# Ezra (עזרא, Ezra) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Ezra 1 _Het besluit van Kores en de terugkeer van de eerste ballingen_ ### Het besluit van Kores **1:1** In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte Yahweh de geest van Kores, de koning van Perzië, op. Dat was om het woord van Yahweh door de mond van Jeremia te voltooien. Hij liet een oproep door heel zijn koninkrijk gaan, en ook in een geschrift. Hij zei: Brontekst: וּבִשְׁנַ֣ת (uvishnat) = en in het jaar van | אַחַ֗ת (achat) = één | לְכ֨וֹרֶשׁ֙ (lekhoresh) = van Kores | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | פָּרַ֔ס (paras) = Perzië | לִכְל֥וֹת (likhlot) = om te voltooien | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִפִּ֣י (mipi) = door de mond van | יִרְמְיָ֑ה (yirmeya) = Jeremia | הֵעִ֣יר (heir) = wekte op | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | ר֨וּחַ֙ (ruach) = de geest van | כֹּ֣רֶשׁ (koresh) = Kores | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | פָּרַ֔ס (paras) = Perzië | וַיַּֽעֲבֶר (vayaaver) = en liet gaan | קוֹל֙ (qol) = een stem | בְּכָל (bekhal) = door heel | מַלְכוּת֔וֹ (malkhuto) = zijn koninkrijk | וְגַם (vegam) = en ook | בְּמִכְתָּ֖ב (bemikhtav) = in een geschrift | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: Deze verzen zijn bijna gelijk aan 2 Kron. 36:22–23. Het Hebreeuws van Ezra 1:1 verschilt van 2 Kron. 36:22 alleen in spelling (Kores, Jeremia) en in één voorzetsel (מִפִּי, mippi, in plaats van בְּפִי, befi). Wij vertalen daarom met dezelfde Nederlandse woorden. Voetnoot : Het woord van Yahweh door Jeremia over de zeventig jaar staat in Jer. 25:11–12 en Jer. 29:10. Voetnoot : הֵעִיר יְהוָה אֶת רוּחַ כּוֹרֶשׁ (he’ir Yahweh et ruach Koresh), ‘Yahweh wekte de geest van Kores op’: Yahweh zette de gedachten van Kores in beweging. Hetzelfde werkwoord staat in vers 5 bij de geest van de ballingen. Voetnoot : קוֹל (qol), ‘oproep’: letterlijk ‘stem’. Zie ook: 2 Kron 36:22–23; Jer 25:11–12; Jer 25:12–14; Jer 29:10; Ezra 1:5; Ezra 6:22; Ezra 7:27 **1:2** „Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft Yahweh, de Elohim van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt. Brontekst: כֹּ֣ה (ko) = zo | אָמַ֗ר (amar) = zegt | כֹּ֚רֶשׁ (koresh) = Kores | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | פָּרַ֔ס (paras) = Perzië | כֹּ֚ל (kol) = alle | מַמְלְכ֣וֹת (mamlekhot) = koninkrijken van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | נָ֣תַן (natan) = heeft gegeven | לִ֔י (li) = mij | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וְהֽוּא (vehu) = en Hij | פָקַ֤ד (paqad) = heeft opgedragen | עָלַי֙ (alay) = aan mij | לִבְנֽוֹת (livnot) = om te bouwen | ל֣וֹ (lo) = voor Hem | בַ֔יִת (bayit) = een huis | בִּירוּשָׁלִַ֖ם (birushaliam) = in Jeruzalem | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בִּֽיהוּדָֽה (bihuda) = in Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: De woorden van Kores staan in zwart, want het zijn woorden van een koning. De toespraak loopt door tot en met vers 4. In 2 Kron. 36:23 staat het begin van dezelfde toespraak. Voetnoot : Kores noemt Yahweh ‘de Elohim van de hemel’. Hoofdletters bij Hij, Hem en Zijn verwijzen naar Yahweh. Voetnoot : פָּקַד עָלַי (paqad alai), ‘hij heeft mij opgedragen’: letterlijk ‘hij heeft over mij aangesteld’; het werkwoord kan ook ‘bevelen’ of ‘aanstellen’ betekenen. Zie ook: 2 Kron 36:23; Jes 44:26–45:1; Jes 45:12–13; Dan 4:29; Dan 5:19–21; Dan 5:23; Ezra 1:4 **1:3** Wie onder jullie bij heel Zijn volk hoort, zijn Elohim zij met hem. Laat hem optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en het huis van Yahweh, de Elohim van Israël, bouwen. Hij is de Elohim die in Jeruzalem is. Brontekst: מִֽי (mi) = wie | בָכֶ֣ם (bakhem) = onder jullie | מִכָּל (mikal) = van heel | עַמּ֗וֹ (amo) = Zijn volk | יְהִ֤י (yehi) = zij | אֱלֹהָיו֙ (elohav) = zijn Elohim | עִמּ֔וֹ (imo) = met hem | וְיַ֕עַל (veyaal) = en laat hem optrekken | לִירוּשָׁלִַ֖ם (lirushaliam) = naar Jeruzalem | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בִּיהוּדָ֑ה (bihuda) = in Juda | וְיִ֗בֶן (veyiven) = en bouwe | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | ה֥וּא (hu) = Hij | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = de Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: יְהִי אֱלֹהָיו עִמּוֹ (yehi Elohav immo), ‘zijn Elohim zij met hem’: een wens. In 2 Kron. 36:23 staat hier ‘Yahweh, zijn Elohim’ en eindigt de toespraak met ‘laat hem optrekken’. In Ezra gaat de zin verder. Voetnoot : הוּא הָאֱלֹהִים אֲשֶׁר בִּירוּשָׁלִַם (hu ha’Elohim asher bIrushalaim), ‘Hij is de Elohim die in Jeruzalem is’: wij lezen ‘Hij’ als Yahweh. Het Hebreeuws kan ook zo gelezen worden dat ‘die in Jeruzalem is’ bij ‘het huis’ hoort. Dat is onzeker. Zie ook: 2 Kron 36:23; Jes 45:5; Jer 10:10; Dan 6:27; Mat 28:20; Hand 10:36 **1:4** Wie overgebleven is, op alle plaatsen waar hij als vreemdeling verblijft: de mensen van zijn plaats moeten hem steunen met zilver, goud, bezittingen en vee. Dat komt bovenop de vrijwillige gave voor het huis van Elohim in Jeruzalem.” Brontekst: וְכָל (vekhal) = en ieder | הַנִּשְׁאָ֗ר (hanishar) = die overgebleven is | מִֽכָּל (mikal) = uit alle | הַמְּקֹמוֹת֮ (hameqomot) = plaatsen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waar | ה֣וּא (hu) = hij | גָֽר (gar) = als vreemdeling verblijft | שָׁם֒ (sham) = daar | יְנַשְּׂא֨וּהוּ֙ (yenaseuhu) = laten hem steunen | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mensen van | מְקֹמ֔וֹ (meqomo) = zijn plaats | בְּכֶ֥סֶף (bekhesef) = met zilver | וּבְזָהָ֖ב (uvezahav) = en met goud | וּבִרְכ֣וּשׁ (uvirkhush) = en met bezittingen | וּבִבְהֵמָ֑ה (uvivhema) = en met vee | עִם (im) = samen met | הַ֨נְּדָבָ֔ה (hanedava) = de vrijwillige gave | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הַנִּשְׁאָר (hannish’ar), ‘wie overgebleven is’: de tekst noemt niet wie bedoeld is. Waarschijnlijk gaat het om Israëlieten die niet meetrekken. Voetnoot : יְנַשְּׂאוּהוּ (yenasse’uhu), ‘zij moeten hem steunen’: letterlijk ‘zij moeten hem dragen’. Zo vertalen wij nasa in de zin van ‘helpen’. Voetnoot : גָּר (gar), ‘als vreemdeling verblijven’. Voetnoot : נְדָבָה (nedavah), ‘vrijwillige gave’: wat iemand uit eigen wil geeft. Zie ook: 1 Kron 29:3; 1 Kron 29:9; 1 Kron 29:17; Gal 6:2; 3 Joh 1:6–8 ### Het volk maakt zich klaar **1:5** Toen stonden de hoofden van de vaderhuizen van Juda en Benjamin op, met de priesters en de Levieten. Het waren allen van wie Elohim de geest had opgewekt, om op te trekken en het huis van Yahweh in Jeruzalem te bouwen. Brontekst: וַיָּק֜וּמוּ (vayaqumu) = en stonden op | רָאשֵׁ֣י (rashei) = de hoofden van | הָאָב֗וֹת (haavot) = de vaderhuizen | לִֽיהוּדָה֙ (lihuda) = van Juda | וּבִנְיָמִ֔ן (uvinyamin) = en Benjamin | וְהַכֹּהֲנִ֖ים (vehakohanim) = en de priesters | וְהַלְוִיִּ֑ם (vehalviyim) = en de Levieten | לְכֹ֨ל (lekhol) = ieder | הֵעִ֤יר (heir) = wiens had opgewekt | הָאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | אֶת (et) = (obj.) | רוּח֔וֹ (rucho) = zijn geest | לַעֲל֣וֹת (laalot) = om op te trekken | לִבְנ֔וֹת (livnot) = om te bouwen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: רָאשֵׁי הָאָבוֹת (rashei ha’avot), ‘de hoofden van de vaderhuizen’: zo vertalen wij ook in 1 Kron. 9:33–34. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier geen eigen onderwerp voor ‘het waren’: de woorden ‘ieder wiens geest Elohim had opgewekt’ horen bij de mensen die opstonden. Wij zetten daarvoor ‘Het waren allen’ en maken er een nieuwe zin van. Zie ook: 1 Kron 9:33–34; 2 Kron 36:22; Ezra 1:1; Neh 2:12; 2 Kor 8:16; Fil 2:13 **1:6** Al hun buren steunden hen met zilveren voorwerpen, goud, bezittingen, vee en kostbaarheden. Dat kwam bovenop alles wat vrijwillig werd gegeven. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en al | סְבִיבֹֽתֵיהֶם֙ (sevivoteihem) = hun buren | חִזְּק֣וּ (chizequ) = versterkten | בִֽידֵיהֶ֔ם (bideihem) = met hun handen | בִּכְלֵי (bikhlei) = met voorwerpen van | כֶ֧סֶף (kesef) = zilver | בַּזָּהָ֛ב (bazahav) = met goud | בָּרְכ֥וּשׁ (barekhush) = met bezittingen | וּבַבְּהֵמָ֖ה (uvabehema) = en met vee | וּבַמִּגְדָּנ֑וֹת (uvamigdanot) = en met kostbaarheden | לְבַ֖ד (levad) = afgezien van | עַל (al) = boven op | כָּל (kal) = alles | הִתְנַדֵּֽב (hitnadev) = wat vrijwillig gegeven werd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִזְּקוּ בִּידֵיהֶם (chizzequ bideihem), ‘zij steunden hen’: letterlijk ‘zij versterkten hun handen’. Voetnoot : מִגְדָּנוֹת (migdanot), ‘kostbaarheden’: kostbare geschenken. Voetnoot : לְבַד עַל כָּל הִתְנַדֵּב (levad al kol hitnaddev), ‘dat kwam bovenop alles wat vrijwillig werd gegeven’: de steun van de buren kwam naast de gaven in vers 4. Zie ook: Ezra 1:4; Ezra 7:15–16; Ezra 8:25–28; Ezra 8:33; 2 Kor 9:7 ### De voorwerpen van het huis van Yahweh **1:7** Koning Kores bracht de voorwerpen van het huis van Yahweh naar buiten. Nebukadnezar had ze uit Jeruzalem weggehaald en in het huis van zijn god gezet. Brontekst: וְהַמֶּ֣לֶךְ (vehamelekh) = en koning | כּ֔וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | הוֹצִ֖יא (hotsi) = bracht naar buiten | אֶת (et) = (obj.) | כְּלֵ֣י (kelei) = de voorwerpen van | בֵית (beit) = het huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הוֹצִ֤יא (hotsi) = had weggehaald | נְבֽוּכַדְנֶצַּר֙ (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (mirushaliam) = uit Jeruzalem | וַֽיִּתְּנֵ֖ם (vayitenem) = en had ze gezet | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | אֱלֹהָֽיו (elohav) = zijn god Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֱלֹהָיו (Elohav), ‘zijn god’: het Hebreeuws heeft hier de meervoudsvorm met een achtervoegsel. Het gaat om de god van Nebukadnezar. Wij schrijven ‘god’ met een kleine letter. Zie 2 Kron. 36:7 (‘zijn tempel’). Voetnoot : Voor het wegnemen van de voorwerpen zie 2 Kon. 24:13 en 25:13–17. Zie ook: 2 Kon 24:13; 2 Kon 25:13; 2 Kron 36:7; 2 Kron 36:10; Ezra 5:14; Ezra 6:5 **1:8** Kores, de koning van Perzië, liet ze brengen door Mitredat, de schatbewaarder. Die telde ze af aan Sjesbassar, de leider van Juda. Brontekst: וַיּֽוֹצִיאֵ֗ם (vayotsiem) = en liet ze naar buiten brengen | כּ֚וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | פָּרַ֔ס (paras) = Perzië | עַל (al) = door | יַ֖ד (yad) = de hand van | מִתְרְדָ֣ת (mitredat) = Mitredat | הַגִּזְבָּ֑ר (hagizbar) = de schatbewaarder | וַֽיִּסְפְּרֵם֙ (vayisperem) = en telde ze af | לְשֵׁשְׁבַּצַּ֔ר (lesheshbatsar) = aan Sjesbassar | הַנָּשִׂ֖יא (hanasi) = de leider | לִיהוּדָֽה (lihuda) = van Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: מִתְרְדָת (Mitredat): een Perzische naam. הַגִּזְבָּר (haggizbar), ‘de schatbewaarder’: een leenwoord uit het Perzisch. Voetnoot : שֵׁשְׁבַּצַּר (Sheshbatsar), ‘Sjesbassar’: de tekst noemt hem ‘de leider van Juda’. Hij komt ook voor in Ezra 5:14–16. De tekst zegt niet of hij dezelfde man is als Zerubbabel. נָשִׂיא (nasi), ‘leider’: zoals in Num. 7:2 en 1 Kron. 4:38. Zie ook: Num 7:2; 1 Kron 4:38; Ezra 5:14; Ezra 5:16; Hag 1:14; Hag 2:2–4; Zach 4:6–10 **1:9** Dit is hun aantal: 30 gouden schalen, 1.000 zilveren schalen en 29 messen, Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit | מִסְפָּרָ֑ם (misparam) = is hun aantal | אֲגַרְטְלֵ֨י (agartelei) = schalen van | זָהָ֜ב (zahav) = goud | שְׁלֹשִׁ֗ים (sheloshim) = dertig | אֲגַרְטְלֵי (agartelei) = schalen van | כֶ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | אָ֔לֶף (alef) = duizend | מַחֲלָפִ֖ים (machalafim) = messen | תִּשְׁעָ֥ה (tisha) = negen | וְעֶשְׂרִֽים (veesrim) = en twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲגַרְטָלֵי (agartale), ‘schalen’: een zeldzaam woord, dat alleen hier staat. De betekenis is onzeker. Voetnoot : מַחֲלָפִים (machalafim), ‘messen’: ook een zeldzaam woord, dat alleen hier staat. De betekenis is onzeker; sommigen denken aan ‘wisselvaten’. Zie ook: Num 7:19–89; 2 Kron 4:11; 2 Kron 24:14; Ezra 8:27; Mat 14:8 **1:10** 30 gouden bekers, 410 zilveren bekers van de tweede soort en 1.000 andere voorwerpen. Brontekst: כְּפוֹרֵ֤י (keforei) = bekers van | זָהָב֙ (zahav) = goud | שְׁלֹשִׁ֔ים (sheloshim) = dertig | כְּפ֤וֹרֵי (keforei) = bekers van | כֶ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | מִשְׁנִ֔ים (mishnim) = van tweede soort | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וַעֲשָׂרָ֑ה (vaasara) = en tien | כֵּלִ֥ים (kelim) = voorwerpen | אֲחֵרִ֖ים (acherim) = andere | אָֽלֶף (alef) = duizend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּפוֹרֵי (kefore), ‘bekers’: een soort beker. Het woord komt ook voor in Ezra 8:27 en 1 Kron. 28:17. Voetnoot : מִשְׁנִים (mishnim), ‘van de tweede soort’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘dubbel’ of ‘tweede keus’ betekenen. Zie ook: 1 Kron 28:17; Ezra 8:27 **1:11** Alle voorwerpen van goud en van zilver: 5.400. Sjesbassar bracht alles mee omhoog, toen de ballingen uit Babel naar Jeruzalem optrokken. Brontekst: כָּל (kal) = alle | כֵּלִים֙ (kelim) = voorwerpen | לַזָּהָ֣ב (lazahav) = van goud | וְלַכֶּ֔סֶף (velakesef) = en van zilver | חֲמֵ֥שֶׁת (chameshet) = vijf | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizend | וְאַרְבַּ֣ע (vearba) = en vier | מֵא֑וֹת (meot) = honderd | הַכֹּ֞ל (hakol) = alles | הֶעֱלָ֣ה (heela) = bracht omhoog | שֵׁשְׁבַּצַּ֗ר (sheshbatsar) = Sjesbassar | עִ֚ם (im) = bij | הֵעָל֣וֹת (healot) = het optrekken van | הַגּוֹלָ֔ה (hagola) = de ballingen | מִבָּבֶ֖ל (mibavel) = uit Babel | לִירוּשָׁלִָֽם (lirushaliam) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De getallen van vers 9 en 10 zijn samen 2.499 (30 + 1.000 + 29 + 30 + 410 + 1.000). De tekst noemt als totaal 5.400. De tekst verklaart het verschil niet. Wij geven de getallen zoals ze staan. Voetnoot : הָעֱלוֹת (ha’alot), ‘optrekken’: letterlijk ‘het omhoogbrengen’. Jeruzalem ligt hoog; men ‘trekt op’ naar Jeruzalem. Zie ook: Ezra 1:9; Ezra 1:10; Mat 1:11–12; Rom 9:23; 2 Tim 2:19–21 ## Ezra 2 _De lijst van wie uit de ballingschap terugkeerde_ ### Wie terugkeerde **2:1** Dit zijn de mensen van de provincie die uit de gevangenschap van de ballingen optrokken. Nebukadnezar, de koning van Babel, had hen naar Babel weggevoerd. Zij keerden terug naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn eigen stad. Brontekst: וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit zijn | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַמְּדִינָ֗ה (hamedina) = de provincie | הָֽעֹלִים֙ (haolim) = die optrokken | מִשְּׁבִ֣י (mishevi) = uit de gevangenen van | הַגּוֹלָ֔ה (hagola) = de ballingschap | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶגְלָ֛ה (hegla) = had weggevoerd | נְבוּכַדְנֶצַּ֥ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | לְבָבֶ֑ל (levavel) = naar Babel | וַיָּשׁ֛וּבוּ (vayashuvu) = en zij keerden terug | לִירוּשָׁלִַ֥ם (lirushaliam) = naar Jeruzalem | וִֽיהוּדָ֖ה (vihuda) = en Juda | אִ֥ישׁ (ish) = ieder | לְעִירֽוֹ (leiro) = naar zijn stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Dezelfde lijst, met afwijkingen, staat in Neh. 7:6–72. Per vers melden wij wat in het Hebreeuws van Neh. 7 anders is. De getallen en namen die wij hier geven zijn die van Ezra. Voetnoot : מְדִינָה (medinah), ‘provincie’: het gebied Juda als onderdeel van het Perzische rijk. Voetnoot : שְׁבִי הַגּוֹלָה (shevi hagolah), ‘gevangenen van de ballingschap’: de mensen die Nebukadnezar had weggevoerd. Voetnoot : Neh. 7:6 heeft hier niet ‘naar Babel’ en schrijft ‘naar Juda’ met een voorzetsel. Zie ook: 2 Kon 24:14–16; 2 Kon 25:11; Est 1:8; Est 8:9; Neh 7:6–73 **2:2** Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsjan, Mispar, Bigvai, Rechum en Baäna. Dit is het aantal van de mannen van het volk Israël: Brontekst: אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֣אוּ (bau) = kwamen | עִם (im) = met | זְרֻבָּבֶ֗ל (zerubavel) = Zerubbabel | יֵשׁ֡וּעַ (yeshua) = Jesua | נְ֠חֶמְיָה (nechemya) = Nehemia | שְׂרָיָ֨ה (seraya) = Seraja | רְֽעֵלָיָ֜ה (reelaya) = Reëlaja | מָרְדֳּכַ֥י (mardokhay) = Mordechai | בִּלְשָׁ֛ן (bilshan) = Bilsjan | מִסְפָּ֥ר (mispar) = Mispar | בִּגְוַ֖י (bigvay) = Bigvai | רְח֣וּם (rechum) = Rechum | בַּעֲנָ֑ה (baana) = Baäna | מִסְפַּ֕ר (mispar) = het aantal van | אַנְשֵׁ֖י (anshei) = de mannen van | עַ֥ם (am) = het volk van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Elf namen van leiders. Neh. 7:7 heeft er twaalf: Azarja in plaats van Seraja, Raämja in plaats van Reëlaja, daarbij Nachamani, Misperet in plaats van Mispar en Nechum in plaats van Rechum. Voetnoot : יֵשׁוּעַ (Yeshua), ‘Jesua’: de hogepriester, de zoon van Jehozadak. In Haggai en Zacharia heet hij Jozua (Yehoshua); in Ezra en Nehemia schrijven wij de korte vorm ‘Jesua’ (zie Hag. 1:1 en Zach. 3:1). Voetnoot : De tekst zegt niet of deze Nehemia dezelfde is als de bouwer van de muur. Ook zegt de tekst niet of Mordechai dezelfde man is als in het boek Ester. Voetnoot : מִסְפַּר (mispar), ‘aantal’: het woord staat twee keer in dit vers. Eén keer is het een naam, Mispar; de tweede keer is het het woord ‘aantal’. Zie ook: Hag 1:1; Hag 1:12; Hag 1:14; Hag 2:4; Zach 3:1; Neh 7:7; Mat 1:12–13 ### De zonen van families en de mannen van steden **2:3** De zonen van Parosj: 2.172. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | פַרְעֹ֔שׁ (parosh) = Parosj | אַלְפַּ֕יִם (alpayim) = tweeduizend | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי (bene), ‘de zonen van’: in deze lijst bedoelt het woord de afstammelingen van een stamvader of de leden van een familie. Wij houden ‘zonen van’ aan. Voetnoot : De getallen staan als cijfers. Neh. 7:8 heeft hier hetzelfde getal. Zie ook: Ezra 8:3; Ezra 10:25; Neh 7:8 **2:4** De zonen van Sefatja: 372. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שְׁפַטְיָ֔ה (shefatya) = Sefatja | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 8:8; Neh 7:9 **2:5** De zonen van Arach: 775. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אָרַ֔ח (arach) = Arach | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | חֲמִשָּׁ֥ה (chamisha) = vijf | וְשִׁבְעִֽים (veshivim) = en zeventig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:10 heeft 652 in plaats van 775. Zie ook: Neh 6:18; Neh 7:10 **2:6** De zonen van Pachat-Moab, van de zonen van Jesua en Joab: 2.812. Brontekst: בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | פַחַ֥ת (pachat) = Pachat | מוֹאָ֛ב (moav) = Moab | לִבְנֵ֥י (livnei) = van de zonen van | יֵשׁ֖וּעַ (yeshua) = Jesua | יוֹאָ֑ב (yoav) = Joab | אַלְפַּ֕יִם (alpayim) = tweeduizend | שְׁמֹנֶ֥ה (shemone) = acht | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וּשְׁנֵ֥ים (usheneim) = en twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחַת מוֹאָב (pachat Mo’av), ‘Pachat-Moab’: waarschijnlijk ‘landvoogd van Moab’, hier de naam van een familie. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : לִבְנֵי יֵשׁוּעַ יוֹאָב (livne Yeshua Yo’av), ‘van de zonen van Jesua en Joab’: de familie kwam uit twee takken. Neh. 7:11 heeft het getal 2.818. Zie ook: Ezra 8:4; Ezra 8:9; Ezra 10:14; Ezra 10:30; Neh 7:11 **2:7** De zonen van Elam: 1.254. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עֵילָ֔ם (eilam) = Elam | אֶ֕לֶף (elef) = duizend | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וְאַרְבָּעָֽה (vearbaa) = en vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:31; Ezra 8:7; Ezra 10:26; Neh 7:12 **2:8** De zonen van Zattu: 945. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | זַתּ֔וּא (zatu) = Zattu | תְּשַׁ֥ע (tesha) = negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְאַרְבָּעִ֥ים (vearbaim) = en veertig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:13 heeft 845 in plaats van 945. Zie ook: Ezra 10:27; Neh 7:13 **2:9** De zonen van Zakkai: 760. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | זַכָּ֔י (zakay) = Zakkai | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְשִׁשִּֽׁים (veshishim) = en zestig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 7:14 **2:10** De zonen van Bani: 642. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בָנִ֔י (bani) = Bani | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:15 heeft hier de naam Binnui, met het getal 648. Zie ook: Ezra 10:34; Neh 7:15 **2:11** De zonen van Bebai: 623. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בֵבָ֔י (bevay) = Bebai | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:16 heeft 628. Zie ook: Ezra 8:11; Ezra 10:28; Neh 7:16 **2:12** De zonen van Azgad: 1.222. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עַזְגָּ֔ד (azgad) = Azgad | אֶ֕לֶף (elef) = duizend | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:17 heeft 2.322. Zie ook: Ezra 8:12; Neh 7:17 **2:13** De zonen van Adonikam: 666. Brontekst: בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | אֲדֹ֣נִיקָ֔ם (adoniqam) = Adonikam | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | וְשִׁשָּֽׁה (veshisha) = en zes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:18 heeft 667. Zie ook: Ezra 8:13; Neh 7:18 **2:14** De zonen van Bigvai: 2.056. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בִגְוָ֔י (bigvay) = Bigvai | אַלְפַּ֖יִם (alpayim) = tweeduizend | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וְשִׁשָּֽׁה (veshisha) = en zes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:19 heeft 2.067. Zie ook: Ezra 8:14; Neh 7:19 **2:15** De zonen van Adin: 454. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | עָדִ֔ין (adin) = Adin | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וְאַרְבָּעָֽה (vearbaa) = en vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:20 heeft 655. Zie ook: Ezra 8:6; Neh 7:20 **2:16** De zonen van Ater, van Hizkia: 98. Brontekst: בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | אָטֵ֥ר (ater) = Ater | לִֽיחִזְקִיָּ֖ה (lichizqiya) = van Hizkia | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ater ‘van Hizkia’: deze tak van de familie Ater werd naar Hizkia genoemd. Neh. 7:21 heeft hetzelfde getal, 98. Zie ook: Neh 7:21 **2:17** De zonen van Bezai: 323. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בֵצָ֔י (betsay) = Bezai | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De volgorde van de families Bezai, Jora en Chasjum is in Neh. 7:22–25 anders. Daar staat Chasjum (328) voor Bezai (324). Zie ook: Neh 7:22–25; Neh 7:23 **2:18** De zonen van Jora: 112. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יוֹרָ֔ה (yora) = Jora | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | וּשְׁנֵ֥ים (usheneim) = en twee | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:24 heeft hier de naam Charif, met hetzelfde getal, 112. Zie ook: Neh 7:24 **2:19** De zonen van Chasjum: 223. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | חָשֻׁ֔ם (chashum) = Chasjum | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 10:33; Neh 7:22 **2:20** De zonen van Gibbar: 95. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | גִבָּ֖ר (gibar) = Gibbar | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:25 heeft hier Gibeon in plaats van Gibbar, met hetzelfde getal, 95. Gibeon is een plaats; Gibbar is hier een familienaam. Zie ook: Neh 7:25 **2:21** De zonen van Betlehem: 123. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בֵֽית (beit) = Bet | לָ֔חֶם (lachem) = Lechem | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Neh. 7:26 neemt Betlehem en Netofa samen: 188 mannen. Hier zijn het 123 en 56, samen 179. Zie ook: 1 Kron 2:50–52; Neh 7:26 **2:22** De mannen van Netofa: 56. Brontekst: אַנְשֵׁ֥י (anshei) = de mannen van | נְטֹפָ֖ה (netofa) = Netofa | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וְשִׁשָּֽׁה (veshisha) = en zes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem. Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld. Dit is niet zeker. Zie ook: 2 Sam 23:28; 1 Kron 2:54; Jer 40:8; Neh 7:26 **2:23** De mannen van Anatot: 128. Brontekst: אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | עֲנָת֔וֹת (anatot) = Anatot | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: Joz 21:18; Jes 10:30; Jer 1:1; Jer 11:21; Neh 7:27 **2:24** De zonen van Azmavet: 42. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַזְמָ֖וֶת (azmavet) = Azmavet | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Azmavet (Hizma): Azmavet (Bet-Azmavet) is het huidige Hizma, ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Voetnoot Uitleg: Neh. 7:28 heeft hier ‘de mannen van Bet-Azmavet’. Zie ook: Neh 7:28 **2:25** De zonen van Kirjat-Arim, Kefira en Beërot: 743. Brontekst: בְּנֵ֨י (benei) = de zonen van | קִרְיַ֤ת (qiryat) = Kirjat | עָרִים֙ (arim) = Arim | כְּפִירָ֣ה (kefira) = Kefira | וּבְאֵר֔וֹת (uveerot) = en Beërot | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְאַרְבָּעִ֥ים (vearbaim) = en veertig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kirjat-Jearim (Kirjat-Arim): Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem. Zie Kefira: Kefira wordt gezocht bij Khirbet Kefireh, ten westen van Gibeon. Zie Beërot (ligging onzeker): Beërot wordt gezocht bij el-Bireh, ten noorden van Jeruzalem. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: קִרְיַת עָרִים (qiryat arim), ‘Kirjat-Arim’: een andere schrijfwijze van Kirjat-Jearim (Joz. 9:17; 1 Kron. 13:5). Neh. 7:29 heeft Kirjat-Jearim. Zie ook: Joz 9:17; 1 Kron 13:5; Neh 7:29 **2:26** De zonen van Rama en Geba: 621. Brontekst: בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | הָרָמָה֙ (harama) = Rama | וָגָ֔בַע (vagava) = en Geba | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְאֶחָֽד (veechad) = en één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin. De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker. In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden. Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin. Zie ook: Joz 18:24–25; Neh 7:30 **2:27** De mannen van Mikmas: 122. Brontekst: אַנְשֵׁ֣י (anshei) = de mannen van | מִכְמָ֔ס (mikhmas) = Mikmas | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba. De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen. Zie ook: 1 Sam 13:5; 1 Sam 13:23; Jes 10:28; Neh 7:31 **2:28** De mannen van Betel en Ai: 223. Brontekst: אַנְשֵׁ֤י (anshei) = de mannen van | בֵֽית (beit) = Bet | אֵל֙ (el) = El | וְהָעָ֔י (vehaay) = en Ai | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem. Voetnoot Uitleg: Neh. 7:32 heeft hier 123 in plaats van 223. Zie ook: Gen 12:8; Joz 7:2; Joz 8:9; Joz 8:17; Neh 7:32; Neh 7:33 **2:29** De zonen van Nebo: 52. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | נְב֖וֹ (nevo) = Nebo | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:33 heeft hier ‘de mannen van de andere Nebo’. Zie ook: Num 32:3; Deut 32:49; Jes 15:2; Jer 48:1; Neh 7:33 **2:30** De zonen van Magbis: 156. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | מַגְבִּ֔ישׁ (magbish) = Magbis | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וְשִׁשָּֽׁה (veshisha) = en zes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Deze familie, Magbis, staat niet in Neh. 7. **2:31** De zonen van de andere Elam: 1.254. Brontekst: בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | עֵילָ֣ם (eilam) = Elam | אַחֵ֔ר (acher) = andere | אֶ֕לֶף (elef) = duizend | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וְאַרְבָּעָֽה (vearbaa) = en vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘De andere Elam’: er is ook een Elam in vers 7. Het getal is hetzelfde, 1.254. Neh. 7:34 heeft ook dit getal. Zie ook: Ezra 2:7; Neh 7:34 **2:32** De zonen van Charim: 320. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | חָרִ֔ם (charim) = Charim | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְעֶשְׂרִֽים (veesrim) = en twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 10:31; Neh 7:35 **2:33** De zonen van Lod, Chadid en Ono: 725. Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | לֹד֙ (lod) = Lod | חָדִ֣יד (chadid) = Chadid | וְאוֹנ֔וֹ (veono) = en Ono | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Lod: Lod (later Lydda) lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Lod. Zie Chadid (Hadid): Chadid (Hadid) lag in het laagland van Benjamin, ten oosten van Lod, bij het huidige el-Haditha. Zie Ono (ligging onzeker): Ono lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem; Kafr Ana wordt genoemd. De precieze plaats is niet zeker. Voetnoot Uitleg: Neh. 7:37 heeft 721 in plaats van 725. Zie ook: 1 Kron 8:12; Neh 6:2; Neh 7:37; Neh 11:34–35 **2:34** De zonen van Jericho: 345. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | יְרֵח֔וֹ (yerecho) = Jericho | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem. Zie ook: 1 Kon 16:34; 2 Kron 28:15; Neh 7:36 **2:35** De zonen van Senaä: 3.630. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | סְנָאָ֔ה (senaa) = Senaä | שְׁלֹ֣שֶׁת (sheloshet) = drie | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וּשְׁלֹשִֽׁים (usheloshim) = en dertig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:38 heeft 3.930 in plaats van 3.630. Zie ook: Neh 7:38 ### De priesters **2:36** De priesters: de zonen van Jedaja, van het huis van Jesua: 973. Brontekst: הַֽכֹּהֲנִ֑ים (hakohanim) = de priesters | בְּנֵ֤י (benei) = de zonen van | יְדַֽעְיָה֙ (yedaya) = Jedaja | לְבֵ֣ית (leveit) = van het huis van | יֵשׁ֔וּעַ (yeshua) = Jesua | תְּשַׁ֥ע (tesha) = negen | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | וּשְׁלֹשָֽׁה (ushelosha) = en drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vier priesterfamilies samen zijn 973 + 1.052 + 1.247 + 1.017 = 4.289. Neh. 7:39–42 heeft dezelfde vier getallen. Zie ook: 1 Kron 9:10; 1 Kron 24:7–18; Ezra 3:9; Neh 7:39 **2:37** De zonen van Immer: 1.052. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אִמֵּ֔ר (imer) = Immer | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 24:14; Ezra 10:20; Neh 7:40 **2:38** De zonen van Pasjchur: 1.247. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | פַשְׁח֔וּר (pashchur) = Pasjchur | אֶ֕לֶף (elef) = duizend | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וְשִׁבְעָֽה (veshiva) = en zeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּשְׁחוּר (Pashchur), ‘Pasjchur’: zo schrijven wij de naam ook in 1 Kron. 9:12. Zie ook: 1 Kron 9:12; Ezra 10:22; Neh 7:41 **2:39** De zonen van Charim: 1.017. