# Ezechiël (יחזקאל, Yechezqel) Vetgedrukt = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf (rood in de app). Cursief = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot) en, iets kleiner in de app, woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron). ## Ezechiël 1 _Ezechiël ziet de heerlijkheid van Yahweh bij de rivier de Kebar_ ### Het visioen bij de Kebar **1:1** Het was in het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde dag van de maand. Terwijl ik te midden van de ballingen was, bij de rivier de Kebar, gingen de hemelen open en zag ik visioenen van Elohim. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בִּשְׁלֹשִׁ֣ים (bishloshim) = in dertig | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | בָּֽרְבִיעִי֙ (barevii) = in de vierde | בַּחֲמִשָּׁ֣ה (bachamisha) = op de vijfde | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | וַאֲנִ֥י (vaani) = en ik | בְתֽוֹךְ (betokh) = te midden van | הַגּוֹלָ֖ה (hagola) = de ballingen | עַל (al) = bij | נְהַר (nehar) = rivier | כְּבָ֑ר (kevar) = Kebar | נִפְתְּחוּ֙ (niftechu) = werden geopend | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemelen | וָאֶרְאֶ֖ה (vaere) = en ik zag | מַרְא֥וֹת (marot) = visioenen van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel. Daar woonden de ballingen met Ezechiël. Voetnoot Uitleg: בִּשְׁלֹשִׁים שָׁנָה (bishloshim shanah), ‘in het dertigste jaar’: waarop deze dertig jaar slaan, zegt de tekst niet. Het kan om Ezechiëls leeftijd gaan, maar ook om een andere telling. Dat is onzeker. Vers 2 geeft de tijd op een tweede manier aan. Voetnoot : הַגּוֹלָה (haggolah), ‘de ballingen’: de mensen die uit Juda naar Babel waren weggevoerd. Voetnoot : מַרְאוֹת אֱלֹהִים (mar’ot Elohim), ‘visioenen van Elohim’: dezelfde woorden staan in 8:3 en 40:2. Zie ook: Ezech 1:2; Ezech 11:24; Mat 3:16; Hand 7:56; Openb 4:1; Openb 19:11 **1:2** Het was de vijfde dag van de maand, in het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin. Brontekst: בַּחֲמִשָּׁ֖ה (bachamisha) = op de vijfde | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הִ֚יא (hi) = dat | הַשָּׁנָ֣ה (hashana) = het jaar | הַחֲמִישִׁ֔ית (hachamishit) = het vijfde | לְגָל֖וּת (legalut) = van de ballingschap van | הַמֶּ֥לֶךְ (hamelekh) = koning | יוֹיָכִֽין (yoyakhin) = Jojachin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹיָכִין (Yoyakhin), ‘Jojachin’: de koning van Juda die naar Babel werd weggevoerd (2 Kon. 24:12–15). Het vijfde jaar van zijn ballingschap is ongeveer 593 voor Christus. Ezechiël telt zijn jaren vanaf deze wegvoering; zie ook 33:21. Zie ook: 2 Kon 24:12–15; Ezech 8:1; Ezech 20:1; Ezech 29:17; Ezech 40:1 **1:3** Het woord van Yahweh kwam werkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier de Kebar. Daar kwam de hand van Yahweh op hem. Brontekst: הָיֹ֣ה (hayo) = het kwam | הָיָ֣ה (haya) = werkelijk | דְבַר (devar) = woord van | יְ֠הוָה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = tot | יְחֶזְקֵ֨אל (yechezqel) = Ezechiël | בֶּן (ben) = zoon van | בּוּזִ֧י (buzi) = Buzi | הַכֹּהֵ֛ן (hakohen) = de priester | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | כַּשְׂדִּ֖ים (kasdim) = de Chaldeeën | עַל (al) = bij | נְהַר (nehar) = rivier | כְּבָ֑ר (kevar) = Kebar | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en was | עָלָ֛יו (alav) = op hem | שָׁ֖ם (sham) = daar | יַד (yad) = hand van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel. Daar woonden de ballingen met Ezechiël. Voetnoot Uitleg: הָיֹה הָיָה (hayoh hayah), ‘het kwam werkelijk’: het werkwoord ‘zijn’ staat twee keer. De herhaling legt nadruk: het woord van Yahweh kwam echt en onmiskenbaar. Voetnoot : יְחֶזְקֵאל (Yechezqel), ‘Ezechiël’: de naam betekent ‘El maakt sterk’. Ezechiël is priester, de zoon van Buzi. Voetnoot : כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘Chaldeeën’: de bewoners van het zuiden van Babylonië. Voetnoot : נְהַר־כְּבָר (nehar Kevar), ‘de rivier de Kebar’: waarschijnlijk een kanaal in Babylonië, bij de stad Nippur. De ligging is niet zeker. Zie ook 3:15 en 3:23. Voetnoot : יַד־יְהוָה (yad Yahweh), ‘de hand van Yahweh’: zo beschrijft Ezechiël dat Yahweh hem met Zijn kracht grijpt. Zie ook 3:14, 3:22, 8:1, 37:1 en 40:1. Zie ook: 1 Kon 18:46; 2 Kon 3:15; Ezech 3:14; Ezech 3:22; Ezech 33:22 ### De stormwind, de wolk en het vuur **1:4** Ik zag, en zie: een stormwind kwam uit het noorden, een grote wolk met een oplaaiend vuur. Er was een gloed omheen. En in het midden ervan, midden in het vuur, was iets te zien als de glans van glanzend metaal. Brontekst: וָאֵ֡רֶא (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּה֩ (vehine) = en zie | ר֨וּחַ (ruach) = wind van | סְעָרָ֜ה (seara) = storm | בָּאָ֣ה (baa) = komend | מִן (min) = uit | הַצָּפ֗וֹן (hatsafon) = het noorden | עָנָ֤ן (anan) = wolk | גָּדוֹל֙ (gadol) = grote | וְאֵ֣שׁ (veesh) = en vuur | מִתְלַקַּ֔חַת (mitlaqachat) = zich ontstekend | וְנֹ֥גַֽהּ (venogah) = en gloed | ל֖וֹ (lo) = om hem | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וּמִ֨תּוֹכָ֔הּ (umitokhah) = en uit het midden ervan | כְּעֵ֥ין (keein) = als de glans van | הַחַשְׁמַ֖ל (hachashmal) = het glanzende metaal | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | הָאֵֽשׁ (haesh) = het vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ סְעָרָה (ruach se’arah), ‘stormwind’: het woord רוּחַ (ruach) betekent ‘wind’, ‘adem’ of ‘geest’. Voetnoot : מִתְלַקַּחַת (mitlaqqachat), ‘oplaaiend’: letterlijk ‘zich nemend’; het vuur bleef zichzelf aansteken. Hetzelfde woord staat bij het vuur in de hagel van Exod. 9:24. Voetnoot : חַשְׁמַל (chashmal), ‘glanzend metaal’: dit woord komt alleen in Ezechiël voor (1:4, 1:27 en 8:2). Wat het precies is, is onzeker. Wij vertalen ‘glanzend metaal’. Zie ook: Ex 9:24; Jer 1:13–14; Jer 23:19; Jer 25:32; Ezech 1:27; Ezech 8:2 ### De vier levende wezens **1:5** In het midden daarvan was de gedaante van vier levende wezens. Dit was hun uiterlijk: zij hadden de gedaante van een mens. Brontekst: וּמִ֨תּוֹכָ֔הּ (umitokhah) = en uit het midden ervan | דְּמ֖וּת (demut) = gedaante van | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | חַיּ֑וֹת (chayot) = levende wezens | וְזֶה֙ (veze) = en dit | מַרְאֵֽיהֶ֔ן (mareihen) = hun uiterlijk | דְּמ֥וּת (demut) = gedaante van | אָדָ֖ם (adam) = mens | לָהֵֽנָּה (lahena) = zij hadden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַיּוֹת (chayyot), ‘levende wezens’: van חַי (chay), ‘levend’. In 10:15 en 10:20 noemt Ezechiël deze wezens ‘cherubs’. Voetnoot : דְּמוּת (demut), ‘gedaante’: Ezechiël beschrijft voorzichtig wat hij zag, met woorden als ‘gedaante van’, ‘het uiterlijk van’ en ‘iets als’. Zie ook: Ezech 1:26; Openb 4:6–8; Openb 6:6 **1:6** Elk had vier gezichten en elk had vier vleugels. Brontekst: וְאַרְבָּעָ֥ה (vearbaa) = en vier | פָנִ֖ים (panim) = gezichten | לְאֶחָ֑ת (leechat) = voor één | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | כְּנָפַ֖יִם (kenafayim) = vleugels | לְאַחַ֥ת (leachat) = voor één | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 6:24–27; Ezech 1:8–11; Ezech 10:10; Ezech 10:14; Ezech 10:21–22 **1:7** Hun benen vormden één recht been. De zool van hun voeten was als de zool van de voet van een kalf. Zij glinsterden als de glans van gepolijst brons. Brontekst: וְרַגְלֵיהֶ֖ם (veragleihem) = en hun benen | רֶ֣גֶל (regel) = been | יְשָׁרָ֑ה (yeshara) = recht | וְכַ֣ף (vekhaf) = en zool van | רַגְלֵיהֶ֗ם (ragleihem) = hun voeten | כְּכַף֙ (kekhaf) = als zool van | רֶ֣גֶל (regel) = voet van | עֵ֔גֶל (egel) = kalf | וְנֹ֣צְצִ֔ים (venotsetsim) = en glinsterend | כְּעֵ֖ין (keein) = als de glans van | נְחֹ֥שֶׁת (nechoshet) = brons | קָלָֽל (qalal) = gepolijst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֶגֶל יְשָׁרָה (regel yesharah), ‘een recht been’: de benen staan bij elkaar en lijken één recht been. Voetnoot : קָלָל (qalal), ‘gepolijst’: een zeldzaam woord, hier bij brons. Wij vertalen ‘gepolijst’. Zie ook: Lev 11:47; Ps 104:4; Ezech 1:13; Dan 10:6; Openb 1:15 **1:8** Onder hun vleugels, aan hun vier zijden, waren mensenhanden. Alle vier hadden zij gezichten en vleugels. Brontekst: וִידֵ֣י (videi) = en handen van | אָדָ֗ם (adam) = mens | מִתַּ֨חַת֙ (mitachat) = onder | כַּנְפֵיהֶ֔ם (kanfeihem) = hun vleugels | עַ֖ל (al) = aan | אַרְבַּ֣עַת (arbaat) = vier | רִבְעֵיהֶ֑ם (riveihem) = hun zijden | וּפְנֵיהֶ֥ם (ufeneihem) = en hun gezichten | וְכַנְפֵיהֶ֖ם (vekhanfeihem) = en hun vleugels | לְאַרְבַּעְתָּֽם (learbatam) = bij alle vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat וידו (vydv), ‘en zijn hand’; de overlevering leest וִידֵי (videi), ‘en handen van’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ezech 1:17; Ezech 8:3; Ezech 10:2; Ezech 10:18; Ezech 10:21 **1:9** Hun vleugels waren aan elkaar verbonden, de ene aan de andere. Als zij gingen, draaiden zij zich niet om. Ieder ging rechtdoor, in de richting van zijn gezicht. Brontekst: חֹֽבְרֹ֛ת (choverot) = verbonden | אִשָּׁ֥ה (isha) = de ene | אֶל (el) = aan | אֲחוֹתָ֖הּ (achotah) = de andere | כַּנְפֵיהֶ֑ם (kanfeihem) = hun vleugels | לֹא (lo) = niet | יִסַּ֣בּוּ (yisabu) = zij draaiden zich om | בְלֶכְתָּ֔ן (belekhtan) = bij hun gaan | אִ֛ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = naar | עֵ֥בֶר (ever) = de voorkant van | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | יֵלֵֽכוּ (yelekhu) = zij gingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 4:25–27; Ezech 10:22; Luc 9:51; Luc 9:62; 1 Kor 1:10 **1:10** De gedaante van hun gezichten: het gezicht van een mens. Alle vier hadden zij rechts het gezicht van een leeuw. Alle vier hadden zij links het gezicht van een stier. En alle vier hadden zij het gezicht van een arend. Brontekst: וּדְמ֣וּת (udemut) = en gedaante van | פְּנֵיהֶם֮ (peneihem) = hun gezichten | פְּנֵ֣י (penei) = gezicht van | אָדָם֒ (adam) = mens | וּפְנֵ֨י (ufenei) = en gezicht van | אַרְיֵ֤ה (arye) = leeuw | אֶל (el) = aan | הַיָּמִין֙ (hayamin) = de rechterkant | לְאַרְבַּעְתָּ֔ם (learbatam) = bij alle vier | וּפְנֵי (ufenei) = en gezicht van | שׁ֥וֹר (shor) = stier | מֵֽהַשְּׂמֹ֖אול (mehasemovl) = aan de linkerkant | לְאַרְבַּעְתָּ֑ן (learbatan) = bij alle vier | וּפְנֵי (ufenei) = en gezicht van | נֶ֖שֶׁר (nesher) = arend | לְאַרְבַּעְתָּֽן (learbatan) = bij alle vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹר (shor), ‘stier’: een mannelijk rund. De vier gezichten zijn: een mens, een leeuw, een stier en een arend. In 10:14 staan de vier gezichten in een andere volgorde, en het eerste is dat van een cherub. Zie ook: Deut 28:49; Ezech 10:14; Dan 7:4; 1 Kor 9:9–10; Openb 4:7 **1:11** Hun gezichten en hun vleugels waren naar boven uitgespreid. Bij ieder waren twee vleugels met elkaar verbonden, en twee bedekten hun lichaam. Brontekst: וּפְנֵיהֶ֕ם (ufeneihem) = en hun gezichten | וְכַנְפֵיהֶ֥ם (vekhanfeihem) = en hun vleugels | פְּרֻד֖וֹת (perudot) = uitgespreid | מִלְמָ֑עְלָה (milmaela) = naar boven | לְאִ֗ישׁ (leish) = bij ieder | שְׁ֚תַּיִם (shetayim) = twee | חֹבְר֣וֹת (choverot) = verbonden | אִ֔ישׁ (ish) = de een met de ander | וּשְׁתַּ֣יִם (ushtayim) = en twee | מְכַסּ֔וֹת (mekhasot) = bedekkend | אֵ֖ת (et) = (obj.) | גְּוִיֹתֵיהֶֽנָה (geviyoteihena) = hun lichamen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 6:2; Ezech 1:23; Ezech 10:16; Ezech 10:19 **1:12** Ieder ging rechtdoor, in de richting van zijn gezicht. Waar de geest heen wilde gaan, gingen zij. Als zij gingen, draaiden zij zich niet om. Brontekst: וְאִ֛ישׁ (veish) = en ieder | אֶל (el) = naar | עֵ֥בֶר (ever) = de voorkant van | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | יֵלֵ֑כוּ (yelekhu) = zij gingen | אֶ֣ל (el) = naar | אֲשֶׁר֩ (asher) = waar | יִֽהְיֶה (yihye) = zou zijn | שָׁ֨מָּה (shama) = daarheen | הָר֤וּחַ (haruach) = de geest | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = om te gaan | יֵלֵ֔כוּ (yelekhu) = zij gingen | לֹ֥א (lo) = niet | יִסַּ֖בּוּ (yisabu) = zij draaiden zich om | בְּלֶכְתָּֽן (belekhtan) = bij hun gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרוּחַ (haruach), ‘de geest’: hier de drijvende kracht die de levende wezens leidt; zie ook vers 20 en 21. Wij schrijven ‘geest’ met een kleine letter. Het woord kan ook ‘de wind’ betekenen. Zie ook: Ezech 1:9; Ezech 1:17; Ezech 1:20–21; Ezech 1:21; Ezech 10:22; Heb 1:14 **1:13** Wat de gedaante van de levende wezens betreft: hun uiterlijk was als gloeiende vuurkolen, als het uiterlijk van fakkels. Dat vuur ging heen en weer tussen de levende wezens. Het vuur had een gloed, en uit het vuur schoot bliksem. Brontekst: וּדְמ֨וּת (udemut) = en gedaante van | הַחַיּ֜וֹת (hachayot) = de levende wezens | מַרְאֵיהֶ֣ם (mareihem) = hun uiterlijk | כְּגַחֲלֵי (kegachalei) = als kolen van | אֵ֗שׁ (esh) = vuur | בֹּֽעֲרוֹת֙ (boarot) = brandend | כְּמַרְאֵ֣ה (kemare) = als het uiterlijk van | הַלַּפִּדִ֔ים (halapidim) = de fakkels | הִ֕יא (hi) = zij | מִתְהַלֶּ֖כֶת (mithalekhet) = rondgaand | בֵּ֣ין (bein) = tussen | הַחַיּ֑וֹת (hachayot) = de levende wezens | וְנֹ֣גַהּ (venogah) = en gloed | לָאֵ֔שׁ (laesh) = voor het vuur | וּמִן (umin) = en uit | הָאֵ֖שׁ (haesh) = het vuur | יוֹצֵ֥א (yotse) = uitgaand | בָרָֽק (baraq) = bliksem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹּעֲרוֹת (bo’arot), ‘brandend’, en הַלַּפִּדִים (hallappidim), ‘de fakkels’: een fakkel staat ook in Gen. 15:17. Zie ook: Gen 15:17; Ps 104:4; Ezech 1:7; Mat 28:3; Openb 4:5; Openb 10:1 **1:14** De levende wezens snelden heen en weer, als de aanblik van een bliksemflits. Brontekst: וְהַחַיּ֖וֹת (vehachayot) = en de levende wezens | רָצ֣וֹא (ratso) = rennend | וָשׁ֑וֹב (vashov) = en terugkerend | כְּמַרְאֵ֖ה (kemare) = als het uiterlijk van | הַבָּזָֽק (habazaq) = de bliksemflits Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַבָּזָק (habbazaq), ‘de bliksemflits’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis volgt uit de samenhang. Zie ook: Dan 9:21; Zach 4:10; Mat 24:27; Mat 24:31; Luc 17:24 ### De wielen **1:15** Ik keek naar de levende wezens, en zie: er was één wiel op de aarde, naast de levende wezens, bij zijn vier gezichten. Brontekst: וָאֵ֖רֶא (vaere) = en ik zag | הַחַיּ֑וֹת (hachayot) = de levende wezens | וְהִנֵּה֩ (vehine) = en zie | אוֹפַ֨ן (ofan) = wiel | אֶחָ֥ד (echad) = één | בָּאָ֛רֶץ (baarets) = op de aarde | אֵ֥צֶל (etsel) = naast | הַחַיּ֖וֹת (hachayot) = de levende wezens | לְאַרְבַּ֥עַת (learbaat) = bij vier van | פָּנָֽיו (panav) = zijn gezichten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְאַרְבַּעַת פָּנָיו (le’arba’at panav), ‘bij zijn vier gezichten’: het Hebreeuws zegt ‘zijn’. Het is niet zeker of dit op het wiel slaat (met vier kanten) of op het levende wezen. Vers 16 spreekt van meer wielen: bij elk van de vier wezens staat er een. Wij laten de tekst letterlijk staan. Zie ook: Ezech 1:6; Ezech 1:16; Ezech 1:19–21; Ezech 10:9; Dan 7:9; Openb 4:7 **1:16** Het uiterlijk van de wielen en hun maaksel was als de glans van chrysoliet. Alle vier hadden dezelfde gedaante. Hun uiterlijk en hun maaksel waren alsof een wiel in een wiel zat. Brontekst: מַרְאֵ֨ה (mare) = het uiterlijk van | הָאוֹפַנִּ֤ים (haofanim) = de wielen | וּמַעֲשֵׂיהֶם֙ (umaaseihem) = en hun maaksel | כְּעֵ֣ין (keein) = als de glans van | תַּרְשִׁ֔ישׁ (tarshish) = chrysoliet | וּדְמ֥וּת (udemut) = en gedaante | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְאַרְבַּעְתָּ֑ן (learbatan) = voor alle vier | וּמַרְאֵיהֶם֙ (umareihem) = en hun uiterlijk | וּמַ֣עֲשֵׂיהֶ֔ם (umaaseihem) = en hun maaksel | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zou zijn | הָאוֹפַ֖ן (haofan) = het wiel | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden in | הָאוֹפָֽן (haofan) = het wiel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּרְשִׁישׁ (tarshish), ‘chrysoliet’: een edelsteen, ook genoemd in Exod. 28:20. Welke steen het precies is, is onzeker. Voetnoot : Hoe een wiel ‘in’ een wiel staat, zegt de tekst niet. Vers 17 laat zien dat de wielen naar elke kant konden gaan. Zie ook: Ex 28:20; Ps 36:7; Ps 40:6; Ezech 1:17; Ezech 10:9–11; Dan 10:6; Ef 3:10 **1:17** Als zij gingen, gingen zij in de richting van hun vier zijden. Zij draaiden zich niet om als zij gingen. Brontekst: עַל (al) = op | אַרְבַּ֥עַת (arbaat) = vier van | רִבְעֵיהֶ֖ן (riveihen) = hun zijden | בְּלֶכְתָּ֣ם (belekhtam) = bij hun gaan | יֵלֵ֑כוּ (yelekhu) = zij gingen | לֹ֥א (lo) = niet | יִסַּ֖בּוּ (yisabu) = zij draaiden zich om | בְּלֶכְתָּֽן (belekhtan) = bij hun gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל־אַרְבַּעַת רִבְעֵיהֶן יֵלֵכוּ (al arba’at riv’eihen yelekhu), ‘zij gingen in de richting van hun vier zijden’: de wielen konden naar elke kant gaan zonder te draaien. Zie ook: Jes 55:11; Ezech 1:9; Ezech 1:12; Ezech 10:1–11 **1:18** Hun velgen waren hoog en ontzagwekkend. De velgen van alle vier waren rondom vol ogen. Brontekst: וְגַ֨בֵּיהֶ֔ן (vegabeihen) = en hun velgen | וְגֹ֥בַהּ (vegovah) = en hoogte | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | וְיִרְאָ֣ה (veyira) = en ontzag | לָהֶ֑ם (lahem) = aan hen | וְגַבֹּתָ֗ם (vegabotam) = en hun velgen | מְלֵאֹ֥ת (meleot) = vol van | עֵינַ֛יִם (einayim) = ogen | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | לְאַרְבַּעְתָּֽן (learbatan) = bij alle vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּבֵּיהֶן (gabbeihen), ‘hun velgen’: de buitenrand van een wiel. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : וְיִרְאָה (veyir’ah), ‘en ontzagwekkend’: letterlijk ‘en vrees’. Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk. Wij vertalen ‘hoog en ontzagwekkend’. Zie ook: Job 37:22–24; Ps 97:2–5; Ezech 10:12; Openb 4:6; Openb 4:8 **1:19** Als de levende wezens gingen, gingen de wielen naast hen. Als de levende wezens van de aarde omhoog werden getild, werden de wielen opgetild. Brontekst: וּבְלֶ֨כֶת֙ (uvelekhet) = en bij het gaan van | הַֽחַיּ֔וֹת (hachayot) = de levende wezens | יֵלְכ֥וּ (yelekhu) = gingen | הָאוֹפַנִּ֖ים (haofanim) = de wielen | אֶצְלָ֑ם (etslam) = naast hen | וּבְהִנָּשֵׂ֤א (uvehinase) = en bij het opgetild worden van | הַֽחַיּוֹת֙ (hachayot) = de levende wezens | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | יִנָּשְׂא֖וּ (yinaseu) = werden opgetild | הָאוֹפַנִּֽים (haofanim) = de wielen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 103:20; Ezech 10:16; Ezech 10:19 **1:20** Waar de geest heen wilde gaan, gingen zij: daarheen wilde de geest gaan. De wielen werden naast hen opgetild, want de geest van het levende wezen was in de wielen. Brontekst: עַ֣ל (al) = naar | אֲשֶׁר֩ (asher) = waar | יִֽהְיֶה (yihye) = zou zijn | שָּׁ֨ם (sham) = daar | הָר֤וּחַ (haruach) = de geest | לָלֶ֨כֶת֙ (lalekhet) = om te gaan | יֵלֵ֔כוּ (yelekhu) = zij gingen | שָׁ֥מָּה (shama) = daarheen | הָר֖וּחַ (haruach) = de geest | לָלֶ֑כֶת (lalekhet) = om te gaan | וְהָאוֹפַנִּ֗ים (vehaofanim) = en de wielen | יִנָּשְׂאוּ֙ (yinaseu) = werden opgetild | לְעֻמָּתָ֔ם (leumatam) = naast hen | כִּ֛י (ki) = want | ר֥וּחַ (ruach) = geest van | הַחַיָּ֖ה (hachaya) = het levende wezen | בָּאוֹפַנִּֽים (baofanim) = in de wielen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 1:12; Ezech 10:17; Zach 6:1–8; 1 Kor 14:32 **1:21** Als de levende wezens gingen, gingen de wielen. Als zij stilstonden, stonden de wielen stil. Als zij van de aarde omhoog werden getild, werden de wielen naast hen opgetild, want de geest van het levende wezen was in de wielen. Brontekst: בְּלֶכְתָּ֣ם (belekhtam) = bij hun gaan | יֵלֵ֔כוּ (yelekhu) = zij gingen | וּבְעָמְדָ֖ם (uveamedam) = en bij hun stilstaan | יַֽעֲמֹ֑דוּ (yaamodu) = zij stonden stil | וּֽבְהִנָּשְׂאָ֞ם (uvehinaseam) = en bij hun opgetild worden | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | הָאָ֗רֶץ (haarets) = de aarde | יִנָּשְׂא֤וּ (yinaseu) = werden opgetild | הָאֽוֹפַנִּים֙ (haofanim) = de wielen | לְעֻמָּתָ֔ם (leumatam) = naast hen | כִּ֛י (ki) = want | ר֥וּחַ (ruach) = geest van | הַחַיָּ֖ה (hachaya) = het levende wezen | בָּאוֹפַנִּֽים (baofanim) = in de wielen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij’: ‘Als zij gingen, gingen zij; als zij stilstonden, stonden zij stil’. Uit vers 19 en 20 blijkt dat de wielen de levende wezens volgen. Daarom vullen wij ‘de levende wezens’ en ‘de wielen’ in. Zie ook: Ezech 1:19–20; Ezech 1:20; Ezech 10:17; Rom 8:2 ### Het uitspansel en de troon **1:22** Boven de hoofden van het levende wezen was de gedaante van een uitspansel, als de glans van ontzagwekkend kristal. Het was boven hun hoofden uitgespannen. Brontekst: וּדְמ֞וּת (udemut) = en gedaante | עַל (al) = boven | רָאשֵׁ֤י (rashei) = hoofden van | הַחַיָּה֙ (hachaya) = het levende wezen | רָקִ֔יעַ (raqia) = uitspansel | כְּעֵ֖ין (keein) = als de glans van | הַקֶּ֣רַח (haqerach) = het kristal | הַנּוֹרָ֑א (hanora) = het ontzagwekkende | נָט֥וּי (natuy) = uitgespannen | עַל (al) = boven | רָאשֵׁיהֶ֖ם (rasheihem) = hun hoofden | מִלְמָֽעְלָה (milmaela) = van boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָקִיעַ (raqia), ‘uitspansel’: hetzelfde woord als in Gen. 1:6–8. Voetnoot : הַקֶּרַח (haqqerach), ‘het kristal’: het woord betekent letterlijk ‘ijs’. Het gaat hier om iets helders en glanzends. Vergelijk het plaveisel in Exod. 24:10. Zie ook: Gen 1:6–8; Job 37:22; Ex 24:10; Ezech 1:26; Ezech 10:1; Openb 4:6 **1:23** Onder het uitspansel waren hun vleugels recht gespreid, de ene naar de andere. Ieder had twee vleugels die hun lichaam bedekten, en ieder had er twee die hun lichaam bedekten. Brontekst: וְתַ֨חַת֙ (vetachat) = en onder | הָרָקִ֔יעַ (haraqia) = het uitspansel | כַּנְפֵיהֶ֣ם (kanfeihem) = hun vleugels | יְשָׁר֔וֹת (yesharot) = recht | אִשָּׁ֖ה (isha) = de ene | אֶל (el) = naar | אֲחוֹתָ֑הּ (achotah) = de andere | לְאִ֗ישׁ (leish) = bij ieder | שְׁתַּ֤יִם (shetayim) = twee | מְכַסּוֹת֙ (mekhasot) = bedekkend | לָהֵ֔נָּה (lahena) = voor hen | וּלְאִ֗ישׁ (uleish) = en bij ieder | שְׁתַּ֤יִם (shetayim) = twee | מְכַסּוֹת֙ (mekhasot) = bedekkend | לָהֵ֔נָּה (lahena) = voor hen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | גְּוִיֹּתֵיהֶֽם (geviyoteihem) = hun lichamen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws herhaalt de zin ‘ieder had er twee die bedekten’. Wij laten de herhaling staan. Zie ook vers 11. Zie ook: Job 4:18; Ps 89:8; Ezech 1:11–12; Ezech 1:24; Luc 17:10 **1:24** Ik hoorde het geluid van hun vleugels, als het geluid van grote wateren, als de stem van Sjaddai, wanneer zij gingen. Het was een geluid van tumult, als het geluid van een legerkamp. Wanneer zij stilstonden, lieten zij hun vleugels zakken. Brontekst: וָאֶשְׁמַ֣ע (vaeshma) = en ik hoorde | אֶת (et) = (obj.) | ק֣וֹל (qol) = geluid van | כַּנְפֵיהֶ֡ם (kanfeihem) = hun vleugels | כְּקוֹל֩ (keqol) = als geluid van | מַ֨יִם (mayim) = wateren | רַבִּ֤ים (rabim) = grote | כְּקוֹל (keqol) = als stem van | שַׁדַּי֙ (shaday) = Sjaddai | בְּלֶכְתָּ֔ם (belekhtam) = bij hun gaan | ק֥וֹל (qol) = geluid van | הֲמֻלָּ֖ה (hamula) = tumult | כְּק֣וֹל (keqol) = als geluid van | מַחֲנֶ֑ה (machane) = legerkamp | בְּעָמְדָ֖ם (beamedam) = bij hun stilstaan | תְּרַפֶּ֥ינָה (terapeina) = zij lieten zakken | כַנְפֵיהֶֽן (kanfeihen) = hun vleugels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁדַּי (Shaddai), ‘Sjaddai’: een naam van El, zoals in Gen. 17:1 en Exod. 6:3. Voetnoot : הֲמֻלָּה (hamullah), ‘tumult’: een zeldzaam woord voor het lawaai van een grote menigte. Zie ook: Gen 17:1; Ex 6:3; Ps 29:3–9; Ezech 43:2; Dan 10:6; Openb 1:15; Openb 19:6 **1:25** Er kwam een stem boven het uitspansel dat boven hun hoofd was. Wanneer zij stilstonden, lieten zij hun vleugels zakken. Brontekst: וַיְהִי (vayhi) = en was | ק֕וֹל (qol) = stem | מֵעַ֕ל (meal) = van boven | לָרָקִ֖יעַ (laraqia) = het uitspansel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = boven | רֹאשָׁ֑ם (rosham) = hun hoofd | בְּעָמְדָ֖ם (beamedam) = bij hun stilstaan | תְּרַפֶּ֥ינָה (terapeina) = zij lieten zakken | כַנְפֵיהֶֽן (kanfeihen) = hun vleugels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 1:22 ### De heerlijkheid van Yahweh **1:26** Boven het uitspansel dat boven hun hoofd was, was iets als de aanblik van een saffiersteen: de gedaante van een troon. En boven op de gedaante van de troon was een gedaante die eruitzag als een mens. Brontekst: וּמִמַּ֗עַל (umimaal) = en van boven | לָרָקִ֨יעַ֙ (laraqia) = het uitspansel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עַל (al) = boven | רֹאשָׁ֔ם (rosham) = hun hoofd | כְּמַרְאֵ֥ה (kemare) = als het uiterlijk van | אֶֽבֶן (even) = steen van | סַפִּ֖יר (sapir) = saffier | דְּמ֣וּת (demut) = gedaante van | כִּסֵּ֑א (kise) = troon | וְעַל֙ (veal) = en op | דְּמ֣וּת (demut) = gedaante van | הַכִּסֵּ֔א (hakise) = de troon | דְּמ֞וּת (demut) = gedaante | כְּמַרְאֵ֥ה (kemare) = als het uiterlijk van | אָדָ֛ם (adam) = mens | עָלָ֖יו (alav) = daarop | מִלְמָֽעְלָה (milmaela) = van boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סַפִּיר (sappir), ‘saffier’: een blauwe edelsteen, ook in Exod. 24:10. Voetnoot : כִּסֵּא (kisse), ‘troon’. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt ‘een gedaante die eruitzag als een mens’. Ezechiël beschrijft de gedaante van boven op de troon zeer voorzichtig. Zie ook: Ex 24:10; Ezech 1:22; Ezech 10:1; Dan 10:18; Openb 1:13 **1:27** Ik zag iets als de glans van glanzend metaal, als het uiterlijk van vuur dat rondom omsloten was, van Zijn heupen naar boven. En van Zijn heupen naar beneden zag ik iets als het uiterlijk van vuur. Er was een gloed rondom Hem. Brontekst: וָאֵ֣רֶא (vaere) = en ik zag | כְּעֵ֣ין (keein) = als de glans van | חַשְׁמַ֗ל (chashmal) = glanzend metaal | כְּמַרְאֵה (kemare) = als het uiterlijk van | אֵ֤שׁ (esh) = vuur | בֵּֽית (beit) = omhulling | לָהּ֙ (lah) = voor het | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | מִמַּרְאֵ֥ה (mimare) = van het uiterlijk van | מָתְנָ֖יו (matenav) = Zijn heupen | וּלְמָ֑עְלָה (ulemaela) = en naar boven | וּמִמַּרְאֵ֤ה (umimare) = en van het uiterlijk van | מָתְנָיו֙ (matenav) = Zijn heupen | וּלְמַ֔טָּה (ulemata) = en naar beneden | רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = ik zag | כְּמַרְאֵה (kemare) = als het uiterlijk van | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | וְנֹ֥גַֽהּ (venogah) = en gloed | ל֖וֹ (lo) = om Hem | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית־לָהּ (bet lah), ‘rondom omsloten’: letterlijk ‘een huis voor het’; bedoeld is vuur dat rondom omhuld is. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Wij schrijven ‘Zijn’ en ‘Hem’ met een hoofdletter, omdat vers 28 deze gedaante ‘de gedaante van de heerlijkheid van Yahweh’ noemt. Zie ook: Deut 4:24; Ps 97:2; Ezech 1:4; Ezech 1:28; Ezech 8:2; Heb 12:29 **1:28** Als het uiterlijk van de boog die in de wolk is op een regendag, zo was het uiterlijk van de gloed rondom. Dit was het uiterlijk van de gedaante van de heerlijkheid van Yahweh. Ik zag het en viel op mijn gezicht. En ik hoorde de stem van iemand die sprak. Brontekst: כְּמַרְאֵ֣ה (kemare) = als het uiterlijk van | הַקֶּ֡שֶׁת (haqeshet) = de boog | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | יִֽהְיֶ֨ה (yihye) = zou zijn | בֶעָנָ֜ן (beanan) = in de wolk | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַגֶּ֗שֶׁם (hageshem) = de regen | כֵּ֣ן (ken) = zo | מַרְאֵ֤ה (mare) = uiterlijk van | הַנֹּ֨גַהּ֙ (hanogah) = de gloed | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | ה֕וּא (hu) = dit | מַרְאֵ֖ה (mare) = uiterlijk van | דְּמ֣וּת (demut) = gedaante van | כְּבוֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וָֽאֶרְאֶה֙ (vaere) = en ik zag | וָאֶפֹּ֣ל (vaepol) = en ik viel | עַל (al) = op | פָּנַ֔י (panay) = mijn gezicht | וָאֶשְׁמַ֖ע (vaeshma) = en ik hoorde | ק֥וֹל (qol) = stem van | מְדַבֵּֽר (medaber) = iemand die sprak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’: zoals in Gen. 9:13, waar Elohim Zijn boog in de wolk zet. Het woord ‘regenboog’ staat er niet. Voetnoot : כְּבוֹד־יְהוָה (kevod Yahweh), ‘de heerlijkheid van Yahweh’: het woord כָּבוֹד (kavod) betekent letterlijk ‘gewicht’, en daarna ‘eer’ en ‘heerlijkheid’. Het is de zichtbare aanwezigheid van Yahweh, zoals in Exod. 40:34. Zie ook 3:23, 10:4 en 43:2. Voetnoot : וָאֶפֹּל עַל־פָּנַי (va’eppol al panai), ‘en ik viel op mijn gezicht’: de houding van eerbied en schrik; zie ook 3:23 en 43:3. Zie ook: Gen 9:13; Gen 17:3; Ex 40:34; Ezech 3:23; Ezech 8:4; Openb 4:3; Openb 10:1 ## Ezechiël 2 _Yahweh stuurt Ezechiël naar een weerspannig huis_ ### Mensenkind, ga staan **2:1** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, ga op je voeten staan, dan zal Ik met je spreken.”** Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָם֙ (adam) = mens | עֲמֹ֣ד (amod) = sta | עַל (al) = op | רַגְלֶ֔יךָ (ragleikha) = je voeten | וַאֲדַבֵּ֖ר (vaadaber) = en Ik zal spreken | אֹתָֽךְ (otakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן־אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: letterlijk ‘zoon van een mens’. Zo spreekt de stem Ezechiël in dit boek steeds aan. Het onderstreept dat hij een gewoon mens is tegenover de heerlijkheid van Yahweh. Zie ook Ps. 8:5. Voetnoot : Vanaf hier spreekt de stem uit het visioen. In vers 4 blijkt dat het Yahweh zelf is. Wij zetten Zijn woorden rood. Zie ook: Ps 8:5; Ezech 2:4; Ezech 3:1; Ezech 3:17; Ezech 4:1; Ezech 5:1; Dan 10:11 **2:2** Een geest kwam in mij toen Hij tot mij sprak, en zette mij op mijn voeten. Ik hoorde Hem die tot mij sprak. Brontekst: וַתָּ֧בֹא (vatavo) = en kwam | בִ֣י (bi) = in mij | ר֗וּחַ (ruach) = geest | כַּֽאֲשֶׁר֙ (kaasher) = zodra | דִּבֶּ֣ר (diber) = Hij sprak | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | וַתַּעֲמִדֵ֖נִי (vataamideni) = en zette mij | עַל (al) = op | רַגְלָ֑י (raglay) = mijn voeten | וָאֶשְׁמַ֕ע (vaeshma) = en ik hoorde | אֵ֖ת (et) = (obj.) | מִדַּבֵּ֥ר (midaber) = Hem die sprak | אֵלָֽי (elay) = tot mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘geest’: de tekst zegt niet ‘de Geest van Yahweh’. Wij schrijven daarom ‘een geest’ met een kleine letter. Zie ook 3:12, 3:14 en 3:24. Zie ook: Num 11:25–26; Ezech 3:12; Ezech 3:24; Dan 8:18; Openb 11:11 ### Ik zend je naar een weerspannig huis **2:3** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, Ik zend je naar de zonen van Israël, naar opstandige volken die tegen Mij in opstand zijn gekomen. Zij en hun vaders hebben tegen Mij overtreding gepleegd, tot op deze zelfde dag.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָם֙ (adam) = mens | שׁוֹלֵ֨חַ (sholeach) = zendend | אֲנִ֤י (ani) = Ik | אֽוֹתְךָ֙ (otekha) = je | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | גּוֹיִ֥ם (goyim) = volken | הַמּוֹרְדִ֖ים (hamoredim) = de opstandigen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מָרְדוּ (maredu) = zijn in opstand gekomen | בִ֑י (bi) = tegen Mij | הֵ֤מָּה (hema) = zij | וַאֲבוֹתָם֙ (vaavotam) = en hun vaders | פָּ֣שְׁעוּ (pasheu) = hebben overtreding gepleegd | בִ֔י (bi) = tegen Mij | עַד (ad) = tot | עֶ֖צֶם (etsem) = het bot van | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹיִם (goyim), ‘volken’: het gewone woord voor de andere volken. Hier noemt Yahweh Israël zelf zo, omdat Israël zich gedraagt als de volken. Voetnoot : הַמּוֹרְדִים (hammordim), ‘de opstandigen’, en מָרְדוּ (mardu), ‘zijn in opstand gekomen’: van het werkwoord מָרַד (marad), ‘in opstand komen’, zoals in Num. 14:9. Voetnoot : פָּשְׁעוּ (pash’u), ‘zij hebben overtreding gepleegd’: het werkwoord פָּשַׁע (pasha) is een tweede woord voor opstand, zoals in Jes. 1:2 en Am. 4:4. Hier staan beide woorden bij elkaar. Voetnoot : עֶצֶם הַיּוֹם הַזֶּה (etsem hayyom hazzeh), ‘tot op deze zelfde dag’: het woord עֶצֶם (etsem) betekent letterlijk ‘bot’, en dan ‘kern’ of ‘zelfde’. Zie ook: Num 14:9; Deut 9:24; 1 Sam 8:7–8; Jes 1:2; Jer 3:25; Ezech 23:1–49; Dan 9:5–13 **2:4** **De kinderen zijn hard van gezicht en stug van hart. Naar hen zend Ik je. Je moet tegen hen zeggen:** ‘Zo zegt Heer Yahweh.’ Brontekst: וְהַבָּנִ֗ים (vehabanim) = en de kinderen | קְשֵׁ֤י (qeshei) = harde van | פָנִים֙ (panim) = gezicht | וְחִזְקֵי (vechizqei) = en stugge van | לֵ֔ב (lev) = hart | אֲנִ֛י (ani) = Ik | שׁוֹלֵ֥חַ (sholeach) = zendend | אוֹתְךָ֖ (otekha) = je | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = naar hen | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהֹוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: אֲדֹנָי (Adonai) betekent ‘mijn Heer’. Als naam voor Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’. Deze naam komt in Ezechiël zeer vaak voor. Voetnoot : קְשֵׁי־פָנִים (qeshei fanim), ‘hard van gezicht’, en חִזְקֵי־לֵב (chizqei lev), ‘stug van hart’: twee uitdrukkingen voor koppigheid. Wij vertalen קָשֶׁה (qasheh) steeds met ‘hard’ en חָזָק (chazaq) bij het volk met ‘stug’ (en bij Ezechiël in 3:8–9 met ‘sterk’). Voetnoot : Yahweh draagt Ezechiël hier de formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ op. Zoals elders in het boek staat de formule zelf zwart; wat Yahweh zelf zegt, is rood. Zie ook: Ps 95:8; Jes 48:4; Jer 5:3; Jer 6:15; Ezech 3:7 **2:5** **Of zij nu luisteren of het laten, want zij zijn een weerspannig huis, zij zullen weten dat er een profeet in hun midden is geweest.** Brontekst: וְהֵ֨מָּה֙ (vehema) = en zij | אִם (im) = als | יִשְׁמְע֣וּ (yishmeu) = zij zullen luisteren | וְאִם (veim) = en als | יֶחְדָּ֔לוּ (yechdalu) = zij zullen ophouden | כִּ֛י (ki) = want | בֵּ֥ית (beit) = huis van | מְרִ֖י (meri) = weerspannigheid | הֵ֑מָּה (hema) = zij | וְיָ֣דְע֔וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּ֥י (ki) = dat | נָבִ֖יא (navi) = een profeet | הָיָ֥ה (haya) = was | בְתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֵּית מְרִי (bet meri), ‘weerspannig huis’: מְרִי (meri) betekent ‘weerspannigheid’, dus ‘huis van weerspannigheid’. De uitdrukking staat vaak in Ezechiël (hier en in 2:6, 2:7, 2:8, 3:9, 3:26 en 3:27). Voetnoot : יֶחְדָּלוּ (yechdalu), ‘zij laten het’: zij houden op, zij luisteren niet. Voetnoot : Zij zullen weten dat er een profeet in hun midden is geweest: ook als zij niet luisteren, is Yahwehs woord bij hen gebracht. Zie ook 33:33. Zie ook: Ezech 3:27; Ezech 33:33; Mat 10:12–15; Luc 10:10–12; Joh 15:22 **2:6** **Maar jij, mensenkind, wees niet bang voor hen en wees niet bang voor hun woorden, ook al zijn er distels en doornen bij je. Je woont tussen schorpioenen. Wees niet bang voor hun woorden en schrik niet van hun gezichten, want zij zijn een weerspannig huis.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָ֠דָם (adam) = mens | אַל (al) = niet | תִּירָ֨א (tira) = wees bang | מֵהֶ֜ם (mehem) = voor hen | וּמִדִּבְרֵיהֶ֣ם (umidivreihem) = en voor hun woorden | אַל (al) = niet | תִּירָ֗א (tira) = wees bang | כִּ֣י (ki) = want | סָרָבִ֤ים (saravim) = distels | וְסַלּוֹנִים֙ (vesalonim) = en doornen | אוֹתָ֔ךְ (otakh) = bij je | וְאֶל (veel) = en bij | עַקְרַבִּ֖ים (aqrabim) = schorpioenen | אַתָּ֣ה (ata) = jij | יוֹשֵׁ֑ב (yoshev) = wonend | מִדִּבְרֵיהֶ֤ם (midivreihem) = voor hun woorden | אַל (al) = niet | תִּירָא֙ (tira) = wees bang | וּמִפְּנֵיהֶ֣ם (umipeneihem) = en voor hun gezichten | אַל (al) = niet | תֵּחָ֔ת (techat) = schrik | כִּ֛י (ki) = want | בֵּ֥ית (beit) = huis van | מְרִ֖י (meri) = weerspannigheid | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָרָבִים (sarabim), ‘distels’, en סַלּוֹנִים (sallonim), ‘doornen’: twee woorden voor stekelige planten. Het eerste komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. סַלּוֹן (sallon) staat ook in 28:24. Voetnoot : כִּי (ki) kan ‘want’ of ‘ook al’ betekenen. Wij kiezen ‘ook al’. Voetnoot : עַקְרַבִּים (akrabbim), ‘schorpioenen’. Zie ook: Jes 51:12; Jer 1:8; Luc 10:19; 1 Petr 3:14; 2 Tim 1:7 **2:7** **Je moet Mijn woorden tot hen spreken, of zij nu luisteren of het laten, want zij zijn weerspannig.** Brontekst: וְדִבַּרְתָּ֤ (vedibarta) = en je zult spreken | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרַי֙ (devaray) = Mijn woorden | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | אִֽם (im) = als | יִשְׁמְע֖וּ (yishmeu) = zij zullen luisteren | וְאִם (veim) = en als | יֶחְדָּ֑לוּ (yechdalu) = zij zullen ophouden | כִּ֥י (ki) = want | מְרִ֖י (meri) = weerspannigheid | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 1:7; Jer 23:28; Ezech 2:5; Ezech 3:10; Ezech 3:17 **2:8** **Maar jij, mensenkind, luister naar wat Ik tot je zeg. Wees niet weerspannig zoals dat weerspannige huis. Open je mond en eet wat Ik je geef.”** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | שְׁמַע֙ (shema) = luister | אֵ֤ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | אֲנִי֙ (ani) = Ik | מְדַבֵּ֣ר (medaber) = sprekend | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot je | אַל (al) = niet | תְּהִי (tehi) = wees | מֶ֖רִי (meri) = weerspannig | כְּבֵ֣ית (keveit) = als het huis | הַמֶּ֑רִי (hameri) = het weerspannige | פְּצֵ֣ה (petse) = open | פִ֔יךָ (pikha) = je mond | וֶאֱכֹ֕ל (veekhol) = en eet | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | נֹתֵ֥ן (noten) = gevend | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = aan je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 50:5; Jer 15:16; Ezech 3:1–3; 1 Petr 5:3; Openb 10:9 ### De boekrol **2:9** Ik zag, en zie: een hand was naar mij uitgestrekt, en zie, daarin was een boekrol. Brontekst: וָאֶרְאֶ֕ה (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | יָ֖ד (yad) = hand | שְׁלוּחָ֣ה (shelucha) = uitgestrekt | אֵלָ֑י (elay) = naar mij | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | ב֖וֹ (bo) = daarin | מְגִלַּת (megilat) = rol van | סֵֽפֶר (sefer) = boek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְגִלַּת־סֵפֶר (megillat sefer), ‘boekrol’: letterlijk ‘rol van een boek’, een opgerold stuk om op te schrijven. Zie ook: Ezech 3:1; Ezech 8:3; Dan 10:10; Openb 5:1–5; Openb 10:8–11 **2:10** Hij rolde haar voor mij open. Zij was beschreven aan de voorkant en aan de achterkant. Daarop stonden geschreven: klaagzangen, gekreun en wee. Brontekst: וַיִּפְרֹ֤שׂ (vayifros) = en Hij rolde open | אוֹתָהּ֙ (otah) = haar | לְפָנַ֔י (lefanay) = voor mij | וְהִ֥יא (vehi) = en zij | כְתוּבָ֖ה (ketuva) = beschreven | פָּנִ֣ים (panim) = voorzijde | וְאָח֑וֹר (veachor) = en achterzijde | וְכָת֣וּב (vekhatuv) = en geschreven | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = erop | קִנִ֥ים (qinim) = klaagzangen | וָהֶ֖גֶה (vahege) = en gekreun | וָהִֽי (vahi) = en wee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִנִּים (qinnim), ‘klaagzangen’, הֶגֶה (hegeh), ‘gekreun’, en הִי (hi), ‘wee’: drie zeldzame woorden. Wat zij betekenen volgt uit de samenhang: de boodschap op de rol is een boodschap van rouw en oordeel. Voetnoot : כְּתוּבָה פָּנִים וְאָחוֹר (ketuvah panim ve’achor), ‘beschreven aan de voorkant en aan de achterkant’: een rol is meestal maar aan één kant beschreven. Deze is aan beide kanten vol. Zie ook: Jes 3:11; Jes 30:8–11; Jer 36:29–32; Hab 2:2; Openb 8:13 ## Ezechiël 3 _Ezechiël eet de rol en wordt aangesteld als wachter_ ### Eet de rol **3:1** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, eet wat je vindt. Eet deze rol en ga, spreek tot het huis van Israël.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | אֵ֥ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = wat | תִּמְצָ֖א (timtsa) = je zult vinden | אֱכ֑וֹל (ekhol) = eet | אֱכוֹל֙ (ekhol) = eet | אֶת (et) = (obj.) | הַמְּגִלָּ֣ה (hamegila) = de rol | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | וְלֵ֥ךְ (velekh) = en ga | דַּבֵּ֖ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezechiël moet de rol eten: de woorden van Yahweh moeten eerst in hem worden opgenomen, voordat hij ze brengt. Vergelijk Jer. 15:16 en, in het Nieuwe Testament, Openb. 10:9–10. Voetnoot : אֱכוֹל אֱכוֹל (ekhol ekhol), ‘eet, eet’: het werkwoord staat twee keer, ter nadruk. Wij vertalen ‘Eet wat je vindt. Eet deze rol’. Zie ook: Jer 15:16; Ezech 2:8–9; Ezech 3:15; Ezech 3:17–21; 1 Tim 4:15; Openb 10:9–10 **3:2** Ik opende mijn mond en Hij liet mij deze rol eten. Brontekst: וָאֶפְתַּ֖ח (vaeftach) = en ik opende | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֑י (pi) = mijn mond | וַיַּ֣אֲכִלֵ֔נִי (vayaakhileni) = en Hij liet mij eten | אֵ֖ת (et) = (obj.) | הַמְּגִלָּ֥ה (hamegila) = de rol | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 25:17; Hand 26:19 **3:3** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, laat je buik eten en vul je ingewanden met deze rol die Ik je geef.”** Ik at hem, en in mijn mond was hij zoet als honing. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָם֙ (adam) = mens | בִּטְנְךָ֤ (bitnekha) = je buik | תַֽאֲכֵל֙ (taakhel) = zal eten | וּמֵעֶ֣יךָ (umeeikha) = en je ingewanden | תְמַלֵּ֔א (temale) = zult vullen | אֵ֚ת (et) = (obj.) | הַמְּגִלָּ֣ה (hamegila) = de rol | הַזֹּ֔את (hazot) = deze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אֲנִ֖י (ani) = Ik | נֹתֵ֣ן (noten) = gevend | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = aan je | וָאֹ֣כְלָ֔ה (vaokhela) = en ik at | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en was | בְּפִ֖י (befi) = in mijn mond | כִּדְבַ֥שׁ (kidvash) = als honing | לְמָתֽוֹק (lematoq) = tot zoetheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּדְבַשׁ לְמָתוֹק (kidvash lematoq), ‘zoet als honing’: de woorden van Yahweh smaken Ezechiël zoet, ook al is de inhoud van de rol rouw en oordeel (2:10). Vergelijk Ps. 19:11 en Ps. 119:103. Zie ook: Ps 19:11; Ps 119:97; Ps 119:103; Jer 15:16; Openb 10:9–10 ### Ga naar het huis van Israël **3:4** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, ga naar het huis van Israël en spreek tot hen met Mijn woorden.** Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | לֶךְ (lekh) = ga | בֹּא֙ (bo) = kom | אֶל (el) = naar | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְדִבַּרְתָּ֥ (vedibarta) = en je zult spreken | בִדְבָרַ֖י (bidvaray) = met Mijn woorden | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = tot hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 2:3; Ezech 3:11; Mat 10:5–6; Mat 15:24; Hand 1:8 **3:5** **Want je wordt niet gezonden naar een volk met een onverstaanbare spraak en een moeilijke taal. Je wordt gezonden naar het huis van Israël.** Brontekst: כִּ֡י (ki) = want | לֹא֩ (lo) = niet | אֶל (el) = naar | עַ֨ם (am) = volk van | עִמְקֵ֥י (imqei) = diepe van | שָׂפָ֛ה (safa) = lip | וְכִבְדֵ֥י (vekhivdei) = en zware van | לָשׁ֖וֹן (lashon) = tong | אַתָּ֣ה (ata) = jij | שָׁל֑וּחַ (shaluach) = gezonden | אֶל (el) = naar | בֵּ֖ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עִמְקֵי שָׂפָה (imqei safah), ‘met een onverstaanbare spraak’: letterlijk ‘diep van lip’. כִבְדֵי לָשׁוֹן (khivdei lashon), ‘met een moeilijke taal’: letterlijk ‘zwaar van tong’. Het zijn volken van wie de taal niet te verstaan is. Zie ook: Jona 1:2; Jona 3:2–4; Jes 33:19; Ezech 3:6; Hand 26:17–18 **3:6** **Niet naar vele volken met een onverstaanbare spraak en een moeilijke taal, wier woorden je niet kunt verstaan. Zeker, als Ik je naar hen had gezonden, dan zouden zij naar je luisteren.** Brontekst: לֹ֣א (lo) = niet | אֶל (el) = naar | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֗ים (rabim) = vele | עִמְקֵ֤י (imqei) = diepe van | שָׂפָה֙ (safa) = lip | וְכִבְדֵ֣י (vekhivdei) = en zware van | לָשׁ֔וֹן (lashon) = tong | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | תִשְׁמַ֖ע (tishma) = je kunt verstaan | דִּבְרֵיהֶ֑ם (divreihem) = hun woorden | אִם (im) = als | לֹ֤א (lo) = niet | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = naar hen | שְׁלַחְתִּ֔יךָ (shelachtikha) = Ik heb je gezonden | הֵ֖מָּה (hema) = zij | יִשְׁמְע֥וּ (yishmeu) = zouden luisteren | אֵלֶֽיךָ (eleikha) = naar je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִם־לֹא (im lo), ‘zeker’: letterlijk ‘als niet’. De twee woorden beginnen samen een bevestiging: ‘Zeker, als Ik je naar hen had gezonden, zouden zij naar je luisteren.’ Dit is een verwijt aan het huis van Israël. Zie ook: Jona 3:5–10; Mat 11:20–24; Mat 12:41–42; Luc 11:30–32; Rom 9:30–33 **3:7** **Maar het huis van Israël wil niet naar je luisteren, want zij willen niet naar Mij luisteren. Want heel het huis van Israël is stug van voorhoofd en hard van hart.** Brontekst: וּבֵ֣ית (uveit) = en huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | לֹ֤א (lo) = niet | יֹאבוּ֙ (yovu) = zullen willen | לִשְׁמֹ֣עַ (lishmoa) = om te luisteren | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = naar je | כִּֽי (ki) = want | אֵינָ֥ם (einam) = niet zijn zij | אֹבִ֖ים (ovim) = willend | לִשְׁמֹ֣עַ (lishmoa) = om te luisteren | אֵלָ֑י (elay) = naar Mij | כִּ֚י (ki) = want | כָּל (kal) = heel | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | חִזְקֵי (chizqei) = stugge van | מֵ֥צַח (metsach) = voorhoofd | וּקְשֵׁי (uqeshei) = en harde van | לֵ֖ב (lev) = hart | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִזְקֵי־מֵצַח (chizqei metsach), ‘stug van voorhoofd’, en קְשֵׁי־לֵב (qeshei lev), ‘hard van hart’: zie 2:4. Zie ook: 1 Sam 8:7; Jer 44:4–5; Ezech 2:4; Luc 10:16; Joh 15:20–24 **3:8** **Zie, Ik heb je gezicht sterk gemaakt tegenover hun gezichten, en je voorhoofd sterk tegenover hun voorhoofd.** Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | נָתַ֧תִּי (natati) = Ik heb gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | פָּנֶ֛יךָ (paneikha) = je gezicht | חֲזָקִ֖ים (chazaqim) = sterk | לְעֻמַּ֣ת (leumat) = tegenover | פְּנֵיהֶ֑ם (peneihem) = hun gezichten | וְאֶֽת (veet) = en (obj.) | מִצְחֲךָ֥ (mitschakha) = je voorhoofd | חָזָ֖ק (chazaq) = sterk | לְעֻמַּ֥ת (leumat) = tegenover | מִצְחָֽם (mitscham) = hun voorhoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲזָקִים (chazaqim), ‘sterk’: hetzelfde woord als ‘stug’ in vers 7. Yahweh maakt Ezechiëls gezicht en voorhoofd even sterk als dat van het volk, zodat hij kan standhouden. Ook de naam Ezechiël (‘El maakt sterk’) komt van dit werkwoord. Zie ook: Ex 4:15–16; Jer 1:18; Ezech 3:7; Hand 7:51–56; Heb 11:27; Heb 11:32–37 **3:9** **Als een diamant, sterker dan een scherpe steen, heb Ik je voorhoofd gemaakt. Wees niet bang voor hen en schrik niet van hun gezichten, want zij zijn een weerspannig huis.”** Brontekst: כְּשָׁמִ֛יר (keshamir) = als een diamant | חָזָ֥ק (chazaq) = sterker | מִצֹּ֖ר (mitsor) = dan scherpe steen | נָתַ֣תִּי (natati) = Ik heb gemaakt | מִצְחֶ֑ךָ (mitschekha) = je voorhoofd | לֹֽא (lo) = niet | תִירָ֤א (tira) = wees bang | אוֹתָם֙ (otam) = voor hen | וְלֹא (velo) = en niet | תֵחַ֣ת (techat) = schrik | מִפְּנֵיהֶ֔ם (mipeneihem) = van hun gezichten | כִּ֛י (ki) = want | בֵּֽית (beit) = huis van | מְרִ֖י (meri) = weerspannigheid | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁמִיר (shamir), ‘diamant’: een zeer harde steen. Het woord betekent elders ‘doornstruik’, zoals in Jes. 5:6. De betekenis ‘diamant’ is hier onzeker; bedoeld is iets dat harder is dan een scherpe steen. Voetnoot : צֹר (tsor), ‘scherpe steen’: zoals in Exod. 4:25. Het kan ook ‘vuursteen’ betekenen. Zie ook: Ex 4:25; Jes 5:6; Jes 41:10; Jes 50:7; Jer 1:8; Ezech 2:6; Zach 7:12 **3:10** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, al Mijn woorden die Ik tot je spreek, neem ze op in je hart en luister met je oren.** Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | דְּבָרַי֙ (devaray) = Mijn woorden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אֲדַבֵּ֣ר (adaber) = Ik zal spreken | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot je | קַ֥ח (qach) = neem | בִּֽלְבָבְךָ֖ (bilvavekha) = in je hart | וּבְאָזְנֶ֥יךָ (uveazeneikha) = en in je oren | שְׁמָֽע (shema) = luister Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 22:22; Ps 119:11; Ezech 2:8; Ezech 3:1–3; Luc 8:15 **3:11** **Ga naar de ballingen, naar de zonen van je volk, en spreek tot hen. Je moet tegen hen zeggen:** ‘Zo zegt Heer Yahweh’**, of zij nu luisteren of het laten.”** Brontekst: וְלֵ֨ךְ (velekh) = en ga | בֹּ֤א (bo) = kom | אֶל (el) = naar | הַגּוֹלָה֙ (hagola) = de ballingen | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עַמֶּ֔ךָ (amekha) = je volk | וְדִבַּרְתָּ֤ (vedibarta) = en je zult spreken | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tot hen | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אִֽם (im) = of | יִשְׁמְע֖וּ (yishmeu) = zij zullen luisteren | וְאִם (veim) = en of | יֶחְדָּֽלוּ (yechdalu) = zij zullen ophouden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 2:5; Ezech 2:7; Ezech 3:27; Ezech 33:2; Ezech 33:12 ### De geest tilt Ezechiël op **3:12** Een geest tilde mij op, en achter mij hoorde ik een geluid van een grote beving: „Gezegend is de heerlijkheid van Yahweh vanuit Zijn plaats!” Brontekst: וַתִּשָּׂאֵ֣נִי (vatisaeni) = en tilde mij op | ר֔וּחַ (ruach) = geest | וָאֶשְׁמַ֣ע (vaeshma) = en ik hoorde | אַחֲרַ֔י (acharay) = achter mij | ק֖וֹל (qol) = geluid van | רַ֣עַשׁ (raash) = beving | גָּד֑וֹל (gadol) = grote | בָּר֥וּךְ (barukh) = gezegend | כְּבוֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מִמְּקוֹמֽוֹ (mimeqomo) = vanuit Zijn plaats Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּרוּךְ כְּבוֹד־יְהוָה מִמְּקוֹמוֹ (baruch kevod Yahweh mimmeqomo), ‘Gezegend is de heerlijkheid van Yahweh vanuit Zijn plaats’: wie dit roept, noemt de tekst niet. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Voetnoot : רַעַשׁ (ra’ash), ‘beving’: het woord kan ook ‘dreun’ of ‘aardbeving’ betekenen. Zie ook: 1 Kon 18:12; Ezech 8:3; Ezech 11:1; Hand 2:2; Hand 8:39 **3:13** Ik hoorde ook het geluid van de vleugels van de levende wezens, die elkaar raakten. Ik hoorde ook het geluid van de wielen naast hen en het geluid van een grote beving. Brontekst: וְק֣וֹל (veqol) = en geluid van | כַּנְפֵ֣י (kanfei) = vleugels van | הַחַיּ֗וֹת (hachayot) = de levende wezens | מַשִּׁיקוֹת֙ (mashiqot) = rakend | אִשָּׁ֣ה (isha) = de ene | אֶל (el) = aan | אֲחוֹתָ֔הּ (achotah) = de andere | וְק֥וֹל (veqol) = en geluid van | הָאוֹפַנִּ֖ים (haofanim) = de wielen | לְעֻמָּתָ֑ם (leumatam) = naast hen | וְק֖וֹל (veqol) = en geluid van | רַ֥עַשׁ (raash) = beving | גָּדֽוֹל (gadol) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het werkwoord ‘ik hoorde’ uit vers 12 loopt door in dit vers: ‘en het geluid van de vleugels… en het geluid van de wielen…’. Wij vullen ‘Ik hoorde ook’ in. Voetnoot : מַשִּׁיקוֹת (mashiqot), ‘zij raakten’: het werkwoord is verwant met נָשַׁק (nashaq), ‘kussen’. De vleugels raken elkaar. Zie ook: 2 Sam 5:24; Ezech 1:15; Ezech 1:24; Ezech 3:12; Ezech 10:5; Ezech 10:16–17 **3:14** Een geest tilde mij op en nam mij mee. Ik ging, bitter, in de hitte van mijn geest, en de hand van Yahweh was sterk op mij. Brontekst: וְר֥וּחַ (veruach) = en geest | נְשָׂאַ֖תְנִי (nesaatni) = tilde mij op | וַתִּקָּחֵ֑נִי (vatiqacheni) = en nam mij | וָאֵלֵ֥ךְ (vaelekh) = en ik ging | מַר֙ (mar) = bitter | בַּחֲמַ֣ת (bachamat) = in de hitte van | רוּחִ֔י (ruchi) = mijn geest | וְיַד (veyad) = en hand van | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | עָלַ֖י (alay) = op mij | חָזָֽקָה (chazaqa) = sterk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַר בַּחֲמַת רוּחִי (mar bachamat ruchi), ‘bitter, in de hitte van mijn geest’: Ezechiël gaat vol bitterheid en woede. De tekst zegt niet waarom. Het woord חֵמָה (chemah) betekent ‘hitte’ of ‘woede’. Zie ook: 2 Kon 2:16; 2 Kon 3:15; Jer 20:7–9; Ezech 8:3; Ezech 37:1 **3:15** Ik kwam bij de ballingen in Tel-Abib, die bij de rivier de Kebar woonden. Ik ging zitten waar zij zaten, en daar bleef ik zeven dagen zitten, verbijsterd in hun midden. Brontekst: וָאָב֨וֹא (vaavo) = en ik kwam | אֶל (el) = naar | הַגּוֹלָ֜ה (hagola) = de ballingen | תֵּ֣ל (tel) = Tel | אָ֠בִיב (aviv) = Abib | הַיֹּשְׁבִ֤ים (hayoshevim) = de wonende | אֶֽל (el) = bij | נְהַר (nehar) = rivier | כְּבָר֙ (kevar) = Kebar | וָֽאֵשֵׁ֔ב (vaeshev) = en ik zat | הֵ֖מָּה (hema) = zij | יוֹשְׁבִ֣ים (yoshevim) = zittend | שָׁ֑ם (sham) = daar | וָאֵשֵׁ֥ב (vaeshev) = en ik zat | שָׁ֛ם (sham) = daar | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven van | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | מַשְׁמִ֥ים (mashmim) = verbijsterd | בְּתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tel-Abib (ligging onzeker): Tel-Abib was de woonplaats van de ballingen aan de Kebar, in Babylonië. De precieze plaats is niet bekend. Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel. Daar woonden de ballingen met Ezechiël. Voetnoot Uitleg: תֵּל אָבִיב (Tel Aviv), ‘Tel-Abib’: letterlijk ‘heuvel van de aren’. Het was een plaats van ballingen bij de Kebar. Waar het precies lag, is onbekend. Voetnoot : מַשְׁמִים (mashmim), ‘verbijsterd’: ontzet en sprakeloos van wat hij had gezien. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat ואשר (w’shr), ‘en waar’; de overlevering leest וָאֵשֵׁב (va’esheb), ‘en ik zat’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Gen 50:10; Job 2:13; Ps 137:1; Hab 3:16; Ezech 1:1 ### De wachter voor het huis van Israël **3:16** Aan het einde van zeven dagen kwam het woord van Yahweh tot mij: Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | מִקְצֵ֖ה (miqtse) = aan het einde van | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven van | יָמִ֑ים (yamim) = dagen | וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 42:7 **3:17** **„Mensenkind, als wachter heb Ik je aangesteld over het huis van Israël. Wanneer je een woord uit Mijn mond hoort, moet je hen namens Mij waarschuwen.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | צֹפֶ֥ה (tsofe) = wachter | נְתַתִּ֖יךָ (netatikha) = Ik heb je aangesteld | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְשָׁמַעְתָּ֤ (veshamata) = en je zult horen | מִפִּי֙ (mipi) = uit Mijn mond | דָּבָ֔ר (davar) = woord | וְהִזְהַרְתָּ֥ (vehizharta) = en je zult waarschuwen | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | מִמֶּֽנִּי (mimeni) = namens Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹפֶה (tsofeh), ‘wachter’: iemand die op een toren of muur uitkijkt en de stad waarschuwt als er gevaar komt. In 33:1–9 legt Yahweh de taak van de wachter nogmaals uit. Voetnoot : הִזְהַרְתָּ (hizhirta), ‘je waarschuwt’: het werkwoord betekent ‘waarschuwen’. Het gaat om een woord van Yahweh dat Ezechiël moet doorgeven. Zie ook: 2 Kron 19:10; Jes 52:8; Jer 6:17; Kol 1:28; Heb 13:17 **3:18** **Als Ik tegen een goddeloze zeg: ‘Je zult zeker sterven’, en je waarschuwt hem niet en spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn goddeloze weg, zodat hij in leven blijft, dan zal die goddeloze sterven in zijn schuld. Maar zijn bloed zal Ik van jouw hand terugeisen.** Brontekst: בְּאָמְרִ֤י (beameri) = bij Mijn zeggen | לָֽרָשָׁע֙ (larasha) = tegen de goddeloze | מ֣וֹת (mot) = sterven | תָּמ֔וּת (tamut) = je zult sterven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | הִזְהַרְתּ֗וֹ (hizharto) = je hebt hem gewaarschuwd | וְלֹ֥א (velo) = en niet | דִבַּ֛רְתָּ (dibarta) = je hebt gesproken | לְהַזְהִ֥יר (lehazhir) = om te waarschuwen | רָשָׁ֛ע (rasha) = de goddeloze | מִדַּרְכּ֥וֹ (midarko) = voor zijn weg | הָרְשָׁעָ֖ה (hareshaa) = de goddeloze | לְחַיֹּת֑וֹ (lechayoto) = om hem in leven te houden | ה֤וּא (hu) = hij | רָשָׁע֙ (rasha) = goddeloze | בַּעֲוֺנ֣וֹ (baavono) = in zijn schuld | יָמ֔וּת (yamut) = zal sterven | וְדָמ֖וֹ (vedamo) = en zijn bloed | מִיָּדְךָ֥ (miyadekha) = van jouw hand | אֲבַקֵּֽשׁ (avaqesh) = Ik zal terugeisen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָשָׁע (rasha), ‘goddeloze’: iemand die zich bewust van Yahweh en van recht afkeert. Voetnoot : וְדָמוֹ מִיָּדְךָ אֲבַקֵּשׁ (vedamo miyadekha avaqqesh), ‘zijn bloed zal Ik van jouw hand terugeisen’: wie zijn taak als wachter verzaakt, wordt verantwoordelijk gehouden voor het leven van de ander. Het werkwoord בִּקֵּשׁ (biqqesh), ‘eisen’, staat ook in 2 Sam. 4:11. Zie ook Gen. 9:5. Zie ook: Gen 9:5; 2 Sam 4:11; Ezech 3:20; Ezech 33:6; Ezech 33:8–10; Hand 20:26–27; Jak 5:19–20 **3:19** **Maar als jij de goddeloze waarschuwt en hij zich niet afkeert van zijn goddeloosheid en van zijn goddeloze weg, dan zal hij sterven in zijn schuld. Jij hebt je leven gered.** Brontekst: וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | כִּֽי (ki) = als | הִזְהַ֣רְתָּ (hizharta) = je hebt gewaarschuwd | רָשָׁ֔ע (rasha) = goddeloze | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁב֙ (shav) = hij keert zich af | מֵֽרִשְׁע֔וֹ (merisho) = van zijn goddeloosheid | וּמִדַּרְכּ֖וֹ (umidarko) = en van zijn weg | הָרְשָׁעָ֑ה (hareshaa) = de goddeloze | ה֚וּא (hu) = hij | בַּעֲוֺנ֣וֹ (baavono) = in zijn schuld | יָמ֔וּת (yamut) = zal sterven | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | אֶֽת (et) = (obj.) | נַפְשְׁךָ֥ (nafshekha) = je leven | הִצַּֽלְתָּ (hitsalta) = heb gered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשְׁךָ (nafshekha), ‘je leven’: het woord נֶפֶשׁ (nefesh) betekent ‘ziel’, ‘leven’ of ‘persoon’. Hier vertalen wij ‘je leven’: de wachter redt zichzelf als hij heeft gewaarschuwd. Zo vertalen wij nefesh in deze hoofdstukken steeds (zie ook 3:21 en 4:14); vergelijk 33:9. Zie ook: Ezech 14:14; Ezech 14:20; Ezech 33:9; 2 Tess 1:8–9; 1 Tim 4:16 **3:20** **En als een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, en Ik een struikelblok voor hem neerleg, dan zal hij sterven. Omdat je hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij sterven in zijn zonde. De gerechtigheid die hij gedaan heeft, zal niet herdacht worden. Maar zijn bloed zal Ik van jouw hand terugeisen.** Brontekst: וּבְשׁ֨וּב (uveshuv) = en bij het zich afkeren van | צַדִּ֤יק (tsadiq) = rechtvaardige | מִצִּדְקוֹ֙ (mitsidqo) = van zijn gerechtigheid | וְעָ֣שָׂה (veasa) = en hij doet | עָ֔וֶל (avel) = onrecht | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik leg | מִכְשׁ֛וֹל (mikhshol) = struikelblok | לְפָנָ֖יו (lefanav) = voor hem | ה֣וּא (hu) = hij | יָמ֑וּת (yamut) = zal sterven | כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | הִזְהַרְתּוֹ֙ (hizharto) = je hebt hem gewaarschuwd | בְּחַטָּאת֣וֹ (bechatato) = in zijn zonde | יָמ֔וּת (yamut) = zal hij sterven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִזָּכַ֗רְןָ (tizakharna) = zal herdacht worden | צִדְקֹתָו֙ (tsidqotav) = zijn gerechtigheid | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֔ה (asa) = hij deed | וְדָמ֖וֹ (vedamo) = en zijn bloed | מִיָּדְךָ֥ (miyadekha) = van jouw hand | אֲבַקֵּֽשׁ (avaqesh) = Ik zal terugeisen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִכְשׁוֹל (mikhshol), ‘struikelblok’: iets waarover men valt. Wat dit struikelblok is, zegt de tekst niet. Voetnoot : צִדְקֹתָו (tsidqoto), ‘zijn gerechtigheid’: de goede daden van de rechtvaardige tellen niet meer als hij zich afkeert. Zie ook 18:24. Zie ook: Ezech 3:18; Ezech 18:24; Ezech 18:26; Ezech 33:12–13; Rom 2:7–8 **3:21** **Maar als jij de rechtvaardige waarschuwt, zodat de rechtvaardige niet zondigt, en hij zondigt niet, dan zal hij zeker leven, omdat hij gewaarschuwd is. En jij hebt je leven gered.”** Brontekst: וְאַתָּ֞ה (veata) = en jij | כִּ֧י (ki) = als | הִזְהַרְתּ֣וֹ (hizharto) = je hebt hem gewaarschuwd | צַדִּ֗יק (tsadiq) = rechtvaardige | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = om niet | חֲטֹ֛א (chato) = te zondigen | צַדִּ֖יק (tsadiq) = rechtvaardige | וְה֣וּא (vehu) = en hij | לֹא (lo) = niet | חָטָ֑א (chata) = heeft gezondigd | חָי֤וֹ (chayo) = leven | יִֽחְיֶה֙ (yichye) = zal hij leven | כִּ֣י (ki) = want | נִזְהָ֔ר (nizhar) = hij is gewaarschuwd | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | אֶֽת (et) = (obj.) | נַפְשְׁךָ֥ (nafshekha) = je leven | הִצַּֽלְתָּ (hitsalta) = heb gered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 9:9; Jak 5:20; 1 Kor 4:14; 1 Tim 4:16; Tit 2:15 ### In het dal: opgesloten en stom **3:22** De hand van Yahweh kwam daar op mij. Hij zei tot mij: **„Sta op, ga naar het dal, en daar zal Ik met je spreken.”** Brontekst: וַתְּהִ֥י (vatehi) = en was | עָלַ֛י (alay) = op mij | שָׁ֖ם (sham) = daar | יַד (yad) = hand van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | ק֥וּם (qum) = sta op | צֵא֙ (tse) = ga uit | אֶל (el) = naar | הַבִּקְעָ֔ה (habiqa) = het dal | וְשָׁ֖ם (vesham) = en daar | אֲדַבֵּ֥ר (adaber) = Ik zal spreken | אוֹתָֽךְ (otakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּקְעָה (biq’ah), ‘dal’: een vlakte tussen bergen. Welk dal het is, zegt de tekst niet. Het is het dal waar de heerlijkheid van Yahweh weer verschijnt (vers 23); zie ook 8:4. Zie ook: Ezech 1:3; Ezech 3:14; Ezech 3:23; Ezech 8:4; Ezech 37:1; Hand 9:6 **3:23** Ik stond op en ging naar het dal. En zie: daar stond de heerlijkheid van Yahweh, zoals de heerlijkheid die ik bij de rivier de Kebar had gezien. Ik viel op mijn gezicht. Brontekst: וָאָקוּם֮ (vaaqum) = en ik stond op | וָאֵצֵ֣א (vaetse) = en ik ging uit | אֶל (el) = naar | הַבִּקְעָה֒ (habiqa) = het dal | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | שָׁ֤ם (sham) = daar | כְּבוֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | עֹמֵ֔ד (omed) = staand | כַּכָּב֕וֹד (kakavod) = zoals de heerlijkheid | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | רָאִ֖יתִי (raiti) = ik zag | עַל (al) = bij | נְהַר (nehar) = rivier | כְּבָ֑ר (kevar) = Kebar | וָאֶפֹּ֖ל (vaepol) = en ik viel | עַל (al) = op | פָּנָֽי (panay) = mijn gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel. Daar woonden de ballingen met Ezechiël. Voetnoot Uitleg: Ezechiël ziet dezelfde heerlijkheid als in 1:28. Zo wordt zijn roeping uit het eerste hoofdstuk hier bevestigd. Zie ook: Num 17:7; Ezech 1:28; Hand 7:55; Openb 1:17; Openb 5:14 **3:24** Er kwam een geest in mij en die zette mij op mijn voeten. Hij sprak met mij en zei tot mij: **„Ga, sluit je op binnen in je huis.** Brontekst: וַתָּבֹא (vatavo) = en kwam | בִ֣י (bi) = in mij | ר֔וּחַ (ruach) = geest | וַתַּעֲמִדֵ֖נִי (vataamideni) = en zette mij | עַל (al) = op | רַגְלָ֑י (raglay) = mijn voeten | וַיְדַבֵּ֤ר (vaydaber) = en Hij sprak | אֹתִי֙ (oti) = met mij | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | בֹּ֥א (bo) = ga | הִסָּגֵ֖ר (hisager) = sluit je op | בְּת֥וֹךְ (betokh) = in het midden van | בֵּיתֶֽךָ (beitekha) = je huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִסָּגֵר (hissager), ‘sluit je op’: Ezechiël moet binnen blijven. Of het om een echte opsluiting gaat of om een beeld, zegt de tekst niet. Zie ook vers 25 en 4:8. Zie ook: Ezech 2:2; Ezech 3:25; Ezech 4:1–4; Ezech 37:10; Dan 10:8–10; Dan 10:19 **3:25** **En jij, mensenkind, zie: men zal touwen op je leggen en je ermee vastbinden, en je zult niet naar buiten gaan, te midden van hen.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | נָתְנ֤וּ (natenu) = men zal leggen | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = op je | עֲבוֹתִ֔ים (avotim) = touwen | וַאֲסָר֖וּךָ (vaasarukha) = en men zal je binden | בָּהֶ֑ם (bahem) = daarmee | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תֵצֵ֖א (tetse) = je zult uitgaan | בְּתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 4:8; Mar 3:21; Hand 9:16; Hand 20:23; Hand 21:11–13 **3:26** **Ik zal je tong aan je gehemelte laten kleven. Je zult stom worden en voor hen geen man zijn die terechtwijst, want zij zijn een weerspannig huis.** Brontekst: וּלְשֽׁוֹנְךָ֙ (uleshonekha) = en je tong | אַדְבִּ֣יק (adbiq) = Ik zal laten kleven | אֶל (el) = aan | חִכֶּ֔ךָ (chikekha) = je gehemelte | וְנֶֽאֱלַ֔מְתָּ (veneelamta) = en je zult stom worden | וְלֹא (velo) = en niet | תִֽהְיֶ֥ה (tihye) = je zult zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְאִ֣ישׁ (leish) = een man | מוֹכִ֑יחַ (mokhiach) = die terechtwijst | כִּ֛י (ki) = want | בֵּ֥ית (beit) = huis van | מְרִ֖י (meri) = weerspannigheid | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנֶאֱלַמְתָּ (ve’elamta), ‘en je zult stom worden’: Ezechiël kan alleen spreken als Yahweh zijn mond opent (vers 27). Zie ook 24:27 en 33:22. Voetnoot : מוֹכִיחַ (mokhiach), ‘iemand die terechtwijst’: iemand die voor het recht opkomt en een ander op zijn fout wijst. Zie ook: Ps 51:17; Ps 137:6; Mi 3:6–7; Ezech 3:27; Ezech 24:27; Luc 1:20–22 **3:27** **Maar wanneer Ik met je spreek, zal Ik je mond openen. Dan moet je tegen hen zeggen:** ‘Zo zegt Heer Yahweh.’ **Wie luistert, zal luisteren, en wie het laat, zal het laten. Want zij zijn een weerspannig huis.”** Brontekst: וּֽבְדַבְּרִ֤י (uvedaberi) = en bij Mijn spreken | אֽוֹתְךָ֙ (otekha) = met je | אֶפְתַּ֣ח (eftach) = Ik zal openen | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֔יךָ (pikha) = je mond | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הַשֹּׁמֵ֤עַ (hashomea) = wie luistert | יִשְׁמָע֙ (yishma) = zal luisteren | וְהֶחָדֵ֣ל (vehechadel) = en wie het laat | יֶחְדָּ֔ל (yechdal) = zal het laten | כִּ֛י (ki) = want | בֵּ֥ית (beit) = huis van | מְרִ֖י (meri) = weerspannigheid | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 3:11; Ezech 3:26; Ezech 12:2–3; Ezech 24:27; Ezech 29:21 ## Ezechiël 4 _Tekenhandelingen over de belegering van Jeruzalem_ ### De baksteen en de belegering **4:1** **„En jij, mensenkind, neem een baksteen. Leg die voor je neer en teken daarop een stad: Jeruzalem.** Brontekst: וְאַתָּ֤ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָם֙ (adam) = mens | קַח (qach) = neem | לְךָ֣ (lekha) = voor jezelf | לְבֵנָ֔ה (levena) = baksteen | וְנָתַתָּ֥ה (venatata) = en leg | אוֹתָ֖הּ (otah) = haar | לְפָנֶ֑יךָ (lefaneikha) = voor je | וְחַקּוֹתָ֥ (vechaqota) = en teken | עָלֶ֛יהָ (aleiha) = daarop | עִ֖יר (ir) = stad | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: לְבֵנָה (levenah), ‘baksteen’: een stuk gedroogde of gebakken klei, zoals in Babel veel werd gebruikt (vergelijk Gen. 11:3). Ezechiël moet er een stad op tekenen. Voetnoot : וְחַקּוֹתָ (vechaqqota), ‘en teken’: het werkwoord betekent letterlijk ‘insnijden’ of ‘erin kerven’. Voetnoot : Dit is de eerste van de tekenhandelingen in dit boek: Ezechiël doet iets wat de ballingen zien. De woorden van Yahweh in dit hoofdstuk zijn een voortzetting van 3:25–27 en staan rood. Zie ook: Gen 11:3; Amos 3:2; Hos 1:2–9; Jes 20:2–4; Jer 13:1–14; Ezech 5:1–17 **4:2** **Leg tegen haar een belegering aan. Bouw tegen haar een belegeringswal, werp tegen haar een aarden helling op, zet legerkampen tegen haar neer en plaats stormrammen rondom tegen haar.** Brontekst: וְנָתַתָּ֨ה (venatata) = en leg aan | עָלֶ֜יהָ (aleiha) = tegen haar | מָצ֗וֹר (matsor) = belegering | וּבָנִ֤יתָ (uvanita) = en bouw | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = tegen haar | דָּיֵ֔ק (dayeq) = belegeringswal | וְשָׁפַכְתָּ֥ (veshafakhta) = en werp op | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = tegen haar | סֹֽלְלָ֑ה (solela) = aarden helling | וְנָתַתָּ֨ה (venatata) = en zet neer | עָלֶ֧יהָ (aleiha) = tegen haar | מַחֲנ֛וֹת (machanot) = legerkampen | וְשִׂים (vesim) = en plaats | עָלֶ֥יהָ (aleiha) = tegen haar | כָּרִ֖ים (karim) = stormrammen | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vijf onderdelen van een belegering: מָצוֹר (matsor), ‘belegering’; דָּיֵק (dayeq), ‘belegeringswal’ (zoals in 2 Kon. 25:1); סֹלְלָה (solelah), ‘aarden helling’, opgeworpen om de muur te bereiken; מַחֲנוֹת (machanot), ‘legerkampen’; en כָּרִים (karim), ‘stormrammen’, letterlijk ‘rammen’. Wat elk onderdeel precies was, is niet helemaal zeker. Zie ook: 2 Kon 25:1; Jer 6:6; Jer 39:1–2; Jer 52:4; Ezech 21:27; Luc 19:42–44 **4:3** **En jij, neem een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen jou en de stad. Richt je gezicht op haar. Zij zal onder belegering staan en jij zult haar belegeren. Dit is een teken voor het huis van Israël.** Brontekst: וְאַתָּ֤ה (veata) = en jij | קַח (qach) = neem | לְךָ֙ (lekha) = voor jezelf | מַחֲבַ֣ת (machavat) = bakplaat van | בַּרְזֶ֔ל (barzel) = ijzer | וְנָתַתָּ֤ה (venatata) = en zet | אוֹתָהּ֙ (otah) = haar | קִ֣יר (qir) = muur van | בַּרְזֶ֔ל (barzel) = ijzer | בֵּינְךָ֖ (beinekha) = tussen jou | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַהֲכִינֹתָה֩ (vahakhinota) = en richt | אֶת (et) = (obj.) | פָּנֶ֨יךָ (paneikha) = je gezicht | אֵלֶ֜יהָ (eleiha) = naar haar | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zij zal zijn | בַמָּצוֹר֙ (bamatsor) = onder belegering | וְצַרְתָּ֣ (vetsarta) = en jij zult belegeren | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = haar | א֥וֹת (ot) = teken | הִ֖יא (hi) = zij is | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחֲבַת בַּרְזֶל (machavat barzel), ‘ijzeren bakplaat’: een platte plaat waarop men graanoffers bakte (Lev. 2:5). Hier staat zij als een ijzeren muur tussen Ezechiël en de stad. Waar de bakplaat voor staat, zegt de tekst niet. Voetnoot : אוֹת (ot), ‘teken’: de hele handeling is een teken voor het huis van Israël. Zie ook: Lev 2:5; Jes 8:18; Jes 20:3; Ezech 12:6; Ezech 12:11; Ezech 24:24–27 ### Liggen op de linkerzij en de rechterzij **4:4** **En jij, ga op je linkerzij liggen en leg de schuld van het huis van Israël daarop. Naar het aantal dagen dat je erop ligt, zul je hun schuld dragen.** Brontekst: וְאַתָּ֤ה (veata) = en jij | שְׁכַב֙ (shekhav) = ga liggen | עַל (al) = op | צִדְּךָ֣ (tsidekha) = je zijde | הַשְּׂמָאלִ֔י (hasemali) = de linker | וְשַׂמְתָּ֛ (vesamta) = en leg | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺ֥ן (avon) = schuld van | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עָלָ֑יו (alav) = daarop | מִסְפַּ֤ר (mispar) = naar het aantal van | הַיָּמִים֙ (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תִּשְׁכַּ֣ב (tishkav) = je zult liggen | עָלָ֔יו (alav) = daarop | תִּשָּׂ֖א (tisa) = je zult dragen | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺנָֽם (avonam) = hun schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁכַב עַל־צִדְּךָ הַשְּׂמָאלִי (shekhav al tsiddekha hasseme’li), ‘ga op je linkerzij liggen’: Ezechiël draagt zo de schuld van het huis van Israël. ‘Een schuld dragen’ is hetzelfde als in Lev. 5:1. In vers 6 volgt het huis van Juda op de rechterzij. Zie ook: Lev 5:1; Lev 10:17; Lev 16:22; Num 18:1; Jes 53:11–12; Ezech 4:6; Ezech 4:8 **4:5** **Ik heb je de jaren van hun schuld gegeven, naar het aantal dagen: 390 dagen. En je zult de schuld van het huis van Israël dragen.** Brontekst: וַאֲנִ֗י (vaani) = en Ik | נָתַ֤תִּֽי (natati) = heb gegeven | לְךָ֙ (lekha) = aan je | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֣י (shenei) = jaren van | עֲוֺנָ֔ם (avonam) = hun schuld | לְמִסְפַּ֣ר (lemispar) = naar het aantal van | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֥וֹת (meot) = honderd | וְתִשְׁעִ֖ים (vetishim) = en negentig | י֑וֹם (yom) = dagen | וְנָשָׂ֖אתָ (venasata) = en je zult dragen | עֲוֺ֥ן (avon) = schuld van | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁנֵי עֲוֺנָם (shenei avonam), ‘de jaren van hun schuld’: de 390 dagen staan voor 390 jaren. Sommige oude vertalingen hebben hier een ander getal. Wat de 390 jaren precies aangeven, zegt de tekst niet. Zie ook: Num 14:34; Jes 53:6 **4:6** **Als je deze hebt voltooid, ga dan voor de tweede keer op je rechterzij liggen. Dan zul je de schuld van het huis van Juda dragen: 40 dagen. Een dag voor een jaar, een dag voor een jaar heb Ik het je gegeven.** Brontekst: וְכִלִּיתָ֣ (vekhilita) = en je zult voltooien | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֗לֶּה (ele) = deze | וְשָׁ֨כַבְתָּ֜ (veshakhavta) = en je zult liggen | עַל (al) = op | צִדְּךָ֤ (tsidekha) = je zijde | הַיְמָנִי֙ (haymani) = de rechter | שֵׁנִ֔ית (shenit) = tweede maal | וְנָשָׂ֖אתָ (venasata) = en je zult dragen | אֶת (et) = (obj.) | עֲוֺ֣ן (avon) = schuld van | בֵּית (beit) = huis van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | י֔וֹם (yom) = dagen | י֧וֹם (yom) = dag | לַשָּׁנָ֛ה (lashana) = voor het jaar | י֥וֹם (yom) = dag | לַשָּׁנָ֖ה (lashana) = voor het jaar | נְתַתִּ֥יו (netativ) = Ik heb het gegeven | לָֽךְ (lakh) = aan je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוֹם לַשָּׁנָה (yom lashanah), ‘een dag voor een jaar’: dagen staan voor jaren, zoals in Num. 14:34. Zie ook: Num 14:34; Dan 9:24–26; Dan 12:11–12; Openb 11:2–3; Openb 13:5 **4:7** **Richt je gezicht op de belegering van Jeruzalem, met ontblote arm, en profeteer tegen haar.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en naar | מְצ֤וֹר (metsor) = belegering van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | תָּכִ֣ין (takhin) = je zult richten | פָּנֶ֔יךָ (paneikha) = je gezicht | וּֽזְרֹעֲךָ֖ (uzeroakha) = en je arm | חֲשׂוּפָ֑ה (chasufa) = ontbloot | וְנִבֵּאתָ֖ (venibeta) = en je zult profeteren | עָלֶֽיהָ (aleiha) = tegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: זְרוֹעַ חֲשׂוּפָה (zero’a chasufah), ‘ontblote arm’: iemand met een ontblote arm is klaar om te handelen. Vergelijk Jes. 52:10. Zie ook: Jes 52:10; Ezech 4:3; Ezech 6:2; Ezech 21:7 **4:8** **Zie, Ik leg touwen op je. Je zult je niet van de ene zij op de andere zij omdraaien, totdat je de dagen van je belegering hebt voltooid.** Brontekst: וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik heb gelegd | עָלֶ֖יךָ (aleikha) = op je | עֲבוֹתִ֑ים (avotim) = touwen | וְלֹֽא (velo) = en niet | תֵהָפֵ֤ךְ (tehafekh) = je zult je omdraaien | מִֽצִּדְּךָ֙ (mitsidekha) = van je zijde | אֶל (el) = naar | צִדֶּ֔ךָ (tsidekha) = je zijde | עַד (ad) = tot | כַּלּוֹתְךָ֖ (kalotekha) = je voltooid hebt | יְמֵ֥י (yemei) = dagen van | מְצוּרֶֽךָ (metsurekha) = je belegering Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 3:25 ### Het brood tijdens de belegering **4:9** **En jij, neem tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt. Doe ze in één vat en maak er brood van voor jezelf. Naar het aantal dagen dat je op je zij ligt, 390 dagen, zul je ervan eten.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | קַח (qach) = neem | לְךָ֡ (lekha) = voor jezelf | חִטִּ֡ין (chitin) = tarwe | וּ֠שְׂעֹרִים (useorim) = en gerst | וּפ֨וֹל (ufol) = en bonen | וַעֲדָשִׁ֜ים (vaadashim) = en linzen | וְדֹ֣חַן (vedochan) = en gierst | וְכֻסְּמִ֗ים (vekhusemim) = en spelt | וְנָתַתָּ֤ה (venatata) = en doe | אוֹתָם֙ (otam) = ze | בִּכְלִ֣י (bikhli) = in een vat | אֶחָ֔ד (echad) = één | וְעָשִׂ֧יתָ (veasita) = en maak | אוֹתָ֛ם (otam) = ze | לְךָ֖ (lekha) = voor jezelf | לְלָ֑חֶם (lelachem) = tot brood | מִסְפַּ֨ר (mispar) = naar het aantal van | הַיָּמִ֜ים (hayamim) = de dagen | אֲשֶׁר (asher) = die | אַתָּ֣ה (ata) = jij | שׁוֹכֵ֣ב (shokhev) = liggend | עַֽל (al) = op | צִדְּךָ֗ (tsidekha) = je zijde | שְׁלֹשׁ (shelosh) = drie | מֵא֧וֹת (meot) = honderd | וְתִשְׁעִ֛ים (vetishim) = en negentig | י֖וֹם (yom) = dagen | תֹּאכֲלֶֽנּוּ (tokhalenu) = je zult het eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zes soorten graan en peulvruchten: חִטִּין (chittin), ‘tarwe’; שְׂעֹרִים (se’orim), ‘gerst’; פּוֹל (pol), ‘bonen’; עֲדָשִׁים (adashim), ‘linzen’; דֹּחַן (dochan), ‘gierst’; כֻּסְּמִים (kussemim), ‘spelt’ (zoals in Exod. 9:32). Voetnoot : Het getal 390 is hetzelfde als in vers 5. De 40 dagen van Juda (vers 6) worden hier niet genoemd. Zie ook: Ex 9:32; Jes 28:25; Ezech 4:5; Ezech 4:6; Ezech 4:13; Ezech 4:16 **4:10** **Het voedsel dat je eet, zal naar gewicht zijn: 20 sikkels per dag. Van tijd tot tijd zul je het eten.** Brontekst: וּמַאֲכָֽלְךָ֙ (umaakhalekha) = en je voedsel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | תֹּאכֲלֶ֔נּוּ (tokhalenu) = je zult eten | בְּמִשְׁק֕וֹל (bemishqol) = naar gewicht | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | שֶׁ֖קֶל (sheqel) = sikkel | לַיּ֑וֹם (layom) = per dag | מֵעֵ֥ת (meet) = van tijd | עַד (ad) = tot | עֵ֖ת (et) = tijd | תֹּאכֲלֶֽנּוּ (tokhalenu) = je zult het eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram. 20 sikkels is dus ongeveer 230 gram brood per dag. Dat is weinig voedsel. Voetnoot : מֵעֵת עַד־עֵת (me’et ad et), ‘van tijd tot tijd’: op vaste tijden, waarschijnlijk elke dag op dezelfde tijd. Zie ook: Lev 26:26; Deut 28:51–68; Jes 3:1; Ezech 4:16; Ezech 14:13 **4:11** **Ook water zul je afgemeten drinken: een zesde hin. Van tijd tot tijd zul je het drinken.** Brontekst: וּמַ֛יִם (umayim) = en water | בִּמְשׂוּרָ֥ה (bimsura) = afgemeten | תִשְׁתֶּ֖ה (tishte) = je zult drinken | שִׁשִּׁ֣ית (shishit) = een zesde van | הַהִ֑ין (hahin) = de hin | מֵעֵ֥ת (meet) = van tijd | עַד (ad) = tot | עֵ֖ת (et) = tijd | תִּשְׁתֶּֽה (tishte) = je zult drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִין (hin): een inhoudsmaat van ongeveer 3,7 liter. Een zesde hin is dus ongeveer 0,6 liter water per dag. Zie ook: Jes 5:13; Ezech 4:16; Joh 3:34 **4:12** **Als gerstekoeken zul je het eten, en je zult die bakken met mensenmest, voor hun ogen.”** Brontekst: וְעֻגַ֥ת (veugat) = en koek van | שְׂעֹרִ֖ים (seorim) = gerst | תֹּֽאכֲלֶ֑נָּה (tokhalena) = je zult het eten | וְהִ֗יא (vehi) = en zij | בְּגֶֽלְלֵי֙ (begellei) = met mest van | צֵאַ֣ת (tseat) = wat uitgaat van | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = de mens | תְּעֻגֶ֖נָה (teugena) = je zult haar bakken | לְעֵינֵיהֶֽם (leeineihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּלָלִים (gelalim), ‘mest’: hier mest van mensen, gebruikt als brandstof. Het woord is verwant met גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’, een scheldnaam voor afgoden (zie 6:4). Zie voor uitwerpselen ook Deut. 23:13–15. Zie ook: Gen 18:6; Deut 23:13–15; Jes 36:12 **4:13** Yahweh zei: **„Zo zullen de zonen van Israël hun brood onrein eten, onder de volken waarheen Ik hen verdrijf.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כָּ֣כָה (kakha) = zo | יֹאכְל֧וּ (yokhlu) = zullen eten | בְנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | לַחְמָ֖ם (lachmam) = hun brood | טָמֵ֑א (tame) = onrein | בַּגּוֹיִ֕ם (bagoyim) = onder de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarheen | אַדִּיחֵ֖ם (adichem) = Ik verdrijf hen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 9:3–4; Dan 1:8 **4:14** Ik zei: „Ach, Heer Yahweh! Zie, mijn leven is niet verontreinigd. Van mijn jeugd tot nu toe heb ik geen kadaver en geen verscheurd dier gegeten, en nooit is verwerpelijk vlees in mijn mond gekomen.” Brontekst: וָאֹמַ֗ר (vaomar) = en ik zei | אֲהָהּ֙ (ahah) = ach | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = mijn leven | לֹ֣א (lo) = niet | מְטֻמָּאָ֑ה (metumaa) = verontreinigd | וּנְבֵלָ֨ה (unevela) = en kadaver | וּטְרֵפָ֤ה (uterefa) = en verscheurd dier | לֹֽא (lo) = niet | אָכַ֨לְתִּי֙ (akhalti) = heb ik gegeten | מִנְּעוּרַ֣י (mineuray) = van mijn jeugd | וְעַד (vead) = en tot | עַ֔תָּה (ata) = nu | וְלֹא (velo) = en niet | בָ֥א (ba) = kwam | בְּפִ֖י (befi) = in mijn mond | בְּשַׂ֥ר (besar) = vlees van | פִּגּֽוּל (pigul) = verwerpelijk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn leven’: letterlijk ‘mijn ziel’; Ezechiël spreekt over zichzelf, ‘mijn persoon’. Wij vertalen nefesh met ‘leven’, zoals in 3:19. Voetnoot : נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’, en טְרֵפָה (terefah), ‘verscheurd dier’: dieren die vanzelf gestorven of door een wild dier gedood zijn. Zie Lev. 17:15 en Exod. 22:30. Voetnoot : פִּגּוּל (piggul), ‘verwerpelijk’: zoals in Lev. 19:7. Ezechiël is priester (1:3) en heeft zich altijd aan de reinheidsregels gehouden. Zie ook: Ex 22:30; Lev 17:15; Lev 19:7; Deut 14:3; Jes 65:4; Ezech 9:8; Ezech 21:5; Hand 10:14 **4:15** Hij zei tot mij: **„Zie, Ik geef je rundermest in plaats van mensenmest. Daarop zul je je brood maken.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | רְאֵ֗ה (ree) = zie | נָתַ֤תִּֽי (natati) = Ik heb gegeven | לְךָ֙ (lekha) = aan je | אֶת (et) = (obj.) | צְפִיעֵ֣י (tsefiei) = mest van | הַבָּקָ֔ר (habaqar) = de runderen | תַּ֖חַת (tachat) = in plaats van | גֶּלְלֵ֣י (gellei) = mest van | הָֽאָדָ֑ם (haadam) = de mens | וְעָשִׂ֥יתָ (veasita) = en je zult maken | אֶֽת (et) = (obj.) | לַחְמְךָ֖ (lachmekha) = je brood | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = daarop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De staf van het brood wordt gebroken **4:16** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, zie, Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem. Zij zullen brood eten naar gewicht en met zorg, en water drinken afgemeten en in ontzetting.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָם֙ (adam) = mens | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | שֹׁבֵ֤ר (shover) = brekend | מַטֵּה (mate) = staf van | לֶ֨חֶם֙ (lechem) = brood | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְאָכְלוּ (veakhelu) = en zij zullen eten | לֶ֥חֶם (lechem) = brood | בְּמִשְׁקָ֖ל (bemishqal) = naar gewicht | וּבִדְאָגָ֑ה (uvidaga) = en met zorg | וּמַ֕יִם (umayim) = en water | בִּמְשׂוּרָ֥ה (bimsura) = afgemeten | וּבְשִׁמָּמ֖וֹן (uveshimamon) = en in ontzetting | יִשְׁתּֽוּ (yishtu) = zij zullen drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מַטֵּה־לֶחֶם (matteh lechem), ‘staf van het brood’: het brood is de steun van het leven, zoals een staf iemand steunt (Lev. 26:26). Voetnoot : בִּדְאָגָה (bidagah), ‘met zorg’, en בְּשִׁמָּמוֹן (bishammamon), ‘in ontzetting’: de angst en de schrik bij het eten en het drinken. Zie ook: Lev 26:26; Jes 3:1; Ezech 4:10–11; Ezech 5:16; Ezech 12:18–19 **4:17** **Zo zullen zij gebrek hebben aan brood en water. Zij zullen ontzet zijn, ieder samen met zijn broer, en wegkwijnen in hun schuld.”** Brontekst: לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | יַחְסְר֖וּ (yachseru) = zij zullen tekortkomen | לֶ֣חֶם (lechem) = aan brood | וָמָ֑יִם (vamayim) = en water | וְנָשַׁ֨מּוּ֙ (venashamu) = en zij zullen ontzet zijn | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | וְאָחִ֔יו (veachiv) = en zijn broer | וְנָמַ֖קּוּ (venamaqu) = en zij zullen wegkwijnen | בַּעֲוֺנָֽם (baavonam) = in hun schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנָמַקּוּ (venamaqqu), ‘en zij zullen wegkwijnen’: het werkwoord betekent ‘wegteren’. Zie ook 24:23 en 33:10. Zie ook: Lev 26:39; Ezech 24:23; Ezech 33:10 ## Ezechiël 5 _Het scheermes en de drie delen haar: het oordeel over Jeruzalem_ ### Het scheermes van de barbier **5:1** **„En jij, mensenkind, neem voor jezelf een scherp zwaard, een scheermes van de barbiers. Neem het voor jezelf en haal het over je hoofd en over je baard. Neem dan een weegschaal en verdeel het haar.** Brontekst: וְאַתָּ֨ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֜ם (adam) = mens | קַח (qach) = neem | לְךָ֣ (lekha) = voor jou | חֶ֣רֶב (cherev) = zwaard | חַדָּ֗ה (chada) = scherp | תַּ֤עַר (taar) = scheermes van | הַגַּלָּבִים֙ (hagalavim) = de barbiers | תִּקָּחֶ֣נָּה (tiqachena) = je zult het nemen | לָּ֔ךְ (lakh) = voor jou | וְהַעֲבַרְתָּ֥ (vehaavarta) = en laat gaan | עַל (al) = over | רֹאשְׁךָ֖ (roshkha) = je hoofd | וְעַל (veal) = en over | זְקָנֶ֑ךָ (zeqanekha) = je baard | וְלָקַחְתָּ֥ (velaqachta) = en neem | לְךָ֛ (lekha) = voor jou | מֹאזְנֵ֥י (moznei) = weegschaal van | מִשְׁקָ֖ל (mishqal) = gewicht | וְחִלַּקְתָּֽם (vechilaqtam) = en verdeel ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: zie 2:1. Voetnoot : תַּעַר הַגַּלָּבִים (ta’ar hagallavim), ‘een scheermes van de barbiers’: een scherp mes om haar mee af te scheren. Dit is een tekenhandeling, zoals in Ezech. 4. Voetnoot : וְחִלַּקְתָּם (vechillaqtam), ‘en verdeel ze’: er staat ‘ze’ (meervoud); het haar wordt niet genoemd. Wij voegen ‘het haar’ toe voor de duidelijkheid. In vers 12 krijgen de drie delen hun uitleg. Zie ook: Lev 21:5; Jes 7:20; Ezech 5:12; Ezech 44:20; Dan 5:27 **5:2** **Een derde deel moet je in het vuur verbranden, midden in de stad, wanneer de dagen van het beleg vol zijn. Een derde deel moet je nemen en rondom haar met het zwaard slaan. Een derde deel moet je voor de wind uiteen strooien. En Ik zal het zwaard trekken achter hen aan.** Brontekst: שְׁלִשִׁ֗ית (shelishit) = een derde | בָּא֤וּר (baur) = in het vuur | תַּבְעִיר֙ (tavir) = zul je verbranden | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | כִּמְלֹ֖את (kimlot) = als vol zijn | יְמֵ֣י (yemei) = de dagen van | הַמָּצ֑וֹר (hamatsor) = het beleg | וְלָֽקַחְתָּ֣ (velaqachta) = en neem | אֶת (et) = (obj.) | הַשְּׁלִשִׁ֗ית (hashelishit) = het derde | תַּכֶּ֤ה (take) = sla je | בַחֶ֨רֶב֙ (bacherev) = met het zwaard | סְבִ֣יבוֹתֶ֔יהָ (sevivoteiha) = rondom haar | וְהַשְּׁלִשִׁית֙ (vehashelishit) = en het derde | תִּזְרֶ֣ה (tizre) = zul je uiteen strooien | לָר֔וּחַ (laruach) = naar de wind | וְחֶ֖רֶב (vecherev) = en een zwaard | אָרִ֥יק (ariq) = zal Ik trekken | אַחֲרֵיהֶֽם (achareihem) = achter hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמָּצוֹר (hammatsor), ‘het beleg’: zie de tekenhandeling van het beleg in Ezech. 4:1–8. De dagen van het beleg zijn ‘vol’ als die tijd voorbij is. Voetnoot : שְׁלִשִׁית (shelishit), ‘een derde’: de drie delen van het haar komen terug in vers 12. Voetnoot : וְחֶרֶב אָרִיק אַחֲרֵיהֶם (vecherev arik acharehem), ‘en Ik zal het zwaard trekken achter hen aan’: een beeld van achtervolging. Dezelfde woorden staan in vers 12 en in Lev. 26:33. Zie ook: Lev 26:33; Jer 15:2; Ezech 4:1–8; Ezech 5:12; Ezech 12:14 **5:3** **Neem daarvan een klein aantal en bind ze in de slippen van je kleed.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֥ (velaqachta) = en neem | מִשָּׁ֖ם (misham) = vandaar | מְעַ֣ט (meat) = een weinig | בְּמִסְפָּ֑ר (bemispar) = in aantal | וְצַרְתָּ֥ (vetsarta) = en bind | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | בִּכְנָפֶֽיךָ (bikhnafeikha) = in je slippen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּכְנָפֶיךָ (bikhnafekha), ‘in je slippen’: de uiteinden van het kleed, waarin je iets kunt wegbinden. De enkele haren die zo worden bewaard, zijn een beeld van een klein aantal. Zie ook: 2 Kon 25:12; Jer 39:10; Jer 40:6; Jer 52:16; 1 Petr 4:18 **5:4** **Neem er nog enkele van, werp ze midden in het vuur en verbrand ze in het vuur. Daaruit zal een vuur uitgaan naar heel het huis van Israël.”** Brontekst: וּמֵהֶם֙ (umehem) = en van hen | ע֣וֹד (od) = nog | תִּקָּ֔ח (tiqach) = neem je | וְהִשְׁלַכְתָּ֤ (vehishlakhta) = en werp | אוֹתָם֙ (otam) = hen | אֶל (el) = naar | תּ֣וֹךְ (tokh) = het midden van | הָאֵ֔שׁ (haesh) = het vuur | וְשָׂרַפְתָּ֥ (vesarafta) = en verbrand | אֹתָ֖ם (otam) = hen | בָּאֵ֑שׁ (baesh) = in het vuur | מִמֶּ֥נּוּ (mimenu) = daaruit | תֵצֵא (tetse) = zal uitgaan | אֵ֖שׁ (esh) = een vuur | אֶל (el) = naar | כָּל (kal) = heel | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִמֶּנּוּ (mimmennu), ‘daaruit’: uit wat in het vuur is geworpen. De tekst zegt hier niet wat het vuur betekent. Met vers 5 begint de uitleg van de tekenhandeling. Zie ook: 2 Kon 25:25; Jer 4:4; Jer 41:1–18; Jer 48:45; Jer 52:30; Ezech 5:5 ### Jeruzalem te midden van de volken **5:5** Zo zegt Heer Yahweh: **„Dit is Jeruzalem. Midden onder de volken heb Ik haar gesteld, met landen rondom haar.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | זֹ֚את (zot) = dit | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | שַׂמְתִּ֑יהָ (samtiha) = Ik heb haar gesteld | וּסְבִיבוֹתֶ֖יהָ (usevivoteiha) = en rondom haar | אֲרָצֽוֹת (aratsot) = landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: שַׂמְתִּיהָ (samtiha), ‘Ik heb haar gesteld’: het werkwoord שׂוּם (sum) betekent ‘plaatsen, zetten’. Voetnoot : בְּתוֹךְ הַגּוֹיִם (betokh hagoyim), ‘te midden van de volken’: Jeruzalem staat hier in het middelpunt, omringd door landen. Het gaat om haar ligging tussen de volken, niet om een titel. Zie ook: Deut 4:6; Jer 6:6; Ezech 4:1; Ezech 16:14; Mat 5:14 **5:6** **Zij heeft zich in goddeloosheid tegen Mijn rechtsregels verzet, meer dan de volken, en tegen Mijn voorschriften, meer dan de landen rondom haar. Want Mijn rechtsregels hebben zij verworpen, en in Mijn voorschriften zijn zij niet gegaan.”** Brontekst: וַתֶּ֨מֶר (vatemer) = en zij heeft zich verzet | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפָּטַ֤י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | לְרִשְׁעָה֙ (lerisha) = in goddeloosheid | מִן (min) = meer dan | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וְאֶ֨ת (veet) = en (obj.) | חֻקּוֹתַ֔י (chuqotay) = Mijn voorschriften | מִן (min) = meer dan | הָאֲרָצ֖וֹת (haaratsot) = de landen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | סְבִיבוֹתֶ֑יהָ (sevivoteiha) = rondom haar | כִּ֤י (ki) = want | בְמִשְׁפָּטַי֙ (bemishpatay) = Mijn rechtsregels | מָאָ֔סוּ (maasu) = hebben zij verworpen | וְחֻקּוֹתַ֖י (vechuqotay) = en Mijn voorschriften | לֹא (lo) = niet | הָלְכ֥וּ (halekhu) = zijn zij gegaan | בָהֶֽם (bahem) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתֶּמֶר (vattemer), ‘zij heeft zich verzet’: het werkwoord מָרָה (marah) betekent ‘opstandig zijn’. De vorm kan ook van een ander werkwoord komen, ‘veranderen’; de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsregels’, en חֻקּוֹת (chuqqot), ‘voorschriften’: de vaste regels van Yahweh, zoals in Lev. 18:4–5 en Lev. 26:3. Zie ook: Lev 18:4–5; Lev 26:3; 2 Kon 17:8–20; Jer 11:10; Ezech 16:47–48; Zach 7:11; Neh 9:16–17 **5:7** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **„Omdat jullie opstandiger zijn dan de volken rondom jullie: in Mijn voorschriften zijn jullie niet gegaan en Mijn rechtsregels hebben jullie niet gedaan. Ja, zelfs naar de rechtsregels van de volken rondom jullie hebben jullie niet gehandeld,”** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֤עַן (yaan) = omdat | הֲמָנְכֶם֙ (hamanekhem) = jullie woeligheid | מִן (min) = meer dan | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | סְבִיבֽוֹתֵיכֶ֔ם (sevivoteikhem) = rondom jullie | בְּחֻקּוֹתַי֙ (bechuqotay) = in Mijn voorschriften | לֹ֣א (lo) = niet | הֲלַכְתֶּ֔ם (halakhtem) = zijn jullie gegaan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁפָּטַ֖י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | לֹ֣א (lo) = niet | עֲשִׂיתֶ֑ם (asitem) = hebben jullie gedaan | וּֽכְמִשְׁפְּטֵ֧י (ukhemishpetei) = en volgens de rechtsregels van | הַגּוֹיִ֛ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | סְבִיבוֹתֵיכֶ֖ם (sevivoteikhem) = rondom jullie | לֹ֥א (lo) = niet | עֲשִׂיתֶֽם (asitem) = hebben jullie gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲמָנְכֶם (hamonkhem), ‘jullie woeligheid’: een zeldzame vorm, afgeleid van הָמוֹן (hamon), ‘rumoer, menigte’. De betekenis is niet helemaal zeker: ‘jullie zijn woeliger’, ‘jullie zijn talrijker’ of ‘jullie rumoer’. Wij kiezen ‘jullie zijn opstandiger’ naar de lijn van vers 6. Voetnoot : De zin die met ‘Omdat’ begint, loopt door tot vers 8, waar het ‘daarom’ opnieuw begint. Wij laten de zin zoals hij staat. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit vers op enkele plaatsen anders. Wij volgen de overgeleverde Hebreeuwse tekst. Zie ook: 2 Kon 21:9–11; 2 Kron 33:9; Jer 2:10–11; Ezech 5:6; Ezech 5:8; Ezech 5:11; Ezech 16:47–48 ### Ik ben tegen je **5:8** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Ik ben tegen je, ja Ik. Ik zal midden in je gerichten voltrekken voor de ogen van de volken.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = tegen je | גַּם (gam) = ook | אָ֑נִי (ani) = Ik | וְעָשִׂ֧יתִי (veasiti) = en Ik zal doen | בְתוֹכֵ֛ךְ (betokhekh) = in je midden | מִשְׁפָּטִ֖ים (mishpatim) = gerichten | לְעֵינֵ֥י (leeinei) = voor de ogen van | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִנְנִי עָלַיִךְ (hinneni alayikh), ‘zie, Ik ben tegen je’: een vaste formule voor een aankondiging van oordeel, zoals in Nah. 2:14 en Ezech. 13:8. Voetnoot : גַּם אָנִי (gam ani), ‘ja Ik’: letterlijk ‘ook Ik’. Yahweh keert Zich nu Zelf tegen Jeruzalem, zoals de stad Zijn voorschriften heeft verlaten. Voetnoot : מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘gerichten’: hier ‘oordelen, straffen’. Zie ook: Nah 2:14; Jer 21:5; Jer 21:13; Jer 24:9; Ezech 13:8; Ezech 15:7; Ezech 21:8 **5:9** **Ik zal met je doen wat Ik nooit eerder gedaan heb, en wat Ik daarna nooit meer zo zal doen, vanwege al je gruwelen.** Brontekst: וְעָשִׂ֣יתִי (veasiti) = en Ik zal doen | בָ֗ךְ (bakh) = aan jou | אֵ֚ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | וְאֵ֛ת (veet) = en (obj.) | אֲשֶֽׁר (asher) = wat | לֹֽא (lo) = niet | אֶעֱשֶׂ֥ה (eese) = Ik zal doen | כָמֹ֖הוּ (kamohu) = zoals het | ע֑וֹד (od) = nog | יַ֖עַן (yaan) = vanwege | כָּל (kal) = al | תּוֹעֲבֹתָֽיִךְ (toavotayikh) = je gruwelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹעֲבוֹת (to’avot), ‘gruwelen’: wat Yahweh verafschuwt, vooral de afgoderij en de bijbehorende gebruiken. Het woord komt in Ezechiël vaak voor, ook in de hoofdstukken 6, 7 en 8. Voetnoot : כָּמֹהוּ (khamohu), ‘zoals het’: letterlijk ‘zoals dit’. Het gaat om iets wat nooit eerder is gedaan en nooit meer zal worden gedaan. Zie ook: Amos 3:2; Klaagl 4:6; Klaagl 4:9; Dan 9:12; Mat 24:21 **5:10** **Daarom zullen vaders in je midden hun zonen eten, en zonen zullen hun vaders eten. Ik zal gerichten over je voltrekken en al je overgeblevenen naar alle winden verstrooien.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | אָב֞וֹת (avot) = vaders | יֹאכְל֤וּ (yokhlu) = zullen eten | בָנִים֙ (banim) = zonen | בְּתוֹכֵ֔ךְ (betokhekh) = in je midden | וּבָנִ֖ים (uvanim) = en zonen | יֹאכְל֣וּ (yokhlu) = zullen eten | אֲבוֹתָ֑ם (avotam) = hun vaders | וְעָשִׂ֤יתִי (veasiti) = en Ik zal doen | בָךְ֙ (bakh) = aan jou | שְׁפָטִ֔ים (shefatim) = gerichten | וְזֵרִיתִ֥י (vezeriti) = en Ik zal verstrooien | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | שְׁאֵרִיתֵ֖ךְ (sheeritekh) = je overgeblevenen | לְכָל (lekhal) = naar elke | רֽוּחַ (ruach) = wind Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ouders eten hun kinderen en de kinderen hun ouders: vergelijk Lev. 26:29 en Deut. 28:53–57. Het beeld van de honger in het beleg komt ook voor in 2 Kon. 6:28–29. Voetnoot : שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overgeblevenen’: wie van het volk overblijft. Het woord wordt in de profeten vaak voor de rest gebruikt. Voetnoot : לְכָל רוּחַ (lekhol ruach), ‘naar alle winden’: רוּחַ (ruach) is hier ‘wind’, naar elke windrichting. Zie ook: Lev 26:29; Deut 28:53–57; Deut 28:64; 2 Kon 6:28–29; Jer 19:9; Ezech 12:14; Zach 2:10 ### Zo waar Ik leef **5:11** **Daarom, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: zeker, omdat je Mijn heiligdom met al je gruwelbeelden en al je gruwelen hebt verontreinigd, zal ook Ik je verminderen. Mijn oog zal niet sparen, en ook Ik zal geen medelijden hebben.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | חַי (chay) = levend is | אָ֗נִי (ani) = Ik | נְאֻם֮ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | לֹ֗א (lo) = niet | יַ֚עַן (yaan) = omdat | אֶת (et) = (obj.) | מִקְדָּשִׁ֣י (miqdashi) = Mijn heiligdom | טִמֵּ֔את (timet) = je hebt verontreinigd | בְּכָל (bekhal) = met al | שִׁקּוּצַ֖יִךְ (shiqutsayikh) = je gruwelbeelden | וּבְכָל (uvekhal) = en met al | תּוֹעֲבֹתָ֑יִךְ (toavotayikh) = je gruwelen | וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֤י (ani) = Ik | אֶגְרַע֙ (egra) = zal verminderen | וְלֹא (velo) = en niet | תָח֣וֹס (tachos) = zal sparen | עֵינִ֔י (eini) = Mijn oog | וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֖י (ani) = Ik | לֹ֥א (lo) = niet | אֶחְמֽוֹל (echmol) = zal medelijden hebben Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: ne’um is een vaste formule in de profeten en zegt dat Yahweh zelf spreekt. Dit is de eerste keer dat de formule in Ezechiël voorkomt; elders in het boek verwijzen wij hiernaar. Binnen Zijn woorden staat ze rood. Voetnoot : חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed, letterlijk ‘levend is Ik’. Yahweh zweert bij Zichzelf, zoals in Num. 14:21 en Num. 14:28. Voetnoot : אִם לֹא (im lo), ‘zeker’: de woorden betekenen letterlijk ‘als niet’. Samen met ‘zo waar Ik leef’ vormen ze een krachtige bevestiging. Voetnoot : שִׁקּוּצִים (shiqqutsim), ‘gruwelbeelden’: afgodsbeelden waarvoor Yahweh walgt (vergelijk Deut. 29:16). תּוֹעֵבוֹת (to’evot), ‘gruwelen’: de afgodische gebruiken, zoals in vers 9. Samen vormen ze de reden van het oordeel. Voetnoot : אֶגְרַע (egra), ‘zal Ik verminderen’: het werkwoord גָּרַע (gara) betekent ‘verminderen, wegnemen’. Er staat geen voorwerp bij. Sommige oude vertalingen lezen een ander werkwoord. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : לֹא תָחוֹס עֵינִי (lo tachos eini), ‘Mijn oog zal niet sparen’: vergelijk Ezech. 7:4, 7:9 en 8:18. Zie ook: Num 14:21; Num 14:28; Deut 29:16; Jer 7:9–11; Ezech 5:9; Ezech 7:4; Ezech 7:9; Ezech 7:20; Ezech 8:5–6; Ezech 8:18; Ezech 11:18 **5:12** **Een derde deel van jou zal aan de pest sterven en door de honger omkomen in je midden. Een derde deel zal rondom je door het zwaard vallen. Een derde deel zal Ik naar alle winden verstrooien. Ik zal het zwaard trekken achter hen aan.** Brontekst: שְׁלִשִׁתֵ֞יךְ (shelishiteikh) = een derde van jou | בַּדֶּ֣בֶר (badever) = aan de pest | יָמ֗וּתוּ (yamutu) = zullen sterven | וּבָֽרָעָב֙ (uvaraav) = en door honger | יִכְל֣וּ (yikhlu) = zullen omkomen | בְתוֹכֵ֔ךְ (betokhekh) = in je midden | וְהַ֨שְּׁלִשִׁ֔ית (vehashelishit) = en het derde | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = door het zwaard | יִפְּל֣וּ (yipelu) = zullen vallen | סְבִיבוֹתָ֑יִךְ (sevivotayikh) = rondom je | וְהַשְּׁלִישִׁית֙ (vehashelishit) = en het derde | לְכָל (lekhal) = naar elke | ר֣וּחַ (ruach) = wind | אֱזָרֶ֔ה (ezare) = zal Ik verstrooien | וְחֶ֖רֶב (vecherev) = en een zwaard | אָרִ֥יק (ariq) = zal Ik trekken | אַחֲרֵיהֶֽם (achareihem) = achter hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּבֶר (dever), ‘pest’: een dodelijke ziekte die zich verspreidt, vaak bij de honger en het zwaard genoemd. רָעָב (ra’av), ‘honger’. Voetnoot : Dit vers geeft de uitleg van de drie delen van het haar uit vers 2: een derde sterft in de stad, een derde valt rondom door het zwaard, een derde wordt verstrooid. Zie ook: Jer 15:2; Jer 21:9; Jer 43:10–11; Ezech 5:2; Ezech 12:14 **5:13** **Dan zal Mijn toorn voltooid zijn. Ik zal Mijn grimmigheid op hen laten rusten en Mij verlichting verschaffen. Zij zullen weten dat Ik, Yahweh, in Mijn ijver gesproken heb, wanneer Ik Mijn grimmigheid op hen voltooid heb.** Brontekst: וְכָלָ֣ה (vekhala) = en zal voltooid zijn | אַפִּ֗י (api) = Mijn toorn | וַהֲנִחוֹתִ֧י (vahanichoti) = en Ik zal doen rusten | חֲמָתִ֛י (chamati) = Mijn grimmigheid | בָּ֖ם (bam) = op hen | וְהִנֶּחָ֑מְתִּי (vehinechamti) = en Ik zal Mij verlichting verschaffen | וְֽיָדְע֞וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּ֨רְתִּי֙ (dibarti) = heb gesproken | בְּקִנְאָתִ֔י (beqinati) = in Mijn ijver | בְּכַלּוֹתִ֥י (bekhaloti) = wanneer Ik voltooi | חֲמָתִ֖י (chamati) = Mijn grimmigheid | בָּֽם (bam) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִנֶּחָמְתִּי (vehinnachamti), ‘en Ik zal Mij verlichting verschaffen’: het werkwoord נָחַם (nacham) staat hier in de wederkerende vorm. Het betekent dat Yahweh opluchting krijgt doordat Zijn toorn is volbracht, zoals in Jes. 1:24. Elders betekent het ‘Zich laten rouwen’ of ‘troosten’. Voetnoot : קִנְאָה (qin’ah), ‘ijver’: Yahweh is ijverig voor Zijn eer en voor Zijn verbond (vergelijk Exod. 20:5). Voetnoot : Het slot ‘ze zullen weten dat Ik Yahweh ben’ is de hoofdformule van het boek. Zie ook: Ex 20:5; Jes 1:24; Klaagl 4:11; Ezech 6:12; Ezech 7:8; Ezech 20:8 ### Een smaad onder de volken **5:14** **Ik zal je maken tot een puinhoop en een smaad onder de volken rondom je, voor de ogen van ieder die voorbijgaat.** Brontekst: וְאֶתְּנֵךְ֙ (veetenekh) = en Ik zal je maken | לְחָרְבָּ֣ה (lecharba) = tot puinhoop | וּלְחֶרְפָּ֔ה (ulecherpa) = en tot smaad | בַּגּוֹיִ֖ם (bagoyim) = onder de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | סְבִיבוֹתָ֑יִךְ (sevivotayikh) = rondom je | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | כָּל (kal) = ieder | עוֹבֵֽר (over) = die voorbijgaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרְבָּה (chorbah), ‘puinhoop’: een verwoeste plaats. Het woord staat in de reeks ‘puinhoop en smaad’, zoals in Lev. 26:31–33. Zie ook: Lev 26:31–33; Deut 28:37; Ps 74:3–10; Ps 79:1–4; Ezech 22:4; Neh 2:17 **5:15** **Dan zul je een smaad en een hoon zijn, een waarschuwing en een afschrik voor de volken rondom je. Dat zal zijn wanneer Ik gerichten over je voltrek in toorn, in grimmigheid en in grimmige terechtwijzingen. Ik, Yahweh, heb gesproken.** Brontekst: וְֽהָ֨יְתָ֜ה (vehayeta) = en zij zal worden | חֶרְפָּ֤ה (cherpa) = smaad | וּגְדוּפָה֙ (ugedufa) = en hoon | מוּסָ֣ר (musar) = waarschuwing | וּמְשַׁמָּ֔ה (umeshama) = en afschrik | לַגּוֹיִ֖ם (lagoyim) = voor de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | סְבִיבוֹתָ֑יִךְ (sevivotayikh) = rondom je | בַּעֲשׂוֹתִי֩ (baasoti) = wanneer Ik doe | בָ֨ךְ (bakh) = aan jou | שְׁפָטִ֜ים (shefatim) = gerichten | בְּאַ֤ף (beaf) = in toorn | וּבְחֵמָה֙ (uvechema) = en in grimmigheid | וּבְתֹכְח֣וֹת (uvetokhechot) = en in terechtwijzingen van | חֵמָ֔ה (chema) = grimmigheid | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּֽרְתִּי (dibarti) = heb gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסָר (musar), ‘waarschuwing’: letterlijk ‘onderricht, terechtwijzing’. Jeruzalem wordt een voorbeeld voor de volken. Voetnoot : מְשַׁמָּה (meshammah), ‘afschrik’: een toestand van verbijstering en verwoesting. Het woord is verwant met שְׁמָמָה (shemamah), ‘woestenij’. Voetnoot : בְּתֹכְחוֹת חֵמָה (betokhekhot chemah), ‘in grimmige terechtwijzingen’: letterlijk ‘in terechtwijzingen van grimmigheid’. Zie ook: Deut 29:23–27; 1 Kon 9:7; Jes 26:9; Jer 22:8–9; Ezech 25:17 ### Honger, wilde dieren en zwaard **5:16** **Wanneer Ik de kwade pijlen van de honger op hen afschiet, die tot verderf dienen: Ik zend ze om jullie te verderven. Dan zal Ik de honger over jullie doen toenemen. Ik zal de staf van het brood voor jullie breken.** Brontekst: בְּֽשַׁלְּחִ֡י (beshalechi) = wanneer Ik zend | אֶת (et) = (obj.) | חִצֵּי֩ (chitsei) = pijlen van | הָרָעָ֨ב (haraav) = de honger | הָרָעִ֤ים (haraim) = de kwade | בָּהֶם֙ (bahem) = op hen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הָי֣וּ (hayu) = waren | לְמַשְׁחִ֔ית (lemashchit) = tot verderf | אֲשֶׁר (asher) = die | אֲשַׁלַּ֥ח (ashalach) = Ik zal zenden | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | לְשַֽׁחֶתְכֶ֑ם (leshachetkhem) = om jullie te verderven | וְרָעָב֙ (veraav) = en honger | אֹסֵ֣ף (osef) = zal Ik doen toenemen | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = over jullie | וְשָׁבַרְתִּ֥י (veshavarti) = en Ik zal breken | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | מַטֵּה (mate) = staf van | לָֽחֶם (lachem) = brood Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִצֵּי הָרָעָב (chitsei hara’av), ‘pijlen van de honger’: de honger wordt voorgesteld als een pijl die Yahweh afschiet. Voetnoot : מַטֵּה לֶחֶם (matteh lechem), ‘staf van het brood’: een beeld waarbij brood als een staf is, waarop een mens steunt. Als de staf breekt, is er geen voedsel meer. Zie ook Lev. 26:26 en Ps. 105:16. Voetnoot : וְרָעָב אֹסֵף (vera’av osef), ‘de honger zal Ik doen toenemen’: het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘verzamelen, toevoegen’. De vorm is ongebruikelijk; sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Lev 26:26; Deut 32:23–24; Ps 7:14; Ps 105:16; 2 Kon 6:25; Ezech 4:16 **5:17** **Ik zal honger over jullie zenden en kwade wilde dieren, en zij zullen je van kinderen beroven. Pest en bloed zullen door je heen gaan, en Ik zal het zwaard over je brengen. Ik, Yahweh, heb gesproken.”** Brontekst: וְשִׁלַּחְתִּ֣י (veshilachti) = en Ik zal zenden | עֲ֠לֵיכֶם (aleikhem) = over jullie | רָעָ֞ב (raav) = honger | וְחַיָּ֤ה (vechaya) = en dier | רָעָה֙ (raa) = kwaad | וְשִׁכְּלֻ֔ךְ (veshikelukh) = en zij zullen je van kinderen beroven | וְדֶ֥בֶר (vedever) = en pest | וָדָ֖ם (vadam) = en bloed | יַעֲבָר (yaavar) = zal gaan | בָּ֑ךְ (bakh) = door jou | וְחֶ֨רֶב֙ (vecherev) = en zwaard | אָבִ֣יא (avi) = zal Ik brengen | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = over je | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּֽרְתִּי (dibarti) = heb gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַיָּה רָעָה (chayyah ra’ah), ‘kwade wilde dieren’: roofdieren die mensen aanvallen, zoals in Lev. 26:22. Voetnoot : וְשִׁכְּלֻךְ (veshikkelukh), ‘en zij zullen je van kinderen beroven’: het werkwoord שָׁכַל (shakhal) betekent ‘kinderloos maken’. Voetnoot : וְדָם יַעֲבָר בָּךְ (vedam ya’avor bakh), ‘bloed zal door je heen gaan’: bloedvergieten, geweld. Zie ook: Lev 26:22; 2 Kon 17:25; Ezech 14:21; Ezech 33:27; Ezech 38:22 ## Ezechiël 6 _Profetie tegen de bergen van Israël: de mestgoden en de hoogten_ **6:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Profeteer tegen de bergen van Israël **6:2** **„Mensenkind, richt je gezicht naar de bergen van Israël en profeteer tegen hen.”** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | שִׂ֥ים (sim) = zet | פָּנֶ֖יךָ (paneikha) = je gezicht | אֶל (el) = naar | הָרֵ֣י (harei) = de bergen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְהִנָּבֵ֖א (vehinave) = en profeteer | אֲלֵיהֶֽם (aleihem) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֵי יִשְׂרָאֵל (harei Yisra’el), ‘de bergen van Israël’: het bergland van het land. Yahweh laat Ezechiël het land zelf toespreken, zoals in Ezech. 36:1–15. Voetnoot : שִׂים פָּנֶיךָ אֶל (sim paneikha el), ‘richt je gezicht naar’: de profeet draait zich naar degene tegen wie hij spreekt: vergelijk Ezech. 4:7. Zie ook: Ezech 4:7; Ezech 13:17; Ezech 19:9; Ezech 25:2; Ezech 35:12; Ezech 36:1–15; Ezech 37:22 **6:3** **„En zeg: ‘Bergen van Israël, hoor het woord van Heer Yahweh.’”** Zo zegt Heer Yahweh tot de bergen en de heuvels, tot de beekbeddingen en de dalen: **„Zie, Ik breng het zwaard over jullie, en Ik zal jullie hoogten vernietigen.** Brontekst: וְאָ֣מַרְתָּ֔ (veamarta) = en zeg | הָרֵי֙ (harei) = bergen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שִׁמְע֖וּ (shimu) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְ֠הוִה (Yahweh) = Yahweh | לֶהָרִ֨ים (leharim) = tot de bergen | וְלַגְּבָע֜וֹת (velagevaot) = en tot de heuvels | לָאֲפִיקִ֣ים (laafiqim) = tot de beekbeddingen | וְלַגֵּאָי֗וֹת (velageayot) = en tot de dalen | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | אֲנִ֜י (ani) = Ik | מֵבִ֤יא (mevi) = breng | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = over jullie | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וְאִבַּדְתִּ֖י (veibadti) = en Ik zal vernietigen | בָּמֽוֹתֵיכֶֽם (bamoteikhem) = jullie hoogten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: de heiligdommen op bergen en heuvels, waar men offerde, vaak voor andere goden. Voetnoot : אֲפִיקִים (afiqim), ‘beekbeddingen’, en גֵּאָיוֹת (ge’ayot), ‘dalen’: de profeet spreekt heel het landschap toe. Voetnoot : De woorden ‘En zeg: Bergen van Israël, hoor het woord van Heer Yahweh’ zijn de opdracht van Yahweh. Wat Ezechiël daarna moet zeggen, begint met ‘Zo zegt Heer Yahweh’ en staat zwart; het eigenlijke oordeel is weer rood. Zie ook: Lev 26:30; Jes 27:9; Jer 3:6; Jer 3:23; Ezech 36:8 **6:4** **Jullie altaren zullen verwoest worden en jullie wierookaltaren zullen gebroken worden. Ik zal jullie gesneuvelden neerwerpen voor jullie mestgoden.** Brontekst: וְנָשַׁ֨מּוּ֙ (venashamu) = en zullen verwoest worden | מִזְבְּח֣וֹתֵיכֶ֔ם (mizbechoteikhem) = jullie altaren | וְנִשְׁבְּר֖וּ (venishberu) = en zullen gebroken worden | חַמָּֽנֵיכֶ֑ם (chamaneikhem) = jullie wierookaltaren | וְהִפַּלְתִּי֙ (vehipalti) = en Ik zal neerwerpen | חַלְלֵיכֶ֔ם (challeikhem) = jullie gesneuvelden | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | גִּלּוּלֵיכֶֽם (giluleikhem) = jullie mestgoden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’: het woord wordt afgeleid van een woord voor ‘mest’ en is een scheldwoord voor afgoden. Het komt in Ezechiël vaak voor. In Lev. 26:30 en Deut. 29:16 staat het vertaald als ‘afgoden’; in Ezechiël houden wij de scherpte van het woord. Voetnoot : חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: het woord komt voor in Lev. 26:30. De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook ‘zonnezuilen’ betekenen. Voetnoot : חַלְלֵיכֶם (challeikhem), ‘jullie gesneuvelden’: wie door het zwaard is omgekomen. Het lijk wordt tot schande voor de afgoden gelegd (vers 5). Zie ook: Lev 26:30; Deut 29:16; 1 Kon 13:2; 2 Kon 23:16–20; 2 Kron 14:4; Jer 8:1–2; Ezech 6:5 **6:5** **Ik zal de lijken van de zonen van Israël voor hun mestgoden leggen en jullie beenderen rondom jullie altaren verstrooien.** Brontekst: וְנָתַתִּ֗י (venatati) = en Ik zal leggen | אֶת (et) = (obj.) | פִּגְרֵי֙ (pigrei) = lijken van | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor | גִּלּֽוּלֵיהֶ֑ם (giluleihem) = hun mestgoden | וְזֵרִיתִי֙ (vezeriti) = en Ik zal verstrooien | אֶת (et) = (obj.) | עַצְמ֣וֹתֵיכֶ֔ם (atsmoteikhem) = jullie beenderen | סְבִיב֖וֹת (sevivot) = rondom | מִזְבְּחוֹתֵיכֶֽם (mizbechoteikhem) = jullie altaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Beenderen verstrooien bij de altaren maakt de plaats onrein. Zo wordt de afgodische plaats onbruikbaar; vergelijk 2 Kon. 23:14–16. Zie ook: 2 Kon 23:14; 2 Kon 23:16; Jer 8:1–2 **6:6** **In al jullie woonplaatsen zullen de steden verwoest worden en de hoogten zullen woest worden. Zo zullen jullie altaren verwoest en woest worden, jullie mestgoden gebroken worden en verdwijnen, jullie wierookaltaren omgehouwen worden en jullie werken uitgewist worden.** Brontekst: בְּכֹל֙ (bekhol) = in al | מוֹשְׁב֣וֹתֵיכֶ֔ם (moshevoteikhem) = jullie woonplaatsen | הֶעָרִ֣ים (hearim) = de steden | תֶּחֱרַ֔בְנָה (techeravna) = zullen verwoest worden | וְהַבָּמ֖וֹת (vehabamot) = en de hoogten | תִּישָׁ֑מְנָה (tishamena) = zullen woest worden | לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | יֶחֶרְב֨וּ (yechervu) = verwoest worden | וְיֶאְשְׁמ֜וּ (veyeshemu) = en woest worden | מִזְבְּחֽוֹתֵיכֶ֗ם (mizbechoteikhem) = jullie altaren | וְנִשְׁבְּר֤וּ (venishberu) = en gebroken worden | וְנִשְׁבְּתוּ֙ (venishbetu) = en ophouden | גִּלּ֣וּלֵיכֶ֔ם (giluleikhem) = jullie mestgoden | וְנִגְדְּעוּ֙ (venigdeu) = en omgehouwen worden | חַמָּ֣נֵיכֶ֔ם (chamaneikhem) = jullie wierookaltaren | וְנִמְח֖וּ (venimchu) = en uitgewist worden | מַעֲשֵׂיכֶֽם (maaseikhem) = jullie werken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיֶאְשְׁמוּ (veye’shemu), ‘en woest worden’: het werkwoord אָשַׁם (asham) betekent ‘schuld dragen’ en ook ‘verwoest zijn’. Wij kiezen het laatste, naast ‘verwoest worden’. Voetnoot : וְנִשְׁבְּתוּ (venishbetu), ‘en verdwijnen’: letterlijk ‘en houden op’. Voetnoot : מַעֲשֵׂיכֶם (ma’aseikhem), ‘jullie werken’: wat zij hebben gemaakt en gedaan, hier de afgodsbeelden en wat daarbij hoort. Zie ook: Lev 26:30; Jes 6:11; Mi 1:7; Ezech 5:14; Zach 13:2 **6:7** **Er zal een gesneuvelde vallen in jullie midden, en jullie zullen weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וְנָפַ֥ל (venafal) = en zal vallen | חָלָ֖ל (chalal) = een gesneuvelde | בְּתֽוֹכְכֶ֑ם (betokhekhem) = in jullie midden | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 14:4; 2 Kon 19:19; Ezech 13:14; Ezech 24:27; Ezech 28:23 ### Wie ontkomt, zal aan Mij denken **6:8** **Maar Ik zal laten overblijven: onder de volken zullen jullie ontkomenen aan het zwaard hebben, wanneer jullie over de landen verstrooid zijn.** Brontekst: וְהוֹתַרְתִּ֗י (vehotarti) = en Ik zal laten overblijven | בִּהְי֥וֹת (bihyot) = wanneer er zijn | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | פְּלִ֥יטֵי (pelitei) = ontkomenen van | חֶ֖רֶב (cherev) = het zwaard | בַּגּוֹיִ֑ם (bagoyim) = onder de volken | בְּהִזָּרֽוֹתֵיכֶ֖ם (behizaroteikhem) = wanneer jullie verstrooid worden | בָּאֲרָצֽוֹת (baaratsot) = in de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהוֹתַרְתִּי (vehotarti), ‘en Ik zal laten overblijven’: het voorwerp staat niet in de tekst. Het gaat om enkelen van hen, die aan het zwaard ontkomen. Zo ontstaat de ‘rest’, zoals in Ezech. 12:16. Voetnoot : פְּלִיטֵי חֶרֶב (pelitei cherev), ‘ontkomenen aan het zwaard’: wie aan de dood ontsnapt is. Zie ook: Jes 6:13; Jer 44:14; Jer 44:28; Ezech 12:16; Ezech 14:22 **6:9** **Dan zullen jullie ontkomenen aan Mij denken onder de volken waarheen zij als gevangenen zijn weggevoerd. Zij zullen weten hoe Ik gebroken ben door hun hoererend hart, dat van Mij is afgeweken, en door hun ogen die achter hun mestgoden hoereren. Zij zullen van zichzelf walgen om het kwaad dat zij gedaan hebben, om al hun gruwelen.** Brontekst: וְזָכְר֨וּ (vezakheru) = en zullen gedenken | פְלִֽיטֵיכֶ֜ם (peliteikhem) = jullie ontkomenen | אוֹתִ֗י (oti) = Mij | בַּגּוֹיִם֮ (bagoyim) = onder de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarheen | נִשְׁבּוּ (nishbu) = zij zijn weggevoerd | שָׁם֒ (sham) = daar | אֲשֶׁ֨ר (asher) = hoe | נִשְׁבַּ֜רְתִּי (nishbarti) = Ik ben gebroken | אֶת (et) = (obj.) | לִבָּ֣ם (libam) = hun hart | הַזּוֹנֶ֗ה (hazone) = het hoerende | אֲשֶׁר (asher) = dat | סָר֙ (sar) = is afgeweken | מֵֽעָלַ֔י (mealay) = van op Mij | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | עֵֽינֵיהֶ֔ם (eineihem) = hun ogen | הַזֹּנ֕וֹת (hazonot) = de hoerende | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | גִּלּֽוּלֵיהֶ֑ם (giluleihem) = hun mestgoden | וְנָקֹ֨טּוּ֙ (venaqotu) = en zij zullen walgen | בִּפְנֵיהֶ֔ם (bifneihem) = in hun gezichten | אֶל (el) = om | הָֽרָעוֹת֙ (haraot) = het kwaad | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשׂ֔וּ (asu) = zij hebben gedaan | לְכֹ֖ל (lekhol) = om al | תּוֹעֲבֹתֵיהֶֽם (toavoteihem) = hun gruwelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִשְׁבַּרְתִּי (nishbarti), ‘Ik ben gebroken’: de vorm is lijdend. Er staat: ‘hoe Ik gebroken ben, hun hart, het hoererende’; wij lezen dat als ‘door hun hoererend hart’. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : הַזּוֹנֶה (hazzoneh), ‘het hoerende’: het hart dat zich van Yahweh afkeert, wordt als een hoer voorgesteld, zoals in Num. 15:39 en Hos. 4:12. Voetnoot : וְנָקֹטּוּ בִּפְנֵיהֶם (venaqottu bifneihem), ‘en zij zullen walgen in hun gezichten’: zij zullen van zichzelf walgen. Het werkwoord קוּט (qut) betekent ‘walgen, afkeer hebben’. Zie ook: Job 42:6; Num 15:39; Ps 78:40; Hos 4:12; Jes 7:13; Jes 43:24; Ezech 20:43 **6:10** **Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben. Niet voor niets heb Ik gezegd dat Ik hun dit kwaad zou aandoen.”** Brontekst: וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֤א (lo) = niet | אֶל (el) = tot | חִנָּם֙ (chinam) = voor niets | דִּבַּ֔רְתִּי (dibarti) = heb Ik gesproken | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | הָרָעָ֥ה (haraa) = het kwaad | הַזֹּֽאת (hazot) = dit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא אֶל חִנָּם (lo el chinnam), ‘niet voor niets’: Yahweh heeft het oordeel niet zonder reden of zonder waarschuwing aangekondigd. Het eindigt met de hoofdformule van het boek: ‘en zij zullen weten dat Ik Yahweh ben’. Zie ook: Jer 5:12–14; Jer 44:28; Ezech 6:7; Ezech 14:22–23; Dan 9:12 ### Sla je handen samen en zeg: Ach **6:11** Zo zegt Heer Yahweh: **„Sla met je hand en stamp met je voet. Zeg: ‘Ach!’ vanwege alle kwade gruwelen van het huis van Israël. Zij zullen vallen door het zwaard, de honger en de pest.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הַכֵּ֨ה (hake) = sla | בְכַפְּךָ֜ (bekhapekha) = met je hand | וּרְקַ֤ע (ureqa) = en stamp | בְּרַגְלְךָ֙ (beraglekha) = met je voet | וֶֽאֱמָר (veemar) = en zeg | אָ֔ח (ach) = ach | אֶ֛ל (el) = over | כָּל (kal) = al | תּוֹעֲב֥וֹת (toavot) = gruwelen van | רָע֖וֹת (raot) = kwaad | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֗ר (asher) = dat | בַּחֶ֛רֶב (bacherev) = door het zwaard | בָּרָעָ֥ב (baraav) = door de honger | וּבַדֶּ֖בֶר (uvadever) = en door de pest | יִפֹּֽלוּ (yipolu) = zal vallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכֵּה בְכַפְּךָ וּרְקַע בְּרַגְלְךָ (hakkeh vekhappekha ureqa beraglekha), ‘sla met je hand en stamp met je voet’: gebaren van verontwaardiging en rouw. Ezechiël moet het volk tonen wat hem te wachten staat. Voetnoot : אָח (ach), ‘ach’: een uitroep van smart of van vreugde over het ongeluk van een ander. Hier is het een kreet bij het oordeel. Zie ook: Joël 1:15; Jer 30:7; Ezech 5:12; Ezech 14:21; Ezech 25:6 **6:12** **Wie ver weg is, zal aan de pest sterven. Wie dichtbij is, zal door het zwaard vallen. Wie overblijft en wie belegerd wordt, zal door de honger sterven. Zo zal Ik Mijn grimmigheid op hen voltooien.** Brontekst: הָרָח֞וֹק (harachoq) = wie ver weg is | בַּדֶּ֣בֶר (badever) = door de pest | יָמ֗וּת (yamut) = zal sterven | וְהַקָּרוֹב֙ (vehaqarov) = en wie dichtbij is | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = door het zwaard | יִפּ֔וֹל (yipol) = zal vallen | וְהַנִּשְׁאָר֙ (vehanishar) = en wie overblijft | וְהַנָּצ֔וּר (vehanatsur) = en wie belegerd wordt | בָּרָעָ֖ב (baraav) = door de honger | יָמ֑וּת (yamut) = zal sterven | וְכִלֵּיתִ֥י (vekhileiti) = en Ik zal voltooien | חֲמָתִ֖י (chamati) = Mijn grimmigheid | בָּֽם (bam) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנִּשְׁאָר וְהַנָּצוּר (hannish’ar vehannatsur), ‘wie overblijft en wie belegerd wordt’: wie overblijft in het land, en wie in de stad is ingesloten. Het Hebreeuwse נָצוּר (natsur) kan ook ‘bewaakt’ betekenen. Voetnoot : דֶּבֶר (dever), ‘pest’: zie Ezech. 5:12. Zie ook: Jes 40:2; Klaagl 4:11; Klaagl 4:22; Ezech 5:12; Ezech 5:13; Dan 9:7 ### Op elke hoge heuvel **6:13** **Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben, wanneer hun gesneuvelden te midden van hun mestgoden liggen, rondom hun altaren. Dat zal zijn op elke hoge heuvel en op alle bergtoppen, onder elke groene boom en onder elke dichte terebint. Op die plaats hebben zij aan al hun mestgoden een aangename geur gebracht.** Brontekst: וִֽידַעְתֶּם֙ (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בִּֽהְי֣וֹת (bihyot) = wanneer zijn | חַלְלֵיהֶ֗ם (challeihem) = hun gesneuvelden | בְּתוֹךְ֙ (betokh) = te midden van | גִּלּ֣וּלֵיהֶ֔ם (giluleihem) = hun mestgoden | סְבִיב֖וֹת (sevivot) = rondom | מִזְבְּחֽוֹתֵיהֶ֑ם (mizbechoteihem) = hun altaren | אֶל֩ (el) = op | כָּל (kal) = elke | גִּבְעָ֨ה (giva) = heuvel | רָמָ֜ה (rama) = hoog | בְּכֹ֣ל (bekhol) = op alle | רָאשֵׁ֣י (rashei) = toppen van | הֶהָרִ֗ים (heharim) = de bergen | וְתַ֨חַת (vetachat) = en onder | כָּל (kal) = elke | עֵ֤ץ (ets) = boom | רַֽעֲנָן֙ (raanan) = groen | וְתַ֨חַת֙ (vetachat) = en onder | כָּל (kal) = elke | אֵלָ֣ה (ela) = terebint | עֲבֻתָּ֔ה (avuta) = dicht | מְק֗וֹם (meqom) = plaats | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | נָֽתְנוּ (natenu) = zij hebben gegeven | שָׁם֙ (sham) = daar | רֵ֣יחַ (reiach) = geur van | נִיחֹ֔חַ (nichoach) = bevrediging | לְכֹ֖ל (lekhol) = aan al | גִּלּוּלֵיהֶֽם (giluleihem) = hun mestgoden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחַת כָּל עֵץ רַעֲנָן (tachat kol ets ra’anan), ‘onder elke groene boom’: een vaste uitdrukking voor de plaatsen van afgodsdienst, zoals in Deut. 12:2 en 1 Kon. 14:23. Voetnoot : רֵיחַ נִיחֹחַ (reach nichoach), ‘aangename geur’: de naam voor de geur van een offer dat Yahweh behaagt, zoals in Lev. 1:9. Hier wordt hij voor de afgoden gebracht. Zie ook: Lev 1:9; Deut 12:2; 1 Kon 14:23; Hos 4:13; Jer 2:20; Ezech 6:4–7; Ezech 20:28 **6:14** **Ik zal Mijn hand tegen hen uitstrekken. Ik zal het land tot een woestenij en een verlatenheid maken, van de woestijn tot Dibla, in al hun woonplaatsen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: וְנָטִ֤יתִי (venatiti) = en Ik zal uitstrekken | אֶת (et) = (obj.) | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tegen hen | וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | שְׁמָמָ֤ה (shemama) = woestenij | וּמְשַׁמָּה֙ (umeshama) = en verlatenheid | מִמִּדְבַּ֣ר (mimidbar) = van de woestijn | דִּבְלָ֔תָה (divlata) = Dibla | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in al | מוֹשְׁבֽוֹתֵיהֶ֑ם (moshevoteihem) = hun woonplaatsen | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמָמָה וּמְשַׁמָּה (shemamah umeshammah), ‘woestenij en verlatenheid’: twee verwante woorden voor een leeg, verlaten land. Voetnoot : מִמִּדְבַּר דִּבְלָתָה (mimmidbar divlatah), ‘van de woestijn tot Dibla’: Dibla is nergens anders bekend; de ligging is onzeker. Sommige oude vertalingen lezen een andere naam. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Jes 5:25; Jes 9:11; Jes 9:16; Jer 48:22; Ezech 20:33–34 ## Ezechiël 7 _Het einde komt over het land: de dag van de ramp_ **7:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Het einde komt **7:2** En jij, mensenkind: zo zegt Heer Yahweh tot de grond van Israël: **„Een einde! Het einde is gekomen over de vier hoeken van het land.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֧י (adonay) = Heer | יְהוִ֛ה (Yahweh) = Yahweh | לְאַדְמַ֥ת (leadmat) = tot de grond van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | קֵ֑ץ (qets) = einde | בָּ֣א (ba) = is gekomen | הַקֵּ֔ץ (haqets) = het einde | עַל (al) = over | אַרְבַּ֖ע (arba) = vier | כַּנְפ֥וֹת (kanfot) = hoeken van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֵץ (qets), ‘einde’: het woord klinkt in het Hebreeuws als een alarmkreet en komt in dit hoofdstuk steeds terug. Vergelijk Amos 8:2, waar ‘einde’ (qets) en ‘zomerfruit’ (qayits) bij elkaar klinken. Voetnoot : אַדְמַת יִשְׂרָאֵל (admat Yisra’el), ‘de grond van Israël’: het woord voor de grond waarop het volk woont, dus het land. De vier hoeken van het land betekenen het hele land. Voetnoot : De aanhef ‘En jij, mensenkind’ en ‘zo zegt Heer Yahweh’ staan zwart; het oordeel zelf is rood. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat אַרְבַּעַת (arba’at); de overlevering leest אַרְבַּע (arba). Het verschil is klein: beide vormen betekenen ‘vier’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Amos 8:2; Amos 8:10; Ezech 7:3; Ezech 7:5–6; 1 Petr 4:7 **7:3** **Nu komt het einde over je. Ik zal Mijn toorn op je loslaten en je oordelen naar je wegen. Ik zal al je gruwelen over je brengen.** Brontekst: עַתָּה֙ (ata) = nu | הַקֵּ֣ץ (haqets) = het einde | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = over je | וְשִׁלַּחְתִּ֤י (veshilachti) = en Ik zal zenden | אַפִּי֙ (api) = Mijn toorn | בָּ֔ךְ (bakh) = op je | וּשְׁפַטְתִּ֖יךְ (ushefattikh) = en Ik zal je oordelen | כִּדְרָכָ֑יִךְ (kidrakhayikh) = naar je wegen | וְנָתַתִּ֣י (venatati) = en Ik zal brengen | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = over je | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | תּוֹעֲבֹתָֽיִךְ (toavotayikh) = je gruwelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּשְׁפַטְתִּיךְ כִּדְרָכַיִךְ (ushefattikh kidrakhayikh), ‘Ik zal je oordelen naar je wegen’: ‘weg’ betekent hier de manier van leven. De straf past bij wat zij gedaan hebben. Voetnoot : וְנָתַתִּי עָלַיִךְ (venatatti alayikh), ‘Ik zal over je brengen’: letterlijk ‘Ik zal op je geven’, dus laten terugkomen op je hoofd. Zie ook: Ezech 5:13; Ezech 7:8–9; Ezech 16:38; Ezech 18:30; Ezech 33:20 **7:4** **Mijn oog zal je niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben. Want Ik zal je wegen over je brengen, en je gruwelen zullen in je midden zijn. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | תָח֥וֹס (tachos) = zal sparen | עֵינִ֛י (eini) = Mijn oog | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = over je | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶחְמ֑וֹל (echmol) = zal medelijden hebben | כִּ֣י (ki) = want | דְרָכַ֜יִךְ (derakhayikh) = je wegen | עָלַ֣יִךְ (alayikh) = over je | אֶתֵּ֗ן (eten) = zal Ik geven | וְתוֹעֲבוֹתַ֨יִךְ֙ (vetoavotayikh) = en je gruwelen | בְּתוֹכֵ֣ךְ (betokhekh) = in je midden | תִּֽהְיֶ֔יןָ (tihyeina) = zullen zijn | וִידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers herhaalt het slot van vers 3 en volgt dezelfde formule als Ezech. 5:11: ‘Mijn oog zal niet sparen’. Zie ook: Ezech 5:11; Ezech 6:7; Ezech 7:3; Ezech 7:27; Ezech 9:10; Ezech 11:21 ### Een ramp komt **7:5** Zo zegt Heer Yahweh: **„Een ramp, een enige ramp: zie, ze komt.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | רָעָ֛ה (raa) = ramp | אַחַ֥ת (achat) = enige | רָעָ֖ה (raa) = ramp | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | בָאָֽה (baa) = komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָעָה אַחַת רָעָה (ra’ah achat ra’ah), ‘een ramp, een enige ramp’: letterlijk ‘een ramp, een ene, een ramp’. De herhaling benadrukt dat het een eenmalige, allesomvattende ramp is. Sommige oude vertalingen lezen dit anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Kon 21:12–13; Nah 1:9; Ezech 5:9; Dan 9:12; Mat 24:21 **7:6** **Het einde komt, het einde komt. Het is tegen je ontwaakt. Zie, het komt.** Brontekst: קֵ֣ץ (qets) = einde | בָּ֔א (ba) = komt | בָּ֥א (ba) = komt | הַקֵּ֖ץ (haqets) = het einde | הֵקִ֣יץ (heqits) = is ontwaakt | אֵלָ֑יִךְ (elayikh) = tegen je | הִנֵּ֖ה (hine) = zie | בָּאָֽה (baa) = komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵקִיץ (hetsits), ‘het is ontwaakt’: het woord klinkt als קֵץ (qets), ‘einde’. Het einde is als iemand die wakker geworden is en nu tegen hen oprijst. Zie ook: Jer 44:27; Ezech 21:30; Ezech 39:8; Zach 13:7; 2 Petr 2:5 **7:7** **Je ondergang komt over je, bewoner van het land. De tijd komt, de dag is nabij: verwarring, en geen vreugdekreet op de bergen.** Brontekst: בָּ֧אָה (baa) = komt | הַצְּפִירָ֛ה (hatsefira) = de ondergang | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = naar jou | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = bewoner van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | בָּ֣א (ba) = komt | הָעֵ֗ת (haet) = de tijd | קָר֛וֹב (qarov) = nabij | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | מְהוּמָ֖ה (mehuma) = verwarring | וְלֹא (velo) = en niet | הֵ֥ד (hed) = vreugdekreet | הָרִֽים (harim) = van de bergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַצְּפִירָה (hatsefirah), ‘je ondergang’: een zeldzaam woord, dat alleen hier en in vers 10 voorkomt. De betekenis is niet zeker; mogelijk ‘omwenteling’, ‘lot’ of ‘ondergang’. Ook ‘krans’ is voorgesteld. Wij kiezen ‘ondergang’. Voetnoot : הֵד הָרִים (hed harim), ‘vreugdekreet op de bergen’: het woord hed komt alleen hier voor; het kan ‘echo’ of ‘juichkreet’ betekenen. De tegenstelling is: verwarring, geen juichen. Zie ook: Gen 19:15; Jes 22:5; Ezech 7:10; Ezech 7:12; Ezech 12:23–25; Ezech 12:28 **7:8** **Nu zal Ik weldra Mijn grimmigheid over je uitgieten en Mijn toorn in jou voltooien. Ik zal je oordelen naar je wegen en al je gruwelen over je brengen.** Brontekst: עַתָּ֣ה (ata) = nu | מִקָּר֗וֹב (miqarov) = weldra | אֶשְׁפּ֤וֹךְ (eshpokh) = zal Ik uitgieten | חֲמָתִי֙ (chamati) = Mijn grimmigheid | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = over je | וְכִלֵּיתִ֤י (vekhileiti) = en Ik zal voltooien | אַפִּי֙ (api) = Mijn toorn | בָּ֔ךְ (bakh) = in jou | וּשְׁפַטְתִּ֖יךְ (ushefattikh) = en Ik zal je oordelen | כִּדְרָכָ֑יִךְ (kidrakhayikh) = naar je wegen | וְנָתַתִּ֣י (venatati) = en Ik zal brengen | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = over je | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | תּוֹעֲבוֹתָֽיִךְ (toavotayikh) = je gruwelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 42:25; Nah 1:6; Ezech 9:8; Ezech 14:19; Ezech 20:21 **7:9** **Mijn oog zal je niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben. Ik zal je wegen over je brengen, en je gruwelen zullen in je midden zijn. Dan zullen jullie weten dat Ik, Yahweh, het ben die slaat.** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | תָח֥וֹס (tachos) = zal sparen | עֵינִ֖י (eini) = Mijn oog | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶחְמ֑וֹל (echmol) = zal medelijden hebben | כִּדְרָכַ֜יִךְ (kidrakhayikh) = naar je wegen | עָלַ֣יִךְ (alayikh) = over je | אֶתֵּ֗ן (eten) = zal Ik geven | וְתוֹעֲבוֹתַ֨יִךְ֙ (vetoavotayikh) = en je gruwelen | בְּתוֹכֵ֣ךְ (betokhekh) = in je midden | תִּֽהְיֶ֔יןָ (tihyeina) = zullen zijn | וִֽידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מַכֶּֽה (make) = die slaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַכֶּה (makkeh), ‘die slaat’: Yahweh is degene die slaat. Zo eindigt het vers anders dan vers 4: daar wordt gezegd ‘dat Ik Yahweh ben’, hier staat erbij ‘die slaat’. Zie ook: Jes 9:12; Mi 6:9; Ezech 7:4; Gal 6:7; Openb 20:13 ### De dag is daar **7:10** **Zie, de dag! Zie, hij komt. De ondergang is uitgegaan. De staf heeft gebloeid en de overmoed heeft geknopt.** Brontekst: הִנֵּ֥ה (hine) = zie | הַיּ֖וֹם (hayom) = de dag | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | בָאָ֑ה (baa) = komt | יָֽצְאָה֙ (yatsea) = is uitgegaan | הַצְּפִרָ֔ה (hatsefira) = de ondergang | צָ֚ץ (tsats) = heeft gebloeid | הַמַּטֶּ֔ה (hamate) = de staf | פָּרַ֖ח (parach) = heeft geknopt | הַזָּדֽוֹן (hazadon) = de overmoed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּטֶּה (hammatteh), ‘de staf’: de staf, het teken van gezag; ‘bloeien’ doet denken aan de staf van Aäron in Num. 17:23. Hier is het beeld ironisch: de staf van de goddeloosheid bloeit (vers 11). Voetnoot : הַזָּדוֹן (hazzadon), ‘de overmoed’: de trots die zich boven Yahweh verheft, zoals in Deut. 18:22. Zie ook: Num 17:23; Deut 18:22; Spr 16:18; Jes 10:5; Ezech 7:6; Ezech 7:11; Jak 4:6; 1 Tess 5:3 **7:11** **Het geweld is opgestaan tot een staf van goddeloosheid. Niets van hen blijft over: niets van hun menigte, niets van hun gewoel, en er is geen luister bij hen.** Brontekst: הֶחָמָ֥ס (hechamas) = het geweld | קָ֖ם (qam) = is opgestaan | לְמַטֵּה (lemate) = tot een staf van | רֶ֑שַׁע (resha) = goddeloosheid | לֹא (lo) = niet | מֵהֶ֞ם (mehem) = van hen | וְלֹ֧א (velo) = en niet | מֵהֲמוֹנָ֛ם (mehamonam) = van hun menigte | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מֶהֱמֵהֶ֖ם (mehemehem) = van hun gewoel | וְלֹא (velo) = en niet | נֹ֥הַּ (noha) = luister | בָּהֶֽם (bahem) = bij hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het slot van dit vers is zeer moeilijk. Het bestaat uit vier korte zinsdelen met ‘niet’: מֵהֶם (mehem), ‘van hen’, מֵהֲמוֹנָם (mehamonam), ‘van hun menigte’, מֶהֱמֵהֶם (mehemehem), een woord dat nergens anders voorkomt, en נֹהַּ (noach, ‘luister bij hen’), dat ook nergens anders voorkomt. Wij vertalen ‘niets van hun gewoel’ en ‘geen luister’ op grond van de samenhang; de betekenis is onzeker. Voetnoot : מַטֵּה רֶשַׁע (matteh resha), ‘staf van goddeloosheid’: het geweld wordt een staf waarmee de goddeloosheid slaat. Zie ook: Jes 59:6–8; Sef 1:18; Jer 16:5–6; Jer 22:18; Ezech 7:23 ### Koper en verkoper **7:12** **De tijd komt, de dag is aangebroken. De koper moet zich niet verheugen en de verkoper moet niet treuren, want brandende toorn is over heel haar menigte.** Brontekst: בָּ֤א (ba) = komt | הָעֵת֙ (haet) = de tijd | הִגִּ֣יעַ (higia) = is aangebroken | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | הַקּוֹנֶה֙ (haqone) = de koper | אַל (al) = niet | יִשְׂמָ֔ח (yismach) = moet zich verheugen | וְהַמּוֹכֵ֖ר (vehamokher) = en de verkoper | אַל (al) = niet | יִתְאַבָּ֑ל (yitabal) = moet treuren | כִּ֥י (ki) = want | חָר֖וֹן (charon) = brandende toorn | אֶל (el) = over | כָּל (kal) = heel | הֲמוֹנָֽהּ (hamonah) = haar menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקּוֹנֶה אַל יִשְׂמָח וְהַמּוֹכֵר אַל יִתְאַבָּל (haqqoneh al yismach vehammokher al yitabbal), ‘de koper moet zich niet verheugen en de verkoper niet treuren’: de handel is nutteloos als alles verloren gaat. Vergelijk Jes. 24:2. Zie ook: Jes 5:13–14; Jes 24:1–2; Jes 24:2; Jer 32:7–8; Ezech 7:5–7; 1 Kor 7:29–31 **7:13** **Want de verkoper zal niet terugkeren tot wat hij verkocht heeft, ook al zijn zij nog in leven. Want het visioen over heel haar menigte keert niet terug. En niemand zal zich door zijn schuld in zijn leven staande houden.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | הַמּוֹכֵ֗ר (hamokher) = de verkoper | אֶל (el) = tot | הַמִּמְכָּר֙ (hamimkar) = het verkochte | לֹ֣א (lo) = niet | יָשׁ֔וּב (yashuv) = zal terugkeren | וְע֥וֹד (veod) = en nog | בַּחַיִּ֖ים (bachayim) = in het leven | חַיָּתָ֑ם (chayatam) = hun leven | כִּֽי (ki) = want | חָז֤וֹן (chazon) = visioen | אֶל (el) = over | כָּל (kal) = heel | הֲמוֹנָהּ֙ (hamonah) = haar menigte | לֹ֣א (lo) = niet | יָשׁ֔וּב (yashuv) = zal terugkeren | וְאִ֧ישׁ (veish) = en een man | בַּעֲוֺנ֛וֹ (baavono) = in zijn schuld | חַיָּת֖וֹ (chayato) = zijn leven | לֹ֥א (lo) = niet | יִתְחַזָּֽקוּ (yitchazaqu) = zullen zich sterk houden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּמְכָּר (hammimkar), ‘het verkochte’: het land dat iemand verkocht heeft, keert in het jubeljaar terug (Lev. 25:13–28). Hier gebeurt dat niet meer. Voetnoot : וְאִישׁ בַּעֲוֺנוֹ חַיָּתוֹ (ve’ish ba’avono chayyato): moeilijk, letterlijk ‘en een man in zijn schuld zijn leven’. Wij begrijpen: niemand zal zich in zijn leven staande houden door zijn schuld. De betekenis is onzeker. Zie ook: Job 15:25; Lev 25:13–28; Lev 25:24–28; Pred 8:8; Ezech 13:22; Ezech 33:26–27 **7:14** **Men blaast op de bazuin en maakt alles gereed, maar niemand gaat naar de strijd. Want Mijn brandende toorn is over heel haar menigte.** Brontekst: תָּקְע֤וּ (taqeu) = blaast | בַתָּק֨וֹעַ֙ (bataqoa) = op de bazuin | וְהָכִ֣ין (vehakhin) = en maakt gereed | הַכֹּ֔ל (hakol) = alles | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | הֹלֵ֖ךְ (holekh) = gaat | לַמִּלְחָמָ֑ה (lamilchama) = naar de strijd | כִּ֥י (ki) = want | חֲרוֹנִ֖י (charoni) = Mijn brandende toorn | אֶל (el) = over | כָּל (kal) = heel | הֲמוֹנָֽהּ (hamonah) = haar menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּקְעוּ בַתָּקוֹעַ (tiqu vattaqoa), ‘men blaast op de bazuin’: het zeldzame woord תָּקוֹעַ (taqoa) komt alleen hier voor en betekent ‘bazuin’ of ‘hoorn’; het werkwoord is hetzelfde als bij de ramshoorn. Voetnoot : אֵין הֹלֵךְ לַמִּלְחָמָה (ein holekh lammilchamah), ‘niemand gaat naar de strijd’: het leger trekt niet uit, omdat Yahweh Zelf tegen hen is. Zie ook: Jer 4:5; Jer 6:11; Jer 7:20; Jer 12:12; Ezech 7:11–12 ### Zwaard, pest en honger **7:15** **Het zwaard is buiten, de pest en de honger zijn binnen. Wie in het veld is, zal door het zwaard sterven. Wie in de stad is, wordt door honger en pest verslonden.** Brontekst: הַחֶ֣רֶב (hacherev) = het zwaard | בַּח֔וּץ (bachuts) = buiten | וְהַדֶּ֥בֶר (vehadever) = en de pest | וְהָרָעָ֖ב (veharaav) = en de honger | מִבָּ֑יִת (mibayit) = binnen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wie | בַּשָּׂדֶה֙ (basade) = in het veld | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = door het zwaard | יָמ֔וּת (yamut) = zal sterven | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en wie | בָּעִ֔יר (bair) = in de stad | רָעָ֥ב (raav) = honger | וָדֶ֖בֶר (vadever) = en pest | יֹאכֲלֶֽנּוּ (yokhalenu) = zal hem verslinden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De volgorde buiten (het zwaard) en binnen (pest en honger) ligt vast in het beleg; vergelijk Deut. 32:25. Zie ook: Deut 32:23–25; Deut 32:25; Jer 14:18; Jer 15:2–3; Klaagl 1:20; Ezech 5:12 **7:16** **Hun ontkomenen zullen ontkomen en op de bergen zijn als duiven van de dalen: allen kreunend, ieder om zijn schuld.** Brontekst: וּפָֽלְטוּ֙ (ufaletu) = en zullen ontkomen | פְּלִ֣יטֵיהֶ֔ם (peliteihem) = hun ontkomenen | וְהָי֣וּ (vehayu) = en zullen zijn | אֶל (el) = naar | הֶהָרִ֗ים (heharim) = de bergen | כְּיוֹנֵ֧י (keyonei) = als duiven van | הַגֵּאָי֛וֹת (hageayot) = de dalen | כֻּלָּ֖ם (kulam) = allen | הֹמ֑וֹת (homot) = kreunend | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | בַּעֲוֺנֽוֹ (baavono) = om zijn schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּיוֹנֵי הַגֵּאָיוֹת (keyonei hagge’ayot), ‘als duiven van de dalen’: duiven die in rotsspleten wonen en klagen. Hier is het beeld van wie ontkomt maar kreunt van schuld, zoals in Jes. 59:11. Voetnoot : הֹמוֹת (homot), ‘kreunend’: het werkwoord הָמָה (hamah) kan ‘mompelen, kreunen’ betekenen. Zie ook: Jes 37:31; Jes 38:14; Jes 59:11; Ezra 9:15; Zach 12:10–14 **7:17** **Alle handen worden slap en alle knieën worden water.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | הַיָּדַ֖יִם (hayadayim) = handen | תִּרְפֶּ֑ינָה (tirpeina) = worden slap | וְכָל (vekhal) = en alle | בִּרְכַּ֖יִם (birkayim) = knieën | תֵּלַ֥כְנָה (telakhna) = gaan | מָּֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּלַכְנָה מָּיִם (telakhnah mayim), ‘gaan water’: de knieën worden zwak en lopen als water weg. Zie ook Ezech. 21:12. Zie ook: Jes 13:7–8; Jer 6:24; Ezech 21:12; Ezech 22:14; Heb 12:12 **7:18** **Zij omgorden zich met rouwkleed en siddering bedekt hen. Op alle gezichten is schaamte en op al hun hoofden is kaalheid.** Brontekst: וְחָגְר֣וּ (vechageru) = en zij gorden om | שַׂקִּ֔ים (saqim) = rouwkleed | וְכִסְּתָ֥ה (vekhiseta) = en bedekt | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | פַּלָּצ֑וּת (palatsut) = siddering | וְאֶ֤ל (veel) = en op | כָּל (kal) = alle | פָּנִים֙ (panim) = gezichten | בּוּשָׁ֔ה (busha) = schaamte | וּבְכָל (uvekhal) = en op alle | רָאשֵׁיהֶ֖ם (rasheihem) = hun hoofden | קָרְחָֽה (qarecha) = kaalheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂקִּים (saqqim), ‘rouwkleed’: grof kleed dat men bij rouw omgorde. פַּלָּצוּת (pallatsut), ‘siddering’: een beving van angst. קָרְחָה (qorchah), ‘kaalheid’: het afscheren van het haar bij rouw, zoals in Jes. 15:2 en Amos 8:10. Zie ook: Job 21:6; Amos 8:10; Jes 3:24; Jes 15:2–3; Ezech 27:31 ### Hun zilver en goud bevrijden hen niet **7:19** **Hun zilver zullen zij op straat gooien, en hun goud wordt iets onreins. Hun zilver en hun goud kunnen hen niet bevrijden op de dag van de woede van Yahweh. Hun ziel kunnen zij er niet mee verzadigen en hun buik niet mee vullen, want het was het struikelblok van hun schuld.** Brontekst: כַּסְפָּ֞ם (kaspam) = hun zilver | בַּחוּצ֣וֹת (bachutsot) = op de straten | יַשְׁלִ֗יכוּ (yashlikhu) = zullen zij gooien | וּזְהָבָם֮ (uzehavam) = en hun goud | לְנִדָּ֣ה (lenida) = tot iets onreins | יִֽהְיֶה֒ (yihye) = zal zijn | כַּסְפָּ֨ם (kaspam) = hun zilver | וּזְהָבָ֜ם (uzehavam) = en hun goud | לֹֽא (lo) = niet | יוּכַ֣ל (yukhal) = zal kunnen | לְהַצִּילָ֗ם (lehatsilam) = hen bevrijden | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag van | עֶבְרַ֣ת (evrat) = woede van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נַפְשָׁם֙ (nafsham) = hun ziel | לֹ֣א (lo) = niet | יְשַׂבֵּ֔עוּ (yesabeu) = zullen zij verzadigen | וּמֵעֵיהֶ֖ם (umeeihem) = en hun buik | לֹ֣א (lo) = niet | יְמַלֵּ֑אוּ (yemaleu) = zullen zij vullen | כִּֽי (ki) = want | מִכְשׁ֥וֹל (mikhshol) = struikelblok van | עֲוֺנָ֖ם (avonam) = hun schuld | הָיָֽה (haya) = was Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִדָּה (niddah), ‘iets onreins’: het woord staat voor wat onrein is en waarvan men zich afkeert, vergelijk Lev. 15:19–20 en Ezech. 36:17. Het goud en zilver, waarop zij vertrouwden, worden tot afval. Voetnoot : עֶבְרַת יְהוָה (evrat Yahweh), ‘de woede van Yahweh’: een woord voor overlopende, uitbarstende toorn. Zie ook Zef. 1:18. Voetnoot : מִכְשׁוֹל עֲוֺנָם (mikhshol avonam), ‘het struikelblok van hun schuld’: hun rijkdom is de oorzaak van hun val geworden. Zie ook: Lev 15:19–20; Spr 11:4; Jes 2:20; Sef 1:18; Ezech 14:7; Ezech 36:17; Luc 12:19–20 **7:20** **De schoonheid van zijn sieraad heeft hij tot hoogmoed gesteld. Daarvan hebben zij de beelden van hun gruwelen gemaakt, hun gruwelbeelden. Daarom heb Ik het voor hen tot iets onreins gemaakt.** Brontekst: וּצְבִ֤י (utsevi) = en de schoonheid van | עֶדְיוֹ֙ (edyo) = zijn sieraad | לְגָא֣וֹן (legaon) = tot hoogmoed | שָׂמָ֔הוּ (samahu) = heeft hij het gesteld | וְצַלְמֵ֧י (vetsalmei) = en beelden van | תוֹעֲבֹתָ֛ם (toavotam) = hun gruwelen | שִׁקּוּצֵיהֶ֖ם (shiqutseihem) = hun gruwelbeelden | עָ֣שׂוּ (asu) = maakten zij | ב֑וֹ (bo) = daarvan | עַל (al) = om | כֵּ֛ן (ken) = zo | נְתַתִּ֥יו (netativ) = heb Ik het gegeven | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | לְנִדָּֽה (lenida) = tot iets onreins Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het onderwerp van dit vers is moeilijk: ‘zijn sieraad’ kan het sieraad van het volk betreffen, of het heiligdom. In vers 22 spreekt Yahweh van ‘Mijn verborgene’. De vertaling is voorzichtig. Voetnoot : צַלְמֵי תּוֹעֲבֹתָם שִׁקּוּצֵיהֶם (tsalmei to’avotam shiqqutseihem), ‘de beelden van hun gruwelen, hun gruwelbeelden’: zie Ezech. 5:11 voor deze woorden. Voetnoot : לְנִדָּה (lenidah), ‘tot iets onreins’: zie vers 19. Zie ook: Jes 64:10; Jer 7:30; Ezech 5:11; Ezech 7:19; Ezech 7:22; Ezech 8:15–16; Ezech 9:7; Ezech 24:21 **7:21** **Ik zal het in de hand van vreemden geven tot buit, en aan de goddelozen van de aarde tot roof, en zij zullen het ontwijden.** Brontekst: וּנְתַתִּ֤יו (unetativ) = en Ik zal het geven | בְּיַֽד (beyad) = in de hand van | הַזָּרִים֙ (hazarim) = de vreemden | לָבַ֔ז (lavaz) = tot buit | וּלְרִשְׁעֵ֥י (ulerishei) = en aan de goddelozen van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | לְשָׁלָ֑ל (leshalal) = tot roof | וְחִלְּלֽוּהוּ (vechileluhu) = en zij zullen het ontwijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat וחללה (vechillelah), een afwijkende schrijfwijze van hetzelfde werkwoord (‘ontwijden’) met een vrouwelijk voorwerp, ‘haar’; de overlevering leest וְחִלְּלוּהוּ (vechillaluhu), ‘en zij zullen het ontwijden’. Het verschil is klein. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ps 74:2–8; Ps 79:1; 2 Kon 24:13; 2 Kon 25:9; Jer 52:13–23 **7:22** **Ik zal Mijn gezicht van hen afwenden, en zij zullen Mijn verborgen plaats ontwijden. Gewelddadigen zullen erin komen en haar ontwijden.** Brontekst: וַהֲסִבּוֹתִ֤י (vahasiboti) = en Ik zal afwenden | פָנַי֙ (panay) = Mijn gezicht | מֵהֶ֔ם (mehem) = van hen | וְחִלְּל֖וּ (vechilelu) = en zij zullen ontwijden | אֶת (et) = (obj.) | צְפוּנִ֑י (tsefuni) = Mijn verborgene | וּבָאוּ (uvau) = en zullen binnenkomen | בָ֥הּ (bah) = erin | פָּרִיצִ֖ים (paritsim) = gewelddadigen | וְחִלְּלֽוּהָ (vechileluha) = en zij zullen haar ontwijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְפוּנִי (tsefuni), ‘Mijn verborgene’: wat Yahweh bewaart, Zijn kostbare of verborgen bezit. Het wijst waarschijnlijk op het heiligdom, maar de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : פָּרִיצִים (paritsim), ‘gewelddadigen’: mensen die ergens doorheen breken, roofzuchtigen. Zie ook: Ps 10:11; Ps 35:22; Ps 74:10–11; Ps 74:18–23; Jer 18:17 ### Maak de ketting **7:23** **Maak de ketting, want het land is vol bloedvonnissen en de stad is vol geweld.** Brontekst: עֲשֵׂ֖ה (ase) = maak | הָֽרַתּ֑וֹק (haratoq) = de ketting | כִּ֣י (ki) = want | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | מָֽלְאָה֙ (malea) = is vol | מִשְׁפַּ֣ט (mishpat) = recht van | דָּמִ֔ים (damim) = bloed | וְהָעִ֖יר (vehair) = en de stad | מָלְאָ֥ה (malea) = is vol | חָמָֽס (chamas) = geweld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרַתּוֹק (harattoq), ‘de ketting’: dit woord komt nergens anders voor. Het gaat om een keten waarmee men gevangenen bindt. Zie ook Nah. 3:10 en Jes. 40:19, waar een verwant woord staat. De betekenis is onzeker. Voetnoot : מִשְׁפַּט דָּמִים (mishpat damim), ‘bloedvonnissen’: letterlijk ‘recht van bloed’, dat wil zeggen doodvonnissen of het bloedvergieten dat om recht roept. Zie ook: 2 Kon 21:16; Hos 4:2; Jes 40:19; Nah 3:10; Jer 27:2; Ezech 9:9; Ezech 11:6 **7:24** **Ik zal de slechtsten onder de volken laten komen, en zij zullen hun huizen in bezit nemen. Ik zal de trots van de sterken doen ophouden, en zij zullen hun heiligdommen in bezit nemen.** Brontekst: וְהֵֽבֵאתִי֙ (veheveti) = en Ik zal laten komen | רָעֵ֣י (raei) = de slechtsten van | גוֹיִ֔ם (goyim) = volken | וְיָרְשׁ֖וּ (veyareshu) = en zij zullen bezitten | אֶת (et) = (obj.) | בָּֽתֵּיהֶ֑ם (bateihem) = hun huizen | וְהִשְׁבַּתִּי֙ (vehishbati) = en Ik zal doen ophouden | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | עַזִּ֔ים (azim) = de sterken | וְנִחֲל֖וּ (venichalu) = en zij zullen bezitten | מְקַֽדְשֵׁיהֶֽם (meqadsheihem) = hun heiligdommen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָעֵי גוֹיִם (ra’ei goyim), ‘de slechtsten onder de volken’: letterlijk ‘de kwaden van de volken’. Voetnoot : וְנָחֲלוּ מְקַדְשֵׁיהֶם (venachalu meqaddeshehem), ‘en zij zullen hun heiligdommen in bezit nemen’: het werkwoord נָחַל (nachal) betekent ‘in bezit nemen’. Sommige oude vertalingen lezen een ander werkwoord, ‘ontwijden’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 83:13; Ps 106:41; Ezech 21:36; Ezech 28:7; Ezech 33:28 **7:25** **Angst komt. Zij zullen vrede zoeken, maar er is geen.** Brontekst: קְפָ֖דָה (qefada) = angst | בָ֑א (ba) = komt | וּבִקְשׁ֥וּ (uviqshu) = en zij zullen zoeken | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | וָאָֽיִן (vaayin) = en geen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְפָדָה (qefadah), ‘angst’: een zeldzaam woord, alleen hier. Het gaat om een siddering van schrik. Zie ook: Jes 57:21; Jes 59:8–12; Jer 8:15–16; Klaagl 4:17–18; Ezech 13:16 ### Onheil na onheil **7:26** **Onheil komt op onheil, en bericht op bericht. Zij zoeken een visioen bij een profeet, maar onderricht vergaat bij de priester en raad bij de oudsten.** Brontekst: הֹוָ֤ה (hova) = onheil | עַל (al) = op | הֹוָה֙ (hova) = onheil | תָּב֔וֹא (tavo) = komt | וּשְׁמֻעָ֥ה (ushemua) = en bericht | אֶל (el) = op | שְׁמוּעָ֖ה (shemua) = bericht | תִּֽהְיֶ֑ה (tihye) = zal zijn | וּבִקְשׁ֤וּ (uviqshu) = en zij zullen zoeken | חָזוֹן֙ (chazon) = visioen | מִנָּבִ֔יא (minavi) = van een profeet | וְתוֹרָה֙ (vetora) = en onderricht | תֹּאבַ֣ד (tovad) = zal vergaan | מִכֹּהֵ֔ן (mikohen) = van de priester | וְעֵצָ֖ה (veetsa) = en raad | מִזְּקֵנִֽים (mizeqenim) = van de oudsten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַוָּה (havvah), ‘onheil’: een woord voor een ramp die als een golf over iemand komt. Vergelijk Ps. 5:10. Voetnoot : חָזוֹן מִנָּבִיא (chazon minnavi), ‘een visioen bij een profeet’: zij zoeken een godsspraak, maar die komt niet. Voetnoot : תּוֹרָה (torah), ‘onderricht’: de onderwijzing van de priester. Zij gaat verloren. Zie ook: Ps 5:10; Ps 74:9; Mi 3:6; Jer 4:20; Jer 21:2; Ezech 14:1 **7:27** **De koning treurt, de vorst kleedt zich met verbijstering en de handen van het volk van het land beven. Naar hun weg zal Ik met hen doen, en met hun eigen rechtsregels zal Ik hen oordelen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: הַמֶּ֣לֶךְ (hamelekh) = de koning | יִתְאַבָּ֗ל (yitabal) = treurt | וְנָשִׂיא֙ (venasi) = en de vorst | יִלְבַּ֣שׁ (yilbash) = kleedt zich | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = met verbijstering | וִידֵ֥י (videi) = en de handen van | עַם (am) = het volk van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | תִּבָּהַ֑לְנָה (tibahalna) = beven | מִדַּרְכָּ֞ם (midarkam) = naar hun weg | אֶעֱשֶׂ֤ה (eese) = zal Ik doen | אוֹתָם֙ (otam) = met hen | וּבְמִשְׁפְּטֵיהֶ֣ם (uvemishpeteihem) = en met hun rechtsregels | אֶשְׁפְּטֵ֔ם (eshpetem) = zal Ik hen oordelen | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’: een leider, met een lagere titel dan koning. Dit woord komt in Ezechiël vaak voor, vooral in de hoofdstukken 40–48. Voetnoot : עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: de grondbezitters en gewone burgers. Voetnoot : וּבְמִשְׁפְּטֵיהֶם אֶשְׁפְּטֵם (uvemishpeteihem eshpetem), ‘met hun rechtsregels zal Ik hen oordelen’: Hij oordeelt hen met de maat die zij zelf gebruikten. Zie ook: Jer 52:8–11; Ezech 7:4–8; Ezech 17:15–21; Ezech 18:30; Mat 7:2 ## Ezechiël 8 _Het visioen van de gruwelen in het huis van Yahweh_ ### De hand van Heer Yahweh **8:1** Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde van de maand. Ik zat in mijn huis en de oudsten van Juda zaten voor mij. Daar viel de hand van Heer Yahweh op mij. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het gebeurde | בַּשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַשִּׁשִּׁ֗ית (hashishit) = zesde | בַּשִּׁשִּׁי֙ (bashishi) = in de zesde maand | בַּחֲמִשָּׁ֣ה (bachamisha) = op de vijfde | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | אֲנִי֙ (ani) = ik | יוֹשֵׁ֣ב (yoshev) = zittend | בְּבֵיתִ֔י (beveiti) = in mijn huis | וְזִקְנֵ֥י (veziqnei) = en de oudsten van | יְהוּדָ֖ה (yehuda) = Juda | יוֹשְׁבִ֣ים (yoshevim) = zittend | לְפָנָ֑י (lefanay) = voor mij | וַתִּפֹּ֤ל (vatipol) = en viel | עָלַי֙ (alay) = op mij | שָׁ֔ם (sham) = daar | יַ֖ד (yad) = hand van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהֹוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een nieuwe datum, met een jaar, een maand en een dag, zoals in Ezech. 1:1–2. Het ‘zesde jaar’ wordt waarschijnlijk geteld vanaf de wegvoering van koning Jojachin (Ezech. 1:2). Voetnoot : זִקְנֵי יְהוּדָה (ziqnei Yehudah), ‘de oudsten van Juda’: de leiders van de ballingen. Zij komen vaker bij Ezechiël zitten, zoals in Ezech. 14:1 en 20:1. Voetnoot : יַד אֲדֹנָי יְהוִה (yad Adonai Yahweh), ‘de hand van Heer Yahweh’: de krachtige aanraking van Yahweh, waarna een visioen volgt, zoals in Ezech. 1:3 en 3:22. Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij Ezech. 2:4. Zie ook: Ezech 1:1–2; Ezech 1:2–3; Ezech 1:3; Ezech 2:4; Ezech 3:22; Ezech 14:1; Ezech 14:4; Ezech 20:1; Ezech 33:31 **8:2** Ik keek, en zie: een gedaante die eruitzag als vuur. Van wat eruitzag als zijn heupen naar beneden was het vuur. Van zijn heupen naar boven was het als de aanblik van een schittering, als de gloed van glanzend metaal. Brontekst: וָאֶרְאֶ֗ה (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | דְמוּת֙ (demut) = een gedaante | כְּמַרְאֵה (kemare) = als het uiterlijk van | אֵ֔שׁ (esh) = vuur | מִמַּרְאֵ֥ה (mimare) = van het uiterlijk van | מָתְנָ֛יו (matenav) = zijn heupen | וּלְמַ֖טָּה (ulemata) = en naar beneden | אֵ֑שׁ (esh) = vuur | וּמִמָּתְנָ֣יו (umimatenav) = en van zijn heupen | וּלְמַ֔עְלָה (ulemala) = en naar boven | כְּמַרְאֵה (kemare) = als het uiterlijk van | זֹ֖הַר (zohar) = schittering | כְּעֵ֥ין (keein) = als de gloed van | הַחַשְׁמַֽלָה (hachashmala) = het glanzend metaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּמוּת (demut), ‘gedaante’: iets wat lijkt op een persoon. In Ezech. 1:26–27 staat dezelfde beschrijving van een gedaante van vuur en schittering. Wij laten open wie de gedaante is; vanaf vers 6 spreekt zij met de woorden van Yahweh. Voetnoot : הַחַשְׁמַלָה (hachashmalah), ‘het glanzend metaal’: een zeldzaam woord, ook in Ezech. 1:4 en 1:27. De betekenis is niet zeker: ‘glanzend metaal’, ‘barnsteen’ of ‘gouden-zilverlegering’. Wij kiezen ‘glanzend metaal’. Voetnoot Lezing: In plaats van ‘vuur’ (אֵשׁ, esh) hebben sommige oude vertalingen ‘man’ (אִישׁ, ish). Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ezech 1:4; Ezech 1:26–27; Ezech 1:27; Ezech 8:6; Dan 7:9–10; Openb 1:14–15 ### Naar Jeruzalem in visioenen **8:3** Hij stak de vorm van een hand uit en greep mij bij een lok van mijn hoofd. Een geest tilde mij op tussen de aarde en de hemel. Zij bracht mij in visioenen van Elohim naar Jeruzalem, naar de ingang van de binnenste poort. Die is naar het noorden gericht. Daar was de plaats van het afbeeldsel van de jaloezie, dat jaloezie opwekt. Brontekst: וַיִּשְׁלַח֙ (vayishlach) = en Hij stak uit | תַּבְנִ֣ית (tavnit) = vorm van | יָ֔ד (yad) = hand | וַיִּקָּחֵ֖נִי (vayiqacheni) = en greep mij | בְּצִיצִ֣ת (betsitsit) = bij een lok van | רֹאשִׁ֑י (roshi) = mijn hoofd | וַתִּשָּׂ֣א (vatisa) = en tilde op | אֹתִ֣י (oti) = mij | ר֣וּחַ (ruach) = een geest | בֵּֽין (bein) = tussen | הָאָ֣רֶץ (haarets) = de aarde | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַשָּׁמַ֡יִם (hashamayim) = de hemel | וַתָּבֵא֩ (vatave) = en bracht | אֹתִ֨י (oti) = mij | יְרוּשָׁלְַ֜מָה (yerushalaema) = naar Jeruzalem | בְּמַרְא֣וֹת (bemarot) = in visioenen van | אֱלֹהִ֗ים (Elohim) = Elohim | אֶל (el) = naar | פֶּ֜תַח (petach) = ingang van | שַׁ֤עַר (shaar) = poort van | הַפְּנִימִית֙ (hapenimit) = de binnenste | הַפּוֹנֶ֣ה (hapone) = die gericht is | צָפ֔וֹנָה (tsafona) = naar het noorden | אֲשֶׁר (asher) = waar | שָׁ֣ם (sham) = daar | מוֹשַׁ֔ב (moshav) = plaats van | סֵ֖מֶל (semel) = afbeeldsel van | הַקִּנְאָ֥ה (haqina) = de jaloezie | הַמַּקְנֶֽה (hamaqne) = die jaloezie opwekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בְּצִיצִת רֹאשִׁי (betsitsit roshi), ‘bij een lok van mijn hoofd’: het Hebreeuwse tsitsit is een lok of kwast. Het is iets wat men kan vastpakken. Voetnoot : רוּחַ (ruach), ‘een geest’: dit woord betekent ook ‘wind’ of ‘adem’. Waarschijnlijk is het de Geest van Yahweh, zoals in Ezech. 3:12 en 3:14. Het Hebreeuwse woord heeft hier geen lidwoord. Voetnoot : בְּמַרְאוֹת אֱלֹהִים (bemar’ot Elohim), ‘in visioenen van Elohim’: Ezechiël wordt niet lichamelijk meegenomen, maar in een visioen. Zo ook in Ezech. 40:2. Voetnoot : סֵמֶל הַקִּנְאָה (semel haqin’ah), ‘het afbeeldsel van de jaloezie’: een beeld dat Yahweh tot jaloezie of toorn prikkelt (vergelijk Deut. 32:16 en 32:21). Het woord סֵמֶל (semel) staat ook in 2 Kron. 33:7 en 33:15, waar wij eveneens ‘afbeeldsel’ hebben, en in Deut. 4:16 (‘standbeeld’). Wat het beeld voorstelde, vermeldt de tekst niet. Voetnoot : מוֹשַׁב (moshav), ‘plaats’: letterlijk ‘zitplaats, standplaats’. Zie ook: Deut 4:16; Deut 5:9; Deut 32:16; Deut 32:21; 2 Kron 33:7; 2 Kron 33:15; Ezech 3:12; Ezech 3:14; Ezech 5:11; Ezech 11:1; Ezech 11:24; Ezech 40:2 **8:4** En zie, daar was de heerlijkheid van de Elohim van Israël, zoals de aanblik die ik in het dal had gezien. Brontekst: וְהִ֨נֵּה (vehine) = en zie | שָׁ֔ם (sham) = daar | כְּב֖וֹד (kevod) = heerlijkheid van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כַּמַּרְאֶ֕ה (kamare) = als het uiterlijk | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | רָאִ֖יתִי (raiti) = ik had gezien | בַּבִּקְעָֽה (babiqa) = in het dal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּבוֹד אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל (kevod Elohei Yisra’el), ‘de heerlijkheid van de Elohim van Israël’: de zichtbare tegenwoordigheid van Yahweh. Zie ook Ezech. 1:28 en 3:23. Voetnoot : בַּבִּקְעָה (babbiq’ah), ‘in het dal’: het dal waar Ezechiël de heerlijkheid eerder zag, zoals in Ezech. 3:22–23. Zie ook: Ezech 1:26–28; Ezech 1:28; Ezech 3:22–23; Ezech 3:23; Ezech 11:22–23; Ezech 43:2–4; 2 Kor 4:4–6 ### Het afbeeldsel van de jaloezie **8:5** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, sla toch je ogen op in de richting van het noorden.”** Ik sloeg mijn ogen op in de richting van het noorden. En zie: ten noorden van de altaarpoort stond dit afbeeldsel van de jaloezie, bij de ingang. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | שָׂא (sa) = hef op | נָ֥א (na) = toch | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = je ogen | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = in de richting van | צָפ֑וֹנָה (tsafona) = het noorden | וָאֶשָּׂ֤א (vaesa) = en ik hief op | עֵינַי֙ (einay) = mijn ogen | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = in de richting van | צָפ֔וֹנָה (tsafona) = het noorden | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | מִצָּפוֹן֙ (mitsafon) = ten noorden van | לְשַׁ֣עַר (leshaar) = de poort van | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | סֵ֛מֶל (semel) = afbeeldsel van | הַקִּנְאָ֥ה (haqina) = de jaloezie | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | בַּבִּאָֽה (babia) = bij de ingang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De spreker is dezelfde gedaante als in vers 2. Vanaf vers 6 spreekt hij als Yahweh in de eerste persoon (‘Mijn heiligdom’). Daarom staan de woorden van deze spreker rood. Voetnoot : שַׁעַר הַמִּזְבֵּחַ (sha’ar hammizbeach), ‘de altaarpoort’: de poort bij het altaar. De precieze ligging in het tempelcomplex is niet duidelijk. Zie ook: Ps 78:58; Jer 3:2; Jer 32:34; Ezech 8:2; Ezech 8:3; Ezech 8:6; Zach 5:5–11 **8:6** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, zie je wat zij doen? Zie je de grote gruwelen die het huis van Israël hier doet, zodat Ik Mij ver van Mijn heiligdom verwijder? Je zult nog eens grote gruwelen zien.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הֲרֹאֶ֥ה (haroe) = zie je | אַתָּ֖ה (ata) = jij | מָ֣ה (ma) = wat | הֵ֣ם (hem) = zij | עֹשִׂ֑ים (osim) = doen | תּוֹעֵב֨וֹת (toevot) = gruwelen | גְּדֹל֜וֹת (gedolot) = grote | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | בֵּֽית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֣ל (yisrael) = Israël | עֹשִׂ֣ים (osim) = doen | פֹּ֗ה (po) = hier | לְרָֽחֳקָה֙ (lerachoqa) = om ver te zijn | מֵעַ֣ל (meal) = van op | מִקְדָּשִׁ֔י (miqdashi) = Mijn heiligdom | וְעוֹד֙ (veod) = en nog | תָּשׁ֣וּב (tashuv) = zul je terugkeren | תִּרְאֶ֔ה (tire) = zul je zien | תּוֹעֵב֖וֹת (toevot) = gruwelen | גְּדֹלֽוֹת (gedolot) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְרָחֳקָה מֵעַל מִקְדָּשִׁי (lerochaqah me’al miqdashi), ‘zodat Ik Mij ver van Mijn heiligdom verwijder’: letterlijk ‘om ver te zijn van op Mijn heiligdom’. De vorm is ongebruikelijk en kan ook anders opgevat worden: ‘om Mij ver van Mijn heiligdom te drijven’. De samenhang is dat de gruwelen Yahweh uit Zijn huis verdrijven. Voetnoot : תּוֹעֵבוֹת גְּדֹלוֹת (to’evot gedolot), ‘grote gruwelen’: zie Ezech. 5:9. Er volgt een reeks van vier gruwelen, elk groter dan de vorige (verzen 5, 10, 14, 16). Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat מהם (mehem), als één woord; de overlevering leest dat als twee woorden: מָה הֵם (mah hem), ‘wat zij’. Wij volgen de lezing. Zie ook: 2 Kon 23:4–6; Jer 23:11; Ezech 5:9; Ezech 5:11; Ezech 8:9; Ezech 10:19 ### Een gat in de muur **8:7** Hij bracht mij naar de ingang van de voorhof. Ik keek, en zie: een gat in de muur. Brontekst: וַיָּבֵ֥א (vayave) = en Hij bracht | אֹתִ֖י (oti) = mij | אֶל (el) = naar | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | הֶֽחָצֵ֑ר (hechatser) = de voorhof | וָאֶרְאֶ֕ה (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | חֹר (chor) = een gat | אֶחָ֖ד (echad) = één | בַּקִּֽיר (baqir) = in de muur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵר (chor), ‘gat’: een opening in de muur. De voorhof is hier de buitenste ruimte van het tempelcomplex. Zie ook: 1 Kon 7:12; 2 Kon 21:5 **8:8** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, graaf toch door de muur.”** Ik groef door de muur, en zie: een ingang. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֖ם (adam) = mens | חֲתָר (chatar) = graaf door | נָ֣א (na) = toch | בַקִּ֑יר (baqir) = in de muur | וָאֶחְתֹּ֣ר (vaechtor) = en ik groef door | בַּקִּ֔יר (baqir) = in de muur | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | פֶּ֥תַח (petach) = een ingang | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲתָר (chatar), ‘graaf door’: het werkwoord wordt ook gebruikt voor inbrekers, die door een muur graven. Zie Job 24:16. Zie ook: Job 24:16; Job 34:22; Amos 9:2–3; Jes 29:15; Jer 2:34; Jer 23:24 **8:9** Hij zei tot mij: **„Kom en zie de kwade gruwelen die zij hier doen.”** Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | בֹּ֤א (bo) = kom | וּרְאֵה֙ (uree) = en zie | אֶת (et) = (obj.) | הַתּוֹעֵב֣וֹת (hatoevot) = de gruwelen | הָרָע֔וֹת (haraot) = de kwade | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | הֵ֥ם (hem) = zij | עֹשִׂ֖ים (osim) = doen | פֹּֽה (po) = hier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 20:8 **8:10** Ik ging naar binnen en keek. En zie: allerlei afbeeldingen van kruipend gedierte en afschuwelijke dieren, en alle mestgoden van het huis van Israël, rondom op de muur gegraveerd. Brontekst: וָאָבוֹא֮ (vaavo) = en ik kwam | וָֽאֶרְאֶה֒ (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | כָל (kal) = allerlei | תַּבְנִ֜ית (tavnit) = afbeelding van | רֶ֤מֶשׂ (remes) = kruipend dier | וּבְהֵמָה֙ (uvehema) = en dier | שֶׁ֔קֶץ (sheqets) = afschuwelijk | וְכָל (vekhal) = en alle | גִּלּוּלֵ֖י (gilulei) = mestgoden van | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מְחֻקֶּ֥ה (mechuqe) = gegraveerd | עַל (al) = op | הַקִּ֖יר (haqir) = de muur | סָבִ֥יב (saviv) = rondom | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֶמֶשׂ (remes), ‘kruipend gedierte’: wat over de grond kruipt, zoals in Gen. 1:24 (daar ‘kruipende dieren’). שֶׁקֶץ (sheqets), ‘afschuwelijk’: dieren die onrein en walgelijk zijn (Lev. 11:10–13). Samen met de ‘mestgoden’ (gillulim, zie Ezech. 6:4) gaat het om afbeeldingen van verboden eredienst. Vergelijk Rom. 1:23. Voetnoot : מְחֻקֶּה (mechuqqeh), ‘gegraveerd’: in de muur uitgekrast of ingesneden. Zie ook: Gen 1:24; Ex 20:4; Lev 11:10–13; Deut 4:18; Jes 57:6–10; Jer 16:18; Ezech 6:4; Rom 1:23 **8:11** Zeventig mannen van de oudsten van het huis van Israël stonden voor hen, en Jaäzanja, de zoon van Safan, stond in hun midden. Ieder had zijn wierookvat in zijn hand, en de wasem van de wolk van wierook steeg op. Brontekst: וְשִׁבְעִ֣ים (veshivim) = en zeventig | אִ֣ישׁ (ish) = man | מִזִּקְנֵ֣י (miziqnei) = van de oudsten van | בֵֽית (beit) = het huis van | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | וְיַאֲזַנְיָ֨הוּ (veyaazanyahu) = en Jaäzanja | בֶן (ben) = zoon van | שָׁפָ֜ן (shafan) = Safan | עֹמֵ֤ד (omed) = staand | בְּתוֹכָם֙ (betokham) = in hun midden | עֹמְדִ֣ים (omedim) = staand | לִפְנֵיהֶ֔ם (lifneihem) = voor hen | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man | מִקְטַרְתּ֖וֹ (miqtarto) = zijn wierookvat | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וַעֲתַ֥ר (vaatar) = en de wasem van | עֲנַֽן (anan) = wolk van | הַקְּטֹ֖רֶת (haqetoret) = de wierook | עֹלֶֽה (ole) = stijgend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁבְעִים אִישׁ מִזִּקְנֵי בֵית יִשְׂרָאֵל (shiv’im ish mizziqnei beit Yisra’el), ‘zeventig mannen van de oudsten van het huis van Israël’: het getal zeventig doet denken aan de zeventig oudsten die bij Mozes stonden (Exod. 24:1; Num. 11:16–25). Hier brengen zij echter wierook voor de afgodsbeelden. Voetnoot : יַאֲזַנְיָהוּ בֶן שָׁפָן (Ya’azanyahu ben Shafan), ‘Jaäzanja, de zoon van Safan’: Safan was de schrijver van koning Josia (2 Kon. 22:3). De naam komt ook voor in 2 Kon. 25:23, bij een andere man (de zoon van de Maächatiet). Voetnoot : מִקְטַרְתּוֹ (miqtarto), ‘zijn wierookvat’: een vat om wierook in te branden. Het woord komt ook voor in 2 Kron. 26:19. Voetnoot : עֲתַר (atar), ‘wasem’: dit woord komt alleen hier voor. Het betekent ‘geur’ of ‘dikke damp’. Wij kiezen ‘wasem’. Zie ook: Ex 24:1; Num 11:16; Num 11:25; Num 16:17; Num 16:35; 2 Kon 22:3; 2 Kon 25:23; 2 Kron 26:19 **8:12** Hij zei tot mij: **„Heb je gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis van Israël doen in het donker? Ieder doet het in de kamers van zijn afbeeldingen. Want zij zeggen: ‘Yahweh ziet ons niet. Yahweh heeft het land verlaten.’”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַי֮ (elay) = tot mij | הֲרָאִ֣יתָ (haraita) = heb je gezien | בֶן (ben) = zoon van | אָדָם֒ (adam) = mens | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | זִקְנֵ֤י (ziqnei) = de oudsten van | בֵֽית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | עֹשִׂ֣ים (osim) = doen | בַּחֹ֔שֶׁךְ (bachoshekh) = in het donker | אִ֖ישׁ (ish) = een man | בְּחַדְרֵ֣י (bechadrei) = in de kamers van | מַשְׂכִּית֑וֹ (maskito) = zijn afbeelding | כִּ֣י (ki) = want | אֹמְרִ֗ים (omerim) = zij zeggen | אֵ֤ין (ein) = niet | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | רֹאֶ֣ה (roe) = ziet | אֹתָ֔נוּ (otanu) = ons | עָזַ֥ב (azav) = heeft verlaten | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַדְרֵי מַשְׂכִּיתוֹ (chadrei maskito), ‘de kamers van zijn afbeeldingen’: het woord מַשְׂכִּית (maskit) staat ook in Lev. 26:1 en Num. 33:52 voor een beeld of een afbeelding. Het zijn de binnenkamers waar zij afgodsbeelden aanbidden. Voetnoot : אֵין יְהוָה רֹאֶה אֹתָנוּ (ein Yahweh ro’eh otanu), ‘Yahweh ziet ons niet’: de oudsten zeggen dat Yahweh niets meer ziet en het land heeft verlaten. Dezelfde woorden staan in Ezech. 9:9. Zie ook: Lev 26:1; Num 33:52; Jes 29:15; Ezech 8:15; Ezech 9:9; Joh 3:19–20; Ef 5:12 **8:13** Hij zei tot mij: **„Je zult nog eens grote gruwelen zien die zij doen.”** Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | ע֣וֹד (od) = nog | תָּשׁ֥וּב (tashuv) = zul je terugkeren | תִּרְאֶ֛ה (tire) = zul je zien | תּוֹעֵב֥וֹת (toevot) = gruwelen | גְּדֹל֖וֹת (gedolot) = grote | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵ֥מָּה (hema) = zij | עֹשִֽׂים (osim) = doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 9:2; Ezech 8:6; Ezech 8:15; 2 Tim 3:13 ### De vrouwen die Tammuz beweenden **8:14** Hij bracht mij naar de ingang van de noordelijke poort van het huis van Yahweh, en zie: daar zaten vrouwen die Tammuz beweenden. Brontekst: וַיָּבֵ֣א (vayave) = en Hij bracht | אֹתִ֗י (oti) = mij | אֶל (el) = naar | פֶּ֨תַח֙ (petach) = ingang van | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | אֶל (el) = naar | הַצָּפ֑וֹנָה (hatsafona) = het noorden | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | שָׁם֙ (sham) = daar | הַנָּשִׁ֣ים (hanashim) = de vrouwen | יֹֽשְׁב֔וֹת (yoshevot) = zittend | מְבַכּ֖וֹת (mevakot) = wenend om | אֶת (et) = (obj.) | הַתַּמּֽוּז (hatamuz) = Tammuz Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתַּמּוּז (hatTammuz), ‘Tammuz’: de naam komt alleen hier voor. Vaak wordt hij verbonden met een god uit Mesopotamië die door vrouwen werd beweend. De tekst zelf zegt alleen dat de vrouwen Tammuz beweenden. Voetnoot : שַׁעַר בֵּית יְהוָה אֲשֶׁר אֶל הַצָּפוֹנָה (sha’ar beit Yahweh asher el hatsafonah), ‘de poort van het huis van Yahweh die naar het noorden gericht is’: de noordelijke poort, zoals in vers 3. Zie ook: Ezech 8:3; Ezech 44:4; Ezech 46:9 **8:15** Hij zei tot mij: **„Heb je gezien, mensenkind? Je zult nog eens grotere gruwelen zien dan deze.”** Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | הֲרָאִ֣יתָ (haraita) = heb je gezien | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֑ם (adam) = mens | ע֣וֹד (od) = nog | תָּשׁ֥וּב (tashuv) = zul je terugkeren | תִּרְאֶ֛ה (tire) = zul je zien | תּוֹעֵב֥וֹת (toevot) = gruwelen | גְּדֹל֖וֹת (gedolot) = grote | מֵאֵֽלֶּה (meele) = dan deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵאֵלֶּה (me’elleh), ‘dan deze’: elke nieuwe gruwel is groter dan de vorige. Vers 6 en 13 hebben alleen ‘grote’, vers 15 zegt ‘grotere dan deze’. Zie ook: Ezech 8:6; Ezech 8:9; Ezech 8:12–13; Ezech 8:13; 2 Tim 3:13 ### Voor de zon buigen zij zich neer **8:16** Hij bracht mij naar de binnenste voorhof van het huis van Yahweh. En zie: bij de ingang van de tempel van Yahweh, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Zij hadden hun rug naar de tempel van Yahweh gekeerd en hun gezicht naar het oosten. Zij bogen zich neer voor de zon, naar het oosten. Brontekst: וַיָּבֵ֣א (vayave) = en Hij bracht | אֹתִ֗י (oti) = mij | אֶל (el) = naar | חֲצַ֣ר (chatsar) = voorhof van | בֵּית (beit) = het huis van | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | הַפְּנִימִית֒ (hapenimit) = de binnenste | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | פֶ֜תַח (petach) = ingang van | הֵיכַ֣ל (heikhal) = de tempel van | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בֵּ֤ין (bein) = tussen | הָֽאוּלָם֙ (haulam) = de voorhal | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | כְּעֶשְׂרִ֥ים (keesrim) = ongeveer twintig | וַחֲמִשָּׁ֖ה (vachamisha) = en vijf | אִ֑ישׁ (ish) = man | אֲחֹ֨רֵיהֶ֜ם (achoreihem) = hun rug | אֶל (el) = naar | הֵיכַ֤ל (heikhal) = de tempel van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | וּפְנֵיהֶ֣ם (ufeneihem) = en hun gezicht | קֵ֔דְמָה (qedema) = naar het oosten | וְהֵ֛מָּה (vehema) = en zij | מִשְׁתַּחֲוִיתֶ֥ם (mishtachavitem) = hun neerbuigen | קֵ֖דְמָה (qedema) = naar het oosten | לַשָּֽׁמֶשׁ (lashamesh) = voor de zon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵיכַל (hekal), ‘tempel’: het grote gebouw van het huis van Yahweh. אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de ruimte voor de ingang, zoals in 1 Kon. 6:3. Voetnoot : מִשְׁתַּחֲוִיתֶם (mishtachavitem), ‘zij bogen zich neer’: de vorm is ongewoon en wordt vaak als een gewone deelwoordsvorm gelezen. Zij hadden hun rug naar de tempel van Yahweh gekeerd; zo wendden zij zich af van het heiligdom. Voetnoot : לַשָּׁמֶשׁ (lashamesh), ‘voor de zon’: het neerbuigen voor de zon is verboden (Deut. 4:19, 17:3). Zie ook 2 Kon. 23:5 en 23:11. Zie ook: Deut 4:19; Deut 17:3; 1 Kon 6:3; 2 Kon 23:5; 2 Kon 23:11; Jer 2:27; Jer 32:33; Ezech 11:1 ### Ook Ik zal in grimmigheid handelen **8:17** Hij zei tot mij: **„Heb je gezien, mensenkind? Is het voor het huis van Juda te weinig om de gruwelen te doen die zij hier gedaan hebben? Want zij hebben het land met geweld gevuld en zijn steeds teruggekomen om Mij te tergen. Zie, zij houden de tak aan hun neus.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַי֮ (elay) = tot mij | הֲרָאִ֣יתָ (haraita) = heb je gezien | בֶן (ben) = zoon van | אָדָם֒ (adam) = mens | הֲנָקֵל֙ (hanaqel) = is het te weinig | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | מֵעֲשׂ֕וֹת (measot) = om te doen | אֶת (et) = (obj.) | הַתּוֹעֵב֖וֹת (hatoevot) = de gruwelen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָֽשׂוּ (asu) = zij hebben gedaan | פֹ֑ה (po) = hier | כִּֽי (ki) = want | מָלְא֨וּ (maleu) = zij hebben gevuld | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | חָמָ֗ס (chamas) = met geweld | וַיָּשֻׁ֨בוּ֙ (vayashuvu) = en zij zijn teruggekeerd | לְהַכְעִיסֵ֔נִי (lehakhiseni) = om Mij te tergen | וְהִנָּ֛ם (vehinam) = en zie hen | שֹׁלְחִ֥ים (sholechim) = zendend | אֶת (et) = (obj.) | הַזְּמוֹרָ֖ה (hazemora) = de tak | אֶל (el) = naar | אַפָּֽם (apam) = hun neus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַזְּמוֹרָה (hazzemorah), ‘de tak’: het zeldzame woord betekent ‘rank, snoeitak’. Het gebaar ‘de tak aan de neus houden’ is nergens anders bekend. De betekenis is onzeker, mogelijk een gebaar van spot of een gebruik bij de eredienst voor de zon. Wij laten het letterlijk staan. Voetnoot : חָמָס (chamas), ‘geweld’: het onrecht tegen mensen. Het woord staat hier naast de gruwelen tegen Yahweh. Zie ook: Mi 2:2; Sef 1:9; Jer 6:7; Ezech 7:23; Ezech 9:9 **8:18** **En ook Ik zal in grimmigheid handelen. Mijn oog zal niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben. Al roepen zij met luide stem in Mijn oren, Ik zal hen niet horen.”** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִי֙ (ani) = Ik | אֶעֱשֶׂ֣ה (eese) = zal doen | בְחֵמָ֔ה (bechema) = in grimmigheid | לֹֽא (lo) = niet | תָח֥וֹס (tachos) = zal sparen | עֵינִ֖י (eini) = Mijn oog | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶחְמֹ֑ל (echmol) = zal medelijden hebben | וְקָרְא֤וּ (veqareu) = en zij zullen roepen | בְאָזְנַי֙ (beazenay) = in Mijn oren | ק֣וֹל (qol) = stem | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֶשְׁמַ֖ע (eshma) = zal Ik horen | אוֹתָֽם (otam) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers herhaalt de formule uit Ezech. 5:11 en 7:4, 7:9: ‘Mijn oog zal niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben’. Zij zullen roepen, maar Yahweh luistert niet; vergelijk Jes. 1:15. Zie ook: Jes 1:15; Mi 3:4; Jer 11:11; Ezech 5:11; Ezech 7:4–9; Ezech 7:9; Zach 7:13 ## Ezechiël 9 _Zes mannen met wapens en een man in linnen: het oordeel begint bij het heiligdom_ ### De uitvoerders van het oordeel komen **9:1** Hij riep met luide stem in mijn oren: **„Kom dichtbij, jullie die de stad moeten straffen, ieder met zijn werktuig van verderf in zijn hand.”** Brontekst: וַיִּקְרָ֣א (vayiqra) = en hij riep | בְאָזְנַ֗י (beazenay) = in mijn oren | ק֤וֹל (qol) = een stem | גָּדוֹל֙ (gadol) = grote | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | קָרְב֖וּ (qarevu) = komt dichtbij | פְּקֻדּ֣וֹת (pequdot) = bezoekingen van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וְאִ֛ישׁ (veish) = en ieder | כְּלִ֥י (keli) = werktuig van | מַשְׁחֵת֖וֹ (mashcheto) = zijn verderf | בְּיָדֽוֹ (beyado) = in zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het is niet gezegd wie roept. Wij lezen de ‘luide stem’ als die van Yahweh, die ook in 8:18 spreekt, en zetten de woorden rood. Vers 4 zegt uitdrukkelijk dat Yahweh spreekt. Voetnoot : פקדות (peqquddot), ‘bezoekingen’: het woord betekent ‘toezicht’ of ‘straf, bezoeking’. Hier kan het gaan om degenen die de straf over de stad moeten uitvoeren. Wij vertalen ‘jullie die de stad moeten straffen’. Voetnoot : משׁחתו (mashchito), ‘zijn werktuig van verderf’: het woord ‘verderf’ komt van dezelfde stam als ‘de verderver’ in Exod. 12:23. Voetnoot Lezing: De vorm קרבו (qorvu) kan ook ‘zij zijn dichtbij gekomen’ betekenen: ‘de straffen over de stad zijn dichtbij’. Wij volgen de gebiedende wijs, omdat daarna ieder zijn wapen ‘in zijn hand’ heeft. Zie ook: Ex 12:23; 1 Kron 21:15; 2 Kon 10:24; Amos 3:7–8; Jes 6:8; Ezech 9:4; Openb 1:10–11 **9:2** En zie, zes mannen kwamen van de weg van de bovenste poort, die naar het noorden gekeerd is. Ieder had zijn slagwapen in zijn hand. Eén man onder hen was gekleed in linnen, met de inktkoker van een schrijver aan zijn heupen. Zij kwamen en bleven staan naast het koperen altaar. Brontekst: וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | שִׁשָּׁ֣ה (shisha) = zes | אֲנָשִׁ֡ים (anashim) = mannen | בָּאִ֣ים (baim) = komend | מִדֶּרֶךְ (miderekh) = van de weg van | שַׁ֨עַר (shaar) = poort | הָעֶלְי֜וֹן (haelyon) = de bovenste | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | מָפְנֶ֣ה (mafene) = gekeerd is | צָפ֗וֹנָה (tsafona) = naar het noorden | וְאִ֨ישׁ (veish) = en ieder | כְּלִ֤י (keli) = werktuig van | מַפָּצוֹ֙ (mapatso) = zijn slagwapen | בְּיָד֔וֹ (beyado) = in zijn hand | וְאִישׁ (veish) = en een man | אֶחָ֤ד (echad) = één | בְּתוֹכָם֙ (betokham) = in hun midden | לָבֻ֣שׁ (lavush) = gekleed in | בַּדִּ֔ים (badim) = linnen | וְקֶ֥סֶת (veqeset) = en inktkoker van | הַסֹּפֵ֖ר (hasofer) = de schrijver | בְּמָתְנָ֑יו (bematenav) = aan zijn heupen | וַיָּבֹ֨אוּ֙ (vayavou) = en zij kwamen | וַיַּ֣עַמְד֔וּ (vayaamdu) = en gingen staan | אֵ֖צֶל (etsel) = naast | מִזְבַּ֥ח (mizbach) = het altaar van | הַנְּחֹֽשֶׁת (hanechoshet) = het koper Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ‘bovenste poort’ is de noordelijke poort van het tempelterrein; zie ook 8:3 en 8:5. Zes mannen met wapens komen binnen, met één man in linnen als zevende. Voetnoot : מפצו (mappatso), ‘zijn slagwapen’: een zeldzaam woord, afgeleid van een werkwoord dat ‘stukslaan’ betekent. Voetnoot : בדים (baddim), ‘linnen’: de kleding van priesters (Lev. 16:4) en van een hemelse gestalte (Dan. 10:5). Wij laten open wie deze man is. Voetnoot : וקסת הספר (qeset hassofer), ‘inktkoker van de schrijver’: een kokertje met pennen en inkt, door de schrijver aan zijn gordel gedragen. De betekenis van het woord qeset is niet helemaal zeker. Voetnoot : מזבח הנחשׁת (mizbach hannechoshet), ‘het koperen altaar’: het brandofferaltaar van de tempel (2 Kon. 16:14). Zie ook: Lev 16:4; 2 Kon 15:35; 2 Kon 16:14; Ezech 10:2; Ezech 10:6–7; Dan 10:5; Openb 15:6 ### De heerlijkheid verlaat de cherub **9:3** De heerlijkheid van de Elohim van Israël steeg op van de cherub waarop zij was, naar de drempel van het huis. Hij riep de man die in linnen gekleed was en de inktkoker van een schrijver aan zijn heupen had. Brontekst: וּכְב֣וֹד (ukhevod) = en de heerlijkheid van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | נַעֲלָה֙ (naala) = ging omhoog | מֵעַ֤ל (meal) = van boven | הַכְּרוּב֙ (hakeruv) = de cherub | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarop | הָיָ֣ה (haya) = zij was | עָלָ֔יו (alav) = boven hem | אֶ֖ל (el) = naar | מִפְתַּ֣ן (miftan) = de drempel van | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וַיִּקְרָ֗א (vayiqra) = en hij riep | אֶל (el) = tot | הָאִישׁ֙ (haish) = de man | הַלָּבֻ֣שׁ (halavush) = gekleed in | הַבַּדִּ֔ים (habadim) = het linnen | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | קֶ֥סֶת (qeset) = inktkoker van | הַסֹּפֵ֖ר (hasofer) = de schrijver | בְּמָתְנָֽיו (bematenav) = aan zijn heupen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וכבוד (kavod), ‘heerlijkheid’: de zichtbare grootheid van Yahweh (Jes. 6:3; Exod. 40:34–35). Zij rust op de cherub, de troonwagen die in hoofdstuk 10 wordt beschreven. Voetnoot : מפתן (miftan), ‘drempel’: de dorpel van de ingang van het huis. De heerlijkheid van Yahweh verlaat stap voor stap het heiligdom: eerst de cherub, daarna de drempel (10:4, 10:18). Zie ook: Ex 40:34–35; Jes 6:3; Ezech 3:23; Ezech 8:4; Ezech 10:4; Ezech 11:22–23; Ezech 43:2–4 ### Een teken op de voorhoofden **9:4** Yahweh zei tegen hem: **„Ga midden door de stad, midden door Jeruzalem. Zet een teken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kreunen over alle gruwelen die daarin gebeuren.”** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלָ֔יו (elav) = tegen hem | עֲבֹר֙ (avor) = ga | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden door | הָעִ֔יר (hair) = de stad | בְּת֖וֹךְ (betokh) = midden door | יְרֽוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְהִתְוִ֨יתָ (vehitvita) = en zet | תָּ֜ו (tav) = een teken | עַל (al) = op | מִצְח֣וֹת (mitschot) = de voorhoofden van | הָאֲנָשִׁ֗ים (haanashim) = de mannen | הַנֶּֽאֱנָחִים֙ (haneenachim) = die zuchten | וְהַנֶּ֣אֱנָקִ֔ים (vehaneenaqim) = en die kreunen | עַ֚ל (al) = over | כָּל (kal) = alle | הַתּ֣וֹעֵב֔וֹת (hatoevot) = gruwelen | הַֽנַּעֲשׂ֖וֹת (hanaasot) = die gedaan worden | בְּתוֹכָֽהּ (betokhah) = in haar midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: תו (tav), ‘teken’: het is de naam van de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. In het oudste schrift had die letter de vorm van een kruisje. Het teken beschermt degenen die het dragen, zoals het bloed op de deurposten in Exod. 12:13. Voetnoot : הנאנחים (hanne’enachim), ‘die zuchten’, en והנאנקים (hanne’enaqim), ‘die kreunen’: zij treuren over wat in de stad gebeurt. Vergelijk Ps. 12:6, waar het zuchten van de armen Yahweh doet opstaan. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat אלו (elo); de overlevering leest אליו (elav), ‘tegen hem’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ex 12:13; Ps 12:6; 2 Kor 1:22; Openb 7:2–3; Openb 9:4; Openb 14:1; Openb 20:4 ### Het oordeel begint bij het heiligdom **9:5** Tegen de anderen zei Hij in mijn oren: **„Ga achter hem aan door de stad en sla. Laat jullie oog niet sparen en heb geen medelijden.** Brontekst: וּלְאֵ֨לֶּה֙ (uleele) = en tegen deze | אָמַ֣ר (amar) = zei Hij | בְּאָזְנַ֔י (beazenay) = in mijn oren | עִבְר֥וּ (ivru) = gaat | בָעִ֛יר (bair) = door de stad | אַחֲרָ֖יו (acharav) = achter hem | וְהַכּ֑וּ (vehaku) = en slaat | אַל (al) = niet | תָּחֹ֥ס (tachos) = laat sparen | עֵינְכֶ֖ם (einekhem) = jullie oog | וְאַל (veal) = en niet | תַּחְמֹֽלוּ (tachmolu) = heeft medelijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een tweede opdracht, nu aan de zes mannen met de wapens. Zij gaan achter de man met de inktkoker aan. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat על (al, met ajin), ‘over’; de overlevering leest אל (al), ‘niet’. Wij volgen de lezing. Voetnoot : In de geschreven tekst staat het woord voor ‘oog’ in het meervoud, עיניכם (eyneykhem), ‘jullie ogen’; de overlevering leest עינכם (eynkhem), ‘jullie oog’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Deut 32:39–42; 1 Sam 9:15; 1 Kon 18:40; Ezech 5:11; Ezech 24:14 **9:6** **Oude man, jongeman, meisje, kind en vrouwen: dood hen tot de vernietiging toe. Maar kom niet dicht bij iemand die het teken op zich heeft. Begin bij Mijn heiligdom.”** Zij begonnen bij de oudsten die voor het huis waren. Brontekst: זָקֵ֡ן (zaqen) = oude man | בָּח֣וּר (bachur) = jongeman | וּבְתוּלָה֩ (uvetula) = en meisje | וְטַ֨ף (vetaf) = en kind | וְנָשִׁ֜ים (venashim) = en vrouwen | תַּהַרְג֣וּ (tahargu) = jullie zullen doden | לְמַשְׁחִ֗ית (lemashchit) = tot vernietiging | וְעַל (veal) = en tegen | כָּל (kal) = ieder | אִ֨ישׁ (ish) = man | אֲשֶׁר (asher) = die | עָלָ֤יו (alav) = op hem | הַתָּו֙ (hatav) = het teken | אַל (al) = niet | תִּגַּ֔שׁוּ (tigashu) = komt dichtbij | וּמִמִּקְדָּשִׁ֖י (umimiqdashi) = en vanuit Mijn heiligdom | תָּחֵ֑לּוּ (tachelu) = begint | וַיָּחֵ֨לּוּ֙ (vayachelu) = en zij begonnen | בָּאֲנָשִׁ֣ים (baanashim) = bij de mannen | הַזְּקֵנִ֔ים (hazeqenim) = de oudsten | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: למשׁחית (lemashchit), ‘tot vernietiging’: van dezelfde stam als ‘verderf’ in vers 1 en ‘verderver’ in Exod. 12:23. De opdracht is dat zij doden totdat de stad vernietigd is. Voetnoot : וממקדשׁי (miqdashi), ‘Mijn heiligdom’: de tempel zelf. Het oordeel begint dus bij de plek van Yahweh. Vergelijk 1 Petr. 4:17. Voetnoot : הזקנים (hazzeqenim), ‘de oudsten’: zij staan ‘voor het huis’. Zie ook 8:11–12, waar oudsten in de tempel wierook brengen. Zie ook: Ex 12:23; Jer 25:29; Ezech 9:1; 1 Petr 4:17–18; 2 Tim 2:19; Openb 9:4 **9:7** Hij zei tegen hen: **„Maak het huis onrein en vul de voorhoven met gedoden. Ga naar buiten!”** Zij gingen naar buiten en sloegen in de stad. Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tegen hen | טַמְּא֣וּ (tameu) = maakt onrein | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֗יִת (habayit) = het huis | וּמַלְא֧וּ (umalu) = en vult | אֶת (et) = (obj.) | הַחֲצֵר֛וֹת (hachatserot) = de voorhoven | חֲלָלִ֖ים (chalalim) = met gedoden | צֵ֑אוּ (tseu) = gaat uit | וְיָצְא֖וּ (veyatseu) = en zij gingen uit | וְהִכּ֥וּ (vehiku) = en zij sloegen | בָעִֽיר (bair) = in de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חללים (chalalim), ‘gedoden’: mensen die doodgeslagen zijn. Het woord komt vaak voor in dit boek. Voetnoot : טמאו (tamme’u), ‘maak onrein’: de doden maken het huis onrein (Num. 19:11–13). Het oordeel ontheiligt zo de plek die al ontheiligd was door de gruwelen uit hoofdstuk 8. Zie ook: Num 19:11–13; Ps 79:1–3; 2 Kron 36:17; Klaagl 2:4–7; Ezech 7:20–22; Luc 13:1 ### Ezechiëls kreet **9:8** Terwijl zij sloegen, bleef ik achter. Ik viel op mijn gezicht en riep luid: „Ach, Heer Yahweh! Gaat U alle overgeblevenen van Israël vernietigen door Uw grimmigheid over Jeruzalem uit te storten?” Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het gebeurde | כְּהַכּוֹתָ֔ם (kehakotam) = toen zij sloegen | וְנֵֽאשֲׁאַ֖ר (veneshaar) = en bleef achter | אָ֑נִי (ani) = ik | וָאֶפְּלָ֨ה (vaepela) = en ik viel | עַל (al) = op | פָּנַ֜י (panay) = mijn gezicht | וָאֶזְעַ֗ק (vaezaq) = en ik riep luid | וָֽאֹמַר֙ (vaomar) = en ik zei | אֲהָהּ֙ (ahah) = ach | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֲמַשְׁחִ֣ית (hamashchit) = verderft | אַתָּ֗ה (ata) = U | אֵ֚ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | שְׁאֵרִ֣ית (sheerit) = de overgeblevenen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בְּשָׁפְכְּךָ֥ (beshafkekha) = door uit te storten | אֶת (et) = (obj.) | חֲמָתְךָ֖ (chamatekha) = Uw grimmigheid | עַל (al) = over | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4. Voetnoot : שׁארית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: wie na eerdere rampen nog over is. Ezechiël vreest dat niemand zal overblijven. Zie ook 11:13. Voetnoot : ונאשׁאר (venisha’er), ‘en ik bleef achter’: Ezechiël blijft over terwijl de anderen worden geslagen. Zie ook: Num 17:10; Joz 7:6; 1 Kron 21:16; Ezech 2:4; Ezech 4:14; Ezech 11:13 ### Het antwoord van Yahweh **9:9** Hij zei tegen mij: **„De schuld van het huis van Israël en Juda is buitengewoon groot. Het land is vol bloed en de stad is vol onrecht. Want zij zeggen: ‘Yahweh heeft het land verlaten. Yahweh ziet het niet.’** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | עֲוֺ֨ן (avon) = schuld van | בֵּֽית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | וִֽיהוּדָה֙ (vihuda) = en Juda | גָּדוֹל֙ (gadol) = groot | בִּמְאֹ֣ד (bimod) = zeer | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַתִּמָּלֵ֤א (vatimale) = en is gevuld | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | דָּמִ֔ים (damim) = met bloed | וְהָעִ֖יר (vehair) = en de stad | מָלְאָ֣ה (malea) = is vol van | מֻטֶּ֑ה (mute) = onrecht | כִּ֣י (ki) = want | אָמְר֗וּ (ameru) = zij zeggen | עָזַ֤ב (azav) = heeft verlaten | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְאֵ֥ין (veein) = en niet is | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | רֹאֶֽה (roe) = ziend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מטה (mutteh), ‘onrecht’: een zeldzaam woord dat van het werkwoord ‘buigen’ komt, dus ‘verdraaid recht’. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : גדול במאד מאד (gadol bim’od me’od), ‘buitengewoon groot’: letterlijk ‘groot, zeer, zeer’. Voetnoot : Het volk zegt: ‘Yahweh heeft het land verlaten.’ Vergelijk 8:12, waar dezelfde woorden staan. Zie ook: Job 22:13; 2 Kron 36:14–16; Jes 29:15; Ezech 7:23; Ezech 8:12 **9:10** **Ook Ik zal Mijn oog niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben. Ik leg hun weg op hun hoofd.”** Brontekst: וְגַ֨ם (vegam) = en ook | אֲנִ֔י (ani) = Ik | לֹא (lo) = niet | תָח֥וֹס (tachos) = zal sparen | עֵינִ֖י (eini) = Mijn oog | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶחְמֹ֑ל (echmol) = zal Ik medelijden hebben | דַּרְכָּ֖ם (darkam) = hun weg | בְּרֹאשָׁ֥ם (berosham) = op hun hoofd | נָתָֽתִּי (natati) = leg Ik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דרכם בראשׁם נתתי (darkam berosham natati), ‘Ik leg hun weg op hun hoofd’: een uitdrukking voor ‘Ik laat hen de gevolgen van hun daden dragen’. Dezelfde woorden staan in 11:21. Zie ook: Hos 9:7; Jes 65:6; Ezech 7:4; Ezech 8:18; Ezech 11:21 ### De man in linnen meldt zich terug **9:11** En zie, de man die in linnen gekleed was, met de inktkoker aan zijn heupen, bracht verslag uit. Hij zei: „Ik heb alles gedaan wat U mij bevolen hebt.” Brontekst: וְהִנֵּ֞ה (vehine) = en zie | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | לְבֻ֣שׁ (levush) = gekleed in | הַבַּדִּ֗ים (habadim) = het linnen | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הַקֶּ֨סֶת֙ (haqeset) = de inktkoker | בְּמָתְנָ֔יו (bematenav) = aan zijn heupen | מֵשִׁ֥יב (meshiv) = bracht terug | דָּבָ֖ר (davar) = een bericht | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | עָשִׂ֕יתִי (asiti) = ik heb gedaan | כְּכֹ֖ל (kekhol) = overeenkomstig alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | צִוִּיתָֽנִי (tsivitani) = U mij hebt bevolen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: משׁיב דבר (meshiv davar), ‘bracht verslag uit’: letterlijk ‘bracht een woord terug’. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat כאשר (ka’asher), ‘zoals’; de overlevering leest ככל אשׁר (kekhol asher), ‘overeenkomstig alles wat’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ps 103:20; Jes 46:10–11; Zach 1:10–11; Zach 6:7–8; Openb 16:2 ## Ezechiël 10 _Vuur uit de cherubs over de stad en de heerlijkheid van Yahweh verlaat de drempel_ ### De troon boven de cherubs **10:1** Ik keek, en zie, op het uitspansel boven het hoofd van de cherubs was iets als een saffier. Het zag eruit als een troon en het verscheen boven hen. Brontekst: וָאֶרְאֶ֗ה (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | אֶל (el) = op | הָרָקִ֨יעַ֙ (haraqia) = het uitspansel | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | עַל (al) = boven | רֹ֣אשׁ (rosh) = het hoofd van | הַכְּרֻבִ֔ים (hakeruvim) = de cherubs | כְּאֶ֣בֶן (keeven) = als een steen van | סַפִּ֔יר (sapir) = saffier | כְּמַרְאֵ֖ה (kemare) = als het uiterlijk van | דְּמ֣וּת (demut) = de gedaante van | כִּסֵּ֑א (kise) = een troon | נִרְאָ֖ה (nira) = verscheen | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = boven hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הרקיע (haraqia), ‘het uitspansel’: de gewelfde plaat boven de hoofden van de levende wezens in Ezech. 1:22. Daarboven zag Ezechiël een troon van saffier (Ezech. 1:26). Voetnoot : ספיר (sappir), ‘saffier’: een blauwe edelsteen, zoals het plaveisel onder de voeten van Elohim in Exod. 24:10. Voetnoot : De ‘cherubs’ zijn de levende wezens uit het eerste hoofdstuk; vers 15 en 20 zeggen dat uitdrukkelijk. Zie ook: Gen 18:17; Ex 24:10; Ezech 1:22–26; Ezech 1:26; Ezech 10:15; Ezech 10:20; Openb 1:13; Openb 4:2–3 ### Vuur over de stad **10:2** Hij sprak tegen de man die in linnen gekleed was en zei: **„Ga naar binnen, tussen het wielwerk, onder de cherub. Vul je handen met vurige kolen van tussen de cherubs en strooi ze uit over de stad.”** De man ging naar binnen voor mijn ogen. Brontekst: וַיֹּ֜אמֶר (vayomer) = en zei | אֶל (el) = tegen | הָאִ֣ישׁ (haish) = de man | לְבֻ֣שׁ (levush) = gekleed in | הַבַּדִּ֗ים (habadim) = het linnen | וַיֹּ֡אמֶר (vayomer) = en zei | בֹּא֩ (bo) = ga | אֶל (el) = naar | בֵּינ֨וֹת (beinot) = tussen | לַגַּלְגַּ֜ל (lagalgal) = het wielwerk | אֶל (el) = naar | תַּ֣חַת (tachat) = onder | לַכְּר֗וּב (lakeruv) = de cherub | וּמַלֵּ֨א (umale) = en vul | חָפְנֶ֤יךָ (chafeneikha) = je handen | גַֽחֲלֵי (gachalei) = kolen van | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | מִבֵּינ֣וֹת (mibeinot) = van tussen | לַכְּרֻבִ֔ים (lakeruvim) = de cherubs | וּזְרֹ֖ק (uzeroq) = en strooi uit | עַל (al) = over | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַיָּבֹ֖א (vayavo) = en hij ging naar binnen | לְעֵינָֽי (leeinay) = voor mijn ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie spreekt, wordt niet genoemd: het is ‘Hij’. Wij lezen dat als Yahweh, die vanaf de troon boven de cherubs spreekt, en zetten de woorden rood. Voetnoot : לגלגל (galgal), ‘wielwerk’: het woord betekent ‘rollend wiel’ en komt in vers 13 als naam voor de wielen terug. Het is een ander woord dan האופן (ha’ofan), ‘het wiel’, in vers 6. Voetnoot : חפניך (chofnayikh), ‘je beide handen’: de holle handen, vol genomen met kolen. Voetnoot : גחלי אשׁ (gachalei esh), ‘vurige kolen’. Het vuur, over de stad uitgestrooid, past bij het oordeel in hoofdstuk 9. Vergelijk Jes. 6:6, waar een gloeiende steen juist zuivert. Voetnoot : וזרק (uzraq), ‘strooi uit’: het werkwoord wordt ook gebruikt voor het sprenkelen van bloed (Lev. 1:5). Zie ook: Lev 1:5; Jes 6:6; Jer 24:8–10; Ezech 1:13; Ezech 1:15–20; Ezech 10:6; Ezech 10:13; Ezech 10:16; Openb 8:5 **10:3** De cherubs stonden aan de rechterkant van het huis toen de man naar binnen ging. De wolk vulde de binnenste voorhof. Brontekst: וְהַכְּרֻבִ֗ים (vehakeruvim) = en de cherubs | עֹֽמְדִ֛ים (omedim) = staand | מִימִ֥ין (mimin) = aan de rechterkant | לַבַּ֖יִת (labayit) = van het huis | בְּבֹא֣וֹ (bevoo) = bij zijn binnengaan | הָאִ֑ישׁ (haish) = de man | וְהֶעָנָ֣ן (veheanan) = en de wolk | מָלֵ֔א (male) = vulde | אֶת (et) = (obj.) | הֶחָצֵ֖ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִֽית (hapenimit) = de binnenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מימין (mimin), ‘aan de rechterkant’: het huis kijkt naar het oosten, dus rechts is de zuidkant. Voetnoot : החצר הפנימית (hachatser happenimit), ‘de binnenste voorhof’: de voorhof vlak om het huis. De ‘buitenste voorhof’ staat in vers 5. Zie ook: Ezech 8:16; Ezech 9:3; Ezech 10:5; Ezech 43:4 **10:4** De heerlijkheid van Yahweh steeg op van de cherub naar de drempel van het huis. Het huis werd vol van de wolk, en de voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van Yahweh. Brontekst: וַיָּ֤רָם (vayaram) = en verhief zich | כְּבוֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | מֵעַ֣ל (meal) = van boven | הַכְּר֔וּב (hakeruv) = de cherub | עַ֖ל (al) = naar | מִפְתַּ֣ן (miftan) = drempel van | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וַיִּמָּלֵ֤א (vayimale) = en werd vol | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | אֶת (et) = (obj.) | הֶ֣עָנָ֔ן (heanan) = de wolk | וְהֶֽחָצֵר֙ (vehechatser) = en de voorhof | מָֽלְאָ֔ה (malea) = was vol van | אֶת (et) = (obj.) | נֹ֖גַהּ (nogah) = glans van | כְּב֥וֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De heerlijkheid van Yahweh verlaat de cherub en gaat naar de drempel, zoals in 9:3. De wolk en de glans doen denken aan het moment waarop Yahweh in het huis kwam wonen (Exod. 40:34–35; 1 Kon. 8:10–11). Voetnoot : נגה (nogah), ‘glans’: het licht dat van Yahweh uitgaat. Zie ook: Ex 40:34–35; 1 Kon 8:10–11; Ezech 1:28; Ezech 9:3; Ezech 10:18; Ezech 11:22–23; Openb 15:8 **10:5** Het geluid van de vleugels van de cherubs was te horen tot in de buitenste voorhof, als de stem van El Sjaddai wanneer Hij spreekt. Brontekst: וְקוֹל֙ (veqol) = en het geluid van | כַּנְפֵ֣י (kanfei) = vleugels van | הַכְּרוּבִ֔ים (hakeruvim) = de cherubs | נִשְׁמַ֕ע (nishma) = werd gehoord | עַד (ad) = tot | הֶחָצֵ֖ר (hechatser) = de voorhof | הַחִיצֹנָ֑ה (hachitsona) = de buitenste | כְּק֥וֹל (keqol) = als de stem van | אֵל (el) = El | שַׁדַּ֖י (shaday) = Sjaddai | בְּדַבְּרֽוֹ (bedabero) = wanneer Hij spreekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אל שׁדי (El Sjaddai): zo heeft Yahweh Zich aan de aartsvaders bekendgemaakt (Exod. 6:3). Het geluid van de vleugels is zo sterk als de stem van Elohim zelf. Zie ook: Job 37:2–5; Job 40:9; Ex 6:3; Ex 19:19; Ex 20:18–19; Ezech 1:24 **10:6** Hij beval de man die in linnen gekleed was: **„Neem vuur van tussen het wielwerk, van tussen de cherubs.”** De man ging naar binnen en bleef naast het wiel staan. Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het gebeurde | בְּצַוֺּתוֹ֙ (betsavoto) = toen Hij beval | אֶת (et) = (obj.) | הָאִ֤ישׁ (haish) = de man | לְבֻֽשׁ (levush) = gekleed in | הַבַּדִּים֙ (habadim) = het linnen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | קַ֥ח (qach) = neem | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | מִבֵּינ֣וֹת (mibeinot) = van tussen | לַגַּלְגַּ֔ל (lagalgal) = het wielwerk | מִבֵּינ֖וֹת (mibeinot) = van tussen | לַכְּרוּבִ֑ים (lakeruvim) = de cherubs | וַיָּבֹא֙ (vayavo) = en hij ging naar binnen | וַֽיַּעֲמֹ֔ד (vayaamod) = en hij ging staan | אֵ֖צֶל (etsel) = naast | הָאוֹפָֽן (haofan) = het wiel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit herhaalt de opdracht uit vers 2. In het Hebreeuws begint de zin met ‘het gebeurde toen Hij beval’; wij splitsen hem. Ook hier staat dat Hij (Yahweh) beveelt; de bevelswoorden zijn rood. Voetnoot : האופן (ha’ofan), ‘het wiel’: het woord voor de gewone wielen van de wagen, tegenover לגלגל (haggilgal), ‘wielwerk’. Zie ook: Ps 80:2; Ps 99:1; Ezech 10:2 **10:7** Een cherub stak zijn hand uit van tussen de cherubs naar het vuur dat tussen de cherubs was. De cherub nam ervan op en legde het in de handen van hem die in linnen gekleed was. De man nam het en ging naar buiten. Brontekst: וַיִּשְׁלַח֩ (vayishlach) = en strekte uit | הַכְּר֨וּב (hakeruv) = de cherub | אֶת (et) = (obj.) | יָד֜וֹ (yado) = zijn hand | מִבֵּינ֣וֹת (mibeinot) = van tussen | לַכְּרוּבִ֗ים (lakeruvim) = de cherubs | אֶל (el) = naar | הָאֵשׁ֙ (haesh) = het vuur | אֲשֶׁר֙ (asher) = dat | בֵּינ֣וֹת (beinot) = tussen | הַכְּרֻבִ֔ים (hakeruvim) = de cherubs | וַיִּשָּׂא֙ (vayisa) = en hief op | וַיִּתֵּ֔ן (vayiten) = en gaf | אֶל (el) = in | חָפְנֵ֖י (chafenei) = de handen van | לְבֻ֣שׁ (levush) = gekleed in | הַבַּדִּ֑ים (habadim) = het linnen | וַיִּקַּ֖ח (vayiqach) = en hij nam | וַיֵּצֵֽא (vayetse) = en hij ging naar buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Een cherub reikt het vuur aan. Het vuur komt dus uit de troonwagen van Elohim. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij die in linnen gekleed was’; het woord ‘man’ staat er in dit vers niet. In de verzen 2, 6 en 7 schrijven wij waar het Hebreeuws alleen ‘hij’ heeft ‘de man’ of ‘de cherub’, om verwarring met Yahweh te voorkomen. Zie ook: Ezech 1:13; Ezech 10:6; Ezech 41:23–26; Mat 13:41–42; Mat 24:34–35 **10:8** Bij de cherubs was onder hun vleugels de gedaante van een mensenhand te zien. Brontekst: וַיֵּרָ֖א (vayera) = en werd gezien | לַכְּרֻבִ֑ים (lakeruvim) = bij de cherubs | תַּבְנִית֙ (tavnit) = gedaante van | יַד (yad) = hand van | אָדָ֔ם (adam) = een mens | תַּ֖חַת (tachat) = onder | כַּנְפֵיהֶֽם (kanfeihem) = hun vleugels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תבנית יד אדם (tavnit yad adam), ‘de gedaante van een mensenhand’: vergelijk 1:8 en vers 21. Dit is de hand die in vers 7 het vuur aanreikt. Zie ook: Jes 6:6; Ezech 1:8; Ezech 10:7; Ezech 10:21 ### De wielen naast de cherubs **10:9** Ik keek, en zie, vier wielen naast de cherubs: één wiel naast de ene cherub en één wiel naast de andere cherub. Het uiterlijk van de wielen was als de glans van een chrysoliet. Brontekst: וָאֶרְאֶ֗ה (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | אַרְבָּעָ֣ה (arbaa) = vier | אוֹפַנִּים֮ (ofanim) = wielen | אֵ֣צֶל (etsel) = naast | הַכְּרוּבִים֒ (hakeruvim) = de cherubs | אוֹפַ֣ן (ofan) = wiel | אֶחָ֗ד (echad) = één | אֵ֚צֶל (etsel) = naast | הַכְּר֣וּב (hakeruv) = de cherub | אֶחָ֔ד (echad) = één | וְאוֹפַ֣ן (veofan) = en wiel | אֶחָ֔ד (echad) = één | אֵ֖צֶל (etsel) = naast | הַכְּר֣וּב (hakeruv) = de cherub | אֶחָ֑ד (echad) = één | וּמַרְאֵה֙ (umare) = en het uiterlijk van | הָא֣וֹפַנִּ֔ים (haofanim) = de wielen | כְּעֵ֖ין (keein) = als de glans van | אֶ֥בֶן (even) = steen | תַּרְשִֽׁישׁ (tarshish) = chrysoliet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תרשׁישׁ (tarshish), ‘chrysoliet’: een edelsteen die waarschijnlijk goudgeel of groen glinsterde. Dezelfde steen staat in Exod. 28:20 (‘chrysoliet’), maar zeker is de herkenning niet. Voetnoot : כעין (ke’ein), ‘als de glans van’: het woord betekent letterlijk ‘als het oog van’. Het kan ‘glans’ of ‘kleur’ betekenen. Zie ook: Ex 28:20; Ezech 1:15–17; Dan 10:6; Openb 21:20 **10:10** Hun uiterlijk had voor alle vier dezelfde gedaante: alsof een wiel binnenin een wiel was. Brontekst: וּמַ֨רְאֵיהֶ֔ם (umareihem) = en hun uiterlijk | דְּמ֥וּת (demut) = gedaante | אֶחָ֖ד (echad) = één | לְאַרְבַּעְתָּ֑ם (learbatam) = voor alle vier | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = alsof | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zou zijn | הָאוֹפַ֖ן (haofan) = het wiel | בְּת֥וֹךְ (betokh) = binnenin | הָאוֹפָֽן (haofan) = het wiel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 36:7; Ps 97:2; Ps 104:24; Ezech 1:16; Rom 11:33 **10:11** Als zij gingen, gingen zij naar hun vier kanten. Zij draaiden zich niet om als zij gingen. Want waarheen het hoofd zich richtte, daarheen gingen zij erachteraan. Zij draaiden zich niet om als zij gingen. Brontekst: בְּלֶכְתָּ֗ם (belekhtam) = bij hun gaan | אֶל (el) = naar | אַרְבַּ֤עַת (arbaat) = vier | רִבְעֵיהֶם֙ (riveihem) = hun kanten | יֵלֵ֔כוּ (yelekhu) = zij gingen | לֹ֥א (lo) = niet | יִסַּ֖בּוּ (yisabu) = zij draaiden zich om | בְּלֶכְתָּ֑ם (belekhtam) = bij hun gaan | כִּ֣י (ki) = want | הַמָּק֞וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | יִפְנֶ֤ה (yifne) = zich richtte | הָרֹאשׁ֙ (harosh) = het hoofd | אַחֲרָ֣יו (acharav) = erachter | יֵלֵ֔כוּ (yelekhu) = zij gingen | לֹ֥א (lo) = niet | יִסַּ֖בּוּ (yisabu) = zij draaiden zich om | בְּלֶכְתָּֽם (belekhtam) = bij hun gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 1:17; Ezech 1:20; Ezech 10:22; Mat 8:8–10 **10:12** Heel hun lichaam, hun ruggen, hun handen en hun vleugels, en de wielen, waren rondom vol ogen: de wielen van alle vier. Brontekst: וְכָל (vekhal) = en heel | בְּשָׂרָם֙ (besaram) = hun lichaam | וְגַבֵּהֶ֔ם (vegabehem) = en hun ruggen | וִֽידֵיהֶ֖ם (videihem) = en hun handen | וְכַנְפֵיהֶ֑ם (vekhanfeihem) = en hun vleugels | וְהָאֽוֹפַנִּ֗ים (vehaofanim) = en de wielen | מְלֵאִ֤ים (meleim) = vol | עֵינַ֨יִם֙ (einayim) = ogen | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | לְאַרְבַּעְתָּ֖ם (learbatam) = voor alle vier | אוֹפַנֵּיהֶֽם (ofaneihem) = hun wielen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וגבהם (gabbam), ‘hun ruggen’: letterlijk ‘hun rug’ in het meervoud. Het woord kan ook ‘velgen’ betekenen, zoals in 1:18; wij kiezen ‘ruggen’ omdat het tussen lichaam en handen staat. Voetnoot : De ogen op de wielen komen ook voor in 1:18. Zie ook: Ezech 1:18; Openb 4:6; Openb 4:8 **10:13** De wielen werden in mijn oren ‘het wielwerk’ genoemd. Brontekst: לָא֖וֹפַנִּ֑ים (laofanim) = aan de wielen | לָהֶ֛ם (lahem) = aan hen | קוֹרָ֥א (qora) = is geroepen | הַגַּלְגַּ֖ל (hagalgal) = het wielwerk | בְּאָזְנָֽי (beazenay) = in mijn oren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הגלגל (haggilgal), ‘het wielwerk’: de tekst zegt letterlijk ‘aan de wielen – aan hen – werd geroepen: het wielwerk’. Het kan een naam zijn die de wielen kregen, of een bevel dat tot hen gericht werd. Wij kiezen de eerste lezing. ### De vier gezichten **10:14** Elk had vier gezichten. Het eerste gezicht was dat van een cherub en het tweede dat van een mens. Het derde was dat van een leeuw en het vierde dat van een arend. Brontekst: וְאַרְבָּעָ֥ה (vearbaa) = en vier | פָנִ֖ים (panim) = gezichten | לְאֶחָ֑ד (leechad) = voor elk | פְּנֵ֨י (penei) = gezicht van | הָאֶחָ֜ד (haechad) = de eerste | פְּנֵ֣י (penei) = gezicht van | הַכְּר֗וּב (hakeruv) = de cherub | וּפְנֵ֤י (ufenei) = en gezicht van | הַשֵּׁנִי֙ (hasheni) = de tweede | פְּנֵ֣י (penei) = gezicht van | אָדָ֔ם (adam) = een mens | וְהַשְּׁלִישִׁי֙ (vehashelishi) = en de derde | פְּנֵ֣י (penei) = gezicht van | אַרְיֵ֔ה (arye) = een leeuw | וְהָרְבִיעִ֖י (veharevii) = en de vierde | פְּנֵי (penei) = gezicht van | נָֽשֶׁר (nasher) = een arend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In Ezech. 1:10 staat op de plaats van het gezicht van de cherub het gezicht van een stier. Hier heet dat gezicht ‘het gezicht van de cherub’. Wij laten beide zoals het Hebreeuws ze geeft. Zie ook: 1 Kon 7:29; 1 Kon 7:36; Ezech 1:6–10; Ezech 1:10; Ezech 10:21; Openb 4:7 **10:15** De cherubs stegen op. Dat is het levende wezen dat ik aan de rivier de Kebar had gezien. Brontekst: וַיֵּרֹ֖מּוּ (vayeromu) = en stegen op | הַכְּרוּבִ֑ים (hakeruvim) = de cherubs | הִ֣יא (hi) = zij | הַחַיָּ֔ה (hachaya) = het levende wezen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | רָאִ֖יתִי (raiti) = ik had gezien | בִּֽנְהַר (binhar) = bij de rivier | כְּבָֽר (kevar) = Kebar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel. Daar woonden de ballingen met Ezechiël. Voetnoot Uitleg: החיה (hachayyah), ‘het levende wezen’: de dieren uit het eerste hoofdstuk. Het woord staat in het enkelvoud, als een verzamelnaam. Voetnoot : בנהר כבר (benahar Kevar), ‘aan de rivier de Kebar’: een kanaal in Babylonië, waar de ballingen woonden (Ezech. 1:1, 3:15). Zie ook: Ezech 1:1; Ezech 1:3; Ezech 1:5; Ezech 1:13–14; Ezech 3:15; Ezech 8:6; Ezech 43:3 **10:16** Als de cherubs gingen, gingen de wielen naast hen. Als de cherubs hun vleugels hieven om zich boven de aarde te verheffen, draaiden ook de wielen zich niet van hun zijde af. Brontekst: וּבְלֶ֨כֶת֙ (uvelekhet) = en bij het gaan van | הַכְּרוּבִ֔ים (hakeruvim) = de cherubs | יֵלְכ֥וּ (yelekhu) = gingen | הָאוֹפַנִּ֖ים (haofanim) = de wielen | אֶצְלָ֑ם (etslam) = naast hen | וּבִשְׂאֵ֨ת (uviset) = en bij het heffen van | הַכְּרוּבִ֜ים (hakeruvim) = de cherubs | אֶת (et) = (obj.) | כַּנְפֵיהֶ֗ם (kanfeihem) = hun vleugels | לָרוּם֙ (larum) = om zich te verheffen | מֵעַ֣ל (meal) = boven | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | לֹא (lo) = niet | יִסַּ֧בּוּ (yisabu) = draaiden zich om | הָאוֹפַנִּ֛ים (haofanim) = de wielen | גַּם (gam) = ook | הֵ֖ם (hem) = zij | מֵאֶצְלָֽם (meetslam) = van hun zijde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 1:19–21 **10:17** Als de cherubs bleven staan, bleven de wielen staan. Als zij zich verhieven, verhieven de wielen zich met hen. Want de geest van het levende wezen was in hen. Brontekst: בְּעָמְדָ֣ם (beamedam) = bij hun blijven staan | יַעֲמֹ֔דוּ (yaamodu) = zij blijven staan | וּבְרוֹמָ֖ם (uveromam) = en bij hun zich verheffen | יֵר֣וֹמּוּ (yeromu) = zij verheffen zich | אוֹתָ֑ם (otam) = met hen | כִּ֛י (ki) = want | ר֥וּחַ (ruach) = geest van | הַחַיָּ֖ה (hachaya) = het levende wezen | בָּהֶֽם (bahem) = in hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit vers zijn de onderwerpen niet genoemd. Wij lezen: de cherubs blijven staan en de wielen staan stil; de cherubs stijgen op en de wielen stijgen met hen mee. Voetnoot : רוח החיה (ruach hachayyah), ‘de geest van het levende wezen’: het woord ruach is ‘geest’ of ‘wind’. De wielen bewegen mee met wat de cherubs drijft. Zie ook: Gen 2:7; Ezech 1:12; Ezech 1:20–21; Rom 8:2; Openb 11:11 ### De heerlijkheid van Yahweh verlaat de drempel **10:18** De heerlijkheid van Yahweh ging weg van de drempel van het huis en bleef staan boven de cherubs. Brontekst: וַיֵּצֵא֙ (vayetse) = en ging uit | כְּב֣וֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מֵעַ֖ל (meal) = van boven | מִפְתַּ֣ן (miftan) = drempel van | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | וַֽיַּעֲמֹ֖ד (vayaamod) = en bleef staan | עַל (al) = boven | הַכְּרוּבִֽים (hakeruvim) = de cherubs Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 18:11; Ps 78:60–61; Jer 7:12–14; Ezech 7:20–22; Mat 23:37–39 **10:19** De cherubs hieven hun vleugels op en stegen voor mijn ogen van de aarde op toen zij weggingen, met de wielen naast hen. Zij bleven staan bij de ingang van de oostpoort van het huis van Yahweh. De heerlijkheid van de Elohim van Israël was boven hen, van boven. Brontekst: וַיִּשְׂא֣וּ (vayisu) = en hieven op | הַכְּרוּבִ֣ים (hakeruvim) = de cherubs | אֶת (et) = (obj.) | כַּ֠נְפֵיהֶם (kanfeihem) = hun vleugels | וַיֵּר֨וֹמּוּ (vayeromu) = en stegen op | מִן (min) = van | הָאָ֤רֶץ (haarets) = de aarde | לְעֵינַי֙ (leeinay) = voor mijn ogen | בְּצֵאתָ֔ם (betsetam) = bij hun uittocht | וְהָאֽוֹפַנִּ֖ים (vehaofanim) = en de wielen | לְעֻמָּתָ֑ם (leumatam) = naast hen | וַֽיַּעֲמֹ֗ד (vayaamod) = en hij bleef staan | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | שַׁ֤עַר (shaar) = poort van | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הַקַּדְמוֹנִ֔י (haqadmoni) = de oostelijke | וּכְב֧וֹד (ukhevod) = en heerlijkheid van | אֱלֹהֵֽי (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = boven hen | מִלְמָֽעְלָה (milmaela) = van boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הקדמוני (haqqadmoni), ‘de oostelijke’: de poort van het huis dat naar het oosten kijkt. De heerlijkheid staat nu bij de uitgang van het terrein. Zie 11:1 en 11:23. Zie ook: Ezech 1:17–21; Ezech 1:26–28; Ezech 8:16; Ezech 10:1; Ezech 43:4 **10:20** Dat is het levende wezen dat ik onder de Elohim van Israël aan de rivier de Kebar had gezien. Ik wist dat het cherubs waren. Brontekst: הִ֣יא (hi) = zij | הַחַיָּ֗ה (hachaya) = het levende wezen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | רָאִ֛יתִי (raiti) = ik had gezien | תַּ֥חַת (tachat) = onder | אֱלֹהֵֽי (elohei) = de Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בִּֽנְהַר (binhar) = bij de rivier | כְּבָ֑ר (kevar) = Kebar | וָאֵדַ֕ע (vaeda) = en ik wist | כִּ֥י (ki) = dat | כְרוּבִ֖ים (keruvim) = cherubs | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel. Daar woonden de ballingen met Ezechiël. Voetnoot Uitleg: Ezechiël begrijpt nu dat de levende wezens van het eerste hoofdstuk cherubs zijn: de wezens die ook in het heiligdom zijn afgebeeld (Exod. 25:18–20; 1 Kon. 6:23–28). Zie ook: Ex 25:18–20; 1 Kon 6:23–28; 1 Kon 7:36; Ezech 1:1; Ezech 1:5; Ezech 1:22–28; Ezech 10:15 **10:21** Elk had vier gezichten en elk had vier vleugels. Onder hun vleugels was de gedaante van mensenhanden. Brontekst: אַרְבָּעָ֨ה (arbaa) = vier | אַרְבָּעָ֤ה (arbaa) = vier | פָנִים֙ (panim) = gezichten | לְאֶחָ֔ד (leechad) = voor elk | וְאַרְבַּ֥ע (vearba) = en vier | כְּנָפַ֖יִם (kenafayim) = vleugels | לְאֶחָ֑ד (leechad) = voor elk | וּדְמוּת֙ (udemut) = en gedaante van | יְדֵ֣י (yedei) = handen van | אָדָ֔ם (adam) = een mens | תַּ֖חַת (tachat) = onder | כַּנְפֵיהֶֽם (kanfeihem) = hun vleugels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 1:6; Ezech 1:8–10; Ezech 10:14; Ezech 41:18–19; Openb 4:7 **10:22** De gedaante van hun gezichten: dat waren de gezichten die ik aan de rivier de Kebar had gezien, hun uiterlijk en zijzelf. Ieder ging in de richting van zijn gezicht. Brontekst: וּדְמ֣וּת (udemut) = en gedaante van | פְּנֵיהֶ֔ם (peneihem) = hun gezichten | הֵ֣מָּה (hema) = zij | הַפָּנִ֗ים (hapanim) = de gezichten | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = ik had gezien | עַל (al) = aan | נְהַר (nehar) = rivier | כְּבָ֔ר (kevar) = Kebar | מַרְאֵיהֶ֖ם (mareihem) = hun uiterlijk | וְאוֹתָ֑ם (veotam) = en henzelf | אִ֛ישׁ (ish) = ieder | אֶל (el) = naar | עֵ֥בֶר (ever) = de kant van | פָּנָ֖יו (panav) = zijn gezicht | יֵלֵֽכוּ (yelekhu) = zij gingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel. Daar woonden de ballingen met Ezechiël. Voetnoot Uitleg: ואותם (ve’otam), ‘en zijzelf’: de tekst benadrukt dat het dezelfde wezens zijn. Voetnoot : אל עבר פניו ילכו (el ever panav yelechu), ‘ieder ging in de richting van zijn gezicht’: zij gingen recht vooruit, zoals in 1:9 en 1:12. Zie ook: Hos 14:10; Ezech 1:10; Ezech 1:12; Ezech 10:11 ## Ezechiël 11 _Een slecht plan in Jeruzalem, de belofte van een nieuw hart en het vertrek van de heerlijkheid_ ### Mannen met slechte raad in de oostpoort **11:1** Een geest tilde mij op en bracht mij naar de oostpoort van het huis van Yahweh, die naar het oosten gekeerd is. En zie, bij de ingang van de poort stonden vijfentwintig mannen. Onder hen zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, oversten van het volk. Brontekst: וַתִּשָּׂ֨א (vatisa) = en tilde op | אֹתִ֜י (oti) = mij | ר֗וּחַ (ruach) = een geest | וַתָּבֵ֣א (vatave) = en bracht | אֹ֠תִי (oti) = mij | אֶל (el) = naar | שַׁ֨עַר (shaar) = poort van | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | הַקַּדְמוֹנִי֙ (haqadmoni) = de oostelijke | הַפּוֹנֶ֣ה (hapone) = die gekeerd is | קָדִ֔ימָה (qadima) = naar het oosten | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | בְּפֶ֣תַח (befetach) = bij de ingang van | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וַחֲמִשָּׁ֖ה (vachamisha) = en vijf | אִ֑ישׁ (ish) = man | וָאֶרְאֶ֨ה (vaere) = en ik zag | בְתוֹכָ֜ם (betokham) = in hun midden | אֶת (et) = (obj.) | יַאֲזַנְיָ֧ה (yaazanya) = Jaäzanja | בֶן (ben) = zoon van | עַזֻּ֛ר (azur) = Azzur | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פְּלַטְיָ֥הוּ (pelatyahu) = Pelatja | בֶן (ben) = zoon van | בְּנָיָ֖הוּ (benayahu) = Benaja | שָׂרֵ֖י (sarei) = oversten van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוח (ruach), ‘geest’: het woord kan ook ‘wind’ betekenen. Zo wordt Ezechiël ook elders opgetild (Ezech. 3:12, 3:14, 8:3). In vers 5 heet het ‘de Geest van Yahweh’ en in vers 24 ‘de Geest van Elohim’. Voetnoot : הקדמוני (haqqadmoni), ‘de oostelijke’: de oostpoort van het huis, zoals in 10:19. Voetnoot : Jaäzanja de zoon van Azzur is een ander man dan Jaäzanja de zoon van Safan in 8:11. Het getal vijfentwintig staat ook in 8:16; of het om dezelfde mannen gaat, zegt de tekst niet. Voetnoot : שׂרי העם (sarei ha’am), ‘oversten van het volk’: leiders van de stad. Zie ook: Ezech 3:12; Ezech 3:14; Ezech 8:3; Ezech 11:5; Ezech 11:13; Ezech 11:24 **11:2** Hij zei tegen mij: **„Mensenkind, dit zijn de mannen die onrecht bedenken en kwade raad geven in deze stad.** Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלָ֑י (elay) = tegen mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | אֵ֣לֶּה (ele) = dit | הָאֲנָשִׁ֞ים (haanashim) = de mannen | הַחֹשְׁבִ֥ים (hachoshevim) = die bedenken | אָ֛וֶן (aven) = onrecht | וְהַיֹּעֲצִ֥ים (vehayoatsim) = en die raad geven | עֲצַת (atsat) = raad van | רָ֖ע (ra) = kwaad | בָּעִ֥יר (bair) = in de stad | הַזֹּֽאת (hazot) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: zie de uitleg bij Ezech. 2:1. Voetnoot : און (aven), ‘onrecht’: zoals in Jes. 1:13. Voetnoot : עצת רע (atsat ra), ‘kwade raad’: ‘raad’ is het woord voor wat mensen bedenken. Een plan van Yahweh heet in onze vertaling ‘besluit’. Zie ook: Ps 2:1–2; Ps 52:4; Jes 1:13; Jes 30:1; Jes 59:4; Jer 5:5; Ezech 2:1 **11:3** **Zij zeggen: ‘Het is niet nabij, het bouwen van huizen. Zij is de pot en wij zijn het vlees.’** Brontekst: הָאֹ֣מְרִ֔ים (haomerim) = die zeggen | לֹ֥א (lo) = niet | בְקָר֖וֹב (beqarov) = nabij | בְּנ֣וֹת (benot) = het bouwen van | בָּתִּ֑ים (batim) = huizen | הִ֣יא (hi) = zij | הַסִּ֔יר (hasir) = de pot | וַאֲנַ֖חְנוּ (vaanachnu) = en wij | הַבָּשָֽׂר (habasar) = het vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is kort en moeilijk. Wij vertalen letterlijk: ‘niet nabij, het bouwen van huizen’. Er zijn twee manieren om het te lezen. Mogelijk zeggen de mannen: ‘Het is nog niet zo ver; laten wij huizen bouwen.’ Ze zijn dan gerust over de stad. Of zij zeggen: ‘Is het niet nabij? Het is tijd om huizen te bouwen.’ Voetnoot : הסיר (hasir), ‘de pot’, en הבשׂר (habasar), ‘het vlees’: de stad is de kookpot en zij zijn het vlees dat daarin veilig is. Dit beeld komt terug in vers 7 en 11. Zie ook 24:3–5. Zie ook: Jes 5:19; Ezech 11:7–11; Ezech 11:11; Ezech 12:22; Ezech 12:27; Ezech 24:3–14 **11:4** **Daarom: profeteer tegen hen. Profeteer, mensenkind.”** Brontekst: לָכֵ֖ן (lakhen) = daarom | הִנָּבֵ֣א (hinave) = profeteer | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = tegen hen | הִנָּבֵ֖א (hinave) = profeteer | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָֽם (adam) = mens Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 6:5; Hos 8:1; Ezech 3:2–15; Ezech 21:2–3; Ezech 21:7 ### De Geest van Yahweh en het oordeel **11:5** De Geest van Yahweh viel op mij. Hij zei tegen mij: **„Zeg:** Zo zegt Yahweh: **Zo hebben jullie gesproken, huis van Israël. Wat in jullie geest opkomt, Ik ken het.** Brontekst: וַתִּפֹּ֣ל (vatipol) = en viel | עָלַי֮ (alay) = op mij | ר֣וּחַ (ruach) = geest van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | אֱמֹר֙ (emor) = zeg | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כֵּ֥ן (ken) = zo | אֲמַרְתֶּ֖ם (amartem) = jullie hebben gezegd | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וּמַעֲל֥וֹת (umaalot) = en wat opkomt in | רֽוּחֲכֶ֖ם (ruchakhem) = jullie geest | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְדַעְתִּֽיהָ (yedatiha) = ken het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint een tweede toespraak. Yahweh geeft Ezechiël de opdracht (‘Zeg’), en geeft hem daarna de woorden die hij moet zeggen (‘Zo zegt Yahweh’). De formule ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn rood. Voetnoot : ומעלות רוחכם (uma’alot ruchakhem), ‘wat in jullie geest opkomt’: de gedachten van hun hart. Zie ook: 1 Kron 28:9; Jer 16:17; Jer 17:10; Ezech 2:2; Openb 2:23 **11:6** **Jullie hebben het aantal van jullie gedoden in deze stad vergroot en haar straten met gedoden gevuld.** Brontekst: הִרְבֵּיתֶ֥ם (hirbeitem) = jullie hebben vermeerderd | חַלְלֵיכֶ֖ם (challeikhem) = jullie gedoden | בָּעִ֣יר (bair) = in de stad | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | וּמִלֵּאתֶ֥ם (umiletem) = en jullie hebben gevuld | חוּצֹתֶ֖יהָ (chutsoteiha) = haar straten | חָלָֽל (chalal) = gedoden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חלליכם (chalaleykhem), ‘jullie gedoden’: de mensen die jullie hebben doodgeslagen. Het woord is hetzelfde als in 9:7. Zie ook: Jes 1:15; Ezech 7:23; Ezech 22:2–6; Ezech 22:12; Ezech 22:27 **11:7** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **De gedoden die jullie in haar midden hebben neergelegd, zij zijn het vlees en zij is de pot. Maar jullie zal men uit haar midden wegvoeren.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | חַלְלֵיכֶם֙ (challeikhem) = jullie gedoden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שַׂמְתֶּ֣ם (samtem) = jullie hebben gelegd | בְּתוֹכָ֔הּ (betokhah) = in haar midden | הֵ֥מָּה (hema) = zij | הַבָּשָׂ֖ר (habasar) = het vlees | וְהִ֣יא (vehi) = en zij | הַסִּ֑יר (hasir) = de pot | וְאֶתְכֶ֖ם (veetkhem) = en jullie | הוֹצִ֥יא (hotsi) = heeft uitgebracht | מִתּוֹכָֽהּ (mitokhah) = uit haar midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij Ezech. 2:4. Voetnoot : הוציא (hotsi), ‘heeft uitgebracht’: de vorm is derde persoon enkelvoud (‘Hij heeft gebracht’). Wij vertalen onpersoonlijk, ‘men zal wegvoeren’, omdat Yahweh in vers 8 en 9 zelf in de eerste persoon spreekt. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Voetnoot : Het beeld is omgekeerd. De mannen noemden zichzelf het vlees in de pot. Nu zijn hun slachtoffers het vlees, en zij worden uit de pot gehaald. Zie ook: 2 Kon 25:18–22; Mi 3:2–3; Jer 52:24–27; Ezech 2:4; Ezech 3:9–11; Ezech 11:8; Ezech 11:9; Ezech 24:3–13 **11:8** **Het zwaard hebben jullie gevreesd, en het zwaard breng Ik over jullie, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard | יְרֵאתֶ֑ם (yeretem) = jullie hebben gevreesd | וְחֶ֨רֶב֙ (vecherev) = en zwaard | אָבִ֣יא (avi) = Ik breng | עֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = over jullie | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Hier staat de formule midden in de woorden van Yahweh en is daarom rood. Zie ook: Job 3:25; Job 20:24; Spr 10:24; Jes 24:17–18; Jes 66:4; Ezech 5:11 **11:9** **Ik haal jullie uit haar midden weg, Ik geef jullie over in de hand van vreemden en Ik voltrek gerichten over jullie.** Brontekst: וְהוֹצֵאתִ֤י (vehotseti) = en Ik zal uitbrengen | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מִתּוֹכָ֔הּ (mitokhah) = uit haar midden | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בְּיַד (beyad) = in de hand van | זָרִ֑ים (zarim) = vreemden | וְעָשִׂ֛יתִי (veasiti) = en Ik zal doen | בָכֶ֖ם (bakhem) = aan jullie | שְׁפָטִֽים (shefatim) = gerichten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:36; Deut 28:49–50; Ps 106:41; Ezech 5:8; Ezech 16:41 **11:10** **Door het zwaard zullen jullie vallen. Aan de grens van Israël zal Ik over jullie oordelen. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = door het zwaard | תִּפֹּ֔לוּ (tipolu) = jullie zullen vallen | עַל (al) = aan | גְּב֥וּל (gevul) = grens van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶשְׁפּ֣וֹט (eshpot) = Ik zal oordelen | אֶתְכֶ֑ם (etkhem) = jullie | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: על גבול ישׂראל (el gevul Yisrael), ‘aan de grens van Israël’: vergelijk 2 Kon. 25:20–21: bij Ribla in het land Chamat, aan de noordgrens, werden de leiders van Jeruzalem gedood. Zo wordt dit vers vaak verstaan. Zie ook: 2 Kon 14:25; 2 Kon 25:19–21; 2 Kon 25:20–21; Jer 39:6; Jer 52:9–10; Ezech 6:7 **11:11** **Zij zal voor jullie geen pot zijn, en jullie zullen in haar midden geen vlees zijn. Aan de grens van Israël zal Ik over jullie oordelen.** Brontekst: הִ֗יא (hi) = zij | לֹֽא (lo) = niet | תִהְיֶ֤ה (tihye) = zal zijn | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לְסִ֔יר (lesir) = tot pot | וְאַתֶּ֛ם (veatem) = en jullie | תִּהְי֥וּ (tihyu) = zullen zijn | בְתוֹכָ֖הּ (betokhah) = in haar midden | לְבָשָׂ֑ר (levasar) = tot vlees | אֶל (el) = aan | גְּב֥וּל (gevul) = grens van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֶשְׁפֹּ֥ט (eshpot) = Ik zal oordelen | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 11:3; Ezech 11:7–10 **11:12** **Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben. Want in Mijn voorschriften hebben jullie niet gewandeld en Mijn rechtsregels hebben jullie niet gedaan. Jullie hebben gedaan volgens de rechtsregels van de volken om jullie heen.”** Brontekst: וִֽידַעְתֶּם֙ (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֤ר (asher) = want | בְּחֻקַּי֙ (bechuqay) = in Mijn voorschriften | לֹ֣א (lo) = niet | הֲלַכְתֶּ֔ם (halakhtem) = jullie hebben gewandeld | וּמִשְׁפָּטַ֖י (umishpatay) = en Mijn rechtsregels | לֹ֣א (lo) = niet | עֲשִׂיתֶ֑ם (asitem) = jullie hebben gedaan | וּֽכְמִשְׁפְּטֵ֧י (ukhemishpetei) = en volgens de rechtsregels van | הַגּוֹיִ֛ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | סְבִיבוֹתֵיכֶ֖ם (sevivoteikhem) = om jullie heen | עֲשִׂיתֶֽם (asitem) = jullie hebben gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בחקי (bechuqqai), ‘in Mijn voorschriften’, en ומשׁפטי (umishpatai), ‘Mijn rechtsregels’: zoals in Deut. 4:1. Voetnoot : Dit verwijt staat ook in 5:7 en 20:13. Zie ook: Deut 4:1; Ps 106:35–39; Jer 6:16; Ezech 8:10; Ezech 8:14; Ezech 8:16 ### Pelatja sterft; Ezechiëls kreet **11:13** Terwijl ik profeteerde, stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Ik viel op mijn gezicht en riep met luide stem: „Ach, Heer Yahweh! Maakt U een volledig einde aan de overgeblevenen van Israël?” Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het gebeurde | כְּהִנָּ֣בְאִ֔י (kehinavei) = toen ik profeteerde | וּפְלַטְיָ֥הוּ (ufelatyahu) = en Pelatja | בֶן (ben) = zoon van | בְּנָיָ֖ה (benaya) = Benaja | מֵ֑ת (met) = stierf | וָאֶפֹּ֨ל (vaepol) = en ik viel | עַל (al) = op | פָּנַ֜י (panay) = mijn gezicht | וָאֶזְעַ֣ק (vaezaq) = en ik riep | קוֹל (qol) = stem | גָּד֗וֹל (gadol) = grote | וָאֹמַר֙ (vaomar) = en ik zei | אֲהָהּ֙ (ahah) = ach | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כָּלָה֙ (kala) = een einde | אַתָּ֣ה (ata) = U | עֹשֶׂ֔ה (ose) = maakt | אֵ֖ת (et) = (obj.) | שְׁאֵרִ֥ית (sheerit) = de overgeblevenen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כלה (kalah), ‘een volledig einde’: de vraag is of Yahweh van Israël niets overlaat. Vergelijk 9:8. Ezechiël bidt hier bij de dood van een van de leiders. Voetnoot : De vader van Pelatja heet in vers 1 בְּנָיָהוּ (Benayahu) en in vers 13 בְּנָיָה (Benayah): dezelfde naam in een langere en een kortere vorm. Wij schrijven beide keren ‘Benaja’. De tekst zegt niet hoe hij stierf. Zie ook: 1 Kon 13:4; Amos 7:5; Ezech 9:8; Ezech 11:1; Hand 5:5 ### Een belofte aan de ballingen **11:14** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **11:15** **„Mensenkind, jouw broers, jouw broers, de mannen van jouw verlossing en heel het huis van Israël, allemaal. Tegen hen hebben de inwoners van Jeruzalem gezegd: ‘Blijf ver van Yahweh. Aan ons is het land gegeven als bezit.’** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | אַחֶ֤יךָ (acheikha) = je broers | אַחֶ֨יךָ֙ (acheikha) = je broers | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | גְאֻלָּתֶ֔ךָ (geulatekha) = je verlossing | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כֻּלֹּ֑ה (kulo) = allemaal | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | אָמְר֨וּ (ameru) = hebben gezegd | לָהֶ֜ם (lahem) = tegen hen | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushaliam) = Jeruzalem | רַֽחֲקוּ֙ (rachaqu) = blijf ver | מֵעַ֣ל (meal) = van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לָ֥נוּ (lanu) = aan ons | הִ֛יא (hi) = zij | נִתְּנָ֥ה (nitena) = is gegeven | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לְמוֹרָשָֽׁה (lemorasha) = als bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אנשׁי גאלתך (anshei ge’ullatekha), ‘de mannen van jouw verlossing’: de ge’ullah is het recht en de plicht van de naaste verwant om een familielid te lossen (Lev. 25:25). Hier gaat het om de bloedverwanten van Ezechiël in ballingschap. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Voetnoot : רחקו (rachaqu), ‘blijf ver’: de inwoners van Jeruzalem zeggen tegen de ballingen dat zij ver van Yahweh en van het land moeten blijven, en dat het land aan hen is gegeven. Zie ook: Lev 25:25; Jes 65:5; Jes 66:5; Jer 24:1–5; Ezech 33:24; Joh 16:2 **11:16** **Daarom, zeg:** Zo zegt Heer Yahweh: **Ik heb hen ver weggebracht onder de volken. Ik heb hen verspreid over de landen. Toch ben Ik voor hen een klein heiligdom geweest in de landen waar zij zijn gekomen.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | אֱמֹ֗ר (emor) = zeg | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | כִּ֤י (ki) = ja | הִרְחַקְתִּים֙ (hirchaqtim) = Ik heb hen ver weggebracht | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | וְכִ֥י (vekhi) = en ja | הֲפִֽיצוֹתִ֖ים (hafitsotim) = Ik heb hen verspreid | בָּאֲרָצ֑וֹת (baaratsot) = over de landen | וָאֱהִ֤י (vaehi) = en Ik ben geweest | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | לְמִקְדָּ֣שׁ (lemiqdash) = tot heiligdom | מְעַ֔ט (meat) = klein | בָּאֲרָצ֖וֹת (baaratsot) = in de landen | אֲשֶׁר (asher) = waar | בָּ֥אוּ (bau) = zij zijn gekomen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כי (ki), ‘ja’: het woord staat twee keer en kan ook ‘omdat’ of ‘hoewel’ betekenen. Wij laten het onvertaald en lezen: ondanks de verbanning is Yahweh bij hen. Daarom zetten wij ‘Toch’ voor de laatste zin. Voetnoot : למקדשׁ מעט (lemiqdash me’at), ‘een klein heiligdom’: het kan ook ‘een heiligdom voor korte tijd’ betekenen. Yahweh zelf is hun heiligdom in het vreemde land, nu zij het huis in Jeruzalem missen. Zie ook: Deut 30:3–4; Ps 90:1; Ps 91:1; Jes 8:14; Jer 31:10 **11:17** **Daarom, zeg:** Zo zegt Heer Yahweh: **Ik zal jullie bijeenbrengen uit de volken en jullie verzamelen uit de landen waarin jullie verspreid zijn. Ik zal jullie de grond van Israël geven.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | אֱמֹ֗ר (emor) = zeg | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | וְקִבַּצְתִּ֤י (veqibatsti) = en Ik zal bijeenbrengen | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מִן (min) = uit | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | וְאָסַפְתִּ֣י (veasafti) = en Ik zal verzamelen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | מִן (min) = uit | הָ֣אֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | נְפֹצוֹתֶ֖ם (nefotsotem) = jullie verspreid zijn | בָּהֶ֑ם (bahem) = daarin | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | אֶת (et) = (obj.) | אַדְמַ֥ת (admat) = de grond van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אדמת ישׂראל (admat Yisrael), ‘de grond van Israël’: dit boek noemt het land vaak zo. Het Hebreeuwse woord adamah betekent ‘grond’. Zie ook: Jes 11:11–16; Jer 3:18; Jer 24:5; Ezech 28:25; Ezech 34:13 **11:18** **Zij zullen daarheen komen en al haar gruwelbeelden en al haar gruwelen daaruit wegdoen.** Brontekst: וּבָ֖אוּ (uvau) = en zij zullen komen | שָׁ֑מָּה (shama) = daarheen | וְהֵסִ֜ירוּ (vehesiru) = en zij zullen wegdoen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | שִׁקּוּצֶ֛יהָ (shiqutseiha) = haar gruwelbeelden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | תּוֹעֲבוֹתֶ֖יהָ (toavoteiha) = haar gruwelen | מִמֶּֽנָּה (mimena) = daaruit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁקוציה (shiqqutseha), ‘haar gruwelbeelden’: de afgodsbeelden waar Yahweh van walgt. תועבותיה (to’avoteha), ‘haar gruwelen’: wat Yahweh verafschuwt. Zie hoofdstuk 8, waar deze gruwelen in het huis zelf staan. Zie ook: Mi 5:9–13; Ezech 5:11; Ezech 7:20; Ezech 37:23; Ezech 42:7–8 ### Een nieuw hart en een nieuwe geest **11:19** **Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in jullie binnenste leggen. Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegnemen en hun een hart van vlees geven.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal geven | לָהֶם֙ (lahem) = aan hen | לֵ֣ב (lev) = hart | אֶחָ֔ד (echad) = één | וְר֥וּחַ (veruach) = en geest | חֲדָשָׁ֖ה (chadasha) = nieuwe | אֶתֵּ֣ן (eten) = Ik zal geven | בְּקִרְבְּכֶ֑ם (beqirbekhem) = in jullie binnenste | וַהֲסִ֨רֹתִ֜י (vahasiroti) = en Ik zal wegnemen | לֵ֤ב (lev) = hart van | הָאֶ֨בֶן֙ (haeven) = de steen | מִבְּשָׂרָ֔ם (mibesaram) = uit hun vlees | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | לֵ֥ב (lev) = hart van | בָּשָֽׂר (basar) = vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לב אחד (lev echad), ‘één hart’: één hart, gericht op Yahweh. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Zie ook Jer. 32:39. Voetnoot : ורוח חדשׁה (ruach chadashah), ‘een nieuwe geest’: Yahweh zelf geeft de nieuwe geest. Het gaat om de geest van de mens, die vernieuwd wordt. Zie ook Ezech. 36:26–27. Voetnoot : לב האבן (lev ha’even), ‘het hart van steen’: een hart dat niet meer reageert, tegenover het hart van vlees dat wel luistert. Zie ook: Ps 51:12; Jer 24:7; Jer 31:33; Jer 32:39–40; Ezech 36:26–27 **11:20** **Zodat zij in Mijn voorschriften wandelen, Mijn rechtsregels bewaren en ze doen. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Elohim zijn.** Brontekst: לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = zodat | בְּחֻקֹּתַ֣י (bechuqotay) = in Mijn voorschriften | יֵלֵ֔כוּ (yelekhu) = zij zullen wandelen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁפָּטַ֥י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | יִשְׁמְר֖וּ (yishmeru) = zij zullen bewaren | וְעָשׂ֣וּ (veasu) = en zij zullen doen | אֹתָ֑ם (otam) = ze | וְהָיוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לִ֣י (li) = voor Mij | לְעָ֔ם (leam) = tot volk | וַאֲנִ֕י (vaani) = en Ik | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = zal zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: למען (lema’an), ‘zodat’: het doel van het nieuwe hart. Voetnoot : De woorden ‘Zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Elohim zijn’ zijn de vaste verbondsformule. Zie ook Exod. 6:7 en Lev. 26:12. Zie ook: Ex 6:7; Lev 26:12; Ps 105:45; Ps 119:4–5; Jer 30:22; Ezech 14:11; Tit 2:11–12 **11:21** **Maar zij wier hart zich richt op het hart van hun gruwelbeelden en gruwelen: hun weg leg Ik op hun hoofd, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: וְאֶל (veel) = en naar | לֵ֧ב (lev) = hart van | שִׁקּוּצֵיהֶ֛ם (shiqutseihem) = hun gruwelbeelden | וְתוֹעֲבוֹתֵיהֶ֖ם (vetoavoteihem) = en hun gruwelen | לִבָּ֣ם (libam) = hun hart | הֹלֵ֑ךְ (holekh) = gaat | דַּרְכָּם֙ (darkam) = hun weg | בְּרֹאשָׁ֣ם (berosham) = op hun hoofd | נָתַ֔תִּי (natati) = Ik leg | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Pred 11:9; Jer 1:16; Ezech 9:10; Ezech 22:31; Jak 1:14–15 ### De heerlijkheid van Yahweh verlaat de stad **11:22** De cherubs hieven hun vleugels op, met de wielen naast hen. De heerlijkheid van de Elohim van Israël was boven hen, van boven. Brontekst: וַיִּשְׂא֤וּ (vayisu) = en hieven op | הַכְּרוּבִים֙ (hakeruvim) = de cherubs | אֶת (et) = (obj.) | כַּנְפֵיהֶ֔ם (kanfeihem) = hun vleugels | וְהָאֽוֹפַנִּ֖ים (vehaofanim) = en de wielen | לְעֻמָּתָ֑ם (leumatam) = naast hen | וּכְב֧וֹד (ukhevod) = en heerlijkheid van | אֱלֹהֵֽי (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = boven hen | מִלְמָֽעְלָה (milmaela) = van boven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 1:19–20; Ezech 10:19 **11:23** De heerlijkheid van Yahweh steeg op uit het midden van de stad en bleef staan op de berg die ten oosten van de stad ligt. Brontekst: וַיַּ֨עַל֙ (vayaal) = en steeg op | כְּב֣וֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מֵעַ֖ל (meal) = van boven | תּ֣וֹךְ (tokh) = het midden van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | וַֽיַּעֲמֹד֙ (vayaamod) = en bleef staan | עַל (al) = op | הָהָ֔ר (hahar) = de berg | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | מִקֶּ֥דֶם (miqedem) = aan de oostkant | לָעִֽיר (lair) = van de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ההר אשׁר מקדם לעיר (heahar asher miqqedem la’ir), ‘de berg die ten oosten van de stad ligt’: de naam is niet genoemd. Waarschijnlijk is het de Olijfberg. De heerlijkheid van Yahweh heeft nu de stad verlaten. Zie ook: Ezech 8:4; Ezech 10:4; Ezech 43:2; Ezech 43:4; Zach 14:4 ### Terug bij de ballingen **11:24** Een geest tilde mij op en bracht mij in het visioen, door de Geest van Elohim, naar het land van de Chaldeeën, naar de ballingen. Daarna steeg het visioen dat ik gezien had van mij op. Brontekst: וְר֣וּחַ (veruach) = en een geest | נְשָׂאַ֗תְנִי (nesaatni) = tilde mij op | וַתְּבִיאֵ֤נִי (vatevieni) = en bracht mij | כַשְׂדִּ֨ימָה֙ (kasdima) = naar Chaldea | אֶל (el) = naar | הַגּוֹלָ֔ה (hagola) = de ballingen | בַּמַּרְאֶ֖ה (bamare) = in het visioen | בְּר֣וּחַ (beruach) = door de Geest van | אֱלֹהִ֑ים (Elohim) = Elohim | וַיַּ֨עַל֙ (vayaal) = en steeg op | מֵֽעָלַ֔י (mealay) = van mij | הַמַּרְאֶ֖ה (hamare) = het visioen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | רָאִֽיתִי (raiti) = ik had gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: כשׂדימה (Kasdimah), ‘naar Chaldea’: de uitgang -ah geeft de richting aan. Wij schrijven ‘naar het land van de Chaldeeën’. Voetnoot : De terugkeer naar de ballingen sluit het visioen af dat in 8:1–3 begon. Zie ook: Ezech 1:3; Ezech 3:12; Ezech 8:3; Ezech 11:1; Hand 10:16 **11:25** Ik vertelde de ballingen alle woorden van Yahweh die Hij mij had laten zien. Brontekst: וָאֲדַבֵּ֖ר (vaadaber) = en ik sprak | אֶל (el) = tot | הַגּוֹלָ֑ה (hagola) = de ballingen | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | דִּבְרֵ֥י (divrei) = woorden van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֶרְאָֽנִי (herani) = Hij mij liet zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 2:7; Ezech 3:4; Ezech 3:17; Ezech 3:27 ## Ezechiël 12 _Ezechiël trekt in ballingschap als voorteken; het gezegde dat de dagen lang worden is voorbij_ ### Een weerspannig huis **12:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:2** **„Mensenkind, jij woont te midden van een weerspannig huis. Zij hebben ogen om te zien, maar zij zien niet. Zij hebben oren om te horen, maar zij horen niet. Want zij zijn een weerspannig huis.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | בֵּית (beit) = huis van | הַמֶּ֖רִי (hameri) = het weerspannige | אַתָּ֣ה (ata) = jij | יֹשֵׁ֑ב (yoshev) = woont | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עֵינַיִם֩ (einayim) = ogen | לָהֶ֨ם (lahem) = voor hen | לִרְא֜וֹת (lirot) = om te zien | וְלֹ֣א (velo) = en niet | רָא֗וּ (rau) = zij zien | אָזְנַ֨יִם (azenayim) = oren | לָהֶ֤ם (lahem) = voor hen | לִשְׁמֹ֨עַ֙ (lishmoa) = om te horen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | שָׁמֵ֔עוּ (shameu) = zij horen | כִּ֛י (ki) = want | בֵּ֥ית (beit) = huis van | מְרִ֖י (meri) = weerspannigheid | הֵֽם (hem) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בית המרי (bet hammeri), ‘weerspannig huis’: zo noemt Yahweh het volk in dit boek vaak (Ezech. 2:5–8). Het woord ‘weerspannig’ komt van een werkwoord dat ‘in opstand komen’ betekent. Voetnoot : Ogen die niet zien en oren die niet horen: vergelijk Jes. 6:9–10. Zie ook: Ps 78:40; Jes 6:9–10; Jer 5:21; Jer 8:23–9:5; Ezech 2:5–8; Mar 4:12; Joh 9:39–41 ### Ezechiël pakt zijn uitrusting voor de ballingschap **12:3** **Jij, mensenkind: maak voor jezelf een uitrusting voor de ballingschap. Ga overdag in ballingschap, voor hun ogen. Je moet van jouw plaats naar een andere plaats in ballingschap gaan, voor hun ogen. Misschien zien zij het, want zij zijn een weerspannig huis.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | עֲשֵׂ֤ה (ase) = maak | לְךָ֙ (lekha) = voor jezelf | כְּלֵ֣י (kelei) = uitrusting van | גוֹלָ֔ה (gola) = ballingschap | וּגְלֵ֥ה (ugele) = en ga in ballingschap | יוֹמָ֖ם (yomam) = overdag | לְעֵֽינֵיהֶ֑ם (leeineihem) = voor hun ogen | וְגָלִ֨יתָ (vegalita) = en je zult in ballingschap gaan | מִמְּקוֹמְךָ֜ (mimeqomekha) = van jouw plaats | אֶל (el) = naar | מָק֤וֹם (maqom) = plaats | אַחֵר֙ (acher) = een andere | לְעֵ֣ינֵיהֶ֔ם (leeineihem) = voor hun ogen | אוּלַ֣י (ulay) = misschien | יִרְא֔וּ (yiru) = zij zullen zien | כִּ֛י (ki) = want | בֵּ֥ית (beit) = huis van | מְרִ֖י (meri) = weerspannigheid | הֵֽמָּה (hema) = zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כלי גולה (kelei golah), ‘uitrusting voor de ballingschap’: de spullen die een balling op reis meeneemt. De tekst zegt niet precies wat erin zit. Voetnoot : Dit is de tweede tekenhandeling van Ezechiël voor de ballingen: hij verhuist als balling voor de ogen van het volk (vergelijk de tekenhandelingen in Ezech. 4–5). Voetnoot : אולי (ulai), ‘misschien’: Yahweh laat open of het volk het zal begrijpen. Zie ook: Jer 26:3; Jer 36:3; Jer 36:7; Luc 20:13; 2 Tim 2:25 **12:4** **Breng je uitrusting overdag naar buiten, voor hun ogen, als de uitrusting voor de ballingschap. Jij moet ’s avonds naar buiten gaan, voor hun ogen, zoals mensen die in ballingschap uittrekken.** Brontekst: וְהוֹצֵאתָ֨ (vehotseta) = en je zult naar buiten brengen | כֵלֶ֜יךָ (keleikha) = je uitrusting | כִּכְלֵ֥י (kikhlei) = als uitrusting van | גוֹלָ֛ה (gola) = ballingschap | יוֹמָ֖ם (yomam) = overdag | לְעֵֽינֵיהֶ֑ם (leeineihem) = voor hun ogen | וְאַתָּ֗ה (veata) = en jij | תֵּצֵ֤א (tetse) = je zult uitgaan | בָעֶ֨רֶב֙ (baerev) = ’s avonds | לְעֵ֣ינֵיהֶ֔ם (leeineihem) = voor hun ogen | כְּמוֹצָאֵ֖י (kemotsaei) = als het uittrekken van | גּוֹלָֽה (gola) = ballingschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 25:4; Jer 39:4; Jer 52:7; Ezech 12:12 **12:5** **Breek voor hun ogen een gat in de muur en breng het daardoor naar buiten.** Brontekst: לְעֵינֵיהֶ֖ם (leeineihem) = voor hun ogen | חֲתָר (chatar) = breek door | לְךָ֣ (lekha) = voor jezelf | בַקִּ֑יר (baqir) = in de muur | וְהוֹצֵאתָ֖ (vehotseta) = en je zult naar buiten brengen | בּֽוֹ (bo) = daardoor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 25:4; Jer 39:2–4 **12:6** **Voor hun ogen moet je het op je schouder dragen en in het donker naar buiten brengen. Dek je gezicht af, zodat je het land niet ziet. Want Ik heb je tot een voorteken gemaakt voor het huis van Israël.”** Brontekst: לְעֵ֨ינֵיהֶ֜ם (leeineihem) = voor hun ogen | עַל (al) = op | כָּתֵ֤ף (katef) = schouder | תִּשָּׂא֙ (tisa) = je zult dragen | בָּעֲלָטָ֣ה (baalata) = in het donker | תוֹצִ֔יא (totsi) = je zult naar buiten brengen | פָּנֶ֣יךָ (paneikha) = je gezicht | תְכַסֶּ֔ה (tekhase) = je zult bedekken | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תִרְאֶ֖ה (tire) = je zult zien | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | כִּֽי (ki) = want | מוֹפֵ֥ת (mofet) = voorteken | נְתַתִּ֖יךָ (netatikha) = Ik heb je gemaakt | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בעלטה (ba’alatah), ‘in het donker’: een zeldzaam woord voor schemer of duisternis. Het staat ook in vers 7 en 12. Voetnoot : מופת (mofet), ‘voorteken’: een teken dat wijst op wat komen gaat. In dit hoofdstuk wijst het naar het lot van de vorst en het volk. Vergelijk vers 11. Zie ook: 1 Sam 28:8; Jes 8:18; Ezech 4:3; Ezech 12:7; Ezech 12:11–12; Ezech 12:12; Ezech 24:24 ### Ezechiël doet wat Yahweh zei **12:7** Ik deed zoals mij was bevolen. Ik bracht mijn uitrusting overdag naar buiten, als de uitrusting voor de ballingschap. ’s Avonds brak ik met mijn hand een gat in de muur. In het donker bracht ik het naar buiten. Ik droeg het op mijn schouder, voor hun ogen. Brontekst: וָאַ֣עַשׂ (vaaas) = en ik deed | כֵּן֮ (ken) = zo | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צֻוֵּיתִי֒ (tsuveiti) = ik was bevolen | כֵּ֠לַי (kelay) = uitrusting | הוֹצֵ֜אתִי (hotseti) = ik bracht naar buiten | כִּכְלֵ֤י (kikhlei) = als uitrusting van | גוֹלָה֙ (gola) = ballingschap | יוֹמָ֔ם (yomam) = overdag | וּבָעֶ֛רֶב (uvaerev) = en ’s avonds | חָתַֽרְתִּי (chatarti) = ik brak door | לִ֥י (li) = voor mij | בַקִּ֖יר (baqir) = in de muur | בְּיָ֑ד (beyad) = met de hand | בָּעֲלָטָ֥ה (baalata) = in het donker | הוֹצֵ֛אתִי (hotseti) = ik bracht naar buiten | עַל (al) = op | כָּתֵ֥ף (katef) = schouder | נָשָׂ֖אתִי (nasati) = ik droeg | לְעֵינֵיהֶֽם (leeineihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 24:18; Ezech 37:7; Ezech 37:10; Mat 21:6–7; Hand 26:19 ### De betekenis van het teken **12:8** In de morgen kwam het woord van Yahweh tot mij: Brontekst: וַיְהִ֧י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | בַּבֹּ֥קֶר (baboqer) = in de morgen | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:9** **„Mensenkind, hebben zij, het huis van Israël, het weerspannige huis, niet tegen je gezegd: ‘Wat doe je?’** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הֲלֹ֨א (halo) = immers niet | אָמְר֥וּ (ameru) = zij hebben gezegd | אֵלֶ֛יךָ (eleikha) = tegen jou | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַמֶּ֑רִי (hameri) = het weerspannige | מָ֖ה (ma) = wat | אַתָּ֥ה (ata) = jij | עֹשֶֽׂה (ose) = doende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 2:5–8; Ezech 12:1–3; Ezech 17:12; Ezech 21:5; Ezech 24:19 **12:10** **Zeg tegen hen:** Zo zegt Heer Yahweh: **Deze last gaat over de vorst in Jeruzalem en over heel het huis van Israël dat in hun midden is.** Brontekst: אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tegen hen | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הַנָּשִׂ֞יא (hanasi) = de vorst | הַמַּשָּׂ֤א (hamasa) = de last | הַזֶּה֙ (haze) = deze | בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם (birushaliam) = in Jeruzalem | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵ֥מָּה (hema) = zij | בְתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: המשׂא (hammassa), ‘de last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord. Het komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ of ‘opheffen’. Hier past het bij het dragen op de schouder in het teken. Dit is de eerste keer dat het woord in Ezechiël voorkomt; elders in het boek verwijzen wij hiernaar. Zie ook Jes. 13:1. Voetnoot : הנשׂיא (hannasi), ‘de vorst’: een leider met een lagere titel dan koning (zie 7:27). Het gaat om de leider die in Jeruzalem regeert. De beschrijving in vers 12 en 13 past bij Zedekia, de laatste koning van Juda (2 Kon. 25:4–7). Het Hebreeuws zegt ‘de vorst – deze last’; wij vertalen ‘deze last gaat over de vorst’. Voetnoot : Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij Ezech. 2:4. Zie ook: 2 Kon 9:25; 2 Kon 25:4–7; Jes 13:1; Jer 38:18; Ezech 2:4; Ezech 12:12; Ezech 12:13; Ezech 17:13–21; Ezech 21:30–32 **12:11** **Zeg:** Ik ben jullie voorteken. Zoals ik gedaan heb, zo zal hun gedaan worden. In ballingschap, in gevangenschap zullen zij gaan. Brontekst: אֱמֹ֖ר (emor) = zeg | אֲנִ֣י (ani) = ik | מֽוֹפֶתְכֶ֑ם (mofetkhem) = jullie voorteken | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֗יתִי (asiti) = ik heb gedaan | כֵּ֚ן (ken) = zo | יֵעָשֶׂ֣ה (yease) = zal gedaan worden | לָהֶ֔ם (lahem) = met hen | בַּגּוֹלָ֥ה (bagola) = in ballingschap | בַשְּׁבִ֖י (bashevi) = in gevangenschap | יֵלֵֽכוּ (yelekhu) = zij zullen gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In dit vers spreekt Ezechiël zelf: ‘Ik ben jullie voorteken’. Daarom staat alleen de opdracht ‘Zeg’ rood en de woorden van Ezechiël zwart. Voetnoot : מופתכם (moftekhem), ‘jullie voorteken’: Ezechiël zelf is het teken. Wat hij heeft gedaan, zal hun gebeuren. Zie ook: Jer 15:2; Jer 52:15; Jer 52:28–30; Ezech 12:6 **12:12** **De vorst die in hun midden is, zal op zijn schouder dragen en in het donker naar buiten gaan. Men zal een gat in de muur breken om hem daardoor naar buiten te brengen. Hij zal zijn gezicht bedekken, omdat hij het land met zijn oog niet zal zien.** Brontekst: וְהַנָּשִׂ֨יא (vehanasi) = en de vorst | אֲשֶׁר (asher) = die | בְּתוֹכָ֜ם (betokham) = in hun midden | אֶל (el) = op | כָּתֵ֤ף (katef) = schouder | יִשָּׂא֙ (yisa) = hij zal dragen | בָּעֲלָטָ֣ה (baalata) = in het donker | וְיֵצֵ֔א (veyetse) = en hij zal naar buiten gaan | בַּקִּ֥יר (baqir) = door de muur | יַחְתְּר֖וּ (yachteru) = men zal doorbreken | לְה֣וֹצִיא (lehotsi) = om naar buiten te brengen | ב֑וֹ (bo) = daardoor | פָּנָ֣יו (panav) = zijn gezicht | יְכַסֶּ֔ה (yekhase) = hij zal bedekken | יַ֗עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יִרְאֶ֥ה (yire) = hij zal zien | לַעַ֛יִן (laayin) = met het oog | ה֖וּא (hu) = hij | אֶת (et) = (obj.) | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zie het beeld van vers 6: de vorst draagt zijn bagage, gaat in het donker door een gat in de muur en bedekt zijn gezicht. Vergelijk de vlucht uit Jeruzalem bij de val van de stad (2 Kon. 25:4). Voetnoot : יען אשׁר (ya’an asher), ‘omdat’: het kan ook ‘zodat’ betekenen. Het bedekte gezicht en het niet zien van het land horen bij elkaar; vers 13 zegt ook dat hij het land niet zal zien. Zie ook: 2 Kon 25:4; Jer 39:4; Jer 42:7; Jer 52:7; Ezech 12:6; Ezech 12:13 **12:13** **Ik zal Mijn net over hem uitspreiden en hij zal gevangen worden in Mijn valstrik. Ik zal hem naar Babel brengen, het land van de Chaldeeën. Maar hij zal het niet zien, en daar zal hij sterven.** Brontekst: וּפָרַשְׂתִּ֤י (ufarasti) = en Ik zal uitspreiden | אֶת (et) = (obj.) | רִשְׁתִּי֙ (rishti) = Mijn net | עָלָ֔יו (alav) = over hem | וְנִתְפַּ֖שׂ (venitpas) = en hij zal gevangen worden | בִּמְצֽוּדָתִ֑י (bimtsudati) = in Mijn valstrik | וְהֵבֵאתִ֨י (veheveti) = en Ik zal brengen | אֹת֤וֹ (oto) = hem | בָבֶ֨לָה֙ (bavela) = naar Babel | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | כַּשְׂדִּ֔ים (kasdim) = de Chaldeeën | וְאוֹתָ֥הּ (veotah) = en haar | לֹֽא (lo) = niet | יִרְאֶ֖ה (yire) = hij zal zien | וְשָׁ֥ם (vesham) = en daar | יָמֽוּת (yamut) = hij zal sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Het net en de valstrik: zie ook Ezech. 17:20. Voetnoot : בבלה (Bavelah), ‘naar Babel’: de uitgang -ah geeft de richting aan. Voetnoot : ‘Maar hij zal het niet zien, en daar zal hij sterven’: dit wordt vaak verbonden met 2 Kon. 25:7, waar Zedekia blind wordt gemaakt en naar Babel wordt gebracht. Zie ook: 2 Kon 25:7; Hos 7:12; Jes 24:17–18; Jer 39:7; Ezech 17:20; Ezech 32:3 **12:14** **Iedereen die rondom hem is, zijn helpers en al zijn troepen, zal Ik naar alle winden verstrooien. Het zwaard zal Ik achter hen aan trekken.** Brontekst: וְכֹל֩ (vekhol) = en alles | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | סְבִיבֹתָ֥יו (sevivotav) = rondom hem | עֶזְר֛וֹ (ezro) = zijn hulp | וְכָל (vekhal) = en al | אֲגַפָּ֖יו (agapav) = zijn troepen | אֱזָרֶ֣ה (ezare) = Ik zal verstrooien | לְכָל (lekhal) = naar elke | ר֑וּחַ (ruach) = wind | וְחֶ֖רֶב (vecherev) = en zwaard | אָרִ֥יק (ariq) = Ik zal trekken | אַחֲרֵיהֶֽם (achareihem) = achter hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עזרו (ezro), ‘zijn helpers’: letterlijk ‘zijn hulp’, als verzamelnaam voor allen die hem steunen. Voetnoot : אגפיו (agappav), ‘zijn troepen’: letterlijk ‘zijn vleugels’, de flanken van een leger. Het woord is zeldzaam. Voetnoot : לכל רוח (lekhol ruach), ‘naar alle winden’: de vier windrichtingen. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat עזרה (ezrah), ‘zijn hulp’ (vrouwelijke vorm); de overlevering leest עזרו (ezro), ‘zijn hulp’. Het verschil is klein: alleen de schrijfwijze. Wij volgen de lezing. Zie ook: 2 Kon 25:4–5; Jer 42:22; Ezech 5:2; Ezech 14:17; Ezech 17:21 **12:15** **Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik hen onder de volken verspreid en over de landen verstrooi.** Brontekst: וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בַּהֲפִיצִ֤י (bahafitsi) = bij Mijn verspreiden | אוֹתָם֙ (otam) = hen | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | וְזֵרִיתִ֥י (vezeriti) = en Ik zal verstrooien | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | בָּאֲרָצֽוֹת (baaratsot) = over de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 6:7; Ezech 6:14; Ezech 12:16; Ezech 12:20; Ezech 28:26 **12:16** **Ik zal enkele mannen van hen laten overblijven, gespaard van het zwaard, de honger en de pest. Zij moeten onder de volken waar zij zijn gekomen al hun gruwelen vertellen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: וְהוֹתַרְתִּ֤י (vehotarti) = en Ik zal laten overblijven | מֵהֶם֙ (mehem) = van hen | אַנְשֵׁ֣י (anshei) = mannen van | מִסְפָּ֔ר (mispar) = getal | מֵחֶ֖רֶב (mecherev) = van het zwaard | מֵרָעָ֣ב (meraav) = van de honger | וּמִדָּ֑בֶר (umidaver) = en van de pest | לְמַ֨עַן (lemaan) = zodat | יְסַפְּר֜וּ (yesaperu) = zij zullen vertellen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | תּוֹעֲבֽוֹתֵיהֶ֗ם (toavoteihem) = hun gruwelen | בַּגּוֹיִם֙ (bagoyim) = onder de volken | אֲשֶׁר (asher) = waar | בָּ֣אוּ (bau) = zij zijn gekomen | שָׁ֔ם (sham) = daar | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אנשׁי מספר (anshei mispar), ‘mannen van getal’: een klein aantal, zodat men ze kan tellen. Voetnoot : ומדבר (dever), ‘pest’: zoals in Lev. 26:25. Voetnoot : De overlevenden hebben een taak: zij vertellen de volken wat Israël heeft gedaan. Zo leren ook de volken Yahweh kennen. Zie ook: Lev 26:25; Jes 1:9; Jer 4:27; Jer 22:8–9; Ezech 6:8–10; Ezech 14:22–23 ### Brood met beving **12:17** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:18** **„Mensenkind, eet je brood met beving en drink je water met siddering en zorg.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | לַחְמְךָ֖ (lachmekha) = je brood | בְּרַ֣עַשׁ (beraash) = met beving | תֹּאכֵ֑ל (tokhel) = je zult eten | וּמֵימֶ֕יךָ (umeimeikha) = en je water | בְּרָגְזָ֥ה (berageza) = met siddering | וּבִדְאָגָ֖ה (uvidaga) = en met zorg | תִּשְׁתֶּֽה (tishte) = je zult drinken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ברעשׁ (bera’ash), ‘met beving’, ברגזה (birgazah), ‘met siddering’ en ובדאגה (uvede’agah), ‘en met zorg’: drie woorden voor angst. Dit is de tweede tekenhandeling in dit hoofdstuk: Ezechiël eet en drinkt zoals de mensen in Jeruzalem zullen doen. Zie ook: Lev 26:36; Deut 28:65; Ps 60:4–5; Klaagl 5:9; Ezech 4:16–17 **12:19** **Zeg tegen het volk van het land:** Zo zegt Heer Yahweh over de inwoners van Jeruzalem, over de grond van Israël: **Hun brood zullen zij eten met zorg en hun water drinken met ontzetting. Zo wordt hun land woest, ontdaan van alles wat het vervult, door het geweld van allen die daarin wonen.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֶל (el) = tot | עַ֣ם (am) = volk van | הָאָ֡רֶץ (haarets) = het land | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֩ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֨י (adonay) = Heer | יְהוִ֜ה (Yahweh) = Yahweh | לְיוֹשְׁבֵ֤י (leyoshevei) = over de inwoners van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | אֶל (el) = over | אַדְמַ֣ת (admat) = de grond van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לַחְמָם֙ (lachmam) = hun brood | בִּדְאָגָ֣ה (bidaga) = met zorg | יֹאכֵ֔לוּ (yokhelu) = zij zullen eten | וּמֵֽימֵיהֶ֖ם (umeimeihem) = en hun water | בְּשִׁמָּמ֣וֹן (beshimamon) = met ontzetting | יִשְׁתּ֑וּ (yishtu) = zij zullen drinken | לְמַ֜עַן (lemaan) = zodat | תֵּשַׁ֤ם (tesham) = zal woest worden | אַרְצָהּ֙ (artsah) = haar land | מִמְּלֹאָ֔הּ (mimeloah) = uit haar volheid | מֵחֲמַ֖ס (mechamas) = door geweld van | כָּֽל (kal) = alle | הַיֹּשְׁבִ֥ים (hayoshevim) = de bewoners | בָּֽהּ (bah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: עם הארץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: hier de bevolking die in Juda is achtergebleven, tegenover de ballingen in Babel. Voetnoot : אדמת ישׂראל (admat Yisrael), ‘de grond van Israël’: zie de uitleg bij 11:17. Voetnoot : בשׁממון (bishmamon), ‘met ontzetting’: dit woord hoort bij ‘woestenij’ (shemamah) in vers 20. Voetnoot : מחמס (chamas), ‘geweld’: onrecht en bloedvergieten. Zie ook: Mi 7:13; Jer 10:22; Ezech 6:6–7; Ezech 6:14; Ezech 12:20; Zach 7:14 **12:20** **De bewoonde steden zullen verwoest worden en het land zal een woestenij zijn. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: וְהֶעָרִ֤ים (vehearim) = en de steden | הַנּֽוֹשָׁבוֹת֙ (hanoshavot) = die bewoond zijn | תֶּחֱרַ֔בְנָה (techeravna) = zullen verwoest worden | וְהָאָ֖רֶץ (vehaarets) = en het land | שְׁמָמָ֣ה (shemama) = woestenij | תִֽהְיֶ֑ה (tihye) = zal zijn | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 3:26; Jes 7:23–24; Jer 4:7; Jer 12:10–12; Jer 25:9 ### Het woord wordt niet meer uitgesteld **12:21** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:22** **„Mensenkind, wat is dit gezegde dat jullie hebben over de grond van Israël: ‘De dagen worden lang en elk visioen gaat verloren’?** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | מָֽה (ma) = wat | הַמָּשָׁ֤ל (hamashal) = het gezegde | הַזֶּה֙ (haze) = dit | לָכֶ֔ם (lakhem) = voor jullie | עַל (al) = over | אַדְמַ֥ת (admat) = de grond van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggende | יַֽאַרְכוּ֙ (yaarkhu) = zij worden lang | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | וְאָבַ֖ד (veavad) = en gaat verloren | כָּל (kal) = elk | חָזֽוֹן (chazon) = visioen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: המשׁל (hammashal), ‘het gezegde’: een spreekwoord dat het volk gebruikte. Het zegt: wat de profeten voorspellen, komt toch niet. Vergelijk het gezegde in vers 27, dat de uitkomst naar een verre toekomst verschuift. Zie ook: Jes 5:19; Ezech 11:3; Ezech 12:27; Ezech 18:2–3; 2 Petr 3:3–4 **12:23** **Daarom, zeg tegen hen:** Zo zegt Heer Yahweh: **Ik maak een eind aan dit gezegde. Zij zullen het in Israël niet meer als gezegde gebruiken. Maar zeg tegen hen: De dagen zijn nabij, en het woord van elk visioen.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tegen hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | הִשְׁבַּ֨תִּי֙ (hishbati) = Ik heb doen ophouden | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּשָׁ֣ל (hamashal) = het gezegde | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִמְשְׁל֥וּ (yimshelu) = zij zullen gebruiken als gezegde | אֹת֛וֹ (oto) = het | ע֖וֹד (od) = meer | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | כִּ֚י (ki) = maar | אִם (im) = integendeel | דַּבֵּ֣ר (daber) = spreek | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tegen hen | קָֽרְבוּ֙ (qarevu) = zij zijn nabij gekomen | הַיָּמִ֔ים (hayamim) = de dagen | וּדְבַ֖ר (udevar) = en het woord van | כָּל (kal) = elk | חָזֽוֹן (chazon) = visioen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ודבר כל חזון (udevar kol chazon), ‘en het woord van elk visioen’: het Hebreeuwse davar betekent ‘woord’ of ‘zaak’. Het gaat om wat elk visioen zegt: dat komt uit. Zie ook: Joël 2:1; Sef 1:14; Ezech 7:5–7; Ezech 18:3; Mat 24:34 **12:24** **Want er zal in het huis van Israël geen bedrieglijk visioen meer zijn, en geen vleiende waarzeggerij.** Brontekst: כִּ֠י (ki) = want | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | ע֛וֹד (od) = nog | כָּל (kal) = enig | חֲז֥וֹן (chazon) = visioen | שָׁ֖וְא (shave) = bedrieglijk | וּמִקְסַ֣ם (umiqsam) = en waarzeggerij | חָלָ֑ק (chalaq) = vleiend | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | בֵּ֥ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוא (shav), ‘bedrieglijk’: het woord betekent ‘leeg’ of ‘ijdel’ en hier ‘wat niets waard is’. Voetnoot : ומקסם חלק (umiqsam chalaq), ‘vleiende waarzeggerij’: letterlijk ‘gladde waarzeggerij’, die de luisteraar vleit. Zie ook: Spr 26:28; Jer 14:13–16; Ezech 13:6; Ezech 13:23; Zach 13:2–4 **12:25** **Want Ik, Yahweh, spreek. Het woord dat Ik spreek, wordt gedaan. Het wordt niet meer uitgesteld. Want in jullie dagen, weerspannig huis, spreek Ik een woord en Ik doe het, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֲדַבֵּר֙ (adaber) = Ik zal spreken | אֵת֩ (et) = (obj.) | אֲשֶׁ֨ר (asher) = wat | אֲדַבֵּ֤ר (adaber) = Ik zal spreken | דָּבָר֙ (davar) = woord | וְיֵ֣עָשֶׂ֔ה (veyease) = en het zal gedaan worden | לֹ֥א (lo) = niet | תִמָּשֵׁ֖ךְ (timashekh) = het zal worden uitgesteld | ע֑וֹד (od) = meer | כִּ֣י (ki) = want | בִֽימֵיכֶ֞ם (bimeikhem) = in jullie dagen | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַמֶּ֗רִי (hameri) = het weerspannige | אֲדַבֵּ֤ר (adaber) = Ik zal spreken | דָּבָר֙ (davar) = woord | וַעֲשִׂיתִ֔יו (vaasitiv) = en Ik zal het doen | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Voetnoot : תמשׁך (timmashekh), ‘wordt uitgesteld’: het werkwoord betekent letterlijk ‘getrokken worden’. Uitstel is er niet meer. Zie ook: Jes 14:24; Jes 55:11; Hab 1:5; Ezech 5:11; Ezech 12:28; Mat 24:35 **12:26** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **12:27** **„Mensenkind, zie, het huis van Israël zegt: ‘Het visioen dat hij ziet, is voor vele dagen. Hij profeteert voor verre tijden.’** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | בֵֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֹֽמְרִ֔ים (omerim) = zeggend | הֶחָז֛וֹן (hechazon) = het visioen | אֲשֶׁר (asher) = dat | ה֥וּא (hu) = hij | חֹזֶ֖ה (choze) = ziet | לְיָמִ֣ים (leyamim) = voor dagen | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | וּלְעִתִּ֥ים (uleitim) = en voor tijden | רְחוֹק֖וֹת (rechoqot) = verre | ה֥וּא (hu) = hij | נִבָּֽא (niba) = profeteert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 28:14–15; Ezech 12:22; Dan 10:14; 2 Petr 3:4 **12:28** **Daarom, zeg tegen hen:** Zo zegt Heer Yahweh: **Geen van Mijn woorden wordt nog uitgesteld. Het woord dat Ik spreek, wordt gedaan, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tegen hen | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לֹא (lo) = niet | תִמָּשֵׁ֥ךְ (timashekh) = zal worden uitgesteld | ע֖וֹד (od) = meer | כָּל (kal) = al | דְּבָרָ֑י (devaray) = Mijn woorden | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | אֲדַבֵּ֤ר (adaber) = Ik zal spreken | דָּבָר֙ (davar) = woord | וְיֵ֣עָשֶׂ֔ה (veyease) = en het zal gedaan worden | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 12:23–25; Mat 24:48–51; Mar 13:32–37; 1 Tess 5:2–3; Openb 3:3 ## Ezechiël 13 _Yahweh keert Zich tegen de valse profeten en profetessen_ **13:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Profeteer tegen de profeten van Israël **13:2** **„Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren. Zeg tegen de profeten die uit hun eigen hart profeteren: Hoor het woord van Yahweh.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הִנָּבֵ֛א (hinave) = profeteer | אֶל (el) = tegen | נְבִיאֵ֥י (neviei) = profeten van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הַנִּבָּאִ֑ים (hanibaim) = die profeteren | וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en zeg | לִנְבִיאֵ֣י (linviei) = tegen de profeten van | מִלִּבָּ֔ם (milibam) = uit hun hart | שִׁמְע֖וּ (shimu) = hoort | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֶּן־אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: zo spreekt Yahweh Ezechiël steeds aan. Het woord betekent letterlijk ‘zoon van een mens’. Zie ook Ezech. 2:1. Voetnoot : מִלִּבָּם (millibbam), ‘uit hun eigen hart’: zij profeteren wat zij zelf bedenken, niet wat Yahweh heeft gezegd. Zie ook vers 17. Voetnoot : Hier begint Yahweh te spreken. Zijn toespraak loopt tot en met vers 23 en staat rood. De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat telkens zwart, zoals in Jes. 7:7. De woorden die erop volgen zijn weer rood. Zie ook: Jes 1:10; Jes 7:7; Jes 9:14; Jer 37:19; Ezech 2:1; Ezech 13:17; Ezech 13:23; Ezech 22:25 **13:3** Zo zegt Heer Yahweh: **Wee over de dwaze profeten, die hun eigen geest volgen en niets hebben gezien.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | ה֖וֹי (hoy) = wee | עַל (al) = over | הַנְּבִיאִ֣ים (haneviim) = de profeten | הַנְּבָלִ֑ים (hanevalim) = de dwaze | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הֹלְכִ֛ים (holekhim) = lopen | אַחַ֥ר (achar) = achter | רוּחָ֖ם (rucham) = hun geest | וּלְבִלְתִּ֥י (ulevilti) = en zonder | רָאֽוּ (rau) = zij hebben gezien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’. Zie Ezech. 2:4, waar de uitleg bij deze naam staat. Voetnoot : הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van aanklacht, zoals in Jes. 1:4. Voetnoot : הַנְּבָלִים (hannevalim), ‘de dwaze’: een נָבָל (naval) is de dwaas die geen rekening houdt met Elohim; zie Ps. 14:1. Voetnoot : רוּחָם (rucham), ‘hun geest’: het woord רוּחַ (ruach) betekent ‘geest’ en ‘wind’. Hier is het wat zij zelf bedenken, niet de Geest van Yahweh. Voetnoot : וּלְבִלְתִּי רָאוּ (ulevilti ra’u), ‘en niets hebben gezien’: letterlijk ‘en zonder te zien’. Zij hebben geen visioen van Yahweh gehad. Zie ook: Ps 14:1; Hos 9:7; Jes 1:4; Jer 23:1; Jer 23:28–32; Klaagl 2:14; Ezech 2:4; Mat 23:13–29 **13:4** **Je profeten, Israël, zijn geweest als jakhalzen tussen puinhopen.** Brontekst: כְּשֻׁעָלִ֖ים (keshualim) = als jakhalzen | בָּחֳרָב֑וֹת (bachoravot) = in puinhopen | נְבִיאֶ֥יךָ (nevieikha) = je profeten | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הָיֽוּ (hayu) = zijn geweest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּשֻׁעָלִים (keshu’alim), ‘jakhalzen’: het woord kan ook ‘vossen’ betekenen. Zulke dieren leven in puinhopen. Zij beschermen niets, maar benutten de verwoesting. Zie ook: Mi 3:5; 2 Tess 2:9–10; 2 Kor 11:13–15; Rom 16:18; Openb 19:20 **13:5** **Jullie zijn niet in de bressen opgeklommen. Jullie hebben geen muur gebouwd voor het huis van Israël om stand te houden in de strijd op de dag van Yahweh.** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | עֲלִיתֶם֙ (alitem) = jullie zijn opgeklommen | בַּפְּרָצ֔וֹת (baperatsot) = in de bressen | וַתִּגְדְּר֥וּ (vatigderu) = en jullie hebben gebouwd | גָדֵ֖ר (gader) = muur | עַל (al) = rondom | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | לַעֲמֹ֥ד (laamod) = om stand te houden | בַּמִּלְחָמָ֖ה (bamilchama) = in de strijd | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּרָצוֹת (peratsot), ‘bressen’: gaten in de stadsmuur. De profeten hadden zich, zoals muurwachters, in die bressen moeten stellen en de muur moeten herstellen. Vergelijk Ps. 106:23. Voetnoot : יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh oordeelt; zie Amos 5:18–20 en Joël 2:1. Zie ook: Ps 106:23; Joël 2:1; Amos 5:18–20; Jes 13:9; Jes 58:12; Jer 23:22; Ezech 22:30 **13:6** **Zij hebben leegte gezien en leugenachtige waarzeggerij. Zij zeggen: ‘Godsspraak van Yahweh’, maar Yahweh heeft hen niet gezonden. Toch hopen zij dat het woord zal uitkomen.** Brontekst: חָ֤זוּ (chazu) = zij hebben gezien | שָׁוְא֙ (shave) = leegte | וְקֶ֣סֶם (veqesem) = en waarzegging van | כָּזָ֔ב (kazav) = leugen | הָאֹֽמְרִים֙ (haomerim) = die zeggen | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | לֹ֣א (lo) = niet | שְׁלָחָ֑ם (shelacham) = heeft hen gezonden | וְיִֽחֲל֖וּ (veyichalu) = en zij hopen | לְקַיֵּ֥ם (leqayem) = te laten uitkomen | דָּבָֽר (davar) = woord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶסֶם (qesem), ‘waarzeggerij’: het zoeken van tekens voor de toekomst. Het is verboden in Deut. 18:10. Voetnoot : נְאֻם־יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule die zegt dat Yahweh spreekt. Zie Ezech. 5:11, waar de uitleg bij deze formule staat. Hier gebruiken de valse profeten haar ten onrechte. Voetnoot : וְיִחֲלוּ (veyichalu), ‘en zij hopen’: zij verwachten dat Yahweh hun woord waar zal maken. Zie ook: Deut 18:10; Jer 28:15; Jer 29:8; Jer 37:19; Ezech 5:11; Ezech 21:34; Ezech 22:28 **13:7** **Hebben jullie niet een leeg visioen gezien en leugenachtige waarzeggerij uitgesproken? Jullie zeggen: ‘Godsspraak van Yahweh’, terwijl Ik niet gesproken heb.** Brontekst: הֲל֤וֹא (halo) = toch niet | מַֽחֲזֵה (machaze) = visioen van | שָׁוְא֙ (shave) = leegte | חֲזִיתֶ֔ם (chazitem) = jullie hebben gezien | וּמִקְסַ֥ם (umiqsam) = en waarzegging van | כָּזָ֖ב (kazav) = leugen | אֲמַרְתֶּ֑ם (amartem) = jullie hebben gesproken | וְאֹֽמְרִים֙ (veomerim) = en zeggend | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַאֲנִ֖י (vaani) = en Ik | לֹ֥א (lo) = niet | דִבַּֽרְתִּי (dibarti) = heb gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחֲזֵה־שָׁוְא (machazeh shav), ‘een leeg visioen’: letterlijk ‘een visioen van leegte’. Het is een visioen zonder inhoud, dat niet van Yahweh komt. Zie ook: Ezech 13:2–3; Ezech 13:6; Mat 24:23–24 **13:8** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Omdat jullie leegte spreken en leugen zien, daarom: zie, Ik ben tegen jullie, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֚עַן (yaan) = omdat | דַּבֶּרְכֶ֣ם (daberkhem) = jullie spreken | שָׁ֔וְא (shave) = leegte | וַחֲזִיתֶ֖ם (vachazitem) = en jullie zien | כָּזָ֑ב (kazav) = leugen | לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Ik ben | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = tegen jullie | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִנְנִי אֲלֵיכֶם (hineni alekhem), ‘zie, Ik ben tegen jullie’: een oordeelsformule, ook in Nah. 2:14 en 3:5. Yahweh stelt Zich tegenover degene die Hij aanspreekt. Zie ook: Nah 2:14; Nah 3:5; Ezech 5:8; Ezech 21:8; Ezech 26:3; Ezech 28:22 **13:9** **Mijn hand zal tegen de profeten zijn die leegte zien en leugen voorspellen. In de kring van Mijn volk zullen zij niet zijn. In het register van het huis van Israël zullen zij niet ingeschreven worden. In het land van Israël zullen zij niet komen. Dan zullen jullie weten dat Ik Heer Yahweh ben.** Brontekst: וְהָיְתָ֣ה (vehayeta) = en zal zijn | יָדִ֗י (yadi) = Mijn hand | אֶֽל (el) = tegen | הַנְּבִיאִ֞ים (haneviim) = de profeten | הַחֹזִ֣ים (hachozim) = die zien | שָׁוְא֮ (shave) = leegte | וְהַקֹּסְמִ֣ים (vehaqosemim) = en die waarzeggen | כָּזָב֒ (kazav) = leugen | בְּס֧וֹד (besod) = in de kring van | עַמִּ֣י (ami) = Mijn volk | לֹֽא (lo) = niet | יִהְי֗וּ (yihyu) = zullen zij zijn | וּבִכְתָ֤ב (uvikhtav) = en in het register van | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | לֹ֣א (lo) = niet | יִכָּתֵ֔בוּ (yikatevu) = zullen zij ingeschreven worden | וְאֶל (veel) = en naar | אַדְמַ֥ת (admat) = land van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֹ֣א (lo) = niet | יָבֹ֑אוּ (yavou) = zullen zij komen | וִידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּ֥י (ki) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סוֹד עַמִּי (sod ammi), ‘de kring van Mijn volk’: de kring waarin men vertrouwelijk overlegt. Wie hier niet bij hoort, valt buiten de gemeenschap. Voetnoot : כְּתָב בֵּית־יִשְׂרָאֵל (ketav beit Yisra’el), ‘het register van het huis van Israël’: de lijst van wie tot Israël behoort. De profeten zullen daar niet in staan en niet naar het land terugkeren. Voetnoot : וִידַעְתֶּם כִּי־אֲנִי אֲדֹנָי יְהוִה (vida’tem ki ani Adonai Yahweh), ‘dan zullen jullie weten dat Ik Heer Yahweh ben’: een vaste formule in Ezechiël. Wie het oordeel ondergaat, erkent dan wie Yahweh is. Zie ook: Ps 69:29; Ps 87:6; Ps 101:7; Ezech 20:38; Ezra 2:59 ### Een muur met waardeloze kalk **13:10** **Omdat, ja omdat zij Mijn volk hebben misleid door te zeggen: ‘Vrede’, terwijl er geen vrede is. Men bouwt een muurtje, en zij besmeren het met waardeloze kalk.** Brontekst: יַ֣עַן (yaan) = omdat | וּבְיַ֜עַן (uveyaan) = en omdat | הִטְע֧וּ (hitu) = zij hebben misleid | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֛י (ami) = Mijn volk | לֵאמֹ֥ר (lemor) = om te zeggen | שָׁל֖וֹם (shalom) = vrede | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | שָׁל֑וֹם (shalom) = vrede | וְהוּא֙ (vehu) = en hij | בֹּ֣נֶה (bone) = bouwt | חַ֔יִץ (chayits) = muurtje | וְהִנָּ֛ם (vehinam) = en zie zij | טָחִ֥ים (tachim) = besmeren | אֹת֖וֹ (oto) = het | תָּפֵֽל (tafel) = waardeloze kalk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַיִץ (chayits), ‘muurtje’: een los opgestapelde muur. Het is geen echte stadsmuur. Het woord komt maar hier voor. Voetnoot : תָּפֵל (tafel), ‘waardeloze kalk’: het woord betekent ‘smakeloos’ (Job 6:6). Hier gaat het om pleister die niet bindt en de muur niet sterker maakt. De betekenis is niet helemaal zeker. De profeten verbloemen zo de zwakte van het volk met een leugen: ‘Vrede’. Voetnoot : שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: zie ook vers 16. Zie ook: Job 6:6; 2 Kon 21:9; Jer 8:11; Jer 14:13; Ezech 13:16; Ezech 22:28 **13:11** **Zeg tegen hen die het met waardeloze kalk besmeren: Het zal vallen. Er komt een wegspoelende regen. Jullie, hagelstenen, zullen neerstorten, en een stormwind zal het splijten.** Brontekst: אֱמֹ֛ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tegen | טָחֵ֥י (tachei) = bepleisteraars van | תָפֵ֖ל (tafel) = waardeloze kalk | וְיִפֹּ֑ל (veyipol) = en het zal vallen | הָיָ֣ה (haya) = er komt | גֶּ֣שֶׁם (geshem) = regen | שׁוֹטֵ֗ף (shotef) = wegspoelende | וְאַתֵּ֜נָה (veatena) = en jullie | אַבְנֵ֤י (avnei) = stenen van | אֶלְגָּבִישׁ֙ (elgavish) = hagel | תִּפֹּ֔לְנָה (tipolena) = zullen vallen | וְר֥וּחַ (veruach) = en wind van | סְעָר֖וֹת (searot) = stormen | תְּבַקֵּֽעַ (tevaqea) = zal splijten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶלְגָּבִישׁ (elgavish), ‘hagelstenen’: een zeldzaam woord, letterlijk ‘stenen van hagel’. Het komt alleen voor in 13:11, 13:13 en 38:22. Voetnoot : וְאַתֵּנָה (ve’attenah), ‘en jullie’: het is een vrouwelijke vorm. De hagelstenen worden zelf aangesproken. Voetnoot : Sommige oude vertalingen lezen aan het begin van het vers anders. Zie ook: Ps 11:6; Jes 28:2; Jes 29:6; Ezech 38:22; Luc 6:48–49 **13:12** **Zie, de muur is gevallen. Zal er dan niet tegen jullie gezegd worden: ‘Waar is de pleisterlaag waarmee jullie hem hebben bestreken?’** Brontekst: וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | נָפַ֣ל (nafal) = is gevallen | הַקִּ֑יר (haqir) = de muur | הֲלוֹא֙ (halo) = toch niet | יֵאָמֵ֣ר (yeamer) = zal gezegd worden | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = tegen jullie | אַיֵּ֥ה (aye) = waar | הַטִּ֖יחַ (hatiach) = de pleisterlaag | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | טַחְתֶּֽם (tachtem) = jullie hebben bestreken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַטִּיחַ (hatiach), ‘de pleisterlaag’: het woord komt alleen hier voor. Het hoort bij het werkwoord טוּחַ (tuach), ‘bepleisteren’. Zie ook: Re 9:38; 2 Kon 3:13; Jer 2:28; Jer 29:31–32; Jer 37:19 **13:13** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **In Mijn woede laat Ik een stormwind losbreken. In Mijn toorn komt een wegspoelende regen, en hagelstenen in grimmige woede, tot vernietiging.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּבִקַּעְתִּ֥י (uviqati) = en Ik zal laten losbreken | רֽוּחַ (ruach) = wind van | סְעָר֖וֹת (searot) = stormen | בַּֽחֲמָתִ֑י (bachamati) = in Mijn woede | וְגֶ֤שֶׁם (vegeshem) = en regen | שֹׁטֵף֙ (shotef) = wegspoelende | בְּאַפִּ֣י (beapi) = in Mijn toorn | יִֽהְיֶ֔ה (yihye) = zal zijn | וְאַבְנֵ֥י (veavnei) = en stenen van | אֶלְגָּבִ֖ישׁ (elgavish) = hagel | בְּחֵמָ֥ה (bechema) = in grimmige woede | לְכָלָֽה (lekhala) = tot vernietiging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ סְעָרוֹת (ruach se’arot), ‘stormwind’: letterlijk ‘wind van stormen’. Voetnoot : חֵמָה (chemah), ‘woede’ en אַף (af), ‘toorn’: twee woorden voor Yahweh’s verontwaardiging. Zie ook: Ps 18:13–14; Ps 148:8; Jes 30:30; Openb 11:19; Openb 16:21 **13:14** **Ik zal de muur afbreken die jullie met waardeloze kalk hebben bestreken. Ik breng hem neer op de grond, en zijn fundament wordt blootgelegd. Hij zal vallen, en jullie zullen in zijn midden omkomen. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וְהָ֨רַסְתִּ֜י (veharasti) = en Ik zal afbreken | אֶת (et) = (obj.) | הַקִּ֨יר (haqir) = de muur | אֲשֶׁר (asher) = die | טַחְתֶּ֥ם (tachtem) = jullie hebben bestreken | תָּפֵ֛ל (tafel) = waardeloze kalk | וְהִגַּעְתִּ֥יהוּ (vehigatihu) = en Ik zal brengen hem | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de grond | וְנִגְלָ֣ה (venigla) = en wordt blootgelegd | יְסֹד֑וֹ (yesodo) = zijn fundament | וְנָֽפְלָה֙ (venafela) = en hij zal vallen | וּכְלִיתֶ֣ם (ukhelitem) = en jullie zullen omkomen | בְּתוֹכָ֔הּ (betokhah) = in zijn midden | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקִּיר (haqqir), ‘de muur’: de muur is het beeld van het valse vertrouwen. Wie erachter schuilt, wordt onder de puinhopen begraven. Zie ook: Mi 1:6; Jer 6:15; Jer 14:15; Hab 3:13; Ezech 13:9 **13:15** **Zo maak Ik Mijn woede ten einde aan de muur en aan wie hem met waardeloze kalk bestrijken. Dan zal Ik tegen jullie zeggen: ‘De muur is er niet meer, en zij die hem bestreken zijn er niet meer.’** Brontekst: וְכִלֵּיתִ֤י (vekhileiti) = en Ik zal ten einde brengen | אֶת (et) = (obj.) | חֲמָתִי֙ (chamati) = Mijn woede | בַּקִּ֔יר (baqir) = aan de muur | וּבַטָּחִ֥ים (uvatachim) = en aan hen die bestrijken | אֹת֖וֹ (oto) = het | תָּפֵ֑ל (tafel) = waardeloze kalk | וְאֹמַ֤ר (veomar) = en Ik zal zeggen | לָכֶם֙ (lakhem) = tegen jullie | אֵ֣ין (ein) = niet is | הַקִּ֔יר (haqir) = de muur | וְאֵ֖ין (veein) = en niet zijn | הַטָּחִ֥ים (hatachim) = zij die bestrijken | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 62:4; Jes 30:13; Neh 3:35 **13:16** **Dat zijn de profeten van Israël die over Jeruzalem profeteren. Zij zien voor haar een visioen van vrede, terwijl er geen vrede is, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: נְבִיאֵ֣י (neviei) = profeten van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | הַֽנִבְּאִים֙ (hanibeim) = die profeteren | אֶל (el) = over | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְהַחֹזִ֥ים (vehachozim) = en die zien | לָ֖הּ (lah) = voor haar | חֲז֣וֹן (chazon) = visioen van | שָׁלֹ֑ם (shalom) = vrede | וְאֵ֣ין (veein) = en niet is | שָׁלֹ֔ם (shalom) = vrede | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהֹוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: חֲזוֹן שָׁלֹם (chazon shalom), ‘een visioen van vrede’: de profeten beloofden Jeruzalem vrede, terwijl het oordeel al kwam. Zie ook Jer. 6:14 en 8:11. Zie ook: Jes 48:22; Jer 6:14; Jer 8:11; Jer 29:31; Ezech 13:10 ### Profetessen die zielen vangen **13:17** **En jij, mensenkind, richt je gezicht op de dochters van je volk die uit eigen hart profeteren, en profeteer tegen hen.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | שִׂ֤ים (sim) = zet | פָּנֶ֨יךָ֙ (paneikha) = je gezicht | אֶל (el) = op | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | עַמְּךָ֔ (amekha) = je volk | הַמִּֽתְנַבְּא֖וֹת (hamitnabeot) = die profeteren | מִֽלִּבְּהֶ֑ן (milibehen) = uit hun hart | וְהִנָּבֵ֖א (vehinave) = en profeteer | עֲלֵיהֶֽן (aleihen) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנוֹת עַמְּךָ הַמִּתְנַבְּאוֹת (benot ammekha hammitnabbe’ot), ‘de dochters van je volk die profeteren’: vrouwen die als profetes optreden. Er zijn ook profetessen die Yahweh dienden, zoals Mirjam (Exod. 15:20) en Debora (Richt. 4:4). Deze vrouwen spreken uit hun eigen hart. Zie ook: Ex 15:20; Re 4:4; 2 Kon 22:14; Ezech 13:2; Luc 2:36; Openb 2:20 **13:18** **En zeg:** Zo zegt Heer Yahweh: **Wee hen die bandjes naaien om alle gewrichten van de handen. Zij maken sluiers voor het hoofd van mensen van elke lengte om zielen te vangen. Jagen jullie op de zielen van Mijn volk, en houden jullie zielen voor jezelf in leven?** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֞ (veamarta) = en zeg | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הוֹי֩ (hoy) = wee | לִֽמְתַפְּר֨וֹת (limtaperot) = aan hen die naaien | כְּסָת֜וֹת (kesatot) = bandjes | עַ֣ל (al) = over | כָּל (kal) = alle | אַצִּילֵ֣י (atsilei) = gewrichten van | יָדַ֗י (yaday) = de handen | וְעֹשׂ֧וֹת (veosot) = en die maken | הַמִּסְפָּח֛וֹת (hamispachot) = sluiers | עַל (al) = over | רֹ֥אשׁ (rosh) = hoofd van | כָּל (kal) = elke | קוֹמָ֖ה (qoma) = lengte | לְצוֹדֵ֣ד (letsoded) = om te vangen | נְפָשׁ֑וֹת (nefashot) = zielen | הַנְּפָשׁוֹת֙ (hanefashot) = de zielen | תְּצוֹדֵ֣דְנָה (tetsodedena) = zullen jullie vangen | לְעַמִּ֔י (leami) = voor Mijn volk | וּנְפָשׁ֖וֹת (unefashot) = en zielen | לָכֶ֥נָה (lakhena) = voor jullie | תְחַיֶּֽינָה (techayeina) = zullen jullie in leven laten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּסָתוֹת (kesatot), ‘bandjes’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Het kunnen bandjes of kussentjes zijn. Zij worden hier gebruikt om zielen ‘te vangen’. Voetnoot : אַצִּילֵי יָדָי (atsilei yadai), ‘gewrichten van de handen’: letterlijk ‘van mijn handen’. Sommige oude vertalingen lezen ‘van de handen’. Wij volgen dat. Het woord אָצִיל (atsil) betekent ‘gewricht’ of ‘uiteinde’, zoals in Jes. 41:9. Voetnoot : מִסְפָּחוֹת (mispachot), ‘sluiers’: ook dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Voetnoot : קוֹמָה (qomah), ‘lengte’: letterlijk ‘gestalte’. Het gaat dus om mensen van elke lengte, groot en klein. Voetnoot : נְפָשׁוֹת (nefashot), ‘zielen’: נֶפֶשׁ (nefesh) betekent ‘ziel’, ‘leven’ en ‘persoon’. Het werkwoord צוּד (tsud), ‘jagen’, hoort bij de jacht op vogels en wild. Voetnoot : Het Hebreeuws van de laatste zin is kort: ‘Zielen jagen jullie voor Mijn volk, en zielen houden jullie voor jezelf in leven?’ Zie ook: Jes 41:9; Jer 6:14; Ezech 13:20; Ezech 22:25; 2 Tim 4:3; 2 Petr 2:14 **13:19** **Jullie ontheiligen Mij bij Mijn volk voor handenvol gerst en voor stukken brood. Jullie doden zielen die niet moeten sterven, en houden zielen in leven die niet moeten leven. Zo liegen jullie tegen Mijn volk, dat naar leugens luistert.** Brontekst: וַתְּחַלֶּלְ֨נָה (vatechalelna) = en jullie ontheiligen | אֹתִ֜י (oti) = Mij | אֶל (el) = bij | עַמִּ֗י (ami) = Mijn volk | בְּשַׁעֲלֵ֣י (beshaalei) = voor handenvol van | שְׂעֹרִים֮ (seorim) = gerst | וּבִפְת֣וֹתֵי (uviftotei) = en voor stukken van | לֶחֶם֒ (lechem) = brood | לְהָמִ֤ית (lehamit) = om te doden | נְפָשׁוֹת֙ (nefashot) = zielen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | תְמוּתֶ֔נָה (temutena) = zullen sterven | וּלְחַיּ֥וֹת (ulechayot) = en om in leven te houden | נְפָשׁ֖וֹת (nefashot) = zielen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | תִֽחְיֶ֑ינָה (tichyeina) = zullen leven | בְּכַ֨זֶּבְכֶ֔ם (bekhazevkhem) = door jullie liegen | לְעַמִּ֖י (leami) = tegen Mijn volk | שֹׁמְעֵ֥י (shomeei) = luisteraars naar | כָזָֽב (kazav) = leugen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּשַׁעֲלֵי שְׂעֹרִים (besha’alei se’orim), ‘handenvol gerst’: een klein loon. Zij profeteren voor een handvol gerst en een stuk brood. Vergelijk Micha 3:5. Voetnoot : לְהָמִית נְפָשׁוֹת אֲשֶׁר לֹא־תְמוּתֶנָה (lehamit nefashot asher lo temutenah), ‘om zielen te doden die niet moeten sterven’: zij spreken oordeel over onschuldigen en vrijspraak over schuldigen. Het Hebreeuws zegt het zonder toelichting. Zie ook: Spr 28:21; Mi 3:5; Jer 23:14; Jer 23:17; Ezech 22:26 **13:20** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik ben tegen jullie bandjes, waarmee jullie daar zielen vangen als vogels. Ik scheur ze van jullie armen af en laat de zielen gaan, de zielen die jullie vangen als vogels.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Ik ben | אֶל (el) = tegen | כִּסְּתוֹתֵיכֶ֨נָה֙ (kisetoteikhena) = jullie bandjes | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | אַ֠תֵּנָה (atena) = jullie | מְצֹדְד֨וֹת (metsodedot) = vangsters | שָׁ֤ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | הַנְּפָשׁוֹת֙ (hanefashot) = de zielen | לְפֹ֣רְח֔וֹת (leforechot) = als vogels | וְקָרַעְתִּ֣י (veqarati) = en Ik zal afscheuren | אֹתָ֔ם (otam) = ze | מֵעַ֖ל (meal) = van | זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם (zerooteikhem) = jullie armen | וְשִׁלַּחְתִּי֙ (veshilachti) = en Ik zal laten gaan | אֶת (et) = (obj.) | הַנְּפָשׁ֔וֹת (hanefashot) = de zielen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אַתֶּ֛ם (atem) = jullie | מְצֹדְד֥וֹת (metsodedot) = vangers | אֶת (et) = (obj.) | נְפָשִׁ֖ים (nefashim) = zielen | לְפֹרְחֹֽת (leforechot) = als vogels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְפֹרְחוֹת (lefor’chot), ‘als vogels’: het woord is onzeker. Het hangt samen met een werkwoord dat ‘vliegen’ of ‘bloeien’ kan betekenen. Sommige oude vertalingen lezen anders. De zielen worden gevangen als vogels in een net. Zie ook: Ezech 13:8–9; Ezech 13:15–16; Ezech 13:18; 2 Tim 3:8–9 **13:21** **Ook scheur Ik jullie sluiers af en bevrijd Ik Mijn volk uit jullie hand. Zij zullen niet meer als prooi in jullie hand zijn. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וְקָרַעְתִּ֞י (veqarati) = en Ik zal afscheuren | אֶת (et) = (obj.) | מִסְפְּחֹֽתֵיכֶ֗ם (mispechoteikhem) = jullie sluiers | וְהִצַּלְתִּ֤י (vehitsalti) = en Ik zal bevrijden | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | מִיֶּדְכֶ֔ן (miyedkhen) = uit jullie hand | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְי֥וּ (yihyu) = zullen zij zijn | ע֛וֹד (od) = nog | בְּיֶדְכֶ֖ן (beyedkhen) = in jullie hand | לִמְצוּדָ֑ה (limtsuda) = als prooi | וִֽידַעְתֶּ֖ן (vidaten) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְצוּדָה (metsudah), ‘prooi’: letterlijk ‘wat gevangen wordt’, of ook ‘net’. Voetnoot : הִצַּלְתִּי (hitsalti), ‘Ik bevrijd’: het werkwoord הִצִּיל (hitsil) betekent ‘bevrijden’. Zie ook: Ps 91:3 **13:22** **Omdat jullie het hart van de rechtvaardige met leugen bedroeven, terwijl Ik hem niet heb bedroefd. Omdat jullie de handen van de goddeloze sterken, zodat hij zich niet afkeert van zijn kwade weg om in leven te blijven.** Brontekst: יַ֣עַן (yaan) = omdat | הַכְא֤וֹת (hakhot) = het bedroeven van | לֵב (lev) = hart van | צַדִּיק֙ (tsadiq) = rechtvaardige | שֶׁ֔קֶר (sheqer) = met leugen | וַאֲנִ֖י (vaani) = en Ik | לֹ֣א (lo) = niet | הִכְאַבְתִּ֑יו (hikhavtiv) = heb hem bedroefd | וּלְחַזֵּק֙ (ulechazeq) = en het sterken van | יְדֵ֣י (yedei) = handen van | רָשָׁ֔ע (rasha) = goddeloze | לְבִלְתִּי (levilti) = opdat niet | שׁ֛וּב (shuv) = hij zich afkeert | מִדַּרְכּ֥וֹ (midarko) = van zijn weg | הָרָ֖ע (hara) = de kwade | לְהַחֲיֹתֽוֹ (lehachayoto) = om hem in leven te houden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַכְאוֹת (hakh’ot), ‘bedroeven’: het werkwoord betekent ‘terneerslaan, verdriet doen’. De valse profeten ontmoedigen wie recht leeft. Voetnoot : לְהַחֲיֹתוֹ (lehachayoto), ‘om hem in leven te houden’: zij beloven de goddeloze dat hij gespaard blijft, zodat hij zich niet bekeert. Vergelijk Ezech. 18:21–23 en 33:11. Zie ook: Gen 3:4–5; Jer 14:13–17; Jer 23:14; Jer 23:17; Ezech 9:4; Ezech 18:21–23; Ezech 33:11 **13:23** **Daarom zullen jullie geen leegte meer zien en geen waarzeggerij meer bedrijven. Ik bevrijd Mijn volk uit jullie hand. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | שָׁ֚וְא (shave) = leegte | לֹ֣א (lo) = niet | תֶחֱזֶ֔ינָה (techezeina) = zullen jullie zien | וְקֶ֖סֶם (veqesem) = en waarzegging | לֹא (lo) = niet | תִקְסַ֣מְנָה (tiqsamna) = zullen jullie waarzeggen | ע֑וֹד (od) = meer | וְהִצַּלְתִּ֤י (vehitsalti) = en Ik zal bevrijden | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | מִיֶּדְכֶ֔ן (miyedkhen) = uit jullie hand | וִֽידַעְתֶּ֖ן (vidaten) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het slot van de toespraak. Het Hebreeuws zegt dat zij geen ‘leegte’ meer zullen zien, en dat zij niet meer zullen ‘waarzeggen’. Zie ook: Mi 3:6; Ezech 12:24; Ezech 13:21; Ezech 34:10; Zach 13:3 ## Ezechiël 14 _Mestgoden in het hart; Noach, Daniël en Job bevrijden alleen zichzelf_ ### De oudsten en hun mestgoden **14:1** Er kwamen enkele mannen van de oudsten van Israël bij mij, en zij gingen voor mij zitten. Brontekst: וַיָּב֤וֹא (vayavo) = en kwamen | אֵלַי֙ (elay) = naar mij | אֲנָשִׁ֔ים (anashim) = mannen | מִזִּקְנֵ֖י (miziqnei) = van de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיֵּשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en zij zaten | לְפָנָֽי (lefanay) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִקְנֵי יִשְׂרָאֵל (ziqnei Yisra’el), ‘de oudsten van Israël’: leiders van de ballingen. Zij komen bij Ezechiël zitten om een woord van Yahweh te horen, zoals ook in 8:1 en 20:1. Zie ook: 2 Kon 6:32; Jes 29:13; Ezech 8:1; Ezech 20:1; Ezech 33:31 **14:2** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kon 14:4; Amos 3:7 **14:3** **„Mensenkind, deze mannen hebben hun mestgoden in hun hart laten opkomen en het struikelblok van hun schuld voor hun gezicht gezet. Zou Ik Mij werkelijk door hen laten raadplegen?** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | הָאֲנָשִׁ֤ים (haanashim) = de mannen | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | הֶעֱל֤וּ (heelu) = hebben laten opkomen | גִלּֽוּלֵיהֶם֙ (giluleihem) = hun mestgoden | עַל (al) = op | לִבָּ֔ם (libam) = hun hart | וּמִכְשׁ֣וֹל (umikhshol) = en struikelblok van | עֲוֺנָ֔ם (avonam) = hun schuld | נָתְנ֖וּ (natenu) = zij hebben gezet | נֹ֣כַח (nokhach) = voor | פְּנֵיהֶ֑ם (peneihem) = hun gezicht | הַאִדָּרֹ֥שׁ (haidarosh) = zal Ik Mij laten raadplegen | אִדָּרֵ֖שׁ (idaresh) = Ik zal Mij laten raadplegen | לָהֶֽם (lahem) = door hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’: een verachtelijke naam voor afgodsbeelden. Het woord hoort bij een woord voor ‘mest’. Zie Ezech. 6:4, waar de uitleg bij deze naam staat. Voetnoot : מִכְשׁוֹל עֲוֺנָם (mikhshol avonam), ‘het struikelblok van hun schuld’: de afgod laat hen struikelen en maakt hen schuldig. Hetzelfde woord staat in 7:19 en 18:30. Voetnoot : הַאִדָּרֹשׁ אִדָּרֵשׁ (ha’iddarosh iddaresh), ‘zou Ik Mij werkelijk laten raadplegen?’: het werkwoord is een Niphal, ‘zich laten raadplegen’. De dubbele vorm benadrukt de vraag, en het antwoord is ‘nee’. Zie ook: Jes 1:15; Ezech 6:4; Ezech 7:19; Ezech 14:7; Ezech 20:3; Ezech 20:16 **14:4** **Daarom, spreek met hen en zeg tegen hen:** Zo zegt Heer Yahweh: **Iedere man van het huis van Israël laat zijn mestgoden in zijn hart opkomen. Hij zet het struikelblok van zijn schuld voor zijn gezicht. Als hij dan naar de profeet komt, zal Ik, Yahweh, hem antwoorden, hem die komt met de menigte van zijn mestgoden.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | דַּבֵּר (daber) = spreek | א֠וֹתָם (otam) = met hen | וְאָמַרְתָּ֨ (veamarta) = en zeg | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tegen hen | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אִ֣ישׁ (ish) = man | אִ֣ישׁ (ish) = man | מִבֵּ֣ית (mibeit) = van het huis van | יִשְׂרָאֵ֡ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | יַעֲלֶ֨ה (yaale) = laat opkomen | אֶת (et) = (obj.) | גִּלּוּלָ֜יו (gilulav) = zijn mestgoden | אֶל (el) = op | לִבּ֗וֹ (libo) = zijn hart | וּמִכְשׁ֤וֹל (umikhshol) = en struikelblok van | עֲוֺנוֹ֙ (avono) = zijn schuld | יָשִׂים֙ (yasim) = zet | נֹ֣כַח (nokhach) = voor | פָּנָ֔יו (panav) = zijn gezicht | וּבָ֖א (uva) = en komt | אֶל (el) = naar | הַנָּבִ֑יא (hanavi) = de profeet | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | נַעֲנֵ֧יתִי (naaneiti) = zal antwoorden | ל֦וֹ (lo) = hem | בָ֖א (ba) = hij komt | בְּרֹ֥ב (berov) = met menigte van | גִּלּוּלָֽיו (gilulav) = zijn mestgoden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַעֲנֵיתִי לוֹ (na’aneti lo), ‘Ik zal hem antwoorden’: de vorm is een Niphal en moeilijk. Het kan ‘Ik laat Mij door hem antwoorden’ betekenen, of ‘Ik antwoord hem Zelf’. Wij vertalen ‘Ik zal hem antwoorden’. Yahweh antwoordt niet met een profetie van vrede, maar met het oordeel dat bij zijn mestgoden past. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat בה (bh), ‘daarin’; de overlevering leest בָא (ba), ‘hij komt’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Jes 3:11; Jes 66:4; Ezech 3:4; Ezech 3:17–21; Ezech 14:7 **14:5** **Zo grijp Ik het huis van Israël vast in hun hart, zij die zich allemaal door hun mestgoden van Mij hebben afgekeerd.** Brontekst: לְמַ֛עַן (lemaan) = opdat | תְּפֹ֥שׂ (tefos) = Ik vastgrijp | אֶת (et) = (obj.) | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בְּלִבָּ֑ם (belibam) = in hun hart | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | נָזֹ֨רוּ֙ (nazoru) = zij zijn vervreemd | מֵֽעָלַ֔י (mealay) = van Mij | בְּגִלּֽוּלֵיהֶ֖ם (begiluleihem) = door hun mestgoden | כֻּלָּֽם (kulam) = allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּפֹשׂ (tefos), ‘vastgrijpen’: Yahweh grijpt hun hart zelf aan, om hun afgoderij te doorbreken. Het werkwoord נָזַר (nazar) in נָזֹרוּ (nazoru) betekent ‘zich vervreemden’, zoals in Jes. 1:4. Zie ook: Hos 10:2; Jes 1:4; Jer 2:31–32; Zach 11:8; Rom 1:21–23 **14:6** **Daarom, zeg tegen het huis van Israël:** Zo zegt Heer Yahweh: **Keer terug en wend je af van jullie mestgoden. Wend jullie gezicht af van al jullie gruwelen.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tegen | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שׁ֣וּבוּ (shuvu) = keert terug | וְהָשִׁ֔יבוּ (vehashivu) = en wendt af | מֵעַ֖ל (meal) = van | גִּלּֽוּלֵיכֶ֑ם (giluleikhem) = jullie mestgoden | וּמֵעַ֥ל (umeal) = en van | כָּל (kal) = al | תּוֹעֲבֹתֵיכֶ֖ם (toavoteikhem) = jullie gruwelen | הָשִׁ֥יבוּ (hashivu) = wendt af | פְנֵיכֶֽם (peneikhem) = jullie gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּבוּ (shuvu), ‘keer terug’: de oproep tot bekering. Het werkwoord שׁוּב (shuv) betekent ‘terugkeren’ en in de Hiphil ‘doen terugkeren, afwenden’. Zie ook Ezech. 18:30–32. Voetnoot : תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: alles wat Yahweh verafschuwt. Zie ook: Jes 2:20; Jes 30:22; Ezech 18:30; Ezech 36:31–32; Jak 4:8–10 **14:7** **Want ieder man van het huis van Israël, of van de vreemdelingen die in Israël wonen, keert zich van Mij af. Hij laat zijn mestgoden in zijn hart opkomen en zet het struikelblok van zijn schuld voor zijn gezicht. Komt hij dan naar de profeet om Mij te raadplegen, dan zal Ik, Yahweh, hem Zelf antwoorden.** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | אִ֨ישׁ (ish) = man | אִ֜ישׁ (ish) = man | מִבֵּ֣ית (mibeit) = van het huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וּמֵהַגֵּר֮ (umehager) = en van de vreemdeling | אֲשֶׁר (asher) = die | יָג֣וּר (yagur) = woont | בְּיִשְׂרָאֵל֒ (beyisrael) = in Israël | וְיִנָּזֵ֣ר (veyinazer) = en zich afkeert | מֵֽאַחֲרַ֗י (meacharay) = van achter Mij | וְיַ֤עַל (veyaal) = en laat opkomen | גִּלּוּלָיו֙ (gilulav) = zijn mestgoden | אֶל (el) = op | לִבּ֔וֹ (libo) = zijn hart | וּמִכְשׁ֣וֹל (umikhshol) = en struikelblok van | עֲוֺנ֔וֹ (avono) = zijn schuld | יָשִׂ֖ים (yasim) = zet | נֹ֣כַח (nokhach) = voor | פָּנָ֑יו (panav) = zijn gezicht | וּבָ֤א (uva) = en komt | אֶל (el) = naar | הַנָּבִיא֙ (hanavi) = de profeet | לִדְרָשׁ (lidrash) = om te raadplegen | ל֣וֹ (lo) = voor zich | בִ֔י (bi) = bij Mij | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | נַֽעֲנֶה (naane) = zal antwoorden | לּ֖וֹ (lo) = hem | בִּֽי (bi) = Zelf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֵּר (ger), ‘vreemdeling’: iemand die als gast in Israël woont. Ook hij valt onder dezelfde regel, zoals in Lev. 17:8. Voetnoot : לִדְרָשׁ לוֹ בִי (lidrosh lo vi), ‘om Mij te raadplegen’: letterlijk ‘om voor zichzelf bij Mij te zoeken’. Voetnoot : אֲנִי יְהוָה נַעֲנֶה לּוֹ בִּי (ani Yahweh ne’eneh lo bi), ‘Ik, Yahweh, zal hem Zelf antwoorden’: het slot ‘bi’ (‘door Mij’) benadrukt dat Yahweh zelf antwoordt. Zie ook: Ex 12:48; Ex 20:10; Lev 17:8; 2 Kon 8:8–15; Jes 58:1–2; Jer 37:9–10 **14:8** **Ik zet Mijn gezicht tegen die man. Ik maak hem tot een ontzetting, tot een teken en tot spreekwoorden, en Ik snijd hem af uit het midden van Mijn volk. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal zetten | פָנַ֜י (panay) = Mijn gezicht | בָּאִ֣ישׁ (baish) = tegen de man | הַה֗וּא (hahu) = die | וַהֲשִֽׂמֹתִ֨יהוּ֙ (vahasimotihu) = en Ik zal tot ontzetting maken hem | לְא֣וֹת (leot) = tot teken | וְלִמְשָׁלִ֔ים (velimshalim) = en tot spreekwoorden | וְהִכְרַתִּ֖יו (vehikhrativ) = en Ik zal afsnijden hem | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | עַמִּ֑י (ami) = Mijn volk | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַהֲשִׂמֹתִיהוּ (vahashimmotihu), ‘Ik maak hem tot een ontzetting’: het werkwoord שָׁמֵם (shamem) betekent ‘verwoesten, ontzetten’. De man wordt een afschrikwekkend voorbeeld. Vergelijk Deut. 28:37. Voetnoot : לְאוֹת וְלִמְשָׁלִים (le’ot velimshalim), ‘tot een teken en tot spreekwoorden’: een teken dat anderen waarschuwt, en een uitdrukking in de mond van het volk. Zie ook: Lev 17:10; Deut 28:37; Jes 65:15; Jer 44:11; Ezech 5:15; Ezech 15:7 **14:9** **Als de profeet zich laat verleiden en een woord spreekt, dan heb Ik, Yahweh, die profeet verleid. Ik strek Mijn hand tegen hem uit en vernietig hem uit het midden van Mijn volk Israël.** Brontekst: וְהַנָּבִ֤יא (vehanavi) = en de profeet | כִֽי (ki) = als | יְפֻתֶּה֙ (yefute) = hij zich laat verleiden | וְדִבֶּ֣ר (vediber) = en spreekt | דָּבָ֔ר (davar) = woord | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | פִּתֵּ֔יתִי (piteiti) = heb verleid | אֵ֖ת (et) = (obj.) | הַנָּבִ֣יא (hanavi) = de profeet | הַה֑וּא (hahu) = die | וְנָטִ֤יתִי (venatiti) = en Ik zal uitstrekken | אֶת (et) = (obj.) | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | עָלָ֔יו (alav) = tegen hem | וְהִ֨שְׁמַדְתִּ֔יו (vehishmadtiv) = en Ik zal vernietigen hem | מִתּ֖וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | עַמִּ֥י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּתָּה (pittah), ‘verleiden’: het werkwoord betekent ‘overhalen’. Vergelijk 1 Kon. 22:20–22, waar Yahweh Achab laat verleiden. Hier zegt Yahweh dat Hij de profeet heeft verleid, en dat hij daarom toch zijn straf draagt. De tekst legt dat niet verder uit. Zie ook: Ps 81:12–13; 1 Kon 22:20–22; Jes 9:11; Jes 9:16; Jer 4:10; Ezech 20:25 **14:10** **Zij zullen hun schuld dragen. De schuld van wie raadpleegt zal gelijk zijn aan de schuld van de profeet.** Brontekst: וְנָשְׂא֖וּ (venaseu) = en zij zullen dragen | עֲוֺנָ֑ם (avonam) = hun schuld | כַּֽעֲוֺן֙ (kaavon) = zoals de schuld van | הַדֹּרֵ֔שׁ (hadoresh) = de raadpleger | כַּעֲוֺ֥ן (kaavon) = zoals de schuld van | הַנָּבִ֖יא (hanavi) = de profeet | יִֽהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲוֹן (avon), ‘schuld’: de schuld van de ondervrager en van de profeet wordt gelijk gesteld. Beiden dragen verantwoordelijkheid. Zie ook: Num 5:31; Jer 8:11–12; Ezech 14:7–8; Ezech 17:18–20; Ezech 23:49 **14:11** **Zo dwaalt het huis van Israël niet meer van Mij weg en maken zij zich niet meer onrein met al hun overtredingen. Zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun Elohim zijn, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: לְ֠מַעַן (lemaan) = opdat | לֹֽא (lo) = niet | יִתְע֨וּ (yitu) = zullen dwalen | ע֤וֹד (od) = meer | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מֵאַֽחֲרַ֔י (meacharay) = van achter Mij | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִטַּמְּא֥וּ (yitameu) = zullen zich onrein maken | ע֖וֹד (od) = meer | בְּכָל (bekhal) = met alle | פִּשְׁעֵיהֶ֑ם (pisheihem) = hun overtredingen | וְהָ֥יוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לִ֣י (li) = voor Mij | לְעָ֗ם (leam) = tot volk | וַֽאֲנִי֙ (vaani) = en Ik | אֶהְיֶ֤ה (ehye) = zal zijn | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | לֵֽאלֹהִ֔ים (lElohim) = tot Elohim | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהָיוּ לִי לְעָם וַאֲנִי אֶהְיֶה לָהֶם לֵאלֹהִים (vehayu li le’am va’ani ehyeh lahem lelohim), ‘Zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun Elohim zijn’: de verbondsformule, zoals in Gen. 17:7 en Lev. 26:12. Zie ook Ezech. 11:20 en 36:28. Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Zie ook: Gen 17:7; Lev 26:12; Jer 11:4; Ezech 5:11; Ezech 11:20; Ezech 36:28; Ezech 37:23; Ezech 44:10; Ezech 48:11; Openb 21:7 ### Noach, Daniël en Job **14:12** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:13** **„Mensenkind, als een land tegen Mij zondigt door trouweloos te handelen, strek Ik Mijn hand tegen dat land uit. Ik breek voor haar de staf van het brood. Ik zend honger in haar en snijd er mens en dier uit af.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | אֶ֚רֶץ (erets) = land | כִּ֤י (ki) = als | תֶחֱטָא (techeta) = zondigt | לִי֙ (li) = tegen Mij | לִמְעָל (limal) = door te handelen | מַ֔עַל (maal) = trouweloos | וְנָטִ֤יתִי (venatiti) = en Ik zal uitstrekken | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | עָלֶ֔יהָ (aleiha) = tegen haar | וְשָׁבַ֥רְתִּי (veshavarti) = en Ik zal breken | לָ֖הּ (lah) = voor haar | מַטֵּה (mate) = staf van | לָ֑חֶם (lachem) = brood | וְהִשְׁלַחְתִּי (vehishlachti) = en Ik zal zenden | בָ֣הּ (bah) = in haar | רָעָ֔ב (raav) = honger | וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik zal afsnijden | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = uit haar | אָדָ֥ם (adam) = mens | וּבְהֵמָֽה (uvehema) = en dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָעַל מַעַל (ma’al ma’al), ‘trouweloos handelen’: het werkwoord en het zelfstandig naamwoord staan naast elkaar en versterken elkaar. Het is een breuk van de trouw aan Yahweh, zoals in Lev. 5:15. Voetnoot : מַטֵּה־לָחֶם (matteh lechem), ‘staf van het brood’: het brood als steun van het leven, zoals in Lev. 26:26 en Ps. 105:16. Als Yahweh die staf breekt, ontstaat honger. Zie ook: Lev 5:15; Lev 26:26; Ps 105:16; Jes 3:1; Ezech 4:16; Ezech 14:21; Ezech 15:8 **14:14** **Zouden deze drie mannen erin zijn, Noach, Daniël en Job, dan zouden zij zelf door hun gerechtigheid hun ziel bevrijden, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְ֠הָיוּ (vehayu) = en zijn | שְׁלֹ֨שֶׁת (sheloshet) = drie | הָאֲנָשִׁ֤ים (haanashim) = de mannen | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | בְּתוֹכָ֔הּ (betokhah) = in haar midden | נֹ֖חַ (noach) = Noach | דָּנִיֵּ֣אל (daniyel) = Daniël | וְאִיּ֑וֹב (veiyov) = en Job | הֵ֤מָּה (hema) = zij | בְצִדְקָתָם֙ (betsidqatam) = door hun gerechtigheid | יְנַצְּל֣וּ (yenatselu) = zouden bevrijden | נַפְשָׁ֔ם (nafsham) = hun ziel | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֹחַ דָּנִיֵּאל וְאִיּוֹב (Noach, Daniël ve-Iyyov), ‘Noach, Daniël en Job’: drie mannen die om hun gerechtigheid bekend zijn. Over Noach zie Gen. 6:9, over Job zie Job 1:1. De tekst zegt niet welke Daniël hier bedoeld wordt. Voetnoot : יְנַצְּלוּ (yenatselu), ‘zij zouden bevrijden’: een Piel van נָצַל (natsal), met ‘hun ziel’ (נֶפֶשׁ, nefesh) als voorwerp. In vers 16 en 18 staat een Niphal: ‘zij zouden bevrijd worden’. In vers 20 staat de Hiphil הִצִּיל (hitsil), ‘bevrijden’. Wij houden ‘ziel’, zoals in 13:18 en in hoofdstuk 18. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat דנאל (dn’l), zonder de letter yod; de overlevering leest דָּנִיֵּאל. Wij volgen de lezing. Zie ook: Gen 6:9; Gen 7:1; Job 1:1; Jer 15:1; Ezech 14:16; Ezech 14:18; Ezech 14:20; Ezech 28:3 **14:15** **Stel dat Ik wilde dieren door het land laat trekken. Zij maken het kinderloos, en het wordt een woestenij, zodat niemand er vanwege de dieren doorheen trekt.** Brontekst: לֽוּ (lu) = stel dat | חַיָּ֥ה (chaya) = dier | רָעָ֛ה (raa) = kwaad | אַעֲבִ֥יר (aavir) = Ik laat trekken | בָּאָ֖רֶץ (baarets) = in het land | וְשִׁכְּלָ֑תָּה (veshikelata) = en zij maken kinderloos | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en het wordt | שְׁמָמָה֙ (shemama) = woestenij | מִבְּלִ֣י (mibeli) = zonder | עוֹבֵ֔ר (over) = doortrekkende | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | הַחַיָּֽה (hachaya) = het dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַיָּה רָעָה (chayyah ra’ah), ‘wilde dieren’: letterlijk ‘kwade dieren’. Zie Lev. 26:22. Voetnoot : לוּ (lu), ‘stel dat’: een voorwaardewoord dat een mogelijkheid noemt. Zie ook: Lev 26:22; 1 Kon 20:36; 2 Kon 17:25; Jer 15:3; Ezech 5:17 **14:16** **Dan zouden deze drie mannen erin zijn, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh. Zij zouden geen zonen en geen dochters bevrijden. Alleen zijzelf zouden bevrijd worden, en het land zou een woestenij worden.** Brontekst: שְׁלֹ֨שֶׁת (sheloshet) = drie | הָאֲנָשִׁ֣ים (haanashim) = de mannen | הָאֵלֶּה֮ (haele) = deze | בְּתוֹכָהּ֒ (betokhah) = in haar midden | חַי (chay) = levend | אָ֗נִי (ani) = Ik | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | בָּנִ֥ים (banim) = zonen | וְאִם (veim) = en als | בָּנ֖וֹת (banot) = dochters | יַצִּ֑ילוּ (yatsilu) = zouden zij bevrijden | הֵ֤מָּה (hema) = zij | לְבַדָּם֙ (levadam) = alleen zij | יִנָּצֵ֔לוּ (yinatselu) = zouden bevrijd worden | וְהָאָ֖רֶץ (vehaarets) = en het land | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | שְׁמָמָֽה (shemama) = woestenij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי־אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: de eed van Yahweh. Zie Num. 14:28. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt: ‘Als zij zonen of dochters bevrijden’. Dat is de vorm van een eed: zij doen dat zeker niet. Zie ook: Gen 19:29; Job 22:20; Num 14:28–29; Ezech 14:14; Ezech 14:18 **14:17** **Of Ik breng een zwaard over dat land en zeg: ‘Zwaard, trek door het land.’ Dan snijd Ik er mens en dier uit af.** Brontekst: א֛וֹ (o) = of | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard | אָבִ֖יא (avi) = Ik breng | עַל (al) = over | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַהִ֑יא (hahi) = dat | וְאָמַרְתִּ֗י (veamarti) = en Ik zeg | חֶ֚רֶב (cherev) = zwaard | תַּעֲבֹ֣ר (taavor) = trek door | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = door het land | וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik zal afsnijden | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = uit haar | אָדָ֥ם (adam) = mens | וּבְהֵמָֽה (uvehema) = en dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרֶב (cherev), ‘zwaard’: het tweede van de vier oordelen. Het eerste is honger (vers 13), het derde ‘wilde dieren’ (vers 15) en het vierde pest (vers 19). Zie ook: Lev 26:25; Sef 1:3; Ezech 5:12; Ezech 14:13; Ezech 14:15; Ezech 14:19; Ezech 21:8–9; Ezech 25:13 **14:18** **Deze drie mannen erin, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: zij zouden geen zonen en dochters bevrijden. Alleen zijzelf zouden bevrijd worden.** Brontekst: וּשְׁלֹ֨שֶׁת (usheloshet) = en drie | הָאֲנָשִׁ֣ים (haanashim) = de mannen | הָאֵלֶּה֮ (haele) = deze | בְּתוֹכָהּ֒ (betokhah) = in haar midden | חַי (chay) = levend | אָ֗נִי (ani) = Ik | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | יַצִּ֖ילוּ (yatsilu) = zouden zij bevrijden | בָּנִ֣ים (banim) = zonen | וּבָנ֑וֹת (uvanot) = en dochters | כִּ֛י (ki) = maar | הֵ֥ם (hem) = zij | לְבַדָּ֖ם (levadam) = alleen zij | יִנָּצֵֽלוּ (yinatselu) = zouden bevrijd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **14:19** **Of Ik zend een pest naar dat land en stort Mijn woede over haar uit met bloedvergieten. Zo snijd Ik er mens en dier uit af.** Brontekst: א֛וֹ (o) = of | דֶּ֥בֶר (dever) = pest | אֲשַׁלַּ֖ח (ashalach) = Ik zend | אֶל (el) = naar | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | הַהִ֑יא (hahi) = dat | וְשָׁפַכְתִּ֨י (veshafakhti) = en Ik stort uit | חֲמָתִ֤י (chamati) = Mijn woede | עָלֶ֨יהָ֙ (aleiha) = over haar | בְּדָ֔ם (bedam) = in bloed | לְהַכְרִ֥ית (lehakhrit) = om af te snijden | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = uit haar | אָדָ֥ם (adam) = mens | וּבְהֵמָֽה (uvehema) = en dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּבֶר (dever), ‘pest’: ziekte die veel mensen doodt. Zie Lev. 26:25. Zie ook: Lev 26:25; 2 Sam 24:15; Jer 14:12; Ezech 5:12; Ezech 7:8; Ezech 38:22 **14:20** **Noach, Daniël en Job zouden erin zijn, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh. Zij zouden geen zoon en geen dochter bevrijden. Door hun gerechtigheid zouden zij alleen hun eigen ziel bevrijden.** Brontekst: וְנֹ֨חַ (venoach) = en Noach | דָּנִיֵּ֣אל (daniyel) = Daniël | וְאִיּוֹב֮ (veiyov) = en Job | בְּתוֹכָהּ֒ (betokhah) = in haar midden | חַי (chay) = levend | אָ֗נִי (ani) = Ik | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | בֵּ֥ן (ben) = zoon | אִם (im) = als | בַּ֖ת (bat) = dochter | יַצִּ֑ילוּ (yatsilu) = zouden zij bevrijden | הֵ֥מָּה (hema) = zij | בְצִדְקָתָ֖ם (betsidqatam) = door hun gerechtigheid | יַצִּ֥ילוּ (yatsilu) = zouden zij bevrijden | נַפְשָֽׁם (nafsham) = hun ziel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat דנאל (dn’l), zonder de letter yod; de overlevering leest דָּנִיֵּאל. Wij volgen de lezing, zoals in vers 14. Zie ook: Ps 33:18–19; Ezech 14:14; Ezech 14:16; Ezech 18:22; 1 Joh 3:10 ### Een groep ontkomenen **14:21** Want zo zegt Heer Yahweh: **Hoeveel te meer als Ik Mijn vier kwade oordelen naar Jeruzalem zend: zwaard, honger, wilde dieren en pest, om er mens en dier uit af te snijden.** Brontekst: כִּי֩ (ki) = want | כֹ֨ה (ko) = zo | אָמַ֜ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אַ֣ף (af) = ook | כִּֽי (ki) = als | אַרְבַּ֣עַת (arbaat) = vier | שְׁפָטַ֣י (shefatay) = oordelen van | הָרָעִ֡ים (haraim) = de kwade | חֶ֠רֶב (cherev) = zwaard | וְרָעָ֞ב (veraav) = en honger | וְחַיָּ֤ה (vechaya) = en dier | רָעָה֙ (raa) = wild | וָדֶ֔בֶר (vadever) = en pest | שִׁלַּ֖חְתִּי (shilachti) = Ik zend | אֶל (el) = naar | יְרוּשָׁלִָ֑ם (yerushaliam) = Jeruzalem | לְהַכְרִ֥ית (lehakhrit) = om af te snijden | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = uit haar | אָדָ֥ם (adam) = mens | וּבְהֵמָֽה (uvehema) = en dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אַרְבָּעָה שְׁפָטַי הָרָעִים (arba’ah shefatai hara’im), ‘vier kwade oordelen’: zwaard, honger, wilde dieren en pest. Alle vier staan ook in Lev. 26:22–26. Zie ook Jer. 15:3. Voetnoot : אַף כִּי (af ki), ‘hoeveel te meer’: de gedachte wordt niet afgemaakt. Als zelfs drie rechtvaardigen een land niet konden redden, kan niemand Jeruzalem redden. Zie ook: Lev 26:22–26; Jer 15:3; Ezech 5:17; Ezech 14:13; Ezech 14:17; Ezech 14:19; Ezech 33:27 **14:22** **Zie, er blijft in haar een groep ontkomenen over, zonen en dochters die naar buiten worden gebracht. Zij komen naar jullie toe. Jullie zullen hun weg en hun daden zien. Dan zullen jullie je laten troosten over het kwaad dat Ik over Jeruzalem heb gebracht, over alles wat Ik over haar heb gebracht.** Brontekst: וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | נֽוֹתְרָה (notera) = is overgebleven | בָּ֜הּ (bah) = in haar | פְּלֵטָ֗ה (peleta) = ontkomen groep | הַֽמּוּצָאִים֮ (hamutsaim) = die worden uitgebracht | בָּנִ֣ים (banim) = zonen | וּבָנוֹת֒ (uvanot) = en dochters | הִנָּם֙ (hinam) = zie zij | יוֹצְאִ֣ים (yotseim) = komen uit | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = naar jullie | וּרְאִיתֶ֥ם (ureitem) = en jullie zullen zien | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכָּ֖ם (darkam) = hun weg | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲלִֽילוֹתָ֑ם (alilotam) = hun daden | וְנִחַמְתֶּ֗ם (venichamtem) = en jullie zullen je laten troosten | עַל (al) = over | הָֽרָעָה֙ (haraa) = het kwaad | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | הֵבֵ֨אתִי֙ (heveti) = Ik heb gebracht | עַל (al) = over | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | אֵ֛ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | הֵבֵ֖אתִי (heveti) = Ik heb gebracht | עָלֶֽיהָ (aleiha) = over haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: פְּלֵטָה (peletah), ‘groep ontkomenen’: wie aan de ramp ontkomt. Zij worden uit de stad gebracht en komen bij de ballingen aan. Hun komst laat zien dat het oordeel rechtvaardig is. Voetnoot : וְנִחַמְתֶּם (venichamtem), ‘en jullie zullen je laten troosten’: een Niphal van נָחַם (nacham). Het kan ook ‘berouw hebben’ betekenen. Zie vers 23, waar het Piel staat: ‘zij zullen jullie troosten’. Zie ook: Jer 30:11; Ezech 12:16; Ezech 14:23; Ezech 16:63; Ezech 20:43; Heb 12:6–11 **14:23** **Zij zullen jullie troosten, wanneer jullie hun weg en hun daden zien. Dan zullen jullie weten dat Ik niet zonder reden alles heb gedaan wat Ik in haar heb gedaan, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: וְנִחֲמ֣וּ (venichamu) = en zij zullen troosten | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | כִּֽי (ki) = want | תִרְא֥וּ (tiru) = jullie zullen zien | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכָּ֖ם (darkam) = hun weg | וְאֶת (veet) = en (obj.) | עֲלִֽילוֹתָ֑ם (alilotam) = hun daden | וִֽידַעְתֶּ֗ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּי֩ (ki) = dat | לֹ֨א (lo) = niet | חִנָּ֤ם (chinam) = zonder reden | עָשִׂ֨יתִי֙ (asiti) = Ik heb gedaan | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשִׂ֣יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | בָ֔הּ (bah) = in haar | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהֹוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִנָּם (chinnam), ‘zonder reden’: het woord betekent ook ‘tevergeefs’. Als de ballingen de daden van de ontkomenen zien, begrijpen zij dat het oordeel niet willekeurig was. Zie ook: Jer 22:8–9; Ezech 8:6–18; Ezech 9:8–9; Dan 9:14; Rom 2:5 ## Ezechiël 15 _Het hout van de wijnstok is voor het vuur: zo gaat het Jeruzalem_ **15:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### Wat is het hout van de wijnstok? **15:2** **„Mensenkind, wat is het hout van de wijnstok meer dan ieder ander hout, de rank die tussen de bomen van het woud is?** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | מַה (ma) = wat | יִּֽהְיֶ֥ה (yihye) = is | עֵץ (ets) = hout van | הַגֶּ֖פֶן (hagefen) = de wijnstok | מִכָּל (mikal) = boven elk | עֵ֑ץ (ets) = hout | הַזְּמוֹרָ֕ה (hazemora) = de rank | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | הָיָ֖ה (haya) = is | בַּעֲצֵ֥י (baatsei) = onder de bomen van | הַיָּֽעַר (hayaar) = het woud Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֶּפֶן (gefen), ‘wijnstok’, en זְמוֹרָה (zemorah), ‘rank’: de wijnstok wordt gekweekt voor zijn vrucht. Zijn hout is niet bruikbaar. Israël wordt vaker een wijnstok genoemd, bijvoorbeeld in Ps. 80:9–16, Jes. 5:1–7 en Hos. 10:1. Hier is het beeld bedoeld voor Jeruzalem. Voetnoot : De vraag is ook: wat heeft het hout van de wijnstok voor op het hout van de bomen van het woud? Het antwoord volgt in de verzen 3–5: niets. Zie ook: Ps 80:9–17; Hoogl 6:11; Hos 10:1; Jes 5:1–7; Luc 20:9–16 **15:3** **Neemt men er hout van om er iets mee te maken? Of neemt men er een pin van om er allerlei voorwerpen aan op te hangen?** Brontekst: הֲיֻקַּ֤ח (hayuqach) = wordt genomen | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = daarvan | עֵ֔ץ (ets) = hout | לַעֲשׂ֖וֹת (laasot) = om te maken | לִמְלָאכָ֑ה (limlakha) = voor werk | אִם (im) = of | יִקְח֤וּ (yiqchu) = zij nemen | מִמֶּ֨נּוּ֙ (mimenu) = daarvan | יָתֵ֔ד (yated) = pin | לִתְל֥וֹת (litlot) = om op te hangen | עָלָ֖יו (alav) = daaraan | כָּל (kal) = alle | כֶּֽלִי (keli) = voorwerp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יָתֵד (yated), ‘pin’: een houten pin om iets aan op te hangen, zoals de pin in Richt. 4:21. Ook voor zo’n klein gebruik is hout van de wijnstok niet sterk genoeg. Zie ook: Re 4:21; Jer 24:8; Mat 5:13; Mar 9:50; Luc 14:34–35 **15:4** **Zie, het wordt aan het vuur gegeven als brandstof. Het vuur heeft beide uiteinden verteerd, en het midden is verkoold. Is het dan nog bruikbaar voor werk?** Brontekst: הִנֵּ֥ה (hine) = zie | לָאֵ֖שׁ (laesh) = aan het vuur | נִתַּ֣ן (nitan) = is gegeven | לְאָכְלָ֑ה (leakhela) = tot brandstof | אֵת֩ (et) = (obj.) | שְׁנֵ֨י (shenei) = beide | קְצוֹתָ֜יו (qetsotav) = zijn uiteinden | אָכְלָ֤ה (akhela) = heeft verteerd | הָאֵשׁ֙ (haesh) = het vuur | וְתוֹכ֣וֹ (vetokho) = en zijn midden | נָחָ֔ר (nachar) = is verkoold | הֲיִצְלַ֖ח (hayitslach) = zal het bruikbaar zijn | לִמְלָאכָֽה (limlakha) = voor werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִתַּן לְאָכְלָה (natan le’ochlah), ‘gegeven als brandstof’: het hout dat aan het vuur wordt gegeven, wordt verteerd. נָחָר (nachar), ‘verkoold’: het midden is zwart geworden. Zie ook: Ps 80:17; Jes 27:11; Mal 3:19; Joh 15:6; Heb 6:8 **15:5** **Zie, toen het nog heel was, werd er niets van gemaakt voor werk. Hoeveel minder kan er nog iets van gemaakt worden voor werk, nu het vuur het heeft verteerd en het verkoold is?** Brontekst: הִנֵּה֙ (hine) = zie | בִּֽהְיוֹת֣וֹ (bihyoto) = bij zijn zijn | תָמִ֔ים (tamim) = heel | לֹ֥א (lo) = niet | יֵֽעָשֶׂ֖ה (yease) = wordt gemaakt | לִמְלָאכָ֑ה (limlakha) = voor werk | אַ֣ף (af) = ook | כִּי (ki) = hoeveel te meer | אֵ֤שׁ (esh) = vuur | אֲכָלַ֨תְהוּ֙ (akhalathu) = heeft het verteerd | וַיֵּחָ֔ר (vayechar) = en het is verkoold | וְנַעֲשָׂ֥ה (venaasa) = en wordt gemaakt | ע֖וֹד (od) = nog | לִמְלָאכָֽה (limlakha) = voor werk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַף כִּי (af ki), ‘hoeveel te meer’: hier in de betekenis ‘hoeveel minder’. Als het hout al niet bruikbaar was toen het nog heel was, is het dat verkoold nog minder. Zie ook: Jer 3:16 ### Zo geef Ik de inwoners van Jeruzalem **15:6** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Het hout van de wijnstok onder de bomen van het woud heb Ik aan het vuur gegeven als brandstof. Zo geef Ik de inwoners van Jeruzalem.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | עֵץ (ets) = hout van | הַגֶּ֨פֶן֙ (hagefen) = de wijnstok | בְּעֵ֣ץ (beets) = onder de bomen van | הַיַּ֔עַר (hayaar) = het woud | אֲשֶׁר (asher) = dat | נְתַתִּ֥יו (netativ) = Ik heb gegeven | לָאֵ֖שׁ (laesh) = aan het vuur | לְאָכְלָ֑ה (leakhela) = tot brandstof | כֵּ֣ן (ken) = zo | נָתַ֔תִּי (natati) = Ik heb gegeven | אֶת (et) = (obj.) | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = inwoners van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4, waar de uitleg bij deze naam staat. Voetnoot : כַּאֲשֶׁר … כֵּן (ka’asher … ken), ‘zoals … zo’: het Hebreeuws is één vergelijkende zin. Wij splitsen haar in twee zinnen: ‘Het hout ... heb Ik aan het vuur gegeven. Zo geef Ik de inwoners van Jeruzalem.’ Voetnoot : יוֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָם (yoshevei Yerushalayim), ‘de inwoners van Jeruzalem’: zij zijn het hout van de wijnstok. Voetnoot : De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart. De woorden erna zijn rood. Zie ook: Jes 5:1–6; Jer 21:7; Jer 25:9–11; Jer 25:18; Ezech 2:4; Ezech 17:3–10 **15:7** **Ik zet Mijn gezicht tegen hen. Uit het vuur zijn zij gekomen, maar het vuur zal hen verteren. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik Mijn gezicht tegen hen zet.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal zetten | אֶת (et) = (obj.) | פָּנַי֙ (panay) = Mijn gezicht | בָּהֶ֔ם (bahem) = tegen hen | מֵהָאֵ֣שׁ (mehaesh) = uit het vuur | יָצָ֔אוּ (yatsau) = zijn zij gekomen | וְהָאֵ֖שׁ (vehaesh) = en het vuur | תֹּֽאכְלֵ֑ם (tokhlem) = zal hen verteren | וִֽידַעְתֶּם֙ (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּשׂוּמִ֥י (besumi) = wanneer Ik zet | אֶת (et) = (obj.) | פָּנַ֖י (panay) = Mijn gezicht | בָּהֶֽם (bahem) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵהָאֵשׁ יָצָאוּ (min ha’esh yatse’u), ‘uit het vuur zijn zij gekomen’: zij zijn al aan één vuur ontkomen. Het volgende vuur verteert hen. De tekst noemt niet om welk vuur het gaat. Voetnoot : שׂוּם פָּנִים (sum panim), ‘het gezicht zetten tegen’: een uitdrukking voor vijandschap. Zie ook Ezech. 14:8. Zie ook: Ps 34:17; Amos 9:1–4; Jes 24:18; Jer 21:10; Ezech 14:8 **15:8** **Ik maak het land tot een woestenij, omdat zij trouweloos hebben gehandeld, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | שְׁמָמָ֑ה (shemama) = tot woestenij | יַ֚עַן (yaan) = omdat | מָ֣עֲלוּ (maalu) = zij hebben gehandeld | מַ֔עַל (maal) = trouweloos | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָעֲלוּ מַעַל (ma’alu ma’al), ‘zij hebben trouweloos gehandeld’: zie Ezech. 14:13. Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Zie ook: 2 Kron 36:14–16; Jes 24:3–12; Sef 1:18; Ezech 5:11; Ezech 6:14; Ezech 14:13; Ezech 17:20 ## Ezechiël 16 _Jeruzalem, het weggeworpen kind dat Yahweh’s bruid werd en Hem ontrouw was_ ### Het weggeworpen kind **16:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = om te zeggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **16:2** **„Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הוֹדַ֥ע (hoda) = maak bekend | אֶת (et) = (obj.) | יְרוּשָׁלִַ֖ם (yerushaliam) = Jeruzalem | אֶת (et) = (obj.) | תּוֹעֲבֹתֶֽיהָ (toavoteiha) = haar gruwelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Heel dit hoofdstuk is één lange toespraak van Yahweh. Hij vertelt de geschiedenis van Jeruzalem als het verhaal van een weggeworpen kind dat Zijn bruid werd en Hem toen ontrouw was. De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat telkens zwart. Wat Yahweh daarna zegt, staat rood. De oproep ‘Hoor het woord van Yahweh’ (vers 35) staat rood, omdat Yahweh haar zelf aan de profeet opdraagt. Voetnoot : תּוֹעֵבוֹת (to’evot), ‘gruwelen’: wat Yahweh verafschuwt; zie ook Ezech. 14:6. Zie ook: Hos 8:1; Jes 58:1; Ezech 8:9–17; Ezech 14:6; Ezech 16:35; Ezech 20:4; Ezech 22:2 **16:3** **En zeg:** Zo zegt Heer Yahweh tegen Jeruzalem: **Je afkomst en je geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Je vader was een Amoriet en je moeder een Hethitische.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֞ (veamarta) = en zeg | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֤י (adonay) = Heer | יְהוִה֙ (Yahweh) = Yahweh | לִיר֣וּשָׁלִַ֔ם (lirushaliam) = tegen Jeruzalem | מְכֹרֹתַ֨יִךְ֙ (mekhorotayikh) = je afkomst | וּמֹ֣לְדֹתַ֔יִךְ (umoledotayikh) = en je geboorte | מֵאֶ֖רֶץ (meerets) = uit het land van | הַֽכְּנַעֲנִ֑י (hakenaani) = de Kanaäniet | אָבִ֥יךְ (avikh) = je vader | הָאֱמֹרִ֖י (haemori) = de Amoriet | וְאִמֵּ֥ךְ (veimekh) = en je moeder | חִתִּֽית (chitit) = Hethitische Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מְכֹרֹתַיִךְ (mekhorotayikh), ‘je afkomst’: het woord komt in de Bijbel alleen hier en in 21:35 voor en betekent ‘herkomst’. הַכְּנַעֲנִי אָבִיךְ הָאֱמֹרִי וְאִמֵּךְ חִתִּית noemt de oude bewoners van het land. Vergelijk Gen. 15:19–21. Jeruzalem had haar wortels niet in de vaderen van Israël, maar bij de volken van het land. Voetnoot : חִתִּית (chittit), ‘Hethitische’: de vrouwelijke vorm van ‘Hethiet’. Voetnoot : Het Hebreeuws zegt in het enkelvoud en met lidwoord ‘de Kanaäniet’ en ‘de Amoriet’. Het gaat om de volken als geheel. Zie ook: Gen 15:19–21; Deut 20:17; Jes 51:1–2; Ezech 16:45; Neh 9:7; Joh 8:44 **16:4** **Wat je geboorte betreft: op de dag dat je werd geboren, werd je navelstreng niet doorgesneden. Je werd niet met water gewassen om je schoon te maken. Je werd helemaal niet met zout ingewreven en helemaal niet in doeken gewikkeld.** Brontekst: וּמוֹלְדוֹתַ֗יִךְ (umoledotayikh) = en je geboorte | בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag van | הוּלֶּ֤דֶת (huledet) = het geboren worden | אֹתָךְ֙ (otakh) = jou | לֹֽא (lo) = niet | כָרַּ֣ת (karat) = werd doorgesneden | שָׁרֵּ֔ךְ (sharekh) = je navelstreng | וּבְמַ֥יִם (uvemayim) = en met water | לֹֽא (lo) = niet | רֻחַ֖צְתְּ (ruchatst) = je werd gewassen | לְמִשְׁעִ֑י (lemishi) = om schoon te zijn | וְהָמְלֵ֨חַ֙ (vehameleach) = en met zout | לֹ֣א (lo) = niet | הֻמְלַ֔חַתְּ (humlachat) = je werd ingewreven | וְהָחְתֵּ֖ל (vehachtel) = en in doeken | לֹ֥א (lo) = niet | חֻתָּֽלְתְּ (chutalt) = je werd gewikkeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁרֵּךְ (shorrekh), ‘je navelstreng’: een zeldzaam woord, alleen hier. Sommigen vertalen ‘je navel’. Voetnoot : לְמִשְׁעִי (lemish’i), ‘om schoon te zijn’: ook een zeldzaam woord. De tekst somt de zorgen op die een pasgeboren kind krijgt: de navelstreng doorsnijden, wassen, met zout inwrijven en in doeken wikkelen. Dat alles ontbrak. Voetnoot : וְהָמְלֵחַ לֹא הֻמְלַחַתְּ (vehamlach lo hummalachat): de werkwoordsvorm wordt herhaald om nadruk te geven: ‘helemaal niet’. Zie ook: Gen 15:13; Ex 5:16–21; Deut 15:15; Joz 24:2; Hos 2:5 **16:5** **Geen oog had medelijden met je, om je een van deze dingen te doen uit mededogen. Je werd op het open veld geworpen, omdat men je verafschuwde, op de dag dat je werd geboren.