim) = spionnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:11; Jub 42:9 **42:32** Wij zijn twaalf broers, zonen van onze vader; de een is er niet meer, en de jongste is vandaag bij onze vader in het land Kanaän.’ Brontekst: שְׁנֵים (sheneim) = twaalf | עָשָׂ֥ר (asar) = (tien) | אֲנַ֛חְנוּ (anachnu) = wij | אַחִ֖ים (achim) = broers | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אָבִ֑ינוּ (avinu) = onze vader | הָאֶחָ֣ד (haechad) = de een | אֵינֶ֔נּוּ (einenu) = is er niet | וְהַקָּטֹ֥ן (vehaqaton) = en de jongste | הַיּ֛וֹם (hayom) = vandaag | אֶת (et) = bij | אָבִ֖ינוּ (avinu) = onze vader | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Jub 42:9 **42:33** De man, de heer van het land, zei tegen ons: ‘Hieraan zal ik weten dat jullie eerlijke mannen zijn: laat één van jullie broers bij mij achter, neem graan tegen de honger van jullie huizen en ga. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלֵ֗ינוּ (eleinu) = tot ons | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | אֲדֹנֵ֣י (adonei) = heer van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | בְּזֹ֣את (bezot) = hieraan | אֵדַ֔ע (eda) = zal ik weten | כִּ֥י (ki) = dat | כֵנִ֖ים (kenim) = eerlijk | אַתֶּ֑ם (atem) = jullie | אֲחִיכֶ֤ם (achikhem) = jullie broer | הָֽאֶחָד֙ (haechad) = de een | הַנִּ֣יחוּ (hanichu) = laat achter | אִתִּ֔י (iti) = bij mij | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | רַעֲב֥וֹן (raavon) = honger van | בָּתֵּיכֶ֖ם (bateikhem) = jullie huizen | קְח֥וּ (qechu) = neemt | וָלֵֽכוּ (valekhu) = en gaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:15; Gen 42:19–20; Jub 42:9 **42:34** Breng jullie jongste broer bij mij, dan zal ik weten dat jullie geen spionnen zijn maar eerlijke mannen. Jullie broer geef ik jullie terug, en jullie zullen in het land handel drijven.’” Brontekst: וְ֠הָבִיאוּ (vehaviu) = en brengt | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲחִיכֶ֣ם (achikhem) = jullie broer | הַקָּטֹן֮ (haqaton) = de jongste | אֵלַי֒ (elay) = naar mij | וְאֵֽדְעָ֗ה (veedea) = dan zal ik weten | כִּ֣י (ki) = dat | לֹ֤א (lo) = niet | מְרַגְּלִים֙ (meragelim) = spionnen | אַתֶּ֔ם (atem) = jullie | כִּ֥י (ki) = dat | כֵנִ֖ים (kenim) = eerlijk | אַתֶּ֑ם (atem) = jullie | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲחִיכֶם֙ (achikhem) = jullie broer | אֶתֵּ֣ן (eten) = zal ik geven | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | תִּסְחָֽרוּ (tischaru) = zullen jullie handel drijven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 34:10; Gen 34:21; Jub 42:9; 1 Kon 10:15; Ezech 17:4 **42:35** Toen zij hun zakken leegden, zie, ieders bundel geld zat in zijn zak. Zij zagen hun geldbundels, zij en hun vader, en werden bang. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | הֵ֚ם (hem) = zij | מְרִיקִ֣ים (meriqim) = leegmakend | שַׂקֵּיהֶ֔ם (saqeihem) = hun zakken | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | אִ֥ישׁ (ish) = een man | צְרוֹר (tseror) = bundel van | כַּסְפּ֖וֹ (kaspo) = zijn geld | בְּשַׂקּ֑וֹ (besaqo) = in zijn zak | וַיִּרְא֞וּ (vayiru) = en ze zagen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | צְרֹר֧וֹת (tserorot) = bundels van | כַּסְפֵּיהֶ֛ם (kaspeihem) = hun geld | הֵ֥מָּה (hema) = zij | וַאֲבִיהֶ֖ם (vaavihem) = en hun vader | וַיִּירָֽאוּ (vayirau) = en ze werden bang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:27–28; Gen 43:12; Gen 43:15; Gen 43:21; Jub 42:12 **42:36** Hun vader Jakob zei tegen hen: „Jullie beroven mij van mijn kinderen: Jozef is er niet meer, Simeon is er niet meer, en Benjamin willen jullie nemen. Dit alles komt over mij.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | יַעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | אֲבִיהֶ֔ם (avihem) = hun vader | אֹתִ֖י (oti) = mij | שִׁכַּלְתֶּ֑ם (shikaltem) = hebben jullie van kinderen beroofd | יוֹסֵ֤ף (yosef) = Jozef | אֵינֶ֨נּוּ֙ (einenu) = is er niet | וְשִׁמְע֣וֹן (veshimon) = en Simeon | אֵינֶ֔נּוּ (einenu) = is er niet | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בִּנְיָמִ֣ן (binyamin) = Benjamin | תִּקָּ֔חוּ (tiqachu) = willen jullie nemen | עָלַ֖י (alay) = over mij | הָי֥וּ (hayu) = zijn | כֻלָּֽנָה (kulana) = allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אתי שׁכלתם (oti shikkaltem), ‘jullie beroven mij van mijn kinderen’: letterlijk ‘mij hebben jullie van kinderen beroofd’; zie 27:45; 43:14. עלי היו כלנה (alai hayu kullanah), ‘over mij zijn zij allen’: letterlijk ‘op mij zijn zij allen’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 42:10 geeft dezelfde woorden: ‘Mij hebt u van mijn kinderen beroofd!’ Zie ook: Gen 27:45; Gen 43:14; Jub 42:10; Jes 38:10; Mat 14:31; Rom 8:28; Rom 8:31 **42:37** Ruben zei tegen zijn vader: „Mijn twee zonen mag u doden als ik hem niet bij u terugbreng. Geef hem in mijn hand, en ik zal hem bij u terugbrengen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | רְאוּבֵן֙ (reuven) = Ruben | אֶל (el) = tot | אָבִ֣יו (aviv) = zijn vader | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁנֵ֤י (shenei) = twee | בָנַי֙ (banay) = mijn zonen | תָּמִ֔ית (tamit) = moogt u doden | אִם (im) = als | לֹ֥א (lo) = niet | אֲבִיאֶ֖נּוּ (avienu) = ik hem breng | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = tot u | תְּנָ֤ה (tena) = geef | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | עַל (al) = op | יָדִ֔י (yadi) = mijn hand | וַאֲנִ֖י (vaani) = en ik | אֲשִׁיבֶ֥נּוּ (ashivenu) = zal hem terugbrengen | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = tot u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: את שׁני בני תמית (et shenei vanai tamit), ‘mijn twee zonen mag u doden’: Ruben heeft vier zonen, zie 46:9. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 42:18 plaatst dit aanbod bij de tweede reis. Zie ook: Gen 43:9; Gen 44:32–34; Gen 46:9; Jub 42:18; Mi 6:7 **42:38** Maar hij zei: „Mijn zoon gaat niet met jullie af, want zijn broer is dood en hij alleen is overgebleven. Als hem een ramp treft op de weg die jullie gaan, dan doen jullie mijn grijze haren met jammer neerdalen naar de Sjeol.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | לֹֽא (lo) = niet | יֵרֵ֥ד (yered) = zal afgaan | בְּנִ֖י (beni) = mijn zoon | עִמָּכֶ֑ם (imakhem) = met jullie | כִּֽי (ki) = want | אָחִ֨יו (achiv) = zijn broer | מֵ֜ת (met) = is dood | וְה֧וּא (vehu) = en hij | לְבַדּ֣וֹ (levado) = alleen | נִשְׁאָ֗ר (nishar) = is overgebleven | וּקְרָאָ֤הוּ (uqeraahu) = en het treft hem | אָסוֹן֙ (ason) = een ramp | בַּדֶּ֨רֶךְ֙ (baderekh) = op de weg | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarop | תֵּֽלְכוּ (telekhu) = jullie gaan | בָ֔הּ (bah) = daarop | וְהוֹרַדְתֶּ֧ם (vehoradtem) = dan zullen jullie doen dalen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֵׂיבָתִ֛י (seivati) = mijn grijze haren | בְּיָג֖וֹן (beyagon) = met jammer | שְׁאֽוֹלָה (sheola) = naar de Sjeol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וקראהו אסון (uqra’ahu ason), ‘en een ramp treft hem’: zie vers 4. שׂיבתי (sevati), ‘mijn grijze haren’: zie 44:29, 31. שׁאולה (she’olah), ‘naar de Sjeol’: zie 37:35. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 42:11–12 geeft als reden dat Jakob de teruggegeven geldbundels zag. Zie ook: Gen 35:16–18; Gen 37:33; Gen 37:35; Gen 42:4; Gen 42:13; Gen 44:29; Gen 44:31; Jub 42:11–12 ## Genesis 43 _De tweede reis; het maal bij Jozef_ ### Jakob laat Benjamin gaan **43:1** De honger was zwaar in het land. Brontekst: וְהָרָעָ֖ב (veharaav) = en de honger | כָּבֵ֥ד (kaved) = zwaar | בָּאָֽרֶץ (baarets) = in het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 12:10; Gen 41:54–57; Gen 42:5; Jub 42:15; Klaagl 5:10; Hand 7:11–13 **43:2** Toen zij het graan dat zij uit Egypte gebracht hadden, hadden opgegeten, zei hun vader tegen hen: „Ga terug, koop voor ons een beetje voedsel.” Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = toen | כִּלּוּ֙ (kilu) = ze hadden voltooid | לֶאֱכֹ֣ל (leekhol) = om te eten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַשֶּׁ֔בֶר (hashever) = het graan | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הֵבִ֖יאוּ (heviu) = ze gebracht hadden | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | אֲבִיהֶ֔ם (avihem) = hun vader | שֻׁ֖בוּ (shuvu) = keert terug | שִׁבְרוּ (shivru) = koopt | לָ֥נוּ (lanu) = voor ons | מְעַט (meat) = een weinig | אֹֽכֶל (okhel) = voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Aanvullend: Jasher 52:7–10 zegt dat de familie ruim een jaar en twee maanden van het graan at, en dat toen de kinderen om brood kwamen vragen. Jubileeën 42:13–15 zegt dat de hongersnood zwaar werd en dat Israël zijn zonen nog een keer stuurde. Zie ook: Gen 43:4; Gen 43:20; Jub 42:13–15; Jub 42:15; Jas 52:7–10; Spr 16:18; Spr 31:16; 1 Tim 5:8 **43:3** Juda zei tegen hem: „De man heeft ons nadrukkelijk gewaarschuwd: ‘Jullie zien mijn gezicht niet, tenzij jullie broer bij jullie is.’ Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֛יו (elav) = tot hem | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | הָעֵ֣ד (haed) = met nadruk | הֵעִד֩ (heid) = hij heeft gewaarschuwd | בָּ֨נוּ (banu) = tegen ons | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | לֵאמֹר֙ (lemor) = zeggend | לֹֽא (lo) = niet | תִרְא֣וּ (tiru) = jullie zien | פָנַ֔י (panay) = mijn gezicht | בִּלְתִּ֖י (bilti) = tenzij | אֲחִיכֶ֥ם (achikhem) = jullie broer | אִתְּכֶֽם (itekhem) = bij jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: העד העד בנו (ha’ed he’id banu), ‘hij heeft ons nadrukkelijk gewaarschuwd’: zie 42:15, 20. Voetnoot Aanvullend: Jasher 52:11–17 laat Juda uitvoerig vertellen hoe machtig de koning van Egypte is. Jubileeën 42:16 laat de broers zeggen dat zij niet gaan zonder Benjamin. Zie ook: Gen 42:15–20; Gen 42:20; Gen 42:33–34; Gen 43:5; Gen 44:23; Jub 42:16; Jas 52:11–17; Hand 20:25 **43:4** Als u onze broer met ons meezendt, gaan wij af en kopen wij voedsel voor u. Brontekst: אִם (im) = als | יֶשְׁךָ֛ (yeshkha) = er is bij u | מְשַׁלֵּ֥חַ (meshaleach) = zendend | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָחִ֖ינוּ (achinu) = onze broer | אִתָּ֑נוּ (itanu) = met ons | נֵרְדָ֕ה (nereda) = we zullen afgaan | וְנִשְׁבְּרָ֥ה (venishbera) = en we zullen kopen | לְךָ֖ (lekha) = voor u | אֹֽכֶל (okhel) = voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 42:16 **43:5** Maar als u hem niet meezendt, gaan wij niet af, want de man heeft tegen ons gezegd: ‘Jullie zien mijn gezicht niet, tenzij jullie broer bij jullie is.’” Brontekst: וְאִם (veim) = en als | אֵינְךָ֥ (einekha) = er is niet bij u | מְשַׁלֵּ֖חַ (meshaleach) = zendend | לֹ֣א (lo) = niet | נֵרֵ֑ד (nered) = zullen we afgaan | כִּֽי (ki) = want | הָאִ֞ישׁ (haish) = de man | אָמַ֤ר (amar) = hij zei | אֵלֵ֨ינוּ֙ (eleinu) = tot ons | לֹֽא (lo) = niet | תִרְא֣וּ (tiru) = jullie zien | פָנַ֔י (panay) = mijn gezicht | בִּלְתִּ֖י (bilti) = tenzij | אֲחִיכֶ֥ם (achikhem) = jullie broer | אִתְּכֶֽם (itekhem) = bij jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:38; Gen 44:26; Jub 42:16; Ex 20:12 **43:6** Israël zei: „Waarom hebben jullie mij zo kwaad gedaan door de man te vertellen dat jullie nog een broer hebben?” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לָמָ֥ה (lama) = waarom | הֲרֵעֹתֶ֖ם (hareotem) = hebben jullie kwaad gedaan | לִ֑י (li) = aan mij | לְהַגִּ֣יד (lehagid) = door te vertellen | לָאִ֔ישׁ (laish) = aan de man | הַע֥וֹד (haod) = nog | לָכֶ֖ם (lakhem) = bij jullie | אָֽח (ach) = een broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jakob heet hier en in vers 11 Israël: zie 35:10; 42:5. Zie ook: Gen 35:10; Gen 42:5; Gen 43:11 **43:7** Zij zeiden: „De man vroeg uitdrukkelijk naar ons en onze verwanten: ‘Leeft jullie vader nog? Hebben jullie nog een broer?’ En wij vertelden hem naar deze woorden. Konden wij weten dat hij zou zeggen: ‘Breng jullie broer af’?” Brontekst: וַיֹּאמְר֡וּ (vayomru) = en ze zeiden | שָׁא֣וֹל (shaol) = uitdrukkelijk | שָֽׁאַל (shaal) = hij vroeg | הָ֠אִישׁ (haish) = de man | לָ֣נוּ (lanu) = naar ons | וּלְמֽוֹלַדְתֵּ֜נוּ (ulemoladtenu) = en naar onze verwanten | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | הַע֨וֹד (haod) = nog | אֲבִיכֶ֥ם (avikhem) = jullie vader | חַי֙ (chay) = levend | הֲיֵ֣שׁ (hayesh) = is er | לָכֶ֣ם (lakhem) = bij jullie | אָ֔ח (ach) = een broer | וַנַ֨גֶּד (vanaged) = en we vertelden | ל֔וֹ (lo) = hem | עַל (al) = naar | פִּ֖י (pi) = de mond van | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | הֲיָד֣וֹעַ (hayadoa) = kunnen we dan weten | נֵדַ֔ע (neda) = wij weten | כִּ֣י (ki) = dat | יֹאמַ֔ר (yomar) = hij zou zeggen | הוֹרִ֖ידוּ (horidu) = brengt af | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲחִיכֶֽם (achikhem) = jullie broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁאול שׁאל (sha’ol sha’al), ‘uitdrukkelijk vroeg hij’: een nadrukkelijke vorm. De man vroeg naar hun familie, zie 42:13. Zie ook: Gen 42:13; Gen 43:3; Gen 43:27 **43:8** Juda zei tegen zijn vader Israël: „Zend de jongen met mij mee, dan maken wij ons op en gaan wij, en blijven we leven en sterven we niet, zowel wij als u als onze kleinen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוּדָ֜ה (yehuda) = Juda | אֶל (el) = tot | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | אָבִ֗יו (aviv) = zijn vader | שִׁלְחָ֥ה (shilcha) = zend | הַנַּ֛עַר (hanaar) = de jongen | אִתִּ֖י (iti) = met mij | וְנָק֣וּמָה (venaquma) = en we zullen opstaan | וְנֵלֵ֑כָה (venelekha) = en we zullen gaan | וְנִֽחְיֶה֙ (venichye) = en we zullen leven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נָמ֔וּת (namut) = sterven | גַּם (gam) = ook | אֲנַ֥חְנוּ (anachnu) = wij | גַם (gam) = ook | אַתָּ֖ה (ata) = u | גַּם (gam) = ook | טַפֵּֽנוּ (tapenu) = onze kleinen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ונקומה ונלכה ונחיה ולא נמות (venaqumah venelekhah venichyeh velo namut), ‘dan maken wij ons op en gaan wij, en blijven we leven en sterven we niet’: zie 42:2. Zie ook: Gen 42:2; Gen 44:26; Jub 42:19; Num 14:31; Deut 33:6; 2 Kon 7:13 **43:9** Ik sta borg voor hem; van mijn hand zult u hem eisen. Als ik hem niet bij u terugbreng en hem voor uw aangezicht stel, dan heb ik al de dagen tegen u gezondigd. Brontekst: אָֽנֹכִי֙ (anokhi) = ik | אֶֽעֶרְבֶ֔נּוּ (eervenu) = zal borg staan voor hem | מִיָּדִ֖י (miyadi) = van mijn hand | תְּבַקְשֶׁ֑נּוּ (tevaqshenu) = zult u hem eisen | אִם (im) = als | לֹ֨א (lo) = niet | הֲבִיאֹתִ֤יו (haviotiv) = ik hem terugbreng | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = tot u | וְהִצַּגְתִּ֣יו (vehitsagtiv) = en ik hem voor u stel | לְפָנֶ֔יךָ (lefaneikha) = voor uw aangezicht | וְחָטָ֥אתִֽי (vechatati) = dan heb ik gezondigd | לְךָ֖ (lekha) = tegen u | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אנכי אערבנו (anokhi e’ervennu), ‘ik sta borg voor hem’: zie 44:32. Voetnoot Aanvullend: Jasher 52:19 en Jubileeën 42:19 laten Juda zeggen dat hij de schuld zal dragen. Zie ook: Gen 42:37; Gen 44:32–33; Jub 42:19; Jas 52:19; Ezech 33:8; Filem 1:18–19; Heb 7:22 **43:10** Want als wij niet getalmd hadden, dan waren wij nu al twee keer terug geweest.” Brontekst: כִּ֖י (ki) = want | לוּלֵ֣א (lule) = als niet | הִתְמַהְמָ֑הְנוּ (hitmahmahenu) = wij getalmd hadden | כִּֽי (ki) = want | עַתָּ֥ה (ata) = nu | שַׁ֖בְנוּ (shavnu) = zouden we teruggekeerd zijn | זֶ֥ה (ze) = dit | פַעֲמָֽיִם (paamayim) = tweemaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:16 **43:11** Hun vader Israël zei tegen hen: „Als het dan zo is, doe dit: neem van de beste vruchten van het land in jullie vaten en breng de man een geschenk af: een beetje balsem, een beetje honing, gom en hars, pistachenoten en amandelen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֜ם (alehem) = tot hen | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | אֲבִיהֶ֗ם (avihem) = hun vader | אִם (im) = als | כֵּ֣ן (ken) = zo | אֵפוֹא֮ (efo) = dan | זֹ֣את (zot) = dit | עֲשׂוּ֒ (asu) = doet | קְח֞וּ (qechu) = neemt | מִזִּמְרַ֤ת (mizimrat) = van de beste vrucht van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | בִּכְלֵיכֶ֔ם (bikhleikhem) = in jullie vaten | וְהוֹרִ֥ידוּ (vehoridu) = en brengt af | לָאִ֖ישׁ (laish) = aan de man | מִנְחָ֑ה (mincha) = een geschenk | מְעַ֤ט (meat) = een weinig | צֳרִי֙ (tsori) = balsem | וּמְעַ֣ט (umeat) = en een weinig | דְּבַ֔שׁ (devash) = honing | נְכֹ֣את (nekhot) = gom | וָלֹ֔ט (valot) = en hars | בָּטְנִ֖ים (batenim) = pistachenoten | וּשְׁקֵדִֽים (usheqedim) = en amandelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מזמרת הארץ בכליכם (mizimrat ha’arets bikhleikhem), ‘van de beste vruchten van het land in jullie vaten’: zimrah is ‘de lof’ van het land, wat het land beroemd maakt. צרי (tseri), ‘balsem’: zie 37:25; Jer. 8:22. נכאת ולט (nekhot valot), ‘gom en hars’: waarschijnlijk tragantgom en ladanum, zie 37:25. Voetnoot Aanvullend: Jasher 52:23–24 en Jubileeën 42:20 noemen het geschenk. Zie ook: Gen 37:25; Jub 42:20; Jas 52:23–24; 1 Sam 9:7; Spr 18:16; Jer 8:22; Ezech 27:17 **43:12** Neem dubbel geld mee in jullie hand, en het geld dat boven in jullie zakken teruggebracht is, brengen jullie terug in jullie hand; misschien was het een vergissing. Brontekst: וְכֶ֥סֶף (vekhesef) = en geld | מִשְׁנֶ֖ה (mishne) = dubbel | קְח֣וּ (qechu) = neemt | בְיֶדְכֶ֑ם (beyedkhem) = in jullie hand | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הַכֶּ֜סֶף (hakesef) = het geld | הַמּוּשָׁ֨ב (hamushav) = het teruggebrachte | בְּפִ֤י (befi) = in de mond van | אַמְתְּחֹֽתֵיכֶם֙ (amtechoteikhem) = jullie zakken | תָּשִׁ֣יבוּ (tashivu) = brengt terug | בְיֶדְכֶ֔ם (beyedkhem) = in jullie hand | אוּלַ֥י (ulay) = misschien | מִשְׁגֶּ֖ה (mishge) = een vergissing | הֽוּא (hu) = het is Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אולי משׁגה הוא (ulay mishgeh hu), ‘misschien was het een vergissing’: zie vers 21–22. Zie ook: Gen 42:25; Gen 42:35; Gen 43:21–22; Jub 42:20; 1 Tess 5:21; Rom 13:8; Fil 4:8 **43:13** Neem ook jullie broer, maak je op en ga terug naar de man. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֲחִיכֶ֖ם (achikhem) = jullie broer | קָ֑חוּ (qachu) = neemt | וְק֖וּמוּ (vequmu) = en staat op | שׁ֥וּבוּ (shuvu) = keert terug | אֶל (el) = naar | הָאִֽישׁ (haish) = de man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:38; Jub 42:20 **43:14** Moge El Sjaddai jullie ontferming geven bij de man, zodat hij jullie andere broer en Benjamin met jullie laat gaan. Maar ik, als ik van kinderen beroofd moet worden, dan ben ik beroofd.” Brontekst: וְאֵ֣ל (veel) = en El | שַׁדַּ֗י (shaday) = Sjaddai | יִתֵּ֨ן (yiten) = moge geven | לָכֶ֤ם (lakhem) = aan jullie | רַחֲמִים֙ (rachamim) = ontferming | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | וְשִׁלַּ֥ח (veshilach) = en hij zendt | לָכֶ֛ם (lakhem) = jullie | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲחִיכֶ֥ם (achikhem) = jullie broer | אַחֵ֖ר (acher) = de andere | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בִּנְיָמִ֑ין (binyamin) = Benjamin | וַאֲנִ֕י (vaani) = en ik | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | שָׁכֹ֖לְתִּי (shakholti) = ik beroofd ben | שָׁכָֽלְתִּי (shakhalti) = ben ik beroofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואל שׁדי (ve’El Shaddai), ‘en El Sjaddai’: zie 17:1; 28:3; 35:11; 48:3. כאשׁר שׁכלתי שׁכלתי (ka’asher shakholti shakholti), ‘als ik van kinderen beroofd moet worden, dan ben ik beroofd’: zie 42:36. Voetnoot Aanvullend: Jasher 52:26 geeft Jakobs gebed om redding van zijn zonen. Jasher 52:28–41 geeft een brief van Jakob aan de koning van Egypte. Zie ook: Gen 17:1; Gen 22:14; Gen 28:3; Gen 35:11; Gen 42:36; Gen 48:3; Jub 42:20; Jas 52:26; Jas 52:28–41; Est 4:16; Neh 1:11; Hand 21:14 ### In het huis van Jozef **43:15** De mannen namen dit geschenk, en dubbel geld namen zij in hun hand mee, en Benjamin. Zij maakten zich op, gingen af naar Egypte en stelden zich voor Jozef. Brontekst: וַיִּקְח֤וּ (vayiqchu) = en ze namen | הָֽאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = de mannen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמִּנְחָ֣ה (hamincha) = het geschenk | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | וּמִשְׁנֶה (umishne) = en dubbel | כֶּ֛סֶף (kesef) = geld | לָקְח֥וּ (laqechu) = ze namen | בְיָדָ֖ם (beyadam) = in hun hand | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בִּנְיָמִ֑ן (binyamin) = Benjamin | וַיָּקֻ֨מוּ֙ (vayaqumu) = en ze stonden op | וַיֵּרְד֣וּ (vayeredu) = en ze gingen af | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = naar Egypte | וַיַּֽעַמְד֖וּ (vayaamdu) = en ze stonden | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יוֹסֵֽף (yosef) = Jozef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Jub 42:20 **43:16** Toen Jozef Benjamin bij hen zag, zei hij tegen de man die over zijn huis was: „Breng de mannen naar het huis, slacht een dier en maak het klaar, want de mannen zullen met mij eten, op het middaguur.” Brontekst: וַיַּ֨רְא (vayar) = en hij zag | יוֹסֵ֣ף (yosef) = Jozef | אִתָּם֮ (itam) = met hen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּנְיָמִין֒ (binyamin) = Benjamin | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | לַֽאֲשֶׁ֣ר (laasher) = tot degene die | עַל (al) = over | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | הָבֵ֥א (have) = breng | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | הַבָּ֑יְתָה (habayeta) = naar het huis | וּטְבֹ֤חַ (utevoach) = en slacht | טֶ֨בַח֙ (tevach) = een slachting | וְהָכֵ֔ן (vehakhen) = en maak gereed | כִּ֥י (ki) = want | אִתִּ֛י (iti) = met mij | יֹאכְל֥וּ (yokhlu) = zullen eten | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | בַּֽצָּהֳרָֽיִם (batsahorayim) = op het middaguur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לאשׁר על ביתו (la’asher al beito), ‘tot degene die over zijn huis was’: de rentmeester; zie vers 19; 44:1. בצהרים (batsohorayim), ‘op het middaguur’: zie vers 25. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:2–4 zegt dat Jozef de mannen begroette en hun etenstijd opdroeg aan de opzichter van zijn huis. Zie ook: Gen 15:2; Gen 26:30; Gen 43:19; Gen 43:25; Gen 44:1; Gen 44:4; Jub 42:21; Jub 42:22; Jas 53:2–4 **43:17** De man deed zoals Jozef gezegd had, en de man bracht de mannen naar het huis van Jozef. Brontekst: וַיַּ֣עַשׂ (vayaas) = en hij deed | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | כַּֽאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | אָמַ֣ר (amar) = hij had gezegd | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en hij bracht | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | בֵּ֥יתָה (beita) = naar het huis | יוֹסֵֽף (yosef) = Jozef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 42:22 **43:18** De mannen werden bang omdat zij naar het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: „Het is vanwege het geld dat de eerste keer in onze zakken teruggebracht werd, dat wij binnengebracht worden: om zich op ons te werpen, zich op ons te storten en ons als slaven te nemen, met onze ezels.” Brontekst: וַיִּֽירְא֣וּ (vayireu) = en ze werden bang | הָֽאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | כִּ֣י (ki) = omdat | הֽוּבְאוּ֮ (huveu) = ze waren gebracht | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יוֹסֵף֒ (yosef) = Jozef | וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en ze zeiden | עַל (al) = vanwege | דְּבַ֤ר (devar) = de zaak van | הַכֶּ֨סֶף֙ (hakesef) = het geld | הַשָּׁ֤ב (hashav) = het teruggebrachte | בְּאַמְתְּחֹתֵ֨ינוּ֙ (beamtechoteinu) = in onze zakken | בַּתְּחִלָּ֔ה (batechila) = de eerste keer | אֲנַ֖חְנוּ (anachnu) = wij | מֽוּבָאִ֑ים (muvaim) = worden gebracht | לְהִתְגֹּלֵ֤ל (lehitgolel) = om zich te werpen | עָלֵ֨ינוּ֙ (aleinu) = op ons | וּלְהִתְנַפֵּ֣ל (ulehitnapel) = en zich te storten | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = op ons | וְלָקַ֧חַת (velaqachat) = en te nemen | אֹתָ֛נוּ (otanu) = ons | לַעֲבָדִ֖ים (laavadim) = tot slaven | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | חֲמֹרֵֽינוּ (chamoreinu) = onze ezels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: להתגלל עלינו ולהתנפל עלינו (lehitgolel aleinu ulehitnappel aleinu), ‘om zich op ons te werpen en zich op ons te storten’: zij vrezen een valse aanklacht, zie 44:1–17. Zie ook: Gen 42:35; Gen 44:1–17; Jub 42:22; Re 13:22; Ps 73:16; Mat 14:26–27; Mar 6:16 **43:19** Zij traden naar voren tot de man die over het huis van Jozef was en spraken tot hem bij de ingang van het huis. Brontekst: וַֽיִּגְּשׁוּ֙ (vayigeshu) = en ze traden naar voren | אֶל (el) = tot | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = over | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַיְדַבְּר֥וּ (vaydaberu) = en ze spraken | אֵלָ֖יו (elav) = tot hem | פֶּ֥תַח (petach) = ingang van | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 42:22 **43:20** Zij zeiden: „Ach, mijn heer, wij zijn de eerste keer afgekomen om voedsel te kopen. Brontekst: וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en ze zeiden | בִּ֣י (bi) = ach | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | יָרֹ֥ד (yarod) = afdalen | יָרַ֛דְנוּ (yaradnu) = wij zijn afgedaald | בַּתְּחִלָּ֖ה (batechila) = de eerste keer | לִשְׁבָּר (lishbar) = om te kopen | אֹֽכֶל (okhel) = voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בי אדני (bi adoni), ‘ach, mijn heer’: zie 44:18. ירד ירדנו (yarod yaradnu), ‘wij zijn zeker afgedaald’. Zie ook: Gen 42:3; Gen 42:10; Gen 42:27; Gen 42:35; Gen 43:7; Gen 44:18; Jub 42:22 **43:21** En toen wij bij de herberg kwamen en onze zakken openden, zie, ieders geld lag boven in zijn zak, ons geld naar zijn gewicht; dat hebben wij nu in onze hand teruggebracht. Brontekst: וַֽיְהִ֞י (vayhi) = en het was | כִּי (ki) = toen | בָ֣אנוּ (banu) = wij kwamen | אֶל (el) = tot | הַמָּל֗וֹן (hamalon) = de herberg | וַֽנִּפְתְּחָה֙ (vaniftecha) = en we openden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַמְתְּחֹתֵ֔ינוּ (amtechoteinu) = onze zakken | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | כֶֽסֶף (kesef) = geld van | אִישׁ֙ (ish) = een man | בְּפִ֣י (befi) = in de mond van | אַמְתַּחְתּ֔וֹ (amtachto) = zijn zak | כַּסְפֵּ֖נוּ (kaspenu) = ons geld | בְּמִשְׁקָל֑וֹ (bemishqalo) = naar zijn gewicht | וַנָּ֥שֶׁב (vanashev) = en we brachten terug | אֹת֖וֹ (oto) = het | בְּיָדֵֽנוּ (beyadenu) = in onze hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: המלון (hammalon), ‘de herberg’: zie 42:27. בפי אמתחתו (befi amtachto), ‘boven in zijn zak’: letterlijk ‘in de mond van zijn zak’. Zie ook: Gen 42:27; Gen 43:12; Gen 43:15; Jub 42:22; Rom 13:8; 1 Petr 2:12; 1 Petr 3:16 **43:22** En ander geld hebben wij in onze hand meegebracht om voedsel te kopen. Wij weten niet wie ons geld in onze zakken gelegd heeft.” Brontekst: וְכֶ֧סֶף (vekhesef) = en geld | אַחֵ֛ר (acher) = ander | הוֹרַ֥דְנוּ (horadnu) = hebben we afgebracht | בְיָדֵ֖נוּ (beyadenu) = in onze hand | לִשְׁבָּר (lishbar) = om te kopen | אֹ֑כֶל (okhel) = voedsel | לֹ֣א (lo) = niet | יָדַ֔עְנוּ (yadanu) = wij weten | מִי (mi) = wie | שָׂ֥ם (sam) = legde | כַּסְפֵּ֖נוּ (kaspenu) = ons geld | בְּאַמְתְּחֹתֵֽינוּ (beamtechoteinu) = in onze zakken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **43:23** Hij zei: „Welzijn voor jullie! Wees niet bang. Jullie Elohim en de Elohim van jullie vader heeft jullie een schat in jullie zakken gegeven. Jullie geld is bij mij gekomen.” En hij bracht Simeon naar hen toe. Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en hij zei | שָׁל֨וֹם (shalom) = welzijn | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | אַל (al) = niet | תִּירָ֗אוּ (tirau) = wees bang | אֱלֹ֨הֵיכֶ֜ם (eloheikhem) = jullie Elohim | וֵֽאלֹהֵ֤י (velohei) = en Elohim van | אֲבִיכֶם֙ (avikhem) = jullie vader | נָתַ֨ן (natan) = heeft gegeven | לָכֶ֤ם (lakhem) = aan jullie | מַטְמוֹן֙ (matmon) = een schat | בְּאַמְתְּחֹ֣תֵיכֶ֔ם (beamtechoteikhem) = in jullie zakken | כַּסְפְּכֶ֖ם (kaspekhem) = jullie geld | בָּ֣א (ba) = is gekomen | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וַיּוֹצֵ֥א (vayotse) = en hij bracht naar buiten | אֲלֵהֶ֖ם (alehem) = tot hen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שִׁמְעֽוֹן (shimon) = Simeon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁלום (shalom), ‘welzijn’: zie vers 27. מטמון (matmon), ‘schat’: iets wat verborgen is. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:4–5 zegt dat Simeon vertelde dat Jozef hem goed behandeld had. Zie ook: Gen 42:24; Gen 42:28; Gen 43:27; Jas 53:4–5; Joh 14:27; Joh 20:21; Joh 20:26 **43:24** De man bracht de mannen in het huis van Jozef, gaf water en zij wasten hun voeten, en hij gaf voer aan hun ezels. Brontekst: וַיָּבֵ֥א (vayave) = en hij bracht | הָאִ֛ישׁ (haish) = de man | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | בֵּ֣יתָה (beita) = naar het huis | יוֹסֵ֑ף (yosef) = van Jozef | וַיִּתֶּן (vayiten) = en hij gaf | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | וַיִּרְחֲצ֣וּ (vayirchatsu) = en ze wasten | רַגְלֵיהֶ֔ם (ragleihem) = hun voeten | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en hij gaf | מִסְפּ֖וֹא (mispo) = voer | לַחֲמֹֽרֵיהֶֽם (lachamoreihem) = aan hun ezels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:4; Gen 19:2; Gen 24:32; Luc 7:44; Joh 13:4–17 **43:25** Zij maakten het geschenk gereed tot Jozef om het middaguur kwam, want zij hadden gehoord dat zij daar brood zouden eten. Brontekst: וַיָּכִ֨ינוּ֙ (vayakhinu) = en ze maakten gereed | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמִּנְחָ֔ה (hamincha) = het geschenk | עַד (ad) = tot | בּ֥וֹא (bo) = komst van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | בַּֽצָּהֳרָ֑יִם (batsahorayim) = om het middaguur | כִּ֣י (ki) = want | שָֽׁמְע֔וּ (shameu) = ze hadden gehoord | כִּי (ki) = dat | שָׁ֖ם (sham) = daar | יֹ֥אכְלוּ (yokhlu) = ze zouden eten | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בצהרים (batsohorayim), ‘om het middaguur’: zie vers 16. Zie ook: Gen 43:11; Gen 43:16 ### Jozef ziet Benjamin **43:26** Toen Jozef thuiskwam, brachten zij hem het geschenk dat zij bij zich hadden naar het huis, en zij bogen zich voor hem neer, naar de aarde. Brontekst: וַיָּבֹ֤א (vayavo) = en hij kwam | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | הַבַּ֔יְתָה (habayta) = naar huis | וַיָּבִ֥יאּוּ (vayaviu) = en ze brachten | ל֛וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַמִּנְחָ֥ה (hamincha) = het geschenk | אֲשֶׁר (asher) = dat | בְּיָדָ֖ם (beyadam) = in hun hand | הַבָּ֑יְתָה (habayeta) = naar huis | וַיִּשְׁתַּחֲווּ (vayishtachavu) = en ze bogen zich | ל֖וֹ (lo) = voor hem | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישׁתחוו לו ארצה (vayishtachavu lo artsah), ‘zij bogen zich voor hem neer, naar de aarde’: zie 37:7, 9; 42:6; 43:28. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:6–7 zegt dat Juda Benjamin bij de hand nam en dat Juda Jakobs brief aan Jozef gaf. Jubileeën 42:20 noemt het geschenk: druppelhars, amandelen, terebintnoten en zuivere honing. Zie ook: Gen 27:29; Gen 37:7–10; Gen 37:9; Gen 37:19–20; Gen 42:6; Gen 43:28; Jub 42:20; Jas 53:6–7; Fil 2:10–11 **43:27** Hij vroeg hun naar hun welzijn en zei: „Is het welzijn van jullie vader, de oude man van wie jullie gesproken hebben? Leeft hij nog?” Brontekst: וַיִּשְׁאַ֤ל (vayishal) = en hij vroeg | לָהֶם֙ (lahem) = hen | לְשָׁל֔וֹם (leshalom) = naar welzijn | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הֲשָׁל֛וֹם (hashalom) = is het welzijn van | אֲבִיכֶ֥ם (avikhem) = jullie vader | הַזָּקֵ֖ן (hazaqen) = de oude | אֲשֶׁ֣ר (asher) = van wie | אֲמַרְתֶּ֑ם (amartem) = jullie gesproken hebben | הַעוֹדֶ֖נּוּ (haodenu) = leeft hij nog | חָֽי (chay) = levend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לשׁלום (leshalom), ‘naar welzijn’: shalom omvat gezondheid en veiligheid. Zie ook: Gen 42:11; Gen 42:13; Ex 18:7; Re 18:15; 1 Sam 17:22 **43:28** Zij zeiden: „Het gaat goed met uw dienaar, onze vader; hij leeft nog.” En zij bogen en wierpen zich neer. Brontekst: וַיֹּאמְר֗וּ (vayomru) = en ze zeiden | שָׁל֛וֹם (shalom) = welzijn | לְעַבְדְּךָ֥ (leavdekha) = voor uw dienaar | לְאָבִ֖ינוּ (leavinu) = onze vader | עוֹדֶ֣נּוּ (odenu) = nog hij | חָ֑י (chay) = levend | וַֽיִּקְּד֖וּ (vayiqedu) = en ze bogen het hoofd | וישתחו (vayishtachu) = en ze wierpen zich neer (geschreven) | וַיִּֽשְׁתַּחֲוּֽוּ (vayishtachauu) = en ze wierpen zich neer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier is de gelezen vorm gevolgd. Het verschil is één letter. Voetnoot Lezing: Lezing: het geschreven woord is וישתחו (vayishtachu), ‘en zij wierpen zich neer’; de Masoreten laten het lezen als וישׁתחוו (vayishtachavu). Zie ook: Gen 37:7; Gen 37:9–10; Gen 43:26; 1 Kon 1:16; 2 Kron 24:17 **43:29** Hij sloeg zijn ogen op en zag Benjamin, zijn broer, de zoon van zijn moeder, en zei: „Is dit jullie jongste broer van wie jullie mij gesproken hebben?” En hij zei: „Moge Elohim je genadig zijn, mijn zoon.” Brontekst: וַיִּשָּׂ֣א (vayisa) = en hij hief op | עֵינָ֗יו (einav) = zijn ogen | וַיַּ֞רְא (vayar) = en hij zag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בִּנְיָמִ֣ין (binyamin) = Benjamin | אָחִיו֮ (achiv) = zijn broer | בֶּן (ben) = zoon van | אִמּוֹ֒ (imo) = zijn moeder | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הֲזֶה֙ (haze) = is dit | אֲחִיכֶ֣ם (achikhem) = jullie broer | הַקָּטֹ֔ן (haqaton) = de jongste | אֲשֶׁ֥ר (asher) = van wie | אֲמַרְתֶּ֖ם (amartem) = jullie gesproken hebben | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en Hij zei | אֱלֹהִ֥ים (Elohim) = Elohim | יָחְנְךָ֖ (yachenekha) = moge genadig zijn voor jou | בְּנִֽי (beni) = mijn zoon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אלהים יחנך בני (Elohim yachnekha beni), ‘Moge Elohim je genadig zijn, mijn zoon’: zie 33:5. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:9 zegt dat Jozef zijn hand op Benjamins hoofd legde. Jubileeën 42:21 zegt dat Jozef Benjamin zag en herkende en vroeg: ‘Is dit uw jongste broer?’ Zie ook: Gen 30:22–24; Gen 33:5; Gen 42:13; Jub 42:21; Jas 53:9; Num 6:25; 2 Kron 29:11; Jes 30:19 **43:30** Jozef haastte zich, want zijn ontferming ontbrandde voor zijn broer, en hij zocht een plaats om te wenen. Hij ging de kamer in en weende daar. Brontekst: וַיְמַהֵ֣ר (vaymaher) = en hij haastte zich | יוֹסֵ֗ף (yosef) = Jozef | כִּֽי (ki) = omdat | נִכְמְר֤וּ (nikhmeru) = ontbrandden | רַחֲמָיו֙ (rachamav) = zijn ontferming | אֶל (el) = voor | אָחִ֔יו (achiv) = zijn broer | וַיְבַקֵּ֖שׁ (vayvaqesh) = en hij zocht | לִבְכּ֑וֹת (livkot) = om te wenen | וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij ging | הַחַ֖דְרָה (hachadra) = de kamer in | וַיֵּ֥בְךְּ (vayevek) = en hij weende | שָֽׁמָּה (shama) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נכמרו רחמיו (nikhmeru rachamav), ‘zijn ontferming ontbrandde’: zie 1 Kon. 3:26. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:8 zegt dat Jozef al eerder, bij het lezen van Jakobs brief, weende. Zie ook: Gen 42:24; Jas 53:8; 1 Kon 3:26; Jer 31:20; Joh 11:33–38; Fil 1:8 **43:31** Daarna wiste hij zijn gezicht, kwam naar buiten, bedwong zich en zei: „Zet het brood op.” Brontekst: וַיִּרְחַ֥ץ (vayirchats) = en hij waste | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | וַיֵּצֵ֑א (vayetse) = en hij ging naar buiten | וַיִּ֨תְאַפַּ֔ק (vayitapaq) = en hij bedwong zich | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | שִׂ֥ימוּ (simu) = zet op | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויתאפק (vayit’appaq), ‘hij bedwong zich’: zie 45:1. Zie ook: Gen 45:1; Jes 42:14; Jer 31:16; 1 Petr 3:10 **43:32** Zij zetten voor hem apart op, en voor hen apart, en voor de Egyptenaren die met hem aten apart, want de Egyptenaren kunnen niet met de Hebreeën brood eten; dat is een gruwel voor Egypte. Brontekst: וַיָּשִׂ֥ימוּ (vayasimu) = en ze zetten voor | ל֛וֹ (lo) = voor hem | לְבַדּ֖וֹ (levado) = apart | וְלָהֶ֣ם (velahem) = en voor hen | לְבַדָּ֑ם (levadam) = apart | וְלַמִּצְרִ֞ים (velamitsrim) = en voor de Egyptenaren | הָאֹכְלִ֤ים (haokhelim) = die aten | אִתּוֹ֙ (ito) = met hem | לְבַדָּ֔ם (levadam) = apart | כִּי֩ (ki) = want | לֹ֨א (lo) = niet | יוּכְל֜וּן (yukhelun) = kunnen | הַמִּצְרִ֗ים (hamitsrim) = de Egyptenaren | לֶאֱכֹ֤ל (leekhol) = eten | אֶת (et) = met | הָֽעִבְרִים֙ (haivrim) = de Hebreeën | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | כִּי (ki) = want | תוֹעֵבָ֥ה (toeva) = gruwel | הִ֖וא (hi) = zij | לְמִצְרָֽיִם (lemitsrayim) = voor Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: כי תועבה הוא למצרים (ki to’evah hi leMitsrayim), ‘want het is een gruwel voor Egypte’: zie 46:34; Exod. 8:22. Dat de Egyptenaren niet met Hebreeën aten, hangt samen met hun eigen reinheidsregels. Zie ook: Gen 31:54; Gen 43:16; Gen 46:34; Ex 8:18; Ex 8:22 **43:33** Zij zaten voor hem, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte en de jongste naar zijn jongheid, en de mannen keken elkaar verbaasd aan. Brontekst: וַיֵּשְׁב֣וּ (vayeshevu) = en ze zaten | לְפָנָ֔יו (lefanav) = voor hem | הַבְּכֹר֙ (habekhor) = de eerstgeborene | כִּבְכֹ֣רָת֔וֹ (kivkhorato) = naar zijn eerstgeboorte | וְהַצָּעִ֖יר (vehatsair) = en de jongste | כִּצְעִרָת֑וֹ (kitsirato) = naar zijn jongheid | וַיִּתְמְה֥וּ (vayitmehu) = en ze verbaasden zich | הָאֲנָשִׁ֖ים (haanashim) = de mannen | אִ֥ישׁ (ish) = een man | אֶל (el) = tot | רֵעֵֽהוּ (reehu) = zijn metgezel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הבכר כבכרתו והצעיר כצערתו (habbekhor kivkhorato vehatsa’ir kitsa’irato), ‘de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte en de jongste naar zijn jongheid’: Jozef kent hun volgorde. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:11–13 zegt dat Jozef dat wist door zijn zilveren beker, waarmee hij erop sloeg. Zie ook: Jas 53:11–13 **43:34** Hij liet porties van zijn tafel naar hen brengen, en de portie van Benjamin was vijfmaal groter dan de porties van allen. Zij dronken en werden vrolijk met hem. Brontekst: וַיִּשָּׂ֨א (vayisa) = en hij liet dragen | מַשְׂאֹ֜ת (masot) = porties | מֵאֵ֣ת (meet) = van bij | פָּנָיו֮ (panav) = zijn gezicht | אֲלֵהֶם֒ (alehem) = naar hen | וַתֵּ֜רֶב (vaterev) = en ze werd groot | מַשְׂאַ֧ת (masat) = portie van | בִּנְיָמִ֛ן (binyamin) = Benjamin | מִמַּשְׂאֹ֥ת (mimasot) = dan porties van | כֻּלָּ֖ם (kulam) = allen van hen | חָמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | יָד֑וֹת (yadot) = delen | וַיִּשְׁתּ֥וּ (vayishtu) = en ze dronken | וַֽיִּשְׁכְּר֖וּ (vayishkeru) = en ze werden vrolijk | עִמּֽוֹ (imo) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חמשׁ ידות (chamesh yadot), ‘vijf delen’: letterlijk ‘vijf handen’. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 42:23 zegt zevenmaal zoveel. Jasher 53:14–22 vertelt dat Jozef Benjamin op zijn troon liet zitten, dat hij hem naar zijn tien zonen vroeg en dat Benjamin met Jozefs sterrenkaart zag dat Jozef zijn broer was. Zie ook: Gen 45:22; Jub 42:23; Jas 53:14–22; 1 Sam 1:5; 2 Sam 11:8; Pred 10:19; Joh 2:10 ## Genesis 44 _De beker; Juda's pleidooi_ ### De beker in Benjamins zak **44:1** Hij gaf bevel aan degene die over zijn huis was: „Vul de zakken van de mannen met voedsel, zoveel als zij kunnen dragen, en leg ieders geld in de opening van zijn zak. Brontekst: וַיְצַ֞ו (vaytsav) = en hij gebood | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = degene die | עַל (al) = over | בֵּיתוֹ֮ (beito) = zijn huis | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggend | מַלֵּ֞א (male) = vul | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַמְתְּחֹ֤ת (amtechot) = zakken van | הָֽאֲנָשִׁים֙ (haanashim) = de mannen | אֹ֔כֶל (okhel) = voedsel | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | יוּכְל֖וּן (yukhelun) = ze kunnen | שְׂאֵ֑ת (seet) = dragen | וְשִׂ֥ים (vesim) = en leg | כֶּֽסֶף (kesef) = geld van | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | בְּפִ֥י (befi) = in de mond van | אַמְתַּחְתּֽוֹ (amtachto) = zijn zak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אשׁר על ביתו (asher al beito), ‘degene die over zijn huis was’: de rentmeester; zie 43:16, 19. בפי אמתחתו (befi amtachto), ‘in de opening van zijn zak’: letterlijk ‘in de mond van zijn zak’; zie 42:27. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:23 en Jubileeën 42:25 vertellen hetzelfde plan. Zie ook: Gen 24:2; Gen 42:25; Gen 42:27; Gen 43:16; Gen 43:19; Jub 42:25; Jub 43:1; Jas 53:23; Jes 3:1 **44:2** Mijn beker, de zilveren beker, leg je in de opening van de zak van de jongste, met het geld voor zijn graan.” Hij deed naar het woord van Jozef dat hij gesproken had. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | גְּבִיעִ֞י (gevii) = mijn beker | גְּבִ֣יעַ (gevia) = beker van | הַכֶּ֗סֶף (hakesef) = het zilver | תָּשִׂים֙ (tasim) = leg | בְּפִי֙ (befi) = in de mond van | אַמְתַּ֣חַת (amtachat) = zak van | הַקָּטֹ֔ן (haqaton) = de jongste | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כֶּ֣סֶף (kesef) = geld van | שִׁבְר֑וֹ (shivro) = zijn graan | וַיַּ֕עַשׂ (vayaas) = en hij deed | כִּדְבַ֥ר (kidvar) = naar het woord van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | דִּבֵּֽר (diber) = hij gesproken had Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גביעי גביע הכסף (gevi’i gevia hakkesef), ‘mijn beker, de zilveren beker’: gavia is een grote drinkbeker; hetzelfde woord in Jer. 35:5. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:11 beschrijft de beker als zilver, rijk ingelegd met sjohamstenen en bedolach, en zegt dat Jozef erop sloeg om de broers te laten zien dat hij hun volgorde kende. Zie ook: Gen 42:15–16; Jub 42:25; Jub 43:1; Jas 53:11; Deut 8:16; Deut 13:4; Jer 35:5; Mat 10:16; 2 Kor 8:8 **44:3** Zodra het morgen werd, was het licht, en de mannen werden weggezonden, zij en hun ezels. Brontekst: הַבֹּ֖קֶר (haboqer) = de morgen | א֑וֹר (or) = werd licht | וְהָאֲנָשִׁ֣ים (vehaanashim) = en de mannen | שֻׁלְּח֔וּ (shulechu) = werden weggezonden | הֵ֖מָּה (hema) = zij | וַחֲמֹרֵיהֶֽם (vachamoreihem) = en hun ezels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 43:2 noemt de vroege ochtend als het moment van vertrek. Zie ook: Jub 43:2 **44:4** Zij waren de stad uit, nog niet ver weg, toen Jozef tegen degene die over zijn huis was zei: „Maak je op, ga de mannen achterna, haal hen in en zeg tegen hen: ‘Waarom hebben jullie kwaad vergolden voor goed? Brontekst: הֵ֠ם (hem) = zij | יָֽצְא֣וּ (yatseu) = ze waren uitgegaan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָעִיר֮ (hair) = de stad | לֹ֣א (lo) = niet | הִרְחִיקוּ֒ (hirchiqu) = ze waren ver weg | וְיוֹסֵ֤ף (veyosef) = en Jozef | אָמַר֙ (amar) = zei | לַֽאֲשֶׁ֣ר (laasher) = tot degene die | עַל (al) = over | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | ק֥וּם (qum) = sta op | רְדֹ֖ף (redof) = jaag | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | הָֽאֲנָשִׁ֑ים (haanashim) = de mannen | וְהִשַּׂגְתָּם֙ (vehisagtam) = en je haalt hen in | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zegt | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | לָ֛מָּה (lama) = waarom | שִׁלַּמְתֶּ֥ם (shilamtem) = hebben jullie vergolden | רָעָ֖ה (raa) = kwaad | תַּ֥חַת (tachat) = in plaats van | טוֹבָֽה (tova) = goed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁלמתם רעה תחת טובה (shillamtem ra’ah tachat tovah), ‘waarom hebben jullie kwaad vergolden voor goed?’: zie 1 Sam. 25:21. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:25–26 vertelt dat Jozef de man opdroeg de broers in te halen voordat zij ver van Egypte waren, en dat zij boos werden en zeiden: bij wie de beker gevonden wordt, die zal sterven. Zie ook: Jub 43:2; Jas 53:25–26; 1 Sam 24:18; 1 Sam 25:21; Ps 35:12; Ps 109:5; Spr 17:13; Joh 10:32 **44:5** Is dit niet degene waaruit mijn heer drinkt en waarmee hij voorspelt? Jullie hebben kwaad gedaan met wat jullie gedaan hebben.’” Brontekst: הֲל֣וֹא (halo) = is het niet | זֶ֗ה (ze) = dit | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waaruit | יִשְׁתֶּ֤ה (yishte) = drinkt | אֲדֹנִי֙ (adoni) = mijn heer | בּ֔וֹ (bo) = daaruit | וְה֕וּא (vehu) = en hij | נַחֵ֥שׁ (nachesh) = voorspellend | יְנַחֵ֖שׁ (yenachesh) = hij voorspelt | בּ֑וֹ (bo) = daarmee | הֲרֵעֹתֶ֖ם (hareotem) = hebben jullie kwaad gedaan | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | עֲשִׂיתֶֽם (asitem) = jullie gedaan hebben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: והוא נחשׁ ינחשׁ בו (vehu nachesh yenachesh bo), ‘en waarmee hij voorspelt’: nachash is ‘voortekenen aflezen’; zie vers 15; 30:27. In Lev. 19:26 is dit voor Israël verboden. Dat Jozef zich als Egyptische geleerde voordoet, past bij zijn rol. Zie ook: Gen 30:27; Gen 44:15; Jub 43:2; Lev 19:26; Deut 18:10–14; 2 Kon 21:6 **44:6** Hij haalde hen in en sprak deze woorden tot hen. Brontekst: וַֽיַּשִּׂגֵ֑ם (vayasigem) = en hij haalde hen in | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en hij sprak | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַדְּבָרִ֖ים (hadevarim) = de woorden | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 43:2 **44:7** Zij zeiden tegen hem: „Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Het is ondenkbaar dat uw dienaren zoiets doen. Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeiden | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | לָ֚מָּה (lama) = waarom | יְדַבֵּ֣ר (yedaber) = spreekt | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | כַּדְּבָרִ֖ים (kadevarim) = zoals de woorden | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | חָלִ֨ילָה֙ (chalila) = ondenkbaar | לַעֲבָדֶ֔יךָ (laavadeikha) = van uw dienaren | מֵעֲשׂ֖וֹת (measot) = van doen | כַּדָּבָ֥ר (kadavar) = zoals dit woord | הַזֶּֽה (haze) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:22; Gen 37:18–32; Gen 38:16–18; Jub 43:4; Joz 22:22–29; 2 Sam 20:20 **44:8** Zie, het geld dat wij in de opening van onze zakken vonden, hebben wij u uit het land Kanaän teruggebracht; hoe zouden wij dan uit het huis van uw heer zilver of goud stelen? Brontekst: הֵ֣ן (hen) = zie | כֶּ֗סֶף (kesef) = geld | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | מָצָ֨אנוּ֙ (matsanu) = wij vonden | בְּפִ֣י (befi) = in de mond van | אַמְתְּחֹתֵ֔ינוּ (amtechoteinu) = onze zakken | הֱשִׁיבֹ֥נוּ (heshivonu) = wij hebben teruggebracht | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tot u | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וְאֵ֗יךְ (veeikh) = en hoe | נִגְנֹב֙ (nignov) = zouden wij stelen | מִבֵּ֣ית (mibeit) = uit het huis van | אֲדֹנֶ֔יךָ (adoneikha) = uw heer | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | א֥וֹ (o) = of | זָהָֽב (zahav) = goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: הן כסף (hen kesef), ‘zie, het geld’: zie 43:21–22. Zij bewijzen hun eerlijkheid met het teruggebrachte geld. Zie ook: Gen 42:21; Gen 42:27; Gen 42:35; Gen 43:21–22; Gen 44:7; Jub 43:4; Jak 2:10–11 **44:9** Bij wie van uw dienaren hij gevonden wordt, die moet sterven, en ook wij zullen slaven zijn van mijn heer.” Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = bij wie | יִמָּצֵ֥א (yimatse) = gevonden wordt | אִתּ֛וֹ (ito) = bij hem | מֵעֲבָדֶ֖יךָ (meavadeikha) = van uw dienaren | וָמֵ֑ת (vamet) = en hij sterft | וְגַם (vegam) = en ook | אֲנַ֕חְנוּ (anachnu) = wij | נִֽהְיֶ֥ה (nihye) = zullen zijn | לַֽאדֹנִ֖י (ladoni) = voor mijn heer | לַעֲבָדִֽים (laavadim) = tot slaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ומת (vamet), ‘en hij sterft’: de straf die de broers zelf bedenken, zoals Jakob in 31:32. Zie ook: Gen 31:32; Gen 43:18; Jub 43:5; Job 31:38–40; Ps 7:4–6; Hand 25:11 **44:10** Hij zei: „Ook nu zal het gaan zoals jullie zeggen: bij wie hij gevonden wordt, die zal mijn slaaf zijn, en jullie zullen vrij van schuld zijn.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | גַּם (gam) = ook | עַתָּ֥ה (ata) = nu | כְדִבְרֵיכֶ֖ם (kedivreikhem) = naar jullie woorden | כֶּן (ken) = zo | ה֑וּא (hu) = is het | אֲשֶׁ֨ר (asher) = bij wie | יִמָּצֵ֤א (yimatse) = gevonden wordt | אִתּוֹ֙ (ito) = bij hem | יִהְיֶה (yihye) = hij zal zijn | לִּ֣י (li) = voor mij | עָ֔בֶד (aved) = slaaf | וְאַתֶּ֖ם (veatem) = en jullie | תִּהְי֥וּ (tihyu) = zullen zijn | נְקִיִּֽם (neqiyim) = vrij van schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נקים (neqiyyim), ‘vrij van schuld’: Jozef verzacht de straf en laat alleen de schuldige slaaf worden. Zie ook: Gen 44:17; Gen 44:33; Jub 43:6; Ex 22:2; Mat 18:24–25 **44:11** Haastig lieten zij ieder zijn zak op de grond neer en openden ieder zijn zak. Brontekst: וַֽיְמַהֲר֗וּ (vaymaharu) = en ze haastten zich | וַיּוֹרִ֛דוּ (vayoridu) = en ze lieten neer | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַמְתַּחְתּ֖וֹ (amtachto) = zijn zak | אָ֑רְצָה (aretsa) = naar de grond | וַֽיִּפְתְּח֖וּ (vayiftechu) = en ze openden | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | אַמְתַּחְתּֽוֹ (amtachto) = zijn zak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 43:7 **44:12** Hij doorzocht ze; bij de oudste begon hij en bij de jongste eindigde hij. En de beker werd gevonden in de zak van Benjamin. Brontekst: וַיְחַפֵּ֕שׂ (vaychapes) = en hij zocht | בַּגָּד֣וֹל (bagadol) = bij de oudste | הֵחֵ֔ל (hechel) = begon hij | וּבַקָּטֹ֖ן (uvaqaton) = en bij de jongste | כִּלָּ֑ה (kila) = hij eindigde | וַיִּמָּצֵא֙ (vayimatse) = en werd gevonden | הַגָּבִ֔יעַ (hagavia) = de beker | בְּאַמְתַּ֖חַת (beamtachat) = in de zak van | בִּנְיָמִֽן (binyamin) = Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: החל ובקטן כלה (hechel uvaqqaton killah), ‘bij de oudste begon hij en bij de jongste eindigde hij’: ze worden zo gezocht dat de beker pas bij de laatste komt. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:27 zegt dat de broers Benjamin onderweg sloegen. Jubileeën 43:7 zegt dat de beker bij het zoeken in Benjamins zak gevonden werd. Zie ook: Gen 42:36–38; Gen 43:14; Gen 43:33; Gen 44:2; Gen 44:26–32; Jub 43:7; Jas 53:27 **44:13** Zij scheurden hun kleren, laadden ieder zijn ezel op en keerden terug naar de stad. Brontekst: וַֽיִּקְרְע֖וּ (vayiqreu) = en ze scheurden | שִׂמְלֹתָ֑ם (simlotam) = hun kleren | וַֽיַּעֲמֹס֙ (vayaamos) = en hij laadde op | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | עַל (al) = op | חֲמֹר֔וֹ (chamoro) = zijn ezel | וַיָּשֻׁ֖בוּ (vayashuvu) = en ze keerden terug | הָעִֽירָה (haira) = naar de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויקרעו שׂמלתם (vayyiqre’u simlotam), ‘zij scheurden hun kleren’: het teken van rouw; zie 37:29, 34. Zie ook: Gen 37:29–34; Gen 37:34; Jub 43:8; Num 14:6; 2 Sam 1:2; 2 Sam 1:11; 2 Sam 13:19 ### Juda en zijn broers voor Jozef **44:14** Juda en zijn broers kwamen in het huis van Jozef, en hij was er nog; en zij vielen voor hem neer op de grond. Brontekst: וַיָּבֹ֨א (vayavo) = en hij kwam | יְהוּדָ֤ה (yehuda) = Juda | וְאֶחָיו֙ (veechav) = en zijn broers | בֵּ֣יתָה (beita) = naar het huis | יוֹסֵ֔ף (yosef) = van Jozef | וְה֖וּא (vehu) = en hij | עוֹדֶ֣נּוּ (odenu) = nog | שָׁ֑ם (sham) = daar | וַיִּפְּל֥וּ (vayipelu) = en ze vielen | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor hem | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויפלו לפניו ארצה (vayyippelu lefanav artsah), ‘zij vielen voor hem neer op de grond’: zie 37:7, 9; 42:6; 43:26, 28. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:28–32 vertelt dat Juda woedend was, dat Jozef Benjamin met geweld van zijn broers scheidde en de deur sloot. Jasher 54:1–50 vertelt een lange woordenstrijd en worsteling tussen Juda en Jozef, waarbij heel Egypte schrok. Zie ook: Gen 37:7–10; Gen 37:9; Gen 42:6; Gen 43:16; Gen 43:25; Gen 43:26; Gen 43:28; Gen 50:18; Jub 43:8; Jas 53:28–32; Jas 54:1–50; Fil 2:10–11 **44:15** Jozef zei tegen hen: „Wat is dit voor een daad die jullie gedaan hebben? Wisten jullie niet dat een man zoals ik zeker kan voorspellen?” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | מָֽה (ma) = wat | הַמַּעֲשֶׂ֥ה (hamaase) = de daad | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עֲשִׂיתֶ֑ם (asitem) = jullie gedaan hebben | הֲל֣וֹא (halo) = is het niet | יְדַעְתֶּ֔ם (yedatem) = jullie wisten | כִּֽי (ki) = dat | נַחֵ֧שׁ (nachesh) = voorspellend | יְנַחֵ֛שׁ (yenachesh) = hij voorspelt | אִ֖ישׁ (ish) = een man | אֲשֶׁ֥ר (asher) = zoals | כָּמֹֽנִי (kamoni) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נחשׁ ינחשׁ (nachesh yenachesh), ‘zeker voorspellen’: zie vers 5. Zie ook: Gen 3:13; Gen 21:26; Gen 39:8; Gen 44:4–5; Gen 44:5; Jub 43:10; Ex 32:1 **44:16** Juda zei: „Wat zullen wij tot mijn heer zeggen? Wat zullen wij spreken, en hoe zullen wij ons rechtvaardigen? Elohim heeft de schuld van uw dienaren gevonden. Zie, wij zijn slaven van mijn heer, zowel wij als hij in wiens hand de beker gevonden is.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | מַה (ma) = wat | נֹּאמַר֙ (nomar) = zullen we zeggen | לַֽאדֹנִ֔י (ladoni) = tot mijn heer | מַה (ma) = wat | נְּדַבֵּ֖ר (nedaber) = zullen we spreken | וּמַה (uma) = en wat | נִּצְטַדָּ֑ק (nitstadaq) = zullen we ons rechtvaardigen | הָאֱלֹהִ֗ים (haElohim) = Elohim | מָצָא֙ (matsa) = heeft gevonden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֲוֺ֣ן (avon) = schuld van | עֲבָדֶ֔יךָ (avadeikha) = uw dienaren | הִנֶּנּ֤וּ (hinenu) = zie ons | עֲבָדִים֙ (avadim) = slaven | לַֽאדֹנִ֔י (ladoni) = voor mijn heer | גַּם (gam) = ook | אֲנַ֕חְנוּ (anachnu) = wij | גַּ֛ם (gam) = ook | אֲשֶׁר (asher) = degene die | נִמְצָ֥א (nimtsa) = gevonden is | הַגָּבִ֖יעַ (hagavia) = de beker | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: האלהים מצא את עון עבדיך (ha’Elohim matsa et avon avadekha), ‘Elohim heeft de schuld van uw dienaren gevonden’: Juda denkt aan de verkoop van Jozef; zie 42:21. Voetnoot Aanvullend: Jasher 53:31 laat Juda hetzelfde zeggen: Elohim heeft de ongerechtigheid van zijn dienaren gevonden. Zie ook: Gen 37:9; Gen 42:21; Gen 44:9; Jas 53:31; Num 32:23; Dan 9:7; Luc 12:2 **44:17** Maar hij zei: „Het is ondenkbaar dat ik dit doe! De man in wiens hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; en jullie, trek in vrede op naar jullie vader.” Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | חָלִ֣ילָה (chalila) = ondenkbaar | לִּ֔י (li) = van mij | מֵעֲשׂ֖וֹת (measot) = om te doen | זֹ֑את (zot) = dit | הָאִ֡ישׁ (haish) = de man | אֲשֶׁר֩ (asher) = in wiens | נִמְצָ֨א (nimtsa) = gevonden is | הַגָּבִ֜יעַ (hagavia) = de beker | בְּיָד֗וֹ (beyado) = in zijn hand | ה֚וּא (hu) = hij | יִהְיֶה (yihye) = zal zijn | לִּ֣י (li) = voor mij | עָ֔בֶד (aved) = slaaf | וְאַתֶּ֕ם (veatem) = en jullie | עֲל֥וּ (alu) = trekt op | לְשָׁל֖וֹם (leshalom) = in vrede | אֶל (el) = naar | אֲבִיכֶֽם (avikhem) = jullie vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:25; Gen 26:29; Gen 37:32–33; Gen 42:18; 2 Sam 23:3 ### Juda’s pleidooi **44:18** Toen trad Juda naar hem toe en zei: „Ach, mijn heer, laat uw dienaar toch een woord spreken in de oren van mijn heer, en laat uw toorn niet ontbranden tegen uw dienaar, want u bent als de farao. Brontekst: וַיִּגַּ֨שׁ (vayigash) = en hij trad naar voren | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en hij zei | בִּ֣י (bi) = ach | אֲדֹנִי֒ (adoni) = mijn heer | יְדַבֶּר (yedaber) = laat spreken | נָ֨א (na) = toch | עַבְדְּךָ֤ (avdekha) = uw dienaar | דָבָר֙ (davar) = een woord | בְּאָזְנֵ֣י (beazenei) = in de oren van | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | וְאַל (veal) = en niet | יִ֥חַר (yichar) = moge ontbranden | אַפְּךָ֖ (apekha) = uw toorn | בְּעַבְדֶּ֑ךָ (beavdekha) = tegen uw dienaar | כִּ֥י (ki) = want | כָמ֖וֹךָ (kamokha) = zoals u | כְּפַרְעֹֽה (kefaro) = zoals de farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בי אדני (bi adoni), ‘ach, mijn heer’: zie 43:20. כי כמוך כפרעה (ki khamokha kePar’oh), ‘want u bent als de farao’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:2–8 geeft Juda's openingswoorden. Jubileeën 43:11–13 geeft een korte vorm van Juda's toespraak. Zie ook: Gen 18:30; Gen 18:32; Gen 41:40; Gen 41:44; Gen 43:20; Jub 43:11–13; Jas 54:2–8; Ex 32:22 **44:19** Mijn heer vroeg zijn dienaren: ‘Hebben jullie een vader of een broer?’ Brontekst: אֲדֹנִ֣י (adoni) = mijn heer | שָׁאַ֔ל (shaal) = vroeg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֲבָדָ֖יו (avadav) = zijn dienaren | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | הֲיֵשׁ (hayesh) = is er | לָכֶ֥ם (lakhem) = bij jullie | אָ֖ב (av) = een vader | אוֹ (o) = of | אָֽח (ach) = een broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de verzen 19–23 vat Juda de eerdere gesprekken samen; zie 42:13, 15, 20. Zie ook: Gen 42:7–10; Gen 42:13; Gen 42:15; Gen 42:20; Gen 43:7; Gen 43:29 **44:20** Wij zeiden tot mijn heer: ‘Wij hebben een oude vader en een jongen van zijn oude dag, een kleine; zijn broer is dood, en hij is als enige van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.’ Brontekst: וַנֹּ֨אמֶר֙ (vanomer) = en we zeiden | אֶל (el) = tot | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | יֶשׁ (yesh) = er is | לָ֨נוּ֙ (lanu) = bij ons | אָ֣ב (av) = een vader | זָקֵ֔ן (zaqen) = oud | וְיֶ֥לֶד (veyeled) = en een kind van | זְקֻנִ֖ים (zequnim) = oude dagen | קָטָ֑ן (qatan) = klein | וְאָחִ֨יו (veachiv) = en zijn broer | מֵ֜ת (met) = is dood | וַיִּוָּתֵ֨ר (vayivater) = en hij bleef over | ה֧וּא (hu) = hij | לְבַדּ֛וֹ (levado) = alleen | לְאִמּ֖וֹ (leimo) = van zijn moeder | וְאָבִ֥יו (veaviv) = en zijn vader | אֲהֵבֽוֹ (ahevo) = heeft hem lief Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וילד זקנים קטן (veyeled zequnim qatan), ‘een jongen van zijn oude dag, een kleine’: Benjamin; zie 35:18; 37:3. Zie ook: Gen 35:18; Gen 37:3; Gen 42:36; Gen 42:38; Gen 43:7–8 **44:21** U zei tegen uw dienaren: ‘Breng hem af naar mij, dat ik mijn ogen op hem richt.’ Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en u zei | אֶל (el) = tot | עֲבָדֶ֔יךָ (avadeikha) = uw dienaren | הוֹרִדֻ֖הוּ (horiduhu) = brengt hem af | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וְאָשִׂ֥ימָה (veasima) = en ik zal richten | עֵינִ֖י (eini) = mijn oog | עָלָֽיו (alav) = op hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואשׂימה עיני עליו (ve’asimah eini alav), ‘dat ik mijn ogen op hem richt’: ten goede of ten kwade; Jozef bedoelde het ten goede, zie 42:20. Zie ook: Gen 42:15; Gen 42:20; Gen 43:29; Amos 9:4; Jer 24:6 **44:22** Wij zeiden tegen mijn heer: ‘De jongen kan zijn vader niet verlaten; als hij zijn vader verlaat, zal hij sterven.’ Brontekst: וַנֹּ֨אמֶר֙ (vanomer) = en we zeiden | אֶל (el) = tot | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | לֹא (lo) = niet | יוּכַ֥ל (yukhal) = kan | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | לַעֲזֹ֣ב (laazov) = verlaten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וְעָזַ֥ב (veazav) = en als hij verlaat | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | וָמֵֽת (vamet) = dan sterft hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:38; Gen 44:30 **44:23** Maar u zei tegen uw dienaren: ‘Als jullie jongste broer niet met jullie afkomt, zullen jullie mijn gezicht niet meer zien.’ Brontekst: וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en u zei | אֶל (el) = tot | עֲבָדֶ֔יךָ (avadeikha) = uw dienaren | אִם (im) = als | לֹ֥א (lo) = niet | יֵרֵ֛ד (yered) = afkomt | אֲחִיכֶ֥ם (achikhem) = jullie broer | הַקָּטֹ֖ן (haqaton) = de jongste | אִתְּכֶ֑ם (itekhem) = met jullie | לֹ֥א (lo) = niet | תֹסִפ֖וּן (tosifun) = zullen jullie voortaan | לִרְא֥וֹת (lirot) = om te zien | פָּנָֽי (panay) = mijn gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לא תספון לראות פני (lo tosifun lir’ot panai), ‘zullen jullie mijn gezicht niet meer zien’: zie 43:3, 5. Zie ook: Gen 42:15–20; Gen 43:3; Gen 43:5 **44:24** En toen wij opgingen naar uw dienaar, mijn vader, hebben wij hem de woorden van mijn heer verteld. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | כִּ֣י (ki) = toen | עָלִ֔ינוּ (alinu) = wij opgingen | אֶֽל (el) = tot | עַבְדְּךָ֖ (avdekha) = uw dienaar | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | וַנַּ֨גֶּד (vanaged) = en we vertelden | ל֔וֹ (lo) = hem | אֵ֖ת (et) = (lijdend voorwerp) | דִּבְרֵ֥י (divrei) = de woorden van | אֲדֹנִֽי (adoni) = mijn heer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 42:29–34 **44:25** Onze vader zei: ‘Ga terug, koop voor ons een beetje voedsel.’ Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָבִ֑ינוּ (avinu) = onze vader | שֻׁ֖בוּ (shuvu) = keert terug | שִׁבְרוּ (shivru) = koopt | לָ֥נוּ (lanu) = voor ons | מְעַט (meat) = een weinig | אֹֽכֶל (okhel) = voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 43:2; Gen 43:5 **44:26** Wij zeiden: ‘Wij kunnen niet afgaan. Als onze jongste broer met ons is, dan gaan wij af; want wij kunnen het gezicht van de man niet zien als onze jongste broer niet met ons is.’ Brontekst: וַנֹּ֕אמֶר (vanomer) = en we zeiden | לֹ֥א (lo) = niet | נוּכַ֖ל (nukhal) = wij kunnen | לָרֶ֑דֶת (laredet) = afdalen | אִם (im) = als | יֵשׁ֩ (yesh) = er is | אָחִ֨ינוּ (achinu) = onze broer | הַקָּטֹ֤ן (haqaton) = de jongste | אִתָּ֨נוּ֙ (itanu) = met ons | וְיָרַ֔דְנוּ (veyaradnu) = dan zullen we afdalen | כִּי (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | נוּכַ֗ל (nukhal) = wij kunnen | לִרְאוֹת֙ (lirot) = om te zien | פְּנֵ֣י (penei) = gezicht van | הָאִ֔ישׁ (haish) = de man | וְאָחִ֥ינוּ (veachinu) = en onze broer | הַקָּטֹ֖ן (haqaton) = de jongste | אֵינֶ֥נּוּ (einenu) = is niet | אִתָּֽנוּ (itanu) = met ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 43:4–5; Luc 11:7 **44:27** Uw dienaar, mijn vader, zei tegen ons: ‘Jullie weten dat mijn vrouw mij twee zonen heeft gebaard. Brontekst: וַיֹּ֛אמֶר (vayomer) = en hij zei | עַבְדְּךָ֥ (avdekha) = uw dienaar | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | אֵלֵ֑ינוּ (eleinu) = tot ons | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | יְדַעְתֶּ֔ם (yedatem) = weten | כִּ֥י (ki) = dat | שְׁנַ֖יִם (shenayim) = twee | יָֽלְדָה (yaleda) = heeft gebaard | לִּ֥י (li) = mij | אִשְׁתִּֽי (ishti) = mijn vrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁנים ילדה לי אשׁתי (shenayim yaledah li ishti), ‘mijn vrouw heeft mij twee zonen gebaard’: Rachel; zie 30:22–24; 35:16–18. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 42:11 laat Jakob zeggen: ‘Mijn zoon zal niet met u gaan.’ Zie ook: Gen 29:18–21; Gen 29:28; Gen 30:22–25; Gen 35:16–18; Gen 46:19; Jub 42:11 **44:28** De ene ging van mij weg en ik zei: Voorzeker is hij verscheurd; en ik heb hem tot nu toe niet gezien. Brontekst: וַיֵּצֵ֤א (vayetse) = en hij ging uit | הָֽאֶחָד֙ (haechad) = de een | מֵֽאִתִּ֔י (meiti) = van mij | וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | אַ֖ךְ (akh) = voorzeker | טָרֹ֣ף (tarof) = verscheurd | טֹרָ֑ף (toraf) = hij is verscheurd | וְלֹ֥א (velo) = en niet | רְאִיתִ֖יו (reitiv) = ik zag hem | עַד (ad) = tot | הֵֽנָּה (hena) = nu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואמר אך טרף טרף (va’omar akh taroph toraph), ‘ik zei: voorzeker is hij verscheurd’: zie 37:33. Zie ook: Gen 37:13–14; Gen 37:33; Gen 42:36; Gen 42:38 **44:29** Als jullie ook deze van mijn aangezicht wegnemen en hem een ramp treft, dan doen jullie mijn grijze haren met onheil neerdalen naar de Sjeol.’ Brontekst: וּלְקַחְתֶּ֧ם (uleqachtem) = en jullie nemen | גַּם (gam) = ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | זֶ֛ה (ze) = deze | מֵעִ֥ם (meim) = van met | פָּנַ֖י (panay) = mijn gezicht | וְקָרָ֣הוּ (veqarahu) = en het treft hem | אָס֑וֹן (ason) = een ramp | וְהֽוֹרַדְתֶּ֧ם (vehoradtem) = en jullie doen dalen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֵׂיבָתִ֛י (seivati) = mijn grijze haren | בְּרָעָ֖ה (beraa) = met onheil | שְׁאֹֽלָה (sheola) = naar de Sjeol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׂיבתי ברעה שׁאלה (sevati bera’ah she’olah), ‘mijn grijze haren met onheil naar de Sjeol’: zie 42:38; 37:35. Zie ook: Gen 37:35; Gen 42:36; Gen 42:38; Gen 43:14; Gen 44:31; Deut 31:17 **44:30** Nu dan, als ik bij uw dienaar, mijn vader, kom en de jongen is niet met ons, terwijl zijn ziel aan de ziel van de jongen verbonden is, Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | כְּבֹאִי֙ (kevoi) = als ik kom | אֶל (el) = tot | עַבְדְּךָ֣ (avdekha) = uw dienaar | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | וְהַנַּ֖עַר (vehanaar) = en de jongen | אֵינֶ֣נּוּ (einenu) = is niet | אִתָּ֑נוּ (itanu) = met ons | וְנַפְשׁ֖וֹ (venafsho) = en zijn ziel | קְשׁוּרָ֥ה (qeshura) = verbonden | בְנַפְשֽׁוֹ (benafsho) = aan zijn ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ונפשׁו קשׁורה בנפשׁו (venafsho qeshurah venafsho), ‘zijn ziel is verbonden aan zijn ziel’: zijn leven hangt aan het leven van de jongen; vergelijk 1 Sam. 18:1. Zie ook: Gen 44:17; Gen 44:34; Jub 43:12; 1 Sam 18:1; 1 Sam 25:29; 2 Sam 19:1 **44:31** dan zal het gebeuren, als hij ziet dat de jongen er niet is, dat hij sterft; en uw dienaren zullen de grijze haren van uw dienaar, onze vader, met jammer doen neerdalen naar de Sjeol. Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּרְאוֹת֛וֹ (kiroto) = als hij ziet | כִּי (ki) = dat | אֵ֥ין (ein) = niet is | הַנַּ֖עַר (hanaar) = de jongen | וָמֵ֑ת (vamet) = dan sterft hij | וְהוֹרִ֨ידוּ (vehoridu) = en ze doen dalen | עֲבָדֶ֜יךָ (avadeikha) = uw dienaren | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שֵׂיבַ֨ת (seivat) = grijze haren van | עַבְדְּךָ֥ (avdekha) = uw dienaar | אָבִ֛ינוּ (avinu) = onze vader | בְּיָג֖וֹן (beyagon) = met jammer | שְׁאֹֽלָה (sheola) = naar de Sjeol Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ביגון שׁאלה (beyagon she’olah), ‘met jammer naar de Sjeol’: zie 42:38. Zie ook: Gen 37:26–27; Gen 37:35; Gen 42:38; Gen 44:29; Jub 43:12; 1 Sam 4:17–18; 2 Kor 7:10 **44:32** Want uw dienaar is borg geworden voor de jongen bij mijn vader, zeggend: ‘Als ik hem niet bij u terugbreng, dan heb ik al de dagen tegen mijn vader gezondigd.’ Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | עַבְדְּךָ֙ (avdekha) = uw dienaar | עָרַ֣ב (arav) = stond borg | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַנַּ֔עַר (hanaar) = voor de jongen | מֵעִ֥ם (meim) = van met | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אִם (im) = als | לֹ֤א (lo) = niet | אֲבִיאֶ֨נּוּ֙ (avienu) = ik hem terugbreng | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot u | וְחָטָ֥אתִי (vechatati) = dan heb ik gezondigd | לְאָבִ֖י (leavi) = tegen mijn vader | כָּל (kal) = alle | הַיָּמִֽים (hayamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עבדך ערב את הנער (avdekha arav et hanna’ar), ‘uw dienaar is borg geworden voor de jongen’: zie 43:9. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:57 laat Juda zeggen dat hij borg stond voor de jongen bij zijn vader. Zie ook: Gen 43:8–9; Gen 43:9; Gen 43:16; Jas 54:57 **44:33** Nu dan, laat uw dienaar toch blijven in plaats van de jongen als slaaf van mijn heer, en laat de jongen met zijn broers opgaan. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | יֵֽשֶׁב (yeshev) = laat blijven | נָ֤א (na) = toch | עַבְדְּךָ֙ (avdekha) = uw dienaar | תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | הַנַּ֔עַר (hanaar) = de jongen | עֶ֖בֶד (eved) = slaaf | לַֽאדֹנִ֑י (ladoni) = voor mijn heer | וְהַנַּ֖עַר (vehanaar) = en de jongen | יַ֥עַל (yaal) = laat opgaan | עִם (im) = met | אֶחָֽיו (echav) = zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ישׁב נא עבדך תחת הנער עבד לאדני (yeshev na avdekha tachat hanna’ar eved ladoni), ‘laat uw dienaar toch blijven in plaats van de jongen als slaaf van mijn heer’: Juda biedt zijn eigen vrijheid aan. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 43:13 geeft hetzelfde aanbod. Zie ook: Jub 43:13; Ex 32:32; Rom 5:7–10; Rom 9:3; Heb 7:22; 1 Joh 3:16 **44:34** Want hoe zou ik naar mijn vader opgaan zonder dat de jongen bij mij is? Ik zou het kwaad zien dat mijn vader zal treffen.” Brontekst: כִּי (ki) = want | אֵיךְ֙ (eikh) = hoe | אֶֽעֱלֶ֣ה (eele) = zal ik opgaan | אֶל (el) = tot | אָבִ֔י (avi) = mijn vader | וְהַנַּ֖עַר (vehanaar) = en de jongen | אֵינֶ֣נּוּ (einenu) = is niet | אִתִּ֑י (iti) = met mij | פֶּ֚ן (pen) = opdat niet | אֶרְאֶ֣ה (ere) = ik zie | בָרָ֔ע (bara) = het kwaad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | יִמְצָ֖א (yimtsa) = zal treffen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִֽי (avi) = mijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פן אראה ברע אשׁר ימצא את אבי (pen er’eh vara asher yimtsa et avi), ‘ik zou het kwaad zien dat mijn vader zal treffen’: Juda kan het verdriet van Jakob niet aanzien. Zie ook: Job 31:29; Ps 116:3; Ps 119:143; 2 Kron 34:28; Est 8:6 ## Genesis 45 _Jozef maakt zich bekend_ ### Jozef maakt zich bekend **45:1** Jozef kon zich niet langer bedwingen tegenover allen die bij hem stonden en riep: „Laat iedereen van mij weggaan!” Er bleef niemand bij hem toen Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte. Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יָכֹ֨ל (yakhol) = kon | יוֹסֵ֜ף (yosef) = Jozef | לְהִתְאַפֵּ֗ק (lehitapeq) = zich bedwingen | לְכֹ֤ל (lekhol) = tegenover allen | הַנִּצָּבִים֙ (hanitsavim) = die bij hem stonden | עָלָ֔יו (alav) = bij hem | וַיִּקְרָ֕א (vayiqra) = en hij riep | הוֹצִ֥יאוּ (hotsiu) = laat uitgaan | כָל (kal) = ieder | אִ֖ישׁ (ish) = man | מֵעָלָ֑י (mealay) = van mij | וְלֹא (velo) = en niet | עָ֤מַד (amad) = stond | אִישׁ֙ (ish) = een man | אִתּ֔וֹ (ito) = bij hem | בְּהִתְוַדַּ֥ע (behitvada) = bij zich bekend maken van | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | אֶל (el) = aan | אֶחָֽיו (echav) = zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: להתאפק (lehit’appeq), ‘zich bedwingen’: zie 43:31. בהתודע יוסף אל אחיו (behitvadda Yosef el echav), ‘toen Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte’: dezelfde wortel (yada) als in 42:7–8, waar zij hem niet herkenden. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:51–53 vertelt dat Jozef bang was dat de broers heel Egypte zouden verwoesten, en dat Manasse Juda's woede stilde. Jubileeën 43:14 zegt dat Jozef zag dat zij allen in het goede overeenstemden. Zie ook: Gen 42:7–8; Gen 43:30–31; Gen 43:31; Jub 43:14; Jas 54:51–53; Jes 42:14; Mat 18:15; Hand 10:41; 1 Kor 13:5 **45:2** Hij huilde zo hard dat de Egyptenaren het hoorden, en het huis van de farao hoorde het. Brontekst: וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en hij gaf | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | קֹל֖וֹ (qolo) = zijn stem | בִּבְכִ֑י (bivkhi) = in geween | וַיִּשְׁמְע֣וּ (vayishmeu) = en ze hoorden | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיִּשְׁמַ֖ע (vayishma) = en hoorde | בֵּ֥ית (beit) = huis van | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קלו בבכי (qolo bevikhi), ‘zijn stem in geween’: zie 43:30; 46:29. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:71–73 vertelt dat Benjamin als eerste op Jozef toeliep en dat het geluid in het huis van de farao gehoord werd. Zie ook: Gen 43:30; Gen 46:29; Jub 43:14; Jas 54:71–73; Num 14:1; Ruth 1:9; 2 Kon 20:3; Hand 20:37 **45:3** Jozef zei tegen zijn broers: „Ik ben Jozef. Leeft mijn vader nog?” Maar zijn broers konden hem niet antwoorden, want zij waren ontsteld voor zijn aangezicht. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יוֹסֵ֤ף (yosef) = Jozef | אֶל (el) = tot | אֶחָיו֙ (echav) = zijn broers | אֲנִ֣י (ani) = ik | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | הַע֥וֹד (haod) = nog | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | חָ֑י (chay) = levend | וְלֹֽא (velo) = en niet | יָכְל֤וּ (yakhelu) = konden | אֶחָיו֙ (echav) = zijn broers | לַעֲנ֣וֹת (laanot) = antwoorden | אֹת֔וֹ (oto) = hem | כִּ֥י (ki) = want | נִבְהֲל֖וּ (nivhalu) = ze waren ontsteld | מִפָּנָֽיו (mipanav) = voor zijn aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אני יוסף העוד אבי חי (ani Yosef ha’od avi chai), ‘ik ben Jozef; leeft mijn vader nog?’: zie 43:27. נבהלו (nivhalu), ‘zij waren ontsteld’: dezelfde wortel als in 1 Sam. 28:21. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:66–70 laat Jozef hardop roepen en dan zeggen: ‘Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie naar Egypte hebben verkocht.’ Jubileeën 43:15 zegt dat Jozef in de Hebreeuwse taal tot hen sprak. Zie ook: Gen 43:27; Jub 43:14; Jub 43:15; Jub 43:16; Jas 54:66–70; Job 23:15; 1 Sam 28:21; Zach 12:10; Luc 5:8; Hand 7:13; Hand 9:5 **45:4** Jozef zei tegen zijn broers: „Kom toch dichter bij mij.” Zij kwamen dichterbij. Hij zei: „Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie naar Egypte verkocht hebben. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יוֹסֵ֧ף (yosef) = Jozef | אֶל (el) = tot | אֶחָ֛יו (echav) = zijn broers | גְּשׁוּ (geshu) = kom naar voren | נָ֥א (na) = toch | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | וַיִּגָּ֑שׁוּ (vayigashu) = en ze kwamen naar voren | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲנִי֙ (ani) = ik | יוֹסֵ֣ף (yosef) = Jozef | אֲחִיכֶ֔ם (achikhem) = jullie broer | אֲשֶׁר (asher) = die | מְכַרְתֶּ֥ם (mekhartem) = jullie verkocht hebben | אֹתִ֖י (oti) = mij | מִצְרָֽיְמָה (mitsrayema) = naar Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אשׁר מכרתם אתי מצרימה (asher mekhartem oti Mitsrayma), ‘die jullie naar Egypte verkocht hebben’: zie 37:28; 39:1. Zie ook: Gen 37:28; Gen 39:1; Gen 50:18; Jub 43:16; Mat 14:27; Hand 9:5 **45:5** Maar nu, wees niet bedroefd en laat het niet kwaad zijn in jullie ogen dat jullie mij hierheen verkocht hebben, want om levend te houden heeft Elohim mij voor jullie uit gezonden. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | אַל (al) = niet | תֵּעָ֣צְב֗וּ (teatsevu) = wees bedroefd | וְאַל (veal) = en niet | יִ֨חַר֙ (yichar) = laat ontbranden | בְּעֵ֣ינֵיכֶ֔ם (beeineikhem) = in jullie ogen | כִּֽי (ki) = dat | מְכַרְתֶּ֥ם (mekhartem) = jullie verkocht hebben | אֹתִ֖י (oti) = mij | הֵ֑נָּה (hena) = hierheen | כִּ֣י (ki) = want | לְמִֽחְיָ֔ה (lemichya) = om in leven te houden | שְׁלָחַ֥נִי (shelachani) = heeft mij gezonden | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | לִפְנֵיכֶֽם (lifneikhem) = voor jullie uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: למחיה שׁלחני אלהים לפניכם (lemichyah shelachani Elohim lifnekhem), ‘om levend te houden heeft Elohim mij voor jullie uit gezonden’: zie 50:20. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:69 zegt dat Elohim hem voor hen uit gezonden heeft om in de hongersnood leven te geven. Zie ook: Gen 45:7–8; Gen 50:20; Jub 43:16; Jub 43:18; Jas 54:69; Job 1:21; Hand 2:23–24; Hand 7:9–15 **45:6** Want dit is het tweede jaar van de hongersnood in het land, en er zijn nog vijf jaren waarin geen ploegen en oogsten is. Brontekst: כִּי (ki) = want | זֶ֛ה (ze) = dit | שְׁנָתַ֥יִם (shenatayim) = twee jaren | הָרָעָ֖ב (haraav) = de honger | בְּקֶ֣רֶב (beqerev) = in het midden van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְעוֹד֙ (veod) = en nog | חָמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | אֵין (ein) = niet is | חָרִ֖ישׁ (charish) = ploegen | וְקָצִּֽיר (veqatsir) = en oogsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁנתים הרעב (shenatayim hara’av), ‘het tweede jaar van de hongersnood’: zie 41:30, 54. חרישׁ וקציר (charish vqatsir), ‘ploegen en oogsten’: zie Exod. 34:21. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 43:17 noemt hetzelfde: nog vijf jaar zonder oogst of vrucht. Zie ook: Gen 41:29–31; Gen 41:30; Gen 41:54; Gen 41:56; Gen 47:23; Jub 43:16; Jub 43:17; Jub 43:18; Ex 34:21 **45:7** Elohim heeft mij voor jullie uit gezonden om voor jullie een overblijfsel op aarde te stellen en jullie in leven te houden tot een grote ontkoming. Brontekst: וַיִּשְׁלָחֵ֤נִי (vayishlacheni) = en Hij zond mij | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | לִפְנֵיכֶ֔ם (lifneikhem) = voor jullie uit | לָשׂ֥וּם (lasum) = om te stellen | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | שְׁאֵרִ֖ית (sheerit) = overblijfsel | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = op aarde | וּלְהַחֲי֣וֹת (ulehachayot) = en om in leven te houden | לָכֶ֔ם (lakhem) = jullie | לִפְלֵיטָ֖ה (lifleita) = tot ontkoming | גְּדֹלָֽה (gedola) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁארית (she’erit), ‘overblijfsel’: een restgroep die blijft; zie 2 Kon. 19:31. לפליטה גדלה (lifleita gedolah), ‘tot een grote ontkoming’. Zie ook: Jub 43:16; Jub 43:18; Re 15:18; 1 Kron 11:14; Ps 18:51; Ps 44:5; 2 Kon 19:31; Hand 7:35 **45:8** Nu dan, jullie hebben mij niet hierheen gezonden, maar Elohim; Hij heeft mij tot vader van de farao gesteld, tot heer over heel zijn huis en tot heerser over het hele land Egypte. Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | לֹֽא (lo) = niet | אַתֶּ֞ם (atem) = jullie | שְׁלַחְתֶּ֤ם (shelachtem) = hebben gezonden | אֹתִי֙ (oti) = mij | הֵ֔נָּה (hena) = hierheen | כִּ֖י (ki) = maar | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | וַיְשִׂימֵ֨נִֽי (vaysimeni) = en Hij heeft mij gesteld | לְאָ֜ב (leav) = tot vader | לְפַרְעֹ֗ה (lefaro) = voor farao | וּלְאָדוֹן֙ (uleadon) = en tot heer | לְכָל (lekhal) = over heel | בֵּית֔וֹ (beito) = zijn huis | וּמֹשֵׁ֖ל (umoshel) = en tot heerser | בְּכָל (bekhal) = in heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: לאב לפרעה (le’av lePar’oh), ‘tot vader van de farao’: een titel voor de hoogste raadsman van de koning. Zie ook: Jub 43:16; Jub 43:18; Jub 43:19; Re 17:10; Ps 105:21–22; Joh 15:16; Joh 19:11; Rom 9:16 **45:9** Haast je, trek op naar mijn vader en zeg tegen hem: ‘Zo zegt uw zoon Jozef: Elohim heeft mij tot heer over heel Egypte gesteld; kom af naar mij, wacht niet. Brontekst: מַהֲרוּ֮ (maharu) = haast je | וַעֲל֣וּ (vaalu) = en trek op | אֶל (el) = naar | אָבִי֒ (avi) = mijn vader | וַאֲמַרְתֶּ֣ם (vaamartem) = en zeg | אֵלָ֗יו (elav) = tegen hem | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | בִּנְךָ֣ (binkha) = uw zoon | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | שָׂמַ֧נִי (samani) = heeft mij gesteld | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | לְאָד֖וֹן (leadon) = tot heer | לְכָל (lekhal) = over heel | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | רְדָ֥ה (reda) = kom af | אֵלַ֖י (elay) = naar mij | אַֽל (al) = niet | תַּעֲמֹֽד (taamod) = wacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: לאדון לכל מצרים (ladon lekhol Mitsrayim), ‘tot heer over heel Egypte’: zie 41:40–41. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 43:19 zegt dat Yahweh hem heeft aangesteld als een vader van Farao en als heerser in zijn huis. Zie ook: Gen 41:40–41; Gen 45:13; Gen 45:19–20; Jub 43:19 **45:10** U zult wonen in het land Gosen en dicht bij mij zijn, u, uw zonen, de zonen van uw zonen, uw kleinvee, uw runderen en alles wat u hebt. Brontekst: וְיָשַׁבְתָּ֣ (veyashavta) = en u zult wonen | בְאֶֽרֶץ (beerets) = in het land | גֹּ֗שֶׁן (goshen) = Gosen | וְהָיִ֤יתָ (vehayita) = en u zult zijn | קָרוֹב֙ (qarov) = dichtbij | אֵלַ֔י (elay) = mij | אַתָּ֕ה (ata) = u | וּבָנֶ֖יךָ (uvaneikha) = en uw zonen | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en de zonen van | בָנֶ֑יךָ (baneikha) = uw zonen | וְצֹאנְךָ֥ (vetsonkha) = en uw kleinvee | וּבְקָרְךָ֖ (uveqarekha) = en uw runderen | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לָֽךְ (lakh) = is van u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Voetnoot Uitleg: בארץ גשׁן (be’erets Goshen), ‘in het land Gosen’: het grensgebied in de oostelijke Nijldelta, zie 46:28–34; 47:1–6, 27. Zie ook: Gen 46:28–29; Gen 46:34–47:6; Gen 47:1–6; Gen 47:27; Ex 8:18; Ex 9:26; Joh 17:24 **45:11** Daar zal ik u verzorgen, want er zijn nog vijf jaren hongersnood, opdat u niet verarmt, u, uw huis en alles wat u hebt.’ Brontekst: וְכִלְכַּלְתִּ֤י (vekhilkalti) = en ik zal u verzorgen | אֹֽתְךָ֙ (otekha) = u | שָׁ֔ם (sham) = daar | כִּי (ki) = want | ע֛וֹד (od) = nog | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | שָׁנִ֖ים (shanim) = jaren | רָעָ֑ב (raav) = honger | פֶּן (pen) = opdat niet | תִּוָּרֵ֛שׁ (tivaresh) = u verarmt | אַתָּ֥ה (ata) = u | וּבֵֽיתְךָ֖ (uveitekha) = en uw huis | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | לָֽךְ (lakh) = is van u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וכלכלתי אתך (vekhilkalti otekha), ‘ik zal u verzorgen’: zie 47:12; 50:21. פן תורשׁ (pen tivvaresh), ‘opdat u niet verarmt’. Zie ook: Gen 47:6; Gen 47:12; Gen 50:21; Mat 15:5–6; Mar 7:9–12; 1 Tim 5:4 **45:12** En zie, jullie ogen zien het, en de ogen van mijn broer Benjamin, dat het mijn mond is die tot jullie spreekt. Brontekst: וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | עֵֽינֵיכֶם֙ (eineikhem) = jullie ogen | רֹא֔וֹת (root) = zien | וְעֵינֵ֖י (veeinei) = en de ogen van | אָחִ֣י (achi) = mijn broer | בִנְיָמִ֑ין (binyamin) = Benjamin | כִּי (ki) = dat | פִ֖י (pi) = mijn mond | הַֽמְדַבֵּ֥ר (hamdaber) = die spreekt | אֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = tot jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פי המדבר אליכם (pi hamdabber aleikhem), ‘mijn mond die tot jullie spreekt’: in het Hebreeuws, zonder tolk; zie 42:23. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 43:16 noemt ook ‘de ogen van mijn broer Benjamin’, die het zien. Zie ook: Gen 42:23; Jub 43:16; Luc 24:39; Joh 20:27 **45:13** Vertel mijn vader van heel mijn heerlijkheid in Egypte en van alles wat jullie gezien hebben, en haast jullie en breng mijn vader hierheen.” Brontekst: וְהִגַּדְתֶּ֣ם (vehigadtem) = en vertelt | לְאָבִ֗י (leavi) = aan mijn vader | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | כְּבוֹדִי֙ (kevodi) = mijn heerlijkheid | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | רְאִיתֶ֑ם (reitem) = jullie gezien hebben | וּמִֽהַרְתֶּ֛ם (umihartem) = en haast jullie | וְהוֹרַדְתֶּ֥ם (vehoradtem) = en breng af | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | הֵֽנָּה (hena) = hierheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Jub 43:20; Joh 17:24; Hand 7:14; 1 Petr 1:10–12; Openb 21:23 **45:14** Hij viel Benjamin, zijn broer, om de hals en weende; en Benjamin weende om zijn hals. Brontekst: וַיִּפֹּ֛ל (vayipol) = en hij viel | עַל (al) = op | צַוְּארֵ֥י (tsaverei) = nekken van | בִנְיָמִֽן (binyamin) = Benjamin | אָחִ֖יו (achiv) = zijn broer | וַיֵּ֑בְךְּ (vayevek) = en hij weende | וּבִנְיָמִ֔ן (uvinyamin) = en Benjamin | בָּכָ֖ה (bakha) = weende | עַל (al) = op | צַוָּארָֽיו (tsavarav) = zijn nek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויפל על צוארי בנימן (vayyippol al tsavverei Binyamin), ‘hij viel Benjamin om de hals’: zie 33:4; 46:29. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:71–72 zegt dat Benjamin Jozef om de hals viel en dat de andere broers daarna volgden. Zie ook: Gen 29:11; Gen 33:4; Gen 46:29; Jas 54:71–72; Rom 1:31 **45:15** Hij kuste al zijn broers en weende om hen. Daarna spraken zijn broers met hem. Brontekst: וַיְנַשֵּׁ֥ק (vaynasheq) = en hij kuste | לְכָל (lekhal) = alle | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | וַיֵּ֣בְךְּ (vayevek) = en hij weende | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = om hen | וְאַ֣חֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֔ן (ken) = zo | דִּבְּר֥וּ (diberu) = spraken | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דברו אחיו אתו (dibberu echav ito), ‘zijn broers spraken met hem’: voor het eerst sinds 37:4, toen zij niet vreedzaam met hem konden spreken. Zie ook: Gen 29:13; Gen 33:4; Gen 37:4; Ruth 1:14; 1 Sam 20:41; Luc 15:20 ### De farao nodigt Jakobs familie uit **45:16** Het bericht werd gehoord in het huis van de farao: „De broers van Jozef zijn gekomen.” Het was goed in de ogen van de farao en in de ogen van zijn dienaren. Brontekst: וְהַקֹּ֣ל (vehaqol) = en de stem | נִשְׁמַ֗ע (nishma) = werd gehoord | בֵּ֤ית (beit) = huis van | פַּרְעֹה֙ (paro) = farao | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | בָּ֖אוּ (bau) = ze zijn gekomen | אֲחֵ֣י (achei) = broers van | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַיִּיטַב֙ (vayitav) = en het was goed | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | פַרְעֹ֔ה (paro) = farao | וּבְעֵינֵ֖י (uveeinei) = en in de ogen van | עֲבָדָֽיו (avadav) = zijn dienaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: באו אחי יוסף (ba’u achei Yosef), ‘de broers van Jozef zijn gekomen’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:73–75 zegt dat de farao verheugd was omdat hij bang voor hen was geweest. Zie ook: Gen 34:18; Jas 54:73–75; 2 Sam 3:36; Est 1:21; Est 2:4; Hand 7:13 **45:17** De farao zei tegen Jozef: „Zeg tegen je broers: doe dit: laad jullie lastdieren op en ga, trek naar het land Kanaän, Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹה֙ (paro) = farao | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | אֱמֹ֥ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tot | אַחֶ֖יךָ (acheikha) = je broers | זֹ֣את (zot) = dit | עֲשׂ֑וּ (asu) = doet | טַֽעֲנוּ֙ (taanu) = belaadt | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּעִ֣ירְכֶ֔ם (beirekhem) = jullie lastdieren | וּלְכוּ (ulekhu) = en gaat | בֹ֖אוּ (bou) = komt | אַ֥רְצָה (artsa) = naar het land | כְּנָֽעַן (kenaan) = Kanaän Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: טענו את בעירכם (ta’anu et be’irkhem), ‘laad jullie lastdieren op’: be’ir is vee dat lasten draagt. Zie ook: Gen 42:25–26; Gen 44:1–2 **45:18** haal jullie vader en jullie huisgezinnen en kom naar mij; dan zal ik jullie het goede van het land Egypte geven, en jullie zullen het vette van het land eten. Brontekst: וּקְח֧וּ (uqechu) = en neemt | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲבִיכֶ֛ם (avikhem) = jullie vader | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | בָּתֵּיכֶ֖ם (bateikhem) = jullie huizen | וּבֹ֣אוּ (uvou) = en komt | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | וְאֶתְּנָ֣ה (veetena) = en ik zal geven | לָכֶ֗ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | טוּב֙ (tuv) = het goede van | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאִכְל֖וּ (veikhlu) = en eet | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֵ֥לֶב (chelev) = het vette van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ואתנה לכם את טוב ארץ מצרים (ve’ettenah lakhem et tuv erets Mitsrayim), ‘ik zal jullie het goede van het land Egypte geven’: zie vers 20. חלב הארץ (chelev ha’arets), ‘het vette van het land’: het beste, letterlijk ‘het vet’. Zie ook: Gen 27:28; Gen 45:20; Gen 47:6; Num 18:12; Num 18:29; Ps 147:14 **45:19** En jij, je bent gelast: doe dit: neem voor jullie uit het land Egypte wagens voor jullie kleinen en jullie vrouwen, en haal jullie vader en kom. Brontekst: וְאַתָּ֥ה (veata) = en jij | צֻוֵּ֖יתָה (tsuveita) = je bent gelast | זֹ֣את (zot) = dit | עֲשׂ֑וּ (asu) = doet | קְחוּ (qechu) = neemt | לָכֶם֩ (lakhem) = voor jullie | מֵאֶ֨רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = Egypte | עֲגָל֗וֹת (agalot) = wagens | לְטַפְּכֶם֙ (letapekhem) = voor jullie kleinen | וְלִנְשֵׁיכֶ֔ם (velinsheikhem) = en voor jullie vrouwen | וּנְשָׂאתֶ֥ם (unesatem) = en jullie dragen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲבִיכֶ֖ם (avikhem) = jullie vader | וּבָאתֶֽם (uvatem) = en jullie komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: עגלות (agalot), ‘wagens’: Egyptische lastwagens; zie vers 21, 27; 46:5. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:80 zegt dat Jozef elf wagens van de farao gaf, en zijn eigen kroningswagen. Zie ook: Gen 31:17–18; Gen 45:21; Gen 45:27; Gen 46:5; Jub 43:21; Jas 54:80; Jes 49:1; Jes 49:23 **45:20** Heb geen oog voor jullie bezit, want het goede van heel het land Egypte is van jullie.” Brontekst: וְעֵ֣ינְכֶ֔ם (veeinekhem) = en jullie oog | אַל (al) = niet | תָּחֹ֖ס (tachos) = heb medelijden | עַל (al) = over | כְּלֵיכֶ֑ם (keleikhem) = jullie spullen | כִּי (ki) = want | ט֛וּב (tuv) = het goede van | כָּל (kal) = heel | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לָכֶ֥ם (lakhem) = voor jullie | הֽוּא (hu) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ועינכם אל תחס על כליכם (ve’eynekhem al tachos al keleikhem), ‘heb geen oog voor jullie bezit’: laat het niet spijten wat achterblijft; letterlijk ‘laat uw oog niet sparen’. Zie ook: Jub 43:21; Deut 19:13; 1 Sam 10:22; Jes 1:19; Ezech 7:9; Luc 17:31 **45:21** De zonen van Israël deden dat. Jozef gaf hun wagens op bevel van de farao en gaf hun proviand voor de reis. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en ze deden | כֵן֙ (ken) = zo | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en hij gaf | לָהֶ֥ם (lahem) = hun | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | עֲגָל֖וֹת (agalot) = wagens | עַל (al) = op | פִּ֣י (pi) = bevel van | פַרְעֹ֑ה (paro) = farao | וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en hij gaf | לָהֶ֛ם (lahem) = hun | צֵדָ֖ה (tseda) = reisproviand | לַדָּֽרֶךְ (ladarekh) = voor de weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:76–85 vertelt dat Jozef zijn broers koninklijke gewaden gaf, en aan elk van hen tien mannen als dienaren; dat hij aan Benjamin tien stellen kleren voor zijn tien zonen gaf, en aan zijn zus Dina kostbare kleren en balsems stuurde. Jubileeën 43:21–22 noemt de wagens, de reisproviand, de veelkleurige kleding en de tien ezels. Zie ook: Gen 45:19; Gen 46:5; Jub 43:21–22; Jas 54:76–85; Num 3:16; Num 7:3–9; 2 Kron 35:16 **45:22** Aan hen allen gaf hij ieder een stel feestkleren, en aan Benjamin gaf hij driehonderd zilverstukken en vijf stel feestkleren. Brontekst: לְכֻלָּ֥ם (lekhulam) = aan hen allen | נָתַ֛ן (natan) = hij gaf | לָאִ֖ישׁ (laish) = aan ieder | חֲלִפ֣וֹת (chalifot) = stellen van | שְׂמָלֹ֑ת (semalot) = gewaden | וּלְבִנְיָמִ֤ן (ulevinyamin) = en aan Benjamin | נָתַן֙ (natan) = hij gaf | שְׁלֹ֣שׁ (shelosh) = drie | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | כֶּ֔סֶף (kesef) = zilver | וְחָמֵ֖שׁ (vechamesh) = en vijf | חֲלִפֹ֥ת (chalifot) = stellen van | שְׂמָלֹֽת (semalot) = gewaden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חלפות שׂמלת (chalifot semalot), ‘stellen kleren’: kleren om te verwisselen, feestkleding. שׁלשׁ מאות כסף (shelosh me’ot kesef), ‘driehonderd zilverstukken’: zie 37:28 (twintig). Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:77 noemt honderd zilverstukken voor ieder en driehonderd voor Benjamin. Zie ook: Gen 37:28; Gen 43:34; Jub 43:21; Jas 54:77; Re 14:12; 2 Kon 5:5; 2 Kon 5:22–23; Openb 6:11 **45:23** En aan zijn vader zond hij als volgt: tien ezels beladen met het beste van Egypte en tien ezelinnen beladen met graan, brood en voedsel voor zijn vader voor de reis. Brontekst: וּלְאָבִ֞יו (uleaviv) = en aan zijn vader | שָׁלַ֤ח (shalach) = hij zond | כְּזֹאת֙ (kezot) = zoals dit | עֲשָׂרָ֣ה (asara) = tien | חֲמֹרִ֔ים (chamorim) = ezels | נֹשְׂאִ֖ים (noseim) = dragend | מִטּ֣וּב (mituv) = van het goede van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְעֶ֣שֶׂר (veeser) = en tien | אֲתֹנֹ֡ת (atonot) = ezelinnen | נֹֽ֠שְׂאֹת (noseot) = dragend | בָּ֣ר (bar) = graan | וָלֶ֧חֶם (valechem) = en brood | וּמָז֛וֹן (umazon) = en voedsel | לְאָבִ֖יו (leaviv) = voor zijn vader | לַדָּֽרֶךְ (ladarekh) = voor de weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: אתנת נשׂאת (atonot nosot), ‘ezelinnen beladen’: zie 12:16. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:83 en Jubileeën 43:22 noemen ook tien ezels die voedsel droegen. Zie ook: Gen 12:16; Gen 24:10; Gen 43:11; Jub 43:22; Jas 54:83; Ex 16:3 **45:24** Zo liet hij zijn broers gaan, en zij vertrokken. Hij zei tegen hen: „Wees niet in beroering onderweg.” Brontekst: וַיְשַׁלַּ֥ח (vayshalach) = en hij liet gaan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | וַיֵּלֵ֑כוּ (vayelekhu) = en ze gingen | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | אַֽל (al) = niet | תִּרְגְּז֖וּ (tirgezu) = wees in beroering | בַּדָּֽרֶךְ (badarekh) = onderweg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אל תרגזו (al tirgezu baderekh), ‘wees niet in beroering onderweg’: ragaz betekent ‘beroerd zijn’, ‘beven’ of ‘ruzie maken’; de bedoeling is niet zeker. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:88 geeft: ‘twist niet onderweg’. Zie ook: Jas 54:88; Joh 13:34–35; 1 Tess 5:13; Ef 4:31–32; Fil 2:2–5; Kol 3:12–13 ### Jakob hoort dat Jozef leeft **45:25** Zij trokken op uit Egypte en kwamen in het land Kanaän bij hun vader Jakob. Brontekst: וַֽיַּעֲל֖וּ (vayaalu) = en ze trokken op | מִמִּצְרָ֑יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en ze kwamen | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | אֲבִיהֶֽם (avihem) = hun vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie ook: Jub 43:23 **45:26** Zij vertelden hem: „Jozef leeft nog, en hij is zelfs heerser over het hele land Egypte.” Maar zijn hart bleef koud, want hij geloofde hen niet. Brontekst: וַיַּגִּ֨דוּ (vayagidu) = en ze vertelden | ל֜וֹ (lo) = hem | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | ע֚וֹד (od) = nog | יוֹסֵ֣ף (yosef) = Jozef | חַ֔י (chay) = levend | וְכִֽי (vekhi) = en dat | ה֥וּא (hu) = hij | מֹשֵׁ֖ל (moshel) = heerser | בְּכָל (bekhal) = over heel | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וַיָּ֣פָג (vayafag) = en het verstijfde | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | כִּ֥י (ki) = want | לֹא (lo) = niet | הֶאֱמִ֖ין (heemin) = hij geloofde | לָהֶֽם (lahem) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ויפג לבו (vayyafag libbo), ‘zijn hart bleef koud’: het ging stil, het verstijfde; zie Hab. 1:4. Zie ook: Gen 37:35; Gen 44:28; Gen 45:8–9; Jub 43:23; Jona 2:8; Hab 1:4; Luc 24:11 **45:27** Zij spraken tot hem alle woorden van Jozef die hij tot hen gesproken had. Toen hij de wagens zag die Jozef gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob op. Brontekst: וַיְדַבְּר֣וּ (vaydaberu) = en ze spraken | אֵלָ֗יו (elav) = tot hem | אֵ֣ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֤י (divrei) = woorden van | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | דִּבֶּ֣ר (diber) = hij gesproken had | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | וַיַּרְא֙ (vayar) = en hij zag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָ֣עֲגָל֔וֹת (haagalot) = de wagens | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁלַ֥ח (shalach) = hij had gezonden | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | לָשֵׂ֣את (laset) = om te dragen | אֹת֑וֹ (oto) = hem | וַתְּחִ֕י (vatechi) = en leefde op | ר֖וּחַ (ruach) = geest van | יַעֲקֹ֥ב (yaaqov) = Jakob | אֲבִיהֶֽם (avihem) = hun vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ותחי רוח (vattechi ruach Ya’aqov), ‘de geest van Jakob leefde op’: zijn levenskracht kwam terug. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:92–99 vertelt dat Serach, de dochter van Aser, op de harp speelde en zong dat Jozef leeft, en dat Jakob haar zegende. Jasher 54:100–104 zegt dat de zonen kwamen met de geschenken en dat Jakob het toen geloofde. Jubileeën 43:23–24 zegt dat zij het hun vader berichtten en dat hij het niet geloofde, omdat hij in zijn gedachten verbijsterd was. Zie ook: Gen 45:19; Jub 43:23–24; Jub 43:24; Jas 54:92–99; Jas 54:100–104; 1 Sam 30:12; Ps 85:7; Hos 6:2; Jes 57:15 **45:28** Israël zei: „Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog. Ik ga hem zien voordat ik sterf.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | רַ֛ב (rav) = genoeg | עוֹד (od) = nog | יוֹסֵ֥ף (yosef) = Jozef | בְּנִ֖י (beni) = mijn zoon | חָ֑י (chay) = levend | אֵֽלְכָ֥ה (elekha) = ik zal gaan | וְאֶרְאֶ֖נּוּ (veerenu) = en ik zal hem zien | בְּטֶ֥רֶם (beterem) = voordat | אָמֽוּת (amut) = ik sterf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רב (rav), ‘genoeg’: zie Deut. 3:26. אלכה ואראנו בטרם אמות (elekhah ve’ere’ennu betterem amut), ‘ik ga hem zien voordat ik sterf’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:105 zegt hetzelfde. Zie ook: Gen 46:30; Jub 43:24; Jas 54:105; Deut 3:26; Luc 2:28–30; Joh 16:21–22 ## Genesis 46 _Jakob gaat naar Egypte; Gosen_ ### Jakob gaat naar Egypte **46:1** Israël brak op met alles wat hij had en kwam in Beër-Sjeba, en hij bracht offers aan de Elohim van zijn vader Isaak. Brontekst: וַיִּסַּ֤ע (vayisa) = en hij brak op | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | ל֔וֹ (lo) = aan hem | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij kwam | בְּאֵ֣רָה (beera) = naar Beër | שָּׁ֑בַע (shava) = Sjeba | וַיִּזְבַּ֣ח (vayizbach) = en hij offerde | זְבָחִ֔ים (zevachim) = offers | לֵאלֹהֵ֖י (lelohei) = aan Elohim van | אָבִ֥יו (aviv) = zijn vader | יִצְחָֽק (yitschaq) = Isaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: בארה שׁבע (Be’er Shava), ‘Beër-Sjeba’: zie 21:31; 26:23–25. Jakob offert aan de Elohim van Isaak, op de plaats waar Isaak Yahweh ontmoette. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:1–5 zegt dat Jakob eerst aarzelde het land te verlaten, en Jubileeën 44:1–4 zegt dat hij bij de nieuwe maan van de derde maand uit Haran optrok, een offer bracht aan de Elohim van Isaak en het oogstfeest hield. Zie ook: Gen 21:31; Gen 21:33; Gen 26:22–25; Gen 26:23–25; Gen 28:10; Gen 28:13; Gen 31:42; Jub 44:1–4; Jas 55:1–5 **46:2** Elohim zei tot Israël in nachtgezichten: **„Jakob, Jakob!”** Hij zei: „Hier ben ik.” Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | לְיִשְׂרָאֵל֙ (leyisrael) = tot Israël | בְּמַרְאֹ֣ת (bemarot) = in visioenen van | הַלַּ֔יְלָה (halayla) = de nacht | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּֽנִי (hineni) = hier ben ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: במראת הלילה (be-mar’ot hallailah), ‘in nachtgezichten’: zie 15:1; 28:12. יעקב יעקב (Ya’aqov Ya’aqov), ‘Jakob, Jakob’: zie 22:11. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 44:5 geeft dezelfde roep. Zie ook: Gen 15:1; Gen 15:13; Gen 22:11; Gen 28:12; Jub 44:5; Job 33:14–15; 1 Sam 3:4; Hand 9:4 **46:3** **„Ik ben de God, de Elohim van je vader. Wees niet bang om naar Egypte af te dalen, want daar zal Ik je tot een groot volk maken.** Brontekst: וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָנֹכִ֥י (anokhi) = ik | הָאֵ֖ל (hael) = de God | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אָבִ֑יךָ (avikha) = je vader | אַל (al) = niet | תִּירָא֙ (tira) = wees bang | מֵרְדָ֣ה (mereda) = om af te dalen | מִצְרַ֔יְמָה (mitsrayma) = naar Egypte | כִּֽי (ki) = want | לְג֥וֹי (legoy) = tot een volk | גָּד֖וֹל (gadol) = groot | אֲשִֽׂימְךָ֥ (asimekha) = zal Ik je stellen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: האל אלהי אביך (ha’El Elohei avikha), ‘de God, de Elohim van je vader’: zie 28:13; 31:13. אל תירא מרדה מצרימה (al tira merradah Mitsraymah), ‘wees niet bang om naar Egypte af te dalen’: Isaak mocht niet naar Egypte, zie 26:2; voor Jakob komt het bevel hier. לגוי גדול אשׂימך (legoy gadol asimkha), ‘tot een groot volk zal Ik je maken’: zie 12:2. Zie ook: Gen 12:2; Gen 26:2; Gen 28:13–14; Gen 31:13; Jub 44:2; Jub 44:5; Deut 26:5; Jes 43:1–2; Hand 27:24 **46:4** **Ik zal met je afdalen naar Egypte en Ik zal je ook zeker weer doen opkomen; en Jozef zal zijn hand op je ogen leggen.”** Brontekst: אָנֹכִ֗י (anokhi) = ik | אֵרֵ֤ד (ered) = zal Ik afdalen | עִמְּךָ֙ (imekha) = met je | מִצְרַ֔יְמָה (mitsrayma) = naar Egypte | וְאָנֹכִ֖י (veanokhi) = en Ik | אַֽעַלְךָ֣ (aalkha) = zal je doen opkomen | גַם (gam) = ook | עָלֹ֑ה (alo) = zeker opkomen | וְיוֹסֵ֕ף (veyosef) = en Jozef | יָשִׁ֥ית (yashit) = zal leggen | יָד֖וֹ (yado) = zijn hand | עַל (al) = op | עֵינֶֽיךָ (eineikha) = je ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ויוסף ישׁית ידו על עיניך (veYosef yashit yado al einekha), ‘Jozef zal zijn hand op je ogen leggen’: hij zal hem de ogen sluiten bij zijn dood; zie 50:1. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 44:6 geeft dezelfde belofte. Jasher 55:4 voegt eraan toe dat Yahweh zei dat Jozef zijn getrouwheid behouden had. Zie ook: Gen 28:15; Gen 48:21; Gen 50:1; Gen 50:13; Jub 44:6; Jas 55:4; Ex 3:8 **46:5** Jakob brak op uit Beër-Sjeba. De zonen van Israël droegen hun vader Jakob, hun kleinen en hun vrouwen op de wagens die de farao gezonden had om hem te vervoeren. Brontekst: וַיָּ֥קָם (vayaqam) = en hij stond op | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | מִבְּאֵ֣ר (mibeer) = uit Beër | שָׁ֑בַע (shava) = Sjeba | וַיִּשְׂא֨וּ (vayisu) = en ze droegen | בְנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יַעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | אֲבִיהֶ֗ם (avihem) = hun vader | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | טַפָּם֙ (tapam) = hun kleinen | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | נְשֵׁיהֶ֔ם (nesheihem) = hun vrouwen | בָּעֲגָל֕וֹת (baagalot) = in de wagens | אֲשֶׁר (asher) = die | שָׁלַ֥ח (shalach) = hij zond | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | לָשֵׂ֥את (laset) = om te dragen | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: בעגלות אשׁר שׁלח פרעה לשׂאת אתו (ba’agalot asher shalach Par’oh laset oto), ‘op de wagens die de farao gezonden had om hem te vervoeren’: zie 45:19, 21, 27. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 44:7 laat vader en bezit op wagens plaatsen. Zie ook: Gen 31:17–18; Gen 45:19; Gen 45:21; Gen 45:27; Hen 89:14; Jub 38:13; Jub 44:7; Ex 10:24 **46:6** Zij namen hun vee en hun bezit dat zij in het land Kanaän verworven hadden, en kwamen in Egypte, Jakob en heel zijn nageslacht met hem, Brontekst: וַיִּקְח֣וּ (vayiqchu) = en ze namen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מִקְנֵיהֶ֗ם (miqneihem) = hun vee | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | רְכוּשָׁם֙ (rekhusham) = hun bezit | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | רָֽכְשׁוּ֙ (rakheshu) = ze hadden verworven | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en ze kwamen | מִצְרָ֑יְמָה (mitsrayema) = naar Egypte | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | וְכָל (vekhal) = en heel | זַרְע֥וֹ (zaro) = zijn nageslacht | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: רכושׁם אשׁר רכשׁו (rekhusham asher rakhshu), ‘hun bezit dat zij verworven hadden’: zie 12:5; 31:18. Zie ook: Gen 12:5; Gen 31:18; Hen 89:14; Jub 38:13; Deut 26:5; Joz 24:4; Ps 105:23; Jes 52:4; Hand 7:15 **46:7** zijn zonen en de zonen van zijn zonen met hem, zijn dochters en de dochters van zijn zonen; heel zijn nageslacht bracht hij met zich mee naar Egypte. Brontekst: בָּנָ֞יו (banav) = zijn zonen | וּבְנֵ֤י (uvenei) = en de zonen van | בָנָיו֙ (banav) = zijn zonen | אִתּ֔וֹ (ito) = met hem | בְּנֹתָ֛יו (benotav) = zijn dochters | וּבְנ֥וֹת (uvenot) = en de dochters van | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | וְכָל (vekhal) = en heel | זַרְע֑וֹ (zaro) = zijn nageslacht | הֵבִ֥יא (hevi) = hij bracht | אִתּ֖וֹ (ito) = met zich | מִצְרָֽיְמָה (mitsrayema) = naar Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Hen 89:14; Jub 38:13 ### De zonen van Jakob die naar Egypte kwamen **46:8** Dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte kwamen, Jakob en zijn zonen: Ruben, de eerstgeborene van Jakob. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה (veele) = en dit | שְׁמ֧וֹת (shemot) = namen van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | הַבָּאִ֥ים (habaim) = de komenden | מִצְרַ֖יְמָה (mitsrayma) = naar Egypte | יַעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | וּבָנָ֑יו (uvanav) = en zijn zonen | בְּכֹ֥ר (bekhor) = eerstgeborene van | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | רְאוּבֵֽן (reuven) = Ruben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ואלה שׁמות בני ישׂראל הבאים מצרימה (ve’elleh shemot benei Yisra’el habba’im Mitsraymah), ‘dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte kwamen’: zie Exod. 1:1–5. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 44:11–34 geeft een eigen lijst met dezelfde hoofdnamen, maar met afwijkende zonen onder meer bij Juda, Dan, Naftali en Benjamin; ook die lijst komt op zeventig. Zie ook: Jub 44:11–34; Ex 1:1–5; Num 1:5; Num 2:10–13; Deut 33:6; 1 Kron 2:1–55 **46:9** De zonen van Ruben: Chanoch, Pallu, Chezron en Karmi. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | רְאוּבֵ֑ן (reuven) = Ruben | חֲנ֥וֹךְ (chanokh) = Chanoch | וּפַלּ֖וּא (ufalu) = en Pallu | וְחֶצְר֥וֹן (vechetsron) = en Chezron | וְכַרְמִֽי (vekharmi) = en Karmi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 38:8; Jub 44:12 **46:10** De zonen van Simeon: Jemoeël, Jamin, Ohad, Jakin, Zohar en Sjaül, de zoon van de Kanaänitische. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | שִׁמְע֗וֹן (shimon) = Simeon | יְמוּאֵ֧ל (yemuel) = Jemoeël | וְיָמִ֛ין (veyamin) = en Jamin | וְאֹ֖הַד (veohad) = en Ohad | וְיָכִ֣ין (veyakhin) = en Jakin | וְצֹ֑חַר (vetsochar) = en Zohar | וְשָׁא֖וּל (veshaul) = en Sjaül | בֶּן (ben) = zoon van | הַֽכְּנַעֲנִֽית (hakenaanit) = de Kanaänitische Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ושׁאול בן הכנענית (veShaul ben hakKena’anit), ‘Sjaül, de zoon van de Kanaänitische’: zie Exod. 6:15. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 44:13 noemt haar een vrouw uit Zefat. Zie ook: Gen 29:33; Jub 34:20; Jub 34:21; Jub 44:13; Ex 6:15; Num 1:6; Num 1:22–23; 1 Kron 4:24–43 **46:11** De zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | לֵוִ֑י (levi) = Levi | גֵּרְשׁ֕וֹן (gereshon) = Gersjon | קְהָ֖ת (qehat) = Kehat | וּמְרָרִֽי (umerari) = en Merari Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:34; Gen 49:5–7; Jub 44:14; 1 Kron 2:1; 1 Kron 5:27–29; 1 Kron 6:1 **46:12** De zonen van Juda: Er, Onan, Sela, Peres en Zerach; maar Er en Onan stierven in het land Kanaän. De zonen van Peres waren Chezron en Chamoel. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | עֵ֧ר (er) = Er | וְאוֹנָ֛ן (veonan) = en Onan | וְשֵׁלָ֖ה (veshela) = en Sela | וָפֶ֣רֶץ (vaferets) = en Peres | וָזָ֑רַח (vazarach) = en Zerach | וַיָּ֨מָת (vayamat) = en hij stierf | עֵ֤ר (er) = Er | וְאוֹנָן֙ (veonan) = en Onan | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | וַיִּהְי֥וּ (vayihyu) = en ze waren | בְנֵי (benei) = zonen van | פֶ֖רֶץ (perets) = Peres | חֶצְר֥וֹן (chetsron) = Chezron | וְחָמֽוּל (vechamul) = en Chamoel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: וימת ער ואונן בארץ כנען (vayyamot Er ve’Onan be’erets Kena’an), ‘Er en Onan stierven in het land Kanaän’: zie 38:3–10. חצרון וחמול (Chetsron vechamul), ‘Chezron en Chamoel’: kinderen van Peres; zie Num. 26:21; 1 Kron. 2:5. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 44:15 laat hen weg. Zie ook: Gen 29:35; Gen 38:3–10; Gen 38:7; Gen 38:10; Jub 44:15; Jub 44:34; Num 26:21; Deut 33:7; 1 Kron 2:5; 1 Kron 4:21 **46:13** De zonen van Issachar: Tola, Pua, Job en Simron. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | יִשָׂשכָ֑ר (yisashkhar) = Issachar | תּוֹלָ֥ע (tola) = Tola | וּפֻוָּ֖ה (ufuva) = en Pua | וְי֥וֹב (veyov) = en Job | וְשִׁמְרֽוֹן (veshimron) = en Simron Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:23; Gen 49:14–15; Jub 44:16; Num 26:23–25; 1 Kron 7:1–5; 1 Kron 12:33 **46:14** De zonen van Zebulon: Sered, Elon en Jachleël. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | זְבוּלֻ֑ן (zevulun) = Zebulon | סֶ֥רֶד (sered) = Sered | וְאֵל֖וֹן (veelon) = en Elon | וְיַחְלְאֵֽל (veyachleel) = en Jachleël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:19–20; Gen 49:13; Jub 44:17; Num 1:9; Num 26:26–27; 1 Kron 2:1 **46:15** Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob baarde in Paddan-Aram, en ook zijn dochter Dina; al zijn zonen en dochters: 33 personen. Brontekst: אֵ֣לֶּה (ele) = dit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | לֵאָ֗ה (lea) = Lea | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יָֽלְדָ֤ה (yaleda) = ze baarde | לְיַעֲקֹב֙ (leyaaqov) = aan Jakob | בְּפַדַּ֣ן (befadan) = in Paddan | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | דִּינָ֣ה (dina) = Dina | בִתּ֑וֹ (bito) = zijn dochter | כָּל (kal) = alle | נֶ֧פֶשׁ (nefesh) = personen van | בָּנָ֛יו (banav) = zijn zonen | וּבְנוֹתָ֖יו (uvenotav) = en zijn dochters | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וְשָׁלֹֽשׁ (veshalosh) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan. Voetnoot Uitleg: בפדן ארם (befaddan aram), ‘in Paddan-Aram’: zie 25:20; 28:2. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 44:18 noemt de zes zonen van Lea en Dina, hun zuster. Zie ook: Gen 25:20; Gen 28:2; Gen 29:32–35; Gen 30:17–21; Gen 49:3–15; Jub 44:18; Num 1:1–54; Num 26:1–65 **46:16** De zonen van Gad: Zifjon, Chaggi, Sjoeni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | גָ֔ד (gad) = Gad | צִפְי֥וֹן (tsifyon) = Zifjon | וְחַגִּ֖י (vechagi) = en Chaggi | שׁוּנִ֣י (shuni) = Sjoeni | וְאֶצְבֹּ֑ן (veetsbon) = en Ezbon | עֵרִ֥י (eri) = Eri | וַֽאֲרוֹדִ֖י (vaarodi) = en Arodi | וְאַרְאֵלִֽי (veareli) = en Areli Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:11; Gen 49:19; Jub 44:20; Num 1:11; Num 26:15–17; Deut 33:20–21 **46:17** De zonen van Aser: Jimna, Jisjwa, Jisjwi, Beria en hun zuster Serach; en de zonen van Beria: Chever en Malkiël. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | אָשֵׁ֗ר (asher) = Aser | יִמְנָ֧ה (yimna) = Jimna | וְיִשְׁוָ֛ה (veyishva) = en Jisjwa | וְיִשְׁוִ֥י (veyishvi) = en Jisjwi | וּבְרִיעָ֖ה (uveria) = en Beria | וְשֶׂ֣רַח (veserach) = en Serach | אֲחֹתָ֑ם (achotam) = hun zuster | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | בְרִיעָ֔ה (beria) = Beria | חֶ֖בֶר (chever) = Chever | וּמַלְכִּיאֵֽל (umalkiel) = en Malkiël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ושׂרח אחתם (Serach achotam), ‘hun zuster Serach’: de enige dochter genoemd bij Aser, zie Num. 26:46. Voetnoot Aanvullend: Jasher 54:92–99 vertelt dat Serach op de harp speelde om Jakob te vertellen dat Jozef leeft. Zie ook: Gen 30:13; Gen 49:20; Jub 44:21; Jas 54:92–99; Num 26:44–46; Num 26:46; Deut 33:24; 1 Kron 7:30–40 **46:18** Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gaf; zij baarde deze aan Jakob: 16 personen. Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | זִלְפָּ֔ה (zilpa) = Zilpa | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥ן (natan) = gaf | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | לְלֵאָ֣ה (lelea) = aan Lea | בִתּ֑וֹ (bito) = zijn dochter | וַתֵּ֤לֶד (vateled) = en ze baarde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֵ֨לֶּה֙ (ele) = deze | לְיַעֲקֹ֔ב (leyaaqov) = aan Jakob | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | נָֽפֶשׁ (nafesh) = personen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:24; Gen 30:9–13; Gen 35:26; Jub 44:19; Ex 1:4 **46:19** De zonen van Rachel, de vrouw van Jakob: Jozef en Benjamin. Brontekst: בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | רָחֵל֙ (rachel) = Rachel | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | וּבִנְיָמִֽן (uvinyamin) = en Benjamin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:24; Gen 39:1–40:23; Gen 44:27; Gen 50:1–14; Jub 44:23; 1 Kron 2:2 **46:20** Aan Jozef werden in het land Egypte geboren Manasse en Efraïm, die Asenat, de dochter van Potifera, de priester van On, hem baarde. Brontekst: וַיִּוָּלֵ֣ד (vayivaled) = en werd geboren | לְיוֹסֵף֮ (leyosef) = aan Jozef | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרַיִם֒ (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | יָֽלְדָה (yaleda) = baarde | לּוֹ֙ (lo) = hem | אָֽסְנַ֔ת (asenat) = Asenat | בַּת (bat) = dochter van | פּ֥וֹטִי (poti) = Poti | פֶ֖רַע (pera) = fera | כֹּהֵ֣ן (kohen) = priester van | אֹ֑ן (on) = On | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie On: On (Heliopolis) lag in het noorden van Egypte, ten noordoosten van het huidige Caïro. Voetnoot Uitleg: אסנת בת פוטי פרע כהן אן (Asenat bat Poti Fera kohen On), ‘Asenat, de dochter van Potifera, de priester van On’: zie 41:45, 50. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 44:24 noemt On hier Heliopolis. Zie ook: Gen 41:45; Gen 41:50–52; Gen 48:4–5; Jub 44:24; 1 Kron 5:23–26; 1 Kron 7:14–29 **46:21** De zonen van Benjamin: Bela, Becher, Asjbel, Gera, Naäman, Echi, Rosj, Muppim, Chuppim en Ard. Brontekst: וּבְנֵ֣י (uvenei) = en zonen van | בִנְיָמִ֗ן (binyamin) = Benjamin | בֶּ֤לַע (bela) = Bela | וָבֶ֨כֶר֙ (vavekher) = en Becher | וְאַשְׁבֵּ֔ל (veashbel) = en Asjbel | גֵּרָ֥א (gera) = Gera | וְנַעֲמָ֖ן (venaaman) = en Naäman | אֵחִ֣י (echi) = Echi | וָרֹ֑אשׁ (varosh) = en Rosj | מֻפִּ֥ים (mupim) = Muppim | וְחֻפִּ֖ים (vechupim) = en Chuppim | וָאָֽרְדְּ (vaard) = en Ard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 49:27; Jub 44:25; Num 1:11; Num 1:36–37; 1 Kron 7:6–12; 1 Kron 8:1–7 **46:22** Dit zijn de zonen van Rachel, die aan Jakob geboren werden: in totaal 14 personen. Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | רָחֵ֔ל (rachel) = Rachel | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | יֻלַּ֖ד (yulad) = werd geboren | לְיַעֲקֹ֑ב (leyaaqov) = aan Jakob | כָּל (kal) = alle | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = personen | אַרְבָּעָ֥ה (arbaa) = vier | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jub 44:26 **46:23** De zonen van Dan: Chusjim. Brontekst: וּבְנֵי (uvenei) = en zonen van | דָ֖ן (dan) = Dan | חֻשִֽׁים (chushim) = Chusjim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:25; Gen 49:16–17; Jub 44:28; Num 1:12; Deut 33:22; 1 Kron 12:36 **46:24** De zonen van Naftali: Jachtseël, Guni, Jetser en Sjillem. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | נַפְתָּלִ֑י (naftali) = Naftali | יַחְצְאֵ֥ל (yachtseel) = Jachtseël | וְגוּנִ֖י (veguni) = en Guni | וְיֵ֥צֶר (veyetser) = en Jetser | וְשִׁלֵּֽם (veshilem) = en Sjillem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 44:30 noemt als zonen van Naftali Jachtseël, Gahini, Asaar, Selum en Eu; Genesis noemt Jachtseël, Guni, Jetser en Sjillem. Zie ook: Gen 49:21; Jub 44:30; Num 1:42–43; Num 26:48–50; 1 Kron 7:13; 1 Kron 12:35 **46:25** Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gaf; zij baarde deze aan Jakob: in totaal 7 personen. Brontekst: אֵ֚לֶּה (ele) = dit | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | בִלְהָ֔ה (bilha) = Bilha | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥ן (natan) = gaf | לָבָ֖ן (lavan) = Laban | לְרָחֵ֣ל (lerachel) = aan Rachel | בִּתּ֑וֹ (bito) = zijn dochter | וַתֵּ֧לֶד (vateled) = en ze baarde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֵ֛לֶּה (ele) = deze | לְיַעֲקֹ֖ב (leyaaqov) = aan Jakob | כָּל (kal) = alle | נֶ֥פֶשׁ (nefesh) = personen | שִׁבְעָֽה (shiva) = zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:29; Gen 30:3–8; Gen 35:22; Gen 35:25; Jub 44:27; Ex 1:2 **46:26** Alle personen die met Jakob naar Egypte kwamen, uit zijn lendenen voortgekomen, afgezien van de vrouwen van de zonen van Jakob: in totaal 66 personen. Brontekst: כָּל (kal) = alle | הַ֠נֶּפֶשׁ (hanefesh) = de personen | הַבָּאָ֨ה (habaa) = de komende | לְיַעֲקֹ֤ב (leyaaqov) = naar Jakob | מִצְרַ֨יְמָה֙ (mitsrayma) = naar Egypte | יֹצְאֵ֣י (yotseei) = uitgaanden van | יְרֵכ֔וֹ (yerekho) = zijn lenden | מִלְּבַ֖ד (milevad) = afgezien van | נְשֵׁ֣י (neshei) = vrouwen van | בְנֵי (benei) = zonen van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | כָּל (kal) = alle | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = personen | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | וָשֵֽׁשׁ (vashesh) = en zes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: יצאי ירכו (yotse’ei yerekho), ‘uit zijn lendenen voortgekomen’: zie 35:11. שׁשׁים ושׁשׁ (shishim vashesh), ‘66’: Jakob zelf, Jozef en zijn twee zonen worden apart geteld, zie vers 27; samen met die vier zijn het er 70. Zie ook: Gen 35:11; Gen 46:27; Jub 44:33; Ex 1:5; Re 8:30 **46:27** De zonen van Jozef die hem in Egypte geboren werden: 2 personen. Alle personen van het huis van Jakob die naar Egypte kwamen: 70. Brontekst: וּבְנֵ֥י (uvenei) = en zonen van | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | אֲשֶׁר (asher) = die | יֻלַּד (yulad) = werd geboren | ל֥וֹ (lo) = aan hem | בְמִצְרַ֖יִם (bemitsrayim) = in Egypte | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = personen | שְׁנָ֑יִם (shenayim) = twee | כָּל (kal) = alle | הַנֶּ֧פֶשׁ (hanefesh) = de personen | לְבֵֽית (leveit) = van het huis van | יַעֲקֹ֛ב (yaaqov) = Jakob | הַבָּ֥אָה (habaa) = de komende | מִצְרַ֖יְמָה (mitsrayma) = naar Egypte | שִׁבְעִֽים (shivim) = zeventig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מצרימה שׁבעים (Mitsraymah shiv’im), ‘naar Egypte, 70’: zie Exod. 1:5; Deut. 10:22. De Septuaginta leest hier vijfenzeventig, zoals Hand. 7:14. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 44:33 telt zeventig. Zie ook: Jub 44:33; Ex 1:5; Ex 24:1; Deut 10:22; Hand 7:14 ### Jakob en Jozef in Gosen **46:28** Hij zond Juda voor zich uit naar Jozef om voor hem de weg te wijzen naar Gosen, en zij kwamen in het land Gosen. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | יְהוּדָ֞ה (yehuda) = Juda | שָׁלַ֤ח (shalach) = hij zond | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor zich uit | אֶל (el) = naar | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | לְהוֹרֹ֥ת (lehorot) = om te wijzen | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor zich uit | גֹּ֑שְׁנָה (goshena) = naar Gosen | וַיָּבֹ֖אוּ (vayavou) = en ze kwamen | אַ֥רְצָה (artsa) = naar het land | גֹּֽשֶׁן (goshen) = Gosen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Voetnoot Uitleg: להורת לפניו גשׁנה (lehorot lefanav Goshnah), ‘om voor hem uit de weg te wijzen naar Gosen’: letterlijk ‘om voor zijn aangezicht te wijzen’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:6 zegt dat Juda in Egypte voor Jakob plaats liet aanwijzen en terugkeerde. Jubileeën 44:9 zegt dat Juda het land moest verkennen. Zie ook: Gen 31:21; Gen 43:8; Gen 45:10; Gen 46:34–47:1; Gen 49:8; Jub 44:9; Jub 45:1; Jas 55:6 **46:29** Jozef spande zijn wagen aan en trok op, Israël, zijn vader, tegemoet in Gosen. Hij verscheen aan hem, viel hem om de hals en weende lang aan zijn hals. Brontekst: וַיֶּאְסֹ֤ר (vayesor) = en hij spande aan | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | מֶרְכַּבְתּ֔וֹ (merkavto) = zijn wagen | וַיַּ֛עַל (vayaal) = en hij trok op | לִקְרַֽאת (liqrat) = tegemoet | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | גֹּ֑שְׁנָה (goshena) = naar Gosen | וַיֵּרָ֣א (vayera) = en hij verscheen | אֵלָ֗יו (elav) = aan hem | וַיִּפֹּל֙ (vayipol) = en hij viel | עַל (al) = op | צַוָּארָ֔יו (tsavarav) = zijn nek | וַיֵּ֥בְךְּ (vayevek) = en hij weende | עַל (al) = op | צַוָּארָ֖יו (tsavarav) = zijn nek | עֽוֹד (od) = lang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Voetnoot Uitleg: ויאסר יוסף מרכבתו (vayye’sor Yosef merkavto), ‘Jozef spande zijn wagen aan’: zie 41:43. ויבך על צואריו עוד (vayyevk al tsavvaraw od), ‘en weende lang aan zijn hals’: od is ‘nog’ of ‘voortdurend’; zie 45:14–15. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:7–17 vertelt dat heel Egypte in een grote stoet Jakob tegemoet trok, met de kroon van de farao op Jozefs hoofd. Jubileeën 45:1–2 zegt dat Jakob op de eerste dag van de vierde maand in Gosen kwam. Zie ook: Gen 33:4; Gen 41:43; Gen 45:14–15; Jub 45:1–2; Jub 45:2; Jas 55:7–17; Luc 15:20; Hand 20:37 **46:30** Israël zei tegen Jozef: „Nu kan ik sterven, nadat ik je gezicht heb gezien, want je leeft nog.” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | אָמ֣וּתָה (amuta) = laat mij sterven | הַפָּ֑עַם (hapaam) = nu | אַחֲרֵי֙ (acharei) = nadat | רְאוֹתִ֣י (reoti) = ik zag | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פָּנֶ֔יךָ (paneikha) = je gezicht | כִּ֥י (ki) = want | עוֹדְךָ֖ (odekha) = nog jij | חָֽי (chay) = levend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אמותה הפעם (amutah happa’am), ‘nu kan ik sterven’: zie 45:28. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:16 en Jubileeën 45:3–4 laten Jakob hetzelfde zeggen. Zie ook: Gen 45:28; Jub 45:3–4; Jub 45:4; Jas 55:16; Luc 2:29–30 **46:31** Jozef zei tegen zijn broers en tegen het huis van zijn vader: „Ik ga op en zal het de farao melden en tegen hem zeggen: ‘Mijn broers en het huis van mijn vader, die in het land Kanaän waren, zijn bij mij gekomen. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en hij zei | יוֹסֵ֤ף (yosef) = Jozef | אֶל (el) = tot | אֶחָיו֙ (echav) = zijn broers | וְאֶל (veel) = en tot | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | אֶעֱלֶ֖ה (eele) = ik zal opgaan | וְאַגִּ֣ידָה (veagida) = en ik zal melden | לְפַרְעֹ֑ה (lefaro) = aan farao | וְאֹֽמְרָ֣ה (veomera) = en ik zal zeggen | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | אַחַ֧י (achay) = mijn broers | וּבֵית (uveit) = en het huis van | אָבִ֛י (avi) = mijn vader | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בְּאֶֽרֶץ (beerets) = in het land | כְּנַ֖עַן (kenaan) = Kanaän | בָּ֥אוּ (bau) = ze zijn gekomen | אֵלָֽי (elay) = tot mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:19–21 vertelt dat Jozef zijn broers Ruben, Issachar, Zebulon en Benjamin voor de farao bracht. Zie ook: Gen 45:16–20; Gen 47:1–3; Jas 55:19–21; Hand 18:3; Heb 2:11 **46:32** De mannen zijn herders van kleinvee, want zij zijn mannen van veeteelt geweest; hun kleinvee, hun runderen en alles wat zij hebben, hebben zij meegebracht.’ Brontekst: וְהָאֲנָשִׁים֙ (vehaanashim) = en de mannen | רֹ֣עֵי (roei) = herders van | צֹ֔אן (tson) = kleinvee | כִּֽי (ki) = want | אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | מִקְנֶ֖ה (miqne) = vee | הָי֑וּ (hayu) = ze zijn geweest | וְצֹאנָ֧ם (vetsonam) = en hun kleinvee | וּבְקָרָ֛ם (uveqaram) = en hun runderen | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | הֵבִֽיאוּ (heviu) = ze hebben gebracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רעי צאן (ro’ei tson), ‘herders van kleinvee’: zie 47:3. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:23 zegt dat de familie vee hield en daarom apart van de Egyptenaren in Gosen zou blijven. Zie ook: Gen 4:2; Gen 46:34; Gen 47:3; Jas 55:23; 1 Kon 9:27; 1 Kon 18:5–6 **46:33** Als de farao jullie dan roept en zegt: ‘Wat is jullie werk?’, Brontekst: וְהָיָ֕ה (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יִקְרָ֥א (yiqra) = roept | לָכֶ֖ם (lakhem) = jullie | פַּרְעֹ֑ה (paro) = farao | וְאָמַ֖ר (veamar) = en hij zegt | מַה (ma) = wat | מַּעֲשֵׂיכֶֽם (maaseikhem) = jullie werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:32; Gen 47:2–4; Jona 1:8 **46:34** dan moeten jullie zeggen: ‘Uw dienaren zijn mannen van veeteelt geweest van onze jeugd tot nu toe, zowel wij als onze vaders’, opdat jullie in het land Gosen mogen wonen, want een gruwel voor Egypte is ieder die kleinvee weidt.” Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֗ם (vaamartem) = en jullie zeggen | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = mannen van | מִקְנֶ֜ה (miqne) = vee | הָי֤וּ (hayu) = ze zijn geweest | עֲבָדֶ֨יךָ֙ (avadeikha) = uw dienaren | מִנְּעוּרֵ֣ינוּ (mineureinu) = van onze jeugd | וְעַד (vead) = en tot | עַ֔תָּה (ata) = nu | גַּם (gam) = zowel | אֲנַ֖חְנוּ (anachnu) = wij | גַּם (gam) = zowel | אֲבֹתֵ֑ינוּ (avoteinu) = onze vaders | בַּעֲב֗וּר (baavur) = opdat | תֵּשְׁבוּ֙ (teshevu) = jullie wonen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | גֹּ֔שֶׁן (goshen) = Gosen | כִּֽי (ki) = want | תוֹעֲבַ֥ת (toavat) = gruwel van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | כָּל (kal) = ieder | רֹ֥עֵה (roe) = herder van | צֹֽאן (tson) = kleinvee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: כי תועבת מצרים כל רעה צאן (ki to’avat Mitsrayim kol ro’eh tson), ‘want een gruwel voor Egypte is ieder die kleinvee weidt’: zie 43:32; Exod. 8:22. Zie ook: Gen 30:35; Gen 37:12; Gen 43:32; Gen 46:32; Ex 8:18; Ex 8:22 ## Genesis 47 _Jozef en de farao; de hongersnood_ ### Jakob voor de farao **47:1** Jozef ging de farao melden: „Mijn vader en mijn broers, met hun kleinvee, hun runderen en alles wat zij hebben, zijn uit het land Kanaän gekomen, en zie, zij zijn in het land Gosen.” Brontekst: וַיָּבֹ֣א (vayavo) = en hij kwam | יוֹסֵף֮ (yosef) = Jozef | וַיַּגֵּ֣ד (vayaged) = en hij meldde | לְפַרְעֹה֒ (lefaro) = aan farao | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | אָבִ֨י (avi) = mijn vader | וְאַחַ֜י (veachay) = en mijn broers | וְצֹאנָ֤ם (vetsonam) = en hun kleinvee | וּבְקָרָם֙ (uveqaram) = en hun runderen | וְכָל (vekhal) = en alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לָהֶ֔ם (lahem) = aan hen | בָּ֖אוּ (bau) = ze zijn gekomen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וְהִנָּ֖ם (vehinam) = en zie ze | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | גֹּֽשֶׁן (goshen) = Gosen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:19–21 zegt dat Jozef vier broers, Ruben, Issachar, Zebulon en Benjamin, voor de farao bracht; zie 46:31–34. Zie ook: Gen 45:10; Gen 45:16; Gen 46:28; Gen 46:31; Jas 55:19–21; Ex 8:18 **47:2** Van zijn broers nam hij er vijf mee, en hij stelde hen voor de farao. Brontekst: וּמִקְצֵ֣ה (umiqtse) = en van het uiterste van | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | לָקַ֖ח (laqach) = hij nam | חֲמִשָּׁ֣ה (chamisha) = vijf | אֲנָשִׁ֑ים (anashim) = mannen | וַיַּצִּגֵ֖ם (vayatsigem) = en hij stelde hen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | פַרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ומקצה אחיו (umiqtseh echav), ‘van zijn broers’: letterlijk ‘van het uiterste van zijn broers’, wellicht een keuze uit het geheel; niet zeker. Zie ook: Hand 7:13; 2 Kor 4:14; Kol 1:28; Jud 1:24 **47:3** De farao zei tegen zijn broers: „Wat is jullie werk?” Zij zeiden tegen de farao: „Herders van kleinvee zijn uw dienaren, zowel wij als onze vaders.” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹ֛ה (paro) = farao | אֶל (el) = tot | אֶחָ֖יו (echav) = zijn broers | מַה (ma) = wat | מַּעֲשֵׂיכֶ֑ם (maaseikhem) = jullie werk | וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeiden | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֗ה (paro) = farao | רֹעֵ֥ה (roe) = herder van | צֹאן֙ (tson) = kleinvee | עֲבָדֶ֔יךָ (avadeikha) = uw dienaren | גַּם (gam) = ook | אֲנַ֖חְנוּ (anachnu) = wij | גַּם (gam) = ook | אֲבוֹתֵֽינוּ (avoteinu) = onze vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מה מעשׂיכם (mah ma’aseikhem), ‘wat is jullie werk?’: zie 46:33. רעה צאן (ro’eh tson), ‘herder van kleinvee’: zie 46:32, 34. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:23 noemt Gosen de plaats waar zij apart zouden wonen. Zie ook: Gen 4:2; Gen 46:32; Gen 46:33–34; Gen 46:34; Jas 55:23; Jona 1:8; Amos 7:14–15; 2 Tess 3:10 **47:4** Zij zeiden tegen de farao: „Wij zijn gekomen om als vreemdeling in het land te verblijven, want er is geen weide voor het kleinvee van uw dienaren, omdat de honger zwaar is in het land Kanaän. En nu, laat uw dienaren toch wonen in het land Gosen.” Brontekst: וַיֹּאמְר֣וּ (vayomru) = en ze zeiden | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֗ה (paro) = farao | לָג֣וּר (lagur) = om te verblijven | בָּאָרֶץ֮ (baarets) = in het land | בָּאנוּ֒ (banu) = wij zijn gekomen | כִּי (ki) = want | אֵ֣ין (ein) = er is niet | מִרְעֶ֗ה (mire) = weide | לַצֹּאן֙ (latson) = voor het kleinvee | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לַעֲבָדֶ֔יךָ (laavadeikha) = van uw dienaren | כִּֽי (ki) = want | כָבֵ֥ד (kaved) = zwaar | הָרָעָ֖ב (haraav) = de honger | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וְעַתָּ֛ה (veata) = en nu | יֵֽשְׁבוּ (yeshevu) = laat wonen | נָ֥א (na) = toch | עֲבָדֶ֖יךָ (avadeikha) = uw dienaren | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | גֹּֽשֶׁן (goshen) = Gosen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Voetnoot Uitleg: לגור בארץ באנו (lagur ba’arets banu), ‘wij zijn gekomen om als vreemdeling in het land te verblijven’: gur is verblijven als vreemdeling; zie vers 9; 15:13. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 45:6 zegt dat Jozef zijn familie Gosen en Raämses als gave gaf. Zie ook: Gen 15:13; Gen 43:1; Gen 46:34; Gen 47:9; Jub 45:6; Deut 26:5; Ps 105:23 **47:5** De farao zei tegen Jozef: „Je vader en je broers zijn bij je gekomen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אָבִ֥יךָ (avikha) = je vader | וְאַחֶ֖יךָ (veacheikha) = en je broers | בָּ֥אוּ (bau) = ze zijn gekomen | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = tot jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **47:6** Het land Egypte ligt voor je open; laat je vader en je broers wonen in het beste van het land. Laat hen wonen in het land Gosen. En als je weet dat er bekwame mannen onder hen zijn, stel hen dan aan als opzichters over mijn vee.” Brontekst: אֶ֤רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | לְפָנֶ֣יךָ (lefaneikha) = voor je | הִ֔וא (hi) = het | בְּמֵיטַ֣ב (bemeitav) = in het beste van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | הוֹשֵׁ֥ב (hoshev) = laat wonen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אַחֶ֑יךָ (acheikha) = je broers | יֵשְׁבוּ֙ (yeshevu) = laat ze wonen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | גֹּ֔שֶׁן (goshen) = Gosen | וְאִם (veim) = en als | יָדַ֗עְתָּ (yadata) = je weet | וְיֶשׁ (veyesh) = en er is | בָּם֙ (bam) = onder hen | אַנְשֵׁי (anshei) = mannen van | חַ֔יִל (chayil) = bekwaamheid | וְשַׂמְתָּ֛ם (vesamtam) = en je stelt hen aan | שָׂרֵ֥י (sarei) = oversten van | מִקְנֶ֖ה (miqne) = vee | עַל (al) = over | אֲשֶׁר (asher) = wat | לִֽי (li) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Voetnoot Uitleg: במיטב הארץ (bemeitav ha’arets), ‘in het beste van het land’: zie 45:18. אנשׁי חיל (anshei chayil), ‘bekwame mannen’: zie Exod. 18:21. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:22 laat de farao zeggen dat Jozef zijn vader en broers in het beste van het land moet laten wonen. Zie ook: Gen 45:18; Gen 47:11; Jas 55:22; Ex 18:21; Ex 18:25; Spr 22:29; 2 Kron 26:10 **47:7** Jozef bracht zijn vader Jakob binnen en liet hem voor de farao staan, en Jakob zegende de farao. Brontekst: וַיָּבֵ֤א (vayave) = en hij bracht | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יַֽעֲקֹ֣ב (yaaqov) = Jakob | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | וַיַּֽעֲמִדֵ֖הוּ (vayaamidehu) = en hij liet hem staan | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | פַרְעֹ֑ה (paro) = farao | וַיְבָ֥רֶךְ (vayvarekh) = en hij zegende | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פַּרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויברך יעקב את פרעה (vayevarekh Ya’aqov et Par’oh), ‘Jakob zegende de farao’: de grotere zegent de kleinere, zie Hebr. 7:7. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:25 zegt hetzelfde. Zie ook: Gen 47:10; Jas 55:25; Num 6:23–24; 1 Sam 2:20; Luc 22:19; 1 Petr 2:17; Heb 7:7 **47:8** De farao zei tegen Jakob: „Hoeveel zijn de dagen van de jaren van je leven?” Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | אֶֽל (el) = tot | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | כַּמָּ֕ה (kama) = hoeveel | יְמֵ֖י (yemei) = dagen van | שְׁנֵ֥י (shenei) = jaren van | חַיֶּֽיךָ (chayeikha) = je leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **47:9** Jakob zei tegen de farao: „De dagen van de jaren van mijn vreemdelingschap zijn 130 jaar. Weinig en kwaad zijn de dagen van de jaren van mijn leven geweest, en zij hebben de dagen van de jaren van het leven van mijn vaders in de dagen van hun vreemdelingschap niet bereikt.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | יְמֵי֙ (yemei) = dagen van | שְׁנֵ֣י (shenei) = jaren van | מְגוּרַ֔י (meguray) = mijn vreemdelingschap | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וּמְאַ֖ת (umeat) = en honderd | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | מְעַ֣ט (meat) = weinig | וְרָעִ֗ים (veraim) = en kwaad | הָיוּ֙ (hayu) = ze zijn geweest | יְמֵי֙ (yemei) = dagen van | שְׁנֵ֣י (shenei) = jaren van | חַיַּ֔י (chayay) = mijn leven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | הִשִּׂ֗יגוּ (hisigu) = ze hebben bereikt | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְמֵי֙ (yemei) = dagen van | שְׁנֵי֙ (shenei) = jaren van | חַיֵּ֣י (chayei) = leven van | אֲבֹתַ֔י (avotay) = mijn vaders | בִּימֵ֖י (bimei) = in de dagen van | מְגוּרֵיהֶֽם (megureihem) = hun vreemdelingschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ימי שׁני מגורי (yemei shenei megurai), ‘de dagen van de jaren van mijn vreemdelingschap’: zie 17:8; 23:4; 28:4; Hebr. 11:9, 13. מעט ורעים (me’at vera’im), ‘weinig en kwaad’: zijn leven vol strijd, zie 27:41–45; 31:41; 37:34–35. Zie ook: Gen 17:8; Gen 23:4; Gen 27:41–45; Gen 28:4; Gen 31:41; Gen 35:28; Gen 37:34–35; Job 14:1; Joz 24:29; Ps 39:6; Ps 39:13; Heb 11:9; Heb 11:13 **47:10** Jakob zegende de farao en ging van de farao weg. Brontekst: וַיְבָ֥רֶךְ (vayvarekh) = en hij zegende | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | פַּרְעֹ֑ה (paro) = farao | וַיֵּצֵ֖א (vayetse) = en hij ging uit | מִלִּפְנֵ֥י (milifnei) = van voor het aangezicht van | פַרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 14:19; Gen 47:7; 2 Sam 8:10; 2 Sam 19:40; Ps 129:8 **47:11** Jozef liet zijn vader en zijn broers wonen en gaf hun bezit in het land Egypte, in het beste van het land, in het land Raämses, zoals de farao bevolen had. Brontekst: וַיּוֹשֵׁ֣ב (vayoshev) = en hij liet wonen | יוֹסֵף֮ (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֣יו (aviv) = zijn vader | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֶחָיו֒ (echav) = zijn broers | וַיִּתֵּ֨ן (vayiten) = en hij gaf | לָהֶ֤ם (lahem) = aan hen | אֲחֻזָּה֙ (achuza) = bezit | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּמֵיטַ֥ב (bemeitav) = in het beste van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | רַעְמְסֵ֑ס (rameses) = Raämses | כַּאֲשֶׁ֖ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֥ה (tsiva) = hij had bevolen | פַרְעֹֽה (paro) = farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בארץ רעמסס (be’erets Ra’amses), ‘in het land Raämses’: een ander woord voor Gosen of voor een deel ervan, zie Exod. 1:11; 12:37. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 45:6 noemt Gosen en Raämses. Zie ook: Gen 47:6; Jub 45:6; Ex 1:11; Ex 12:37; Joh 14:2; Joh 14:23 **47:12** Jozef voorzag zijn vader, zijn broers en heel het huis van zijn vader van brood, naar de behoefte van de kleinen. Brontekst: וַיְכַלְכֵּ֤ל (vaykhalkel) = en hij voorzag | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֣יו (aviv) = zijn vader | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | בֵּ֣ית (beit) = huis van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | לְפִ֥י (lefi) = naar | הַטָּֽף (hataf) = de kleinen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויכלכל (vayekhalkel), ‘hij voorzag’: zie 45:11; 50:21. לפי הטף (lefi hattaf), ‘naar de behoefte van de kleinen’: letterlijk ‘naar de mond van de kleinen’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:26 en Jubileeën 45:7 laten dit alle jaren van de honger doorgaan. Zie ook: Gen 45:11; Gen 47:21; Gen 50:21; Jub 45:7; Jas 55:26; Ruth 4:15; Mar 7:10–13; 1 Tim 4:8 ### De hongersnood in Egypte **47:13** Er was geen brood in het hele land, want de honger was zeer zwaar; het land Egypte en het land Kanaän versmachtten door de honger. Brontekst: וְלֶ֤חֶם (velechem) = en brood | אֵין֙ (ein) = er is niet | בְּכָל (bekhal) = in heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | כִּֽי (ki) = want | כָבֵ֥ד (kaved) = zwaar | הָרָעָ֖ב (haraav) = de honger | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַתֵּ֜לַהּ (vatelah) = en het versmachtte | אֶ֤רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | וְאֶ֣רֶץ (veerets) = en land van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | הָרָעָֽב (haraav) = de honger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: ותלה (vattalah), ‘het versmachtte’: de wortel (lahah) betekent uitgeput of verzwakt raken. Zie ook: Jub 45:8; Joël 1:10–12; Jer 9:11; Jer 14:1–6; Klaagl 4:9; Hand 7:11 **47:14** Jozef verzamelde al het geld dat in het land Egypte en in het land Kanaän te vinden was, voor het graan dat zij kochten, en Jozef bracht het geld in het huis van de farao. Brontekst: וַיְלַקֵּ֣ט (vaylaqet) = en hij verzamelde | יוֹסֵ֗ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | הַכֶּ֨סֶף֙ (hakesef) = het geld | הַנִּמְצָ֤א (hanimtsa) = dat gevonden werd | בְאֶֽרֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | וּבְאֶ֣רֶץ (uveerets) = en in het land van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | בַּשֶּׁ֖בֶר (bashever) = voor het graan | אֲשֶׁר (asher) = dat | הֵ֣ם (hem) = zij | שֹׁבְרִ֑ים (shoverim) = kopend | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en hij bracht | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַכֶּ֖סֶף (hakesef) = het geld | בֵּ֥יתָה (beita) = naar het huis | פַרְעֹֽה (paro) = van farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: וילקט (vayelaqqet), ‘hij verzamelde’: Jasher 55:30–33 zegt dat Jozef zoveel zilver en goud verzamelde dat hij het in vier delen verborg en de rest aan de farao gaf. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 45:8 zegt dat het land Egypte leed vanwege de hongersnood. Zie ook: Gen 41:56; Jub 45:8; Jas 55:30–33; Luc 16:1–2; Luc 16:10–12; 1 Kor 4:2; 1 Petr 4:10 **47:15** Toen het geld uit het land Egypte en uit het land Kanaän op was, kwam heel Egypte tot Jozef en zei: „Geef ons brood! Waarom zouden wij voor uw ogen sterven? Want het geld is op.” Brontekst: וַיִּתֹּ֣ם (vayitom) = en het was op | הַכֶּ֗סֶף (hakesef) = het geld | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַיִם֮ (mitsrayim) = Egypte | וּמֵאֶ֣רֶץ (umeerets) = en uit het land van | כְּנַעַן֒ (kenaan) = Kanaän | וַיָּבֹאוּ֩ (vayavou) = en ze kwamen | כָל (kal) = heel | מִצְרַ֨יִם (mitsrayim) = Egypte | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֤ף (yosef) = Jozef | לֵאמֹר֙ (lemor) = zeggend | הָֽבָה (hava) = geef | לָּ֣נוּ (lanu) = ons | לֶ֔חֶם (lechem) = brood | וְלָ֥מָּה (velama) = en waarom | נָמ֖וּת (namut) = zullen we sterven | נֶגְדֶּ֑ךָ (negdekha) = tegenover u | כִּ֥י (ki) = want | אָפֵ֖ס (afes) = op is | כָּֽסֶף (kasef) = geld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: אפס כסף (afes kasef), ‘het geld is op’: letterlijk ‘geld is ten einde’. Zie ook: Gen 47:18–19; Re 8:5; Re 8:8; 1 Sam 21:4; Mat 6:11 **47:16** Jozef zei: „Geef jullie vee, dan zal ik jullie ervoor geven, in ruil voor jullie vee, als het geld op is.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | הָב֣וּ (havu) = geeft | מִקְנֵיכֶ֔ם (miqneikhem) = jullie vee | וְאֶתְּנָ֥ה (veetena) = en ik zal geven | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | בְּמִקְנֵיכֶ֑ם (bemiqneikhem) = voor jullie vee | אִם (im) = als | אָפֵ֖ס (afes) = op is | כָּֽסֶף (kasef) = geld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 12:17; Dan 6:6–8; 1 Kor 10:32; Fil 4:8; Kol 4:5 **47:17** Zij brachten hun vee naar Jozef, en Jozef gaf hun brood in ruil voor de paarden, voor de kudden kleinvee, voor de kudden runderen en voor de ezels. Hij voorzag hen in dat jaar van brood in ruil voor al hun vee. Brontekst: וַיָּבִ֣יאוּ (vayaviu) = en ze brachten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מִקְנֵיהֶם֮ (miqneihem) = hun vee | אֶל (el) = tot | יוֹסֵף֒ (yosef) = Jozef | וַיִּתֵּ֣ן (vayiten) = en hij gaf | לָהֶם֩ (lahem) = aan hen | יוֹסֵ֨ף (yosef) = Jozef | לֶ֜חֶם (lechem) = brood | בַּסּוּסִ֗ים (basusim) = voor de paarden | וּבְמִקְנֵ֥ה (uvemiqne) = en voor het vee van | הַצֹּ֛אן (hatson) = het kleinvee | וּבְמִקְנֵ֥ה (uvemiqne) = en voor het vee van | הַבָּקָ֖ר (habaqar) = het rundvee | וּבַחֲמֹרִ֑ים (uvachamorim) = en voor de ezels | וַיְנַהֲלֵ֤ם (vaynahalem) = en hij voerde hen | בַּלֶּ֨חֶם֙ (balechem) = met brood | בְּכָל (bekhal) = voor al | מִקְנֵהֶ֔ם (miqnehem) = hun vee | בַּשָּׁנָ֖ה (bashana) = in het jaar | הַהִֽוא (hahi) = dat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וינהלם (vayenahalem), ‘hij voorzag hen’: letterlijk ‘hij leidde hen als kudde’; zie Exod. 15:13. Zie ook: Job 2:4; Ex 9:3; Ex 15:13; 1 Kon 10:28; Jes 31:1; Mat 6:24 **47:18** Toen dat jaar voorbij was, kwamen zij in het tweede jaar tot hem en zeiden: „Wij verbergen het niet voor mijn heer: het geld is op, en de kudden vee zijn bij mijn heer. Er is niets over voor mijn heer dan ons lichaam en onze grond. Brontekst: וַתִּתֹּם֮ (vatitom) = en het was voorbij | הַשָּׁנָ֣ה (hashana) = het jaar | הַהִוא֒ (hahi) = dat | וַיָּבֹ֨אוּ (vayavou) = en ze kwamen | אֵלָ֜יו (elav) = tot hem | בַּשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַשֵּׁנִ֗ית (hashenit) = het tweede | וַיֹּ֤אמְרוּ (vayomru) = en ze zeiden | לוֹ֙ (lo) = tot hem | לֹֽא (lo) = niet | נְכַחֵ֣ד (nekhached) = wij verbergen | מֵֽאֲדֹנִ֔י (meadoni) = voor mijn heer | כִּ֚י (ki) = want | אִם (im) = als | תַּ֣ם (tam) = op is | הַכֶּ֔סֶף (hakesef) = het geld | וּמִקְנֵ֥ה (umiqne) = en het vee van | הַבְּהֵמָ֖ה (habehema) = de dieren | אֶל (el) = tot | אֲדֹנִ֑י (adoni) = mijn heer | לֹ֤א (lo) = niet | נִשְׁאַר֙ (nishar) = is overgebleven | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | בִּלְתִּ֥י (bilti) = behalve | אִם (im) = als | גְּוִיָּתֵ֖נוּ (geviyatenu) = ons lichaam | וְאַדְמָתֵֽנוּ (veadmatenu) = en onze grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 6:26; Jer 38:9 **47:19** Waarom zouden wij voor uw ogen sterven, zowel wij als onze grond? Koop ons en onze grond voor brood; dan zullen wij met onze grond slaven zijn van de farao. Geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en de grond niet verwoest wordt.” Brontekst: לָ֧מָּה (lama) = waarom | נָמ֣וּת (namut) = zullen we sterven | לְעֵינֶ֗יךָ (leeineikha) = voor uw ogen | גַּם (gam) = ook | אֲנַ֨חְנוּ֙ (anachnu) = wij | גַּ֣ם (gam) = ook | אַדְמָתֵ֔נוּ (admatenu) = onze grond | קְנֵֽה (qene) = koop | אֹתָ֥נוּ (otanu) = ons | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אַדְמָתֵ֖נוּ (admatenu) = onze grond | בַּלָּ֑חֶם (balachem) = voor brood | וְנִֽהְיֶ֞ה (venihye) = en we zullen zijn | אֲנַ֤חְנוּ (anachnu) = wij | וְאַדְמָתֵ֨נוּ֙ (veadmatenu) = en onze grond | עֲבָדִ֣ים (avadim) = slaven | לְפַרְעֹ֔ה (lefaro) = voor farao | וְתֶן (veten) = en geef | זֶ֗רַע (zera) = zaad | וְנִֽחְיֶה֙ (venichye) = en we zullen leven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נָמ֔וּת (namut) = sterven | וְהָאֲדָמָ֖ה (vehaadama) = en de grond | לֹ֥א (lo) = niet | תֵשָֽׁם (tesham) = zal woest worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עבדים לפרעה (avadim lePar’oh), ‘slaven van de farao’. ותן זרע ונחיה ולא נמות (veten zera venichyeh velo namut), ‘geef zaad, opdat wij leven en niet sterven’. Zie ook: Job 2:4; Klaagl 1:11; Klaagl 5:6; Klaagl 5:9; Neh 5:2–3 **47:20** Zo kocht Jozef heel de grond van Egypte voor de farao, want de Egyptenaren verkochten ieder zijn akker, omdat de honger hen overmeesterde; en het land werd van de farao. Brontekst: וַיִּ֨קֶן (vayiqen) = en hij kocht | יוֹסֵ֜ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = heel | אַדְמַ֤ת (admat) = grond van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | לְפַרְעֹ֔ה (lefaro) = voor farao | כִּֽי (ki) = want | מָכְר֤וּ (makheru) = ze verkochten | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | שָׂדֵ֔הוּ (sadehu) = zijn akker | כִּֽי (ki) = want | חָזַ֥ק (chazaq) = was sterk | עֲלֵהֶ֖ם (alehem) = over hen | הָרָעָ֑ב (haraav) = de honger | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en het werd | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לְפַרְעֹֽה (lefaro) = voor farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Jub 45:8 **47:21** En het volk liet hij overgaan naar de steden, van het ene eind van het gebied van Egypte tot het andere. Brontekst: וְאֶ֨ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הֶעֱבִ֥יר (heevir) = hij liet overgaan | אֹת֖וֹ (oto) = hem | לֶעָרִ֑ים (learim) = naar de steden | מִקְצֵ֥ה (miqtse) = van het uiterste van | גְבוּל (gevul) = grens van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וְעַד (vead) = en tot | קָצֵֽהוּ (qatsehu) = zijn uiterste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: העם העביר אתו לערים (ha’am he’evir oto le’arim), ‘het volk liet hij overgaan naar de steden’: de Samaritaanse tekst en de Septuaginta lezen ‘hij maakte hen tot slaven’, wat een kleine letterwisseling is; hier is de Masoretische lezing gevolgd. Zie ook: Gen 41:48 **47:22** Alleen de grond van de priesters kocht hij niet, want de priesters hadden een vast deel van de farao en aten hun deel dat de farao hun gegeven had; daarom verkochten zij hun grond niet. Brontekst: רַ֛ק (raq) = alleen | אַדְמַ֥ת (admat) = grond van | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | לֹ֣א (lo) = niet | קָנָ֑ה (qana) = hij kocht | כִּי֩ (ki) = want | חֹ֨ק (choq) = vast deel | לַכֹּהֲנִ֜ים (lakohanim) = voor de priesters | מֵאֵ֣ת (meet) = van bij | פַּרְעֹ֗ה (paro) = farao | וְאָֽכְל֤וּ (veakhelu) = en ze aten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | חֻקָּם֙ (chuqam) = hun deel | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נָתַ֤ן (natan) = hij had gegeven | לָהֶם֙ (lahem) = aan hen | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | עַל (al) = op | כֵּ֕ן (ken) = zo | לֹ֥א (lo) = niet | מָכְר֖וּ (makheru) = ze verkochten | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַדְמָתָֽם (admatam) = hun grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חק לכהנים (choq lakkohanim), ‘een vast deel voor de priesters’: de priesters van On, zie 41:45. Zie ook: Gen 14:18; Gen 41:45; 2 Sam 8:18; Ezra 7:24; Gal 6:6; 2 Tess 3:10 **47:23** Jozef zei tegen het volk: „Zie, ik heb jullie vandaag en jullie grond voor de farao gekocht. Hier is zaad voor jullie; zaai de grond. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אֶל (el) = tot | הָעָ֔ם (haam) = het volk | הֵן֩ (hen) = zie | קָנִ֨יתִי (qaniti) = ik heb gekocht | אֶתְכֶ֥ם (etkhem) = jullie | הַיּ֛וֹם (hayom) = vandaag | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אַדְמַתְכֶ֖ם (admatkhem) = jullie grond | לְפַרְעֹ֑ה (lefaro) = voor farao | הֵֽא (he) = hier | לָכֶ֣ם (lakhem) = voor jullie | זֶ֔רַע (zera) = zaad | וּזְרַעְתֶּ֖ם (uzeratem) = en zaait | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֲדָמָֽה (haadama) = de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 41:27; Gen 45:6; Spr 11:26; Pred 11:6; Mat 24:45 **47:24** En bij de opbrengst zullen jullie een vijfde aan de farao geven, en vier delen zullen voor jullie zijn, als zaad voor het veld en als voedsel voor jullie en voor wie in jullie huizen is, en om te eten voor jullie kleinen.” Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | בַּתְּבוּאֹ֔ת (batevuot) = bij de opbrengsten | וּנְתַתֶּ֥ם (unetatem) = en jullie geven | חֲמִישִׁ֖ית (chamishit) = een vijfde | לְפַרְעֹ֑ה (lefaro) = aan farao | וְאַרְבַּ֣ע (vearba) = en vier | הַיָּדֹ֡ת (hayadot) = de delen | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zullen zijn | לָכֶם֩ (lakhem) = voor jullie | לְזֶ֨רַע (lezera) = als zaad van | הַשָּׂדֶ֧ה (hasade) = het veld | וּֽלְאָכְלְכֶ֛ם (uleakhelekhem) = en voor jullie voedsel | וְלַאֲשֶׁ֥ר (velaasher) = en voor degenen die | בְּבָתֵּיכֶ֖ם (bevateikhem) = in jullie huizen | וְלֶאֱכֹ֥ל (veleekhol) = en om te eten | לְטַפְּכֶֽם (letapekhem) = voor jullie kleinen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חמישׁית לפרעה (chamishit lePar’oh), ‘een vijfde voor de farao’: zie vers 26; 41:34. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 45:12 noemt hetzelfde vijfde en voegt toe dat Jozef dit voor Egypte tot ordonnantie maakte. Zie ook: Gen 41:34; Gen 47:25; Gen 47:26; Jub 45:12; Lev 27:32; Ps 41:2; Ps 112:5 **47:25** Zij zeiden: „U hebt ons in leven gehouden. Mogen wij gunst vinden in de ogen van mijn heer, dan zullen wij slaven van de farao zijn.” Brontekst: וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en ze zeiden | הֶחֱיִתָ֑נוּ (hecheyitanu) = u hebt ons in leven gehouden | נִמְצָא (nimtsa) = laat ons vinden | חֵן֙ (chen) = gunst | בְּעֵינֵ֣י (beeinei) = in de ogen van | אֲדֹנִ֔י (adoni) = mijn heer | וְהָיִ֥ינוּ (vehayinu) = en we zullen zijn | עֲבָדִ֖ים (avadim) = slaven | לְפַרְעֹֽה (lefaro) = voor farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: החיתנו (hehyitanu), ‘u hebt ons in leven gehouden’: zie 45:5, 7; 50:20. Zie ook: Gen 6:19; Gen 18:3; Gen 33:15; Gen 41:45; Gen 45:5; Gen 45:7; Gen 50:20; Jub 45:12 **47:26** Jozef maakte het tot een voorschrift tot op deze dag over de grond van Egypte: een vijfde voor de farao. Alleen de grond van de priesters werd niet van de farao. Brontekst: וַיָּ֣שֶׂם (vayasem) = en hij stelde | אֹתָ֣הּ (otah) = het | יוֹסֵ֡ף (yosef) = Jozef | לְחֹק֩ (lechoq) = tot voorschrift | עַד (ad) = tot | הַיּ֨וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֜ה (haze) = deze | עַל (al) = over | אַדְמַ֥ת (admat) = grond van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | לְפַרְעֹ֖ה (lefaro) = voor farao | לַחֹ֑מֶשׁ (lachomesh) = een vijfde | רַ֞ק (raq) = alleen | אַדְמַ֤ת (admat) = grond van | הַכֹּֽהֲנִים֙ (hakohanim) = de priesters | לְבַדָּ֔ם (levadam) = alleen zij | לֹ֥א (lo) = niet | הָיְתָ֖ה (hayeta) = was | לְפַרְעֹֽה (lefaro) = voor farao Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: לחק עד היום הזה (lechoq ad hayyom hazzeh), ‘tot een voorschrift tot op deze dag’: een opmerking van de verteller, geschreven toen het voorschrift nog gold. Zie ook: Gen 47:22; Jub 45:12; Ezech 7:24 **47:27** Israël woonde in het land Egypte, in het land Gosen; zij kregen bezit daarin, werden vruchtbaar en vermenigvuldigden zich zeer. Brontekst: וַיֵּ֧שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | גֹּ֑שֶׁן (goshen) = Gosen | וַיֵּאָחֲז֣וּ (vayeachazu) = en ze verkregen bezit | בָ֔הּ (bah) = daarin | וַיִּפְר֥וּ (vayifru) = en ze waren vruchtbaar | וַיִּרְבּ֖וּ (vayirbu) = en ze vermenigvuldigden zich | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Voetnoot Uitleg: ויפרו וירבו מאד (vayyifru vayyirbu me’od), ‘zij werden vruchtbaar en vermenigvuldigden zich zeer’: zie 1:28; 9:1; 35:11; Exod. 1:7. Voetnoot Aanvullend: Jasher 55:36 zegt hetzelfde. Zie ook: Gen 1:28; Gen 9:1; Gen 35:11; Gen 46:3; Hen 89:14; Jas 55:36; Ex 1:7; Ps 105:24; Ps 107:38; Hand 7:17 **47:28** Jakob leefde in het land Egypte 17 jaar; en de dagen van Jakob, de jaren van zijn leven, waren 147 jaar. Brontekst: וַיְחִ֤י (vaychi) = en hij leefde | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַיְהִ֤י (vayhi) = en het was | יְמֵֽי (yemei) = dagen van | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | שְׁנֵ֣י (shenei) = jaren van | חַיָּ֔יו (chayav) = zijn leven | שֶׁ֣בַע (sheva) = zeven | שָׁנִ֔ים (shanim) = jaren | וְאַרְבָּעִ֥ים (vearbaim) = en veertig | וּמְאַ֖ת (umeat) = en honderd | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שׁבע עשׂרה שׁנה (sheva esreh shanah), ‘zeventien jaar’: Jasher 56:1 noemt ook 17 jaar en 147 jaar; Jubileeën 45:13 noemt de 17 jaar. Zie ook: Gen 37:2; Gen 47:8–9; Jub 45:13; Jas 56:1; Ps 90:10; Ps 90:12; Ps 119:84 ### Jakob laat Jozef zweren **47:29** Toen de dagen van Israël om te sterven naderden, riep hij zijn zoon Jozef en zei tegen hem: „Als ik gunst gevonden heb in je ogen, leg dan toch je hand onder mijn heup en bewijs mij trouw en betrouwbaarheid: begraaf mij toch niet in Egypte. Brontekst: וַיִּקְרְב֣וּ (vayiqrevu) = en ze naderden | יְמֵֽי (yemei) = dagen van | יִשְׂרָאֵ֘ל (yisrael) = Israël | לָמוּת֒ (lamut) = om te sterven | וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en hij riep | לִבְנ֣וֹ (livno) = zijn zoon | לְיוֹסֵ֗ף (leyosef) = Jozef | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | לוֹ֙ (lo) = tot hem | אִם (im) = als | נָ֨א (na) = toch | מָצָ֤אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵן֙ (chen) = gunst | בְּעֵינֶ֔יךָ (beeineikha) = in je ogen | שִֽׂים (sim) = leg | נָ֥א (na) = toch | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | תַּ֣חַת (tachat) = onder | יְרֵכִ֑י (yerekhi) = mijn heup | וְעָשִׂ֤יתָ (veasita) = en je zult doen | עִמָּדִי֙ (imadi) = met mij | חֶ֣סֶד (chesed) = trouw | וֶאֱמֶ֔ת (veemet) = en betrouwbaarheid | אַל (al) = niet | נָ֥א (na) = toch | תִקְבְּרֵ֖נִי (tiqbereni) = begraaf mij | בְּמִצְרָֽיִם (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שׂים נא ידך תחת ירכי (sim na yadkha tachat yerekhi), ‘leg toch je hand onder mijn heup’: dezelfde eed als in 24:2, 9. חסד ואמת (chesed ve’emet), ‘trouw en betrouwbaarheid’: zie 24:27, 49. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:2–3 zegt dat Jakob Jozef en zijn zonen riep en vroeg te worden begraven in Machpela. Zie ook: Gen 24:2; Gen 24:9; Gen 24:27; Gen 24:49; Gen 50:24–25; Jas 56:2–3; Deut 31:14; 1 Kon 2:1 **47:30** Wanneer ik bij mijn vaders lig, draag mij dan uit Egypte en begraaf mij in hun graf.” Hij zei: „Ik zal doen naar je woord.” Brontekst: וְשָֽׁכַבְתִּי֙ (veshakhavti) = en ik zal liggen | עִם (im) = met | אֲבֹתַ֔י (avotay) = mijn vaders | וּנְשָׂאתַ֨נִי֙ (unesatani) = en je zult mij dragen | מִמִּצְרַ֔יִם (mimitsrayim) = uit Egypte | וּקְבַרְתַּ֖נִי (uqevartani) = en je zult mij begraven | בִּקְבֻרָתָ֑ם (biqvuratam) = in hun graf | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en hij zei | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | אֶֽעֱשֶׂ֥ה (eese) = zal doen | כִדְבָרֶֽךָ (kidvarekha) = naar je woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Gen 23:19; Gen 25:9; Gen 49:29–32; 1 Kon 13:22; Neh 2:3 **47:31** Hij zei: „Zweer het mij.” En hij zwoer hem. Toen boog Israël zich neer aan het hoofdeinde van het bed. Brontekst: וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִשָּֽׁבְעָה֙ (hishavea) = zweer | לִ֔י (li) = aan mij | וַיִּשָּׁבַ֖ע (vayishava) = en hij zwoer | ל֑וֹ (lo) = aan hem | וַיִּשְׁתַּ֥חוּ (vayishtachu) = en hij boog zich neer | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = hoofd van | הַמִּטָּֽה (hamita) = het bed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וישׁתחו ישׂראל על ראשׁ המטה (vayishtachu Yisra’el al rosh hammittah), ‘Israël boog zich neer aan het hoofdeinde van het bed’: De klinkers lezen ‘het bed’ (hammittah); de Septuaginta leest ‘staf’ (matteh), zie Hebr. 11:21. Zie ook: Gen 24:3; Gen 24:26; Gen 48:1–2; 1 Kon 1:47; Heb 11:21 ## Genesis 48 _Jakob zegent Efraïm en Manasse_ ### Jakob is ziek **48:1** Na deze dingen werd er tegen Jozef gezegd: „Zie, je vader is ziek.” Hij nam zijn twee zonen met zich mee, Manasse en Efraïm. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | אַחֲרֵי֙ (acharei) = na | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de dingen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | לְיוֹסֵ֔ף (leyosef) = tot Jozef | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | חֹלֶ֑ה (chole) = ziek | וַיִּקַּ֞ח (vayiqach) = en hij nam | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁנֵ֤י (shenei) = twee van | בָנָיו֙ (banav) = zijn zonen | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | אֶפְרָֽיִם (efrayim) = Efraïm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:2 zegt dat Jakob ziek werd en Jozef uit Egypte liet halen. Jasher 55:35 zegt dat Jakob zeer oud was en dat Efraïm en Manasse bij hem de wegen van Yahweh leerden. Zie ook: Gen 41:50–52; Gen 46:20; Gen 50:23; Jas 55:35; Jas 56:2; Ps 128:6; Joh 11:3 **48:2** Men meldde Jakob: „Zie, je zoon Jozef komt bij je.” Israël sterkte zich en ging op het bed zitten. Brontekst: וַיַּגֵּ֣ד (vayaged) = en hij meldde | לְיַעֲקֹ֔ב (leyaaqov) = aan Jakob | וַיֹּ֕אמֶר (vayomer) = en hij zei | הִנֵּ֛ה (hine) = zie | בִּנְךָ֥ (binkha) = je zoon | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | בָּ֣א (ba) = komend | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = tot jou | וַיִּתְחַזֵּק֙ (vayitchazeq) = en hij sterkte zich | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וַיֵּ֖שֶׁב (vayeshev) = en hij ging zitten | עַל (al) = op | הַמִּטָּֽה (hamita) = het bed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 3:28; 1 Sam 23:16; Ps 41:4; Spr 23:15; Ef 6:10 **48:3** Jakob zei tegen Jozef: „El Sjaddai verscheen aan mij in Luz, in het land Kanaän, en zegende mij. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | אֵ֥ל (el) = El | שַׁדַּ֛י (shaday) = Sjaddai | נִרְאָֽה (nira) = verscheen | אֵלַ֥י (elay) = aan mij | בְּל֖וּז (beluz) = in Luz | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | וַיְבָ֖רֶךְ (vayvarekh) = en hij zegende | אֹתִֽי (oti) = mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: אל שׁדי (El Shaddai), ‘El Sjaddai’: zie 17:1; 28:3; 35:11. בלוז (beLuz), ‘in Luz’: dat is Betel, zie 28:19; 35:6. Zie ook: Gen 17:1; Gen 28:3; Gen 28:19; Gen 35:6; Gen 35:9–12; Gen 35:11; Ex 6:3; Hos 12:5 **48:4** Hij zei tegen mij: **‘Zie, Ik maak je vruchtbaar en vermenigvuldig je, Ik maak je tot een gemeenschap van volken en Ik geef dit land aan je nageslacht na je als blijvend bezit.’** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | הִנְנִ֤י (hinni) = zie mij | מַפְרְךָ֙ (mafrekha) = jou vruchtbaar makend | וְהִרְבִּיתִ֔ךָ (vehirbitikha) = en ik zal je vermenigvuldigen | וּנְתַתִּ֖יךָ (unetatikha) = en ik zal je maken | לִקְהַ֣ל (liqhal) = tot een gemeenschap van | עַמִּ֑ים (amim) = volken | וְנָ֨תַתִּ֜י (venatati) = en ik zal geven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאָ֧רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֛את (hazot) = dit | לְזַרְעֲךָ֥ (lezarakha) = aan je nageslacht | אַחֲרֶ֖יךָ (achareikha) = na je | אֲחֻזַּ֥ת (achuzat) = bezit van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ונתתי את הארץ הזאת לזרעך אחריך אחזת עולם (venatatti et ha’arets hazzot lezar’akha acharekha achuzzat olam), ‘Ik geef dit land aan je nageslacht na je als blijvend bezit’: zie 35:11–12; 28:13–14. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 45:14 zegt dat Jakob zijn zonen alles vertelde wat hun in Egypte en in de laatste dagen zou overkomen. Zie ook: Gen 17:8; Gen 28:13–14; Gen 35:11; Gen 47:27; Jub 45:14; Ex 1:7; Amos 9:14–15 **48:5** Nu dan, je twee zonen die je in het land Egypte geboren zijn, voordat ik bij je in Egypte kwam, zijn van mij: Efraïm en Manasse zullen mij zijn, zoals Ruben en Simeon. Brontekst: וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | שְׁנֵֽי (shenei) = twee van | בָנֶיךָ֩ (baneikha) = je zonen | הַנּוֹלָדִ֨ים (hanoladim) = de geborenen | לְךָ֜ (lekha) = aan jou | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | עַד (ad) = tot | בֹּאִ֥י (boi) = mijn komst | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = tot jou | מִצְרַ֖יְמָה (mitsrayma) = naar Egypte | לִי (li) = aan mij | הֵ֑ם (hem) = zij | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | וּמְנַשֶּׁ֔ה (umenashe) = en Manasse | כִּרְאוּבֵ֥ן (kiruven) = zoals Ruben | וְשִׁמְע֖וֹן (veshimon) = en Simeon | יִֽהְיוּ (yihyu) = zullen zijn | לִֽי (li) = aan mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הם אפרים ומנשׁה כראובן ושׁמעון יהיו לי (hem Efrayim uMenasheh kiReuven veShim’on yihyu li), ‘Efraïm en Manasse zullen mij zijn, zoals Ruben en Simeon’: Jakob neemt de twee zonen van Jozef aan, zodat zij elk een deel van het land krijgen en Jozef dubbel erft; zie Joz. 14:4; 1 Kron. 5:1–2. Zie ook: Gen 41:50–52; Gen 46:20; Joz 13:7; Joz 14:4; 1 Kron 5:1–2 **48:6** Maar je kinderen die je na hen verwekt hebt, zullen van jou zijn; naar de naam van hun broers zullen zij genoemd worden in hun erfdeel. Brontekst: וּמוֹלַדְתְּךָ֛ (umoladtekha) = en je kinderen | אֲשֶׁר (asher) = dat | הוֹלַ֥דְתָּ (holadta) = je verwekt hebt | אַחֲרֵיהֶ֖ם (achareihem) = na hen | לְךָ֣ (lekha) = aan jou | יִהְי֑וּ (yihyu) = zullen zijn | עַ֣ל (al) = over | שֵׁ֧ם (shem) = naam van | אֲחֵיהֶ֛ם (acheihem) = hun broers | יִקָּרְא֖וּ (yiqareu) = zullen genoemd worden | בְּנַחֲלָתָֽם (benachalatam) = in hun erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: על שׁם אחיהם יקראו בנחלתם (al shem acheihem yiqqare’u benachalatam), ‘naar de naam van hun broers zullen zij genoemd worden in hun erfdeel’: kinderen van Jozef die nog geboren worden, krijgen hun deel binnen de stammen Efraïm en Manasse. Zie ook: Joz 14:4 **48:7** En wat mij betreft: toen ik uit Paddan kwam, stierf Rachel naast mij in het land Kanaän, onderweg, toen er nog een stuk land te gaan was om in Efrata te komen; en ik begroef haar daar op de weg naar Efrata, dat is Betlehem.” Brontekst: וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | בְּבֹאִ֣י (bevoi) = bij mijn komst | מִפַּדָּ֗ן (mipadan) = uit Paddan | מֵ֩תָה֩ (meta) = ze stierf | עָלַ֨י (alay) = naast mij | רָחֵ֜ל (rachel) = Rachel | בְּאֶ֤רֶץ (beerets) = in het land | כְּנַ֨עַן֙ (kenaan) = Kanaän | בַּדֶּ֔רֶךְ (baderekh) = op de weg | בְּע֥וֹד (beod) = terwijl nog | כִּבְרַת (kivrat) = een stuk van | אֶ֖רֶץ (erets) = land | לָבֹ֣א (lavo) = om te komen | אֶפְרָ֑תָה (efrata) = naar Efrata | וָאֶקְבְּרֶ֤הָ (vaeqbereha) = en ik begroef haar | שָּׁם֙ (sham) = daar | בְּדֶ֣רֶךְ (bederekh) = op de weg naar | אֶפְרָ֔ת (efrat) = Efrat | הִ֖וא (hi) = dat is | בֵּ֥ית (beit) = huis van | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: עלי רחל (alai Rachel), ‘Rachel stierf naast mij’: letterlijk ‘op mij’, tot mijn verdriet; zie 35:16–20. בעוד כברת ארץ (be’od kivrat erets), ‘toen er nog een stuk land te gaan was’: de lengte van die afstand is niet zeker; zie 35:16. Zie ook: Gen 35:9; Gen 35:16–19; Ruth 1:2; 1 Sam 17:12; Mat 2:18 ### Jakob zegent Efraïm en Manasse **48:8** Israël zag de zonen van Jozef en zei: „Wie zijn dit?” Brontekst: וַיַּ֥רְא (vayar) = en hij zag | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | מִי (mi) = wie | אֵֽלֶּה (ele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **48:9** Jozef zei tegen zijn vader: „Het zijn mijn zonen, die Elohim mij hier gegeven heeft.” Hij zei: „Breng hen toch bij mij, zodat ik hen kan zegenen.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אֶל (el) = tot | אָבִ֔יו (aviv) = zijn vader | בָּנַ֣י (banay) = mijn zonen | הֵ֔ם (hem) = zij | אֲשֶׁר (asher) = die | נָֽתַן (natan) = heeft gegeven | לִ֥י (li) = aan mij | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | בָּזֶ֑ה (baze) = hier | וַיֹּאמַ֕ר (vayomar) = en hij zei | קָֽחֶם (qachem) = neem hen | נָ֥א (na) = toch | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | וַאֲבָרֲכֵֽם (vaavarakhem) = en ik zal hen zegenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אשׁר נתן לי אלהים בזה (asher natan li Elohim bazzeh), ‘die Elohim mij hier gegeven heeft’: zie 33:5. Zie 41:51–52. Zie ook: Gen 27:4; Gen 33:5; Gen 41:51–52; Deut 33:1; Ps 127:3; Heb 11:21 **48:10** De ogen van Israël waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien. Hij bracht hen dicht bij zich, kuste hen en omhelsde hen. Brontekst: וְעֵינֵ֤י (veeinei) = en de ogen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | כָּבְד֣וּ (kavedu) = waren zwaar | מִזֹּ֔קֶן (mizoqen) = van ouderdom | לֹ֥א (lo) = niet | יוּכַ֖ל (yukhal) = kon hij | לִרְא֑וֹת (lirot) = zien | וַיַּגֵּ֤שׁ (vayagesh) = en hij bracht dichtbij | אֹתָם֙ (otam) = hen | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | וַיִּשַּׁ֥ק (vayishaq) = en hij kuste | לָהֶ֖ם (lahem) = hen | וַיְחַבֵּ֥ק (vaychabeq) = en hij omhelsde | לָהֶֽם (lahem) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ועיני ישׂראל כבדו מזקן (ve’einei Yisra’el kavedu mizzoqen), ‘de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom’: zie 27:1. Zie ook: Gen 27:1; Gen 27:27; 1 Sam 3:2; 1 Kon 19:20; Jes 59:1 **48:11** Israël zei tegen Jozef: „Ik had niet gedacht dat ik je gezicht zou zien, en zie, Elohim heeft mij ook je nageslacht laten zien.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | רְאֹ֥ה (reo) = zien | פָנֶ֖יךָ (paneikha) = je gezicht | לֹ֣א (lo) = niet | פִלָּ֑לְתִּי (pilalti) = ik had gedacht | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | הֶרְאָ֥ה (hera) = heeft laten zien | אֹתִ֛י (oti) = mij | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | גַּ֥ם (gam) = ook | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | זַרְעֶֽךָ (zarekha) = je nageslacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לא פללתי (lo pillalti), ‘ik had niet gedacht’: pallal is ‘oordelen’, ‘een mening vormen’, ‘rekenen op’. Zie 37:33–35. Zie ook: Gen 37:33; Gen 37:35; Gen 42:36; Gen 45:26; Ef 3:20 **48:12** Jozef nam hen weg van zijn knieën en boog zich met zijn gezicht ter aarde. Brontekst: וַיּוֹצֵ֥א (vayotse) = en hij bracht naar buiten | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מֵעִ֣ם (meim) = van bij | בִּרְכָּ֑יו (birkav) = zijn knieën | וַיִּשְׁתַּ֥חוּ (vayishtachu) = en hij boog zich | לְאַפָּ֖יו (leapav) = voor zijn gezicht | אָֽרְצָה (aretsa) = naar de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 18:2; Gen 33:3; Gen 42:6; Spr 31:28; 1 Kon 2:19 **48:13** Jozef nam hen beiden, Efraïm met zijn rechterhand aan de linkerkant van Israël, en Manasse met zijn linkerhand aan de rechterkant van Israël, en bracht hen bij hem. Brontekst: וַיִּקַּ֣ח (vayiqach) = en hij nam | יוֹסֵף֮ (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | שְׁנֵיהֶם֒ (sheneihem) = beiden | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶפְרַ֤יִם (efrayim) = Efraïm | בִּֽימִינוֹ֙ (bimino) = met zijn rechterhand | מִשְּׂמֹ֣אל (misemol) = van links van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | מְנַשֶּׁ֥ה (menashe) = Manasse | בִשְׂמֹאל֖וֹ (bismolo) = met zijn linkerhand | מִימִ֣ין (mimin) = van rechts van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיַּגֵּ֖שׁ (vayagesh) = en hij bracht naar voren | אֵלָֽיו (elav) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **48:14** Israël stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel die de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij liet zijn handen met inzicht kruisen, want Manasse was de eerstgeborene. Brontekst: וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en hij stak uit | יִשְׂרָאֵ֨ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יְמִינ֜וֹ (yemino) = zijn rechterhand | וַיָּ֨שֶׁת (vayashet) = en hij legde | עַל (al) = op | רֹ֤אשׁ (rosh) = hoofd van | אֶפְרַ֨יִם֙ (efrayim) = Efraïm | וְה֣וּא (vehu) = en hij | הַצָּעִ֔יר (hatsair) = de jongste | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | שְׂמֹאל֖וֹ (semolo) = zijn linkerhand | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd van | מְנַשֶּׁ֑ה (menashe) = Manasse | שִׂכֵּל֙ (sikel) = hij kruiste met inzicht | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יָדָ֔יו (yadav) = zijn handen | כִּ֥י (ki) = want | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | הַבְּכֽוֹר (habekhor) = de eerstgeborene Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׂכל (sikkel), ‘hij liet kruisen met inzicht’: de wortel (sakhal) betekent ‘doordacht handelen’; Jakob doet dit bewust, zie vers 19. Het omkeren van de volgorde herhaalt het patroon van 25:23; 27:27–29; 38:27–30. Zie ook: Gen 25:23; Gen 27:27–29; Gen 38:27–30; Gen 41:51; Gen 48:19; Num 8:18; Mat 6:5; Mat 19:15; 1 Tim 5:22 **48:15** Hij zegende Jozef en zei: „De Elohim voor wiens aangezicht mijn vaders Abraham en Isaak gewandeld hebben, de Elohim die mij geweid heeft van mijn bestaan tot op deze dag, Brontekst: וַיְבָ֥רֶךְ (vayvarekh) = en hij zegende | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | וַיֹּאמַ֑ר (vayomar) = en Hij zei | הָֽאֱלֹהִ֡ים (haElohim) = Elohim | אֲשֶׁר֩ (asher) = voor wie | הִתְהַלְּכ֨וּ (hithalekhu) = wandelden | אֲבֹתַ֤י (avotay) = mijn vaders | לְפָנָיו֙ (lefanav) = voor zijn aangezicht | אַבְרָהָ֣ם (avraham) = Abraham | וְיִצְחָ֔ק (veyitschaq) = en Isaak | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | הָרֹעֶ֣ה (haroe) = die weidde | אֹתִ֔י (oti) = mij | מֵעוֹדִ֖י (meodi) = van mijn bestaan | עַד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: האלהים אשׁר התהלכו אבתי לפניו (ha’Elohim asher hithallekhu avotai lefanav), ‘de Elohim voor wiens aangezicht mijn vaders gewandeld hebben’: zie 17:1; 24:40. האלהים הרעה אתי מעודי (ha’Elohim haro’eh oti), ‘de Elohim die mij geweid heeft’: zie Ps. 23:1. Zie ook: Gen 17:1; Gen 24:40; Ps 23:1; Pred 5:11; 1 Kon 3:6; Kol 2:6; Heb 11:21 **48:16** de boodschapper die mij verlost heeft van alle kwaad, moge de jongens zegenen; moge mijn naam over hen uitgeroepen worden, en de naam van mijn vaders Abraham en Isaak, en mogen zij zich vermenigvuldigen tot een menigte te midden van het land.” Brontekst: הַמַּלְאָךְ֩ (hamalakh) = de boodschapper | הַגֹּאֵ֨ל (hagoel) = de verlosser | אֹתִ֜י (oti) = mij | מִכָּל (mikal) = van alle | רָ֗ע (ra) = kwaad | יְבָרֵךְ֮ (yevarekh) = moge zegenen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַנְּעָרִים֒ (hanearim) = de jongens | וְיִקָּרֵ֤א (veyiqare) = en moge genoemd worden | בָהֶם֙ (bahem) = over hen | שְׁמִ֔י (shemi) = mijn naam | וְשֵׁ֥ם (veshem) = en de naam van | אֲבֹתַ֖י (avotay) = mijn vaders | אַבְרָהָ֣ם (avraham) = Abraham | וְיִצְחָ֑ק (veyitschaq) = en Isaak | וְיִדְגּ֥וּ (veyidgu) = en ze zullen zich vermenigvuldigen | לָרֹ֖ב (larov) = tot menigte | בְּקֶ֥רֶב (beqerev) = in het midden van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: המלאך הגאל אתי (hammal’akh hago’el oti), ‘de boodschapper die mij verlost heeft’: zie 31:11–13; 32:25–31. וידגו לרב (veyidgu larov), ‘zij mogen zich vermenigvuldigen’: dag is ‘vis’, dus eigenlijk ‘zij zullen wemelen als vissen’. Zie 1:20. Zie ook: Gen 1:20; Gen 28:13–15; Gen 31:11–13; Gen 32:25–31; Gen 48:5; Gen 49:22; Num 26:28–37; Ps 34:23 **48:17** Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, beviel het hem niet; hij pakte de hand van zijn vader om die van het hoofd van Efraïm weg te halen naar het hoofd van Manasse. Brontekst: וַיַּ֣רְא (vayar) = en hij zag | יוֹסֵ֗ף (yosef) = Jozef | כִּי (ki) = dat | יָשִׁ֨ית (yashit) = legde | אָבִ֧יו (aviv) = zijn vader | יַד (yad) = hand van | יְמִינ֛וֹ (yemino) = zijn rechterhand | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = hoofd van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | וַיֵּ֣רַע (vayera) = en het was kwaad | בְּעֵינָ֑יו (beeinav) = in zijn ogen | וַיִּתְמֹ֣ךְ (vayitmokh) = en hij pakte | יַד (yad) = hand van | אָבִ֗יו (aviv) = zijn vader | לְהָסִ֥יר (lehasir) = om weg te halen | אֹתָ֛הּ (otah) = haar | מֵעַ֥ל (meal) = van op | רֹאשׁ (rosh) = hoofd van | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | עַל (al) = op | רֹ֥אשׁ (rosh) = hoofd van | מְנַשֶּֽׁה (menashe) = Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וירע בעיניו (vayyera be’einav), ‘het was kwaad in zijn ogen’: het beviel Jozef niet; hij is gekrenkt. Zie ook: Gen 48:14; Num 11:1; 1 Kron 21:7; 1 Kon 16:25; Rom 9:7–8 **48:18** Jozef zei tegen zijn vader: „Niet zo, mijn vader, want deze is de eerstgeborene; leg je rechterhand op zijn hoofd.” Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | יוֹסֵ֛ף (yosef) = Jozef | אֶל (el) = tot | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | לֹא (lo) = niet | כֵ֣ן (ken) = zo | אָבִ֑י (avi) = mijn vader | כִּי (ki) = want | זֶ֣ה (ze) = deze | הַבְּכֹ֔ר (habekhor) = de eerstgeborene | שִׂ֥ים (sim) = leg | יְמִינְךָ֖ (yeminekha) = je rechterhand | עַל (al) = op | רֹאשֽׁוֹ (rosho) = zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 19:18; Gen 29:26; Ex 10:11; Mat 25:9; Hand 10:14 **48:19** Maar zijn vader weigerde en zei: „Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk worden en ook hij zal groot worden; maar zijn jongere broer zal groter worden dan hij, en zijn nageslacht zal een volheid van volken worden.” Brontekst: וַיְמָאֵ֣ן (vaymaen) = en hij weigerde | אָבִ֗יו (aviv) = zijn vader | וַיֹּ֨אמֶר֙ (vayomer) = en hij zei | יָדַ֤עְתִּֽי (yadati) = ik weet | בְנִי֙ (beni) = mijn zoon | יָדַ֔עְתִּי (yadati) = ik weet | גַּם (gam) = ook | ה֥וּא (hu) = hij | יִֽהְיֶה (yihye) = zal worden | לְּעָ֖ם (leam) = tot een volk | וְגַם (vegam) = en ook | ה֣וּא (hu) = hij | יִגְדָּ֑ל (yigdal) = zal groot worden | וְאוּלָ֗ם (veulam) = maar | אָחִ֤יו (achiv) = zijn broer | הַקָּטֹן֙ (haqaton) = de jongere | יִגְדַּ֣ל (yigdal) = zal groot worden | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = dan hij | וְזַרְע֖וֹ (vezaro) = en zijn nageslacht | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | מְלֹֽא (melo) = volheid van | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מלא הגוים (melo hagoyim), ‘een volheid van volken’: Efraïm krijgt groter gewicht dan Manasse, zie Deut. 33:17. Zie ook: Gen 17:20–21; Gen 25:28; Gen 48:14; Num 1:33–35; Deut 33:17 **48:20** Hij zegende hen op die dag en zei: „Met jou zal Israël zegenen en zeggen: ‘Moge Elohim je maken zoals Efraïm en Manasse.’” Zo stelde hij Efraïm vóór Manasse. Brontekst: וַיְבָ֨רֲכֵ֜ם (vayvarakhem) = en hij zegende hen | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַהוּא֮ (hahu) = die | לֵאמוֹר֒ (lemor) = zeggend | בְּךָ֗ (bekha) = met jou | יְבָרֵ֤ךְ (yevarekh) = zal zegenen | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | יְשִֽׂמְךָ֣ (yesimkha) = moge maken | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | כְּאֶפְרַ֖יִם (keefrayim) = als Efraïm | וְכִמְנַשֶּׁ֑ה (vekhimnashe) = en als Manasse | וַיָּ֥שֶׂם (vayasem) = en hij stelde | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אֶפְרַ֖יִם (efrayim) = Efraïm | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | מְנַשֶּֽׁה (menashe) = Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בך יברך ישׂראל (bekha yevarekh Yisra’el), ‘met jou zal Israël zegenen’: de zegenspreuk blijft in Israël bekend, zie 12:3. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:6–7 zegt dat Jakob alle kinderen van zijn zonen liet roepen en hen zegende, en daarna zijn zonen. Zie ook: Gen 12:3; Gen 24:60; Gen 28:3; Jas 56:6–7; Num 2:18–21; Num 13:11; Ruth 4:11–12 ### Een laatste woord aan Jozef **48:21** Israël zei tegen Jozef: „Zie, ik sterf; maar Elohim zal met jullie zijn en jullie terugbrengen naar het land van jullie vaders. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶל (el) = tot | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | מֵ֑ת (met) = sterf | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en Hij zal Zijn | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = met jullie | וְהֵשִׁ֣יב (veheshiv) = en hij zal terugbrengen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | אֶ֖רֶץ (erets) = het land van | אֲבֹתֵיכֶֽם (avoteikhem) = jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:10–21 geeft Jakobs lange opdracht aan zijn zonen: hoe zij hem dragen moeten, en dat Jozef zijn broers moet vergeven. Zie ook: Gen 26:3; Gen 28:15; Gen 46:4; Gen 50:24; Jas 56:10–21; Heb 7:3 **48:22** En ik geef jou één Sichem meer dan je broers, dat ik de Amoriet met mijn zwaard en mijn boog ontnomen heb.” Brontekst: וַאֲנִ֞י (vaani) = en ik | נָתַ֧תִּֽי (natati) = heb gegeven | לְךָ֛ (lekha) = aan jou | שְׁכֶ֥ם (shekhem) = Sichem | אַחַ֖ד (achad) = één | עַל (al) = boven | אַחֶ֑יךָ (acheikha) = je broers | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | לָקַ֨חְתִּי֙ (laqachti) = ik nam | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | הָֽאֱמֹרִ֔י (haemori) = de Amoriet | בְּחַרְבִּ֖י (becharbi) = met mijn zwaard | וּבְקַשְׁתִּֽי (uveqashti) = en mijn boog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁכם אחד (Shekhem achad), ‘één Sichem’: shekhem betekent ook ‘schouder’, ‘bergrug’, en dus ‘een bergrug’ of ‘een deel’; Jakob speelt met de naam. Zie 33:18–19; 34:1–31; Joz. 24:32. האמרי בחרבי ובקשׁתי (haEmori bechavri uvqashti), ‘de Amoriet met mijn zwaard en mijn boog’: Genesis 34 vertelt dat anders. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 34:2–9 vertelt dat Jakob de Amorieten bij Sichem versloeg, en dat sluit aan bij deze woorden. Jasher 38:1 vertelt hoe Jakob in een strijd met zijn boog Ihoeri, de koning van Silo, doodde. Zie ook: Gen 33:18–19; Gen 33:19; Gen 34:1–31; Jub 34:2–9; Jub 45:14; Jas 38:1; Joz 24:32; Re 11:23; 1 Kron 5:2; Joh 4:5 ## Genesis 49 _De zegen van Jakob over de twaalf stammen_ ### Jakob roept zijn zonen **49:1** Jakob riep zijn zonen en zei: „Verzamel jullie, dan zal ik jullie vertellen wat jullie in de laatste dagen zal overkomen. Brontekst: וַיִּקְרָ֥א (vayiqra) = en hij riep | יַעֲקֹ֖ב (yaaqov) = Jakob | אֶל (el) = tot | בָּנָ֑יו (banav) = zijn zonen | וַיֹּ֗אמֶר (vayomer) = en hij zei | הֵאָֽסְפוּ֙ (heasefu) = verzamelt jullie | וְאַגִּ֣ידָה (veagida) = en ik zal vertellen | לָכֶ֔ם (lakhem) = aan jullie | אֵ֛ת (et) = (lijdend voorwerp) | אֲשֶׁר (asher) = wat | יִקְרָ֥א (yiqra) = zal overkomen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בְּאַחֲרִ֥ית (beacharit) = in het einde van | הַיָּמִֽים (hayamim) = de dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: באחרית הימים (be’acharit hayyamim), ‘in de laatste dagen’: de verre toekomst; zie Num. 24:14; Deut. 4:30; Jes. 2:2. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:7 zegt dat Jakob zijn zonen de volgende dag opnieuw riep en elk van hen zegende; Jubileeën 45:14 zegt dat hij hun alles vertelde wat hun in Egypte en in de laatste dagen zou overkomen. Zie ook: Jub 45:14; Jas 56:7; Num 24:14; Deut 4:30; Ps 105:15; Jes 2:2; Jer 23:20; Dan 10:14 **49:2** Kom bijeen en luister, zonen van Jakob, luister naar Israël, jullie vader. Brontekst: הִקָּבְצ֥וּ (hiqavetsu) = komt bijeen | וְשִׁמְע֖וּ (veshimu) = en luistert | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יַעֲקֹ֑ב (yaaqov) = Jakob | וְשִׁמְע֖וּ (veshimu) = en luistert | אֶל (el) = naar | יִשְׂרָאֵ֥ל (yisrael) = Israël | אֲבִיכֶֽם (avikhem) = jullie vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 34:12; Spr 4:1–4; Spr 7:1; Spr 8:32; Spr 23:22 ### Ruben, Simeon en Levi **49:3** Ruben, mijn eerstgeborene ben je, mijn kracht en het eerste van mijn mannelijkheid, uitblinkend in waardigheid en uitblinkend in sterkte. Brontekst: רְאוּבֵן֙ (reuven) = Ruben | בְּכֹ֣רִי (bekhori) = mijn eerstgeborene | אַ֔תָּה (ata) = jij | כֹּחִ֖י (kochi) = mijn kracht | וְרֵאשִׁ֣ית (vereshit) = en eerste van | אוֹנִ֑י (oni) = mijn mannelijkheid | יֶ֥תֶר (yeter) = uitblinken van | שְׂאֵ֖ת (seet) = waardigheid | וְיֶ֥תֶר (veyeter) = en uitblinken van | עָֽז (az) = sterkte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בכרי אתה (bekhori attah), ‘mijn eerstgeborene ben je’: zie 29:32; 35:22; 1 Kron. 5:1. יתר שׂאת ויתר עז (yeter se’et veyeter az), ‘uitblinkend in waardigheid en uitblinkend in sterkte’: letterlijk ‘het overschot van verheffing en het overschot van kracht’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 36:15 zegt dat van Ruben het eerstgeboorterecht, het koningschap en het priesterschap werden weggenomen en dat het eerstgeboorterecht aan Jozef werd gegeven. Zie ook: Gen 29:32; Gen 35:22; Jas 36:15; Deut 21:17; 1 Kron 5:1; 1 Kron 5:3; Ps 78:51; Ps 105:36 **49:4** Onstuimig als water, je zult niet uitblinken, want je besteeg het bed van je vader; toen ontheiligde je het: mijn sponde besteeg hij. Brontekst: פַּ֤חַז (pachaz) = onstuimigheid | כַּמַּ֨יִם֙ (kamayim) = als water | אַל (al) = niet | תּוֹתַ֔ר (totar) = zul je uitblinken | כִּ֥י (ki) = want | עָלִ֖יתָ (alita) = je besteeg | מִשְׁכְּבֵ֣י (mishkevei) = bedden van | אָבִ֑יךָ (avikha) = je vader | אָ֥ז (az) = toen | חִלַּ֖לְתָּ (chilalta) = je ontheiligde | יְצוּעִ֥י (yetsui) = mijn sponde | עָלָֽה (ala) = besteeg hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פחז (pachaz), ‘onstuimig’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet zeker (‘onstuimig’, ‘overmoedig’). אז חללת יצועי עלה (az chillalta yetsu’i alah), ‘toen ontheiligde je het: mijn sponde besteeg hij’: de wisseling van ‘je’ naar ‘hij’ is in de tekst zelf. Zie 35:22. Zie ook: Gen 35:22; Deut 27:20; Deut 33:6; 1 Kron 5:1; Jak 1:6–8 **49:5** Simeon en Levi zijn broers, werktuigen van geweld zijn hun zwaarden. Brontekst: שִׁמְע֥וֹן (shimon) = Simeon | וְלֵוִ֖י (velevi) = en Levi | אַחִ֑ים (achim) = broers | כְּלֵ֥י (kelei) = werktuigen van | חָמָ֖ס (chamas) = geweld | מְכֵרֹתֵיהֶֽם (mekheroteihem) = hun zwaarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כלי חמס מכרתיהם (kelei chamas mekheroteihem), ‘werktuigen van geweld zijn hun zwaarden’: mekherot komt alleen hier voor; ‘zwaarden’, ‘wapens’ of ‘plannen’ zijn voorgesteld. Zie 34:25–29. Zie ook: Gen 29:33–34; Gen 34:25–31; Gen 46:10–11; Spr 18:9 **49:6** Moge mijn ziel niet komen in hun raad, moge mijn eer zich niet verbinden met hun vergadering; want in hun toorn hebben zij mannen gedood en naar hun welgevallen hebben zij een stier de pezen doorgesneden. Brontekst: בְּסֹדָם֙ (besodam) = in hun raad | אַל (al) = niet | תָּבֹ֣א (tavo) = moge komen | נַפְשִׁ֔י (nafshi) = mijn ziel | בִּקְהָלָ֖ם (biqhalam) = in hun vergadering | אַל (al) = niet | תֵּחַ֣ד (techad) = moge zich verbinden | כְּבֹדִ֑י (kevodi) = mijn eer | כִּ֤י (ki) = want | בְאַפָּם֙ (beapam) = in hun toorn | הָ֣רְגוּ (haregu) = hebben ze gedood | אִ֔ישׁ (ish) = een man | וּבִרְצֹנָ֖ם (uvirtsonam) = en naar hun welgevallen | עִקְּרוּ (iqeru) = hebben ze de pezen doorgesneden | שֽׁוֹר (shor) = een stier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וברצנם עקרו שׁור (uvirtsonam ikkeru shor), ‘naar hun welgevallen hebben zij een stier de pezen doorgesneden’: sommige oude vertalingen lezen shur, ‘muur’: ‘zij braken een muur af’. Zie 34:28. Zie ook: Gen 34:28; Gen 34:30; Ps 16:9; Ps 26:9; Ps 64:3; Jer 15:17 **49:7** Vervloekt is hun toorn, want hij is hevig, en hun woede, want zij is wreed. Ik zal hen verdelen in Jakob en hen verspreiden in Israël. Brontekst: אָר֤וּר (arur) = vervloekt | אַפָּם֙ (apam) = hun toorn | כִּ֣י (ki) = want | עָ֔ז (az) = hevig | וְעֶבְרָתָ֖ם (veevratam) = en hun woede | כִּ֣י (ki) = want | קָשָׁ֑תָה (qashata) = wreed is zij | אֲחַלְּקֵ֣ם (achaleqem) = ik zal hen verdelen | בְּיַעֲקֹ֔ב (beyaaqov) = in Jakob | וַאֲפִיצֵ֖ם (vaafitsem) = en ik zal hen verspreiden | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אחלקם ביעקב ואפיצם בישׂראל (achallekem beYa’aqov va’afitsem beYisra’el), ‘ik zal hen verdelen in Jakob en hen verspreiden in Israël’: Levi kreeg geen eigen land, zie Deut. 18:1; Simeons steden lagen binnen Juda, zie Joz. 19:1. Zie ook: Deut 18:1; Joz 19:1–9; 1 Kron 4:24–31; 1 Kron 6:50; Spr 26:24–25; Spr 27:3 ### Juda **49:8** Juda, jou zullen je broers loven; je hand zal op de nek van je vijanden zijn; de zonen van je vader zullen zich voor je neerbuigen. Brontekst: יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | אַתָּה֙ (ata) = jij | יוֹד֣וּךָ (yodukha) = zullen je loven | אַחֶ֔יךָ (acheikha) = je broers | יָדְךָ֖ (yadekha) = je hand | בְּעֹ֣רֶף (beoref) = op de nek van | אֹיְבֶ֑יךָ (oyeveikha) = je vijanden | יִשְׁתַּחֲוּ֥וּ (yishtachauu) = zullen zich neerbuigen | לְךָ֖ (lekha) = voor je | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אָבִֽיךָ (avikha) = je vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יהודה אתה יודוך (Yehudah attah yoduka achekha), ‘Juda, jou zullen je broers loven’: een woordspel op de naam, zie 29:35. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:8–9 laat Jakob zeggen dat Juda over zijn broers zal heersen en dat hij zijn zonen de boog en de wapens moet leren. Zie ook: Gen 27:29; Gen 29:35; Jas 56:8–9; Deut 33:7; 1 Kron 5:2; Heb 7:14 **49:9** Een leeuwenwelp is Juda; van de prooi ben je opgekomen, mijn zoon. Hij heeft zich gebogen, hij ligt als een leeuw en als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan? Brontekst: גּ֤וּר (gur) = welp van | אַרְיֵה֙ (arye) = een leeuw | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | מִטֶּ֖רֶף (miteref) = van de prooi | בְּנִ֣י (beni) = mijn zoon | עָלִ֑יתָ (alita) = ben je opgekomen | כָּרַ֨ע (kara) = hij heeft zich gebogen | רָבַ֧ץ (ravats) = hij ligt | כְּאַרְיֵ֛ה (kearye) = als een leeuw | וּכְלָבִ֖יא (ukhelavi) = en als een leeuwin | מִ֥י (mi) = wie | יְקִימֶֽנּוּ (yeqimenu) = zal hem doen opstaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גור אריה (gur aryeh), ‘een leeuwenwelp’: zie Num. 24:9. מי יקימנו (mi yeqimennu), ‘wie zal hem doen opstaan?’ Zie ook: Num 23:24; Num 24:9; Hos 5:14; Mi 5:7; Openb 5:5 **49:10** De scepter zal niet wijken van Juda, noch de heerserstaf van tussen zijn voeten, totdat Sjilo komt, en hem zullen de volken gehoorzamen. Brontekst: לֹֽא (lo) = niet | יָס֥וּר (yasur) = zal wijken | שֵׁ֨בֶט֙ (shevet) = scepter | מִֽיהוּדָ֔ה (mihuda) = van Juda | וּמְחֹקֵ֖ק (umechoqeq) = en heerserstaf | מִבֵּ֣ין (mibein) = van tussen | רַגְלָ֑יו (raglav) = zijn voeten | עַ֚ד (ad) = tot | כִּֽי (ki) = dat | יָבֹ֣א (yavo) = komt | שילה (shiloh) = Sjiloh (geschreven) | שִׁיל֔וֹ (shilo) = Sjilo | וְל֖וֹ (velo) = en aan hem | יִקְּהַ֥ת (yiqehat) = gehoorzaamheid van | עַמִּֽים (amim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier is de gelezen vorm gevolgd. עד כי יבא (ad ki yavo), ‘totdat hij komt’: het onderwerp is שׁילו (Shilo), ‘Sjilo’, waarvan de betekenis onzeker is. Het wordt gelezen als de plaats Silo, als ‘hij aan wie het toekomt’ (shay lo), als ‘zijn schatting’ of als ‘zijn zoon’. Hier is het woord onvertaald gelaten. יקהת עמים (yiqqehat ammim), ‘gehoorzaamheid van volken’: yiqqehah komt ook voor in Spr. 30:17. Voetnoot Lezing: Lezing: het geschreven woord is שילה (Shiloh), ‘Sjiloh’; de Masoreten laten het lezen als שׁילו (Shilo). Zie ook: Num 24:17; Ps 60:9; Spr 30:17; Jes 9:5; Jes 33:22; Luc 1:32–33 **49:11** Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok en het veulen van zijn ezelin aan de edele rank; hij wast zijn kleed in wijn en zijn mantel in druivenbloed. Brontekst: אֹסְרִ֤י (oseri) = bindend | לַגֶּ֨פֶן֙ (lagefen) = aan de wijnstok | עירה (yr) = zijn jonge ezel (geschreven) | עִיר֔וֹ (iro) = zijn jonge ezel | וְלַשֹּׂרֵקָ֖ה (velasoreqa) = en aan de edele rank | בְּנִ֣י (beni) = zoon van | אֲתֹנ֑וֹ (atono) = zijn ezelin | כִּבֵּ֤ס (kibes) = hij wast | בַּיַּ֨יִן֙ (bayayin) = in wijn | לְבֻשׁ֔וֹ (levusho) = zijn kleed | וּבְדַם (uvedam) = en in bloed van | עֲנָבִ֖ים (anavim) = druiven | סותה (svt) = zijn mantel (geschreven) | סוּתֽוֹ (suto) = zijn mantel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier is de gelezen vorm gevolgd. Hier is de gelezen vorm gevolgd. ולשׂרקה (velasoreqah), ‘en aan de edele rank’: sorek is een edele wijnstok, zie Jes. 5:2; Jer. 2:21. Voetnoot Lezing: Lezing: het geschreven woord is עירה (irah), ‘zijn jonge ezel’; de Masoreten laten het lezen als עירו (iro). Lezing: het geschreven woord is סותה (sutah), ‘zijn mantel’; de Masoreten laten het lezen als סותו (suto). Zie ook: 1 Kon 5:5; Joël 4:18; Jes 5:2; Jes 63:1–3; Jer 2:21; Openb 7:14; Openb 19:18 **49:12** Donker zijn zijn ogen van wijn en wit zijn zijn tanden van melk. Brontekst: חַכְלִילִ֥י (chakhlili) = donker van | עֵינַ֖יִם (einayim) = ogen | מִיָּ֑יִן (miyayin) = van wijn | וּלְבֶן (uleven) = en wit van | שִׁנַּ֖יִם (shinayim) = tanden | מֵחָלָֽב (mechalav) = van melk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חכלילי (chakhlili), ‘donker’: het woord komt alleen hier en in Spr. 23:29 voor, waar het ‘dofheid’ van ogen betekent. Zie ook: Spr 23:29 ### Zebulon, Issachar, Dan, Gad, Aser en Naftali **49:13** Zebulon zal aan de kust van de zeeën wonen; hij zal een haven voor schepen zijn en zijn flank reikt tot Sidon. Brontekst: זְבוּלֻ֕ן (zevulun) = Zebulon | לְח֥וֹף (lechof) = aan de kust van | יַמִּ֖ים (yamim) = zeeën | יִשְׁכֹּ֑ן (yishkon) = zal wonen | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | לְח֣וֹף (lechof) = aan de kust van | אֳנִיּ֔וֹת (oniyot) = schepen | וְיַרְכָת֖וֹ (veyarkhato) = en zijn flank | עַל (al) = tot | צִידֹֽן (tsidon) = Sidon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: זבולן לחוף ימים ישׁכן (Zevulun lechof yammim yishkon), ‘Zebulon zal aan de kust van de zeeën wonen’: zie 30:20; Deut. 33:18–19; Joz. 19:10–16. וירכתו על צידן (veyarkhato al Tsidon), ‘en zijn flank reikt tot Sidon’: zie 10:15, 19. Zie ook: Gen 10:15; Gen 10:19; Gen 30:20; Deut 33:18–19; Joz 19:10–16 **49:14** Issachar is een sterk gebouwde ezel, liggend tussen de zadeltassen. Brontekst: יִשָּׂשכָ֖ר (yisashkhar) = Issachar | חֲמֹ֣ר (chamor) = ezel | גָּ֑רֶם (garem) = sterk gebouwd | רֹבֵ֖ץ (rovets) = liggend | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הַֽמִּשְׁפְּתָֽיִם (hamishpetayim) = de zadeltassen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חמר גרם (chamor garem), ‘een ezel van botten’: sterk en zwaar gebouwd; zie 30:14–18; 1 Kron. 12:32. בין המשׁפתים (ben hammishpetayim), ‘tussen de zadeltassen’: ook ‘tussen de schaapskooien’; de betekenis is onzeker. Zie Richt. 5:16. Zie ook: Gen 30:14–18; Gen 30:18; Deut 33:18; Joz 19:17–23; Re 5:15–16; Re 5:16; 1 Kron 12:33 **49:15** Hij zag dat de rust goed was en dat het land lieflijk was; hij boog zijn schouder om te dragen en werd een dwangarbeider. Brontekst: וַיַּ֤רְא (vayar) = en hij zag | מְנֻחָה֙ (menucha) = rust | כִּ֣י (ki) = dat | ט֔וֹב (tov) = goed | וְאֶת (veet) = en (lijdend voorwerp) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | כִּ֣י (ki) = dat | נָעֵ֑מָה (naema) = lieflijk | וַיֵּ֤ט (vayet) = en hij boog | שִׁכְמוֹ֙ (shikhmo) = zijn schouder | לִסְבֹּ֔ל (lisbol) = om te dragen | וַיְהִ֖י (vayhi) = en hij werd | לְמַס (lemas) = tot dwangarbeid | עֹבֵֽד (oved) = arbeider Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: למס עבד (lemas oved), ‘een dwangarbeider’: letterlijk ‘tot dwangarbeid’; zie Joz. 17:13. Zie ook: Joz 14:15; Joz 17:13; 2 Sam 7:1; Ps 81:7; Ezech 29:18; Mat 23:4 **49:16** Dan zal recht doen over zijn volk, als een van de stammen van Israël. Brontekst: דָּ֖ן (dan) = Dan | יָדִ֣ין (yadin) = zal richten | עַמּ֑וֹ (amo) = zijn volk | כְּאַחַ֖ד (keachad) = als één van | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דן ידין עמו (Dan yadin ammo), ‘Dan zal recht doen over zijn volk’: een woordspel op de naam, zie 30:6. Zie Richt. 13–16 voor Simson. Zie ook: Gen 30:6; Num 10:25; Deut 33:22; Re 15:20; Re 18:1–2 **49:17** Moge Dan een slang zijn aan de weg, een adder aan het pad, die de hielen van het paard bijt, zodat zijn ruiter achterover valt. Brontekst: יְהִי (yehi) = moge zijn | דָן֙ (dan) = Dan | נָחָ֣שׁ (nachash) = een slang | עֲלֵי (alei) = aan | דֶ֔רֶךְ (derekh) = de weg | שְׁפִיפֹ֖ן (shefifon) = een adder | עֲלֵי (alei) = aan | אֹ֑רַח (orach) = het pad | הַנֹּשֵׁךְ֙ (hanoshekh) = de bijtende | עִקְּבֵי (iqevei) = hielen van | ס֔וּס (sus) = een paard | וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en hij valt | רֹכְב֖וֹ (rokhevo) = zijn ruiter | אָחֽוֹר (achor) = achterover Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁפיפן (shefifon), ‘adder’: een zeldzaam woord, vermoedelijk een hoornadder. Zie ook: Re 14:1–15; Re 16:22–30; Re 18:22–31; 1 Kron 12:36 **49:18** Op Uw redding hoop ik, Yahweh. Brontekst: לִֽישׁוּעָתְךָ֖ (lishuatekha) = op Uw redding | קִוִּ֥יתִי (qiviti) = ik heb gewacht | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לישׁועתך קויתי יהוה (lishu’atkha qivviti Yahweh), ‘op Uw redding hoop ik, Yahweh’: een onverwachte, korte zin tussen de zegen over Dan en die over Gad; zie Jes. 25:9. Zie ook: Ps 119:166; Ps 119:174; Ps 130:5; Jes 25:9; Mi 7:7 **49:19** Gad, een bende zal hem bestormen, maar hij zal hun hielen bestormen. Brontekst: גָּ֖ד (gad) = Gad | גְּד֣וּד (gedud) = een bende | יְגוּדֶ֑נּוּ (yegudenu) = zal hem aanvallen | וְה֖וּא (vehu) = en hij | יָגֻ֥ד (yagud) = zal aanvallen | עָקֵֽב (aqev) = de hiel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גד גדוד יגודנו והוא יגד עקב (Gad gedud yegudennu vehu yagud aqev), ‘Gad, een bende zal hem bestormen, maar hij zal de hiel bestormen’: een klankspel met gad, gedud en gud; zie 30:11; 1 Kron. 5:18–22. Zie ook: Gen 30:11; Deut 33:20–21; 1 Kron 3:18–22; 1 Kron 5:11–22; 1 Kron 5:18–22; 1 Kron 5:26 **49:20** Van Aser is zijn brood vet, en hij zal koninklijke lekkernijen geven. Brontekst: מֵאָשֵׁ֖ר (measher) = van Aser | שְׁמֵנָ֣ה (shemena) = vet | לַחְמ֑וֹ (lachmo) = zijn brood | וְה֥וּא (vehu) = en hij | יִתֵּ֖ן (yiten) = zal geven | מַֽעֲדַנֵּי (maadanei) = delicatessen van | מֶֽלֶךְ (melekh) = een koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מאשׁר שׁמנה לחמו (me’Asher shemenah lachmo), ‘van Aser is zijn brood vet’: zie 30:13; Deut. 33:24. Zie ook: Gen 30:13; Gen 46:17; Deut 33:24–25; Joz 19:24–31 **49:21** Naftali is een losgelaten hinde, die schone woorden geeft. Brontekst: נַפְתָּלִ֖י (naftali) = Naftali | אַיָּלָ֣ה (ayala) = een hinde | שְׁלֻחָ֑ה (shelucha) = losgelaten | הַנֹּתֵ֖ן (hanoten) = die geeft | אִמְרֵי (imrei) = woorden van | שָֽׁפֶר (shafer) = schoonheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נפתלי אילה שׁלחה (Naftali ayyalah shelluchah), ‘Naftali is een losgelaten hinde’: zie 30:8; Richt. 4:6. Een andere lezing maakt er een terebint van (elah), ‘Naftali is een uitgeschoten terebint die schone takken geeft’. Zie ook: Gen 30:8; Deut 33:23; Re 4:6; Ps 18:34–35; Mat 4:15–16 ### Jozef en Benjamin **49:22** Een vruchtbare zoon is Jozef, een vruchtbare zoon bij een bron; takken treden over de muur. Brontekst: בֵּ֤ן (ben) = zoon van | פֹּרָת֙ (porat) = vruchtbaarheid | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | בֵּ֥ן (ben) = zoon van | פֹּרָ֖ת (porat) = vruchtbaarheid | עֲלֵי (alei) = bij | עָ֑יִן (ayin) = een bron | בָּנ֕וֹת (banot) = takken | צָעֲדָ֖ה (tsaada) = treden | עֲלֵי (alei) = over | שֽׁוּר (shur) = de muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בן פרת יוסף (ben porat Yosef), ‘een vruchtbare zoon is Jozef’: een woordspel met Efraïm, zie 41:52. בנות צעדה עלי שׁור (banot tsa’adah alei shur), ‘takken treden over de muur’: letterlijk ‘dochters’. Zie ook: Gen 41:52; Gen 46:27; Joz 17:14–17; Ps 1:1–3; Ps 128:3 **49:23** De boogschutters hebben hem bitter gemaakt, hebben hem bestreden en vijandig bejegend. Brontekst: וַֽיְמָרֲרֻ֖הוּ (vaymararuhu) = en ze maakten hem bitter | וָרֹ֑בּוּ (varobu) = en ze schoten | וַֽיִּשְׂטְמֻ֖הוּ (vayistemuhu) = en ze bejegenden hem vijandig | בַּעֲלֵ֥י (baalei) = meesters van | חִצִּֽים (chitsim) = pijlen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בעלי חצים (ba’alei chitstsim), ‘boogschutters’: letterlijk ‘meesters van pijlen’. Zie 37:18–28; 39:19–20. Zie ook: Gen 37:4; Gen 37:18–28; Gen 37:24; Gen 37:28; Gen 39:19–20; Ps 64:4; Ps 118:13 **49:24** Maar zijn boog bleef vast en de armen van zijn handen werden soepel door de handen van de Machtige van Jakob, vandaar de Herder, de Steen van Israël, Brontekst: וַתֵּ֤שֶׁב (vateshev) = en bleef | בְּאֵיתָן֙ (beeitan) = in vastheid | קַשְׁתּ֔וֹ (qashto) = zijn boog | וַיָּפֹ֖זּוּ (vayafozu) = en ze werden soepel | זְרֹעֵ֣י (zeroei) = armen van | יָדָ֑יו (yadav) = zijn handen | מִידֵי֙ (midei) = door de handen van | אֲבִ֣יר (avir) = de Machtige van | יַעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | מִשָּׁ֥ם (misham) = vandaar | רֹעֶ֖ה (roe) = herder | אֶ֥בֶן (even) = steen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מידי אביר יעקב (miydei avir Ya’aqov), ‘door de handen van de Machtige van Jakob’: avir is een oude titel van God; zie Ps. 132:2, 5; Jes. 49:26. רעה אבן ישׂראל (ro’eh even Yisra’el), ‘de Herder, de Steen van Israël’: zie 48:15; Ps. 80:2. Zie ook: Gen 48:15; Job 29:20; Ps 80:2; Ps 80:3; Ps 132:2; Ps 132:5; Jes 28:16; Jes 49:26 **49:25** door de El van je vader, die je helpt, en door Sjaddai, die je zegent: zegeningen van de hemel boven, zegeningen van de diepte die onderaan ligt, zegeningen van borsten en schoot. Brontekst: מֵאֵ֨ל (meel) = van El | אָבִ֜יךָ (avikha) = je vader | וְיַעְזְרֶ֗ךָּ (veyazereka) = en hij helpt je | וְאֵ֤ת (veet) = en met | שַׁדַּי֙ (shaday) = Sjaddai | וִיבָ֣רְכֶ֔ךָּ (vivarekheka) = en hij zegent je | בִּרְכֹ֤ת (birkhot) = zegeningen van | שָׁמַ֨יִם֙ (shamayim) = hemel | מֵעָ֔ל (meal) = boven | בִּרְכֹ֥ת (birkhot) = zegeningen van | תְּה֖וֹם (tehom) = diepte | רֹבֶ֣צֶת (rovetset) = liggend | תָּ֑חַת (tachat) = onder | בִּרְכֹ֥ת (birkhot) = zegeningen van | שָׁדַ֖יִם (shadayim) = borsten | וָרָֽחַם (varacham) = en schoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואת שׁדי (ve’et Shaddai), ‘en door Sjaddai’: zie 17:1; 28:3; 35:11; 43:14. ברכת שׁדים ורחם (birkhot shadayim varacham), ‘zegeningen van borsten en schoot’: een klankspel met Sjaddai. Zie ook: Gen 17:1; Gen 28:3; Gen 28:13; Gen 35:11; Gen 43:14; Deut 28:2–12; Deut 33:13–17; Fil 4:19 **49:26** De zegeningen van je vader zijn machtiger dan de zegeningen van mijn voorouders, tot de begeerte van de eeuwige heuvels; zij zullen komen op het hoofd van Jozef en op de schedel van de uitverkorene onder zijn broers. Brontekst: בִּרְכֹ֣ת (birkhot) = zegeningen van | אָבִ֗יךָ (avikha) = je vader | גָּֽבְרוּ֙ (gaveru) = zijn machtig | עַל (al) = boven | בִּרְכֹ֣ת (birkhot) = zegeningen van | הוֹרַ֔י (horay) = mijn voorouders | עַֽד (ad) = tot | תַּאֲוַ֖ת (taavat) = begeerte van | גִּבְעֹ֣ת (givot) = heuvels van | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwigheid | תִּֽהְיֶ֨ין֙ (tihyein) = zullen zijn | לְרֹ֣אשׁ (lerosh) = op het hoofd van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | וּלְקָדְקֹ֖ד (uleqadeqod) = en op de schedel van | נְזִ֥יר (nezir) = uitverkorene van | אֶחָֽיו (echav) = zijn broers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תאות גבעת עולם (ta’avat givot olam), ‘de begeerte van de eeuwige heuvels’: zie Deut. 33:15; Hab. 3:6. ולקדקד נזיר אחיו (uleqodqod nezir echav), ‘en op de schedel van de uitverkorene onder zijn broers’: zie Deut. 33:16. Zie ook: Gen 27:27–29; Gen 28:3–4; Deut 33:15–16; Deut 33:16; Ps 105:17–22; Hab 3:6 **49:27** Benjamin is een wolf die verscheurt: ’s morgens eet hij de prooi en ’s avonds verdeelt hij de buit.” Brontekst: בִּנְיָמִין֙ (binyamin) = Benjamin | זְאֵ֣ב (zeev) = een wolf | יִטְרָ֔ף (yitraf) = verscheurt | בַּבֹּ֖קֶר (baboqer) = in de ochtend | יֹ֣אכַל (yokhal) = eet hij | עַ֑ד (ad) = prooi | וְלָעֶ֖רֶב (velaerev) = en aan de avond | יְחַלֵּ֥ק (yechaleq) = verdeelt hij | שָׁלָֽל (shalal) = buit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בנימין זאב יטרף (Binyamin ze’ev yitaraf), ‘Benjamin is een wolf die verscheurt’: zie Richt. 20; 1 Sam. 9:1–2. Zie ook: Gen 35:18; Gen 46:21; Re 20:21; Re 20:25; 1 Sam 9:1–2; Ezech 22:27 ### Jakobs laatste opdracht en dood **49:28** Dit zijn alle stammen van Israël, twaalf, en dit is wat hun vader tot hen sprak toen hij hen zegende; ieder naar zijn eigen zegen zegende hij hen. Brontekst: כָּל (kal) = alle | אֵ֛לֶּה (ele) = dezen | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | שְׁנֵ֣ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֑ר (asar) = tien | וְ֠זֹאת (vezot) = en dit | אֲשֶׁר (asher) = wat | דִּבֶּ֨ר (diber) = sprak | לָהֶ֤ם (lahem) = tot hen | אֲבִיהֶם֙ (avihem) = hun vader | וַיְבָ֣רֶךְ (vayvarekh) = en hij zegende | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | אִ֛ישׁ (ish) = ieder | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | כְּבִרְכָת֖וֹ (kevirkhato) = naar zijn zegen | בֵּרַ֥ךְ (berakh) = hij zegende | אֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁבטי ישׂראל שׁנים עשׂר (shivtei Yisra’el shenem asar), ‘de stammen van Israël, twaalf’: zie 35:22–26. Zie ook: Gen 35:22; 1 Kon 18:31; Ezech 39:8–10; Est 8:11; Openb 7:4 **49:29** Hij gebood hun en zei tegen hen: „Ik word verzameld bij mijn volk. Begraaf mij bij mijn vaders, in de grot die in het veld van Efron de Hetiet is, Brontekst: וַיְצַ֣ו (vaytsav) = en hij gebood | אוֹתָ֗ם (otam) = hen | וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶם֙ (alehem) = tot hen | אֲנִי֙ (ani) = ik | נֶאֱסָ֣ף (neesaf) = word verzameld | אֶל (el) = tot | עַמִּ֔י (ami) = mijn volk | קִבְר֥וּ (qivru) = begraaft | אֹתִ֖י (oti) = mij | אֶל (el) = bij | אֲבֹתָ֑י (avotay) = mijn vaders | אֶל (el) = naar | הַ֨מְּעָרָ֔ה (hameara) = de grot | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בִּשְׂדֵ֖ה (bisde) = in het veld van | עֶפְר֥וֹן (efron) = Efron | הַֽחִתִּֽי (hachiti) = de Hetiet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויצו אותם (vayetsav otam), ‘hij gebood hun’. נאסף אל עמי (ne’esaf el ammi), ‘ik word verzameld bij mijn volk’: zie 25:8; 35:29. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:10–21 geeft Jakobs lange opdracht aan zijn zonen: wie hem mag dragen, dat Levi en Jozef niet dragen en dat Jozef zijn broers moet vergeven. Zie ook: Gen 15:15; Gen 25:8–17; Gen 35:29; Gen 47:30; Gen 50:13; Jas 56:10–21; 2 Sam 19:38 **49:30** in de grot die in het veld van Machpela is, tegenover Mamre, in het land Kanaän, het veld dat Abraham gekocht heeft van Efron de Hetiet als bezit voor een graf. Brontekst: בַּמְּעָרָ֞ה (bameara) = in de grot | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | בִּשְׂדֵ֧ה (bisde) = in het veld van | הַמַּכְפֵּלָ֛ה (hamakhpela) = de Machpela | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵי (penei) = het gezicht van | מַמְרֵ֖א (mamre) = Mamre | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנָ֑עַן (kenaan) = Kanaän | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | קָנָ֨ה (qana) = kocht | אַבְרָהָ֜ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַשָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | מֵאֵ֛ת (meet) = van bij | עֶפְרֹ֥ן (efron) = Efron | הַחִתִּ֖י (hachiti) = de Hetiet | לַאֲחֻזַּת (laachuzat) = als bezit van | קָֽבֶר (qaver) = graf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: המכפלה (haMakhpelah), ‘de Machpela’: de grot die Abraham kocht, zie 23:17–20. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:3–4 zegt dat Jakob zijn zonen liet zweren hem in Machpela te begraven. Zie ook: Gen 23:8–9; Gen 23:16–18; Gen 23:17–20; Gen 23:20; Jas 56:3–4 **49:31** Daar hebben zij Abraham begraven en zijn vrouw Sarah; daar hebben zij Isaak begraven en zijn vrouw Rebekka; en daar heb ik Lea begraven: Brontekst: שָׁ֣מָּה (shama) = daar | קָֽבְר֞וּ (qaveru) = ze begroeven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אַבְרָהָ֗ם (avraham) = Abraham | וְאֵת֙ (veet) = en (lijdend voorwerp) | שָׂרָ֣ה (sara) = Sarah | אִשְׁתּ֔וֹ (ishto) = zijn vrouw | שָׁ֚מָּה (shama) = daar | קָבְר֣וּ (qaveru) = ze begroeven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִצְחָ֔ק (yitschaq) = Isaak | וְאֵ֖ת (veet) = en (lijdend voorwerp) | רִבְקָ֣ה (rivqa) = Rebekka | אִשְׁתּ֑וֹ (ishto) = zijn vrouw | וְשָׁ֥מָּה (veshama) = en daar | קָבַ֖רְתִּי (qavarti) = ik begroef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | לֵאָֽה (lea) = Lea Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ושׁמה קברתי את לאה (veshammah qavarti et Le’ah), ‘en daar heb ik Lea begraven’: dat Rachel er niet ligt, zie 35:19–20. Zie ook 25:9–10; 35:29. Zie ook: Gen 23:3; Gen 23:16–20; Gen 25:9; Gen 35:19–20; Gen 35:29; Gen 47:30; Jub 35:1; Jub 35:27; Jub 36:21 **49:32** het veld en de grot die daarin is, gekocht van de zonen van Het.” Brontekst: מִקְנֵ֧ה (miqne) = koop van | הַשָּׂדֶ֛ה (hasade) = het veld | וְהַמְּעָרָ֥ה (vehameara) = en de grot | אֲשֶׁר (asher) = die | בּ֖וֹ (bo) = daarin | מֵאֵ֥ת (meet) = van bij | בְּנֵי (benei) = zonen van | חֵֽת (chet) = Het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 23:17–20 **49:33** Toen Jakob geëindigd was zijn zonen te bevelen, trok hij zijn voeten op het bed, hij blies zijn laatste adem uit en werd verzameld bij zijn volk. Brontekst: וַיְכַ֤ל (vaykhal) = en hij beëindigde | יַעֲקֹב֙ (yaaqov) = Jakob | לְצַוֺּ֣ת (letsavot) = om te bevelen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בָּנָ֔יו (banav) = zijn zonen | וַיֶּאֱסֹ֥ף (vayeesof) = en hij trok op | רַגְלָ֖יו (raglav) = zijn voeten | אֶל (el) = naar | הַמִּטָּ֑ה (hamita) = het bed | וַיִּגְוַ֖ע (vayigva) = en hij gaf de geest | וַיֵּאָ֥סֶף (vayeasef) = en hij werd verzameld | אֶל (el) = tot | עַמָּֽיו (amav) = zijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויגוע ויאסף (vayigva vayye’asef), ‘hij blies zijn laatste adem uit en werd verzameld’: zie 25:8, 17; 35:29. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:22 en Jubileeën 45:15 vertellen dat hij stierf. Zie ook: Gen 15:5; Gen 25:8; Gen 25:17; Gen 35:29; Gen 49:29; Jub 22:25; Jub 45:15; Jas 56:22 ## Genesis 50 _Jakobs begrafenis; Jozefs dood_ ### Jakobs begrafenis **50:1** Jozef viel op het gezicht van zijn vader, weende over hem en kuste hem. Brontekst: וַיִּפֹּ֥ל (vayipol) = en hij viel | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = gezicht van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיֵּ֥בְךְּ (vayevek) = en hij weende | עָלָ֖יו (alav) = over hem | וַיִּשַּׁק (vayishaq) = en hij kuste | לֽוֹ (lo) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:23 zegt dat Jozef op zijn vader viel, luid riep en weende. Zie ook: Gen 46:4; Jas 56:23; Joh 11:35–38; Hand 8:2; 1 Tess 4:13; Ef 6:4 **50:2** Jozef gaf zijn dienaren, de geneesheren, bevel zijn vader te balsemen, en de geneesheren balsemden Israël. Brontekst: וַיְצַ֨ו (vaytsav) = en hij gebood | יוֹסֵ֤ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עֲבָדָיו֙ (avadav) = zijn dienaren | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָרֹ֣פְאִ֔ים (harofeim) = de geneesheren | לַחֲנֹ֖ט (lachanot) = om te balsemen | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיַּחַנְט֥וּ (vayachantu) = en ze balsemden | הָרֹפְאִ֖ים (harofeim) = de geneesheren | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הרפאים (harofe’im), ‘de geneesheren’: de balsemers waren artsen. לחנט (lachanot), ‘balsemen’: een Egyptisch gebruik. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:29 zegt dat de artsen Jakob met mirre, wierook en allerlei geurstoffen balsemden. Zie ook: Gen 50:26; Jas 56:29; 2 Kron 16:14; Mat 26:12; Mar 16:1; Joh 19:39–40 **50:3** Er werden 40 dagen voor hem vervuld, want zo worden de dagen van het balsemen vervuld; en Egypte beweende hem 70 dagen. Brontekst: וַיִּמְלְאוּ (vayimleu) = en ze vulden | לוֹ֙ (lo) = voor hem | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | י֔וֹם (yom) = dag | כִּ֛י (ki) = want | כֵּ֥ן (ken) = zo | יִמְלְא֖וּ (yimleu) = worden gevuld | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | הַחֲנֻטִ֑ים (hachanutim) = het balsemen | וַיִּבְכּ֥וּ (vayivku) = en ze beweenden | אֹת֛וֹ (oto) = hem | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | יֽוֹם (yom) = dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שׁבעים יום (shiv’im yom), ‘70 dagen’: Jasher 56:28 zegt hetzelfde, en dat ook mensen uit Kanaän naar Egypte kwamen en 70 dagen om hem weenden. Zie ook: Gen 50:10; Jas 56:28; Num 20:29; Deut 21:13; Deut 34:8 **50:4** Toen de dagen van zijn rouw voorbij waren, sprak Jozef tot het huis van de farao: „Als ik gunst gevonden heb in jullie ogen, spreek dan toch in de oren van de farao en zeg: Brontekst: וַיַּֽעַבְרוּ֙ (vayaavru) = en ze gingen voorbij | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | בְכִית֔וֹ (bekhito) = zijn beweenen | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en hij sprak | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | אֶל (el) = tot | בֵּ֥ית (beit) = huis van | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אִם (im) = als | נָ֨א (na) = toch | מָצָ֤אתִי (matsati) = ik heb gevonden | חֵן֙ (chen) = gunst | בְּעֵ֣ינֵיכֶ֔ם (beeineikhem) = in jullie ogen | דַּבְּרוּ (daberu) = spreekt | נָ֕א (na) = toch | בְּאָזְנֵ֥י (beazenei) = in de oren van | פַרְעֹ֖ה (paro) = farao | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בית פרעה (el beit Par’oh), ‘tot het huis van de farao’: Jozef spreekt niet rechtstreeks tot de farao, maar tot zijn hof. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:31–33 laat Jozef na 70 dagen wel zelf tot de farao spreken en vertelt dat de farao liet uitroepen dat ieder die niet meetrok, zou sterven. Zie ook: Gen 18:3; Jas 56:31–33; Est 4:2 **50:5** ‘Mijn vader heeft mij laten zweren: Zie, ik sterf; in mijn graf dat ik voor mij gegraven heb in het land Kanaän, daar zul je mij begraven. Laat mij nu toch opgaan en mijn vader begraven, en dan zal ik terugkeren.’” Brontekst: אָבִ֞י (avi) = mijn vader | הִשְׁבִּיעַ֣נִי (hishbiani) = heeft laten zweren mij | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggend | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אָנֹכִי֮ (anokhi) = ik | מֵת֒ (met) = sterf | בְּקִבְרִ֗י (beqivri) = in mijn graf | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | כָּרִ֤יתִי (kariti) = ik groef | לִי֙ (li) = voor mij | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | שָׁ֖מָּה (shama) = daar | תִּקְבְּרֵ֑נִי (tiqbereni) = zul je mij begraven | וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | אֶֽעֱלֶה (eele) = laat mij opgaan | נָּ֛א (na) = toch | וְאֶקְבְּרָ֥ה (veeqbera) = en laat mij begraven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֖י (avi) = mijn vader | וְאָשֽׁוּבָה (veashuva) = en ik zal terugkeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Voetnoot Uitleg: בקברי אשׁר כריתי לי (beqivri asher kariti li), ‘in mijn graf dat ik voor mij gegraven heb’: in 49:29–32 noemt Jakob de grot van Machpela; zie ook 47:29–31. Zie ook: Gen 47:29–31; Gen 49:29–32; Jub 45:15; Deut 4:22; 2 Kron 16:14; Jes 22:16; Mat 27:60 **50:6** De farao zei: „Ga op en begraaf je vader zoals hij je heeft laten zweren.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | פַּרְעֹ֑ה (paro) = farao | עֲלֵ֛ה (ale) = ga op | וּקְבֹ֥ר (uqevor) = en begraaf | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֖יךָ (avikha) = je vader | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | הִשְׁבִּיעֶֽךָ (hishbiekha) = hij je liet zweren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 48:21 **50:7** Jozef trok op om zijn vader te begraven, en met hem trokken op alle dienaren van de farao, de oudsten van zijn huis en alle oudsten van het land Egypte, Brontekst: וַיַּ֥עַל (vayaal) = en hij trok op | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | לִקְבֹּ֣ר (liqbor) = om te begraven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיַּֽעֲל֨וּ (vayaalu) = en ze trokken op | אִתּ֜וֹ (ito) = met hem | כָּל (kal) = alle | עַבְדֵ֤י (avdei) = dienaren van | פַרְעֹה֙ (paro) = farao | זִקְנֵ֣י (ziqnei) = oudsten van | בֵית֔וֹ (beito) = zijn huis | וְכֹ֖ל (vekhol) = en alle | זִקְנֵ֥י (ziqnei) = oudsten van | אֶֽרֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: זקני ביתו וכל זקני (ziqnei veito vekhol ziqnei erets Mitsrayim), ‘de oudsten van zijn huis en alle oudsten van het land Egypte’. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:34–41 beschrijft de lijkstoet uitvoerig, met een gouden baar, een kroon en een scepter. Zie ook: Gen 14:16; Jas 56:34–41 **50:8** heel het huis van Jozef, zijn broers en het huis van zijn vader; alleen hun kleinen, hun kleinvee en hun runderen lieten zij achter in het land Gosen. Brontekst: וְכֹל֙ (vekhol) = en heel | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | וּבֵ֣ית (uveit) = en huis van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | רַ֗ק (raq) = alleen | טַפָּם֙ (tapam) = hun kleinen | וְצֹאנָ֣ם (vetsonam) = en hun kleinvee | וּבְקָרָ֔ם (uveqaram) = en hun runderen | עָזְב֖וּ (azevu) = ze lieten achter | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land | גֹּֽשֶׁן (goshen) = Gosen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend. Zie ook: Ex 10:8–9; Ex 10:26; Num 32:24–27 **50:9** Ook wagens en ruiters trokken met hem op; het gezelschap was zeer groot. Brontekst: וַיַּ֣עַל (vayaal) = en hij trok op | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | גַּם (gam) = ook | רֶ֖כֶב (rekhev) = wagens | גַּם (gam) = ook | פָּרָשִׁ֑ים (parashim) = ruiters | וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | הַֽמַּחֲנֶ֖ה (hamachane) = het gezelschap | כָּבֵ֥ד (kaved) = zwaar | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 46:29; Ex 14:7; Ex 14:17; Hoogl 1:9; Hand 8:2 **50:10** Zij kwamen bij de dorsvloer van Atad, die aan de overkant van de Jordaan ligt, en hielden daar een zeer grote en zware rouwklacht; en hij hield voor zijn vader 7 dagen rouw. Brontekst: וַיָּבֹ֜אוּ (vayavou) = en ze kwamen | עַד (ad) = tot | גֹּ֣רֶן (goren) = dorsvloer van | הָאָטָ֗ד (haatad) = Atad | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בְּעֵ֣בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | וַיִּ֨סְפְּדוּ (vayispedu) = en ze hielden rouwklacht | שָׁ֔ם (sham) = daar | מִסְפֵּ֛ד (misped) = een klacht | גָּד֥וֹל (gadol) = groot | וְכָבֵ֖ד (vekhaved) = en zwaar | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וַיַּ֧עַשׂ (vayaas) = en hij hield | לְאָבִ֛יו (leaviv) = voor zijn vader | אֵ֖בֶל (evel) = rouw van | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִֽים (yamim) = dagen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: גרן האטד (goren ha’atad), ‘de dorsvloer van Atad’: de plaats is onbekend; ‘aan de overkant van de Jordaan’ wordt vanuit Kanaän gezien. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:42 noemt dezelfde plaats. Zie ook: Jas 56:42; Job 2:13; Deut 34:8; 1 Sam 31:13; 2 Sam 1:17; Hand 8:2 **50:11** Toen de inwoners van het land, de Kanaänieten, de rouw bij de dorsvloer van Atad zagen, zeiden zij: „Dit is een zware rouw voor Egypte.” Daarom noemde men die plaats Abel-Misraïm, die aan de overkant van de Jordaan ligt. Brontekst: וַיַּ֡רְא (vayar) = en hij zag | יוֹשֵׁב֩ (yoshev) = bewoner van | הָאָ֨רֶץ (haarets) = het land | הַֽכְּנַעֲנִ֜י (hakenaani) = de Kanaäniet | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הָאֵ֗בֶל (haevel) = de rouw | בְּגֹ֨רֶן֙ (begoren) = bij de dorsvloer van | הָֽאָטָ֔ד (haatad) = Atad | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en ze zeiden | אֵֽבֶל (evel) = rouw | כָּבֵ֥ד (kaved) = zwaar | זֶ֖ה (ze) = dit | לְמִצְרָ֑יִם (lemitsrayim) = voor Egypte | עַל (al) = op | כֵּ֞ן (ken) = zo | קָרָ֤א (qara) = men noemde | שְׁמָהּ֙ (shemah) = haar naam | אָבֵ֣ל (avel) = Abel | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Misraïm | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּעֵ֥בֶר (beever) = aan de overkant van | הַיַּרְדֵּֽן (hayarden) = de Jordaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: קרא שׁמה אבל מצרים (qara shemah Avel Mitsrayim), ‘men noemde die plaats Abel-Misraïm’: een woordspel tussen evel, ‘rouw’, en avel, ‘weide’, ‘beek’; Misraïm is Egypte. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:43–48 vertelt dat 31 koningen van Kanaän kwamen en hun kronen op de baar legden, en dat ook Ezau uit Seïr kwam. Zie ook: Gen 10:15–19; Gen 13:7; Gen 24:6; Gen 34:30; Jas 56:43–48; 1 Sam 6:18 **50:12** Zijn zonen deden voor hem zoals hij hun bevolen had. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en ze deden | בָנָ֖יו (banav) = zijn zonen | ל֑וֹ (lo) = voor hem | כֵּ֖ן (ken) = zo | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צִוָּֽם (tsivam) = hij had bevolen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Aanvullend: Jasher 56 en 64:9 vertellen een strijd van Jozef en zijn broers met de zonen van Ezau bij de begrafenis van Jakob; Genesis noemt die niet. Zie ook: Gen 47:29–31; Gen 49:29–32; Gen 64:9; Ex 20:12; Hand 7:16; Ef 6:1 **50:13** Zijn zonen droegen hem naar het land Kanaän en begroeven hem in de grot van het veld van Machpela, het veld dat Abraham gekocht had van Efron de Hetiet als bezit voor een graf, tegenover Mamre. Brontekst: וַיִּשְׂא֨וּ (vayisu) = en ze droegen | אֹת֤וֹ (oto) = hem | בָנָיו֙ (banav) = zijn zonen | אַ֣רְצָה (artsa) = naar het land | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | וַיִּקְבְּר֣וּ (vayiqberu) = en ze begroeven | אֹת֔וֹ (oto) = hem | בִּמְעָרַ֖ת (bimarat) = in de grot van | שְׂדֵ֣ה (sede) = veld van | הַמַּכְפֵּלָ֑ה (hamakhpela) = de Machpela | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | קָנָה֩ (qana) = kocht | אַבְרָהָ֨ם (avraham) = Abraham | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | הַשָּׂדֶ֜ה (hasade) = het veld | לַאֲחֻזַּת (laachuzat) = als bezit van | קֶ֗בֶר (qever) = graf | מֵאֵ֛ת (meet) = van bij | עֶפְרֹ֥ן (efron) = Efron | הַחִתִּ֖י (hachiti) = de Hetiet | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | מַמְרֵֽא (mamre) = Mamre Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda. Voetnoot Uitleg: במערת שׂדה המכפלה (bime’arat sedeh haMakhpelah), ‘in de grot van het veld van Machpela’: zie 23:17–20; 49:29–32. Dat is een overlevering buiten Genesis, zie 46:23. Voetnoot Aanvullend: Jasher 56:49–66 vertelt dat Ezau zich tegen de begrafenis verzette en dat Chusjim, de dove zoon van Dan, hem doodde. Zie ook: Gen 23:16–18; Gen 23:17–20; Gen 35:27; Gen 35:29; Gen 46:23; Gen 49:29–31; Jub 45:15; Jas 56:49–66; Hand 7:16 **50:14** Jozef keerde terug naar Egypte, hij en zijn broers en allen die met hem opgegaan waren om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had. Brontekst: וַיָּ֨שָׁב (vayashav) = en hij keerde terug | יוֹסֵ֤ף (yosef) = Jozef | מִצְרַ֨יְמָה֙ (mitsrayma) = naar Egypte | ה֣וּא (hu) = hij | וְאֶחָ֔יו (veechav) = en zijn broers | וְכָל (vekhal) = en alle | הָעֹלִ֥ים (haolim) = de opgegane | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | לִקְבֹּ֣ר (liqbor) = om te begraven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | אַחֲרֵ֖י (acharei) = na | קָבְר֥וֹ (qavero) = zijn begraven | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | אָבִֽיו (aviv) = zijn vader Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. ### Jozef vergeeft zijn broers **50:15** De broers van Jozef zagen dat hun vader gestorven was en zeiden: „Misschien haat Jozef ons, en zal hij ons zeker terugbetalen voor al het kwaad dat wij hem aangedaan hebben.” Brontekst: וַיִּרְא֤וּ (vayiru) = en ze zagen | אֲחֵֽי (achei) = broers van | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | כִּי (ki) = dat | מֵ֣ת (met) = gestorven was | אֲבִיהֶ֔ם (avihem) = hun vader | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en ze zeiden | ל֥וּ (lu) = misschien | יִשְׂטְמֵ֖נוּ (yistemenu) = hij haat ons | יוֹסֵ֑ף (yosef) = Jozef | וְהָשֵׁ֤ב (vehashev) = en terugbetalend | יָשִׁיב֙ (yashiv) = hij zal terugbetalen | לָ֔נוּ (lanu) = aan ons | אֵ֚ת (et) = (lijdend voorwerp) | כָּל (kal) = al | הָ֣רָעָ֔ה (haraa) = het kwaad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | גָּמַ֖לְנוּ (gamalnu) = wij hebben aangedaan | אֹתֽוֹ (oto) = hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לו ישׂטמנו (lu yisteminu), ‘misschien haat hij ons’: de wortel stm, ‘aanklagen’, ‘haten’; zie 27:41. Zie ook: Gen 27:41; Gen 42:21–22; Job 15:21–22; Ps 14:5; Ps 53:6; Spr 28:1 **50:16** Zij lieten tegen Jozef zeggen: „Je vader heeft vóór zijn dood bevolen: Brontekst: וַיְצַוּ֕וּ (vaytsauu) = en ze droegen op | אֶל (el) = aan | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אָבִ֣יךָ (avikha) = je vader | צִוָּ֔ה (tsiva) = heeft bevolen | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | מוֹת֖וֹ (moto) = zijn dood | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ויצוו אל (vayetsavvu el), ‘zij lieten opdragen aan’: of ‘zij gaven bevel’; de broers laten het zeggen door anderen, want zij durven niet zelf te komen. Zie ook: Spr 29:25 **50:17** ‘Zo moeten jullie tegen Jozef zeggen: Vergeef toch de overtreding van je broers en hun zonde, want zij hebben je kwaad aangedaan.’ Nu dan, vergeef toch de overtreding van de dienaren van de Elohim van je vader.” Jozef weende toen zij tot hem spraken. Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | תֹאמְר֣וּ (tomru) = zullen jullie zeggen | לְיוֹסֵ֗ף (leyosef) = tot Jozef | אָ֣נָּ֡א (ana) = ach | שָׂ֣א (sa) = vergeef | נָ֠א (na) = toch | פֶּ֣שַׁע (pesha) = overtreding van | אַחֶ֤יךָ (acheikha) = je broers | וְחַטָּאתָם֙ (vechatatam) = en hun zonde | כִּי (ki) = want | רָעָ֣ה (raa) = kwaad | גְמָל֔וּךָ (gemalukha) = ze hebben je aangedaan | וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | שָׂ֣א (sa) = vergeef | נָ֔א (na) = toch | לְפֶ֥שַׁע (lefesha) = de overtreding van | עַבְדֵ֖י (avdei) = dienaren van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | אָבִ֑יךָ (avikha) = je vader | וַיֵּ֥בְךְּ (vayevek) = en hij weende | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | בְּדַבְּרָ֥ם (bedaberam) = bij hun spreken | אֵלָֽיו (elav) = tot hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פשׁע אחיך וחטאתם (pesha vechatta’tam), ‘de overtreding en hun zonde’: zie Exod. 34:7. ויבך יוסף (vayyevk Yosef), ‘Jozef weende’: zie 42:24; 43:30; 45:2. Zie ook: Gen 42:24; Gen 43:30; Gen 45:2; Gen 45:4–5; Gen 49:25; Ex 34:7; Mat 6:14–15; Luc 17:3–4; Ef 4:32 **50:18** Ook zijn broers kwamen zelf, vielen voor hem neer en zeiden: „Zie, wij zijn uw slaven.” Brontekst: וַיֵּלְכוּ֙ (vayelekhu) = en ze gingen | גַּם (gam) = ook | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | וַֽיִּפְּל֖וּ (vayipelu) = en ze vielen | לְפָנָ֑יו (lefanav) = voor hem | וַיֹּ֣אמְר֔וּ (vayomru) = en ze zeiden | הִנֶּ֥נּֽוּ (hinenu) = zie ons | לְךָ֖ (lekha) = voor u | לַעֲבָדִֽים (laavadim) = tot slaven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 27:29; Gen 37:7–11; Gen 42:6; Gen 44:14; Gen 45:3 **50:19** Jozef zei tegen hen: „Wees niet bang, want ben ik soms in de plaats van Elohim? Brontekst: וַיֹּ֧אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֲלֵהֶ֛ם (alehem) = tot hen | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | אַל (al) = niet | תִּירָ֑אוּ (tirau) = wees bang | כִּ֛י (ki) = want | הֲתַ֥חַת (hatachat) = ben ik in de plaats van | אֱלֹהִ֖ים (Elohim) = Elohim | אָֽנִי (ani) = ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: התחת אלהים אני (hatachat Elohim ani), ‘ben ik soms in de plaats van Elohim?’: zie 30:2. Zie ook: Gen 30:2; Gen 45:5; 2 Kon 5:7; Rom 12:19; Heb 10:30 **50:20** Jullie hebben kwaad tegen mij bedoeld; Elohim heeft het ten goede bedoeld, om te doen zoals het op deze dag is: een groot volk in leven te houden. Brontekst: וְאַתֶּ֕ם (veatem) = en jullie | חֲשַׁבְתֶּ֥ם (chashavtem) = hebben bedoeld | עָלַ֖י (alay) = over mij | רָעָ֑ה (raa) = kwaad | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | חֲשָׁבָ֣הּ (chashavah) = heeft het bedoeld | לְטֹבָ֔ה (letova) = ten goede | לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | עֲשֹׂ֛ה (aso) = te doen | כַּיּ֥וֹם (kayom) = zoals de dag | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | לְהַחֲיֹ֥ת (lehachayot) = om in leven te houden | עַם (am) = volk | רָֽב (rav) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אלהים חשׁבה לטבה (Elohim chashavah letovah), ‘Elohim heeft het ten goede gedacht’: zie 45:5, 7; Ps. 105:17. Zie ook: Gen 37:18–20; Gen 45:5–8; Gen 45:7; Ps 105:16–17; Ps 105:17; Ps 119:71; Rom 8:28 **50:21** Nu dan, wees niet bang; ik zal jullie en jullie kleinen verzorgen.” Zo troostte hij hen en sprak naar hun hart. Brontekst: וְעַתָּה֙ (veata) = en nu | אַל (al) = niet | תִּירָ֔אוּ (tirau) = wees bang | אָנֹכִ֛י (anokhi) = ik | אֲכַלְכֵּ֥ל (akhalkel) = zal verzorgen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | וְאֶֽת (veet) = en (lijdend voorwerp) | טַפְּכֶ֑ם (tapekhem) = jullie kleinen | וַיְנַחֵ֣ם (vaynachem) = en hij troostte | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | וַיְדַבֵּ֖ר (vaydaber) = en hij sprak | עַל (al) = op | לִבָּֽם (libam) = hun hart Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וינחם אותם וידבר על לבם (vayenachem otam vayedabber al libbam), ‘zo troostte hij hen en sprak naar hun hart’: zie 34:3. Zie ook: Gen 34:3; Gen 45:10–11; Gen 47:12; Mat 6:14; Rom 12:20–21; 1 Petr 3:9 ### Jozefs dood **50:22** Jozef woonde in Egypte, hij en het huis van zijn vader; en Jozef leefde 110 jaar. Brontekst: וַיֵּ֤שֶׁב (vayeshev) = en hij woonde | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | ה֖וּא (hu) = hij | וּבֵ֣ית (uveit) = en huis van | אָבִ֑יו (aviv) = zijn vader | וַיְחִ֣י (vaychi) = en hij leefde | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וָעֶ֖שֶׂר (vaeser) = en tien | שָׁנִֽים (shanim) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מאה ועשׂר שׁנים (me’ah va’asor shanim), ‘110 jaar’: zie vers 26. Voetnoot Aanvullend: Jubileeën 46:3 zegt dat Jozef 110 jaar oud stierf: 17 jaar in Kanaän en 10 jaar dienend; Jasher 59:20 noemt 93 jaar in Egypte en 80 jaar als heerser. Jubileeën 46:3 zegt dat Jozef honderdtien jaar werd: zeventien jaar in Kanaän en daarna tien jaar dienend. Zie ook: Gen 50:26; Jub 46:3; Jas 59:20 **50:23** Jozef zag van Efraïm kinderen van de derde generatie; ook de zonen van Machir, de zoon van Manasse, werden geboren op de knieën van Jozef. Brontekst: וַיַּ֤רְא (vayar) = en hij zag | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | לְאֶפְרַ֔יִם (leefrayim) = bij Efraïm | בְּנֵ֖י (benei) = zonen van | שִׁלֵּשִׁ֑ים (shileshim) = derde generatie | גַּ֗ם (gam) = ook | בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | מָכִיר֙ (makhir) = Machir | בֶּן (ben) = zoon van | מְנַשֶּׁ֔ה (menashe) = Manasse | יֻלְּד֖וּ (yuledu) = werden geboren | עַל (al) = op | בִּרְכֵּ֥י (birkei) = knieën van | יוֹסֵֽף (yosef) = Jozef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: על ברכי יוסף (al birkei Yosef), ‘op de knieën van Jozef’: hij nam hen aan als zijn kinderen; zie 30:3. Zie Num. 26:28–34; 1 Kron. 7:14–21. Zie ook: Gen 30:3; Job 42:16; Num 26:28–34; Num 32:33; Num 32:39; Joz 17:1; 1 Kron 7:14–21 **50:24** Jozef zei tegen zijn broers: „Ik sterf; maar Elohim zal jullie zeker bezoeken en jullie uit dit land doen opgaan naar het land dat Hij gezworen heeft aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob.” Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en hij zei | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אֶל (el) = tot | אֶחָ֔יו (echav) = zijn broers | אָנֹכִ֖י (anokhi) = ik | מֵ֑ת (met) = sterf | וֵֽאלֹהִ֞ים (vElohim) = en Elohim | פָּקֹ֧ד (paqod) = bezoekend | יִפְקֹ֣ד (yifqod) = zal bezoeken | אֶתְכֶ֗ם (etkhem) = jullie | וְהֶעֱלָ֤ה (veheela) = en Hij zal doen opgaan | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מִן (min) = uit | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֔את (hazot) = dit | אֶל (el) = naar | הָאָ֕רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נִשְׁבַּ֛ע (nishba) = Hij heeft gezworen | לְאַבְרָהָ֥ם (leavraham) = aan Abraham | לְיִצְחָ֖ק (leyitschaq) = aan Isaak | וּֽלְיַעֲקֹֽב (uleyaaqov) = en aan Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואלהים פקד יפקד (ve’Elohim paqod yifqod), ‘Elohim zal jullie zeker bezoeken’: paqad is ‘bezoeken’, ‘zich bekommeren om’; zie 21:1; Exod. 3:16; 13:19. אל הארץ אשׁר נשׁבע לאברהם ליצחק וליעקב (el ha’arets asher nishba le’Avraham leYitschaq uleYa’aqov), ‘naar het land dat Hij gezworen heeft aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob’: zie 15:18; 26:3; 35:12. Voetnoot Aanvullend: Jasher 59:22–24 en Jubileeën 46:5–6 geven dezelfde opdracht. Zie ook: Gen 15:18; Gen 21:1; Gen 26:3; Gen 35:12; Gen 46:4; Gen 48:21; Jub 46:5–6; Jas 59:22–24; Ex 3:16–17; Ex 13:19 **50:25** Jozef liet de zonen van Israël zweren: „Elohim zal jullie zeker bezoeken; dan moeten jullie mijn beenderen van hier meenemen.” Brontekst: וַיַּשְׁבַּ֣ע (vayashba) = en hij liet zweren | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | פָּקֹ֨ד (paqod) = bezoekend | יִפְקֹ֤ד (yifqod) = zal bezoeken | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וְהַעֲלִתֶ֥ם (vehaalitem) = en jullie zullen doen opgaan | אֶת (et) = (lijdend voorwerp) | עַצְמֹתַ֖י (atsmotay) = mijn beenderen | מִזֶּֽה (mize) = van hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: את עצמתי מזה (veha’alitem et atsmotai mizzeh), ‘dan moeten jullie mijn beenderen van hier meenemen’: zie Exod. 13:19; Joz. 24:32; Hebr. 11:22. Zie ook: Gen 47:29–31; Jub 46:5; Jub 46:6; Ex 13:19; Joz 24:32; Hand 7:16; Heb 11:22 **50:26** Jozef stierf, 110 jaar oud; zij balsemden hem en hij werd in een kist gelegd in Egypte. Brontekst: וַיָּ֣מָת (vayamat) = en hij stierf | יוֹסֵ֔ף (yosef) = Jozef | בֶּן (ben) = zoon van | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וָעֶ֖שֶׂר (vaeser) = en tien | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaar | וַיַּחַנְט֣וּ (vayachantu) = en ze balsemden | אֹת֔וֹ (oto) = hem | וַיִּ֥ישֶׂם (vayisem) = en hij werd gelegd | בָּאָר֖וֹן (baaron) = in de kist | בְּמִצְרָֽיִם (bemitsrayim) = in Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: ויישׂם בארון במצרים (vayyissem ba’aron beMitsrayim), ‘hij werd in een kist gelegd in Egypte’: aron is hier een kist, en elders de ark van het verbond. Voetnoot Aanvullend: Jasher 59:26–27 zegt dat zij hem in een kist vol specerijen aan de Nijl begroeven. Jubileeën 46:8 zegt dat hij in Egypte begraven werd. Zie ook: Gen 47:9; Gen 47:28; Gen 50:2–3; Gen 50:22; Jub 46:8; Jas 59:26–27; Joz 24:29