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | חָרִ֔ם (charim) = Charim | אֶ֖לֶף (elef) = duizend | וְשִׁבְעָ֥ה (veshiva) = en zeven | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 24:8; Ezra 10:21; Neh 7:42 ### De Levieten, zangers en poortwachters **2:40** De Levieten: de zonen van Jesua en Kadmiël, van de zonen van Hodavja: 74. Brontekst: הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | בְּנֵי (benei) = de zonen van | יֵשׁ֧וּעַ (yeshua) = Jesua | וְקַדְמִיאֵ֛ל (veqadmiel) = en Kadmiël | לִבְנֵ֥י (livnei) = van de zonen van | הוֹדַוְיָ֖ה (hodavya) = Hodavja | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | וְאַרְבָּעָֽה (vearbaa) = en vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹדַוְיָה (Hodavja): Neh. 7:43 heeft Hodewa (הוֹדְוָה). Wij schrijven in dit vers Hodavja, zoals in 1 Kron. 3:24. Zie ook: 1 Kron 3:24; Ezra 3:9; Neh 7:43 **2:41** De zangers: de zonen van Asaf: 128. Brontekst: הַֽמְשֹׁרְרִ֑ים (hamshorerim) = de zangers | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אָסָ֔ף (asaf) = Asaf | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁמֹנָֽה (ushemona) = en acht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:44 heeft 148 in plaats van 128. Zie ook: 1 Kron 6:24; 1 Kron 15:17; 1 Kron 25:1–2; Neh 7:44; Neh 11:17 **2:42** De zonen van de poortwachters: de zonen van Sjallum, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkub, de zonen van Chatita en de zonen van Sjobai. Samen: 139. Brontekst: בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַשֹּֽׁעֲרִ֗ים (hashoarim) = de poortwachters | בְּנֵי (benei) = de zonen van | שַׁלּ֤וּם (shalum) = Sjallum | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | אָטֵר֙ (ater) = Ater | בְּנֵי (benei) = de zonen van | טַלְמ֣וֹן (talmon) = Talmon | בְּנֵי (benei) = de zonen van | עַקּ֔וּב (aquv) = Akkub | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חֲטִיטָ֖א (chatita) = Chatita | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | שֹׁבָ֑י (shovay) = Sjobai | הַכֹּ֕ל (hakol) = samen | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | וְתִשְׁעָֽה (vetisha) = en negen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zes families samen: 139. Neh. 7:45 heeft 138. Neh. 7:45 schrijft de naam Talmon zonder de klinkerletter vav (טַלְמֹן). Zie ook: 1 Kron 9:17; 1 Kron 26:1–19; Neh 7:45 ### De tempeldienaren en de dienaren van Salomo **2:43** De tempeldienaren: de zonen van Ziecha, de zonen van Chasufa, de zonen van Tabbaot, Brontekst: הַנְּתִינִ֑ים (hanetinim) = de tempeldienaren | בְּנֵי (benei) = de zonen van | צִיחָ֥א (tsicha) = Ziecha | בְנֵי (benei) = de zonen van | חֲשׂוּפָ֖א (chasufa) = Chasufa | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | טַבָּעֽוֹת (tabaot) = Tabbaot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנְּתִינִים (hannetinim), ‘de tempeldienaren’: letterlijk ‘de gegevenen’, mensen die aan de tempel waren gegeven om te dienen. In 1 Kron. 9:2 staat dezelfde groep als ‘de Netinim’; wij kiezen hier de vertaling ‘tempeldienaren’. Voetnoot : De lijst van namen loopt tot en met vers 54. Neh. 7:46–56 schrijft een aantal namen iets anders, bijvoorbeeld Chasjefa, Kiros en Bazlit. Zie ook: 1 Kron 9:2; Ezra 2:54; Ezra 2:58; Neh 7:46–56; Neh 10:29 **2:44** de zonen van Keros, de zonen van Sia, de zonen van Padon, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | קֵרֹ֥ס (qeros) = Keros | בְּֽנֵי (benei) = de zonen van | סִֽיעֲהָ֖א (siaha) = Sia | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | פָדֽוֹן (padon) = Padon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 7:47 **2:45** de zonen van Lebana, de zonen van Chagaba, de zonen van Akkub, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | לְבָנָ֥ה (levana) = Lebana | בְנֵי (benei) = de zonen van | חֲגָבָ֖ה (chagava) = Chagaba | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַקּֽוּב (aquv) = Akkub Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 7:48 **2:46** de zonen van Chagab, de zonen van Salmai, de zonen van Chanan, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | חָגָ֥ב (chagav) = Chagab | בְּנֵי (benei) = de zonen van | שַׁלְמַ֖י (shalmay) = Salmai | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חָנָֽן (chanan) = Chanan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:48–49 laat Akkub (vers 45) en Chagab (vers 46) weg. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat שמלי (Shamlai), in de gelezen tekst (qere) שַׁלְמַי (Salmai). Wij volgen het qere. Zie ook: Ezra 2:45; Neh 7:48–49 **2:47** de zonen van Giddel, de zonen van Gachar, de zonen van Reaja, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | גִדֵּ֥ל (gidel) = Giddel | בְּנֵי (benei) = de zonen van | גַ֖חַר (gachar) = Gachar | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | רְאָיָֽה (reaya) = Reaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:48** de zonen van Resin, de zonen van Nekoda, de zonen van Gazzam, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | רְצִ֥ין (retsin) = Resin | בְּנֵי (benei) = de zonen van | נְקוֹדָ֖א (neqoda) = Nekoda | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | גַזָּֽם (gazam) = Gazzam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:49** de zonen van Uzza, de zonen van Paseach, de zonen van Besai, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | עֻזָּ֥א (uza) = Uzza | בְנֵי (benei) = de zonen van | פָסֵ֖חַ (paseach) = Paseach | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | בֵסָֽי (besay) = Besai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 7:51 **2:50** de zonen van Asna, de zonen van de Meünim, de zonen van de Nefusim, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | אַסְנָ֥ה (asna) = Asna | בְנֵי (benei) = de zonen van | מְעוּנִ֖ים (meunim) = de Meünim | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | נְפוּסִֽים (nefusim) = de Nefusim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:52 laat Asna weg. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat מעינים (Me’inim) en נפיסים (Nefisim), in de gelezen tekst (qere) מְעוּנִים (Me’unim) en נְפוּסִים (Nefusim). Wij volgen het qere: Meünim en Nefusim. Zie ook: Neh 7:52 **2:51** de zonen van Bakbuk, de zonen van Chakufa, de zonen van Charchur, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | בַקְבּ֥וּק (baqbuq) = Bakbuk | בְּנֵי (benei) = de zonen van | חֲקוּפָ֖א (chaqufa) = Chakufa | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חַרְחֽוּר (charchur) = Charchur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:52** de zonen van Bazlut, de zonen van Mechida, de zonen van Charsja, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | בַצְל֥וּת (batslut) = Bazlut | בְּנֵי (benei) = de zonen van | מְחִידָ֖א (mechida) = Mechida | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חַרְשָֽׁא (charsha) = Charsja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:54 schrijft Bazlit. Zie ook: Neh 7:54 **2:53** de zonen van Barkos, de zonen van Sisera, de zonen van Temach, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | בַרְק֥וֹס (barqos) = Barkos | בְּֽנֵי (benei) = de zonen van | סִֽיסְרָ֖א (sisera) = Sisera | בְּנֵי (benei) = de zonen van | תָֽמַח (tamach) = Temach Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 7:55 **2:54** de zonen van Nesiach en de zonen van Chatifa. Brontekst: בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | נְצִ֖יחַ (netsiach) = Nesiach | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חֲטִיפָֽא (chatifa) = Chatifa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **2:55** De zonen van de dienaren van Salomo: de zonen van Sotai, de zonen van Hassoferet, de zonen van Peruda, Brontekst: בְּנֵ֖י (benei) = de zonen van | עַבְדֵ֣י (avdei) = de dienaren van | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | בְּנֵי (benei) = de zonen van | סֹטַ֥י (sotay) = Sotai | בְּנֵי (benei) = de zonen van | הַסֹּפֶ֖רֶת (hasoferet) = Hassoferet | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | פְרוּדָֽא (peruda) = Peruda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַסֹּפֶרֶת (hassoferet), ‘Hassoferet’: met het lidwoord; het woord betekent ‘de schrijver(es)’. De betekenis als naam is niet zeker. Neh. 7:57 schrijft Soferet en Peruda als Perida. Zie ook: 1 Kon 9:21; Neh 7:57 **2:56** de zonen van Jaäla, de zonen van Darkon, de zonen van Giddel, Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | יַעְלָ֥ה (yala) = Jaäla | בְנֵי (benei) = de zonen van | דַרְק֖וֹן (darqon) = Darkon | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | גִדֵּֽל (gidel) = Giddel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Neh 7:58 **2:57** de zonen van Sefatja, de zonen van Chattil, de zonen van Pocheret-Hassebajim en de zonen van Ami. Brontekst: בְּנֵ֧י (benei) = de zonen van | שְׁפַטְיָ֣ה (shefatya) = Sefatja | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | חַטִּ֗יל (chatil) = Chattil | בְּנֵ֛י (benei) = de zonen van | פֹּכֶ֥רֶת (pokheret) = Pocheret | הַצְּבָיִ֖ים (hatsevayim) = Hassebajim | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | אָמִֽי (ami) = Ami Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֹּכֶרֶת הַצְּבָיִים (pocheret hatsevayim), ‘Pocheret-Hassebajim’: het tweede deel van de naam kan ‘de gazellen’ betekenen. De betekenis is niet zeker. Neh. 7:59 heeft in plaats van Ami de naam Amon. Zie ook: Neh 7:59 **2:58** Alle tempeldienaren en zonen van de dienaren van Salomo: 392. Brontekst: כָּ֨ל (kal) = alle | הַנְּתִינִ֔ים (hanetinim) = de tempeldienaren | וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | עַבְדֵ֣י (avdei) = de dienaren van | שְׁלֹמֹ֑ה (shelomo) = Salomo | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tempeldienaren en de zonen van de dienaren van Salomo samen: 392. Neh. 7:60 heeft hetzelfde getal. Zie ook: Joz 9:21; Joz 9:23; Joz 9:27; 1 Kron 9:2; 1 Kon 9:21; Neh 7:60 ### Wie zijn afkomst niet kon aantonen **2:59** Dit zijn zij die optrokken uit Tel-Melach, Tel-Charsja, Kerub, Addan en Immer. Zij konden niet aantonen of het huis van hun vaders en hun nageslacht uit Israël kwam. Brontekst: וְאֵ֗לֶּה (veele) = en dit zijn | הָֽעֹלִים֙ (haolim) = die optrokken | מִתֵּ֥ל (mitel) = uit Tel | מֶ֨לַח֙ (melach) = Melach | תֵּ֣ל (tel) = Tel | חַרְשָׁ֔א (charsha) = Charsja | כְּר֥וּב (keruv) = Kerub | אַדָּ֖ן (adan) = Addan | אִמֵּ֑ר (imer) = Immer | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | יָֽכְל֗וּ (yakhelu) = konden | לְהַגִּ֤יד (lehagid) = aantonen | בֵּית (beit) = het huis van | אֲבוֹתָם֙ (avotam) = hun vaders | וְזַרְעָ֔ם (vezaram) = en hun nageslacht | אִ֥ם (im) = of | מִיִּשְׂרָאֵ֖ל (miyisrael) = uit Israël | הֵֽם (hem) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Tel-Melach, Tel-Charsja, Kerub, Addan en Immer waren plaatsen in Babylonië. De ligging is niet bekend. Voetnoot Uitleg: Neh. 7:61 schrijft Addon in plaats van Addan. De tekst zegt niet of Kerub en Addan twee plaatsen zijn of één. Wij houden ze apart, zoals de Hebreeuwse tekst. Zie ook: Neh 7:61 **2:60** De zonen van Delaja, de zonen van Tobia en de zonen van Nekoda: 652. Brontekst: בְּנֵי (benei) = de zonen van | דְלָיָ֥ה (delaya) = Delaja | בְנֵי (benei) = de zonen van | טוֹבִיָּ֖ה (toviya) = Tobia | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | נְקוֹדָ֑א (neqoda) = Nekoda | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּשְׁנָֽיִם (ushenayim) = en twee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:62 heeft 642 in plaats van 652. Zie ook: Neh 7:62 **2:61** Van de zonen van de priesters: de zonen van Chobaja, de zonen van Hakkoz en de zonen van Barzillai. Barzillai had een vrouw genomen van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, en werd naar hun naam genoemd. Brontekst: וּמִבְּנֵי֙ (umibenei) = en van de zonen van | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | חֳבַיָּ֖ה (chovaya) = Chobaja | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַקּ֑וֹץ (haqots) = Hakkoz | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | בַרְזִלַּ֗י (barzilay) = Barzillai | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לָ֠קַח (laqach) = had genomen | מִבְּנ֞וֹת (mibenot) = van de dochters van | בַּרְזִלַּ֤י (barzilay) = Barzillai | הַגִּלְעָדִי֙ (hagiladi) = de Gileadiet | אִשָּׁ֔ה (isha) = een vrouw | וַיִּקָּרֵ֖א (vayiqare) = en werd genoemd | עַל (al) = naar | שְׁמָֽם (shemam) = hun naam Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּרְזִלַּי (Barzillai): de eerste Barzillai is de priester, de tweede de Gileadiet. Zie 2 Sam. 17:27 en 2 Sam. 19:32–40. Zijn naam ging over op de familie die uit dit huwelijk kwam. Zie ook: 2 Sam 17:27; 2 Sam 19:32–40; 1 Kon 2:7; Neh 7:63–64 **2:62** Zij zochten hun inschrijving in het geslachtsregister, maar die werd niet gevonden. Daarom werden zij als onrein buiten het priesterschap gehouden. Brontekst: אֵ֗לֶּה (ele) = dezen | בִּקְשׁ֧וּ (biqshu) = zochten | כְתָבָ֛ם (ketavam) = hun inschrijving | הַמִּתְיַחְשִׂ֖ים (hamityachsim) = van de geslachtsregisters | וְלֹ֣א (velo) = maar niet | נִמְצָ֑אוּ (nimtsau) = werd gevonden | וַֽיְגֹאֲל֖וּ (vaygoalu) = en zij werden onrein verklaard | מִן (min) = van | הַכְּהֻנָּֽה (hakehuna) = het priesterschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיְגֹאֲלוּ (vayego’alu), ‘zij werden onrein verklaard’: een werkwoord dat verwant is met גאל in de zin van ‘bezoedelen’ (zie Mal. 1:7). Het is niet het werkwoord ga’al, ‘verlossen’. Zij werden uitgesloten van het priesterschap. Zie ook: Lev 21:21–23; Num 3:10; Num 17:4–5; Num 18:7; Ezech 44:10–14; Mal 1:7 **2:63** De Tirsjata zei tegen hen dat zij niet van het hoogheilige mochten eten, totdat er een priester zou opstaan met Urim en Tummim. Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | הַתִּרְשָׁ֨תָא֙ (hatirshata) = de Tirsjata | לָהֶ֔ם (lahem) = tegen hen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יֹאכְל֖וּ (yokhlu) = zij mochten eten | מִקֹּ֣דֶשׁ (miqodesh) = van het hoogheilige van | הַקֳּדָשִׁ֑ים (haqodashim) = de heilige dingen | עַ֛ד (ad) = totdat | עֲמֹ֥ד (amod) = zou opstaan | כֹּהֵ֖ן (kohen) = een priester | לְאוּרִ֥ים (leurim) = met Urim | וּלְתֻמִּֽים (uletumim) = en Tummim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתִּרְשָׁתָא (hattirshata), ‘de Tirsjata’: een Perzische titel van de gouverneur. De tekst noemt zijn naam niet. Voetnoot : קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (qodesh haqodashim), ‘het hoogheilige’: wat alleen priesters mochten eten (Lev. 2:3). Voetnoot : אוּרִים וְתֻמִּים (Urim vetummim): zie Exod. 28:30. Neh. 7:65 heeft ‘de priester’ met lidwoord. Zie ook: Ex 28:30; Lev 2:3; Lev 2:10; Num 27:21; Neh 7:65; Neh 8:9 ### Het totaal en de gaven **2:64** De hele vergadering bij elkaar telde 42.360. Brontekst: כָּל (kal) = heel | הַקָּהָ֖ל (haqahal) = de vergadering | כְּאֶחָ֑ד (keechad) = als één | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | רִבּ֔וֹא (ribo) = tienduizendtallen | אַלְפַּ֖יִם (alpayim) = tweeduizend | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | שִׁשִּֽׁים (shishim) = zestig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִבּוֹא (ribbo), ‘tienduizendtal’: 4 × 10.000 + 2.000 + 360 = 42.360. Neh. 7:66 heeft hetzelfde totaal. Voetnoot : De afzonderlijke getallen in de lijst tellen niet op tot dit totaal. De tekst verklaart dat niet. Wij geven de getallen zoals ze staan. Zie ook: Jes 10:20–22; Jer 23:3; Ezra 9:8; Neh 7:66–69 **2:65** Daarnaast waren er hun dienaren en dienaressen: 7.337. Zij hadden ook zangers en zangeressen: 200. Brontekst: מִ֠לְּבַד (milevad) = afgezien van | עַבְדֵיהֶ֤ם (avdeihem) = hun dienaren | וְאַמְהֹֽתֵיהֶם֙ (veamhoteihem) = en hun dienaressen | אֵ֔לֶּה (ele) = dezen | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וְשִׁבְעָ֑ה (veshiva) = en zeven | וְלָהֶ֛ם (velahem) = en zij hadden | מְשֹׁרְרִ֥ים (meshorerim) = zangers | וּֽמְשֹׁרְר֖וֹת (umeshorerot) = en zangeressen | מָאתָֽיִם (matayim) = tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲבָדֵיהֶם וַאֲמָהֹתֵיהֶם (avdehem va’amahoteihem), ‘hun dienaren en dienaressen’: mensen in dienst bij deze families. Voetnoot : Neh. 7:67 heeft 245 zangers en zangeressen in plaats van 200. Zie ook: 2 Sam 19:36; Ps 68:26; Jes 14:1–2; Neh 7:67; Mat 9:23 **2:66** Hun paarden: 736. Hun muildieren: 245. Brontekst: סוּסֵיהֶ֕ם (suseihem) = hun paarden | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וְשִׁשָּׁ֑ה (veshisha) = en zes | פִּרְדֵיהֶ֕ם (pirdeihem) = hun muildieren | מָאתַ֖יִם (matayim) = tweehonderd | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | וַחֲמִשָּֽׁה (vachamisha) = en vijf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers, met de paarden en de muildieren, staat in het Hebreeuws van Neh. 7 niet. **2:67** Hun kamelen: 435. Hun ezels: 6.720. Brontekst: גְּמַ֨לֵּיהֶ֔ם (gemaleihem) = hun kamelen | אַרְבַּ֥ע (arba) = vier | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | שְׁלֹשִׁ֣ים (sheloshim) = dertig | וַחֲמִשָּׁ֑ה (vachamisha) = en vijf | חֲמֹרִ֕ים (chamorim) = de ezels | שֵׁ֣שֶׁת (sheshet) = zes | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | שְׁבַ֥ע (sheva) = zeven | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | וְעֶשְׂרִֽים (veesrim) = en twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Neh. 7:68 heeft hier dezelfde getallen voor kamelen (435) en ezels (6.720). Zie ook: Neh 7:68 **2:68** Toen zij bij het huis van Yahweh in Jeruzalem kwamen, gaven sommige hoofden van de vaderhuizen vrijwillig voor het huis van Elohim. Zij wilden het weer op zijn plaats laten staan. Brontekst: וּמֵרָאשֵׁי֙ (umerashei) = en van de hoofden van | הָֽאָב֔וֹת (haavot) = de vaderhuizen | בְּבוֹאָ֕ם (bevoam) = bij hun komst | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | הִֽתְנַדְּבוּ֙ (hitnadevu) = gaven vrijwillig | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | לְהַעֲמִיד֖וֹ (lehaamido) = om het te laten staan | עַל (al) = op | מְכוֹנֽוֹ (mekhono) = zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לְהַעֲמִידוֹ עַל מְכוֹנוֹ (lehaamido al mekhono), ‘om het weer op zijn plaats te laten staan’: letterlijk ‘om het te laten staan op zijn plaats’. Het gaat om het huis van Elohim dat op zijn oude plaats moest worden opgebouwd. Voetnoot : Neh. 7:69–71 noemt andere gevers en andere getallen dan Ezra 2:68–69. Zie ook: Ex 35:5–19; Ex 35:29; Ex 36:3; Neh 7:69–71; 2 Kor 8:3; 2 Kor 9:7 **2:69** Naar hun vermogen gaven zij aan de schatkist voor het werk: 61.000 darieken goud, 5.000 minen zilver en 100 priesterkleden. Brontekst: כְּכֹחָ֗ם (kekhocham) = naar hun vermogen | נָתְנוּ֮ (natenu) = gaven zij | לְאוֹצַ֣ר (leotsar) = aan de schatkist van | הַמְּלָאכָה֒ (hamelakha) = het werk | זָהָ֗ב (zahav) = goud | דַּרְכְּמוֹנִים֙ (darkemonim) = darieken | שֵׁשׁ (shesh) = zes | רִבֹּ֣אות (ribovt) = tienduizendtallen | וָאֶ֔לֶף (vaelef) = en duizend | וְכֶ֕סֶף (vekhesef) = en zilver | מָנִ֖ים (manim) = minen | חֲמֵ֣שֶׁת (chameshet) = vijf | אֲלָפִ֑ים (alafim) = duizenden | וְכָתְנֹ֥ת (vekhatenot) = en onderkleden van | כֹּהֲנִ֖ים (kohanim) = priesters | מֵאָֽה (mea) = honderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דַּרְכְּמוֹן (darkemon), ‘dariek’: waarschijnlijk een Perzische gouden munt. Het gewicht staat niet vast. Voetnoot : מָנֶה (maneh), ‘mina’: een gewicht, hier voor zilver (zie 1 Kon. 10:17). De omrekening naar kilo’s staat niet vast; wij geven er geen. Voetnoot : כֻּתֹּנֶת (kuttonet), ‘onderkleed’: het kleed dat priesters droegen, zoals in Exod. 28:40. Wij schrijven ‘priesterkleden’. Zie ook: Ex 28:40; 1 Kron 22:14; 1 Kron 26:20–28; 1 Kon 7:51; 1 Kon 10:17; Ezra 8:25–34; Neh 7:71–72 ### De vestiging in de steden **2:70** De priesters, de Levieten, een deel van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren gingen wonen in hun steden. Heel Israël woonde in zijn steden. Brontekst: וַיֵּשְׁב֣וּ (vayeshevu) = en gingen wonen | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | וְ֠הַלְוִיִּם (vehalviyim) = en de Levieten | וּֽמִן (umin) = en van | הָעָ֞ם (haam) = het volk | וְהַמְשֹׁרְרִ֧ים (vehamshorerim) = en de zangers | וְהַשּׁוֹעֲרִ֛ים (vehashoarim) = en de poortwachters | וְהַנְּתִינִ֖ים (vehanetinim) = en de tempeldienaren | בְּעָרֵיהֶ֑ם (beareihem) = in hun steden | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּעָרֵיהֶֽם (beareihem) = in hun steden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De groepen in dit vers volgen de volgorde van de lijst: de priesters, de Levieten, een deel van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren. Daarna volgt heel Israël. Neh. 7:72 sluit af met ‘toen de zevende maand aanbrak’, zoals Ezra 3:1. Zie ook: 1 Kron 9:2; 1 Kron 11:2; Ezra 3:1; Ezra 6:16–17; Neh 7:72; Neh 7:73; Neh 11:3–36 ## Ezra 3 _Het altaar en de grondslag van de tempel_ ### Het altaar wordt gebouwd **3:1** Toen de zevende maand aanbrak, waren de zonen van Israël in hun steden. Het volk verzamelde zich als één man in Jeruzalem. Brontekst: וַיִּגַּע֙ (vayiga) = en aanbrak | הַחֹ֣דֶשׁ (hachodesh) = de maand | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = zevende | וּבְנֵ֥י (uvenei) = en de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בֶּעָרִ֑ים (bearim) = in de steden | וַיֵּאָסְפ֥וּ (vayeasefu) = en verzamelde zich | הָעָ֛ם (haam) = het volk | כְּאִ֥ישׁ (keish) = als één | אֶחָ֖ד (echad) = man | אֶל (el) = naar | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De zevende maand is de maand van de grote feesten: de bazuinendag, de verzoendag en het feest van de hutten (Lev. 23:23–43). Voetnoot : כְּאִישׁ אֶחָד (ke’ish echad), ‘als één man’: eensgezind, zoals in Richt. 20:1. Zie ook: Lev 23:23–43; Lev 23:24; Re 20:1; Sef 3:9; Neh 7:73–8:2; Hand 4:32; 1 Kor 1:10 **3:2** Jesua, de zoon van Jehozadak, stond op met zijn broeders, de priesters, en Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, met zijn broeders. Zij bouwden het altaar van de Elohim van Israël om er brandoffers op te brengen. Zo staat geschreven in de wet van Mozes, de man van Elohim. Brontekst: וַיָּקָם֩ (vayaqam) = en stond op | יֵשׁ֨וּעַ (yeshua) = Jesua | בֶּן (ben) = zoon van | יֽוֹצָדָ֜ק (yotsadaq) = Jehozadak | וְאֶחָ֣יו (veechav) = en zijn broeders | הַכֹּהֲנִ֗ים (hakohanim) = de priesters | וּזְרֻבָּבֶ֤ל (uzerubavel) = en Zerubbabel | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁאַלְתִּיאֵל֙ (shealtiel) = Sjealtiël | וְאֶחָ֔יו (veechav) = en zijn broeders | וַיִּבְנ֕וּ (vayivnu) = en zij bouwden | אֶת (et) = (obj.) | מִזְבַּ֖ח (mizbach) = het altaar van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לְהַעֲל֤וֹת (lehaalot) = om te brengen omhoog | עָלָיו֙ (alav) = daarop | עֹל֔וֹת (olot) = brandoffers | כַּכָּת֕וּב (kakatuv) = zoals geschreven staat | בְּתוֹרַ֖ת (betorat) = in de wet van | מֹשֶׁ֥ה (moshe) = Mozes | אִישׁ (ish) = de man van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹצָדָק (Yotsadaq), ‘Jehozadak’: een korte vorm van Jehozadak. Zo schrijven wij de naam ook in 1 Kron. 5:40–41. Hij is de vader van de hogepriester Jesua. Wij schrijven overal ‘Jehozadak’. Voetnoot : זְרֻבָּבֶל (Zerubbabel) is de zoon van Sjealtiël; in 1 Kron. 3:19 staat hij als zoon van Pedaja. Het Hebreeuws zegt hier niet hoe dat zit. Voetnoot : תּוֹרַת מֹשֶׁה (torat Mosheh), ‘de wet van Mozes’: de geschreven wet. Voetnoot : אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘de man van Elohim’: een titel van Mozes, zoals in Deut. 33:1. Zie ook: Ex 20:24–25; Deut 33:1; 1 Kron 3:17; 1 Kron 3:19; 1 Kron 5:40–41; Ezra 2:2; Hag 1:1; Luc 3:27 **3:3** Zij zetten het altaar op zijn vaste plaatsen, want er lag schrik op hen vanwege de volken van de landen. Zij brachten er brandoffers op voor Yahweh, brandoffers in de morgen en in de avond. Brontekst: וַיָּכִ֤ינוּ (vayakhinu) = en zij zetten klaar | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | עַל (al) = op | מְכ֣וֹנֹתָ֔יו (mekhonotav) = zijn vaste plaatsen | כִּ֚י (ki) = want | בְּאֵימָ֣ה (beeima) = schrik | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | מֵעַמֵּ֖י (meamei) = vanwege de volken van | הָאֲרָצ֑וֹת (haaratsot) = de landen | וַיַּעֲל֨וּ (vayaalu) = en zij brachten omhoog | עָלָ֤יו (alav) = daarop | עֹלוֹת֙ (olot) = brandoffers | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | עֹל֖וֹת (olot) = brandoffers | לַבֹּ֥קֶר (laboqer) = in de morgen | וְלָעָֽרֶב (velaarev) = en in de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְכוֹנֹתָיו (mekhonotav), ‘zijn vaste plaatsen’: de plaats waar het altaar vroeger stond. Het kan ook ‘zijn grondslagen’ betekenen. Voetnoot : בְּאֵימָה עֲלֵיהֶם מֵעַמֵּי הָאֲרָצוֹת (be’emah aleihem me’ammei ha’aratsot), ‘er lag schrik op hen vanwege de volken van de landen’: de tekst zegt niet precies wat hen bang maakte. Het kan ook zijn dat zij het altaar bouwden ondanks de schrik. Wij volgen de eerste lezing. ‘De volken van de landen’ zijn de bewoners van het land die geen ballingen waren. Voetnoot : לַבֹּקֶר וְלָעָרֶב (labboqer velaarev), ‘in de morgen en in de avond’: de twee vaste brandoffers van elke dag (Num. 28:3–4). Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat וַיַּעַל (vaya‘al), ‘hij bracht omhoog’, in de gelezen tekst (qere) וַיַּעֲלוּ (vaya‘alu), ‘zij brachten omhoog’. Wij volgen het qere. Zie ook: Num 28:2–8; Num 28:3–4; 2 Kron 4:1; Ezra 4:4; Ezra 4:11–16; Ezra 8:21–22 **3:4** Zij vierden het feest van de hutten, zoals geschreven staat. Zij brachten de brandoffers van elke dag, naar het aantal en volgens het recht, elke dag wat bij die dag hoorde. Brontekst: וַֽיַּעֲשׂ֛וּ (vayaasu) = en zij vierden | אֶת (et) = (obj.) | חַ֥ג (chag) = het feest van | הַסֻּכּ֖וֹת (hasukot) = de hutten | כַּכָּת֑וּב (kakatuv) = zoals geschreven staat | וְעֹלַ֨ת (veolat) = en het brandoffer van | י֤וֹם (yom) = dag | בְּיוֹם֙ (beyom) = op dag | בְּמִסְפָּ֔ר (bemispar) = naar het aantal | כְּמִשְׁפַּ֖ט (kemishpat) = volgens het recht | דְּבַר (devar) = de zaak van | י֥וֹם (yom) = de dag | בְּיוֹמֽוֹ (beyomo) = op zijn dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַג הַסֻּכּוֹת (chag hassukkot), ‘feest van de hutten’: zie Lev. 23:33–43 en Num. 29:12–38. Voetnoot : דְּבַר יוֹם בְּיוֹמוֹ (devar yom beyomo), ‘elke dag wat bij die dag hoorde’: letterlijk ‘de zaak van de dag op zijn dag’. Het gaat om het aantal offers dat voor elke dag van het feest was voorgeschreven (Num. 29:13–34). Voetnoot : מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: het voorschrift. Zie ook: Ex 23:16; Lev 23:33–43; Num 29:12–38; Num 29:13–34; Zach 14:16–19; Neh 8:14–17; Joh 7:37 **3:5** Daarna brachten zij het voortdurende brandoffer, en de offers voor elke nieuwe maand en voor alle geheiligde feesten van Yahweh. Ook brachten zij de offers van ieder die Yahweh een vrijwillige gave bracht. Brontekst: וְאַחֲרֵי (veacharei) = en daarna | כֵ֞ן (ken) = zo | עֹלַ֤ת (olat) = het brandoffer van | תָּמִיד֙ (tamid) = altijd | וְלֶ֣חֳדָשִׁ֔ים (velechodashim) = en voor de nieuwe manen | וּלְכָל (ulekhal) = en voor alle | מוֹעֲדֵ֥י (moadei) = feesten van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הַמְקֻדָּשִׁ֑ים (hamqudashim) = die geheiligd zijn | וּלְכֹ֛ל (ulekhol) = en voor ieder | מִתְנַדֵּ֥ב (mitnadev) = die vrijwillig geeft | נְדָבָ֖ה (nedava) = een vrijwillige gave | לַיהוָֽה (laYahweh) = aan Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֹלַת תָּמִיד (olat tamid), ‘voortdurend brandoffer’: het dagelijkse brandoffer van de morgen en de avond (Num. 28:3–8). Voetnoot : Het Hebreeuws heeft in dit vers geen werkwoord. Wij voegen ‘brachten zij’ toe in het tweede deel, voor het Nederlands. Voetnoot : לֶחֳדָשִׁים (lechodashim), ‘voor de nieuwe manen’: het offer bij het begin van elke maand (Num. 28:11–15). Voetnoot : הַמְקֻדָּשִׁים (hamequddashim), ‘die geheiligd zijn’: de feesten die heilig zijn verklaard. Zie ook: Lev 1:3; Num 28:3–8; Num 28:11–15; Num 28:27; Num 29:39; Deut 12:6; Deut 12:17 **3:6** Vanaf de eerste dag van de zevende maand begonnen zij Yahweh brandoffers te brengen. De tempel van Yahweh was toen nog niet gegrondvest. Brontekst: מִיּ֤וֹם (miyom) = vanaf de dag | אֶחָד֙ (echad) = eerste | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַשְּׁבִיעִ֔י (hashevii) = zevende | הֵחֵ֕לּוּ (hechelu) = begonnen zij | לְהַעֲל֥וֹת (lehaalot) = om te brengen | עֹל֖וֹת (olot) = brandoffers | לַיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | וְהֵיכַ֥ל (veheikhal) = en de tempel van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | יֻסָּֽד (yusad) = was gegrondvest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf de eerste dag van de zevende maand brengt men brandoffers. Het feest van de hutten begint op de vijftiende dag (Lev. 23:34). Het Hebreeuws zegt niet of dit twee afzonderlijke gebeurtenissen zijn. Voetnoot : הֵיכַל (heikhal), ‘tempel’: het gebouw zelf. Zo vertalen wij ook in 2 Kron. 36:7. Zie ook: Lev 23:34; 2 Kron 36:7 ### Voorbereiding van de bouw **3:7** Zij gaven geld aan de steenhouwers en de ambachtslieden. Zij gaven eten, drinken en olie aan de Sidoniërs en de Tyriërs. Dezen moesten cederhout uit de Libanon over zee naar Jafo brengen. Zo had Kores, de koning van Perzië, hun toegestaan. Brontekst: וַיִּ֨תְּנוּ (vayitenu) = en zij gaven | כֶ֔סֶף (kesef) = geld | לַחֹצְבִ֖ים (lachotsevim) = aan de steenhouwers | וְלֶחָרָשִׁ֑ים (velecharashim) = en aan de ambachtslieden | וּמַאֲכָ֨ל (umaakhal) = en eten | וּמִשְׁתֶּ֜ה (umishte) = en drinken | וָשֶׁ֗מֶן (vashemen) = en olie | לַצִּֽדֹנִים֙ (latsidonim) = aan de Sidoniërs | וְלַצֹּרִ֔ים (velatsorim) = en aan de Tyriërs | לְהָבִיא֩ (lehavi) = om te brengen | עֲצֵ֨י (atsei) = hout van | אֲרָזִ֤ים (arazim) = ceders | מִן (min) = van | הַלְּבָנוֹן֙ (halevanon) = de Libanon | אֶל (el) = naar | יָ֣ם (yam) = de zee van | יָפ֔וֹא (yafo) = Jafo | כְּרִשְׁי֛וֹן (kerishyon) = volgens de toestemming van | כּ֥וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | פָּרַ֖ס (paras) = Perzië | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv. Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: חֹצְבִים (chotsevim), ‘steenhouwers’; חָרָשִׁים (charashim), ‘ambachtslieden’: vaklieden die met steen, hout of metaal werken. Voetnoot : Sidoniërs en Tyriërs leverden ook hout aan David (1 Kron. 22:4) en Salomo (2 Kron. 2:7–15). Voetnoot : יָם יָפוֹא (yam Yafo), ‘de zee van Jafo’: vlotten brachten het hout over zee naar Jafo, zoals in 2 Kron. 2:15. Voetnoot : רִשְׁיוֹן (rishyon), ‘toestemming’: een leenwoord uit het Perzisch. Het gaat om de toestemming van Kores (zie Ezra 1:1–4). Zie ook: 1 Kron 22:4; 1 Kon 5:20; 1 Kon 5:23–25; 2 Kron 2:7–15; 2 Kron 2:15; Ezra 1:1–4; Hand 9:36; Hand 10:5–6; Hand 12:20 ### Het werk begint **3:8** In het tweede jaar na hun komst bij het huis van Elohim in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en Jesua, de zoon van Jehozadak. Ook de rest van hun broeders, de priesters en de Levieten begonnen, en allen die uit de gevangenschap naar Jeruzalem waren gekomen. Zij stelden de Levieten aan van twintig jaar en ouder om toezicht te houden op het werk aan het huis van Yahweh. Brontekst: וּבַשָּׁנָ֣ה (uvashana) = en in het jaar | הַשֵּׁנִ֗ית (hashenit) = tweede | לְבוֹאָ֞ם (levoam) = bij hun komst | אֶל (el) = naar | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | הָֽאֱלֹהִים֙ (haElohim) = Elohim | לִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (lirushaliam) = in Jeruzalem | בַּחֹ֖דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַשֵּׁנִ֑י (hasheni) = tweede | הֵחֵ֡לּוּ (hechelu) = begonnen | זְרֻבָּבֶ֣ל (zerubavel) = Zerubbabel | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁ֠אַלְתִּיאֵל (shealtiel) = Sjealtiël | וְיֵשׁ֨וּעַ (veyeshua) = en Jesua | בֶּן (ben) = zoon van | יֽוֹצָדָ֜ק (yotsadaq) = Jehozadak | וּשְׁאָ֥ר (ushear) = en de rest van | אֲחֵיהֶ֣ם (acheihem) = hun broeders | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֗ם (vehalviyim) = en de Levieten | וְכָל (vekhal) = en alle | הַבָּאִים֙ (habaim) = die kwamen | מֵהַשְּׁבִ֣י (mehashevi) = uit de gevangenschap | יְרֽוּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = naar Jeruzalem | וַיַּעֲמִ֣ידוּ (vayaamidu) = en zij stelden aan | אֶת (et) = (obj.) | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | מִבֶּ֨ן (miben) = van de zoon van | עֶשְׂרִ֤ים (esrim) = twintig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | וָמַ֔עְלָה (vamala) = en ouder | לְנַצֵּ֖חַ (lenatseach) = om toezicht te houden | עַל (al) = over | מְלֶ֥אכֶת (melekhet) = het werk van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt niet wat zij begonnen. Uit vers 10 blijkt dat het gaat om het leggen van de grondslag van de tempel. Voetnoot : לְנַצֵּחַ (lenatseach), ‘toezicht houden’: zo vertalen wij ook in vers 9 en in 1 Kron. 23:4. Dit is het werkwoord dat in de Psalmenkoppen voorkomt bij ‘koorleider’. Voetnoot : מִבֶּן עֶשְׂרִים שָׁנָה (mibben esrim shanah), ‘van twintig jaar en ouder’: zie 1 Kron. 23:24, 27. Zie ook: Num 4:3; 1 Kron 23:4; 1 Kron 23:24–32; Ezra 3:9; Ezra 3:10; Ezra 4:3 **3:9** Jesua stond er met zijn zonen en broeders, en Kadmiël met zijn zonen, de zonen van Juda, als één groep. Zij hielden toezicht op hen die het werk aan het huis van Elohim deden. Dat deden ook de zonen van Chenadad, hun zonen en hun broeders, de Levieten. Brontekst: וַיַּעֲמֹ֣ד (vayaamod) = en stond | יֵשׁ֡וּעַ (yeshua) = Jesua | בָּנָ֣יו (banav) = zijn zonen | וְ֠אֶחָיו (veechav) = en zijn broeders | קַדְמִיאֵ֨ל (qadmiel) = Kadmiël | וּבָנָ֤יו (uvanav) = en zijn zonen | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | כְּאֶחָ֔ד (keechad) = als één | לְנַצֵּ֛חַ (lenatseach) = om toezicht te houden | עַל (al) = over | עֹשֵׂ֥ה (ose) = hen die deden | הַמְּלָאכָ֖ה (hamelakha) = het werk | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | בְּנֵי֙ (benei) = de zonen van | חֵֽנָדָ֔ד (chenadad) = Chenadad | בְּנֵיהֶ֥ם (beneihem) = hun zonen | וַאֲחֵיהֶ֖ם (vaacheihem) = en hun broeders | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Jesua is hier een Leviet; dit is een andere man dan Jesua, de zoon van Jehozadak (vers 2). Hij staat ook in Ezra 2:40. Voetnoot : בְּנֵי יְהוּדָה (bene Yehudah), ‘de zonen van Juda’: een Levietenfamilie, niet de stam Juda. Dat het een Levietenfamilie is, is onzeker. Voetnoot : Het Hebreeuws heeft geen werkwoord bij ‘de zonen van Chenadad’. Wij voegen ‘Dat deden ook’ toe, voor het Nederlands. Zie ook: Ezra 2:40; Ezra 3:2; Ezra 3:8; Neh 7:43 ### De grondslag wordt gelegd **3:10** Toen de bouwers de grondslag van de tempel van Yahweh legden, lieten zij de priesters opstaan in priestergewaad, met trompetten. Ook de Levieten, de zonen van Asaf, stonden daar met bekkens om Yahweh te prijzen, naar de aanwijzing van David, de koning van Israël. Brontekst: וְיִסְּד֥וּ (veyisedu) = en zij legden de grondslag | הַבֹּנִ֖ים (habonim) = de bouwers | אֶת (et) = (obj.) | הֵיכַ֣ל (heikhal) = de tempel van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיַּעֲמִידוּ֩ (vayaamidu) = en zij lieten staan | הַכֹּהֲנִ֨ים (hakohanim) = de priesters | מְלֻבָּשִׁ֜ים (melubashim) = gekleed | בַּחֲצֹֽצְר֗וֹת (bachatsotserot) = met trompetten | וְהַלְוִיִּ֤ם (vehalviyim) = en de Levieten | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | אָסָף֙ (asaf) = Asaf | בַּֽמְצִלְתַּ֔יִם (bamtsiltayim) = met bekkens | לְהַלֵּל֙ (lehalel) = om te prijzen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = volgens | יְדֵ֖י (yedei) = de handen van | דָּוִ֥יד (david) = David | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבֹּנִים (habbonim), ‘de bouwers’: de mannen die de grondslag legden. Het onderwerp van ‘lieten opstaan’ is niet genoemd; wij lezen ‘zij’ als de bouwers en degenen die het werk leidden. Voetnoot : מְלֻבָּשִׁים (melubbashim), ‘gekleed’: de priesters droegen hun ambtsgewaad. Wij schrijven ‘in priestergewaad’. Voetnoot : חֲצֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’: zoals in Num. 10:2. מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: zoals in 1 Kron. 15:19. Voetnoot : עַל יְדֵי דָוִיד (al yedei David), ‘naar de aanwijzing van David’: letterlijk ‘volgens de handen van David’. Zie 1 Kron. 16:4–6 en 25:1. Zie ook: Ex 28:40–42; Num 10:2; 1 Sam 22:18; 1 Kron 15:19; 1 Kron 15:27; 1 Kron 16:4–6; 1 Kron 16:37; 1 Kron 25:1–7 **3:11** Zij zongen wisselzang, met lofprijs en dank voor Yahweh: ‘Hij is goed, want Zijn trouw over Israël is voor eeuwig.’ Heel het volk juichte met luid gejuich, terwijl zij Yahweh prezen, omdat de grondslag van het huis van Yahweh was gelegd. Brontekst: וַֽ֠יַּעֲנוּ (vayaanu) = en zij antwoordden | בְּהַלֵּ֨ל (behalel) = met lofprijs | וּבְהוֹדֹ֤ת (uvehodot) = en met dank | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = aan Yahweh | כִּ֣י (ki) = want | ט֔וֹב (tov) = goed | כִּֽי (ki) = want | לְעוֹלָ֥ם (leolam) = voor eeuwig | חַסְדּ֖וֹ (chasdo) = Zijn trouw | עַל (al) = over | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעָ֡ם (haam) = het volk | הֵרִיעוּ֩ (heriu) = juichten | תְרוּעָ֨ה (terua) = een gejuich | גְדוֹלָ֤ה (gedola) = groot | בְהַלֵּל֙ (behalel) = met lofprijs | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | עַ֖ל (al) = vanwege | הוּסַ֥ד (husad) = het gelegd zijn van de grondslag van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּעֲנוּ (vaya‘anu), ‘zij antwoordden’: het kan gaan om wisselzang, waarbij de ene groep de andere antwoordt. Wij vertalen ‘zij zongen wisselzang’. Voetnoot : כִּי טוֹב כִּי לְעוֹלָם חַסְדּוֹ עַל יִשְׂרָאֵל (ki tov ki le’olam chasdo al Yisra’el), ‘Hij is goed, want Zijn trouw over Israël is voor eeuwig’: het vaste lofrefrein, zoals in 2 Kron. 5:13, 7:3, Ps. 136:1 en Ps. 118:1. Hier komt erbij: ‘over Israël’. חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Voetnoot : הֵרִיעוּ תְרוּעָה גְדוֹלָה (heriu terua gedolah), ‘zij juichten met luid gejuich’. Zie ook: 1 Kron 16:34; Ps 103:17; Ps 106:1; Ps 107:1; Ps 118:1; Ps 136:1; 2 Kron 5:13; 2 Kron 7:3 **3:12** Veel priesters, Levieten en hoofden van de vaderhuizen waren oud. Zij hadden het eerste huis gezien. Zij huilden met luide stem toen dit huis voor hun ogen werd gegrondvest. Maar velen verhieven hun stem met gejuich, van vreugde. Brontekst: וְרַבִּ֡ים (verabim) = en velen | מֵהַכֹּהֲנִ֣ים (mehakohanim) = van de priesters | וְהַלְוִיִּם֩ (vehalviyim) = en de Levieten | וְרָאשֵׁ֨י (verashei) = en de hoofden van | הָאָב֜וֹת (haavot) = de vaderhuizen | הַזְּקֵנִ֗ים (hazeqenim) = de oudere mannen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | רָא֜וּ (rau) = hadden gezien | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֤יִת (habayit) = het huis | הָֽרִאשׁוֹן֙ (harishon) = eerste | בְּיָסְד֔וֹ (beyasedo) = bij zijn grondvesting | זֶ֤ה (ze) = dit | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | בְּעֵ֣ינֵיהֶ֔ם (beeineihem) = voor hun ogen | בֹּכִ֖ים (bokhim) = huilden | בְּק֣וֹל (beqol) = met stem | גָּד֑וֹל (gadol) = luid | וְרַבִּ֛ים (verabim) = en velen | בִּתְרוּעָ֥ה (bitrua) = met gejuich | בְשִׂמְחָ֖ה (besimcha) = met vreugde | לְהָרִ֥ים (leharim) = om te verheffen | קֽוֹל (qol) = de stem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַזְּקֵנִים (hazzeqenim), ‘de oudere mannen’: wie het eerste huis nog had gekend. Dat huis werd verwoest toen Nebukadnezar Jeruzalem innam (2 Kon. 25:9). Voetnoot : בְּכִים (bekhi), ‘huilen’: de tekst zegt niet waarom zij huilden. Zie ook Hag. 2:3. Zie ook: Ps 126:6; 2 Kon 25:9; Dan 2:34–35; Hag 2:3; Zach 4:10; Mat 13:31–32 **3:13** Het volk kon het geluid van het vreugdegejuich niet onderscheiden van het geluid van het huilen van het volk. Want het volk juichte met luid gejuich, en het geluid was tot ver te horen. Brontekst: וְאֵ֣ין (veein) = en niet | הָעָ֗ם (haam) = het volk | מַכִּירִים֙ (makirim) = kon onderscheiden | ק֚וֹל (qol) = het geluid van | תְּרוּעַ֣ת (teruat) = het gejuich van | הַשִּׂמְחָ֔ה (hasimcha) = de vreugde | לְק֖וֹל (leqol) = van het geluid van | בְּכִ֣י (bekhi) = het huilen van | הָעָ֑ם (haam) = het volk | כִּ֣י (ki) = want | הָעָ֗ם (haam) = het volk | מְרִיעִים֙ (meriim) = juichte | תְּרוּעָ֣ה (terua) = een gejuich | גְדוֹלָ֔ה (gedola) = groot | וְהַקּ֥וֹל (vehaqol) = en het geluid | נִשְׁמַ֖ע (nishma) = werd gehoord | עַד (ad) = tot | לְמֵרָחֽוֹק (lemerachoq) = in de verte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tekst vertelt twee geluiden die door elkaar klinken: vreugde en huilen. Wij laten beide staan zoals ze zijn geschreven. Zie ook: 1 Sam 4:5; Ps 100:1–2; Jer 33:11; Neh 12:43; Luc 19:37–40 ## Ezra 4 _Tegenstand tegen de bouw van de tempel en de brief aan Artachsasta_ ### De tegenstanders bieden hulp aan **4:1** De tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden dat de ballingen een tempel bouwden voor Yahweh, de Elohim van Israël. Brontekst: וַֽיִּשְׁמְע֔וּ (vayishmeu) = en zij hoorden | צָרֵ֥י (tsarei) = de tegenstanders van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֑ן (uvinyamin) = en Benjamin | כִּֽי (ki) = dat | בְנֵ֤י (benei) = de zonen van | הַגּוֹלָה֙ (hagola) = de ballingschap | בּוֹנִ֣ים (bonim) = bouwden | הֵיכָ֔ל (heikhal) = een tempel | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי הַגּוֹלָה (bene hagolah), ‘de ballingen’: letterlijk ‘de zonen van de ballingschap’. Zo noemt het boek Ezra de mensen die uit de ballingschap in Babel zijn teruggekeerd. Wij vertalen steeds ‘de ballingen’. Voetnoot : צָרֵי (tsare), ‘tegenstanders’: de mensen van het land, genoemd in vers 4. Zie ook: 1 Kron 22:9–10; Dan 9:25; Ezra 1:11; Ezra 4:4; Ezra 4:7–10; 1 Kor 16:9 **4:2** Zij gingen naar Zerubbabel en naar de hoofden van de vaderhuizen. Zij zeiden tegen hen: „Laat ons met jullie bouwen. Want net als jullie zoeken wij jullie Elohim. Wij offeren aan Hem sinds de dagen van Esarhaddon, de koning van Assyrië, die ons hierheen heeft laten optrekken.” Brontekst: וַיִּגְּשׁ֨וּ (vayigeshu) = en zij kwamen naderbij | אֶל (el) = tot | זְרֻבָּבֶ֜ל (zerubavel) = Zerubbabel | וְאֶל (veel) = en tot | רָאשֵׁ֣י (rashei) = de hoofden van | הָֽאָב֗וֹת (haavot) = de vaderhuizen | וַיֹּאמְר֤וּ (vayomru) = en zij zeiden | לָהֶם֙ (lahem) = tot hen | נִבְנֶ֣ה (nivne) = laten wij bouwen | עִמָּכֶ֔ם (imakhem) = met jullie | כִּ֣י (ki) = want | כָכֶ֔ם (kakhem) = zoals jullie | נִדְר֖וֹשׁ (nidrosh) = zoeken wij | לֵֽאלֹהֵיכֶ֑ם (leloheikhem) = jullie Elohim | וְל֣וֹ (velo) = en aan Hem | אֲנַ֣חְנוּ (anachnu) = wij | זֹבְחִ֗ים (zovechim) = offeren | מִימֵי֙ (mimei) = sinds de dagen van | אֵסַ֤ר (esar) = Esar | חַדֹּן֙ (chadon) = Haddon | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | הַמַּעֲלֶ֥ה (hamaale) = die liet optrekken | אֹתָ֖נוּ (otanu) = ons | פֹּֽה (po) = hierheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Esarhaddon (אֵסַר־חַדֹּן, Esar-Chaddon) was koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 19:37 en 2 Kon. 17:24–28. De Assyriërs hadden volken in het land laten wonen. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft וְלֹא (velo), ‘en niet’. De voorgelezen tekst (qere) heeft וְלוֹ (velo), ‘en aan Hem’. Wij volgen het qere. Zie ook: 2 Kon 17:24; 2 Kon 17:27–33; 2 Kon 19:37; Ezra 1:5; Gal 2:4 **4:3** Zerubbabel, Jesua en de andere hoofden van de vaderhuizen van Israël zeiden tegen hen: „Het is niet aan jullie, maar aan ons, om een huis te bouwen voor onze Elohim. Want alleen wij samen bouwen voor Yahweh, de Elohim van Israël. Zo heeft koning Kores, de koning van Perzië, ons opgedragen.” Brontekst: וַיֹּאמֶר֩ (vayomer) = en zei | לָהֶ֨ם (lahem) = tot hen | זְרֻבָּבֶ֜ל (zerubavel) = Zerubbabel | וְיֵשׁ֗וּעַ (veyeshua) = en Jesua | וּשְׁאָ֨ר (ushear) = en de rest van | רָאשֵׁ֤י (rashei) = de hoofden van | הָֽאָבוֹת֙ (haavot) = de vaderhuizen | לְיִשְׂרָאֵ֔ל (leyisrael) = van Israël | לֹֽא (lo) = niet | לָ֣כֶם (lakhem) = voor jullie | וָלָ֔נוּ (valanu) = en voor ons | לִבְנ֥וֹת (livnot) = om te bouwen | בַּ֖יִת (bayit) = een huis | לֵאלֹהֵ֑ינוּ (leloheinu) = voor onze Elohim | כִּי֩ (ki) = want | אֲנַ֨חְנוּ (anachnu) = wij | יַ֜חַד (yachad) = samen | נִבְנֶ֗ה (nivne) = bouwen | לַֽיהוָה֙ (laYahweh) = voor Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֔נוּ (tsivanu) = heeft ons opgedragen | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | כּ֥וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | פָּרָֽס (paras) = Perzië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: יַחַד (yachad), ‘samen’: de leiders bedoelen dat alleen de teruggekeerde ballingen als gemeenschap bouwen. Zij verwijzen naar de opdracht van Kores (Ezra 1:2–4; 2 Kron. 36:23). Zie ook: 2 Kron 36:23; Jes 45:4; Ezra 1:2–4; Neh 2:20; Mat 10:16; Hand 8:21; 3 Joh 1:9–10 ### Tegenwerking tijdens de bouw **4:4** Toen maakte het volk van het land de handen van het volk van Juda slap. Zij joegen hun schrik aan bij het bouwen. Brontekst: וַיְהִי֙ (vayhi) = en het was | עַם (am) = het volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | מְרַפִּ֖ים (merapim) = die slap maakten | יְדֵ֣י (yedei) = de handen van | עַם (am) = het volk van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וּֽמְבַהֲלִ֥ים (umevahalim) = en die schrik aanjoegen | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | לִבְנֽוֹת (livnot) = bij het bouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְרַפִּים יְדֵי (merappim yede), ‘de handen slap maken’: ontmoedigen, de moed ontnemen. Zie ook: Jes 35:3–4; Jer 38:4; Ezra 3:3; Neh 4:5; Neh 6:9 **4:5** Zij huurden raadgevers tegen hen in om hun raad te laten mislukken. Dat deden zij alle dagen van Kores, de koning van Perzië, tot aan het koningschap van Darius, de koning van Perzië. Brontekst: וְסֹכְרִ֧ים (vesokherim) = en huurden in | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = tegen hen | יוֹעֲצִ֖ים (yoatsim) = raadgevers | לְהָפֵ֣ר (lehafer) = om te verijdelen | עֲצָתָ֑ם (atsatam) = hun raad | כָּל (kal) = alle | יְמֵ֗י (yemei) = dagen van | כּ֚וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | פָּרַ֔ס (paras) = Perzië | וְעַד (vead) = en tot | מַלְכ֖וּת (malkhut) = het koningschap van | דָּרְיָ֥וֶשׁ (dareyavesh) = Darius | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | פָּרָֽס (paras) = Perzië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: סֹכְרִים (sokhrim), ‘huren’: zij betaalden raadgevers om het werk tegen te werken. Voetnoot : Darius is hier waarschijnlijk Darius I. De verzen 6–23 vertellen over tegenstand onder latere koningen. Vers 24 pakt de lijn van vers 5 weer op. Zie ook: Ps 2:1–2; Nah 1:11; Ezra 4:24; Ezra 5:5–6:18; Hand 24:1–27 **4:6** Onder het koningschap van Ahasveros, aan het begin van zijn koningschap, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem. Brontekst: וּבְמַלְכוּת֙ (uvemalkhut) = en in het koningschap van | אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ (achashverosh) = Ahasveros | בִּתְחִלַּ֖ת (bitchilat) = aan het begin van | מַלְכוּת֑וֹ (malkhuto) = zijn koningschap | כָּתְב֣וּ (katevu) = schreven zij | שִׂטְנָ֔ה (sitna) = een aanklacht | עַל (al) = tegen | יֹשְׁבֵ֥י (yoshevei) = de inwoners van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וִירוּשָׁלִָֽם (virushaliam) = en Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֲחַשְׁוֵרוֹשׁ (Achashverosh), ‘Ahasveros’: dit is Xerxes I, de koning van Perzië. Zo ook in het boek Ester. Voetnoot : שִׂטְנָה (sitnah), ‘aanklacht’: een woord van dezelfde stam als ‘satan’, ‘tegenstander’. Zie ook: Dan 9:1; Est 1:1; Mat 27:37; Hand 24:13; Hand 25:7 **4:7** In de dagen van Artachsasta schreef Bisjlam, samen met Mitredat, Tabeël en de rest van zijn medewerkers, aan Artachsasta, de koning van Perzië. De brief was in het Aramees geschreven en werd in het Aramees vertaald. Brontekst: וּבִימֵ֣י (uvimei) = en in de dagen van | אַרְתַּחְשַׁ֗שְׂתָּא (artachshasta) = Artachsasta | כָּתַ֨ב (katav) = schreef | בִּשְׁלָ֜ם (bishlam) = Bisjlam | מִתְרְדָ֤ת (mitredat) = Mitredat | טָֽבְאֵל֙ (taveel) = Tabeël | וּשְׁאָ֣ר (ushear) = en de rest van | כְּנָוֺתָ֔יו (kenavotav) = zijn medewerkers | עַל (al) = aan | אַרְתַּחְשַׁ֖שְׂתְּ (artachshast) = Artachsasta | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | פָּרָ֑ס (paras) = Perzië | וּכְתָב֙ (ukhetav) = en geschreven was | הַֽנִּשְׁתְּוָ֔ן (hanishtevan) = de brief | כָּת֥וּב (katuv) = geschreven | אֲרָמִ֖ית (aramit) = in het Aramees | וּמְתֻרְגָּ֥ם (umeturgam) = en vertaald | אֲרָמִֽית (aramit) = in het Aramees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: Artachsasta (Artaxerxes) is waarschijnlijk Artaxerxes I. Dit is niet zeker. De volgorde in dit hoofdstuk is niet die van de tijd: de verzen 6–23 gaan over koningen na Darius. Voetnoot : בִּשְׁלָם (bishlam): dit kan een eigennaam zijn, Bisjlam, of ‘in vrede’. Wij lezen een naam. Voetnoot : מְתֻרְגָּם (meturgam), ‘vertaald’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘uitgelegd’ of ‘voorgelezen’ betekenen. Zie ook: 2 Kon 18:26; Jes 36:11; Dan 2:4; Ezra 4:9; Ezra 4:17 ### De brief van Rechum en Sjimsjai **4:8** Rechum, de bestuurder, en Sjimsjai, de schrijver, schreven een brief over Jeruzalem aan koning Artachsasta. Dit was de inhoud: Brontekst: רְח֣וּם (rechum) = Rechum | בְּעֵל (beel) = meester van | טְעֵ֗ם (teem) = bevel | וְשִׁמְשַׁי֙ (veshimshay) = en Sjimsjai | סָֽפְרָ֔א (safera) = de schrijver | כְּתַ֛בוּ (ketavu) = schreven | אִגְּרָ֥ה (igera) = een brief | חֲדָ֖ה (chada) = één | עַל (al) = over | יְרוּשְׁלֶ֑ם (yerushelem) = Jeruzalem | לְאַרְתַּחְשַׁ֥שְׂתְּא (leartachshaste) = aan Artachsasta | מַלְכָּ֖א (malka) = de koning | כְּנֵֽמָא (kenema) = als volgt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vanaf hier tot en met Ezra 6:18 is de brontekst Aramees, de taal van het Perzische bestuur. Het Aramees is verwant aan het Hebreeuws. Het begint met de brief die in vers 7 is aangekondigd. Voetnoot : בְּעֵל־טְעֵם (be’el te’em), ‘bestuurder’: letterlijk ‘meester van bevel’, een hoge ambtenaar. Wij schrijven ‘bestuurder’. Zie ook: 2 Sam 8:17; 2 Sam 20:25; 2 Kon 18:18; Ezra 4:7; Ezra 4:9; Ezra 6:18 **4:9** Toen schreven Rechum, de bestuurder, Sjimsjai, de schrijver, en de rest van hun medewerkers: de rechters, de ambtenaren, de Tarpeliërs, de Perzen, de mensen van Erech, de Babyloniërs, de mensen van Susa, de Dehaïeten en de Elamieten, Brontekst: אֱדַ֜יִן (edayin) = toen | רְח֣וּם (rechum) = Rechum | בְּעֵל (beel) = meester van | טְעֵ֗ם (teem) = bevel | וְשִׁמְשַׁי֙ (veshimshay) = en Sjimsjai | סָֽפְרָ֔א (safera) = de schrijver | וּשְׁאָ֖ר (ushear) = en de rest van | כְּנָוָתְה֑וֹן (kenavatehon) = hun medewerkers | דִּ֠ינָיֵא (dinaye) = de rechters | וַאֲפַרְסַתְכָיֵ֞א (vaafarsatkhaye) = en de ambtenaren | טַרְפְּלָיֵ֣א (tarpelaye) = de Tarpeliërs | אֲפָֽרְסָיֵ֗א (afaresaye) = de Perzen | אַרְכְּוָיֵ֤א (arkevaye) = de mensen van Erech | בָבְלָיֵא֙ (bavelaye) = de Babyloniërs | שֽׁוּשַׁנְכָיֵ֔א (shushankhaye) = de mensen van Susa | דֶּהָיֵ֖א (dehaye) = de Dehaïeten | עֵלְמָיֵֽא (elemaye) = de Elamieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Erech: Erech (Uruk) lag in het zuiden van Mesopotamië, aan de Eufraat. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: Het werkwoord ‘schreven’ staat in vers 8 en loopt hier door. Wij herhalen het. Voetnoot : De lijst van volken en ambtenaren is moeilijk. Wij vertalen דִּינָיֵא (dinaye) als ‘rechters’ en אַפַרְסַתְכָיֵא (afarsatkaye) als ‘ambtenaren’. Dat kunnen ook volksnamen zijn. De Tarpeliërs en de Dehaïeten zijn onzeker. Erech, Susa en Elam zijn bekende plaatsen en landen. Zie ook: Gen 10:22; 2 Kon 17:24; 2 Kon 17:30–31; Ezra 4:8; Ezra 5:6; Ezra 6:6 **4:10** en de rest van de volken die de grote en eerbiedwaardige Asnappar had weggevoerd en in de stad Samaria had laten wonen, en de rest van het gebied over de rivier. Enzovoort. Brontekst: וּשְׁאָ֣ר (ushear) = en de rest van | אֻמַּיָּ֗א (umaya) = de volken | דִּ֤י (di) = die | הַגְלִי֙ (hagli) = had weggevoerd | אָסְנַפַּר֙ (asenapar) = Asnappar | רַבָּ֣א (raba) = de grote | וְיַקִּירָ֔א (veyaqira) = en eerbiedwaardige | וְהוֹתֵ֣ב (vehotev) = en liet wonen | הִמּ֔וֹ (himo) = hen | בְּקִרְיָ֖ה (beqirya) = in de stad | דִּ֣י (di) = van | שָׁמְרָ֑יִן (shamerayin) = Samaria | וּשְׁאָ֥ר (ushear) = en de rest van | עֲבַֽר (avar) = gebied over | נַהֲרָ֖ה (nahara) = de rivier | וּכְעֶֽנֶת (ukheenet) = en enzovoort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: אָסְנַפַּר (Osnappar), ‘Asnappar’: dit is waarschijnlijk een Assyrische koning, vaak verbonden met Assurbanipal. Dat is niet zeker. Voetnoot : עֲבַר נַהֲרָה (avar nahara), ‘het gebied over de rivier’: letterlijk ‘overkant van de Rivier’. Het is het Perzische gebied ten westen van de Eufraat. Wij schrijven overal ‘het gebied over de rivier’. Voetnoot : וּכְעֶנֶת (uke’enet), ‘enzovoort’: dit woord staat in Aramese brieven na de aanhef. De betekenis is onzeker. Het kan ook ‘en nu’ betekenen. Zie ook: 2 Kon 17:24–41; Ezra 4:1; Ezra 4:11; Ezra 4:17; Ezra 7:12 **4:11** Dit is een afschrift van de brief die zij naar hem stuurden: „Aan koning Artachsasta: uw dienaren, de mannen van het gebied over de rivier. Enzovoort. Brontekst: דְּנָה֙ (dena) = dit | פַּרְשֶׁ֣גֶן (parshegen) = afschrift van | אִגַּרְתָּ֔א (igarta) = de brief | דִּ֚י (di) = die | שְׁלַ֣חוּ (shelachu) = zij stuurden | עֲל֔וֹהִי (alohi) = naar hem | עַל (al) = aan | אַרְתַּחְשַׁ֖שְׂתְּא (artachshaste) = Artachsasta | מַלְכָּ֑א (malka) = de koning | עַבְדָ֛יךְ (avdaykh) = uw dienaren | אֱנָ֥שׁ (enash) = de mannen van | עֲבַֽר (avar) = gebied over | נַהֲרָ֖ה (nahara) = de rivier | וּכְעֶֽנֶת (ukheenet) = en enzovoort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:12** De koning moet weten dat de Joden die van u zijn weggetrokken, bij ons zijn gekomen in Jeruzalem. Zij bouwen de opstandige en slechte stad opnieuw op. Zij voltooien de muren en herstellen de fundamenten. Brontekst: יְדִ֨יעַ֙ (yedia) = bekend | לֶהֱוֵ֣א (leheve) = laat zijn | לְמַלְכָּ֔א (lemalka) = aan de koning | דִּ֣י (di) = dat | יְהוּדָיֵ֗א (yehudaye) = de Joden | דִּ֤י (di) = die | סְלִ֨קוּ֙ (seliqu) = zijn opgetrokken | מִן (min) = van | לְוָתָ֔ךְ (levatakh) = u | עֲלֶ֥ינָא (aleina) = naar ons | אֲת֖וֹ (ato) = zijn gekomen | לִירוּשְׁלֶ֑ם (lirushelem) = naar Jeruzalem | קִרְיְתָ֨א (qiryeta) = de stad | מָֽרָדְתָּ֤א (maradta) = de opstandige | וּבִֽישְׁתָּא֙ (uvishta) = en slechte | בָּנַ֔יִן (banayin) = zij bouwen | וְשׁוּרַיָּ֣א (veshuraya) = en de muren | שַׁכְלִ֔ילוּ (shakhlilu) = voltooien zij | וְאֻשַּׁיָּ֖א (veushaya) = en de fundamenten | יַחִֽיטוּ (yachitu) = herstellen zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: יְהוּדָיֵא (yehudaye), ‘de Joden’: inwoners van Juda. Voetnoot : יַחִיטוּ (yachitu), ‘zij herstellen’: een zeldzaam woord. De betekenis is onzeker. Zie ook: Ps 48:2–3; 2 Kron 36:13; Ezra 4:15; Ezra 5:3; Ezra 5:9 **4:13** Nu moet de koning weten: als die stad wordt herbouwd en de muren worden voltooid, betalen zij geen belasting, schatting of tol meer. Uiteindelijk zal dat de koningen schade doen. Brontekst: כְּעַ֗ן (kean) = nu | יְדִ֨יעַ֙ (yedia) = bekend | לֶהֱוֵ֣א (leheve) = laat zijn | לְמַלְכָּ֔א (lemalka) = aan de koning | דִּ֠י (di) = dat | הֵ֣ן (hen) = als | קִרְיְתָ֥א (qiryeta) = die stad | דָךְ֙ (dakh) = deze | תִּתְבְּנֵ֔א (titbene) = wordt herbouwd | וְשׁוּרַיָּ֖ה (veshuraya) = en haar muren | יִֽשְׁתַּכְלְל֑וּן (yishtakhlelun) = worden voltooid | מִנְדָּֽה (minda) = belasting | בְל֤וֹ (belo) = schatting | וַהֲלָךְ֙ (vahalakh) = en tol | לָ֣א (la) = niet | יִנְתְּנ֔וּן (yintenun) = zullen zij betalen | וְאַפְּתֹ֥ם (veapetom) = en uiteindelijk | מַלְכִ֖ים (malkhim) = de koningen | תְּהַנְזִֽק (tehanziq) = zal het schaden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִנְדָּה (mindah), בְּלוֹ (belo) en הֲלָךְ (halakh): ‘belasting’, ‘schatting’ en ‘tol’. Het zijn drie soorten betalingen aan de koning. Wat het verschil is, is niet helemaal zeker. Voetnoot : אַפְּתֹם (afatom), ‘uiteindelijk’: het woord is onzeker. Sommigen begrijpen ‘de inkomsten’. Zie ook: Ps 119:69; Ezra 4:20; Ezra 7:24; Neh 5:4; Rom 13:6–7 **4:14** Nu eten wij het zout van het paleis. Het past ons niet de schande van de koning aan te zien. Daarom hebben wij bericht gestuurd en het de koning laten weten. Brontekst: כְּעַ֗ן (kean) = nu | כָּל (kal) = alle | קֳבֵל֙ (qovel) = tegenover | דִּֽי (di) = dat | מְלַ֤ח (melach) = het zout van | הֵֽיכְלָא֙ (heikhela) = het paleis | מְלַ֔חְנָא (melachna) = wij eten | וְעַרְוַ֣ת (vearvat) = en de schande van | מַלְכָּ֔א (malka) = de koning | לָ֥א (la) = niet | אֲֽרִֽיךְ (arikh) = past | לַ֖נָא (lana) = ons | לְמֶֽחֱזֵ֑א (lemecheze) = om te zien | עַ֨ל (al) = op | דְּנָ֔ה (dena) = dit | שְׁלַ֖חְנָא (shelachna) = hebben wij gestuurd | וְהוֹדַ֥עְנָא (vehodana) = en laten weten | לְמַלְכָּֽא (lemalka) = aan de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְלַח הֵיכְלָא מְלַחְנָא (melach heikhla melachna), ‘wij eten het zout van het paleis’: wij zijn in dienst van de koning en worden door hem onderhouden. Voetnoot : עֲרַוְתָא (aravat), ‘schande’: letterlijk ‘naaktheid’. Zie ook: Ezech 33:31; Joh 12:5–6; Joh 19:12–15 **4:15** Laat men zoeken in het boek met de gedenkschriften van uw vaders. In dat boek zult u het vinden en zult u weten dat die stad een opstandige stad is. Zij doet koningen en provincies schade. Er is al sinds de dagen van weleer oproer in gemaakt. Daarom is die stad verwoest. Brontekst: דִּ֡י (di) = dat | יְבַקַּר֩ (yevaqar) = men zoekt | בִּֽסְפַר (bisfar) = in het boek van | דָּכְרָ֨נַיָּ֜א (dakheranaya) = de gedenkschriften | דִּ֣י (di) = van | אֲבָהָתָ֗ךְ (avahatakh) = uw vaders | וּ֠תְהַשְׁכַּח (utehashkach) = en u zult vinden | בִּסְפַ֣ר (bisfar) = in het boek van | דָּכְרָנַיָּא֮ (dakheranaya) = de gedenkschriften | וְתִנְדַּע֒ (vetinda) = en u zult weten | דִּי֩ (di) = dat | קִרְיְתָ֨א (qiryeta) = die stad | דָ֜ךְ (dakh) = deze | קִרְיָ֣א (qirya) = een stad is | מָֽרָדָ֗א (marada) = opstandige | וּֽמְהַנְזְקַ֤ת (umehanzeqat) = en schadelijk voor | מַלְכִין֙ (malkhin) = koningen | וּמְדִנָ֔ן (umedinan) = en provincies | וְאֶשְׁתַּדּוּר֙ (veeshtadur) = en oproer | עָבְדִ֣ין (avedin) = maakten zij | בְּגַוַּ֔הּ (begavah) = in haar midden | מִן (min) = sinds | יוֹמָ֖ת (yomat) = de dagen van | עָלְמָ֑א (alema) = weleer | עַ֨ל (al) = op | דְּנָ֔ה (dena) = dit | קִרְיְתָ֥א (qiryeta) = die stad | דָ֖ךְ (dakh) = deze | הָֽחָרְבַֽת (hacharevat) = is verwoest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֵפֶר דָּכְרָנַיָּא (sefer dokhranaya), ‘het boek met de gedenkschriften’: de koninklijke archieven. Voetnoot : אִשְׁתַּדּוּר (ishtaddur), ‘oproer’: het woord is zeldzaam. De betekenis is ‘opstand’ of ‘oproer’. Zie ook: Jer 52:3–34; Dan 6:5–14; Ezra 4:12; Est 3:5–8; Neh 2:19 **4:16** Wij laten de koning weten: als die stad wordt herbouwd en de muren worden voltooid, hebt u hierdoor geen deel meer in het gebied over de rivier.” Brontekst: מְהוֹדְעִ֤ין (mehodein) = wij laten weten | אֲנַ֨חְנָה֙ (anachna) = wij | לְמַלְכָּ֔א (lemalka) = aan de koning | דִּ֠י (di) = dat | הֵ֣ן (hen) = als | קִרְיְתָ֥א (qiryeta) = die stad | דָךְ֙ (dakh) = deze | תִּתְבְּנֵ֔א (titbene) = wordt herbouwd | וְשׁוּרַיָּ֖ה (veshuraya) = en haar muren | יִֽשְׁתַּכְלְל֑וּן (yishtakhlelun) = worden voltooid | לָקֳבֵ֣ל (laqovel) = tegenover | דְּנָ֔ה (dena) = dit | חֲלָק֙ (chalaq) = een deel | בַּעֲבַ֣ר (baavar) = in gebied over | נַהֲרָ֔א (nahara) = de rivier | לָ֥א (la) = niet | אִיתַ֖י (itay) = is er | לָֽךְ (lakh) = voor u Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 8:3; 1 Kon 5:4; Ezra 4:20 ### Het antwoord van de koning **4:17** De koning stuurde dit antwoord aan Rechum, de bestuurder, aan Sjimsjai, de schrijver, en aan de rest van hun medewerkers die in Samaria wonen, en aan de rest van het gebied over de rivier: „Vrede. Enzovoort. Brontekst: פִּתְגָמָ֞א (pitgama) = een antwoord | שְׁלַ֣ח (shelach) = stuurde | מַלְכָּ֗א (malka) = de koning | עַל (al) = aan | רְח֤וּם (rechum) = Rechum | בְּעֵל (beel) = meester van | טְעֵם֙ (teem) = bevel | וְשִׁמְשַׁ֣י (veshimshay) = en Sjimsjai | סָֽפְרָ֔א (safera) = de schrijver | וּשְׁאָר֙ (ushear) = en de rest van | כְּנָוָ֣תְה֔וֹן (kenavatehon) = hun medewerkers | דִּ֥י (di) = die | יָתְבִ֖ין (yatevin) = wonen | בְּשָֽׁמְרָ֑יִן (beshamerayin) = in Samaria | וּשְׁאָ֧ר (ushear) = en de rest van | עֲבַֽר (avar) = gebied over | נַהֲרָ֛ה (nahara) = de rivier | שְׁלָ֖ם (shelam) = vrede | וּכְעֶֽת (ukheet) = en nu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie ook: Ezra 4:7; Ezra 4:9–11; Ezra 7:12; Luc 10:5; Rom 1:7 **4:18** De brief die jullie ons hebben gestuurd, is duidelijk voor mij voorgelezen. Brontekst: נִשְׁתְּוָנָ֕א (nishtevana) = de brief | דִּ֥י (di) = die | שְׁלַחְתּ֖וּן (shelachtun) = jullie hebben gestuurd | עֲלֶ֑ינָא (aleina) = aan ons | מְפָרַ֥שׁ (mefarash) = duidelijk | קֱרִ֖י (qeri) = is voorgelezen | קָדָמָֽי (qadamay) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְפָרַשׁ (mefarash), ‘duidelijk’: het woord kan ook ‘vertaald’ betekenen. Wij kiezen ‘duidelijk’. Zie ook: Neh 8:8 **4:19** Op mijn bevel is er onderzoek gedaan. Men heeft ontdekt dat die stad zich sinds de dagen van weleer tegen koningen verheft. Er is opstand en oproer in gemaakt. Brontekst: וּמִנִּי֮ (umini) = en door mij | שִׂ֣ים (sim) = is gegeven | טְעֵם֒ (teem) = bevel | וּבַקַּ֣רוּ (uvaqaru) = en men onderzocht | וְהַשְׁכַּ֔חוּ (vehashkachu) = en vond | דִּ֚י (di) = dat | קִרְיְתָ֣א (qiryeta) = die stad | דָ֔ךְ (dakh) = deze | מִן (min) = sinds | יוֹמָת֙ (yomat) = de dagen van | עָֽלְמָ֔א (alema) = weleer | עַל (al) = tegen | מַלְכִ֖ין (malkhin) = koningen | מִֽתְנַשְּׂאָ֑ה (mitnasea) = zich verheft | וּמְרַ֥ד (umerad) = en opstand | וְאֶשְׁתַּדּ֖וּר (veeshtadur) = en oproer | מִתְעֲבֶד (mitaved) = wordt gemaakt | בַּֽהּ (bah) = in haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 25:2; 2 Kon 18:7; 2 Kon 24:20; Ezra 4:15; Ezra 5:17–6:2 **4:20** Er zijn ook machtige koningen over Jeruzalem geweest. Zij heersten over het hele gebied over de rivier. Belasting, schatting en tol werden hun betaald. Brontekst: וּמַלְכִ֣ין (umalkhin) = en koningen | תַּקִּיפִ֗ין (taqifin) = machtige | הֲווֹ֙ (havo) = waren | עַל (al) = over | יְר֣וּשְׁלֶ֔ם (yerushelem) = Jeruzalem | וְשַׁ֨לִּיטִ֔ין (veshalitin) = en heersers | בְּכֹ֖ל (bekhol) = over heel | עֲבַ֣ר (avar) = gebied over | נַהֲרָ֑ה (nahara) = de rivier | וּמִדָּ֥ה (umida) = en belasting | בְל֛וֹ (belo) = schatting | וַהֲלָ֖ךְ (vahalakh) = en tol | מִתְיְהֵ֥ב (mityehev) = werd betaald | לְהֽוֹן (lehon) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De tekst noemt de machtige koningen niet bij naam. Het kunnen David en Salomo zijn, die ver buiten Juda heersten. Dat zegt de brief niet. Zie