** Brontekst: לֹא (lo) = niet | חָ֨סָה (chasa) = had medelijden | עָלַ֜יִךְ (alayikh) = met je | עַ֗יִן (ayin) = oog | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te doen | לָ֛ךְ (lakh) = voor jou | אַחַ֥ת (achat) = één | מֵאֵ֖לֶּה (meele) = van deze | לְחֻמְלָ֣ה (lechumla) = uit mededogen | עָלָ֑יִךְ (alayikh) = met je | וַֽתֻּשְׁלְכִ֞י (vatushlekhi) = en je werd geworpen | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֤י (penei) = oppervlak van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | בְּגֹ֣עַל (begoal) = bij verafschuwing van | נַפְשֵׁ֔ךְ (nafshekh) = je ziel | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | הֻלֶּ֥דֶת (huledet) = het geboren worden | אֹתָֽךְ (otakh) = jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּגֹעַל נַפְשֵׁךְ (bego’al nafshekh), ‘omdat men je verafschuwde’: letterlijk ‘vanwege de verafschuwing van je ziel’. Het woord נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, staat hier voor de persoon zelf. Het werkwoord גָּעַל (ga’al, met ajin) betekent ‘verafschuwen’. Het is een ander woord dan גָּאַל (ga’al, met aleph), ‘verlossen’. Voetnoot : פְּנֵי הַשָּׂדֶה (penei hasadeh), ‘het open veld’: letterlijk ‘het oppervlak van het veld’. Zie ook: Gen 21:10; Ex 1:22; Num 19:16; Deut 32:10; Klaagl 4:3 **16:6** **Ik ging langs je heen en zag je spartelen in je bloed. Ik zei tegen je, terwijl je in je bloed lag: ‘Leef!’ Ja, Ik zei tegen je, in je bloed: ‘Leef!’** Brontekst: וָאֶעֱבֹ֤ר (vaeevor) = en Ik ging langs | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = over je | וָֽאֶרְאֵ֔ךְ (vaerekh) = en Ik zag je | מִתְבּוֹסֶ֖סֶת (mitboseset) = spartelend | בְּדָמָ֑יִךְ (bedamayikh) = in je bloed | וָאֹ֤מַר (vaomar) = en Ik zei | לָךְ֙ (lakh) = tegen je | בְּדָמַ֣יִךְ (bedamayikh) = in je bloed | חֲיִ֔י (chayi) = leef | וָאֹ֥מַר (vaomar) = en Ik zei | לָ֖ךְ (lakh) = tegen je | בְּדָמַ֥יִךְ (bedamayikh) = in je bloed | חֲיִֽי (chayi) = leef Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִתְבּוֹסֶסֶת (mitbosesset), ‘spartelend’: het werkwoord בּוּס (bus) betekent ‘vertrappen’. Hier beweegt het kind zich in zijn eigen bloed. Voetnoot : בְּדָמָיִךְ (bedamayikh), ‘in je bloed’: het meervoud wijst op bloed dat vergoten is, of op het bloed van de geboorte. De zin kan ook zo gelezen worden: ‘Ik zei tegen je: In je bloed, leef!’ Wij houden ‘in je bloed’ bij ‘Ik zei tegen je’. Voetnoot : חֲיִי (chayi), ‘leef’: een bevel van Yahweh dat leven geeft. Zie ook: Ex 19:4–6; Joh 5:25; Hand 7:34; Ef 2:4–5; Tit 3:3–7 **16:7** **Ik liet je tienduizendvoudig groeien, als het gewas van het veld. Je werd groot en kwam tot het mooiste sieraad. Je borsten werden rond en je haar groeide, maar je was naakt en bloot.** Brontekst: רְבָבָ֗ה (revava) = tienduizendvoud | כְּצֶ֤מַח (ketsemach) = als gewas van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | נְתַתִּ֔יךְ (netatikh) = Ik heb gegeven jou | וַתִּרְבִּי֙ (vatirbi) = en je werd veel | וַֽתִּגְדְּלִ֔י (vatigdeli) = en je werd groot | וַתָּבֹ֖אִי (vatavoi) = en je kwam | בַּעֲדִ֣י (baadi) = tot sieraad van | עֲדָיִ֑ים (adayim) = sieraden | שָׁדַ֤יִם (shadayim) = borsten | נָכֹ֨נוּ֙ (nakhonu) = zijn gevormd | וּשְׂעָרֵ֣ךְ (usearekh) = en je haar | צִמֵּ֔חַ (tsimeach) = is gegroeid | וְאַ֖תְּ (veat) = en jij | עֵרֹ֥ם (erom) = naakt | וְעֶרְיָֽה (veerya) = en bloot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְבָבָה (revavah), ‘tienduizendvoud’: een zeer groot aantal. Voetnoot : בַּעֲדִי עֲדָיִים (ba’adi adayim), ‘tot het mooiste sieraad’: letterlijk ‘in sieraad van sieraden’. De betekenis is onzeker. Sommigen denken aan ‘tot de leeftijd van de volle bloei’. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : Het kind groeide en kwam tot volle ontwikkeling, maar het was nog naakt en bloot. Er was niemand die voor haar zorgde. Zie ook: Ex 1:7; Deut 1:10; Ps 149:2–4; Jes 62:3; Ezech 16:10–13 ### Het verbond met de jonge vrouw **16:8** **Ik ging opnieuw langs je heen en zag je, en zie, je tijd was gekomen, de tijd van de liefde. Ik spreidde de slip van Mijn kleed over je uit en bedekte je naaktheid. Ik zwoer je een eed en ging een verbond met je aan, godsspraak van Heer Yahweh. Zo werd je van Mij.** Brontekst: וָאֶעֱבֹ֨ר (vaeevor) = en Ik ging langs | עָלַ֜יִךְ (alayikh) = over je | וָאֶרְאֵ֗ךְ (vaerekh) = en Ik zag je | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | עִתֵּךְ֙ (itekh) = je tijd | עֵ֣ת (et) = tijd van | דֹּדִ֔ים (dodim) = liefdes | וָאֶפְרֹ֤שׂ (vaefros) = en Ik spreidde uit | כְּנָפִי֙ (kenafi) = slip van Mijn kleed | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = over je | וָאֲכַסֶּ֖ה (vaakhase) = en Ik bedekte | עֶרְוָתֵ֑ךְ (ervatekh) = je naaktheid | וָאֶשָּׁ֣בַֽע (vaeshava) = en Ik zwoer | לָ֠ךְ (lakh) = je | וָאָב֨וֹא (vaavo) = en Ik kwam | בִבְרִ֜ית (bivrit) = in verbond | אֹתָ֗ךְ (otakh) = met jou | נְאֻ֛ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וַתִּ֥הְיִי (vatihyi) = en je werd | לִֽי (li) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵת דֹּדִים (et dodim), ‘de tijd van de liefde’: het woord דֹּדִים (dodim) betekent ‘liefde’ of ‘liefkozingen’. Het staat ook in Hoogl. 1:2. Voetnoot : כָּנָף (kanaf), ‘slip van het kleed’: letterlijk ‘vleugel’. Het is de rand van een kleed. Zie Ruth 3:9: wie zijn kleed over een vrouw spreidt, neemt haar tot vrouw. Zo wordt de eed van trouw en het verbond een huwelijksverbond. Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Voetnoot : וַתִּהְיִי לִי (vattihyi li), ‘en je werd van Mij’: de verbondsformule, zoals in 11:20 en 14:11. Zie ook: Ex 32:13; Ruth 3:9; Hoogl 1:2; Jes 43:4; Jer 2:2–3; Ezech 5:11; Rom 5:8 **16:9** **Ik waste je met water, spoelde je bloed van je af en zalfde je met olie.** Brontekst: וָאֶרְחָצֵ֣ךְ (vaerchatsekh) = en Ik waste je | בַּמַּ֔יִם (bamayim) = met water | וָאֶשְׁטֹ֥ף (vaeshtof) = en Ik spoelde | דָּמַ֖יִךְ (damayikh) = je bloed | מֵֽעָלָ֑יִךְ (mealayikh) = van je af | וָאֲסֻכֵ֖ךְ (vaasukhekh) = en Ik zalfde je | בַּשָּֽׁמֶן (bashamen) = met olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ruth 3:3; Ps 23:5; 1 Kor 6:11; 1 Joh 2:27; 1 Joh 5:8 **16:10** **Ik kleedde je in geborduurd werk en gaf je sandalen van tachash-leer. Ik wond je in fijn linnen en bedekte je met zijde.** Brontekst: וָאַלְבִּישֵׁ֣ךְ (vaalbishekh) = en Ik kleedde je | רִקְמָ֔ה (riqma) = geborduurd werk | וָאֶנְעֲלֵ֖ךְ (vaenalekh) = en Ik gaf je sandalen | תָּ֑חַשׁ (tachash) = tachash | וָאֶחְבְּשֵׁ֣ךְ (vaechbeshekh) = en Ik wond je | בַּשֵּׁ֔שׁ (bashesh) = in fijn linnen | וַאֲכַסֵּ֖ךְ (vaakhasekh) = en Ik bedekte je | מֶֽשִׁי (meshi) = zijde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּחַשׁ (tachash), ‘tachash-leer’: leer van een dier waarvan de naam onzeker is, zoals in Exod. 25:5. Het was kostbaar. Voetnoot : מֶשִׁי (meshi), ‘zijde’: een fijne stof. Het woord komt alleen hier en in vers 13 voor. De betekenis is onzeker. Voetnoot : רִקְמָה (riqmah), ‘geborduurd werk’. Zie ook: Ex 25:5; Ex 26:36; Ps 45:14–15; Jes 61:10; Ezech 16:13; Ezech 16:18 **16:11** **Ik versierde je met sieraden, deed armbanden om je polsen en een ketting om je hals.** Brontekst: וָאֶעְדֵּ֖ךְ (vaedekh) = en Ik versierde je | עֶ֑דִי (edi) = sieraad | וָאֶתְּנָ֤ה (vaetena) = en Ik gaf | צְמִידִים֙ (tsemidim) = armbanden | עַל (al) = om | יָדַ֔יִךְ (yadayikh) = je handen | וְרָבִ֖יד (veravid) = en halsketting | עַל (al) = om | גְּרוֹנֵֽךְ (geronekh) = je hals Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְמִידִים (tsemidim), ‘armbanden’: de tekst zegt letterlijk ‘op je handen’. Voetnoot : רָבִיד (ravid), ‘ketting’: een halssieraad, ook in Gen. 41:42. Zie ook: Gen 24:22; Gen 24:47; Gen 41:42; Spr 1:9; Jes 3:19 **16:12** **Ik deed een ring in je neus, oorbellen in je oren en een prachtige kroon op je hoofd.** Brontekst: וָאֶתֵּ֥ן (vaeten) = en Ik gaf | נֶ֨זֶם֙ (nezem) = ring | עַל (al) = aan | אַפֵּ֔ךְ (apekh) = je neus | וַעֲגִילִ֖ים (vaagilim) = en oorbellen | עַל (al) = aan | אָזְנָ֑יִךְ (azenayikh) = je oren | וַעֲטֶ֥רֶת (vaateret) = en kroon van | תִּפְאֶ֖רֶת (tiferet) = pracht | בְּרֹאשֵֽׁךְ (beroshekh) = op je hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶזֶם עַל־אַפֵּךְ (nezem al appekh), ‘een ring in je neus’: het woord אַף (af) betekent ‘neus’ en ‘toorn’. Zie Gen. 24:47, waar Rebekka een neusring krijgt. Voetnoot : עֲטֶרֶת תִּפְאֶרֶת (ateret tiferet), ‘kroon van pracht’: zoals in Spr. 4:9. Zie ook: Gen 24:47; Spr 4:9; Jes 3:21; Jes 28:5; Jer 13:18 **16:13** **Zo werd je versierd met goud en zilver. Je kleding was fijn linnen, zijde en geborduurd werk. Meelbloem, honing en olie at je. Je werd uitermate mooi en bracht het tot koninklijke waardigheid.** Brontekst: וַתַּעְדִּ֞י (vatadi) = en je werd versierd | זָהָ֣ב (zahav) = goud | וָכֶ֗סֶף (vakhesef) = en zilver | וּמַלְבּוּשֵׁךְ֙ (umalbushekh) = en je kleding | שֵׁ֤שׁ (shesh) = fijn linnen | וָמֶ֨שִׁי֙ (vameshi) = en zijde | וְרִקְמָ֔ה (veriqma) = en geborduurd werk | סֹ֧לֶת (solet) = meelbloem | וּדְבַ֛שׁ (udevash) = en honing | וָשֶׁ֖מֶן (vashemen) = en olie | אָכָ֑לְתְּ (akhalt) = je at | וַתִּ֨יפִי֙ (vatifi) = en je werd mooi | בִּמְאֹ֣ד (bimod) = zeer | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וַֽתִּצְלְחִ֖י (vatitslechi) = en je had voorspoed | לִמְלוּכָֽה (limlukha) = tot koninklijke waardigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹלֶת (solet), ‘meelbloem’: het fijnste meel. Voetnoot : וַתִּצְלְחִי לִמְלוּכָה (vattitslechi limlukhah), ‘je bracht het tot koninklijke waardigheid’: letterlijk ‘je had voorspoed tot koningschap’. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staan ששי (shishi) en אכלתי (akhalti); de overlevering leest שֵׁשׁ (shesh) en אָכָלְתְּ (akhalt). Wij volgen de lezing. Zie ook: Deut 32:13–14; Ps 48:3; Ps 50:2; 1 Kon 5:1; Ezech 16:19 **16:14** **Je faam ging uit onder de volken om je schoonheid. Want zij was volkomen door de luister die Ik op je had gelegd, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וַיֵּ֨צֵא (vayetse) = en ging uit | לָ֥ךְ (lakh) = voor jou | שֵׁ֛ם (shem) = naam | בַּגּוֹיִ֖ם (bagoyim) = onder de volken | בְּיָפְיֵ֑ךְ (beyafeyekh) = om je schoonheid | כִּ֣י (ki) = want | כָּלִ֣יל (kalil) = volkomen | ה֗וּא (hu) = zij is | בַּֽהֲדָרִי֙ (bahadari) = door Mijn luister | אֲשֶׁר (asher) = die | שַׂ֣מְתִּי (samti) = Ik heb gelegd | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = op jou | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּלִיל (kalil), ‘volkomen’: haar schoonheid was niet van haarzelf. Zij kwam van Yahweh’s luister, die Hij op haar had gelegd. Zie ook: Deut 4:6–8; Joz 2:9–11; 1 Kon 10:24; Klaagl 2:15; 1 Kor 4:7 ### Haar hoererij **16:15** **Maar je vertrouwde op je schoonheid en hoereerde op grond van je faam. Je stortte je hoererij uit over ieder die voorbijkwam: hij kon je hebben.** Brontekst: וַתִּבְטְחִ֣י (vativtechi) = en je vertrouwde | בְיָפְיֵ֔ךְ (beyafeyekh) = op je schoonheid | וַתִּזְנִ֖י (vatizni) = en je hoereerde | עַל (al) = op grond van | שְׁמֵ֑ךְ (shemekh) = je naam | וַתִּשְׁפְּכִ֧י (vatishpekhi) = en je stortte uit | אֶת (et) = (obj.) | תַּזְנוּתַ֛יִךְ (taznutayikh) = je hoererijen | עַל (al) = over | כָּל (kal) = elke | עוֹבֵ֖ר (over) = voorbijganger | לוֹ (lo) = voor hem | יֶֽהִי (yehi) = moge het zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֹנוֹת (zenut), ‘hoererij’: het beeld van ontrouw aan Yahweh, zoals in Hos. 1:2. Hier gaat het om afgoderij en om de verbonden met andere volken. Voetnoot : לוֹ יֶהִי (lo yehi), ‘hij kon je hebben’: letterlijk ‘voor hem moge het zijn’. Het slot van het vers is kort en moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Hos 1:2; Jes 57:8; Jer 2:20; Jer 7:4; Ezech 16:25; Ezech 23:3 **16:16** **Je nam van je kleren en maakte voor jezelf bonte hoogten. Daarop hoereerde je, zoals dat nooit is gebeurd en nooit zal gebeuren.** Brontekst: וַתִּקְחִ֣י (vatiqchi) = en je nam | מִבְּגָדַ֗יִךְ (mibegadayikh) = van je kleren | וַתַּֽעֲשִׂי (vataasi) = en je maakte | לָךְ֙ (lakh) = voor jou | בָּמ֣וֹת (bamot) = hoogten | טְלֻא֔וֹת (teluot) = bonte | וַתִּזְנִ֖י (vatizni) = en je hoereerde | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = daarop | לֹ֥א (lo) = niet | בָא֖וֹת (baot) = komende | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת טְלֻאוֹת (bamot tela’ot), ‘bonte hoogten’: het zijn kleine offerplaatsen of tenten, met bonte lappen van haar kleren bekleed. Het woord טְלֻאוֹת (tela’ot), ‘gevlekt, bont’, staat alleen hier. Voetnoot : Het slot, ‘zoals dat nooit is gebeurd en nooit zal gebeuren’, is kort en moeilijk. Letterlijk staat er: ‘niet komend en niet zal het zijn’. Zie ook: 2 Kon 23:7; 2 Kron 28:24; Hos 2:10; Ezech 7:20 **16:17** **Je nam je prachtige sieraden van Mijn goud en Mijn zilver, dat Ik je had gegeven, en maakte voor jezelf mannenbeelden. Daarmee hoereerde je.** Brontekst: וַתִּקְחִ֞י (vatiqchi) = en je nam | כְּלֵ֣י (kelei) = voorwerpen van | תִפְאַרְתֵּ֗ךְ (tifartekh) = je pracht | מִזְּהָבִ֤י (mizehavi) = van Mijn goud | וּמִכַּסְפִּי֙ (umikaspi) = en van Mijn zilver | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | נָתַ֣תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | וַתַּעֲשִׂי (vataasi) = en je maakte | לָ֖ךְ (lakh) = voor jou | צַלְמֵ֣י (tsalmei) = beelden van | זָכָ֑ר (zakhar) = man | וַתִּזְנִי (vatizni) = en je hoereerde | בָֽם (bam) = met hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צַלְמֵי זָכָר (tsalmei zakhar), ‘mannenbeelden’: beelden van mannen. Het woord זָכָר (zakhar) betekent ‘mannelijk’. De tekst zegt niet meer. Zie ook: Ex 32:1–4; Jes 57:7–8; Jer 3:9; Ezech 16:11; Ezech 23:14–21 **16:18** **Je nam je geborduurde kleren en bedekte ze ermee. Mijn olie en Mijn wierook zette je hun voor.** Brontekst: וַתִּקְחִ֛י (vatiqchi) = en je nam | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | רִקְמָתֵ֖ךְ (riqmatekh) = je geborduurd werk | וַתְּכַסִּ֑ים (vatekhasim) = en je bedekte hen | וְשַׁמְנִי֙ (veshamni) = en Mijn olie | וּקְטָרְתִּ֔י (uqetarti) = en Mijn wierook | נָתַ֖תְּ (natat) = je gaf | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat נָתַתִּי (natati), ‘Ik gaf’; de overlevering leest נָתַתְּ (natatt), ‘je gaf’. Wij volgen de lezing. **16:19** **Mijn brood heb Ik je gegeven: meelbloem, olie en honing, waarmee Ik je voedde. Dat zette je hun voor als een aangename geur. Zo is het gebeurd, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְלַחְמִי֩ (velachmi) = en Mijn brood | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֨תִּי (natati) = Ik heb gegeven | לָ֜ךְ (lakh) = aan jou | סֹ֣לֶת (solet) = meelbloem | וָשֶׁ֤מֶן (vashemen) = en olie | וּדְבַשׁ֙ (udevash) = en honing | הֶֽאֱכַלְתִּ֔יךְ (heekhaltikh) = Ik heb je laten eten | וּנְתַתִּ֧יהוּ (unetatihu) = en je gaf het | לִפְנֵיהֶ֛ם (lifneihem) = voor hen | לְרֵ֥יחַ (lereiach) = tot geur van | נִיחֹ֖חַ (nichoach) = aangenaamheid | וַיֶּ֑הִי (vayehi) = en het was | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְרֵיחַ נִיחֹחַ (lereach nichoach), ‘als een aangename geur’: de vaste uitdrukking voor een offer dat Yahweh behaagt, zoals in Lev. 1:9. Hier worden Zijn gaven aan afgoden geofferd. Voetnoot : וַיֶּהִי (vayhi), ‘zo is het gebeurd’: een korte afsluiting. Zie ook: Gen 8:21; Lev 1:9; Deut 32:14–17; Hos 2:10–15; Ezech 16:13 **16:20** **Je nam je zonen en dochters, die je voor Mij had gebaard, en offerde ze aan hen, om te worden opgegeten. Was je hoererij nog niet genoeg?** Brontekst: וַתִּקְחִ֞י (vatiqchi) = en je nam | אֶת (et) = (obj.) | בָּנַ֤יִךְ (banayikh) = je zonen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנוֹתַ֨יִךְ֙ (benotayikh) = je dochters | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָלַ֣דְתְּ (yaladt) = je hebt gebaard | לִ֔י (li) = voor Mij | וַתִּזְבָּחִ֥ים (vatizbachim) = en je offerde hen | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | לֶאֱכ֑וֹל (leekhol) = om te eten | הַמְעַ֖ט (hamat) = is het weinig | מִתַּזְנוּתָֽיִךְ (mitaznutayikh) = van je hoererijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתִּזְבָּחִים (vattizbachem), ‘en je offerde hen’: kinderoffers. Zie Lev. 18:21, 20:2–5 en Deut. 12:31. De kinderen waren kinderen van Yahweh’s verbond (‘die je voor Mij had gebaard’). Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat מתזנתך (mitaznatekh); de overlevering leest מִתַּזְנוּתָיִךְ (mitaznutayikh), ‘van je hoererijen’. Het verschil zit in de vorm van het meervoud. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ex 13:2; Lev 18:21; Lev 20:2; Deut 12:31; Ps 106:37–38; Jer 7:31; Ezech 20:26; Ezech 23:37 **16:21** **Je slachtte Mijn zonen en gaf ze aan hen, door ze aan hen over te laten gaan.** Brontekst: וַֽתִּשְׁחֲטִ֖י (vatishchati) = en je slachtte | אֶת (et) = (obj.) | בָּנָ֑י (banay) = Mijn zonen | וַֽתִּתְּנִ֔ים (vatitenim) = en je gaf hen | בְּהַעֲבִ֥יר (behaavir) = bij het laten overgaan | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּהַעֲבִיר (beha’avir), ‘door ze over te laten gaan’: het werkwoord עָבַר (avar) in de Hiphil betekent ‘doen overgaan’. Vaak staat er ‘door het vuur’, zoals in 2 Kon. 16:3. Hier staat het woord ‘vuur’ niet. Zie ook: Lev 18:21; Deut 18:10; 2 Kon 16:3; 2 Kon 17:17; 2 Kon 21:6; Jer 19:5 **16:22** **Bij al je gruwelen en je hoererij heb je niet gedacht aan de dagen van je jeugd. Toen was je naakt en bloot en spartelde je in je bloed.** Brontekst: וְאֵ֤ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | תּוֹעֲבֹתַ֨יִךְ֙ (toavotayikh) = je gruwelen | וְתַזְנֻתַ֔יִךְ (vetaznutayikh) = en je hoererij | לֹ֥א (lo) = niet | זָכַ֖רְתְּ (zakhart) = je hebt gedacht | אֶת (et) = (obj.) | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | נְעוּרָ֑יִךְ (neurayikh) = je jeugd | בִּֽהְיוֹתֵךְ֙ (bihyotekh) = toen je was | עֵרֹ֣ם (erom) = naakt | וְעֶרְיָ֔ה (veerya) = en bloot | מִתְבּוֹסֶ֥סֶת (mitboseset) = spartelend | בְּדָמֵ֖ךְ (bedamekh) = in je bloed | הָיִֽית (hayit) = je was Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat זכרתי (zakharti), ‘ik dacht’; de overlevering leest זָכַרְתְּ (zakhart), ‘je dacht’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Hos 2:5; Hos 11:1; Jer 2:2; Ezech 16:43; Ezech 16:60–63 **16:23** **Het gebeurde na al je kwaad, wee, wee je, godsspraak van Heer Yahweh,** Brontekst: וַיְהִ֕י (vayhi) = en het was | אַחֲרֵ֖י (acharei) = na | כָּל (kal) = al | רָעָתֵ֑ךְ (raatekh) = je kwaad | א֣וֹי (oy) = wee | א֣וֹי (oy) = wee | לָ֔ךְ (lakh) = aan jou | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוֹי אוֹי לָךְ (oy oy lakh), ‘wee, wee je’: een uitroep. De zin loopt door in vers 24. Zie ook: Sef 3:1; Jer 13:27; Ezech 2:10; Ezech 16:24; Ezech 24:6; Openb 12:12 **16:24** **dat je voor jezelf een verhoging bouwde en voor jezelf een hoogte maakte op elk plein.** Brontekst: וַתִּבְנִי (vativni) = dat je bouwde | לָ֖ךְ (lakh) = voor jou | גֶּ֑ב (gev) = verhoging | וַתַּעֲשִׂי (vataasi) = en je maakte | לָ֥ךְ (lakh) = voor jou | רָמָ֖ה (rama) = hoogte | בְּכָל (bekhal) = op elk | רְחֽוֹב (rechov) = plein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֶּב (gev), ‘verhoging’: een zeldzaam woord, ook in vers 31 en 39. Het is iets gewelfds of verhevens, zoals een platform. Voetnoot : רָמָה (ramah), ‘hoogte’: een verhoogde plaats voor de afgodendienst. Zie ook: Ps 78:58; Jes 57:7; Jer 2:20; Ezech 16:31; Ezech 16:39 **16:25** **Aan het begin van elke weg bouwde je je hoogte. Je maakte je schoonheid tot een gruwel, spreidde je benen voor ieder die voorbijkwam en maakte je hoererij groot.** Brontekst: אֶל (el) = aan | כָּל (kal) = elk | רֹ֣אשׁ (rosh) = begin van | דֶּ֗רֶךְ (derekh) = weg | בָּנִית֙ (banit) = je bouwde | רָֽמָתֵ֔ךְ (ramatekh) = je hoogte | וַתְּתַֽעֲבִי֙ (vatetaavi) = en je maakte tot gruwel | אֶת (et) = (obj.) | יָפְיֵ֔ךְ (yafeyekh) = je schoonheid | וַתְּפַשְּׂקִ֥י (vatefaseqi) = en je spreidde | אֶת (et) = (obj.) | רַגְלַ֖יִךְ (raglayikh) = je benen | לְכָל (lekhal) = voor elke | עוֹבֵ֑ר (over) = voorbijganger | וַתַּרְבִּ֖י (vatarbi) = en je vermeerderde | אֶת (et) = (obj.) | תַּזְנוּתָֽיִךְ (taznutayikh) = je hoererij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat תַּזְנֻתֵךְ (taznatekh); de overlevering leest תַּזְנוּתָיִךְ (taznutayikh), ‘je hoererijen’. Het verschil zit in de vorm van het meervoud. Wij volgen de lezing. Zie ook: Gen 38:14; Gen 38:21; Jer 3:2; Ezech 16:31; Openb 17:16 **16:26** **Je hoereerde met de Egyptenaren, je buren, die groot zijn van vlees. Je vermeerderde je hoererij om Mij te tergen.** Brontekst: וַתִּזְנִ֧י (vatizni) = en je hoereerde | אֶל (el) = met | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | מִצְרַ֛יִם (mitsrayim) = Egypte | שְׁכֵנַ֖יִךְ (shekhenayikh) = je buren | גִּדְלֵ֣י (gidlei) = groot van | בָשָׂ֑ר (basar) = vlees | וַתַּרְבִּ֥י (vatarbi) = en je vermeerderde | אֶת (et) = (obj.) | תַּזְנֻתֵ֖ךְ (taznutekh) = je hoererij | לְהַכְעִיסֵֽנִי (lehakhiseni) = om Mij te tergen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּדְלֵי בָשָׂר (gidlei basar), ‘groot van vlees’: de uitdrukking wijst op kracht en op mannelijke kracht. Zie ook Ezech. 23:20. Zie ook: Deut 29:15–16; Jes 30:21; Ezech 8:10; Ezech 20:7–8; Ezech 23:19–21; Ezech 23:20 **16:27** **Zie, Ik heb Mijn hand tegen je uitgestrekt en je toegemeten deel verminderd. Ik heb je overgegeven aan de begeerte van je haters, de dochters van de Filistijnen, die zich schamen voor je schandelijke weg.** Brontekst: וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | נָטִ֤יתִי (natiti) = Ik heb uitgestrekt | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = tegen je | וָאֶגְרַ֖ע (vaegra) = en Ik heb verminderd | חֻקֵּ֑ךְ (chuqekh) = je toegemeten deel | וָאֶתְּנֵ֞ךְ (vaetenekh) = en Ik heb je gegeven | בְּנֶ֤פֶשׁ (benefesh) = aan de begeerte van | שֹׂנְאוֹתַ֨יִךְ֙ (soneotayikh) = je haters | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | הַנִּכְלָמ֖וֹת (hanikhlamot) = de beschaamden | מִדַּרְכֵּ֥ךְ (midarkekh) = over je weg | זִמָּֽה (zima) = schandelijke Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻקֵּךְ (choqekh), ‘je toegemeten deel’: wat je als rantsoen kreeg, vergelijk Spr. 30:8. Yahweh heeft haar deel verminderd. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘begeerte’: hier de begeerte van de Filistijnse vrouwen, die haar haten. Voetnoot : דֶּרֶךְ זִמָּה (derekh zimmah), ‘schandelijke weg’: זִמָּה (zimmah) is ontucht, een schandelijk gedrag. Zie ook: Deut 28:48–57; Spr 30:8; Jes 9:11; Ezech 16:37; Ezech 16:57; Ezech 23:28–29 **16:28** **Je hoereerde met de zonen van Assyrië, omdat je niet verzadigd was. Je hoereerde met hen, en ook toen was je niet verzadigd.** Brontekst: וַתִּזְנִי֙ (vatizni) = en je hoereerde | אֶל (el) = met | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | מִבִּלְתִּ֖י (mibilti) = wegens niet | שָׂבְעָתֵ֑ךְ (saveatekh) = je verzadigd zijn | וַתִּזְנִ֕ים (vatiznim) = en je hoereerde met hen | וְגַ֖ם (vegam) = en ook | לֹ֥א (lo) = niet | שָׂבָֽעַתְּ (savaat) = je was verzadigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: Een voorbeeld van zulke verbonden is Achaz, die Assyrië om hulp vroeg (2 Kon. 16:7–9). Zie ook: 2 Kon 16:7; 2 Kon 16:10–18; Hos 10:6; Jer 2:18; Jer 2:36 **16:29** **Je vermeerderde je hoererij met het land Kanaän, tot in het land van de Chaldeeën. Maar ook daarmee was je niet verzadigd.** Brontekst: וַתַּרְבִּ֧י (vatarbi) = en je vermeerderde | אֶת (et) = (obj.) | תַּזְנוּתֵ֛ךְ (taznutekh) = je hoererij | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | כְּנַ֖עַן (kenaan) = Kanaän | כַּשְׂדִּ֑ימָה (kasdima) = naar de Chaldeeën | וְגַם (vegam) = en ook | בְּזֹ֖את (bezot) = hiermee | לֹ֥א (lo) = niet | שָׂבָֽעַתְּ (savaat) = je was verzadigd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon. Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אֶרֶץ כְּנַעַן (erets Kena’an), ‘het land Kanaän’: het woord כְּנַעַן (Kena’an) betekent ook ‘koopman’. De tekst wijst hier op het land zelf. Voetnoot : כַּשְׂדִּימָה (kasdimah), ‘naar het land van de Chaldeeën’: het gebied van Babel. Zie ook: Re 2:12–19; 2 Kon 21:9; Ezech 13:14–23; Ezech 23:14–21 **16:30** **Hoe zwak is je hart, godsspraak van Heer Yahweh, nu je dit alles doet, het werk van een heerszuchtige hoer.** Brontekst: מָ֤ה (ma) = hoe | אֲמֻלָה֙ (amula) = is zwak | לִבָּתֵ֔ךְ (libatekh) = je hart | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בַּעֲשׂוֹתֵךְ֙ (baasotekh) = bij je doen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֵ֔לֶּה (ele) = deze dingen | מַעֲשֵׂ֥ה (maase) = werk van | אִשָּֽׁה (isha) = vrouw | זוֹנָ֖ה (zona) = hoer | שַׁלָּֽטֶת (shalatet) = heerszuchtige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲמֻלָה (amulah), ‘is zwak’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Het kan ‘zwak, ziek of kwijnend’ betekenen. Voetnoot : שַׁלָּטֶת (shalletet), ‘heerszuchtige’: een vrouw die haar eigen gang gaat en zich door niets laat tegenhouden. Zie ook: Spr 9:13; Jes 1:3; Jes 3:9; Jer 3:3; Jer 4:22 **16:31** **Je bouwde je verhoging aan het begin van elke weg en maakte je hoogte op elk plein. Toch was je niet als een hoer, want je minachtte het hoerenloon.** Brontekst: בִּבְנוֹתַ֤יִךְ (bivnotayikh) = bij je bouwen | גַּבֵּךְ֙ (gabekh) = je verhoging | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = aan het begin van | כָּל (kal) = elke | דֶּ֔רֶךְ (derekh) = weg | וְרָמָתֵ֥ךְ (veramatekh) = en je hoogte | עָשִׂ֖ית (asit) = je maakte | בְּכָל (bekhal) = op elk | רְח֑וֹב (rechov) = plein | וְלֹא (velo) = en niet | הָיִ֥ית (hayit) = je was | כַּזּוֹנָ֖ה (kazona) = als hoer | לְקַלֵּ֥ס (leqales) = door te minachten | אֶתְנָֽן (etnan) = hoerenloon Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְקַלֵּס אֶתְנָן (leqalles etnan), ‘het hoerenloon minachten’: zij wilde niet betaald worden, maar gaf zelf. Zij was dus erger dan een hoer. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staan עשיתי (asiti) en הייתי (hayiti); de overlevering leest עָשִׂית (asit) en הָיִית (hayit). Wij volgen de lezing. Zie ook: Hos 12:12; Jes 52:3; Ezech 16:24–25; Ezech 16:33–34; Ezech 16:39 **16:32** **Een overspelige vrouw! Zij neemt vreemden in plaats van haar man.** Brontekst: הָאִשָּׁ֖ה (haisha) = de vrouw | הַמְּנָאָ֑פֶת (hamenaafet) = de overspelige | תַּ֣חַת (tachat) = in plaats van | אִישָׁ֔הּ (ishah) = haar man | תִּקַּ֖ח (tiqach) = zij neemt | אֶת (et) = (obj.) | זָרִֽים (zarim) = vreemden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְּנָאָפֶת (hamna’efet), ‘de overspelige’: het werkwoord נָאַף (na’af) betekent ‘overspel plegen’, zoals in Exod. 20:14. Zie ook: Ex 20:14; Jer 2:28; Jer 3:8–9; Ezech 16:8; Ezech 23:37; 2 Kor 11:2–3 **16:33** **Aan alle hoeren geeft men een loon, maar jij gaf jouw geschenken aan al je minnaars. Je kocht hen om, zodat zij van overal naar je toe kwamen voor je hoererij.** Brontekst: לְכָל (lekhal) = aan alle | זֹנ֖וֹת (zonot) = hoeren | יִתְּנוּ (yitenu) = zij geven | נֵ֑דֶה (nede) = geschenk | וְאַ֨תְּ (veat) = maar jij | נָתַ֤תְּ (natat) = je hebt gegeven | אֶת (et) = (obj.) | נְדָנַ֨יִךְ֙ (nedanayikh) = je geschenken | לְכָל (lekhal) = aan alle | מְאַֽהֲבַ֔יִךְ (meahavayikh) = je minnaars | וַתִּשְׁחֳדִ֣י (vatishchodi) = en je kocht om | אוֹתָ֗ם (otam) = hen | לָב֥וֹא (lavo) = om te komen | אֵלַ֛יִךְ (elayikh) = naar jou | מִסָּבִ֖יב (misaviv) = van rondom | בְּתַזְנוּתָֽיִךְ (betaznutayikh) = in je hoererij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵדֶה (nedeh), ‘loon’: het woord komt alleen hier voor. נְדָנַיִךְ (nidnayikh), ‘je geschenken’, komt ook alleen hier voor. Beide woorden betekenen geschenken of betaling. Voetnoot : מְאַהֲבַיִךְ (me’ahavayikh), ‘je minnaars’: de volken met wie Jeruzalem verbonden aangaat. Zie ook: Joël 4:3; Hos 2:14; Hos 8:9–10; Jes 57:9; Luc 15:30 **16:34** **Bij jou gebeurde in je hoererij het omgekeerde van andere vrouwen. Niemand hoereerde je achterna. Jij gaf loon, maar kreeg geen loon: zo werd je het omgekeerde.** Brontekst: וַיְהִי (vayhi) = en het was | בָ֨ךְ (bakh) = bij jou | הֵ֤פֶךְ (hefekh) = omgekeerde | מִן (min) = van | הַנָּשִׁים֙ (hanashim) = de vrouwen | בְּתַזְנוּתַ֔יִךְ (betaznutayikh) = in je hoererij | וְאַחֲרַ֖יִךְ (veacharayikh) = en na jou | לֹ֣א (lo) = niet | זוּנָּ֑ה (zuna) = is gehoereerd | וּבְתִתֵּ֣ךְ (uvetitekh) = en door je geven | אֶתְנָ֗ן (etnan) = loon | וְאֶתְנַ֛ן (veetnan) = en loon | לֹ֥א (lo) = niet | נִתַּן (nitan) = is gegeven | לָ֖ךְ (lakh) = aan jou | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en je was | לְהֶֽפֶךְ (lehefekh) = het omgekeerde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵפֶךְ (hefekh), ‘omgekeerde’: bij Jeruzalem was het tegenovergestelde van wat bij andere hoeren gebeurt. ### De hoer wordt geoordeeld **16:35** **Daarom, hoer, hoor het woord van Yahweh.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | זוֹנָ֔ה (zona) = hoer | שִׁמְעִ֖י (shimi) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint het tweede deel van de toespraak: de aanklacht en het oordeel. ‘Hoor het woord van Yahweh’ draagt Yahweh de profeet op uit te roepen. Zij staat rood, zoals in 13:2 en 34:7. Zie ook: Nah 3:4; Jer 3:1; Jer 3:6–8; Ezech 13:2; Ezech 34:7 **16:36** Zo zegt Heer Yahweh: **Omdat je koper is uitgestort en je naaktheid is ontbloot in je hoererij met je minnaars, en met al je gruwelijke mestgoden, en vanwege het bloed van je zonen die je aan hen hebt gegeven,** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֣עַן (yaan) = omdat | הִשָּׁפֵ֤ךְ (hishafekh) = is uitgestort | נְחֻשְׁתֵּךְ֙ (nechushtekh) = je koper | וַתִּגָּלֶ֣ה (vatigale) = en is ontbloot | עֶרְוָתֵ֔ךְ (ervatekh) = je naaktheid | בְּתַזְנוּתַ֖יִךְ (betaznutayikh) = in je hoererij | עַל (al) = met | מְאַהֲבָ֑יִךְ (meahavayikh) = je minnaars | וְעַל֙ (veal) = en met | כָּל (kal) = alle | גִּלּוּלֵ֣י (gilulei) = mestgoden van | תוֹעֲבוֹתַ֔יִךְ (toavotayikh) = je gruwelen | וְכִדְמֵ֣י (vekhidmei) = en volgens het bloed van | בָנַ֔יִךְ (banayikh) = je zonen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תְּ (natat) = je hebt gegeven | לָהֶֽם (lahem) = aan hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְחֻשְׁתֵּךְ (nechushtekh), ‘je koper’: het woord komt alleen hier voor en is onzeker. Het kan ‘koper’ of ‘brons’ betekenen, of ‘je lust’ of ‘je schaamte’. Wij vertalen ‘je koper’. Voetnoot : גִּלּוּלֵי תוֹעֲבוֹתַיִךְ (gilluley to’avotayikh), ‘de mestgoden van je gruwelen’: zie Ezech. 6:4. Voetnoot : דְּמֵי בָנַיִךְ (demei vanayikh), ‘het bloed van je zonen’: de kinderoffers van vers 20 en 21. Zie ook: Gen 3:7; Ps 139:11–12; Ezech 6:4; Ezech 16:15–22; Ezech 16:20; Ezech 16:21; Ezech 23:10; Ezech 24:13 **16:37** **daarom, zie, Ik verzamel al je minnaars, die je aangenaam waren, en allen die je liefhad, samen met allen die je haatte. Ik verzamel hen van overal tegen je en ontbloot je naaktheid voor hen. Zij zullen heel je naaktheid zien.** Brontekst: לָ֠כֵן (lakhen) = daarom | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | מְקַבֵּ֤ץ (meqabets) = verzamel | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | מְאַהֲבַ֨יִךְ֙ (meahavayikh) = je minnaars | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָרַ֣בְתְּ (aravt) = je vond aangenaam | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = bij hen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אָהַ֔בְתְּ (ahavt) = je liefhad | עַ֖ל (al) = met | כָּל (kal) = alle | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | שָׂנֵ֑את (sanet) = je haatte | וְקִבַּצְתִּי֩ (veqibatsti) = en Ik zal verzamelen | אֹתָ֨ם (otam) = hen | עָלַ֜יִךְ (alayikh) = tegen je | מִסָּבִ֗יב (misaviv) = van rondom | וְגִלֵּיתִ֤י (vegileiti) = en Ik zal ontbloten | עֶרְוָתֵךְ֙ (ervatekh) = je naaktheid | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = aan hen | וְרָא֖וּ (verau) = en zij zullen zien | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | עֶרְוָתֵֽךְ (ervatekh) = je naaktheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרַבְתְּ (aravt), ‘je vond aangenaam’: het werkwoord עָרַב (arav) betekent ‘aangenaam zijn’, zoals in Spr. 20:17. Haar minnaars, de volken, worden nu tegen haar verzameld. Zie ook: Spr 20:17; Hos 2:5; Hos 2:12; Jer 13:22; Klaagl 1:8; Ezech 23:9–10 **16:38** **Ik zal je oordelen zoals overspelige vrouwen en bloedvergietende vrouwen geoordeeld worden. Ik maak je tot bloed van woede en naijver.** Brontekst: וּשְׁפַטְתִּיךְ֙ (ushefattikh) = en Ik zal je oordelen | מִשְׁפְּטֵ֣י (mishpetei) = oordelen van | נֹאֲפ֔וֹת (noafot) = overspelige vrouwen | וְשֹׁפְכֹ֖ת (veshofekhot) = en vrouwen die vergieten | דָּ֑ם (dam) = bloed | וּנְתַתִּ֕יךְ (unetatikh) = en Ik zal je maken | דַּ֥ם (dam) = bloed van | חֵמָ֖ה (chema) = woede | וְקִנְאָֽה (veqina) = en naijver Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפְּטֵי נֹאֲפוֹת וְשֹׁפְכוֹת דָּם (mishpetei no’afot veshofekhot dam), ‘de vonnissen voor overspelige vrouwen en vrouwen die bloed vergieten’: zie Lev. 20:10 en Num. 35:33. Voetnoot : קִנְאָה (qin’ah), ‘naijver’: Yahweh’s ijver voor Zijn bruid. Zie ook: Gen 9:6; Lev 20:10; Num 35:33; Ps 79:3–5; Sef 1:17; Jer 18:21 **16:39** **Ik geef je in hun hand. Zij breken je verhoging af en slopen je hoogten. Zij ontdoen je van je kleren, nemen je sieraden af en laten je naakt en bloot achter.** Brontekst: וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal geven | אוֹתָ֜ךְ (otakh) = jou | בְּיָדָ֗ם (beyadam) = in hun hand | וְהָרְס֤וּ (veharesu) = en zij zullen afbreken | גַבֵּךְ֙ (gabekh) = je verhoging | וְנִתְּצ֣וּ (venitetsu) = en zij zullen slopen | רָמֹתַ֔יִךְ (ramotayikh) = je hoogten | וְהִפְשִׁ֤יטוּ (vehifshitu) = en zij zullen uitkleden | אוֹתָךְ֙ (otakh) = jou | בְּגָדַ֔יִךְ (begadayikh) = je kleren | וְלָקְח֖וּ (velaqechu) = en zij zullen nemen | כְּלֵ֣י (kelei) = voorwerpen van | תִפְאַרְתֵּ֑ךְ (tifartekh) = je pracht | וְהִנִּיח֖וּךְ (vehinichukh) = en zij zullen je laten | עֵירֹ֥ם (eirom) = naakt | וְעֶרְיָֽה (veerya) = en bloot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַבֵּךְ (gabbekh) en רָמֹתַיִךְ (ramotayikh): de verhoging en de hoogten van vers 24. Wat zij gebouwd heeft, wordt afgebroken. Zie ook: Hos 2:5; Jes 3:16–24; Ezech 7:22–24; Ezech 16:24–25; Ezech 23:26 **16:40** **Zij brengen een menigte tegen je op en stenigen je met stenen. Met hun zwaarden hakken zij je in stukken.** Brontekst: וְהֶעֱל֤וּ (veheelu) = en zij zullen laten opkomen | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = tegen je | קָהָ֔ל (qahal) = menigte | וְרָגְמ֥וּ (veragemu) = en zij zullen stenigen | אוֹתָ֖ךְ (otakh) = jou | בָּאָ֑בֶן (baaven) = met steen | וּבִתְּק֖וּךְ (uvitequkh) = en zij zullen hakken in stukken | בְּחַרְבוֹתָֽם (becharvotam) = met hun zwaarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּבִתְּקוּךְ (uvittequkh), ‘en zij hakken je in stukken’: het werkwoord בָּתַק (batak) staat alleen hier. Steniging is de straf voor overspel, zie Lev. 20:10 en Deut. 22:21–24. Zie ook: Lev 20:10; Deut 22:21–24; Jer 25:9; Hab 1:6–10; Ezech 23:47; Ezech 24:21; Joh 8:5–7 **16:41** **Zij verbranden je huizen met vuur en voeren vonnissen over je uit voor de ogen van veel vrouwen. Ik maak een einde aan je hoererij, en je zult geen hoerenloon meer geven.** Brontekst: וְשָׂרְפ֤וּ (vesarefu) = en zij zullen verbranden | בָתַּ֨יִךְ֙ (batayikh) = je huizen | בָּאֵ֔שׁ (baesh) = met vuur | וְעָשׂוּ (veasu) = en zij zullen doen | בָ֣ךְ (bakh) = aan jou | שְׁפָטִ֔ים (shefatim) = oordelen | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | נָשִׁ֣ים (nashim) = vrouwen | רַבּ֑וֹת (rabot) = vele | וְהִשְׁבַּתִּיךְ֙ (vehishbatikh) = en Ik zal doen ophouden jou | מִזּוֹנָ֔ה (mizona) = van hoereren | וְגַם (vegam) = en ook | אֶתְנַ֖ן (etnan) = hoerenloon | לֹ֥א (lo) = niet | תִתְּנִי (titeni) = zul je geven | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעֵינֵי נָשִׁים רַבּוֹת (le’einei nashim rabbot), ‘voor de ogen van veel vrouwen’: het oordeel is een openbare waarschuwing voor andere steden. Vergelijk 5:8. Zie ook: 2 Kon 25:9; Jer 39:8; Jer 52:13; Ezech 23:27; Ezech 23:48 **16:42** **Dan laat Ik Mijn woede bij je tot rust komen, en Mijn naijver wijkt van je. Ik word stil en zal niet meer boos zijn.** Brontekst: וַהֲנִחֹתִ֤י (vahanichoti) = en Ik zal laten rusten | חֲמָתִי֙ (chamati) = Mijn woede | בָּ֔ךְ (bakh) = in jou | וְסָ֥רָה (vesara) = en zal wijken | קִנְאָתִ֖י (qinati) = Mijn naijver | מִמֵּ֑ךְ (mimekh) = van jou | וְשָׁ֣קַטְתִּ֔י (veshaqatti) = en Ik zal stil zijn | וְלֹ֥א (velo) = en niet | אֶכְעַ֖ס (ekhas) = zal Ik boos zijn | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְשָׁקַטְתִּי (veshaqatti), ‘Ik word stil’: Yahweh’s woede komt tot rust. Vergelijk 5:13. Zie ook: Jes 40:1–2; Ezech 5:13; Ezech 21:22; Ezech 39:29; Zach 6:8 **16:43** **Omdat je niet hebt gedacht aan de dagen van je jeugd en Mij met dit alles hebt getergd, zie, ook Ik laat je weg op je hoofd neerkomen, godsspraak van Heer Yahweh. Heb je niet bovenop al je gruwelen de ontucht bedreven?** Brontekst: יַ֗עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | זָכַרְתְּ֙ (zakhart) = je hebt gedacht | אֶת (et) = (obj.) | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | נְעוּרַ֔יִךְ (neurayikh) = je jeugd | וַתִּרְגְּזִי (vatirgezi) = en je tergde | לִ֖י (li) = Mij | בְּכָל (bekhal) = in al | אֵ֑לֶּה (ele) = deze dingen | וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֨י (ani) = Ik | הֵ֜א (he) = zie | דַּרְכֵּ֣ךְ (darkekh) = je weg | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = op het hoofd | נָתַ֗תִּי (natati) = Ik heb gegeven | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלֹ֤א (velo) = en niet | עָשִׂית֙ (asit) = je hebt gedaan | אֶת (et) = (obj.) | הַזִּמָּ֔ה (hazima) = de ontucht | עַ֖ל (al) = boven | כָּל (kal) = alle | תּוֹעֲבֹתָֽיִךְ (toavotayikh) = je gruwelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתִּרְגְּזִי לִי (vattirgezi li), ‘en je tergde Mij’: letterlijk ‘je werd onrustig tegen Mij’. Voetnoot : דַּרְכֵּךְ בְּרֹאשׁ נָתַתִּי (darkekh berosh natatti), ‘Ik laat je weg op je hoofd neerkomen’: de gevolgen van haar daden komen over haar. Zie ook 9:10, 11:21 en 22:31. Voetnoot : הַזִּמָּה (hazzimmah), ‘de ontucht’: zie vers 27. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staan זכרתי (zakharti) en עשיתי (asiti); de overlevering leest זָכַרְתְּ (zakhart) en עָשִׂית (asit). Wij volgen de lezing. Zie ook: Ps 78:42; Ps 106:13; Ezech 11:21; Ezech 16:22; Ezech 16:27; Ezech 22:31 ### Zoals de moeder, zo de dochter **16:44** **Zie, ieder die spreekwoorden gebruikt, zal over jou dit spreekwoord gebruiken: ‘Zoals de moeder, zo haar dochter.’** Brontekst: הִנֵּה֙ (hine) = zie | כָּל (kal) = elke | הַמֹּשֵׁ֔ל (hamoshel) = die spreekt in spreekwoorden | עָלַ֥יִךְ (alayikh) = over je | יִמְשֹׁ֖ל (yimshol) = zal spreken in spreekwoord | לֵאמֹ֑ר (lemor) = om te zeggen | כְּאִמָּ֖ה (keima) = zoals de moeder | בִּתָּֽהּ (bitah) = haar dochter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָשָׁל (mashal), ‘spreekwoord’: een korte, bekende uitspraak, hier een scherpe. Zie ook: 1 Sam 24:14; Ps 106:35–38; Ezech 16:3; Ezech 18:2–3; Ezra 9:1 **16:45** **Je bent de dochter van je moeder, die haar man en haar kinderen verafschuwde. Je bent de zuster van je zusters, die hun mannen en hun kinderen verafschuwden. Jullie moeder was een Hethitische en jullie vader een Amoriet.** Brontekst: בַּת (bat) = dochter van | אִמֵּ֣ךְ (imekh) = je moeder | אַ֔תְּ (at) = jij | גֹּעֶ֥לֶת (goelet) = die verafschuwt | אִישָׁ֖הּ (ishah) = haar man | וּבָנֶ֑יהָ (uvaneiha) = en haar kinderen | וַאֲח֨וֹת (vaachot) = en zuster van | אֲחוֹתֵ֜ךְ (achotekh) = je zusters | אַ֗תְּ (at) = jij | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | גָּֽעֲ֨לוּ֙ (gaalu) = verafschuwden | אַנְשֵׁיהֶ֣ן (ansheihen) = hun mannen | וּבְנֵיהֶ֔ן (uveneihen) = en hun kinderen | אִמְּכֶ֣ן (imekhen) = jullie moeder | חִתִּ֔ית (chitit) = Hethitische | וַאֲבִיכֶ֖ן (vaavikhen) = en jullie vader | אֱמֹרִֽי (emori) = Amoriet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּעֶלֶת (go’elet), ‘die verafschuwt’: het werkwoord is hetzelfde als in vers 5. Moeder en zusters hebben hun man en kinderen verafschuwd, en zo is Jeruzalem hun dochter en zuster. Zie ook: Deut 12:31; Jes 1:4; Ezech 16:5; Ezech 16:15; Ezech 23:2; Zach 11:8 **16:46** **Je oudere zuster is Samaria met haar dochters, die links van je woont. Je jongere zuster, die rechts van je woont, is Sodom met haar dochters.** Brontekst: וַאֲחוֹתֵ֨ךְ (vaachotekh) = en je zuster | הַגְּדוֹלָ֤ה (hagedola) = de oudere | שֹֽׁמְרוֹן֙ (shomeron) = Samaria | הִ֣יא (hi) = zij | וּבְנוֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | הַיּוֹשֶׁ֖בֶת (hayoshevet) = die woont | עַל (al) = aan | שְׂמֹאולֵ֑ךְ (semovlekh) = je linkerhand | וַאֲחוֹתֵ֞ךְ (vaachotekh) = en je zuster | הַקְּטַנָּ֣ה (haqetana) = de jongere | מִמֵּ֗ךְ (mimekh) = dan jij | הַיּוֹשֶׁ֨בֶת֙ (hayoshevet) = die woont | מִֽימִינֵ֔ךְ (miminekh) = aan je rechterhand | סְדֹ֖ם (sedom) = Sodom | וּבְנוֹתֶֽיהָ (uvenoteiha) = en haar dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: שְׂמֹאול (semol), ‘links’, en יָמִין (yamin), ‘rechts’: als men naar het oosten kijkt, is links het noorden en rechts het zuiden. Dat past: Samaria ligt ten noorden van Jeruzalem, Sodom ligt ten zuiden. Voetnoot : בְּנוֹת (banot), ‘dochters’: de omliggende steden die bij een stad horen. Zie ook: Gen 13:10–13; Jer 3:8–11; Ezech 16:48–49; Ezech 16:53–56; Ezech 23:4 **16:47** **Je bent niet alleen op hun wegen gegaan en hebt niet alleen hun gruwelen gedaan. Dat was bijna te weinig, want je werd in al je wegen verdorvener dan zij.** Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | בְדַרְכֵיהֶן֙ (bedarkheihen) = op hun wegen | הָלַ֔כְתְּ (halakht) = je bent gegaan | וּבְתוֹעֲבֽוֹתֵיהֶ֖ן (uvetoavoteihen) = en volgens hun gruwelen | עָשִׂ֑ית (asit) = je deed | כִּמְעַ֣ט (kimat) = bijna | קָ֔ט (qat) = te weinig | וַתַּשְׁחִ֥תִי (vatashchiti) = en je werd verdorven | מֵהֵ֖ן (mehen) = meer dan zij | בְּכָל (bekhal) = in al | דְּרָכָֽיִךְ (derakhayikh) = je wegen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כִּמְעַט קָט (kim’at qat), ‘bijna te weinig’: de zin is kort en moeilijk. Het kan ook betekenen: ‘het was een kleinigheid’. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat עשיתי (asiti); de overlevering leest עָשִׂית (asit). Wij volgen de lezing. Zie ook: 1 Kon 16:31; 2 Kon 21:9; Ezech 5:6–7; Ezech 16:48; Ezech 16:51 **16:48** **Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Sodom, je zuster, heeft met haar dochters niet gedaan wat jij en je dochters hebben gedaan.** Brontekst: חַי (chay) = levend | אָ֗נִי (ani) = Ik | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | עָֽשְׂתָה֙ (aseta) = heeft gedaan | סְדֹ֣ם (sedom) = Sodom | אֲחוֹתֵ֔ךְ (achotekh) = je zuster | הִ֖יא (hi) = zij | וּבְנוֹתֶ֑יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֔ית (asit) = je hebt gedaan | אַ֖תְּ (at) = jij | וּבְנוֹתָֽיִךְ (uvenotayikh) = en je dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: חַי אֲנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: de eed van Yahweh; zie Ezech. 14:16. Zie ook: Ezech 14:16; Mat 10:15; Mat 11:23–24; Mar 6:11; Luc 10:12; Hand 7:52 **16:49** **Zie, dit was de schuld van Sodom, je zuster: hoogmoed, volop brood en zorgeloze rust had zij met haar dochters. De hand van de ellendige en de arme hield zij niet vast.** Brontekst: הִנֵּה (hine) = zie | זֶ֣ה (ze) = dit | הָיָ֔ה (haya) = was | עֲוֺ֖ן (avon) = schuld van | סְדֹ֣ם (sedom) = Sodom | אֲחוֹתֵ֑ךְ (achotekh) = je zuster | גָּא֨וֹן (gaon) = hoogmoed | שִׂבְעַת (sivat) = verzadiging met | לֶ֜חֶם (lechem) = brood | וְשַׁלְוַ֣ת (veshalvat) = en zorgeloosheid van | הַשְׁקֵ֗ט (hashqet) = rust | הָ֤יָה (haya) = was | לָהּ֙ (lah) = voor haar | וְלִבְנוֹתֶ֔יהָ (velivnoteiha) = en voor haar dochters | וְיַד (veyad) = en hand van | עָנִ֥י (ani) = ellendige | וְאֶבְי֖וֹן (veevyon) = en arme | לֹ֥א (lo) = niet | הֶחֱזִֽיקָה (hecheziqa) = zij hield vast Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: גָּאוֹן (ga’on), ‘hoogmoed’: Sodom was hoogmoedig en onverschillig voor de armen. Het verhaal van Sodom staat in Gen. 19. Voetnoot : שִׂבְעַת לֶחֶם (sav’at lechem), ‘volop brood’: letterlijk ‘verzadiging van brood’. Voetnoot : וְשַׁלְוַת הַשְׁקֵט (ushelvat hashqet), ‘zorgeloze rust’. Zie ook: Gen 13:10; Ps 138:6; Ezech 18:16; Ezech 28:2; Luc 12:16–20 **16:50** **Zij werden hoogmoedig en deden een gruwel voor Mijn aangezicht. Toen Ik dat zag, nam Ik hen weg.** Brontekst: וַֽתִּגְבְּהֶ֔ינָה (vatigbeheina) = en zij werden hoogmoedig | וַתַּעֲשֶׂ֥ינָה (vataaseina) = en zij deden | תוֹעֵבָ֖ה (toeva) = gruwel | לְפָנָ֑י (lefanay) = voor Mij | וָאָסִ֥יר (vaasir) = en Ik nam weg | אֶתְהֶ֖ן (ethen) = hen | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | רָאִֽיתִי (raiti) = Ik zag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָאִיתִי (ra’iti), ‘toen Ik het zag’: sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Gen 13:13; Gen 18:20; Gen 19:5; Gen 19:24; 2 Kon 23:7 **16:51** **Samaria heeft niet de helft van je zonden begaan. Je hebt je gruwelen groter gemaakt dan zij, en je hebt je zusters rechtvaardig doen lijken door al je gruwelen die je hebt gedaan.** Brontekst: וְשֹׁ֣מְר֔וֹן (veshomeron) = en Samaria | כַּחֲצִ֥י (kachatsi) = als de helft van | חַטֹּאתַ֖יִךְ (chatotayikh) = je zonden | לֹ֣א (lo) = niet | חָטָ֑אָה (chataa) = heeft gezondigd | וַתַּרְבִּ֤י (vatarbi) = en je vermeerderde | אֶת (et) = (obj.) | תּוֹעֲבוֹתַ֨יִךְ֙ (toavotayikh) = je gruwelen | מֵהֵ֔נָּה (mehena) = meer dan zij | וַתְּצַדְּקִי֙ (vatetsadeqi) = en je deed rechtvaardig lijken | אֶת (et) = (obj.) | אֲחוֹתַ֔יִךְ (achotayikh) = je zusters | בְּכָל (bekhal) = door al | תּוֹעֲבוֹתַ֖יִךְ (toavotayikh) = je gruwelen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשִֽׂית (asit) = je hebt gedaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: וַתְּצַדְּקִי (vattetsaddeqi), ‘je hebt rechtvaardig doen lijken’: het werkwoord צִדֵּק (tsiddeq) betekent hier ‘rechtvaardig doen lijken’. Door haar grotere gruwelen leken haar zusters, vergeleken met haar, rechtvaardig. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staan אֲחוֹתֵךְ (achotekh), ‘je zuster’, en עשיתי (asiti); de overlevering leest אֲחוֹתַיִךְ (achotayikh), ‘je zusters’, en עָשִׂית (asit). Wij volgen de lezing. Zie ook: Jer 3:8–11; Mat 12:41–42; Luc 12:47–48; Rom 3:9–20 **16:52** **Draag ook jij je schande, jij die voor je zuster hebt gepleit. Door je zonden, waarmee je gruwelijker was dan zij, zijn zij rechtvaardiger dan jij. Ook jij, wees beschaamd en draag je schande, omdat je je zusters rechtvaardig hebt doen lijken.** Brontekst: גַּם (gam) = ook | אַ֣תְּ (at) = jij | שְׂאִ֣י (sei) = draag | כְלִמָּתֵ֗ךְ (kelimatekh) = je schande | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | פִּלַּלְתְּ֙ (pilalt) = je hebt gepleit | לַֽאֲחוֹתֵ֔ךְ (laachotekh) = voor je zuster | בְּחַטֹּאתַ֛יִךְ (bechatotayikh) = door je zonden | אֲשֶׁר (asher) = die | הִתְעַ֥בְתְּ (hitavt) = je hebt gruwelijk gemaakt | מֵהֵ֖ן (mehen) = meer dan zij | תִּצְדַּ֣קְנָה (titsdaqna) = zijn rechtvaardiger | מִמֵּ֑ךְ (mimekh) = dan jij | וְגַם (vegam) = en ook | אַ֥תְּ (at) = jij | בּ֨וֹשִׁי֙ (boshi) = schaam je | וּשְׂאִ֣י (usei) = en draag | כְלִמָּתֵ֔ךְ (kelimatekh) = je schande | בְּצַדֶּקְתֵּ֖ךְ (betsadeqtekh) = in je rechtvaardig doen lijken | אַחְיוֹתֵֽךְ (achyotekh) = je zusters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּלַּלְתְּ (pillalt), ‘je hebt gepleit’: het werkwoord פָּלַל (palal) betekent ‘bemiddelen, een uitspraak doen’. Jeruzalem heeft door haar gedrag haar zusters verontschuldigd. Daarom moet zij hun schande dragen. Zie ook: Ezech 16:54; Ezech 36:6–7; Ezech 39:26; Mat 7:1–5; Rom 1:32–2:1 **16:53** **Ik keer hun lot, het lot van Sodom en haar dochters en het lot van Samaria en haar dochters, en jouw lot te midden van hen.** Brontekst: וְשַׁבְתִּי֙ (veshavti) = en Ik zal keren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁבִ֣יתְהֶ֔ן (shevitehen) = hun lot | אֶת (et) = (obj.) | שְׁב֤וּת (shevut) = lot van | סְדֹם֙ (sedom) = Sodom | וּבְנוֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁב֥וּת (shevut) = lot van | שֹׁמְר֖וֹן (shomeron) = Samaria | וּבְנוֹתֶ֑יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | וּשְׁב֥וּת (ushevut) = en lot van | שְׁבִיתַ֖יִךְ (shevitayikh) = je lot | בְּתוֹכָֽהְנָה (betokhahena) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: de uitdrukking שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut) betekent ‘het lot keren’, of ‘de gevangenen terugbrengen’. Wij volgen ‘het lot keren’, zoals in de Psalmen, bijvoorbeeld Ps. 126:1. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat drie keer שבית (shevit), een andere vorm; de overlevering leest שְׁבוּת (shevut), ‘lot’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ps 126:1; Joël 4:1; Jes 19:24–25; Jer 12:16; Ezech 29:14; Ezech 39:25 **16:54** **Zo draag je je schande en schaam je je voor alles wat je hebt gedaan, doordat je hen troost.** Brontekst: לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | תִּשְׂאִ֣י (tisi) = je draagt | כְלִמָּתֵ֔ךְ (kelimatekh) = je schande | וְנִכְלַ֕מְתְּ (venikhlamt) = en je bent beschaamd | מִכֹּ֖ל (mikol) = om alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשִׂ֑ית (asit) = je hebt gedaan | בְּנַחֲמֵ֖ךְ (benachamekh) = bij je troosten | אֹתָֽן (otan) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנַחֲמֵךְ (benachamekh), ‘doordat je hen troost’: het Piel van נָחַם (nacham) betekent ‘troosten’. Zie ook: Jer 2:26; Ezech 14:22–23; Ezech 16:52; Ezech 16:63; Ezech 36:31–32 **16:55** **Je zusters, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren naar hun vroegere staat. Samaria en haar dochters zullen terugkeren naar hun vroegere staat. Ook jij en je dochters zullen terugkeren naar jullie vroegere staat.** Brontekst: וַאֲחוֹתַ֗יִךְ (vaachotayikh) = en je zusters | סְדֹ֤ם (sedom) = Sodom | וּבְנוֹתֶ֨יהָ֙ (uvenoteiha) = en haar dochters | תָּשֹׁ֣בְןָ (tashovena) = zullen terugkeren | לְקַדְמָתָ֔ן (leqadmatan) = naar hun vroegere staat | וְשֹֽׁמְרוֹן֙ (veshomeron) = en Samaria | וּבְנוֹתֶ֔יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | תָּשֹׁ֖בְןָ (tashovena) = zullen terugkeren | לְקַדְמָתָ֑ן (leqadmatan) = naar hun vroegere staat | וְאַתְּ֙ (veat) = en jij | וּבְנוֹתַ֔יִךְ (uvenotayikh) = en je dochters | תְּשֻׁבֶ֖ינָה (teshuveina) = zullen terugkeren | לְקַדְמַתְכֶֽן (leqadmatkhen) = naar jullie vroegere staat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: לְקַדְמָתָן (leqadmatan), ‘naar hun vroegere staat’: letterlijk ‘naar hun voortijd’. Zij worden hersteld. Zie ook: Ezech 16:53; Ezech 36:11; Mal 3:4 **16:56** **Sodom, je zuster, kwam niet over je lippen op de dag van je hoogmoed,** Brontekst: וְל֤וֹא (velo) = en niet | הָֽיְתָה֙ (hayeta) = was | סְדֹ֣ם (sedom) = Sodom | אֲחוֹתֵ֔ךְ (achotekh) = je zuster | לִשְׁמוּעָ֖ה (lishmua) = tot gerucht | בְּפִ֑יךְ (befikh) = in je mond | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | גְּאוֹנָֽיִךְ (geonayikh) = je hoogmoed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht. Voetnoot Uitleg: שְׁמוּעָה (shemu’ah), ‘gerucht’: Sodom werd door Jeruzalem niet genoemd, zij keek op Sodom neer. Het begin van vers 57 sluit hierop aan. Zie ook: Jes 65:5; Sef 3:11; Ezech 16:57; Luc 15:28–30; Luc 18:11 **16:57** **voordat je kwaad werd ontbloot, zoals in de tijd van de smaad van de dochters van Aram en van al haar omgeving, de dochters van de Filistijnen, die je overal verachten.** Brontekst: בְּטֶרֶם֮ (beterem) = voordat | תִּגָּלֶ֣ה (tigale) = wordt ontbloot | רָעָתֵךְ֒ (raatekh) = je kwaad | כְּמ֗וֹ (kemo) = zoals | עֵ֚ת (et) = tijd van | חֶרְפַּ֣ת (cherpat) = smaad van | בְּנוֹת (benot) = dochters van | אֲרָ֔ם (aram) = Aram | וְכָל (vekhal) = en alle | סְבִיבוֹתֶ֖יהָ (sevivoteiha) = haar omgeving | בְּנ֣וֹת (benot) = dochters van | פְּלִשְׁתִּ֑ים (pelishtim) = Filistijnen | הַשָּׁאט֥וֹת (hashatot) = de verachtenden | אוֹתָ֖ךְ (otakh) = jou | מִסָּבִֽיב (misaviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: Het begin van dit vers is moeilijk. Letterlijk staat er: ‘voordat je kwaad werd ontbloot, zoals de tijd van de smaad van de dochters van Aram’. Sommige oude vertalingen lezen aan het begin van het vers anders. Voetnoot : הַשָּׁאטוֹת (hasha’tot), ‘die verachten’: een zeldzaam werkwoord dat ‘verachten’ betekent. Zie ook: 2 Kon 16:5–7; 2 Kron 28:5–6; 2 Kron 28:18–23; Jes 7:1; Ezech 16:36–37 **16:58** **Je ontucht en je gruwelen: die draag jij, godsspraak van Yahweh.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | זִמָּתֵ֥ךְ (zimatekh) = je ontucht | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תּוֹעֲבוֹתַ֖יִךְ (toavotayikh) = je gruwelen | אַ֣תְּ (at) = jij | נְשָׂאתִ֑ים (nesatim) = je draagt ze | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: hier staat alleen ‘Yahweh’, zonder ‘Heer’. Zie ook: Gen 4:13; Klaagl 5:7; Ezech 23:49 ### Het eeuwige verbond **16:59** Want zo zegt Heer Yahweh: **Ik zal met jou doen zoals jij hebt gedaan, jij die de eed hebt veracht door het verbond te verbreken.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְעָשִׂ֥יתִי (veasiti) = en Ik zal doen | אוֹתָ֖ךְ (otakh) = jou | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֑ית (asit) = je hebt gedaan | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּזִ֥ית (bazit) = je hebt veracht | אָלָ֖ה (ala) = eed | לְהָפֵ֥ר (lehafer) = om te verbreken | בְּרִֽית (berit) = verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָלָה (alah), ‘eed’: het is de eed van het verbond. Wie het verbond verbreekt, verwerpt de eed die erbij hoort. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat ועשית (v’sit), ‘en jij deed’; de overlevering leest וְעָשִׂיתִי (ve’asiti), ‘en Ik zal doen’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Deut 29:9–14; 2 Kron 34:31–32; Jes 24:5; Ezech 17:19; Rom 2:8–9 **16:60** **Maar Ik zelf zal Mijn verbond met je gedenken uit de dagen van je jeugd, en Ik zal een eeuwig verbond voor je oprichten.** Brontekst: וְזָכַרְתִּ֨י (vezakharti) = en Ik zal gedenken | אֲנִ֧י (ani) = Ik | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֛י (beriti) = Mijn verbond | אוֹתָ֖ךְ (otakh) = met jou | בִּימֵ֣י (bimei) = in de dagen van | נְעוּרָ֑יִךְ (neurayikh) = je jeugd | וַהֲקִמוֹתִ֥י (vahaqimoti) = en Ik zal oprichten | לָ֖ךְ (lakh) = voor jou | בְּרִ֥ית (berit) = verbond | עוֹלָֽם (olam) = eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘een eeuwig verbond’: zoals in Gen. 9:16 en 17:7. Zie ook Ezech. 37:26. Zie ook: Gen 9:16; Gen 17:7; Hos 2:21–22; Jer 50:5; Ezech 16:8; Ezech 37:26; Heb 8:10; Heb 12:24 **16:61** **Dan zul je aan je wegen terugdenken en je schamen, wanneer je je zusters aanneemt, de oudere dan jij en de jongere dan jij. Ik geef ze je als dochters, maar niet op grond van je verbond.** Brontekst: וְזָכַ֣רְתְּ (vezakhart) = en je zult gedenken | אֶת (et) = (obj.) | דְּרָכַיִךְ֮ (derakhayikh) = je wegen | וְנִכְלַמְתְּ֒ (venikhlamt) = en je zult beschaamd zijn | בְּקַחְתֵּ֗ךְ (beqachtekh) = bij je nemen | אֶת (et) = (obj.) | אֲחוֹתַ֨יִךְ֙ (achotayikh) = je zusters | הַגְּדֹל֣וֹת (hagedolot) = de grotere | מִמֵּ֔ךְ (mimekh) = dan jij | אֶל (el) = tot | הַקְּטַנּ֖וֹת (haqetanot) = de kleinere | מִמֵּ֑ךְ (mimekh) = dan jij | וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal geven | אֶתְהֶ֥ן (ethen) = hen | לָ֛ךְ (lakh) = aan jou | לְבָנ֖וֹת (levanot) = tot dochters | וְלֹ֥א (velo) = en niet | מִבְּרִיתֵֽךְ (miberitekh) = van je verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְלֹא מִבְּרִיתֵךְ (velo mibriteikh), ‘maar niet op grond van je verbond’: de zusters worden als dochters aan Jeruzalem gegeven door Yahweh’s eigen genade, niet omdat Jeruzalem het verbond hield. Zie ook: Jes 66:7–12; Gal 4:26–31; Rom 15:16; Ef 3:6; Heb 8:13 **16:62** **Ik zelf zal Mijn verbond met je oprichten, en je zult weten dat Ik Yahweh ben,** Brontekst: וַהֲקִימוֹתִ֥י (vahaqimoti) = en Ik zal oprichten | אֲנִ֛י (ani) = Ik | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֖י (beriti) = Mijn verbond | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met jou | וְיָדַ֖עַתְּ (veyadaat) = en je zult weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְיָדַעַתְּ כִּי אֲנִי יְהוָה (veyada’at ki ani Yahweh), ‘en je zult weten dat Ik Yahweh ben’: de erkenningsformule, zoals in 13:14. Hier wordt zij in het enkelvoud aangesproken. Zie ook: Jer 24:7; Ezech 6:7; Ezech 16:60; Ezech 20:37; Ezech 39:22 **16:63** **opdat je terugdenkt en je schaamt en vanwege je schande je mond niet meer kunt opendoen, wanneer Ik voor je verzoening doe voor alles wat je hebt gedaan, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: לְמַ֤עַן (lemaan) = opdat | תִּזְכְּרִי֙ (tizkeri) = je terugdenkt | וָבֹ֔שְׁתְּ (vavosht) = en schaamte | וְלֹ֨א (velo) = en niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לָּ֥ךְ (lakh) = voor jou | עוֹד֙ (od) = meer | פִּתְח֣וֹן (pitchon) = opening van | פֶּ֔ה (pe) = mond | מִפְּנֵ֖י (mipenei) = vanwege | כְּלִמָּתֵ֑ךְ (kelimatekh) = je schande | בְּכַפְּרִי (bekhaperi) = bij Mijn verzoenen | לָךְ֙ (lakh) = voor jou | לְכָל (lekhal) = voor alles | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | עָשִׂ֔ית (asit) = je hebt gedaan | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּכַפְּרִי־לָךְ (bekhapperi lakh), ‘wanneer Ik voor je verzoening doe’: het werkwoord כִּפֵּר (kipper) betekent ‘verzoenen’, zoals in Lev. 16. Voetnoot : פִּתְחוֹן פֶּה (pitchon peh), ‘het openen van de mond’: zij kan zich niet meer verdedigen of op zichzelf roemen. Voetnoot : Hier eindigt de toespraak van Yahweh. Zie ook: Job 40:4–5; Ps 39:10; Ezech 36:31–32; Rom 3:19; Tit 3:3–7 ## Ezechiël 17 _Een gelijkenis van twee arenden, een wijnstok en een ceder_ ### De gelijkenis van de arenden en de wijnstok **17:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:2** **„Mensenkind, leg een raadsel voor en houd een gelijkenis voor aan het huis van Israël.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mensen | ח֥וּד (chud) = leg voor | חִידָ֖ה (chida) = een raadsel | וּמְשֹׁ֣ל (umeshol) = en houd voor | מָשָׁ֑ל (mashal) = een gelijkenis | אֶל (el) = aan | בֵּ֖ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִידָה (chidah), ‘raadsel’, en מָשָׁל (mashal), ‘gelijkenis’: het eerste is een verhulde spreuk die uitgelegd moet worden, het tweede een vergelijking of beeldspraak. Het hoofdstuk bevat beide: eerst het beeld (vers 3–10), daarna de uitleg (vers 12–21). Voetnoot : בֶּן־אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: zo spreekt Yahweh de profeet steeds aan; zie Ezech. 2:1. Voetnoot : בֵּית יִשְׂרָאֵל (beit Yisra’el), ‘huis van Israël’: heel het volk als één familie. Zie ook: Re 9:8–15; 2 Sam 12:1–4; Ezech 2:1; Ezech 17:3–10; Ezech 17:12–21; Ezech 21:5; Mat 13:13–14; Mat 13:35 **17:3** **Zeg:** Zo zegt Heer Yahweh: **‘De grote arend met grote vleugels en lange pennen, vol gevederte, met kleurenpracht, kwam naar de Libanon. Hij nam de top van de ceder.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֞ (veamarta) = en je zult zeggen | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הַנֶּ֤שֶׁר (hanesher) = de arend | הַגָּדוֹל֙ (hagadol) = de grote | גְּד֤וֹל (gedol) = groot van | הַכְּנָפַ֨יִם֙ (hakenafayim) = vleugels | אֶ֣רֶךְ (erekh) = lang van | הָאֵ֔בֶר (haever) = pennen | מָלֵא֙ (male) = vol van | הַנּוֹצָ֔ה (hanotsa) = gevederte | אֲשֶׁר (asher) = dat | ל֖וֹ (lo) = heeft | הָֽרִקְמָ֑ה (hariqma) = de kleurenpracht | בָּ֚א (ba) = kwam | אֶל (el) = naar | הַלְּבָנ֔וֹן (halevanon) = de Libanon | וַיִּקַּ֖ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | צַמֶּ֥רֶת (tsameret) = top van | הָאָֽרֶז (haarez) = de ceder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4. Voetnoot : הַנֶּשֶׁר (hannesher), ‘de arend’: het woord kan ook een gier aanduiden. Hier is het een groot roofvogel met brede vleugels. Voetnoot : רִקְמָה (riqmah), ‘kleurenpracht’: eigenlijk ‘veelkleurig weefsel’, geborduurd werk. Het wijst op de rijk gekleurde veren. Voetnoot : צַמֶּרֶת (tsammeret), ‘top’: het hoogste deel van de ceder. De ceder is het beeld van het koningshuis van Juda; de uitleg staat in vers 12–13. Zie ook: Hos 8:1; Jer 48:40; Ezech 2:4; Ezech 17:7; Ezech 17:12–13; Dan 2:38; Dan 4:19 **17:4** **Het hoogste van zijn twijgen brak hij af. Hij bracht het naar het land Kanaän en zette het in een stad van kooplieden.** Brontekst: אֵ֛ת (et) = (obj.) | רֹ֥אשׁ (rosh) = hoogste van | יְנִֽיקוֹתָ֖יו (yeniqotav) = zijn twijgen | קָטָ֑ף (qataf) = brak hij af | וַיְבִיאֵ֨הוּ֙ (vayviehu) = en bracht het | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | כְּנַ֔עַן (kenaan) = Kanaän | בְּעִ֥יר (beir) = in een stad van | רֹכְלִ֖ים (rokhelim) = kooplieden | שָׂמֽוֹ (samo) = zette hij het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּנַעַן (Kena’an), ‘Kanaän’: het woord kan ook ‘koopmansland’ betekenen. Het past bij ‘stad van kooplieden’ (רֹכְלִים, rokhlim) en wijst hier op Babel; zie vers 12. Voetnoot : יְנִיקוֹת (yeniqot), ‘twijgen’: eigenlijk ‘zuigende’, jonge scheuten. Zie ook: Jes 43:14; Jes 47:15; Jer 51:13; Ezech 17:12; Openb 18:3; Openb 18:11–19 **17:5** **Hij nam ook iets van het zaad van het land en zette het in een zaaiveld. Bij overvloedig water nam hij het mee en plantte het als een wilg.** Brontekst: וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en nam | מִזֶּ֣רַע (mizera) = van het zaad van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וַֽיִּתְּנֵ֖הוּ (vayitenehu) = en zette het | בִּשְׂדֵה (bisde) = in een veld van | זָ֑רַע (zara) = zaad | קָ֚ח (qach) = nemend | עַל (al) = bij | מַ֣יִם (mayim) = water | רַבִּ֔ים (rabim) = overvloedig | צַפְצָפָ֖ה (tsaftsafa) = wilg | שָׂמֽוֹ (samo) = plaatste hij het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִזֶּרַע הָאָרֶץ (mizzera ha’arets), ‘van het zaad van het land’: een plant uit het land zelf. Voetnoot : קַח (qach), ‘nemend’ of ‘nemen’: de betekenis van dit woord is hier onzeker; het kan ook bij het volgende woord horen. Wij nemen ‘bij overvloedig water nam hij het mee’. Voetnoot : צַפְצָפָה (tsaftsafah), ‘wilg’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis ‘wilg’ is niet zeker. De wilg groeit graag aan water. Zie ook: Deut 8:7–9; 2 Kon 24:17; Jes 44:4; Ezech 17:13; Ezech 19:11–12 **17:6** **Het groeide en werd een uitgespreide wijnstok, laag van gestalte, zodat zijn ranken zich naar hem toe keerden en zijn wortels onder hem bleven. Zo werd het een wijnstok. Het maakte takken en schoot loten.** Brontekst: וַיִּצְמַ֡ח (vayitsmach) = en groeide | וַיְהִי֩ (vayhi) = en werd | לְגֶ֨פֶן (legefen) = tot een wijnstok | סֹרַ֜חַת (sorachat) = uitgespreid | שִׁפְלַ֣ת (shiflat) = laag van | קוֹמָ֗ה (qoma) = gestalte | לִפְנ֤וֹת (lifnot) = om te buigen | דָּלִיּוֹתָיו֙ (daliyotav) = zijn ranken | אֵלָ֔יו (elav) = naar hem | וְשָׁרָשָׁ֖יו (vesharashav) = en zijn wortels | תַּחְתָּ֣יו (tachtav) = onder hem | יִֽהְי֑וּ (yihyu) = zouden zijn | וַתְּהִ֣י (vatehi) = en werd | לְגֶ֔פֶן (legefen) = tot een wijnstok | וַתַּ֣עַשׂ (vataas) = en maakte | בַּדִּ֔ים (badim) = takken | וַתְּשַׁלַּ֖ח (vateshalach) = en schoot | פֹּארֽוֹת (porot) = loten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סֹרַחַת (sorachat), ‘uitgespreid’: een wijnstok die zich uitbreidt over de grond. Voetnoot : שִׁפְלַת קוֹמָה (shiflat qomah), ‘laag van gestalte’: de stok groeit niet hoog. Het beeld wijst op een afhankelijk koninkrijk (vers 14). Voetnoot : דָּלִיּוֹת (daliyyot), ‘ranken’: lange dunne uitlopers. Het woord komt in dit hoofdstuk steeds terug. Zie ook: Spr 16:18–19; Ezech 17:14 **17:7** **Er was nog een grote arend, met grote vleugels en veel gevederte. En zie, deze wijnstok boog haar wortels naar hem toe. Zij stuurde haar ranken naar hem uit, zodat hij haar zou laten drinken, weg van de bedden waar zij geplant was.** Brontekst: וַיְהִ֤י (vayhi) = en was | נֶֽשֶׁר (nesher) = arend | אֶחָד֙ (echad) = een andere | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | גְּד֥וֹל (gedol) = groot van | כְּנָפַ֖יִם (kenafayim) = vleugels | וְרַב (verav) = en veel | נוֹצָ֑ה (notsa) = gevederte | וְהִנֵּה֩ (vehine) = en zie | הַגֶּ֨פֶן (hagefen) = de wijnstok | הַזֹּ֜את (hazot) = deze | כָּֽפְנָ֧ה (kafena) = boog | שָׁרֳשֶׁ֣יהָ (sharosheiha) = haar wortels | עָלָ֗יו (alav) = naar hem | וְדָֽלִיּוֹתָיו֙ (vedaliyotav) = en haar ranken | שִׁלְחָה (shilcha) = zond zij uit | לּ֔וֹ (lo) = naar hem | לְהַשְׁק֣וֹת (lehashqot) = om te laten drinken | אוֹתָ֔הּ (otah) = haar | מֵעֲרֻג֖וֹת (mearugot) = van de bedden van | מַטָּעָֽהּ (mataah) = haar beplanting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כָּפְנָה (kafnah), ‘boog’: dit werkwoord komt alleen hier voor; de betekenis ‘buigen’ of ‘hongerig verlangen’ is niet zeker. Voetnoot : De tweede arend is de farao van Egypte; zie vers 15. Zedekia keert zich van Babel naar Egypte. Zie ook: 2 Kon 24:20; 2 Kron 26:13; Jer 37:5–7; Ezech 17:15; Ezech 31:4 **17:8** **In goede grond, bij overvloedig water, was zij geplant. Zij moest takken maken en vrucht dragen en een prachtige wijnstok worden.’** Brontekst: אֶל (el) = naar | שָׂ֥דֶה (sade) = veld | טּ֛וֹב (tov) = goed | אֶל (el) = naar | מַ֥יִם (mayim) = water | רַבִּ֖ים (rabim) = overvloedig | הִ֣יא (hi) = zij | שְׁתוּלָ֑ה (shetula) = geplant | לַעֲשׂ֤וֹת (laasot) = om te maken | עָנָף֙ (anaf) = tak | וְלָשֵׂ֣את (velaset) = en te dragen | פֶּ֔רִי (peri) = vrucht | לִהְי֖וֹת (lihyot) = om te worden | לְגֶ֥פֶן (legefen) = tot een wijnstok | אַדָּֽרֶת (adaret) = prachtige Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 17:5–6 **17:9** **Zeg:** Zo zegt Heer Yahweh: **‘Zal zij gedijen? Zal hij niet haar wortels uitrukken en haar vrucht afsnijden, zodat zij verdort? Al haar verse bladeren zullen verdorren. Er is geen grote arm en geen talrijk volk nodig om haar van haar wortels op te tillen.** Brontekst: אֱמֹ֗ר (emor) = zeg | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | תִּצְלָ֑ח (titslach) = zal zij gedijen | הֲלוֹא֩ (halo) = niet | אֶת (et) = (obj.) | שָׁרָשֶׁ֨יהָ (sharasheiha) = haar wortels | יְנַתֵּ֜ק (yenateq) = zal hij uitrukken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | פִּרְיָ֣הּ (piryah) = haar vrucht | יְקוֹסֵ֣ס (yeqoses) = zal hij afsnijden | וְיָבֵ֗שׁ (veyavesh) = en zij verdort | כָּל (kal) = al | טַרְפֵּ֤י (tarpei) = bladeren van | צִמְחָהּ֙ (tsimchah) = haar uitloop | תִּיבָ֔שׁ (tivash) = zullen verdorren | וְלֹֽא (velo) = en niet | בִזְרֹ֤עַ (bizroa) = met arm | גְּדוֹלָה֙ (gedola) = grote | וּבְעַם (uveam) = en met volk | רָ֔ב (rav) = talrijk | לְמַשְׂא֥וֹת (lemasot) = om op te tillen | אוֹתָ֖הּ (otah) = haar | מִשָּׁרָשֶֽׁיהָ (misharasheiha) = van haar wortels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַלוֹא (halo), ‘niet?’: de vraag verwacht het antwoord ja. Wie ‘hij’ is die de wortels uitrukt, zegt de tekst niet; het kan Yahweh zijn of de eerste arend. Voetnoot : בִּזְרוֹעַ גְּדוֹלָה (bizro’a gedolah), ‘met een grote arm’: de geschreven vorm mist de letter vav, maar de betekenis is ‘arm’, kracht. Zie ook: Jes 30:1–7; Jer 32:5; Jer 52:7–11; Ezech 17:10; Ezech 17:15–17 **17:10** **Zie, zij is geplant. Zal zij gedijen? Zal zij niet helemaal verdorren zodra de oostenwind haar raakt? Op de bedden waar zij groeide, zal zij verdorren.’”** Brontekst: וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | שְׁתוּלָ֖ה (shetula) = geplant | הֲתִצְלָ֑ח (hatitslach) = zal zij gedijen | הֲלוֹא֩ (halo) = niet | כְגַ֨עַת (kegaat) = zodra raakt | בָּ֜הּ (bah) = haar | ר֤וּחַ (ruach) = wind | הַקָּדִים֙ (haqadim) = de oostenwind | תִּיבַ֣שׁ (tivash) = zal zij verdorren | יָבֹ֔שׁ (yavosh) = verdorren | עַל (al) = op | עֲרֻגֹ֥ת (arugot) = bedden van | צִמְחָ֖הּ (tsimchah) = haar uitloop | תִּיבָֽשׁ (tivash) = zal zij verdorren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָדִים (qadim), ‘oostenwind’: de hete, droge wind uit de woestijn die planten laat verdorren; zie ook Hos. 13:15. Zie ook: Hos 13:15; Ezech 19:12–14; Mat 21:19; Joh 15:6; Jud 1:12 ### De uitleg van de gelijkenis **17:11** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **17:12** **„Zeg toch tot het weerspannige huis: ‘Weten jullie niet wat dit is?’ Zeg: ‘Zie, de koning van Babel kwam naar Jeruzalem. Hij nam haar koning en haar oversten en bracht hen naar zich toe, naar Babel.** Brontekst: אֱמָר (emar) = zeg | נָא֙ (na) = toch | לְבֵ֣ית (leveit) = tot het huis | הַמֶּ֔רִי (hameri) = weerspannige | הֲלֹ֥א (halo) = niet | יְדַעְתֶּ֖ם (yedatem) = weten jullie | מָה (ma) = wat | אֵ֑לֶּה (ele) = dit | אֱמֹ֗ר (emor) = zeg | הִנֵּה (hine) = zie | בָ֨א (ba) = kwam | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֤ל (bavel) = Babel | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | וַיִּקַּ֤ח (vayiqach) = en nam | אֶת (et) = (obj.) | מַלְכָּהּ֙ (malkah) = haar koning | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שָׂרֶ֔יהָ (sareiha) = haar oversten | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en bracht | אוֹתָ֛ם (otam) = hen | אֵלָ֖יו (elav) = naar zich | בָּבֶֽלָה (bavela) = naar Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: בֵּית הַמֶּרִי (beit hameri), ‘het weerspannige huis’: Yahweh noemt Israël zo vaak in dit boek; zie Ezech. 2:5. Voetnoot : De gelijkenis wordt hier uitgelegd. ‘De koning van Babel’ is Nebukadnezar. Hij nam Jojachin, de koning van Juda, met zijn oversten mee naar Babel; zie 2 Kon. 24:10–16. Zie ook: Joz 4:21; 2 Kon 24:10–16; Ezech 1:2; Ezech 2:5; Ezech 17:3; Ezech 24:19; Mat 13:51 **17:13** **Hij nam iemand uit het koninklijk geslacht, sloot een verbond met hem en liet hem een eed zweren. De machtigen van het land nam hij weg.** Brontekst: וַיִּקַּח֙ (vayiqach) = en nam | מִזֶּ֣רַע (mizera) = van het geslacht | הַמְּלוּכָ֔ה (hamelukha) = koninklijk | וַיִּכְרֹ֥ת (vayikhrot) = en sloot | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | בְּרִ֑ית (berit) = een verbond | וַיָּבֵ֤א (vayave) = en bracht | אֹתוֹ֙ (oto) = hem | בְּאָלָ֔ה (beala) = onder een eed | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֵילֵ֥י (eilei) = machtigen van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לָקָֽח (laqach) = nam hij weg Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִזֶּרַע הַמְּלוּכָה (mizzera hamelukhah), ‘uit het koninklijk geslacht’: Zedekia, de oom van Jojachin, die Nebukadnezar tot koning maakte; zie 2 Kon. 24:17. Zijn eed bij Elohim staat in 2 Kron. 36:13. Voetnoot : אֵילֵי הָאָרֶץ (eilei ha’arets), ‘de machtigen van het land’: zoals in 2 Kon. 24:15. Zie ook: 2 Kon 24:15–17; 2 Kon 24:17; 2 Kron 36:13; Jer 5:2; Jer 24:1; Ezech 17:5 **17:14** **Zo moest het een nederig koninkrijk blijven, dat zich niet verhief, maar zijn verbond hield, zodat het kon blijven bestaan.** Brontekst: לִֽהְיוֹת֙ (lihyot) = om te zijn | מַמְלָכָ֣ה (mamlakha) = een koninkrijk | שְׁפָלָ֔ה (shefala) = nederig | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = opdat niet | הִתְנַשֵּׂ֑א (hitnase) = zou verheffen | לִשְׁמֹ֥ר (lishmor) = om te bewaren | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִית֖וֹ (berito) = zijn verbond | לְעָמְדָֽהּ (leamedah) = om te blijven bestaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 27:12–17; Jer 38:17; Klaagl 5:10; Ezech 29:14; Neh 9:36–37 **17:15** **Maar hij kwam tegen hem in opstand. Hij stuurde zijn boden naar Egypte, zodat men hem paarden en een talrijk volk zou geven. Zal hij gedijen? Zal hij ontkomen, hij die dit doet? Zal hij het verbond verbreken en toch ontkomen?’** Brontekst: וַיִּמְרָד (vayimrad) = en kwam in opstand | בּ֗וֹ (bo) = tegen hem | לִשְׁלֹ֤חַ (lishloach) = door te sturen | מַלְאָכָיו֙ (malakhav) = zijn boden | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = naar Egypte | לָֽתֶת (latet) = om te geven | ל֥וֹ (lo) = hem | סוּסִ֖ים (susim) = paarden | וְעַם (veam) = en volk | רָ֑ב (rav) = talrijk | הֲיִצְלָ֤ח (hayitslach) = zal hij gedijen | הֲיִמָּלֵט֙ (hayimalet) = zal hij ontkomen | הָעֹשֵׂ֣ה (haose) = hij die doet | אֵ֔לֶּה (ele) = deze dingen | וְהֵפֵ֥ר (vehefer) = en verbreekt | בְּרִ֖ית (berit) = verbond | וְנִמְלָֽט (venimlat) = en ontkomt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Zedekia kwam in opstand tegen Babel; zie 2 Kon. 24:20. Hij zocht steun bij Egypte. Voetnoot : סוּסִים (susim), ‘paarden’: strijdpaarden en wagens uit Egypte waren beroemd. Zie ook: Deut 17:16; 2 Kon 24:20; Jer 38:18; Jer 52:3; Ezech 17:7 **17:16** **Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: ja, hij zal sterven in Babel, op de plaats van de koning die hem koning maakte. Hij heeft diens eed veracht en diens verbond met hem verbroken.** Brontekst: חַי (chay) = leven | אָ֗נִי (ani) = Ik | נְאֻם֮ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | לֹ֗א (lo) = niet | בִּמְקוֹם֙ (bimqom) = op de plaats van | הַמֶּ֨לֶךְ֙ (hamelekh) = de koning | הַמַּמְלִ֣יךְ (hamamlikh) = die koning maakte | אֹת֔וֹ (oto) = hem | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בָּזָה֙ (baza) = heeft veracht | אֶת (et) = (obj.) | אָ֣לָת֔וֹ (alato) = zijn eed | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en die | הֵפֵ֖ר (hefer) = heeft verbroken | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִית֑וֹ (berito) = zijn verbond | אִתּ֥וֹ (ito) = met hem | בְתוֹךְ (betokh) = in het midden van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | יָמֽוּת (yamut) = zal hij sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: חַי־אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh, waarbij Hij Zijn eigen leven als waarborg stelt; zie ook Num. 14:28. Voetnoot : נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Voetnoot : אָלָה (alah), ‘eed’: een eed die een vloek insluit voor wie hem breekt. Yahweh noemt deze eed in vers 19 ‘Mijn eed’. Zie ook: Num 14:28; 2 Sam 21:2; Jer 39:7; Jer 52:11; Ezech 5:11; Ezech 12:13; Ezech 17:19; Zach 5:3–4 **17:17** **Farao zal hem in de oorlog niet helpen met een groot leger en een talrijke schare. Dan werpt men wallen op en bouwt men belegeringstorens om vele zielen uit te roeien.** Brontekst: וְלֹא֩ (velo) = en niet | בְחַ֨יִל (bechayil) = met leger | גָּד֜וֹל (gadol) = groot | וּבְקָהָ֣ל (uveqahal) = en met schare | רָ֗ב (rav) = talrijk | יַעֲשֶׂ֨ה (yaase) = zal helpen | אוֹת֤וֹ (oto) = hem | פַרְעֹה֙ (paro) = Farao | בַּמִּלְחָמָ֔ה (bamilchama) = in de oorlog | בִּשְׁפֹּ֥ךְ (bishpokh) = wanneer men opwerpt | סֹלְלָ֖ה (solela) = wal | וּבִבְנ֣וֹת (uvivnot) = en wanneer men bouwt | דָּיֵ֑ק (dayeq) = torens | לְהַכְרִ֖ית (lehakhrit) = om uit te roeien | נְפָשׁ֥וֹת (nefashot) = zielen | רַבּֽוֹת (rabot) = vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּרְעֹה (Par’oh), ‘Farao’: de koning van Egypte. Voetnoot : סֹלְלָה (solelah), ‘wal’, en דָּיֵק (dayeq), ‘toren’: de woorden staan ook bij beschrijvingen van belegeringen. De betekenis van דָּיֵק is niet geheel zeker. Voetnoot : נְפָשׁוֹת (nefashot), ‘zielen’: hier staat het woord voor mensen, hun levens. Wij houden ‘ziel’, zoals in 13:18 en hoofdstuk 18. Zie ook: Jes 36:6; Jer 37:5; Jer 37:7; Ezech 4:2; Ezech 29:6–7 **17:18** **Hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken. Zie, hij had zijn hand gegeven, en toch heeft hij dit alles gedaan. Hij zal niet ontkomen.** Brontekst: וּבָזָ֥ה (uvaza) = en heeft veracht | אָלָ֖ה (ala) = eed | לְהָפֵ֣ר (lehafer) = om te verbreken | בְּרִ֑ית (berit) = verbond | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | נָתַ֥ן (natan) = hij had gegeven | יָד֛וֹ (yado) = zijn hand | וְכָל (vekhal) = en al | אֵ֥לֶּה (ele) = deze dingen | עָשָׂ֖ה (asa) = heeft hij gedaan | לֹ֥א (lo) = niet | יִמָּלֵֽט (yimalet) = zal hij ontkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָתַן יָדוֹ (natan yado), ‘hij had zijn hand gegeven’: een handslag als teken van trouw bij een verdrag. Zie ook: 1 Kron 29:24; 2 Kron 30:8; Klaagl 5:6 **17:19** **Daarom,** zo zegt Heer Yahweh: **‘Zo waar Ik leef: Mijn eed, die hij heeft veracht, en Mijn verbond, dat hij heeft verbroken, die zal Ik op zijn hoofd laten neerkomen.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֮ (Yahweh) = Yahweh | חַי (chay) = leven | אָנִי֒ (ani) = Ik | אִם (im) = als | לֹ֗א (lo) = niet | אָֽלָתִי֙ (alati) = mijn eed | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בָּזָ֔ה (baza) = hij heeft veracht | וּבְרִיתִ֖י (uveriti) = en mijn verbond | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הֵפִ֑יר (hefir) = hij heeft verbroken | וּנְתַתִּ֖יו (unetativ) = en Ik zal brengen het | בְּרֹאשֽׁוֹ (berosho) = op zijn hoofd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh noemt de eed die Zedekia bij Elohim zwoer ‘Mijn eed’ en het verbond ‘Mijn verbond’. Wie de eed bij Yahweh breekt, breekt een verbond met Hem. Zie ook: Deut 5:11; Jer 5:2; Jer 5:9; Jer 7:9–15; Ezech 21:28–32 **17:20** **Ik zal Mijn net over hem uitspreiden en hij zal gevangen worden in Mijn strik. Ik zal hem naar Babel brengen. Daar zal Ik met hem in het gericht gaan, om zijn ontrouw, waarmee hij trouweloos tegen Mij heeft gehandeld.** Brontekst: וּפָרַשְׂתִּ֤י (ufarasti) = en Ik zal uitspreiden | עָלָיו֙ (alav) = over hem | רִשְׁתִּ֔י (rishti) = Mijn net | וְנִתְפַּ֖שׂ (venitpas) = en hij zal gevangen worden | בִּמְצֽוּדָתִ֑י (bimtsudati) = in Mijn strik | וַהֲבִיאוֹתִ֣יהוּ (vahaviotihu) = en Ik zal hem brengen | בָבֶ֗לָה (bavela) = naar Babel | וְנִשְׁפַּטְתִּ֤י (venishpatti) = en Ik zal gericht houden | אִתּוֹ֙ (ito) = met hem | שָׁ֔ם (sham) = daar | מַעֲל֖וֹ (maalo) = om zijn ontrouw | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarmee | מָֽעַל (maal) = hij handelde trouweloos | בִּֽי (bi) = tegen Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: רִשְׁתִּי (reshti), ‘Mijn net’, en מְצוּדָתִי (metsudati), ‘Mijn strik’: Yahweh vangt de koning als een jager; zie ook Ezech. 12:13. Voetnoot : וְנִשְׁפַּטְתִּי (venishpatti), ‘Ik zal in het gericht gaan’: het werkwoord hoort bij het rechtsgeding. Voetnoot : מַעַל (ma’al), ‘ontrouw’: breuk van vertrouwen, hier tegenover Yahweh. Het bijbehorende werkwoord vertalen wij met ‘trouweloos handelen’, zoals in 14:13. Zie ook: Jer 2:35; Ezech 12:13; Ezech 20:35–36; Ezech 32:3; Ezech 38:22 **17:21** **Al zijn vluchtelingen in al zijn legerafdelingen zullen door het zwaard vallen. De overgeblevenen zullen naar alle windrichtingen verstrooid worden. Dan zullen jullie weten dat Ik, Yahweh, het gesproken heb.’”** Brontekst: וְאֵ֨ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | מִבְרָחָ֤יו (mivrachav) = zijn vluchtelingen | בְּכָל (bekhal) = in al | אֲגַפָּיו֙ (agapav) = zijn legerafdelingen | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = door het zwaard | יִפֹּ֔לוּ (yipolu) = zullen vallen | וְהַנִּשְׁאָרִ֖ים (vehanisharim) = en de overgeblevenen | לְכָל (lekhal) = naar elke | ר֣וּחַ (ruach) = wind | יִפָּרֵ֑שׂוּ (yiparesu) = zullen worden verstrooid | וִידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּֽרְתִּי (dibarti) = heb gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִבְרָחָיו (mivrachav), ‘zijn vluchtelingen’: de betekenis is niet zeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : אֲגַפָּיו (agappav), ‘zijn legerafdelingen’: eigenlijk ‘zijn vleugels’, de troepen. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat מברחו (mivrachov); de overlevering leest מִבְרָחָיו (mivrachav), ‘zijn vluchtelingen’. Wij volgen de lezing. Zie ook: 2 Kon 25:5; 2 Kon 25:11; Jes 26:11; Ezech 5:12; Ezech 12:14 ### Yahweh plant zelf een twijg van de ceder **17:22** Zo zegt Heer Yahweh: **„Ik zal zelf iets nemen van de top van de hoge ceder en het planten. Van het hoogste van zijn twijgen zal Ik een tere afbreken. Ik zal die zelf planten op een hoge en verheven berg.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְלָקַ֣חְתִּי (velaqachti) = en Ik zal nemen | אָ֗נִי (ani) = Ik | מִצַּמֶּ֧רֶת (mitsameret) = van de top van | הָאֶ֛רֶז (haerez) = de ceder | הָרָמָ֖ה (harama) = de hoge | וְנָתָ֑תִּי (venatati) = en Ik zal zetten | מֵרֹ֤אשׁ (merosh) = van het hoogste van | יֹֽנְקוֹתָיו֙ (yoneqotav) = zijn twijgen | רַ֣ךְ (rakh) = een tere | אֶקְטֹ֔ף (eqtof) = zal Ik afbreken | וְשָׁתַ֣לְתִּי (veshatalti) = en Ik zal planten | אָ֔נִי (ani) = Ik | עַ֥ל (al) = op | הַר (har) = berg | גָּבֹ֖הַ (gavoha) = hoge | וְתָלֽוּל (vetalul) = en verheven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh zelf neemt nu een twijg van de ceder. Het beeld van de tere twijg staat voor een nieuw begin uit het koningshuis van David; de tekst zegt niet wie dat is. Voetnoot : רַךְ (rakh), ‘tere’: een jonge, zachte twijg. Voetnoot : הַר גָּבֹהַּ וְתָלוּל (har gavoah vetalul), ‘hoge en verheven berg’: het woord תָּלוּל (talul) komt alleen hier voor. Zie ook: Ps 2:6; Jes 11:1–5; Jes 53:2; Ezech 20:40; Zach 6:12–13 **17:23** **Op de hoge berg van Israël zal Ik hem planten. Hij zal takken dragen en vrucht geven en een machtige ceder worden. Onder hem zullen allerlei vogels wonen, alles wat vleugels heeft. In de schaduw van zijn takken zullen zij wonen.** Brontekst: בְּהַ֨ר (behar) = op de berg van | מְר֤וֹם (merom) = hoogte van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶשְׁתֳּלֶ֔נּוּ (eshtolenu) = zal Ik hem planten | וְנָשָׂ֤א (venasa) = en zal dragen | עָנָף֙ (anaf) = tak | וְעָ֣שָׂה (veasa) = en zal geven | פֶ֔רִי (peri) = vrucht | וְהָיָ֖ה (vehaya) = en zal worden | לְאֶ֣רֶז (leerez) = tot een ceder | אַדִּ֑יר (adir) = machtige | וְשָׁכְנ֣וּ (veshakhenu) = en zullen wonen | תַחְתָּ֗יו (tachtav) = onder hem | כֹּ֚ל (kol) = al | צִפּ֣וֹר (tsipor) = vogel | כָּל (kal) = al | כָּנָ֔ף (kanaf) = wat vleugel heeft | בְּצֵ֥ל (betsel) = in de schaduw van | דָּלִיּוֹתָ֖יו (daliyotav) = zijn takken | תִּשְׁכֹּֽנָּה (tishkona) = zullen zij wonen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַר מְרוֹם יִשְׂרָאֵל (har merom Yisra’el), ‘de hoge berg van Israël’: Sion; zie ook Ezech. 20:40. Voetnoot : כָּל־צִפּוֹר כָּל־כָּנָף (kol tsippor kol kanaf), ‘allerlei vogels, alles wat vleugels heeft’: de volken die schuilen in de schaduw van de nieuwe koning. Zie ook: Hos 14:8; Jes 2:2; Ezech 20:40; Ezech 31:6; Mat 13:32; Joh 15:5–8 **17:24** **Dan zullen alle bomen van het veld weten dat Ik, Yahweh, de hoge boom vernederd heb en de lage boom verhoogd heb. Ik heb de groene boom laten verdorren en de dorre boom laten bloeien. Ik, Yahweh, heb het gesproken en Ik zal het doen.”** Brontekst: וְֽיָדְע֞וּ (veyadeu) = en zullen weten | כָּל (kal) = al | עֲצֵ֣י (atsei) = bomen van | הַשָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | כִּ֣י (ki) = dat | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | הִשְׁפַּ֣לְתִּי (hishpalti) = heb vernederd | עֵ֣ץ (ets) = boom | גָּבֹ֗הַ (gavoha) = hoge | הִגְבַּ֨הְתִּי֙ (higbahti) = heb verhoogd | עֵ֣ץ (ets) = boom | שָׁפָ֔ל (shafal) = lage | הוֹבַ֨שְׁתִּי֙ (hovashti) = heb laten verdorren | עֵ֣ץ (ets) = boom | לָ֔ח (lach) = groene | וְהִפְרַ֖חְתִּי (vehifrachti) = en heb laten bloeien | עֵ֣ץ (ets) = boom | יָבֵ֑שׁ (yavesh) = dorre | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּ֥רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | וְעָשִֽׂיתִי (veasiti) = en zal doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵץ לַח (ets lach), ‘groene boom’, en עֵץ יָבֵשׁ (ets yavesh), ‘dorre boom’: de twee beelden vatten de omkering samen. Yahweh vernedert wat hoog is en verhoogt wat laag is. Voetnoot : אֲנִי יְהוָה דִּבַּרְתִּי וְעָשִׂיתִי (ani Yahweh dibbarti ve’asiti), ‘Ik, Yahweh, heb het gesproken en Ik zal het doen’: een slotformule; zie ook Ezech. 22:14, 36:36 en 37:14. Zie ook: Amos 9:11; Jes 26:5; Ezech 22:14; Ezech 24:14; Ezech 36:36; Ezech 37:14; Luc 1:52–53; 1 Kor 1:27–28 ## Ezechiël 18 _Ieder sterft voor zijn eigen zonde: ‘Keer terug en leef’_ ### Het spreekwoord over de onrijpe druiven **18:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:2** **„Wat bedoelen jullie, dat jullie dit spreekwoord over het land van Israël gebruiken: ‘De vaders eten onrijpe druiven en de tanden van de zonen worden stomp’?** Brontekst: מַה (ma) = wat | לָּכֶ֗ם (lakhem) = is er met jullie | אַתֶּם֙ (atem) = jullie | מֹֽשְׁלִים֙ (moshelim) = die gebruiken | אֶת (et) = (obj.) | הַמָּשָׁ֣ל (hamashal) = het spreekwoord | הַזֶּ֔ה (haze) = dit | עַל (al) = over | אַדְמַ֥ת (admat) = land van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | אָבוֹת֙ (avot) = vaders | יֹ֣אכְלוּ (yokhlu) = eten | בֹ֔סֶר (boser) = onrijpe druiven | וְשִׁנֵּ֥י (veshinei) = en de tanden van | הַבָּנִ֖ים (habanim) = de zonen | תִּקְהֶֽינָה (tiqheina) = worden stomp Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָשָׁל (mashal), ‘spreekwoord’: een korte spreuk die iedereen kent. Dit spreekwoord staat ook in Jer. 31:29, waar het wordt afgewezen. Voetnoot : בֹּסֶר (boser), ‘onrijpe druiven’: zure druiven die de tanden ‘stomp’ (תִּקְהֶינָה, tiqhenah) maken, zodat men ze niet kan gebruiken. De zonen betalen zo voor wat de vaders deden. Dat is wat het volk zegt. Zie ook: Jer 31:29–30; Klaagl 5:7; Ezech 37:11; Ezech 37:19; Ezech 37:25 **18:3** **Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: jullie zullen dit spreekwoord in Israël niet meer gebruiken.** Brontekst: חַי (chay) = leven | אָ֕נִי (ani) = Ik | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | יִֽהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֜ם (lakhem) = voor jullie | ע֗וֹד (od) = nog | מְשֹׁ֛ל (meshol) = gebruiken als spreekwoord | הַמָּשָׁ֥ל (hamashal) = het spreekwoord | הַזֶּ֖ה (haze) = dit | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי־אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh; zie ook Ezech. 5:11 en 17:16. Voetnoot : אִם יִהְיֶה לָכֶם (im yihyeh lakhem), ‘jullie zullen niet meer’: de woorden ‘indien … ’ na een eed betekenen ‘zeker niet’. Zie ook: Ezech 5:11; Ezech 17:16; Ezech 18:19–20; Ezech 18:30; Ezech 33:11–20; Ezech 36:31–32; Rom 3:19 **18:4** **Zie, alle zielen zijn van Mij. De ziel van de vader is van Mij en de ziel van de zoon ook. De ziel die zondigt, die zal sterven.** Brontekst: הֵ֤ן (hen) = zie | כָּל (kal) = alle | הַנְּפָשׁוֹת֙ (hanefashot) = de zielen | לִ֣י (li) = van Mij | הֵ֔נָּה (hena) = zij zijn | כְּנֶ֧פֶשׁ (kenefesh) = zoals de ziel van | הָאָ֛ב (haav) = de vader | וּכְנֶ֥פֶשׁ (ukhenefesh) = en zoals de ziel van | הַבֵּ֖ן (haben) = de zoon | לִי (li) = van Mij | הֵ֑נָּה (hena) = zij zijn | הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de ziel | הַחֹטֵ֖את (hachotet) = die zondigt | הִ֥יא (hi) = zij | תָמֽוּת (tamut) = zal sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het levende wezen, de persoon met zijn leven. Wij houden ‘ziel’, ook in vers 20, omdat het woord het hoofdstuk samenbindt. Voetnoot : הַנֶּפֶשׁ הַחֹטֵאת (hannefesh hachote), ‘de ziel die zondigt’: het uitgangspunt van het hele hoofdstuk. Zie ook Deut. 24:16 en 2 Kon. 14:6. Zie ook: Num 16:22; Deut 24:16; 2 Kon 14:6; Ezech 18:20; Gal 3:10–13; Rom 6:23; Heb 12:9 ### De rechtvaardige leeft **18:5** **Neem een man die rechtvaardig is en recht en gerechtigheid doet.** Brontekst: וְאִ֖ישׁ (veish) = en man | כִּי (ki) = wanneer | יִהְיֶ֣ה (yihye) = hij is | צַדִּ֑יק (tsadiq) = rechtvaardig | וְעָשָׂ֥ה (veasa) = en doet | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָֽה (utsedaqa) = en gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁפָּט וּצְדָקָה (mishpat utsedaqah), ‘recht en gerechtigheid’: het vaste paar. Wie dat doet, heet צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’. Het hoofdstuk beschrijft hem in drie gevallen: de vader (vers 5–9), de zoon (10–13) en de kleinzoon (14–17). Zie ook: Gen 18:19; Spr 21:3; Ezech 33:14; Mat 7:21–27; 1 Joh 3:7 **18:6** **Hij eet niet op de bergen en slaat zijn ogen niet op naar de mestgoden van het huis van Israël. Hij onteert de vrouw van zijn naaste niet en nadert geen vrouw tijdens haar onreinheid.** Brontekst: אֶל (el) = naar | הֶֽהָרִים֙ (heharim) = de bergen | לֹ֣א (lo) = niet | אָכָ֔ל (akhal) = heeft hij gegeten | וְעֵינָיו֙ (veeinav) = en zijn ogen | לֹ֣א (lo) = niet | נָשָׂ֔א (nasa) = heeft hij opgeslagen | אֶל (el) = naar | גִּלּוּלֵ֖י (gilulei) = de mestgoden van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֵ֤שֶׁת (eshet) = de vrouw van | רֵעֵ֨הוּ֙ (reehu) = zijn naaste | לֹ֣א (lo) = niet | טִמֵּ֔א (time) = heeft hij onteerd | וְאֶל (veel) = en naar | אִשָּׁ֥ה (isha) = een vrouw | נִדָּ֖ה (nida) = in onreinheid | לֹ֥א (lo) = niet | יִקְרָֽב (yiqrav) = nadert hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶל־הֶהָרִים לֹא אָכַל (el heharim lo akhal), ‘hij eet niet op de bergen’: met offermaaltijden op de hoogten bij heiligdommen van andere goden is bedoeld; zie Ezech. 6:13 en Hos. 4:13. Voetnoot : גִּלּוּלֵי (gillulei), ‘mestgoden’: een scheldwoord voor afgoden, waarschijnlijk verwant met een woord voor ‘mest’. Het komt in Ezechiël vaak voor; zie de uitleg bij Ezech. 6:4. Wij houden steeds ‘mestgoden’. Voetnoot : נִדָּה (niddah), ‘onreinheid’: zie Lev. 18:19. Zie ook: Lev 18:19; Deut 4:19; Hos 4:13; Ezech 6:4; Ezech 6:13; Ezech 18:11–12; Ezech 18:15; Ezech 20:24; Ezech 22:9–11 **18:7** **Hij onderdrukt niemand. Hij geeft het pand voor een schuld terug. Hij pleegt geen roof. Zijn brood geeft hij aan de hongerige en de naakte bedekt hij met een kleed.** Brontekst: וְאִישׁ֙ (veish) = en man | לֹ֣א (lo) = niet | יוֹנֶ֔ה (yone) = onderdrukt hij | חֲבֹלָת֥וֹ (chavolato) = zijn pand | חוֹב֙ (chov) = schuld | יָשִׁ֔יב (yashiv) = geeft hij terug | גְּזֵלָ֖ה (gezela) = roof | לֹ֣א (lo) = niet | יִגְזֹ֑ל (yigzol) = pleegt hij | לַחְמוֹ֙ (lachmo) = zijn brood | לְרָעֵ֣ב (leraev) = aan de hongerige | יִתֵּ֔ן (yiten) = geeft hij | וְעֵירֹ֖ם (veeirom) = en de naakte | יְכַסֶּה (yekhase) = bedekt hij | בָּֽגֶד (baged) = met een kleed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲבֹלָה (chavolah), ‘pand’: wat men als zekerheid voor een schuld neemt. Een kleed dat als pand is genomen, moet voor zonsondergang worden teruggegeven (Exod. 22:25–26). Voetnoot : לַחְמוֹ לָרָעֵב יִתֵּן (lachmo lara’ev yitten), ‘zijn brood geeft hij aan de hongerige’: zie ook Jes. 58:7. Zie ook: Ex 22:25; Deut 24:12–13; Jes 58:7; Ezech 18:12; Ezech 18:16; Ezech 33:15 **18:8** **Hij leent niet uit op rente en neemt geen winst. Hij houdt zijn hand terug van onrecht. Hij spreekt recht naar waarheid tussen de een en de ander.** Brontekst: בַּנֶּ֣שֶׁךְ (baneshekh) = op rente | לֹֽא (lo) = niet | יִתֵּ֗ן (yiten) = geeft hij | וְתַרְבִּית֙ (vetarbit) = en winst | לֹ֣א (lo) = niet | יִקָּ֔ח (yiqach) = neemt hij | מֵעָ֖וֶל (meavel) = van onrecht | יָשִׁ֣יב (yashiv) = houdt hij terug | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | מִשְׁפַּ֤ט (mishpat) = oordeel van | אֱמֶת֙ (emet) = waarheid | יַֽעֲשֶׂ֔ה (yaase) = doet hij | בֵּ֥ין (bein) = tussen | אִ֖ישׁ (ish) = man | לְאִֽישׁ (leish) = en man Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶשֶׁךְ (neshekh), ‘rente’, en תַּרְבִּית (tarbit), ‘winst’: zoals in Lev. 25:36–37 verboden voor een broer. Voetnoot : מִשְׁפַּט אֱמֶת (mishpat emet), ‘recht naar waarheid’: een rechtsuitspraak die klopt met de feiten. Zie ook: Ex 22:24; Lev 25:35–37; Lev 25:36–37; Deut 1:16–17; Deut 23:20–21; Zach 8:16 **18:9** **Hij leeft naar Mijn voorschriften en bewaart Mijn rechtsregels, om in waarheid te handelen. Hij is rechtvaardig. Hij zal zeker leven, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: בְּחֻקּוֹתַ֧י (bechuqotay) = in Mijn voorschriften | יְהַלֵּ֛ךְ (yehalekh) = wandelt hij | וּמִשְׁפָּטַ֥י (umishpatay) = en Mijn rechtsregels | שָׁמַ֖ר (shamar) = bewaart hij | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | אֱמֶ֑ת (emet) = waarheid | צַדִּ֥יק (tsadiq) = rechtvaardig | הוּא֙ (hu) = hij | חָיֹ֣ה (chayo) = leven | יִֽחְיֶ֔ה (yichye) = zal hij leven | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻקּוֹת (chuqqot), ‘voorschriften’, en מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsregels’: zoals in Lev. 18:4. Het gaat om de leefregels van Yahweh voor Zijn volk. Voetnoot : חָיֹה יִחְיֶה (chayoh yichyeh), ‘hij zal zeker leven’: de dubbele vorm legt nadruk. Hij komt in het hoofdstuk terug (vers 17, 19, 21, 28). Zie ook: Lev 18:4; Deut 10:12–13; Amos 5:4; Hab 2:4; Ezech 18:17; Ezech 18:19; Ezech 18:21; Ezech 18:28; Ezech 20:11; 1 Joh 2:29 ### De gewelddadige zoon **18:10** **Maar hij verwekt een zoon die gewelddadig is en bloed vergiet, en die een van deze dingen doet.** Brontekst: וְהוֹלִ֥יד (veholid) = en verwekt hij | בֵּן (ben) = zoon | פָּרִ֖יץ (parits) = gewelddadige | שֹׁפֵ֣ךְ (shofekh) = vergietend van | דָּ֑ם (dam) = bloed | וְעָ֣שָׂה (veasa) = en doende | אָ֔ח (ach) = een broer | מֵאַחַ֖ד (meachad) = van een | מֵאֵֽלֶּה (meele) = van deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פָּרִיץ (parits), ‘gewelddadige’: iemand die doorbreekt, een geweldenaar. Voetnoot : עָשָׂה אָח מֵאַחַד מֵאֵלֶּה (asah ach me’achad me’elleh), ‘en die een van deze dingen doet’: het Hebreeuws is hier moeilijk; letterlijk ‘en doet een broer van een van deze’. De betekenis is niet zeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Gen 9:5–6; Ex 21:12; Lev 19:13; Num 35:31; Mal 3:8–9 **18:11** **Zijn vader deed niets van dit alles. Maar de zoon eet ook op de bergen en onteert de vrouw van zijn naaste.** Brontekst: וְה֕וּא (vehu) = en hij | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | אֵ֖לֶּה (ele) = deze | לֹ֣א (lo) = niet | עָשָׂ֑ה (asa) = deed | כִּ֣י (ki) = want | גַ֤ם (gam) = ook | אֶל (el) = naar | הֶֽהָרִים֙ (heharim) = de bergen | אָכַ֔ל (akhal) = at hij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אֵ֥שֶׁת (eshet) = de vrouw van | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | טִמֵּֽא (time) = onteerde hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהוּא (vehu), ‘en hij’: het Hebreeuws spreekt hier over de vader. Het vers is een bijzin: de vader had niets van deze kwaden gedaan, maar de zoon wel. Wij maken het onderwerp in de vertaling duidelijk. Zie ook: Ezech 18:15; Luc 11:28; Jak 2:17; Fil 4:9; 1 Joh 3:22 **18:12** **Hij onderdrukt de arme en de behoeftige, pleegt roof, geeft het pand niet terug, slaat zijn ogen op naar de mestgoden en bedrijft een gruwel.** Brontekst: עָנִ֤י (ani) = arme | וְאֶבְיוֹן֙ (veevyon) = en behoeftige | הוֹנָ֔ה (hona) = onderdrukte hij | גְּזֵל֣וֹת (gezelot) = roof | גָּזָ֔ל (gazal) = pleegde hij | חֲבֹ֖ל (chavol) = pand | לֹ֣א (lo) = niet | יָשִׁ֑יב (yashiv) = geeft hij terug | וְאֶל (veel) = en naar | הַגִּלּוּלִים֙ (hagilulim) = de mestgoden | נָשָׂ֣א (nasa) = slaat hij op | עֵינָ֔יו (einav) = zijn ogen | תּוֹעֵבָ֖ה (toeva) = gruwel | עָשָֽׂה (asa) = doet hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 21:11; Amos 4:1; Ezech 8:6; Ezech 8:17; Ezech 18:6–7 **18:13** **Hij leent uit op rente en neemt winst. Zou hij dan leven? Hij zal niet leven. Al deze gruwelen heeft hij gedaan. Hij zal zeker sterven. Zijn bloed komt op hem.** Brontekst: בַּנֶּ֧שֶׁךְ (baneshekh) = op rente | נָתַ֛ן (natan) = geeft hij | וְתַרְבִּ֥ית (vetarbit) = en winst | לָקַ֖ח (laqach) = neemt hij | וָחָ֑י (vachay) = en leven | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽחְיֶ֗ה (yichye) = zal hij leven | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | הַתּוֹעֵב֤וֹת (hatoevot) = de gruwelen | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | עָשָׂ֔ה (asa) = heeft hij gedaan | מ֣וֹת (mot) = sterven | יוּמָ֔ת (yumat) = zal hij sterven | דָּמָ֖יו (damav) = zijn bloed | בּ֥וֹ (bo) = op hem | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּמָיו בּוֹ יִהְיֶה (damav bo yihyeh), ‘zijn bloed komt op hem’: hij is zelf verantwoordelijk voor zijn dood; vergelijk Lev. 20:9. Voetnoot : תּוֹעֵבוֹת (to’evot), ‘gruwelen’: wat Yahweh verafschuwt. Zie ook: Ex 22:24; Lev 20:9; Lev 20:27; Ezech 18:8; Ezech 33:4–5 ### De zoon die anders leeft **18:14** **Maar zie, hij verwekt een zoon die alle zonden van zijn vader ziet, die deze deed. Hij ziet ze en doet niet zo.** Brontekst: וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | הוֹלִ֣יד (holid) = verwekt hij | בֵּ֔ן (ben) = zoon | וַיַּ֕רְא (vayar) = en hij ziet | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | חַטֹּ֥את (chatot) = zonden van | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֑ה (asa) = deed | וַיִּרְאֶ֕ה (vayire) = en hij ziet | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יַעֲשֶׂ֖ה (yaase) = doet hij | כָּהֵֽן (kahen) = zo Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוֹלִיד בֵּן וַיַּרְא (holid ben vayyar), ‘hij verwekt een zoon die ziet’: de derde generatie ziet wat zijn vader deed en kiest anders. Het zien is het begin van inzicht. Voetnoot : כֵּן (ken), ‘zo’: hij doet niet zo. Zie ook: Spr 23:24; 2 Kron 29:3–11; 2 Kron 34:21; Hag 1:5; 1 Petr 1:18 **18:15** **Hij eet niet op de bergen en slaat zijn ogen niet op naar de mestgoden van het huis van Israël. Hij onteert de vrouw van zijn naaste niet.** Brontekst: עַל (al) = op | הֶֽהָרִים֙ (heharim) = de bergen | לֹ֣א (lo) = niet | אָכָ֔ל (akhal) = eet hij | וְעֵינָיו֙ (veeinav) = en zijn ogen | לֹ֣א (lo) = niet | נָשָׂ֔א (nasa) = slaat hij op | אֶל (el) = naar | גִּלּוּלֵ֖י (gilulei) = de mestgoden van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֥שֶׁת (eshet) = de vrouw van | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | לֹ֥א (lo) = niet | טִמֵּֽא (time) = onteert hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 18:6–7; Ezech 18:11–13 **18:16** **Hij onderdrukt niemand, neemt geen pand en pleegt geen roof. Zijn brood geeft hij aan de hongerige en de naakte bedekt hij met een kleed.** Brontekst: וְאִישׁ֙ (veish) = en man | לֹ֣א (lo) = niet | הוֹנָ֔ה (hona) = onderdrukt hij | חֲבֹל֙ (chavol) = pand | לֹ֣א (lo) = niet | חָבָ֔ל (chaval) = neemt hij in pand | וּגְזֵלָ֖ה (ugezela) = en roof | לֹ֣א (lo) = niet | גָזָ֑ל (gazal) = pleegt hij | לַחְמוֹ֙ (lachmo) = zijn brood | לְרָעֵ֣ב (leraev) = aan de hongerige | נָתָ֔ן (natan) = geeft hij | וְעֵר֖וֹם (veerom) = en de naakte | כִּסָּה (kisa) = bedekt hij | בָֽגֶד (baged) = met een kleed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 31:19; Spr 31:20; Ezech 18:7; Luc 11:41; Luc 14:13 **18:17** **Hij houdt zijn hand terug van de arme. Rente en winst neemt hij niet. Hij doet Mijn rechtsregels en leeft naar Mijn voorschriften. Hij zal niet sterven door de schuld van zijn vader. Hij zal zeker leven.** Brontekst: מֵעָנִ֞י (meani) = van de arme | הֵשִׁ֣יב (heshiv) = houdt hij terug | יָד֗וֹ (yado) = zijn hand | נֶ֤שֶׁךְ (neshekh) = rente | וְתַרְבִּית֙ (vetarbit) = en winst | לֹ֣א (lo) = niet | לָקָ֔ח (laqach) = neemt hij | מִשְׁפָּטַ֣י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | עָשָׂ֔ה (asa) = doet hij | בְּחֻקּוֹתַ֖י (bechuqotay) = in Mijn voorschriften | הָלָ֑ךְ (halakh) = wandelt hij | ה֗וּא (hu) = hij | לֹ֥א (lo) = niet | יָמ֛וּת (yamut) = zal hij sterven | בַּעֲוֺ֥ן (baavon) = door de schuld van | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | חָיֹ֥ה (chayo) = leven | יִחְיֶֽה (yichye) = zal hij leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵעָנִי (me’ani), ‘van de arme’: de tekst heeft ‘van de arme’, terwijl vers 8 ‘van onrecht’ heeft. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Job 29:16; Spr 14:31; Spr 29:14; Ezech 3:21; Ezech 18:8–9 **18:18** **Wat zijn vader betreft: hij perste zwaar af, beroofde zijn broer en deed te midden van zijn volk wat niet goed was. Zie, hij sterft door zijn eigen schuld.** Brontekst: אָבִ֞יו (aviv) = zijn vader | כִּֽי (ki) = omdat | עָ֣שַׁק (ashaq) = afperste | עֹ֗שֶׁק (osheq) = afpersing | גָּזַל֙ (gazal) = roofde | גֵּ֣זֶל (gezel) = roof | אָ֔ח (ach) = een broer | וַאֲשֶׁ֥ר (vaasher) = en wat | לֹא (lo) = niet | ט֛וֹב (tov) = goed | עָשָׂ֖ה (asa) = deed hij | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | עַמָּ֑יו (amav) = zijn volk | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | מֵ֖ת (met) = is gestorven | בַּעֲוֺנֽוֹ (baavono) = in zijn schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָשַׁק עֹשֶׁק (ashaq osheq), ‘hij perste zwaar af’: een dubbele vorm voor nadruk. Het werkwoord betekent onderdrukken, afpersen. Zie ook: Ezech 3:18; Ezech 18:4; Ezech 18:20; Ezech 18:24; Joh 8:24 ### De zoon draagt niet de schuld van de vader **18:19** **Maar jullie zeggen: ‘Waarom draagt de zoon niet mee aan de schuld van de vader?’ De zoon heeft recht en gerechtigheid gedaan. Hij heeft al Mijn voorschriften bewaard en ze gedaan. Hij zal zeker leven.** Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֕ם (vaamartem) = en jullie zeggen | מַדֻּ֛עַ (madua) = waarom | לֹא (lo) = niet | נָשָׂ֥א (nasa) = draagt | הַבֵּ֖ן (haben) = de zoon | בַּעֲוֺ֣ן (baavon) = de schuld van | הָאָ֑ב (haav) = de vader | וְהַבֵּ֞ן (vehaben) = en de zoon | מִשְׁפָּ֧ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֣ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | עָשָׂ֗ה (asa) = heeft gedaan | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | חֻקּוֹתַ֥י (chuqotay) = Mijn voorschriften | שָׁמַ֛ר (shamar) = heeft bewaard | וַיַּעֲשֶׂ֥ה (vayaase) = en heeft ze gedaan | אֹתָ֖ם (otam) = hen | חָיֹ֥ה (chayo) = leven | יִחְיֶֽה (yichye) = zal hij leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het volk stelt de vraag nog eens: waarom draagt de zoon niet mee aan de schuld van zijn vader? Yahweh antwoordt: de zoon die recht en gerechtigheid doet, zal leven. Zie ook: Ex 20:5; Ezech 18:2; Ezech 18:9; Ezech 20:18–20; Zach 1:3–6 **18:20** **De ziel die zondigt, die zal sterven. De zoon zal de schuld van de vader niet dragen en de vader zal de schuld van de zoon niet dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige komt op hem en de goddeloosheid van de goddeloze komt op hem.** Brontekst: הַנֶּ֥פֶשׁ (hanefesh) = de ziel | הַחֹטֵ֖את (hachotet) = die zondigt | הִ֣יא (hi) = zij | תָמ֑וּת (tamut) = zal sterven | בֵּ֞ן (ben) = zoon | לֹא (lo) = niet | יִשָּׂ֣א (yisa) = zal dragen | בַּעֲוֺ֣ן (baavon) = de schuld van | הָאָ֗ב (haav) = de vader | וְאָב֙ (veav) = en vader | לֹ֤א (lo) = niet | יִשָּׂא֙ (yisa) = zal dragen | בַּעֲוֺ֣ן (baavon) = de schuld van | הַבֵּ֔ן (haben) = de zoon | צִדְקַ֤ת (tsidqat) = gerechtigheid van | הַצַּדִּיק֙ (hatsadiq) = de rechtvaardige | עָלָ֣יו (alav) = op hem | תִּֽהְיֶ֔ה (tihye) = zal zijn | וְרִשְׁעַ֥ת (verishat) = en goddeloosheid van | הָרָשָׁ֖ע (harasha) = de goddeloze | עָלָ֥יו (alav) = op hem | תִּֽהְיֶֽה (tihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De regel uit vers 4 wordt hier herhaald en uitgewerkt: ieder draagt zijn eigen schuld. Zie Deut. 24:16. Voetnoot : צִדְקַת הַצַּדִּיק (tsidqat hatsaddiq), ‘de gerechtigheid van de rechtvaardige’, en רִשְׁעַת הָרָשָׁע (rish’at harasha), ‘de goddeloosheid van de goddeloze’: wat iemand gedaan heeft, komt op hemzelf. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat רשע (rasha), ‘goddeloze’, zonder lidwoord; de overlevering leest הָרָשָׁע (harasha), ‘de goddeloze’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Deut 24:16; 2 Kon 14:6; Jer 31:29–30; Ezech 18:4; Mat 16:27 ### De goddeloze die zich bekeert **18:21** **Maar de goddeloze kan zich bekeren van al zijn zonden die hij deed. Als hij Mijn voorschriften bewaart en recht en gerechtigheid doet, zal hij zeker leven. Hij zal niet sterven.** Brontekst: וְהָרָשָׁ֗ע (veharasha) = en de goddeloze | כִּ֤י (ki) = wanneer | יָשׁוּב֙ (yashuv) = zich bekeert | מִכָּל (mikal) = van al | חַטֹּאתָיו֙ (chatotav) = zijn zonden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֔ה (asa) = hij deed | וְשָׁמַר֙ (veshamar) = en bewaart | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | חֻקּוֹתַ֔י (chuqotay) = Mijn voorschriften | וְעָשָׂ֥ה (veasa) = en doet | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֑ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | חָיֹ֥ה (chayo) = leven | יִחְיֶ֖ה (yichye) = zal hij leven | לֹ֥א (lo) = niet | יָמֽוּת (yamut) = zal hij sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Nu volgt het omgekeerde van de drie gevallen hierboven: de goddeloze die terugkeert. Het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren, zich bekeren’, is het sleutelwoord van het hoofdstuk (vers 21, 23, 24, 26, 27, 28, 30, 32). Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat חטאתו (chatto’to), ‘zijn zonde’, enkelvoud; de overlevering leest חַטֹּאתָיו (chatto’tav), ‘zijn zonden’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ezech 18:23; Ezech 18:24; Ezech 18:26; Ezech 18:27–28; Ezech 18:28; Ezech 18:30; Ezech 18:32; Ezech 33:19; Hand 3:19; Rom 8:13; Tit 2:11–14 **18:22** **Geen van zijn overtredingen die hij deed, wordt hem nog herinnerd. Door zijn gerechtigheid die hij deed, zal hij leven.** Brontekst: כָּל (kal) = al | פְּשָׁעָיו֙ (peshaav) = zijn overtredingen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֔ה (asa) = hij deed | לֹ֥א (lo) = niet | יִזָּכְר֖וּ (yizakheru) = worden herinnerd | ל֑וֹ (lo) = hem | בְּצִדְקָת֥וֹ (betsidqato) = door zijn gerechtigheid | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֖ה (asa) = hij deed | יִֽחְיֶֽה (yichye) = zal hij leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 18:21–25; Jes 43:25; Mi 7:19; Ezech 18:24; Ezech 33:16 **18:23** **Heb Ik enig behagen in de dood van de goddeloze, godsspraak van Heer Yahweh? Niet juist hierin: dat hij zich bekeert van zijn wegen en leeft?** Brontekst: הֶחָפֹ֤ץ (hechafots) = heb ik behagen | אֶחְפֹּץ֙ (echpots) = zal Ik behagen hebben | מ֣וֹת (mot) = in dood van | רָשָׁ֔ע (rasha) = goddeloze | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הֲל֛וֹא (halo) = niet | בְּשׁוּב֥וֹ (beshuvo) = in zijn bekering | מִדְּרָכָ֖יו (miderakhav) = van zijn wegen | וְחָיָֽה (vechaya) = en leeft hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶחָפֹץ אֶחְפֹּץ (hechafots echpots), ‘heb Ik enig behagen?’: een vraag die het antwoord ‘nee’ verwacht. Dezelfde gedachte staat in vers 32 en in Ezech. 33:11. Zie ook: Ps 147:11; Ezech 18:32; Ezech 33:11; 1 Tim 2:4; 2 Petr 3:9 **18:24** **Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, naar alle gruwelen die de goddeloze doet, zou hij dan leven? Al zijn rechtvaardige daden die hij deed, worden niet herinnerd. Om zijn ontrouw waarmee hij trouweloos handelde en om zijn zonde waarmee hij zondigde, daarin zal hij sterven.** Brontekst: וּבְשׁ֨וּב (uveshuv) = en wanneer terugkeert | צַדִּ֤יק (tsadiq) = rechtvaardige | מִצִּדְקָתוֹ֙ (mitsidqato) = van zijn gerechtigheid | וְעָ֣שָׂה (veasa) = en doet | עָ֔וֶל (avel) = onrecht | כְּכֹ֨ל (kekhol) = naar alle | הַתּוֹעֵב֜וֹת (hatoevot) = gruwelen | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂ֧ה (asa) = doet | הָרָשָׁ֛ע (harasha) = de goddeloze | יַעֲשֶׂ֖ה (yaase) = doet hij | וָחָ֑י (vachay) = en leeft hij | כָּל (kal) = al | צִדְקֹתָ֤יו (tsidqotav) = zijn rechtvaardige daden | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשָׂה֙ (asa) = hij deed | לֹ֣א (lo) = niet | תִזָּכַ֔רְנָה (tizakharna) = worden herinnerd | בְּמַעֲל֧וֹ (bemaalo) = in zijn ontrouw | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | מָעַ֛ל (maal) = hij handelde trouweloos | וּבְחַטָּאת֥וֹ (uvechatato) = en in zijn zonde | אֲשֶׁר (asher) = waarmee | חָטָ֖א (chata) = hij zondigde | בָּ֥ם (bam) = daarin | יָמֽוּת (yamut) = zal hij sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De rechtvaardige die zich afkeert, is de derde situatie. Zijn eerdere gerechtigheid telt dan niet meer mee. Voetnoot : מַעַל (ma’al), ‘ontrouw’: breuk van vertrouwen, zoals in Ezech. 17:20. Het werkwoord vertalen wij met ‘trouweloos handelen’, zoals in 14:13. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat צדקתו (tsidqato), ‘zijn gerechtigheid’, enkelvoud; de overlevering leest צִדְקֹתָיו (tsidqotav), ‘zijn rechtvaardige daden’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Spr 21:16; Ezech 17:20; Ezech 33:12–13; Ezech 33:18; 2 Joh 1:8; Openb 3:11 ### ‘De weg van de Heer is niet recht’ **18:25** **Maar jullie zeggen: ‘De weg van de Heer is niet recht.’ Hoor toch, huis van Israël: is Mijn weg niet recht? Zijn het niet jullie wegen die niet recht zijn?** Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֕ם (vaamartem) = en jullie zeggen | לֹ֥א (lo) = niet | יִתָּכֵ֖ן (yitakhen) = is recht | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | אֲדֹנָ֑י (adonay) = de Heer | שִׁמְעוּ (shimu) = hoort | נָא֙ (na) = toch | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הֲדַרְכִּי֙ (hadarki) = is Mijn weg | לֹ֣א (lo) = niet | יִתָּכֵ֔ן (yitakhen) = recht | הֲלֹ֥א (halo) = is het niet | דַרְכֵיכֶ֖ם (darkheikhem) = jullie wegen | לֹ֥א (lo) = niet | יִתָּכֵֽנוּ (yitakhenu) = zijn recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא יִתָּכֵן (lo yittakhen), ‘is niet recht’: het werkwoord תָּכַן (takhan) betekent ‘afwegen, afmeten’. De weg is volgens hen niet ‘goed afgewogen’, dus niet eerlijk. Hetzelfde verwijt staat in vers 29 en in Ezech. 33:17 en 33:20. Voetnoot : אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier spreken zij over Yahweh. Zie ook: Gen 18:25; Sef 3:5; Ezech 18:29; Ezech 33:17; Ezech 33:20; Mal 3:13–15 **18:26** **Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, sterft hij daarom. Om zijn onrecht dat hij deed, sterft hij.** Brontekst: בְּשׁוּב (beshuv) = wanneer terugkeert | צַדִּ֧יק (tsadiq) = rechtvaardige | מִצִּדְקָת֛וֹ (mitsidqato) = van zijn gerechtigheid | וְעָ֥שָׂה (veasa) = en doet | עָ֖וֶל (avel) = onrecht | וּמֵ֣ת (umet) = en sterft | עֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = daarom | בְּעַוְל֥וֹ (beavlo) = in zijn onrecht | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשָׂ֖ה (asa) = hij deed | יָמֽוּת (yamut) = zal hij sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **18:27** **Wanneer een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid die hij deed en recht en gerechtigheid doet, dan houdt hij zijn ziel in leven.** Brontekst: וּבְשׁ֣וּב (uveshuv) = en wanneer terugkeert | רָשָׁ֗ע (rasha) = goddeloze | מֵֽרִשְׁעָתוֹ֙ (merishato) = van zijn goddeloosheid | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֔ה (asa) = hij deed | וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en doet | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֑ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | ה֖וּא (hu) = hij | אֶת (et) = (obj.) | נַפְשׁ֥וֹ (nafsho) = zijn ziel | יְחַיֶּֽה (yechaye) = houdt in leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 1:18; Jes 55:7; Ezech 18:21; Hand 3:19; 1 Tim 4:16 **18:28** **Hij heeft ingezien en zich bekeerd van al zijn overtredingen die hij deed. Hij zal zeker leven. Hij zal niet sterven.** Brontekst: וַיִּרְאֶ֣ה (vayire) = en hij heeft ingezien | וַיָּ֔שָׁב (vayashav) = en heeft zich bekeerd | מִכָּל (mikal) = van al | פְּשָׁעָ֖יו (peshaav) = zijn overtredingen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשָׂ֑ה (asa) = hij deed | חָי֥וֹ (chayo) = leven | יִחְיֶ֖ה (yichye) = zal hij leven | לֹ֥א (lo) = niet | יָמֽוּת (yamut) = zal hij sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּרְאֶה (vayyire’eh), ‘hij heeft ingezien’: hij ziet in wat hij deed; dit is het begin van zijn terugkeer. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat וישוב (veyashuv), ‘en hij keert terug’; de overlevering leest וַיָּשָׁב (vayyashav), ‘en hij keerde terug’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Deut 32:29; Luc 15:17–18; Jak 2:10–12; Kol 3:5–9; Tit 2:14 **18:29** **Toch zeggen zij, het huis van Israël: ‘De weg van de Heer is niet recht.’ Zijn Mijn wegen dan niet recht, huis van Israël? Zijn het niet jullie wegen die niet recht zijn?** Brontekst: וְאָֽמְרוּ֙ (veameru) = en zij zeggen | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לֹ֥א (lo) = niet | יִתָּכֵ֖ן (yitakhen) = is recht | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | אֲדֹנָ֑י (adonay) = de Heer | הַדְּרָכַ֞י (haderakhay) = zijn Mijn wegen | לֹ֤א (lo) = niet | יִתָּֽכְנּוּ֙ (yitakhenu) = recht | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הֲלֹ֥א (halo) = is het niet | דַרְכֵיכֶ֖ם (darkheikhem) = jullie wegen | לֹ֥א (lo) = niet | יִתָּכֵֽן (yitakhen) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Spr 19:3; Ezech 18:2; Ezech 18:25 ### Keer terug en leef **18:30** **Daarom zal Ik jullie oordelen, ieder naar zijn wegen, huis van Israël, godsspraak van Heer Yahweh. Keer terug en keer je af van al jullie overtredingen, zodat schuld jullie niet tot struikelblok wordt.** Brontekst: לָכֵן֩ (lakhen) = daarom | אִ֨ישׁ (ish) = man | כִּדְרָכָ֜יו (kidrakhav) = naar zijn wegen | אֶשְׁפֹּ֤ט (eshpot) = zal Ik oordelen | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | שׁ֤וּבוּ (shuvu) = keert terug | וְהָשִׁ֨יבוּ֙ (vehashivu) = en wendt af | מִכָּל (mikal) = van al | פִּשְׁעֵיכֶ֔ם (pisheikhem) = jullie overtredingen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֥ה (yihye) = wordt | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | לְמִכְשׁ֖וֹל (lemikhshol) = tot struikelblok | עָוֺֽן (avon) = schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוּבוּ וְהָשִׁיבוּ (shuvu vehashivu), ‘keer terug en keer je af’: de eerste vorm is ‘terugkeren’, de tweede ‘doen terugkeren’ of ‘zich wegwenden’. De dubbele vorm legt nadruk op de volledige bekering. Voetnoot : מִכְשׁוֹל עָוֹן (mikhshol avon), ‘struikelblok van schuld’: wat hen ten val brengt. Het woord עָוֹן (avon) vertalen wij in het hele boek met ‘schuld’; zie 14:3. Zie ook: Ezech 14:6; Ezech 18:21; Mat 3:2; Mat 16:27; Luc 13:3 **18:31** **Werp al jullie overtredingen van je af, waarmee jullie overtreden hebben. Maak voor jezelf een nieuw hart en een nieuwe geest. Waarom zouden jullie sterven, huis van Israël?** Brontekst: הַשְׁלִ֣יכוּ (hashlikhu) = werpt weg | מֵעֲלֵיכֶ֗ם (mealeikhem) = van u af | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | פִּשְׁעֵיכֶם֙ (pisheikhem) = jullie overtredingen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | פְּשַׁעְתֶּ֣ם (peshatem) = jullie hebben overtreden | בָּ֔ם (bam) = daarmee | וַעֲשׂ֥וּ (vaasu) = en maakt | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | לֵ֥ב (lev) = hart | חָדָ֖שׁ (chadash) = nieuw | וְר֣וּחַ (veruach) = en geest | חֲדָשָׁ֑ה (chadasha) = nieuwe | וְלָ֥מָּה (velama) = en waarom | תָמֻ֖תוּ (tamutu) = zouden jullie sterven | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵב חָדָשׁ וְרוּחַ חֲדָשָׁה (lev chadash veruach chadashah), ‘een nieuw hart en een nieuwe geest’: hier is het een opdracht aan het volk. In Ezech. 36:26 belooft Yahweh het zelf te geven. Zie ook: Ps 51:12; Jes 1:16–17; Ezech 11:19; Ezech 36:26; Rom 8:13 **18:32** **Want Ik heb geen behagen in de dood van wie sterft, godsspraak van Heer Yahweh. Keer dus terug en leef.”** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | לֹ֤א (lo) = niet | אֶחְפֹּץ֙ (echpots) = heb Ik behagen | בְּמ֣וֹת (bemot) = in dood van | הַמֵּ֔ת (hamet) = wie sterft | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָשִׁ֖יבוּ (vehashivu) = en keert terug | וִֽחְיֽוּ (vichyu) = en leeft Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit slot herhaalt vers 23: Yahweh wil niet de dood, maar het leven. ‘Keer dus terug en leef’ is de uitnodiging waarmee het hoofdstuk eindigt. Zie ook: Klaagl 3:33; Ezech 18:23; Ezech 33:11; 2 Petr 3:9 ## Ezechiël 19 _Een klaaglied over de vorsten van Israël: de leeuwin en de wijnstok_ ### Een klaaglied over de vorsten **19:1** **„En jij, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël.** Brontekst: וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | שָׂ֣א (sa) = hef aan | קִינָ֔ה (qina) = klaaglied | אֶל (el) = over | נְשִׂיאֵ֖י (nesiei) = vorsten van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִינָה (qinah), ‘klaaglied’: een lied bij een sterfgeval of een ramp. Het hoofdstuk bestaat uit twee beelden: de leeuwin (vers 2–9) en de wijnstok (vers 10–14). Voetnoot : נְשִׂיאֵי יִשְׂרָאֵל (nesi’ei Yisra’el), ‘vorsten van Israël’: Ezechiël noemt de leiders van het volk vaak ‘vorst’ (nasi). Namen staan er niet. Wat de twee jonge leeuwen betekenen, zegt de tekst niet. Vaak denkt men aan Joachaz, die naar Egypte werd gebracht (2 Kon. 23:31–34), en aan een van de laatste koningen, die naar Babel ging (2 Kon. 24:15; 25:7). Voetnoot : Hier spreekt Yahweh tot de profeet. Het klaaglied zelf, vanaf vers 2, is voor het volk bestemd en staat zwart. Zie ook: 2 Kon 23:29–30; 2 Kon 23:31–34; 2 Kon 24:6; 2 Kon 24:15; 2 Kon 25:7; Ezech 2:10; Ezech 19:2–9; Ezech 19:10–14; Ezech 26:17; Ezech 27:2 **19:2** **Zeg:”** „Wat was je moeder? Een leeuwin! Tussen de leeuwen lag zij. Te midden van jonge leeuwen bracht zij haar welpen groot. Brontekst: וְאָמַרְתָּ֗ (veamarta) = en je zult zeggen | מָ֤ה (ma) = wat | אִמְּךָ֙ (imekha) = je moeder | לְבִיָּ֔א (leviya) = een leeuwin | בֵּ֥ין (bein) = tussen | אֲרָי֖וֹת (arayot) = leeuwen | רָבָ֑צָה (ravatsa) = lag zij | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | כְּפִרִ֖ים (kefirim) = jonge leeuwen | רִבְּתָ֥ה (ribeta) = bracht zij groot | גוּרֶֽיהָ (gureiha) = haar welpen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְבִיָּא (levi’a), ‘leeuwin’: een groot vrouwtje van de leeuw. Ook Juda wordt in Gen. 49:9 met een leeuw vergeleken. De ‘moeder’ is dus waarschijnlijk Juda of het koningshuis, maar de tekst noemt dat niet. Voetnoot : כְּפִירִים (kefirim), ‘jonge leeuwen’, en גּוּר (gur), ‘welp’: drie woorden voor de leeuw in verschillende leeftijden. Wij houden ‘leeuw’, ‘jonge leeuw’ en ‘welp’ steeds vast. Zie ook: Gen 49:9; Job 4:11; Ps 58:7; Jes 5:29; Sef 3:1–4; Zach 11:3 **19:3** Zij liet een van haar welpen opgroeien. Hij werd een jonge leeuw. Hij leerde prooi te scheuren en at mensen. Brontekst: וַתַּ֛עַל (vataal) = en liet opgroeien | אֶחָ֥ד (echad) = een | מִגֻּרֶ֖יהָ (migureiha) = van haar welpen | כְּפִ֣יר (kefir) = jonge leeuw | הָיָ֑ה (haya) = hij werd | וַיִּלְמַ֥ד (vayilmad) = en leerde | לִטְרָף (litraf) = om te scheuren | טֶ֖רֶף (teref) = prooi | אָדָ֥ם (adam) = mens | אָכָֽל (akhal) = at hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: een leeuw in de kracht van zijn leven. Zie ook: 2 Kon 23:31–32; 2 Kron 36:1–2; Ezech 19:6; Ezech 22:25 **19:4** Volken hoorden over hem. In hun kuil werd hij gevangen. Met haken brachten zij hem naar het land Egypte. Brontekst: וַיִּשְׁמְע֥וּ (vayishmeu) = en hoorden | אֵלָ֛יו (elav) = over hem | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | בְּשַׁחְתָּ֣ם (beshachtam) = in hun kuil | נִתְפָּ֑שׂ (nitpas) = werd gevangen | וַיְבִאֻ֥הוּ (vayviuhu) = en zij brachten hem | בַֽחַחִ֖ים (bachachim) = met haken | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: חַחִים (chachim), ‘haken’: ringen of haken door neus of kaak, waarmee men een dier of gevangene leidt; zie ook 2 Kon. 19:28 (‘Mijn haak in je neus’). Voetnoot : שַׁחַת (shachat), ‘kuil’: een valkuil voor wilde dieren. Zie ook: 2 Kon 19:28; 2 Kon 23:31; 2 Kon 23:33–34; 2 Kron 36:4; 2 Kron 36:6; Jer 22:11–12 **19:5** Zij zag dat zij had gewacht en dat haar hoop verloren was. Toen nam zij nog een van haar welpen en maakte hem tot jonge leeuw. Brontekst: וַתֵּ֨רֶא֙ (vatere) = en zag | כִּ֣י (ki) = dat | נֽוֹחֲלָ֔ה (nochala) = zij had gewacht | אָבְדָ֖ה (aveda) = was verloren | תִּקְוָתָ֑הּ (tiqvatah) = haar hoop | וַתִּקַּ֛ח (vatiqach) = en nam | אֶחָ֥ד (echad) = een | מִגֻּרֶ֖יהָ (migureiha) = van haar welpen | כְּפִ֥יר (kefir) = jonge leeuw | שָׂמָֽתְהוּ (samatehu) = maakte zij hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נוֹחֲלָה (nochalah), ‘zij had gewacht’: het werkwoord is onzeker. Het kan ook ‘zij was ziek’ of ‘haar hoop was verijdeld’ betekenen. Wij nemen ‘zij had gewacht’, met de bedoeling: tevergeefs. Zie ook: 2 Kon 23:34–37; Ezech 19:3 **19:6** Hij liep rond tussen de leeuwen. Hij werd een jonge leeuw. Hij leerde prooi te scheuren en at mensen. Brontekst: וַיִּתְהַלֵּ֥ךְ (vayithalekh) = en liep rond | בְּתוֹךְ (betokh) = te midden van | אֲרָי֖וֹת (arayot) = leeuwen | כְּפִ֣יר (kefir) = jonge leeuw | הָיָ֑ה (haya) = hij werd | וַיִּלְמַ֥ד (vayilmad) = en leerde | לִטְרָף (litraf) = om te scheuren | טֶ֖רֶף (teref) = prooi | אָדָ֥ם (adam) = mens | אָכָֽל (akhal) = at hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 24:1–7; 2 Kon 24:9; 2 Kron 36:9; Jer 22:13–17; Jer 36:1–32 **19:7** Hij kende zijn weduwen en verwoestte hun steden. Het land en alles wat het vulde, werd verwoest door het geluid van zijn gebrul. Brontekst: וַיֵּ֨דַע֙ (vayeda) = en kende | אַלְמְנוֹתָ֔יו (almenotav) = zijn weduwen | וְעָרֵיהֶ֖ם (veareihem) = en hun steden | הֶחֱרִ֑יב (hecheriv) = verwoestte hij | וַתֵּ֤שַׁם (vatesham) = en werd verwoest | אֶ֨רֶץ֙ (erets) = land | וּמְלֹאָ֔הּ (umeloah) = en wat het vulde | מִקּ֖וֹל (miqol) = van het geluid van | שַׁאֲגָתֽוֹ (shaagato) = zijn gebrul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיֵּדַע אַלְמְנוֹתָיו (vayyeda almenotav), ‘hij kende zijn weduwen’: de betekenis is niet zeker. Voetnoot : שְׁאָגָה (she’agah), ‘gebrul’: het geluid van een leeuw. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Spr 19:12; Spr 28:3; Amos 6:8; Mi 1:2; Ezech 30:12 **19:8** De volken rondom, uit de gewesten, stelden zich tegen hem op. Zij spreidden hun net over hem uit. In hun kuil werd hij gevangen. Brontekst: וַיִּתְּנ֨וּ (vayitenu) = en stelden op | עָלָ֥יו (alav) = tegen hem | גּוֹיִ֛ם (goyim) = volken | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | מִמְּדִינ֑וֹת (mimedinot) = uit gewesten | וַֽיִּפְרְשׂ֥וּ (vayifresu) = en spreidden uit | עָלָ֛יו (alav) = over hem | רִשְׁתָּ֖ם (rishtam) = hun net | בְּשַׁחְתָּ֥ם (beshachtam) = in hun kuil | נִתְפָּֽשׂ (nitpas) = werd hij gevangen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְדִינוֹת (medinot), ‘gewesten’: de landen en streken rondom. Zij komen samen om het dier te vangen. Zie ook: 2 Kon 24:1–6; 2 Kon 24:11; Klaagl 4:20; Ezech 12:13; Ezech 19:4 **19:9** Met haken zetten zij hem in een kooi en brachten hem naar de koning van Babel. Zij brachten hem in vestingen, zodat zijn stem niet meer gehoord zou worden op de bergen van Israël. Brontekst: וַֽיִּתְּנֻ֤הוּ (vayitenuhu) = en zetten hem | בַסּוּגַר֙ (basugar) = in een kooi | בַּֽחַחִ֔ים (bachachim) = met haken | וַיְבִאֻ֖הוּ (vayviuhu) = en brachten hem | אֶל (el) = naar | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֑ל (bavel) = Babel | יְבִאֻ֨הוּ֙ (yeviuhu) = zij brachten hem | בַּמְּצֹד֔וֹת (bametsodot) = in vestingen | לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | לֹא (lo) = niet | יִשָּׁמַ֥ע (yishama) = zou gehoord worden | קוֹל֛וֹ (qolo) = zijn stem | ע֖וֹד (od) = meer | אֶל (el) = naar | הָרֵ֥י (harei) = de bergen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: סוּגַר (sugar), ‘kooi’: de betekenis is niet zeker; het kan ook ‘halsband’ of ‘ketting’ zijn. Voetnoot : מְצֻדוֹת (metsudot), ‘vestingen’: sterke plaatsen, hier voor gevangenschap. Het woord kan ook ‘netten’ betekenen. Voetnoot : De bergen van Israël zijn het land waar de leeuw eerst brulde. Zijn stem wordt daar niet meer gehoord. Zie ook: 2 Kron 36:6; Jer 22:18–19; Jer 36:30–31; Ezech 6:2; Ezech 19:7 ### De wijnstok in het droge land **19:10** Je moeder was als een wijnstok, in je bloed, geplant aan water. Door het overvloedige water werd zij vol vrucht en ranken. Brontekst: אִמְּךָ֥ (imekha) = je moeder | כַגֶּ֛פֶן (kagefen) = als een wijnstok | בְּדָמְךָ֖ (bedamekha) = in je bloed | עַל (al) = aan | מַ֣יִם (mayim) = water | שְׁתוּלָ֑ה (shetula) = geplant | פֹּֽרִיָּה֙ (poriya) = haar vrucht | וַֽעֲנֵפָ֔ה (vaanefa) = en takken | הָיְתָ֖ה (hayeta) = werd | מִמַּ֥יִם (mimayim) = van water | רַבִּֽים (rabim) = overvloedig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּדָמֵךְ (bedamekh), ‘in je bloed’: de betekenis is hier onzeker. Voetnoot : Gefen, de wijnstok, is een vast beeld voor Israël; zie ook Ezech. 17:6–8 en Ps. 80:9–12. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Num 24:6–7; Deut 8:7; Deut 8:9; Ps 80:9–12; Ezech 17:6–8; Mat 21:33–41 **19:11** Zij kreeg sterke takken, scepters voor heersers. Haar stam rees hoog op tussen het gebladerte. Men zag haar hoogte in de menigte van haar ranken. Brontekst: וַיִּֽהְיוּ (vayihyu) = en kreeg | לָ֞הּ (lah) = zij | מַטּ֣וֹת (matot) = takken van | עֹ֗ז (oz) = sterkte | אֶל (el) = tot | שִׁבְטֵי֙ (shivtei) = scepters van | מֹֽשְׁלִ֔ים (moshelim) = heersers | וַתִּגְבַּ֥הּ (vatigbah) = en rees hoog | קֽוֹמָת֖וֹ (qomato) = haar stam | עַל (al) = boven | בֵּ֣ין (bein) = tussen | עֲבֹתִ֑ים (avotim) = gebladerte | וַיֵּרָ֣א (vayera) = en werd gezien | בְגָבְה֔וֹ (begaveho) = in haar hoogte | בְּרֹ֖ב (berov) = met de menigte van | דָּלִיֹּתָֽיו (daliyotav) = haar ranken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַטּוֹת עֹז (mattot oz), ‘sterke takken’, en שִׁבְטֵי מֹשְׁלִים (shivtei moshelim), ‘scepters van heersers’: de takken zijn zo sterk dat men er scepters van kan maken. Het beeld wijst op de koningen uit het huis van David. Voetnoot : עֲבֹתִים (avotim), ‘gebladerte’: dichte takken en bladeren. Zie ook: Ps 2:8–9; Ps 80:16; Jes 11:1; Ezech 31:3; Dan 4:8 **19:12** Maar in woede werd zij uitgerukt en op de aarde geworpen. De oostenwind liet haar vrucht verdorren. Haar sterke tak werd afgebroken en verdorde. Vuur verteerde haar. Brontekst: וַתֻּתַּ֤שׁ (vatutash) = en werd uitgerukt | בְּחֵמָה֙ (bechema) = in woede | לָאָ֣רֶץ (laarets) = op de aarde | הֻשְׁלָ֔כָה (hushlakha) = werd geworpen | וְר֥וּחַ (veruach) = en wind | הַקָּדִ֖ים (haqadim) = de oostenwind | הוֹבִ֣ישׁ (hovish) = liet verdorren | פִּרְיָ֑הּ (piryah) = haar vrucht | הִתְפָּרְק֧וּ (hitparequ) = werden afgebroken | וְיָבֵ֛שׁוּ (veyaveshu) = en verdorden | מַטֵּ֥ה (mate) = tak van | עֻזָּ֖הּ (uzah) = haar sterkte | אֵ֥שׁ (esh) = vuur | אֲכָלָֽתְהוּ (akhalatehu) = verteerde haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ הַקָּדִים (ruach haqqadim), ‘de oostenwind’: de hete woestijnwind; zie ook Ezech. 17:10. Voetnoot : בְּחֵמָה (bechemah), ‘in woede’: door Yahweh of door vijanden; de tekst zegt het niet. Zie ook: Hos 13:15; Jes 27:11; Ezech 15:4; Ezech 17:10; Ezech 19:11 **19:13** Nu is zij geplant in de woestijn, in een dor en dorstig land. Brontekst: וְעַתָּ֖ה (veata) = en nu | שְׁתוּלָ֣ה (shetula) = geplant | בַמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | בְּאֶ֖רֶץ (beerets) = in een land van | צִיָּ֥ה (tsiya) = dorheid | וְצָמָֽא (vetsama) = en dorst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De wijnstok staat nu in de woestijn: het volk in ballingschap, ver van het land. Zie ook: Ps 68:7; 2 Kon 24:12–16; Hos 2:5; Ezech 19:10; Ezech 20:35 **19:14** Vuur ging uit van een tak van haar twijgen. Het verteerde haar vrucht. Er is in haar geen sterke tak meer, geen scepter om te heersen. Dit is een klaaglied, en het is tot een klaaglied geworden.” Brontekst: וַתֵּצֵ֨א (vatetse) = en ging uit | אֵ֜שׁ (esh) = vuur | מִמַּטֵּ֤ה (mimate) = uit een tak van | בַדֶּ֨יהָ֙ (badeiha) = haar twijgen | פִּרְיָ֣הּ (piryah) = haar vrucht | אָכָ֔לָה (akhala) = verteerde | וְלֹא (velo) = en niet | הָ֥יָה (haya) = is | בָ֛הּ (bah) = in haar | מַטֵּה (mate) = tak van | עֹ֖ז (oz) = sterkte | שֵׁ֣בֶט (shevet) = scepter | לִמְשׁ֑וֹל (limshol) = om te heersen | קִ֥ינָה (qina) = klaaglied | הִ֖יא (hi) = het is | וַתְּהִ֥י (vatehi) = en het werd | לְקִינָֽה (leqina) = tot een klaaglied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִינָה הִיא וַתְּהִי לְקִינָה (qinah hi vattehi leqinah), ‘Dit is een klaaglied, en het is tot een klaaglied geworden’: het lied wordt een klaaglied in de mond van het volk. Het slot zegt dat wat is voorspeld nu ook zo wordt gezongen. Zie ook: Ps 80:16–17; 2 Kon 24:20; Jes 9:17–18; Ezech 19:1; Ezech 19:11 ## Ezechiël 20 _Yahweh laat Zich niet raadplegen: de geschiedenis van Israëls opstand en de nieuwe uittocht_ ### De oudsten komen Yahweh raadplegen **20:1** Het was in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van de maand. Enkele mannen van de oudsten van Israël kwamen om Yahweh te raadplegen. Zij gingen voor mij zitten. Brontekst: וַיְהִ֣י (vayhi) = en het was | בַּשָּׁנָ֣ה (bashana) = in het jaar | הַשְּׁבִיעִ֗ית (hasheviit) = zevende | בַּֽחֲמִשִׁי֙ (bachamishi) = in de vijfde | בֶּעָשׂ֣וֹר (beasor) = op de tiende | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | בָּ֧אוּ (bau) = kwamen | אֲנָשִׁ֛ים (anashim) = mannen | מִזִּקְנֵ֥י (miziqnei) = van de oudsten van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לִדְרֹ֣שׁ (lidrosh) = om te raadplegen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וַיֵּשְׁב֖וּ (vayeshevu) = en zaten | לְפָנָֽי (lefanay) = voor mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּשָּׁנָה הַשְּׁבִיעִית (bashshanah hashshevi’it), ‘in het zevende jaar’: het Hebreeuws zegt niet vanaf welk moment wordt geteld. In dit boek worden jaren geteld vanaf de wegvoering van koning Jojachin (Ezech. 1:2). Het zevende jaar valt dan bijna een jaar na het visioen van Ezech. 8:1. Voetnoot : לִדְרֹשׁ אֶת־יְהוָה (lidrosh et Yahweh), ‘om Yahweh te raadplegen’: het werkwoord דָּרַשׁ (darash) betekent ‘zoeken, raadplegen’; men wil door een profeet een woord van Yahweh krijgen. Het werkwoord komt in vers 3 en 31 terug. Zie ook: Ezech 1:2; Ezech 8:1; Ezech 20:3; Ezech 20:31; Ezech 26:1; Ezech 31:1; Ezech 32:1; Ezech 40:1 **20:2** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **20:3** **„Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël en zeg tot hen:** Zo zegt Heer Yahweh: **‘Komen jullie om Mij te raadplegen? Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Ik zal Mij door jullie niet laten raadplegen.’** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mensen | דַּבֵּ֞ר (daber) = spreek | אֶת (et) = (obj.) | זִקְנֵ֤י (ziqnei) = oudsten van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הֲלִדְרֹ֥שׁ (halidrosh) = om te raadplegen | אֹתִ֖י (oti) = Mij | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | בָּאִ֑ים (baim) = komen | חַי (chay) = leven | אָ֨נִי֙ (ani) = Ik | אִם (im) = als | אִדָּרֵ֣שׁ (idaresh) = laat Ik Mij raadplegen | לָכֶ֔ם (lakhem) = door jullie | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4. Voetnoot : נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Voetnoot : אִם־אִדָּרֵשׁ לָכֶם (im iddaresh lakhem), ‘Ik zal Mij door jullie niet laten raadplegen’: na een eed betekent ‘indien’ een sterke ontkenning. Dit is de kern van het hoofdstuk. In vers 31 klinkt hetzelfde. Zie ook: Ps 50:15–21; Spr 28:9; Mi 3:7; Ezech 2:4; Ezech 5:11; Ezech 14:3–4; Ezech 20:31; Mat 15:8–9 **20:4** **Wil je hen oordelen? Wil je oordelen, mensenkind? Maak hun de gruwelen van hun vaders bekend.** Brontekst: הֲתִשְׁפֹּ֣ט (hatishpot) = wil je oordelen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | הֲתִשְׁפּ֖וֹט (hatishpot) = wil je oordelen | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֑ם (adam) = mensen | אֶת (et) = (obj.) | תּוֹעֲבֹ֥ת (toavot) = gruwel van | אֲבוֹתָ֖ם (avotam) = hun vaders | הוֹדִיעֵֽם (hodiem) = maak hun bekend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲתִשְׁפֹּט (hatishpot), ‘wil je oordelen?’: het werkwoord שָׁפַט (shafat) hoort bij een rechtsgeding. Ezechiël moet Israël aanklagen door de geschiedenis van hun vaders te vertellen. Voetnoot : תּוֹעֲבַת (to’avat), ‘gruwel van’: wat Yahweh verafschuwt. Zie ook: Ezech 16:2–3; Ezech 22:2; Ezech 23:36; Luc 13:33–35; Hand 7:51–52 ### In Egypte: de eerste opstand **20:5** **Zeg tot hen:** Zo zegt Heer Yahweh: **‘Op de dag dat Ik Israël koos, hief Ik Mijn hand op voor het nageslacht van het huis van Jakob. Ik maakte Mij aan hen bekend in het land Egypte. Ik hief Mijn hand voor hen op en zei: „Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag | בָּחֳרִ֣י (bachori) = Ik koos | בְיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = Israël | וָאֶשָּׂ֣א (vaesa) = en Ik hief op | יָדִ֗י (yadi) = Mijn hand | לְזֶ֨רַע֙ (lezera) = voor het nageslacht van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וָאִוָּדַ֥ע (vaivada) = en Ik maakte Mij bekend | לָהֶ֖ם (lahem) = aan hen | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וָאֶשָּׂ֨א (vaesa) = en Ik hief op | יָדִ֤י (yadi) = Mijn hand | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggend | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בְּיוֹם בָּחֳרִי בְּיִשְׂרָאֵל (beyom bochri beYisra’el), ‘op de dag dat Ik Israël koos’: de uitverkiezing wordt hier in Egypte geplaatst. Ze hoort bij de uittocht, niet bij Abraham. Voetnoot : וָאֶשָּׂא יָדִי (va’essa yadi), ‘en Ik hief Mijn hand op’: een eed; zie Exod. 6:8, Num. 14:30 en Deut. 32:40. Deze uitdrukking komt in dit hoofdstuk steeds terug (vers 5, 6, 15, 23, 28, 42). Voetnoot : Het Hebreeuws van dit vers heeft een lange inleiding voor de woorden ‘Ik ben Yahweh, jullie Elohim’. Wij laten de volgorde van het Hebreeuws staan. Zie ook: Gen 14:22; Ex 3:8; Ex 4:31; Ex 6:6–7; Ex 6:8; Num 14:30; Deut 32:40; Ezech 20:6; Ezech 20:15; Ezech 20:23; Ezech 20:28; Ezech 20:42; Ezech 47:14 **20:6** **Op die dag hief Ik Mijn hand voor hen op om hen uit het land Egypte te leiden. Ik zou hen brengen naar een land dat Ik voor hen had uitgezocht. Het is een land dat overvloeit van melk en honing, de pracht van alle landen.** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | נָשָׂ֤אתִי (nasati) = Ik hief op | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | לָהֶ֔ם (lahem) = voor hen | לְהֽוֹצִיאָ֖ם (lehotsiam) = om hen te leiden | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אֶל (el) = naar | אֶ֜רֶץ (erets) = een land | אֲשֶׁר (asher) = dat | תַּ֣רְתִּי (tarti) = Ik had uitgezocht | לָהֶ֗ם (lahem) = voor hen | זָבַ֤ת (zavat) = vloeiend van | חָלָב֙ (chalav) = melk | וּדְבַ֔שׁ (udevash) = en honing | צְבִ֥י (tsevi) = pracht | הִ֖יא (hi) = het is | לְכָל (lekhal) = van alle | הָאֲרָצֽוֹת (haaratsot) = landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: תַּרְתִּי (tarti), ‘Ik had uitgezocht’: het werkwoord תּוּר (tur) betekent ‘verkennen, uitspieden’; het wordt gebruikt voor de verkenners van Num. 13:2. Yahweh heeft het land vooraf onderzocht en uitgekozen. Voetnoot : זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ (zavat chalav udevash), ‘overvloeiend van melk en honing’: zoals in Exod. 3:8. Voetnoot : צְבִי (tsevi), ‘pracht’: hetzelfde woord betekent ‘gazelle’, het mooiste dier. Het land is de pracht van alle landen. Zie ook: Ex 3:8; Num 13:2; Jer 32:22; Ezech 20:15; Dan 8:9; Zach 7:14 **20:7** **Ik zei tot hen: „Werp ieder de gruwelbeelden van zijn ogen weg en maak jullie niet onrein met de mestgoden van Egypte. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”** Brontekst: וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en Ik zei | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | שִׁקּוּצֵ֤י (shiqutsei) = gruwelbeelden van | עֵינָיו֙ (einav) = zijn ogen | הַשְׁלִ֔יכוּ (hashlikhu) = werpt weg | וּבְגִלּוּלֵ֥י (uvegilulei) = en met de mestgoden van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | אַל (al) = niet | תִּטַּמָּ֑אוּ (titamau) = maakt jullie onrein | אֲנִ֖י (ani) = Ik | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: שִׁקּוּצֵי עֵינָיו (shiqqutsei einav), ‘gruwelbeelden van zijn ogen’: de afgodsbeelden waar het oog naar kijkt. In Egypte voegde Israël zich bij de goden van het land. Dat staat niet in Exodus, maar vergelijk Joz. 24:14. Voetnoot : גִּלּוּלֵי (gillulei), ‘mestgoden’: zie de uitleg bij Ezech. 6:4. Zie ook: Lev 11:44; Lev 18:3; Deut 29:15–17; Joz 24:14; Ezech 6:4; Ezech 18:31; Ezech 20:8 **20:8** **Maar zij waren Mij weerspannig en wilden niet naar Mij luisteren. Niemand wierp de gruwelbeelden van zijn ogen weg. De mestgoden van Egypte lieten zij niet los. Toen zei Ik dat Ik Mijn woede over hen zou uitgieten. Ik zou Mijn toorn tegen hen laten uitwerken, midden in het land Egypte.** Brontekst: וַיַּמְרוּ (vayamru) = en zij waren weerspannig | בִ֗י (bi) = tegen Mij | וְלֹ֤א (velo) = en niet | אָבוּ֙ (avu) = wilden | לִּשְׁמֹ֣עַ (lishmoa) = luisteren | אֵלַ֔י (elay) = naar Mij | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = (obj.) | שִׁקּוּצֵ֤י (shiqutsei) = gruwelbeelden van | עֵֽינֵיהֶם֙ (eineihem) = hun ogen | לֹ֣א (lo) = niet | הִשְׁלִ֔יכוּ (hishlikhu) = wierpen weg | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גִּלּוּלֵ֥י (gilulei) = mestgoden van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לֹ֣א (lo) = niet | עָזָ֑בוּ (azavu) = lieten zij los | וָאֹמַ֞ר (vaomar) = en Ik zei | לִשְׁפֹּ֧ךְ (lishpokh) = om uit te storten | חֲמָתִ֣י (chamati) = Mijn woede | עֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = over hen | לְכַלּ֤וֹת (lekhalot) = om te laten uitwerken | אַפִּי֙ (api) = Mijn toorn | בָּהֶ֔ם (bahem) = tegen hen | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וָאֹמֶר לִשְׁפֹּךְ חֲמָתִי (va’omar lishpokh chamati), ‘en Ik zei dat Ik Mijn woede zou uitgieten’: Yahweh overwoog het oordeel in Egypte te voltrekken. Er staat geen zin die zegt dat Hij het uitsprak; het is Zijn besluit. Voetnoot : לְכַלּוֹת אַפִּי (lekhallot appi), ‘om Mijn toorn te laten uitwerken’: letterlijk ‘om Mijn toorn te voleindigen’. Zie ook: Jes 63:10; Ezech 5:13; Ezech 7:8; Ezech 20:7; Ezech 20:21 **20:9** **Maar Ik handelde omwille van Mijn naam. Die mocht niet ontheiligd worden voor de ogen van de volken te midden van wie zij waren. Voor hun ogen had Ik Mij immers aan hen bekend gemaakt, door hen uit het land Egypte te leiden.** Brontekst: וָאַ֨עַשׂ֙ (vaaas) = en Ik handelde | לְמַ֣עַן (lemaan) = omwille van | שְׁמִ֔י (shemi) = Mijn naam | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = opdat niet | הֵחֵ֛ל (hechel) = zou worden ontheiligd | לְעֵינֵ֥י (leeinei) = voor de ogen van | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = die | הֵ֣מָּה (hema) = zij | בְתוֹכָ֑ם (betokham) = te midden van hen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waaraan | נוֹדַ֤עְתִּי (nodati) = Ik Mij bekend maakte | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = aan hen | לְעֵ֣ינֵיהֶ֔ם (leeineihem) = voor hun ogen | לְהוֹצִיאָ֖ם (lehotsiam) = door hen te leiden | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: וָאַעַשׂ לְמַעַן שְׁמִי (va’a’as lema’an shemi), ‘en Ik handelde omwille van Mijn naam’: hier, en in vers 14 en 22, houdt Yahweh Zich in omdat Zijn naam bij de volken niet ontheiligd mag worden. Hij redt Israël niet om Israëls verdienste. Voetnoot : לְבִלְתִּי הֵחֵל (levilti hechel), ‘opdat niet zou worden ontheiligd’: het werkwoord חָלַל (chalal) betekent ‘ontheiligen, profaan maken’. Hetzelfde werkwoord staat bij de sabbatten (vers 13, 16, 21, 24). Zie ook: Ex 32:12; Ezech 20:13; Ezech 20:14; Ezech 20:16; Ezech 20:21; Ezech 20:22; Ezech 20:24; Ezech 36:21–22; Ezech 39:7 ### In de woestijn: de tweede opstand **20:10** **Ik leidde hen uit het land Egypte en bracht hen naar de woestijn.** Brontekst: וָאֽוֹצִיאֵ֖ם (vaotsiem) = en Ik leidde hen | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וָאֲבִאֵ֖ם (vaaviem) = en Ik bracht hen | אֶל (el) = naar | הַמִּדְבָּֽר (hamidbar) = de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 13:17–18; Ex 14:17–22; Ex 15:22; Ex 20:2 **20:11** **Ik gaf hun Mijn voorschriften en maakte hun Mijn rechtsregels bekend, die een mens doet en daardoor leeft.** Brontekst: וָאֶתֵּ֤ן (vaeten) = en Ik gaf | לָהֶם֙ (lahem) = hun | אֶת (et) = (obj.) | חֻקּוֹתַ֔י (chuqotay) = Mijn voorschriften | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁפָּטַ֖י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | הוֹדַ֣עְתִּי (hodati) = maakte Ik bekend | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = doet | אוֹתָ֛ם (otam) = hen | הָאָדָ֖ם (haadam) = de mens | וָחַ֥י (vachay) = en leeft | בָּהֶֽם (bahem) = door hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻקּוֹת (chuqqot), ‘voorschriften’, en מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsregels’: zoals in Lev. 18:4. Voetnoot : וְחַי בָּהֶם (vechai bahem), ‘en leeft daardoor’: vergelijk Lev. 18:5. Het geven van de Wet is hier een gave die leven brengt. Zie ook: Lev 18:4; Lev 18:5; Deut 4:8; Luc 10:28; Gal 3:12; Rom 10:5 **20:12** **Ook gaf Ik hun Mijn sabbatten als teken tussen Mij en hen, zodat zij zouden weten dat Ik, Yahweh, hen heilig.** Brontekst: וְגַ֤ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | שַׁבְּתוֹתַי֙ (shabetotay) = Mijn sabbatten | נָתַ֣תִּי (natati) = gaf Ik | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | לִהְי֣וֹת (lihyot) = om te zijn | לְא֔וֹת (leot) = tot een teken | בֵּינִ֖י (beini) = tussen Mij | וּבֵֽינֵיהֶ֑ם (uveineihem) = en tussen hen | לָדַ֕עַת (ladaat) = om te weten | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַדְּשָֽׁם (meqadesham) = die hen heiligt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁבְּתוֹתַי (shabbetotai), ‘Mijn sabbatten’: de sabbat is een teken van het verbond tussen Yahweh en Israël (Exod. 31:13). Ook in dit hoofdstuk blijft de sabbat steeds genoemd (vers 13, 16, 20, 21, 24). Voetnoot : מְקַדִּשָׁם (meqaddishem), ‘die hen heiligt’: Yahweh zondert hen voor Zichzelf af. Zie ook: Ex 31:13; Lev 21:23; Lev 23:3; Ezech 20:13; Ezech 20:16; Ezech 20:20; Ezech 20:21; Ezech 20:24; Ezech 37:28; 1 Tess 5:23 **20:13** **Maar het huis van Israël was Mij weerspannig in de woestijn. Zij leefden niet naar Mijn voorschriften en verwierpen Mijn rechtsregels, die een mens doet en daardoor leeft. Mijn sabbatten ontheiligden zij zeer. Toen zei Ik dat Ik Mijn woede in de woestijn over hen zou uitgieten, om hen te vernietigen.** Brontekst: וַיַּמְרוּ (vayamru) = en zij waren weerspannig | בִ֨י (bi) = tegen Mij | בֵֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | בַּמִּדְבָּ֗ר (bamidbar) = in de woestijn | בְּחֻקּוֹתַ֨י (bechuqotay) = in Mijn voorschriften | לֹא (lo) = niet | הָלָ֜כוּ (halakhu) = liepen zij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁפָּטַ֣י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | מָאָ֗סוּ (maasu) = verwierpen zij | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | יַעֲשֶׂ֨ה (yaase) = doet | אֹתָ֤ם (otam) = hen | הָֽאָדָם֙ (haadam) = de mens | וָחַ֣י (vachay) = en leeft | בָּהֶ֔ם (bahem) = door hen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁבְּתֹתַ֖י (shabetotay) = Mijn sabbatten | חִלְּל֣וּ (chilelu) = ontheiligden zij | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | וָאֹמַ֞ר (vaomar) = en Ik zei | לִשְׁפֹּ֨ךְ (lishpokh) = om uit te storten | חֲמָתִ֧י (chamati) = Mijn woede | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = over hen | בַּמִּדְבָּ֖ר (bamidbar) = in de woestijn | לְכַלּוֹתָֽם (lekhalotam) = om hen te vernietigen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיַּמְרוּ בִי (vayyamru vi), ‘zij waren Mij weerspannig’: het werkwoord מָרָה (marah) betekent ‘opstandig zijn’. Het woord is verwant met ‘het weerspannige huis’ in Ezech. 2:5. Voetnoot : לְכַלּוֹתָם (lekhallotam), ‘om hen te vernietigen’: dit is het werkwoord כָּלָה (kalah), ‘ten einde brengen’. In vers 17 zegt Yahweh dat Hij hen niet ‘ten einde’ bracht. Zie ook: Deut 9:8; Jes 56:6; Ezech 2:5; Ezech 20:8; Ezech 20:17; Ezech 20:21; Ezech 20:24 **20:14** **Maar Ik handelde omwille van Mijn naam. Die mocht niet ontheiligd worden voor de ogen van de volken voor wier ogen Ik hen had geleid.** Brontekst: וָאֶעֱשֶׂ֖ה (vaeese) = en Ik handelde | לְמַ֣עַן (lemaan) = omwille van | שְׁמִ֑י (shemi) = Mijn naam | לְבִלְתִּ֤י (levilti) = opdat niet | הֵחֵל֙ (hechel) = zou worden ontheiligd | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = voor wie | הוֹצֵאתִ֖ים (hotsetim) = Ik had geleid hen | לְעֵינֵיהֶֽם (leeineihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 20:9; Ezech 20:22; Ezech 36:22–23; Ef 1:6; Ef 1:12 **20:15** **Ook hief Ik Mijn hand voor hen op in de woestijn: Ik zou hen niet brengen naar het land dat Ik hun had gegeven. Het is een land dat overvloeit van melk en honing, de pracht van alle landen.** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֗י (ani) = Ik | נָשָׂ֧אתִי (nasati) = hief op | יָדִ֛י (yadi) = Mijn hand | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | לְבִלְתִּי֩ (levilti) = om niet | הָבִ֨יא (havi) = te brengen | אוֹתָ֜ם (otam) = hen | אֶל (el) = naar | הָאָ֣רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | נָתַ֗תִּי (natati) = Ik gaf | זָבַ֤ת (zavat) = vloeiend van | חָלָב֙ (chalav) = melk | וּדְבַ֔שׁ (udevash) = en honing | צְבִ֥י (tsevi) = pracht | הִ֖יא (hi) = het is | לְכָל (lekhal) = van alle | הָאֲרָצֽוֹת (haaratsot) = landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de tweede eed in de woestijn: het geslacht dat uit Egypte kwam, zal het land niet binnengaan. Vergelijk Num. 14:21–23 en Num. 14:30. Zie ook: Num 14:21–23; Num 14:23–30; Num 14:30; Deut 1:34–35; Ps 95:11; Ps 106:26; Heb 3:11 **20:16** **Want zij verwierpen Mijn rechtsregels, leefden niet naar Mijn voorschriften en ontheiligden Mijn sabbatten. Hun hart ging immers achter hun mestgoden aan.** Brontekst: יַ֜עַן (yaan) = omdat | בְּמִשְׁפָּטַ֣י (bemishpatay) = Mijn rechtsregels | מָאָ֗סוּ (maasu) = verwierpen zij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֻקּוֹתַי֙ (chuqotay) = Mijn voorschriften | לֹא (lo) = niet | הָלְכ֣וּ (halekhu) = liepen zij | בָהֶ֔ם (bahem) = daarin | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁבְּתוֹתַ֖י (shabetotay) = Mijn sabbatten | חִלֵּ֑לוּ (chilelu) = ontheiligden zij | כִּ֛י (ki) = want | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | גִלּוּלֵיהֶ֖ם (giluleihem) = hun mestgoden | לִבָּ֥ם (libam) = hun hart | הֹלֵֽךְ (holekh) = ging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 32:1–8; Num 15:39; Num 25:2; Ezech 14:3–4; Ezech 20:8 **20:17** **Toch had Mijn oog medelijden met hen, zodat Ik hen niet verdierf. Ik maakte geen eind aan hen in de woestijn.** Brontekst: וַתָּ֧חָס (vatachas) = en spaarde | עֵינִ֛י (eini) = Mijn oog | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | מִֽשַּׁחֲתָ֑ם (mishachatam) = van hun verderf | וְלֹֽא (velo) = en niet | עָשִׂ֧יתִי (asiti) = maakte Ik | אוֹתָ֛ם (otam) = hen | כָּלָ֖ה (kala) = tot een eind | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתָּחָס עֵינִי (vattachas eini), ‘en Mijn oog spaarde’: het werkwoord חוּס (chus) betekent ‘medelijden hebben, sparen’. Hier is het Yahweh’s oog. Zie ook: Jer 4:27; Jer 5:18; Ezech 8:18; Ezech 11:13; Neh 9:19 ### De zonen in de woestijn **20:18** **Ik zei tot hun zonen in de woestijn: „Volg niet de voorschriften van jullie vaders, bewaar hun rechtsregels niet en maak jullie niet onrein met hun mestgoden.** Brontekst: וָאֹמַ֤ר (vaomar) = en Ik zei | אֶל (el) = tot | בְּנֵיהֶם֙ (beneihem) = hun zonen | בַּמִּדְבָּ֔ר (bamidbar) = in de woestijn | בְּחוּקֵּ֤י (bechuqei) = in de voorschriften van | אֲבֽוֹתֵיכֶם֙ (avoteikhem) = jullie vaders | אַל (al) = niet | תֵּלֵ֔כוּ (telekhu) = wandelt | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁפְּטֵיהֶ֖ם (mishpeteihem) = hun rechtsregels | אַל (al) = niet | תִּשְׁמֹ֑רוּ (tishmoru) = bewaart | וּבְגִלּוּלֵיהֶ֖ם (uvegiluleihem) = en met hun mestgoden | אַל (al) = niet | תִּטַּמָּֽאוּ (titamau) = maakt jullie onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers gaat het over het volgende geslacht, de zonen. Wat Yahweh tot hen zegt, staat binnen een eigen aanhaling. Zie ook: Ps 78:6–8; Ezech 20:7; Zach 1:2–4; Hand 7:51; 1 Petr 1:18 **20:19** **Ik ben Yahweh, jullie Elohim. Leef naar Mijn voorschriften, bewaar Mijn rechtsregels en doe ze.** Brontekst: אֲנִי֙ (ani) = Ik | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | בְּחֻקּוֹתַ֖י (bechuqotay) = in Mijn voorschriften | לֵ֑כוּ (lekhu) = wandelt | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁפָּטַ֥י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | שִׁמְר֖וּ (shimru) = bewaart | וַעֲשׂ֥וּ (vaasu) = en doet | אוֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 5:32–6:8; Ps 105:45; Jer 3:22–23; Ezech 11:20; Ezech 36:27 **20:20** **Heilig Mijn sabbatten. Zij zullen een teken zijn tussen Mij en jullie, zodat jullie weten dat Ik, Yahweh, jullie Elohim ben.”** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁבְּתוֹתַ֖י (shabetotay) = Mijn sabbatten | קַדֵּ֑שׁוּ (qadeshu) = heiligt | וְהָי֤וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לְאוֹת֙ (leot) = tot een teken | בֵּינִ֣י (beini) = tussen Mij | וּבֵֽינֵיכֶ֔ם (uveineikhem) = en tussen jullie | לָדַ֕עַת (ladaat) = om te weten | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיכֶֽם (eloheikhem) = jullie Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קַדְּשׁוּ (qaddeshu), ‘heiligt’: houdt de sabbat apart voor Yahweh. Zie Exod. 20:8. Zie ook: Ex 20:8; Ex 31:13–17; Jes 58:13; Jer 17:22; Ezech 20:12; Neh 13:15–22 **20:21** **Maar de zonen waren Mij weerspannig. Zij leefden niet naar Mijn voorschriften. Zij bewaarden Mijn rechtsregels niet om ze te doen, die een mens doet en daardoor leeft. Mijn sabbatten ontheiligden zij. Toen zei Ik dat Ik Mijn woede over hen zou uitgieten. Ik zou Mijn toorn tegen hen laten uitwerken in de woestijn.** Brontekst: וַיַּמְרוּ (vayamru) = en zij waren weerspannig | בִ֣י (bi) = tegen Mij | הַבָּנִ֗ים (habanim) = de zonen | בְּחֻקּוֹתַ֣י (bechuqotay) = in Mijn voorschriften | לֹֽא (lo) = niet | הָ֠לָכוּ (halakhu) = liepen zij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מִשְׁפָּטַ֨י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | לֹא (lo) = niet | שָׁמְר֜וּ (shameru) = bewaarden zij | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | אוֹתָ֗ם (otam) = ze | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | יַעֲשֶׂ֨ה (yaase) = doet | אוֹתָ֤ם (otam) = hen | הָֽאָדָם֙ (haadam) = de mens | וָחַ֣י (vachay) = en leeft | בָּהֶ֔ם (bahem) = door hen | אֶת (et) = (obj.) | שַׁבְּתוֹתַ֖י (shabetotay) = Mijn sabbatten | חִלֵּ֑לוּ (chilelu) = ontheiligden zij | וָאֹמַ֞ר (vaomar) = en Ik zei | לִשְׁפֹּ֧ךְ (lishpokh) = om uit te storten | חֲמָתִ֣י (chamati) = Mijn woede | עֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = over hen | לְכַלּ֥וֹת (lekhalot) = om te laten uitwerken | אַפִּ֛י (api) = Mijn toorn | בָּ֖ם (bam) = tegen hen | בַּמִּדְבָּֽר (bamidbar) = in de woestijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het patroon van vers 13 keert terug bij de zonen: opstand, een besluit om te straffen en daarna ingehouden toorn omwille van Yahweh’s naam (vers 22). Zie ook: Num 21:5; Deut 31:27; 2 Kron 34:25; Ezech 20:8; Ezech 20:13; Ezech 20:22 **20:22** **Maar Ik trok Mijn hand terug en handelde omwille van Mijn naam. Die mocht niet ontheiligd worden voor de ogen van de volken voor wier ogen Ik hen had geleid.** Brontekst: וַהֲשִׁבֹ֨תִי֙ (vahashivoti) = en Ik trok terug | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֔י (yadi) = Mijn hand | וָאַ֖עַשׂ (vaaas) = en Ik handelde | לְמַ֣עַן (lemaan) = omwille van | שְׁמִ֑י (shemi) = Mijn naam | לְבִלְתִּ֤י (levilti) = opdat niet | הֵחֵל֙ (hechel) = zou worden ontheiligd | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = voor wie | הוֹצֵ֥אתִי (hotseti) = Ik had geleid | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | לְעֵינֵיהֶֽם (leeineihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 78:38; Jes 48:9–11; Jer 14:21; Ezech 20:9; Ezech 20:14 **20:23** **Ook hief Ik Mijn hand voor hen op in de woestijn: Ik zou hen onder de volken verspreiden en over de landen verstrooien.** Brontekst: גַּם (gam) = ook | אֲנִ֗י (ani) = Ik | נָשָׂ֧אתִי (nasati) = hief op | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֛י (yadi) = Mijn hand | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | בַּמִּדְבָּ֑ר (bamidbar) = in de woestijn | לְהָפִ֤יץ (lehafits) = om te verspreiden | אֹתָם֙ (otam) = hen | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | וּלְזָר֥וֹת (ulezarot) = en te verstrooien | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | בָּאֲרָצֽוֹת (baaratsot) = over de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהָפִיץ (lehafits), ‘te verspreiden’, en לְזָרוֹת (lezarot), ‘te verstrooien’: de dreiging van de ballingschap, zoals in Lev. 26:33. Zie ook: Lev 26:33; Deut 28:64–68; Deut 32:40; Ps 106:27; Ezech 20:15 **20:24** **Want zij hadden Mijn rechtsregels niet gedaan, Mijn voorschriften verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd. Hun ogen waren gericht op de mestgoden van hun vaders.** Brontekst: יַ֜עַן (yaan) = omdat | מִשְׁפָּטַ֤י (mishpatay) = Mijn rechtsregels | לֹֽא (lo) = niet | עָשׂוּ֙ (asu) = deden zij | וְחֻקּוֹתַ֣י (vechuqotay) = en Mijn voorschriften | מָאָ֔סוּ (maasu) = verwierpen zij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁבְּתוֹתַ֖י (shabetotay) = Mijn sabbatten | חִלֵּ֑לוּ (chilelu) = ontheiligden zij | וְאַחֲרֵי֙ (veacharei) = en achter | גִּלּוּלֵ֣י (gilulei) = de mestgoden van | אֲבוֹתָ֔ם (avotam) = hun vaders | הָי֖וּ (hayu) = waren | עֵינֵיהֶֽם (eineihem) = hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:19; Amos 2:4; Ezech 6:9; Ezech 20:13; Ezech 20:16 **20:25** **Ook gaf Ik hun voorschriften die niet goed waren en rechtsregels waardoor zij niet zouden leven.** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִי֙ (ani) = Ik | נָתַ֣תִּי (natati) = gaf | לָהֶ֔ם (lahem) = hun | חֻקִּ֖ים (chuqim) = voorschriften | לֹ֣א (lo) = niet | טוֹבִ֑ים (tovim) = goede | וּמִ֨שְׁפָּטִ֔ים (umishpatim) = en rechtsregels | לֹ֥א (lo) = niet | יִֽחְי֖וּ (yichyu) = zouden zij leven | בָּהֶֽם (bahem) = door hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֻקִּים לֹא טוֹבִים (chuqqim lo tovim), ‘voorschriften die niet goed waren’: het Hebreeuws zegt dat Yahweh deze gaf. Wat daarmee bedoeld is, wordt niet uitgelegd. Vers 26 noemt het gevolg: de offers van eerstgeborenen. Sommigen verbinden dit met de geboden over de eerstgeborene (Exod. 13:2). De tekst laat het zonder verdere uitleg staan. Zie ook: Ex 13:2; Ps 81:13; Jes 66:4; Ezech 14:9–11; Ezech 20:26; Ezech 20:39 **20:26** **Ik maakte hen onrein door hun gaven, doordat zij alles wat de moederschoot opent, lieten overgaan. Zo sloeg Ik hen met ontzetting, opdat zij zouden weten dat Ik Yahweh ben.’** Brontekst: וָאֲטַמֵּ֤א (vaatame) = en Ik maakte onrein | אוֹתָם֙ (otam) = hen | בְּמַתְּנוֹתָ֔ם (bematenotam) = door hun gaven | בְּהַעֲבִ֖יר (behaavir) = doordat zij lieten overgaan | כָּל (kal) = alles | פֶּ֣טֶר (peter) = wat opent | רָ֑חַם (racham) = de moederschoot | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | אֲשִׁמֵּ֔ם (ashimem) = Ik hen met ontzetting sloeg | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | יֵֽדְע֔וּ (yedeu) = zij zouden weten | אֲשֶׁ֖ר (asher) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּטֶר רֶחֶם (peter rechem), ‘wat de moederschoot opent’: de eerstgeborene, zoals in Exod. 13:2. De uitdrukking ‘lieten overgaan’ wijst op het kind door het vuur laten gaan (vers 31). Voetnoot : לְמַעַן אֲשִׁמֵּם (lema’an ashimmem), ‘opdat Ik hen met ontzetting sloeg’: het werkwoord שָׁמֵם (shamem) betekent ‘verwoest, ontzet zijn’. De bedoeling is dat zij zich van Hem bewust worden. Voetnoot : Hier eindigt de eerste toespraak over de geschiedenis (vers 5–26). Zie ook: Ex 13:2; Lev 18:21; 2 Kon 17:17; Jes 63:17; Ezech 6:7; Ezech 20:5–26; Ezech 20:31 ### In het land: ontrouw op de hoogten **20:27** **Daarom, spreek tot het huis van Israël, mensenkind, en zeg tot hen:** Zo zegt Heer Yahweh: **‘Ook hierin hebben jullie vaders Mij gelasterd door ontrouw aan Mij te plegen.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | דַּבֵּ֨ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בֵּ֤ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֔ם (adam) = mensen | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | ע֗וֹד (od) = nog | זֹ֚את (zot) = dit | גִּדְּפ֤וּ (gidefu) = lasterden | אוֹתִי֙ (oti) = Mij | אֲב֣וֹתֵיכֶ֔ם (avoteikhem) = jullie vaders | בְּמַעֲלָ֥ם (bemaalam) = door te handelen | בִּ֖י (bi) = tegen Mij | מָֽעַל (maal) = ontrouw Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּדְּפוּ (giddefu), ‘zij lasterden’: het werkwoord גָּדַף (gadaf) betekent ‘smaden, lasteren’. Voetnoot : בְּמַעֲלָם בִּי מָעַל (bema’alam bi ma’al), ‘door ontrouw aan Mij te plegen’: letterlijk ‘door tegen Mij ontrouw te zijn’; zoals Ezech. 17:20. Zie ook: Ezech 2:7; Ezech 3:4; Ezech 3:11; Ezech 3:27; Ezech 17:20; Rom 2:24 **20:28** **Ik bracht hen naar het land waarover Ik Mijn hand had opgeheven om het hun te geven. Zij zagen elke hoge heuvel en elke bladerrijke boom. Daar slachtten zij hun slachtoffers. Daar gaven zij hun ergernis wekkende offergave. Daar legden zij hun aangename geur neer. Daar goten zij hun plengoffers uit.** Brontekst: וָאֲבִיאֵם֙ (vaaviem) = en Ik bracht hen | אֶל (el) = naar | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarover | נָשָׂ֨אתִי֙ (nasati) = Ik hief op | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֔י (yadi) = Mijn hand | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | אוֹתָ֖הּ (otah) = het | לָהֶ֑ם (lahem) = aan hen | וַיִּרְאוּ֩ (vayiru) = en zij zagen | כָל (kal) = elke | גִּבְעָ֨ה (giva) = heuvel | רָמָ֜ה (rama) = hoge | וְכָל (vekhal) = en elke | עֵ֣ץ (ets) = boom | עָבֹ֗ת (avot) = bladerrijke | וַיִּזְבְּחוּ (vayizbechu) = en zij slachtten | שָׁ֤ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | זִבְחֵיהֶם֙ (zivcheihem) = hun slachtoffers | וַיִּתְּנוּ (vayitenu) = en zij gaven | שָׁם֙ (sham) = daar | כַּ֣עַס (kaas) = ergernis van | קָרְבָּנָ֔ם (qarbanam) = hun offergave | וַיָּשִׂ֣ימוּ (vayasimu) = en zij legden | שָׁ֗ם (sham) = daar | רֵ֚יחַ (reiach) = geur van | נִיח֣וֹחֵיהֶ֔ם (nichocheihem) = hun aangename | וַיַּסִּ֥יכוּ (vayasikhu) = en zij goten uit | שָׁ֖ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | נִסְכֵּיהֶֽם (niskeihem) = hun plengoffers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבְעָה רָמָה (givah ramah), ‘hoge heuvel’, en עֵץ עָבֹת (ets avot), ‘bladerrijke boom’: de plaatsen van de afgodsdienst; zie 2 Kon. 17:10. Voetnoot : כַּעַס קָרְבָּנָם (ka’as qorbanam), ‘hun ergernis wekkende offergave’: het offer dat Yahweh tot ergernis is. Voetnoot : רֵיחַ נִיחוֹחֵיהֶם (reach nichochehem), ‘hun aangename geur’: dezelfde uitdrukking als bij de offers voor Yahweh (Lev. 1:9). Hier brengen zij haar aan andere goden. Zie ook: Lev 1:9; Joz 23:14; 2 Kon 17:10; Jer 2:7; Jer 3:6; Ezech 6:13; Neh 9:22–26 **20:29** **Ik zei tot hen: „Wat is die hoogte waar jullie heen gaan?” Haar naam wordt Bama genoemd tot op deze dag.’** Brontekst: וָאֹמַ֣ר (vaomar) = en Ik zei | אֲלֵהֶ֔ם (alehem) = tot hen | מָ֣ה (ma) = wat | הַבָּמָ֔ה (habama) = de hoogte | אֲשֶׁר (asher) = waar | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | הַבָּאִ֖ים (habaim) = gaan | שָׁ֑ם (sham) = daar | וַיִּקָּרֵ֤א (vayiqare) = en genoemd werd | שְׁמָהּ֙ (shemah) = haar naam | בָּמָ֔ה (bama) = Bama | עַ֖ד (ad) = tot | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמָה (bamah), ‘hoogte’: in het Hebreeuws klinkt de vraag ‘wat’ (מָה, mah) en ‘gaan’ (בָּאִים, ba’im) samen met de naam bamah. Ezechiël speelt zo met de naam. Het is een woordspeling. Voetnoot : Het woord בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’, is hetzelfde als in Ezech. 6:3. Zie ook: Ezech 6:3; Ezech 16:24–25; Ezech 16:31 ### Gaan jullie achter jullie gruwelbeelden aan? **20:30** **Daarom, zeg tot het huis van Israël:** Zo zegt Heer Yahweh: **‘Maken jullie je onrein op de weg van jullie vaders? Lopen jullie hoererend achter hun gruwelbeelden aan?** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tot | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הַבְּדֶ֥רֶךְ (habederekh) = op de weg van | אֲבֽוֹתֵיכֶ֖ם (avoteikhem) = jullie vaders | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | נִטְמְאִ֑ים (nitmeim) = maken jullie onrein | וְאַחֲרֵ֥י (veacharei) = en achter | שִׁקּוּצֵיהֶ֖ם (shiqutseihem) = hun gruwelbeelden | אַתֶּ֥ם (atem) = jullie | זֹנִֽים (zonim) = hoereren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֹנִים (zonim), ‘hoererend’: het werkwoord זָנָה (zanah) wordt in de profeten voor afgoderij gebruikt, zoals in Hos. 4:12. Wij laten de letterlijke vertaling staan. Voetnoot : שִׁקּוּצֵיהֶם (shiqqutseihem), ‘hun gruwelbeelden’: zie vers 7. Zie ook: Re 2:19; Hos 4:12; Jer 7:26; Jer 16:12; Ezech 20:7; Mat 23:32; Hand 7:51 **20:31** **Wanneer jullie jullie gaven brengen en jullie zonen door het vuur laten gaan, maken jullie je tot op heden onrein met al jullie mestgoden. Zou Ik Mij dan door jullie laten raadplegen, huis van Israël? Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Ik zal Mij door jullie niet laten raadplegen.** Brontekst: וּבִשְׂאֵ֣ת (uviset) = en bij het brengen van | מַתְּנֹֽתֵיכֶ֡ם (matenoteikhem) = jullie gaven | בְּֽהַעֲבִיר֩ (behaavir) = bij het laten overgaan | בְּנֵיכֶ֨ם (beneikhem) = jullie zonen | בָּאֵ֜שׁ (baesh) = door het vuur | אַתֶּם֩ (atem) = jullie | נִטְמְאִ֤֨ים (nitmeim) = maken jullie onrein | לְכָל (lekhal) = met al | גִּלּֽוּלֵיכֶם֙ (giluleikhem) = jullie mestgoden | עַד (ad) = tot | הַיּ֔וֹם (hayom) = vandaag | וַאֲנִ֛י (vaani) = en Ik | אִדָּרֵ֥שׁ (idaresh) = zou Mij laten raadplegen | לָכֶ֖ם (lakhem) = door jullie | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | חַי (chay) = leven | אָ֗נִי (ani) = Ik | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | אִדָּרֵ֖שׁ (idaresh) = laat Ik Mij raadplegen | לָכֶֽם (lakhem) = door jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּהַעֲבִיר בְּנֵיכֶם בָּאֵשׁ (beha’avir beneikhem ba’esh), ‘door jullie zonen door het vuur te laten gaan’: kinderoffers voor een andere god; zie 2 Kon. 17:17 en 2 Kon. 23:10. Voetnoot : De vraag ‘Zou Ik Mij dan door jullie laten raadplegen?’ en de eed erna beantwoorden de vraag van vers 1–3. Zie ook: Ps 106:37–39; 2 Kon 17:17; 2 Kon 23:10; Jes 1:15; Jer 7:31; Ezech 16:20; Ezech 20:1–3; Ezech 20:26 **20:32** **Wat in jullie geest opkomt, zal helemaal niet gebeuren. Jullie zeggen: „Laten wij zijn als de volken, als de families van de landen, en hout en steen dienen.”** Brontekst: וְהָֽעֹלָה֙ (vehaola) = en wat opkomt | עַל (al) = in | ר֣וּחֲכֶ֔ם (ruchakhem) = jullie geest | הָי֖וֹ (hayo) = zijn | לֹ֣א (lo) = niet | תִֽהְיֶ֑ה (tihye) = zal gebeuren | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | אַתֶּ֣ם (atem) = jullie | אֹמְרִ֗ים (omerim) = zeggen | נִֽהְיֶ֤ה (nihye) = laten wij zijn | כַגּוֹיִם֙ (kagoyim) = als de volken | כְּמִשְׁפְּח֣וֹת (kemishpechot) = als de families van | הָאֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | לְשָׁרֵ֖ת (lesharet) = om te dienen | עֵ֥ץ (ets) = hout | וָאָֽבֶן (vaaven) = en steen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָעֹלָה עַל־רוּחֲכֶם (ha’olah al ruchakhem), ‘wat in jullie geest opkomt’: het plan dat de ballingen koesteren. Zij willen zo worden als de volken om hen heen. Yahweh zegt dat dit niet zal gebeuren. Voetnoot : לְשָׁרֵת עֵץ וָאָבֶן (leshaaret ets va’aven), ‘hout en steen dienen’: afgoden van hout en steen; vergelijk Deut. 28:36. Zie ook: Deut 4:28; Deut 28:36; Jer 44:17; Ezech 11:5; Dan 5:4; Openb 9:20 ### Yahweh zal als koning over jullie regeren **20:33** **Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: zeker, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgegoten woede zal Ik over jullie regeren.** Brontekst: חַי (chay) = leven | אָ֕נִי (ani) = Ik | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | לֹ֠א (lo) = niet | בְּיָ֨ד (beyad) = met hand | חֲזָקָ֜ה (chazaqa) = sterke | וּבִזְר֧וֹעַ (uvizroa) = en met arm | נְטוּיָ֛ה (netuya) = uitgestrekte | וּבְחֵמָ֥ה (uvechema) = en met woede | שְׁפוּכָ֖ה (shefukha) = uitgegoten | אֶמְל֥וֹךְ (emlokh) = zal Ik regeren | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = over jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּיָד חֲזָקָה וּבִזְרוֹעַ נְטוּיָה (beyad chazaqah uvizro’a netuyah), ‘met sterke hand en uitgestrekte arm’: de woorden van de eerste uittocht (Deut. 26:8). Hier worden ze gebruikt voor de tweede. Voetnoot : אֶמְלוֹךְ (emlokh), ‘Ik zal regeren’: Yahweh wordt zelf koning over hen. Hij regeert met uitgegoten woede. Zie ook: Deut 26:8; Jer 21:5; Jer 42:18; Jer 44:6; Ezech 8:18; Dan 9:11–12 **20:34** **Ik zal jullie wegleiden uit de volken en jullie bijeenbrengen uit de landen waarover jullie verstrooid zijn. Dat doe Ik met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgegoten woede.** Brontekst: וְהוֹצֵאתִ֤י (vehotseti) = en Ik zal leiden | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מִן (min) = uit | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | וְקִבַּצְתִּ֣י (veqibatsti) = en Ik zal bijeenbrengen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | מִן (min) = uit | הָ֣אֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarover | נְפוֹצֹתֶ֖ם (nefotsotem) = jullie verstrooid zijn | בָּ֑ם (bam) = daarin | בְּיָ֤ד (beyad) = met hand | חֲזָקָה֙ (chazaqa) = sterke | וּבִזְר֣וֹעַ (uvizroa) = en met arm | נְטוּיָ֔ה (netuya) = uitgestrekte | וּבְחֵמָ֖ה (uvechema) = en met woede | שְׁפוּכָֽה (shefukha) = uitgegoten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Amos 9:9–10; Jes 27:9–13; Jer 44:6; Ezech 20:38; Ezech 34:16 **20:35** **Ik zal jullie brengen naar de woestijn van de volken. Daar zal Ik jullie oordelen, van aangezicht tot aangezicht.** Brontekst: וְהֵבֵאתִ֣י (veheveti) = en Ik zal brengen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | מִדְבַּ֖ר (midbar) = woestijn van | הָֽעַמִּ֑ים (haamim) = de volken | וְנִשְׁפַּטְתִּ֤י (venishpatti) = en Ik zal oordelen | אִתְּכֶם֙ (itekhem) = jullie | שָׁ֔ם (sham) = daar | פָּנִ֖ים (panim) = aangezicht | אֶל (el) = tot | פָּנִֽים (panim) = aangezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִדְבַּר הָעַמִּים (midbar ha’ammim), ‘de woestijn van de volken’: een beeld, geen bestaande plaats. De ballingen worden opnieuw door een woestijn geleid, zoals Hos. 2:16. Daar wordt gericht gehouden. Voetnoot : פָּנִים אֶל־פָּנִים (panim el panim), ‘van aangezicht tot aangezicht’: Yahweh treedt zelf voor hen op, zonder bemiddelaar; vergelijk Deut. 5:4. Zie ook: Deut 5:4; Hos 2:16; Jer 2:35; Ezech 17:20; Ezech 20:36; Openb 12:14 **20:36** **Zoals Ik jullie vaders heb geoordeeld in de woestijn van het land Egypte, zo zal Ik jullie oordelen, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: כַּאֲשֶׁ֤ר (kaasher) = zoals | נִשְׁפַּ֨טְתִּי֙ (nishpatti) = Ik oordeelde | אֶת (et) = (obj.) | אֲב֣וֹתֵיכֶ֔ם (avoteikhem) = jullie vaders | בְּמִדְבַּ֖ר (bemidbar) = in de woestijn van | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | כֵּ֚ן (ken) = zo | אִשָּׁפֵ֣ט (ishafet) = zal Ik oordelen | אִתְּכֶ֔ם (itekhem) = jullie | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Num 11:1–35; Num 14:1–45; Ezech 20:13; Ezech 20:21; 1 Kor 10:5–10 **20:37** **Ik zal jullie onder de staf laten doorgaan en jullie brengen onder de band van het verbond.** Brontekst: וְהַעֲבַרְתִּ֥י (vehaavarti) = en Ik zal laten doorgaan | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | תַּ֣חַת (tachat) = onder | הַשָּׁ֑בֶט (hashavet) = de staf | וְהֵבֵאתִ֥י (veheveti) = en Ik zal brengen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בְּמָסֹ֥רֶת (bemasoret) = in de band van | הַבְּרִֽית (haberit) = het verbond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחַת הַשָּׁבֶט (tachat hashshavet), ‘onder de staf’: de herder telt zijn schapen als ze onder zijn staf doorgaan (Lev. 27:32). Zo telt Yahweh wie bij Hem hoort. Voetnoot : בִּמְסֹרֶת הַבְּרִית (bimsoret haberit), ‘onder de band van het verbond’: het woord מָסֹרֶת (masoret) komt alleen hier voor; de betekenis ‘band, verplichting’ is niet zeker. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Lev 27:32; Ps 89:31–33; Jer 33:13; Ezech 16:59–60; Mat 25:32–33 **20:38** **Ik zal uit jullie midden de opstandigen en de overtreders tegen Mij zuiveren. Uit het land waar zij als vreemdelingen wonen, zal Ik hen wegleiden. Naar de grond van Israël zullen zij niet komen. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וּבָרוֹתִ֣י (uvaroti) = en Ik zal zuiveren | מִכֶּ֗ם (mikem) = uit jullie midden | הַמֹּרְדִ֤ים (hamoredim) = de opstandigen | וְהַפּֽוֹשְׁעִים֙ (vehaposheim) = en de overtreders | בִּ֔י (bi) = tegen Mij | מֵאֶ֤רֶץ (meerets) = uit het land van | מְגֽוּרֵיהֶם֙ (megureihem) = hun vreemdelingschap | אוֹצִ֣יא (otsi) = Ik zal leiden | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | וְאֶל (veel) = maar naar | אַדְמַ֥ת (admat) = grond van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֹ֣א (lo) = niet | יָב֑וֹא (yavo) = zullen zij komen | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּרוֹתִי (barothi), ‘Ik zal zuiveren’: het werkwoord בָּרַר (barar) betekent ‘uitzoeken, zuiveren’, een scheiding tussen wie trouw is en wie niet. De opstandigen komen niet in het land (vergelijk Num. 14:29–30). Zie ook: Num 14:29–30; Ps 95:11; Amos 9:9–10; Ezech 6:7; Ezech 13:9; Mal 3:19–21 ### Op Mijn heilige berg zullen jullie Mij dienen **20:39** **En jullie, huis van Israël,** zo zegt Heer Yahweh: **ga heen, dien ieder zijn mestgoden. En daarna, wanneer jullie niet naar Mij luisteren: Mijn heilige naam zullen jullie niet meer ontheiligen met jullie gaven en jullie mestgoden.** Brontekst: וְאַתֶּ֨ם (veatem) = en jullie | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | גִּלּוּלָיו֙ (gilulav) = zijn mestgoden | לְכ֣וּ (lekhu) = gaat | עֲבֹ֔דוּ (avodu) = dient | וְאַחַ֕ר (veachar) = en daarna | אִם (im) = als | אֵינְכֶ֖ם (einekhem) = niet jullie zijn | שֹׁמְעִ֣ים (shomeim) = luisterend | אֵלָ֑י (elay) = naar Mij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שֵׁ֤ם (shem) = naam van | קָדְשִׁי֙ (qadeshi) = Mijn heiligheid | לֹ֣א (lo) = niet | תְחַלְּלוּ (techalelu) = zullen jullie ontheiligen | ע֔וֹד (od) = meer | בְּמַתְּנֽוֹתֵיכֶ֖ם (bematenoteikhem) = met jullie gaven | וּבְגִלּוּלֵיכֶֽם (uvegiluleikhem) = en met jullie mestgoden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk. Letterlijk staat er: ‘Jullie, huis van Israël, zo zegt Heer Yahweh: ieder gaat zijn mestgoden dienen, en daarna, als jullie niet naar Mij luisteren, en Mijn heilige naam ontheiligen jullie niet meer.’ Het kan een bittere uitnodiging zijn (‘ga maar’) of een woord dat voortzet met de belofte van vers 40. Wij houden de zinsbouw zoals ze staat. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Re 10:14; Hos 4:17; Jes 1:13–15; Ezech 20:25–26; Ezech 20:40; Ezech 43:7 **20:40** **Want op Mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, godsspraak van Heer Yahweh: daar zal heel het huis van Israël Mij dienen, allen in het land. Daar zal Ik hen gunstig aannemen. Daar zal Ik jullie heffingen zoeken en de eerste van jullie gaven, met al jullie heilige dingen.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בְהַר (behar) = op de berg van | קָדְשִׁ֞י (qadeshi) = Mijn heiligheid | בְּהַ֣ר (behar) = op de berg van | מְר֣וֹם (merom) = hoogte van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שָׁ֣ם (sham) = daar | יַעַבְדֻ֜נִי (yaavduni) = zal Mij dienen | כָּל (kal) = heel | בֵּ֧ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | כֻּלֹּ֖ה (kulo) = allen | בָּאָ֑רֶץ (baarets) = in het land | שָׁ֣ם (sham) = daar | אֶרְצֵ֔ם (ertsem) = zal Ik hen aannemen | וְשָׁ֞ם (vesham) = en daar | אֶדְר֣וֹשׁ (edrosh) = zal Ik zoeken | אֶת (et) = (obj.) | תְּרוּמֹֽתֵיכֶ֗ם (terumoteikhem) = jullie heffingen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | רֵאשִׁ֛ית (reshit) = eerste van | מַשְׂאוֹתֵיכֶ֖ם (masoteikhem) = jullie gaven | בְּכָל (bekhal) = met al | קָדְשֵׁיכֶֽם (qadesheikhem) = jullie heilige dingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַר מְרוֹם יִשְׂרָאֵל (har merom Yisra’el), ‘de hoge berg van Israël’: zoals in Ezech. 17:23. Het is Sion. Voetnoot : אֶרְצֵם (ertsem), ‘Ik zal hen aannemen’: het werkwoord רָצָה (ratsah) betekent ‘gunstig aannemen, welgevallen hebben’; de vorm is ongewoon geschreven. Voetnoot : תְּרוּמֹתֵיכֶם (terumotekhem), ‘jullie heffingen’: wat men voor Yahweh afzondert (zoals Lev. 22:12). רֵאשִׁית מַשְּׂאוֹתֵיכֶם (reshit massot’ekhem), ‘de eerste van jullie gaven’: de eerstelingen. Zie ook: Lev 22:12; Jes 56:7; Jes 60:7; Jes 66:23; Ezech 17:23; Mal 3:4; 1 Petr 2:5 **20:41** **Als een aangename geur zal Ik jullie gunstig aannemen. Dat gebeurt wanneer Ik jullie uit de volken leid en jullie bijeenbreng uit de landen waarover jullie verstrooid waren. Dan zal Ik Mij in jullie heilig tonen voor de ogen van de volken.** Brontekst: בְּרֵ֣יחַ (bereiach) = als de geur van | נִיחֹחַ֮ (nichoach) = aangename | אֶרְצֶ֣ה (ertse) = zal Ik aannemen | אֶתְכֶם֒ (etkhem) = jullie | בְּהוֹצִיאִ֤י (behotsii) = wanneer Ik leid | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מִן (min) = uit | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | וְקִבַּצְתִּ֣י (veqibatsti) = en bijeenbreng | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | מִן (min) = uit | הָ֣אֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarover | נְפֹצֹתֶ֖ם (nefotsotem) = jullie verstrooid zijn | בָּ֑ם (bam) = daarin | וְנִקְדַּשְׁתִּ֥י (veniqdashti) = en Ik zal Mij heilig tonen | בָכֶ֖ם (bakhem) = in jullie | לְעֵינֵ֥י (leeinei) = voor de ogen van | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרֵיחַ נִיחֹחַ (bereach nichoach), ‘als een aangename geur’: het beeld van een geslaagd offer; vergelijk vers 28. Nu is Israël zelf de aangename geur. Voetnoot : וְנִקְדַּשְׁתִּי בָכֶם (venikdashti vakhem), ‘en Ik zal Mij in jullie heilig tonen’: de volken zien dat Yahweh heilig is door wat Hij met Israël doet. Zie ook Ezech. 36:23. Zie ook: Jer 30:3; Ezech 11:17; Ezech 20:28; Ezech 28:22; Ezech 28:25; Ezech 36:23; Ezech 38:23 **20:42** **Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben. Dat gebeurt wanneer Ik jullie breng naar de grond van Israël. Dat is het land waarover Ik Mijn hand heb opgeheven om het aan jullie vaders te geven.** Brontekst: וִֽידַעְתֶּם֙ (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בַּהֲבִיאִ֥י (bahavii) = wanneer Ik breng | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | אַדְמַ֣ת (admat) = grond van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֶל (el) = naar | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarover | נָשָׂ֨אתִי֙ (nasati) = Ik hief op | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֔י (yadi) = Mijn hand | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | אוֹתָ֖הּ (otah) = het | לַאֲבֽוֹתֵיכֶֽם (laavoteikhem) = aan jullie vaders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 24:7; Jer 31:34; Ezech 34:13; Ezech 36:23–24; Ezech 38:23 **20:43** **Daar zullen jullie terugdenken aan jullie wegen en aan al jullie daden waardoor jullie je onrein hebben gemaakt. Jullie zullen walgen van jezelf om al het kwaad dat jullie deden.** Brontekst: וּזְכַרְתֶּם (uzekhartem) = en jullie zullen terugdenken | שָׁ֗ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכֵיכֶם֙ (darkheikhem) = jullie wegen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | עֲלִיל֣וֹתֵיכֶ֔ם (aliloteikhem) = jullie daden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waardoor | נִטְמֵאתֶ֖ם (nitmetem) = jullie jullie onrein maakten | בָּ֑ם (bam) = daardoor | וּנְקֹֽטֹתֶם֙ (uneqototem) = en jullie zullen walgen | בִּפְנֵיכֶ֔ם (bifneikhem) = van jullie gezichten | בְּכָל (bekhal) = om al | רָעוֹתֵיכֶ֖ם (raoteikhem) = jullie kwaad | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | עֲשִׂיתֶֽם (asitem) = jullie deden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּנְקֹטֹתֶם בִּפְנֵיכֶם (unqotottem bifneikhem), ‘jullie zullen walgen van jezelf’: letterlijk ‘jullie zullen jezelf in jullie gezichten verafschuwen’. Zie ook Ezech. 36:31. Zie ook: Hos 5:15; Jer 31:18; Ezech 6:9; Ezech 36:31; Zach 12:10–14 **20:44** **Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben. Dat gebeurt wanneer Ik omwille van Mijn naam met jullie handel. Niet naar jullie boze wegen en niet naar jullie verdorven daden, huis van Israël, godsspraak van Heer Yahweh.’”** Brontekst: וִֽידַעְתֶּם֙ (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בַּעֲשׂוֹתִ֥י (baasoti) = wanneer Ik handel | אִתְּכֶ֖ם (itekhem) = met jullie | לְמַ֣עַן (lemaan) = omwille van | שְׁמִ֑י (shemi) = Mijn naam | לֹא֩ (lo) = niet | כְדַרְכֵיכֶ֨ם (kedarkheikhem) = naar jullie wegen | הָרָעִ֜ים (haraim) = de boze | וְכַעֲלִילֽוֹתֵיכֶ֤ם (vekhaaliloteikhem) = en naar jullie daden | הַנִּשְׁחָתוֹת֙ (hanishchatot) = de verdorven | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְמַעַן שְׁמִי (lema’an shemi), ‘omwille van Mijn naam’: de redenering van vers 9, 14 en 22 komt nu bij het slot. Het nieuwe begin is niet een verdienste van Israël, maar Yahweh’s trouw aan Zijn naam. Voetnoot : Hier eindigt de toespraak die in vers 3 begon. De Nederlandse telling rekent het volgende woord van Yahweh (Hebreeuws 21:1–5) nog tot dit hoofdstuk: NL 20:45–49. Zie ook: Ps 115:1; Ezech 20:3; Ezech 20:9; Ezech 20:14; Ezech 20:22; Ezech 24:24 ## Ezechiël 21 _Het woud in de Negev, het zwaard van Yahweh en de tweesprong van de koning van Babel_ ### Het vuur in het woud van de Negev **21:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier telt het Hebreeuws anders dan de Nederlandse bijbels. Hebr. 21:1–5 is in de Nederlandse telling 20:45–49, en Hebr. 21:6–37 is Nederlands 21:1–32. Wij volgen de Hebreeuwse telling. De app zet de kruisverwijzingen zelf om. Zie ook: Heb 21:1–5; Heb 21:6–37 **21:2** **„Mensenkind, richt je gezicht naar het zuiden. Laat je woorden druppelen naar het zuiden en profeteer tegen het woud van het veld in de Negev.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | שִׂ֤ים (sim) = zet | פָּנֶ֨יךָ֙ (paneikha) = je gezicht | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = in de richting van | תֵּימָ֔נָה (teimana) = het zuiden (Teman) | וְהַטֵּ֖ף (vehatef) = en laat druppelen | אֶל (el) = naar | דָּר֑וֹם (darom) = het zuiden | וְהִנָּבֵ֛א (vehinave) = en profeteer | אֶל (el) = tegen | יַ֥עַר (yaar) = woud van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | נֶֽגֶב (negev) = Negev Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: תֵּימָנָה (teimanah), ‘naar het zuiden’: letterlijk ‘naar Teman’, de streek in het zuiden. דָּרוֹם (darom), ‘het zuiden’, en נֶגֶב (negev), ‘de Negev’, het droge zuiden van Juda: drie woorden voor dezelfde richting. Voetnoot : הַטֵּף (hatef), ‘laat druppelen’: een beeld voor profetisch spreken. Vergelijk Amos 7:16 en Mi. 2:6. Voetnoot : יַעַר הַשָּׂדֶה (ya’ar hassadeh), ‘woud van het veld’: een beeld. De tekst zegt niet wie of wat ermee bedoeld wordt. Zie ook: Job 29:22; Amos 7:16; Mi 2:6; Jer 13:19; Ezech 6:2; Ezech 21:7 **21:3** **Zeg tegen het woud van de Negev: ‘Hoor het woord van Yahweh.** Zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik steek een vuur in je aan. Het zal in je elke groene boom verteren en elke droge boom. De laaiende vlam wordt niet gedoofd. Alle gezichten worden erdoor verbrand, van het zuiden tot het noorden.** Brontekst: וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en je zult zeggen | לְיַ֣עַר (leyaar) = tegen het woud van | הַנֶּ֔גֶב (hanegev) = de Negev | שְׁמַ֖ע (shema) = hoor | דְּבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֡ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֣י (hinni) = zie, Ik | מַֽצִּית (matsit) = steek aan | בְּךָ֣ (bekha) = in jou | אֵ֡שׁ (esh) = een vuur | וְאָכְלָ֣ה (veakhela) = en het zal verteren | בְךָ֣ (bekha) = in jou | כָל (kal) = elke | עֵֽץ (ets) = boom | לַח֩ (lach) = groen | וְכָל (vekhal) = en elke | עֵ֨ץ (ets) = boom | יָבֵ֤שׁ (yavesh) = droog | לֹֽא (lo) = niet | תִכְבֶּה֙ (tikhbe) = zal gedoofd worden | לַהֶ֣בֶת (lahevet) = de laaiing van | שַׁלְהֶ֔בֶת (shalhevet) = de vlam | וְנִצְרְבוּ (venitsrevu) = en zullen verbrand worden | בָ֥הּ (bah) = daardoor | כָּל (kal) = alle | פָּנִ֖ים (panim) = gezichten | מִנֶּ֥גֶב (minegev) = van het zuiden | צָפֽוֹנָה (tsafona) = naar het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba. Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4. Voetnoot : Hier staat ‘Zo zegt Heer Yahweh’ midden in Yahweh’s opdracht aan Ezechiël. Wij zetten de formule zwart en wat volgt rood, zoals elders in de profeten. Voetnoot : לַהֶבֶת שַׁלְהֶבֶת (lahevet shalhevet), ‘de laaiing van de vlam’: twee verwante woorden voor een brandend vuur. Zie ook: Jes 9:17–18; Jes 24:1–6; Jer 21:14; Ezech 2:4; Ezech 17:24; Luc 23:31 **21:4** **Dan zal alle vlees zien dat Ik, Yahweh, het heb aangestoken. Het zal niet gedoofd worden.’”** Brontekst: וְרָאוּ֙ (verau) = en zullen zien | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֔ר (basar) = vlees | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בִּֽעַרְתִּ֑יהָ (biartiha) = heb het aangestoken | לֹ֖א (lo) = niet | תִּכְבֶּֽה (tikhbe) = zal gedoofd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּשָׂר (basar), ‘vlees’: alle levende mensen, gezien als zwak en sterfelijk. Vergelijk Joël 3:1 (Hebr.). Zie ook: Deut 29:23–27; Joël 3:1; Jes 26:11; Jer 7:20; Jer 40:2–3; Klaagl 2:16–17 **21:5** Toen zei ik: „Ach, Heer Yahweh! Zij zeggen van mij: ‘Is hij niet iemand die gelijkenissen vertelt?’” Brontekst: וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | אֲהָ֖הּ (ahah) = ach | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הֵ֚מָּה (hema) = zij | אֹמְרִ֣ים (omerim) = zeggend | לִ֔י (li) = over mij | הֲלֹ֛א (halo) = niet | מְמַשֵּׁ֥ל (memashel) = een verteller van | מְשָׁלִ֖ים (meshalim) = gelijkenissen | הֽוּא (hu) = hij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְמַשֵּׁל מְשָׁלִים (memashel meshalim), ‘iemand die gelijkenissen vertelt’: מָשָׁל (mashal) is een gelijkenis, een raadsel of een spreuk. Het volk vindt dat Ezechiël in raadsels spreekt. Vergelijk Ezech. 17:2. Zie ook: Ezech 17:2; Mat 13:13–14; Joh 16:25; Hand 17:18 ### Het zwaard van Yahweh **21:6** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is in de Nederlandse telling 21:1. **21:7** **„Mensenkind, richt je gezicht naar Jeruzalem. Laat je woorden druppelen naar de heiligdommen en profeteer tegen het land van Israël.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | שִׂ֤ים (sim) = zet | פָּנֶ֨יךָ֙ (paneikha) = je gezicht | אֶל (el) = naar | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | וְהַטֵּ֖ף (vehatef) = en laat druppelen | אֶל (el) = naar | מִקְדָּשִׁ֑ים (miqdashim) = heiligdommen | וְהִנָּבֵ֖א (vehinave) = en profeteer | אֶל (el) = tegen | אַדְמַ֥ת (admat) = het land van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: מִקְדָּשִׁים (miqdashim), ‘heiligdommen’: meervoud van het woord voor ‘heiligdom’. Het gaat om de heilige plaatsen van Jeruzalem, in de eerste plaats de tempel. Voetnoot : אַדְמַת יִשְׂרָאֵל (admat Yisrael), ‘het land van Israël’: letterlijk ‘de grond van Israël’. Zie ook: Ezech 4:7; Ezech 21:2; Ezech 25:2; Ezech 28:21; Ef 6:19 **21:8** **Zeg tegen het land van Israël: ‘**Zo zegt Yahweh: **Zie, Ik ben tegen je. Ik trek Mijn zwaard uit zijn schede en Ik roei bij je de rechtvaardige en de goddeloze uit.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֞ (veamarta) = en je zult zeggen | לְאַדְמַ֣ת (leadmat) = tegen het land van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֣י (hinni) = zie, Ik | אֵלַ֔יִךְ (elayikh) = tegen jou | וְהוֹצֵאתִ֥י (vehotseti) = en Ik zal uittrekken | חַרְבִּ֖י (charbi) = Mijn zwaard | מִתַּעְרָ֑הּ (mitarah) = uit zijn schede | וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | מִמֵּ֖ךְ (mimekh) = uit jou | צַדִּ֥יק (tsadiq) = rechtvaardige | וְרָשָֽׁע (verasha) = en goddeloze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִנְנִי אֵלַיִךְ (hinneni elayich), ‘Zie, Ik ben tegen je’: een vaste formule van Yahweh. Vergelijk Nah. 2:14 en 3:5. Voetnoot : צַדִּיק וְרָשָׁע (tsaddiq verasha), ‘de rechtvaardige en de goddeloze’: het zwaard treft beide. Vergelijk Ezech. 18, waar het over de rechtvaardige en de goddeloze gaat. Voetnoot : תַּעְרָהּ (ta’rah), ‘schede’: het huls van het zwaard. Zie ook: Job 9:22; Nah 2:14; Nah 3:5; Jer 21:13; Ezech 5:8; Ezech 14:21; Ezech 21:14–16 **21:9** **Ik heb bij je de rechtvaardige en de goddeloze uitgeroeid. Daarom gaat Mijn zwaard uit zijn schede tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden.** Brontekst: יַ֛עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | הִכְרַ֥תִּי (hikhrati) = Ik heb uitgeroeid | מִמֵּ֖ךְ (mimekh) = uit jou | צַדִּ֣יק (tsadiq) = rechtvaardige | וְרָשָׁ֑ע (verasha) = en goddeloze | לָ֠כֵן (lakhen) = daarom | תֵּצֵ֨א (tetse) = zal uitgaan | חַרְבִּ֧י (charbi) = Mijn zwaard | מִתַּעְרָ֛הּ (mitarah) = uit zijn schede | אֶל (el) = tegen | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | מִנֶּ֥גֶב (minegev) = van het zuiden | צָפֽוֹן (tsafon) = naar het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De rechtvaardige wordt hier uitgeroeid met de goddeloze. Het Hebreeuws zegt niet dat de rechtvaardige ook schuldig is; het zwaard treft ‘alle vlees’. Zie ook: Ezech 6:11–14; Ezech 7:2; Ezech 21:3 **21:10** **Dan zal alle vlees weten dat Ik, Yahweh, Mijn zwaard uit zijn schede heb getrokken. Het zal niet meer terugkeren.’** Brontekst: וְיָֽדְעוּ֙ (veyadeu) = en zullen weten | כָּל (kal) = alle | בָּשָׂ֔ר (basar) = vlees | כִּ֚י (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הוֹצֵ֥אתִי (hotseti) = heb getrokken | חַרְבִּ֖י (charbi) = Mijn zwaard | מִתַּעְרָ֑הּ (mitarah) = uit zijn schede | לֹ֥א (lo) = niet | תָשׁ֖וּב (tashuv) = zal terugkeren | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Sam 3:12; Nah 1:9; Jer 23:20; Ezech 21:4; Ezech 21:35 ### Zucht voor hun ogen **21:11** **En jij, mensenkind, zucht! Met gebroken heupen en met bitterheid moet je zuchten voor hun ogen.** Brontekst: וְאַתָּ֥ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֖ם (adam) = mens | הֵֽאָנַ֑ח (heanach) = zucht | בְּשִׁבְר֤וֹן (beshivron) = met breuk van | מָתְנַ֨יִם֙ (matenayim) = heupen | וּבִמְרִיר֔וּת (uvimrirut) = en met bitterheid | תֵּֽאָנַ֖ח (teanach) = zul je zuchten | לְעֵינֵיהֶֽם (leeineihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁבְרוֹן מָתְנַיִם (shivron motnayim), ‘met gebroken heupen’: een beeld van diepe pijn. Het is een teken: Ezechiël zucht voor hun ogen, zodat zij vragen waarom (vers 12). Zie ook: Jes 16:11; Jes 22:4; Hab 3:16; Ezech 6:11; Ezech 9:4; Ezech 21:12 **21:12** **Dan zullen zij tegen je zeggen: ‘Waarom zucht je?’ En je zult zeggen: ‘Om het bericht, want het komt. Elk hart zal smelten, alle handen zullen slap worden, elke geest zal verflauwen en alle knieën zullen water worden. Zie, het komt en het zal gebeuren’, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: וְהָיָה֙ (vehaya) = en het zal zijn | כִּֽי (ki) = wanneer | יֹאמְר֣וּ (yomru) = zij zeggen | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tegen jou | עַל (al) = over | מָ֖ה (ma) = wat | אַתָּ֣ה (ata) = jij | נֶאֱנָ֑ח (neenach) = zuchtend | וְאָמַרְתָּ֡ (veamarta) = en je zult zeggen | אֶל (el) = om | שְׁמוּעָ֣ה (shemua) = bericht | כִֽי (ki) = want | בָאָ֡ה (baa) = het komt | וְנָמֵ֣ס (venames) = en zal smelten | כָּל (kal) = elk | לֵב֩ (lev) = hart | וְרָפ֨וּ (verafu) = en zullen slap worden | כָל (kal) = alle | יָדַ֜יִם (yadayim) = handen | וְכִהֲתָ֣ה (vekhihata) = en zal verflauwen | כָל (kal) = elke | ר֗וּחַ (ruach) = geest | וְכָל (vekhal) = en alle | בִּרְכַּ֨יִם֙ (birkayim) = knieën | תֵּלַ֣כְנָה (telakhna) = zullen gaan | מַּ֔יִם (mayim) = water | הִנֵּ֤ה (hine) = zie | בָאָה֙ (baa) = het komt | וְנִֽהְיָ֔תָה (venihyata) = en het zal gebeuren | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Voetnoot : שְׁמוּעָה (shemu’ah), ‘bericht’: het bericht van het naderende oordeel. Voetnoot : וְכָל בִּרְכַּיִם תֵּלַכְנָה מַּיִם (vechol birkayim telachnah mayim), ‘alle knieën zullen water worden’: letterlijk ‘alle knieën gaan water’. Zo staat het ook in Ezech. 7:17. Zie ook: Jes 13:7; Nah 2:11; Jer 50:43; Ezech 5:11; Ezech 7:17; Heb 12:12 ### Het lied van het zwaard **21:13** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:14** **„Mensenkind, profeteer en zeg: ‘**Zo zegt de Heer: **Zeg: Een zwaard, een zwaard! Het is geslepen en ook gepolijst.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הִנָּבֵא֙ (hinave) = profeteer | וְאָ֣מַרְתָּ֔ (veamarta) = en je zult zeggen | כֹּ֖ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֑י (adonay) = de Heer | אֱמֹ֕ר (emor) = zeg | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard | חֶ֛רֶב (cherev) = zwaard | הוּחַ֖דָּה (huchada) = is geslepen | וְגַם (vegam) = en ook | מְרוּטָֽה (meruta) = gepolijst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier staat Adonai zonder Yahweh. Wij vertalen ‘de Heer’. Voetnoot : Vanaf hier tot vers 22 volgt het lied van het zwaard. Het Hebreeuws is kort en abrupt; wij laten dat zo. Voetnoot : אֱמֹר (emor), ‘zeg’: Yahweh geeft Ezechiël de woorden van het lied. Wat Ezechiël moet zeggen, loopt door tot vers 22. Zie ook: Amos 9:4; Jes 34:5–6; Jes 66:16; Ezech 21:8; Ezech 21:22; Ezech 21:33 **21:15** **Het is geslepen om een slachting aan te richten. Het is gepolijst om te flitsen als de bliksem. Zullen wij ons dan verheugen? De staf van Mijn zoon veracht elk hout.** Brontekst: לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | טְבֹ֤חַ (tevoach) = te slachten | טֶ֨בַח֙ (tevach) = slachting | הוּחַ֔דָּה (huchada) = is geslepen | לְמַעַן (lemaan) = opdat | הֱיֵה (heye) = te zijn | לָ֥הּ (lah) = voor het | בָּ֖רָק (baraq) = bliksem | מֹרָ֑טָּה (morata) = gepolijst | א֣וֹ (o) = of | נָשִׂ֔ישׂ (nasis) = zullen wij ons verheugen | שֵׁ֥בֶט (shevet) = staf van | בְּנִ֖י (beni) = Mijn zoon | מֹאֶ֥סֶת (moeset) = verwerpend | כָּל (kal) = elk | עֵֽץ (ets) = hout Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. נָשִׂישׂ (nasis), ‘zullen wij ons verheugen’, kan ook uit een ander werkwoord komen. שֵׁבֶט בְּנִי (shevet beni), ‘de staf van Mijn zoon’: de tekst zegt niet wie ‘Mijn zoon’ is. Wij laten dat open. Voetnoot Lezing: Het slot van dit vers is in het Hebreeuws onzeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 110:5–6; Pred 3:4; Amos 6:3–7; Nah 1:10; Ezech 21:3 **21:16** **Men heeft het gegeven om gepolijst te worden, om met de hand te worden vastgegrepen. Dit zwaard is geslepen en gepolijst, om het in de hand van de doder te geven.** Brontekst: וַיִּתֵּ֥ן (vayiten) = en gaf | אֹתָ֛הּ (otah) = het | לְמָרְטָ֖ה (lemareta) = om gepolijst te worden | לִתְפֹּ֣שׂ (litpos) = om vast te grijpen | בַּכָּ֑ף (bakaf) = in de hand | הִֽיא (hi) = zij | הוּחַ֤דָּה (huchada) = is geslepen | חֶ֨רֶב֙ (cherev) = zwaard | וְהִ֣יא (vehi) = en zij | מֹרָ֔טָּה (morata) = gepolijst | לָתֵ֥ת (latet) = om te geven | אוֹתָ֖הּ (otah) = het | בְּיַד (beyad) = in de hand van | הוֹרֵֽג (horeg) = de doder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הוּחַדָּה (huchaddah), ‘geslepen’, en מֹרָטָּה (morattah), ‘gepolijst’: twee werkwoorden voor het gereedmaken van een wapen. Voetnoot : וַיִּתֵּן (vayitten), ‘en hij gaf’: het onderwerp wordt niet genoemd. Wij schrijven ‘men’. Voetnoot : הוֹרֵג (horeg), ‘doder’: wie doodt. Zie ook: Jer 25:9; Jer 25:33; Jer 51:20–23; Ezech 21:24 **21:17** **Schreeuw en jammer, mensenkind, want het is tegen Mijn volk gericht. Het is tegen alle vorsten van Israël gericht. Aan het zwaard overgeleverd zijn zij, samen met Mijn volk. Sla daarom op je dij.** Brontekst: זְעַ֤ק (zeaq) = schreeuw | וְהֵילֵל֙ (veheilel) = en jammer | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֔ם (adam) = mens | כִּי (ki) = want | הִיא֙ (hi) = zij | הָיתָ֣ה (hayta) = is geweest | בְעַמִּ֔י (beami) = tegen Mijn volk | הִ֖יא (hi) = zij | בְּכָל (bekhal) = tegen alle | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = vorsten van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | מְגוּרֵ֤י (megurei) = overgeleverden van | אֶל (el) = aan | חֶ֨רֶב֙ (cherev) = het zwaard | הָי֣וּ (hayu) = zijn geweest | אֶת (et) = met | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | לָכֵ֖ן (lakhen) = daarom | סְפֹ֥ק (sefoq) = sla | אֶל (el) = op | יָרֵֽךְ (yarekh) = dij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְגוּרֵי (megurei), ‘overgeleverden’: een zeldzaam woord, waarschijnlijk van het werkwoord voor ‘overgeven’. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : סְפֹק אֶל יָרֵךְ (sefoq el yarech), ‘sla op je dij’: een gebaar van verslagenheid of rouw. Zie ook: Joël 1:13; Jer 31:12; Jer 31:19; Ezech 21:11; Ezech 21:19 **21:18** **Want er is een beproeving. En wat, als zelfs de staf die verwerpt er niet zal zijn, godsspraak van Heer Yahweh?** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | בֹ֔חַן (bochan) = beproeving | וּמָ֕ה (uma) = en wat | אִם (im) = als | גַּם (gam) = ook | שֵׁ֥בֶט (shevet) = staf | מֹאֶ֖סֶת (moeset) = verwerpend | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽהְיֶ֑ה (yihye) = zal zijn | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בֹחַן (bochan), ‘beproeving’: het woord komt alleen hier voor. Het vers is kort en moeilijk. De staf die ‘verwerpt’ is dezelfde als in vers 15. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Job 9:23; Ezech 21:15; Ezech 21:30; 2 Kor 8:2 **21:19** **En jij, mensenkind, profeteer en klap in je handen. Het zwaard wordt verdubbeld, tot een derde keer toe: het zwaard van de gesneuvelden. Het is het zwaard van de grote gesneuvelde, het zwaard dat hen omsluit.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֔ם (adam) = mens | הִנָּבֵ֕א (hinave) = profeteer | וְהַ֖ךְ (vehakh) = en sla | כַּ֣ף (kaf) = handpalm | אֶל (el) = tegen | כָּ֑ף (kaf) = handpalm | וְתִכָּפֵ֞ל (vetikafel) = en zal verdubbeld worden | חֶ֤רֶב (cherev) = zwaard | שְׁלִישִׁ֨תָה֙ (shelishita) = haar derde | חֶ֣רֶב (cherev) = zwaard | חֲלָלִ֔ים (chalalim) = van gesneuvelden | הִ֗יא (hi) = zij | חֶ֚רֶב (cherev) = zwaard van | חָלָ֣ל (chalal) = gesneuvelde | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | הַחֹדֶ֖רֶת (hachoderet) = die omsluit | לָהֶֽם (lahem) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַחֹדֶרֶת (hachoderet), ‘dat omsluit’: het woord komt alleen hier voor. Het hoort bij het woord voor ‘kamer’ (cheder) en betekent hier waarschijnlijk dat het zwaard hen aan alle kanten insluit. Voetnoot : וְתִכָּפֵל חֶרֶב שְׁלִישִׁתָה (vetikkafel cherev shelishitah), ‘het zwaard wordt verdubbeld, tot een derde keer toe’: een beeld voor zeer veel slachting. Voetnoot : כַּף אֶל כַּף (kaf el kaf), ‘handpalm tegen handpalm’: in de handen klappen. Vergelijk vers 22. Zie ook: Lev 26:21; Lev 26:24; Num 24:10; 2 Kon 24:1; 2 Kon 24:10–16; Ezech 21:22 **21:20** **Opdat het hart smelt en de struikelblokken talrijk worden, heb Ik bij al hun poorten het flikkerende zwaard gezet. Ach, het is gemaakt om te flitsen, omwikkeld voor de slachting.** Brontekst: לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | לָמ֣וּג (lamug) = te smelten | לֵ֗ב (lev) = hart | וְהַרְבֵּה֙ (veharbe) = en vele | הַמִּכְשֹׁלִ֔ים (hamikhsholim) = de struikelblokken | עַ֚ל (al) = bij | כָּל (kal) = alle | שַׁ֣עֲרֵיהֶ֔ם (shaareihem) = hun poorten | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik heb gezet | אִבְחַת (ivchat) = flikkering van | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | אָ֛ח (ach) = ach | עֲשׂוּיָ֥ה (asuya) = gemaakt | לְבָרָ֖ק (levaraq) = om te flitsen | מְעֻטָּ֥ה (meuta) = omwikkeld | לְטָֽבַח (letavach) = voor slachting Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִבְחַת (ivchat), ‘het flikkeren’: een zeldzaam woord. מְעֻטָּה (me’uttah), ‘omwikkeld’: ook mogelijk ‘gescherpt’. De betekenis is onzeker. Voetnoot : אָח (ach), ‘ach’: een uitroep. Zie ook: Ps 22:15; Jer 17:27; Ezech 21:12; Ezech 21:15; Ezech 21:33 **21:21** **Verzamel je, ga naar rechts. Zet je schrap, ga naar links, waarheen je gezicht ook gericht is.** Brontekst: הִתְאַחֲדִ֥י (hitachadi) = verzamel je | הֵימִ֖נִי (heimini) = ga naar rechts | הָשִׂ֣ימִי (hasimi) = zet je | הַשְׂמִ֑ילִי (hasmili) = ga naar links | אָ֖נָה (ana) = waarheen | פָּנַ֥יִךְ (panayikh) = je gezicht | מֻעָדֽוֹת (muadot) = gericht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het zwaard wordt hier rechtstreeks toegesproken. הִתְאַחֲדִי (hit’achadi), ‘verzamel je’: een zeldzame vorm; de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Gen 13:9; Ezech 14:17; Ezech 16:46; Ezech 21:9; Ezech 21:25 **21:22** **Ook Ik zal in Mijn handen klappen en Mijn woede laten rusten. Ik, Yahweh, heb gesproken.’”** Brontekst: וְגַם (vegam) = en ook | אֲנִ֗י (ani) = Ik | אַכֶּ֤ה (ake) = zal slaan | כַפִּי֙ (kapi) = Mijn handpalm | אֶל (el) = tegen | כַּפִּ֔י (kapi) = Mijn handpalm | וַהֲנִחֹתִ֖י (vahanichoti) = en Ik zal laten rusten | חֲמָתִ֑י (chamati) = Mijn woede | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּֽרְתִּי (dibarti) = heb gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh klapt in Zijn handen (vergelijk vers 19 en Ezech. 22:13). Het kan een gebaar zijn van woede of van voldoening. Zijn woede ‘laten rusten’ betekent dat die zich uitgeleefd heeft. Voetnoot : חֵמָה (chemah), ‘woede’. In vers 36 staan ook זַעַם (za’am), ‘verontwaardiging’, en עֶבְרָה (evrah), ‘grimmigheid’. Wij houden deze Hebreeuwse woorden uit elkaar. Zie ook: Deut 28:63; Ezech 5:13; Ezech 21:19; Ezech 21:36; Ezech 22:13; Zach 6:8 ### De koning van Babel op de tweesprong **21:23** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **21:24** **„En jij, mensenkind, zet voor jezelf twee wegen neer waarlangs het zwaard van de koning van Babel kan komen. Beide gaan uit van één land. Hak een wegwijzer uit. Hak hem uit aan het begin van de weg naar de stad.** Brontekst: וְאַתָּ֨ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֜ם (adam) = mens | שִׂים (sim) = zet | לְךָ֣ (lekha) = voor jou | שְׁנַ֣יִם (shenayim) = twee | דְּרָכִ֗ים (derakhim) = wegen | לָבוֹא֙ (lavo) = om te komen | חֶ֣רֶב (cherev) = zwaard van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | מֵאֶ֥רֶץ (meerets) = uit land | אֶחָ֖ד (echad) = één | יֵצְא֣וּ (yetseu) = zullen uitgaan | שְׁנֵיהֶ֑ם (sheneihem) = beide | וְיָ֣ד (veyad) = en een hand | בָּרֵ֔א (bare) = hak uit | בְּרֹ֥אשׁ (berosh) = aan het begin van | דֶּֽרֶךְ (derekh) = weg | עִ֖יר (ir) = stad | בָּרֵֽא (bare) = hak uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: וְיָד (veyad), ‘wegwijzer’: letterlijk ‘een hand’. Een hand wijst de weg, zoals een bord. Voetnoot : בָּרֵא (bara), ‘uithakken’: ook ‘uitkerven’. Vergelijk Joz. 17:15. Zie ook: Joz 17:15; Jer 1:10; Ezech 4:1–3; Ezech 5:1–17 **21:25** **Zet een weg neer waarlangs het zwaard kan komen naar Rabba van de Ammonieten, en naar Juda, naar het versterkte Jeruzalem.** Brontekst: דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg | תָּשִׂ֔ים (tasim) = zet | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | אֵ֖ת (et) = (obj.) | רַבַּ֣ת (rabat) = Rabba van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יְהוּדָ֥ה (yehuda) = Juda | בִירוּשָׁלִַ֖ם (birushaliam) = in Jeruzalem | בְּצוּרָֽה (betsura) = versterkt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: רַבַּת בְּנֵי עַמּוֹן (rabbat benei Ammon), ‘Rabba van de Ammonieten’: de hoofdstad van Ammon, het huidige Amman. Vergelijk Deut. 3:11. Zie ook: Deut 3:11; Ps 48:13–14; Amos 1:14; Jer 49:2; Ezech 25:5 **21:26** **Want de koning van Babel staat bij de tweesprong, aan het begin van de twee wegen, om waarzegging te bedrijven. Hij schudt de pijlen, hij vraagt de huisgoden, hij bekijkt de lever.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | עָמַ֨ד (amad) = staat | מֶלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֜ל (bavel) = Babel | אֶל (el) = bij | אֵ֣ם (em) = de tweesprong van | הַדֶּ֗רֶךְ (haderekh) = de weg | בְּרֹ֛אשׁ (berosh) = aan het begin van | שְׁנֵ֥י (shenei) = twee | הַדְּרָכִ֖ים (haderakhim) = de wegen | לִקְסָם (liqsam) = om te waarzeggen | קָ֑סֶם (qasem) = waarzegging | קִלְקַ֤ל (qilqal) = hij schudt | בַּֽחִצִּים֙ (bachitsim) = de pijlen | שָׁאַ֣ל (shaal) = hij vraagt | בַּתְּרָפִ֔ים (baterafim) = de huisgoden | רָאָ֖ה (raa) = hij bekijkt | בַּכָּבֵֽד (bakaved) = de lever Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: אֵם הַדֶּרֶךְ (em hadderech), ‘tweesprong’: letterlijk ‘de moeder van de weg’, waar twee wegen uit één uitkomen. Voetnoot : קִלְקַל בַּחִצִּים (qilqal bachitsim), ‘hij schudt de pijlen’: pijlen met tekens werden geschud om een antwoord te krijgen. Voetnoot : תְּרָפִים (terafim), ‘huisgoden’: beeldjes. Vergelijk Gen. 31:19. Voetnoot : כָּבֵד (kaved), ‘lever’: het onderzoeken van de lever was een gebruik om de toekomst te lezen. Zie ook: Gen 31:19; Gen 31:30; Re 17:5; Re 18:20; Spr 16:33 **21:27** **In zijn rechterhand is de waarzegging: Jeruzalem. Hij moet stormrammen opstellen, de mond openen voor het moorden en de stem verheffen met een krijgsgeschreeuw. Hij moet stormrammen opstellen tegen de poorten, een aarden helling opwerpen en een belegeringswal bouwen.** Brontekst: בִּֽימִינ֞וֹ (bimino) = in zijn rechterhand | הָיָ֣ה (haya) = was | הַקֶּ֣סֶם (haqesem) = de waarzegging | יְרוּשָׁלִַ֗ם (yerushaliam) = Jeruzalem | לָשׂ֤וּם (lasum) = om op te stellen | כָּרִים֙ (karim) = stormrammen | לִפְתֹּ֤חַ (liftoach) = om te openen | פֶּה֙ (pe) = mond | בְּרֶ֔צַח (beretsach) = voor moord | לְהָרִ֥ים (leharim) = om te verheffen | ק֖וֹל (qol) = stem | בִּתְרוּעָ֑ה (bitrua) = met krijgsgeschreeuw | לָשׂ֤וּם (lasum) = om op te stellen | כָּרִים֙ (karim) = stormrammen | עַל (al) = tegen | שְׁעָרִ֔ים (shearim) = poorten | לִשְׁפֹּ֥ךְ (lishpokh) = om op te werpen | סֹלְלָ֖ה (solela) = aarden helling | לִבְנ֥וֹת (livnot) = om te bouwen | דָּיֵֽק (dayeq) = belegeringswal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: כָּרִים (karim), ‘stormrammen’: een zeldzaam woord, letterlijk ‘rammen’. Voetnoot : בְּרֶצַח (beretsach), ‘voor het moorden’: letterlijk ‘in moord’. Het woord kan ook bij het bevel staan dat de aanval opent. Voetnoot : סֹלְלָה (solelah), ‘aarden helling’: een opgeworpen helling tegen de muur. דָּיֵק (dayeq), ‘belegeringswal’: zoals in 2 Kon. 25:1. Zie ook: Joz 6:10; 2 Kon 25:1; Jer 51:14; Jer 52:4; Ezech 4:2; Ezech 26:9 **21:28** **Maar in hun ogen zal het zijn als een leugenachtige waarzegging. Eden zijn aan hen gezworen. Maar hij brengt hun schuld in herinnering, zodat zij gegrepen worden.** Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | לָהֶ֤ם (lahem) = voor hen | כִּקְסָם (kiqsam) = als waarzegging | שָׁוְא֙ (shave) = leugen | בְּעֵ֣ינֵיהֶ֔ם (beeineihem) = in hun ogen | שְׁבֻעֵ֥י (shevuei) = eden van | שְׁבֻע֖וֹת (shevuot) = eden | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | וְהֽוּא (vehu) = maar hij | מַזְכִּ֥יר (mazkir) = brengt in herinnering | עָוֺ֖ן (avon) = schuld | לְהִתָּפֵֽשׂ (lehitafes) = om gegrepen te worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁבֻעֵי שְׁבֻעוֹת (shevu’ei shevu’ot), ‘eden’: letterlijk ‘eden van eden’. Het gaat om eden die aan Juda zijn gezworen, vergelijk Ezech. 17:13–19. Voetnoot : וְהוּא מַזְכִּיר (vehu mazkir), ‘maar hij brengt in herinnering’: het onderwerp wordt niet genoemd. Het kan de koning van Babel zijn. Voetnoot Lezing: In dit vers heeft de geschreven tekst (ketiv) bij ‘als waarzegging’ een extra letter ten opzichte van de voorgelezen tekst (qere). De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: Num 5:15; Ezech 11:3; Ezech 12:22; Ezech 17:13–19; Ezech 21:29; Ezech 29:16 **21:29** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Omdat jullie jullie schuld in herinnering hebben gebracht, doordat jullie overtredingen zijn blootgelegd en jullie zonden zichtbaar zijn geworden in al jullie daden – omdat jullie in herinnering zijn gebracht, zullen jullie met de hand gegrepen worden.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | יַ֗עַן (yaan) = omdat | הַזְכַּרְכֶם֙ (hazkarkhem) = jullie in herinnering brengen | עֲוֺ֣נְכֶ֔ם (avonekhem) = jullie schuld | בְּהִגָּל֣וֹת (behigalot) = doordat zijn blootgelegd | פִּשְׁעֵיכֶ֗ם (pisheikhem) = jullie overtredingen | לְהֵֽרָאוֹת֙ (leheraot) = zodat worden gezien | חַטֹּ֣אותֵיכֶ֔ם (chatovteikhem) = jullie zonden | בְּכֹ֖ל (bekhol) = in al | עֲלִילֽוֹתֵיכֶ֑ם (aliloteikhem) = jullie daden | יַ֚עַן (yaan) = omdat | הִזָּ֣כֶרְכֶ֔ם (hizakherkhem) = jullie in herinnering zijn gebracht | בַּכַּ֖ף (bakaf) = met de hand | תִּתָּפֵֽשׂוּ (titafesu) = zullen jullie gegrepen worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint een oordeelswoord tot het volk zelf: de schuld die zij verborgen wilden houden, wordt in herinnering gebracht. Zie ook: Hos 4:2; Mi 3:10–12; Jer 2:34; Jer 6:15; Ezech 22:3–12 ### Tegen de vorst van Israël **21:30** **En jij, doorboorde, goddeloze vorst van Israël, wiens dag is gekomen, in de tijd van de schuld van het einde:** Brontekst: וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | חָלָ֣ל (chalal) = doorboorde | רָשָׁ֔ע (rasha) = goddeloze | נְשִׂ֖יא (nesi) = vorst van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = wiens | בָּ֣א (ba) = is gekomen | יוֹמ֔וֹ (yomo) = zijn dag | בְּעֵ֖ת (beet) = in de tijd van | עֲוֺ֥ן (avon) = schuld van | קֵֽץ (qets) = einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָלָל (chalal), ‘doorboorde’: het woord betekent ‘doorboord, gesneuveld’ en ook ‘ontheiligd’. Hier gaat het om de vorst van Israël, wiens dag is gekomen. De tekst noemt geen naam. De vorst wordt vaak verbonden met Zedekia (2 Kon. 24:17–20). Zie ook: 2 Kon 24:17–20; 2 Kron 36:13; Jer 52:2; Ezech 17:19; Ezech 21:34; Ezech 35:5 **21:31** Zo zegt Heer Yahweh: **Neem de tulband af en til de kroon weg. Dit blijft niet zoals het is: verhef wat laag is, en verneder wat hoog is.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הָסִיר֙ (hasir) = neem af | הַמִּצְנֶ֔פֶת (hamitsnefet) = de tulband | וְהָרִ֖ים (veharim) = en til weg | הָֽעֲטָרָ֑ה (haatara) = de kroon | זֹ֣את (zot) = dit | לֹא (lo) = niet | זֹ֔את (zot) = dit | הַשָּׁפָ֣לָה (hashafala) = het lage | הַגְבֵּ֔הַ (hagbeha) = verhef | וְהַגָּבֹ֖הַ (vehagavoha) = en het hoge | הַשְׁפִּֽיל (hashpil) = verneder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִצְנֶפֶת (mitsnefet), ‘tulband’: de tulband van de hogepriester (Exod. 28:4). עֲטָרָה (atarah), ‘kroon’: het teken van de koning. Beide tekens van gezag worden weggenomen. Voetnoot : זֹאת לֹא זֹאת (zot lo zot), ‘dit niet dit’: letterlijk ‘dit is niet dit’. Wij schrijven: ‘Dit blijft niet zoals het is.’ Zie ook: Ex 28:4; Ps 75:8; Jer 13:18; Jer 52:9–11; Jer 52:31–34; Ezech 17:24 **21:32** **Een ruïne, een ruïne, een ruïne maak Ik ervan. Ook dit zal er niet meer zijn, totdat hij komt die het recht heeft. Aan hem zal Ik het geven.** Brontekst: עַוָּ֥ה (ava) = ruïne | עַוָּ֖ה (ava) = ruïne | עַוָּ֣ה (ava) = ruïne | אֲשִׂימֶ֑נָּה (asimena) = Ik zal haar maken | גַּם (gam) = ook | זֹאת֙ (zot) = dit | לֹ֣א (lo) = niet | הָיָ֔ה (haya) = zal zijn | עַד (ad) = totdat | בֹּ֛א (bo) = komt | אֲשֶׁר (asher) = wie | ל֥וֹ (lo) = voor hem | הַמִּשְׁפָּ֖ט (hamishpat) = het recht | וּנְתַתִּֽיו (unetativ) = en Ik zal het geven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַוָּה (avvah), ‘ruïne’: het woord komt alleen hier voor, drie keer herhaald. Voetnoot : אֲשֶׁר לוֹ הַמִּשְׁפָּט (asher lo hamishpat), ‘hij die het recht heeft’: de tekst noemt geen naam. Vergelijk Gen. 49:10. Wij laten open wie bedoeld wordt en schrijven ‘hij’ met kleine letter. Zie ook: Gen 49:10; Ps 2:6; Mi 5:1; Jer 23:5–6; Zach 9:9; Luc 1:32 ### Het zwaard tegen Ammon **21:33** **En jij, mensenkind, profeteer en zeg: ‘**Zo zegt Heer Yahweh over de Ammonieten en over hun hoon: **Zeg: Een zwaard, een zwaard! Getrokken voor de slachting, gepolijst om te verteren, opdat het flitst als de bliksem.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | הִנָּבֵ֤א (hinave) = profeteer | וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en je zult zeggen | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֶל (el) = over | בְּנֵ֥י (benei) = de zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | וְאֶל (veel) = en over | חֶרְפָּתָ֑ם (cherpatam) = hun hoon | וְאָמַרְתָּ֗ (veamarta) = en je zult zeggen | חֶ֣רֶב (cherev) = zwaard | חֶ֤רֶב (cherev) = zwaard | פְּתוּחָה֙ (petucha) = getrokken | לְטֶ֣בַח (letevach) = voor slachting | מְרוּטָ֔ה (meruta) = gepolijst | לְהָכִ֖יל (lehakhil) = om te verteren | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | בָּרָֽק (baraq) = als bliksem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een tweede lied van het zwaard, nu tegen Ammon. Ammon spotte met Juda (Ezech. 25:3 en 25:6). Voetnoot : לְהָכִיל (lehakhil), ‘om te verteren’: een zeldzame vorm; de betekenis is niet helemaal zeker. Dezelfde vorm kan ook ‘om te bevatten’ betekenen (zie 23:32); bij een zwaard past ‘verteren’ beter. Zie ook: Amos 1:13–15; Sef 2:8–10; Ezech 21:14–15; Ezech 21:25; Ezech 25:2–7; Ezech 25:3; Ezech 25:6 **21:34** **Men ziet voor jou een leeg visioen en waarzegt voor jou een leugen. Zo leggen zij je op de nekken van de gesneuvelde goddelozen, wier dag is gekomen, in de tijd van de schuld van het einde.** Brontekst: בַּחֲז֥וֹת (bachazot) = in het zien | לָךְ֙ (lakh) = voor jou | שָׁ֔וְא (shave) = leegte | בִּקְסָם (biqsam) = in het waarzeggen | לָ֖ךְ (lakh) = voor jou | כָּזָ֑ב (kazav) = leugen | לָתֵ֣ת (latet) = om te leggen | אוֹתָ֗ךְ (otakh) = jou | אֶֽל (el) = op | צַוְּארֵי֙ (tsaverei) = nekken van | חַֽלְלֵ֣י (challei) = gesneuvelden | רְשָׁעִ֔ים (reshaim) = goddelozen | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֣א (ba) = is gekomen | יוֹמָ֔ם (yomam) = hun dag | בְּעֵ֖ת (beet) = in de tijd van | עֲוֺ֥ן (avon) = schuld van | קֵֽץ (qets) = einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Het zwaard wordt toegesproken. ‘Terwijl men voor jou een leeg visioen ziet’: ook voor Ammon zijn er valse visioenen en waarzeggerij. Zie ook: Ps 37:13; Jer 27:9; Klaagl 2:14; Ezech 21:30; Ezech 22:28 **21:35** **Laat het terugkeren in zijn schede. Op de plaats waar je geschapen bent, in het land van je afkomst, zal Ik je oordelen.** Brontekst: הָשַׁ֖ב (hashav) = laat terugkeren | אֶל (el) = naar | תַּעְרָ֑הּ (tarah) = zijn schede | בִּמְק֧וֹם (bimqom) = op de plaats | אֲשֶׁר (asher) = waar | נִבְרֵ֛את (nivret) = je geschapen bent | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מְכֻרוֹתַ֖יִךְ (mekhurotayikh) = je afkomst | אֶשְׁפֹּ֥ט (eshpot) = Ik zal oordelen | אֹתָֽךְ (otakh) = jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָשַׁב (hashav), ‘laat terugkeren’: letterlijk ‘terugkeren’. Er staat geen voorwerp; wij vullen ‘het’ in, dat wil zeggen het zwaard. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 15:14; Jer 47:6–7; Ezech 16:38; Ezech 28:13; Ezech 28:15 **21:36** **Ik giet Mijn verontwaardiging over je uit. Met het vuur van Mijn grimmigheid blaas Ik tegen je aan. Ik lever je uit aan woeste mensen, vaklieden van het verderf.** Brontekst: וְשָׁפַכְתִּ֤י (veshafakhti) = en Ik zal uitgieten | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = over jou | זַעְמִ֔י (zami) = Mijn verontwaardiging | בְּאֵ֥שׁ (beesh) = in het vuur van | עֶבְרָתִ֖י (evrati) = Mijn grimmigheid | אָפִ֣יחַ (afiach) = Ik zal blazen | עָלָ֑יִךְ (alayikh) = over jou | וּנְתַתִּ֗יךְ (unetatikh) = en Ik zal geven jou | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | אֲנָשִׁ֣ים (anashim) = mensen | בֹּֽעֲרִ֔ים (boarim) = woest | חָרָשֵׁ֖י (charashei) = vaklieden van | מַשְׁחִֽית (mashchit) = verderf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זַעְמִי (za’mi), ‘Mijn verontwaardiging’, עֶבְרָתִי (evrati), ‘Mijn grimmigheid’: wij houden deze woorden gelijk aan Ezech. 22:20–22 en 22:31. Voetnoot : בֹּעֲרִים (bo’arim), ‘woest’: van een werkwoord dat ‘branden’ of ‘redeloos zijn’ kan betekenen. Voetnoot : חָרָשֵׁי מַשְׁחִית (charashei mashchit), ‘vaklieden van het verderf’: mensen die goed zijn in vernietigen. Zie ook: Jes 30:33; Nah 1:6; Jer 4:7; Ezech 7:8; Ezech 14:19; Ezech 22:20–22; Ezech 22:31 **21:37** **Je wordt voedsel voor het vuur. Je bloed zal midden in het land zijn. Je zult niet meer herinnerd worden, want Ik, Yahweh, heb gesproken.’”** Brontekst: לָאֵ֤שׁ (laesh) = voor het vuur | תִּֽהְיֶה֙ (tihye) = zul je zijn | לְאָכְלָ֔ה (leakhela) = tot voedsel | דָּמֵ֥ךְ (damekh) = je bloed | יִהְיֶ֖ה (yihye) = zal zijn | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | לֹ֣א (lo) = niet | תִזָּכֵ֔רִי (tizakheri) = zul je herinnerd worden | כִּ֛י (ki) = want | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּֽרְתִּי (dibarti) = heb gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְאָכְלָה (le’ochlah), ‘tot voedsel’: wat het vuur verteert, zoals brandstof. Zie ook: Jes 34:3–7; Ezech 21:3–4; Ezech 21:35; Ezech 25:10; Mal 3:19 ## Ezechiël 22 _De stad van bloed, het huis van Israël als slakken en niemand in de bres_ ### De stad van bloed **22:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:2** **„En jij, mensenkind, wil je oordelen, wil je oordelen over de stad van bloed? Maak haar al haar gruwelen bekend.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֔ם (adam) = mens | הֲתִשְׁפֹּ֥ט (hatishpot) = wil je oordelen | הֲתִשְׁפֹּ֖ט (hatishpot) = wil je oordelen | אֶת (et) = (obj.) | עִ֣יר (ir) = stad van | הַדָּמִ֑ים (hadamim) = het bloed | וְה֣וֹדַעְתָּ֔הּ (vehodatah) = en maak haar bekend | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | תּוֹעֲבוֹתֶֽיהָ (toavoteiha) = haar gruwelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲתִשְׁפֹּט הֲתִשְׁפֹּט (hatishpot hatishpot), ‘wil je oordelen, wil je oordelen?’: een vraag die om een besluit vraagt. Dezelfde vraag staat in Ezech. 20:4 en 23:36. Voetnoot : עִיר הַדָּמִים (ir haddamim), ‘stad van bloed’: het meervoud ‘bloeden’ staat voor vergoten bloed, bloedschuld. Zo ook Nah. 3:1. Zie ook: Hos 4:2; Nah 3:1; Ezech 20:4; Ezech 23:36; Ezech 24:6; Ezech 24:9; Mat 27:25 **22:3** **Zeg: ‘**Zo zegt Heer Yahweh: **Stad die in haar midden bloed vergiet, zodat haar tijd komt! Stad die mestgoden tegen zichzelf maakt om zich onrein te maken!** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֗ (veamarta) = en je zult zeggen | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עִ֣יר (ir) = stad | שֹׁפֶ֥כֶת (shofekhet) = vergietend | דָּ֛ם (dam) = bloed | בְּתוֹכָ֖הּ (betokhah) = in haar midden | לָב֣וֹא (lavo) = om te komen | עִתָּ֑הּ (itah) = haar tijd | וְעָשְׂתָ֧ה (veaseta) = en maakt | גִלּוּלִ֛ים (gilulim) = mestgoden | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = tegen zichzelf | לְטָמְאָֽה (letamea) = om onrein te worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4. Voetnoot : גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’: een spottende naam voor afgodsbeelden, waarschijnlijk verwant aan het woord voor ‘mest’. Zie ook Ezech. 6:4. Voetnoot : עִתָּהּ (ittah), ‘haar tijd’: de tijd van haar oordeel. Zie ook: Jer 2:1–3; Ezech 2:4; Ezech 6:4; Ezech 22:4; Ezech 22:27; Ezech 24:6–9; 2 Petr 2:3 **22:4** **Door je bloed dat je hebt vergoten, ben je schuldig geworden. Door je mestgoden die je hebt gemaakt, ben je onrein geworden. Je hebt je dagen dichterbij gebracht en je bent aan het einde van je jaren gekomen. Daarom maak Ik je tot een smaad voor de volken en een bespotting voor alle landen.** Brontekst: בְּדָמֵ֨ךְ (bedamekh) = door je bloed | אֲשֶׁר (asher) = dat | שָׁפַ֜כְתְּ (shafakht) = je hebt vergoten | אָשַׁ֗מְתְּ (ashamt) = je bent schuldig geworden | וּבְגִלּוּלַ֤יִךְ (uvegilulayikh) = en door je mestgoden | אֲשֶׁר (asher) = die | עָשִׂית֙ (asit) = je hebt gemaakt | טָמֵ֔את (tamet) = je bent onrein geworden | וַתַּקְרִ֣יבִי (vataqrivi) = en je hebt dichterbij gebracht | יָמַ֔יִךְ (yamayikh) = je dagen | וַתָּב֖וֹא (vatavo) = en je bent gekomen | עַד (ad) = tot | שְׁנוֹתָ֑יִךְ (shenotayikh) = je jaren | עַל (al) = op | כֵּ֗ן (ken) = zo (daarom) | נְתַתִּ֤יךְ (netatikh) = Ik heb gemaakt jou | חֶרְפָּה֙ (cherpa) = smaad | לַגּוֹיִ֔ם (lagoyim) = voor de volken | וְקַלָּסָ֖ה (veqalasa) = en bespotting | לְכָל (lekhal) = voor alle | הָאֲרָצֽוֹת (haaratsot) = de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad’, en קַלָּסָה (qallasah), ‘bespotting’: twee woorden voor de spot van de volken. Zie ook: Ps 44:14–15; 2 Kon 21:16; Ezech 5:14–15; Ezech 16:57; Ezech 22:2 **22:5** **De nabije en de verre landen zullen je bespotten, jij die onrein bent van naam en vol van verwarring.** Brontekst: הַקְּרֹב֛וֹת (haqerovot) = de nabije | וְהָרְחֹק֥וֹת (veharechoqot) = en de verre | מִמֵּ֖ךְ (mimekh) = van jou | יִתְקַלְּסוּ (yitqalesu) = zullen bespotten | בָ֑ךְ (bakh) = jou | טְמֵאַ֣ת (temeat) = onrein van | הַשֵּׁ֔ם (hashem) = de naam | רַבַּ֖ת (rabat) = groot van | הַמְּהוּמָֽה (hamehuma) = de verwarring Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַקְּרֹבוֹת וְהָרְחֹקוֹת (haqrovot veharchoqot), ‘de nabije en de verre’: beide woorden zijn vrouwelijk meervoud. Wij vullen ‘landen’ aan uit vers 4. Voetnoot : טְמֵאַת הַשֵּׁם (temeat hashem), ‘onrein van naam’: haar naam is bezoedeld. Zie ook: Jes 22:2; Jer 15:2–3; Ezech 22:4 **22:6** **Zie, de vorsten van Israël zijn in jou, ieder met zijn eigen kracht, om bloed te vergieten.** Brontekst: הִנֵּה֙ (hine) = zie | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = vorsten van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אִ֥ישׁ (ish) = man | לִזְרֹע֖וֹ (lizroo) = met zijn arm | הָ֣יוּ (hayu) = zijn geweest | בָ֑ךְ (bakh) = in jou | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | שְׁפָךְ (shefakh) = te vergieten | דָּֽם (dam) = bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִזְרֹעוֹ (lizro’o), ‘met zijn eigen kracht’: letterlijk ‘naar zijn arm’. De arm staat voor macht. Zie ook: Jes 1:23; Mi 2:1; Ezech 22:27; Dan 9:8; Zach 3:3 **22:7** **Vader en moeder hebben zij in jou geminacht. De vreemdeling hebben zij midden in je met afpersing behandeld. Wees en weduwe hebben zij in jou onderdrukt.** Brontekst: אָ֤ב (av) = vader | וָאֵם֙ (vaem) = en moeder | הֵקַ֣לּוּ (heqalu) = hebben geminacht | בָ֔ךְ (bakh) = in jou | לַגֵּ֛ר (lager) = de vreemdeling | עָשׂ֥וּ (asu) = hebben gedaan | בַעֹ֖שֶׁק (baosheq) = met afpersing | בְּתוֹכֵ֑ךְ (betokhekh) = in je midden | יָת֥וֹם (yatom) = wees | וְאַלְמָנָ֖ה (vealmana) = en weduwe | ה֥וֹנוּ (honu) = hebben onderdrukt | בָֽךְ (bakh) = in jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers noemt de zwakken die Yahweh beschermt: de ouders, de vreemdeling, de wees en de weduwe. Vergelijk Exod. 22:20–21 en Deut. 27:16–19. Zie ook: Ex 22:20–21; Lev 20:9; Deut 27:16; Mal 3:5; Mar 7:10 **22:8** **Mijn heilige dingen heb je veracht en Mijn sabbatten heb je ontheiligd.** Brontekst: קָדָשַׁ֖י (qadashay) = Mijn heilige dingen | בָּזִ֑ית (bazit) = je hebt veracht | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁבְּתֹתַ֖י (shabetotay) = Mijn sabbatten | חִלָּֽלְתְּ (chilalt) = je hebt ontheiligd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָדָשַׁי (qodashai), ‘Mijn heilige dingen’: alles wat bij Yahweh’s heiligdom en dienst hoort. Zie ook Ezech. 20:12 over de sabbatten. Zie ook: Ezech 20:12; Ezech 20:13; Ezech 20:21; Ezech 20:24; Ezech 22:26; Ezech 23:38–39 **22:9** **Roddelaars zijn er in jou geweest, om bloed te vergieten. Op de bergen hebben zij in jou gegeten. Schanddaden hebben zij midden in je gepleegd.** Brontekst: אַנְשֵׁ֥י (anshei) = mannen van | רָכִ֛יל (rakhil) = roddel | הָ֥יוּ (hayu) = zijn geweest | בָ֖ךְ (bakh) = in jou | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | שְׁפָךְ (shefakh) = te vergieten | דָּ֑ם (dam) = bloed | וְאֶל (veel) = en op | הֶֽהָרִים֙ (heharim) = de bergen | אָ֣כְלוּ (akhelu) = hebben gegeten | בָ֔ךְ (bakh) = in jou | זִמָּ֖ה (zima) = schanddaad | עָשׂ֥וּ (asu) = hebben gedaan | בְתוֹכֵֽךְ (betokhekh) = in je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַנְשֵׁי רָכִיל (anshei rakhil), ‘roddelaars’: letterlijk ‘mannen van roddel’, zoals in Lev. 19:16. Hier leidt de roddel tot bloedvergieten. Voetnoot : Op de bergen eten: offermaaltijden bij afgodsaltaren, zoals in Ezech. 18:6. Voetnoot : זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: zoals in Lev. 18:17. Zie ook: Lev 18:17; Lev 19:16; Ps 50:20; Hos 4:2; Hos 4:10; Hos 4:14; Ezech 18:6 **22:10** **De naaktheid van een vader hebben zij in jou ontbloot. De vrouw die onrein is door haar maandstonden hebben zij in jou geweld aangedaan.** Brontekst: עֶרְוַת (ervat) = naaktheid van | אָ֖ב (av) = vader | גִּלָּה (gila) = heeft ontbloot | בָ֑ךְ (bakh) = in jou | טְמֵאַ֥ת (temeat) = onrein van | הַנִּדָּ֖ה (hanida) = de maandstonden | עִנּוּ (inu) = hebben geweld aangedaan | בָֽךְ (bakh) = in jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers en de volgende noemen verboden verbintenissen. Vergelijk Lev. 18:7–9 en 18:19. Voetnoot : נִדָּה (niddah), ‘maandstonden’: zie Lev. 15:19–24. Voetnoot : עִנּוּ (innu), ‘geweld aangedaan’: het werkwoord betekent ook ‘vernederen, onteren’, zoals in Gen. 34:2. Zie ook: Gen 34:2; Lev 15:19–24; Lev 18:7–8; Lev 18:19; Lev 20:11; Deut 27:23; Ezech 18:6 **22:11** **De een heeft een gruwel gedaan met de vrouw van zijn naaste. Een ander heeft zijn schoondochter onrein gemaakt door een schanddaad. Weer een ander heeft in jou zijn zus, de dochter van zijn vader, geweld aangedaan.** Brontekst: וְאִ֣ישׁ (veish) = en een man | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֣שֶׁת (eshet) = vrouw van | רֵעֵ֗הוּ (reehu) = zijn naaste | עָשָׂה֙ (asa) = heeft gedaan | תּֽוֹעֵבָ֔ה (toeva) = gruwel | וְאִ֥ישׁ (veish) = en een man | אֶת (et) = (obj.) | כַּלָּת֖וֹ (kalato) = zijn schoondochter | טִמֵּ֣א (time) = heeft onrein gemaakt | בְזִמָּ֑ה (bezima) = met schanddaad | וְאִ֛ישׁ (veish) = en een man | אֶת (et) = (obj.) | אֲחֹת֥וֹ (achoto) = zijn zus | בַת (bat) = dochter van | אָבִ֖יו (aviv) = zijn vader | עִנָּה (ina) = heeft geweld aangedaan | בָֽךְ (bakh) = in jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wij vertalen het herhaalde ‘een man’ met ‘de een’, ‘een ander’ en ‘weer een ander’. Vergelijk Lev. 18:9, 18:15 en 18:20. Zie ook: Lev 18:9; Lev 18:15; Lev 18:20; Lev 20:10; Lev 20:17; 2 Sam 13:14 **22:12** **Zij hebben in jou steekpenningen aangenomen om bloed te vergieten. Rente en winst heb je genomen, en je hebt je naasten met onderdrukking afgeperst. En Mij heb je vergeten, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: שֹׁ֥חַד (shochad) = steekpenning | לָֽקְחוּ (laqechu) = hebben genomen | בָ֖ךְ (bakh) = in jou | לְמַ֣עַן (lemaan) = opdat | שְׁפָךְ (shefakh) = te vergieten | דָּ֑ם (dam) = bloed | נֶ֧שֶׁךְ (neshekh) = rente | וְתַרְבִּ֣ית (vetarbit) = en winst | לָקַ֗חַתְּ (laqachat) = je hebt genomen | וַתְּבַצְּעִ֤י (vatevatsei) = en je hebt afgeperst | רֵעַ֨יִךְ֙ (reayikh) = je naasten | בַּעֹ֔שֶׁק (baosheq) = met onderdrukking | וְאֹתִ֣י (veoti) = en Mij | שָׁכַ֔חַתְּ (shakhachat) = je hebt vergeten | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: vergelijk Exod. 23:8. נֶשֶׁךְ וְתַרְבִּית (neshech vetarbit), ‘rente en winst’: vergelijk Lev. 25:36. Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Zie ook: Ex 23:8; Lev 25:36; Deut 23:20; Deut 27:25; Ps 106:21; Mi 7:2–3; Ezech 5:11; Ezech 23:35 **22:13** **Zie, Ik klap in Mijn handen om het oneerlijke gewin dat je hebt behaald, en om je bloed dat in je midden was.** Brontekst: וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | הִכֵּ֣יתִי (hikeiti) = Ik heb geslagen | כַפִּ֔י (kapi) = Mijn handpalm | אֶל (el) = op | בִּצְעֵ֖ךְ (bitsekh) = je oneerlijk gewin | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשִׂ֑ית (asit) = je hebt gedaan | וְעַ֨ל (veal) = en op | דָּמֵ֔ךְ (damekh) = je bloed | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | הָי֖וּ (hayu) = was | בְּתוֹכֵֽךְ (betokhekh) = in je midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִכֵּיתִי כַפִּי (hikkiti khappi), ‘Ik klap in Mijn handen’: letterlijk ‘Ik sla Mijn handpalm’. Een gebaar van woede of afkeuring, zoals in Ezech. 21:19 en 21:22. Voetnoot : בֶּצַע (betsa), ‘oneerlijk gewin’: het woord staat ook in vers 27. Zie ook: Amos 2:6–8; Jes 33:15; Ezech 21:19; Ezech 21:22; Ezech 22:27 **22:14** **Zal je hart standhouden? Zullen je handen sterk zijn in de dagen dat Ik met je afreken? Ik, Yahweh, heb gesproken en Ik zal het doen.** Brontekst: הֲיַעֲמֹ֤ד (hayaamod) = zal standhouden | לִבֵּךְ֙ (libekh) = je hart | אִם (im) = of | תֶּחֱזַ֣קְנָה (techezaqna) = zullen sterk zijn | יָדַ֔יִךְ (yadayikh) = je handen | לַיָּמִ֕ים (layamim) = in de dagen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | עֹשֶׂ֣ה (ose) = handel | אוֹתָ֑ךְ (otakh) = met jou | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּ֥רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | וְעָשִֽׂיתִי (veasiti) = en Ik zal doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vragen in dit vers verwachten het antwoord ‘nee’: haar hart en haar handen zullen niet standhouden. Zie ook: Jes 45:9; Ezech 17:24; Ezech 21:12; Ezech 24:14; Ezech 28:9 **22:15** **Ik zal je onder de volken verspreiden en je over de landen verstrooien. Ik zal een einde maken aan je onreinheid, weg uit jou.** Brontekst: וַהֲפִיצוֹתִ֤י (vahafitsoti) = en Ik zal verspreiden | אוֹתָךְ֙ (otakh) = jou | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | וְזֵרִיתִ֖יךְ (vezeritikh) = en Ik zal verstrooien jou | בָּאֲרָצ֑וֹת (baaratsot) = over de landen | וַהֲתִמֹּתִ֥י (vahatimoti) = en Ik zal een einde maken | טֻמְאָתֵ֖ךְ (tumatekh) = je onreinheid | מִמֵּֽךְ (mimekh) = uit jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲתִמֹּתִי (hatimmoti), ‘Ik zal een einde maken’: van het werkwoord תָּמַם (tamam), ‘voleindigd zijn’. Zie ook: Deut 4:27; Ezech 22:22; Ezech 36:19; Zach 7:14; Neh 1:8 **22:16** **Je zult door jezelf ontheiligd worden voor de ogen van de volken. Dan zul je weten dat Ik Yahweh ben.’”** Brontekst: וְנִחַ֥לְתְּ (venichalt) = en je zult ontheiligd worden | בָּ֖ךְ (bakh) = in jou | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | גוֹיִ֑ם (goyim) = volken | וְיָדַ֖עַתְּ (veyadaat) = en je zult weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִחַלְתְּ (venichalt), ‘je zult ontheiligd worden’: het woord kan van חָלַל (chalal), ‘ontheiligen’, komen of van נָחַל (nachal), ‘in bezit nemen’. Wij kiezen ‘ontheiligd worden’. Het sluit aan bij vers 8 en 26. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 83:19; 1 Kon 20:13; Ezech 6:7; Ezech 7:24; Ezech 22:8; Ezech 22:26; Ezech 25:3 ### Het huis van Israël als slakken **22:17** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:18** **„Mensenkind, het huis van Israël is voor Mij tot slakken geworden. Zij allemaal zijn koper, tin, ijzer en lood midden in de smeltoven. Slakken van zilver zijn zij geworden.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הָיוּ (hayu) = zijn geworden | לִ֥י (li) = voor Mij | בֵֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְסִ֑יג (lesig) = tot slakken | כֻּלָּ֡ם (kulam) = allemaal | נְ֠חֹשֶׁת (nechoshet) = koper | וּבְדִ֨יל (uvedil) = en tin | וּבַרְזֶ֤ל (uvarzel) = en ijzer | וְעוֹפֶ֨רֶת֙ (veoferet) = en lood | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | כּ֔וּר (kur) = oven | סִגִ֥ים (sigim) = slakken van | כֶּ֖סֶף (kesef) = zilver | הָיֽוּ (hayu) = zijn geworden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סִיג (sig), ‘slakken’: het afval dat bij het smelten van edel metaal bovenkomt en weggegooid wordt. Vergelijk Jes. 1:22 en 1:25. Het volk dat Yahweh als zilver zag, is slakken geworden. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) van ‘tot slakken’ heeft een andere klinkerletter dan de voorgelezen tekst (qere). De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 119:119; Spr 17:3; Jes 1:22; Jes 1:25; Jes 48:10; Jer 6:28–30 **22:19** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Omdat jullie allemaal slakken zijn geworden, daarom, zie, verzamel Ik jullie midden in Jeruzalem.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֛עַן (yaan) = omdat | הֱי֥וֹת (heyot) = worden | כֻּלְּכֶ֖ם (kulekhem) = jullie allemaal | לְסִגִ֑ים (lesigim) = tot slakken | לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | הִנְנִ֣י (hinni) = zie, Ik | קֹבֵ֣ץ (qovets) = verzamel | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | תּ֖וֹךְ (tokh) = midden van | יְרוּשָׁלִָֽם (yerushaliam) = Jeruzalem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: Hier begint een oordeelswoord in de rede van Yahweh. De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart; wat volgt, is rood. Zie ook: Mi 4:12; Ezech 11:7; Ezech 24:3–6; Mat 13:30; Mat 13:40–42 **22:20** **Men verzamelt zilver, koper, ijzer, lood en tin midden in de oven, om er vuur op te blazen en het te smelten. Zo zal Ik jullie verzamelen in Mijn toorn en in Mijn woede. Ik zal jullie neerleggen en jullie smelten.** Brontekst: קְבֻ֣צַת (qevutsat) = zoals het verzamelen van | כֶּ֡סֶף (kesef) = zilver | וּ֠נְחֹשֶׁת (unechoshet) = en koper | וּבַרְזֶ֨ל (uvarzel) = en ijzer | וְעוֹפֶ֤רֶת (veoferet) = en lood | וּבְדִיל֙ (uvedil) = en tin | אֶל (el) = naar | תּ֣וֹךְ (tokh) = midden van | כּ֔וּר (kur) = oven | לָפַֽחַת (lafachat) = om te blazen | עָלָ֥יו (alav) = op het | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | לְהַנְתִּ֑יךְ (lehantikh) = om te smelten | כֵּ֤ן (ken) = zo | אֶקְבֹּץ֙ (eqbots) = Ik zal verzamelen | בְּאַפִּ֣י (beapi) = in Mijn toorn | וּבַחֲמָתִ֔י (uvachamati) = en in Mijn woede | וְהִנַּחְתִּ֥י (vehinachti) = en Ik zal neerleggen | וְהִתַּכְתִּ֖י (vehitakhti) = en Ik zal smelten | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wij vertalen in dit hoofdstuk אַף (af) als ‘toorn’, חֵמָה (chemah) als ‘woede’, עֶבְרָה (evrah) als ‘grimmigheid’ en זַעַם (za’am) als ‘verontwaardiging’. Zie ook: Jes 54:16; Jer 4:11–12; Jer 4:20; Ezech 21:36–37; Ezech 24:13 **22:21** **Ik zal jullie bijeenbrengen en het vuur van Mijn grimmigheid op jullie blazen. Dan zullen jullie daarin gesmolten worden.** Brontekst: וְכִנַּסְתִּ֣י (vekhinasti) = en Ik zal bijeenbrengen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | וְנָפַחְתִּ֥י (venafachti) = en Ik zal blazen | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = op jullie | בְּאֵ֣שׁ (beesh) = met vuur van | עֶבְרָתִ֑י (evrati) = Mijn grimmigheid | וְנִתַּכְתֶּ֖ם (venitakhtem) = en jullie zullen gesmolten worden | בְּתוֹכָֽהּ (betokhah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 4:24; Ps 68:3; Jes 30:33; Nah 1:6; Sef 1:18 **22:22** **Zoals zilver midden in de oven gesmolten wordt, zo zullen jullie daarin gesmolten worden. Dan zullen jullie weten dat Ik, Yahweh, Mijn woede over jullie heb uitgegoten.”** Brontekst: כְּהִתּ֥וּךְ (kehitukh) = zoals het smelten van | כֶּ֨סֶף֙ (kesef) = zilver | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | כּ֔וּר (kur) = oven | כֵּ֖ן (ken) = zo | תֻּתְּכ֣וּ (tutekhu) = zullen jullie gesmolten worden | בְתוֹכָ֑הּ (betokhah) = daarin | וִֽידַעְתֶּם֙ (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | שָׁפַ֥כְתִּי (shafakhti) = heb uitgegoten | חֲמָתִ֖י (chamati) = Mijn woede | עֲלֵיכֶֽם (aleikhem) = over jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 5:10; Ezech 20:8; Ezech 20:33; Ezech 22:16; Ezech 22:31 ### Het land zonder reiniging **22:23** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **22:24** **„Mensenkind, zeg tegen haar: ‘Jij bent een land dat niet gereinigd is, dat op de dag van de verontwaardiging niet beregend is.’** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | אֱמָר (emar) = zeg | לָ֕הּ (lah) = tegen haar | אַ֣תְּ (at) = jij | אֶ֔רֶץ (erets) = land | לֹ֥א (lo) = niet | מְטֹהָרָ֖ה (metohara) = gereinigd | הִ֑יא (hi) = zij | לֹ֥א (lo) = niet | גֻשְׁמָ֖הּ (gushmah) = beregend | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | זָֽעַם (zaam) = verontwaardiging Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְטֹהָרָה (metohara), ‘gereinigd’, en גֻשְׁמָהּ (gushmah), ‘beregend’: van het woord voor ‘regen’ (geshem). Het land is niet schoongewassen door regen. Voetnoot : זַעַם (za’am), ‘verontwaardiging’: de dag van Yahweh’s oordeel. Zie ook: 2 Kron 28:22; 2 Kron 36:14–16; Jes 1:5; Jes 9:12; Jer 2:30 **22:25** **De samenzwering van haar profeten, midden in haar, is als een brullende leeuw die prooi verscheurt. Zij verslinden zielen. Zij nemen rijkdom en kostbaarheden. Zij maken haar weduwen talrijk, midden in haar.** Brontekst: קֶ֤שֶׁר (qesher) = samenzwering van | נְבִיאֶ֨יהָ֙ (nevieiha) = haar profeten | בְּתוֹכָ֔הּ (betokhah) = in haar midden | כַּאֲרִ֥י (kaari) = als een leeuw | שׁוֹאֵ֖ג (shoeg) = brullend | טֹ֣רֵֽף (toref) = verscheurend | טָ֑רֶף (taref) = prooi | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = zielen | אָכָ֗לוּ (akhalu) = hebben verslonden | חֹ֤סֶן (chosen) = rijkdom | וִיקָר֙ (viqar) = en kostbaarheid | יִקָּ֔חוּ (yiqachu) = nemen zij | אַלְמְנוֹתֶ֖יהָ (almenoteiha) = haar weduwen | הִרְבּ֥וּ (hirbu) = hebben vermenigvuldigd | בְתוֹכָֽהּ (betokhah) = in haar midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: een bond, een samenspanning. Voetnoot : נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de mens als levend wezen. Het woord kan ook ‘leven’ of ‘persoon’ betekenen; wij houden ‘ziel’. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 1 Kon 22:11–13; Hos 6:9; Jer 2:34; Jer 11:9; Ezech 13:19 **22:26** **Haar priesters doen geweld aan Mijn wet en ontheiligen Mijn heilige dingen. Zij maken geen onderscheid tussen heilig en onheilig. Zij laten niet weten wat het verschil is tussen onrein en rein. Voor Mijn sabbatten verbergen zij hun ogen, en Ik word in hun midden ontheiligd.** Brontekst: כֹּהֲנֶ֜יהָ (kohaneiha) = haar priesters | חָמְס֣וּ (chamesu) = hebben geweld gedaan aan | תוֹרָתִי֮ (torati) = Mijn wet | וַיְחַלְּל֣וּ (vaychalelu) = en ontheiligen | קָדָשַׁי֒ (qadashay) = Mijn heilige dingen | בֵּֽין (bein) = tussen | קֹ֤דֶשׁ (qodesh) = heilig | לְחֹל֙ (lechol) = en onheilig | לֹ֣א (lo) = niet | הִבְדִּ֔ילוּ (hivdilu) = maken zij onderscheid | וּבֵין (uvein) = en tussen | הַטָּמֵ֥א (hatame) = het onreine | לְטָה֖וֹר (letahor) = en het reine | לֹ֣א (lo) = niet | הוֹדִ֑יעוּ (hodiu) = laten zij weten | וּמִשַׁבְּתוֹתַי֙ (umishabetotay) = en voor Mijn sabbatten | הֶעְלִ֣ימוּ (helimu) = verbergen zij | עֵֽינֵיהֶ֔ם (eineihem) = hun ogen | וָאֵחַ֖ל (vaechal) = en Ik word ontheiligd | בְּתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תּוֹרָתִי (torati), ‘Mijn wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’. De priesters moesten het verschil tussen heilig en onheilig, onrein en rein leren; zie Lev. 10:10–11. Voetnoot : וָאֵחַל (va’echal), ‘en Ik word ontheiligd’: Yahweh wordt in hun midden ontheiligd. Zie ook: Lev 10:10; 1 Sam 2:12–17; Ezech 22:8; Ezech 44:23; Mal 2:8 **22:27** **Haar oversten in haar midden zijn als wolven die prooi verscheuren: zij vergieten bloed en vernietigen zielen om oneerlijk gewin te behalen.** Brontekst: שָׂרֶ֣יהָ (sareiha) = haar oversten | בְקִרְבָּ֔הּ (beqirbah) = in haar midden | כִּזְאֵבִ֖ים (kizevim) = als wolven | טֹ֣רְפֵי (torefei) = verscheurend van | טָ֑רֶף (taref) = prooi | לִשְׁפָּךְ (lishpakh) = om te vergieten | דָּם֙ (dam) = bloed | לְאַבֵּ֣ד (leabed) = om te vernietigen | נְפָשׁ֔וֹת (nefashot) = zielen | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | בְּצֹ֥עַ (betsoa) = te behalen | בָּֽצַע (batsa) = winst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂרֶיהָ (sareha), ‘haar oversten’: de leiders van de stad. Zie ook: Jes 1:23; Ezech 22:6; Ezech 22:13; Ezech 22:25; Mat 21:13 **22:28** **En haar profeten smeren er voor hen pleisterkalk op. Zij zien leegte en waarzeggen leugen. Zij zeggen: ‘Zo zegt Heer Yahweh’, terwijl Yahweh niet heeft gesproken.** Brontekst: וּנְבִיאֶ֗יהָ (unevieiha) = en haar profeten | טָח֤וּ (tachu) = hebben besmeerd | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | תָּפֵ֔ל (tafel) = pleisterkalk | חֹזִ֣ים (chozim) = zienend | שָׁ֔וְא (shave) = leegte | וְקֹסְמִ֥ים (veqosemim) = en waarzeggend | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | כָּזָ֑ב (kazav) = leugen | אֹמְרִ֗ים (omerim) = zeggend | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | לֹ֥א (lo) = niet | דִבֵּֽר (diber) = heeft gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טָחוּ לָהֶם תָּפֵל (tachu lahem tafel), ‘zij smeren er voor hen pleisterkalk op’: een slecht gebouwde muur wordt met kalk bestreken zodat hij sterk lijkt. Zie Ezech. 13:10–15. Zie ook: Jes 30:10; Jer 23:25–32; Jer 28:15; Ezech 13:6–7; Ezech 13:10–16 **22:29** **Het volk van het land heeft afpersing gepleegd en roof begaan. De arme en de behoeftige hebben zij onderdrukt, en de vreemdeling hebben zij afgeperst zonder recht.** Brontekst: עַ֤ם (am) = volk van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | עָ֣שְׁקוּ (ashequ) = hebben gepleegd | עֹ֔שֶׁק (osheq) = afpersing | וְגָזְל֖וּ (vegazelu) = en hebben beroofd | גָּזֵ֑ל (gazel) = roof | וְעָנִ֤י (veani) = en arme | וְאֶבְיוֹן֙ (veevyon) = en behoeftige | הוֹנ֔וּ (honu) = hebben onderdrukt | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַגֵּ֥ר (hager) = de vreemdeling | עָשְׁק֖וּ (ashequ) = hebben afgeperst | בְּלֹ֥א (belo) = zonder | מִשְׁפָּֽט (mishpat) = recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: de bevolking van het land. Vergelijk 2 Kon. 25:3. Zie ook: Ex 22:20; Ex 23:9; Ps 94:6; 2 Kon 25:3; Jer 5:31; Ezech 22:7 ### Niemand in de bres **22:30** **Ik zocht onder hen een man die een muur zou bouwen. Hij moest voor Mij in de bres staan voor het land, zodat Ik het niet zou verwoesten. Maar Ik heb niemand gevonden.** Brontekst: וָאֲבַקֵּ֣שׁ (vaavaqesh) = en Ik zocht | מֵהֶ֡ם (mehem) = onder hen | אִ֣ישׁ (ish) = man | גֹּֽדֵר (goder) = bouwend | גָּדֵר֩ (gader) = muur | וְעֹמֵ֨ד (veomed) = en staand | בַּפֶּ֧רֶץ (baperets) = in de bres | לְפָנַ֛י (lefanay) = voor Mij | בְּעַ֥ד (bead) = voor | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לְבִלְתִּ֣י (levilti) = opdat niet | שַׁחֲתָ֑הּ (shachatah) = Ik het verwoest | וְלֹ֖א (velo) = en niet | מָצָֽאתִי (matsati) = Ik vond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld is een muur met een bres. Een man moest in de bres staan om de stad te verdedigen. Vergelijk Ps. 106:23. Zie ook: Gen 18:23–32; Ps 106:23; Jes 59:16; Jer 5:1; Ezech 13:5 **22:31** **En Ik heb Mijn verontwaardiging over hen uitgegoten. Met het vuur van Mijn grimmigheid heb Ik een einde aan hen gemaakt. Hun weg heb Ik op hun hoofd gebracht, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: וָאֶשְׁפֹּ֤ךְ (vaeshpokh) = en Ik goot uit | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = over hen | זַעְמִ֔י (zami) = Mijn verontwaardiging | בְּאֵ֥שׁ (beesh) = in het vuur van | עֶבְרָתִ֖י (evrati) = Mijn grimmigheid | כִּלִּיתִ֑ים (kilitim) = heb Ik hen een einde gemaakt | דַּרְכָּם֙ (darkam) = hun weg | בְּרֹאשָׁ֣ם (berosham) = op hun hoofd | נָתַ֔תִּי (natati) = heb Ik gebracht | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהֹוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf het vorige vers staat het Hebreeuws in de verleden tijd: het oordeel wordt als al gebeurd verteld. Wij volgen dat. Zie ook: Ezech 7:3; Ezech 7:8–9; Ezech 9:10; Ezech 16:43; Rom 2:8–9 ## Ezechiël 23 _Ohola en Oholiba: de twee zussen die Yahweh ontrouw werden_ ### Twee zussen **23:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **23:2** **„Mensenkind, er waren twee vrouwen, dochters van één moeder.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֑ם (adam) = mens | שְׁתַּ֣יִם (shetayim) = twee | נָשִׁ֔ים (nashim) = vrouwen | בְּנ֥וֹת (benot) = dochters van | אֵם (em) = moeder | אַחַ֖ת (achat) = één | הָיֽוּ (hayu) = waren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit hoofdstuk vertelt een gelijkenis over twee zussen, dochters van één moeder. In vers 4 staat wie zij zijn: Samaria en Jeruzalem. Het beeld van hoererij voor ontrouw aan Yahweh staat ook in Hos. 1–3 en Ezech. 16. Zie ook: Jer 3:7–10; Ezech 16:44–46; Ezech 23:4 **23:3** **Zij bedreven hoererij in Egypte. In hun jeugd bedreven zij hoererij. Daar werden hun borsten aangeraakt en daar betastte men de borsten van hun maagdelijkheid.** Brontekst: וַתִּזְנֶ֣ינָה (vatizneina) = en zij hoereerden | בְמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | בִּנְעוּרֵיהֶ֖ן (binureihen) = in hun jeugd | זָנ֑וּ (zanu) = hoereerden zij | שָׁ֚מָּה (shama) = daar | מֹעֲכ֣וּ (moakhu) = werden gedrukt | שְׁדֵיהֶ֔ן (shedeihen) = hun borsten | וְשָׁ֣ם (vesham) = en daar | עִשּׂ֔וּ (isu) = betastte men | דַּדֵּ֖י (dadei) = borsten van | בְּתוּלֵיהֶֽן (betuleihen) = hun maagdelijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: זָנָה (zanah), ‘hoererij bedrijven’: wij laten het woord letterlijk staan, zoals in Hosea. Voetnoot : מֹעֲכוּ (mo’aku), ‘gedrukt, aangeraakt’: de eerste woorden over Egypte vertellen van Israëls jeugd daar. Vergelijk Ezech. 20:7–8. Voetnoot : De tekst is hier hard en rechtstreeks. Wij laten dat zo. Zie ook: Lev 17:7; Deut 29:15; Joz 24:14; Ezech 16:22; Ezech 20:7–8; Ezech 23:19 **23:4** **Hun namen: Ohola was de oudere en Oholiba haar zus. Zij werden de Mijnen en baarden zonen en dochters. Wat hun namen betreft: Samaria is Ohola en Jeruzalem is Oholiba.** Brontekst: וּשְׁמוֹתָ֗ן (ushemotan) = en hun namen | אָהֳלָ֤ה (ahola) = Ohola | הַגְּדוֹלָה֙ (hagedola) = de oudere | וְאָהֳלִיבָ֣ה (veaholiva) = en Oholiba | אֲחוֹתָ֔הּ (achotah) = haar zus | וַתִּֽהְיֶ֣ינָה (vatihyeina) = en zij werden | לִ֔י (li) = voor Mij | וַתֵּלַ֖דְנָה (vateladna) = en baarden | בָּנִ֣ים (banim) = zonen | וּבָנ֑וֹת (uvanot) = en dochters | וּשְׁמוֹתָ֕ן (ushemotan) = en hun namen | שֹׁמְר֣וֹן (shomeron) = Samaria | אָהֳלָ֔ה (ahola) = Ohola | וִירוּשָׁלִַ֖ם (virushaliam) = en Jeruzalem | אָהֳלִיבָֽה (aholiva) = Oholiba Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: אָהֳלָה (Oholah), ‘haar tent’, en אָהֳלִיבָה (Oholivah), ‘Mijn tent is in haar’: twee namen met hetzelfde woord voor ‘tent’. Wij schrijven ‘Ohola’ en ‘Oholiba’, naar de schrijfwijze Oholiab in Exod. 31:6. Voetnoot : הַגְּדוֹלָה (haggedolah), ‘de oudere’: letterlijk ‘de grote’. Voetnoot : וַתִּהְיֶינָה לִי (vattihyenah li), ‘zij werden de Mijnen’: letterlijk ‘zij werden voor Mij’. Yahweh beschrijft Israël en Juda als Zijn vrouwen. Voetnoot : Samaria is de hoofdstad van het noordelijke rijk; Jeruzalem de hoofdstad van Juda. Zie ook: Ex 31:6; Ps 76:3; 1 Kon 8:29; Jer 2:2–3; Ezech 16:8; Rom 7:4 ### Ohola en Assyrië **23:5** **Ohola bedreef hoererij terwijl zij Mij toebehoorde. Zij ontbrandde in begeerte voor haar minnaars, voor de Assyriërs, die dichtbij waren:** Brontekst: וַתִּ֥זֶן (vatizen) = en hoereerde | אָהֳלָ֖ה (ahola) = Ohola | תַּחְתָּ֑י (tachtay) = onder Mij | וַתַּעְגַּב֙ (vatagav) = en ontbrandde in begeerte | עַֽל (al) = op | מְאַהֲבֶ֔יהָ (meahaveiha) = haar minnaars | אֶל (el) = naar | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | קְרוֹבִֽים (qerovim) = dichtbij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּחְתָּי (tachtai), ‘terwijl zij Mij toebehoorde’: letterlijk ‘onder Mij’, dat wil zeggen als Mijn vrouw. Voetnoot : עגב (agav), ‘begeerte, hartstocht’: het werkwoord תַּעְגַּב (ta’agav), ‘ontbrandde in begeerte’, staat in dit hoofdstuk steeds voor verlangen naar een minnaar. Voetnoot : אַשּׁוּר (Ashur), ‘de Assyriërs’: het Hebreeuws heeft hier de landsnaam. Vergelijk 2 Kon. 15:19–20 en 17:3. Zie ook: 2 Kon 15:19; 2 Kon 16:7; 2 Kon 17:3; Hos 5:13; Hos 8:9–10 **23:6** **Zij waren gekleed in blauwpurper. Het waren landvoogden en stadhouders, allemaal aantrekkelijke jonge mannen, ruiters op paarden.** Brontekst: לְבֻשֵׁ֤י (levushei) = gekleed in | תְכֵ֨לֶת֙ (tekhelet) = blauwpurper | פַּח֣וֹת (pachot) = landvoogden | וּסְגָנִ֔ים (useganim) = en stadhouders | בַּח֥וּרֵי (bachurei) = jonge mannen van | חֶ֖מֶד (chemed) = begeerlijkheid | כֻּלָּ֑ם (kulam) = allemaal | פָּרָשִׁ֕ים (parashim) = ruiters | רֹכְבֵ֖י (rokhevei) = rijders van | סוּסִֽים (susim) = paarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּחוֹת (pachot), ‘landvoogden’, en סְגָנִים (seganim), ‘stadhouders’: titels van hoge ambtenaren. Vergelijk 1 Kon. 10:15. Voetnoot : תְּכֵלֶת (tekhelet), ‘blauwpurper’: een kostbare kleurstof; zie Exod. 25:4. Zie ook: Ex 25:4; 1 Kon 10:15; Ezech 23:23 **23:7** **Zij gaf haar hoererijen aan hen, de keur van de Assyriërs, allemaal. Bij allen op wie zij verliefd was, bij al hun mestgoden, maakte zij zich onrein.** Brontekst: וַתִּתֵּ֤ן (vatiten) = en zij gaf | תַּזְנוּתֶ֨יהָ֙ (taznuteiha) = haar hoererijen | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = aan hen | מִבְחַ֥ר (mivchar) = keur van | בְּנֵֽי (benei) = de zonen van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | כֻּלָּ֑ם (kulam) = allemaal | וּבְכֹ֧ל (uvekhol) = en bij alle | אֲשֶׁר (asher) = op wie | עָֽגְבָ֛ה (ageva) = zij ontbrandde in begeerte | בְּכָל (bekhal) = bij alle | גִּלּוּלֵיהֶ֖ם (giluleihem) = hun mestgoden | נִטְמָֽאָה (nitmaa) = werd zij onrein Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 5:3; Hos 6:10; Ezech 20:7; Ezech 22:3–4; Ezech 23:30 **23:8** **Ook haar hoererij van Egypte liet zij niet los. Want zij hadden in haar jeugd bij haar gelegen. Zij hadden de borsten van haar maagdelijkheid betast en hun hoererij over haar uitgestort.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | תַּזְנוּתֶ֤יהָ (taznuteiha) = haar hoererijen | מִמִּצְרַ֨יִם֙ (mimitsrayim) = uit Egypte | לֹ֣א (lo) = niet | עָזָ֔בָה (azava) = liet zij los | כִּ֤י (ki) = want | אוֹתָהּ֙ (otah) = haar | שָׁכְב֣וּ (shakhevu) = hadden gelegen | בִנְעוּרֶ֔יהָ (binureiha) = in haar jeugd | וְהֵ֥מָּה (vehema) = en zij | עִשּׂ֖וּ (isu) = betastten | דַּדֵּ֣י (dadei) = borsten van | בְתוּלֶ֑יהָ (betuleiha) = haar maagdelijkheid | וַיִּשְׁפְּכ֥וּ (vayishpekhu) = en stortten uit | תַזְנוּתָ֖ם (taznutam) = hun hoererij | עָלֶֽיהָ (aleiha) = over haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ex 32:4; 1 Kon 12:28; 2 Kon 10:29; Ezech 23:3; Ezech 23:19 **23:9** **Daarom heb Ik haar overgegeven in de hand van haar minnaars, in de hand van de Assyriërs, op wie zij verliefd was.** Brontekst: לָכֵ֥ן (lakhen) = daarom | נְתַתִּ֖יהָ (netatiha) = Ik heb haar gegeven | בְּיַד (beyad) = in de hand van | מְאַֽהֲבֶ֑יהָ (meahaveiha) = haar minnaars | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | בְּנֵ֣י (benei) = de zonen van | אַשּׁ֔וּר (ashur) = Assyrië | אֲשֶׁ֥ר (asher) = op wie | עָגְבָ֖ה (ageva) = zij ontbrandde in begeerte | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 1 Kron 5:26; 2 Kon 15:29; 2 Kon 17:23; Hos 11:5; Openb 17:12–13 **23:10** **Zij onthulden haar naaktheid, namen haar zonen en dochters weg en doodden haar met het zwaard. Zo werd zij een berucht voorbeeld onder de vrouwen, want zij voltrokken gerichten over haar.** Brontekst: הֵמָּה֮ (hema) = zij | גִּלּ֣וּ (gilu) = onthulden | עֶרְוָתָהּ֒ (ervatah) = haar naaktheid | בָּנֶ֤יהָ (baneiha) = haar zonen | וּבְנוֹתֶ֨יהָ֙ (uvenoteiha) = en haar dochters | לָקָ֔חוּ (laqachu) = namen zij | וְאוֹתָ֖הּ (veotah) = en haar | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = met het zwaard | הָרָ֑גוּ (haragu) = doodden zij | וַתְּהִי (vatehi) = en zij werd | שֵׁם֙ (shem) = een naam | לַנָּשִׁ֔ים (lanashim) = onder de vrouwen | וּשְׁפוּטִ֖ים (ushefutim) = en gerichten | עָ֥שׂוּ (asu) = voltrokken zij | בָֽהּ (bah) = over haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁם (shem), ‘een naam’: letterlijk ‘zij werd een naam onder de vrouwen’. Wij vertalen: ‘een berucht voorbeeld’. Samaria’s val staat in 2 Kon. 17:6. Zie ook: 2 Kon 17:6; Hos 2:12; Jer 22:8–9; Ezech 16:37–41; Ezech 23:29; Ezech 23:48 ### Oholiba en Babel **23:11** **Haar zus Oholiba zag het, en zij bedierf haar begeerte meer dan zij. Haar hoererijen waren erger dan de hoererijen van haar zus.** Brontekst: וַתֵּ֨רֶא֙ (vatere) = en zag | אֲחוֹתָ֣הּ (achotah) = haar zus | אָהֳלִיבָ֔ה (aholiva) = Oholiba | וַתַּשְׁחֵ֥ת (vatashchet) = en bedierf | עַגְבָתָ֖הּ (agvatah) = haar begeerte | מִמֶּ֑נָּה (mimena) = meer dan zij | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תַּ֨זְנוּתֶ֔יהָ (taznuteiha) = haar hoererijen | מִזְּנוּנֵ֖י (mizenunei) = meer dan de hoererijen van | אֲחוֹתָֽהּ (achotah) = haar zus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַתַּשְׁחֵת עַגְבָתָהּ מִמֶּנָּה (vattashchet agavatah mimmennah), ‘zij bedierf haar begeerte meer dan zij’: het Hebreeuws is kort. Oholiba’s begeerte was verdorvener dan die van Ohola. Zie ook: Jer 3:8–11; Ezech 16:47–51; Ezech 23:4 **23:12** **Zij ontbrandde in begeerte voor de Assyriërs, landvoogden en stadhouders, hun buren, prachtig gekleed, ruiters op paarden, allemaal aantrekkelijke jonge mannen.** Brontekst: אֶל (el) = naar | בְּנֵי֩ (benei) = de zonen van | אַשּׁ֨וּר (ashur) = Assyrië | עָגָ֜בָה (agava) = ontbrandde zij in begeerte | פַּח֨וֹת (pachot) = landvoogden | וּסְגָנִ֤ים (useganim) = en stadhouders | קְרֹבִים֙ (qerovim) = nabij | לְבֻשֵׁ֣י (levushei) = gekleed in | מִכְל֔וֹל (mikhlol) = pracht | פָּרָשִׁ֖ים (parashim) = ruiters | רֹכְבֵ֣י (rokhevei) = rijders van | סוּסִ֑ים (susim) = paarden | בַּח֥וּרֵי (bachurei) = jonge mannen van | חֶ֖מֶד (chemed) = begeerlijkheid | כֻּלָּֽם (kulam) = allemaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִכְלוֹל (michlol), ‘prachtig’: een zeldzaam woord, verwant aan ‘volkomen’. Het staat ook in Ezech. 38:4. De betekenis is hier ‘in volle pracht’. Zie ook: 2 Kon 16:7–15; 2 Kron 28:16–23; Ezech 16:28; Ezech 23:5–6; Ezech 23:23; Ezech 38:4 **23:13** **Ik zag dat zij onrein was geworden. Beiden gingen dezelfde weg.** Brontekst: וָאֵ֖רֶא (vaere) = en Ik zag | כִּ֣י (ki) = dat | נִטְמָ֑אָה (nitmaa) = zij was onrein geworden | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = weg | אֶחָ֖ד (echad) = één | לִשְׁתֵּיהֶֽן (lishteihen) = voor hen beiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 17:18–19; Hos 12:2–3; Ezech 23:31 **23:14** **Maar zij ging nog verder met haar hoererijen. Zij zag mannen die op de muur waren afgebeeld, beelden van Chaldeeën, met rode verf getekend.** Brontekst: וַתּ֖וֹסֶף (vatosef) = en zij voegde toe | אֶל (el) = aan | תַּזְנוּתֶ֑יהָ (taznuteiha) = haar hoererijen | וַתֵּ֗רֶא (vatere) = en zag | אַנְשֵׁי֙ (anshei) = mannen van | מְחֻקֶּ֣ה (mechuqe) = afbeelding | עַל (al) = op | הַקִּ֔יר (haqir) = de muur | צַלְמֵ֣י (tsalmei) = beelden van | כַשְׂדִּ֔ים (kasdim) = Chaldeeën | חֲקֻקִ֖ים (chaquqim) = getekend | בַּשָּׁשַֽׁר (bashashar) = met rode verf Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁשַׁר (shashar), ‘rode verf’: een rode kleurstof, zoals in Jer. 22:14. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) van ‘Chaldeeën’ heeft een extra letter ten opzichte van de voorgelezen tekst (qere). Het gaat alleen om de spelling; de betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: Jes 46:1; Jer 22:14; Jer 50:2; Ezech 8:10; Ezech 16:29 **23:15** **Zij waren omgord met een gordel om hun heupen en droegen hangende tulbanden op hun hoofd. Allemaal zagen zij eruit als officieren, een evenbeeld van de zonen van Babel, Chaldeeën, het land van hun geboorte.** Brontekst: חֲגוֹרֵ֨י (chagorei) = omgord met | אֵז֜וֹר (ezor) = gordel | בְּמָתְנֵיהֶ֗ם (bemateneihem) = om hun heupen | סְרוּחֵ֤י (seruchei) = overhangend | טְבוּלִים֙ (tevulim) = tulbanden | בְּרָ֣אשֵׁיהֶ֔ם (berasheihem) = op hun hoofden | מַרְאֵ֥ה (mare) = uiterlijk van | שָׁלִשִׁ֖ים (shalishim) = officieren | כֻּלָּ֑ם (kulam) = allemaal | דְּמ֤וּת (demut) = evenbeeld van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | בָבֶל֙ (bavel) = Babel | כַּשְׂדִּ֔ים (kasdim) = Chaldeeën | אֶ֖רֶץ (erets) = land van | מוֹלַדְתָּֽם (moladtam) = hun geboorte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: סְרוּחֵי טְבוּלִים (seruchei tevulim), ‘hangende tulbanden’: twee zeldzame woorden. De tulbanden hingen naar beneden. Voetnoot : שָׁלִשִׁים (shalishim), ‘officieren’: letterlijk ‘derden’, vaak de derde man op een strijdwagen, een hoge officier. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘Chaldeeën’: de bewoners van Babel; hun geboorteland is Chaldea. Zie ook: Re 8:18; 1 Sam 18:4; 2 Sam 14:25; Jes 22:21 **23:16** **Zij ontbrandde in begeerte voor hen toen haar ogen hen zagen. Zij stuurde boden naar hen, naar het land van de Chaldeeën.** Brontekst: וַתַּעְגְּבָ֥ה (vatageva) = en ontbrandde in begeerte | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = op hen | לְמַרְאֵ֣ה (lemare) = bij het zien van | עֵינֶ֑יהָ (eineiha) = haar ogen | וַתִּשְׁלַ֧ח (vatishlach) = en zond | מַלְאָכִ֛ים (malakhim) = boden | אֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = naar hen | כַּשְׂדִּֽימָה (kasdima) = naar het land van de Chaldeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak. Voetnoot Lezing: In dit vers heeft de geschreven tekst (ketiv) bij ‘zij ontbrandde in begeerte’ een letter minder dan de voorgelezen tekst (qere). De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: Gen 6:2; Job 31:1; Spr 23:33; Ezech 16:29; Mat 5:28 **23:17** **De zonen van Babel kwamen bij haar op het liefdesbed en maakten haar onrein met hun hoererij. Zij werd door hen onrein, en haar ziel keerde zich van hen af.** Brontekst: וַיָּבֹ֨אוּ (vayavou) = en kwamen | אֵלֶ֤יהָ (eleiha) = naar haar | בְנֵֽי (benei) = zonen van | בָבֶל֙ (bavel) = Babel | לְמִשְׁכַּ֣ב (lemishkav) = op het bed van | דֹּדִ֔ים (dodim) = liefde | וַיְטַמְּא֥וּ (vaytameu) = en maakten onrein | אוֹתָ֖הּ (otah) = haar | בְּתַזְנוּתָ֑ם (betaznutam) = met hun hoererij | וַתִּ֨טְמָא (vatitma) = en zij werd onrein | בָ֔ם (bam) = door hen | וַתֵּ֥קַע (vateqa) = en wendde zich af | נַפְשָׁ֖הּ (nafshah) = haar ziel | מֵהֶֽם (mehem) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: דֹּדִים (dodim), ‘liefde’: zoals in Hoogl. 1:2. Voetnoot : וַתֵּקַע נַפְשָׁהּ (vattéqa nafshah), ‘haar ziel keerde zich af’: letterlijk ‘haar ziel werd losgerukt’. Hetzelfde werkwoord staat in vers 18, 22 en 28. De band werd verbroken. Zie ook: Gen 10:10; Gen 11:9; 2 Sam 13:15; Hoogl 1:2; Ezech 23:18; Ezech 23:22; Ezech 23:28 **23:18** **Zij legde haar hoererijen bloot en legde haar naaktheid bloot. Toen keerde Mijn ziel Zich van haar af, zoals Mijn ziel Zich van haar zus had afgekeerd.** Brontekst: וַתְּגַל֙ (vategal) = en zij legde bloot | תַּזְנוּתֶ֔יהָ (taznuteiha) = haar hoererijen | וַתְּגַ֖ל (vategal) = en zij legde bloot | אֶת (et) = (obj.) | עֶרְוָתָ֑הּ (ervatah) = haar naaktheid | וַתֵּ֤קַע (vateqa) = en wendde zich af | נַפְשִׁי֙ (nafshi) = Mijn ziel | מֵֽעָלֶ֔יהָ (mealeiha) = van haar | כַּאֲשֶׁ֛ר (kaasher) = zoals | נָקְעָ֥ה (naqea) = had zich afgewend | נַפְשִׁ֖י (nafshi) = Mijn ziel | מֵעַ֥ל (meal) = van | אֲחוֹתָֽהּ (achotah) = haar zus Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: Yahweh zelf keert Zich af. Hij spreekt hier over Zijn eigen ziel. Zie ook: Ps 78:59; Ps 106:40; Jer 6:8; Jer 8:12; Jer 12:8 **23:19** **Maar zij maakte haar hoererijen talrijker, terwijl zij zich de dagen van haar jeugd herinnerde, toen zij hoererij bedreef in het land Egypte.** Brontekst: וַתַּרְבֶּ֖ה (vatarbe) = en zij maakte veel | אֶת (et) = (obj.) | תַּזְנוּתֶ֑יהָ (taznuteiha) = haar hoererijen | לִזְכֹּר֙ (lizkor) = om te gedenken | אֶת (et) = (obj.) | יְמֵ֣י (yemei) = de dagen van | נְעוּרֶ֔יהָ (neureiha) = haar jeugd | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | זָנְתָ֖ה (zaneta) = zij hoereerde | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Amos 4:4; Ezech 16:22; Ezech 16:29; Ezech 20:7; Ezech 23:3 **23:20** **Zij ontbrandde in begeerte voor hun minnaars, wier vlees het vlees van ezels is en wier vloed de vloed van paarden.** Brontekst: וַֽתַּעְגְּבָ֔ה (vatageva) = en ontbrandde in begeerte | עַ֖ל (al) = op | פִּֽלַגְשֵׁיהֶ֑ם (pilagsheihem) = hun minnaars | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wier | בְּשַׂר (besar) = vlees van | חֲמוֹרִים֙ (chamorim) = ezels | בְּשָׂרָ֔ם (besaram) = hun vlees | וְזִרְמַ֥ת (vezirmat) = en vloed van | סוּסִ֖ים (susim) = paarden | זִרְמָתָֽם (zirmatam) = hun vloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פִּלַגְשֵׁיהֶם (pilagshehem), ‘hun minnaars’: het Hebreeuws heeft hier het woord voor ‘bijvrouwen’ met een mannelijk ‘hun’. Het gaat om de minnaars. Voetnoot : בְּשַׂר (besar), ‘vlees’, en זִרְמָה (zirmah), ‘vloed’: staan voor het geslachtsdeel en de zaadlozing. Het beeld benadrukt hun dierlijke drift. Zie ook: Jer 5:8; Ezech 16:20; Ezech 16:26; Ezech 17:15 **23:21** **Zo verlangde je terug naar de schanddaad van je jeugd, toen men in Egypte je borsten betastte, vanwege de borsten van je jeugd.** Brontekst: וַֽתִּפְקְדִ֔י (vatifqedi) = en je verlangde terug naar | אֵ֖ת (et) = (obj.) | זִמַּ֣ת (zimat) = schanddaad van | נְעוּרָ֑יִךְ (neurayikh) = je jeugd | בַּעְשׂ֤וֹת (basot) = toen men deed | מִמִּצְרַ֨יִם֙ (mimitsrayim) = in Egypte | דַּדַּ֔יִךְ (dadayikh) = je borsten | לְמַ֖עַן (lemaan) = vanwege | שְׁדֵ֥י (shedei) = borsten van | נְעוּרָֽיִךְ (neurayikh) = je jeugd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. וַתִּפְקְדִי (vattifqedi), ‘je verlangde terug naar’: letterlijk ‘je bezocht’ of ‘je dacht aan’. Het Hebreeuws wisselt hier van ‘zij’ naar ‘jij’: Yahweh spreekt Oholiba nu rechtstreeks aan. Voetnoot : זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: zoals in Lev. 18:17. Zie ook: Lev 18:17 ### Het oordeel over Oholiba **23:22** Daarom, Oholiba, zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik zet je minnaars tegen je op, van wie je ziel zich heeft afgekeerd. Ik breng hen van rondom tegen je.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | אָהֳלִיבָ֗ה (aholiva) = Oholiba | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie, Ik | מֵעִ֤יר (meir) = zet op | אֶת (et) = (obj.) | מְאַהֲבַ֨יִךְ֙ (meahavayikh) = je minnaars | עָלַ֔יִךְ (alayikh) = tegen jou | אֵ֛ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = van wie | נָקְעָ֥ה (naqea) = zich heeft afgekeerd | נַפְשֵׁ֖ךְ (nafshekh) = je ziel | מֵהֶ֑ם (mehem) = van hen | וַהֲבֵאתִ֥ים (vahavetim) = en Ik breng hen | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = tegen jou | מִסָּבִֽיב (misaviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4. Voetnoot : Vanaf hier gaat het oordeel over Oholiba. Zij die zij zo graag had, worden de werktuigen van het oordeel. Zie ook: Jes 10:5–6; Jes 39:3–4; Jer 6:22–23; Ezech 2:4; Ezech 16:37; Openb 17:16 **23:23** **De zonen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, Sjoa en Koa, en alle zonen van Assyrië met hen: aantrekkelijke jonge mannen, landvoogden en stadhouders, allemaal officieren en geroepenen, ruiters op paarden, allemaal.** Brontekst: בְּנֵ֧י (benei) = zonen van | בָבֶ֣ל (bavel) = Babel | וְכָל (vekhal) = en alle | כַּשְׂדִּ֗ים (kasdim) = Chaldeeën | פְּק֤וֹד (peqod) = Pekod | וְשׁ֨וֹעַ֙ (veshoa) = en Sjoa | וְק֔וֹעַ (veqoa) = en Koa | כָּל (kal) = alle | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | אוֹתָ֑ם (otam) = met hen | בַּח֨וּרֵי (bachurei) = jonge mannen van | חֶ֜מֶד (chemed) = begeerlijkheid | פַּח֤וֹת (pachot) = landvoogden | וּסְגָנִים֙ (useganim) = en stadhouders | כֻּלָּ֔ם (kulam) = allemaal | שָֽׁלִשִׁים֙ (shalishim) = officieren | וּקְרוּאִ֔ים (uqeruim) = en geroepenen | רֹכְבֵ֥י (rokhevei) = ruiters van | סוּסִ֖ים (susim) = paarden | כֻּלָּֽם (kulam) = allemaal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: פְּקוֹד (Pekod), שׁוֹעַ (Shoa) en קוֹעַ (Qoa): namen van volken die bij Babel horen. Pekod staat ook in Jer. 50:21. De ligging van Sjoa en Koa is niet bekend. Voetnoot : קְרוּאִים (qeru’im), ‘geroepenen’: mannen die zijn opgeroepen of aangewezen, dezelfde vorm als in Num. 16:2, waar het ‘afgevaardigden’ is. Zie ook: Num 16:2; 2 Kon 20:14–17; 2 Kon 24:2; Jes 23:13; Jer 50:21; Ezech 23:12 **23:24** **Zij komen tegen je met wapenrusting, wagens en wielen, en met een vergadering van volken. Grote en kleine schilden en helmen zetten zij rondom tegen je op. Ik leg hun het recht voor, en zij oordelen je naar hun rechtsregels.** Brontekst: וּבָ֣אוּ (uvau) = en zij zullen komen | עָלַ֡יִךְ (alayikh) = tegen jou | הֹ֠צֶן (hotsen) = wapenrusting | רֶ֤כֶב (rekhev) = wagens | וְגַלְגַּל֙ (vegalgal) = en wiel | וּבִקְהַ֣ל (uviqhal) = en met een vergadering van | עַמִּ֔ים (amim) = volken | צִנָּ֤ה (tsina) = grote schilden | וּמָגֵן֙ (umagen) = en kleine schilden | וְקוֹבַ֔ע (veqova) = en helmen | יָשִׂ֥ימוּ (yasimu) = zullen zij zetten | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = tegen jou | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal leggen | לִפְנֵיהֶם֙ (lifneihem) = voor hen | מִשְׁפָּ֔ט (mishpat) = recht | וּשְׁפָט֖וּךְ (ushefatukh) = en zij zullen je oordelen | בְּמִשְׁפְּטֵיהֶֽם (bemishpeteihem) = naar hun rechtsregels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֹצֶן (hotsen), ‘wapenrusting’: een zeldzaam woord. De betekenis is onzeker. Voetnoot : צִנָּה (tsinnah), ‘grote schilden’, מָגֵן (magen), ‘kleine schilden’, en קוֹבַע (qova), ‘helmen’. Voetnoot : קְהַל עַמִּים (qehal ammim), ‘vergadering van volken’: een leger uit meer volken, zoals in Ezech. 16:40. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen het eerste woord van dit vers anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Sam 24:14; Jer 39:5–6; Jer 47:3; Ezech 16:38; Ezech 16:40; Ezech 26:10 **23:25** **Ik richt Mijn naijver tegen je, en zij handelen met je in woede. Je neus en je oren nemen zij weg. Wat van je overblijft, valt door het zwaard. Zij nemen je zonen en dochters, en wat van je overblijft wordt door vuur verteerd.** Brontekst: וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal leggen | קִנְאָתִ֜י (qinati) = Mijn naijver | בָּ֗ךְ (bakh) = tegen jou | וְעָשׂ֤וּ (veasu) = en zij zullen doen | אוֹתָךְ֙ (otakh) = met jou | בְּחֵמָ֔ה (bechema) = in woede | אַפֵּ֤ךְ (apekh) = je neus | וְאָזְנַ֨יִךְ֙ (veazenayikh) = en je oren | יָסִ֔ירוּ (yasiru) = zullen zij wegnemen | וְאַחֲרִיתֵ֖ךְ (veacharitekh) = en wat van je overblijft | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = door het zwaard | תִּפּ֑וֹל (tipol) = zal vallen | הֵ֗מָּה (hema) = zij | בָּנַ֤יִךְ (banayikh) = je zonen | וּבְנוֹתַ֨יִךְ֙ (uvenotayikh) = en je dochters | יִקָּ֔חוּ (yiqachu) = zullen zij nemen | וְאַחֲרִיתֵ֖ךְ (veacharitekh) = en wat van je overblijft | תֵּאָכֵ֥ל (teakhel) = zal verteerd worden | בָּאֵֽשׁ (baesh) = door vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִנְאָתִי (qin’ati), ‘Mijn naijver’: Yahweh’s vurige betrokkenheid bij wie van Hem is. Vergelijk Ezech. 16:38 en 16:42. Voetnoot : אַחֲרִיתֵךְ (acharitech), ‘wat van je overblijft’: letterlijk ‘je einde, je rest’. Zie ook: Ex 34:14; Hos 2:6–7; Ezech 8:1–18; Ezech 16:38–42; Ezech 16:42; Ezech 23:47 **23:26** **Zij trekken je kleren uit en nemen je sieraden van pracht weg.** Brontekst: וְהִפְשִׁיט֖וּךְ (vehifshitukh) = en zij zullen uitkleden jou | אֶת (et) = (obj.) | בְּגָדָ֑יִךְ (begadayikh) = je kleren | וְלָקְח֖וּ (velaqechu) = en zij zullen nemen | כְּלֵ֥י (kelei) = voorwerpen van | תִפְאַרְתֵּֽךְ (tifartekh) = je pracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers lijkt op Ezech. 16:39: zij wordt uitgekleed en haar sieraden worden weggenomen. Zie ook: Jes 3:17–24; Jer 13:22; Ezech 16:39; Ezech 23:29; 1 Petr 3:3–4 **23:27** **Zo laat Ik je schanddaad ophouden, weg van jou, en je hoererij uit het land Egypte. Je slaat je ogen niet meer naar hen op en aan Egypte denk je niet meer.** Brontekst: וְהִשְׁבַּתִּ֤י (vehishbati) = en Ik zal laten ophouden | זִמָּתֵךְ֙ (zimatekh) = je schanddaad | מִמֵּ֔ךְ (mimekh) = van jou | וְאֶת (veet) = en (obj.) | זְנוּתֵ֖ךְ (zenutekh) = je hoererij | מֵאֶ֣רֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִשְׂאִ֤י (tisi) = zul je opslaan | עֵינַ֨יִךְ֙ (einayikh) = je ogen | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = naar hen | וּמִצְרַ֖יִם (umitsrayim) = en Egypte | לֹ֥א (lo) = niet | תִזְכְּרִי (tizkeri) = zul je gedenken | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Mi 5:9–13; Ezech 16:41; Ezech 23:3; Ezech 23:19; Zach 13:2 **23:28** Want zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik geef je in de hand van wie je haat, in de hand van hen van wie je ziel zich heeft afgekeerd.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִי֙ (hinni) = zie, Ik | נֹֽתְנָ֔ךְ (notenakh) = geef jou | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wie | שָׂנֵ֑את (sanet) = je haat | בְּיַ֛ד (beyad) = in de hand van | אֲשֶׁר (asher) = wie | נָקְעָ֥ה (naqea) = zich heeft afgekeerd | נַפְשֵׁ֖ךְ (nafshekh) = je ziel | מֵהֶֽם (mehem) = van hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 21:7–10; Jer 34:20; Ezech 16:37; Ezech 23:17; Ezech 23:22 **23:29** **Zij behandelen je met haat. Zij nemen al je zwoegen weg en laten je naakt en bloot achter. De naaktheid van je hoererijen wordt ontbloot: je schanddaad en je hoererijen.** Brontekst: וְעָשׂ֨וּ (veasu) = en zij zullen doen | אוֹתָ֜ךְ (otakh) = met jou | בְּשִׂנְאָ֗ה (besina) = met haat | וְלָקְחוּ֙ (velaqechu) = en zij zullen nemen | כָּל (kal) = al | יְגִיעֵ֔ךְ (yegiekh) = je zwoegen | וַעֲזָב֖וּךְ (vaazavukh) = en zij zullen je achterlaten | עֵירֹ֣ם (eirom) = naakt | וְעֶרְיָ֑ה (veerya) = en bloot | וְנִגְלָה֙ (venigla) = en zal onthuld worden | עֶרְוַ֣ת (ervat) = naaktheid van | זְנוּנַ֔יִךְ (zenunayikh) = je hoererijen | וְזִמָּתֵ֖ךְ (vezimatekh) = en je schanddaad | וְתַזְנוּתָֽיִךְ (vetaznutayikh) = en je hoererijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְגִיעֵךְ (yegi’ech), ‘je zwoegen’: wat je met moeite hebt verworven. Zie ook: 2 Sam 13:15; Ezech 16:39; Ezech 23:18; Ezech 23:25–26; Ezech 23:45–47 **23:30** **Dit alles wordt je aangedaan omdat je de volken achterna hoereerde, omdat je onrein werd door hun mestgoden.** Brontekst: עָשֹׂ֥ה (aso) = doen | אֵ֖לֶּה (ele) = deze dingen | לָ֑ךְ (lakh) = aan jou | בִּזְנוֹתֵךְ֙ (biznotekh) = in je hoereren | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | גוֹיִ֔ם (goyim) = volken | עַ֥ל (al) = omdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | נִטְמֵ֖את (nitmet) = je onrein werd | בְּגִלּוּלֵיהֶֽם (begiluleihem) = door hun mestgoden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft hier een onbepaalde wijs: ‘doen deze dingen aan jou’. Wij maken er een zin van. Zie ook: Ps 106:35–38; Jer 2:18–20; Jer 22:8–9; Ezech 6:9; Ezech 23:12–21 ### De beker van haar zus **23:31** **Op de weg van je zus ben je gegaan. Daarom geef Ik haar beker in je hand.** Brontekst: בְּדֶ֥רֶךְ (bederekh) = op de weg van | אֲחוֹתֵ֖ךְ (achotekh) = je zus | הָלָ֑כְתְּ (halakht) = ben je gegaan | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | כוֹסָ֖הּ (kosah) = haar beker | בְּיָדֵֽךְ (beyadekh) = in je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 21:13; Jer 3:8–11; Jer 7:14–15; Ezech 16:47–51; Dan 9:12 **23:32** Zo zegt Heer Yahweh: **De beker van je zus zul je drinken, de diepe en wijde. Je zult tot spot en hoon worden. Er gaat veel in.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כּ֤וֹס (kos) = beker van | אֲחוֹתֵךְ֙ (achotekh) = je zus | תִּשְׁתִּ֔י (tishti) = zul je drinken | הָעֲמֻקָּ֖ה (haamuqa) = de diepe | וְהָרְחָבָ֑ה (veharechava) = en wijde | תִּהְיֶ֥ה (tihye) = zal zijn | לִצְחֹ֛ק (litschoq) = tot spot | וּלְלַ֖עַג (ulelaag) = en tot hoon | מִרְבָּ֥ה (mirba) = veel | לְהָכִֽיל (lehakhil) = om te bevatten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַרְבָּה לְהָכִיל (marbeh lehakhil), ‘veel om te bevatten’: de beker is groot en diep. Hetzelfde werkwoord staat in 21:33 (Hebr.), waar wij ‘verteren’ kiezen. Zie ook: Ps 60:5; 1 Kon 9:7; Jes 51:17; Klaagl 2:15–16; Ezech 22:4–5 **23:33** **Je zult vol worden van dronkenschap en verdriet, de beker van ontzetting en verwoesting, de beker van je zus Samaria.** Brontekst: שִׁכָּר֥וֹן (shikaron) = dronkenschap | וְיָג֖וֹן (veyagon) = en verdriet | תִּמָּלֵ֑אִי (timalei) = zul je vol worden | כּ֚וֹס (kos) = beker van | שַׁמָּ֣ה (shama) = ontzetting | וּשְׁמָמָ֔ה (ushemama) = en verwoesting | כּ֖וֹס (kos) = beker van | אֲחוֹתֵ֥ךְ (achotekh) = je zus | שֹׁמְרֽוֹן (shomeron) = Samaria Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem. Voetnoot Uitleg: כּוֹס (kos), ‘beker’: het beeld van Yahweh’s oordeel. Vergelijk Jes. 51:17 en Ps. 75:9. Zie ook: Ps 75:9; Jes 51:17; Jes 51:22; Jer 25:15–16; Jer 25:27; Hab 2:16 **23:34** **Je zult hem drinken en leegzuigen. Je zult de scherven ervan afknagen en je borsten uitrukken. Want Ik heb gesproken, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְשָׁתִ֨ית (veshatit) = en je zult drinken | אוֹתָ֜הּ (otah) = haar | וּמָצִ֗ית (umatsit) = en leegzuigen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֲרָשֶׂ֛יהָ (charaseiha) = haar scherven | תְּגָרֵ֖מִי (tegaremi) = zul je afknagen | וְשָׁדַ֣יִךְ (veshadayikh) = en je borsten | תְּנַתֵּ֑קִי (tenateqi) = zul je uitrukken | כִּ֚י (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = Ik | דִבַּ֔רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמָצִית (umatsit), ‘en leegzuigen’: hetzelfde werkwoord als in Jes. 51:17. Voetnoot : De scherven afknagen en de borsten uitrukken zijn beelden van totale wanhoop. Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Zie ook: Ps 75:9; Jes 51:17; Ezech 5:11; Ezech 23:3; Ezech 23:8; Openb 18:7 **23:35** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Omdat je Mij vergeten bent en Mij achter je rug hebt geworpen, draag nu ook zelf je schanddaad en je hoererijen.”** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֚עַן (yaan) = omdat | שָׁכַ֣חַתְּ (shakhachat) = je vergeten bent | אוֹתִ֔י (oti) = Mij | וַתַּשְׁלִ֥יכִי (vatashlikhi) = en je wierp | אוֹתִ֖י (oti) = Mij | אַחֲרֵ֣י (acharei) = achter | גַוֵּ֑ךְ (gavekh) = je rug | וְגַם (vegam) = en ook | אַ֛תְּ (at) = jij | שְׂאִ֥י (sei) = draag | זִמָּתֵ֖ךְ (zimatekh) = je schanddaad | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תַּזְנוּתָֽיִךְ (taznutayikh) = je hoererijen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַחֲרֵי גֵוֵּךְ (acharei gevech), ‘achter je rug’: Mij wegwerpen, Mij negeren. Dezelfde uitdrukking staat in 1 Kon. 14:9. Zie ook: 1 Kon 14:9; Jes 17:10; Jer 3:21; Jer 32:33; Ezech 22:12 ### Het oordeel over beide zussen **23:36** Yahweh zei tegen mij: **„Mensenkind, wil je Ohola en Oholiba oordelen? Maak hun hun gruwelen bekend.** Brontekst: וַיֹּ֤אמֶר (vayomer) = en zei | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הֲתִשְׁפּ֥וֹט (hatishpot) = wil je oordelen | אֶֽת (et) = (obj.) | אָהֳלָ֖ה (ahola) = Ohola | וְאֶת (veet) = en (obj.) | אָהֳלִיבָ֑ה (aholiva) = Oholiba | וְהַגֵּ֣ד (vehaged) = en maak bekend | לָהֶ֔ן (lahen) = hun | אֵ֖ת (et) = (obj.) | תוֹעֲבוֹתֵיהֶֽן (toavoteihen) = hun gruwelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint een tweede rede van Yahweh. Wij zetten ‘Yahweh zei tegen mij’ zwart en wat volgt rood. Voetnoot : הֲתִשְׁפּוֹט (hatishpot), ‘wil je oordelen’: dezelfde vraag als in Ezech. 22:2. Zie ook: Jes 58:1; Jer 1:10; Ezech 16:2; Ezech 20:4; Ezech 22:2 **23:37** **Want zij hebben overspel gepleegd, en er is bloed aan hun handen. Met hun mestgoden hebben zij overspel gepleegd. Ook hun zonen die zij voor Mij hadden gebaard, hebben zij voor hen laten overgaan om verteerd te worden.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | נִאֵ֗פוּ (niefu) = zij hebben overspel gepleegd | וְדָם֙ (vedam) = en bloed | בִּֽידֵיהֶ֔ן (bideihen) = aan hun handen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | גִּלּֽוּלֵיהֶ֖ן (giluleihen) = hun mestgoden | נִאֵ֑פוּ (niefu) = hebben zij overspel gepleegd | וְגַ֤ם (vegam) = en ook | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶן֙ (beneihen) = hun zonen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָֽלְדוּ (yaledu) = zij baarden | לִ֔י (li) = voor Mij | הֶעֱבִ֥ירוּ (heeviru) = hebben zij laten overgaan | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְאָכְלָֽה (leakhela) = tot verteren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֶעֱבִירוּ (he’eviru), ‘laten overgaan’: hetzelfde werkwoord als ‘door het vuur laten gaan’ in Lev. 18:21 en Ezech. 16:21. Hier staat ‘om verteerd te worden’. Zie ook: Lev 18:21; Jer 7:31; Ezech 16:20–21; Ezech 16:21; Ezech 16:36; Ezech 16:38; Ezech 20:26 **23:38** **Bovendien hebben zij Mij dit aangedaan: op diezelfde dag hebben zij Mijn heiligdom onrein gemaakt en Mijn sabbatten ontheiligd.** Brontekst: ע֥וֹד (od) = nog | זֹ֖את (zot) = dit | עָ֣שׂוּ (asu) = hebben zij gedaan | לִ֑י (li) = aan Mij | טִמְּא֤וּ (timeu) = hebben onrein gemaakt | אֶת (et) = (obj.) | מִקְדָּשִׁי֙ (miqdashi) = Mijn heiligdom | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁבְּתוֹתַ֖י (shabetotay) = Mijn sabbatten | חִלֵּֽלוּ (chilelu) = hebben zij ontheiligd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 21:7; Ezech 7:20; Ezech 20:13; Ezech 20:24; Neh 13:17–18 **23:39** **Op de dag dat zij hun zonen slachtten voor hun mestgoden, kwamen zij op diezelfde dag in Mijn heiligdom om het te ontheiligen. Zie, zo hebben zij gedaan midden in Mijn huis.** Brontekst: וּֽבְשַׁחֲטָ֤ם (uveshachatam) = en bij hun slachten | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵיהֶם֙ (beneihem) = hun zonen | לְגִלּ֣וּלֵיהֶ֔ם (legiluleihem) = voor hun mestgoden | וַיָּבֹ֧אוּ (vayavou) = en zij kwamen | אֶל (el) = naar | מִקְדָּשִׁ֛י (miqdashi) = Mijn heiligdom | בַּיּ֥וֹם (bayom) = op de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | לְחַלְּל֑וֹ (lechalelo) = om het te ontheiligen | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | כֹ֥ה (ko) = zo | עָשׂ֖וּ (asu) = hebben zij gedaan | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden in | בֵּיתִֽי (beiti) = Mijn huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 21:4; Jes 3:9; Jer 7:8–11; Jer 23:11; Ezech 44:7 **23:40** **Ja, zij hebben zelfs boden gestuurd naar mannen die van ver kwamen. Een bode werd naar hen gezonden, en zie, zij kwamen. Voor hen heb je je gewassen, je ogen opgemaakt en je met sieraden getooid.** Brontekst: וְאַ֗ף (veaf) = en ook | כִּ֤י (ki) = dat | תִשְׁלַ֨חְנָה֙ (tishlachna) = zij zonden | לַֽאֲנָשִׁ֔ים (laanashim) = naar mannen | בָּאִ֖ים (baim) = komend | מִמֶּרְחָ֑ק (mimerchaq) = van ver | אֲשֶׁ֨ר (asher) = voor wie | מַלְאָ֜ךְ (malakh) = boodschapper | שָׁל֤וּחַ (shaluach) = gezonden | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = naar hen | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | בָ֔אוּ (bau) = zij kwamen | לַאֲשֶׁ֥ר (laasher) = voor wie | רָחַ֛צְתְּ (rachatst) = je je waste | כָּחַ֥לְתְּ (kachalt) = je beschilderde | עֵינַ֖יִךְ (einayikh) = je ogen | וְעָ֥דִית (veadit) = en je tooide je | עֶֽדִי (edi) = sieraad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier verandert de aanspreking weer in ‘jij’. Het gaat om Oholiba’s boden naar verre volken. Voetnoot : כָּחַלְתְּ (kachalt), ‘je ogen opgemaakt’: met oogschaduw, zoals Izebel in 2 Kon. 9:30. Zie ook: 2 Kon 9:30; Jes 3:18–23; Jes 57:9; Jer 4:30; Ezech 16:13–16 **23:41** **Je zat op een prachtig bed, met een gedekte tafel ervoor. Mijn wierook en Mijn olie legde je erop.** Brontekst: וְיָשַׁבְתְּ֙ (veyashavt) = en je zat | עַל (al) = op | מִטָּ֣ה (mita) = bed | כְבוּדָּ֔ה (kevuda) = prachtig | וְשֻׁלְחָ֥ן (veshulchan) = en tafel | עָר֖וּךְ (arukh) = gedekt | לְפָנֶ֑יהָ (lefaneiha) = voor haar | וּקְטָרְתִּ֥י (uqetarti) = en Mijn wierook | וְשַׁמְנִ֖י (veshamni) = en Mijn olie | שַׂ֥מְתְּ (samt) = heb je gelegd | עָלֶֽיהָ (aleiha) = erop Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְטָרְתִּי (qetorti), ‘Mijn wierook’, en שַׁמְנִי (shamni), ‘Mijn olie’: gaven van Yahweh die zij misbruikt. Vergelijk Ezech. 16:18–19. Zie ook: Amos 6:4; Jes 65:11; Jer 44:17; Ezech 16:18–19; Ezech 44:16; Est 1:6 **23:42** **Het geluid van een zorgeloze menigte klonk bij haar. Bij de mannen uit de grote schare werden Sebaïeten uit de woestijn gebracht. Zij deden armbanden om hun handen en een prachtige kroon op hun hoofden.** Brontekst: וְק֣וֹל (veqol) = en geluid van | הָמוֹן֮ (hamon) = menigte | שָׁלֵ֣ו (shalev) = zorgeloos | בָהּ֒ (bah) = bij haar | וְאֶל (veel) = en bij | אֲנָשִׁים֙ (anashim) = mannen | מֵרֹ֣ב (merov) = uit veelheid van | אָדָ֔ם (adam) = mensen | מוּבָאִ֥ים (muvaim) = gebracht | סָבָאִ֖ים (savaim) = Sebaïeten | מִמִּדְבָּ֑ר (mimidbar) = uit de woestijn | וַֽיִּתְּנ֤וּ (vayitenu) = en zij deden | צְמִידִים֙ (tsemidim) = armbanden | אֶל (el) = om | יְדֵיהֶ֔ן (yedeihen) = hun handen | וַעֲטֶ֥רֶת (vaateret) = en kroon van | תִּפְאֶ֖רֶת (tiferet) = pracht | עַל (al) = op | רָאשֵׁיהֶֽן (rasheihen) = hun hoofden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סָבָאִים (Seva’im), ‘Sebaïeten’: het volk van Seba, zoals in Jes. 45:14 en 43:3. Voetnoot Lezing: In dit vers staat in de geschreven tekst (ketiv) סֹבְאִים (sovim), ‘zuiplappen’, maar de voorgelezen tekst (qere) heeft ‘Sebaïeten’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 32:18–19; Amos 6:1–6; Hos 13:6; Jes 43:3; Jes 45:14; Ezech 16:11–12; Openb 12:3 **23:43** **Toen zei Ik over haar, die verouderd was door overspel: ‘Nu zullen zij haar hoererijen bedrijven, ja, zij!’** Brontekst: וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en Ik zei | לַבָּלָ֖ה (labala) = over de verouderde | נִֽאוּפִ֑ים (niufim) = van overspel | עַתָּ֛ה (ata) = nu | יִזְנ֥וּ (yiznu) = zullen hoereren | תַזְנוּתֶ֖הָ (taznuteha) = haar hoererijen | וָהִֽיא (vahi) = en zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַבָּלָה נִאוּפִים (labalah ni’ufim), ‘verouderd door overspel’: iemand die door overspel is uitgeput. Dit vers is moeilijk; de uitleg van de laatste woorden is niet zeker. Voetnoot Lezing: In dit vers wijkt de geschreven tekst (ketiv) twee keer af van de voorgelezen tekst (qere): ‘nu’ en ‘zullen zij hoereren’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 106:6; Jer 13:23; Ezech 23:3; Dan 9:16; Ezra 9:7 **23:44** **Zij gingen naar haar toe, zoals men naar een hoer gaat. Zo gingen zij naar Ohola en naar Oholiba, de vrouwen van schanddaad.** Brontekst: וַיָּב֣וֹא (vayavo) = en men kwam | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = naar haar | כְּב֖וֹא (kevo) = zoals komen | אֶל (el) = naar | אִשָּׁ֣ה (isha) = vrouw | זוֹנָ֑ה (zona) = hoer | כֵּ֣ן (ken) = zo | בָּ֗אוּ (bau) = kwamen zij | אֶֽל (el) = naar | אָֽהֳלָה֙ (ahola) = Ohola | וְאֶל (veel) = en naar | אָ֣הֳלִיבָ֔ה (aholiva) = Oholiba | אִשֹּׁ֖ת (ishot) = vrouwen van | הַזִּמָּֽה (hazima) = de schanddaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 23:3; Ezech 23:9–13 **23:45** **Maar rechtvaardige mannen, die zullen hen oordelen met het recht voor overspelige vrouwen en het recht voor vrouwen die bloed vergieten. Want zij zijn overspelig en er is bloed aan hun handen.** Brontekst: וַאֲנָשִׁ֣ים (vaanashim) = en mannen | צַדִּיקִ֗ם (tsadiqim) = rechtvaardig | הֵ֚מָּה (hema) = zij | יִשְׁפְּט֣וּ (yishpetu) = zullen oordelen | אֽוֹתְהֶ֔ם (otehem) = hen | מִשְׁפַּט֙ (mishpat) = recht van | נֹֽאֲפ֔וֹת (noafot) = overspelige vrouwen | וּמִשְׁפַּ֖ט (umishpat) = en recht van | שֹׁפְכ֣וֹת (shofekhot) = vergietende | דָּ֑ם (dam) = bloed | כִּ֤י (ki) = want | נֹֽאֲפֹת֙ (noafot) = overspelig | הֵ֔נָּה (hena) = zij | וְדָ֖ם (vedam) = en bloed | בִּֽידֵיהֶֽן (bideihen) = aan hun handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De rechtvaardige mannen voeren het recht uit voor overspel en bloedvergieten. Vergelijk Lev. 20:10 en Deut. 22:22. Zie ook: Lev 20:10; Deut 22:22; Hos 6:5; Jer 5:14; Ezech 16:38–43; Ezech 23:36–39 **23:46** Want zo zegt Heer Yahweh: **Breng een vergadering tegen hen op en geef hen over aan ontzetting en roof.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הַעֲלֵ֤ה (haale) = breng op | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = tegen hen | קָהָ֔ל (qahal) = vergadering | וְנָתֹ֥ן (venaton) = en geef | אֶתְהֶ֖ן (ethen) = hen | לְזַעֲוָ֥ה (lezaava) = tot ontzetting | וְלָבַֽז (velavaz) = en tot roof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַעֲלֵה (ha’aleh), ‘breng op’: de Hebreeuwse onbepaalde wijs wordt hier als bevel gebruikt, evenals ‘geef hen over’. Zie ook: Jer 15:4; Jer 24:9; Jer 34:17; Ezech 16:40; Ezech 23:22–26 **23:47** **De vergadering zal hen stenigen en hen met haar zwaarden neerhouwen. Hun zonen en dochters zullen zij doden en hun huizen met vuur verbranden.** Brontekst: וְרָגְמ֨וּ (veragemu) = en zullen stenigen | עֲלֵיהֶ֥ן (aleihen) = op hen | אֶ֨בֶן֙ (even) = stenen | קָהָ֔ל (qahal) = vergadering | וּבָרֵ֥א (uvare) = en zal neerhouwen | אוֹתְהֶ֖ן (otehen) = hen | בְּחַרְבוֹתָ֑ם (becharvotam) = met hun zwaarden | בְּנֵיהֶ֤ם (beneihem) = hun zonen | וּבְנֽוֹתֵיהֶם֙ (uvenoteihem) = en hun dochters | יַהֲרֹ֔גוּ (yaharogu) = zullen doden | וּבָתֵּיהֶ֖ן (uvateihen) = en hun huizen | בָּאֵ֥שׁ (baesh) = met vuur | יִשְׂרֹֽפוּ (yisrofu) = zullen verbranden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Steniging door de gemeente is de straf voor overspel (Deut. 22:21–24). Voetnoot : וּבָרֵא (uvare), ‘neerhouwen’: hetzelfde werkwoord als ‘uithakken’ in 21:24 (Hebr.). Zie ook: Deut 22:21–24; Jer 39:8; Ezech 16:40–41; Ezech 23:29; Ezech 24:6; Ezech 24:21 **23:48** **Zo laat Ik de schanddaad ophouden in het land. Alle vrouwen zullen gewaarschuwd worden, zodat zij niet doen zoals jullie schanddaad.** Brontekst: וְהִשְׁבַּתִּ֥י (vehishbati) = en Ik zal laten ophouden | זִמָּ֖ה (zima) = schanddaad | מִן (min) = uit | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְנִֽוַּסְּרוּ֙ (venivaseru) = en zullen gewaarschuwd worden | כָּל (kal) = alle | הַנָּשִׁ֔ים (hanashim) = de vrouwen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תַעֲשֶׂ֖ינָה (taaseina) = zullen doen | כְּזִמַּתְכֶֽנָה (kezimatkhena) = zoals jullie schanddaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִוַּסְּרוּ (venivvasseru), ‘gewaarschuwd worden’: letterlijk ‘onderricht worden’, door wat zij zien. Zie ook: Jes 26:9; Ezech 6:6; Ezech 16:41; Ezech 23:27; 2 Petr 2:6 **23:49** **Men zal jullie schanddaad op jullie leggen, en jullie zullen de zonden van jullie mestgoden dragen. Dan zullen jullie weten dat Ik Heer Yahweh ben.”** Brontekst: וְנָתְנ֤וּ (venatenu) = en zij zullen leggen | זִמַּתְכֶ֨נָה֙ (zimatkhena) = jullie schanddaad | עֲלֵיכֶ֔ן (aleikhen) = op jullie | וַחֲטָאֵ֥י (vachataei) = en zonden van | גִלּוּלֵיכֶ֖ן (giluleikhen) = jullie mestgoden | תִּשֶּׂ֑אינָה (tiseyna) = zullen jullie dragen | וִידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּ֥י (ki) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’: zie Ezech. 22:3. Het slot ‘dat Ik Heer Yahweh ben’ is de vaste slotformule van Ezechiël. Zie ook: Ezech 6:7; Ezech 7:4; Ezech 7:9; Ezech 9:10; Ezech 20:38; Ezech 22:3 ## Ezechiël 24 _De pot op het vuur en de dood van de vrouw van Ezechiël_ ### Het beleg begint **24:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende van de maand: Brontekst: וַיְהִי֩ (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֨ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֜י (elay) = tot mij | בַּשָּׁנָ֤ה (bashana) = in het jaar | הַתְּשִׁיעִית֙ (hateshiit) = negende | בַּחֹ֣דֶשׁ (bachodesh) = in de maand | הָעֲשִׂירִ֔י (haasiri) = tiende | בֶּעָשׂ֥וֹר (beasor) = op de tiende | לַחֹ֖דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De jaren in dit boek worden geteld vanaf de wegvoering van koning Jojachin (Ezech. 1:2). Deze dag is volgens vers 2 de dag waarop het beleg van Jeruzalem begon. Vergelijk 2 Kon. 25:1 en Jer. 52:4. Zie ook: 2 Kon 25:1; Jer 52:4; Ezech 1:2; Ezech 8:1; Ezech 20:1; Ezech 24:2; Ezech 26:1; Ezech 29:1; Ezech 40:1 **24:2** **„Mensenkind, schrijf de naam van deze dag voor jezelf op, juist van deze dag. De koning van Babel heeft zich juist op deze dag tegen Jeruzalem gelegd.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | כְּתָב (ketav) = schrijf | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣ם (shem) = de naam van | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | אֶת (et) = (obj.) | עֶ֖צֶם (etsem) = juist | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֑ה (haze) = deze | סָמַ֤ךְ (samakh) = heeft zich gelegd | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶל֙ (bavel) = Babel | אֶל (el) = tegen | יְר֣וּשָׁלִַ֔ם (yerushaliam) = Jeruzalem | בְּעֶ֖צֶם (beetsem) = op juist | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּֽה (haze) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: עֶצֶם הַיּוֹם (etsem hayyom), ‘juist van deze dag’: letterlijk ‘het been van deze dag’, dat wil zeggen precies deze dag. Voetnoot : סָמַךְ (samach), ‘heeft zich gelegd’: het werkwoord betekent ‘steunen, leunen’. Hier gaat het om het begin van het beleg. Voetnoot Lezing: De geschreven tekst (ketiv) van ‘schrijf’ heeft een andere klinkerletter dan de voorgelezen tekst (qere). De betekenis is gelijk. Wij volgen de qere. Zie ook: 2 Kon 25:1; Jes 30:8–9; Jer 39:1; Jer 52:4; Hab 2:2–3 ### De gelijkenis van de pot **24:3** **Houd het weerspannige huis een gelijkenis voor. Zeg tegen hen: ‘**Zo zegt Heer Yahweh: **Zet de pot op, zet hem op en giet er ook water in.** Brontekst: וּמְשֹׁ֤ל (umeshol) = en houd voor | אֶל (el) = tegen | בֵּית (beit) = huis | הַמֶּ֨רִי֙ (hameri) = het weerspannige | מָשָׁ֔ל (mashal) = een gelijkenis | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tegen hen | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | שְׁפֹ֤ת (shefot) = zet op | הַסִּיר֙ (hasir) = de pot | שְׁפֹ֔ת (shefot) = zet op | וְגַם (vegam) = en ook | יְצֹ֥ק (yetsoq) = giet | בּ֖וֹ (bo) = erin | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4. Voetnoot : בֵּית הַמֶּרִי (beit hameri), ‘het weerspannige huis’: zoals Ezech. 2:5. Voetnoot : סִיר (sir), ‘pot’: de bewoners van Jeruzalem hadden zelf gezegd dat de stad de pot was en zij het vlees (Ezech. 11:3). Yahweh geeft dat beeld een andere betekenis. Voetnoot : שְׁפֹת (shefot), ‘zet op’, en יְצֹק (yetsoq), ‘giet’: het Hebreeuws heeft hier de onbepaalde wijs als bevel. Zie ook: Jes 1:2; Ezech 2:4; Ezech 2:5; Ezech 2:6; Ezech 11:3; Ezech 17:2; Ezech 21:5 **24:4** **Doe er de stukken vlees in, alle goede stukken, de dij en de schouder. Vul hem met de beste beenderen.** Brontekst: אֱסֹ֤ף (esof) = verzamel | נְתָחֶ֨יהָ֙ (netacheiha) = haar stukken | אֵלֶ֔יהָ (eleiha) = erin | כָּל (kal) = alle | נֵ֥תַח (netach) = stuk | ט֖וֹב (tov) = goed | יָרֵ֣ךְ (yarekh) = dij | וְכָתֵ֑ף (vekhatef) = en schouder | מִבְחַ֥ר (mivchar) = beste van | עֲצָמִ֖ים (atsamim) = beenderen | מַלֵּֽא (male) = vul Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְתָחִים (netachim), ‘stukken vlees’; יָרֵךְ (yarech), ‘dij’, en כָּתֵף (katef), ‘schouder’: de goede stukken. Dat zijn de bewoners van de stad. Zie ook: Mi 3:2–3; Ezech 22:18–22; Mat 7:2 **24:5** **Neem het beste van de kudde. Stapel ook de beenderen eronder. Laat het hard koken, zodat ook de beenderen erin gaar worden.** Brontekst: מִבְחַ֤ר (mivchar) = beste van | הַצֹּאן֙ (hatson) = de kudde | לָק֔וֹחַ (laqoach) = neem | וְגַ֛ם (vegam) = en ook | דּ֥וּר (dur) = stapel | הָעֲצָמִ֖ים (haatsamim) = de beenderen | תַּחְתֶּ֑יהָ (tachteiha) = eronder | רַתַּ֣ח (ratach) = laat koken | רְתָחֶ֔יהָ (retacheiha) = haar koken | גַּם (gam) = ook | בָּשְׁל֥וּ (bashelu) = zijn gaar geworden | עֲצָמֶ֖יהָ (atsameiha) = haar beenderen | בְּתוֹכָֽהּ (betokhah) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דּוּר (dur), ‘stapel’: een zeldzaam werkwoord. Het gaat om het opstapelen onder de pot. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Jer 39:6; Jer 52:10; Jer 52:24–27; Ezech 24:9–10; Ezech 34:16–17 ### Wee de stad van bloed **24:6** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Wee de stad van bloed, de pot waarin roest zit en waarvan de roest er niet uit is gegaan! Haal hem stuk voor stuk eruit. Geen lot is erover gevallen.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אוֹי֮ (oy) = wee | עִ֣יר (ir) = stad van | הַדָּמִים֒ (hadamim) = het bloed | סִ֚יר (sir) = pot | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarin | חֶלְאָתָ֣ה (chelata) = haar roest | בָ֔הּ (bah) = in haar | וְחֶ֨לְאָתָ֔הּ (vechelatah) = en haar roest | לֹ֥א (lo) = niet | יָצְאָ֖ה (yatsea) = is uitgegaan | מִמֶּ֑נָּה (mimena) = uit haar | לִנְתָחֶ֤יהָ (lintacheiha) = stuk voor stuk | לִנְתָחֶ֨יהָ֙ (lintacheiha) = stuk voor stuk | הוֹצִיאָ֔הּ (hotsiah) = haal haar eruit | לֹא (lo) = niet | נָפַ֥ל (nafal) = is gevallen | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = erover | גּוֹרָֽל (goral) = lot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֶלְאָה (chel’ah), ‘roest’: de aanslag of het vuil op de pot. Het woord staat alleen in dit hoofdstuk (vers 6, 11, 12). Voetnoot : לְנִתְחֶיהָ לְנִתְחֶיהָ הוֹצִיאָהּ (lenitcheha lenitcheha hotsi’ah), ‘stuk voor stuk haal hem eruit’: het Hebreeuws is kort. Voetnoot : לֹא נָפַל עָלֶיהָ גּוֹרָל (lo nafal aleha goral), ‘geen lot is erover gevallen’: wij laten open wat dit betekent. Het kan zijn dat er niet geloot wordt over wie gespaard blijft: allen gaan eruit. Zie ook: Mi 7:2; Nah 3:1; Ob 1:11; Ezech 22:2; Ezech 22:27; Ezech 24:11; Ezech 24:12 **24:7** **Want haar bloed is in haar midden. Op een kale rots heeft zij het gezet. Zij heeft het niet op de grond uitgegoten om het met stof te bedekken.** Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | דָמָהּ֙ (damah) = haar bloed | בְּתוֹכָ֣הּ (betokhah) = in haar midden | הָיָ֔ה (haya) = is geweest | עַל (al) = op | צְחִ֥יחַ (tsechiach) = kale | סֶ֖לַע (sela) = rots | שָׂמָ֑תְהוּ (samatehu) = heeft het gezet | לֹ֤א (lo) = niet | שְׁפָכַ֨תְהוּ֙ (shefakhathu) = heeft het uitgegoten | עַל (al) = op | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de grond | לְכַסּ֥וֹת (lekhasot) = om te bedekken | עָלָ֖יו (alav) = erover | עָפָֽר (afar) = stof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צְחִיחַ סֶלַע (tsachiach sela), ‘kale rots’: een gladde, blote rots. Het bloed werd niet bedekt met stof, zoals de wet voorschrijft (Lev. 17:13), zodat het blijft roepen om wraak. Zie ook: Lev 17:13; Deut 12:16; Deut 12:24; 1 Kon 21:19; Jes 26:21 **24:8** **Om woede te laten opkomen en wraak te nemen, heb Ik haar bloed op de kale rots gezet, zodat het niet bedekt wordt.** Brontekst: לְהַעֲל֤וֹת (lehaalot) = om te laten opkomen | חֵמָה֙ (chema) = woede | לִנְקֹ֣ם (linqom) = om te nemen | נָקָ֔ם (naqam) = wraak | נָתַ֥תִּי (natati) = heb Ik gegeven | אֶת (et) = (obj.) | דָּמָ֖הּ (damah) = haar bloed | עַל (al) = op | צְחִ֣יחַ (tsechiach) = kale | סָ֑לַע (sala) = rots | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = opdat niet | הִכָּסֽוֹת (hikasot) = het bedekt wordt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָקָם (naqam), ‘wraak’: het gaat om Yahweh’s recht dat bloed niet ongestraft blijft. Zie ook: Deut 29:21–27; Deut 32:21–22; Ezech 16:37–38; Ezech 22:30–31; Openb 18:16 **24:9** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Wee de stad van bloed! Ook Ik zal de brandstapel groot maken.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | א֖וֹי (oy) = wee | עִ֣יר (ir) = stad van | הַדָּמִ֑ים (hadamim) = het bloed | גַּם (gam) = ook | אֲנִ֖י (ani) = Ik | אַגְדִּ֥יל (agdil) = zal groot maken | הַמְּדוּרָֽה (hamedura) = de brandstapel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְדוּרָה (medurah), ‘brandstapel’: een zeldzaam woord voor een stapel hout voor het vuur. Zie ook: Hab 2:12; Ezech 22:31; Ezech 24:6; Luc 13:34–35; 2 Tess 1:8 **24:10** **Maak het hout veel. Steek het vuur aan. Kook het vlees gaar. Meng de kruiden. Laat de beenderen verbranden.** Brontekst: הַרְבֵּ֤ה (harbe) = maak veel | הָעֵצִים֙ (haetsim) = het hout | הַדְלֵ֣ק (hadleq) = steek aan | הָאֵ֔שׁ (haesh) = het vuur | הָתֵ֖ם (hatem) = kook gaar | הַבָּשָׂ֑ר (habasar) = het vlees | וְהַרְקַח֙ (veharqach) = en meng | הַמֶּרְקָחָ֔ה (hamerqacha) = de kruidenmengeling | וְהָעֲצָמ֖וֹת (vehaatsamot) = en de beenderen | יֵחָֽרוּ (yecharu) = zullen verbranden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַרְקַח הַמֶּרְקָחָה (harqach hammerqachah), ‘meng de kruiden’: een zeldzame uitdrukking. De betekenis is onzeker; het gaat om het toevoegen van specerijen aan het kookgerecht. Zie ook: Jer 17:3; Jer 20:5; Klaagl 1:10; Klaagl 2:16 **24:11** **Zet de pot dan leeg op zijn kolen, zodat zijn koper heet wordt en gloeit, haar onreinheid erin smelt en haar roest verdwijnt.** Brontekst: וְהַעֲמִידֶ֥הָ (vehaamideha) = en zet haar | עַל (al) = op | גֶּחָלֶ֖יהָ (gechaleiha) = haar kolen | רֵקָ֑ה (reqa) = leeg | לְמַ֨עַן (lemaan) = opdat | תֵּחַ֜ם (techam) = heet wordt | וְחָ֣רָה (vechara) = en gloeit | נְחֻשְׁתָּ֗הּ (nechushtah) = haar koper | וְנִתְּכָ֤ה (venitekha) = en smelt | בְתוֹכָהּ֙ (betokhah) = daarin | טֻמְאָתָ֔הּ (tumatah) = haar onreinheid | תִּתֻּ֖ם (titum) = verdwijnt | חֶלְאָתָֽהּ (chelatah) = haar roest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 1:25; Jer 21:10; Jer 39:8; Mal 3:19; Mat 3:12 **24:12** **Zij heeft zich uitgeput met moeite, maar haar vele roest gaat er niet uit. In het vuur met haar roest!** Brontekst: תְּאֻנִ֖ים (teunim) = moeite | הֶלְאָ֑ת (helat) = heeft zij zich uitgeput | וְלֹֽא (velo) = en niet | תֵצֵ֤א (tetse) = gaat uit | מִמֶּ֨נָּה֙ (mimena) = uit haar | רַבַּ֣ת (rabat) = veel van | חֶלְאָתָ֔הּ (chelatah) = haar roest | בְּאֵ֖שׁ (beesh) = in het vuur | חֶלְאָתָֽהּ (chelatah) = haar roest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּאֻנִים (te’unim), ‘moeite’: een zeldzaam woord. De betekenis is onzeker. Voetnoot : בְּאֵשׁ חֶלְאָתָהּ (be’esh chel’atah), ‘in het vuur met haar roest’: kort en abrupt; wij laten het zo. Zie ook: Jer 2:13; Jer 5:3; Jer 9:4; Jer 51:58; Hab 2:13 **24:13** **In je onreinheid is schanddaad. Ik heb je gereinigd, maar je werd niet rein van je onreinheid. Daarom zul je niet meer rein worden, totdat Ik Mijn woede op je heb laten rusten.** Brontekst: בְּטֻמְאָתֵ֖ךְ (betumatekh) = in je onreinheid | זִמָּ֑ה (zima) = schanddaad | יַ֤עַן (yaan) = omdat | טִֽהַרְתִּיךְ֙ (tihartikh) = Ik heb je gereinigd | וְלֹ֣א (velo) = en niet | טָהַ֔רְתְּ (tahart) = je werd rein | מִטֻּמְאָתֵךְ֙ (mitumatekh) = van je onreinheid | לֹ֣א (lo) = niet | תִטְהֲרִי (tithari) = zul je rein worden | ע֔וֹד (od) = meer | עַד (ad) = totdat | הֲנִיחִ֥י (hanichi) = Ik heb laten rusten | אֶת (et) = (obj.) | חֲמָתִ֖י (chamati) = Mijn woede | בָּֽךְ (bakh) = op jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: zoals in Lev. 18:17. Zie ook: Lev 18:17; Ezech 5:13; Ezech 8:18; Ezech 16:42; Ezech 22:24; 2 Kor 7:1 **24:14** **Ik, Yahweh, heb gesproken. Het komt, en Ik zal het doen. Ik zal het niet laten varen, niet sparen en Mij niet laten rouwen. Naar je wegen en naar je daden oordelen zij je, godsspraak van Heer Yahweh.’”** Brontekst: אֲנִ֨י (ani) = Ik | יְהוָ֤ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּ֨רְתִּי֙ (dibarti) = heb gesproken | בָּאָ֣ה (baa) = het komt | וְעָשִׂ֔יתִי (veasiti) = en Ik zal doen | לֹֽא (lo) = niet | אֶפְרַ֥ע (efra) = zal Ik loslaten | וְלֹא (velo) = en niet | אָח֖וּס (achus) = zal Ik sparen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | אֶנָּחֵ֑ם (enachem) = zal Ik Mij laten rouwen | כִּדְרָכַ֤יִךְ (kidrakhayikh) = naar je wegen | וְכַעֲלִילוֹתַ֨יִךְ֙ (vekhaalilotayikh) = en naar je daden | שְׁפָט֔וּךְ (shefatukh) = zij oordelen je | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהֹוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶנָּחֵם (enachem), ‘Mij laten rouwen’: het Hebreeuws gebruikt dit werkwoord als Yahweh Zijn besluit herziet. Vergelijk Num. 23:19 en 1 Sam. 15:29. Hier zegt Yahweh dat Hij dat niet zal doen. Voetnoot : שְׁפָטוּךְ (shefatuch), ‘zij oordelen je’: het Hebreeuws staat in de verleden tijd en noemt niet wie oordeelt. Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen dit anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Num 23:19; 1 Sam 15:29; Jes 3:11; Jes 55:11; Jer 23:20; Ezech 5:11; Ezech 18:30; Mat 16:27 ### De dood van Ezechiëls vrouw **24:15** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = het woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **24:16** **„Mensenkind, zie, Ik neem het verlangen van je ogen bij je weg door een slag. Je mag niet rouwen en niet huilen, en je tranen mogen niet komen.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הִנְנִ֨י (hinni) = zie, Ik | לֹקֵ֧חַ (loqeach) = neem | מִמְּךָ֛ (mimekha) = van jou | אֶת (et) = (obj.) | מַחְמַ֥ד (machmad) = verlangen van | עֵינֶ֖יךָ (eineikha) = je ogen | בְּמַגֵּפָ֑ה (bemagefa) = door een slag | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תִסְפֹּד֙ (tispod) = zul je rouwen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִבְכֶּ֔ה (tivke) = zul je huilen | וְל֥וֹא (velo) = en niet | תָב֖וֹא (tavo) = zal komen | דִּמְעָתֶֽךָ (dimatekha) = je tranen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַחְמַד עֵינֶיךָ (machmad einecha), ‘het verlangen van je ogen’: dit is Ezechiëls vrouw (vers 18). Voetnoot : בְּמַגֵּפָה (bemaggefah), ‘door een slag’: een plotselinge dood. Zie ook: Hoogl 7:11; Jer 13:17; Jer 22:10; Ezech 24:18; 1 Tess 4:13 **24:17** **Zucht in stilte. Rouw om de doden mag je niet houden. Bind je hoofdtooi om en doe je sandalen aan je voeten. Bedek je bovenlip niet en eet geen brood van mensen.”** Brontekst: הֵאָנֵ֣ק (heaneq) = zucht | דֹּ֗ם (dom) = stilte | מֵתִים֙ (metim) = doden | אֵ֣בֶל (evel) = rouw | לֹֽא (lo) = niet | תַֽעֲשֶׂ֔ה (taase) = zul je houden | פְאֵֽרְךָ֙ (peerekha) = je hoofdtooi | חֲב֣וֹשׁ (chavosh) = bind | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = op jou | וּנְעָלֶ֖יךָ (unealeikha) = en je sandalen | תָּשִׂ֣ים (tasim) = doe | בְּרַגְלֶ֑יךָ (beragleikha) = aan je voeten | וְלֹ֤א (velo) = en niet | תַעְטֶה֙ (tate) = zul je bedekken | עַל (al) = op | שָׂפָ֔ם (safam) = bovenlip | וְלֶ֥חֶם (velechem) = en brood van | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mensen | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכֵֽל (tokhel) = zul je eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵאָנֵק דֹּם (he’anek dom), ‘zucht in stilte’: letterlijk ‘zucht, stilte’. Hij mag niet hardop rouwen. Voetnoot : פְּאֵר (pe’er), ‘hoofdtooi’: een versiering of tulband op het hoofd. Bij rouw werd die afgelegd. Voetnoot : שָׂפָם (safam), ‘bovenlip’: het deel van het gezicht dat de rouwende bedekte. Vergelijk Lev. 13:45 en Mi. 3:7. Voetnoot : לֶחֶם אֲנָשִׁים (lechem anashim), ‘brood van mensen’: het brood dat anderen aan rouwenden brachten. Vergelijk Hos. 9:4. Zie ook: Lev 10:6; Lev 13:45; Lev 21:10; 2 Sam 15:30; Hos 9:4; Mi 3:7; Jer 16:4–7 **24:18** ’s Morgens sprak ik tot het volk. ’s Avonds stierf mijn vrouw. ’s Morgens deed ik wat mij bevolen was. Brontekst: וָאֲדַבֵּ֤ר (vaadaber) = en ik sprak | אֶל (el) = tot | הָעָם֙ (haam) = het volk | בַּבֹּ֔קֶר (baboqer) = in de morgen | וַתָּ֥מָת (vatamat) = en stierf | אִשְׁתִּ֖י (ishti) = mijn vrouw | בָּעָ֑רֶב (baarev) = in de avond | וָאַ֥עַשׂ (vaaas) = en ik deed | בַּבֹּ֖קֶר (baboqer) = in de morgen | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | צֻוֵּֽיתִי (tsuveiti) = mij was bevolen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De tweede ’s morgens is de volgende morgen: na de dood van zijn vrouw deed Ezechiël wat Yahweh hem had opgedragen. Zie ook: 1 Kor 7:29–30 ### Wat betekent dit voor ons? **24:19** Het volk zei tegen mij: „Wil je ons niet vertellen wat dit voor ons betekent, dat je dit doet?” Brontekst: וַיֹּאמְר֥וּ (vayomru) = en zeiden | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | הָעָ֑ם (haam) = het volk | הֲלֹֽא (halo) = niet | תַגִּ֥יד (tagid) = wil je vertellen | לָ֨נוּ֙ (lanu) = ons | מָה (ma) = wat | אֵ֣לֶּה (ele) = deze dingen | לָּ֔נוּ (lanu) = voor ons | כִּ֥י (ki) = dat | אַתָּ֖ה (ata) = jij | עֹשֶֽׂה (ose) = doet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 12:9; Ezech 21:5; Ezech 37:18; Mal 3:7–8; Mal 3:13 **24:20** Toen zei ik tegen hen: Het woord van Yahweh is tot mij gekomen: Brontekst: וָאֹמַ֖ר (vaomar) = en ik zei | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = tot hen | דְּבַ֨ר (devar) = het woord van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הָיָ֥ה (haya) = is gekomen | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier vertelt Ezechiël het volk wat Yahweh hem heeft gezegd. De woorden van Yahweh, die volgen, staan rood. **24:21** **„Zeg tegen het huis van Israël: ‘**Zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik ontheilig Mijn heiligdom, de trots van jullie kracht, het verlangen van jullie ogen en wat jullie ziel koestert. Jullie zonen en dochters die jullie hebben achtergelaten, zullen door het zwaard vallen.** Brontekst: אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | לְבֵ֣ית (leveit) = tot het huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie, Ik | מְחַלֵּ֤ל (mechalel) = ontheilig | אֶת (et) = (obj.) | מִקְדָּשִׁי֙ (miqdashi) = Mijn heiligdom | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | עֻזְּכֶ֔ם (uzekhem) = jullie kracht | מַחְמַ֥ד (machmad) = verlangen van | עֵֽינֵיכֶ֖ם (eineikhem) = jullie ogen | וּמַחְמַ֣ל (umachmal) = en wat koestert | נַפְשְׁכֶ֑ם (nafshekhem) = jullie ziel | וּבְנֵיכֶ֧ם (uveneikhem) = en jullie zonen | וּבְנֽוֹתֵיכֶ֛ם (uvenoteikhem) = en jullie dochters | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עֲזַבְתֶּ֖ם (azavtem) = jullie hebben achtergelaten | בַּחֶ֥רֶב (bacherev) = door het zwaard | יִפֹּֽלוּ (yipolu) = zullen vallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִקְדָּשִׁי (miqdashi), ‘Mijn heiligdom’: de tempel in Jeruzalem. Hij is de trots van hun kracht en het verlangen van hun ogen. Voetnoot : מַחְמַל נַפְשְׁכֶם (machmal nafshechem), ‘wat jullie ziel koestert’: een zeldzaam woord, van het werkwoord voor ‘ontferming hebben, sparen’. Zie ook: Ps 27:4; Jer 7:14; Klaagl 2:6–7; Ezech 23:25; Ezech 23:47 **24:22** **En jullie zullen doen zoals ik gedaan heb: jullie zullen jullie bovenlip niet bedekken en geen brood van mensen eten.** Brontekst: וַעֲשִׂיתֶ֖ם (vaasitem) = en jullie zullen doen | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | עָשִׂ֑יתִי (asiti) = ik heb gedaan | עַל (al) = op | שָׂפָם֙ (safam) = bovenlip | לֹ֣א (lo) = niet | תַעְט֔וּ (tatu) = zullen jullie bedekken | וְלֶ֥חֶם (velechem) = en brood van | אֲנָשִׁ֖ים (anashim) = mensen | לֹ֥א (lo) = niet | תֹאכֵֽלוּ (tokhelu) = zullen jullie eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָשִׂיתִי (asiti), ‘ik heb gedaan’: hier spreekt Ezechiël als de boodschapper. In vers 24 noemt Yahweh hem met zijn naam. Zie ook: Job 27:15; Ps 78:64; Jer 16:4–7; Jer 47:3; Ezech 24:16–17; Ezech 24:24 **24:23** **Jullie hoofdtooien blijven op jullie hoofden en jullie sandalen aan jullie voeten. Jullie zullen niet rouwen en niet huilen. Jullie zullen wegkwijnen in jullie schuld en kreunen, de een tegen de ander.** Brontekst: וּפְאֵרֵכֶ֣ם (ufeerekhem) = en jullie hoofdtooien | עַל (al) = op | רָאשֵׁיכֶ֗ם (rasheikhem) = jullie hoofden | וְנַֽעֲלֵיכֶם֙ (venaaleikhem) = en jullie sandalen | בְּרַגְלֵיכֶ֔ם (beragleikhem) = aan jullie voeten | לֹ֥א (lo) = niet | תִסְפְּד֖וּ (tispedu) = zullen jullie rouwen | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִבְכּ֑וּ (tivku) = zullen jullie huilen | וּנְמַקֹּתֶם֙ (unemaqotem) = en jullie zullen wegkwijnen | בַּעֲוֺנֹ֣תֵיכֶ֔ם (baavonoteikhem) = in jullie schuld | וּנְהַמְתֶּ֖ם (unehamtem) = en jullie zullen kreunen | אִ֥ישׁ (ish) = man | אֶל (el) = tot | אָחִֽיו (achiv) = zijn broer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְמַקֹּתֶם (nemaqqotem), ‘jullie zullen wegkwijnen’: zoals in Lev. 26:39. Voetnoot : נְהַמְתֶּם (nehamtem), ‘jullie zullen kreunen’: een zeldzaam woord. Zie ook: Lev 26:39; Ps 78:64; Jes 59:11; Ezech 4:17; Ezech 33:10 **24:24** **Ezechiël zal een voorteken voor jullie zijn. Zoals hij gedaan heeft, zullen jullie doen. Wanneer het komt, zullen jullie weten dat Ik Heer Yahweh ben.’** Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en zal zijn | יְחֶזְקֵ֤אל (yechezqel) = Ezechiël | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | לְמוֹפֵ֔ת (lemofet) = tot voorteken | כְּכֹ֥ל (kekhol) = zoals alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשָׂ֖ה (asa) = hij heeft gedaan | תַּעֲשׂ֑וּ (taasu) = zullen jullie doen | בְּבֹאָ֕הּ (bevoah) = wanneer het komt | וִֽידַעְתֶּ֕ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּ֥י (ki) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְחֶזְקֵאל (Yechezqel), ‘Ezechiël’: ‘El maakt sterk’. Zie ook Ezech. 1:3. Hier noemt Yahweh de profeet zelf bij zijn naam. Voetnoot : מוֹפֵת (mofet), ‘voorteken’: een teken dat iets aankondigt. Zie ook: Jes 20:3; Ezech 1:3; Ezech 4:3; Ezech 6:7; Ezech 12:11; Luc 11:29–30 ### Ezechiël zal niet langer stom zijn **24:25** **En jij, mensenkind: op de dag dat Ik hun vesting van hen wegneem, de vreugde van hun luister, het verlangen van hun ogen en waarop hun ziel zich richt, hun zonen en hun dochters,** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֔ם (adam) = mens | הֲל֗וֹא (halo) = is het niet | בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag | קַחְתִּ֤י (qachti) = Ik neem | מֵהֶם֙ (mehem) = van hen | אֶת (et) = (obj.) | מָ֣עוּזָּ֔ם (mauzam) = hun vesting | מְשׂ֖וֹשׂ (mesos) = vreugde van | תִּפְאַרְתָּ֑ם (tifartam) = hun luister | אֶת (et) = (obj.) | מַחְמַ֤ד (machmad) = verlangen van | עֵֽינֵיהֶם֙ (eineihem) = hun ogen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מַשָּׂ֣א (masa) = waarheen opheft | נַפְשָׁ֔ם (nafsham) = hun ziel | בְּנֵיהֶ֖ם (beneihem) = hun zonen | וּבְנוֹתֵיהֶֽם (uvenoteihem) = en hun dochters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֲלוֹא (halo), ‘is het niet’: het vers begint met een nadrukkelijk ‘is het niet zo’. Wij maken er een gewone zin van. Voetnoot : מָעוּזָּם (ma’uzzam), ‘hun vesting’: hun toevlucht, de tempel en de stad. Voetnoot : מַשָּׂא נַפְשָׁם (massa nafsham), ‘waarop hun ziel zich richt’: letterlijk ‘het opheffen van hun ziel’. Het is hetzelfde woord als ‘last’ in Ezech. 12:10, maar met een andere betekenis. Zie ook: Ps 48:3; Ps 50:2; Ps 122:1–9; Jer 11:22; Ezech 12:10; Ezech 24:21 **24:26** **op die dag zal een ontkomene naar je toe komen om het je te laten horen.** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | יָב֥וֹא (yavo) = zal komen | הַפָּלִ֖יט (hapalit) = de ontkomene | אֵלֶ֑יךָ (eleikha) = naar jou | לְהַשְׁמָע֖וּת (lehashmaut) = om te laten horen | אָזְנָֽיִם (azenayim) = oren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַפָּלִיט (hapalit), ‘de ontkomene’: iemand die aan de ondergang van de stad is ontsnapt. Zie Ezech. 33:21. Zie ook: Job 1:15–19; 1 Sam 4:12–18; Ezech 33:21–22 **24:27** **Op die dag zal je mond zich openen bij de ontkomene. Je zult spreken en niet meer stom zijn. Je zult voor hen een voorteken zijn, en zij zullen weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִפָּ֤תַח (yipatach) = zal worden geopend | פִּ֨יךָ֙ (pikha) = je mond | אֶת (et) = bij | הַפָּלִ֔יט (hapalit) = de ontkomene | וּתְדַבֵּ֕ר (utedaber) = en je zult spreken | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תֵֽאָלֵ֖ם (tealem) = zul je stom zijn | ע֑וֹד (od) = meer | וְהָיִ֤יתָ (vehayita) = en je zult zijn | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | לְמוֹפֵ֔ת (lemofet) = tot voorteken | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezechiël was stom gemaakt (Ezech. 3:26–27). Als de ontkomene komt, wordt zijn mond geopend (Ezech. 33:22). Zie ook: Ezech 3:26–27; Ezech 29:21; Ezech 33:22; Luc 21:15; Ef 6:19 ## Ezechiël 25 _Vier oordeelswoorden over Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen_ ### Tegen Ammon **25:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **25:2** **„Mensenkind, richt je gezicht op de Ammonieten en profeteer tegen hen.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | שִׂ֥ים (sim) = zet | פָּנֶ֖יךָ (paneikha) = je gezicht | אֶל (el) = naar | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עַמּ֑וֹן (amon) = Ammon | וְהִנָּבֵ֖א (vehinave) = en profeteer | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בן אדם (ben adam), ‘mensenkind’: letterlijk ‘zoon van een mens’. Zo spreekt Yahweh Ezechiël vaak aan; zie Ezech. 2:1. Voetnoot : Dit is het eerste van vier oordeelswoorden over buurvolken van Juda: Ammon (vers 2–7), Moab (8–11), Edom (12–14) en de Filistijnen (15–17). Het is één woord van Yahweh; wij houden het in één aanhaling. Zie ook: Gen 19:38; Amos 1:13–15; Sef 2:8–11; Jer 49:1–6; Ezech 2:1; Ezech 6:2 **25:3** **Zeg tegen de Ammonieten: Hoort het woord van Heer Yahweh.** Zo zegt Heer Yahweh: **Omdat je ‘Aha!’ hebt gezegd over Mijn heiligdom toen het ontwijd werd, over het land van Israël toen het verwoest werd, en over het huis van Juda toen zij in ballingschap gingen,** Brontekst: וְאָֽמַרְתָּ֙ (veamarta) = en je zult zeggen | לִבְנֵ֣י (livnei) = tegen zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | שִׁמְע֖וּ (shimu) = hoort | דְּבַר (devar) = woord van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֡ה (Yahweh) = Yahweh | יַעַן֩ (yaan) = omdat | אָמְרֵ֨ךְ (amerekh) = je zeggen | הֶאָ֜ח (heach) = aha | אֶל (el) = over | מִקְדָּשִׁ֣י (miqdashi) = Mijn heiligdom | כִֽי (ki) = omdat | נִחָ֗ל (nichal) = het is ontwijd | וְאֶל (veel) = en over | אַדְמַ֤ת (admat) = land van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | כִּ֣י (ki) = omdat | נָשַׁ֔מָּה (nashama) = het is verwoest | וְאֶל (veel) = en over | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | כִּ֥י (ki) = omdat | הָלְכ֖וּ (halekhu) = zij zijn gegaan | בַּגּוֹלָֽה (bagola) = in ballingschap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אדני יהוה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4. Voetnoot : האח (ha’ach), ‘aha’: een kreet van leedvermaak, zoals in Ps. 35:21. Voetnoot : מקדשׁי (miqdashi), ‘Mijn heiligdom’: de tempel in Jeruzalem. De Ammonieten waren blij dat die ontwijd werd. Voetnoot : בגולה (bagolah), ‘in ballingschap’: letterlijk ‘in de ballingschap’. Zie ook: Ps 35:21; Ps 70:3–4; Spr 17:5; Spr 24:17–18; Ezech 2:4; Ezech 25:6; Ezech 36:2 **25:4** **daarom, zie, geef Ik je als bezit aan de zonen van het Oosten. Zij zullen hun kampen in je opslaan en hun woningen in je plaatsen. Zij zullen je vruchten eten en je melk drinken.** Brontekst: לָכֵ֡ן (lakhen) = daarom | הִנְנִי֩ (hinni) = zie Ik | נֹתְנָ֨ךְ (notenakh) = ga je geven | לִבְנֵי (livnei) = aan zonen van | קֶ֜דֶם (qedem) = Oosten | לְמֽוֹרָשָׁ֗ה (lemorasha) = als bezit | וְיִשְּׁב֤וּ (veyishevu) = en zij zullen wonen | טִירֽוֹתֵיהֶם֙ (tiroteihem) = hun kampen | בָּ֔ךְ (bakh) = in je | וְנָ֥תְנוּ (venatenu) = en zij zullen plaatsen | בָ֖ךְ (bakh) = in je | מִשְׁכְּנֵיהֶ֑ם (mishkeneihem) = hun woningen | הֵ֚מָּה (hema) = zij | יֹאכְל֣וּ (yokhlu) = zullen eten | פִרְיֵ֔ךְ (piryekh) = je vruchten | וְהֵ֖מָּה (vehema) = en zij | יִשְׁתּ֥וּ (yishtu) = zullen drinken | חֲלָבֵֽךְ (chalavekh) = je melk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לבני קדם (bene qedem), ‘zonen van het Oosten’: stammen uit de woestijn ten oosten van het land; zie ook Job 1:3. Voetnoot : טירותיהם (tirotam), ‘hun kampen’: omheinde kampen van herders, zoals in Gen. 25:16. Zie ook: Gen 25:16; Job 1:3; Deut 28:33; Deut 28:51; Re 6:33; 1 Kon 5:10; Jes 1:7 **25:5** **Ik maak Rabba tot een weide voor kamelen en de Ammonieten tot een rustplaats voor kleinvee. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | רַבָּה֙ (raba) = Rabba | לִנְוֵ֣ה (linve) = tot weide van | גְמַלִּ֔ים (gemalim) = kamelen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | לְמִרְבַּץ (lemirbats) = tot rustplaats van | צֹ֑אן (tson) = kleinvee | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië. Voetnoot Uitleg: רבה (Rabbah), ‘Rabba’: de hoofdstad van de Ammonieten; zie Amos 1:14. Voetnoot : לנוה גמלים (naveh gemallim), ‘weide voor kamelen’, en למרבץ צאן (marbats tson), ‘rustplaats voor kleinvee’: de stad wordt leeg en dieren grazen er. ‘De Ammonieten’ staat hier voor hun land. Voetnoot : וידעתם כי אני יהוה (vida’tem ki ani Yahweh), ‘jullie zullen weten dat Ik Yahweh ben’: de erkenningsformule van Ezechiël, die steeds terugkeert; zie ook Ezech. 6:10 en 16:62. Het oordeel moet laten zien wie Yahweh is. Zie ook: 2 Sam 12:26; Amos 1:14; Jes 17:2; Ezech 6:10; Ezech 16:62; Ezech 21:25; Ezech 26:6; Ezech 38:23 **25:6** Want zo zegt Heer Yahweh: **Omdat je met de hand hebt geklapt, met de voet hebt gestampt en je met al je minachting in je ziel hebt verheugd over het land van Israël,** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֚עַן (yaan) = omdat | מַחְאֲךָ֣ (machakha) = je klappen | יָ֔ד (yad) = hand | וְרַקְעֲךָ֖ (veraqakha) = en je stampen | בְּרָ֑גֶל (beragel) = met de voet | וַתִּשְׂמַ֤ח (vatismach) = en je verheugde je | בְּכָל (bekhal) = met alle | שָֽׁאטְךָ֙ (shatkha) = je minachting | בְּנֶ֔פֶשׁ (benefesh) = in de ziel | אֶל (el) = over | אַדְמַ֖ת (admat) = land van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Klappen met de hand en stampen met de voet zijn gebaren van leedvermaak. שׁאטך (sha’tekh), ‘je minachting’, wijst op de gezindheid van de ziel. Zie ook: Nah 3:19; Sef 2:8; Sef 2:10; Ob 1:12; Ezech 6:11 **25:7** **daarom, zie, strek Ik Mijn hand tegen je uit. Ik geef je als buit aan de volken. Ik snijd je af van de volken en laat je omkomen uit de landen. Ik vernietig je. Dan zul je weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: לָכֵ֡ן (lakhen) = daarom | הִנְנִי֩ (hinni) = zie Ik | נָטִ֨יתִי (natiti) = heb uitgestrekt | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֜י (yadi) = Mijn hand | עָלֶ֗יךָ (aleikha) = over jou | וּנְתַתִּ֤יךָֽ (unetatikha) = en Ik zal je geven | לְבַז֙ (levaz) = tot buit | לַגּוֹיִ֔ם (lagoyim) = aan de volken | וְהִכְרַתִּ֨יךָ֙ (vehikhratikha) = en Ik zal je afsnijden | מִן (min) = van | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | וְהַאֲבַדְתִּ֖יךָ (vehaavadtikha) = en Ik zal je laten omkomen | מִן (min) = uit | הָאֲרָצ֑וֹת (haaratsot) = de landen | אַשְׁמִ֣ידְךָ֔ (ashmidekha) = Ik zal je vernietigen | וְיָדַעְתָּ֖ (veyadata) = en je zult weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat לבג (levag), een woord dat verder niet voorkomt. De voorgelezen tekst (qere) is לבז (levaz), ‘tot buit’. Wij volgen de qere. Zie ook: Sef 1:4; Ezech 6:14; Ezech 25:13; Ezech 25:16; Ezech 35:3 ### Tegen Moab **25:8** Zo zegt Heer Yahweh: **Omdat Moab en Seïr zeggen: ‘Zie, het huis van Juda is als alle volken.’** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֗עַן (yaan) = omdat | אֲמֹ֤ר (amor) = heeft gezegd | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | וְשֵׂעִ֔יר (veseir) = en Seïr | הִנֵּ֥ה (hine) = zie | כְּכָֽל (kekhal) = zoals alle | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יְהוּדָֽה (yehuda) = Juda Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: ושׂעיר (Se’ir), ‘Seïr’: het bergland van Edom; zie Gen. 36:8. Hier staat het naast Moab. Voetnoot : De spot van Moab en Seïr: het huis van Juda heeft geen bijzondere plaats; ook zijn Elohim redt het niet. Zie ook: Gen 36:8; Jes 15:1–9; Jer 25:21; Jer 48:1–47; Ob 1:1–9; Ezech 35:1–15 **25:9** **Daarom, zie, Ik open de flank van Moab, vanaf de steden, vanaf zijn steden aan de uiterste grens, het sieraad van het land: Bet-Jesimot, Baäl-Meon en Kirjatajim.** Brontekst: לָכֵן֩ (lakhen) = daarom | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | פֹתֵ֜חַ (poteach) = open | אֶת (et) = (obj.) | כֶּ֤תֶף (ketef) = flank van | מוֹאָב֙ (moav) = Moab | מֵהֶ֣עָרִ֔ים (mehearim) = van de steden | מֵֽעָרָ֖יו (mearav) = van zijn steden | מִקָּצֵ֑הוּ (miqatsehu) = van zijn uiterste grens | צְבִ֗י (tsevi) = sieraad van | אֶ֚רֶץ (erets) = land | בֵּ֣ית (beit) = Bet | הַיְשִׁימֹ֔ת (hayshimot) = Jesimot | בַּ֥עַל (baal) = Baäl | מְע֖וֹן (meon) = Meon | וְקִרְיָתָֽיְמָה (veqiryatayema) = en Kirjatajim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie Bet-Jesimot: Bet-Jesimot wordt gezocht bij Tell el-Azeme, ten noordoosten van de Dode Zee. Zie Baäl-Meon: Baäl-Meon (Beon) wordt gezocht bij het huidige Main, ten zuidwesten van Madaba. Zie Kirjatajim (ligging onzeker): Kirjatajim wordt gezocht bij Khirbet el-Qureiyat, in Moab. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: כתף (ketef), ‘flank’: letterlijk ‘schouder’. De steden aan de grens zijn de poort van het land; als zij vallen, ligt Moab open. Voetnoot : הישׁימת (haYeshimot) met בית (Bet): ‘Bet-Jesimot’, zie Num. 33:49. Baäl-Meon: Num. 32:38. Kirjatajim: Num. 32:37. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat קריתמה (qiryatmah). De voorgelezen tekst (qere) is וקריתימה (qiryatayemah), Kirjatajim. Wij volgen de qere. Zie ook: Num 32:37–38; Num 32:38; Num 33:49; Joz 13:17; Joz 13:19–20; Jer 48:23 **25:10** **Aan de zonen van het Oosten, samen met de Ammonieten, geef Ik het als bezit. Zo worden de Ammonieten niet meer herdacht onder de volken.** Brontekst: לִבְנֵי (livnei) = aan zonen van | קֶ֨דֶם֙ (qedem) = Oosten | עַל (al) = bij | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עַמּ֔וֹן (amon) = Ammon | וּנְתַתִּ֖יהָ (unetatiha) = en Ik zal het geven | לְמֽוֹרָשָׁ֑ה (lemorasha) = als bezit | לְמַ֛עַן (lemaan) = opdat | לֹֽא (lo) = niet | תִזָּכֵ֥ר (tizakher) = zullen herdacht worden | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | עַמּ֖וֹן (amon) = Ammon | בַּגּוֹיִֽם (bagoyim) = onder de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws is hier kort: ‘aan de zonen van het Oosten, bij (על, al) de zonen van Ammon’. Wij vertalen ‘samen met de Ammonieten’. Het gaat om dezelfde zonen van het Oosten als in vers 4, die ook Ammon in bezit krijgen. Zie ook: Ps 83:4–7; Jes 23:16; Ezech 21:37; Ezech 25:4 **25:11** **In Moab voltrek Ik gerichten. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וּבְמוֹאָ֖ב (uvemoav) = en in Moab | אֶעֱשֶׂ֣ה (eese) = Ik zal doen | שְׁפָטִ֑ים (shefatim) = gerichten | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië. Zie ook: Ps 9:17; Jer 9:24–25; Jer 48:1–47; Ezech 35:15; Ezech 39:21 ### Tegen Edom **25:12** Zo zegt Heer Yahweh: **Omdat Edom wraak heeft genomen op het huis van Juda en zij zwaar schuldig zijn geworden doordat zij zich op hen wreekten,** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֣עַן (yaan) = omdat | עֲשׂ֥וֹת (asot) = het doen van | אֱד֛וֹם (edom) = Edom | בִּנְקֹ֥ם (binqom) = in wraak nemen | נָקָ֖ם (naqam) = wraak | לְבֵ֣ית (leveit) = aan het huis van | יְהוּדָ֑ה (yehuda) = Juda | וַיֶּאְשְׁמ֥וּ (vayeshemu) = en zij werden schuldig | אָשׁ֖וֹם (ashom) = zeer schuldig | וְנִקְּמ֥וּ (veniqemu) = en zij namen wraak | בָהֶֽם (bahem) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: בנקם נקם (benaqam naqam), ‘door wraak te nemen’: een werkwoord met zijn eigen zelfstandig naamwoord, ter versterking. Vergelijk Ps. 137:7 voor Edom bij de val van Jeruzalem. Zie ook: Ps 137:7; Amos 1:11–12; Jer 49:7–22; Ob 1:10–16; Ezech 25:8 **25:13** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Ik strek Mijn hand uit tegen Edom. Ik snijd mens en dier van het land af en maak het tot een ruïne. Van Teman tot Dedan zullen zij door het zwaard vallen.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנָטִ֤תִי (venatiti) = en Ik zal uitstrekken | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | עַל (al) = tegen | אֱד֔וֹם (edom) = Edom | וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik zal afsnijden | מִמֶּ֖נָּה (mimena) = daaruit | אָדָ֣ם (adam) = mens | וּבְהֵמָ֑ה (uvehema) = en dier | וּנְתַתִּ֤יהָ (unetatiha) = en Ik zal het maken | חָרְבָּה֙ (charba) = ruïne | מִתֵּימָ֔ן (miteiman) = van Teman | וּדְדָ֖נֶה (udedane) = en tot Dedan | בַּחֶ֥רֶב (bacherev) = door het zwaard | יִפֹּֽלוּ (yipolu) = zullen vallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië). Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute. Voetnoot Uitleg: מתימן (Teman) en ודדנה (Dedan): Teman ligt in Edom (Amos 1:12), Dedan is een volk en een handelsplaats in het zuidoosten (Jes. 21:13). ‘Van Teman tot Dedan’ betekent: in heel Edom. De ligging van Dedan is onzeker. Zie ook: Amos 1:12; Jes 21:13; Jer 25:23; Jer 49:7–8; Ezech 14:8; Ezech 29:8; Mal 1:3–4 **25:14** **Ik leg Mijn wraak op Edom in de hand van Mijn volk Israël. Zij zullen met Edom doen naar Mijn toorn en naar Mijn grimmigheid. Dan zullen zij Mijn wraak leren kennen, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | נִקְמָתִ֜י (niqmati) = Mijn wraak | בֶּאֱד֗וֹם (beedom) = op Edom | בְּיַד֙ (beyad) = in de hand van | עַמִּ֣י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְעָשׂ֣וּ (veasu) = en zij zullen doen | בֶאֱד֔וֹם (beedom) = met Edom | כְּאַפִּ֖י (keapi) = naar Mijn toorn | וְכַחֲמָתִ֑י (vekhachamati) = en naar Mijn grimmigheid | וְיָֽדְעוּ֙ (veyadeu) = en zij zullen kennen | אֶת (et) = (obj.) | נִקְמָתִ֔י (niqmati) = Mijn wraak | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: נאם אדני יהוה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11 voor de uitleg van ne’um. De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood. Voetnoot : Yahweh gebruikt Israël als Zijn werktuig tegen Edom. Zie ook: Gen 27:29; Jes 11:14; Nah 1:2–4; Jer 49:2; Ezech 5:11; Heb 10:30–31 ### Tegen de Filistijnen **25:15** Zo zegt Heer Yahweh: **Omdat de Filistijnen wraak hebben genomen en zich met minachting in hun ziel hebben gewroken, om te verderven in eeuwige vijandschap,** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֛עַן (yaan) = omdat | עֲשׂ֥וֹת (asot) = het doen van | פְּלִשְׁתִּ֖ים (pelishtim) = Filistijnen | בִּנְקָמָ֑ה (binqama) = in wraak | וַיִּנָּקְמ֤וּ (vayinaqemu) = en zij namen wraak | נָקָם֙ (naqam) = wraak | בִּשְׁאָ֣ט (bishat) = met minachting | בְּנֶ֔פֶשׁ (benefesh) = in de ziel | לְמַשְׁחִ֖ית (lemashchit) = om te verderven | אֵיבַ֥ת (eivat) = vijandschap van | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פלשׁתים (Pelishtim), ‘Filistijnen’: de bewoners van de kuststrook in het zuidwesten. Voetnoot : בשׁאט בנפשׁ (besha’t benefesh), ‘met minachting in de ziel’: dezelfde woorden als in vers 6. Zie ook: 2 Kron 28:18; Jes 14:29–31; Jer 25:20; Ezech 25:6; Zach 9:5–8 **25:16** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen. Ik snijd de Kerethieten af en laat de overgeblevenen aan de zeekust omkomen.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | נוֹטֶ֤ה (note) = uitstrekkend | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | עַל (al) = tegen | פְּלִשְׁתִּ֔ים (pelishtim) = Filistijnen | וְהִכְרַתִּ֖י (vehikhrati) = en Ik zal afsnijden | אֶת (et) = (obj.) | כְּרֵתִ֑ים (keretim) = Kerethieten | וְהַ֣אֲבַדְתִּ֔י (vehaavadti) = en Ik zal laten omkomen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁאֵרִ֖ית (sheerit) = overgeblevenen van | ח֥וֹף (chof) = kust van | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כרתים (Kerethim), ‘Kerethieten’: een volk bij de Filistijnen aan de kust; zie 1 Sam. 30:14. Voetnoot : שׁארית חוף הים (she’erit chof hayam), ‘de overgeblevenen aan de zeekust’: wie na de eerdere slagen is overgebleven. Zie ook: 1 Sam 30:14; Sef 2:4–15; Jer 47:1–7; Ezech 25:7; Ezech 25:13 **25:17** **Ik voer grote wraakacties tegen hen uit, met grimmige terechtwijzingen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik Mijn wraak over hen breng.”** Brontekst: וְעָשִׂ֤יתִי (veasiti) = en Ik zal doen | בָם֙ (bam) = in hen | נְקָמ֣וֹת (neqamot) = wraakacties | גְּדֹל֔וֹת (gedolot) = grote | בְּתוֹכְח֖וֹת (betokhechot) = met terechtwijzingen van | חֵמָ֑ה (chema) = grimmigheid | וְיָֽדְעוּ֙ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּתִתִּ֥י (betiti) = als Ik geef | אֶת (et) = (obj.) | נִקְמָתִ֖י (niqmati) = Mijn wraak | בָּֽם (bam) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נקמות גדלות (neqamot gedolot), ‘grote wraakacties’: letterlijk ‘grote wraken’. בתוכחות חמה (tokhechot chemah), ‘terechtwijzingen van grimmigheid’: Yahweh wijst terecht in woede. Zie ook: Ps 9:17; Ezech 5:15; Ezech 25:5; Ezech 25:11; Ezech 25:14 ## Ezechiël 26 _Het oordeel over Tyrus: Nebukadnezar komt en de stad verdwijnt in de zee_ ### Tyrus roept ‘Aha!’ over Jeruzalem **26:1** In het elfde jaar, op de eerste van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij: Brontekst: וַיְהִ֛י (vayhi) = en het was | בְּעַשְׁתֵּֽי (beashtei) = in elf | עֶשְׂרֵ֥ה (esre) = (tien) | שָׁנָ֖ה (shana) = jaar | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op één | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָיָ֥ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws noemt het jaar en de dag, maar niet de maand. Ezechiël telt de jaren vanaf de ballingschap van koning Jojachin (zie Ezech. 1:2). Het elfde jaar is waarschijnlijk het jaar waarin Jeruzalem viel; zie 2 Kon. 25:2. Zie ook: 2 Kon 25:2; Jer 39:2; Ezech 1:2; Ezech 8:1; Ezech 20:1 **26:2** **„Mensenkind, omdat Tyrus over Jeruzalem heeft gezegd: ‘Aha! De poorten van de volken zijn gebroken. Zij is naar mij toegekeerd. Ik word vervuld, nu zij verwoest is.’** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | יַ֠עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁר (asher) = dat | אָ֨מְרָה (amera) = zij heeft gezegd | צֹּ֤ר (tsor) = Tyrus | עַל (al) = over | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | הֶאָ֔ח (heach) = aha | נִשְׁבְּרָ֛ה (nishbera) = zijn gebroken | דַּלְת֥וֹת (daltot) = deuren van | הָעַמִּ֖ים (haamim) = de volken | נָסֵ֣בָּה (naseba) = zij is gekeerd | אֵלָ֑י (elay) = naar mij | אִמָּלְאָ֖ה (imalea) = ik zal vervuld worden | הָחֳרָֽבָה (hachorava) = zij is verwoest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: צר (Tsor), ‘Tyrus’: de Fenicische havenstad aan de kust ten noorden van Israël. Voetnoot : דלתות העמים (daltot ha’ammim), ‘de poorten van de volken’: letterlijk ‘de deuren van de volken’. Het is een beeld voor Jeruzalem, waar de volken binnenkwamen. Tyrus verwacht voordeel van haar val. Voetnoot : אמלאה (immal’ah), ‘Ik word vervuld’: Tyrus verwacht rijker te worden. Het Hebreeuws zegt niet in welk opzicht. Zie ook: Joël 4:4; Jes 23:1–18; Jer 25:22; Ezech 25:2–3; Ezech 36:2 **26:3** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik ben tegen je, Tyrus. Ik laat vele volken tegen je opkomen, zoals de zee haar golven laat opkomen.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Ik | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = tegen jou | צֹ֑ר (tsor) = Tyrus | וְהַעֲלֵיתִ֤י (vehaaleiti) = en Ik zal laten opkomen | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = tegen jou | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | כְּהַעֲל֥וֹת (kehaalot) = zoals het opkomen van | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | לְגַלָּֽיו (legalav) = met haar golven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: Het beeld: de volken komen op Tyrus af zoals de golven van de zee, telkens opnieuw. Zie ook: Jes 5:30; Mi 4:11; Jer 21:13; Jer 51:42; Ezech 27:32–34 **26:4** **Zij zullen de muren van Tyrus verwoesten en haar torens afbreken. Ik veeg haar stof van haar af en maak haar tot een kale rots.** Brontekst: וְשִׁחֲת֞וּ (veshichatu) = en zij zullen verwoesten | חֹמ֣וֹת (chomot) = muren van | צֹ֗ר (tsor) = Tyrus | וְהָֽרְסוּ֙ (veharesu) = en zij zullen afbreken | מִגְדָּלֶ֔יהָ (migdaleiha) = haar torens | וְסִֽחֵיתִ֥י (vesicheiti) = en Ik zal wegvegen | עֲפָרָ֖הּ (afarah) = haar stof | מִמֶּ֑נָּה (mimena) = van haar | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal maken | אוֹתָ֖הּ (otah) = haar | לִצְחִ֥יחַ (litschiach) = tot kaalheid van | סָֽלַע (sala) = rots Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: לצחיח סלע (tsechiach sela), ‘kale rots’: een gladde, kale rotsplaat zonder begroeiing. Zie ook: Amos 1:10; Jes 23:11; Ezech 24:7–8; Ezech 26:9; Ezech 26:12 **26:5** **Zij wordt een plaats om netten uit te spreiden midden in de zee, want Ik heb gesproken, godsspraak van Heer Yahweh. Zij wordt tot buit voor de volken.** Brontekst: מִשְׁטַ֨ח (mishtach) = uitspreidplaats van | חֲרָמִ֤ים (charamim) = netten | תִּֽהְיֶה֙ (tihye) = zij zal zijn | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | כִּ֚י (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = Ik | דִבַּ֔רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en zij zal worden | לְבַ֖ז (levaz) = tot buit | לַגּוֹיִֽם (lagoyim) = voor de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: משׁטח חרמים (mishtach charamim), ‘plaats om netten uit te spreiden’: een plek waar vissers hun netten laten drogen. Dezelfde woorden staan in vers 14. Voetnoot : נאם אדני יהוה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Zie ook: Ezech 5:11; Ezech 25:7; Ezech 26:14; Ezech 26:19; Ezech 27:32; Ezech 29:19; Ezech 47:10 **26:6** **Haar dochters op het land worden met het zwaard gedood. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וּבְנוֹתֶ֨יהָ֙ (uvenoteiha) = en haar dochters | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בַּשָּׂדֶ֔ה (basade) = op het veld | בַּחֶ֖רֶב (bacherev) = door het zwaard | תֵּהָרַ֑גְנָה (teharagna) = zullen gedood worden | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ובנותיה (benoteha), ‘haar dochters’: de plaatsen op het vasteland die bij Tyrus hoorden en van haar afhingen. Zie ook: Jer 49:2; Ezech 16:46; Ezech 25:7; Ezech 25:11; Ezech 26:8 ### Nebukadnezar komt tegen Tyrus **26:7** Want zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik breng Nebukadnezar, de koning van Babel, de koning der koningen, uit het noorden tegen Tyrus. Hij komt met paarden, wagens en ruiters, met een menigte en een groot volk.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֧י (hinni) = zie Ik | מֵבִ֣יא (mevi) = brengend | אֶל (el) = tegen | צֹ֗ר (tsor) = Tyrus | נְבוּכַדְרֶאצַּ֧ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֛ל (bavel) = Babel | מִצָּפ֖וֹן (mitsafon) = uit het noorden | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מְלָכִ֑ים (melakhim) = koningen | בְּס֛וּס (besus) = met paard | וּבְרֶ֥כֶב (uverekhev) = en met wagen | וּבְפָרָשִׁ֖ים (uvefarashim) = en met ruiters | וְקָהָ֥ל (veqahal) = en een menigte | וְעַם (veam) = en volk | רָֽב (rav) = groot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: נבוכדראצר (Nevukhadre’tsar), ‘Nebukadnezar’: in Ezechiël staat de naam met een r erin. Wij schrijven overal Nebukadnezar. Voetnoot : מלך מלכים (melekh melakhim), ‘koning der koningen’: een titel voor een heerser boven andere koningen. Voetnoot : מצפון (mitsafon), ‘uit het noorden’: Babel ligt in het oosten, maar de legers trokken via het noorden het land binnen. Zie ook: Hos 8:10; Nah 2:4–5; Ezech 23:24; Dan 2:37; Ezra 7:12 **26:8** **Je dochters op het land doodt hij met het zwaard. Hij bouwt een belegeringswal tegen je, werpt een aarden helling tegen je op en richt een groot schild tegen je op.** Brontekst: בְּנוֹתַ֥יִךְ (benotayikh) = je dochters | בַּשָּׂדֶ֖ה (basade) = op het veld | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = met het zwaard | יַהֲרֹ֑ג (yaharog) = hij zal doden | וְנָתַ֨ן (venatan) = en hij zal opstellen | עָלַ֜יִךְ (alayikh) = tegen jou | דָּיֵ֗ק (dayeq) = belegeringswal | וְשָׁפַ֤ךְ (veshafakh) = en hij zal opwerpen | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = tegen jou | סֹֽלְלָ֔ה (solela) = aarden helling | וְהֵקִ֥ים (veheqim) = en hij zal oprichten | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = tegen jou | צִנָּֽה (tsina) = schild Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דיק (dayeq), ‘belegeringswal’ (zoals in 4:2 en 2 Kon. 25:1): een werk dat tegen de stad wordt opgeworpen. De betekenis is niet helemaal zeker; sommigen denken aan een belegeringstoren. Voetnoot : סללה (solelah), ‘aarden helling’: opgeworpen om de muur te bereiken. Voetnoot : צנה (tsinnah), ‘groot schild’: het schild waarachter de aanvallers dekking zoeken. Zie ook: 2 Sam 20:15; 2 Kon 25:1; Jer 6:6; Jer 32:24; Jer 52:4; Ezech 21:27 **26:9** **Hij zet de slag van zijn stormram tegen je muren in en breekt je torens af met zijn zwaarden.** Brontekst: וּמְחִ֣י (umechi) = en de slag van | קָֽבָלּ֔וֹ (qavalo) = zijn stormram | יִתֵּ֖ן (yiten) = hij zal zetten | בְּחֹֽמוֹתָ֑יִךְ (bechomotayikh) = tegen je muren | וּמִ֨גְדְּלֹתַ֔יִךְ (umigdelotayikh) = en je torens | יִתֹּ֖ץ (yitots) = hij zal afbreken | בְּחַרְבוֹתָֽיו (becharvotav) = met zijn zwaarden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ומחי קבלו (mechi qovalo), ‘de slag van zijn stormram’: het woord קבלו (qovel) komt alleen hier voor en de betekenis is onzeker; ‘stormram’ is een gok uit de samenhang. Voetnoot : בחרבותיו (charevotav), ‘zijn zwaarden’: het woord kan ook een ander slagwerktuig aanduiden. Zie ook: 2 Kron 26:15 **26:10** **Door de overvloed van zijn paarden bedekt het stof je. Je muren beven door het geluid van ruiters, wielen en wagens, wanneer hij je poorten binnentrekt, zoals men een stad binnentrekt die doorbroken is.** Brontekst: מִשִּׁפְעַ֥ת (mishifat) = wegens overvloed van | סוּסָ֖יו (susav) = zijn paarden | יְכַסֵּ֣ךְ (yekhasekh) = zal bedekken je | אֲבָקָ֑ם (avaqam) = hun stof | מִקּוֹל֩ (miqol) = vanwege geluid van | פָּרַ֨שׁ (parash) = ruiter | וְגַלְגַּ֜ל (vegalgal) = en wiel | וָרֶ֗כֶב (varekhev) = en wagen | תִּרְעַ֨שְׁנָה֙ (tirashna) = zullen beven | חֽוֹמוֹתַ֔יִךְ (chomotayikh) = je muren | בְּבֹאוֹ֙ (bevoo) = als hij binnenkomt | בִּשְׁעָרַ֔יִךְ (bisharayikh) = in je poorten | כִּמְבוֹאֵ֖י (kimvoei) = zoals het binnenkomen van | עִ֥יר (ir) = stad | מְבֻקָּעָֽה (mevuqaa) = doorbroken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 6:5; Jer 47:3; Ezech 26:7; Ezech 26:15; Ezech 27:28 **26:11** **Met de hoeven van zijn paarden vertrapt hij al je straten. Je volk doodt hij met het zwaard, en de gewijde stenen van je kracht vallen neer op de grond.** Brontekst: בְּפַרְס֣וֹת (befarsot) = met hoeven van | סוּסָ֔יו (susav) = zijn paarden | יִרְמֹ֖ס (yirmos) = hij zal vertrappen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | חֽוּצוֹתָ֑יִךְ (chutsotayikh) = je straten | עַמֵּךְ֙ (amekh) = je volk | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = met het zwaard | יַהֲרֹ֔ג (yaharog) = hij zal doden | וּמַצְּב֥וֹת (umatsevot) = en gewijde stenen van | עֻזֵּ֖ךְ (uzekh) = je kracht | לָאָ֥רֶץ (laarets) = naar de aarde | תֵּרֵֽד (tered) = zullen neerdalen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ומצבות עזך (umatsevot uzzekh), ‘de gewijde stenen van je kracht’: ומצבות (matsevot) is elders ‘gewijde stenen’. Hier zijn waarschijnlijk zuilen of gedenkstenen bedoeld die Tyrus’ kracht uitdrukken. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Jes 5:28; Jes 26:5; Jer 43:13; Jer 51:27; Hab 1:8 **26:12** **Zij roven je rijkdom en plunderen je koopwaar. Zij breken je muren af en slopen je kostbare huizen. Je stenen, je hout en je stof gooien zij midden in het water.** Brontekst: וְשָׁלְל֣וּ (veshalelu) = en zij zullen roven | חֵילֵ֗ךְ (cheilekh) = je rijkdom | וּבָֽזְזוּ֙ (uvazezu) = en zij zullen plunderen | רְכֻלָּתֵ֔ךְ (rekhulatekh) = je koopwaar | וְהָֽרְסוּ֙ (veharesu) = en zij zullen afbreken | חוֹמוֹתַ֔יִךְ (chomotayikh) = je muren | וּבָתֵּ֥י (uvatei) = en huizen van | חֶמְדָּתֵ֖ךְ (chemdatekh) = je kostbaarheid | יִתֹּ֑צוּ (yitotsu) = zij zullen slopen | וַאֲבָנַ֤יִךְ (vaavanayikh) = en je stenen | וְעֵצַ֨יִךְ֙ (veetsayikh) = en je hout | וַֽעֲפָרֵ֔ךְ (vaafarekh) = en je stof | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden in | מַ֖יִם (mayim) = water | יָשִֽׂימוּ (yasimu) = zij zullen leggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חילך (cheilekh), ‘je rijkdom’: het woord חיל (chayil) betekent ook ‘kracht’ en ‘leger’. Zie ook: 2 Kron 32:27; Amos 5:11; Jes 23:8; Ezech 26:5; Zach 9:3–4 **26:13** **Ik maak een einde aan het gedruis van je liederen. Het geluid van je lieren wordt niet meer gehoord.** Brontekst: וְהִשְׁבַּתִּ֖י (vehishbati) = en Ik zal laten ophouden | הֲמ֣וֹן (hamon) = gedruis van | שִׁירָ֑יִךְ (shirayikh) = je liederen | וְק֣וֹל (veqol) = en geluid van | כִּנּוֹרַ֔יִךְ (kinorayikh) = je lieren | לֹ֥א (lo) = niet | יִשָּׁמַ֖ע (yishama) = zal gehoord worden | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כנוריך (kinnoreikh), ‘je lieren’: een kinnor is een lier. De muziek van de stad verstomt. Zie ook: Jes 23:16; Jes 24:8–9; Jer 7:34; Jer 16:9; Jer 25:10 **26:14** **Ik maak je tot een kale rots, een plaats om netten uit te spreiden. Je wordt niet meer herbouwd, want Ik, Yahweh, heb gesproken, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וּנְתַתִּ֞יךְ (unetatikh) = en Ik zal je maken | לִצְחִ֣יחַ (litschiach) = tot kaalheid van | סֶ֗לַע (sela) = rots | מִשְׁטַ֤ח (mishtach) = uitspreidplaats van | חֲרָמִים֙ (charamim) = netten | תִּֽהְיֶ֔ה (tihye) = je zult zijn | לֹ֥א (lo) = niet | תִבָּנֶ֖ה (tibane) = je zult herbouwd worden | ע֑וֹד (od) = meer | כִּ֣י (ki) = want | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּ֔רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 12:14; Num 23:19; Jes 14:27; Ezech 26:4–5; Mal 1:4 ### De vorsten van de zee rouwen **26:15** Zo zegt Heer Yahweh tot Tyrus: **Zullen de kustlanden niet beven van het geluid van je val, wanneer de gewonden kermen en er in je midden gemoord wordt?** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְצ֑וֹר (letsor) = aan Tyrus | הֲלֹ֣א (halo) = is het niet | מִקּ֣וֹל (miqol) = vanwege het geluid van | מַפַּלְתֵּ֗ךְ (mapaltekh) = je val | בֶּאֱנֹ֨ק (beenoq) = bij het kermen van | חָלָ֜ל (chalal) = gewonde | בֵּהָ֤רֵֽג (behareg) = bij het doden van | הֶ֨רֶג֙ (hereg) = slachting | בְּתוֹכֵ֔ךְ (betokhekh) = in je midden | יִרְעֲשׁ֖וּ (yirashu) = zullen beven | הָאִיִּֽים (haiyim) = de kustlanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: האיים (ha’iyyim), ‘de kustlanden’: de eilanden en kustgebieden aan de zee; zie ook Jes. 23:2. Zie ook: Jes 2:19; Jes 23:2; Jer 49:21; Ezech 26:18; Ezech 27:35; Ezech 31:16 **26:16** **Alle vorsten van de zee komen van hun tronen af. Zij leggen hun mantels af en trekken hun geborduurde kleren uit. Zij kleden zich in schrik en zitten op de grond. Zij sidderen telkens weer en zijn ontzet over jou.** Brontekst: וְֽיָרְד֞וּ (veyaredu) = en zij zullen afdalen | מֵעַ֣ל (meal) = van | כִּסְאוֹתָ֗ם (kisotam) = hun tronen | כֹּ֚ל (kol) = alle | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = vorsten van | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | וְהֵסִ֨ירוּ֙ (vehesiru) = en zij zullen verwijderen | אֶת (et) = (obj.) | מְעִ֣ילֵיהֶ֔ם (meileihem) = hun mantels | וְאֶת (veet) = en (obj.) | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | רִקְמָתָ֖ם (riqmatam) = hun borduurwerk | יִפְשֹׁ֑טוּ (yifshotu) = zij zullen uittrekken | חֲרָד֤וֹת (charadot) = beving | יִלְבָּ֨שׁוּ֙ (yilbashu) = zij zullen aantrekken | עַל (al) = op | הָאָ֣רֶץ (haarets) = de aarde | יֵשֵׁ֔בוּ (yeshevu) = zij zullen zitten | וְחָֽרְדוּ֙ (vecharedu) = en zij zullen beven | לִרְגָעִ֔ים (lirgaim) = elk ogenblik | וְשָׁמְמ֖וּ (veshamemu) = en zij zullen ontzet zijn | עָלָֽיִךְ (alayikh) = over jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נשׂיאי הים (nesi’ei hayyam), ‘de vorsten van de zee’: de leiders van de handelssteden aan de kust. Zij leggen hun rang af in rouw. Voetnoot : חרדות (charadot), ‘schrik’: letterlijk ‘beving’; zij kleden zich als het ware in schrik. Zie ook: Job 8:22; Jona 3:6; Hos 11:10; Jes 3:26; Ezech 32:10 **26:17** **Zij heffen een klaaglied over je aan en zeggen tegen je: ‘Hoe ben je vergaan, jij die bewoond werd vanuit de zeeën, beroemde stad! Zij was sterk op de zee, zij en haar inwoners. Zij legden hun schrik op al haar bewoners.** Brontekst: וְנָשְׂא֨וּ (venaseu) = en zij zullen opheffen | עָלַ֤יִךְ (alayikh) = over jou | קִינָה֙ (qina) = klaaglied | וְאָ֣מְרוּ (veameru) = en zij zullen zeggen | לָ֔ךְ (lakh) = tegen jou | אֵ֣יךְ (eikh) = hoe | אָבַ֔דְתְּ (avadt) = ben je vergaan | נוֹשֶׁ֖בֶת (noshevet) = bewoonde | מִיַּמִּ֑ים (miyamim) = vanuit zeeën | הָעִ֣יר (hair) = de stad | הַהֻלָּ֗לָה (hahulala) = de geroemde | אֲשֶׁר֩ (asher) = die | הָיְתָ֨ה (hayeta) = was | חֲזָקָ֤ה (chazaqa) = sterk | בַיָּם֙ (bayam) = op de zee | הִ֣יא (hi) = zij | וְיֹשְׁבֶ֔יהָ (veyosheveiha) = en haar inwoners | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתְנ֥וּ (natenu) = zij gaven | חִתִּיתָ֖ם (chititam) = hun schrik | לְכָל (lekhal) = aan alle | יוֹשְׁבֶֽיהָ (yosheveiha) = haar bewoners Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קינה (qinah), ‘klaaglied’: een lied bij een sterfgeval of ramp. Zie ook 27:2. Voetnoot : נושׁבת מימים (noshevet miyyammim), ‘bewoond vanuit de zeeën’: de stad leefde van de zee. Voetnoot : Het slot, ‘al haar bewoners’, is niet helemaal duidelijk: ‘haar’ kan op de zee of op de stad slaan. Het Hebreeuws laat dat open. Zie ook: 2 Sam 1:25–27; Jes 14:12; Jes 23:4; Ezech 19:1; Ezech 32:16 **26:18** **Nu beven de kustlanden op de dag van je val. De kustlanden in de zee zijn ontzet over je heengaan.’** Brontekst: עַתָּה֙ (ata) = nu | יֶחְרְד֣וּ (yechredu) = zullen beven | הָֽאִיִּ֔ן (haiyin) = de kustlanden | י֖וֹם (yom) = dag van | מַפַּלְתֵּ֑ךְ (mapaltekh) = je val | וְנִבְהֲל֛וּ (venivhalu) = en zij zullen ontzet zijn | הָאִיִּ֥ים (haiyim) = de kustlanden | אֲשֶׁר (asher) = die | בַּיָּ֖ם (bayam) = in de zee | מִצֵּאתֵֽךְ (mitsetekh) = over je heengaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: האין (ha’iyyin) heeft een ongewone meervoudsuitgang; het is hetzelfde woord als האיים (ha’iyyim), ‘de kustlanden’. Voetnoot : מצאתך (mitse’tekh), ‘je heengaan’: eigenlijk ‘je uitgang, je vertrek’. Hier is het het einde van de stad. Zie ook: Jes 23:5–7; Jes 23:10–12; Jes 41:5; Ezech 26:15; Ezech 27:28–30 ### Tyrus daalt af naar de kuil **26:19** Want zo zegt Heer Yahweh: **Wanneer Ik je maak tot een verwoeste stad, zoals de steden die niet bewoond worden, wanneer Ik de oervloed over je laat opkomen en de grote wateren je bedekken,** Brontekst: כִּ֣י (ki) = want | כֹ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּתִתִּ֤י (betiti) = als Ik geef | אֹתָךְ֙ (otakh) = jou | עִ֣יר (ir) = stad | נֶחֱרֶ֔בֶת (necherevet) = verwoeste | כֶּעָרִ֖ים (kearim) = zoals steden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | נוֹשָׁ֑בוּ (noshavu) = bewoond worden | בְּהַעֲל֤וֹת (behaalot) = als Ik laat opkomen | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = over jou | אֶת (et) = (obj.) | תְּה֔וֹם (tehom) = oervloed | וְכִסּ֖וּךְ (vekhisukh) = en zullen bedekken je | הַמַּ֥יִם (hamayim) = de wateren | הָרַבִּֽים (harabim) = de grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תהום (tehom), ‘oervloed’: de diepe wateren, hetzelfde woord als in Gen. 1:2. Zie ook: Gen 1:2; Jes 8:7–8; Ezech 26:3; Dan 9:26; Dan 11:40; Openb 17:15 **26:20** **dan breng Ik je naar beneden, bij hen die in de kuil dalen, naar het volk van vroeger. Ik laat je wonen in de diepten van de aarde, in puinhopen van oudsher, bij hen die in de kuil dalen. Zo woon jij niet meer. Ik zet pracht in het land van de levenden.** Brontekst: וְהוֹרַדְתִּיךְ֩ (vehoradtikh) = en Ik zal je neerbrengen | אֶת (et) = met | י֨וֹרְדֵי (yoredei) = dalenden naar | ב֜וֹר (bor) = kuil | אֶל (el) = naar | עַ֣ם (am) = volk van | עוֹלָ֗ם (olam) = eeuwigheid | וְ֠הוֹשַׁבְתִּיךְ (vehoshavtikh) = en Ik zal je doen wonen | בְּאֶ֨רֶץ (beerets) = in het land van | תַּחְתִּיּ֜וֹת (tachtiyot) = diepten | כָּחֳרָב֤וֹת (kachoravot) = als puinen | מֵֽעוֹלָם֙ (meolam) = van oudsher | אֶת (et) = met | י֣וֹרְדֵי (yoredei) = dalenden naar | ב֔וֹר (bor) = kuil | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | לֹ֣א (lo) = niet | תֵשֵׁ֑בִי (teshevi) = je zult wonen | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | צְבִ֖י (tsevi) = pracht | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | חַיִּֽים (chayim) = levenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בור (bor), ‘kuil’: het dodenrijk, zoals in Ps. 28:1. Voetnoot : עם עולם (am olam), ‘het volk van vroeger’: letterlijk ‘volk van de eeuwigheid’, de doden uit oude tijden. Voetnoot : Het slot van het vers (‘Ik zet pracht in het land van de levenden’) is moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 27:13; Ps 28:1; Ezech 28:25–26; Ezech 32:18–32; Zach 2:12; Luc 10:15 **26:21** **Ik maak je tot een schrik, en je bent er niet meer. Men zoekt je, maar je wordt niet meer gevonden, voor eeuwig, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: בַּלָּה֥וֹת (balahot) = schrikken | אֶתְּנֵ֖ךְ (etenekh) = Ik zal je maken | וְאֵינֵ֑ךְ (veeinekh) = en je bent niet meer | וּֽתְבֻקְשִׁ֗י (utevuqshi) = en je zult gezocht worden | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִמָּצְאִ֥י (timatsei) = je zult gevonden worden | עוֹד֙ (od) = meer | לְעוֹלָ֔ם (leolam) = voor eeuwig | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהֹוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בלהות (ballahot), ‘schrik’: iets waarvoor men schrikt; zie ook 27:36 en 28:19. Voetnoot : נאם אדני יהוה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Dit is het slot van de lange toespraak die in vers 2 begon. Zie ook: Ps 37:36; Ezech 5:11; Ezech 26:2; Ezech 26:14–16; Ezech 27:36; Ezech 28:19; Openb 18:21 ## Ezechiël 27 _Klaaglied over Tyrus, het prachtige koopmansschip dat vergaat_ ### Een klaaglied over Tyrus **27:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **27:2** **„Jij nu, mensenkind, hef een klaaglied aan over Tyrus.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֔ם (adam) = mens | שָׂ֥א (sa) = hef op | עַל (al) = over | צֹ֖ר (tsor) = Tyrus | קִינָֽה (qina) = klaaglied Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: קינה (qinah), ‘klaaglied’: een lied bij een sterfgeval of ramp, zoals in 26:17. Het klaaglied loopt van vers 3 tot en met 36. Tyrus is hier een prachtig koopmansschip dat vergaat. Voetnoot : In het klaaglied spreekt Yahweh niet zelf in de eerste persoon. Wij hebben het daarom zwart gelaten, als klaagzang van de profeet; alleen de opdracht aan Ezechiël (vers 2–3a) staat rood. Zie ook: Amos 5:1; Jer 9:9; Jer 9:16–19; Ezech 19:1; Ezech 27:3; Ezech 28:12 **27:3** **Zeg tegen Tyrus, die woont bij de ingangen van de zee en handelt met de volken naar vele kustlanden:”** Zo zegt Heer Yahweh: Tyrus, jij hebt gezegd: ‘Ik ben volmaakt van schoonheid.’ Brontekst: וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | לְצ֗וֹר (letsor) = aan Tyrus | הַיֹּשֶׁ֨בֶת֙ (hayoshevet) = die woont | עַל (al) = bij | מְבוֹאֹ֣ת (mevoot) = ingangen van | יָ֔ם (yam) = zee | רֹכֶ֨לֶת֙ (rokhelet) = handelaarster van | הָֽעַמִּ֔ים (haamim) = de volken | אֶל (el) = naar | אִיִּ֖ים (iyim) = kustlanden | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | צ֕וֹר (tsor) = Tyrus | אַ֣תְּ (at) = jij | אָמַ֔רְתְּ (amart) = je hebt gezegd | אֲנִ֖י (ani) = ik | כְּלִ֥ילַת (kelilat) = volmaaktheid van | יֹֽפִי (yofi) = schoonheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: כלילת יפי (kelilat yofi), ‘volmaakt van schoonheid’: letterlijk ‘volmaaktheid van schoonheid’. Tyrus prijst zichzelf als een prachtig schip. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat הישבתי (hayyoshavti), ‘ik woon’. De voorgelezen tekst (qere) is הישׁבת (hayyoshevet), ‘die woont’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 50:2; Jes 23:11; Ezech 27:4; Ezech 27:10–36; Ezech 28:2–3 ### Tyrus als schip **27:4** In het hart van de zeeën liggen je grenzen. Je bouwers hebben je schoonheid volmaakt gemaakt. Brontekst: בְּלֵ֥ב (belev) = in het hart van | יַמִּ֖ים (yamim) = zeeën | גְּבוּלָ֑יִךְ (gevulayikh) = je grenzen | בֹּנַ֕יִךְ (bonayikh) = je bouwers | כָּלְל֖וּ (kalelu) = hebben volmaakt | יָפְיֵֽךְ (yafeyekh) = je schoonheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld van het schip begint: de ‘grenzen’ (גבוליך, gevulayikh) zijn de randen van het schip, midden in de zee. Zie ook: Ezech 26:5 **27:5** Van cipressen uit Senir bouwden zij al je planken. Zij namen een ceder uit de Libanon om een mast voor je te maken. Brontekst: בְּרוֹשִׁ֤ים (beroshim) = cipressen | מִשְּׂנִיר֙ (misenir) = uit Senir | בָּ֣נוּ (banu) = zij bouwden | לָ֔ךְ (lakh) = voor jou | אֵ֖ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | לֻֽחֹתָ֑יִם (luchotayim) = planken | אֶ֤רֶז (erez) = ceder | מִלְּבָנוֹן֙ (milevanon) = uit de Libanon | לָקָ֔חוּ (laqachu) = zij namen | לַעֲשׂ֥וֹת (laasot) = om te maken | תֹּ֖רֶן (toren) = mast | עָלָֽיִךְ (alayikh) = over jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Senir (Hermon): Senir is de Amorietische naam voor de Hermon (Deuteronomium 3:9), op de grens van het huidige Libanon en Syrië. Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: משׂניר (mishsenir), ‘uit Senir’: Senir is de Amorietische naam van de Hermon; zie Deut. 3:9. Voetnoot : לחתים (lachtim): een ongewone vorm die alleen hier voorkomt. Waarschijnlijk ‘planken’ of ‘platen’. Voetnoot : תרן (toren), ‘mast’: zie ook Jes. 33:23. Zie ook: Deut 3:9; Ps 92:13; Hoogl 4:8; 1 Kon 5:20; Jes 14:8; Jes 33:23 **27:6** Van eiken uit Basan maakten zij je roeiriemen. Je dekplanken maakten zij van ivoor, ingelegd in buxushout van de kusten van Kittim. Brontekst: אַלּוֹנִים֙ (alonim) = eiken | מִבָּ֔שָׁן (mibashan) = uit Basan | עָשׂ֖וּ (asu) = zij maakten | מִשּׁוֹטָ֑יִךְ (mishotayikh) = je roeiriemen | קַרְשֵׁ֤ךְ (qarshekh) = je dekplanken | עָֽשׂוּ (asu) = zij maakten | שֵׁן֙ (shen) = ivoor | בַּת (bat) = dochter van | אֲשֻׁרִ֔ים (ashurim) = buksbomen | מֵאִיֵּ֖י (meiyei) = van de kustlanden van | כִּתִּיִּֽים (kitiyim) = Kittim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië. Zie Kittim: Kittim is waarschijnlijk Cyprus, of de kusten van de Middellandse Zee in het algemeen. Voetnoot Uitleg: קרשׁך (qerashekha), ‘je dekplanken’: het woord betekent ‘planken’; hier waarschijnlijk het dek of de wand van het schip. Voetnoot : בת אשׁרים (bat ashurim): letterlijk ‘dochter van ashur-hout’. De betekenis is onzeker. Wij denken aan buxushout waarin het ivoor was ingelegd. Voetnoot : כתיים (Kittim): waarschijnlijk Cyprus; zie Jes. 23:1. Zie ook: Gen 10:4; Jes 2:13; Jes 23:1; Jer 2:10; Jer 22:20; Zach 11:2 **27:7** Fijn linnen met borduurwerk uit Egypte was je zeil, om je tot vaandel te dienen. Blauwpurper en roodpurper van de kusten van Elisa was je overkapping. Brontekst: שֵׁשׁ (shesh) = fijn linnen | בְּרִקְמָ֤ה (beriqma) = met borduurwerk | מִמִּצְרַ֨יִם֙ (mimitsrayim) = uit Egypte | הָיָ֣ה (haya) = was | מִפְרָשֵׂ֔ךְ (mifrasekh) = je zeil | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | לָ֖ךְ (lakh) = voor jou | לְנֵ֑ס (lenes) = tot vaandel | תְּכֵ֧לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְאַרְגָּמָ֛ן (veargaman) = en roodpurper | מֵאִיֵּ֥י (meiyei) = van de kustlanden van | אֱלִישָׁ֖ה (elisha) = Elisa | הָיָ֥ה (haya) = was | מְכַסֵּֽךְ (mekhasekh) = je overkapping Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Elisa (Alasia, Cyprus; ligging onzeker): Elisa (Elisja) is waarschijnlijk Alasia, het oude Cyprus. Dit is niet helemaal zeker. Voetnoot Uitleg: לנס (nes), ‘vaandel’: het zeil met borduurwerk diende als vlag, zodat men het schip van ver herkende. Voetnoot : תכלת (tekhelet), ‘blauwpurper’, en וארגמן (argaman), ‘roodpurper’: zoals in Exod. 25:4. Voetnoot : אלישׁה (Elishah), ‘Elisa’: een kustland in het westen, zoals in Gen. 10:4. Het is niet de profeet Elisa. Zie ook: Gen 10:4; Ex 25:4; 1 Kron 1:7; Jes 19:9; Jer 10:9 **27:8** De inwoners van Sidon en Arvad waren je roeiers. Je wijzen, Tyrus, waren in je: zij waren je stuurlieden. Brontekst: יֹשְׁבֵ֤י (yoshevei) = bewoners van | צִידוֹן֙ (tsidon) = Sidon | וְאַרְוַ֔ד (vearvad) = en Arvad | הָי֥וּ (hayu) = zij waren | שָׁטִ֖ים (shatim) = roeiers | לָ֑ךְ (lakh) = voor jou | חֲכָמַ֤יִךְ (chakhamayikh) = je wijzen | צוֹר֙ (tsor) = Tyrus | הָ֣יוּ (hayu) = zij waren | בָ֔ךְ (bakh) = in jou | הֵ֖מָּה (hema) = zij | חֹבְלָֽיִךְ (chovelayikh) = je stuurlieden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Zie Arvad (Ruad): Arvad (Aruad) was een Fenicische eilandstad, het huidige Arwad (Ruad) voor de kust van Syrië. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: Sidon en Arvad zijn Fenicische steden aan de kust, net als Tyrus. Voetnoot : חבליך (chovelayikh), ‘je stuurlieden’: de mannen die het schip sturen en bedienen. Zie ook: Gen 10:15; Gen 10:18; 1 Kon 9:27; 2 Kron 2:12–13; Ezech 27:11 **27:9** De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in je en herstelden je lekken. Alle schepen van de zee met hun zeelieden waren in je om je koopwaar te ruilen. Brontekst: זִקְנֵ֨י (ziqnei) = oudsten van | גְבַ֤ל (geval) = Gebal | וַחֲכָמֶ֨יהָ֙ (vachakhameiha) = en haar wijzen | הָ֣יוּ (hayu) = zij waren | בָ֔ךְ (bakh) = in jou | מַחֲזִיקֵ֖י (machaziqei) = herstellers van | בִּדְקֵ֑ךְ (bidqekh) = je lek | כָּל (kal) = alle | אֳנִיּ֨וֹת (oniyot) = schepen van | הַיָּ֤ם (hayam) = de zee | וּמַלָּֽחֵיהֶם֙ (umalacheihem) = en hun zeelieden | הָ֣יוּ (hayu) = zij waren | בָ֔ךְ (bakh) = in jou | לַעֲרֹ֖ב (laarov) = om te ruilen | מַעֲרָבֵֽךְ (maaravekh) = je koopwaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Gebal: Gebal (Byblos) lag aan de kust van het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: גבל (Gebal): een Fenicische kuststad ten noorden van Tyrus; zie Joz. 13:5. Voetnoot : מחזיקי בדקך (machziqei vadeqekh), ‘herstellers van je lekken’: letterlijk ‘zij die je lek vasthouden’, de mannen die gaten dichten. Zie ook: Joz 13:5; Ps 83:8; 1 Kon 5:32 **27:10** Perzië, Lud en Put waren in je leger, je krijgslieden. Schild en helm hingen zij in je op. Zij gaven je glans. Brontekst: פָּרַ֨ס (paras) = Perzië | וְל֤וּד (velud) = en Lud | וּפוּט֙ (ufut) = en Put | הָי֣וּ (hayu) = zij waren | בְחֵילֵ֔ךְ (becheilekh) = in je leger | אַנְשֵׁ֖י (anshei) = mannen van | מִלְחַמְתֵּ֑ךְ (milchamtekh) = je oorlog | מָגֵ֤ן (magen) = schild | וְכוֹבַע֙ (vekhova) = en helm | תִּלּוּ (tilu) = zij hingen | בָ֔ךְ (bakh) = in jou | הֵ֖מָּה (hema) = zij | נָתְנ֥וּ (natenu) = zij gaven | הֲדָרֵֽךְ (hadarekh) = je glans Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Voetnoot Uitleg: פרס (Paras), ‘Perzië’, ולוד (Lud) en ופוט (Put): volken ver weg. Zij dienen als huurlingen in het leger van Tyrus. De ligging van Lud en Put is onzeker. Zie ook: Hoogl 4:4; Jes 66:19; Jer 46:9; Ezech 30:5; Ezech 38:5 **27:11** De mannen van Arvad en je leger stonden rondom op je muren, en de Gammadim in je torens. Zij hingen hun schilden rondom aan je muren. Zij maakten je schoonheid volmaakt. Brontekst: בְּנֵ֧י (benei) = zonen van | אַרְוַ֣ד (arvad) = Arvad | וְחֵילֵ֗ךְ (vecheilekh) = en je leger | עַל (al) = op | חוֹמוֹתַ֨יִךְ֙ (chomotayikh) = je muren | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | וְגַ֨מָּדִ֔ים (vegamadim) = en Gammadim | בְּמִגְדְּלוֹתַ֖יִךְ (bemigdelotayikh) = in je torens | הָי֑וּ (hayu) = zij waren | שִׁלְטֵיהֶ֞ם (shilteihem) = hun schilden | תִּלּ֤וּ (tilu) = zij hingen | עַל (al) = aan | חוֹמוֹתַ֨יִךְ֙ (chomotayikh) = je muren | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | הֵ֖מָּה (hema) = zij | כָּלְל֥וּ (kalelu) = hebben volmaakt | יָפְיֵֽךְ (yafeyekh) = je schoonheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Arvad (Ruad): Arvad (Aruad) was een Fenicische eilandstad, het huidige Arwad (Ruad) voor de kust van Syrië. Voetnoot Uitleg: וגמדים (gammadim) komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Het kan een volk of een plaats zijn, of mannen die op de torens wacht houden. Voetnoot : Schilden aan de muur hangen is een teken van pracht en kracht. Zie ook: Ezech 27:3–4 ### De handelaren van Tyrus **27:12** Tarsis was je handelaar vanwege de overvloed van allerlei rijkdom. Met zilver, ijzer, tin en lood betaalden zij voor je ruilwaar. Brontekst: תַּרְשִׁ֥ישׁ (tarshish) = Tarsis | סֹחַרְתֵּ֖ךְ (sochartekh) = je handelaar | מֵרֹ֣ב (merov) = vanwege overvloed van | כָּל (kal) = alle | ה֑וֹן (hon) = rijkdom | בְּכֶ֤סֶף (bekhesef) = met zilver | בַּרְזֶל֙ (barzel) = ijzer | בְּדִ֣יל (bedil) = tin | וְעוֹפֶ֔רֶת (veoferet) = en lood | נָתְנ֖וּ (natenu) = zij gaven | עִזְבוֹנָֽיִךְ (izvonayikh) = je ruilwaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Voetnoot Uitleg: תרשׁישׁ (Tarshish), ‘Tarsis’: de ligging is onzeker; vaak gezocht in het uiterste westen van de Middellandse Zee. Zie ook Jona 1:3. Voetnoot : עזבוניך (izvonayikh), ‘je ruilwaar’: een woord dat alleen in dit hoofdstuk voorkomt. Het betekent waarschijnlijk wat tegen betaling of ruil verhandeld wordt. Zie ook: Gen 10:4; 1 Kon 10:22; Jona 1:3; Jes 23:10; Jer 10:9; Ezech 38:13 **27:13** Javan, Tubal en Mesech waren je handelaars. Met mensenzielen en koperen voorwerpen betaalden zij je ruilwaar. Brontekst: יָוָ֤ן (yavan) = Javan | תֻּבַל֙ (tuval) = Tubal | וָמֶ֔שֶׁךְ (vameshekh) = en Mesech | הֵ֖מָּה (hema) = zij | רֹֽכְלָ֑יִךְ (rokhelayikh) = je handelaars | בְּנֶ֤פֶשׁ (benefesh) = met zielen van | אָדָם֙ (adam) = mens | וּכְלֵ֣י (ukhelei) = en voorwerpen van | נְחֹ֔שֶׁת (nechoshet) = koper | נָתְנ֖וּ (natenu) = zij gaven | מַעֲרָבֵֽךְ (maaravekh) = je ruilwaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יון (Yavan), תבל (Tuval) en ומשׁך (Meshekh) staan ook in de volkenlijst van Gen. 10:2. Het zijn volken ver in het noorden en westen. Voetnoot : בנפשׁ אדם (benefesh adam), ‘met mensenzielen’: letterlijk ‘met zielen van mensen’, dat wil zeggen slaven. Zie ook: Gen 10:2; 1 Kron 1:5; Jes 66:19; Ezech 39:1; Openb 18:13 **27:14** Uit het huis van Togarma brachten zij paarden, ruiters en muildieren als betaling voor je ruilwaar. Brontekst: מִבֵּ֖ית (mibeit) = uit het huis van | תּוֹגַרְמָ֑ה (togarma) = Togarma | סוּסִ֤ים (susim) = paarden | וּפָֽרָשִׁים֙ (ufarashim) = en ruiters | וּפְרָדִ֔ים (uferadim) = en muildieren | נָתְנ֖וּ (natenu) = zij gaven | עִזְבוֹנָֽיִךְ (izvonayikh) = je ruilwaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תוגרמה (Togarmah), ‘Togarma’: een zoon van Gomer (1 Kron. 1:6). De ligging van het land is onzeker; waarschijnlijk in het noorden. Voetnoot : ופרשׁים (parashim) betekent ‘ruiters’ of ‘rijpaarden’. Zie ook: Gen 10:3; 1 Kron 1:6; Ezech 38:6 **27:15** De zonen van Dedan waren je handelaars. Vele kustlanden hadden hun handel in jouw hand. Hoorns van ivoor en ebbenhout brachten zij je als betaling. Brontekst: בְּנֵ֤י (benei) = zonen van | דְדָן֙ (dedan) = Dedan | רֹֽכְלַ֔יִךְ (rokhelayikh) = je handelaars | אִיִּ֥ים (iyim) = kustlanden | רַבִּ֖ים (rabim) = vele | סְחֹרַ֣ת (sechorat) = handel van | יָדֵ֑ךְ (yadekh) = je hand | קַרְנ֥וֹת (qarnot) = hoorns van | שֵׁן֙ (shen) = ivoor | וְהָבְנִ֔ים (vehavenim) = en ebbenhout | הֵשִׁ֖יבוּ (heshivu) = zij brachten terug | אֶשְׁכָּרֵֽךְ (eshkarekh) = je betaling Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute. Voetnoot Uitleg: דדן (Dedan): een volk en handelsplaats in Arabië; zie vers 20 en 25:13. Voetnoot : סחרת ידך (sachorat yadekh), ‘handel van je hand’: zij dreven handel onder jouw macht. Voetnoot : והבנים (havnim), ‘ebbenhout’: het woord komt alleen hier voor. Voetnoot : אשׁכרך (eshkarekh), ‘je betaling’: ook ‘geschenk’ of ‘tribuut’. Zie ook: Gen 10:7; 1 Kon 10:22; Jer 25:23; Ezech 27:20; Openb 18:12 **27:16** Aram was je handelaar vanwege de overvloed van je werken. Met turkoois, purper, borduurwerk, fijn linnen, koraal en robijn betaalden zij voor je ruilwaar. Brontekst: אֲרָ֥ם (aram) = Aram | סֹחַרְתֵּ֖ךְ (sochartekh) = je handelaar | מֵרֹ֣ב (merov) = vanwege overvloed van | מַעֲשָׂ֑יִךְ (maasayikh) = je werken | בְּ֠נֹפֶךְ (benofekh) = met turkoois | אַרְגָּמָ֨ן (argaman) = purper | וְרִקְמָ֤ה (veriqma) = en borduurwerk | וּבוּץ֙ (uvuts) = en fijn linnen | וְרָאמֹ֣ת (veramot) = en koraal | וְכַדְכֹּ֔ד (vekhadkod) = en robijn | נָתְנ֖וּ (natenu) = zij gaven | בְּעִזְבוֹנָֽיִךְ (beizvonayikh) = in je ruilwaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: ארם (Aram): het gebied rond Damascus. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Voetnoot : בנפך (nofekh), ‘turkoois’ (zoals Exod. 28:18); וראמת (ra’mot), ‘koraal’ (zoals Job 28:18); וכדכד (kadkod), ‘robijn’ (zoals Jes. 54:12). Sommige van deze steennamen zijn onzeker. Zie ook: Gen 28:5; Job 28:18; Ex 28:18; Re 10:6; 2 Sam 8:5; 2 Sam 15:8; Jes 54:12; Ezech 28:13 **27:17** Juda en het land Israël waren je handelaars. Met tarwe uit Minnit, Pannag, honing, olie en balsem betaalden zij je ruilwaar. Brontekst: יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | וְאֶ֣רֶץ (veerets) = en land van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הֵ֖מָּה (hema) = zij | רֹכְלָ֑יִךְ (rokhelayikh) = je handelaren | בְּחִטֵּ֣י (bechitei) = met tarwe van | מִ֠נִּית (minit) = Minnit | וּפַנַּ֨ג (ufanag) = en Pannag | וּדְבַ֤שׁ (udevash) = en honing | וָשֶׁ֨מֶן֙ (vashemen) = en olie | וָצֹ֔רִי (vatsori) = en balsem | נָתְנ֖וּ (natenu) = zij gaven | מַעֲרָבֵֽךְ (maaravekh) = je ruilwaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Minnit en Abel-Keramim (ligging onzeker): Minnit en Abel-Keramim lagen in het gebied van Ammon, ten oosten van de Jordaan. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: מנית (Minnit): een plaats in Ammon; zie Richt. 11:33. De ligging is onzeker. Voetnoot : ופנג (Pannag) komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Het kan een zoete lekkernij zijn of een plaatsnaam. Voetnoot : וצרי (tsori), ‘balsem’: een geurige hars, bekend uit Gilead; zie Gen. 37:25. Zie ook: Gen 37:25; Gen 43:11; Re 11:33; 1 Kon 5:23; 2 Kron 2:9; Ezra 3:7 **27:18** Damascus was je handelaar vanwege de overvloed van je werken en de overvloed van allerlei rijkdom, met wijn van Chelbon en witte wol. Brontekst: דַּמֶּ֧שֶׂק (dameseq) = Damascus | סֹחַרְתֵּ֛ךְ (sochartekh) = je handelaar | בְּרֹ֥ב (berov) = vanwege overvloed van | מַעֲשַׂ֖יִךְ (maasayikh) = je werken | מֵרֹ֣ב (merov) = vanwege overvloed van | כָּל (kal) = alle | ה֑וֹן (hon) = rijkdom | בְּיֵ֥ין (beyein) = met wijn van | חֶלְבּ֖וֹן (chelbon) = Chelbon | וְצֶ֥מֶר (vetsemer) = en wol van | צָֽחַר (tsachar) = wit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Chelbon (Halbun?; ligging onzeker): Chelbon (Helbon) was bekend om zijn wijn; het wordt gezocht bij het huidige Halbun, ten noorden van Damascus. Dit is niet zeker. Voetnoot Uitleg: חלבון (Chelbon): een plaats bij Damascus, bekend om zijn wijn. De ligging is onzeker. Voetnoot : וצמר צחר (tsemer tsachar), ‘witte wol’: tsachar betekent ‘wit’ of ‘glanzend’; het kan ook een plaatsnaam zijn. Zie ook: Gen 14:15; Gen 15:2; 1 Kon 11:24–25; Jes 7:8; Hand 9:2 **27:19** Dan en Javan uit Uzal betaalden voor je ruilwaar. Bewerkt ijzer, kassia en kalmoes waren in je koopwaar. Brontekst: וְדָ֤ן (vedan) = en Dan | וְיָוָן֙ (veyavan) = en Javan | מְאוּזָּ֔ל (meuzal) = uit Uzal | בְּעִזְבוֹנַ֖יִךְ (beizvonayikh) = voor je ruilwaren | נָתָ֑נּוּ (natanu) = zij gaven | בַּרְזֶ֤ל (barzel) = ijzer | עָשׁוֹת֙ (ashot) = bewerkt | קִדָּ֣ה (qida) = kassia | וְקָנֶ֔ה (veqane) = en kalmoes | בְּמַעֲרָבֵ֖ךְ (bemaaravekh) = in je koopwaar | הָיָֽה (haya) = was Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ודן ויון מאוזל (vedan veyavan me’uzal): het Hebreeuws is hier onzeker. ‘Dan’ is waarschijnlijk niet de stam Dan. Sommigen lezen ‘Wedan’ als plaatsnaam. Uzal is een plaats of streek van onzekere ligging. Voetnoot : קדה (qiddah), ‘kassia’, en וקנה (qaneh), ‘kalmoes’ (letterlijk ‘riet’): welriekende planten voor specerijen. Zie ook: Ex 30:23–24; Re 18:29; Ps 45:9; Hoogl 4:13–14 **27:20** Dedan was je handelaar in zadeldekens om op te rijden. Brontekst: דְּדָן֙ (dedan) = Dedan | רֹֽכַלְתֵּ֔ךְ (rokhaltekh) = je handelaar | בְבִגְדֵי (bevigdei) = in kleden van | חֹ֖פֶשׁ (chofesh) = zadeldek | לְרִכְבָּֽה (lerikhba) = om te rijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute. Voetnoot Uitleg: בבגדי חפשׁ (bigdei chofesh), ‘zadeldekens’: chofesh komt alleen hier voor. De betekenis volgt uit het slot, ‘om te rijden’. Zie ook: Gen 25:3; Ezech 27:15 **27:21** Arabië en alle vorsten van Kedar waren handelaars in jouw hand. Met lammeren, rammen en bokken waren zij je handelaars. Brontekst: עֲרַב֙ (arav) = Arabië | וְכָל (vekhal) = en alle | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = vorsten van | קֵדָ֔ר (qedar) = Kedar | הֵ֖מָּה (hema) = zij | סֹחֲרֵ֣י (socharei) = handelaars van | יָדֵ֑ךְ (yadekh) = je hand | בְּכָרִ֤ים (bekharim) = met lammeren | וְאֵילִים֙ (veeilim) = en rammen | וְעַתּוּדִ֔ים (veatudim) = en bokken | בָּ֖ם (bam) = daarmee | סֹחֲרָֽיִךְ (socharayikh) = je handelaars Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Arabië (ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël. De grenzen zijn niet scherp te trekken. Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië. De precieze ligging is niet zeker. Voetnoot Uitleg: ערב (Arav), ‘Arabië’, en קדר (Qedar), ‘Kedar’: nomadische stammen in de Arabische woestijn; zie Jes. 21:16. Zie ook: Gen 25:13; Hoogl 1:5; Jes 21:16; Jes 60:7; Jer 25:24; Gal 4:25 **27:22** De handelaars van Sjeba en Raäma waren je handelaars. Met het beste van alle specerijen, allerlei kostbare stenen en goud betaalden zij je ruilwaar. Brontekst: רֹכְלֵ֤י (rokhelei) = handelaars van | שְׁבָא֙ (sheva) = Sjeba | וְרַעְמָ֔ה (verama) = en Raäma | הֵ֖מָּה (hema) = zij | רֹכְלָ֑יִךְ (rokhelayikh) = je handelaars | בְּרֹ֨אשׁ (berosh) = met het beste van | כָּל (kal) = alle | בֹּ֜שֶׂם (bosem) = specerij | וּבְכָל (uvekhal) = en met alle | אֶ֤בֶן (even) = steen | יְקָרָה֙ (yeqara) = kostbare | וְזָהָ֔ב (vezahav) = en goud | נָתְנ֖וּ (natenu) = zij gaven | עִזְבוֹנָֽיִךְ (izvonayikh) = je ruilwaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁבא (Sheva), ‘Sjeba’, en ורעמה (Ra’mah), ‘Raäma’: handelsvolken in Zuid-Arabië, bekend om specerijen en goud; zie 1 Kon. 10:1–2. Zie ook: Gen 10:7; Gen 43:11; Ps 72:10; 1 Kon 10:1–13; Jes 60:6 **27:23** Haran, Kanne en Eden, de handelaars van Sjeba, Assyrië en Kilmad, waren je handelaars. Brontekst: חָרָ֤ן (charan) = Haran | וְכַנֵּה֙ (vekhane) = en Kanne | וָעֶ֔דֶן (vaeden) = en Eden | רֹכְלֵ֖י (rokhelei) = handelaars van | שְׁבָ֑א (sheva) = Sjeba | אַשּׁ֖וּר (ashur) = Assyrië | כִּלְמַ֥ד (kilmad) = Kilmad | רֹכַלְתֵּֽךְ (rokhaltekh) = je handelaars Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië. Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: חרן (Charan), ‘Haran’: een stad in het noorden van Mesopotamië; zie 2 Kon. 19:12. וכנה (Kanneh) en כלמד (Kilmad) zijn plaatsen in Mesopotamië van onzekere ligging. Voetnoot : ועדן (Eden) is hier niet de hof van Eden, maar een landstreek of stad; zie ‘de zonen van Eden’ in 2 Kon. 19:12. Zie ook: Gen 10:22; 2 Kon 19:12; Amos 1:5; Jes 7:18; Jes 37:12 **27:24** Zij waren je handelaars in prachtige stoffen, in mantels van blauwpurper en borduurwerk, en in kisten met veelkleurige stoffen, vastgebonden met koorden en van ceder, in je handel. Brontekst: הֵ֤מָּה (hema) = zij | רֹכְלַ֨יִךְ֙ (rokhelayikh) = je handelaars | בְּמַכְלֻלִ֔ים (bemakhlulim) = in prachtstoffen | בִּגְלוֹמֵי֙ (biglomei) = in mantels van | תְּכֵ֣לֶת (tekhelet) = blauwpurper | וְרִקְמָ֔ה (veriqma) = en borduurwerk | וּבְגִנְזֵ֖י (uveginzei) = en in kisten van | בְּרֹמִ֑ים (beromim) = veelkleurige stoffen | בַּחֲבָלִ֧ים (bachavalim) = in koorden | חֲבֻשִׁ֛ים (chavushim) = gebonden | וַאֲרֻזִ֖ים (vaaruzim) = en ceder | בְּמַרְכֻלְתֵּֽךְ (bemarkhultekh) = in je handel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: במכללים (makhlulim), ‘prachtstoffen’: een woord dat alleen hier voorkomt; het betekent iets als ‘volmaakte, prachtige kleding’. Voetnoot : ברמים (barmim), ‘veelkleurige stoffen’: komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker. Zie ook: 2 Kon 2:8 ### De schipbreuk **27:25** De schepen van Tarsis waren je karavanen voor je ruilwaar. Zo werd je vol en zeer zwaar beladen in het hart van de zeeën. Brontekst: אֳנִיּ֣וֹת (oniyot) = schepen van | תַּרְשִׁ֔ישׁ (tarshish) = Tarsis | שָׁרוֹתַ֖יִךְ (sharotayikh) = je karavanen | מַעֲרָבֵ֑ךְ (maaravekh) = voor je ruilwaar | וַתִּמָּלְאִ֧י (vatimalei) = en je werd vol | וַֽתִּכְבְּדִ֛י (vatikhbedi) = en je werd zwaar | מְאֹ֖ד (meod) = zeer | בְּלֵ֥ב (belev) = in het hart van | יַמִּֽים (yamim) = zeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Voetnoot Uitleg: שׁרותיך (shirotayikh) komt alleen hier voor. Sommigen leiden het af van ‘zingen’ (de schepen ‘zongen’ van je handel), anderen van ‘reizen’ (karavanen). Wij vertalen ‘karavanen’. Zie ook: Ps 48:8; 1 Kon 10:22; Jes 2:16; Jes 23:14; Jes 60:9 **27:26** In grote wateren brachten je roeiers je. De oostenwind heeft je verbrijzeld in het hart van de zeeën. Brontekst: בְּמַ֤יִם (bemayim) = in wateren | רַבִּים֙ (rabim) = grote | הֱבִיא֔וּךְ (heviukh) = brachten je | הַשָּׁטִ֖ים (hashatim) = de roeiers | אֹתָ֑ךְ (otakh) = jou | ר֚וּחַ (ruach) = wind | הַקָּדִ֔ים (haqadim) = de oosten | שְׁבָרֵ֖ךְ (shevarekh) = verbrijzelde je | בְּלֵ֥ב (belev) = in het hart van | יַמִּֽים (yamim) = zeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוח הקדים (ruach haqqadim), ‘de oostenwind’: een hete, verwoestende wind uit de woestijn. Hij deed ook de zee wijken in Exod. 14:21. Zie ook: Ex 14:21; Ps 48:8; Ps 93:3–4; Jer 18:17; Ezech 26:19; Hand 27:14 **27:27** Je rijkdom, je ruilwaar en je koopwaar, je zeelieden en je stuurlieden, wie je lekken herstelt en je koopwaar ruilt, al je krijgslieden en heel de menigte die in je midden is: zij zullen vallen in het hart van de zeeën op de dag van je val. Brontekst: הוֹנֵךְ֙ (honekh) = je rijkdom | וְעִזְבוֹנַ֔יִךְ (veizvonayikh) = en je ruilwaren | מַעֲרָבֵ֕ךְ (maaravekh) = je koopwaar | מַלָּחַ֖יִךְ (malachayikh) = je zeelieden | וְחֹבְלָ֑יִךְ (vechovelayikh) = en je stuurlieden | מַחֲזִיקֵ֣י (machaziqei) = herstellers van | בִדְקֵ֣ך (bidqekh) = je lek | וְֽעֹרְבֵ֣י (veorevei) = en ruilers van | מַ֠עֲרָבֵךְ (maaravekh) = je koopwaar | וְכָל (vekhal) = en alle | אַנְשֵׁ֨י (anshei) = mannen van | מִלְחַמְתֵּ֜ךְ (milchamtekh) = je oorlog | אֲשֶׁר (asher) = die | בָּ֗ךְ (bakh) = in jou | וּבְכָל (uvekhal) = en in heel | קְהָלֵךְ֙ (qehalekh) = je menigte | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | בְּתוֹכֵ֔ךְ (betokhekh) = in je midden | יִפְּלוּ֙ (yipelu) = zullen vallen | בְּלֵ֣ב (belev) = in het hart van | יַמִּ֔ים (yamim) = zeeën | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | מַפַּלְתֵּֽךְ (mapaltekh) = je val Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het vers is één lange opsomming die eindigt met ‘zullen vallen’. Wij houden de opsomming bij elkaar. Zie ook: Spr 11:4; Ezech 26:14; Ezech 27:22; Ezech 27:34; Openb 18:11–24 **27:28** Bij het geluid van het geschreeuw van je stuurlieden beven de voorlanden. Brontekst: לְק֖וֹל (leqol) = bij het geluid van | זַעֲקַ֣ת (zaaqat) = geschreeuw van | חֹבְלָ֑יִךְ (chovelayikh) = je stuurlieden | יִרְעֲשׁ֖וּ (yirashu) = zullen beven | מִגְרֹשֽׁוֹת (migroshot) = voorlanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מגרשׁות (migrashot), ‘voorlanden’: de weidegronden en open velden rond een stad of haven; zie Num. 35:2. Zie ook: Ex 15:14; Num 35:2; Ezech 26:10; Ezech 26:15–18; Ezech 27:35; Ezech 31:16 ### De rouw van de zeelieden **27:29** Alle roeiers, zeelieden en alle stuurlieden van de zee komen van hun schepen af en blijven op het land staan. Brontekst: וְֽיָרְד֞וּ (veyaredu) = en zij zullen afdalen | מֵאָנִיּֽוֹתֵיהֶ֗ם (meaniyoteihem) = van hun schepen | כֹּ֚ל (kol) = alle | תֹּפְשֵׂ֣י (tofesei) = grijpers van | מָשׁ֔וֹט (mashot) = roeiriem | מַלָּחִ֕ים (malachim) = zeelieden | כֹּ֖ל (kol) = alle | חֹבְלֵ֣י (chovelei) = stuurlieden van | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | אֶל (el) = naar | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | יַעֲמֹֽדוּ (yaamodu) = zij zullen staan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 26:16; Ezech 32:10; Openb 18:17–24 **27:30** Zij laten hun stem over je horen en schreeuwen bitter. Zij strooien stof op hun hoofd en wentelen zich in as. Brontekst: וְהִשְׁמִ֤יעוּ (vehishmiu) = en zij zullen laten horen | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = over jou | בְּקוֹלָ֔ם (beqolam) = met hun stem | וְיִזְעֲק֖וּ (veyizaqu) = en zij zullen schreeuwen | מָרָ֑ה (mara) = bitter | וְיַעֲל֤וּ (veyaalu) = en zij zullen laten opgaan | עָֽפָר֙ (afar) = stof | עַל (al) = op | רָ֣אשֵׁיהֶ֔ם (rasheihem) = hun hoofden | בָּאֵ֖פֶר (baefer) = in as | יִתְפַּלָּֽשׁוּ (yitpalashu) = zij zullen zich wentelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Stof op het hoofd strooien en zich in as wentelen zijn tekenen van rouw; zie ook Job 2:12. Zie ook: Job 2:12; 2 Sam 1:2; Jona 3:6; Jer 6:26; Klaagl 2:10; Ezech 26:17 **27:31** Zij scheren zich kaal om jou en omgorden zich met rouwkleed. Zij wenen om jou met bitterheid van ziel, met een bittere rouwklacht. Brontekst: וְהִקְרִ֤יחוּ (vehiqrichu) = en zij zullen kaal scheren | אֵלַ֨יִךְ֙ (elayikh) = om jou | קָרְחָ֔ה (qarecha) = kaalheid | וְחָגְר֖וּ (vechageru) = en zij zullen omgorden | שַׂקִּ֑ים (saqim) = rouwkleden | וּבָכ֥וּ (uvakhu) = en zij zullen wenen | אֵלַ֛יִךְ (elayikh) = om jou | בְּמַר (bemar) = met bitterheid van | נֶ֖פֶשׁ (nefesh) = ziel | מִסְפֵּ֥ד (misped) = rouwklacht | מָֽר (mar) = bittere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het hoofd kaal scheren en een rouwkleed (saq) omgorden zijn tekenen van rouw; zie Jes. 15:2–3. Zie ook: Jes 15:2; Jes 16:9; Jes 22:4; Jes 22:12; Ezech 7:18 **27:32** Hun zonen heffen een klaaglied over je aan en klagen om je: ‘Wie was als Tyrus, als de verstomde midden in de zee?’ Brontekst: וְנָשְׂא֨וּ (venaseu) = en zij zullen opheffen | אֵלַ֤יִךְ (elayikh) = over jou | בְּנִיהֶם֙ (benihem) = hun zonen | קִינָ֔ה (qina) = klaaglied | וְקוֹנְנ֖וּ (veqonenu) = en zij zullen klagen | עָלָ֑יִךְ (alayikh) = over jou | מִ֣י (mi) = wie | כְצ֔וֹר (ketsor) = zoals Tyrus | כְּדֻמָ֖ה (keduma) = zoals de verstomde | בְּת֥וֹךְ (betokh) = midden in | הַיָּֽם (hayam) = de zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: בניהם (beneihem) betekent letterlijk ‘hun zonen’. Sommigen lezen hier een ander woord. Wij volgen het Hebreeuws. Voetnoot : כדמה (kidemah), ‘als de verstomde’: komt van een werkwoord dat ‘stil worden’ betekent; sommigen denken aan ‘vernietigd’. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Klaagl 2:13; Ezech 26:17; Ezech 27:2; Ezech 27:26; Openb 18:18 **27:33** Wanneer je ruilwaar uit de zeeën kwam, verzadigde je vele volken. Met de overvloed van je rijkdom en je ruilwaar maakte je de koningen van de aarde rijk. Brontekst: בְּצֵ֤את (betset) = bij het uitgaan van | עִזְבוֹנַ֨יִךְ֙ (izvonayikh) = je ruilwaren | מִיַּמִּ֔ים (miyamim) = uit de zeeën | הִשְׂבַּ֖עַתְּ (hisbaat) = je verzadigde | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | בְּרֹ֤ב (berov) = met overvloed van | הוֹנַ֨יִךְ֙ (honayikh) = je rijkdom | וּמַ֣עֲרָבַ֔יִךְ (umaaravayikh) = en je ruilwaar | הֶעֱשַׁ֖רְתְּ (heeshart) = je maakte rijk | מַלְכֵי (malkhei) = koningen van | אָֽרֶץ (arets) = aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 23:3–8; Ezech 27:3; Ezech 27:12–36; Openb 18:12–15; Openb 18:19 **27:34** Nu je verbrijzeld bent op de zeeën, in de diepten van het water, zijn je ruilwaar en heel je menigte in je midden gevallen. Brontekst: עֵ֛ת (et) = tijd | נִשְׁבֶּ֥רֶת (nishberet) = je bent verbrijzeld | מִיַּמִּ֖ים (miyamim) = van de zeeën | בְּמַֽעֲמַקֵּי (bemaamaqei) = in de diepten van | מָ֑יִם (mayim) = water | מַעֲרָבֵ֥ךְ (maaravekh) = je ruilwaar | וְכָל (vekhal) = en heel | קְהָלֵ֖ךְ (qehalekh) = je menigte | בְּתוֹכֵ֥ךְ (betokhekh) = in je midden | נָפָֽלוּ (nafalu) = zij zijn gevallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עת נשׁברת (et nishbereth), ‘nu je verbrijzeld bent’: letterlijk ‘tijd (dat) je verbrijzeld bent’. Het Hebreeuws is kort en de zin loopt door tot het einde van het vers. Zie ook: Ezech 26:12–15; Ezech 26:19–21; Ezech 27:26–27; Zach 9:3–4 **27:35** Alle bewoners van de kustlanden zijn ontzet over je. Hun koningen huiveren hevig; hun gezichten trillen. Brontekst: כֹּ֚ל (kol) = alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | הָאִיִּ֔ים (haiyim) = de kustlanden | שָׁמְמ֖וּ (shamemu) = zij zijn ontzet | עָלָ֑יִךְ (alayikh) = over jou | וּמַלְכֵיהֶם֙ (umalkheihem) = en hun koningen | שָׂ֣עֲרוּ (saaru) = zij huiveren | שַׂ֔עַר (saar) = huivering | רָעֲמ֖וּ (raamu) = zij trillen | פָּנִֽים (panim) = gezichten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 23:6; Ezech 26:15–18; Ezech 28:17–19; Ezech 32:10; Openb 18:9–10 **27:36** De handelaars onder de volken sissen over je. Je bent een schrik geworden en je bestaat niet meer, voor eeuwig. Brontekst: סֹֽחֲרִים֙ (socharim) = handelaars | בָּ֣עַמִּ֔ים (baamim) = onder de volken | שָׁרְק֖וּ (sharequ) = zij sissen | עָלָ֑יִךְ (alayikh) = over jou | בַּלָּה֣וֹת (balahot) = schrikken | הָיִ֔ית (hayit) = je bent geworden | וְאֵינֵ֖ךְ (veeinekh) = en je bent niet meer | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בלהות (ballahot), ‘schrik’: zie 26:21. שׁרקו (shareqû), ‘zij sissen’: een geluid van schrik en spot bij het zien van een ramp. Voetnoot : Met dit vers eindigt het klaaglied. Zie ook: Ps 37:10; Ps 37:36; Sef 2:15; Jer 18:16; Ezech 26:21 ## Ezechiël 28 _Tegen de vorst en de koning van Tyrus, tegen Sidon, en de belofte aan Israël_ ### De vorst van Tyrus wil als Elohim zijn **28:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:2** **„Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus:** Zo zegt Heer Yahweh: **Omdat je hart hoogmoedig is geworden en je hebt gezegd: ‘Ik ben een El. Ik zit op de zetel van Elohim, in het hart van de zeeën.’ Terwijl je een mens bent en geen El, stel je je hart gelijk aan het hart van Elohim.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֡ם (adam) = mens | אֱמֹר֩ (emor) = zeg | לִנְגִ֨יד (lingid) = tegen vorst van | צֹ֜ר (tsor) = Tyrus | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֣עַן (yaan) = omdat | גָּבַ֤הּ (gavah) = is hoog geworden | לִבְּךָ֙ (libekha) = je hart | וַתֹּ֨אמֶר֙ (vatomer) = en je zei | אֵ֣ל (el) = El | אָ֔נִי (ani) = ik | מוֹשַׁ֧ב (moshav) = zetel van | אֱלֹהִ֛ים (Elohim) = Elohim | יָשַׁ֖בְתִּי (yashavti) = ik zit | בְּלֵ֣ב (belev) = in het hart van | יַמִּ֑ים (yamim) = zeeën | וְאַתָּ֤ה (veata) = en jij | אָדָם֙ (adam) = mens | וְֽלֹא (velo) = en niet | אֵ֔ל (el) = El | וַתִּתֵּ֥ן (vatiten) = en je stelde | לִבְּךָ֖ (libekha) = je hart | כְּלֵ֥ב (kelev) = als het hart van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: לנגיד צר (lenagid Tsor), ‘de vorst van Tyrus’: נגיד (nagid) is een leider of vorst. In vers 12 heet hij ‘koning van Tyrus’. Voetnoot : אל אני מושׁב אלהים ישׁבתי (El ani moshav Elohim yashavti), ‘Ik ben een El, ik zit op de zetel van Elohim’: de vorst stelt zich gelijk aan het goddelijke. Daartegenover staat: hij is een mens (אדם, adam) en ‘geen El’ (ולא אל). Zie ook vers 9. Vergelijk Jes. 14:13–14, waar de koning van Babel zegt: ‘Boven de sterren van El zal ik mijn troon verheffen.’ Voetnoot : בלב ימים (belev yammim), ‘in het hart van de zeeën’: Tyrus lag op een eiland in de zee. Zie ook: Spr 16:18; Jes 14:13–14; Jes 31:3; Ezech 28:9; Ezech 28:12; 2 Tess 2:4 **28:3** **Zie, je bent wijzer dan Daniël. Geen geheim blijft voor jou verborgen.** Brontekst: הִנֵּ֥ה (hine) = zie | חָכָ֛ם (chakham) = wijs | אַתָּ֖ה (ata) = jij | מִדָּֽנִיֵּ֑אל (midaniyel) = dan Daniël | כָּל (kal) = alle | סָת֖וּם (satum) = verborgene | לֹ֥א (lo) = niet | עֲמָמֽוּךָ (amamukha) = zij hebben het verborgen voor je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מדניאל (midani’el), ‘dan Daniël’: dezelfde naam staat in Ezech. 14:14 en 14:20, naast Noach en Job. Het Hebreeuws zegt hier niet meer over hem dan zijn naam. De woorden kunnen ironisch bedoeld zijn. Zie ook: Job 15:8; 1 Kon 10:3; Ezech 14:14; Ezech 14:20; Dan 1:20; Dan 2:22; Dan 2:27–28 **28:4** **Door je wijsheid en je inzicht heb je rijkdom voor jezelf gemaakt. Je hebt goud en zilver verzameld in je schatkamers.** Brontekst: בְּחָכְמָֽתְךָ֙ (bechakhematekha) = door je wijsheid | וּבִתְבוּנָ֣תְךָ֔ (uvitvunatekha) = en door je inzicht | עָשִׂ֥יתָ (asita) = je maakte | לְּךָ֖ (lekha) = voor jezelf | חָ֑יִל (chayil) = rijkdom | וַתַּ֛עַשׂ (vataas) = en je maakte | זָהָ֥ב (zahav) = goud | וָכֶ֖סֶף (vakhesef) = en zilver | בְּאוֹצְרוֹתֶֽיךָ (beotseroteikha) = in je schatkamers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 8:17–18; Spr 18:11; Spr 23:4–5; Pred 9:11; Ezech 29:3 **28:5** **Door de grootheid van je wijsheid, in je handel, heb je je rijkdom vermeerderd. En je hart is hoogmoedig geworden door je rijkdom.** Brontekst: בְּרֹ֧ב (berov) = door overvloed van | חָכְמָתְךָ֛ (chakhematekha) = je wijsheid | בִּרְכֻלָּתְךָ֖ (birkhulatekha) = door je handel | הִרְבִּ֣יתָ (hirbita) = je vermeerderde | חֵילֶ֑ךָ (cheilekha) = je rijkdom | וַיִּגְבַּ֥הּ (vayigbah) = en is hoog geworden | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | בְּחֵילֶֽךָ (becheilekha) = door je rijkdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 52:9; Ps 62:11; Hos 13:6; Ezech 28:2; Jak 4:13–14 **28:6** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Omdat je je hart gelijkstelt aan het hart van Elohim,** Brontekst: לָכֵ֕ן (lakhen) = daarom | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֛עַן (yaan) = omdat | תִּתְּךָ֥ (titekha) = je stelde | אֶת (et) = (obj.) | לְבָבְךָ֖ (levavekha) = je hart | כְּלֵ֥ב (kelev) = als het hart van | אֱלֹהִֽים (Elohim) = Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Job 40:9–12; Ex 9:17; Ezech 28:2; 2 Tess 2:4; 1 Kor 10:22 **28:7** **daarom, zie, breng Ik vreemden over je, de geweldenaars onder de volken. Zij trekken hun zwaarden tegen de pracht van je wijsheid en ontwijden je glans.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Ik | מֵבִ֤יא (mevi) = brengend | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over jou | זָרִ֔ים (zarim) = vreemden | עָרִיצֵ֖י (aritsei) = geweldenaars van | גּוֹיִ֑ם (goyim) = volken | וְהֵרִ֤יקוּ (veheriqu) = en zij zullen trekken | חַרְבוֹתָם֙ (charvotam) = hun zwaarden | עַל (al) = tegen | יְפִ֣י (yefi) = schoonheid van | חָכְמָתֶ֔ךָ (chakhematekha) = je wijsheid | וְחִלְּל֖וּ (vechilelu) = en zij zullen ontwijden | יִפְעָתֶֽךָ (yifatekha) = je glans Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זרים (zarim) en עריצי גוים (aritsei goyim), ‘vreemden, de geweldenaars onder de volken’: het vers noemt de aanvallers niet bij naam. Vergelijk 26:7. Zie ook: Hab 1:6–8; Ezech 26:7–14; Ezech 30:11; Ezech 31:12; Ezech 32:12 **28:8** **Zij brengen je neer in de kuil. Je sterft de dood van de doorboorden, in het hart van de zeeën.** Brontekst: לַשַּׁ֖חַת (lashachat) = naar de kuil | יֽוֹרִד֑וּךָ (yoridukha) = zij zullen je doen dalen | וָמַ֛תָּה (vamata) = en je zult sterven | מְמוֹתֵ֥י (memotei) = doden van | חָלָ֖ל (chalal) = doorboorde | בְּלֵ֥ב (belev) = in het hart van | יַמִּֽים (yamim) = zeeën Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לשׁחת (shachat), ‘kuil’: het dodenrijk, zoals bor in 26:20. Voetnoot : ממותי חלל (memotei chalal), ‘de dood van de doorboorden’: een gewelddadige dood op het slagveld. Zie ook: Ps 30:10; Ps 88:5–6; Spr 1:12; Ezech 27:26–27; Ezech 27:34 **28:9** **Zul je dan wel zeggen: ‘Ik ben Elohim’ voor het gezicht van wie je doodt? Je bent een mens en geen El, in de hand van wie je ontwijdt.** Brontekst: הֶאָמֹ֤ר (heamor) = zeggen | תֹּאמַר֙ (tomar) = je zult zeggen | אֱלֹהִ֣ים (Elohim) = Elohim | אָ֔נִי (ani) = ik | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het gezicht van | הֹֽרְגֶ֑ךָ (horegekha) = wie je doodt | וְאַתָּ֥ה (veata) = en jij | אָדָ֛ם (adam) = mens | וְלֹא (velo) = en niet | אֵ֖ל (el) = El | בְּיַ֥ד (beyad) = in de hand van | מְחַלְלֶֽיךָ (mechalleikha) = wie je ontwijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: האמר תאמר (ha’amor tomar), ‘zul je dan wel zeggen’: een vraag met nadruk. Het antwoord is: nee. Voor zijn moordenaars blijkt hij een mens. Zie ook: Ps 82:7; Jes 31:3; Ezech 28:2; Dan 4:28–29; Hand 12:22–23 **28:10** **Je sterft de dood van de onbesnedenen, door de hand van vreemden, want Ik heb gesproken, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: מוֹתֵ֧י (motei) = doden van | עֲרֵלִ֛ים (arelim) = onbesnedenen | תָּמ֖וּת (tamut) = je zult sterven | בְּיַד (beyad) = door de hand van | זָרִ֑ים (zarim) = vreemden | כִּ֚י (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = Ik | דִבַּ֔רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מותי ערלים (motei arelim), ‘de dood van de onbesnedenen’: onbesneden zijn is buiten het verbond staan. Het is een schandelijke dood. Voetnoot : נאם אדני יהוה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Zie ook: 1 Sam 17:26; Ezech 5:11; Ezech 31:18; Ezech 32:19; Ezech 32:21; Fil 3:3 ### Klaaglied over de koning van Tyrus **28:11** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:12** **„Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus en zeg tegen hem:** Zo zegt Heer Yahweh: **Jij was het zegel van volmaaktheid, vol van wijsheid en volkomen in schoonheid.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | שָׂ֥א (sa) = hef op | קִינָ֖ה (qina) = klaaglied | עַל (al) = over | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | צ֑וֹר (tsor) = Tyrus | וְאָמַ֣רְתָּ (veamarta) = en je zult zeggen | לּ֗וֹ (lo) = tegen hem | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אַתָּה֙ (ata) = jij | חוֹתֵ֣ם (chotem) = zegel van | תָּכְנִ֔ית (takhenit) = volmaaktheid | מָלֵ֥א (male) = vol van | חָכְמָ֖ה (chakhema) = wijsheid | וּכְלִ֥יל (ukhelil) = en volkomen van | יֹֽפִי (yofi) = schoonheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: קינה (qinah), ‘klaaglied’: zie 27:2. Dit gedeelte wordt vaak vergeleken met Jes. 14:4–21, het spotlied over de koning van Babel. Beide beschrijven de val van een hoogmoedige koning van een hoge plaats naar beneden. Voetnoot : חותם תכנית (chotem tokhnit), ‘zegel van volmaaktheid’: het tweede woord is moeilijk; het betekent iets als ‘maat’ of ‘bouwplan’. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Een zegel is een teken van gezag. Zie ook: Jes 14:4–21; Ezech 19:1; Ezech 26:17; 2 Kor 1:22; Kol 1:9; Kol 2:3 **28:13** **In Eden, de tuin van Elohim, was je. Elke kostbare steen was je bedekking: karneool, topaas en diamant, chrysoliet, onyx en jaspis, saffier, turkoois en smaragd, en goud. Het werk van je tamboerijnen en je fluiten was in je. Op de dag dat je geschapen werd, werden zij gereedgemaakt.** Brontekst: בְּעֵ֨דֶן (beeden) = in Eden | גַּן (gan) = tuin van | אֱלֹהִ֜ים (Elohim) = Elohim | הָיִ֗יתָ (hayita) = je was | כָּל (kal) = alle | אֶ֨בֶן (even) = steen | יְקָרָ֤ה (yeqara) = kostbare | מְסֻכָתֶ֨ךָ֙ (mesukhatekha) = je bedekking | אֹ֣דֶם (odem) = karneool | פִּטְדָ֞ה (pitda) = topaas | וְיָהֲלֹ֗ם (veyahalom) = en diamant | תַּרְשִׁ֥ישׁ (tarshish) = chrysoliet | שֹׁ֨הַם֙ (shoham) = onyx | וְיָ֣שְׁפֵ֔ה (veyashefe) = en jaspis | סַפִּ֣יר (sapir) = saffier | נֹ֔פֶךְ (nofekh) = turkoois | וּבָרְקַ֖ת (uvareqat) = en smaragd | וְזָהָ֑ב (vezahav) = en goud | מְלֶ֨אכֶת (melekhet) = werk van | תֻּפֶּ֤יךָ (tupeikha) = je tamboerijnen | וּנְקָבֶ֨יךָ֙ (uneqaveikha) = en je fluiten | בָּ֔ךְ (bakh) = in jou | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag | הִבָּרַאֲךָ֖ (hibaraakha) = je geschapen werd | כּוֹנָֽנוּ (konanu) = zij werden gereedgemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בעדן (be’eden), ‘in Eden’, גן אלהים (gan Elohim), ‘de tuin van Elohim’: de tuin uit Gen. 2–3 heet ook Eden. Hier is een koning de bewoner. Hoe dit zich verhoudt tot Gen. 2–3 zegt het Hebreeuws niet. Voetnoot : De negen stenen zijn אדם (odem), karneool, פטדה (pitdah), topaas, ויהלם (yahalom), diamant, תרשׁישׁ (tarshish), chrysoliet, שׁהם (shoham), onyx, וישׁפה (yashfeh), jaspis, ספיר (sappir), saffier, נפך (nofekh), turkoois en וברקת (bareqet), smaragd. Het zijn stenen van de borstplaat van de hogepriester (Exod. 28:17–20), hier in een andere volgorde en niet alle twaalf. Veel steennamen zijn onzeker. Voetnoot : תפיך (tufekha) en ונקביך (unqavekha): het eerste woord betekent meestal ‘tamboerijn’, het tweede komt alleen hier voor en betekent iets als ‘fluit’ of ‘gleuf’. De betekenis is onzeker; sommigen denken aan de kassen waarin de stenen waren gezet. Voetnoot : הבראך (hibbare’ekha), ‘je geschapen werd’: het werkwoord ברא (bara) is het werkwoord ‘scheppen’ van Gen. 1:1. Zie ook: Gen 1:1; Gen 2:8; Ex 28:17–20; Jes 51:3; Jes 54:11–12; Ezech 27:16; Ezech 28:15 **28:14** **Jij was een gezalfde cherub die overschaduwt. Ik plaatste je op de heilige berg van Elohim. Daar was je, en je wandelde midden tussen stenen van vuur.** Brontekst: אַ֨תְּ (at) = jij | כְּר֔וּב (keruv) = cherub | מִמְשַׁ֖ח (mimshach) = gezalfde | הַסּוֹכֵ֑ךְ (hasokhekh) = die overschaduwt | וּנְתַתִּ֗יךָ (unetatikha) = en Ik plaatste je | בְּהַ֨ר (behar) = op de berg van | קֹ֤דֶשׁ (qodesh) = heiligheid | אֱלֹהִים֙ (Elohim) = Elohim | הָיִ֔יתָ (hayita) = je was | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | הִתְהַלָּֽכְתָּ (hithalakhta) = je wandelde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: את (at), ‘jij’: de tekst is hier moeilijk; het woord kan ook ‘met’ betekenen. Wij lezen: ‘Jij was een gezalfde cherub’. Voetnoot : כרוב (keruv), ‘cherub’: een hemelwezen, zoals bij de tuin in Gen. 3:24 en op het deksel van de ark (Exod. 25:20). Voetnoot : ממשׁח הסוכך (mimshach hassokhekh), ‘een gezalfde die overschaduwt’: de cherubs boven de ark spreiden hun vleugels uit. De betekenis is onzeker. Voetnoot : בהר קדשׁ אלהים (behar qodesh Elohim), ‘op de heilige berg van Elohim’: het Hebreeuws zegt niet welke berg het is. Zie ook: Gen 3:24; Ex 25:20; Ex 30:26; Ex 40:9; Jes 14:12–15; Ezech 20:40; Ezech 28:13 **28:15** **Je was volmaakt in je wegen vanaf de dag dat je geschapen werd, totdat er onrecht in je gevonden werd.** Brontekst: תָּמִ֤ים (tamim) = volmaakt | אַתָּה֙ (ata) = jij | בִּדְרָכֶ֔יךָ (bidrakheikha) = in je wegen | מִיּ֖וֹם (miyom) = vanaf de dag | הִבָּֽרְאָ֑ךְ (hibareakh) = je geschapen werd | עַד (ad) = tot | נִמְצָ֥א (nimtsa) = werd gevonden | עַוְלָ֖תָה (avlata) = onrecht | בָּֽךְ (bakh) = in jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 1:26–27; Ezech 28:12; Ezech 28:17–18; Rom 7:9; 2 Petr 2:4 **28:16** **Door je vele handel raakte je binnenste vol geweld, en je zondigde. Daarom verbande Ik je van de berg van Elohim en liet Ik je verdwijnen, jij beschermende cherub, uit het midden van de stenen van vuur.** Brontekst: בְּרֹ֣ב (berov) = door overvloed van | רְכֻלָּתְךָ֗ (rekhulatekha) = je handel | מָל֧וּ (malu) = zij vulden | תוֹכְךָ֛ (tokhekha) = je binnenste | חָמָ֖ס (chamas) = geweld | וַֽתֶּחֱטָ֑א (vatecheta) = en je zondigde | וָאֶחַלֶּלְךָ֩ (vaechalelkha) = en Ik ontwijdde je | מֵהַ֨ר (mehar) = van de berg van | אֱלֹהִ֤ים (Elohim) = Elohim | וָֽאַבֶּדְךָ֙ (vaabedkha) = en Ik liet je verdwijnen | כְּר֣וּב (keruv) = cherub | הַסֹּכֵ֔ךְ (hasokhekh) = de beschermende | מִתּ֖וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | אַבְנֵי (avnei) = stenen van | אֵֽשׁ (esh) = vuur Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ואחללך (va’achalelkha), ‘Ik verbande je’: letterlijk ‘Ik ontwijdde je’, zoals in vers 7 en 18. Hij verliest zijn heilige plaats. Voetnoot : ואבדך (va’abbedkha), ‘en Ik liet je verdwijnen’: of ‘Ik vernietigde je’. Zie ook: Gen 3:24; Hab 2:8; Hab 2:17; Ezech 28:7; Ezech 28:18; Joh 2:16; 1 Tim 6:9–10 **28:17** **Je hart werd hoogmoedig door je schoonheid. Je hebt je wijsheid verdorven vanwege je glans. Ik wierp je op de aarde. Ik gaf je ten toon voor koningen, zodat zij naar je kijken.** Brontekst: גָּבַ֤הּ (gavah) = is hoog geworden | לִבְּךָ֙ (libekha) = je hart | בְּיָפְיֶ֔ךָ (beyafeyekha) = door je schoonheid | שִׁחַ֥תָּ (shichata) = je verdierf | חָכְמָתְךָ֖ (chakhematekha) = je wijsheid | עַל (al) = vanwege | יִפְעָתֶ֑ךָ (yifatekha) = je glans | עַל (al) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = aarde | הִשְׁלַכְתִּ֗יךָ (hishlakhtikha) = Ik wierp je | לִפְנֵ֧י (lifnei) = voor het gezicht van | מְלָכִ֛ים (melakhim) = koningen | נְתַתִּ֖יךָ (netatikha) = Ik gaf je | לְרַ֥אֲוָה (leraava) = om te zien | בָֽךְ (bakh) = naar jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לראוה (lir’avah), ‘ten toon’: als een schouwspel, zodat koningen het zien en er een les uit trekken. Zie ook: Spr 16:18; Ezech 28:2; Ezech 28:5; Ezech 31:10; Jak 4:6 **28:18** **Door de menigte van je schuld, door het onrecht van je handel, heb je je heiligdommen ontwijd. Ik liet vuur uit je midden uitgaan. Dat heeft je verteerd. Ik maakte je tot as op de aarde, voor de ogen van allen die je zien.** Brontekst: מֵרֹ֣ב (merov) = door overvloed van | עֲוֺנֶ֗יךָ (avoneikha) = je schuld | בְּעֶ֨וֶל֙ (beevel) = door onrecht van | רְכֻלָּ֣תְךָ֔ (rekhulatekha) = je handel | חִלַּ֖לְתָּ (chilalta) = je ontwijdde | מִקְדָּשֶׁ֑יךָ (miqdasheikha) = je heiligdommen | וָֽאוֹצִא (vaotsi) = en Ik liet uitgaan | אֵ֤שׁ (esh) = vuur | מִתּֽוֹכְךָ֙ (mitokhekha) = uit je midden | הִ֣יא (hi) = het | אֲכָלַ֔תְךָ (akhalatkha) = het verteerde je | וָאֶתֶּנְךָ֤ (vaetenkha) = en Ik maakte je | לְאֵ֨פֶר֙ (leefer) = tot as | עַל (al) = op | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | כָּל (kal) = alle | רֹאֶֽיךָ (roeikha) = die je zien Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מקדשׁיך (miqdashekha), ‘je heiligdommen’: het woord staat in het meervoud. Het vuur komt uit zijn eigen midden: zijn eigen daden worden zijn ondergang. Zie ook: Amos 1:9–10; Ezech 28:2; Ezech 28:16; Mal 3:21; Openb 18:8 **28:19** **Allen die je kennen onder de volken zijn ontzet over je. Je bent een schrik geworden en je bestaat niet meer, voor eeuwig.”** Brontekst: כָּל (kal) = alle | יוֹדְעֶ֨יךָ֙ (yodeeikha) = die je kennen | בָּֽעַמִּ֔ים (baamim) = onder de volken | שָׁמְמ֖וּ (shamemu) = zij zijn ontzet | עָלֶ֑יךָ (aleikha) = over jou | בַּלָּה֣וֹת (balahot) = schrikken | הָיִ֔יתָ (hayita) = je bent geworden | וְאֵינְךָ֖ (veeinekha) = en je bent niet meer | עַד (ad) = tot | עוֹלָֽם (olam) = eeuwigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 76:13; Jer 51:63–64; Ezech 26:21; Openb 18:15–19; Openb 18:21 ### Tegen Sidon **28:20** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **28:21** **„Mensenkind, richt je gezicht op Sidon en profeteer tegen haar.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | שִׂ֥ים (sim) = zet | פָּנֶ֖יךָ (paneikha) = je gezicht | אֶל (el) = naar | צִיד֑וֹן (tsidon) = Sidon | וְהִנָּבֵ֖א (vehinave) = en profeteer | עָלֶֽיהָ (aleiha) = tegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: צידון (Tsidon), ‘Sidon’: de Fenicische stad ten noorden van Tyrus, aan dezelfde kust. Zie ook: Gen 10:15; Jer 25:22; Ezech 6:2; Ezech 25:2; Ezech 27:8 **28:22** **Zeg:** Zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik ben tegen je, Sidon. Ik word verheerlijkt in je midden. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik in haar gerichten voltrek en in haar als heilig erkend word.** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֗ (veamarta) = en je zult zeggen | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Ik | עָלַ֨יִךְ֙ (alayikh) = tegen jou | צִיד֔וֹן (tsidon) = Sidon | וְנִכְבַּדְתִּ֖י (venikhbadti) = en Ik zal verheerlijkt worden | בְּתוֹכֵ֑ךְ (betokhekh) = in je midden | וְֽיָדְע֞וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בַּעֲשׂ֥וֹתִי (baasoti) = als Ik doe | בָ֛הּ (bah) = in haar | שְׁפָטִ֖ים (shefatim) = gerichten | וְנִקְדַּ֥שְׁתִּי (veniqdashti) = en Ik zal geheiligd worden | בָֽהּ (bah) = in haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: ונכבדתי (venikhbadeti), ‘Ik word verheerlijkt’, en ונקדשׁתי (venikdashti), ‘Ik word als heilig erkend’: beide werkwoorden hebben een vorm die ‘zich laten zien als’ kan betekenen. Door het oordeel laat Yahweh zien wie Hij is. Zie ook: Ex 14:4; Ex 14:17; Ezech 20:41; Ezech 30:19; Ezech 39:13 **28:23** **Ik stuur pest in haar en bloed in haar straten. Gewonden vallen in haar midden, door het zwaard dat van alle kanten tegen haar komt. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וְשִׁלַּחְתִּי (veshilachti) = en Ik zal zenden | בָ֞הּ (bah) = in haar | דֶּ֤בֶר (dever) = pest | וָדָם֙ (vadam) = en bloed | בְּח֣וּצוֹתֶ֔יהָ (bechutsoteiha) = in haar straten | וְנִפְלַ֤ל (veniflal) = en zal vallen | חָלָל֙ (chalal) = gewonde | בְּתוֹכָ֔הּ (betokhah) = in haar midden | בְּחֶ֥רֶב (becherev) = door het zwaard | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = tegen haar | מִסָּבִ֑יב (misaviv) = rondom | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דבר (dever), ‘pest’: een plaag of epidemie die mensen en vee treft. Zie ook: Jer 15:2; Ezech 5:12; Ezech 25:11; Ezech 25:17; Ezech 38:22 ### Israël zal veilig wonen **28:24** **Er zal voor het huis van Israël geen stekende doornstruik of pijnlijke doorn meer zijn onder al hun buren die hen minachten. Dan zullen zij weten dat Ik Heer Yahweh ben.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְיֶ֨ה (yihye) = zal zijn | ע֜וֹד (od) = meer | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | סִלּ֤וֹן (silon) = doornstruik | מַמְאִיר֙ (mamir) = stekende | וְק֣וֹץ (veqots) = en doorn | מַכְאִ֔ב (makhiv) = pijnlijke | מִכֹּל֙ (mikol) = van alle | סְבִ֣יבֹתָ֔ם (sevivotam) = hun omgeving | הַשָּׁאטִ֖ים (hashatim) = die minachten | אוֹתָ֑ם (otam) = hen | וְיָ֣דְע֔וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּ֥י (ki) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: סלון (sillon), ‘doornstruik’, en וקוץ (qots), ‘doorn’: stekende planten, een beeld voor volken die Israël pijn doen; vergelijk Ezech. 2:6 en Num. 33:55 (daar staan andere woorden voor doornen). Voetnoot : אדני יהוה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4. Zie ook: Num 33:55; Joz 23:13; Jes 55:13; Ezech 2:4; Ezech 2:6; 2 Kor 12:7 **28:25** Zo zegt Heer Yahweh: **Wanneer Ik het huis van Israël verzamel uit de volken waarheen zij verspreid zijn, word Ik in hen als heilig erkend voor de ogen van de volken. Dan wonen zij op hun eigen grond, die Ik aan Mijn knecht Jakob gegeven heb.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | בְּקַבְּצִ֣י (beqabetsi) = bij Mijn verzamelen | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | מִן (min) = uit | הָֽעַמִּים֙ (haamim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarheen | נָפֹ֣צוּ (nafotsu) = zij verspreid werden | בָ֔ם (bam) = onder hen | וְנִקְדַּ֥שְׁתִּי (veniqdashti) = en Ik zal geheiligd worden | בָ֖ם (bam) = in hen | לְעֵינֵ֣י (leeinei) = voor de ogen van | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וְיָֽשְׁבוּ֙ (veyashevu) = en zij zullen wonen | עַל (al) = op | אַדְמָתָ֔ם (admatam) = hun grond | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik gaf | לְעַבְדִּ֥י (leavdi) = aan Mijn knecht | לְיַעֲקֹֽב (leyaaqov) = aan Jakob Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לעבדי ליעקב (la’avdi leYa’aqov), ‘aan Mijn knecht Jakob’: Jakob staat hier voor het volk Israël. ‘Knecht’ is een eretitel. Zie ook: Jer 23:8; Jer 32:37; Ezech 11:17; Ezech 20:41; Ezech 37:25 **28:26** **Zij wonen daarop in veiligheid. Zij bouwen huizen en planten wijngaarden. Zij wonen in veiligheid wanneer Ik gerichten voltrek over allen die hen minachten, rondom hen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, hun Elohim.”** Brontekst: וְיָשְׁב֣וּ (veyashevu) = en zij zullen wonen | עָלֶיהָ֮ (aleiha) = daarop | לָבֶטַח֒ (lavetach) = in veiligheid | וּבָנ֤וּ (uvanu) = en zij zullen bouwen | בָתִּים֙ (batim) = huizen | וְנָטְע֣וּ (venateu) = en zij zullen planten | כְרָמִ֔ים (keramim) = wijngaarden | וְיָשְׁב֖וּ (veyashevu) = en zij zullen wonen | לָבֶ֑טַח (lavetach) = in veiligheid | בַּעֲשׂוֹתִ֣י (baasoti) = als Ik doe | שְׁפָטִ֗ים (shefatim) = gerichten | בְּכֹ֨ל (bekhol) = over alle | הַשָּׁאטִ֤ים (hashatim) = die minachten | אֹתָם֙ (otam) = hen | מִסְּבִ֣יבוֹתָ֔ם (misevivotam) = van rondom hen | וְיָ֣דְע֔וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶֽם (eloheihem) = hun Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Amos 9:13–14; Jer 32:15; Ezech 28:22; Ezech 28:24; Ezech 34:25–28 ## Ezechiël 29 _Het oordeel over farao en Egypte, en Egypte als loon voor Nebukadnezar_ ### Tegen farao, het grote monster **29:1** In het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij: Brontekst: בַּשָּׁנָה֙ (bashana) = in het jaar | הָעֲשִׂירִ֔ית (haasirit) = het tiende | בָּעֲשִׂרִ֕י (baasiri) = in het tiende | בִּשְׁנֵ֥ים (bishneim) = op twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָיָ֥ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezechiël telt de jaren vanaf de ballingschap van Jojachin (zie Ezech. 1:2). Voetnoot : Dit woord is gedateerd vóór het woord van 26:1 (het elfde jaar). De oordeelswoorden zijn in dit boek naar onderwerp geordend: eerst Tyrus (26–28), nu Egypte (29–32). Zie ook: Ezech 1:2; Ezech 8:1; Ezech 20:1; Ezech 26:1; Ezech 29:17; Ezech 40:1 **29:2** **„Mensenkind, richt je gezicht op farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen heel Egypte.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | שִׂ֣ים (sim) = zet | פָּנֶ֔יךָ (paneikha) = je gezicht | עַל (al) = tegen | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהִנָּבֵ֣א (vehinave) = en profeteer | עָלָ֔יו (alav) = tegen hem | וְעַל (veal) = en tegen | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | כֻּלָּֽהּ (kulah) = geheel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: פרעה (Par’oh), ‘farao’: de titel van de koning van Egypte. Wij schrijven ‘farao’ met kleine letter, zoals in de eerdere boeken. Zie ook: Jer 44:30; Jer 46:2–16; Ezech 6:2; Ezech 21:2; Ezech 30:1–32:32 **29:3** **Spreek en zeg:** Zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik ben tegen je, farao, koning van Egypte, het grote monster dat midden in zijn Nijlarmen ligt. Hij zegt: ‘Mijn Nijl is van mij en ik heb mijzelf gemaakt.’** Brontekst: דַּבֵּ֨ר (daber) = spreek | וְאָמַרְתָּ֜ (veamarta) = en je zult zeggen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Ik | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = tegen jou | פַּרְעֹ֣ה (paro) = farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | הַתַּנִּים֙ (hatanim) = het monster | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = het grote | הָרֹבֵ֖ץ (harovets) = dat ligt | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | יְאֹרָ֑יו (yeorav) = zijn Nijlarmen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָמַ֛ר (amar) = zei | לִ֥י (li) = van mij | יְאֹרִ֖י (yeori) = mijn Nijl | וַאֲנִ֥י (vaani) = en ik | עֲשִׂיתִֽנִי (asitini) = ik heb mij gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Voetnoot Uitleg: התנים (hattannim), ‘het monster’: een groot waterdier. In Gen. 1:21 heten de tanninim ‘grote zeedieren’; in Exod. 7:9–12 is het een slang. Hier is farao het monster dat in de Nijl ligt. Voetnoot : יאריו (ye’orav), ‘zijn Nijlarmen’: יאר (ye’or) is een woord voor de Nijl dat uit het Egyptisch komt. Het meervoud staat voor de armen en kanalen van de rivier. Voetnoot : עשׂיתני (asitani), ‘ik heb mijzelf gemaakt’: letterlijk ‘ik heb mij gemaakt’. In vers 9 staat alleen ‘ik heb gemaakt’. Wij volgen in beide verzen de Masoretische tekst. Zie ook: Gen 1:21; Ex 7:9–12; Deut 8:17; Jes 27:1; Jer 44:30; Ezech 29:9–10; Ezech 32:2 **29:4** **Ik doe haken in je kaken en laat de vissen van je Nijlarmen aan je schubben kleven. Ik haal je op uit het midden van je Nijlarmen, samen met alle vissen van je Nijlarmen die aan je schubben kleven.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal geven | חַחִים֙ (chachim) = haken | בִּלְחָיֶ֔יךָ (bilchayeikha) = in je kaken | וְהִדְבַּקְתִּ֥י (vehidbaqti) = en Ik zal laten kleven | דְגַת (degat) = vis van | יְאֹרֶ֖יךָ (yeoreikha) = je Nijlarmen | בְּקַשְׂקְשֹׂתֶ֑יךָ (beqasqesoteikha) = aan je schubben | וְהַעֲלִיתִ֨יךָ֙ (vehaalitikha) = en Ik zal je ophalen | מִתּ֣וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | יְאֹרֶ֔יךָ (yeoreikha) = je Nijlarmen | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | דְּגַ֣ת (degat) = vis van | יְאֹרֶ֔יךָ (yeoreikha) = je Nijlarmen | בְּקַשְׂקְשֹׂתֶ֖יךָ (beqasqesoteikha) = aan je schubben | תִּדְבָּֽק (tidbaq) = zal kleven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חחים (chachim), ‘haken’: zoals men een gevangen dier meevoert. De vissen kleven aan zijn schubben als hij uit het water wordt getrokken. Zie ook: Job 40:25–26; 2 Kon 19:28; Jes 37:29; Hab 1:14–15; Ezech 38:4 **29:5** **Ik werp je de woestijn in, jou en alle vissen van je Nijlarmen. Je valt op het open veld. Je wordt niet verzameld en niet bijeengebracht. Ik geef je als voedsel aan de dieren van de aarde en aan de vogels van de hemel.** Brontekst: וּנְטַשְׁתִּ֣יךָ (unetashtikha) = en Ik zal je neerwerpen | הַמִּדְבָּ֗רָה (hamidbara) = naar de woestijn | אוֹתְךָ֙ (otekha) = jou | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = alle | דְּגַ֣ת (degat) = vis van | יְאֹרֶ֔יךָ (yeoreikha) = je Nijlarmen | עַל (al) = op | פְּנֵ֤י (penei) = het oppervlak van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | תִּפּ֔וֹל (tipol) = je zult vallen | לֹ֥א (lo) = niet | תֵאָסֵ֖ף (teasef) = je zult verzameld worden | וְלֹ֣א (velo) = en niet | תִקָּבֵ֑ץ (tiqavets) = je zult bijeengebracht worden | לְחַיַּ֥ת (lechayat) = aan het dier van | הָאָ֛רֶץ (haarets) = de aarde | וּלְע֥וֹף (uleof) = en aan de vogel van | הַשָּׁמַ֖יִם (hashamayim) = de hemel | נְתַתִּ֥יךָ (netatikha) = Ik geef je | לְאָכְלָֽה (leakhela) = tot voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het beeld van het monster gaat over in dat van een gevangen dier dat dood in de woestijn blijft liggen; wie sterft zonder begraven te worden, wordt voedsel voor dieren. Zie ook: Ps 110:5–6; Jer 7:33; Jer 8:2; Jer 34:20; Ezech 32:4–6 **29:6** **Dan zullen alle bewoners van Egypte weten dat Ik Yahweh ben, omdat zij voor het huis van Israël een rietstaf zijn geweest.** Brontekst: וְיָֽדְעוּ֙ (veyadeu) = en zij zullen weten | כָּל (kal) = alle | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּ֖י (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֧עַן (yaan) = omdat | הֱיוֹתָ֛ם (heyotam) = hun zijn | מִשְׁעֶ֥נֶת (mishenet) = steun van | קָנֶ֖ה (qane) = riet | לְבֵ֥ית (leveit) = voor het huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: משׁענת קנה (mish’enet qaneh), ‘rietstaf’: een riet breekt als men erop leunt; zie ook Jes. 36:6. Zie ook: Ex 9:14; 2 Kon 18:21; Jes 30:2–7; Jes 36:6; Jer 2:36 **29:7** **Als zij je met de hand grepen, brak je en scheurde je hun hele schouder open. Als zij op je leunden, brak je en liet je al hun heupen wankelen.** Brontekst: בְּתָפְשָׂ֨ם (betafesam) = bij hun grijpen | בְּךָ֤ (bekha) = je | בַכַּף֙ (bakaf) = met de hand | תֵּר֔וֹץ (terots) = je brak | וּבָקַעְתָּ֥ (uvaqata) = en je scheurde open | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | כָּל (kal) = heel | כָּתֵ֑ף (katef) = schouder | וּבְהִֽשָּׁעֲנָ֤ם (uvehishaanam) = en bij hun leunen | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = op jou | תִּשָּׁבֵ֔ר (tishaver) = je brak | וְהַעֲמַדְתָּ֥ (vehaamadta) = en je liet staan | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | כָּל (kal) = heel | מָתְנָֽיִם (matenayim) = heupen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תרוץ (tarots), ‘je brak’, en ובקעת (uvaqa’at), ‘en je scheurde open’: Egypte bleek een steun die brak en wondde. Voetnoot : והעמדת (vehe’emadta), ‘en je liet staan’: dit is de Masoretische tekst. Sommige oude vertalingen lezen een ander woord; wij vertalen ‘liet wankelen’. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat בכפך (bekhappekha), ‘in je hand’. De voorgelezen tekst (qere) is בכף (bakkaf), ‘met de hand’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ps 118:8–9; Spr 25:19; Jes 36:6; Jer 17:5–6; Ezech 17:15–17 ### Egypte wordt veertig jaar woest **29:8** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik breng het zwaard over je en snijd mens en dier van je af.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֛י (hinni) = zie Ik | מֵבִ֥יא (mevi) = brengend | עָלַ֖יִךְ (alayikh) = over jou | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik zal afsnijden | מִמֵּ֖ךְ (mimekh) = van jou | אָדָ֥ם (adam) = mens | וּבְהֵמָֽה (uvehema) = en dier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Egypte wordt hier door het zwaard getroffen. Het vers noemt niet wie het zwaard brengt; zie vers 19. Zie ook: Jer 46:13–26; Ezech 14:17; Ezech 29:19–20; Ezech 30:4; Ezech 32:10–13 **29:9** **Het land Egypte wordt een woestenij en een ruïne. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, omdat hij zei: ‘De Nijl is van mij, en ik heb hem gemaakt.’** Brontekst: וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zal zijn | אֶֽרֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | לִשְׁמָמָ֣ה (lishmama) = tot verwoesting | וְחָרְבָּ֔ה (vecharba) = en ruïne | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֧עַן (yaan) = omdat | אָמַ֛ר (amar) = hij zei | יְאֹ֥ר (yeor) = Nijl | לִ֖י (li) = van mij | וַאֲנִ֥י (vaani) = en ik | עָשִֽׂיתִי (asiti) = ik heb gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee. Zie ook: Spr 16:18; Spr 18:12; Jer 43:10–13; Ezech 29:3; Ezech 29:10–12 **29:10** **Daarom, zie, Ik ben tegen jou en tegen je Nijlarmen. Ik maak het land Egypte tot puinhopen, ruïnes en verwoesting, van Migdol tot Sevene, tot aan de grens van Kush.** Brontekst: לָכֵ֛ן (lakhen) = daarom | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Ik | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tegen jou | וְאֶל (veel) = en tegen | יְאֹרֶ֑יךָ (yeoreikha) = je Nijlarmen | וְנָתַתִּ֞י (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֗יִם (mitsrayim) = Egypte | לְחָרְבוֹת֙ (lecharevot) = tot ruïnes van | חֹ֣רֶב (chorev) = ruïne | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = verwoesting | מִמִּגְדֹּ֥ל (mimigdol) = van Migdol | סְוֵנֵ֖ה (sevene) = Sevene | וְעַד (vead) = en tot | גְּב֥וּל (gevul) = grens van | כּֽוּשׁ (kush) = Kush Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Migdol: Migdol (‘toren, fort’) was een grensfort in het oosten van de Nijldelta. De precieze plaats is niet bekend. Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: לחרבות חרב שׁממה (lecharvot cherev shemamah) zijn drie woorden voor verwoesting op een rij; wij vertalen ‘puinhopen, ruïnes en verwoesting’. Voetnoot : ממגדל סונה (miMigdol Sevenah), ‘van Migdol tot Sevene’: Migdol ligt in het noordoosten van Egypte (zie Exod. 14:2) en Sevene (Syene, het huidige Aswan) in het zuiden. De uitdrukking betekent: heel Egypte, van noord naar zuid. Voetnoot : כושׁ (Kush): het land ten zuiden van Egypte. Zie ook: Ex 14:2; Jer 44:1; Jer 46:14; Ezech 29:11; Ezech 30:6–9; Ezech 30:12 **29:11** **Geen mensenvoet gaat erdoor en geen dierenvoet gaat erdoor. Veertig jaar wordt het niet bewoond.** Brontekst: לֹ֤א (lo) = niet | תַעֲבָר (taavar) = zal doorgaan | בָּהּ֙ (bah) = erdoor | רֶ֣גֶל (regel) = voet van | אָדָ֔ם (adam) = mens | וְרֶ֥גֶל (veregel) = en voet van | בְּהֵמָ֖ה (behema) = dier | לֹ֣א (lo) = niet | תַעֲבָר (taavar) = zal doorgaan | בָּ֑הּ (bah) = erdoor | וְלֹ֥א (velo) = en niet | תֵשֵׁ֖ב (teshev) = zal bewoond worden | אַרְבָּעִ֥ים (arbaim) = veertig | שָׁנָֽה (shana) = jaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: ‘Veertig jaar’ is een ronde periode in de Schrift. Het Hebreeuws zegt niet vanaf wanneer. Zie ook: Jes 23:17; Jer 25:11–12; Jer 43:11–12; Ezech 32:13; Dan 9:2 **29:12** **Ik maak het land Egypte tot een woestenij midden onder verwoeste landen. Haar steden zullen veertig jaar een woestenij zijn midden onder verwoeste steden. Ik verspreid de Egyptenaren onder de volken en strooi hen uit over de landen.** Brontekst: וְנָתַתִּ֣י (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | אֶרֶץ֩ (erets) = land van | מִצְרַ֨יִם (mitsrayim) = Egypte | שְׁמָמָ֜ה (shemama) = verwoesting | בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | אֲרָצ֣וֹת (aratsot) = landen | נְשַׁמּ֗וֹת (neshamot) = verwoeste | וְעָרֶ֨יהָ֙ (veareiha) = en haar steden | בְּת֨וֹךְ (betokh) = te midden van | עָרִ֤ים (arim) = steden | מָֽחֳרָבוֹת֙ (machoravot) = in puin liggende | תִּֽהְיֶ֣יןָ (tihyeina) = zij zullen zijn | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = verwoesting | אַרְבָּעִ֖ים (arbaim) = veertig | שָׁנָ֑ה (shana) = jaar | וַהֲפִצֹתִ֤י (vahafitsoti) = en Ik zal verspreiden | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | וְֽזֵרִיתִ֖ים (vezeritim) = en Ik zal hen uitstrooien | בָּאֲרָצֽוֹת (baaratsot) = in de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Jer 25:15–19; Jer 46:19; Ezech 30:7; Ezech 30:23; Ezech 30:26 **29:13** Want zo zegt Heer Yahweh: **Aan het einde van veertig jaar verzamel Ik de Egyptenaren uit de volken waarheen zij verspreid waren.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מִקֵּ֞ץ (miqets) = vanaf het einde van | אַרְבָּעִ֤ים (arbaim) = veertig | שָׁנָה֙ (shana) = jaar | אֲקַבֵּ֣ץ (aqabets) = Ik zal verzamelen | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | מִן (min) = uit | הָעַמִּ֖ים (haamim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | נָפֹ֥צוּ (nafotsu) = zij verspreid waren | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Egypte wordt na veertig jaar hersteld, maar op kleine schaal (vers 14–15). Zie ook: Jes 19:22; Jer 46:26; Ezech 29:14–15 **29:14** **Ik keer het lot van Egypte en breng hen terug naar het land Patros, het land van hun herkomst. Daar zullen zij een gering koninkrijk zijn.** Brontekst: וְשַׁבְתִּי֙ (veshavti) = en Ik zal laten terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁב֣וּת (shevut) = lot van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וַהֲשִׁבֹתִ֤י (vahashivoti) = en Ik zal hen terugbrengen | אֹתָם֙ (otam) = hen | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | פַּתְר֔וֹס (patros) = Patros | עַל (al) = naar | אֶ֖רֶץ (erets) = land van | מְכֽוּרָתָ֑ם (mekhuratam) = hun herkomst | וְהָ֥יוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | שָׁ֖ם (sham) = daar | מַמְלָכָ֥ה (mamlakha) = koninkrijk | שְׁפָלָֽה (shefala) = laag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Patros (Opper-Egypte): Patros is Opper-Egypte, het zuiden van Egypte langs de Nijl, ten zuiden van de delta. De grenzen zijn niet scherp te trekken. Voetnoot Uitleg: שׁבות מצרים (shevut Mitsrayim), ‘het lot van Egypte’: dezelfde uitdrukking als in Ps. 126:1, daar over Sion. Voetnoot : פתרוס (Patros), ‘Patros’: Opper-Egypte, het zuiden van het land. Voetnoot : ארץ מכורתם (erets mekhoratam), ‘het land van hun herkomst’: het land waar zij oorspronkelijk vandaan komen. Zie ook: Gen 10:14; 1 Kron 1:12; Ps 126:1; Jes 11:11; Jer 44:1; Ezech 30:14 **29:15** **Het zal lager zijn dan de andere koninkrijken en zich niet meer boven de volken verheffen. Ik maak hen klein, zodat zij niet meer over de volken heersen.** Brontekst: מִן (min) = van | הַמַּמְלָכוֹת֙ (hamamlakhot) = de koninkrijken | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = het zal zijn | שְׁפָלָ֔ה (shefala) = laag | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִתְנַשֵּׂ֥א (titnase) = het zal zich verheffen | ע֖וֹד (od) = meer | עַל (al) = boven | הַגּוֹיִ֑ם (hagoyim) = de volken | וְהִ֨מְעַטְתִּ֔ים (vehimattim) = en Ik zal hen klein maken | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = opdat niet | רְד֥וֹת (redot) = heersen | בַּגּוֹיִֽם (bagoyim) = over de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt: ‘van de koninkrijken’ (מן, min). Wij vertalen ‘lager dan de andere koninkrijken’: Egypte zal het geringste zijn. Zie ook: Ezech 17:6; Ezech 17:14; Ezech 30:13; Ezech 31:2; Zach 10:11 **29:16** **Het zal voor het huis van Israël geen vertrouwen meer zijn. Het herinnert hen aan hun schuld wanneer zij zich naar hen wenden. Dan zullen zij weten dat Ik Heer Yahweh ben.”** Brontekst: וְלֹ֣א (velo) = en niet | יִֽהְיֶה (yihye) = het zal zijn | עוֹד֩ (od) = meer | לְבֵ֨ית (leveit) = voor het huis van | יִשְׂרָאֵ֤ל (yisrael) = Israël | לְמִבְטָח֙ (lemivtach) = tot vertrouwen | מַזְכִּ֣יר (mazkir) = herinnerend aan | עָוֺ֔ן (avon) = schuld | בִּפְנוֹתָ֖ם (bifnotam) = bij hun zich wenden | אַחֲרֵיהֶ֑ם (achareihem) = achter hen | וְיָ֣דְע֔וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּ֥י (ki) = dat | אֲנִ֖י (ani) = Ik | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מזכיר עון (mazkir avon), ‘die aan de schuld herinnert’: Israël zocht eerder steun bij Egypte. Wie zich weer tot Egypte wendt, wordt aan die schuld herinnerd. Voetnoot : אדני יהוה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4. Zie ook: Hos 8:13; Jes 20:5; Jes 30:1–6; Jer 14:10; Ezech 2:4; Ezech 29:6–7 ### Egypte als loon voor Nebukadnezar **29:17** In het zevenentwintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij: Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het was | בְּעֶשְׂרִ֤ים (beesrim) = in twintig | וָשֶׁ֨בַע֙ (vasheva) = en zeven | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | בָּֽרִאשׁ֖וֹן (barishon) = in de eerste | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op één | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָיָ֥ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit woord is later gedateerd dan de woorden in 26:1 en 29:1. Het staat hier omdat het Tyrus en Egypte met elkaar verbindt. Zie ook: Ezech 1:2; Ezech 24:1; Ezech 29:1 **29:18** **„Mensenkind, Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft zijn leger een zware dienst laten verrichten tegen Tyrus. Elk hoofd is kaal geworden en elke schouder is kaalgeschuurd. Maar loon heeft hij noch zijn leger van Tyrus gekregen voor de dienst die hij tegen haar verrichtte.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּ֠בֶל (bavel) = Babel | הֶעֱבִ֨יד (heevid) = liet dienen | אֶת (et) = (obj.) | חֵיל֜וֹ (cheilo) = zijn leger | עֲבֹדָ֤ה (avoda) = dienst | גְדֹלָה֙ (gedola) = zware | אֶל (el) = tegen | צֹ֔ר (tsor) = Tyrus | כָּל (kal) = elk | רֹ֣אשׁ (rosh) = hoofd | מֻקְרָ֔ח (muqrach) = kaalgemaakt | וְכָל (vekhal) = en elke | כָּתֵ֖ף (katef) = schouder | מְרוּטָ֑ה (meruta) = kaalgeschuurd | וְ֠שָׂכָר (vesakhar) = en loon | לֹא (lo) = niet | הָ֨יָה (haya) = was | ל֤וֹ (lo) = voor hem | וּלְחֵילוֹ֙ (ulecheilo) = en voor zijn leger | מִצֹּ֔ר (mitsor) = van Tyrus | עַל (al) = voor | הָעֲבֹדָ֖ה (haavoda) = de dienst | אֲשֶׁר (asher) = die | עָבַ֥ד (avad) = hij deed | עָלֶֽיהָ (aleiha) = tegen haar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon. Voetnoot Uitleg: מקרח (maqrach), ‘kaal’, en מרוטה (meruta), ‘kaalgeschuurd’: de soldaten droegen zo lang en zwaar dat hun hoofden kaal werden van de helmen en hun schouders stuk waren van de lasten. Voetnoot : Het leger heeft zwaar gewerkt tegen Tyrus (zie 26:7–14) en kreeg daarvoor geen loon. Zie ook: Jer 25:9; Jer 27:6; Jer 48:37; Ezech 26:7–12 **29:19** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik geef het land Egypte aan Nebukadnezar, de koning van Babel. Hij voert haar rijkdom weg. Hij plundert haar buit en rooft haar roof. Dat zal het loon zijn voor zijn leger.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Ik | נֹתֵ֛ן (noten) = gevend | לִנְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר (linvukhadretsar) = aan Nebukadnezar | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְנָשָׂ֨א (venasa) = en hij zal wegdragen | הֲמֹנָ֜הּ (hamonah) = haar rijkdom | וְשָׁלַ֤ל (veshalal) = en hij zal plunderen | שְׁלָלָהּ֙ (shelalah) = haar buit | וּבָזַ֣ז (uvazaz) = en hij zal roven | בִּזָּ֔הּ (bizah) = haar roof | וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en het zal zijn | שָׂכָ֖ר (sakhar) = loon | לְחֵילֽוֹ (lecheilo) = voor zijn leger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: המנה (hamonah), ‘haar rijkdom’: van המון (hamon), ‘menigte’ of ‘rijkdom’. Het kan ook ‘haar menigte’ betekenen. Zie ook: Jer 43:10–13; Ezech 30:4; Ezech 30:10–12; Ezech 30:24–25; Ezech 32:11 **29:20** **Als loon voor zijn werk, dat hij tegen haar verricht heeft, geef Ik hem het land Egypte, omdat zij het voor Mij gedaan hebben, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: פְּעֻלָּתוֹ֙ (peulato) = zijn loon | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָ֣בַד (avad) = hij diende | בָּ֔הּ (bah) = tegen haar | נָתַ֥תִּי (natati) = Ik gaf | ל֖וֹ (lo) = hem | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | אֲשֶׁר֙ (asher) = omdat | עָ֣שׂוּ (asu) = zij deden | לִ֔י (li) = voor Mij | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נאם אדני יהוה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Voetnoot : Yahweh noemt Nebukadnezars leger als Zijn werktuig: zij hebben ‘voor Mij’ gewerkt. Zie ook: 2 Kon 10:30; Jes 10:6–7; Jes 45:1–3; Jer 25:9; Ezech 5:11 **29:21** **Op die dag laat Ik een hoorn uitspruiten voor het huis van Israël. Jou geef Ik een geopende mond in hun midden. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | אַצְמִ֤יחַ (atsmiach) = Ik zal laten uitspruiten | קֶ֨רֶן֙ (qeren) = hoorn | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּלְךָ֛ (ulekha) = en aan jou | אֶתֵּ֥ן (eten) = Ik zal geven | פִּתְחֽוֹן (pitchon) = opening van | פֶּ֖ה (pe) = mond | בְּתוֹכָ֑ם (betokham) = in hun midden | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קרן (qeren), ‘hoorn’: een beeld van kracht en macht, zoals bij een stier. Voetnoot : פתחון פה (pitchon peh), ‘een geopende mond’: Ezechiël mag vrijuit spreken; zie Ezech. 24:27 en 33:22. Zie ook: 1 Sam 2:10; Ps 132:17; Amos 3:7–8; Ezech 24:27; Ezech 33:22; Luc 21:15 ## Ezechiël 30 _De dag van Yahweh over Egypte en de gebroken arm van farao_ **30:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het werd | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De dag van Yahweh komt over Egypte **30:2** **„Mensenkind, profeteer en zeg:** Zo zegt Heer Yahweh: **Jammer: ach, die dag!** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הִנָּבֵא֙ (hinave) = profeteer | וְאָ֣מַרְתָּ֔ (veamarta) = en zeg | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הֵילִ֖ילוּ (heililu) = jammert | הָ֥הּ (hah) = ach | לַיּֽוֹם (layom) = om de dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הילילו (heililu), ‘jammer’: een gebiedende vorm in het meervoud, de kreet van wie rouwt of in nood is. Voetnoot : הה ליום (hah layyom), ‘ach, die dag’: de dag waarover vers 3 spreekt. Voetnoot : De woorden van Yahweh aan Ezechiël beginnen met ‘Mensenkind’. Wat Ezechiël moet zeggen, begint met ‘Zo zegt Heer Yahweh’ (zie Ezech. 2:4). Zie ook: Joël 1:5; Joël 1:11; Jes 13:6; Jes 15:2; Ezech 2:4; Ezech 21:17; Ezech 30:3 **30:3** **Want de dag is nabij; ja, de dag van Yahweh is nabij. Een dag van wolken zal het zijn, een tijd van de volken.** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | קָר֣וֹב (qarov) = nabij | י֔וֹם (yom) = dag | וְקָר֥וֹב (veqarov) = en nabij | י֖וֹם (yom) = dag van | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = Yahweh | י֣וֹם (yom) = dag van | עָנָ֔ן (anan) = wolk | עֵ֥ת (et) = tijd van | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | יִֽהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יום ליהוה (yom laYahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh ingrijpt en oordeelt. Zie ook Joël 2:1–2, Amos 5:18–20 en Zef. 1:14–15. Voetnoot : עת גוים (et goyim), ‘een tijd van de volken’: het oordeel treft de volken. Eerst is Egypte aan de beurt, met zijn bondgenoten. Zie ook: Joël 2:1–2; Amos 5:18–20; Jes 24:21–23; Sef 1:14; Ob 1:15; Ezech 7:12 **30:4** **Een zwaard komt over Egypte. Er komt siddering in Kush wanneer de gesneuvelden in Egypte vallen. Men neemt haar menigte weg en haar fundamenten worden afgebroken.** Brontekst: וּבָאָ֥ה (uvaa) = en zal komen | חֶ֨רֶב֙ (cherev) = zwaard | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = over Egypte | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zal zijn | חַלְחָלָה֙ (chalchala) = siddering | בְּכ֔וּשׁ (bekhush) = in Kush | בִּנְפֹ֥ל (binfol) = bij het vallen van | חָלָ֖ל (chalal) = gesneuvelde | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וְלָקְח֣וּ (velaqechu) = en zij zullen nemen | הֲמוֹנָ֔הּ (hamonah) = haar menigte | וְנֶהֶרְס֖וּ (venehersu) = en zullen worden afgebroken | יְסוֹדֹתֶֽיהָ (yesodoteiha) = haar fundamenten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: חלחלה (chalchalah), ‘siddering’: een heftige beving van angst of pijn. Voetnoot : המון (hamon), ‘menigte’: wij vertalen dit woord in dit boek meestal met ‘menigte’ (ook 31:2, 31:18 en 32:12; in 29:19 staat ‘rijkdom’ omdat daar plundering wordt genoemd). Het kan ook ‘rijkdom’ of ‘drukte’ betekenen. Voetnoot : כושׁ (Kush): het land ten zuiden van Egypte. Zie ook: Jer 50:15; Jer 50:35–37; Ezech 29:8; Ezech 29:19; Ezech 30:9–10 **30:5** **Kush, Put en Lud, heel de gemengde schare, Kub en de zonen van het land van het verbond zullen met hen door het zwaard vallen.** Brontekst: כּ֣וּשׁ (kush) = Kush | וּפ֤וּט (ufut) = en Put | וְלוּד֙ (velud) = en Lud | וְכָל (vekhal) = en heel | הָעֶ֣רֶב (haerev) = de gemengde schare | וְכ֔וּב (vekhuv) = en Kub | וּבְנֵ֖י (uvenei) = en zonen van | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | הַבְּרִ֑ית (haberit) = het verbond | אִתָּ֖ם (itam) = met hen | בַּחֶ֥רֶב (bacherev) = door het zwaard | יִפֹּֽלוּ (yipolu) = zullen vallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: פוט (Put) en לוד (Lud): volken die met Egypte verbonden zijn. Put wordt vaak bij Libië gezocht; de ligging van beide is niet helemaal zeker. Voetnoot : הערב (ha’erev), ‘de gemengde schare’: vreemdelingen die in Egypte wonen of Egypte steunen. Hetzelfde woord staat in Exod. 12:38 (‘een grote gemengde schare’). Het kan ook ‘Arabië’ betekenen. Voetnoot : כוב (Kub): een volk dat verder niet bekend is. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : בני ארץ הברית (bnei erets haberit), ‘de zonen van het land van het verbond’: waarschijnlijk bondgenoten van Egypte. Wie precies bedoeld wordt, is onzeker. Zie ook: Ex 12:38; Nah 3:8–9; Jer 25:20; Jer 25:24; Jer 50:37; Ezech 27:10 **30:6** Zo zegt Yahweh: **De steunen van Egypte zullen vallen en de trots van haar kracht zal neerdalen. Van Migdol tot Sevene vallen zij daarin door het zwaard, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: כֹּ֚ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנָֽפְלוּ֙ (venafelu) = en zullen vallen | סֹמְכֵ֣י (somekhei) = steunen van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְיָרַ֖ד (veyarad) = en zal neerdalen | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | עֻזָּ֑הּ (uzah) = haar kracht | מִמִּגְדֹּ֣ל (mimigdol) = van Migdol | סְוֵנֵ֗ה (sevene) = Sevene | בַּחֶ֨רֶב֙ (bacherev) = door het zwaard | יִפְּלוּ (yipelu) = zullen zij vallen | בָ֔הּ (bah) = daarin | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Migdol: Migdol (‘toren, fort’) was een grensfort in het oosten van de Nijldelta. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: ממגדל סונה (mimmigdol Sevenei), ‘van Migdol tot Sevene’: het Hebreeuws heeft geen woord voor ‘tot’; het kan ook ‘vanaf de toren van Sevene’ betekenen. Migdol lag in het noorden en Sevene (Syene) in het zuiden van Egypte, dus het gaat om heel het land. Wij schrijven ‘tot’ voor de leesbaarheid. Voetnoot : נאם אדני יהוה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de Uitleg bij Ezech. 5:11. Binnen Zijn woorden staat de formule rood. Voetnoot : סמכי מצרים (somkhei Mitsrayim), ‘de steunen van Egypte’: zijn bondgenoten en helpers. Zie ook: Job 9:13; Jes 20:3–6; Jes 31:3; Nah 3:9; Ezech 5:11; Ezech 29:10 **30:7** **Zij worden verwoest te midden van verwoeste landen, en haar steden zullen liggen te midden van steden in puin.** Brontekst: וְנָשַׁ֕מּוּ (venashamu) = en zij worden verwoest | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | אֲרָצ֣וֹת (aratsot) = landen | נְשַׁמּ֑וֹת (neshamot) = verwoeste | וְעָרָ֕יו (vearav) = en haar steden | בְּתוֹךְ (betokh) = te midden van | עָרִ֥ים (arim) = steden | נַחֲרָב֖וֹת (nacharavot) = in puin | תִּֽהְיֶֽינָה (tihyeina) = zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk: ‘haar steden’ staat in het mannelijk enkelvoud in het Hebreeuws (‘zijn steden’), maar het gaat over Egypte en zijn landen. Wij schrijven ‘haar’. Zie ook: Jer 25:18–26; Jer 46:1–28; Ezech 29:12; Ezech 32:18–32 **30:8** **Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik vuur in Egypte zet en al haar helpers verbroken worden.** Brontekst: וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בְּתִתִּי (betiti) = wanneer Ik zet | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וְנִשְׁבְּר֖וּ (venishberu) = en worden verbroken | כָּל (kal) = alle | עֹזְרֶֽיהָ (ozereiha) = haar helpers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Amos 1:7; Amos 1:10; Amos 1:12; Ezech 29:6; Ezech 30:16 **30:9** **Op die dag gaan boden van Mij uit in schepen om het zorgeloze Kush te doen schrikken. Dan komt er siddering over hen, op de dag van Egypte. Want zie, het komt!** Brontekst: בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יֵצְא֨וּ (yetseu) = zullen uitgaan | מַלְאָכִ֤ים (malakhim) = boden | מִלְּפָנַי֙ (milefanay) = van voor Mij | בַּצִּ֔ים (batsim) = in schepen | לְהַחֲרִ֖יד (lehacharid) = om te doen schrikken | אֶת (et) = (obj.) | כּ֣וּשׁ (kush) = Kush | בֶּ֑טַח (betach) = zorgeloos | וְהָיְתָ֨ה (vehayeta) = en zal komen | חַלְחָלָ֤ה (chalchala) = siddering | בָהֶם֙ (bahem) = over hen | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | כִּ֥י (ki) = want | הִנֵּ֖ה (hine) = zie | בָּאָֽה (baa) = het komt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: בצים (batsim), ‘in schepen’: een zeldzaam woord, vergelijk Num. 24:24 (‘schepen’). De boden varen de Nijl op naar Kush. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : ביום מצרים (beyom Mitsrayim), ‘op de dag van Egypte’: de dag van Egypte’s ondergang. Voetnoot : בטח (betach), ‘zorgeloos’: Kush voelt zich veilig, tot de ramp komt. Zie ook: Num 24:24; Jes 18:1–2; Jes 23:5; Sef 2:15; Ezech 30:4–6; Ezech 32:9–10 ### Nebukadnezar als zwaard van Yahweh **30:10** Zo zegt Heer Yahweh: **Ik maak een einde aan de menigte van Egypte, door de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהִשְׁבַּתִּי֙ (vehishbati) = en Ik zal doen ophouden | אֶת (et) = (obj.) | הֲמ֣וֹן (hamon) = menigte van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | בְּיַ֖ד (beyad) = door de hand van | נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר (nevukhadretsar) = Nebukadnezar | מֶלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶֽל (bavel) = Babel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: נבוכדראצר (Nevukhadre’tsar), ‘Nebukadnezar’: zie Ezech. 26:7. Dezelfde koning van Babel komt voor in 2 Kon. 24:1. Voetnoot : השׁבתי (hishbati), ‘Ik maak een einde aan’: van het werkwoord שׁבת (shavat), ‘ophouden’. Zie ook: 2 Kon 24:1; Ezech 26:7; Ezech 29:4–5; Ezech 29:19; Ezech 30:24–25; Ezech 32:11–16 **30:11** **Hij en zijn volk met hem, de geweldenaars onder de volken, worden gebracht om het land te verderven. Zij trekken hun zwaarden tegen Egypte en vullen het land met gesneuvelden.** Brontekst: ה֠וּא (hu) = hij | וְעַמּ֤וֹ (veamo) = en zijn volk | אִתּוֹ֙ (ito) = met hem | עָרִיצֵ֣י (aritsei) = geweldenaars van | גוֹיִ֔ם (goyim) = volken | מֽוּבָאִ֖ים (muvaim) = worden gebracht | לְשַׁחֵ֣ת (leshachet) = om te verderven | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְהֵרִ֤יקוּ (veheriqu) = en zij zullen trekken | חַרְבוֹתָם֙ (charvotam) = hun zwaarden | עַל (al) = tegen | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וּמָלְא֥וּ (umaleu) = en zij zullen vullen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | חָלָֽל (chalal) = met gesneuvelden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: עריצי גוים (aritsei goyim), ‘geweldenaars onder de volken’: wie schrik aanjaagt door zijn macht. Dezelfde woorden staan in 31:12 en 32:12. Voetnoot : והריקו חרבותם (vehe’riqu charvotam), ‘zij trekken hun zwaarden’: letterlijk ‘zij ledigen hun zwaarden’, dat is: zij trekken ze uit de schede. Zie ook: Hab 1:6–9; Ezech 28:7; Ezech 32:12; Ezech 35:8; Ezech 39:11–20 **30:12** **Ik maak de Nijlarmen tot droog land en verkoop het land aan slechte mensen. Ik verwoest het land en alles wat erin is, door de hand van vreemden. Ik, Yahweh, heb gesproken.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal maken | יְאֹרִים֙ (yeorim) = Nijlarmen | חָֽרָבָ֔ה (charava) = tot droog land | וּמָכַרְתִּ֥י (umakharti) = en Ik zal verkopen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | בְּיַד (beyad) = in de hand van | רָעִ֑ים (raim) = slechte mensen | וַהֲשִׁמֹּתִ֞י (vahashimoti) = en Ik zal verwoesten | אֶ֤רֶץ (erets) = land | וּמְלֹאָהּ֙ (umeloah) = en wat het vult | בְּיַד (beyad) = door de hand van | זָרִ֔ים (zarim) = vreemden | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּֽרְתִּי (dibarti) = heb gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יארים (ye’orim), ‘Nijlarmen’: de armen en kanalen van de Nijl; zie ook Jes. 19:6. Voetnoot : חרבה (charavah), ‘droog land’: land zonder water, zoals de bodem van een uitgedroogde rivier. Voetnoot : רעים (ra’im), ‘slechte mensen’: de Babyloniërs en hun legers. Zie ook: Jes 19:6; Jer 50:38; Ezech 28:10; Ezech 29:3; Ezech 31:12; 1 Kor 10:26 ### Yahweh straft de steden van Egypte **30:13** Zo zegt Heer Yahweh: **Ik laat de mestgoden omkomen en doe de nietige goden uit Nof ophouden. Er zal geen vorst meer zijn uit het land Egypte. Ik zet vrees in het land Egypte.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | וְהַאֲבַדְתִּ֨י (vehaavadti) = en Ik zal laten omkomen | גִלּוּלִ֜ים (gilulim) = mestgoden | וְהִשְׁבַּתִּ֤י (vehishbati) = en Ik zal doen ophouden | אֱלִילִים֙ (elilim) = nietige goden | מִנֹּ֔ף (minof) = uit Nof | וְנָשִׂ֥יא (venasi) = en een vorst | מֵאֶֽרֶץ (meerets) = uit het land van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | לֹ֣א (lo) = niet | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | ע֑וֹד (od) = meer | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal zetten | יִרְאָ֖ה (yira) = vrees | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Nof (Memfis): Memfis (Mof) was een oude hoofdstad van Egypte, bij Mit Rahina, ten zuiden van het huidige Caïro, aan de Nijl. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: גלולים (gillulim), ‘mestgoden’: een scheldwoord voor afgoden; zie de Uitleg bij Ezech. 6:4. Voetnoot : אלילים (elilim), ‘nietige goden’: zoals in Lev. 19:4 en Jes. 2:8. Voetnoot : נף (Nof): Memfis, zie Jes. 19:13. Voetnoot : נשׂיא (nasi), ‘vorst’: een leider of prins. Vanaf nu zal Egypte geen eigen vorst meer hebben, maar vreemde heersers. Voetnoot : יראה (yir’ah), ‘vrees’: ontzag, schrik. Zie ook: Lev 19:4; Jes 2:8; Jes 19:13; Jer 2:16; Jer 43:12–44:1; Jer 46:14; Ezech 6:4; Zach 10:11; Zach 13:2 **30:14** **Ik verwoest Patros, zet vuur in Soan en voltrek gerichten in No.** Brontekst: וַהֲשִׁמֹּתִי֙ (vahashimoti) = en Ik zal verwoesten | אֶת (et) = (obj.) | פַּתְר֔וֹס (patros) = Patros | וְנָתַ֥תִּי (venatati) = en Ik zal zetten | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | בְּצֹ֑עַן (betsoan) = in Soan | וְעָשִׂ֥יתִי (veasiti) = en Ik zal voltrekken | שְׁפָטִ֖ים (shefatim) = gerichten | בְּנֹֽא (beno) = in No Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Patros (Opper-Egypte): Patros is Opper-Egypte, het zuiden van Egypte langs de Nijl, ten zuiden van de delta. De grenzen zijn niet scherp te trekken. Zie Soan: Soan (Tanis) lag in de noordoostelijke Nijldelta, bij het huidige San el-Hagar. Zie No (Thebe): No (No-Amon) is Thebe, de oude hoofdstad van Opper-Egypte, bij het huidige Luxor, aan de Nijl. Voetnoot Uitleg: פתרוס (Patros): Opper-Egypte, het zuiden van het land; zie Jes. 11:11. Voetnoot : צען (Tso’an), ‘Soan’: de stad Tanis in de Nijldelta; zie Jes. 19:11. Voetnoot : נא (No): Thebe, de oude hoofdstad van Opper-Egypte. In Nahum heet de stad No-Amon (Nah. 3:8). Voetnoot : שׁפטים (shefatim), ‘gerichten’: vonnissen die worden uitgevoerd, zoals in Ezech. 5:8. Zie ook: Ps 78:12; Ps 78:43; Jes 11:11; Jes 19:11; Nah 3:8; Jer 46:25; Ezech 5:8; Ezech 29:14 **30:15** **Ik stort Mijn grimmigheid uit over Sin, de vesting van Egypte, en Ik roei de menigte van No uit.** Brontekst: וְשָׁפַכְתִּ֣י (veshafakhti) = en Ik zal uitstorten | חֲמָתִ֔י (chamati) = Mijn grimmigheid | עַל (al) = over | סִ֖ין (sin) = Sin | מָע֣וֹז (maoz) = vesting van | מִצְרָ֑יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהִכְרַתִּ֖י (vehikhrati) = en Ik zal uitroeien | אֶת (et) = (obj.) | הֲמ֥וֹן (hamon) = menigte van | נֹֽא (no) = No Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Sin (Pelusium): Sin is Pelusium, de oostelijke grensvesting van Egypte aan de rand van het Nijldelta, bij het huidige Tell el-Farama. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie No (Thebe): No (No-Amon) is Thebe, de oude hoofdstad van Opper-Egypte, bij het huidige Luxor, aan de Nijl. Voetnoot Uitleg: סין (Sin): een vesting in het oosten van de Nijldelta, waarschijnlijk Pelusium. Het is niet de ‘woestijn Sin’ van Exod. 16:1. Voetnoot : מעוז (ma’oz), ‘vesting’: een sterke plaats, ook ‘toevlucht’. Zie ook: Ex 16:1; Ps 11:6; Nah 1:6; Openb 16:1 **30:16** **Ik zet vuur in Egypte. Sin zal zich kronkelen van pijn. No wordt opengebroken, en Nof krijgt vijanden overdag.** Brontekst: וְנָתַ֤תִּי (venatati) = en Ik zal zetten | אֵשׁ֙ (esh) = vuur | בְּמִצְרַ֔יִם (bemitsrayim) = in Egypte | ח֤וּל (chul) = zich kronkelen | תָּחוּל֙ (tachul) = zal zich kronkelen | סִ֔ין (sin) = Sin | וְנֹ֖א (veno) = en No | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | לְהִבָּקֵ֑עַ (lehibaqea) = om opengebroken te worden | וְנֹ֖ף (venof) = en Nof | צָרֵ֥י (tsarei) = vijanden van | יוֹמָֽם (yomam) = overdag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie Sin (Pelusium): Sin is Pelusium, de oostelijke grensvesting van Egypte aan de rand van het Nijldelta, bij het huidige Tell el-Farama. Zie No (Thebe): No (No-Amon) is Thebe, de oude hoofdstad van Opper-Egypte, bij het huidige Luxor, aan de Nijl. Zie Nof (Memfis): Memfis (Mof) was een oude hoofdstad van Egypte, bij Mit Rahina, ten zuiden van het huidige Caïro, aan de Nijl. Voetnoot Uitleg: חול תחול (chul tachul), ‘zal zich kronkelen’: dubbele vorm voor nadruk, zoals bij een vrouw die baart. Voetnoot : להבקע (lehibbaqea), ‘opengebroken worden’: de stadsmuren worden doorbroken. Voetnoot : צרי יומם (tsarei yomam), ‘vijanden overdag’: onzeker. Het kan ook ‘benauwdheden overdag’ betekenen. Waarschijnlijk valt de vijand openlijk aan, bij daglicht. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Ezech 28:18; Ezech 30:8–9 **30:17** **De jongemannen van On en Pi-Beset vallen door het zwaard, en de steden zelf gaan in gevangenschap.** Brontekst: בַּח֥וּרֵי (bachurei) = jongemannen van | אָ֛וֶן (aven) = On | וּפִי (ufi) = en Pi | בֶ֖סֶת (beset) = Beset | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = door het zwaard | יִפֹּ֑לוּ (yipolu) = zullen vallen | וְהֵ֖נָּה (vehena) = en zij | בַּשְּׁבִ֥י (bashevi) = in gevangenschap | תֵלַֽכְנָה (telakhna) = zullen gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie On: On (Heliopolis) lag in het noorden van Egypte, ten noordoosten van het huidige Caïro. Zie Pi-Beset (Bubastis): Pi-Beset is Bubastis, in het oostelijke Nijldelta, bij het huidige Tell Basta, bij Zagazig. Voetnoot Uitleg: און (Aven), ‘On’: de stad On (Heliopolis) in de Nijldelta. Het woord klinkt als און (aven), ‘onrecht’; vergelijk Jes. 1:13. Voetnoot : פי בסת (Pi-Beset): de stad Bubastis in de Nijldelta. Voetnoot : והנה (vehennah), ‘en zij’: vrouwelijk meervoud, dus de steden of hun vrouwen. Wij schrijven ‘de steden zelf’. Zie ook: Gen 41:45; Jes 1:13 **30:18** **In Tachpanches wordt de dag donker wanneer Ik daar de jukken van Egypte breek. De trots van haar kracht komt daarin tot een einde. Zij wordt door een wolk bedekt, en haar dochters gaan in gevangenschap.** Brontekst: וּבִֽתְחַפְנְחֵס֙ (uvitchafneches) = en in Tachpanches | חָשַׂ֣ךְ (chasakh) = wordt donker | הַיּ֔וֹם (hayom) = de dag | בְּשִׁבְרִי (beshivri) = wanneer Ik breek | שָׁם֙ (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | מֹט֣וֹת (motot) = jukken van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְנִשְׁבַּת (venishbat) = en komt tot een einde | בָּ֖הּ (bah) = daarin | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | עֻזָּ֑הּ (uzah) = haar kracht | הִ֚יא (hi) = zij | עָנָ֣ן (anan) = een wolk | יְכַסֶּ֔נָּה (yekhasena) = zal haar bedekken | וּבְנוֹתֶ֖יהָ (uvenoteiha) = en haar dochters | בַּשְּׁבִ֥י (bashevi) = in gevangenschap | תֵלַֽכְנָה (telakhna) = zullen gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tachpanches (Tell Defenneh): Tachpanches (Tafnes, Daphne) was een grensvesting in het oostelijke Nijldelta, bij het huidige Tell Defenneh, waar Judese vluchtelingen zich vestigden. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: תחפנחס (Tachpanches): een grensstad in het oosten van de Nijldelta. Voetnoot : מטות (motot), ‘jukken’: de staven van het juk, zoals in Lev. 26:13. Egypte heeft anderen onderdrukt; zijn eigen jukken worden gebroken. Voetnoot : בנותיה (benoteha), ‘haar dochters’: de omliggende plaatsen van een stad. Voetnoot Lezing: Het geschreven woord חשׂך (chasakh), met de letter sin, betekent letterlijk ‘terughouden’ (de dag houdt zijn licht terug). Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij vertalen ‘wordt donker’, wat bij de context past. Zie ook: Lev 26:13; Jes 5:30; Jes 10:27; Jer 2:16; Ezech 29:15; Ezech 30:3 **30:19** **Ik voltrek gerichten in Egypte. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: וְעָשִׂ֥יתִי (veasiti) = en Ik zal voltrekken | שְׁפָטִ֖ים (shefatim) = gerichten | בְּמִצְרָ֑יִם (bemitsrayim) = in Egypte | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Hier eindigt wat Ezechiël moet zeggen (vers 2–19). Het slot ‘en zij zullen weten dat Ik Yahweh ben’ is de hoofdformule van het boek. Zie ook: Ezech 5:8; Ezech 5:15; Ezech 30:2–19; Ezech 30:14; Rom 2:5; Openb 17:1 ### De gebroken arm van farao **30:20** In het elfde jaar, in de eerste maand, op de zevende van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij: Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het werd | בְּאַחַ֤ת (beachat) = in een | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | בָּֽרִאשׁ֖וֹן (barishon) = in de eerste | בְּשִׁבְעָ֣ה (beshiva) = op de zevende | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָיָ֥ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De jaren worden geteld vanaf de wegvoering van koning Jojachin (2 Kon. 24:12–15; zie Ezech. 1:2). Het elfde jaar is ongeveer 587 v.Chr. De eerste maand is de maand Nisan (maart-april). Zie ook: 2 Kon 24:12–15; Ezech 1:2; Ezech 26:1; Ezech 29:1; Ezech 29:17; Ezech 31:1 **30:21** **„Mensenkind, de arm van farao, de koning van Egypte, heb Ik gebroken. En zie, de arm is niet verbonden. Er zijn geen geneesmiddelen gegeven. Er is geen verband gelegd om hem te verbinden en sterk te maken, zodat hij het zwaard kan vasthouden.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | אֶת (et) = (obj.) | זְר֛וֹעַ (zeroa) = arm van | פַּרְעֹ֥ה (paro) = farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | שָׁבָ֑רְתִּי (shavarti) = heb Ik gebroken | וְהִנֵּ֣ה (vehine) = en zie | לֹֽא (lo) = niet | חֻ֠בְּשָׁה (chubesha) = is zij verbonden | לָתֵ֨ת (latet) = om te geven | רְפֻא֜וֹת (refuot) = geneesmiddelen | לָשׂ֥וּם (lasum) = om te leggen | חִתּ֛וּל (chitul) = verband | לְחָבְשָׁ֥הּ (lechaveshah) = om haar te verbinden | לְחָזְקָ֖הּ (lechazeqah) = om haar sterk te maken | לִתְפֹּ֥שׂ (litpos) = om vast te houden | בֶּחָֽרֶב (becharev) = het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: זרוע (zero’a), ‘arm’: beeld van kracht en macht. De arm van farao is al gebroken en niet genezen. Voetnoot : חתול (chittul), ‘verband’: een windsel, een doek om een breuk vast te zetten. Zie ook: Ps 10:15; Ps 37:17; Jer 30:13; Jer 46:11; Jer 48:25 **30:22** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik ben tegen farao, de koning van Egypte. Ik breek zijn armen, de sterke en de gebroken arm. Ik laat het zwaard uit zijn hand vallen.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִי֙ (hinni) = zie Ik | אֶל (el) = tegen | פַּרְעֹ֣ה (paro) = farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְשָֽׁבַרְתִּי֙ (veshavarti) = en Ik zal breken | אֶת (et) = (obj.) | זְרֹ֣עֹתָ֔יו (zerootav) = zijn armen | אֶת (et) = (obj.) | הַחֲזָקָ֖ה (hachazaqa) = de sterke | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנִּשְׁבָּ֑רֶת (hanishbaret) = de gebroken | וְהִפַּלְתִּ֥י (vehipalti) = en Ik zal doen vallen | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֖רֶב (hacherev) = het zwaard | מִיָּדֽוֹ (miyado) = uit zijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: הנני אל (hinneni el), ‘zie, Ik ben tegen’: een vaste formule voor een aankondiging van oordeel, zoals in Nah. 2:14 en Ezech. 5:8. Voetnoot : החזקה ואת הנשׁברת (hachazaqah ve’et hannishbaret), ‘de sterke en de gebroken arm’: de arm van farao was al gebroken (vers 21); nu worden ook zijn andere armen gebroken. Zie ook: Ps 37:17; 2 Kon 24:7; Nah 2:14; Jer 37:7; Jer 46:21–25; Ezech 5:8; Ezech 29:3; Ezech 30:21 **30:23** **Ik verspreid Egypte onder de volken en strooi hen uit over de landen.** Brontekst: וַהֲפִצוֹתִ֥י (vahafitsoti) = en Ik zal verspreiden | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | בַּגּוֹיִ֑ם (bagoyim) = onder de volken | וְזֵרִיתִ֖ם (vezeritim) = en Ik zal hen uitstrooien | בָּאֲרָצֽוֹת (baaratsot) = over de landen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ezech 29:12–13; Ezech 30:17–18; Ezech 30:26 **30:24** **Ik maak de armen van de koning van Babel sterk en leg Mijn zwaard in zijn hand. De armen van farao breek Ik, en hij kreunt voor hem zoals een dodelijk gewonde kreunt.** Brontekst: וְחִזַּקְתִּ֗י (vechizaqti) = en Ik zal sterk maken | אֶת (et) = (obj.) | זְרֹעוֹת֙ (zeroot) = armen van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal leggen | אֶת (et) = (obj.) | חַרְבִּ֖י (charbi) = Mijn zwaard | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וְשָׁבַרְתִּי֙ (veshavarti) = en Ik zal breken | אֶת (et) = (obj.) | זְרֹע֣וֹת (zeroot) = armen van | פַּרְעֹ֔ה (paro) = farao | וְנָאַ֛ק (venaaq) = en hij zal kreunen | נַאֲק֥וֹת (naaqot) = kreunen van | חָלָ֖ל (chalal) = dodelijk gewonde | לְפָנָֽיו (lefanav) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Voetnoot Uitleg: ונאק נאקות חלל (vena’aq ne’aqot chalal), ‘hij kreunt zoals een dodelijk gewonde kreunt’: ‘hij’ is farao, ‘voor hem’ is de koning van Babel. Wij laten de namen weg zoals het Hebreeuws. Zie ook: Jes 45:1; Jes 45:5; Sef 2:12; Ezech 30:25; Neh 6:9 **30:25** **Ik maak de armen van de koning van Babel sterk, maar de armen van farao vallen neer. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel geef. Hij strekt het uit tegen het land Egypte.** Brontekst: וְהַחֲזַקְתִּ֗י (vehachazaqti) = en Ik zal sterk maken | אֶת (et) = (obj.) | זְרֹעוֹת֙ (zeroot) = armen van | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וּזְרֹע֥וֹת (uzeroot) = en armen van | פַּרְעֹ֖ה (paro) = farao | תִּפֹּ֑לְנָה (tipolena) = zullen vallen | וְֽיָדְע֞וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בְּתִתִּ֤י (betiti) = wanneer Ik geef | חַרְבִּי֙ (charbi) = Mijn zwaard | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֔ל (bavel) = Babel | וְנָטָ֥ה (venata) = en hij zal uitstrekken | אוֹתָ֖הּ (otah) = het | אֶל (el) = tegen | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | מִצְרָֽיִם (mitsrayim) = Egypte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ps 9:17; Ezech 29:21; Ezech 32:15; Ezech 38:16; Ezech 39:21–22 **30:26** **Ik verspreid Egypte onder de volken en strooi hen uit over de landen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: וַהֲפִצוֹתִ֤י (vahafitsoti) = en Ik zal verspreiden | אֶת (et) = (obj.) | מִצְרַ֨יִם֙ (mitsrayim) = Egypte | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | וְזֵרִיתִ֥י (vezeriti) = en Ik zal uitstrooien | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | בָּאֲרָצ֑וֹת (baaratsot) = over de landen | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Zie ook: Ezech 6:13; Ezech 29:12; Ezech 30:17–18; Ezech 30:23; Dan 11:42 ## Ezechiël 31 _De hoge ceder die in Sjeol wordt neergehaald: Farao en Assyrië_ **31:1** In het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij: Brontekst: וַיְהִ֗י (vayhi) = en het werd | בְּאַחַ֤ת (beachat) = in een | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | בַּשְּׁלִישִׁ֖י (bashelishi) = in de derde | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op de eerste | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָיָ֥ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De derde maand van het elfde jaar ligt ongeveer twee maanden na de datum van Ezech. 30:20. Het elfde jaar is geteld vanaf de wegvoering van Jojachin (2 Kon. 24:12–15), ongeveer 587 v.Chr. Zie ook: 2 Kon 24:12–15; Jer 52:5–6; Ezech 1:2; Ezech 30:20 ### Wie ben je gelijk in je grootheid? **31:2** **„Mensenkind, zeg tegen Farao, de koning van Egypte, en tegen zijn menigte: ‘Wie ben je gelijk in je grootheid?** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | אֱמֹ֛ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tegen | פַּרְעֹ֥ה (paro) = Farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאֶל (veel) = en tegen | הֲמוֹנ֑וֹ (hamono) = zijn menigte | אֶל (el) = naar | מִ֖י (mi) = wie | דָּמִ֥יתָ (damita) = ben je gelijk | בְגָדְלֶֽךָ (begadelekha) = in je grootheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Het hoofdstuk is een vergelijking: Farao is gelijk aan een hoge boom. Wat Ezechiël moet zeggen, begint met ‘Wie ben je gelijk in je grootheid?’ en staat tussen enkele aanhalingstekens. Voetnoot : הֲמוֹן (hamon), ‘menigte’: zie de Uitleg bij Ezech. 30:4. Zie ook: Nah 3:8–10; Jer 1:17; Ezech 29:19; Ezech 30:4; Ezech 30:10; Ezech 31:18 ### Assyrië, een ceder op de Libanon **31:3** **Zie, Assyrië was een ceder op de Libanon, mooi van takken, een schaduwgevend woud, hoog van gestalte. Zijn top was tussen het dichte lover.** Brontekst: הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אַשּׁ֜וּר (ashur) = Assyrië | אֶ֣רֶז (erez) = ceder | בַּלְּבָנ֗וֹן (balevanon) = op de Libanon | יְפֵ֥ה (yefe) = mooi van | עָנָ֛ף (anaf) = takken | וְחֹ֥רֶשׁ (vechoresh) = en woud | מֵצַ֖ל (metsal) = schaduwgevend | וּגְבַ֣הּ (ugevah) = en hoog van | קוֹמָ֑ה (qoma) = gestalte | וּבֵ֣ין (uvein) = en tussen | עֲבֹתִ֔ים (avotim) = dicht lover | הָיְתָ֖ה (hayeta) = was | צַמַּרְתּֽוֹ (tsamarto) = zijn top Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: אַשּׁוּר (Ashur), ‘Assyrië’: het rijk Assyrië wordt hier als een ceder voorgesteld. Het beeld dient als vergelijking voor Farao. Daarmee volgen wij de Masoretische tekst. Voetnoot : חֹרֶשׁ מֵצַל (choresh metsal), ‘een schaduwgevend woud’: de takken vormen zelf een woud dat schaduw geeft. Voetnoot : עֲבֹתִים (avotim), ‘dicht lover’: dikke, in elkaar gevlochten takken en bladeren. Het woord keert terug in vers 10 en 14. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier niet ‘Assyrië’ maar de naam van een andere boom. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Re 9:15; Jes 10:33–34; Ezech 17:22; Ezech 31:10; Ezech 31:14; Dan 4:7; Dan 4:17–20 **31:4** **Water maakte hem groot, de oervloed verhief hem. Haar stromen liepen rondom haar plantplaats, en haar kanalen zond zij naar alle bomen van het veld.** Brontekst: מַ֣יִם (mayim) = water | גִּדְּל֔וּהוּ (gideluhu) = maakte hem groot | תְּה֖וֹם (tehom) = oervloed | רֹֽמְמָ֑תְהוּ (romematehu) = verhief hem | אֶת (et) = (obj.) | נַהֲרֹתֶ֗יהָ (naharoteiha) = haar stromen | הֹלֵךְ֙ (holekh) = lopend | סְבִיב֣וֹת (sevivot) = rondom | מַטָּעָ֔הּ (mataah) = haar plantplaats | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תְּעָלֹתֶ֣יהָ (tealoteiha) = haar kanalen | שִׁלְחָ֔ה (shilcha) = zond zij | אֶ֖ל (el) = naar | כָּל (kal) = alle | עֲצֵ֥י (atsei) = bomen van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּהוֹם (tehom), ‘oervloed’: het diepe water onder de aarde, zoals in Gen. 7:11 (‘de grote watermassa’). Voetnoot : De woorden ‘haar stromen’ en ‘haar kanalen’ zijn vrouwelijk in het Hebreeuws. Ze verwijzen waarschijnlijk naar de oervloed. De verwijzing is niet helemaal zeker. Voetnoot : מַטָּעָהּ (matta’ah), ‘haar plantplaats’: de plek waar de boom stond. Zie ook: Gen 7:11; Spr 14:28; Ezech 17:5; Ezech 17:8; Openb 17:1; Openb 17:15 **31:5** **Daarom werd zijn gestalte hoger dan alle bomen van het veld. Zijn takken werden talrijk en zijn twijgen werden lang door het vele water, toen hij ze uitschoot.** Brontekst: עַל (al) = daarom | כֵּן֙ (ken) = zo | גָּבְהָ֣א (gaveha) = werd hoog | קֹמָת֔וֹ (qomato) = zijn gestalte | מִכֹּ֖ל (mikol) = meer dan alle | עֲצֵ֣י (atsei) = bomen van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | וַתִּרְבֶּ֨ינָה (vatirbeina) = en werden talrijk | סַֽרְעַפֹּתָ֜יו (sarapotav) = zijn takken | וַתֶּאֱרַ֧כְנָה (vateerakhna) = en werden lang | פֹארֹתָ֛יו (porotav) = zijn twijgen | מִמַּ֥יִם (mimayim) = door water | רַבִּ֖ים (rabim) = veel | בְּשַׁלְּחֽוֹ (beshalecho) = toen hij uitschoot Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּשַׁלְּחוֹ (beshallecho), ‘toen hij ze uitschoot’: het werkwoord שָׁלַח (shalach) betekent ‘zenden’; hier ‘uitlopen, uitschieten’. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat פארת (pa’rot), ‘zijn twijg’, in het enkelvoud; de overlevering leest פֹארֹתָיו (po’rotav), ‘zijn twijgen’. Wij volgen de overlevering. Zie ook: Ps 37:35–36; Jes 36:4; Jes 37:11–13; Ezech 17:5; Dan 4:8 **31:6** **In zijn takken nestelden alle vogels van de hemel. Onder zijn twijgen wierpen alle dieren van het veld hun jongen. In zijn schaduw woonden al die vele volken.** Brontekst: בִּסְעַפֹּתָ֤יו (bisapotav) = in zijn takken | קִֽנְנוּ֙ (qinnu) = nestelden | כָּל (kal) = alle | ע֣וֹף (of) = vogels van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְתַ֤חַת (vetachat) = en onder | פֹּֽארֹתָיו֙ (porotav) = zijn twijgen | יָֽלְד֔וּ (yaledu) = wierpen jongen | כֹּ֖ל (kol) = alle | חַיַּ֣ת (chayat) = dieren van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | וּבְצִלּוֹ֙ (uvetsilo) = en in zijn schaduw | יֵֽשְׁב֔וּ (yeshevu) = woonden | כֹּ֖ל (kol) = alle | גּוֹיִ֥ם (goyim) = volken | רַבִּֽים (rabim) = vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 17:23; Dan 4:9; Dan 4:18; Mat 13:32 **31:7** **Hij was mooi in zijn grootte, in de lengte van zijn ranken, want zijn wortel was bij vele wateren.** Brontekst: וַיְּיִ֣ף (vayeyif) = en hij was mooi | בְּגָדְל֔וֹ (begadelo) = in zijn grootte | בְּאֹ֖רֶךְ (beorekh) = in de lengte van | דָּֽלִיּוֹתָ֑יו (daliyotav) = zijn ranken | כִּֽי (ki) = want | הָיָ֥ה (haya) = was | שָׁרְשׁ֖וֹ (sharesho) = zijn wortel | אֶל (el) = bij | מַ֥יִם (mayim) = water | רַבִּֽים (rabim) = veel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **31:8** **Cederen in de tuin van Elohim overschaduwden hem niet. Cipressen waren niet gelijk aan zijn takken, en platanen waren niet als zijn twijgen. Geen boom in de tuin van Elohim was hem gelijk in zijn schoonheid.** Brontekst: אֲרָזִ֣ים (arazim) = cederen | לֹֽא (lo) = niet | עֲמָמֻהוּ֮ (amamuhu) = overschaduwden hem | בְּגַן (began) = in de tuin van | אֱלֹהִים֒ (Elohim) = Elohim | בְּרוֹשִׁ֗ים (beroshim) = cipressen | לֹ֤א (lo) = niet | דָמוּ֙ (damu) = waren gelijk | אֶל (el) = aan | סְעַפֹּתָ֔יו (seapotav) = zijn takken | וְעַרְמֹנִ֥ים (vearmonim) = en platanen | לֹֽא (lo) = niet | הָי֖וּ (hayu) = waren | כְּפֹֽארֹתָ֑יו (keforotav) = als zijn twijgen | כָּל (kal) = geen | עֵץ֙ (ets) = boom | בְּגַן (began) = in de tuin van | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | לֹא (lo) = niet | דָמָ֥ה (dama) = was gelijk | אֵלָ֖יו (elav) = aan hem | בְּיָפְיֽוֹ (beyafeyo) = in zijn schoonheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גַּן אֱלֹהִים (gan Elohim), ‘de tuin van Elohim’: de tuin in Eden, zie Gen. 2:8–9. Zie ook Ezech. 28:13. Voetnoot : עֲמָמֻהוּ (amamuhu), ‘overschaduwden hem’: de betekenis is niet helemaal zeker. Het kan ook ‘evenaarden hem’ of ‘verborgen hem’ betekenen. Voetnoot : עַרְמֹנִים (armonim), ‘platanen’: zoals in Gen. 30:37. Zie ook: Gen 2:8–9; Gen 13:10; Gen 30:37; Ps 80:11; Jes 51:3; Ezech 28:13; Ezech 31:18 **31:9** **Mooi heb Ik hem gemaakt, met de overvloed van zijn ranken. Alle bomen van Eden die in de tuin van Elohim stonden, werden jaloers op hem.** Brontekst: יָפֶ֣ה (yafe) = mooi | עֲשִׂיתִ֔יו (asitiv) = heb Ik hem gemaakt | בְּרֹ֖ב (berov) = met de overvloed van | דָּֽלִיּוֹתָ֑יו (daliyotav) = zijn ranken | וַיְקַנְאֻ֨הוּ֙ (vayqanuhu) = en zij waren jaloers op hem | כָּל (kal) = alle | עֲצֵי (atsei) = bomen van | עֵ֔דֶן (eden) = Eden | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | בְּגַ֥ן (began) = in de tuin van | הָאֱלֹהִֽים (haElohim) = de Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 13:10; Ps 75:7–8; Jes 51:3; Ezech 28:13; Dan 2:37–38 ### De ceder wordt omgehakt **31:10** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Omdat je hoog van gestalte werd, en hij zijn top tussen het dichte lover stak, en zijn hart trots werd op zijn hoogte,** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֕עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | גָּבַ֖הְתָּ (gavahta) = je werd hoog | בְּקוֹמָ֑ה (beqoma) = in gestalte | וַיִּתֵּ֤ן (vayiten) = en hij gaf | צַמַּרְתּוֹ֙ (tsamarto) = zijn top | אֶל (el) = tot | בֵּ֣ין (bein) = tussen | עֲבוֹתִ֔ים (avotim) = dicht lover | וְרָ֥ם (veram) = en trots was | לְבָב֖וֹ (levavo) = zijn hart | בְּגָבְהֽוֹ (begaveho) = in zijn hoogte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin springt van ‘je’ naar ‘hij’: ‘omdat je hoog werd, en hij zijn top stak’. Het Hebreeuws wisselt hier van persoon, omdat de boom en Farao samenvallen. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen ‘hij werd hoog’ in plaats van ‘je werd hoog’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Spr 18:12; 2 Kron 32:25; Ob 1:3; Ezech 28:17; Dan 5:20 **31:11** **geef Ik hem in de hand van een machtige onder de volken. Die zal zeker met hem handelen. Om zijn goddeloosheid heb Ik hem verdreven.** Brontekst: וְאֶ֨תְּנֵ֔הוּ (veetenehu) = en Ik geef hem | בְּיַ֖ד (beyad) = in de hand van | אֵ֣יל (eil) = een machtige van | גּוֹיִ֑ם (goyim) = volken | עָשׂ֤וֹ (aso) = zeker | יַֽעֲשֶׂה֙ (yaase) = zal hij handelen | ל֔וֹ (lo) = met hem | כְּרִשְׁע֖וֹ (kerisho) = naar zijn goddeloosheid | גֵּרַשְׁתִּֽהוּ (gerashtihu) = heb Ik hem verdreven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵיל גּוֹיִם (eil goyim), ‘een machtige onder de volken’: het woord אַיִל (ayil) betekent letterlijk ‘ram’ en daarna ‘leider, machtige’. Hier is dat de koning van Babel. Voetnoot : עָשֹׂה יַעֲשֶׂה לוֹ (asoh ya’aseh lo), ‘hij zal zeker met hem handelen’: dubbele vorm voor nadruk. Zie ook: Deut 18:12; Nah 3:18; Ezech 32:11–12; Dan 5:18–19; Mat 7:1–2 **31:12** **Vreemden hebben hem omgehouwen, de geweldenaars onder de volken, en hebben hem laten liggen. Op de bergen en in alle dalen vielen zijn ranken, en zijn twijgen braken in alle beekbeddingen van het land. Alle volken van de aarde gingen weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen.** Brontekst: וַיִּכְרְתֻ֧הוּ (vayikhretuhu) = en hebben hem omgehouwen | זָרִ֛ים (zarim) = vreemden | עָרִיצֵ֥י (aritsei) = geweldenaars van | גוֹיִ֖ם (goyim) = volken | וַֽיִּטְּשֻׁ֑הוּ (vayiteshuhu) = en lieten hem liggen | אֶל (el) = op | הֶ֠הָרִים (heharim) = de bergen | וּבְכָל (uvekhal) = en in alle | גֵּ֨אָי֜וֹת (geayot) = dalen | נָפְל֣וּ (nafelu) = vielen | דָלִיּוֹתָ֗יו (daliyotav) = zijn ranken | וַתִּשָּׁבַ֤רְנָה (vatishavarna) = en werden gebroken | פֹֽארֹתָיו֙ (porotav) = zijn twijgen | בְּכֹל֙ (bekhol) = in alle | אֲפִיקֵ֣י (afiqei) = beekbeddingen van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וַיֵּרְד֧וּ (vayeredu) = en gingen weg | מִצִּלּ֛וֹ (mitsilo) = uit zijn schaduw | כָּל (kal) = alle | עַמֵּ֥י (amei) = volken van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | וַֽיִּטְּשֻֽׁהוּ (vayiteshuhu) = en lieten hem liggen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָרִיצֵי גּוֹיִם (aritsei goyim), ‘geweldenaars onder de volken’: zoals in Ezech. 30:11 en 32:12. Voetnoot : אֲפִיקֵי הָאָרֶץ (afiqei ha’arets), ‘beekbeddingen van het land’: de dalen waar bij regen beken stromen. Zie ook: Nah 3:17–18; Hab 1:6; Ezech 28:7; Ezech 30:11; Ezech 32:12; Ezech 35:8 **31:13** **Op zijn omgevallen stam wonen alle vogels van de hemel, en op zijn twijgen zijn alle dieren van het veld.** Brontekst: עַל (al) = op | מַפַּלְתּ֥וֹ (mapalto) = zijn val | יִשְׁכְּנ֖וּ (yishkenu) = wonen | כָּל (kal) = alle | ע֣וֹף (of) = vogels van | הַשָּׁמָ֑יִם (hashamayim) = de hemel | וְאֶל (veel) = en op | פֹּארֹתָ֣יו (porotav) = zijn twijgen | הָי֔וּ (hayu) = waren | כֹּ֖ל (kol) = alle | חַיַּ֥ת (chayat) = dieren van | הַשָּׂדֶֽה (hasade) = het veld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַפַּלְתּוֹ (mappalto), ‘zijn val’: letterlijk ‘het gevallene van hem’. Wij schrijven ‘zijn omgevallen stam’. Zie ook: Jes 18:6; Ezech 29:5; Ezech 32:4; Openb 19:17–18 **31:14** **Zodat geen enkele boom bij het water zich verheft in zijn gestalte en geen enkele zijn top tussen het dichte lover steekt. Ook blijft niemand van al die water drinken in zijn hoogte bij hen staan. Want zij zijn allen overgegeven aan de dood, aan de diepste aarde, te midden van mensenkinderen, bij hen die in de kuil neerdalen.** Brontekst: לְמַ֡עַן (lemaan) = opdat | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | לֹא (lo) = niet | יִגְבְּה֨וּ (yigbehu) = zich verheffen | בְקוֹמָתָ֜ם (beqomatam) = in hun gestalte | כָּל (kal) = alle | עֲצֵי (atsei) = bomen van | מַ֗יִם (mayim) = water | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִתְּנ֤וּ (yitenu) = zullen geven | אֶת (et) = (obj.) | צַמַּרְתָּם֙ (tsamartam) = hun top | אֶל (el) = tot | בֵּ֣ין (bein) = tussen | עֲבֹתִ֔ים (avotim) = dicht lover | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַעַמְד֧וּ (yaamdu) = zullen staan | אֵלֵיהֶ֛ם (eleihem) = bij hen | בְּגָבְהָ֖ם (begaveham) = in hun hoogte | כָּל (kal) = alle | שֹׁ֣תֵי (shotei) = drinkers van | מָ֑יִם (mayim) = water | כִּֽי (ki) = want | כֻלָּם֩ (kulam) = zij allen | נִתְּנ֨וּ (nitenu) = zijn overgegeven | לַמָּ֜וֶת (lamavet) = aan de dood | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | תַּחְתִּ֗ית (tachtit) = de diepte | בְּת֛וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | אָדָ֖ם (adam) = mensen | אֶל (el) = bij | י֥וֹרְדֵי (yoredei) = hen die neerdalen naar | בֽוֹר (bor) = de kuil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het slot van de zin is moeilijk: ‘en niet zullen staan bij hen in hun hoogte alle drinkers van water’. De betekenis van ‘bij hen’ is niet helemaal zeker. Voetnoot : אֶרֶץ תַּחְתִּית (erets tachtit), ‘de diepste aarde’: de onderwereld, waar de doden zijn. Dezelfde woorden staan in vers 16 en 18. Voetnoot : בּוֹר (vor), ‘kuil’: een ander woord voor de onderwereld, zoals in Jes. 14:15. Zie ook: Ps 63:10–11; Jes 14:15; Ezech 26:20; Ezech 31:16; Ezech 31:18; Neh 13:18; 1 Kor 10:11; 2 Petr 2:6 ### De volken beven bij zijn val **31:15** Zo zegt Heer Yahweh: **Op de dag dat hij naar Sjeol afdaalde, liet Ik rouw ontstaan. Ik bedekte de oervloed over hem en hield haar stromen tegen, en de grote wateren werden afgesloten. Ik deed de Libanon om hem donker worden, en alle bomen van het veld verkwijnden om hem.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag | רִדְתּ֤וֹ (ridto) = van zijn afdalen | שְׁא֨וֹלָה֙ (sheola) = naar Sjeol | הֶאֱבַ֜לְתִּי (heevalti) = liet Ik rouwen | כִּסֵּ֤תִי (kiseti) = bedekte Ik | עָלָיו֙ (alav) = over hem | אֶת (et) = (obj.) | תְּה֔וֹם (tehom) = de oervloed | וָֽאֶמְנַע֙ (vaemna) = en Ik hield tegen | נַהֲרוֹתֶ֔יהָ (naharoteiha) = haar stromen | וַיִּכָּלְא֖וּ (vayikaleu) = en werden afgesloten | מַ֣יִם (mayim) = wateren | רַבִּ֑ים (rabim) = grote | וָאַקְדִּ֤ר (vaaqdir) = en Ik deed donker worden | עָלָיו֙ (alav) = om hem | לְבָנ֔וֹן (levanon) = de Libanon | וְכָל (vekhal) = en alle | עֲצֵ֥י (atsei) = bomen van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | עָלָ֥יו (alav) = om hem | עֻלְפֶּֽה (ulpe) = verkwijnden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁאוֹלָה (She’olah), ‘naar Sjeol’: het dodenrijk, zoals in Jes. 14:9. Voetnoot : הֶאֱבַלְתִּי (he’evalti), ‘liet Ik rouw ontstaan’: van אָבַל (aval), ‘rouwen’. Het gaat om rouw in de hele schepping. Voetnoot : וָאַקְדִּר (va’aqdir), ‘Ik deed donker worden’: van קָדַר (qadar), ‘donker zijn, in rouwkleren gaan’. Voetnoot : עֻלְפֶּה (ulfeh), ‘verkwijnden’: het werkwoord is zeldzaam; de betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Jes 14:9; Nah 2:9–11; Mal 3:4; Openb 18:9–11; Openb 18:18–19 **31:16** **Door het geluid van zijn val deed Ik de volken beven, toen Ik hem naar Sjeol deed afdalen, bij hen die in de kuil neerdalen. In de diepste aarde vonden alle bomen van Eden troost, het uitgelezene en het beste van de Libanon, alle waterdrinkers.** Brontekst: מִקּ֤וֹל (miqol) = door het geluid van | מַפַּלְתּוֹ֙ (mapalto) = zijn val | הִרְעַ֣שְׁתִּי (hirashti) = deed Ik beven | גוֹיִ֔ם (goyim) = volken | בְּהוֹרִדִ֥י (behoridi) = toen Ik deed afdalen | אֹת֛וֹ (oto) = hem | שְׁא֖וֹלָה (sheola) = naar Sjeol | אֶת (et) = (obj.) | י֣וֹרְדֵי (yoredei) = hen die neerdalen naar | ב֑וֹר (bor) = de kuil | וַיִּנָּ֨חֲמ֜וּ (vayinachamu) = en zij werden getroost | בְּאֶ֤רֶץ (beerets) = in het land van | תַּחְתִּית֙ (tachtit) = de diepte | כָּל (kal) = alle | עֲצֵי (atsei) = bomen van | עֵ֔דֶן (eden) = Eden | מִבְחַ֥ר (mivchar) = het uitgelezene van | וְטוֹב (vetov) = en het beste van | לְבָנ֖וֹן (levanon) = de Libanon | כָּל (kal) = alle | שֹׁ֥תֵי (shotei) = drinkers van | מָֽיִם (mayim) = water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וַיִּנָּחֲמוּ (vayyinnachamu), ‘vonden troost’: van נָחַם (nacham). De bomen van Eden vinden troost omdat de trotse boom ook neerligt. Voetnoot : מִבְחַר וְטוֹב (mivchar vetov), ‘het uitgelezene en het beste’: de mooiste bomen. Zie ook: Jes 14:8; Jes 14:15; Hab 2:17; Ezech 26:15; Hag 2:7 **31:17** **Ook zij daalden met hem af naar Sjeol, naar de door het zwaard gesneuvelden. Zijn arm: zij woonden in zijn schaduw, te midden van de volken.** Brontekst: גַּם (gam) = ook | הֵ֗ם (hem) = zij | אִתּ֛וֹ (ito) = met hem | יָרְד֥וּ (yaredu) = daalden af | שְׁא֖וֹלָה (sheola) = naar Sjeol | אֶל (el) = naar | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חָ֑רֶב (charev) = het zwaard | וּזְרֹע֛וֹ (uzeroo) = en zijn arm | יָשְׁב֥וּ (yashevu) = woonden | בְצִלּ֖וֹ (betsilo) = in zijn schaduw | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | גּוֹיִֽם (goyim) = volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּזְרֹעוֹ (uzero’o), ‘zijn arm’: waarschijnlijk zijn helpers, die in zijn schaduw woonden; vergelijk het beeld van de ‘arm’ in Ezech. 30:21–25. Het werkwoord staat in het meervoud. Zie ook: Ps 9:18; Klaagl 4:20; Ezech 30:21–25; Ezech 31:3; Ezech 31:6; Neh 3:17–18 ### Farao zal liggen bij de onbesnedenen **31:18** **Met wie ben je zo te vergelijken in heerlijkheid en grootheid onder de bomen van Eden? Je wordt met de bomen van Eden neergebracht naar de diepste aarde. Te midden van onbesnedenen zul je liggen, bij de door het zwaard gesneuvelden. Dat is Farao en heel zijn menigte, godsspraak van Heer Yahweh.’”** Brontekst: אֶל (el) = met | מִ֨י (mi) = wie | דָמִ֥יתָ (damita) = ben je gelijk | כָּ֛כָה (kakha) = zo | בְּכָב֥וֹד (bekhavod) = in heerlijkheid | וּבְגֹ֖דֶל (uvegodel) = en grootheid | בַּעֲצֵי (baatsei) = onder de bomen van | עֵ֑דֶן (eden) = Eden | וְהוּרַדְתָּ֨ (vehuradta) = en je wordt neergebracht | אֶת (et) = (obj.) | עֲצֵי (atsei) = bomen van | עֵ֜דֶן (eden) = Eden | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | תַּחְתִּ֗ית (tachtit) = de diepte | בְּת֨וֹךְ (betokh) = te midden van | עֲרֵלִ֤ים (arelim) = onbesnedenen | תִּשְׁכַּב֙ (tishkav) = zul je liggen | אֶת (et) = bij | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חֶ֔רֶב (cherev) = het zwaard | ה֤וּא (hu) = dat is | פַרְעֹה֙ (paro) = Farao | וְכָל (vekhal) = en heel | הֲמוֹנֹ֔ה (hamono) = zijn menigte | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲרֵלִים (arelim), ‘onbesnedenen’: wie niet bij het verbond hoort. In dit boek ligt Farao straks bij hen in de onderwereld; zie Ezech. 32:19–32. Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de Uitleg bij Ezech. 5:11. Voetnoot : דָּמִיתָ (damita), ‘ben je gelijk’: het werkwoord דָּמָה (damah) betekent ‘gelijk zijn, vergelijken’; de vraag uit vers 2 keert hier terug. Zie ook: Ps 52:9; Ezech 5:11; Ezech 28:10; Ezech 31:2; Ezech 32:19; Ezech 32:21; Mat 13:19 ## Ezechiël 32 _Een klaaglied over Farao en zijn afdaling naar Sjeol bij de onbesnedenen_ **32:1** In het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, op de eerste van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het werd | בִּשְׁתֵּ֣י (bishtei) = in twee | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | בִּשְׁנֵי (bishnei) = in de tweede | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | חֹ֖דֶשׁ (chodesh) = maand | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op één | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָיָ֥ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het twaalfde jaar is geteld vanaf de wegvoering van Jojachin (2 Kon. 24:12–15), ongeveer 586–585 v.Chr. De twaalfde maand is de maand Adar (februari-maart). Zie ook: 2 Kon 24:12–15; Ezech 1:2; Ezech 29:17; Ezech 30:20; Ezech 32:17; Ezech 33:21 ### Een klaaglied over Farao **32:2** **„Mensenkind, hef een klaaglied aan over Farao, de koning van Egypte. Zeg tegen hem:”** „Je werd gelijkgesteld aan een jonge leeuw van de volken, maar jij bent als een monster in de zeeën. Je brak los in je stromen, je roerde het water troebel met je voeten en vertrapte hun stromen. Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | שָׂ֤א (sa) = hef aan | קִינָה֙ (qina) = klaaglied | עַל (al) = over | פַּרְעֹ֣ה (paro) = Farao | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֵלָ֔יו (elav) = tot hem | כְּפִ֥יר (kefir) = jonge leeuw van | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | נִדְמֵ֑יתָ (nidmeita) = je werd gelijkgesteld | וְאַתָּה֙ (veata) = en jij | כַּתַּנִּ֣ים (katanim) = als monster | בַּיַּמִּ֔ים (bayamim) = in de zeeën | וַתָּ֣גַח (vatagach) = en je brak los | בְּנַהֲרוֹתֶ֗יךָ (benaharoteikha) = in je stromen | וַתִּדְלַח (vatidlach) = en je roerde troebel | מַ֨יִם֙ (mayim) = water | בְּרַגְלֶ֔יךָ (beragleikha) = met je voeten | וַתִּרְפֹּ֖ס (vatirpos) = en je vertrapte | נַהֲרוֹתָֽם (naharotam) = hun stromen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: קִינָה (qinah), ‘klaaglied’: een lied bij een sterfgeval. Hier is het een klaaglied over een levende koning, zoals over de vorsten van Israël in Ezech. 19:1. Voetnoot : כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: beeld van kracht en roofzucht. כַּתַּנִּים (kattannim), ‘als een monster’: het woord תַּנִּים (tannim) is een vorm van תַּנִּין (tannin), een groot water- of zeedier; vergelijk Ps. 74:13 (‘zeemonsters’). Voetnoot : נִדְמֵיתָ (nidmeita), ‘je werd gelijkgesteld’: het werkwoord kan ook ‘je zweeg, je werd tot zwijgen gebracht’ betekenen. Wij volgen ‘gelijkgesteld’, zoals in 31:2 en 31:18. Voetnoot : וַתָּגַח (vattagach), ‘je brak los’: een zeldzaam werkwoord; de betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Het klaaglied zelf staat zwart. Wat Yahweh zegt binnen het klaaglied (vanaf vers 3) staat rood. Een klaaglied staat verder zwart, zoals in Ezech. 19. Zie ook: Ps 74:13; Nah 2:12–14; Ezech 19:1–6; Ezech 27:2; Ezech 29:3; Ezech 32:3; Ezech 38:13 ### Het net van Yahweh **32:3** Zo zegt Heer Yahweh: **‘Ik spreid Mijn net over je uit, in een vergadering van vele volken. Zij trekken je omhoog in Mijn vangnet.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וּפָרַשְׂתִּ֤י (ufarasti) = en Ik zal uitspreiden | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over je | אֶת (et) = (obj.) | רִשְׁתִּ֔י (rishti) = Mijn net | בִּקְהַ֖ל (biqhal) = in de vergadering van | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | וְהֶעֱל֖וּךָ (veheelukha) = en zij zullen je optrekken | בְּחֶרְמִֽי (bechermi) = in Mijn vangnet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רִשְׁתִּי (reshti), ‘Mijn net’ en חֶרְמִי (chermi), ‘Mijn vangnet’: twee woorden voor het net waarmee Farao als een dier gevangen wordt. Het tweede woord is verwant met het woord ‘ban’ (חֵרֶם, cherem), maar betekent hier ‘net’. Zie ook: Pred 9:12; Hos 7:12; Jer 16:16; Hab 1:14–17; Ezech 12:13 **32:4** **Ik laat je achter op het land. Over het open veld werp Ik je neer. Ik laat alle vogels van de hemel op je neerstrijken en verzadig van jou de dieren van heel de aarde.** Brontekst: וּנְטַשְׁתִּ֣יךָ (unetashtikha) = en Ik zal je achterlaten | בָאָ֔רֶץ (baarets) = op het land | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = oppervlak van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | אֲטִילֶ֑ךָ (atilekha) = zal Ik je werpen | וְהִשְׁכַּנְתִּ֤י (vehishkanti) = en Ik zal laten wonen | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = op je | כָּל (kal) = alle | ע֣וֹף (of) = vogels van | הַשָּׁמַ֔יִם (hashamayim) = de hemel | וְהִשְׂבַּעְתִּ֥י (vehisbati) = en Ik zal verzadigen | מִמְּךָ֖ (mimekha) = van jou | חַיַּ֥ת (chayat) = dieren van | כָּל (kal) = heel | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְטַשְׁתִּיךָ (netashtikha), ‘Ik laat je achter’: letterlijk ‘Ik laat je los’; het monster blijft hulpeloos op het droge liggen. Voetnoot : פְּנֵי הַשָּׂדֶה (penei hasadeh), ‘het open veld’: letterlijk ‘het oppervlak van het veld’. Zie ook: Ps 63:11; Joël 4:19; Jes 18:6; Ezech 29:5; Ezech 31:12–13 **32:5** **Ik leg je vlees op de bergen en vul de dalen met je resten.** Brontekst: וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal leggen | אֶת (et) = (obj.) | בְּשָׂרְךָ֖ (besarekha) = je vlees | עַל (al) = op | הֶֽהָרִ֑ים (heharim) = de bergen | וּמִלֵּאתִ֥י (umileti) = en Ik zal vullen | הַגֵּאָי֖וֹת (hageayot) = de dalen | רָמוּתֶֽךָ (ramutekha) = je resten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָמוּתֶךָ (ramutekha), ‘je resten’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet helemaal zeker. Het kan ‘je hoogte’ of ‘wat van je overblijft’ betekenen. Zie ook: Ezech 31:12 **32:6** **Ik laat het land waarin je uitvloeit drinken van je bloed, tot aan de bergen. De beekbeddingen worden met jou gevuld.** Brontekst: וְהִשְׁקֵיתִ֨י (vehishqeiti) = en Ik zal laten drinken | אֶ֧רֶץ (erets) = land van | צָפָתְךָ֛ (tsafatekha) = je uitvloeiing | מִדָּמְךָ֖ (midamekha) = van je bloed | אֶל (el) = tot aan | הֶֽהָרִ֑ים (heharim) = de bergen | וַאֲפִקִ֖ים (vaafiqim) = en de beekbeddingen | יִמָּלְא֥וּן (yimaleun) = zullen gevuld worden | מִמֶּֽךָּ (mimeka) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צָפָתְךָ (tsafatekha), ‘je uitvloeiing’: een zeldzaam woord, waarschijnlijk van het werkwoord ‘zwemmen, uitvloeien’. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: Ex 7:17; Jes 34:3; Jes 34:7; Openb 14:20; Openb 16:6 **32:7** **Wanneer je uitdooft, bedek Ik de hemel en maak Ik hun sterren donker. De zon bedek Ik met wolken, en de maan laat haar licht niet schijnen.** Brontekst: וְכִסֵּיתִ֤י (vekhiseiti) = en Ik zal bedekken | בְכַבּֽוֹתְךָ֙ (bekhabotekha) = wanneer je uitdooft | שָׁמַ֔יִם (shamayim) = hemel | וְהִקְדַּרְתִּ֖י (vehiqdarti) = en Ik zal donker maken | אֶת (et) = (obj.) | כֹּֽכְבֵיהֶ֑ם (kokheveihem) = hun sterren | שֶׁ֚מֶשׁ (shemesh) = zon | בֶּעָנָ֣ן (beanan) = met wolken | אֲכַסֶּ֔נּוּ (akhasenu) = zal Ik haar bedekken | וְיָרֵ֖חַ (veyareach) = en maan | לֹא (lo) = niet | יָאִ֥יר (yair) = zal laten schijnen | אוֹרֽוֹ (oro) = haar licht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְכַבּוֹתְךָ (bekhabotekha), ‘wanneer je uitdooft’: van het werkwoord כָּבָה (kavah), ‘uitgaan’ (van een vuur of een lamp). Het beeld: het licht van Farao’s leven gaat uit, en de hemel wordt donker. Zie ook: Joël 2:2; Joël 3:4; Jes 13:10; Jes 34:4; Mat 24:29 **32:8** **Alle stralende lichten aan de hemel maak Ik donker boven je. Ik breng duisternis over je land, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: כָּל (kal) = alle | מְא֤וֹרֵי (meorei) = lichten van | אוֹר֙ (or) = licht | בַּשָּׁמַ֔יִם (bashamayim) = aan de hemel | אַקְדִּירֵ֖ם (aqdirem) = maak Ik hen donker | עָלֶ֑יךָ (aleikha) = boven je | וְנָתַ֤תִּי (venatati) = en Ik zal brengen | חֹ֨שֶׁךְ֙ (choshekh) = duisternis | עַֽל (al) = over | אַרְצְךָ֔ (artsekha) = je land | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de Uitleg bij Ezech. 5:11. Binnen Zijn woorden staat de formule rood. Zie ook: Gen 1:14; Spr 20:20; Ezech 5:11 **32:9** **Ik verontrust het hart van vele volken wanneer Ik je ondergang onder de volken breng, naar landen die je niet kende.** Brontekst: וְהִ֨כְעַסְתִּ֔י (vehikhasti) = en Ik zal verontrusten | לֵ֖ב (lev) = hart van | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | בַּהֲבִיאִ֤י (bahavii) = wanneer Ik breng | שִׁבְרְךָ֙ (shivrekha) = je ondergang | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | עַל (al) = naar | אֲרָצ֖וֹת (aratsot) = landen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יְדַעְתָּֽם (yedatam) = je kende ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִכְעַסְתִּי (vehikh’asti), ‘Ik verontrust’: het werkwoord כָּעַס (ka’as) betekent letterlijk ‘boos maken, ergeren’. Hier gaat het om het gevoel van schrik en onrust bij de volken. Voetnoot : שִׁבְרְךָ (shivrekha), ‘je ondergang’: letterlijk ‘je breuk’. Zie ook: Jer 25:15–25; Ezech 29:12; Ezech 30:26; Openb 11:18; Openb 18:10–15 **32:10** **Ik maak vele volken ontzet over je. Hun koningen huiveren van afschuw over je wanneer Ik Mijn zwaard voor hun gezicht zwaai. Zij beven voortdurend, ieder voor zijn leven, op de dag van je val.** Brontekst: וַהֲשִׁמּוֹתִ֨י (vahashimoti) = en Ik zal ontzet maken | עָלֶ֜יךָ (aleikha) = over je | עַמִּ֣ים (amim) = volken | רַבִּ֗ים (rabim) = vele | וּמַלְכֵיהֶם֙ (umalkheihem) = en hun koningen | יִשְׂעֲר֤וּ (yisaru) = zullen huiveren | עָלֶ֨יךָ֙ (aleikha) = over je | שַׂ֔עַר (saar) = huivering | בְּעוֹפְפִ֥י (beofefi) = wanneer Ik zwaai | חַרְבִּ֖י (charbi) = Mijn zwaard | עַל (al) = voor | פְּנֵיהֶ֑ם (peneihem) = hun gezicht | וְחָרְד֤וּ (vecharedu) = en zij zullen beven | לִרְגָעִים֙ (lirgaim) = voortdurend | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | לְנַפְשׁ֔וֹ (lenafsho) = voor zijn leven | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | מַפַּלְתֶּֽךָ (mapaltekha) = je val Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׂעַר (sa’ar), ‘huivering’: een rilling van afschuw. Voetnoot : לִרְגָעִים (lirga’im), ‘voortdurend’: letterlijk ‘elk ogenblik’. Voetnoot : לְנַפְשׁוֹ (lenafsho), ‘voor zijn leven’: נֶפֶשׁ (nefesh) is hier het leven van de persoon. Zie ook: Deut 32:41; Jer 51:9; Ezech 26:16; Ezech 27:35; Ezech 30:9 ### Het zwaard van de koning van Babel **32:11** Want zo zegt Heer Yahweh: **Het zwaard van de koning van Babel zal over je komen.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard van | מֶֽלֶךְ (melekh) = koning van | בָּבֶ֖ל (bavel) = Babel | תְּבוֹאֶֽךָ (tevoekha) = zal over je komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad. Zie ook: Jer 43:10; Jer 46:13; Jer 46:24–26; Ezech 30:4; Ezech 30:22–25 **32:12** **Door de zwaarden van helden laat Ik je menigte vallen. Zij zijn allen geweldenaars onder de volken. Zij verwoesten de trots van Egypte, en heel haar menigte wordt vernietigd.** Brontekst: בְּחַרְב֤וֹת (becharvot) = door zwaarden van | גִּבּוֹרִים֙ (giborim) = helden | אַפִּ֣יל (apil) = zal Ik doen vallen | הֲמוֹנֶ֔ךָ (hamonekha) = je menigte | עָרִיצֵ֥י (aritsei) = geweldenaars van | גוֹיִ֖ם (goyim) = volken | כֻּלָּ֑ם (kulam) = zij allen | וְשָֽׁדְדוּ֙ (veshadedu) = en zij zullen verwoesten | אֶת (et) = (obj.) | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | מִצְרַ֔יִם (mitsrayim) = Egypte | וְנִשְׁמַ֖ד (venishmad) = en wordt vernietigd | כָּל (kal) = heel | הֲמוֹנָֽהּ (hamonah) = haar menigte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: עָרִיצֵי גּוֹיִם (aritsei goyim), ‘geweldenaars onder de volken’: zoals in Ezech. 30:11 en 31:12. Zij zijn de legers van Babel. Zie ook: Deut 28:49–50; Ezech 28:7; Ezech 29:19; Ezech 30:11; Ezech 31:11; Ezech 31:12 **32:13** **Ik laat al haar vee omkomen, weg van de grote wateren. Geen mensenvoet zal ze nog troebel maken, en geen hoeven van het vee zullen ze troebel maken.** Brontekst: וְהַֽאֲבַדְתִּי֙ (vehaavadti) = en Ik zal laten omkomen | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | בְּהֶמְתָּ֔הּ (behemtah) = haar vee | מֵעַ֖ל (meal) = van aan | מַ֣יִם (mayim) = water | רַבִּ֑ים (rabim) = groot | וְלֹ֨א (velo) = en niet | תִדְלָחֵ֤ם (tidlachem) = zal ze troebel maken | רֶֽגֶל (regel) = voet van | אָדָם֙ (adam) = mens | ע֔וֹד (od) = meer | וּפַרְס֥וֹת (ufarsot) = en hoeven van | בְּהֵמָ֖ה (behema) = vee | לֹ֥א (lo) = niet | תִדְלָחֵֽם (tidlachem) = zal ze troebel maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het water, de Nijl en haar armen, werd door vee en mensen troebel gemaakt. Dat houdt op: het land ligt leeg (zie ook de Nijlarmen in Ezech. 30:12). Zie ook: Ezech 29:8; Ezech 29:11; Ezech 30:12; Ezech 32:2; Ezech 34:18 **32:14** **Dan laat Ik hun wateren tot rust komen en hun stromen vloeien als olie, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: אָ֚ז (az) = dan | אַשְׁקִ֣יעַ (ashqia) = zal Ik laten zakken | מֵֽימֵיהֶ֔ם (meimeihem) = hun wateren | וְנַהֲרוֹתָ֖ם (venaharotam) = en hun stromen | כַּשֶּׁ֣מֶן (kashemen) = als olie | אוֹלִ֑יךְ (olikh) = zal Ik laten vloeien | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַשְׁקִיעַ (ashqia), ‘laat Ik tot rust komen’: letterlijk ‘laat Ik zakken, laat Ik bezinken’. Het troebele water wordt helder en rustig, zodat het als olie vloeit. De betekenis van het beeld is niet helemaal zeker: het kan een teken van vrede zijn of van leegte. **32:15** **Ik maak het land Egypte tot woestenij. Het land wordt kaal van alles wat het vult, wanneer Ik al zijn bewoners sla. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: בְּתִתִּי֩ (betiti) = wanneer Ik maak | אֶת (et) = (obj.) | אֶ֨רֶץ (erets) = land van | מִצְרַ֜יִם (mitsrayim) = Egypte | שְׁמָמָ֣ה (shemama) = tot woestenij | וּנְשַׁמָּ֗ה (uneshama) = en wordt verwoest | אֶ֚רֶץ (erets) = het land | מִמְּלֹאָ֔הּ (mimeloah) = van wat het vult | בְּהַכּוֹתִ֖י (behakoti) = wanneer Ik sla | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alle | י֣וֹשְׁבֵי (yoshevei) = bewoners van | בָ֑הּ (bah) = erin | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: מִמְּלֹאָהּ (mimmelo’ah), ‘van wat het vult’: het land wordt leeggehaald van zijn mensen, vee en rijkdom. Zie ook: Ex 7:5; Ex 14:4; Ex 14:18; Ezech 6:7; Ezech 29:12 **32:16** **Dit is een klaaglied, en men zal het aanheffen. De dochters van de volken zullen het aanheffen over Egypte en over heel haar menigte. Zij zullen het aanheffen, godsspraak van Heer Yahweh.’**” Brontekst: קִינָ֥ה (qina) = klaaglied | הִיא֙ (hi) = het is | וְק֣וֹנְנ֔וּהָ (veqonenuha) = en zij zullen het aanheffen | בְּנ֥וֹת (benot) = dochters van | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | תְּקוֹנֵ֣נָּה (teqonena) = zullen aanheffen | אוֹתָ֑הּ (otah) = het | עַל (al) = over | מִצְרַ֤יִם (mitsrayim) = Egypte | וְעַל (veal) = en over | כָּל (kal) = heel | הֲמוֹנָהּ֙ (hamonah) = haar menigte | תְּקוֹנֵ֣נָּה (teqonena) = zullen aanheffen | אוֹתָ֔הּ (otah) = het | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: Hier eindigt het klaaglied van vers 2–16. Het wordt ‘aangeheven’ door de dochters van de volken, zoals bij rouw om een gestorven vorst. Zie ook: 2 Sam 1:17; 2 Sam 3:33–34; 2 Kron 35:25; Ezech 26:17; Ezech 32:2 ### Egypte daalt af naar de onderwereld **32:17** In het twaalfde jaar, op de vijftiende van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij: Brontekst: וַֽיְהִי֙ (vayhi) = en het werd | בִּשְׁתֵּ֣י (bishtei) = in twee | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | בַּחֲמִשָּׁ֥ה (bachamisha) = op de vijf | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | לַחֹ֑דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | הָיָ֥ה (haya) = kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In het Hebreeuws staat geen maand: ‘in het twaalfde jaar, op de vijftiende van de maand’. Sommige oude vertalingen voegen hier een maand toe. Wij volgen de Masoretische tekst. Het gaat waarschijnlijk om dezelfde maand als in vers 1, twee weken later. Zie ook: Ezech 1:2; Ezech 31:1; Ezech 32:1; Ezech 33:21 **32:18** **„Mensenkind, weeklaag over de menigte van Egypte. Breng haar omlaag, haar en de dochters van machtige volken, naar de diepste aarde, bij hen die in de kuil neerdalen.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | נְהֵ֛ה (nehe) = weeklaag | עַל (al) = over | הֲמ֥וֹן (hamon) = menigte van | מִצְרַ֖יִם (mitsrayim) = Egypte | וְהוֹרִדֵ֑הוּ (vehoridehu) = en breng hem omlaag | א֠וֹתָהּ (otah) = haar | וּבְנ֨וֹת (uvenot) = en dochters van | גּוֹיִ֧ם (goyim) = volken | אַדִּרִ֛ם (adirim) = machtige | אֶל (el) = naar | אֶ֥רֶץ (erets) = land van | תַּחְתִּיּ֖וֹת (tachtiyot) = de diepten | אֶת (et) = bij | י֥וֹרְדֵי (yoredei) = hen die neerdalen naar | בֽוֹר (bor) = de kuil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden. Voetnoot Uitleg: נְהֵה (neheh), ‘weeklaag’: een zeldzaam woord voor een klacht of klaagzang. Voetnoot : בְּנוֹת גּוֹיִם אַדִּרִם (benot goyim addirim), ‘de dochters van machtige volken’: de volken zelf, voorgesteld als dochters. Voetnoot : אֶרֶץ תַּחְתִּיּוֹת (erets tachtiyot), ‘de diepste aarde’: de onderwereld; dezelfde woorden staan in vers 24; zie ook Ezech. 31:14. Voetnoot : בּוֹר (vor), ‘kuil’: een woord voor de onderwereld, zoals in Jes. 14:15. Zie ook: Jes 14:15; Mi 1:8; Jer 1:10; Ezech 31:14; Ezech 32:2; Ezech 32:16; Ezech 32:24 **32:19** **Wie overtref je in lieflijkheid? Daal af en word neergelegd bij de onbesnedenen.** Brontekst: מִמִּ֖י (mimi) = dan wie | נָעָ֑מְתָּ (naamta) = ben je lieflijker | רְדָ֥ה (reda) = daal af | וְהָשְׁכְּבָ֖ה (vehashkeva) = en word neergelegd | אֶת (et) = bij | עֲרֵלִֽים (arelim) = onbesnedenen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִמִּי נָעָמְתָּ (mimmi na’amta), ‘wie overtref je in lieflijkheid?’: een spottende vraag. Farao, die zo trots was, krijgt geen betere plaats dan de onbesnedenen. Voetnoot : עֲרֵלִים (arelim), ‘onbesnedenen’: mensen die niet besneden zijn, dus vreemden buiten het verbond met Israël (zie Gen. 17:10–14). Hier gaat het om de doden van de volken; zie ook Ezech. 31:18. Zie ook: Gen 17:10–14; Jer 9:24–25; Ezech 28:10; Ezech 31:2; Ezech 31:18; Ezech 32:29–30 **32:20** **Te midden van de door het zwaard gesneuvelden zullen zij vallen. Het zwaard is gegeven. Men heeft haar weggesleept met al haar menigten.** Brontekst: בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard | יִפֹּ֑לוּ (yipolu) = zullen zij vallen | חֶ֣רֶב (cherev) = zwaard | נִתָּ֔נָה (nitana) = is gegeven | מָשְׁכ֥וּ (mashekhu) = zij hebben weggesleept | אוֹתָ֖הּ (otah) = haar | וְכָל (vekhal) = en heel | הֲמוֹנֶֽיהָ (hamoneiha) = haar menigten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָשְׁכוּ (mashkhu), ‘zij hebben weggesleept’: de vorm is volgens de Masoretische tekst de voltooide tijd. Het kan ook een bevel zijn: ‘sleep haar weg’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ps 28:3; Spr 24:11; Ezech 29:8–12; Ezech 32:23–26; Ezech 32:29–30 **32:21** **De sterkste helden zullen uit Sjeol tot hem spreken, samen met zijn helpers: ‘Zij zijn neergedaald, zij liggen daar, de onbesnedenen, door het zwaard gesneuveld.’** Brontekst: יְדַבְּרוּ (yedaberu) = zullen spreken | ל֞וֹ (lo) = tot hem | אֵלֵ֧י (elei) = de sterksten van | גִבּוֹרִ֛ים (giborim) = helden | מִתּ֥וֹךְ (mitokh) = uit het midden van | שְׁא֖וֹל (sheol) = Sjeol | אֶת (et) = met | עֹֽזְרָ֑יו (ozerav) = zijn helpers | יָֽרְד֛וּ (yaredu) = zijn neergedaald | שָׁכְב֥וּ (shakhevu) = zij liggen | הָעֲרֵלִ֖ים (haarelim) = de onbesnedenen | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵלֵי גִבּוֹרִים (elei gibborim), ‘de sterkste helden’: het woord אַיִל (ayil) betekent letterlijk ‘ram’ en daarna ‘leider, sterke’; zie ook de Uitleg bij Ezech. 31:11. Voetnoot : שְׁאוֹל (She’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk. De doden spreken Farao toe als hij aankomt, zoals in Jes. 14:9–10. Zie ook: Ps 9:18; Jes 14:9–10; Ezech 31:11; Ezech 32:19; Ezech 32:27; Luc 16:23–24 ### Assyrië, Elam, Mesech en Tubal **32:22** **Daar is Assyrië met heel zijn vergadering. Zijn graven liggen rondom hem. Zij zijn allen gesneuveld, door het zwaard gevallen.** Brontekst: שָׁ֤ם (sham) = daar | אַשּׁוּר֙ (ashur) = Assyrië | וְכָל (vekhal) = en heel | קְהָלָ֔הּ (qehalah) = zijn vergadering | סְבִֽיבוֹתָ֖יו (sevivotav) = rondom hem | קִבְרֹתָ֑יו (qivrotav) = zijn graven | כֻּלָּ֣ם (kulam) = zij allen | חֲלָלִ֔ים (chalalim) = gesneuvelden | הַנֹּפְלִ֖ים (hanofelim) = die vielen | בֶּחָֽרֶב (becharev) = door het zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. Voetnoot Uitleg: In deze verzen wisselen ‘zijn’ en ‘haar’ af voor hetzelfde volk (Assyrië, vers 22–23; Elam, vers 24–25; Mesech en Tubal, vers 26). Wij schrijven ‘zijn’ voor Assyrië en ‘haar’ voor Elam, Mesech, Tubal en Edom. Voetnoot : Assyrië is al ten onder gegaan; zie Jes. 14:24–25 en Nah. 3:18–19. Voetnoot : קֶהָלָהּ (qehalah), ‘vergadering’: de menigte die bij hem hoort. Zie ook: Ps 83:9–11; Jes 14:24–25; Jes 30:33; Nah 3:18–19; Ezech 32:24; Ezech 32:26; Ezech 32:29–30 **32:23** **Zijn graven zijn gelegd in de uithoeken van de kuil, en zijn vergadering ligt rondom zijn graf. Zij zijn allen gesneuveld, door het zwaard gevallen, zij die schrik hebben gebracht in het land van de levenden.** Brontekst: אֲשֶׁ֨ר (asher) = wier | נִתְּנ֤וּ (nitenu) = zijn gegeven | קִבְרֹתֶ֨יהָ֙ (qivroteiha) = haar graven | בְּיַרְכְּתֵי (beyarketei) = in de uithoeken van | ב֔וֹר (bor) = de kuil | וַיְהִ֣י (vayhi) = en is | קְהָלָ֔הּ (qehalah) = haar vergadering | סְבִיב֖וֹת (sevivot) = rondom | קְבֻרָתָ֑הּ (qevuratah) = haar graf | כֻּלָּ֤ם (kulam) = zij allen | חֲלָלִים֙ (chalalim) = gesneuvelden | נֹפְלִ֣ים (nofelim) = gevallen | בַּחֶ֔רֶב (bacherev) = door het zwaard | אֲשֶׁר (asher) = die | נָתְנ֥וּ (natenu) = gaven | חִתִּ֖ית (chitit) = schrik | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | חַיִּֽים (chayim) = levenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּיַרְכְּתֵי בוֹר (beyarkhetei vor), ‘in de uithoeken van de kuil’: de diepste, verste plek van de onderwereld, zoals in Jes. 14:15. Voetnoot : חִתִּית (chittit), ‘schrik’: de schrik die zij met hun macht verspreidden. Het woord keert in de verzen 24 tot en met 32 terug. Zie ook: Ps 27:13; Jes 14:15–16; Ezech 26:17; Ezech 26:20; Ezech 32:24–27 **32:24** **Daar is Elam met heel haar menigte rondom haar graf. Zij zijn allen gesneuveld, door het zwaard gevallen, onbesneden neergedaald naar de diepste aarde. Zij hebben hun schrik gebracht in het land van de levenden en dragen hun schande, bij hen die in de kuil neerdalen.** Brontekst: שָׁ֤ם (sham) = daar | עֵילָם֙ (eilam) = Elam | וְכָל (vekhal) = en heel | הֲמוֹנָ֔הּ (hamonah) = haar menigte | סְבִיב֖וֹת (sevivot) = rondom | קְבֻרָתָ֑הּ (qevuratah) = haar graf | כֻּלָּ֣ם (kulam) = zij allen | חֲלָלִים֩ (chalalim) = gesneuvelden | הַנֹּפְלִ֨ים (hanofelim) = die vielen | בַּחֶ֜רֶב (bacherev) = door het zwaard | אֲֽשֶׁר (asher) = die | יָרְד֥וּ (yaredu) = zijn neergedaald | עֲרֵלִ֣ים (arelim) = onbesneden | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | תַּחְתִּיּ֗וֹת (tachtiyot) = de diepten | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | נָתְנ֤וּ (natenu) = gaven | חִתִּיתָם֙ (chititam) = hun schrik | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | חַיִּ֔ים (chayim) = levenden | וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en zij dragen | כְלִמָּתָ֖ם (kelimatam) = hun schande | אֶת (et) = met | י֥וֹרְדֵי (yoredei) = hen die neerdalen naar | בֽוֹר (bor) = de kuil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵילָם (Elam): het volk ten oosten van de Tigris, zie Jes. 21:2 en 22:6. Voetnoot : וַיִּשְׂאוּ כְלִמָּתָם (vayis’u khlimmatam), ‘en dragen hun schande’: letterlijk ‘en zij hebben hun schande gedragen’. De uitdrukking keert terug in vers 25 en 30. Zie ook: Gen 10:22; Jes 21:2; Jes 22:6; Ezech 16:54; Ezech 26:20; Ezech 32:25; Ezech 32:30 **32:25** **Men heeft haar een ligplaats gegeven te midden van gesneuvelden, met heel haar menigte. Rondom haar zijn haar graven. Zij zijn allen onbesneden, door het zwaard gesneuveld. Want hun schrik is gelegd in het land van de levenden, maar zij dragen hun schande bij hen die in de kuil neerdalen. Te midden van gesneuvelden is zij neergelegd.** Brontekst: בְּת֣וֹךְ (betokh) = te midden van | חֲ֠לָלִים (chalalim) = gesneuvelden | נָתְנ֨וּ (natenu) = zij hebben gegeven | מִשְׁכָּ֥ב (mishkav) = ligplaats | לָהּ֙ (lah) = voor haar | בְּכָל (bekhal) = met heel | הֲמוֹנָ֔הּ (hamonah) = haar menigte | סְבִֽיבוֹתָ֖יו (sevivotav) = rondom hem | קִבְרֹתֶ֑הָ (qivroteha) = haar graven | כֻּלָּ֣ם (kulam) = zij allen | עֲרֵלִ֣ים (arelim) = onbesneden | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חֶ֡רֶב (cherev) = zwaard | כִּֽי (ki) = want | נִתַּ֨ן (nitan) = is gegeven | חִתִּיתָ֜ם (chititam) = hun schrik | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | חַיִּ֗ים (chayim) = levenden | וַיִּשְׂא֤וּ (vayisu) = en zij dragen | כְלִמָּתָם֙ (kelimatam) = hun schande | אֶת (et) = met | י֣וֹרְדֵי (yoredei) = hen die neerdalen naar | ב֔וֹר (bor) = de kuil | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | חֲלָלִ֖ים (chalalim) = gesneuvelden | נִתָּֽן (nitan) = is zij gegeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָתְנוּ מִשְׁכָּב לָהּ (natnu mishkav lah), ‘men heeft haar een ligplaats gegeven’: letterlijk ‘zij gaven een ligplaats voor haar’. De onderwereld geeft Elam een plaats bij de gesneuvelden. Voetnoot : Het slot ‘is neergelegd’ staat in het Hebreeuws (נִתָּן, nittan, ‘is gegeven’) in de mannelijke vorm. Wij schrijven ‘zij’, naar Elam. Zie ook: 1 Kron 10:4; Ps 139:8; Ezech 32:19; Luc 12:4–5; Hand 7:51 **32:26** **Daar zijn Mesech en Tubal met heel haar menigte. Haar graven liggen rondom haar. Zij zijn allen onbesneden, door het zwaard doorboord, want zij hebben schrik gebracht in het land van de levenden.** Brontekst: שָׁ֣ם (sham) = daar | מֶ֤שֶׁךְ (meshekh) = Mesech | תֻּבַל֙ (tuval) = Tubal | וְכָל (vekhal) = en heel | הֲמוֹנָ֔הּ (hamonah) = haar menigte | סְבִֽיבוֹתָ֖יו (sevivotav) = rondom hem | קִבְרוֹתֶ֑יהָ (qivroteiha) = haar graven | כֻּלָּ֤ם (kulam) = zij allen | עֲרֵלִים֙ (arelim) = onbesneden | מְחֻ֣לְלֵי (mechullei) = doorboorden van | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | כִּֽי (ki) = want | נָתְנ֥וּ (natenu) = zij hebben gegeven | חִתִּיתָ֖ם (chititam) = hun schrik | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | חַיִּֽים (chayim) = levenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֶשֶׁךְ תֻּבָל (Meshekh Tuval), ‘Mesech en Tubal’: volken in het noordoosten van Klein-Azië, zie Gen. 10:2. Zij worden ook in Ezech. 27:13 en 38:2 genoemd. Voetnoot : מְחֻלְלֵי חֶרֶב (mechullelei cherev), ‘door het zwaard doorboord’: een andere vorm dan חַלְלֵי חֶרֶב (challelei cherev), ‘door het zwaard gesneuvelden’. Het kan ook ‘door het zwaard onteerd’ betekenen. Zie ook: Gen 10:2; 1 Kron 1:5; Ezech 27:13; Ezech 38:2–3; Ezech 39:1 **32:27** **Zij liggen niet bij de gevallen helden uit de onbesnedenen, die met hun krijgswapens naar Sjeol zijn neergedaald. Men legde hun zwaarden onder hun hoofden. Hun schuld kwam op hun beenderen, want zij waren een schrik van helden in het land van de levenden.** Brontekst: וְלֹ֤א (velo) = en niet | יִשְׁכְּבוּ֙ (yishkevu) = zullen zij liggen | אֶת (et) = bij | גִּבּוֹרִ֔ים (giborim) = helden | נֹפְלִ֖ים (nofelim) = gevallen | מֵעֲרֵלִ֑ים (mearelim) = van onbesnedenen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יָרְדֽוּ (yaredu) = zijn neergedaald | שְׁא֣וֹל (sheol) = Sjeol | בִּכְלֵֽי (bikhlei) = met wapens van | מִלְחַמְתָּם֩ (milchamtam) = hun oorlog | וַיִּתְּנ֨וּ (vayitenu) = en zij legden | אֶת (et) = (obj.) | חַרְבוֹתָ֜ם (charvotam) = hun zwaarden | תַּ֣חַת (tachat) = onder | רָאשֵׁיהֶ֗ם (rasheihem) = hun hoofden | וַתְּהִ֤י (vatehi) = en kwam | עֲוֺֽנֹתָם֙ (avonotam) = hun schuld | עַל (al) = op | עַצְמוֹתָ֔ם (atsmotam) = hun beenderen | כִּֽי (ki) = want | חִתִּ֥ית (chitit) = schrik van | גִּבּוֹרִ֖ים (giborim) = helden | בְּאֶ֥רֶץ (beerets) = in het land van | חַיִּֽים (chayim) = levenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Wij volgen de Masoretische tekst: Mesech en Tubal liggen niet bij de helden uit de onbesnedenen, die met hun wapens naar Sjeol gingen. Die helden kregen een eervolle begrafenis, met hun zwaarden onder hun hoofden. Mesech en Tubal krijgen die eer niet. Voetnoot : עֲוֺנֹתָם עַל עַצְמוֹתָם (avonotam al atsmotam), ‘hun schuld op hun beenderen’: hun schuld blijft op hen rusten. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen ‘van oudsher’ in plaats van ‘uit de onbesnedenen’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Job 3:13–15; Job 20:11; Ps 109:18; Jes 14:18–19; Ezech 32:21 **32:28** **Ook jij zult te midden van onbesnedenen gebroken worden en neerliggen bij de door het zwaard gesneuvelden.** Brontekst: וְאַתָּ֗ה (veata) = en jij | בְּת֧וֹךְ (betokh) = te midden van | עֲרֵלִ֛ים (arelim) = onbesnedenen | תִּשָּׁבַ֥ר (tishavar) = zul je gebroken worden | וְתִשְׁכַּ֖ב (vetishkav) = en neerliggen | אֶת (et) = bij | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חָֽרֶב (charev) = zwaard Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De rede keert zich nu naar Farao: ‘Ook jij’. Hij zal niet beter af zijn dan Assyrië, Elam, Mesech en Tubal. Zie ook: Dan 2:34–35 ### Edom, de heersers van het noorden en de Sidoniërs **32:29** **Daar is Edom, haar koningen en al haar vorsten, die ondanks hun kracht bij de door het zwaard gesneuvelden zijn gelegd. Zij liggen bij de onbesnedenen en bij hen die in de kuil neerdalen.** Brontekst: שָׁ֣מָּה (shama) = daar | אֱד֗וֹם (edom) = Edom | מְלָכֶ֨יהָ֙ (melakheiha) = haar koningen | וְכָל (vekhal) = en alle | נְשִׂיאֶ֔יהָ (nesieiha) = haar vorsten | אֲשֶׁר (asher) = die | נִתְּנ֥וּ (nitenu) = zijn gelegd | בִגְבוּרָתָ֖ם (bigvuratam) = in hun kracht | אֶת (et) = bij | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | הֵ֛מָּה (hema) = zij | אֶת (et) = bij | עֲרֵלִ֥ים (arelim) = onbesnedenen | יִשְׁכָּ֖בוּ (yishkavu) = zullen liggen | וְאֶת (veet) = en bij | יֹ֥רְדֵי (yoredei) = hen die neerdalen naar | בֽוֹר (bor) = de kuil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֱדוֹם (Edom): het land ten zuidoosten van de Zoutzee (Dode Zee). Voetnoot : נְשִׂיאֶיהָ (nesi’eha), ‘haar vorsten’: leiders; zie Ezech. 30:13. Voetnoot : בִּגְבוּרָתָם (bigvuratam), ‘in hun kracht’: ondanks hun macht. Letterlijk: ‘in hun kracht’. Zie ook: Amos 1:11–12; Jer 49:7–22; Ob 1:1–9; Ezech 30:13; Ezech 35:1–15; Mal 1:3–4 **32:30** **Daar zijn de heersers van het noorden, zij allen, en alle Sidoniërs, die met de gesneuvelden zijn neergedaald. Beschaamd zijn zij, ondanks de schrik die van hun kracht uitging. Zij liggen onbesneden bij de door het zwaard gesneuvelden en dragen hun schande, bij hen die in de kuil neerdalen.** Brontekst: שָׁ֣מָּה (shama) = daar | נְסִיכֵ֥י (nesikhei) = heersers van | צָפ֛וֹן (tsafon) = het noorden | כֻּלָּ֖ם (kulam) = zij allen | וְכָל (vekhal) = en alle | צִֽדֹנִ֑י (tsidoni) = Sidoniërs | אֲשֶׁר (asher) = die | יָרְד֣וּ (yaredu) = zijn neergedaald | אֶת (et) = met | חֲלָלִ֗ים (chalalim) = gesneuvelden | בְּחִתִּיתָ֤ם (bechititam) = in hun schrik | מִגְבֽוּרָתָם֙ (migvuratam) = uit hun kracht | בּוֹשִׁ֔ים (boshim) = beschaamd | וַיִּשְׁכְּב֤וּ (vayishkevu) = en zij liggen | עֲרֵלִים֙ (arelim) = onbesneden | אֶת (et) = bij | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וַיִּשְׂא֥וּ (vayisu) = en zij dragen | כְלִמָּתָ֖ם (kelimatam) = hun schande | אֶת (et) = met | י֥וֹרְדֵי (yoredei) = hen die neerdalen naar | בֽוֹר (bor) = de kuil Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְסִיכֵי צָפוֹן (nesikhei tsafon), ‘heersers van het noorden’: een ander woord dan נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’. Wie met het noorden bedoeld wordt, is onzeker; het kan om volken ten noorden van Israël gaan. Voetnoot : צִדֹנִי (Tsidoni), ‘Sidoniërs’: de bewoners van Sidon. Voetnoot : בְּחִתִּיתָם מִגְּבוּרָתָם בּוֹשִׁים (bechittatam miggevuratam boshim), ‘beschaamd, ondanks de schrik die van hun kracht uitging’: letterlijk ‘in hun schrik, uit hun kracht, beschaamd’. Het Hebreeuws is kort en moeilijk. Zie ook: Jer 25:26; Ezech 28:21; Ezech 38:6; Ezech 38:15; Ezech 39:2 **32:31** **Farao zal hen zien en troost vinden over heel zijn menigte, de door het zwaard gesneuvelden: Farao en heel zijn leger, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: אוֹתָם֙ (otam) = hen | יִרְאֶ֣ה (yire) = zal zien | פַרְעֹ֔ה (paro) = Farao | וְנִחַ֖ם (venicham) = en zal troost vinden | עַל (al) = over | כָּל (kal) = heel | הֲמוֹנ֑וֹ (hamono) = zijn menigte | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חֶ֨רֶב֙ (cherev) = zwaard | פַּרְעֹ֣ה (paro) = Farao | וְכָל (vekhal) = en heel | חֵיל֔וֹ (cheilo) = zijn leger | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִחַם (venicham), ‘en troost vinden’: van נָחַם (nacham). Farao vindt troost doordat hij ziet dat anderen hetzelfde lot delen. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat המונה (hamonah), ‘haar menigte’; de overlevering leest הֲמוֹנוֹ (hamono), ‘zijn menigte’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Klaagl 2:13; Ezech 14:22; Ezech 31:16 **32:32** **Want Ik heb Mijn schrik in het land van de levenden gelegd. Farao is te midden van de onbesnedenen neergelegd, bij de door het zwaard gesneuvelden, met heel zijn menigte, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: כִּֽי (ki) = want | נָתַ֥תִּי (natati) = heb Ik gegeven | אֶת (et) = (obj.) | חִתִּיתִ֖י (chititi) = Mijn schrik | בְּאֶ֣רֶץ (beerets) = in het land van | חַיִּ֑ים (chayim) = levenden | וְהֻשְׁכַּב֩ (vehushkav) = en is neergelegd | בְּת֨וֹךְ (betokh) = te midden van | עֲרֵלִ֜ים (arelim) = onbesnedenen | אֶת (et) = bij | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חֶ֗רֶב (cherev) = zwaard | פַּרְעֹה֙ (paro) = Farao | וְכָל (vekhal) = en heel | הֲמוֹנֹ֔ה (hamono) = zijn menigte | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חִתִּיתִי (chittiti), ‘Mijn schrik’: de schrik die Yahweh in het land van de levenden legde. Farao zelf had eerder schrik gebracht; nu is het Yahweh die schrik brengt. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat חתיתו (chittito), ‘zijn schrik’; de overlevering leest חִתִּיתִי (chittiti), ‘Mijn schrik’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Gen 35:5; Job 31:23; Sef 3:6–8; Ezech 32:27; Openb 6:15–17 ## Ezechiël 33 _De wachter, Yahweh wil niet de dood van de goddeloze, de val van Jeruzalem en de profeet als liefdeslied_ **33:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het werd | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De wachter **33:2** **„Mensenkind, spreek tot de zonen van je volk en zeg tegen hen: Wanneer Ik het zwaard over een land breng en het volk van het land één man uit hun midden neemt en hem aanstelt als wachter,** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | דַּבֵּ֤ר (daber) = spreek | אֶל (el) = tot | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | עַמְּךָ֙ (amekha) = je volk | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | אֶ֕רֶץ (erets) = land | כִּֽי (ki) = wanneer | אָבִ֥יא (avi) = Ik breng | עָלֶ֖יהָ (aleiha) = over haar | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | וְלָקְח֨וּ (velaqechu) = en zij nemen | עַם (am) = volk van | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | אִ֤ישׁ (ish) = man | אֶחָד֙ (echad) = één | מִקְצֵיהֶ֔ם (miqtseihem) = uit hun uiterste | וְנָתְנ֥וּ (venatenu) = en zij stellen | אֹת֛וֹ (oto) = hem | לָהֶ֖ם (lahem) = voor zich | לְצֹפֶֽה (letsofe) = tot wachter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹפֶה (tsofeh), ‘wachter’: iemand die op een toren of muur uitkijkt en waarschuwt als er gevaar komt. Het beeld van de wachter komt ook voor in Ezech. 3:17–21, waarvan de verzen 7–9 hier bijna gelijk zijn. Voetnoot : מִקְצֵיהֶם (miqtseihem), ‘uit hun midden’: letterlijk ‘uit hun einde’, dat is ‘uit hun uiterste rand’. Het kan ook ‘uit hun gebied’ betekenen. Zie ook: Jes 62:6; Ezech 3:11; Ezech 3:17–21; Ezech 14:17; Ezech 33:17; Ezech 33:30 **33:3** **en hij ziet het zwaard over het land komen, blaast op de ramshoorn en waarschuwt het volk,** Brontekst: וְרָאָ֥ה (veraa) = en hij ziet | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֖רֶב (hacherev) = het zwaard | בָּאָ֣ה (baa) = komen | עַל (al) = over | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְתָקַ֥ע (vetaqa) = en hij blaast | בַּשּׁוֹפָ֖ר (bashofar) = op de ramshoorn | וְהִזְהִ֥יר (vehizhir) = en hij waarschuwt | אֶת (et) = (obj.) | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een signaalhoorn die alarm slaat, zoals in Joël 2:1. Zie ook: Joël 2:1; Hos 8:1; Jes 58:1; Jer 4:5; Neh 4:12; Neh 4:14 **33:4** **en wie het geluid van de ramshoorn hoort en zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en neemt hem weg: zijn bloed komt op zijn eigen hoofd.** Brontekst: וְשָׁמַ֨ע (veshama) = en hoort | הַשֹּׁמֵ֜עַ (hashomea) = wie hoort | אֶת (et) = (obj.) | ק֤וֹל (qol) = geluid van | הַשּׁוֹפָר֙ (hashofar) = de ramshoorn | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נִזְהָ֔ר (nizhar) = laat zich waarschuwen | וַתָּ֥בוֹא (vatavo) = en komt | חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard | וַתִּקָּחֵ֑הוּ (vatiqachehu) = en neemt hem weg | דָּמ֥וֹ (damo) = zijn bloed | בְרֹאשׁ֖וֹ (berosho) = op zijn hoofd | יִֽהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דָּמוֹ בְרֹאשׁוֹ יִהְיֶה (damo veroscho yihyeh), ‘zijn bloed komt op zijn hoofd’: hij is zelf verantwoordelijk voor zijn dood; vergelijk Lev. 20:9. Voetnoot : וְלֹא נִזְהָר (velo nizhar), ‘en laat zich niet waarschuwen’: het werkwoord זָהַר (zahar) betekent ‘waarschuwen’; in de lijdende vorm ‘zich laten waarschuwen’. Het keert terug in de verzen 5, 6, 8 en 9. Zie ook: Lev 20:9; 2 Kron 25:16; Jer 6:17; Ezech 18:13; Ezech 33:9; Hand 18:6 **33:5** **Het geluid van de ramshoorn heeft hij gehoord en hij liet zich niet waarschuwen: zijn bloed komt op hemzelf. Maar wie zich liet waarschuwen, heeft zijn leven in veiligheid gebracht.** Brontekst: אֵת֩ (et) = (obj.) | ק֨וֹל (qol) = geluid van | הַשּׁוֹפָ֤ר (hashofar) = de ramshoorn | שָׁמַע֙ (shama) = heeft gehoord | וְלֹ֣א (velo) = en niet | נִזְהָ֔ר (nizhar) = liet zich waarschuwen | דָּמ֖וֹ (damo) = zijn bloed | בּ֣וֹ (bo) = op hem | יִֽהְיֶ֑ה (yihye) = zal zijn | וְה֥וּא (vehu) = maar hij | נִזְהָ֖ר (nizhar) = liet zich waarschuwen | נַפְשׁ֥וֹ (nafsho) = zijn leven | מִלֵּֽט (milet) = heeft in veiligheid gebracht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשׁוֹ מִלֵּט (nafsho millet), ‘hij heeft zijn leven in veiligheid gebracht’: het werkwoord מִלֵּט (millet) betekent ‘laten ontkomen’; het is een ander werkwoord dan הִצִּיל (hitsil), ‘bevrijden’, in vers 9. נֶפֶשׁ (nefesh) betekent hier ‘leven’. Zie ook: Ex 9:19–21; Ezech 33:9; Joh 8:39; Hand 2:37–41; Heb 2:1–3; Heb 11:7 **33:6** **Maar als de wachter het zwaard ziet komen en niet op de ramshoorn blaast, zodat het volk zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en iemand van hen wegneemt: die is door zijn schuld weggenomen. Zijn bloed zal Ik terugeisen van de hand van de wachter.** Brontekst: וְ֠הַצֹּפֶה (vehatsofe) = en de wachter | כִּֽי (ki) = wanneer | יִרְאֶ֨ה (yire) = hij ziet | אֶת (et) = (obj.) | הַחֶ֜רֶב (hacherev) = het zwaard | בָּאָ֗ה (baa) = komen | וְלֹֽא (velo) = en niet | תָקַ֤ע (taqa) = blaast | בַּשּׁוֹפָר֙ (bashofar) = op de ramshoorn | וְהָעָ֣ם (vehaam) = en het volk | לֹֽא (lo) = niet | נִזְהָ֔ר (nizhar) = laat zich waarschuwen | וַתָּב֣וֹא (vatavo) = en komt | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | וַתִּקַּ֥ח (vatiqach) = en neemt weg | מֵהֶ֖ם (mehem) = van hen | נָ֑פֶשׁ (nafesh) = ziel | ה֚וּא (hu) = hij | בַּעֲוֺנ֣וֹ (baavono) = in zijn schuld | נִלְקָ֔ח (nilqach) = is weggenomen | וְדָמ֖וֹ (vedamo) = maar zijn bloed | מִיַּֽד (miyad) = uit de hand van | הַצֹּפֶ֥ה (hatsofe) = de wachter | אֶדְרֹֽשׁ (edrosh) = zal Ik terugeisen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier ‘een mens, een persoon’. Wij schrijven ‘iemand’. Voetnoot : אֶדְרֹשׁ (edrosh), ‘Ik zal terugeisen’: van דָּרַשׁ (darash), ‘zoeken, opeisen’; zie ook Gen. 9:5. Wie zijn taak als wachter verzaakt, wordt verantwoordelijk gehouden voor het leven van de ander. Zie ook: Gen 9:5; Gen 42:22; 2 Sam 4:11; Ezech 3:18–20; Ezech 18:20; Ezech 33:8–9 **33:7** **En jij, mensenkind, als wachter heb Ik je aangesteld over het huis van Israël. Wanneer je een woord uit Mijn mond hoort, moet je hen namens Mij waarschuwen.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֔ם (adam) = mens | צֹפֶ֥ה (tsofe) = wachter | נְתַתִּ֖יךָ (netatikha) = heb Ik je aangesteld | לְבֵ֣ית (leveit) = voor het huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְשָׁמַעְתָּ֤ (veshamata) = en je zult horen | מִפִּי֙ (mipi) = uit Mijn mond | דָּבָ֔ר (davar) = woord | וְהִזְהַרְתָּ֥ (vehizharta) = en je zult waarschuwen | אֹתָ֖ם (otam) = hen | מִמֶּֽנִּי (mimeni) = van Mij uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is bijna gelijk aan Ezech. 3:17. Ezechiël krijgt zijn taak als wachter opnieuw, nu nadat het nieuws over Jeruzalem nabij is (vers 21). Zie ook: Jer 26:2; Ezech 2:7–8; Ezech 3:17–21; Ezech 33:21; Hand 5:20; Heb 13:17 **33:8** **Wanneer Ik tegen de goddeloze zeg: ‘Goddeloze, je zult zeker sterven’, en jij spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze sterven in zijn schuld. Maar zijn bloed zal Ik van jouw hand terugeisen.** Brontekst: בְּאָמְרִ֣י (beameri) = wanneer Ik zeg | לָרָשָׁ֗ע (larasha) = tegen de goddeloze | רָשָׁע֙ (rasha) = goddeloze | מ֣וֹת (mot) = sterven | תָּמ֔וּת (tamut) = je zult sterven | וְלֹ֣א (velo) = en niet | דִבַּ֔רְתָּ (dibarta) = spreek je | לְהַזְהִ֥יר (lehazhir) = om te waarschuwen | רָשָׁ֖ע (rasha) = goddeloze | מִדַּרְכּ֑וֹ (midarko) = van zijn weg | ה֤וּא (hu) = die | רָשָׁע֙ (rasha) = goddeloze | בַּעֲוֺנ֣וֹ (baavono) = in zijn schuld | יָמ֔וּת (yamut) = zal sterven | וְדָמ֖וֹ (vedamo) = maar zijn bloed | מִיָּדְךָ֥ (miyadekha) = uit jouw hand | אֲבַקֵּֽשׁ (avaqesh) = zal Ik terugeisen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רָשָׁע (rasha), ‘goddeloze’: wie zich bewust van Yahweh en van recht afkeert. Dit vers is bijna gelijk aan Ezech. 3:18. Voetnoot : אֲבַקֵּשׁ (avaqqesh), ‘Ik zal terugeisen’: letterlijk ‘Ik zal zoeken, eisen’; zoals in Ezech. 3:18. Zie ook: Ezech 3:18; Ezech 18:4; Ezech 18:20; Ezech 33:6; Ezech 33:14; Hand 20:26–27 **33:9** **Maar als jij de goddeloze waarschuwt voor zijn weg, zodat hij zich ervan afkeert, en hij keert zich niet af van zijn weg, dan zal hij sterven in zijn schuld. Maar jij hebt je leven gered.** Brontekst: וְ֠אַתָּה (veata) = en jij | כִּֽי (ki) = als | הִזְהַ֨רְתָּ (hizharta) = je waarschuwt | רָשָׁ֤ע (rasha) = goddeloze | מִדַּרְכּוֹ֙ (midarko) = van zijn weg | לָשׁ֣וּב (lashuv) = om terug te keren | מִמֶּ֔נָּה (mimena) = ervan | וְלֹא (velo) = en niet | שָׁ֖ב (shav) = keert hij terug | מִדַּרְכּ֑וֹ (midarko) = van zijn weg | ה֚וּא (hu) = hij | בַּעֲוֺנ֣וֹ (baavono) = in zijn schuld | יָמ֔וּת (yamut) = zal sterven | וְאַתָּ֖ה (veata) = maar jij | נַפְשְׁךָ֥ (nafshekha) = je leven | הִצַּֽלְתָּ (hitsalta) = heb je gered Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַפְשְׁךָ הִצַּלְתָּ (nafshekha hitsalta), ‘je leven gered’: de wachter die gewaarschuwd heeft, is vrij van de schuld; zie Ezech. 3:19. Zie ook: Spr 15:10; Ezech 3:19; Ezech 3:21; Hand 20:26; Hand 28:23–28 ### Keer terug en leef **33:10** **En jij, mensenkind, zeg tegen het huis van Israël. Zo hebben jullie gezegd: ‘Onze overtredingen en onze zonden liggen op ons, en daarin kwijnen wij weg. En hoe kunnen wij leven?’** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | אֱמֹר֙ (emor) = zeg | אֶל (el) = tot | בֵּ֣ית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כֵּ֤ן (ken) = zo | אֲמַרְתֶּם֙ (amartem) = hebben jullie gezegd | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | כִּֽי (ki) = dat | פְשָׁעֵ֥ינוּ (peshaeinu) = onze overtredingen | וְחַטֹּאתֵ֖ינוּ (vechatoteinu) = en onze zonden | עָלֵ֑ינוּ (aleinu) = op ons | וּבָ֛ם (uvam) = en daarin | אֲנַ֥חְנוּ (anachnu) = wij | נְמַקִּ֖ים (nemaqim) = kwijnen weg | וְאֵ֥יךְ (veeikh) = en hoe | נִֽחְיֶֽה (nichye) = kunnen wij leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְמַקִּים (nemaqqim), ‘wegkwijnen’: van מָקַק (maqaq), ‘wegrotten, vergaan’; zie ook Lev. 26:39. Het volk zegt: wij vergaan onder onze schuld en kunnen niet meer leven. Voetnoot : פְשָׁעֵינוּ (fesha’enu), ‘onze overtredingen’, en חַטֹּאתֵינוּ (chatotenu), ‘onze zonden’: twee woorden voor het kwaad dat het volk heeft gedaan. Zie ook: Lev 26:39; Jes 49:14; Ezech 4:17; Ezech 24:23; Ezech 37:11 **33:11** **Zeg tegen hen: Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar daarin dat de goddeloze zich van zijn weg bekeert en leeft. Keer terug, keer terug van jullie kwade wegen. Waarom zouden jullie sterven, huis van Israël?** Brontekst: אֱמֹ֨ר (emor) = zeg | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tot hen | חַי (chay) = levend | אָ֣נִי (ani) = Ik | נְאֻ֣ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | אֶחְפֹּץ֙ (echpots) = Ik behagen heb | בְּמ֣וֹת (bemot) = in de dood van | הָרָשָׁ֔ע (harasha) = de goddeloze | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = als | בְּשׁ֥וּב (beshuv) = in het terugkeren van | רָשָׁ֛ע (rasha) = goddeloze | מִדַּרְכּ֖וֹ (midarko) = van zijn weg | וְחָיָ֑ה (vechaya) = en leeft | שׁ֣וּבוּ (shuvu) = keert terug | שׁ֜וּבוּ (shuvu) = keert terug | מִדַּרְכֵיכֶ֧ם (midarkheikhem) = van jullie wegen | הָרָעִ֛ים (haraim) = de kwade | וְלָ֥מָּה (velama) = en waarom | תָמ֖וּתוּ (tamutu) = zouden jullie sterven | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh, zoals in Num. 14:28 en Ezech. 5:11. De formule ‘godsspraak van Heer Yahweh’ staat binnen Zijn woorden rood; zie de Uitleg bij Ezech. 5:11. Voetnoot : אִם אֶחְפֹּץ (im echpots), ‘Ik heb geen behagen’: letterlijk ‘als Ik behagen heb’. Na een eed betekent dat ‘zeker niet’. Dezelfde gedachte staat in Ezech. 18:23 en 18:32. Voetnoot : שׁוּבוּ שׁוּבוּ (shuvu shuvu), ‘keer terug, keer terug’: de dubbele vorm legt nadruk. Het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, is het sleutelwoord van Ezech. 18. Zie ook: Num 14:28; Jes 55:6–7; Ezech 5:11; Ezech 18:23; Ezech 18:32; Hand 3:19; 1 Tim 2:4; 2 Petr 3:9 **33:12** **En jij, mensenkind, zeg tegen de zonen van je volk: De gerechtigheid van de rechtvaardige zal hem niet bevrijden op de dag van zijn overtreding. De goddeloosheid van de goddeloze: daardoor zal hij niet struikelen op de dag dat hij zich van zijn goddeloosheid bekeert. En de rechtvaardige kan door zijn gerechtigheid niet leven op de dag dat hij zondigt.** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | אֱמֹ֤ר (emor) = zeg | אֶל (el) = tot | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | עַמְּךָ֙ (amekha) = je volk | צִדְקַ֣ת (tsidqat) = gerechtigheid van | הַצַּדִּ֗יק (hatsadiq) = de rechtvaardige | לֹ֤א (lo) = niet | תַצִּילֶ֨נּוּ֙ (tatsilenu) = zal hem bevrijden | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | פִּשְׁע֔וֹ (pisho) = zijn overtreding | וְרִשְׁעַ֤ת (verishat) = en goddeloosheid van | הָֽרָשָׁע֙ (harasha) = de goddeloze | לֹֽא (lo) = niet | יִכָּ֣שֶׁל (yikashel) = zal hij struikelen | בָּ֔הּ (bah) = daardoor | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag van | שׁוּב֣וֹ (shuvo) = zijn terugkeren | מֵֽרִשְׁע֑וֹ (merisho) = van zijn goddeloosheid | וְצַדִּ֗יק (vetsadiq) = en rechtvaardige | לֹ֥א (lo) = niet | יוּכַ֛ל (yukhal) = kan | לִֽחְי֥וֹת (lichyot) = leven | בָּ֖הּ (bah) = daardoor | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | חֲטֹאתֽוֹ (chatoto) = zijn zonde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Verzen 12 tot en met 20 lopen parallel aan Ezech. 18:20–29. De gerechtigheid van een mens uit het verleden redt hem niet op de dag dat hij zondigt; en wie zich bekeert, wordt niet vastgehouden aan zijn eerdere goddeloosheid. Voetnoot : לֹא תַצִּילֶנּוּ (lo tatsilennu), ‘zal hem niet bevrijden’: van הִצִּיל (hitsil), ‘bevrijden’. Zie ook: 1 Kon 8:48–50; 2 Kron 7:14; Ezech 3:20–21; Ezech 18:20–29; Ezech 33:18–19; Rom 3:25 **33:13** **Wanneer Ik tegen de rechtvaardige zeg: ‘Hij zal zeker leven’, en hij vertrouwt op zijn gerechtigheid maar doet onrecht, dan worden al zijn rechtvaardige daden niet herinnerd. Om zijn onrecht dat hij deed, zal hij daarin sterven.** Brontekst: בְּאָמְרִ֤י (beameri) = wanneer Ik zeg | לַצַּדִּיק֙ (latsadiq) = tegen de rechtvaardige | חָיֹ֣ה (chayo) = leven | יִֽחְיֶ֔ה (yichye) = hij zal leven | וְהֽוּא (vehu) = en hij | בָטַ֥ח (batach) = vertrouwt | עַל (al) = op | צִדְקָת֖וֹ (tsidqato) = zijn gerechtigheid | וְעָ֣שָׂה (veasa) = en doet | עָ֑וֶל (avel) = onrecht | כָּל (kal) = al | צִדְקֹתָיו֙ (tsidqotav) = zijn rechtvaardige daden | לֹ֣א (lo) = niet | תִזָּכַ֔רְנָה (tizakharna) = worden herinnerd | וּבְעַוְל֥וֹ (uveavlo) = en om zijn onrecht | אֲשֶׁר (asher) = dat | עָשָׂ֖ה (asa) = hij deed | בּ֥וֹ (bo) = daarin | יָמֽוּת (yamut) = zal hij sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּטַח עַל צִדְקָתוֹ (batach al tsidqato), ‘hij vertrouwt op zijn gerechtigheid’: hij denkt dat zijn eerdere goede daden hem beschermen. Voetnoot : עָוֶל (avel), ‘onrecht’: zoals in Ezech. 18:24. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat צדקתו (tsidqato), ‘zijn gerechtigheid’, in het enkelvoud; de overlevering leest צִדְקֹתָיו (tsidqotav), ‘zijn rechtvaardige daden’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Ezech 3:20; Ezech 18:4; Ezech 18:24; Luc 18:9–14; Heb 10:38 **33:14** **En wanneer Ik tegen de goddeloze zeg: ‘Je zult zeker sterven’, en hij bekeert zich van zijn zonde en doet recht en gerechtigheid:** Brontekst: וּבְאָמְרִ֥י (uveameri) = en wanneer Ik zeg | לָֽרָשָׁ֖ע (larasha) = tegen de goddeloze | מ֣וֹת (mot) = sterven | תָּמ֑וּת (tamut) = je zult sterven | וְשָׁב֙ (veshav) = en hij keert terug | מֵֽחַטָּאת֔וֹ (mechatato) = van zijn zonde | וְעָשָׂ֥ה (veasa) = en doet | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָֽה (utsedaqa) = en gerechtigheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Hos 14:2; Jes 55:7; Jer 18:7–8; Ezech 18:27; Ezech 33:8 **33:15** **de goddeloze geeft het pand terug, betaalt het geroofde terug, leeft naar de voorschriften van het leven en doet geen onrecht. Hij zal zeker leven. Hij zal niet sterven.** Brontekst: חֲבֹ֨ל (chavol) = pand | יָשִׁ֤יב (yashiv) = geeft terug | רָשָׁע֙ (rasha) = goddeloze | גְּזֵלָ֣ה (gezela) = het geroofde | יְשַׁלֵּ֔ם (yeshalem) = betaalt terug | בְּחֻקּ֤וֹת (bechuqot) = in de voorschriften van | הַֽחַיִּים֙ (hachayim) = het leven | הָלַ֔ךְ (halakh) = wandelt hij | לְבִלְתִּ֖י (levilti) = zonder | עֲשׂ֣וֹת (asot) = te doen | עָ֑וֶל (avel) = onrecht | חָי֥וֹ (chayo) = leven | יִֽחְיֶ֖ה (yichye) = hij zal leven | לֹ֥א (lo) = niet | יָמֽוּת (yamut) = zal hij sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֲבֹל (chavol), ‘pand’: wat men als zekerheid voor een schuld neemt; zie Exod. 22:25–26. גְּזֵלָה (gezelah), ‘het geroofde’: wat is afgepakt. Voetnoot : חֻקּוֹת הַחַיִּים (chuqqot hachayyim), ‘voorschriften van het leven’: de leefregels van Yahweh, die tot leven leiden. Zie ook: Ex 21:37–22:3; Ex 22:25–26; Lev 18:5; Ezech 18:7; Ezech 20:11; Luc 19:8 **33:16** **Geen van zijn zonden die hij beging, wordt hem herinnerd. Recht en gerechtigheid heeft hij gedaan. Hij zal zeker leven.** Brontekst: כָּל (kal) = al | חַטֹּאתָיו֙ (chatotav) = zijn zonden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חָטָ֔א (chata) = hij zondigde | לֹ֥א (lo) = niet | תִזָּכַ֖רְנָה (tizakharna) = worden herinnerd | ל֑וֹ (lo) = hem | מִשְׁפָּ֧ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֛ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | עָשָׂ֖ה (asa) = heeft hij gedaan | חָי֥וֹ (chayo) = leven | יִֽחְיֶֽה (yichye) = hij zal leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat חטאתו (chatto’to), ‘zijn zonde’, in het enkelvoud; de overlevering leest חַטֹּאתָיו (chatto’tav), ‘zijn zonden’. Wij volgen de lezing. Zie ook: Jes 1:18; Jes 43:25; Mi 7:18–19; Ezech 18:22; Rom 5:16 **33:17** **En de zonen van je volk zeggen: ‘De weg van de Heer is niet recht.’ Maar zij, hun weg is niet recht.** Brontekst: וְאָמְרוּ֙ (veameru) = en zeggen | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עַמְּךָ֔ (amekha) = je volk | לֹ֥א (lo) = niet | יִתָּכֵ֖ן (yitakhen) = is recht | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | אֲדֹנָ֑י (adonay) = de Heer | וְהֵ֖מָּה (vehema) = maar zij | דַּרְכָּ֥ם (darkam) = hun weg | לֹֽא (lo) = niet | יִתָּכֵֽן (yitakhen) = is recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא יִתָּכֵן (lo yittaken), ‘is niet recht’: het werkwoord תָּכַן (takhan) betekent ‘afwegen, afmeten’; de weg is volgens het volk niet ‘goed afgewogen’, dus niet eerlijk. Dezelfde klacht en hetzelfde antwoord staan in Ezech. 18:25 en 18:29. Voetnoot : אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier spreken de mensen over Yahweh. Zie ook: Ezech 18:25; Ezech 18:29; Ezech 33:20; Mat 25:24–26; Luc 19:21–22 **33:18** **Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, sterft hij daardoor.** Brontekst: בְּשׁוּב (beshuv) = wanneer terugkeert | צַדִּ֥יק (tsadiq) = een rechtvaardige | מִצִּדְקָת֖וֹ (mitsidqato) = van zijn gerechtigheid | וְעָ֣שָׂה (veasa) = en doet | עָ֑וֶל (avel) = onrecht | וּמֵ֖ת (umet) = en sterft | בָּהֶֽם (bahem) = daardoor Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 3:20; Ezech 18:26–27; Ezech 33:12–13; 2 Petr 2:20–22; Heb 10:38 **33:19** **En wanneer een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid en recht en gerechtigheid doet, zal hij daardoor leven.** Brontekst: וּבְשׁ֤וּב (uveshuv) = en wanneer terugkeert | רָשָׁע֙ (rasha) = een goddeloze | מֵֽרִשְׁעָת֔וֹ (merishato) = van zijn goddeloosheid | וְעָשָׂ֥ה (veasa) = en doet | מִשְׁפָּ֖ט (mishpat) = recht | וּצְדָקָ֑ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = daardoor | ה֥וּא (hu) = hij | יִֽחְיֶֽה (yichye) = zal leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 18:27–28; Ezech 33:14 **33:20** **En jullie zeggen: ‘De weg van de Heer is niet recht.’ Ieder van jullie zal Ik oordelen naar zijn wegen, huis van Israël.”** Brontekst: וַאֲמַרְתֶּ֕ם (vaamartem) = en jullie zeggen | לֹ֥א (lo) = niet | יִתָּכֵ֖ן (yitakhen) = is recht | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = weg van | אֲדֹנָ֑י (adonay) = de Heer | אִ֧ישׁ (ish) = ieder | כִּדְרָכָ֛יו (kidrakhav) = naar zijn wegen | אֶשְׁפּ֥וֹט (eshpot) = zal Ik oordelen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Pred 12:14; Ezech 18:25; Ezech 33:17; Mat 16:27; Openb 20:12–15 ### De ontkomene uit Jeruzalem **33:21** In het twaalfde jaar van onze ballingschap, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, kwam de ontkomene uit Jeruzalem tot mij met de woorden: „De stad is geslagen.” Brontekst: וַיְהִ֞י (vayhi) = en het werd | בִּשְׁתֵּ֧י (bishtei) = in twee | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | שָׁנָ֗ה (shana) = jaar | בָּעֲשִׂרִ֛י (baasiri) = in de tiende | בַּחֲמִשָּׁ֥ה (bachamisha) = op de vijfde | לַחֹ֖דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | לְגָלוּתֵ֑נוּ (legalutenu) = van onze ballingschap | בָּא (ba) = kwam | אֵלַ֨י (elay) = tot mij | הַפָּלִ֧יט (hapalit) = de ontkomene | מִירוּשָׁלִַ֛ם (mirushaliam) = uit Jeruzalem | לֵאמֹ֖ר (lemor) = zeggende | הֻכְּתָ֥ה (huketa) = is geslagen | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: De val van Jeruzalem staat in 2 Kon. 25:1–10. Het bericht van de ontkomene komt enige tijd later. De tekst zegt niet hoe lang. Zie de aankondiging in Ezech. 24:26. Voetnoot : הַפָּלִיט (hapalit), ‘de ontkomene’: iemand die aan de ondergang van de stad is ontsnapt. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen ‘elfde’ in plaats van ‘twaalfde’. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: 2 Kon 24:4–7; 2 Kon 25:1–10; 2 Kon 25:10; 2 Kron 36:17–21; Jer 39:1–8; Ezech 1:2; Ezech 24:26 **33:22** De hand van Yahweh was op mij gekomen in de avond voor de komst van de ontkomene. Hij opende mijn mond, tot de ontkomene 's morgens bij mij kwam. Mijn mond werd geopend en ik was niet langer stom. Brontekst: וְיַד (veyad) = en hand van | יְהוָה֩ (Yahweh) = Yahweh | הָיְתָ֨ה (hayeta) = was | אֵלַ֜י (elay) = tot mij | בָּעֶ֗רֶב (baerev) = in de avond | לִפְנֵי֙ (lifnei) = voor | בּ֣וֹא (bo) = de komst van | הַפָּלִ֔יט (hapalit) = de ontkomene | וַיִּפְתַּ֣ח (vayiftach) = en Hij opende | אֶת (et) = (obj.) | פִּ֔י (pi) = mijn mond | עַד (ad) = tot | בּ֥וֹא (bo) = zijn komst | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | בַּבֹּ֑קֶר (baboqer) = in de morgen | וַיִּפָּ֣תַח (vayipatach) = en werd geopend | פִּ֔י (pi) = mijn mond | וְלֹ֥א (velo) = en niet | נֶאֱלַ֖מְתִּי (neelamti) = was ik stom | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Ezechiël was stom gemaakt (Ezech. 3:26–27). Nu opent Yahweh zijn mond, zoals aangekondigd in Ezech. 24:27. Voetnoot : בּוֹא (bo), ‘tot hij kwam’: het onderwerp staat niet in de tekst. Wij nemen de ontkomene uit vers 21. Zie ook: Ezech 1:3; Ezech 3:22; Ezech 3:26–27; Ezech 24:26–27; Ezech 24:27; Ezech 33:21; Ezech 37:1 **33:23** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het werd | דְבַר (devar) = woord van | יְהֹוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggende Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De bewoners van de ruïnes **33:24** **„Mensenkind, de bewoners van deze ruïnes op de grond van Israël zeggen: ‘Eén was Abraham, en hij nam het land in bezit. Wij zijn met velen. Ons is het land tot bezit gegeven.’** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | יֹ֠שְׁבֵי (yoshevei) = bewoners van | הֶחֳרָב֨וֹת (hechoravot) = de ruïnes | הָאֵ֜לֶּה (haele) = deze | עַל (al) = op | אַדְמַ֤ת (admat) = grond van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֹמְרִ֣ים (omerim) = zeggen | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | אֶחָד֙ (echad) = één | הָיָ֣ה (haya) = was | אַבְרָהָ֔ם (avraham) = Abraham | וַיִּירַ֖שׁ (vayirash) = en hij nam in bezit | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וַאֲנַ֣חְנוּ (vaanachnu) = en wij | רַבִּ֔ים (rabim) = velen | לָ֛נוּ (lanu) = voor ons | נִתְּנָ֥ה (nitena) = is gegeven | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לְמוֹרָשָֽׁה (lemorasha) = tot bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חָרְבוֹת (chorvot), ‘ruïnes’: de verwoeste plaatsen van het land. Voetnoot : אֶחָד הָיָה אַבְרָהָם (echad hayah Avraham), ‘Eén was Abraham’: zie Jes. 51:2, waar Abraham ‘alleen’ was toen Yahweh hem riep. Het volk redeneert: als Abraham, die alleen was, het land kreeg, hoort het land zeker bij ons, die met velen zijn. Vergelijk Gen. 15:7. Voetnoot : לְמוֹרָשָׁה (lemorashah), ‘tot bezit’: van יָרַשׁ (yarash), ‘in bezit nemen’. Zie ook: Gen 15:7; Jes 51:2; Jer 40:7; Ezech 33:27; Ezech 36:4; Hand 7:5 **33:25** **Daarom, zeg tegen hen:** Zo zegt Heer Yahweh: **‘Jullie eten vlees met het bloed erin. Jullie slaan jullie ogen op naar jullie mestgoden en vergieten bloed. En jullie zouden het land in bezit nemen?** Brontekst: לָכֵן֩ (lakhen) = daarom | אֱמֹ֨ר (emor) = zeg | אֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | עַל (al) = bij | הַדָּ֧ם (hadam) = het bloed | תֹּאכֵ֛לוּ (tokhelu) = eten jullie | וְעֵינֵכֶ֛ם (veeinekhem) = en jullie ogen | תִּשְׂא֥וּ (tisu) = slaan jullie op | אֶל (el) = naar | גִּלּוּלֵיכֶ֖ם (giluleikhem) = jullie mestgoden | וְדָ֣ם (vedam) = en bloed | תִּשְׁפֹּ֑כוּ (tishpokhu) = vergieten jullie | וְהָאָ֖רֶץ (vehaarets) = en het land | תִּירָֽשׁוּ (tirashu) = zouden jullie bezitten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַל הַדָּם תֹּאכֵלוּ (al haddam tokhelu), ‘jullie eten vlees met het bloed erin’: dat was verboden; zie Lev. 19:26 en Gen. 9:4. Voetnoot : גִּלּוּלֵיכֶם (gillulekhem), ‘jullie mestgoden’: zie de Uitleg bij Ezech. 6:4. Voetnoot : De slotvraag staat zonder vraagwoord in het Hebreeuws. Wij lezen ze als een retorische vraag. Zie ook: Gen 9:4; Lev 19:26; Deut 12:16; Jer 7:9–10; Ezech 6:4; Ezech 22:6; Ezech 22:27 **33:26** **Jullie steunen op je zwaard, jullie bedrijven gruwelen en ieder van jullie onteert de vrouw van zijn naaste. En jullie zouden het land in bezit nemen?’** Brontekst: עֲמַדְתֶּ֤ם (amadtem) = jullie steunen | עַֽל (al) = op | חַרְבְּכֶם֙ (charbekhem) = jullie zwaard | עֲשִׂיתֶ֣ן (asiten) = jullie bedrijven | תּוֹעֵבָ֔ה (toeva) = gruwel | וְאִ֛ישׁ (veish) = en ieder | אֶת (et) = (obj.) | אֵ֥שֶׁת (eshet) = vrouw van | רֵעֵ֖הוּ (reehu) = zijn naaste | טִמֵּאתֶ֑ם (timetem) = onteren jullie | וְהָאָ֖רֶץ (vehaarets) = en het land | תִּירָֽשׁוּ (tirashu) = zouden jullie bezitten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲמַדְתֶּם עַל חַרְבְּכֶם (amadtem al charbekhem), ‘jullie steunen op je zwaard’: jullie vertrouwen op geweld. Voetnoot : טִמֵּאתֶם (timme’tem), ‘onteren’: letterlijk ‘onrein maken’; zoals in Ezech. 18:6. Zie ook: Gen 27:40; Lev 20:13; Deut 4:25–26; Mi 2:1–2; Sef 3:3; Ezech 18:6 **33:27** **Zeg tegen hen:** Zo zegt Heer Yahweh: **‘Zo waar Ik leef: zeker, zij die in de ruïnes zijn, zullen door het zwaard vallen. Wie op het open veld is, geef Ik aan de dieren om hem op te eten. Wie in de bergvestingen en in de grotten is, zal aan de pest sterven.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | תֹאמַ֨ר (tomar) = zeg | אֲלֵהֶ֜ם (alehem) = tot hen | כֹּה (ko) = zo | אָמַ֨ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֮ (Yahweh) = Yahweh | חַי (chay) = levend | אָנִי֒ (ani) = Ik | אִם (im) = als | לֹ֞א (lo) = niet | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | בֶּֽחֳרָבוֹת֙ (bechoravot) = in de ruïnes | בַּחֶ֣רֶב (bacherev) = door het zwaard | יִפֹּ֔לוּ (yipolu) = zullen vallen | וַֽאֲשֶׁר֙ (vaasher) = en die | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = oppervlak van | הַשָּׂדֶ֔ה (hasade) = het veld | לַחַיָּ֥ה (lachaya) = aan de dieren | נְתַתִּ֖יו (netativ) = heb Ik hem gegeven | לְאָכְל֑וֹ (leakhelo) = om hem op te eten | וַאֲשֶׁ֛ר (vaasher) = en die | בַּמְּצָד֥וֹת (bametsadot) = in de bergvestingen | וּבַמְּעָר֖וֹת (uvamearot) = en in de grotten | בַּדֶּ֥בֶר (badever) = aan de pest | יָמֽוּתוּ (yamutu) = zullen sterven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְצָדוֹת (metsadot), ‘bergvestingen’: vestingen op rotsen of bergen, waar men zich verschuilt. Voetnoot : דֶּבֶר (dever), ‘pest’: zoals in Ezech. 5:12. Voetnoot : חַי אָנִי אִם לֹא (chai ani im lo), ‘zo waar Ik leef: zeker’: zie de Uitleg bij Ezech. 5:11. Zie ook: 1 Sam 13:6; 1 Sam 24:4; Jer 15:2–4; Jer 42:22; Ezech 5:11; Ezech 5:12; Ezech 39:4 **33:28** **Ik maak het land tot woestenij en verlatenheid. De trots van haar kracht komt tot een einde. De bergen van Israël worden woest, zodat niemand er doorheen gaat.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal maken | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | שְׁמָמָ֣ה (shemama) = woestenij | וּמְשַׁמָּ֔ה (umeshama) = en verlatenheid | וְנִשְׁבַּ֖ת (venishbat) = en komt tot een einde | גְּא֣וֹן (geon) = trots van | עֻזָּ֑הּ (uzah) = haar kracht | וְשָֽׁמְמ֛וּ (veshamemu) = en worden woest | הָרֵ֥י (harei) = bergen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | מֵאֵ֥ין (meein) = zonder | עוֹבֵֽר (over) = doortrekker Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמָמָה וּמְשַׁמָּה (shemamah umeshammah), ‘woestenij en verlatenheid’: zoals in Ezech. 6:14. Voetnoot : מֵאֵין עוֹבֵר (me’ein over), ‘zodat niemand er doorheen gaat’: letterlijk ‘zonder doortrekker’. Zie ook: Mi 7:13; Jer 44:2; Ezech 6:14; Ezech 7:24; Ezech 24:21 **33:29** **Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik het land tot woestenij en verlatenheid maak om al hun gruwelen die zij gedaan hebben.’** Brontekst: וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בְּתִתִּ֤י (betiti) = wanneer Ik maak | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = het land | שְׁמָמָ֣ה (shemama) = woestenij | וּמְשַׁמָּ֔ה (umeshama) = en verlatenheid | עַ֥ל (al) = om | כָּל (kal) = alle | תּוֹעֲבֹתָ֖ם (toavotam) = hun gruwelen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשֽׂוּ (asu) = zij deden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kon 17:9–18; Sef 3:1–4; Jer 5:1–9; Ezech 6:7; Ezech 7:27 ### Ezechiël als liefdeslied **33:30** **En jij, mensenkind: de zonen van je volk praten over je bij de muren en in de deuropeningen van de huizen. Zij spreken met elkaar, de een met de ander, ieder met zijn broer: ‘Kom toch en hoor wat voor woord er van Yahweh uitgaat.’** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֔ם (adam) = mens | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | עַמְּךָ֗ (amekha) = je volk | הַנִּדְבָּרִ֤ים (hanidbarim) = die praten | בְּךָ֙ (bekha) = over je | אֵ֣צֶל (etsel) = bij | הַקִּיר֔וֹת (haqirot) = de muren | וּבְפִתְחֵ֖י (uvefitchei) = en in de deuropeningen van | הַבָּתִּ֑ים (habatim) = de huizen | וְדִבֶּר (vediber) = en spreekt | חַ֣ד (chad) = de een | אֶת (et) = tot | אַחַ֗ד (achad) = de ander | אִ֤ישׁ (ish) = ieder | אֶת (et) = tot | אָחִיו֙ (achiv) = zijn broer | לֵאמֹ֔ר (lemor) = zeggende | בֹּֽאוּ (bou) = komt | נָ֣א (na) = toch | וְשִׁמְע֔וּ (veshimu) = en hoort | מָ֣ה (ma) = wat | הַדָּבָ֔ר (hadavar) = het woord | הַיּוֹצֵ֖א (hayotse) = dat uitgaat | מֵאֵ֥ת (meet) = van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנִּדְבָּרִים בְּךָ (hannidbarim bekha), ‘die over je praten’: letterlijk ‘die in je spreken’. Het gaat om gesprekken over Ezechiël bij de muren en in de deuropeningen. Voetnoot : הַדָּבָר הַיּוֹצֵא מֵאֵת יְהוָה (haddavar hayyotse me’et Yahweh), ‘het woord dat van Yahweh uitgaat’: zij komen graag luisteren naar het woord. Zie ook: Jes 29:13; Jes 58:2; Jer 23:35; Mat 15:8; Mat 22:16–17 **33:31** **Zij komen naar je toe zoals een volk samenkomt. Zij zitten voor je als Mijn volk en horen je woorden, maar zij doen ze niet. Want met hun mond tonen zij liefde, maar hun hart gaat achter hun winst aan.** Brontekst: וְיָב֣וֹאוּ (veyavou) = en zij komen | אֵ֠לֶיךָ (eleikha) = naar je | כִּמְבוֹא (kimvo) = zoals het komen van | עָ֞ם (am) = een volk | וְיֵשְׁב֤וּ (veyeshevu) = en zij zitten | לְפָנֶ֨יךָ֙ (lefaneikha) = voor je | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | וְשָֽׁמְעוּ֙ (veshameu) = en zij horen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרֶ֔יךָ (devareikha) = je woorden | וְאוֹתָ֖ם (veotam) = en ze | לֹ֣א (lo) = niet | יַֽעֲשׂ֑וּ (yaasu) = doen zij | כִּֽי (ki) = want | עֲגָבִ֤ים (agavim) = liefdesbetuigingen | בְּפִיהֶם֙ (befihem) = in hun mond | הֵ֣מָּה (hema) = zij | עֹשִׂ֔ים (osim) = doen | אַחֲרֵ֥י (acharei) = achter | בִצְעָ֖ם (bitsam) = hun winst | לִבָּ֥ם (libam) = hun hart | הֹלֵֽךְ (holekh) = gaat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲגָבִים (agavim), ‘liefde’: een zeldzaam woord voor hartstochtelijke liefde. Het staat ook in vers 32, waar het een ‘liefdeslied’ is. Met hun mond tonen zij liefde voor het woord. Voetnoot : בֶּצַע (betsa), ‘winst’: gewin, vaak oneerlijk verkregen; vergelijk Exod. 18:21. Zie ook: Ex 18:21; Ps 78:36–37; Jes 29:13; Ezech 33:32; Mat 13:22; Luc 11:28; Jak 1:22–24 **33:32** **Zie, je bent voor hen als een liefdeslied van iemand met een mooie stem, die goed speelt. Zij horen je woorden, maar zij doen ze niet.** Brontekst: וְהִנְּךָ֤ (vehinekha) = en zie jou | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | כְּשִׁ֣יר (keshir) = als een lied van | עֲגָבִ֔ים (agavim) = liefde | יְפֵ֥ה (yefe) = mooi van | ק֖וֹל (qol) = stem | וּמֵטִ֣ב (umetiv) = en goed | נַגֵּ֑ן (nagen) = speelt | וְשָֽׁמְעוּ֙ (veshameu) = en zij horen | אֶת (et) = (obj.) | דְּבָרֶ֔יךָ (devareikha) = je woorden | וְעֹשִׂ֥ים (veosim) = en doend | אֵינָ֖ם (einam) = zijn niet | אוֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁיר עֲגָבִים (shir agavim), ‘liefdeslied’: Ezechiël is voor hen een lied om naar te luisteren, mooi gezongen en goed gespeeld, maar zonder gevolgen. Zie ook: Mar 4:16–17; Mar 6:20; Joh 5:35 **33:33** **Wanneer het komt, en zie, het komt, dan zullen zij weten dat er een profeet in hun midden is geweest.”** Brontekst: וּבְבֹאָ֑הּ (uvevoah) = en wanneer het komt | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | בָאָ֔ה (baa) = het komt | וְיָ֣דְע֔וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּ֥י (ki) = dat | נָבִ֖יא (navi) = een profeet | הָיָ֥ה (haya) = was | בְתוֹכָֽם (betokham) = in hun midden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּאָה (ba’ah), ‘het komt’: wat Yahweh heeft aangekondigd, de val van het land. Wanneer het komt, weten zij dat er een profeet in hun midden was. Zie ook Ezech. 2:5. Zie ook: 1 Sam 3:19–20; 2 Kon 5:8; Jer 28:9; Ezech 2:5; Ezech 33:29 ## Ezechiël 34 _De herders van Israël en de ene Herder_ ### Wee de herders van Israël **34:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:2** **„Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël. Profeteer en zeg tegen hen, tegen de herders:”** Zo zegt Heer Yahweh: **„Wee de herders van Israël, die zichzelf weidden! Moeten herders niet de schapen weiden?** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הִנָּבֵ֖א (hinave) = profeteer | עַל (al) = tegen | רוֹעֵ֣י (roei) = herders van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הִנָּבֵ֣א (hinave) = profeteer | וְאָמַרְתָּ֩ (veamarta) = en zeg | אֲלֵיהֶ֨ם (aleihem) = tot hen | לָרֹעִ֜ים (laroim) = tot de herders | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | ה֤וֹי (hoy) = wee | רֹעֵֽי (roei) = herders van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | הָיוּ֙ (hayu) = waren | רֹעִ֣ים (roim) = weidend | אוֹתָ֔ם (otam) = zichzelf | הֲל֣וֹא (halo) = niet | הַצֹּ֔אן (hatson) = de schapen | יִרְע֖וּ (yiru) = weiden | הָרֹעִֽים (haroim) = de herders Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֹעִים (ro’im), ‘herders’: in het Midden-Oosten noemt men koningen en leiders ‘herders’ van hun volk. Hier gaat het om de leiders van Israël. Voetnoot : הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van aanklacht, zoals in Jes. 5:8. Voetnoot : De opdracht aan Ezechiël staat rood. De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn weer rood. Zie ook: Jes 5:8; Jes 40:11; Jer 3:15; Jer 23:1; Ezech 34:8–10; Luc 20:46–47 **34:3** **Het vet eten jullie, de wol trekken jullie aan en het vette vee slachten jullie. Maar de schapen weiden jullie niet.** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הַחֵ֤לֶב (hachelev) = het vet | תֹּאכֵ֨לוּ֙ (tokhelu) = jullie eten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַצֶּ֣מֶר (hatsemer) = de wol | תִּלְבָּ֔שׁוּ (tilbashu) = jullie trekken aan | הַבְּרִיאָ֖ה (haberia) = het vette vee | תִּזְבָּ֑חוּ (tizbachu) = jullie slachten | הַצֹּ֖אן (hatson) = de schapen | לֹ֥א (lo) = niet | תִרְעֽוּ (tiru) = jullie weiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַחֵלֶב (hacheleb), ‘het vet’: het woord kan ook als הֶחָלָב (hechalav), ‘de melk’, worden gelezen. Wij volgen de klinkers van de Masoretische tekst. Voetnoot : הַבְּרִיאָה (habbri’ah), ‘het vette vee’: de gemeste dieren. Zie ook: 1 Kon 21:13–16; Jes 1:10; Jer 22:17; Klaagl 4:13; Zach 11:16 **34:4** **De zwakke schapen hebben jullie niet sterk gemaakt. De zieke hebben jullie niet genezen en de gebroken niet verbonden. De verdreven schapen hebben jullie niet teruggebracht en de verloren schapen niet gezocht. Met kracht en met hardheid hebben jullie over hen geheerst.** Brontekst: אֶֽת (et) = (obj.) | הַנַּחְלוֹת֩ (hanachlot) = de zwakke | לֹ֨א (lo) = niet | חִזַּקְתֶּ֜ם (chizaqtem) = hebben jullie sterk gemaakt | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחוֹלָ֣ה (hachola) = de zieke | לֹֽא (lo) = niet | רִפֵּאתֶ֗ם (ripetem) = hebben jullie genezen | וְלַנִּשְׁבֶּ֨רֶת֙ (velanishberet) = en de gebroken | לֹ֣א (lo) = niet | חֲבַשְׁתֶּ֔ם (chavashtem) = hebben jullie verbonden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנִּדַּ֨חַת֙ (hanidachat) = de verdreven | לֹ֣א (lo) = niet | הֲשֵׁבֹתֶ֔ם (hashevotem) = hebben jullie teruggebracht | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָאֹבֶ֖דֶת (haovedet) = de verloren | לֹ֣א (lo) = niet | בִקַּשְׁתֶּ֑ם (biqashtem) = hebben jullie gezocht | וּבְחָזְקָ֛ה (uvechazeqa) = en met kracht | רְדִיתֶ֥ם (reditem) = hebben jullie geheerst | אֹתָ֖ם (otam) = over hen | וּבְפָֽרֶךְ (uvefarekh) = en met hardheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּפֶרֶךְ (befarekh), ‘met hardheid’: hetzelfde woord als voor de harde slavenarbeid in Exod. 1:13. Zie ook: Ex 1:13; Ezech 34:16; Zach 11:15–16; Mat 9:36; Mat 10:6; Mat 18:12–13 **34:5** **Zij werden verspreid, omdat er geen herder was. Zij werden tot voedsel voor alle wilde dieren van het veld, en zij werden verspreid.** Brontekst: וַתְּפוּצֶ֖ינָה (vatefutseina) = en werden verspreid | מִבְּלִ֣י (mibeli) = zonder | רֹעֶ֑ה (roe) = herder | וַתִּהְיֶ֧ינָה (vatihyeina) = en werden | לְאָכְלָ֛ה (leakhela) = tot voedsel | לְכָל (lekhal) = voor alle | חַיַּ֥ת (chayat) = wilde dieren van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | וַתְּפוּצֶֽינָה (vatefutseina) = en werden verspreid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: 2 Kron 18:16; Jer 23:2; Jer 50:17; Ezech 34:8; Mat 9:36 **34:6** **Mijn schapen dwalen rond over alle bergen en over elke hoge heuvel. Over heel de aarde zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar hen vraagt en niemand die hen zoekt.** Brontekst: יִשְׁגּ֤וּ (yishgu) = dwalen | צֹאנִי֙ (tsoni) = Mijn schapen | בְּכָל (bekhal) = over alle | הֶ֣הָרִ֔ים (heharim) = de bergen | וְעַ֖ל (veal) = en over | כָּל (kal) = elke | גִּבְעָ֣ה (giva) = heuvel | רָמָ֑ה (rama) = hoge | וְעַ֨ל (veal) = en over | כָּל (kal) = heel | פְּנֵ֤י (penei) = het oppervlak van | הָאָ֨רֶץ֙ (haarets) = de aarde | נָפֹ֣צוּ (nafotsu) = zijn verspreid | צֹאנִ֔י (tsoni) = Mijn schapen | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | דּוֹרֵ֖שׁ (doresh) = die vraagt | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מְבַקֵּֽשׁ (mevaqesh) = die zoekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 142:5; Jer 40:11–12; Ezech 7:16; Joh 10:16; 1 Petr 2:25 ### Ik ben tegen de herders **34:7** **Daarom, herders, hoor het woord van Yahweh.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | רֹעִ֔ים (roim) = herders | שִׁמְע֖וּ (shimu) = hoor | אֶת (et) = (obj.) | דְּבַ֥ר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 1:10; Jer 13:13; Jer 13:18; Ezech 34:9; Mal 2:1 **34:8** **Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: zeker, omdat Mijn schapen tot roof zijn geworden en tot voedsel voor alle wilde dieren van het veld, omdat er geen herder was, en omdat Mijn herders niet naar Mijn schapen vroegen. De herders weidden zichzelf, maar Mijn schapen weidden zij niet.** Brontekst: חַי (chay) = levend is | אָ֜נִי (ani) = Ik | נְאֻ֣ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | לֹ֣א (lo) = niet | יַ֣עַן (yaan) = omdat | הֱיֽוֹת (heyot) = worden | צֹאנִ֣י (tsoni) = Mijn schapen | לָבַ֡ז (lavaz) = tot roof | וַתִּֽהְיֶינָה֩ (vatihyeina) = en werden | צֹאנִ֨י (tsoni) = Mijn schapen | לְאָכְלָ֜ה (leakhela) = tot voedsel | לְכָל (lekhal) = voor alle | חַיַּ֤ת (chayat) = wilde dieren van | הַשָּׂדֶה֙ (hasade) = het veld | מֵאֵ֣ין (meein) = zonder | רֹעֶ֔ה (roe) = herder | וְלֹֽא (velo) = en niet | דָרְשׁ֥וּ (dareshu) = vroegen | רֹעַ֖י (roay) = Mijn herders | אֶת (et) = (obj.) | צֹאנִ֑י (tsoni) = Mijn schapen | וַיִּרְע֤וּ (vayiru) = en weidden | הָֽרֹעִים֙ (haroim) = de herders | אוֹתָ֔ם (otam) = zichzelf | וְאֶת (veet) = en (obj.) | צֹאנִ֖י (tsoni) = Mijn schapen | לֹ֥א (lo) = niet | רָעֽוּ (rau) = weidden zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’ en חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Voetnoot : אִם לֹא (im lo), ‘zeker’: de zin loopt door tot vers 9, waar het ‘daarom’ de uitspraak voltooit. Zie ook: Ezech 5:11; Ezech 34:2–3; Ezech 34:9; Ezech 34:18; Hand 20:33; 1 Kor 9:15; 2 Petr 2:13 **34:9** **Daarom, herders, hoor het woord van Yahweh.”** Brontekst: לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | הָֽרֹעִ֔ים (haroim) = de herders | שִׁמְע֖וּ (shimu) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:10** Zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Ik ben tegen de herders. Ik zal Mijn schapen van hen terugeisen en hen laten ophouden de schapen te weiden. De herders zullen zichzelf niet meer weiden. Ik zal Mijn schapen uit hun mond bevrijden, en zij zullen geen voedsel meer voor hen zijn.”** Brontekst: כֹּה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | אֶֽל (el) = tegen | הָרֹעִ֜ים (haroim) = de herders | וְֽדָרַשְׁתִּ֧י (vedarashti) = en Ik zal terugeisen | אֶת (et) = (obj.) | צֹאנִ֣י (tsoni) = Mijn schapen | מִיָּדָ֗ם (miyadam) = uit hun hand | וְהִשְׁבַּתִּים֙ (vehishbatim) = en Ik zal laten ophouden | מֵרְע֣וֹת (mereot) = van het weiden van | צֹ֔אן (tson) = kudde | וְלֹא (velo) = en niet | יִרְע֥וּ (yiru) = zullen weiden | ע֛וֹד (od) = meer | הָרֹעִ֖ים (haroim) = de herders | אוֹתָ֑ם (otam) = zichzelf | וְהִצַּלְתִּ֤י (vehitsalti) = en Ik zal bevrijden | צֹאנִי֙ (tsoni) = Mijn schapen | מִפִּיהֶ֔ם (mipihem) = uit hun mond | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִהְיֶ֥יןָ (tihyeina) = zullen zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְאָכְלָֽה (leakhela) = tot voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִשְׁבַּתִּים (vehishbatim), ‘en Ik zal hen laten ophouden’: het werkwoord שָׁבַת (shavat) is ‘ophouden, rusten’. Hier worden de herders van hun taak ontslagen. Voetnoot : הִצַּלְתִּי (hitsalti), ‘Ik zal bevrijden’: wij vertalen hitsil steeds met ‘bevrijden’. Zie ook: Jer 21:13; Ezech 3:18; Ezech 13:8; Ezech 34:2; Zach 10:3 ### Ik zal Mijn schapen zoeken **34:11** Want zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Ik, Ik zal naar Mijn schapen vragen en naar hen omzien.** Brontekst: כִּ֛י (ki) = want | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִי (hinni) = zie Mij | אָ֕נִי (ani) = Ik | וְדָרַשְׁתִּ֥י (vedarashti) = en Ik zal vragen naar | אֶת (et) = (obj.) | צֹאנִ֖י (tsoni) = Mijn schapen | וּבִקַּרְתִּֽים (uviqartim) = en Ik zal omzien naar hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 40:10–11; Jer 23:3; Jer 31:8; Luc 19:10; Joh 10:16 **34:12** **Zoals een herder naar zijn kudde omziet op de dag dat hij midden onder zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar Mijn schapen omzien. Ik zal hen bevrijden uit alle plaatsen waarheen zij verspreid waren op de dag van wolken en donkerheid.** Brontekst: כְּבַקָּרַת֩ (kevaqarat) = zoals het omzien van | רֹעֶ֨ה (roe) = een herder | עֶדְר֜וֹ (edro) = zijn kudde | בְּיוֹם (beyom) = op de dag van | הֱיוֹת֤וֹ (heyoto) = zijn zijn | בְתוֹךְ (betokh) = te midden van | צֹאנוֹ֙ (tsono) = zijn schapen | נִפְרָשׁ֔וֹת (nifrashot) = verspreide | כֵּ֖ן (ken) = zo | אֲבַקֵּ֣ר (avaqer) = zal Ik omzien | אֶת (et) = (obj.) | צֹאנִ֑י (tsoni) = Mijn schapen | וְהִצַּלְתִּ֣י (vehitsalti) = en Ik zal bevrijden | אֶתְהֶ֗ם (ethem) = hen | מִכָּל (mikal) = uit alle | הַמְּקוֹמֹת֙ (hameqomot) = de plaatsen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarheen | נָפֹ֣צוּ (nafotsu) = zij verspreid waren | שָׁ֔ם (sham) = daar | בְּי֥וֹם (beyom) = op de dag van | עָנָ֖ן (anan) = wolk | וַעֲרָפֶֽל (vaarafel) = en donkerheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָנָן וַעֲרָפֶל (anan va’arafel), ‘wolk en donkerheid’: beelden voor een dag van onheil en ballingschap, zoals in Joël 2:2. Zie ook: Joël 2:2; Jes 40:11; Ezech 30:3; Luc 15:4–6; Luc 19:10; Joh 10:11–12 **34:13** **Ik zal hen uit de volken laten uitgaan en uit de landen verzamelen. Ik zal hen naar hun eigen grond brengen. Ik zal hen weiden op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle woonplaatsen van het land.** Brontekst: וְהוֹצֵאתִ֣ים (vehotsetim) = en Ik zal hen laten uitgaan | מִן (min) = uit | הָעַמִּ֗ים (haamim) = de volken | וְקִבַּצְתִּים֙ (veqibatstim) = en Ik zal hen verzamelen | מִן (min) = uit | הָ֣אֲרָצ֔וֹת (haaratsot) = de landen | וַהֲבִיאֹתִ֖ים (vahaviotim) = en Ik zal hen brengen | אֶל (el) = naar | אַדְמָתָ֑ם (admatam) = hun grond | וּרְעִיתִים֙ (ureitim) = en Ik zal hen weiden | אֶל (el) = op | הָרֵ֣י (harei) = de bergen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בָּאֲפִיקִ֕ים (baafiqim) = bij de beekbeddingen | וּבְכֹ֖ל (uvekhol) = en in alle | מוֹשְׁבֵ֥י (moshevei) = woonplaatsen van | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲפִיקִים (afiqim), ‘beekbeddingen’: de bedding van een beek, vaak droog; zoals in Ezech. 6:3. Zie ook: Ps 106:47; Jes 11:11–16; Sef 3:19–20; Ezech 6:3; Ezech 11:17; Ezech 28:25–26 **34:14** **Op een goede weide zal Ik hen weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij neerliggen op een goede weideplaats, en op vette weide zullen zij grazen op de bergen van Israël.** Brontekst: בְּמִרְעֶה (bemire) = op weide | טּוֹב֙ (tov) = goede | אֶרְעֶ֣ה (ere) = zal Ik weiden | אֹתָ֔ם (otam) = hen | וּבְהָרֵ֥י (uveharei) = en op de bergen van | מְרֽוֹם (merom) = hoogte van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | נְוֵהֶ֑ם (nevehem) = hun weideplaats | שָׁ֤ם (sham) = daar | תִּרְבַּ֨צְנָה֙ (tirbatsna) = zullen neerliggen | בְּנָ֣וֶה (benave) = op een weideplaats | טּ֔וֹב (tov) = goede | וּמִרְעֶ֥ה (umire) = en weide | שָׁמֵ֛ן (shamen) = vette | תִּרְעֶ֖ינָה (tireina) = zullen grazen | אֶל (el) = op | הָרֵ֥י (harei) = de bergen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֵי מְרוֹם יִשְׂרָאֵל (harei merom Yisra’el), ‘de hoge bergen van Israël’: de hoogte van Sion, vergelijk Ezech. 17:23 en 20:40. Zie ook: Ps 23:1–2; Ps 31:9–11; Jer 31:12–14; Jer 31:25; Ezech 17:23; Ezech 20:40; Joh 10:9 **34:15** **Ik, Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal hen laten neerliggen, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: אֲנִ֨י (ani) = Ik | אֶרְעֶ֤ה (ere) = zal weiden | צֹאנִי֙ (tsoni) = Mijn schapen | וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | אַרְבִּיצֵ֔ם (arbitsem) = zal laten neerliggen | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 23:1–2; Jes 11:6–7; Jer 3:15; Ezech 34:23; Joh 21:15 **34:16** **Wat verloren is, zal Ik zoeken. Wat verdreven is, zal Ik terugbrengen. Wat gebroken is, zal Ik verbinden, en wat ziek is, zal Ik sterken. Het vette en het sterke zal Ik vernietigen. Ik zal hen weiden met recht.”** Brontekst: אֶת (et) = (obj.) | הָאֹבֶ֤דֶת (haovedet) = het verlorene | אֲבַקֵּשׁ֙ (avaqesh) = zal Ik zoeken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַנִּדַּ֣חַת (hanidachat) = het verdrevene | אָשִׁ֔יב (ashiv) = zal Ik terugbrengen | וְלַנִּשְׁבֶּ֣רֶת (velanishberet) = en het gebrokene | אֶחֱבֹ֔שׁ (echevosh) = zal Ik verbinden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחוֹלָ֖ה (hachola) = het zieke | אֲחַזֵּ֑ק (achazeq) = zal Ik sterken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשְּׁמֵנָ֧ה (hashemena) = het vette | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחֲזָקָ֛ה (hachazaqa) = het sterke | אַשְׁמִ֖יד (ashmid) = zal Ik vernietigen | אֶרְעֶ֥נָּה (erena) = zal Ik hen weiden | בְמִשְׁפָּֽט (bemishpat) = met recht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַשְׁמִיד (ashmid), ‘Ik zal vernietigen’: het vette en sterke vee, dat de zwakke schapen onderdrukt. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen hier ‘Ik zal bewaken’ (אֶשְׁמֹר, eshmor). Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Jes 49:26; Ezech 34:4; Ezech 34:11; Luc 15:4–7; Luc 19:10 ### Recht tussen schaap en schaap **34:17** **„En jullie, Mijn schapen:** zo zegt Heer Yahweh: **zie, Ik ga rechtspreken tussen schaap en schaap, tussen de rammen en de bokken.** Brontekst: וְאַתֵּ֣נָה (veatena) = en jullie | צֹאנִ֔י (tsoni) = Mijn schapen | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Mij | שֹׁפֵט֙ (shofet) = rechtsprekend | בֵּֽין (bein) = tussen | שֶׂ֣ה (se) = schaap | לָשֶׂ֔ה (lase) = en schaap | לָאֵילִ֖ים (laeilim) = tussen rammen | וְלָעַתּוּדִֽים (velaatudim) = en bokken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 20:37–38; Ezech 34:20–22; Zach 10:3; Mat 25:32–33 **34:18** **Is het jullie te weinig dat jullie de goede weide afgrazen? Moeten jullie ook de rest van jullie weide met je voeten vertrappen? Is het te weinig dat jullie helder water drinken? Moeten jullie ook de rest met je voeten troebel maken?** Brontekst: הַמְעַ֣ט (hamat) = is het weinig | מִכֶּ֗ם (mikem) = voor jullie | הַמִּרְעֶ֤ה (hamire) = de weide | הַטּוֹב֙ (hatov) = de goede | תִּרְע֔וּ (tiru) = jullie grazen af | וְיֶ֨תֶר֙ (veyeter) = en de rest van | מִרְעֵיכֶ֔ם (mireikhem) = jullie weiden | תִּרְמְס֖וּ (tirmesu) = jullie vertrappen | בְּרַגְלֵיכֶ֑ם (beragleikhem) = met jullie voeten | וּמִשְׁקַע (umishqa) = en het helder van | מַ֣יִם (mayim) = water | תִּשְׁתּ֔וּ (tishtu) = jullie drinken | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | הַנּ֣וֹתָרִ֔ים (hanotarim) = de overgeblevenen | בְּרַגְלֵיכֶ֖ם (beragleikhem) = met jullie voeten | תִּרְפֹּשֽׂוּן (tirposun) = jullie maken troebel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:13; 2 Sam 7:19; Ezech 34:2–3; Mat 23:13; Luc 11:52 **34:19** **Moeten Mijn schapen grazen wat jullie voeten hebben vertrapt, en drinken wat jullie voeten troebel hebben gemaakt?”** Brontekst: וְצֹאנִ֑י (vetsoni) = en Mijn schapen | מִרְמַ֤ס (mirmas) = wat vertrapt is door | רַגְלֵיכֶם֙ (ragleikhem) = jullie voeten | תִּרְעֶ֔ינָה (tireina) = grazen zij | וּמִרְפַּ֥שׂ (umirpas) = en wat troebel is door | רַגְלֵיכֶ֖ם (ragleikhem) = jullie voeten | תִּשְׁתֶּֽינָה (tishteina) = drinken zij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **34:20** Daarom, zo zegt Heer Yahweh tot hen: **„Zie, Ik, Ik zal rechtspreken tussen het vette schaap en het magere schaap.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֛ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֲלֵיהֶ֑ם (aleihem) = tot hen | הִנְנִי (hinni) = zie Mij | אָ֕נִי (ani) = Ik | וְשָֽׁפַטְתִּי֙ (veshafatti) = en Ik zal rechtspreken | בֵּֽין (bein) = tussen | שֶׂ֣ה (se) = schaap | בִרְיָ֔ה (birya) = vet | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | שֶׂ֖ה (se) = schaap | רָזָֽה (raza) = mager Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 22:13–17; Ezech 34:10; Ezech 34:17; Mat 25:31–46 **34:21** **Omdat jullie met zij en schouder duwen en met jullie horens alle zwakke schapen stoten, totdat jullie ze naar buiten hebben verspreid,** Brontekst: יַ֗עַן (yaan) = omdat | בְּצַ֤ד (betsad) = met zij | וּבְכָתֵף֙ (uvekhatef) = en met schouder | תֶּהְדֹּ֔פוּ (tehdofu) = jullie duwen | וּבְקַרְנֵיכֶ֥ם (uveqarneikhem) = en met jullie horens | תְּנַגְּח֖וּ (tenagechu) = jullie stoten | כָּל (kal) = alle | הַנַּחְל֑וֹת (hanachlot) = de zwakke | עַ֣ד (ad) = tot | אֲשֶׁ֧ר (asher) = dat | הֲפִיצוֹתֶ֛ם (hafitsotem) = jullie hebben verspreid | אוֹתָ֖נָה (otana) = hen | אֶל (el) = naar | הַחֽוּצָה (hachutsa) = buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּצַד וּבְכָתֵף (betsad uvkhatef), ‘met zij en met schouder’: zo duwen sterke dieren de zwakke weg. Zie ook: Deut 33:17; Ezech 34:3–5; Zach 11:5; Zach 11:16–17; Luc 13:14–16 **34:22** **zal Ik Mijn schapen redden. Zij zullen niet meer tot roof zijn. Ik zal rechtspreken tussen schaap en schaap.** Brontekst: וְהוֹשַׁעְתִּ֣י (vehoshati) = en Ik zal redden | לְצֹאנִ֔י (letsoni) = Mijn schapen | וְלֹֽא (velo) = en niet | תִהְיֶ֥ינָה (tihyeina) = zullen zijn | ע֖וֹד (od) = meer | לָבַ֑ז (lavaz) = tot roof | וְשָׁ֣פַטְתִּ֔י (veshafatti) = en Ik zal rechtspreken | בֵּ֥ין (bein) = tussen | שֶׂ֖ה (se) = schaap | לָשֶֽׂה (lase) = en schaap Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 72:12–14; Jer 23:2–3; Ezech 34:10; Zach 11:7–9 ### Mijn knecht David als herder **34:23** **Ik zal één herder over hen aanstellen, en hij zal hen weiden: Mijn knecht David. Hij zal hen weiden en hij zal hun herder zijn.** Brontekst: וַהֲקִמֹתִ֨י (vahaqimoti) = en Ik zal aanstellen | עֲלֵיהֶ֜ם (aleihem) = over hen | רֹעֶ֤ה (roe) = herder | אֶחָד֙ (echad) = één | וְרָעָ֣ה (veraa) = en hij zal weiden | אֶתְהֶ֔ן (ethen) = hen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | עַבְדִּ֣י (avdi) = Mijn knecht | דָוִ֑יד (david) = David | ה֚וּא (hu) = hij | יִרְעֶ֣ה (yire) = zal weiden | אֹתָ֔ם (otam) = hen | וְהֽוּא (vehu) = en hij | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָהֶ֖ן (lahen) = voor hen | לְרֹעֶֽה (leroe) = tot herder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי דָוִד (avdi David), ‘Mijn knecht David’: David is de koning die al lang dood is. Het gaat om een herder uit zijn huis, zoals in Ezech. 37:24. Vergelijk 2 Sam. 7:12–16. Voetnoot : רֹעֶה אֶחָד (ro’eh echad), ‘één herder’: één leider voor heel het volk, vergelijk Ezech. 37:22. Zie ook: 2 Sam 7:12–16; Hos 3:5; Jes 40:11; Jer 30:9; Ezech 37:22; Ezech 37:24–25; Joh 10:11 **34:24** **Ik, Yahweh, zal hun Elohim zijn, en Mijn knecht David zal vorst zijn in hun midden. Ik, Yahweh, heb gesproken.** Brontekst: וַאֲנִ֣י (vaani) = en Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֶהְיֶ֤ה (ehye) = zal zijn | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | לֵֽאלֹהִ֔ים (lElohim) = tot Elohim | וְעַבְדִּ֥י (veavdi) = en Mijn knecht | דָוִ֖ד (david) = David | נָשִׂ֣יא (nasi) = vorst | בְתוֹכָ֑ם (betokham) = in hun midden | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּֽרְתִּי (dibarti) = heb gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’: bij Ezechiël de titel voor de leider van het volk, ook in 37:25 en 44:3. Zie ook: Jer 23:5–6; Jer 31:33; Ezech 36:28; Ezech 37:27; Openb 21:3 ### Een verbond van vrede **34:25** **Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Ik zal de wilde dieren uit het land laten verdwijnen. Zij zullen veilig in de woestijn wonen en in de bossen slapen.** Brontekst: וְכָרַתִּ֤י (vekharati) = en Ik zal sluiten | לָהֶם֙ (lahem) = met hen | בְּרִ֣ית (berit) = verbond van | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | וְהִשְׁבַּתִּ֥י (vehishbati) = en Ik zal laten verdwijnen | חַיָּֽה (chaya) = dier | רָעָ֖ה (raa) = wild | מִן (min) = uit | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וְיָשְׁב֤וּ (veyashevu) = en zij zullen wonen | בַמִּדְבָּר֙ (bamidbar) = in de woestijn | לָבֶ֔טַח (lavetach) = veilig | וְיָשְׁנ֖וּ (veyashenu) = en zullen slapen | בַּיְּעָרִֽים (bayearim) = in de bossen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית שָׁלוֹם (berit shalom), ‘een verbond van vrede’: vergelijk Num. 25:12 en Jes. 54:10. Voetnoot : חַיָּה רָעָה (chayyah ra’ah), ‘wilde dieren’: letterlijk ‘kwade dieren’; het gaat om roofdieren, zoals in Lev. 26:6. Zie ook: Lev 26:6; Num 25:12; Jes 11:6–9; Jes 35:9; Jes 54:10; Jer 23:6; Ezech 37:26 **34:26** **Ik zal hen en de omgeving van Mijn heuvel tot een zegen maken. Ik zal de regen laten vallen op zijn tijd: regens van zegen zullen het zijn.** Brontekst: וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal maken | אוֹתָ֛ם (otam) = hen | וּסְבִיב֥וֹת (usevivot) = en de omgeving van | גִּבְעָתִ֖י (givati) = Mijn heuvel | בְּרָכָ֑ה (berakha) = tot zegen | וְהוֹרַדְתִּ֤י (vehoradti) = en Ik zal laten neerkomen | הַגֶּ֨שֶׁם֙ (hageshem) = de regen | בְּעִתּ֔וֹ (beito) = op zijn tijd | גִּשְׁמֵ֥י (gishmei) = regens van | בְרָכָ֖ה (berakha) = zegen | יִֽהְיֽוּ (yihyu) = zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּבְעָתִי (giv’ati), ‘Mijn heuvel’: de heuvel van Sion, waar Yahweh woont. Voetnoot : גִּשְׁמֵי בְרָכָה (gishmei verakhah), ‘regens van zegen’: de regen komt op tijd, zoals in Lev. 26:4 en Deut. 28:12. Zie ook: Gen 12:2; Lev 26:4; Deut 28:12; Ps 68:10; Jes 44:3 **34:27** **De bomen van het veld zullen hun vrucht geven en het land zal zijn opbrengst geven. Zij zullen veilig op hun grond zijn. Zij zullen weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik de stangen van hun juk breek. Dan bevrijd Ik hen uit de hand van wie hen tot slaaf maakten.** Brontekst: וְנָתַן֩ (venatan) = en zal geven | עֵ֨ץ (ets) = boom van | הַשָּׂדֶ֜ה (hasade) = het veld | אֶת (et) = (obj.) | פִּרְי֗וֹ (piryo) = zijn vrucht | וְהָאָ֨רֶץ֙ (vehaarets) = en het land | תִּתֵּ֣ן (titen) = zal geven | יְבוּלָ֔הּ (yevulah) = zijn opbrengst | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | עַל (al) = op | אַדְמָתָ֖ם (admatam) = hun grond | לָבֶ֑טַח (lavetach) = veilig | וְֽיָדְע֞וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בְּשִׁבְרִי֙ (beshivri) = bij mijn breken | אֶת (et) = (obj.) | מֹט֣וֹת (motot) = stangen van | עֻלָּ֔ם (ulam) = juk | וְהִ֨צַּלְתִּ֔ים (vehitsaltim) = en Ik zal hen bevrijden | מִיַּ֖ד (miyad) = uit de hand van | הָעֹבְדִ֥ים (haovedim) = die tot slaaf maakten | בָּהֶֽם (bahem) = hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֹטֹת עֻלָּם (motot ullam), ‘de stangen van hun juk’: de houten delen van het juk, een beeld van slavernij; vergelijk Lev. 26:13. Zie ook: Lev 26:4; Lev 26:13; Ps 92:13–15; Jes 52:2–3; Jer 30:8 **34:28** **Zij zullen niet meer tot roof zijn voor de volken, en de wilde dieren van de aarde zullen hen niet meer eten. Zij zullen veilig wonen en niemand zal hen bang maken.** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יִהְי֨וּ (yihyu) = zullen zijn | ע֥וֹד (od) = meer | בַּז֙ (baz) = roof | לַגּוֹיִ֔ם (lagoyim) = voor de volken | וְחַיַּ֥ת (vechayat) = en dier van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לֹ֣א (lo) = niet | תֹאכְלֵ֑ם (tokhlem) = zal eten hen | וְיָשְׁב֥וּ (veyashevu) = en zij zullen wonen | לָבֶ֖טַח (lavetach) = veilig | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מַחֲרִֽיד (macharid) = die bang maakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 30:10; Jer 46:27; Ezech 34:8; Ezech 36:15; Ezech 39:26 **34:29** **Ik zal voor hen een beroemde beplanting laten opkomen. Zij zullen niet meer door honger uit het land weggerukt worden en niet meer de smaad van de volken dragen.** Brontekst: וַהֲקִמֹתִ֥י (vahaqimoti) = en Ik zal laten opkomen | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | מַטָּ֖ע (mata) = beplanting | לְשֵׁ֑ם (leshem) = tot naam | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְי֨וּ (yihyu) = zullen zijn | ע֜וֹד (od) = meer | אֲסֻפֵ֤י (asufei) = weggerukt door | רָעָב֙ (raav) = honger | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִשְׂא֥וּ (yisu) = zullen dragen | ע֖וֹד (od) = meer | כְּלִמַּ֥ת (kelimat) = smaad van | הַגּוֹיִֽם (hagoyim) = de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַטָּע לְשֵׁם (matta le-shem), ‘een beplanting tot naam’: de betekenis is niet helemaal zeker. Het kan ‘een beroemde beplanting’ zijn, of ‘een beplanting met een naam’, een land dat bekend staat om zijn vruchtbaarheid. Voetnoot : אֲסֻפֵי רָעָב (asufei ra’av), ‘weggerukt door honger’: letterlijk ‘weggenomen door honger’. Zie ook: Jes 4:2; Ezech 34:26–27; Ezech 36:3–6; Ezech 36:15; Ezech 36:29 **34:30** **Zij zullen weten dat Ik, Yahweh, hun Elohim, met hen ben, en dat zij, het huis van Israël, Mijn volk zijn, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְיָדְע֗וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּ֣י (ki) = dat | אֲנִ֧י (ani) = Ik | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵיהֶ֖ם (eloheihem) = hun Elohim | אִתָּ֑ם (itam) = met hen | וְהֵ֗מָּה (vehema) = en zij | עַמִּי֙ (ami) = Mijn volk | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 46:8; Ps 46:12; Ezech 14:11; Ezech 34:24; Ezech 37:27 **34:31** **Jullie zijn Mijn schapen, de schapen van Mijn weide. Mensen zijn jullie, en Ik ben jullie Elohim, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: וְאַתֵּ֥ן (veaten) = en jullie | צֹאנִ֛י (tsoni) = Mijn schapen | צֹ֥אן (tson) = schapen van | מַרְעִיתִ֖י (mariti) = Mijn weide | אָדָ֣ם (adam) = mensen | אַתֶּ֑ם (atem) = jullie | אֲנִי֙ (ani) = Ik | אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם (eloheikhem) = jullie Elohim | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אָדָם אַתֶּם (adam attem), ‘mensen zijn jullie’: het volk is de kudde, Yahweh is de Herder. Zie ook Ps. 23:1 en Ps. 100:3. Zie ook: Ps 23:1; Ps 78:52; Ps 80:2; Ps 100:3; Ezech 36:38; Joh 10:16 ## Ezechiël 35 _Het oordeel over de berg Seir_ ### Tegen de berg Seir **35:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 21:6; Ezech 22:1; Ezech 34:1; 2 Petr 1:21 **35:2** **„Mensenkind, richt je gezicht naar de berg Seir en profeteer tegen hem.”** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | שִׂ֥ים (sim) = richt | פָּנֶ֖יךָ (paneikha) = je gezicht | עַל (al) = naar | הַ֣ר (har) = berg | שֵׂעִ֑יר (seir) = Seir | וְהִנָּבֵ֖א (vehinave) = en profeteer | עָלָֽיו (alav) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: הַר שֵׂעִיר (har Se’ir), ‘de berg Seir’: het bergland van Edom, het land van Ezau. Zie Gen. 36:8–9. Zie ook: Gen 32:3; Gen 36:8–9; Ob 1:1; Ezech 6:2; Ezech 25:8 **35:3** Zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Ik ben tegen je, berg Seir. Ik steek Mijn hand tegen je uit en maak je tot een verwoesting en een woestenij.** Brontekst: וְאָמַ֣רְתָּ (veamarta) = en zeg | לּ֗וֹ (lo) = tot hem | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֥י (hinni) = zie Mij | אֵלֶ֖יךָ (eleikha) = tegen je | הַר (har) = berg | שֵׂעִ֑יר (seir) = Seir | וְנָטִ֤יתִי (venatiti) = en Ik steek uit | יָדִי֙ (yadi) = Mijn hand | עָלֶ֔יךָ (aleikha) = tegen je | וּנְתַתִּ֖יךָ (unetatikha) = en Ik maak je | שְׁמָמָ֥ה (shemama) = verwoesting | וּמְשַׁמָּֽה (umeshama) = en woestenij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: שְׁמָמָה וּמְשַׁמָּה (shemamah umeshammah), ‘een verwoesting en een woestenij’: twee verwante woorden voor een kaal en leeg land. De woorden komen in dit hoofdstuk steeds terug. Zie ook: Jer 6:12; Jer 15:6; Jer 21:13; Ezech 6:14; Ezech 35:7 **35:4** **Je steden maak Ik tot puin, en jij zult een woestenij zijn. Dan zul je weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: עָרֶ֨יךָ֙ (areikha) = je steden | חָרְבָּ֣ה (charba) = puin | אָשִׂ֔ים (asim) = maak Ik | וְאַתָּ֖ה (veata) = en jij | שְׁמָמָ֣ה (shemama) = woestenij | תִֽהְיֶ֑ה (tihye) = zult zijn | וְיָדַעְתָּ֖ (veyadata) = en je zult weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 9:14; Ex 14:4; Ezech 35:9; Ezech 35:12; Mal 1:3–4 ### Eeuwige vijandschap **35:5** **Omdat je een eeuwige vijandschap hebt gehad en de zonen van Israël aan de macht van het zwaard hebt overgeleverd, ten tijde van hun ramp, ten tijde van het einde van hun schuld,** Brontekst: יַ֗עַן (yaan) = omdat | הֱי֤וֹת (heyot) = het zijn | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | אֵיבַ֣ת (eivat) = vijandschap van | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwigheid | וַתַּגֵּ֥ר (vatager) = en je hebt overgeleverd | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | עַל (al) = aan | יְדֵי (yedei) = macht van | חָ֑רֶב (charev) = zwaard | בְּעֵ֣ת (beet) = ten tijde van | אֵידָ֔ם (eidam) = hun ramp | בְּעֵ֖ת (beet) = ten tijde van | עֲוֺ֥ן (avon) = schuld van | קֵֽץ (qets) = einde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵיבַת עוֹלָם (eivat olam), ‘een eeuwige vijandschap’: de vijandschap tussen Edom en Israël gaat terug op Ezau en Jakob (Gen. 27:41). Vergelijk Obadja 1:10–14 en Ps. 137:7. Voetnoot : עֵת אֵידָם (et eidam), ‘ten tijde van hun ramp’: de val van Jeruzalem; vergelijk Ezech. 25:12–14. Zie ook: Gen 27:41; Ps 137:7; Amos 1:11; Ob 1:10–16; Ezech 21:30; Ezech 25:12 **35:6** **daarom, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Ik maak je tot bloed, en bloed zal je achtervolgen. Omdat je bloed niet hebt gehaat, zal bloed je achtervolgen.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | חַי (chay) = levend is | אָ֗נִי (ani) = Ik | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = dat | לְדָ֥ם (ledam) = tot bloed | אֶעֶשְׂךָ֖ (eeskha) = Ik maak je | וְדָ֣ם (vedam) = en bloed | יִרְדֲּפֶ֑ךָ (yirdafekha) = zal je achtervolgen | אִם (im) = als | לֹ֥א (lo) = niet | דָ֛ם (dam) = bloed | שָׂנֵ֖אתָ (saneta) = je hebt gehaat | וְדָ֥ם (vedam) = en bloed | יִרְדֲּפֶֽךָ (yirdafekha) = zal je achtervolgen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’, en נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Voetnoot : לְדָם אֶעֱשֶׂךָ (ledam e’esekha), ‘Ik maak je tot bloed’: bloedvergieten wordt Edom zelf ten deel. Voetnoot : אִם לֹא (im lo), ‘als niet’: elders in dit boek vertaald met ‘zeker’ (Ezech. 5:11 en 34:8). Hier geven wij het weer met ‘omdat’; de betekenis is niet helemaal zeker. Een andere weergave is ‘zeker, je hebt bloed niet gehaat’. Zie ook: Ps 109:16–17; Jes 63:2–6; Ob 1:15; Ezech 5:11; Ezech 34:8; Openb 18:24; Openb 19:2–3 **35:7** **Ik maak de berg Seir tot een verwoesting en een woestenij. Ik snijd van hem af wie erdoorheen trekt en wie terugkeert.** Brontekst: וְנָֽתַתִּי֙ (venatati) = en Ik maak | אֶת (et) = (obj.) | הַ֣ר (har) = berg | שֵׂעִ֔יר (seir) = Seir | לְשִֽׁמְמָ֖ה (leshimma) = tot verwoesting | וּשְׁמָמָ֑ה (ushemama) = en woestenij | וְהִכְרַתִּ֥י (vehikhrati) = en Ik snijd af | מִמֶּ֖נּוּ (mimenu) = van hem | עֹבֵ֥ר (over) = wie doortrekt | וָשָֽׁב (vashav) = en wie terugkeert Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: עֹבֵר וָשָׁב (over vashav), ‘wie doortrekt en wie terugkeert’: elk verkeer in het land houdt op. Zie ook: Re 5:6–7; Ezech 29:11; Ezech 33:28; Ezech 35:3; Ezech 35:9 **35:8** **Ik vul zijn bergen met zijn gesneuvelden. Op je heuvels, in je dalen en in al je beekbeddingen zullen zij vallen die door het zwaard zijn gesneuveld.** Brontekst: וּמִלֵּאתִ֥י (umileti) = en Ik vul | אֶת (et) = (obj.) | הָרָ֖יו (harav) = zijn bergen | חֲלָלָ֑יו (chalalav) = zijn gesneuvelden | גִּבְעוֹתֶ֤יךָ (givoteikha) = je heuvels | וְגֵאוֹתֶ֨יךָ֙ (vegeoteikha) = en je dalen | וְכָל (vekhal) = en al | אֲפִיקֶ֔יךָ (afiqeikha) = je beekbeddingen | חַלְלֵי (challei) = gesneuvelden van | חֶ֖רֶב (cherev) = zwaard | יִפְּל֥וּ (yipelu) = zullen vallen | בָהֶֽם (bahem) = in hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 34:2–7; Ezech 31:12; Ezech 32:4–5; Ezech 39:4–5 **35:9** **Ik maak je tot eeuwige woestenijen. Je steden zullen niet terugkeren. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: שִֽׁמְמ֤וֹת (shimmot) = woestenijen van | עוֹלָם֙ (olam) = eeuwigheid | אֶתֶּנְךָ֔ (etenkha) = Ik maak je | וְעָרֶ֖יךָ (veareikha) = en je steden | לֹ֣א (lo) = niet | תָשֹׁ֑בְנָה (tashovena) = zullen terugkeren | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat תֵּשַׁבְנָה (teshavnah), ‘zij zullen bewoond worden’. De overlevering leest תָּשֹׁבְנָה (tashovnah), ‘zij zullen terugkeren’. Wij volgen de overlevering. Zie ook: Ezech 6:7; Ezech 7:4; Ezech 25:13; Ezech 35:4; Mal 1:3–4 ### Omdat jij zei: de landen zijn van mij **35:10** **Omdat je zei: ‘De twee volken en de twee landen zullen van mij zijn, en wij zullen ze in bezit nemen’, terwijl Yahweh daar was,** Brontekst: יַ֣עַן (yaan) = omdat | אֲ֠מָרְךָ (amarekha) = je zei | אֶת (et) = (obj.) | שְׁנֵ֨י (shenei) = twee | הַגּוֹיִ֜ם (hagoyim) = de volken | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁתֵּ֧י (shetei) = twee | הָאֲרָצ֛וֹת (haaratsot) = de landen | לִ֥י (li) = voor mij | תִהְיֶ֖ינָה (tihyeina) = zullen zijn | וִֽירַשְׁנ֑וּהָ (virashnuha) = en wij zullen ze in bezit nemen | וַֽיהוָ֖ה (vaYahweh) = en Yahweh | שָׁ֥ם (sham) = daar | הָיָֽה (haya) = was Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁנֵי הַגּוֹיִם וְאֶת שְׁתֵּי הָאֲרָצוֹת (shenei hagoyim ve’et shetei ha’aratsot), ‘de twee volken en de twee landen’: Israël en Juda, de twee delen van het volk (vergelijk Ezech. 37:22). Voetnoot : וַיהוָה שָׁם הָיָה (vaYahweh sham hayah), ‘terwijl Yahweh daar was’: Yahweh was aanwezig in het land dat Edom wilde innemen. Zie ook: Ps 48:2–4; Ps 83:5–13; Ezech 36:2; Ezech 36:5; Ezech 37:22; Ezech 48:35 **35:11** **daarom, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Ik zal handelen naar je woede en naar je ijver, die je uit je haat tegen hen hebt getoond. Ik zal Mij onder hen bekend maken wanneer Ik je oordeel.** Brontekst: לָכֵ֣ן (lakhen) = daarom | חַי (chay) = levend is | אָ֗נִי (ani) = Ik | נְאֻם֮ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | וְעָשִׂ֗יתִי (veasiti) = en Ik zal doen | כְּאַפְּךָ֙ (keapekha) = naar je woede | וּכְקִנְאָ֣תְךָ֔ (ukheqinatekha) = en naar je ijver | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשִׂ֔יתָה (asita) = je hebt gedaan | מִשִּׂנְאָתֶ֖יךָ (misinateikha) = uit je haat tegen hen | בָּ֑ם (bam) = in hen | וְנוֹדַ֥עְתִּי (venodati) = en Ik zal Mij bekend maken | בָ֖ם (bam) = in hen | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | אֶשְׁפְּטֶֽךָ (eshpetekha) = Ik je oordeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶוָּדַע (ivvada), ‘Ik zal Mij bekend maken’: Yahweh laat Zich kennen door het oordeel. Zie ook: Ps 9:17; Ps 73:17–18; Ps 137:7; Amos 1:11; Mat 7:2 **35:12** **Dan zul je weten dat Ik, Yahweh, al je lasterpraat heb gehoord. Je hebt die tegen de bergen van Israël uitgesproken: ‘Ze zijn woest, aan ons zijn ze gegeven om op te eten.’** Brontekst: וְֽיָדַעְתָּ֮ (veyadata) = en je zult weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | שָׁמַ֣עְתִּי (shamati) = heb gehoord | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = al | נָאָֽצוֹתֶ֗יךָ (naatsoteikha) = je lasterpraat | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אָמַ֛רְתָּ (amarta) = je hebt gesproken | עַל (al) = over | הָרֵ֥י (harei) = bergen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לֵאמֹ֣ר (lemor) = zeggend | שָׁמֵ֑מוּ (shamemu) = zij zijn woest | לָ֥נוּ (lanu) = aan ons | נִתְּנ֖וּ (nitenu) = zijn gegeven | לְאָכְלָֽה (leakhela) = om op te eten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָאָצוֹתֶיךָ (na’atsotekha), ‘je lasterpraat’: woorden van minachting tegen Yahweh en Zijn land. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat שְׁמָמָה (shemamah), ‘woestenij’. De overlevering leest שָׁמֵמוּ (shamemu), ‘zij zijn woest’. Wij volgen de overlevering. Zie ook: Ps 83:13; Ps 94:9–10; Ezech 6:7; Ezech 35:9; Ezech 36:2 **35:13** **Jullie hebben met je mond tegen Mij gepocht en jullie woorden tegen Mij vermenigvuldigd. Ik heb het gehoord.”** Brontekst: וַתַּגְדִּ֤ילוּ (vatagdilu) = en jullie hebben gepocht | עָלַי֙ (alay) = tegen Mij | בְּפִיכֶ֔ם (befikhem) = met jullie mond | וְהַעְתַּרְתֶּ֥ם (vehatartem) = en jullie hebben vermenigvuldigd | עָלַ֖י (alay) = tegen Mij | דִּבְרֵיכֶ֑ם (divreikhem) = jullie woorden | אֲנִ֖י (ani) = Ik | שָׁמָֽעְתִּי (shamati) = heb gehoord Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהַעְתַּרְתֶּם (veha’tartem), ‘en jullie hebben vermenigvuldigd’: een zeldzaam werkwoord voor het opstapelen van woorden. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: 1 Sam 2:3; Jes 36:20; Jer 29:23; Ezech 35:12; Dan 11:36 ### Een woestenij zoals jij je verheugde **35:14** Zo zegt Heer Yahweh: **„Terwijl heel de aarde zich verheugt, zal Ik van jou een woestenij maken.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כִּשְׂמֹ֨חַ֙ (kismoach) = terwijl zich verheugt | כָּל (kal) = heel | הָאָ֔רֶץ (haarets) = de aarde | שְׁמָמָ֖ה (shemama) = woestenij | אֶעֱשֶׂה (eese) = zal Ik maken | לָּֽךְ (lakh) = van jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 14:7–8; Jes 65:13–15; Jer 51:48 **35:15** **Zoals jij je verheugde over het erfdeel van het huis van Israël, omdat het woest was, zo zal Ik jou behandelen. Een woestenij zul je worden, berg Seir, en heel Edom, helemaal. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: כְּשִׂמְחָ֨תְךָ֜ (kesimchatekha) = zoals jouw verheugen | לְנַחְלַ֧ת (lenachlat) = over het erfdeel van | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | עַ֥ל (al) = over | אֲשֶׁר (asher) = dat | שָׁמֵ֖מָה (shamema) = woest was | כֵּ֣ן (ken) = zo | אֶעֱשֶׂה (eese) = zal Ik doen | לָּ֑ךְ (lakh) = aan jou | שְׁמָמָ֨ה (shemama) = woestenij | תִֽהְיֶ֤ה (tihye) = zul je zijn | הַר (har) = berg | שֵׂעִיר֙ (seir) = Seir | וְכָל (vekhal) = en heel | אֱד֣וֹם (edom) = Edom | כֻּלָּ֔הּ (kulah) = helemaal | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: Het huis van Israël wordt hier ‘erfdeel’ genoemd (נַחֲלָה, nachalah): het land dat Yahweh aan Israël gaf. Zie ook: Ps 137:7; Jes 34:5–6; Klaagl 4:21; Ob 1:15; Ezech 35:3–4 ## Ezechiël 36 _Aan de bergen van Israël: een nieuw hart en een nieuwe geest_ ### Bergen van Israël, hoor het woord van Yahweh **36:1** **„En jij, mensenkind, profeteer tegen de bergen van Israël en zeg: ‘Bergen van Israël, hoor het woord van Yahweh.’”** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֔ם (adam) = mens | הִנָּבֵ֖א (hinave) = profeteer | אֶל (el) = tegen | הָרֵ֣י (harei) = bergen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְאָ֣מַרְתָּ֔ (veamarta) = en zeg | הָרֵי֙ (harei) = bergen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שִׁמְע֖וּ (shimu) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרֵי יִשְׂרָאֵל (harei Yisra’el), ‘bergen van Israël’: het hele land, zoals in Ezech. 6:2–3. Daar sprak Yahweh tegen de bergen over oordeel; hier spreekt Hij tot hen over herstel. Voetnoot : De opdracht aan Ezechiël staat rood, de formules ‘Zo zegt Heer Yahweh’ zwart. Zie ook: Jer 22:29; Ezech 6:2–3; Ezech 21:3; Ezech 33:28; Ezech 34:14; Ezech 37:22 **36:2** Zo zegt Heer Yahweh: **„Omdat de vijand over jullie heeft gezegd: ‘Aha! Ook de eeuwige hoogten zijn ons tot bezit geworden’,** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֣עַן (yaan) = omdat | אָמַ֧ר (amar) = heeft gezegd | הָאוֹיֵ֛ב (haoyev) = de vijand | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = over jullie | הֶאָ֑ח (heach) = aha | וּבָמ֣וֹת (uvamot) = en hoogten van | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwigheid | לְמֽוֹרָשָׁ֖ה (lemorasha) = tot bezit | הָ֥יְתָה (hayeta) = zijn geworden | לָּֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּמוֹת עוֹלָם (bamot olam), ‘de eeuwige hoogten’: de oude bergen van het land, die Israël als bezit kreeg. De vijand, vooral Edom (vers 5), noemt ze ‘ons bezit’. Het woord ‘hoogten’ is hetzelfde als in Ezech. 6:3. Zie ook: Deut 32:13; Ps 78:69; Ezech 6:3; Ezech 25:3; Ezech 26:2; Ezech 35:10; Ezech 36:5 **36:3** **profeteer daarom en zeg:”** Zo zegt Heer Yahweh: **„Juist omdat men jullie van alle kanten heeft verwoest en naar jullie heeft gehapt, zodat jullie een bezit werden voor de overgebleven volken. Jullie zijn op de lippen van de tong gekomen en in de roddel van het volk,** Brontekst: לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | הִנָּבֵ֣א (hinave) = profeteer | וְאָמַרְתָּ֔ (veamarta) = en zeg | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֣עַן (yaan) = omdat | בְּיַ֡עַן (beyaan) = juist omdat | שַׁמּוֹת֩ (shamot) = verwoesten | וְשָׁאֹ֨ף (veshaof) = en happen | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = naar jullie | מִסָּבִ֗יב (misaviv) = van alle kanten | לִֽהְיוֹתְכֶ֤ם (lihyotekhem) = opdat jullie zijn | מֽוֹרָשָׁה֙ (morasha) = bezit | לִשְׁאֵרִ֣ית (lisherit) = voor de overgeblevenen van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וַתֵּֽעֲל֛וּ (vatealu) = en jullie zijn gekomen | עַל (al) = op | שְׂפַ֥ת (sefat) = lip van | לָשׁ֖וֹן (lashon) = tong | וְדִבַּת (vedibat) = en roddel van | עָֽם (am) = volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁמוֹת וְשְׁאֹף (shamot veshe’of), ‘verwoesten en happen’: het tweede werkwoord is zeldzaam en betekent letterlijk ‘snakken, hijgen naar’, als een dier dat zijn prooi grijpt. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : עַל שְׂפַת לָשׁוֹן (al sefat lashon), ‘op de lippen van de tong’: zij zijn het onderwerp van gepraat geworden. Zie ook: Ps 44:14–15; Ps 61:2; 1 Kon 9:7–8; Jer 18:16; Klaagl 2:15–16 **36:4** **daarom, bergen van Israël, hoor het woord van Heer Yahweh.”** Zo zegt Heer Yahweh tot de bergen en de heuvels, tot de beekbeddingen en de dalen, tot de verwoeste puinhopen en de verlaten steden, die tot roof en tot spot zijn geworden voor de overgebleven volken rondom: Brontekst: לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | הָרֵ֣י (harei) = bergen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שִׁמְע֖וּ (shimu) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְ֠הוִה (Yahweh) = Yahweh | לֶהָרִ֨ים (leharim) = tot de bergen | וְלַגְּבָע֜וֹת (velagevaot) = en tot de heuvels | לָאֲפִיקִ֣ים (laafiqim) = tot de beekbeddingen | וְלַגֵּאָי֗וֹת (velageayot) = en tot de dalen | וְלֶחֳרָב֤וֹת (velechoravot) = en tot de puinhopen | הַשֹּֽׁמְמוֹת֙ (hashomemot) = de verwoeste | וְלֶעָרִ֣ים (velearim) = en tot de steden | הַנֶּעֱזָב֔וֹת (haneezavot) = de verlaten | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | הָי֤וּ (hayu) = zijn geworden | לְבַז֙ (levaz) = tot roof | וּלְלַ֔עַג (ulelaag) = en tot spot | לִשְׁאֵרִ֥ית (lisherit) = voor de overgeblevenen van | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | מִסָּבִֽיב (misaviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרִים (harim), ‘bergen’, גְּבָעוֹת (geva’ot), ‘heuvels’, אֲפִיקִים (afiqim), ‘beekbeddingen’ en גֵּאָיוֹת (ge’ayot), ‘dalen’: dezelfde opsomming als in Ezech. 6:3. Zie ook: Deut 11:11; Ps 79:4; Ezech 6:3; Ezech 34:28; Ezech 36:1; Ezech 36:6 **36:5** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **„Zeker, in het vuur van Mijn ijver heb Ik gesproken tegen de overgebleven volken en tegen heel Edom. Zij hebben Mijn land tot hun bezit gemaakt, met de vreugde van hun hele hart en met minachting in hun ziel, om zijn weideland tot buit te maken.”** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | אִם (im) = als | לֹ֠א (lo) = niet | בְּאֵ֨שׁ (beesh) = in het vuur van | קִנְאָתִ֥י (qinati) = Mijn ijver | דִבַּ֛רְתִּי (dibarti) = heb Ik gesproken | עַל (al) = over | שְׁאֵרִ֥ית (sheerit) = de overgeblevenen van | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | וְעַל (veal) = en over | אֱד֣וֹם (edom) = Edom | כֻּלָּ֑א (kula) = helemaal | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | נָתְנֽוּ (natenu) = hebben gegeven | אֶת (et) = (obj.) | אַרְצִ֣י (artsi) = Mijn land | לָ֠הֶם (lahem) = aan zichzelf | לְמ֨וֹרָשָׁ֜ה (lemorasha) = tot bezit | בְּשִׂמְחַ֤ת (besimchat) = met vreugde van | כָּל (kal) = heel | לֵבָב֙ (levav) = hart | בִּשְׁאָ֣ט (bishat) = met minachting van | נֶ֔פֶשׁ (nefesh) = ziel | לְמַ֥עַן (lemaan) = om | מִגְרָשָׁ֖הּ (migrashah) = zijn weideland | לָבַֽז (lavaz) = tot buit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië. Voetnoot Uitleg: אִם לֹא (im lo), ‘zeker’: zoals in Ezech. 5:11. Voetnoot : אֱדוֹם (Edom): zie Ezech. 35. Voetnoot : מִגְרָשָׁהּ (migrashah), ‘zijn weideland’: het land dat rond een stad ligt, waar vee graast. Zie ook: Ps 137:7; Mi 7:8; Jer 25:9; Ezech 5:11; Ezech 36:3; Ezech 38:19 **36:6** **„Profeteer daarom over de grond van Israël en zeg tegen de bergen en de heuvels, tegen de beekbeddingen en de dalen:”** Zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, in Mijn ijver en in Mijn woede heb Ik gesproken, omdat jullie de smaad van de volken hebben gedragen.”** Brontekst: לָכֵ֕ן (lakhen) = daarom | הִנָּבֵ֖א (hinave) = profeteer | עַל (al) = over | אַדְמַ֣ת (admat) = grond van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְאָמַרְתָּ֡ (veamarta) = en zeg | לֶהָרִ֣ים (leharim) = tot de bergen | וְ֠לַגְּבָעוֹת (velagevaot) = en tot de heuvels | לָאֲפִיקִ֨ים (laafiqim) = tot de beekbeddingen | וְלַגֵּאָי֜וֹת (velageayot) = en tot de dalen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֨י (hinni) = zie Mij | בְקִנְאָתִ֤י (beqinati) = in Mijn ijver | וּבַחֲמָתִי֙ (uvachamati) = en in Mijn woede | דִּבַּ֔רְתִּי (dibarti) = heb Ik gesproken | יַ֛עַן (yaan) = omdat | כְּלִמַּ֥ת (kelimat) = smaad van | גּוֹיִ֖ם (goyim) = volken | נְשָׂאתֶֽם (nesatem) = hebben jullie gedragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּלִמַּת גּוֹיִם (kelimmat goyim), ‘de smaad van de volken’: de schande die de volken over het land brachten. Zie ook: Ps 74:10; Ps 74:23; Ps 123:3–4; Ezech 34:29; Ezech 36:15 **36:7** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **„Ik, Ik heb Mijn hand opgeheven: zeker, de volken die rondom jullie zijn, zij zullen zelf hun smaad dragen.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֲנִ֖י (ani) = Ik | נָשָׂ֣אתִי (nasati) = heb opgeheven | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֑י (yadi) = Mijn hand | אִם (im) = als | לֹ֤א (lo) = niet | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לָכֶ֣ם (lakhem) = rondom jullie | מִסָּבִ֔יב (misaviv) = rondom | הֵ֖מָּה (hema) = zij | כְּלִמָּתָ֥ם (kelimatam) = hun smaad | יִשָּֽׂאוּ (yisau) = zullen dragen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂאתִי אֶת יָדִי (nasati et yadi), ‘Ik heb Mijn hand opgeheven’: de beweging van een eed; vergelijk Ezech. 20:5 en Exod. 6:8. Zie ook: Ex 6:8; Deut 32:40; Sef 2:1–15; Jer 47:1–7; Ezech 20:5; Ezech 25:1–17 ### Jullie zullen weer vrucht dragen **36:8** **Maar jullie, bergen van Israël, zullen jullie takken geven en jullie vrucht dragen voor Mijn volk Israël, want zij zullen spoedig komen.** Brontekst: וְאַתֶּ֞ם (veatem) = en jullie | הָרֵ֤י (harei) = bergen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | עַנְפְּכֶ֣ם (anpekhem) = jullie takken | תִּתֵּ֔נוּ (titenu) = zullen geven | וּפֶרְיְכֶ֥ם (uferyekhem) = en jullie vrucht | תִּשְׂא֖וּ (tisu) = zullen dragen | לְעַמִּ֣י (leami) = voor Mijn volk | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּ֥י (ki) = want | קֵרְב֖וּ (qerevu) = zijn dichtbij | לָבֽוֹא (lavo) = om te komen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָרְבוּ לָבוֹא (qarevu lavo), ‘zij zullen spoedig komen’: letterlijk ‘zij zijn nabij om te komen’; het gaat om de terugkeer van Israël uit de ballingschap. Zie ook: Jes 27:6; Ezech 17:23; Ezech 34:26–29; Fil 4:5; Heb 10:37 **36:9** **Want zie, Ik ben voor jullie. Ik wend Mij tot jullie, en jullie zullen bewerkt en bezaaid worden.** Brontekst: כִּ֖י (ki) = want | הִנְנִ֣י (hinni) = zie Mij | אֲלֵיכֶ֑ם (aleikhem) = voor jullie | וּפָנִ֣יתִי (ufaniti) = en Ik wend Mij | אֲלֵיכֶ֔ם (aleikhem) = tot jullie | וְנֶעֱבַדְתֶּ֖ם (veneevadtem) = en jullie zullen bewerkt worden | וְנִזְרַעְתֶּֽם (venizratem) = en jullie zullen bezaaid worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנַעֲבַדְתֶּם וְנִזְרַעְתֶּם (vena’avadtem venizra’tem), ‘en jullie zullen bewerkt en bezaaid worden’: de bergen worden weer akkerland. Zie ook: Ps 46:12; Hos 2:23–25; Ezech 36:34; Zach 8:12; Rom 8:31 **36:10** **Ik zal mensen over jullie vermenigvuldigen, heel het huis van Israël, helemaal. De steden zullen bewoond worden en de puinhopen zullen herbouwd worden.** Brontekst: וְהִרְבֵּיתִ֤י (vehirbeiti) = en Ik zal vermenigvuldigen | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = over jullie | אָדָ֔ם (adam) = mensen | כָּל (kal) = heel | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | כֻּלֹּ֑ה (kulo) = helemaal | וְנֹֽשְׁבוּ֙ (venoshevu) = en zullen bewoond worden | הֶֽעָרִ֔ים (hearim) = de steden | וְהֶחֳרָב֖וֹת (vehechoravot) = en de puinhopen | תִּבָּנֶֽינָה (tibaneina) = zullen herbouwd worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 27:6; Jer 30:19; Jer 31:27–28; Jer 33:12; Ezech 36:33 **36:11** **Ik zal mensen en vee over jullie vermenigvuldigen. Zij zullen talrijk worden en vruchtbaar zijn. Ik zal jullie laten wonen zoals vroeger en Ik zal jullie meer goeds doen dan in jullie beginperiode. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וְהִרְבֵּיתִ֧י (vehirbeiti) = en Ik zal vermenigvuldigen | עֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = over jullie | אָדָ֥ם (adam) = mensen | וּבְהֵמָ֖ה (uvehema) = en vee | וְרָב֣וּ (veravu) = en zij zullen talrijk worden | וּפָר֑וּ (ufaru) = en zij zullen vruchtbaar zijn | וְהוֹשַׁבְתִּ֨י (vehoshavti) = en Ik zal laten wonen | אֶתְכֶ֜ם (etkhem) = jullie | כְּקַדְמֽוֹתֵיכֶ֗ם (keqadmoteikhem) = zoals vroeger | וְהֵטִֽבֹתִי֙ (vehetivoti) = en Ik zal goed doen | מֵרִאשֹׁ֣תֵיכֶ֔ם (merishoteikhem) = meer dan in jullie beginperiode | וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּקַדְמוֹתֵיכֶם (keqadmoteikhem), ‘zoals vroeger’: zoals in de tijd voor het oordeel. Zie ook: Mi 7:14; Jer 23:5–8; Jer 31:27; Jer 33:12; Ezech 37:13 **36:12** **Ik zal mensen over jullie laten gaan, Mijn volk Israël. Zij zullen je in bezit nemen en jij zult hun erfdeel zijn. Je zult hen niet meer kinderloos maken.”** Brontekst: וְהוֹלַכְתִּי֩ (veholakhti) = en Ik zal laten gaan | עֲלֵיכֶ֨ם (aleikhem) = over jullie | אָדָ֜ם (adam) = mensen | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֤י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | וִֽירֵשׁ֔וּךָ (vireshukha) = en zij zullen je in bezit nemen | וְהָיִ֥יתָ (vehayita) = en je zult zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְנַחֲלָ֑ה (lenachala) = tot erfdeel | וְלֹא (velo) = en niet | תוֹסִ֥ף (tosif) = zul je voortgaan | ע֖וֹד (od) = nog | לְשַׁכְּלָֽם (leshakelam) = om hen kinderloos te maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְשַׁכְּלָם (leshakkelam), ‘hen kinderloos maken’: het land wordt voorgesteld als een dier dat zijn bewoners verslindt, zoals in vers 13. Zie ook: Num 13:32; Jer 15:7; Ob 1:17–21; Ezech 36:13; Ezech 47:14 **36:13** Zo zegt Heer Yahweh: **„Omdat zij tegen je zeggen: ‘Je bent een menseneter en je hebt je volken kinderloos gemaakt’,** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יַ֚עַן (yaan) = omdat | אֹמְרִ֣ים (omerim) = zeggen zij | לָכֶ֔ם (lakhem) = tot jullie | אֹכֶ֥לֶת (okhelet) = etend | אָדָ֖ם (adam) = mensen | אָ֑תְּ (at) = jij | וּמְשַׁכֶּ֥לֶת (umeshakelet) = en kinderloos makend | גּוֹיַ֖יִךְ (goyayikh) = je volken | הָיִֽית (hayit) = je bent geweest Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֹכֶלֶת אָדָם (okhelet adam), ‘menseneter’: de bergen kregen de naam een land te zijn dat zijn bewoners verslindt (vergelijk Num. 13:32). Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat אָתִּי (atti), ‘jij’ (vrouwelijk, met een extra letter); de overlevering leest אַתְּ (att). Ook staat er in de geschreven tekst גּוֹיֵךְ (goyekh), ‘je volk’; de overlevering leest גּוֹיַיִךְ (goyayikh), ‘je volken’. Wij volgen de overlevering. Zie ook: Num 13:32; Ezech 5:11 **36:14** **daarom zul je geen mensen meer eten en je volken niet meer kinderloos maken, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | אָדָם֙ (adam) = mensen | לֹא (lo) = niet | תֹ֣אכְלִי (tokhli) = zul je eten | ע֔וֹד (od) = meer | וְגוֹיַ֖יִךְ (vegoyayikh) = en je volken | לֹ֣א (lo) = niet | תְשַׁכְּלִי (teshakeli) = zul je kinderloos maken | ע֑וֹד (od) = meer | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat וְגוֹיֵךְ (vegoyekh), ‘je volk’; de overlevering leest וְגוֹיַיִךְ (vegoyayikh), ‘je volken’. Voor het werkwoord staat in de geschreven tekst תַּכְשִׁלִי (takhshili), ‘laten struikelen’; de overlevering leest תְשַׁכְּלִי (teshakkeli), ‘kinderloos maken’. Wij volgen de overlevering. Zie ook: Amos 9:15; Jes 60:21; Ezech 37:25–28 **36:15** **Ik zal de smaad van de volken niet meer over je laten horen. De hoon van de volken zul je niet meer dragen en je volken zul je niet meer laten struikelen, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | אַשְׁמִ֨יעַ (ashmia) = zal Ik laten horen | אֵלַ֤יִךְ (elayikh) = aan jou | עוֹד֙ (od) = meer | כְּלִמַּ֣ת (kelimat) = smaad van | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וְחֶרְפַּ֥ת (vecherpat) = en hoon van | עַמִּ֖ים (amim) = volken | לֹ֣א (lo) = niet | תִשְׂאִי (tisi) = zul je dragen | ע֑וֹד (od) = meer | וְגוֹיַ֨יִךְ֙ (vegoyayikh) = en je volken | לֹא (lo) = niet | תַכְשִׁ֣לִי (takhshili) = zul je laten struikelen | ע֔וֹד (od) = meer | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּכְשִׁילִי (takhshili), ‘laten struikelen’: zoals in vers 14 in de geschreven tekst. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat וְגוֹיֵךְ (vegoyekh), ‘je volk’; de overlevering leest וְגוֹיַיִךְ (vegoyayikh), ‘je volken’. Wij volgen de overlevering. Zie ook: Ps 89:51; Jes 54:4; Jes 60:14; Ezech 34:29; Ezech 36:6; Ezech 36:14 ### Het huis van Israël ontheiligde Mijn naam **36:16** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **36:17** **„Mensenkind, toen het huis van Israël op hun grond woonde, maakten zij die onrein door hun weg en hun daden. Hun weg was voor Mij als de onreinheid van een vrouw in haar maandstonden.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | בֵּ֤ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | יֹשְׁבִ֣ים (yoshevim) = wonend | עַל (al) = op | אַדְמָתָ֔ם (admatam) = hun grond | וַיְטַמְּא֣וּ (vaytameu) = en zij maakten onrein | אוֹתָ֔הּ (otah) = haar | בְּדַרְכָּ֖ם (bedarkam) = door hun weg | וּבַעֲלִֽילוֹתָ֑ם (uvaalilotam) = en door hun daden | כְּטֻמְאַת֙ (ketumat) = als de onreinheid van | הַנִּדָּ֔ה (hanida) = de vrouw in haar maandstonden | הָיְתָ֥ה (hayeta) = was | דַרְכָּ֖ם (darkam) = hun weg | לְפָנָֽי (lefanay) = voor Mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּטֻמְאַת הַנִּדָּה (ketum’at hanniddah), ‘als de onreinheid van een vrouw in haar maandstonden’: zie Lev. 15:19–30. Een beeld van de grootste onreinheid. Zie ook: Lev 15:19–33; Num 35:33–34; Jes 24:5; Mi 2:10; Jer 2:7 **36:18** **Toen goot Ik Mijn woede over hen uit, vanwege het bloed dat zij over het land hadden vergoten. Ook hadden zij het met hun mestgoden onrein gemaakt.** Brontekst: וָאֶשְׁפֹּ֤ךְ (vaeshpokh) = en Ik goot uit | חֲמָתִי֙ (chamati) = Mijn woede | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | עַל (al) = over | הַדָּ֖ם (hadam) = het bloed | אֲשֶׁר (asher) = dat | שָׁפְכ֣וּ (shafekhu) = zij hadden vergoten | עַל (al) = over | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | וּבְגִלּוּלֵיהֶ֖ם (uvegiluleihem) = en met hun mestgoden | טִמְּאֽוּהָ (timeuha) = hadden zij het onrein gemaakt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּלּוּלֵיהֶם (gillulehem), ‘hun mestgoden’: zie de uitleg bij Ezech. 6:4. Voetnoot : שָׁפַךְ (shafakh), ‘uitgieten’: de woede wordt uitgegoten, zoals het bloed werd vergoten. Zie ook: 2 Kron 34:21; Jer 44:6; Klaagl 2:4; Klaagl 4:11; Ezech 6:4; Ezech 7:8 **36:19** **Ik verstrooide hen onder de volken en zij werden over de landen verspreid. Naar hun weg en naar hun daden heb Ik hen geoordeeld.** Brontekst: וָאָפִ֤יץ (vaafits) = en Ik verstrooide | אֹתָם֙ (otam) = hen | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | וַיִּזָּר֖וּ (vayizaru) = en zij werden verspreid | בָּאֲרָצ֑וֹת (baaratsot) = over de landen | כְּדַרְכָּ֥ם (kedarkam) = naar hun weg | וְכַעֲלִילוֹתָ֖ם (vekhaalilotam) = en naar hun daden | שְׁפַטְתִּֽים (shefattim) = heb Ik hen geoordeeld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 28:64; Ezech 5:12; Ezech 18:30; Ezech 39:24; Rom 2:6 **36:20** **Zij kwamen bij de volken waarheen zij gingen. Zij ontheiligden Mijn heilige naam, doordat men over hen zei: ‘Dit is het volk van Yahweh, en uit Zijn land zijn zij weggegaan.’** Brontekst: וַיָּב֗וֹא (vayavo) = en hij kwam | אֶל (el) = naar | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | בָּ֣אוּ (bau) = zij gekomen waren | שָׁ֔ם (sham) = daar | וַֽיְחַלְּל֖וּ (vaychalelu) = en zij ontheiligden | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣ם (shem) = naam van | קָדְשִׁ֑י (qadeshi) = Mijn heiligheid | בֶּאֱמֹ֤ר (beemor) = door te zeggen | לָהֶם֙ (lahem) = over hen | עַם (am) = volk van | יְהוָ֣ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֔לֶּה (ele) = dezen | וּמֵאַרְצ֖וֹ (umeartso) = en uit Zijn land | יָצָֽאוּ (yatsau) = zijn zij uitgegaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֵׁם קָדְשִׁי (shem qodshi), ‘Mijn heilige naam’: de naam van Yahweh, met alles wat Hij is. Doordat Israël werd weggevoerd, dachten de volken dat Yahweh Zijn volk niet kon beschermen. Zie ook: Ex 32:11–13; Jes 52:5; Jer 33:24; Dan 3:15; Rom 2:24 **36:21** **Toen had Ik medelijden met Mijn heilige naam, die het huis van Israël had ontheiligd onder de volken waarheen zij gekomen waren.”** Brontekst: וָאֶחְמֹ֖ל (vaechmol) = en Ik had medelijden | עַל (al) = met | שֵׁ֣ם (shem) = naam van | קָדְשִׁ֑י (qadeshi) = Mijn heiligheid | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | חִלְּל֨וּהוּ֙ (chileluhu) = hadden ontheiligd | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בַּגּוֹיִ֖ם (bagoyim) = onder de volken | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | בָּ֥אוּ (bau) = zij gekomen waren | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 74:18; Jes 48:9; Ezech 20:9; Ezech 20:14; Ezech 20:22 ### Omwille van Mijn heilige naam **36:22** **„Zeg daarom tegen het huis van Israël:”** Zo zegt Heer Yahweh: **„Niet omwille van jullie doe Ik het, huis van Israël. Het is omwille van Mijn heilige naam, die jullie hebben ontheiligd onder de volken waarheen jullie gekomen zijn.** Brontekst: לָכֵ֞ן (lakhen) = daarom | אֱמֹ֣ר (emor) = zeg | לְבֵֽית (leveit) = tot het huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לֹ֧א (lo) = niet | לְמַעַנְכֶ֛ם (lemaankhem) = omwille van jullie | אֲנִ֥י (ani) = Ik | עֹשֶׂ֖ה (ose) = doe het | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | כִּ֤י (ki) = maar | אִם (im) = omwille van | לְשֵׁם (leshem) = naam van | קָדְשִׁי֙ (qadeshi) = Mijn heiligheid | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | חִלַּלְתֶּ֔ם (chilaltem) = hebben jullie ontheiligd | בַּגּוֹיִ֖ם (bagoyim) = onder de volken | אֲשֶׁר (asher) = waarheen | בָּ֥אתֶם (batem) = zijn jullie gekomen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֹא לְמַעַנְכֶם (lo lema’ankhem), ‘niet omwille van jullie’: Yahweh redt Israël niet om wat het verdient, maar omwille van Zijn naam. Vergelijk Ezech. 20:9, 14, 22. Zie ook: Deut 7:7–8; Deut 9:5–7; Ps 106:8; Ps 115:1–2; Ezech 20:9; Ezech 36:32 **36:23** **Ik zal Mijn grote naam heiligen, die onder de volken is ontheiligd, die jullie in hun midden hebben ontheiligd. Dan zullen de volken weten dat Ik Yahweh ben, godsspraak van Heer Yahweh, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan jullie heilig.** Brontekst: וְקִדַּשְׁתִּ֞י (veqidashti) = en Ik zal heiligen | אֶת (et) = (obj.) | שְׁמִ֣י (shemi) = Mijn naam | הַגָּד֗וֹל (hagadol) = de grote | הַֽמְחֻלָּל֙ (hamchulal) = de ontheiligde | בַּגּוֹיִ֔ם (bagoyim) = onder de volken | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | חִלַּלְתֶּ֖ם (chilaltem) = hebben jullie ontheiligd | בְּתוֹכָ֑ם (betokham) = in hun midden | וְיָדְע֨וּ (veyadeu) = en zullen weten | הַגּוֹיִ֜ם (hagoyim) = de volken | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּהִקָּדְשִׁ֥י (behiqadeshi) = wanneer Ik Mij heilig | בָכֶ֖ם (bakhem) = aan jullie | לְעֵינֵיהֶֽם (leeineihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Voetnoot : וְקִדַּשְׁתִּי (veqiddashti), ‘Ik zal heiligen’: Yahweh laat Zijn heiligheid zien in wat Hij met Israël doet. Zie ook: Ps 46:11; Jes 5:16; Ezech 5:11; Ezech 20:41; Ezech 39:7; 1 Petr 2:9 ### Rein water, een nieuw hart **36:24** **Ik zal jullie uit de volken nemen, jullie uit alle landen verzamelen en jullie naar jullie eigen grond brengen.** Brontekst: וְלָקַחְתִּ֤י (velaqachti) = en Ik zal nemen | אֶתְכֶם֙ (etkhem) = jullie | מִן (min) = uit | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וְקִבַּצְתִּ֥י (veqibatsti) = en Ik zal verzamelen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | מִכָּל (mikal) = uit alle | הָאֲרָצ֑וֹת (haaratsot) = de landen | וְהֵבֵאתִ֥י (veheveti) = en Ik zal brengen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | אַדְמַתְכֶֽם (admatkhem) = jullie grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 107:2–3; Amos 9:14–15; Jes 43:5–6; Ezech 34:13; Ezech 37:21 **36:25** **Ik zal rein water over jullie sprenkelen, en jullie zullen rein worden. Van al jullie onreinheden en van al jullie mestgoden zal Ik jullie reinigen.** Brontekst: וְזָרַקְתִּ֧י (vezaraqti) = en Ik zal sprenkelen | עֲלֵיכֶ֛ם (aleikhem) = over jullie | מַ֥יִם (mayim) = water | טְהוֹרִ֖ים (tehorim) = rein | וּטְהַרְתֶּ֑ם (utehartem) = en jullie zullen rein worden | מִכֹּ֧ל (mikol) = van al | טֻמְאוֹתֵיכֶ֛ם (tumoteikhem) = jullie onreinheden | וּמִכָּל (umikal) = en van al | גִּלּ֥וּלֵיכֶ֖ם (giluleikhem) = jullie mestgoden | אֲטַהֵ֥ר (ataher) = zal Ik reinigen | אֶתְכֶֽם (etkhem) = jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְזָרַקְתִּי עֲלֵיכֶם מַיִם טְהוֹרִים (vezaraqti aleikhem mayim tehorim), ‘Ik zal rein water over jullie sprenkelen’: vergelijk het water van reiniging in Num. 19:17–19. Voetnoot : גִּלּוּלֵיכֶם (gillulekhem), ‘jullie mestgoden’: zie Ezech. 6:4. Zie ook: Num 19:17–19; Jer 33:8; Ezech 6:4; Joh 3:5; Tit 3:5–6; Heb 10:22; 1 Joh 1:7 **36:26** **Ik zal jullie een nieuw hart geven en een nieuwe geest in jullie binnenste leggen. Ik zal het hart van steen uit jullie vlees wegnemen en jullie een hart van vlees geven.** Brontekst: וְנָתַתִּ֤י (venatati) = en Ik zal geven | לָכֶם֙ (lakhem) = aan jullie | לֵ֣ב (lev) = hart | חָדָ֔שׁ (chadash) = nieuw | וְר֥וּחַ (veruach) = en geest | חֲדָשָׁ֖ה (chadasha) = nieuwe | אֶתֵּ֣ן (eten) = zal Ik leggen | בְּקִרְבְּכֶ֑ם (beqirbekhem) = in jullie binnenste | וַהֲסִ֨רֹתִ֜י (vahasiroti) = en Ik zal wegnemen | אֶת (et) = (obj.) | לֵ֤ב (lev) = hart van | הָאֶ֨בֶן֙ (haeven) = de steen | מִבְּשַׂרְכֶ֔ם (mibesarkhem) = uit jullie vlees | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | לֵ֥ב (lev) = hart van | בָּשָֽׂר (basar) = vlees Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לֵב חָדָשׁ (lev chadash), ‘een nieuw hart’, en רוּחַ חֲדָשָׁה (ruach chadashah), ‘een nieuwe geest’: zie Ezech. 11:19. Het hart is in het Hebreeuws de plaats van denken en willen. Voetnoot : לֵב הָאֶבֶן (lev ha’even), ‘het hart van steen’, tegenover לֵב בָּשָׂר (lev basar), ‘een hart van vlees’: een hard hart dat niet reageert tegenover een levend hart. Zie ook: Deut 30:6; Ps 51:12; Ezech 11:19–20; Joh 3:3–5; 2 Kor 5:17 **36:27** **Mijn Geest zal Ik in jullie binnenste leggen. Ik zal ervoor zorgen dat jullie in Mijn voorschriften gaan en Mijn rechtsregels bewaren en ze doen.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | רוּחִ֖י (ruchi) = Mijn Geest | אֶתֵּ֣ן (eten) = zal Ik leggen | בְּקִרְבְּכֶ֑ם (beqirbekhem) = in jullie binnenste | וְעָשִׂ֗יתִי (veasiti) = en Ik zal maken | אֵ֤ת (et) = (obj.) | אֲשֶׁר (asher) = dat | בְּחֻקַּי֙ (bechuqay) = in Mijn voorschriften | תֵּלֵ֔כוּ (telekhu) = jullie zullen gaan | וּמִשְׁפָּטַ֥י (umishpatay) = en Mijn rechtsregels | תִּשְׁמְר֖וּ (tishmeru) = jullie zullen bewaren | וַעֲשִׂיתֶֽם (vaasitem) = en jullie zullen doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: de Geest van Yahweh zelf, die Hij in Zijn volk legt; vergelijk Ezech. 37:14. Het woord ruach is hier met hoofdletter vertaald omdat het om Yahweh’s eigen Geest gaat. Voetnoot : וְעָשִׂיתִי אֵת אֲשֶׁר (ve’asiti et asher), ‘Ik zal ervoor zorgen dat’: letterlijk ‘Ik zal maken wat’. Yahweh laat het volk Zijn voorschriften doen. Zie ook: Jer 31:33; Ezech 37:14; Ezech 39:29; 1 Kor 3:16; Tit 3:3–6; Heb 13:21 **36:28** **Jullie zullen wonen in het land dat Ik aan jullie vaders gegeven heb. Jullie zullen Mijn volk zijn en Ik zal jullie Elohim zijn.** Brontekst: וִישַׁבְתֶּ֣ם (vishavtem) = en jullie zullen wonen | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = in het land | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | נָתַ֖תִּי (natati) = Ik gaf | לַאֲבֹֽתֵיכֶ֑ם (laavoteikhem) = aan jullie vaders | וִהְיִ֤יתֶם (vihyitem) = en jullie zullen zijn | לִי֙ (li) = voor Mij | לְעָ֔ם (leam) = tot volk | וְאָ֣נֹכִ֔י (veanokhi) = en Ik | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וִהְיִיתֶם לִי לְעָם (vihyitem li le’am), ‘jullie zullen Mij tot volk zijn’, en אֲנִי אֶהְיֶה לָכֶם לֵאלֹהִים (ani ehyeh lakhem lelohim), ‘Ik zal jullie tot Elohim zijn’: de verbondsformule, zoals in Lev. 26:12 en Ezech. 11:20. Zie ook: Lev 26:12; Jer 31:33; Jer 32:38; Ezech 11:20; Ezech 37:23; Ezech 37:27 **36:29** **Ik zal jullie redden van al jullie onreinheden. Ik zal het koren roepen en het talrijk maken, en Ik zal jullie geen honger meer opleggen.** Brontekst: וְהוֹשַׁעְתִּ֣י (vehoshati) = en Ik zal redden | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | מִכֹּ֖ל (mikol) = van al | טֻמְאֽוֹתֵיכֶ֑ם (tumoteikhem) = jullie onreinheden | וְקָרָ֤אתִי (veqarati) = en Ik zal roepen | אֶל (el) = tot | הַדָּגָן֙ (hadagan) = het koren | וְהִרְבֵּיתִ֣י (vehirbeiti) = en Ik zal talrijk maken | אֹת֔וֹ (oto) = het | וְלֹא (velo) = en niet | אֶתֵּ֥ן (eten) = zal Ik leggen | עֲלֵיכֶ֖ם (aleikhem) = op jullie | רָעָֽב (raav) = honger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהוֹשַׁעְתִּי (vehoshati), ‘Ik zal redden’: wij vertalen hoshia steeds met ‘redden’. Voetnoot : וְקָרָאתִי אֶל הַדָּגָן (veqarati el haddagan), ‘Ik zal het koren roepen’: Yahweh roept de oogst tevoorschijn; vergelijk Hos. 2:23–24. Zie ook: Hos 2:23–25; Hos 14:5; Mat 1:21; Joh 1:7–9; Tit 2:14 **36:30** **Ik zal de vrucht van de bomen en de opbrengst van het veld talrijk maken. Zo dragen jullie onder de volken geen smaad van honger meer.** Brontekst: וְהִרְבֵּיתִי֙ (vehirbeiti) = en Ik zal talrijk maken | אֶת (et) = (obj.) | פְּרִ֣י (peri) = vrucht van | הָעֵ֔ץ (haets) = de boom | וּתְנוּבַ֖ת (utenuvat) = en opbrengst van | הַשָּׂדֶ֑ה (hasade) = het veld | לְמַ֗עַן (lemaan) = opdat | אֲ֠שֶׁר (asher) = dat | לֹ֣א (lo) = niet | תִקְח֥וּ (tiqchu) = jullie dragen | ע֛וֹד (od) = meer | חֶרְפַּ֥ת (cherpat) = smaad van | רָעָ֖ב (raav) = honger | בַּגּוֹיִֽם (bagoyim) = onder de volken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 26:4; Deut 29:22–27; Joël 2:17; Joël 2:26; Ezech 34:27 **36:31** **Dan zullen jullie denken aan jullie kwade wegen en aan jullie daden, die niet goed waren. Jullie zullen van jezelf walgen vanwege jullie schuld en jullie gruwelen.** Brontekst: וּזְכַרְתֶּם֙ (uzekhartem) = en jullie zullen denken aan | אֶת (et) = (obj.) | דַּרְכֵיכֶ֣ם (darkheikhem) = jullie wegen | הָרָעִ֔ים (haraim) = de kwade | וּמַעַלְלֵיכֶ֖ם (umaalleikhem) = en jullie daden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | טוֹבִ֑ים (tovim) = goed | וּנְקֹֽטֹתֶם֙ (uneqototem) = en jullie zullen walgen | בִּפְנֵיכֶ֔ם (bifneikhem) = van jezelf | עַ֚ל (al) = over | עֲוֺנֹ֣תֵיכֶ֔ם (avonoteikhem) = jullie schuld | וְעַ֖ל (veal) = en over | תּוֹעֲבֽוֹתֵיכֶֽם (toavoteikhem) = jullie gruwelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּנְקֹטֹתֶם בִּפְנֵיכֶם (unqotem bifneikhem), ‘jullie zullen van jezelf walgen’: letterlijk ‘jullie zullen walgen voor jullie gezichten’. Het werkwoord kan ook ‘afkeer voelen’ betekenen; vergelijk Ezech. 6:9. Voetnoot : תּוֹעֲבוֹתֵיכֶם (to’avoteikhem), ‘jullie gruwelen’: zoals in Ezech. 5:9. Zie ook: Job 42:6; Jes 6:5; Ezech 5:9; Ezech 6:9; Ezech 20:43; Neh 9:26–35 **36:32** **Niet omwille van jullie doe Ik het, godsspraak van Heer Yahweh, dat moeten jullie weten. Schaam je en bloos om jullie wegen, huis van Israël.”** Brontekst: לֹ֧א (lo) = niet | לְמַעַנְכֶ֣ם (lemaankhem) = omwille van jullie | אֲנִֽי (ani) = Ik | עֹשֶׂ֗ה (ose) = doe het | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | יִוָּדַ֖ע (yivada) = bekend | לָכֶ֑ם (lakhem) = aan jullie | בּ֧וֹשׁוּ (boshu) = schaam je | וְהִכָּלְמ֛וּ (vehikalemu) = en bloos | מִדַּרְכֵיכֶ֖ם (midarkheikhem) = om jullie wegen | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Zie ook: Deut 9:5; Ezech 5:11; Ezech 36:22; Rom 6:21; Tit 3:3–6; 2 Tim 1:9 ### De puinhopen herbouwd **36:33** Zo zegt Heer Yahweh: **„Op de dag dat Ik jullie reinig van al jullie schuld, zal Ik de steden laten bewonen en zullen de puinhopen herbouwd worden.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | בְּיוֹם֙ (beyom) = op de dag van | טַהֲרִ֣י (tahari) = Mijn reinigen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | מִכֹּ֖ל (mikol) = van al | עֲוֺנֽוֹתֵיכֶ֑ם (avonoteikhem) = jullie schuld | וְהֽוֹשַׁבְתִּי֙ (vehoshavti) = en Ik zal laten bewonen | אֶת (et) = (obj.) | הֶ֣עָרִ֔ים (hearim) = de steden | וְנִבְנ֖וּ (venivnu) = en zullen herbouwd worden | הֶחֳרָבֽוֹת (hechoravot) = de puinhopen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 58:12; Jer 32:43; Jer 33:10; Ezech 36:10; Zach 8:7–8 **36:34** **Het verwoeste land zal bewerkt worden, terwijl het woest was voor de ogen van ieder die voorbijging.** Brontekst: וְהָאָ֥רֶץ (vehaarets) = en het land | הַנְּשַׁמָּ֖ה (haneshama) = het verwoeste | תֵּֽעָבֵ֑ד (teaved) = zal bewerkt worden | תַּ֚חַת (tachat) = in plaats van | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | הָיְתָ֣ה (hayeta) = het was | שְׁמָמָ֔ה (shemama) = woest | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | כָּל (kal) = alle | עוֹבֵֽר (over) = voorbijganger Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 29:22–27; 2 Kron 36:21; Jer 25:9–11; Ezech 6:14 **36:35** **Dan zullen zij zeggen: ‘Dit land, dat verwoest was, is geworden als de tuin van Eden. De steden die in puin lagen, verwoest en afgebroken waren, zijn versterkt en bewoond.’** Brontekst: וְאָמְר֗וּ (veameru) = en zij zullen zeggen | הָאָ֤רֶץ (haarets) = het land | הַלֵּ֨זוּ֙ (halezu) = dat | הַנְּשַׁמָּ֔ה (haneshama) = het verwoeste | הָיְתָ֖ה (hayeta) = is geworden | כְּגַן (kegan) = als de tuin van | עֵ֑דֶן (eden) = Eden | וְהֶעָרִ֧ים (vehearim) = en de steden | הֶחֳרֵב֛וֹת (hechorevot) = de verwoeste | וְהַֽנְשַׁמּ֥וֹת (vehanshamot) = en de woeste | וְהַנֶּהֱרָס֖וֹת (vehaneherasot) = en de afgebroken | בְּצוּר֥וֹת (betsurot) = versterkt | יָשָֽׁבוּ (yashavu) = zijn bewoond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּגַן עֵדֶן (kegan Eden), ‘als de tuin van Eden’: een verwijzing naar de tuin van Gen. 2:8. Het verwoeste land wordt zo vruchtbaar als de eerste tuin; vergelijk Joël 2:3 en Jes. 51:3. Zie ook: Gen 2:8; Ps 58:12; Ps 126:2; Joël 2:3; Jes 51:3; Jer 33:9 **36:36** **Dan zullen de volken die rondom jullie overblijven weten dat Ik, Yahweh, het afgebrokene herbouwd heb en het verwoeste beplant heb. Ik, Yahweh, heb het gesproken en Ik zal het doen.”** Brontekst: וְיָדְע֣וּ (veyadeu) = en zullen weten | הַגּוֹיִ֗ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | יִֽשָּׁאֲרוּ֮ (yishaaru) = overblijven | סְבִיבוֹתֵיכֶם֒ (sevivoteikhem) = rondom jullie | כִּ֣י (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בָּנִ֨יתִי֙ (baniti) = heb herbouwd | הַנֶּ֣הֱרָס֔וֹת (haneherasot) = het afgebrokene | נָטַ֖עְתִּי (natati) = heb beplant | הַנְּשַׁמָּ֑ה (haneshama) = het verwoeste | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּ֥רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | וְעָשִֽׂיתִי (veasiti) = en Ik zal doen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 23:19; Hos 14:5–10; Ezech 17:24; Ezech 37:14; Mat 24:35 ### Talrijk als een kudde mensen **36:37** Zo zegt Heer Yahweh: **„Ook hierom zal Ik door het huis van Israël laten vragen, om het voor hen te doen: Ik zal hen talrijk maken als een kudde mensen.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | ע֗וֹד (od) = nog | זֹ֛את (zot) = dit | אִדָּרֵ֥שׁ (idaresh) = zal Ik laten vragen | לְבֵֽית (leveit) = door het huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לַעֲשׂ֣וֹת (laasot) = om te doen | לָהֶ֑ם (lahem) = voor hen | אַרְבֶּ֥ה (arbe) = Ik zal talrijk maken | אֹתָ֛ם (otam) = hen | כַּצֹּ֖אן (katson) = als een kudde | אָדָֽם (adam) = mensen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִדָּרֵשׁ (iddaresh), ‘Ik zal laten vragen’: het werkwoord darash is ‘zoeken, vragen’; Yahweh laat Zich door Israël om dit bidden. Voetnoot : אַרְבֶּה אֹתָם כַּצֹּאן אָדָם (arbeh otam katso’n adam), ‘Ik zal hen talrijk maken als een kudde mensen’: het volk wordt een kudde, een beeld dat past bij Ezech. 34. Zie ook: Ezech 14:3; Zach 10:6; Zach 10:9; Heb 10:21–22; 1 Joh 5:14 **36:38** **Als een kudde offerdieren, als de kudde van Jeruzalem op haar feesten, zo zullen de verwoeste steden vol zijn van kudden mensen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: כְּצֹ֣אן (ketson) = als een kudde | קָֽדָשִׁ֗ים (qadashim) = heiligen | כְּצֹ֤אן (ketson) = als de kudde van | יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ (yerushaliam) = Jeruzalem | בְּמ֣וֹעֲדֶ֔יהָ (bemoadeiha) = op haar feesten | כֵּ֤ן (ken) = zo | תִּהְיֶ֨ינָה֙ (tihyeina) = zullen zijn | הֶעָרִ֣ים (hearim) = de steden | הֶחֳרֵב֔וֹת (hechorevot) = de verwoeste | מְלֵא֖וֹת (meleot) = vol van | צֹ֣אן (tson) = kudde | אָדָ֑ם (adam) = mensen | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda. Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht. Voetnoot Uitleg: צֹאן קָדָשִׁים (tso’n qodashim), ‘een kudde offerdieren’: dieren die tot een offer zijn geheiligd. Op de feesten in Jeruzalem zijn het er zeer veel; vergelijk 2 Kron. 35:7–9. Zie ook: 1 Kon 8:63; 2 Kron 30:21–27; 2 Kron 35:7–9; Joh 10:16; Hand 2:5–11; Openb 7:4–9 ## Ezechiël 37 _De dorre beenderen en de twee stukken hout_ ### Het dal vol beenderen **37:1** De hand van Yahweh kwam over mij. Hij bracht mij naar buiten door de Geest van Yahweh en zette mij neer midden in het dal. Dat was vol beenderen. Brontekst: הָיְתָ֣ה (hayeta) = was | עָלַי֮ (alay) = over mij | יַד (yad) = hand van | יְהוָה֒ (Yahweh) = Yahweh | וַיּוֹצִאֵ֤נִי (vayotsieni) = en bracht mij naar buiten | בְר֨וּחַ֙ (beruach) = door de Geest van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיְנִיחֵ֖נִי (vaynicheni) = en zette mij neer | בְּת֣וֹךְ (betokh) = midden in | הַבִּקְעָ֑ה (habiqa) = het dal | וְהִ֖יא (vehi) = en het | מְלֵאָ֥ה (melea) = vol | עֲצָמֽוֹת (atsamot) = beenderen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַד יְהוָה (yad Yahweh), ‘de hand van Yahweh’: zo beschrijft Ezechiël dat Yahweh hem grijpt; zie Ezech. 1:3, 3:14 en 8:1. Voetnoot : בְּרוּחַ יְהוָה (beruach Yahweh), ‘door de Geest van Yahweh’: de Geest brengt Ezechiël in een visioen; vergelijk Ezech. 3:12 en 11:1. Voetnoot : הַבִּקְעָה (habbiq’ah), ‘het dal’: dezelfde vlakte als in Ezech. 3:22 en 8:4. Zie ook: Jer 7:32; Ezech 1:3; Ezech 3:12; Ezech 3:14; Ezech 3:22; Ezech 8:1; Ezech 8:4; Ezech 11:1; Ezech 33:22; Hand 8:39 **37:2** Hij liet mij er rondom langs gaan. Zie, het waren er zeer veel op de bodem van het dal, en zie, ze waren zeer droog. Brontekst: וְהֶעֱבִירַ֥נִי (veheevirani) = en liet mij langsgaan | עֲלֵיהֶ֖ם (aleihem) = over hen | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְהִנֵּ֨ה (vehine) = en zie | רַבּ֤וֹת (rabot) = vele | מְאֹד֙ (meod) = zeer | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = oppervlak van | הַבִּקְעָ֔ה (habiqa) = het dal | וְהִנֵּ֖ה (vehine) = en zie | יְבֵשׁ֥וֹת (yeveshot) = droog | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Deut 11:30; Ps 141:7; Ezech 37:11 **37:3** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, kunnen deze beenderen weer leven?”** Ik zei: „Heer Yahweh, U weet het.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הֲתִחְיֶ֖ינָה (hatichyeina) = zullen leven | הָעֲצָמ֣וֹת (haatsamot) = de beenderen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וָאֹמַ֕ר (vaomar) = en ik zei | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אַתָּ֥ה (ata) = U | יָדָֽעְתָּ (yadata) = weet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה אַתָּה יָדָעְתָּ (Adonai Yahweh attah yada’ta), ‘Heer Yahweh, U weet het’: Ezechiël laat het antwoord aan Yahweh over. Zie ook: Deut 32:39; Joh 5:21; Joh 11:25–26; 2 Kor 1:9–10; Rom 4:17 ### Profeteer over deze beenderen **37:4** Hij zei tot mij: **„Profeteer over deze beenderen en zeg tegen hen: ‘Dorre beenderen, hoor het woord van Yahweh.’”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | הִנָּבֵ֖א (hinave) = profeteer | עַל (al) = over | הָעֲצָמ֣וֹת (haatsamot) = de beenderen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en zeg | אֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = tot hen | הָעֲצָמוֹת֙ (haatsamot) = beenderen | הַיְבֵשׁ֔וֹת (hayveshot) = dorre | שִׁמְע֖וּ (shimu) = hoor | דְּבַר (devar) = woord van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 22:29; Ezech 36:1; Mat 21:21; Joh 5:25; Joh 5:28–29 **37:5** Zo zegt Heer Yahweh tot deze beenderen: **„Zie, Ik breng een geest in jullie en jullie zullen leven.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | לָעֲצָמ֖וֹת (laatsamot) = tot de beenderen | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אֲנִ֜י (ani) = Ik | מֵבִ֥יא (mevi) = brengend | בָכֶ֛ם (bakhem) = in jullie | ר֖וּחַ (ruach) = geest | וִחְיִיתֶֽם (vichyitem) = en jullie zullen leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach): het woord betekent ‘geest’, ‘adem’ en ‘wind’. In dit hoofdstuk speelt Yahweh met alle drie de betekenissen. Wij vertalen steeds ‘geest’; in vers 9 staat het meervoud ‘winden’ voor de vier windstreken. Zie ook: Gen 2:7; Ps 104:29–30; Ezech 37:9–10; Ezech 37:14; Joh 20:22 **37:6** **Ik zal pezen aan jullie geven, vlees op jullie laten komen en huid over jullie heen trekken. Ik zal een geest in jullie geven en jullie zullen leven. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: וְנָתַתִּי֩ (venatati) = en Ik zal geven | עֲלֵיכֶ֨ם (aleikhem) = op jullie | גִּדִ֜ים (gidim) = pezen | וְֽהַעֲלֵתִ֧י (vehaaleti) = en Ik zal laten komen | עֲלֵיכֶ֣ם (aleikhem) = op jullie | בָּשָׂ֗ר (basar) = vlees | וְקָרַמְתִּ֤י (veqaramti) = en Ik zal overdekken | עֲלֵיכֶם֙ (aleikhem) = op jullie | ע֔וֹר (or) = huid | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | בָכֶ֛ם (bakhem) = in jullie | ר֖וּחַ (ruach) = geest | וִחְיִיתֶ֑ם (vichyitem) = en jullie zullen leven | וִידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּדִּים (giddim), ‘pezen’: de banden die de beenderen aan elkaar en aan het vlees verbinden. Zie ook: Joël 2:27; Joël 4:17; Jes 49:23; Ezech 6:7; Ezech 37:14 **37:7** Ik profeteerde zoals mij bevolen was. Er klonk een geluid terwijl ik profeteerde, en zie, er was een gedreun. De beenderen kwamen bij elkaar, been bij been. Brontekst: וְנִבֵּ֖אתִי (venibeti) = en ik profeteerde | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צֻוֵּ֑יתִי (tsuveiti) = mij was bevolen | וַֽיְהִי (vayhi) = en er was | ק֤וֹל (qol) = geluid | כְּהִנָּֽבְאִי֙ (kehinavei) = bij mijn profeteren | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | רַ֔עַשׁ (raash) = gedreun | וַתִּקְרְב֣וּ (vatiqrevu) = en kwamen dichtbij | עֲצָמ֔וֹת (atsamot) = beenderen | עֶ֖צֶם (etsem) = been | אֶל (el) = naar | עַצְמֽוֹ (atsmo) = zijn been Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רַעַשׁ (ra’ash), ‘gedreun’: het kan een beving of een gerommel zijn. Het woord is hetzelfde als in Ezech. 3:12–13. Zie ook: 1 Kon 19:11–13; Ezech 3:12–13; Hand 2:2; Hand 2:37; Hand 4:19; Hand 16:26–29 **37:8** Ik keek, en zie, er kwamen pezen en vlees op hen, en huid overdekte hen van boven. Maar er was geen geest in hen. Brontekst: וְרָאִ֜יתִי (veraiti) = en ik zag | וְהִנֵּֽה (vehine) = en zie | עֲלֵיהֶ֤ם (aleihem) = op hen | גִּדִים֙ (gidim) = pezen | וּבָשָׂ֣ר (uvasar) = en vlees | עָלָ֔ה (ala) = kwam op | וַיִּקְרַ֧ם (vayiqram) = en overdekte | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = over hen | ע֖וֹר (or) = huid | מִלְמָ֑עְלָה (milmaela) = van boven | וְר֖וּחַ (veruach) = en geest | אֵ֥ין (ein) = niet | בָּהֶֽם (bahem) = in hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:9** Hij zei tot mij: **„Profeteer tegen de geest. Profeteer, mensenkind, en zeg tegen de geest:”** Zo zegt Heer Yahweh: **„Kom, geest, van de vier winden en blaas in deze gedoden, zodat ze leven.”** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en Hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | הִנָּבֵ֖א (hinave) = profeteer | אֶל (el) = tegen | הָר֑וּחַ (haruach) = de geest | הִנָּבֵ֣א (hinave) = profeteer | בֶן (ben) = zoon van | אָ֠דָם (adam) = mens | וְאָמַרְתָּ֨ (veamarta) = en zeg | אֶל (el) = tegen | הָר֜וּחַ (haruach) = de geest | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | מֵאַרְבַּ֤ע (mearba) = uit vier | רוּחוֹת֙ (ruchot) = winden | בֹּ֣אִי (boi) = kom | הָר֔וּחַ (haruach) = geest | וּפְחִ֛י (ufechi) = en blaas | בַּהֲרוּגִ֥ים (baharugim) = in de gedoden | הָאֵ֖לֶּה (haele) = deze | וְיִֽחְיֽוּ (veyichyu) = en zij zullen leven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֵאַרְבַּע רוּחוֹת (me’arba ruchot), ‘van de vier winden’: uit alle windstreken. Hier is ruach tegelijk ‘wind’ en ‘geest’; zie de uitleg bij vers 5. Voetnoot : הֲרוּגִים (harugim), ‘gedoden’: mensen die zijn omgebracht, hier de beenderen van de gevallenen. Zie ook: Ps 104:30; Hoogl 4:16; Ezech 37:5; Ezech 37:14; Joh 3:8 **37:10** Ik profeteerde zoals Hij mij bevolen had. De geest kwam in hen, zij werden levend en gingen op hun voeten staan: een zeer, zeer groot leger. Brontekst: וְהִנַּבֵּ֖אתִי (vehinabeti) = en ik profeteerde | כַּאֲשֶׁ֣ר (kaasher) = zoals | צִוָּ֑נִי (tsivani) = Hij mij bevolen had | וַתָּבוֹא֩ (vatavo) = en kwam | בָהֶ֨ם (bahem) = in hen | הָר֜וּחַ (haruach) = de geest | וַיִּֽחְי֗וּ (vayichyu) = en zij leefden | וַיַּֽעַמְדוּ֙ (vayaamdu) = en zij gingen staan | עַל (al) = op | רַגְלֵיהֶ֔ם (ragleihem) = hun voeten | חַ֖יִל (chayil) = leger | גָּד֥וֹל (gadol) = groot | מְאֹד (meod) = zeer | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַיִל גָּדוֹל (chayil gadol), ‘een groot leger’: de herrezen beenderen staan als een leger op hun voeten. Zie ook: Ps 104:30; Openb 11:11; Openb 20:4–5 ### Heel het huis van Israël **37:11** Hij zei tot mij: **„Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, zij zeggen: ‘Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is verloren. Wij zijn afgesneden.’** Brontekst: וַיֹּאמֶר֮ (vayomer) = en Hij zei | אֵלַי֒ (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֕ם (adam) = mens | הָעֲצָמ֣וֹת (haatsamot) = de beenderen | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | כָּל (kal) = heel | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | הֵ֑מָּה (hema) = zij | הִנֵּ֣ה (hine) = zie | אֹמְרִ֗ים (omerim) = zeggend | יָבְשׁ֧וּ (yaveshu) = zijn verdord | עַצְמוֹתֵ֛ינוּ (atsmoteinu) = onze beenderen | וְאָבְדָ֥ה (veaveda) = en is verloren | תִקְוָתֵ֖נוּ (tiqvatenu) = onze hoop | נִגְזַ֥רְנוּ (nigzarnu) = wij zijn afgesneden | לָֽנוּ (lanu) = voor ons Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נִגְזַרְנוּ לָנוּ (nigzarnu lanu), ‘wij zijn afgesneden’: het volk voelt zich van het leven, van de grond en van Yahweh afgesneden. De beenderen zijn het beeld van het volk in ballingschap. Zie ook: Ps 77:8–10; Jer 31:1; Ezech 36:10; Ezech 39:25; Ef 2:1 **37:12** **Profeteer daarom en zeg tegen hen:”** Zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Ik open jullie graven en laat jullie uit jullie graven opkomen, Mijn volk. Ik breng jullie naar de grond van Israël.** Brontekst: לָכֵן֩ (lakhen) = daarom | הִנָּבֵ֨א (hinave) = profeteer | וְאָמַרְתָּ֜ (veamarta) = en zeg | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּה֩ (hine) = zie | אֲנִ֨י (ani) = Ik | פֹתֵ֜חַ (poteach) = openend | אֶת (et) = (obj.) | קִבְרֽוֹתֵיכֶ֗ם (qivroteikhem) = jullie graven | וְהַעֲלֵיתִ֥י (vehaaleiti) = en Ik zal laten opkomen | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | מִקִּבְרוֹתֵיכֶ֖ם (miqivroteikhem) = uit jullie graven | עַמִּ֑י (ami) = Mijn volk | וְהֵבֵאתִ֥י (veheveti) = en Ik zal brengen | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | אֶל (el) = naar | אַדְמַ֥ת (admat) = grond van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קִבְרוֹתֵיכֶם (qivroteikhem), ‘jullie graven’: de ballingschap wordt als een graf voorgesteld. Het gaat in de eerste plaats om de terugkeer van het volk naar het land. Zie ook: Hos 13:14; Jes 26:19; Jes 66:14; 1 Tess 4:16; Openb 20:13 **37:13** **Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik jullie graven open en jullie uit jullie graven laat opkomen, Mijn volk.** Brontekst: וִֽידַעְתֶּ֖ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | בְּפִתְחִ֣י (befitchi) = bij Mijn openen | אֶת (et) = (obj.) | קִבְרֽוֹתֵיכֶ֗ם (qivroteikhem) = jullie graven | וּבְהַעֲלוֹתִ֥י (uvehaaloti) = en bij Mijn laten opkomen | אֶתְכֶ֛ם (etkhem) = jullie | מִקִּבְרוֹתֵיכֶ֖ם (miqivroteikhem) = uit jullie graven | עַמִּֽי (ami) = Mijn volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ps 126:2–3; Ezech 16:62; Ezech 37:6 **37:14** **Ik zal Mijn Geest in jullie leggen en jullie zullen leven. Ik zal jullie op jullie eigen grond neerzetten. Dan zullen jullie weten dat Ik, Yahweh, het gesproken en gedaan heb, godsspraak van Yahweh.”** Brontekst: וְנָתַתִּ֨י (venatati) = en Ik zal geven | רוּחִ֤י (ruchi) = Mijn Geest | בָכֶם֙ (bakhem) = in jullie | וִחְיִיתֶ֔ם (vichyitem) = en jullie zullen leven | וְהִנַּחְתִּ֥י (vehinachti) = en Ik zal neerzetten | אֶתְכֶ֖ם (etkhem) = jullie | עַל (al) = op | אַדְמַתְכֶ֑ם (admatkhem) = jullie grond | וִידַעְתֶּ֞ם (vidatem) = en jullie zullen weten | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֧י (ani) = Ik | יְהוָ֛ה (Yahweh) = Yahweh | דִּבַּ֥רְתִּי (dibarti) = heb gesproken | וְעָשִׂ֖יתִי (veasiti) = en heb gedaan | נְאֻם (neum) = godsspraak van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Voetnoot : רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: zie ook Ezech. 36:27. Zie ook: Joël 3:1–2; Ezech 5:11; Ezech 11:19; Ezech 36:27; Ezech 36:36; Ezech 39:29 ### De twee stukken hout **37:15** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en kwam | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **37:16** **„En jij, mensenkind, neem één stuk hout en schrijf erop: ‘Voor Juda en voor de zonen van Israël, zijn metgezellen.’ Neem nog een stuk hout en schrijf erop: ‘Voor Jozef, het hout van Efraïm, en heel het huis van Israël, zijn metgezellen.’** Brontekst: וְאַתָּ֣ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | קַח (qach) = neem | לְךָ֙ (lekha) = voor jou | עֵ֣ץ (ets) = hout | אֶחָ֔ד (echad) = één | וּכְתֹ֤ב (ukhetov) = en schrijf | עָלָיו֙ (alav) = op het | לִֽיהוּדָ֔ה (lihuda) = voor Juda | וְלִבְנֵ֥י (velivnei) = en voor de zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | חֲבֵרָ֑יו (chaverav) = zijn metgezellen | וּלְקַח֙ (uleqach) = en neem | עֵ֣ץ (ets) = hout | אֶחָ֔ד (echad) = één | וּכְת֣וֹב (ukhetov) = en schrijf | עָלָ֗יו (alav) = op het | לְיוֹסֵף֙ (leyosef) = voor Jozef | עֵ֣ץ (ets) = hout van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וְכָל (vekhal) = en heel | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | חֲבֵרָֽיו (chaverav) = zijn metgezellen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵץ אֶחָד (ets echad), ‘één stuk hout’: een staf of tak waarop men schrijft. Juda staat voor het zuidelijk koninkrijk, Jozef (Efraïm) voor het noordelijk koninkrijk. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat חֲבֵרוֹ (chavero), ‘zijn metgezel’ (enkelvoud); de overlevering leest חֲבֵרָיו (chaveraw), ‘zijn metgezellen’. Wij volgen de overlevering; dit geldt ook voor het tweede stuk hout in dit vers en voor vers 19. Zie ook: Num 17:17–18; 1 Kon 12:16–20; 2 Kron 10:17; 2 Kron 10:19; 2 Kron 15:9; Ezech 37:19 **37:17** **Breng ze dicht bij elkaar, het ene stuk hout bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in je hand één worden.** Brontekst: וְקָרַ֨ב (veqarav) = en breng dichtbij | אֹתָ֜ם (otam) = ze | אֶחָ֧ד (echad) = de een | אֶל (el) = naar | אֶחָ֛ד (echad) = de ander | לְךָ֖ (lekha) = voor jou | לְעֵ֣ץ (leets) = tot hout | אֶחָ֑ד (echad) = één | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen worden | לַאֲחָדִ֖ים (laachadim) = tot eenheden | בְּיָדֶֽךָ (beyadekha) = in je hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַאֲחָדִים (la’achadim), ‘tot eenheden’: de twee stukken worden in de hand van Ezechiël als één stuk gezien. Zie ook: Hos 2:2; Jes 11:13; Sef 3:9; Jer 50:4; Ezech 37:22–24 **37:18** **Wanneer de zonen van je volk tegen je zeggen: ‘Wil je ons niet vertellen wat dit voor jou betekent?’,** Brontekst: וְכַֽאֲשֶׁר֙ (vekhaasher) = en wanneer | יֹאמְר֣וּ (yomru) = zij zeggen | אֵלֶ֔יךָ (eleikha) = tot jou | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | עַמְּךָ֖ (amekha) = je volk | לֵאמֹ֑ר (lemor) = zeggend | הֲלֽוֹא (halo) = niet | תַגִּ֥יד (tagid) = wil je vertellen | לָ֖נוּ (lanu) = ons | מָה (ma) = wat | אֵ֥לֶּה (ele) = dezen | לָּֽךְ (lakh) = voor jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 12:9; Ezech 17:12; Ezech 21:5; Ezech 24:19 **37:19** **zeg dan tegen hen:”** Zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Ik neem het hout van Jozef, dat in de hand van Efraïm is, en de stammen van Israël, zijn metgezellen. Ik leg ze erbij, bij het hout van Juda. Ik maak ze tot één stuk hout en zij zullen één zijn in Mijn hand.”** Brontekst: דַּבֵּ֣ר (daber) = spreek | אֲלֵהֶ֗ם (alehem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּה֩ (hine) = zie | אֲנִ֨י (ani) = Ik | לֹקֵ֜חַ (loqeach) = nemend | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֤ץ (ets) = hout van | יוֹסֵף֙ (yosef) = Jozef | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | בְּיַד (beyad) = in de hand van | אֶפְרַ֔יִם (efrayim) = Efraïm | וְשִׁבְטֵ֥י (veshivtei) = en de stammen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | חֲבֵרָ֑יו (chaverav) = zijn metgezellen | וְנָתַתִּי֩ (venatati) = en Ik zal leggen | אוֹתָ֨ם (otam) = ze | עָלָ֜יו (alav) = op het | אֶת (et) = (obj.) | עֵ֣ץ (ets) = hout van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וַֽעֲשִׂיתִם֙ (vaasitim) = en Ik zal ze maken | לְעֵ֣ץ (leets) = tot hout | אֶחָ֔ד (echad) = één | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | אֶחָ֖ד (echad) = één | בְּיָדִֽי (beyadi) = in Mijn hand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֵץ יוֹסֵף (ets Yosef), ‘het hout van Jozef’, en אֶפְרַיִם (Efrayim): het noordelijk koninkrijk werd vaak Efraïm genoemd, naar de grootste stam. Zie ook Hos. 5:3. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat חֲבֵרוֹ (chavero), ‘zijn metgezel’; de overlevering leest חֲבֵרָיו (chaveraw), ‘zijn metgezellen’. Wij volgen de overlevering. Zie ook: 1 Kron 9:1–3; Hos 5:3; Ezech 37:16–17; Zach 10:6; Ef 2:13–14; Kol 3:11 **37:20** **„De stukken hout waarop je schrijft, moeten voor hun ogen in je hand zijn,** Brontekst: וְהָי֨וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | הָעֵצִ֜ים (haetsim) = de houten | אֲֽשֶׁר (asher) = die | תִּכְתֹּ֧ב (tikhtov) = je schrijft | עֲלֵיהֶ֛ם (aleihem) = op hen | בְּיָדְךָ֖ (beyadekha) = in je hand | לְעֵינֵיהֶֽם (leeineihem) = voor hun ogen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 17:21–24; Hos 12:11; Ezech 12:3 **37:21** **en spreek tot hen:”** Zo zegt Heer Yahweh: **„Zie, Ik neem de zonen van Israël uit de volken waarheen zij zijn gegaan. Ik zal hen van overal verzamelen en naar hun eigen grond brengen.** Brontekst: וְדַבֵּ֣ר (vedaber) = en spreek | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = tot hen | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | הִנֵּ֨ה (hine) = zie | אֲנִ֤י (ani) = Ik | לֹקֵ֨חַ֙ (loqeach) = nemend | אֶת (et) = (obj.) | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | מִבֵּ֥ין (mibein) = uit tussen | הַגּוֹיִ֖ם (hagoyim) = de volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarheen | הָֽלְכוּ (halekhu) = zij zijn gegaan | שָׁ֑ם (sham) = daar | וְקִבַּצְתִּ֤י (veqibatsti) = en Ik zal verzamelen | אֹתָם֙ (otam) = hen | מִסָּבִ֔יב (misaviv) = van rondom | וְהֵבֵאתִ֥י (veheveti) = en Ik zal brengen | אוֹתָ֖ם (otam) = hen | אֶל (el) = naar | אַדְמָתָֽם (admatam) = hun grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Amos 9:14–15; Jer 23:8; Jer 29:14; Jer 32:37; Ezech 36:24 **37:22** **Ik maak hen tot één volk in het land, op de bergen van Israël. Eén koning zal koning zijn over hen allen. Zij zullen niet meer twee volken zijn en zich niet meer in twee koninkrijken laten verdelen.** Brontekst: וְעָשִׂ֣יתִי (veasiti) = en Ik zal maken | אֹ֠תָם (otam) = hen | לְג֨וֹי (legoy) = tot volk | אֶחָ֤ד (echad) = één | בָּאָ֨רֶץ֙ (baarets) = in het land | בְּהָרֵ֣י (beharei) = op de bergen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וּמֶ֧לֶךְ (umelekh) = en koning | אֶחָ֛ד (echad) = één | יִֽהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לְכֻלָּ֖ם (lekhulam) = voor hen allen | לְמֶ֑לֶךְ (lemelekh) = tot koning | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יִֽהְיוּ (yihyu) = zullen zijn | עוֹד֙ (od) = meer | לִשְׁנֵ֣י (lishnei) = tot twee | גוֹיִ֔ם (goyim) = volken | וְלֹ֨א (velo) = en niet | יֵחָ֥צוּ (yechatsu) = zullen zich delen | ע֛וֹד (od) = meer | לִשְׁתֵּ֥י (lishtei) = in twee | מַמְלָכ֖וֹת (mamlakhot) = koninkrijken | עֽוֹד (od) = meer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁנֵי גוֹיִם (shenei goyim), ‘twee volken’, en שְׁתֵּי מַמְלָכוֹת (shetei mamlakhot), ‘twee koninkrijken’: Israël en Juda, gescheiden sinds 1 Kon. 12. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst staat יִהְיֶה (yihyeh), ‘zal zijn’ (enkelvoud); de overlevering leest יִהְיוּ (yihyu), ‘zullen zijn’. Wij volgen de overlevering. Zie ook: Jer 3:18; Jer 50:4; Ezech 34:23–24; Ezech 37:24; Joh 10:16 **37:23** **Zij zullen zich niet meer onrein maken met hun mestgoden, hun gruwelbeelden en al hun overtredingen. Ik zal hen redden uit al hun woonplaatsen waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Elohim zijn.** Brontekst: וְלֹ֧א (velo) = en niet | יִֽטַמְּא֣וּ (yitameu) = zullen zich onrein maken | ע֗וֹד (od) = meer | בְּגִלּֽוּלֵיהֶם֙ (begiluleihem) = met hun mestgoden | וּבְשִׁקּ֣וּצֵיהֶ֔ם (uveshiqutseihem) = en met hun gruwelbeelden | וּבְכֹ֖ל (uvekhol) = en met al | פִּשְׁעֵיהֶ֑ם (pisheihem) = hun overtredingen | וְהוֹשַׁעְתִּ֣י (vehoshati) = en Ik zal redden | אֹתָ֗ם (otam) = hen | מִכֹּ֤ל (mikol) = uit al | מוֹשְׁבֹֽתֵיהֶם֙ (moshevoteihem) = hun woonplaatsen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarin | חָטְא֣וּ (chateu) = zij hebben gezondigd | בָהֶ֔ם (bahem) = in hen | וְטִהַרְתִּ֤י (vetiharti) = en Ik zal reinigen | אוֹתָם֙ (otam) = hen | וְהָיוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לִ֣י (li) = voor Mij | לְעָ֔ם (leam) = tot volk | וַאֲנִ֕י (vaani) = en Ik | אֶהְיֶ֥ה (ehye) = zal zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לֵאלֹהִֽים (lElohim) = tot Elohim Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁקּוּצֵיהֶם (shiqqutsehem), ‘hun gruwelbeelden’: zoals in Ezech. 5:11. גִּלּוּלֵיהֶם (gillulehem), ‘hun mestgoden’: zie Ezech. 6:4. Voetnoot Lezing: Sommige oude vertalingen lezen ‘uit al hun afvalligheden’ (מִמְּשֻׁבֹתֵיהֶם) in plaats van ‘uit al hun woonplaatsen’ (מִמּוֹשְׁבֹתֵיהֶם). Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ezech 5:11; Ezech 6:4; Ezech 36:28–29; Ef 5:26–27; 1 Joh 1:7; 1 Joh 1:9; Openb 21:3–4 ### Mijn knecht David als herder **37:24** **Mijn knecht David zal koning over hen zijn en zij zullen allen één herder hebben. Zij zullen in Mijn rechtsregels gaan, Mijn voorschriften bewaren en ze doen.** Brontekst: וְעַבְדִּ֤י (veavdi) = en Mijn knecht | דָוִד֙ (david) = David | מֶ֣לֶךְ (melekh) = koning | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = over hen | וְרוֹעֶ֥ה (veroe) = en herder | אֶחָ֖ד (echad) = één | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | לְכֻלָּ֑ם (lekhulam) = voor hen allen | וּבְמִשְׁפָּטַ֣י (uvemishpatay) = en in Mijn rechtsregels | יֵלֵ֔כוּ (yelekhu) = zullen gaan | וְחֻקֹּתַ֥י (vechuqotay) = en Mijn voorschriften | יִשְׁמְר֖וּ (yishmeru) = zullen bewaren | וְעָשׂ֥וּ (veasu) = en zij zullen doen | אוֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַבְדִּי דָוִד (avdi David), ‘Mijn knecht David’: zoals in Ezech. 34:23–24. David is de herder uit zijn huis die Yahweh over Zijn volk zal aanstellen. Vergelijk 2 Sam. 7:12–16. Zie ook: 2 Sam 7:12–16; Hos 3:5; Jer 30:9; Ezech 34:23–24; Ezech 36:27; Ezech 37:25 **37:25** **Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht Jakob gegeven heb, waar jullie vaders gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij, hun zonen en de zonen van hun zonen, voor eeuwig. David, Mijn knecht, zal voor eeuwig hun vorst zijn.** Brontekst: וְיָשְׁב֣וּ (veyashevu) = en zij zullen wonen | עַל (al) = op | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁ֤ר (asher) = dat | נָתַ֨תִּי֙ (natati) = Ik gaf | לְעַבְדִּ֣י (leavdi) = aan Mijn knecht | לְיַֽעֲקֹ֔ב (leyaaqov) = aan Jakob | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarin | יָֽשְׁבוּ (yashevu) = woonden | בָ֖הּ (bah) = daarin | אֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם (avoteikhem) = jullie vaders | וְיָשְׁב֣וּ (veyashevu) = en zij zullen wonen | עָלֶ֡יהָ (aleiha) = daarop | הֵ֠מָּה (hema) = zij | וּבְנֵיהֶ֞ם (uveneihem) = en hun zonen | וּבְנֵ֤י (uvenei) = en zonen van | בְנֵיהֶם֙ (beneihem) = hun zonen | עַד (ad) = tot | עוֹלָ֔ם (olam) = eeuwigheid | וְדָוִ֣ד (vedavid) = en David | עַבְדִּ֔י (avdi) = Mijn knecht | נָשִׂ֥יא (nasi) = vorst | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’: zoals in Ezech. 34:24. Het volk woont ‘voor eeuwig’ (olam) in het land dat aan Jakob, de aartsvader, is gegeven; zie Gen. 28:13. Zie ook: Gen 28:13; Amos 9:15; Ezech 28:25; Ezech 34:24; Ezech 36:28; Ezech 37:21; Ezech 37:24 **37:26** **Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten; een eeuwig verbond zal het met hen zijn. Ik zal hen vestigen en talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zetten.** Brontekst: וְכָרַתִּ֤י (vekharati) = en Ik zal sluiten | לָהֶם֙ (lahem) = met hen | בְּרִ֣ית (berit) = verbond van | שָׁל֔וֹם (shalom) = vrede | בְּרִ֥ית (berit) = verbond van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | אוֹתָ֑ם (otam) = met hen | וּנְתַתִּים֙ (unetatim) = en Ik zal hen vestigen | וְהִרְבֵּיתִ֣י (vehirbeiti) = en Ik zal talrijk maken | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | וְנָתַתִּ֧י (venatati) = en Ik zal zetten | אֶת (et) = (obj.) | מִקְדָּשִׁ֛י (miqdashi) = Mijn heiligdom | בְּתוֹכָ֖ם (betokham) = in hun midden | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּרִית שָׁלוֹם (berit shalom), ‘een verbond van vrede’, en בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘een eeuwig verbond’: zie Ezech. 