ook: Gen 15:18; 1 Kron 18:3; 1 Kron 19:19; Ps 72:8; 1 Kon 5:1 **4:21** Geef nu bevel dat deze mannen moeten ophouden. Die stad mag niet worden herbouwd, totdat ik daarover bevel geef. Brontekst: כְּעַן֙ (kean) = nu | שִׂ֣ימוּ (simu) = geef | טְּעֵ֔ם (teem) = bevel | לְבַטָּלָ֖א (levatala) = om te laten ophouden | גֻּבְרַיָּ֣א (guvraya) = mannen | אִלֵּ֑ךְ (ilekh) = deze | וְקִרְיְתָ֥א (veqiryeta) = en die stad | דָךְ֙ (dakh) = deze | לָ֣א (la) = niet | תִתְבְּנֵ֔א (titbene) = wordt herbouwd | עַד (ad) = totdat | מִנִּ֖י (mini) = door mij | טַעְמָ֥א (tama) = bevel | יִתְּשָֽׂם (yitesam) = wordt gegeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **4:22** Wees voorzichtig en wees hierin niet nalatig. Waarom zou de schade groter worden, tot nadeel van de koningen?” Brontekst: וּזְהִירִ֥ין (uzehirin) = en voorzichtig | הֱו֛וֹ (hevo) = wees | שָׁל֖וּ (shalu) = nalatig | לְמֶעְבַּ֣ד (lemebad) = om te doen | עַל (al) = op | דְּנָ֑ה (dena) = dit | לְמָה֙ (lema) = waarom | יִשְׂגֵּ֣א (yisge) = zou groeien | חֲבָלָ֔א (chavala) = de schade | לְהַנְזָקַ֖ת (lehanzaqat) = tot nadeel van | מַלְכִֽין (malkhin) = koningen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 4:13; Est 3:8–9; Est 7:3–4 ### Het werk ligt stil **4:23** Zodra het afschrift van de brief van koning Artachsasta voor Rechum, Sjimsjai, de schrijver, en hun medewerkers was voorgelezen, gingen zij haastig naar de Joden in Jeruzalem. Zij dwongen hen met geweld en macht op te houden. Brontekst: אֱדַ֗יִן (edayin) = toen | מִן (min) = sinds | דִּ֞י (di) = dat | פַּרְשֶׁ֤גֶן (parshegen) = het afschrift van | נִשְׁתְּוָנָא֙ (nishtevana) = de brief | דִּ֚י (di) = van | אַרְתַּחְשַׁ֣שְׂתְּ (artachshast) = Artachsasta | מַלְכָּ֔א (malka) = de koning | קֱרִ֧י (qeri) = werd voorgelezen | קֳדָם (qodam) = voor | רְח֛וּם (rechum) = Rechum | וְשִׁמְשַׁ֥י (veshimshay) = en Sjimsjai | סָפְרָ֖א (safera) = de schrijver | וּכְנָוָתְה֑וֹן (ukhenavatehon) = en hun medewerkers | אֲזַ֨לוּ (azalu) = gingen zij | בִבְהִיל֤וּ (bivhilu) = haastig | לִירֽוּשְׁלֶם֙ (lirushelem) = naar Jeruzalem | עַל (al) = tegen | יְה֣וּדָיֵ֔א (yehudaye) = de Joden | וּבַטִּ֥לוּ (uvatilu) = en zij lieten ophouden | הִמּ֖וֹ (himo) = hen | בְּאֶדְרָ֥ע (beedra) = met geweld | וְחָֽיִל (vechayil) = en macht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בְּאֶדְרַע (be’edra), ‘met geweld’: letterlijk ‘met arm’. Zie ook: Spr 4:16; Mi 2:1; Ezra 4:8–9; Ezra 4:17; Rom 3:15 **4:24** Toen lag het werk aan het huis van Elohim in Jeruzalem stil. Het bleef stilliggen tot het tweede jaar van het koningschap van Darius, de koning van Perzië. Brontekst: בֵּאדַ֗יִן (bedayin) = toen | בְּטֵלַת֙ (betelat) = hield op | עֲבִידַ֣ת (avidat) = het werk van | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֔א (elaha) = Elohim | דִּ֖י (di) = dat | בִּירוּשְׁלֶ֑ם (birushelem) = in Jeruzalem | וַהֲוָת֙ (vahavat) = en het was | בָּֽטְלָ֔א (batela) = stilliggend | עַ֚ד (ad) = tot | שְׁנַ֣ת (shenat) = het jaar | תַּרְתֵּ֔ין (tartein) = twee | לְמַלְכ֖וּת (lemalkhut) = van het koningschap van | דָּרְיָ֥וֶשׁ (dareyavesh) = Darius | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | פָּרָֽס (paras) = Perzië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: Dit vers pakt het verhaal van vers 5 weer op. Het tweede jaar van Darius I wordt gewoonlijk gedateerd op 520 voor Christus. Zie ook: Job 20:5; Ezra 4:5; Ezra 5:5; Hag 1:15; Neh 6:3; Neh 6:9 ## Ezra 5 _De bouw gaat verder en de brief van Tattenai aan Darius_ ### Haggai en Zacharia steunen de bouw **5:1** De profeten Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden in Juda en in Jeruzalem. Zij deden dat in de naam van de Elohim van Israël, die over hen was. Brontekst: וְהִתְנַבִּ֞י (vehitnabi) = en profeteerden | חַגַּ֣י (chagay) = Haggai | נְבִיָּ֗א (neviya) = de profeet | וּזְכַרְיָ֤ה (uzekharya) = en Zacharia | בַר (bar) = zoon van | עִדּוֹא֙ (ido) = Iddo | נְבִיַּיָּ֔א (neviyaya) = de profeten | עַל (al) = tot | יְה֣וּדָיֵ֔א (yehudaye) = de Joden | דִּ֥י (di) = die | בִיה֖וּד (bihud) = in Juda | וּבִירוּשְׁלֶ֑ם (uvirushelem) = en in Jeruzalem | בְּשֻׁ֛ם (beshum) = in de naam van | אֱלָ֥הּ (elah) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עֲלֵיהֽוֹן (aleihon) = over hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Haggai en Zacharia zijn profeten met een eigen boek: zie Hag. 1:1 en Zach. 1:1. Voetnoot : דִּי עֲלֵיהוֹן (di alehon), ‘die over hen was’: de Elohim van Israël was hun Elohim, onder wie zij leefden. Zie ook: Mi 5:3; Hag 1:1–2:1; Zach 1:1–2:4; Zach 4:6–10 **5:2** Toen stonden Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en Jesua, de zoon van Jehozadak, op. Zij begonnen het huis van Elohim in Jeruzalem te bouwen. De profeten van Elohim waren bij hen en steunden hen. Brontekst: בֵּאדַ֡יִן (bedayin) = toen | קָ֠מוּ (qamu) = stonden op | זְרֻבָּבֶ֤ל (zerubavel) = Zerubbabel | בַּר (bar) = zoon van | שְׁאַלְתִּיאֵל֙ (shealtiel) = Sjealtiël | וְיֵשׁ֣וּעַ (veyeshua) = en Jesua | בַּר (bar) = zoon van | יֽוֹצָדָ֔ק (yotsadaq) = Jehozadak | וְשָׁרִ֣יו (veshariv) = en zij begonnen | לְמִבְנֵ֔א (lemivne) = te bouwen | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֖א (elaha) = Elohim | דִּ֣י (di) = dat | בִירֽוּשְׁלֶ֑ם (birushelem) = in Jeruzalem | וְעִמְּה֛וֹן (veimehon) = en met hen | נְבִיַּיָּ֥א (neviyaya) = de profeten | דִֽי (di) = van | אֱלָהָ֖א (elaha) = Elohim | מְסָעֲדִ֥ין (mesaadin) = die steunden | לְהֽוֹן (lehon) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Jesua is de zoon van Jehozadak. In het Aramees staat יוֹצָדָק (Yotsadaq); in 1 Kron. 5:40–41 staat de langere vorm Jehozadak. Wij schrijven overal ‘Jehozadak’. Voetnoot : מְסָעֲדִין (mesa’adin), ‘steunden’: de profeten hielpen en moedigden hen aan. Zie ook: 1 Kron 5:40–41; Ezra 3:2; Ezra 6:14; Zach 3:1–4; Zach 6:11; 2 Kor 1:24 ### Tattenai komt naar Jeruzalem **5:3** Op dat moment kwamen Tattenai, de landvoogd van het gebied over de rivier, Sjetar-Bozenai en hun medewerkers naar hen toe. Zij zeiden tegen hen: „Wie heeft jullie bevel gegeven dit huis te bouwen en dit bouwwerk te voltooien?” Brontekst: בֵּהּ (beh) = op dat | זִמְנָא֩ (zimna) = moment | אֲתָ֨א (ata) = kwam | עֲלֵיה֜וֹן (aleihon) = naar hen toe | תַּ֠תְּנַי (tatenay) = Tattenai | פַּחַ֧ת (pachat) = landvoogd van | עֲבַֽר (avar) = gebied over | נַהֲרָ֛ה (nahara) = de rivier | וּשְׁתַ֥ר (ushetar) = en Sjetar | בּוֹזְנַ֖י (bozenay) = Bozenai | וּכְנָוָתְה֑וֹן (ukhenavatehon) = en hun medewerkers | וְכֵן֙ (vekhen) = en zo | אָמְרִ֣ין (amerin) = zeiden zij | לְהֹ֔ם (lehom) = tot hen | מַן (man) = wie | שָׂ֨ם (sam) = heeft gegeven | לְכֹ֜ם (lekhom) = aan jullie | טְעֵ֗ם (teem) = bevel | בַּיְתָ֤א (bayta) = dit huis | דְנָה֙ (dena) = dit | לִבְּנֵ֔א (libene) = om te bouwen | וְאֻשַּׁרְנָ֥א (veusharna) = en dit bouwwerk | דְנָ֖ה (dena) = dit | לְשַׁכְלָלָֽה (leshakhlala) = om te voltooien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחַת (pachat), ‘landvoogd’: een Perzische ambtenaar die een gebied bestuurt. Tattenai (תַּתְּנַי) is de landvoogd van het hele gebied over de rivier. Sjetar-Bozenai is zijn medewerker. Voetnoot : אֻשַּׁרְנָא (ushsharna), ‘bouwwerk’: het woord is zeldzaam en de betekenis is onzeker. Het kan ‘balkenwerk’ of ‘muur’ betekenen. Wij schrijven ‘bouwwerk’. Zie ook: Ezra 1:3; Ezra 5:9; Ezra 6:6; Ezra 6:13; Ezra 7:21 **5:4** Toen zeiden wij op deze manier tegen hen: „Hoe heten de mannen die dit gebouw bouwen?” Brontekst: אֱדַ֥יִן (edayin) = toen | כְּנֵ֖מָא (kenema) = als volgt | אֲמַ֣רְנָא (amarna) = zeiden wij | לְּהֹ֑ם (lehom) = tot hen | מַן (man) = wat | אִנּוּן֙ (inun) = zij | שְׁמָהָ֣ת (shemahat) = namen van | גֻּבְרַיָּ֔א (guvraya) = de mannen | דִּֽי (di) = die | דְנָ֥ה (dena) = dit | בִנְיָנָ֖א (binyana) = gebouw | בָּנַֽיִן (banayin) = bouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Aramese tekst heeft hier ‘wij zeiden’. Het is niet duidelijk wie spreekt: Tattenai en de zijnen, of de Joodse oudsten. Sommige oude vertalingen lezen ‘zij zeiden’. Wij volgen de Masoretische tekst. **5:5** Maar het oog van hun Elohim was op de oudsten van de Joden. Daarom konden zij hen niet laten ophouden. Eerst moest het bericht naar Darius gaan. Dan zou men daarover een brief terugsturen. Brontekst: וְעֵ֣ין (veein) = en het oog van | אֱלָהֲהֹ֗ם (elahahom) = hun Elohim | הֲוָת֙ (havat) = was | עַל (al) = op | שָׂבֵ֣י (savei) = de oudsten van | יְהוּדָיֵ֔א (yehudaye) = de Joden | וְלָא (vela) = en niet | בַטִּ֣לוּ (batilu) = lieten zij ophouden | הִמּ֔וֹ (himo) = hen | עַד (ad) = totdat | טַעְמָ֖א (tama) = het bericht | לְדָרְיָ֣וֶשׁ (ledareyavesh) = aan Darius | יְהָ֑ךְ (yehakh) = zou gaan | וֶאֱדַ֛יִן (veedayin) = en dan | יְתִיב֥וּן (yetivun) = zou men terugsturen | נִשְׁתְּוָנָ֖א (nishtevana) = een brief | עַל (al) = over | דְּנָֽה (dena) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Het oog van hun Elohim’ is een beeld: Elohim waakte over hen en beschermde hen. Vergelijk Ps. 33:18. Zie ook: Ps 33:18; Ps 34:16; Ezra 7:6; Ezra 7:28; 1 Petr 3:12 ### De brief van Tattenai aan Darius **5:6** Dit is een afschrift van de brief die Tattenai, de landvoogd van het gebied over de rivier, en Sjetar-Bozenai en zijn medewerkers, de Afarsakieten van het gebied over de rivier, naar koning Darius stuurden. Brontekst: פַּרְשֶׁ֣גֶן (parshegen) = afschrift van | אִ֠גַּרְתָּא (igarta) = de brief | דִּֽי (di) = die | שְׁלַ֞ח (shelach) = stuurde | תַּתְּנַ֣י (tatenay) = Tattenai | פַּחַ֣ת (pachat) = landvoogd van | עֲבַֽר (avar) = gebied over | נַהֲרָ֗ה (nahara) = de rivier | וּשְׁתַ֤ר (ushetar) = en Sjetar | בּוֹזְנַי֙ (bozenay) = Bozenai | וּכְנָ֣וָתֵ֔הּ (ukhenavateh) = en zijn medewerkers | אֲפַ֨רְסְכָיֵ֔א (afarsekhaye) = de Afarsakieten | דִּ֖י (di) = die | בַּעֲבַ֣ר (baavar) = in gebied over | נַהֲרָ֑ה (nahara) = de rivier | עַל (al) = aan | דָּרְיָ֖וֶשׁ (dareyavesh) = Darius | מַלְכָּֽא (malka) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַפַרְסְכָיֵא (afarsekaye), ‘Afarsakieten’: dit zijn medewerkers van de landvoogd. De betekenis van het woord is onzeker. Het kan een volk of een ambt zijn. Zie ook: Ezra 4:9; Ezra 4:11; Ezra 4:23; Ezra 5:3; Ezra 6:6 **5:7** Zij stuurden hem een bericht. Daarin stond geschreven: „Aan koning Darius: alle vrede. Brontekst: פִּתְגָמָ֖א (pitgama) = een bericht | שְׁלַ֣חוּ (shelachu) = zij stuurden | עֲל֑וֹהִי (alohi) = naar hem | וְכִדְנָה֙ (vekhidna) = en zo | כְּתִ֣יב (ketiv) = geschreven | בְּגַוֵּ֔הּ (begaveh) = daarin | לְדָרְיָ֥וֶשׁ (ledareyavesh) = aan Darius | מַלְכָּ֖א (malka) = de koning | שְׁלָמָ֥א (shelama) = vrede | כֹֽלָּא (kola) = alle Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Dan 3:9; Dan 3:31; Dan 6:22; Joh 14:27; 2 Tess 3:16 **5:8** De koning moet weten dat wij naar de provincie Juda zijn gegaan, naar het huis van de grote Elohim. Het wordt gebouwd met grote stenen. Er wordt hout in de wanden gelegd. Dat werk wordt stipt uitgevoerd en vordert goed onder hun handen. Brontekst: יְדִ֣יעַ (yedia) = bekend | לֶהֱוֵ֣א (leheve) = laat zijn | לְמַלְכָּ֗א (lemalka) = aan de koning | דִּֽי (di) = dat | אֲזַ֜לְנָא (azalna) = wij zijn gegaan | לִיה֤וּד (lihud) = naar Juda | מְדִֽינְתָּא֙ (medinta) = de provincie | לְבֵית֙ (leveit) = naar het huis van | אֱלָהָ֣א (elaha) = Elohim | רַבָּ֔א (raba) = de grote | וְה֤וּא (vehu) = en het | מִתְבְּנֵא֙ (mitbene) = wordt gebouwd | אֶ֣בֶן (even) = stenen | גְּלָ֔ל (gelal) = grote | וְאָ֖ע (vea) = en hout | מִתְּשָׂ֣ם (mitesam) = wordt gelegd | בְּכֻתְלַיָּ֑א (bekhutlaya) = in de wanden | וַעֲבִ֥ידְתָּא (vaavidta) = en dat werk | דָ֛ךְ (dakh) = dat | אָסְפַּ֥רְנָא (asparna) = stipt | מִתְעַבְדָ֖א (mitavda) = wordt gedaan | וּמַצְלַ֥ח (umatslach) = en vordert | בְּיֶדְהֹֽם (beyedhom) = onder hun handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Voetnoot Uitleg: אֶבֶן גְּלָל (even gelal), ‘grote stenen’: letterlijk ‘stenen van rollen’, zware stenen die men moest rollen. Voetnoot : אָסְפַּרְנָא (asparna), ‘stipt’: waarschijnlijk een leenwoord uit het Perzisch. Het betekent ‘nauwkeurig’ en ‘volledig’. Wij schrijven overal ‘stipt’. Voetnoot : מַצְלַח (matslach), ‘vordert goed’: het werk lukt. Zie ook: Ezra 2:1; Ezra 6:10; Ezra 7:23; Est 1:22; Mar 13:1–2 **5:9** Toen vroegen wij die oudsten: ‘Wie heeft jullie bevel gegeven dit huis te bouwen en dit bouwwerk te voltooien?’ Brontekst: אֱדַ֗יִן (edayin) = toen | שְׁאֵ֨לְנָא֙ (sheelena) = vroegen wij | לְשָׂבַיָּ֣א (lesavaya) = aan de oudsten | אִלֵּ֔ךְ (ilekh) = die | כְּנֵ֖מָא (kenema) = als volgt | אֲמַ֣רְנָא (amarna) = zeiden wij | לְּהֹ֑ם (lehom) = tot hen | מַן (man) = wie | שָׂ֨ם (sam) = heeft gegeven | לְכֹ֜ם (lekhom) = aan jullie | טְעֵ֗ם (teem) = bevel | בַּיְתָ֤א (bayta) = dit huis | דְנָה֙ (dena) = dit | לְמִבְנְיָ֔ה (lemivneya) = om het te bouwen | וְאֻשַּׁרְנָ֥א (veusharna) = en dit bouwwerk | דְנָ֖ה (dena) = dit | לְשַׁכְלָלָֽה (leshakhlala) = om het te voltooien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 5:3–4 **5:10** Wij vroegen hun ook naar hun namen, om die aan u te laten weten. Zo konden wij de namen opschrijven van de mannen die aan hun hoofd staan. Brontekst: וְאַ֧ף (veaf) = en ook | שְׁמָהָתְהֹ֛ם (shemahatehom) = hun namen | שְׁאֵ֥לְנָא (sheelena) = vroegen wij | לְּהֹ֖ם (lehom) = hun | לְהוֹדָעוּתָ֑ךְ (lehodautakh) = om u te laten weten | דִּ֛י (di) = zodat | נִכְתֻּ֥ב (nikhtuv) = wij konden schrijven | שֻׁם (shum) = de naam van | גֻּבְרַיָּ֖א (guvraya) = de mannen | דִּ֥י (di) = die | בְרָאשֵׁיהֹֽם (berasheihom) = aan hun hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het antwoord van de oudsten **5:11** Dit antwoord gaven zij ons: ‘Wij zijn de dienaren van de Elohim van de hemel en de aarde. Wij bouwen het huis dat vele jaren geleden was gebouwd. Een grote koning van Israël heeft het gebouwd en voltooid. Brontekst: וּכְנֵ֥מָא (ukhenema) = en als volgt | פִתְגָמָ֖א (pitgama) = een antwoord | הֲתִיב֣וּנָא (hativuna) = gaven zij ons | לְמֵמַ֑ר (lememar) = om te zeggen | אֲנַ֣חְנָא (anachna) = wij | הִמּ֡וֹ (himo) = zij | עַבְדוֹהִי֩ (avdohi) = dienaren van | דִֽי (di) = de | אֱלָ֨הּ (elah) = Elohim van | שְׁמַיָּ֜א (shemaya) = de hemel | וְאַרְעָ֗א (veara) = en de aarde | וּבָנַ֤יִן (uvanayin) = en wij bouwen | בַּיְתָא֙ (bayta) = het huis | דִּֽי (di) = dat | הֲוָ֨א (hava) = het | בְנֵ֜ה (bene) = gebouwd was | מִקַּדְמַ֤ת (miqadmat) = vanaf vroeger | דְּנָה֙ (dena) = dit | שְׁנִ֣ין (shenin) = jaren | שַׂגִּיאָ֔ן (sagian) = vele | וּמֶ֤לֶךְ (umelekh) = en een koning | לְיִשְׂרָאֵל֙ (leyisrael) = van Israël | רַ֔ב (rav) = grote | בְּנָ֖הִי (benahi) = heeft gebouwd | וְשַׁכְלְלֵֽהּ (veshakhleleh) = en voltooid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘grote koning van Israël’ is waarschijnlijk Salomo (1 Kon. 6:1). De tekst noemt zijn naam niet. Zie ook: 1 Kon 6:1; Dan 3:26; Luc 12:8; Hand 27:23; Rom 1:16; Rom 6:16 **5:12** Maar onze vaders hadden de Elohim van de hemel getergd. Daarom gaf Hij hen in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, de Chaldeeër. Die verwoestte dit huis en voerde het volk weg naar Babel. Brontekst: לָהֵ֗ן (lahen) = maar | מִן (min) = sinds | דִּ֨י (di) = dat | הַרְגִּ֤זוּ (hargizu) = tergden | אֲבָהֳתַ֨נָא֙ (avahotana) = onze vaders | לֶאֱלָ֣הּ (leelah) = de Elohim van | שְׁמַיָּ֔א (shemaya) = de hemel | יְהַ֣ב (yehav) = gaf | הִמּ֔וֹ (himo) = hen | בְּיַ֛ד (beyad) = in de hand van | נְבוּכַדְנֶצַּ֥ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | כַּסְדָּאָ֑ה (kasdaa) = de Chaldeeër | וּבַיְתָ֤ה (uvayta) = en dit huis | דְנָה֙ (dena) = dit | סַתְרֵ֔הּ (satreh) = verwoestte hij | וְעַמָּ֖ה (veama) = en het volk | הַגְלִ֥י (hagli) = voerde hij weg | לְבָבֶֽל (levavel) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Nebukadnezar (נְבוּכַדְנֶצַּר) is de koning van Babel die Jeruzalem verwoestte (2 Kon. 25:8–11). Voetnoot : כַּשְׂדָּאָה (kasdaah), ‘de Chaldeeër’: een bewoner van Babel. Zie ook: 2 Kon 24:2; 2 Kon 25:8–11; 2 Kron 36:16–17; Jer 39:1–14; Dan 9:5; Neh 9:26–27 **5:13** Maar in het eerste jaar van Kores, de koning van Babel, gaf koning Kores bevel dit huis van Elohim te bouwen. Brontekst: בְּרַם֙ (beram) = maar | בִּשְׁנַ֣ת (bishnat) = in het jaar | חֲדָ֔ה (chada) = één | לְכ֥וֹרֶשׁ (lekhoresh) = van Kores | מַלְכָּ֖א (malka) = de koning | דִּ֣י (di) = van | בָבֶ֑ל (bavel) = Babel | כּ֤וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | מַלְכָּא֙ (malka) = de koning | שָׂ֣ם (sam) = gaf | טְעֵ֔ם (teem) = bevel | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֥א (elaha) = Elohim | דְנָ֖ה (dena) = dit | לִבְּנֵֽא (libene) = om te bouwen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Kores is de koning van Perzië (zie Ezra 1:1–4). Hij heet hier ‘koning van Babel’, omdat hij Babel had veroverd. Zie ook: Jes 44:28–45:1; Ezra 1:1–8; Ezra 6:3–5 **5:14** Ook de gouden en zilveren voorwerpen van het huis van Elohim had Nebukadnezar uit de tempel in Jeruzalem weggehaald en naar de tempel van Babel gebracht. Koning Kores haalde ze weg uit de tempel van Babel. Zij werden gegeven aan iemand die Sjesbassar heette, die hij als landvoogd had aangesteld. Brontekst: וְ֠אַף (veaf) = en ook | מָאנַיָּ֣א (manaya) = de voorwerpen van | דִֽי (di) = dat | בֵית (beit) = het huis van | אֱלָהָא֮ (elaha) = Elohim | דִּ֣י (di) = dat van | דַהֲבָ֣ה (dahava) = goud | וְכַסְפָּא֒ (vekhaspa) = en zilver | דִּ֣י (di) = die | נְבוּכַדְנֶצַּ֗ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | הַנְפֵּק֙ (hanpeq) = had weggehaald | מִן (min) = uit | הֵֽיכְלָא֙ (heikhela) = de tempel | דִּ֣י (di) = die | בִֽירוּשְׁלֶ֔ם (birushelem) = in Jeruzalem | וְהֵיבֵ֣ל (veheivel) = en had gebracht | הִמּ֔וֹ (himo) = hen | לְהֵיכְלָ֖א (leheikhela) = naar de tempel | דִּ֣י (di) = die | בָבֶ֑ל (bavel) = in Babel | הַנְפֵּ֨ק (hanpeq) = haalde weg | הִמּ֜וֹ (himo) = hen | כּ֣וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | מַלְכָּ֗א (malka) = de koning | מִן (min) = uit | הֵֽיכְלָא֙ (heikhela) = de tempel | דִּ֣י (di) = die | בָבֶ֔ל (bavel) = in Babel | וִיהִ֨יבוּ֙ (vihivu) = en zij werden gegeven | לְשֵׁשְׁבַּצַּ֣ר (lesheshbatsar) = aan Sjesbassar | שְׁמֵ֔הּ (shemeh) = zijn naam | דִּ֥י (di) = die | פֶחָ֖ה (pecha) = landvoogd | שָׂמֵֽהּ (sameh) = had hij aangesteld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: Sjesbassar (שֵׁשְׁבַּצַּר) is de landvoogd van Juda aan wie Kores de voorwerpen gaf. Zie Ezra 1:8–11. Voetnoot : פַּחָה (pechah), ‘landvoogd’: zie vers 3. Zie ook: 2 Kron 36:18; Jer 52:19; Dan 5:2–3; Ezra 1:8–11; Ezra 5:3; Ezra 5:16; Ezra 6:5 **5:15** Hij zei tegen hem: „Neem deze voorwerpen. Ga ermee naar de tempel in Jeruzalem en leg ze daar neer. Het huis van Elohim moet worden herbouwd op zijn plaats.” Brontekst: וַאֲמַר (vaamar) = en hij zei | לֵ֓הּ (leh) = tot hem | אֵ֚ל (el) = deze | מָֽאנַיָּ֔א (manaya) = voorwerpen | שֵׂ֚א (se) = neem | אֵֽזֶל (ezel) = ga | אֲחֵ֣ת (achet) = leg neer | הִמּ֔וֹ (himo) = hen | בְּהֵיכְלָ֖א (beheikhela) = in de tempel | דִּ֣י (di) = die | בִירוּשְׁלֶ֑ם (birushelem) = in Jeruzalem | וּבֵ֥ית (uveit) = en het huis van | אֱלָהָ֖א (elaha) = Elohim | יִתְבְּנֵ֥א (yitbene) = moet worden gebouwd | עַל (al) = op | אַתְרֵֽהּ (atreh) = zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Ezra 1:2; Ezra 3:3; Ezra 6:3 **5:16** Toen kwam die Sjesbassar. Hij legde de fundamenten van het huis van Elohim in Jeruzalem. Vanaf die tijd tot nu wordt er gebouwd, maar het is nog niet voltooid.’ Brontekst: אֱדַ֨יִן֙ (edayin) = toen | שֵׁשְׁבַּצַּ֣ר (sheshbatsar) = Sjesbassar | דֵּ֔ךְ (dekh) = die | אֲתָ֗א (ata) = kwam | יְהַ֧ב (yehav) = legde | אֻשַּׁיָּ֛א (ushaya) = de fundamenten van | דִּי (di) = het | בֵ֥ית (beit) = huis van | אֱלָהָ֖א (elaha) = Elohim | דִּ֣י (di) = dat | בִירוּשְׁלֶ֑ם (birushelem) = in Jeruzalem | וּמִן (umin) = en sinds | אֱדַ֧יִן (edayin) = toen | וְעַד (vead) = en tot | כְּעַ֛ן (kean) = nu | מִתְבְּנֵ֖א (mitbene) = wordt gebouwd | וְלָ֥א (vela) = en niet | שְׁלִֽם (shelim) = voltooid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Volgens dit vers legde Sjesbassar de fundamenten. Ezra 3:10 vertelt dat het fundament werd gelegd onder Zerubbabel en Jesua. Hoe dit zich tot elkaar verhoudt, zegt de tekst niet. Zie ook: Ezra 3:8; Ezra 3:10; Ezra 6:15; Hag 1:12–14; Hag 2:18 **5:17** Nu dan, als het de koning goed lijkt, laat men zoeken in het schathuis van de koning daar in Babel. Dan kan men zien of koning Kores bevel heeft gegeven dit huis van Elohim in Jeruzalem te bouwen. Laat de koning ons zijn wil hierover weten.” Brontekst: וּכְעַ֞ן (ukhean) = en nu | הֵ֧ן (hen) = als | עַל (al) = over | מַלְכָּ֣א (malka) = de koning | טָ֗ב (tav) = goed is | יִ֠תְבַּקַּר (yitbaqar) = laat men zoeken | בְּבֵ֨ית (beveit) = in het huis van | גִּנְזַיָּ֜א (ginzaya) = de schatten | דִּי (di) = van | מַלְכָּ֣א (malka) = de koning | תַמָּה֮ (tama) = daar | דִּ֣י (di) = dat | בְּבָבֶל֒ (bevavel) = in Babel | הֵ֣ן (hen) = of | אִיתַ֗י (itay) = er is | דִּֽי (di) = dat | מִן (min) = van | כּ֤וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | מַלְכָּא֙ (malka) = de koning | שִׂ֣ים (sim) = gegeven werd | טְעֵ֔ם (teem) = bevel | לְמִבְנֵ֛א (lemivne) = om te bouwen | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֥א (elaha) = Elohim | דֵ֖ךְ (dekh) = dat | בִּירוּשְׁלֶ֑ם (birushelem) = in Jeruzalem | וּרְע֥וּת (ureut) = en de wil van | מַלְכָּ֛א (malka) = de koning | עַל (al) = over | דְּנָ֖ה (dena) = dit | יִשְׁלַ֥ח (yishlach) = laat hij sturen | עֲלֶֽינָא (aleina) = naar ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het schathuis in Babel is waarschijnlijk het koninklijk archief. In Ezra 6:1–2 wordt gezocht in Babel en in Achmeta. Zie ook: Spr 25:2; Ezra 4:15; Ezra 4:19; Ezra 6:1–5 ## Ezra 6 _Het bevel van Darius, de voltooiing en de inwijding van de tempel_ ### Darius laat zoeken in de archieven **6:1** Toen gaf koning Darius bevel. Men zocht in het huis van de geschriften, waar de schatten in Babel werden neergelegd. Brontekst: בֵּאדַ֛יִן (bedayin) = toen | דָּרְיָ֥וֶשׁ (dareyavesh) = Darius | מַלְכָּ֖א (malka) = de koning | שָׂ֣ם (sam) = gaf | טְעֵ֑ם (teem) = bevel | וּבַקַּ֣רוּ (uvaqaru) = en men zocht | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | סִפְרַיָּ֗א (sifraya) = de geschriften | דִּ֧י (di) = waar | גִנְזַיָּ֛א (ginzaya) = de schatten | מְהַחֲתִ֥ין (mehachatin) = werden neergelegd | תַּמָּ֖ה (tama) = daar | בְּבָבֶֽל (bevavel) = in Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: בֵּית סִפְרַיָּא (beit sifrayya), ‘huis van de geschriften’: het archief waar de koninklijke papieren werden bewaard. Zie ook: Spr 25:2; Jer 36:32; Ezra 4:15; Ezra 5:17; Openb 5:1 **6:2** In Achmeta, in de burcht in de provincie Medië, vond men een rol. Daarin stond een gedenkschrift met deze inhoud: Brontekst: וְהִשְׁתְּכַ֣ח (vehishtekhach) = en werd gevonden | בְּאַחְמְתָ֗א (beachmeta) = in Achmeta | בְּבִֽירְתָ֛א (bevireta) = in de burcht | דִּ֛י (di) = die | בְּמָדַ֥י (bemaday) = in Medië | מְדִינְתָּ֖ה (medinta) = de provincie | מְגִלָּ֣ה (megila) = een rol | חֲדָ֑ה (chada) = één | וְכֵן (vekhen) = en zo | כְּתִ֥יב (ketiv) = geschreven | בְּגַוַּ֖הּ (begavah) = daarin | דִּכְרוֹנָֽה (dikhrona) = een gedenkschrift Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Achmeta (Ecbatana): Achmeta is Ecbatana, de zomerresidentie van de Perzische koningen en hoofdstad van Medië, bij het huidige Hamadan. Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran. Voetnoot Uitleg: אַחְמְתָא (Achmeta), ‘Achmeta’: dit is de stad die wij kennen als Ecbatana, het huidige Hamadan in Iran. Het lag in Medië. De ligging is zeker. Achmeta was een zomerverblijf van de Perzische koningen. Voetnoot : בִּירְתָא (birta), ‘burcht’: een versterkt paleis. Voetnoot : דִּכְרוֹנָה (dikhrona), ‘gedenkschrift’: een kort schriftelijk verslag van een koninklijk besluit. Zie ook: 2 Kon 17:6 **6:3** „In het eerste jaar van koning Kores gaf koning Kores bevel over het huis van Elohim in Jeruzalem. Het huis moet worden herbouwd als plaats waar men offers brengt. De fundamenten moeten stevig worden gelegd. De hoogte is 60 el en de breedte 60 el. Brontekst: בִּשְׁנַ֨ת (bishnat) = in het jaar | חֲדָ֜ה (chada) = één | לְכ֣וֹרֶשׁ (lekhoresh) = van Kores | מַלְכָּ֗א (malka) = de koning | כּ֣וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | מַלְכָּא֮ (malka) = de koning | שָׂ֣ם (sam) = gaf | טְעֵם֒ (teem) = bevel | בֵּית (beit) = over het huis van | אֱלָהָ֤א (elaha) = Elohim | בִֽירוּשְׁלֶם֙ (birushelem) = in Jeruzalem | בַּיְתָ֣א (bayta) = het huis | יִתְבְּנֵ֔א (yitbene) = moet worden herbouwd | אֲתַר֙ (atar) = een plaats | דִּֽי (di) = waar | דָבְחִ֣ין (davechin) = men offert | דִּבְחִ֔ין (divchin) = offers | וְאֻשּׁ֖וֹהִי (veushohi) = en zijn fundamenten | מְסֽוֹבְלִ֑ין (mesovelin) = worden stevig gelegd | רוּמֵהּ֙ (rumeh) = zijn hoogte | אַמִּ֣ין (amin) = el | שִׁתִּ֔ין (shitin) = 60 | פְּתָיֵ֖הּ (petayeh) = zijn breedte | אַמִּ֥ין (amin) = el | שִׁתִּֽין (shitin) = 60 Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het gedenkschrift (verzen 3–5) bevat het besluit van Kores. Het komt overeen met Ezra 1:2–4. De Hebreeuwse versie in Ezra 1 bevat andere woorden dan dit Aramese besluit. Voetnoot : אַמִּין (ammin), ‘el’: een el is ongeveer 45 centimeter. Zestig el is ongeveer 27 meter. De maten zijn bij benadering. Vergelijk 1 Kon. 6:2, de maten van de tempel van Salomo. Voetnoot : מְסוֹבְלִין (mesovelin), ‘stevig gelegd’: letterlijk ‘gedragen’. De betekenis is onzeker. Zie ook: Deut 12:5–6; Ps 122:4; 1 Kon 6:2; 2 Kron 36:22–1:4; Ezra 1:2–4; Ezra 5:13–15; Openb 21:16 **6:4** Er moeten drie lagen grote stenen komen en één laag nieuw hout. De kosten moeten worden betaald uit het huis van de koning. Brontekst: נִדְבָּכִ֞ין (nidbakhin) = lagen | דִּי (di) = van | אֶ֤בֶן (even) = stenen | גְּלָל֙ (gelal) = grote | תְּלָתָ֔א (telata) = drie | וְנִדְבָּ֖ךְ (venidbakh) = en een laag | דִּי (di) = van | אָ֣ע (a) = hout | חֲדַ֑ת (chadat) = nieuw | וְנִ֨פְקְתָ֔א (venifqeta) = en de kosten | מִן (min) = uit | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | מַלְכָּ֖א (malka) = de koning | תִּתְיְהִֽב (tityehiv) = moeten worden gegeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדְבָּכִין (nidbakhin), ‘lagen’: rijen stenen of balken boven elkaar. Zie ook: Ps 68:30; 1 Kon 6:36; Jes 49:23; Ezra 7:20–23; Openb 12:16 **6:5** Ook de gouden en zilveren voorwerpen van het huis van Elohim moeten worden teruggegeven. Nebukadnezar heeft ze uit de tempel in Jeruzalem weggehaald en naar Babel gebracht. Zij moeten terugkeren naar de tempel in Jeruzalem, naar hun plaats. Men moet ze neerleggen in het huis van Elohim.” Brontekst: וְ֠אַף (veaf) = en ook | מָאנֵ֣י (manei) = de voorwerpen van | בֵית (beit) = het huis van | אֱלָהָא֮ (elaha) = Elohim | דִּ֣י (di) = die van | דַהֲבָ֣ה (dahava) = goud | וְכַסְפָּא֒ (vekhaspa) = en zilver | דִּ֣י (di) = die | נְבֽוּכַדְנֶצַּ֗ר (nevukhadnetsar) = Nebukadnezar | הַנְפֵּ֛ק (hanpeq) = had weggehaald | מִן (min) = uit | הֵיכְלָ֥א (heikhela) = de tempel | דִי (di) = die | בִירוּשְׁלֶ֖ם (birushelem) = in Jeruzalem | וְהֵיבֵ֣ל (veheivel) = en had gebracht | לְבָבֶ֑ל (levavel) = naar Babel | יַהֲתִיב֗וּן (yahativun) = moeten worden teruggegeven | וִ֠יהָךְ (vihakh) = en moeten gaan | לְהֵיכְלָ֤א (leheikhela) = naar de tempel | דִי (di) = die | בִירֽוּשְׁלֶם֙ (birushelem) = in Jeruzalem | לְאַתְרֵ֔הּ (leatreh) = naar zijn plaats | וְתַחֵ֖ת (vetachet) = en u zult neerleggen | בְּבֵ֥ית (beveit) = in het huis van | אֱלָהָֽא (elaha) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: De werkwoordsvorm תַּחֵת (tachet) is letterlijk ‘u zult neerleggen’, enkelvoud. De tekst zegt niet wie wordt aangesproken. Wij schrijven ‘men moet ze neerleggen’. Zie ook: 2 Kon 25:14–15; 2 Kron 36:6–7; Jer 27:16; Dan 5:2; Ezra 5:14 ### Het antwoord van Darius aan Tattenai **6:6** „Nu dan, Tattenai, landvoogd van het gebied over de rivier, Sjetar-Bozenai en jullie medewerkers, de Afarsakieten van het gebied over de rivier: blijf ver weg van daar. Brontekst: כְּעַ֡ן (kean) = nu | תַּ֠תְּנַי (tatenay) = Tattenai | פַּחַ֨ת (pachat) = landvoogd van | עֲבַֽר (avar) = gebied over | נַהֲרָ֜ה (nahara) = de rivier | שְׁתַ֤ר (shetar) = Sjetar | בּוֹזְנַי֙ (bozenay) = Bozenai | וּכְנָוָ֣תְה֔וֹן (ukhenavatehon) = en hun medewerkers | אֲפַרְסְכָיֵ֔א (afarsekhaye) = de Afarsakieten | דִּ֖י (di) = die | בַּעֲבַ֣ר (baavar) = in gebied over | נַהֲרָ֑ה (nahara) = de rivier | רַחִיקִ֥ין (rachiqin) = ver | הֲו֖וֹ (havo) = wees | מִן (min) = van | תַּמָּֽה (tama) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier tot en met vers 12 volgt de brief van Darius aan Tattenai. Voetnoot : רְחִיקִין (rechikin), ‘ver weg’: blijf er ver vandaan en bemoei je er niet mee. Zie ook: Spr 21:30; Ezra 5:3; Ezra 5:6; Ezra 6:12; Hand 4:26–28; Rom 8:31 **6:7** Laat het werk aan dat huis van Elohim ongemoeid. De landvoogd van de Joden en de oudsten van de Joden mogen dat huis van Elohim op zijn plaats bouwen. Brontekst: שְׁבֻ֕קוּ (shevuqu) = laat | לַעֲבִידַ֖ת (laavidat) = het werk aan | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֣א (elaha) = Elohim | דֵ֑ךְ (dekh) = dat | פַּחַ֤ת (pachat) = de landvoogd van | יְהוּדָיֵא֙ (yehudaye) = de Joden | וּלְשָׂבֵ֣י (ulesavei) = en de oudsten van | יְהוּדָיֵ֔א (yehudaye) = de Joden | בֵּית (beit) = dat huis van | אֱלָהָ֥א (elaha) = Elohim | דֵ֖ךְ (dekh) = dat | יִבְנ֥וֹן (yivnon) = zij mogen bouwen | עַל (al) = op | אַתְרֵֽהּ (atreh) = zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hand 5:38–39 **6:8** Ik geef ook bevel wat jullie moeten doen voor die oudsten van de Joden bij het bouwen van dat huis van Elohim. De kosten moeten stipt aan die mannen worden gegeven uit de goederen van de koning, uit de belasting van het gebied over de rivier. Zo valt het werk niet stil. Brontekst: וּמִנִּי֮ (umini) = en door mij | שִׂ֣ים (sim) = wordt gegeven | טְעֵם֒ (teem) = bevel | לְמָ֣א (lema) = wat | דִֽי (di) = dat | תַֽעַבְד֗וּן (taavdun) = jullie moeten doen | עִם (im) = met | שָׂבֵ֤י (savei) = de oudsten van | יְהוּדָיֵא֙ (yehudaye) = de Joden | אִלֵּ֔ךְ (ilekh) = die | לְמִבְנֵ֖א (lemivne) = om te bouwen | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֣א (elaha) = Elohim | דֵ֑ךְ (dekh) = dat | וּמִנִּכְסֵ֣י (uminikhsei) = en uit de goederen van | מַלְכָּ֗א (malka) = de koning | דִּ֚י (di) = die | מִדַּת֙ (midat) = van de belasting van | עֲבַ֣ר (avar) = gebied over | נַהֲרָ֔ה (nahara) = de rivier | אָסְפַּ֗רְנָא (asparna) = stipt | נִפְקְתָ֛א (nifqeta) = de kosten | תֶּהֱוֵ֧א (teheve) = moeten zijn | מִֽתְיַהֲבָ֛א (mityahava) = gegeven | לְגֻבְרַיָּ֥א (leguvraya) = aan de mannen | אִלֵּ֖ךְ (ilekh) = die | דִּי (di) = opdat | לָ֥א (la) = niet | לְבַטָּלָֽא (levatala) = zij ophouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָסְפַּרְנָא (asparna), ‘stipt’: zie Ezra 5:8. Zie ook: Ezra 4:20–21; Ezra 5:5; Ezra 5:8; Ezra 6:4; Ezra 7:15–22; Hag 2:8 **6:9** Wat zij nodig hebben, moet hun dag na dag worden gegeven, zonder verzuim. Dat zijn jonge stieren, rammen