34:25 en Gen. 17:7. Voetnoot : מִקְדָּשִׁי (miqdashi), ‘Mijn heiligdom’: de plaats die voor Yahweh is afgezonderd; zie ook Ezech. 40–48. Zie ook: Gen 17:7; Lev 26:11–12; Jes 55:3; Jer 30:19; Ezech 34:25; Heb 13:20–21 **37:27** **Mijn woning zal bij hen zijn. Ik zal hun Elohim zijn en zij zullen Mijn volk zijn.** Brontekst: וְהָיָ֤ה (vehaya) = en zal zijn | מִשְׁכָּנִי֙ (mishkani) = Mijn woning | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = bij hen | וְהָיִ֥יתִי (vehayiti) = en Ik zal zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לֵֽאלֹהִ֑ים (lElohim) = tot Elohim | וְהֵ֖מָּה (vehema) = en zij | יִֽהְיוּ (yihyu) = zullen zijn | לִ֥י (li) = voor Mij | לְעָֽם (leam) = tot volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁכָּנִי (mishkani), ‘Mijn woning’: letterlijk ‘Mijn tabernakel’, de woning van Yahweh midden onder Zijn volk; vergelijk Lev. 26:11–12 en Exod. 25:8. Zie ook: Ex 25:8; Lev 26:11–12; Ezech 37:23; Joh 1:14; Kol 2:9–10; Openb 21:3 **37:28** **Dan zullen de volken weten dat Ik, Yahweh, Israël heilig, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden is.”** Brontekst: וְיָֽדְעוּ֙ (veyadeu) = en zullen weten | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | כִּ֚י (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | מְקַדֵּ֖שׁ (meqadesh) = heiligend | אֶת (et) = (obj.) | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | בִּהְי֧וֹת (bihyot) = bij het zijn van | מִקְדָּשִׁ֛י (miqdashi) = Mijn heiligdom | בְּתוֹכָ֖ם (betokham) = in hun midden | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְקַדֵּשׁ אֶת יִשְׂרָאֵל (meqaddesh et Yisra’el), ‘Israël heiligend’: Yahweh zondert Israël voor Zich af. De volken zien dat aan Zijn heiligdom in hun midden. Zie ook: Ex 31:13; Lev 21:8; Ezech 20:12; Joh 17:17–19; 1 Kor 1:30 ## Ezechiël 38 _Gog van Magog trekt op tegen het land van Israël_ ### Profeteer tegen Gog **38:1** Het woord van Yahweh kwam tot mij: Brontekst: וַיְהִ֥י (vayhi) = en het was | דְבַר (devar) = woord van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֵלַ֥י (elay) = tot mij | לֵאמֹֽר (lemor) = zeggend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hoofdstuk 38 en 39 zijn twee verwante toespraken over Gog. Hoofdstuk 38 beschrijft zijn opmars en Yahweh’s ingrijpen; hoofdstuk 39 zijn ondergang en wat daarna komt. **38:2** **„Mensenkind, richt je gezicht op Gog, in het land Magog, de vorst van Rosj, Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem.** Brontekst: בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = mens | שִׂ֤ים (sim) = zet | פָּנֶ֨יךָ֙ (paneikha) = je gezicht | אֶל (el) = naar | גּוֹג֙ (gog) = Gog | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | הַמָּג֔וֹג (hamagog) = Magog | נְשִׂ֕יא (nesi) = vorst van | רֹ֖אשׁ (rosh) = Rosj | מֶ֣שֶׁךְ (meshekh) = Mesech | וְתֻבָ֑ל (vetuval) = en Tubal | וְהִנָּבֵ֖א (vehinave) = en profeteer | עָלָֽיו (alav) = tegen hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גּוֹג (Gog): een naam die verder in de Hebreeuwse Bijbel nauwelijks voorkomt (zie 1 Kron. 5:4 voor een andere Gog). De tekst noemt hem een vorst; wie hij was of is, zegt de tekst niet. Wij laten dat open. Voetnoot : מָגוֹג (Magog): in Gen. 10:2 een zoon van Jafet. Hier is het blijkbaar het land van Gog; de ligging is onzeker. Voetnoot : נְשִׂיא רֹאשׁ מֶשֶׁךְ וְתֻבָל (nesi rosh meshech vetuval): ‘vorst van Rosj, Mesech en Tubal’. Het woord רֹאשׁ (rosh) kan ook ‘hoofd, opperste’ betekenen; dan staat er ‘opperste vorst van Mesech en Tubal’. Mesech en Tubal zijn volken in het noorden (zie Ezech. 27:13). Zie ook: Gen 10:2; 1 Kron 5:4; Ezech 6:2; Ezech 27:13; Ezech 38:3; Ezech 39:1 **38:3** **Zeg:** Zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik ben tegen je, Gog, vorst van Rosj, Mesech en Tubal.** Brontekst: וְאָ֣מַרְתָּ֔ (veamarta) = en je zult zeggen | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Ik | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = tegen jou | גּ֔וֹג (gog) = Gog | נְשִׂ֕יא (nesi) = vorst van | רֹ֖אשׁ (rosh) = Rosj | מֶ֥שֶׁךְ (meshekh) = Mesech | וְתֻבָֽל (vetuval) = en Tubal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4. Voetnoot : הִנְנִי אֵלֶיךָ (hineni elekha), ‘zie, Ik ben tegen je’: een vaste uitdrukking van oordeel, zoals in Ezech. 5:8 en 26:3. Zie ook: Ezech 2:4; Ezech 5:8; Ezech 13:8; Ezech 26:3; Ezech 29:3; Ezech 35:3; Ezech 39:1–10 ### Gog en zijn bondgenoten **38:4** **Ik draai je om en doe haken in je kaken. Ik leid je uit, jou en heel je leger: paarden en ruiters, allen volledig uitgerust. Het is een grote menigte met grote en kleine schilden, allen met zwaarden in de hand.** Brontekst: וְשׁ֣וֹבַבְתִּ֔יךָ (veshovavtikha) = en Ik zal je omkeren | וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal doen | חַחִ֖ים (chachim) = haken | בִּלְחָיֶ֑יךָ (bilchayeikha) = in je kaken | וְהוֹצֵאתִי֩ (vehotseti) = en Ik zal uitleiden | אוֹתְךָ֨ (otekha) = jou | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | חֵילֶ֜ךָ (cheilekha) = je leger | סוּסִ֣ים (susim) = paarden | וּפָרָשִׁ֗ים (ufarashim) = en ruiters | לְבֻשֵׁ֤י (levushei) = gekleed | מִכְלוֹל֙ (mikhlol) = in volle uitrusting | כֻּלָּ֔ם (kulam) = allen | קָהָ֥ל (qahal) = een menigte | רָב֙ (rav) = grote | צִנָּ֣ה (tsina) = grote schilden | וּמָגֵ֔ן (umagen) = en kleine schilden | תֹּפְשֵׂ֥י (tofesei) = grijpend | חֲרָב֖וֹת (charavot) = zwaarden | כֻּלָּֽם (kulam) = allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַחִים בִּלְחָיֶיךָ (chachim bil’chayekha), ‘haken in je kaken’: Gog wordt als een wild dier teruggetrokken en meegevoerd. Het is Yahweh die hem laat optrekken. Vergelijk Ezech. 29:4. Voetnoot : שׁוֹבַבְתִּיךָ (shovavtikha), ‘Ik draai je om’: het werkwoord kan ook ‘terugbrengen’ of ‘verleiden’ betekenen; de betekenis is hier niet helemaal zeker. Voetnoot : מִכְלוֹל (mikhlol), ‘volledig uitgerust’: het woord komt ook voor in Ezech. 23:12. Voetnoot : צִנָּה (tsinnah) en מָגֵן (magen): twee soorten schilden, een grote en een kleine. Zie ook: 2 Kon 19:28; Ezech 23:12; Ezech 29:4; Ezech 38:15; Ezech 39:2; Dan 11:40 **38:5** **Perzië, Kush en Put zijn bij hen, allen met schild en helm.** Brontekst: פָּרַ֛ס (paras) = Perzië | כּ֥וּשׁ (kush) = Kush | וּפ֖וּט (ufut) = en Put | אִתָּ֑ם (itam) = met hen | כֻּלָּ֖ם (kulam) = allen | מָגֵ֥ן (magen) = schild | וְכוֹבָֽע (vekhova) = en helm Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis. Het Perzische rijk reikte veel verder. Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan. Voetnoot Uitleg: פָּרַס (Paras), ‘Perzië’; כּוּשׁ (Kush), het zuiden van Egypte; פּוּט (Put), waarschijnlijk Libië. Zie Ezech. 27:10 en 30:5. De ligging van Put is niet zeker. Zie ook: Gen 10:6; 1 Kron 1:8; Nah 3:9; Ezech 27:10; Ezech 30:5 **38:6** **Gomer en al zijn legerscharen, het huis van Togarma uit het uiterste noorden met al zijn legerscharen: vele volken zijn bij je.** Brontekst: גֹּ֚מֶר (gomer) = Gomer | וְכָל (vekhal) = en al | אֲגַפֶּ֔יהָ (agapeiha) = haar legerscharen | בֵּ֚ית (beit) = huis van | תּֽוֹגַרְמָ֔ה (togarma) = Togarma | יַרְכְּתֵ֥י (yarketei) = uiterste | צָפ֖וֹן (tsafon) = noorden | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | אֲגַפָּ֑יו (agapav) = zijn legerscharen | עַמִּ֥ים (amim) = volken | רַבִּ֖ים (rabim) = vele | אִתָּֽךְ (itakh) = met jou Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּמֶר (Gomer) en תֹּגַרְמָה (Togarma): Gomer is een zoon van Jafet en Togarma een zoon van Gomer (Gen. 10:2–3), volken in het noorden. Zie ook Ezech. 27:14. De ligging is onzeker. Voetnoot : אֲגַפִּים (agappim), ‘legerscharen’: letterlijk ‘vleugels, zijden’. De vorm bij Gomer is vrouwelijk (‘haar’), bij Togarma mannelijk (‘zijn’). Zie ook: Gen 10:2–3; 1 Kron 1:5–6; Ezech 27:14; Dan 11:40 **38:7** **Houd je gereed, maak je klaar, jij en heel je menigte die zich rond jou heeft verzameld. Wees voor hen een wacht.** Brontekst: הִכֹּן֙ (hikon) = wees gereed | וְהָכֵ֣ן (vehakhen) = en maak je gereed | לְךָ֔ (lekha) = voor jou | אַתָּ֕ה (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en heel | קְהָלֶ֖ךָ (qehalekha) = je menigte | הַנִּקְהָלִ֣ים (haniqhalim) = die zich verzameld hebben | עָלֶ֑יךָ (aleikha) = rond jou | וְהָיִ֥יתָ (vehayita) = en je zult zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְמִשְׁמָֽר (lemishmar) = tot een wacht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהָיִיתָ לָהֶם לְמִשְׁמָר (vehayita lahem lemishmar), ‘wees voor hen een wacht’: Gog moet het hoofd zijn en de bewaker van de verzamelde legers. De betekenis is niet helemaal zeker. Zie ook: 2 Kron 25:8; Joël 4:9–12; Jer 46:14–16; Jer 51:12; Zach 14:2–3 **38:8** **Na vele dagen word je ontboden. In de laatste jaren kom je in een land dat hersteld is van het zwaard. Het is bijeengebracht uit vele volken, op de bergen van Israël die voortdurend een ruïne waren. Zij is uit de volken geleid en zij wonen allen veilig.** Brontekst: מִיָּמִ֣ים (miyamim) = na dagen | רַבִּים֮ (rabim) = vele | תִּפָּקֵד֒ (tipaqed) = word je ontboden | בְּאַחֲרִ֨ית (beacharit) = in het einde van | הַשָּׁנִ֜ים (hashanim) = de jaren | תָּב֣וֹא (tavo) = kom je | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = een land | מְשׁוֹבֶ֣בֶת (meshovevet) = hersteld | מֵחֶ֗רֶב (mecherev) = van het zwaard | מְקֻבֶּ֨צֶת֙ (mequbetset) = bijeengebracht | מֵעַמִּ֣ים (meamim) = uit volken | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | עַ֚ל (al) = op | הָרֵ֣י (harei) = de bergen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אֲשֶׁר (asher) = die | הָי֥וּ (hayu) = waren | לְחָרְבָּ֖ה (lecharba) = tot een ruïne | תָּמִ֑יד (tamid) = voortdurend | וְהִיא֙ (vehi) = en zij | מֵעַמִּ֣ים (meamim) = uit de volken | הוּצָ֔אָה (hutsaa) = is uitgeleid | וְיָשְׁב֥וּ (veyashevu) = en zij wonen | לָבֶ֖טַח (lavetach) = veilig | כֻּלָּֽם (kulam) = allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תִּפָּקֵד (tippaqed), ‘word je ontboden’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘opmerken, ontbieden, bezoeken’. Hier gaat het om een oproep die Yahweh richt. Voetnoot : אַחֲרִית הַשָּׁנִים (acharit hashanim), ‘de laatste jaren’: de toekomst, na de terugkeer uit de volken. Voetnoot : מְשׁוֹבֶבֶת מֵחֶרֶב (meshovevet mecherev): het land is ‘hersteld’ of ‘teruggebracht’ van het zwaard. Het werkwoord שׁוּב (shuv) is hetzelfde als in vers 4, maar met een andere vorm. Voetnoot : מְקֻבֶּצֶת (mequbbetset), ‘bijeengebracht’: het gaat om het volk, dat uit de volken is verzameld. Zie ook: Amos 9:14–15; Jes 24:22; Ezech 36:1–8; Ezech 38:4; Ezech 38:11–12; Ezech 38:16 **38:9** **Je trekt op. Als een storm kom je. Je zult zijn als een wolk die het land bedekt, jij en al je legerscharen en vele volken met je.** Brontekst: וְעָלִ֨יתָ֙ (vealita) = en je zult optrekken | כַּשֹּׁאָ֣ה (kashoa) = als een storm | תָב֔וֹא (tavo) = je zult komen | כֶּעָנָ֛ן (keanan) = als een wolk | לְכַסּ֥וֹת (lekhasot) = om te bedekken | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | תִּֽהְיֶ֑ה (tihye) = je zult zijn | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en al | אֲגַפֶּ֔יךָ (agapeikha) = je legerscharen | וְעַמִּ֥ים (veamim) = en volken | רַבִּ֖ים (rabim) = vele | אוֹתָֽךְ (otakh) = met je Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֹׁאָה (sho’ah), ‘storm’: het woord kan ook ‘verwoesting’ betekenen. Zie ook: Joël 2:2; Jes 25:4; Jes 28:2; Jer 4:13; Ezech 38:16 ### Het plan van Gog **38:10** Zo zegt Heer Yahweh: **Op die dag komen er gedachten in je hart op en je bedenkt een kwaad plan.** Brontekst: כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יַעֲל֤וּ (yaalu) = komen op | דְבָרִים֙ (devarim) = gedachten | עַל (al) = in | לְבָבֶ֔ךָ (levavekha) = je hart | וְחָשַׁבְתָּ֖ (vechashavta) = en je zult bedenken | מַחֲשֶׁ֥בֶת (machashevet) = een plan | רָעָֽה (raa) = kwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hier begint een nieuw deel van dezelfde toespraak, met de formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’. Zie ook: Ps 36:5; Ps 139:2; Mi 2:1; Mar 7:21; Hand 5:3 **38:11** **Je zegt: ‘Ik trek op tegen een land van open dorpen. Ik val de rustigen aan, die veilig wonen, allen wonend zonder muur, zonder grendel en zonder deuren,** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֗ (veamarta) = en je zult zeggen | אֶֽעֱלֶה֙ (eele) = ik zal optrekken | עַל (al) = tegen | אֶ֣רֶץ (erets) = een land van | פְּרָז֔וֹת (perazot) = open dorpen | אָבוֹא֙ (avo) = ik zal komen | הַשֹּׁ֣קְטִ֔ים (hashoqetim) = de rustigen | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = wonend | לָבֶ֑טַח (lavetach) = veilig | כֻּלָּ֗ם (kulam) = allen | יֹֽשְׁבִים֙ (yoshevim) = wonend | בְּאֵ֣ין (beein) = zonder | חוֹמָ֔ה (choma) = muur | וּבְרִ֥יחַ (uveriach) = en grendel | וּדְלָתַ֖יִם (udelatayim) = en deuren | אֵ֥ין (ein) = niet | לָהֶֽם (lahem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּרָזוֹת (perazot), ‘open dorpen’: plaatsen zonder muur. Dat past bij een volk dat zich veilig voelt. Zie ook: Ex 15:9; Re 18:7; Spr 3:29–30; Ezech 38:8; Zach 2:8–9 **38:12** **om buit te roven en roof te plegen. Ik keer mijn hand tegen puinhopen die weer bewoond zijn, en tegen een volk dat uit de volken is verzameld. Het heeft vee en bezit verworven en woont op de navel van de aarde.’** Brontekst: לִשְׁלֹ֥ל (lishlol) = om te roven | שָׁלָ֖ל (shalal) = roof | וְלָבֹ֣ז (velavoz) = en om te plunderen | בַּ֑ז (baz) = plundering | לְהָשִׁ֨יב (lehashiv) = om te keren | יָדְךָ֜ (yadekha) = je hand | עַל (al) = tegen | חֳרָב֣וֹת (choravot) = puinhopen | נוֹשָׁבֹ֗ת (noshavot) = bewoond | וְאֶל (veel) = en tegen | עַם֙ (am) = een volk | מְאֻסָּ֣ף (meusaf) = verzameld | מִגּוֹיִ֔ם (migoyim) = uit de volken | עֹשֶׂה֙ (ose) = dat gemaakt heeft | מִקְנֶ֣ה (miqne) = vee | וְקִנְיָ֔ן (veqinyan) = en bezit | יֹשְׁבֵ֖י (yoshevei) = bewoners van | עַל (al) = op | טַבּ֥וּר (tabur) = de navel van | הָאָֽרֶץ (haarets) = de aarde Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טַבּוּר הָאָרֶץ (tabbur ha’arets), ‘de navel van de aarde’: het midden van de aarde. Dit staat ook in Richt. 9:37; hier is het het land Israël. De betekenis van het beeld is niet helemaal duidelijk. Voetnoot : חֳרָבוֹת נוֹשָׁבֹת (charavot noshavet), ‘puinhopen die weer bewoond zijn’: het land dat eerst woest was en nu weer gevuld is met mensen. Zie ook: Re 9:37; Jes 10:6; Jer 32:43–44; Ezech 29:19; Ezech 38:8; Zach 10:8–10 **38:13** **Sjeba, Dedan en de kooplieden van Tarsis met al zijn jonge leeuwen zeggen tegen je: ‘Kom je om buit te roven? Heb je je menigte verzameld om roof te plegen? Wil je zilver en goud wegdragen, vee en bezit nemen en grote buit roven?’** Brontekst: שְׁבָ֡א (sheva) = Sjeba | וּ֠דְדָן (udedan) = en Dedan | וְסֹחֲרֵ֨י (vesocharei) = en kooplieden van | תַרְשִׁ֤ישׁ (tarshish) = Tarsis | וְכָל (vekhal) = en al | כְּפִרֶ֨יהָ֙ (kefireiha) = zijn jonge leeuwen | יֹאמְר֣וּ (yomru) = zullen zeggen | לְךָ֔ (lekha) = tot jou | הֲלִשְׁלֹ֤ל (halishlol) = om te roven | שָׁלָל֙ (shalal) = roof | אַתָּ֣ה (ata) = jij | בָ֔א (ba) = komend | הֲלָבֹ֥ז (halavoz) = om te plunderen | בַּ֖ז (baz) = plundering | הִקְהַ֣לְתָּ (hiqhalta) = heb je verzameld | קְהָלֶ֑ךָ (qehalekha) = je menigte | לָשֵׂ֣את (laset) = om weg te dragen | כֶּ֣סֶף (kesef) = zilver | וְזָהָ֗ב (vezahav) = en goud | לָקַ֨חַת֙ (laqachat) = om te nemen | מִקְנֶ֣ה (miqne) = vee | וְקִנְיָ֔ן (veqinyan) = en bezit | לִשְׁלֹ֖ל (lishlol) = om te roven | שָׁלָ֥ל (shalal) = roof | גָּדֽוֹל (gadol) = grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute. Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker. Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië. Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld. Voetnoot Uitleg: שְׁבָא (Sheva), ‘Sjeba’; דְּדָן (Dedan); תַרְשִׁישׁ (Tarshish), ‘Tarsis’: handelsvolken en handelsplaatsen, zoals in Ezech. 27:12, 15, 20, 22. Zij vragen of Gog soms om buit komt. Of dit uit bezorgdheid of uit eigenbelang gebeurt, zegt de tekst niet. Voetnoot : כְּפִירֶיהָ (kefireyha), ‘zijn jonge leeuwen’: het woord betekent ook ‘dorpen’ (van כָּפָר, kefar). Wij nemen hier ‘jonge leeuwen’ als beeld van de machtigen van Tarsis. Zie ook: Jer 51:38; Ezech 27:12; Ezech 27:15; Ezech 27:20; Ezech 27:22–23; Ezech 32:2 ### Yahweh leidt Gog op tegen Zijn land **38:14** **Daarom, profeteer, mensenkind, en zeg tegen Gog:** Zo zegt Heer Yahweh: **Zul je het niet merken op die dag, wanneer Mijn volk Israël veilig woont?** Brontekst: לָכֵן֙ (lakhen) = daarom | הִנָּבֵ֣א (hinave) = profeteer | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֔ם (adam) = mens | וְאָמַרְתָּ֣ (veamarta) = en je zult zeggen | לְג֔וֹג (legog) = tot Gog | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הֲל֣וֹא (halo) = niet | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | בְּשֶׁ֨בֶת (beshevet) = bij het wonen van | עַמִּ֧י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵ֛ל (yisrael) = Israël | לָבֶ֖טַח (lavetach) = veilig | תֵּדָֽע (teda) = zul je weten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תֵּדָע (teda), ‘zul je het merken’: letterlijk ‘zul je weten’. Het is een retorische vraag: Gog merkt het wanneer Israël veilig woont en gaat dan toeslaan. Zie ook: Jer 23:6; Ezech 38:8; Ezech 38:11; Zach 2:9; Zach 2:12 **38:15** **Je komt van je plaats, uit het uiterste noorden, jij en vele volken met je. Zij rijden allen op paarden: een grote menigte en een machtig leger.** Brontekst: וּבָ֤אתָ (uvata) = en je zult komen | מִמְּקֽוֹמְךָ֙ (mimeqomekha) = van je plaats | מִיַּרְכְּתֵ֣י (miyarketei) = uit het uiterste van | צָפ֔וֹן (tsafon) = noorden | אַתָּ֕ה (ata) = jij | וְעַמִּ֥ים (veamim) = en volken | רַבִּ֖ים (rabim) = vele | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met je | רֹכְבֵ֤י (rokhevei) = rijders van | סוּסִים֙ (susim) = paarden | כֻּלָּ֔ם (kulam) = allen | קָהָ֥ל (qahal) = een menigte | גָּד֖וֹל (gadol) = grote | וְחַ֥יִל (vechayil) = en een leger | רָֽב (rav) = machtig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יַרְכְּתֵי צָפוֹן (yarketei tsafon), ‘het uiterste noorden’: letterlijk ‘de achterzijden van het noorden’. Zie ook Ps. 48:3 voor de berg Sion ‘in het uiterste noorden’. Zie ook: Ps 48:3; Ezech 38:6; Ezech 39:2; Openb 16:14; Openb 16:16; Openb 20:8 **38:16** **Je trekt op tegen Mijn volk Israël als een wolk die het land bedekt. In de laatste dagen zal het gebeuren: Ik breng je tegen Mijn land. Zo leren de volken Mij kennen, wanneer Ik Mij voor hun ogen door jou als heilig laat zien, Gog.** Brontekst: וְעָלִ֨יתָ֙ (vealita) = en je zult optrekken | עַל (al) = tegen | עַמִּ֣י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כֶּֽעָנָ֖ן (keanan) = als een wolk | לְכַסּ֣וֹת (lekhasot) = om te bedekken | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | בְּאַחֲרִ֨ית (beacharit) = in het einde van | הַיָּמִ֜ים (hayamim) = de dagen | תִּֽהְיֶ֗ה (tihye) = zal het zijn | וַהֲבִאוֹתִ֨יךָ֙ (vahaviotikha) = en Ik zal je brengen | עַל (al) = tegen | אַרְצִ֔י (artsi) = Mijn land | לְמַעַן֩ (lemaan) = opdat | דַּ֨עַת (daat) = kennen | הַגּוֹיִ֜ם (hagoyim) = de volken | אֹתִ֗י (oti) = Mij | בְּהִקָּדְשִׁ֥י (behiqadeshi) = bij Mijn heilig worden | בְךָ֛ (bekha) = door jou | לְעֵינֵיהֶ֖ם (leeineihem) = voor hun ogen | גּֽוֹג (gog) = Gog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de toekomst die nog komt, zoals in Hos. 3:5. Voetnoot : בְּהִקָּדְשִׁי בְךָ (behiqqadshi vekha), ‘wanneer Ik Mij door jou als heilig laat zien’: Yahweh laat Zijn heiligheid zien door wat Hij met Gog doet. Zie ook: Hos 3:5; Ezech 38:23; Ezech 39:21; Dan 2:28; 1 Tim 4:1 **38:17** Zo zegt Heer Yahweh: **Ben jij het over wie Ik in vroegere dagen heb gesproken door Mijn knechten, de profeten van Israël? In die dagen profeteerden zij jarenlang dat Ik je tegen hen zou brengen.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הַֽאַתָּה (haata) = ben jij | ה֨וּא (hu) = hij | אֲשֶׁר (asher) = die | דִּבַּ֜רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | בְּיָמִ֣ים (beyamim) = in dagen | קַדְמוֹנִ֗ים (qadmonim) = vroegere | בְּיַד֙ (beyad) = door de hand van | עֲבָדַי֙ (avaday) = Mijn knechten | נְבִיאֵ֣י (neviei) = profeten van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | הַֽנִּבְּאִ֛ים (hanibeim) = die profeteerden | בַּיָּמִ֥ים (bayamim) = in de dagen | הָהֵ֖ם (hahem) = die | שָׁנִ֑ים (shanim) = jaren | לְהָבִ֥יא (lehavi) = om te brengen | אֹתְךָ֖ (otekha) = jou | עֲלֵיהֶֽם (aleihem) = tegen hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De vraag is moeilijk. Het Hebreeuws heeft ‘Ben jij het over wie Ik heb gesproken?’, en daarna ‘in die dagen, jaren, om je te brengen’. Een directe profetie over Gog is niet te vinden. Sommigen denken aan oudere profetieën over een vijand uit het noorden, zoals in Jer. 4–6. Wij laten dat open. Zie ook: Joël 4:9–14; Jes 34:1–6; Jes 63:1–6; Ezech 38:16; Dan 11:40–45 ### De woede van Yahweh **38:18** **Op die dag zal het gebeuren, op de dag dat Gog komt tegen het land van Israël, godsspraak van Heer Yahweh. Dan stijgt Mijn grimmigheid op in Mijn toorn.** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | בְּי֨וֹם (beyom) = op de dag | בּ֥וֹא (bo) = komen van | גוֹג֙ (gog) = Gog | עַל (al) = tegen | אַדְמַ֣ת (admat) = het land van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | תַּעֲלֶ֥ה (taale) = zal opstijgen | חֲמָתִ֖י (chamati) = Mijn grimmigheid | בְּאַפִּֽי (beapi) = in Mijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Voetnoot : אַף (af), ‘neus, toorn’: het gezicht van Yahweh als zetel van Zijn toorn. Wij vertalen ‘toorn’. Voetnoot : חֵמָה (chemah), ‘grimmigheid’. Zie ook: Deut 32:22; Ps 89:47; Nah 1:2; Ezech 5:11; Ezech 36:5–6; Heb 12:29 **38:19** **In Mijn ijver, in het vuur van Mijn razernij, heb Ik gesproken. Zeker, op die dag komt er een grote beving in het land van Israël.** Brontekst: וּבְקִנְאָתִ֥י (uveqinati) = en in Mijn ijver | בְאֵשׁ (beesh) = in het vuur van | עֶבְרָתִ֖י (evrati) = Mijn razernij | דִּבַּ֑רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | אִם (im) = indien | לֹ֣א (lo) = niet | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֗וּא (hahu) = die | יִֽהְיֶה֙ (yihye) = zal zijn | רַ֣עַשׁ (raash) = een beving | גָּד֔וֹל (gadol) = grote | עַ֖ל (al) = op | אַדְמַ֥ת (admat) = het land van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אִם לֹא (im lo), ‘zeker’: zoals in Ezech. 5:11. Voetnoot : רַעַשׁ גָּדוֹל (ra’ash gadol), ‘een grote beving’: een aardbeving, zoals in 1 Kon. 19:11 en Amos 1:1. Zie ook: 1 Kon 19:11; Amos 1:1; Ezech 5:11; Hag 2:6–7; Hag 2:21–22; Heb 12:26; Openb 11:13; Openb 16:20 **38:20** **Voor Mijn aangezicht beven de vissen van de zee, de vogels van de hemel en de dieren van het veld. Ook beven al het gedierte dat over de grond kruipt en alle mensen op het aardoppervlak. De bergen worden afgebroken, de steile hellingen vallen en elke muur stort neer op de grond.** Brontekst: וְרָעֲשׁ֣וּ (veraashu) = en zullen beven | מִפָּנַ֡י (mipanay) = voor Mijn aangezicht | דְּגֵ֣י (degei) = vissen van | הַיָּם֩ (hayam) = de zee | וְע֨וֹף (veof) = en vogel van | הַשָּׁמַ֜יִם (hashamayim) = de hemel | וְחַיַּ֣ת (vechayat) = en dier van | הַשָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | וְכָל (vekhal) = en alle | הָרֶ֨מֶשׂ֙ (haremes) = gedierte | הָרֹמֵ֣שׂ (haromes) = dat kruipt | עַל (al) = op | הָֽאֲדָמָ֔ה (haadama) = de grond | וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | הָֽאָדָ֔ם (haadam) = mens | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | עַל (al) = op | פְּנֵ֣י (penei) = het oppervlak van | הָאֲדָמָ֑ה (haadama) = de grond | וְנֶהֶרְס֣וּ (venehersu) = en zullen worden afgebroken | הֶהָרִ֗ים (heharim) = de bergen | וְנָֽפְלוּ֙ (venafelu) = en zullen vallen | הַמַּדְרֵג֔וֹת (hamadregot) = de steile hellingen | וְכָל (vekhal) = en elke | חוֹמָ֖ה (choma) = muur | לָאָ֥רֶץ (laarets) = op de grond | תִּפּֽוֹל (tipol) = zal vallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמַּדְרֵגוֹת (hammadregot), ‘de steile hellingen’: het woord komt nog voor in Hoogl. 2:14. De betekenis is niet zeker: ook ‘terrassen’ of ‘trappen’. Voetnoot : מִפָּנַי (mippanai), ‘voor Mijn aangezicht’: letterlijk ‘vanwege Mijn gezicht’. Zie ook: Hoogl 2:14; Hos 4:3; Nah 1:4–6; Zach 14:4–5; 2 Kor 10:4; Openb 6:12–13 **38:21** **Over al Mijn bergen roep Ik een zwaard tegen hem op, godsspraak van Heer Yahweh. Het zwaard van de een zal tegen zijn broer zijn.** Brontekst: וְקָרָ֨אתִי (veqarati) = en Ik zal roepen | עָלָ֤יו (alav) = tegen hem | לְכָל (lekhal) = over al | הָרַי֙ (haray) = Mijn bergen | חֶ֔רֶב (cherev) = zwaard | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | חֶ֥רֶב (cherev) = zwaard van | אִ֖ישׁ (ish) = man | בְּאָחִ֥יו (beachiv) = tegen zijn broer | תִּֽהְיֶֽה (tihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָרַי (harai), ‘Mijn bergen’: zo staat het in de Masoretische tekst. De uitdrukking is kort en onzeker: ‘over al Mijn bergen een zwaard’ of ‘tegen al Mijn bergen’. Wij vertalen ‘over al Mijn bergen’. Voetnoot : חֶרֶב אִישׁ בְּאָחִיו (cherev ish be’achiv): ‘het zwaard van een man tegen zijn broer’; zie Rechters 7:22 en 2 Kron. 20:23. Zie ook: Re 7:22; 1 Sam 14:20; 2 Kron 20:23; Ezech 14:17; Hag 2:22 **38:22** **Ik voer het gericht tegen hem uit met pest en bloed. Een stortregen, hagelstenen, vuur en zwavel laat Ik regenen over hem, over zijn legerscharen en over de vele volken die bij hem zijn.** Brontekst: וְנִשְׁפַּטְתִּ֥י (venishpatti) = en Ik zal gericht voeren | אִתּ֖וֹ (ito) = met hem | בְּדֶ֣בֶר (bedever) = met pest | וּבְדָ֑ם (uvedam) = en met bloed | וְגֶ֣שֶׁם (vegeshem) = en regen | שׁוֹטֵף֩ (shotef) = overstromende | וְאַבְנֵ֨י (veavnei) = en stenen van | אֶלְגָּבִ֜ישׁ (elgavish) = hagel | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | וְגָפְרִ֗ית (vegaferit) = en zwavel | אַמְטִ֤יר (amtir) = zal Ik laten regenen | עָלָיו֙ (alav) = over hem | וְעַל (veal) = en over | אֲגַפָּ֔יו (agapav) = zijn legerscharen | וְעַל (veal) = en over | עַמִּ֥ים (amim) = volken | רַבִּ֖ים (rabim) = vele | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | אִתּֽוֹ (ito) = met hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֶלְגָּבִישׁ (elgavish), ‘hagelstenen’: letterlijk ‘hagelsteen’ of ‘stenen van hagel’. Het woord komt ook voor in Ezech. 13:11, 13. Voetnoot : גָּפְרִית (gofrit), ‘zwavel’: zoals bij Sodom en Gomorra (Gen. 19:24). Zie ook: Gen 19:24; Ps 11:6; Ps 18:13–15; Jes 28:17; Jes 66:16; Ezech 13:11; Openb 16:21 **38:23** **Zo maak Ik Mij groot en bewijs Ik Mij heilig. Ik maak Mij bekend voor de ogen van vele volken. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”** Brontekst: וְהִתְגַּדִּלְתִּי֙ (vehitgadilti) = en Ik zal Mij groot maken | וְהִתְקַדִּשְׁתִּ֔י (vehitqadishti) = en Ik zal Mij heilig maken | וְנ֣וֹדַעְתִּ֔י (venodati) = en Ik zal Mij bekend maken | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | גּוֹיִ֣ם (goyim) = volken | רַבִּ֑ים (rabim) = vele | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּֽי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהִתְגַּדִּלְתִּי וְהִתְקַדִּשְׁתִּי (vehitgadleti vehitqaddashti): ‘Ik zal Mij groot maken en heilig maken’. Zo sluit de toespraak van dit hoofdstuk. Het volgende woord over Gog begint in 39:1. Zie ook: Ps 9:17; Ezech 36:23; Ezech 37:28; Ezech 38:16; Openb 19:1–6 ## Ezechiël 39 _De ondergang van Gog en het herstel van Israël_ ### Tegen Gog op de bergen van Israël **39:1** **„En jij, mensenkind, profeteer tegen Gog en zeg:** Zo zegt Heer Yahweh: **Zie, Ik ben tegen je, Gog, vorst van Rosj, Mesech en Tubal.** Brontekst: וְאַתָּ֤ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָם֙ (adam) = mens | הִנָּבֵ֣א (hinave) = profeteer | עַל (al) = tegen | גּ֔וֹג (gog) = Gog | וְאָ֣מַרְתָּ֔ (veamarta) = en je zult zeggen | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | הִנְנִ֤י (hinni) = zie Ik | אֵלֶ֨יךָ֙ (eleikha) = tegen jou | גּ֔וֹג (gog) = Gog | נְשִׂ֕יא (nesi) = vorst van | רֹ֖אשׁ (rosh) = Rosj | מֶ֥שֶׁךְ (meshekh) = Mesech | וְתֻבָֽל (vetuval) = en Tubal Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het tweede woord over Gog. Het herhaalt de aanklacht van 38:3 en vertelt wat er na zijn val gebeurt: de opruiming, de maaltijd voor de vogels en het herstel van Israël. Zie ook: Nah 2:14; Nah 3:5; Ezech 35:3; Ezech 38:2–3 **39:2** **Ik draai je om en drijf je voort. Ik laat je optrekken uit het uiterste noorden en breng je naar de bergen van Israël.** Brontekst: וְשֹׁבַבְתִּ֨יךָ֙ (veshovavtikha) = en Ik zal je omkeren | וְשִׁשֵּׁאתִ֔יךָ (veshishetikha) = en Ik zal je voortdrijven | וְהַעֲלִיתִ֖יךָ (vehaalitikha) = en Ik zal je doen optrekken | מִיַּרְכְּתֵ֣י (miyarketei) = uit het uiterste van | צָפ֑וֹן (tsafon) = noorden | וַהֲבִאוֹתִ֖ךָ (vahaviotikha) = en Ik zal je brengen | עַל (al) = op | הָרֵ֥י (harei) = de bergen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׁשֵּׁאתִיךָ (shishe’tikha), ‘Ik drijf je voort’: een zeldzaam werkwoord. Het is verwant aan ‘zes’ of aan ‘voortdrijven’. De betekenis is niet zeker. Zie ook: Ps 40:15; Ps 68:3; Jes 37:29; Ezech 38:15; Dan 11:40 **39:3** **Ik sla je boog uit je linkerhand en laat je pijlen uit je rechterhand vallen.** Brontekst: וְהִכֵּיתִ֥י (vehikeiti) = en Ik zal slaan | קַשְׁתְּךָ֖ (qashtekha) = je boog | מִיַּ֣ד (miyad) = uit de hand van | שְׂמֹאולֶ֑ךָ (semovlekha) = je linkerhand | וְחִצֶּ֕יךָ (vechitseikha) = en je pijlen | מִיַּ֥ד (miyad) = uit de hand van | יְמִינְךָ֖ (yeminekha) = je rechterhand | אַפִּֽיל (apil) = Ik zal doen vallen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Wie Gog zijn wapens uit de hand slaat, laat zien dat Yahweh hem machteloos maakt. Vergelijk Ps. 46:10. Zie ook: Ps 46:10; Ps 76:4; Hos 1:5; Jer 21:4–5; Ezech 20:21–24 **39:4** **Op de bergen van Israël zul je vallen, jij en al je legerscharen en de volken die bij je zijn. Aan roofvogels, vogels van elke soort en aan de dieren van het veld geef Ik je te eten.** Brontekst: עַל (al) = op | הָרֵ֨י (harei) = de bergen van | יִשְׂרָאֵ֜ל (yisrael) = Israël | תִּפּ֗וֹל (tipol) = zul je vallen | אַתָּה֙ (ata) = jij | וְכָל (vekhal) = en al | אֲגַפֶּ֔יךָ (agapeikha) = je legerscharen | וְעַמִּ֖ים (veamim) = en volken | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אִתָּ֑ךְ (itakh) = met je | לְעֵ֨יט (leeit) = aan roofvogel | צִפּ֧וֹר (tsipor) = vogel | כָּל (kal) = elke | כָּנָ֛ף (kanaf) = vleugel | וְחַיַּ֥ת (vechayat) = en dier van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | נְתַתִּ֥יךָ (netatikha) = Ik geef je | לְאָכְלָֽה (leakhela) = tot voedsel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַיִט צִפּוֹר כָּל כָּנָף (ayit tsippor kol kanaf), ‘roofvogels, vogels van elke soort’: letterlijk ‘roofvogel, vogel van elke vleugel’. Vergelijk Ezech. 29:5. Zie ook: Ezech 29:5; Ezech 32:4–5; Ezech 33:27; Ezech 38:21; Ezech 39:17–20; Openb 19:17–21 **39:5** **Op het open veld zul je vallen, want Ik heb gesproken, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הַשָּׂדֶ֖ה (hasade) = het veld | תִּפּ֑וֹל (tipol) = zul je vallen | כִּ֚י (ki) = want | אֲנִ֣י (ani) = Ik | דִבַּ֔רְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Zie ook: Jer 8:2; Jer 22:19; Ezech 5:11; Ezech 29:5; Ezech 32:4 **39:6** **Ik zend vuur in Magog en onder hen die veilig wonen op de kustlanden. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.** Brontekst: וְשִׁלַּחְתִּי (veshilachti) = en Ik zal zenden | אֵ֣שׁ (esh) = vuur | בְּמָג֔וֹג (bemagog) = in Magog | וּבְיֹשְׁבֵ֥י (uveyoshevei) = en in bewoners van | הָאִיִּ֖ים (haiyim) = de kustlanden | לָבֶ֑טַח (lavetach) = veilig | וְיָדְע֖וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאִיִּים (ha’iyyim), ‘de kustlanden’: ook ‘eilanden’. Het zijn de verre kusten waar volken wonen die zich veilig voelen. Wij gebruiken hetzelfde woord als in Ezech. 26–27. Voetnoot : מָגוֹג (Magog): zie Ezech. 38:2. Zie ook: Amos 1:4; Amos 1:10; Jer 25:22; Ezech 30:8; Ezech 30:16; Ezech 38:2 **39:7** **Mijn heilige naam maak Ik bekend te midden van Mijn volk Israël. Ik laat Mijn heilige naam niet meer ontwijden. Dan zullen de volken weten dat Ik Yahweh ben, de Heilige in Israël.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | שֵׁ֨ם (shem) = naam van | קָדְשִׁ֜י (qadeshi) = Mijn heiligheid | אוֹדִ֗יעַ (odia) = Ik maak bekend | בְּתוֹךְ֙ (betokh) = te midden van | עַמִּ֣י (ami) = Mijn volk | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְלֹֽא (velo) = en niet | אַחֵ֥ל (achel) = Ik laat ontwijden | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁם (shem) = naam van | קָדְשִׁ֖י (qadeshi) = Mijn heiligheid | ע֑וֹד (od) = meer | וְיָדְע֤וּ (veyadeu) = en zij zullen weten | הַגּוֹיִם֙ (hagoyim) = de volken | כִּי (ki) = dat | אֲנִ֣י (ani) = Ik | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | קָד֖וֹשׁ (qadosh) = heilige | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קָדוֹשׁ בְּיִשְׂרָאֵל (qadosh beYisra’el), ‘de Heilige in Israël’: vergelijk de uitdrukking ‘de Heilige van Israël’ in Jesaja en Psalmen. Voetnoot : אַחֵל (achel), ‘Ik laat ontwijden’: het werkwoord חָלַל (chalal) betekent ‘ontwijden, profaan maken’. Mijn naam wordt niet meer als gewoon behandeld. Zie ook: Ex 20:7; Ezech 20:14; Ezech 20:39; Ezech 38:16; Ezech 38:23 **39:8** **Zie, het komt en het is gebeurd, godsspraak van Heer Yahweh. Dat is de dag waarover Ik heb gesproken.** Brontekst: הִנֵּ֤ה (hine) = zie | בָאָה֙ (baa) = komt | וְנִֽהְיָ֔תָה (venihyata) = en het is gebeurd | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | ה֥וּא (hu) = dat | הַיּ֖וֹם (hayom) = de dag | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarover | דִּבַּֽרְתִּי (dibarti) = Ik heb gesproken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִנֵּה בָאָה וְנִהְיָתָה (hinneh va’ah venihyetah), ‘zie, het komt en het is gebeurd’: de voltooide vorm laat de uitkomst als zeker zien. Wij houden dat vast. Zie ook: Jes 33:10–12; Ezech 7:2–10; Ezech 38:17; 2 Petr 3:8; Openb 16:17 ### Zeven jaar vuur van wapens **39:9** **Dan gaan de bewoners van de steden van Israël naar buiten. Zij steken wapens in brand en stoken ermee: grote en kleine schilden, bogen en pijlen, knotsen en speren. Zeven jaar lang maken zij er vuur mee.** Brontekst: וְֽיָצְא֞וּ (veyatseu) = en zullen uitgaan | יֹשְׁבֵ֣י (yoshevei) = bewoners van | עָרֵ֣י (arei) = steden van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | וּבִעֲר֡וּ (uviaru) = en zullen aansteken | וְ֠הִשִּׂיקוּ (vehisiqu) = en zullen stoken | בְּנֶ֨שֶׁק (benesheq) = met wapen | וּמָגֵ֤ן (umagen) = en kleine schilden | וְצִנָּה֙ (vetsina) = en grote schilden | בְּקֶ֣שֶׁת (beqeshet) = met boog | וּבְחִצִּ֔ים (uvechitsim) = en met pijlen | וּבְמַקֵּ֥ל (uvemaqel) = en met knots van | יָ֖ד (yad) = hand | וּבְרֹ֑מַח (uveromach) = en met speer | וּבִעֲר֥וּ (uviaru) = en zullen aansteken | בָהֶ֛ם (bahem) = daarmee | אֵ֖שׁ (esh) = vuur | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | שָׁנִֽים (shanim) = jaren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶשֶׁק (neshek), ‘wapen’, en וּמָגֵן וְצִנָּה (umagen vetsinnah), ‘kleine en grote schilden’; מַקֵּל יָד (maqqel yad), ‘knots’, letterlijk ‘stok van de hand’; רֹמַח (romach), ‘speer’. Het zijn de wapens van het leger van Gog. Voetnoot : שֶׁבַע שָׁנִים (sheva shanim), ‘zeven jaar’: zeven is het getal van volheid. Er zijn zo veel wapens dat men ze zeven jaar als brandstof gebruikt. Zie ook: Joz 11:6; Ps 46:10; Jes 66:24; Zach 9:10; Mal 1:5 **39:10** **Zij halen geen hout van het veld en hakken niets in de bossen, want zij maken vuur met de wapens. Zij beroven hen die hen beroofden en plunderen hen die hen plunderden, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יִשְׂא֨וּ (yisu) = zullen dragen | עֵצִ֜ים (etsim) = hout | מִן (min) = van | הַשָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | וְלֹ֤א (velo) = en niet | יַחְטְבוּ֙ (yachtevu) = zullen hakken | מִן (min) = uit | הַיְּעָרִ֔ים (hayearim) = de bossen | כִּ֥י (ki) = want | בַנֶּ֖שֶׁק (banesheq) = met wapen | יְבַֽעֲרוּ (yevaaru) = zullen zij aansteken | אֵ֑שׁ (esh) = vuur | וְשָׁלְל֣וּ (veshalelu) = en zij zullen beroven | אֶת (et) = (obj.) | שֹׁלְלֵיהֶ֗ם (sholeleihem) = hun rovers | וּבָֽזְזוּ֙ (uvazezu) = en zij zullen plunderen | אֶת (et) = (obj.) | בֹּ֣זְזֵיהֶ֔ם (bozezeihem) = hun plunderaars | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְשָׁלְלוּ (veshalelu) en וּבָזְזוּ (uvazezu), ‘beroven’ en ‘plunderen’: Israël keert om wat Gog had willen doen (38:12–13). Zie ook: Jes 14:2; Jes 33:1; Mi 5:7; Hab 2:8; Hab 3:8 ### Het dal van Hamon-Gog **39:11** **Op die dag geef Ik aan Gog daar een plaats voor een graf in Israël: het dal van de Reizigers, ten oosten van de zee. Het sluit de weg af voor de reizigers. Daar begraaft men Gog en heel zijn menigte. Men noemt het het dal van Hamon-Gog.** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֡וּא (hahu) = die | אֶתֵּ֣ן (eten) = Ik zal geven | לְגוֹג֩ (legog) = aan Gog | מְקֽוֹם (meqom) = een plaats | שָׁ֨ם (sham) = daar | קֶ֜בֶר (qever) = graf | בְּיִשְׂרָאֵ֗ל (beyisrael) = in Israël | גֵּ֤י (gei) = dal van | הָעֹֽבְרִים֙ (haoverim) = de reizigers | קִדְמַ֣ת (qidmat) = oostzijde van | הַיָּ֔ם (hayam) = de zee | וְחֹסֶ֥מֶת (vechosemet) = en het sluit af | הִ֖יא (hi) = het | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹֽבְרִ֑ים (haoverim) = de reizigers | וְקָ֣בְרוּ (veqaveru) = en zij zullen begraven | שָׁ֗ם (sham) = daar | אֶת (et) = (obj.) | גּוֹג֙ (gog) = Gog | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = heel | הֲמוֹנֹ֔ה (hamono) = zijn menigte | וְקָ֣רְא֔וּ (veqareu) = en zij zullen noemen | גֵּ֖יא (gei) = dal van | הֲמ֥וֹן (hamon) = menigte van | גּֽוֹג (gog) = Gog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dal van Hamon-Gog (ten oosten van de zee; ligging onzeker): Het dal van Hamon-Gog (‘menigte van Gog’), ook ‘dal van de Reizigers’, ligt ten oosten van de zee, waarschijnlijk de Zoutzee, in het Abarim-gebergte. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: גֵּי הָעֹבְרִים (gei ha’overim), ‘dal van de Reizigers’: het woord עֹבְרִים (overim) betekent ‘mensen die voorbijtrekken’. Het lijkt ook op de naam Abarim, het gebergte ten oosten van de Zoutzee (Num. 27:12). Zo’n verband is mogelijk, maar niet zeker. Voetnoot : קִדְמַת הַיָּם (qidmat hayam), ‘ten oosten van de zee’: welke zee bedoeld is, zegt de tekst niet. Waarschijnlijk is het de Zoutzee (Dode Zee). Voetnoot : וְחֹסֶמֶת (vechosemet), ‘het sluit af’: het werkwoord חָסַם (chasam) betekent ‘dichtbinden, de mond sluiten’. Men denkt aan een weg die door de graven gesloten wordt. De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : הֲמוֹן גּוֹג (Hamon Gog), ‘menigte van Gog’: een woordspeling met הָמוֹן (hamon), ‘menigte’. Zie ook: Num 11:34; Num 27:12; Num 34:11; Ezech 38:2; Ezech 47:18; Luc 5:1 **39:12** **Het huis van Israël begraaft hen zeven maanden lang om het land te reinigen.** Brontekst: וּקְבָרוּם֙ (uqevarum) = en zullen hen begraven | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְמַ֖עַן (lemaan) = opdat | טַהֵ֣ר (taher) = reinigen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | שִׁבְעָ֖ה (shiva) = zeven | חֳדָשִֽׁים (chodashim) = maanden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zeven maanden duurt het begraven. Zo wordt het land weer rein; vergelijk Num. 19:16 voor onreinheid door het aanraken van een dode. Zie ook: Num 19:16; Deut 21:23; Ezech 39:14; Ezech 39:16 **39:13** **Heel het volk van het land begraaft hen. Dat wordt voor hen een roem op de dag dat Ik Mij verheerlijk, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְקָֽבְרוּ֙ (veqaveru) = en zullen begraven | כָּל (kal) = heel | עַ֣ם (am) = volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | לָהֶ֖ם (lahem) = voor hen | לְשֵׁ֑ם (leshem) = tot naam | י֚וֹם (yom) = dag | הִכָּ֣בְדִ֔י (hikavedi) = Mij verheerlijken | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְשֵׁם (leshem), ‘tot een naam’: ‘roem, eer’. Voetnoot : הִכָּבְדִי (hikkavdi), ‘dat Ik Mij verheerlijk’: het werkwoord כָּבֵד (kaved) is verwant aan כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’. Hier laat Yahweh Zijn heerlijkheid zien. Zie ook: Deut 26:19; Ps 149:6–9; Sef 3:19–20; Jer 33:9; Ezech 28:22 **39:14** **Zij zonderen voortdurend mannen af die door het land trekken. Samen met de doortrekkenden begraven zij hen die op het aardoppervlak zijn overgebleven, om het land te reinigen. Na zeven maanden gaan zij op zoek.** Brontekst: וְאַנְשֵׁ֨י (veanshei) = en mannen van | תָמִ֤יד (tamid) = voortdurend | יַבְדִּ֨ילוּ֙ (yavdilu) = zullen afzonderen | עֹבְרִ֣ים (overim) = doortrekkenden | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = door het land | מְקַבְּרִ֣ים (meqaberim) = begravend | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹבְרִ֗ים (haoverim) = de doortrekkenden | אֶת (et) = (obj.) | הַנּוֹתָרִ֛ים (hanotarim) = de overgeblevenen | עַל (al) = op | פְּנֵ֥י (penei) = het oppervlak van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | לְטַֽהֲרָ֑הּ (letaharah) = om het te reinigen | מִקְצֵ֥ה (miqtse) = aan het einde van | שִׁבְעָֽה (shiva) = zeven | חֳדָשִׁ֖ים (chodashim) = maanden | יַחְקֹֽרוּ (yachqoru) = zullen zij zoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Het gaat om twee groepen: mensen die voortdurend door het land trekken en mensen die begraven. Wij volgen het Hebreeuws zo dicht mogelijk. Na de eerste zeven maanden blijven mensen zoeken naar wat nog niet begraven is. Zie ook: Num 19:11–19; Ezech 39:12 **39:15** **De doortrekkenden trekken door het land. Ziet iemand het gebeente van een mens, dan zet hij er een merkteken bij, totdat de begravers het hebben begraven in het dal van Hamon-Gog.** Brontekst: וְעָבְר֤וּ (veaveru) = en zullen doortrekken | הָעֹֽבְרִים֙ (haoverim) = de doortrekkenden | בָּאָ֔רֶץ (baarets) = door het land | וְרָאָה֙ (veraa) = en ziet hij | עֶ֣צֶם (etsem) = bot van | אָדָ֔ם (adam) = mens | וּבָנָ֥ה (uvana) = en hij zal oprichten | אֶצְל֖וֹ (etslo) = naast het | צִיּ֑וּן (tsiyun) = merkteken | עַ֣ד (ad) = totdat | קָבְר֤וּ (qaveru) = zullen begraven | אֹתוֹ֙ (oto) = het | הַֽמְקַבְּרִ֔ים (hamqaberim) = de begravers | אֶל (el) = naar | גֵּ֖יא (gei) = dal van | הֲמ֥וֹן (hamon) = menigte van | גּֽוֹג (gog) = Gog Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dal van Hamon-Gog (ten oosten van de zee; ligging onzeker): Het dal van Hamon-Gog (‘menigte van Gog’), ook ‘dal van de Reizigers’, ligt ten oosten van de zee, waarschijnlijk de Zoutzee, in het Abarim-gebergte. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: צִיּוּן (tsiyyun), ‘merkteken’: een steenhoop of paal als teken. Hetzelfde woord staat in 2 Kon. 23:17 en Jer. 31:21. Zie ook: 2 Kon 23:17; Jer 31:21; Luc 11:44 **39:16** **Ook de naam van de stad is Hamona. Zo reinigen zij het land.** Brontekst: וְגַ֥ם (vegam) = en ook | שֶׁם (shem) = naam van | עִ֛יר (ir) = stad | הֲמוֹנָ֖ה (hamona) = Hamona | וְטִהֲר֥וּ (vetiharu) = en zij zullen reinigen | הָאָֽרֶץ (haarets) = het land Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Dal van Hamon-Gog (ten oosten van de zee; ligging onzeker): Het dal van Hamon-Gog (‘menigte van Gog’), ook ‘dal van de Reizigers’, ligt ten oosten van de zee, waarschijnlijk de Zoutzee, in het Abarim-gebergte. De precieze plaats is niet bekend. Voetnoot Uitleg: הֲמוֹנָה (Hamonah), ‘Hamona’: ‘menigte’ of ‘rumoer’. De naam herinnert aan de menigte van Gog. Het is een naam voor de stad; de ligging zegt de tekst niet. ### Het grote slachtoffer **39:17** **En jij, mensenkind,** zo zegt Heer Yahweh: **zeg tegen de vogels van elke soort en tegen alle dieren van het veld: Verzamel jullie en kom. Kom bijeen van overal rondom naar Mijn slachtoffer dat Ik voor jullie slacht, een groot slachtoffer op de bergen van Israël. Jullie eten vlees en drinken bloed.** Brontekst: וְאַתָּ֨ה (veata) = en jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֜ם (adam) = mens | כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֣ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | אֱמֹר֩ (emor) = zeg | לְצִפּ֨וֹר (letsipor) = aan vogel | כָּל (kal) = elke | כָּנָ֜ף (kanaf) = vleugel | וּלְכֹ֣ל (ulekhol) = en aan alle | חַיַּ֣ת (chayat) = dier van | הַשָּׂדֶ֗ה (hasade) = het veld | הִקָּבְצ֤וּ (hiqavetsu) = verzamelt jullie | וָבֹ֨אוּ֙ (vavou) = en komt | הֵאָסְפ֣וּ (heasefu) = komt bijeen | מִסָּבִ֔יב (misaviv) = van rondom | עַל (al) = naar | זִבְחִ֗י (zivchi) = Mijn slachtoffer | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | אֲנִ֜י (ani) = Ik | זֹבֵ֤חַ (zoveach) = slachtend | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | זֶ֣בַח (zevach) = slachtoffer | גָּד֔וֹל (gadol) = groot | עַ֖ל (al) = op | הָרֵ֣י (harei) = de bergen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַאֲכַלְתֶּ֥ם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | בָּשָׂ֖ר (basar) = vlees | וּשְׁתִ֥יתֶם (ushetitem) = en jullie zullen drinken | דָּֽם (dam) = bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֹבֵחַ גָּדוֹל (zevach gadol), ‘een groot slachtoffer’: Yahweh nodigt de dieren uit tot een maaltijd: het ‘slachtoffer’ is het leger van Gog. Vergelijk Jes. 34:6 en Zef. 1:7. Zie ook Openb. 19:17–18. Zie ook: Jes 34:6; Sef 1:7; Jer 12:9; Ezech 39:4; Openb 19:17–18 **39:18** **Het vlees van helden eten jullie. Het bloed van de vorsten van de aarde drinken jullie: rammen, lammeren, bokken en stieren, allen vetgemest vee uit Basan.** Brontekst: בְּשַׂ֤ר (besar) = vlees van | גִּבּוֹרִים֙ (giborim) = helden | תֹּאכֵ֔לוּ (tokhelu) = jullie zullen eten | וְדַם (vedam) = en bloed van | נְשִׂיאֵ֥י (nesiei) = vorsten van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = de aarde | תִּשְׁתּ֑וּ (tishtu) = jullie zullen drinken | אֵילִ֨ים (eilim) = rammen | כָּרִ֤ים (karim) = lammeren | וְעַתּוּדִים֙ (veatudim) = en bokken | פָּרִ֔ים (parim) = stieren | מְרִיאֵ֥י (meriei) = vetgemest vee van | בָשָׁ֖ן (bashan) = Basan | כֻּלָּֽם (kulam) = allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְרִיאֵי בָשָׁן (meri’ei Bashan), ‘vetgemest vee uit Basan’: Basan was een rijk weideland. Vergelijk Amos 4:1 en Ps. 22:13. Zie ook: Ps 22:13; Amos 4:1; Jer 50:27; Jer 51:40; Openb 19:17–18 **39:19** **Jullie eten vet tot je verzadigd bent en drinken bloed tot je dronken bent, van Mijn slachtoffer dat Ik voor jullie heb geslacht.** Brontekst: וַאֲכַלְתֶּם (vaakhaltem) = en jullie zullen eten | חֵ֣לֶב (chelev) = vet | לְשָׂבְעָ֔ה (lesavea) = tot verzadiging | וּשְׁתִ֥יתֶם (ushetitem) = en jullie zullen drinken | דָּ֖ם (dam) = bloed | לְשִׁכָּר֑וֹן (leshikaron) = tot dronkenschap | מִזִּבְחִ֖י (mizivchi) = van Mijn slachtoffer | אֲשֶׁר (asher) = dat | זָבַ֥חְתִּי (zavachti) = Ik heb geslacht | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **39:20** **Aan Mijn tafel worden jullie verzadigd met paard en wagen, met helden en alle krijgers, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וּשְׂבַעְתֶּ֤ם (usevatem) = en jullie zullen verzadigd worden | עַל (al) = aan | שֻׁלְחָנִי֙ (shulchani) = Mijn tafel | ס֣וּס (sus) = paard | וָרֶ֔כֶב (varekhev) = en wagen | גִּבּ֖וֹר (gibor) = held | וְכָל (vekhal) = en alle | אִ֣ישׁ (ish) = man van | מִלְחָמָ֑ה (milchama) = oorlog | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Voetnoot : רֶכֶב (rekhev), ‘wagen’: ook ‘wagenspan’ of ‘ruiters’. Zie ook: Ps 76:6–7; Ezech 5:11; Ezech 38:4; Hag 2:22; Openb 19:18 ### De volken zien Zijn heerlijkheid **39:21** **Ik leg Mijn heerlijkheid onder de volken. Alle volken zien Mijn gericht dat Ik heb uitgevoerd en Mijn hand die Ik op hen heb gelegd.** Brontekst: וְנָתַתִּ֥י (venatati) = en Ik zal geven | אֶת (et) = (obj.) | כְּבוֹדִ֖י (kevodi) = Mijn heerlijkheid | בַּגּוֹיִ֑ם (bagoyim) = onder de volken | וְרָא֣וּ (verau) = en zullen zien | כָל (kal) = alle | הַגּוֹיִ֗ם (hagoyim) = de volken | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁפָּטִי֙ (mishpati) = Mijn oordeel | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | עָשִׂ֔יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | וְאֶת (veet) = en (obj.) | יָדִ֖י (yadi) = Mijn hand | אֲשֶׁר (asher) = die | שַׂ֥מְתִּי (samti) = Ik heb gelegd | בָהֶֽם (bahem) = op hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּבוֹדִי (kevodi), ‘Mijn heerlijkheid’: de volken zien hoe Yahweh Zijn gericht uitvoert; zie ook Ezech. 38:23. Zie ook: Ex 9:16; Jes 37:20; Ezech 36:23; Ezech 38:16; Ezech 38:23 **39:22** **Het huis van Israël weet vanaf die dag dat Ik Yahweh ben, hun Elohim.** Brontekst: וְיָֽדְעוּ֙ (veyadeu) = en zullen weten | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כִּ֛י (ki) = dat | אֲנִ֥י (ani) = Ik | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹֽהֵיהֶ֑ם (eloheihem) = hun Elohim | מִן (min) = vanaf | הַיּ֥וֹם (hayom) = de dag | הַה֖וּא (hahu) = die | וָהָֽלְאָה (vahalea) = en verder Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִן הַיּוֹם הַהוּא וָהָלְאָה (min hayom hahu vahal’ah), ‘vanaf die dag en verder’: vanaf die dag blijft Israël Yahweh kennen. Zie ook: Jer 24:7; Jer 31:34; Ezech 34:30; Ezech 39:7; Ezech 39:28 **39:23** **De volken weten dat het huis van Israël om zijn schuld in ballingschap is gegaan. Zij waren trouweloos tegen Mij. Daarom verborg Ik Mijn gezicht voor hen en gaf Ik hen in de hand van hun tegenstanders. Zij vielen allen door het zwaard.** Brontekst: וְיָדְע֣וּ (veyadeu) = en zullen weten | הַ֠גּוֹיִם (hagoyim) = de volken | כִּ֣י (ki) = dat | בַעֲוֺנָ֞ם (baavonam) = om hun schuld | גָּל֣וּ (galu) = zijn in ballingschap gegaan | בֵֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֗ל (yisrael) = Israël | עַ֚ל (al) = op | אֲשֶׁ֣ר (asher) = wat | מָֽעֲלוּ (maalu) = zij waren trouweloos | בִ֔י (bi) = tegen Mij | וָאַסְתִּ֥ר (vaastir) = en Ik verborg | פָּנַ֖י (panay) = Mijn gezicht | מֵהֶ֑ם (mehem) = voor hen | וָֽאֶתְּנֵם֙ (vaetenem) = en Ik gaf hen | בְּיַ֣ד (beyad) = in de hand van | צָרֵיהֶ֔ם (tsareihem) = hun tegenstanders | וַיִּפְּל֥וּ (vayipelu) = en zij vielen | בַחֶ֖רֶב (bacherev) = door het zwaard | כֻּלָּֽם (kulam) = allen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַעֲוֺנָם גָּלוּ (ba’avonam galu), ‘om hun schuld zijn zij in ballingschap gegaan’: de volken begrijpen de ballingschap als oordeel van Yahweh en niet als zwakte van Hem. Voetnoot : מָעֲלוּ (ma’alu), ‘zij waren trouweloos’: het werkwoord מָעַל (ma’al) betekent trouweloos handelen tegen Yahweh. Voetnoot : וָאַסְתִּר פְּנֵי (va’astir panai), ‘en Ik verborg Mijn gezicht’: Yahweh trok Zich terug uit Zijn aanwezigheid. Vergelijk Deut. 31:17–18 en Jes. 54:8. Zie ook: Lev 26:25; Deut 31:17–18; Jes 1:15; Jes 54:8; Jes 59:2; Jer 22:8–9; Ezech 39:29 **39:24** **Naar hun onreinheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld. Ik verborg Mijn gezicht voor hen.** Brontekst: כְּטֻמְאָתָ֥ם (ketumatam) = naar hun onreinheid | וּכְפִשְׁעֵיהֶ֖ם (ukhefisheihem) = en naar hun overtredingen | עָשִׂ֣יתִי (asiti) = Ik heb gedaan | אֹתָ֑ם (otam) = met hen | וָאַסְתִּ֥ר (vaastir) = en Ik verborg | פָּנַ֖י (panay) = Mijn gezicht | מֵהֶֽם (mehem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: טֻמְאָה (tum’ah), ‘onreinheid’: het woord uit de wetten over rein en onrein. Zie Ezech. 36:17. Zie ook: Jes 1:20; Jer 2:17; Jer 2:19; Jer 4:18; Ezech 36:17; Ezech 36:19 ### Yahweh herstelt heel Israël **39:25** Daarom, zo zegt Heer Yahweh: **Nu laat Ik het lot van Jakob keren. Ik ontferm Mij over heel het huis van Israël en ben ijverig voor Mijn heilige naam.** Brontekst: לָכֵ֗ן (lakhen) = daarom | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | עַתָּ֗ה (ata) = nu | אָשִׁיב֙ (ashiv) = Ik zal doen terugkeren | אֶת (et) = (obj.) | שְׁב֣וּת (shevut) = lot van | יַֽעֲקֹ֔ב (yaaqov) = Jakob | וְרִֽחַמְתִּ֖י (verichamti) = en Ik zal Mij ontfermen | כָּל (kal) = heel | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְקִנֵּאתִ֖י (veqineti) = en Ik zal ijveren | לְשֵׁ֥ם (leshem) = voor de naam van | קָדְשִֽׁי (qadeshi) = Mijn heiligheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4. Voetnoot : שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut), ‘het lot laten keren’: een vaste uitdrukking voor herstel. Het kan ook ‘de gevangenen terugbrengen’ betekenen. Vergelijk Joël 4:1 (NL 3:1) en Hos. 6:11. Voetnoot : קִנֵּאתִי (qinneti), ‘Ik ben ijverig’: vergelijk Ezech. 38:19 (‘Mijn ijver’). Zie ook: Joël 4:1; Hos 2:2; Hos 6:11; Jes 27:12–13; Ezech 2:4; Ezech 20:40; Ezech 34:13; Ezech 37:21–22; Ezech 38:19 **39:26** **Zij dragen hun schande en al hun ontrouw die zij tegen Mij hebben gepleegd. Dan wonen zij veilig op hun grond en niemand jaagt hen schrik aan.** Brontekst: וְנָשׂוּ֙ (venasu) = en zij zullen dragen | אֶת (et) = (obj.) | כְּלִמָּתָ֔ם (kelimatam) = hun schande | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | מַעֲלָ֖ם (maalam) = hun ontrouw | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarmee | מָעֲלוּ (maalu) = zij waren trouweloos | בִ֑י (bi) = tegen Mij | בְּשִׁבְתָּ֧ם (beshivtam) = bij hun wonen | עַל (al) = op | אַדְמָתָ֛ם (admatam) = hun grond | לָבֶ֖טַח (lavetach) = veilig | וְאֵ֥ין (veein) = en niemand | מַחֲרִֽיד (macharid) = die doet schrikken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנָשׂוּ (venasu), ‘zij dragen’: letterlijk ‘zij zullen dragen’. De tekst zegt dat Israël zijn schande draagt. Sommige oude vertalingen lezen een ander werkwoord, ‘zij vergeten’. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : מַעֲלָם (ma’alam), ‘hun ontrouw’: hetzelfde woord als in vers 23. Zie ook: 1 Kon 5:5; Mi 4:4; Ezech 16:52; Ezech 16:63; Ezech 39:23; Dan 9:16 **39:27** **Wanneer Ik hen terugbreng uit de volken en hen verzamel uit de landen van hun vijanden, bewijs Ik Mij in hen heilig. Vele volken zien het.** Brontekst: בְּשׁוֹבְבִ֤י (beshovevi) = wanneer Ik terugbreng | אוֹתָם֙ (otam) = hen | מִן (min) = uit | הָ֣עַמִּ֔ים (haamim) = de volken | וְקִבַּצְתִּ֣י (veqibatsti) = en Ik zal verzamelen | אֹתָ֔ם (otam) = hen | מֵֽאַרְצ֖וֹת (meartsot) = uit landen van | אֹֽיְבֵיהֶ֑ם (oyeveihem) = hun vijanden | וְנִקְדַּ֣שְׁתִּי (veniqdashti) = en Ik zal Mij heilig bewijzen | בָ֔ם (bam) = in hen | לְעֵינֵ֖י (leeinei) = voor de ogen van | הַגּוֹיִ֥ם (hagoyim) = de volken | רַבִּֽים (rabim) = vele Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְנִקְדַּשְׁתִּי בָם (venikdashti vam), ‘Ik bewijs Mij in hen heilig’: de volken zien dat Yahweh Zijn volk terugbrengt. Zie ook Ezech. 36:23. Zie ook: Jes 5:16; Ezech 28:25–26; Ezech 36:23–24; Ezech 38:16; Ezech 38:23 **39:28** **Dan weten zij dat Ik Yahweh ben, hun Elohim. Ik heb hen onder de volken in ballingschap laten gaan en verzamel hen weer op hun grond. Ik laat niemand van hen meer daar achter.** Brontekst: וְיָדְע֗וּ (veyadeu) = en zullen weten | כִּ֣י (ki) = dat | אֲנִ֤י (ani) = Ik | יְהוָה֙ (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ם (eloheihem) = hun Elohim | בְּהַגְלוֹתִ֤י (behagloti) = bij Mijn doen gaan in ballingschap | אֹתָם֙ (otam) = hen | אֶל (el) = naar | הַגּוֹיִ֔ם (hagoyim) = de volken | וְכִנַּסְתִּ֖ים (vekhinastim) = en Ik zal hen verzamelen | עַל (al) = op | אַדְמָתָ֑ם (admatam) = hun grond | וְלֹֽא (velo) = en niet | אוֹתִ֥יר (otir) = Ik zal laten overblijven | ע֛וֹד (od) = meer | מֵהֶ֖ם (mehem) = van hen | שָֽׁם (sham) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְלֹא אוֹתִיר עוֹד מֵהֶם שָׁם (velo otir od mehem sham), ‘Ik laat niemand van hen meer daar achter’: geen enkele Israëliet blijft in de volken achter. De tekst zegt niet hoe dit zich verhoudt tot Israëlieten die in de verstrooiing bleven. Zie ook: Amos 9:9; Jes 27:12; Ezech 39:22; Rom 9:6–8; Rom 11:1–7 **39:29** **Ik verberg Mijn gezicht niet meer voor hen, want Ik heb Mijn Geest uitgestort over het huis van Israël, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | אַסְתִּ֥יר (astir) = Ik zal verbergen | ע֛וֹד (od) = meer | פָּנַ֖י (panay) = Mijn gezicht | מֵהֶ֑ם (mehem) = voor hen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = omdat | שָׁפַ֤כְתִּי (shafakhti) = Ik heb uitgestort | אֶת (et) = (obj.) | רוּחִי֙ (ruchi) = Mijn Geest | עַל (al) = over | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: de Geest van Yahweh. Vergelijk Joël 3:1 (NL 2:28). Zie ook Ezech. 36:27 en 37:14. Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11. Voetnoot : Zo eindigt de toespraak over Gog. In hoofdstuk 40 begint een nieuw visioen. Zie ook: Joël 3:1; Jes 32:15; Ezech 5:11; Ezech 36:25–27; Ezech 36:27; Ezech 37:14; Zach 12:10; 1 Joh 3:24 ## Ezechiël 40 _Het visioen van de nieuwe tempel: de man met de meetlat en de poorten van de voorhoven_ ### Naar het land Israël in een visioen **40:1** In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad was getroffen, op diezelfde dag, kwam de hand van Yahweh over mij. Hij bracht mij daarheen. Brontekst: בְּעֶשְׂרִ֣ים (beesrim) = in twintig | וְחָמֵ֣שׁ (vechamesh) = en vijf | שָׁנָ֣ה (shana) = jaar | לְ֠גָלוּתֵנוּ (legalutenu) = van onze ballingschap | בְּרֹ֨אשׁ (berosh) = aan het begin van | הַשָּׁנָ֜ה (hashana) = het jaar | בֶּעָשׂ֣וֹר (beasor) = op de tiende | לַחֹ֗דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | בְּאַרְבַּ֤ע (bearba) = in vier | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | שָׁנָ֔ה (shana) = jaar | אַחַ֕ר (achar) = nadat | אֲשֶׁ֥ר (asher) = (rel.) | הֻכְּתָ֖ה (huketa) = was getroffen | הָעִ֑יר (hair) = de stad | בְּעֶ֣צֶם (beetsem) = op het zelfde | הַיּ֣וֹם (hayom) = de dag | הַזֶּ֗ה (haze) = deze | הָיְתָ֤ה (hayeta) = was | עָלַי֙ (alay) = op mij | יַד (yad) = hand van | יְהוָ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וַיָּבֵ֥א (vayave) = en Hij bracht | אֹתִ֖י (oti) = mij | שָֽׁמָּה (shama) = daarheen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is een nieuw visioen. Het jaartal 25 telt vanaf de wegvoering van Jojachin (zie Ezech. 1:2). ‘Aan het begin van het jaar’ (בְּרֹאשׁ הַשָּׁנָה, berosh hashanah): de tekst noemt alleen ‘de tiende van de maand’, geen maandnaam. Wij laten de maandnaam open. Voetnoot : הֻכְּתָה הָעִיר (hukkethah ha’ir), ‘nadat de stad was getroffen’: de val van Jeruzalem in het jaar 586 v.Chr. (zie 2 Kon. 25). Voetnoot : יַד יְהוָה (yad Yahweh), ‘de hand van Yahweh’: zie Ezech. 1:3 en 3:14. Zie ook: Ezech 1:2–3; Ezech 1:3; Ezech 3:14; Ezech 3:22; Ezech 32:1; Ezech 33:21 **40:2** In visioenen van Elohim bracht Hij mij naar het land Israël. Hij zette mij neer op een zeer hoge berg. Daarop stond aan de zuidkant iets als het bouwwerk van een stad. Brontekst: בְּמַרְא֣וֹת (bemarot) = in visioenen van | אֱלֹהִ֔ים (Elohim) = Elohim | הֱבִיאַ֖נִי (heviani) = Hij bracht mij | אֶל (el) = naar | אֶ֣רֶץ (erets) = land van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וַיְנִיחֵ֗נִי (vaynicheni) = en Hij zette mij neer | אֶל (el) = op | הַ֤ר (har) = berg | גָּבֹ֨הַּ֙ (gavoha) = hoog | מְאֹ֔ד (meod) = zeer | וְעָלָ֥יו (vealav) = en daarop | כְּמִבְנֵה (kemivne) = als een bouwwerk van | עִ֖יר (ir) = stad | מִנֶּֽגֶב (minegev) = aan de zuidkant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּמַרְאוֹת אֱלֹהִים (bemar’ot Elohim), ‘in visioenen van Elohim’: zie Ezech. 1:1 en 8:3. Ezechiël wordt in een visioen, niet lichamelijk, naar het land gebracht. Voetnoot : הַר גָּבֹהַּ מְאֹד (har gavoah me’od), ‘een zeer hoge berg’: de berg wordt niet bij naam genoemd. Vergelijk Ezech. 20:40 en Jes. 2:2. Voetnoot : כְּמִבְנֵה עִיר (kemivneh ir), ‘iets als het bouwwerk van een stad’: wat Ezechiël ziet, is de tempel met zijn voorhoven en gebouwen, die als een stad lijken. Zie ook: 1 Kron 28:12; Jes 2:2; Jes 14:13; Ezech 1:1; Ezech 8:3; Ezech 20:40; Dan 7:1; Dan 7:7 **40:3** Hij bracht mij daarheen, en zie: een man wiens aanblik was als de aanblik van koper. In zijn hand had hij een vlasdraad en een meetlat. Hij stond in de poort. Brontekst: וַיָּבֵ֨יא (vayavei) = en Hij bracht | אוֹתִ֜י (oti) = mij | שָׁ֗מָּה (shama) = daarheen | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | אִישׁ֙ (ish) = man | מַרְאֵ֨הוּ֙ (marehu) = zijn aanblik | כְּמַרְאֵ֣ה (kemare) = als aanblik van | נְחֹ֔שֶׁת (nechoshet) = koper | וּפְתִיל (ufetil) = en draad van | פִּשְׁתִּ֥ים (pishtim) = vlas | בְּיָד֖וֹ (beyado) = in zijn hand | וּקְנֵ֣ה (uqene) = en meetlat van | הַמִּדָּ֑ה (hamida) = de maat | וְה֥וּא (vehu) = en hij | עֹמֵ֖ד (omed) = stond | בַּשָּֽׁעַר (bashaar) = in de poort Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מַרְאֵהוּ כְּמַרְאֵה נְחֹשֶׁת (mar’ehu kemar’eh nechoshet), ‘zijn aanblik was als de aanblik van koper’: een glanzende gestalte; vergelijk Dan. 10:6 en Ezech. 1:7. Wie de man is, zegt de tekst niet. Voetnoot : פְּתִיל פִּשְׁתִּים (petil pishtim), ‘vlasdraad’, en קָנֶה הַמִּדָּה (qaneh hammiddah), ‘meetlat’: een koord voor lange afstanden en een lat voor korte afstanden. Zie ook: Ezech 1:7; Ezech 47:3; Dan 10:5–6; Dan 10:6; Openb 1:15; Openb 11:1; Openb 21:15 **40:4** De man sprak tot mij: „Mensenkind, kijk met je ogen en luister met je oren. Let goed op alles wat ik je laat zien. Want om het je te laten zien, ben je hierheen gebracht. Vertel het huis van Israël alles wat je ziet.” Brontekst: וַיְדַבֵּ֨ר (vaydaber) = en sprak | אֵלַ֜י (elay) = tot mij | הָאִ֗ישׁ (haish) = de man | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֡ם (adam) = mens | רְאֵ֣ה (ree) = zie | בְעֵינֶיךָ֩ (beeineikha) = met je ogen | וּבְאָזְנֶ֨יךָ (uveazeneikha) = en met je oren | שְּׁמָ֜ע (shema) = luister | וְשִׂ֣ים (vesim) = en zet | לִבְּךָ֗ (libekha) = je hart | לְכֹ֤ל (lekhol) = op alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אֲנִי֙ (ani) = ik | מַרְאֶ֣ה (mare) = laat zien | אוֹתָ֔ךְ (otakh) = jou | כִּ֛י (ki) = want | לְמַ֥עַן (lemaan) = opdat | הַרְאוֹתְכָ֖ה (harotekha) = om je te laten zien | הֻבָ֣אתָה (huvata) = je bent gebracht | הֵ֑נָּה (hena) = hierheen | הַגֵּ֛ד (haged) = vertel | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | אַתָּ֥ה (ata) = jij | רֹאֶ֖ה (roe) = ziet | לְבֵ֥ית (leveit) = aan het huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het gaat erom dat Ezechiël alles goed ziet, hoort en onthoudt om het aan Israël door te geven. Zie ook: Jer 26:2; Ezech 2:7–8; Ezech 43:10; Ezech 44:5; Mat 10:27 ### De muur en de oostpoort **40:5** En zie, een muur liep aan de buitenkant van het huis helemaal rond. In de hand van de man was de meetlat van zes el, elk een el en een handbreedte. Hij mat de breedte van het bouwwerk: één lat. De hoogte mat één lat. Brontekst: וְהִנֵּ֥ה (vehine) = en zie | חוֹמָ֛ה (choma) = muur | מִח֥וּץ (michuts) = buiten | לַבַּ֖יִת (labayit) = het huis | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וּבְיַ֨ד (uveyad) = en in de hand van | הָאִ֜ישׁ (haish) = de man | קְנֵ֣ה (qene) = meetlat van | הַמִּדָּ֗ה (hamida) = de maat | שֵׁשׁ (shesh) = zes | אַמּ֤וֹת (amot) = el | בָּֽאַמָּה֙ (baama) = per el | וָטֹ֔פַח (vatofach) = en handbreedte | וַיָּ֜מָד (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֤חַב (rochav) = breedte van | הַבִּנְיָן֙ (habinyan) = het bouwwerk | קָנֶ֣ה (qane) = lat | אֶחָ֔ד (echad) = een | וְקוֹמָ֖ה (veqoma) = en hoogte | קָנֶ֥ה (qane) = lat | אֶחָֽד (echad) = een Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַמָּה (ammah), ‘el’: een lengtemaat, ongeveer de afstand van de elleboog tot de top van de middelvinger, ongeveer 45 tot 52 cm. De exacte lengte is niet zeker. Wij rekenen in dit boek niet om. Voetnoot : בָּאַמָּה וָטֹפַח (ba’ammah vatefach), ‘per el en een handbreedte’: elke el van de meetlat was een gewone el plus een handbreedte. Zo’n el was dus langer dan de gewone el. Vergelijk Ezech. 43:13. Voetnoot : חוֹמָה (chomah), ‘muur’: de muur om het hele tempelterrein; de lengte wordt hier niet genoemd. Voetnoot : קָנֶה (qaneh), ‘lat’: een meetlat van zes el. Wij gebruiken het woord ‘lat’ als maat. Voetnoot : Het ‘bouwwerk’ is de muur zelf. Eén lat breed en één lat hoog. Zie ook: Deut 3:11; Ps 125:2; Jes 26:1; Jes 60:18; Ezech 42:20; Ezech 43:13 **40:6** Hij kwam bij de poort die naar het oosten gericht was. Hij ging omhoog langs de treden en mat de drempel van de poort: één lat breed. De andere drempel was ook één lat breed. Brontekst: וַיָּב֗וֹא (vayavo) = en hij kwam | אֶל (el) = naar | שַׁ֨עַר֙ (shaar) = poort | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | פָּנָיו֙ (panav) = haar voorkant | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַקָּדִ֔ימָה (haqadima) = oostwaarts | וַיַּ֖עַל (vayaal) = en hij ging omhoog | בְּמַֽעֲלוֹתָ֑יו (bemaalotav) = langs haar treden | וַיָּ֣מָד (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | סַ֣ף (saf) = drempel van | הַשַּׁ֗עַר (hashaar) = de poort | קָנֶ֤ה (qane) = lat | אֶחָד֙ (echad) = een | רֹ֔חַב (rochav) = breedte | וְאֵת֙ (veet) = en (obj.) | סַ֣ף (saf) = drempel | אֶחָ֔ד (echad) = een | קָנֶ֥ה (qane) = lat | אֶחָ֖ד (echad) = een | רֹֽחַב (rochav) = breedte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שַׁעַר (sha’ar), ‘poort’: een groot poortgebouw met wachtkamers aan beide kanten. De beschrijving in de verzen 6–16 is moeilijk te volgen; wij vertalen zo letterlijk mogelijk. Voetnoot : סַף (saf), ‘drempel’: de bodem van de poortdoorgang. Voetnoot : וְאֵת סַף אֶחָד (ve’et saf echad), ‘een drempel’: letterlijk ‘en een drempel, één lat breed’. Wij nemen dit als de tweede drempel. Zie ook: 1 Kron 9:24; Ezech 8:16; Ezech 11:1; Ezech 40:20; Ezech 43:1 **40:7** Elke wachtkamer was één lat lang en één lat breed. Tussen de wachtkamers lagen vijf el. De drempel van de poort, naast de voorhal van de poort aan de kant van het huis, was één lat. Brontekst: וְהַתָּ֗א (vehata) = en de wachtkamer | קָנֶ֨ה (qane) = lat | אֶחָ֥ד (echad) = een | אֹ֨רֶךְ֙ (orekh) = lengte | וְקָנֶ֤ה (veqane) = en lat | אֶחָד֙ (echad) = een | רֹ֔חַב (rochav) = breedte | וּבֵ֥ין (uvein) = en tussen | הַתָּאִ֖ים (hataim) = de wachtkamers | חָמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | אַמּ֑וֹת (amot) = el | וְסַ֣ף (vesaf) = en drempel van | הַ֠שַּׁעַר (hashaar) = de poort | מֵאֵ֨צֶל (meetsel) = naast | אוּלָ֥ם (ulam) = voorhal van | הַשַּׁ֛עַר (hashaar) = de poort | מֵֽהַבַּ֖יִת (mehabayit) = aan de kant van het huis | קָנֶ֥ה (qane) = lat | אֶחָֽד (echad) = een Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּא (ta), ‘wachtkamer’: een kleine ruimte langs de poortdoorgang, vermoedelijk voor wachters. Het woord komt elders niet voor in dit gebruik; de betekenis is onzeker. Voetnoot : אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de ruimte voor de ingang van een gebouw; zie 1 Kon. 6:3. Voetnoot : מֵהַבַּיִת (mehabayit), ‘aan de kant van het huis’: letterlijk ‘van het huis’, dat wil zeggen aan de binnenkant. Zie ook: 1 Kon 6:3; Jer 35:4; Ezech 40:33; Ezech 40:36; Ezech 42:5; Ezra 8:29 **40:8** Hij mat de voorhal van de poort aan de kant van het huis: één lat. Brontekst: וַיָּ֜מָד (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | אֻלָ֥ם (ulam) = voorhal van | הַשַּׁ֛עַר (hashaar) = de poort | מֵהַבַּ֖יִת (mehabayit) = aan de kant van het huis | קָנֶ֥ה (qane) = lat | אֶחָֽד (echad) = een Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws herhaalt hier de maat van de voorhal. Wij vertalen letterlijk. **40:9** Hij mat de voorhal van de poort: acht el, en haar pijlers: twee el. De voorhal van de poort lag aan de kant van het huis. Brontekst: וַיָּ֜מָד (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | אֻלָ֤ם (ulam) = voorhal van | הַשַּׁ֨עַר֙ (hashaar) = de poort | שְׁמֹנֶ֣ה (shemone) = acht | אַמּ֔וֹת (amot) = el | וְאֵילָ֖יו (veeilav) = en haar pijlers | שְׁתַּ֣יִם (shetayim) = twee | אַמּ֑וֹת (amot) = el | וְאֻלָ֥ם (veulam) = en voorhal van | הַשַּׁ֖עַר (hashaar) = de poort | מֵהַבָּֽיִת (mehabayit) = aan de kant van het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵילִים (elim), ‘pijlers’: de uitstekende muurdelen aan weerszijden van de ingang. Het woord is verwant aan אֵיל (ayil), ‘ram’ en ‘pijler’. De betekenis is niet helemaal zeker. Wij vertalen het in het hele hoofdstuk met ‘pijlers’. Zie ook: Ezech 45:19 **40:10** De wachtkamers van de oostpoort waren er drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. Alle drie hadden dezelfde maat. Ook de pijlers hadden aan beide kanten één maat. Brontekst: וְתָאֵ֨י (vetaei) = en wachtkamers van | הַשַּׁ֜עַר (hashaar) = de poort | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַקָּדִ֗ים (haqadim) = oostwaarts | שְׁלֹשָׁ֤ה (shelosha) = drie | מִפֹּה֙ (mipo) = aan deze kant | וּשְׁלֹשָׁ֣ה (ushelosha) = en drie | מִפֹּ֔ה (mipo) = aan deze kant | מִדָּ֥ה (mida) = maat | אַחַ֖ת (achat) = een | לִשְׁלָשְׁתָּ֑ם (lishlashtam) = voor alle drie | וּמִדָּ֥ה (umida) = en maat | אַחַ֛ת (achat) = een | לָאֵילִ֖ם (laeilim) = voor de pijlers | מִפֹּ֥ה (mipo) = aan deze kant | וּמִפּֽוֹ (umipo) = en aan gene kant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt ‘drie van hier en drie van daar’: drie wachtkamers aan elke kant van de doorgang. Samen zijn het zes wachtkamers. **40:11** Hij mat de breedte van de opening van de poort: tien el. De lengte van de poort was dertien el. Brontekst: וַיָּ֛מָד (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | רֹ֥חַב (rochav) = breedte van | פֶּֽתַח (petach) = opening van | הַשַּׁ֖עַר (hashaar) = de poort | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | אַמּ֑וֹת (amot) = el | אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | שְׁל֥וֹשׁ (shelosh) = drie | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | אַמּֽוֹת (amot) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּתַח הַשַּׁעַר (petach hasha’ar), ‘de opening van de poort’: de doorgang. De ‘lengte’ van de poort (dertien el) is de breedte over de drempels heen, met de pijlers; de tekst is niet geheel duidelijk. **40:12** Voor de wachtkamers lag een afscheiding van één el, aan elke kant. Elke wachtkamer was aan beide kanten zes el. Brontekst: וּגְב֞וּל (ugevul) = en afscheiding | לִפְנֵ֤י (lifnei) = voor | הַתָּאוֹת֙ (hataot) = de wachtkamers | אַמָּ֣ה (ama) = el | אֶחָ֔ת (echat) = een | וְאַמָּה (veama) = en el | אַחַ֥ת (achat) = een | גְּב֖וּל (gevul) = afscheiding | מִפֹּ֑ה (mipo) = aan deze kant | וְהַתָּ֕א (vehata) = en de wachtkamer | שֵׁשׁ (shesh) = zes | אַמּ֣וֹת (amot) = el | מִפּ֔וֹ (mipo) = aan gene kant | וְשֵׁ֥שׁ (veshesh) = en zes | אַמּ֖וֹת (amot) = el | מִפּֽוֹ (mipo) = aan gene kant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּבוּל (gevul), ‘afscheiding’: een rand of dorpel voor de wachtkamers. De betekenis is niet zeker. **40:13** Hij mat de poort van het dak van de ene wachtkamer tot het dak van de andere. De breedte was vijfentwintig el, van de ene opening tot de tegenoverliggende opening. Brontekst: וַיָּ֣מָד (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׁ֗עַר (hashaar) = de poort | מִגַּ֤ג (migag) = van het dak van | הַתָּא֙ (hata) = de wachtkamer | לְגַגּ֔וֹ (legago) = tot zijn dak | רֹ֕חַב (rochav) = breedte | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְחָמֵ֖שׁ (vechamesh) = en vijf | אַמּ֑וֹת (amot) = el | פֶּ֖תַח (petach) = opening | נֶ֥גֶד (neged) = tegenover | פָּֽתַח (patach) = opening Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Gemeten van het dak van de ene wachtkamer tot het dak van de overkant: de breedte van het hele poortgebouw, vijfentwintig el, gerekend van opening tot opening. **40:14** Hij maakte de pijlers zestig el. Bij elke pijler hoorde de voorhof, de poort rondom. Brontekst: וַיַּ֥עַשׂ (vayaas) = en hij maakte | אֶת (et) = (obj.) | אֵילִ֖ים (eilim) = pijlers | שִׁשִּׁ֣ים (shishim) = zestig | אַמָּ֑ה (ama) = el | וְאֶל (veel) = en bij | אֵיל֙ (eil) = pijler | הֶֽחָצֵ֔ר (hechatser) = de voorhof | הַשַּׁ֖עַר (hashaar) = de poort | סָבִ֥יב (saviv) = rondom | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. De Hebreeuwse tekst heeft ‘Hij maakte de pijlers zestig el’ (sommige oude vertalingen lezen anders), en ‘bij de pijler van de voorhof de poort rondom’. Wij laten de woorden zoals ze staan. Zie ook: Ex 27:9; 1 Kron 28:6; Ps 100:4; Jes 62:9; Ezech 42:1 **40:15** Van de voorkant van de poort bij de ingang tot de voorkant van de voorhal van de binnenste poort was het vijftig el. Brontekst: וְעַ֗ל (veal) = en op | פְּנֵי֙ (penei) = gezicht van | הַשַּׁ֣עַר (hashaar) = de poort | הָֽאִית֔וֹן (haiton) = de ingang | עַל (al) = tot | לִפְנֵ֕י (lifnei) = voor | אֻלָ֥ם (ulam) = voorhal van | הַשַּׁ֖עַר (hashaar) = de poort | הַפְּנִימִ֑י (hapenimi) = de binnenste | חֲמִשִּׁ֖ים (chamishim) = vijftig | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הָאִיתוֹן (ha’itton), ‘de ingang’: een woord dat verder niet voorkomt; de betekenis ‘ingang’ is een vermoeden. De afstand van vijftig el loopt van de buitenste poort tot de voorhal van de binnenste poort. **40:16** De wachtkamers en hun pijlers hadden aan de binnenkant van de poort rondom gesloten vensters. Zo ook de voorhallen: vensters rondom, aan de binnenkant. Op elke pijler waren palmen. Brontekst: וְחַלֹּנ֣וֹת (vechalonot) = en vensters | אֲטֻמ֣וֹת (atumot) = gesloten | אֶֽל (el) = bij | הַתָּאִ֡ים (hataim) = de wachtkamers | וְאֶל֩ (veel) = en bij | אֵלֵיהֵ֨מָה (eleihema) = hun pijlers | לִפְנִ֤ימָה (lifnima) = naar binnen | לַשַּׁ֨עַר֙ (lashaar) = van de poort | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | וְכֵ֖ן (vekhen) = en zo | לָאֵֽלַמּ֑וֹת (laelamot) = voor de voorhallen | וְחַלּוֹנ֞וֹת (vechalonot) = en vensters | סָבִ֤יב (saviv) = rondom | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | לִפְנִ֔ימָה (lifnima) = naar binnen | וְאֶל (veel) = en op | אַ֖יִל (ayil) = pijler | תִּמֹרִֽים (timorim) = palmen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַלֹּנוֹת אֲטֻמוֹת (chalonot atumot), ‘gesloten vensters’: zoals in 1 Kon. 6:4. De betekenis van אָטוּם (atum) is onzeker: ‘smal’, ‘gesloten’ of ‘met een rooster’. Voetnoot : תִּמֹרִים (timmorim), ‘palmen’: gesneden palmen als versiering, ook in de verzen 22, 26, 31, 34 en 37. Zie ook: 1 Kon 6:4; 1 Kon 6:35; 2 Kron 3:5; Ezech 40:21–22; Ezech 41:26 ### De buitenste voorhof **40:17** Hij bracht mij naar de buitenste voorhof. En zie: er waren vertrekken en een bestrating, rondom de voorhof aangelegd. Dertig vertrekken lagen aan de bestrating. Brontekst: וַיְבִיאֵ֗נִי (vayvieni) = en hij bracht mij | אֶל (el) = naar | הֶֽחָצֵר֙ (hechatser) = de voorhof | הַחִ֣יצוֹנָ֔ה (hachitsona) = de buitenste | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | לְשָׁכוֹת֙ (leshakhot) = vertrekken | וְרִֽצְפָ֔ה (veritsfa) = en een bestrating | עָשׂ֥וּי (asuy) = aangelegd | לֶחָצֵ֖ר (lechatser) = voor de voorhof | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | שְׁלֹשִׁ֥ים (sheloshim) = dertig | לְשָׁכ֖וֹת (leshakhot) = vertrekken | אֶל (el) = aan | הָרִֽצְפָֽה (haritsfa) = de bestrating Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְשָׁכוֹת (lishkot), ‘vertrekken’: ruimten rondom de voorhof, vermoedelijk voor de maaltijden van het volk. Voetnoot : רִצְפָה (ritspah), ‘bestrating’: een stenen vloer. Hetzelfde woord staat voor ‘bestrating’ in 2 Kron. 7:3 en Est. 1:6. Voetnoot : שְׁלֹשִׁים לְשָׁכוֹת (sheloshim lishkot), ‘dertig vertrekken’: hoe zij zijn verdeeld, zegt de tekst niet. Zie ook: 1 Kron 9:26; 1 Kron 23:28; 2 Kron 7:3; Ezech 10:5; Ezech 42:1; Est 1:6; Openb 11:2 **40:18** De bestrating lag langs de zijkant van de poorten, even lang als de poorten: de lagere bestrating. Brontekst: וְהָרִֽצְפָה֙ (veharitsfa) = en de bestrating | אֶל (el) = langs | כֶּ֣תֶף (ketef) = zijkant van | הַשְּׁעָרִ֔ים (hashearim) = de poorten | לְעֻמַּ֖ת (leumat) = gelijk aan | אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | הַשְּׁעָרִ֑ים (hashearim) = de poorten | הָרִֽצְפָ֖ה (haritsfa) = de bestrating | הַתַּחְתּוֹנָֽה (hatachtona) = de lagere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתַּחְתּוֹנָה (hattachtonah), ‘de lagere’: de buitenste voorhof lag lager dan de binnenste; zie vers 6 en 22 voor de treden. Zie ook: Ezech 40:6; Ezech 40:22 **40:19** Hij mat de breedte van de voorkant van de lagere poort tot de voorkant van de binnenste voorhof, aan de buitenkant: honderd el. Dat gold voor de oostkant en voor de noordkant. Brontekst: וַיָּ֣מָד (vayamad) = en hij mat | רֹ֡חַב (rochav) = breedte | מִלִּפְנֵי֩ (milifnei) = van de voorkant van | הַשַּׁ֨עַר (hashaar) = de poort | הַתַּחְתּ֜וֹנָה (hatachtona) = de lagere | לִפְנֵ֨י (lifnei) = tot de voorkant van | הֶחָצֵ֧ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִ֛י (hapenimi) = de binnenste | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | מֵאָ֣ה (mea) = honderd | אַמָּ֑ה (ama) = el | הַקָּדִ֖ים (haqadim) = oostwaarts | וְהַצָּפֽוֹן (vehatsafon) = en noordwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De honderd el is de afstand tussen de lagere poort en de binnenste voorhof, dus de breedte van de buitenste voorhof. Het Hebreeuws heeft ‘de oostkant en de noordkant’; het kan bedoelen dat dezelfde maat voor beide kanten geldt. Zie ook: Ezech 40:23; Ezech 40:27; Ezech 46:1–2 ### De noordpoort en de zuidpoort **40:20** Ook de poort van de buitenste voorhof die naar het noorden gericht was, mat hij naar lengte en breedte. Brontekst: וְהַשַּׁ֗עַר (vehashaar) = en de poort | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | פָּנָיו֙ (panav) = haar voorkant | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַצָּפ֔וֹן (hatsafon) = het noorden | לֶחָצֵ֖ר (lechatser) = van de voorhof | הַחִֽיצוֹנָ֑ה (hachitsona) = de buitenste | מָדַ֥ד (madad) = hij mat | אָרְכּ֖וֹ (arko) = haar lengte | וְרָחְבּֽוֹ (verachbo) = en haar breedte Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De noordpoort van de buitenste voorhof wordt gemeten. De maten worden in vers 21 gegeven. Zie ook: Ezech 40:6; Ezech 40:21 **40:21** Haar wachtkamers waren er drie aan elke kant. Haar pijlers en voorhallen hadden dezelfde maat als de eerste poort: vijftig el lang en vijfentwintig el breed. Brontekst: וְתָאָ֗יו (vetaav) = en haar wachtkamers | שְׁלוֹשָׁ֤ה (shelosha) = drie | מִפּוֹ֙ (mipo) = aan deze kant | וּשְׁלֹשָׁ֣ה (ushelosha) = en drie | מִפּ֔וֹ (mipo) = aan gene kant | וְאֵילָ֤יו (veeilav) = en haar pijlers | וְאֵֽלַמָּיו֙ (veelamav) = en haar voorhallen | הָיָ֔ה (haya) = was | כְּמִדַּ֖ת (kemidat) = volgens de maat van | הַשַּׁ֣עַר (hashaar) = de poort | הָרִאשׁ֑וֹן (harishon) = de eerste | חֲמִשִּׁ֤ים (chamishim) = vijftig | אַמָּה֙ (ama) = el | אָרְכּ֔וֹ (arko) = haar lengte | וְרֹ֕חַב (verochav) = en breedte | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | בָּאַמָּֽה (baama) = per el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws heeft ‘en haar wachtkamers, drie van deze en drie van gene kant’, net als de oostpoort in vers 10. Zie ook: Ezech 40:10–16; Ezech 40:25–26; Ezech 40:29–30; Ezech 40:34; Ezech 40:36–37 **40:22** Haar vensters, haar voorhallen en haar palmen hadden dezelfde maat als de poort die naar het oosten gericht was. Men ging erheen omhoog langs zeven treden. Haar voorhallen lagen daarvoor. Brontekst: וְחַלּוֹנָ֤יו (vechalonav) = en haar vensters | וְאֵֽלַמָּיו֙ (veelamav) = en haar voorhallen | וְתִ֣מֹרָ֔יו (vetimorav) = en haar palmen | כְּמִדַּ֣ת (kemidat) = volgens de maat van | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | פָּנָ֖יו (panav) = haar voorkant | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַקָּדִ֑ים (haqadim) = oostwaarts | וּבְמַעֲל֥וֹת (uvemaalot) = en met treden | שֶׁ֨בַע֙ (sheva) = zeven | יַֽעֲלוּ (yaalu) = zij gingen omhoog | ב֔וֹ (bo) = erin | וְאֵֽילַמָּ֖יו (veeilamav) = en haar voorhallen | לִפְנֵיהֶֽם (lifneihem) = voor hen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zeven treden van de oostpoort komen overeen met de treden uit vers 6. Hoe de voorhallen ‘voor hen’ staan, is niet geheel duidelijk: de voorhal ligt aan de binnenkant, voor de treden. Zie ook: Ezech 40:6; Ezech 40:16; Ezech 40:31; Ezech 40:37; Ezech 40:49 **40:23** De binnenste voorhof had een poort tegenover de noordpoort, en ook tegenover de oostpoort. Hij mat van poort tot poort: honderd el. Brontekst: וְשַׁ֨עַר֙ (veshaar) = en poort | לֶחָצֵ֣ר (lechatser) = naar de voorhof | הַפְּנִימִ֔י (hapenimi) = de binnenste | נֶ֣גֶד (neged) = tegenover | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | לַצָּפ֖וֹן (latsafon) = naar het noorden | וְלַקָּדִ֑ים (velaqadim) = en naar het oosten | וַיָּ֧מָד (vayamad) = en hij mat | מִשַּׁ֛עַר (mishaar) = van poort | אֶל (el) = tot | שַׁ֖עַר (shaar) = poort | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De binnenste voorhof heeft een poort tegenover de noordpoort en een tegenover de oostpoort. De afstand van de ene poort naar de andere is honderd el: de breedte van de buitenste voorhof. Zie ook: Ex 27:9–18; Ex 38:9–12; Ezech 40:19; Ezech 40:27–28; Ezech 40:44 **40:24** Hij leidde mij naar de zuidkant. En zie: er was een poort aan de zuidkant. Hij mat haar pijlers en voorhallen: dezelfde maten. Brontekst: וַיּוֹלִכֵ֨נִי֙ (vayolikheni) = en hij leidde mij | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַדָּר֔וֹם (hadarom) = het zuiden | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | שַׁ֖עַר (shaar) = poort | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַדָּר֑וֹם (hadarom) = het zuiden | וּמָדַ֤ד (umadad) = en hij mat | אֵילָיו֙ (eilav) = haar pijlers | וְאֵ֣ילַמָּ֔יו (veeilamav) = en haar voorhallen | כַּמִּדּ֖וֹת (kamidot) = volgens maten | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf hier komt de zuidpoort van de buitenste voorhof; de maten zijn dezelfde als bij de oostpoort en de noordpoort. Zie ook: Ezech 40:6; Ezech 40:20–21; Ezech 40:33; Ezech 40:35–36; Ezech 46:9 **40:25** Zij en haar voorhallen hadden rondom vensters, zoals de andere vensters. De lengte was vijftig el en de breedte vijfentwintig el. Brontekst: וְחַלּוֹנִ֨ים (vechalonim) = en vensters | ל֤וֹ (lo) = voor haar | וּלְאֵֽילַמָּיו֙ (uleeilamav) = en voor haar voorhallen | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | כְּהַחֲלֹּנ֖וֹת (kehachalonot) = zoals de vensters | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | חֲמִשִּׁ֤ים (chamishim) = vijftig | אַמָּה֙ (ama) = el | אֹ֔רֶךְ (orekh) = lengte | וְרֹ֕חַב (verochav) = en breedte | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 40:16; Ezech 40:21–22; Ezech 40:29; Ezech 40:33; 2 Petr 1:19 **40:26** Zeven treden leidden erheen, en haar voorhallen lagen daarvoor. Er waren palmen op haar pijlers, één aan elke kant. Brontekst: וּמַעֲל֤וֹת (umaalot) = en treden | שִׁבְעָה֙ (shiva) = zeven | עֹֽלוֹתָ֔יו (olotav) = haar opgang | וְאֵֽלַמָּ֖יו (veelamav) = en haar voorhallen | לִפְנֵיהֶ֑ם (lifneihem) = voor hen | וְתִמֹרִ֣ים (vetimorim) = en palmen | ל֗וֹ (lo) = voor haar | אֶחָ֥ד (echad) = een | מִפּ֛וֹ (mipo) = aan deze kant | וְאֶחָ֥ד (veechad) = en een | מִפּ֖וֹ (mipo) = aan gene kant | אֶל (el) = op | אֵילָֽיו (eilav) = haar pijlers Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zeven treden en de voorhallen ‘voor hen’ zijn zoals in vers 22. Zie ook: Hoogl 7:8–9; Ezech 40:6; Ezech 40:16; Ezech 40:22; 2 Petr 3:18 **40:27** De binnenste voorhof had ook een poort aan de zuidkant. Hij mat van poort tot poort aan de zuidkant: honderd el. Brontekst: וְשַׁ֛עַר (veshaar) = en poort | לֶחָצֵ֥ר (lechatser) = naar de voorhof | הַפְּנִימִ֖י (hapenimi) = de binnenste | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַדָּר֑וֹם (hadarom) = het zuiden | וַיָּ֨מָד (vayamad) = en hij mat | מִשַּׁ֧עַר (mishaar) = van poort | אֶל (el) = tot | הַשַּׁ֛עַר (hashaar) = de poort | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = richting | הַדָּר֖וֹם (hadarom) = het zuiden | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | אַמּֽוֹת (amot) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de zuidpoort van de binnenste voorhof. Zij staat tegenover die van de buitenste voorhof. Zie ook: Ezech 40:19; Ezech 40:23; Ezech 40:32; Ezech 40:47 ### De poorten van de binnenste voorhof **40:28** Hij bracht mij door de zuidpoort naar de binnenste voorhof. Hij mat de zuidpoort volgens dezelfde maten. Brontekst: וַיְבִיאֵ֛נִי (vayvieni) = en hij bracht mij | אֶל (el) = naar | חָצֵ֥ר (chatser) = voorhof van | הַפְּנִימִ֖י (hapenimi) = de binnenste | בְּשַׁ֣עַר (beshaar) = door poort van | הַדָּר֑וֹם (hadarom) = het zuiden | וַיָּ֨מָד֙ (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׁ֣עַר (hashaar) = de poort | הַדָּר֔וֹם (hadarom) = de zuidelijke | כַּמִּדּ֖וֹת (kamidot) = volgens maten | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Hij mat de zuidpoort van de binnenste voorhof. De maten zijn dezelfde als bij de poorten van de buitenste voorhof, maar de treden zijn nu acht (vers 31). Zie ook: Ezech 40:31; Ezech 40:32; Ezech 40:35 **40:29** Haar wachtkamers, pijlers en voorhallen hadden dezelfde maten. Zij en haar voorhallen hadden rondom vensters. De lengte was vijftig el en de breedte vijfentwintig el. Brontekst: וְתָאָ֞יו (vetaav) = en haar wachtkamers | וְאֵילָ֤יו (veeilav) = en haar pijlers | וְאֵֽלַמָּיו֙ (veelamav) = en haar voorhallen | כַּמִּדּ֣וֹת (kamidot) = volgens maten | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וְחַלּוֹנ֥וֹת (vechalonot) = en vensters | ל֛וֹ (lo) = voor haar | וּלְאֵלַמָּ֖יו (uleelamav) = en voor haar voorhallen | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | חֲמִשִּׁ֤ים (chamishim) = vijftig | אַמָּה֙ (ama) = el | אֹ֔רֶךְ (orekh) = lengte | וְרֹ֕חַב (verochav) = en breedte | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | וְחָמֵ֖שׁ (vechamesh) = en vijf | אַמּֽוֹת (amot) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 36:10; Ezech 40:7; Ezech 40:10; Ezech 40:16; Ezech 40:25 **40:30** Er waren voorhallen rondom: vijfentwintig el lang en vijf el breed. Brontekst: וְאֵֽלַמּ֖וֹת (veelamot) = en voorhallen | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | אֹ֗רֶךְ (orekh) = lengte | חָמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | אַמָּ֔ה (ama) = el | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | אַמּֽוֹת (amot) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk te begrijpen. De maten (25 bij 5 el) passen niet bij de voorhal uit vers 29. Wij volgen de Masoretische tekst. Zie ook: Ezech 40:21; Ezech 40:25; Ezech 40:29; Ezech 40:33; Ezech 40:36 **40:31** Haar voorhal lag aan de kant van de buitenste voorhof. Op haar pijlers waren palmen. Acht treden leidden omhoog. Brontekst: וְאֵלַמָּ֗ו (veelamav) = en haar voorhal | אֶל (el) = naar | חָצֵר֙ (chatser) = voorhof | הַחִ֣צוֹנָ֔ה (hachitsona) = de buitenste | וְתִמֹרִ֖ים (vetimorim) = en palmen | אֶל (el) = op | אֵילָ֑יו (eilav) = haar pijlers | וּמַעֲל֥וֹת (umaalot) = en treden | שְׁמוֹנֶ֖ה (shemone) = acht | מַעֲלָֽיו (maalav) = haar opgang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Acht treden: de binnenste voorhof lag hoger dan de buitenste (zie vers 22: zeven treden). Zie ook: Ezech 40:22; Ezech 40:26; Ezech 40:34; Ezech 40:37 **40:32** Hij bracht mij naar de binnenste voorhof aan de oostkant. Hij mat de poort volgens dezelfde maten. Brontekst: וַיְבִיאֵ֛נִי (vayvieni) = en hij bracht mij | אֶל (el) = naar | הֶחָצֵ֥ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִ֖י (hapenimi) = de binnenste | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַקָּדִ֑ים (haqadim) = het oosten | וַיָּ֣מָד (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | כַּמִּדּ֖וֹת (kamidot) = volgens maten | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de oostpoort van de binnenste voorhof. Zij heeft dezelfde maten als de zuidpoort. Zie ook: Ezech 40:28–31; Ezech 40:35 **40:33** Haar wachtkamers, pijlers en voorhallen hadden dezelfde maten. Zij en haar voorhallen hadden rondom vensters. De lengte was vijftig el en de breedte vijfentwintig el. Brontekst: וְתָאָ֞יו (vetaav) = en haar wachtkamers | וְאֵלָ֤יו (veelav) = en haar pijlers | וְאֵֽלַמָּיו֙ (veelamav) = en haar voorhallen | כַּמִּדּ֣וֹת (kamidot) = volgens maten | הָאֵ֔לֶּה (haele) = deze | וְחַלּוֹנ֥וֹת (vechalonot) = en vensters | ל֛וֹ (lo) = voor haar | וּלְאֵלַמָּ֖יו (uleelamav) = en voor haar voorhallen | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | אֹ֚רֶךְ (orekh) = lengte | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | אַמָּ֔ה (ama) = el | וְרֹ֕חַב (verochav) = en breedte | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 40:21; Ezech 40:25; Ezech 40:36 **40:34** Haar voorhallen lagen aan de kant van de buitenste voorhof. Er waren palmen op haar pijlers, aan elke kant, en acht treden leidden omhoog. Brontekst: וְאֵלַמָּ֗יו (veelamav) = en haar voorhallen | לֶֽחָצֵר֙ (lechatser) = naar de voorhof | הַחִ֣יצוֹנָ֔ה (hachitsona) = de buitenste | וְתִמֹרִ֥ים (vetimorim) = en palmen | אֶל (el) = op | אֵלָ֖יו (elav) = haar pijlers | מִפּ֣וֹ (mipo) = aan deze kant | וּמִפּ֑וֹ (umipo) = en aan gene kant | וּשְׁמֹנֶ֥ה (ushemone) = en acht | מַעֲל֖וֹת (maalot) = treden | מַעֲלָֽיו (maalav) = haar opgang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 40:16; Ezech 40:22; Ezech 40:31; Ezech 40:37; Ezech 40:49 **40:35** Hij bracht mij naar de noordpoort en mat haar volgens dezelfde maten. Brontekst: וַיְבִיאֵ֖נִי (vayvieni) = en hij bracht mij | אֶל (el) = naar | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | הַצָּפ֑וֹן (hatsafon) = het noorden | וּמָדַ֖ד (umadad) = en hij mat | כַּמִּדּ֥וֹת (kamidot) = volgens maten | הָאֵֽלֶּה (haele) = deze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de noordpoort van de binnenste voorhof. Zie ook: Ezech 40:27; Ezech 40:32; Ezech 44:4; Ezech 47:2 **40:36** Haar wachtkamers, pijlers en voorhallen hadden rondom vensters. De lengte was vijftig el en de breedte vijfentwintig el. Brontekst: תָּאָיו֙ (taav) = haar wachtkamers | אֵלָ֣יו (elav) = haar pijlers | וְאֵֽלַמָּ֔יו (veelamav) = en haar voorhallen | וְחַלּוֹנ֥וֹת (vechalonot) = en vensters | ל֖וֹ (lo) = voor haar | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | אֹ֚רֶךְ (orekh) = lengte | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | אַמָּ֔ה (ama) = el | וְרֹ֕חַב (verochav) = en breedte | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De maten zijn gelijk aan die van de andere poorten van de binnenste voorhof. Zie ook: Ezech 40:7; Ezech 40:16; Ezech 40:21; Ezech 40:29 **40:37** Haar pijlers lagen aan de kant van de buitenste voorhof. Er waren palmen op haar pijlers, aan elke kant, en acht treden leidden omhoog. Brontekst: וְאֵילָ֗יו (veeilav) = en haar pijlers | לֶֽחָצֵר֙ (lechatser) = naar de voorhof | הַחִ֣יצוֹנָ֔ה (hachitsona) = de buitenste | וְתִמֹרִ֥ים (vetimorim) = en palmen | אֶל (el) = op | אֵילָ֖יו (eilav) = haar pijlers | מִפּ֣וֹ (mipo) = aan deze kant | וּמִפּ֑וֹ (umipo) = en aan gene kant | וּשְׁמֹנֶ֥ה (ushemone) = en acht | מַעֲל֖וֹת (maalot) = treden | מַעֲלָֽיו (maalav) = haar opgang Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 40:31; Ezech 40:34 ### De tafels voor de offers **40:38** Er was een vertrek met een ingang bij de pijlers van de poorten. Daar spoelde men het brandoffer af. Brontekst: וְלִשְׁכָּ֣ה (velishka) = en vertrek | וּפִתְחָ֔הּ (ufitchah) = en haar ingang | בְּאֵילִ֖ים (beeilim) = bij de pijlers van | הַשְּׁעָרִ֑ים (hashearim) = de poorten | שָׁ֖ם (sham) = daar | יָדִ֥יחוּ (yadichu) = zij spoelden af | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָֽה (haola) = het brandoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לִשְׁכָּה (lishkah), ‘vertrek’, en יָדִיחוּ (yadichu), ‘zij spoelden af’: de plaats waar delen van het brandoffer werden gewassen. Zie ook Lev. 1:9 en 2 Kron. 4:6. Voetnoot : עֹלָה (olah), ‘brandoffer’: zoals in Leviticus. Zie ook: Lev 1:9; Lev 8:21; 1 Kon 6:8; 2 Kron 4:6; Ezech 40:12; Ezech 40:17 **40:39** In de voorhal van de poort stonden twee tafels aan de ene kant en twee tafels aan de andere kant. Daarop slachtte men het brandoffer, het zondoffer en het schuldoffer. Brontekst: וּבְאֻלָ֣ם (uveulam) = en in voorhal van | הַשַּׁ֗עַר (hashaar) = de poort | שְׁנַ֤יִם (shenayim) = twee | שֻׁלְחָנוֹת֙ (shulchanot) = tafels | מִפּ֔וֹ (mipo) = aan deze kant | וּשְׁנַ֥יִם (ushenayim) = en twee | שֻׁלְחָנ֖וֹת (shulchanot) = tafels | מִפֹּ֑ה (mipo) = aan gene kant | לִשְׁח֤וֹט (lishchot) = om te slachten | אֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = op hen | הָעוֹלָ֔ה (haola) = het brandoffer | וְהַחַטָּ֖את (vehachatat) = en het zondoffer | וְהָאָשָֽׁם (vehaasham) = en het schuldoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֻׁלְחָנוֹת (shulchanot), ‘tafels’: stenen tafels voor het slachten van de offers; zie vers 42. Voetnoot : עוֹלָה (olah), ‘brandoffer’, חַטָּאת (chatat), ‘zondoffer’, en אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’: zoals in Lev. 1 tot 7. Zie ook: Lev 1:3–17; Lev 4:2–3; Lev 5:6–13; Ezech 40:42; Ezech 46:2; Mal 1:12 **40:40** Aan de buitenzijde, voor wie omhoog gaat naar de ingang van de noordpoort, stonden twee tafels. Aan de andere zijde, bij de voorhal van de poort, stonden twee tafels. Brontekst: וְאֶל (veel) = en bij | הַכָּתֵ֣ף (hakatef) = de zijde | מִח֗וּצָה (michutsa) = buiten | לָעוֹלֶה֙ (laole) = voor wie opgaat | לְפֶ֨תַח֙ (lefetach) = naar de ingang van | הַשַּׁ֣עַר (hashaar) = de poort | הַצָּפ֔וֹנָה (hatsafona) = noordwaarts | שְׁנַ֖יִם (shenayim) = twee | שֻׁלְחָנ֑וֹת (shulchanot) = tafels | וְאֶל (veel) = en bij | הַכָּתֵ֣ף (hakatef) = de zijde | הָאַחֶ֗רֶת (haacheret) = andere | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לְאֻלָ֣ם (leulam) = bij de voorhal van | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | שְׁנַ֖יִם (shenayim) = twee | שֻׁלְחָנֽוֹת (shulchanot) = tafels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws is hier kort: ‘aan de zijde buiten, voor degene die opgaat naar de ingang van de noordpoort’. De tafels stonden dus aan weerszijden van de ingang van de voorhal. **40:41** Vier tafels aan de ene kant en vier tafels aan de andere kant, bij de zijkant van de poort: acht tafels waarop men slachtte. Brontekst: אַרְבָּעָ֨ה (arbaa) = vier | שֻׁלְחָנ֜וֹת (shulchanot) = tafels | מִפֹּ֗ה (mipo) = aan deze kant | וְאַרְבָּעָ֧ה (vearbaa) = en vier | שֻׁלְחָנ֛וֹת (shulchanot) = tafels | מִפֹּ֖ה (mipo) = aan deze kant | לְכֶ֣תֶף (lekhetef) = bij zijde van | הַשָּׁ֑עַר (hashaar) = de poort | שְׁמוֹנָ֥ה (shemona) = acht | שֻׁלְחָנ֖וֹת (shulchanot) = tafels | אֲלֵיהֶ֥ם (aleihem) = op hen | יִשְׁחָֽטוּ (yishchatu) = zij slachtten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Acht tafels: vier aan elke kant van de poort (twee binnen de voorhal en twee daarbuiten, vers 39–40). Zie ook: Ezech 40:39–40 **40:42** Er waren ook vier tafels voor het brandoffer, van gehouwen steen, anderhalve el lang, anderhalve el breed en één el hoog. Daarop legde men de werktuigen waarmee men het brandoffer en het slachtoffer slachtte. Brontekst: וְאַרְבָּעָה֩ (vearbaa) = en vier | שֻׁלְחָנ֨וֹת (shulchanot) = tafels | לָעוֹלָ֜ה (laola) = voor het brandoffer | אַבְנֵ֣י (avnei) = stenen van | גָזִ֗ית (gazit) = gehouwen steen | אֹרֶךְ֩ (orekh) = lengte | אַמָּ֨ה (ama) = el | אַחַ֤ת (achat) = een | וָחֵ֨צִי֙ (vachetsi) = en half | וְרֹ֨חַב (verochav) = en breedte | אַמָּ֤ה (ama) = el | אַחַת֙ (achat) = een | וָחֵ֔צִי (vachetsi) = en half | וְגֹ֖בַהּ (vegovah) = en hoogte | אַמָּ֣ה (ama) = el | אֶחָ֑ת (echat) = een | אֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = op hen | וְיַנִּ֤יחוּ (veyanichu) = en zij legden neer | אֶת (et) = (obj.) | הַכֵּלִים֙ (hakelim) = de werktuigen | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waarmee | יִשְׁחֲט֧וּ (yishchatu) = zij slachtten | אֶת (et) = (obj.) | הָעוֹלָ֛ה (haola) = het brandoffer | בָּ֖ם (bam) = daarmee | וְהַזָּֽבַח (vehazavach) = en het slachtoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גָזִית (gazit), ‘gehouwen steen’: bewerkte steen. Het tafelblad was anderhalve el lang en breed, en een el hoog. Voetnoot : הַכֵּלִים (hakelim), ‘de werktuigen’: de messen en andere gereedschappen voor het slachten. Zie ook: Ex 20:25; Ezech 40:39 **40:43** Rondom in het huis waren haken van een handbreedte aangebracht. Op de tafels lag het vlees van het offer. Brontekst: וְהַֽשְׁפַתַּ֗יִם (vehashfatayim) = en de haken | טֹ֧פַח (tofach) = handbreedte | אֶחָ֛ד (echad) = een | מוּכָנִ֥ים (mukhanim) = aangebracht | בַּבַּ֖יִת (babayit) = in het huis | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְאֶל (veel) = en op | הַשֻּׁלְחָנ֖וֹת (hashulchanot) = de tafels | בְּשַׂ֥ר (besar) = vlees van | הַקָּרְבָֽן (haqarevan) = het offer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַשְׁפַתַּיִם (hashefatayim), ‘de haken’: een zeldzaam woord. Het kan ook ‘randen’, ‘dubbele haken’ of ‘plankjes’ betekenen. De betekenis is niet zeker. Zij zijn waarschijnlijk bedoeld om het vlees op te hangen. Voetnoot : קָרְבָּן (qorban), ‘offer’: wat men dicht bij Yahweh brengt. Zie ook: Lev 1:6; Lev 1:8; Lev 8:20 ### De vertrekken voor de zangers en de priesters **40:44** Buiten de binnenste poort, in de binnenste voorhof, waren vertrekken voor zangers. Een daarvan lag aan de zijkant van de noordpoort en was naar het zuiden gericht. Een andere lag aan de zijkant van de oostpoort en was naar het noorden gericht. Brontekst: וּמִחוּצָה֩ (umichutsa) = en buiten | לַשַּׁ֨עַר (lashaar) = de poort | הַפְּנִימִ֜י (hapenimi) = de binnenste | לִֽשְׁכ֣וֹת (lishkhot) = vertrekken van | שָׁרִ֗ים (sharim) = zangers | בֶּחָצֵ֤ר (bechatser) = in de voorhof | הַפְּנִימִי֙ (hapenimi) = de binnenste | אֲשֶׁ֗ר (asher) = die | אֶל (el) = bij | כֶּ֨תֶף֙ (ketef) = zijde van | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | הַצָּפ֔וֹן (hatsafon) = het noorden | וּפְנֵיהֶ֖ם (ufeneihem) = en hun gezicht | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַדָּר֑וֹם (hadarom) = het zuiden | אֶחָ֗ד (echad) = een | אֶל (el) = bij | כֶּ֨תֶף֙ (ketef) = zijde van | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | הַקָּדִ֔ים (haqadim) = het oosten | פְּנֵ֖י (penei) = gericht | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = richting | הַצָּפֹֽן (hatsafon) = het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁרִים (sharim), ‘zangers’: zoals in de Masoretische tekst. Sommige oude vertalingen lezen anders. De zangers komen in de beschrijving van de tempel verder niet voor. Voetnoot : Het Hebreeuws is hier moeilijk: het eerste vertrek ligt aan de zijkant van de noordpoort en kijkt naar het zuiden, het tweede aan de zijkant van de oostpoort en kijkt naar het noorden. Wij volgen het Hebreeuws zo letterlijk mogelijk. Zie ook: 1 Kron 6:16–17; 1 Kron 16:41–43; Ezech 40:7; Ezech 40:23; Ezech 40:27 **40:45** Hij sprak tot mij: „Dit vertrek, dat naar het zuiden gericht is, is voor de priesters die de wacht bij het huis houden. Brontekst: וַיְדַבֵּ֖ר (vaydaber) = en hij sprak | אֵלָ֑י (elay) = tot mij | זֹ֣ה (zo) = deze | הַלִּשְׁכָּ֗ה (halishka) = het vertrek | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | פָּנֶ֨יהָ֙ (paneiha) = haar gezicht | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַדָּר֔וֹם (hadarom) = het zuiden | לַכֹּ֣הֲנִ֔ים (lakohanim) = voor de priesters | שֹׁמְרֵ֖י (shomerei) = bewakers van | מִשְׁמֶ֥רֶת (mishmeret) = wacht van | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת הַבָּיִת (mishmeret habayit), ‘de wacht bij het huis’: de zorg voor de tempel. De vertrekken worden toegewezen aan twee groepen priesters (verzen 45–46). Zie ook: Lev 8:35; 1 Kron 9:23; Ps 134:1; Ezech 8:5; Mal 2:4–7 **40:46** Het vertrek dat naar het noorden gericht is, is voor de priesters die de wacht bij het altaar houden. Zij zijn de zonen van Zadok, die uit de zonen van Levi dicht bij Yahweh mogen komen om Hem te dienen.” Brontekst: וְהַלִּשְׁכָּ֗ה (vehalishka) = en het vertrek | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | פָּנֶ֨יהָ֙ (paneiha) = haar gezicht | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַצָּפ֔וֹן (hatsafon) = het noorden | לַכֹּ֣הֲנִ֔ים (lakohanim) = voor de priesters | שֹׁמְרֵ֖י (shomerei) = bewakers van | מִשְׁמֶ֣רֶת (mishmeret) = wacht van | הַמִּזְבֵּ֑חַ (hamizbeach) = het altaar | הֵ֣מָּה (hema) = zij | בְנֵֽי (benei) = zonen van | צָד֗וֹק (tsadoq) = Zadok | הַקְּרֵבִ֧ים (haqerevim) = de naderenden | מִבְּנֵֽי (mibenei) = uit de zonen van | לֵוִ֛י (levi) = Levi | אֶל (el) = tot | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְשָׁרְתֽוֹ (leshareto) = om Hem te dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְנֵי צָדוֹק (bene Tsadoq), ‘de zonen van Zadok’: de priesterlijke familie die volgens deze tekst bij het altaar dient. Zie Ezech. 43:19 en 44:15 en 1 Kon. 2:35. Voetnoot : הַקְּרֵבִים (haqqerevim), ‘die dicht bij Yahweh mogen komen’: letterlijk ‘de naderenden’, de priesters die Yahweh mogen naderen en Hem dienen. Zie ook: Num 18:5; 1 Kon 2:35; Ezech 43:19; Ezech 44:15; Ezech 48:11 ### De binnenste voorhof en de voorhal van het huis **40:47** Hij mat de voorhof: honderd el lang en honderd el breed, vierkant. Het altaar stond voor het huis. Brontekst: וַיָּ֨מָד (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | הֶחָצֵ֜ר (hechatser) = de voorhof | אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte | מֵאָ֣ה (mea) = honderd | אַמָּ֗ה (ama) = el | וְרֹ֛חַב (verochav) = en breedte | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | אַמָּ֖ה (ama) = el | מְרֻבָּ֑עַת (merubaat) = vierkant | וְהַמִּזְבֵּ֖חַ (vehamizbeach) = en het altaar | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְרֻבָּעַת (merubba’at), ‘vierkant’: de voorhof was honderd bij honderd el. Het altaar stond in het midden voor het huis (de tempel). Zie ook: Ezech 40:19; Ezech 40:23; Ezech 40:27 **40:48** Hij bracht mij naar de voorhal van het huis. Hij mat bij de voorhal: vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant. De breedte van de poort was drie el aan de ene kant en drie el aan de andere kant. Brontekst: וַיְבִאֵנִי֮ (vayvieni) = en hij bracht mij | אֶל (el) = naar | אֻלָ֣ם (ulam) = voorhal van | הַבַּיִת֒ (habayit) = het huis | וַיָּ֨מָד֙ (vayamad) = en hij mat | אֵ֣ל (el) = bij | אֻלָ֔ם (ulam) = voorhal | חָמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | אַמּוֹת֙ (amot) = el | מִפֹּ֔ה (mipo) = aan deze kant | וְחָמֵ֥שׁ (vechamesh) = en vijf | אַמּ֖וֹת (amot) = el | מִפֹּ֑ה (mipo) = aan gene kant | וְרֹ֣חַב (verochav) = en breedte van | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | שָׁלֹ֤שׁ (shalosh) = drie | אַמּוֹת֙ (amot) = el | מִפּ֔וֹ (mipo) = aan deze kant | וְשָׁלֹ֥שׁ (veshalosh) = en drie | אַמּ֖וֹת (amot) = el | מִפּֽוֹ (mipo) = aan gene kant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אוּלָם הַבַּיִת (ulam habayit), ‘de voorhal van het huis’: de ingang van de eigenlijke tempel. Voetnoot : וַיָּמָד אֶל אֻלָם (vayyamod el ulam), ‘en mat bij de voorhal’: het Hebreeuws is hier ongewoon (‘el’ betekent normaal ‘naar’). Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : שָׁלֹשׁ אַמּוֹת (shalosh ammot), ‘drie el’: de maat van de poort; of de breedte van de poortzijden wordt niet gezegd. Zie ook: 1 Kon 6:3; 2 Kron 3:4 **40:49** De voorhal was twintig el lang en elf el breed. Men ging erheen omhoog langs treden. Naast de pijlers stonden pilaren, één aan elke kant. Brontekst: אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | הָאֻלָ֞ם (haulam) = de voorhal | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | אַמָּ֗ה (ama) = el | וְרֹ֨חַב֙ (verochav) = en breedte | עַשְׁתֵּ֣י (ashtei) = één | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | אַמָּ֔ה (ama) = el | וּבַֽמַּעֲל֔וֹת (uvamaalot) = en met treden | אֲשֶׁ֥ר (asher) = waarlangs | יַעֲל֖וּ (yaalu) = zij gingen omhoog | אֵלָ֑יו (elav) = naar het | וְעַמֻּדִים֙ (veamudim) = en pilaren | אֶל (el) = bij | הָ֣אֵילִ֔ים (haeilim) = de pijlers | אֶחָ֥ד (echad) = een | מִפֹּ֖ה (mipo) = aan deze kant | וְאֶחָ֥ד (veechad) = en een | מִפֹּֽה (mipo) = aan gene kant Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עַשְׁתֵּי עֶשְׂרֵה (ashtei esreh), ‘elf’: letterlijk ‘een-tien’. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst. Voetnoot : עַמֻּדִים (ammudim), ‘pilaren’: staande pilaren naast de pijlers, zoals Jachin en Boaz (1 Kon. 7:15–22). Voetnoot : מַעֲלוֹת (ma’alot), ‘treden’: hoeveel treden het zijn, zegt de tekst niet. Zie ook: 1 Kon 7:15–21; 2 Kron 3:17; Jer 52:17–23; Ezech 40:31; Openb 3:12 ## Ezechiël 41 _De tempel, het hoogheilige en de zijkamers van het huis_ ### De tempel en het hoogheilige **41:1** Hij bracht mij naar de tempel en mat de pijlers. Zij waren zes el breed aan de ene kant en zes el breed aan de andere kant, de breedte van de tent. Brontekst: וַיְבִיאֵ֖נִי (vayvieni) = en hij bracht mij | אֶל (el) = naar | הַהֵיכָ֑ל (haheikhal) = de tempel | וַיָּ֣מָד (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | הָאֵילִ֗ים (haeilim) = de pijlers | שֵׁשׁ (shesh) = zes | אַמּ֨וֹת (amot) = el | רֹ֧חַב (rochav) = breedte | מִפּ֛וֹ (mipo) = aan deze kant | וְשֵׁשׁ (veshesh) = en zes | אַמּֽוֹת (amot) = el | רֹ֥חַב (rochav) = breedte | מִפּ֖וֹ (mipo) = aan gene kant | רֹ֥חַב (rochav) = breedte van | הָאֹֽהֶל (haohel) = de tent Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: de grote ruimte van het huis, vóór het hoogheilige. In 1 Kon. 6–8 heet dit ‘hoofdzaal’. Hier volgen wij de woordkeuze van Ezechiël (8:16) en vertalen ‘tempel’; het hoogheilige is het achterste vertrek (vers 4). De voorhal heet ‘voorhal’ (ulam). Voetnoot : אֵילִים (elim), ‘pijlers’: zoals in 40:9. De pijlers van de tempel zijn zes el breed. Voetnoot : הָאֹהֶל (ha’ohel), ‘de tent’: onzeker. Waarschijnlijk wordt de dikte van de muurdelen met de breedte van de tabernakel vergeleken (vergelijk Exod. 26). De betekenis is niet zeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Ezech 40:2–3; Ezech 40:17; Ezech 41:4; Ezech 41:23; Ef 2:20–22; Openb 21:3 **41:2** De breedte van de ingang was tien el. De zijkanten van de ingang waren vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant. Hij mat de lengte van de tempel: veertig el, en de breedte: twintig el. Brontekst: וְרֹ֣חַב (verochav) = en breedte van | הַפֶּתַח֮ (hapetach) = de ingang | עֶ֣שֶׂר (eser) = tien | אַמּוֹת֒ (amot) = el | וְכִתְפ֣וֹת (vekhitfot) = en zijkanten van | הַפֶּ֔תַח (hapetach) = de ingang | חָמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | אַמּוֹת֙ (amot) = el | מִפּ֔וֹ (mipo) = aan deze kant | וְחָמֵ֥שׁ (vechamesh) = en vijf | אַמּ֖וֹת (amot) = el | מִפּ֑וֹ (mipo) = aan gene kant | וַיָּ֤מָד (vayamad) = en hij mat | אָרְכּוֹ֙ (arko) = haar lengte | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | אַמָּ֔ה (ama) = el | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De lengte van de tempel (veertig el) en de breedte (twintig el) komen overeen met de hoofdzaal van Salomo (1 Kon. 6:2–3, 17). Het hoogheilige is twintig bij twintig el (vers 4). Zie ook: Ex 26:36; Ex 36:37; 1 Kon 6:2; 1 Kon 6:17; 2 Kron 3:3; Ezech 41:4 **41:3** Hij ging naar binnen en mat de pijler van de ingang: twee el. De ingang was zes el en de breedte van de ingang zeven el. Brontekst: וּבָ֣א (uva) = en hij ging | לִפְנִ֔ימָה (lifnima) = naar binnen | וַיָּ֥מָד (vayamad) = en hij mat | אֵֽיל (eil) = pijler van | הַפֶּ֖תַח (hapetach) = de ingang | שְׁתַּ֣יִם (shetayim) = twee | אַמּ֑וֹת (amot) = el | וְהַפֶּ֨תַח֙ (vehapetach) = en de ingang | שֵׁ֣שׁ (shesh) = zes | אַמּ֔וֹת (amot) = el | וְרֹ֥חַב (verochav) = en breedte van | הַפֶּ֖תַח (hapetach) = de ingang | שֶׁ֥בַע (sheva) = zeven | אַמּֽוֹת (amot) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּתַח (petach), ‘ingang’: de ingang van het hoogheilige. Het Hebreeuws is kort: ‘de ingang: zes el, en de breedte van de ingang: zeven el’. De maten kunnen hoogte en breedte of de breedte van de ingang met de muur betekenen. Wij vertalen letterlijk. Zie ook: Ezech 40:16 **41:4** Hij mat de lengte: twintig el, en de breedte: twintig el, tegenover de tempel. Hij zei tot mij: „Dit is het hoogheilige.” Brontekst: וַיָּ֨מָד (vayamad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | אָרְכּ֜וֹ (arko) = haar lengte | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | אַמָּ֗ה (ama) = el | וְרֹ֛חַב (verochav) = en breedte | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | אַמָּ֖ה (ama) = el | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֣י (penei) = voorkant van | הַֽהֵיכָ֑ל (haheikhal) = de tempel | וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | זֶ֖ה (ze) = dit | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = heiligdom van | הַקֳּדָשִֽׁים (haqodashim) = de heiligdommen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (qodesh haqqodashim), ‘het hoogheilige’: het binnenste vertrek van de tempel, zoals in Exod. 26:33 en 1 Kon. 6:16. Zie ook: Ex 26:33–34; 1 Kon 6:16; 1 Kon 6:20; 2 Kron 3:8; Heb 9:3–8 ### De zijkamers rondom het huis **41:5** Hij mat de muur van het huis: zes el. De breedte van de zijkamers rondom het huis was vier el. Brontekst: וַיָּ֥מָד (vayamad) = en hij mat | קִֽיר (qir) = muur van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | שֵׁ֣שׁ (shesh) = zes | אַמּ֑וֹת (amot) = el | וְרֹ֣חַב (verochav) = en breedte van | הַצֵּלָע֩ (hatsela) = de zijkamer | אַרְבַּ֨ע (arba) = vier | אַמּ֜וֹת (amot) = el | סָבִ֧יב (saviv) = rondom | סָבִ֛יב (saviv) = rondom | לַבַּ֖יִת (labayit) = voor het huis | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֵלָע (tsela), ‘zijkamer’: letterlijk ‘rib, zijde’. Zij liggen als een aanbouw rondom het huis, zoals in 1 Kon. 6:5–6. Zie ook: 1 Kon 6:5–6; Ezech 41:6–9; Ezech 42:3–14 **41:6** De zijkamers lagen kamer aan kamer, drieëndertig maal. Zij stonden in de muur van het huis, voor de zijkamers rondom, om vastgehouden te worden. Maar zij werden niet vastgehouden in de muur van het huis. Brontekst: וְהַצְּלָעוֹת֩ (vehatselaot) = en de zijkamers | צֵלָ֨ע (tsela) = zijkamer | אֶל (el) = naast | צֵלָ֜ע (tsela) = zijkamer | שָׁל֧וֹשׁ (shalosh) = drie | וּשְׁלֹשִׁ֣ים (usheloshim) = en dertig | פְּעָמִ֗ים (peamim) = maal | וּ֠בָאוֹת (uvaot) = en zij kwamen | בַּקִּ֨יר (baqir) = in de muur | אֲשֶׁר (asher) = die | לַבַּ֧יִת (labayit) = voor het huis | לַצְּלָע֛וֹת (latselaot) = voor de zijkamers | סָבִ֥יב (saviv) = rondom | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | לִהְי֣וֹת (lihyot) = om te zijn | אֲחוּזִ֑ים (achuzim) = vastgehouden | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִהְי֥וּ (yihyu) = zij waren | אֲחוּזִ֖ים (achuzim) = vastgehouden | בְּקִ֥יר (beqir) = in de muur van | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׁלוֹשׁ וּשְׁלֹשִׁים פְּעָמִים (shalosh ushloshim pe’amim), ‘drieëndertig maal’: het kan betekenen ‘drie verdiepingen van dertig’, dus negentig zijkamers, of ‘driemaal dertig’. Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘drieëndertig keer’. Wij laten het zoals het staat. Voetnoot : אֲחוּזִים (achuzim), ‘vastgehouden’: de balken van de zijkamers rustten op insprongen in de muur en zaten niet in de muur zelf vast; zie 1 Kon. 6:6. Zie ook: 1 Kon 6:5–6; 1 Kon 6:6; 1 Kon 6:10; Ezech 40:17; 1 Petr 1:5 **41:7** Het werd breder en liep steeds hoger rond, voor de zijkamers. Want de omgang van het huis ging steeds hoger, rondom het huis. Daarom was het huis naar boven breder. Zo ging men omhoog van de onderste laag naar de bovenste, via de middelste. Brontekst: וְֽרָחֲבָ֡ה (verachava) = en het werd breder | וְֽנָסְבָה֩ (venaseva) = en het draaide | לְמַ֨עְלָה (lemala) = omhoog | לְמַ֜עְלָה (lemala) = omhoog | לַצְּלָע֗וֹת (latselaot) = voor de zijkamers | כִּ֣י (ki) = want | מֽוּסַב (musav) = omgang van | הַ֠בַּיִת (habayit) = het huis | לְמַ֨עְלָה (lemala) = omhoog | לְמַ֜עְלָה (lemala) = omhoog | סָבִ֤יב (saviv) = rondom | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | לַבַּ֔יִת (labayit) = voor het huis | עַל (al) = op | כֵּ֥ן (ken) = zo | רֹֽחַב (rochav) = breedte | לַבַּ֖יִת (labayit) = van het huis | לְמָ֑עְלָה (lemaela) = omhoog | וְכֵ֧ן (vekhen) = en zo | הַתַּחְתּוֹנָ֛ה (hatachtona) = de onderste | יַעֲלֶ֥ה (yaale) = men ging omhoog | עַל (al) = naar | הָעֶלְיוֹנָ֖ה (haelyona) = de bovenste | לַתִּיכוֹנָֽה (latikhona) = via de middelste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסַב (musab), ‘omgang’: een wenteltrap of trap rondom het huis (zoals de ‘wenteltrappen’ in 1 Kon. 6:8). De betekenis is niet helemaal zeker. Voetnoot : Dit vers beschrijft hoe de zijkamers naar boven breder werden doordat de muur van het huis steeds dunner werd. Zie ook: 1 Kon 6:8; Mat 13:32; Heb 6:1 **41:8** Ik zag dat het huis rondom een verhoging had. De grondslagen van de zijkamers waren een volle lat van zes el, tot aan de rand. Brontekst: וְרָאִ֧יתִי (veraiti) = en ik zag | לַבַּ֛יִת (labayit) = voor het huis | גֹּ֖בַהּ (govah) = verhoging | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | מוּסְד֤וֹת (musedot) = grondslagen van | הַצְּלָעוֹת֙ (hatselaot) = de zijkamers | מְל֣וֹ (melo) = een volle | הַקָּנֶ֔ה (haqane) = de lat | שֵׁ֥שׁ (shesh) = zes | אַמּ֖וֹת (amot) = el | אַצִּֽילָה (atsila) = tot aan de rand Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גֹּבַהּ (gobah), ‘verhoging’: een platform rondom het huis. אַצִּילָה (atsilah), ‘tot aan de rand’: een zeldzaam woord, onzeker; het kan ook ‘verbindingsstuk’ of ‘voegen’ betekenen. Voetnoot : מוּסְדוֹת (musadot), ‘grondslagen’: de onderste delen van de zijkamers. Het gaat om een volle lat van zes el. Zie ook: Ezech 40:5; Openb 21:16 **41:9** De breedte van de muur van de zijkamer aan de buitenkant was vijf el. Wat openlag, was de ruimte van de zijkamers die bij het huis hoorden. Brontekst: רֹ֣חַב (rochav) = breedte van | הַקִּ֧יר (haqir) = de muur | אֲֽשֶׁר (asher) = die | לַצֵּלָ֛ע (latsela) = van de zijkamer | אֶל (el) = naar | הַח֖וּץ (hachuts) = buiten | חָמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | אַמּ֑וֹת (amot) = el | וַאֲשֶׁ֣ר (vaasher) = en wat | מֻנָּ֔ח (munach) = open ruimte | בֵּ֥ית (beit) = huis van | צְלָע֖וֹת (tselaot) = zijkamers | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לַבָּֽיִת (labayit) = bij het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֻנָּח (munnach), ‘wat openligt’: de open ruimte tussen de zijkamers en de vertrekken aan de buitenkant. Dit hapax is onzeker. Zie ook: Ezech 41:11; Ezech 42:1; Ezech 42:4 **41:10** Tussen de vertrekken was een breedte van twintig el, rondom het huis. Brontekst: וּבֵ֨ין (uvein) = en tussen | הַלְּשָׁכ֜וֹת (haleshakhot) = de vertrekken | רֹ֣חַב (rochav) = breedte | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | אַמָּ֛ה (ama) = el | סָבִ֥יב (saviv) = rondom | לַבַּ֖יִת (labayit) = voor het huis | סָבִ֥יב (saviv) = rondom | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְשָׁכוֹת (lishkot), ‘vertrekken’: de vertrekken van de priesters rondom het huis. Zie ook Ezech. 42:1. Zie ook: Ezech 40:17; Ezech 42:1 **41:11** De ingangen van de zijkamers kwamen uit op de open ruimte: een ingang aan de noordkant en een ingang aan de zuidkant. De breedte van de open ruimte was rondom vijf el. Brontekst: וּפֶ֤תַח (ufetach) = en ingang van | הַצֵּלָע֙ (hatsela) = de zijkamer | לַמֻּנָּ֔ח (lamunach) = naar de open ruimte | פֶּ֤תַח (petach) = ingang | אֶחָד֙ (echad) = een | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = richting | הַצָּפ֔וֹן (hatsafon) = het noorden | וּפֶ֥תַח (ufetach) = en ingang | אֶחָ֖ד (echad) = een | לַדָּר֑וֹם (ladarom) = naar het zuiden | וְרֹ֨חַב֙ (verochav) = en breedte van | מְק֣וֹם (meqom) = plaats van | הַמֻּנָּ֔ח (hamunach) = de open ruimte | חָמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | אַמּ֖וֹת (amot) = el | סָבִ֥יב (saviv) = rondom | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De ingangen aan de noord- en zuidkant verbinden de zijkamers met de open ruimte rondom het huis. Zie ook: Ezech 41:9; Ezech 42:4 ### Het bouwwerk achter het huis **41:12** Het bouwwerk dat tegenover het afgescheiden terrein lag, aan de westkant, was zeventig el breed. De muur van het bouwwerk was rondom vijf el breed. Het was negentig el lang. Brontekst: וְהַבִּנְיָ֡ן (vehabinyan) = en het bouwwerk | אֲשֶׁר֩ (asher) = dat | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֨י (penei) = voorkant van | הַגִּזְרָ֜ה (hagizra) = het afgescheiden terrein | פְּאַ֣ת (peat) = zijde van | דֶּֽרֶךְ (derekh) = richting | הַיָּ֗ם (hayam) = de zee | רֹ֚חַב (rochav) = breedte | שִׁבְעִ֣ים (shivim) = zeventig | אַמָּ֔ה (ama) = el | וְקִ֧יר (veqir) = en muur van | הַבִּנְיָ֛ן (habinyan) = het bouwwerk | חָֽמֵשׁ (chamesh) = vijf | אַמּ֥וֹת (amot) = el | רֹ֖חַב (rochav) = breedte | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְאָרְכּ֖וֹ (vearko) = en haar lengte | תִּשְׁעִ֥ים (tishim) = negentig | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּזְרָה (gizrah), ‘afgescheiden terrein’: een apart stuk grond naast het huis, vermoedelijk met een muur. Het woord komt in Ezechiël alleen in 41–42 voor; de betekenis is onzeker. בִּנְיָן (binyan), ‘bouwwerk’: een gebouw aan de westkant, achter het huis. Voetnoot : דֶּרֶךְ הַיָּם (derech hayam), ‘richting de zee’: dat is het westen, naar de Middellandse Zee. Zie ook: Ezech 41:13–15; Ezech 42:1; Ezech 42:10; Ezech 42:13; Openb 22:14–15 **41:13** Hij mat het huis: honderd el lang. Het afgescheiden terrein en het bouwwerk met zijn muren waren ook honderd el lang. Brontekst: וּמָדַ֣ד (umadad) = en hij mat | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | אֹ֖רֶךְ (orekh) = lengte | מֵאָ֣ה (mea) = honderd | אַמָּ֑ה (ama) = el | וְהַגִּזְרָ֤ה (vehagizra) = en het afgescheiden terrein | וְהַבִּנְיָה֙ (vehabinya) = en het bouwwerk | וְקִ֣ירוֹתֶ֔יהָ (veqiroteiha) = en zijn muren | אֹ֖רֶךְ (orekh) = lengte | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de verzen 13–15 komt de maat van honderd el steeds terug: voor het huis, voor het afgescheiden terrein met het bouwwerk, en voor de breedte aan de oostkant. Zie ook: Ezech 40:47 **41:14** De breedte van de voorkant van het huis en van het afgescheiden terrein aan de oostkant was honderd el. Brontekst: וְרֹחַב֩ (verochav) = en breedte van | פְּנֵ֨י (penei) = voorkant van | הַבַּ֧יִת (habayit) = het huis | וְהַגִּזְרָ֛ה (vehagizra) = en het afgescheiden terrein | לַקָּדִ֖ים (laqadim) = naar het oosten | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het huis en het afgescheiden terrein lagen aan de oostkant samen honderd el breed. ### De bekleding en de versiering **41:15** Hij mat de lengte van het bouwwerk tegenover het afgescheiden terrein, dat achter het huis lag, met zijn galerijen aan beide kanten: honderd el. De binnenste tempel en de voorhallen van de voorhof, Brontekst: וּמָדַ֣ד (umadad) = en hij mat | אֹֽרֶךְ (orekh) = lengte van | הַ֠בִּנְיָן (habinyan) = het bouwwerk | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֨י (penei) = voorkant van | הַגִּזְרָ֜ה (hagizra) = het afgescheiden terrein | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | עַל (al) = aan | אַחֲרֶ֧יהָ (achareiha) = de achterkant ervan | וְאַתִּיקֶ֛יהָא (veatiqeiha) = en haar galerijen | מִפּ֥וֹ (mipo) = aan deze kant | וּמִפּ֖וֹ (umipo) = en aan gene kant | מֵאָ֣ה (mea) = honderd | אַמָּ֑ה (ama) = el | וְהַֽהֵיכָל֙ (vehaheikhal) = en de tempel | הַפְּנִימִ֔י (hapenimi) = de binnenste | וְאֻֽלַמֵּ֖י (veulamei) = en voorhallen van | הֶחָצֵֽר (hechatser) = de voorhof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַתִּיקִים (attiqim), ‘galerijen’: bouwdelen met kolommen of wandelgangen. Het woord is zeldzaam (zie ook Ezech. 42:3, 5). De betekenis is onzeker. Voetnoot : De zin loopt door in vers 16. De opsomming gaat verder met drempels, vensters en galerijen. Zie ook: Hoogl 7:6; Ezech 41:12; Ezech 41:16; Ezech 41:17; Ezech 42:1; Ezech 42:3 **41:16** de drempels, de gesloten vensters en de galerijen rondom, alle drie, tegenover de drempel, waren rondom met hout bekleed. Ook de grond, tot aan de vensters, en de vensters waren bedekt. Brontekst: הַסִּפִּ֡ים (hasipim) = de drempels | וְהַחַלּוֹנִ֣ים (vehachalonim) = en de vensters | הָ֠אֲטֻמוֹת (haatumot) = de gesloten | וְהָאַתִּיקִ֤ים (vehaatiqim) = en de galerijen | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | לִשְׁלָשְׁתָּ֔ם (lishlashtam) = voor alle drie | נֶ֧גֶד (neged) = tegenover | הַסַּ֛ף (hasaf) = de drempel | שְׂחִ֥יף (sechif) = bekleed | עֵ֖ץ (ets) = hout | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְהָאָ֨רֶץ֙ (vehaarets) = en de grond | עַד (ad) = tot | הַֽחַלֹּנ֔וֹת (hachalonot) = de vensters | וְהַֽחַלֹּנ֖וֹת (vehachalonot) = en de vensters | מְכֻסּֽוֹת (mekhusot) = bedekt Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. De tekst noemt drempels, gesloten vensters en galerijen die rondom met hout bekleed zijn. Wat precies met ‘de grond tot aan de vensters’ en ‘bedekt’ bedoeld is, zegt de tekst niet. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : שְׂחִיף (sechif), ‘bekleed’: een zeldzaam woord. Zie ook: 1 Kon 6:4; 1 Kon 6:15; Jes 6:4; Ezech 40:16; Ezech 40:25 **41:17** Tot boven de ingang, tot aan het binnenste huis en aan de buitenkant, en aan heel de muur rondom, binnen en buiten, waren maten. Brontekst: עַל (al) = tot | מֵעַ֣ל (meal) = boven | הַפֶּ֡תַח (hapetach) = de ingang | וְעַד (vead) = en tot | הַבַּיִת֩ (habayit) = het huis | הַפְּנִימִ֨י (hapenimi) = het binnenste | וְלַח֜וּץ (velachuts) = en buiten | וְאֶל (veel) = en aan | כָּל (kal) = heel | הַקִּ֨יר (haqir) = de muur | סָבִ֧יב (saviv) = rondom | סָבִ֛יב (saviv) = rondom | בַּפְּנִימִ֥י (bapenimi) = binnen | וּבַחִיצ֖וֹן (uvachitson) = en buiten | מִדּֽוֹת (midot) = maten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit vers is moeilijk. Het Hebreeuws zegt: ‘Tot boven de ingang en tot het binnenste huis en buiten en aan heel de muur rondom, binnen en buiten: maten.’ Wij vertalen zo letterlijk mogelijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Ezech 42:15 **41:18** Er waren cherubs en palmen aangebracht, een palm tussen cherub en cherub. Elke cherub had twee gezichten. Brontekst: וְעָשׂ֥וּי (veasuy) = en gemaakt | כְּרוּבִ֖ים (keruvim) = cherubs | וְתִֽמֹרִ֑ים (vetimorim) = en palmen | וְתִֽמֹרָה֙ (vetimora) = en palm | בֵּין (bein) = tussen | כְּר֣וּב (keruv) = cherub | לִכְר֔וּב (likhruv) = en cherub | וּשְׁנַ֥יִם (ushenayim) = en twee | פָּנִ֖ים (panim) = gezichten | לַכְּרֽוּב (lakeruv) = voor cherub Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּרוּבִים (keruvim), ‘cherubs’ en תִּמֹרִים (timmorim), ‘palmen’: versieringen in de wand, zoals in 1 Kon. 6:29. Zie ook Ezech. 10 voor de cherubs. Zie ook: 1 Kon 6:29; 1 Kon 7:36; 2 Kron 3:7; Ezech 10:21; Ezech 40:16; Ezech 40:22 **41:19** Het gezicht van een mens was gekeerd naar de palm aan de ene kant. Het gezicht van een jonge leeuw was gekeerd naar de palm aan de andere kant. Zo was het aangebracht aan heel het huis rondom. Brontekst: וּפְנֵ֨י (ufenei) = en gezicht van | אָדָ֤ם (adam) = mens | אֶל (el) = naar | הַתִּֽמֹרָה֙ (hatimora) = de palm | מִפּ֔וֹ (mipo) = aan deze kant | וּפְנֵֽי (ufenei) = en gezicht van | כְפִ֥יר (kefir) = jonge leeuw | אֶל (el) = naar | הַתִּֽמֹרָ֖ה (hatimora) = de palm | מִפּ֑וֹ (mipo) = aan gene kant | עָשׂ֥וּי (asuy) = gemaakt | אֶל (el) = aan | כָּל (kal) = heel | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | סָבִ֥יב (saviv) = rondom | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּנֵי אָדָם (penei adam), ‘gezicht van een mens’, en פְּנֵי כְפִיר (penei kefir), ‘gezicht van een jonge leeuw’: elke cherub heeft hier twee gezichten. In Ezech. 1:10 en 10:14 heeft de cherub er vier. Wij laten het verschil bestaan. Zie ook: Ezech 1:10; Ezech 10:14 **41:20** Van de grond tot boven de ingang waren de cherubs en de palmen aangebracht, en ook op de muur van de tempel. Brontekst: מֵהָאָ֨רֶץ֙ (mehaarets) = van de grond | עַד (ad) = tot | מֵעַ֣ל (meal) = boven | הַפֶּ֔תַח (hapetach) = de ingang | הַכְּרוּבִ֥ים (hakeruvim) = de cherubs | וְהַתִּֽמֹרִ֖ים (vehatimorim) = en de palmen | עֲשׂוּיִ֑ם (asuyim) = gemaakt | וְקִ֖יר (veqir) = en muur van | הַׄהֵׄיׄכָֽׄלׄ (haheikhal) = de tempel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De versiering loopt van de vloer tot boven de ingang, dus over de hele hoogte van de muur. Zie ook: Ezech 41:18 ### De deurposten, het houten altaar en de deuren **41:21** De deurposten van de tempel waren vierkant. Aan de voorkant van het heiligdom was de aanblik als de aanblik van Brontekst: הַֽהֵיכָ֖ל (haheikhal) = de tempel | מְזוּזַ֣ת (mezuzat) = deurposten van | רְבֻעָ֑ה (revua) = vierkant | וּפְנֵ֣י (ufenei) = en voorkant van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | הַמַּרְאֶ֖ה (hamare) = de aanblik | כַּמַּרְאֶֽה (kamare) = als aanblik Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְזוּזַת (mezuzat), ‘deurposten’: de zijposten van de ingang. רְבֻעָה (rev’ah), ‘vierkant’. Het hoogheilige wordt hier ‘het heiligdom’ genoemd; ‘de aanblik als de aanblik van’ loopt door in vers 22. De tekst is hier afgebroken of onvolledig overgeleverd; wij vertalen zoals hij staat. Zie ook: 1 Kon 6:33; Ezech 40:14; Ezech 41:1; Ezech 41:22 **41:22** een altaar van hout, drie el hoog en twee el lang. Zijn hoeken, zijn lengte en zijn wanden waren van hout. Hij zei tot mij: „Dit is de tafel die voor het aangezicht van Yahweh staat.” Brontekst: הַמִּזְבֵּ֡חַ (hamizbeach) = het altaar | עֵ֣ץ (ets) = hout | שָׁלוֹשׁ֩ (shalosh) = drie | אַמּ֨וֹת (amot) = el | גָּבֹ֜הַּ (gavoha) = hoogte | וְאָרְכּ֣וֹ (vearko) = en zijn lengte | שְׁתַּֽיִם (shetayim) = twee | אַמּ֗וֹת (amot) = el | וּמִקְצֹֽעוֹתָיו֙ (umiqtsootav) = en zijn hoeken | ל֔וֹ (lo) = voor hem | וְאָרְכּ֥וֹ (vearko) = en zijn lengte | וְקִֽירֹתָ֖יו (veqirotav) = en zijn wanden | עֵ֑ץ (ets) = hout | וַיְדַבֵּ֣ר (vaydaber) = en hij sprak | אֵלַ֔י (elay) = tot mij | זֶ֚ה (ze) = dit | הַשֻּׁלְחָ֔ן (hashulchan) = de tafel | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לִפְנֵ֥י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמִּזְבֵּחַ עֵץ (hammizbeach etz), ‘een altaar van hout’: het wordt daarna ‘de tafel voor het aangezicht van Yahweh’ genoemd. Het gaat waarschijnlijk om een tafel of altaar in de tempel. Vergelijk Exod. 25:23–30 en 30:1–10. Voetnoot : אָרְכּוֹ (orko), ‘zijn lengte’: het woord komt twee keer voor. De tweede keer is onzeker: ‘zijn voetstuk’ of ‘zijn bovenkant’. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Ex 25:23–30; Ex 30:1; Lev 24:6; Ezech 23:41; Ezech 44:16; Mal 1:7; Mal 1:12 **41:23** De tempel en het heiligdom hadden elk twee deuren. Brontekst: וּשְׁתַּ֧יִם (ushtayim) = en twee | דְּלָת֛וֹת (delatot) = deuren | לַֽהֵיכָ֖ל (laheikhal) = voor de tempel | וְלַקֹּֽדֶשׁ (velaqodesh) = en voor het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דְּלָתוֹת (delatot), ‘deuren’: in het Hebreeuws is dit een meervoud. De tempel en het heiligdom hadden elk een deur van twee delen (vers 24). Zie ook: 1 Kon 6:31–35; 2 Kron 4:22; Ezech 41:1; Ezech 41:24 **41:24** Elke deur had twee delen die draaiden: twee delen voor de ene deur en twee voor de andere. Brontekst: וּשְׁתַּ֥יִם (ushtayim) = en twee | דְּלָת֖וֹת (delatot) = deuren | לַדְּלָת֑וֹת (ladelatot) = voor de deuren | שְׁ֚תַּיִם (shetayim) = twee | מוּסַבּ֣וֹת (musabot) = draaibaar | דְּלָת֔וֹת (delatot) = deuren | שְׁ֚תַּיִם (shetayim) = twee | לְדֶ֣לֶת (ledelet) = voor deur | אֶחָ֔ת (echat) = een | וּשְׁתֵּ֥י (ushtei) = en twee | דְלָת֖וֹת (delatot) = deuren | לָאַחֶֽרֶת (laacheret) = voor de andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוּסַבּוֹת (musabbot), ‘draaibaar’: de delen draaiden om hun as; zie 1 Kon. 6:34. Zie ook: 1 Kon 6:34; Ezech 40:48 **41:25** Op de deuren van de tempel waren cherubs en palmen aangebracht, zoals op de wanden. Een dikke houten balk lag voor de voorhal, aan de buitenkant. Brontekst: וַעֲשׂוּיָ֨ה (vaasuya) = en gemaakt | אֲלֵיהֶ֜ן (aleihen) = op hen | אֶל (el) = op | דַּלְת֤וֹת (daltot) = deuren van | הַֽהֵיכָל֙ (haheikhal) = de tempel | כְּרוּבִ֣ים (keruvim) = cherubs | וְתִֽמֹרִ֔ים (vetimorim) = en palmen | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | עֲשׂוּיִ֖ם (asuyim) = gemaakt | לַקִּיר֑וֹת (laqirot) = op de wanden | וְעָ֥ב (veav) = en dikke balk van | עֵ֛ץ (ets) = hout | אֶל (el) = voor | פְּנֵ֥י (penei) = voorkant van | הָאוּלָ֖ם (haulam) = de voorhal | מֵהַחֽוּץ (mehachuts) = van buiten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עָב עֵץ (av etz), ‘een dikke houten balk’: een zeldzaam woord, ook in 1 Kon. 7:6. Het kan ook ‘luifel’ of ‘dakrand’ betekenen. De betekenis is niet zeker. Zie ook: 1 Kon 7:6; Ezech 41:18 **41:26** Er waren gesloten vensters en palmen aan weerszijden, aan de zijkanten van de voorhal, bij de zijkamers van het huis en bij de balken. Brontekst: וְחַלּוֹנִ֨ים (vechalonim) = en vensters | אֲטֻמ֤וֹת (atumot) = gesloten | וְתִֽמֹרִים֙ (vetimorim) = en palmen | מִפּ֣וֹ (mipo) = aan deze kant | וּמִפּ֔וֹ (umipo) = en aan gene kant | אֶל (el) = aan | כִּתְפ֖וֹת (kitfot) = zijkanten van | הָֽאוּלָ֑ם (haulam) = de voorhal | וְצַלְע֥וֹת (vetsalot) = en zijkamers van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | וְהָעֻבִּֽים (vehaubim) = en de balken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חַלּוֹנִים אֲטֻמוֹת (chalonim atumot), ‘gesloten vensters’: zie 40:16. Voetnoot : הָעֻבִּים (ha’abbim), ‘de balken’: zie vers 25. Zo eindigt de beschrijving van de tempel; in hoofdstuk 42 volgen de vertrekken. Zie ook: Ezech 40:16; Ezech 41:5; Ezech 41:16; Ezech 41:25 ## Ezechiël 42 _De vertrekken van de priesters en de maten van het hele tempelterrein_ ### De vertrekken aan de noordkant **42:1** Hij bracht mij naar buiten, naar de buitenste voorhof, in de richting van het noorden. Hij bracht mij naar de vertrekken tegenover het afgescheiden terrein en tegenover het bouwwerk aan de noordkant. Brontekst: וַיּוֹצִאֵ֗נִי (vayotsieni) = en hij bracht mij naar buiten | אֶל (el) = naar | הֶֽחָצֵר֙ (hechatser) = de voorhof | הַחִ֣יצוֹנָ֔ה (hachitsona) = de buitenste | הַדֶּ֖רֶךְ (haderekh) = de weg | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = in de richting van | הַצָּפ֑וֹן (hatsafon) = het noorden | וַיְבִאֵ֣נִי (vayvieni) = en hij bracht mij | אֶל (el) = naar | הַלִּשְׁכָּ֗ה (halishka) = het vertrek | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | נֶ֧גֶד (neged) = tegenover | הַגִּזְרָ֛ה (hagizra) = het afgescheiden terrein | וַאֲשֶֽׁר (vaasher) = en dat | נֶ֥גֶד (neged) = tegenover | הַבִּנְיָ֖ן (habinyan) = het bouwwerk | אֶל (el) = naar | הַצָּפֽוֹן (hatsafon) = het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגִּזְרָה (hagizrah), ‘het afgescheiden terrein’: afgeleid van een werkwoord dat ‘afsnijden’ betekent. Het gaat om een open terrein bij het tempelhuis (zie ook 41:12–15). Wat het precies was, is niet zeker. Voetnoot : הַלִּשְׁכָּה (halishkah), ‘het vertrek’: in het Hebreeuws staat het enkelvoud als verzamelnaam. Wij schrijven ‘vertrekken’. Voetnoot : הַבִּנְיָן (habinyan), ‘het bouwwerk’: het gebouw aan de westkant van het afgescheiden terrein (zie 41:12). Zie ook: Ezech 40:17; Ezech 40:20; Ezech 41:1; Ezech 41:12–15; Ezech 42:4 **42:2** De voorkant, met de ingang aan de noordkant, was honderd el lang. De breedte was vijftig el. Brontekst: אֶל (el) = voor | פְּנֵי (penei) = het gezicht van | אֹ֨רֶךְ֙ (orekh) = lengte van | אַמּ֣וֹת (amot) = el | הַמֵּאָ֔ה (hamea) = de honderd | פֶּ֖תַח (petach) = ingang van | הַצָּפ֑וֹן (hatsafon) = het noorden | וְהָרֹ֖חַב (veharochav) = en de breedte | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | אַמּֽוֹת (amot) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַמָּה (amah), ‘el’: een lengtemaat; zie de uitleg bij 40:5. Voetnoot : Letterlijk: ‘voor het gezicht van de lengte van honderd el, de ingang van het noorden’. Zie ook: Ezech 41:13 **42:3** Tegenover de twintig el van de binnenste voorhof en tegenover de bestrating van de buitenste voorhof lag galerij tegenover galerij, op drie verdiepingen. Brontekst: נֶ֣גֶד (neged) = tegenover | הָֽעֶשְׂרִ֗ים (haesrim) = de twintig | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | לֶחָצֵ֣ר (lechatser) = bij de voorhof | הַפְּנִימִ֔י (hapenimi) = de binnenste | וְנֶ֣גֶד (veneged) = en tegenover | רִֽצְפָ֔ה (ritsfa) = de bestrating | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | לֶחָצֵ֣ר (lechatser) = bij de voorhof | הַחִֽיצוֹנָ֑ה (hachitsona) = de buitenste | אַתִּ֥יק (atiq) = galerij | אֶל (el) = tegenover | פְּנֵֽי (penei) = het gezicht van | אַתִּ֖יק (atiq) = galerij | בַּשְּׁלִשִֽׁים (bashelishim) = op drie verdiepingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אַתִּיק (atiq), ‘galerij’: een zeldzaam woord. De betekenis is niet zeker; het gaat om een gaanderij of balkon, ook genoemd in 41:15–16. Voetnoot : בַּשְּׁלִשִׁים (bashlishim), ‘op drie verdiepingen’: letterlijk ‘in de drieën’. De tekst is moeilijk; vers 5 en 6 zeggen dat het om drie lagen gaat. Voetnoot : De twintig el: waarschijnlijk de strook rondom het tempelhuis (zie 41:10); dat is niet zeker. Zie ook: 2 Kron 7:3; Ezech 40:17–18; Ezech 41:10; Ezech 41:15–16; Ezech 42:5; Ezech 42:6 **42:4** Voor de vertrekken lag een gang van tien el breed, aan de binnenkant, en een pad van één el. Hun ingangen lagen aan de noordkant. Brontekst: וְלִפְנֵ֨י (velifnei) = en voor | הַלְּשָׁכ֜וֹת (haleshakhot) = de vertrekken | מַהֲלַךְ֩ (mahalakh) = gang van | עֶ֨שֶׂר (eser) = tien | אַמּ֥וֹת (amot) = el | רֹ֨חַב֙ (rochav) = breedte | אֶל (el) = naar | הַפְּנִימִ֔ית (hapenimit) = de binnenkant | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = weg van | אַמָּ֣ה (ama) = el | אֶחָ֑ת (echat) = een | וּפִתְחֵיהֶ֖ם (ufitcheihem) = en hun ingangen | לַצָּפֽוֹן (latsafon) = naar het noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: דֶּרֶךְ אַמָּה אַחַת (derekh amah achat), ‘een pad van één el’: de tekst is moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Ezech 46:19; Mat 7:14; Luc 13:24 **42:5** De bovenste vertrekken waren korter, want de galerijen namen er ruimte van weg, meer dan van de onderste en de middelste verdieping van het bouwwerk. Brontekst: וְהַלְּשָׁכ֥וֹת (vehaleshakhot) = en de vertrekken | הָעֶלְיוֹנֹ֖ת (haelyonot) = de bovenste | קְצֻר֑וֹת (qetsurot) = korter | כִּֽי (ki) = want | יוֹכְל֨וּ (yokhelu) = namen weg | אַתִּיקִ֜ים (atiqim) = galerijen | מֵהֵ֗נָה (mehena) = van hen | מֵֽהַתַּחְתֹּנ֛וֹת (mehatachtonot) = dan de onderste | וּמֵהַתִּֽכֹנ֖וֹת (umehatikhonot) = en dan de middelste | בִּנְיָֽן (binyan) = bouwwerk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יוּכְלוּ (yukhlu): het werkwoord betekent ‘wegnemen’ of ‘opeten’. De galerijen namen een deel van de ruimte weg, zodat de hogere vertrekken smaller werden. Zie ook: Ezech 41:7 **42:6** Want zij hadden drie verdiepingen en hadden geen pilaren zoals de pilaren van de voorhoven. Daarom sprong het bovenste vertrek terug ten opzichte van het onderste en het middelste, vanaf de grond gerekend. Brontekst: כִּ֤י (ki) = want | מְשֻׁלָּשׁוֹת֙ (meshulashot) = in drie verdiepingen | הֵ֔נָּה (hena) = zij | וְאֵ֤ין (veein) = en niet | לָהֶן֙ (lahen) = voor hen | עַמּוּדִ֔ים (amudim) = pilaren | כְּעַמּוּדֵ֖י (keamudei) = zoals pilaren van | הַחֲצֵר֑וֹת (hachatserot) = de voorhoven | עַל (al) = op | כֵּ֣ן (ken) = zo | נֶאֱצַ֗ל (neetsal) = sprong terug | מֵהַתַּחְתּוֹנ֛וֹת (mehatachtonot) = dan de onderste | וּמֵהַתִּֽיכֹנ֖וֹת (umehatikhonot) = en dan de middelste | מֵהָאָֽרֶץ (mehaarets) = van de grond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶאֱצַל (ne’etsal), ‘sprong terug’: letterlijk ‘werd weggenomen’. De bovenste lagen waren smaller dan de onderste, doordat er geen pilaren waren om ze te dragen. Zie ook: 1 Kon 6:8; Ezech 41:6 **42:7** Buiten, langs de vertrekken, lag een muur aan de kant van de buitenste voorhof, tegenover de vertrekken. De lengte ervan was vijftig el. Brontekst: וְגָדֵ֤ר (vegader) = en een muur | אֲשֶׁר (asher) = die | לַחוּץ֙ (lachuts) = buiten | לְעֻמַּ֣ת (leumat) = langs | הַלְּשָׁכ֔וֹת (haleshakhot) = de vertrekken | דֶּ֛רֶךְ (derekh) = in de richting van | הֶחָצֵ֥ר (hechatser) = de voorhof | הַחִֽצוֹנָ֖ה (hachitsona) = de buitenste | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | הַלְּשָׁכ֑וֹת (haleshakhot) = de vertrekken | אָרְכּ֖וֹ (arko) = haar lengte | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְגָדֵר (vegader), ‘en een muur’: de muur liep langs de buitenkant van de vertrekken, aan de kant van de buitenste voorhof. Zie ook: Ezech 42:10; Ezech 42:12 **42:8** Want de lengte van de vertrekken aan de buitenste voorhof was vijftig el. Maar aan de voorkant van de tempel was het honderd el. Brontekst: כִּֽי (ki) = want | אֹ֣רֶךְ (orekh) = lengte van | הַלְּשָׁכ֗וֹת (haleshakhot) = de vertrekken | אֲשֶׁ֛ר (asher) = die | לֶחָצֵ֥ר (lechatser) = bij de voorhof | הַחִֽצוֹנָ֖ה (hachitsona) = de buitenste | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | אַמָּ֑ה (ama) = el | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | עַל (al) = aan | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הַהֵיכָ֖ל (haheikhal) = de tempel | מֵאָ֥ה (mea) = honderd | אַמָּֽה (ama) = el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: zoals in 8:16. Aan de voorkant, bij de tempel, was het terrein honderd el. Zie ook: Ezech 41:13–14 **42:9** Onder deze vertrekken was de ingang aan de oostkant, voor wie er vanuit de buitenste voorhof binnenkwam. Brontekst: וּמִתַּ֖חַת (umitachat) = en onder | הַלְּשָׁכ֣וֹת (haleshakhot) = de vertrekken | הָאֵ֑לֶּה (haele) = deze | הַמֵּבִיא֙ (hamevi) = de ingang | מֵֽהַקָּדִ֔ים (mehaqadim) = van het oosten | בְּבֹא֣וֹ (bevoo) = bij zijn binnenkomen | לָהֵ֔נָּה (lahena) = daarheen | מֵֽהֶחָצֵ֖ר (mehechatser) = van de voorhof | הַחִצֹנָֽה (hachitsona) = de buitenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat לְשָׁכוֹת (lishkot), ‘vertrekken’, zonder lidwoord; de overlevering (qere) leest וּמִתַּחַת הַלְּשָׁכוֹת (umittachat halleshakot), ‘en onder de vertrekken’. In dezelfde zin staat in de geschreven tekst הַמָּבוֹא (hamavo), ‘de ingang’; de overlevering leest הַמֵּבִיא (hammevi). Wij volgen de qere. Zie ook: Ezech 44:5; Ezech 46:19 **42:10** In de breedte van de muur van de voorhof, in de richting van het oosten, tegenover het afgescheiden terrein en tegenover het bouwwerk, waren vertrekken. Brontekst: בְּרֹ֣חַב (berochav) = in de breedte van | גֶּ֣דֶר (geder) = muur van | הֶחָצֵ֗ר (hechatser) = de voorhof | דֶּ֧רֶךְ (derekh) = in de richting van | הַקָּדִ֛ים (haqadim) = het oosten | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֧י (penei) = het gezicht van | הַגִּזְרָ֛ה (hagizra) = het afgescheiden terrein | וְאֶל (veel) = en naar | פְּנֵ֥י (penei) = het gezicht van | הַבִּנְיָ֖ן (habinyan) = het bouwwerk | לְשָׁכֽוֹת (leshakhot) = vertrekken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de brontekst staat ‘in de richting van het oosten’. Vers 12 beschrijft de vertrekken aan de zuidkant. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Zie ook: Ezech 40:17; Ezech 41:12–15; Ezech 42:1; Ezech 42:7; Ezech 42:12; Ezech 42:13 **42:11** Voor hen lag een gang, net als bij de vertrekken aan de noordkant. Hun lengte en hun breedte waren gelijk. Alle uitgangen, indelingen en ingangen waren hetzelfde. Brontekst: וְדֶ֨רֶךְ֙ (vederekh) = en een gang | לִפְנֵיהֶ֔ם (lifneihem) = voor hen | כְּמַרְאֵ֣ה (kemare) = zoals het aanzien van | הַלְּשָׁכ֗וֹת (haleshakhot) = de vertrekken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = in de richting van | הַצָּפ֔וֹן (hatsafon) = het noorden | כְּאָרְכָּ֖ן (kearkan) = zoals hun lengte | כֵּ֣ן (ken) = zo | רָחְבָּ֑ן (rachban) = hun breedte | וְכֹל֙ (vekhol) = en alle | מוֹצָ֣אֵיהֶ֔ן (motsaeihen) = hun uitgangen | וּכְמִשְׁפְּטֵיהֶ֖ן (ukhemishpeteihen) = en volgens hun regelingen | וּכְפִתְחֵיהֶֽן (ukhefitcheihen) = en volgens hun ingangen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּכְמִשְׁפְּטֵיהֶן (uchemishpetehen), ‘volgens hun regelingen’: het woord mishpat betekent hier ‘regeling’ of ‘indeling’. Zie ook: Ezech 42:4 **42:12** Zo waren ook de ingangen van de vertrekken aan de zuidkant. Aan het begin van de gang was een ingang, de gang langs de afschermende muur, aan de oostkant, waar men binnenkwam. Brontekst: וּכְפִתְחֵ֣י (ukhefitchei) = en zoals de ingangen van | הַלְּשָׁכ֗וֹת (haleshakhot) = de vertrekken | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = in de richting van | הַדָּר֔וֹם (hadarom) = het zuiden | פֶּ֖תַח (petach) = ingang | בְּרֹ֣אשׁ (berosh) = aan het begin van | דָּ֑רֶךְ (darekh) = de gang | דֶּ֗רֶךְ (derekh) = gang | בִּפְנֵי֙ (bifnei) = voor | הַגְּדֶ֣רֶת (hagederet) = de muur | הֲגִינָ֔ה (hagina) = de afschermende | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = in de richting van | הַקָּדִ֖ים (haqadim) = het oosten | בְּבוֹאָֽן (bevoan) = bij hun binnenkomen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַגְּדֶרֶת הֲגִינָה (hagederet haggina), ‘de afschermende muur’: zeldzaam; de betekenis is onzeker. Het gaat om een muur langs het pad, die de ingang beschermt of afschermt. ### De heilige vertrekken voor de priesters **42:13** Hij zei tegen mij: „De vertrekken aan de noordkant en de vertrekken aan de zuidkant, die tegenover het afgescheiden terrein liggen, zijn de heilige vertrekken. Daar eten de priesters die dicht bij Yahweh komen de hoogheilige gaven. Daar leggen zij de hoogheilige gaven neer: het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer. Want de plaats is heilig. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | לִֽשְׁכ֨וֹת (lishkhot) = vertrekken van | הַצָּפ֜וֹן (hatsafon) = het noorden | לִֽשְׁכ֣וֹת (lishkhot) = vertrekken van | הַדָּרוֹם֮ (hadarom) = het zuiden | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | הַגִּזְרָה֒ (hagizra) = het afgescheiden terrein | הֵ֣נָּה (hena) = zij | לִֽשְׁכ֣וֹת (lishkhot) = vertrekken van | הַקֹּ֗דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | אֲשֶׁ֨ר (asher) = waar | יֹאכְלוּ (yokhlu) = zullen eten | שָׁ֧ם (sham) = daar | הַכֹּהֲנִ֛ים (hakohanim) = de priesters | אֲשֶׁר (asher) = die | קְרוֹבִ֥ים (qerovim) = dichtbij | לַֽיהוָ֖ה (laYahweh) = Yahweh | קָדְשֵׁ֣י (qadeshei) = de heiligste gaven van | הַקֳּדָשִׁ֑ים (haqodashim) = de heilige dingen | שָׁ֞ם (sham) = daar | יַנִּ֣יחוּ (yanichu) = zullen zij neerleggen | קָדְשֵׁ֣י (qadeshei) = de heiligste gaven van | הַקֳּדָשִׁ֗ים (haqodashim) = de heilige dingen | וְהַמִּנְחָה֙ (vehamincha) = en het graanoffer | וְהַחַטָּ֣את (vehachatat) = en het zondoffer | וְהָאָשָׁ֔ם (vehaasham) = en het schuldoffer | כִּ֥י (ki) = want | הַמָּק֖וֹם (hamaqom) = de plaats | קָדֹֽשׁ (qadosh) = heilig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (qodesh haqodashim), ‘de hoogheilige gaven’: het gaat om de offers die alleen de priesters mochten eten (Lev. 6:7–11, 6:18–23 en 7:1–7). Letterlijk: ‘het heiligste van de heilige dingen’. Voetnoot : מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’, חַטָּאת (chatat), ‘zondoffer’, en אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’: zie Lev. 2, 4–5. Zie ook: Ex 29:31; Lev 6:7–11; Lev 6:18; Lev 7:6; Lev 10:17; Num 18:9–10; Ezech 40:46 **42:14** Wanneer de priesters binnenkomen, mogen zij niet uit het heiligdom naar de buitenste voorhof gaan. Daar moeten zij hun kleren neerleggen waarin zij dienen, want die zijn heilig. Zij moeten andere kleren aantrekken en dan naderen tot wat voor het volk is.” Brontekst: בְּבֹאָ֣ם (bevoam) = bij hun binnenkomen | הַכֹּהֲנִ֗ים (hakohanim) = de priesters | וְלֹֽא (velo) = en niet | יֵצְא֤וּ (yetseu) = zullen zij naar buiten gaan | מֵהַקֹּ֨דֶשׁ֙ (mehaqodesh) = uit het heiligdom | אֶל (el) = naar | הֶחָצֵ֣ר (hechatser) = de voorhof | הַחִיצוֹנָ֔ה (hachitsona) = de buitenste | וְשָׁ֞ם (vesham) = en daar | יַנִּ֧יחוּ (yanichu) = zullen zij neerleggen | בִגְדֵיהֶ֛ם (bigdeihem) = hun kleren | אֲשֶׁר (asher) = waarin | יְשָׁרְת֥וּ (yesharetu) = zij dienen | בָהֶ֖ן (bahen) = daarin | כִּֽי (ki) = want | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig | הֵ֑נָּה (hena) = zij | וְלָבְשׁוּ֙ (velaveshu) = en zij zullen aantrekken | בְּגָדִ֣ים (begadim) = kleren | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וְקָרְב֖וּ (veqarevu) = en zij zullen naderen | אֶל (el) = naar | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לָעָֽם (laam) = voor het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Kleren die in het heiligdom zijn gebruikt, zijn heilig en mogen niet buiten het heiligdom worden gedragen. Vergelijk 44:19. Zie ook: Ex 29:4–9; Lev 8:7; Lev 8:13; Jes 61:10; Ezech 44:19 ### Het hele terrein wordt gemeten **42:15** Toen hij klaar was met de maten van het binnenste huis, bracht hij mij naar buiten door de poort die naar het oosten was gekeerd. Hij mat het terrein helemaal rondom. Brontekst: וְכִלָּ֗ה (vekhila) = en hij voltooide | אֶת (et) = (obj.) | מִדּוֹת֙ (midot) = de maten van | הַבַּ֣יִת (habayit) = het huis | הַפְּנִימִ֔י (hapenimi) = het binnenste | וְהוֹצִיאַ֨נִי֙ (vehotsiani) = en hij bracht mij naar buiten | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = in de richting van | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | פָּנָ֖יו (panav) = haar gezicht | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = in de richting van | הַקָּדִ֑ים (haqadim) = het oosten | וּמְדָד֖וֹ (umedado) = en hij mat het | סָבִ֥יב (saviv) = rondom | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְכִלָּה (vekhillah), ‘en hij voltooide’: de rondleiding door het huis is ten einde. Daarna volgt de meting van het hele terrein. Zie ook: Ezech 40:6–16; Ezech 41:2–5; Ezech 41:15; Ezech 43:1 **42:16** Hij mat de oostkant met de meetlat: vijfhonderd latten, met de meetlat gemeten, rondom. Brontekst: מָדַ֛ד (madad) = hij mat | ר֥וּחַ (ruach) = zijde van | הַקָּדִ֖ים (haqadim) = het oosten | בִּקְנֵ֣ה (biqne) = met de lat van | הַמִּדָּ֑ה (hamida) = de maat | חֲמֵשׁ (chamesh) = vijf | מֵא֥וֹת (meot) = honderden | קָנִ֛ים (qanim) = latten | בִּקְנֵ֥ה (biqne) = met de lat van | הַמִּדָּ֖ה (hamida) = de maat | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּקְנֵה (baqaneh), ‘met de lat’ of ‘met het riet’: de meetlat uit Ezech. 40:3 en 40:5. Zij is zes el lang (40:5). Wij gebruiken ‘lat’ als maat, zoals in 40:5. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat אַמּוֹת (amot), ‘el’ als maat; de overlevering (qere) leest מֵאוֹת (meot), ‘honderden’. Wij volgen de qere; in vers 17–19 staat ook ‘honderden’. Zie ook: Ezech 40:3; Ezech 40:5; Ezech 42:17–19; Zach 2:5; Openb 11:1–2 **42:17** Hij mat de noordkant: vijfhonderd latten, met de meetlat gemeten, rondom. Brontekst: מָדַ֖ד (madad) = hij mat | ר֣וּחַ (ruach) = zijde van | הַצָּפ֑וֹן (hatsafon) = het noorden | חֲמֵשׁ (chamesh) = vijf | מֵא֥וֹת (meot) = honderden | קָנִ֛ים (qanim) = latten | בִּקְנֵ֥ה (biqne) = met de lat van | הַמִּדָּ֖ה (hamida) = de maat | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **42:18** De zuidkant mat hij: vijfhonderd latten, met de meetlat. Brontekst: אֵ֛ת (et) = (obj.) | ר֥וּחַ (ruach) = zijde van | הַדָּר֖וֹם (hadarom) = het zuiden | מָדָ֑ד (madad) = hij mat | חֲמֵשׁ (chamesh) = vijf | מֵא֥וֹת (meot) = honderden | קָנִ֖ים (qanim) = latten | בִּקְנֵ֥ה (biqne) = met de lat van | הַמִּדָּֽה (hamida) = de maat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **42:19** Hij ging rond naar de westkant en mat: vijfhonderd latten, met de meetlat. Brontekst: סָבַ֖ב (savav) = hij ging rond | אֶל (el) = naar | ר֣וּחַ (ruach) = zijde van | הַיָּ֑ם (hayam) = de zee | מָדַ֛ד (madad) = hij mat | חֲמֵשׁ (chamesh) = vijf | מֵא֥וֹת (meot) = honderden | קָנִ֖ים (qanim) = latten | בִּקְנֵ֥ה (biqne) = met de lat van | הַמִּדָּֽה (hamida) = de maat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **42:20** Aan de vier kanten mat hij het. Het had een muur rondom, vijfhonderd lang en vijfhonderd breed, om het heilige te scheiden van het gewone. Brontekst: לְאַרְבַּ֨ע (learba) = aan vier | רוּח֜וֹת (ruchot) = zijden | מְדָד֗וֹ (medado) = hij mat het | ח֤וֹמָה (choma) = muur | לוֹ֙ (lo) = voor het | סָבִ֣יב (saviv) = rondom | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | אֹ֚רֶךְ (orekh) = lengte | חֲמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֔וֹת (meot) = honderd | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | חֲמֵ֣שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֑וֹת (meot) = honderd | לְהַבְדִּ֕יל (lehavdil) = om te scheiden | בֵּ֥ין (bein) = tussen | הַקֹּ֖דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | לְחֹֽל (lechol) = en het gewone Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De maat bij ‘vijfhonderd’ ontbreekt in dit vers. Vers 16–19 noemen ‘latten’; wij laten het hier zoals het Hebreeuws, zonder eenheid. Voetnoot : לְהַבְדִּיל בֵּין הַקֹּדֶשׁ לְחֹל (lehavdil bein haqodesh lechol), ‘om het heilige te scheiden van het gewone’: de muur maakt het verschil tussen het heilige terrein en het gewone terrein zichtbaar. Zie ook 44:23. Zie ook: Ezech 22:26; Ezech 40:5; Ezech 42:16–19; Ezech 44:23; Ezech 45:2; Zach 2:9 ## Ezechiël 43 _De heerlijkheid van Yahweh keert terug in het huis; het altaar wordt gemeten en ingewijd_ ### De heerlijkheid van Yahweh keert terug **43:1** Hij bracht mij naar de poort, de poort die naar het oosten gekeerd was. Brontekst: וַיּוֹלִכֵ֖נִי (vayolikheni) = en hij leidde mij | אֶל (el) = naar | הַשָּׁ֑עַר (hashaar) = de poort | שַׁ֕עַר (shaar) = poort | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | פֹּנֶ֖ה (pone) = gekeerd was | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = in de richting van | הַקָּדִֽים (haqadim) = het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De poort die naar het oosten gekeerd was: de oostpoort, de poort waardoor de heerlijkheid van Yahweh het huis had verlaten (zie 10:18–19 en 11:22–23). Zie ook: Ezech 10:19; Ezech 40:6; Ezech 42:15; Ezech 44:1; Ezech 46:1 **43:2** En zie, de heerlijkheid van de Elohim van Israël kwam vanuit het oosten. Zijn stem was als het geluid van vele wateren, en de aarde straalde van Zijn heerlijkheid. Brontekst: וְהִנֵּ֗ה (vehine) = en zie | כְּבוֹד֙ (kevod) = heerlijkheid van | אֱלֹהֵ֣י (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | בָּ֖א (ba) = komend | מִדֶּ֣רֶךְ (miderekh) = uit de richting van | הַקָּדִ֑ים (haqadim) = het oosten | וְקוֹל֗וֹ (veqolo) = en zijn stem | כְּקוֹל֙ (keqol) = zoals de stem van | מַ֣יִם (mayim) = wateren | רַבִּ֔ים (rabim) = vele | וְהָאָ֖רֶץ (vehaarets) = en de aarde | הֵאִ֥ירָה (heira) = straalde | מִכְּבֹדֽוֹ (mikevodo) = van zijn heerlijkheid Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כְּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: de zichtbare grootheid van Yahweh. Het is dezelfde heerlijkheid als in 1:28. Voetnoot : קוֹל מַיִם רַבִּים (qol mayim rabbim), ‘het geluid van vele wateren’: zo klonk ook het geluid van de vleugels in 1:24. Zie ook: Jes 6:3; Ezech 10:18–19; Ezech 11:23; Openb 14:2; Openb 18:1 **43:3** Wat ik zag, leek op het visioen dat ik gezien had toen ik kwam om de stad te vernietigen. Die visioenen leken op wat ik gezien had bij de rivier de Kebar. Ik viel op mijn gezicht. Brontekst: וּכְמַרְאֵ֨ה (ukhemare) = en zoals het aanzien van | הַמַּרְאֶ֜ה (hamare) = het visioen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | רָאִ֗יתִי (raiti) = ik zag | כַּמַּרְאֶ֤ה (kamare) = zoals het aanzien | אֲשֶׁר (asher) = dat | רָאִ֨יתִי֙ (raiti) = ik zag | בְּבֹאִי֙ (bevoi) = bij mijn komen | לְשַׁחֵ֣ת (leshachet) = om te vernietigen | אֶת (et) = (obj.) | הָעִ֔יר (hair) = de stad | וּמַרְא֕וֹת (umarot) = en visioenen | כַּמַּרְאֶ֕ה (kamare) = zoals het aanzien | אֲשֶׁ֥ר (asher) = dat | רָאִ֖יתִי (raiti) = ik zag | אֶל (el) = bij | נְהַר (nehar) = rivier | כְּבָ֑ר (kevar) = Kebar | וָאֶפֹּ֖ל (vaepol) = en ik viel | אֶל (el) = op | פָּנָֽי (panay) = mijn gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel. Daar woonden de ballingen met Ezechiël. Voetnoot Uitleg: בְּבֹאִי לְשַׁחֵת (bevo’i leshachet), ‘toen ik kwam om te vernietigen’: Ezechiël kondigde het oordeel over de stad aan (zie 9:1–11). Sommige oude vertalingen lezen ‘toen Hij kwam’. Voetnoot : De rivier de Kebar: zie 1:1 en 1:3. Zie ook: Jer 1:10; Ezech 1:3–28; Ezech 9:1; Ezech 9:5; Ezech 32:18 **43:4** De heerlijkheid van Yahweh kwam het huis binnen door de poort die naar het oosten gekeerd was. Brontekst: וּכְב֥וֹד (ukhevod) = en heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בָּ֣א (ba) = kwam | אֶל (el) = naar | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = door de weg van | שַׁ֔עַר (shaar) = poort | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | פָּנָ֖יו (panav) = haar gezicht | דֶּ֥רֶךְ (derekh) = in de richting van | הַקָּדִֽים (haqadim) = het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is de terugkeer van de heerlijkheid van Yahweh, die in 10:18–19 en 11:22–23 het huis en de stad had verlaten. Zie ook: Ezech 10:18–19; Ezech 43:2; Ezech 44:2 **43:5** Toen tilde een geest mij op en bracht mij naar de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van Yahweh vervulde het huis. Brontekst: וַתִּשָּׂאֵ֣נִי (vatisaeni) = en tilde mij op | ר֔וּחַ (ruach) = een geest | וַתְּבִיאֵ֕נִי (vatevieni) = en bracht mij | אֶל (el) = naar | הֶֽחָצֵ֖ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִ֑י (hapenimi) = de binnenste | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | מָלֵ֥א (male) = vervulde | כְבוֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רוּחַ (ruach), ‘een geest’: met een kleine letter, zoals in 3:12 en 3:14. Voetnoot : De heerlijkheid vervult het huis, zoals bij de inwijding van de tabernakel en van de tempel (Exod. 40:34–35; 1 Kon. 8:10–11). Zie ook: Ex 40:34–35; 1 Kon 8:10–11; Ezech 8:3; Ezech 11:24; Ezech 44:4; 2 Kor 12:2–4 **43:6** Ik hoorde iemand vanuit het huis tot mij spreken, terwijl een man naast mij stond. Brontekst: וָאֶשְׁמַ֛ע (vaeshma) = en ik hoorde | מִדַּבֵּ֥ר (midaber) = sprekend | אֵלַ֖י (elay) = tot mij | מֵהַבָּ֑יִת (mehabayit) = vanuit het huis | וְאִ֕ישׁ (veish) = en een man | הָיָ֥ה (haya) = hij was | עֹמֵ֖ד (omed) = staand | אֶצְלִֽי (etsli) = naast mij Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִדַּבֵּר (middabber), ‘sprekend’: wie spreekt, wordt niet genoemd. Vers 7 laat Yahweh in de eerste persoon spreken. De man die naast Ezechiël staat, is zijn gids (40:3). Zie ook: Lev 1:1; Jes 66:6; Ezech 40:3; Ezech 43:7; Openb 16:1 ### De plaats van Mijn troon **43:7** Hij zei tegen mij: **„Mensenkind, dit is de plaats van Mijn troon en de plaats van de zolen van Mijn voeten. Hier zal Ik voor eeuwig wonen te midden van de zonen van Israël. Het huis van Israël zal Mijn heilige naam niet meer verontreinigen. Dat deden zij en hun koningen met hun hoererij en met de lijken van hun koningen op hun hoogten.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָם֙ (adam) = een mens | אֶת (et) = (obj.) | מְק֣וֹם (meqom) = plaats van | כִּסְאִ֗י (kisi) = Mijn troon | וְאֶת (veet) = en (obj.) | מְקוֹם֙ (meqom) = plaats van | כַּפּ֣וֹת (kapot) = zolen van | רַגְלַ֔י (raglay) = Mijn voeten | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waar | אֶשְׁכָּן (eshkan) = Ik zal wonen | שָׁ֛ם (sham) = daar | בְּת֥וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְעוֹלָ֑ם (leolam) = voor eeuwig | וְלֹ֣א (velo) = en niet | יְטַמְּא֣וּ (yetameu) = zullen verontreinigen | ע֣וֹד (od) = meer | בֵּֽית (beit) = huis van | יִ֠שְׂרָאֵל (yisrael) = Israël | שֵׁ֣ם (shem) = naam van | קָדְשִׁ֞י (qadeshi) = Mijn heiligheid | הֵ֤מָּה (hema) = zij | וּמַלְכֵיהֶם֙ (umalkheihem) = en hun koningen | בִּזְנוּתָ֔ם (biznutam) = met hun hoererij | וּבְפִגְרֵ֥י (uvefigrei) = en met de lijken van | מַלְכֵיהֶ֖ם (malkheihem) = hun koningen | בָּמוֹתָֽם (bamotam) = op hun hoogten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De woorden van Yahweh staan rood, tot het einde van vers 12. Voetnoot : מְקוֹם כִּסְאִי (meqom kis’i), ‘de plaats van Mijn troon’, en כַּפּוֹת רַגְלַי (kappot ragelai), ‘de zolen van Mijn voeten’: Yahweh woont in het midden van Zijn volk (vergelijk Ps. 99:5; 1 Kron. 28:2). Voetnoot : זְנוּת (zenut), ‘hoererij’: beeld voor ontrouw aan Yahweh, dus afgoderij. Voetnoot : פִגְרֵי מַלְכֵיהֶם (pigrei malkhehem), ‘de lijken van hun koningen’: de betekenis is niet zeker. Het kan gaan om koningsgraven bij het huis of om afgodsbeelden van de koningen. Wij laten dit open. Voetnoot : בָּמוֹתָם (bamotam), ‘op hun hoogten’: het woord lijkt op בְּמוֹתָם (bemotam), ‘bij hun dood’. Wij volgen de klinkers van de brontekst. Zie ook: Lev 26:30; 1 Kron 28:2; Ps 47:9; Ps 99:1; Ps 99:5; Ezech 1:26; Ezech 43:9; Ezech 43:12 **43:8** **Zij zetten hun drempel naast Mijn drempel en hun deurpost naast Mijn deurpost, met alleen een muur tussen Mij en hen. Zo verontreinigden zij Mijn heilige naam met hun gruwelen die zij deden. Daarom heb Ik hen in Mijn toorn verteerd.** Brontekst: בְּתִתָּ֨ם (betitam) = bij hun zetten | סִפָּ֜ם (sipam) = hun drempel | אֶת (et) = naast | סִפִּ֗י (sipi) = drempel van Mij | וּמְזֽוּזָתָם֙ (umezuzatam) = en hun deurpost | אֵ֣צֶל (etsel) = naast | מְזוּזָתִ֔י (mezuzati) = Mijn deurpost | וְהַקִּ֖יר (vehaqir) = en de muur | בֵּינִ֣י (beini) = tussen Mij | וּבֵֽינֵיהֶ֑ם (uveineihem) = en tussen hen | וְטִמְּא֣וּ (vetimeu) = en zij verontreinigden | אֶת (et) = (obj.) | שֵׁ֣ם (shem) = naam van | קָדְשִׁ֗י (qadeshi) = Mijn heiligheid | בְּתֽוֹעֲבוֹתָם֙ (betoavotam) = met hun gruwelen | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עָשׂ֔וּ (asu) = zij deden | וָאֲכַ֥ל (vaakhal) = en Ik verteerde | אֹתָ֖ם (otam) = hen | בְּאַפִּֽי (beapi) = in Mijn toorn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Drempel en deurpost: de koningen bouwden hun eigen gebouwen of graven vlak naast het huis, met alleen een muur ertussen. Daardoor kwam het heilige dicht bij het onreine. Voetnoot : תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: zoals elders in dit boek. Zie ook: 2 Kron 33:4; 2 Kron 33:7; Ezech 5:11; Ezech 8:3–16; Ezech 23:39 **43:9** **Nu moeten zij hun hoererij en de lijken van hun koningen ver van Mij verwijderen. Dan zal Ik voor eeuwig te midden van hen wonen.** Brontekst: עַתָּ֞ה (ata) = nu | יְרַחֲק֧וּ (yerachaqu) = zullen zij verwijderen | אֶת (et) = (obj.) | זְנוּתָ֛ם (zenutam) = hun hoererij | וּפִגְרֵ֥י (ufigrei) = en de lijken van | מַלְכֵיהֶ֖ם (malkheihem) = hun koningen | מִמֶּ֑נִּי (mimeni) = van Mij | וְשָׁכַנְתִּ֥י (veshakhanti) = en Ik zal wonen | בְתוֹכָ֖ם (betokham) = in hun midden | לְעוֹלָֽם (leolam) = voor eeuwig Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 18:30–31; Ezech 37:23; Ezech 37:26–28; Ezech 43:7; Kol 3:5–9 ### Het plan van het huis **43:10** **Jij, mensenkind, maak het huis bekend aan het huis van Israël, zodat zij zich schamen voor hun schuld. Laat hen het plan opmeten.** Brontekst: אַתָּ֣ה (ata) = jij | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֗ם (adam) = een mens | הַגֵּ֤ד (haged) = maak bekend | אֶת (et) = aan | בֵּֽית (beit) = het huis van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֶת (et) = (obj.) | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וְיִכָּלְמ֖וּ (veyikalemu) = en laten zij zich schamen | מֵעֲוֺנֽוֹתֵיהֶ֑ם (meavonoteihem) = voor hun schuld | וּמָדְד֖וּ (umadedu) = en laten zij meten | אֶת (et) = (obj.) | תָּכְנִֽית (takhenit) = het plan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תָּכְנִית (tokhnit), ‘plan’: een zeldzaam woord (ook in 28:12). Het gaat om de maat en de indeling van het huis. Voetnoot : וְיִכָּלְמוּ (veyikkalemu), ‘en zij zullen zich schamen’: de schaamte leidt tot het onderricht in vers 11. Voetnoot : עָוֹן (avon), ‘schuld’. Zie ook: Ezech 16:61; Ezech 16:63; Ezech 23:31–32; Ezech 40:4; Ezech 43:11 **43:11** **Als zij zich schamen over alles wat zij gedaan hebben, maak hun dan de vorm van het huis bekend. Maak bekend zijn inrichting, zijn uitgangen en zijn ingangen, heel zijn vorm, al zijn voorschriften, al zijn vormen en al zijn wetten. Laat het hen weten en schrijf het voor hun ogen op. Dan zullen zij heel zijn vorm en al zijn voorschriften bewaren en ze uitvoeren.