en lammeren voor brandoffers aan de Elohim van de hemel, en tarwe, zout, wijn en olie. Dat gebeurt naar het woord van de priesters in Jeruzalem. Brontekst: וּמָ֣ה (uma) = en wat | חַשְׁחָ֡ן (chashchan) = nodig is | וּבְנֵ֣י (uvenei) = en jonge | תוֹרִ֣ין (torin) = stieren | וְדִכְרִ֣ין (vedikhrin) = en rammen | וְאִמְּרִ֣ין (veimerin) = en lammeren | לַעֲלָוָ֣ן (laalavan) = voor brandoffers | לֶאֱלָ֪הּ (leelah) = aan de Elohim van | שְׁמַיָּ֟א (shemaya) = de hemel | חִנְטִ֞ין (chintin) = tarwe | מְלַ֣ח (melach) = zout | חֲמַ֣ר (chamar) = wijn | וּמְשַׁ֗ח (umeshach) = en olie | כְּמֵאמַ֨ר (kememar) = naar het woord van | כָּהֲנַיָּ֤א (kahanaya) = de priesters | דִי (di) = die | בִירֽוּשְׁלֶם֙ (birushelem) = in Jeruzalem | לֶהֱוֵ֨א (leheve) = het moet zijn | מִתְיְהֵ֥ב (mityehev) = gegeven | לְהֹ֛ם (lehom) = hun | י֥וֹם (yom) = dag | בְּי֖וֹם (beyom) = na dag | דִּי (di) = zonder dat | לָ֥א (la) = niet | שָׁלֽוּ (shalu) = verzuim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: עֲלָוָן (alavan), ‘brandoffers’: het Aramese woord voor de olah. Het zijn offers die geheel op het altaar verbrand worden. Voetnoot : חֲשְׁחָן (chashchan), ‘nodig’: wat zij nodig hebben voor de dienst. Zie ook: Lev 1:10; Num 28:1–29; 1 Kron 9:29; Ps 50:9–13; Jes 49:23 **6:10** Zo kunnen zij offers met een aangename geur brengen aan de Elohim van de hemel. Zij bidden dan voor het leven van de koning en van zijn zonen. Brontekst: דִּֽי (di) = zodat | לֶהֱוֺ֧ן (lehevon) = zij | מְהַקְרְבִ֛ין (mehaqrevin) = offeren | נִיחוֹחִ֖ין (nichochin) = aangename offers | לֶאֱלָ֣הּ (leelah) = aan de Elohim van | שְׁמַיָּ֑א (shemaya) = de hemel | וּמְצַלַּ֕יִן (umetsalayin) = en bidden | לְחַיֵּ֥י (lechayei) = voor het leven van | מַלְכָּ֖א (malka) = de koning | וּבְנֽוֹהִי (uvenohi) = en zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִיחוֹחִין (nichochin), ‘aangename offers’: letterlijk ‘offers met een aangename geur’, zoals in het Hebreeuws רֵיחַ נִיחֹחַ (reach nichoach). Zie ook: Gen 8:21; Jer 29:7; Ezra 7:23; Ef 5:2; 1 Tim 2:1–2 **6:11** Ik geef ook bevel: als iemand dit besluit verandert, moet er een balk uit zijn huis worden getrokken. Hij moet daaraan worden opgericht en geslagen. Zijn huis moet hierom een mesthoop worden. Brontekst: וּמִנִּי֮ (umini) = en door mij | שִׂ֣ים (sim) = wordt gegeven | טְעֵם֒ (teem) = bevel | דִּ֣י (di) = dat | כָל (kal) = ieder | אֱנָ֗שׁ (enash) = mens | דִּ֤י (di) = die | יְהַשְׁנֵא֙ (yehashne) = verandert | פִּתְגָמָ֣א (pitgama) = het woord | דְנָ֔ה (dena) = dit | יִתְנְסַ֥ח (yitnesach) = wordt getrokken | אָע֙ (a) = een balk | מִן (min) = uit | בַּיְתֵ֔הּ (bayteh) = zijn huis | וּזְקִ֖יף (uzeqif) = en opgericht | יִתְמְחֵ֣א (yitmeche) = geslagen | עֲלֹ֑הִי (alohi) = daaraan | וּבַיְתֵ֛הּ (uvayteh) = en zijn huis | נְוָל֥וּ (nevalu) = tot mesthoop | יִתְעֲבֵ֖ד (yitaved) = wordt gemaakt | עַל (al) = om | דְּנָֽה (dena) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יִתְנְסַח (yitnesach), ‘wordt getrokken’: de balk wordt uit het huis van de overtreder gehaald. De betekenis van de straf is onzeker. Het kan gaan om ophangen of op een paal steken. Voetnoot : נְוָלוּ (nevalu), ‘mesthoop’: letterlijk een plaats waar men afval stort. Zie ook: 2 Kon 9:37; Dan 2:5; Dan 3:29; Ezra 7:26; Est 5:4 **6:12** En de Elohim die Zijn naam daar heeft laten wonen, moge elke koning en elk volk neerhalen dat zijn hand uitsteekt om dit te veranderen. Dat geldt ook voor wie dat huis van Elohim in Jeruzalem wil verwoesten. Ik, Darius, heb dit bevel gegeven. Het moet stipt worden uitgevoerd.” Brontekst: וֵֽאלָהָ֞א (velaha) = en de Elohim | דִּ֣י (di) = die | שַׁכִּ֧ן (shakin) = heeft laten wonen | שְׁמֵ֣הּ (shemeh) = Zijn naam | תַּמָּ֗ה (tama) = daar | יְמַגַּ֞ר (yemagar) = moge neerhalen | כָּל (kal) = elke | מֶ֤לֶךְ (melekh) = koning | וְעַם֙ (veam) = en volk | דִּ֣י (di) = die | יִשְׁלַ֣ח (yishlach) = uitsteekt | יְדֵ֗הּ (yedeh) = zijn hand | לְהַשְׁנָיָ֛ה (lehashnaya) = om te veranderen | לְחַבָּלָ֛ה (lechabala) = om te verwoesten | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֥א (elaha) = Elohim | דֵ֖ךְ (dekh) = dat | דִּ֣י (di) = dat | בִירוּשְׁלֶ֑ם (birushelem) = in Jeruzalem | אֲנָ֤ה (ana) = ik | דָרְיָ֨וֶשׁ֙ (dareyavesh) = Darius | שָׂ֣מֶת (samet) = heb gegeven | טְעֵ֔ם (teem) = bevel | אָסְפַּ֖רְנָא (asparna) = stipt | יִתְעֲבִֽד (yitavid) = laat het worden uitgevoerd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: ‘Zijn naam laten wonen’: de Elohim van Israël koos Jeruzalem als plaats voor Zijn naam. Vergelijk Deut. 12:11. Zie ook: Ex 20:24; Deut 12:5; Deut 12:11; 1 Kon 9:3; Est 8:14 ### De tempel wordt voltooid **6:13** Toen deden Tattenai, de landvoogd van het gebied over de rivier, Sjetar-Bozenai en hun medewerkers stipt wat koning Darius had gestuurd. Brontekst: אֱ֠דַיִן (edayin) = toen | תַּתְּנַ֞י (tatenay) = Tattenai | פַּחַ֧ת (pachat) = landvoogd van | עֲבַֽר (avar) = gebied over | נַהֲרָ֛ה (nahara) = de rivier | שְׁתַ֥ר (shetar) = Sjetar | בּוֹזְנַ֖י (bozenay) = Bozenai | וּכְנָוָתְה֑וֹן (ukhenavatehon) = en hun medewerkers | לָקֳבֵ֗ל (laqovel) = overeenkomstig | דִּֽי (di) = wat | שְׁלַ֞ח (shelach) = had gestuurd | דָּרְיָ֧וֶשׁ (dareyavesh) = Darius | מַלְכָּ֛א (malka) = de koning | כְּנֵ֖מָא (kenema) = zo | אָסְפַּ֥רְנָא (asparna) = stipt | עֲבַֽדוּ (avadu) = deden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 29:26; Ezra 4:9; Ezra 4:23; Ezra 5:6; Est 6:11 **6:14** De oudsten van de Joden bouwden en hadden succes door de profetie van de profeet Haggai en van Zacharia, de zoon van Iddo. Zij bouwden en voltooiden het. Dat gebeurde naar het bevel van de Elohim van Israël en naar het bevel van Kores, Darius en Artachsasta, de koning van Perzië. Brontekst: וְשָׂבֵ֤י (vesavei) = en de oudsten van | יְהוּדָיֵא֙ (yehudaye) = de Joden | בָּנַ֣יִן (banayin) = bouwden | וּמַצְלְחִ֔ין (umatslechin) = en hadden succes | בִּנְבוּאַת֙ (binvuat) = door de profetie van | חַגַּ֣י (chagay) = Haggai | נְבִיָּ֔א (neviya) = de profeet | וּזְכַרְיָ֖ה (uzekharya) = en Zacharia | בַּר (bar) = zoon van | עִדּ֑וֹא (ido) = Iddo | וּבְנ֣וֹ (uveno) = en zij bouwden | וְשַׁכְלִ֗לוּ (veshakhlilu) = en voltooiden | מִן (min) = naar | טַ֨עַם֙ (taam) = het bevel van | אֱלָ֣הּ (elah) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּמִטְּעֵם֙ (umiteem) = en het bevel van | כּ֣וֹרֶשׁ (koresh) = Kores | וְדָרְיָ֔וֶשׁ (vedareyavesh) = en Darius | וְאַרְתַּחְשַׁ֖שְׂתְּא (veartachshaste) = en Artachsasta | מֶ֥לֶךְ (melekh) = koning van | פָּרָֽס (paras) = Perzië Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: Haggai en Zacharia zijn de profeten van Ezra 5:1. Zie Hag. 1:1 en Zach. 1:1. Voetnoot : Artachsasta wordt hier met Kores en Darius genoemd. Het huis was in Darius’ tijd voltooid. De steun van Artachsasta komt in Ezra 7 aan bod. Zie ook: Ezra 1:1–4; Ezra 4:24–5:2; Ezra 5:1; Ezra 5:13; Ezra 6:12–13; Ezra 7:1; Hag 1:1; Zach 1:1 **6:15** Dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand Adar. Dat was het zesde jaar van het koningschap van koning Darius. Brontekst: וְשֵׁיצִיא֙ (vesheitsi) = en het werd voltooid | בַּיְתָ֣ה (bayta) = huis | דְנָ֔ה (dena) = dit | עַ֛ד (ad) = tot | י֥וֹם (yom) = dag | תְּלָתָ֖ה (telata) = drie | לִירַ֣ח (lirach) = van de maand | אֲדָ֑ר (adar) = Adar | דִּי (di) = dat | הִ֣יא (hi) = het is | שְׁנַת (shenat) = jaar | שֵׁ֔ת (shet) = zes | לְמַלְכ֖וּת (lemalkhut) = van het koningschap van | דָּרְיָ֥וֶשׁ (dareyavesh) = Darius | מַלְכָּֽא (malka) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Adar is de twaalfde maand van het jaar. De derde dag van Adar in het zesde jaar van Darius I is ongeveer maart 515 voor Christus. Deze datering komt uit het geheugen en is niet gecontroleerd. Zie ook: Est 3:7; Est 8:12; Est 9:17; Est 9:19; Est 9:21 ### De inwijding van het huis van Elohim **6:16** De Israëlieten, de priesters, de Levieten en de rest van de ballingen vierden met vreugde de inwijding van dit huis van Elohim. Brontekst: וַעֲבַ֣דוּ (vaavadu) = en vierden | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | כָּהֲנַיָּ֨א (kahanaya) = de priesters | וְלֵוָיֵ֜א (velevaye) = en de Levieten | וּשְׁאָ֣ר (ushear) = en de rest van | בְּנֵי (benei) = de zonen van | גָלוּתָ֗א (galuta) = de ballingschap | חֲנֻכַּ֛ת (chanukat) = de inwijding van | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֥א (elaha) = Elohim | דְנָ֖ה (dena) = dit | בְּחֶדְוָֽה (bechedva) = met vreugde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 8:63; 2 Kron 7:5; Ezra 6:22; Joh 10:22; Fil 4:4 **6:17** Bij de inwijding van dit huis van Elohim brachten zij 100 stieren, 200 rammen en 400 lammeren als offer. Als zondoffer voor heel Israël brachten zij 12 geitenbokken, naar het aantal van de stammen van Israël. Brontekst: וְהַקְרִ֗בוּ (vehaqrivu) = en zij brachten als offer | לַחֲנֻכַּת֮ (lachanukat) = bij de inwijding van | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֣א (elaha) = Elohim | דְנָה֒ (dena) = dit | תּוֹרִ֣ין (torin) = stieren | מְאָ֔ה (mea) = 100 | דִּכְרִ֣ין (dikhrin) = rammen | מָאתַ֔יִן (matayin) = 200 | אִמְּרִ֖ין (imerin) = lammeren | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | מְאָ֑ה (mea) = honderd | וּצְפִירֵ֨י (utsefirei) = en bokken van | עִזִּ֜ין (izin) = geiten | לְחַטָּאָ֤ה (lechataa) = als zondoffer | עַל (al) = voor | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | תְּרֵֽי (terei) = twee | עֲשַׂ֔ר (asar) = tien | לְמִנְיָ֖ן (leminyan) = naar het aantal van | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = de stammen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk de offers bij de inwijding van de tempel van Salomo (1 Kon. 8:63). Hier zijn de aantallen veel kleiner. Zie ook: 1 Kon 8:63; 2 Kron 7:5; 2 Kron 29:21–23; 2 Kron 29:31–35; Ezra 8:35; Openb 7:4–8 **6:18** Zij stelden de priesters aan in hun indelingen en de Levieten in hun afdelingen, voor de dienst van Elohim in Jeruzalem. Zo staat het geschreven in het boek van Mozes. Brontekst: וַהֲקִ֨ימוּ (vahaqimu) = en zij stelden aan | כָהֲנַיָּ֜א (kahanaya) = de priesters | בִּפְלֻגָּתְה֗וֹן (biflugatehon) = in hun indelingen | וְלֵוָיֵא֙ (velevaye) = en de Levieten | בְּמַחְלְקָ֣תְה֔וֹן (bemachleqatehon) = in hun afdelingen | עַל (al) = voor | עֲבִידַ֥ת (avidat) = de dienst van | אֱלָהָ֖א (elaha) = Elohim | דִּ֣י (di) = die | בִירוּשְׁלֶ֑ם (birushelem) = in Jeruzalem | כִּכְתָ֖ב (kikhtav) = zoals geschreven staat in | סְפַ֥ר (sefar) = het boek van | מֹשֶֽׁה (moshe) = Mozes Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Hier eindigt het Aramese deel (Ezra 4:8–6:18). Voetnoot : De indeling van de priesters en Levieten gaat terug op het boek van Mozes en de instellingen van David (vergelijk 1 Kron. 24). Zie ook: Num 3:6; Num 8:9–26; 1 Kron 23:1–26; 1 Kron 24:1; 2 Kron 35:4–5; Ezra 4:8–6:18 ### Het Pesach wordt gevierd **6:19** De ballingen vierden het Pesach op de veertiende dag van de eerste maand. Brontekst: וַיַּעֲשׂ֥וּ (vayaasu) = en vierden | בְנֵי (benei) = de zonen van | הַגּוֹלָ֖ה (hagola) = de ballingschap | אֶת (et) = (obj.) | הַפָּ֑סַח (hapasach) = het Pesach | בְּאַרְבָּעָ֥ה (bearbaa) = op vier | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | לַחֹ֥דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָרִאשֽׁוֹן (harishon) = de eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers is de brontekst weer Hebreeuws. Voetnoot : הַפֶּסַח (hapesach), ‘het Pesach’: het feest van de bevrijding uit Egypte (Exod. 12). Het wordt gevierd op de veertiende dag van de eerste maand (Lev. 23:5). Zie ook: Ex 12:6–36; Lev 23:5; Joz 5:10; 2 Kron 30:1–27 **6:20** Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd, allemaal samen. Allen waren rein. Zij slachtten het Pesach voor alle ballingen, voor hun broeders, de priesters, en voor zichzelf. Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הִֽטַּהֲר֞וּ (hitaharu) = hadden zich gereinigd | הַכֹּהֲנִ֧ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֛ם (vehalviyim) = en de Levieten | כְּאֶחָ֖ד (keechad) = als één | כֻּלָּ֣ם (kulam) = allemaal | טְהוֹרִ֑ים (tehorim) = rein | וַיִּשְׁחֲט֤וּ (vayishchatu) = en zij slachtten | הַפֶּ֨סַח֙ (hapesach) = het Pesach | לְכָל (lekhal) = voor alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | הַגּוֹלָ֔ה (hagola) = de ballingschap | וְלַאֲחֵיהֶ֥ם (velaacheihem) = en voor hun broeders | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | וְלָהֶֽם (velahem) = en voor zichzelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִטַּהֲרוּ (hittaharu), ‘zij hadden zich gereinigd’: de priesters en Levieten maakten zich rein voor de dienst. De tekst zegt niet hoe. Zie ook: Ex 12:21; 2 Kron 29:34; 2 Kron 30:15–17; 2 Kron 35:11; Heb 7:27 **6:21** De Israëlieten die uit de ballingschap waren teruggekeerd, aten het. Ook aten het allen die zich hadden afgescheiden van de onreinheid van de volken van het land, om Yahweh, de Elohim van Israël, te zoeken. Brontekst: וַיֹּאכְל֣וּ (vayokhlu) = en aten het | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הַשָּׁבִים֙ (hashavim) = die waren teruggekeerd | מֵֽהַגּוֹלָ֔ה (mehagola) = uit de ballingschap | וְכֹ֗ל (vekhol) = en allen | הַנִּבְדָּ֛ל (hanivdal) = die zich afscheidde | מִטֻּמְאַ֥ת (mitumat) = van de onreinheid van | גּוֹיֵֽ (goye) = de volken van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | אֲלֵהֶ֑ם (alehem) = bij hen | לִדְרֹ֕שׁ (lidrosh) = om te zoeken | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 12:47–49; Jes 52:11; Ezra 9:1; Ezra 9:11; 2 Kor 7:1 **6:22** Zij vierden zeven dagen lang het feest van de ongezuurde broden met vreugde. Want Yahweh had hen verheugd. Hij had het hart van de koning van Assyrië naar hen toegekeerd. Zo wilde Hij hun handen sterken bij het werk aan het huis van Elohim, de Elohim van Israël. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂ֧וּ (vayaasu) = en zij vierden | חַג (chag) = het feest van | מַצּ֛וֹת (matsot) = de ongezuurde broden | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | בְּשִׂמְחָ֑ה (besimcha) = met vreugde | כִּ֣י (ki) = want | שִׂמְּחָ֣ם (simecham) = had verheugd hen | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְֽהֵסֵ֞ב (vehesev) = en had gekeerd | לֵ֤ב (lev) = het hart van | מֶֽלֶךְ (melekh) = de koning van | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = naar hen | לְחַזֵּ֣ק (lechazeq) = om te sterken | יְדֵיהֶ֔ם (yedeihem) = hun handen | בִּמְלֶ֥אכֶת (bimlekhet) = bij het werk aan | בֵּית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֖ים (haElohim) = Elohim | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: חַג מַצּוֹת (chag matsot), ‘het feest van de ongezuurde broden’: zeven dagen na het Pesach (Exod. 12:15). Voetnoot : מֶלֶךְ אַשּׁוּר (melekh Ashshur), ‘de koning van Assyrië’: de tekst noemt Assyrië. Het gaat waarschijnlijk om de Perzische koning, die ook over het oude Assyrië heerste. Dit is niet zeker. Zie ook: Ex 12:15; Spr 21:1; 2 Kron 30:21; 2 Kron 35:17; Ezra 1:1; Ezra 7:27 ## Ezra 7 _Ezra trekt naar Jeruzalem met de brief van Artachsasta_ ### De afkomst van Ezra **7:1** Na deze gebeurtenissen, onder het koningschap van Artachsasta, de koning van Perzië: Ezra, de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Hilkia, Brontekst: וְאַחַר֙ (veachar) = en na | הַדְּבָרִ֣ים (hadevarim) = de gebeurtenissen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | בְּמַלְכ֖וּת (bemalkhut) = in het koningschap van | אַרְתַּחְשַׁ֣סְתְּא (artachshaste) = Artachsasta | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | פָּרָ֑ס (paras) = Perzië | עֶזְרָא֙ (ezra) = Ezra | בֶּן (ben) = zoon van | שְׂרָיָ֔ה (seraya) = Seraja | בֶּן (ben) = zoon van | עֲזַרְיָ֖ה (azarya) = Azarja | בֶּן (ben) = zoon van | חִלְקִיָּֽה (chilqiya) = Hilkia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: וְאַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה (ve’achar hadevarim ha’elleh), ‘na deze gebeurtenissen’: tussen Ezra 6 en Ezra 7 ligt een lange tijd. Het zevende jaar van Artachsasta (vers 7) is ongeveer 458 voor Christus, als het Artaxerxes I is. Dat is ongeveer zestig jaar na de inwijding van de tempel. Deze datering komt uit het geheugen en is niet gecontroleerd. Voetnoot : De afstammingslijst loopt van Ezra terug tot Aäron. Zij is korter dan die in 1 Kron. 5:29–41. Ezra 7 laat enkele namen weg, zoals Achimaäs en Johanan. Voetnoot : Seraja was de hoofdpriester die bij de val van Jeruzalem werd gedood (2 Kon. 25:18–21). Ezra stamt van hem af. Zijn zoon Jehozadak is in 1 Kron. 5:40 genoemd. Voetnoot : Hilkia heet in 1 Kron. 5:39 Chilkia. Wij schrijven ‘Hilkia’, zoals in 2 Kon. 22. Zie ook: 1 Kron 5:29–41; 1 Kron 5:30–40; 1 Kron 5:39; 1 Kron 5:40; 2 Kon 22:4; 2 Kon 25:18–21; Ezra 6:14; Ezra 7:7; Ezra 7:21; Neh 2:1 **7:2** de zoon van Sjallum, de zoon van Zadok, de zoon van Achitub, Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | שַׁלּ֥וּם (shalum) = Sjallum | בֶּן (ben) = zoon van | צָד֖וֹק (tsadoq) = Zadok | בֶּן (ben) = zoon van | אֲחִיטֽוּב (achituv) = Achitub Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Sam 8:17; 1 Kon 2:35 **7:3** de zoon van Amarja, de zoon van Azarja, de zoon van Merajot, Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אֲמַרְיָ֥ה (amarya) = Amarja | בֶן (ben) = zoon van | עֲזַרְיָ֖ה (azarya) = Azarja | בֶּן (ben) = zoon van | מְרָיֽוֹת (merayot) = Merajot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:4** de zoon van Zerachja, de zoon van Uzzi, de zoon van Bukki, Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | זְרַֽחְיָ֥ה (zerachya) = Zerachja | בֶן (ben) = zoon van | עֻזִּ֖י (uzi) = Uzzi | בֶּן (ben) = zoon van | בֻּקִּֽי (buqi) = Bukki Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **7:5** de zoon van Abisjoea, de zoon van Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אֲבִישׁ֗וּעַ (avishua) = Abisjoea | בֶּן (ben) = zoon van | פִּֽינְחָס֙ (pinechas) = Pinechas | בֶּן (ben) = zoon van | אֶלְעָזָ֔ר (elazar) = Eleazar | בֶּן (ben) = zoon van | אַהֲרֹ֥ן (aharon) = Aäron | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | הָרֹֽאשׁ (harosh) = de eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֹּהֵן הָרֹאשׁ (hakohen harosh), ‘de eerste priester’: Aäron was de eerste hoge priester (Exod. 28:1). Ezra stamt van hem af. Zie ook: Ex 28:1; Num 20:25–28; Num 25:7–13; Num 27:2; Joz 22:13; 1 Kron 5:30 **7:6** Deze Ezra trok op uit Babel. Hij was een schriftgeleerde, bedreven in de wet van Mozes, die Yahweh, de Elohim van Israël, had gegeven. De koning gaf hem alles wat hij vroeg, want de hand van Yahweh, zijn Elohim, was over hem. Brontekst: ה֤וּא (hu) = hij | עֶזְרָא֙ (ezra) = Ezra | עָלָ֣ה (ala) = trok op | מִבָּבֶ֔ל (mibavel) = uit Babel | וְהֽוּא (vehu) = en hij | סֹפֵ֤ר (sofer) = schriftgeleerde | מָהִיר֙ (mahir) = bedreven | בְּתוֹרַ֣ת (betorat) = in de wet van | מֹשֶׁ֔ה (moshe) = Mozes | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתַ֥ן (natan) = gegeven had | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיִּתֶּן (vayiten) = en gaf | ל֣וֹ (lo) = hem | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | כְּיַד (keyad) = volgens de hand van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָיו֙ (elohav) = zijn Elohim | עָלָ֔יו (alav) = over hem | כֹּ֖ל (kol) = heel | בַּקָּשָׁתֽוֹ (baqashato) = zijn verzoek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: סֹפֵר (sofer), ‘schriftgeleerde’: iemand die schrijft, afschrijft en uitlegt. Zo ook in de verzen 11 en 12. Voetnoot : מָהִיר (mahir), ‘bedreven’: vaardig, snel van begrip. Voetnoot : תּוֹרַת מֹשֶׁה (torat Moshe), ‘de wet van Mozes’: torah betekent ‘onderricht’. Wij vertalen ‘wet’. Voetnoot : כְּיַד־יְהוָה (keyad Yahweh), ‘de hand van Yahweh over hem’: Yahweh steunt en beschermt hem. De uitdrukking komt terug in de verzen 9 en 28. Zie ook: Ezra 7:28; Ezra 8:22; Ezra 8:31; Neh 2:8; Neh 2:18 ### De tocht naar Jeruzalem **7:7** Ook trokken er Israëlieten op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van koning Artachsasta. Er waren priesters, Levieten, zangers, poortwachters en tempeldienaren bij. Brontekst: וַיַּֽעֲל֣וּ (vayaalu) = en trokken op | מִבְּנֵֽי (mibenei) = van de zonen van | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | וּמִן (umin) = en van | הַכֹּהֲנִ֨ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֜ם (vehalviyim) = en de Levieten | וְהַמְשֹׁרְרִ֧ים (vehamshorerim) = en de zangers | וְהַשֹּׁעֲרִ֛ים (vehashoarim) = en de poortwachters | וְהַנְּתִינִ֖ים (vehanetinim) = en de tempeldienaren | אֶל (el) = naar | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | בִּשְׁנַת (bishnat) = in het jaar | שֶׁ֖בַע (sheva) = zeven | לְאַרְתַּחְשַׁ֥סְתְּא (leartachshaste) = van Artachsasta | הַמֶּֽלֶךְ (hamelekh) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הַנְּתִינִים (hanetinim), ‘de tempeldienaren’: letterlijk ‘de gegevenen’, mensen die aan de tempel waren gegeven en de priesters en Levieten hielpen. Zie Ezra 2:43 en 1 Kron. 9:2. Zie ook: 1 Kron 6:16–33; 1 Kron 9:2; 1 Kron 25:1–8; Ezra 2:43; Ezra 7:24; Ezra 8:1–20; Neh 10:29 **7:8** Ezra kwam in Jeruzalem in de vijfde maand. Dat was het zevende jaar van de koning. Brontekst: וַיָּבֹ֥א (vayavo) = en hij kwam | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = Jeruzalem | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הַחֲמִישִׁ֑י (hachamishi) = de vijfde | הִ֛יא (hi) = dat | שְׁנַ֥ת (shenat) = jaar | הַשְּׁבִיעִ֖ית (hasheviit) = het zevende | לַמֶּֽלֶךְ (lamelekh) = van de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. **7:9** Want op de eerste dag van de eerste maand begon hij de tocht omhoog uit Babel. Op de eerste dag van de vijfde maand kwam hij in Jeruzalem, want de goede hand van zijn Elohim was over hem. Brontekst: כִּ֗י (ki) = want | בְּאֶחָד֙ (beechad) = op de eerste | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | ה֣וּא (hu) = hij | יְסֻ֔ד (yesud) = begon | הַֽמַּעֲלָ֖ה (hamaala) = de tocht omhoog | מִבָּבֶ֑ל (mibavel) = uit Babel | וּבְאֶחָ֞ד (uveechad) = en op de eerste | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הַחֲמִישִׁ֗י (hachamishi) = de vijfde | בָּ֚א (ba) = kwam hij | אֶל (el) = naar | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | כְּיַד (keyad) = volgens de hand van | אֱלֹהָ֖יו (elohav) = zijn Elohim | הַטּוֹבָ֥ה (hatova) = de goede | עָלָֽיו (alav) = over hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: הַמַּעֲלָה (hama’alah), ‘de tocht omhoog’: letterlijk ‘het opgaan’. Jeruzalem ligt hoger dan Babel. De tocht duurde vier maanden. Voetnoot : יְסֻד (yesud), ‘begon’: letterlijk ‘legde de grondslag’. Het werkwoord is hier ongebruikelijk. Wij begrijpen: hij begon de reis. Zie ook: Ezra 7:6; Neh 2:8; Neh 2:18 **7:10** Want Ezra had zijn hart erop gericht de wet van Yahweh te zoeken, die te doen en in Israël voorschrift en recht te onderwijzen. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | עֶזְרָא֙ (ezra) = Ezra | הֵכִ֣ין (hekhin) = had gericht | לְבָב֔וֹ (levavo) = zijn hart | לִדְר֛וֹשׁ (lidrosh) = om te zoeken | אֶת (et) = (obj.) | תּוֹרַ֥ת (torat) = de wet van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וְלַעֲשֹׂ֑ת (velaasot) = en om te doen | וּלְלַמֵּ֥ד (ulelamed) = en om te onderwijzen | בְּיִשְׂרָאֵ֖ל (beyisrael) = in Israël | חֹ֥ק (choq) = voorschrift | וּמִשְׁפָּֽט (umishpat) = en recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹק (choq), ‘voorschrift’, en מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: de afspraken en de rechtspraak van de wet. Voetnoot : דָּרַשׁ (darash), ‘zoeken’: onderzoeken en navragen. Ezra zocht eerst, deed het daarna en onderwees het pas dan. Zie ook: Ps 1:2; Mal 2:7; Mat 7:24; Joh 13:17; 2 Tim 4:2 ### De brief van Artachsasta aan Ezra **7:11** Dit is het afschrift van de brief die koning Artachsasta gaf aan Ezra, de priester en schriftgeleerde. Hij was schriftgeleerde in de woorden van de geboden van Yahweh en van Zijn voorschriften voor Israël: Brontekst: וְזֶ֣ה (veze) = en dit | פַּרְשֶׁ֣גֶן (parshegen) = afschrift van | הַֽנִּשְׁתְּוָ֗ן (hanishtevan) = de brief | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נָתַן֙ (natan) = gaf | הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | אַרְתַּחְשַׁ֔סְתְּא (artachshaste) = Artachsasta | לְעֶזְרָ֥א (leezra) = aan Ezra | הַכֹּהֵ֖ן (hakohen) = de priester | הַסֹּפֵ֑ר (hasofer) = de schriftgeleerde | סֹפֵ֞ר (sofer) = schriftgeleerde van | דִּבְרֵ֧י (divrei) = de woorden van | מִצְוֺת (mitsvot) = de geboden van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | וְחֻקָּ֖יו (vechuqav) = en zijn voorschriften | עַל (al) = voor | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het afschrift van de brief (verzen 12–26) is in het Aramees. De inleiding in dit vers is Hebreeuws. Zie ook: Ezra 4:11; Ezra 5:6; Ezra 7:6; Mat 23:2; Mar 7:1–13 **7:12** „Artachsasta, koning der koningen, aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de Elohim van de hemel: volkomen. Enzovoort. Brontekst: אַ֨רְתַּחְשַׁ֔סְתְּא (artachshaste) = Artachsasta | מֶ֖לֶךְ (melekh) = koning van | מַלְכַיָּ֑א (malkhaya) = koningen | לְעֶזְרָ֣א (leezra) = aan Ezra | כָ֠הֲנָא (kahana) = de priester | סָפַ֨ר (safar) = schriftgeleerde van | דָּתָ֜א (data) = de wet | דִּֽי (di) = van | אֱלָ֧הּ (elah) = de Elohim van | שְׁמַיָּ֛א (shemaya) = de hemel | גְּמִ֖יר (gemir) = volkomen | וּכְעֶֽנֶת (ukheenet) = en enzovoort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier tot en met vers 26 is de brontekst Aramees. Het is een brief van de Perzische koning. Voetnoot : מֶלֶךְ מַלְכַיָּא (melekh malkhayya), ‘koning der koningen’: een titel van de Perzische koning. Voetnoot : גְּמִיר (gemir), ‘volkomen’: het woord is onzeker. Het kan bij ‘schriftgeleerde’ horen (‘een volkomen schriftgeleerde’) of een groet zijn. Wij schrijven ‘volkomen’. Voetnoot : וּכְעֶנֶת (uke’enet), ‘enzovoort’: zie Ezra 4:10. Zie ook: 1 Kon 20:1; Jes 10:8; Ezech 26:7; Dan 2:37; Ezra 4:10; Ezra 4:17; Ezra 7:26 **7:13** Ik geef bevel: ieder in mijn koninkrijk uit het volk Israël, zijn priesters en de Levieten, mag met jou naar Jeruzalem gaan. Dat geldt voor ieder die vrijwillig wil gaan. Brontekst: מִנִּי֮ (mini) = door mij | שִׂ֣ים (sim) = wordt gegeven | טְעֵם֒ (teem) = bevel | דִּ֣י (di) = dat | כָל (kal) = ieder | מִתְנַדַּ֣ב (mitnadav) = die vrijwillig wil | בְּמַלְכוּתִי֩ (bemalkhuti) = in mijn koninkrijk | מִן (min) = uit | עַמָּ֨ה (ama) = zijn volk | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | וְכָהֲנ֣וֹהִי (vekhahanohi) = en zijn priesters | וְלֵוָיֵ֗א (velevaye) = en de Levieten | לִמְהָ֧ךְ (limhakh) = om te gaan | לִֽירוּשְׁלֶ֛ם (lirushelem) = naar Jeruzalem | עִמָּ֖ךְ (imakh) = met jou | יְהָֽךְ (yehakh) = mag gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De koning spreekt Ezra aan met ‘je’ en ‘jij’. Tegen de schatbewaarders in vers 21 gebruikt hij ‘jullie’. Zie ook: Ps 110:3; Ps 148:6; 2 Kron 30:5; Ezra 6:1; Ezra 7:21; Fil 2:13 **7:14** Want je bent gestuurd door de koning en zijn zeven raadsheren. Je moet onderzoek doen naar Juda en Jeruzalem, volgens de wet van je Elohim die je in je hand hebt. Brontekst: כָּל (kal) = omdat | קֳבֵ֗ל (qovel) = tegenover | דִּי֩ (di) = dat | מִן (min) = van | קֳדָ֨ם (qodam) = voor het aangezicht van | מַלְכָּ֜א (malka) = de koning | וְשִׁבְעַ֤ת (veshivat) = en zeven | יָעֲטֹ֨הִי֙ (yaatohi) = zijn raadsheren | שְׁלִ֔יחַ (sheliach) = je bent gestuurd | לְבַקָּרָ֥א (levaqara) = om te onderzoeken | עַל (al) = over | יְה֖וּד (yehud) = Juda | וְלִֽירוּשְׁלֶ֑ם (velirushelem) = en over Jeruzalem | בְּדָ֥ת (bedat) = volgens de wet van | אֱלָהָ֖ךְ (elahakh) = je Elohim | דִּ֥י (di) = die | בִידָֽךְ (bidakh) = in je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שִׁבְעָה יָעֲטוֹהִי (shiv’ah ya’atohi), ‘zijn zeven raadsheren’: een vaste groep adviseurs van de Perzische koning. Voetnoot : דָּת (dat), ‘wet’: hier de wet van Ezra’s Elohim. Zie ook: Dan 6:21; Dan 6:27; Ezra 1:3; Ezra 7:15; Est 1:14 **7:15** Je moet ook het zilver en goud meenemen dat de koning en zijn raadsheren vrijwillig hebben gegeven aan de Elohim van Israël. Zijn woonplaats is in Jeruzalem. Brontekst: וּלְהֵיבָלָ֖ה (uleheivala) = en om mee te nemen | כְּסַ֣ף (kesaf) = zilver | וּדְהַ֑ב (udehav) = en goud | דִּֽי (di) = dat | מַלְכָּ֣א (malka) = de koning | וְיָעֲט֗וֹהִי (veyaatohi) = en zijn raadsheren | הִתְנַדַּ֨בוּ֙ (hitnadavu) = vrijwillig gaven | לֶאֱלָ֣הּ (leelah) = aan de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | דִּ֥י (di) = wiens | בִֽירוּשְׁלֶ֖ם (birushelem) = in Jeruzalem | מִשְׁכְּנֵֽהּ (mishkeneh) = zijn woonplaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מִשְׁכְּנֵהּ (mishkenah), ‘zijn woonplaats’: de Elohim van Israël woont in Jeruzalem, in Zijn huis. Zie ook: Ps 68:30–31; Ps 135:21; 2 Kron 6:2; Jes 60:6–9; Ezra 6:12 **7:16** Ook al het zilver en goud dat je in heel de provincie Babel vindt, moet je meenemen. Daarbij komen de vrijwillige gaven van het volk en van de priesters, die vrijwillig geven voor het huis van hun Elohim in Jeruzalem. Brontekst: וְכֹל֙ (vekhol) = en al | כְּסַ֣ף (kesaf) = het zilver | וּדְהַ֔ב (udehav) = en goud | דִּ֣י (di) = dat | תְהַשְׁכַּ֔ח (tehashkach) = je zult vinden | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in heel | מְדִינַ֣ת (medinat) = de provincie | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | עִם֩ (im) = met | הִתְנַדָּב֨וּת (hitnadavut) = de vrijwillige gaven van | עַמָּ֤א (ama) = het volk | וְכָֽהֲנַיָּא֙ (vekhahanaya) = en de priesters | מִֽתְנַדְּבִ֔ין (mitnadevin) = die vrijwillig geven | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | אֱלָהֲהֹ֖ם (elahahom) = hun Elohim | דִּ֥י (di) = dat | בִירוּשְׁלֶֽם (birushelem) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 1 Kron 29:6; 1 Kron 29:9; 1 Kron 29:17; Ezra 1:4; Ezra 1:6 **7:17** Koop daarom stipt met dit geld stieren, rammen en lammeren, met hun graanoffers en plengoffers. Breng ze op het altaar van het huis van jullie Elohim in Jeruzalem. Brontekst: כָּל (kal) = daarom | קֳבֵ֣ל (qovel) = tegenover | דְּנָה֩ (dena) = dit | אָסְפַּ֨רְנָא (asparna) = stipt | תִקְנֵ֜א (tiqne) = koop je | בְּכַסְפָּ֣א (bekhaspa) = met geld | דְנָ֗ה (dena) = dit | תּוֹרִ֤ין (torin) = stieren | דִּכְרִין֙ (dikhrin) = rammen | אִמְּרִ֔ין (imerin) = lammeren | וּמִנְחָתְה֖וֹן (uminchatehon) = en hun graanoffers | וְנִסְכֵּיה֑וֹן (veniskeihon) = en hun plengoffers | וּתְקָרֵ֣ב (uteqarev) = en je zult brengen | הִמּ֔וֹ (himo) = hen | עַֽל (al) = op | מַדְבְּחָ֔ה (madbecha) = zijn altaar | דִּ֛י (di) = dat van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | אֱלָהֲכֹ֖ם (elahakhom) = jullie Elohim | דִּ֥י (di) = dat | בִירוּשְׁלֶֽם (birushelem) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’, en נִסְכֵּיהוֹן (niskehon), ‘plengoffers’: de offers die bij het brandoffer horen (Num. 15:1–10). Zie ook: Num 15:1–10; Num 15:4–13; Deut 12:5–11; Deut 14:24–26; Ezra 6:9–10; Joh 2:14 **7:18** Wat jou en je broeders goed lijkt om te doen met de rest van het zilver