** Brontekst: וְאִֽם (veim) = en als | נִכְלְמ֞וּ (nikhlemu) = zij zich schamen | מִכֹּ֣ל (mikol) = voor alles | אֲשֶׁר (asher) = wat | עָשׂ֗וּ (asu) = zij deden | צוּרַ֣ת (tsurat) = vorm van | הַבַּ֡יִת (habayit) = het huis | וּתְכוּנָת֡וֹ (utekhunato) = en zijn inrichting | וּמוֹצָאָ֡יו (umotsaav) = en zijn uitgangen | וּמוֹבָאָ֣יו (umovaav) = en zijn ingangen | וְֽכָל (vekhal) = en heel | צֽוּרֹתָ֡ו (tsurotav) = zijn vorm | וְאֵ֣ת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | חֻקֹּתָיו֩ (chuqotav) = zijn voorschriften | וְכָל (vekhal) = en heel | צ֨וּרֹתָ֤יו (tsurotav) = zijn vormen | וְכָל (vekhal) = en heel | תּוֹרֹתָיו֙ (torotav) = zijn wetten | הוֹדַ֣ע (hoda) = maak bekend | אוֹתָ֔ם (otam) = hun | וּכְתֹ֖ב (ukhetov) = en schrijf op | לְעֵֽינֵיהֶ֑ם (leeineihem) = voor hun ogen | וְיִשְׁמְר֞וּ (veyishmeru) = en laten zij bewaren | אֶת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = heel | צוּרָת֛וֹ (tsurato) = zijn vorm | וְאֶת (veet) = en (obj.) | כָּל (kal) = al | חֻקֹּתָ֖יו (chuqotav) = zijn voorschriften | וְעָשׂ֥וּ (veasu) = en laten zij doen | אוֹתָֽם (otam) = ze Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צוּרָה (tsurah), ‘vorm’, חֻקָּה (chuqqah), ‘voorschrift’ en תּוֹרָה (torah), ‘wet’: een lange opsomming van woorden voor wat Ezechiël moet bekendmaken. Het woord ‘vorm’ komt drie keer voor; wij laten die herhaling staan. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staan bij ‘al zijn vormen’ en ‘al zijn wetten’ andere schrijfwijzen (צורתי en תורתו); de overlevering (qere) leest צוּרֹתָיו (tsurotav) en תּוֹרֹתָיו (torotav). Wij volgen de qere. Zie ook: Ezech 11:20; Ezech 12:3; Ezech 36:27; Ezech 40:1–42; 1 Kor 11:2 **43:12** **Dit is de wet van het huis: op de top van de berg is heel zijn gebied rondom hoogheilig. Zie, dit is de wet van het huis.”** Brontekst: זֹ֖את (zot) = dit | תּוֹרַ֣ת (torat) = wet van | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | עַל (al) = op | רֹ֣אשׁ (rosh) = top van | הָ֠הָר (hahar) = de berg | כָּל (kal) = heel | גְּבֻל֞וֹ (gevulo) = zijn gebied | סָבִ֤יב (saviv) = rondom | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = het heiligste van | קָדָשִׁ֔ים (qadashim) = de heilige dingen | הִנֵּה (hine) = zie | זֹ֖את (zot) = dit | תּוֹרַ֥ת (torat) = wet van | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קֹדֶשׁ קָדָשִׁים (qodesh qodashim), ‘hoogheilig’: zie de uitleg bij 42:13. Hier heeft het hele gebied rondom het huis dit karakter. Voetnoot : Met ‘de wet van het huis’ eindigen de woorden van Yahweh die in vers 7 begonnen. Zie ook: Ps 93:5; Joël 4:17; Ezech 40:2; Ezech 42:20; Ezech 43:7; Openb 21:27 ### De maten van het altaar **43:13** Dit zijn de maten van het altaar in ellen, waarbij de el een el en een handbreedte is. De voet is een el hoog en een el breed. Zijn rand rondom, aan zijn lip, is een span. Dit is de rug van het altaar. Brontekst: וְאֵ֨לֶּה (veele) = en dit | מִדּ֤וֹת (midot) = maten van | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | בָּֽאַמּ֔וֹת (baamot) = in ellen | אַמָּ֥ה (ama) = el | אַמָּ֖ה (ama) = el | וָטֹ֑פַח (vatofach) = en handbreedte | וְחֵ֨יק (vecheiq) = en de voet van | הָאַמָּ֜ה (haama) = de el | וְאַמָּה (veama) = en een el | רֹ֗חַב (rochav) = breed | וּגְבוּלָ֨הּ (ugevulah) = en haar rand | אֶל (el) = naar | שְׂפָתָ֤הּ (sefatah) = haar lip | סָבִיב֙ (saviv) = rondom | זֶ֣רֶת (zeret) = span | הָאֶחָ֔ד (haechad) = de ene | וְזֶ֖ה (veze) = en dit | גַּ֥ב (gav) = rug van | הַמִּזְבֵּֽחַ (hamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De maten van het altaar worden hier door de man (de gids) en de profeet beschreven; daarom staan ze zwart. Voetnoot : אַמָּה וָטֹפַח (amah vatefach), ‘een el en een handbreedte’: zoals in 40:5. Voetnoot : חֵיק (cheq), ‘voet’: letterlijk ‘schoot’. Het gaat om de onderste rand of een uitholling rondom het altaar. De betekenis is niet zeker. Voetnoot : זֶרֶת (zeret), ‘span’: de afstand tussen duim en pink, de helft van een el. Voetnoot : גַּב (gav), ‘rug’: dit kan de hoogte of de bovenkant van het altaar bedoelen. De betekenis is onzeker. Zie ook: Ex 27:1–8; 2 Kron 4:1; Ezech 40:5; Ezech 41:8 **43:14** Van de voet op de grond tot de onderste richel was het twee el, met een breedte van een el. Van de kleine richel tot de grote richel was het vier el, met een breedte van een el. Brontekst: וּמֵחֵ֨יק (umecheiq) = en van de voet van | הָאָ֜רֶץ (haarets) = de grond | עַד (ad) = tot | הָעֲזָרָ֤ה (haazara) = de richel | הַתַּחְתּוֹנָה֙ (hatachtona) = de onderste | שְׁתַּ֣יִם (shetayim) = twee | אַמּ֔וֹת (amot) = el | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | אַמָּ֣ה (ama) = el | אֶחָ֑ת (echat) = een | וּמֵהֳעֲזָרָ֨ה (umehoazara) = en van de richel | הַקְּטַנָּ֜ה (haqetana) = de kleine | עַד (ad) = tot | הָעֲזָרָ֤ה (haazara) = de richel | הַגְּדוֹלָה֙ (hagedola) = de grote | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | אַמּ֔וֹת (amot) = el | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | הָאַמָּֽה (haama) = de el Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲזָרָה (azarah), ‘richel’: hetzelfde woord betekent elders ‘voorhof’. Hier is het een uitstekende rand van het altaar, een soort trede. **43:15** De haardberg was vier el hoog. Boven de haard staken vier hoorns omhoog. Brontekst: וְהַֽהַרְאֵ֖ל (vehaharel) = en de haardberg | אַרְבַּ֣ע (arba) = vier | אַמּ֑וֹת (amot) = el | וּמֵהָאֲרִאֵ֣יל (umehaarieil) = en vanaf de haard | וּלְמַ֔עְלָה (ulemala) = en omhoog | הַקְּרָנ֖וֹת (haqeranot) = de hoorns | אַרְבַּֽע (arba) = vier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַהַרְאֵל (har’el), ‘de haardberg’: letterlijk ‘berg van El’. אֲרִיאֵל (ariel), ‘haard’: letterlijk ‘leeuw van El’ of ‘haard van El’; het is de bovenste plaat van het altaar waarop het vuur brandt (vergelijk Jes. 29:1–2). De vorm in vers 15 en 16 is niet gelijk gespeld. Zie ook: Ex 27:2; Lev 9:9; Ps 118:27; Jes 29:1–2; Jes 29:7; Ezech 43:16 **43:16** De haard was twaalf el lang en twaalf el breed, vierkant aan zijn vier zijden. Brontekst: וְהָאֲרִיאֵ֗ל (vehaariel) = en de haard | שְׁתֵּ֤ים (sheteim) = twee | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | אֹ֔רֶךְ (orekh) = lengte | בִּשְׁתֵּ֥ים (bishteim) = in twee | עֶשְׂרֵ֖ה (esre) = tien | רֹ֑חַב (rochav) = breedte | רָב֕וּעַ (ravua) = vierkant | אֶ֖ל (el) = naar | אַרְבַּ֥עַת (arbaat) = vier | רְבָעָֽיו (revaav) = haar zijden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het bovenvlak is vierkant: twaalf bij twaalf el. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat והאראיל (veha’ar’il), een andere spelling van hetzelfde woord; de overlevering (qere) leest וְהָאֲרִיאֵל (veha’ariel). Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 27:1; Ex 38:1–2; 2 Kron 4:1; Ezra 3:3 **43:17** De richel was veertien el lang en veertien el breed, aan haar vier zijden. De rand eromheen was een halve el, en haar voet was een el rondom. Zijn trap was naar het oosten gekeerd. Brontekst: וְהָעֲזָרָ֞ה (vehaazara) = en de richel | אַרְבַּ֧ע (arba) = vier | עֶשְׂרֵ֣ה (esre) = tien | אֹ֗רֶךְ (orekh) = lengte | בְּאַרְבַּ֤ע (bearba) = in vier | עֶשְׂרֵה֙ (esre) = tien | רֹ֔חַב (rochav) = breedte | אֶ֖ל (el) = naar | אַרְבַּ֣עַת (arbaat) = vier | רְבָעֶ֑יהָ (revaeiha) = haar zijden | וְהַגְּבוּל (vehagevul) = en de rand | סָבִ֨יב (saviv) = rondom | אוֹתָ֜הּ (otah) = haar | חֲצִ֣י (chatsi) = helft van | הָאַמָּ֗ה (haama) = de el | וְהַֽחֵיק (vehacheiq) = en de voet | לָ֤הּ (lah) = voor haar | אַמָּה֙ (ama) = een el | סָבִ֔יב (saviv) = rondom | וּמַעֲלֹתֵ֖הוּ (umaalotehu) = en zijn trap | פְּנ֥וֹת (penot) = gekeerd | קָדִֽים (qadim) = naar het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּבוּל (gevul), ‘rand’, en חֵיק (cheq), ‘voet’: zie de uitleg bij vers 13. Voetnoot : חֲצִי הָאַמָּה (chatsi ha’amah), ‘een halve el’. Zie ook: Ex 20:26; Ex 25:25; 1 Kon 6:8; Ezech 40:6; Ezech 43:13; Neh 9:4 ### De inwijding van het altaar **43:18** Hij zei tegen mij: **„Mensenkind,** zo zegt Heer Yahweh: **Dit zijn de voorschriften voor het altaar op de dag dat het gemaakt wordt. Het is bestemd om er brandoffers op te brengen en er bloed op te sprenkelen.** Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tot mij | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָם֙ (adam) = een mens | כֹּ֤ה (ko) = zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | אֵ֚לֶּה (ele) = dit | חֻקּ֣וֹת (chuqot) = voorschriften van | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | בְּי֖וֹם (beyom) = op de dag | הֵעָֽשׂוֹת֑וֹ (heasoto) = van zijn gemaakt worden | לְהַעֲל֤וֹת (lehaalot) = om op te brengen | עָלָיו֙ (alav) = op het | עוֹלָ֔ה (ola) = brandoffer | וְלִזְרֹ֥ק (velizroq) = en om te sprenkelen | עָלָ֖יו (alav) = op het | דָּֽם (dam) = bloed Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij 2:4. De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart; wat Hij daarna zegt, is rood, zoals in de eerdere hoofdstukken van dit boek. Voetnoot : חֻקּוֹת (chuqqot), ‘voorschriften’: zoals in vers 11. Voetnoot : Vanaf hier spreekt Yahweh over de inwijding van het altaar (vers 18–27). Zie ook: Ex 40:29; Ezech 2:1; Ezech 43:11; Ezech 45:18–19; Heb 10:4–12; Heb 12:24 **43:19** **Je moet een jonge stier als zondoffer geven aan de priesters, de Levieten, die van het nageslacht van Zadok zijn. Zij naderen tot Mij om Mij te dienen, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְנָתַתָּ֣ה (venatata) = en je zult geven | אֶל (el) = aan | הַכֹּהֲנִ֣ים (hakohanim) = de priesters | הַלְוִיִּ֡ם (halviyim) = de Levieten | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | הֵם֩ (hem) = zij | מִזֶּ֨רַע (mizera) = van het zaad van | צָד֜וֹק (tsadoq) = Zadok | הַקְּרֹבִ֣ים (haqerovim) = die naderen | אֵלַ֗י (elay) = tot Mij | נְאֻ֛ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִ֖ה (Yahweh) = Yahweh | לְשָֽׁרְתֵ֑נִי (leshareteni) = om Mij te dienen | פַּ֥ר (par) = stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֖ר (baqar) = rund | לְחַטָּֽאת (lechatat) = als zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij 5:11. Voetnoot : הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviyyim), ‘de priesters, de Levieten’: priesters uit de stam Levi, die hier nader omschreven worden als nakomelingen van Zadok (vergelijk 44:15 en 1 Kon. 2:35). Voetnoot : חַטָּאת (chatat), ‘zondoffer’. Zie ook: Num 16:5; Num 17:5; 1 Kon 2:35; Ezech 40:46; Ezech 44:15; Ezech 45:18–19 **43:20** **Je moet van zijn bloed nemen. Breng het aan op de vier hoorns van het altaar, op de vier hoeken van de richel en op de rand rondom. Zo ontzondig je het en doe je er verzoening voor.** Brontekst: וְלָקַחְתָּ֣ (velaqachta) = en je zult nemen | מִדָּמ֗וֹ (midamo) = van zijn bloed | וְנָ֨תַתָּ֜ה (venatata) = en je zult aanbrengen | עַל (al) = op | אַרְבַּ֤ע (arba) = vier | קַרְנֹתָיו֙ (qarnotav) = zijn hoorns | וְאֶל (veel) = en op | אַרְבַּע֙ (arba) = vier | פִּנּ֣וֹת (pinot) = hoeken van | הָעֲזָרָ֔ה (haazara) = de richel | וְאֶֽל (veel) = en op | הַגְּב֖וּל (hagevul) = de rand | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וְחִטֵּאתָ֥ (vechiteta) = en je zult ontzondigen | אוֹת֖וֹ (oto) = het | וְכִפַּרְתָּֽהוּ (vekhipartahu) = en je zult verzoening doen voor het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְחִטֵּאתָ (vechittetah), ‘en je zult ontzondigen’: van חֵטְא (chet), ‘zonde’; zoals in Lev. 8:15. Het altaar wordt gereinigd van wat het onrein zou maken. Voetnoot : וְכִפַּרְתָּהוּ (vekhipparetahu), ‘en je zult verzoening doen voor het’: zie Lev. 16:18–19. Zie ook: Ex 29:12; Ex 29:36; Lev 8:15; Lev 9:9; Lev 16:18–19; Lev 16:19 **43:21** **Je moet de stier van het zondoffer nemen en hem verbranden op de aangewezen plaats van het huis, buiten het heiligdom.** Brontekst: וְלָ֣קַחְתָּ֔ (velaqachta) = en je zult nemen | אֵ֖ת (et) = (obj.) | הַפָּ֣ר (hapar) = de stier | הַֽחַטָּ֑את (hachatat) = van het zondoffer | וּשְׂרָפוֹ֙ (userafo) = en hij zal het verbranden | בְּמִפְקַ֣ד (bemifqad) = op de aangewezen plaats van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | מִח֖וּץ (michuts) = buiten | לַמִּקְדָּֽשׁ (lamiqdash) = het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִפְקָד (mifqad), ‘aangewezen plaats’: een zeldzaam woord (ook in Neh. 3:31). Voetnoot : Het Hebreeuws heeft hier een onpersoonlijke vorm: ‘men zal hem verbranden’. Zie ook: Ex 29:14; Lev 4:12; Lev 8:17; Neh 3:31; Heb 13:11–12 **43:22** **Op de tweede dag moet je een geitenbok zonder gebrek als zondoffer brengen. Zij moeten het altaar ontzondigen, zoals zij het met de stier ontzondigd hebben.** Brontekst: וּבַיּוֹם֙ (uvayom) = en op de dag | הַשֵּׁנִ֔י (hasheni) = de tweede | תַּקְרִ֛יב (taqriv) = je zult brengen | שְׂעִיר (seir) = bok van | עִזִּ֥ים (izim) = geiten | תָּמִ֖ים (tamim) = zonder gebrek | לְחַטָּ֑את (lechatat) = als zondoffer | וְחִטְּאוּ֙ (vechiteu) = en zij zullen ontzondigen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | חִטְּא֖וּ (chiteu) = zij ontzondigden | בַּפָּֽר (bapar) = met de stier Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jes 53:6; Jes 53:10; Ezech 43:20; Ezech 43:25–26; 1 Petr 1:19 **43:23** **Als je klaar bent met het ontzondigen, moet je een jonge stier zonder gebrek brengen en een ram van het kleinvee zonder gebrek.** Brontekst: בְּכַלּוֹתְךָ֖ (bekhalotekha) = bij je voltooien | מֵֽחַטֵּ֑א (mechate) = van het ontzondigen | תַּקְרִיב֙ (taqriv) = je zult brengen | פַּ֣ר (par) = stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֣ר (baqar) = rund | תָּמִ֔ים (tamim) = zonder gebrek | וְאַ֥יִל (veayil) = en een ram | מִן (min) = uit | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | תָּמִֽים (tamim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: צֹאן (tson), ‘kleinvee’: schapen en geiten. Zie ook: Ex 29:1 **43:24** **Je moet ze brengen voor het aangezicht van Yahweh. De priesters moeten er zout op strooien en ze als brandoffer voor Yahweh opdragen.** Brontekst: וְהִקְרַבְתָּ֖ם (vehiqravtam) = en je zult ze brengen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהִשְׁלִ֨יכוּ (vehishlikhu) = en zij zullen werpen | הַכֹּהֲנִ֤ים (hakohanim) = de priesters | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = op hen | מֶ֔לַח (melach) = zout | וְהֶעֱל֥וּ (veheelu) = en zij zullen opdragen | אוֹתָ֛ם (otam) = hen | עֹלָ֖ה (ola) = als brandoffer | לַֽיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zout bij de offers: zie Lev. 2:13. Zie ook: Lev 2:13; Num 18:19; Mat 5:13; Mar 9:49–50; Kol 4:6 **43:25** **Zeven dagen lang moet je elke dag een bok als zondoffer bereiden. Ook moeten zij een jonge stier en een ram van het kleinvee, zonder gebrek, bereiden.** Brontekst: שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = je zult bereiden | שְׂעִיר (seir) = bok van | חַטָּ֖את (chatat) = zondoffer | לַיּ֑וֹם (layom) = per dag | וּפַ֧ר (ufar) = en stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֛ר (baqar) = rund | וְאַ֥יִל (veayil) = en een ram | מִן (min) = uit | הַצֹּ֖אן (hatson) = het kleinvee | תְּמִימִ֥ים (temimim) = zonder gebrek | יַעֲשֽׂוּ (yaasu) = zij zullen bereiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ex 29:35–37; Lev 8:33; Lev 8:35 **43:26** **Zeven dagen lang moeten zij verzoening doen voor het altaar en het reinigen. Zo wijden zij het in.** Brontekst: שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | יָמִ֗ים (yamim) = dagen | יְכַפְּרוּ֙ (yekhaperu) = zij zullen verzoening doen voor | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּזְבֵּ֔חַ (hamizbeach) = het altaar | וְטִֽהֲר֖וּ (vetiharu) = en zij zullen reinigen | אֹת֑וֹ (oto) = het | וּמִלְא֖וּ (umilu) = en zij zullen vullen | יָדָֽיו (yadav) = zijn handen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וּמִלְאוּ יָדָיו (umil’u yadav), ‘en zij zullen zijn handen vullen’: een uitdrukking voor het in dienst stellen of inwijden (Exod. 29:9; Lev. 8:33). Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat ידו (yado), ‘zijn hand’; de overlevering (qere) leest יָדָיו (yadav), ‘zijn handen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 29:9; Ex 29:24; Ex 32:29; Lev 8:33; Lev 8:34 **43:27** **Als die dagen voorbij zijn, moeten de priesters vanaf de achtste dag en daarna jullie brandoffers en jullie vredeoffers op het altaar brengen. Dan zal Ik jullie aannemen, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: וִֽיכַלּ֖וּ (vikhalu) = en zij voltooiden | אֶת (et) = (obj.) | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = de dagen | וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | בַיּ֨וֹם (bayom) = op de dag | הַשְּׁמִינִ֜י (hashemini) = de achtste | וָהָ֗לְאָה (vahalea) = en verder | יַעֲשׂ֨וּ (yaasu) = zullen doen | הַכֹּהֲנִ֤ים (hakohanim) = de priesters | עַל (al) = op | הַמִּזְבֵּ֨חַ֙ (hamizbeach) = het altaar | אֶת (et) = (obj.) | עוֹלֽוֹתֵיכֶם֙ (oloteikhem) = jullie brandoffers | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁלְמֵיכֶ֔ם (shalmeikhem) = jullie vredeoffers | וְרָצִ֣אתִי (veratsiti) = en Ik zal aannemen | אֶתְכֶ֔ם (etkhem) = jullie | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהֹוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffers’: zoals in Lev. 3. Voetnoot : וְרָצֵאתִי (veratseti), ‘en Ik zal aannemen’: Yahweh heeft welgevallen aan hen en aan hun offers. Voetnoot : Met dit vers eindigen de woorden van Yahweh die in vers 18 begonnen. Zie ook: Lev 9:1; Hos 8:13; Ezech 43:18; Rom 12:1; Ef 1:6; 1 Petr 2:5 ## Ezechiël 44 _De gesloten poort; wie het heiligdom mag dienen en de regels voor de priesters_ ### De gesloten poort **44:1** Hij bracht mij terug, langs de buitenste poort van het heiligdom die naar het oosten gekeerd was. Zij was gesloten. Brontekst: וַיָּ֣שֶׁב (vayashev) = en hij bracht terug | אֹתִ֗י (oti) = mij | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = de weg van | שַׁ֤עַר (shaar) = poort van | הַמִּקְדָּשׁ֙ (hamiqdash) = het heiligdom | הַֽחִיצ֔וֹן (hachitson) = de buitenste | הַפֹּנֶ֖ה (hapone) = die gekeerd was | קָדִ֑ים (qadim) = naar het oosten | וְה֖וּא (vehu) = en zij | סָגֽוּר (sagur) = gesloten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De buitenste poort van het heiligdom aan de oostkant is de poort van 43:1–4, waardoor de heerlijkheid van Yahweh het huis was binnengekomen. Zie ook: Ezech 40:6; Ezech 40:17; Ezech 42:14; Ezech 43:1; Hand 21:28–30 **44:2** Yahweh zei tegen mij: **„Deze poort blijft gesloten. Zij mag niet geopend worden en niemand mag erdoor binnengaan. Want Yahweh, de Elohim van Israël, is erdoor binnengekomen. Daarom blijft zij gesloten.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלַ֜י (elay) = tot mij | יְהוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | הַשַּׁ֣עַר (hashaar) = de poort | הַזֶּה֩ (haze) = deze | סָג֨וּר (sagur) = gesloten | יִהְיֶ֜ה (yihye) = zal zijn | לֹ֣א (lo) = niet | יִפָּתֵ֗חַ (yipateach) = zal geopend worden | וְאִישׁ֙ (veish) = en een man | לֹא (lo) = niet | יָ֣בֹא (yavo) = zal binnengaan | ב֔וֹ (bo) = door haar | כִּ֛י (ki) = want | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | אֱלֹהֵֽי (elohei) = Elohim van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | בָּ֣א (ba) = is binnengekomen | ב֑וֹ (bo) = door haar | וְהָיָ֖ה (vehaya) = en zij zal zijn | סָגֽוּר (sagur) = gesloten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon, in Zijn eigen woorden; daarom blijft het rood (vergelijk Jes. 6:12). Voetnoot : סָגוּר (sagur), ‘gesloten’: de poort blijft dicht, omdat Yahweh er is binnengekomen. Zij is daardoor heilig. Zie ook: Ex 24:10; Jes 6:1–5; Jes 6:12; Ezech 43:2–4 **44:3** **Wat de vorst betreft: als vorst mag hij daarin zitten om brood te eten voor het aangezicht van Yahweh. Hij moet binnenkomen via de voorhal van de poort en langs dezelfde weg weer vertrekken.”** Brontekst: אֶֽת (et) = (obj.) | הַנָּשִׂ֗יא (hanasi) = de vorst | נָ֥שִׂיא (nasi) = vorst | ה֛וּא (hu) = hij | יֵֽשֶׁב (yeshev) = zal zitten | בּ֥וֹ (bo) = daarin | לֶאֱכָול (leekhavl) = om te eten | לֶ֖חֶם (lechem) = brood | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | מִדֶּ֨רֶךְ (miderekh) = via de weg van | אֻלָ֤ם (ulam) = voorhal van | הַשַּׁ֨עַר֙ (hashaar) = de poort | יָב֔וֹא (yavo) = hij zal binnengaan | וּמִדַּרְכּ֖וֹ (umidarko) = en via zijn weg | יֵצֵֽא (yetse) = hij zal naar buiten gaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’: zoals in 7:27 en 12:10. De vorst is geen priester; hij mag in de poort eten, maar gaat zelf niet verder. Voetnoot : Het ‘brood eten voor het aangezicht van Yahweh’ is waarschijnlijk een offermaaltijd. De tekst zegt niet welke. Voetnoot : אֻלָם (ulam), ‘voorhal’. Voetnoot : Met dit vers eindigt de eerste toespraak; vers 5 begint een nieuwe. Zie ook: Gen 31:54; Ezech 34:24; Ezech 37:25; Ezech 44:5; Ezech 46:2; 1 Kor 10:18–33 ### De heerlijkheid vervult het huis **44:4** Hij bracht mij door de noordpoort naar de voorkant van het huis. Ik keek, en zie: de heerlijkheid van Yahweh vervulde het huis van Yahweh. Ik viel op mijn gezicht. Brontekst: וַיְבִיאֵ֜נִי (vayvieni) = en hij bracht mij | דֶּֽרֶךְ (derekh) = de weg van | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | הַצָּפוֹן֮ (hatsafon) = het noorden | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֣י (penei) = het gezicht van | הַבַּיִת֒ (habayit) = het huis | וָאֵ֕רֶא (vaere) = en ik zag | וְהִנֵּ֛ה (vehine) = en zie | מָלֵ֥א (male) = vervulde | כְבוֹד (kevod) = heerlijkheid van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | אֶת (et) = (obj.) | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וָאֶפֹּ֖ל (vaepol) = en ik viel | אֶל (el) = op | פָּנָֽי (panay) = mijn gezicht Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk 43:5: ook toen vulde de heerlijkheid van Yahweh het huis. Ezechiël valt, zoals in 1:28 en 3:23, op zijn gezicht. Zie ook: Ezech 1:28; Ezech 3:23; Ezech 40:20; Ezech 43:3–5; Openb 1:17 ### Wie het heiligdom mag binnengaan **44:5** Yahweh zei tegen mij: **„Mensenkind, richt je hart. Kijk met je ogen en luister met je oren naar alles wat Ik met je bespreek. Het gaat over alle voorschriften van het huis van Yahweh en over al zijn wetten. Richt je hart op de ingang van het huis, bij alle uitgangen van het heiligdom.** Brontekst: וַיֹּ֨אמֶר (vayomer) = en zei | אֵלַ֜י (elay) = tot mij | יְהֹוָ֗ה (Yahweh) = Yahweh | בֶּן (ben) = zoon van | אָדָ֡ם (adam) = een mens | שִׂ֣ים (sim) = richt | לִבְּךָ֩ (libekha) = je hart | וּרְאֵ֨ה (uree) = en kijk | בְעֵינֶ֜יךָ (beeineikha) = met je ogen | וּבְאָזְנֶ֣יךָ (uveazeneikha) = en met je oren | שְּׁמָ֗ע (shema) = luister | אֵ֣ת (et) = (obj.) | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁ֤ר (asher) = wat | אֲנִי֙ (ani) = Ik | מְדַבֵּ֣ר (medaber) = spreek | אֹתָ֔ךְ (otakh) = met je | לְכָל (lekhal) = over alle | חֻקּ֥וֹת (chuqot) = voorschriften van | בֵּית (beit) = huis van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | וּלְכָל (ulekhal) = en over al | תּֽוֹרֹתָ֑יו (torotav) = zijn wetten | וְשַׂמְתָּ֤ (vesamta) = en richt | לִבְּךָ֙ (libekha) = je hart | לִמְב֣וֹא (limvo) = op de ingang van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | בְּכֹ֖ל (bekhol) = bij alle | מוֹצָאֵ֥י (motsaei) = uitgangen van | הַמִּקְדָּֽשׁ (hamiqdash) = het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שִׂים לִבְּךָ (sim libbekha), ‘richt je hart’: let goed op. Drie werkwoorden volgen: kijken, luisteren en je hart richten. Voetnoot : חֻקּוֹת (chuqqot), ‘voorschriften’, en תּוֹרוֹת (torot), ‘wetten’: zoals in 43:11. Voetnoot : De woorden van Yahweh lopen door tot en met vers 31. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat bij ‘al zijn wetten’ een andere schrijfwijze (תורתו); de overlevering (qere) leest תּוֹרֹתָיו (torotav), ‘zijn wetten’. Wij volgen de qere. Zie ook: Deut 13:1; Deut 32:46; Ezech 40:4; Ezech 43:10–11; Ezech 44:31; Dan 10:12 **44:6** **Zeg tegen de weerspannigen, tegen het huis van Israël:** Zo zegt Heer Yahweh: **Het is genoeg voor jullie met al jullie gruwelen, huis van Israël,** Brontekst: וְאָמַרְתָּ֤ (veamarta) = en je zult zeggen | אֶל (el) = tegen | מֶ֨רִי֙ (meri) = de weerspannigen | אֶל (el) = tegen | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כֹּ֥ה (ko) = zo | אָמַ֖ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֑ה (Yahweh) = Yahweh | רַב (rav) = genoeg | לָכֶ֛ם (lakhem) = voor jullie | מִֽכָּל (mikal) = van al | תּוֹעֲבֽוֹתֵיכֶ֖ם (toavoteikhem) = jullie gruwelen | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מֶרִי (meri), ‘de weerspannigen’: zie de uitleg bij 2:5. Voetnoot : רַב לָכֶם (rav lakhem), ‘het is genoeg voor jullie’: Yahweh is het zat; zo ook in 45:9. Voetnoot : De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart; zie de uitleg bij 2:4. Zie ook: Ezech 2:5–8; Ezech 3:9; Ezech 3:26–27; Ezech 45:9; 1 Petr 4:3 **44:7** **want jullie hebben vreemden, onbesneden van hart en onbesneden van vlees, in Mijn heiligdom laten komen. Zo ontwijdden zij Mijn huis, toen jullie Mijn brood aanboden, vet en bloed. Zo hebben zij Mijn verbond verbroken, bovenop al jullie gruwelen.** Brontekst: בַּהֲבִיאֲכֶ֣ם (bahaviakhem) = bij jullie binnenbrengen | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | נֵכָ֗ר (nekhar) = vreemde | עַרְלֵי (arlei) = onbesneden van | לֵב֙ (lev) = hart | וְעַרְלֵ֣י (vearlei) = en onbesneden van | בָשָׂ֔ר (basar) = vlees | לִהְי֥וֹת (lihyot) = om te zijn | בְּמִקְדָּשִׁ֖י (bemiqdashi) = in Mijn heiligdom | לְחַלְּל֣וֹ (lechalelo) = om het te ontwijden | אֶת (et) = (obj.) | בֵּיתִ֑י (beiti) = Mijn huis | בְּהַקְרִֽיבְכֶ֤ם (behaqrivekhem) = bij jullie aanbieden | אֶת (et) = (obj.) | לַחְמִי֙ (lachmi) = Mijn brood | חֵ֣לֶב (chelev) = vet | וָדָ֔ם (vadam) = en bloed | וַיָּפֵ֨רוּ֙ (vayaferu) = en zij verbraken | אֶת (et) = (obj.) | בְּרִיתִ֔י (beriti) = Mijn verbond | אֶ֖ל (el) = naast | כָּל (kal) = al | תּוֹעֲבוֹתֵיכֶֽם (toavoteikhem) = jullie gruwelen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי נֵכָר (benei nekhar), ‘vreemden’: letterlijk ‘zonen van de vreemde’. Zij worden onbesneden van hart en vlees genoemd, dus ongehoorzaam en zonder teken van het verbond. Zie ook Jer. 9:25 (NL 9:26). Voetnoot : לַחְמִי (lachmi), ‘Mijn brood’: de offers, zoals in Lev. 21:6. Voetnoot : וַיָּפֵרוּ (vayyaferu), ‘en zij verbraken’: het onderwerp is niet duidelijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Lev 21:6; Lev 22:25; Lev 26:41; Jer 4:4; Jer 9:25; Ezech 44:9 **44:8** **Jullie hebben de taak van Mijn heilige dingen niet bewaakt. Jullie hebben anderen aangesteld om Mijn taak in Mijn heiligdom voor jullie te bewaken.** Brontekst: וְלֹ֥א (velo) = en niet | שְׁמַרְתֶּ֖ם (shemartem) = jullie hebben bewaakt | מִשְׁמֶ֣רֶת (mishmeret) = de taak van | קָדָשָׁ֑י (qadashay) = Mijn heilige dingen | וַתְּשִׂימ֗וּן (vatesimun) = en jullie hebben aangesteld | לְשֹׁמְרֵ֧י (leshomerei) = als bewakers van | מִשְׁמַרְתִּ֛י (mishmarti) = Mijn taak | בְּמִקְדָּשִׁ֖י (bemiqdashi) = in Mijn heiligdom | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘taak’: wat men te bewaken heeft, de dienst. Het woord komt in dit hoofdstuk vaak voor. Zie ook: Num 18:3–5; Num 18:7; 1 Kron 23:32; Hand 7:53; 2 Tim 4:1 **44:9** Zo zegt Heer Yahweh: **Geen enkele vreemde, onbesneden van hart en onbesneden van vlees, mag Mijn heiligdom binnengaan. Dat geldt voor geen enkele vreemde die onder de zonen van Israël is.** Brontekst: כֹּה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | כָּל (kal) = elke | בֶּן (ben) = zoon van | נֵכָ֗ר (nekhar) = vreemde | עֶ֤רֶל (erel) = onbesneden van | לֵב֙ (lev) = hart | וְעֶ֣רֶל (veerel) = en onbesneden van | בָּשָׂ֔ר (basar) = vlees | לֹ֥א (lo) = niet | יָב֖וֹא (yavo) = zal binnengaan | אֶל (el) = naar | מִקְדָּשִׁ֑י (miqdashi) = Mijn heiligdom | לְכָל (lekhal) = van elke | בֶּן (ben) = zoon van | נֵכָ֔ר (nekhar) = vreemde | אֲשֶׁ֕ר (asher) = die | בְּת֖וֹךְ (betokh) = te midden van | בְּנֵ֥י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij 2:4. Zie ook: Joël 4:17; Ezech 44:7; Zach 14:21; Mar 16:16; Joh 3:3–5 ### De Levieten **44:10** **Maar de Levieten die ver van Mij weggegaan zijn, toen Israël dwaalde: zij dwaalden van Mij weg, achter hun mestgoden aan. Zij zullen hun schuld dragen.** Brontekst: כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = als | הַלְוִיִּ֗ם (halviyim) = de Levieten | אֲשֶׁ֤ר (asher) = die | רָֽחֲקוּ֙ (rachaqu) = zich verwijderden | מֵֽעָלַ֔י (mealay) = van Mij | בִּתְע֤וֹת (bitot) = bij het dwalen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תָּע֣וּ (tau) = dwaalden | מֵֽעָלַ֔י (mealay) = van Mij | אַחֲרֵ֖י (acharei) = achter | גִּלּֽוּלֵיהֶ֑ם (giluleihem) = hun mestgoden | וְנָשְׂא֖וּ (venaseu) = en zij zullen dragen | עֲוֺנָֽם (avonam) = hun schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’: zie de uitleg bij 6:4. Voetnoot : De Levieten die van Yahweh weg dwaalden, werden afgoden gaan dienen (vergelijk 48:11). Voetnoot : וְנָשְׂאוּ עֲוֹנָם (venas’u avonam), ‘zij zullen hun schuld dragen’: zij dragen de gevolgen. Zie ook: 2 Kon 23:8–9; Ezech 22:26; Ezech 44:15; Ezech 48:11; 1 Tim 5:22 **44:11** **Zij zullen in Mijn heiligdom dienaren zijn, met toezicht bij de poorten van het huis, en dienst doen in het huis. Zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten. Zij zullen voor hen staan om hen te dienen.** Brontekst: וְהָי֤וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | בְמִקְדָּשִׁי֙ (bemiqdashi) = in Mijn heiligdom | מְשָׁ֣רְתִ֔ים (mesharetim) = dienaren | פְּקֻדּוֹת֙ (pequdot) = met toezicht | אֶל (el) = bij | שַׁעֲרֵ֣י (shaarei) = poorten van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וּֽמְשָׁרְתִ֖ים (umesharetim) = en dienaren | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | הֵ֠מָּה (hema) = zij | יִשְׁחֲט֨וּ (yishchatu) = zullen slachten | אֶת (et) = (obj.) | הָעֹלָ֤ה (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַזֶּ֨בַח֙ (hazevach) = het slachtoffer | לָעָ֔ם (laam) = voor het volk | וְהֵ֛מָּה (vehema) = en zij | יַעַמְד֥וּ (yaamdu) = zullen staan | לִפְנֵיהֶ֖ם (lifneihem) = voor hen | לְשָֽׁרְתָֽם (lesharetam) = om hen te dienen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פְּקֻדּוֹת (pequddot), ‘toezicht’: het houden van toezicht of wacht bij de poorten. Voetnoot : Het werk van de Levieten is hier lager dan dat van de priesters: zij slachten voor het volk en dienen het volk. Zie ook: Num 16:9; Num 18:6; 1 Kron 26:1–19; 2 Kron 29:34; Ezech 40:45 **44:12** **Zij dienden hen voor hun mestgoden en werden voor het huis van Israël een struikelblok tot schuld. Daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, godsspraak van Heer Yahweh, en zij zullen hun schuld dragen.** Brontekst: יַ֗עַן (yaan) = omdat | אֲשֶׁ֨ר (asher) = dat | יְשָׁרְת֤וּ (yesharetu) = zij dienden | אוֹתָם֙ (otam) = hen | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor | גִלּֽוּלֵיהֶ֔ם (giluleihem) = hun mestgoden | וְהָי֥וּ (vehayu) = en zij werden | לְבֵֽית (leveit) = voor het huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְמִכְשׁ֣וֹל (lemikhshol) = tot een struikelblok van | עָוֺ֑ן (avon) = schuld | עַל (al) = daarom | כֵּן֩ (ken) = zo | נָשָׂ֨אתִי (nasati) = Ik heb opgeheven | יָדִ֜י (yadi) = Mijn hand | עֲלֵיהֶ֗ם (aleihem) = over hen | נְאֻם֙ (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | וְנָשְׂא֖וּ (venaseu) = en zij zullen dragen | עֲוֺנָֽם (avonam) = hun schuld Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij 5:11. Voetnoot : נָשָׂאתִי יָדִי (nasati yadi), ‘Ik heb Mijn hand opgeheven’: de handbeweging van een eed (zoals in 20:5). Voetnoot : מִכְשׁוֹל עָוֹן (mikhshol avon), ‘een struikelblok tot schuld’: zij brachten het volk tot schuld. Zie ook: Ps 106:26; 2 Kon 16:10–16; Ezech 14:3–4; Ezech 20:23; Ezech 44:10 **44:13** **Zij zullen niet tot Mij naderen om als priester voor Mij te dienen. Zij zullen niet naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de hoogheilige dingen. Zij zullen hun schande dragen, en de gruwelen die zij gedaan hebben.** Brontekst: וְלֹֽא (velo) = en niet | יִגְּשׁ֤וּ (yigeshu) = zij zullen naderen | אֵלַי֙ (elay) = tot Mij | לְכַהֵ֣ן (lekhahen) = om priester te zijn | לִ֔י (li) = voor Mij | וְלָגֶ֨שֶׁת֙ (velageshet) = en om te naderen | עַל (al) = tot | כָּל (kal) = al | קָ֣דָשַׁ֔י (qadashay) = Mijn heilige dingen | אֶל (el) = tot | קָדְשֵׁ֖י (qadeshei) = heilige dingen van | הַקְּדָשִׁ֑ים (haqedashim) = de heiligste | וְנָֽשְׂאוּ֙ (venaseu) = en zij zullen dragen | כְּלִמָּתָ֔ם (kelimatam) = hun schande | וְתוֹעֲבוֹתָ֖ם (vetoavotam) = en hun gruwelen | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | עָשֽׂוּ (asu) = zij deden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְכַהֵן (lekhahen), ‘als priester dienen’: het werkwoord ‘priester zijn’. De Levieten mogen niet de taak van de priesters doen. Voetnoot : קָדְשֵׁי הַקֳּדָשִׁים (qodshei haqodashim), ‘de hoogheilige dingen’: zie de uitleg bij 42:13. Zie ook: Num 18:3; 2 Kon 23:9; Ezech 16:61; Ezech 32:20; Ezech 36:7 **44:14** **Ik stel hen aan als bewakers van de taak van het huis, voor heel zijn dienst en voor alles wat daarin gedaan wordt.** Brontekst: וְנָתַתִּ֣י (venatati) = en Ik zal aanstellen | אוֹתָ֔ם (otam) = hen | שֹׁמְרֵ֖י (shomerei) = bewakers van | מִשְׁמֶ֣רֶת (mishmeret) = de taak van | הַבָּ֑יִת (habayit) = het huis | לְכֹל֙ (lekhol) = voor al | עֲבֹ֣דָת֔וֹ (avodato) = zijn dienst | וּלְכֹ֛ל (ulekhol) = en voor alles | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | יֵעָשֶׂ֖ה (yease) = gedaan wordt | בּֽוֹ (bo) = daarin Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 18:4; 1 Kron 23:28–32 ### De priesters, de zonen van Zadok **44:15** **Maar de priesters, de Levieten, de zonen van Zadok, bewaakten de taak van Mijn heiligdom toen de zonen van Israël van Mij weg dwaalden. Zij zullen tot Mij naderen om Mij te dienen. Zij zullen voor Mij staan om vet en bloed aan Mij aan te bieden, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְהַכֹּהֲנִ֨ים (vehakohanim) = en de priesters | הַלְוִיִּ֜ם (halviyim) = de Levieten | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | צָד֗וֹק (tsadoq) = Zadok | אֲשֶׁ֨ר (asher) = die | שָׁמְר֜וּ (shameru) = bewaakten | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמֶ֤רֶת (mishmeret) = de taak van | מִקְדָּשִׁי֙ (miqdashi) = Mijn heiligdom | בִּתְע֤וֹת (bitot) = bij het dwalen van | בְּנֵֽי (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | מֵֽעָלַ֔י (mealay) = van Mij | הֵ֛מָּה (hema) = zij | יִקְרְב֥וּ (yiqrevu) = zullen naderen | אֵלַ֖י (elay) = tot Mij | לְשָֽׁרְתֵ֑נִי (leshareteni) = om Mij te dienen | וְעָמְד֣וּ (veamedu) = en zij zullen staan | לְפָנַ֗י (lefanay) = voor Mij | לְהַקְרִ֥יב (lehaqriv) = om aan te bieden | לִי֙ (li) = aan Mij | חֵ֣לֶב (chelev) = vet | וָדָ֔ם (vadam) = en bloed | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בְּנֵי צָדוֹק (benei Tsadoq), ‘zonen van Zadok’: nakomelingen van de priester Zadok (1 Kon. 2:35; zie ook 40:46 en 43:19). Voetnoot : נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij 5:11. Voetnoot : חֵלֶב וָדָם (chelev vadam), ‘vet en bloed’: de belangrijkste delen van het offer, die Yahweh toekomen (Lev. 3:16–17). Zie ook: Lev 3:16–17; Deut 10:8; 1 Kon 2:35; Ezech 40:46; Ezech 43:19; Ezech 44:7; Ezech 48:11 **44:16** **Zij zullen Mijn heiligdom binnengaan en tot Mijn tafel naderen om Mij te dienen. Zij zullen Mijn taak bewaken.** Brontekst: הֵ֜מָּה (hema) = zij | יָבֹ֣אוּ (yavou) = zullen binnengaan | אֶל (el) = naar | מִקְדָּשִׁ֗י (miqdashi) = Mijn heiligdom | וְהֵ֛מָּה (vehema) = en zij | יִקְרְב֥וּ (yiqrevu) = zullen naderen | אֶל (el) = naar | שֻׁלְחָנִ֖י (shulchani) = Mijn tafel | לְשָׁרְתֵ֑נִי (leshareteni) = om Mij te dienen | וְשָׁמְר֖וּ (veshameru) = en zij zullen bewaken | אֶת (et) = (obj.) | מִשְׁמַרְתִּֽי (mishmarti) = Mijn taak Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֻׁלְחָן (shulchan), ‘tafel’: ‘Mijn tafel’ is vermoedelijk het altaar (vergelijk 41:22 en Mal. 1:7). Zie ook: Num 18:7–8; Deut 33:8–10; Ezech 41:22; Mal 1:7; Mal 1:12 ### Kleding en leefregels van de priesters **44:17** **Wanneer zij de poorten van de binnenste voorhof binnengaan, moeten zij linnen kleren dragen. Er mag geen wol op hen komen als zij dienen aan de poorten van de binnenste voorhof en daarbinnen.** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | בְּבוֹאָם֙ (bevoam) = bij hun binnengaan | אֶֽל (el) = naar | שַׁעֲרֵי֙ (shaarei) = poorten van | הֶחָצֵ֣ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִ֔ית (hapenimit) = de binnenste | בִּגְדֵ֥י (bigdei) = kleren van | פִשְׁתִּ֖ים (pishtim) = linnen | יִלְבָּ֑שׁוּ (yilbashu) = zij zullen dragen | וְלֹֽא (velo) = en niet | יַעֲלֶ֤ה (yaale) = zal komen | עֲלֵיהֶם֙ (aleihem) = op hen | צֶ֔מֶר (tsemer) = wol | בְּשָֽׁרְתָ֗ם (besharetam) = bij hun dienen | בְּשַׁעֲרֵ֛י (beshaarei) = aan de poorten van | הֶחָצֵ֥ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִ֖ית (hapenimit) = de binnenste | וָבָֽיְתָה (vavayeta) = en daarbinnen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּגְדֵי פִשְׁתִּים (bigdei fishtim), ‘linnen kleren’: zoals de priesterkleding in Exod. 28:39–42. Wol is niet toegestaan. Zie ook: Ex 28:39–42; Ex 28:43; Ex 39:27–29; Lev 16:4; Openb 4:4; Openb 19:8 **44:18** **Linnen tulbanden moeten op hun hoofd zijn en linnen onderbroeken om hun heupen. Zij mogen zich niet omgorden met iets wat zweet veroorzaakt.** Brontekst: פַּאֲרֵ֤י (paarei) = tulbanden van | פִשְׁתִּים֙ (pishtim) = linnen | יִהְי֣וּ (yihyu) = zullen zijn | עַל (al) = op | רֹאשָׁ֔ם (rosham) = hun hoofd | וּמִכְנְסֵ֣י (umikhnesei) = en broeken van | פִשְׁתִּ֔ים (pishtim) = linnen | יִהְי֖וּ (yihyu) = zullen zijn | עַל (al) = op | מָתְנֵיהֶ֑ם (mateneihem) = hun heupen | לֹ֥א (lo) = niet | יַחְגְּר֖וּ (yachgeru) = zullen zij zich omgorden | בַּיָּֽזַע (bayaza) = met zweet Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פַּאֲרֵי פִשְׁתִּים (pa’arei fishtim), ‘linnen tulbanden’ (vergelijk Exod. 39:28), en מִכְנְסֵי (michnesei), ‘onderbroeken’. Voetnoot : בַּיָּזַע (bayyaza’), ‘met zweet’: een zeldzaam woord. Het gaat om kleding die warm maakt en zweet veroorzaakt. Zie ook: Ex 28:40–43; Ex 39:28; Jes 3:20; 1 Kor 11:4–10; 1 Kor 14:40 **44:19** **Wanneer zij naar de buitenste voorhof gaan, naar de buitenste voorhof, naar het volk, moeten zij de kleren waarin zij dienen uittrekken. Zij moeten die neerleggen in het heilige vertrek en andere kleren aantrekken, zodat zij het volk niet heiligen met hun kleren.** Brontekst: וּ֠בְצֵאתָם (uvetsetam) = en bij hun naar buiten gaan | אֶל (el) = naar | הֶחָצֵ֨ר (hechatser) = de voorhof | הַחִיצוֹנָ֜ה (hachitsona) = de buitenste | אֶל (el) = naar | הֶחָצֵ֣ר (hechatser) = de voorhof | הַחִיצוֹנָה֮ (hachitsona) = de buitenste | אֶל (el) = naar | הָעָם֒ (haam) = het volk | יִפְשְׁט֣וּ (yifshetu) = zullen zij uittrekken | אֶת (et) = (obj.) | בִּגְדֵיהֶ֗ם (bigdeihem) = hun kleren | אֲשֶׁר (asher) = waarin | הֵ֨מָּה֙ (hema) = zij | מְשָׁרְתִ֣ם (mesharetim) = dienen | בָּ֔ם (bam) = daarin | וְהִנִּ֥יחוּ (vehinichu) = en zij zullen neerleggen | אוֹתָ֖ם (otam) = ze | בְּלִֽשְׁכֹ֣ת (belishkhot) = in het vertrek van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | וְלָֽבְשׁוּ֙ (velaveshu) = en zij zullen aantrekken | בְּגָדִ֣ים (begadim) = kleren | אֲחֵרִ֔ים (acherim) = andere | וְלֹֽא (velo) = en niet | יְקַדְּשׁ֥וּ (yeqadeshu) = zullen zij heiligen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָ֖ם (haam) = het volk | בְּבִגְדֵיהֶֽם (bevigdeihem) = met hun kleren Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Heilige kleren maken heilig wie ze aanraakt. Daarom mogen de priesters ze niet naar buiten dragen (vergelijk 42:14). Voetnoot : בְּלִשְׁכַּת הַקֹּדֶשׁ (bilshkat haqodesh), ‘in het heilige vertrek’: zie 42:13. Zie ook: Ex 29:37; Lev 6:3–4; Lev 6:20; Ezech 46:20; Mat 23:17–19 **44:20** **Zij mogen hun hoofd niet kaalscheren en hun haar niet los laten hangen. Zij moeten hun hoofd keurig knippen.** Brontekst: וְרֹאשָׁם֙ (verosham) = en hun hoofd | לֹ֣א (lo) = niet | יְגַלֵּ֔חוּ (yegalechu) = zullen zij kaalscheren | וּפֶ֖רַע (ufera) = en lang haar | לֹ֣א (lo) = niet | יְשַׁלֵּ֑חוּ (yeshalechu) = zullen zij laten groeien | כָּס֥וֹם (kasom) = knippend | יִכְסְמ֖וּ (yikhsemu) = zullen zij knippen | אֶת (et) = (obj.) | רָאשֵׁיהֶֽם (rasheihem) = hun hoofden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Lev. 21:5 en Lev. 10:6. כָּסוֹם יִכְסְמוּ (kasom yikhsemu), ‘keurig knippen’: het werkwoord is zeldzaam. Zie ook: Lev 10:6; Lev 21:5–24; Num 6:5; Deut 14:1; 1 Kor 11:14 **44:21** **Geen priester mag wijn drinken wanneer hij de binnenste voorhof binnengaat.** Brontekst: וְיַ֥יִן (veyayin) = en wijn | לֹֽא (lo) = niet | יִשְׁתּ֖וּ (yishtu) = zullen zij drinken | כָּל (kal) = elke | כֹּהֵ֑ן (kohen) = priester | בְּבוֹאָ֖ם (bevoam) = bij hun binnengaan | אֶל (el) = naar | הֶחָצֵ֥ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִֽית (hapenimit) = de binnenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Lev. 10:9. Zie ook: Lev 10:9; Luc 1:15; 1 Tim 3:8; 1 Tim 5:23; Tit 1:7–8 **44:22** **Een weduwe of een gescheiden vrouw mogen zij niet tot vrouw nemen. Alleen maagden uit het nageslacht van het huis van Israël mogen zij nemen, of een weduwe die weduwe is van een priester.** Brontekst: וְאַלְמָנָה֙ (vealmana) = en een weduwe | וּגְרוּשָׁ֔ה (ugerusha) = en een gescheiden vrouw | לֹֽא (lo) = niet | יִקְח֥וּ (yiqchu) = zullen zij nemen | לָהֶ֖ם (lahem) = voor zich | לְנָשִׁ֑ים (lenashim) = tot vrouwen | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = als | בְּתוּלֹ֗ת (betulot) = maagden | מִזֶּ֨רַע֙ (mizera) = uit het zaad van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | וְהָֽאַלְמָנָה֙ (vehaalmana) = en de weduwe | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תִּֽהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | אַלְמָנָ֔ה (almana) = weduwe | מִכֹּהֵ֖ן (mikohen) = van een priester | יִקָּֽחוּ (yiqachu) = zullen zij nemen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: גְּרוּשָׁה (gerushah), ‘gescheiden vrouw’: letterlijk ‘verstotene’. Vergelijk Lev. 21:7 en 21:13–14. Zie ook: Lev 21:7; Lev 21:13–14; Deut 24:1–4; 1 Tim 3:2; 1 Tim 3:4–5 **44:23** **Zij moeten Mijn volk onderwijzen wat het verschil is tussen heilig en gewoon, en hun laten weten wat het verschil is tussen onrein en rein.** Brontekst: וְאֶת (veet) = en (obj.) | עַמִּ֣י (ami) = Mijn volk | יוֹר֔וּ (yoru) = zullen zij onderwijzen | בֵּ֥ין (bein) = tussen | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לְחֹ֑ל (lechol) = en gewoon | וּבֵין (uvein) = en tussen | טָמֵ֥א (tame) = onrein | לְטָה֖וֹר (letahor) = en rein | יוֹדִעֻֽם (yodium) = zullen zij hen laten weten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Lev. 10:10–11 en 42:20. Zie ook: Lev 10:10–11; Lev 42:20; Hos 4:6; Ezech 22:26; Mal 2:6–9; 2 Tim 2:24–25 **44:24** **Bij een geschil moeten zij optreden als rechters. Zij moeten oordelen volgens Mijn rechtsregels. Zij moeten Mijn wetten en Mijn voorschriften bewaren bij al Mijn feesten, en Mijn sabbatten heiligen.** Brontekst: וְעַל (veal) = en bij | רִ֗יב (riv) = geschil | הֵ֚מָּה (hema) = zij | יַעַמְד֣וּ (yaamdu) = zullen staan | לְמִשְׁפָּ֔ט (lemishpat) = om recht te spreken | בְּמִשְׁפָּטַ֖י (bemishpatay) = volgens Mijn rechtsregels | יִשְׁפְּט֑וּהוּ (yishpetuhu) = zullen zij het oordelen | וְאֶת (veet) = en (obj.) | תּוֹרֹתַ֤י (torotay) = Mijn wetten | וְאֶת (veet) = en (obj.) | חֻקֹּתַי֙ (chuqotay) = Mijn voorschriften | בְּכָל (bekhal) = bij alle | מוֹעֲדַ֣י (moaday) = Mijn feesten | יִשְׁמֹ֔רוּ (yishmoru) = zullen zij bewaren | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שַׁבְּתוֹתַ֖י (shabetotay) = Mijn sabbatten | יְקַדֵּֽשׁוּ (yeqadeshu) = zullen zij heiligen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מוֹעֲדִים (mo’adim), ‘feesten’: de vastgestelde tijden van het jaar. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat לשפט (leshefot), ‘om te richten’; de overlevering (qere) leest לְמִשְׁפָּט (lemishpat), ‘tot recht’. Verder staat in de geschreven tekst ושפטהו (veshaftehu), ‘en zij zullen het oordelen’; de overlevering leest יִשְׁפְּטוּהוּ (yishpetuhu), ‘zij zullen het oordelen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Num 28:1–29; 1 Kron 23:4; 2 Kron 19:8–10; Ezech 22:26; Neh 8:1–18 **44:25** **Zij mogen niet naar een dode gaan om zich onrein te maken. Alleen voor vader, moeder, zoon, dochter, broer en een zuster die niet aan een man toebehoorde. Voor hen mogen zij zich onrein maken.** Brontekst: וְאֶל (veel) = en naar | מֵ֣ת (met) = dode van | אָדָ֔ם (adam) = een mens | לֹ֥א (lo) = niet | יָב֖וֹא (yavo) = zullen zij gaan | לְטָמְאָ֑ה (letamea) = om onrein te worden | כִּ֣י (ki) = maar | אִם (im) = als | לְאָ֡ב (leav) = voor vader | וּ֠לְאֵם (uleem) = en voor moeder | וּלְבֵ֨ן (uleven) = en voor zoon | וּלְבַ֜ת (ulevat) = en voor dochter | לְאָ֗ח (leach) = voor broer | וּלְאָח֛וֹת (uleachot) = en voor zuster | אֲשֶֽׁר (asher) = die | לֹא (lo) = niet | הָיְתָ֥ה (hayeta) = zij was | לְאִ֖ישׁ (leish) = aan een man | יִטַּמָּֽאוּ (yitamau) = zullen zij zich onrein maken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vergelijk Lev. 21:1–3. Zie ook: Lev 21:1–6; Lev 22:4; Mat 8:21–22; Luc 9:59–60; 2 Kor 5:16 **44:26** **Na zijn reiniging moeten zij voor hem zeven dagen tellen.** Brontekst: וְאַחֲרֵ֖י (veacharei) = en na | טָֽהֳרָת֑וֹ (tahorato) = zijn reiniging | שִׁבְעַ֥ת (shivat) = zeven | יָמִ֖ים (yamim) = dagen | יִסְפְּרוּ (yisperu) = zullen zij tellen | לֽוֹ (lo) = voor hem Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Na het aanraken van een dode volgt een reiniging van zeven dagen (Num. 19:11–12). Zie ook: Num 6:10–21; Num 19:11–14; Heb 9:13–14 **44:27** **Op de dag dat hij het heiligdom binnengaat, naar de binnenste voorhof, om in het heiligdom te dienen, moet hij zijn zondoffer brengen. Godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וּבְיוֹם֩ (uveyom) = en op de dag | בֹּא֨וֹ (boo) = dat hij binnengaat | אֶל (el) = naar | הַקֹּ֜דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | אֶל (el) = naar | הֶחָצֵ֤ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִית֙ (hapenimit) = de binnenste | לְשָׁרֵ֣ת (lesharet) = om te dienen | בַּקֹּ֔דֶשׁ (baqodesh) = in het heiligdom | יַקְרִ֖יב (yaqriv) = zal hij brengen | חַטָּאת֑וֹ (chatato) = zijn zondoffer | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij 5:11. Voetnoot : חַטָּאת (chatat), ‘zondoffer’: de priester brengt het voor zichzelf voordat hij weer dient. Zie ook: Lev 4:3–35; Lev 8:14–36; Num 6:9–11; Ezech 44:17; Heb 7:26–28 ### Het erfdeel van de priesters **44:28** **Het zal voor hen een erfdeel zijn: Ik ben hun erfdeel. Een eigen bezit mogen jullie hun in Israël niet geven: Ik ben hun bezit.** Brontekst: וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en het zal zijn | לָהֶם֙ (lahem) = voor hen | לְֽנַחֲלָ֔ה (lenachala) = als erfdeel | אֲנִ֖י (ani) = Ik | נַֽחֲלָתָ֑ם (nachalatam) = hun erfdeel | וַאֲחֻזָּ֗ה (vaachuza) = en een bezit | לֹֽא (lo) = niet | תִתְּנ֤וּ (titenu) = jullie zullen geven | לָהֶם֙ (lahem) = hun | בְּיִשְׂרָאֵ֔ל (beyisrael) = in Israël | אֲנִ֖י (ani) = Ik | אֲחֻזָּתָֽם (achuzatam) = hun bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’, en אֲחֻזָּה (achuzzah), ‘bezit’: de priesters krijgen geen land, Yahweh zelf is hun deel (Num. 18:20; Deut. 18:2). Zie ook: Num 18:20; Deut 10:9; Deut 18:1–2; Deut 18:2; Joz 13:33; Ezech 45:4 **44:29** **Het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer zullen zij eten, en alles wat in Israël aan de ban gewijd is, zal van hen zijn.** Brontekst: הַמִּנְחָה֙ (hamincha) = het graanoffer | וְהַחַטָּ֣את (vehachatat) = en het zondoffer | וְהָאָשָׁ֔ם (vehaasham) = en het schuldoffer | הֵ֖מָּה (hema) = zij | יֹֽאכְל֑וּם (yokhlum) = zullen ze eten | וְכָל (vekhal) = en alles | חֵ֥רֶם (cherem) = wat gebannen is | בְּיִשְׂרָאֵ֖ל (beyisrael) = in Israël | לָהֶ֥ם (lahem) = voor hen | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֵרֶם (cherem), ‘wat aan de ban gewijd is’: wat voor Yahweh is afgezonderd (Lev. 27:21 en 27:28). Zie ook: Lev 6:19; Lev 6:22; Lev 27:21; Lev 27:28; Num 18:14 **44:30** **Het eerste van alle eerstelingen van alles en elke heffing van alles, van al jullie heffingen, is voor de priesters. Ook het eerste van jullie deeg moeten jullie aan de priester geven, zodat er zegen op jouw huis rust.** Brontekst: וְרֵאשִׁית֩ (vereshit) = en het eerste van | כָּל (kal) = alle | בִּכּ֨וּרֵי (bikurei) = eerstelingen van | כֹ֜ל (kol) = alles | וְכָל (vekhal) = en elke | תְּר֣וּמַת (terumat) = heffing van | כֹּ֗ל (kol) = alles | מִכֹּל֙ (mikol) = van al | תְּרוּמ֣וֹתֵיכֶ֔ם (terumoteikhem) = jullie heffingen | לַכֹּהֲנִ֖ים (lakohanim) = voor de priesters | יִֽהְיֶ֑ה (yihye) = zal zijn | וְרֵאשִׁ֤ית (vereshit) = en het eerste van | עֲרִסֽוֹתֵיכֶם֙ (arisoteikhem) = jullie deeg | תִּתְּנ֣וּ (titenu) = jullie zullen geven | לַכֹּהֵ֔ן (lakohen) = aan de priester | לְהָנִ֥יחַ (lehaniach) = om te laten rusten | בְּרָכָ֖ה (berakha) = zegen | אֶל (el) = op | בֵּיתֶֽךָ (beitekha) = jouw huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerstelingen’, תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’, en עֲרִיסוֹת (arisot), ‘deeg’: zie Num. 15:20–21 en 18:12–13. Het woord voor ‘deeg’ is niet helemaal zeker. Voetnoot : De zegen op het huis: wie Yahweh het eerste geeft, ontvangt Zijn zegen. Zie ook: Num 15:19–21; Num 15:20–21; Num 18:12–18; Deut 18:4; 2 Kron 31:10; Neh 10:36–38 **44:31** **Geen kadaver of verscheurd dier, van vogel of vee, mogen de priesters eten.”** Brontekst: כָּל (kal) = elk | נְבֵלָה֙ (nevela) = kadaver | וּטְרֵפָ֔ה (uterefa) = en verscheurd dier | מִן (min) = van | הָע֖וֹף (haof) = de vogel | וּמִן (umin) = en van | הַבְּהֵמָ֑ה (habehema) = het vee | לֹ֥א (lo) = niet | יֹאכְל֖וּ (yokhlu) = zullen eten | הַכֹּהֲנִֽים (hakohanim) = de priesters Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’, en טְרֵפָה (terefah), ‘verscheurd dier’: zoals in Lev. 22:8 en Lev. 17:15. Voetnoot : Met dit vers eindigen de woorden van Yahweh die in vers 5 begonnen. Zie ook: Ex 22:30; Lev 17:15; Lev 22:8; Deut 14:21; Ezech 44:5; Rom 14:20 ## Ezechiël 45 _De heffing van het land voor het heiligdom, de priesters, de stad en de vorst; recht, maten en feesten_ ### Het heilige deel van het land **45:1** Wanneer jullie het land als erfdeel verloten, moeten jullie een heffing voor Yahweh afzonderen, een heilig deel van het land: 25.000 lang en 10.000 breed. Heilig is het in heel zijn gebied rondom. Brontekst: וּבְהַפִּֽילְכֶ֨ם (uvehapilekhem) = en bij jullie verloten | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | בְּנַחֲלָ֗ה (benachala) = als erfdeel | תָּרִימוּ֩ (tarimu) = jullie zullen afzonderen | תְרוּמָ֨ה (teruma) = heffing | לַיהוָ֥ה (laYahweh) = voor Yahweh | קֹדֶשׁ֮ (qodesh) = heilig deel | מִן (min) = van | הָאָרֶץ֒ (haarets) = het land | אֹ֗רֶךְ (orekh) = lengte | חֲמִשָּׁ֨ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | אֹ֔רֶךְ (orekh) = in lengte | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | עֲשָׂ֣רָה (asara) = tien | אָ֑לֶף (alef) = duizend | קֹדֶשׁ (qodesh) = heilig | ה֥וּא (hu) = het is | בְכָל (bekhal) = in heel | גְּבוּלָ֖הּ (gevulah) = zijn gebied | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit is het begin van de verdeling van het land. De woorden zijn van de man die Ezechiël rondleidt of van Yahweh zelf; de tekst noemt geen spreker. Wij laten ze zwart tot vers 8 (zie het begin van vers 8). Voetnoot : תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: het deel dat voor Yahweh wordt afgezonderd. Voetnoot : Het Hebreeuws noemt geen maateenheid bij ‘25.000’ en ‘10.000’. Wij laten dat zo. Zie ook: Num 34:13; Joz 14:2; Ezech 45:8; Ezech 47:21–22; Ezech 48:29; Zach 14:20–21 **45:2** Daarvan is voor het heiligdom een vierkant van vijfhonderd bij vijfhonderd, met rondom een open ruimte van vijftig el. Brontekst: יִהְיֶ֤ה (yihye) = zal zijn | מִזֶּה֙ (mize) = hiervan | אֶל (el) = voor | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heiligdom | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֛וֹת (meot) = honderd | בַּחֲמֵ֥שׁ (bachamesh) = bij vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderd | מְרֻבָּ֣ע (meruba) = vierkant | סָבִ֑יב (saviv) = rondom | וַחֲמִשִּׁ֣ים (vachamishim) = en vijftig | אַמָּ֔ה (ama) = el | מִגְרָ֥שׁ (migrash) = open ruimte | ל֖וֹ (lo) = voor het | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מִגְרָשׁ (migrash), ‘open ruimte’: een onbebouwde strook rondom het heiligdom, zoals de weidegrond rond de Levietensteden (Num. 35:2–5). Zie ook: Num 35:2–5; Ezech 27:28; Ezech 42:16–20 **45:3** Van deze maat moet je een deel meten van 25.000 lang en 10.000 breed. Daarin komt het heiligdom, het hoogheilige. Brontekst: וּמִן (umin) = en van | הַמִּדָּ֤ה (hamida) = de maat | הַזֹּאת֙ (hazot) = deze | תָּמ֔וֹד (tamod) = je zult meten | אֹ֗רֶךְ (orekh) = lengte | חֲמִשָּׁ֤ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִ֑ים (alafim) = duizenden | וּבֽוֹ (uvo) = en daarin | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | הַמִּקְדָּ֖שׁ (hamiqdash) = het heiligdom | קֹ֥דֶשׁ (qodesh) = het heiligste van | קָדָשִֽׁים (qadashim) = de heilige dingen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat חמש (chamesh), ‘vijf’; de overlevering (qere) leest חֲמִשָּׁה (chamishah). Wij volgen de qere. Het verschil is alleen de vorm van het telwoord. Zie ook: Ezech 48:10 **45:4** Het is een heilig deel van het land. Het is voor de priesters, de dienaren van het heiligdom, die naderen om Yahweh te dienen. Het wordt voor hen een plaats voor huizen en een heilige plaats voor het heiligdom. Brontekst: קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig deel | מִן (min) = van | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | ה֗וּא (hu) = het is | לַכֹּ֨הֲנִ֜ים (lakohanim) = voor de priesters | מְשָׁרְתֵ֤י (mesharetei) = dienaren van | הַמִּקְדָּשׁ֙ (hamiqdash) = het heiligdom | יִֽהְיֶ֔ה (yihye) = zal zijn | הַקְּרֵבִ֖ים (haqerevim) = die naderen | לְשָׁרֵ֣ת (lesharet) = om te dienen | אֶת (et) = (obj.) | יְהוָ֑ה (Yahweh) = Yahweh | וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | לָהֶ֤ם (lahem) = voor hen | מָקוֹם֙ (maqom) = plaats | לְבָ֣תִּ֔ים (levatim) = voor huizen | וּמִקְדָּ֖שׁ (umiqdash) = en heiligdom | לַמִּקְדָּֽשׁ (lamiqdash) = voor het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 16:5; Ezech 40:45; Ezech 43:19; Ezech 45:1; Ezech 48:10–11 **45:5** Een deel van 25.000 lang en 10.000 breed is voor de Levieten, de dienaren van het huis. Zij hebben het als bezit: twintig vertrekken. Brontekst: וַחֲמִשָּׁ֨ה (vachamisha) = en vijf | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | אֹ֔רֶךְ (orekh) = lengte | וַעֲשֶׂ֥רֶת (vaaseret) = en tien | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizenden | רֹ֑חַב (rochav) = breedte | וְֽהָיָ֡ה (vehaya) = en het zal zijn | לַלְוִיִּם֩ (lalviyim) = voor de Levieten | מְשָׁרְתֵ֨י (mesharetei) = dienaren van | הַבַּ֧יִת (habayit) = het huis | לָהֶ֛ם (lahem) = voor hen | לַאֲחֻזָּ֖ה (laachuza) = als bezit | עֶשְׂרִ֥ים (esrim) = twintig | לְשָׁכֹֽת (leshakhot) = vertrekken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֶשְׂרִים לְשָׁכֹת (esrim leshakhot), ‘twintig vertrekken’: de tekst is moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat יהיה (yihyeh), ‘zal zijn’; de overlevering (qere) leest וְהָיָה (vehayah), ‘en het zal zijn’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ezech 40:17; Ezech 48:10; Ezech 48:13; Neh 10:39–40; 1 Kor 9:13–14 **45:6** Als bezit voor de stad moeten jullie een deel geven van 5.000 breed en 25.000 lang, naast de heffing van het heilige deel. Het is voor heel het huis van Israël. Brontekst: וַאֲחֻזַּ֨ת (vaachuzat) = en bezit van | הָעִ֜יר (hair) = de stad | תִּתְּנ֗וּ (titenu) = jullie zullen geven | חֲמֵ֤שֶׁת (chameshet) = vijf | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizenden | רֹ֔חַב (rochav) = breedte | וְאֹ֗רֶךְ (veorekh) = en lengte | חֲמִשָּׁ֤ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | לְעֻמַּ֖ת (leumat) = langs | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = heffing van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heilige deel | לְכָל (lekhal) = voor heel | בֵּ֥ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het deel van de stad ligt naast het heilige deel. Zo ligt alles ten bate van heel Israël. Zie ook: Ezech 48:15–18; Ezech 48:30–35 **45:7** Voor de vorst is er land aan beide kanten van de heffing van het heilige deel en het bezit van de stad. Het ligt langs de heffing van het heilige deel en langs het bezit van de stad. Het ligt aan de westkant naar het westen en aan de oostkant naar het oosten. De lengte is gelijk aan een van de delen, van de westgrens tot de oostgrens. Brontekst: וְלַנָּשִׂ֡יא (velanasi) = en voor de vorst | מִזֶּ֣ה (mize) = van deze kant | וּמִזֶּה֩ (umize) = en van die kant | לִתְרוּמַ֨ת (litrumat) = van de heffing van | הַקֹּ֜דֶשׁ (haqodesh) = het heilige deel | וְלַאֲחֻזַּ֣ת (velaachuzat) = en van het bezit van | הָעִ֗יר (hair) = de stad | אֶל (el) = naar | פְּנֵ֤י (penei) = het gezicht van | תְרֽוּמַת (terumat) = heffing van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = het heilige deel | וְאֶל (veel) = en naar | פְּנֵי֙ (penei) = het gezicht van | אֲחֻזַּ֣ת (achuzat) = bezit van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | מִפְּאַת (mipeat) = van de zijde van | יָ֣ם (yam) = zee | יָ֔מָּה (yama) = westwaarts | וּמִפְּאַת (umipeat) = en van de zijde van | קֵ֖דְמָה (qedema) = oostwaarts | קָדִ֑ימָה (qadima) = naar het oosten | וְאֹ֗רֶךְ (veorekh) = en lengte | לְעֻמּוֹת֙ (leumot) = tegenover | אַחַ֣ד (achad) = een van | הַחֲלָקִ֔ים (hachalaqim) = de delen | מִגְּב֥וּל (migevul) = van de grens van | יָ֖ם (yam) = zee | אֶל (el) = tot | גְּב֥וּל (gevul) = grens van | קָדִֽימָה (qadima) = naar het oosten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’: zoals in 44:3. Het land van de vorst ligt aan weerszijden van het heilige deel en van het stadsdeel, naar het westen en naar het oosten. Zie ook: Ezech 34:24; Ezech 37:24; Ezech 46:16–18; Ezech 48:21; Luc 1:32–33 ### Recht in plaats van onderdrukking **45:8** **„Het land zal voor hem zijn tot bezit in Israël. Mijn vorsten zullen Mijn volk niet meer onderdrukken. Zij zullen het land aan het huis van Israël geven, naar hun stammen.”** Brontekst: לָאָ֛רֶץ (laarets) = voor het land | יִֽהְיֶה (yihye) = zal zijn | לּ֥וֹ (lo) = voor hem | לַֽאֲחֻזָּ֖ה (laachuza) = als bezit | בְּיִשְׂרָאֵ֑ל (beyisrael) = in Israël | וְלֹא (velo) = en niet | יוֹנ֨וּ (yonu) = zullen onderdrukken | ע֤וֹד (od) = meer | נְשִׂיאַי֙ (nesiay) = Mijn vorsten | אֶת (et) = (obj.) | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | וְהָאָ֛רֶץ (vehaarets) = en het land | יִתְּנ֥וּ (yitenu) = zullen zij geven | לְבֵֽית (leveit) = aan het huis van | יִשְׂרָאֵ֖ל (yisrael) = Israël | לְשִׁבְטֵיהֶֽם (leshivteihem) = naar hun stammen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Vanaf dit vers staan de woorden rood: ‘Mijn vorsten’ en ‘Mijn volk’ zijn in de eerste persoon van Yahweh gesproken. Het is mogelijk dat de toespraak al in vers 1 begon. Voetnoot : יוֹנוּ (yonu), ‘zij zullen onderdrukken’: zoals in 46:18. Vergelijk Lev. 25:14. Zie ook: Lev 25:14; Joz 11:23; Jes 11:3–5; Jer 23:5; Ezech 22:27; Ezech 45:1; Ezech 46:18 **45:9** Zo zegt Heer Yahweh: **„Het is genoeg voor jullie, vorsten van Israël! Doe geweld en verwoesting weg, en doe recht en gerechtigheid. Neem jullie uitzettingen weg van Mijn volk, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | רַב (rav) = genoeg | לָכֶם֙ (lakhem) = voor jullie | נְשִׂיאֵ֣י (nesiei) = vorsten van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | חָמָ֤ס (chamas) = geweld | וָשֹׁד֙ (vashod) = en verwoesting | הָסִ֔ירוּ (hasiru) = verwijder | וּמִשְׁפָּ֥ט (umishpat) = en recht | וּצְדָקָ֖ה (utsedaqa) = en gerechtigheid | עֲשׂ֑וּ (asu) = doe | הָרִ֤ימוּ (harimu) = neem weg | גְרֻשֹֽׁתֵיכֶם֙ (gerushoteikhem) = jullie uitzettingen | מֵעַ֣ל (meal) = van op | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij 2:4; voor ‘godsspraak’ zie 5:11. Voetnoot : רַב לָכֶם (rav lakhem), ‘het is genoeg voor jullie’: zoals in 44:6. Voetnoot : גֵּרוּשֹׁתֵיכֶם (gerushotekhem), ‘jullie uitzettingen’: het onteigenen en wegjagen van mensen van hun land (vergelijk 46:18). Zie ook: Jes 1:17; Jer 22:3; Ezech 44:6; Zach 8:16; 1 Petr 4:3 ### Eerlijke maten en gewichten **45:10** **Jullie moeten een rechtvaardige weegschaal, een rechtvaardige efa en een rechtvaardige bat hebben.** Brontekst: מֹֽאזְנֵי (moznei) = weegschalen van | צֶ֧דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | וְאֵֽיפַת (veeifat) = en efa van | צֶ֛דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | וּבַת (uvat) = en bat van | צֶ֖דֶק (tsedeq) = gerechtigheid | יְהִ֥י (yehi) = zal zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּת (bat): inhoudsmaat voor vloeistof, ongeveer 22 liter. אֵיפָה (efa): ongeveer 22 liter, een maat voor droge waren. Voetnoot : Vergelijk Lev. 19:36. Zie ook: Lev 19:35–36; Lev 19:36; Deut 25:15; Spr 20:10; Amos 8:4–6; Mi 6:10–11 **45:11** **De efa en de bat moeten dezelfde maat hebben: de bat bevat een tiende van een homer, en de efa een tiende van een homer. Hun maat wordt bepaald naar de homer.** Brontekst: הָאֵיפָ֣ה (haeifa) = de efa | וְהַבַּ֗ת (vehabat) = en de bat | תֹּ֤כֶן (tokhen) = maat | אֶחָד֙ (echad) = een | יִֽהְיֶ֔ה (yihye) = zal zijn | לָשֵׂ֕את (laset) = om te bevatten | מַעְשַׂ֥ר (masar) = een tiende van | הַחֹ֖מֶר (hachomer) = de homer | הַבָּ֑ת (habat) = de bat | וַעֲשִׂירִ֤ת (vaasirit) = en een tiende van | הַחֹ֨מֶר֙ (hachomer) = de homer | הָֽאֵיפָ֔ה (haeifa) = de efa | אֶל (el) = bij | הַחֹ֖מֶר (hachomer) = de homer | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | מַתְכֻּנְתּֽוֹ (matkunto) = zijn maat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹמֶר (chomer), ‘homer’: tien efa, ongeveer 220 liter. De efa en de bat zijn dus even groot. Zie ook: Jes 5:10 **45:12** **De sikkel is twintig gera. Twintig sikkels, vijfentwintig sikkels en vijftien sikkels samen zijn jullie mina.** Brontekst: וְהַשֶּׁ֖קֶל (vehasheqel) = en de sikkel | עֶשְׂרִ֣ים (esrim) = twintig | גֵּרָ֑ה (gera) = gera | עֶשְׂרִ֨ים (esrim) = twintig | שְׁקָלִ֜ים (sheqalim) = sikkels | חֲמִשָּׁ֧ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִ֣ים (veesrim) = en twintig | שְׁקָלִ֗ים (sheqalim) = sikkels | עֲשָׂרָ֤ה (asara) = tien | וַחֲמִשָּׁה֙ (vachamisha) = en vijf | שֶׁ֔קֶל (sheqel) = sikkel | הַמָּנֶ֖ה (hamane) = de mina | יִֽהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָכֶֽם (lakhem) = voor jullie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’, ongeveer 11,4 gram; גֵּרָה (gerah), ‘gera’, een twintigste van een sikkel. Voetnoot : מָנֶה (maneh), ‘mina’: 20 + 25 + 15 sikkels maken samen 60 sikkels. Elders wordt de mina vaak op vijftig sikkels gesteld. Sommige oude vertalingen lezen anders. Zie ook: Ex 30:13; Lev 27:25; Num 3:47 ### De bijdragen voor de vorst **45:13** **Dit is de heffing die jullie moeten afzonderen: een zesde efa van elke homer tarwe en een zesde efa van elke homer gerst.** Brontekst: זֹ֥את (zot) = dit | הַתְּרוּמָ֖ה (hateruma) = de heffing | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | תָּרִ֑ימוּ (tarimu) = jullie zullen afzonderen | שִׁשִּׁ֤ית (shishit) = een zesde van | הָֽאֵיפָה֙ (haeifa) = de efa | מֵחֹ֣מֶר (mechomer) = van een homer | הַֽחִטִּ֔ים (hachitim) = de tarwe | וְשִׁשִּׁיתֶם֙ (veshishitem) = en een zesde jullie zullen afzonderen | הָֽאֵיפָ֔ה (haeifa) = de efa | מֵחֹ֖מֶר (mechomer) = van een homer | הַשְּׂעֹרִֽים (haseorim) = de gerst Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De heffing is een zestigste van de oogst: een zesde efa per homer is een zestigste deel. **45:14** **Het voorschrift voor de olie: per bat olie een tiende van een bat van elke kor. Een kor is tien bat, een homer, want tien bat zijn een homer.** Brontekst: וְחֹ֨ק (vechoq) = en het voorschrift van | הַשֶּׁ֜מֶן (hashemen) = de olie | הַבַּ֣ת (habat) = de bat | הַשֶּׁ֗מֶן (hashemen) = de olie | מַעְשַׂ֤ר (masar) = een tiende van | הַבַּת֙ (habat) = de bat | מִן (min) = van | הַכֹּ֔ר (hakor) = de kor | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien | הַבַּתִּ֖ים (habatim) = de baten | חֹ֑מֶר (chomer) = een homer | כִּֽי (ki) = want | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien | הַבַּתִּ֖ים (habatim) = de baten | חֹֽמֶר (chomer) = een homer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: כֹּר (kor): een inhoudsmaat gelijk aan een homer, tien bat. De tekst van dit vers is moeilijk; wij volgen het Hebreeuws zo letterlijk mogelijk. **45:15** **Ook één stuk kleinvee van elke tweehonderd uit de weiden van Israël is bestemd voor het graanoffer, het brandoffer en de vredeoffers. Zo wordt voor hen verzoening gedaan, godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְשֶׂה (vese) = en een stuk kleinvee | אַחַ֨ת (achat) = een | מִן (min) = uit | הַצֹּ֤אן (hatson) = het kleinvee | מִן (min) = van | הַמָּאתַ֨יִם֙ (hamatayim) = de tweehonderd | מִמַּשְׁקֵ֣ה (mimashqe) = uit de weiden van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | לְמִנְחָ֖ה (lemincha) = voor het graanoffer | וּלְעוֹלָ֣ה (uleola) = en voor het brandoffer | וְלִשְׁלָמִ֑ים (velishlamim) = en voor de vredeoffers | לְכַפֵּ֣ר (lekhaper) = om verzoening te doen | עֲלֵיהֶ֔ם (aleihem) = voor hen | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij 5:11. Voetnoot : מִמַּשְׁקֵה (mimmashqeh), ‘uit de weiden’: letterlijk ‘uit het drenkland’, goed bewaterd weideland. Zie ook: Lev 1:4; Lev 6:23; Spr 3:9–10; Kol 1:21; Heb 2:17 **45:16** **Heel het volk van het land moet deze heffing opbrengen voor de vorst in Israël.** Brontekst: כֹּ֚ל (kol) = heel | הָעָ֣ם (haam) = het volk van | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | יִהְי֖וּ (yihyu) = zullen zijn | אֶל (el) = bij | הַתְּרוּמָ֣ה (hateruma) = de heffing | הַזֹּ֑את (hazot) = deze | לַנָּשִׂ֖יא (lanasi) = voor de vorst | בְּיִשְׂרָאֵֽל (beyisrael) = in Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De bijdrage van het volk gaat naar de vorst, die de offers van het volk op de feesten moet leveren (vers 17). Zie ook: Ex 30:14–15; Jes 16:1; Ezech 45:17 **45:17** **Het is de taak van de vorst om de brandoffers, het graanoffer en het plengoffer te leveren. Dat geldt voor de feesten, de nieuwemaansdagen en de sabbatten, bij alle vaste tijden van het huis van Israël. Hij zal het zondoffer, het graanoffer, het brandoffer en de vredeoffers bereiden om verzoening te doen voor het huis van Israël.** Brontekst: וְעַֽל (veal) = en op | הַנָּשִׂ֣יא (hanasi) = de vorst | יִהְיֶ֗ה (yihye) = zal zijn | הָעוֹל֣וֹת (haolot) = de brandoffers | וְהַמִּנְחָה֮ (vehamincha) = en het graanoffer | וְהַנֵּסֶךְ֒ (vehanesekh) = en het plengoffer | בַּחַגִּ֤ים (bachagim) = op de feesten | וּבֶחֳדָשִׁים֙ (uvechodashim) = en op de nieuwe manen | וּבַשַּׁבָּת֔וֹת (uvashabatot) = en op de sabbatten | בְּכָֽל (bekhal) = bij alle | מוֹעֲדֵ֖י (moadei) = vaste tijden van | בֵּ֣ית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | הֽוּא (hu) = hij | יַעֲשֶׂ֞ה (yaase) = zal bereiden | אֶת (et) = (obj.) | הַחַטָּ֣את (hachatat) = het zondoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּנְחָ֗ה (hamincha) = het graanoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הָֽעוֹלָה֙ (haola) = het brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשְּׁלָמִ֔ים (hashelamim) = de vredeoffers | לְכַפֵּ֖ר (lekhaper) = om verzoening te doen | בְּעַ֥ד (bead) = voor | בֵּֽית (beit) = huis van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֵסֶךְ (nesekh), ‘plengoffer’: een drankoffer van wijn dat bij de offers werd uitgegoten (Num. 28:7). Voetnoot : חָדָשִׁים (chadashim), ‘nieuwe manen’: de dagen van nieuwe maan, het begin van elke maand. Zie ook: Num 28:1–29; Num 28:7; 1 Kon 8:63–64; 2 Kron 31:3; Jes 66:23; Ezech 46:4–12 ### De ontzondiging van het heiligdom **45:18** Zo zegt Heer Yahweh: **In de eerste maand, op de eerste van de maand, moet je een jonge stier zonder gebrek nemen en het heiligdom ontzondigen.** Brontekst: כֹּה (ko) = zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | בָּֽרִאשׁוֹן֙ (barishon) = in de eerste | בְּאֶחָ֣ד (beechad) = op de eerste | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | תִּקַּ֥ח (tiqach) = je zult nemen | פַּר (par) = stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֖ר (baqar) = rund | תָּמִ֑ים (tamim) = zonder gebrek | וְחִטֵּאתָ֖ (vechiteta) = en je zult ontzondigen | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּקְדָּֽשׁ (hamiqdash) = het heiligdom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij 2:4. Voetnoot : וְחִטֵּאתָ (vechittetah), ‘en je zult ontzondigen’: zie de uitleg bij 43:20. Voetnoot : De eerste dag van de eerste maand is het begin van het jaar; het heiligdom wordt dan gereinigd. Zie ook: Ex 12:2; Lev 16:16; Lev 16:33; Ezech 43:22; Heb 9:14 **45:19** **De priester moet van het bloed van het zondoffer nemen. Hij moet het aanbrengen op de deurposten van het huis. Ook moet hij het aanbrengen op de vier hoeken van de richel van het altaar en op de deurposten van de poort van de binnenste voorhof.** Brontekst: וְלָקַ֨ח (velaqach) = en zal nemen | הַכֹּהֵ֜ן (hakohen) = de priester | מִדַּ֣ם (midam) = van het bloed van | הַחַטָּ֗את (hachatat) = het zondoffer | וְנָתַן֙ (venatan) = en zal aanbrengen | אֶל (el) = op | מְזוּזַ֣ת (mezuzat) = deurposten van | הַבַּ֔יִת (habayit) = het huis | וְאֶל (veel) = en op | אַרְבַּ֛ע (arba) = vier | פִּנּ֥וֹת (pinot) = hoeken van | הָעֲזָרָ֖ה (haazara) = de richel | לַמִּזְבֵּ֑חַ (lamizbeach) = voor het altaar | וְעַ֨ל (veal) = en op | מְזוּזַ֔ת (mezuzat) = deurposten van | שַׁ֖עַר (shaar) = poort van | הֶחָצֵ֥ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִֽית (hapenimit) = de binnenste Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: עֲזָרָה (azarah), ‘richel’: zie de uitleg bij 43:14. Zie ook: Lev 16:18–20; Ezech 43:14; Ezech 43:17; Ezech 43:20 **45:20** **Zo moet je ook doen op de zevende van de maand, voor wie dwaalt en voor de eenvoudige. Zo doen jullie verzoening voor het huis.** Brontekst: וְכֵ֤ן (vekhen) = en zo | תַּֽעֲשֶׂה֙ (taase) = je zult doen | בְּשִׁבְעָ֣ה (beshiva) = op de zevende | בַחֹ֔דֶשׁ (bachodesh) = van de maand | מֵאִ֥ישׁ (meish) = vanwege iemand die | שֹׁגֶ֖ה (shoge) = dwaalt | וּמִפֶּ֑תִי (umipeti) = en vanwege de eenvoudige | וְכִפַּרְתֶּ֖ם (vekhipartem) = en jullie zullen verzoening doen voor | אֶת (et) = (obj.) | הַבָּֽיִת (habayit) = het huis Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּשִּׁבְעָה בַּחֹדֶשׁ (bashiv’ah bachodesh), ‘op de zevende van de maand’: sommige oude vertalingen lezen anders. Voetnoot : מֵאִישׁ שֹׁגֶה (me’ish shogeh), ‘vanwege iemand die dwaalt’: wie per ongeluk zondigt, zoals in Lev. 4 en Num. 15:22–29. פֶּתִי (peti), ‘eenvoudige’: wie niet weet wat hij doet. Zie ook: Lev 4:27–35; Lev 16:20; Num 15:22–29; Ps 19:13; Ezech 45:15; Ezech 45:18 ### Pesach en het feest van de zevende maand **45:21** **In de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, zullen jullie het Pesach vieren, een feest van zeven dagen. Ongezuurde broden moeten gegeten worden.** Brontekst: בָּ֠רִאשׁוֹן (barishon) = in de eerste | בְּאַרְבָּעָ֨ה (bearbaa) = op de vier | עָשָׂ֥ר (asar) = tien | יוֹם֙ (yom) = dag | לַחֹ֔דֶשׁ (lachodesh) = van de maand | יִהְיֶ֥ה (yihye) = zal zijn | לָכֶ֖ם (lakhem) = voor jullie | הַפָּ֑סַח (hapasach) = het Pesach | חָ֕ג (chag) = feest van | שְׁבֻע֣וֹת (shevuot) = weken van | יָמִ֔ים (yamim) = dagen | מַצּ֖וֹת (matsot) = ongezuurde broden | יֵאָכֵֽל (yeakhel) = zal gegeten worden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: פֶּסַח (pesach), ‘Pesach’: zie Exod. 12. חַג שָׁבֻעוֹת יָמִים (chag shavu’ot yamim), ‘een feest van zeven dagen’: het Hebreeuws zegt letterlijk ‘een feest van weken van dagen’, een ongebruikelijke uitdrukking. Wij volgen de gewone zin: zeven dagen (vergelijk vers 23). Zie ook: Lev 23:5–8; Num 9:2–14; Num 28:16–25; Deut 16:1–8; Ezech 45:23; 1 Kor 5:7–8 **45:22** **Op die dag moet de vorst voor zichzelf en voor heel het volk van het land een stier als zondoffer bereiden.** Brontekst: וְעָשָׂ֤ה (veasa) = en zal bereiden | הַנָּשִׂיא֙ (hanasi) = de vorst | בַּיּ֣וֹם (bayom) = op de dag | הַה֔וּא (hahu) = die | בַּעֲד֕וֹ (baado) = voor zichzelf | וּבְעַ֖ד (uvead) = en voor | כָּל (kal) = heel | עַ֣ם (am) = volk van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | פַּ֖ר (par) = stier | חַטָּֽאת (chatat) = zondoffer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: In de wet van Mozes brengt de hogepriester het zondoffer voor zichzelf en het volk (Lev. 16). Hier doet de vorst dat; de tekst zegt niet waarom. Zie ook: Lev 4:14; Mat 20:28; Mat 26:26–28; 2 Kor 5:21 **45:23** **Gedurende de zeven dagen van het feest moet hij een brandoffer voor Yahweh bereiden. Zeven dagen lang bereidt hij elke dag zeven stieren en zeven rammen zonder gebrek, en elke dag een geitenbok als zondoffer.** Brontekst: וְשִׁבְעַ֨ת (veshivat) = en zeven | יְמֵֽי (yemei) = dagen van | הֶחָ֜ג (hechag) = het feest | יַעֲשֶׂ֧ה (yaase) = zal hij bereiden | עוֹלָ֣ה (ola) = brandoffer | לַֽיהוָ֗ה (laYahweh) = voor Yahweh | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | פָּ֠רִים (parim) = stieren | וְשִׁבְעַ֨ת (veshivat) = en zeven | אֵילִ֤ים (eilim) = rammen | תְּמִימִם֙ (temimim) = zonder gebrek | לַיּ֔וֹם (layom) = per dag | שִׁבְעַ֖ת (shivat) = zeven | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = de dagen | וְחַטָּ֕את (vechatat) = en een zondoffer | שְׂעִ֥יר (seir) = bok van | עִזִּ֖ים (izim) = geiten | לַיּֽוֹם (layom) = per dag Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Zeven stieren en zeven rammen per dag: veel meer dan in Num. 28:19, waar het twee jonge stieren en een ram zijn. Zie ook: Job 42:8; Lev 23:8; Num 23:1–2; Num 28:19; Num 29:5; Heb 10:8–12 **45:24** **Als graanoffer moet hij een efa per stier en een efa per ram bereiden, en een hin olie per efa.** Brontekst: וּמִנְחָ֗ה (umincha) = en graanoffer | אֵיפָ֥ה (eifa) = efa | לַפָּ֛ר (lapar) = per stier | וְאֵיפָ֥ה (veeifa) = en efa | לָאַ֖יִל (laayil) = per ram | יַֽעֲשֶׂ֑ה (yaase) = zal hij bereiden | וְשֶׁ֖מֶן (veshemen) = en olie | הִ֥ין (hin) = hin | לָאֵיפָֽה (laeifa) = per efa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הִין (hin): een inhoudsmaat van ongeveer 3,7 liter. Zie ook: Num 28:12–15; Ezech 46:5–7 **45:25** **In de zevende maand, op de vijftiende dag van de maand, moet hij op het feest zeven dagen lang hetzelfde doen: dezelfde zondoffers, brandoffers, graanoffers en olie.”** Brontekst: בַּשְּׁבִיעִ֡י (bashevii) = in de zevende | בַּחֲמִשָּׁה֩ (bachamisha) = op de vijf | עָשָׂ֨ר (asar) = tien | י֤וֹם (yom) = dag | לַחֹ֨דֶשׁ֙ (lachodesh) = van de maand | בֶּחָ֔ג (bechag) = op het feest | יַעֲשֶׂ֥ה (yaase) = zal hij bereiden | כָאֵ֖לֶּה (kaele) = hetzelfde | שִׁבְעַ֣ת (shivat) = zeven | הַיָּמִ֑ים (hayamim) = de dagen | כַּֽחַטָּאת֙ (kachatat) = zoals het zondoffer | כָּעֹלָ֔ה (kaola) = zoals het brandoffer | וְכַמִּנְחָ֖ה (vekhamincha) = en zoals het graanoffer | וְכַשָּֽׁמֶן (vekhashamen) = en zoals de olie Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het feest op de vijftiende van de zevende maand is het Loofhuttenfeest (Lev. 23:34). Het Hebreeuws noemt het alleen ‘het feest’. Voetnoot : Met dit vers eindigt de toespraak van Yahweh; 46:1 begint een nieuwe. Zie ook: Lev 23:33–43; Lev 23:34; Num 29:12–38; 2 Kron 5:3; Neh 8:14–18; Joh 7:2 ## Ezechiël 46 _De offers van de vorst op sabbat en feesten, zijn erfdeel en de kookplaatsen in het huis_ ### De oostpoort van de binnenste voorhof **46:1** Zo zegt Heer Yahweh: **„De poort van de binnenste voorhof die naar het oosten gericht is, blijft de zes werkdagen gesloten. Op de sabbatdag wordt hij geopend. Ook op de dag van de nieuwe maan wordt hij geopend.** Brontekst: כֹּֽה (ko) = Zo | אָמַר֮ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִה֒ (Yahweh) = Yahweh | שַׁ֜עַר (shaar) = poort van | הֶחָצֵ֤ר (hechatser) = de voorhof | הַפְּנִימִית֙ (hapenimit) = de binnenste | הַפֹּנֶ֣ה (hapone) = die gericht is | קָדִ֔ים (qadim) = naar het oosten | יִהְיֶ֣ה (yihye) = zal zijn | סָג֔וּר (sagur) = gesloten | שֵׁ֖שֶׁת (sheshet) = zes | יְמֵ֣י (yemei) = dagen van | הַֽמַּעֲשֶׂ֑ה (hamaase) = het werk | וּבְי֤וֹם (uveyom) = en op de dag van | הַשַּׁבָּת֙ (hashabat) = de sabbat | יִפָּתֵ֔חַ (yipateach) = zal worden geopend | וּבְי֥וֹם (uveyom) = en op de dag van | הַחֹ֖דֶשׁ (hachodesh) = de nieuwe maan | יִפָּתֵֽחַ (yipateach) = zal worden geopend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4. Voetnoot : כֹּה אָמַר (koh amar), ‘zo zegt’: de rede van Yahweh gaat hier door vanaf Ezech. 45:9. Elke nieuwe ‘Zo zegt Heer Yahweh’ (vers 1 en 16) opent een nieuw deel. Voetnoot : הַמַּעֲשֶׂה (hamma’aseh), ‘het werk’: de zes werkdagen tegenover de sabbat. Voetnoot : הַחֹדֶשׁ (hachodesh), ‘de nieuwe maan’: de eerste dag van de maand, zoals in Num. 28:11. Zie ook: Ex 20:9; Num 28:11; Jes 66:23; Ezech 2:4; Ezech 8:16; Ezech 44:1–2; Ezech 45:9; Ezech 45:17–19; Ezech 46:16 **46:2** **De vorst komt van buiten binnen via de voorhal van de poort. Hij blijft staan bij de deurpost van de poort. De priesters bereiden zijn brandoffer en zijn vredeoffers. Hij buigt zich neer op de drempel van de poort en gaat dan naar buiten. De poort wordt tot de avond niet gesloten.** Brontekst: וּבָ֣א (uva) = en hij zal komen | הַנָּשִׂ֡יא (hanasi) = de vorst | דֶּרֶךְ֩ (derekh) = via | אוּלָ֨ם (ulam) = voorhal van | הַשַּׁ֜עַר (hashaar) = de poort | מִח֗וּץ (michuts) = van buiten | וְעָמַד֙ (veamad) = en zal staan | עַל (al) = bij | מְזוּזַ֣ת (mezuzat) = deurpost van | הַשַּׁ֔עַר (hashaar) = de poort | וְעָשׂ֣וּ (veasu) = en zullen bereiden | הַכֹּהֲנִ֗ים (hakohanim) = de priesters | אֶת (et) = (obj.) | עֽוֹלָתוֹ֙ (olato) = zijn brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁלָמָ֔יו (shelamav) = zijn vredeoffers | וְהִֽשְׁתַּחֲוָ֛ה (vehishtachava) = en hij zal zich neerbuigen | עַל (al) = op | מִפְתַּ֥ן (miftan) = drempel van | הַשַּׁ֖עַר (hashaar) = de poort | וְיָצָ֑א (veyatsa) = en zal uitgaan | וְהַשַּׁ֥עַר (vehashaar) = en de poort | לֹֽא (lo) = niet | יִסָּגֵ֖ר (yisager) = zal worden gesloten | עַד (ad) = tot | הָעָֽרֶב (haarev) = de avond Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַנָּשִׂיא (hannasi), ‘de vorst’: zie de uitleg bij Ezech. 7:27. Hij heeft hier een eigen plaats in de eredienst, maar hij brengt de offers niet zelf: de priesters bereiden ze. Voetnoot : אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de overdekte ruimte voor de ingang van de poort. Zie ook: Ezech 7:27; Ezech 44:3; Ezech 46:8; Ezech 46:12; Kol 1:28; Heb 5:7–8 **46:3** **Ook het volk van het land buigt zich neer voor het aangezicht van Yahweh. Dat gebeurt bij de ingang van die poort, op de sabbatten en op de dagen van de nieuwe maan.** Brontekst: וְהִשְׁתַּחֲו֣וּ (vehishtachavu) = en zullen zich neerbuigen | עַם (am) = volk van | הָאָ֗רֶץ (haarets) = het land | פֶּ֚תַח (petach) = ingang van | הַשַּׁ֣עַר (hashaar) = de poort | הַה֔וּא (hahu) = die | בַּשַּׁבָּת֖וֹת (bashabatot) = op de sabbatten | וּבֶחֳדָשִׁ֑ים (uvechodashim) = en op de nieuwe manen | לִפְנֵ֖י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Luc 1:10; Joh 10:9; Heb 10:19–22 ### De offers van de vorst **46:4** **Het brandoffer dat de vorst op de sabbatdag aan Yahweh brengt, is zes lammeren zonder gebrek en een ram zonder gebrek.** Brontekst: וְהָ֣עֹלָ֔ה (vehaola) = en het brandoffer | אֲשֶׁר (asher) = dat | יַקְרִ֥ב (yaqriv) = zal brengen | הַנָּשִׂ֖יא (hanasi) = de vorst | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּ֗ת (hashabat) = de sabbat | שִׁשָּׁ֧ה (shisha) = zes | כְבָשִׂ֛ים (kevasim) = lammeren | תְּמִימִ֖ם (temimim) = zonder gebrek | וְאַ֥יִל (veayil) = en een ram | תָּמִֽים (tamim) = zonder gebrek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 28:9–10; Ezech 45:17 **46:5** **Het graanoffer is een efa bij de ram. Bij de lammeren is het graanoffer wat zijn hand geeft. En bij elke efa hoort een hin olie.** Brontekst: וּמִנְחָה֙ (umincha) = en graanoffer | אֵיפָ֣ה (eifa) = efa | לָאַ֔יִל (laayil) = bij de ram | וְלַכְּבָשִׂ֥ים (velakevasim) = en bij de lammeren | מִנְחָ֖ה (mincha) = graanoffer | מַתַּ֣ת (matat) = gave van | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | וְשֶׁ֖מֶן (veshemen) = en olie | הִ֥ין (hin) = hin | לָאֵיפָֽה (laeifa) = bij de efa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֵיפָה (efah), ‘efa’: een inhoudsmaat van ongeveer 22 liter. הִין (hin), ‘hin’: ongeveer 3,7 liter. Zie ook Ezech. 4:11. Voetnoot : מַתַּת יָדוֹ (mattat yado), ‘de gave van zijn hand’: wat hij kan geven. Er is hier geen vaste hoeveelheid voorgeschreven. Zie ook: Num 28:12; Deut 16:17; Ezech 4:11; Ezech 45:24; Ezech 46:7; Ezech 46:11–12 **46:6** **Op de dag van de nieuwe maan brengt hij een jonge stier zonder gebrek, zes lammeren en een ram. Zij moeten zonder gebrek zijn.** Brontekst: וּבְי֣וֹם (uveyom) = en op de dag van | הַחֹ֔דֶשׁ (hachodesh) = de nieuwe maan | פַּ֥ר (par) = stier | בֶּן (ben) = zoon van | בָּקָ֖ר (baqar) = runderen | תְּמִימִ֑ם (temimim) = zonder gebrek | וְשֵׁ֧שֶׁת (vesheshet) = en zes | כְּבָשִׂ֛ם (kevasim) = lammeren | וָאַ֖יִל (vaayil) = en ram | תְּמִימִ֥ם (temimim) = zonder gebrek | יִהְיֽוּ (yihyu) = zij zullen zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 46:1 **46:7** **Als graanoffer bereidt hij een efa bij de stier en een efa bij de ram. Bij de lammeren bereidt hij zoveel als zijn hand kan bereiken. En bij elke efa hoort een hin olie.** Brontekst: וְאֵיפָ֨ה (veeifa) = en efa | לַפָּ֜ר (lapar) = bij de stier | וְאֵיפָ֤ה (veeifa) = en efa | לָאַ֨יִל֙ (laayil) = bij de ram | יַעֲשֶׂ֣ה (yaase) = hij zal bereiden | מִנְחָ֔ה (mincha) = graanoffer | וְלַ֨כְּבָשִׂ֔ים (velakevasim) = en bij de lammeren | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | תַּשִּׂ֖יג (tasig) = zal bereiken | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | וְשֶׁ֖מֶן (veshemen) = en olie | הִ֥ין (hin) = hin | לָאֵיפָֽה (laeifa) = bij de efa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּשִּׂיג יָדוֹ (tasig yado), ‘zijn hand bereikt’: zoveel als hij kan opbrengen. Zie ook: Ezech 46:5 **46:8** **Wanneer de vorst binnenkomt, gaat hij binnen via de voorhal van de poort. Langs dezelfde weg gaat hij weer naar buiten.** Brontekst: וּבְב֖וֹא (uvevo) = en bij het binnenkomen van | הַנָּשִׂ֑יא (hanasi) = de vorst | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = via | אוּלָ֤ם (ulam) = voorhal van | הַשַּׁ֨עַר֙ (hashaar) = de poort | יָב֔וֹא (yavo) = hij zal binnengaan | וּבְדַרְכּ֖וֹ (uvedarko) = en op zijn weg | יֵצֵֽא (yetse) = hij zal uitgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 44:1–3; Ezech 46:2; Kol 1:18 ### Het volk op de feesttijden **46:9** **Op de feesttijden komt het volk van het land voor het aangezicht van Yahweh. Wie door de noordpoort binnenkomt om zich neer te buigen, gaat uit door de zuidpoort. Wie door de zuidpoort binnenkomt, gaat uit door de noordpoort. Niemand keert terug door de poort waardoor hij binnenkwam. Hij gaat uit recht tegenover die poort.** Brontekst: וּבְב֨וֹא (uvevo) = en bij het komen van | עַם (am) = volk van | הָאָ֜רֶץ (haarets) = het land | לִפְנֵ֣י (lifnei) = voor het aangezicht van | יְהוָה֮ (Yahweh) = Yahweh | בַּמּֽוֹעֲדִים֒ (bamoadim) = op de feesttijden | הַבָּ֡א (haba) = wie binnenkomt | דֶּרֶךְ (derekh) = via | שַׁ֨עַר (shaar) = poort van | צָפ֜וֹן (tsafon) = noorden | לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֗ת (lehishtachavot) = om zich neer te buigen | יֵצֵא֙ (yetse) = hij zal uitgaan | דֶּרֶךְ (derekh) = via | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | נֶ֔גֶב (negev) = zuiden | וְהַבָּא֙ (vehaba) = en wie binnenkomt | דֶּרֶךְ (derekh) = via | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | נֶ֔גֶב (negev) = zuiden | יֵצֵ֖א (yetse) = hij zal uitgaan | דֶּרֶךְ (derekh) = via | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | צָפ֑וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | לֹ֣א (lo) = niet | יָשׁ֗וּב (yashuv) = hij zal terugkeren | דֶּ֤רֶךְ (derekh) = via | הַשַּׁ֨עַר֙ (hashaar) = de poort | אֲשֶׁר (asher) = waardoor | בָּ֣א (ba) = hij binnenkwam | ב֔וֹ (bo) = erdoor | כִּ֥י (ki) = want | נִכְח֖וֹ (nikhcho) = tegenover haar | יֵצֵֽא (yetse) = hij gaat uit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַּמּוֹעֲדִים (bammo’adim), ‘op de feesttijden’: de vastgestelde tijden van het jaar. Het verschil met ‘feesten’ (chaggim) in vers 11 is niet scherp. Voetnoot : Het volk loopt dwars door de voorhof: wie van het noorden komt, vertrekt naar het zuiden. Zo komt niemand tegen de stroom in. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat aan het eind van het vers het meervoud יצאו (yetse’u), ‘zij gaan uit’. De voorgelezen tekst (qere) is het enkelvoud יֵצֵא (yetse), ‘hij gaat uit’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 34:23; Deut 16:16; Ps 84:8; Ezech 46:11; Fil 3:13–14; 2 Petr 2:20–21 **46:10** **De vorst is in hun midden. Als zij binnenkomen, gaat hij binnen. Als zij weggaan, gaan zij uit.** Brontekst: וְֽהַנָּשִׂ֑יא (vehanasi) = en de vorst | בְּתוֹכָ֤ם (betokham) = in hun midden | בְּבוֹאָם֙ (bevoam) = bij hun binnenkomen | יָב֔וֹא (yavo) = hij zal binnengaan | וּבְצֵאתָ֖ם (uvetsetam) = en bij hun uitgaan | יֵצֵֽאוּ (yetseu) = zij zullen uitgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יֵצֵאוּ (yetse’u), ‘zij gaan uit’: het werkwoord staat in het meervoud, anders dan ‘hij gaat binnen’. Het kan betekenen dat de vorst met het volk mee naar buiten gaat; het Hebreeuws zegt dit niet met zoveel woorden. Zie ook: 1 Kron 29:20; 1 Kron 29:22; Ps 42:5; Ps 122:1–4; 2 Kron 34:30–31 **46:11** **Op de feesten en op de feesttijden is het graanoffer een efa bij een stier en een efa bij een ram. Bij de lammeren is het wat zijn hand geeft. En bij elke efa hoort een hin olie.** Brontekst: וּבַחַגִּ֣ים (uvachagim) = en op de feesten | וּבַמּוֹעֲדִ֗ים (uvamoadim) = en op de feesttijden | תִּהְיֶ֤ה (tihye) = zal zijn | הַמִּנְחָה֙ (hamincha) = het graanoffer | אֵיפָ֤ה (eifa) = efa | לַפָּר֙ (lapar) = bij de stier | וְאֵיפָ֣ה (veeifa) = en efa | לָאַ֔יִל (laayil) = bij de ram | וְלַכְּבָשִׂ֖ים (velakevasim) = en bij de lammeren | מַתַּ֣ת (matat) = gave van | יָד֑וֹ (yado) = zijn hand | וְשֶׁ֖מֶן (veshemen) = en olie | הִ֥ין (hin) = hin | לָאֵיפָֽה (laeifa) = bij de efa Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Lev 23:1–44; Num 28:1–29; Deut 16:1–22; Ezech 46:5; Ezech 46:7 ### Een vrijwillig offer van de vorst **46:12** **Wanneer de vorst een vrijwillige gave bereidt voor Yahweh, een brandoffer of vredeoffers als vrijwillige gave, dan opent men voor hem de poort die naar het oosten gericht is. Hij bereidt zijn brandoffer en zijn vredeoffers, zoals hij op de sabbatdag doet. Dan gaat hij naar buiten. Na zijn vertrek sluit men de poort.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יַעֲשֶׂה֩ (yaase) = hij bereidt | הַנָּשִׂ֨יא (hanasi) = de vorst | נְדָבָ֜ה (nedava) = vrijwillige gave | עוֹלָ֣ה (ola) = brandoffer | אֽוֹ (o) = of | שְׁלָמִים֮ (shelamim) = vredeoffers | נְדָבָ֣ה (nedava) = vrijwillige gave | לַֽיהוָה֒ (laYahweh) = aan Yahweh | וּפָ֣תַֽח (ufatach) = en men zal openen | ל֗וֹ (lo) = voor hem | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׁ֨עַר֙ (hashaar) = de poort | הַפֹּנֶ֣ה (hapone) = die gericht is | קָדִ֔ים (qadim) = naar het oosten | וְעָשָׂ֤ה (veasa) = en hij zal bereiden | אֶת (et) = (obj.) | עֹֽלָתוֹ֙ (olato) = zijn brandoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | שְׁלָמָ֔יו (shelamav) = zijn vredeoffers | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | יַעֲשֶׂ֖ה (yaase) = hij bereidt | בְּי֣וֹם (beyom) = op de dag van | הַשַּׁבָּ֑ת (hashabat) = de sabbat | וְיָצָ֛א (veyatsa) = en hij zal uitgaan | וְסָגַ֥ר (vesagar) = en men zal sluiten | אֶת (et) = (obj.) | הַשַּׁ֖עַר (hashaar) = de poort | אַחֲרֵ֥י (acharei) = na | צֵאתֽוֹ (tseto) = zijn uitgaan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְדָבָה (nedavah), ‘vrijwillige gave’: een offer dat niet verplicht is. Zie Lev. 22:18 en Lev. 23:38. Zie ook: Lev 22:18; Lev 23:38; 2 Kron 29:31; Ezech 45:17; Ezech 46:1–2; Ezech 46:8 ### Het dagelijkse brandoffer **46:13** **Elke dag bereid je een brandoffer voor Yahweh: een lam van een jaar zonder gebrek. Je bereidt het elke morgen.** Brontekst: וְכֶ֨בֶשׂ (vekheves) = en lam | בֶּן (ben) = zoon van | שְׁנָת֜וֹ (shenato) = zijn jaar | תָּמִ֗ים (tamim) = zonder gebrek | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = je zult bereiden | עוֹלָ֛ה (ola) = brandoffer | לַיּ֖וֹם (layom) = per dag | לַֽיהֹוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | בַּבֹּ֥קֶר (baboqer) = elke morgen | בַּבֹּ֖קֶר (baboqer) = elke morgen | תַּעֲשֶׂ֥ה (taase) = je zult bereiden | אֹתֽוֹ (oto) = het Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De werkwoordsvorm תַּעֲשֶׂה (ta’aseh), ‘je zult bereiden’, is tweede persoon enkelvoud (of derde vrouwelijk). Het wordt in vers 15 een meervoud (‘men bereidt’). Wij volgen de vorm van het Hebreeuws. Zie ook: Ex 12:5; Num 28:3–8; Num 28:10; Jes 50:4; Ezech 46:15; 1 Petr 1:19–20 **46:14** **Elke morgen bereid je er een graanoffer bij: een zesde efa, met een derde hin olie om het fijne meel te bevochtigen. Het is een graanoffer voor Yahweh, volgens voorschriften voor eeuwig, voortdurend.** Brontekst: וּמִנְחָה֩ (umincha) = en graanoffer | תַעֲשֶׂ֨ה (taase) = je zult bereiden | עָלָ֜יו (alav) = erbij | בַּבֹּ֤קֶר (baboqer) = elke morgen | בַּבֹּ֨קֶר֙ (baboqer) = elke morgen | שִׁשִּׁ֣ית (shishit) = zesde deel van | הָֽאֵיפָ֔ה (haeifa) = de efa | וְשֶׁ֛מֶן (veshemen) = en olie | שְׁלִישִׁ֥ית (shelishit) = derde deel van | הַהִ֖ין (hahin) = de hin | לָרֹ֣ס (laros) = om te bevochtigen | אֶת (et) = (obj.) | הַסֹּ֑לֶת (hasolet) = het fijne meel | מִנְחָה֙ (mincha) = graanoffer | לַֽיהוָ֔ה (laYahweh) = aan Yahweh | חֻקּ֥וֹת (chuqot) = voorschriften van | עוֹלָ֖ם (olam) = eeuwigheid | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָרֹס (laros), ‘om te bevochtigen’: het werkwoord ruts komt alleen hier voor; het gaat om het mengen van het meel met olie. Voetnoot : חֻקּוֹת עוֹלָם תָּמִיד (chuqqot olam tamid), ‘voorschriften voor eeuwig, voortdurend’: zie ook Exod. 29:42. Zie ook: Ex 29:42; Num 28:5 **46:15** **Men bereidt het lam, het graanoffer en de olie, elke morgen, als voortdurend brandoffer.”** Brontekst: יַעֲשׂ֨וּ (yaasu) = zij zullen bereiden | אֶת (et) = (obj.) | הַכֶּ֧בֶשׂ (hakeves) = het lam | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַמִּנְחָ֛ה (hamincha) = het graanoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַשֶּׁ֖מֶן (hashemen) = de olie | בַּבֹּ֣קֶר (baboqer) = elke morgen | בַּבֹּ֑קֶר (baboqer) = elke morgen | עוֹלַ֖ת (olat) = brandoffer van | תָּמִֽיד (tamid) = voortdurend Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat ועשו (ve’asu), ‘en zij bereiden’. De voorgelezen tekst (qere) is יַעֲשׂוּ (ya’asu), ‘zij bereiden’. Wij volgen de qere. Zie ook: Ex 29:42; Num 28:6; Heb 7:27; Heb 9:26; Heb 10:1–10 ### Het erfdeel van de vorst **46:16** Zo zegt Heer Yahweh: **„Als de vorst een gave geeft aan een van zijn zonen, dan is dat zijn erfdeel. Het behoort aan zijn zonen toe. Het is hun bezit als erfdeel.** Brontekst: כֹּה (ko) = Zo | אָמַ֞ר (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהֹוִ֗ה (Yahweh) = Yahweh | כִּֽי (ki) = wanneer | יִתֵּ֨ן (yiten) = geeft | הַנָּשִׂ֤יא (hanasi) = de vorst | מַתָּנָה֙ (matana) = gave | לְאִ֣ישׁ (leish) = aan een man | מִבָּנָ֔יו (mibanav) = van zijn zonen | נַחֲלָת֥וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | הִ֖יא (hi) = het | לְבָנָ֣יו (levanav) = aan zijn zonen | תִּֽהְיֶ֑ה (tihye) = zal zijn | אֲחֻזָּתָ֥ם (achuzatam) = hun bezit | הִ֖יא (hi) = het | בְּנַחֲלָֽה (benachala) = als erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהֹוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4. Een nieuw deel van de rede begint. Voetnoot : De gebruikte woorden voor ‘erfdeel’ (nachalah) en ‘bezit’ (achuzzah) horen bij het land. Zie ook Ezech. 45:1–8. Zie ook: Gen 25:5–6; Ps 37:18; 2 Kron 21:3; Ezech 2:4; Ezech 45:1–8; Gal 4:7; Rom 8:29–32 **46:17** **Maar als hij een gave uit zijn erfdeel geeft aan een van zijn knechten, dan blijft die van hem tot het jaar van de vrijheid. Dan keert zij terug naar de vorst. Alleen zijn erfdeel is voor zijn zonen; het blijft van hen.** Brontekst: וְכִֽי (vekhi) = en wanneer | יִתֵּ֨ן (yiten) = hij geeft | מַתָּנָ֜ה (matana) = gave | מִנַּחֲלָת֗וֹ (minachalato) = uit zijn erfdeel | לְאַחַד֙ (leachad) = aan één | מֵֽעֲבָדָ֔יו (meavadav) = van zijn dienaren | וְהָ֤יְתָה (vehayeta) = en het zal zijn | לּוֹ֙ (lo) = voor hem | עַד (ad) = tot | שְׁנַ֣ת (shenat) = jaar van | הַדְּר֔וֹר (haderor) = de vrijheid | וְשָׁבַ֖ת (veshavat) = en het zal terugkeren | לַנָּשִׂ֑יא (lanasi) = aan de vorst | אַ֚ךְ (akh) = alleen | נַחֲלָת֔וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | בָּנָ֖יו (banav) = zijn zonen | לָהֶ֥ם (lahem) = aan hen | תִּהְיֶֽה (tihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַדְּרוֹר (hadror), ‘de vrijheid’: het jaar van de vrijlating, zoals in Lev. 25:10. Een gave aan een knecht valt dan terug aan de vorst, zodat het land in de familie blijft. Zie ook: Lev 25:10; Mat 25:14–29; Luc 19:25–26; Gal 4:30–31 **46:18** **De vorst mag niets nemen van het erfdeel van het volk om hen uit hun bezit te verdrijven. Uit zijn eigen bezit moet hij zijn zonen laten erven, zodat niemand van Mijn volk van zijn bezit wordt verstrooid.”** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יִקַּ֨ח (yiqach) = zal nemen | הַנָּשִׂ֜יא (hanasi) = de vorst | מִנַּחֲלַ֣ת (minachalat) = van het erfdeel van | הָעָ֗ם (haam) = het volk | לְהֽוֹנֹתָם֙ (lehonotam) = om hen te verdrijven | מֵאֲחֻזָּתָ֔ם (meachuzatam) = uit hun bezit | מֵאֲחֻזָּת֖וֹ (meachuzato) = uit zijn bezit | יַנְחִ֣ל (yanchil) = hij zal laten erven | אֶת (et) = (obj.) | בָּנָ֑יו (banav) = zijn zonen | לְמַ֨עַן֙ (lemaan) = opdat | אֲשֶׁ֣ר (asher) = dat | לֹֽא (lo) = niet | יָפֻ֣צוּ (yafutsu) = zullen worden verstrooid | עַמִּ֔י (ami) = Mijn volk | אִ֖ישׁ (ish) = ieder | מֵאֲחֻזָּתֽוֹ (meachuzato) = uit zijn bezit Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְהוֹנֹתָם (lehonotam), ‘om hen te verdrijven’: het werkwoord (yanah) betekent ‘onderdrukken’ of ‘wegdrijven’. Zie ook Ezech. 45:8. Voetnoot : יָפֻצוּ (yafotsu), ‘zij worden verstrooid’: hetzelfde werkwoord (puts) als bij de verstrooiing van het volk, zoals in Ezech. 11:17. Zie ook: Ps 78:72; 1 Kon 21:19; Jer 23:5–6; Ezech 11:17; Ezech 22:27; Ezech 45:8 ### De kookplaatsen van de priesters **46:19** Hij bracht mij door de ingang aan de zijkant van de poort naar de heilige kamers van de priesters. Die zijn naar het noorden gericht. En zie, daar was een plaats aan de achterkant, naar het westen. Brontekst: וַיְבִיאֵ֣נִי (vayvieni) = en hij bracht mij | בַמָּבוֹא֮ (bamavo) = door de ingang | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | עַל (al) = op | כֶּ֣תֶף (ketef) = zijde van | הַשַּׁעַר֒ (hashaar) = de poort | אֶל (el) = naar | הַלִּשְׁכ֤וֹת (halishkhot) = de kamers van | הַקֹּ֨דֶשׁ֙ (haqodesh) = het heiligdom | אֶל (el) = naar | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | הַפֹּנ֖וֹת (haponot) = die gericht zijn | צָפ֑וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | שָׁ֣ם (sham) = daar | מָק֔וֹם (maqom) = plaats | בַּיַּרְכָתַ֖יִם (bayarkhatayim) = aan de achterkant | יָֽמָּה (yama) = westwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בַמָּבוֹא (bammavo), ‘ingang’: een doorgang naast de poort. בַּיַּרְכָתַיִם (bayyarketayim), ‘achterkant’: het uiterste uiteinde van de ruimte. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat בירכתם, in de voorgelezen tekst (qere) בירכתים. Het is hetzelfde woord, anders gespeld. Wij volgen de qere. Zie ook: Ezech 40:44–46; Ezech 42:9; Ezech 44:4–5 **46:20** Hij zei tegen mij: „Dit is de plaats waar de priesters het schuldoffer en het zondoffer koken. Hier bakken zij ook het graanoffer. Zo brengen zij niets naar de buitenste voorhof, waardoor zij het volk zouden heiligen.” Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֔י (elay) = tegen mij | זֶ֣ה (ze) = dit | הַמָּק֗וֹם (hamaqom) = de plaats | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | יְבַשְּׁלוּ (yevashelu) = zullen koken | שָׁם֙ (sham) = daar | הַכֹּ֣הֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | אֶת (et) = (obj.) | הָאָשָׁ֖ם (haasham) = het schuldoffer | וְאֶת (veet) = en (obj.) | הַחַטָּ֑את (hachatat) = het zondoffer | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waar | יֹאפוּ֙ (yofu) = zullen bakken | אֶת (et) = (obj.) | הַמִּנְחָ֔ה (hamincha) = het graanoffer | לְבִלְתִּ֥י (levilti) = om niet | הוֹצִ֛יא (hotsi) = uit te brengen | אֶל (el) = naar | הֶחָצֵ֥ר (hechatser) = de voorhof | הַחִֽיצוֹנָ֖ה (hachitsona) = de buitenste | לְקַדֵּ֥שׁ (leqadesh) = om te heiligen | אֶת (et) = (obj.) | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְקַדֵּשׁ אֶת הָעָם (lekaddesh et ha’am), ‘om het volk te heiligen’: wat heilig is, maakt wie het aanraakt ook heilig. De priesters bakken en koken het heilige binnen de binnenste voorhof, zodat het volk er niet mee in aanraking komt. Zie ook Lev. 6:20. Zie ook: Lev 2:4–7; Lev 6:20; 1 Sam 2:13–15; 2 Kron 35:13; Ezech 44:19; Ezech 44:29 ### De kookplaatsen voor het volk **46:21** Hij bracht mij naar de buitenste voorhof en liet mij langs de vier hoeken van de voorhof gaan. En zie, in de hoek van de voorhof was een voorhof; in de hoek van de voorhof was een voorhof. Brontekst: וַיּוֹצִיאֵ֗נִי (vayotsieni) = en hij liet mij uitgaan | אֶל (el) = naar | הֶֽחָצֵר֙ (hechatser) = de voorhof | הַחִ֣יצֹנָ֔ה (hachitsona) = de buitenste | וַיַּ֣עֲבִירֵ֔נִי (vayaavireni) = en hij liet mij voorbijgaan | אֶל (el) = naar | אַרְבַּ֖עַת (arbaat) = vier | מִקְצוֹעֵ֣י (miqtsoei) = hoeken van | הֶחָצֵ֑ר (hechatser) = de voorhof | וְהִנֵּ֤ה (vehine) = en zie | חָצֵר֙ (chatser) = voorhof | בְּמִקְצֹ֣עַ (bemiqtsoa) = in de hoek van | הֶחָצֵ֔ר (hechatser) = de voorhof | חָצֵ֖ר (chatser) = voorhof | בְּמִקְצֹ֥עַ (bemiqtsoa) = in de hoek van | הֶחָצֵֽר (hechatser) = de voorhof Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **46:22** In de vier hoeken van de voorhof waren omsloten voorhoven, veertig lang en dertig breed. Alle vier hadden dezelfde maat. Zij lagen in de hoeken. Brontekst: בְּאַרְבַּ֜עַת (bearbaat) = in vier | מִקְצֹע֤וֹת (miqtsoot) = hoeken van | הֶֽחָצֵר֙ (hechatser) = de voorhof | חֲצֵר֣וֹת (chatserot) = voorhoven | קְטֻר֔וֹת (qeturot) = omsloten | אַרְבָּעִ֣ים (arbaim) = veertig | אֹ֔רֶךְ (orekh) = lengte | וּשְׁלֹשִׁ֖ים (usheloshim) = en dertig | רֹ֑חַב (rochav) = breedte | מִדָּ֣ה (mida) = maat | אַחַ֔ת (achat) = één | לְאַרְבַּעְתָּ֖ם (learbatam) = voor alle vier | מְׄהֻׄקְׄצָׄעֽׄוֹׄתׄ (mehuqtsaot) = van de hoeken Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: קְטֻרוֹת (qetorot), ‘omsloten’: het woord komt alleen hier voor en de betekenis is onzeker. Het gaat om kleine voorhoven in de hoeken. Het Hebreeuws noemt geen maateenheid; vermoedelijk gaat het om ellen (zie de uitleg bij Ezech. 40:5). Zie ook: Ezech 40:5 **46:23** Rondom liep in alle vier een rij. Onder de rijen rondom waren kookplaatsen gemaakt. Brontekst: וְט֨וּר (vetur) = en rij | סָבִ֥יב (saviv) = rondom | בָּהֶ֛ם (bahem) = in hen | סָבִ֖יב (saviv) = rondom | לְאַרְבַּעְתָּ֑ם (learbatam) = bij alle vier | וּמְבַשְּׁל֣וֹת (umevashelot) = en kookplaatsen | עָשׂ֔וּי (asuy) = gemaakt | מִתַּ֥חַת (mitachat) = onder | הַטִּיר֖וֹת (hatirot) = de rijen | סָבִֽיב (saviv) = rondom Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְטוּר (vetur), ‘rij’, en הַטִּירוֹת (hatirot), ‘de rijen’: waarschijnlijk een muurrand of rij stenen langs de wand. Beide woorden zijn zeldzaam; de betekenis is onzeker. Voetnoot : וּמְבַשְּׁלוֹת (umevashelot), ‘kookplaatsen’: een zeldzaam woord, afgeleid van het werkwoord ‘koken’. **46:24** Hij zei tegen mij: „Dit zijn de kookhuizen, waar de dienaren van het huis het slachtoffer van het volk koken.” Brontekst: וַיֹּ֖אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלָ֑י (elay) = tegen mij | אֵ֚לֶּה (ele) = dit | בֵּ֣ית (beit) = huis van | הַֽמְבַשְּׁלִ֔ים (hamvashelim) = de kokers | אֲשֶׁ֧ר (asher) = waar | יְבַשְּׁלוּ (yevashelu) = zullen koken | שָׁ֛ם (sham) = daar | מְשָׁרְתֵ֥י (mesharetei) = dienaren van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | אֶת (et) = (obj.) | זֶ֥בַח (zevach) = slachtoffer van | הָעָֽם (haam) = het volk Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’: het geslacht dier van een offer waarvan het volk eet, zoals het vredeoffer. Het volk kookt dus zijn eigen offermaaltijd; de priesters houden hun eigen kamers (vers 19–20). Voetnoot : מְשָׁרְתֵי (meshartei), ‘dienaren van’: zij die in het huis dienst doen, onder wie de Levieten. Zie ook: Ezech 46:19–20; Ezech 46:20; Mat 24:45; Joh 21:15–17; 1 Petr 5:2 ## Ezechiël 47 _Het water uit het huis en de grenzen van het land_ ### Het water onder de drempel van het huis **47:1** Hij bracht mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er kwam water onder de drempel van het huis vandaan, naar het oosten. Want de voorkant van het huis was naar het oosten gericht. Het water daalde van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar. Brontekst: וַיְשִׁבֵנִי֮ (vayshiveni) = en hij liet mij terugkeren | אֶל (el) = naar | פֶּ֣תַח (petach) = ingang van | הַבַּיִת֒ (habayit) = het huis | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | מַ֣יִם (mayim) = water | יֹצְאִ֗ים (yotseim) = uitstromend | מִתַּ֨חַת (mitachat) = van onder | מִפְתַּ֤ן (miftan) = drempel van | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | קָדִ֔ימָה (qadima) = oostwaarts | כִּֽי (ki) = want | פְנֵ֥י (penei) = voorkant van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | קָדִ֑ים (qadim) = oost | וְהַמַּ֣יִם (vehamayim) = en het water | יֹרְדִ֗ים (yoredim) = afdalend | מִתַּ֜חַת (mitachat) = van onder | מִכֶּ֤תֶף (miketef) = van de zijde van | הַבַּ֨יִת֙ (habayit) = het huis | הַיְמָנִ֔ית (haymanit) = de rechter | מִנֶּ֖גֶב (minegev) = ten zuiden van | לַמִּזְבֵּֽחַ (lamizbeach) = het altaar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Dit water komt uit het huis, onder de drempel, aan de zuidkant van het altaar. Vergelijk Joël 4:18, Gen. 2:10, Ps. 46:5 en Zach. 14:8, waar ook water uit Jeruzalem stroomt. Zie ook: Gen 2:10; Ps 46:5; Joël 4:18; Jes 55:1; Ezech 47:12; Zach 14:8; Openb 22:1 **47:2** Hij liet mij uitgaan door de noordpoort en liet mij buitenom gaan naar de buitenpoort, de poort die naar het oosten gericht is. En zie, er sijpelde water uit de rechterzijde. Brontekst: וַיּוֹצִאֵנִי֮ (vayotsieni) = en hij liet mij uitgaan | דֶּֽרֶךְ (derekh) = via | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | צָפוֹנָה֒ (tsafona) = noordwaarts | וַיְסִבֵּ֨נִי֙ (vaysibeni) = en hij liet mij rondgaan | דֶּ֣רֶךְ (derekh) = via | ח֔וּץ (chuts) = buiten | אֶל (el) = naar | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | הַח֔וּץ (hachuts) = de buitenkant | דֶּ֖רֶךְ (derekh) = via | הַפּוֹנֶ֣ה (hapone) = die gericht is | קָדִ֑ים (qadim) = naar het oosten | וְהִנֵּה (vehine) = en zie | מַ֣יִם (mayim) = water | מְפַכִּ֔ים (mefakim) = sijpelend | מִן (min) = van | הַכָּתֵ֖ף (hakatef) = de zijde | הַיְמָנִֽית (haymanit) = de rechter Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מְפַכִּים (mefakkim), ‘sijpelend’: het woord komt alleen hier voor; het gaat om water dat in dunne stroompjes naar buiten komt. Zie ook: Ezech 44:2; Ezech 44:4 **47:3** Toen de man naar het oosten uitging, had hij een meetsnoer in zijn hand. Hij mat 1.000 el af en liet mij door het water gaan: water tot aan de enkels. Brontekst: בְּצֵאת (betset) = bij het uitgaan van | הָאִ֥ישׁ (haish) = de man | קָדִ֖ים (qadim) = oostwaarts | וְקָ֣ו (veqav) = en meetsnoer | בְּיָד֑וֹ (beyado) = in zijn hand | וַיָּ֤מָד (vayamad) = en hij mat | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | בָּֽאַמָּ֔ה (baama) = in el | וַיַּעֲבִרֵ֥נִי (vayaavireni) = en hij liet mij doorgaan | בַמַּ֖יִם (bamayim) = door het water | מֵ֥י (mei) = water van | אָפְסָֽיִם (afesayim) = enkels Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בָּאַמָּה (ba’ammah), ‘in el’: een el (amah) is de maat uit de uitleg bij Ezech. 40:5. Wij rekenen niet om. Voetnoot : מֵי אָפְסָיִם (mei afsayim), ‘water van enkels’: water tot aan de enkels. Het woord afsayim komt alleen hier voor; de betekenis volgt uit de reeks van vers 3–5. Zie ook: Ezech 40:3; Ezech 40:5; Luc 24:49; Hand 2:4; Hand 2:33; Hand 11:16–18 **47:4** Hij mat nog 1.000 af en liet mij door het water gaan: water tot aan de knieën. Hij mat nog 1.000 af en liet mij erdoor gaan: water tot aan de heupen. Brontekst: וַיָּ֣מָד (vayamad) = en hij mat | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וַיַּעֲבִרֵ֥נִי (vayaavireni) = en hij liet mij doorgaan | בַמַּ֖יִם (bamayim) = door het water | מַ֣יִם (mayim) = water | בִּרְכָּ֑יִם (birkayim) = knieën | וַיָּ֣מָד (vayamad) = en hij mat | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וַיַּעֲבִרֵ֖נִי (vayaavireni) = en hij liet mij doorgaan | מֵ֥י (mei) = water van | מָתְנָֽיִם (matenayim) = heupen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: מָתְנָיִם (motnayim), ‘heupen’: het gedeelte van het lichaam rond het middel. Zie ook: Hand 19:10–20; Rom 15:19; Kol 1:6 **47:5** Hij mat nog 1.000 af: een beek die ik niet kon doorwaden. Want het water was gestegen, water om in te zwemmen, een beek die niet te doorwaden was. Brontekst: וַיָּ֣מָד (vayamad) = en hij mat | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | נַ֕חַל (nachal) = beek | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | אוּכַ֖ל (ukhal) = ik kon | לַעֲבֹ֑ר (laavor) = doorgaan | כִּֽי (ki) = want | גָא֤וּ (gau) = waren gestegen | הַמַּ֨יִם֙ (hamayim) = het water | מֵ֣י (mei) = water van | שָׂ֔חוּ (sachu) = zwemmen | נַ֖חַל (nachal) = beek | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | יֵעָבֵֽר (yeaver) = kan worden doorwaad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: שָׂחוּ (sachu), ‘zwemmen’: water waarin men moet zwemmen, niet kan staan of lopen. Zie ook: Jes 11:9; Hab 2:14; Dan 2:34–35; Mat 13:31–32; Openb 7:9 ### De bomen aan de beek **47:6** Hij zei tegen mij: „Heb je het gezien, mensenkind?” Daarna leidde hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek. Brontekst: וַיֹּ֥אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֖י (elay) = tegen mij | הֲרָאִ֣יתָ (haraita) = heb je gezien | בֶן (ben) = zoon van | אָדָ֑ם (adam) = mens | וַיּוֹלִכֵ֥נִי (vayolikheni) = en hij leidde mij | וַיְשִׁבֵ֖נִי (vayshiveni) = en liet mij terugkeren | שְׂפַ֥ת (sefat) = oever van | הַנָּֽחַל (hanachal) = de beek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Jer 1:11–13; Ezech 8:17; Ezech 40:4; Ezech 44:5; Zach 4:2 **47:7** Toen ik terugkwam, zie, aan de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan beide kanten. Brontekst: בְּשׁוּבֵ֕נִי (beshuveni) = bij mijn terugkeer | וְהִנֵּה֙ (vehine) = en zie | אֶל (el) = aan | שְׂפַ֣ת (sefat) = oever van | הַנַּ֔חַל (hanachal) = de beek | עֵ֖ץ (ets) = bomen | רַ֣ב (rav) = veel | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | מִזֶּ֖ה (mize) = aan de ene kant | וּמִזֶּֽה (umize) = en aan de andere Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 2:9–10; 1 Kon 9:26; 2 Kon 2:13; Ezech 47:12; Openb 22:2 ### Het water maakt de zee gezond **47:8** Hij zei tegen mij: „Dit water stroomt naar het oostelijke gebied en daalt af naar de Araba. Het komt in de zee, de zee waarin het wordt uitgeleid. Dan wordt het water genezen. Brontekst: וַיֹּ֣אמֶר (vayomer) = en hij zei | אֵלַ֗י (elay) = tegen mij | הַמַּ֤יִם (hamayim) = dit water | הָאֵ֨לֶּה֙ (haele) = deze | יוֹצְאִ֗ים (yotseim) = uitgaand | אֶל (el) = naar | הַגְּלִילָה֙ (hagelila) = het gebied | הַקַּדְמוֹנָ֔ה (haqadmona) = het oostelijke | וְיָרְד֖וּ (veyaredu) = en het daalt af | עַל (al) = naar | הָֽעֲרָבָ֑ה (haarava) = de Araba | וּבָ֣אוּ (uvau) = en het komt | הַיָּ֔מָּה (hayama) = naar de zee | אֶל (el) = naar | הַיָּ֥מָּה (hayama) = de zee | הַמּֽוּצָאִ֖ים (hamutsaim) = die worden uitgeleid | וְנִרְפּ֥וּ (venirpu) = en het zal genezen | הַמָּֽיִם (hamayim) = het water Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba. Voetnoot Uitleg: הַגְּלִילָה (haggelilah), ‘het gebied’: het woord gelilah wijst op een streek of kring, vergelijk Joz. 22:10. Het is hier het gebied ten oosten van de stad. Voetnoot : הָעֲרָבָה (ha’aravah), ‘de Araba’: de diepe vlakte langs de Jordaan, tussen de Kinneret en de Zoutzee en daarna zuidwaarts. Voetnoot : הַיָּמָּה אֶל הַיָּמָּה הַמּוּצָאִים (hayyammah el hayyammah hammutsa’im), ‘naar de zee, de zee waarin het wordt uitgeleid’: de zin is moeilijk. Hij noemt twee keer ‘de zee’ en een werkwoord in de lijdende vorm. De tekst zegt alleen ‘de zee’. Wat daarna volgt (zout in vers 11; En-Gedi in vers 10) past bij de Zoutzee, de Dode Zee. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat ונרפאו (venirpe’u), in de voorgelezen tekst (qere) וְנִרְפּוּ (venirpu). Het is hetzelfde woord: ‘en zij worden genezen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Deut 3:17; Deut 4:49; Joz 3:16; Joz 22:10; 2 Kon 2:19–22; Jes 44:3–5; Ezech 47:10; Ezech 47:11 **47:9** Elk levend wezen dat wemelt, zal leven, overal waar de beken komen. De vis zal zeer talrijk zijn. Want dit water is daarheen gekomen en het wordt genezen. Alles waar de beek komt, zal leven. Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | כָל (kal) = elk | נֶ֣פֶשׁ (nefesh) = wezen | חַיָּ֣ה (chaya) = levend | אֲֽשֶׁר (asher) = dat | יִשְׁרֹ֡ץ (yishrots) = wemelt | אֶ֣ל (el) = naar | כָּל (kal) = alles | אֲשֶׁר֩ (asher) = waar | יָב֨וֹא (yavo) = komt | שָׁ֤ם (sham) = daar | נַחֲלַ֨יִם֙ (nachalayim) = beken | יִֽחְיֶ֔ה (yichye) = zal leven | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | הַדָּגָ֖ה (hadaga) = de vis | רַבָּ֣ה (raba) = veel | מְאֹ֑ד (meod) = zeer | כִּי֩ (ki) = want | בָ֨אוּ (bau) = zijn gekomen | שָׁ֜מָּה (shama) = daarheen | הַמַּ֣יִם (hamayim) = het water | הָאֵ֗לֶּה (haele) = dit | וְיֵרָֽפְאוּ֙ (veyerafeu) = en ze zullen genezen | וָחָ֔י (vachay) = en zal leven | כֹּ֛ל (kol) = alles | אֲשֶׁר (asher) = waar | יָ֥בוֹא (yavo) = komt | שָׁ֖מָּה (shama) = daarheen | הַנָּֽחַל (hanachal) = de beek Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נֶפֶשׁ חַיָּה (nefesh chayyah), ‘levend wezen’: vergelijk Gen. 1:20. Het werkwoord ‘wemelen’ (sharats) staat ook in Gen. 1:20. Voetnoot : וְיֵרָפְאוּ (veyerafu), ‘en het wordt genezen’: het werkwoord rafa betekent ‘genezen’. Het zoute water wordt gezond gemaakt. Zie ook: Gen 1:20; Ps 78:16; Jes 55:1; Joh 4:14; Joh 6:63; Joh 7:37–38 **47:10** Vissers zullen eraan staan, van En-Gedi tot En-Eglaïm. Het wordt een plaats om netten uit te spreiden. Hun vis zal van allerlei soort zijn, zoals de vis van de Grote Zee, zeer talrijk. Brontekst: וְהָיָה֩ (vehaya) = en het zal zijn | עָמְד֨וּ (amedu) = zij zullen staan | עָלָ֜יו (alav) = eraan | דַּוָּגִ֗ים (davagim) = vissers | מֵעֵ֥ין (meein) = vanaf bron van | גֶּ֨דִי֙ (gedi) = Gedi | וְעַד (vead) = en tot | עֵ֣ין (ein) = bron van | עֶגְלַ֔יִם (eglayim) = Eglaïm | מִשְׁט֥וֹחַ (mishtoach) = plaats om uit te spreiden | לַֽחֲרָמִ֖ים (lacharamim) = voor netten | יִהְי֑וּ (yihyu) = zij zullen zijn | לְמִינָה֙ (lemina) = naar zijn soort | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | דְגָתָ֔ם (degatam) = hun vis | כִּדְגַ֛ת (kidgat) = als de vis van | הַיָּ֥ם (hayam) = de zee | הַגָּד֖וֹל (hagadol) = de grote | רַבָּ֥ה (raba) = talrijk | מְאֹֽד (meod) = zeer Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie En-Gedi: En-Gedi is een oase aan de westkant van de Dode Zee. Zie En-Eglaïm (ligging onzeker): En-Eglaïm lag aan de Zoutzee, waarschijnlijk bij Ein Feshcha, ten noorden van Qumran. Dit is niet zeker. Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land. Voetnoot Uitleg: מֵעֵין גֶּדִי (me’ein Gedi), ‘vanaf En-Gedi’, en עֵין עֶגְלַיִם (ein Eglayim), ‘En-Eglaïm’: twee plaatsen aan de Zoutzee. De ligging van En-Eglaïm is onzeker. Voetnoot : הַיָּם הַגָּדוֹל (hayyam haggadol), ‘de Grote Zee’: de Middellandse Zee, zoals in Num. 34:6. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat יעמדו (ya’amedu), ‘zij zullen staan’. De voorgelezen tekst (qere) is עָמְדוּ (amedu), ‘zij staan’. Wij volgen de qere en vertalen met de toekomende tijd, zoals de rest van het vers. Zie ook: Num 34:6; Ps 104:25; Mat 4:19; Mat 13:47–50; Luc 5:4–10 **47:11** Maar zijn moerassen en poelen worden niet genezen. Zij zijn aan het zout gegeven. Brontekst: בִּצֹּאתָ֧יו (bitsotav) = zijn moerassen | וּגְבָאָ֛יו (ugevaav) = en zijn poelen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יֵרָפְא֖וּ (yerafeu) = zullen genezen | לְמֶ֥לַח (lemelach) = aan het zout | נִתָּֽנוּ (nitanu) = zij zijn gegeven Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: בִּצֹּאתָיו (bitsotav), ‘zijn moerassen’, en וּגְבָאָיו (gevaiv), ‘zijn poelen’: laaggelegen, vochtige plaatsen langs de zee. Zij blijven zout. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat בצאתו (bitse’to), in de voorgelezen tekst (qere) בִּצֹּאתָיו (bitsotav). Wij volgen de qere. Zie ook: Deut 29:22; Ps 107:34; Heb 10:26–31; Openb 21:8; Openb 22:11 **47:12** Aan de beek, aan haar oever, aan beide kanten, zal elke boom met eetbare vrucht opkomen. Zijn blad verwelkt niet en zijn vrucht houdt niet op. Elke maand draagt hij nieuwe vrucht, want zijn water komt uit het heiligdom. Zijn vrucht zal tot voedsel zijn en zijn blad tot genezing.” Brontekst: וְעַל (veal) = en bij | הַנַּ֣חַל (hanachal) = de beek | יַעֲלֶ֣ה (yaale) = zal opkomen | עַל (al) = aan | שְׂפָת֣וֹ (sefato) = zijn oever | מִזֶּ֣ה (mize) = aan de ene kant | וּמִזֶּ֣ה (umize) = en aan de andere | כָּל (kal) = elke | עֵֽץ (ets) = boom van | מַ֠אֲכָל (maakhal) = voedsel | לֹא (lo) = niet | יִבּ֨וֹל (yibol) = zal verwelken | עָלֵ֜הוּ (alehu) = zijn blad | וְלֹֽא (velo) = en niet | יִתֹּ֣ם (yitom) = zal ophouden | פִּרְי֗וֹ (piryo) = zijn vrucht | לָֽחֳדָשָׁיו֙ (lachodashav) = elke maand | יְבַכֵּ֔ר (yevaker) = zal het nieuwe vruchten dragen | כִּ֣י (ki) = want | מֵימָ֔יו (meimav) = zijn water | מִן (min) = uit | הַמִּקְדָּ֖שׁ (hamiqdash) = het heiligdom | הֵ֣מָּה (hema) = zij | יֽוֹצְאִ֑ים (yotseim) = uitstromend | וְהָיָ֤ה (vehaya) = en het zal zijn | פִרְיוֹ֙ (piryo) = zijn vrucht | לְמַֽאֲכָ֔ל (lemaakhal) = tot voedsel | וְעָלֵ֖הוּ (vealehu) = en zijn blad | לִתְרוּפָֽה (litrufa) = tot genezing Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לָחֳדָשָׁיו יְבַכֵּר (lechadashav yevakker), ‘elke maand draagt hij nieuwe vrucht’: letterlijk ‘volgens zijn maanden’. Het werkwoord bikker hoort bij ‘eerstelingen’ (bikkurim). Voetnoot : הַמִּקְדָּשׁ (hammiqdash), ‘het heiligdom’: de bron van het water is het huis van Yahweh. Voetnoot : לִתְרוּפָה (litrufah), ‘tot genezing’: het blad dient tot genezing. Vergelijk Openb. 22:2. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat והיו (vehayu), ‘en zij zullen zijn’. De voorgelezen tekst (qere) is וְהָיָה (vehayah), ‘en het zal zijn’. Wij volgen de qere. Zie ook: Gen 2:9; Ps 1:3; Jer 17:8; Ezech 47:7; Openb 22:2 ### De grenzen van het land **47:13** Zo zegt Heer Yahweh: **„Dit is de grens waarbinnen jullie het land als erfdeel verdelen onder de twaalf stammen van Israël. Voor Jozef zijn er delen.** Brontekst: כֹּ֤ה (ko) = Zo | אָמַר֙ (amar) = zegt | אֲדֹנָ֣י (adonay) = Heer | יְהוִ֔ה (Yahweh) = Yahweh | גֵּ֤ה (ge) = dit | גְבוּל֙ (gevul) = grens | אֲשֶׁ֣ר (asher) = waarbinnen | תִּתְנַחֲל֣וּ (titnachalu) = jullie als erfdeel verdelen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֔רֶץ (haarets) = het land | לִשְׁנֵ֥י (lishnei) = onder de twee | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | יוֹסֵ֖ף (yosef) = Jozef | חֲבָלִֽים (chavalim) = delen Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4. Hier begint een nieuw deel van de rede van Yahweh; het loopt door tot en met Ezech. 48:29. Voetnoot : יוֹסֵף חֲבָלִים (Yosef chavalim), ‘Jozef: delen’: het woord chevel betekent ‘meetkoord’ en dan ‘afgemeten deel’. Het staat in het meervoud: Jozef krijgt meer dan één deel. In Ezech. 48:4–5 krijgen Manasse en Efraïm, de zonen van Jozef, elk een deel. Zie ook: Gen 48:5; Num 34:2–12; 1 Kron 5:1; Jer 3:18; Ezech 2:4; Ezech 48:4–6; Ezech 48:29 **47:14** **Jullie erven het, de een evenveel als de ander. Over dit land heb Ik Mijn hand opgeheven om het aan jullie vaderen te geven. Dit land zal als erfdeel aan jullie toevallen.** Brontekst: וּנְחַלְתֶּ֤ם (unechaltem) = en jullie zullen erven | אוֹתָהּ֙ (otah) = haar | אִ֣ישׁ (ish) = ieder | כְּאָחִ֔יו (keachiv) = als zijn broer | אֲשֶׁ֤ר (asher) = waarover | נָשָׂ֨אתִי֙ (nasati) = Ik heb opgeheven | אֶת (et) = (obj.) | יָדִ֔י (yadi) = Mijn hand | לְתִתָּ֖הּ (letitah) = om haar te geven | לַאֲבֹֽתֵיכֶ֑ם (laavoteikhem) = aan jullie vaderen | וְנָ֨פְלָ֜ה (venafela) = en zal vallen | הָאָ֧רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֛את (hazot) = dit | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | בְּנַחֲלָֽה (benachala) = als erfdeel Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נָשָׂאתִי אֶת יָדִי (nasati et yadi), ‘Ik heb Mijn hand opgeheven’: een eed. Vergelijk Exod. 6:8 en Ezech. 20:5. Zie ook: Gen 12:7; Gen 28:13; Ex 6:8; Num 14:30; Ezech 20:5–6; Ezech 48:29 ### De noordgrens **47:15** **Dit is de grens van het land aan de noordzijde: vanaf de Grote Zee, langs de weg naar Chetlon, tot waar men bij Tsedad komt.** Brontekst: וְזֶ֖ה (veze) = en dit | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | לִפְאַ֨ת (lifat) = aan de zijde | צָפ֜וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | מִן (min) = vanaf | הַיָּ֧ם (hayam) = de zee | הַגָּד֛וֹל (hagadol) = de grote | הַדֶּ֥רֶךְ (haderekh) = de weg | חֶתְלֹ֖ן (chetlon) = Chetlon | לְב֥וֹא (levo) = naar het binnenkomen | צְדָֽדָה (tsedada) = Tsedadwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land. Zie Chetlon (ligging onzeker): Chetlon (Hetlon) ligt aan de noordgrens van het land in Ezechiël 47:15, waarschijnlijk bij Heitela, ten noorden van Tripoli. Dit is niet zeker. Zie Tsedad: Tsedad wordt gelijkgesteld met Sadad, in het zuiden van het huidige Syrië. Het ligt op de noordgrens van het land. Voetnoot Uitleg: חֶתְלֹן (Chetlon): een plaats aan de noordgrens, waarschijnlijk in het noorden van het huidige Libanon of Syrië. De ligging is onzeker. Voetnoot : לְבוֹא צְדָדָה (lavo Tsedadah), ‘tot men komt bij Tsedad’: de noordgrens van Num. 34:8 noemt ook Lebo-Chamat en Tsedad. Zie ook: Num 34:8; Ezech 48:1 **47:16** **Chamat, Berota en Sibraïm, dat tussen het gebied van Damascus en het gebied van Chamat ligt, en Chasar-Hattichon, dat bij het gebied van Hauran ligt.** Brontekst: חֲמָ֤ת (chamat) = Chamat | בֵּר֨וֹתָה֙ (berota) = Berota | סִבְרַ֔יִם (sivrayim) = Sibraïm | אֲשֶׁר֙ (asher) = die | בֵּין (bein) = tussen | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | דַּמֶּ֔שֶׂק (dameseq) = Damascus | וּבֵ֖ין (uvein) = en tussen | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | חֲמָ֑ת (chamat) = Chamat | חָצֵר֙ (chatser) = Chasar | הַתִּיכ֔וֹן (hatikhon) = Hattichon | אֲשֶׁ֖ר (asher) = die | אֶל (el) = bij | גְּב֥וּל (gevul) = grens van | חַוְרָֽן (chavran) = Hauran Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Hauran: Hauran is de vruchtbare vulkanische hoogvlakte ten zuiden van Damascus, ten oosten van de Jordaan. Voetnoot Uitleg: De namen בֵּרוֹתָה (Berota) en סִבְרַיִם (Sibraïm) komen alleen hier voor. Berota lijkt op Berotai in 2 Sam. 8:8. De ligging is onzeker. Voetnoot : חָצֵר הַתִּיכוֹן (chatser hattichon), ‘Chasar-Hattichon’: ‘het middelste gehucht’ (chatser is eigenlijk ‘hof’; vergelijk Chasar-Addar in Num. 34:4). Het ligt bij het gebied van Hauran. Zie ook: Gen 14:15; Num 13:21; Num 34:4; 2 Sam 8:8; Ezech 48:1; Zach 9:2 **47:17** **Zo loopt de grens van de zee naar Chasar-Enon, het gebied van Damascus. Noordwaarts, naar het noorden, ligt het gebied van Chamat. Dit is de noordzijde.** Brontekst: וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | גְב֜וּל (gevul) = grens | מִן (min) = vanaf | הַיָּ֗ם (hayam) = de zee | חֲצַ֤ר (chatsar) = Chasar | עֵינוֹן֙ (einon) = Enon | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | דַּמֶּ֔שֶׂק (dameseq) = Damascus | וְצָפ֥וֹן (vetsafon) = en het noorden | צָפ֖וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | וּגְב֣וּל (ugevul) = en grens van | חֲמָ֑ת (chamat) = Chamat | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | פְּאַ֥ת (peat) = zijde van | צָפֽוֹן (tsafon) = noorden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chasar-Enan (ligging onzeker): Chasar-Enan (Chasar-Enon) is de noordoostelijke hoek van de grens van het land (Ezechiël 47:17; 48:1), mogelijk het huidige al-Qaryatayn. Dit is niet zeker. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: חֲצַר עֵינוֹן (Chatsar Enon), ‘Chasar-Enon’: waarschijnlijk dezelfde plaats als Chasar-Enan in Num. 34:9 en Ezech. 48:1. Hier staat de uitgang -on in plaats van -an. Voetnoot : וְצָפוֹן צָפוֹנָה (vetsafon tsafonah), ‘en het noorden, noordwaarts’: de zin is moeilijk. Wij laten de woorden letterlijk staan. Zie ook: Num 34:9; Ezech 48:1 ### De oostgrens **47:18** **De oostzijde: tussen Hauran, Damascus, Gilead en het land Israël ligt de Jordaan. Vanaf de grens tot aan de oostelijke zee zullen jullie meten. Dit is de oostzijde.** Brontekst: וּפְאַ֣ת (ufeat) = en zijde van | קָדִ֡ים (qadim) = oost | מִבֵּ֣ין (mibein) = van tussen | חַוְרָ֣ן (chavran) = Hauran | וּמִבֵּין (umibein) = en van tussen | דַּמֶּשֶׂק֩ (dameseq) = Damascus | וּמִבֵּ֨ין (umibein) = en van tussen | הַגִּלְעָ֜ד (hagilad) = Gilead | וּמִבֵּ֨ין (umibein) = en van tussen | אֶ֤רֶץ (erets) = land van | יִשְׂרָאֵל֙ (yisrael) = Israël | הַיַּרְדֵּ֔ן (hayarden) = de Jordaan | מִגְּב֛וּל (migevul) = vanaf de grens | עַל (al) = tot | הַיָּ֥ם (hayam) = de zee | הַקַּדְמוֹנִ֖י (haqadmoni) = de oostelijke | תָּמֹ֑דּוּ (tamodu) = jullie zullen meten | וְאֵ֖ת (veet) = en (obj.) | פְּאַ֥ת (peat) = zijde van | קָדִֽימָה (qadima) = oostwaarts Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Hauran: Hauran is de vruchtbare vulkanische hoogvlakte ten zuiden van Damascus, ten oosten van de Jordaan. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee. Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee. Voetnoot Uitleg: De Jordaan vormt hier de oostgrens, ‘tussen’ de gebieden van Hauran, Damascus en Gilead aan de ene kant en het land Israël aan de andere. De ‘oostelijke zee’ is de Zoutzee. Zie ook: Gen 13:10; Gen 31:23; Job 40:23; Num 32:1; Re 10:8 ### De zuidgrens **47:19** **De zuidzijde, naar het zuiden: van Tamar tot het water van Meriba bij Kades, en langs de beek naar de Grote Zee. Dit is de zuidzijde, naar het zuiden.** Brontekst: וּפְאַת֙ (ufeat) = en zijde van | נֶ֣גֶב (negev) = zuid | תֵּימָ֔נָה (teimana) = zuidwaarts | מִתָּמָ֗ר (mitamar) = vanaf Tamar | עַד (ad) = tot | מֵי֙ (mei) = water van | מְרִיב֣וֹת (merivot) = Meriba | קָדֵ֔שׁ (qadesh) = Kades | נַחֲלָ֖ה (nachala) = beek | אֶל (el) = naar | הַיָּ֣ם (hayam) = de zee | הַגָּד֑וֹל (hagadol) = de grote | וְאֵ֥ת (veet) = en (obj.) | פְּאַת (peat) = zijde van | תֵּימָ֖נָה (teimana) = zuidwaarts | נֶֽגְבָּה (negba) = naar het zuiden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tamar (ligging onzeker): Tamar ligt aan de zuidgrens van het land in Ezechiël 47:19, ten zuiden van de Zoutzee, waarschijnlijk bij Ein Husb. Dit is niet zeker. Zie Meriba (bij Kades; ligging onzeker): Meriba bij Kades (Numeri 20:13), waarschijnlijk Ain Qudeirat in het noorden van de Sinaïwoestijn. Er is ook een Meriba bij Refidim (Exodus 17:7). Welke plaats in Psalm 81:8 en 106:32 bedoeld is, is niet helemaal zeker. Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land. Voetnoot Uitleg: מִתָּמָר (Tamar): een plaats ten zuiden van de Zoutzee. De ligging is onzeker. Voetnoot : מֵי מְרִיבוֹת קָדֵשׁ (mei meribot Kadesh), ‘het water van Meriba bij Kades’: zie Num. 20:13 en Deut. 32:51. Voetnoot : נַחֲלָה (nachalah), ‘beek’: waarschijnlijk de beek (wadi) van Egypte uit Num. 34:5. Het woord kan ook ‘als erfdeel’ betekenen. Wij vertalen ‘beek’, omdat de grens naar de Grote Zee loopt. Zie ook: Num 20:13; Num 34:5; Deut 32:51; Jes 27:12; Ezech 48:28 ### De westgrens **47:20** **De westzijde: de Grote Zee, vanaf de grens tot tegenover Lebo-Chamat. Dit is de westzijde.** Brontekst: וּפְאַת (ufeat) = en zijde van | יָם֙ (yam) = zee | הַיָּ֣ם (hayam) = de zee | הַגָּד֔וֹל (hagadol) = de grote | מִגְּב֕וּל (migevul) = vanaf de grens | עַד (ad) = tot | נֹ֖כַח (nokhach) = tegenover | לְב֣וֹא (levo) = naar het binnenkomen van | חֲמָ֑ת (chamat) = Chamat | זֹ֖את (zot) = dit | פְּאַת (peat) = zijde van | יָֽם (yam) = zee Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: לְבוֹא חֲמָת (lebo Chamat), ‘naar de ingang van Chamat’: zie Num. 34:8. Zie ook: Num 34:6; Num 34:8; Ezech 48:1 ### De verdeling, ook voor de vreemdelingen **47:21** **Dit land verdelen jullie onder je, naar de stammen van Israël.** Brontekst: וְחִלַּקְתֶּ֞ם (vechilaqtem) = en jullie zullen verdelen | אֶת (et) = (obj.) | הָאָ֧רֶץ (haarets) = het land | הַזֹּ֛את (hazot) = dit | לָכֶ֖ם (lakhem) = aan jullie | לְשִׁבְטֵ֥י (leshivtei) = naar de stammen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **47:22** **Jullie verdelen het bij loting als erfdeel, voor jullie en voor de vreemdelingen die in jullie midden wonen en in jullie midden zonen hebben gekregen. Voor jullie gelden zij als een inheemse onder de zonen van Israël. Samen met jullie krijgen zij erfdeel te midden van de stammen van Israël.** Brontekst: וְהָיָ֗ה (vehaya) = en het zal zijn | תַּפִּ֣לוּ (tapilu) = jullie zullen laten vallen | אוֹתָהּ֮ (otah) = het | בְּנַחֲלָה֒ (benachala) = als erfdeel | לָכֶ֗ם (lakhem) = aan jullie | וּלְהַגֵּרִים֙ (ulehagerim) = en aan de vreemdelingen | הַגָּרִ֣ים (hagarim) = die wonen | בְּתוֹכְכֶ֔ם (betokhekhem) = in jullie midden | אֲשֶׁר (asher) = die | הוֹלִ֥דוּ (holidu) = zijn geboren | בָנִ֖ים (banim) = zonen | בְּתֽוֹכְכֶ֑ם (betokhekhem) = in jullie midden | וְהָי֣וּ (vehayu) = en zij zullen zijn | לָכֶ֗ם (lakhem) = voor jullie | כְּאֶזְרָח֙ (keezrach) = als inheemse | בִּבְנֵ֣י (bivnei) = onder de zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | אִתְּכֶם֙ (itekhem) = met jullie | יִפְּל֣וּ (yipelu) = zij zullen vallen | בְנַחֲלָ֔ה (benachala) = als erfdeel | בְּת֖וֹךְ (betokh) = in het midden van | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּפִּלוּ (tappelu), ‘jullie laten vallen’: hetzelfde werkwoord als bij het lot. Het land wordt dus bij loting verdeeld, zoals in Num. 26:55. Zie ook Ezech. 48:29. Voetnoot : וּלְהַגֵּרִים הַגָּרִים (ulehaggerim haggarim), ‘de vreemdelingen’: wie als vreemdeling in Israël woont. Vergelijk Lev. 19:34. Voetnoot : כְּאֶזְרָח (ke’ezrach), ‘als een inheemse’: iemand die in Israël geboren is. De vreemdelingen met kinderen krijgen dus mee erfdeel. Zie ook: Lev 19:34; Num 26:55; Jes 56:6–7; Ezech 48:29; Hand 11:18; Rom 10:12; Ef 3:6; Kol 3:11 **47:23** **In de stam waar de vreemdeling woont, daar geven jullie hem zijn erfdeel. Godsspraak van Heer Yahweh.** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | בַשֵּׁ֔בֶט (bashevet) = in de stam | אֲשֶׁר (asher) = waar | גָּ֥ר (gar) = woont | הַגֵּ֖ר (hager) = de vreemdeling | אִתּ֑וֹ (ito) = bij hem | שָׁ֚ם (sham) = daar | תִּתְּנ֣וּ (titenu) = jullie zullen geven | נַחֲלָת֔וֹ (nachalato) = zijn erfdeel | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Zie ook: Ezech 5:11 ## Ezechiël 48 _De verdeling van het land onder de stammen en de stad Yahweh is daar_ ### De stammen in het noorden **48:1** **Dit zijn de namen van de stammen. Vanaf het noordelijke uiteinde, langs de weg van Chetlon naar Lebo-Chamat en Chasar-Enan, de grens van Damascus in het noorden, naast Chamat, liggen voor hem de oostzijde en de westzijde: Dan, één deel.** Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit | שְׁמ֣וֹת (shemot) = namen van | הַשְּׁבָטִ֑ים (hashevatim) = de stammen | מִקְצֵ֣ה (miqtse) = vanaf het uiteinde | צָפ֡וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | אֶל (el) = naar | יַ֣ד (yad) = zijde van | דֶּֽרֶךְ (derekh) = weg van | חֶתְלֹ֣ן (chetlon) = Chetlon | לְֽבוֹא (levo) = naar het binnenkomen van | חֲמָ֡ת (chamat) = Chamat | חֲצַ֣ר (chatsar) = Chasar | עֵינָן֩ (einan) = Enan | גְּב֨וּל (gevul) = grens van | דַּמֶּ֤שֶׂק (dameseq) = Damascus | צָפ֨וֹנָה֙ (tsafona) = noordwaarts | אֶל (el) = naar | יַ֣ד (yad) = zijde van | חֲמָ֔ת (chamat) = Chamat | וְהָיוּ (vehayu) = en zij zullen zijn | ל֧וֹ (lo) = voor hem | פְאַת (peat) = zijde van | קָדִ֛ים (qadim) = oost | הַיָּ֖ם (hayam) = de zee | דָּ֥ן (dan) = Dan | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Chetlon (ligging onzeker): Chetlon (Hetlon) ligt aan de noordgrens van het land in Ezechiël 47:15, waarschijnlijk bij Heitela, ten noorden van Tripoli. Dit is niet zeker. Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië. Zie Chasar-Enan (ligging onzeker): Chasar-Enan (Chasar-Enon) is de noordoostelijke hoek van de grens van het land (Ezechiël 47:17; 48:1), mogelijk het huidige al-Qaryatayn. Dit is niet zeker. Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië. Voetnoot Uitleg: לְבוֹא חֲמָת (lavo Chamat), ‘naar de ingang van Chamat’: zie de uitleg bij Ezech. 47:20. חֲצַר עֵינָן (Chatsar Enan), ‘Chasar-Enan’: ook Num. 34:9. In Ezech. 47:17 staat de vorm Chasar-Enon. Voetnoot : הַיָּם (hayyam), ‘de zee’: letterlijk staat er ‘de zee’; dat is de westzijde. Elke stam krijgt een strook land van de oostgrens tot de zee. אֶחָד (echad), ‘één’: een deel voor elke stam. Voetnoot : De verdeling begint in het noorden bij Dan en loopt naar het zuiden. De volgorde van de stammen is anders dan in andere lijsten van Israël. Zie ook: Gen 30:3–6; Num 34:9; Joz 19:40–47; 2 Sam 24:2; Ezech 47:15–17; Ezech 47:17; Ezech 47:20 **48:2** **Aan de grens van Dan, van de oostzijde tot de westzijde: Aser, één deel.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | דָּ֗ן (dan) = Dan | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛ים (qadim) = oost | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | אָשֵׁ֥ר (asher) = Aser | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:12–13; Joz 19:24–31 **48:3** **Aan de grens van Aser, van de oostzijde tot de westzijde: Naftali, één deel.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | אָשֵׁ֗ר (asher) = Aser | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛ימָה (qadima) = oostwaarts | וְעַד (vead) = en tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | נַפְתָּלִ֥י (naftali) = Naftali | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:7–8; Joz 19:32–39 **48:4** **Aan de grens van Naftali, van de oostzijde tot de westzijde: Manasse, één deel.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | נַפְתָּלִ֗י (naftali) = Naftali | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛מָה (qadima) = oostwaarts | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | מְנַשֶּׁ֥ה (menashe) = Manasse | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:22–24; Gen 41:51; Gen 48:14–20; Joz 13:29–31; Joz 17:1–11 **48:5** **Aan de grens van Manasse, van de oostzijde tot de westzijde: Efraïm, één deel.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | מְנַשֶּׁ֗ה (menashe) = Manasse | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛מָה (qadima) = oostwaarts | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | אֶפְרַ֥יִם (efrayim) = Efraïm | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Joz 16:1–10; Joz 17:8–10; Joz 17:14–18 **48:6** **Aan de grens van Efraïm, van de oostzijde tot de westzijde: Ruben, één deel.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | אֶפְרַ֗יִם (efrayim) = Efraïm | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛ים (qadim) = oost | וְעַד (vead) = en tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | רְאוּבֵ֥ן (reuven) = Ruben | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:32; Gen 49:3–4; Joz 13:15–21 **48:7** **Aan de grens van Ruben, van de oostzijde tot de westzijde: Juda, één deel.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | רְאוּבֵ֗ן (reuven) = Ruben | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛ים (qadim) = oost | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | יְהוּדָ֥ה (yehuda) = Juda | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:35; Joz 15:1–63; Joz 19:9 ### De heilige heffing **48:8** **Aan de grens van Juda, van de oostzijde tot de westzijde, ligt de heffing die jullie heffen: 25.000 breed. De lengte is gelijk aan een van de delen, van de oostzijde tot de westzijde. Het heiligdom is in het midden ervan.** Brontekst: וְעַל֙ (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | יְהוּדָ֔ה (yehuda) = Juda | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֖ים (qadim) = oost | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֑מָּה (yama) = west | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | הַתְּרוּמָ֣ה (hateruma) = de heffing | אֲֽשֶׁר (asher) = die | תָּרִ֡ימוּ (tarimu) = jullie zullen heffen | חֲמִשָּׁה֩ (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִ֨ים (veesrim) = en twintig | אֶ֜לֶף (elef) = duizend | רֹ֗חַב (rochav) = breedte | וְאֹ֜רֶךְ (veorekh) = en lengte | כְּאַחַ֤ד (keachad) = als één van | הַחֲלָקִים֙ (hachalaqim) = de delen | מִפְּאַ֤ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֨ימָה֙ (qadima) = oostwaarts | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֔מָּה (yama) = west | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | הַמִּקְדָּ֖שׁ (hamiqdash) = het heiligdom | בְּתוֹכֽוֹ (betokho) = in het midden ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַתְּרוּמָה (hatterumah), ‘de heffing’: het deel van het land dat voor Yahweh wordt afgezonderd. Het wordt ook zo genoemd in Ezech. 45:1. Het getal 25.000 heeft in de tekst geen maateenheid. Zie ook de maten in Ezech. 45:1–5. Zie ook: Jes 12:6; Jes 33:20–22; Ezech 45:1–6; Ezech 48:21; Openb 21:3 **48:9** **De heffing die jullie voor Yahweh heffen, is 25.000 lang en 10.000 breed.** Brontekst: הַתְּרוּמָ֕ה (hateruma) = de heffing | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | תָּרִ֖ימוּ (tarimu) = jullie zullen heffen | לַֽיהוָ֑ה (laYahweh) = aan Yahweh | אֹ֗רֶךְ (orekh) = lengte | חֲמִשָּׁ֤ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִֽים (alafim) = duizenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **48:10** **Voor hen komt de heilige heffing, voor de priesters: aan de noordzijde 25.000, aan de westzijde 10.000 breed, aan de oostzijde 10.000 breed en aan de zuidzijde 25.000 lang. Het heiligdom van Yahweh is in het midden ervan.** Brontekst: וּ֠לְאֵ֜לֶּה (uleele) = en voor deze | תִּהְיֶ֣ה (tihye) = zal zijn | תְרֽוּמַת (terumat) = heffing van | הַקֹּדֶשׁ֮ (haqodesh) = het heilige | לַכֹּֽהֲנִים֒ (lakohanim) = voor de priesters | צָפ֜וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | חֲמִשָּׁ֧ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִ֣ים (veesrim) = en twintig | אֶ֗לֶף (elef) = duizend | וְיָ֨מָּה֙ (veyama) = en westwaarts | רֹ֚חַב (rochav) = breedte | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | וְקָדִ֗ימָה (veqadima) = en oostwaarts | רֹ֚חַב (rochav) = breedte | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | וְנֶ֕גְבָּה (venegba) = en zuidwaarts | אֹ֕רֶךְ (orekh) = lengte | חֲמִשָּׁ֥ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וְהָיָ֥ה (vehaya) = en het zal zijn | מִקְדַּשׁ (miqdash) = heiligdom van | יְהוָ֖ה (Yahweh) = Yahweh | בְּתוֹכֽוֹ (betokho) = in het midden ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Num 35:1–9; Ezech 44:28; Ezech 45:4; Mat 10:10; 1 Kor 9:13–14 ### De priesters en de Levieten **48:11** **Het is voor de priesters die gewijd zijn, uit de zonen van Zadok. Zij hebben Mijn dienst waargenomen. Zij zijn niet afgedwaald toen de zonen van Israël afdwaalden, zoals de Levieten afdwaalden.** Brontekst: לַכֹּהֲנִ֤ים (lakohanim) = voor de priesters | הַֽמְקֻדָּשׁ֙ (hamqudash) = de gewijde | מִבְּנֵ֣י (mibenei) = van de zonen van | צָד֔וֹק (tsadoq) = Zadok | אֲשֶׁ֥ר (asher) = die | שָׁמְר֖וּ (shameru) = hebben waargenomen | מִשְׁמַרְתִּ֑י (mishmarti) = Mijn dienst | אֲשֶׁ֣ר (asher) = die | לֹֽא (lo) = niet | תָע֗וּ (tau) = zijn afgedwaald | בִּתְעוֹת֙ (bitot) = bij het afdwalen van | בְּנֵ֣י (benei) = zonen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | כַּאֲשֶׁ֥ר (kaasher) = zoals | תָּע֖וּ (tau) = zij zijn afgedwaald | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: הַמְקֻדָּשׁ (hammequddash), ‘de gewijde’: het gaat om priesters die voor hun dienst zijn afgezonderd. Voetnoot : צָדוֹק (Tsadoq), ‘Zadok’: zie Ezech. 44:15, waar deze priesters worden genoemd. Zie ook: Ezech 40:46; Ezech 44:10; Ezech 44:15; Mat 24:45–46; 2 Tim 4:7–8; Openb 2:10 **48:12** **Zij krijgen een eigen gave uit de heffing van het land: iets hoogheiligs, naast het gebied van de Levieten.** Brontekst: וְהָיְתָ֨ה (vehayeta) = en het zal zijn | לָהֶ֧ם (lahem) = voor hen | תְּרוּמִיָּ֛ה (terumiya) = gave | מִתְּרוּמַ֥ת (miterumat) = uit de heffing van | הָאָ֖רֶץ (haarets) = het land | קֹ֣דֶשׁ (qodesh) = heilig | קָדָשִׁ֑ים (qadashim) = van heiligen | אֶל (el) = naast | גְּב֖וּל (gevul) = grens van | הַלְוִיִּֽם (halviyim) = de Levieten Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תְּרוּמִיָּה (terumiyyah), ‘gave’: een zeldzame vorm van het woord terumah (‘heffing’). Zie ook: Lev 27:21; Ezech 45:4 **48:13** **De Levieten krijgen, langs het gebied van de priesters, 25.000 in de lengte en 10.000 in de breedte. De hele lengte is 25.000 en de breedte 10.000.** Brontekst: וְהַלְוִיִּ֗ם (vehalviyim) = en de Levieten | לְעֻמַּת֙ (leumat) = langs | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | הַכֹּהֲנִ֔ים (hakohanim) = de priesters | חֲמִשָּׁ֨ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | אֹ֔רֶךְ (orekh) = lengte | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | עֲשֶׂ֣רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִ֑ים (alafim) = duizenden | כָּל (kal) = heel | אֹ֗רֶךְ (orekh) = lengte | חֲמִשָּׁ֤ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | וְרֹ֖חַב (verochav) = en breedte | עֲשֶׂ֥רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִֽים (alafim) = duizenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het Hebreeuws zegt hier ‘de hele lengte 25.000 en de breedte 10.000’. Samen zijn de delen van de priesters en van de Levieten 10.000 plus 10.000 breed. Sommige oude vertalingen lezen daarom 20.000. Wij volgen de Hebreeuwse tekst. Zie ook: Deut 12:19; Ezech 45:3; Ezech 45:5; Luc 10:7 **48:14** **Men mag er niets van verkopen, het niet ruilen en dit eerste deel van het land niet overdragen. Want het is heilig voor Yahweh.** Brontekst: וְלֹא (velo) = en niet | יִמְכְּר֣וּ (yimkeru) = zullen verkopen | מִמֶּ֗נּוּ (mimenu) = ervan | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יָמֵ֛ר (yamer) = zal ruilen | וְלֹ֥א (velo) = en niet | יַעֲבִ֖יר (yaavir) = zal overdragen | רֵאשִׁ֣ית (reshit) = het eerste van | הָאָ֑רֶץ (haarets) = het land | כִּי (ki) = want | קֹ֖דֶשׁ (qodesh) = heilig | לַיהוָֽה (laYahweh) = voor Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רֵאשִׁית (reshit), ‘het eerste’: het beste of eerste deel van het land. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat יעבור (ya’avor), ‘hij zal overgaan’. De voorgelezen tekst (qere) is יַעֲבִיר (ya’avir), ‘hij zal overdragen’. Wij volgen de qere. Zie ook: Lev 23:20; Lev 27:9–10; Lev 27:28; Ezech 48:12; Mal 3:8–10 ### Het gebied van de stad **48:15** **De overige 5.000 in de breedte, langs de 25.000, zijn gewoon land. Het is voor de stad, voor woonplaatsen en weidegrond. De stad ligt in het midden ervan.** Brontekst: וַחֲמֵ֨שֶׁת (vachameshet) = en vijf | אֲלָפִ֜ים (alafim) = duizenden | הַנּוֹתָ֣ר (hanotar) = wat overblijft | בָּרֹ֗חַב (barochav) = in de breedte | עַל (al) = langs | פְּנֵ֨י (penei) = voorkant van | חֲמִשָּׁ֤ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | חֹֽל (chol) = niet-heilig | ה֣וּא (hu) = het | לָעִ֔יר (lair) = voor de stad | לְמוֹשָׁ֖ב (lemoshav) = tot woonplaats | וּלְמִגְרָ֑שׁ (ulemigrash) = en tot weidegrond | וְהָיְתָ֥ה (vehayeta) = en zal zijn | הָעִ֖יר (hair) = de stad | בְּתוֹכֽוֹ (betokho) = in het midden ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: חֹל (chol), ‘gewoon, niet heilig’: het tegenovergestelde van heilig. Dit deel mag voor wonen en voor gewoon gebruik dienen. וּלְמִגְרָשׁ (ulemigrash), ‘weidegrond’: zoals in Num. 35:2. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat בתוכה (betochah), ‘in haar midden’. De voorgelezen tekst (qere) is בְּתוֹכוֹ (betocho), ‘in zijn midden’. Wij volgen de qere. Zie ook: Num 35:2; Ezech 22:26; Ezech 42:20; Ezech 44:23; Ezech 45:6; 1 Tim 3:15 **48:16** **Dit zijn haar maten: de noordzijde 4.500, de zuidzijde 4.500, de oostzijde 4.500 en de westzijde 4.500.** Brontekst: וְאֵלֶּה֮ (veele) = en dit | מִדּוֹתֶיהָ֒ (midoteiha) = haar maten | פְּאַ֣ת (peat) = zijde van | צָפ֗וֹן (tsafon) = noord | חֲמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | מֵאוֹת֙ (meot) = honderden | וְאַרְבַּ֣עַת (vearbaat) = en vier | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | וּפְאַת (ufeat) = en zijde van | נֶ֕גֶב (negev) = zuid | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | חמש (chamesh) = vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderden | וְאַרְבַּ֣עַת (vearbaat) = en vier | אֲלָפִ֑ים (alafim) = duizenden | וּמִפְּאַ֣ת (umipeat) = en vanaf de zijde van | קָדִ֗ים (qadim) = oost | חֲמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | מֵאוֹת֙ (meot) = honderden | וְאַרְבַּ֣עַת (vearbaat) = en vier | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | וּפְאַת (ufeat) = en zijde van | יָ֕מָּה (yama) = west | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֖וֹת (meot) = honderden | וְאַרְבַּ֥עַת (vearbaat) = en vier | אֲלָפִֽים (alafim) = duizenden Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: Het getal 4.500 staat in het Hebreeuws als ‘vier duizend en vijf honderd’. In de zuidzijde staat het woord ‘vijf’ twee keer; wij nemen één ‘vijf’. Zie ook: Openb 21:16 **48:17** **De stad krijgt weidegrond: noordwaarts tweehonderdvijftig, zuidwaarts tweehonderdvijftig, oostwaarts tweehonderdvijftig en westwaarts tweehonderdvijftig.** Brontekst: וְהָיָ֣ה (vehaya) = en het zal zijn | מִגְרָשׁ֮ (migrash) = weidegrond | לָעִיר֒ (lair) = voor de stad | צָפ֨וֹנָה֙ (tsafona) = noordwaarts | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | וּמָאתַ֔יִם (umatayim) = en tweehonderd | וְנֶ֖גְבָּה (venegba) = en zuidwaarts | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | וּמָאתָ֑יִם (umatayim) = en tweehonderd | וְקָדִ֨ימָה֙ (veqadima) = en oostwaarts | חֲמִשִּׁ֣ים (chamishim) = vijftig | וּמָאתַ֔יִם (umatayim) = en tweehonderd | וְיָ֖מָּה (veyama) = en westwaarts | חֲמִשִּׁ֥ים (chamishim) = vijftig | וּמָאתָֽיִם (umatayim) = en tweehonderd Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **48:18** **Wat overblijft in de lengte, langs de heilige heffing, is 10.000 naar het oosten en 10.000 naar het westen. Het ligt langs de heilige heffing. Zijn opbrengst is brood voor de knechten van de stad.** Brontekst: וְהַנּוֹתָ֨ר (vehanotar) = en wat overblijft | בָּאֹ֜רֶךְ (baorekh) = in de lengte | לְעֻמַּ֣ת (leumat) = langs | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = heffing van | הַקֹּ֗דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | עֲשֶׂ֨רֶת (aseret) = tien | אֲלָפִ֤ים (alafim) = duizenden | קָדִ֨ימָה֙ (qadima) = oostwaarts | וַעֲשֶׂ֤רֶת (vaaseret) = en tien | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizenden | יָ֔מָּה (yama) = westwaarts | וְהָיָ֕ה (vehaya) = en het zal zijn | לְעֻמַּ֖ת (leumat) = langs | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = heffing van | הַקֹּ֑דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וְהָיְתָ֤ה (vehayeta) = en zal zijn | תְבֽוּאָתוֹ֙ (tevuato) = zijn opbrengst | לְלֶ֔חֶם (lelechem) = tot brood | לְעֹבְדֵ֖י (leovedei) = voor de dienaren van | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לְעֹבְדֵי הָעִיר (la’avdei ha’ir), ‘voor de knechten van de stad’: wie in de stad werkt. Voetnoot Lezing: In de geschreven tekst (ketiv) staat תבואתה (tevu’atah), ‘haar opbrengst’. De voorgelezen tekst (qere) is תְבוּאָתוֹ (tevu’ato), ‘zijn opbrengst’. Wij volgen de qere. Zie ook: Joz 9:27; Ezech 45:6; Ezra 2:43–58; Neh 7:46–62 **48:19** **Wie de stad dient, uit alle stammen van Israël, bewerkt het.** Brontekst: וְהָעֹבֵ֖ד (vehaoved) = en wie dient | הָעִ֑יר (hair) = de stad | יַעַבְד֕וּהוּ (yaavduhu) = zullen het bewerken | מִכֹּ֖ל (mikol) = uit alle | שִׁבְטֵ֥י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵֽל (yisrael) = Israël Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: וְהָעֹבֵד (veha’oved), ‘wie dient’: een enkelvoud met de betekenis van een groep. Uit alle stammen komen dus werkers voor het land van de stad. Zie ook: 1 Kon 4:7–5:3; Ezech 45:6; Neh 11:1–36 **48:20** **De hele heffing is 25.000 bij 25.000. Als een vierkant heffen jullie de heilige heffing, samen met het bezit van de stad.** Brontekst: כָּל (kal) = heel | הַתְּרוּמָ֗ה (hateruma) = de heffing | חֲמִשָּׁ֤ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִים֙ (veesrim) = en twintig | אֶ֔לֶף (elef) = duizend | בַּחֲמִשָּׁ֥ה (bachamisha) = bij vijf | וְעֶשְׂרִ֖ים (veesrim) = en twintig | אָ֑לֶף (alef) = duizend | רְבִיעִ֗ית (reviit) = vierkant | תָּרִ֨ימוּ֙ (tarimu) = jullie zullen heffen | אֶת (et) = (obj.) | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = heffing van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | אֶל (el) = tot | אֲחֻזַּ֖ת (achuzat) = bezit van | הָעִֽיר (hair) = de stad Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: רְבִיעִית (revi’it), ‘vierkant’: het woord is verwant met ‘vier’. Het hele gebied van 25.000 bij 25.000 is een vierkant. Het is de som van het deel van de priesters, het deel van de Levieten en het gebied van de stad: 10.000 plus 10.000 plus 5.000 breed. Zie ook: Heb 12:17; Openb 21:16 ### Het deel van de vorst **48:21** **Wat overblijft is voor de vorst, aan beide kanten van de heilige heffing en van het bezit van de stad. Het ligt langs de 25.000 van de heffing tot de oostgrens en langs de 25.000 tot de westgrens, evenwijdig aan de delen. Het is voor de vorst. De heilige heffing en het heiligdom van het huis zijn in het midden ervan.** Brontekst: וְהַנּוֹתָ֣ר (vehanotar) = en wat overblijft | לַנָּשִׂ֣יא (lanasi) = voor de vorst | מִזֶּ֣ה (mize) = aan de ene kant | וּמִזֶּ֣ה (umize) = en aan de andere | לִתְרֽוּמַת (litrumat) = van de heffing van | הַקֹּ֣דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וְלַאֲחֻזַּ֪ת (velaachuzat) = en van het bezit van | הָעִ֟יר (hair) = de stad | אֶל (el) = langs | פְּנֵ֣י (penei) = voorkant van | חֲמִשָּׁה֩ (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִ֨ים (veesrim) = en twintig | אֶ֥לֶף (elef) = duizend | תְּרוּמָה֮ (teruma) = heffing | עַד (ad) = tot | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | קָדִימָה֒ (qadima) = oostwaarts | וְיָ֗מָּה (veyama) = en westwaarts | עַל (al) = langs | פְּ֠נֵי (penei) = voorkant van | חֲמִשָּׁ֨ה (chamisha) = vijf | וְעֶשְׂרִ֥ים (veesrim) = en twintig | אֶ֨לֶף֙ (elef) = duizend | עַל (al) = langs | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | יָ֔מָּה (yama) = west | לְעֻמַּ֥ת (leumat) = evenwijdig aan | חֲלָקִ֖ים (chalaqim) = delen | לַנָּשִׂ֑יא (lanasi) = voor de vorst | וְהָֽיְתָה֙ (vehayeta) = en zal zijn | תְּרוּמַ֣ת (terumat) = heffing van | הַקֹּ֔דֶשׁ (haqodesh) = het heilige | וּמִקְדַּ֥שׁ (umiqdash) = en heiligdom van | הַבַּ֖יִת (habayit) = het huis | בְּתוֹכֽוֹ (betokho) = in het midden ervan Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: לַנָּשִׂיא (lannasi), ‘voor de vorst’: het deel van de vorst ligt aan beide kanten van het vierkant, tot aan de oostgrens en de westgrens van het land. Zie ook Ezech. 45:7. Voetnoot Lezing: Aan het eind van het vers staat in de geschreven tekst (ketiv) בתוכה (betochah), in de voorgelezen tekst (qere) בְּתוֹכוֹ (betocho): ‘in het midden ervan’. Wij volgen de qere. Zie ook: Hos 2:2; Ezech 34:23–24; Ezech 45:7–8; Ezech 48:8; Ezech 48:22 **48:22** **Het bezit van de Levieten en het bezit van de stad liggen midden in wat van de vorst is. Wat tussen de grens van Juda en de grens van Benjamin ligt, is voor de vorst.** Brontekst: וּמֵאֲחֻזַּ֤ת (umeachuzat) = en vanaf het bezit van | הַלְוִיִּם֙ (halviyim) = de Levieten | וּמֵאֲחֻזַּ֣ת (umeachuzat) = en vanaf het bezit van | הָעִ֔יר (hair) = de stad | בְּת֛וֹךְ (betokh) = in het midden van | אֲשֶׁ֥ר (asher) = wat | לַנָּשִׂ֖יא (lanasi) = voor de vorst | יִֽהְיֶ֑ה (yihye) = zal zijn | בֵּ֣ין (bein) = tussen | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | יְהוּדָ֗ה (yehuda) = Juda | וּבֵין֙ (uvein) = en tussen | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | בִּנְיָמִ֔ן (binyamin) = Benjamin | לַנָּשִׂ֖יא (lanasi) = voor de vorst | יִהְיֶֽה (yihye) = zal zijn Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De zin begint met ‘vanaf het bezit van de Levieten en vanaf het bezit van de stad’. De bedoeling is: deze twee liggen midden in het deel van de vorst. Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk. ### De stammen in het zuiden **48:23** **De overige stammen, van de oostzijde tot de westzijde: Benjamin, één deel.** Brontekst: וְיֶ֖תֶר (veyeter) = en de rest van | הַשְּׁבָטִ֑ים (hashevatim) = de stammen | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛ימָה (qadima) = oostwaarts | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | בִּנְיָמִ֥ן (binyamin) = Benjamin | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 35:16–19; Joz 18:21–28; Ezech 48:1–7 **48:24** **Aan de grens van Benjamin, van de oostzijde tot de westzijde: Simeon, één deel.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | בִּנְיָמִ֗ן (binyamin) = Benjamin | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛ימָה (qadima) = oostwaarts | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | שִׁמְע֥וֹן (shimon) = Simeon | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 29:33; Gen 49:5–7; Joz 19:1–9 **48:25** **Aan de grens van Simeon, van de oostzijde tot de westzijde: Issachar, één deel.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | שִׁמְע֗וֹן (shimon) = Simeon | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛ימָה (qadima) = oostwaarts | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | יִשָׂשכָ֥ר (yisashkhar) = Issachar | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:14–18; Joz 19:17–23 **48:26** **Aan de grens van Issachar, van de oostzijde tot de westzijde: Zebulon, één deel.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | יִשָׂשכָ֗ר (yisashkhar) = Issachar | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛ימָה (qadima) = oostwaarts | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | זְבוּלֻ֥ן (zevulun) = Zebulon | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:19–20; Joz 19:10–16 **48:27** **Aan de grens van Zebulon, van de oostzijde tot de westzijde: Gad, één deel.** Brontekst: וְעַ֣ל (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | זְבוּלֻ֗ן (zevulun) = Zebulon | מִפְּאַ֥ת (mipeat) = vanaf de zijde van | קָדִ֛מָה (qadima) = oostwaarts | עַד (ad) = tot | פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֖מָּה (yama) = west | גָּ֥ד (gad) = Gad | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Gen 30:10–11; Joz 13:24–28 **48:28** **Aan de grens van Gad, aan de zuidzijde, naar het zuiden, loopt de grens van Tamar naar het water van Meriba bij Kades, langs de beek naar de Grote Zee.** Brontekst: וְעַל֙ (veal) = en naast | גְּב֣וּל (gevul) = grens van | גָּ֔ד (gad) = Gad | אֶל (el) = naar | פְּאַ֖ת (peat) = zijde van | נֶ֣גֶב (negev) = zuid | תֵּימָ֑נָה (teimana) = zuidwaarts | וְהָיָ֨ה (vehaya) = en het zal zijn | גְב֜וּל (gevul) = grens | מִתָּמָ֗ר (mitamar) = vanaf Tamar | מֵ֚י (mei) = water van | מְרִיבַ֣ת (merivat) = Meriba | קָדֵ֔שׁ (qadesh) = Kades | נַחֲלָ֖ה (nachala) = beek | עַל (al) = naar | הַיָּ֥ם (hayam) = de zee | הַגָּדֽוֹל (hagadol) = de grote Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Plaats: Zie Tamar (ligging onzeker): Tamar ligt aan de zuidgrens van het land in Ezechiël 47:19, ten zuiden van de Zoutzee, waarschijnlijk bij Ein Husb. Dit is niet zeker. Zie Meriba (bij Kades; ligging onzeker): Meriba bij Kades (Numeri 20:13), waarschijnlijk Ain Qudeirat in het noorden van de Sinaïwoestijn. Er is ook een Meriba bij Refidim (Exodus 17:7). Welke plaats in Psalm 81:8 en 106:32 bedoeld is, is niet helemaal zeker. Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev. Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land. Voetnoot Uitleg: נַחֲלָה (nachalah), ‘beek’: zie de uitleg bij Ezech. 47:19. De zuidgrens is dezelfde als daar. Zie ook: Gen 15:18; Num 20:1; 2 Kron 20:2; Ezech 47:15; Ezech 47:19–20 ### Het einde van de rede van Yahweh **48:29** **Dit is het land dat jullie als erfdeel verdelen voor de stammen van Israël, en dit zijn hun delen, godsspraak van Heer Yahweh.”** Brontekst: זֹ֥את (zot) = dit | הָאָ֛רֶץ (haarets) = het land | אֲשֶׁר (asher) = dat | תַּפִּ֥ילוּ (tapilu) = jullie zullen laten vallen | מִֽנַּחֲלָ֖ה (minachala) = als erfdeel | לְשִׁבְטֵ֣י (leshivtei) = voor de stammen van | יִשְׂרָאֵ֑ל (yisrael) = Israël | וְאֵ֨לֶּה֙ (veele) = en dit | מַחְלְקוֹתָ֔ם (machleqotam) = hun delen | נְאֻ֖ם (neum) = godsspraak van | אֲדֹנָ֥י (adonay) = Heer | יְהוִֽה (Yahweh) = Yahweh Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: תַּפִּילוּ (tappilu), ‘jullie laten vallen’: het land wordt bij loting verdeeld; zie de uitleg bij Ezech. 47:22. Voetnoot : נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11. Hier eindigt de rede die in Ezech. 47:13 begon. Zie ook: Num 34:2; Num 34:13; Joz 13:1–21; Ezech 5:11; Ezech 47:13–22; Ezech 47:22 ### De poorten van de stad **48:30** Dit zijn de uitgangen van de stad: aan de noordzijde, 4.500 in maat. Brontekst: וְאֵ֖לֶּה (veele) = en dit | תּוֹצְאֹ֣ת (totseot) = uitgangen van | הָעִ֑יר (hair) = de stad | מִפְּאַ֣ת (mipeat) = vanaf de zijde van | צָפ֔וֹן (tsafon) = noord | חֲמֵ֥שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֛וֹת (meot) = honderden | וְאַרְבַּ֥עַת (vearbaat) = en vier | אֲלָפִ֖ים (alafim) = duizenden | מִדָּֽה (mida) = maat Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Zie ook: Ezech 48:16; Ezech 48:32–35; Openb 21:16 **48:31** De poorten van de stad dragen de namen van de stammen van Israël. Er zijn drie poorten naar het noorden: de poort van Ruben, één; de poort van Juda, één; de poort van Levi, één. Brontekst: וְשַׁעֲרֵ֣י (veshaarei) = en poorten van | הָעִ֗יר (hair) = de stad | עַל (al) = naar | שְׁמוֹת֙ (shemot) = namen van | שִׁבְטֵ֣י (shivtei) = stammen van | יִשְׂרָאֵ֔ל (yisrael) = Israël | שְׁעָרִ֥ים (shearim) = poorten | שְׁלוֹשָׁ֖ה (shelosha) = drie | צָפ֑וֹנָה (tsafona) = noordwaarts | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | רְאוּבֵ֞ן (reuven) = Ruben | אֶחָ֗ד (echad) = één | שַׁ֤עַר (shaar) = poort van | יְהוּדָה֙ (yehuda) = Juda | אֶחָ֔ד (echad) = één | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | לֵוִ֖י (levi) = Levi | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: De twaalf poorten dragen de namen van de twaalf stammen: Ruben, Juda en Levi in het noorden; Jozef, Benjamin en Dan in het oosten; Simeon, Issachar en Zebulon in het zuiden; Gad, Aser en Naftali in het westen. Jozef staat hier voor Efraïm en Manasse samen. Levi heeft hier geen landsdeel, maar wel een poort. Zie ook: Jes 26:1–2; Jes 54:12; Openb 21:12–13; Openb 21:21; Openb 21:25 **48:32** Aan de oostzijde, 4.500, zijn drie poorten: de poort van Jozef, één; de poort van Benjamin, één; de poort van Dan, één. Brontekst: וְאֶל (veel) = en naar | פְּאַ֣ת (peat) = zijde van | קָדִ֗ימָה (qadima) = oostwaarts | חֲמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | מֵאוֹת֙ (meot) = honderden | וְאַרְבַּ֣עַת (vearbaat) = en vier | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | וּשְׁעָרִ֖ים (ushearim) = en poorten | שְׁלֹשָׁ֑ה (shelosha) = drie | וְשַׁ֨עַר (veshaar) = en poort van | יוֹסֵ֜ף (yosef) = Jozef | אֶחָ֗ד (echad) = één | שַׁ֤עַר (shaar) = poort van | בִּנְיָמִן֙ (binyamin) = Benjamin | אֶחָ֔ד (echad) = één | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | דָּ֖ן (dan) = Dan | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **48:33** De zuidzijde, 4.500 in maat, heeft drie poorten: de poort van Simeon, één; de poort van Issachar, één; de poort van Zebulon, één. Brontekst: וּפְאַת (ufeat) = en zijde van | נֶ֗גְבָּה (negba) = zuidwaarts | חֲמֵ֨שׁ (chamesh) = vijf | מֵא֜וֹת (meot) = honderden | וְאַרְבַּ֤עַת (vearbaat) = en vier | אֲלָפִים֙ (alafim) = duizenden | מִדָּ֔ה (mida) = maat | וּשְׁעָרִ֖ים (ushearim) = en poorten | שְׁלֹשָׁ֑ה (shelosha) = drie | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | שִׁמְע֞וֹן (shimon) = Simeon | אֶחָ֗ד (echad) = één | שַׁ֤עַר (shaar) = poort van | יִשָּׂשכָר֙ (yisashkhar) = Issachar | אֶחָ֔ד (echad) = één | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | זְבוּלֻ֖ן (zevulun) = Zebulon | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) **48:34** De westzijde, 4.500, heeft drie poorten: de poort van Gad, één; de poort van Aser, één; de poort van Naftali, één. Brontekst: פְּאַת (peat) = zijde van | יָ֗מָּה (yama) = west | חֲמֵ֤שׁ (chamesh) = vijf | מֵאוֹת֙ (meot) = honderden | וְאַרְבַּ֣עַת (vearbaat) = en vier | אֲלָפִ֔ים (alafim) = duizenden | שַֽׁעֲרֵיהֶ֖ם (shaareihem) = hun poorten | שְׁלֹשָׁ֑ה (shelosha) = drie | שַׁ֣עַר (shaar) = poort van | גָּ֞ד (gad) = Gad | אֶחָ֗ד (echad) = één | שַׁ֤עַר (shaar) = poort van | אָשֵׁר֙ (asher) = Aser | אֶחָ֔ד (echad) = één | שַׁ֥עַר (shaar) = poort van | נַפְתָּלִ֖י (naftali) = Naftali | אֶחָֽד (echad) = één Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) ### De naam van de stad **48:35** Rondom is het 18.000. En de naam van de stad is vanaf die dag: Yahweh is daar. Brontekst: סָבִ֕יב (saviv) = rondom | שְׁמֹנָ֥ה (shemona) = acht | עָשָׂ֖ר (asar) = tien | אָ֑לֶף (alef) = duizend | וְשֵׁם (veshem) = en naam van | הָעִ֥יר (hair) = de stad | מִיּ֖וֹם (miyom) = vanaf de dag | יְהוָ֥ה (Yahweh) = Yahweh | שָֽׁמָּה (shama) = daar Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) Voetnoot Uitleg: יְהוָה שָׁמָּה (Yahweh shammah), ‘Yahweh is daar’: de naam van de stad. מִיּוֹם (miyyom), ‘vanaf die dag’: letterlijk ‘vanaf de dag’. Vergelijk Ezech. 10:18–19 en 11:23, waar de heerlijkheid van Yahweh de stad verlaat, en Ezech. 43:1–5, waar zij terugkeert. Zie ook: Jer 3:17; Jer 33:16; Ezech 10:18–19; Ezech 11:23; Ezech 43:1–5; Zach 2:14; Openb 21:3; Openb 22:3