en goud, mogen jullie doen. Dat moet gebeuren naar de wil van jullie Elohim. Brontekst: וּמָ֣ה (uma) = en wat | דִי֩ (di) = dat | עֲלָ֨ךְ (alakh) = bij jou | וְעַל (veal) = en bij | אֶחָ֜ךְ (echakh) = je broeders | יֵיטַ֗ב (yeitav) = goed lijkt | בִּשְׁאָ֛ר (bishar) = met de rest van | כַּסְפָּ֥א (kaspa) = het zilver | וְדַהֲבָ֖ה (vedahava) = en het goud | לְמֶעְבַּ֑ד (lemebad) = om te doen | כִּרְע֥וּת (kirut) = naar de wil van | אֱלָהֲכֹ֖ם (elahakhom) = jullie Elohim | תַּעַבְדֽוּן (taavdun) = zullen jullie doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 12:16; 2 Kon 22:7; Ezra 7:26; Ef 5:17 **7:19** De voorwerpen die je zijn gegeven voor de dienst van het huis van je Elohim, lever je volledig af voor de Elohim van Jeruzalem. Brontekst: וּמָֽאנַיָּא֙ (umanaya) = en de voorwerpen | דִּֽי (di) = die | מִתְיַהֲבִ֣ין (mityahavin) = worden gegeven | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | לְפָלְחָ֖ן (lefalechan) = voor de dienst van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֑ךְ (elahakh) = je Elohim | הַשְׁלֵ֕ם (hashlem) = lever in zijn geheel af | קֳדָ֖ם (qodam) = voor | אֱלָ֥הּ (elah) = de Elohim van | יְרוּשְׁלֶֽם (yerushelem) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 2 Kron 32:19; Jer 3:17; Ezra 8:27–30; Ezra 8:33–34 **7:20** Wat verder nodig is voor het huis van je Elohim en wat jij moet geven, mag je geven uit het schathuis van de koning. Brontekst: וּשְׁאָ֗ר (ushear) = en de rest van | חַשְׁחוּת֙ (chashchut) = de behoeften van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֔ךְ (elahakh) = je Elohim | דִּ֥י (di) = dat | יִפֶּל (yipel) = nodig is | לָ֖ךְ (lakh) = voor jou | לְמִנְתַּ֑ן (lemintan) = om te geven | תִּנְתֵּ֕ן (tinten) = zul je geven | מִן (min) = uit | בֵּ֖ית (beit) = het huis van | גִּנְזֵ֥י (ginzei) = de schatten van | מַלְכָּֽא (malka) = de koning Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 6:4; Ezra 6:8–18 **7:21** Ik, koning Artachsasta, geef bevel aan alle schatbewaarders van het gebied over de rivier. Alles wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de Elohim van de hemel, van jullie vraagt, moet stipt worden gedaan. Brontekst: וּ֠מִנִּי (umini) = en door mij | אֲנָ֞ה (ana) = ik | אַרְתַּחְשַׁ֤סְתְּא (artachshaste) = Artachsasta | מַלְכָּא֙ (malka) = de koning | שִׂ֣ים (sim) = wordt gegeven | טְעֵ֔ם (teem) = bevel | לְכֹל֙ (lekhol) = aan alle | גִּזַּֽבְרַיָּ֔א (gizavraya) = schatbewaarders | דִּ֖י (di) = die | בַּעֲבַ֣ר (baavar) = in gebied over | נַהֲרָ֑ה (nahara) = de rivier | דִּ֣י (di) = dat | כָל (kal) = alles | דִּ֣י (di) = wat | יִ֠שְׁאֲלֶנְכוֹן (yishalenkhon) = zal vragen van jullie | עֶזְרָ֨א (ezra) = Ezra | כָהֲנָ֜ה (kahana) = de priester | סָפַ֤ר (safar) = schriftgeleerde van | דָּתָא֙ (data) = de wet | דִּֽי (di) = van | אֱלָ֣הּ (elah) = de Elohim van | שְׁמַיָּ֔א (shemaya) = de hemel | אָסְפַּ֖רְנָא (asparna) = stipt | יִתְעֲבִֽד (yitavid) = moet worden gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּזְבְּרַיָּא (gizbarayya), ‘schatbewaarders’: ambtenaren die de schatten van de koning beheren. Zie ook Ezra 1:8. Zie ook: Ezra 1:8; Ezra 4:16; Ezra 4:20; Ezra 6:6; Ezra 7:6; Ezra 7:10–13 **7:22** Dat geldt tot 100 talenten zilver, 100 kor tarwe, 100 bat wijn en 100 bat olie. Zout is er zonder voorgeschreven hoeveelheid. Brontekst: עַד (ad) = tot | כְּסַף֮ (kesaf) = zilver | כַּכְּרִ֣ין (kakerin) = talenten | מְאָה֒ (mea) = 100 | וְעַד (vead) = en tot | חִנְטִין֙ (chintin) = tarwe | כֹּרִ֣ין (korin) = kor | מְאָ֔ה (mea) = 100 | וְעַד (vead) = en tot | חֲמַר֙ (chamar) = wijn | בַּתִּ֣ין (batin) = bat | מְאָ֔ה (mea) = 100 | וְעַד (vead) = en tot | בַּתִּ֥ין (batin) = bat | מְשַׁ֖ח (meshach) = olie | מְאָ֑ה (mea) = 100 | וּמְלַ֖ח (umelach) = en zout | דִּי (di) = dat | לָ֥א (la) = niet | כְתָֽב (ketav) = voorgeschreven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: ongeveer 34 kilogram. Honderd talenten zijn dan ongeveer 3,4 ton zilver. Voetnoot : כּוֹר (kor): ongeveer 220 liter. Honderd kor zijn dan ongeveer 22.000 liter tarwe. Voetnoot : בַּת (bat): ongeveer 22 liter. Honderd bat zijn dan ongeveer 2.200 liter. De omrekeningen zijn bij benadering en komen uit het geheugen. Zie ook: Lev 2:13; Ezech 45:14; Luc 16:6–7 **7:23** Alles wat de Elohim van de hemel heeft bevolen, moet nauwgezet worden gedaan voor het huis van de Elohim van de hemel. Waarom zou er toorn komen over het koninkrijk van de koning en zijn zonen? Brontekst: כָּל (kal) = alles | דִּ֗י (di) = wat | מִן (min) = op | טַ֨עַם֙ (taam) = bevel van | אֱלָ֣הּ (elah) = de Elohim van | שְׁמַיָּ֔א (shemaya) = de hemel | יִתְעֲבֵד֙ (yitaved) = moet worden gedaan | אַדְרַזְדָּ֔א (adrazda) = nauwgezet | לְבֵ֖ית (leveit) = voor het huis van | אֱלָ֣הּ (elah) = de Elohim van | שְׁמַיָּ֑א (shemaya) = de hemel | דִּֽי (di) = opdat | לְמָ֤ה (lema) = waarom | לֶֽהֱוֵא֙ (leheve) = zou zijn | קְצַ֔ף (qetsaf) = toorn | עַל (al) = over | מַלְכ֥וּת (malkhut) = het koninkrijk van | מַלְכָּ֖א (malka) = de koning | וּבְנֽוֹהִי (uvenohi) = en zijn zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַדְרַזְדָּא (adrazda), ‘nauwgezet’: een zeldzaam woord, waarschijnlijk uit het Perzisch. De betekenis ‘nauwgezet’ is niet zeker. Zie ook: Ps 119:4; Ezra 6:10–12; Ezra 7:13; Ezra 7:18; Zach 12:3 **7:24** Aan jullie laten wij ook weten dat niemand bevoegd is belasting, schatting of tol op te leggen. Dat geldt voor alle priesters, Levieten, zangers, poortwachters, tempeldienaren en dienaren van dit huis van Elohim. Brontekst: וּלְכֹ֣ם (ulekhom) = en aan jullie | מְהוֹדְעִ֗ין (mehodein) = laten wij weten | דִּ֣י (di) = dat | כָל (kal) = alle | כָּהֲנַיָּ֣א (kahanaya) = priesters | וְ֠לֵוָיֵא (velevaye) = en Levieten | זַמָּ֨רַיָּ֤א (zamaraya) = zangers | תָרָֽעַיָּא֙ (taraaya) = poortwachters | נְתִ֣ינַיָּ֔א (netinaya) = tempeldienaren | וּפָ֣לְחֵ֔י (ufalechei) = en dienaren van | בֵּ֖ית (beit) = het huis van | אֱלָהָ֣א (elaha) = Elohim | דְנָ֑ה (dena) = dit | מִנְדָּ֤ה (minda) = belasting | בְלוֹ֙ (belo) = schatting | וַהֲלָ֔ךְ (vahalakh) = en tol | לָ֥א (la) = niet | שַׁלִּ֖יט (shalit) = is toegestaan | לְמִרְמֵ֥א (lemirme) = om op te leggen | עֲלֵיהֹֽם (aleihom) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De koning bedoelt de belastingen uit Ezra 4:13. Wie in dienst van de tempel staat, hoeft die niet te betalen. Voetnoot : מְהוֹדְעִין (mehodin), ‘laten wij weten’: de koning spreekt hier in het meervoud van majesteit. Zie ook: Ezra 2:36–55; Ezra 4:13; Ezra 4:20; Ezra 7:7 **7:25** En jij, Ezra, stel naar de wijsheid van je Elohim, die je in je hand hebt, magistraten en rechters aan. Zij spreken recht over heel het volk in het gebied over de rivier, over allen die de wetten van je Elohim kennen. Wie ze niet kent, moeten jullie onderwijzen. Brontekst: וְאַ֣נְתְּ (veant) = en jij | עֶזְרָ֗א (ezra) = Ezra | כְּחָכְמַ֨ת (kechakhemat) = volgens de wijsheid van | אֱלָהָ֤ךְ (elahakh) = je Elohim | דִּֽי (di) = die | בִידָךְ֙ (bidakh) = in je hand | מֶ֣נִּי (meni) = stel aan | שָׁפְטִ֞ין (shafetin) = magistraten | וְדַיָּנִ֗ין (vedayanin) = en rechters | דִּי (di) = die | לֶהֱוֺ֤ן (lehevon) = zij zullen zijn | דָּאיְנִין֙ (daynin) = rechtspreken | לְכָל (lekhal) = voor heel | עַמָּה֙ (ama) = het volk | דִּ֚י (di) = dat | בַּעֲבַ֣ר (baavar) = in gebied over | נַהֲרָ֔ה (nahara) = de rivier | לְכָל (lekhal) = voor allen | יָדְעֵ֖י (yadeei) = die kennen | דָּתֵ֣י (datei) = de wetten van | אֱלָהָ֑ךְ (elahakh) = je Elohim | וְדִ֧י (vedi) = en wie | לָ֦א (la) = niet | יָדַ֖ע (yada) = weet | תְּהוֹדְעֽוּן (tehodeun) = zullen jullie onderwijzen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁפְטִין וְדַיָּנִין (shaftin vedayyanin), ‘magistraten en rechters’: twee woorden voor mensen die recht spreken. Het verschil tussen beide is niet helemaal duidelijk. Voetnoot : דָּתֵי אֱלָהָךְ (datei elahakh), ‘de wetten van je Elohim’: de wet van Mozes. Wie haar niet kent, moet worden onderwezen. Zie ook: Deut 16:18; Ps 19:8; Ezra 7:10; Mal 2:7; Jak 1:5 **7:26** Ieder die de wet van je Elohim en de wet van de koning niet houdt, aan hem moet stipt het oordeel worden voltrokken. Dat oordeel is: de dood, verbanning, een boete in goederen of gevangenschap.” Brontekst: וְכָל (vekhal) = en ieder | דִּי (di) = die | לָא֩ (la) = niet | לֶהֱוֵ֨א (leheve) = zal zijn | עָבֵ֜ד (aved) = houdend | דָּתָ֣א (data) = de wet | דִֽי (di) = van | אֱלָהָ֗ךְ (elahakh) = je Elohim | וְדָתָא֙ (vedata) = en de wet | דִּ֣י (di) = van | מַלְכָּ֔א (malka) = de koning | אָסְפַּ֕רְנָא (asparna) = stipt | דִּינָ֕ה (dina) = het oordeel | לֶהֱוֵ֥א (leheve) = zal zijn | מִתְעֲבֵ֖ד (mitaved) = uitgevoerd | מִנֵּ֑הּ (mineh) = over hem | הֵ֤ן (hen) = of | לְמוֹת֙ (lemot) = tot de dood | הֵ֣ן (hen) = of | לִשְׁרֹשִׁ֔י (lishroshi) = tot verbanning | הֵן (hen) = of | לַעֲנָ֥שׁ (laanash) = tot boete | נִכְסִ֖ין (nikhsin) = goederen | וְלֶאֱסוּרִֽין (veleesurin) = en tot gevangenschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier eindigt het Aramese deel van de brief (Ezra 7:12–26). Het volgende vers is weer Hebreeuws. Voetnoot : שְׁרֹשִׁי (sheroshi), ‘verbanning’: letterlijk ‘ontwortelen’. Het kan ook ‘uitroeiing’ betekenen. De betekenis is onzeker. Voetnoot : נִכְסִין (nikhsin), ‘goederen’: het bezit van de schuldige wordt in beslag genomen. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft לשרשו (lesharsho). De voorgelezen tekst (qere) heeft לִשְׁרֹשִׁי (lisheroshi), ‘tot verbanning’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ex 21:1–22; Lev 20:1–27; Deut 13:2–19; Dan 6:27; Ezra 6:11; Ezra 7:12–26 ### Ezra prijst Yahweh **7:27** Gezegend is Yahweh, de Elohim van onze vaders. Hij heeft zoiets in het hart van de koning gelegd, om het huis van Yahweh in Jeruzalem te verheerlijken. Brontekst: בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | אֲבוֹתֵ֑ינוּ (avoteinu) = onze vaders | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | נָתַ֤ן (natan) = gaf | כָּזֹאת֙ (kazot) = zoiets | בְּלֵ֣ב (belev) = in het hart van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | לְפָאֵ֕ר (lefaer) = om te verheerlijken | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | בִּירוּשָׁלִָֽם (birushaliam) = in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers is de brontekst weer Hebreeuws. Ezra spreekt vanaf hier in de ik-vorm, tot en met Ezra 9. Voetnoot : בָּרוּךְ (barukh), ‘gezegend’: een lofzegging aan Yahweh. De woorden zijn van Ezra, niet van de koning. Zie ook: Jes 60:13; Ezra 6:22; Neh 2:12; 2 Kor 8:16; Openb 17:17 **7:28** Hij heeft Zijn trouw op mij gericht voor het aangezicht van de koning, zijn raadgevers en alle machtige vorsten van de koning. Ik vatte moed, want de hand van Yahweh, mijn Elohim, was over mij. Ik verzamelde hoofden uit Israël om met mij op te trekken. Brontekst: וְעָלַ֣י (vealay) = en over mij | הִטָּה (hita) = richtte | חֶ֗סֶד (chesed) = trouw | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor het aangezicht van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְיֽוֹעֲצָ֔יו (veyoatsav) = en zijn raadgevers | וּלְכָל (ulekhal) = en voor alle | שָׂרֵ֥י (sarei) = vorsten van | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | הַגִּבֹּרִ֑ים (hagiborim) = de machtigen | וַאֲנִ֣י (vaani) = en ik | הִתְחַזַּ֗קְתִּי (hitchazaqti) = vatte moed | כְּיַד (keyad) = volgens de hand van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהַי֙ (elohay) = mijn Elohim | עָלַ֔י (alay) = over mij | וָאֶקְבְּצָ֧ה (vaeqbetsa) = en ik verzamelde | מִיִּשְׂרָאֵ֛ל (miyisrael) = uit Israël | רָאשִׁ֖ים (rashim) = hoofden | לַעֲל֥וֹת (laalot) = om op te trekken | עִמִּֽי (imi) = met mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: Yahweh liet Zijn trouw blijken in de gunst van de koning en zijn raadgevers. Letterlijk: ‘Hij boog trouw over mij’. Voetnoot : רָאשִׁים (rashim), ‘hoofden’: de leiders van de vaderhuizen. Zie ook: Gen 32:28; Ezra 5:5; Ezra 8:18; Ezra 9:9; 2 Tim 4:17–18 ## Ezra 8 _De families die met Ezra optrokken, en de reis naar Jeruzalem_ ### De families die met Ezra optrokken **8:1** Dit zijn de hoofden van hun vaderhuizen, met hun geslachtsregister. Zij trokken met mij op uit Babel, in de tijd dat koning Artachsasta regeerde. Brontekst: וְאֵ֛לֶּה (veele) = en dit zijn | רָאשֵׁ֥י (rashei) = de hoofden van | אֲבֹתֵיהֶ֖ם (avoteihem) = hun vaderhuizen | וְהִתְיַחְשָׂ֑ם (vehityachsam) = en hun geslachtsregister | הָעֹלִ֣ים (haolim) = die optrokken | עִמִּ֗י (imi) = met mij | בְּמַלְכ֛וּת (bemalkhut) = in de regering van | אַרְתַּחְשַׁ֥סְתְּא (artachshaste) = Artachsasta | הַמֶּ֖לֶךְ (hamelekh) = de koning | מִבָּבֶֽל (mibavel) = uit Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: רָאשֵׁי אֲבֹתֵיהֶם (rashei avotehem), ‘hoofden van hun vaderhuizen’: de leiders van de families. De lijst telt alleen de mannen (הַזְּכָרִים, hazzekharim). Voetnoot : Artachsasta is de Perzische koning onder wie Ezra optrok. Zie ook Ezra 7:1. Zie ook: 1 Kron 9:1; Ezra 1:5; Ezra 2:62; Ezra 7:1; Ezra 7:7; Ezra 7:13 **8:2** Van de zonen van Pinechas: Gersjom. Van de zonen van Itamar: Daniël. Van de zonen van David: Chattusj. Brontekst: מִבְּנֵ֤י (mibenei) = van de zonen van | פִֽינְחָס֙ (pinechas) = Pinechas | גֵּֽרְשֹׁ֔ם (gereshom) = Gersjom | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | אִיתָמָ֖ר (itamar) = Itamar | דָּנִיֵּ֑אל (daniyel) = Daniël | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | דָוִ֖יד (david) = David | חַטּֽוּשׁ (chatush) = Chattusj Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 3:1; 1 Kron 3:22; 1 Kron 5:29–41; 1 Kron 24:1–6 **8:3** Van de zonen van Sjekanja. Van de zonen van Parosj: Zacharia. Met hem werden 150 mannen in het geslachtsregister ingeschreven. Brontekst: מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | שְׁכַנְיָ֔ה (shekhanya) = Sjekanja | מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | פַרְעֹ֖שׁ (parosh) = Parosj | זְכַרְיָ֑ה (zekharya) = Zacharia | וְעִמּ֛וֹ (veimo) = en met hem | הִתְיַחֵ֥שׂ (hityaches) = werden ingeschreven | לִזְכָרִ֖ים (lizkharim) = naar de mannen | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וַחֲמִשִּֽׁים (vachamishim) = en vijftig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De Hebreeuwse tekst heeft hier ‘van de zonen van Sjekanja’ zonder verdere naam, en daarna ‘van de zonen van Parosj: Zacharia’. Wij vertalen letterlijk. Vergelijk 1 Kron. 3:21–22, waar Chattusj een nakomeling van Sjekanja is. Zie ook: 1 Kron 3:21–22; Ezra 2:3; Neh 7:8; Neh 10:15 **8:4** Van de zonen van Pachat-Moab: Eljoënai, de zoon van Zerachja. Met hem waren 200 mannen. Brontekst: מִבְּנֵי֙ (mibenei) = van de zonen van | פַּחַ֣ת (pachat) = Pachat | מוֹאָ֔ב (moav) = Moab | אֶלְיְהֽוֹעֵינַ֖י (elyehoeinay) = Eljoënai | בֶּן (ben) = zoon van | זְרַֽחְיָ֑ה (zerachya) = Zerachja | וְעִמּ֖וֹ (veimo) = en met hem | מָאתַ֥יִם (matayim) = tweehonderd | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:6; Neh 7:11; Neh 10:15 **8:5** Van de zonen van Sjekanja: de zoon van Jachaziël. Met hem waren 300 mannen. Brontekst: מִבְּנֵ֥י (mibenei) = van de zonen van | שְׁכַנְיָ֖ה (shekhanya) = Sjekanja | בֶּן (ben) = zoon van | יַחֲזִיאֵ֑ל (yachaziel) = Jachaziël | וְעִמּ֕וֹ (veimo) = en met hem | שְׁלֹ֥שׁ (shelosh) = drie | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ook hier heeft de Hebreeuwse tekst een familienaam (Sjekanja) en daarna ‘de zoon van Jachaziël’. Wij vertalen letterlijk. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Voetnoot : Dit geldt ook voor vers 10: ‘van de zonen van Sjelomit, de zoon van Josifja’. Zie ook: Ezra 8:10 **8:6** Van de zonen van Adin: Ebed, de zoon van Jonatan. Met hem waren 50 mannen. Brontekst: וּמִבְּנֵ֣י (umibenei) = en van de zonen van | עָדִ֔ין (adin) = Adin | עֶ֖בֶד (eved) = Ebed | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹנָתָ֑ן (yonatan) = Jonatan | וְעִמּ֖וֹ (veimo) = en met hem | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:15; Neh 7:20; Neh 10:17 **8:7** Van de zonen van Elam: Jesaja, de zoon van Atalja. Met hem waren 70 mannen. Brontekst: וּמִבְּנֵ֣י (umibenei) = en van de zonen van | עֵילָ֔ם (eilam) = Elam | יְשַֽׁעְיָ֖ה (yeshaya) = Jesaja | בֶּן (ben) = zoon van | עֲתַלְיָ֑ה (atalya) = Atalja | וְעִמּ֖וֹ (veimo) = en met hem | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:7; Ezra 2:31; Neh 7:12; Neh 7:34 **8:8** Van de zonen van Sefatja: Zebadja, de zoon van Michaël. Met hem waren 80 mannen. Brontekst: וּמִבְּנֵ֣י (umibenei) = en van de zonen van | שְׁפַטְיָ֔ה (shefatya) = Sefatja | זְבַדְיָ֖ה (zevadya) = Zebadja | בֶּן (ben) = zoon van | מִֽיכָאֵ֑ל (mikhael) = Michaël | וְעִמּ֖וֹ (veimo) = en met hem | שְׁמֹנִ֥ים (shemonim) = tachtig | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:4; Neh 7:9; Neh 11:4 **8:9** Van de zonen van Joab: Obadja, de zoon van Jechiël. Met hem waren 218 mannen. Brontekst: מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | יוֹאָ֔ב (yoav) = Joab | עֹבַדְיָ֖ה (ovadya) = Obadja | בֶּן (ben) = zoon van | יְחִיאֵ֑ל (yechiel) = Jechiël | וְעִמּ֕וֹ (veimo) = en met hem | מָאתַ֛יִם (matayim) = tweehonderd | וּשְׁמֹנָ֥ה (ushemona) = en acht | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:6; Neh 7:11 **8:10** Van de zonen van Sjelomit: de zoon van Josifja. Met hem waren 160 mannen. Brontekst: וּמִבְּנֵ֥י (umibenei) = en van de zonen van | שְׁלוֹמִ֖ית (shelomit) = Sjelomit | בֶּן (ben) = zoon van | יוֹסִפְיָ֑ה (yosifya) = Josifja | וְעִמּ֕וֹ (veimo) = en met hem | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וְשִׁשִּׁ֖ים (veshishim) = en zestig | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:11** Van de zonen van Bebai: Zacharia, de zoon van Bebai. Met hem waren 28 mannen. Brontekst: וּמִבְּנֵ֣י (umibenei) = en van de zonen van | בֵבַ֔י (bevay) = Bebai | זְכַרְיָ֖ה (zekharya) = Zacharia | בֶּן (ben) = zoon van | בֵּבָ֑י (bevay) = Bebai | וְעִמּ֕וֹ (veimo) = en met hem | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וּשְׁמֹנָ֖ה (ushemona) = en acht | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:11; Ezra 10:28; Neh 7:16 **8:12** Van de zonen van Azgad: Johanan, de zoon van Hakkatan. Met hem waren 110 mannen. Brontekst: וּמִבְּנֵ֣י (umibenei) = en van de zonen van | עַזְגָּ֔ד (azgad) = Azgad | יוֹחָנָ֖ן (yochanan) = Johanan | בֶּן (ben) = zoon van | הַקָּטָ֑ן (haqatan) = Hakkatan | וְעִמּ֕וֹ (veimo) = en met hem | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | וַעֲשָׂרָ֖ה (vaasara) = en tien | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקָּטָן (haqqatan), ‘de kleine’ of ‘de jongste’: het is een naam of een bijnaam. Wij schrijven het als naam. Zie ook: Ezra 2:12; Neh 7:17 **8:13** Van de zonen van Adonikam, de laatsten. Dit zijn hun namen: Elifelet, Jeïël en Sjemaja. Met hen waren 60 mannen. Brontekst: וּמִבְּנֵ֣י (umibenei) = en van de zonen van | אֲדֹנִיקָם֮ (adoniqam) = Adonikam | אַחֲרֹנִים֒ (acharonim) = de laatsten | וְאֵ֣לֶּה (veele) = en dit zijn | שְׁמוֹתָ֔ם (shemotam) = hun namen | אֱלִיפֶ֖לֶט (elifelet) = Elifelet | יְעִיאֵ֣ל (yeiel) = Jeïël | וּֽשְׁמַעְיָ֑ה (ushemaya) = en Sjemaja | וְעִמָּהֶ֖ם (veimahem) = en met hen | שִׁשִּׁ֥ים (shishim) = zestig | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחֲרֹנִים (acharonim), ‘laatsten’: waarschijnlijk de leden van deze familie die later optrokken. De tekst zegt het niet. Zie ook: Ezra 2:13; Neh 7:18 **8:14** Van de zonen van Bigvai: Utai en Zakkur. Met hen waren 70 mannen. Brontekst: וּמִבְּנֵ֥י (umibenei) = en van de zonen van | בִגְוַ֖י (bigvay) = Bigvai | עוּתַ֣י (utay) = Utai | וְזַכּ֑וּר (vezakur) = en Zakkur | וְעִמּ֖וֹ (veimo) = en met hem | שִׁבְעִ֥ים (shivim) = zeventig | הַזְּכָרִֽים (hazekharim) = de mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters וזבוד (Zabbud). De voorgelezen tekst (qere) heeft וְזַכּוּר (Zakkur). Wij volgen het qere. Zie ook: Ezra 2:14; Neh 7:19; Neh 10:13 ### Er ontbreken Levieten **8:15** Ik verzamelde hen bij de rivier die naar Ahava stroomt. Daar sloegen wij drie dagen kamp. Ik lette op het volk en op de priesters. Maar van de zonen van Levi vond ik daar niemand. Brontekst: וָֽאֶקְבְּצֵ֗ם (vaeqbetsem) = en ik verzamelde hen | אֶל (el) = bij | הַנָּהָר֙ (hanahar) = de rivier | הַבָּ֣א (haba) = die komt | אֶֽל (el) = naar | אַהֲוָ֔א (ahava) = Ahava | וַנַּחֲנֶ֥ה (vanachane) = en wij sloegen kamp | שָׁ֖ם (sham) = daar | יָמִ֣ים (yamim) = dagen | שְׁלֹשָׁ֑ה (shelosha) = drie | וָאָבִ֤ינָה (vaavina) = en ik lette op | בָעָם֙ (baam) = het volk | וּבַכֹּ֣הֲנִ֔ים (uvakohanim) = en de priesters | וּמִבְּנֵ֥י (umibenei) = en van de zonen van | לֵוִ֖י (levi) = Levi | לֹא (lo) = niet | מָצָ֥אתִי (matsati) = vond ik | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ahava (rivier of kanaal; ligging onzeker): Ahava is een rivier of kanaal in Babylonië, waar Ezra de ballingen verzamelde voor de terugtocht. De precieze plaats is niet bekend; hier staat een gok bij Babel. Voetnoot Uitleg: De rivier ‘die naar Ahava stroomt’ is waarschijnlijk een kanaal of waterloop in Babylonië. De ligging is onzeker. Voetnoot : Ezra vindt onder het volk geen Levieten. Daarom stuurt hij bericht in de verzen 16–17. Zie ook: Ps 137:1; Ezech 3:15; Ezra 7:7; Ezra 8:21; Ezra 8:31 **8:16** Toen zond ik bericht aan Eliëzer, Ariël, Sjemaja, Elnatan, Jarib, Elnatan, Natan, Zacharia en Mesjullam, de hoofden. Ook zond ik bericht aan Jojarib en Elnatan, de verstandige mannen. Brontekst: וָאֶשְׁלְחָ֡ה (vaeshlecha) = en ik zond bericht | לֶאֱלִיעֶ֡זֶר (leeliezer) = aan Eliëzer | לַאֲרִיאֵ֡ל (laariel) = aan Ariël | לִֽ֠שְׁמַעְיָה (lishmaya) = aan Sjemaja | וּלְאֶלְנָתָ֨ן (uleelnatan) = en aan Elnatan | וּלְיָרִ֜יב (uleyariv) = en aan Jarib | וּלְאֶלְנָתָ֧ן (uleelnatan) = en aan Elnatan | וּלְנָתָ֛ן (ulenatan) = en aan Natan | וְלִזְכַרְיָ֥ה (velizkharya) = en aan Zacharia | וְלִמְשֻׁלָּ֖ם (velimshulam) = en aan Mesjullam | רָאשִׁ֑ים (rashim) = hoofden | וּלְיוֹיָרִ֥יב (uleyoyariv) = en aan Jojarib | וּלְאֶלְנָתָ֖ן (uleelnatan) = en aan Elnatan | מְבִינִֽים (mevinim) = verstandige mannen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Er zijn negen mannen die ‘hoofden’ heten (Elnatan komt twee keer voor in de eerste rij). Daarna volgen twee ‘verstandige mannen’ (מְבִינִים, mevinim): Jojarib en Elnatan. Samen zijn het elf namen. Zie ook: 1 Kron 12:33; 1 Kron 26:14; Spr 2:6; 1 Kon 3:11; Ezra 8:18 **8:17** Ik gaf hun een opdracht voor Iddo, het hoofd in de plaats Kasifja. Ik legde hun woorden in de mond om te spreken tot Iddo en zijn broers, de tempeldienaren, in de plaats Kasifja. Zij moesten dienstdoenden voor het huis van onze Elohim naar ons toe brengen. Brontekst: וָאֲצַוֶּ֤ה (vaatsave) = en ik gaf bevel | אוֹתָם֙ (otam) = hun | עַל (al) = voor | אִדּ֣וֹ (ido) = Iddo | הָרֹ֔אשׁ (harosh) = het hoofd | בְּכָסִפְיָ֖א (bekhasifya) = in Kasifja | הַמָּק֑וֹם (hamaqom) = de plaats | וָאָשִׂימָה֩ (vaasima) = en ik legde | בְּפִיהֶ֨ם (befihem) = in hun mond | דְּבָרִ֜ים (devarim) = woorden | לְ֠דַבֵּר (ledaber) = om te spreken | אֶל (el) = tot | אִדּ֨וֹ (ido) = Iddo | אָחִ֤יו (achiv) = zijn broer | הַנְּתִינִים֙ (hanetinim) = de tempeldienaren | בְּכָסִפְיָ֣א (bekhasifya) = in Kasifja | הַמָּק֔וֹם (hamaqom) = de plaats | לְהָֽבִיא (lehavi) = om te brengen | לָ֥נוּ (lanu) = ons | מְשָׁרְתִ֖ים (mesharetim) = dienstdoenden | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְתִינִים (netinim), ‘tempeldienaren’: letterlijk ‘gegevenen’, mensen die aan het heiligdom waren gegeven voor de dienst. Zie Ezra 2:43 en 1 Kron. 9:2. Voetnoot : כָּסִפְיָא (Kasifja) is de naam van een plaats in Babylonië. De ligging is onbekend. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters ואוצאה (‘en ik bracht hen uit’). De voorgelezen tekst (qere) heeft וָאֲצַוֶּה (va’atsavveh), ‘en ik gaf bevel’. Wij volgen het qere. Zie ook: Num 8:22–26; 2 Sam 14:19; 1 Kron 9:2; 1 Kron 23:3–6; Ezra 2:43; Ezra 7:7 **8:18** De goede hand van onze Elohim was over ons. Daarom brachten zij ons een man met inzicht, van de zonen van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël. Ook brachten zij Sjerebja met zijn zonen en zijn broers, 18 man. Brontekst: וַיָּבִ֨יאּוּ (vayaviu) = en zij brachten | לָ֜נוּ (lanu) = ons | כְּיַד (keyad) = volgens de hand van | אֱלֹהֵ֨ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הַטּוֹבָ֤ה (hatova) = de goede | עָלֵ֨ינוּ֙ (aleinu) = over ons | אִ֣ישׁ (ish) = een man van | שֶׂ֔כֶל (sekhel) = inzicht | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | מַחְלִ֔י (machli) = Machli | בֶּן (ben) = zoon van | לֵוִ֖י (levi) = Levi | בֶּן (ben) = zoon van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְשֵׁרֵֽבְיָ֛ה (veshereveya) = en Sjerebja | וּבָנָ֥יו (uvanav) = en zijn zonen | וְאֶחָ֖יו (veechav) = en zijn broers | שְׁמֹנָ֥ה (shemona) = acht | עָשָֽׂר (asar) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִישׁ שֶׂכֶל (ish sekhel), ‘een man met inzicht’: een man die wijs en bekwaam is. Voetnoot : Israël is hier Jakob: Machli was een zoon van Merari, de zoon van Levi, de zoon van Jakob. Zie Gen. 46:11 en 1 Kron. 6:1 en 6:4. Zie ook: Gen 46:11; 1 Kron 6:1; 1 Kron 6:4; Jer 3:15; Dan 1:20; Ezra 7:28; Ezra 8:22; Neh 2:8 **8:19** Ook brachten zij Chasjabja, en met hem Jesaja, van de zonen van Merari, met zijn broers en hun zonen: 20 man. Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲשַׁבְיָ֔ה (chashavya) = Chasjabja | וְאִתּ֥וֹ (veito) = en met hem | יְשַֽׁעְיָ֖ה (yeshaya) = Jesaja | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | מְרָרִ֑י (merari) = Merari | אֶחָ֥יו (echav) = zijn broers | וּבְנֵיהֶ֖ם (uveneihem) = en hun zonen | עֶשְׂרִֽים (esrim) = twintig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 5:27; 1 Kron 6:1; 1 Kron 6:4; Neh 3:17; Neh 10:12 **8:20** Ook kwamen er tempeldienaren, die David en de oversten hadden gegeven voor de dienst van de Levieten: 220 tempeldienaren. Zij werden allen bij name genoemd. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הַנְּתִינִ֗ים (hanetinim) = de tempeldienaren | שֶׁנָּתַ֨ן (shenatan) = die gaf | דָּוִ֤יד (david) = David | וְהַשָּׂרִים֙ (vehasarim) = en de oversten | לַעֲבֹדַ֣ת (laavodat) = voor de dienst van | הַלְוִיִּ֔ם (halviyim) = de Levieten | נְתִינִ֖ים (netinim) = tempeldienaren | מָאתַ֣יִם (matayim) = tweehonderd | וְעֶשְׂרִ֑ים (veesrim) = en twintig | כֻּלָּ֖ם (kulam) = allen | נִקְּב֥וּ (niqevu) = zijn aangewezen | בְשֵׁמֽוֹת (beshemot) = bij namen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie bij vers 17 voor de tempeldienaren. David en de oversten hadden hen gegeven om de Levieten bij de dienst te helpen. Zie ook: 1 Kron 9:2; Ezra 2:43; Ezra 7:7; Ezra 8:17; Fil 4:3 ### Vasten bij de rivier Ahava **8:21** Daar, bij de rivier Ahava, riep ik een vasten uit. Wij wilden ons verootmoedigen voor het aangezicht van onze Elohim. Wij wilden bij Hem een rechte weg zoeken voor ons, voor onze kleine kinderen en voor al ons bezit. Brontekst: וָאֶקְרָ֨א (vaeqra) = en ik riep uit | שָׁ֥ם (sham) = daar | צוֹם֙ (tsom) = een vasten | עַל (al) = bij | הַנָּהָ֣ר (hanahar) = de rivier | אַהֲוָ֔א (ahava) = Ahava | לְהִתְעַנּ֖וֹת (lehitanot) = om ons te verootmoedigen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לְבַקֵּ֤שׁ (levaqesh) = om te zoeken | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = van Hem | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = een weg | יְשָׁרָ֔ה (yeshara) = rechte | לָ֥נוּ (lanu) = voor ons | וּלְטַפֵּ֖נוּ (uletapenu) = en voor onze kleine kinderen | וּלְכָל (ulekhal) = en voor al | רְכוּשֵֽׁנוּ (rekhushenu) = ons bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ahava (rivier of kanaal; ligging onzeker): Ahava is een rivier of kanaal in Babylonië, waar Ezra de ballingen verzamelde voor de terugtocht. De precieze plaats is niet bekend; hier staat een gok bij Babel. Voetnoot Uitleg: צוֹם (tsom), ‘vasten’: een tijd zonder eten, om je voor Elohim te verootmoedigen. Voetnoot : דֶּרֶךְ יְשָׁרָה (derekh yesharah), ‘een rechte weg’: een weg zonder gevaar. Het gaat om een veilige reis. Voetnoot : טַף (taf), ‘kleine kinderen’: de jongste kinderen van het gezin. Zie ook: 1 Sam 7:6; 2 Kron 20:3; Joël 1:14; Jona 3:5; Jes 30:21 **8:22** Want ik schaamde mij om de koning te vragen om een leger en ruiters, die ons onderweg tegen de vijand zouden helpen. Wij hadden tegen de koning gezegd: „De hand van onze Elohim is ten goede over allen die Hem zoeken. Maar Zijn kracht en Zijn toorn komen over allen die Hem verlaten.” Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בֹ֗שְׁתִּי (boshti) = ik schaamde mij | לִשְׁא֤וֹל (lishol) = om te vragen | מִן (min) = van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | חַ֣יִל (chayil) = een leger | וּפָרָשִׁ֔ים (ufarashim) = en ruiters | לְעָזְרֵ֥נוּ (leazerenu) = om ons te helpen | מֵאוֹיֵ֖ב (meoyev) = tegen de vijand | בַּדָּ֑רֶךְ (badarekh) = onderweg | כִּֽי (ki) = want | אָמַ֨רְנוּ (amarnu) = wij hadden gezegd | לַמֶּ֜לֶךְ (lamelekh) = tegen de koning | לֵאמֹ֗ר (lemor) = zeggende | יַד (yad) = de hand van | אֱלֹהֵ֤ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | עַל (al) = is over | כָּל (kal) = allen | מְבַקְשָׁיו֙ (mevaqshav) = die Hem zoeken | לְטוֹבָ֔ה (letova) = ten goede | וְעֻזּ֣וֹ (veuzo) = en Zijn kracht | וְאַפּ֔וֹ (veapo) = en Zijn toorn | עַ֖ל (al) = is over | כָּל (kal) = allen | עֹזְבָֽיו (ozevav) = die Hem verlaten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezra noemt zelf de reden: zij hadden tegen de koning gezegd dat de hand van Elohim ten goede is over wie Hem zoeken. Dit verslag zegt niet meer. Zie ook: Ps 33:18–19; Ps 34:16–17; 2 Kron 16:9; Klaagl 3:25; 1 Petr 3:12 **8:23** Wij vastten en vroegen onze Elohim hierom. En Hij liet Zich door ons verbidden. Brontekst: וַנָּצ֛וּמָה (vanatsuma) = en wij vastten | וַנְּבַקְשָׁ֥ה (vanevaqsha) = en wij vroegen | מֵאֱלֹהֵ֖ינוּ (meeloheinu) = van onze Elohim | עַל (al) = over | זֹ֑את (zot) = dit | וַיֵּעָתֵ֖ר (vayeater) = en Hij liet Zich verbidden | לָֽנוּ (lanu) = door ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:29; 2 Kron 33:12–13; Jer 29:12–13; Ezra 8:31; Mat 7:7–8 ### De gaven voor het huis van Elohim **8:24** Ik zonderde twaalf van de oversten van de priesters af: Sjerebja, Chasjabja en tien van hun broers met hen. Brontekst: וָאַבְדִּ֛ילָה (vaavdila) = en ik zonderde af | מִשָּׂרֵ֥י (misarei) = van de oversten van | הַכֹּהֲנִ֖ים (hakohanim) = de priesters | שְׁנֵ֣ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֑ר (asar) = tien | לְשֵׁרֵֽבְיָ֣ה (leshereveya) = voor Sjerebja | חֲשַׁבְיָ֔ה (chashavya) = Chasjabja | וְעִמָּהֶ֥ם (veimahem) = en met hen | מֵאֲחֵיהֶ֖ם (meacheihem) = van hun broers | עֲשָׂרָֽה (asara) = tien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 8:18–19 **8:25** Ik woog voor hen het zilver, het goud en de voorwerpen af. Dat was de heffing voor het huis van onze Elohim. De koning, zijn raadgevers, zijn oversten en heel Israël, voor zover aanwezig, hadden die geheven. Brontekst: וָאֶשְׁקֳלָ֣ה (vaeshqola) = en ik woog | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֥סֶף (hakesef) = het zilver | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַזָּהָ֖ב (hazahav) = het goud | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַכֵּלִ֑ים (hakelim) = de voorwerpen | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = de heffing van | בֵּית (beit) = het huis van | אֱלֹהֵ֗ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | הַהֵרִ֨ימוּ֙ (haherimu) = die hadden geheven | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | וְיֹעֲצָ֣יו (veyoatsav) = en zijn raadgevers | וְשָׂרָ֔יו (vesarav) = en zijn oversten | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הַנִּמְצָאִֽים (hanimtsaim) = de aanwezigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: een gave die wordt opgeheven en afgezonderd voor Elohim. Zie ook: Ezra 1:8; Ezra 7:14–16; Ezra 8:33; 2 Kor 8:20–21; Fil 4:8 **8:26** Ik woog hun 650 talenten zilver af. Ook woog ik zilveren voorwerpen af ter waarde van 100 talenten, en 100 talenten goud. Brontekst: וָאֶשְׁקֲלָ֨ה (vaeshqala) = en ik woog | עַל (al) = in | יָדָ֜ם (yadam) = hun hand | כֶּ֗סֶף (kesef) = zilver | כִּכָּרִים֙ (kikarim) = talenten | שֵֽׁשׁ (shesh) = zes | מֵא֣וֹת (meot) = honderd | וַחֲמִשִּׁ֔ים (vachamishim) = en vijftig | וּכְלֵי (ukhelei) = en voorwerpen van | כֶ֥סֶף (kesef) = zilver | מֵאָ֖ה (mea) = honderd | לְכִכָּרִ֑ים (lekhikarim) = in talenten | זָהָ֖ב (zahav) = goud | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | כִכָּֽר (kikar) = talent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: een talent is ongeveer 34 kilogram. 650 talenten zilver zijn ongeveer 22 ton. 100 talenten zijn ongeveer 3,4 ton. De omrekeningen zijn bij benadering. Voetnoot : לְכִכָּרִים (lekikkarim), ‘in talenten’: de waarde van de zilveren voorwerpen is 100 talenten. Zie ook: Ezra 1:9–11 **8:27** Ook woog ik twintig gouden schalen af, voor 1.000 darieken. En twee voorwerpen van goed, glanzend koper, kostbaar als goud. Brontekst: וּכְפֹרֵ֤י (ukheforei) = en schalen van | זָהָב֙ (zahav) = goud | עֶשְׂרִ֔ים (esrim) = twintig | לַאֲדַרְכֹנִ֖ים (laadarkhonim) = voor darieken | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וּכְלֵ֨י (ukhelei) = en voorwerpen van | נְחֹ֜שֶׁת (nechoshet) = koper | מֻצְהָ֤ב (mutshav) = glanzend | טוֹבָה֙ (tova) = goed | שְׁנַ֔יִם (shenayim) = twee | חֲמוּדֹ֖ת (chamudot) = kostbaar | כַּזָּהָֽב (kazahav) = als goud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדַרְכֹּנִים (adarkonim), ‘darieken’: een Perzische gouden munt. Een dariek is ongeveer 8,4 gram. Het Hebreeuws zegt alleen ‘voor 1.000 darieken’; of dat de waarde of het gewicht is, zegt de tekst niet. De omrekening is bij benadering. Voetnoot : מֻצְהָב (mutsahav), ‘glanzend’: het woord komt alleen hier voor. Zie ook: Klaagl 4:2 **8:28** Ik zei tegen hen: „Jullie zijn heilig voor Yahweh en de voorwerpen zijn heilig. Het zilver en het goud zijn een vrijwillige gave aan Yahweh, de Elohim van jullie vaders. Brontekst: וָאֹמְרָ֣ה (vaomera) = en ik zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | קֹ֨דֶשׁ֙ (qodesh) = heilig | לַיהוָ֔ה (laYahweh) = voor Yahweh | וְהַכֵּלִ֖ים (vehakelim) = en de voorwerpen | קֹ֑דֶשׁ (qodesh) = heilig | וְהַכֶּ֤סֶף (vehakesef) = en het zilver | וְהַזָּהָב֙ (vehazahav) = en het goud | נְדָבָ֔ה (nedava) = vrijwillige gave | לַיהוָ֖ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵ֥י (elohei) = Elohim van | אֲבֹתֵיכֶֽם (avoteikhem) = jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ (qodesh), ‘heilig’: afgezonderd voor Yahweh. Mensen en voorwerpen zijn heilig doordat zij voor Hem zijn afgezonderd. Zie ook: Lev 21:6–8; Lev 22:2–3; 1 Kon 7:48–51; Jes 52:11; Ezra 1:7–11 **8:29** Wees waakzaam en bewaak het, tot jullie het afwegen in Jeruzalem, in de kamers van het huis van Yahweh. Doe dat voor de oversten van de priesters, de Levieten en de oversten van de families van Israël.” Brontekst: שִׁקְד֣וּ (shiqdu) = wees waakzaam | וְשִׁמְר֗וּ (veshimru) = en bewaak | עַֽד (ad) = tot | תִּשְׁקְל֡וּ (tishqelu) = jullie weegt | לִפְנֵי֩ (lifnei) = voor het aangezicht van | שָׂרֵ֨י (sarei) = de oversten van | הַכֹּהֲנִ֧ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֛ם (vehalviyim) = en de Levieten | וְשָׂרֵֽי (vesarei) = en de oversten van | הָאָב֥וֹת (haavot) = de families | לְיִשְׂרָאֵ֖ל (leyisrael) = van Israël | בִּירוּשָׁלִָ֑ם (birushaliam) = in Jeruzalem | הַלִּשְׁכ֖וֹת (halishkhot) = de kamers van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לִשְׁכוֹת (lishkot), ‘kamers’: bijgebouwen bij het huis van Yahweh, waar voorraden en kostbare voorwerpen werden bewaard. Zie ook: 1 Kron 26:20–26; Ezra 8:33–34; Mar 13:34–35; Hand 20:31; 2 Tim 4:5 **8:30** De priesters en de Levieten namen het gewogen zilver, het goud en de voorwerpen in ontvangst. Zij moesten het naar Jeruzalem brengen, naar het huis van onze Elohim. Brontekst: וְקִבְּלוּ֙ (veqibelu) = en ontvingen | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | מִשְׁקַ֛ל (mishqal) = het gewicht van | הַכֶּ֥סֶף (hakesef) = het zilver | וְהַזָּהָ֖ב (vehazahav) = en het goud | וְהַכֵּלִ֑ים (vehakelim) = en de voorwerpen | לְהָבִ֥יא (lehavi) = om te brengen | לִירוּשָׁלִַ֖ם (lirushaliam) = naar Jeruzalem | לְבֵ֥ית (leveit) = naar het huis van | אֱלֹהֵֽינוּ (eloheinu) = onze Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 1 Kron 29:2–3; Ps 122:9; Jes 60:13; Ezra 8:22 ### De reis naar Jeruzalem **8:31** Wij braken op van de rivier Ahava op de twaalfde van de eerste maand, om naar Jeruzalem te gaan. De hand van onze Elohim was over ons. Hij bevrijdde ons uit de greep van de vijand en van wie ons onderweg opwachtte. Brontekst: וַֽנִּסְעָ֞ה (vanisa) = en wij braken op | מִנְּהַ֣ר (minehar) = van de rivier | אַֽהֲוָ֗א (ahava) = Ahava | בִּשְׁנֵ֤ים (bishneim) = op twee | עָשָׂר֙ (asar) = tien | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָרִאשׁ֔וֹן (harishon) = de eerste | לָלֶ֖כֶת (lalekhet) = om te gaan | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = naar Jeruzalem | וְיַד (veyad) = en de hand van | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | הָיְתָ֣ה (hayeta) = was | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = over ons | וַיַּ֨צִּילֵ֔נוּ (vayatsilenu) = en Hij bevrijdde ons | מִכַּ֥ף (mikaf) = uit de greep van | אוֹיֵ֛ב (oyev) = vijand | וְאוֹרֵ֖ב (veorev) = en hinderlaag | עַל (al) = op | הַדָּֽרֶךְ (hadarekh) = de weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Ahava (rivier of kanaal; ligging onzeker): Ahava is een rivier of kanaal in Babylonië, waar Ezra de ballingen verzamelde voor de terugtocht. De precieze plaats is niet bekend; hier staat een gok bij Babel. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De twaalfde van de eerste maand is de dag waarop zij van de rivier Ahava vertrokken. Zij waren daarvoor al bij de rivier gebleven (vers 15). Zie ook Ezra 7:9. Voetnoot : הִצִּיל (hitsil), ‘bevrijden’: Elohim bevrijdde hen van overvallers onderweg. Zie ook: Jes 41:10–14; Ezra 7:9; Ezra 8:15; Ezra 8:21–22; Hand 26:22 **8:32** Wij kwamen in Jeruzalem aan en bleven daar drie dagen. Brontekst: וַנָּב֖וֹא (vanavo) = en wij kwamen | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וַנֵּ֥שֶׁב (vaneshev) = en wij bleven | שָׁ֖ם (sham) = daar | יָמִ֥ים (yamim) = dagen | שְׁלֹשָֽׁה (shelosha) = drie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: Ezra 7:8–9; Neh 2:11 ### Het afwegen en de offers **8:33** Op de vierde dag werden het zilver, het goud en de voorwerpen gewogen, in het huis van onze Elohim. Dat gebeurde onder leiding van Meremot, de zoon van Uria, de priester. Eleazar, de zoon van Pinechas, was bij hem. Bij hen waren Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnoei, de Levieten. Brontekst: וּבַיּ֣וֹם (uvayom) = en op de dag | הָרְבִיעִ֡י (harevii) = de vierde | נִשְׁקַ֣ל (nishqal) = werd gewogen | הַכֶּסֶף֩ (hakesef) = het zilver | וְהַזָּהָ֨ב (vehazahav) = en het goud | וְהַכֵּלִ֜ים (vehakelim) = en de voorwerpen | בְּבֵ֣ית (beveit) = in het huis van | אֱלֹהֵ֗ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | עַ֠ל (al) = onder | יַד (yad) = de hand van | מְרֵמ֤וֹת (meremot) = Meremot | בֶּן (ben) = zoon van | אֽוּרִיָּה֙ (uriya) = Uria | הַכֹּהֵ֔ן (hakohen) = de priester | וְעִמּ֖וֹ (veimo) = en met hem | אֶלְעָזָ֣ר (elazar) = Eleazar | בֶּן (ben) = zoon van | פִּֽינְחָ֑ס (pinechas) = Pinechas | וְעִמָּהֶ֞ם (veimahem) = en met hen | יוֹזָבָ֧ד (yozavad) = Jozabad | בֶּן (ben) = zoon van | יֵשׁ֛וּעַ (yeshua) = Jesua | וְנֽוֹעַדְיָ֥ה (venoadya) = en Noadja | בֶן (ben) = zoon van | בִּנּ֖וּי (binuy) = Binnoei | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vierde dag is de vierde dag na hun aankomst (vers 32). Zie ook: Ezra 8:30; Ezra 8:32; Neh 3:4; Neh 3:21; Neh 10:10; 2 Kor 8:20–21 **8:34** Alles werd geteld en gewogen. Al het gewicht werd in die tijd opgeschreven. Brontekst: בְּמִסְפָּ֥ר (bemispar) = in aantal | בְּמִשְׁקָ֖ל (bemishqal) = in gewicht | לַכֹּ֑ל (lakol) = voor alles | וַיִּכָּתֵ֥ב (vayikatev) = en werd opgeschreven | כָּֽל (kal) = al | הַמִּשְׁקָ֖ל (hamishqal) = het gewicht | בָּעֵ֥ת (baet) = in de tijd | הַהִֽיא (hahi) = die Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **8:35** De zonen van de ballingschap, zij die uit de gevangenschap waren gekomen, brachten brandoffers aan de Elohim van Israël. Zij brachten 12 stieren voor heel Israël, 96 rammen, 77 lammeren en 12 bokken als zondoffer. Dit alles was een brandoffer voor Yahweh. Brontekst: הַ֠בָּאִים (habaim) = zij die kwamen | מֵֽהַשְּׁבִ֨י (mehashevi) = uit de gevangenschap | בְנֵֽי (benei) = de zonen van | הַגּוֹלָ֜ה (hagola) = de ballingschap | הִקְרִ֥יבוּ (hiqrivu) = brachten | עֹל֣וֹת (olot) = brandoffers | לֵאלֹהֵ֣י (lelohei) = aan de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | פָּרִ֨ים (parim) = stieren | שְׁנֵים (sheneim) = twee | עָשָׂ֤ר (asar) = tien | עַל (al) = voor | כָּל (kal) = heel | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֵילִ֣ים (eilim) = rammen | תִּשְׁעִ֣ים (tishim) = negentig | וְשִׁשָּׁ֗ה (veshisha) = en zes | כְּבָשִׂים֙ (kevasim) = lammeren | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | וְשִׁבְעָ֔ה (veshiva) = en zeven | צְפִירֵ֥י (tsefirei) = bokken van | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | שְׁנֵ֣ים (sheneim) = twee | עָשָׂ֑ר (asar) = tien | הַכֹּ֖ל (hakol) = alles | עוֹלָ֥ה (ola) = brandoffer | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De getallen horen bij Israël als geheel: 12 stieren voor de twaalf stammen. Samen zijn het 12 stieren, 96 rammen, 77 lammeren en 12 bokken: 197 dieren. De bokken zijn voor het zondoffer, de andere dieren voor het brandoffer; vers 35 noemt alles samen een brandoffer. Zie ook: Ps 66:10–15; Ps 116:12–19; 2 Kron 29:31–32; Ezra 2:1; Ezra 6:17 **8:36** Zij gaven de bevelen van de koning aan de satrapen van de koning en aan de landvoogden van het gebied over de rivier. Dezen steunden het volk en het huis van Elohim. Brontekst: וַֽיִּתְּנ֣וּ (vayitenu) = en zij gaven | אֶת (et) = (obj.) | דָּתֵ֣י (datei) = de bevelen van | הַמֶּ֗לֶךְ (hamelekh) = de koning | לַאֲחַשְׁדַּרְפְּנֵי֙ (laachashdarpenei) = aan de satrapen van | הַמֶּ֔לֶךְ (hamelekh) = de koning | וּפַחֲו֖וֹת (ufachavot) = en de landvoogden van | עֵ֣בֶר (ever) = gebied over | הַנָּהָ֑ר (hanahar) = de rivier | וְנִשְּׂא֥וּ (veniseu) = en zij steunden | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בֵּֽית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּתֵי הַמֶּלֶךְ (datei hamelekh), ‘bevelen van de koning’: wetten of bevelen met koninklijk gezag. Voetnoot : אֲחַשְׁדַּרְפְּנִים (achashdarpenim), ‘satrapen’: Perzische hoge bestuurders over een groot gebied. Voetnoot : פַּחוֹת (pachot), ‘landvoogden’: bestuurders van kleinere gebieden. Voetnoot : עֵבֶר הַנָּהָר (ever hannahar), ‘het gebied over de rivier’: het gebied ten westen van de Eufraat. Voetnoot : נִשְּׂאוּ (nissu), ‘steunden’: letterlijk ‘zij droegen’. Zie ook: Jes 56:6–7; Ezra 5:6–17; Ezra 7:21–24; Hand 18:27; Openb 12:16 ## Ezra 9 _De gemengde huwelijken en Ezra’s gebed_ ### De klacht van de oversten **9:1** Toen dit afgerond was, kwamen de oversten naar mij toe. Zij zeiden: „Het volk Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van de landen. Zij leven naar de gruwelen van de Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Jebusieten, Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten. Brontekst: וּכְכַלּ֣וֹת (ukhekhalot) = en toen waren afgerond | אֵ֗לֶּה (ele) = deze dingen | נִגְּשׁ֨וּ (nigeshu) = kwamen naderbij | אֵלַ֤י (elay) = naar mij | הַשָּׂרִים֙ (hasarim) = de oversten | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | לֹֽא (lo) = niet | נִבְדְּל֞וּ (nivdelu) = hebben zich afgezonderd | הָעָ֤ם (haam) = het volk | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְהַכֹּהֲנִ֣ים (vehakohanim) = en de priesters | וְהַלְוִיִּ֔ם (vehalviyim) = en de Levieten | מֵעַמֵּ֖י (meamei) = van de volken van | הָאֲרָצ֑וֹת (haaratsot) = de landen | כְּ֠תוֹעֲבֹֽתֵיהֶם (ketoavoteihem) = volgens hun gruwelen | לַכְּנַעֲנִ֨י (lakenaani) = de Kanaäniet | הַחִתִּ֜י (hachiti) = de Hethiet | הַפְּרִזִּ֣י (haperizi) = de Perizziet | הַיְבוּסִ֗י (hayvusi) = de Jebusiet | הָֽעַמֹּנִי֙ (haamoni) = de Ammoniet | הַמֹּ֣אָבִ֔י (hamoavi) = de Moabiet | הַמִּצְרִ֖י (hamitsri) = de Egyptenaar | וְהָאֱמֹרִֽי (vehaemori) = en de Amoriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: een daad die Elohim verafschuwt, vooral afgodendienst en wat daarbij hoort. Voetnoot : De lijst noemt acht volken. Een deel ervan (Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Jebusieten, Amorieten) staat ook in Deut. 7:1. Ammonieten, Moabieten en Egyptenaren staan in Deut. 23:4–9. Zie ook: Ex 33:16; Lev 18:24–30; Deut 7:1; Deut 23:4–9; Ezra 10:10–11; Neh 9:2; Rom 2:17–25 **9:2** Want zij hebben dochters van hen genomen, voor zichzelf en voor hun zonen. Zo heeft het heilige nageslacht zich vermengd met de volken van de landen. De hand van de oversten en de bestuurders was de eerste in deze ontrouw.” Brontekst: כִּֽי (ki) = want | נָשְׂא֣וּ (naseu) = zij hebben genomen | מִבְּנֹֽתֵיהֶ֗ם (mibenoteihem) = van hun dochters | לָהֶם֙ (lahem) = voor zichzelf | וְלִבְנֵיהֶ֔ם (velivneihem) = en voor hun zonen | וְהִתְעָֽרְבוּ֙ (vehitarevu) = en zij hebben zich vermengd | זֶ֣רַע (zera) = nageslacht van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | בְּעַמֵּ֖י (beamei) = met de volken van | הָאֲרָצ֑וֹת (haaratsot) = de landen | וְיַ֧ד (veyad) = en de hand van | הַשָּׂרִ֣ים (hasarim) = de oversten | וְהַסְּגָנִ֗ים (vehaseganim) = en de bestuurders | הָֽיְתָ֛ה (hayeta) = was | בַּמַּ֥עַל (bamaal) = in de ontrouw | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | רִאשׁוֹנָֽה (rishona) = eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶרַע הַקֹּדֶשׁ (zera haqodesh), ‘het heilige nageslacht’: Israël als volk dat voor Yahweh is afgezonderd. Vergelijk Jes. 6:13. Voetnoot : מַעַל (ma’al), ‘ontrouw’: de trouw aan Elohim breken. Wij vertalen steeds ‘ontrouw’ (9:2, 4; 10:2, 6, 10), zoals in Lev. 5:15. Voetnoot : סְגָנִים (seganim), ‘bestuurders’: de leidinggevenden. Zo vertalen wij ook in Neh. 2:16. Zie ook: Ex 34:16; Lev 5:15; Deut 7:1–4; Jes 6:13; Ezra 10:2; Ezra 10:18–44; Neh 2:16; Neh 13:23–24 ### Ezra is verbijsterd **9:3** Toen ik dit hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel. Ik trok haren uit mijn hoofd en mijn baard. En ik bleef verbijsterd zitten. Brontekst: וּכְשָׁמְעִי֙ (ukheshamei) = en toen ik hoorde | אֶת (et) = (obj.) | הַדָּבָ֣ר (hadavar) = de zaak | הַזֶּ֔ה (haze) = deze | קָרַ֥עְתִּי (qarati) = scheurde ik | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדִ֖י (bigdi) = mijn kleed | וּמְעִילִ֑י (umeili) = en mijn mantel | וָאֶמְרְטָ֞ה (vaemreta) = en ik trok uit | מִשְּׂעַ֤ר (misear) = van de haren van | רֹאשִׁי֙ (roshi) = mijn hoofd | וּזְקָנִ֔י (uzeqani) = en mijn baard | וָאֵשְׁבָ֖ה (vaesheva) = en ik zat | מְשׁוֹמֵֽם (meshomem) = verbijsterd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het scheuren van kleren en het uittrekken van haren zijn tekenen van diepe rouw en schrik. Vergelijk Gen. 37:34. Zie ook: Gen 37:34; Joz 7:6; Ps 143:4; Jer 36:24; Ezech 7:18; Neh 1:4 **9:4** Allen die beefden voor de woorden van de Elohim van Israël, kwamen bij mij samen vanwege de ontrouw van de ballingen. Ik bleef verbijsterd zitten tot het graanoffer van de avond. Brontekst: וְאֵלַ֣י (veelay) = en naar mij | יֵאָסְפ֗וּ (yeasefu) = verzamelden zich | כֹּ֤ל (kol) = allen | חָרֵד֙ (chared) = die beefde | בְּדִבְרֵ֣י (bedivrei) = voor de woorden van | אֱלֹהֵֽי (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | עַ֖ל (al) = vanwege | מַ֣עַל (maal) = ontrouw van | הַגּוֹלָ֑ה (hagola) = de ballingschap | וַאֲנִי֙ (vaani) = en ik | יֹשֵׁ֣ב (yoshev) = zat | מְשׁוֹמֵ֔ם (meshomem) = verbijsterd | עַ֖ד (ad) = tot | לְמִנְחַ֥ת (leminchat) = het graanoffer van | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרֵד בְּדִבְרֵי (chared bedivrei), ‘die beeft voor de woorden van’: mensen die ontzag hebben voor wat Elohim zegt. Voetnoot : מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: het avondoffer, rond het midden van de middag. Wij vertalen steeds ‘graanoffer’. Zie ook: Ex 29:39; Ps 119:136; Jes 66:2; Ezech 9:4; Ezra 10:3 ### Ezra’s gebed **9:5** Bij het graanoffer van de avond stond ik op uit mijn verootmoediging. Mijn kleed en mijn mantel waren gescheurd. Ik viel op mijn knieën en spreidde mijn handen uit naar Yahweh, mijn Elohim. Brontekst: וּבְמִנְחַ֣ת (uveminchat) = en bij het graanoffer van | הָעֶ֗רֶב (haerev) = de avond | קַ֚מְתִּי (qamti) = stond ik op | מִתַּֽעֲנִיתִ֔י (mitaaniti) = uit mijn verootmoediging | וּבְקָרְעִ֥י (uveqarei) = en bij het scheuren van | בִגְדִ֖י (bigdi) = mijn kleed | וּמְעִילִ֑י (umeili) = en mijn mantel | וָֽאֶכְרְעָה֙ (vaekhrea) = en ik viel neer | עַל (al) = op | בִּרְכַּ֔י (birkay) = mijn knieën | וָאֶפְרְשָׂ֥ה (vaefresa) = en ik spreidde uit | כַפַּ֖י (kapay) = mijn handpalmen | אֶל (el) = naar | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהָֽי (elohay) = mijn Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּעֲנִית (ta’anit), ‘verootmoediging’: een tijd van vasten en nederigheid. Voetnoot : פָּרַשׂ כַּפַּיִם (paras kappayim), ‘de handen uitspreiden’: een houding van gebed. Vergelijk 1 Kon. 8:22. Zie ook: Ex 9:29; Ex 9:33; 1 Kon 8:22; 1 Kon 8:38; 1 Kon 8:54 **9:6** Ik zei: „Mijn Elohim, ik schaam mij en ben beschaamd om mijn gezicht naar U op te heffen, mijn Elohim. Want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gegroeid. Onze schuld is groot geworden, tot aan de hemel. Brontekst: וָאֹמְרָ֗ה (vaomera) = en ik zei | אֱלֹהַי֙ (elohay) = mijn Elohim | בֹּ֣שְׁתִּי (boshti) = ik schaam mij | וְנִכְלַ֔מְתִּי (venikhlamti) = en ik ben beschaamd | לְהָרִ֧ים (leharim) = om op te heffen | אֱלֹהַ֛י (elohay) = mijn Elohim | פָּנַ֖י (panay) = mijn gezicht | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = naar U | כִּ֣י (ki) = want | עֲוֺנֹתֵ֤ינוּ (avonoteinu) = onze ongerechtigheden | רָבוּ֙ (ravu) = zijn talrijk geworden | לְמַ֣עְלָה (lemala) = naar boven | רֹּ֔אשׁ (rosh) = hoofd | וְאַשְׁמָתֵ֥נוּ (veashmatenu) = en onze schuld | גָדְלָ֖ה (gadela) = is groot geworden | עַ֥ד (ad) = tot | לַשָּׁמָֽיִם (lashamayim) = de hemel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲוֺן (avon), ‘ongerechtigheid’, en אַשְׁמָה (ashmah), ‘schuld’: twee woorden die samen de zwaarte van de overtreding uitdrukken. Voetnoot : Ezra spreekt in het gebed steeds in de ‘wij’-vorm. Zie ook: Job 42:6; Ps 38:5; 2 Kron 28:9; Luc 15:21; Openb 18:5 **9:7** Sinds de dagen van onze vaders zijn wij in grote schuld, tot op deze dag. Om onze ongerechtigheden zijn wij overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen van de landen. Wij zijn overgeleverd aan het zwaard, aan gevangenschap, aan plundering en aan schaamte van het gezicht, zoals op deze dag. Brontekst: מִימֵ֣י (mimei) = sinds de dagen van | אֲבֹתֵ֗ינוּ (avoteinu) = onze vaders | אֲנַ֨חְנוּ֙ (anachnu) = wij | בְּאַשְׁמָ֣ה (beashma) = in schuld | גְדֹלָ֔ה (gedola) = grote | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | וּבַעֲוֺנֹתֵ֡ינוּ (uvaavonoteinu) = en om onze ongerechtigheden | נִתַּ֡נּוּ (nitanu) = zijn overgegeven | אֲנַחְנוּ֩ (anachnu) = wij | מְלָכֵ֨ינוּ (melakheinu) = onze koningen | כֹהֲנֵ֜ינוּ (kohaneinu) = onze priesters | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | מַלְכֵ֣י (malkhei) = de koningen van | הָאֲרָצ֗וֹת (haaratsot) = de landen | בַּחֶ֜רֶב (bacherev) = aan het zwaard | בַּשְּׁבִ֧י (bashevi) = aan gevangenschap | וּבַבִּזָּ֛ה (uvabiza) = en aan plundering | וּבְבֹ֥שֶׁת (uvevoshet) = en aan schaamte van | פָּנִ֖ים (panim) = gezicht | כְּהַיּ֥וֹם (kehayom) = zoals de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 32:15–28; Ps 106:6–7; 2 Kron 29:6; Dan 9:5–8; Mat 23:30–33 **9:8** Maar nu is er, voor een kort ogenblik, genade gekomen van Yahweh, onze Elohim. Hij liet ons een ontkomen rest overhouden. Hij gaf ons een tentpin in Zijn heilige plaats. Zo liet onze Elohim onze ogen oplichten en gaf Hij ons een weinig herleving in onze dienstbaarheid. Brontekst: וְעַתָּ֡ה (veata) = en nu | כִּמְעַט (kimat) = bijna | רֶגַע֩ (rega) = een ogenblik | הָיְתָ֨ה (hayeta) = is geweest | תְחִנָּ֜ה (techina) = genade | מֵאֵ֣ת (meet) = van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֗ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | לְהַשְׁאִ֥יר (lehashir) = om over te laten | לָ֨נוּ֙ (lanu) = voor ons | פְּלֵיטָ֔ה (peleita) = een ontkomen rest | וְלָתֶת (velatet) = en om te geven | לָ֥נוּ (lanu) = ons | יָתֵ֖ד (yated) = een tentpin | בִּמְק֣וֹם (bimqom) = in de plaats van | קָדְשׁ֑וֹ (qadesho) = Zijn heiligheid | לְהָאִ֤יר (lehair) = om te laten oplichten | עֵינֵ֨ינוּ֙ (eineinu) = onze ogen | אֱלֹהֵ֔ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וּלְתִתֵּ֛נוּ (uletitenu) = en om ons te geven | מִֽחְיָ֥ה (michya) = herleving | מְעַ֖ט (meat) = weinig | בְּעַבְדֻתֵֽנוּ (beavdutenu) = in onze dienstbaarheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּחִנָּה (techinnah), ‘genade’: een gunst die men niet verdient. Voetnoot : פְּלֵיטָה (peletah), ‘ontkomen rest’: wie aan een ramp is ontkomen. Wij vertalen steeds ‘ontkomen rest’ (verzen 8, 13, 14, 15). Voetnoot : יָתֵד (yated), ‘tentpin’: een pin die een tent vastzet. Het beeld is: een vaste plaats in het heiligdom. Voetnoot : לְהָאִיר עֵינֵינוּ (leha’ir enenu), ‘onze ogen laten oplichten’: nieuwe levenskracht geven. Voetnoot : עַבְדוּת (avdut), ‘dienstbaarheid’: de toestand van wie onder een vreemde heerser dient. Zie ook: Ps 13:4; Hos 6:2; Jes 57:15; Hab 3:2; Rom 11:5–6 **9:9** Want dienaren zijn wij. Maar in onze dienstbaarheid heeft onze Elohim ons niet verlaten. Hij heeft ons trouw betoond voor het aangezicht van de koningen van Perzië. Zo kregen wij herleving, om het huis van onze Elohim op te richten en zijn puinhopen te herstellen. En Hij gaf ons een omheining in Juda en in Jeruzalem. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עֲבָדִ֣ים (avadim) = dienaren | אֲנַ֔חְנוּ (anachnu) = wij | וּבְעַבְדֻ֔תֵנוּ (uveavdutenu) = en in onze dienstbaarheid | לֹ֥א (lo) = niet | עֲזָבָ֖נוּ (azavanu) = heeft verlaten ons | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וַֽיַּט (vayat) = maar Hij strekte uit | עָלֵ֣ינוּ (aleinu) = over ons | חֶ֡סֶד (chesed) = trouw | לִפְנֵי֩ (lifnei) = voor het aangezicht van | מַלְכֵ֨י (malkhei) = de koningen van | פָרַ֜ס (paras) = Perzië | לָֽתֶת (latet) = om te geven | לָ֣נוּ (lanu) = ons | מִֽחְיָ֗ה (michya) = herleving | לְרוֹמֵ֞ם (leromem) = om op te richten | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֤ית (beit) = het huis van | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | וּלְהַעֲמִ֣יד (ulehaamid) = en om te laten herrijzen | אֶת (et) = (obj.) | חָרְבֹתָ֔יו (charevotav) = zijn puinhopen | וְלָֽתֶת (velatet) = en om te geven | לָ֣נוּ (lanu) = ons | גָדֵ֔ר (gader) = een omheining | בִּֽיהוּדָ֖ה (bihuda) = in Juda | וּבִירוּשָׁלִָֽם (uvirushaliam) = en in Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘Want dienaren zijn wij’ (עֲבָדִים, avadim). Ezra bedoelt hun toestand onder de Perzische koningen. Voetnoot : חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: de trouw van Elohim aan Zijn volk. Voetnoot : גָּדֵר (gader), ‘omheining’: een muur of afscheiding die beschermt. Het is een beeld van bescherming; de tekst zegt niet of er een stadsmuur mee bedoeld is. Zie ook: Ps 106:45–46; Ps 136:23–24; Ezra 7:6; Hag 1:9; Zach 4:6–10 **9:10** En nu, onze Elohim, wat kunnen wij zeggen na dit alles? Want wij hebben Uw geboden verlaten. Brontekst: וְעַתָּ֛ה (veata) = en nu | מַה (ma) = wat | נֹּאמַ֥ר (nomar) = zullen wij zeggen | אֱלֹהֵ֖ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | אַֽחֲרֵי (acharei) = na | זֹ֑את (zot) = dit | כִּ֥י (ki) = want | עָזַ֖בְנוּ (azavnu) = wij hebben verlaten | מִצְוֺתֶֽיךָ (mitsvoteikha) = Uw geboden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 44:16; Joz 7:8; Klaagl 3:22; Dan 9:4–16; Rom 3:19 **9:11** U hebt die geboden gegeven door Uw dienaren, de profeten. U zei: ‘Het land waar jullie heen gaan om het in bezit te nemen, is een onrein land. Het is onrein door de onreinheid van de volken van de landen, door hun gruwelen. Zij hebben het van de ene kant tot de andere gevuld met hun onreinheid. Brontekst: אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | צִוִּ֗יתָ (tsivita) = U hebt geboden | בְּיַ֨ד (beyad) = door de hand van | עֲבָדֶ֣יךָ (avadeikha) = Uw dienaren | הַנְּבִיאִים֮ (haneviim) = de profeten | לֵאמֹר֒ (lemor) = zeggende | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אַתֶּ֤ם (atem) = jullie | בָּאִים֙ (baim) = binnengaan | לְרִשְׁתָּ֔הּ (lerishtah) = om het te bezitten | אֶ֤רֶץ (erets) = een land | נִדָּה֙ (nida) = onrein | הִ֔יא (hi) = het is | בְּנִדַּ֖ת (benidat) = door de onreinheid van | עַמֵּ֣י (amei) = de volken van | הָאֲרָצ֑וֹת (haaratsot) = de landen | בְּתוֹעֲבֹֽתֵיהֶ֗ם (betoavoteihem) = door hun gruwelen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מִלְא֛וּהָ (miluha) = hebben het gevuld | מִפֶּ֥ה (mipe) = van mond | אֶל (el) = tot | פֶּ֖ה (pe) = mond | בְּטֻמְאָתָֽם (betumatam) = met hun onreinheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden van Yahweh door de profeten staan in het gebed zelf, daarom zwart en tussen enkele aanhalingstekens. Het Hebreeuws noemt geen profeet en geen vers. Vergelijk Lev. 18:24–30 en Deut. 7:3. Voetnoot : נִדָּה (nidah), ‘onreinheid’: het woord wordt vooral gebruikt voor wat onrein is of wat men moet afstoten (Lev. 12:2). Voetnoot : מִפֶּה אֶל פֶּה (mippeh el peh), ‘van mond tot mond’: van de ene kant tot de andere, helemaal vol. Zie ook: Lev 12:2; Lev 18:24–30; Deut 7:3; Deut 18:12; Ezech 36:25–27; Ezra 6:21; Ezra 9:1 **9:12** Geef dus jullie dochters niet aan hun zonen en neem hun dochters niet voor jullie zonen. Zoek hun vrede en hun welzijn nooit, voor eeuwig. Dan zullen jullie sterk worden, het goede van het land eten en het voor eeuwig aan jullie zonen als bezit nalaten.’ Brontekst: וְ֠עַתָּה (veata) = en nu | בְּֽנוֹתֵיכֶ֞ם (benoteikhem) = jullie dochters | אַל (al) = niet | תִּתְּנ֣וּ (titenu) = geef | לִבְנֵיהֶ֗ם (livneihem) = aan hun zonen | וּבְנֹֽתֵיהֶם֙ (uvenoteihem) = en hun dochters | אַל (al) = niet | תִּשְׂא֣וּ (tisu) = neem | לִבְנֵיכֶ֔ם (livneikhem) = voor jullie zonen | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִדְרְשׁ֧וּ (tidreshu) = zoek | שְׁלֹמָ֛ם (shelomam) = hun vrede | וְטוֹבָתָ֖ם (vetovatam) = en hun welzijn | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֑ם (olam) = eeuwig | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | תֶּחֶזְק֗וּ (techezqu) = jullie sterk worden | וַאֲכַלְתֶּם֙ (vaakhaltem) = en jullie eten | אֶת (et) = (obj.) | ט֣וּב (tuv) = het goede van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְהוֹרַשְׁתֶּ֥ם (vehorashtem) = en jullie laten erven | לִבְנֵיכֶ֖ם (livneikhem) = aan jullie zonen | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלֹמָם וְטֹבָתָם (shelomam vetovatam), ‘hun vrede en hun welzijn’: zoals in Deut. 23:7. Het gaat om het sluiten van verdragen en het zoeken van hun voordeel. Zie ook: Ex 34:15–16; Deut 7:3; Deut 23:7; Joz 23:12–13; Spr 13:22 **9:13** Alles wat over ons kwam, kwam door onze slechte daden en onze grote schuld. Toch hebt U, onze Elohim, ons minder gestraft dan onze ongerechtigheden verdienen. U hebt ons zo’n ontkomen rest gegeven. Brontekst: וְאַֽחֲרֵי֙ (veacharei) = en na | כָּל (kal) = alles | הַבָּ֣א (haba) = wat komt | עָלֵ֔ינוּ (aleinu) = over ons | בְּמַעֲשֵׂ֨ינוּ֙ (bemaaseinu) = om onze daden | הָרָעִ֔ים (haraim) = de slechte | וּבְאַשְׁמָתֵ֖נוּ (uveashmatenu) = en om onze schuld | הַגְּדֹלָ֑ה (hagedola) = de grote | כִּ֣י (ki) = want | אַתָּ֣ה (ata) = U | אֱלֹהֵ֗ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | חָשַׂ֤כְתָּֽ (chasakhta) = hebt teruggehouden | לְמַ֨טָּה֙ (lemata) = naar beneden | מֵֽעֲוֺנֵ֔נוּ (meavonenu) = van onze ongerechtigheden | וְנָתַ֥תָּה (venatata) = en U hebt gegeven | לָּ֛נוּ (lanu) = ons | פְּלֵיטָ֖ה (peleita) = een ontkomen rest | כָּזֹֽאת (kazot) = zoals deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָשַׂכְתָּ לְמַטָּה מֵעֲוֺנֵנוּ (chasakhta lemattah me’avonenu), ‘U hebt teruggehouden, naar beneden, van onze ongerechtigheden’: U hebt ons minder gestraft dan onze ongerechtigheden verdienden. Het Hebreeuws is kort; wij schrijven het uit. Zie ook: Job 11:6; Ps 103:10; Klaagl 3:22; Klaagl 3:39–40; Ezra 9:6–8 **9:14** Zouden wij dan weer Uw geboden breken en huwelijken sluiten met de volken van deze gruwelen? Zou U niet op ons toornen tot het einde, zodat er geen overgeblevenen en geen ontkomen rest meer is? Brontekst: הֲנָשׁוּב֙ (hanashuv) = zullen wij terugkeren | לְהָפֵ֣ר (lehafer) = om te breken | מִצְוֺתֶ֔יךָ (mitsvoteikha) = Uw geboden | וּ֨לְהִתְחַתֵּ֔ן (ulehitchaten) = en om huwelijken te sluiten | בְּעַמֵּ֥י (beamei) = met de volken van | הַתֹּעֵב֖וֹת (hatoevot) = de gruwelen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | הֲל֤וֹא (halo) = niet | תֶֽאֱנַף (teenaf) = zult U toornen | בָּ֨נוּ֙ (banu) = tegen ons | עַד (ad) = tot | כַּלֵּ֔ה (kale) = vernietiging | לְאֵ֥ין (leein) = zodat er niet is | שְׁאֵרִ֖ית (sheerit) = een overgeblevene | וּפְלֵיטָֽה (ufeleita) = en ontkomen rest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overgeblevenen’: wie na een ramp overblijft. Voetnoot : לְהִתְחַתֵּן (lehitchatten), ‘huwelijken sluiten’: een band door huwelijk aangaan. Zie ook: Num 17:10; Deut 9:8; Deut 9:14; Ezra 9:2; Rom 6:1 **9:15** Yahweh, Elohim van Israël, U bent rechtvaardig, want wij zijn overgebleven als een ontkomen rest, zoals op deze dag. Zie, wij staan voor U in onze schuld. Want niemand kan vanwege dit voor Uw aangezicht standhouden.” Brontekst: יְהוָ֞ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵ֤י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | צַדִּ֣יק (tsadiq) = rechtvaardig | אַ֔תָּה (ata) = U bent | כִּֽי (ki) = want | נִשְׁאַ֥רְנוּ (nisharnu) = wij zijn overgebleven | פְלֵיטָ֖ה (peleita) = een ontkomen rest | כְּהַיּ֣וֹם (kehayom) = zoals de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | הִנְנ֤וּ (hinnu) = zie ons | לְפָנֶ֨יךָ֙ (lefaneikha) = voor U | בְּאַשְׁמָתֵ֔ינוּ (beashmateinu) = in onze schuld | כִּ֣י (ki) = want | אֵ֥ין (ein) = er is niet | לַעֲמ֛וֹד (laamod) = om te staan | לְפָנֶ֖יךָ (lefaneikha) = voor U | עַל (al) = om | זֹֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 130:3; Joh 8:21; Joh 8:24; Rom 3:19; Rom 10:3 ## Ezra 10 _Het verbond om de vreemde vrouwen weg te sturen_ ### Het volk huilt voor het huis van Elohim **10:1** Ezra bad en beleed zijn schuld, huilend en zich neerwerpend voor het huis van Elohim. Een zeer grote vergadering uit Israël kwam bij hem samen: mannen, vrouwen en kinderen. Want het volk huilde luid. Brontekst: וּכְהִתְפַּלֵּ֤ל (ukhehitpalel) = en toen bad | עֶזְרָא֙ (ezra) = Ezra | וּכְ֨הִתְוַדֹּת֔וֹ (ukhehitvadoto) = en toen hij beleed | בֹּכֶה֙ (bokhe) = huilend | וּמִתְנַפֵּ֔ל (umitnapel) = en zich neerwerpend | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֑ים (haElohim) = Elohim | נִקְבְּצוּ֩ (niqbetsu) = verzamelden zich | אֵלָ֨יו (elav) = bij hem | מִיִּשְׂרָאֵ֜ל (miyisrael) = uit Israël | קָהָ֣ל (qahal) = een vergadering | רַב (rav) = zeer | מְאֹ֗ד (meod) = groot | אֲנָשִׁ֤ים (anashim) = mannen | וְנָשִׁים֙ (venashim) = en vrouwen | וִֽילָדִ֔ים (viladim) = en kinderen | כִּֽי (ki) = want | בָכ֥וּ (bakhu) = huilden | הָעָ֖ם (haam) = het volk | הַרְבֵּה (harbe) = veel | בֶֽכֶה (bekhe) = huilen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִתְוַדּוֹת (hitvaddot), ‘belijden’: Ezra beleed de schuld van het volk voor Elohim. Zie ook Ezra 9:6–15. Voetnoot : Onze vertaling ‘luid’ staat voor het Hebreeuwse ‘veel huilen’ (הַרְבֵּה בֶכֶה, harbeh veche). Zie ook: Ps 119:136; 1 Kon 8:30; Dan 9:20; Ezra 9:6–15; Rom 9:2; 1 Joh 1:8–10 ### Sjekanja stelt een verbond voor **10:2** Sjekanja, de zoon van Jechiël, van de zonen van Elam, nam het woord. Hij zei tegen Ezra: „Wij hebben ontrouw gepleegd tegenover onze Elohim. Wij hebben vreemde vrouwen uit de volken van het land laten wonen. Maar er is nog hoop voor Israël, ondanks dit. Brontekst: וַיַּעַן֩ (vayaan) = en antwoordde | שְׁכַנְיָ֨ה (shekhanya) = Sjekanja | בֶן (ben) = zoon van | יְחִיאֵ֜ל (yechiel) = Jechiël | מִבְּנֵ֤י (mibenei) = van de zonen van | עֵילָם֙ (eilam) = Elam | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | לְעֶזְרָ֔א (leezra) = tegen Ezra | אֲנַ֨חְנוּ֙ (anachnu) = wij | מָעַ֣לְנוּ (maalnu) = hebben ontrouw gepleegd | בֵאלֹהֵ֔ינוּ (beloheinu) = tegen onze Elohim | וַנֹּ֛שֶׁב (vanoshev) = en wij hebben laten wonen | נָשִׁ֥ים (nashim) = vrouwen | נָכְרִיּ֖וֹת (nakheriyot) = vreemde | מֵעַמֵּ֣י (meamei) = uit de volken van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְעַתָּ֛ה (veata) = en nu | יֵשׁ (yesh) = is er | מִקְוֶ֥ה (miqve) = hoop | לְיִשְׂרָאֵ֖ל (leyisrael) = voor Israël | עַל (al) = over | זֹֽאת (zot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹשִׁיב (hoshiv), ‘laten wonen’: het Hebreeuws zegt dat zij de vrouwen hebben laten wonen, dus in huis hebben genomen. Wij vertalen steeds ‘laten wonen’ (verzen 2, 10, 14, 17, 18). Voetnoot : מַעַל (ma’al), ‘ontrouw’: zie bij Ezra 9:2. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters עולם (Olam). De voorgelezen tekst (qere) heeft עֵילָם (Elam). Wij volgen het qere. Zie ook: Ex 34:12; Jer 3:12–13; Ezra 9:2; Neh 13:27; 1 Joh 1:7–9 **10:3** Laten wij nu een verbond sluiten voor onze Elohim. Wij sturen alle vrouwen weg, en wat uit hen geboren is. Dat doen wij volgens de raad van mijn Heer en van hen die beven voor het gebod van onze Elohim. Laat het gedaan worden volgens de wet. Brontekst: וְעַתָּ֣ה (veata) = en nu | נִֽכְרָת (nikhrat) = laten wij sluiten | בְּרִ֣ית (berit) = een verbond | לֵ֠אלֹהֵינוּ (leloheinu) = voor onze Elohim | לְהוֹצִ֨יא (lehotsi) = om weg te sturen | כָל (kal) = alle | נָשִׁ֜ים (nashim) = vrouwen | וְהַנּוֹלָ֤ד (vehanolad) = en wat geboren is | מֵהֶם֙ (mehem) = uit hen | בַּעֲצַ֣ת (baatsat) = volgens de raad van | אֲדֹנָ֔י (adonay) = mijn Heer | וְהַחֲרֵדִ֖ים (vehacharedim) = en zij die beven | בְּמִצְוַ֣ת (bemitsvat) = voor het gebod van | אֱלֹהֵ֑ינוּ (eloheinu) = onze Elohim | וְכַתּוֹרָ֖ה (vekhatora) = en volgens de wet | יֵעָשֶֽׂה (yease) = laat gedaan worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: het woord heeft de klinkers van de goddelijke titel. Sommigen verstaan Elohim (‘de raad van Adonai’), anderen Ezra (‘de raad van mijn heer’). Wij vertalen ‘mijn Heer’ en laten het open. Voetnoot : הַחֲרֵדִים (hacharedim), ‘zij die beven’: wie ontzag heeft voor het gebod van Elohim, zoals in Ezra 9:4. Voetnoot : בְּרִית (berit), ‘verbond’: een plechtige verplichting die onder eed wordt gesloten, zoals in vers 5. Zie ook: Deut 7:2–3; Joz 23:12–13; Ps 119:120; Ezra 9:4; Ezra 10:5; 1 Kor 7:12–13 **10:4** Sta op, want deze zaak ligt bij u. Wij staan achter u. Wees sterk en handel.” Brontekst: ק֛וּם (qum) = sta op | כִּֽי (ki) = want | עָלֶ֥יךָ (aleikha) = op u | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | וַאֲנַ֣חְנוּ (vaanachnu) = en wij | עִמָּ֑ךְ (imakh) = met u | חֲזַ֖ק (chazaq) = wees sterk | וַעֲשֵֽׂה (vaase) = en handel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 22:19; 1 Kron 28:10; Pred 9:10; Heb 10:24; Heb 12:12–13 **10:5** Ezra stond op. Hij liet de oversten van de priesters, de Levieten en heel Israël zweren dat zij volgens dit woord zouden handelen. En zij zwoeren. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | עֶזְרָ֡א (ezra) = Ezra | וַיַּשְׁבַּ֣ע (vayashba) = en liet zweren | אֶת (et) = (obj.) | שָׂרֵי֩ (sarei) = de oversten van | הַכֹּהֲנִ֨ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּ֜ם (halviyim) = de Levieten | וְכָל (vekhal) = en heel | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לַעֲשׂ֛וֹת (laasot) = om te doen | כַּדָּבָ֥ר (kadavar) = volgens de zaak | הַזֶּ֖ה (haze) = deze | וַיִּשָּׁבֵֽעוּ (vayishaveu) = en zij zwoeren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 15:23; Spr 25:11–12; Neh 5:12; Neh 13:25; Mat 26:63 **10:6** Ezra stond op van voor het huis van Elohim en ging naar de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib. Hij ging daarheen. Hij at geen brood en dronk geen water, want hij was in rouw over de ontrouw van de ballingen. Brontekst: וַיָּ֣קָם (vayaqam) = en stond op | עֶזְרָ֗א (ezra) = Ezra | מִלִּפְנֵי֙ (milifnei) = van voor | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָֽאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | וַיֵּ֕לֶךְ (vayelekh) = en ging | אֶל (el) = naar | לִשְׁכַּ֖ת (lishkat) = de kamer van | יְהוֹחָנָ֣ן (yehochanan) = Johanan | בֶּן (ben) = zoon van | אֶלְיָשִׁ֑יב (elyashiv) = Eljasib | וַיֵּ֣לֶךְ (vayelekh) = en hij ging | שָׁ֗ם (sham) = daarheen | לֶ֤חֶם (lechem) = brood | לֹֽא (lo) = niet | אָכַל֙ (akhal) = at hij | וּמַ֣יִם (umayim) = en water | לֹֽא (lo) = niet | שָׁתָ֔ה (shata) = dronk hij | כִּ֥י (ki) = want | מִתְאַבֵּ֖ל (mitabel) = rouwend | עַל (al) = over | מַ֥עַל (maal) = ontrouw van | הַגּוֹלָֽה (hagola) = de ballingschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוֹחָנָן בֶּן אֶלְיָשִׁיב (Jehochanan ben Eljasib): wij schrijven ‘Johanan’. Over deze man zegt de tekst verder niets. Zie ook Neh. 12:22–23. Voetnoot : לִשְׁכָּה (lishkah), ‘kamer’: een kamer in de gebouwen bij het huis van Elohim, zoals in Ezra 8:29. Zie ook: Ex 34:28; Deut 9:18; Ezra 8:29; Neh 3:1; Neh 12:22; Joh 4:31–34 ### De oproep naar Jeruzalem **10:7** Zij lieten in Juda en Jeruzalem een oproep uitgaan aan alle zonen van de ballingschap om zich in Jeruzalem te verzamelen. Brontekst: וַיַּעֲבִ֨ירוּ (vayaaviru) = en zij lieten doorgaan | ק֜וֹל (qol) = een stem | בִּיהוּדָ֣ה (bihuda) = in Juda | וִירֽוּשָׁלִַ֗ם (virushaliam) = en Jeruzalem | לְכֹל֙ (lekhol) = aan alle | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | הַגּוֹלָ֔ה (hagola) = de ballingschap | לְהִקָּבֵ֖ץ (lehiqavets) = om zich te verzamelen | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = naar Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Zie ook: 2 Kron 30:5; Ezra 1:1 **10:8** Wie niet binnen drie dagen kwam, volgens de raad van de oversten en de oudsten, van hem zou al zijn bezit onder de ban vallen. Hijzelf zou worden afgezonderd van de vergadering van de ballingen. Brontekst: וְכֹל֩ (vekhol) = en ieder | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יָב֜וֹא (yavo) = komt | לִשְׁלֹ֣שֶׁת (lishloshet) = binnen drie | הַיָּמִ֗ים (hayamim) = de dagen | כַּעֲצַ֤ת (kaatsat) = volgens de raad van | הַשָּׂרִים֙ (hasarim) = de oversten | וְהַזְּקֵנִ֔ים (vehazeqenim) = en de oudsten | יָחֳרַ֖ם (yachoram) = zal onder de ban vallen | כָּל (kal) = al | רְכוּשׁ֑וֹ (rekhusho) = zijn bezit | וְה֥וּא (vehu) = en hij | יִבָּדֵ֖ל (yibadel) = zal worden afgezonderd | מִקְּהַ֥ל (miqehal) = van de vergadering van | הַגּוֹלָֽה (hagola) = de ballingschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָחֳרַם (yacharam), ‘onder de ban vallen’: zijn bezit zou aan Elohim worden toegewijd en niet meer van hem zijn. Wij vertalen steeds ‘de ban’ (zoals in Lev. 27:28–29). Zie ook: Lev 27:28–29; 1 Sam 11:7; Ezra 7:26; Neh 13:3; Joh 9:22; Joh 9:34 **10:9** Alle mannen van Juda en Benjamin verzamelden zich binnen drie dagen in Jeruzalem. Het was de negende maand, op de twintigste van de maand. Heel het volk zat op het plein van het huis van Elohim. Zij beefden vanwege deze zaak en vanwege de regens. Brontekst: וַיִּקָּבְצ֣וּ (vayiqavetsu) = en verzamelden zich | כָל (kal) = alle | אַנְשֵֽׁי (anshei) = mannen van | יְהוּדָה֩ (yehuda) = Juda | וּבִנְיָמִ֨ן (uvinyamin) = en Benjamin | יְרוּשָׁלִַ֜ם (yerushaliam) = Jeruzalem | לִשְׁלֹ֣שֶׁת (lishloshet) = binnen drie | הַיָּמִ֗ים (hayamim) = de dagen | ה֛וּא (hu) = die | חֹ֥דֶשׁ (chodesh) = maand | הַתְּשִׁיעִ֖י (hateshii) = de negende | בְּעֶשְׂרִ֣ים (beesrim) = op twintig | בַּחֹ֑דֶשׁ (bachodesh) = van de maand | וַיֵּשְׁב֣וּ (vayeshevu) = en zaten | כָל (kal) = heel | הָעָ֗ם (haam) = het volk | בִּרְחוֹב֙ (birchov) = op het plein van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | הָאֱלֹהִ֔ים (haElohim) = Elohim | מַרְעִידִ֥ים (maridim) = bevend | עַל (al) = vanwege | הַדָּבָ֖ר (hadavar) = de zaak | וּמֵהַגְּשָׁמִֽים (umehageshamim) = en vanwege de regens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De negende maand is in de winter, in de regentijd. De twintigste van deze maand valt ongeveer in december. Voetnoot : רְחוֹב (rechov), ‘plein’: een brede open plaats voor het huis van Elohim. Zie ook: 1 Sam 12:17–18; Jer 10:10; Jer 10:13; Ezra 7:8–9; Est 2:16 ### Ezra spreekt het volk toe **10:10** Ezra, de priester, stond op en zei tegen hen: „Jullie hebben ontrouw gepleegd. Jullie hebben vreemde vrouwen laten wonen en zo de schuld van Israël vermeerderd. Brontekst: וַיָּ֨קָם (vayaqam) = en stond op | עֶזְרָ֤א (ezra) = Ezra | הַכֹּהֵן֙ (hakohen) = de priester | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tegen hen | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | מְעַלְתֶּ֔ם (mealtem) = hebben ontrouw gepleegd | וַתֹּשִׁ֖יבוּ (vatoshivu) = en jullie hebben laten wonen | נָשִׁ֣ים (nashim) = vrouwen | נָכְרִיּ֑וֹת (nakheriyot) = vreemde | לְהוֹסִ֖יף (lehosif) = om toe te voegen | עַל (al) = aan | אַשְׁמַ֥ת (ashmat) = de schuld van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 32:14; Joz 22:17–18; 2 Kron 28:13; Ezra 9:6; Mat 23:32 **10:11** Geef nu belijdenis aan Yahweh, de Elohim van jullie vaders. Doe Zijn wil en zonder jullie af van de volken van het land en van de vreemde vrouwen.” Brontekst: וְעַתָּ֗ה (veata) = en nu | תְּנ֥וּ (tenu) = geef | תוֹדָ֛ה (toda) = belijdenis | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = Elohim van | אֲבֹתֵיכֶ֖ם (avoteikhem) = jullie vaders | וַעֲשׂ֣וּ (vaasu) = en doe | רְצוֹנ֑וֹ (retsono) = Zijn wil | וְהִבָּֽדְלוּ֙ (vehibadelu) = en scheid jullie af | מֵעַמֵּ֣י (meamei) = van de volken van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וּמִן (umin) = en van | הַנָּשִׁ֖ים (hanashim) = de vrouwen | הַנָּכְרִיּֽוֹת (hanakheriyot) = de vreemde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹדָה (todah), ‘belijdenis’: het woord betekent ook ‘dank’ of ‘lof’. Hier is het een erkenning van de schuld, zoals in Joz. 7:19. Zie ook: Deut 7:3–4; Joz 7:19; Spr 28:13; Ezra 10:3; Rom 12:2 **10:12** Heel de vergadering antwoordde met luide stem: „Ja, wat u zegt, moeten wij doen. Brontekst: וַיַּֽעְנ֧וּ (vayanu) = en antwoordden | כָֽל (kal) = heel | הַקָּהָ֛ל (haqahal) = de vergadering | וַיֹּאמְר֖וּ (vayomru) = en zeiden | ק֣וֹל (qol) = stem | גָּד֑וֹל (gadol) = luide | כֵּ֛ן (ken) = zo | כִּדְבָרְךָ֥ (kidvarekha) = volgens uw woord | עָלֵ֖ינוּ (aleinu) = het is aan ons | לַעֲשֽׂוֹת (laasot) = om te doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters כדבריך (‘volgens uw woorden’, meervoud). De voorgelezen tekst (qere) heeft כִּדְבָרְךָ (kidvarkha), ‘volgens uw woord’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ps 78:37; Ps 78:57; Ezra 10:3–4; Neh 13:23 **10:13** Maar het volk is talrijk en het is de tijd van de regens. Wij hebben geen kracht om buiten te staan. Het werk is niet voor één dag, en ook niet voor twee, want wij hebben veel overtreden in deze zaak. Brontekst: אֲבָ֞ל (aval) = maar | הָעָ֥ם (haam) = het volk | רָב֙ (rav) = talrijk | וְהָעֵ֣ת (vehaet) = en de tijd van | גְּשָׁמִ֔ים (geshamim) = regens | וְאֵ֥ין (veein) = en er is niet | כֹּ֖חַ (koach) = kracht | לַעֲמ֣וֹד (laamod) = om te staan | בַּח֑וּץ (bachuts) = buiten | וְהַמְּלָאכָ֗ה (vehamelakha) = en het werk | לֹֽא (lo) = niet | לְי֤וֹם (leyom) = voor dag | אֶחָד֙ (echad) = één | וְלֹ֣א (velo) = en niet | לִשְׁנַ֔יִם (lishnayim) = voor twee | כִּֽי (ki) = want | הִרְבִּ֥ינוּ (hirbinu) = wij hebben vermenigvuldigd | לִפְשֹׁ֖עַ (lifshoa) = om te overtreden | בַּדָּבָ֥ר (badavar) = in de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּשַׁע (pasha), ‘overtreden’: een bewuste breuk met Elohim. Het volk erkent dat de overtreding groot was. Zie ook: Ezra 10:18–44; Mat 7:13–14 **10:14** Laten onze oversten toch optreden voor heel de vergadering. Wie in onze steden vreemde vrouwen heeft laten wonen, moet komen op vastgestelde tijden. Met hen komen de oudsten van elke stad en haar rechters. Zo wordt de gloeiende toorn van onze Elohim over deze zaak van ons afgewend.” Brontekst: יַֽעֲמְדוּ (yaamdu) = laten staan | נָ֣א (na) = toch | שָׂ֠רֵינוּ (sareinu) = onze oversten | לְֽכָל (lekhal) = voor heel | הַקָּהָ֞ל (haqahal) = de vergadering | וְכֹ֣ל (vekhol) = en ieder | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בֶּעָרֵ֗ינוּ (beareinu) = in onze steden | הַהֹשִׁ֞יב (hahoshiv) = die heeft laten wonen | נָשִׁ֤ים (nashim) = vrouwen | נָכְרִיּוֹת֙ (nakheriyot) = vreemde | יָבֹא֙ (yavo) = moet komen | לְעִתִּ֣ים (leitim) = op tijden | מְזֻמָּנִ֔ים (mezumanim) = vastgestelde | וְעִמָּהֶ֛ם (veimahem) = en met hen | זִקְנֵי (ziqnei) = oudsten van | עִ֥יר (ir) = stad | וָעִ֖יר (vair) = en stad | וְשֹׁפְטֶ֑יהָ (veshofeteiha) = en haar rechters | עַ֠ד (ad) = tot | לְהָשִׁ֞יב (lehashiv) = afwenden | חֲר֤וֹן (charon) = gloed van | אַף (af) = toorn van | אֱלֹהֵ֨ינוּ֙ (eloheinu) = onze Elohim | מִמֶּ֔נּוּ (mimenu) = van ons | עַ֖ד (ad) = tot | לַדָּבָ֥ר (ladavar) = over de zaak | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De oversten zouden de zaak voor heel de vergadering regelen. Elke stad stuurt haar oudsten en rechters mee, zodat elk geval wordt onderzocht (vers 16). Zie ook: Num 25:4; Joz 7:26; Ps 78:38; 2 Kron 29:10; 2 Kron 30:8; Ezra 10:16 **10:15** Alleen Jonatan, de zoon van Asahel, en Jachzeja, de zoon van Tikwa, stonden hierover op. Mesjullam en Sjabbetai, de Leviet, steunden hen. Brontekst: אַ֣ךְ (akh) = alleen | יוֹנָתָ֧ן (yonatan) = Jonatan | בֶּן (ben) = zoon van | עֲשָׂהאֵ֛ל (asahel) = Asahel | וְיַחְזְיָ֥ה (veyachzeya) = en Jachzeja | בֶן (ben) = zoon van | תִּקְוָ֖ה (tiqva) = Tikwa | עָמְד֣וּ (amedu) = stonden op | עַל (al) = over | זֹ֑את (zot) = dit | וּמְשֻׁלָּ֛ם (umeshulam) = en Mesjullam | וְשַׁבְּתַ֥י (veshabetay) = en Sjabbetai | הַלֵּוִ֖י (halevi) = de Leviet | עֲזָרֻֽם (azarum) = steunden hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָמְדוּ עַל זֹאת (amdu al zot), ‘stonden hierover op’: het Hebreeuws kan betekenen dat zij zich ertegen verzetten of dat zij de zaak op zich namen. Ook ‘steunden hen’ (עֲזָרֻם, azarum) is niet eenduidig, omdat niet duidelijk is wie wordt gesteund. Wij vertalen letterlijk en laten het open. Zie ook: Neh 3:6; Neh 10:21; Neh 11:16; Neh 12:33 ### Het onderzoek van de zaak **10:16** De zonen van de ballingschap deden zo. Ezra, de priester, en mannen die hoofden van de families waren, naar hun vaderhuizen, allen bij name, zonderden zich af. Op de eerste van de tiende maand gingen zij zitten om de zaak te onderzoeken. Brontekst: וַיַּֽעֲשׂוּ (vayaasu) = en deden | כֵן֮ (ken) = zo | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | הַגּוֹלָה֒ (hagola) = de ballingschap | וַיִּבָּדְלוּ֩ (vayibadelu) = en zonderden zich af | עֶזְרָ֨א (ezra) = Ezra | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | אֲנָשִׁ֨ים (anashim) = mannen | רָאשֵׁ֧י (rashei) = hoofden van | הָאָב֛וֹת (haavot) = de families | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | אֲבֹתָ֖ם (avotam) = hun vaders | וְכֻלָּ֣ם (vekhulam) = en allen | בְּשֵׁמ֑וֹת (beshemot) = bij namen | וַיֵּשְׁב֗וּ (vayeshevu) = en zij gingen zitten | בְּי֤וֹם (beyom) = op dag | אֶחָד֙ (echad) = één | לַחֹ֣דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָעֲשִׂירִ֔י (haasiri) = de tiende | לְדַרְי֖וֹשׁ (ledaryosh) = om te onderzoeken | הַדָּבָֽר (hadavar) = de zaak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְדַרְיוֹשׁ (ledaryosh): de spelling is ongewoon, met een extra jod. Wij lezen het als ‘om te onderzoeken’, van het werkwoord דָּרַשׁ (darash). Voetnoot : הָעֲשִׂירִי (ha’asiri), ‘de tiende’: de tiende maand is ongeveer december/januari. Voetnoot Lezing: Wij volgen de Masoretische tekst: ‘Ezra de priester en mannen ... zonderden zich af’. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Job 29:16; Deut 13:15; Joh 7:51 **10:17** Op de eerste van de eerste maand waren zij klaar met alle mannen die vreemde vrouwen hadden laten wonen. Brontekst: וַיְכַלּ֣וּ (vaykhalu) = en zij maakten een einde | בַכֹּ֔ל (bakol) = met allen | אֲנָשִׁ֕ים (anashim) = mannen | הַהֹשִׁ֖יבוּ (hahoshivu) = die hadden laten wonen | נָשִׁ֣ים (nashim) = vrouwen | נָכְרִיּ֑וֹת (nakheriyot) = vreemde | עַ֛ד (ad) = tot | י֥וֹם (yom) = dag | אֶחָ֖ד (echad) = één | לַחֹ֥דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָרִאשֽׁוֹן (harishon) = de eerste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De eerste dag van de eerste maand is drie maanden na de eerste dag van de tiende maand (vers 16): het onderzoek duurde dus drie maanden. Zie ook: Ezra 10:16 ### De mannen die vreemde vrouwen hadden **10:18** Onder de zonen van de priesters werden mannen gevonden die vreemde vrouwen hadden laten wonen. Van de zonen van Jesua, de zoon van Jehozadak, en zijn broers: Maäseja, Eliëzer, Jarib en Gedalja. Brontekst: וַיִּמָּצֵא֙ (vayimatse) = en werd gevonden | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | הַכֹּהֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֹשִׁ֖יבוּ (hoshivu) = hadden laten wonen | נָשִׁ֣ים (nashim) = vrouwen | נָכְרִיּ֑וֹת (nakheriyot) = vreemde | מִבְּנֵ֨י (mibenei) = van de zonen van | יֵשׁ֤וּעַ (yeshua) = Jesua | בֶּן (ben) = zoon van | יֽוֹצָדָק֙ (yotsadaq) = Jehozadak | וְאֶחָ֔יו (veechav) = en zijn broers | מַֽעֲשֵׂיָה֙ (maaseya) = Maäseja | וֶֽאֱלִיעֶ֔זֶר (veeliezer) = en Eliëzer | וְיָרִ֖יב (veyariv) = en Jarib | וּגְדַלְיָֽה (ugedalya) = en Gedalja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De lijst volgt de volgorde: priesters (18–22), Levieten (23), zangers en poortwachters (24), en de rest van Israël (25–43). Voetnoot : יֵשׁוּעַ בֶּן יוֹצָדָק (Jesua ben Jotsadak): de Hebreeuwse spelling is hier ‘Jotsadak’. Wij schrijven ‘Jehozadak’, zoals in 1 Kron. 5:40–41. Zie ook: 1 Kron 5:40–41; Ezra 2:2; Ezra 3:2; Ezra 5:2; Hag 1:1; Zach 3:1 **10:19** Zij gaven hun hand erop dat zij hun vrouwen zouden wegsturen. Als schuldigen brachten zij een ram uit het kleinvee voor hun schuld. Brontekst: וַיִּתְּנ֥וּ (vayitenu) = en zij gaven | יָדָ֖ם (yadam) = hun hand | לְהוֹצִ֣יא (lehotsi) = om weg te sturen | נְשֵׁיהֶ֑ם (nesheihem) = hun vrouwen | וַאֲשֵׁמִ֥ים (vaashemim) = en schuldigen | אֵֽיל (eil) = een ram van | צֹ֖אן (tson) = kleinvee | עַל (al) = voor | אַשְׁמָתָֽם (ashmatam) = hun schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָתְנוּ יָד (natenu yad), ‘zij gaven hun hand’: een handslag als teken van belofte. Voetnoot : אֲשֵׁמִים (ashemim), ‘schuldigen’: zij erkennen hun schuld. Het offer is een schuldoffer (asham) van een ram, zoals in Lev. 5:15. Zie ook: Lev 5:15–16; Lev 5:25; 1 Kron 29:24; 2 Kon 10:15; Klaagl 5:6 **10:20** Van de zonen van Immer: Chanani en Zebadja. Brontekst: וּמִבְּנֵ֣י (umibenei) = en van de zonen van | אִמֵּ֔ר (imer) = Immer | חֲנָ֖נִי (chanani) = Chanani | וּזְבַדְיָֽה (uzevadya) = en Zebadja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 24:14; Ezra 2:37; Neh 7:40 **10:21** Van de zonen van Charim: Maäseja, Elia, Sjemaja, Jechiël en Uzzia. Brontekst: וּמִבְּנֵ֖י (umibenei) = en van de zonen van | חָרִ֑ם (charim) = Charim | מַעֲשֵׂיָ֤ה (maaseya) = Maäseja | וְאֵֽלִיָּה֙ (veeliya) = en Elia | וּֽשְׁמַֽעְיָ֔ה (ushemaya) = en Sjemaja | וִיחִיאֵ֖ל (vichiel) = en Jechiël | וְעֻזִיָּֽה (veuziya) = en Uzzia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 24:8; Ezra 2:39; Neh 7:42 **10:22** Van de zonen van Pasjchur: Eljoënai, Maäseja, Jisjmaël, Netanel, Jozabad en Elasa. Brontekst: וּמִבְּנֵ֖י (umibenei) = en van de zonen van | פַּשְׁח֑וּר (pashchur) = Pasjchur | אֶלְיוֹעֵינַ֤י (elyoeinay) = Eljoënai | מַֽעֲשֵׂיָה֙ (maaseya) = Maäseja | יִשְׁמָעֵ֣אל (yishmael) = Jisjmaël | נְתַנְאֵ֔ל (netanel) = Netanel | יוֹזָבָ֖ד (yozavad) = Jozabad | וְאֶלְעָשָֽׂה (veelasa) = en Elasa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 9:12; Ezra 2:38; Neh 7:41 **10:23** Van de Levieten: Jozabad, Simi, Kelaja, dat is Kelita, Petachja, Juda en Eliëzer. Brontekst: וּמִֽן (umin) = en van | הַלְוִיִּ֑ם (halviyim) = de Levieten | יוֹזָבָ֣ד (yozavad) = Jozabad | וְשִׁמְעִ֗י (veshimi) = en Simi | וְקֵֽלָיָה֙ (veqelaya) = en Kelaja | ה֣וּא (hu) = dat is | קְלִיטָ֔א (qelita) = Kelita | פְּתַֽחְיָ֥ה (petachya) = Petachja | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | וֶאֱלִיעֶֽזֶר (veeliezer) = en Eliëzer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְלָיָה הוּא קְלִיטָא (Qelayah hu Qelita), ‘Kelaja, dat is Kelita’: een man met twee namen. Zie ook: Ezra 8:33; Neh 10:11; Neh 11:16 **10:24** Van de zangers: Eljasib. Van de poortwachters: Sjallum, Telem en Uri. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הַמְשֹׁרְרִ֖ים (hamshorerim) = de zangers | אֶלְיָשִׁ֑יב (elyashiv) = Eljasib | וּמִן (umin) = en van | הַשֹּׁ֣עֲרִ֔ים (hashoarim) = de poortwachters | שַׁלֻּ֥ם (shalum) = Sjallum | וָטֶ֖לֶם (vatelem) = en Telem | וְאוּרִֽי (veuri) = en Uri Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:25** Van Israël, van de zonen van Parosj: Ramja, Jizzia, Malkia, Mijamin, Eleazar, Malkia en Benaja. Brontekst: וּמִֽיִּשְׂרָאֵ֑ל (umiyisrael) = en van Israël | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | פַרְעֹ֡שׁ (parosh) = Parosj | רַ֠מְיָה (ramya) = Ramja | וְיִזִּיָּ֤ה (veyiziya) = en Jizzia | וּמַלְכִּיָּה֙ (umalkiya) = en Malkia | וּמִיָּמִ֣ן (umiyamin) = en Mijamin | וְאֶלְעָזָ֔ר (veelazar) = en Eleazar | וּמַלְכִּיָּ֖ה (umalkiya) = en Malkia | וּבְנָיָֽה (uvenaya) = en Benaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Van Israël’: de gewone Israëlieten, dus niet priesters, Levieten, zangers of poortwachters. Zie ook: Ezra 2:3; Neh 7:8 **10:26** Van de zonen van Elam: Mattanja, Zacharia, Jechiël, Abdi, Jeremot en Elia. Brontekst: וּמִבְּנֵ֖י (umibenei) = en van de zonen van | עֵילָ֑ם (eilam) = Elam | מַתַּנְיָ֤ה (matanya) = Mattanja | זְכַרְיָה֙ (zekharya) = Zacharia | וִיחִיאֵ֣ל (vichiel) = en Jechiël | וְעַבְדִּ֔י (veavdi) = en Abdi | וִירֵמ֖וֹת (viremot) = en Jeremot | וְאֵלִיָּֽה (veeliya) = en Elia Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:7; Ezra 2:31; Ezra 8:7; Ezra 10:2; Neh 7:12 **10:27** Van de zonen van Zattu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, Jeremot, Zabad en Aziza. Brontekst: וּמִבְּנֵ֖י (umibenei) = en van de zonen van | זַתּ֑וּא (zatu) = Zattu | אֶלְיוֹעֵנַ֤י (elyoenay) = Eljoënai | אֶלְיָשִׁיב֙ (elyashiv) = Eljasib | מַתַּנְיָ֣ה (matanya) = Mattanja | וִֽירֵמ֔וֹת (viremot) = en Jeremot | וְזָבָ֖ד (vezavad) = en Zabad | וַעֲזִיזָֽא (vaaziza) = en Aziza Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:8; Neh 7:13 **10:28** Van de zonen van Bebai: Johanan, Chananja, Zabbai en Atlai. Brontekst: וּמִבְּנֵ֖י (umibenei) = en van de zonen van | בֵּבָ֑י (bevay) = Bebai | יְהוֹחָנָ֥ן (yehochanan) = Johanan | חֲנַנְיָ֖ה (chananya) = Chananja | זַבַּ֥י (zabay) = Zabbai | עַתְלָֽי (atlay) = Atlai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:11; Ezra 8:11; Neh 7:16 **10:29** Van de zonen van Bani: Mesjullam, Malluk, Adaja, Jasjub, Sjeal en Ramot. Brontekst: וּמִבְּנֵ֖י (umibenei) = en van de zonen van | בָּנִ֑י (bani) = Bani | מְשֻׁלָּ֤ם (meshulam) = Mesjullam | מַלּוּךְ֙ (malukh) = Malluk | וַעֲדָיָ֔ה (vaadaya) = en Adaja | יָשׁ֖וּב (yashuv) = Jasjub | וּשְׁאָ֥ל (usheal) = en Sjeal | וְרָמֽוֹת (veramot) = en Ramot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters ירמות (Jeremot). De voorgelezen tekst (qere) heeft וְרָמוֹת (veramot), ‘en Ramot’. Wij volgen het qere. Zie ook: Ezra 2:10; Neh 7:15; Neh 10:5 **10:30** Van de zonen van Pachat-Moab: Adna, Kelal, Benaja, Maäseja, Mattanja, Bezaleël, Binnoei en Manasse. Brontekst: וּמִבְּנֵ֛י (umibenei) = en van de zonen van | פַּחַ֥ת (pachat) = Pachat | מוֹאָ֖ב (moav) = Moab | עַדְנָ֣א (adna) = Adna | וּכְלָ֑ל (ukhelal) = en Kelal | בְּנָיָ֤ה (benaya) = Benaja | מַעֲשֵׂיָה֙ (maaseya) = Maäseja | מַתַּנְיָ֣ה (matanya) = Mattanja | בְצַלְאֵ֔ל (betsalel) = Bezaleël | וּבִנּ֖וּי (uvinuy) = en Binnoei | וּמְנַשֶּֽׁה (umenashe) = en Manasse Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:6; Ezra 8:4; Neh 7:11 **10:31** Van de zonen van Charim: Eliëzer, Jisjia, Malkia, Sjemaja en Simeon. Brontekst: וּבְנֵ֖י (uvenei) = en de zonen van | חָרִ֑ם (charim) = Charim | אֱלִיעֶ֧זֶר (eliezer) = Eliëzer | יִשִּׁיָּ֛ה (yishiya) = Jisjia | מַלְכִּיָּ֖ה (malkiya) = Malkia | שְׁמַֽעְיָ֥ה (shemaya) = Sjemaja | שִׁמְעֽוֹן (shimon) = Simeon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:32; Neh 3:11; Neh 7:35 **10:32** Benjamin, Malluk en Sjemarja. Brontekst: בְּנְיָמִ֥ן (beneyamin) = Benjamin | מַלּ֖וּךְ (malukh) = Malluk | שְׁמַרְיָֽה (shemarya) = Sjemarja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:33** Van de zonen van Chasjum: Mattenai, Mattatta, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse en Simi. Brontekst: מִבְּנֵ֖י (mibenei) = van de zonen van | חָשֻׁ֑ם (chashum) = Chasjum | מַתְּנַ֤י (matenay) = Mattenai | מַתַּתָּה֙ (matata) = Mattatta | זָבָ֣ד (zavad) = Zabad | אֱלִיפֶ֔לֶט (elifelet) = Elifelet | יְרֵמַ֥י (yeremay) = Jeremai | מְנַשֶּׁ֖ה (menashe) = Manasse | שִׁמְעִֽי (shimi) = Simi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezra 2:19; Neh 7:22 **10:34** Van de zonen van Bani: Maädai, Amram en Uël. Brontekst: מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | בָנִ֔י (bani) = Bani | מַעֲדַ֥י (maaday) = Maädai | עַמְרָ֖ם (amram) = Amram | וְאוּאֵֽל (veuel) = en Uël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:35** Benaja, Bedja en Keluhu. Brontekst: בְּנָיָ֥ה (benaya) = Benaja | בֵדְיָ֖ה (bedeya) = Bedja | כְּלֽוּהוּ (keluhu) = Keluhu Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:36** Wanja, Meremot en Eljasib. Brontekst: וַנְיָ֥ה (vanya) = Wanja | מְרֵמ֖וֹת (meremot) = Meremot | אֶלְיָשִֽׁיב (elyashiv) = Eljasib Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:37** Mattanja, Mattenai en Jaäsai. Brontekst: מַתַּנְיָ֥ה (matanya) = Mattanja | מַתְּנַ֖י (matenay) = Mattenai | וְיַעֲשָֽׂי (veyaasay) = en Jaäsai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters ויעשו (‘en zij deden’). De voorgelezen tekst (qere) heeft וְיַעֲשָׂי (Jaäsai), een naam. Wij volgen het qere. **10:38** Bani, Binnoei en Simi. Brontekst: וּבָנִ֥י (uvani) = en Bani | וּבִנּ֖וּי (uvinuy) = en Binnoei | שִׁמְעִֽי (shimi) = Simi Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:39** Sjelemja, Natan en Adaja. Brontekst: וְשֶֽׁלֶמְיָ֥ה (veshelemya) = en Sjelemja | וְנָתָ֖ן (venatan) = en Natan | וַעֲדָיָֽה (vaadaya) = en Adaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:40** Machnadbai, Sjasjai en Sjarai. Brontekst: מַכְנַדְבַ֥י (makhnadvay) = Machnadbai | שָׁשַׁ֖י (shashay) = Sjasjai | שָׁרָֽי (sharay) = Sjarai Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:41** Azarel, Sjelemjahu en Sjemarja. Brontekst: עֲזַרְאֵ֥ל (azarel) = Azarel | וְשֶׁלֶמְיָ֖הוּ (veshelemyahu) = en Sjelemjahu | שְׁמַרְיָֽה (shemarya) = Sjemarja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:42** Sjallum, Amarja en Josef. Brontekst: שַׁלּ֥וּם (shalum) = Sjallum | אֲמַרְיָ֖ה (amarya) = Amarja | יוֹסֵֽף (yosef) = Josef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **10:43** Van de zonen van Nebo: Jeïël, Mattitja, Zabad, Zebina, Jaddai, Joël en Benaja. Brontekst: מִבְּנֵ֖י (mibenei) = van de zonen van | נְב֑וֹ (nevo) = Nebo | יְעִיאֵ֤ל (yeiel) = Jeïël | מַתִּתְיָה֙ (matitya) = Mattitja | זָבָ֣ד (zavad) = Zabad | זְבִינָ֔א (zevina) = Zebina | יַדַּ֥י (yaday) = Jaddai | וְיוֹאֵ֖ל (veyoel) = en Joël | בְּנָיָֽה (benaya) = Benaja Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters ידו (Jaddu). De voorgelezen tekst (qere) heeft יַדַּי (Jaddai). Wij volgen het qere. Zie ook: Ezra 2:29; Neh 7:33 **10:44** Al dezen hadden vreemde vrouwen genomen. Er waren onder hen ook vrouwen die zonen hadden gebaard. Brontekst: כָּל (kal) = allen | אֵ֕לֶּה (ele) = dezen | נָשְׂא֖וּ (naseu) = hadden genomen | נָשִׁ֣ים (nashim) = vrouwen | נָכְרִיּ֑וֹת (nakheriyot) = vreemde | וְיֵ֣שׁ (veyesh) = en er waren | מֵהֶ֣ם (mehem) = onder hen | נָשִׁ֔ים (nashim) = vrouwen | וַיָּשִׂ֖ימוּ (vayasimu) = en zij stelden | בָּנִֽים (banim) = zonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De laatste zin is moeilijk: letterlijk ‘en er waren onder hen vrouwen, en zij stelden zonen’. Het is niet duidelijk wie het onderwerp van ‘zij stelden’ is. Wij vertalen: er waren onder hen ook vrouwen die zonen hadden gebaard. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot Lezing: Het ketiv heeft de letters נשאי; het qere heeft נָשְׂאוּ (nase’u), ‘zij hadden genomen’. Wij volgen het qere. Zie ook: Spr 2:16; Spr 5:3; Spr 5:20; Ezra 10:3